ffl .V \'
:*:v.-a
\' V-? K4 ^ t^.\'S f ■
\\ ^ r\' gt;
» trTu-A.,,\'quot;i Vb\'\' *.•quot;■- Ï \' ^\' I
**gt;
\'
:
rr;^v •
■;.•■gt; -J-Kw, ;\',f\';V
■rSï.rfr\'l\',V A7f;gt; •lt;
*v -gt;igt;w, • ^ O# ^r\' Jï.. a r*; ■ \'gt; lt; , ^-X i*§.%/ ,\' y- - \'lt; ■ ■ . • w r/ gt; \' ww ** ^ i, i
^ quot;r
/h
^ \\ ■ ! ---A !..
v amp;
L\'f UV k\'
A-- gt;•
\'5
25,
Kast 175
PI. D N0?5
-
. - gt; y r-
/ /. . ■\' \'A s
^-tiFgt;iOERD
HET ONTWERP VAN WET
TOT mCGKLlNG
VAN HET NOTARISAMBT.
Reeds elders (1) heb ik met een enkel woord als mijne raeening te kennen gegeven, dat het door de Regeering bij de Tweede Kamer ingediende wetsontwerp tot regeling van het Notarisambt, al bevat het veel goeds en al hoopte ik, dat het ten slotte — hier en daar gewijzigd — dbor de Volksvertegenwoordiging tot wet zou worden verheven, toch ook aan den onbevooroordeelden lezer — en ik durf mij daartoe rekenen — al sta ik tot de geschiedenis van dit ontwerp in zeer nauw verband stof geeft tot gegronde bedenkingen.
Men mag aannemen, dat vaststaat, dat niet alleen eene wijziging maar eene vervanging van de bestaande wet op liet notariaat door eene andere is noodig geworden. Zoowel de Volksvertegenwoordiging drong er op aan als het publiek en zoowel de vroegere Regeering als de tegenwoordige toonden door hare daden, dat ook zij doordrongen waren van die noodzakelijkheid.
Waardoor was die noodzakelijkheid ontstaan?
Kleefden aan de wet zulke groote gebreken of waren het de bekleeders van het ambt die door hunne handelingen of nalatigheden tot eene herziening aanleiding gaven? —
Mijns inziens beide. •—
De zoogenaamde buiten-ambtelijke werkzaamheden der
d) Men zie het onder mijne redactie staande Weekblad voor Notarisambt en Registratie, dd. 7 en 13 Februari 1887, no. 894, 895,
notarissen voerden — vooral in de laatste jaren — onderscheidene hunner op wegen, die niet alleen tot hun ondergang leidden, maar die ook aan hot publiek groote verliezen toebrachten. Buiten de door verwijdering of ontslag bekend geworden gevallen waren er nog onderscheidene — ieder kent ze in zijnen kring — van wie na hunnen dood of al dan niet eervol ontslag bleek, dat de rechte weg niet was bewandeld, al dekten meestal bloedverwanten of vrienden de tekortkoming van den overledene.
De oorzaken waren velerlei. De een werd tot verkeerde ^ handelingen gedreven door honger, een tweede door hoogmoed, een derde door speelzucht of speculatie, een vierde door onkunde, een vijfde door onbekendheid met eigen financieelen toestand, een zesde kon de weelde niet dragen, een zevende kon door zijn persoon geen vertrouwen wekken, een achtste trachtte dit te doen door ongeoorloofde en onpassende uitgaven, een negende weder waagde verdiend of gedeponeerd geld om maar praktijk te trekken, een tiende was het slachtoffer van de tijdsomstandigheden.... maar waartoe meer. Eén familietrek hadden echter de meeste mal versatiën: zij sproten voornamelijk voort, niet uit de werkzaamheden der notarissen als authentiseurs, \\ maar uit do zoogenoemde buiten wettelijke bezigheden; uit die werkzaamheden alzoo, die het publiek gewoon is geraakt den notaris te zien of te doen uitoefenen buiten den eigenlijken hem door de wet gestelden werkkring.
De voorgangster der tegenwoordige Regeering was overtuigd dat maatregelen noodig waren om de malversatiën te voorkomen of te beperken. Zij wilde daartoe in de eerste plaats het toezicht verbeteren, maar verklaarde zich tevens bereid hare aandacht ook aan andere maatregelen te wijden.
Toen zij mij de eer der samenstelling van een ontwerp opdroeg naar aanleiding van een mij verzocht rapport over
de vraag: welke wijzigingen in de vigeerende wet op het Notarisambt in mijn oog wenschelijk waren, lag het inden aard der zaak en was liet naar ik meen logisch, dat ik mij bij do volbrenging van mijne taak deze vragen stelde: a. wat gaf aanleiding tot de opdracht; b. wat maakte de wetswijziging noodzakelijk? De beantwoording bracht naar mijne meening noodzakelijk mede, dat de nieuwe wet aan de zoogenoemde buiten-wettelijke werkzaamheden der notarissen hare aandacht behoorde te schenken, cn dat zij moest trachten middelen te vinden tot verheffing van het ambt.
Bij de samenstelling nu van een ontwerp meende ik •— cn bij geen ontwerp, dat ten doel heeft het notariaat te verheffen zal men zich daaraan kunnen onttrekken — dat tweeërlei in het oog diende te worden gehouden. Men heeft namelijk te letten op do belangen van het publiek en op die van den notaris. De groote kunst bestaat er dus slechts in om niet eenzijdig een van beider belangen op den voorgrond te stellen.
Daaraan heb ik mij, naar ik meen, als regel niet schuldig gemaakt. (1) Wel liet ik steeds, waar het mij voorkwam, dat de belangen van het publiek en die van den notaris strijden, de eerste voorgaan — iets wat natuurlijk is — doch daar waar de beide belangen vereenigd konden worden streefde ik daarnaar. Ik wil o. a. enkel wijzen op de bepalingen omtrent de ressorten, op die waarbij werd voorgeschreven, dat de overdracht van onroerende zaken, de vestiging of afstand van
(1) Onder liot corrigeeren der drukproeven (li Maart) ontvang ik van de uitgevers eene zeer lezenswaardige brochure van Mr. Trf.ud ; «De civielrechtelijke verantwoordelijkheid van den notaris.quot; Ook deze meent, maar toont, in zijne overigens objectieve en daarom meer dan andere juiste beschouwingen niet aan, dat het ontwerp-sannes eene anti-notarieele strekking heeft, die gedeeltelijk zou voortvloeien uit de betrekking van den samensteller. Dit argument moest dienst doen, maar werd niet gestaafd.
zakelijke rechten op die zaken slechts zouden kunnen geschieden ten gevolge van authentieke akten, (1) op die waarbij den notaris werd vergund te vorderen dat zij, die
(1) Dat ilcigolijki\' hepaling uaui\' de. regelen iter codilicatie in «lezo wet niet tehuis behoort onderschrijf ik natuurlijk, doch een ahsolnut beletsel or tegen bestaat niet. Wij vinden in onze wetten zoo dikwerf leges fugitivao, dat een meer of minder niet schaden zou.
De Broederschap van Notarissen in Nederland was van oordeel (men zie Rapporten over het ontwerp-SanneS pag. 2) dat niet eene herziening der wet op het notarisambt behoorden gepaard te gaan:
1°. Herziening der wet op de openbare verkoopingen van roerende goederen :
2°. Wettelijke bepalingen, dat notarissen bij uitsluiting tot het houden van openbare verkoopingen, verhuringen en verpachtingen van onroerende zaken bevoegd zijn :
3°. Wettelijke bepalingen, dat levering en opdracht van onroerende zaken itlleen krachtens authentieke akte kan geschieden :
4°. Yaststelling van een tarief, in overeenstemming met de bestaande gebruiken in de verschillende oordon des lands.
In i842 nam do Regeering in het eerste ontwerp eene bepaling op van nog veel verdere strekking dan de door mij voorgestelde. Zij werd teruggenomen met de toezegging een afzonderlijk wetsvoorstel op dit punt to zullen geven (men zie van dkn Honeut. ii, pag. 520). Dat wetsvoorstel kwam echter nooit, ook thans niet van deze Regeering, die toch blijkens de toelichting ad artikel 10 van het liegeeringsont-werp (pag. 13 der Mem. van Teel.) niet bevreesd is voor leges fugitivae. Te wachten op een gewijzigd systeem in een nieuw Burgerlijk Wetboek, zal wel zijn een verschuiven ad Calendas Graecas.
Behalve de historische gronden die voor het voorstel pleiten voerde ik het volgende aan :
In de eerste plaats is het een dringende eisch, dat er rechtszekerheid besta. Het tegenwoordige stelsel voldoet allerminst aan dien eisch. De geldigheid der levering van vast goed kan in vole gevallen door de raadpleging der openbare registers niet worden beoordeeld. Waar dit niet mogelijk is, is een nader onderzoek veelal ondoenlijk. De onder-handsche akten, somtijds slechts met kruisjes geteekend door een der partijen, dikwijls zelfs door alle, levert, ook omtrent de identiteit dor personen, niet de minste zekerheid. Die zekerheid echter is noodig, en in dit opzicht behoeft het beginsel in het artikel nedergelegd geen nadere verdediging.
Het hoofdbezwaar dat in het algemeen tegen het voorgestelde beginsel
7
grossen, afschriften of uittreksels van akten verlangden, ziquot;h in geval van twijfel moesten legitimeeren als onmiddellijk belanghebbenden, op die waarbij den Minister van Justitie
wordt ingebracht is, dat het te diep ingrijpt in do vrijheid van handelen der burgers. Maar die vrijheid mag toch niet bestendigd worden, wanneer zij aanleiding kan geven voor den eenen burger om den anderen te benadeelon ? Men zou dan, consequent zijnde, allo middelen welke strekken om de rechtszekerheid te verhoogen moeten verwerpen. Men zou de bepalingen van ons hypotheekstelsel moeten doen vervallen en het geheele stelsel van openbaarheid in onze wetten moeten omverwerpen. Al die bepalingen toch leggen ook de vrijheid der burgers aan banden ! Ook de rechtsovertuiging van ons volk elscht de bestendiging van het veroordeelde stelsel niet.
In de tweede plaats zal door de voorgestelde regeling de schatkist ten zeerste worden gebaat ton koste van hen, die de thans aan haar verschuldigde rechten dikwerf op groote schaal ontduiken.
Van die ontduiking, al wordt zij door de waakzaamheid der ambtenaren gestraft, ligt in vele gevallen do schuld niet bij de partijen maaibij de zoogenaamde zaakwaarnemers die, om zelf meer to kunnen rekenen, de koopprijzen enz. voel lagor stellen dan zij werkelijk bedragen en niet zeldzaam is het geval, dat dit geschiedt geheel on al tegen de bedoeling der partijen, maar ook buiten hun weten. Want weinige, zeer weinige personen, al kunnen ze ook uitstekend schrijven, wagen er zich aan, hunne eigene contracten in schrift te brengen.
Men kan veilig aannemen dat zij uitzonderingen zijn.
Zij roepen dus de hulp in van de notarissen of van de zoogenaamde zaakwaarnemers, welke laatste veelal geenerlei waarborgen van kennis noch van gegoedheid om geleden schade te verhalen, opleveren.
In de derde plaats zal de voorgestelde regeling ten goede komen aan het hypothecair credlet.
in de vierde plaats is het in het algemeen belang, dat aan de notarissen een toereikend bestaan wordt verzekerd.
Waar dit niet zoo is ■— en het Is op verre na niet overal het geval — is het gevaar, dat de goede trouw schipbreuk lijdt uit den aard dei-zaak grooter.
Ken onvoldoend bestaan Is de eerste en krachtigste aandrang naar slechte praktijken, dié\' bij een post van vertrouwen veelal eindigen met malversatiën als waarvan wij in de laatste jaren getuigen waren.
Is het alzoo in het belang van het algemeen, dat den notaris een behoorlijk bestaan verzekerd zij, ook de billijkheid vordert, dat de wet daartoe het zijne bijdraagt.
8
werd vrijgelaten hot houden van zitdagen toetestaan, enz. Het standpunt waarop ik mij stelde, werd door zeer weinigen begrepen. (1) Het publiek bemoeide zich — behoudens een enkele loffelijke uitzondering in het Parlement - - evenmin als bij de regeling in 1842, weinig met de voorgestelde middelen tot bescherming zijner rechten. (2) Alleen zij die direct belang bij die regeling hebben trokken zich de zaak
Neemt men in aanmerking, dat bij liet tegenwoordige wetsvoorstel door het verscherpte toezicht, aan den notaris inkomsten worden onttrokken, die hij thans kan hebben en heeft, dat hem hot uitoefenen van liet beroep van koopman in den uitgebreidsten zin is verboden, zoo dat hij alle inkomsten uit zooveel takken van nijverheid of ondernemingen moet missen, dat hij vele bezoldigde nevenbetrekkingen niet mag waarnemen, dat hij verplicht is geworden tot het aanhouden van vele registers, dat de Staat die den notaris als ambtenaar vele verplichtingen oplegt, hem niet bezoldigt, maar l.em wel verplicht in bepaalde gevallen kosteloos zijne diensten te verleenen, en men houdt daarbij in het oog dat dit alles geschiedde in het algemeen belang, dan schijnt het hoogst onbillijk, dat door do gevolgen der voorgestelde bepalingen, die in de eerste plaats aan het algemeen te goed komen, aan den notaris niet een toereikend bestaan wordt gewaarborgd.
Met steeds klimmenden aandrang werd na de gebleken malversatiën op herziening der wet aangedrongen om door haar daaraan een einde te maken. Do Regeering heeft gemeend, dat hot voorgestelde wetsontwerp daarvoor voldoende zal worden bevonden.
Wil men nu hot doel, dan neme men ook de middelen.
(1) Mr. Tbeud t. a. p. vormt daarop eene ganstige uitzondering. Hij loont duidelijk aan waarom het oordeel der notarissen over het ont-werp-sannes niet deugde.
(\'2) Mr. Tiieub t. a. p. pag. 7 zegt; «Van eene waardeering zijner bedoelingen (ontwerp-sannf.s) van de zijde van het publiek, die hij in billijkheid had mogen verwachten, bleek daarentegen weinig of niets. In 1883 on 1881 herhaalde zich hetzelfde verschijnsel, dat in 1842 was op te merken geweest: het publiek bleef volkomen koud. De nietigste politieke kwestie door een handig journalist opgeworpen, is voldoende om aller mond en pen in beweging te brengen. Plannen tot verbetering eener instelling die met do grootste materieele belangen der ingezetenen ten nauwste samenhangt, worden daarentegen der bespreking niet noodig gekeurd.
!)
aan. Er ging uit het kamp der notarissen een storm op ; (1) het was alsof het grootste onrecht was gepleegd door het voorstel om maatregelen te treffen ter bescherming van de belangen van het publiek, men verhief weldra in vergaderingen en geschriften de meening tot een dogma, dat ik in een notaris slechts iemand zag die tot alles slechts, tot niets goeds in staat was, een man van wiens schraapzucht, kwade trouw en oneerlijkheid het ergste zou zijn te vreezen. (2).
(1) De notaris Laniirk te Vlijmen zegt in liet pas verschenen Maart-uummer der Economist pag. 252: Al had de heer Sannus zich ^vergrepen aan hot heilige, konden de aanvallen van dii majores ct minores uit een notarieelen hemel niet heftiger zijn geweest; bliksems en don-derkeilen werden hem naar het hoofd geslingerd, al waren er ook velen die de kloekmoedige daad van heer Sannus op waarde wisten te schatten en erkenden dat althans de grondslag gelegd was voor een meor afdoende herziening van het notariaat.
(2) Daar het publiek — enkele Volksvertegenwoordigers uitgezonderd
— zich weinig aan de regeling gelegen liet, werd de Minister van Justitie slechts eenzijdig voorgelicht door hen wier belang eene weinig ingrijpende regeling medebrengt. Zijne Excellentie verklaarde, toen er in de 2e Kamer door een paar leden-notarissen werd aangedrongen op een antwoord op de vraag ol\' hot ontwerp-SANNKS zou worden ingediend, dat hij een ontwerp zou samenstellen waarbij niet zon worden uitgegaan van de stelling, dat do notarissen geen vertrouwen verdienen. Ook hier scheen dus het dogma, dal het ontwerp-SANNKS van die gedachte zou zijn uitgegaan, ingang te hebben gevonden en dat zelfs, nadat de Commissie tot herziening van dat ontwerp (waarin met den samensteller twee notarissen zitting hadden) had verklaard :
«De aanleiding dier hervorming, de oorzaken van het feit, dat het vertrouwen van het publiek in de notarissen, te recht of ten onrechte is geschokt, mogen aan het ontwerp den schijn geven, dat het wantrouwen ademt tegen de notarissen, toch is quot;t ook hier de schijn die bedriegt. Het ontwerp gaat niet uit van de mecning, dat de notarissen niet te vertrouwen zijn, maar van do door de ervaring bewezen stolling, dat er onder de notarissen zijn die geen vertrouwen verdienen en dat de voorgestelde regeling van het ambt dit getal tot een lager minimum kan doen dalen dan de bestaande regeling. Dat het ontwerp
— werd het wet — veeleer wantrouwen dan vertrouwen in de nota-
2
10
Niets is mimici\' waar dan dat. Maar dat oordeel sproot alleen daaruit voort, dat men zich niet afvroeg op welk standpunt iemand die ocne wet op het Notarisambt ontwerpt, zich behoort te stellen. Had men dit gedaan en niet alles beschouwd van het standpunt van den notaris, dan zou men wellicht ook tot andere resultaten zijn gekomen, zooals dan ook in het algemeen blijkt uit de beschouwingen en het oordeel der candidaat-notarissen, en vooral van hen die buiten het notariaat staan maar daarover zeer juist kunnen oordeelen. (1).
Kan ik mij dus het oordeel der heeren notarissen volkomen verklaren, (2) kan ik, van hun standpunt beschouwd, billijken, dat zij trachtten eene voor velen hunner onaangename of onvoordeelige regeling aftewenden, kan ik voor vele der gebezigde redeneeringen cn middelen tot bestrijding slechts de schouders ophalen; toch werp ik — en zeker
lissen zo» opwekkon, kan geenszins worden toegegeven ; onder slap toezicht is het vertrouwen in de notarissen onmiskenbaar geschokt; liet vertrouwen, dat van overheidswege in de notarissen werd gesteld, hoeft dus liet vertrouwen van het publiek niet kunnen staande houden. Wanneer het publiek nu zal weten, dat de Regeering èn preventieve én repressieve maatregelen heeft genomen, dat de benoeming tot notaris meer waarborg oplevert dan voorheen en dat de benoemde staat onder strenger toezicht, zal liet vertrouwen in de notarissen zich lier-stellen.quot;
(1) Hoe ver de verbittering tegen mij ging kan blijken uit liet reeds vroeger door mij medegedeelde feit, dat het Hoofdbestuur der Broederschap van Notarissen in Nederland, waarin overigens hoogst achtenswaardige, mannen zitting hebben, mij naar aanleiding van het door mij samengestelde ontwerp de redactie ontnam van liet door mij op verzoek dier Broederschap voor haar opgerichte Tijdschrift der Notarissen. Ken voorwaar niet schitterende prijs voor het hebben van »le courage de son opinionquot;!
(2) Evenals ik mij kan verklaren, dat er van dien kant tegen het thans ingediende ontwerp slechts op enkele punten oppositie zal komen.
11
met mij lt;le leden notarissen (l)die mij later door den Minister zijn toegevoegd, — verre van mij de beschuldiging, dat ik vijandig zou zijn aan het notariaat. Maar het is verre van mij, te denken, dat liefde voor die schoone instelling enkel kan worden getoond door bepalingen in het belang van den notaris (2). De instelling zou daardoor, naar ik meen, ojquot;) den duur nog meer aan kracht en schoonheid verliezen. Waar daarvoor in de laatste jaren onmiskenbare verschijnselen aanwezig waren, daar mocht men gedachtig zijn aan het spreekwoord over de „zachte chirurgijnsquot; (3).
(1) He meening van Mr. Treud t. a. p. pag. 9, dat de omstandigheid, dat deze leden voor jaren andere betrekkingen dan die van notaris bekleedden zoude verklaren, dat zij op een voor hunne ambtsbroeders ongunstig standpunt stonden bij de herziening van het ontwerp-sannes is volkomen onjuist. I)ie heeren zijn respectievelijk ongeveer 10 en 4 jaren notaris en kennen de eischen en behoeften der praktijk zoo goed als de beste. Er is in liet ontwerp-sannes rekening gehouden met de belangen der notarissen, maar niet uitsluitend. Kn Mr. ïiikub is voel te scherpzinnig om dit zelf bij nader onderzoek niet te ontdekken. Hel oordeel der leden notarissen van do commissie tot herziening van het ontwerp-SANNES luidde echter daarom zoo gunstig, omdat zij dit beschouwden met de noodige kalmte, onpartijdigheid, en met geheel onbevangen blik.
Mr. Tnmui t. a. p. pag. 10 vat de taak der commissie te eng op. Hij schept haar daar een te beperkte taak. Zij vatte, — zooals nitden aanhef van het rapport blijkt — die veel ruimer op.
(2) Men behoort toch do instelling wel te onderscheiden van de titularissen.
(3) lie notaris Landuk zegt in het zooeven aangehaalde nummer der Economist pag. 253: Ongetwijfeld zal het rogeeringsontwerp in zooverre teleurstelling wekken, dat het geen volkomen genezing kan brengen voor do kwalen waaraan het notariaat in geheel zijn omvang reeds go-ruimen tijd, volgens de diagnose van verschillende, hetzij dan meer of minder bevoegde, deskundigen, lijdende is. De regeering is in hoofdzaak teruggekeerd tot de beginselen der Staatscommissie van 1807, eene na hetgeen is voorgevallen, volkomen verklaarbare, hoewel dan ook te zachtmoedige en toegevende handelwijze. Het ontwerp der Staatscommissie was hoofdzakelijk gericht tegen zoodanige gebreken in de organieke
12
Stond vast, dat de instelling van het notariaat bedreigd werd, dan rijst natuurlijk de vraag; welke zijn de middelen tot verbetering? Gedachtig aan het zooeven genoemde beginsel, zocht het ontwerp-SANNES verbetering door bepalingen ter bescherming der belangen: 1°. van het publiek; 2°. van de notarissen onderling, en bovendien naar middelen tot verheffing van het ambt.
Daartoe scheen den ontwerper een zestal punten noodig even zoovele afwijkingen van de tegenwoordige wet. Het ontwerp wenschte;
1°. verscherping van het toezicht;
2Ü. beperking der bankierderij door notarissen:
3quot;. afschaffing der benoemingen voor het leven;
4°. verandering der ressorten ;
5°. afschaffing van de bevoegdheid om over het protocol te beschikken.
wet zelve, ilie door de praktijk aan het licht waren gekomen, niet tegen de kwalen waaraan het notariaat in zijn geheel wordt beweerd te lijden, terwijl do waarborgen, die ton behoeve van het publiek werden voorgesteld, in nauw verband stonden met de veranderingen ten aanzien van de eigendomsoverdracht van onroerende goederen en hot hypotheekstelsel. De Staatscommissie bedoelde geen wijziging te brengen in het wezen van het notariaat, slechts verbetering in de uitoefening. Een geheel andere geest bezielde het ontwerp-sannes. liet ontwerp-Sannes was een stoute greep, waarvoor de meesten terugdeinsden; het bedoelde een geheele omwenteling, een omverwerpen en opbouwen van meet af, bet omvatte het notariaat in geheel zijn omvang, en in weerwil van de ernstige bedenkingen ei\' tegen, moet men erkennen, dat. het een consequent stelsel omsloot hetwelk, zeer gewijzigd toegepast, zoowel voor het publiek als voor het geheele notariaat gunstige gevolgen hail kunnen hebben. Do sterkste tegenstanders hebben de verdiensten van het ontwerp-sannes dan ook niet geloochend, doch de regeering. rekening houdende met de heftige oppositie, raadpleegde het ontwerp der Staatscommissie van 1807, en zoo is het tegenwoordige wetsontwerp ontstaan.
13
6°. tijdelijke vervanging van notarissen door candidaat-notarissen (1).
In de eerste drie zag het waarborgen voor het publiek dat de notaris zijne plichten omtrent ieder behoorlijk zonde nakomen, in do laatste drie zag het middelen tot verheffing van het ambt. Plet sub 4°. genoemde wilde helpen om de notarissen tegenover elkander te beschermen, en zulks naar aanleiding van de onedele concurrentie en praktijkjacht, waarover door vele notarissen zoo luidkeels wordt geklaagd. (2).
Tegen het tweede der genoemde middelen was voornamelijk de oppositie der notarissen gericht. Men wilde iu de vrijheid van beweging niet belemmerd worden; men duldde geen inmenging in de zaken der notarissen. Bovendien was men (3) van oordeel, dat bepalingen als de voorgestelde spoedig op deze of gene wijze zouden worden ontdoken en dat zij tegen den oneerlijken notaris niets zouden vermogen. En men wees er op, dat al werd de zoogenoemde kassierderij der notarissen verboden er zich vooral ten platten lande eene klasse van andere personen zou vormen, op wie de verboden werkzaamheden zouden overgaan.
Tiij dit laatste word over het hoofd gezien waarop het juist aankomt, dat al kwam er — wat voor een deel mogelijk zou zijn verplaatsing van hot kwaad, de maatregelen
(1) Bovendien waren in het ontwerp ter bereiking van het. voorgestelde doel verschillende bepalingen verspreid. Men zie o. a. de artikelen 8, 39, 54, 53, 56, 00, 60, 70, 80, 100, 108, -t\'27.
(2) Men zie daarover hierna bij de bespreking der hoofdpunten van liet regeeringsontwerp.
(3) Men zie Rapporten en beschouwingen van de Broederschap der Notarissen over het ontwerp-sannes, pag. 4.
Air. Treub t. a. p. pag. 8 noot 1 haalt uit de rapporten der ringen van de broederschap der notarissen opmerkelijke staaltjes aan van de beoordeelingen door notarissen.
11
dan toch het voordeel zouden met zich brengen, dat de eer en de waardigheid van het ambt onder die zaken, waarover juist te klagen viel, niet meer konden lijden. De luister van het ambt zou er bij winnen. Zou hot hier geweerde kwaad dan wellicht in anderen vorm en zeer zeker, om de gansch andere verhouding van het publiek tot de zich eventueel met die werkzaamheden belastende personen, in veel geringere mate wederkeeren, dan zou de wetgever tegen deze personen moeten ageeren, maar de kring — waarvoor bier te zorgen viel — zou grootendeels bevrijd zijn van ecu kwaad, dat de schoone instelling met ondergang schijnt te bedreigen.
Waar het kwaad voortsproot uit de buiten-wettelijke werkzaamheden der notarissen, daar moesten bepalingen worden gemaakt om dat kwaad te verminderen of uitte-roeien, zonder evenwel het notariaat in zijn vrije ontwikkeling te schaden. (1).
(1) De ontwerpen-SANNES beproefden dat in de artt. 82—87 en 80— 86. Het eerste ontwerp schreef daarenboven een boekhouding voor betreffende do door don notaris onder zich genomen gelden en geldswaarden, in art. 80 litt. lt;1.
Do commissie tot herziening van het ontwerp zegt in haar rapport:
Het kwaad schuilt, vooral in zoodanige handelingen, die voor den notaris groote risico\'s opleveren, hij is feitelijk en vooral ton platten lande bankier. Men brengt hem geld, men dringt hem, den man van groot vertrouwen, als \'t ware, geld op tegen vergoeding van, zij \'t ook matige, rente ; men stolt als \'t ware dat in depótnemen van golden (ol voorwaarde voor het krijgen van praktijk. Tegen dien drang is nauwelijks een enkel notaris bestand: roods van zijne infunctietreding af beducht geen praktijk of niet die van zijn voorganger te zullen hebben, zoo hij zich buiten do goldpraktijk houdt, zot hij, zijns ondanks veelal, de eerste schrede op het gevaarlijke pad. Gevaarlijk, want hij moet immers rente vergoeden, hij moet dus rente maken en hij mag toch ook wel iets voor zijne bemoeiingen verdienen ; hij wil dus moor rente kweeken en vindt daarvoor een ruim terrein, want meer nog dan aanbod van- is bij hem de vraag naar geld en ook daarbij doen zich de belangen van zijn praktijk geldon, belangen die hein zelfs zoo menig-
1
15
Do Regeeving wijdt — vreemd genoeg — geen enkel
maal nopen niet al te veeleiscliend te zijn ten aanzien van \'t onderpand of andere aangeboden zekerheid, en hem dikwerf geen waarborgen hoegenaamd doen vorderen. Dat hij, zelf onbemiddeld of weinig bemiddeld, het geld zijner clienten waagt, is duidelijk, en do ervaring leert, dat zelfs een groote winstgevende praktijk menigmaal niet bij machte was, de schaden te dekken, die hij door onvoorzichtige transactiën leed. Soms ontsproot ook schade nit het garandeeren van koop- of pachtpenningen, verschuldigd krachtens dooi\' hem gehouden verkoo-pingen of verpachtingen, eene garantie, die het gebruik heeft gevestigd en waaraan hij zich moeielijk kan onttrekken. Ook hier werken de belangen der praktijk van beide kanten samen tot zijn financieel nadeel; garandeert bij niet, dan verliest hij den verkooper of verpachter als client ; garandeert hij wel, en is hij difficile in het geven Van crediet, dan berokkent hij zich evenzeer onaangenaamheden.
Dat kwaad — daaromtrent is Uwe Commissie eenstemmig — moet gekeerd worden; risico\'s als de bovenomschrevene moet de notaris niet loopon ; daarvan moet zijn praktijk onafhankelijk zijn; dan zal tot do verheffing van bet notariaat voel zijn bijgedragen.
Maar op welke wijze is dat doel te bereiken?
Door wettelijke bepalingen omtrent de z.g. kassierdei\'ij ?
De meerderheid Uwer Commissie heeft lang gemeend, dat deze vraag ontkennend moest worden beantwoord.
Deed de moeielijkheid om afdoende bepalingen te maken tegen de in het notariaat ingeslopen misbruiken alzoo do meerderheid uwer Commissie, bij overweging vooral van de tegen de bepalingen van bet ontwerp ingebrachte bezwaren, aanvankelijk overhellen om uwe Excellentie in overweging te geven hoofdstuk X van het ontwerp te doen vervallen, de commissie erkende niettemin, dat aan do voorschriften van het ontwerp een juist beginsel ten gro\'ndslag lag.
Dit beginsel was. dat dn wetgever duidelijk moost uitspreken, dat de notaris gelden onder zich nemende, niet op e/ryeit naam eenigerlei operatie daarmede behoort te ondernemen : ze dus ook niet op eigen naam behoort uit te zetten, doch ze heeft te hewayen in den streng juridischen zin van het woord.
Van wantrouwen, van eenige beleedigende strekking in die voorschriften kan geen sprake zijn ; trouwens geen soiled en dus elke controle gerustelijk toelatend notaris zal immer beleedigd zijn door voorzorgsmaatregelen, die de Regeering ten bate van het publiek mocht wenschelijk achten, nu hot onwedersprekelijk vaststaat, dat meer dan een enkel notaris fmancieele schade van aanbelang heeft te weeg gebracht.
Ifi
woord aan de bankierde rij der notarissen, den kanker van het notariaat (t). Mag men daaruit afleiden dat zij aan de klachten en aan de veroorzaakte nadeelen geen waarde hecht ? Ik geloof liet evenmin, als dat ik wil aannemen, dat zij de door de ontwerpen-SANNKs aanbevolen middelen geen overweging waardig keurde. Liever neem ik aan, dat zij door den grooten stroom, die tegen die bepalingen ontstond, is medegesleurd en dat zij een oogenblik de oorzaken der noodzakelijkheid van de herziening heeft uit het oog verloren. Daarbij zal zij de groote moeilijkheid om afdoende bepalingen te ontwerpen in anderen geest — want men mag niet aannemen dat hierover in het geheel niet is nagedacht — wellicht evenals de genoemde Commissie in ruime mate hebben ondervonden.
Doch daarom mogen de pogingen tot oplossing van dit belangrijke vraagpunt niet worden gestaakt (2). Acht men die van de Commissie tot herziening van het ontwerp-SANNEs
(1) Mi. Tiikuii t. a. p. pag. I\'2 zegt daaromtrent: «Dientengevolge »/.ien wij tlians het eigenaardige verschijnsel, dat do hervorming van «het notariaat, voornamelijk op touw gezet om de kwade praktijken »van sommige notarissen in hun geldhandel te koeren, uitloopt in eeno
»wet.....die den geldhandel eenvoudig ignoreert. Jammerlijkcr struis-
«vogelpolitiek is moeielijk denkbaar.quot;
(2) Mr. Tri:un t. a. p. pag. 13 komt tot dezelfde conclusie. Hij hoopt dat het ter elfder ure nog tot ecne aanvulling komt; mocht dit niet het geval zijn, dan acht hij het in het geheel niet in werking komen van het Kegeeringsontwerp het minste kwaad.
Hij wenscht — wat ook het eerste ontwerp-SANNKS reeds gedeeltelijk voorschreef — 1°. eene boekhouding onder contróle der Kamers van Toezicht en 2quot;. vaststelling eener niet te beperkte verantwoorde-lijkheid.
Do opmerking pag. 25 dat het ontwerp-SANNics door do bepalingen omtrent do kassierderij het verschil tusschen den werkelijken en wet-telijken notaris onbewust verminderde, is onjuist. De erkenning der bevoegdheid volgde uit do woorden )gt;waarvan de wet gebiedtquot; in artikel 1. Deze sloegen dijs ook op de artikelen 82 e. v. van dat ontwerp
17
tc radicaal, en die van het oorspronkelijk ontwerp wellicht niet geheel afdoende, dan verdient eene dergelijke poging in het buitenland aan eene aandachtige overweging te worden onderworpen. — Bij Keizerlijke verordening van 17 Maart 1886 werd in Elzasz-Lotharingen, waar nog de wet van Ventöse jaar XI en met haar, artikel 12 der Ordonnantie van 4 Januari 1843, (1) geldende is, bepalingen in werking gebracht, die ik hier gemakshalve vertaald laat volgen: (l2)
Verordening van 17 Maart 1886.
,,Wij WlMFKI.M ENZ. ENZ.
bevelen in naam van het Rijk, voor Elzasz-Lotharingen, op grond van de wet van 25 Ventóse XT (bulletin des lois,
(•1) II est Interdit aux notaires, soit par eux meines, soit par per-sonnes interposóes, soit directement, soit indiieetement: 1°. de se livrei- ii aucune speculation de bourse on operation de commerce, banque, escompte et courtage; 2°. de s\'immisecr dans 1\'administration d\'aucune sociéte, entreprise on compagnie de finances, de commerce on d\'industrie; 3°. de faire dos speculations relatives ii racquisition et la i\'evente des immeubles, ii la cession des créances, droit successils, actions industrielles et autres droits incorporels; 4°. de s\'intéresser dans aucune all\'aire pour laquelle ils prétent leur ministère ; T)quot;. de placer en leur nom personnel des fonds qu\'ils anraient recus, móme ii la condition d\'en servii\' l\'intériH: 6quot;. de se eonstituer garants ou cautions, ii quelque litre que ce soit, des préts qui anraient été faits par leur intermédiaire nu qn\'ils anraient été chargés de constater par acte public ou privé: 7U. de se servir de prète-noms en aucune circonstauce, même potir des actes autres que ceiix ilésignés ci-dessns.
(2) Notariats-Zeitschrift für Elsass-Lotliringen, ISSC, all. 3 en 4, en Tijdschrift der Notarissen, deel IV, alt. 2.
De procureur-generaal (Oberstaatsanwalt) in Elsass-I.othringen zeide naar aanleiding dezer voorschriften in eene circulaire: «Die zahlreicheu nnd Folgenschwere Fallimente bezw. concurse von Notaren nnd vou Verlassenschaften von Notaren mussten die bezüglich des Geldgeschiifts-betneb der Notare bestehenden Bostimmungen als unzureichend erscheinen lassen.quot;
Hit oordeel ziet op de liiervoor vermelde (irdounanlie van \'i-.lanuuri 1843.
18
oe série, no. 2440) betreffende de inrichting van het notariaat, en van de financieele wet van 28 April 1816 (Inilletin des lois, 7e série, no. 623), ten opzichte van den geldhandel der Notarissen, hetgeen volgt:
§ 1-
Artikel 12 van de ordonnantie van 4 Januari 1843, betreffende de inrichting der kamers van notarissen en het toezicht over de notarissen (bulletin des lois, 9e série, no. 10456) wordt aangevuld met de volgende paragraaf:
Tiet is den notarissen eveneens verboden:
1. aan derden toebehoorende gelden anders dan renteloos en ter bewaring of ter plaatsing m naam des bewaargevers in ontvangst te nemen;
2. zich door partijen te laten overdragen eenige vordering voortspruitende uit eene door hen zelf verleden akte, onverschillig of daarbij al of niet eenig disconto te hunnen bate wordt bedongen.
I ndien het echter voor notarissen van bepaalde districten of gedeelten van districten noodzakelijk is, dergelijke operaties te doen, kan de bevoegde macht hun daartoe tot wederopzegging toe onder bepaalde, nader vast te stellen, voorwaarden vergunning verleenen.
§ 2-
De notarissen mogen geldsommen van meer dan 500 mark, die zij uit welken hoofde ook voor rekening van een derde in ontvangst of bewaring genomen hebben, niet langer dan 6 maanden onder zich houden, tenzij met speciale vergunning door de bevoegde macht met liet oog op bijzondere omstandigheden te geven.
De sommen die niet binnen den bepaalden tijd aan de
19
rechthebbenden kunnen worden uitgekeerd, moeten dooiden notaris in de consignatiekas worden gestort.
Aan het ministerie wordt opgedragen nadere bepalingen omtrent de storting van gelden in de consignatiekas en de terugneming daarvan vast te stellen.
§ 3.
De notarissen kunnen geene gelden voor rekening van derden
in ontvangst nemen anders dan krachtens schriftelijke volmacht.
§ 4-
De geldhandel der notarissen staat onder toezicht van het ()penbaar Ministerie en de Kamers van Notarissen.
De notarissen zijn verplicht van hun geldhandel nauwkeurig en volledig hoek te houden-, zij moeten hunne boeken met de daarbij behoorende bescheiden, op verlangen, overleggen aan de ambtenaren van hot O. M. bij het Hot\' van Appel en hij de burgerlijke rechtbank, aan de kamer van notarissen, alsook aan den voorzitter, den rapporteur en andere daartoe gedelegeerde leden van deze kamer. Deze hebben het rechl te onderzoeken of de den notaris toevertrouwde gelden voorhanden zijn.
Aan de bevoegde macht wordt opgedragen nadere bepalingen te maken nopens het toezicht op den geldhandel en de inrichting der te houden boeken.quot;
Ingevolge het bepaalde bij § 4 dezer verordening werd door den Procureur-Generaal bij het Hol\' van Appel den 9 April 1880 uitgegeven de volgende:
Circulaire betreffende de inrichting van de boekhouding voor den geldhandel der Notarissen.
§ I-
„leder notaris zal voor den geldhandel met zijn clienten ten minste een depositolmk en een groothoek houden.
2(1
Het depositoboek dient om een overzicht te geven van flen geheelcn geldhandel van den notaris; het grootboek is bestemd om het slot van rekening van iederen cliënt te doen zien, op wiens rekening verschillende posten voorkomen.
§ 2.
In het depositoboek moet de notaris onder de ontvangsten opnemen alle geldsommen die hij in- of naar aanleiding van de uitoefening van zijn ambt en in het bijzonder ook ton gevolge van vermogens-administratiën, voor rekening van derden ontvangt; tegenover elke ontvangst zal hij, na belegging, verrekening of storting van het bedrag in de consignatiekas, daarvan onder de uitgaven melding maken.
§ 3,
Het depositieboek zal op dubbele bladzijden worden gehouden, volgens model A (zie hierachter).
Het is verdeeld in 8 kolommen, bestemd om de volgende vermeldingen te bevatten:
n. ter linker zijde:
10. de dagteekening van de ontvangst;
2°. den naam van hem voor wiens rekening ontvangen is, en de oorzaak der ontvangst;
3°. het nummer van de bladzijde van het grootboek, indien de post daarin wordt overgeboekt;
4°. het ontvangen bedrag.
h. ter rechter zijde:
öu. de dagteekening van de uitgave, van het afsluiten der rekening of van de storting in de consignatiekas;
6°. den aard der uitgaaf of der belegging en de namen van hen aan wie betaald is. Indien de cliënt een hoofd op het grootboek heeft, behoeft het depositoboek hieromtrent geene bijzonderheden te bevatten.
21
De stortingen in de consignatiekas zullen eveneens alilt; uitgaven in kolom 6 vermeld worden;
7°. de bescheiden betreffende de uitgave of de belegging der gelden;
8°. het uitgegeven bedrag.
§ 4.
Het depositoboek moet elk halfjaar in ontvangst en uitgaaf worden afgesloten.
De ontvangen en niet uitgegeven sommen worden op nieuw overgeboekt. 1 lierbij worden de verschillende voor denzelfden cliënt gedane ontvangsten in één post samengevat, met verwijzing, in kolom 2, naar de vroegere boekingen.
De halfjaarlijksche balans met inbegrip van de over te boeken restanten wordt in dubbel gezonden aan den ambtenaar van het O. M. bij de rechtbank. Eén der beide afschriften wordt aan den procureur-generaal opgezonden.
§ 5.
liet grootboek zal voor iederen cliënt een afzonderlijke rekening bevatten, waarop alle voor hem gedane ontvangsten en uitgaven voorkomen. Zoodra het waarschijnlijk is, dat de voor een cliënt ontvangen gelden aanleiding zullen geven tot verschillende uitgaafposten, moet eene rekening-in het groothoek worden geopend.
§ 6.
liet grootboek moet overeenkomstig model I! (zie hierachter) op enkele of op dubbele bladzijden worden gehouden.
In het eerste geval bevat het de drie volgende kolommen, ter vermelding van :
1quot;. de dagteekening der ontvangst of der uitgaaf;
22
2°. de oorzaak der ontvangst (bijv. prijs van eene ver-kooping van roerend goed; gereed geld bij het opmaken van een inventaris gevonden; koopprijs van N. N. enz.); en wat de uitgaven betreft: den aard daarvan en de namen van dengene aan wien betaald is:
3°. het bedrag der ontvangsten en uitgaven.
Wordt het grootboek op dubbele bladzijden gehouden, dan bevat elke bladzijde drie kolommen ter opneming van bovenstaande vermeldingen, en wel: de linkerzijde die betreffende de uitgaven en de rechterzijde die betreffende de ontvangsten.
Tenzij de afrekening hebbe plaats gehad in de notarieele akte, waartoe de zaak aanleiding gegeven beeft, moet zij onder den betrokken post in bet grootboek geschieden.
In het laatste geval moet de cliënt de afrekening goedkeuren, en c. q. voor de uitbetaling van het overschot kwitantie afgeven. In het eerste geval wordt in het grootboek naar de betrokken akte verwezen.quot;
28
a
H O PI O
H
il)
O h H P
Modei. rt.
onooTBOuu:.
Hotz, Anion, nalatenschap Ic Strauhach.
2.
i.
Oorzaak iler ontvangsten of der )agtoe ening. llifgaven. aanduiding van den persoon van wien ontvangen of Maand Duf nan wien uitbetaald is.
1885, Mei 10 Voor ver- en ont/.egeling
li} Kosten vergadering familieraad Juni 1 Op rekening ontvangen uit op-
63437
160 50 4520
12327
brengst verkoop inboedel 1 Voor begrafeniskosten aan Hol/.,
Joseph, ter uitbetaling 1 Aan liotli, slager, volgens rekening 3 Op rekening ontvangen uit opbrengst verkoop inboedel
Dagteekening.
Do K. K. Niederoesterreichische Notariatskammer gut\' den quot;21quot;quot; Augustus 1886 (men zie Zeitsclirif\'t i\'ür Notarial und froiwillige Gerichtsbarkeit in Oesterreich dd. 20 October 188G n0. 42) evenals vroeger de „Notariatskammerquot; en het „Notarencollegiumquot; van Ober Oesterreieb reeds had gedaan, eene instructie betrekkelijk de boekhouding en den geldhandel der notarissen.
Zij luidt, vrij vertaald, als volgt:
Artikel I.
De notaris moet betrekkelijk zijn beheer over gelden van derden een „Kasboekquot; en een „Grootboekquot; aanhouden.
Artikel 11.
In het Kasboek worden geboekt de gelden en de geldswaardige zaken (Effecten, schuldbekentenissen, preciosa, munten), die den notaris door derden, hetzij in zijnen ambtelijken hetzij buiten zijn ambtelijken werkkring worden ter hand gesteld — met uitzondering van de in de §§104—
109 der wet op het Notarisambt vermelde handelingen. (1) Eveneens worden alle desbetreffende uitgaven naar tijdsorde daarin opgenomen.
Het Kasboek wordt gehouden naar (het hierna volgende) Formulier A. en houdt in:
a. een volgnummer, b. den datum, c. de namen der betrokken personen en de omschrijving van den post van ontvangst of van uitgaaf, d. het bedrag der gelden of
(1)8 104. Die Notaro sind berufen, Urlumden jcder Art, woi untor auch Wechsel, in Venvahrung 7.11 übernehmen. Bares Geld jedoch, otlentliche Schuldverschroibungen gt;itul andere im gemeinen Verkehre stelionde Werthpapiere ist der Notar kraft seines Amtes mir in einstweilige Verwahrung gemiisz den Bestimmungen der §§ 107—100 zn übernehmen berufen.
§ 107. Bares Geld, offentliche Schuldverschreibnngen und andere im gemeinen Verkehre stehende Werthpapiere ist der Notar niir dann Kraft seines Amtes zu übernehmen berufen, wenn ihm dieselben aus Anlasz der Aufnahme einer Notarlatsnrkunde von einer Partei zur Ausfolgung an einen bestimmten Empfanger oder zum Erlage bei Behörden übergeben werden. Bei den Uebernahme hat der Notar ein Protocoll anf/unehmen, in welchem die Geschaftszahl des allgemeinen und des besonderen Geschaftsregisters, Ort und Zeit der Uebernahme, die genaue Angabe der übernommenen Betrage und Papiere und der Name des Uebergebers und dessen Erklarung über die mit dem Gelde und den Werthpapieren zu trelfenden Verfügungen anzuführen ist.
In falie der briellichen Einncndung ist der Brief dem aufzunehmenden Protocolle bei zu heften.
Dom Uebergeber ist ein Empfangschein auszufertigen.
Die übergeiiommenen Gegenstiinde sind in gesonderten Packeten zu verwahren.
S 108. Den Erlag bei Gericht oder einer anderen Behörde bat der Notar ohne allen Aufschub zu bewirken.
Betrage, welcbe dom Notaro zur Ausfolgung an eine andere Person übergeben wurden, liat er derselben langstens binnen vierzehn Tagen auszufolgen, soferne der Uebergeber nicht eine andere Frist bestiinmt bat. Kann der Notar die Ausfolgung innerhalb dieser Krist nicht bewirken, so bat er nach Ablauf derselben ohne allen Aufschub die übernommenen Werthe entweder dem Uebergeber zurückzusenden oder zu Gericht zu erlegen.
3
26
effecten (de laatste naar de nominale waarden), e. Opmerkingen.
Maandelijks moet het Kasboek worden afgesloten en het saldo oj) de volgende maand worden overgebracht.
Artikel III.
In het Grootboek dat gehouden wordt overeenkomstig (het hierna volgende) Pormu ier B. worden de posten uit hot Kasboek overgebracht en voor ieder betrokken persoon op een eigen hoofd van rekening gebracht.
Die overbrenging kan slechts dan achterwege blijven indien de posten spoedig en onveranderd moeten worden geconsigneerd of aan belanghebbenden uitgereikt.
In dat geval wordt bij de post van ontvangst in de rubriek „Opmerkingenquot; verwezen naar de post van uitgaaf en omgekeerd, van deze naar gene.
De bladen van het „Grootboekquot; worden genommerd en op de verschillende hoofden voor rekening eenen index aangehouden.
Bij bet einde van iedere zaak wordt de rekening afgesloten; bij grootere onafgedane zaken geschiedt dit steeds
bij het einde van het kalenderjaar.
f
Artikel IV.
De gelden en geldswaarden worden voor ieder gerechtigde in afzonderlijke pakketten bewaard, voorzien van diens naam welke met het Kasboek moet overeenstemmen. Slechts bij uitzondering, om zeer gewichtige redenen, mogen gelden van verschillende personen bij elkaar worden bewaard.
De door den notaris als „gerichtscommissarquot; onder zich genomen gelden en geldswaarden moeten echter steeds in afzonderlijke pakketten worden bewaard.
i)e bewaring der golden en waarden van derden moet steeds zóó geschieden dat geene vermenging met des notaris eigen eigen kas plaats vindt, zoodat ten allen tijde van den stand der kas kan blijken.
Artikel V.
De voorschriften der wet op het Notarisambt betrekkelijk de uit kracht van het ambt door den notaris onder zich genomen gelden en de desbetreffende boekhouding (§§ 107 en 110 litt. c, der wet) blijven in stand.
KASBOEK
21 Februari.] Steiner (Jozef). — Nalatenschap van —. Ontvangen van
de assurantie-maatschappij „de Hoopquot; te A.....
id. Belegd onder hypothecair verband. Schuldenaar N. N. te ... id. Ontvangen kooppenningen van verkocht vastgoed, dd.
1 Oct. 1885 ................
id. i Uitgekeerd het legaat aan N. N..........
id. Uit beleening bij de Nederlandsche Bank terug ontvangen 4 certificaten N. W. S. ieder groot f 1000.— . . id. Deze effecten ingevolge opdracht afgegeven aan N. N. . id. Mulder Jzn. te ... koopprijs vastgoed van N. N. . . . id. Steiner (Jozef). — Nalatenschap van — betaald aan successierechten..............
23
24
25
26
27
27
28
Uitgegeven in Februari . . . Kest in kas, over te brengen op Maart 1886
G-nOOTBOHlKl
NAMEN EN OMSCHRIJVING DER POSTEN.
n
O ö
D ATII M.
Steiner (Jozef). De nalatenschap van —.
Ontvangen van de assurantie-maatschappij „de Hoopquot; te A. Belegd onder hypothecair verband. Schuldenaar N. N. te ... Ontvangen kooppenningen van verkocht vastgoed dd.
1 Oct. 1886 ................
Uitgekeerd het legaat aan N. N..........
Uit beleening bij de Nederlandsche Bank terug ontvangen 4 certificaten N. W. S. ieder groot f 1000.—• . . Deze effecten ingevolge opdracht afgegeven aan N. N. . Betaald aan successierechten..........
Hieraf de uitgaven . . . Rest credit aan gelden . .
1886. 21 Februari.
id. id.
id. id.
id. id.
23
24
25
26
27
28
(F ormulier A).
Ontvangst. Uitgaaf.
.....................
Gelden. | Waarden. Gelden. | Waarden.
Bemerkingen.
Ct. I Gld.
Ct. Gld.
Ct.
Gld. Ct. I Gld.
1993 11000
75
2000,
10500,
4000
4000 4000
12993 12900 93
75 75
4000 4000
400 — 12900; :
;lt;o
Werd nu liier te lande eene soortgelijke boekhouding voorgeschreven en deze onderworpen aan het to scheppen toezicht, clan geloof ik dat er een stap in de goede richting werd gedaan. Ik hoop dan ook zeer dat de Regeering nader zal overwegen of zij dien stap zal doen en zoo dit niet zoo mocht worden, dat dan een lid onzer Volksvertegenwoordiging een amendement in die richting voorstelt.
Na deze inleiding over wat niet in het ontwerp der Hegeering voorkomt en wat inen er redelijkerwijze in had mogen verwachten, ga ik over tot de bespreking van de hoofdbeginselen van het ontwerp. In details wensch ik niet te treden. Deze zullen wellicht nog op eene andere plaats door mij worden besproken.
De Regeering wenscht evenmin als de commissie tot herziening van bet ontwerp-8annes het karakter van het notariaat te veranderen, — Noch het zoogenaamde vrije notariaat noch het stelsel dat den notaris tot Rijksambtenaar zou maken, lacht baar toe. En terecht. Zoolang namelijk niet is gebleken, dat de gebreken die bet notariaat aankleven een uitvloeisel zijn van het karakter van den notaris, — en niet blijkt dat die gebreken niet met het behoud van dat karakter op te heffen zijn, zóólang moet het beginsel van het tegenwoordig notariaat onaangetast blijven.
Zooals bekend is, verschilt het ontwerp van de thans bestaande wet in vier hoofdpunten, die deels kunnen dienen tot verheffing van het ambt, deels tegemoetkomingen zijn aan uitgesproken wenschen. (1)
ITet eerste betreft bet toezicht.
(1) liet ontwerp-SANNKS verschilde daarvan in zes hoofdpunten. Men zie hiervoor pag. 5. Van de vier afwijkingen dooi\' de Regeering vooi -gestHd. I if\'hooiden er drie lol hot piogruiinna van het ontwerp-SANMis,
31
Rij de regeling daarvan kan men van verschillend beginsel uitgaan. Men kan het notariaat beschouwen als V een deel der rechterlijke macht, of als eene zelfstandige instelling. Doet men het eerste, dan is er niets vreemds in gelegen, het toezicht op de handelingen der notarissen toe te vertrouwen aan de rechterlijke autoriteiten. Dit heeft men tot dusverre gedaan. De thans werkende wet draagt f het toezicht op aan de arrondissements-rechtbanken, die echter volgens de Memorie van Toelichting zie pag. 3) gebleken zijn tot het houden van dat toezicht niet het meest geschikt te zijn.
Beschouwt men het notariaat als eene zelfstandige instelling, waarin een afzonderlijke kring van personen optreedt, geroepen, om geheel afgescheiden van de rechterlijke macht een deel van het Staatsgezag uit te oefenen, dan kan het toezicht door den Staat worden opgedragen aan den eigen kring. Dat toezicht moet zich dan \' bepalen, niet alleen tot alle handelingen, die de notarisssn verrichten, maar tevens heeft het te letten op de vervulling der plichten welke de wet of de zedelijkheid den notaris opdraagt. Bij niet nakoming van die plichten moet het toezicht, hoe men het notariaat ook beschouwe, en uit welke collegiën dat toezicht ook besta, ingrijpen en zorgen, dat de verbroken rechtsorde hersteld worde. Kn dat doet het door toepassing van disciplinaire straffen. Gaat men dus van dit beginsel uit dan behoort men logisch te komen tot de instelling van kamers van notarissen bekleed met de volledigste macht. De kamers van discipline — daar echter slechts bekleed met beperkte inaclit — heliben we gekend onder de werking der wet van Ventóse jaar XI. Haar werkkring was omscheven in het arrêté van Nivóse jaar XII. Dat zij niet aan het doel beantwoordden, sproot, zooals de Kegeering zegt, voort uit hare organisatie.
Gekozen uit en door de notarissen waren zij aan zich zelve overgelaten en een gevolg daarvan, zegt de Regeeringons thans in de Mem. van Toel. was, dat de voornaamste, zoo niet do eenige werkzaamheid bestond in het afnemen der examina
De Kamers aan zich zelve overgelaten!
Bedoelt dit te zeggen, dat het jammer was, dat de Kamers zelve niet onder toezicht stonden ?
Zoo ja, dan was de ivet en niet de organisatie de schuld, die de Kamers niet onder hooger toezicht stelde, die haar tot plichtsvervulling kon aansporen.
De werking der Kamers van discipline was — ook volgens deze Regeering —onvoldoende. Hare organisatie bracht mede, dat somtijds ijverzucht, dan eens weer camaraderie den boventoon voerden. Bleek hier te lande, dat noch het toezicht door Kamers, gekozen door en uit notarissen, noch dat, opgedragen aan de rechterlijke macht, voldoende was, (1) dan schijnt een geheel ander stelsel recht van bestaan te hebben.
De ondervinding veroordeelde en het toezicht van het lt;). M. ên de disciplinaire rechtsmacht der arrondissementsrechtbanken. Maar al werd het toezicht illusoir (2) genoemd
(•1) De Staatscommissie van 1807, ingesteld door den minister Bonnu\'r, liet zich daarover in hare memorie van toelichting als volgt uit: «Moge bij de beraadslaging over de wet van ISVi hot toezicht der Kamers van notarissen vruchteloos zijn genoemd om bestaande misbruiken to weren, in niet mindere mate is men thans gerechtigd tot de uitspraak, dat de ondervinding het toen aangenomen toezicht van het Openbaar Ministerie en de disciplinaire rechtsmacht der Arrondissemcnts-l^echt-banken in zijne algemeenheid in nog sterkere mate veroordeelt.quot;
(\'2) Mr. Patijn (destijds officier van justitie) verklaarde in de zitting der l2e Kamer van \'29 Maait 1878, «dat de ondervinding heeft doen zien, dat ook dit middel van correctie moet geacht worden illusoir te zijn.quot; «Het Openbaar Ministerie blijft in de meeste gevallen geheel onkundig van die feiten, die werkelijk aanleiding zouden kunnen geven lot eene berisping.quot;
De minister Modderman zeide in die zitting, dat liet O. M. eersl Uennis kreeg van verkeerde handelingen ii!s het te laat was.
tocht* trachtte nog in 1878 de Regeering te gcmoet te komen aan liet gebrekkige in den toestand gelegen, door eene verscherping der bestaande regeling. Spoedig echter, de Regeering zegt het met zooveel woorden (pag. 3 der M. v. T.) bleek, dat de genomen maatregelen niet afdoende waren. ( I)
Wat is sedert dien tijd geschied?
De Minister Modderman gaf reeds bij de Memorie van Antwoord naar aanleiding van het voorloopig verslag op het wetsontwerp tot vaststelling der begrooting voor zijn Departement voor het jaar 1882 te kennen, dat in de eerste plaats het toezicht moest worden verbeterd ; dat toch de rechterlijke macht gebleken was tot het houden van dat toezicht niet het meest geschikt te zijn. Hij wenschte, zooals hij bij de openbare beraadslagingen over gemeld wetsvoorstel zeicle, een\' raad van zeven leden te benoemen, waaronder twee notarissen, terwijl de vijf andere leden zouden behooren, deels tot de rechterlijke macht, deels tot de ambtenaren van registratie en hypotheken.
Dit geheel nieuwe stelsel van gemengd toezicht werd in het ontwerp-SANNES nader uitgewerkt. Vrij algemeen, zegt de Mem. van Toel. op het thans ingediende Regeerings-ontwerp, was men het eens, dat dit denkbeeld van een gemengd toezicht gelukkig was.
Maar al was men er bijna eenstemmig over, dat het toezicht eener gemengde commissie de voorkeur verdiende boven dat van Kamers, samengesteld door en uit notarissen, (2) zelfs al hadden zij een rechterlijk ambtenaar als
(1) Do Regeering zegt tot mijn spijt niet waaruit het bleek dat de genomen maatregelen niet afdoende waren. Had zij dit gedaan, dan was zij wellicht i tot de eonehisie gekomen, dat meerdere waarborgen voor het publiek moesten worden genomen en dal zij de bepalingen van de ontwerpen-sannes niet maar blootweg mocht negeeren.
(2) Kene uitzondering hierop vindt men in een artikel in do Provinciale Groninger Courant van 4 Februari 1887. he onbekende schrij-
voorzitter, en hoven liet bestaande door de rechterlijke macht, — men verschilde over de wijze van samenstelling, zoowel als over den omvang der aan het gemengde toezicht op te dragen werkzaamheden. Het ontwerp der Staatscommissie van 1867 stelde voor, het toezicht te doen bestaan uit Kamers, samengesteld uit en door notarissen, met een rechterlijk ambtenaar als voorzitter.
Het ontwerp-SANNEs wenschte, evenals thans het Ilegee-ringsontwerp, een gemengd toezicht in het leven te roepen. Het eerste wilde de samenstelling geheel opdragen aan de Regeering en het toezicht doen bestaan uit drie rechterlijke ambtenaren, waarvan een zou worden aangewezen als voorzitter, uit twee ambtenaren der Registratie, (het eerste ontwerp stelde, evenals thans het Regeeringsontwerp, voor /loo/V/amhtenaren) en twee notarissen uit het onder de Kamer van Toezicht behoorende ressort als leden. Zoowel liet ontwerp-SANNEs als het Regeeringsontwerp willen den duur der zitting bepalen op drie jaren.
Het Regeeringsontwerp echter wil de Kamers van Toezicht doen bestaan uit vijf leden onder voorzitterschap van den Voorzitter der Arrondissements-Rechtbank; zittinghoudende in de gemeente waar de Kamer is gevestigd of door een lid der rechtbank door hem bij tijdelijke verhindering aangewezen.
I he Voorzitter wordt door de irel aangewezen, terwijl de
ver »plus royaliste 4110 Ie roiquot; wil de Kamers van Toezicht doen samenstellen uit en dooi\' notarissen en beschuldigt de Regeering van inconsequentie. Alsof consequentie de hoogste wijsheid is — ook indien de ondervinding reeds zonneklaar aantoonde — dat het product dier consequentie verwerpelijk is. He schrijver schijnt van het interieur van het notariaat weinig te kennen. Bovendien ziet hij voorbij, dat de vergelijking van de Raden van Toezicht en Discipline der advocaten met de Kamers van Toezicht der notarissen niet kan opgaan. Deze zijn ambtenaren, — gene niet.
Rcgcerinc/ twco leden en hun plaatsvervangers zal benoemen entwee andere en hun plaatsvervangers door de notarissen. gevestigd binnen den kring waarover do Kamer toezicht houdt, en uit hun midden, zullen worden gekozen. (1)
Ken der twee leden door de Regeering aan te wijzen zal Kantonrechter en een ander Hoofdambtenaar der Registratie moeten zijn. Voor de plaatsvervangende leden wordt dezelfde eisch gesteld. (2)
De Regeering heeft gemeend niet te moeten toegeven aan het verlangen van vele beoordeelaars van het ontwerp-Sannks, om namelijk de ambtenaren der registratie uit de Kamers van Toezicht te weren. (3)
De motieven voor de opneming dier ambtenaren door de Kegeering aangegeven zijn; dut ,,Deze ambtenaren véle notarieele akten onder de oogen krijgen en daardoor kunnen beoordeelen, hoe de notaris zich van het belangrijkste deel zijner taak kwijt. Slordigheid, onduidelijkheid, onvolledigheid, kennelijke verdraaing van het ware karakter der handeling tor ontduiking van verschuldigde rechten worden door hen in de eerste plaats waargenomen. Als een notaris
(1) Met ontwerp /.egt niet mei /üoveel woorden dat do Voorzitter tevens lid is, doch men kan het afleiden uit artikel \'29 al.
(\'2) Wat de aan to wijzen rechterlijke ambtenaren aangaat, stemt dit ontwerp in zooverre overeen met het rapport over het ontwerp-Sannks, dat iiitdrnkkelijk zegt dat: Heerstens de Regeering door een dergelijk gemengd toezicht behoorlijk kan\'worden voorgelicht omtrent, de personen, die voor eene benoeming tot notaris in aanmerking verdienen te komen en tweedons het publiek door zijne aanrakingen met de leden der Kamer dikwerf in de gelegenheid zal zijn te vernemen wien het, zijn vertrouwen met .gerustheid kan schenken. Let men hierop, — zoo zegt het rapport verder — dan is daarmede tevens de wenschelijkheid bewezen, om vooral in de Kamers zitting te doen nemen de heeren kantonrechters, aan wier blik de praktijk van het notariaat, vooral ten platten lande, niet ontsnapt.quot;
(3) Zijn mijne inlichtingen juist, dan is ilit vooral te dankenaan een even krachtig uitgesproken als overtuigend advies van den Raad van State.
80
door gebrekkige rechtskennis herhaaldelijk bepalingen in zijne akten opneemt, die rechtens onbestaanbaar zijn, of niet geschikt zijn om de bedoeling van partijen te doen bereiken; als hij nietigheden begaat, waarop geene boete is gesteld, is de ambtenaar der registratie de eenige welke in de uitoefening zijner betrekking die onregelmatigheden ziet.
Deze motieven zijn naar mijn oordeel niet volledig. Al kunnen deze zaken bijdragen om den ambtenaar der registratie een subjectief oordeel te doen verkrijgen over de wijze waarop de notaris de verplichtingen nakomt, die de wet hem oplegt, zij geven geen voldoenden maatstaf om de probiteit van den notaris te beoordeelen. De notaris toch is ook naar artikel 82 van het Regeeringsontwerp alléén aansprakelijk voor den vorm, niet voor den inhoud der aktenj die als het werk der partijen wordt aangemerkt.
Maar de opneming dier ambtenaren is daarom van groot belang, omdat zij — vooral ten platten lande en in kleine steden — èn door eigen waarneming èn door mededeelin-gen van het publiek niet zeer veel zaken bekend worden, die van invloed zijn op de bcoordecling der probiteit van notarissen en candidaat-notarissen. Men heeft wel als een bezwaar tegen het opnemen dier ambtenaren aangevoerd, dat cr somtijds tusschen hen en de notarissen eene minder welwillende verhouding bestaat, doch dit bezwaar wordt door het voorstel dat de te benoemen ambtenaren hoofd-ambtenaren zullen moeten zijn, geheel weggenomen.
Datzelfde bezwaar zou er ook toe moeten leiden de notarissen geheel uit de Kamers te weren, daar hun belang zeker in groote mate betrokken is bij de wijze van uitoefening der praktijk door hunne ambtsbroeders. Met eenige bezwaar, dat er tegen de opneming der /wo/yambtenaren in het toezicht zou bestaan bij gelijke wetsbepalingen als thans gel-
*7
(lend zijn, is opgeheven doov de overneming door de Hegee-ring in artikel 52 van het voorschrift van het ontwerp-san-nes, dat de notaris verplicht is zijne akten, waarvan de termijn van registratie is verstreken. (1), op verlangen van den Inspecteur der Registratie aan hem ter naziening af te geven, tegen ontvangbewijs.
De opneming van notarissen in de Kamers van Toezicht was zoowel voorgesteld in het ontwerp-sannes, als dat zij is voorgeschreven door het Regeeringsontwerp. Bij een aantal van zeven leden waaruit de Kamers zouden bestaan volgens het eerste ontwerp, zouden naar dat voorstel twee notarissen door de Regeering nan te wijzen zitting nemeij. Volgens het Regeeringsontwerp zullen bij een aantal van vijf leden (2) eveneens twee notarissen, niet door de Regeering maar door hunne amhtsgenooten aan te wijzen, in het toezicht worden opgenomen.
De Regeering wijkt hier dus af van het voorgestelde in het ontwerp-sannes en licht die afwijking toe met de opmerking, dat zij in den regel niet in staat zal zijn te beoordeelen welke der notarissen uit het groot aantal, gevestigd binnen den kring waarover het toezicht zich zal moeten uitstrekken, voor die betrekking het meest geschikt-zijn. Het groote publiek — zoo meent de Regeering verder — zou bovendien in zoodanige aanwijzing allicht eene bizondere aanbeveling van Regeeringswege van de
(1) Het ontwoip-SANNiïs sprak juister van «geregistreerde aktenquot;. Naar de redactie van het Regeeringsontwerp zon bijv. inzage van ongeopende olographische of geheime testamenten knnnen worden gevorderd. Dit /al wol wat ver gaan.
(\'2) Een aantal van vijf leden is m. i. niet voldoende om een geregeld, daadwerkelijk en afdoend toezicht in het leven te roepen. Kn daarom toch is het te doen. Men vergete niet, dat de leden der Kamer van Toezicht ook andere bezigheden hebben, dan door het toezicht van hen zullen worden geëischt.
benoemden boven hnnne ambtgenooten zien, zonder dat daartoe voldoende gronden bestaan, en met het oog op de dagelijksche aanraking met hunne ambtgenooten acht de Regeering de notarrissen beter dan zich zelve voor die keuze geschikt. Daardoor zal ook volgens de Regeering bij de notarissen de gedachte meer ingang vinden (1) dat de Kamers van Toezicht niet vijandig tegenover hen staan, maar geroepen zijn, om in hnn eigen belang, bij te dragen tot handhaving van de waardigheid van liet ambt.
Deze meening wordt nader aangedrongen niet een beroep op de keuze van de leden der raden van toezicht en discipline door de advocaten zelve. (2)
He verandering door de Regeering voorgesteld, verdient naar mijn oordeel geen aanbeveling.
In de eerste plaats mag ilc er op wijzen, dat noch de liegeering noch de notarissen het tegenwoordig toezicht wenschen te behouden.
Evenmin wenscht men de wederinvoering van de Kamers van notarissen, zooals men die heeft gekend onder de wet van Ventóse, noch die welke werden voorgesteld door de Staats-commissie van 1867.
Ln de tweede plaats werd deze wijziging door de Regee-ring aangebracht in het ontwerp-SANNES door de schrijvers over dat ontwerp noch door de Broederschap van Notaris-sen — namens de notarissen in Nederland sprekende ■— gevraagd.
(1) Dat die gedachte bestond is mij niet gebleken. Jannnei\' dat do Uogeering ons den weg niet wijst langs welken wij tot die kennis kunnen komen. Uit de betuigingen van adhesie — ook van de nota-nissen — aan de gedachte om de Kamers van Toezicht in het leven te roepen valt zij toch zeker niet af te leiden.
f2) Men vergete niet dat de notarissen ambtenaren zijn, de advocaten niet. Wat voor dezen mag gelden, behoeft daarom voor de anderen niet evenzoo te zijn.
39
Wat mag dan de Regeering hebben genoopt haar voor te stellen ? Het algemeen belang gebiedt haar niet, en de notarissen drongen er niet op aan. (1)
Maar gaan we de motieven der Regeering eens van naderbij bezien.
In den regel, zegt zij, zal zij niet in staat zijn te beoor-deelen welke der notarissen het meest voor de betrekking geschikt zijn. Maar zal dan niet het. tegenwoordige toezicht in staat zijn haar daaromtrent voor de eerste maal volledig in te lichten? En zullen de Kamers van Toezicht of haar voorzitters dit voor het vervolg niet kunnen doen ? Zullen zij, dan reeds door ondervinding geleerd, niet beter dan,,de notarissen, in de gelegenheid zijn om de vereischten te beoordeelen die voor het lidmaatschap van de Kamers van Toezicht noodig of wenschelijk zijn en daarnaar eventueel gevraagde aanbevelingen of inlichtingen kunnen inrichten ?
Ue Regeering vreest verder, dat het groote publiek in hare aanwijzing eene bijzondere aanbeveling van Regeeringy-wege van den een boven den ander zal zien, zonder dat daartoe voldoende gronden bestaan.
Maar zal — als het waar is, — het publiek dit ook niet afleiden uit de aanwijzing door eene vergadering van notarissen ?
En zou bet, indien dit bleek juist te zijn — niet een reden wezen om de benoeming niet aan de notarissen op
(.1) Alleen de notaris W. A.\'Coolkn tc Heivoort (Economist Juli Augustus 1883) opperde dit denkbeeld. Daarentegen meende de notaris \\V. .1. N. Landré te Vlijmen in 7.ijne Brochure (Leiden 1883) dat de Iwee notarissen niet uit, maar builen, het ressort der Kamers moeten worden gekozen.
In denzelfden zin sprak de Alkmaarsche Courant van \'27 Mei 1883 niet de opmerking, dat de geest der broederlijke liefde tegenwoordig niet sterk ontwikkeld is onder die als bloeders samen wonen.
40
te dragen, omdat dan de organisatie aanleiding zou geven tot kouzen die minder gewenscht kunnen zijn ? Want het eigen belang, — die scherpe prikkel bij alle menschen, zou ook hier oorzaak kunnen zijn, dat notarissen werden aangewezen, van wie men niets te vreezen had, omdat men zou weten, dat liet publiek niet erg ingenomen is met hen-En wat zou er ten slotte worden van het toezicht, indien eens bleek dat men uit eigenbelang daarin ambtenaren bracht, die zelve — men voorzag dit in het ontwerp niet
— disciplinair gestraft moesten worden ?
De dagelijksche aanraking met hunne ambtgenooten maakt de notarissen tot het doen van een goede keuze meer geschikt, zoo meent de Regeering eindelijk. Bestaat
— behalve wellicht in groote steden — die dagelijksche aanraking wel? En zoo ja, is zij van dien aard, dat als gevolg daarvan eene goede keuze overal is gewaarborgd? (1)
(•n De notaris W. Hoogvliet tc Haarlem schrijft in dions brochure: Opmerkingen naar aanleiding van hot wetsontwerp tot regeling van het notarisambt. Haarlem, Erven Loos.ies, 1887, ad artikel 28 (pag. 7). «Met de voorgestelde Kamers van Toe/.icht kan ik mij zeer goed vereenigen. Mogten 7.ij de vele thans bestaande misbruiken eenigermate kunnen voorkomen. Dat de/.e geheel zullen worden geweerd, zal natuurlijk niemand verwachten, maar dat zij verminderen zullen is waarschijnlijk. De notaris, lid der Commissie, zal dadelijk weten te onderscheiden waar zijn ambtgenoot unfair of niet collegialiter gehandeld heeft. Een boekdeel zon vol te schrijven zijn over de velerlei manoeuvres, die thans (vooral In de steden) ter bekoming van praktijk worden
aangewend..... Do Kamers van Toezicht zullen voel goeds kunnen
aanbrengen, waartoe voorzeker ook behoort hot tegengaan van de zoo onedele praktijkjacht.quot;
Deze woorden — niet van mij, die In het oog van den schrijver in de Provinciale Groninger Courant — omdat hij hot standpunt waarop ik stond niet begreep of niet wilde begrijpen — de grootste notarisvervolger was — zullen, als van een onwraakbaar getuige, hem misschien tot nadenken kunnen brengen.
11
Kr is echter nog een grooter bezwaar tegen de opdracht der keuze aan de notarissen, wil men zich niet hlootstellen aan hetzelfde verwijt, dat tegen de Kamers van notarissen, onder de werking der wet van Ventöse gericht werd. Fk bedoel namelijk liet verwijt, dat aan de eene zijde camaraderie, aan de andere zijde ijverzucht eene rol zullen gaan spelen hij de keuzen der leden-notarissen. (1)
Hekend is het, hoe slecht in het algemeen vergaderingen worden bezocht. Dit verschijnsel doet zich ook voor hij do jaarlijksche vergaderingen van de Broederschap van Notarissen, waar zelden meer dan \'/10 der leden tegenwoordig zijn.
Al mag dit in den eersten tijd niet liet geval wezen, in lateren tijd zal dit verschijnsel zich ook wel openharen op de vergaderingen ter benoeming van leden in de Kamers van Toezicht. En juist daar dreigt het gevaar, dat camaraderie en ijverzucht hare nadeelige werking zullen doen gevoelen, als gevolg waarvan niet altijd do beste keuzen zullen worden gedaan.
Ifet beginsel dat notarissen in de Kamer zitting zullen nemen juich ik toe. Hun tegenwoordigheid in dit college is noodzakelijk ; omdat hunne adviezen, gegrond op volledige bekendheid met het ambt, zijn gebruiken en misbruiken, van onberekenbaar groot nut kunnen zijn. Maar zij moeten naar mijn oordeel op de vermelde gronden door de llegeering worden aangewezen.
Do vrees om door hare benoemingen somtijds aan dezen oi\' genen notaris misschien eenige schade toe te brengen mag geen grond zijn om,\'al was liet ook nog zoo weinig, de goede samenstelling der Kamers van Toezicht in eeni-gerlei opzicht in gevaar te brengen.
(I) Men zie o. a. ilo beraadslagingen over Hoofdstuk IV der Staats-liegrooting voor \'1883 en liet verslag van de derde afdeeling over de tliiins werkende wel van 9 Juli 184gt;2.
4
42
Wat nu de rechtsmacht der Kamers aangaat, daaromtrent bestaat groot verschil tusschen liet ontwerp-SANNEs en het Regeeringsontvverp. Wil het eerste de volkomen autonomie van den notarisstand, wil het — naar de gebleken behoeften — dien stand een college geven, dat disciplinaire macht heeft, — het Regeeringsontwerp wil het notarisambt blijven binden en ondergeschikt houden aan de rechterlijke macht, en nog wel, zooals de Memorie van \'roelichting dit uitdrukt, aan den gewonen rechter (1).
Om beide stelsels goed te kunnen beoordeelen dient men deze vragen te beantwoorden:
1°, Waarin onderscheiden zich disciplinaire straften (2) van de eigenlijke straften.
2°. Welke straften kunnen onder de disciplinaire vallen?
3U. Welke zijn de rechtsgevolgen aan de onderscheiding tusschen eigenlijke en disciplinaire straffen verbonden?
Zal eeuig rechtsgevolg kunnen worden aangemerkt als straf, dan is een noodwendig vereischte 1° dat zij voor het individu onaangenaam is, en 2\'\' dat zoowel de strat, als het feit waarop zij is gesteld, uitdrukkelijk in de wet ol wettelijke verordening moet zijn aangewezen. Die straf kan niet worden opgelegd dan op vordering van ambtenaren, bij de wet daartoe bevoegd verklaard, door rechters daartoe bij de wet aangewezen cn met inachtneming op strafte van
(!) De schrijver in liel vermelde numincr iler Provinciale Groninger Courant meent dut de uitgebreide rechtsmacht, die het ontwerp-sannks aan de Kamers van Toezicht gaf, al zeer zonderling was. Volkomen is dit verklaarbaar als men zich geen rekenschap geeft van den aard cn het wezen der disciplinaire straffen.
(2) Men zie over disciplinaire stralfen o. a. Uam.oz, Hópertoire method, et alphab. de la legislation, in voce Discipline jndiciaire; Mehmn. Répertoire nniversel et raisonné, in voce Discipline jndiciaire: von Ilol,/i:\\noHfk. Rechtslexicon in voce Disciplinarstrafen en Handbuch des Deutschen Strafrechts, I, § 2 : uk I\'into, Disciplinaire stralfen, iR\'i.
nietigheid van zekere vormen floor de wet genoemd. (I)
lTit het beginsel, dat de Staat behoort te zorgen voor de handhaving en verzekering der rechtsorde in de maatscbappij waarin wij leven, volgt het recht van den Staat om straffen te bedreigen en op te leggen. Die straffen zal hij echter niet altijd opleggen bij iedere verbreking der rechtsorde, al heeft hij het recht daartoe. Alleen dan, wanneer de inbreuk op de rechtsorde onmiddellijk de staatséénheid betreft of van dien aard is, dat zij middeliijk voor die rechtsorde gevaarlijk is, zal de Staat van het recht tot straffen gebruik maken.
En daarom is de Staat verplicht te letten op het (/eheele organisme. Ue personen tot eene bepaalde categorie behoo-rende, verbonden door denzelfden band, kunnen door hunne handelingen of nalatigheden in hun kring — zóódanige rechtskrenkingen te weeg brengen, dat de staatseenheid kan worden bedreigd, en de rechtsorde in den Staat verbroken. — Op die personen behoort dus de Staat in het belang van liet geheel, in meerdere mate toe te zien, hunne houding en gedragingen, hun doen en laten in het oog te houden, opdat door hun toedoen de algemeene rechtsorde niet middellijk worde geschaad. I )it doet hij door disciplinaire ürnffen op dergelijke personen toe te passen. Streng genomen zou dus het recht daartoe alleen bestaan, wanneer die personen zich aan rechtskrenkingen schuldig maken in de hoedanigheid die hen in den bepaalden kring beeft geplaatst. Toch vinden we in onze wetten die strenge toe-passing niet. Meermalen straft de wetgever ook dan disciplinair, wanneer door de bedoelde personen vergrijpen worden gepleegd, die met hunne hoedanigheid weinig of niet
(1) Men zie de artt. I Wetb. van SlralVeclit, 1, \'2, iUH e. v. Wctb. van Strafv. 20. 44, 50 e. v. H. O. 18 Wetb. v. lUug. Rechtsv.
44
te maken hebben. Maar dit moet nochtans omdat die vergrijpen in zoo nauw, ja onafscheidelijk verband staan met de eer en de waardigheid, niet alleen van hem die ze beging, maar ook van allen met wie hij door éénen band tot dezelfde categorie van personen is verbonden.
Vragen we nu wat disciplinaire straffen zijn, dan dunkt mij, dat ze genoemd moeten worden: bestraffingen die de ritaat, — hetzij hem daartoe al dan niet uitdrukkelijk de bevoegdheid is toegekend, -- oplegt aan eene zekere categorie van personen, voor vergrijpen die niet onder het ahjemrenc strafrecht vallen en die alleen door die categorie met dal gevolg kunnen worden gepleegd, liet doel daarvan is om in dien beperkten kring, orde, getrouwe plichtsvervulling en een onberispelijken levenswandel te verzekeren.
I [et kan echter dikwerf moeielijk zijn de disciplinaire straffen geheel en al te onderscheiden van de eigenlijke straffen. Vooral doet zich die moeielijkheid gevoelen als de jiewone rechterlijke macht mot de toepassing van beide is belast en de disciplinaire straffen niet enkel zijn bedreigd tegen feiten en nalatigheden in den bepaalden kring, maar ook uitgestrekt zijn tot die, welke tevens in de algemeenc strafwet zijn genoemd.
De noodzakelijke vereischten van eigenlijke straffen zijn hiervoor genoemd. Waar nu een dezer elementen ontbreekt, daar kan naar mijne meening niet aan straf in den eigenlijken zin des woords worden gedacht, en moet men aannemen, dat eene disciplinaire terechtwijzing in de bedoeling des wetgevers heeft gelegen. Maar men mag hieruit niel afleiden, dat waar eenig wetsvoorschrift wel voldoet aan de bovengestelde eischen er steeds een eigenlijke straf bestaat\' daar de wetgever uit den aard der zaak volkomen bevoegd is de disciplinaire maatregel tegen bepaalde feiten bedreigd, met name te noemen en de procedure te regelen.
Is liet doel dei\' disciplinaire straffen, do rechtsorde in den bepaalden kring te verzekeren, desnoods door uitstootimj der leden, dan rijst de vraag: welke zijn nu de kenmerken dier straffen? Naar mijn oordeel deze, dat zij eerstens enkel kunnen worden toegepast op personen met zekere hoedanigheid in een bepaalden kring in den Staat, welke hoedanigheid echter van zoodanig aanbelang moet zijn met het oog op de algemeene rechtsorde, dat de Staat daardoor de bevoegdheid hebbe door aangewezen personen te doen bo-oordeelen of de hoedanigheid dier personen ongeschonden blijft bewaard.
Dat oordeel kan worden opgedragen zoowel aan een rechterlijke als aan een andere autoriteit, die daartoe uitsluitend, krachtens de verhouding tot de gemelde personen, door den Staat is bevoegd verklaard.
Is het opgedragen aan de rechterlijke autoriteit, dan treedt deze echter nooit als zoodanig op (dus noch als burgerlijke noch als strafrechter) en is zij niet gebonden aan de (jewonc regelen die voor hare bestraffingen van vergrijpen tegen het algemeen strafrecht gelden.
Maar is het wenschelijk deze daarmede te belasten? Kn bier staan we weer op het terrein van het notariaat.
Allen zullen het wel eens zijn, dat waar de macht tot het opleggen van disciplinaire straffen wordt gegeven, aan wien ook, twee zaken zullen moeten samenloopen: 1°. namelijk dat die personen volkomen bekend behooren te zijn in den kring waarover hun macht zich uitstrekt, zoodat men \'2°. daardoor gewaarborgd is, dat alle vrees voor willekeur is uitgesloten, (t).
l iet komt dus hoofdzakelijk aan op eene goede keuze van
(l) Dit tweede vereisclite maakt liet toezicht op notarissen dooi Kamers enkel gekozen uit notarissen en door notarissen, reeds onmogelijk.
in
pei\'Ronen aan wie clio macht wordt gegeven. Zij toch moeten tengevolge hunner onmiddellijke verhouding tot den te bewaken kring, volledui de rechtskrenkingen kunnen kennen en op haar juiste waarde schatten. En dat kan naar mijn oordcel de rechterlijke macht alléén niet met rlic volledigheid die hier zoo gewenscht is.
Met volle recht laat men in de wet op de rechterlijke organisatie de disciplinaire macht over de leden van het eene rechterlijke collegie over aan hot andere, want daav is dc verhouding de juist gewenschto. Ook over die ambtenaren, die in de onmiddellijke nabijheid dier collegiën hunnen werkkring hebben, is de toekenning der disciplinaire macht zeer op haar plaats. Maar bij bet notariaat, dat een zóó veelzijdigen werkkring heeft, is enkel dat element niet op zijn plaats. Logisch zou hieruit moeten volgen, dat de disciplinaire rechtsmacht moest worden toegekend aan collegiën enkel samengesteld uit notarissen. Maar dat is èn blijkens de gedane ondervinding èn blijkens de uitgesproken meeningen niet gewenscht, vooral ook daarom, omdat het aan het zooeven gestelde tweede vereischte volledige waarborgen dat alle vrees voor willekeur zij uitgesloten — uit den aard der zaak niet voldoet. Vandaar dat in het ontwerp-Sannus aan een gemengd zelfstandig collegie met groote rechtsmacht dc voorkeur werd toegekend.
Ifet nieuwe Wetboek van Strafrecht bewaart over disciplinaire straffen het stilzwijgen. Wel een duidelijk bewijs, dat dit onderwerp van het eigenlijke strafrecht geheel afgescheiden is en daartoe dus niet behoort. Vandaar dan ook. dat de rechtsgevolgen van de eigenlijke straf geheel anders zijn dan die der disciplinaire straffen. Het zij voldoende, dat ik hier slechts enkele aanstip.
Dc eerste regel van strafrecht: geen straf zonder dat bet
47
feit uitdrukkelijk in de strafwet is genoemd, blijft hier buiten toepassing. Uier kan zich de toepassing der straf ook dan doen gelden als de feiten slechts van een zedelijk standpunt veroordeeld moetten worden.
Verder is de disciplinaire strafvordering geheel unufhunki -lijk van de eigenlijke en kan niettegenstaande deze niet wordt aangelegd, gene toch worden ingesteld.
Al is ook de disciplinaire macht aan een rechterlijk college opgedragen, toch is daarom, zonder uitdrukkelijke opdracht het O. M. niet bevoegd de strafvervolging aanhangig te maken. Dit spruit daaruit voort, dat niet liet college als zoodanig, d. w. als gewoon rechterlijk college, optreedt. Verder is de disciplinaire strafvordering uitbaten aard niet aan verjaring onderworpen en vervalt bet recht om die straften toetepassen zoodra de bijzondere hoedanig lieid krachtens welke de disciplinaire macht bestaat, wordt verloren. De bevoegdheid tot wraking van de personen met het toezicht belast bestaat niet.
Derden kunnen niet genoodzaakt worden getuigenis der waarheid in disciplinaire zaken af te leggen.
De betrokken persoon mist het recht van verzet, booger beroep en cassatie, terwijl de Koning voor deze straften het recht van gratie mist.
De verplichting om de zaak te behandelen en de uitspraak in het openbaar te doen, bestaat bij\'de disciplinaire straften niet, omdat de beslissingen geen eigenlijke vonnissen zijn. De regelen, daarvoor gesteld, behoeven bier niet noodzakelijk te worden toegepast.
Wanneer we nu deze rechtsgevolgen, alle voortspruitende uil den aard der disciplinaire straffen, vergelijken met het positieve recht, dan vinden wc herhaaldelijk van deze regels afwijkingen.
48
Als disciplinaire straffen zijn aan te merken ; waarschuwing of berisping, schorsing en ontzetting (1).
Staat nu vast dat deze alle disciplinaire \'straffen zijn zoowel volgens de opvatting van het ontwerp-S.w.Ni-s als volgens het Regeeringsontwerp, dan dienen we de voorschriften van beide te toetsen aan de regelen hiervoren omtrent den aard der disciplinaire straffen uiteengezet. En dan slaat m. i. de schaal over in het voordeel van het ontwerp-SANNES. Niet alleen toch, dat de snmenstellinc/ van de Kamers van Toezicht volgens dat ontwerp meerdere waarborgen aanbood van met juistheid de rechtskrenkingen in de bepaalde categorie tc kunnen nagaan, zij waarborgden ook beter het recht. Om materieel, niet om formeel recht is het hier te doen.
De Regeering deelt in de Memorie van Toelichting mede (pag. 4), dat zij bezwaar heeft tegen het in het leven roepen eener bijzondere rechtsmacht, /ij beroept er zich op, dat in de meeste landen van Europa de rechtbanken belast zijn met de bestraffing der notarissen, ook daar waar Kamers van notarissen bestaan. En zij wijst er op, dat men in 1855 in Oostenrijk ook de bestraffing aan do Kamers van notarissen bad opgedragen, doch dat men in 1871 op dat systeem is teruggekomen en dat aldaar de rechtspraak bij den gewonen rechter is teruggebracht.
liet was zeker aan de Regeering onbekend, dat juist deze
(I) Uit lilijkt ten overvloede uit artikel :i der wet tot invoering van het Wetboek van Strafrecht, waar gezegd wordt, dat disciplinaire straden niet tot de ingetrokkene behooren.
In de Memorie van Toelichting op dat artikel zeide de Regeering, dal o. a. daartoe behooren do voorschriften der artikelen I I—Ik der wet op de Rechterlijke Organisatie, artikel 50 der wet op het notarisambl. de artikelen H, 12 en 28 van hot Reglement van orde en discipline voor de advocaten en procureurs,
49
regeling aan ilc notarissen in Oostenrijk aanleiding gal\' zich in 1885 tot de Hegcering te wenden met het verzoek ; „Hochdasselbe (scil. KK. .lustiz-ministerium) gernhe im Gesetzgebungswege zu erwirken, dasz zu den aufGrunddes § 161 der Notariatsordnung vota 25 Juli 1871, H. G. BI. no. 75, gebildeten, für Notare fungirenden Oberlandes-gerichtlichen Disciplinarsenaten auch ein Milglied au* dam Stonde der Notare, mit entscheidender Slimme beigezogen werdequot; (1). De gronden over het onvoldoende van de disciplinaire rechtsmacht, die (evenals de Regeering thans voorstelt) daar enkel bij de rechterlijke macht berust, worden zeer uitvoerig en overtuigend blootgelegd in eene bijna een honderdtal pagina\'s bevattende brochure (2), waarvan^ het slotwoord luidt: „Die bisherigen Erfahrungen haben aber deutlich gezeigt, dasz Aufsichts- und Disciplinarwesen im Notariate unbefriedigend und unvollkommen organisirt sind, dasz sie ihrem Zwecke nicht entsprechenquot;.
Waar dus de Regeering zich beroept op de Oostenrijksdie wet, daar beroep ik mij voor mijn systeem op de wenschen van de Oostenrijksche notarissen, die zoo dringend en overtuigend verlangen dat de disciplinaire rechtsmacht niet langer enkel aan de rechterlijke macht blijve opgedragen, maar dat ook de vakman, juist omdat het disciplinaire straften geldt, een beslissende stem in het kapittel hebbe.
Alen heeft nog aan het stelsel, dat eene bijzondere rechtsmacht in het leven zou roepen, tegengeworpen, dat ons volk niet van dergelijke speciale rechtscollegies houdt (8).
(1) Ik cursiveer.
(\'2) Ueber eine liefonn des Aufsichts mul Disniiliuarwesens in Ause-limig iler Notare und Notariatscnndidiiten. — Denkschrift des Oester-reichischen Notarenvereines, Wien 1885. Ira Selbstverlage des Oester-reichischon Notarenvereines.
(.3) Mr. JomssEN in de eerste en eenige aflevering van het Tijdschrifl voor het Notarisambt onder redactie van Mr. Jonissi n en Mr. Komnü-
50
liet argument munt uit door vaagheid en is moeielijk bewijsbaar. Men zou o. a. om liet tegendeel te betoogen kunnen wijzen op de stemmen die er opgaan, om kooplieden zitting te doen nemen Mj de behandeling door rechtbanken van handelszaken.
De Regeering zegt op pag. 3 der Meniorie van Toelichting, dat zij Dij de regeling van haar stelsel is uitgegaan van de haar inziens juiste stelling, dat behoort te worden onderscheiden tusschen het houden van toezicht en het opleggen van straffen. Tegen het opdragen van het eerste aan een bijzonder college bestaat bij haar geen bezwaar, doch wel tegen bet in het leven roepen van eene bizondere rechtsmacht. Waar de wetgever aan de overtreding van bepaalde voorschriften strafrechterlijke gevolgen verbindt, behooren die overtredingen ook door don gewonen rechter te worden behandeld.quot;
Gaan we nu na welke de werkzaamheden der Kamers van Toezicht zullen zijn, dan vinden we in artikel 30 no. 2 bepaald, dat zij zullen houden het toezicht over het gedrag en de handelingen der notarissen en candidaat-notarissen, het weren en beteugelen van inbreuken en misslagen en tot dat einde het aan de notarissen opleggen der disciplinaire straf van waarschuwing. Die straf van waarschuwing wordt volgens artikel 94 van het ontwerp door de Kamers opgelegd naar aanleiding van artikel 85, indien de notaris zijne ambtsplichten verwaarloost of zich schuldig maakt aan handelingen, strijdig met de eer oi\' do waardigheid van zijn ambt. (J)
notarissen li» Wiiiselioten en Ki n ster wol lt;1. (Uitgegeven dooi\' de Ver-oeniging van Notarissen in de provincie Groningen.) Omningen, .1. H. Woi.Tuns, 188;!.
(\'1) De Kamers treden dus ook liier slralfend op. De stelling waarvan de Uegeering /.eg( te zijn uitgegaan, schijnt dan toch hier niet in
al
Is een notaris gewaarschuwd en hij maakt zioli weder aan een der inbreuken bij dat artikel genoemd schuldig, dan kan hij worden geschorst. Die schorsing zal door de rechterlijke macht moeten geschieden op vorderinci van bet Openbaar Ministerie.
Hoe nu hier, waar geene bij de wet bepaaldelijk omschre-vene strafbare feiten aanwezig zijn. in eens de beoordeeling of een notaris zijne ambtsplichten verwaarloost of zich schuldig maakt aan handelingen strijdig met de eer of de waardigheid van zijn ambt, in plaats van aan de Kamers van Toezicht aan het Openbaar Ministerie kan worden opgedragen, is mij niet duidelijk. Zullen nu hier het lt;). M. en de rechtbank beter in staat zijn dan do Kamers te beoor-deelen of de handelingen in strijd zijn met de eer of de waardigheid van het ambt? Ik betwijfel het, juist met het oog op de samenstelling der Kamers.
Maar ook, geloof ik, is hier miskenning van den aard der disciplinaire straffen.
Feitelijk zal er dus tweeerlei toezicht zijn: eerstens dat van de Kamer van Toezicht en tweedons van hot Openbaar Ministerie, en voor twee feiten, waarvan het eerste het tweede wellicht, in gewicht overtreft, verschillende rechters bestaan (1).
het oog te zijn gehouden. Of was het hior niet nooilip; .\' Maai \'lan was het dit ook niet voor het vervolg.
(I) Kn wat, indien de rechtbank de feiten eens niet zwaarwichtig genoeg vindt om den notaris te schorsen \'l Zal dan de zaak kunnen worden gerenvoieerd naar de Kamers \'om de straf van waarschuwing uit te sprekenOf zal deze dan ambtshalve ageeren? Want tot waarschuwen is do Rechtbank niet bevoegd : zij kan schorsen. Kan zij ook wal anders? .Ia, vrijspreken, maar dat verbiedt haar de rede indien cr termen zijn om te oordeelen dat er in strijd is gehandeld met de eer en waardigheid van het ambt. Zij zal dus ten slotte bijna altijd moeten schorsen. Maar als dat zoo is en zij acht de feiten niet zeer zwaarwichtig,
Die tweeslachtige wijze van I lehandeleu van disciplinaire aangelegenheden komt mij, sul va vcverentia, /eer bedenkelijk voor.
Heter scheen het mij toe de samenstelling der Kamers te hebben zooals het ontwerp-sannes bepaalde en de Minister Modderman wenscbelijk keurde, maar tevens om haar een groote rechtsmacht toe te kennen. Do zeven leden der Kamers van dat ontwerp boden alle waarborgen aan, die men voor een ordelijke uitoefening van disciplinaire rechtsmacht kan wenschen en hunne uitspraken zouden in. i. meer waarde hebben dan die der rechtbanken, samengesteld uit slechts drie, ontwijfelbaar eerlijke mannen, doch die de in disciplinaire zaken zoo noodige bekendheid met het ambt, waarover zich hun macht uitstrekt, missen. •—• En meent men inderdaad, dat een college als het ontwerp-san-nes bedoelde, waarin evenveel rechterlijke ambtenaren zitting hebben als in een Arrondisaements-Rechtbank, minder goed recht zal doen dan een rechtbank, dan moet dit toch voortspruiten uit de aanwezigheid en den invloed of van de notarissen of van de ambtenaren der registratie.
Hn nu wil het mij voorkomen, dat daar waar in het college mannen van bet vak zitting hebben, dit steeds voor den notarisstand een groot voordeel oplevert, en kan ik mij in geenen deele verklaren, waarom de notarissen hier te lande die tegenwoordigheid niet verlangen, terwijl zij, zooals hierboven is vermeld, er in Oostenrijk dringend —• en zeer terecht — om vragen.
Dat de vervolging en berechting in éénc hand zou wor-
ilan bestant or gevnur voor oene gewrongune vrijspraak, zoodat door deze regeling de goede rechtsbedeeling zou worden geschaad. En tegen een dus gewezen vonnis niet vrijspraak lieeft liet O. M. geen rechtsmiddel. Hooger beroep en cassatie bestaat volgens artikel 00 alleen tegen vonnissen waarbij de xlraf is uitgesproken,
53
den geplaatst waardoor naar sommiger bewering een der heste waarborgen voor de vrijheid der burgers en voor de onpartijdigheid der rechters zon worden prijs gegeven, is, waar liet disciplinaire straffen geldt, eene natuurlijke zaallt;. Ook het Regeeringsontwerp laat de Kamers ambtshalve optreden. (1)
Men heeft verder als bezwaar tegen het stelsel vanhetont-werp-SANNEs aangevoerd — en het Regeeringsontwerp heelt aan den drang toegegeven, — dat het geen hooger beroep en cassatie tegen de opgelegde straffen van schorsing of ontzetting toeliet.
Naar mijne meening ten onrechte. Al heeft de wet hier en daar aan disciplinaire straffen dit recht toegekend, dan behoeft dit geen motief te zijn het ook hier te doen. Men beroept zich hier te lande steeds te veel op bepalingen in andere wetten of ontwerpen voorkomende. Dat beroep heeft geenerlei waarde. De vraag is enkel of de rechtsmiddelen in de behandelde stof behooren plaats te vinden. En dan meen ik, dat de wetenschap die rechtsmiddelen hier niet vordert.
In het kader der disciplinaire straffen past geen hooger beroep. Ik betwist geenszins het recht van den wetgever om dat recht toe te kennen, maar als een bewijs, dat hot uit den aard der zaal- niet tot de disciplinaire straffen behoort, voer ik nog aan, dat de bepalingen van het burgerlijk of strafproces er niet van zelve op van toepassing-zijn, maar dat de wetgever uitdrukkelijk deze materie telkens regelt. En dit moet hij doen omdat anders de gewone bepalingen niet van kracht zijn, daar, al is aan een rechterlijk college de disciplinaire rechtsmacht opgedragen, het niet ah zoodanig, maar in zijne bijzondere
(I) Men zie artikel 93 van liet ontwerp.
hoedanigheid, krachtens welke het daartoe bevoegd is, optreedt. (1)
De omstandigheid dat bij schorsing en ontzetting de straf naar buiten gaat werken en daar waarneembaar is, verandert den aard der disciplinaire straffen niet.
()ok het beginsel in het Regeeringsontwerp dat de uitspraak van de vonnissen tot schorsing en ontzetting op vordering van het Openbaar Ministerie in het openbaar moeten geschieden is in strijd met den aard der disciplinaire straffen; dat het onderzoek in raadkamer geschiedt is echter volkomen daarmede in overeenstemming. Waarom wordt de zaak in raadkamer behandeld? Toch zeker om te voorkomen, dat eene op onvoldoende gronden steunende vordering tot schorsing of ontzetting, den notaris het noodzakelijke vertrouwen bij zijne medeburgers zal ontnemen of schokken. Hoor de uitspraak echter worden die gronden openbaar, wat in geval van veroordeeling niet schaden kan, maar in\' geval van vrijspraak voor den notaris zeer bedenkelijke gevolgen na zich kan slepen,
„leder toch — om eene zeer gewone uitdrukking te bezigen — denkt er het zijne vanquot; en in den mond van het volk is de uitdrukking „hij is door de mazen gekropenquot; voldoende in staat, wantrouwen tegen den notaris te zaaien. Eene vrijspraak neemt de nadeelige gevolgen van de openbaar gemaakte gronden niet weg. Schreef het Re-geerings-ontwerp voor, dat alleen in gevallen van veroordeeling de uitspraak in het openbaar zou plaats vinden,
(i) Maar waarvoor honger beroep ? Levert de beoordeeling door personen uit eene andere streek, nmtrent dat, wat in strijd met de eer of waardigheid van het ambt is, meerdere waarborgen np dan die dnor een rechterlijk college, dat met de persoonlijke en locale toestanden althans beter op de hoogte kan zijn ? Om materiëele, niet nm formeele waarheid is het hier te doen.
men Icon ev nog vrede mede hebben, maar eene openbaarheid in alle gevallen schijnt mij toe in het belang der zaak onnoodig, en voor de betrokken personen zeer zeker onge-wenscht. (1).
Ontwikkelde ik tot dusverre enkele bezwaren tegen het stelsel der Regeering voor zoover aangaat de samenstelling der Kamers van Toezicht en tegen de niet-toekenning aan deze van de disciplinaire rechtsmacht; wilde het ontwerp-Sannes in dit opzicht de volledige autonomie van den notarisstand bereiken en het Regeerings-ontwerp niet, thans moet ik een ernstig bezwaar aanstippen tegen den iverk-kring aan de Kamers vau Toezicht toegedacht.
Het ontwerp-SANNEs wenschte aan de Kamers o. a. sub 7° op te dragen : „het doen van voordrachten aan de Regeering voor de vervulling van vacatures, de verandering van standplaatsen, de vaststelling der ressorten van nieuwe standplaatsen en de wijziging der ressorten van vacante standplaatsenquot;, terwijl zij verder in dat ontwerp o. a. werden belast met het jaarlijks geven van berichten aan de Regeering over de noodzakelijkheid van veranderingen in de wetgeving betrekking hebbende op het notariaat.
Daarentegen wil het Regeeringsontwerp in artikel 80 no. 6 opdragen aan de Kamers vap Toezicht:
„het geven van bericht en raad aan de Regeering omtrent de in haar handen (2) gestelde verzoeken om tot notaris benoemd te worden oi\' van standplaats te verwisselen, als-mede, voor zoover dit. mocht worden ingeroepen, (2) omtrent alle
(l) Opmerkelijk is liet, met hel oog op artikel 79 in line van liet omwerp, dat de Regccring in dn Toelichting van artikel % zegt, dat dlt;-openbaarmaking der schorsing niet is voorgeschreven, omdat deze den notaris later te veel zon benadeelen en hom bijna alle vooruitzichten op praktijk zon ontnemen.
(,\'2) Ik cursiveer.
5()
vlt;xirdrachteu van wettelijke voorschriften on andere aan-gelegenheden het notarisambt betreffende of daarmede in
verband staande.quot;
Men /iet dat er hier, voor wat aangaat de benoemingen, een groot onderscheid bestaat tusschen het ontwerp-SANNJos en het Regeerings-ontwerp. Wil het eerste voor elke benoeming eene aanbeveling van de Kamers aan de Regeering ___ al eischt het niet dat de Regeering zich aan de voordracht honde — en wil het door bekwame en deskundige mannen de Regeering geregeld doen inlichten ovei wetsveranderingen waarvan de noodzakelijk uit ervaringen in alle deelen des Rijks bleek, wenschte het op beperkt gebied in het leven te roepen wat de hoogleeraar Opzoomek in het algemeen aanbeval; zag het,vooral in het verplichtend stellen van bet doen der voordrachten door de Kamers van Toezicht een zeer krachtig middel tot verheffing van het notariaat; het Regeerings-ontwerp verwerpt dien steun en wil slechts die\' voorlichting voor zoover de Regeering zal goedvinden haar te vragen.
Er werd steeds, en er wordt nog — zeer zeker dikwerf ten onrechte — beweerd, dat aan de benoemingen bij het notariaat bijna niets anders dan gunstbetoon of protectie van politieke vrienden der Regeering ten grondslag liggen. Wat daarvan zij, vrij zeker behooren de benoemingen voor het notariaat voor een Minister van Justitie tot de onaangenaamste en ondankbaarste onderdeden van zijnen werkkring. Zijn bureau wordt vaak tot in het oneindige door candidaten en zoogenaamde protecteurs bezocht. I\'e keuze kan daardoor bemoeielijkt worden en ik meen te durven beweren, dat ook een Minister van Justitie, hij moge zoo standvastig mogelijk zijn, toch wel geindneneeerd kan, en ook wel eens zal worden.
57
Er bestaat naar mijn oordeel een middel, dat, behalve dat het de gerechtigheid dient, de kracht zou hebben om de publieke opinie, die meent, dat het verkrijgen van een notariaat enkel eene zaak van protectie is, te wijzigen en dat tevens de quot;oor den Minister niet steeds aangename bezoeken, zeer zal beperken. Ik bedoel het systeem door het ontwerp-SANNES gevolgd. Dit wil voor nlle benoemingen aanbevelingen van de Kamers van Toezicht. Het voorschrift zon het voordeel hebben, dat niet zoo dikwerf onwillens verwachtingen zouden worden gewekt ;ils thans het geval is. De candidaten toch wier namen niet op de voordrachten — die ik publiek gemaakt zou wenschcn — zonden voorkomen, zullen zich dan zelden tot den Minister wenden, en de Regeering, die toch vrij bleef in haar voordracht aan den Koning, vond in de aanbevelingen een niet te verwerpen vingerwijzing.
Nu kan men wel zeggen, dat de llegeering naar haar ontwerp toch adviezen van de Kamers kan vragen — wellicht zal zij \'took dikwijls doen — maar toch wil het mij voorkomen dat dit geen regel zal zijn. En juist dat komt mij zoo ongewenscht voor. Het zwaartepunt der benoemingen werd door het ontwerp-SANNEs niet verplaatst, maar wM gaf die regeling minder dan het Regeeringsontwerp voedsel aan de communis opinio, dat gunstbetoon en politiek aan ile benoemingen verre van vreemd zijn.
lün daarom had ik zeer gaarne gezien, dat de llegeering op dit punt niet van dat ontwerp ware afgeweken. (1)
Cl) Men vorgeto niet, dat nieuwe bepalingen, hoc voortrellelijk zt\' ook mogen zijn, op zich zelve het notariaat nooit zullen kunnen op-Uellen uit den ongezonden toestand, indien niet do uitvoerende macht strengere eischen voor ontwikkeling en zedelijkheid stelt dan zij tot vduserre deed. Zij moet daarom alle mogelijke voorzorgen nemen en
5
58
Men zegt vrij algemeen dat in het gehalte der personen een iler grootste krachten gelegen is voor de verheffing van het notariaat.
Is dat waar, dan is daarmede naar mijne meening uitgemaakt, dat ook de meest mogelijke voorzorgen dienen te worden genomen. (1)
De Regeering bespreekt in de Memorie van Toelichting het punt der aanbevelingen door de Kamers van Toezicht en meent, dat het ontwerp-SANNES in dit opzicht te ver ging. Zij zegt, dat daardoor niet alleen eene te omvangrijke taak op de schouders der Kamers van Toezicht zon worden gelegd, maar dat bovendien de verantwoordelijkheid voor elke benoeming geheel op de Regeering moet blijven rusten. De Kamers van Toezicht mogen daarbij alléén optreden als voorlichtsters en of de Regeering die voorlichting behoeft, behoort zij in ieder bijzonder geval te beoordeelen.
Daargelaten, dat het Regeeringsontwerp ruimte laat om de „te omvangrijke taakquot; die het ontwerp-SANNEs aan de Kamers op de schouders wilde leggen, toch op haar schou-
dc meest mogelijke inlichtingen trachten te verkrijgen. Van lt;)e goede uitvoering der wet in dit opzicht hangt zoo oneindig voel voor de verheffing van het ambt af.
(1) Maar daarmede is men niet van alles af. Met de phrase salles liangt af van den persoon, de Regeering lette daarom slechts op hare benoemingenquot; denken zij zich van de zaak af te maken, die van andere middelen tot verbetering weinig of niet willen weten. Men stelt dan echter een onmogolijken eisch. Hoe wil de Regeering weten wat er van een candidaat zal worden als hij notaris is ? Als het waar is, dat de omstandigheden den menscli vormen, dan zal er zeer zeker niets van te zeggen zijn ; want de omstandigheden waaronder de candidaat leeft, zijn geheel andere dan die waaronder dn notaris zijn bestaan vindt. De Regeering kan dus alleen toezien, dat zij niemand tot notaris aanstelt van wien reeds nu is te voorzien dat hij het ambt niet tot eer zal verstrekken. Daarvoor dienen de beste maatregelen te worden genomen en dat de Kamer van Toezicht beter dan de Regeering op de hoogte kan zijn schijnt mij niet te betwijfelen.
59
dors te laden, schijnt het argument, dat de Regeering dc verantwoordelijkheid voor elke benoeming op zich moet houden, niet afdoende. Immers die verantwoordelijkheid zou dezelfde blijven al schreef de wet de verplichte aanbevelingen — waarvan nochtans mocht worden afgeweken •— voor, lün indien men weet, dat bij den thans bestaandeu toestand aan menig sollicitant ter audiëntie wordt gezegd, dat zijne al of niet benoeming vooral daarvan zal afhangen of zijn naam op de voordrachten van het O, .M. zal voorkomen, dan mag het terecht eenige verwondering baren, dat de liegeering deze gelegenheid niet aangrijpt om eene, in het oog van het volk zeer gewenschte regeling daar te stellen, en zich in het belang der rechtvaardigheid een — al Is het zwakken — zedelijken band in dc luel aan tc leggen. (1).
Een ander punt dat in verband met het toezicht onze aandacht verdient, is het uit het ontworp-HANNUs overgenomen voorschrift, dat de notaris verplicht zal zijn sommige registers aan te houden.
i Eet toezicht op de geregelde en juiste aanhouding werd in het ontwerp-SANNES in artikel 33 no. 6 opgedragen aan de Kamers van Toezicht en het bedreigde in artikel 113 eene boete van 1—100 gulden tegen den notaris die dit voorschrift niet opvolgde.
Het Regeeringsontwerp bedreigt in artikel 84 sub. 5° eene boete van ten hoogste f25.— tegen den notaris die
(1) De Regeeiiug vreest een te omvangrijke tnak op de schouders der Kamers to leggon. Welnu — wil men aan liet te sdieppen toeziehl de meest mogelijke kracht geven, men voege aan de Kamers eenen secretaris loe, zooals hel ontwerp-SANNES wilde, wiens werk aan het toezicht en dus ook aan liet algemeen belang ten goede zal komen. Door dit niet te doen schept men hetzelfde bezwaar, dat thans tegen het toezicht van het O, M. bestaat en niet licht is te achten: «Zij die het toezicht moeten houden hebben zelve te veel werk om het behoorlijk te doen.quot;
60
zich schuldig maakt aan overtreding van het voorschrift bij artikel 68 gegeven.
Nu verdient het opmerking, dat het Regeerings-ontwerp het uitdrukkelijk voorschrift van het ontwerp-SANNEs in het zooeven gemeld artikel 33 no, 6 wegliet. Het draagt dus niet, zooals dat ontwerp, expressis verbis, het toezicht op de behoorlijke aanhouding der registers, noch op de ordelijke bewaring der akten aan de Kamers van Toezicht op. Maar men moet hieruit niet afleiden dat het Regee-ringsontwerp dat toezicht door de Kamers niet wil! Immers in no. 2 van artikel 30 wordt der Kamer de plicht opgelegd aan het Openbaar Ministerie kennis te geven van alle feiten, voor zooverre daarop bij deze wet bepaalde straffen zijn opgelegd. En op het niet behoorlijk aanhouden der registers is een bepaalde straf van hoogstens f25 gesteld.
Het trekt echter de aandacht dat het toezicht op de ordelijke bewaring der alten door het Regeerings-ontwerp niet aan de Kamers wordt opgedragen, alhoewel de overtreding der bepaling disciplinair zal moeten worden gestraft volgens artikel 85. Of mag men aannemen dat de Kamers ook zonder dat het gezegd wordt inzage van de registers mag nemen en de ordelijke bewaring der akten raag contróleeren ? Ik geloof het niet en vind daarom de weglating van hot positief voorschrift van het ontwerp-SANNEs geen verbetering. Artikel 54 al. 2 der wet van Frimaire laat aan de ambtenaren der registratie enkel de vrijheid om alien in te zien.
Het tweede punt waarin het Regeerings-ontwerp van de bestaande wet afwijkt, betreft de tijdelijke vervanging der
61
notarissen. De Regeering wijst er op, rlat het ontwerp van 1870 in dit opzicht geene verandering aanbracht. Het ontwerp-SANNEs stelde de vervanging hij ontstentenis van den notaris voor door candidaat-notarissen wier titel, tot dusverre in de wet onbekend, thans ook in het Regeerings-ontwerp, niet de regeling van het ontwerp-S.\\NNES voorkomt. Tegen de in dat ontwerp voorgestelde vervanging der notarissen door candidaat-notarissen bestonden volgens sommigen ernstige bezwaren. Men zeide; „de notaris is openbaar ambtenaar, de candidaat nietquot;.
„Zal dus.— zoo werd beweerd — (1) de candidaat dezelfde bevoegdheid hebben, dan zal hij door dezelfde macht moeten worden aangesteld. Dit scheen hun een „onomstogtbaar argumentquot;. (2)
(1) Rapport van den ring Aiastcnlain der Broederschap van Notarissen in Nederland. Dit rapport is opgemaakt, alllians onderteekend, door de Heeren Notarissen te Amsterdam .1. .T. Claasf.n Hzn., Mr. .1. F. Wertheim, .1. F. Hhruschleb en Mr. L. Zhokhs Vrkokens.
(2) Toen de commissie tot herziening van liet ontwerp-SANNES daarop antwoordde, dat men zich blijkbaar niet de vraag gesteld had. of de opdracht der vervanging krachtens de wet door het publiekrechterlijke lichaam, do Kamer van Toezicht, don candidaat-notaris niet oven goed tot openbaar ambtenaar zonde kunnen maken als de deurwaarders bij de rechtbanken en do kantongerechten dat karakter ontleenen aan hunne benoeming door een hooger rechterlijk college, noemde men dit antwoord eene nslellingquot; en vond men, dat daaruit dadelijk in het oog sprong, dat de ontwerpers op een dwaalspoor waren en dat zij hier, gelijk op vele plaatsen elders, voldingend bewezen niet veel begrip te hebben van de rechterlijke inrichting in ons land. Men scheen een bewijs te willen leveren en zei; »I)e deurwaarder toch is »een geheel ander man dan de notaris. Terwijl de notaris naast den «rechter hot authentiek stuk\' opmaakt, is dc deurwaarder slechts daar »om het stuk te bezorgen, of ook, om menschen op to roepen.quot;
»I)e Koninklijke investituur ontbreekt,quot; zoo gaat men verder, «heeft men «terecht gezegd en de ontwerpers antwoordden daarop «in elk geval is de wet gemaakt met medewerking en onder bekrachtiging des Konings.quot; «Ook het onhoudbare van dit argumentquot;, zeide men, «vereischt «geene bestrijding en het is niet aan te nemen, dat er vrees zou
(iclu\'cl ongewijzigd heeft echter de Regeering rle regeling van de tijdelijke vervanging der notarissen uit het ont-werp-SANNEs niet overgenomen. (1) Zij heeft toegegeven aan den wensch om voor de vervanging zoowel notarissen als candidaten te doen aanwijzen, (art. 79) Aan de commissie belast met do herziening van het ontwerp-SANNES lachte dit denkbeeld niet toe, omdat het in het publiek belang en met het oog op de concurrentie tusschen de notarissen wenschelijk is, daar waar meerdere notarissen zijn, de verschillende notarieele praktijken uit elkander te houden en niet een collega, zij \'t slechts korten tijd, een blik in de praktijk van een ambtgenoot te doen slaan en in akten, die het publiek voorbedachtelijk aan zijne kennisneming had onttrokken, door den te vervangen notaris als zoodanig te kiezen, terwijl daar waar slechts één notaris is gevestigd, de waarneming door een ambtgenoot feitelijk de waargenomen standplaats van notarieele hulp doet verstoken zijn.
Nu het Regeerings-ontwerp in artikel 80 evenals het ontwerp-SANNES in artikel 87 bepaalt, dat de notaris die verlof wenscht of tijdelijk verhinderd is, de bevoegdheid heeft eenen tijdelijken plaatsvervanger aan te bevelen,
quot;bestann dat op dit argument de leden van den Raad van Slate en ■der Volksvertegenwoordiging eeno zoo tegen alle rechtsbeginselen quot;indruiscliende bepaling in de wet /.ouden opnemen.quot;
Het moet voor die beoordeelaars een vreemde gewaarwording geweest zijn. dat de Raad van State zich reeds liet verschalken nn wie weel wat de Volksvertegenwoordiging nog zal doen? Maar in elk geval staat reeds dit vast, dat. volgens de genoemde beoordeelaars èn Regeering èn de Raad van State de zooals zij haar noemden «tegen alle rechtsbeginselen indruischende bepalingquot; goedkeurden.
(1) Ue verplichting om volgens artikel \'27 voor den aanvang van elke waarneming een eed at\' to leggen schijnt mij bezwarend en onnoodig. Waarom niet zooals het ontwerp-SANNES voorstelde slechts éénmaal, vóór de eerste waarneming?
Ook het telkens deponeeren van handteekening en paraaf aan dezell\'do rechtbank is onnoodig.
«3
schijnt de regeling volgens het Regeerings-ontwerp voor deze gevallen weinig bezwaar op te leveren.
Maar hoe, indien — want daartoe zijn de voorzitters dei-Kamers van Toezicht bevoegd — een notaris als tijdelijk plaatsvervanger wordt aangewezen? Dan komen wéér alle bezwaren boven tegen de vervanging door notarissen ingebracht en die volgens de Kegeering in de Memorie van Toelichting (pag. 5), niet licht zijn te achten. Danzalweêr het ongerief ten platten lande bestaan die de tegenwoordige regeling ondervindt; men zal dan feitelijk meestal van notariëele hulp verstoken zijn; de notaris-plaatsvervanger zal weer dc akten op eigen naam verlijden, zoodat zij weer een deel van zijn protocol zullen uitmaken en hij zfil ten nadeele van den vervangen notaris of van den opvolger de connection medenemen waardoor de praktijk van het waargenomen kantoor verloopt.
ITad de Regeering voorgeschreven, dat de notaris die als tijdelijk plaatsvervanger optreedt verplicht zal zijn op dooiden voorzitter van de Kamer van Toezicht te bepalen dagen zich ten kantore of ter standplaats van den vervangen ambtgenoot te bevinden, dan zou daardoor althans het publiek gebaat zijn geweest, dat anders misschien uren ver notariëele hulp zon moeten zoeken, maar dan treedt hetzelfde bezwaar op voor het publiek in de standplaats van den notaris. Ligt het misschien in de bedoeling aan de voorzitters der Kamers van Toezicht voor te schrijven bij voorkeur candidaat-notarissen met waarnemingen te belasten, dan zou deze • maatregel zeer aanbevelenswaardig zijn.
Beter echter komt het mij voor, indien men de waarneming door notarissen en candidaat-notarissen wil behouden, dat voorschrift, althans voor het geval van vacature, in de wet op te nemen. Dan toch doen de zooeven opge-
M
sonulc en door de Regeering als juist erkende bezwaren zich liet sterkst gevoelen. (1).
Eene nieuwe bepaling — die in het ontwerp-Sannks niet voorkwam — vinden we betrekkelijk deze materie in artikel 79 laatste lid van liet llegeerings-ontwerp. Weiezen daar; ..liet tijdstip waarop do waarneming ingaat en dat „waarop die eindigt, maakt de voorzitter bekend door ..plaatsing van eene aankondiging in de Staatscourant.quot;
De ^leinorie van Toeliehting licht deze bepaling aldus toe; ..Daar de waarneming aan een candidaat-notaris kan .,worden opgedragen, is het van het qrootste belang dat ., vaststaat wanneer diens bevoegdheid begint en wanneer ..deze ophoudt, is toch de hem verleende opdracht inge-..trokken, dan is hij niet meer bevoegd akten te verlijden. ..Later moet dus kunnen worden geconstateerd, of eene ..akte na dat tijdstip is verleden.quot; Vandaar de bepaling ,,in artikel 79 opgenomen, dat het tijdstip waarop de waar-..neming ingaat en waarop die eindigt, bekend wordt gesmaakt door den voorzitter der Kamer van Toezicht door ..plaatsing eener aankondiging in de Staatscourant.quot;
Met wil mij voorkomen dat deze bepaling om onderscheiden redenen of niet wenschelijk is, of niet in het stelsel van het Regeeringsontwerp past of eindelijk onvolledig en overtollig is.
Wenschelijk komt mij deze bepaling niet voor, omdat zij den aard van een gegeven verlof miskent. Wat toch is een verlof anders dan de tijdelijke opheffing van den plicht om als ambtenaar ten dienste van het publiek te staan? Ken
(1) Meer aanbevelenswaardig blijft mij echtor toeschijnen het stelsel van het ontwerp-SANNES, zelfs al nam men niet hot voorschrift over. dat de candidaat verplicht zou zijn aan een opdracht gevolg te geven. Vrees dat er niet genoegzaam personeel zou zijn hehoel\'l m. i. niet te bestaan.
gegeven verlof toch, heft niet, zooals schorsing, de bevoegdheid tot het uitoefenen der ambtsfunctiën op. En daarom moet het den notaris vrijstaan ten allen tijde zijne functiën te hervatten, en moet hij niet afhankelijk zijn van eene meer of minder spoedige plaatsing van eenu aankondiging-in de Staatscourant, die door vele oorzaken vertraging kan ondervinden.
Niet passend in het Regeeringsontwcrp zeide ik, was deze bepaling in de tweede plaats.
Wat toch hebben we gezien? — 1\'e Regeering zegt inde toelichting ad artikel 97, dat openbaarmaking van de schorsing niet is voorgeschreven, omdat deze den notaris later te veel zou benadeelen, immers hem alsdan bijna alle vooruitzichten op praktijk ontnemen.
Zal nu de bekendmaking der waarneming b. v. door den candidaat aan het kantoor van den geschorsten notaris werkzaam, niet hetzelfde effect hebben als de bekendmaking der schorsing, die de Regeering niet wil om den notaris niet te schaden? (1) Men zegge niet, dat bij de bekendmaking der waarneming de reden waarom zij plaats vindt, niet behoeft te worden opgegeven.
Als de locale bladen de aankondiging der waarneming uit de Staatscourant overnemen, wat natuurlijk regel wordt en men ziet den notaris in bet stadje of op het dorp rondwandelen, dan zal die aankondiging evenzeer de tongen in beweging brengen als dat de bekendmaking der schorsing het zou doen. En zou de naburige notaris — een concurrent wellicht — die mocht worden aangewezen geen redenen hebben om met opzet de oorzaak der waarneming door hem aan den volke bekend te maken, zonder dat hij daarvoor
^•1) Het ontwerp-SANNUs schreef\' bekendmaking èn van schorsing én van ontzetting voor.
()(i
disoiplinair kan worden gestraft? Do drang daartoe zou bij den candidaat op verre na zoo sterk niet zijn. De Regeering zou hier dus naar mijne meening hetzelfde bewerken wat zij elders in het belang van den notaris wilde voorkomen.
In de derde plaats noemde ik de bepaling van het slot van artikel 79 onvolledig of overtollig.
De Memorie van Toelichting zegt, dat het van het grootste belang is dat vaststaat wanneer do bevoegdheid van den candidaat-notaris (om tijdelijk akten te verlijden) begint en wanneer deze ophoudt.
Is toch de hem verleende opdracht ingetrokken, dan is Inj daartoe niet meer bevoegd. Later moet dus, — zoo zegt de Regeering — kunnen worden geconstateerd of eene akte na dat tijdstip is verleden.quot;
Het is volkomen juist, dat vast moest staan wanneer de gezegde bevoegdheid van den candidaat-notaris eindigt.
Met tijdstip van aanvanct staat meen ik vast, ook zonder die aankondiging.
De bevoegdheid toch van den candidaat om tijdelijk akten te verlijden, is niet enkel afhankelijk van de opdracht van den voorzitter der Kamer van Toezicht, maar in de eerste plaats van bet afleggen van den eed. Vóór de eedsaflegging is noch een notaris noch een candidaat-notaris plaatsvervanger bevoegd akten te verlijden. — Na de dag-teekening van de opdracht kan er dus nog eene weck ver-loopen vóór de bevoegheid bestaat. De bekendmaking van den ingany der waarneming zal om de bepaling van artikel 26 juncto het slot van artikel 20 eerst kunnen geschieden, nadat het bewijs van eedsaflegging ter viseering aan den voorzitter der Kamer van Toezicht is ingezonden, dat weer acht dagen kan duren.
Is dus de bekendmaking van den aanvany der waarneming onnoodig, evenmin als zij geschiedt wanneer een
(i7
notaris zijn ambt aanvaardt, dan rijst de vraag, hoe is het met de bekendmaking van bet einde der bevoegdheid ? Dat oogenblik moet vaststaan, — en kan vaststaan door de dagteekening genoemd in het besluit der intrekking van den voorzitter der Kamer van Toezicht.
Maar waartoe behoeft dat besluit te worden bekend gemaakt? Vóór de aankondiging in de locale bladen kan worden overgenomen zal de waarneming dikwijls reeds geëindigd zijn en dus het nut vervallen. Zonden ook hier de burgerrechtelijke verantwoordelijkheid en artikel 1% van het Wetboek van Strafrecht niet voldoende wezen ? (1)
Het ontwerp-SANNES bepaalde in artikel 22, dat een eandidaat-notaris twee jaren als zoodanig werkzaam op een notariskantoor, indien hij tevens meerderjarig is, kan worden aangewezen eenen notaris tijdelijk te vervangen. Volgens dat ontwerp was bij verplicht aan deze opdracht gevolg te geven.
De Regeering beeft bet gevoelen van de Broederschap van Candidaat-Notarissen gevolgd en heeft bepaald dat de candidaat alleen dan verplicht is aan een opdracht tot tijdelijke waarneming gevolg te geven, wanneer hij zich beschikbaar heeft gesteld om bij voorkomende gevallen eenen notaris tijdelijk te vervangen. „Hij behoudt zegt, de Memorie van Toelichting, „natuurlijkquot; de bevoegdheid zich van de lijst van adspirant-waarnemers te doen afvoeren. Dit uitdrukkelijk te bepalen scheen onnoodig. Maar zal hij ook het recht hebben zich dan weêr daarop te laten brengen? Men moet bet m. i. wel aannemen. Deze i-cgeling in het Regeerings-ontwerp kan men in het thans voorgestelde
(1) Artikel \'196 W. v. S. zegt: Hij die.....een daad verricht be-
hoorende tot een ambt dat bij niet bekleedt of waarin hij geschorst is. wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
68
— zooeven afgekeurde ..... gemengde stelsel m. i. niet
anders dan goedkeuren, /ij heft dan enkele bezwaren op. die uit het stelsel van het ontwerp-SANNEs zouden voortspruiten, maar aan dat stelsel zou ik, omdat alle thans bestaande bezwaren in de door de Regeering voorgestelde regeling weer te voorschijn treden, beslist de voorkeur geven.
Flet is mij intusschen een genoegen de HH. candidaat-notarissen geluk te mogen wenschen met het gegrond vooruitzicht op eene regeling die haar aandacht aan hunne wenschen en belangen schenkt, en die hun positie moreel en somtijds finantiëel zal verbeteren.
Het derde punt waarin het Rogeerings-ontwerp van de bestaande wet, afwijkt betreft de beslissing der vraag of de verplichte tegenwoordigheid der instrumentaire getuigen bij het verlijden der akten noodzakelijk of wenschelijk is.
Met Regeerings-ontwerp stelt de afschaffing der getuigen in de meeste gevallen voor. Het is in dezen „uitgegaan „van het beginsel dat aan eene notariëele akte, verleden „in bijzijn van partijen en door haar onderteekend, vol-..doende geloof en vertrouwen kan worden gehecht.quot;
Men weet, dat men zoowel voor dit stelsel als voor duf wat de getuigen wil behouden gewichtige argumenten kan aanvoeren. Vandaar dat het ontwerp-SANNEs trachtte aan de tegenwoordigheid der getuigen eenige meerdere beteeke-nis te geven. (1) Die voorstellen gingen uit van de gedachte,
(1) Artikel 53 Viin dal ontwerp Imilrle: »L)e akten moeien aan ile verschijnende personen en getuigen worden voorgelezen ; vervolgens wordt de hoofdinhoud daarvan — testamenten bij openbare akte uil-gezonderd — door den notaris in tegenwoordigheid der getuigen mondeling herhaald, eu onmiddellijk daarna worden de akten door de
69
dat inderdaad de tegenwoordigheid van de getuigen volgens de tegenwoordige wet in de meeste gevallen niet veel beteekent. De commissie tot herziening van het ont-werp-ÖANNES beraadslaagde langdurig over dit punt, en besloot ten slotte èn op grond dat niemand onvoorwaardelijk de afschaffing der getuigen wenschte, èn op grond dat de poging om aan hunne tegenwoordigheid meerdere heteeke-nis te geven — kon zij slagen — het behoud der getuigen wenschelijk zou maken, hun behoud voor te stellen.
De Commissie trachtte dit evenals de ontwerper te doen, maar de aanbevolen middelen schenen volgens de meesten
verschijnende personen met du getuigen en den notaris onderteekend, ten ware de verschijnende personen verklaren hunnen naam niet te kunnen teekenen ol\' daarin verhinderd te worden, in welk geval van hunne verklaring en van de opgegeven reden dier verhindering moet worden melding gemaakt.
Indien echter één of meer der verschijnende personen alleen bij een bijzonder gedeelte der akte belang hebben, ol\' alleen bij zulk een gedeelte als gehandeld hebbende voorkomen, is het voldoende dat zij dit gedeelte onderteekenen onmiddellijk na de voorlezing en mondelinge herhaling van deszelfs hoofdinhoud door den notaris, ten ware zij verklaren hunnen naam niet te kunnen teekenen of daarin verhinderd te worden, in welk geval van hunne verklaring en van de redenen dier verhindering in dat gedeelte moet worden melding gemaakt.
Van de voorlezing, de verplichte mondelinge herhaling en de onder-teekening moet uitdrukkelijk in liet slot van de akte of van bet in hel vorig lid bedoelde gedeelte der akte worden melding gemaakt.\'
In de toelichting op dat artikel kwam o. a. voor:
Eindelijk vordert dit artikel na de voorlezing en vóór de ondertceke-ning eene mondelinge herhaling door den notaris aan partijen, in tegenwoordigheid der getuigen, van den hoofdinhoud der akte. Dit voorschrift is nieuw en hefcft de strekking om de rol der getuigen minder onbeteekend te doen zijn door hen in de gelegenheid te stellen nog beter overtuigd te worden, dat partijen het voorgelezene goed hebben begrepen en do bij de akte aangegane verbintenissen hebben gekend.
Bij overtreding van artikel 53, aliu. 1 en \'2, mist de akte deantlien-ticiteit volgens artikel 63.
70
het dool niet te zullen bereiken eu jiTonte moeielijkheden in de praktijk te zullen geven.
Ik kan niet nalaten hier omtrent dit punt eenige mede-deelingen te doen uit het rapport, dat ik de eer had den Minister van Justitie Mr. Modderman indertijd op zijn verzoek uittebrengen, over de vraag welke wijzigingen in tie tegenwoordige notariswet noodig en wenschelijk waren, en naar aanleiding waarvan die te vroeg ontslapen geleerde — zijne nagedachtenis zij gezegend - mij de samenstelling van een ontwerp opdroeg. Ik schreef dan o. a.: ,,De waarborgen die de wet van 1842 geeft, zijn bij zooveel ruimte als zij laat inderdaad zoo goed als nul. Wie in de praktijk gezien heeft, hoezeer de getuigen veelal als machines fun-geeren, kan aan hunne tegenwoordigheid bij het verlijden der akten slechts weinig waarde hechten.
De woorden van Toullieb (VIII n0. 74); L\'hommc est fiiible quand il est seul; il peut être facilement séduit ou induit en erreur; il a moins de force pour résister aux combats que 1\'intérêt ou la seduction livrent a la probité et il la bonne foi. C\'est pour soutenir, c\'est pour fortifier le notaire, autant que pour 1\'éclairer, que la sagesse de la loi 1\'a placé a cöté d\'un surveillant, devant lequel il rou-^irait de se montrer faible, partial ou injustequot; mogen zielkundig zeer waar zijn, de wet van 1842 stelt don notaris door de ruime keus geen hindernissen in don weg door het voorschrift van de tegenwoordigheid der getuigen. Een ware hinderpaal tegen slechtheid van den notaris zou de verplichte tegenwoordigheid of medewerking van een tweeden notaris zijn, doch de practische bezwaren hiertegen zij n ono verkor n el ij k.
Op het platteland zou het voorschrift onuitvoerbaar zijn.
Het is genoegzaam bekend hoe schamel gemotiveerd de wetgever van 1842 het gemengde stelsel van de wet vau
71
Ventóse an XI omtren thet verlijden der akten in tegenwoordigheid van een tweeden notaris of van twee getuigen heeft laten varen. Do beantwoording der vraag of dit gemengde stelsel goed is, hangt af van die eener andere namelijk deze; levert de medewerking der getuigen een voldoenden waarborg op? Heeft de notaris de vrije keus tusschen twee middelen die de wet aangeeft om hem te controleeren, dan kan men eerst zeggen, dat de wet goed is als heide middelen afdoende zijn.
Stelt men nu naast den notaris, wien de wet reeds veel vertrouwen toekent, een ander, die evenveel vertrouwen verdient, dan zal niemand ontkennen, dat men den grootsten waarborg vindt in de toevoeging van dien hveeden ijotaris.
Maar stelt men nu naast den notaris in plaats van een ambtgenoot, twee personen die aan zoo bitter weinig waarborgen als artikel 23 der wet eiseht, hebben te voldoen, dan vraag ik, heeft men dan wel veel meer waarborgen dan wanneer de notaris alleen stond?
Het doel van de instelling der getuigen — de belemmering van slechte of oneerlijke notarissen in het plegen van valschheden — is door de instelling zooals zij thans bestaat niet te bereiken, en daarom is het beginsel verkeerd.
De schoenmaker of daglooner die niets dan het patois der streek waar hij woont verstaat, en veelal geen behoorlijk Nederlandsch — hoort zeer haastig en gewoonlijk vrij onduidelijk eene akte voorlezen. Levert dat hijzijn eenigen waarborg ?
En al zou de notaris, zooals Toullier t. a. p. zegt,,,rough-de se montrer faible, partial ou injustequot; tegenover een\' ambtgenoot, — tegenover de getuigen die hij kiest, die slechts bij het voorlezen der akte tegenwoordig zijn, maar deze niet werkelijk mede helpen tot stand brengen, kan hij doen wat hij wil: zij vermoeden niet op het oogenblik
72
van het voorlezen, dat hij was faible, partial ou injuste, ja zelfs niet dat hij valschheden beging.
De vraag of er middelen zijn om in het stelsel der wet verbetering te brengen, is verschillend beantwoord.
Het denkbeeld om de keus der getuigen te beperken tot zoodanige personen, die door hun stand of maatschappelijke betrekking voldoende waarborgen opleveren wordt door sommigen aanbevolen. Men neme de candidaat-notarissen als getuigen werd door professor Rutgkebts gezegd. Alsof er op iedere plaats een voldoend aantal dier mannen aanwezig was!
De overleden notaris Bruno Tideman stelde in zijn concept wet in 1854 gemaakt in artikel 31 voor: „De getuigen moeten verklaren, dat op den genoemden dag aan den genoemden persoon de akte die hij teekent is voorgelezen, dat die persoon uitdrukkelijk verklaard heeft, dat hij die akte vrijwillig teekent of passeert en dat zij zijne bedoeling uitdrukt. Van dat alles wordt in de akte melding gemaakt.quot;
Dit middel beteekent naar mijn inzien niets, de kwaal wordt niet aangetast, maar de troost gezocht bij een dood formulier.
Laat de getuigen boven hunne handteekening eene verklaring schrijven, raadde een vierde aan, doch ook dit middel schijnt mij toe te eindigen in sleur en routine, zonder waarborg.
De tegenwoordigheid der getuigen levert zooals de wet van 1842 die cischt, alzoo geen waarborgen op voor het zooeven omschreven doel.
Wil men de getuigen behouden en de waarborgen hebben die men zich daarmede voorstelt — en ik moet erkennen, dat zij bij sommigen wel een middel kunnen zijn om valsch-heid te weren — dan schijnen mij twee middelen voldoende.
78
liet eerste is dat om de tegemvoordigheirl te vorderen van een tweeden notaris, het tweede bestaat daarin, dat de Regeering overal enkele, tot geheimhouding verplichte, beschaafde personen aanstelle, die zich verbinden als getuigen te dienen.
Dit laatste middel zal waarschijnlijk te kostbaar zijn. lir rest dan in mijn oog niet veel anders dan afschaffing dei-getuigen.
De bewering dat men in dit geval te groote macht aan één persoon toekent doet naar mijne meening niets ter zake. omdat de notaris, door de bijna onbeperkte keus van getuigen, thans feitelijk geen mindere macht heeft.
Het denkbeeld om voor sommige akten getuigen te behouden vindt in het vorenstaande evenzeer zijne bestrijding. Het doel dat men zich door de tegenwoordigheid der getuigen voorstelt te bereiken is bij alle akten van hetzelfde gewicht. De eenige moeiel ijk beid bij de afschaffing der getuigen is gelegen in de akten die door de verschijnende personen of enkele hunner niet worden onderteekend.
Voor dit eene geval eische men dan waarborgen, niet zooals de wet van 1842 voor getuigen, maar werkelijk afdoende. Men bevel*• bij voorbeeld dat de verschijnende persoon die niet kan schrijven op eigen verantwoordelijkheid iemand ter zijner assistentie moet roepen, die .en kan schrijven èn naar zijn oordeel in staat is om te beoordeelen of hetgeen hij wil, werkelijk bij de akte is geschied, ten bewijze waarvan hij de akte met den notaris moest onderteekenen.
Wil men de getuigen behouden, men vordere dan iets wat waarborg geeft en geene ijdele formaliteiten.quot;
De Minister Modderman helde tot het gevoelen van zijn ambtsvoorganger Mr. Smidt over.
In de met dien bewindsman gevoerde gesprekken vond ik
6
74
aanleid ins to trachten aan rle tegenwoordigheid der getuigen meerdere beteekenis te geven, en de oommissie tot herziening van het ontwerp-SANNEs sloot zich daarbij aan.
Maar wat doet mi het Regeerings-ontwerp ?
NTa vooropgesteld te hebben, dat het ontwerp is nitge-gaan van het beginsel, dat aan eene notarieele akte, verleden in bijzijn van partijen en door haar onderteekend, voldoende geloof en vertrouwen kan worden gehecht, eischt het de tegenwoordigheid van twee getuigen dan, wanneer een of meer der verschijnende personen eene akte niet onderteekenen en in verhand daarmede bij de akten van in hel openbaar gehouden verkoopingen, verhuringen ol\' aanbestedingen, waarbij gemis aan onderteckening door een ol\' meer der verschijnende personen een zeer gewoon verschijnsel is. Dus daar getuigen, ofschoon op pagina 7 der Mem. van Toel. uitdrukkelijk gezegd wordt: „Ook naar het oordeel van den ondergeteekende, geeft do tegenwoordigheid van getuigen, zooals zij thans in de praktijk zich voordoet, geen waarborg hoegenaamd voor de meerdere soliditeit der akte.quot;
Kn toch al geven die getuigen geen waarborg, men oischt hun tegenwoordigheid, en men vordert die zelfs somtijds (artikel 87) van den aanvang der handeling af op straffe van nietigheid. (1)
Mij dunkt dat de overwegingen der Regeering logisch hadden moeten leiden óf tot het zoeken naar voorschriften
(quot;1) Hoe wil de notaris vooraf weten ol\' Inj openbare verkoopingen etc. in artikel 34 genoemd de koopers zullen kunnen onderteekenen on hoe in artikel 37 of er ook /.uilen wegloopen of weigeren te teeltenen ? Hij zal dus altijd van den aanvang af getuigen bij zich moeten hebben, juist in die gevallen waarin men ze best kan missen.
De vermelding in de akte dat do getuigen don notaris bekend zijn zou m. i. wenschelijk zijn.
ilie aan de to^enwoordiglioid dor getuigen meerdere betekenis zouden geven dan thans het geval is, öf tot hef afschaffen der getuigen in alle gevallen, maar niet tot het nemen in sommige gevallen van waarborgen, die men eerst zegt dat geen waarborgen zijn.
Het Regeerings-ontwerp heeft toegegeven aan den wensch om vrouwen niet als getuigen toe te laten zooals het ont-werp-SANNEs bepaalde. Een andere reden dan het bestaande dogma, gevoegd bij den lust om aan geuite wenschen te voldoen, schijnt daarvoor niet aan te wijzen. Wetenschappelijk toch verzet zich tegen de toelating van vrouwen niets. Dat men in het Romeinsche recht onderscheid maakte tusschen de solemneele getuigen en de testes facti, is geen argument. Evenmin het onware beweren dat in andere wetgevingen de vrouwen bij authentieke akten niet als getuigen worden toegelaten. In Italië toch is uitdrukkelijk bij de wet van 9 December 1877 bepaald, dat alle wettelijke bepalingen, die vrouwen bij openbare akten als getuigen uitsluiten, afgeschaft zijn. Maar een onwraakbaar getuigenis, dat uit een wetenschappelijk oogpunt tegen de toelating der vrouw als getuige niets valt intebrengen — (zoodat waar haar tegenwoordigheid dikwijls groot gemak kan bezorgen (1) men haar trots alle praatjes had moeten toelaten) — vinden we in het juist verschenen ontwerp van het le Roek van een nieuw Burgerlijk Wetboek.
Do wetenschappelijke waarde van een uitspraak der tot
(•I) Iferhaalflolijk is mij ilonr notarissen ten platten lande verzekeitl, dat zij op de grenzen des Rijks dikwerf veel moeite hadden gehad mannelijke personen te vinden die voldoden aan do eischen der wet t van Juli \'1850 omtrent het ingezetenschap, waar vrouwelijke personen in voldoenden getale aanwezig waren.
Wel brengt het Regeeringsontwerp verandering door te bepalen dat de getuigen hier slechts behoeven te wonen Carl. IH).
76
het samenstellen daarvan ingestelde commissie zal men toch wel niet durven betwisten.
Zij schrijft in de Memorie van Toelichting ad artikel 11:
„Artikel 11 laat verder twee eischen, welke artikel 20 I!. W. aan de getuigen stelt, varen; zij zijn deze: dat de getuigen moeten zijn manspersonen en binnen hetKonink-■ijk hunne woonplaats hebben.quot;
Do Broederschap der notarissen (1) zag in de toelating van vrouwen als getuigen een reden om de notariëele akten n een bespottelijk daglicht te stellen. Het „waaromquot; werd niet gegeven, en schijnt ook zeer moeilijk te zeggen,
In de vierde plaats wijkt het Regeerings-ontwerp van de bestaande wet af in een zeer gewichtig punt, namelijk, dat het den notaris niet toekent het recht tot aanbeveling van een ambtgenoot als bewaarder der akten en registers. Het Regeerings-ontwerp ontneemt niet, zooals het ontwerp-Sannes in artikel 100 deed, uitdrukkelijk dat recht. Dat doet echter niets ter zake. Bij de invoering der wet is voor iedereen het recht vervallen.
Dat ik die regeling krachtig toejuich behoef ik niet te zeggen.
De Regeering kan zich over het algemeen aansluiten aan de gronden in de Memorie van Toelichting op het ont-werp-SANNEs aangevoerd. Zij voegt er nog enkele aan toe (pagina 8) betreffende de vraag die zich bij de besprekingen van het ontwerp-SANNES opdeed, of namelijk het bestaande recht niet zou behooren gehandhaafd te blijven
(l) Men zie het rapport \\an het Hoofdbestuur der Broederschap van XoUcrisseii in Nederland over liet ontwerp-SANNES, png, 12.
77
met. het oog op de association van notarissen. Zij zegt. en mijns inziens zeer terecht: .,Vooral wordt er op gewezen dat het recht van aanbeveling in het publiek belang behoort gehandhaafd te blijven met het oog op de associa-tiën van notarissen, die zonder die bevoegheid tot aanbeveling langzamerhand zonden verdwijnen. Notarissen toch die zich nssocieeren verbinden zich elkander over cn weer voor de bewaring van hun protocol te zullen aanbevelen. De vraag is dus of die association van notarissen zóó zeer in het publiek belang zijn, dat de wetgever die zijdelings behoort aan te moedigen, en die vraag meent de onderge-teekende ontkennend te moeten beantwoorden.
Igt;ie association komen bijkans uitsluitend in de grootere gemeenten voor en juist daar, waar de cliënt zoowöl als de notaris in de gelegenheid is zich elk oogenblik door gezaghebbende rechtsgeleerden omtrent moeilijke vraagstukken te doen inlichten, bestaat aan de gemeenschappelijke overweging, aan het onderling overleg van notarissen omtrent zoodanige quaestiën het minst behoefte. Ook is de associatie van notarissen in strijd met het beginsel door dit ontwerp uit de bestaande wet overgenomen, dat in elk kanton een minimum van notarissen eischt. Door zoodanige associatie toch wordt feitelijk het minimum der notarissen en daardoor de concurrentie en de keus van het publiek verminderd. Zelfs zou, waar het stelsel van associatie in kleinere gemeenten werd toegepast, die keuze ten nadeele van het publiek, bijna geheel kunnen worden uitgesloten.
Het recht van aanbeveling werkt ook daarom verkeerd, omdat de opvolger wien het protocol wordt ontnomen, daardoor althans in de eerste jaren zeer belemmerd wordt in het erlangen van praktijk en hem voor een groot deol de gelegenheid wordt ontnomen bij het publiek bekend te worden. Dat deze daardoor allicht in de verzoeking kan
7R
worden gebracht oin langs minder loyale wegen praktijk te bemachtigen, behoeft geen betoog. De wet is niet in staat en ook niet verplicht tc zorgen dat elk nieuw aangesteld notaris voldoende praktijk erlangde om te leven, doch zij behoort althans niet mede te werken, (1) om de praktijk vooraf aan den blijkens de benoeming geschikt geoordeelden persoon te ontnemen.quot;
Wordt het ontwerp,— wat ik, al bestaan er bedenkingen bij mij, hoop -— gewijzigd tot wet verheven, dan zal, en hiermede wensch ik wederom do 1111. candidaat-notarissen geluk, er eene regeling in liet leven zijn geroepen, die hun de zorgen welke zoo dikwijls reeds bij den aanvang van hun ambtelijk leven komen opduiken, zeer dikwijls zal verminderen, ja soms geheel wegnemen!
De Regeering ziet, naar de Memorie van Toelichting (pag. 10) zegt, geen verbetering in het door het ontwerp-Sannes aanbevolen middel om de plichtsbetrachting en behoorlijke ambtsuitoefening bij den notaris te bevorderen door hem niet meer, zooals thans, voor het leven te benoemen.
Behalve dat het beginsel waarvan dat ontwerp uitging medebracht, dat hel ontslag of de ontzetting hetzij aan de Kamers van Toezicht, hetzij aan de administratieve macht moest worden opgedragen, zag het daarin een groot voordeel boven de ontzetting door de rechterlijke macht, omdat de weg die daar gevolgd kan worden zóó lang en dikwerf zóó onzeker is; dat gedurende dien tijd de verdachte nog vele bandelingen ten nadeele van het publiek kan
(I) Muil zou ook nog tugun de associaliëit kunnuii aauvoGi\'un «lat zij in strijd zijn mei de door do wot vorlnngdo jjohoirUhoitdiiifr.
79
plegen. Er zijn helaas menschen wier verwijdering uit den kring waarin zij leven en werken door iedereen wenschelijk werd of wordt geacht, maar op wie deze disciplinaire maatregel niet kon of kan worden toegepast omdat zij, hetzij ten gevolge van verschillende wetsuitlegging door de rechterlijke collegiën, hetzij wegens verwaarloozing van vormen, van het hun te laste gelegde moesten worden vrijgesproken. (1)
Die mogelijkheid zou door de regeling van het ontwerp-Sannes, die trouwens uit den aard der disciplinaire straffen voortvloeit, worden weggenomen, zonder nochtans, juist omdat de bepaalde gevallen waarin ontzetting kun en moest worden uitgesproken waren aangeduid, de noodigc waarborgen weg te nemen.
1 )at ontwerp ging uit van de veronderstelling, dat de maat-schappij meer en beter is gediend niet een ontslag, gevolg van de „conviction intimequot; van het disciplinair toezicht en liet administratief gezag, dan van een toestand die, ten nadeele van liet publiek, toelaat, dat de man aan wien groot vertrouwen werd geschonken maar dat vertrouwen misbruikte, door de mazen der wet kruipt en dus kan blijven voortgaan met zijn heilloos werk.
Ifin de ervaring bevestigde herhaaldelijk de wenschelijk-heid hiervan.
Dat zulk een notaris geen praktijk meer zal vinden omdat hij toch reeds het vertrouwen verloor, wordt ook door de ondervinding gelogenstraft. Velen toch die zich voor ergere finantiëele schade willen vrijwaren zijn dikwerf verplicht aan zijn kantoor te komen, omdat zij door finantiëele ketenen daaraan gebonden zijn.
(I) Wat bijvoorbeeld Ie /eggen van «Ie onverkwikkelijke gevallen flie we herhaaldelijk zagen, dat een notaris dooi de rechtbank weid ontzet, «looi het Hot\' in zijne positie werd gehandhaafd?
so
|)i\' reBsorten wensoht de Regeering Ie laten zooals zij thans zijn.
Zij had te kiezen tuschen drie stelsels, namelijk: hel bestaande (de arrondissementen), dat van het ontwerp-Sannks (aanwijzing van bepaalde gemeenten) en dat waarbij de notaris over het geheele Rijk mag instrumenteeren. Zij koos slechts tusschen de beide eerste en besprak alleen deze; maar wijdde — ik zeg niet geen nandach 1 — maar geen miord aan het derde stelsel, dat echter vele voorstanders telt.
liet stelsel van het ontwerp-SANNEs ging uit van de meening. dat de meeste notarissen hun praktijk niet alleen hebben — maar met het oog op onedele concurrentie ook ht\'hourm te hebben, — in hun standplaats en zijn omnid-dellijken omtrek. Nu voert wel de Regeering in do Memorie van Toelichting (pag. 10) daartegen aan. dat door die regeling het kwaad — de praktijkjacht — niet zou worden opgeheven, maar slechts verplaatst, toch zal, al moge dit in het algemeen waar zijn, het kwaad daardoor tot een minimum worden teruggebracht. (1)
Tegen het voordeel dat het stelsel van het ontwerp-SANNios meende te zien boven dat der bestaande wet, dat namelijk bet publiek dat op de grenzen van een arrondissement woont, de gelegenheid mist om het ministerie van een nabijzijnden notaris, die over de grens woont in te roepen, stelt het Regeeringsontwerp — na de juistheid van het bezwaar erkend te hebben — over, dat het niet moeilijk zou vallen ook in liet ressorten stelsel van het ontwerp-SAN-nics casus-positiën te vinden waarin tiet publiek tijdelijk
(I) Daarbij komt nog, ilal dan hel misbruik veel sterker /al uil-komen, dan wanneer er een groot jachtterrein is. Maar dan is er ook zooveel te meer kans, dat de onedele jager door liet Toezicht gesnapt wordt dat hem dan kan berispen. Daarna zal hij wel voorzichtiger worden, waardoor liet ambt gebaat wordt.
81
van hulp verstoken zou zijn, niettegenstaande oen notaris, daar ter plaatse onbevoegd, in de nabuurschap vertoeft.
De mogelijkheid die het Uegeeringsontwerp vooronderstelt kan wellicht bestaan, maar ah regel zullen die casus-positiën in dat stelsel niet zijn te vinden, zooals in dat van het Regeeringsontwerp. Daar liggen de gevallen voor het grijpen en in het stelsel van het ontwerp-SANNEs zouden ze gezocht moeten worden.
Bovendien — als zij er zijn, zou dit kunnen leiden tot verbetering van den staat, die daarvoor zeer zeker vatbaar is.
Maar dat het beginsel waarop het aankomt, in het ontwerp-SANNEs niet beter is dan het bestaande, dat toonde de Regeering niet voldoende aan, ook niet door de drie grootere bezwaren die nog worden aangevoerd.
Het eerste daarvan is, dat de rechten der onder de wet van 1842 aangestelde notarissen werden verkort, daar hun ambtskring aanmerkelijk zou worden ingekrompen. Men zou voor hen billijkheidshalve — zegt de Regeering — uitzonderingsbepalingen moeten in bet leven roepen en hun de bevoegdheid moeten toekennen hunne ambtsbetrekking te blijven uitoefenen in den geheelen omtrek van het arrondissement, waardoor eene onderscheiding ten opzichte van de plaatselijke bevoegdheid der thans in functie zijnde en der later te benoemen notarissen zou ontstaan die bedenkelijk is, omdat daarvan de authenticiteit der akten afhangt.quot; (1) (pag. 11 der Mem. van Toel.)
Mij schijnt het argument bedenkelijk. Is hetzelfde niel thans toepasselijk op de notarissen aangesteld na de wet
(1) Hel wil mij voorkomen, quot;lat het voor hem die er latei\' belang in mocht stellen te weten ol\' een notaris eene akte binnen zijn ressort verleed, niets moeilijker /al zijn een Staatsblad op te slaan waarin de gemeenten staan opgenoemd waarin «Ie notaris bevoegd is, dan een. waarin do kringen naai\' de rechterlijke indeeling zijn opgenoemd.
van 1878? En komt dan uok het Regccringsontwerp niette kort door geen overgangsbepaling op te nemen voor de notarissen die thans bevoegd zijn in twee arrondissementen te instrumenteeren?
FTet tweede bezwaar zou zijn, dat volgens het stelsel van het ontwerp-SANNEs alle notarissen niet hun ambt zouden kunnen uitoefenen in de hoofdplaats van het kanton, wat in dat stelsel niet zou zijn ia het oog gehouden. En men acht dit noodig voor boedelscheidingen, waarbij minderjarigen enz. belanghebbenden zijn, tenzij de Kantonrechters verplicht werden zich naar de plaats te begeven waar de notaris hen roept, hetgeen voor de Kantonrechters zeer bezwarend en voor partijen zeer kostbaar zou zijn. (1) Wat duurder zou zijn, dat één Kantonrechter reist dan wel een heele familie en een notaris, wil ik thans in het midden laten; maar ik wil er enkel op wijzen, dat het bezwaar — als het bestaat, wat ik betwijfel
Cl) De Hegeering schijnt cvmuils vele schrijvers over het ontwei p-Sannes — van nieening, dat de notarissen naar het thans geldend recht veri)lirlil. zijn met hunne cliënten hij don kantonrechter te komen om de gezegde akten le verlijden. Van waar men dit haalt is mij niet duidelijk. Als de wet eenvoudig in artikel H\'20 van het 13. W. zegt, dat die akte verleden zullen worden in bijzijn van den kantonrechter, dan zegt dal volstrekt nog niet wat men er in gelieft te lezen en er door het gebruik van gemaakt heeft. Trouwens, wij zien in ons recht den kantonrechter meer op reis, zooals bij openbare verkoopingen (art. 1255 1!. W.) bij verzegelingen, plaatsopnemingen enz. En waarom dan hier niet Ik geloof dan ook dat, indien een kantonrechter weigerde, dergelijke akten buiten de hoofdplaats mede te helpen tot stand brengen, hij dit niet, ongestraft zon kunnen doen.
Maar — zooals met zooveel dingen gebeurt men heeft de gezegde gewoonte tot een axioma verheven.
Dat er omtrent den dag waarop de akte zou worden verleden overleg moet zijn tusschen den kantonrechter en den notaris spreekt van zelve; de kantonrechter zal zelfs — naar \'t mij voorkomt — den dag tijdig voorat\' kunnen bepalen.
— niet zoo zwaar behoeft te wegen als de Regeering schijnt te meenen. Zij is toch — en terecht — niet bevreesd voor leges fugitivae. En wat zou het dan, als men van meening bleef dat de gezegde opvatting juist is, hinderen om in afwijking van het 15. W. in deze wet te bepalen, dat boedelscheidingen waarbij minderjarigen etc. belanghebbenden zijn, zouden kunnen worden verleden volgens een door den Kantonrechter goedgekeurd ontwerp, dat aan de akte moest worden gehecht? Dan zouden ook alle kosten vermeden zijn en konden allen rustig te huis blijven.
Het derde bezwaar is, dat volgens den bij het ontwerp-Sannks overgelegden staat, sommige gemeenten slechts tot het ressort van twee notarissen zijn gebracht. Dit zpu dan m. i. een reden zijn om dien staat te verbeteren, maar is nooit een argument tegen het beginsel.
Ik heb gemeend en meen nog, dat het bestaande en gehandhaafde stelsel aan le groote bezwaren onderhevig is om het ongewijzigd te behouden.
Men heeft nog aanbevolen een tweeledig stelsel in te voeren, namelijk om den notaris voor bet maken van sommige akten de bevoegdheid te verleenen over geheele Rijk te instrumenteeren, en voor andere hem aan een bepaalden kring te binden. Met dat stelsel (1) zou ik, omdat het willekeurig is en aan halfheid lijdt, niet gaarne méégaan.
(I) VooigestHld door Mr. A. .1, B. Kijkk in Thomis 1881). all. \'2. Mij vond — en zeer begrijpelijk - tot dusverre voor zoover mij bekend, geen ernstige medestanders. Dat hij die zijn stelsel bestrijdt, volgens Mr. R., wil lii| consequent zijn, ook zijn stem moet doen booren tegen de llmns bestaande voorschriften van den wetgever waarbij bij voor sommige akten den authentieken vorm gebiedend voorschrijft, treft niet sterk. Niemand zal de stelselloosheid van den wetgever op dit punt in bescherming nemen, maai- te veroordeelen is hel m. i. zeker dat hij b.v. voor het verleenen van hypotheek een authentieke akte eischt. en voor hel meerdere, de overdracht van vnst goed, niet.
HA
Krachtig kwam men (1) op voor hel denkbeeld den notaris over het geheele Rijk zijn ambt te doen uitoefenen, maar dat stelsel schijnt mij toe in strijd met de tegenwoordige opvatting van den aard van het ambt, dat geen reizende notarissen duldt — en gevaarlijk voor de authenticiteit der akten.
Wenscht men den beperkten kring van het stelsel van het ontwerp-SANNES niet aan te nemen (2), dan schijnt mij de arrondissements-indeeling — mits naar de gebleken behoefte — voor de grensgemeenten gewijzigd, beter toe dan de beide laatst besprokene. Bij die regeling echter — de commissie tot herziening van het ontwerp-SANNEs onder-rond het bij de •poging tot belichaming van dat denkbeeld, stuit men op zeer vele moeilijkheden. (3)
Tot dusverre mocht de notaris alle mogelijke takken van bedrijf bij zijn ambt uitoefenen.
Het ontwerp-SANNES wilde bet beroep van koopman uitsluiten.
(\'1) Men zie Mr. II. WlliOMAN. De plaatselijke bevoegdheid van den notaris. Academiscli Proefschrift. Amsterdam 188.quot;). Watïei., in Week-blad voor Notarisambt en Registratie, nos. 767, 7G8 en 7(59.
(2) Over het algemeen vond het gronddenkbeeld van dat stelsel vele voorstanders. Om onderscheiden redenen verzette men zich echter tegen de tabel, die aan dat denkbeeld uitvoering gaf. — liet gronddenkbeeld werd o. a. aanbevolen door A. van Eck, de notarissen I.andrk, van Leenhof, Vroom en Peeredoom, Mr. Rijke en anderen.
De afdeeling Utrecht van de Broederschap van Candidaat-Notarissen verklaarde zich er bij de bespreking van het aanhangige regeerings-ontwerp beslist voor. Men zie Weekblad Not. en Reg. no. 895.
(3) Die moeielijkheden spruiten voornamelijk voort uit de wijze waarop vele gemeenten aan elkander grenzen, waardoor het niet mogelijk is eenvoudig de bevoegdheid te verleenen in aangrenzende gemeenten te mogen Instrumenleeren, zonder dan tevens in groote onbillijkheden en ongerijmdheden te vervallen.
85
Hot kwam daartoe, uit overweging dal de verleiding urn het door cliënten toevertrouwde of hun toekomende geld, in de handelszaak van den notaris te gebruiken, te groot was, indien door welke oorzaak ook, die handel minder gelukkig slaagde. Om een faillissement te voorkomen, dat ontzetting uit het ambt ten gevolge kan hebben, zou —■ en een treurig voorbeeld in Dordrecht bewees het — lichtelijk de toevlucht kunnen worden genomen tot het onder het bereik staande geld.
Eene uitzondering waarbij dat gevaar niet dreigde, wenschte dat ontwerp toe te laten; het wilde namelijk den notaris toestaan agent van verzekeringsmaatschappijen te zijn.
Het Regeeringsontwerp bepaalt in het voorlaatste lid van artikel 6, dat de notaris voor de uitoefening van eenig patentplichtig beroep \'s Konings goedkeuring noodig heeft (1). ()efent hij een dusdanig beroep uit, dan moei hij volgens artikel 88 no. \'2 uit zijn ambt worden ontzet.
De straf is inderdaad niet gering.
Om haar toe te passen mag er geen oogenblik twijfel bestaan over de vragen: welke beroepen zijn patentplichtig en welke zijn de kenmerken van een patentplichtig beroep of bedrijf? De beantwoording dier vragen moeten we dus kristalhelder kunnen vinden in de patentwet.
Maar indien we de tallooze ministerieele resolutiën zien, die uitlegging aan die wet geven en die zeggen welk beroep volgens de administratie wèl, welk niet patentplichtig is, dan wil het mij voorkomen, dat deze onduidelijke en onvolledige wet niet den grond mag vormen voor een ontslag van den notaris. Bij de toepassing der wet kon men al spoedig staan voor het onverkwikkelijke geval, dat voor
(1) Waarschijnlijk heeft men willen zeggen »eenig smderquot; putent-plichtig beroep.
8«
hetzelfde feit de eeiie notaris werd ontslagen, de andere niet. liet ontwerp-SANNES verbood het uitoefenen van één patentplichtig beroep, dat gevaar kon doen ontstaan voor het publiek, behoudens overgangsbepalingen voor bestaande notarissen.
De Hegeering gaat van een ander beginsel uit. De waardigheid van liet notarisambt gedoogt de vrijheid niet om daarbij alle mogelijke takken van bedrijf uit te oefenen. Dat is volkomen juist. Dat de notaris b.v. een kroeg zal houden is zeker in strijd met de waardigheid van zijn ambt, maar wanneer oefent hij een beroep uit? Is dat het geval wanneer het patent is genomen op naam van den klerk, den zoon of van de vrouw van den notaris? (1) Kan daar de conviction intime van de rechtbank een ontslag geven? Immers neen; men zal steeds moeten vrijspreken, omdat niet de notaris het beroep uitoefent. Het Toezicht kan er evenmin wat aan doen, omdat het feit dat de zoon of de vrouw dat beroep uitoefenen nooit kan zijn een handeling ran den notaris in strijd met de eer of waardigheid van het ambt (\'2).
Rn hoe zal het met de toepassing gaan ?
De notaris b.v. meent dat iets wat hij doet geen patentplichtig beroep is. De administratie verschilt in gevoelen en doet den notaris veroordeelen tot de bedreigde boete.
Zal dat vonnis voldoende zijn om hem te ontzetten? Of
(1) De patentwet spreekt van nitoel\'enen ap ieinaiuls naam. Wat lieteekent ilal Is dat hetzelfde als m iemands naam, dus als lasthebber ?
(\'2) Do notaris zul dus de toestemming van don Koning o. a. moeten hebben om do advocatuur uit te oefenen, om zaakwaarnemer te zijn, om agenturen van verzekeringsmaatschappijen 1« mogen aannemen, om anderor goederen te administreeren enz. enz.
Maar hij zal —- en ook dit kun strijdig zijn mol de waardigheid van hol ambt — wol do vrijheid hebben om boor te zijn en zelf dil bedrijf In al zijn vertakkingen uit Ie oefenon.
ST
zal hij al dadelijk hij het vonnis kunnen worden ontzet ?
Laat mij een geval vermelden, waarin dat verschil van gevoelen zich reeds openbaarde. Een notaris gevoelt lust om jongelui voor het examen op te leiden. Mij opent een\' cursus, maar biedt tevens aan de ouders de gelegenheid aan hunne zoons bij zich aan huis te nemen en hun dus kost en inwoning te verschaffen. Nu is het mij bekend, dat in een dergelijk geval de administratie aan de patentwet zoodanige uitlegging geeft, dat dergelijke handeling daaronder valt, ik meen onder een der rubrieken: kostschoolhouders, tafelhouders of slaapsteéhouders. Als nu de notaris geen goedkeuring van den Koning vroeg om dergelijke jongelieden bij zich in huis te nemen omdat hij een zoo dwaze wetsuitlegging onmogelijk achtte, zal hij echter kunnen worden veroordeeld. Zal hem dat nu zijn ambt moeten kosten? Mijns inziens neen.
Maar daarom moet ook liet criterium „patentplichtig beroepquot; in het ontwerp plaats maken voor een ander meer begrensd begrip of anders wegvallen.
Betrekkelijk liet examen geeft het ontwerp een paar wijzigingen.
in de eerste plaats stelt de Regeering voor, de commissie voortaan te doen bestaan uit,tien in plaats van uit zeven leden, zooals door de wet van 6 Mei 1878 {Rthl. no. 29) is bepaald. De duur van het examen in de laatste drie jaren deed de Regeering op middelen hedacht zijn, zegt de Mem. van Toel., den tijd van het examen te bekorten.
Zij wil daarom eene splitsing van de examen-commissie in twee afdeelingen, zóó dat terwijl het eene deel der commissie het eerste gedeelte van het examen afneemt, het andere ileel zich gelijktijdig met het afnemen van het
8«
tweede gedeelte onledig kan houden. Zij volgt daarin het advies van de staatscommissie, die in 1885 het notarieel examen heeft afgenomen, evenals in de tweede verandering, die niet genoeg kan worden toegejuicht en die de hoofdtrekken der Nedorlandsche staatsinrichting als eisch invoert en kennis eischt van de regeling der bevoegdheid van rechters in burgerlijke zaken.
De splitsing der commissie — indien men wil blijven vasthouden aan de bestaande wijze van aflegging van het examen in drie deelen - verdient m. i. in alle opzichten aanbeveling. (1)
Maar wat nn aangaat de bepaling dat de commissie zal bestaan uit tien leden, deze gedachte komt mij niet aanbevelenswaardig voor.
De Regeering meent zeer terecht, dat bij splitsing dei-commissie het aantal van zeven leden niet kan blijven behouden. Zij zegt echter verder, dat tegen een even aantal examinatoren het bezwaar bestaat, dat de kansen van afwijzing te groot zijn in verhouding tot de kansen van slagen, indien men bepaalt, dat bij het staken der stemmen de candidaat wordt afgewezen en dat bij eene tegenovergestelde regeling de kansen van slagen te groot worden. Vandaar het voorstel om de commissie uit tien leden samen te stellen.
Het wil mij voorkomen dat lt;lit aantal niet het ge-wenschte is.
Mij zou juist eene commissie van bijv. acht leden meer toelachen, en hetgeen de Regeering ten opzichte der kansen van slagen een bezwaar acht, zou mij juist een lichtpunt toeschijnen.
(1) Vooral zal dit zoo zijn omdat dan tlie gedeelten enkel door des-kumligen zullen wonlon afgenomen.
89
Kike iifdeeling der commissie zou moeten bestaan uil vier leden. De afwijzing zou dan moeten geschieden indien de stemmen staakten. Door dezen maatregel zou hetgroote voordeel worden bereikt, dat niemand toegelaten zou worden die het niet volledig verdiende.
Bij de tegenwoordige regeling, waarbij toelating met 1 tegen 8 stemmen mogelijk is, kan een meerder of minder gunstigen indruk dien de examinandus geeft, in. i. te groote kracht hebben.
Vergelijkt men in de toepassing, de eischen voor het examen met die voor andere betrekkingen, dan springt al dadelijk in het oog, dat waar de notaris een zeer nit-gebreiden werkkring vindt, waarvoor hij, — zal bij zijn ambt naar eisch kunnen uitoefenen — eene zoo veelzijdige ontwikkeling noodig heeft, dat de gestelde eischen niet afdoende zijn om deze te waarborgen.
De ondervinding toch leerde zeer ondubbelzinnig, dat de algemeene ontwikkeling over het algemeen zeer veel te wenschen overlaat bij hen, die zich voor het notarieel examen aanmeldden.
Meermalen toch — en ik spreek hier uit ondervinding
— kwam het voor, dat jongelieden ■— ook die slaagden
— moesten erkennen, dat zij geen Fransch verstonden; dat hetgeen ze van de bepalingen van den (\'ode Napoléon wisten, de vrucht was van de mededeelingen van anderen.
Hoe velen gaven niet blijk, dat zij van de nieuwste geschiedenis niet het minste besef hadden ?
Hoe weinigen wisten van de Nederlandsche Staatsinrichting niet eens zooveel als er b. v. op de Hoogere Burgerscholen hiervan geleerd wordt ?
Hoeveel lieten niet taal en stijl in de akten dikwerf te wenschen over?
Wil men niet van het notariaat en het begint er weer iiji
90
te lijken het refugium peccatorum maken, dan dient men meerdere eisehon te stellen, die waarborgen geven voor eene behoorlijke vorming voor het zoo gewichtige en zoo in het leven ingrijpende ambt van notaris.
Ken krachtig middel tot verheffing van dat ambt in de toekomst, schijnt mij toe gelegen te zijn in het stellen van eenige eischen voor de toelating tot het examen. De eischen der wet wal het vak aangaat schijnen mij, behalve dat ik ook de kennis van het boekhouden hoog noodig acht, (l) voldoende; alleen lette men er op, dat het Koninklijk Besluit waarbij het examen geregeld wordt, beter dan thans de zaak regele, voornamelijk wat aangaat het derde gedeelte van het examen.
Zooals dit tot dusverre — naar de voorschriften — werd afgenomen, bereikt het naar mijn oordeel zelden het doel, en geeft het volstrekt geen waarborg, dat altijd de geslaagden de kundigsten zijn.
Ttvec akten worden steeds opgegeven. De adspirant die
(i) Hoe men. met de wetenschap dat verschillende malversatiën mede een gevolg waren van het niet boekhouden door notarissen —- wat velen niet nalaten uit onwil, maar uit. onkunde — geenerlei kennis daarvan vordert, is mij niet duidelijk. Het ontwerp-SANNES stelde den eisch, dat men ton genoege der examen-commissie moest kunnen aan-toonen te weten op welke wijze men het. met de boekhouding moest aanleggen om den stand van zaken van een\' notaris te kunnen overzien. Was dit te vaag, dan kon men de beginselen van het boekhouden vorderen. Die eisch znu een groote factor voor malversatiën wegnemen, /.oodat hij zoowel voor hel publiek als voor den notaris zeer gewenscht schijnt. Do notarissen in Frankrijk drongen er voor korl zeer krachtig op aan om de verplichting tot boekhouding te doen voorschrijven. In Klsasz-Lothringen werd zij voor de notarissen voorgeschreven hij Keizerlijke verordening van 17 Maart 1886, hiervoor opgenomen.
In Oostenrijk bestaat de verplichting ook. Men zie de hiervoreu opgenomen bepalingen.
91
beide vrij goed uitwerkte slaagde meestal. Maar werd slechts één — de moeilijkste (een scheiding zooals de praktijk er zelden of nooit ziet) — goed uitgewerkt, maar bleet\' de bewerking der tweede, gewoonlijk zeer eenvoudige akte — wegens den korten duur van het examen achterwege, dan was de afwijzing zoo goed als zeker. NTiet slechts twee maar minstens vijf akten behoorden m. i. te worden uitgewerkt. Men verkreeg dan een maatstaf voor de kunde. Die akten behoefden niet zoo van die der praktijk af te wijken als thans liet geval is, want men kon om de kennis te beproeven enkele vraagstukken over het erfrecht, over het huwelijks-goederenrecht, verdeelingen van maat- en vennootschappen, enz. opgeven enmoeatvoor alles den duur 1). v. op twee of drie dagen worden gesteld. (1)
Evenzeer zorge men, dat alle adpsiranten voor het derde gedeelte op dezelfde dagen worden opgeroepen, ten einde de noodige gelijkheid en billijkheid in het examen te hebben» Meermalen toch kwam het voor, dat de akten in hetzelfde jaar opgegeven zeer aanmerkelijk verschilden. Kn overweging zou het m. i. in elk geval verdienen, indien men de inrichting van liet examen wil laten als thans, voor de aflegging van het 3e gedeelte meer dan eens per jaar de gelegenheid open te stellen, \'t Is toch te bar om jongelui die b. v. enkel wegens gebrek aan tijd de opgegeven akten niet konden uitwerken of aan wier gebleken bekwaamheid slechts zeer weinig haperde of die vergissingen begingen, weer voor een vol jaar naar huis te moeten zenden. (2)
(1) Dal hel. oiuleiv.uek tloi stukken ilaardoor lan^ zou dui-eu. He atlspiranten lanpf in onzekerheid omtrent den uitslag zouden vevkeeren of\' het nazien bezwarend zou worden voor de coinmissie kan natnurlijk geen ernstig argument er tegen zijn.
(\'2) Noch voor het eerste noch voor het tweede gedeelte is deze verandering nondig. Onthreekt er aan de vereischte kennis voor het eerste
Men zou hier /eer gevoegelijk de aeaclemisclio examina tot voorbeeld kunnen nemen of wel slechts toeemaal per jaar de gelegenheid openstellen om het 3e gedeelte at\' te leggen. (1)
Behalve deze veranderingen zou ik echter waarborgen willen eisehen voor eene behoorlijke, liefst een klassieke vorming, (2) waardoor naar mijn oordeel waarborgen voor eene behoorlijke mate van ontwikkeling zouden worden verkregen.
gedeelte niet veel. dan is het èn in I belaug van den patient èn van lui notariaat om liem niet toe te laten. Hij kan echter zijne kennis versterken en tevens zijne krachten besteden aan de voorbereiding voor het tweede gedeelte van het examen, üil geldt ook voor hen wier kennis voor het tweede gedeelte niet geheel afdoende was. Voor de beslissing over de toelating voor liet tweede gedeelte van het examen schijnt mij toe. dat vrijheid gelaten moet worden — wat thans niet geoorloofd is — n op te lettten of de kennis voor het Ie gedeelte vereisCht. behoorlijk is onderhouden, liet bleek toch meermalen, dat na de allegging van het le gedeelte de aankweeking of het onderhonden van de kennis viXn het privaatrecht geheel verwaarloosd was. Ook de Staatscommissie tot het afnemen dei* examina klaagde hierover.
d) De commissie kon dan b.v. in Juni tie eerste, in Januari do tweede zitting honden voor het afnemen van de examens voor het 3e gedeelte. Telkens zouden 8 a 10 dagen daarvoor voldoende zijn.
(Ü) Het is bekend dat tot het examen voor arts thans ook zij worden loegelaten. die geen klassieke vorming hebben genoten. Het middelbaar onderwijs werd genoegzame voorbereiding geacht.
Maar reeds drong de Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, omdat de ongelijke voorbereiding dei studenten zulk een slechten invloed heeft op de academische lessen en andere deskundigen (Prof. Kostku. en onlangs Prof. de Geeu in do Vragen des Tijds) er op aan. dat hun de eisch worde gesteld, aan te toonen dat zij mei vniclil gedurende zekeren tijd een der klassieke talen hebben beoefend. Zij doen dit niet omdat het yaA\'onderwijs dit noodzakelijk vordert, maar om waarborgen te hebben voor eene hoogst wenschelijke voorbereiding, liet middelbaar onderwijs heeft ten doel dadelijke vorming voor het practische, leven, het gymnasiaal onderricht bereidt den bodem voor een breed opgezette studie voor het zooveel omvattende universitair onderwijs.
98
Men behoeft niet liet atioopen van eenen vo]ledigen gyni-nasialen cursus te eischen, maar het bewijs zou geleverd moeten worden, dat men b.v. vier of vijf klassen met vrucht had doorloopen.
En mocht het later — wat niet onmogelijk is — komen tot den eisch van den doctoralen graad, dan zoude deze regeling tevens een zeer gewenschte overgangsperiode vormen (l).
Ook bij onze zuidelijke naburen kunnen wij ter school gaan.
Den 10 December 1886 kwam bij de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordiging een ontwerp van wet in betreflende de „grades académiques et programme des examens universitaires (2).
Ook daar te lande vordert men geen doctoralen graad voor de notarissen, maar heeft men dien van candidaat-notaris tot een academischen graad gemaakt, geheel afgescheiden zoo van het doctoraat als van het candidaatschap in de rechten (3).
Dat ontwerp bepaalt in artikel zes: „Nul n\'est adinis a
(1) Wil men niet vragen waar de kennis is verkregen, dan zon men óf een speciaal examen kunnen eischen of\' kunnen vorderen, dat hij die een dergelijk bewijs zon willen leveren, met vrucht moest deelnemen aan een overgangsexamen van de vierde tot de vijfde, of van deze tot de zesde klasse van een gymnasium ter zijner keuze. Do rector zou het vereischte certificaat alsdan kunnen verstrekken.
Ook kon het diploma van met gunstig gevolg afgelegd eindexamen eener Tiijks Hoogere Burgerschool met vijfjarigen cursus in aanmer-king k omen.
(\'2) Men zie ilo Revue Pratique du Notai iat llelge, Oigane des notaires, dpf: aspirants et des avocats, onder redactie van den Hoogleeraar Auoi.I\'hi: Maton, 1880, no.\'429.
(3) Noch in de daar bestaande wet van \'1870. noch in het bovenvermelde ontwerp.
94
l\'examen de candidat notaire, s\'il ne justifie par certificats, qu\'il a suivi avec fruit un cours d\'humanités de cinq années au moins, y compris la rhétorique, ou s\'il n\'a subi l\'examen préparatoire determine par les art. 10 etsuivants de la présente loi.quot;
De in dat artikel 2 bedoelde certificaten worden onderzocht door eene speciale commissie, aan wie is overgelaten de certificaten met het oog op de programma\'s der inrichtingen waar het onderwijs is genoten, goed- of af te keuren. Wordt het certificaat niet voldoende geacht, dan heeft de adspirant een examen af te leggen. Dit examen omschreven in artikel 11, omvat:
1°. Les principes de la rhétorique;
2:). La traduction, en francais ou en [fiamand, d\'un auteur latin, emprunté au programme de la rhétorique ;
3quot;. La traduction d\'un auteur flamand, allemand ou anglais, au choix du récipiendaire;
4°, Une composition frangaise, allemande ou flamande, au choix du récipiendaire ;
n«. L\'arithmétique ;
ön. L\'algèhre, jusqu\'aux équations du second degré;
7°. La géometrie plane ;
8U, La géographie;
9°. L\'histoire de Belgique ;
10quot;. Les faits principaux de l\'histoire ancienne, de l\'histoire du moyen age et de l\'histoire moderne.
Men zal moeten erkennen, dat het hier gevorderde om te kunnen worden toegelaten tot het examen van candidaat-notaris, vrij voldoende eene behoorlijke algemeene ontwikkeling waarborgt, eene ontwikkeling voor den notaris zoozeer vereischt en bij ons door niets gewaarborgd, zelfs niet door een middel, dat de Staatscommissie den Minister evenals het ontwerp-Sannus aan de hand deed, om name-
lijk ueii 2ü-jarigen leeftijd te stellen voor de toelating tot het notarieel examen (1).
Ook dit examen is volgens het Belgische ontwerp vai\' niet minderen omvang dan het bij ons gevorderde. Artikel 17 toch zegt: L\'exainen pour le grade de candidat-notaire comprend :
1°. f/encyclopédie du droit;
2°. I/\'introduction historique au droit civil ;
\'iu. Le droit international privé dans ses rapports avec le notariat;
4°. Ijüs lois pai\'tici.ilirres qui régissent la capacité et les l)iens des étalilissements pni)lics. la. legislature sur les aliénés, les dispitions des régléinents sur la dette publique
(Ij De Staiilscommissie van 1885 meende »dat bij eene dergelijke ))bepaling de rechtsstudie niet meer zou worden aangevangen op een »leeftijd die daarvoor nog weinig geschikt is, maar dat integendeel wlanger lijil aan de algemeene ontwikkeling door meer uitgebreid lager »of middelbaar ondei\'wijs zou worden besteed.quot;
De Regeering zegt (pag. l(i der Mem. van Toel.): ))Best.ond voor het laatste werkelijk waarborg, dan ware de opneming dei beperkende bepaling wellicht wenschelijk. Maai zij acht dit volkomen onzeker, omdat de jongelieden dien tijd veeleer op een notariskantoor als klerk zullen doorbrengen dan dezen besteden aan hunne algemeene ontwikkeling.
Let men op «Ie eischen die er gesteld zijn en die op een notariskantoor dooi\' de praktijk niet zijn te verkrijgen en op het /W/, dat slechts weinigen daar de voorbereiding voor het examen zoeken en vinden, dan schijnt de vrees «lei Regeering ongegrond.
Dat blijkens de door de Regeering geleverde statistiek jongelui beneden de k2() jaren kunnen slagen — en dat velen slaagden bewijst zeker, dat zij, voor wat de val,kennis aangaat, genoegzaam waren voorbereid bewijst niet, dat de geslaagden ook eene genoegzame algemeene ontwikkeling — die toch zoo noodig is voor den notaris — hadden. Kn let men nu verder op het /\'eit) dat de opleiding voor het notarieel examen aan de ouders een vrij belangrijken finan-tieelen last oplegt, een last, veel zwaarder dan dien voor een verblijf op de scholen, dan schijnt het mij toe, dat niet de vakstudie zooveel eerder zal worden aangevangen, maar wel, dat het schoolonderwijs zooveel langer zal duren.
96
öu. Les lois de procédure civile relatives a 1\'exécution forcée des jugeinents et des actes, aux saisies-arréts, aux saisies-exécutions a la saisie des fruits pendant jjar racines, a la distribution par contribution, il la saisie immobilière, a 1\'ordre et a la saisie des rentes;
6°. Le droit civil (code civil entier);
7°. Les éléments du droit commercial;
8°. Les lois organiques du notariat et les lois fiscalesqui s\'y rattachent.
Evenals bij ons is dit examen verdeeld in drie gedeelten en wordt afgelegd, hetzij aan de universiteit waar de adspi-runt studeert, hetzij voor eene speciale commissie door de Regeering benoemd en zitting houdende te Brussel.
Ik geloof, dat de enorme toevloed van adspiranten voor het notarieel examen aanmerkelijk zou worden getemperd, indien men ook bij ons kon besluiten wat meerdere waarborgen te vorderen voor eene behoorlijke algemeene ontwikkeling. (1) En men heeft daarvoor een goed voorbeeld in het Belgische wetsontwerp. Nam men tot maatstaf wat dit ontwerp voor de toelating eischt; men zou een krachtig middel hebben om in de toekomst het notariaat te verheffen.
\'t Is wel waar, dat ontwikkeling geen absolute waarborg is voor zedelijkheid, maar zeer zeker zal zij als regel daaraan meer voordeel dan nadeel toebrengen.
Thans aan het einde van mijne beschouwingen gekomen wil ik nog een woord van hulde brengen aan den Minister, die getoond heeft een warm hart te bezitten voor het notariaat. De wijze waarop hij zich dit volksbelang aantrok en
(1) Velen /.ouden een vergelijkend examen willen zien ingevoerd. Dit schijnt mij met het oog op de keuze en op de moeilijkheid der iiomi-nntie eeno onmogelijkheid.
97
rle spoed, waarmede hij gevolg gaf aan zijne toezegging om te trachten verbetering in de wetgeving op dit punt aan-te brengen, verdient alle waardeering.
Kan ik den arbeid niet in alle opzichten toejuichen, hot is er verre van dat ik het vele goede daarin niet zie. Van harte wensch ik dan ook, dat het hier en daar gewijzigd waartoe ik hoop dat mijne beschouwingen een steentje zullen bijdragen — tot wet zal worden verheven.
Steemvijk. H. \\V. .1. Sannios
.
.
.