E. qu. 628
—
\' O
m: lt;
\'
I
! \' I ! ■
\' r ■■ vquot; \'
■ f \'
\'
ll-V\'.\'
■V\'o
lt;
| (
\' S-quot;,
Jv/,.
N ■
.1
J \'
■ \'I
i
it \'■
_____
i
______
VERTAALD UIT DE
POLITICA ECCLESIASTICA
, \' \'VAN;
■V \': ■ \'■ \'v.quot;\' \'•
• : •; •-■■■ i
GYSBERTUS VOETIUS
———T- • i \' ■;
• \'-j . ,■ \' t^K\' 1{
MET VOORREDE VAN
• Dr. F. L. RUTGERS
EERSTE STUK.
--;-----:------------------------■■ .-M ,1
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
03
50 73
VERHANDELING OVER DE ZICHTBARE EN GEORGA-NISEERDE KERK.
HOOFDSTUK I.
VERKLARING VAN DE NATUUR DER ZICHTBARE KERK, DOOR HAAR AEGEMEENE BEGRII\', HARE STOFFI\', FORME, BEWEGENDE EN EINDOORZAKEN, EIGENAARDIGHEDEN, HARE TEGENSTEM.INCEN EN INDEEEINGEN.
r. Om te weten, wat verstaan moet worden onfier de heilige regeering der kerk, die het naaste en eigenlijke object is der wetenschap van het kerkrecht, moet men eerst weten, wat men onder de kerk zelve te verstaan heeft. Nu kan men de kerk, wat hare gesteldheid betreft, beschouwen of naar haar mystieke wezen, óf naar hare uitwendige gestalte. Ten opzichte van het eerste heet zij dan onzichtbaar, ten opzichte van het laatste wordt zij zichtbaar genoemd. De zichtbare kerk kan men weer beschouwen ten eerste in het afgetrokkene, zonder te letten op hetgeen daaronder begrepen is, als algemeen begrip {genus), en als een soortbegrip {specics), dat zijn naam geeft aan al wat daaronder begrepen is, zoowel soorten als eenheden (evenals de naam burgerstaat als algemeene begripsnaam gebruikt wordt van de onderscheiden soorten van staten, en van iederen afzonderlijken staat op zich zeiven). Ten tweede kan men de zichtbare kerk concreet nemen als een geheel, bestaande uit gelijksoortige deelen (gelijk het woord zee of verzameling van wateren), welke deelen dan al de afzonderlijke, plaatselijke kerken zijn. Bij de regeering der kerk nu nemen wij de kerk niet in den zin van het mystieke lichaam des Heeren, maar beschouwen wij haar naar haren
uitwendigen staat, als eene zichtbare verzameling van individuen, en deze zoowel als een groot geheel, als in hare afzonderlijke deelen, die weer met betrekking tot elkaar en tot hunne leden elk een afzonderlijk geheel vormen met eene eigen stofie en eene eigen gestalte en die aldus numeriek van elkander onderscheiden worden, i) Het begrip der zichtbare en georganiseerde kerk bepalende, noemen wij haar: ccttc verccniging vnn gcloovigcn, vrijwillig aangegaan, ter onderlinge oefening van de gemeenschap der heiligen of ter onderlinge mededeeling van die dingen, welke op de zaligheid betrekking hebben. Bij de verklaring van deze definitie komen in aanmerking: ic het algemeene begrip van kerk, 2e hare stofie, 3e hare forme of gestalte, 4L\' hare bewegende oorzaken, 5e hare eindoorzaken. 6e hare eigenaardigheden, 7C hare tegenstellingen en hare indeelingen.
2. Naar haar algemeene begrip, zoo ruim mogelijk genomen, is zij niets dan eene verzameling van personen. Meer beperkt is zij eene verzameling van geloovigen. Kr moet dus een bepaald getal of eene tot één kudde verzamelde menigte van geloovigen of belijders des geloofs zijn, waarmede dus strijdig is het verzinsel van eene potentieele kerk (ecclesia virtualis), die volgens Bellarnnnus in ééncn mensch vertegenwoordigd is, n. 1. in den paus, en volgens I \'iguenns 2) in eiken bisschop met betrekking tot zijne dioecese. Even dwaas is het beweren van anderen, dat de gansche kerk ten tijde van Christus\' lijden bestond in de 11. Maria.
De stoffe der kerk is een bepaald getal of eene menigte van geloovigen, doch onbepaald beschouwd, daar God ons omtrent de juiste grootte van dit getal geen voorschrift gegeven heeft. Het kleinste getal zou dus niet gemakkelijk aangegeven kunnen worden, maar in elk geval moet het getal niet zóó klein zijn, dat er ternauwernood eenig verschil van gaven en eenige verstandige wrijving der gevoelens plaats kan hebben, waardoor moeilijk met eenig gezag kerkelijke be-
1) Hierover wordt uitgebreider gehandeld in het eerste hoofddeel der Theologie, ivaar over de kerk gehandeld wordt.
2) In zijn Institut., hoofdst. 12. 5. 2. v. 8.
5
sluiten ten uitvoer zouden kunnen selegfd worden. Maar hierover beneden bij de vragen.
De deelen, waaruit de stofte der zichtbare kerk bestaat, zijn de regeerenden, n. 1. de dienaren of voorgangers, en de geregeerden, n.I. de kerkelijke gemeente, in het pausdom, ofschoon verkeerdelijk, leeken genoemd in tegenoverstelling met de geestelijkheid of de geestelijken i). De regeerenden kunnen óf afzonderlijk en elk op zich zelf beschouwd worden, al naar hunne titels en graden dit meebrengen 2), óf gezamenlijk naar hunne colleges of vergaderingen, nl. als kerkeraad of als synode en als vergadering van diakenen 3). Evenzoo kan de gemeente beschouwd worden: óf naar hare afzonderlijke deelen en naar hare afzonderlijke leden, of als een geheel. In het eerste gevcal wordt zij verdeeld in eigenlijke hestanddeelen, waartoe allen behooren, die in de kerkelijke gemeenschap leven en leden der kerk worden genoemd (de oude kerk noemde hen geloovigen en onderscheidde ze van de catechumenen en van de boetelingen), en in oneigenlijke hestanddeelen, zooals de kinderen der geloovigen, toehoorders, catechumenen, aannemelingen, gevallenen en zij, die na de verzoening wederom zijn gevallen, boetelingen en geschorsten, en voorts allen, die onder censuur zijn gesteld. Toehoorders, hier in ruimen zin genomen, noem ik allen, die, niet slechts gewoonlijk of dikwijls, maar op elke mogelijke wijze bij de kerkelijke vergaderingen en godsdienstoefeningen tegenwoordig te zijn den wil en den moed hebben. De zoodanigen worden zonder onderscheid in alle kerken toegelaten, behalve in de heimelijke. In de oude kerk verstond men onder toehoorders (Lat. andientes of einditores, Gr. dxijowiiH\'oi) hen, die Christenen wilden worden, maar nog niet verlangd hadden den doop te ontvangen. Catechnnienen zijn mij diegenen, welke niet alleen in de godsdienstoefeningen, maar ook in bizondere catechisaties onderricht ontvangen in de geloofsleer. Dit zijn óf vreemden, óf dezulken, die in de kerk geboren en opgevoed zijn.
1) Hierover wordt in /V^/ 11 der Potiticti lurtesiastica gehandeld.
2) Hierover wordt in Boek 11 der Pot. Eccl. gesproken. 3J Hierover meer in Boeji 71/.
In beidie klassen onderscheiden wij weer de eerstbeginnenden en de meer gevorderden. Maar over deze catechumenen en de catechisatie zal nader gesproken worden, als wij daaraan toe zijn.
Aanncmclingen zijn zij, die, na een behoorlijk onderricht in de geloofsleer, verlangen tot den doop of het avondmaal of tot heide en dus tot (Ie kerkelijke gemeenschap toegelaten te worden, zooals thans genoemd worden zij, die zich bij een bedienaar des woords of bij een ouderling of bij den geheelen kerkeraad aangegeven hebben.
Gevallenen zijn al diegenen, welke in het geloof of in hunne zeden afgeweken zijn, mogen zij boete doen of niet. Wederom gevallenen zijn zij, die na de boetedoening en aanneming na een vroegeren val opnieuw aanstoot geven en onder censuur komen.
Boetelingen zijn zij, die hun best doen, om tot eene behoorlijke verzoening en de wcdererlanging der kerkelijke rechten te geraken.
Gesehorsten of nfgehoudehen (Lat. ahstenti, ook suspensi genoemd, ofschoon er somtijds onderscheid wordt gemaakt tusschen deze woorden) zijn geloovigen, die, ofschoon zij het recht (zfj/rw,\') der gemeenschap behouden, zoolang van de uitoefening (jw/iti,\') der gemeenschap worden buitengesloten, totdat zij der kerk voldoening hebben gegeven i).
De gemeente, als eene vergadering genomen, kan men óf als één groot geheel beschouwen, zonder op sommige verschillen tusschen hare leden te letten, óf naar haar verschillende deelen. In het eerste geval wordt zij beschouwd in hare algemeenc samenkomst, in het tweede geval allereerst als gedeeld in de samenkomsten van parochiën of van deelen, welke tot het bijwonen der godsdienstoefening zich in verschillende gebouwen hebben afgezonderd, dan ook naar de bijeenkomsten: I1\' der catechumenen, IIL\' van hen, die zich na de godsdienstoefening vereenigen tot eene gemeenschappelijke nabetrachting, llle van hen, die de profetie beoefenen, d. i. die zich oefenen in de uit-
1
Over de gevallenen, opnieuw opgevallenen, geschorsten en hoetelingen wordt in Deel lil der Pol. Eccl. uitgebreider gehandeld.
legging der Schrift en in haar gebruik bij het onderzoeken van twistpunten of in hare toepassing op het praktische leven óf in haar gebruik bij andere oefeningen der godzaligheid. Hiertoe brengen sommigen nog allerlei scholen, die echter geen gelijksoortige deelen zijn, tenzij men ze beperkt lot theologische scholen en colleges. Ook wordt de kerkelijke gemeente nog onderscheiden door een indeeling, die berust op bijkomstige hoedanigheden, d. i. door te letten op uiterlijke, nict-kerkelijke verschillen harer leden, zooals in heeren of overheden en hen, die tot de gewone volksklasse en de private burgers behooren en daartusschen hen, die wij aanzienlijken kunnen noemen.
De eersten zijn met publiek gezag bekleed, en dientengevolge voed-sterheeren, patronen en beschermheeren der kerk. Tot de tweede soort behooren alle private onderdanen in den staat, door sommigen plebejers genoemd; terwijl tot de derde soort moeten gerekend worden diegenen, welke in bijzondere eer en aanzien staan in den staat (nl. de adellijken en die van oude familie zijn), of die eenig ambt bij de burgerij, de militie, de rechtbank of het onderwijs bekleeden. Sommigen meenen, dat dezen in de Afrikaansche conciliën bedoeld worden met de seniores (ouderen), welk woord heeren kan beteekenen, daar het woord althans bij de kerkelijke schrijvers deze beteekenis heeft i). Dit nu is de volledige en adaequate indeeling der stoffe, waaruit dc kerk bestaat, en in het bijzonder de indeeling der kerkelijke gemeente. De oude kerk verdeelde de gansche gemeente in catechumenen, geloovigen en boetelingen. De catechumenen werden weder onderscheiden in twee soorten, de toehoorders en de aannemelingen 2). Tot hen, die naar het gevoelen der oude of
1) Wat hiervan aan /ij, zal in Deel //oiulerzoclil worden.
2) Zij worden vermeld in eau. i! en 14 quot; Co 1 uil. Nicoi., eau. 4 Co mi/. Atieyr., ra??. 5 Concil. Neoeaesar., eau. 5 Co 1 teil. Laodie., bij Tertulliaiuis in zijn werk „de Vocniientiaquot;, bij Cyprianus lib. 3, epist. 17. De eersten nog in eau. 13 Concil. Agathensis en bij Jlieronymus Episl. ad Pammae/i., bij Angnstinus e. 12 libr. de Cu ra Jgt;ro mor tuis en Ilomil. 49. Over de Geloovigen (fideles) zie men Tertullianus PraeseriJgt;t. e. 41, August inns Ser/n. 237 dc Tempore, en ean. 19 Coneil. Laodie, Over gevallenen, die de boetetueht ondergaan, en die óf tot de catechumenen óf tot de geloovigen behoorden, en over hunne trappen, over dc
der Rootnsche kerk tot de oneigenlijke leden der kerk zouden moeten gerekend worden, behooren de bezetenen, inelaatschen, barenden, inen-strueerenden en anderen, die in de een weinig jongere Roomschc kerk om eenige uitwendige aandoening of toestand des lichaams van de geloovigen werden onderscheiden i). Op gelijke wijze (d. i. oneigenlijk) maken ook deel uit van de kerkelijke gemeente de Asceten en Monniken, gelijk ook de broederschappen en soortgelijke colleges, die door hunne bizondere regelen, bestuur, eeden en geloften zich van andere onderscheiden 2).
3. De forme of gestalte der bizondere zichtbare kerk kan op twee manieren beschouwd worden: óf met betrekking tot haar wezen, óf met het oog op hare organische eenheid. Beschouwt men haar forme op de eerste wijze, dan is deze een heilige vereeniging tot oefening van de gemeenschap der heiligen, door bepaalde uitwendige handelingen, die door God zijn ingesteld. Op do txveede wijze beschouwd, is zij eene vereeniging in en onder een college van Dienaren of Kerkeraad. Zoo er meer van zulke vereenigingen zijn, en deze wederom eene door feiten zichtbare vereeniging en correspondentie aangaan tot eene meer-
wijze van toelating en over hunne verzoening, waarbij zij eerst, in boetekleederen aan de kerkdeuren staande, de geestelijken en de gemeente moesten smeeken om weder opgenomen te worden (in dit stadium heetten zij met een Criekseh woord ,Y\'()oo*Alt;ao; vervolgens wederom staande naar het voorlezen der Selirift en de prediking moehten luisteren, ofschoon op een afgezonderde plaats (Gr. kil) ; daarna ook knielend het gebed mochten bij
wonen (Gr. v.co:il:cm vifq); eindelijk weder aan den geheelen dienst mochten deelnemen, behalve aan de communie, waarbij zij alleen staande mochten toezien (Gr. avrtoiójiti;) en ten laatste door handoplegging van den bisschop en de geheele geestelijkheid, alsmede dooiden broederkus en het genieten van het Avondmaal de absolutie en verzoening deelachtig werden (Gr, rtXfiov i-Kiiyovifq), zie men can. II, 14, 19 Concil. Nicen., can. 4, 5, 6, 7, S, 9, 16, 23, 29, 23 {?) Cone. Ancj\'ran., can. uit. Concil. Constantinopol. Occam. 11, can. 19 Concil. La 0 die. ^ Grcgor. Th an matnrgas Epistol. canonicd 11, en Basilius Epistel, can, 3 ad Amfhilochinm canone 58. Al ileze plaatsen moeten besproken worden in Deel II, waarin over de soorten van kerkelijke censuur gehandeld wordt.
1) Hierover vindt men het een en ander in Vhoiius* No mo ca non met scholicn van Halsamon.
2) Over deze wordt gehandeld in l)eel II.
7
dere of mindere Synode, zal hunne forme zijn een synodaal verband of een synodale correspondentie i).
/■ Givo/gtrckfdng. De ingestelde, zichtbare kerk is dus niet eenig getal van geloovigen of belijders des geloofs, dat zonder eene zoodanige vereeniging en gemeenschap, en wel eene door feiten zich openbarende, zich ergens bevindt, hoezeer het geloof en de overeenstemming in hetzelfde geloof en eene bloot innerlijke gemeenschap aanwezig mogen zijn. Hierdoor toch maken zij alleen deel uit van de kerk in haar mystieken cn onzichtbaren staat. Door deze onderscheiding wordt ook duidelijk, hoe men dat bekende gezegde van Augustinus moet opvatten: Vt\'lc wolven zijn binnen cn veie sehapen buiten (dit ziet n. 1. op de zichtbare kerk). Zoo kunnen in de eene of andere stad menschen van allerlei natiën tot het bijwonen der marktdagen of van openbare schouwspelen samenvloeien, zonder nog op die plaats een burgerij samen te stellen of burgers van denzclfden staat te worden genoemd. Zij, die den winkel van een koopman bezoeken cn de koopwaren bezien of koopen, vormen daarom nog niet zijn huisgezin. Twee of drie deugdzame menschen, die bovendien in karakter of neigingen overeenkomen, kan men daarom nog maar niet vrienden noemen, dewijl er geen verbond van vriendschap tusschen hen gesloten is. Twee of drie staten, die dezelfde nationaliteit hebben en ongeveer eenzelfde wijze van bestuur, worden nog niet gezegd tot een staat of confoederatie te zijn samengegroeid, zoolang zij zich niet tot één geheel hebben aaneengesloten en er geene middelen zijn aangewend en geene handelingen hebben plaats gehad, om tot die aaneensluiting te geraken. IIC Givo/g-trekking. Ook bestaat de forme der bizondcre kerk niet in de plaatselijke eenheid van burgerlijke samenwoning en nabuurschap, noch in de politieke eenheid door te leven onder écne regeering in denzelfden staat: ook kan het eene niet met het andere verwisseld worden. Immers, het eene is van deze wereld, het betreft een onheilig wereldlijk rijk en eene wereldlijke regeering, het andere is hemelsch en betreft het rijk
i) Hierover /ic men Deel UI,
»
8
en de heilige regeering van Christus. //A\' Gevolgtrekking. Evenmin bestaal zij in de verecniging tot eene vergadering of bijeenkomst in één plaats, om op een en denzelfdcn tijd en gezamenlijk heilige handelingen te verrichten. fVc Gevolgtrekking. En eindelijk ook niet in de onderwerping onder of het in betrekking staan tot éénzelfden opziener eener wijk of eener dioccese.
4. De bewegende oorzaken worden onderscheiden: ic in die, welke betrekking hebben op het organiseeren, verzamelen en het ontstaan van bizondere kerken, 2C in die, welke het herstel, de reformatie en de vernieuwde verzameling der kerk tengevolge hebben, en 3« in die, welke bij de instandhouding, het voortbestaan en de voortplanting der kerk in aanmerking komen. Die, welke betrekking hebben op de eerste organiseering der kerk, zijn: 1. hi het algemeen alle belijders des geloofs, zoo tezamen als elk op zich zelf, die zich het eerst aaneensluiten tot eene kerk en deze instellen en samenstellen; en het accoord of de overeenstemming van dezen is de naaste grondslag der georganiseerde kerk of der kerkgemeenschap, evenals door overeenstemming het huwelijk gesloten wordt, en de kerkelijke verkiezing of de eenstemmigheid der kerk over een dienaar dezen tot dienaar maakt. Zoo is dan de diepste en algeniiene grondslag tie goddelijke beschikking, die gewild heeft, dat er zulke kerkvormen zouden zijn als gewone hulpmiddelen tot bevordering der zaligheid. De nadere grondslag is de toepassing van deze goddelijke beschikking en instelling op de bovenbedoelde personen. De naaste en eigenlijke grondslag is de onderlinge overeenstemming en tie uitdrukkelijke wilsverklaring van hen, die zich tot eene kerk aaneensluiten; zonder tusschenkomst toch dezer overeenstemming zou die goddelijke beschikking niet meer op deze menschen of deze menigte dan op elke andere behoorlijk kunnen toegepast worden. Zij nu, tusschen wie deze overeenstemming plaatsgrijpt, kunnen van twee soorten zijn: Sommigen zullen n.1. vroeger geen leden van andere kerken geweest zijn, anderen wel ; ja, deze laatsten kunnen groepen uit andere kerken zijn, of deelen, die van andere kerken zich afscheiden, en welke na eene eerlijke verlating der
vroegere kerken en na als het ware eene nieuwe colonie aangelegd te hebben, in de nieuw le stichten kerk dc naaste en behoorlijk toebereide stoffe zijn. Toch gebeurt liet dikwijls, dat het allen zoodanigen zijn, die voor het eerst belijdenis doen van hun geloof en naar kerkelijke ver-eeniging en gemeenschap streven. 2. Meer in het bij routier behooren tot cle bewegende oorzaken: lc De bedienaren des ivoonis, of dc lerlu\'.-raden, of de synoden van andere kerken of gedelegeerden, door hen gezonden, zoo die althans te vinden zijn. Zoo niet, dan moet dit gebrek verholpen worden door anderen, die, met. hoe veel of weinig ijver, bekwaamheid, gezag en genadegaven zij dan ook mogen toegehist zijn, in elk geval hierin boven anderen uitsteken. Aan dezen is liet dan geoorloofd, op hunne wijze en naar de mate hunner krachten dit werk te besturen, eigener beweging anderen aan te spreken, op te roepen en te doen vergaderen, punten ter behandeling voor te leggen, hunne stemmen te vragen, daaruit besluiten op te maken en tevens in het gebed, de vermaningen en de vereischte verbintenissen voor te gaan, natuurlijk met uitdrukkelijke of zwijgende toestemming der anderen. Moet ook de overheid meer in het bijzonder tol de bewegende oorzaken gerekend worden, wanneer n.1. de verzameling der kerk van staatswege geschiedt of door samenwerking van den staat met bijzondere personen, waarbij de overheid wel niet het initiatief heeft, noch rechtstreeks de verzameling en organiseering der kerk moet tot stand brengen, maar toch medewerkt, door dadelijk, bij zoowel als na dc verzameling der kerk dit werk goed te keuren, met haar gezag te steunen en door zekere uitwendige hulpmiddelen, die tot dat werk noodig of er nuttig voor zijn, te verschaffen. 3. De venuijderde beioegende oorzaak is zoowel de voorbereiding van vóór de grondlegging der wereld door de goddelijke uitverkiezing als die, welke in den tijd valt, door de roeping, waarvan het uitwerksel is het ware geloof of althans de belijdenis van het ware geloof in de gemeenschap der kerk, en wel zoo, dat die roeping de onmiddellijke voorbereiding of voortbrenging zij der gcloovigen, gescheiden en elk afzonderlijk genomen, en de middellijke der kerk of der geloovigen, zooals zij
t
IO
gezamenlijk onder een kerkverband zijn gebracht. 4. De middelen en mstrumcnkn of medewerkende oorzaken zijn meer van geestelijken aard, •/.. a. de prediking des woords, vermaningen, huisbezoek en aansporingen bij dit bezoek, oproepingen en samenkomsten, waarin over de kerkelijke vereeniging wordt beraadslaagd en besluiten worden genomen; of meer van staffelijken aard, z. a. bijeengebrachte gelden, die voor de dekking van onkosten noodzakelijk vereischt worden, en die op elke, mits eerlijke en geoorloofde wijze verzameld kunnen worden (waarover later), voorts huizen of spreekplaatsen en verdere benoodigdheden 1). 13e bewegende oorzaken, betrekking hebbende op de instandhouding der kerk en op haar voortbestaan, gelijk ook op hare uitbreiding en voortplanting, zijn deels do regeerenden, n.l. de dienaren en de kerkeraad, die telkens opnieuw leden der kerk vormen en toelaten, deels de helpenden, n.l. alle private geloovigen zonder onderscheid, die bekenden, verwanten en vrienden, ja, wie dan ook, als de gelegenheid zich daartoe heeft voorgedaan of opzettelijk door hen gezocht is, tot de kerkelijke gemeenschap uitnoodigen en toebrengen. Wanneer evenwel en onder welke voorwaarden en vereischten dezen onder de lidmaten der kerk moeten opgenomen worden, zullen wij straks in g 6 uiteenzetten, als wij aan de bespreking van de eigenaardigheden der kerk zijn toegekomen 2).
Gevolgtrekking. Uit de tot dusverre geleverde ontvouwing der oorzaken blijkt, dat drieërlei bewering niet van onnauwkeurigheid vrij te pleiten is. ic Dat de roeping de forme der kerk is: dit kan niet, daar zij tot de bewegende oorzaken moet gerekend worden. 2C Dat het
11 ]Jc bewegende oorzaken voor tie herstelling en wederverzameling der verstrooide kcik zullen ontvouwd worden in lioek III der l\'olitiea Kcclesiastiea. Ten deele is dit door ons reeds gedaan in ons gesehrift, getiteld; hesper. causa Papa tas.
2) Welko de middelen zijn tot instandhouding der bizondere kerk, dus om te bewerken,
dat hare leden, zoolang zij niet naar elders vertrekken of uit het leven scheiden, haar niet n
verlaten, en dat zij, die heengaan, door anderen geregeld vervangen worden; welke verder de middelen zijn tot hare uitbreiding, dit alles zal in Jloct: JU uiteengezet worden. Men kan ook vergelijken /Villi. \'Aeppcr^ Bock III der Vvili. Ecclesiastic., hoofdst. 5, waar hij handelt over de instandhouding van den kerkstaat, wat hier in zeker opzicht moet toegepast worden.
11
geloof hare forme is; ook dit kan niet, daar dc geloovige, die de stoffe is, waaruit de kerk wordt samengesteld, ook de forme is, ofschoon hij toch weer formeel niet de kerk is, noch in zijne hoedanigheid van geloovige of belijder des geloofs de forme der kerk in zich liceft, tenzij er nog iets anders bijkomt, n.1. eene innige vereeniging en bond, waarbij de betrokken personen tot één kerkelijk lichaam worden door vrije en onderlinge overeenstemming. 31-\' Dat de roeping Gods, waardoor hij den mensch tot het geloof of althans tot dc belijdenis des geloofs roept, de naaste oorzaak der kerk is, zoodat, als die roeping bestaat, het bestaan der kerk hiervan het onmiddellijk gevolg is; dit kan al evenmin, daar zij de naaste cn onmiddellijke oorzaak is van het bestaan van den geloovige, zoodat, als de roeping bestaat, nog niet de kerk, maar de geloovige aanwezig is, terwijl dc naaste oorzaak van het bestaan der kerk is de onderlinge overeenstemming van geloovigen tot het aangaan van dat heilige verband; waarbij dc belijdenis des geloofs een voorafgaand vereischte is. Zoo is dus de roeping van eiken geloovige tot het geloof en tot dc belijdenis daarvan de middellijke oorzaak der kerk, niet de onmiddellijke.
5. Met innerlijke, naaste en eigenlijke doel der kerk (want de verwijderde en algemeene eindoorzaken gaan wij nu voorbij), is dc oefening van de gemeenschap der heiligen en de wederkeerige opwekking tot het voortdurend blijven en toenemen in de genade Gods. Hierop slaat het woord, dat wij lezen in Hcbr. 10 v. 24 en 25, dat te vergelijken is met Hcbr. 3 v. 13. De bizondere handelingen verder van deze oefening cn beoefening zijn alle kerkelijke handelingen cn oefeningen, die wij in Deel I en III der Polit. Ecclesiast. ontvouwen. Voorts kan in het doel nog een antler begrip gelegd worden, n.1. dat van object of voorwerp, daar het doel datgene is, waarmede de kerk als zoodanig zich bezig houdt. Ook kan het tevens als het ejfeet of uitwerksel opgevat worden, omdat in en door de kerk die gewijde en geestelijke handelingen voortgebracht worden. Echter met dit onderscheid, dat deze handelingen alle cn elk afzonderlijk niet door de leden gescheiden en elk op zich zelf verricht worden, b. v. de bediening der
12
sacramenten of de prediking des woords, en dat zij ook niet op eik der leden toegepast worden, z. a. de censuur en de verzoening, daar van deze beide handelingen slechts bij gevallenen sprake kan zijn. Hetzelfde geldt van den doop, omdat volwassenen dezen niet ontvangen, dan voor zooverre zij vroeger buiten de kerk gestaan hebben en later door het afleggen van de belijdenis des geloofs onder de leden der kerk opgenomen worden, ic Gcvolgtirkkiiig. Het heilige wordt in het onheilige en tic kerk in een wereldlijke instelling veranderd door hen, die öf zich geheel, of althans het grootste en belangrijkste gedeelte van hunne kerkelijke zorg en ambtelijk toezicht wijden aan de tijdelijke belangen en wereldsche zaken, zooals b. v. de reguliere en wereldlijke praelaten in het pausdom. 2° Gevolgtrekking. DientengevoIge kunnen zij evenmin eigenlijk en met recht op grond van deze hunne handelingen, ambtsverrichtingen en waardigheden, kerkelijke personen (om nog niet eens woorden te gebruiken als clerus of geestelijkheid en hiërarchie) genoemd worden, als de beheerders van kerkelijke inkomsten, of de pachters van landhuizen en landerijen, die aan dc kerk behooren, of als zulke overheden, die als voedsterheeren der kerk en bewakers van beide tafelen der wet de kerken van het noodzakelijke voorzien en haar hunne bescherming verleenen. Dc Heilige Schrift onderscheidt duidelijk do heilige en kerkelijke handelingen van alle wereldsche bezigheden (ook van die, welke gewijd zijn aan de lijdelijke nooden van menschen, die tot de kerk behooren); evenzoo hen, die in dc kerk voor de geestelijke behoeften hebben te zorgen, van hen, die het toezicht hebben op de tijdelijke belangen van de leden der kerk. I Cor. 4 v. 1; 1 Cor. 6 v. 2, 3; Gal. 6. Zelfs worden de beheerders der kerkelijke goederen, de beschermers dier goederen en zij, die te waken hadden, dat dc kerken en kerkelijke gebouwen in een goeden toestand bleven, van de geestelijken niet onduidelijk onderscheiden 1), en hoezeer men ook wilde (can. 26), dat de beheerder
1) Can. 2 en 22 Coucil. Chalccdon.
13
dcf kérk of kerkvoogd (welke in het pausdom thesaurier ea koster wordt genoemd), uit de geestelijkheid zou genomen worden, wordt toch oj) diezelfde plaats aan den bisschop verboden, de kerkelijke aangelegenheden in eigen persoon zonder zulk een kerkbeheerder te behandelen, Maar dit was voor de bisschoppen en geestelijken toen bijzaak, later is het een hoofdzaak geworden; gelijk eerlijk bekend wordt door Isidorus Clarius in zijne Aanteekeningen op i Tim. 3 v. i : „Als gij aan het bisschoppelijk ambt denkt, moet gij het niet nemen, zooals het zich in dezen tijd vertoont, waarin de bisschoppen van niets minder afweten dan van die zaken, welke door Paulus aan hunne zorgen worden toevertrouwd; en men moet bij het noemen van den naam „bisschopquot; aan niets anders denken, dan aan inkomsten, opbrengsten en buitensporige eerbewijzen.quot;
6. De eigenaardigheden (Lat. affectiones of propria en adinneta) der georganiseerde kerk zijn of van stelligen óf van ontkennenden aard. Gene zijn óf meer volstrekt, óf meer betrekkelijk, bij welke laatste wij te letten hebben op de verhouding, waarin de leden tot elkaar staan. De volstrekte eigenaardigheden zijn deels handelingen, die reeds van te voren vereischt worden; deels zaken, die aan het bestaan der kerk steeds verbonden en daarvan het oniidddeUijl\' gevolg zijn. De van te voren vereisehte handelingen bij het aannemen van leden en hunne toelating tot de gemeenschap van eene reeds georganiseerde kerk of bij de eerste oprichting van eene kerkelijke gemeenschap onder ongeloovigen of nieuwe bewoners eener plaats (ofschoon die handelingen naargelang van omstandigheden soms kunnen verschillen) zijn de volgende:
I. Dat voorafga de onderwijzing door Gods woord. Dit wordt echter niet vereischt bij het toelaten van zulke leden, die ergens anders in de gemeenschap eener rechtzinnige kerk hebben geleefd, noch van zulke, die als het ware eene colonic van zulk een kerk zijn, en die, zelf de eersten, met anderen in verband treden en met hen ergens eene nieuwe kerk stichten. II. Dat bij de eerste planting eener nieuwe kerk allen, hetzij geloovigen, of wel (zoo er geene anderen zijn) aannemelingen, tot ééne vergadering bijeenkomen en verklaring afleggen
14
van hun wensch, hunne overeenstemming en hun voornemen. III. Dat zij, die op het punt staan, opgenomen te worden in die gemeenschap, belijdenis van hun geloof afleggen, openlijk voor de gemeente, óf voor den kerkeraad in de kerkeraadskamer der kerk en wel met geopende deuren, zoodat alle geloovigen en catechumenen de gelegenheid hebben erbij tegenwoordig te zijn, óf voor gedelegeerden van den kerkeraad, hetgeen om dringende redenen en in zekere gevallen somtijds pleegt te geschieden. Waar verder eene kerk reeds is opgericht, daar zal door den bedienaar des woords een onderzoek ingesteld worden, loo-pende over alle hoofdstukken van den catechismus, waarbij de aanneme-lingen of candidaten voor dc kerkelijke gemeenschap de vragen beantwoorden en, waar zij maar kunnen, de voornaamste punten door Schriftuurplaatsen bevestigen. Tot dit doel worde er ook voor gezorgd, dat, indien sommigen niet genoeg geoefend zijn, dezen gedurende eenige weken voor het doen der belijdenis, eenige malen afzonderlijk genomen worden tot oefening en onderricht en dat dit onderricht allen candidaten door de dienaren bij hun huisbezoek en openlijk bij de bekendmaking van de viering des Avondmaals aangeboden worde. Bijaldien dan bij deze private oefeningen en voorbereidingen iemand bevonden wordt, nog niet geheel geschikt te zijn tot het doen van belijdenis, zoo worde hem aangeraden, nog een weinig te wachten. Deze prijzenswaardige gewoonte wordt dan ook in onze kerken in acht genomen. Waar echter eerst nog een kerkeraad moet samengesteld worden en de kerk nog niet in het bezit is van een dienaar, terwijl er ook geen naburige dienaar is, wiens hulp men zou kunnen inroepen, daar is geen bezwaar om het belijdenis doen dergenen van wie het zeker is, dat zij tot op dat tijdstip nog nergens belijdenis gedaan hebben, niet alleen wat de hoofdzaken, maar ook wat de bizonderheden betreft, zóó te laten geschieden, dat in het stellen der vragen, het ontvangen der antwoorden en in al datgene, wat er verder bij te verrichten is, een der geloovigen voorgaat, zoo er een is, of ook een der catechumenen, die hiertoe boven anderen geschiktheid heeft en door de overigen hieitoe bepaaldelijk is aangewezen of aangezocht. Immers, zoodanig
IS
provisioneel en buitengewoon werk in een dergelijk geval van nood doet niets tekort aan de beteekenis en de macht van de heilige bediening. Zoo er overigens in het hier besproken geval nog geloovigen zijn, die voorheen elders belijdenis hebben gedaan, kunnen dezen het belijdenis doen hierdoor vervangen, dat zij met eene attestatie of met getuigen of met eenig ander bewijs aantoonen, belijdenis gedaan te hebben. Voor het toelaten van geloovigen tot eene reeds georganiseerde kerk, waartoe verandering van woonplaats aanleiding kan geven, kan eene attestatie voldoende zijn, zonder dat er een nieuw onderzoek ingesteld of opnieuw belijdenis gedaan wordt, tenzij men afwijking in de leer vermoedt. Ook dit is de gewoonte in onze kerken. IV. Dat zij (Sf door kerkelijke getuigschriften (zoo zij n.1. uit eene andere kerk hierheen verhuizen), of dpor geschikte getuigen, die zij bij het onderzoek en het afleggen hunner geloofsbelijdenis moeten meebrengen (wier namen ook nevens die der nieuwe leden in het lidmatenboek opgeteekend worden), hunne vroomheid en reinheid van leven en zeden bewijzen, nadat de zaak tevoren reeds nauwkeurig onderzocht is door de ouderlingen en den dienaar der wijk. Ook wordt, naar ik meen, deze zeer loffelijke gewoonte in de grootere kerken van Nederland overal in acht genomen en er bestaan bizondere redenen, waarom dit eer bij deze dan in eenigszins kleine kerken, hetzij deze stads- of dorpskerken zijn, wordt vereischt. Althans in deze onze kerk [Utrecht] houdt men zich hier stipt aan, voordat zij in het vertrek, voor de aanncmelingen bestemd, worden toegelaten; en nadat zij daar reeds toegelaten zijn, wordt,- door op de rij af een catechetisch examen in te stellen, een tijd lang onderzoek gedaan naar hunne kennis en rechtzinnigheid. V. Verder wordt eene verbintenis of gelofte vereischt, waarbij zij aan God en de kerk beloven in de gemeenschap der heiligen te blijven en toe te nemen. Men zie in onze Liturgie het formulier voor Jut doopeti vou volwassenen, evenzoo het fotutulier voor lt;ie hedituing van het avondmaal. Maar meer uitdrukkelijk gaan zij, die op het punt staan toegelaten te worden tot het avondmaal en de gemeenschap der kerk, dit heilig verbond aan, wanneer zij antwoorden niet alleen op de vragen, die ia het bizonder over het
16
schuldgevoel, het geloof en de dankbaarheid gedaan worden, en wel met toepassing op zich zeiven, maar ook op die vragen, welke van meer algemeene strekking zijn en de rij van vragen sluiten, n.1. ie of zij de leer onzer kerken voor de rechtzinnige leer en voor den weg ter zaligheid erkennen; 2C of zij beloven, door Gods genade in de belijdenis van die leer tot aan hun dood te zullen volharden; 3e of zij beloven, heiliglijk en op eene deze leer waardige wijze te zullen leven; 4e of zij zich onderwerpen aan de kerkelijke tucht. Dit nu is de wijze, waarop in onze kerken de verbintenis aangegaan en de belofte gedaan wordt. Wat het verbinden door een eed of het onderteekenen van eene formule of bewijsstuk betreft, dit komt mij voor onnoodig te zijn. Kene mondelinge verklaring voor vele getuigen is voldoende; toch houden wij de andere wijze niet voor ongeoorloofd, gelijk straks zal blijken bij de vragen. Wat het verhalen betreft van de wijze, waarop iemand bekeerd is, en wat aangaat eene in bizonderheden tredende belijdenis van zonden (die misschien sommigen zouden verlangen), hierover zullen wij ook beneden bij- de vragen spreken. VI. Kr is vrijheid, zoo bij het ontstaan, als bij den voortgang. Vrijwillig moet n.1. een ieder bij de eerste verzameling der kerk of de instandhouding eener reeds verzamelde door het opnemen van nieuwe leden, zijne overeenstemming betuigen en de verbintenis aangaan ; niet gedwongen. Dit geldt zoowel voor hen, die nog onder de leden opgenomen moeten worden, als voor de opnemende leden. De kerk toch kan niet gedwongen worden, tot de kerkelijke gemeenschap iemand toe te laten, dien zij om rechtvaardige redenen oordeelt niet te moeten toelaten. Vrijwillig ook moet een ieder in die gemeenschap blijven, zoo, dat hij, om eerlijke of dringende redenen naar elders willende verhuizen, haar verlaten en tot eene andere plaatselijke kerk (mits van dezelfde belijdenis) kan overgaan.
De cigoiaardiglifdcn der kerk, die ouiniddcllijk uit haar bestaan voortspruiten zijn: I. Hare inrichting of regeering, waarover in de volgende verhandeling zal gesproken worden. II. Hare macht, die men gewoonlijk als een drieledige neemt, door n.1. in haar te onderscheiden eene
I?
leerbepalende, eene wetgevende en eene rechtsprekende maclit. Anderen maken haar tweeledig als eene, die zich uit in de kerkregeering en in de kerkelijke rechtspraak. De macht der kerk wordt (en hierin onderscheidt zij zich van elke andere macht) eene geestelijke (2 Cor. 10 v. 4), lagere en dienende macht genoemd, niet eene hoogere of heerschappij voerende (immers heeft de kerk ook geen rechtspraak, die met heerschappij verbonden is, Luc. 22, 2 Cor. 1, 1 1\'etr. 5), zij is gezaghebbende en bindende in de conscientie, niet eene, die zich doet gelden door uitwendigen dwang. 2 Cor. 4. — III. De vrijheid, die in haar heerscht. Deze wordt beschouwd, zoo met betrekking tot de leden elk afzonderlijk (waarover op eene andere plaats moet gehandeld worden), als met betrekking tot de kerkelijke gemeenschap: zoodat de kerk vrij is in hare handelingen,
zooals in het verkiezen van dienaren, het uitoefenen der tucht, enz. Deze vrijheid moet echter niet overgaan in independentisme, gelijk men dit noemt, alsof dat tot het wezen van elke bizondere kerk zou behooren i);
noch moet zij uitgestrekt worden tot onafhankelijkheid der dienaren van de burgerlijke overheid, wat aangaat den uitwendigen mensch en de aangelegenheden van het lichamelijke en maatschappelijke leven, zooals de pausgezinden willen; noch tot die vrijheid of aanmatiging, waardoor zij niet slechts zich en het hunne aan den rechterstoel der overheid onttrekken, maar ook wereldlijke personen en een groot deel der wereldlijke zaken aan huniie geestelijke curiën (zooals zij die noemen) onderwerpen, gelijk onze studenten zullen leeren uit hunne schrijvers over het kanonieke recht, uit het boek van Joh. Choquier over de kerkelijke vrijheid en uit die schrijvers, welke over het bisschoppelijk gezag en de bisschoppelijke praxis geschreven hebben, en uit anderen,
beneden in de verhandeling over de lij(lelijke Iwhyit^cn der Kerk geciteerd. Wij verwerpen hier ook de kerkelijke vrijheid der Wederdoopers, volgens welke eenig burgerlijk bestuur met het Christen zijn niet kan lt; samengaan. — IV. Hare noodzakelijkheid; maar alleen de noodzakelijk-
I) Hoe men hierover moet denken, zullen wij Deel III in de verhand, over de classes en synoden bespreken.
2
heid van het voorschrift, niet van de kerk als middel: immers kan de noodzakelijkheid van de georganiseerde kerk en van e.ene werkzame gemeenschap in en met haar niet grooter zijn dan die der sacramenten. Niet het staan buiten de kerk is het, dat verdoemt, maar het verachten van de kerk. Op deze onderscheiding moet men letten, om goed het bekendegc-zegde te verstaan: God is hem gcot Vader, ivicn dc kerk de viocdcr niet is.
Gevolgtrekking. I. Hiermede staan wij dus aan den eenen kant lijnrecht tegenover de Libertijnen en Enthusiasten, die elke noodzakelijkheid van eene zichtbare en georganiseerde kerk ontkennen. II. En van den anderen kant tegenover de pausgezinden, die hare noodzakelijkheid al te hoog aanschrijven. Wij stellen tegenover dc opvatting der laatstgenoemden de onderscheiding, door Jlelleiriitinus gemaakt, in eene door feiten zichtbare en eene bloot innerlijke gemeenschap i).
Dit nu zijn de volstrekte eigenaardigheden.
Van de bcirekkelijke, en die, welke zich voordoen bij vergelijking der onderlinge verhouding van dc leden der kerk, geef ik er thans twee aan: 1. Dc gelijkheid in rechten, die er. bestaat tusschen de zusterkerken onderling, tusschen de kcrkcraden, evenzoo tusschen de dienaren als ook tusschen de leden van één of van verschillende kerken, weshalve die regel der JWderhuidsel/e kerken, welke bekrachtigd is op de Nationale Synode, gehouden te- limhden, aan welken toen de eerste plaats is toegekend, een gulden regel mag genoemd worden 2). Wij verwerpen hier derhalve: i1\' Eiken wereldschen trots, waarmede de eene kerk zich verheft hoven dc andere en de eene dienaar boven den anderen dienaar 3). — 2. Evenzoo alle vleeschèlijke
ij Deze is te vinden in zijn Crorfe Catechismus^ in het Ilaliaanscb en Engelseh uitgegeven (of het hoek ook in andere talen hestaat. weet ik niet). Men vergelijke onze verhandelingen in het ITe Uoek van de Desper. causa Papains, Afd. 3.
21 Ten deele eene herhaling van dezen regel zijn de Bepalingen iter Nassauwsche Kerken, die men vindt bij Zeffients in het laatst^ gedeelte van zijn hoek over het kerkrecht.
3) Hierover meer beneden in het hoofdstuk over de Cathedryalkerkon en in Deel II, waar over de graden der (tienaren gehandeld wordt. Hiertoe moeten ook gebracht worden biz.ondere eererechten, Canon 2 en 3 van het concilie van Con.stantinopel, Can. 28 van het Chalc. conc. cn Can. 6 en 7 van het conc. van Nicaea.
^9
aanneming des persoons en valsche, op toevallige onderscheidingen steunende verheffingen van zulke leden der kerk, die tot de rijken en machtigen behooren, op grond van toevallige, niet kerkelijke hoedanigheden, n.1. wanneer iemand in hoedanigheden, op de wereld betrekking hebbende, boven vele anderen uitsteekt, terwijl hij in het geestelijke verreweg de mindere is, of althans nauwelijks gelijkstaat met anderen. Men vergelijke de volgende verhandeling over de vmeht der I-erken. — 3. Bovendien verwerpen wij van de andere zijde anarchie en verwarring, waardoor alle orde en regel wordt opgeheven en het onderscheid weggenomen wordt tusschen de voorgangers en hen, die te volgen hebben, zooals wij weldra zullen aantoonen. — II. De tweede der betrekkelijke eigenaardigheden, die ik hier noem, is het voorgangerschap en de ijverige handhaving van het bestuur, alsmede de getrouwe verzorging van en het toezicht op de leden, zoo allen tezamen als elk afzonderlijk genomen, n.1. van den kant van de dienaren of van den kerkeraad, 1 Petr. 5 v. 2, Hand. 20 v. 28, en de eerbied, gehoorzaamheid en onderwerping, van den kant der leden, naar Ilebr. 13 v. 17, 1 Thessal. 5.
Dc eigenaardigheden van ontkennenden aard zijn de volgende: 1. De onvolmaaktheid. Deze geldt zoowel van het geheel, n.1. van de forme der kerk en de kerkelijke bestuursuitoefening, als van de deelen, d. i. van de afzonderlijke leden op zich zelf. Daarom verwerpen wij: i^\' De leer der oude Catharen en Novatianen, die dc gevallenen uitsloten. Men zie Augusttnns over de See ten. 2? Die der Donatisten, die wegens eene minder gestrenge toepassing der tucht op gevallenen en het verdragen van dezen in de kerkelijke gemeenschap beweerden, dat de kerken van Christus in Africa haar wezen verloren hadden en dat haar naam haar niet langer toekwam. Mierover zie men de gesehriften van An gust inns en van Optatns van Mileve tegen de Donatisten en de Gesehiedenis der Carthaagsehe Conferentie, uitgegeven door l\'raneiseus Bal-duinns ; evenzoo de Handelingen van de Conferentie, uitgever l apyrius Mas-sonus ; eindelijk Angnstinns\' kort overïieht van dezelfde Conferentie, dat men vindt in Deel 7 van zijne Werken. 3e Verwerpen wij de handelwijze
20
der Wederdoopers, die de voetstappen der Catharen en Donatisten plegen te drukken, hunne vergaderingen uiteenscheurende en elkander wederkecrig uitwerpende wegens de geringste afdwaling en afwijking in gevoelen, zelfs bij vragen van feitelijken aard. 4° Verwerpen wij het verzinsel of de droomerij, die wij bij sommige nieuwere ijveraars voor een zekere opvatting van het duizendjarige rijk aantreffen, waarbij zij ons eene zichtbare kerk op aarde schilderen zonder een enkelen huichelaar, zoodat al hare leden alsdan in waarheid heilig zouden zijn. Zij mee-nen dit te kunnen bewijzen uit Openb. 21 v. 27 en 22 v. 14, 15, Jesaia 35 v. 8 en 60 v. 21, Zachar. 14 v. 20 en 21. Hierover wordt gehandeld in het /A Deel dn uit gelezen I \'er/iaiuieliiigen, titel: Over het duizendjarige rijk. — II. De oploshanrhcid der kerk, waardoor zij n.1. wettig-üjk opgelost kan worden en een ieder zich naar elders kan begeven en aldaar zich bij eene reeds georganiseerde kerk kan aansluiten of tegelijk met anderen eene nieuwe kerk (zoo er in die plaats geene is) kan stichten: hetwelk zich kan voordoen in geval van vervolging, ot ook van zulk voortkankerend en heerschend bederf, dat er geene genezing meer mogelijk is. In het laatste geval kan ook in dezelfde plaats, waar de vorige kerk ten eenen male, of wel wat haar gezonde deel betreft, opgelost is, een nieuw kerkelijk lichaam verzameld en samengesteld worden, hetzij openlijk, hetzij in het geheim, al naaide omstandigheden dit meebrengen. Hierover zie men het 3C Deel, titel; Over de herstelling en reformatie der herken. — III. Hiertoe moet ook gebracht worden het verlaten en afseheid n, waardoor een iegelijk der leden, hetzij uitdrukkelijk en onder protest, hetzij stilzwijgend, de kerkelijke verbinding en gemeenschap om rechtvaardige redenen kan opzeggen. Hierover hebben wij gehandeld in het ///e Boek van de Des/\'. Causa Papains, 3\'\' Afd. — Dit alzoo zijn de eigenaardigheden der kerk, welke zich hier ter behandeling voordeden. Door anderen zijn er nog andere aan toegevoegd, zooals onafhankelijkheid, geringheid van ledental, de bepaling der wijkgrenzen, volmaaktheid en zuiverheid in elk opzicht, eene anarchische gelijkheid van allen tezamen en elk in het bizonder, de voorbereiding door de
21
prediking des woords als vooraf overal en voor allen vereischt, eene vernieuwde belijdenis en een onderzoek van allen, die zullen aangenomen worden en elders reeds belijdenis hebben gedaan, enz. Maar dat al het hier opgenoemde niet tot de wezenlijke eigenaardigheden der zichtbare kerk behoort, staat vast, deels door hetgeen reeds gezegd is, deels door wat weldra bij de bespreking der vragen nog moet gezegd worden.
7. Strijdig met het wezen der georganiseerde kerk zijn : I. Door er aan te kort te doen: de begrippen der buiten alle kerkverband levende Libertijnen en Enthusiasten, die hare noodzakelijkheid, evenals die van den uitwendigen dienst des woords en van de sacramenten geheel ontkennen. II. Door haar te veel gewicht bij te leggen: 1° De vermeende strikte noodzakelijkheid, die de pausgezinden leeren en die wij boven terloops hebben aangeroerd. 2U Hunne doopkerken, als zoodanig onderscheiden van de kapellen. 3e De Collcgiaalkcrken, onderscheiden van do algemeene parochie- of wijkkerken; dan de Kathcdriialkcykcn, die weer van beide voorgaande soorten verschillen, voorts nog de Mctropohtaan-kcrkcu met de Patriarchale kerken, waarover wij beneden in Iloofdst. 5 meer in het bizonder zullen handelen. 41quot; De rcpracsfntaticvc of vertegenwoordigende kerken (eene onduidelijke en verkeerde benaming), die met eene andere papistische benaming ook eeelesiae virtnales (potentieele kerken) kunnen genoemd worden. Zoo wordt de paus bij Bellanninus de katholieke of algemeene kerk genoemd, en de bisschop bij Viguerins de kerk der dioecese, beide natuurlijk in potentieèlen zin.
8. De zichtbare en georganiseerde kerk wordt ingedeeld of onder-seheiden als volgt: I. In do zoodanige, die oorspronkelijk en zelfstandig is, en in de zoodanige, wier ontstaan en bestaan middellijk van eerstgenoemde afhangt. De eerste, in haar gezonden toestand beschouwd, is de verzameling van éene afzonderlijke gemeente onder één ker-keraad. De tweede is de coinbinatie, vereeniging en samenvoeging van meerdere kerken onder ééne synode, hetzij een kleinere (welke men in ons land classis noemt), of een grootere, welke wij in volstrekten zin provinciale of nationale synode noemen. Over dezQ
22
onderscheiding moet gesproken worden in het IIIc Deel, Verhand, over de classes en synoden.
11quot; Wordt zij onderscheiden met betrekking tot de verschillende genadebedeeling in die van het Oude en die van het Nieuwe Verbond. De gestalte en regeering van eerstgenoemde onderscheiden zich van die van laatstgenoemde hierin, dat een zekere nationale kerkelijke volkomenheid, die aan de stad Jeruzalem en het Aaronisch priesterschap verbonden was, door dc afzonderlijke synagogen en bijeenkomsten van buiten af moest verwacht en verkregen worden, niet bij wijze van ophooping (zooals thans bij ons de bizondcre stads- en dorpskerken haar verkrijgen van de nationale of provinciale synoden), maar alzoo, dat hare volheid en geheelheid daarvan afhankelijk was i).
III. Wordt zij onderscheiden niet Intrek Icing tot hare volkomenheid oj onvolkomenheid, waardoor de eene kerk in eigenlijken zin zoo heet, de andere in betrekkei ij ken zin. De kerk, die in betrekkelijken zin zoo genoemd wordt, is zulks meer of minder, al naar gelang zij meer of minder aan de voor eene kerk testellen regelen, beantwoordt en meer of minder in het bezit is van al datgene, wat voor de organische volko-1 menheid en een goeden staat der kerk vereischt wordt. Zij kan weer onderscheiden worden in de heimelijke kerk of kerk onder het kruis, de in beroering gebrachte, dc tijdelijke (op schepen n.1. en in legerplaatsen), die, welke steeds van plaats en van leden verwisselt (n.1. in stations van kooplieden en van soldaten), die, welke nog in het tijdperk van wording en eerste planting of van reformatie is, de huiselijke en de wijkkerk. rJ De heimelijke kerk. In deze wisselt de wijze, waarop de dienst des woords, dc kerkelijke verkiezingen, bijeenkomsten, godsdienstoefeningen en andere handelingen plaats hebben, in geen geringe mate en is aan velerlei gebrek onderworpen, al naar gelang van de plaats
i) Hierover zie men A/nesius, Medulla, Bock i hoofd si. 38 en 39 en in Bock 2 der Vol. Eccl., Vcrh. over dc soorten van kerkdijken Zegen, de Gebeden en Gezangen, tic. over dc orgels; bovendien de Commentatoren oJgt; /V. 122 en Dent. 17, benevens de schrijvers over den Joodschen staat, boven aangegeven.
23
en andere omstandigheden. Het ga, zegt men dan, zoo goed wij kunnen, wanneer het niet gaan mag, /.ooals wij willen. Zoo was het eens met de onderaardsche kerk te Rome, die in verborgen schuilhoeken hare bijeenkomsten hield en hare heilige handelingen verrichtte 1). Zoodanige waren al de kerken ten tijde van Justinus den Martelaar in het Romeinsche gebied, die nachtelijke bijeenkomsten hadden, welke vóór het aanbreken van den dag geëindigd werden 2). 2c /V in beroering gcbrachtc kerk. Zoo noemt men die, welke in hare orde, volkomenheid, en in sommige vereischten en handelingen tekortschiet ingevolge hinderpalen, die ontstaan, óf door ketterij, scheuring en partijzucht (bijv. de Corinthische, \\ Cor. r, 3,5, en 15, de Galatische, Gal. 1,3,5) óf door vervolging en verstrooiing, zooals de kerk van Jeruzalém (Hand. lt;S) en gelijk er vroeger zeer vele waren onder de vervolgingen tier heidenen, der Arrianen en van het pausdom, zooals de Waldensische, Hoheemsche en andere op vele plaatsen van Kuropa reeds van Luthers prediking tot op dezen dag. 3« De lijdelijke kerk. Deze wordt uit leden en toehoorders van andere kerken, die, althans voor een tijd, naareéne plaats samenvloeien of op écne plaats vertoeven, bijeenverzameld tot het oefenen van tic gemeenschap der heiligen. Zij komt voor op schepen en in het leger 3). 4° Die, welke voorlduremi van plaats en leden ver-wisselt, is eene, die bestaat uit leden cn toehoorders, die zich slechts voor een tijd bij haar aansluiten, omdat zij geen vaste woonplaatsen hebben, zoodat er dus van eene vaste
1) Men zie de plaatsbesehrijving van die schuilhoeken in . In/onius Bos^ werk : Roma Sub-/crranja nuf bijvoegsels en in de uitgave van Joh. Sevcanus van 1650 in het Ital. In dit werk schijnen echter vele zaken deels uit een sleehtercji tijd opgenomen, deels aan de Kuomsche kerk der drie eerste ecu .ven ten onrechte toegeschreven te zijn.
2) Men zie Justinus, Apolog. ad Anlonium en van Plinius\' Brieven Boek X aan hel slot.
3) De bizondere en niet de omstandigheden in overeenstemming gebrachte leiding en regeering van beide soorten van kerken kan men te weten komen van scheepspredikanten en van die, welke bij het leger zijn, als ook uit sommige Besluiten zan Ne de r la mis oh e synoden. Met deze kan men vergelijken de Boeken over de oefening des geestelijken levens, reeds elders uoor ons opgegeven, die bestemd zijn om de zeelieden, vreemdelingen en krijgslieden lot een vroom leven op te leiden.
T
#
■24
kerk bijna geen sprake kan zijn. Er heerscht toch eene voortdurende .strooming onder hare leden, daar cr voortdurend leden afgaan en dezen even spoedig weer door anderen worden vervangen. Tk zou zulk een kerk ook een stationsklok kunnen noemen, en wel in tweeërlei zin, eensdeels n.1. als eene van kooplieden (zooals die van de Neder-landsche kooplieden in Rusland, van de Kngelschc te Rotterdam, Hamburg enz.), anderdeels als de kerk in militaire wachtposten en bezettingen, zooals in Nederland in de grensvestingen en wachtposten, waar óf na geregeld vvederkeerende kleine tijdruimten óf herhaaldelijk bij elke mogelijke gelegenheid de mannen der bezettingen worden verwisseld. 5c Die, welke nog in een, tijdperk van wording of ee/ste planting, ot van /gt;lt;is begonnen vernieuwing en hervorming vet keert. Dat hier in de kerkregeering vele dingen geheel anders moeten gedaan en toegepast worden en niet alle formaliteiten stipt naar den regel zijn in acht te nemen, zooals dit bij bevestigde en in goeden staat zijnde kerken, die reeds eene vaste regeling hebben, het geval is, wordt op verschillende plaatsen in het He Boek van het werk Desp. Causa Papains aangetoond. 6e De Innselijke kerk. Deze blijft besloten binnen de grenzen van een, hetzij grooter of kleiner, huisgezin. Deze kan weer meer of minder volkomen zijn, n.1. met betrekking tot de bediening van het woord,en der sacramenten. Hier en daar is de adel ten platten lande gewoon, in zijn huiselijke kerken, naar een oud privilegie, zooals men wil, huispredikers aan te stellen. Hierbij pleegt men zich soms te beroepen op Rom. 16. Maar beneden in Hoofdst. 5 zullen wij aantoonen, dat die plaats nog voor eene andere uitlegging vatbaar is. Ook nu nog worden zulke oneigenlijke kerken gevonden aan de hoven der koningen en vorsten, ja zelfs van alle edelen (wien dit goeddunkt) in Engeland. Ook hoor ik, dat dit oude gebruik in de laatste jaren nog in acht is genomen door eenige vrome mannen van den Engelschen adel, om voor de zuiverheid der religie en de veiligheid en het geweten van vele vrome predikers des te beter tegen hiërarchische kwellingen te waken. 7C\' De parochie- of wijhkerk. Dit is zulk een kerk, die bepaald wordt door de grenzen van een stads- of wijk-
district, alsmede door de zorg van een eigen bestuurder of wijkopziener, bestaande in do prediking des wóords en de bediening der sacramenten en die van andere wijkkerken in dezelfde burgerlijke gemeente als een integreerend deel, ofschoon in de geheele kerk onder het bestuur van den-zelfden kerkeraad staande, wordt onderscheiden. Zulke wijkkerken zijn er, naar ik meen, te Bremen en elders in Duitschland. Want die, welke vroeger te Londen en in andere steden van Engeland geweest zijn, verschillen niet weinig van deze, daar zij geen gemcenschappelijken kerkeraad hadden, maar genoodzaakt werden, zich nevens de overige kerken in diezelfde dioecese aan den bisschop en de bisschoppelijke curie te onderwerpen. Deze moet men om die reden, evenals de parochiën onder het pausdom, tot tie kerkelijke gebrekkigheden rekenen i).
Gevolgtrekking. Uit deze onderscheidingen der zichtbare kerk volgt met klaarheid, dat er onderscheid moet gemaakt worden tusschen eene meer of minder en eene nauwelijks waarneembare en zichtbare kerk; ook komen wij hierdoor tot eene bepaling van het geschilpunt met de paus-gezinden over de zichtbaarheid der kerk. Zij maken zich voortdurend aan eene valsche sluitreden en eene valsche redeneering schuldig, door n.1. te beweren, dat hetgeen slechts in de tweede plaats met eene kerk overeenkomt, volstrekt geen deel heeft aan den naam en het begrip van kerk, omdat het niet in de eerste plaats daarmede overeenkomt. Alsof iemand zeide, dat bijkomstigheden, betrekkingen en dergelijke van een zwakker wezenheid in het geheel geen wezen hebben, omdat de definitie en vereischten der substantie op hen gansch niet van toepassing zijn.
TV. Wordt zij onderscheiden met Intrekking tot hare eorrespondetUie o) combinatie en xvederkeerige afhankelijkheid. De eene kerk staat n.1. buiten
i) Men zie over den oorsprong, de rechten, liet wezen, enz. der wijkkerken het hierover geschreven werkje van Joh. Filesacns, een Theoloog uit Parijs, en .Vital. Ic Maisln\\ Over de goederen en beziltingen der kerken, Boek 7/, Hoofd si. 9 en 13. Over de rechten der wijk opzieners en over de parochiale beueliciön kunnen geraadpleegd worden dc schrijvers van kef /canonieke reehf en de schrijvers, die Angnslinus Barbosa in zijne Verzamelingen nil hel Coneil. Trident, noemt, vooral de pauselijke bullen en de beslissingen der kardinalen, die dezelfde Bar hos a aangeeft in zijne Verzamelingen uit het Bullarinm en de beslissingen der kardinalen.
26
classikaal of synodaal verband, de andere in dit verband, en deze weer alleen bij haar eerste ontstaan of wording of ook in haar voortgang en feitelijk bestaan. Üuk is hier veel verschil in do toepassing en uitvoering van het bestuur. Dat verder eene kerk wezenlijk kerk kan zijn, ook al staat zij niet ineen uitdrukkelijkeenkennelijkesynodalegeineen-schap en correspondentie, hebben wij meteen enkel woord aangetoond in de vcrhandiUng over dc c/iisscs, en onderstellen wij hier als reeds bekend.
V Wordt zij onderscheiden //wl bctrrkkiiig tot hare grootte in groote kerken of kerken met een groot ledental en in kleine of kerken met weinig leden. Beide soorten zijn weer groot of klein, hetzij met het oog\'op het aantal inwoners van hetzelfde district en dezelfde plaats, in welk geval men spreekt van stads-, dorps- en wijkkerken, of in verhouding tot de meerdere of mindere talrijkheid der ongeloovigen en vijanden. Zoo zijn somtijds bij ons in groote steden de kerken met betrekking tot de menigte der inwoners klein, doordat de meeste burgers deels i zich afzonderen tot verschillende secten, deels Libertijnen en wereld-li n gen zijn.
Vl. Ten opdekte van het idtweniiigk\'crbaHd, xmtum sijbegrepen is, is de eene kerk in een burgerlijken staat, waarvan de burgers allen tot die kerk behooren, en welke dus, wat de personen aangaat, met haar verwisseld kan worden. De andere is in een staat, die in dit opzicht niet niet haar kan verwisseld worden, waar n.1. de orthodoxe godsdienst en kerk wel uitsluitend de publieke en die van den staat zijn, maar waar toch ook buiten haar andere afgescheiden groepen mogen vergaderen. Weer een andere is in een staat van eene andere gezindte, maar die de ware kerk verdraagt en toelaat. Nog een andere in een staat, die haar tegenwerkt en niet toelaat. Een voorbeeld van de eerste soort heeft de Israëlietische kerk gegeven en sommige hedendaagsche, b. v. die van Genève, de Zwitsersche kerken en de Engelsche onder koningin Elizabeth, waar hetzelfde lichaam de kerk en den staat samenstelde. Een voorbeeld van de tweede soort toonen onze Nederlandsche kerken. Van de derde soort zijn de kerken in Frankrijk. Van de vierde soort zijn die kerken, welke zich heden op zeer vele, hier niet te noemen, plaatsen met meer of
27
minder gevaar en onder veel of weinig kwelling staande houden. Zulke kerken noemden wij boven heimelijke kerken. De verzameling, voortplanting, instandhouding, regeering, bediening enz. dezer kerken zijn onderwerpen, die tot verschillende vragen en besprekingen aanleiding kunnen geven, doch over deze, alsmede over de hiertegenoverstaande zending en de heimelijke handelingen van het pausdom en over de wijze, waarop deze door middelen, die zoowel tie kerk als de staat verschaft, kunnen verhinderd worden, zal in Dcc! Hf nog een en ander moeten gezegd worden.
VII. Met betrekking lot /uur omgeving wordt zij onderscheiden in die, welke zich bevindt temidden van ongeloovigen, afgodendienaars, of ketters; en in die, welke daarvan vrij is, zoodat, ofschoon er misschien in die plaats sommigen wonen, die buiten de kerk staan, dezen echter geen vergaderingen en oefeningen hebben, laat staan, dat zij in getal, vermogen en macht de overhand zouden hebben. Ook hier moet de wijze van het houden der godsdienstoefeningen en van het uitoefenen der tucht als ook andere kerkelijke handelingen noodzakelijk eenigermate verschillen.
VIII. Met betrekking tot den tijd is tie eene van den ouden tijd, zoowel van den tijd der Apostelen als van een weinig later, de andere van den tijd der middeleeuwen, tie eene van den tijd vóór de hervorming, de andere van den tijd na deze.
IX. Met betrekking tot de plaats en de ligamp;ingxw het oude Romeinsche rijk vinden wij in de Kerkgesehiedenissen en in de Handelingen der Con-iUien de onderscheiding der kerk in eene Oostersche, Westersche en Afrikaansche. Met het oog hierop zeitle men van de kerken en bisschoppen buiten het Romeinsche gebied, die met tie kerken en bisschoppen in dit gebied correspondentie hadden, dat zij in de barbaarsehe landen gevestigd waren 1).
1) Concil. Chalced. Can. 23 en in de Canons der Afrikaansche kerk, Can. 52: tw fiayftuqyAM , 1 (ii-} d. i. /.ij grenst aan het land der barbaren.
4
HOOFDSTUK II.
EERSTE AF DEE LING VAX VRAGEN\' OE VRAAGSTUKKEN, LOOPENDE OVER HET ALGEMEENE UEGRIl\', DE S TOFFE, FORME, HET OliJECT F,\\ lil/P DOKl, I)i:R (JEORGAX1SEEKDE KERK.
i. Na ons onderzoek naar de natuur der zichtbare kerk kotnen wij tot de vragen, welke wij, voor zoover dit mogelijk is, naar vervolg en in het kort zullen beantwoorden. Wij verdeden ze in vier afdeelin-gen, waarvan do zal loopen over de definitie, d. i., over het alge-meene begrip, de stoffe, de forme, het object en het doel der georganiseerde kerk; de 2quot; over de bewegende oorzaken; de 3° over de eigenaardigheden en tegenstellingen, en de 40 over de indeelingen der kerk.
Eerste afdeeling. 1« Vraag. Of de georganiseerde kerk kan bewaard blijven in één persoon en of Adam, toen hij zich nog alleen in de wereld bevond, de kerk van God geweest is? Antivoord: Neen. Immers, hierin zou opgesloten liggen, dat één eenige eene veelheid is : de kerk toch is eene veelheid en een tot eene kudde verzamelde menigte. Dit blijkt hieruit, dat zij in de Heilige Schrift genoemd wordt een huisgezin, een koninkrijk, een volk, eene kudde, en hierin vergeleken wordt met een lichaam, een gebouw, een staat. Zoo is een Christen, die onder Barbaren en ongeloovigen, of in een woestijn, of op een of ander eiland, buiten alle aanraking met menschen (wat, zoo ik mij niet vergis, meer dan dertig jaren lang het geval is geweest met een Hollandschen zeeman,
29
die na dat tijdsverloop weer tot de zijnen terugkeerde), in zijne eenzaamheid God dient in geest en in waarheid, nog geen kerk. Vraagt gij, of hij dan niet tot de kerk behoort of een harer leden is, zoo geef ik dit toe, wat aangaat de onzichtbare en mystieke kerk, maar wat betreft de georganiseerde kerk, zoo ontken ik, dat hij feitelijk en eigenlijk een lid daarvan is, indien hij nooit: met ecnige kerk in eene zichtbare en feitelijke gemeenschap heeft gestaan; wil men hem potentieel een lid noemen, zoo hebben wij hier niets tegen, mits hij van ganscher harte dit wenscht en hiertoe de gegevens heeft. Maar dit blijft oneigenlijk en geheel naar analogie of overeenkomst. /00 iemand vroeger feitelijk in eene kerkelijke gemeenschap gestaan heeft en nu alleenstaande (buiten zijn schuld) en gescheiden van élke zichtbare kerk die gemeenschap, zooveel in zijn vermogen is, voortzet, zulk eenen zou men naar het innerlijke een lid kunnen noemen, en zijne gemeenschap eene innerlijke of verborgene. En hieruit blijkt tevens, wat ons oordeel moet zijn over de katholieke, potentieele kerk der pausgezinden, die in den paus alleen, en over de potentieele kerk eener dioecese, die in één bisschop zou bestaan.
/A\' Vmajf. Of de kerk moet bestaan uit zeer weinig of tamelijk weinig leden, opdat n.1. verwarring voorkomen worde, die een groot aantal leden misschien teweeg zou kunnen brengen? Antifoon]: Neen, Tm eerste, omdat de bizondere of plaatselijke kerken, ten tijde der Apostelen, door dezen verzameld en georganiseerd, niet uit weinigen bestonden, zooals de kerk van Antiochië, die van Ephese, van Rome, Corinthe, Philippi, Thyatire en Jeruzalem. Zie van de Houd. het 21\', 4C en 13^- hoofdstuk.\' Ten tweede, omdat de meerdere of mindere grootte van het getal niets uitstaande heeft met het wezen der kerk, noch een wezenlijk vereischte voor haar is. Ten derde, omdat een kerk, uit zoo weinig leden bestaande (b. v. uit 7 of 9), ternauwernood geschikt is tot het uitoefenen harer regee-rende en rechtsprekende macht, als er n.1. aanleiding is gegeven tot ergernis en de eene broeder den anderen tot aanstoot is geweest. Immers, als men de beide partijen met hunne getuigen er afneemt, en de dienaren en hen, aan wien het onderzoek is opgedragen, niet
3o
mcderekent, hoe groot een kerk zal er dan nog overig blijven?
///ü Vraag. Of derhalve ergens onder ongeloovigen of op een onbewoond eiland eene vergadering, die uit weinigen kerkelijk en op wettige wijze is georganiseerd, de ware kerk is ? Aittult;ooid\\ Ik stem toe, dat het de ware kerk is, niet minder dan een kind, dat een dag oud is, een mensch is, en een stadje of gemeente, dat door het bijeenrapen van weinigen ontstaan is, een staat is: mits het er op toegelegd worde, dat er een dagelijksche wasdom zij.
/1 \'e / \'mag. Of de menigte slechts zóó groot mag zijn, dat zij gemakkelijk op ééne plaats tot het hooren van het woord en tot het verrichten van alle kerkelijke zaken zou kunnen samenkomen? Atthvoord: Wel is dit het gevoelen van den voortreffelijken godgeleerde Au te si lts, in zijn werk Medulla, Bock /, Hoofd si. 38, ji 1 lt;S en 19, Ook dat van eenige hedendaagsche theologen, die ijveren voor eene onafhankelijke en volmaakte regeering der kerken. Verder is hier ook reeds vroeger op-aangedrongen door Robinson in zijne Apologie, pag. 12, en door al die anderen, welke gewoonlijk met den naam van Brownisten en Separatisten worden aangeduid, in hunne Apologie, in het smeekschritt aan den Koning, 8s|e stelling. Ja, zelfs schijnt Dudlejus Fennerus in het 7° boek van de Theologia sacra, Hoofdst. 1, deze meening te zijn toegedaan, als hij de bizondere kerk definieert als van belijders des geloofs, die lot het volhreugen van alh\\ althans van alle gewone, amhts-vfrriehtingen, die uit hun goddelijk\' bestuur voortvloeien, geschikt tot een geheel kunnen vereenigd en afgezonderd worden, enz. En kort daarop laat hij volgen: Vanwaar ook tic floats der bijeenkomsten in het eerst synagoge (Ps. 74 v. 8) cu later kerk wordt genoemd (1 Cor. 14). Al deze theologen hebben zonder twijfel het oog gehad op hunne Angli-kaansche parochiale kerken, aan dewelke zij gewoon waren. Wij echter zien niet in, dat dit noodzakelijk is, of zelfs altijd en overal nuttig. De redenen, die wij hiervoor kunnen aanvoeren, zijn deze: 1° Omdat de apostolische kerken van Jeruzalem, Corinthe, Ephese, Antiochië, Rome en van andere plaatsen niet in ééne synagoge of privaat huis of de bovenverdieping daarvan (groote tempels of spreekplaatsen hadden de
3\'
Christenen in dien tijd nog niet, gelijk beneden in de verhandeliiio: over de kerkgebouwen zal blijken) samenkwamen. Dit zou trouwens de grootte van liet ledental niet veroorloofd hebben. 2e Omdat in de kerken, die onmiddellijk op de kerken van dien tijd volgden, dit geenszins is in acht genomen, zooals vaststaat uit de Kerkgeschiedenis. Men zie de schrijvers over de parochiale kerken, die boven geciteerd zijn en Onuphrius. I \'crhandeling over de zeven kerken der stad. Niemand zal beweren, dat de geheele kerk van Rome binnen de muren van ééne spreekplaats in hare onderaardsche toevluchtsoorden is bijeengeweest. 3e Omdat de kerken onder het kruis en de heimelijke kerken (die kerken des lichts zijn) reeds van den tijd der Apostelen tot op dezen dag, hoezeer zij ook gedwongen werden, om in verscheidene kleine vergaderingen het woord te doen prediken en het avondmaal te laten bedienen, nochtans van deze gewoonte nooit zijn afgeweken, ja wat meer is, haar als noodzakelijk hebben voorgeschreven. 4L\' Omdat men, wanneer de plaats der bijeenkomst iets van hare ruimte of geschiktheid, en de stem van den prediker iets van hare helderheid verloor, of wanneei de vervolging in de eene af andere stad weder meer hardnekkig werd, het ledental dadelijk zou moeten doen krimpen en de geheelheid der kerkzon moeten opgelost worden, althans met betrekking tot een deel van haar, en dat afgesneden deel, dat grooter of kleiner zou zijn al naar gelang van de mate, waarin de stem van den prediker mocht afgenomen zijn, zich daarna weder tot een nieuwe kerk zou moeten samenstellen. Ook zou natuurlijk, als op zulk een predikant weder een andere volgde, die met eene stentorstem begaafd was, datzelfde vroeger afgesneden deel weer opnieuw met de vorige kerk moeten verbonden worden, na de forme dier nieuwe kerk te hebben afgeschaft. Maar dit is alles even ongerijmd. 51 Omdat daaruit zou volgen, dat tot een getal van geloovigen, hetwelk in één bedehuis juist kan samenkomen, zoolang al die geloovigen leven, geen anderen zouden moeten toegevoegd worden, om deel te hebben aan de gemeenschap van diezelfde kerk ; maar dat uit hunne kinderen, knechts en dienstmaagden, zoo door dezen in het loopende jaar het getal bij geval te groot zou worden, dadelijk eene nieuwe kerk
32
zou moeten gesticht worden, totdat zij, door het overlijden of verhuizen van eenige leden, bij de kerk hunner ouders of meesters kunnen worden ingelijfd, met opheffing en ontbinding van hun eigen pas opgericht kerkje. 6quot; Omdat uit deze meening zou volgen, dat het wezen en de eenheid der kerk, of hare wezenlijke vereischten, zouden te zoeken zijn in toevalligheden en zuivere uitwendigheden en bijomstandigheden, en hierin hunnen grond zouden hebben. Dit nu is eene dwaasheid, daar de eenheid van elke bizondere volledige en goed georganiseerde kerk afhangt van de eenheid van één kerke-raad, door welken zij wordt bestuurd, zooals wij beneden zullen aan-toonen.
Ve ]\'rnn^. Of de kerkeraad alleen dc kerk is te noemen ? Ani-woord: Aldus oordeelt Beza met het oog op Matth. 18 v. 17 en in dit oordeel stemt met hem overeen het Fonnulier voor dc Bevestiging van Ouderlingen in de Neder/nudsehc Liturgie; evenzoo Frein-eisens Jnnins in zijn werk liee/esidstiens, 2C Boek, 3° Uooi\'dst. en verder nog de Bevestiging vein de regeering der Fransehe kerken, in de Fransche taal geschreven (door Antonins Zadecle) en in haren naam uitgegeven tegen Fr. Morelles, t) Deel 4, art. 2, 2e etfd., Nndz. 174 en 195. Eindelijk komt na alle anderen Gerson Bit eer us ileze verklaring der aangehaalde plaats nog uitvoerig verdedigen in zijn / \'erhandelin^ ever het bestuur der kerk, hladz. 3, 9, 83. Wij voor ons noemen deze opvatting van het woord kerk onjuist, daar hierbij het besturende deel voor de geheele kerk, d. i. voor de regeerders en de gcregeerden samen en dus een deel voor het geheel wordt genomen. Maar als wij eens aannamen, om des te gemakkelijker alle hiërarchische en oligarchische verklaringen aan een kant te zetten, dat op die plaats, onmiddellijk, rechtstreeks en bepaaldelijk het gansche lichaam der kerk wordt bedoeld en niet de kerkeraad als eene korte samenvatting der kerk (epitome, zooals Fr. 3unins zich uitdrukt op de aangehaalde plaats), of als haar oog, oor en mond, welk gevaar of welke dwaasheid zou daarin gelegen
11; Lees: Jean Morelii.]
33
zijn ? Mier toch volgt nog niet uit, dat wij eene absoluut en in alle opzichten demokratische kerkregeering hebben aan te nemen, zooals terecht wordt opgemerkt door Parker, die vóór deze uitlegging is i). Er zijn voorgangers door de kerk aangesteld, opdat zij in naam der kerk zich met de zorg voor de kerkelijke aangelegenheden zouden belasten, op zulk een wijze, dat in en door hen de kerk moet gezegd worden voor hare belangen te zorgen, gelijk de mensch ziet door het oog. Hieruit volgt echter niet, dat elk lid van het lichaam kan zeggen: Ik ben het oog. Men zie i Cor. 12 en vergelijke deze plaats met Ephese 4. Deze of een dergelijke onderscheiding heeft onze Catechismus misschien willen aanduiden in Vraag 85 in de woorden: der gemeente of dengenen, die van de gemeente daartoe verordineerd zijn. Iemand spreekt tot\' een rechtbank of raad, wanneer hij zulks doet tot zijn voorzitter of burgemeester, ook al spreekt hij niet openlijk en onmiddellijk tot alle leden van dat college tezamen en tot elk afzonderlijk; zoo ook spreekt iemand tot de kerk, als hij de zaak overgeeft aan den kerkeraad, aan denwelken ingevolge een opdracht van de kerk de kennisneming der zaken is toebetrouwd, en aan wien alleen zulks is toebetromvd, totdat men na de kennisneming der zaak toegekomen is aan de bekendmaking en uitvoering van het oordeel.
Z\'/e Vraag. Of de gemeenteleden (populus) alleen met den kerkeraad, zonder den dienaar of de dienaren, de kerk kunnen genoemd worden, en bijgevolg de kerkelijke macht, waarvan b. v. de kerkregeering en de verkiezingen uitingen zijn, bij zulk eene kerk berust? Ant-woord: Ja, maar niet in alle opzichten: naar haar wezen is zij de kerk, maar niet de kerk in hare volkomenheid, als wij n.l. letten op haren staat als een organisch geheel. Bijgevolg is zij in dat geval nog iu het bezit der kerkelijke macht 2).
fVA\' Vraag. Of daar, waar de dienaar en enkele weinigen, die den
1) Men zie zijne Poli/. Ecclesiast. Bock 3. hoofdst. 1, 2, 3 enz.
2) Deze waarheid vindt men door mij verdedigd in liet 3e Boek, 2«= Afd.van de Desper. Causa Pafatus.
3
34
kerkeraad samenstelden, door eene verderfelijke ziekte of een oorlog of door eenig ander onheil weggeraapt of uit die plaats verdreven worden, de kerkelijke gemeente (populus ecclesiasticus) ophoudt de kerk te zijn en alle macht ontbreekt, voornamelijk tot het kiezen van een dienaar? Anhvoord\'. Meen. Want hoezeer de kerk alsdan verminkt moge zijn, en hare organische volkomenheid een einde moge genomen hebben, toch is haar wezen niet vergaan, noch bijgevolg de macht om een dienaar te kiezen, iets, wat geschieden kan ook zonder een dienaar of dienaren. Maar anders is de zaak gelegen met de gewone prediking des woords en de bediening der sacramenten: hiervoor toch worden organen vereischt (n.1. de dienaren) en eene organische volkomenheid, en deze mist de kerk in het nu besproken geval. Hetzelfde, meen ik, moet ook gezegd worden van de leden eener kerk, waar de kerkeraad nog niet is samengesteld. Zulk eene verkiezing van een kerkeraad door de leden der kerk is, naar ik mij herinner, door de Zuid-Mollandsche synode van Brielle in 1623 verdedigd tegen tie classis, tlie de verkiezing, tegen den wil der kerk, ganschelijk en uitsluitend aan zich wilde trekken.
2. /V/Aquot; Vraag. Of de kinderen van hen, die tot het verbond be-hooren, leden zijn der zichtbare kerk en haar mede samenstellen ? Anlwoord: Zij worden leden der kerk genoemd door de Nederlandsche Liturgie in het Formulier voor de bediening des doops, in de eerste, den ouders voor te leggen vraag. En dit wordt gestaafd door r Cor. 7 v. i/j en Hand. 2 v. 39 en door andere plaatsen, die voor den kinderdoop tegen de Wederdoopers aangevoerd plegen te worden. Toch moet dit met eenige beperking worden opgevat, gelijk zeer goed is uitgedrukt in hetgeen Amesius hiervan zegt 1): Dc kinderen zijn echter niet in die mate volkomen leden der- kerk, dat zij de handelingen der genieenschap zouden kunnen. uitcejeuen, oj toegelaten worden tot het deel hebben aan al hare bizondere rechten, tenzij vooraf blijke van opwassing in het geloof; van die dingen . echter,. die.-, betrekking hebben op
I) In het lc IBoek van zijn Medulla, Hoofdstuk 32, § 13.
35
den aanvang van het geloof en de in/rede in de kerk, mogen rJJ niet buitengesloten ivouien. Zij zijn derhalve onvolledige lidmaten, die een zekere overeenkomst hebben met degenen, die in vollen zin leden dei-kerk zijn, omdat zij, als wel hebbende den geest en de genade der wedergeboorte, en dus iets, dat overeenkomst heeft met het geloof, de roeping, en daadwerkelijke bekeering (door dewelke men een lid is der onzichtbare kerk), maar niet hebbende het geloof en de daadwerkelijke bekeering zelve, op dezelfde wijze iets hebben, dat overeenkomst heeft met de daadwerkelijke en uitdrukkelijke belijdenis des ge loofs, en met de belofte en verbindtenis (door welke volwassenen ingelijfd worden bij het volk van God en de zichtbare kerk), n.1. de daadwerkelijke en uitdrukkelijke belijdenis en verbindtenis der ouders. De juiste opvatting van deze zaak hangt geheel af van het goed in acht nemen van het onderscheid tusschen de wedergeboorte en de daadwerkelijke bekeering, waarop wij in Deel 2 der uitgelezen verhandelingen, tü. Over de wedergeboorte en over den staat der uitverkorenen vóór hunne bekeering nader zijn ingegaan, en wat wij hier als bekend aannemen.
IXa Vraag. Of de kerkelijke zorg en regeering zich in alle deelen moet uitstrekken tot volwassenen, die vroeger in hunne kindsheid gedoopt zijn en of zij zeiven tot de gemeenschap aan alle heilige handelingen nevens de andere leden moeten toegelaten of aangespoord worden, zonder dat van hunnen kant eene vrije, daadwerkelijke en uitdrukkelijke toestemming en belijdenis tusschenbeide komt, wanneer zij tot de jaren des onderscheids gekomen zijn, zoodat die onuitgesproken en potentieele verbindtenis en belijdenis, die het gevolg is van den doop in de kinderjaren, voldoende zou zijn? \'Antzvooid■. Zeker willen dat de pausgezinden, die, hiervan uitgaande, al degenen, die in hunne jeugd gedoopt zijn, ook al hebben zij nooit het Roomsche geloof omhelsd en in de Roomsche gemeenschap gedeeld, aan de kerkelijke macht, en bijgevolg, in geval van ketterij of een zich schuldig maken aan eenig ander misdrijf, aan de kerkelijke en burgerlijke straffen onderwerpen, waarvan de heidenen, Joden, Mahomedanen, Grieken en andere Oostersche scheur
36
makers vrij zijn i). Onder de hervormden in Nederland is iemand geweest, die voor eenige jaren in eene door hem geschreven Latijnsche Verhandeling over de kerkelijke tucht (welke ook in onze taal overgezet en, doch ten onrechte, oen tijd lang aan Jac. Arniimus toegeschreven werd) beweerde, dat de kei kelijke tucht zelfs tot alle volwassenen, hoe vreemd zij ook mochten zijn aan de belijdenis des geloofs en de gemeenschap der kerk, moest uitgestrekt worden, even goed als tot de leden der kerk, en dit wel op grond daarvan, dat zij in hunne jeugd gedoopt waren. Die Nederlandsche theoloog, die de schrijver van de genoemde verhandeling is, is er niet in geslaagd, deze en andere overdenkingen bij zijne collega\'s en de Nederlandsche kerken ingang te doen vinden, en dus te maken dat zij hunne daartegenover staande praktijk niet meer volgden noch verdedigden. Daardoor heeft die verhandeling zich geen weg kunnen banen en is zij slechts in particuliere kringen door weinigen pezien en gelezen. Wij voor ons beweren, dat onze kerken hm e gegronde reden hebben, om die wijze van opnemen van leden (welke ik boven in Hoofdst. 1 heb voorgedragen) en. van uitbreiden en uitoefenen der tucht (welke de Nederlandsche Liturgie en de Kerkelijke Verordeningen hebben) vast te houden, en om de onuitgedrukte belijdenis en verbindtenis, die in den doop gelegen is, niet in die mate voor voldoende te houden, dat men daardoor het avondmaal des Hee-ren en de volledige kerkelijke gemeenschap deelachtig zou zijn. Deredenen, die wij hiervoor hebben, zijn deze: ip Omdat aldus het onderscheid zou worden opgeheven tusschen volkomen en onvolkomen leden der kerk en tusschen de wedergeboorte en de daadwerkelijke bekeering. Dit nu zou eene dwaasheid zijn. Immers, het geval zou zich kunnen voordoen, dat iemand, in zijne jeugd wedergeboren en gedoopt zijnde, opgevoed werd in de leer der Mohammedanen of der Manichaeërs of openlijk het vleesch en de wereld diende tot aan de ure zijner zaligmakende bekeering (zij het de derde, of de zesde, of de elfde ure), terwijl het in
l) Hierover hebben wij uit de Regelen der inquisileun en uit andere schrijvers van het kanoniekc recht een en ander opgeteekend in Deel 3, tit. Over de excommunicatie.
37
hem aanwezig zaad der wedergeboorte daaronder al dien tijd als in de aarde verborgen lag. Maar wie zou zoo iemand een lid der kerk noemen, of hem als een lid der kerk tot hare gemeenschap en het heilig avondmaal toelaten of hem aansporen, hieraan deel te nemen, indien er niet van zijn kant eene vrije en uitdrukkelijke belijdenis en belofte tusschenbeide kwam ? 21-\' Omdat de Apostel bij hen, die tot het avondmaal des Meeren toegaan, een onderzoek en bijgevolg eene openlijke belijdenis voor de kerk als een voorafgaand vereischte stelt 1 Cor. 11 v. 38. Leggen zij deze niet af, dan moeten zij van de gemeenschap en de tafel geweerd worden, gelijk onze Catechismus dit in de Vragen 74 en 80 juist opmerkt. Zoo is dus niet voldoende een onbewust, potentieel en oneigenlijk aannemen en belijden .van het verbond, al is dit bij kinderen tot het ontvangen van den doop voldoende. En op grond van dit onderscheid alleen, genomen uit 1 Cor. 1 r v. 28, staat het bij ons vast, dat aan kinderen het deelnemen aan het avondmaal moet geweigerd worden, tegenover de dwalingen van Augustinus, Innocentius en verscheidene anderen uit de oudheid. Maar hierover later, y Omdat het strijdt tegen den staat en den toestand van het volk Gods, dat het personen in zijn getal en rang opneemt, zonder dat zij eene vrijwillige en duidelijke belijdenis van hunne daadwerkelijke bekeering en geloof gedaan hebben. Men zie Ps. 110 v. 3, Jes. 49 v. 18, 55 v. 5 en 60 v. 4. Hoe zullen zich de andere geloovigen verheugen over de geestelijke kennis, die bij hen aangetroffen wordt, over hunne stroomen van levend-water, hunne liefde tot ile waarheid en huu ontvangen van het genadeverbond (welke dingen zoo schitterend worden beloofd in Jes. 11, 44, 60 en 62 en in Joël 2), indien eene zwijgende en onbewuste belijdenis en verbindtenis (die nog van de kindsheid dagteekent en waarvan later door woorden zoomin als door daden getuigenis is gegeven) hier voldoende ware? 4lt;-\' Omdat zulk een aandrijven en dwingen tot de kerkelijke gemeenschap (wat misschien sommigen willen, dat bij al degenen, die vroeger in hunne kindsheid gedoopt zijn, zal plaats hebben) strijdt tegen den staat van het geestelijk rijk van Christus en tegen de
V
38
vrijheid van geweten, en de kerk vervult met lage huichelaars en haar aan ecu vvereldsch rijk gelijkvormig doet worden, waarvan zij toch in dit opzicht zoo scherp mogelijk wordt onderscheiden i). 5° Omdat daaruit zou volgen, dat de kinderen met veel meer recht wegens hunne onbewuste verbindtenis en belijdenis, die in den doop gelegen is, tot het avondmaal en de volledige gemeenschap der kerk zouden moeten toegelaten worden, hoezeer zij ook buiten staat zijn, om met bewustheid belijdenis des geloofs te doen en van hunnen kant de verbindtenis aan te gaan. Daarin toch zouden zij meer geschikt te achten / zijn boven die andere nog niet tot belijdenis gekomen bondelingen, die reeds volwassen zijn, dat zij niet door gebrek aan kennis of zelfs door eene vijandige onkunde, bovendien door achteloosheid en gemeenheid iets zouden doen, dat indruischt tegen de eischen van het heilig verbond en de kerkelijke gemeenschap.
Ac Vraag. Zal derhalve de kerk zich van alle handelingen van geestelijke zorg en gemeenschap omtrent kinderen, die door den doop der zichtbare kerk ingeplant zijn, onthouden, tenzij zij zelven, als zij den volwassen leeftijd bereikt hebben, die kerkelijke zorg en gemeenschap begeeren? Antwoord: Geenszins. Want juist met dat doel zorgt zij,, dat de namen der gedoopte kinderen in een bizon-der boek opgeteekend worden, opdat zij hen vóór andere inwoners van die plaats, die ongeloovig zijn en vreemd aan den godsdienst, als kinderen Gods en der kerk, bij het toenemen hunner jaren achtereenvolgens tot het deelnemen aan de catechisaties, het bezoeken der godsdienstoefeningen en, zoodra zij aan de voorwaarden kunnen voldoen, tot de belijdenis des geloofs en de deelneming aan het avondmaal zou kunnen aansporen en hun den weg daartoe openen. Dit zien wij dan ook bij ons gebeuren door ijverige herders en goed samengestelde kerkeraden; ook bestaan er over deze aangelegenheid, als ik mij wèl herinner, besluiten van synoden.
3. XI* Vraag. Wordt de kerk mede gevormd door hen, die slechts
11 Men veigelijku JJeel UI, waar gehandeld wordt over de Vrijheid vua geweten.
4
39
toehoorders zijn, door die allen zonder onderscheid? Antwoord: De bedoelde toehoorders zijn van zeven soorten, ie Kunnen het zijn vijanden, die haten, 2^ Onverschilligen, die door goene begeerte naar do waarheid geleid en zonder hetzij haat of liefde te koesteren, slechts als dc gelegenheid zich eens voordoet of bij toeval of uit gewoonte hooren, zonder te weten waarom, en die daarom, gelijk zij komen, /,00 ook heengaan als een onbeschreven blad. 3c Doortrapte luiiehelaars, die uit wereldsche overwegingen komen hooren, 0111 niet algemeen voor Atheïsten, Libertijnen of scheurmakers aangezien te worden. 4^ Caquot; technmenen, die mot eerlijke bedoelingen komen leeren (als loerenden is het thans de gewoon! e ze van de aannoineliugen te onderscheiden), en die hun best doen, om te vorderen in de kennisse v^m Christus en zich voorbereiden, om te eenigor tijd de kerkelijke gemeenschap te erlangen. 5c Aanncmelingen, die, na voldoend onderricht genoten te hebben, zich als candidaton voor de kerkgemeenschap aangeven. 6^ Van het avondmaal afgehoudenen, door de censuur der ontzegging. 7^ Geèx-commttnicecrden, die echter niet ophouden van tijd tot tijd te komen hooren en niet in dc gemeenschap van do eene of andere secto zijn getreden. — Die van de eerste soort behooren in geen enkel opzicht tot de kerk. Die van do tweede, dorde en zevende soort behooren er slechts too in naam. Die van do vierde, vijfde on zesde soort behooren er in betrekkelijkon zin toe, doch deze laatsten naderen moer tot de eigenlijke leden.
A7/c Vraag. Wordt de kerk mede gevormd door do catechumenen? Antwoord; Men onderscheide, overeenkomstig do onmiddellijk voorafgaande bepaling. Ook wordt hierdoor licht verspreid over hot geschilpunt tusschon ons on de pausgezindon, of do catechumenen in do kerk zijn. Wat de kerk naar haren onzichtbaren staat aangaat, kan er geen twijfel bestaan, zoo zij tenminste waarachtig geloovigon zijn. Wat do kerk in haren zichtbaren staat betreft, is het antwoord: met eenige onderscheiding, zooals reeds gezegd is. Ook is de oudheid voorzeker niet van oordeel geweest, dat zij volstrekt moesten uitgesloten worden, daar zij de verkiezing van den catechumeen Ambrosius tot bisschop
40
niet heeft afgekeurd (men zie het Leven van Ambrosius); ook heeft zij over de zaligheid van nog niet gedoopte catechumenen zeer gunstig geoordeeld, gelijk men kan zien uit de AVi/c vu// Ambrosius bij den dood van Valcntinian ns.
,Y/77c Vraag. Wordt do kerk mede gevormd door hen, die van het avondmaal afgehouden zijn en aan wie dit ontzegd is? Antwoord: Ja. Want niet het recht van de kerkelijke gemeenschap is hun ontnomen, maar slechts het gebruik of dc uitoefening daarvan voor een tijd. Terwijl zij dus het recht behouden, worden zij slechts voor eenigen lijd afgehouden van en verhinderd in de uitoefening daarvan. En dit is het, wat hen van de geëxcommuniceerden onderscheidt.
XIV* Vraag. Wordt de kerk mede gevormd door dc geëxcommu-niceerden? Antwoord: Neen, volgens Matth. 18 vs. 18, vergeleken niet i Cor. 5. Zij staan derhalve geheel en al buiten de kerk, en zij kunnen niet bondelingen of medeburgers genoemd worden, dan alleen op den klank af krachtens de oude gewoonte, evenals een lijk wel eens een inensch wordt genoemd en verbannenen of met ballingschap gestraften nog burgers genoemd worden van die stad, uit welke zij uitgeworpen zijn.
XV\' Vraag. Wordt de kerk mede gevormd door de kinderen van geëxcommuniceerden ? Antwoord: Neen, wat betreft die, welke na de excommunicatie der ouders geboren zijn, zoomin als dc kinderen van heidenen of Joden. Wat aangaat de kinderen, die geboren zijn, toen de ouders nog leden der kerk waren, zou ik niet hetzelfde willen zeggen. Als nu echter sommigen bij beide klassen van kinderen met voorbijgaan der geëxcommuniceerde ouders tot de grootouders of overgrootouders hunne toevlucht nemen, en zoo beweren, dat men dien kinderen rechtens den doop verschuldigd is, dan geldt hiervan, dat zij hetzelfde zouden moeten zeggen, gelijk ik ook meen dat zij doen, van de kinderen van heidenen en Mohammedanen. Voor beide gevallen mis ik het bewijs uit de Schrift. Maar over deze vraag moet beneden wederom gehandeld worden in de verhandeling over de bediening des doops. Men zie aldaar.
41
XVh Vraag. Of, en zoo ja, in hoeverre de zichtbare en georganiseerde kerk mede gevormd wordt door de vrouwen? Antwoord: Tn mindere mate en met een zekere beperking. Want gelijk zij, zoo goed als de mannen, de onzichtbare kerk door een waar geloof samenstellen, zoo stellen zij ook evenzeer de zichtbare kerk saam, wat betreft de gemeenschappelijke verbindtenis, belofte en openlijke oefeningen en zijn zij bijgevolg tot alle gemeenschappelijke, zoo openlijke als private plichten der vroomheid niet minder gehouden, en tot het deelnemen daaraan niet minder toe te laten, dan de mannen. Men zie Hand, i v. 14; 5 v. 14; 8 v. 12; 17 v. 4 en 21 v. 5. Vooral ook moet men opmerken, dat in Hand. 16 v. 13 alleen vrouwen de kerkelijke bijeenkomst samenstelden, voor welke Paulus gesproken heeft, en dat in 1 Cor. 11 v. 11 haar het profeteeren in eene openlijke bijeenkomst wordt toegestaan als ook (Matth. 3 v. 5, 6, vergeleken met Hand. 16 v. 14, 15, 32) eene openlijke belijdenis des geloofs en dat bovendien een zeker ondergeschikt deel der armenverzorging haar in de kerk kan worden toevertrouwd, waarbij zij als helpsters dienst doen (1 Tim. 5 v. y en 39), waarover echter op eene andere plaats moet gesproken worden 1). Hiertoe moet men die vrouwen brengen, welke als het ware als behulpsels, als deurwachteressen dienst deden in het heiligdom, en waarover men de uitleggers op 1 Samuel 2 v. 22 kan raadplegen. Ook is er eene belijdenis en martelaarschap der vrouwen voor de zaak van het Evangelie, Hand. 8 v. 3 en y v. 2 (men zie de Gcsc/ticdfiiissiii der inartclarcn) en het is een feit, dat er uitdrukkelijk ontkend wordt, dat de man en de vrouw, wat betreft de genade en hare middelen, in \'Christus zouden onderscheiden zijn. Gal. 3 v. 28, vergeleken met 1 Tim. 2 v. 15. Maar wat den organischen staat en de organische volkomenheid der kerk aangaat, stellen de vrouwen haar niet in dier voege saam, dat bij haar ook zou berusten de macht van bestuur en rechtspraak, wat betreft de uilvocring, hetzij de gcmccnschappclijkc uitvoering door het stemmen en het openlijk uitbrengen van oordeelvellingen,
1) Men zie ook den eommentaar van Danacus bij deze plaats.
42
Hand. 14 v. 23, 2 Cor. 8 v. 19 en 1 Cor. 5 v. 4, moge dit door een persoonlijk afvragen der stem, door hel opsteken der handen of door luiden toeroep plaats hebben; hetzij Ac bizondcrc uitvoering, welke alleen aan de dienaren en aan den kerkeraad toekomt, niet aan de gemeenteleden (populus ecclesiasticus); en wel omdat vrouwen niet tot herders, leeraren of ouderlingen kunnen verkozen worden. Het bewijs hiervoor vinden wij zoowel in de Apostolische praktijk, als in uitdrukkelijke voorschriften; 1 Cor. 14 v. 34 en 45 ; 1 Tim. 2 v. 11 en 12. Dit onderscheid tusschen man en vrouw kan opgehelderd worden door vergelijking met dat andere onderscheid, waarbij de man en de vrouw beiden naar Gods beeld zijn geschapen en de heerschappij over de schepselen hebben ontvangen; maar zóó, dat de man den eersten rang en eene bizondere plaats in deze heerschappij heeft ontvangen, welke aan de vrouw niet toekomt; immers, de man staat boven de vrouw in die heerschappijen de uitoefening daarvan, niet omgekeerd. Twee gevallen doen zich hier echter nog ter bespreking voor. 1^. Of de vrouwen van die uitoefening der regeering en rechtspraak, welke openlijk in en voor de geheele vergadering en in gemeenschap met de gemeenteleden plaats heeft 1), geheel moeten uitgesloten worden en dus voor zoolang de vergadering moeten verlaten, zooals eertijds in de oude kerk de catechumenen werden weggezonden, voordat de viering van het avondmaal een aanvang nam ? Antwoord: Neen. Want bijaldien openlijk de instemming van het volk door middel van stilzwijgen wordt uitgevorscht en de vrouwen nevens de mannen toehooren en zwijgen, zoo strijdt dit niet tegen het Apostolische voorschrift, noch ook, indien de mannen, om hunne stem gevraagd, deze openlijk uitbrengen door te spreken, terwijl de vrouwen er bij zijn en zwijgen. Dit nu is mijn antwoord met betrekking tot reeds gevormde, in gezonden toestand zich bevindende en organisch geregelde kerken. Het 2e geval is dit: Hoe moet men doen, als sommige pas bekeerde Christenen of dezulken, die reeds langer geloovigen zijn, door storm op een eiland aangeland of met geweld
1) Hierover wordt gehandeld in de volgende verhandeling over de macht en de regeering der kerken.
daarheen weggevoerd zijn, en er zich onder hen geen mannen bevinden, of, zoo er eenigen onder waren, dezen allen door eene aanstekende ziekte gestorven zijn, of de enkelen, die misschien nog overgebleven zijn, niet kunnen lezen, of in welk opzicht dan ook volstrekt ongeschikt zijn tot het voorlezen van de Schrift en van preeken, tot het catechiseeren van de kleine kinderen en van de onwetenden en evenzoo tot het doen van gebeden? Antwoord\'. In zulke vergaderingen, zoo er althans behalve huiselijke ook kerkelijke bijeenkomsten of zulke, die hierop gelijken, gehouden worden (of dit behoort te geschieden, wil ik hier niet uitmaken), is er niets tegen, dat een van do vrouwen, die hiertoe de moeste geschiktheid bezit, iets voorleest uit de Schrift, uit preckenboe-ken, enz. Dit pleegt evenzoo in godsdienstige huisgezinnen,, door dc huismoeder gedaan te worden, als het hoofd des gezins afwezig is, of van den godsdienst en een vroom leven niets weten wil. Maar zulke handelingen zullen alsdan niet zoozeer formeel kerkelijke handelingen zijn, als wel zulke, die de verzameling en vorming eener kerk voorbereiden, of wel tijdelijke en voorloopige, waardoor men in de behoefte voorziet, totdat God eene betere gelegenheid zal geschonken hebben i).
Na de behandeling van het vraagstuk aangaande de vrouwen, komen wij tot deze gevolgtrekkingen: /c Gevolgtrekking. Wij verwerpen den onzin der Joden, die de vrouwen niet laten deelnemen aan de gebeden en aan de heilige en (volgens henzelven) kerkelijke oefeningen 2). [7° Gevolgtrekking. Wij verwerpen den misplaatsten ijver der oude ketters, die de hulp en bediening van vrouwen misbruikten, om
1) Men zie, wat wij schreven in DesJgt;. Causa PaJxUus, Hoek //, Ajdccling 2, JJoo/asf. 7. Uier kan nog aan toegevoegd, dat Priseilla Apollo onderwees, Hand. 18 v, 26, en dat in het Oude en Nieuwe Testament eenige prophetessen zijn geweest. Ook kan men er met het oog op de Roomsehen bijvoegen de legende der pansgeunden over de heilige maagd Maiia, de moeder van Christus, van wie zij het verzinsel hebben uitgevonden, dat zij zou zijn de huismoeder, leerares en troosteres van alle kerken, ook van die der Apostelen. Aldus /quot;iUarez hij Deel 3, vraag 37, disjb. 20 en Corn, a Lap ide bij /land. I v, 14 en 2 v, 4 bladz* 27, waar hij ook spreekt van het apostolaat van Maria Magdalena, die voor de inwoners van Marseille het woord verkondigde.
2) Zie Buxdorf Synaq. Jud., hoofdst. 4.
44
hunne kerkelijke, of liever secte-aiingelegenheden en belangen te behartigen en te bevorderen i). //7c Gevolgtrekking, Verdicht en enkel laster is, wat J.aingaeus en Cor. yanssenius hunnen onwetenden volgelingen wijsmaken aangaande de verkondiging des woords en de bediening van vrouwen bij de hervormden. Dat juist het pausdom zelf aan dit euvel mank gaat, slaat vast uit het zooeven gezegde en hetgeen straks nog dienaangaande te zeggen valt 2). /Fc Gevolgtrekking. Voorts verwerpen wij de wanorde der pausgezinden en hunne veelzijdige aanraking met de Collyridianen 3) en anderen 4), waarbij zij toestaan, dat vrouwen zich het recht om te doo-pen aanmatigen en zich meester maken van de kerkelijke macht van bestuur en rechtspraak; zooals wij dit duidelijk hebben aangetoond in Desp. Causa Pap. op de aangehaalde plaats, bladz, 158. Wij willen dit hier niet herhalen ; slechts voegen wij er nog aan toe, dat die godsdienstige vrouwen, die als diaconessen overal rondgaan (men noemt ze
1) Hierover zie men \'J\'crtullianus de 1\'raeicript.: Ifoc aanmatigend zijn ilic kottcrsche vrouwen, die durven Leren en missciüen ook wel doofen. Zoo had Simon Magus zijne Helena, Appelles zijne liiiluincna. Montamis zijne l\'risca cn Maxlinilla en anderen weer anderen, welke Hieronynins [aan Clesip/ion) opnoemt. Kn hier kan men nog aan toevoegen die allesvermogende maitressen, die te Rome een tijd lang de verkiezing der pausen bezorgden, zooals Haronius ons getuigt, met name Theodora (bij het jaar 908, § 6 en 7) en Ma-rozia. Ook mag hier niet ongenoemd blijven Maehtilda van üregorius Vil, over wie men kan raadplegen Het geheim der onbillijkheid van J\'lesseus, met een verdediging van Rivet. Men vergelijke de IVe Gevolgtrekking.
2] Ook hebben wij dit tot een voorwerp van onze afkeuring gemaakt in üesjgt;. Causa Papains. Hoek 2, Afd. 2, Hoajdst. 7.
Iji Aangaande deze Collyridianen meldt Eplphanitis (Haeres, LXXVIIl e. 23 cn Haer. 1 ,X\\IX c. I sq. T. 1. Opp. ed. Petav. Colon, p. 105 sij. 1057s,|.) het volgende. Eenige vrouwen, die uit Thraeiü en Boven-Seythii! naar Arabic gekomen waren, eerden de Maagd Maria als een (Jod, olTerden haar een kleinen koek (xoAA nius, eollyrisl, hielden bijeenkomsten en brachten hai en naam otTers, hierin alle maat tebuitengaaiule en aan Gods eer tekortdoende. Zij versierden een wagen of vierhoekigen stoel, spreidden linnen daarover uit, plaatsten dan, in een plechtigen tijd des jaars, voor eenige dagen het daaivoor bestemde brood er op, ofler-den het aan den naam van Maria en aten allen daarvan. Naar den naam van dezen koek nu gaf Epiphanius haar den naam van Collyridianae. Men zie J. M. Sehröckh, Christl. Kir-chengeseh. deel IX, p. 217 vgg.\'j
4) Men zie bij Epiphaniu:, dogma 42 en 79,
45
in Nederland Cloppcn), geen gering deel van de zorg en behandeling der kerkelijke aangelegenheden op zich nemen, door voor de onwetenden catechisaties te houden, met begeleiding van muziekinstrumenten onder den dienst te zingen, aanhangers van secten te bekeeren, armen, zieken en verdrukten te bezoeken, nieuws van allerlei aard aan de pastoors en priesters mede te deelen, en de Roomsch-kerkelijke zendingen en bemoeiingen, vooral ten gunste van de Jezuieten en van andere orden, zooveel in hun vermogen is, te bevorderen en de men-schen er voor te winnen. Zoo wordt, haar dit laatste gedeelte van machtsaanmatiging verweten en worden zij hierom aangevallen door Phi-lippus Rovcnins, die zich aanmatigde, bisschop van Utrecht te zijn, en ook dien titel voerde in zijn brief, uit Rome ^ese/nrven aan ziyn vica-tins 11 \'aciitciaar^ den kam mik van het Maria-kapittel, welke brief onderschept is en door den Edelachtbaren Raad der stad in het stadhuis alhier wordt bewaard. Ingevolge dezen brief en om andere van denzelfden schrijver is de voortvluchtige Wachtelaar, van heiligschennis en verraad overtuigd, na openlijke gerechtelijke uitspraak verbannen. Paus Urbanus VIII, die deze machtsaanmatiging en albemoeiing niet wilde dulden (misschien uit haat tegen de Jezuieten), heeft eenige jaren geleden dat soort van overal rondgaande en omzwervende helpsters onder den naam van Jezuietessen door eene bizondere hu! afgeschaft. Desniettemin blijven zij hier in Nederland bij het oude, maar zonder den titel van Jezuietessen te dragen, ofschoon men in Keulen en elders niet ophoudt, haar aldus te noemen. Alhoewel zij echter zelf met dien naam niet te koop loopen, ontzien zich nochtans de pausgezinden, zoomin de geestelijken als de leeken, niet, haar, als in het bizonder van de Jezuieten afhankelijk, ter onderscheiding der Cloppen van andere monnikenorden, »Paterseloppem te noemen i).
5. XVIP Vraag. Wordt de kerk mede gevormd door de slaven? Antwoord: Ja. Dit volgt uit Coloss, 3 v. 11 en 1 Cor. 7V. 2t. En dit is
1) Men vergelijke, wat wij over de Cloppen mededeelen in Deel 2, onder het opschrift: Over de monniken. •
46
iets, wat onder meer de kerk onderscheidt van den burgerlijken staat, daar in de kerk de slaven worden gerekend burgers, verbondenen en broeders te zijn, met gelijk recht als de overigen, terwijl dit in den staat volstrekt niet het geval is. Met het oog op deze kerkrechtelijke gelijkheid echter hebben tie Christenen aan die slaven, welke tot het geloof gebracht waren, ook de burgerlijke vrijheid geschonken r).
.V/7//e l\'/77Wordt de kerk mede gevormd door de melaat-schen ; of behoort er eene afzonderlijke kerk uit hen gevormd te worden ? Antwoord: Op het eerste gedeelte der vraag antwoord ik bevesti-gen*/, op het tweede ontkennend. Immers, aan alle oefeningen kunnen zij gelijk met de anderen deelnemen, tenzij misschien het avondmaal alleen hier een uitzondering op maakt. Overigens is deze ziekte, zooals zij zich thans vertoont, niet zoo besmettelijk, dat zij, die door haar aangetast zijn, wanneer dezen met de anderen aan eenzelfde tafel aanzitten en uit een afzonderlijken beker drinken, de anderen zouden besmetten. Bijaldien hun echter niet wordt toegestaan het avondmaal met anderen aan dezelfde tafel te gebruiken, hetzij om het gevaar van besmetting te vermijden, hetzij wegens de walging of de vrees, die sommigen zouden gevoelen, zoo is het stellig voldoende, indien zij volgens het besluit van de Nationale Synode van Dordrecht van het jaar 1578, dat als antwoord diende op de So1\' particuliere I \'raag, in een hoek of een ander deel van het kerkgebouw afzonderlijk communiceeren. Dat men hun in het pausdom bizon-dere wijken heeft toegewezen, en hen, als het ware, bizondere kerken heeft doen vormen met een afzonderlijken eeredienst, bestuur en rechtspraak, met hun eigen rechten en voorrechten 2), riekt naar bijgeloof en naar de Joodsche ceremoniën omtrent de melaatschen (Le-
1
Zie MohinuS) W\'iIuduI. de Cauonicis, bock 3, van /mof hl. 24 lot hoofdsl, 44, waar hij niet weinig bijeenbrengt uit de kerkelijke omlheiil. he schrijvers van het kaïwmeke recht nemen bet onder den titel! Over de niet gewone slaven eu Jmnue vrijlating krachtig voor bet recht der slavernij op. Zie ook / \'ivianus* Rationale Juris Canonici,
47
vit. 13 en 14, Num. 12 v. 10, 2 Kron. 26 v. 21), die nu zijn afgeschaft. Immers zijn zij thans ceremonieel niet in meerdere mate onrein, noch derhalve eerder van tie lichamelijke tegenwoordigheid en gemeenschap der kerk af te zonderen, dan andere geloovigen, die aan eenige ziekte lijden. En wat aangaat het gevaar der natuurlijke besmetting, dit is niet zoo groot als het gevaar, dat er was bij de aanraking van iemand, die de melaatschheid der Joden had; want de hedendaagsche melaatschheid verschilt veel van die der Joden, gelijk de ondervinding leert 1).
XIXe I\'rnag. Wordt de kerk mede gevormd door de bezetenen? Antwoord; Ja. Over de wijze van hunne gemeenschapsoefening heeft de oude kerk iets vastgesteld, zooals Photius in zijn Nomocauon, til. 3, hoof list. 13 opgeteekend heeft. Wanneer zij door een boozon geest aangegrepen worden, zijn zij niet geschikt tot het deelnemen aan het avondmaal, maar anders zijn zij gelijk aan de andere geloovigen.
A\'A\'*- / \'raag. Wordt de kerk mede gevormd door de menstruee-rende en barende vr.mwen r Antivoord-. Jn. Derhalve kan men van die besluiten der oude kerk, welke men bij Photius 2) vindt, dat het n.1. eener vrouw tijdens hare reiniging niet betaamt, gedoopt te worden of het avondmaal te gebruiken, zeggen, dat zij naar het Judaïsme rieken. Dit geldt nog veel meer van het gewone gebruik in het pausdom, waarbij de barenden in hare kraamdagen worden gehouden, onrein en als buiten de gemeenschap der kerk gesteld te zijn. Zijn die dagen voorbij, dan worden zij weder plechtig daarin opgenomen, en zoo zij bij de bevalling het leven verliezen, worden zij niet de kerkelijke begrafenis, althans niet eene volledige en eigenlijk gezegde kerkelijke begrafenis, deelachtig, maar wordt slechts het lijk in de aarde gelegd en een wit linnen doodskleed daarover uitgespreid, zonder er evenwel aarde op te werpen (dit noemt men in Brabant \'diet lijck sinckon), en eerst na verloop van den gewonen, daartoe vastgestelden
1) Zoo ook Francisc, Wilesiusquot; Vhilosofihia Sacragt; hoofds/. 19 en 20 en Forestus in zijn Observationes Medicinales. Hetzelfde bekent Zy/gt;aeus op de aangehaalde plaats cn A Lapide bij Levi tic. 12, wat men zie.
2) Nomocan., tit. 3, hoofdst. 18, en tit. 4, hoofdst. 16.
48
tijd voltooit men de begrafenis en verricht men de plechtige en heilige handelingen en de gebeden, door eene lijkstatic te houden, een grafheuvel op te richten, de heilige handelingen en de bij overledenen gebruikelijke gebeden te doen plaats hebben en het doodenmaal te gebruiken. Als reden voor deze bijgeloovigheden voert men het voorbeeld van Maria aan, Luc. 2 v. 22, die zich wegens hare reiniging gedurende 40 dagen had onthouden den tempel te bezoeken. Misplaatste ijver en verkeerde vromigheid hebben vroeger eenige vrouwkens hier in Nederland er toe gebracht, diezelfde tijdruimte als een na te volgen voorschrift in acht te nemen, zoodat zij de kraamkamer niet verlieten, noch de kerk weder bezochten vóór den 39slen of 40stcl1 dag na hare bevalling, hoewel zij al sterker waren en, vooral bij zachter weersgesteldheid, eenige dagen of misschien eenige weken vroeger hadden kunnen uitgaan. De leeraren geven echter toe, dat de Christenen door die reinigingswet, die nu, als zijnde slechts een beeld en schaduw, afgeschaft is, niet gebonden worden 1). Maar daar zij ic zien, dat de gewoonte onder hun pausgezinde volk van de kanonieke wet afwijkt en dat, met terzijdestelling van de wet, van deze toegeeflijkheid en dit door de vingers zien van Innocentius gebruik wordt gemaakt en dat de langdurige gewoonte dit gebruik als het ware het gezag van een populaire wet (of dwaling) heeft doen verwerven; 2e, dat men zich aldus door die onthouding, die uit eene valsche vromigheid is ontstaan, niet van den schijn des kwaads onthoudt; y, dat bovendien de Christenen aldus leeren Joodsche gebruiken na te volgen (Gal. 2 v. 14); 4e, dat men verder in de zonde van bijgeloovige onthouding vervalt, die naar waarde gegispt wordt (Col. 2 v. 21); 5e, dat
1) Zoo luHoceiUuis III in Anti qua collection t Deer cl al. 3, Lil\'. 3 til. 36.cn in het Kanonieke recht) Quia, over de reiniging na het baren. Evenzoo Lon\'nns, a f. a fide op Levitie. 12. Vivianus in zijn Rationale Juris Canonici, l.ih. 3, tit. 46, voegt daar nog aan toe, dat, zoo zij uit een gevoel van eerbied zich eenigen tijd willen onthouden, hare vromigheid niet is af te keuren en dat de vronioen uit vromigheid dit kunnen doen, omdat het inenschen van een goeden zin eigen is, daar schuld te vreezen, waar zij volstrekt niet gevonden zvordt.
49
men zich ook nog verre hierdoor verwijdert van de praktijk en de leer der oude kerk, die wilde, dat met betrekking tot het uitwendige en stoffelijke niemand iets doen of laten zou, waardoor de Christenen zouden schijnen overeenkomst te hebben met de Joden, gelijk men kan zien in Can. 37 cn 38 van het Cone, van Inodic. en gelijk verder blijkt uit datgene, wat over de viering van het Paaschfeest, tegen de Quartodecimanen, ofschoon ingevolge een valsche vooronderstelling, is vastgesteld; 6e, daar er bovendien gevaar is, dat de menschen door die algemeene en door de regeerders der kerk goedgekeurde handelwijze in de meening komen, dat deze handelwijze noodzakelijk is en eene geheimzinnige beteekenis heeft en zoo niet in alle opzichten gelijk aan die des O. V.( dan ten minste van denzelfden aard eïi daarmede overeenkomstig is; alsof deze reiniging naar eene nieuwe wet de reiniging volgens eene oude wet ware opgevolgd, op de wijze, waarop de pausgezinden zoo ongeveer de geheele ceremoniëele wet wederom opdelven, zooals men kan zien bij Thomas 1, 2, qu. 103, ar/. 3 nd 4, daar eindelijk 7e ter verdediging van die vermeende vromigheid niets door die onwetende vrouwkens en priesters kan aangevoerd worden, dan eene ongelukkige navolging van het voorbeeld der heilige Maria, die aan de ceremoniëele wet onderworpen was, en wier reiniging zij evenmin moesten navolgen, als het offeren van tortels en duiven, Luc. 2 v. 24; — zouden zij nu, vraag ik, daar niets van dit alles hun onbekend is, niet liever zulke slechte gewoonten, die van ouder op kind zijn overgegaan, moeten berispen, om hunne lieden te leeren zoo ver mogelijk zich af te houden van die zonde, over welke Cajetanus in zijne aanteekening op de aangehaalde plaats van Thomas zeer goed schrijft: Daarom kunnen die ceremonieele dingen nu niet meer zonder doodeüjke zonde in acht genomen worden, noch als nog van kracht zijnde, daar dit eene onwaarheid zijn zou, noch als hun bestaan verloren hebbende, daar zij dan voor goed begraven zijn. Met is derhalve beter zich te onthouden van die plechtige inleiding der kraamvrouwen in de kerk, over welke men zie het Ritualc sen pastei air Roinanuvi p. 223, waar zij zegening wordt genoemd. Doch in de Bcslintcn der
4
5°
Gallicaauschc kerk, uUg. v. Bochcllus, Boek 3, tit. 1, hoofdst. 46 wordt zij reiniging genoemd. J;i zelfs worden de kraamvrouwen gezegd de reiniging na het baren bepaald noodig te hebben, Bock 6, tit. 4 hoofdst. 79. Alsof zij in meerdere mate van de kerk gescheiden waren geweest dan diegenen, welke, voor eenigen tijd door de eene of andere ziekte of ongesteldheid teruggehouden, daarna openlijk in en met de gemeente God danken. Deze gewoonte tier pausgezinden gelijk ook van de Aethiopische kerken (welke a Lapide op Levit. 12 meedeelt), heeft onder de onzen Willetus in zijne verklaring op de genoemde plaats terecht berispt, maar op diezelfde plaats neemt hij het Engelsche gebruik, dat men vindt in hunne Liturgie, in bescherming. Wat men hierover moet oordeelen, en hoe wij den pausgezinden leeraren, die de gewoonte der hunnen thans met meer eerbied er voor verdedigen, met klem van redenen kunnen antwoorden, dit zullen wij beneden bespreken, waar gehandeld wordt over de ]\'cniicc)iii noodzakelijke kerkelijke hmidclingcn.
XXIh I rrang. Üf het goed is en op het wezen der kerk berustende, dat de pausgezinden de stofte of de leden der kerk verdeelen in verschillende standen, die gezegd worden door God in de kerk ingesteld te zijn, n.1. in geestelijken en leeken, en deze laatste wederom in heerschappij voerenden en onderdanen, en de onderdanen weer in rechters, krijgslieden, handwerkslieden, boeren 1), Zoo maken zij ook den paus of het concilie tot het hoofd en den alleenheerscher van de geheele aarde of van den Christelijken Staat, zooals zij zich soms uitdrukken en plaatsen den staat in de kerk, tegen het voortreffelijke woord van Optatns Milevi-tonus in het 2e boek tegen de Donalistéu, hl adz. 33 : De kerk is in den staat, niet de staat in de kerk. — Antwoord: Zulk eene verdeeling in deelen, welke het geheel, op zich zelf beschouwd, niet bevat, is een zeer oneigenlijke verdeeling, evenals wanneer men een rijk of staat volgens kerkelijke graden en staten indeelde. Maar immers is de staat niet van de kerk, noch omgekeerd. Wel is de kerk altijd in den staat, maar de staat, in haar geheel genomen, bevat als zoodanig niet altijd de kerk 2).
1) Aldus doel La el ins Zecc/ms, over dot kerkelijke}} staat, hoofdst. I.
2) Men vergelijke de volgende Verh. over de kerkelijke macht.
XXIfh Vraag. Is het dus wel goed, de leden der kerk te onderscheiden in met eer bekleede en voorname of leden van den eerster, rang en in leden van den tweeden rang? Antwoord\\ Hoezeer alle geloo-vigen een even dierbaar geloof ontvangen hebben (2 Petr. 1 v. 1) en allen broeders zijn en denzelfden Vader hebben (Matth. 23, Maleachi 1), en er niemand onder hen in kerkdijken of geestelijken zin hun meester of overste of heer is noch zijn mag volgens Luc. 22, zoo kan er toch overeenkomstig de verscheidenheid en de meerdere of mindere mate der gaven (1 Cor. 12) eenig verschil in graad, eer en achting gemaakt worden. Zoo worden zij, die eene openbare beroeping of bediening hebben, van anderen, bij wie dit niet het geval is, onderscheiden en moet hun dientengevolge eer bewezen worden. 1 Thessal. 5 v. 12 en 13; Hebr. 13 v. 17. Vandaar worden de dienaren vergeleken met sterren (Openb. (), leidslieden, bouwlieden enz. Ook worden dezen in het bizonder mannen Gods genoemd, 2 Timoth. 3. Zoo blinken ook weer sommigen uit onder de voorgangers, ja zelfs onder de Apostelen, terwijl echter de macht van allen in wezen zoowel als in soort dezelfde blijft. Zoo waren (Gal. 2 v. 9) Jacobus, Petrus, Johannes als het ware pilaren der kerk. En ook onder de schare der gemeenteleden steekt de een boven den ander uit, al naar verhouding van de gaven, den vlijt en de werken. Men zie 2 Tim. 1 v. 16, 17 en 18; Rom. 16 v. ro, 12.
6, XX/1 e l\'/aag\'. Heeft men derhalve gelijk met te zeggen, dat de leden der kerk, die in de wereld door politieke macht, of het een of ander ambt of eenige waardigheid, of door rijkdom en een groot dienstpersoneel, of door wereldsche wijsheid en voorzichtigheid of verdiensten jegens den staat uitblinken. Dm diezelfde reden ook in de kerk de voornaamste of eerste leden zijn, ook al is het dat zij door geestelijke gaven en voorrechten niet uitsteken, en hun evenmin een heilige en kerkelijke taak is opgedragen? Antwoord: AWgt;/. Want al wie dit beweren, geven of aan zuivere zucht om menschen te behagen toe of aan hun eigen hoogmoed en wereldschen trots, en doen die eene plaats vinden in de kerk; of wel zij verloopen zich in eene schandelijke valsche sluitrede,
52
die berust op het in rekening brengen van bijkomstige omstandigheden en op liet met elkaar in verband brengen van dingen, die niets met elkaar te maken hebben. Even alsof iemand aldus redeneerde: Deze man is goed en is dichter: derhalve is hij een goed dichter. Of wel: Deze musicus bouwt een huis in de hoedanigheid van musicus, omdat n.1. hier het geval wil, dat een bouwmeester tegelijk musicus is. Hierop komen wij beneden nog terug bij de behandeling der J\'maif: Bij zvie de kerkelijke mocht berust. Maar thans zullen wij de redenen voor onze tegenspraak opgeven, ie Omdat het ten duidelijkste in strijd is met Jac. 2 v. i en 2, waar hij deze verkeerde gewoonte van aanneming des persoons, waar deze in verband treedt met het geloof in Christus, aanklaagt. 2e Omdat het strijdt tegen de woorden van den Heiland, als Hij zegt: Mijn koninkrijk is niet vnn deze wereld (Joh. IS v. 36) en: De koningen der volkeren heersehen over hen enz. Doeh gij niet ahoo, enz. (Luc. 22 v. 25 vgg.) 3t\' Omdat het niet overeenkomt met wat David zeide, die de heiligen wegens hunne heiligheid, n.1. op aarde, eerde en bekende, dat in hen al zijn lust was, I\'s. 16 v. 3. Derhalve hoe grooter heiligheid, des te grooter achting. 40 Omdat het ook tegen de leer van Paulus strijdt Coloss. 3 v. it. Galat. 3 v. 28, waar hij zoodanige onderscheidingen door dergelijke uitwendigheden en bijkomstigheden van het rijk van Christus verre houdt. 5\'\' Omdat het ingaat tegen het voorbeeld van Christus en de Apostelen: immers, wij lezen nergens dat zij de zoodanigen het meest geacht, ontzien en verheven hebben, noch dat zij hunne toegenegenheid en dienstvaardigheid het meest aan die catechumenen of geloovigen hebben betoond, welke naar de wereld het meest vermochten of het meest geëerd waren. Juist blijkt geheel en al het tegendeel uit hunne daden en woorden. Christus heeft het meest de discipelen geacht en bemind, en onder hen weder vooral Johannes; en dezen onderscheidden zich niet in de wereld; Paulus achtte vooral Timotheus, Aquila enz. (men zie de groeten /\'// het einde der Brieven)\', Petrus Simon den lederbereider (Hand. 10). En nu is het wel waar, dat Christus den hoofdman over honderd. Lazarus met zijne zusters en eenige rijkere vrouwen; Paulus Philemon, Zena den rechtsgeleerde en
53
Lucas den medicijnmeester; en Petrus den hoofdman over honderd Cornelius boven vele anderen de voorkeur gaf; maar dit geschiedde wegens hunne uitstekende kennis en ijver in het geloof en inliet evangelie van Christus en in andere werken der godzaligheid. 6C Omdat, zoo deze uitwendigheden en zuiver bijkomstige omstandigheden in het geestelijke rijk van Christus in aanmerking genomen worden, en de burgers van dat rijk hiernaar (ondanks de logica en de Schrift) onderscheiden worden, men tot vele dwaze gevolgtrekkingen zal komen. Ten eerste toch zal hierdoor met de pausgezinden de wereld of het tijdelijke in het rijk van Christus ingebracht worden en de staat in de kerk, iets waarvan wij zooeven in Vraag 22 het verkeerde hebben aangewezen. Ten tiueede wordt op deze wijze de kerk met tien staat verward en evenzoo de niachtj regeering en voorrechten van beide, zoodat óf aan de kerk eene wereldsche gestalte wordt gegeven, óf aan de wereld eene kerkelijke gestalte, de eene tot de andere wordt vervormd, en de kerk zich geheel en al ontwikkelt naar de wijze en het voorbeeld der wereld en der wereldlijke regeering. Dit, weleer in de oude kerk toegelaten, heeft met verloop van tijd eene het Christendom vijandige richting doen opbloeien cn eene instorting en ondermijning van de kerk, van den godsdienst cn van het vrome leven ten gevolge gehad. Och of er zich voortdurend tegen dezen wereldschen trots, deze noodlottige verwarring stemmen mochten verheffen! Vertrouivt het paard van den Teuktiër niet. Ten derde zouden op dezelfde wijze de leden der kerk moeten onderscheiden worden in voorname cn minder voorname, naar die uitwendige en bijkomstige titels en graden, die zij in de huishouding van den staat, in de school en in den krijgsdienst dragen, en waar zou dan het einde zijn? üe kerkzon dan behoeven dienaren voor de ceremoniën cn catalogussen, waarin alle wereldlijke eeretitels en onderscheidingen met name vermeld staan (zooals Chassaneus er een uitgegeven heeft en dien men kan inzien, als men niets omhanden heeft), voorts zouden er herauten of deskundigen, aanwijzers en rechters voor de onderscheidingsteekenen noodig zijn en zouden de predikanten, kerkeraden, synoden en de andere vergaderingen der heiligen zich moeten bezighouden met de geschilpunten
over den voorrang, iets, wat wij in het pausdom zoo sterk als mogelijk afkeuren i). Ten vierde zou dan volgen, dat de aardsche dingen de voorkeur verdienen boven de geestelijke, het onheilige boven het heilige, uitwendige goederen en voorrechten boven de genade van Christus en het allerkostbaarste geloof; als namelijk zij, die arm en van geringen stand zijn, maar rijker dan anderen in het geloof (Jac. 2) en in goede werken, tot de minder voorname; zij daarentegen, die machtig of rijk zijn, maar lager staan in het geloof en in werken, tot de voorname leden der kerk gerekend worden en vóór anderen geëerd en gehuldigd worden, en dit alleen, omdat zij meer hebben en geven kunnen; en daartegenover Lazarus, die niets, en de weduwe, die slechts twee pen-ningskens kon aanbrengen, ja zelfs de boven alle anderen heilige Johannes en Petrus, die noch goud noch zilver hadden (Hand. 3), worden geminacht. Dit is eene allerschandelijkste aanneming des persoons, getuige Jae, op de aangehaalde plaats, omdat daardoor iets in de kerk en dc leden der kerk in aanmerking genomen wordt, wat geheel buiten de heilige en kerkelijke zaak ligt.
7, .V.VFC Vraag. Strijdt het ook tegen de eenheid, het wezen en de volkomenheid der bizondere georganiseerde kerk, zoo kerken in kerken worden samengesteld, zooals de reguliere kerken der monniken in de stedelijke kerken (ook in collegiaat-, of cathedraalkerken, volgens hunne eigene schrijvers) en genootschappen in genootschappen, zooals de kloosters en oefenscholen des geestelijken levens van beiderlei kunne, vooral die, welke men monasteria exemta 2) noemt en de haast ontelbare broederschappen en vereenigingen, die door geloften, eeden en bizondere wetten van het kerkelijke lichaam en onderling zijn onderscheiden ? Antwoord: Ja. iquot;-quot; Omdat zoodanige kerken in andere kerken, genootschappen in genootschappen, die men ook wel onafhankelijke
1) Zie op verschillende plaatsen Barbosac Collectanea ad Bullarium en de Dccisioncs s.s. congregg. Cardinal, en Cara/nuel Lohko-vils, Verhand. de Praecedcnlia Cisterciënsiutn enz., waar ook nog andere schrijvers over de soorten van kerkelijken voorrang worden opgenoemd.
[2) Monasteria exemta zijn die kloosters, welke aan het gezag en de rechtspraak der bis-choppen omtrokken waren en onmiddellijk onder den paus stonden.]
55
ondergeschiktheden en voorbeelden van tweedrachtige eendracht zon kunnen noemen, vreemd zijn aan de apostolische praktijk. Men onder-zoeke den staat der kerk van Jeruzalem, van Antiochic, van Corinthe, van Ephe.se en van de zes andere kerken in Azië: en go zult niets van dien aard vinden. 2c Omdat die verkeerde ijver aan een ziekelijken smaak en aan geestelijken hoogmoed doet denken, als iemand, een walg hebbende van den gemeenschappelijken naam, gelofte, belijdenis, verceniging en gemeenschap van het Christendom, of daar niet mede tevreden, naar een verhevener en meer bizondere inrichting streeft. Het doet denken aan den versregel: hUtijd voorheffdijker willen zijn en meerder dan anderem (Zie Jesaia 65 v. 5 en 3 Joh. v. 9). 3e Omdat die bizondere bondgenootschappen niets zijn dan even zoovele», scheidingen, uitwijkingen, partijen, verdeelingen, scheuringen, samenspanningen, of althans daarin ontaarden, zie 1 Cor. 1 v. r2 en 13 ; Juda v. 19. — 4C Omdat zij tallooze verwarringen en moeilijkheden baren met betrekking tot de uitoefening der kerkelijke macht en regeering. Dit kan men zien in het pausdom, waar over de vrijstellingen en voorrechten der regulieren een oneindig getwist heerscht met de bisschoppen en de andere wereldlijke bestuurders der kerken, waarvan de Roomsche curie en keuken zieden 1).
XXVfc Vraag. Stellen de gezelschappen of bijeenkomsten der Catechisanten en van hen, die zich tot heilige en theologische oefeningen vereenigen, bij ons bizondere kerken in de kerken saam, en kan men hen hiervan met gelijk recht beschuldigen als de asceten, monniken
1) Men zie de Seiipta ad versa door de Sorhonisten van de eene zijde, door Nico lans Ic Maistrc en de Bcschcnuhccren der Regulieren van de andere zijde voor eenige jaren onder den naam van Loemelius uitgegeven; evenzoo die groote boekdeelen van Roderieus over de Re-gulieren, van Tanibtiyinus over de . U\'teu, van Renatus ChoJ)Jgt;inus over de heilige Reehlsbe-deeliug en nog verscheidene van andere schrijvers, welke werken door ons in Deel 2 (waar gehandeld wordt over de Monniken) en elders zijn aangeduid. Ten slotte kan men hier nog de redenen bijvoegen, die door ons tegen het monnikenwezen op dezelfde plaats en tegen de broederschappen in de Verhandeling over den indirect en .[/godendienst en in de Verhand over de Mar ia-B roede rsehafipen zijn bijgebracht en die beneden in Deel 2 moeten herhaald worden.
56
en broederschappen in het pausdom? Antvjoohi: Neen. Want even als de huisgemeenten (zooals men ze noemt) of dc wijkvergaderingen in sommige hervormde kerken niet eene bizondere kerk of een bizonder kerkelijk verbond, eene bizondere kerkelijke zelfstandigheid, macht en regeering uitmaken, maar ééne en dezelfde kerk in, niet en onder eén en denzelfden kerkeraad samenstellen, en bijgevolg eene kerkelijke onafhankelijkheid en exemptie van de kerk, in welker gemeenschap zij bevat zijn, volstrekt buitensluiten, zoo is dit ook het geval met de bijeenkomsten der catechisanten en der tot oefening samenkomenden i).
XXVIVraag. Zijn de handelingen, die gemeenschappelijk omtrent kerkelijke personen en zaken, gelijkelijk als omtrent burgerlijke, maatschappelijke en militaire personen en zaken, verricht moeten of kunnen worden, rechtstreeks, in eigenlijken zin en formeel heilig en kerkelijk? Anlivooni; Neen. Want dan zouden de geheele wereld en alle bezigheden dezer wereld formeel kerkelijk zijn, en er zou niets zijn, dat niet verker-kelijkt of met eene kerkelijke gestalte overtogen zou kunnen worden, (gelijk het dan ook geschiedt in de Roomsche curie), evenals omgekeerd sommigen heden ten dage meenen, dat alles naar verkiezing kan geseculariseerd worden, en op die wijze aan het kerkelijke oordeel en bestuur kan onttrokken worden, wanneer zij n.1. eene slechte zaak voor de kerken niet kunnen goedpraten. Voorwerpelijk derhalve en door een bloot overbrengen van den kerkdijken naam op andere zaken, ja indirect of door een zeker in verband staan of eenige [aanraking met de kerk hoort veel tot de kerk en hare macht en regeering, wat formeel en in eigenlijken zin niet kerkelijk is, maar toch met dit onderscheid, dat de kerk rjekeye handelingen óf door zich zelve, of, zoo dit der kerk meer tot sieraad en opbouwing strekt, door zekere afgevaardigden, door haar zelve aangesteld, verricht of verrichten kan, b. v. de bewaring, verwerving en regeling der kerkelijke
i) Over de parochiën en luiisgemeenlen zullen wij beneden het een en ander zeggen. Over de theologische colleges en scholen zal gesproken worden in de volgende Ver hand.% waar gehandeld wordt over de Macht cn de Regecring der Kerken \\ verder nog in Deel 2, lit. over de Scholen.
57
inkomsten, alsmede de noodzakelijke vermeerdering dier inkomsten door ermede te handelen of door eene andere eerbare wijze om er winst mede te doen toe te passen; verder de administratie der kas, den bouwvan kerken en van aan de kerk verbonden scholen en de zorg voor die gebouwen, het verzoeken van de bescherming en de gunst van vorsten, het voorkomen van vervolgingen en van andere ongemakken ; — maar dat andere handelingen niet verricht noch mogen verricht worden door de kerk zelve of hare afgevaardigden, maar moeten overgelaten worden aan dc vorsten en burgerlijke overheden, b. v. de verdediging der kerk i). Gevolgtrekking. Door het niet in acht nemen van deze onderscheidingen, is ecne beklagenswaardige verwarring dor kerkelijke en burgerlijke macht ontstaan, waarvan voorbeelden zijn de dwingende^ macht van de bisschoppen en van den paus en hunne twee zwaarden, verder de heilige soldaten of ridders der kerk, pauselijke en bisschoppelijke oorlogen, geestelijken die krijgvoerders, kanseliers, raadslieden cn schatbewaarders zijn van koningen en koninkrijken; en omgekeerd de voorgewende koninklijke rechten, investituren en patronaatrechten van koningen, vorsten en beschermheeren, bovendien de bisschoppelijke zorg voor de tijdelijke belangen met verwaarloozing der geestelijke 2). Wat verder dc bewering aangaat, dat dit alles verricht wordt door de kerkelijke personen in hunnen rang van geestelijke verzorgers, en omdat het met het heilige gepaard gaat, of althans van dien aard is, dat zonder dat alles het heilige niet naar behooren kan bediend worden, zoo worden al deze handelingen hierdoor niet meer kerkelijk of eerder tot wezenlijke vereischten der kerk gemaakt dan alle lichamelijke en burgerlijke handelingen en verrichtingen, zooals eten, drinken, slapen, wandelen, bouwen, het veld bearbeiden, kleederen verstellen, schoenmaken en
1) Men vergelijke beneden Boek 4, Verhand, over Uc Tijdelijke belangen der Kerk.
2) Over ilit alles hebben wij een cn ander in herinnering gebracht onder den lilel Over de Tijdelijke belangen der Kerk en in Deel 2 onder de titels Over het Tatronaatrecht en over het Monnikenwezen\', verder in ons weik Desperala Causa l\'apalus, Hoek 3, Afd. 2, Hoofdsl. 30.
58
de bezigheden, die tot het vak behooren der lakenvollers, koks, van hen, die het toezicht hebben op afvoerkanalen voor het vuil, van artsen, advokaten, stadsgouverncurs, bedienden en boden der overheden. Want dat deze en dergelijke bezigheden, deels verwijderd, deels van nabij, deels voorwerpelijk, deels als noodzakelijk van te voren verondersteld en vereischt, deels als uit het bestaan der kerk volgende, in betrekking kunnen staan tot het geestelijke en kerkelijke, daaraan kan niemand twijfelen.
HOOFDSTUK III.
TWEEDE AFDEELING VAN VRAGEN, BETREFFENDE DE BEWEGENDE OORZAKEN DER KERK.
i. Hier volgt de tweede afdeeling van vragen, loopende over de bewegende oorzaken der kerk.
/c Vraag. Worden er noodzakelijk gewone en wettiglijk geroepen dienaren vereischt tot de eerste verzameling en organiseering der kerk ? Antivoord: Neen. Zal het goed zijn, dan wordt wel is waar een geschikt en geoefend dienaar vereischt, die de menschen, die vroeger nooit geloofsbelijdenis aflegden, door de prediking des Woords en een vromelijk overtuigen voorbereide, en die de geloovi-gen, zoo die daar zijn, tevens opwekke, aan zijn hand leide en richte en de leiding op zich neme bij alle beraadslagingen, besprekingen, het doen der beloften en het aangaan der verbindtenis. Maar in geval van nood moge, zoo er geen dienaar te vinden is, een der geloovigen of, zoo er anders niemand is, een van de catechumenen, die het meeste hiertoe geschikt is, doen, wat hij kan. Wanneer dan alle toebereidselen gemaakt zijn, en de bond is georganiseerd, en er zelfs dan nog niet een dienaar van elders kan opgeroepen worden, zullen de leden een uit hun midden aanstellen, om ter voorloopige voorziening de taak van voorganger in het Woord op zich te nemen en later, naar bevind van zaken, tot gewoon dienevar bevestigd te worden i).
I) Zie ons werk Desper, Causa Pajtat. Soek 2, Afd. 2, HoofJst. 2 \\ .
6o
//e Vraag. Worden er noodzakelijk gewone dienaren vereischt tot de eerste organiseering der kerk, of tot haar voortbestaan, onafgebroken duur en uitbreiding? Anhvooyd: Ja. Ais regel althans en voor de organische volkomenheid moet men dien eisch stellen. Toch kan in geval van nood eene kerk voorbereid en georganiseerd worden en kan ook eene reeds geconstitueerde kerk blijven bestaan zonder dat zij, omdat cr geen dienaar is, weer behoeft ontbonden te worden. Er zijn zelfs nu nog sommige heimelijke kerken, die herhaaldelijk, en wel gedurende vrij langen tijd, zonder dienaren voortbestaan, terwijl zij intusschen zich behelpen met de toespraken en vermaningen van een ouderling, ziekentrooster of catechiseermeester i).
///e \\\'raag. Wordt noodzakelijk vooraf het gezag en de leiding van eene synode, hetzij dan een nationale uf een provinciale, of althans van een classikale vergadering of van genabuurde kerken vereischt tot de eerste verzameling en instelling van eene kerk, en wel zoo beslist, dat, indien zulks cr niet geweest of niet voorafgegaan is, die kerk, ook al werd zij onder de leiding van een of meer tot dit werk uitgenoodigde dienaren geconstitueerd, in geenen deele eene kerk zal zijn en er van de verkiezing van cenig gewoon dienaar door haar in het geheel geen sprake zijn kan, en zal bijgevolg de organiseering der kerk cn de kerkelijke verbinding, na reeds in het leven geroepen te zijn, moeten verklaard worden niet te bestaan en opnieuw door een classis of synode moeten begonnen worden? Antwoord\'. Neen. 1° Omdat zij beantwoordt aan de definitie van de georganiseerde bizondere kerk: en immers moeten die formaliteiten en samengevoegde waarborgen, of georganiseerde correspondentie cn wederkeerige afhankelijkheid der kerken, tot haar welvaren dienende, ook maar niet zoo klakkeloos gezegd worden volstrekt noodzakelijke, wezenlijke vereischten te zijn; en dit zoo stellig, dat, als dit alles bij een verwarden stand der zaken of in een geval van uitersten nood ontbreekt, de kerk geene kerk zou zijn. Ten bewijze beroep ik
i) Men vergelijke onze uiteenzettingen in Despcr. Causa Vafalus, Lib, 2, Afd, 2, Hoofdst. 7, 12, 19 en 21, en vooral Boek 3, Afd% 1, Hoofdst. 9.
6i
mij op de bepalingen van kerk en op de beschrijvingen van de eerste ordeningen en verzamelingen, te vinden bij de gereformeerde godgeleerden en in de openbare liturgiën en kerkenordeningen. Ook leert ons de voortdurende en gewone wijze van doen en de onaangetaste gewoonte niet, dat dit zóó noodzakelijk moet in acht genomen worden, dat er voor geen enkele uitzondering op den regel plaats wordt gelaten i). 2e Omdat ecne kerk die, nadat zij eene vaste kerkorde gekregen heeft, reeds ecne kerk in voortgmig is en die bovendien reeds bij ecne classikale of synodale correspondentie is ingevoegd en ingelijfd, niet gelijk is te stellen met eene kerk in hare wording, die nog eerst tot eene kerk moet verzameld en geformeerd worden en bijgevolg nooit een lid is geweest of deel heeft uitgemaakt van eene classikale of synodale correspondentie of combinatie. Mocht de eerstgenoemde zonder medeweten of goedkeurende instemming der classis kerkelijke zaken afdoen, die zij uit kracht van haar vrijwillig toetreden tot de classikale correspondentie niet zou kunnen afdoen, zij zou zich voorzeker aan ordeloosheid schuldig maken. Maar de toestand van de laatstgenoemde is eene geheel andere. 3e Omdat kerkelijke verkiezingen, en hernieuwde reformation en herhaalde organiseeringen van kerken, als dc zaak dit vordert en de nood dringt, kunnen en moeten geschieden door alle mogelijke bizondere kerken, zonder dat gewacht wordt op de toestemming van correspon-deerendc en verbonden kerken, ja zelfs zonder dat zij zich mogen laten weerhouden door het protesteeren daartegen van die andere kerken. Derhalve zal nog veeleer, als het geval zich voordoet, de eerste verzameling en constitucering eener kerk kunnen volbracht worden door een of meer dienaren, die hiertoe opgeroepen zijn door geloovigen en toehoorders of onder leiding van eenige personen, die door een of meer genabuurde kerken gezonden zijn. Het hier gezegde kan op dezelfde gronden en door toepassing van dezelfde uitzonderingen bewezen en verdedigd worden, als die, waaarmede wij van de gereformeerde kerken de schuld van scheu-
I) Hierbij zijn te raadplegen de Qeschiedhoeken, waarin de eerste wording en planting van
62
ring en onwettige machtstoeëigening hebben afgeweerd i). 4C Omdat, ook al geeft men toe, dat er iets aan de ongeschondenheid en volledigheid dier constitueering ontbreekt, daaruit echter nog niet volgt, dat er geheel geene constitueering, geene kerk is 2).
/ ƒ \'e I \'raag. Zal derhalve eene kerk geen kerk zijn en geen kerk geconstitueerd kunnen worden, tenzij er eerst iemand tot gewoon dienaar van die ongeboren vrucht of kerk in wording aangesteld en beroepen, en daarenboven een kerkeraad verkozen is, of wel, in omgekeerde orde, tenzij er het allereerst een kerkeraad samengesteld worde, vervolgens door dien kerkeraad een dienaar beroepen worde en zoo eerst de leden der kerk geconstitueerd worden en uit die leden de kerkelijke gemeenschap of bond ? Antwoord: Dat deze methode en deze formaliteiten zoo noodzakelijk zijn, dat zij tot het wezen der kerk behooren en dientengevolge als kenmerken in hare definitie moeten opgenomen worden en daaruit het kenteeken en onder-scheidingsteeken der ware kerk moet genomen\' worden, is iets, dat noch gegrond is op de Heilige Schrift, noch op de Overeen-stn/nning der Belijdenissen en kerkelijke plechtigheden en kerkenordeningen, noch op de meening van eenig gereformeerd theoloog. Ik heb er niets tegen, zoo eerst een dienaar door een of meer gena-buurde kerken op de oogst uitgezonden wordt naar eene plaats, waar geen kerk is, maar allen vreemd zijn aan den godsdienst, mits dit maar niet tot een wet van Meden en Perzen worde of voor eene voortdurende noodzakelijkheid, waar geen ontkomen aan is, worde aangezien, zoodat men deze gedragslijn zelfs daar zou gaan volgen, waar reeds geloovigen zijn, ja, waar reeds eene kerk van geloovigen is geconstitueerd en mits slechts niet het zwaartepunt der kerk in den dienaar of in drie of vier ouderlingen en diakenen, worde geplaatst en vooral,
2 Zie Deel2, tit. over de Roefiug (/er Dienarenlt; en Boek 2 von het werk Deiper. Causa Papains, A/W. 7, I/oofi/sL 5, 9 en 10 en Hoek 2, /loofdst. 12, 19 en 21.
2) Dit hebben wij voor de reformatie en voor ile roeping der gereformeerde dienaren tegen de pausgezinde Formalisten overvloedig aangetoond in Desp. Causa Papains. Ook kan men Deel 3 Pol. EccL der tit. over de Classes en Synoden^ vergelijken.
6 3
mits men niet meene, dat de vorming en verbindtenis der leden op geenerlei wijze iets aan de beteekenis der georganiseerde kerk af of toe doet. Men moet het wezen der bizondere kerk onderscheiden van hare organische ongeschondenheid en volmaaktheid. Het eerste kan er zijn zonder een kerkeraad, de laatste geenszins. Het zal niet verkeerd zijn, een antwoord, door mij den 23sten April 1641 uit naam van onze faculteit opgesteld, hier in te lasschen. In denzelfden geest is aan hen, die hierin onzen raad kwamen inwinnen, naar hun zeggen geantwoord door de Theologische faculteit van Leiden. Ons antwoord was als volgt;
Eenig c Engclschen, wonende in de gemeente N., vern welke soinniigen leden waren der Nederlnndsehe kerk, anderen niet, lubben, nadat zij op Ihdi dringend verzoek van de overheid dier plaats hadden vei kregen*, dat deze hen een jaarlijkseh bedrag zou toestaan tot het onderhonden van een dienaar, naar Engeland geschreven aan Ds. Parke, erkend l.eeraar aldaar, hem opwekkende, dat hij met zijn huisgezin over mocht komen, en bij hen de bediening des 11 \'oords oefenen, totdat hij onder hen geschikte leden zou vinden voor het vormen eener kerk, daar zij erkenden, dat de meesten onder hen daartoe nog ongeschikt waren, gelijk men dan ook nog kan zien uit hunnen brief aan Ds. Parke.
Bij de eerste prediking des II oords va)i Ds. Parke was een der burgemeesters met een die na ai des W oords tegenwoordig, onl zich op de hoogte te stellen van zijne leer en van de wijze, waarop hij het volk leerde. Later ontving hij op het stadhuis van de II.II. burgemeesters, onder goedkeuring van de Nederlandsche Leeraren, de algemeene macht zonder eenigc beperking, om de Engelschen in de bediening des Woords te dienen. Ongeveer een tijd van drie jaar verkondigde hij toen bij hen met den grootsten ijver het woord Gods.
Nadat van deze Engelschen sommigen onderinsschen gestorven, anderen naar elders verhuisd waren, zijn er anderen in hunne plaats gekomen, die toen, na lang wachten, eisehten, dat er ecne kerk zou gevormd Worden en die door bi lij dons te doen van hun geloof en de belofte van gehoorzaamheid af te leggen, lidmaten der op te richten kerk geworden zijn. Hierbij hadden zij de bedoeling, dat alle andere Engelschen, die
04
of reeds in de gemeente N. woonden of van elders daarheen moehlen komen, sneeessievelijk aan deze vergadering zonden toegevoegd worden, voor zooverre zij namelijk bevonden werden hiertoe gesehikt te zijn. Toen dezen zteh dan reeds aaneengesloten en tot eenen bond vereenigd hadden, verkozen zij Ds. Parke tot hun herder en leeraar, van welke verkiezing in de vergadering eene openlijke hekend making is gedaan.
De Nederlandse/ie dienaren echter erkennen deze vereenigde En^elsehen niet als kerk, maar dringen ei op aan, dat er van nieuws af aan eene kerk zal gevormd quot;worden, en dat wel zóó, dat er naar hun oordeel eene zuivere kerkfot matie worde in het leven geroepen, hetzij door het betoepen van een dienaar, of door de vorming van een kerkeraad of door beide te doen, zonder ook maar te reppen van hel vormen van lidmaten, die zieh vooraf tot eene heilige gemeenschap zouden verzamelen. Zij willen derhalve dat er eerst een dienaar verkozen en daarna een kerkeraad samengesteld zal quot;worden, of wel omgekeerd: eerst de kerkeraad en daarna de leeraar. Dit is het eerste geschilpunt.
Het tweede is de vraag, op wier gezag de kerk zon moeten geformeerd worden. De broeders Leeraren in de gemeente N. nu leggen aan Ds. Parke de keus voor, of hij tot leeraar wil beroepen worden door de classis alleen, of door den kerkeraad alleen, of eindelijk door den kerkeraad der Nederlandsche kerk onder medewerking met gelijk gezag van de Engelschen. Ds, Parke echter beweert, dat het recht zelf der verkiezing niet moet ontrukt worden aan hen, die, door zieh tot eenen bond vereenigd te hebben, op de quot;wijze, zooals gezegd is, tot een lichaam waren samengegroeid.
Hier wordt dus tweeërlei gevraagd:
i. Of zulke vereenigde geloovigen, ook al hebben zij aanvankelijk niet tot diegenen behoord, welke verzocht hebben een Engelschen dienaar aan te stellen en dit van de overheid verkregen hebben, en al verzamelen zij zich niet onder het gezag van eenige kerkelijke vergadering, hetzij van eene elassikale, hetzij vau eene kerkeraadsvergadering tot één lichaam, maar slechts onder de leiding van Ds. Parke, althans wat het wezen betreft, eene kerk van Christus kunnen genoemd worden.
6S
2. Of de macht, een herder te verkiezen, hun kan toekomen.
Antwoord op de Ie Vraag.
Ons antwoord op de eerste der voorgelegde vragen, zonder het oordeel van anderen te na te komen, luidt bevestigend. Wij oordeelen n.L, dat zij, wat het wezen aangaat, eene ware kerk van Christus zijn en kunnen genoemd worden, n.L de kerk als eene uitwendige, zichtbare, georganiseerde, parochiale en bizonderc kerk genomen, ivant een zoodanige kerk wordt hier bedoeld. En dit om de volgende redenen:
ie Omdat de definitie van kerk op haar past en omdat nooit zal toegestemd worden, dat de hier vernielde formaliteiten, hoezeer men ook mocht toegeven, dat zij zeer nuttig zijn en dat het zelfs eene zeer verstandige gewoonte was, ze in acht te nemen, wat op sommige plaatsen\' het geval is geweest, invloed hebben op de definitie da kerk, of dat zij eenvoudig en volstrekt noodzakelijk zijn, zoo zelfs, dat, zoodra deze opgeheven werden, terstond het wezen der kerk zou worden opgeheven. Wat ivf zeggen aangaande de definitie der kerk, zal duidelijk worden door het aanvoeren van alle definities, die maar bij Gereformeerde Theologen gevonden zooi den.
2e Omdat noch de Nederlandsehe Geloofsbelijdenis, noch de Liturgiën, noch de kerkenordeningen voo) schrijven, dat men al deze zooeven vermelde formaliteiten bij de eerste verzameling en organiseering eener kerk, voornamelijk van eene vreemde of niet-Nederlandsehe, welke nog geen deel uitmaakt van eene classikale correspondentie eener Nederlandsehe classis, nauwkeurig moet in acht nonen. En al nam men eens aan, dat alle of eenige voorgeschreven werden, dan zon daar echter nog niet uit volgen, dat dooide weglating of schending van deze formaliteiten het gehcele wezen der kerk zou opgeheven worden; immers zijn ook alle kerkelijke verordeningen niet even noodzakelijk noch hebben betrekking op even noodzakelijke dingen.
3e Omdat zelfs niet de gewoonte of gewone wijze van handelen bij de eerste organisatie en formatie van Engelse he kerken in Nederland {om nog niet eens te spreken van de eerste formatie van Nederlandsehe kerken, zooals die reeds van het begin der Hervorming tot op dezen dag plaats gehad heeft) eene zoodanige regeling noodzakelijk maakt en er toe noopt haar voortdurend in acht te nemen. Wij verwijzen naar de wording der Engelsehe
5
66
kerken te Leiden, Utrecht, Middelburg, Arnhem, Vlisiingen, Veere, \'s Gra-venhage, Delft, \'s Hertogenbosch enz. En ook al zou mm ergens een tegenovergestelde wijze van handelen kunnen aanwijzen, toch zou hieruit ge ene al ge me ene wet kunnen geboren worden, laat staan, dat het wezen der kerk daarvan zou afhangen.
4^.. Omdat wij, bij toelating van het tegenovergestelde gevoelen, niet kunnen zeggen, van welke gevolgen dit zou zijn voor die netelige twistpunten der onzen tegen het pausdom over de onafgebroken voortplanting der kerken eenige eeuwen vóór Luther, over de wettige Reformatie der kerken en hare afscheiding van de Roomsche, over de eerste verzameling en ordening der hervormde kerken en het wettig beroepen van dienaren, zoo vóór, met en in, als na de Hervorming. 11\'ij zouden willen, dat iemand de proef eens nam en de voetstappen drukte van een Ulyricus, Plessaeus, Usserius en van verscheidene andoen.
Antwoord op de IIe Vraag.
Op de hveede Vraag is ons antivoord eveneens bevestigend. \\e. Hier verwijzen ie ij naar de verhandelingen der onzen over de kerkelijke verkiezingen bij de eerste verzameling en reformatie van onze kerken. Want zvelk een te kort in de gewone formaliteit of volkomenheid hier ook zou kunnen vootgewend worden, toch zal men niet kunnen bewijzen, dat daardoor het wezen der kerkelijke verkiezing geheel gemist wordt. 2\'\\ Dat men bovendien het wezen en de wettigheid van eenige zaak of verordening in haai ontstaan anders moet beoordeelen dan in haren voortgang, dit leert de oplossing van vele vraagpunten omtrent het beroepen van dienaren, de bepalingen van vorsten en overheden, verlovings- en tunvelijksovereen-komsten en icat voorts als hiermede overeenstemmend hierop kan toegepast worden, y. Wat eindelijk ook aangaande de hoogste leiding en het opzicht van de classis of synode bij de eerste verzameling en formatie eener lingelsche kerk, als ook bij het beroepen van een dienaar of althans bij de goedkeuring van zulk een door de kerk uitgebracht beroep, aldaar of ook overal in geheel Nederland, door de wet en de gewoonte vastigheid moge gekregen lubben, toch zien wij niet, hoe de kerke raad van een bisoudere Ncderduitsche kerk aan dat recht komt, noch, welke vastgestelde
6;
verordening dien kerkeraad zou bevelen, niet de Engelsche leden der Nederlandse/te en Engelsche kerk, hetzij niet gelijke, hetzij met ongelijke macht en stemrecht tot de verkiezing samen te tv erken. Mocht ergens eene verkiezing op zulk eene wijze volbracht worden, wij zonden niet willen beweren, dat daar het wezen der beroeping gemist zmrdt, dat zij verre; slechts zouden wij zvensc/ien, dat ons eene theologische beivijsvoering, of kerkelijke bepaling, of althans eene aan onze kerken ge me ene of goedgekeurde handelwijze weid aangewezen, welke een zoodanigen vorm van verkiezing voorschrijft en die macht aan eenen bizonderen kerkeraad toekent; n.l. door het recht, dat zon voortvloeien uit de onmiddellijke nabuurschap, o f dooi het recht van uitbreiding en het recht om ergens [laat mij het zoo eens uitdrukken) eene kerkelijke colonic te vestigen of door welk ander recht dan ook. Indien die toehoorders Nederlanders waren en hij eene classikale correspondentie ingelijfd en daarmede tot één lichaani vereenigd waren, dan ja zou zonder eenigen twijfel overeenkomstig de kerkelijke verordeningen het recht der beroeping aan de classis toekomen, maar dan nog slechts met toepassing van dien beperkenden maatregel, dat geen ander zou worden aangesteld, dan degene, dien de toehoorders of leden van die vergadering vooraf bij meerderheid van stemmen zouden hebben aangcivezen en verlangd, of dat zij een door de classis vooraf aangewezenen en voorgestelden boven anderen voor zich uitkozen, gelijk het voortdurend in acht genomen gebruik en de kerkelijke handelingen lecren, dat men deze beperking moet toepassen. Men zie o. a. de handelingen der Brielsche synode van het jaar 1623, artikel 7, waar over de beroeping te Kralingen gehandeld wordt.
Dit alzoo antwoordden wij korte lijk op het voorgelegde geval, hierin/ de broeders, tusschen dewelken dit geschilpunt ontstaan is, betuigende, dat zij toch van beide kanten het hunne mochten bijbrengen, om de oplossing hiervan te bespoedigen, vooral met het oog op de tegenwoordige tijdsomstandigheden, nu men in Engeland voor het stutten en vasthouden der bisschoppelijke hierarchic van .niets méér te hopen heeft dan van hel verachten en blameer en van de classikale regeering in Nederland en niemand die eenigszins van de Engelsche toestanden op de hoogte is, zal kunnen twijf•:len, of zij, die dwe epen met den bisschoppclijken regcerings-
68
vorm, ijverig partij zullen trekken van deze en dergelijke geschillen.
Utrecht, 23 April, 1641.
gljsbertus Voetius, Theol. Professor aan de
Akademie te Utrecht.
meinardus Schotanus, Theol. Professor aan dezelfde Akademie.
Cauolus de Maets, Theol. Professor aan de
Akademie te Utrecht.
Vraag. Wordt de toestemming niet alleen, maar ook eene for-meelc en door feiten zich uitende óf voorafgaande leiding, of wel eene eerst later volgende goedkeuring en bevestiging van de overheid tot het wezen der georganiseerde kerk vereischt ? Antwoord: Wat betreft de instemming of toestemming of althans eene stilzwijgende toelating, zoo geven wij dit toe bij eene openlijk optredende kerk, welke zonder dit niet kan samenkomen en hare heilige handelingen uitoefenen, tenminste indien de overheid dit wilde verhinderen. Bij eene in het verborgen optredende en heimelijke kerk ontkennen wij dit echter, want in dit geval moet die instemming noch afgewacht noch gevorderd worden. Wat aangaat de eerste Apostolische kerk, deze vergaderde niet alleen heimelijk, maar is later ook openlijk uitgebroken, Hand. r, vergeleken met Hand. 2, 4, 50116, zonder eenige toestemming, ja, zelfs tegen het uitdrukkelijk verbod der overheid (Hoofdst. $). Maar die Joodsche overheden waren niet de eenige of de hoogste of volstrekte, want er werd nog beroep overgelaten op eene hoogere, n.1. den keizer, ja, ook kon de vrijheid en toestemming verwacht worden van de oversten en bestuurders der provincie (hoezeer ook tegen den wil en onder morren van de bizondcre overheid). Men zie Hand. 23, 24, 25 en 26. Dit voorbeeld hebben de eerste hervormde kerken in Nederland en in Frankrijk op verschillende plaatsen nagevolgd, daar zij nu eens verlof vraagden aan de hoogste, dan weder aan eene lagere overheid. Voorts moet men onderscheid maken tusschen dc leiding, die aan de inrich-
69
ting ecner kerk voorafgaat, en die, welke eerst na hare inrichting volgt. Wat betreft de leiding, die voorafgaat en niet gezag gepaard gaat, ontkennen wij, dat die aan de overheid toekomt. Op de vraag echter, of men eene op de organiseeering eener kerk volgende en als het ware versterkend er bijkomende goedkeuring en bevestiging voor eene publieke kerk aan den staat moet toekennen, is ons antwoord bevestigend. Dit toch is eene macht, die aan de overheid ten aanzien van kerkelijke zaken eigen is en die wij nauwkeurig ontvouwen in de volgende verhandeling bij het beantwoorden der vraag, bij wien de maeht enrj. berust.
///c Vraag. Wordt er noodzakelijk eene vrije en uitdrukkelijke instemming, die men verklaart door een oprechte belijdenis des geloofs en eene plechtige belofte, vereischt zoowel van allen, die het verbond aangaan bij de eerste stichting als van elk van hen, die als opvolgers der oude leden pas aankomen, of wel, is eene stilzwijgende of niet in woorden uitgedrukte belijdenis voldoende? Antwoord: Het eerste gedeelte der Vraag bevestig ik, het laatste gedeelte ontken ik. En hiermede wordt tevens de steeds gevolgde gedragslijn der Nederlandsche kerken, die boven in Hoofdst. I, g 6 door ons uiteengezet is, aangeraden cn verdedigd. En wel n--omdat, evenmin als een onbewust geloof in het hart voldoende is (zooals de onzen leeren tegenover de pausgezinden), even zoomin een onbewust geloof, waarvan men door woorden blijken geeft, dat is, een onbewust belijden van het geloof, zonder eene opzettelijke en openlijke belijdenis voldoende is. Zie Rom. 10 v. 9 en 10; 1 Petr. 3 v. 15; Hand. ig v. 1, 2, 3 en 8 v. 37; 1 Joh. 4 v. .3, 3 en 15. —2e Omdat men zich met niemand mag vereenigen tot een kerkdijken bond en vereeniging, niemand tot dien bond mag toegelaten worden, of tot dien bond mag blijven behooren, dien wij niet door het oordeel der liefde oordeelen te zijn heilig en een knecht Gods, een schaap van Christus en een zoon van het koninkrijk, gelijk blijkt uit de definitie en de kenmerken der kerk. — Maar dit kunnen wij niet weten (1 Cor. 2 v. 11), tenzij hij zich zelf doe kennen, zoo door woorden als daden. Geen van deze beide wijzen om zich te doen kennen kan echter stilzwijgend en zonder eene uitdrukkelijke verklaring gevolgd worden, tenzij
7°
het meer om den naam dan om de zaak tc doen is, zoodat men den naam van belijdenis aan iets geeft, dat geen belijdenis is. Wat betreft eene verklaring door middel van vrome werken en godsdienstige handelingen, deze zal niemand onnoodig vinden. Immers, indien er zulk eene verklaring niet gegeven wordt, waaruit zal ik dan opmaken, dat iemand heilig en godvruchtig is ? Want hier kan men het niet af met wat de rechtsgeleerden aangaande een goed of nuttig burger gewoon zijn aan te nemen : Iemand wordt voorondersteld goed te zijn, zoolang men niet kan bewijzen, dat hij slecht is. Maar nog veel minder kan bij de belijdenis des geloofs deze valsche sluitreden, die berust op waarschijnlijkheden, voldoende zijn: Iemand is van onzen godsdienst en rechtzinnig, omdat nog niet gebleken is, dat hij lasteringen uitbraakt, of openlijk en standvastig voor de leer, dat er geen God is, voor afval of voor eene afwijkende leer is uitgekomen. 3« Omdat de kerk is eene geregelde slagorde der legerplaats, het huis Gods, waarin alles met orde en regel moet geschieden, omdat zij is een staat en een op het zorgvuldigst ingericht college, zooals uit de Schrift bekend is. Het zou waarlijk geen geringe verwarring te weeg brengen, indien zonder onderscheid een ieder, die maar wilde, zonder keuze, inschrijving, verbindtenis en belofte van instemming met alle statuten, kon toe-treden of heengaan: iets, wat in vergaderingen, colleges, vereenigingen, broederschappen, bondgenootschappen en samenkomsten van deze wereld zelfs niet geoorloofd is. 4« Omdat alle geloovigen moeten zijn een licht in den Heere; maar hoe zullen zij elkander wederkeerig als zoodanig leeren kennen, indien zij niet door eene uitwendige belijdenis het licht des evangelies voorhouden, Philip. 2 v. 15 en 16. Dit echter kan door eene onuitgedrukte of potentiëele belijdenis en een onuitgedrukte of potentiëele aanneming en verklaring van het verbond even zoo min plaats vinden als men licht kan verspreiden door eene kaars, die onder een korenmaat is geplaatst. 5e Omdat verschillende ongemakken en ongerijmdheden hieruit zonden voortvloeien. Ten eerste zou de kerk, indien onbekende en van elders aankomende menschen zich zonder eene uitdrukkelijke belijdenis en belofte bij haar voegden, in korten tijd even-
71
als een vischnet met slechte visschen, dat wil zeggen, met onrechtzinnige en gemeene lieden vervuld worden. Ten tweede, omdat, indien althans allen zonder onderscheid toetraden, gelijk de menschen leden zijn van eenen staat en bekende en oude inwoners eener stad, hetzelfde nadeel te verwachten was, behalve, dat door die verwisseling en gelijkmaking van den staat met de kerk eene ongelijksoortige vermenging en eenc monsterachtige gedaanteverwisseling hiervan licht het gevolg zou kunnen zijn, waarop wij in het vorige hoofdstuk gewezen hebben. Ten derde zou daardoor het rijk van Christus (hetwelk niet van deze wereld is) gelijkvormig worden aan de wereldlijke rijken en staten, in welke eenc stilzwijgende en niet in feiten zich uitende overeenstemming van de jongere geslachten, die, door de oudere geslachten op te volgen, maken, dat het volkslichaam zijn bestaan kan voortzetten, voldoende is, om de opvolging in de heerschappij in eene bepaalde familie te verzekeren, ja, wat meer is, al waren er sommige private menschen, die hunnen wil zouden willen doen gelden, zij zouden, hetzij dan willens of onwillens, gehouden zijn de rechten der opvolging te erkennen. Maar geheel anders is het gelegen met de kerk van Christus, welke een gewillig volk is. Psalm I to. Ten vierde schijnt eene zoodanige meening en handelwijze de halflibertijnsch-burgerlijke of aan de wereld en aan het tijdelijke gelijkvormig gemaakte kerken te rechtvaardigen, van welke eene proeve en voorbeeld, dat met de goed geregelde kerken in Nederland rechtstreeks in strijd was, en waarvan de herinnering nog leeft bij onze ouderen van dagen, gegeven is door de vergadering, die in de zoogenaamde Jacobikerk in onze stad gewoon was samen te komen, in welke vergadering, ieder, die er zoo maar bijkwam, zonder eenig onderscheid, desverkiezende aan het avondmaal deelnam, zonder dat er sprake was van eene belijdenis des geloofs, belofte en verbintenis, zonder een bepaald type en vasten regel van geloofsleer en eeredienst, zonder dat er een onderzoek gedaan werd naar leer en leven, zonder vaste orde, bestuur of tucht. Deze kerkforme, die eigenlijk allen vorm mist, werd door alle Nederlandsche kerken veroordeeld, welke zooveel wisten uit te werken bij de herders dier kerk en bij den
Edel achtbaren Raad dezer stad, dat zij tot eene vereeniging en gelijkvormigheid met deze onze kerk, die toen zuiver gereformeerd was en den presbyterialen kerkforme had, werd teruggebracht. Ik raad de jongeren, dit eens na te lezen bij den beroemden en ijverigen Nederlandschen geschiedschrijver Picicr Born\\ deel 4. — Door de behandeling van dit vraagstuk komen wij tot deze gevolgtrekkingen: iu Gevolgtrekking. Niet alle inwoners eener stad, die tot een zelfden wijk en nabuurschap behooren en in hunne eigen kerken samenkomen, moeten zoo maar tot de gemeenschap toegelaten worden, veel minder aangespoord worden, alleen om het feit, dat zij burgers en burgerlijke naburen zijn. 2e Gevolgtrekking. Toch kunnen en moeten zij allen en ieder in het bizonder, hetzij op vastgestelde tijden of bij elke voorkomende gelegenheid, door geestelijke toespraak en vermaning van de dienaren en ouderlingen aangespoord worden, om op te gaan, n.1. om te hooren, of, als ze reeds toehoorders zijn, om naar de behoorlijke orde en wijze hun naam op te geven onder degenen, die aangenomen wenschen te worden, en om zich, na voorafgaand onderricht en voorbereidend onderzoek en na eene plechtige belijdenis des geloofs gedaan te hebben, bij de kerk als lidmaat te laten inschrijven. Dat dit, overeenkomstig eene prijzenswaardige gewoonte, in onze kerken geschiedt, hebben wij boven in Hoofdstuk 1 reeds opgemerkt.
Vl/e Vraag. Is eene stilzwijgende en onuitgedrukte of potentiëele belijdenis en belofte van diegenen, welke in de kerk geboren en gedoopt, ja zelfs tot dusverre onder de toehoorders geteld zijn, voldoende voor hunne opname? /k antwoord: Neen, omdat de doopsgenade (gelijk sommigen die noemen), en dat onuitgedrukte verbond, ja zelfs het inwendige zaad der ware wedergeboorte daar aanwezig kan zijn, waar nochtans geene daadwerkelijke bekeering en geloof, althans geene daadwerkelijke belijdenis des geloofs gevonden wordt. Gelijk derhalve de zoodanigen gehouden zijn, zich zelf te onderzoeken, zoo moet de kerk dit ook doen, zooveel zij maar kan. Men zie de Vragen 81 en 82 van den Catechismus.
V/l/c Vraag. Moet de belijdenis des geloofs en de plechtige belofte
73
een duidelijk of uitdrukkelijk afzweren der afvalligheid of der ketterij of der dwalingen, waarin iemand geleefd heeft, bevatten ? Antwoord: Waarom zoude zij niet? Zoo wordt heden ten dage geen enkele Jood in de gemeenschap der kerk opgenomen zonder uitdrukkelijke verwerping van de Joodsche leer. Dit is ook de gewoonte bij het opnemen van Mohammedanen. Men zie den Thesaurus van Nicetas Ckonitas, waar men het formulier der afzwering vindt. Verder is dit bij ons nog de gewoonte bij het aannemen van Wederdoopers, Remonstranten, Socinianen, pausgezinden en in het algemeen van hen, die uit andere secten tot ons overgaan. Zij, die zich aan de kerkelijke aangelegenheden laten gelegen liggen, kunnen eens raadplegende Besluiten der Zuid-Hol-landsche Synoden van de jaren 1619, 1623, 1628 en 1629 (bij dew\'dke het mij te beurt viel tegenwoordig te zijn) aangaande het aannemen en de wederverzoening van teruggebrachte Remonstranten, welke besluiten na veel en rijp overleg zijn vastgesteld. Welke alle geheel en al verschillen van eene onuitgedrukte belijdenis. Ja zelfs de pausgezinden leg- \\ gen eene duidelijke afzwering der dwaalbegrippen en eene belijdenis des geloofs op aan de vroegere ongeloovigen, de Grieksche scheurmakers en de ketters (hier worden natuurlijk diegenen bedoeld, welke zij aldus noemen) 1). Zoodanige handelwijze (indien zij tenminste behoorlijk wordt toegepast) wordt ons geleerd door het voorbeeld der Apostolische kerk, Hand. 19 v. 18 en 19.
fXe Vraag. Moet men ook openlijk betuigen, dat men van zijne zonden zal aflaten, ja, ook de eigen vroegér bedreven zonden belijden en eene openlijke verklaring afleggen, dat men over die zonden berouw gevoelt? Antzvootd: Wij vervatten ons antwoord in deze stot-sommen: 1« Slotsom. In het algemeen is het volstrekt noodzakelijk, dat men van alle zonden, met name van het dienen des duivels,
I) Dit kan men zien bij Pussevinus Bihlioth. select. Boek 6, bladz. 281 en bij Thomas a Jesu over het aanbrengen des heils aan allo volken, ongeloovigen, secten enz., hoek 12.
Iloofdst. 1, bladz. 866; evenzoo uit de artikelen over de afzwering der Monniken van Bordeaux over welke Antonius Zadeet, die ze in zijne werken heeft ingevoegd, een afkeurend oordeel heeft uitgesproken.
74
des vlceschcs cn der wereld afstand doet, en dit vordert dan ook het formulier en de gewone handelwijze bij het aannemen van leden der kerk. Men zie in de Oude Ncdcrlandschc Liturgien het kort onder-soeck enz. aan het einde. Ook kunnen geene belijdenispredikatiën (die bij ons aan de bediening van het avondmaal voorafgaan), noch een onderzoek van de aannemelingen plaats hebben, tenzij het derde deel van onzen Catechismus doorloopen worde, waar gehandeld wordt over de verbindtenis tot dankbaarheid en nieuwe gehoorzaamheid. 2e S/ot-som. Ook kan men in bizonderheden afdalen en uitdrukkelijk en plechtig afstand doen van clie zonden, welke op die plaats algemeen zijn en als eene verderfelijke ziekte rondsluipen en die óf een wapen zijn in de hand van tegenstanders en van hen, die geestelijk zwakker zijn, óf gelegenheid bieden tot nog dieper zinken. Zoo b.v. werd men in de oude kerk niet toegelaten, tenzij men afstand deed van het deelnemen aan optochten en schouwspelen i). Vandaar komt het, dat zelfs nog heden ten dage in sommige hervormde kerken die gewoonte wordt bewaard, dat allen, die op het punt staan toegelaten te worden tot de kerkelijke gemeenschap, een voor een moeten betuigen afstand te doen b. v. van het dansen (in onze [Utrechtsche] en in andere kerken). Dit geschiedt n.1. daar, waar men vreezen moet, dat dit slechte gebruik, door de gewoonte eener plaats of den omgang met de pausgezinden, ook onze menschen besmetten zal. 3° Slotsom. In het algemeen en zonder in bizonderheden te treden moeten de vroeger bedreven zonden beleden worden, zoo de erfzonde als de dadelijke zonden, ook de onvohnaaktheden, welke iemand nog steeds aankleven, en waartegen men dagelijks te strijden heeft. Anders toch kan het onderzoek en de belijdenis des geloofs niet tot een einde gebracht worden, volgens de leer van den Catechismus, Vraag 5, 8, 12,
1) Men zie hierover, wat uit de oiulheid opgeteekend is door Ambrosins Vicccomes, Boek 2 over de gebruiken hij den Doof, Hoofdst. 16 en 20 ; Johannes Stejihanus Duranih over de kerk ei Gebruiken, Boek I, Hoofdst. 19, ^ 31 verder door Rittershusius aan Salvianus over het Godsbestuur, Boek 6, Bladz. 207. Deze mannen werden voorgelicht door het voorbeeld der Apostolische kerk, Hand. 19 v. 19.
75
56, 6o, 89, 114, 126, 127 en volgens het formulier voor de bediening van het avondmaal in de Nederlandsche Liturgie. Hiertoe dienen de bekentenissen of zondebelijdenissen in de Fransche, Nederduitsche en Engelsche liturgiën; en ook het gebruik, dat vroeger in de Paltz bestond 1) en nu nog in eenige Nederduitsche kerken bestaat, dat bij de belijdenispredikatie, die aan de viering des avondmaals voorgaat, behalve op andere vragen ook op die over de erkenning en het gevoel van zonden de gemeente met luider stemme Ja antwoordt. En deze manier van handelen in de opname van ledematen is overeenkomstig aan de practijk van Johannes den Dooper en der apostelen. Matth. 3 v. 6. Hand. 2 v. 37, 38 en 19 v. 18 en 19. — 4^ Slotsom. Dat afzonderlijke personen, die tot leden der kerk zullen aangenomen worden, hunne vroegere zonden bij name en nauwkeurig in tegenwoordigheid der gemeente of van den kerkeraad of van een dienaar belijden, is niet altijd noodig, en ook doorgaans niet nuttig. Hier moet men de gronden bijbrengen en toepassen, op welke men gewoon is de oorbiecht der roomschen te bestrijden. Dat het echter wel eens in het een of ander geval en op deze of gene plaats zeer nuttig is, staat vast uit Hand. [9 v. 18 en 19, als men te doen heeft met schrikkelijke en openlijk bekende schanddaden, waarin iemand geleefd heeft, of wanneer de geheele wijze of bezigheid van iemands vroegere leven ongeoorloofd is geweest, of wanneer hij eenige zonde of verschillende zonden ijverig gediend heeft overeenkomstig den regel en de levenswet van eenig soort van afval of eenige secte, waarmede hij tot nu toe instemde, of wanneer de misdaden van dien aard zijn, dat zij een mensch voor de wereld en bij de burgerlijk eerbare lieden als geheel en al eerloos brandmerken. Zou b. v. indien een lid van den bloedraad, een vervolger der kerk, of een inquisiteur, na het pausdom verlaten te hebben tot de gemeenschap van onze kerk wilde toetreden, zulk een niet naar het voorbeeld van Paulus 1 Tim. 1 v. 13; 1 Corinthe 15 v. 9; Hand. 22 v. 20 en 26 v. 9, 10, 22 openlijk deze zijne speciale zonde moeten
1) Zie de Liturgie, toegevoegd aan de Gr.-Lal. Cateches Sylburg.
76
belijden en betuigen, dat hij daarvan thans een afscheid heeft? Eu waarom zou men niet hetzelfde oordcelen over een openbaren bordeelhouder, toovcnaar. Godslasteraar, voorstander van het Epicurisme enz. ? In de oude kerk werden gcene tooneelspelcrs en heidensche priesters opgenomen, indien zij niet duidelijk hunne verkeerdheden beleden en van zich wierpen i).
,Ve Vraag. Moeten zij, die op het punt staan in de kerk opgenomen te worden, de bizondere wijze van hunne bekeering openlijk verhalen, wanneer zij n.1. belijdenis afleggen van hun geloof? Antwoord: iu Slotsommen. Ik ontken, dat dit regel en noodzaak zou zijn, ic Omdat wij niet zien dat dit in de Schrift voorgeschreven wordt. 2e Omdat de omstandigheden, die het middel der bekeering waren, en datgene, wat het naaste aan de bekeering voorafging en andere bijomstandigheden soms van dien aard kunnen zijn, dat het niet dienstig is, die openlijk tc verhalen, hetzij dan, dat men sommige broeders in gevaar zou willen brengen of wel ons zclven, of der kerk en den godsdienst de belaching der vijanden op den hals zou willen halen. 3« Omdat dit niet zelden de belijdenis met zich zou brengen van verborgene dingen ten aanhoore van menschen, welke hun die dingen verwijten kunnen, terwijl eene belijdenis voor God voldoende ware en veiliger zou zijn. 4° Omdat wij geen enkele reden voor de noodzakelijkheid er van kunnen aanvoeren, tenzij de aannemeling dit doe, om op deze wijze uit die ken-tcekenen aan de kerk of den kerkeraad de oprechtheid van zijne be-kcering te bewijzen. Maar wat zij hier ook verhalen en verklaren, toch blijft dit woord van den Apostel 1 Cor. 2 v. 11: Want wie van de tnensehen weet hetgeen des mensehen is, dan de geest des mensehen, die in hem is? al.zoo zveet ook niemand hetgeen Gods is, dan de Geest Gods. Evenzoo dat van Aristoteles in zijn werk ntn] ionci\'iia,-: wij kunnen niet in eens anders hart /enen. Zoo is dus voldoende eene algemeene verklaring van berouw, geloof en bekeering. 5e Omdat het gevoelen,
1) Hierover zal elders nog iets gezegd worden. Men vergelijke de oude geschriften over de afzwe/iugy die zooeven geciteerd zijn.
77
dat zulk een verhaal noodzakelijk is, dit schijnt te veronderstellen, dat men n.1. altijd de bizondere wijze zijner bekeering kan weten en verhalen, iets, wat niet in voldoende overeenstemming is met Joh. 3 v. 7 en 8. Er zijn er dan ook, die van hunne kindschheid af wedergeboren zijnde, zonder eene groote schokking en eene plotselinge ommekeer, van hunne jeugd af aan langzamerhand bekeerd zijn, zoodat zij het vroegste begin en de wijze van ontstaan hunner bekeering niet kunnen verhalen 1). 2e Slotsom. Evenwel kan somtijds op het voorbeeld van Paulus, Hand. 22 en 26 zulk een verhaal plaats hebben, en dat wel openlijk, vooral dan, wanneer de wijze en omstandigheden der bekeering zeldzaam en buitengewoon zijn geweest, zoodat men ze dan verhaalt tot roem van de goddelijke barmhartigheid en macht, tot aanbeveling der waarheid en tot opbouwing of overtuiging van anderen. Zie het voorbeeld van Paulus Hand. 22 v. 6—21 en 26 v. 12—21. In de Levens der Heiligen wordt somtijds voor de geheele wereld de wijze verhaald, waarop zij van hunne dwalingen of hun zondige leven bekeerd zijn. Ook schaamde een Angustinus zich niet, in zijne Bekentenissen zijne bekeering van het Manicheïsme en andere bizonderheden aangaande zijn leven en zeden aan het licht te brengen.
Xlt Vraag. Moet de belijdenis des geloofs en de belofte, d. i. die heilige verbindtenis, door een plechtigen eed en de onderteekening van een formulier bevestigd worden? Antwoord\'. Ie Slotsom. Dit is niet, hetzij overal, hetzij dikwijls, eenvoudig noodzakelijk: ook leert de Apostolische practijk dit niet, ie Omdat in den regel die plechtige belofte, welke voor de gansche kerk, of voor den kerkeraad en vele getuigen afgelegd is, voldoende zou kunnen zijn, vooral, wanneer zij geschiedt aangaande en in de dingen Gods, voor Zijne oogen en in Zijn huis, d. w. z. de kerk. De eed nu is een einde van alle tegen-spreking en is ingevoerd wegens de slechtheid der menschen. 2e Omdat men zoover mogelijk van zich moet houden die slechte gewoonte
ij Vergelijk Deel 2 der Uitgelezen Verhandelingen, tit. over de Wedergeboorte en over de Eenvoud en Huichelarij, waar wij tilt kenmerk, gelijk sommige» meenen, dat het bovenbedoelde verhaal zijn zou, als bedriegelijk aanwijzen.
78
der geestelijken in het pausdom, welke al te lichtzinnig hunne zaak zoeken te bevestigen door het eischen van schrikkelijke vervloekingen en borgstelling der ziel. 3e Omdat het geloovigen eigen is, dat zij onberispelijk, oprecht en eenvoudig zijn gelijk de schapen en duiven. Men moet zich derhalve wachten, dat door die overvloedige voorzorg en overmatige plichtsvervulling datgene, wat hun eigen is, niet eenigermate in twijfel getrokken worde. 2e Slotsom. Het is echter niet eenvoudig ongeoorloofd, dat het geschiede tot overvloediger zekerheid of ter wille van tegenstanders of wegens buitengewone menschelijke slechtheden, bedriegerijen en misleidingen of wegens eenige andere rechtvaardige reden. ie Omdat bij de vernieuwing en herstelling van het heilige verbond iets van dien aard heeft plaats gehad 2 Kron. 15 v. 12, 13, 14 en 15 en Neh. 9 v. 38, en 10 v. 1—31. Waarom zou dit dus in het een of ander geval bij de eerste instelling van het verbond niet kunnen geschieden? 2e Omdat het bekrachtigen van de verklaring en de belofte door een eed bij het doen van de bekentenis en van de belijdenis des geloofs en bij het omhelzen van de kerk en hare zaak, geschieden kan naar het voorbeeld van Paulus 2 Cor. 1 v. 23; Rom. 9 v. 1, En dit voorbeeld hebben, na het verbonden te hebben met het voorbeeld van het volk Gods 2 Kron. 15 en Neh. 9 en 10, de Koning en de aanzienlijken in het Schotsche rijk ten jare 1581, alsmede de Fransche kerken in de Nationale Synode van Alez van het jaar 1619 nagevolgd, in welke synode zij de leer van de Nationale Synode, die gehouden is in Nederland te Dordrecht, tegen de hedendaagsche Pelagianen aannemen en bevestigen. En wederom is dit geschied door de aanzienlijken, de dienaren en het volk van het Schotsche rijk in het jaar 1638 en onlangs in 1643 door de aanzienlijken, de dienaren en het volk in Schotland en Engeland, nadat deze rijken door een plechtig verbond waren vereenigd 1). 3e Omdat niet alleen mondelinge verklaringen
i) Men vergelijke hiermede, wat elders door ons gezegd is over de borgstelling der ziel voor iemands leer en voor zijn zaak en over den eed op een publiek formulier of op de belijdenis der kerk, Deel /// t/i\'r Uitgel. Verh. til, over ilen Eed in zake den Godsdienst.
79
voor de geheele kerk, maar ook als regel vastgestelde onderteekeningen van dienaren, ouderlingen en diakenen bij ons niet zonder reden verlangd worden, zoodat het dus niet dwaas of ongeoorloofd zou zijn, zoo in eenig geval en wegens zooeven genoemde redenen eene onder-teekening van de leden der kerk werd geëischt. 4e Omdat eeden en onderteekeningen bij alle soorten van verbonden en samenkomsten van groot gewicht in gebruik zijn, en waarom zou dit dan ook niet geschieden bij heilige en kerkelijke aangelegenheden, zoo althans de noodzakelijkheid het aldus vordert? Gevolgtrekking. Wij verwerpen hier den eed op de gehoorzaamheid aan den paus, en op het concilie van Trente; bovendien de afzweringen der hervormde leer en kerk ; verder den eed bij onderzoek, den ambtseed en in het kort alle eeden, alle onderteekeningen, waarbij het heilige betrokken is, welke niet geschieden in rechtvaardigheid, waarheid en met oordeel.
XIVraag. Is het beter, dat de candidaten of aannemelingen hunne belijdenis doen door eene aaneengeschakelde rede, of wel, verdient het de voorkeur, dat het geschiede door een onderzoek, en door vragen en antwoorden, zooals in onze kerken het geval is? Antwooid\\ De laatstgenoemde wijze verdient over het algemeen en in den regel de voorkeur; indien er zich echter iemand voordoet, die zelf door eene aaneengeschakelde rede zijne belijdenis kan afleggen en op de tegenwerpingen en navorschingen van anderen een afdoend antwoord kan geven, zoo willen wij hem dit niet misgunnen noch er ons tegen verzetten. En wel, ie omdat er op elke twintig of misschien veertig candidaten nauwelijks een gevonden wordt, die dit op geschikte wijze kan doen. Zoo men candidaten voor de bediening des Woords er toe j^an brengen, het op deze wijze te doen, dan is het voorzeker te prijzen, doch het is iets zeldzaams, dat eenvoudige aannemelingen of toehoorders eene geregelde samenvatting en voorbeelding van gezonde woorden zoo nauwkeurig, duidelijk en methodisch kunnen vormen, laat staan behoorlijk uitspreken. 2e Omdat op deze wijze de meesten en daaronder zelfs de vroomste lieden voor vele jaren, of misschien beter gezegd, voor hun geheele leven noodzakelijk moeten afgeschrikt
8o
en afgehouden worden van de belijdenis des geloofs. Men moet niet zijn best doen, dat de georganiseerde kerken ledig of bijna geheel geene kerken zijn, evenmin als het er van den anderen kant toe mag komen, dat zij eene verzamelplaats van allerlei slag van lieden, een allegaartje en een zwijnenstal of een poel van onwetendheid, lauwheid, huichelarij enz. zijn.
XIIIc Vraag. Moet er niemand worden toegelaten dan alleen zij, die bij het onderzoek en de belijdenis des geloofs op de vragen met hun eigen woorden juist en nauwkeurig kunnen antwoorden? Aut-woord: Nee//. Want gelijk er in het rijk der genade trappen zijn van geloovigen, zoo zijn die er ook van de candidaten, wat betreft hun kennis, geloof, voorzichtigheid, sterkte en andere deugden. Derhalve zullen diegenen, aan welke weinig talenten van kennis of van verklarend vermogen gegeven zijn en die zich toch leerzaam betoonen, voor die gelegenheid met eene oprechte verklaring, gegeven op de meeste of op zeer vele der voorgelegde vragen, door middel van eenvoudige bevestiging of ontkenning, kunnen volstaan.
X/Ve Vraag. Moet de plechtige belijdenis des geloofs, de belofte en de verbindtenis volbracht worden in de algemeene bijeenkomst of gewone vergadering der kerk; óf in en voor den kerkeraad; óf wel afzonderlijk door middel van een dienaar, die hetzij voor een bepaald geval nl. voor de aanneming van een bepaald persoon, hetzij tijdelijk voor de aanneming van allen hetzij voortdurend tot het verrichten van deze werkzaamheden door de kerk is afgevaardigd? Antwoord: i e Slotsom. Dat het openlijk en in tegenwoordigheid der geheele kerk plaats vinde, hetzij na de belijdenispredikatie, hetzij na de voorbereidingspredikatie, hetzij in eene andere bijeenkomst, die bepaaldelijk hiervoor is bijeengeroepen, schijnt le het meest met de handelwijze van Christus, Johannes den Dooper en der Apostelen overeen te komen, Matth. 3, Marcus 1, Joh. 1, Hand. 2, 4, 13, 16 en 17. De 2e reden, om het op deze wijze te doen geschieden, is, dat het zoo meer overeenkomt met de vrijheid en de macht, welke, als eene bezitting waarop de geheele kerk gelijktijdig recht heeft, door Christus haar is toegestaan;
8i
welke n.1. hierin bestaat, dat deze en dergelijke handelingen niet plaats vinden zonder haar medeweten en goedkeuring i). De 3e reden is, dat de volwassenen, die zullen toegelaten worden tot den doop en de gemeenschap der kerk, in de meeste kerken (vooral in die plaatsen, waar zich de secte der Wederdoopers zeer heeft uit gebreid) openlijk in tegenwoordigheid der geheele kerk worden onderzocht en hun geloof belijden. De 4e reden is, dat het van den beginne in de meeste Nederlandsche kerken aldus pleegt te geschieden, en ik herinner mij, dat die oude en vroegste gewoonte nog voor eenige jaren ergens in zwang was. Hoe het tegenwoordig in de Duitsche, Fransche en andere kerken toegaat, is mij nu minder bekend ei; de tijd ontbreekt mij dit te onderzoeken. Dat deze gewoonte echter althans in de oude kerk reeds sedert den tijd der Apostelen gedurende eenige eeuwen is in acht genomen, staat vast uit datgene, wat wij opgeteekend vinden aangaande het gebruik en de wijze van te doopen in de oudheid. 2) De 5e reden eindelijk is deze, dat het voor allen van belang is, de broeders en leden te leeren kennen en bijgevolg ook kennis te nemen van hunne belijdenis en aanneming. 2e Slotsom Waar de eene of andere kerk om redenen, gelegen in omstandigheden van plaats, tijd en personen, gewoon is, deze plechtige handeling in de kerkeraadskamer in tegenwoordigheid van den kerke-raad te voltrekken, daar moet hiervoor althans gezorgd worden, dat zij geschiede met open deuren en dat zoowel voor de catechisanten als voor de geloovigen de toegang vrij staat, en dit om de volgende redenen: ie Omdat alsdan de overeenkomst des te grooter is met eene belijdenis in tegenwoordigheid eener kerkelijke vergadering, die openlijk hiertoe verzameld is. 2e Omdat door dit ééne werk velen zullen kunnen opgebouwd worden en God door de gebeden en dankzeggingen van velen verheerlijkt en de zaak der kerk bevorderd kan
1) Men vergelijke de volgende Verhand, over de macht en regeering der kerken.
2) De hierin belangstellenden kunnen, om eenig begrip en eenig overzicht van die dingen tekrijgen, eens yosejthns Vicecomes Of er Je gebruiken hij den Dao/, Boek 2, Hoofdsl. 24 vergelijken.
6
82
worden. 3e Omdat dan die toehoorders, welke catechisanten en aan-nemelingen zijn, zich des te beter en zekerder voorbereiden tot de belijdenis van hun geloof, die zij te eeniger tijd of aanstonds zullen afleggen. En dit is bij ons verreweg de rijkste vrucht daarvan. Heden nog houdt, naar ik meen, deze gewoonte in de Nederlandsche kerken stand, althans van vele, waaronder ook deze onze kerk, [d. i. die van Utrecht] weet ik het zeker. 3e Slotsom. Waar de kerk om dringende redenen herhaaldelijk er in toegeeft, in het huis van den dienaar, of afgezonderd van den kerkeraad en den toevloed van toehoorders in de kerkeraadskamer door middel van een of meer afgevaardigde dienaren met een paar ouderlingen het onderzoek en de plechtige verbindtenis te volbrengen (iets, wat echter, als het regelmatig en gemeenlijk geschieden zou, als verkeerd moet vermeden worden, opdat de voortreffelijker wijze, die zoo even beschreven is, niet geheel en al tot ongewoonte worde, of de aanneming des persoons Jac. 2 haren troon bevestige), daar moet vooral hiervoor gezorgd worden, dat er een paar ouderlingen bij tegenwoordig zijn, en wel ie hierom, omdat de ouderlingen een deel uitmaken van den afvaardigenden kerkeraad, niet minder dan de dienaren. 2« Omdat het de taak van de ouderlingen is, acht te geven op de ongeschonden zuiverheid van leer zoowel van den dienaar, die het onderzoek instelt, als van het lid of van den catechisant, die belijdenis des geloofs aflegt i). 3e Omdathetde taak der ouderlingen is, acht te geven op de regeering en de goede gesteldheid der kerk. Een goed deel toch van de regeering bestaat in de verkiezing en de aanneming van leden. 4U Omdat men op deze wijze alle oligarchische begrippen, die misschien omtrent de regeering der kerk hetzij bij de dienaren of bij de leden mochten ontstaan, door deze behandeling en uitoefening der regeering zelve tegengaat. 5*-\' Omdat het ook de ouderlingen zijn, aan wier zorg en toezicht en verschillende handelingen van huisbezoek, berisping en vermaning zij, die als leden der kerk gesteld eu aangenomen zijn, in het bizonder worden toevertrouwd,
i) Hierover zie men de Nederlandsche Liturgie) tit, over de Bevestiging van ouderlingen.
83
zoodat het ook billijk is, dat de ouderlingen bij de eerste toelating nauwlettend toezien, wat voor lieden wel aan hun toezicht worden toevertrouwd of zullen toevertrouwd worden. Het is toch schandelijker een gastvriend uit zijn huis te werpen dan iemand er als gastvriend niet in toe te laten. 6e Omdat men nauwelijks kan zien, op welke wijze in éénen dienaar dat meervoudige begrip kan gered worden, hetwelk de onzen met betrekking tot de regeering der kerk en tot de onderdeden daarvan zoo streng vasthouden tegenover de voorstanders der hiërarchie, waarbij zij steunen op 2 Cor. 2 enMatth. 18 i). Ook zou dit een wapen in de handen der ijveraars voor een hiërarchisch bestuur zijn, welke ons voor de voeten zouden kunnen werpen, dat bij de ijveraars voor de Presbyteriaansche lepr de kerk niet minder in één dienaar opging, n.1. door afvaardiging of overdracht, en dat nog wel, waar het eene voorname bestuurshandeling gold, dan zij bij de voorstanders der hiërarchie opgaat in één bisschop. Hoezeer wij nu bekennen, dat hier een groot verschil zou zijn, zoo dient men nochtans toe te zien, opdat niet de bedoelde overeenkomst, hoe groot of gering die dan ook moge zijn, ongemerkt in een vollediger navolging der hiërarchie ontaarde. ^ Omdat op deze wijze zeer ver, zoo niet geheel en al, afgeweken wordt van de apostolische practijk, waarin deze dingen in tegenwoordigheid van vele getuigen (i Tim. 6 v. 12) of van de geheele kerk (gelijk boven gezegd is) plaats vonden. Omdat het zoomin voor den dienaar als voor dat lid voldoende veilig schijnt, eene zaak van zoo groot gewicht zonder getuigen op zich te nemen. Men denke zich b. v. het geval, dat de dienaar de belijdenis van dat lid lasterlijk vertolkt, of dat het lid later ontkent deze of gene deden van de orthodoxe geloofsleer te hebben beleden, dan zal voorzeker voor beiden hieruit eene niet geringe moeielijkheid ontstaan. Immers, in den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan. 9e Omdat het bovendien een stilzwijgende aanval schijnt te zijn tegen het ambt der ouderlingen en het zou zijn, alsof hunne bediening
l) Men vergelijke Deel 2, waar over c/e ouderlingen gehandeld wedt en de daar aangehaalde schrijvers.
84
nutteloos ware en door onze kerken kon worden gemist, niettegenstaande wij aangetoond hebben, dat het tegengestelde waar is i). lOe En eindelijk, omdat, zoo deze gewoonte in het verloop des tijds vasten voet kreeg, het zou schijnen, te eeniger tijd aanleiding te zullen geven tot de aanstelling van een dienaar voor de biecht, gelijk in de oude kerk het afnemen van de kerkelijke belijdenis der boetelingen is overgegaan op een biechtvader voor de boetelingen, waaruit eindelijk de oorbiecht is voortgekomen. Men zie onder de pausgezinde tegenstanders over de oorbiecht Chemnitz, onderz. over de biecht. Deel 2.
I) NI. in Deel 2, til. over de ouderlingen.
VRAGEN OVER DE VEREIS CHTEN DER GEORGANISEERDE, ZICHTBARE KERK.
Vragen der derde afdeeling zijn: h Vraag. Of allen, die de kerk constitueeren of in hare gemeenschap worden opgenomen, moeten uitmunten door uitnemendheid van kennis? Antwoord. ie. Krachtens het goddelijk voorschrift moet worden vastgehouden, dat allen van overvloedige kennis moeten voorzien zijn. Phil. I v. 9, 10; i Cor. 2 v. 15; Hebr. 6 v. I. — 2«=. Die eisch mag hier echter niet worden opgevat als eene voorwaarde, zoodat nu allen, die van zoodanige kennis ontbloot zijn, zouden worden uitgesloten. En wel 1. Omdat de kerk is het huis Gods en de school van Christus, de pilaar en vastigheid der waarheid, de plaats, waar onkundigen worden onderwezen en de kinderen met melk gevoed. 1 Cor. 3 v. 1; 1 Petr. 2 v. 1; Hebr. 5 v. 12. 2. Omdat de volmaakten in de kerk duidelijk onderscheiden worden van anderen, die niet volmaakt zijn. Phil. 3 v. 15; Hebr. 5 v. 13, 14. 3. Omdat verdraagzaamheid jegens de onkundigen, ja zelfs jegens de dwalenden wordt voorgeschreven. Phil. 3 v. 15; Hebr. 5 v. 11, 12. — 3e. Het minste derhalve is op zichzelf voldoende; dat wil zeggen, gelijk wat het geloof betreft een mostaardzaad voldoende is (Matth. 17, waarover men zie het tractaat van Perkins), zoo is, wat de kennis betreft, voldoendé eene in eigene woorden gegeven duidelijke verklaring van het voorbeeld der gezonde woorden en der beginselen en der melk (2 Tim. 1 v. 13; Hebr. 6 v. 2, 3; 1 Cor. 3 v. 2); óf althans eene verklaring van instemming, als door anderen deze dingen verklaard en voorgesteld
86
worden, hetzij door hen, die mede belijdenis des geloofs afleggen, hetzij door de dienaren. — 4e. Ik zou dus niet willen, dat onder de onvoorwaardelijke eischen werd opgenomen de kennis van alle deelen van het kerkrecht of van den bestuursvorm der kerk of van de kerkelijke bepalingen, hetzij in hunne stellingen of veronderstellingen, hetzij theoretisch^ hetzij practisch. En het dunkt mij, dat dit verkeerdelijk gedaan wordt door hen, die de eischen voor opname in het kerkverband zoo hoog stellen. Doch hierover later. Want niet allen hebben zin voor bestuur, en niet aan allen in gelijke mate behoort de beoordeeling en verzorging van de kerkelijke zaken en godsdienstige zaken en belangen, evenmin als van allen die onder de burgers van eenen staat zullen opgenomen worden eene juiste en nauwkeurige kennis geëischt wordt van de wetten en vrijheden van dien staat; noch van allen, die op één schip zullen varen, die bekwaamheid en inspanning, welke van de scheepskapiteins en matrozen geeischt worden. Indien men dit stelt onder de eischen voor het ambt van dienaar, zullen we zeker geenszins van eeu ander gevoelen zijn.
//lt;-■ Viaag. Of allen waarlijk, heilig moeten zijn? Antivoord: ic. Niemand twijfelt, dat allen hiertoe in hun geweten voor God gehouden zijn. Hebr. 12 v. 4. — 2«. Ook moet de kerk niet opnemen of dulden hen, die door woord of wandel openlijk toonen onheiligen te zijn en grove huichelaars. Matth. 7 v. 6; 1 Cor. 5 v. 7, 11 ; Openb. 2 v. 2. — 3e. Veel minder nog moet zij hen opnemen, die zich in dit leven eene volmaakte heiligheid toeschrijven. Hoeren en tollenaars toch zullen eerder dan de zoodanigen het koninkrijk Gods ingaan. Maar dit behoort tot den controvers over de volmaaktheid der werken. 4c. Over hetgeen verborgen is oordeelt de kerk niet: evenmin als zij in twijfelachtige en verdachte zaken bevooroordeeld mag zijn overeenkomstig de voorschriften der liefde. 1 Cor. 13 v. 4 en 5 vergeleken met 1 I\'etr. 4 v. 8. — 5e. Vlekken en vele zwakheden, die ze niet geschikt kan wegnemen, verdraagt ze met vrome en voorzichtige oogluiking, Gal. 5 v. 2, 5, ja zelfs laat ze somtijds toe, dat het onkruid groeit, totdat de dag het openbaart (1 Cor. 3), en de Heere den
87
huichelaars het masker aftrekt en tie bedriegelijke tongen uitroeit (Psalm 12).
De gronden hiervoor zijn deze: r. Aldus doende volgt de kerk God na, die zooveel in de zijnen verdraagt; en den Zaligmaker Christus, die in zijne discipelen zoovele onvolmaaktheden in geloof en liefde verdragen heeft; en de apostelen, blijkens de brieven aan de Corinthiërs en de Galaten. 2. Omdat de Heere zulks beveelt, l\'hil. 3 v. 18; Hebr. 5 v. 2. — 3. Omdat de H. Schrift onderscheid maakt tusschen de volwassenen of mannen en de kinderkens, de volmaakten of geestelijken en de vleeschelijken, de eerstbeginnenden en de meer gevorderden, de oudgedienden of bevestigden of sterken en de nieuwelingen. 1 Cor. 2 v. 6; Gal. 6 v. 12; Thes. 3 v. 15, 16; Hebr. 5 v. 11, 12; 13; 1 Cor. 3 v. 1, 2; 1 Petr. 2 v. 1; 1 Joh. 2 v. 20, 27 vergeleken met 1 Tim 3 v. 6. — 4. Omdat uit de tegenovergestelde bewering deze ongerijmdheid zou volgen, dat alle leden van het lichaam van Christus in alles gelijk zijn, en dat de gaven van alle geloovigen gelijk zijn, wat strijdt met 1 Cor. 12 v. 20—31; Rom. 12 v. 4, 5, 6. — 5. Omdat, indien dit gevoelen en deze practijk veld won, ik volstrekt niet anders zie, dan dat men het zou moeten gewonnen geven aan de Novatianen, Donatis-ten en hedendaagsche wederdoopers; en dat men tegelijkertijd zou moeten verwerpen of ontzenuwen de uitnemende bewijsgronden der rechtzin • nigen tegen deze secten, welke men kan nazien. — 6. Omdat op deze wijze niet zoozeer christelijke kerken naar het voorbeeld der apostolische kerken zouden schijnen gesticht te .worden, maar veel meer zekere vereenigingen van meer volmaakte richting en meer verheven graad, van gelijken aard als men voeger ook scheen te bedoelen, namelijk de vereenigingen der asceten en vervolgens der monniken. 1)
Ilh Vraag: Of ze over godgeleerde en kerkelijke zaken allen in alles hetzelfde gevoelen moeten hebben? Antwoord: ie. Alle geloovigen iecl^r naar zijn vermogen, eveneens alle kerken en alle kerkedienaren moeten
l) Over deze ingebeelde wijsheid en eigenwiiligen godsdienst zie men deel 2, titel over het monnikenwezen.
88
dit trachten tc bevorderen, dat al hunne geloovigen en toehoorders hetzelfde gevoelen en hetzelfde spreken. I Cor. i v. 10. Dit is de eisch van het voorschrift. 2e. Maar wij ontkennen, dat hier de eisch als voorwaarde bestaat: zoodat hij van de gemeenschap zou moeten worden uitgesloten, die in ecne feitelijke quaestie of in een ritueel of kerkrechtelijk geschilpunt of ook in eenig dogmatisch vraagstuk of in de uitlegging van eenen tekst van de anderen verschilt, i. Dewijl hij, die op deze nauwkeurigheid zoo aandringt, in strijd geraakt met Christus en de Apostelen, en hun leer en practijk geenszins onduidelijk veroordeelt. Zie i Cor. 3 v. 1, 2; Phil. 3 v. 15, 16; Hebr. 5 v. 2, 12, 13. — 2. Omdat daardoor het onderscheid wordt opgeheven tusschen eerstbeginnenden, gevorderden en volmaakten. 3. Omdat alle verdraagzaamheid, vrijheid van propheteeren en vereeniging der kerken daardoor wordt weggenomen. Hierover moet op de daartoe bestemde plaats, deel 3, opzettelijk gehandeld wordt.
/Ve Vraag. Of allen, die zullen worden opgenomen, moeten zijn van eencrlei karakter, ijver, neiging, en inzonderheid begaafd met eene welwillende en zachte natuur in de onderlinge broederlijke gemeenschap en omgang? Antwoord. ie. Het is wel wenschelijk, dat ze zoo zijn, en allen zijn hiertoe elk naar zijne mate in hun geweten gehouden. 2e. Men moet echter niet verwachten, dat het zoo zal zijn. Veel minder moet dit als volstrekte noodzakelijkheid gesteld worden, zoodat uitsluiting uit de kerkelijke gemeenschap volgen zou, indien hieraan niet beantwoord werd. 1. Dewijl de kring van Christus apostelen zonder die vooraf gevorderde volmaaktheid werd ingesteld. 2. Onze Zaligmaker zelf verdroeg hen, hoewel zij allerminst van gelijke gezindheid waren; want onder hen had hij Johannes als den meest beminnelijke het meeste lief. 2e.O mdat de apostelen deze voorwaarde niet stelden, en naar haar vervulling ook geen onderzoek konden instellen, toen zij kerken stichtten, vooral als zij 3000 op één dag opnamen. Zie Hand. 2. — 3e. Omdat de apostel niemand onder de dienaren van gelijke gezindheid als Timotheus had. Phil. 2 v. 20. Toch sloot hij de overigen van de gemeenschap van het ambt, of zelfs van de gemeenschap der kerk niet
89
uit. Want dat er ongelijkheid van aanleg, ijver en karakter tusschen hem en de andere Apostelen, Evangelisten en dienaren geweest is schijnt toch geenszins onduidelijk uit Gal. I en 2; 2 Cor. 11 en Hebr. 15 besloten te worden. 4°. Dewijl dezelfde apostel wist, dat er ongeschikte menschen in de kerken waren, welke hij verdroeg, God biddend om van hen bevrijd \' te worden, 2 Thess. 3 v. 2 vergel. met Phil. 3 v. 18, 19. — 51-quot;. Dewijl dit wel de eisch is eener meer innige samenbinding en der christelijke vriendschap, gelijk de zedeleeraars en godgeleerden in het hoofdstuk over de vriendschap leeren; niet echter der broederschap of der kerkelijke gemeenschap. En nu zijn vriendschap en broederschap noch tegenstellingen noch hetzelfde, gelijk vaststaat uit het voorbeeld van Christus, die onder de aposteleh Johannes lief had, terwijl ze allen broeders waren. Math. 23 v. 8 en uit het voorbeeld van Paulus Phil. 2 v. 20. — 6e. Omdat deze ongerijmdheid anders schijnt te volgen, dat alle zwartgallige, stuursche, ongezellige karakters uit de kerkelijke gemeenschap zouden moeten geweerd worden, en alleen de joviale en gezellige menschen moesten worden aangenomen. Bovendien zou dan volmaaktheid in maatschappelijke deugden geëischt moeten worden in allen, die tot de gemeenschap van \'t heilige zullen worden toegelaten. Het staat vast, dat dit zoo dwaas mogelijk zou zijn. Want zij die allerminst beleefdheid, vriendelijkheid, gemakkelijkheid in den omgang, bevalligheid in manieren, hoffelijkheid en welwillendheid bezitten, munten vaak uit door andere gaven en oefeningen\', die de wonderlijke en veelvuldige wijsheid tot de eere Gods en het heil der kerk Gods weet te gebruiken.
Fe Vraag. Moet men elkander, voor men in kerkelijke gemeenschap treedt, of iemand in de gemeenschap opneemt, kennen, elkanders zedelijk gedrag onderzocht en doorzien hebben, en moet men te dien einde gedurende eenigen tijd samenkomsten tot oefening der vroomheid\' en vertrouwelijken omgang gehad hebben? Antwoord, ie. Het is nuttiggt; ja zelfs noodig, dat de kerk nauwlettend acht geeft op degenen, die zij in hare gemeenschap zal opnemen; en te dien einde moet zij, waar oorzaak van twijfel aanwezig is, nauwkeurig naar leven en leer dergenen.
9°
die opneming begeeren, onderzoeken bij de buren en anderen, die hen kennen. En indien zij van elders aankomen, moet de kerk hen niet opnemen dan op vertoon van geteekende bewijsstukken en openbare getuigschriften der kerken; óf, indien wegens vervolgingen en andere moeielijkheden geschreven getuigschriften niet vertoond kunnen worden, moeten ten minste eerst getuigen uit de geloovigen gehoord worden. En dit wordt algemeen in onze kerken in acht genomen. Maar indien van deze dingen wegens den te grooten afstand der plaatsen of om andere redenen niets verschaft kan worden, kunnen zij na behoorlijk onderzoek naar vroomheid en zuiverheid van handel en wandel met anderen, die opneming begeeren, op nieuw zich aan een onderzoek onderwerpen, en eene geloofsbelijdenis afleggen.
2e. Uitermate nuttig is het, dat de leden der kerk elkander zooveel mogelijk kennen, opdat ze aldus op elkander acht nemen tot opscherping der liefde en der goede werken. Hebr. 10. En dit geschiedt altijd of meestal in minder talrijke kerken,
3e. Maar dat in grootere en meer talrijke kerken alle geloovigen ieder afzonderlijk nauwkeurig en in vértrouvvden omgang de nieuwelingen doorgrond hebben, voor zij worden toegelaten, is nauwelijks mogelijk en ook niet noodzakelijk. Dit wordt bewezen door depractijk der apostelen. Want in de opneming van leden, en dat wel in zoo grooten getale, in de kerken van Jeruzalem, Corinthe, Antiochië, Rome enz. is dit toen niet in acht genomen, en kon dit ook niet.
4e. Het is niet noodig, dat de getuigschriften en bewijsstukken, waardoor de nieuwelingen ieder afzonderlijk aan den kerkeraad hunne zuiverheid in leer en leven bewezen hebben openbaar in de geheele vergadering der kerk worden vertoond en onderzocht. Het is voldoende, dat de namen der candidaten in de kerk bekend gemaakt worden, na de belijdenispredikatie of de voorbereidingspredikatie (gelijk op sommige plaatsen pleegt te geschieden); of dat ten minste aan elk en een iegelijk lid der kerk de toegang openstaat om de belijdenis aan te hoo-ren, welke zij in een vertrek der kerk in tegenwoordigheid des kerke-raads afleggen, en dat de gevraagde en bijgebrachte getuigen aldaar
9\'
openlijk hun naam opgevende gehoord worden, opdat hunne namen te gelijk met de namen der candidaten in het lidmatenboek worden ingevuld. Dit laatste heeft plaats in onze meer talrijke kerken. Dan toch zullen, indien door de getuigen of nieuwelingen de kerkeraad bedrogen werd, of de kerkeraad zelf onwaardigen onder het ledental heeft ingeschreven, de geloovigen tijdig genoeg tusschenbeicle kunnen treden en dit bewerken, dat na meer nauwkeurig onderzoek der zaak geen onwaardigen tot het avondmaal worden toegelaten.
Vh Vraag. Is het noodig, dat geloovigen, die van elders aankomen, voor zij opnieuw worden toegelaten, aan eene nieuwe onderzoeking onderworpen, op dezelfde wijze, met denzelfden graad van nauwkeurigheid en met dezelfde eischen als andere nffeuwelingen. Antwoord: Neen. ie. Omdat hier volgens de gewoonte der Neder-duitsche en Fransche kerken getuigschriften voldoende zijn. Dit zou even erg wezen, als dat dienaren, die ergens 30 of 40 jaren in de bediening des Woords gearbeid hadden, en dit met de noodige getuigschriften bewezen, op nieuw als studenten in de theologie, die pas uit de schoolsche lucht der academie komen, onderzocht werden: en dat wel, waar geen grond voor twijfel aanwezig was.
2«. Omdat het al te streng, zoo niet dwaas zou zijn, zoodanige geloovigen te onderwerpen aan eene nieuwe onderzoeking en aan vragen en bedenkingen, die hun zouden worden voorgesteld, niet slechts door de dienaren, maar ook door ieder, die maar wilde, uit de schare der ge-menteleden. Want om deze redenen zou een groot zoo niet verreweg het grootste deel der van elders komende geloovigen het aanzoek om gemeenschap vaak uitstellen, ja zouden sommigen zelfs door dat uitstel tot afstel komen. Andere ongeriefelijkheden zal ik nu voorbijgaan.
F7/e Vraag. Behoort het tot het wezen der kerk, of is het althans een noodzakelijk vereischte, dat alle leden der kerk zooveel mogelijllt; op ééne plaats vereenigd zijn? Antwoord, ie. Gelijk dit het gemakkelijkst is, zoo moet dit ook in \'t algemeen worden in acht genomen, dat de kerk worde geconstitueerd uit leden, die zoo dicht mogelijk bij elkander in ééne plaats hetzij dorp of stad wonen. 1. Omdat de practijk
92
der apostolische kerk dit aanbeveelt. Immers lezen wij niet, dat de inwoners van Kenchrea waren ingeschreven in de kerk van de Corin-thiërs of omgekeerd. 2. Omdat men op die manier wederkeerig het gemakkelijkst op elkander kan toezien tot opscherping der liefde en der goede werken (Hcbr. 10), en anderen een voorbeeld geven of aan anderen een voorbeeld kan nemen. 3. Omdat men op die wijze elkander het best kan aansporen, troosten en opbouwen (1 Thess. 5 v. II, 14), en dat wel dagelijks (Hebr. 3 v. 13). — 2«. Het moet daarom niet goedgekeurd worden, indien zonder wettige noodzakelijkheid burgers, bijvoorbeeld van deze onze stad, met voorbijgang van de eigen kerk, zich lieten inschrijven in de kerk eener naburige stad of van het naastbijgelegen dorp en omgekeerd. 1. Omdat dit lastig is, en het te kort schiet in de meeste zaken, die op de kerkelijke gemeenschap betrekking hebben, tot genot waarvan de Heere voornamelijk de kerkelijke verzamelingen en vereenigingen heeft ingesteld 1). 2. Omdat dit voortbrengt verwarringen, twisten en geschillen der leden en der kerken onderling; de goede orde, de eendracht en de kracht en werking der kerkelijke tucht wegneemt. Hier komt het vandaan, dat de oude canones den overgang tot en het hooger beroep op andere kerken zoowel van de private geloovigen als van de geestelijken verboden hebben. Men zie daarover de canones der Afrikaansche kerk, 23, 28, 54, 105, 123, inzonderheid de canones en handelingen van het concilie van Carthago, gehouden in het jaar 419, door welke synode een synodale brief gericht werd aan Bonifacius, bisschop der kerk van Rome, waarin wordt aangetoond, dat het niet geoorloofd is van de overzeesche afrikaansche kerk in hooger beroep te komen bij den stoel van Rome. De constituties, de besluiten en de practijk der Neder-landsche kerken verbieden absoluut eiken overgang van de eene kerk tot de andere, hetzij van dezelfde of van verschillende taal, zonder verlof en ontslag of een schriftelijk getuigenis van de kerk van welke men lid is. Wat inzonderheid plaats heeft met het oog op die over-
l) Zie hetgeen gezegd is bij de voorafgaande vraag.
93
loopers, op wie de plicht van berisping of tucht wordt uitgeoefend. 3. Omdat dit een scheurziek en sectarisch karakter draagt, of naar vleeschelijke nieuwsgierigheid, zelfgenoegzaamheid, trotschheid en hoogmoed riekt, op gelijke wijze ongeveer als het was in de kerk van Corinthe. 1 Cor. 1 v. 12 en 1 Cor. 3 v. 3. — 3e. En indien in eenig geval om dringende redenen aan een of meer moet worden toegestaan, dat ze zich laten inschrijven in een kerk buiten de plaats hunner inwoning, of van te voren in die kerk ingeschreven zijnde in haar blijven, hoewel ze naar eene naburige stad of een naburig dorp verhuisd zijn, dan is het noodig, dat dit geschiedt in overleg met en onder toestemming van elke van beide kerken. — 4e. Het is eene geheel andere zaak, wanneer de kerken niet van ééne belijdenis^zijn, of ten minste zóó verschillen, dat de voordeelen van plaatselijke tegenwoordigheid en plaatselijk samenwonen moeten worden achtergesteld bij de rust van het geweten en een zekerder en meerder stichting. Hierover moet elders opzettelijk gehandeld worden, en beneden zullen we dit punt ter loops aanstippen. — 5e. Waar de geloovigen van de voordeden van samenwoning in elkanders nabijheid geen gebruik kunnen maken, moeten de grenzen dier kerk geen maatstaf van afpaling ziji^zoodat allen die buiten het kerspel, de stad of het dorp wonen, van haar zouden worden uitgesloten, evenmin als in haar moeten worden samen gevoegd zoo-velen als daar wonen. 1. Omdat de plaatselijke aangelegenheid en de burgerlijke samenwoning voor de kerk iets uitwendigs en bijkomstigs is, en derhalve niet behoort tot hare gesteldheid en haar wezen. 2. Omdat dit niet is een noodzakelijk vereischte. Immers de handelingen van kerkelijke gemeenschap kunnen toch tusschen die leden worden uitgeoefend, al is het niet op zoo spoedige, overvloedige, gemakkelijke en uitnemende wijze. Het meer en minder toch wijzigt de soort niet. 3. Omdat de toestand eener heimelijke en door vervolgingen,\' ketterijen en scheuringen in beroering gebrachte kerk meestal iets van dien aard vereischt. 4. Omdat het gemis van andere geloovigen of kerken en dienaren in de meeste plaatsen den geloovigen niets anders overlaat, dan dat zij tot dit noodschip hun toevlucht nemen, daar ze
94
toch van de gewone scheepsgelegenheid geen gebruik kunnen maken.
Vlik Vraag. Kan eenige kerk door politiek gezag of staatswetten gedwongen worden, om eenig lid op te nemen, dat zij beweert om der conscientie wille niet te kunnen opnemen, of om die allen zonder onderscheid op te nemen, die wettig zijn toegelaten tot het getal van de burgers dier stad ? Antwoord. Eene christelijke overheid moet dat aan de kerk niet opleggen; en de kerk, indien het al wordt opgelegd, moet dit niet dulden, maar den gulden regel van Hand. 4 en 5 voorhouden, »dat men Gode meer moet gehoorzaam zijn dan den menschen.quot;
/A\'e Vraag. Of de kerkelijke verbinding, waarvan wij boven melding gemaakt hebben, noodig is? Antwoord. Over deze zaak bestaat tegenwoordig tusschen sommigen geschil. Ons dunkt echter, dat de uiteen-loopende gevoelens gemakkelijk tot overeenstemming kunnen gebracht worden, indien maar gemaakt worden drie onderscheidingen, van welke de eerste is de onderscheiding tusschen het meer en het minder in uitwendige gestalte naar buiten treden (explicitum). Evenals wij een onderscheid maken tusschen de kerk van Christus, die op deze aarde meer, en die welke op deze aarde minder waarneembaar of zichtbaar is. Want gelijk niet kan worden aangenomen, dat de katholieke kerk oji deze aarde volstrekt, geheel, overal en bij allen, naar al hare deelen, naar hare gehcele gestalte en inrichting onzichtbaar is; of dat het ware geloof in het hart en den mond der geloovigen geheel en volstrektelijk als onder bedekselen wegschuilt (esse implisitam); zoo kan ook niet worden aangenomen, dat de kerkelijke verbinding, wat de volwassenen betreft, in eene bijzondere en georganiseerde kerk eenvoudig en geheel voor het oog verborgen (implicitum) is.
De tweede onderscheiding is die tusschen de algemeene en tot het wezen behoorende eigenschappen eenerzijds, en de bijkomstigheden, de toevallige zaken, en bizonderheden der verbindtenis anderzijds; waarvan de eerste tot het wezen, de laatste tot het welwezen, ja eenige soms tot het overtollige en overbodige behooren. De verbindtenis, en wel eene, die meer of minder door uitwendige gestalte zichtbaar is, mag, wat
95
het wezen en de zaak op zich zelf beschouwd, betreft, bij goed georganiseerde of gereformeerde kerken niet ontbreken, Indien ergens eene gebrekkigheid is of tot nog toe geweest is, moet deze worden verholpen, op zijn minst genomen naar het voorbeeld der Fransche en Nederduitsche kerken. Evenals de Fransche, Hollandsche en andere Gereformeerden de kerken, die ergens zonder kerkelijke tucht en censuur bestaan (zij, die de strijdschriften over de Excommunkatic van Beza et Erastus gelezen hebben, weten, welke kerken ik bedoel) niet van de lijst der Gereformeerde kerken schrappen, maar toch hunne gebrekkigheid in dezen deele niet goedkeuren, noch er voor strijden met vele woorden tegen hen, die op betere dingen aandringen. Zoo men vraagt, welke de bijkomstigheden en toevallige bestanddeelen of die, welke tot het welwezen behooren wel zijn, wijs ik die hier in het kort aan: ie. Dat zij die toegelaten zullen worden zelve in tegenwoordigheid der geheele kerkelijke vergadering de geloofsbelijdenis afleggen, en in het verband der kerk treden. Hierover hebben wij vroeger in hoofdstuk 3 gesproken. 2e. Dat zij de belijdenis van hun geloof en de verklaring van hun toetreden tot het kerkverband afleggen in een door hen zelf gemaakte en aaneengeschakelde rede, en die belijdenis bovendien bij geschrifte en door handteekening en ook met eede bevestigen. Hierover is boven gehandeld. 3e. Dat de aannemelingen eerst privaat onderzocht worden voor zij worden toegelaten tot de publieke belijdenis des geloofs in tegenwoordigheid der gemeente. Het is veel beter en veiliger dit te doen, opdat niet de toetredenden afwijzing ondervinden wegens onwetendheid. En dit is aldus gebruik in de best georganiseerde kerken ten onzent. Echter is het niet een essentieel of noodzakelijk vereischte; want het kan worden nagelaten wanneer iemands kennis aan een der dienaren of ouderlingen genoegzaam en overvloedig gebleken is. 4e. Dat zij, die tot de kerkgemeenschap zullen worden\' toegelaten, eerst door een bijzonder en gemeenzaam verkeer aan andere leden der kerk meer van nabij bekend worden, opdat die zouden kunnen getuigen, dat zij niet zijn dwazen, lastigen aanmatigenden heerschzuchtigen, huichelaars en veinzaards in alle dingen, van wie
96
twisten, verwarringen, scheuringen en ergernissen schijnen gevreesd te moeten worden. Dat die overvloedige voorzorg overal worde aangewend kan gemakkelijker gewenscht dan verwacht worden. Intusschen zouden we haar niet als overal geldige en volstrekt noodzakelijke voorwaarde willen toelaten, zoodat uitsluiting van de gemeenschap bij niet vervulling dier voorwaarde het gevolg zou zijn, hoezeer overigens voortreffelijkheid in leer en leven de toelating tot de gemeenschap vorderen zoude. 5e. Dat hij, die zal toegelaten worden, de kerkelijke gemeenschap en de opname in het kerkverband zelf moet verlangen en begeeren, en dit zijn verlangen aan een der ouderlingen kenbaar maken. En indien men dit dan zóó verstaat, dat de catechumeen of aannemeling het eerst uit eigen inzicht en eigener beweging zich moet aanbieden, verwijs ik dit in elk geval tot het overbodige en overmatige. Hoe? Zouden de dralenden en zij, die naar niets van dien aard verlangen, niet moeten worden opgewekt, gelokt, overgehaald, op geestelijke wijze in het nauw gebracht en als visschen in een fuik tijdig en ontijdig gelokt? Dit te doen leeren ons de Apostel in de brieven aan Timotheus en Titus en de schrijvers over het ambt van den Evangeliedienaar, en de onder de Hollanders als man der practijk uitmuntende Willem Teelinck in zijn »Noodzakelijk betoogquot; en de practijk van alle goed georganiseerde kerken. Er zijn nog andere voorwaarden of vereischten van het verbond, die niet zoozeer bijkomstig zijn, als wel overvloedig, zoo niet tegenstrijdig. ie. Dat men de wijze zijner bekeering verhale, hetwelk wij boven reeds kortelijk in afkeurenden zin hebben aangestipt. 2e. Dat alle leden der kerk tegen dit verhaal en deze geloofsbelijdenis hunne bedenkingen en tegenwerpingen te berde brengen, waardoor, indien hij naar hun wenschen oordeel niet voldoet, zijne opneming in het kerkverband en in de kerkelijke gemeenschap zou worden uitgesteld. Het is er zoover van verwijderd, dat dit een overal geldige en algemeene eisch behoort te zijn, dat het zelfs niet weinig gevaarlijk, zoo niet dwaas schijnt te zijn. Zoo ergens een Doctor in de theologie of een dienaar moest worden onderzocht, zou ik in zoodanige wijze, ja in een zelfs nog strengere wijze van onderzoek gemakkelijk toestemmen. Vergelijk, wat wij boven
97
gezegd hebben. 3«=. Dat het verband met de kerk niet worde losgemaakt zonder de toestemming dier kerk. Hier moet men onderscheiden de onmiddellijke van de middellijke losmaking, die namelijk het gevolg zijnde van iets anders hiermede gepaard gaat. Deze heeft plaats, wanneer iemand naar eigen goedvinden besloten heeft naar eene andere plaats te verhuizen, van welke verhuizing het gevolg is, dat de feitelijke en door daden zich uitende gemeenschap in en met die bizondere kerk ophoudt. Deze mensch, vrij zijnde, is aan het goedvinden en oordeel van geene kerk onderworpen; en hetgeen op dit leven betrekking heeft en op het tijdelijke staat buiten de rechtstreeksche bemoeiing der kerk. Tenzij men met de Roomschen de kerkelijke eenheid en macht uit-strekke tot alle wereldsche zaken, waarbij dan natuurlijk \'(gelijk zij zeggen) aan de geestelijke de voorrang behoort. Wederom moet men onderscheiden tusschen algeheele losmaking van den band der gemeenschap met alle kerken derzelfde belijdenis, en die, welke slechts eene losmaking is met betrekking tot eene kerk, en slechts van toepassing is op de geloovigen van die plaats, uit welke men verhuist. Aangaande de eerste losmaking stem ik toe, wat geëischt wordt, aangaande de tweede allerminst. De verlating, die gepaard gaat met opzegging en scheiding of afscheiding is eene andere dan die door verandering van woonplaats geschiedt, evenals wanneer men in hetzelfde huis van de eene kamer in de andere gaat, of in dezelfde stad van het eene huis in het andere. De eerste is onmiddellijk aan het oordeel en de macht der kerk onderworpen, de tweede allerminst. Want hij, die van de eene kerk naar de andere verhuist, scheidt zich niet af van Christus en de kerkelijke gemeenschap. Maar wel doet hij dat, die cloor verhuizing alle uitwendige gemeenschap met de kerk opgeeft, of zelfs tot de secten overgaat. Er zijn nog andere dingen, welke mij in deze strijdvragen over het kerkelijk verband twijfelachtig voorkomen, en die door het maken van onderscheidingen eene bevredigende oplossing moeten erlangen. Maar over deze dingen moeten in het bizonder vraagstukken gemaakt worden, om zoo hunne oplossing te erlangen.
7
98
Xc Vraag. Is dit kerkelijk verbond zoo noodzakelijk, dat zonder hetzelve geene zichtbare en georganiseerde kerk bestaan kan ?
Antwoord, De bedoeling van deze vraag is natuurlijk, of het noodzakelijk is als een tusschenkomend middel, dat niet kan gemist worden, en niet alleen maar, of het noodzakelijk is ter voldoening aan een voorschrift; of het noodzakelijk is voor het wezen en niet slechts voor het welwezen der kerk. En dan zou het voorzeker hard zijn overal, waar nog steeds zoodanig door feiten zich uitend verband in een verwarden toestand der kerk niet aanwezig is, alle bestaan eener kerk, of althans eenige overblijfselen derzelve volstrektelijk te ontkennen. Maar bij deze strijdvraag moet het gebied van het algemeene en meer bespiegelende worden verlaten. Om over te gaan tot het meer bepaalde (der zake kundigen genoeg bekend) zeggen wij, dat in een door feiten zich uitend kerkverband moeten onderscheiden worden de algemeene en tot het wezen behoorende bestanddeelen van de toevalligheden, bizonderheden en bijkomstigheden. De laatste worden niet noodzakelijk vereischt, de eerste echter gelden op zijn minst als eisch bij de herstelling van eene tot hiertoe ongeordende, gebrekkige of in beroering gebrachte kerk, waarover later.
.VAquot; Vraag. Is dit kerkelijk verbond onderscheiden van het verbond, dat de mensch aangaat of opnieuw aangaat met zijnen God? En indien het voor een verschillend verbond gehouden wordt, kan het dan ook gezegd worden eene zaak van goddelijk recht te zijn?
Antwoord. Het geschil schijnt hier door het maken van onderscheidingen te kunnen worden opgelost, i. Gelijk de zichtbare kerk in wezen niet verschilt van de onzichtbare, noch het ware geloof des harten van ditzelfde geloof met den mond beleden zijnde, noch het uitwendig geopenbaarde en van ouder op kind overgeleverde Woord van God, van ditzelfde Woord zooals het later door de Profeten en Apostelen beschreven is, hoewel zij wat vorm en bestaanswijze betreft in minder belangrijk opzicht onderscheiden worden, zoo verschilt ook niet het verbond, innerlijk in het geweten met God en in gemeenschap met de onzichtbare en mystieke kerk aangegaan, van ditzelfde verbon, uitwendig en plechtiglijk door inachtneming van zekere noodige formalitei-
99
ten aangegaan om daardoor tot intreden in het verbond en de gemeenschap met eene zichtbare en partikuliere kerk te komen. 2. Op hoedanige wijze zij dezelfde mogen zijn of onderscheiden worden (want het schijnt dat over die termen niet zoozeer moet getwist worden), men kan zeggen, dat dit kerkelijk verbond als zoodanig middellijk een zaak is van goddelijk recht, niet direct of onmiddellijk, en dat het aldus het geweten bindt of niet bindt. Wederom kan men zeggen, dat het wat het wezen betreft, of absoluut, op zich zelf, als zoodanig en voorwerpelijk beschouwd, onmiddellijk een zaak is van goddelijk recht; maar dat het wat de omstandigheden betreft, en de toepassing op eene bepaalde, afzonderlijke vergadering en bepaalde broeders, met betrekking tot bepaalde menschen op een bepaalde plaats en op een \'bepaalden tijd, met en onder eene bepaalde, uitwendige formaliteit, plechtigheid en wijze van belijdenis of verklaring, niet eene zaak van goddelijk recht is, maar dat de wil van menschen en de verordening der kerk tusschen beide treedt. Geenszins anders dan zou moeten geantwoord worden, indien gevraagd werd, of bijv. het huwelijk van Titius met Caja, de kerkelijke beroeping van N. naar die en die kerk, de macht en het gezag van N. als dienaar, de bizondere verordeningen der Utrechtsche kerk, behoorlijk en goed toegepast, de rechtvaardige wetten in zekeren staat, en andere dergelijke dingen zaken van goddelijk recht zijn, en of iemand omtrent die zaken gewetenshalve eenige verplichting heeft.
A7//e Vraag, Of het kerkverband, in eenige stad of provincie dooide voorgangers eenmaal ingesteld en aangenomen, bindt, en dienovereenkomstig alle nakomelingen en opvolgers aan dat verband en die uitwendige orde voor de uitwendige rechtbank der kerk (om zoo eens te spreken) onderwerpt, zonder d.at tusschenbeide treedt de vrije wilsuiting en toestemming der enkele personen?
Antwoord, i. Ik geloof niet, dat iemand wil, dat de afzonderlijke \' geslachten der menschen de kerk dier plaats, door ouders en voorgangers gesticht, ontbinden, en opnieuw het kerkelijk lichaam naar stoffe en forme constitueeren, of zonder noodzaak veranderen; want het is voldoende, dat men het verbond met de daarbij behoorende
100
formaliteiten door het zich aansluiten en onafgebroken toetreden van nieuwe bondelingen doet voortduren, die metterdaad stilzwijgend, ja zelfs ook uitdrukkelijk, genoeg toonen, dat die georganiseerde kerk en het door haar aangenomen verband door hen als goed wordt aangenomen.
2. Krachtens geboorte in eenige provincie of stad of eenig dorp of door een privilegie of staatswet wordt niemand formeel opgenomen en moet ook niemand opgenomen worden in de vereeniging en het verband dier plaatselijke kerk. Want het koninkrijk van Christus is niet van deze wereld, en dat de vrijwillige toestemming en de geloofsbelijdenis hier tusschenbeide treedt is boven (in hoofdst. 2, vraag 2 en io, en hoofdstuk 3, vraag 4 en 5) bewezen. Ofschoon geboorte, opvoedingen het wonen in die plaats bijna altijd vooronderstelling en onafwijsbare voorwaarde van dat verband is.
3. Noch zijn ze krachtens geboorte uit ouders, die ledematen zijn, en krachtens hun doop in die kerk opgenomen. Gelijk wij onderscheiding makende boven bepaald hebben op de pas aangehaalde plaatsen.
4. Het is echter zeker, dat die allen, in het bizonder die, welke in de kerk geboren en gedoopt zijn, voor de rechtbank van hun geweten en voor God gehouden zijn, om door eene uitwendige verbind-tenis, behoudens de daarvoor te stellen voorwaarden, in het kerkverband te treden, en dit middel tot bewerking en bevordering hunner zaligheid zonder aarzelen aan te nemen.
5. In geval van een bederf der kerk, dat zoo groot is, dat men zich van hanr moet afscheiden, of zich zoolang van een verbond met haar moet onthouden, is uit wat wij uiteengezet in de Desparata Causa Fapatus (bock 3, afdeeling 3) duidelijk gebleken, dat niemand, hoewel hij gedoopt en opgevoed is in die kerk, gehouden is, om voor zijn aandeel door zijn toetreden de opvolging te doen voortduren.
XIVe Vraag, Op welke wijze is het kerkverband noodzakelijk? Ant-ïvoord. Slotsom, liet is niet noodzakelijk als een noodwendig middel ter zaligheid; wijl de door feiten zich uitende gemeenschap met een bizondere en zichtbare kerk in dien zin niet noodzakelijk is. 2^ Slotsom. Noodig als noodwendig middel tot uitwendige gemeenschap met eene zichtbare
lor
kerk is eenig verband, dat ten deele verborgen en stilzwijgend is, ten deele uitdrukkelijk door feiten en woorden zich uitend. 3C Slotsom. Metis noodig voor het welwezen, dat is, het is dienstig voor de behoorlijke kerkelijke gemeenschap en voor de wederkeerige opbouwing, dat op zijn minst zoodanige uitdrukkelijke belijdenis en zoodanig door feiten zich uitend verbond bewaard worden, als wij boven verhaald hebben, dat in de best of althans tamelijk wel geordende kerken bewaard worden. 4Ü S/otscm. Echter zouden wij deze door ons gecischte forme, veel min die meer nauwkeurige en met meer moeite verbondene, waarop heden ten dage door eenigen wordt aangedrongen (naar welker eischen wij een weinig vroeger een onderzoek ingesteld hebben), niet zoo volstrekt noodzakelijk willen stellen, dat kerken, die tot hiertoe van die forme ontbloot zijn, ons geenszins als kerken zouden gelden; dat hare leden geen leden zouden zijn; en dat dientengevolge al die kerken, zoowel wat stoffe of lichaam als wat gestalte of forme betreft, moesten vernietigd worden, of indien dit niet gedaan werd, dat builen die kerken (zoo niet tegenover haar) door sommige leden, die er zich van afscheidden, en bij wier getal anderen uit andere plaatsen zich voegden, nieuwe en afgescheidene kerken in dezelfde stad of hetzelfde dorp moesten worden opgericht. Dc gronden hiervoor zijn. i. Omdat die uitwendige forme van geloofsbelijdenis, belofte en toelating tot de gemeenschap der kerk in den grond der zaak wel goddelijk is, maar wat haren zuiversten vorm en uiterste volkomenheid betreft is ze kerkelijk; want ze is de toepassing op de bizondere omstandigheden van personen, plaatsen en tijden, en dat wel door tusschenbeide tredende vrije overwegingen en kerkelijke verordeningen, welke onder bepaalde voorwaarden veranderd kunnen worden, of van welke in geval van noodzakelijkheid vrijstelling en dispensatie kan gegeven worden. 2. Omdat aan dusdanige kanonieke formaliteiten, al zijn zij ook geoorloofd, ja zelfs uitnemend goed, het, wezen der kerk en daarmede tevens het wezen van dc gemeenschap der heiligen, niet zoo nauw moet gebonden worden. 3. Omdat wij na de wegwerping van de kanonieke formaliteiten van het Pausdom, ja zelfs van die van de oude kerk zelve (gelijk zij in het wetboek der
102
katholieke kerk voorgeschreven worden) en na hare statuten gelaten te hebben voor hetgeen zij zijn, en nadat de vrijheid bevestigd is, en de apostolische eenvoud zoo zorgvuldig mogelijk hersteld is, — omdat wij na dat alles niet langs omwegen naar dezelfde of gelijke afgronden de schreden moeten richten, en het juk van een nieuw kerkelijk gezag en van kerkelijke verordeningen zoo gestreng opleggen, dat wij den schijn op ons laden niets aan het oordeel en de vrijheid van andere kerken, zelfs niet in bijkomstige zaken over te laten. 4. Omdat deze ongerijmdheid en moeielijkheid hieruit schijnen te volgen, dat men op staanden voet van die kerken moet wijken, welke die uitwendige forme van verband en die meest ongerepte zuiverheid niet hebben. Ik kan hier niets anders in zien dan een weer opgraven van het Donatisme, en een versnijden der kerken in zeer kleine deelen, ja zelfs tot gruis wordens toe, op de wijze der Anabaptisten (welke wijze van handelen echter heden bij hen zeer in onbruik geraakt, en verbeterd wordt). 5e Slotsom. Echter is krachtens goddelijk voorschrift elk in zijn geweten ge-houden het meest volmaakte en nauwkeurige in deze zaak na te streven en te bevorderen volgens Phil. 3 v. 15; Hebr. 6 v. 1; 2 Cor. 11 v. 2, 3.
XVc Vraag. Is het derhalve geoorloofd te verhuizen en over te gaan uit de cene kerk in eene andere meer volmaakte; of moet men voortdurend in de kerk, tot welker gemeenschap men is toegetreden, blijven ?
Anlwoüfd. 1. liet is geoorloofd te verhuizen uit eene kerk, die lijdt aan dwalingen in de leer (nl. de zoodanige die het geheele fundament nog niet wegnemen); in het bzionder als er scheuring bijkomt, en de dwalingen meer bevestigd worden, en er geene hoop is op verbetering. Zoo is de verhuizing uit eene Luthersche kerk, of oorspronkelijk-Remon-strantsche kerk, die zich tot de vijf artikelen bepaalt (want over de Remonstrantsch-sociniaansche kerk moet anders geoordeeld worden), naar eene gereformeerde kerk nooit door de onzen afgekeurd.
2. Ook is het geoorloofd te verhuizen uit eene kerk, die in de leer wel gezond is, maar die scheurziek is, en eindelijk in dwalingen eindigen zal, tenzij ze tijdig zich terugtrekke en daarheen terug keere, van waar ze zich heeft afgezonderd. Voor zoodanige houd ik de
103
vroegere vergadering der Brownisten, die voor eenige jaren te Leiden onder leiding van Robinson, een overigens vroom en geleerd man, die ook zeer op rechtzinnigheid gesteld was, placht gehouden te worden.
3. Het moet niet worden afgekeurd, dat iemand uit begeerte naar betere vordering en naar gewetensrust overgaat tot eene kerk, die zuiverder en meer volmaakt is in eenvoud van ceremoniën, regeering en tucht, cn voeg er bij ook in krachtige bediening en prediking, in openbare en huiselijke oefeningen der vroomheid, en in krachtige en menigvuldiger voorbeelden van vroomheid; indien het slechts geschiede door middel van verhuizing van de eene plaats naar de andere. Verandering van woonplaats toch neemt den schijn weg van scheuring, keert ergernissen, twisten en andere nadeelen, die daaruit zouden kunnen voortkomen, af.
4. Maar dat iemand in dezelfde plaats van de eene kerk tot de andere van dezelfde belijdenis, of ook van eene andere taal, die hem niet onbekend is, naar eigen goedvinden zou overgaan zonder het medeweten en de toestemming van elke van beide kerken, strijdt geheel en al tegen de orde, door Christus ingesteld, en brengt voort twisten, partijschappen, scheuringen en ergernissen.
5. Echter mag niet ontkend worden, dat door de kerk in deze zaak met voorzichtigheid iets moet geduld of zelfs gedaan worden in gevallen van verschillenden aard. Hijvoorbeeld in het geval, dat iemand met een dienaar, of met dienaren, of met den kerkeraad, of met eenige broeders in eenige kerk bizondere geschillen heeft, is het beter, dat hij, nadat er eene verzoening heeft plaats gehad, óf geheel óf tijdelijk wordt losgelaten, als hij dit verlangt, opdat en voor zijne en voor der kerke rust gezorgd worde, en alle gelegenheden tot een weer ontbranden der verbitteringen des te beter van te voren worden afgesneden, of opdat dreigende scheuringen voorkomen worden. Of ook in het geval, dat iemand van andere spraak zich verbonden heeft bijv. aan eene Nedei4-duitsche kerk, wijl er daar ter plaatse geene kerk is van zijne taal, maar nu later overgaat tot eene op dezelfde plaats gestichte of tc stichten Fransche, Engelsche of Schotsche kerk met toestemming en
I04
zelfs op aanraden der Nederduitsche kerk, opdat des te beter de nieuwe kerk gesticht kan worden. Er is ook een ander geval, dat cene kerk van eene andere taal uit eene Nederduitsche kerk mannen zich toevoegt of zoekt, die het meest geschikt zijn voor de ambten van ouderling en diaken, en die zij op dat oogenblik in haar eigen vergadering zoo niet vindt. Dan staan de Nederduitsche kerken deze hare broederen voor weinige jaren af als behulpsels aan de Fransche en Kngelsche kerken. Van dit soort van overgang onderricht ons de dage-lijksche practijk onzer kerken. Wijl echter de grens tusschen goed en kwaad gemakkelijk kan overschreden worden, meenen zij, dat ze hiertegen zorgvuldig moeten waken, dat niet wereldsche en aardsche overwegingen er onder doorloopen, of\' eergierigheid, of onbetamelijke vooroordeelen of bedriegerijen; en dat niet boven mannen der eigen natie en taal, die zeer uitmunten door leeftijd, voorzichtigheid, getrouwheid, vroomheid, ijver en andere gaven mannen uit kerken eener andere taal gesteld worden, die dan niet in hooge mate geestelijk en volmaakt zijn, maar die slechts door vermogen of andere gaven der fortuin voortreffelijker zijn (in strijd met Jac. 2 : i, 2), of die misschien door bizondere listen en kunstgrepen in strijd met den alouden eenvoud van de geloovigen onder het kruis, in strijd met de strengheid van regelmaat en tucht den schijn hebben van meer geschikt te zijn. Inzonderheid moet hiertegen gewaakt worden, dat niet de kerken van eene andere taal toevluchtsoorden en schuilplaatsen zijn voor hen, die wegens eene gevaarlijke en verdachte godsdienstige denkwijze, of wegens mindere strengheid van zeden in het licht hunner eigene kerken niet durven wandelen, en niet door de poort van onderzoek van leer en zeden tot haar durven toetreden, noch uit vrees voor de tucht in liaar durven blijven. De onzen moeten er op acht geven, dat niet zulk een als het ware overzeesch verhuizen naar (feitelijk een in hooger beroep komen bij) eene kerk, waar en zij zeiven èn hunne zaak niet zoo bekend zijn, beide kerken in verwarring brengt. Inzonderheid moet hierbij worden acht gegeven, dat niet buiten weten of zonder toestemming der kerk, waartoe ze behooren diegenen in de gemeenschap worden opgenomen, die reeds onder de
tos
censuur gesteld zijn; of op wie men vermaningen, broederlijke berispingen of voorloopige ai houding reeds begon toe te passen.
XVfc Vraag. Of tot bewaring der orde bij dezen overgang of deze overschrijving van de eene kerk in de andere, brieven van ontslag en getuigschriften vereischt worden ?
Antivoord: Ja. Aldus is de kerkelijke regel, die naar een prijzenswaardig gebruik in de Nederduitsche kerken voortdurend geldt. De gronden zijn deze: ie. Omdat dit in de plaats treedt van de onderzoeking en beproeving, die bij de toelating van nieuwe leden moet worden in acht genomen, waarover vroeger gehandeld is. 2°. Omdat anders de kerken zouden kunnen bedrogen worden door het toetreden van geexcommuniceerden, of van menschcn, die onder de tucht der kerk gesteld zijn, zonder behoorlijke voldoening; en aldus het heilige den honden zou gegeven worden, de kerk vervuld zou worden met wanordelijke menschcn, ja zelfs de eene kerk met de andere in strijd zou gewikkeld worden.
XVIVraag. Moet men om de meerdere zuiverheid en volkomenheid uit de eene kerk in de andere overgaan, ook zonder toestemming van die kerk, die verlaten wordt?
Antwoord, iquot; S/otsom. Indien de kerken, tot wier gemeenschap men overgaat, voor het intreden van het bederf, of ook na het intreden of de bevestiging van het bederf, in meerdere reinheid en zuiverheid van leer en ceremoniën op zichzelve zijn vergaderd of georganiseerd op dezelfde plaats, nl. stad, plattelandsplaats of district, dan vind ik geen reden, waarom men niet de door feiten zich uitende en uitwendige gemeenschap dier kerk kan verlaten, waarin men tot nog toe leefde, om het betere en meer volmaakte te verkrijgen. Zoo worden in Holland diegenen zonder bezwaar toegelaten, die uit Luthersche kerken herhaaldelijk tot de onze overgaan; hoewel de onzen zeer wel weten, dat deze niet aldus met het welnemen der Lutherschen van die kerken scheiden. 2C Slotsom. De zaakverhouding is eene andere, indien iemand, toen de Luthersche en Gereformeerde kerken zich nog niet ieder op zich zelve georganiseerd hadden, vóór het maken van het Ecndrachtsbock,
io6
eene afscheiding van die kerken gemaakt had en nieuwe afgescheidene kerken gesticht had; toen zou ik niemand hebben willen aanraden, om tegen de gemeenschappelijke instemming en uitspraak der Gereformeerde theologen i) eene scheiding onder de onzen te maken. En wel: i. Dewijl de oneenigheid in de leer toen vrij wel tot het écne artikel van de tegenwoordigheid van het lichaam in het avondmaal beperkt was, volgens de verklaring van elk der beide partijen op het Gesprek van Marburg in 1529. 2. Omdat de leerstellingen der alomtegenwoordigheid met hare aanhangselen, en de voorwaardelijke voorbeschikking met de leer van den geheelen afval der waarachtige geloovigen toen nog niet algemeen vasten voet hadden gekregen; laat staan dat zij toen reeds tot den rang van kerkelijke leerstellingen en grondwaarheden zouden geklommen zijn. 3. Omdat de oudere Lutherschen zelve de formeele scheuring toen nog niet voltooid en de Gereformeerden nog niet als met een schervengericht uit hunne kerken geworpen hadden. 30 Slotsom. Wanneer iemand in de leer overeenstemt, maar op het punt van ceremoniën en kerkregeering op goeden grond afwijkt, dan kan hij desniettegenstaande de gemeenschap in die kerk uitoefenen zonder rechtstreeks of zijdelings die gebreken goed te keuren. Ik zou hem niet willen aanraden om van zijne kerk zich af te scheiden, hetzij door een negatief schisma, zoodat hij ging leven buiten kerkelijke gemeenschap, hetzij door een positief, doordat hij op dezelfde plaats eene andere en afgescheidene kerk stichtte, tegen den wil der kerk aan welke hij onderworpen is, en die hem zijne vrijheid gunt. Indien iemand echter door verhuizing naar eene andere plaats, waar men tot eene kerk van dezelfde belijdenis en leer zonder die misbruiken en zonder den last en de moeite van dulding dier misbruiken kan toetreden, van zijne kerk zich afscheidde, is dit een ander geval. Het zoo evengenoemde is, naar ik meen, de quaestie die vroeger behandeld is tusschen de Engelsche theologen en de Afgescheidenen of Brownisten (zooals men ze noemt). De bepaalde
1) Zie hierover de geschiedenis der sacramentariërs van Hospinianus.
loy
toepassingen daarlatende, keuren wij met Pagetus, Amesius en anderen, die tocli ook afkeerig zijn van de ceremoniën en het bisschoppelijk bestuur der Anglikaansche kerk, de algemcene en voornaamste beweringen der lirownisten tegen de Anglikaansche kerk af. 4r Slotsom. Het is echter allerminst mijne bedoeling van schisma te beschuldigen de rechtzinnige en vrome broeders, die in deze laatste jaren, sedert wijd en zijd door de Anglikaansche kerken en de kansels een semipapisme woedt en nieuwe ceremoniën zijn opgedrongen, tot stichting van hun geweten geheime en van de openbare afgescheidene vergaderingen herhaaldelijk gehouden hebben, zóó echter, dat zij der Engelsche kerken niet den vrede opzeiden, maar betere tijden van hervorming, en erkenning en overwinning der waarheid intusschen van den Heere verwachtten. Met gelijk recht is het hun geoorloofd geweest dit te doen, als aan eenige Nederduitsche kerken in den tijd der Arminiaansche twisten i).
XVI 11^ Vraag. Kan men voor een tijd de gemeenschap met eenige bizondere kerk uitstellen, en zoo van alle uitdrukkelijke kerkgemeenschap zich onthouden, intusschen slechts van huiselijke oefeningen gebruik makende? Of wel moet men zoo spoedig mogelijk de gemeenschap met eene kerk, die in regeering en ceremoniën gebrekkig is, aangaan ? Of moet op dezelfde plaats eene bizondere en afgescheidene kerk gesticht worden ?
Antwoord. ic. Ik neig er toe het eerste te bevestigen, indien althans de toestand dier kerk tusschen hoop en vrees is, dat is, indien er gegronde vrees is voor verval en voortgang tot erger, of goede hoop op verbetering en herstel. De gronden zijn: r. Omdat de uitdrukkelijke gemeenschap met eenige bizondere georganiseerde kerk niet volstrekt als middel ter zaligheid noodig is; noch ook noodig is in dien zin, als zou ze een goddelijk voorschrift zijn, indien ten minste voor de gewetensrust, de uitoefening der vroomheid, en de christelijke vrijheid beter zorg kan gedragen worden buiten de kerk dan in de kerk.
i) Zie de verdediging dezer handeling in de acten der Synode van Dordrecht, dc 26e en 29e sessie.
io8
Die derhalve nooit in die kerk geweest is, waarom zou hij zich onderwerpen, en niet liever vrij en onathankelijk zich honden? Want indien hij zich bij haar laat inschrijven, moet misschien elk oogenblik verwacht worden, dat hij haar verlate, of uit die kerk worde uitgeworpen of ingewikkeld in pas begonnen en in volle werking zijnde misbruiken, twisten en scheuringen. 2. Omdat de uitwendige gemeenschap intusschen en voorloopig (om zoo te spreken) ook kan onderhouden worden met all:: kerken derzelfde belijdenis, en die aan die ontaarding en dat gevaar allerminst blootstaan. 3. Omdat hij de door feiten zich uitende en nauwste gemeenschap kan aangaan met eenige zuivere kerk buiten die plaats.
2e. Bijaldien iets dergelijks niet kan gedaan worden, zou ik niet willen aanraden om ter zelfdcr plaatse op eigen gezag eene nieuwe en afgescheidene kerk te stichten tegenover de bestaande kerk, maar moet men liever naar elders verhuizen, en daar bij de kerk zich aansluiten, daar men toch niet altijd zonder kerkelijke gemeenschap leven moet.
.Y/.V0 Vraag. Wat moet gedaan worden, waar tweedracht is, en het eene deel eencr kerk, die lijdt aan eenig gebrek in do ceremoniën en het bestuur, wil, dat zij worde ontbonden, en dat op nieuw andere kerken wat stoffe en forme betreft worden verzameld en georganiseerd; het andere echter beweert, dat die kerk moet in stand gehouden worden, wijl immers eene ware kerk. A/itwooni. iquot;. Het is zonder twijfel waar, dat kerken en kerkelijke verbonden wel eens moeten worden opgelost, hetzij men tijdelijk in de afzonderlijke huisgezinnen God diene, hetzij men zich terzelfder plaatse of elders in behoorlijk georganiseerde rechtzinnige kerken late inlijven. Gevallen van verschillenden aard kunnen zich hier voordoen, zooals het geval van vervolging, van vrees voor aanwezige verleiding en aanwezig bederf door een vleeschelijke en onwederstandelijke macht. Een voorbeeld van het laatste geval is gegeven in het terstond opschorten en ontbinden van de synodale vereeniging en correspondentie der Engelsche en Schotsche kerken in Nederland, die begonnen was met behulp der gedeputeerden der Nederlandsche synoden ingesteld te worden en door de Staten van
log
overheidswege bevestigd was in het jaar 1628, op dezelfde voorwaarden als waarop de Waalsche of Fransch-Hollandsche kerken Synodale correspondentie houden. Dit geschiedde wegens een gevaar, hetwelk juist voorzien werd door de dienaren en ouderlingen der Hollandsch-Engelsche kerken van Amsterdam en Leiden, weshalve zij in eene samenkomst van alle Engelsche dienaren, zoowel der legerpredi-kanten als der plaatselijke kerkedienaren, in welke samenkomst tot die eenheid en correspondentie besloten werd, niet verschenen. Zelfs ook later, toen zij door gevolmachtigden dier samenkomst ernstig werden uitgenoodigd, hebben zij die synodale correspondentie standvastig afgewezen, zich vergenoegende met de classicale correspondentie met de Nederlandsche kerken in dat district. Tot ditzelfde redmiddel hebben later de meeste andere Engelsch-Hollandsche kerken (der burgers namelijk) de toevlucht genomen. De eenige reden, waarom deze synodale correspondentie opgeschort, ja zelfs in hare eerste ontwikkeling zelve afgebroken is door diegenen, die haar hadden ingesteld, met goedkeuring en zelfs op raad der gedeputeerden der Nederlandsche synoden was deze, dat de Gezant van den Koning van Groot-Brittannië eenige gedeputeerden der nieuwe Engelsch-Hollandsche synode bij zich liet komen en hun te kennen gaf, dat dit de wil des konings was, dat uit die synodale dienaren een door hem gekozen zou worden tot kerkelijk deputaat of gevolmachtigde. Toen dit aan de synode bericht werd, en hieruit gevaar voor het mettertijd opdringen van een hiërarchisch en ceremoniëel bestuur gevreesd werd, waar nog bij kwam, dat het een ander land was, waaruit dit streven voortkwam, zoodat er vooruitzicht was dat de hoogste overheden in troebelen en ouderlingen strijd zouden gewikkeld worden, hebben zij het raadzamer geoordeeld, wegens de ongunst der tijden, de begonnen vereeniging af te breken. Ik kom tot het besluit, dat hetzelfde moet gedaan worden, als de vereeniging eener bizondere kerk tot stand is gebracht. Immers deze vereeniging geschiedt tot opbouwen cn niet tot afbreken. 2e. Dat echter niet bij gelegenheid van ieder gebrek of iedere tweedracht omtrent ceremoniën of bestuur, ja zelfs niet omtrent sommige leerstellige punten de vereeniging dadelijk moet worden opgeheven.
I 10
leeren de voorbeelden der kerk van Corinthe en van Galatië; en aan het gezonder deel heeft de apostel dit ook niet te raad gegeven. Voeg hierbij het voorbeeld der kerk van Antiochie, Hand. 15. 3quot; Waar de orde in het begin van de stichting der kerken, en in hare voortduring, en in de opname der leden, niet uitdrukkelijk en nauwkeurig genoeg bewaard geweest is, moet echter niet gezegd worden, dat daar geene kerken zijn, geene verbintenis is. De eenheid en het verband is daar, waar de verbintenis, het intreden en het opnemen in het verbond meer stilzwijgend, minder uitwendig zichtbaar, en meer uit den aard der zaak voortvloeiend, dan in woorden uitgesproken, in uitwendige forme zichtbaar, door vormen bekrachtigd geweest zijn. Dat dit nu een waarachtig en wezenlijk, hoewel verzwakt verbond is, niet slechts een herschenschimmig of slechts in naam bestaande, staat hieruit vast, dat hoewel zij het aangaan van dit verbond niet met in een formulier samengevatte woorden verlangd en beleden hebben, zij echter door hunne daden zelve hiervan verklaring hebben afgelegd, n.1. door het aanhooren der prediking, het gebruiken van het avondmaal, het ten doop aanbieden hunner kinderen, het genot hebben van de broederlijke liefde en de gemeenschap van die parochieleden, bovendien door het gebruik maken van den dienst van een gewoon dienaar in vertroostingen, raadgevingen in godgeleerde zaken, vermaningen enz. 4C. Het is derhalve niet noodzakelijk, dat de lichamen en vereenigingen der kerken daar ontbonden worden; maar zij moeten slechts verbeterd worden, met behoud van wat behouden moet worden, onder eene alge-meene belofte en plechtige verbintenis aangaande de leer, het leven en de kerkelijke onderwerping, door de dienaren openbaar aan alle toehoorders voorgesteld, waarmee ze na de prediking hoofd voor hoofd in tegenwoordigheid der dienaren en der ouderlingen of van anderen, die hiertoe volmacht ontvingen, hunne instemming betuigen. Hunne namen moeten dan in de kerkelijke registers worden ingeschreven, terwijl alleenlijk die vroegere leden tijdelijk afgesneden of verwijderd worden, die óf zelve twijfeling opwerpen, óf volstrekt onwetenden zijn, óf wat leer óf zeden betreft openbaar verdacht zijn. Maar wanneer zij
111
beter onderwezen zullen zijn, en zich aan de bestuurders der kerk als aannemelijk bewezen hebben, moeten zij behoorlijk worden opgenomen ; zoo niet, dan moeten zij uitgesloten blijven. Deze manier van herstel en verbetering der kerken is in den regel gevolgd geweest in Nederland na de Remonstrantsche troebelen. 5e. Als aldus het lichaam der kerk verbeterd is, kan in het vervolg nauwkeurig en met zorg cjie orde bewaard worden, die het veiligst en voor de zaken en bizondere omstandigheden het meest passend zal schijnen te zijn, zooals bijv. die der Nederlandsche of Fransche kerken, enz., of eene andere orde, indien men er eene, die voor eenig volk meer passend is, of misschien in zekere bijkomstige zaken meer uitgewerkt is dan die alle, hebben kan.
V. HOOFDSTUK.
BEVATTENDE DE VIERDE AFDEELING VAN VRAGEN, OVER DE VERDEELINGEN DER GEORGANISEERDE KERK, WAARDIJ OVER DE PAROCHIEKERK, DE DORPSKERK, HUISKERK, HOFKERK, LEGERPLAATSKERK, SCHEEPSKERK, SCHOOI.KKRK EN PROVINCIALE KERK ZAL GEHANDELD WORDEN.
Je Vmnj?: Of de parochiekerk, zooals zij door dc Roomschen, nl. Filesacus en de gewone schrijvers over het kanonieke recht beschreven wordt, eene eigenlijk gezegde georganiseerde kerk is. Antwoord: Neen. Omdat zij geene organische eenheid heeft in het aannemen van voorgangers en leden der kerk. Want de voorgangers zijn er niet, noch hun gezag, dat er wezen moet. Evenmin is er aanwezig de onderwerping en vrijheid van de leden der kerk, eindelijk noch van elk van beiden te samen de kerkelijke macht. Want hoewel dc parochie-kerk bepaald wordt als eene, die één bestuurder heeft, wordt echter het bestuur zelf inderdaad opgeheven door dc onderscheiding van in- en uitwendig bestuur (waarvan het laatste den pastoor ontzegd wordt), en door de algemeene bisschoppelijke praktijk. Maar deze dingen moeten hier niet fijner uitgesponnen worden. Men raadplege slechts de schrij • vers over de rechtsmacht der priesters, over de kerspelpastoors, de bisschoppen en hunne macht, die elders door ons zijn aangewezen. Aan deze kerspelkerken en kerspelpastoors kennen zij rechten, voorrechten en eigenschappen van verschillenden aard toe, en allerlei strijdvragen en twistpunten werpen zij hen betreffende op, waarvan wij enkel toeschouwers zijn; want hier wordt voor ons niets gezaaid of geoogst.
quot;3
Men kan deze nazien bij Filesacus, in de aangehaalde verhandeling en bij Barbosa in zijn Collect, adconc. Trident, en in zijne andere collectanca ad Bullnriinn. De weetgierige lezer kan echter uit dat ontuig eenige dingen uitkiezen, die voor de kerkelijke vrijheiden macht kunnen te berde gebracht worden tegen de hiërarchische machtsaanmatiging, tenminste tegen de Roomschen zelve. Maar deze dingen behooren hier niet thuis, liet zal voldoende zijn den voorraad van hulpmiddelen aangewezen te hebben. Voeg hier nog bij de Nomocanon van Photius, tit. 8, hoofdst. r, en den Codex van Canones der Katholieke kerk, can. 9 van het conc. van Antiochië, en de I7C canon van het conc. van Chalcedon.
/A\' Vraag. Of de kerspelvergaderingen, die op sommige plaatsen in gereformeerde steden voortdurend bestaan, en aan een bepaald kerkgebouw en aan eenen bepaalden prediker van dat kerkgebouw op eenige wijze verbonden zijn, afzonderlijke, eigenlijk gezegde kerken zijn? Antwoord. Neen. Omdat deze enkele vergaderingen niet hebben eene afzonderlijke kerkelijke macht van bestuur en rechtspraak, op volledige wijze in die vergadering zetelend, en door een eigen uit meerderen saamgelezen kerkeraad dier vergadering uit te oefenen. Daaruit volgt, dat daar niet is eene volmaakte forme van vereeniging en gemeenschap eener georganiseerde kerk. Want de eéne prediker, opziener of bestuurder van dat kerkgebouw of die vergadering, maakt niet een college uit, een kerkeraad, eene veelheid, door welke met gemeenschappelijk overleg die kerk naar het voorbeeld der apostolische kerken (bijv. de kerk van Corinthe, 1 Cor. 5 : 4 en 2 Cor. 2 : 6, van Ephese, Hand. 20 : 17, van Philippi, Phil. 1 : 1) bestuurd zou moeten worden.
//7° Vraag. Of de afzonderlijke vergaderingen van over dc verschillende kerkgebouwen verdeelde toehoorders in de gereformeerde steden van Nederland even zoovele afzonderlijke kerspel kerken moeten genoemd worden ? Antwoord. Neen. Omdat er tusschen die toehoorders geene bizondere en tot hen beperkte eenheid, gemeenschap, en verbintenis is. Want de enkelen worden slechts plaatselijk, op die eene plaats en op dat bepaalde uur vereenigd tot een geheel van toehoorders, tot die enkele en voorbijgaande handeling van hooren met
8
114
wat er bij komt gedurende één of anderhalf uur. Zij maken derhalve geene bizondere, georganiseerde kerk uit, in onderscheiding van de andere verzamelingen van toehoorders in al de andere kerkgebouwen derzelfde stad. Evenmin als Romeinsche of Atheensche burgers, bij gedeelten in verschillende deelen der stad de schouwburg bezoekend of wandelend, elk een afzonderlijke stad en staat uitmaken, of studenten, bij gedeelten in verschillende gehoorzalen op denzelfden of verschillenden tijd college bezoekend, elk eene afzonderlijke academie samenstellen, omdat de plaatselijke vereeniging ophoudt als de vergadering of de voorlezing geëindigd is, waarna elk zijns weegs gaat en andere gehoorzalen of kerkgebouwen naar goedvinden bezoekt.
Hieruit blijkt, dat dit nijdig en ongerijmd verzinsel van sommigen, uiteengezet in prullige redeneeringen vol groote woorden, dat het niet geoorloofd is deze of die predikers meer dan anderen te volgen of altijd te hooien, en eenige keuze in de preeken te hebben, van steun in de Schrift en de rede ontbloot is. Immers is hier zelfs niet de minste schijn van scheuring of partijzucht, als waarvan sprake is I Cor. i : 12 : »Ik ben van Paulus, ik van Apollosquot;, enz. Onze gronden zijn deze: 1°. omdat in een ieder de beste gaven te erkennen, en van die gaven tot onze meerdere opbouwing in den Heere gebruik te maken, niet slechts geoorloofd maar ook noodzakelijk is. Vrome toehoorders houden er voor, dat de beste gaven van een prediker bestaan : i, in eene luidklinkende stem, die door allen gehoord kan worden; 2, in eene duidelijke, nauwkeurige, vurige, het gemoed aangrijpende voordracht; 3, in eene ernstige, deftige, zedige versiering van den stijl, op eene wijze, die passend is bij de gewijde stof; en niet in een ijdelen en ongevvijden valschen opschik; 4, in eene regelmatige, doorzichtige, schriftuurlijke en degelijke tekst- en zaakverklaring, zoodat ze door de hoorders zeer goed verstaan, in het geheugen geprent, onthouden, thuis herkauwd en met anderen herhaald kan worden; 5, in eene meer geschikte, krachtige, voelbare, voorzichtige, oprechte toepassing op het geweten, 2lt;,. Omdat de Schrift nergens degeloovigen vermaant, om zonder onderscheid te maken, zonder oordeel, zonder
115
keuze, zonder rekening te houden niet hunnen aard, hunne vordering, hunne gemoedstemming en hunnen inwendigen toestand alles zonder onderscheid van iedereen altijd te hooren. Maar daarentegen raadt de Schrift aan het hebben van keuze, oordeel, onderscheiding, voorzichtigheid (Luk. 8 ; 18. i Thess. 5 : 21) in de levenswijze ten opzichte van het lichaam wat spijzen, lucht, water, woonplaats, huizen betreft, enz. In het gebruiken van geneesmiddelen en geneesheeren, in het gebruiken en lezen van godgeleerde boeken, wordt aan geleerden en ongeleerden de raad gegeven onderscheid te maken. En waarom zou men dit dan niet moeten doen in het hooren van preeken en voorlezingen over heilige zaken, in het inroepen der hulp van dienaren of andere troosters en vermaners bij gevallenen, of bij menschen, die lijden aan beproeving en geestelijke aanvechting, bij zieken en bij stervenden ? 3°. Omdat Christus zelf Johannes lief had boven dc andere discipelen, en drie discipelen in voorkeur boven de anderen niet zich nam (Matth. 17 : 1), en Paulus onder al zijne leerlingen en de rechtzinnige leeraars niemand had, die gelijk stond met Timotheüs (Phil. 2 : 20); hoe zou het mij dan niet geoorloofd zijn zonder scheuring te maken, haat op te wekken tegen de dienaren, of het dienaarsambt te verachten, de openbare preeken of huiselijke samensprekingen van zeker dienaar te verkiezen boven de preeken en samensprekingen van anderen, indien ik gevoel door gene beter gesticht te worden ? 4°. Omdat degenen, die tegen dit onderscheid maken herhaaldelijk betoogen, zelve het onderscheid maken van anderen, die hunne bediening van het avondmaal en hunne preeken volgen, en die van de andere dienaren in dezelfde stad niet slechts voorbijgaan, maar zelfs met ijver ontvluchten (met welke vroomheid, op welken rechtvaardigen grond, weet dc Heere, en is hunzelven misschien niet onbekend) in kalmen gemoede verdragen; ja zelfs daarin een behagen schijnen te hebben Want als hier niet dc razernij van nijd en zelfzucht aanzet dan blijven hunne publieke en private smadende vermaningen hiertegen rusten, en de orakels der socratische en nuttelooze verhandelingen verstommen; hoewel ze dezen voorbijgaan, genen de voorkeur geven niet slechts op die dagen, als meerdere
116
predikingen op hetzelfde uur in verschillende kerkgebouwen gehouden worden, maar bovendien de collega\'s zclven hardnekkig en voortdurend zoo ontvluchten, dat ze ook buiten hunne kerk ergens op het platteland naar preeken gaan hoorcn, sn het avondmaal des Heeren gaan gebruiken, zoo dikwijls in hunne stad de beurt van prediking of avond-maalsbcdjening niet aan dien dienaar of een dier dienaren, die zij zich gekozen hebben (in welken geest en met welke vroomheid die gekozen is, kan ik niet zeggen) gekomen is. De geheele kersversche of beschimmelde redeneering van hen die hierover anders denken (hoedanigc redeneering ik mij herinner eens niet zonder walging gehoord te hebben) steunt op deze valsche onderstelling, dat aan de enkele geloovigen en toehoorders in de grootere steden van Nederland naar goddelijk recht, óf naar het natuurrecht, óf naar kerkelijk recht een zeker kerkgebouw is toegewezen, hetwelk zij gehouden zijn te bezoeken op iederen dag des Heeren, en geen ander gebouw. Wanneer deze onderstelling, als zoo valsch mogelijk, ontkend wordt, valt geheel die in de lucht hangende redeneering. Want waar, wanneer, door wie, met welk gezag, door welke algemeene of bizondere verordening is deze denkbeeldige verdeeling der toehoorders over hunne kerkgebouwen, zoodat elk zijn eigen heeft, vermeld ? Indien dit niet duidelijk aangetoond wordt, zal het met recht geoorloofd zijn de bepalingen van dusdanige ongelukkige casuisten te verwijzen naar de klasse der redeneeringen over het niet bestaande (van denzelfden aard dus als de redeneering der pausgezinden over de verdienste naar het oordeel van Amcsius in den Bcl/armiiuis ontzcnmvd). De kerspelen van het kanonieke recht en het pauselijke gewoonterecht zijn bij ons afgeschaft, en even zoovele collegiaatkerken of pres-byteriale kerken naar het aantal der steden, zelfs der grootere er voor in de plaats gesteld. Zelfs gesteld, wat niet wordt toegegeven, dat ergens overblijfselen der kerspel-inrichting nog zijn blijven bestaan, dan zou echter daaruit niet volgen, dat de leden van het kerspel voortdurend verbonden zijn om de prediking in hun kerkgebouw te hooren, omdat in het pausdom zelf de vrijheid wel is waar beperkt is omtrent begrafenis en sacramenten, enz., maar het omtrent de pre-
ii7
diking wordt toegestaan haar te gaan hooren in de kerspelkerken en de col-legiaatkerken, de reguliere of kapittelkerken zonder onderscheid. En indien iemand, uit deze stelling verdreven, droomt, dat de nabijheid van het kerkgebouw grond kan geven voor een rechtsvoorschrift om aldaar altijd of meestal gewoonlijk de prediking te hooren, dan werp ik hem tegen, dat nooit in eenige stad van Nederland door een kerkeraad of door eene synode zulk een grond gegeven is. Bovendien door deze vondst der nabijheid is nog niet voldaan aan het geweten der geloovigen, voor wie twee of drie kerkgebouwen nagenoeg even nabij zijn; noch ook aan de niot-burgers en vreemdelingen, die op de Zondagen in die stad verwijlen. Laat iemand eens tot de stadbewoners zeggen, dat zij hunne benoodigdheden in de naastbijgelegen winkels van kooplieden, bakkers, kleermakers, bierbrouwers, wijnkoopers enz.-.moeten halen, en dat wel alleen op grond der nabijheid. Hij zegge eens hetzelfde over het zenden der kinderen naar de Hollandsche, Fransche en Latijnsche scholen. Maar laat ons ten overvloede de gronden dezer krachtelooze bespiegeling aanhooren. ie Grond. Omdat allo predikers Gods Woord prediken, wettig daartoe geroepen zijnde. De gevolgtrekking ligt voor de hand. Antwoord. Dit beteekent even veel, alsof iemand zeide, alle schoenmakers, kleermakers, smeden, apothekers, heelmeesters, notarissen, advocaten enz. oefenen ieder hun beroep uit naar kennis en vermogen, cn zijn tot dit beroep wettiglijk toegelaten; derhalve is het u niet geoorloofd onderscheid te maken, wiens dienst gij gebruiken zult. Vier of zes professoren onderwijzen te gelijk aan eenige hoogescholen op hetzelfde uur hetzelfde vak (bijv. logica of physica enz.); derhalve is het niet geoorloofd den eenen in voorkeur boven den anderen te hooren, omdat allen hetzelfde vak naar dezelfde methode en volgens denzelfden schrijver (bijv. Aristoteles) naar hun vermogen onderwijzen. Hieruit volgt eindelijk nog iets, dat, indien de een in voorkeur boven den anderen niet gehoord moet worden, ook geen ander uit de vijf overigen gehoord moet worden, om niet in dezelfde dwaasheid te vervallen, daar toch zes op hetzelfde uur niet tegelijk kunnen gehoord worden. Maar een ander voorbeeld verstrikke de tegenstanders in hun
118
eigen strik van hunne waanwijsheid. De heilige schrijvers zijn allen onfeilbaar en geïnspireerd. Derhalve is het den gcloovigcn niet geoorloofd met eenige onderscheiding en met toepassing op elks eigen toestand of op het bevattingsvermogen en den toestand van het volk, de teksten der Heilige Schrift te lezen en te overdenken noch den predikers voor de prediking ze uit te leggen. Van elke spijze wordt gezegd, dat alle schepsel Gods goed is, i Tim. 4. En wie zou nu hieruit afleiden, dat alle onderscheid maken ongeoorloofd is ? Over het hebben van keuze in het lezen van godgeleerde boeken, hebben wij boven gesproken. 2e Grond. Omdat dan de preeken van de overige predikers geminacht worden. Antwoord. Indien men dit zóó opvat, dat de preeken, die in zich zelf beter of tenminste aan eenige hoorders aangenamer zijn, onwillekeurig aanleiding geven hetzij tot die minachting, of wel tot die lagere schatting, wordt dit toegestemd. Maar dit is geheel door eene bijkomende omstandigheid, en daarom moeten de betere preeken en het hooren derzelve niet belet worden, evenmin als grootere ontwikkeling, voorzichtigheid, moed en andere deugden van meer verheven graad. 3U Grond. Omdat zij dan op onwaardige wijze den dienst der overige dienaren in dezelfde stad minachten en ontvluchten, en daarvan geen gebruik willen maken, terwijl toch allen gemeenschappelijk hunne herders zijn, wien van Godswege de zielzorg is opgelegd. Antivoord. De gevolgtrekking wordt ontkend. Indien iemand met deze bedoeling en in dien geest de preeken van den eenen dienaar liever dan die der anderen, die op hetzelfde uur in andere kerkgebouwen leeren, wil hooren, die zal Gode rekenschap hebben te geven. Maar iemands daad\' of misbruik moet niet de zaak zelve, dat is de geestelijke onderscheiding der betere gaven, veroordeelen. Dit moet hun worden ingeprent, die de overige dienaren, als zij op een morgen- of avonduur op Zondag of op een uur in de week alleen prediken, niet willen hooren; echter niet hun, die alle preeken van elk hunner predikers, indien zij alleen preeken, gaarne willen bijwonen; slechts kiezen zij hem, door wien zij meenen beter gesticht te worden uit meerderen uit, die op hetzelfde uur tegelijk preeken. 4^ Grond. De predikers, wier preeken
ii9
niet gehoord worden, kwellen hunne ziel en doen hunne zuchten tot God opstijgen, wanneer zij zien dat anderer prediking boven de hunne gesteld wordt. Antwoord, i. Hoe zou het zijn, indiens eens omgekeerd de toehoorders menigvuldiger bij hem toestroomden en een of meer der collega\'s dan zuchtten; op welke wijze zou hij hen troosten ? 2. Aan zoodanige predikers zou kunnen toegevoegd worden dat woord tot Jona, dat we vinden Jona 4 : 4, 9, 10, 11. Het is u geoorloofd smart te gevoelen en u te verootmoedigen voor God, dat uwe gaven, indien zij gelijk zijn aan de gaven der andere predikers of ze overtreffen, door de toehoorders buiten uwe schuld gering geacht worden. Intusschen is het u niet geoorloofd tegen uwe collega\'s verontwaardigd te zijn of hen te benijden, noch om tegen God te mur-rnureeren. Indien uwe gaven minder zijn, moet de Voorzienigheid Gods erkend worden, die deze mindere mate van gaven n ten goede zal doen medewerken, aan elk de mate der genade gevende naar zijn welbehagen. Prijs de goedheid Gods in uwe collega\'s. Dank Hem voor de mate u gegeven. Hij zou immers minder of niets kunnen gegeven hebben. Vraag van Hem vermeerdering. Vergoed datgene, wat gij door predikgaven niet kunt geven, door eenige andere kerkelijke plichten getrouw en met vurigen ijver waar te nemen. Maar indien de predikgaven door gebrek aan ijver, vlijt of vroomheid uwerzijds minder zijn dan die der anderen moet het hart worden gericht tot vurige gebeden, oprecht berouwen gedurigen vlijt, en worden afgekeerd van alle wereldsche rust of bezigheid. Kortom, mits er niet aanwezig zij onwetendheid, zorgeloosheid, hoogmoed, nijd, dan zal ook de twist in den schoot bergende afgunst er niet zijn, welke niet zelden in grootere steden de collega\'s in denzelfden dienst verontrust en kwelt. Maar meer dan genoeg tegen dezen ruwen en onnutten redetwist van sommigen.
/7/c Vraag. Of de kerken van het platte land of van stadjes van die der steden zoo onderscheiden worden, dat die der steden alieen of in eigenlijken zin kerken zijn? En of wegens volkrijkheid, of wegens politiek gezag of politieke onderwerping, of wegens de voortplanting des geloofs door en uit de stadskerk in de kerken van het platte
120
land of door vrijwillige toestemming der plattelandskerken hieruit een recht geboren wordt om voorschriften te geven ? Aniiuoord: Neen. Want geen dier redenen kan dit recht vestigen. De eerste reden niet, omdat een grooter of kleiner getal het wezen eener zaak, dié uit eene verzameling van gelijksoortige wezens bestaat, (bijv. van eene stad, een rijk, een leger, eene school) niet verandert. Vervolgens gebeurt het wel eens, dat in dorpen aan eene stad onderworpen de kerk talrijker is dan in de stad zelve. De tiveecie reden niet, omdat het rijk van Christus niet van deze wereld is; en gelijk in Christus het onderscheid tusschen meester en slaaf niet bestaat, zoo ook niet dat tusschen eene stadskerk en eene plattelandskerk. Vervolgens, heel dit onderscheid tusschen dorpen of kleine steden en steden, tusschen steden en moedersteden heeft de trots der wereld te gelijk met de bisschoppen en aartsbisschoppen in de kerk gebracht. De derde reden niet, gelijk wij in het volgende hoofdstuk over de kathedralen en aartsbisschoppelijke kerken toonen. De vie}de reden niet, omdat geene kerk het gewone recht en de gewone macht, door Christus haar toegestaan, op eene andere kerk kan overdragen; noch eene andere kerk die ontvangen kan, indien ze aangeboden worden. Vervolgens zeggen wij met meer recht aangaande de geestelijke zaken en voorrechten, wat de leeraars van het kanonieke recht aangaande de tijdelijke dingen der kerk zeggen, dat zij geene verjaring van eenigen aard toelaten. Want het rijk van Christus is niet van deze wereld, en wordt niet naar de burgerlijke rechten dezer wereld beoordeeld.
Vc Vraag. Of eene kerk in het leger eene kerk is? Antwoord: Ja, maar met eene beperking. Ze is nl. eene tijdelijke kerk, vergaderd uit leden van verschillende kerken, die na weinige jaren deels elk naar hunne eigene kerk terugkceren, deels naar andere kerken verhuizen. Dat ze echter van den naam van kerken niet beroofd kunnen worden, staat daaruit vast, dat de zorg en gelegenheid voor de lezing van het woord en van preeken, voor de bediening der sacramenten, voor het bestuur bovendien en de rechtspraak door dienaren en opzieners, voor de kerkelijke verbindtenis en toelating der enkelen door voldoende getuigschriften.
en bovendien door afgelegde geloofsbelijdenis, indien ze voor het eerst toetreden, aldaar aanwezig zijn.
;//(j Vraag. Wat moet geoordeeld worden over de scheepskerk ? Antwoord. Ongeveer hetzelfde als over de kerk in het leger, indien toch dezelfde orde ongeveer bewaard wordt.
F/A\' Vraag. Wat over de huiskerken, aan de hoven der grooten, of in de huizen der aanzienlijken en edelen ? Antiucord. Na vooraf de onderscheidingen gemaakt te hebben, dat zij gebruik kunnen maken van de gemeenschap en de vereeniging van de kerk der plaats, of dit niet kunnen; en dat de laatsten wederom beschouwd kunnen worden als bij de kerk der plaats ingelijfd of als niet er bij ingelijfd, maar er van afgescheiden, bepalen wij dit met deze gevolgtrekkingen: In het O. T. vóór de organiseering van het Israëlitische quot;volk, waren er huiskerken in de gezinnen der patriarchen, en na de organiseering van dit volk in de gezinnen der geloovigen, die onder de volken verstrooid waren ; zoo echter, dat eene bizondere kerk niet binnen de enge grenzen van één huisgezin noodzakelijk besloten is geweest, maar dat uit de buren, ja ook uit de ver verwijderden zich diegenen bij haar gevoegd hebben, die God vreesden. 2°. In het N. T. wordt melding gemaakt van eene kerk ten huize van iemand te Rome, Rom. 16 : 5. Aangaande welke echter gevraagd kan worden, of zij eene volledige en eigenlijk gezegde kerk geweest is; en niet eerder een deel of deeltje der kerk van Rome, die aldaar voor de gewone heilige plechtigheden vergaderde. Want het is niet aannemelijk dat het eene kerk geweest is, die van de kerk van Rome geheel onderscheiden was, en met eene eigene en volledige macht en regeering, bovendien met een bizonderen dienst en kerkeraad voorzien. Maar hierover in de volgende vraag. 3e. De vergaderingen, welke weleer door een voorrecht en gebruik onder het pausdom in de huizen der edelen bestonden, en die vroeger kerken genoemd werden, zijn geene volledige en eigenlijk gezegde kerken gewdest, noch in werkelijkheid, noch volgens het pauselijke recht en de pauselijke opvatting; maar slechts samenkomsten tot viering der godsdienstplechtigheden in de bizondere bedehuizen der grooten en
122
edelen, deels gemakshalve, deels uit eerzucht gevraagd en vergund. \') 4e, Allerminst moet er aan getwijfeld worden, dat de geheime kerken volledige kerken zijn, die ergens in de huizen der edelen uit het naburige platte land samenkomen, omdat ze geene openbare of half private en half openbare bedehuizen hebben, noch ergens elders veilig samen kunnen komen. 5e. Wanneer het houden van prediking in de paleizen of bizondere gezinnen der edelen toegestaan wordt, omdat ze niet herhaaldelijk geschikt naar de openbare kerkgebouwen kunnen gaan, volgt daaruit echter niet, dat de toehoorders er van afgescheidene en afzonderlijke kerken vormen, buiten de gemeenschap en de inrichting van de kerk (de rechtzinnige nl.) der plaats. Want dit zou zijn een zonder noodzaak kerken in de kerken, ja tegenover de kerken stichten. 6e. Zelfs schijnt dit niet toegestemd te moeten worden, al is het dat zij al de gezinnen hunner onderhoorigen en medeburgers zich toevoegen. Want de dienstbaarheid, de onderwerping en de afhankelijkheid dezer wereld vestigen niet de heilige eenheid en gemeenschap der kerk; vooral niet onder het N. T., waar de kerk allerminst aan een volk, eene natie, eene streek, eene stad, een gezin gebonden is.
Vllh Vraag. Hebben zij eenigermate de natuur eener kerk, en kunnen zij in waarheid georganiseerde kerken genoemd worden ? Anhroord. Men ondcrsc/uide. Zoo niet eigenlijk, dan tenminste oneigenlijk; zoo niet volledig, dan tenminste onvolledig; zoo niet gewoon, dan tenminste buitengewoon, en in geval van noodzakelijkheid. Gelijk een huisgezin, naar een eiland overgebracht, van de geheele maatschappij der menschen afgescheiden zijnde, aldaar een volk zou vormen, en gelijk bij dat enkele gezin de openbare en staatsrechterlijke macht zou zijn, zoo lang totdat het na verloop van tijd tot meerdere huisgezinnen aanwies; zoo zou één huisgezin in gelijk geval van noodzakelijkheid de kerk kunnen zijn, bij hetwelk eenig bezit en gebruik der kerkelijke macht was. Zoodanige kerken schijnen geweest te zijn in de huisge-
\') Zie hierover Filesacus, het aangehaalde traclaat en \'beneden, waar over het patronaat-recht en de kerkgebouwen gehandeld wordt,
123
zinnen van alle patriarchen tot Jacob incluis; eveneens in die der zonen van Abraham uit Ketura, van sommige nakomelingen van Ezau, inzonderheid van Job (die waarschijnlijk gezegd kan worden een der nakomelingen van Ketura of Ezau geweest te zijn), bovendien van Melchizedek, Jethro, en andere waarachtige geloovigen, die in de hei-denvvereld geleefd hebben vóór de afzondering van den staat en de kerk van het Israëlitische volk, en voordat de ware dienst van Gcd openbaar en nationaal gevestigd was, en bestond. Ja zelfs toen de Israëlitische kerkstaat bloeide, hebben onder de heidenen verstrooide gezinnen van geloovigen niet ontbroken ; die, indien zij niet waren ingelijfd in de kerken der synagoge onder elke natie (Hand. 2 : 5), gelijk alle niet aldus bij die synagogen ingelijfd zullen kunnen zijn, tenminste er niet in zijn saamgekomen, eene synagoge op zich zelve of eene sj\'nagoge-kerk zonder twijfel vormden, en oefeningen der vroomheid of synagogedienst (die noodzakelijk moeten onderscheiden worden van de oefeningen en den dienst enkel aan den tabernakel of den tempel verbonden) elk in hun huis of in hunne gezinnen waarnamen. Dat zoodanige huiselijke kerk of synagoge geweest is in het huisgezin van den kamerling (over wien in Hand. 8 : 27), wordt niet zonder grond vermoed; die echter, wat den tempeldienst betreft, even als alle andere Israëlieten, onder de heidenen in synagogen verzameld (zie Hand. 13 en 17. I, 10, 17), rekening hield met de plaats, welke God had uitverkoren; gelijk de kamerling (Hand. 8 : 27) en de Grieken (Joh. 12 : 20) daarheen vertrokken waren om het feest te vieren. En men moet zich voorstellen, dat er gelijke kerken geweest zijn in de huisgezinnen van Adam, Seth, ook van Noach na den zondvloed, voordat meer gezinnen daaruit waren voortgekomen. Danaeus in zijn bock over den eersten tijd der wereld, boek 1, hoofdstuk 4, heeft aan Adam cn Eva vóór den val en hunne kinderen, indien zij die in dien staat zouden hebben voortgebracht, de natuur 911 den naam van kerk en eene kerkelijke gesteldheid toegekend. Betreffende de inrichting, de macht, het bestuur en de tucht dezer kerken, kunnen geene moeielijkhedcn te berde gebracht worden wegens den bijstand
124
van den buitengewonen dienst en den onfeilbaren profetischen geest der patriarchen; en zelfs niet betreffende de huiselijke kerken der onder de heidenen verscholen zijnde gezinnen, aan welke die onfeilbaarheid ontbrak. Daarom hebben wij in hot begin gezegd, dat zoodanige kerken geweest zijn en genoemd kunnen worden oneigenlijke, onvolledige kerken, of kerken uit de noodzakelijkheid voortgekomen, of voorloopige kerken. Wij oordcelen, dat ditzelfde moet toegepast worden op de hedendaagsche kerken, zoo die cr zijn en zoo genoemd worden, aan hoven, in gezinnen van edelen, op schepen, in legerplaatsen enz.
IX* Vraag. Of uit Rom. 16 : 5 stellig kan bewezen worden, dat de naam en natuur van kerk past aan eene vergadering of aan men-schen in één gezin in hetzelfde huis vereenigd, en tot gemeenschappelijke of onderlinge oefeningen der vroomheid gewoonlijk samenkomende ? Anhvoord. Sic cl its met waarschijnlijkheid. Omdat de regelmaat des geloofs en het tekstverband ons niet dwingen om dit te verklaren van eene kerk, enkel uit de huisgenooten van Aquila en Priscilla vergaderd ; want even goed kan het verstaan worden van die vergadering, die in dit huis pleegt saam te komen; aan welke, als een deel der kerk van Rome, de naam van kerk gegeven wordt. Dit is de verklaring van Beza in zijne aanteekeningen. De Hollandsche uitleggers stellen beide uitleggingen voor.
Xc Vraag. Of, indien in de kerk der plaats of van het kerspel de ware dienst met ketterij of afgoderij besmet wordt, één huisgezin, dat der rechtzinnigheid getrouw blijft, mot zijn huiselijken dienst en huiselijke oefeningen liever tevreden moet zijn dan den dienst uit te oefenen in gemeenschap met genoemde kerk. Antivoord. Ja, op deze voorwaarde: ic Indien het van de oefeningen geen gebruik kan maken in gemeenschap met die kerk zonder het bedrijven van of deelnemen aan afgoderij of ketterij. 2e Indien geene andere meer zuivere kerk aldaar of in de buurt te dier tijde aanwezig is, aan wier oefeningen het uitdrukkelijk, hetzij in het openbaar of in het verborgen, deel kan nemen. 3«. Indien het de bedoeling heeft en bereid is, zoodra dit
125
geschieden kan, vandaar naar elders, waar eene kerk is, te verhuizen. Tot de afscheiding van eene bedorvene kerk, zij het ook dat iemand alléén of een huisgezin alléén gedwongen zou zijn met de huiselijke oefeningen voor een tijd tevreden te zijn, maant het antwoord van Jozua, hoofdstuk 24 : 15. Wien dit goeddunke, die vergelijke hetgeen door ons uiteengezet is bock 3, nfd. 3 i\'Cin dc Desparata Causa Papains.
XP Vraag. Of de huisvader noodzakelijk de taak van voorganger in de huiselijke oefeningen, of van onderwijzer in den Catechismus, of in geval van noodzakelijkheid van prediker vervullen moet? Antwoord. Hoewel hem dit ten zeerste past, en zonder zijn gezag en toestemming de gemeenschappelijke oefeningen in dat huis in het openbaar geenszins, in het geheim nauwelijks kunnen gehouden worden, zoo gelooven wij echter niet dat zulk een ambt en werk, hetzij van onderwijzer in den Catechismus, hetzij van plaatsvervullend prediker aan zijne huiselijke macht en plicht onafscheidelijk verbonden is. Immers kan zich voordoen het geval van onbekwaamheid en onvermogen van den kant der uitwendige zintuigen of van het verstand en het geheugen, of van eenige zware ziekte en verval van krachten, of het geval van gebrek aan opvoeding en onervarenheid in geestelijke zaken. Opdat ik niet hiervan spreke, dat na den dood des vaders de gezinnen niet zelden door dc moeder, weduwe zijnde, gedurende veie jaren, bestuurd kunnen worden. Deze en gelijke gevallen bewijzen overtuigend, dat op de meest geschikte wijze in een huisgezin dikwijls de leiding en het voorgangersschap in de huiselijke oefeningen moeten overgedragen worden. Danaeus schrijft op de aangehaalde plaats: Adam was hij zijne vrouw bedienaar van dit door God geopenbaarde woord, en deswege zonden ook de overige mannen voor de vrouwen en de echtgcnooten voor hunne wederheft en de ouders voor de kinderen bedienaren en predikers van hetzelfde woord van God op dezelfde wijze geworden zijn enz. En een weinig verder : De -plaats, waar de kerk zuas en waar de toekomstige samen-spreking van God zelf met Adam en zijne nakomelingen zou zijn, was de hof, enz. Dc plaats der gedachtenwissding der ouders met dc kinderen en der mannen met hunne vrouwen over hetzelfde Woord van God
1 26
zvas hei uiidcrUn^ verkeer en de huiselijke samenleving. Dat deze dingen voor den staat der rechtheid passen, ontkennen wij niet, omdat de pas gemelde beletselen toen afwezig zouden geweest zijn. Maar na het intreden der zonde hebben deze dingen zich gansch anders toegedragen. Daardoor is gemaakt, dat de aard der georganiseerde, bizondere kerken en der bedieningen en beroepingen eene andere was, evenals van den ingestelden ceredienst. Dientengevolge waren ook in de gemeenschappelijke oefeningen, die door de huisgezinnen moesten in acht genomen worden, niet altijd de vaders en echtge-nooten, maar somtijds de meer geschikten in dat gezin tot leiders in dit opzicht aangesteld. Uit deze bepaling blijkt, wat geantwoord moet worden op de volgende vraag.
A7/e Viyrag. Of door huisvaders of huismoeders, of door regenten en opzieners van weczen in een weeshuis uit dienaren des woords, ziekentroosters, candidaten tot den heiligen dienst, schoolmeesters of welke andere vrome, hiertoe geschikte menschen ook, mannen kunnen worden uitgekozen en gevraagd om in hun huis of hun weeshuis de hunnen in de beginselen van den godsdienst en der vroomheid te onderwijzen, zonder ccnig nadeel voor dc kerkelijke macht, of ecnige verstoring der goede orde? Antwoord: Waarom niet? Daar toch volgens de handelingen der synode van Dordreeht van löig, 17gt;\' r:it/inff, bij ons eene drievoudige catechisatie voorondersteld wordt, nl. in huis, in dc school en in dc kerk, is het derhalve zonder cenigen schijn van te kort doen aan het kerkelijk bestuur aan eiken huisvader en elke huismoeder geoorloofd, het zij een bizondcr persoon of écnen, die in een openbaar ambt gesteld is, aan te nemen, om hunne plaats te vervullen in het in huis catechiseeren der onontwikkelden en in het verrichten en uitspreken der gebeden. Bij uitstek zwak is, wat ik mij herinner, dat door onervaren en strijdzuchtige menschen, die zelve niets voortreffelijks willen of kunnen doen, en niet toelaten, dat anderen het doen, gezegd is, nl. dat deze huiselijke en gemeenschappelijke oefeningen nadeelig zijn aan de eenheid, vereeniging en bestuursmacht der kerk of des kerke-raads. Even alsof het huiselijk of huishoudelijk bestuur der gezinnen
127
op zich zelf nadeelig zou zijn aan dc macht en het bestuur der stedelijke overheid, der koningen en vorsten. Naar dezelfde gevolgtrekking zou kunnen belet worden elk gesprek over de Schrift en over heilige zaken tusschen twee of drie te huis, in een herberg of op hetzelfde schip zittende of naar het voorbeeld der discipelen te zamen wandelende (Luc. 24) personen. En waarom zou het dan ook niet zoo zijn met alle bizondere en eenzame lezing en overpeinzing der Schrift, wegens dc ongemakken van scheuringen en ketterijen, die daaruit, maar door een bijkomstige omstandigheid, zouden kunnen voortkomen, en niet zelden er uit voortgekomen zijn? Dit mogen de pausgezinden willen, die aan de leeken de lezing der Schrift verbieden. Maar gesteld, iemand dringt er op aan, dat ieder tenminste dc voorafgaande toestemming, de bevoegdheid en de regeling voor de catechisaties, het voorlezen der Schrift, en het herhalen der preeken van zijn kerkeraad zou moeten afwachten en vragen; hem antwoorden wij dan, dat dit verzinsel een tweelingbroer is van het verzinsel der Roomschen dat de bijbels door de leeken in huis niet mogen gelezen worden, tenzij men hiertoe schriftelijke vergunning hebbe van zijn bisschop. Zie de regels van het concilie van Trente over de verboden boeken, regel 4, en de uitlegging er van in den Index van verboden boeken van Urbanus VIII. Toen de Dortsche synode in de 17e zitting de catechisatie drievoudig gemaakt heeft, heeft zij niet gewild, dat voor de catechisatie in huis of op school op nieuw de vergunning der classis of synode gevraagd zou worden. Want dit zou even erg zijn, als dat een dienaar, geroepen tot de prediking des VVoords, op nieuw vergunning voor dc prediking van zijn kerkeraad zou vragen ; terwijl de taak der prediking hem door wettige beroeping is opgedragen. De aard der kerkelijke en openbare catechisatie is eene andere dan die der bizondere, hetzij in huis of op school. Tijd, plaats, wijze en orde der kerkelijke worden met toestemming van den kerkeraad vastgesteld of veranderd. Van die op school of in huis wordt dit door dc hoofden der afzonderlijke scholen of gezinnen gedaan. gt;
AV/A\' Vraag. Of het eigenlijk gezegde kerken zijn, die men begonnen is academische en provinciale kerken te noemen. Antwoord. Wat
128
deze benaming te beteekenen heeft, zal door hen moeten worden uitgelegd, die haar gebruiken. Indien naar den schrijftrant der schrijvers over het kanonieke recht in het pausdom door kerk verstaan wordt een kerkgebouw of eenig ander gebouw, voor de academische voorlezingen, promoties of andere meer plechtige handelingen bestemd, in hetwelk ook eenige preeken gehouden worden voor de tot de academie behoorende personen of voor allerlei toehoorders, is er in alle gevallen in deze benaming weinig gevaar; evenmin als in de benaming van koninklijke, hertogelijke kerk, rijks-, provincie-, of hofkerk enz., waarin, hetzij op gewone, hetzij op buitengewone wijze, preeken worden gehouden voor den koning, den hertog, de provinciale Staten, den senaat of den volksraad, de hovelingen enz. Maar indien iemand dit verstaan zou van eene eigenlijk gezegde, georganiseerde kerk, die ter onderscheiding van andere kerken academische of provinciale kerk genoemd zijnde, van de Lcidsche of Utrechtsche of Harderwijksche kerk onderscheiden werd, evenzeer als de Utrechtsche van de Harderwijksche, of de Leidsche van de Leidsche-Waalsche of Fransch-Neder-landsche kerk, en elke kerk haar eigen en afzonderlijk bestuur had, zoodat de dienaren en de leden er van met hunne werkzaamheden, beroepingen en censureeringen niet aan de regeling en het bestuur des kerkeraads, der classe en der synode, maar slechts der academiën, vorsten of Staten onderworpen zouden zijn, dan zou het den schijn hebben, dat eene kerk in of naast of tegenover de kerk werd opgericht, of eene nieuwe forme van independentistische of congregationalistische kerken tegenover de presbyteriale vervaardigd werd.
VIe. HOOFDSTUK.
OVER DE KAPITTELKERKKN, DE DOM- OF DIOCESEKERKEN, DE AARTSBISSCHOPPELIJKE KERKEN OF METROPOLITAANKERKEN, DE PATRIARCHALE KERKEN, DE OECUMENISCHE KERKEN.
Tot hiertoe hebben wij een klein onderzoek ingesteld naar de kerken, waaraan iets ontbreekt. Thans rest ons te handelen over die kerken, die iets te veel hebben. Het pauselijke kanonieke recht heeft verscheidene onderscheidingen der kerk, zoo als de oecumenische kerk, de potentiëele kerk, de consistoriaalkerk, de patriarchale kerk, de metropolitaankerk, de kathedraal-, dom- of diocesekerk, de collegiaat-, collegiaal- of kapittelkerk, de voorname kerk, de aan gewoon opzicht onttrokken of geëxi-meerde kerk, de kerk, wier kapittel een bepaald getal kanunniken telt, de kerken, waaraan eene prebende verbonden is, de parochiekerk of de kerk, waaraan zielzorg is verbonden, de reguliere kerk, de moederkerk, de kerk, waarbij eene vereeniging van prebenden had plaats gehad, de doopkerk. Maar dewijl men naar Roomschen schrijftrant door kerken meestal zoogenaamde potentiëele of vertegenwoordigende kerken of kerkgebouwen verstaat, en wij later over de kerkgebouwen handelen moeten, evenals over de patriarchen, aartsbisschoppen en bisschoppen, zullen wij, om niet tweemaal hetzelfde te behandelen, hier voornamelijk onderzoeken naar collegiaalkerken, domkerken en metropolitaankerken Wij stellen hier voorop eene beschrijving der kapittelkerk volgens het kanonieke recht en naar de pauselijke meening. Ecu collegiaal-, coUc-
9
13°
giaal- of kapittelkerk is eene kerk, waarin ui! de vereeniging en vergadering van geestelijken een He haam wordt sadmgeste/d, dat den naam van eollege draagt. Zij staat tegenover de kerk zonder college, dat is, de gewone parochiekerk of de kerk, waaraan zielzorg is verbonden. I. Zij wordt ook genoemd conventuëele collegiaalkerk, en kerk bij uitnemendheid. II. De stoffe, waaruit de collegiaalkerk wordt saam-gesteld is deels elke parochiekerk, deels zeker getal geestelijken, die met en onder eenen voorzitter als college over deze kerk staan, haar verzorgen cn regeeren. De wel gestelde en zuivere staat dezer kerk vereischt een kapittel, dat is kanunniken met de daarmede gepaard gaande waardigheden en bedieningen, waarover in deel 2 moet gehandeld worden. Overigens zijn, wanneer de noodzakelijkheid het meebrengt, drie voldoende om dit college saam te stellen, indien zij namelijk collegevergaderingen horden, een gemeenschappelijk zegel en eene gemeenschappelijke kas hebben, en onder elkander den broederband onderhouden i). III. Kanunniken worden genoemd dienaren, die goddelijk dienstwerk verrichten. Hun dienstwerk bestaat in deze twee dingen, in het zitten op de kapittelbank in het koor met deelname aan het goddelijk dienstwerk, en in het stem hebben in het kapittel. Het hebben van een zetel in de rij der koorstoelen sluit in het deelhebben aan den kerk-, koor- en altaardienst, dat ze nl. niet door een plaats-beklecder, maar zelve persoonlijk tegenwoordig zijn bij de mis en de getijgebeden, zoowel de hymnen en lofzangen Gods als de koormissen zingen, de missen voor de afgestorvenen en de gebenedijde Maagd Maria opzeggen, de boetpsalmen en liederen des opgangs zingen, den bisschop bijstaan, als hij de heilige plechtigheden zal vieren, of bij de goddelijke dienstverrichtingen toehoorder zal zijn (wat inzonderheid betrekking heeft op de kathedrale kanunniken). Hunne kerkelijke macht wordt uitgedrukt door het bekleeden van een domheersplaats of het hebben van stem in het kapittel. Het hebben van een plaats
l) Zie Lambertinus over het patronaatrecht, deel i, buek 2, Vraag 5. Zie dc aanhalingen van andere schrijvers bij Barbosa over den 2°quot; Canon.
1,31
in het kapittel omvat de beheering en besturing van de geestelijke en tijdelijke goederen van kerk en kapittel i). IV. Die vereeniging en orde tusschen de kerk en het kapittel of college van geestelijken maakt de forme uit. De nadere grondslag dier collegiale vereeniging is de schenking aan die kerk, waardoor haar de middelen verschaft worden voor de dagelijksche uitdeelingen, evenzoo voor de preuven en beneficiën harer geestelijken. Hier wordt ook vereischt de toestemming van den patroon, indien de kerk onder patroon-recht staat. De naaste grondslag is het gezag en de wil van den bisschop, die de parochiekerk tot eene kapittelkerk verheft 2). V. Hare eigenschappen zijn : 1,., dat ze hooger en waardiger is dan de niet-collegiale kerk of eenvoudige parochiekerk, en haar behoort voor te gaan, hoezeer deze ouder was en haar voorging, voordat ze kapittelkerk was 3),. 2C Dat de kapittelleden van dat college gemeenschappelijk de koordiensten vieren. 3e Dat ze derhalve gemeenschappelijke voordeden trekken en gemeenschappelijke uitdeelingen ontvangen uit alle vruchten, inkomsten en opbrengsten 4). 4c Dat het kapittelrecht bij één enkelen blijft berusten en bewaard kan blijven, als de anderen gestorven, van hun ambt beroofd of geschorst zijn 5). 5e Dat een kanunnik der kapittelkerk, al was hij een zeer ervaren doctor, niet kan worden aangesteld tot gedelegeerde van den paus of synodaal rechter 6). 6« Dat ze wat gebruiken en ceremoniën betreft de loffelijke en oude gewoonten van
1) Over deze dingen zie men den onder dc nieuweren beroemden leeraar van het Itanonieke recht Aiignstinus Barbosa, tractatus de Canonicis. capp. 31, 32, 33, 34. 40.
2) Zoo tenminste wordt het vastgesteld door de oude leeraars van het kanonieke recht, Panorm. Johan. Andr. Tmola en anderen. Medegedeeld in cap. quoniam de Vila et honest, cleric. Maar de nieuweren en met hen de S. Congr. Conc. 27 Juni 1627 kennen dit gezag nu alleen aan den paus toe. Zie Barbosa dc Canon. c. 2.
31 Aldus is het bepaald door de S. Congr. Rit. li. Martii anno i6ilt;) et 25 Februari 1606.
4) Volgens de bul van Pius IV van het jaar 1561. (
5) Aldus de Gloss, in c. gratum de postul. praelat. en in c. 1 de Election. Ook de S. Congr. Conc. 26 Aprilis 1621 heeft bepaald, dat de kerk nog kapittelkerk genoemd wordt en hare voorrechten nog geniet, al blijft slefhts één kanunnik over.
6) Barbosa c. 19 § 10.
132
andere gelijkvormige kerken harer provincie moet houden i). 7e Dat de kanunniken der kapittelkerk een eigen kruis kunnen dragen in processies, mits zij slechts de waardiger en de voortreffelijkste plaats overlaten aan de geestelijkheid der kathedraalkerk 2). 8e Dat zij niet op dezelfde wijze en op denzelfden dag het feest der toewijding viere, als het gevierd wordt in de metropolitaankerk 3). 9e Dat ze niet het gebied van de parochiekerk mag betreden om daar den zegen te geven en de kaarsen en palmen uit te deelen 4). 10e Dat de collegiaalkerk haar bestaan als zoodanig, in geval van onzekerheid over het begin dei-stichting, mag bewijzen uit vermoedens en aanwijzingen. De sterkste vermoedens of aanwijzingen nu zijn deze: het prelaatschap van den eersten rang, hetwelk de kroon van het kapittel is, waardoor de leden van het kapittel kanunniken worden, en op welks verlangen zij vergaderen, en wel op het gelui der klok ; een gemeenschappelijk zegel, eenc gemeenschappelijke kas, zoodat de vruchten gemeenschappelijk verdeeld worden ; het geven van geschenken voor de kanunnikdijen, en toewijzingen van de koorbank en de kapittelplaats, gedaan door de kanunniken, kapittelsgewijs vergaderd en van een kanunnikplaats voorzien zijnde 5). iic Dat, al is het ook in rechten niet uitgemaakt, welke kerk voorname kapittelkerk moet genoemd worden, de rechter toch veilig uitspraak kan doen over deze hoedanigheid, omdat ze bestaat in eene aanzienlijke, voorname en uitstekende plaats, en dat dit aldus volgens het algemeene gevoelen der menschcn vaststaat, of omdat ze eene moederkerk is, eene oude kerk, boven andere den voorrang heeft, een uitstekenden bouw heeft, of voorzien is van een groot getal bedienaren 6). 12e Dat nieuwe kanunnikdijen in deze reeds gestichte
1) S. Congr. Rit. 25 Febr. 1606.
2) S. Congr. Rit. 24 Augusti 1609.
3) S. Congr. Rit. 27 Jun. 1610.
4) S. Congr. Rit. 28 Aprilis 1607.
5) Barbosa c. 1. ^9. 10. 11. 14. Alwaar bij bijvoegt, dat niet vereischt wordt het .samengaan van alle aanwijzingen, maar dat voldoende is, zoo eenige aanwezig zijn.
6) Zie over deze beuzelingen Barbosa, het geciteerde hoofdstuk § 18.
quot;33
kapittelkerk kunnen gesticht en toegevoegd worden door den bisschop, nl. met een behoorlijk vast inkomen; want kanunnikdijen boven het bestaande getal met het oog op eene toekomstige preuve te stichten staat niet aan den bisschop, noch aan het kapittel, maar alleen aan den paus i). VI. De kapittelkerken worden verdeeld in voonumic en eenvoudige of niet voorname. De eerste gaat de laatste voor, al was deze ook vroeger gesticht, en de latere stichting der eerste ook zonder benadeeling der laatste gedaan 2). 3Lquot; In de kapittelkerken in en buiten de diocese. 3e In reguliere en seculaire. De reguliere kerk is die, welke bestuurd wordt door een college van monniken of kanunniken van reguliere Benedictijnen, Cisterciënsen, Cluniacensen, Praemonstratensers, Augustijnen en Kruisdragers. Hierbij merke men op, dat heden ten dage het grootste tleel met de opheffing van de kloosterlijke samenleving is overgegaan in een seculairen staat 3). 4C Zoo wordert\' de kapittels verdeeld in bevoorrechtte of aan gewoon opzicht onttrokkene kapittels en die, welke dit niet zijn. Wederom in die, welke eene (juasi-bissehoppelijke rechtspraak hebben, en die, welke dit niet hebben 4). De macht van visitatie van eene aan gewoon toezicht onttrokkene kapittelkerk kan de bisschop weer overdragen, maar er is eene bizondere overdracht noodig 5). Eindelijk zou de verdeeling van de kapittelkerken in volstrekt bizondere soorten, of zoo men liever wil in eenheden bijna oneindig zijn. Aubertus Miraeus heeft in eene bizondere verhandeling getracht het getal der seculaire kapittelkerken te berekenen. Het getal der reguliere heb ik nog niet bij eenig schrijver aangegeven gezien. Alhoewel ik niet twijfel, of een schrijver van de monnikorde der benedictijnen, Cisterciënsen, Praemonstratensen, Augustijnen en Kruisdragers heeft wel het getal der over de geheele wereld verspreide kloosters elk van zijne eigene orde opgeteld.
1) Zoo heeft geoordeeld S. Congr. Cone, bij liarbosa 1. a. p. 5* 24.
2) S. Congr. Rit. 23 Martii en 20 April 1602. *
3) Barbosa de Con. e. 1. 49,
4) Barbosa c. 42 § 21.
5) Aldus S. Congr. Coneil. 1 Febr, 1631.
134
2. Na deze voorafgaande beschrijving der kapittelkerken volgt eene beoordeeling of onderzoeking van deze kerken, welke wij in drie slotsommen samen vatten.
Ie Elke particuliere, zichtbare, eigenlijk gezegde, dat is plaatselijke kerk, hetzij van eene stad of eene kleine stad of dorp, kan en moet zijn en genoemd worden collegiaalkerk; echter niet ter onderscheiding en in tegenoverstelling van de meeste andere parochiekerken, zoodat nl. met toekenning van deze bizondere uitstekendheid aan eenige weinige kerken anderer vrijheid en macht te niet gaat, en de wording der eene verslechting der andere is. De grond hiervoor is deze, dat alle particuliere, georganiseerde kerken gelijkslachtig en gelijk zijn als gelijksoortige deelen van één ongeschonden geheel, hetwelk is de over heel de wereld verdeelde kerk, of als onderdeelen der ééne, geheele, algemeene kerk. Wat derhalve passend is voor en toegekend wordt aan de eene, dat moet te gelijkertijd aan de andere worden toegekend.
IIC Hierom moeten alle plaatselijke kerken (welke men met een gewonen naam parochiekerken noemt), niet de verminkte, wel te verstaan, maar de ongeschondene en goed georganiseerde kerken colle-giaalkerken zijn, en dat zijn onze gereformeerde kerken in Frankrijk, Nederland, Schotland enz.
IIIL\' Verkeerd of oneigenlijk derhalve worden in het pausdom zoodanige kerken collegiaal- of kapittelkerken genoemd, die een college van geestelijken of een kapittel hebben; en wel om de volgende redenen, i. Omdat zij ter onderscheiding aldus genoemd worden tot nadeel en onderdrukking van andere kerken, aan welke het niet wordt toegestaan collegiaalkerken te zijn, tenzij ze tot zoodanige kerken verheven worden i). Aldus wordt de trots der wereld in het heiligdom gebracht, en wordt de oligarchische priesterheerschappij bevestigd en bevorderd, zoodat deze ten slotte eindigt in alleenheerschappij en tyrannic; terwijl toch de eene kerk niet boven de andere staat, en aller macht gelijk is, ook in de instel-
l) Men zio over de verhefling van eene parochiekerk tot eene kapittelkerk en van deze tot eene kathedraalkerk de leeraars van het kanonieke recht ad Kxtrav. Salvator, de Prae-bendis inter commit.
135
ling en het gebruik dier colleges, en daarom ook in den geheelen en volledigcn openbaren eeredienst, zoomede in het bestuur en de uitwendige kerkelijke regeering. Zie Matth. 18 : 17, 1 Cor. 5 vergeleken met 2 Cor. 2:6, 1 Tim. 4 : 14. Vergelijk deel 2, waar over de ouderlingen gehandeld wordt. 2. Omdat de grondslag van deze kerkelijke macht en bevoorrechting verkeerd is; derhalve is ze ook zelve verkeerd. De nadere grondslag is dc verrijking en begiftiging der eene kerk boven de andere. Even alsof Christus de heilige en kerkelijke eenheid en macht had afhankelijk gemaakt van de macht van den onrechtvaardigen Mammon 1). De naaste grondslag is de macht van den paus, dienaar goddelijk recht en het oud kerkelijk recht over andere kerken in\'t geheel niet bestaat. Het gevoelen dergenen, die dit toekennen aan den hicrarchi-schen, alleenheerschenden bisschop is nauwelijks een halve cent beter. 3. Omdat de verrichtingen of handelingen van hot genoemde college onwettig zijn ingesteld; deels wegens de zeer grove misbruiken, daarin tot wet gemaakt, als bijgeloovigheden, afgoderijen en ketterijen in den eeredienst; deels wegens de aanmatiging van macht en van het recht van monopolie; want die zoogenaamde geestelijken eigenen zich de macht van het geestelijk en kerkelijk bestuur toe, en ontnemen die aan hen, die als plaatselijke opzieners, als predikers, of onder eenigen anderen naam die kerk dienen in Woord en Sacramenten, aan welke die macht echter naar goddelijk recht toekomt. Eph. 4 : 11, 12. : Thess. 5:12. 1 Petr. 5 : 1, 2. 1 Tim. 4 : 14 en 5 : 17. Want in een gewonen herder der zielen kan de prediking des Woords en de bediening der Sacramenten met de (zoogenoemde) inwendige rechtspraak op het gebied der conscientie niet gescheiden worden van de macht der (zoogenoemde) uitwendige regeering en rechtspraak. Bovendien ontnemen zij aan de gemeente of aan het geheele lichaam en eischen voor zich-zelve alleen op den dienst om openbaar God aan te roepen en te prijzen, in strijd met 1 Cor. 14: 16, 26. Col. 3: 16 2). Voeg hier bij, dat zij
1) Zie deel 2 over het patronaatrecht.
2) Vergelijk de Apolog. 2 van Justinus Martyr.
\'30
aan andere kerken ontnemen en zichzelven, als hadden zij hierop uitsluitend recht, toekennen dien volledigen openbaren eeredienst, waardoor God collegesgevvijze en in koor geëerd en geprezen wordt i). 4. Omdat het college op verkeerde en onwettige wijze saamgesteld wordt, alleen uit sommige geestelijken, op welke wij dit aan te merken hebben : Allereerst, dat de verkiezing nauwelijks de schaduw is eener kerkelijke verkiezing, maar op velerlei wijze bezoedeld is. Bekend zijn bij de leeraars van het kanonieke recht de zoo vaak voorgekomen pauselijke handelingen tot opdringing van personen, evenzoo de pauselijke maanden, [de acht maanden waarin alle beneficiën den paus werden voorbehouden], de benoemingen bij toerbeurt, enz., daarbij het doen van afstand van eene prebende en andere soorten van koophandel. Ten tweede, dat de hoedanigheden en vereischten der te kiezen personen met geene zaak minder overeenkomen dan met de zielzorg en de kerkelijke bediening. De meesten toch zijn luie buiken of niet meer dan knapen of wereldsche menschen, gelijk niet onduidelijk erkend wordt door degenen, die verhandelingen schrijven over de kanunniken z. a. Molanus, Barbosa en anderen 2). \'Icn derde dat, al gedragen zij zich in hun soort ook nog zoo goed, hun ambt toch een louter men-schelijk gewrocht is, loutere machtsaanmatiging, waardoor zij zich boven de broederen verheffen; en dat zij, terwijl zij in het minst de zielen niet kunnen of willen leiden en verzorgen, toch de herders der kerken en de dienaren des Woords mitsgaders hunne kerken besturen. Dit argument klemt te sterker, indien het college of kapittel bestaat uit kloosterlijk samenlevende geestelijken, dat is monniken, waarover later op de daartoe bestemde plaats. 5. Omdat de rechten en gewoonten, die gewoonlijk bij het begin van de oprichting der collegiaal-of kapittelkerken, onder het pausdom en in hun voortdurend bestuur in achtgenomen worden (zie hierover boven in de eerste stelling), niet met de Schrift en het oude recht en de practijk der kerken overeenkomen.
1) Volgelijk beneden, deel 2, alwaar over de kanunniken gehandeld wordt.
2) Zie deel 2 over de kanunniken.
137
Laat men slechts de rechtvaardiging er van beproeven en men zal zien, dat het louter nieuwigheden zijn en paapsch beuzelwerk, die in de tijden van verval ontstaan zijn.
3. Wat het woord katheder [stoel] in het burgerlijke leven beteekent, is bekend. Op het kerkelijke overgebracht is het een oude naam voor het ambt van leeraar of kerkbestuurder. Toen de aloude eenvoud afnam, en de jacht op de katheder, den bisschoppen in de kerk gegeven, toenam, begon deze overdrachtelijke benaming meer bizonder toegeëigend te worden aan de aldus genoemde bisschoppen, zoodat hunne bediening, bestuur en opzieners-ambt met den naam van zetel, katheder en zitting aangeduid werden 1). Zoo wordt de kerk kathedrale kerk genoemd tereere van de bisschoppelijke katheder, en omdat in het bezit dier kerk de katheder is, waarnaar de groote waardigheid dier leermeesters wordt aangeduid 2). Ze wordt ook genoemd: 1. Degrook kerk, gelijkde rechtsgeleerden aanteekenen op L 8. C. de Episcopis et clericis. 2. Wordt zij kortweg, zonder nadere bepaling, dc kerk genoemd, met weglating van de verdere benaming naar eenigen heilige of van de bijvoeging van het woord kathedraal 3). 3. In het Hollandsch en Duitsch wordt zij genoemd de domkerk, wat men meestal afleidt van Doininieum [des Heeren]. Molanus in zijne verhandeling over de kanunniken, boek 3, hoofdstuk 3, wil het liever afleiden van het woord bisdom door afwerping van de lettergreep bis, zoodat men voluit zou zeggen bisdomkerk.
De nadere grondslag dezer uitnemendheid der kathedrale kerk of van de kathedrale waardigheid bestaat in de volgende zaken: r1-\' Dat ze eene kapittelkerk zij. 2c Dat de plaats, waar ze moet gesticht worden
1
Er komt eene uitdrukking voor in het Jn$ Canonicum e. luminoso 18 qu. 2: de katheder plaatsen^ welke de kantteekening uitlegt met „het ambt van rechter uitoefenenquot; of gelijk Alberieus de Uosate in zijn woordenboek /egt, de rechtspraak oefenen en verklaren.
13«
eene aanzienlijke en talrijke bevolking heeft, zoodat zonder dusdanige verheffing het volk in geestelijk opzicht gebrek zou lijden, in welk geval die verheffing er toe zou moeten medewerken, om gemakkelijker in de geestelijke behoeften te voorzien. 3^. Dat het volk aldaar uitmunte in goede zeden en eerbaarheid. 40. Dat aldaar zij een overvloed van priesters, opdat de bisschopszetel zijne waarde niet verliezo. 5^. Dat ze niet blijve zonder diocese, zoodat, indien een voldoend aantal kerken ontbreekt, die haar onderworpen kunnen worden, eenige kerken, hetzij in hetzij buiten de diocese georganiseerd, niet haar vereenigd worden. Deze vereeniging noemt men dotatie of schenking, welke behoort bij de verheffing tot kathedrale kerk als een noodzakelijk bestanddeel er van, daar geene kerk zonder begiftiging kan zijn 1). De naaste grondslag is het gezag van den paus alleen, die eenige kerk tot kathedrale kerk verheft, gelijk vaststaat uit de practijk (waarvan wij beneden eenige voorbeelden zullen opnoemen), en volgens het algemeen kerkelijk recht, en volgens de theologie in het pausdom 2).
De wezenlijke bestanddeelen der kathedrale kerk, waarin ook de ken-teekenen en bewijzen voor hare qualiteit moeten gezocht worden (volgens de aangehaalde plaats van Barbosa) zijn deze : ic Dat ze het kerspel is der geheele stad of diocese 3). , 2ü Dat ze den zetel heeft van een prelaat, hetzij van een regulieren of van een seculairen. 3e Dat ze tot kathedrale kerk verheven en geconstitueerd is door den paus van Rome. Dat dit tot zijn bevoegdheid alleen behoort, dit leeren onder de leeraars van het kanonieke recht Rebuffus 4) en onder de theologen Azorius 5). 4C Dat ze worde benoemd (of zeker
1^ Aldus de scluijveis bij Barbosa t, a. p.
2) Zie de schrijvers en aangehaalde plaatsen bij liarbosa.
3) KanUeekening c. 2 de poenit. 6.
4) De l\'raxi Heneliciorum, titulo de Krecüone in Ecclesiam cathedralem.
5) Instil. Moral, p. 2 Lib. 5 c. 29 (ju. 25 et Lib. 6 c. 30 qu. 2 et 4. liarbosa voegt er bij, dal hel aan den paus alleen behoort kanunnikdijen in kapittel- en kathedraalkerken in te stellen, bij de handeling der verbefting.
139
benoemd moet worden) met den naam der diocese, niet van een heilige i). 5e. Dat ze het feest der wijding viere, welk zeer oud gebruik immers niet had kunnen geduld en bewaard worden, tenzij de eigenschap van kathedrale kerk ware toegelaten 2). 6- Dat ze de bevoegdheid hebbe tienden te eischen, die op liet grondgebied der stad alleen aan de kathedrale kerk toekomen 3). 70 Dat ze het recht hebbe lijken uit andere kerspelen te halen en die te begraven. Dit toch wordt alleen aan de kathedraalkerken toegestaan, en is aan de andere kerken rechtens verboden 4). 8° Dat ze hebbe de bediening van alle sacramenten zonder onderscheid (tenminste als eene gewoonte) 5). 9^ Dat het dragen van het lichaam van Christus en de geheele processie bij het feest van het lichaam van Christus [Sacramentsdag] van de kathedrale kerk moet beginnen en aldaar eindigen 6). io\' Dat ze in waardigheid ga voor alle niet-kathedrale kerken, en dat hare kanunniken den kanunniken v.an de kapittelkerken moeten voorgaan 7). Welken onmetelijken afstand het gewoon gebruik en de trots der menschen nu tusschen die kanunniken gemaakt hebben, blijkt uit het antwoord van een Leidschen kanunnik aan den kanunnik de Bo.xtehoede (die hem in zijnen brief met den naam van medebroeder begroet had) : medebroeder, zeide hij, met hetzelfde recht als waarmee vliegen vogels genoemd worden, gelijk ik mij herinner gelezen te hebben bij Molanus over de kanunniken, boek t c. 3. 11\' Dat de geestelijkheid der kathedrale kerk bij de begrafenisplechtigheid ook van gestorvenen der eigen kapittelkerk van de parochie over den geheelen weg zoowel door haar eigen rechtsgebied als door dat der andere kerken
1) Aloys. Kiec. in Collectan. Decis. p. 6 collectan. 2350. Gambara, Camillus Borrel. Stcphan. Gratianus, en anderen bij Uarbosa.
2) Volgens de beslissing van Rota bij liarbosa.
3) C. quoniam et. eum contingat, de Deehnis, op welke plaatsen de leeraars en de glosse moeten nagezien worden.
4) C. ex parte, e. eum liberum, c. eum super, e. in nostra de sepultura.
5) C. 3 et uit. de Paroeh. et cap. Presbyteri, de eonsecratione dist. 4.
6) Aldus is het bepaald door de S. Congr. Rit. 19 Augusti 1609. 10.1
7) Volgens e. sedes 15. de Rescription. et. 3. de Sepultura.
140
vooraf moet gaan aan de geestelijkheid van andere kerken, ook der zelfstandige bevoorrechte, die een eigen rechtsgebied hebben, onderscheiden van dat der kathedrale kerk i). Echter is cr op dezen regel ééne uitzondering, nl. dat de kanunniken der kapittelkerk in de stad Rome als waardiger voorafgaan aan de kathedrale kanunniken in andere steden 2). 12C Dat haar deken aan allen, die tot haar diocese behooren, de sacramenten bedient, daar hij immers aan het hoofd dier kerk staat, die de parochie der geheele stad en diocese genoemd wordt 3). \\y Dat hare kanunniken, priesters en geestelijken tezamen één lichaam uitmaken, en allen onder het kruis der kathedrale kerk bij de openbare processies moeten voortgaan 4). I4C Dat zij in alle zaken den voorrang hebben boven de reguliere kanunniken, ook in de kerken der reguliere kanunniken zelve 5). 15° Dat zij in alles en bij alles moeten gesteld worden boven de wereldlijke overheid (voor zooverre die nl. niet behoort tot hen, die voor het leven hun ambt bekleeden, en tot de hoogere overheid), en dat de prediker dienovereenkomstig hen het eerst moet groeten, en dat voor hen eerder dan voor de overheid wierook moet geofferd worden, zoowel in de kathedrale kerk als in andere 6). 16^ Dat zij bij processies in vol ornaat moeten gaan 7). 17« Dat haar kapittel ook bij het leven van den bisschop tot de provinciale conciliën moet worden opgeroepen en toege-
1) S. Congi. Kit. 18 Novemb. ifiofi ct 25 Junii 1611 tt 19 Augusti 1619, wat ook uitgebreid wordt tot alle verrichtingen en handelingen, die in de eigen kapittelkerk moeten uitgeoefend worden. Zie hierover de schrijvers, die onder elkander van gevoelen verschillen bij Uarbosa, cap. iS.
2) Over deze beuzelachtige en nietige dingen betrollcnde den voorrang kan hij, wien dit lust, nazien, Zerola in l\'raxi Episcopoli p. 2. in verba Canonici, en Mich. Ferrus in tract, de l\'raecedentia Ecclesiastica, en den aanwijzer als het ware van allen Barbosa c. 18.
3) Glossar. in verbo subdito, c. 2. de poenitentia Lib. 6. en de leeraren, geciteerd door Uarbosa e. 6. 5\' ig.
4) S. Congr. Kit. 28 Nov. 1605.
5) Aldus bepaalt het de S. Congr. Kit. 12 Martii 1616 en 31 Martii 1618 en de duae Constitutiones Clomentis VIII, later bevestigd door Gregorius XV, welke men zie bij liar-bosa t. a. p.
6) S. Congr. Kit. 3 ()ctob, 1618 en 16 Junii 1605.
7) S. Congr. Kit. 16 Maji 1607 in deel 20.
141
laten i). i Dat in den regel aan hunne boeken het volste vertrouwen pleegt geschonken te worden 2). if)1\' Dat koningen en vorsten haar patronen zijn wat de bevordering betreft, niet wat de verkiezing of voorstelling betreft, tenzij er een apostolisch voorrecht is, wat bijna allen in Europa hebben, volgens getuigenis van Harbosa, c. 22.
Er zijn ook nog andere negatieve eigenschappen, die niet zoozeer er toe schijnen bij te dragen, om den omvang harer waardigheid nog te vergrooten, als wel, om dat te buiten gaan van alle paal en perk te stuiten en te beteugelen. ie Dat door hare oprichting nooit geoordeeld wordt te kort gedaan te zijn aan het recht van eene andere kerk, behalve in zoo verre de paus dit uitdrukkelijk uitspreekt 3). 2e Dat het haren kerspelgcestelijke niet geoorloofd is de sacramenten te bedienen of zielzorg uit te oefenen in eene andere parochie 4). 3° Dat de bisschop haar eigen archief kan bezoeken, en de rechten en geschriften, die op haren rechtstoestand betrekking hebben kan onderzoeken, met behulp echter van eenige kanunniken derzelfde kerk 5).
Aan de bovengenoemde eigenschappen worde nog toegevoegd dit mengelmoes, deels van lasten, deels van voorrechten. ie. Onder de bijkomende eigenaardigheden en voordeden der kathedrale kerk behoort de kathedraalbelasting (cathedraticum), die echter alleen haren eigenen echtgenoot ten deel valt, dat is den bisschop 6). Het is nl. dat geschenk, hetwelk de diocesaanbisschop gewoon is elk jaar te vorderen van ieder der kerken of geestelijken, die aan zijne katheder onderworpen zijn. Deze belasting wordt ook synodaticitm genoemd, omdat ze vroe-
1
Zie hierover Quaranlam in Summa Uullavii, in voce Consilium Provinciale, en Bar-bosa 42 § 21.
142
gcr opgebracht is tot verlichting van de onkosten der synodale vergaderingen. Nu zeggen de leeraars van het kanonieke recht, dat dit eers-halve den bisschop der kathedrale kerk betaald wordt. De bisschop kan niet onder den naam van kathedrale belasting een nieuwe belasting opleggen. Ook kunnen de broeders van den heiligen Johannes van Jeruzalem niet gedwongen worden tot betaling van deze belasting i). 2e. De bisschop kan de visitatie der kathedrale kerk niet rekken, maar moet ze onafgebroken voortzetten, en niet tot de uitwendige handelingen zich wenden 2). 3lt;-\\ Hij kan den zetel der kathedraal niet verleggen naar eene andere plaats der diocese, zonder apostolisch gezag 3). 4\'\'. Hij kan niet naar de kathedrale kerk overbrengen de kapellanen, die den koordienst hebben in eene kapel bij de kathedraal 4). 5e. De herstelling der kathedrale kerk behoort tot de taak van den bisschop. Bijaldien hare inkomsten gering zijn, is het kapittel der kerk zelve gehouden ze aan te vullen uit de vruchten, die overblijven na aftrek van het nooeïige. Indien echter de opbrengsten van bisschop en kapittel niet voldoende zijn, zal de bisschop samen met de kanunniken de opbrengsten van de vakante beneficiën gebruiken kunnen voor de fabriek der kerk 5). 6c. De bisschop is niet gehouden het gevoelen van het kapittel te volgen in het maken van bepalingen op de synode. Hij alleen heeft eene beslissende stem op de synode der diocese, het kapittel echter niet, tenzij in gevallen door het recht of door voorrecht en gewoonterecht vastgesteld. Ook kan hij op dezelfde synode wetten maken zonder de goedkeuring der geestelijkheid 6). /t-. De vicaris (administrator, procurator, visitator genoemd) der kathedrale kerk kan in geestelijke en tijdelijke zaken dat, wat op de rechtspraak betrekking
1) Barhosa in Collectan. Hullarii, in catliediaticum.
21 Barhosa in collectan.
De gevoelens der leeraren op verscheidene plaatsen van het conc. Trid. ad sess. 6. c. 4.
3) T. a. p. sess. 21 c. 7.
4) T. a. p.
5) T. a. p.
6) T. a. p. sess. 24 c.
143
heeft, verrichten, niet echter dat, wat op de sacramenten betrekking heeft. Vicaris is hij nu, die alleen door de apostolische stoel in vacante kathedrale kerken tijdelijk wordt afgevaardigd. De grond dezer macht ontleenen de leeraars van het kanonieke recht aan de macht van den bisschop, die, gekozen en bevestigd zijnde, datgene wat op de rechtspraak betrekking heeft, verrichten kan. Derhalve kan de vicaris het ook, zeggen zijl). 8e. Het geldelijk voordeel, dat met de rechtspraak, met het zegel der curie, of op andere wijze behaald wordt, en dat aan den prelaat der kathedrale kerk of der kapittelkerk behoort, moet, als deze vacant is, voor den opvolger bewaard worden 2). 9C. Als de bisschop door heidenen of scheurmakers is gevangen genomen, beheert niet dc aartsbisschop, maar het kapittel 3). ioc. Niemand kan zonder bizonder verlof van den paus voor de kathedrale kerk zorgen, die geestelijkheid en gemeenteleden mist 4). 1 ie. Indien eene kerk, gelegen in een aarts-diakonaat, verheven wordt tot kathedrale kerk, wordfze aan het rechtsgebied van het aartsdiakonaat onttrokken 5). i2e. In bezwarende rescripten, of wanneer de paus aan iemand opdracht geeft, om maatregelen te nemen met betrekking tot een prebende, behoorende aan eenige der kerken cener stad of diocese, dan moet onder dien algemeenen naam de kathedrale kerk niet begrepen worden 6). Maar meer dan genoeg van deze beuzelingen.
4. Nu moet de aandacht gewijd worden aan de kerken, die het meest op kathedrale kerken gelijken, en vervolgens aan hunne meer bizondere soorten. De kerken der eerste soort zijn: ic. Voorname kapittelkerken, waarover boven is gehandeld. 2C. Bevoorrechte kapittelkerken, die een eigen rechtsgebied hebben, van dat der kathedrale kerk onderscheiden. 3c. Kapittelkerken, tot geene diocese behoorend, of bniten de diocese liggend,
1) Zie hij Vivianus in Ralinnali Juris Canonici Tib. 1. tit. 6. c. 42.
2) T. a. p. Clementin. c. 7. p. 131.
3) T. a. p. 10 c. 3.
4) T. a. p. tit. 6. Clementin. c. 5. p. 130. ,
5) T. a. p. tit. 33. c. 16.
6) T. a. p. Lib. 3 tit. 5 in Sexto c. 5. p. 3S.
144
zooals dc abdij-kerken of abdijen, in niet geringen getale voorkomend.
De kathedrale kerk wordt verdeeld in deze meer bizondere soorten:
ie. In de kathedraal met en zonder vast getal kapittelleden [ninnerata, en non-niimerata). De nnmerata wordt omschreven als eene kerk waarin een vast getal kanunniken is, op zoodanige wijze, dat dit getal niet kan veranderd worden volgens bepaling en voorschrift van het statuut i). 2e. In dc reguliere en seculaire kathedraal. De reguliere is die, waarin het kathedrale kapittel bestaat uit reguliere geestelijken. Van de reguliere kanunniken nu zijn er twee soorten, waarvan de eenen onder eene kloosterlijke tucht en gehoorzaamheid leven, gelijk de wezenlijke monniken, zonder eenig beheersrecht, de anderen hunne aan-deelen in de plaats der kanunnikdijen hebben met het beheersrecht. Zoodanigen waren er vroeger in Engeland, en zijn er heden ten dage nog in Sicilië volgens getuigenis van Harbosa t.a.p. C. i. Eene seculaire kathedraal is zoodanige, waarin het kapittel uit seculaire geestelijken bestaat, die irreguliere kanunniken genoemd worden; zoo
danigen zijn heden ten dage ongeveer allen. Vroeger echter indeneer-sten beginne waren de meeste, zoo uiet alle meer beroemde kathedraal-en metropolitaankerken reguliere kerken, gelijk Joh. Baptiste Signius, boek i de Ordine et statu Canonica c. 16, zoekt aan te toonen met de voorbeelden van de kerken van Alexandrië, Aquileja, ja ook van de eerste kerken van Jeruzalem en Antiochië. Maar in de latere eeuwen zijn de meeste hunner seculair gemaakt. Dc bewerker van zoodanige verwereldlijking of seculariseering is alleen de paus 2).
Hier zouden deze vragen ter oplossing opgeworpen kunnen worden. 1. Of de kerken, wier kanunniken seculair zijn, maar wier bestuurders of oversten seculaire abten of prioren zijn 3), zuiver seculaire kapittel-of ka-
1) Barbosa dc Canonicis C. 3. § 1.
2)• Gelijk te zien is in het Ihdhrinm, en bij Harbosa de Canonicis c. 1. § 49, 50.
De lijst der kathedraalkerken, zoowel als der andere kapittelkerken, die van den regulieren staat tot den seculairen zijn overgegaan zie men bij Chopinus, de Sacra Politia Lib. 1 tit. 3, en bij Aubertus Miraeus de Collegiis Canonic, c. 123.
3) Dat de mecsten zoodanig zijn, oordeelt Miraeus t. a. p. c. 122.
145
thedraalkerken genoemd moeten worden of gemengde ? 2. Of een seculaire abt of prior geene tegenstrijdigheid is, evenals of men sprak van een monnik, die geen monnik is ? 3. Of de verwereldlijking of secularisatie naar de grondstellingen der Roomsche theologie niet genoemd zou kunnen worden een overgang van paard tot ezel ? Voorts over het verschil tusschen een college van geregelde en niet-geregelde geestelijken, tusschen een geregel-den en niet-geregelden overste of prelaat, tusschen een geregelden en wereldlijken kanunnik, en over de verschillende inrichting en wijze van het bestuur, zie men Barbosa t. a. p. Want het uitschrijven der beuzelingen verveelt. 3. De verdeeling der kathedraalkerken in nog meer bepaalde onderafdeelingen, of in afzonderlijke exemplaren mott gehaald worden uit de Noiitia Episcopatuimi, die vroeger is uitgegeven met Barcinonensis Practica Cancellariae apostolicae. Meer nauwkeurig echter en meer overeenkomstig met den tegenwoordigen toestand is de meer nieuwe verdeeling, welke Barbosa heeft in-zijn Praxis exigendi Penswnes, uitgegeven in het jaar 163G, met sommige Vota decisiva Canonica. Onder welke men lette op de kerken van Loretto, Riva, Szoreny, Montalto, Tolentino, die in de vorige eeuw door de laatste pausen tot kathedrale kerken verheven zijn 1).
5. Nu volgt een onderzoek en wederlegging van de zoogenaamde kathedrale kerken. Wij zeggen, dat die kerken zaken van menschelijke uitvinding zijn, en dat men dientengevolge door eene heilzame hervorming tot den alouden en apostolischen eenvoud in dezen deele moet terugkeeren. De gronden, vroeger tegen de kapittelkerken te berde gebracht, kunnen hier alle op dezelfde wijze of met meerdere kracht worden toegepast. Laat ons nu de volgende gronden aanvoeren : ^Omdat er geene stoffc is voor zoodanige kerk, is er derhalve geene zoodanige kerk. Als hare stojjf\'c wordt vastgesteld de diocese-kerk of de diocese, wier gemeenschappelijke of algemeene parochie de kathedraalkerk ge-
1) Men raadplege hierover liel Bullamim en Barbosa in Collectaneis Bullarii in voce ecclesia, en denzelfden in zijn Praxis exigendi Pensiones. Vóór Barbosa is uitgegeven door Aubertus Jiliraeus de jNotitia Episcopatuum totius orbis in 8°.
IO
146
noemd wordt. Maar dat het diocesestelsel strijdt met de schrift, die alle parochiekerken of particuliere, georganiseerde kerken kerken noemt, staat vast uit de door Parker aangehaalde schriftuurplaatsen, bij wien men ook zie de verdediging van dit argument tegen de Roomschen. Pol. Eccl. Poek 3, hoofdstukken 18 en 19. — 2e Omdat er geene forme van zoodanige kerk bestaat. Maar hoedanige forme ook gedacht en gezocht wordt deels in den prelaat of bisschop, deels in het college of kapittel van kanunniken, ze strijdt met Gods Woord, dat geene ambten kent buiten de in Epli. 4, r Tim. 5 : 20) 1 Cor\' I2gt; Hand. 6 en 20, Titus 1 genoemde. Bovendien stelt Gods Woord alle herders gelijk. Maar elders overtuigen wij de bisschoppen en kanunniken naar goddelijk recht van wanordelijkheid en machtsaanmatiging. 3e Omdat de grondslag der kathedrale kerk verrot en verkeerd is. De meer verwijderde grondslag toch is de burgerlijke bestuursinrichting, naar wier richtsnoer en voorbeeld de waardigheid en verheffing der kerken in groote steden en hoofdsteden, en de indeeling van alle andere kerken in kleine steden en op het naburige platteland als het ware in gouvernementschappen, zoodat deze aan de eerste als aan haar moeder en meesteres onderworpen werden, is uitgewerkt. Dit is in strijd met Luc. 22, en met Gal. 1, 2 Cor. 8, Phil. 4 enz. Op deze plaatsen worden de kerken van Macedonië, Azië, Achaië, Judea, Galatië met gelijk recht en voorrecht genoemd zonder eerbetooning of onderscheiding van meerderheid. Behalve dat nergens hetzij in de brieven, hetzij in de gewijde geschiedenis de kerk van Corinthe, Ephese enz. met dezen naam genoemd worden. De nadere grondslag (voor sommige voorstanders der hiërarchie de enkele en eenige grondslag) is de bekeering, of de moeite en dienst, die eenige kerk besteedt in het planten, verzamelen en stichten van andere kerken, waaruit zij meenen, dat een recht van onderhoorigheid verkregen wordt. Maar zonder steun in de Heilige Schriften, ja zelfs in strijd met deze en in strijd met alle redelijkheid. Alzoo zou de kerk van Jeruzalem of Judea voortdurend alle andere kerken aan zich onderworpen moeten hebben als de eerste en gemeenschappelijke moeder (Jes. 2, Joh. 4, Hand. 1 en 2, Rom. 11), en op gelijke
147
wijze de Grieksche of oostersche kerken die van Rome, en alle andere westersche kerken. Het strijdt ook tegen de rede, zoo gezegd wordt, dat eene particuliere, zichtbare en georganiseerde kerk daarom niet wezenlijk eene kerk is en geene eigene forme heeft, geene eigene, in-klevende kerkelijke macht, omdat zij uit eene andere i;i ontstaan en voortgebracht, even alsof een mensch niet wezenlijk eer; mensch en even goed als hij, die hem geteeld heeft, zijn zou, omdat hij zijn bestaan aan een ander dankt. Maar over dit punt weiden wij meer uit in de Desp. Cansa 1\'apatus, boek 3, afd. 3, hoofdst. 4. De naaste grondslag\' van dit gebouw is, wat zijn aanvang betreft, de men schel ij ke willekeur en gewoonte; en wat het ten top voeren der heerschappij betreft, het gezag van den paus. Het is hier niet de plaats te zeggen, hoeveel nu in goddelijke en kerkelijke zaken aan elk van die beide moet toegeschreven worden. 4C Omdat het noodzakelijk vereischte of. het eerste, tot het wezen behoorend, noodzakelijk bestanddeel van kathedraliteit niet bestaat, nl. de kerkelijke macht over de kerken van het geheele district of de geheele diocese, ja zelfs over de kerken der kleine steden of der grootere steden, en dat nog wel waar die steden in eene andere provincie of in eene andere landstreek veraf gelegen zijn, daarom bestaat derhalve ook de kathedrale kerk niet. Het voorafgaande blijkt duidelijk, omdat de kerkelijke macht bij alle en de enkele kerken be-rlist, wat het beroepen der dienaren, tie bediening des Woords en der sacramenten, en de uitoefening der tucht betreft, volgens Matth. 18, 1 Cor. 5 en 14, 2 Cor. 8, Eph. 4, Hand. 4, 1 Thess. 5, 1 Tim. 3, 4 en 5, 1 Petr. 5 enz. Men vergelijke de volgende verhandeling over de kerkelijke macht, en deel 2 over de beroepingen der dienaren, over de ouderlingen, en over de klassen en synoden. 5° Omdat de vereischten, de rechten en de gewoonten, die in de stichting, de verrijking en het bestuur der kathedrale kerken gewoonlijk in acht genomen worden (hier boven vermeld), strijden met het goddelijk recht, den alouden eenvoud en de opbouwing der kerken. Om het in ronde woorden te zeggen, het is bloot machtsaanmatiging en geroofd goed, dooide geestelijken aan andere kerken ontnomen, en ze ontnemen aan
■ 48
de andere kerken, waar het Woord en de sacramenten bediend worden, het wezen van kerken. Deze dingen zijn alle zoo dwaas mogelijk; ze slechts genoemd te hebben, is hunne dwaasheid bewezen te hebben. 6e Omdat men hierdoor kerkelijke overheersching, regeering van weinigen, voorrang, alleenheerschappij en pauselijke tyrannie, de bemoeiing met eens anders doen, kortom, den stinkenden trots der wereld invoert of bevestigt, langzamerhand al het heilige in het onheilige, de kerk in de wereld omzet, en haar (om een uitdrukking van henzelven te gebruiken) seculariseert of verwereldlijkt. Dit weten zij die de kathedralen met hunne versieringen, inkomsten en pracht kennen, benevens de kathedrale kapittels met hunne inkomsten, eereposten en eereambten van aartspriester, aartsdiaken, overste, deken, evenzoo de bisschoppen en bisschoppelijke curiën met de vicarissen, officialen enz., of die slechts Keulen, Luik, Mainz, San Jago de Compostella, Parijs, Tarraco, Saltz-burg, Bamberg, Saragossa enz. gezien hebben. Maar het duidelijkste bewijs is hier wel geleverd door de vleeschelijke redetwisten, bepalingen en regels over den voorrang ; welke ons rijkelijk verschaft worden, behalve door het kanoniekc recht, door de bullen en constituties der pausen, en de handelingen der Congregatie van Kardinalen tot bepaling der riten, en van eene andere Congregatie, die belast is met de uitlegging der bepalingen van het concilie van Trente, gelijk ook door de boven aangehaalde schrijvers. Om nu niets te zeggen over de twisten tusschen het kapittel met zijne waardigheden en den bisschop, wederom tusschen de kathedrale kerk en de geëximeerde of aan het bisschoppelijke opzicht onttrokken kapittelkerk, of tusschen de voorname en de rijke kapittelkerk, deels over punten van eerbewijzing, deels over de grenzen van het rechtsgebied i). 7e Omdat het bestuur der kathedrale kerken zich ongeveer om niets bekommert dan om de wereld en hare rijkdommen, die te niet zullen gaan, de inkomsten.
i) Zie de besluiten der Gallikaansche kerk van Bochellus, boek 5, titel 8, hoofdst. 72. En van Barbosa de Collectanea Bullarii, en van de Leeraars de aanteekeningen op het Trentsche concilie, waarin over de bisschoppen en kapittels wordt gehandeld.
149
landerijen, landschappen, tienden, enz. Dit tenminste is het voornaamste onderwerp, dat het kapittel en den bisschop bezighoudt. Zoodat, meer dan ergens elders, voorwaar wel van de kathedraalkerken het oude spreekwoord ten volle geldt: Rcligio pep er it divitias, et filia devoravit matrem, d. i. de godsdienst heeft rijkdom gebaard en het kind heeft toen zijne moeder verslonden. 8c Eindelijk zijn de kathedrale kerken wederrechtelijke instellingen (hoe goed, hoe opperbest zij zich in hunne soort ook houden), niet slechts met betrekking tot de kerken, die zij aan zich onderwerpen, maar voornamelijk met opzicht tot de dienaren des Woords en de uitdeelers der Godsgeheimenissen, die de moeiten der zielzorg op zich nemen. De kathedralen echter verheugen zich door hunne kapittels en bisschoppen in de waardigheid, de macht, het gezag, en de vruchten, en matigen zich het geestelijk of kerkelijk bestuur over hen en evenzoo over hunne schapen op vleeschelijke en wereldsche wijze aan. Laat hen zien, hoe wel dit strookt met Mal. 2:7,1 Cor. 4:1,1 Thess. 5 : r, 1 Tim. 5, 1 Petri 5, en met andere teksten boven en elders aangehaald, evenzoo met het werk de sacerdotio van Chrysostomus, met de Apologia profuga van Gregorius Nazianzenus, met het pastorale van Gregoritis den Groote, waarin deze gulden volzin uitblinkt: „ Weid met het zvoord, weid met „het voorbeeld, weid met hulpbetoon. Weid met het woord in de pretli-,,king op geleerde, weid met het voorbeeld in den omgang op heilige, „weid met hulpbetoon in de liefde op vrome wijze.quot; Op welke wijze de bisschoppen met het kapittel dit doen is al te bekend. En toch verheffen zij zich boven de kerspelpastoors en andere geestelijken, die in de bediening des Woords en in de zielzorg arbeiden, en gebruiken hen en hunnen dienst op geene andere wijze als een meester dien van zijn slaaf, of pachter, of huurling in zijne eigene zaken gebruikt.
6. De gronden, die voor de kathedrale kerken gewoonlijk worden aangevoerd, zijn evenzeer wankelend, ie Nu eens worden ze gehaald uit het goddelijk recht of den apostolischen tijd of het apostolisch voorbeeld. 2e Dan weer achten zij het, deze wantrouwend, veiliger die te halen uit de practijk en gewoonte der oude kerk. 3° Herhaaldelijk
ISO
doen zij beroep op het natuurrecht of de billijkheid. Want omdat iedere of eenige kerk eener groote stad andere kerken in de nabijheid der stad gesticht heeft en deze van gene in hun oorsprong afhingen, meenen zij, dat dit plicht is, dat zij inderdaad en voortdurend als spruiten van die kerk als van hunne moeder moeten afhankelijk zijn, ja, terwille van hare moeder nooit kerken worden met eigene forme en volkomenheid. Üp gelijke wijze ongeveer als volgens het recht van oorlog en onderwerping, volgens het recht van gerechtelijke opvordering en bevrijding, of volgens het recht der eerste in bezitneming steden, eilanden, provinciën en volken aan andere steden, provinciën, koninkrijken en volken staatsrechtelijk onderworpen worden. 4^ Anderen wederom stellen hunne sterkte in liet burgerlijk recht en in de volgens dit recht gemaakte verdeeling der plaatsen in provinciën eri gouvernementschappen, en in de ondergeschiktheid van de eene aan de andere. Zij willen nu dat zoodanig recht en zoodanige gewoonte op gelijke wijze worden overgebracht en toegepast op de kerken. ic Wat de bewering van goddelijk recht en apostolische instelling betreft, moet deze eenige grond van weerlegging worden vastgehouden : nl. dat alle eerste kerken des N. T., die in den beginne georganiseerd zijn, niet zoodanige geweest zijn, dat zij meerdere andere kerken onder zich konden omvatten, en dat de meeste dier plaatselijke of parochiale kerken geenszins slechts deelen eener groote diocesekerk (aldus in het pausdom genoemd) geweest zijn, noch van het eigen bestuur over zichzelve ontbloot zijn geweest, of als gedeeltelijk slechts kerken zijnde afhankelijk zijn geweest van eene kathedraalkerk, zoodat aldus die diocesekerk in de enkele kathedraalkerk vertegenwoordigd zou worden, en zoodat dan haar geheel bestuur in handen van den bisschop zou zijn, of indien hij gestorven was, van het kapittel, zonder de toestemming der ouderlingen of herders. Indien deze grond van weerlegging wordt vastgehouden, zal men zien, dat geene argumenten, geene tegenwerpingen den staat des geschils aanroeren, maar dat het óf aannemingen zijn van wat nog bewezen moet worden, óf onbekendheid is met de tegenbewijzen, of louter tegenstrijdigheden zijn, waarin zij zich wikkelen, en waardoor zij hunne eigene stellingen of die der
i5i
bondgenooten afbreken; wat zoo geleerd en krachtig is aangetoond door Parker, t. a. p„ dat niemand (voor zoover ik weet) sedert dien ganschcn tijd (het boek nu is uitgegeven in 1616) hem op iets geantwoord heeft. Om niet over te doen, wat reeds gedaan is, verwijzen wij de lezers naar zijn werk. 2^ Gronden van weerlegging met betrekking tot de tegengeworpen oudheid zijn deze : In het begin der oudheid naden apostolischen tijd is het niet aldus geweest. Maar gelijk door Christus en daarna door de apostelen en apostolische mannen het evangelie \'gepredikt is in de kleine steden en dorpen evenzeer als in de groote steden (verg. Luk. 10 : 8 met Matth. 10 : 1 r, 9 ■ 35, Marc, r : 38, 1 land. 8 : 25), zoo zijn overal kerken verzameld en georganiseerd, en wel eigenlijk gezegde kerken (Rem 16: r, Hand. 14:21, Tit. 1 13, Hand. 15 : 36), en over die enkele kerken zijn eigen bestuurders of herders of opzieners aangesteld (1 Tim. 3; 15, Titus 1 : 5, Hand. 14:5 en 23, Eph. 4: 11), over de afzonderlijke kerken ook wel in meerderen getale (Hand. 20: 17, Phil. 1 : 1, 28, I Thess. 5 : 12), en het kerkelij\'k bestuur is gelijk geweest aan eene veelhoofdige regeering; en de kerken zijn in dezen toestand bewaard geweest, totdat de eerzucht langzamerhand de aanstelling van koorbisschoppen heeft ter hand genomen, en het bestuur, dat in handen van velen was, eerst tot minder personen, daarna tot eénen opziener of bisschop is teruggebracht. Er moet echter opgemerkt worden, dat de sporen van de oorspronkelijke nederigheid en eenvoudigheid niet ontbroken hebben, toen het voortdurend voorzitterschap van eénen onder de ouderlingen de grenspalen der macht reeds uitermate had uitgezet. Dat op het concilie van Carthago (waarover bij Cyprianus) vele bisschoppen, die de besluiten van dat concilie onderteekend hebben, uit dorpen en kleine steden zijn geweest, wordt daaruit opgemaakt, dat de meeste namen der plaatsen, waar\' hun bisschoppelijke zetel was, den aardrijkskundigen onbekend zijn. Ja zelfs in den tijd dat de bisschoppelijke hoogheid reeds wijd en zijd bevestigd is, worden nog overblijvende bisschoppelijke zetels gevonden te Dolichia, Nazianzus, welke plaatsen naar getuigenis van Theodoretus (boek 3, hoofdst. 4) en Socrates (boek 4 hoofdst. 26) kleine steden zijn geweest. 3^ De grond
152
van weerlegging met betrekking tot de tegengeworpen redelijkheid en voegzaamheid, dat de bekeerende kerk rechtsmacht hebbe over de bekeerde kerk, wijzen wij beneden aan. 4C Op het tegengeworpen voorbeeld van het burgerlijk recht antwoorden wij met het woord van Christus Joh. 18 ; 36 : Mijn koninkrijk is niet van dcr.e wereld, en Luc. 22, de koningen der aarde enz., maar gij niet a/zoo etc. De gronden van huishoudelijken aard of die aan de keuken ontleend zijn ten voor-deele van de kathedralen gispen wij beneden met een woordje.
7. T. Over de metropolitaankerken handelen de leeraars op het hoofdstuk cleric. 9 qu. 3. Eene metropolitaankerk nu is eene kerk, die in de voornaamste of hoofdstad der provincie is, en die den zetel of leerstoel van den metropolitaanbissehop heeft. Isodorus, en met hem het kano-nieke recht c. cleros. 21 dist., schijnt de metropolitaankerk omschreven te hebben als eene zoodanige, die op zijn minst het bestuur heeft over tien steden. Anderen stellen den metropolitaan volkomen gelijk met den aartsbisschop, gelijk Tholosanus, Syntagm. Juris, lib. 15 c. 11 meent, dat uit het burgerlijke en het kanonieke recht bewezen wordt, en zoo ook de nieuwere leeraars van het kanonieke recht en de practijk der Room-sche curie. Anderen echter onderscheiden op andere wijze, gelijk Cuja-cius op C. de Sacros. Eccles., alwaar hij zegt, dat de metropolitanen lager in rang zijn dan de patriarchen of aartsbisschoppen, en hooger dan de bisschoppen. De metropolitaanbisschoppen worden ook genoemd rrnnfóinrfg, iTQÜnnt, /rQwrnmprf-j, mindere patriarchen (niet patriarchen in volstrekten zin. zonder bijvoeging van dit mindere). De metropolitaankerken worden ook patriarchale kerken of moederkerken genoemd, welke laatste naam in ander opzicht ook gegeven wordt aan de kathedraalkerken, ja zelfs aan de parochiale doopkerken 1). TI. De oorsprong of eerste aanleiding der metropolitaanbisschoppen schijnt geweest te zijn de menschelijkc gewoonte en instelling, waardoor zij gemaakt zijn als het ware tot voorzitters der bisschoppen en kerken in ééne provincie, op wie de verplichting rustte de bisschop-
1) Glossa in Clem. 1 de sent. Excom. et c. dilectus. de capill. monach.
153
pen der provincie saam te roepen en op de conciliën het voorzitterschap te bekleeden; waarbij nog deze last of deze macht gevoegd was, dat in hunne tegenwoordigheid en door hunne bezorging de bisschoppen beroepen werden i). Maar in verloop van tijd groeide hun gezag aan, en heeft de macht van den Roomschen paus er de laatste hand aan gelegd; welke macht tegenwoordig het naaste fundament van zoodanige kerk is 2). III. Uit de noodzakelijke bestanddeelen en vereischten, die deels voorrechten deels lasten zijn, zullen we nu deze aanstippen, ic Dat alle bisschoppen der provincie in betrekking tot hun metropolitaanbisschop suffraganen of ondcrbisschoppcn zijn en genoemd worden. 2° Dat bij de verheffing tot metropolitaankerk verscheidene kerken haar moeten onderworpen worden 3). 3e Dat hare aartsbisschoppen de koningen kroonen, volgens opdrafcht van den Paus, hun gebieder. Zoo heeft de aartsbisschop van Tarragon den koning van Arragon 4), die van Trnova den koning van Bulgarije 5), die van Mainz weleer Karei den Groote gekroond enz. 4« Dat de suffraganen of onderbisschoppen over hunnen metropolitaanbisschop niet kunnen oordeelen, behalve dat de oudste onder hen gehouden is diens meer dan zes maanden durende afwezigheid den paus te kennen te geven 6). 5^ Dat hare metropolitaanbisschoppen hooger in rang zijn dan de gewone bisschoppen, en lager dan de primaat, evenals de primaten lager zijn dan de meerdere patriarchen 7). Tholosanus, t. a. p. wil echter, dat uit Sidonius Apollinaris bewezen is, dat vroeger de metropolitaanbisschoppen in Gallic onmiddellijk aan den roomschen stoel onderworpen waren. 6^ Dat dienovereenkomstig van den
1) Zie den 5en en 6en Canon van het Niceesch concilie en den 2oen van dat van Antiochië en den 28en van dat van Chalcedon. Vergelijk later deel 2 over de Metropolitaanbisschoppen.
2) Zie de verheffingen tot metropolitaankerk in het Rullarium, waarover hieronder.
3) Volgens de Const, van Gregorius XIII.
4) Volgens de bul van Innocentius III, anno 1206.
5) Volgens de bul van dienzelfden paus, anno 1204.
6) Cone, van Trente, 6c sess. c. 1.
7) Can. 1 dist. 99.
1S4
suffragaanbisschop op iederen mctropolitaanbisschop kan geappelleerd worden i). 7e Dat de metropolitaanbisschoppen suffraganen of onderbisschoppen der patriarchen zijn 2). 8e Dat de mctropolitaanbisschop geen bisschop kan ordenen, zonder den patriarch geraadpleegd te hebben 3). 9e Dat de oudste bisschop der suffragaan-bisschoppen eenen vicaris in de metropolitaankerk kan aanstellen, indien het kapittel de aanstelling nalaat; indien de cxenite kathedraal het nalaat zal de naastbijzijnde bisschop eenen vicaris kunnen afvaardigen; in cene gewone kathedraalkerk zal de aartsbisschop eenen vicaris of officiaal kunnen afvaardigen, indien nl. het kapittel binnen acht dagen in het vicariaat niet heeft voorzien 4). 10° Dat de mctropolitaanbisschop of aartsbisschop niet kan oordeelen over zaken, die de suffragaanbisschoppen onder elkander hebben 5). iie Dat hij zich niet moet inlaten met zaken, die in eersten aanleg behandeld worden bij zijnen suffragaanbisschop, noch zaken, die bij de hoven der gewone bisschoppen hangende zijn, aan zich trekken 6). 12^ Dat de aartsbisschop overgebracht naar eenen bisschoppelijken zetel, slechts den naam of titel van aartsbisschop behouden kan, echter niet het gebruik van pallium z\\\\ kruis 7). 13° Dat hij niet zitte op eene hoogere plaats, noch het gebruik van kruis en moretta hebbe, als de pauselijke legaat in de stad tegenwoordig is 8). I4e Dat eene reguliere metropolitaankerk alleen door den paus geseculariseerd kan worden. Wat die secularisatie of verwereldlijking is, en dat zij behalve de hoedanigheid van het geregeld zijn niets verandert, zal men leeren uit de
1) Cap. si inter cpisc. 6, quaest. 447.
2) Capit. pastoralis, de offic. ordinand.
3) Cap. quoniam 65 distinct.
4) Quaranta in Constitut. Pontifjcum, voc. capitulum, et Archicpiscopus.
5) S. Congr. Episcop. et regular. 31 Maji 15^^-
6) S. Congr. Coneil. bij Zeroll. in Praxi Episcop; in voce appellatio. Zie het gcheele besluit, bij Quarant. t. a. p. en Barbosa in Collectan. Doctorum ad Concil. Trident, sess. c. 1.
7) S. Congreg. Rituum 16 Getob. 1604.
8} Deze en andere beuzelingen betreflende de voorrangen kan men, zoo men lust heeft, zien bij fJarbosa in Collectan. Bullarii, in voce. Archicpiscopus.
155
bul van Clemens VIII, waarbij hij de kerk van Saragossa geseculariseerd heeft, 15 Juli 1604. Deze bul staat niet in het Bullarium, maar Barbosa vermeldt haar in het tractaat de Canonicis cap. 1 % 49. r 5e Dat de verheffing eener kerk tot metropole niet kan gedaan of gevraagd worden, zonder dat vooraf aanzoek is gedaan bij de congregatie, die hiervoor door Sixtus V is ingesteld, om na onderzoek der zaak door de leden dezer congregatie dit van den paus te kunnen gedaan krijgen. — Voeg bij deze nieuwe wetten nog eenige oudere besluiten, nl.
I. Dat de suffragaanbisschoppen helpers zijn van hunne metropolitaanbis-schoppen, en dat ze datgene, wat deze in zake hunnen dienst tc verbeteren vinden, met volvaardig gemoed verbeteren en terechtbrengen 1).
II. Dat de metropolitaanbisschop de zaken niet hoore zonder de tegenwoordigheid van alle medebisschoppen der provinoie 2). III. Dat, indien iemand zich beklaagt door den metropolitaanbisschop bezwaard te zijn, hij bij den primaat der diocese of bij den patriarchalen stoel het geding aanhanging make 3). IV. Dat geenszins tusschen twee metro-politaanbisschoppen eene provincie verdeeld worde 4). V. Dat de in ketterij gevallene door de bisschoppen der provincie, door de naburige metropolitaanbisschoppen geoordeeld worde 5),
8. De metropolitaankerken worden verdeeld in: I. reguliere en seculaire. Vergelijk, wat ik boven over de verdceling der kathedraalkerken heb aangeteekend. II. In eenvoudige of gewone metropolitaankerken, en in de metropolitaankerken van primaten en patriarchen. Zoodanige zijn bijv. onder de mindere of particuliere patriarchale metropolitaankerken, die van. Maagdenburg in Duitschland, van Canterbury in Engeland, van Armagh in Ierland enz.; onder de meerdere
11 In de rijkswet van Karei-den Groote 780, e. 1.
2) Const, van Lodewijk den Vrome en Lotharius 826, c. 10, bij Goldastus in Constitution. Imperator, torn 3. p. 258. lt;
3) T. a. p. cap. 13.
4) Rijkswet van Karei den Groote, overgenomen uit de rijkswet van Lotharius, bij Goldastus, bladz. 152.
5) Can. 1 van het concilie van Efeze.
156
of algemeene of oecumenische, die van Rome, van Constantinopel, enz. III. In meer bizondere soorten, of enkele kerken, dat is in de heden-daagsche metropolitaankerken van heel de wereld, waarvan een zeer nauwkeurige lijst gegeven wordt door Barbosa, in het boek door ons aangehaald, toen we over de kathedraalkerken handelden. Onder deze moeten als met den vinger aangewezen worden die, welke in de vorige en in de onmiddellijk daaraan voorafgaande eeuw tot metropolitaankerken verheven zijn, gelijk die te Senigaglia door Pius II, die van Bologna door Gregorius XIII, die van Fermo door Sixtus V, die van Ravenna door Gregorius XIII, van welke de suffragaankerken zijn aangewezen door Clemens VIII. Hierover moet geraadpleegd worden het Bulla-rium. Het naast met de metropolitaankerken stemmen overeen de exemte of aan gewoon opzicht onttrokken kathedraalkerken. De Lateraankerk van Rome schijnt alle exemte metropolitaankerken van elke soort tc overtreffen. Want deze is niet slechts eene kathedraalkerk, maar ook eene metropolitaankerk, ja zelfs eene patriarchale kerk, en meer nog. ic Want zij neemt de hoogste plaats in boven alle kerken van wereld en stad (orbis et urbis). 2e Ze is de kerk van de Rooinsche patriarchale opperpriesters. 3C Ze komt voor onder den naam van kerk van Rome. 4C Ze heeft het voorrecht van de honderdjarige aflaat te mogen geven. 5U Aan haar is de hoogste plaats verschuldigd wegens meerdere daar gehouden conciliën. 6C Ze is het hoofd en de moeder van alle kerken. 7e Geen heiliger plaats is er in heel de wereld dan deze kerk. 8« De heilige Dominicus is verschenen om haar, toen ze instortte, met zijne schouders te steunen. ,9e Hare aflaten zijn ontelbaar. ioc Haar kapittel heeft de bevoegdheid aflaten toe te staan. iie Zij geeft verlof op haar terrein vrome plaatsen op te richten, met toestemming van de bisschoppen der diocese. 12« Hare kanunniken gaan vooraf aan de kanunniken en de geestelijkheid van de St. Pieterskerk der stad. I3e Hare geschillen onderzoekt de kardinaal-aartsdeken en de rechter, door hem afgevaardigd. Zie deze voorrechten en deze hare verdiensten op verschillende plaatsen in het Bull avium, en in Patiinus\' werkje de praecipuis
iS7
Urhis Basilic is, en in het tractaat van Pompejus Vgonius dc pmecipuis urbis stationibus, alwaar ook de geschiedenissen en oudheidkundige zaken op haren bouw, reliquiën en heilige gedenkteekenen betrekking hebbende, vermeld worden. Aan haar kapittel alleen kent Caramuel Lob-kowitz den voorrang toe boven de Cisterciënsen en de andere reguliere kanunniken in zijne verhandeling, waarin hij met inspanning van alle kracht strijdt voor den voorrang der Cisterciënsen. Men zie de gronden voor deze uitnemendheid bij hem, zoo men hierin lust heeft.
9. Nu blijft nog over een wederleggend deel. De gronden tegen het ongelukkige fabriceeren van dusdanige kerken kunnen gehaald worden uit de wederlegging der kathedraalkerken, en op dezelfde wijze hier worden toegepast. Nu zullen we afzonderlijk aanwijzen de volgende: I. Omdat er naar goddelijk recht geen provinciale Kerk, noch aartsbisschop, noch kapittel is, dat is noch stofte, noch forme, is er derhalve ook niet het geheel. ie Dat er zoodanige kerk niet is, wordt bij gevolgtrekking uit het mindere tot het meerdere besloten uit datgene, wat wij tegen de kathedraalkerken hebben aangevoerd. Zie Parker, bladz. 245 en 283 der eerste uitgave in 40. 2e Evenzoo dat er geen zoodanige provinciale herder is, daar hij immers aan zijn ambtsplicht niet zou voldoen, die voornamelijk bestaat in de prediking des Woords en in de openbare en private vermaning (gelijk vroeger uit de beweringen der pausgezinder! zeiven aangetoond is in onze Desper. causa Papatus); ja zelfs is hij niet voldoende voor het bestuur en de rechtspraak in zoovele en zoo wijd uit elkander verspreide kerken. Maar over de bisschoppen en aartsbisschoppen en hunne instelling handelen wij opzettelijk in deel 2. Intusschen kunnen de lezers nazien de Institutie van Calvijn, boek 4, hoofdstuk 10, Wittaker c. Bellarmino con-trov. 4 qu. 2, Raynoldi colloquium cum Harto, Parker boek 3 cap. 19, inzonderheid het Altare Damascenum cap. 2 6113. II. Deze ongerijmdheid zou dan volgen, dat de kerkelijke macht door Christus verbonden was aan bepaalde plaatsen en hunne wereldlijke uitstekendheid, die door den wil van den vorst en den loop der jaren veranderen kan,
158
gelijk de vorm der provinciën veranderd is, naar getuigenis van B. Rhenanus; en op grond van en in aansluiting aan zijn getuigenis Tholosanus in hetzelfde boek 15, c. 11. Vergelijk Wittaker, Controv. 4, qu. I. III. Ook nog eenc andere ongerijmdheid zou volgen. Naar dezelfde gevolgtrekking zouden aangenomen moeten worden patriarchale kerken met de patriarchen, en eene oecumenische of algemeene kerk met haren oecumenischen priester. Zie de verdediging van dit argument bij Parker, t. a. p. pag. 287. Tegenwerpingen en verdedigingsmiddelen ten voordeele van de metropolitaankerken worden ontleend: Ie Aan de Schrift. Antwoord. Maar ic óf slechts de verborgen bedoeling der apostelen werpen zij ons tegen. Door aanwijzing van welken regel kennen zij die ? 2e óf ze leggen de zin en historie der Schrift uit naar de feiten, spreekwijze, gewoonte en gebruik der volgende eeuwen op eene even gevaarlijke als ongeleerde wijze. Zie Parker. IIe Aan de billijkheid, het natuurrecht, ja zelfs aan het goddelijk recht, volgens hetwelk nl. de bekeerende kerk de rechtsmacht zou hebben over de bekeerde. Antwoord. Peneden in de vraagstukken ter oplossing zal hierover iets gezegd worden. Ille Aan het oude kerkelijke recht. Antwoord. ie Het staat te bezien, of men met de noodige voorzichtigheid te werk gaat, door de kerken naar het voorbeeld van de staatsinrichting en burgerlijke heerschappij, ja zelfs van het heidendom (c. illis 8 dist.), volgens menschelijke gewoonte en berekening te organiseeren. 2e Hunne forme en inrichting \'is geheel anders geweest dan die van de pauselijke metropolitaankerken, gelijk uitstekend en overtuigend bewezen wordt door Parker en door den schrijver van het Al tare Dainascenuin (David Calderwood) t. a. p. Waarbij ik nu niets heb bij te voegen dan dit eene, uit de rijkswet van Lodewijk den Vrome, hoofdstuk 10 : Geen metropolitaanlns-schop ving zonder tegenwoordigheid 7\'nn alle overige medebisschoppen der provineie de zaken van eenigen hnniur aanhooren; omdat iet ongeldig zal zijn, ja de zaak op de synode als afgedaan zal doen besehouwen. Noch zal iemand, der overige bissehoppen de zaken zijner priesters hooren zonder tegenwoordigheid zijner geestelijken, omdat het vonnis van den
\'59
bisschop ongeldig zal zijn, indien het niet door de tegenwoordigheid der bisschoppen bekrachtigd wordt. Geheel anders is nu de gedaante der hiërarchische macht.
io. Patriarchale kerken zijn hetzij particuliere, hetzij algemeene of oecumenische. Gene zijn de kerken en zetels der primaten bij elk volk, in elk gebied of rijk. Heden ten dage nog zijn zoodanige patrarchale zetels en patriarchen in Moscou en in het Abessinisch rijk. In het westen worden zij primaten genoemd, bijv. van Frankrijk, Duitschland, enz. Zoo bijv. is Hermolaas Barbarus Patriarch van Aquileje geweest. De laatste (de alg. of oecum.) waren in de Romeinsche wereld weleer de kerken van Rome, van Konstantinopel, van Alexandrië, van Antiochië, en als aanhangsel of toegift die van Jerusalem, Die van Alexandrië schijnt tenminste wat den titel betreft onder alle •patriarchale kerken de oudste, alwaar de patriarch-\'•eerst Abba genoemd werd, daarna van den tijd van Herucla af, nadat door haren voorganger Demetrius drie en door haarzelve twintig bisschoppen (die vroeger in Egypte niet waren) waren aangesteld, zijn zij Papa genoemd (hetwelk de Arabieren schrijven Baba), dat is grootvader, nl. vader der vaders; omdat de bisschoppen vaders genoemd werden, en dientengevolge de patriarchen, die over de bisschoppen van hun district stonden, vaders der vaders schenen genoemd te moeten worden i). Of eene georganiseerde oecumenische kerk, die nl. eene eenheid vormde en vereenigd was door eene in uitwendige gestalte zich openbarende en geregelde correspondentie en gemeenschap, na den apostolischen tijd ooit in de wereld bestaan heeft, of eenen tijd lang voortdurend bestaan had, alzoo dat door ons historische kennis van haar bestaan kan verkregen worden, betwijfel ik niet slechts in groote mate, maar ik neig er volkomen toe om het te ontkennen, zoodat men. zich met zoodanige oecumenische eenheid
l) Aldus Eutychius, do Alexandiijnsche yalriarch. in de Annal. j\\ral)., die nu in het lalijn zijn uitgegeven, deel i, pag. 3J4. Maar hierover meer in deel 2, alwaar over de patriarchen gehandeld wordt.
i6o
te vergeefs zou bezighouden. Dat er eene verborgene gemeenschap van alle rechtzinnige kerken en van alle geloovigen altijd geweest is en ook nu nog is, moet zonder twijfel worden vastgesteld. Van haar ook moet worden verstaan dit algemeen bekende gezegde : »Hem is » God niet de Vader, wien de kerk niet de moeder is.quot; Men kan zich toeleggen op de bevordering der eenheid der algemeene kerk, en in hare eenheid blijven, als men blijft in de eenigheid des geloofs, en als men met elk harer deelen, waarin men komt, of waarmee men verbonden kan worden, uitwendige gemeenschap aankweekt, hoewel men nauwelijks weet, of er, welke, en hoedanige kerken in alle deelen der wereld zijn, die de oecumenische kerk samenstellen. Wat betreft de vertegenwoordiging der oecumenische kerk op éénen tijd, of in deze of in die eeuw op de wereld bestaande, dat is, wat betreft eene oecumenische synode, kan evenmin aangetoond worden, dat ze ooit na de apostolische synode (Hand. 15) bestaan heeft. Laat men slechts de kerkhistorie en de handelingen der conciliën nauwkeurig doorzoeken, en men zal niets vinden dan afgevaardigden van kerken in het Romein-sche rijk, bij wie zich herhaaldelijk misschien eenige weinigen uit de niet-Romeinsche wereld gevoegd hadden, üp gelijke wijze werden vier patriarchen in de westelijke en oostelijke deelen van het rijk oecumenische genoemd, gelijk nog heden ten dage de oostersche patriarchen zich met dezen zelfden titel noemen, omdat zij over de kerken stonden van het geheele Romeinsche rijk of gebied, en die over vier gouvernementschappen als het ware of viervorstendommen verdeeld waren ter wille van de betere orde (naar men meende). Men moet dit echter van niets anders dan van de Romeinsche wereld verstaan ; en dientengevolge is er geen oecumenische priester, noch een oecumenische zetel of kerk, waarvan alle kerken noodzakelijk zoo afhankelijk zijn, dat zij, indien zij niet bij haar door uitwendige eenheid en gemeenschap zijn ingelijfd, buiten de katholieke en oecumenische kerk geheel en al zouden schijnen te staan.
11. Vraagstuk /. Moeten in de zuivering der kerken van de misbruiken van het pausdom de metropolitaankerken en kathedraalkerken
i6r
behouden worden; of waar ze reeds opgeheven zijn, hersteld worden. Antwoord. Neen, wegens de boven bijgebrachte redenen. En ook deze céne reden zou voldoende zijn, dat dan op gelijken grond de kerken der primaten, de patriarchale kerken, en de oecumenische of algemeene kerk en geheel die wereldsche heerschappij moesten worden georganiseerd of hersteld. Maar de volgende tegenwerpingen worden gemaakt door hen, die, nadat na het jaar 1640 in Engeland de zaken een ommekeer genomen hadden, voor de kathedrale hiërarchie met hare kapittels in de bres zich stelden.
1° Tcgemvcrping. De bisschoppelijke inrichting is oud en apostolisch. Anhüoord. In geenen deele, gelijk door de gereformeerden tegenover de roomschen krachtig bewezen is. Maar hierover in deel 2. 2C Tegenwerping. Terstond met de voortplanting des geloofs onder de heidenen zijn zoodanige kerken aan Gods dienst dn verheerlijking toegewijd. Antwoord. 1. Niets van dien aard blijkt uit de geschiedenis des N. T.; evenmin uit de eerste en oudste kerkelijke schrijvers. Maar dit blijkt, dat de kerken plaatselijk in steden en dorpen georganiseerd zijn geweest, en wel als volkomen kerken, toegerust met hare eigene macht, bestuur en kerkdijken dienst. 2. Later toen de macht der bisschoppen, en de aanmatigende heerschappij van broeders over broeders, van kerken over kerken langzamerhand binnensloop, en de kerken zich inrichtten naar het voorbeeld van de onderscheiden trappen van macht en hoogheid, die op burgerlijk gebied bestaan, ja zelfs van de heiden-sche priesterheerschappij, waren er echter nog niet de kathedralen met hunne bisschoppen, kapittels, kanunnikken en waardigheden, zooals die kathedralen zijn, die wij verwerpen.\' 3. Hoe het ook zij, die vlekken en verkeerde ijver der ouden geven ons geen regel, evenmin als hunne menschelijke overleveringen over het coelibaat der dienaren, de zalvingen, en honderden andere dingen, die geen stroospier waard zijn, betreffende de ceremoniën en het bestuur der kerken. 3e Tegenwerping. Hier en daar is in de reformatie geoordeeld, dat zij nuttig zijn voor Gods dienst en verheerlijking. Antwoord, i. Er zou nauwkeurig en goed onderzocht moeten worden, bij welke uitspraak, private of pu-
11
1 02
blieke, politieke of kerkelijke, of politieke en kerkelijke beide, aldus geoordeeld is, en welke de gronden van dat oordeel of van dat feit zijn geweest, en dan zou geantwoord kunnen worden. Zonder twijfel heeft men het oog op Duitschland, waar in den beginne bij de beraadslagingen der vorsten over de verkrijging van eene algemeene reformatie in het rijk, over een religievrede, over de verzoening der andersdenkenden enz., een onderzoek werd ingesteld naar het verdragelijke van vele dingen, welke de Duitsche en Engelsche kerken nu allerminst verdragen zouden, welke ze tenminste niet zouden goedkeuren, of eigener beweging voor zich zoeken 2. Hoe het ook zij, het staat te bezien, of op die reformatie ook toepasselijk is wat we lezen Openb. 3 : 2, 17. 4° Tegenwerping. Ze zijn bizondere, uitwendige prikkels voor alle studeerende personen, met name voor hen, die in de theologie studeeren, waardoor zij tot de studie worden aangespoord. Antivoord. Indien de theologen door zoodanige en niet door hoogere beweegredenen geleid worden, wordt de theologie in alle gevallen wereldsch, en wordt de godsdienst veranderd in den dienst van den Mammon. Derhalve zou deze enkele grond voldoende zijn tot opheffing der kathedralen, opdat zooveel te beter de slaven der gierigheid en ijdelheid (Phil. 3 : 18, 19) uit de heilige rij geweerd worden. 5C Tegenwerping. Ze zijn de meest gemakkelijke en meest geschikte belooningen voor uitnemende en zeer geleerde mannen van studie. Antwoord. Wat verbiedt, dat aan voortreffelijke en werkzame geesten met andere middelen, anderen titel, op andere wijze belooningen worden geschonken ? Dit bestrijden wij niet, mits slechts de godsdienst niet worde verslonden door den rijkdom; het heilige met het onheilige niet worde vermengd; of de kerkelijke heerschappij van diegenen, die in het woord niet arbeiden, ja zelfs van nietsdoeners over de zielverzorgers en de herders en hunne kudden niet worde binnengeloodst, in strijd met de door Christus ingestelde orde. 6C Tegenwerping. Zij hebben vele geleerde en vrome mannen voortgebracht, die zeer krachtig de waarheid tegen het pausdom verdedigd hebben. Antwoord. 1. Hoe velen of hoe weinigen dat geweest zijn, weet ik niet. Dit althans weet ik, dat het getal der
163
doctoren aan de academiën en der herders in de kerken, die, beiaden met den dagelijkschen arbeid der zorg voor kerk en academie, met luider stemme en in zeer geleerde geschriften de waarheid niet slechts tegen het pausdom, maar tegen alle andere tegenstanders verdedigd hebben, veel grooter geweest is. Men make slechts eene lijst van de bedoelde schrijvers, en men zal zien dat het zoo even gezegde de waarheid is. 2. Wat zou men zeggen, zoo iemand beweerde : de kloosters hebben ontelbaar vele mannen voortgebracht, die inzonderheid de theologie, en vervolgens ook andere vakken met hunne geschriften hebben in het licht gesteld; derhalve moeten de monniken en kloosters hersteld of behouden worden. Zonder twijfel zouden de verdedigers der kathedralen hunne onderscheidingen tusschen hetgeen voortvloeit uit het wezen der zaak en hetgeen volgt uit eene bijkomstige omstandigheid enz., bij de hand hebben. Laat ze die hier toepassen. 7e Tegenwerping. \' Door haar worden vele professoren en geleerde mannen aan de academiën onderhouden. Ai Uw oord. 1. Laten die ondersteuningen en bezoldigingen blijven, en laten ze uit deze of uit andere opbrengsten betaald worden. Maar waartoe is het noodig op dezen zoo zwakken steen het zoo groote gevaarte der kathedralen te bouwen, of omgekeerd? 2. Men zou kunnen vermoeden, dat de academische professoren voorwendsel, en de luie buiken de grond zijn. Want wat daaruit aan de professoren betaald wordt is zeer weinig, indien het met de overige inkomsten vergeleken wordt. 3. Op hoe-danige wijze die inkomsten ook uitgedeeld mogen worden, er is geen grond, dat daarom en om deze inkomsten nieuwe formen van kerken, waardigheden en heerschappijen gemaakt worden, welke de apostolische eenvoud en de aloude nederigheid niet kende. 8e Tegenwerping. Ze zijn goddelijke gedenkteekenen van de vroomheid onzer voorvaderen, enz. Antivoord. Hetzelfde zeggen de pausgezinden van de kloosters, de inkomsten van den paus en van de kardinalen enz. Zie nu hoe gij hun antwoordt, en gij zult uzelven beantwoord hebben. 9e Tegenwerping. Vele tegenwerpingen ter verdediging van de kapittels, voorna-namelijk van de kathedralen in Engeland, voorkomende in een
164
boekje, door de bestrijders uitgegeven, trekken wij hier saam. De kathedralen, zeggen zij, bezorgen op voegzame wijze een passend deel aan de jonge zonen der edelen, die ziek aan den dienst des evangelies zvijden; evenzoo blijvende en ruime inkomsten voor koningen en vorsten; ze zijn buitendien het eenige middel, ivaarvan zoovele ambtenaren met hunne gezinnen bestaan en leve)i, die hiervan afhankelijk zijn; daarbij zijn zij het hoofdzakelijk middel van ondersteuning voor vele duizende familiën, die zich in hunne inkomsten of proven verheugen; ze zijn bovendien middelen van bestaan voor scholen, hospitalen enz.; ten slotte bi-zondere onrzaken van zuinst en voordeel voor die steden, waarin ze gelegen zijn, deels door hare armen te ondersteunen, deels door vreemden daarheen te lokken, enz. Antwoord. 1. Dit zijn alle gronden, die aan de keuken ontleend zijn en op het maatschappelijk belang betrekking hebben, geene theologisch-kerkelijke gronden. Derhalve kunnen zij geen recht vestigen voor de kathedrale eischen, noch de hervorming, die beoogd wordt, tegenhouden. 2. Wij keuren geheel en al goed, dat hunne inkomsten tot vrome en noodzakelijke doeleinden worden aangewend. 3. Laten de boven genoemden zich in een deel er van verheugen. Wat naar recht en uit dankbaarheid gedaan moet worden, volgens de bedoeling der schenkers, als er de bewilliging der hoogste macht bijkomt, of van diegenen, wien dit naar de wet of volgens contract toekomt, dit moet volstrekt gedaan en niet veranderd worden; wat zaak is van billijkheid en mildheid, dat moet overgelaten aan het geweten en de menschelijkheid dergenen, wien dit aangaat. 4. Dat voor de stugt; denten, godgeleerden, dienaren des Woords en bestuurders van scholen behoorlijk gezorgd wordt, is opgelegd aan de kerken en de christelijke overheden; op welke wijze en uit welke middelen voor hen moet gezorgd worden, dit moet worden uitgemaakt door hen, op wie deze plicht rust. Intusschen nemen wij den kerkroof en het misbruik van kerkelijke goederen allerminst in bescherming; slechts bestrijden wij de noodzakelijkheid en de doelmatigheid der kathedralen. 5. Welingerichte academiën en academische collegiën, met hunne ondersteuningen, bezoldigingen, beurzen en voorrechten zouden alle deze dingen doel-
i6s
matiger en veiliger voor het welzijn van gemeenebest en kerk bezorgen kunnen; zoodat het niet noodig zou zijn, kapittels als kerkelijke colle-gies en vertegenwoordigende kerken in de kerken op te richten of te doen voortduren. En indien iemand met de eerste hervormers in Duitschland i) zou oordeelen, dat academiën, seininaricn en schoolcolle-gies van leeraren en leerlingen ergens in de plaats van opgeheven kapittels kunnen gesteld worden, en hun de inkomsten der kapittels kunnen toegewezen, bestrijden wij dat niet.
12. Vraagstuk //. Of de collegiaatkerken, die zoo genoemd zijn naar het college van geestelijken en kanunniken, hetzij reguliere of seculaire, zoo kunnen hervormd worden in de bijkomstige zaken, dat de hoofdbestanddeelen van dat bestuur en die kerk blijven ? Antwoord. Neen. Wegens de gronden boven er tegen aangevoerd. Hier nu brengen wij deze gronden bij. ie Omdat er geene forme van kerk, kerkdijken dienst, of ouderlingschap is (zooals Hand. 20 : 20, 28, 1 Tim. 4 : 14 en 5 : 20, Matth. 18 : 1, 1 Petr. 5 en t Thess. 5 bedoeld is). Want de kanunniken als zoodanig weiden die kerk niet met het Woord, de sacramenten, vermaning en vertroosting. Indien sommigen hunner herhaaldelijk iets van dien aard verrichten, is dit geheel en al door iets, wat aan den rang en staat van kanunnik bijkomstig is. Want zij doen dit op grond en uit kracht van een ander ambt en anderen rang ; omdat zij behalve kanunniken, aartsdekens, kerspelpastoors of zielverzorgers, predikers, leeraars in de theologie enz. zijn 2). 2C Omdat door de kapittels de deur geopend wordt voor de vrijstelling van wonen op de plaats, waar het ambt moet uitgeoefend worden (de non-residentia), en de vicariaten en plaatsvervullingen. ie Tegenwerping. Niettemin zou, ha vernietiging van het bisschoppelijk stelsel, de dienst des Woords, der sacramenten en der tucht kunnen bezorgd worden door dat kapittel door middel van anderen. Antwoord. 1. Dan zouden zij zelve overbodig zijn. Want zelve zouden zij
geene zielzorg, geen bestuur der kerk uitoefenen. Derhalve zouden -------- *
1) Ilicrachtei\' deel 2, waiir over do kanunniken gehandeld wordt, aangehaald.
2) Gelijk te zien is bij liarbosa en andere schrijvers over do kanunniken.
166
zij geene kerkelijke personen zijn; dientengevolge zou hun geene kerkelijke macht overgelaten of gegeven moeten worden. 2. Dat bij een kerkelijk ambt of kerkelijken dienst plaatsvervulling mogelijk zou zijn, is in de Schrift ongehoord i). 3. Het is monsterachtig en ook onbillijk, dat degenen, die zeiven geene kerkelijke roeping of betrekking vervullen zouden, over kerkelijke voorgangers, opzieners en herders (zoo toch worden de dienaren genoemd Eph. 4, 1 Thess. 5, 1 Tim. 5, 1 Petr. 5) macht zouden hebben. 4. Het is dwaas en onschriftuurlijk eenen kerspelpastoor, zielverzorger, prediker of gewonen voorganger in den dienst des Woords aan te stellen, vvien de macht der regeering en der rechtspraak niet zou toekomen; maar wiens macht op eenen anderen, eenen figurant, nl. eenen geestelijke, die als zoodanig zou optreden, zou worden overgedragen. Want met het opleggen of het opheffen van het eerste, wat het voornaamste is, wordt het laatste opgelegd of men wordt er van ontheven. 5. Wat er overblijft van verzorging of uitwendig bestuur met betrekking tot de kerkfabriek, de kerkelijke inkomsten, opbrengsten en dergelijke tijdelijke dingen, laat dat door een college, of een quaestor, of een kerkmeester, of een overheidspersoon, of een patroon, of eenig ander persoon, door de overheid of de kerk aangesteld, behartigd worden. Het brengt geene geestelijke zorg of betrekking, of inklevende kerkelijke macht mede, zoodat daaruit geene kerken voortspruiten, daardoor geene kerken georganiseerd worden, laat staan dat zij boven andere kerken collegiaat-, kathedraal- of moederkerken zouden kunnen genoemd werden. 2C Tegenwerping. Maar wat, als de leden van dat college zeiven of door hunne zonen, aanverwanten enz., die voor de kerkelijke ambten geschikt en tot de waarneming er van bereid zijn, de kerk verzorgen ? Antwoord. 1. Indien allen of eenigen hunner door eene heilige en kerkelijke roeping hiertoe geroepen worden, en zij die roeping opvolgen, volgens de leer en de inrichting onzer kerken, is er niemand, die zich hiertegen verzet. Maar met dit feit zelf wordt het kenmerkende van het college als
1) Hierover deel 2, alwaar over de vrijstelling van wonen op de plaats, waar het ambt moet uitgeoefend worden en over de vicariaten zal gehandeld worden.
167
zoodanig opgeheven, op gelijke wijze als de bisschop van Troyes in Frankrijk, de zoon van den prince de Melphe (Caraccioli), vrijwillig door de vergadering der gereformeerden in die stad tot herder verkozen, gebleven is in het openbare ambt van de prediking des Woord.s, de bediening der sacramenten enz. 2. En indien hunne zonen of aanverwanten geroepen worden, zijn zij zeiven van den beweerden kerkelijken rang en kerkelijke regeering ontheven. Hier moeten verre zijn alle eigenmachtige toeëigening van eene prebende, opvolging van den zoon door den vader, vrijwillige afstand van de prebende door den rechthebbende, vereeni-ging van ambten, rente, prebende, vicariaat, beheer, veelvuldigheid van prebenden, vrijdom van wonen op de plaats, waar het ambt uitgeoefend moet worden, candidatuur voor eene prebende, ambt van helper of coadjutor, en dergelijke handeldrijverijen die thans behooren op de Roomsche markt (gelijk de beroemde rechtsgeleerde Carolus Molineus zegt). Want zoodanige koopers en verkoopers werpt de christelijke kerk op het voorbeeld van Christus uit den tempel. 3e Tegenwerping. Hoe indien die collegicn veranderd worden in politieke en burgerlijke collegien, of indien althans behouden worde de politieke macht, welke zij onder het pausdom, met de kerkelijke macht verbonden, bezaten. Antwoord.
1. Dan zouden de kerkelijke titels, de vermeende en openbare rang, het bestuur en de kerkelijke macht geheel en al moeten worden afgelegd. Want God is een God van orde en niet van verwarring. Gelijk een prediker, geen politiek ambt bekleedend, zich niet den titel en de politieke macht van schout, burgemeester, rechter, of schepen moet toekennen, zoo moet omgekeerd een burger of politiek persoon, geen kerkelijk ambt bekleedend, zich niet den titel en de macht van prediker, ouderling, diaken, leeraar of\'doctor in de theologie aanmatigen.
2. Of die collegicn in zuiver politieke collegiën of militaire kunnen veranderd of opnieuw als zoodanig ingesteld worden, en met welke dezer collegiën, op welke wijze, door wie en tot welk doel en gebruik dit zou kunnen geschieden, zoodat ze niet het kerkelijk ambt en de kerkelijke macht benadeelen, noch de overblijfselen van den pauselijken, hierarchischen zuurdeesen met onze reformatie, ook maar in het minste
168
opzicht, schijnen te vermengen, daarop moet op nauwkeurige en vrome wijze door hen worden toegezien, bij wie de macht is. 3. Over het zoogenaamde heilig vermogen, dat is over de kerkelijke inkomsten, en de overige dingen, die hierop betrekking hebben, is het nu niet de plaats om te spreken, doch beneden in het hoofdstuk over de tijdelijke dingen der kerk. Onze strijd is nu tegen de kathedraal- en collegiaatkerken der leeraars van het kanonieke recht als zoodanig. Welke de oorsprong is der inkomsten, welke hunne bestaanswijze en hun gebruik is, op welke wijze ze kunnen herleid en veranderd tot andere doeleinden, aan wie ze behooren enz., moet beneden in deel 2 onderzocht worden, in den titel over de kanunniken.
13. IIIe Vraagstuk. Of overal voor de volledigheid en organische volkomenheid der particuliere kerken, kerkelijke collegicn of kerkeraden moeten worden ingesteld ? Antwoord. Ja. ic Omdat op geene betere wijze alle schijn van pauselijke heerschappij kan worden vernietigd of afgewend, noch op veiliger wijze wanordelijkheden kunnen worden tegengewerkt 1). 2C Omdat de orde, de volkomenheid, de zuiverheid moeten verkozen worden boven het gebrekkige en verminkte; dat dit nu de ordelijke toestand is, met name in onze kerken in Nederland, wordt t. a. p. bewezen. 3^ Omdat zij, die op dusdanig gevormde collegiën uit de hoogte neerzien, of hunne oprichting verhinderen, meestal óf nieuwigheden in het schild voeren (gelijk de Remonstranten in de kerkelijke verordeningen van deze onze provincie 2), van het jaar 1612, wat wij t. a. p. hebben aangeduid) ; óf door eenen hiërarchischen en verwaten geest van heerschappijvoeren gedreven worden ; óf hunne zeden niet zoo zuiver zijn, dat zij het dagelijksch toezicht en de macht van den kerkeraad kunnen verdragen; óf zij belagen de vrijheid in de verkiezingen der dienaren om des te gemakkelijker diegenen te bevorderen, wien zij genegen zijn, of die, naar zij meenen, meer overeenstemmen met hunnen smaak en hunne omstandigheden.
IVe Vraagstuk. Of de kerken in de groote steden, voornamelijk in
1) Zie beneden deel 2, alwaar over de ouderlingen gehandeld wordt.
2) Utrecht. Vert.
169
de moedersteden, of de kerken, welke men synodale kerken noemt, bij ons eenigszins het wezen eener kathedrale kerk hebben ? Antwoord. Neen. Noch rechtens, noch inderdaad, ja zelfs wordt dit, voor zoover ik weet, niet gevorderd of beweerd. Men raadplege slechts onze kerkenordeningen en de dagelijksche kerkelijke practijk.
Ve Vraagstuk. Of eene kerk, of kerken, die in classe of synode vercenigd zijn, kathedrale kerken worden, wanneer ze dienaren zenden naar heimelijke kerken en die kerken besturen ? Antwoord. Neen. Want indien zij voor het eerst dienaren zenden tot verzameling eener kerk, waar er geene is, doen ze dit dan zeker met gezag, volgens Hand. 13:2, 3,4, en toch verheft zich de eene kerk niet boven de andere, omdat aldaar geene georganiseerde kerk, noch eene. eigene en inklevende kerkelijke macht is. Maar indien zij dienaren zenden naar reeds georganiseerde kerken, wat zij hier ook doen, dat doen zij krachtens de macht, hun overgedragen en overgelaten door die broeders onder het kruis (dewijl het niet in hunne macht staat om of in hunne vergadering óf hier bij ons de dienaren te hooren en eene keuze uit hen te doen). Overigens doen ze alles uit liefde en niet met gezag; raadgevend, niet beslissend. En zoo kunnen Nederlandsche kerken, die ver van ons afgelegen zijn, hetzij openbare of heimelijke, aan éenen dienaar of ouderling of aan ecnen der broeders, wiens betrouwbaarheid hun volkomen bekend is, de zaak der verkiezing toevertrouwen, met behoud van hunne eigene macht, en met uitsluiting van alle onderwerping en afhankelijkheid, die bij een kathedrale kerk behooren. Ik voeg er echter bij, dat in het geval van slecht beheer, of van hooger beroep enz. (waarover deel 2, alwaar over de synoden en dassen gehandeld wordt), die kerken, met welke de heimelijke of verafgelegene kerken classikale of synodale vereeniging en correspondentie hebben, met gezag beslissen kunnen en die kerken besturen.
14. VIe Vraagstuk. Of sommige kerken in Nederland, die het eerst dienaren gezonden hebben naar Oost- en West-Indic, het wezen en de macht eener kathedrale kerk hebben, volgens het recht der eerste inbezitneming? Anhvoord. Neen. Ik herinner mij niet, dat ook maar
170
ecnige schijn van wezen eener kathedrale kerk of macht eener metro-pole haar is toegekend, of dat zij die voor zich hebben opgeëischt. Wat ze hier ook gedaan hebben op het verlangen van diegenen, aan wie de behartiging der Indische zaken behoorde, dit hebben zij wel met gezag gedaan, op gelijke wijze als de kerk van Antiochië, Hand. 13, waarover men zie de Desparata Causa Papatus, 2e boek, ie afd., laatste hoofdstuk. Intusschen hebben zij niet voor zich alleen die macht opgeëischt, maar zij hebben ook aan andere kerken, die bij gelegenheid iets dergelijks konden doen, haar recht ongeschonden gelaten. Want indien de bewindhebbers der O. I. Compagnie, of schippers, die van plan waren een tocht naar Indië te ondernemen, de hulp van eenige andere kerk of eenige andere dienaren in Nederland geëischt hadden, zouden zij hun die in alle gevallen niet hebben kunnen ontzeggen. I Iet gemeene recht derhalve, dat alle gelijkelijk en zonder onderscheid, als de aard der };aak daartoe leidt, kunnen uitoefenen, legt niet den grond voor het wezen van kathedrale kerk. Want toen waren daar nog geene kerken, maar slechts kerken, die nog verzameld moesten worden, nog in wording en in verwachting waren.
Vlle Vraagstuk. Of die kerken, of alle Nederlandsche kerken samen de blijvende macht hebben om dienaren te kiezen en die te zenden naar de aldaar nu georganiseerde, en wat kerkeraden en clas-sikale correspondenties betreft, volledig ingerichte kerken, en die kerken met gezag te regeeren, even alsof ze in dezen deele van eigen macht ontbloot waren, en van de Nederlandsche kerken afhankelijk. Anlwoord. Neen. ie Omdat geene andere afhankelijkheid hier kan worden vastgesteld, dan volgens het recht van gelijkstelling; nl. voor zoover zij synodale correspondentie houden met de kerken in Nederland, op denzelfden voet als de kerken van deze of die classe of synode in de Nederlandsche provinciën wederkeerig van elkander afhankelijk zij 1). 2e Behalve uit dit oogpunt bezien, zijn zij van eigen macht voorzien, evenals elke en eene iegelijke particuliere kerk of classe in
i) li ierovcr zie men deel 2, over de classcn.
I/I
Nedciland, want dit toch is de inhoud van dien onverbrckelijken en beroemden regel onzer kerkenordering, die lijnrecht tegenover alle hiërarchie gesteld is : Gecnc kerk staat boven eene andere kerk, geen dienaar boven eenen anderen dienaar. 3e Dat zij wegens den afstand der plaats op meer duistere en onvolmaakte wijze hunne macht in eenige kerkelijke handelingen, met name in de onderzoeking en keuze der dienaren, uitoefenen, daar op hunnen naam en voor hen deels de bewindhebbers der Indische zaken deze zaak bevorderen, deels dienaren, of kerkeraden, of dassen (waar de genoemde bewindhebbers hunne kamers hebben), dit, zeg ik, benadeelt de inklevende macht der kerken niet, noch ontneemt hun die macht, laat staan dat dit als het ware uit deze geroofde buit het wezen van kathedrale kerk of het moederschap voor eene andere kerk zou doen voortspruiten. 4°. Men moet de kerken, die aldaar verzameld moeten worden, of die verzameld worden, onderscheiden van de aldaar reeds verzamelde, volledig ingerichte en georganiseerde kerken, deels uit Hollanders, deels uit Inlanders bestaande; en de laatste moeten als vaste, voortdurende en blijvende kerken weer onderscheiden worden van de scheepskerken, of wilt ge liever, van de heen en weer trekkende en tijdelijke vergaderingen van christenen, die deels schepelingen, deels soldaten zijn, en die gedurende eenige maanden op de schepen tot viering der gemeen-schapppelijke heilige plechtigheden en het houden van oefeningen der vroomheid samenkomen onder de leiding en de bediening van een prediker. Hier bezien wij de dienaren, die naar Indië gezonden worden, uit drieëerlei oogpunt, en dientengevolge moet hunne zending op verschillende wijze beschouwd en beoordeeld worden. Op welke wijze zij nu ook beschouwd worde, geene meerderheid of recht van kathedrale kerk zult ge hieruit verkrijgen, gelijk blijkt uit het pas gezegde, en duidelijker zal blijken uit de oplossing der volgende twijfelingen en tegenwerpingen.
Het ie punt van overtveging is nu dit: Nederlandsche kerken hebben de Indische geplant en bekeerd, derhalve schijnt haar volgens het reclit van planting en bekeering het bestuur over de bekeerde kerken toe te
1/2
komen, en schijnen deze van hetzelfde recht ontbloot te zijn. Antivoord. Ik loochen de gevolgtrekking. ic Omdat van dat recht in de Schrift geene melding wordt gemaakt, zelfs niet op die plaatsen, waar gehandeld wordt over de bekeerende kerken, die door hare werkzaamheid en voor hare kosten andere kerken bekeerden. Rom. 15 : 27. 1 Cor. 9 : 11, 12. Op welke plaatsen de Schrift slechts dankbaarheid en verschuldigde vergelding in het tijdelijke eischt, echter niet afhankelijkheid en onderwerping in het geestelijke. De kerk van Colosse had die van Laodicea bekeerd, maar de apostel heeft haar om die reden geen macht geschonken Col. 2:1 of 4: 13, 16, waar hij van dezelfde kerk melding maakt. 2e Omdat daaruit volgen zou, dat dan geene eigene kerkelijke macht geweest is in de kerken der heidenen, daar zij immers door Joodsche kerken bekeerd waren. Rom. 15:17 vergel. met Hand. 1 : 8, Joh. 4 ; 22, Jesaja 2 : 3, Rom. 11: 17, 18. Ja zelfs niet in de kerken van Judca, die alle hare eerste planting en verzameling dankten aan de ééne kerk van Jeruzalem, daar deze voor hare kosten immers het eerst de apostelen en evangelisten gezonden heeft en voor alle dingen, tot hare verzameling noodig, gezorgd heeft. Hand. 4 : 34. 3« Omdat de bekeerde kerken, even gelijk als de bekeerende, kerken van Christus genoemd worden, en dientengevolge met hetzelfde wezen en met gelijke kerkelijke macht voorzien zijn. 4e Omdat dit heele verzinsel van eene moederkerk en van een recht der bekeerende op de bekeerde de pauselijke zuurdeesem is van het hiërarchisch en anti-christelijk heerschappij voeren over debroederen, een zuurdeesem,die door de gereformeerde kerken vooral in Nederland en elders, met alle kathedrale kerken, bisschoppen en aartsbisschoppen enz. zorgvuldig is uitgezuiverd. Die derhalve uit zoodanig vermeend en vernietigd recht bij ons gevolgtrekkingen zou maken, zou als de hond tot zijn uitbraaksel schijnen terug te keeren. 5C Omdat hierdoor zeker ander pauselijk werktuig, tot verderf der kerk uitgevonden, hersteld zou worden, te weten het patronaatsrecht der geestelijkheid; ja zelfs iets, dat nog slechter is dan dit, daar aan afgevaardigden van eenige of van alle dassen en synoden de hoogheid en macht over die kerken zou worden gegeven, zoodat deze hare eigene inklevende
\'73
macht (met name in de beroepingen der dienaren) conform de andere gereformeerde kerken in Frankrijk, Schotland, Nederland enz., en conform onze kerkelijke verordeningen in de hoofdbestanddeelen onmiddellijk aan het goddelijk recht ontleend, niet zouden kunnen gebruiken. 6e Omdat dit onbillijker en slechter zou zijn zelfs dan het kanonieke recht en de practijk der pauselijken, die onder de Indiërs, hoewel deze politiek en kerkelijk hun onderworpen, en door de bisschoppen van Spanje of afgevaardigde geestelijken bekeerd zijn, toch eenc bizondere, inklevende, eigene kerkelijke macht instellen, die namelijk (naar pauselijke gewoonte) zetelt in de bisschoppen der Indiërs, die aan geen anderen bisschop in Spanje of ergens anders onderworpen zijn, maar slechts aan hun eigen aartsbisschop of metropolitaanbisschop i). Pas dit toe op de kerken, die uit Spanje of Nederland zijn overgebracht of weggevoerd naar Indië. 7e Omdat deze ongerijmdheid daaruit volgen zou, dat in het kerkelijke (waarin strikt gevolgd moet worden het voorschrift, dat we lezen Luc. 22 : 25, 26 en 1 Petr. 5 ; i, 2) door het vermeende recht van de planting en het overbrengen eener kolonie meer onderwerping aan de kerken zou opgelegd en minder vrijheid gegund worden dan in het politieke, waarin men het noch waar noch billijk rekent, dat de moedersteden over de koloniën zonden gebieden als volgens eene natuurwet, Dlonys. Halicarnassus, lib. 3, maar liever oordeelt, dat een nicniv volk geboren wordt, dat in rechten zelfstandig en onafhankelijkis, Thncyd. lib. I, gelijk wij tegenover de roomschen hebben aangetoond in de Desperata Causa Papains, lib. 3, sect. 3 iquot;. 3 en 4. 8e Omdat, om nu eens uit hunne eigene stelling gevolgtrekkingen te maken, zoodanig recht alleen door de Amsterdamsche kerk verkregen zou zijn, misschien ook na deze door die van Middelburg. Want door deze kerken of hare kerkeraden zijn de eerste dienaren daarheen gezonden, en onder hunne leiding is de eerste planting en verzameling aldaar volvoerd. En toch niemand zal gemakkelijk
1) Tholosanus in zijn syntagma Juris, lib. 15 c. 11 zegt; de koloniën, van welke vasts laat, dat zij uit de moederstad zijn overgebracht, behoor en niet tot het aartsbisdom (nl. tot dn^t wat aan die moederstad verbonden is), dewijl de koloniën ook naar verwijderde rijken en natiën werden overgebracht.
174
met die gevolgtrekking instemmen. 9- Omdat, om wederom uit hunne eigene stelling een gevolg af te leiden, dit vermeende recht ook zou moeten uitgestrekt worden tot de kerken, die in Indie of in den beginne of later georganiseerd zijn, namelijk tot die, welke in de stad Batavia in Oost-Indië of in de stad Fernambuco in West-Indië gesticht zijn, onder wier gezag en leiding andere kerken aldaar begonnen zijn verzameld te worden en misschien ook nu nog verzameld worden. Hier staat niet ééne tegenwerping ten dienste, tenzij men zegge dat dit recht alleen voor de kerken, die het allereerst bekeeren, niet voor die, welke daarna het eerst bekeeren, wordt opgeëischt. Dan zeker komt dit eenig en alleen toe aan de kerk van Amsterdam, wat tenminste Oost-Indië betreft; op geheel dezelfde wijze als dit vroeger aan de ééne kerk van Jeruzalem had moeten toekomen, met betrekking tot alle kerken der heele wereld. Maar al deze dingen zijn zoo ongerijmd mogelijk 1). ioe Omdat daaruit volgen zou, dat alle Nederlandsche kerken staan onder de kerken van Wezel of Embden, en indien er waren van de Fransche taal, onder die van Génève; dat ze dientengevolge noodzakelijk door die kerken moesten bestuurd worden en dat met name de beroepingen der dienaren door die kerken moesten bezorgd worden, omdat namelijk vroeger de zending naar Nederland en de eerste planting van vele kerken door deze kerken bezorgd is, hetzij met haren broederlijken raad en hare hulp op verzoek der Nederlanders, hetzij met kerkelijke macht, hetzij onder eenigen anderen titel. Waarom zou ik niet hetzelfde zeggen van de eerste kerken, die na de aantasting der tyrannic van den Hertog van Alva in Nederland openbaar georganiseerd zijn, bijv. te Antwerpen, Utrecht, Dordrecht, Gend, Veere, Vlissingen, Kuilenburg, Vianen, Buren, Leerdam enz., uit welke kerken de meeste andere in Holland, Zeeland, Gelderland enz. zijn voortgekomen of geplant, rie Omdat zoodanige meening of zoodanige practijk niet weinig de onderstelling der pauselijke hiërarchie bevestigen
1) Vergelijk, wat wij tegen de Roomschgezindcn uitéén hebben gezet in de Desp. Causa Papatus, lib. 3, sect. 1 e. 11 en 3 c. 3.
175
zou, welke zij ten grondslag leggen niet slechts aan de aartsbisschoppelijke of patriarchale heerschappij, maar ook aan de Roomsch-pauselijke, nl. omdat de kerk van Rome de moeder en de wortel is der andere kerken, en Petrus, haar bisschop, het eerst onder de heidenen het evangelie gepredikt heeft, daarom komt aan die kerk van Rome de macht over de andere kerken toe. Op welke wijze onze theologen dit verzinsel weerleggen, zie dit bij Chamicr, over den Occumcinschen bisschop, bock 3, en bij Wittaker en amicte tegenstanders van BcUarininus, ja zelfs bij Matlh Sutclivius, hoewel hij meer met de hiërarchie opheeft, bock 2, over den paus, hoofdst. 2, 3 en 6. I3U Omdat, indien zoodanige practijk of machtsaanmatiging in deze zaak plaats vond, onze kerken stilzwijgend en langzamerhand terug zouden kunnen vallen in den eenmaal en voorzichtig uitgezuiverden zuurdeesem der hiërarchische verheffing en der bisschoppelijke heerschappij. Zie, op welke wijze het mysterie van het vermeende recht der bekeerende over de bekeerde kerken in het hiërarchisch bestuur is ingevlochten, en hoe dit op zijn beurt weer in dit mysterie is ingewikkeld, bij Gcorgius Downanus in een preek over het episcopaat; wat met kracht weerlegd is uit de theologen van ons land door Gerson li neer, in een zeer geleerd geschrift over het ouderlingschap en het bisschoppelijk ambt, pag. 21 r en 238, en uit de Engelschen door Parker, boek 3,6quot;. 18, Nm. 27. I3e Omdat dit de deur zou openen voor wereldschen hoogmoed en simonie; want voor eereambten en macht zouden de gaven en zegening Gods in de bekeering van menschen verkocht worden, en zoo zouden de bekeerende kerken of evangeliedienaars kooplieden worden. I4e Omdat dit enkel verwarring in de kerkelijke regeering baren of voeden zou, benevens de bemoeizucht en de begeerigheid naar eens anders goed; eindelijk de veelvuldigheid van beneficiën (gelijk het eene kwaad gemakkelijk uit het andere volgt), de vrijstelling van te wonen op de plaats, waar het ambt moet uitgeoefend worden (iion-resiilentie), het titulaire bisschopsambt enz. Want voor de herders is voldoende de onmiddellijke zorg over hunne eigen? kerk, en de middellijke zorg over andere door de classikale en synodale verbinding. Indien zij zich verder uitstrekt tot meerdere en vreemde
176
kerken, dassen, synoden, inzonderheid tot ver verwijderden, zou gemakkelijk deze spreuk bewaarheid worden: »die tc veel hooi op zijn vork neemt, laat alles vallen,quot; en dikwijls zou hij zooveel zorg aan zijne eigene kerk onttrekken, als hij aan eene vreemde gaf. Gelijk het meestal treft, dat die vrouwen, die in andere huisgezinnen alles nieuwsgierig en bemoeiziek bezien, en in eens anders zaken zich ongepast insteken, in haar eigen huisgezin zeer nalatig zijn, zoo is het ook met de dienaars. Deze dingen zeg ik niet om iets te kort te doen aan den ijver en de noodige moeite, die besteed wordt aan het eerste verzamelen en inrichten van heimelijke of ergens veraf gelegene kerken, en na de regeling aan het helpen, ja zelfs aan het besturen volgens den regel en het gebruik der synodale correspondentie en verbinding; maar ik zeg het om verre weg te werpen ook maar den minsten schijn van bisschoppelijke hiërarchie of het wezen van kathedrale kerk en om onze kerken, in wier belang het is, te voren te waarschuwen. 151-\' Eindelijk, omdat dit vermeende recht, wat er ook van wordt verhaald, nieuw, later ingetreden, en niet apostolisch is; en niets kan men voor den dag brengen dan ten eerste de gewoonte, en vervolgens het goedvinden van de bisschoppen van dien tijd, waarover men zie Gerson Bucer, Parker, t. a. p. Ons zal het nu voldoende geweest \'zijn de sporen van het oude en oorspronkelijke recht aangetoond te hebben in het \'Jus Canonicum cap. praccipimus. \\6 quaest, i, alwaar het vaststelt, dat na de verdeeling van het bisdom, of de parochie, of de doopkerk, (welke door henzelven moederkerk genoemd wordt) in tweeën, het deel van het volk, dat aan de nieuwe kerken toegevoegd werd, van den rechtsband met de vroegere kerk losgemaakt is. Want indien dit niet zou kunnen gedaan worden, zou de menigte der kerken tot een klein getal zijn teruggebracht
ió. 11^ Punt. Of het vermeende recht alleen aan die kerk, of aan die kerken in Nederland toekomt, die door hare leiding de Indische kerken hebben gesticht, en de inrichting van kerkeraden en dassen in die kerken ingesteld? Antwoord. Neen. ie Het steunt op de valsche onderstelling, alsof eene kerk of eenige kerken van Nederland kerkeraden en dassen in Indië zouden hebben ingesteld, daar de Indische
177
kerken zelve niet hare eigene en inklevende macht hare kerkeraden en dassen hebben ingesteld. En indien zij misschien van den raad en hulp eener Nederlandsche kerk of van Nederlandsche kerken hebben gebruik gemaakt, dit heft hare eigene macht niet op., noch geeft die macht aan de Nederlandsche kerken; evenmin als wanneer eenige Nederlandsche kerk van den raad van eene andere of van andere kerken gebruik maakt. 2^. Gesteld eens, wat niet wordt toegegeven, dat die kerkeraden en dassen het eerst aldaar ingericht waren door de Nederlandsche kerken, dan ontneemt dat toch evenmin aan de Indische kerken hare kerkelijke macht, om die aan de Nederlandsche kerken te geven, als wanneer de classe in eene pas verzamelde kerk voor de eerste maal de keuze en de instelling van den kerkeraad bestuurt. Want dit recht heeft die kerk daarna alleen, en ze oefent dit op de gewone wijze in haar eigen boezem uit, zonder haar classe of synode geraadpleegd te hebben. Want iets anders is het de kerk te beschouwen in haren eersten oorsprong, in hare wording, als nog zonder forme en nog niet georganiseerd zijnde, en iets anders is het haar te beschouwen als reeds geformeerd, volledig georganiseerd en voltooid. Aan de eerste zou eenige afhankelijkheid van de moederkerk kunnen toegekend worden, welke aan de laatste niet moet worden toegekend, omdat de eene kerk niet boven de andere staat. UI11 Punt. Of op grond der politieke onderworpenheid, ondergeschiktheid en afhankelijkheid de Indische kerken beroofd moeten worden vau hare eigene inklevende macht, en dientengevolge met gezag bestuurd en geregeerd worden door eéne of meer Nederlandsche kerken? Antwoord. Neen. ie. Omdat dan de hemel met de aarde vermengd zou worden, en de besturing der geestelijke zaken volkomen zou moeten worden ingericht naar die der wereldsche zaken, en het koninkrijk van Christus van deze wereld zou zijn, wat eene ongerijmdheid is. 2e. Omdat omgekeerd daaruit volgen zou, dat indien de inwoners van Oost- of West-Indië, hetzij Nederlanders of inboorlingen, eens zóóveel in politiek gezag stonden, boven onze provinciën, als onze provinciën nu staan boven de beide Indien, de Indische kerken kerkelijke macht moesten uitoefenen over
12
178
de Nederlandschc kerken, en de Nederlandsche kerken van die macht volkomen ontbloot moesten zijn. Dat dit zoo dwaas mogelijk is, wordt door ieder wel ingezien. 3e. Omdat ondersteld wordt, dat alle volken en gewesten der beide Indien, met welke de Nederlanders eene rechtsbetrekking, een verbond, of vrijheid van handel hebben, politiek aan de Vereenigde Nederlanden en aan de O.-I. Compagnie onderworpen zijn, wat nog niet bewezen is. 4e. Omdat de koloniën der Engelschen in West-Indie of Nieuw-Engeland geleerd hebben, dat koloniën en kerken politiek aan het Europeesche volk of rijk onderworpen kunnen worden, en toch kerkelijk van de kerken van dat rijk op geenerlei wijze afhankelijk zijn, ja zelfs zonder eene naar buiten zich openbarende en formeele eenheid en synodale correspondentie met die kerken te onderhouden. IVe Punt. Of de kerkelijke afhankelijkheid en onderworpenheid dier kerken aan de Amsterdamsche of Middelburgsche kerken of aan andere kerken, welke die ook zijn mogen, of aan alle Nederlandsche kerken blijvend moet zijn op grond daarvan, dat Nederlandsche kooplieden en burgers voor hunne kosten de prediking des Evangelies aan hen bezorgd hebben? Antwoord. Neen. i1-\'. Omdat daaruit zou volgen, dat niet kerkelijke personen of kerken als zoodanig, maar slechts zekere rijke burgers als zoodanig, die zonder dat gelet wordt op de hoedanigheid der personen dit handelsgenootschap aangaan, kerkelijk deze kerken onder hunne overhoorigheid brengen, en die kerken na verkrijging van dit recht voor altijd regeeren, zonder uitsluiting zelfs van roomschen, ketters. Socinianen en wederdoopers, of Joden, libertijnen, atheïsten, die zich bij dit genootschap van handelslieden zouden aanmelden, wat zoo ongerijmd mogelijk is. 2c. Omdat op deze wijze iets ergers dan de koninklijke rechten en patronaatsrechten bevestigd zou worden, aangaande welke dit tot vervelens toe is opgedreund: de schenking, de stichting, de grond maken den patroon. Want die de kerk begiftigd hadden, of de kosten voor hare planting in den beginne gedragen hadden, of hare vrijheid bewerkt hadden, of bescherming en herberg haar verschaft hadden, zouden zich over die kerken naar dezelfde gevolgtrekking het blijvend gezag toe-
\'79
kennen. Niets is ongerijmder dan dit. Zie beneden deel 2, over het patronaatsrecht, waar wij hebben aangetoond, dat dit juk niet door onze voorouders ten tijde der reformatie, ja zelfs niet te voren onder het pausdom evenmin als heden kon gedragen worden. Aan het gezegde zal ik nu niets toevoegen dan den Canon van het pauselijke, Fransche concilie van Bordeaux, welken Bochellus heeft in zijne Besluiten der Gallicaansche kerk, boek 5, titel 8, c. 7, pag. 772. Wij bezweren den Allerchristelijksten koning bij de ingezvanden der barmhartigheid Gods en bij het bloed van Christus, dat in het vervolg op geluk kiger wijze dan vroeger, vooral sedert de verkiezingen zijn opgeheven, voor de kathedrale kerken en kloosters gezorgd worde, en wij smeeken hem, dat hij naar de mate zijner hizondere vroomheid jegens God, tot Gods eer en tol nut der kerke, evenzeer om met de grootste nauwgezetheid aan den drang des gewetens te voldoen en dit van de grootste angsten te bevrijden, de mogelijkheid om geschikte en nuttige herders der kerk te kiezen her stelle. 3e. Omdat hieruit zou volgen, dat alleen de kerk van Jeruzalem vroeger de kerkelijke macht gehad heeft, en dat alle overige kerken, aan welke door de mildheid van de burgers en leden dier kerk het evangelie gepredikt was, er van verstoken waren (Hand. 4). Ve Punt. Of enkel verwarring hieruit moet verwacht worden, indien eens alle kerken en kerkeraden in Nederland om strijd dienaren naar de beide Indien zenden, en aan de kerken aldaar de uitvoering van haar bestuur voorschrijven, of ook hare zaken beoordeelen en regelen? Antwoord. Neen. Wanneer nl. alle kerken en alle dienaren hun eigen zaken bezorgd zullen hebben, en zich binnen hunne grenzen zullen gehouden hebben, zich in eens anders zaken niet inmengende, totdat de Indische kerken ter bescherming harer eigene vrijheid de raad of hulp van dezen of genen zullen hebben verzocht. En indien het geval van hooger beroep, of van slecht beheer, of een ander zoodanig geval zich heeft voorgedaan, dan doet niet ééne kerk, dan doen zelfs niet eenige bestuurders of kerkelijke afgevaardigden, maar de kerken der heele provincie of der provinciën, wat in Nederland op synodale wijze in alle kerken pleegt gedaan te worden, krachtens de synodale verbinding.
180
verbintenis cn correspondentie. Gelijk wij hebben aangetoond tegen de bewering van de onafhankelijkheid der afzonderlijke kerken, indeel 2, alwaar over de dassen en synoden wordt gehandeld. V/c Punt. Of ooit de Indische kerken, hetzij de Oost- of West-Indische, hetzij alle of eenige derzelve haar wezen kunnen behouden en blijven bestaan, zonder uitdrukkelijke verbinding of correspondentie met de Nederlandsche kerken, die als het ware hare moeders zijn? Antwoord. Ja. ic. Het zou noodzakelijk zijn die correspondentie te laten of tijdelijk af te breken in het geval van deformatie, of van het beletten van reformatie, ja zelfs zeker in het geval van het beletten eener geoorloofde scheiding 1). 2e. Het zou nuttig zijn in het geval, dat die correspondentie en verbintenis wegens den afstand der plaats en wegens de slapte der scheepvaart aldus niet kunnen worden volgehouden, en dat zij juist, nu om deze dan om gene redenen, de opbouwing en meerdere volmaking eerder verhinderen dan bevorderen zouden. 3°. Het zou geoorloofd zijn wanneer de politieke verandering van heerschappij, of van bestuur, ot politieke oorlogen en scheuringen, of een besluit der overheid en dergelijke dingen het aan de kerken oplegden. Een voorbeeld hiervan geven de Nederlandsche kerken in Engeland, die de synodale correspondentie met de kerken in Nederland, welke zij van het begin der reformatie af gewoon waren met haar te hebben, nu nalaten ; wel niet eigener beweging, om kerkelijke redenen, maar alleen om politieke redenen; omdat zij, bij wie de politieke macht is, dit niet toestaan. Met betrekking tot de Nederlandsche kerken in Frankfort, Frankenthal, Hanau en op andere plaatsen in Duitschland nemen wij hetzelfde waar. De eenige reden is deze, omdat die verbinding en correspondentie is ingesteld voor het meerdere welwezen der kerken, echter niet tot hare verslechtering of vernietiging 2). Hiervoor echter waarschuwen wij hier, dat het toelaten van, veel meer nog het streven naar verandering of nieuwigheden zonder gewichtige redenen, gevaarlijk en gewaagd is.
ij 11 ierovcr zie men de Desper. Causa Papains, lib. 2 seel. I en 2 en lil). 3 sect. 3.
2) Vergelijk beneden deel 2, alwaar over de dassen cn synoden wordt gehandeld.
i8r
17 Tot hiertoe onze antwoorden op de twijfelingen. Wij gaan nu voort in het oplossen der vraagstukken, die nog overblijven. VIHe Vraagstuk. Of de kerken in Nederland eenig recht bezitten van moederkerk of kathedrale kerk of metropolitaankerk over de scheepskerken en de kerken in het leger? Antwoord. 1 Deze kerken zijn niet vast of blijvend, en dientengevolge worden zij slechts oneigenlijk en onvolkomen kerken genoemd. Want zij hebben in zichzelve geene volledigheid, wat de kerkeraden en kerkelijke collegicn betreft. En hoewel sommige noodige dingen, die op de regeering, de censuur en de tucht betrekking hebben, door de predikers aldaar op hunne wijze worden geregeld, zou hieruit echter, wijl deze vergaderingen heen en wee»quot; trekkend en slechts voor eenigen tijd zijn en bovendien uit leden van verschillende kerken samengesteld worden, het recht en wezen van kathedrale kerk niet kunnen worden voortgebracht, indien ook het volledig en voldingend bestuur dier vergaderingen afhing van andere kerken. 2 De natuur der scheepskerken is niet dezelfde als die der kerken in het leger. De regeering der scheepskerken zou kunnen zijn, en is hier en daar bij de kerk van die stad, waaruit die schepen vertrekken en waar de meeste schepelingen als leden hunne godsdienstoefening verrichten. Over de kerken in het leger kan zoodanig iets nauwelijks gezegd worden, gelijk hun bekend is, aan wie de legerplaatsen bekend zijn. IXquot; Vraagstuk. Of de afgevaardigden of gedeputeerden (gelijk men ze nu in Nederland noemt) der synoden de voorstelling en den indruk geven van eenig college en recht eener kathedraal en metropolitaankerk; en of hunne macht en opzicht inderdaad bisschoppelijk, of tenminste het naast daaraan verwant is; en of hunne samenkomsten, welke zij herhaaldelijk houden, als het ware kathedrale of hoogste kapittelen zijn of kerkelijke consistoriën ? Antivoord. Beneden, in deel 2, waar over de ouderlingen gehandeld wordt, hebben wij uit den weg geruimd de valsche aanklacht van de Groot in zijn Pictas IIlustriss. D. D. Ordin. Hollandiac, bladz. 112 uitgesproken, alwaar hij verzekert, dat die deputaten tusschenregenten zijn, die de rechten der synode uitoefenen, gedurende den tijd, dat de synode niet
i82
zit. Het daar gezegde herhalen wij hier niet. Slechts voegen wij er aan toe, dat Grotius niet meer schijn van waarheid, indien hij zich op oprechtheid had toegelegd, zijn tusschenregentschap had kunnen toekennen aan de Deputaten der Remonstrantsche Utrechtsche Synode, volgens de kerkelijke verordeningen van het jaar 1612 (pag. 111), waar aan hen met achteruitzetting van de kerkeraden der dorpskerken (zoo niet met hunne terzijdestelling onder een schoonschijnend voorwendsel) de groote macht is toegestaan, onder andere, tot de verzameling en uitgave van eene nieuwe psalmenliturgie 1). Maar thans, nu wij zien, dat opnieuw verkeerde vermoedens en vreemde gevolgtrekkingen met betrekking tot het bestuur der Nederlandsche kerken gemaakt worden, in strijd met de waarheid der zaak, tegen de bedoeling van en in strijd met de gemeenschappelijke verordeningen der kerken, en dat wel op zulk eene wijze dat rechtzinnige en vrome mannen, die alle kathedrale en bisschoppelijke heerschappij in Engeland nu geheel zouden willen hebben opgeheven, door het vooroordeel eener als het ware algemeene meening vervolgd worden; zoo kunnen wij niet nalaten den lezer nader bloot te leggen, wat de zaak is met die deputaten. Wij zeggen dan: ie Dat de Zeeuwsche kerken en synoden zoodanige deputaten niet aanstellen, evenmin de Waalsche of Fransch-Hollandsche kerken. 2e Dat het college van die deputaten niet is een afzonderlijk en blijvend kerkelijk college, met gewone kerkelijke macht toegerust, hetzij des bestuurs hetzij der rechtspraak. Want onze kerkenordeningen erkennen geene collegiën dan deze vier, den kerkeraad, de classe, de particuliere of provinciale synode en de nationale synode. 3° Zij hebben en oefenen derhalve geen macht boven en over de dassen, parochiale of plaatselijke kerken of hare kerkeraden; ja zelfs niet over éénen enkelen prediker, of ouderling of lid der kerk; tenzij zij door eene bizondere, buitengewone en uitdrukkelijke opdracht der synode een mandaat hebben om ergens eene synodale uitspraak bekend te maken, aan te dringen en uit te voeren, of ook (wat zeer zelden gebeurt) met synodale macht in een bizonder geval of
1) Zie de voorrede in die liturgie vooropgesleld.
183
in eene bizondere moeielijkheid (van welke eenige omstandigheden na het houden der synode op de plaats zelve moeten onderzocht worden) de uitspraak vast te stellen. En dan worden meestal eenige andere personen uit de synode of uit de naburige dassen aan de deputaten toegevoegd. Ja ook soms worden geheel andere personen tot deze zaak afgevaardigd. Maar zoodanige synodale macht wordt zeer zelden, gelijk ik gezegd heb, en met groote moeite toegestaan en niet dan in het uiterste geval van noodzakelijkheid, als de zaak gedurende de zitting der synode niet kon worden afgedaan, en toch geen uitstel duldt. 4e Zoodanige opdracht, hun gegeven, geeft hun geen macht, ja zelfs geen schaduw van macht over andere kerken, of personen of kerkelijke zaken. Evenmin kan men in die zaken bij hen in hooger beroep komen; zij kunnen daarin, naar gelang van omstandigheden of op aanvrage, broederlijke raadgevingen verschaffen en voorloopig als scheidrechters iets tot raad in het midden brengen; maar behalve dat niets. Se De boeken en theologische geschriften, die in het licht moeten gegeven worden, onderzoeken zij niet krachtens eigene en blijvende macht, zelfs niet krachtens overgedragen macht der synode gedurende dat jaar of die twee jaren, waarin zij hunne opdracht hebben, maar dit werk is geheel aan dassen of academiën in de kerkenordeningen opgelegd; deze vrijheid echter blijft aan de synode op buitengewone wijze de onderzoeking van dit of dat boek aan de deputaten of andere personen, welke dan ook, op te dragen. 6e Zij bevestigen de dienaren niet in hun dienst, veel minder nog dat zij in hunne verkiezing eenig aandeel hebben. 7e Op de synoden en dassen vervullen zij niet den post van praeses, assessor of scriba. 8i\' Ja zelfs in hunne hoedanigheid van deputaten maken zij geen deel uit van synoden en dassen, noch verschijnen er in. En indien zij in Holland aan de dassen namens de synode iets voorstellen, gaan zij naar buiten en wachten buiten de deur, zoolang de bespreking gehouden wordt, en de stemmen worden opgenomen. Als dat gedaan is, wordt hun, nadat zij binnengelaten en teruggeroepen zijn, te kennen gegeven, wat bepaald is. Slechts verschijnen\' zij in de synode, om aldaar rekenschap te geven van de hun gegeven
184
opdrachten en van de hun opgelegde zaken, of tenminste verslag te geven in welken staat die zaken nu zijn, of wat met betrekking tot deze gedaan of niet gedaan is. Dat bij die gelegenheid, terwijl zij tegenwoordig zijn, door den voorzitter over de voorgestelde zaken hun raad of raadgevende stem gevraagd wordt, voordat de beslissende en met gezag bepalende stemmen der synode gevraagd worden, dit is men vooral in de laatste jaren gewoon. Dit geeft echter geen bewijs van eenen bizonderen en hoogeren graad van kerkdijken dienst of macht, zelfs niet van een eenvoudigen voorrang of hoogere rangorde boven de kerken of de herders der kerken; want men is gewoon het advies der politieke gedelegeerden, die namens de Staten der provincie, alwaar de synode gehouden wordt, aldaar verschijnen, eveneens dat der dienaren, door andere provinciale synoden ter wille van de broederlijke en weder-zijdsche correspondentie daarheen gezonden, evenzoo dat der Professoren in de theologie (wanneer nl. de synode gehouden wordt op eene plaats, waar eene academie is) op gelijke wijze te vragen en te hooren, en wel voordat de deputaten geraadpleegd worden. 9e Wanneer zij nu en dan samenkomen, beslissen zij geene kerkelijke zaken, noch bereiden zij voor of stellen zij van te voren vast of schrijven zij voor de dingen, die in de eerstvolgende synode moeten behandeld worden. Want dit doen de afzonderlijke dassen door hare gravamina, die niet naar de deputaten, maar naar de synodale classe gezonden worden en door haar verzameld en geordend aan de dassen teruggezonden worden (op sommige plaatsen door de dassen weer verzonden naar alle kerkeraden of consis-torien van haar district) om over die zaken iets bepaald te beslissen en hare afgevaardigden naar de synode met geloofs- en instructiebrieven te voorzien; en deze dingen geschieden alle zonder medeweten, raad en toestemming der deputaten, voor wie hierin niets te doen is. Wat doen zij dan welf zal men vragen. Ik antwoord: niets anders dan dat zij, nadat de synode gehouden is, hare handelingen nalezen, en daaruit de opdrachten die hun mochten gegeven zijn, aanteekenen, om die getrouw uit te voeren, daar zij toch rekenschap zullen geven op de aanstaande synode. Die opdrachten echter bevatten meestal niets anders dan eenige klachten of
■85
vragen, die namens de synode door een smeekschrift bij de Staten gedaan, of eenigc dingen, die aan deze of die kerk over eenige particuliere zaak namens dezelfde synode voorgesteld moeten worden. Behalve deze opdrachten, die nu eens zeer weinige, dan weer geene of bijna gecne zijn, rust op de deputaten de last om namens de synode tegenwoordig te zijn bij de examens dergenen, die tot den dienst geroepen zijn, opdat aldus voor de synode te beter vaststa, dat de eenheid in de rechtzinnigheid in alle dassen bewaard zal worden. Dit laatste bewijst niet, dat zij eenige macht hebben over de kerken of dassen ; omdat, wanneer er geschil of strijd over de rechtzinnigheid van den examinandus ontstaan zou, het niet aan hen zou staan dit te beslissen, maar aan de classe. De deputaten kunnen niets anders doen dan waarschuwen, en aan de synode verslag geven. ioc Kortom op sommige plaatsen in Nederland worden geene, op sommige twee of drie, op sommige vier deputaten op de provinciale synode benoemd, die voor één jaar of op zijn hoogst voor twee jaren de particuliere, hun door een uitdrukkelijk en bizonder mandaat der synode aangewezen en omschreven zaken bezorgen en uitvoeren, behalve hunne tegenwoordigheid bij de examens der dienaren. Hieruit moet ook niet met den minsten schijn door billijke beoordeelaars worden afgeleid, in strijd met het gevoelen en de practijk der Nederlandsche kerken, dat er zou bestaan een nieuwe en bizondere graad van kerkelijken dienst (onze kerken kennen geen anderen dan dien van prediker, ouderling, doctor en diaken) of eene macht van regeering en rechtspraak, of eenc waardigheid, of een voorrang en eene kerkelijke hoogheid, die een bisschopsambt zou zijn, tenminste daaraan ongeveer gelijk. Volgens dezelfde gevolgtrekking zou men ons kunnen te laste leggende ambten van tuchtoefenaar, afhouder van sacrament of dienst, scriba, visitator, bevestiger (die iemand in den dienst bevestigt) ziekentrooster, classicalc quaestor, smee-keling en sollicitant (welke de staat elders noemt meesters der smeekschriften), examenafnemer, classicale afgevaardigde bij de synode, inspecteur (die over de studenten in de theologie, die beurzen hebben, opzicht heeft), schrijver (die namens de classe of synode een boek
186
schrijft), collectant en uitdeeler of bedeeier (die een collecte voor ballingen of uitlandsche kerken bezorgt en uitdeelt), spreker op twistgesprekken of conferenties (die met een onrechtzinnig persoon in het openbaar een twistgesprek of eene conferentie houdt), begroeter of dankzegger, die namens de kerken vorsten en overheden begroet of dank zegt enz. Want tot deze en gelijke werkzaamheden en zaken wordt gewoonlijk een dienaar of worden eenige dienaren door den kerkeraad, de classe of de synode, naardat de zaak is, herhaaldelijk op bizondere wijze afgevaardigd. Na zoodanige blootlegging der dingen kan men gemakkelijk opmaken, wat er aan is van de pas vermelde valsche beschuldiging van de Groot, en wat van de gevolgtrekking van Franciscus Maso, die steunt op een verhaal van den eerwaarden en met mij zeer bevrienden Johannes Dureus over de overzeesche kerken, in een boekje te Oxford uitgekomen in het jaar 1641, in het Engelsch uitgegeven onder den titiel: Ccrta in briefc treatises zvrittcn by diverse etc. Daarin poogt hij te bewijzen, dat alle gereformeerde kerken, met name degene die zeer ijveren voor de Geneefsche en Fransche kerkinrichting, inderdaad bisschoppen en de hoofdbestanddeelen van de bisschoppelijke macht en van het bisschoppelijk ambt hebben, en zelfs dat wat in het begin der reformatie zonder het bisschoppelijk ambt of in strijd er mee gedaan is, in het uiterste geval der noodzakelijkheid, als wanneer de gewone regel niet geldt, gedaan is. De woorden van het genoemde verhaal van Dureus geef ik hier uit het Engelsch vertaald : Ofschoon de classicdie vergaderingen cn ook de synoden in Holland zoo dikwijls mogelijk gehouden worden, nl. de eerste alle maanden, de laatste eens in het jaar, zoo zijn er echter niet zoovele jaren voorbijgegaan, of zij hebben, door den nood gedrongen, eenige andere ambtsdragers aangesteld, aan zuc een meer alge me ene macht en opzicht toevertrouwd is dan aan de overigen [hunne collegas). Zij nu zvorden genoemd gedelegeerden of deputaten der synode, wier werkkring gedurende zeer weinige jaren duurt. Deze deputaten hebben hunne vergaderingen bij vaste cn dringende gelegenheden, voornamelijk echter op den voor de provinciale synode vastgestelden tijd, wanneer zij overwegen cn te voren overdenken, op welke wijze de zaken
en aangelegenheden geschikt, en aan de synoden voorgesteld moesten worden. In de synode zitten zij bovendien op hunne eigene bizondere plaats, en aan hen doet de voorzitter der synode deze eer aan, dat hij hen in de eerste plaats vraagt, om elke zaak voor de synode in te leiden, en hun oordeel over die zaak eerst bloot te leggen, voordat de stemmen der leden van de synode gevraagd en opgenomen worden. Men vergelijke dit verhaal met dat, wat door ons reeds gezegd is; en men oordeele of de verdediging van Maso tot rechtvaardiging van de dienstopdrachten der gereformeerde kerken buiten Engeland, door ons moet omhelsd worden. Wij hebben eene andere verdediging beproefd in de Desper. Causa Papains, boek 2, sect. I, hoofdst. 9 en sect. 2, hoofdst. 12, zoowel overeenkomstig de waarheid der zaak als in den geest der kerken, die op andere wijze niet verdedigd willen worden. Intusschen moeten deze en andere verklaringen onzer kerkinrichting ons waarschuwen, dat wij in hare uitvoering op onze hoede zijn, en ons onthouden van den minsten schijn van verheffing en . alleenheerschend-bisschoppelijke, of oligarchische heerschappij. Meer behoedzaam zal ons, naar ik hoop, maken het voorbeeld van Schotland, dat door de gewone deputaten, die namens de nationale synode de gravamina of bezwaren der kerk aan het parlement voorstelden, binnen weinige jaren gekomen is tot haar onrustwekkend bisschoppelijk stelsel. Waarover men zie üidoclavius in het Altare Damascenum, en de Historia Rertun nu per in Scotia gestarum, uitgegeven in het jaar 1641.
-
■: J
s;
■
i
I /
■
r ^ \' ,■ ■
■
•)
_
_
-■ ■ m.
_______
-- v\'-r quot; lt; I . - ■
L| 8 8gt;
r^
v ■
(
i V
■
ffi\'\' , . ■ ■
■
1
m \'■ ;
1gt;
f r- ■
\'1 •
\' i 1
• v, ■\'
:
\\
■lt;
\\ f\'
l:€:\' ■ v-
.
I
:
v\' /
::
■ gt;
_
_
_