Oct
rAN HOOGSTRATEN.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
50 4697
IETS O V ER
DAVID VAN DOOGSTRATEN
EN
DE LETTERKUNDIGE TWISTEN VAN ZIJN TIJD
DOOR
t k. nsr o Xj ie isr
■
■av#7
ROTTERDAM A. EEL T J E S
1886
Het is een gunstig verscliijnsel in onzen tijd, dat men op alle wijzen tracht tot beter kennis te geraken van den aanleg, liet karakter en de levenswijze van diegenen onzer voorvaderen, die in een of ander opzicht onder hunne medeburgers hebben uitgeblonken. Daardoor wordt wel eens de een of\' ander, door zijne tijdgenooten ten onrechte uitbundig geprezen, van den hem geschonken krans weer beroofd; maar anderen, die minder bekend of geliefd waren, worden door een onpartijdiger nageslacht juister op hunne waarde geschat en komen meer op den voorgrond.
Van allen, die kunstwerken hebben geschapen, welke wij nog tegenwoordig genieten, wordt het leven en de ontwikkeling\'nagegaan, omdat wij belangstellen in den maker en gaarne weten, waar, onder welke omstandigheden en uit welke gegevens zulk een kunstwerk kon ontstaan. Maar vooral van hen, die grooten invloed op hun tijdgenooten oefenden, soms zelf blijvende verandering teweegbrachten in hun denken en doen, is het van gewicht de handelingen en bedoelingen op te sporen. Zij waren het middelpunt eener groote omgeving, waar in hun geest werd gewerkt en gedacht, en waaruit dezelfde beginselen in steeds wijder kring werden verbreid. Door hen beter te leeren kennen komen wij dus ook tot een juister beeld van een deel hunner tijdgenooten, tot een juister blik op hun tijd. De gebeurtenissen toch op staatkundig, maatschap-
pelijk, en godsdienstig gebied zijn dikwijls, iioe belangrijk zij ook mogen zijn, hot iiitvioaisol der persoonlijkheid van enkelen. Niet velen zijn bewerkers geweest van eene geheele omwenteling op \'t gebied van denken, doen of gelooven; ook hot werk van hen blijft van belang, die op bescheidener wijze hun volgelingen den weg wezen, op de paden van wetenschap of\' kunst.
David van Hoogstraten was in zijn tijd de wetgever op den Nederland-schen en Latijnschen Parnas; zijne uitgaven van Latijnsche schrijvers werden algemeen geprezen ; door zijne Geslachtslijst der Zelfstandige Naamwoorden maakte hij zich hoogst verdienstelijk omtrent onze taal.
Dat hij te Rotterdam geboren werd en zijne opleiding ontving aan het Krasmiaansch Gymnasium was oorzaak, dat ik meende hier iets over hem te mogen meededen. »De gedachtenis der stadt Rotterdam, plaets rnyner geboorte, is my altydt lief en waerdt geweest; ten doele door den verborgen trek, dien yder, die wel geaert .is, gevoelt tot zyne geboortepiaets; ten decle om het leggen van de gronden der wetenschappen in die stadt, die my naderhant tot voordeel en vermaek, ook menigmael tot troost in de wederwaerdigheden dos levens, gestrekt hebben.quot;
Te recht zegt Fabius, dat schoon de gevels der gebouwen zich aen het oog vertoonen, en de gront-leggingen verborgen zijn, de grontleggers geenen minderen lof verdienen, dan die de lunzen zoo hoog opgetrokken hebben.
David van Hoogstraten, aen den Lezer vóór de Aanleiding tot do Nederd. taal v. •!. Nyloö.
Het maatschappelijk leven van David van Hoogstraten \') was niet rijk aan be-langrijke bijzonderheden. Dr. Schotel heeft iu de Vaderlandsche letteroefeningen van 1850, in zijne studie over het geslacht Van Hoogstraten p. 549 sqq. eene levensbeschrijving ook van D. v. H. gegeven, waaruit in het Biographisch Woordenboek van Van der Aa een uittreksel is opgenomen; het zal dus voldoende\'zijn enkele punten in de herinnering terug te roepen 2).
Davids vader Frans, boekverkooper te Rotterdam, een geleerd man en ernstig dichter, was gehuwd met Esther de Koning; hij zelf werd aldaar den 14\' quot; Maart 1G5S geboren, bezocht de Erasmiaansche school, studeerde aan de Academie te Leiden, werd tot Doctor in de Medicijnen gepromoveerd, vestigde zich te Dordrecht, waar zijn vader intusschen prevoost der munt was geworden, en huwde Maria van Nispen ;l), dochter van Mattheus van Nispen l), landmeter en boekverkooper. Zij schonk hem acht kinderen en is gestorven 20 Nov. 1708. Met de praktijk te Dordrecht ging het niet best, niettegenstaande hij aldaar vele verwanten en vrienden had, en zich met hart en ziel op de geneeskunst toelögde, getuigen eenige medische werken, door hein geschreven of vertaald. Nevens zijne medische studiën had hij zich ook beziggehouden met Nederlandsche gedichten, maar vooral niet het vertalen van Latijnsche schrijvers s); hierdoor had hij zijn roem als bekwaam Latinist en voortreffelijk dichter gevestigd; hij verlangde niets vuriger dan de medicijnen vaarwel te kunnen zeggen om zich geheel aan de letteren te wijden. Spoedig zag hij zijn liefsten wensch vervuld, want hij werd te Amsterdam beroepen tot leermeester in de Vijfde Latijnsche schele, uit welke hij twee jaar daarna in de derde overging en ten laatste tot conrector gekozen werd. »Maar, wanneer do doofheit welke hij uit een ziekte6) had overgehouden met zijne jaren krachtig begon toe te nemen, behaagde het
1) Do naam wordt doorgaans verkeerd uitgesproken ; de klemtoon valt op do « (Hoogstraten).
2) Zie ook zijn leven door 1*. Vlaming in „Davidis Hoogstratani Poëmata ed. ultima, prioribus longe auctior.quot; 1728.
3) Schotel, Gesch.-, Letter- en Oudheidkundige Avondst. bl. 164.
4) Schotel in „Jaarboekje van Dordrechtquot; voor 1840 bij Houtrijven en Bredius.
5) Zooals Nepos, hot „Tafereelquot; van Cebes, de Annotatie van II. örotius in N. T. enz.
lt;ï) Niet eone ziekte van 1722 dus, zooals Schotel zegt p. 368.
8
den Heeren Burgemeesteren der stad Arasterdam, iu den jare 1722 hem het lastige pak der schooldieusten, hetwelk hij zoo lange jaren hadt gedragen at\' te nemen om zyn overige dagen in rust te slyten, latende hein de jaarlijksche wedde van 1200 guldens, die hij als conrector hadt getrokken, behouden.quot;1) Den 13°quot; November 1724\'s avonds om zes uur naar huis 2) willende gaan, geraakte hij door een zwaren mist en dooide »schrikachtigheid, welke hardhorende menschen gemeenlijk verseltquot;, op de Gelder-sche Kade bij de St. Anthonieswaag te water en, hoewel spoedig er uitgehaald, werd hij door eene longontsteking aangetast, waaraan hij acht dagen later overleed, in den ouderdom van ruim zes en zestig jaar 3).
Reeds vroeg gevoelde Hoogstraten zich tot de dichtkunst geroepen, zoowel door eigen aanleg als door zijne letterkundige en dichtlievende omgeving; zijn vader toch, zelf dichter, was bevriend met Oudaen en Heiman Dullaert. Oudaen 4) moedigde den jongen Hoogstraten steeds aan in het bsoefenen der poëzie, keurde zijne dicht-proeven, gaf hem nuttige wenken en bracht hem ook in kennis met Frans deHaes. den schoonzoon van Geraert Brandt, en met Antonides van der Goes. Uit oudere en jongere dichters maakte hij voor zichzelf ecne bloemlezing en oefende zich met zijn vriend Rabus in het werktuigelijke der kunst. Hunne »Rijinoeffeningenquot; zagen in 1078 het licht en mochten met recht dien naam dragen, want hetzelfde onderwerp trachtten zij telkens elk naar zijn heste krachten uit te werken. De vorm laat veel te wenschen over, en in de stukken, die Hoogstraten opnam in de uitgave zijner Gedichten van 1097, heeft hij zelf veel veranderd. En wat den inhoud aangaat, (lofdichten op De Ruiter, Erasmus, Gelegenheidsgedichten, Navolgingen van Horatius), ook deze geeft den dichter geen recht op eene eerste plaats op den Nederlandschen Parnassus. Zelfs het zoozeer geprezen, gedicht op den dood van J)e Ruiter, dat in den verbeterden vorm van 1097 aldus luidt:
1
Zi»\' „Grool Algomoon Historiscli Goographisch en Oord ooi kun dig Woordenboekquot;, Leiden 1725, waarvan de uitgevers I), v. H. en J. E.Sehuer verzocht haddon het opzicht op zich te nemen Hij heeft er echter slechts \'t begin van mogen zien; toch zijn een groot aantal artikelen nog van zijne hand, vooral onder lettor B.
2
In 1708 woonde ]). v. H. op de Prinsengracht, blijkens het Begrafenisboek der N. Z. Kapel. ,.) Dec. I70S een vrou maria van Nispen huysvrou van David van Hoogstraten, conrector der latijnsche schole, compt van de prinsegraft tusschen do uytrechtse straat en don amstel.quot;
Deze inlichting werd mij welwillend gegeven door den Heer .1. H.\' W.Unger nit de nalatenschap van Mr. A. J). De Vries.
3
Hoe ver de schimplust kan gaan bewijst het „Zarkschrift voor den grammaticalen Davidquot; door den schilder en prulporlt;et Jan Goeroe gemaakt op Hoogstraten\'s ongeval 1. p. 236.
\'t is David die hier leyt, maer niet de Zoon van Jesse;
\'tis David die hier leyt, een Minnaar van do flessen;
\'t is David, die «Ie Taal gelikt heeft en beschaafd;
\'t is David, die van \'t land in \'t water is gedraafd;
\'t is David, dien de damp des wijns zo kon verleyen.
Dat hij het water niet van \'t land kon onderscheyen.
Toch was Goeroe juist de man, die verscheidene van zijne uitgaven had geïllustreerd.
4
Brief van D. v. II. vóór Do Haes* vertaling van Sidney\'s Verdediging der Poözy: „ik die ten deele ook gevormt bon door de eige handen van den doorgeleerden Joachim Oudaen, oudtooin uwer E. en oenen lotterl ie vonden ommegang gehad heb met haren zaligen vader, en Oomon Kaspar en Joannes Brandt.quot; Ook in Oudaen\'s leven gedenkt hij dankbaar diens lessen en leiding.
Didcc ct decorum est pro patriu mori.
Terwyl held Michnël den waterblixein zwaeit,
En onder \'t midden van de dondrende kanonnen Het lot belacht, dat aeii verschelde zyden draeit,
Nu schyuende den een\', den ander dan verwonnen ;
Benydt de dood den man zijn moed en dapperheid,
En valt verwoed hem aeu, die in zoo vele slagen Stond ongeschonden en tot \'t uiterste hereid.
Gewoon de Vyanden tot in hun land te jagen.
Neptuin gedagvaert door het ysselijk geluid Der zeekanonnen, en gebrul der waterleeuwen.
Vol spyt en dol van wraek, stak \'t hoofd ten golven uit,
Eu sprak aldus : Gij zult door lang verloop van eeuwen,
Nog door de bitse nyd, nog deze dood vergaen :
Maer ryden op de tong van uwe batavieren :
De naneef zal uw deugd altyd ten toon zien staen,
Uw deugd, vereeuwigt door uw blinkende laurieren.
kunnen wij niet vrijpleiten van opgeschroefdheid en onjuiste gedachten en uitdrukkingen. Wel wat hoog gestemd is dus de lof van Antonides, als hij zegt:
De teedre jeucht slaet nu aen manncwerk de bant;
Jin \'t heeft zijn voeglijkheit, en staet op zijne beenen.
Schenkt dan de Hemel nu dus vroeger het verstant ?
Of is Parnas misschien zoo steil niet, als wij meeuen ?
Gelooft dat vrij, maer houd van klimmen nimmer op.
Al schijnt de toegang licht, de steilte is bij den top.
Het gedicht op de Uitvaart van De Ruiter, »A1 d\'aerde weent op dezen droeven lt;lagquot; door Schotel \') geprezen als mannelijk en krachtig staat niet in de „Rijm-oeffeningenquot; en is van later tijd.
Den raad van Antonides heeft Hoogstraten trouw opgevolgd, hij is blijven „klimmenquot; en heeft het gebracht tot een vrij hoogen trap van volmaaktheid in den vorm, zoodat ten slotte geheel juist was het oordeel van J. Vollenhove vóór zijne gedichten geplaatst:
Bij hem is suiverheit te vinden Van Neerlants sprake en letterschat,
Te schendig door veel dichtgezinden Verzuimt, bedorven en bekladt.
Zijn dichtbladt riekt van edle reuken \' Als minst verheven door het ryra,
Van vonden cn beknopte spreuken.
Vol geurs, gezogun uit de tym
1) t. a. p. bl. 551.
10
Van Grieksche en van liomcinsche hladcn,
Die houigbyen nooit verzaden.
Do Nederlaudsche gedichten van Hoogstraten zijn vele en velerlei; het is niet noodig ze op te noemen, evenmin als de vele lofdichten van zijne vrienden, die ze, naar de gewoonte dier dagen, voorafgaan.
Misschien is Hoogstraten het best geslaagd als epigrammaticus. Reeds in zijne Rijraoeffeningen had hij zich op dat genre toegelegd, blijkens zijne vertalingen uit »Ouweenquot; dat is Johannes Audoenus of John Owen \'), een Engelsehe epigrammendichter (1560—1022), wieus werken blijkens de vele uitgaven zeer veel gelezen werden, doch die op den »Index Expurgatoriusquot; geplaatst zijn 2) om het volgende gedichtje B. V. 8.
«An Petrus fuerit Romae, sub judice lis est;
Simonem Romae nemo fuisse negatquot;.
Een enkel voorbeeld : ])e zijworm.
Arte mea pereo, tumulum milii fabricor ipse,
Fila mei fati duco, necemque neo.
\'k Verga door mijne kunst, en houw mij zelf een graf,
Ik trek de lijn mijns doods, en spin mijn leven af.
Hoogstraten\'s geleerdheid en goede smaak:i) waren grooter dan zijne dichterlijke verbeeldingskracht, vandaar, dat zrjne oorspronkelijke gedichten zich niet boven hot peil van het alledaagsche konden verheffen; maar vandaar ook zijuo nauwkeurige vertalingen en zijne juiste waardeering van hetgeen anderen schoons of geestigs hadden voortgebracht.
Langzamerhand werd bij hem de Nederlaudsche Muze verdrongen door de La-fijnsche, aan welke hij reeds in zijne jeugd geofferd had ; zijne Latijnsche gedichten werden niet alleen door zijne vrienden Francius en Broukhusius 4) geprezen, maar P. Burman noemde hem zelfs non solum poëtices studiosum cultorem, sed etiam lumen et sidusquot; en P. Vlaming, zijn leerling en de uitgever van zijne carmina iu 1728 »poëtam eximiae puritatis et aurium exactarumquot;. 5} Ook Peerlkamp 15) prijst hem omdat hij »candore quodam et simplicitate non displicetquot; als hij in zijn eerste boek elegieën eene oude stof als de liefde tot onderwerp heeft; of als hij aardige woord-
li Joan Oweni Oxon. Angli Epigrmnmatum Editio nova. Lugd. Batav. 1(U2. (Andere ed. zijn Leyden Amst. 1(117. Paris 1794. Kene Fransehe vertaling zag het licht te Lyon 1819).
2) Zie Dodd, The epigrammatists.
3) Deze blijkt uit zijn ..Kort Begrip der Kedorykkunstquot; na zijn dood in 1720 door Vlaming uitgegeven.
4) Broukhusius had hem tot het uitgeven zijner Latijnsche Gedichten aangezet, zooals blijkt uit oen Brief op de bibl. te Leiden bewaard; „Jano Broukhusio poetarum praestantissimo, car-minum meorum editionem urgentiquot;. Hoogstr. is echter nog bevreesd voor de critici, die zijne woorden één voor één zullen beoordoelen, en streng zullen richten, en voor den nijd, die alles zal trachten af te keuren.
5) Hij noemt ook do carmina pura, simplicia, nitida, Latina et a summo viro, qui scientia Numeri poCtici maxime insignis erat, profecta.
(!) Hofman Peerlkamp, De poëtis Latinis Nederlandiarum p. 476, sqq.
11
spelingen maakt of gelukkig is in het navolgen van Horatius. Oorspronkelijkheid was niet een eerste vereischte om als Latijnsch dichter te slagen. \')
Met hart en ziel nam hij zijne betrekking aan de Amsterdamsche Latijnsche school waar, hij was de vriend van zijn leerlingen, hen helpende waar hij kon, ook in lum poëtische oefeningen. Velen herdachten hem in hunne werken, en zijne lessen werden dikwijls als voorbeelden voor anderen aangehaald of als toetssteen voor goed-of afkeuring gebruikt. Verscheiden Latijnsche schrijvers gaf hij uit, zooals Nepos, dien hij vroeger reeds vertaalde, ïerentius en Phaedrus. Hij gaf ook een Nederd.-Lat. Woordenboek -) uit, dat door den Rotterdamschen Advocaat S. Hannot was opgesteld, maar door hem nagezien werd en van »veele misstellingen en andere vlekken gezuivert, ook met veele woorden en spreekwyzen merkelyk vermeerdert en verrvkt.quot; Dit woordenboek werd zeer dikwijls herdrukt en bleef tot in \'t begin dezer eeuw in gebruik.
Vooral de Fabeldichters, in dien tijd zoo geliefd, trokken ook hem aan :i). De Esopische fabelen van Phaedrus \'1) en die van Faernus r\') werden door hem vertaald. Ook Hilarides, rector te Bolsward, had eene vertaling van Phaedrus\' fabelen gegeven. Deze was echter ongunstig beoordeeld o. a. door RaDus, in zijne «Boekzaal voor Europaquot;. Hilarides quot;) had in zijne voorrede de »Neposquot; van Hoogstraten afgekeurd ; en dit gaf aanleiding tot het ontstaan van een groot aantal spot en schimpschriften, die verzameld zijn in een bundeltje »Schimp- en Hekeldigten uit verschelde Poëten, gevolgt na den Roomschen Juvenalis, en de Satyrische Gezigten, van den Spaansen Quevedo, etc. 4e dr. 1718 (blz. 219 — 232). Wij zullen ze hier niet weergeven, omdat de meeste louter uit scheldwoorden bestaan en er waarschijnlijk slechts één bij is, dat om zijn gematigdheid en om de inkleeding, aan Hoogstraten kan toegeschreven worden nl.: »Op het Uythangberd, en deszelfs uitlegging of Blauwboekje van Hilarides Boekbinder, Rector en Dominé van \'t School te Bolswart.quot;
Zijne uitgave van den Latijnschen Phaedrus met noten viel bijzonder in den smaak. Daarom verzocht de uitgever F. Halma hem er eene te geven voor den Princeps
1
„In fillerley Digtoeffeningen is eigen vinding prysselyk als or wat in stookt, maar in \'t Latijn moet die vinding juist geregeld worden naar de iiit(Jriikkingen, wolko men in de Digters van des Keizers Augustus tijd, als Virgyl, Naso en Flakkus ziet uitmuntenquot;. Rabus Boekzaal v. Eur. 1701, 1)1. 142.
12
Juventutis\'), aan welk verlangen hij gaarue voldeed 1). Zijn doel was den jongen Prius in zijne studiën te helpen, en hein niet te overstelpen ouder moeielijke opmerkingen; liij nam zich daarom ten voorbeeld de uitgaven voor den Franschen Dauphin. Zijne twijfelingen en conjecturen deelde hij mede aan Francius en Broukhusius en gebruikte uit hunne aanteekeningen heigeen hem nuttig dacht. Geen wonder, dat eene zorgvuldig bewerkte, practische uitgave ontstond, die door iedereen geprezen (o. a, door Bayle en Burman) en gebruikt werd. Nog in 1773 zag eene zevende uitgave \'t licht van H\'s. Phaedrus ^).
Hoezeer Hoogstraten\'s kennis en nauwkeurigheid op prijs werd gesteld, moge hieruit blijken, dat zijne vrienden hem hunne werken ter uitgave toevertrouwden, ofhem ten minste verzochten een woord ter aanbeveling als inleiding in hun boeken te willen schrijven. Van zijn vriend Broekhuizen gaf\'hij in 1711 de Latijnsche 2), in 1712 de Holland-sche rgt;) gedichten uit. De uitgave der Latijnsche was eene prachteditie, zooals de uitgevers van \'t begin der achttiende eeuw er konden leveren, keurig, degelijk, bestand tegen den »tand des tijdsquot;. Halma wilde voor deze geen kosten ontzien, omdat Broekhuizen ook zijn vriend geweest was, hem zelfs in zijn laatste gedichten nog geprezen had, en Hoogstraten wilde geen zorg of moeite sparen, omdat, na den dood van Francius, Broekhuizen zijn eenig overgebleven vriend was geweest, met wien hij over alles kon spieken, dien hij in alles raadplegen kon. Vóór zijne uitgaven van Antonides 3), Oudaeu 4) en Dullaert5) plaatste hij een »Levenquot; van de schrijvers evenals voor die van Broekhuizen. Dat de bekende kwarto-editie in 2 deelen van 172G van De Deckers «Rymqeffeningenquot; door Van Hoogstraten begonnen en voltooid door Brouërius van Nidek niet vertrouwbaar is, »dat men weinig zorg aan den tekst heeft besteedquot; \'•\') is waarschijnlijk niet de schuld van Hoogstraten, want zelf vaart hij uit ^1) tegen de slordige uitgave van Antonides\' werken »zonder oordeel, zonder overleg, zonder keuze, tegen de meening van hem zelf aen den dag gebracht, en my\' als uit dc handen genomenquot;. Een paar voorbeelden bewijzen zijne bewering. En in zijn woord »Aan den lezerquot; voor zijne uitgave van Antonides komt hij nog eens terug op die xhavelooze en slordige drukken, die men voorbeen daer van gemaekt heeft.quot; 6) Op zich zelf zou het trouwens reeds onwaarschijnlijk zijn, dat een geleerde, die altijd en overal aandringt op nauwkeurigheid en regelmaat, in wiens kennis zijne tijdgenooten het volste vertrouwen stelden en aan wiens zorgen allerlei uitgaven wer-
1
Phaedri Anigusti Liberti Fabulnrum Aesopiarum Libri V. Kotis illustravit in iisum Se-renissimi principis Nassavii ]). H. Accedunt ojusdem opera duo Indices, quorum j)rior est omnium verhorum multo quam ante liac locupletior, posterior eorum, quae observatu digna in notis occurrunt. Anist. ex typogr. Fr. Halmae 1701.
2
Jani Broukhusii Poematum libri sedecim ed« Dav. Hoogstratanus. Amst. ap. F. Halma 1711.
3
(gt;) Amst. 8e dr. 1714. Dit is, zooals uit de voorrede blijkt de eerste druk, die door Hoogstraten bezorgd is.
4
Amst. 1712.
5
Amst. 1719.
6
Alle de Gedichten van J. Antonides van der Goes, 3e dr. 1714.
18
tleu toevertrouwd, zelf\' zich aan grove ounauwkeurigheden zou Jiebbeu schuldig gemaakt \').
Wel was Hoogstraten buitengewoon ingenomen met de schrijvers, die hij uitgaf. Vondel 1) stelde hij boven allen, al moge het niet waar zijn, wat Schotel (p. 503) in navolging van Huydecoper 2) vertelt, dat hij zoo zeer met hem dweepte, dat hij ook diens mistastingen navolgde of trachtte te verdedigen ; want zelf zegt hij in zijne voorrede voor Fedrus\' vertaling, dat hij nooit gezegd heeft en ook niet van gevoelen is, dat Vondel en Hooft nergens in gedoold hebben. sZij waren menschen als wij. maer om de verhevenheit hunner gaven, die de ondankbaerheit van veelen niet wil erkennen, roep ik uit met den heer Andries Pels :
quot;Het, mocitmc in \'t hart, als Hooft en Vondel zomtyts missenquot;.
Die vereering nochtans van Vondel, zijne liefde voor de Nederlandsche dichtkunst, zijne gehechtheid aan zijne vrienden heeft hem in hevigen strijd doen vervallen en zijne gewone kalmte van geest doen verliezen ; doorgaans was hij beminnelijk eu zachtzinnig, vergevensgezind, zelfs, volgens het oordeel van Vlaming 3) en zijne vrienden, soms veel te goed voor hen, die hem beleedigd hadden ; want als zij hem na korten tijd, wel wat vrijpostig, eene lofrede of een epigram verzochten, was hij terstond bereid hun dien vriendschapsdienst te bewijzen.
Een paar malen4) echter gebruikte hij de scherpste wapenen-om zijne vijsinden te vernietigen, zooals wij in het volgende zullen aantoonen.
In het jaar 1713 verscheen »J. Oudaans Aanmerkingen over Q. Horatius Flaccus Dichtkunst, op onze tijden en zeden toegepast door A. Pelsquot; met een »Bereclitquot; van D. van Hoogstraten. Indien ooit Ovidius\' gezegde, »ingenuas didicisse Hdeliter artes emollit moresquot; gelogenstraft is geworden, dan is zulks zeker geschied in dit «Berecht\'5
1
Van wien hij Treurspelen, Ovidius herscheppingen, enz. uitgaf.
2
Huydecoper, Proeve 1730, hl. 191.
3
Vlaming vóór D. Hoogstratani Poëmata ed. ultima, prioribus longe auctior. 1728.
4
Onjuist is dus wat Schotel zegt 1.1. p. 508, dat hij slechts ééns een letterkundigen twist heeft gevoerd, en wel met Prof. Glorieus (sic).
5
Do Heer J. H. W. Unger, in Oud-Hollaud, II, p. 17, sprekende over Hoogstraten\'s uitgave van Vondol\'s vertaling der Heroides, gebruikt wel wat al te sterke bewoordingen. „Opzettelijk onwaarheid sprekenquot;, onderstelt kwade trouw, en die was hier zeker niet aanwezig. Vondel\'s werk toch was niet voor de pers bestemd, hij had die vertaring ter hand genomen om zich te oefenen en zich voor te bereiden voor \'t schrijven van zijne „Brieven der heilige Maeghdenquot;. Kuim 20 jaar hield Hoogstraten het M. S. dan ook onder zich, toon werd hij echter door de herhaalde beden zijner letterlievende vrienden tot de uitgave genoopt. Door zijn eerbied voor Vondel wilde hij het onafgewerkte stuk of klad niet onveranderd geven; hij vulde aan, waar Vondel was blijven steken, bracht gelijkmatigheid in de spelling naar zijne beste opvatting, opdat het geheel er netter zou uitzien, en trachtte ook deu tekst meer met de taal van zijn tijd en mot het oorspronkelijke te doen overeenkomen. Dat hij desniettemin eenige plaatsen anders zou vertaald hebben, als het zijn eigen werk was geweest, valt niet te betwijfelen.
Men verlieze ook niet uit het oog, dat eene getrouwe tekstuitgave in dien tijd niet gewaardeerd was, en in casu zeker niet wenschelijk zou geweest zijn.
Wat de onleesbaarheid van Vondel\'s schrift betreft, uit des Heeren Unger\'s vergelijking van den uitgegeven tekst met het HS., die hij mij welwillend ter inzage afstond, blijkt, dat Hoogstraten zeker hot schrift niet altijd lezen kon. Bijv» I, ()5 „ubi lentus abesquot; vertaalde V. waer gij opyehouden wortquot;. H. liet drukken „waer ghy opyezonden wortquot;.
14
eu in de daarop.gevolgde twistschriften iu proza eu poëzie. Vele waren Hoogstraten\'s grieven tegen Jan de Klerk «berucht Voorlezer onder de Renioustranteuquot; zoo als hij hem noemt; »nicmant heeftquot; zegt hij, »zoo opentlijk zich oit tegen de hedensdaeg-sche poëzy durven verzetten, en die als geheel onnut uitschilderen, als onze Fransche kabouter, die hier op een stroowisch zynde komen aendrvven, alle verhevene geesten van het gewest, waer in hij gevoed wordt, durft in deu schilt varen, en uitschelden voor Spraekmeesters en neuswyze beuzelaers. — Want naer zyu gevoelen bestaet al het werk der hedendaegsche dichteren in enkele lappen en stukken en stollen, gerooft van de ouden, welker voetstappen niet kunnende nagevolgt worden, (want dat wil hij vast stellen) de wegh tot de hoogte, die zij beklommen hebben, dan moet opgedolven blijven.quot; De Klerk\'s »onbeschaemt schenden van Broekhuizeus asschen, die hem noit beledigt hadquot;, \') zijne aanmerkingen over Hoogstrateus »Aeutekingen over den Latynschen Fabeldichter Fedrusquot;, 1); het oordeel, dat bij zich aanmatigt over alle soorten van schrijvers, en vooral dat hij »alle geleerde luiden uitmaekt voor Grammatici, dat is lettervlegels, als die zoo dwaes zijn, datze hunnen tydt gaen hangen aen het angstigh waernemen der spraekkunstige regelenquot; hebben Hoogstraten\'s gal zoodanig doen overloopen, dat hij, geheel vergetend, wat hij ten vorigen jare gezegd had over de »onbetamelykheit der krakkelen van luiden van letteren, die elkander om een beuzeling in \'t haer zittenquot; zich niet ontzag De Klerk uit te maken voor »ecii armen wurmquot;, die zelf rammelde van stukken en lappen der oudheid ontroofd ; die volgens zijn eigen zeggen 2) geen dichter is en dus ook geen verstand beeft van poëzie, hetgeen ten overvloede blijkt uit een gedicht op zijn schoonvader Leti, welk vaers vlak togen de regelmaët der oudenquot; strijdt; die geen druppel eerlijk bloed iu \'t lijf beeft, eu wien onlangs terecht de eernaam «Gazettier Menteurquot; is geschonken; ja zelfs voor een »rottigeu Fransmanquot; die met al zijn
1
In Bibl. Choisie T. XXIII. (1711.) p. 441 beoordeelt De Klerk eenige uitgaven van Phaedrus. llij zegt daarin, dat Mi. Hoogstraten a suivi Tédition de Fèdre, qui a été faite sur les corrections de Markardus Gudiusquot;, weidt dan uit over de fout van L. 1. 2. in suhito een adv. in plaats van een adj. te zien en zegt verder ,.je ne dis rien du copiste des f\'autes do l\'abbé Danot; c\'est un homme dunt un Poëte a dit ridiculement co que Velleius Paterculus avait dit de Mithridate vir non sine cura tlicendm. Pour moi je ne suis pas Poöte, mais je distingue le Sceptre de la Férule; et je no crois point qu\'il faut construire suhito avec missum.
2
Bibl. Choisie 1711 T. 23 „je ne suis pas Poötequot;.
15
Geueefsche zinnen niet begrijpen kan, dat Plut in Galba beteekende Plutarchus in \'t leven van Galba.
Dit was zeker geen taal, die paste iu den mond van eeu burger der Vereenigde Provinciën, die er roemquot; op droegen «uitbeemsche ballingen van have en huis beroofd, welkom geheeten en in haar schoot gestoofdquot; te hebben, tegenover iemand als De Klerk, die, vertrouwend op de gastvrijheid dier Nederlanden en ze hoog waardeerend, zijn vaderland en Frankrijk had verlaten, omdat alleen hier vrijheid van denken en van gelooven gevonden werd. Quani felix essemquot; had De Klerk gezegd in een brief uit Saumur 10 Aug. 10S1 aan Ph. a Limborch, »si vel tenuissime victitanti, aevuin in Keligiouis Christianae studio exigere liceret in beatis oris in quibus et libertas est se liberum credendi et copia liberorum virorum, quos adeas! \')
Joannes Clericus of Jean le Clerc was een man van Europeesche beroemdheid en veelzijdige kennis. Uit geheel Europa hielden de geleerden briefwisseling met hem. 1) Van zijne groote en veelzijdige werkzaamheid getuigt de lijst van drie en vijftig nummers in Cattenburghs Biblioth. Script. Remonstr. waarin zijne werken worden opgenoemd. Abr. des Amorie van der Hoeven citeert in zijn »Gedenkschrift van het Seminarium der Remonstrantenquot; pag. 12G een oordeel van C. F. Stiindlin in zijne Geschichte der theol, Wissensch. Gött. 1811 »er (Clericus) gieng in manchen Rück-sichten weiter als Grotius, machte merkwürdige Versuche in der höheren Kritik der biblischen Bücher, und eröfTnete in der Kritik und Erkliirung der historischen Bücher des A. T. eine neue Palm. Er fand mehr Widerspruch und Gleichgültigkeit bei seinen Zeitgenossen, und auch noch lange nachher, als Beifall und Nachfolge, aber spiiterhin hat man seine Principieii desto allgemeiner ergriffen, weiter entwickelt und angewandt.quot; Den 202\'quot; April 1084 droegen Curatoren van het Remonstr. Seminarium te Amsterdam hem als Hoogleeraar het onderwijs der Letteren, ook der Hebreeuwsche en der Wijsbegeerte op. In 1711 kwam hij iu aanmerking voor de professie der Theologie 3), en toen v. Cattenburgh gekozen was, werd zijn traktement met dat van dezen gelijk gesteld en het onderwijs in de Kerkelijke Geschiedenis hem toegevoegd. Emeritus 5 Juni 1731, overleden 8 Jan. 1730 4).
Ten einde de toespelingen in de hekelschriften te kunnen begrijpen en eenigszins over het al of niet lasterlijke in de beschuldigingen, hem naar het hoofd geslingerd, te oordeelen, is het noodig nog eenige van zijne levensbijzonderheden te kennen. Wij zullen bij de vermelding ons tot het hoogst noodzakelijke beperken en den belangstellenden lezer verder verwijzen naar Abr. des Amorie van der Hoeven Abr. til. »de Joanne Clerico, Litt. hum. et phil. cultorc, dissertatioquot; 1843.
31 Maart (N. S.) 1057 te Genève geboren, lid eener aanzienlijke en geleerde familie s), ontving hij aldaar op het Gymnasium zijne opvoeding, en kreeg van do
1
Gedenkschr. p. 124.
2
Abr. Des Amorie van der Hoeven Abr. fil., Do Joanne Clerico et Philippe a Limborch dissertationes duae. p. 31.
3
Eene sterke partij bestond er voor Clericus, waartoe ook de Amsterdamsche kerkeraad behoorde.
4
J. Tideman, De Rcmonstrantsche broederschap. Biographische naamlijst van hare professoren, predikanten en proponenten, pag. 23.
10
Professoren eeu prachtig getuigschrift meile, toen hij in 1078 door Saracenus a Petra naar Gratianopolis (Grenoble) werd geroepen om de studiën te leiden van een zijner zonen. Vier en twintig jaar oud, werd hij met algemeene stemmen tot den Evangeliedienst bevorderd na het onderteekenen van den «Consensus Helvetieusquot; 1), eene formule van orthodoxe geloofsbelijdenis. Daarop is hij naar Saumur vertrokken ten einde zich verder in het Fransch te oefenen. De lezing der geschriften van Etienne de Courcelles en van Simon Episcopius bracht htm tot andere opvattingen en onder het pseudoniem Liberius gaf hij »de Sancto Amore epistolaequot; uit. Aan Prof. Pii. a Limborch, Hoogleeraar aan liet Remonstr. Semin, te Amsterdam, maakte hij zich als schrijver bekend, terwijl hij in zijne brieven tevens vroeg naar zijn oom Curcellaeus, die een voorganger van Limborch was geweest; maar vooral klaagde hij over de weinige geloofsvrijheid in Frankrijk en in Gt uève, en maakte hij zijn hartewensch kenbaar, om in Holland eenmaal een bestaan en daarmee de vrijheid te kunnen vinden ; want aan vrijheid had hij behoefte, om te kunnen gelooven wat zijn overtuiging was geworden en te zeggen wat hij wilde. Een korte reis naar Londen in 1082 stelde zijne hoop te leur aldaar eene plaats te krijgen ; op zijne terugreis deed hij Amsterdam aan, bezocht de vrienden, met welke hij reeds lang betrekkingen had aangeknoopt, en besloot zich aldaar voorgoed te vestigen. Op zijne reis naar Zwitserland, om afscheid te nemen van zijne familie, predikte hij eens in de Waalsche kerk te Rotterdam, Te Genève werd hij van Socinianisme beschuldigd, doch na eene schriftelijke geloofsbelijdenis omtrent de Drieëenheid en de Goddelijkheid van Christus vrijgelaten, vooral, omdat zijne verwanten verklaarden, dat hij binnen korten tijd het land zou verlaten. De Klerk kwam open voor zijne overtuiging uit, en hetgeen hem deed besluiten zijn vaderland en betrekkingen te verlaten en zich bij de Remonstranten aan te sluiten is \'ze-
Zijn vader Slephaniix, Medicina»\' Doctor, werd later Prof. in \'t Grieksch aan de Acad. te Genève en lid van den Senaat.
Zijn oom David doceerde Hcbreeuwsch en andere Oostersche talen aan de Acad. te Genève.
Zijn oudste broeder Dan id schreef eene Historia Medicinae ad Galen! usque tempora, en werd senator te Genève.
1) „Fuerunt in Academia Sahnuriensi, cum ea superiori seculo fiorebat quani maxime, Theo-logiae Professores Moses Amyraldus, Josua Placaeus, et Ludovicus (Jappellus, qui cum ardua de Gratia Universali,.de Imputatione peccati Adamici, de obedientia activa Christi, et de punctis Hebraeorum vocalibus, dogmata proponerent atque explicarent, auditores quidem suos, adeoque maximam Gallorum partem in suam sententiam pertraxerunt, paucis quibusdam, ut fit, sese opponentibus, [et, ne numero vincerentur, ab llelvetiis auxilium petentibus. Licet autem Galli postea res suas, secundum Synodorum prudens judicium, ipsi componerent, exterisque Arbitris non egerent, isti tamen Arbitri, ne scilicet officio Judicis non fungerentur, suossibi Adversaries fecerunt, collegasque et eorum discipuios, qui vel cum Salmuriensibus sentiebant, vel eosdem tolerandos putabant, omnibus modis vexare atque proscindere coeperunt, et variis tandem arti-bus eo rem deduxerunt, ut anno superioris seculi septuagesrmo quinto Celebris ilia Formula Consensus imperio summarum potestatum in Helvetia, annoque post Genevae reciperetur, et ea quidem severitate. ut, quicunque illi suscribere nollent, e numero Ministrorum verbi divini cxcluderentur.quot;
De formule werd afgeschaft in 1722.
Oratio funebris in obitum viri celeberrimi Joannis Clerici, Philosophiae et Historiae Ecclesias-ticae inter Remonstrantes Professoris, habita a. d. VIII Cal. Martii MDCCXXXV1. a. Jo.Jacobo Wetstenio. p. 13, sq.
17
ker niet de hoop op schatten ot\' op een lui leven geweest. Te huis zou hij gemakkelijk door zijne afkomst en kundigheden tot de hoogste waardigheden hebben kunnen opklimmeu. Te Amsterdam bedroeg zijn traktement «Is Hoogleeraar vierhonderd gulden, na 1GSG vijfhonderd, in 1090 duizend gulden.
De Klerk\'s veelzijdige werkzaamheid, zijne vrijmoedigheid van oordeel over velt\' dikwijls ver uiteenloopende onderwerpen waren aanleiding tot twistgeschrijf mot vele personen. Zijne oneenigheden met P. Bayle, Leibnitz, Boileau, Ferizonius, Groiiovius, Burman, Bentley, zijn door Abr. des Amorie van der Hoeven Abr. lil. uiteengezet en vallen buiten ons bestek. Een onkelen keer was hij wel eens onnauwkeurig in zijn onderzoek en te vlug in zijne veroordeeling van anderen. Zoo verweet hij eens den Italiaanschen schrijver Vittorio Siri, dat hij den tijd en de geboorteplaats van Lodewijk XIV uit achteloosheid niet nauwkeurig had opgegeven. Doch zeil had hij zich aan kinderachtige achteloosheid schuldig gemaakt volgens Perizouius in zijn Curtius Vindicatus p. 100 sq. daar hij »s\'infanto II Dollinoquot; (d. i.conceptus est Delphinus), opgevat had als: »Delphuuis natus estquot;. Zelf schreef hij den haat van zoovelen tegen hem toe aan de lichtgeraaktheid tier predikanten, die niet duldden, dat iets tegen hen of van hun leer afwijkends werd gezegd, maar vooral aan naijver.
Als antwoord op het »Bereclitquot; van Hoogstraten vóór Oudaens aanmerkingen verscheen den O1\'quot; Febr. 171 .\'i »Brief van Fhilalethes. Aeih zijnen X\'rient, wegens de beschuldigingen des Hoeren Dr. David van Hoor/dralen, ten laste van den Heere . Professor Jan de Klp-k in zijn berecht voor J. Oadjieus aenmerkiagen over Q. Horaiius Flalikus Dichtkunst door den Heere A, Pels.
Zeer nieuw had de schrijver opgezien, toen hij de voorrede van Hoogstraten had gelezen; wel had hij gemerkt, dat David v. Hoogstraten eenig misnoegen tegen den Heer De Klerk had opgevat «omdat die lieer met geen genoegzame eerbiedig-heit na zyn gedachten, van den Vorst der bedendaegse Latynse Dichteren gesproken hadtdoch nimmer had hij zich kunnen verbeelden, dat »dit misnoegen tot zulk een onbeschaemt en onbeschoft schryven zou zyn uytgeborsten.quot; Al de scheldwoorden zou hij gemakkelijk Hoogstraten weer thuis kunnen sturen, maar hoe komt deze er aan Grammaticus door Lettervlegel to vertalen ; dat is alleen geschied om De Klerk gehaat te maken, en evenzoo is het met de overige beschuldigingen gesteld. Maar wat heeft de Heer De Klerk toch misdreven om zoo «ongenadig geroskamt en mishandelt te wordenquot; ?
Hij heeft gezegd, dat de grammatici te veel aan de schors der woorden blijven hangen en dikwijls om beuzelingen hun leven lang strijd voeren, maar heeft bij daar zoo geheel ongelijk in, heeft hij nu niet over dit schrijven »alle de verhevene geesten van het gewestquot; aan den hals gekregen, »als die voelden dat zij op hun zeer getreden waren.quot; Het is waar, dat de Heer De Klerk geen groots achting \') betoont voor de Hollandsche Latijnsche dichters, die zich te slaafs aan de Ouden binden, maar daarom keurt hij niet alle Latijnsche dichters af. In zijne Bibliothè(]ue Choisie
1
Parrhasiana, I. [). •gt;. „Vons ine deniaiideruz puut-ctro si los Modemo.s, «jui font des vers Grecs ou Latins, ne sent pas de la mèmo utilité. Je répoiuls que non, paree qu\'lls sent inferieurs en toutes nianières aux Anciens. Ces belles sentences, que i\'on admire dans leurs Ecrits, ne se trouvent guère dans ceux des Modernes; et 11 s\'en taut de beaucoup que le stile des derniers soit aussi bon que le leur. Bi en des Modernes, lt;jui lt;»nt lalt des vers Latins ou Orees, ressemblent aux Anciens, comnie U s singes ressemblent aux hommes.
18
spreekt hij met lof over de Latijnsche poëzie van Grotius, Bucliauauus, Sudorius, enz. maar hij wilde met goede bedoeling hen, die zich tot de poëzie gedreven voelen, raden liever hun talent in hunne aangeboren taal dan in eene vreemde te oefenen. Als dat door de «Verhevene Geesten van ons Vaderland,quot; vroeger en nog tegenwoordig gedaan was dan valt er niet aan te twijfelen of onze taal- en dichtkunst zou tot een veel hooger trap van volmaaktheid geraakt zijn. Hadden Baudius, Grotius, Dan. Heinsius en zijn zoon Kic. Heinsius, C. Bnrlaeus, of later Francius, Broekhuysen en anderen dit gedaan, dan zouden ze onze taal beschaafd, gepolijst en gezuiverd hebben en met »een schat van spreuken, fraje vindingen, en kragtige en cierlijke uytdrukkingen verrykt hebben. Maar wat is \'t? In \'t Nederduvts ver-sen te schryven, dats te gering voor onze voorname Poeëten, dat mogen zy doen die geen Latyn kennenquot;. »\'t Is een groot geluk dat Vader Vondel zoo veel Latyn niet gekent heeft, om in die tael versen te kunnen maken, anders zou hy zig misschien mede na de mode van dien tyd gevoegt hebben,quot;
Het is waai\', dat De Klerk gezegd heeft »je ne suis pas poëtequot;, maar als hij daarom geen oordeel mag veilen over poëten, dan hebben Vossius en Aristoteles ook »zottelijk gedaen, en zig met zaken bemoeit die zij niet verstonden,quot;
»Allervuylstquot; vindt hij het, dat De Klerk wordt beschimpt over eenige fouten in een Latijnsch vers, dat door hem vele jaren geleden gemaakt was op den dood van zijn schoonvader Leti, dat nooit bestemd was om den dag te zien en dat aan Hoogstraten in »vertrouwendheid vertoondquot; was. En wat Flut. in Galba betreft, daar is geen geleerde, die wel niet eens zich vergist heeft.
En zou De Klerk een Logenkramer zijn, omdat Burnmn hot gezegd heeft, :gt;die als zijn lastergeest veerdig word geen mens gewoon is te ontzien, en, als het spreekwoord luyd, reun en teven byt.quot; Neen, maar het is, als Hoogstraten zelf\') gezegd heeft »de Deugd heeft al tyd hare Vyanden en is gestadig van de afgunst verzelt.quot;
Het onbeschaamd schenden van de asch van Broekhuizen bestaat hierin, dat De Klerk beweerd heeft, dat indien Broekhuizen zich wat meer had willen toeleggen op \'t lezen der Oude Grieksche poëten, zijne aanteekeningen over Propertius en Tibullus niet dan te beter zouden zijn geweest.
En toen De Klerk beweerd had. dat de naam van Tibullus\' geliefde niet Delia maar Plania was geweest en dat vroeger Sosius haar het hof had gemaakt, was hij in de voorrede voor de Latijnsche gedichten van Broekhuizen door Hoogstraten als een schooljongen «ongenadig gegispt en gestreeptquot; ,2j, want hij zei, dat De Klerk
1) Leven v. Oudaen, p. 68.
2) In die voorrede zegt Van Hoogstraten, dat hij de hooggeplaatste en geleerde vrienden van Broekhuizen niet wil opnoemen ..quia nee libet nominare eos, qui cum vivum invo-lare non auderent, umbram demortui aggressi sunt, quorum unus in omni paene studiorum gen ere dictaturam sibi vindicans, ideoque aegre ferens alios, quibus se multo superiorem putat, laudatos ab eo publico esse, quod certe signum est animi jejuni et pusilli. virus suum evo* muit in operam Tibullo impensam, jactans ea, quae jactare potuissot in Propertiana, nisi tuin noster fuisset superstes, cujus gratiam captabat ut sic sociatis eum eo viribus, si diis placet, iret in communem adversarium. [Pc^rizoniuml cui se ipse parem non esse satis videbat, uti nee par luit aliis, qui non longo post tempoi\'e multiplices ejus errores exagitarunt, dignumque een-suerunt, quem Musae e meute Pimplaeo furcillis praecipitem ejicerent; alter in suis ad Mimi-cium Felicem commentariis ea chartis illevit, quae, si rem recte perpendas, scripta videnturab homine non satis sani cerebri vel ff fnn\'a possfsso (qualibus elogiis ornat manes Gudianos) unde ablata ei mens niiiil attenderit. lt;|uid manus scril»eret.
19
»\\vaerdig was met vorken en dorsvlegels van Parnas geslagen, en gestoten te worden, dat hij hals over kop van hoven neer tuymelde.quot; De Klerk had geantwoord, dat hij »de plak heel wel van een scepter wist te onderscheidenquot; \'). En dit had vooral Hoogstraten gegriefd, die door zijnen aanhang als een »Triumvir Rcipublicae Poëticae constituendae, of als Grootmeester der Dichtkunst\'\' was aangemerkt, die na \'t overlijden van Francius en Broekhuizen wel zou wanen, dat hem de naam van «Dictator perpetuus der Poëtenquot; toekwam. Daarom haalde Hoogstraten nu de woorden uit den drek om De Klerk tc beleedigen, geheel in strijd met zijne vroegere gewoonte, toen hij hem de geleerdheid en ook de bescheidendheid haer wooning had.quot; Misschien echter bracht zijne vriendschap met den schrijver van de «Gazettier Menteurquot; hem er toe zulke uitdrukkingen te gebruiken.
De schrijver van den Brief noemde zich Philalct/ics. Voor zijne tegenpartij schijnt dit pseudoniem doorzichtig of bekend te zijn geweest, ten minste wij kunnen uit de meestal minder liefelijke epitheta 1) den schrijver gegeven wel opmaken, wie hij geweest is Zijn naam was Lambertus Drost 2), tot predikant bij de Remonstranten te Haarlem beroepen in 1094, overleden in 1720 3).
Het kan onze bedoeling niet zijn den inhoud der volgende blauwboekjes en schotschriften in bijzonderheden na te gaan, voor zoover zij slechts scheldwoorden bevatten of de bekende beschuldigingen trachten te weerleggen of te staven. Alleen wanneer nieuwe onderwerpen op het tapijt woiden gebracht, of de strijd op nieuwe wijze wordt gevoerd, zullen wij er bij stilstaan.
Geen nieuw gezichtspunt levert het derde stuk van de «Gulden Legende van Jan de Klerkquot;, zooals deze bundel strijdschriften wordt genoemd ; het is een »Brief aan Philalcthcs van Zynen Vriend, wegens de beschuldigingen des Heeren Dr. David van Hoogstraten ten laste van den Hcere Professor Jan de Klerk.quot;
De schrijver wordt door de tegenpartij de »Goede Krabbelaarquot; genoemd, uit welk epitheton, omdat Goede dikwijls met hoofdletter wordt geschreven, wij kunnen opmaken, dat Joannes de Goede bedoeld is, predikant bij de Ilemonstr. Broederschap te Amsterdam van 1099 tot 1738 4); te meer, omdat hem telkens gevraagd wordt of\' dat schrijven nu «Broederlijk en Christelijkquot; is,quot; en of dat overeen te brengen is met den plicht van de «Dienaren des Woortsquot; fl); en dat de voornaam van den schrijver Joannes moet geweest zijn, blijkt uit hot op hl. 19 aangehaalde versje, waarin gezegd wordt dat »dric Harmiaansche mannen, een Lammert en twee Jannenquot; De Klerk verdedigden.
1
Philalothes wordt gonoemd : Do stijfkop van hot Sparen (/gt;/ de Eerckvansen).
\'t Harelemsche Drosjo (passim).
Triumvir reip. Arminianicae constituondae (llctische vc mm Hing).
(irynzondo Wolf mot een Schapevacht van Broederlykheiton Christolijkhoit.
(Ilcnschc vennaninr/ van Gisb. Hort.)
2
8) Do opgave van Mr. J. J. van Doorninck, Vermomde en Naamloozo Schrijvers, dat l\'/ii-/((lethes Adriaan (?) Pels Advokaat to Amsterdam zou zijn, is dus onjuist.
3
Tideman. Igt;lt;\' Komonstr. Broedersch. )». 235.
4
Joannes de C«oedo, pred. eerst, 1092, t(i Niemvpoort, toen, 1095, te Hoorn, te Amst. beroepen 4 fob. 1099, overl. 17.\'i8. (Tideman j). 154.)
(gt;) Brengt de zedeleer van dit volk mede dat hunne Dienaren des woorts uit verdraagsaam-hoit mogen do pen opvatten tegen luiden, die hun geen loet gedaan hebben en tot uitvoering en verspreiding dezer vuiligheden eikanderen verbindenquot; {Haisclie verwdnuifi v. Gisb. Hort.)
20
Wie ile vrienden van De Klerk waren blijkt uit het volgende «Gesprek tussehen een Boer en een Harmiaensch Student.quot; (Ned. en Lat. Keurd. 2\'\' verv. p. 128.)
H. Ik bidde u, wilt rayn botheit leeren,
En noem my tog de wy/.e heereu,
Het Klerikaansche Zevental,
Geroemt, gepreezen overal.
St. Ik zal u deze zeven Helden,
Myn vrient, met korte woorden melden ;
De Krabbelaar, de goede Jan l)
Blinkt met Vinalis 2) boven an.
Dan volgt het spitse en magere Osje. 3)
Met Witje 4) en \'t Haarelemsche Drosje.
Dan wordt men nog een edel paar lUod! van Jongelingen gewaar,
Driebergen fi) \'t f\'yn Sociniaantje Kn \'t rymelende Westerbaantje,7)
Die nooit op Par nas teemens moe Zoo stichtlvk van de Wichelroe In zyue rynipjes weet te spreken, enz.
Erratum ; vers 8 Vinalis lees : Finalis.
Aanmerking op liet Erratum :
Is dan Vinalis meê geeir lidt van hunne bende?
Of drinkt de Man geen Wyn?
Neen ; \'t moet Finalis zyn ;
Hij drinkt wel eens een roes, maar lastert zonder Kndo.
Daarna komt een vierde stuk »llensche Vermaning van Gtisherfus Hortensms aan den Lasteraar van den Heere Dr. David van Hoogstraten, wegens het geschil met den Heer Jan do Klerk, voorlezer onder de Remonstranten te Amsterdamquot; Hoogstraten verdedigen, vooral bewerende, dat De Klerk even harde woorden had gebezigd en bijv. Hoogstraten had genoemd »pauvre homme.quot;
De schrijver was A. Bogaert, zooals in \'t vervolg zal aangetoond worden.
Ook aan hem werd gericht een »Brief aan Gishertus Hnrtensixis van zynen vriend wegens den lasteraar van den Heer Dr. David van Hoogstraten.quot; Deze brief is geheel een terugslag op dien van den »Krabbelaarquot;. Zooveel rnogeljyk worden de-zelfde woorden gebruikt bijv. : Myn Heer, \'t Is mg zeer lief, dat UtoE. eene korte en krachtige verdediging tegen die vuile en snoode lasteringen, door den Nakrabbelaar van dien gowaanden Philalethes tegen den Hr. Dr. van Hoogstraten uitgebraakt, heeft in 7 licht gegeven. Bit was onnnodig geweest, indien 7 den ge-
1) Joannos lt;1«\' (loedo.
2) Abraham van den End mi, reclitsgoloorde.
3) Gysbortns Ostens.
4) Cornulis lt;1(\' Wit.
5) Lambortus Drost.
(gt;) Joannes Driebergo.
7) Cornelis Westerbaen.
21
melden lieer zelf gelust luidde de peu op te vatteu ; in den eersten brief nu stond Myn lieer, \'I Is my zeer lief, dat UwE een horte en krachtige verdediging tegen die vuile en snoode lasteringen op den Heer De Klerk uytgehracüct, heeft in \'t licht gegeven. Dit was onnoodig geiveesf, indien gemelde Heer in de Nederduytsehe taal schryveu kon,quot;
Deze brief heeft ten minste de verdienste ons de plaatsen op te geven en aan te wijzen, waar wij kunnen vinden, hoe De Klerk zich tegen de poëzie in \'t algemeen en tegen de Latijnsehe dichters in \'t bijzonder beeft uitgelaten.
De schrijver noemt zicb niet, maar is Aristoteles Stagy rit es. In dezen brief toch belooft hij Philalethes eerlang eens »aan Ie klampen, om zyue plompheit en botheit aan \'t licht te toonen, die ons wys wil maken, dat Aristoteles of Vossius geen poëten zouden geweest zyn, waarvan ik het tegendeel (wegens Aristoteles uit Klerks schriften zelfs) zal bewyzenquot;, Nu staat de onderteekening Aristoteles 1) Stagyrites onder een gedichtje, ook uit den bundel »Gulden legendequot;, waarin gezegd wordt, dat Diogenes Laërtius (in Vita Arist. p. 283. Ed. Wetsten.) beweerde, dat Aristoteles plus minus quadringenties quadragies (juinquies mille ducenti Septuaginta verzen heeft gemaakt, dat Scaliger een lierzang van Arist. heeft aangehaald en hem als een groot poëet geprezen, eu dat De Klerk zelf een paar verzen van Arist. heeft aangehaald 2j. Hij heeft dus woord gehouden.
De poëzie moest den strijdlustigen te hulp komen : „ISerkranssen voor do Kle-rikaansche voorvechterenquot; werden beantwoord door een »Echo up de eerlcranssen, uitgegeven van het Hoogstrataansche Driemanschap.quot; Die Eerkransen bestaan uit vier stukjes : het eerste 3) begint aldus :
Op de nieuwe conspiracie 4)
Met ydele bravacie
Gesmeedt t(jt conservacie
Van Klerreks reputacie
Door Drie Harmiaansche mannen :
Kenen Ijammert en twee Jannen. s)
J) Dc/.i\' Aristoteles ^vas waarscl). ]gt;«\' Haes, lict^coii op lo maken iw uit hot „lofdicht op liet 11 oogs11\'ataaiisclic Driemanschapquot;, gericht togen do llaos, waarin toikens over Haasje cn Stagirites gosproken wordt, als over don vriond van Hoogstraten en den derdon in het Driemanschap: Hoogstraten, Hortonsius (Bogaert) cn Aristotolos Stagyritos.
2) nl.; „Bcofiov y4(hgt()TtXr]g êvlöqvoaro zóvöt TIXutcovos,
\'Avdgng ov ovr\' Cilvtiv toioi k cc-no Ca i Parrli. 1, 825.
3) Komt ook voor in \'1 Vervolg van do Nederdnitso Kourdigton bij oon verzameld door de Liefhebberen dei* Oudo Hollandso vrylioitquot; 1717, j). (gt;8.
4) De keus van dio woorden op urie zal wel gedaan zijn om hot bokonde gedicht van Hoaal na to volgen: h\'cii Vlaenis (/chvaetf perken jent, enz. Vondel van v. Lonnop, Jl, 827.
5) Deze drie vrienden van De Klerk, die voor hom in de bres waren gesprongen, waren lo Ds. Lambertus Drost boven genoemd (Philalethes); telkens wordt er in deze stukken over hom gesproken nis den „Styfkop van hot Sparenquot; of \'t llsireloinscho Drosje. (Ook wordt gezegd (in \'t Sprookje van „Uijsje den Osquot;), dat hij met Osje en Witjen zijn best heeft gedaan voor den groeten Haan (De Klerk) om dezen in 1712 tot Professor te benoemen. Witje is Cor-nelis de Wit, Kemonstr. prod, to Borkel, overleden in 1781.) 2quot;. De twee Jannen: Joannes de Goede, bovengenoemd (de Goede Krabbelaar) en Joannes Drieberge, gob. te Leiden 11 Dec. I(gt;86. Hem. Predikant tv Noordwijk 1711 (te Utrecht, 1718, Hotterdam 1725, Hoogleeraar 1737, overleed 1 Mei 1746.) In regel 21 wordt hij minder wellevend ,.Noortwijks jonge blaaskaakquot; genoemd. Hij was toen dus 25 jaar oud.
22
Tegens D[avi(l] aangespannen Die ze wel als kaf zal wannen.
Hoe braaf\' stelt zig de Driemanschap Der wakkre Klerikanen schrap,
Om Klerks geschillen te beslechten En zynen vyaut te hevegten ?
Zyn dan die mannen afgeslooft?
En is hun raoedt zoo ras gedooft ?
Waar blyven mi die dappre helden,
Die zich de zege zelfs voorspelden ? \')
Waar blyft dat snoode nachtgebroet,
Dat voorgaf in den stryt geen voet Uit zyn gelit te zullen wyken ?
Hoe gaan zy dus niet schande stryken ?
Kan dus een eenig Heusch Vermaan \'1)
Die helden uit het velt verslaan,
Imi hunne oploopentheit bedaren ?
Kan dit de Styfkop van het Sparen 2)
Kan dit de Goede Krabbelaar 3)
. (Ik schaam my nogh in \'t openbaar Ilont uit te melden hunne namen.
Die zy zoo deerlyk zelfs beschamen)
En Noortwyks jonge blaaskaak 4) zien.
En dulden zonder weer te biên ?
Wat schrik heeft hen in \'t hart geslagen,
Wat mag die Goliatten (\') jagen.
Die schenen, van geen vrees belaan,
Gelyk Drie Bergen vast te staan,
Al quam een Bavid hen bestormen ?
Wat ging u aan, och arme wormen5)
Wat heeft uw gramschap, zonder kracht En ydel, tog in \'t licht gebraght ?
Een muis, om kinders te vervaren.
Geen menschen van volwasse jaren,
Of geen Poëet, die wapens voert
1
Heuscho vormaning van Gisbertus Horten si vis.
2
Lamb. Drost, prod, te Haarlem.
3
Ds. Joannes de Goodo.
4
(gt;) Geestigheid (!) tegenover David van Hoogstr.
5
Door De Klerk was omtrent Hoogstr. gebruikt de uitdr. paurre honimc. Hoogstr. beantwoordde dit met De Klerk „(inne ivnnnquot; te noemen.
23
Eu ouk zyii bek cn klaaawen roert;
Die voor het baren van Drie Bergen Noit schrikte, of strafloos zig liet tergen Van Philalethen, Krabbelaars Of Genevoische 1) lasteraars.
Discite justitiam moniti, et non teranere vates. Dat is : Leert nu voortaan rechtvaardigheit betragten,
En Heusch vermaant geen dichteren verachten.
Tiieodosius Anticlericanus.
De J\'Jcho op dc Ecrkrausseu, nityugevcn van hel Hoog simt acnsehc Driemanschap is geschreven door Ds. Gysbertus Ostens, Metl. Dr., die van Hoorn door de Remonstranten beroepen werd to Amsterdam, S April 1708, onder bepaling, dat hij gt;de practyk als docter medicyne niet zou mogen exerceeren.quot; (Hij overleed 24 Juni 1741) 2). Dezelfde rijmklanken zijn behouden. De eerste regels mogen dit bewijzen:
Op de ydele bravatie,
Van den grootsten lucie:
Tot conservatie
Van C ,., . reputatie ;
Door één vryer en twé mannen, 3)
Die uit vrindschap \'t saam gespannen,
\'t Kaf van \'t kooren zullen wannen;
En den JJul van Parnas bannen.
Cornutus s) met zyn narrekap.
Zet zig gelyk een Buffel schrap,
Om wonderheden uit te rechten;
Sta vast, het Buffeltje 4) wil vechten.
Is dan de dichtkunst aigeslooft!
Men gryp dien lasteraer by \'t hooft;
Treed toe, o brave letterhelden!
Men zal met lof uw\' namen melden,
Als gy dat snode nachtgebroedt.
Voor \'t licht der waarheid beven doet;
Dan zal het Beest met schaamte wykeo.
En als een Boerenrekel stryken,
En koetsen; nimmer durven staen.
Ei, gryp zyn horens rustig aen,
1
Do Klerk was, zooals wij gezien hebben, te Genèvo geboren.
2
.\'gt;) Tideman, p. 229.
3
D. v. Hoogstraten, A. Bogaert en J. Do Haes.
4
(») Deze scheldnaam zal wel \'t zelfde beteekenen als Cornutus.
24
Zoo zal zyu wreedheid haest bedaren: Wilt zulk een hoornbeest niet spaeren Dien zinneloozen krabbelaer;
Die zich niet schaamt, in \'t openbaer Te schenden onbesproken namen.
Wie kan in zulken Boogaert jagen,
Wiens bomen zvn met gift belaan ?
enz,
n d e r s c h r i f t;
Leer uw lastertaal bedwingen, Of men loert u anders zingen.
Dit stukje is dus blijkbaar gescbreven tegen den auteur der »Eerkranssen\'\'. Dat Hogaert \') bedoeld is blijkt uit zijn naam, voorkomende in den voorlaatsten regel. Docli Bogaert liet zich die onaangenaamheden niet straffeloos zeggen. Hij dichtte het Sprookje van G/iye den Osquot; 2), dat aldus begint:
Wat tuimelgeest, wat winterbeer,
Vertoont zich ongeroepen weer?
Wat krysebt in yders ooren ?
Wat iaat zicli weder hooren ?
Hoe is ons Osjes hart zoo koen ?
Waar is \'t den vrienden om te doen,
Dat zy zo yslyk spoken.
De Goede niet besproken ?
Wat is dit voor een nieuw gewell ?
Hoe is bet Planekot ontstelt.
Nu Klerk krygt op de lappen,
Die ieder een wou trappen?
In regel 10 wordt de oude vergelijking van de gezamenlijke predikanten bij een Hanekot weder te voorschijn gebracht, die telkens wordt uitgewerkt en toegepast. Ds. Ostens wordt met zijne familie op ruwe wijze over den hekel gehaald.
Het spreekt bijna vanzelf dat een quot;Sprookje van het Baffeltjequot; op de wijs: »van \'t Osjequot; tot antwoord moest dienen:
Geen tuimelgeest, geen winterbeer,
Vertoont zich op Parnassus weêr:
1} Abraham Jiogaort, geb. to Amstcrrtani lUti.\'i. gast. 1727, (Ifoil vorschoiilon xoereizon, kwam in 1701 als Opjiei- lleelniuester te Batavia, word daar, omdat hij schi\'ijvcr on dichter was, oji bet kantoor ^■all do Oonoralo Visite geplaatst; kreeg niet lang daarna den rang van Koopman. Kwam na oen toebt naar Bongalon, Ceilon, do Molnkkon in 17011 terug en vestigde zich te Amst. als apotheker. Bobalvo zijne oorspronkelijke gedichten, beschreef bij ook in verzen Schijuvoet\'s Muntkabinet; vertaalde J\'ransche Tooneelstukken on ook Suetonius en Caesar\'s Comment. In 1(11 gaf bij uit Historische reizen door d\'Oostersebo doelen van Asia. enz.
2J Vervolg van do Nederd. Keurd. p. 72.
25
Een l)cesje, ruig van ooien,
Laat zyu gezangen liooren,
Een liuffeltje wat stout, en koen,
Zoekt Meester David dienst te doen,
Met ysselyk te spoken,
Wy hebben hein geroken,
Wy weten waar de kei hem kwelt; enz.
Nu moet Bogaert het ontgelden, de groote man
Die \'t Griex, Latyn, nog Frans en kan ;
Eu net vertaalt, naar \'t leven,
\'t Geen Caesar heeft geschreven ;
En die Suetonius, wel eer.
Vertaalde, met zyn Uileveer,
die spullenquot; uitliet Fransch dichtte, enz. Deze bijzonderheden passen volkonieu op A. Bogaert, ook worden hem »()ost-Iiidivaai\'smanierenquot; verweten en wordt er gesproken over zijn »panquot; en »vijzelquot;, toespelingen op zijne apotheek. Doch daar er tevens op dezelfde wijze gesproken wordt over zijn »Tuinquot; als vroeger over den »Boogaert\'\' en even minachtend over zijne vrouw als over die van Bogaert, die de »EcyJcranssenquot; schreef; eindelijk omdat er gesproken wordt over het prijzen van Perizonius, Gronovius, Burman en Hoogstraten, hetwelk geschiedt zoowel in de »Fycrh-ansseri\' ais in de »TIenache veniiaiiingquot; moet A. Bogaert en Hortensius dezelfde persoon zijn. \') De Haes kan de schrijver niet zijn ; die wordt als een afzonderlijk persoon behandeld, als »\'1 Hot terdammer Haasje\'\'; die »ruikt toch aan Hortensi brief en Meester David heeft hem lief,quot;
Het lied was »gemaekt om op de Osjes Sluis^, te zingen. Al zou er het HuHéltje zyn horens om af wringen.\'quot;
Over de terechtwijzing aan Philalethes (Ds. Drost) door De Haes hebben wij reeds gesproken.
Nog een »Vlaamsch loeyercchlquot; volgt, door Bogaert gedicht in den trant dei-oude Rederijkersgedichten, beantwoord door een »0(le of Lofdicht op hel voorgimndc Jicfcreijnlicnquot;, even vol van verhollandschte Fransche woorden. Van Bogaert heeft men gehoord »(lattc ge histoirikens hanteert, en ou op den stijl van den Drossaart uzeertquot;. Dit ziet zeker op zijn Historische Reizen door d\'Oostersche deelen van Asiaquot;,
De stukken waarin De Klerk wordt aangevallen zijn »Geapprobeert in de Consistorie van de Poëetische Faculteit, en gedrukt bij Adelaart Waarmond ; bij wien eerstdaags staat uit te komen zeker Boeksken, geintituleert ; De (inhle Legende van den (reneefsehen Sint Janquot;, terwijl die op het Hoogstrataansche Driemanschap zijn »Naar voorgaande visitatie, geapprobeert van de Poëetische Faculteit, en gedrukt ter Drukkerij van Pasquin; bij wien in \'t kort zal uitgegeven worden, een nette Afbeelding van het MatisoliiHH, of de heerlijke Tombe, die opgeregt staat te worden
1) I)^ opgavo Oudo Catnl, BiM. Lcttk. II p. 009 (Tuinman) is dus font.
2G
te Sloterdijk, 1) ter eeuwiger gedachtenis van het geleerde Buffeltje ; met een uitlegging vau alle de zinnebeelden, enz. Mitsgaders eenige Grafschriften, met een Lijk-Oratie van Meester David op hetzelve, enz.: alles klaar gemaakt tegens het overlijden van het zelve Buffeltje.
Welk deel Van Hoogstraten gehad heeft in het schrijven vau bovengenoemde stukken valt eer te gissen dan te bewijzen 2), Dat Bogaert en De Haes met hem er aan samenwerkten wordt telkens door de tegenpartij beweerd en dat Hoogstraten ook wel eens alleen een hatelijk stukje dichtte, blijkt uit de verzameling pamfletten Duncaniana 171B I, waar te midden van allerlei hatelijke stukjes op De Klerk, naar aanleiding van zijne niet-benoeming tot opvolger van l*h. u Limborch, ook een Latijusch gedicht van D. v. H. voorkomt, waarmee hij, schijnbaar uiterst goedhartig en meewarig. De Klerk wil waarschuwen voor allerlei booze praatjes, die er omtrent hem in omloop zijn. Het is getiteld; Ad venerabilem magistrum D. Joannem Gorallum 3) Genevensem.
»Ach, mijn lieve Gorallus,quot; zegt hij ongeveer, »wat heb ik op straat over u moeten hooren! Sommigen hebben veel kwaad van u gesproken, en uw reputatie erg benadeeld. Die boeven, die eerroovers durfden zeggen, dat gij veel hoop hadt Limborch\'s opvolger te worden, maar dat gij jammerlijk van de trappen gevallen zijt. Doch ik geloof die slechte menschen niet, want ik weet te goed, wat dan uw confrater Finalis voor Uw Eerw. zou gedaan hebben, en hoe de driftige predikant vau Berkel uwe vijanden zou aangevallen hebben, evenals de halsstarrige Haarlemmer, en het Osje, zooals die boeven hem noemen.
Ook heeft iemand verteld, dat gij boeken 4) uitgeeft, die wel mooi zijn voor de losbandige jeugd maar tocli vuil, en dat dit een groot schandaal is voor een theologisch leermeester, en dat het uw naam zeer veel kwaad doet. Wat zal Burman wel zeggen, dien gij zoo hebt doorgehaald om zijn Petronius. Neem ine niet kwalijk, gij hebt heel verkeerd gedaan, want nu zal hij u het Pervigilium Veneris voor de voeten kunnen werpen. Burman was in alleu gevalle geen theoloog, maar een literator.
Alle deugnieten spreken over u, daarom moet ik u waarschuwen ; zij zeggen verder, dat gij als een kampvechter allen aanvalt, die den naam van dichter dragen, en dat gij hen vreeselijk aan de ooren trekt, zooals gij met Broekhuizen, Burman en Hoogstraten gedaan hebt. En dan beweren zij, dat gij stilletjes blauwboekjes laat drukken bij Halma te Leeuwarden, opdat niemand zou weten, van waar die laster-
1
Sloten oen dorp niet verre van Amstelclam aan hot Harelennner Moir, haar Kerk was eer St: Pankras toegewyd. Op dezes dag den 12 Mey, wierde door den Pastoor aan het dorp zyn gebenedeyd hoofd, met deze woorden den volke vertoont. Ten is geen ossen hooft myne Katelyken ! ten is geen paardenhoot\'t myne Katelyken I maar het hooft van St. Pankras.
Ned. en Lat. Keurd. 3e verv. bl. 155, waar de verklaring van de Graftombe, die is opgeregt ter onsterfelyker gedachtenisse des Fenixdigters, staat opgegeven.
2
In zijne Voorrede van Vonders vertaling der Heroides, 1715 uitgegeven, vaart hij nog eens uit tegen De Klerk en zijn aanhang, die „overloopende van gal, stijf van kakenquot;\' enz. zich wilde wreken, omdat hij niet in Limborch\'s plaats gekozen was.
3
Dozen naam had Do Klerk gebruikt o. a. in zijne uitgave: C. Pedonis Albinovani Elegiae tres et Fragmenta cum interpretatione et notis J. Scaligerii, Frid. Lindenbruchii, Nie. Heinsii, Theodori Ooralli et aliorum. Amst. 1702.
4
Dit ziet op het Pervigilium Veneris door Do Klerk onder den naam Gorallus uitgegeven.
27
schrif\'teu kwamen. Het spijt mij zeer, dat gij dit gedaan hebt, want nu zullen die dwaze verzenmakers al uw metrische uitingen gaan uitgeven, en gij zult uw hand niet kunnen negeeren.. .. Ik wil hier niet meer bijvoegen, ik meende, dat het mijn plicht was u te waarschuwen, neem het mij niet kwalijk en vaarwel.quot;
In een nieuwen strijd werd Hoogstraten gewikkeld, toen zijn vriend Joan du Hues in 1713 te Rotterdam bij Harent Bos II. Ansloos Foezy uitgaf en in eene voorrede in den lof van dien dichter uitweidde. In het bekende Journal Literairn de Mai et Juin 1713 werd deze uitgave beoordeeld door Van Effen \') in de volgende bewoordingen: sL\'éditeur entreprend daus sa Preface de faire l\'éloge do M. Andoo ! et il cite pour son garant M. Vondel, le Virgile des Hollandais, et le Prince dt. leurs Poëtes. A notre avis pourtant on peut appliquer it M. Vondel ce qu\'Owde dit d\'Ennius. Ennius inyenio maximus, arte rucUs. Avoiions encore, ((ue le stile de M. dc llaes, ne donne pas grande opinion de son gout; son language est d\'une enflure, qu\'il peine le stile Poëtique le plus hardi pourrait permettre. Voici par exemple comme il commence sa Preface.
gt;Ou(ler de uaamhaftige Digt-Geesten, die in ons Nederland met lof de Pen gevoert hebben, blonk iu de voorleden Eeuwe, de Fenix-Digter Joost van den Vondel, als een heldre Sou aan den Parnas Hemel nvt, etc,quot;
Mais saus se laisser prévenir contre notre Auteur par les figures outrées de M. de Haes, dont le seul défaut peut-être est celui d\'etre Poëte en Prose; on peut par l\'examen seul des Ouvrages de M. Ansloo, ne pas tout a fait convenir de 1\'étenduë de sou mérite. Nous osons dire qu\'il affecte trop des grands mots, ses (£uipedaUa verba, qui sont suivis souvent de termes bas et peu convenables a ses sujets. Cette affectation de grands mots est assez ordinaire aux Poëtes Hollandais.\' Na eenige loftuitingen over Ansloo\'s poëtischen geest en zijne bondige manier van zeggen, wordt de »Pest te Napelsquot; zeer geprezen, maar op de »Parysche Bruyloftquot; heet het, dat men toepassen kan de woorden: Brevis esse laboro, obscurus (io ; mais aussi qu\'on en pourrait bien dire,.... couanleiu \'(jrandia nervi de/iciunl.
Over het juiste dezer oordeelvelling willen wij hier geen uitspraak doen; doch het is geeu wonder, dat de Nederlandsche gt;Digt-Geestenquot; eu vooral die van Rotterdam, hoogelijk verontwaardigd waren en zich in anonieme geschriften trachtten te wreken. Het prikkelde hen te meer. dat zij niet wisten, wie de schrijver van die beoordeeliug was; doch dat het een Franschman moest z;jn, stond bij hen vast; daarom kreeg Jan de Klerk ook zijn deel in een pamflet: gt;Aen de Haegsche en Amsterdamsche Valsche Nieuwskramersquot; onder het motto «censores vitio creatiquot; \'1). De Franschen worden in het open veld gedaagd, het gt;gt;vermeten hooft,quot; de »aartslasteraarquot; aan den Amstel, moge zich aan liun hoofd stellen, hij »die hier veel te vet gevoedt door Neêrlands mildheit, noch op Neêrlants schryvers woedt.quot;
1
Duncaniana 1713. 1. Keurd. II vlgg.
28
Eu gy, wier lof niet eens zoo hoog noch is gerezen,
Die minder zyt vermaert, wie gy dau ook raoogt wezen, Uittrexelniakers, die om vuil en laf gewin,
Of licht om weinigh broots, maekt zulk een schoon begin Van ziften, vitten, en het lasteren der besten :
\'t Gemeen ziet veel te ras, hoe zulke letterpesten Wanneer men zedigh hun quaetspreken tegengaet,
Eu voor den heldren lof\' van vader Vondel staet,
Met ingekrompen staert, als reekels zig verbergen.
En slechts door hun gebas elk in \'t voorbygaen tergen.
Gy hebt weer nieuwe stof. Antonides gedicht; enz.
Dat »zedigh tegengaeuquot; was gescliied in „AcnmerJcingen over hel uittreksel van
Ansloos Poczy in zekere Boekzaal genaemt Journal Literaire. Kortelijk in eenen brief gestelt door een voorstander van de Nuclcrdnitschc Tad- en DicJilkundequot;. Rett. 1713. De inhoud daarvan \') wordt ons gegeven in «Histoire critique de la République des Ijottres tant Ancienne que -Moderne, Tome IV. p. 337. »On s\'attache ici ii faire voir, que le Journaliste n\'entend ui la Langue, ni la l\'oësie Hollaudaise a.ssez bien, pour prononeer comme il fait, et ((ue par conséquent 11 est sorti de la Sphere d\'activité, en jugeant comme il a fait du fameux Poëte Vondel et du style de Mr. de lines.. On s\'applique a faire voir, par dos suffrages d\'un trés grand nombre de Juges compêtens, que le dit Vondel étoit le plus excellent Poëte qu\'on ait vu dans ces Païs-ci; le Virgile, I Horace, etc. de la Nation Bataviquc. Oa justitie enfin, par des exemples, par des Autoritez, les expressions de Mr. de Ilaes, eensurêes par rAuteur marqué. Tout cela se fait d\'une manière a épargner a i\'at-taqué la peine de prendre sa pro pre deffense en main.quot; Niet weinig naïef\' volgt daarop »ce qu\'il y a de facheux pour le Censeur, c\'est qu\'il est constant, que Vondel a été tel qu\'on vient de le representer, et que Mr. de Ilaes écrit trés bien en sn Langue, et qu\'il est un trés bon Poëte Hollandois.quot;
De bewoordingen van de Aeninerkingenquot; waren niet van de beleefdste geweest ten minste in het Journal Literaire de Janvier et Fevrier 1714 p. 177, sqq. beklaagt Van Effen zich, dat hij vreeselijk is uitgescholden, een dief of roover kon het niet erger verdiend hebben; en dat alleen, omdat hij gezegd had, dat »le stile enflé de 31. de Haes ne donne pas grande opinion de son gout,quot; en omdat hij iets had durven afdingen op de verdiensten van Vondel. Op zijne kalme, eenigszins deftige manier geeft hij eenige bedenkingen ten beste over de Hollandsche poëzie; hij zegt geen Franschman te zijn en zeer goed te weten, dat er in Holland veel groote mannen geleefd hebben ; geschiedschrijvers zijn er zeer veel geweest, die in goeden stijl schreven, Hooft alleen was al te duister. Vooral veel geleerden vindt men in Holland, zelfs onder eenvoudige burgers Maar daardoor juist vindt men er des te minder dichters. De oorzaak daarvan is, dat hier geen Vorst de dichters beschermt, en de Grooten hun geen weldaden genoog bewijzen. (Kenmerkend voor \'t begin der 18e eeuw!) Na Vondel zijn er nauwelijks vijf of zes dichters te noemen, dien naam waardig, en de weinigen, die zich met poëzie ophouden, leggen zich liever toe op
1) Do ..Aomncrkingonquot; zelf heb ik niet kunnen zien.
29
Latijusche verzen, waardoor ten minste hun werk kan betaald worden, als zij buiten de enge grenzen van onze provinciën bekend worden. Eene der hoofdoorzaken van de mindere hoedanigheid der Hollandsche dichters ligt hierin, dat zij veel minder in de Regelen der Poëzie onderwezen zijn dan do Pranschen, en minder goede critici zijn; de dichters willen in alle genres tegelijk uitmuuten, zij willen Horatius, Vi.-gilius, Juvenalis, Sophocles en Terentius tegelijk zijn. Hun verzen hebben dikwijls geen caesuur en veel enjambemanten. Alleen Cats munt in alles uit .... Doch wij zouden te ver uitweiden. FIcL stukje eindigt met eene beoordeeling d. i. over \'t aige-meeu veroordeeling van Vondel, die, zooals hot heet, veel aanleg had, en overal groot zou geworden zijn, maar door zijne gebrekkige opvoeding hot niet ver kói. brengen; geen wonder, hij leerde op zijn dertigste jaar eerst Latijn, daarna Fransch, enz. (sic!) als dramatisch dichter kiest hij verkeerde (bijbelsche) onderwerpen1), er is weinig handeling in zijn stukken, zijn koren zijn vervelend.
Het is geen wonder, dat Hoogstraten over eene dergelijke oordeelvelling verontwaardigd was; in do voorrede van »Alle do Gedichten van J. Antonides van der Goes,quot; Derde Druk, 171 t, wil hij niets zeggen tot lof van Autonides, want »zeg ik er ook iet toe, daer zal een ander komen (gelyk het vooral in deze elendige eeu toegaet) die, om wys te sohynen, alle aenpryzingen zal bestaen te beknibbelen. Want zou Antonides, die wel wist en gaerne bekende, hoe weinig hy by Vondel halen kon, vry zyn van een onvoordeelig vonnis van den eenen of anderen Iveurmeester, daei Vondels naem na zoo vele jaren, sedert zyn leven vervlogen, schendig en onbeschaemt wort aengetast van menschen, die zich zooveel op Vondels zangmaten, als de Ezel op de lier, verstaen ? Do tydt zeker is dan gekomen dat die Vorst der dichteren, die nogh noit van iemant veracht is, in onze dagen ook heeft moeten veragt en beschempt worden van ik weet niet wat Frausche beuzelaers, die op den voorgang van onzen helthaftigeu Goneefscheu Wyzeman, in ons laut aengedreven om de domme Hollanders te hervormen, zich de keuze over alle boeken aenmatigen, en ons aen-wyzen de bedervinge van onzen smaek, waar door wy zoo elendig misleidt zyn dat wv Vondel voor onzen Virgilius aenzieu ; daer irtimers ons gezicht zoo helder luid moeten zyn, dat wy den eenen of anderen Pranschen Wintbreker voor den eenigen Virgyl of Homeer hadden moeten nemen, en ons ter navolginge voorstellen.quot;
In het Journal Literaire de .Mars et Avril 1714 wordt deze uitgave volgens gewoonte aangekondigd en besproken. . Over de voorrede glijdt Van Effen heen, alleen zeggende dat zij is »de sa faconquot; (van Hoogstraten) ; tot zijn lof wordt gezegd, dat hij is een »homme de capacité pour sa Profession, et qui passe pour bou Poëte Hollandais et Latinquot;, maar van zijne vertaling van het vers van Prancius op Antonides\' huwelijk heet hot, dat hot is nndkjuc de l\'original.quot; De »IJslroomquot; wordt grootendeels geprezen.
„Door de aengeschonde glorie van den Penixdichter Vondel, Prins der Neder-duitsche Digtkundequot; raakten de gemoederen der dichters in hevige beweging. Hunne verontwaardiging luchtten zij in allerlei gedichten. »\\Vie rukt de Journalisten dc pluimen van den hoedquot; roept de schrijver uit van de «Eerspore voor den Duitscheu Helikonquot; 4), nadat hij de Pranschen eerst voor heel wat leelijks heeft uitgemaakt.
II Hiermee is hij dus geheel in lt;leii geest van N. V. A.
2) Koiml. Verv. p. 88, en 2e vervolg p. 124.
30
Velen vielen de journalisten aan ; »Joau de Haesquot; o. a. schreef »Kneppel onder de Hoendersquot; \'). Dat hijzelf door »Febus aterlingenquot; gelaakt werd hinderde hem weinig, zoo hem slechts »gebeuren magh Hoogstratens keurige ooren, een Relant, een De Witt1), een Hessel 2) te hekoren, en andre weinigen.quot; Ook in zijn lofdicht o|) Hoogstraten\'s Antonides3) streek hij de «lasterzucht en nijf\' en »den Franschen nachtuilquot; door. De vrienden van Hoogstraten en De Haes (Sudennan, Boekhoven, Van Braam), de geheele Maasparuas mengde zich in den strijd. Die vele schimp- en hekeldichten waren oorzaak, dat de volgende prijsvraag werd uitgeschreven ;
B o n a e M e n t i S.
Aan alle rechtzinnige poëten.
A pol op Helikon gezeten Vraagt al zyn heilige Poëten,
Of al de rymers dichters zyn Die zich vertoouen in dien schyn ?
Of hij ook immer oude of jongen Tot zulk een ambacht heeft gedwongen ?
O O
Of elk zyn eigen kracht wel kent,
Eei hy in deze renbaan rent ?
Of ook in welbestierde steden • Een zinloos rvmer wordt geleden ?
En of een zenuwloos gedicht Vermaakt en teffens zeden sticht ?
Wat prys, die zich zoo dwaas verloopen,
Van zyn genade kunnen hopen ?
Wiens antwoort kortst en bondigst is En klaarst in deze duisternis,
Dien zullen d\'Alcademiheeren Met eenen G-roenen Drieling eeren.
Daar Pallas kunstgeleerde bant Apols triomf met diamant In sneedt, om nimmer uit te wissen,
Dat Marsyas zyn buit moest missen.
gt;gt;De antwoorden moeten ingebraght worden voor den 21stoH van Wiederaaant, wanneer Apollo te recht zal zitten (op dat het onkruit geen dieper wortels schiete) om den prijs uit te deelen.\'\'
Men ziet, oorspronkelijk was de gedachte niet, evenmin al, de inkleeding; dat schijnt ook niet in de bedoeling gelegen te hebben, want zelfs de rijmwoorden en
1
Joan de Witt. Urbi Amstelaedanu\'iisi a aecretis, aan wion de Poëmata Broukhusii zijn opgedragen.
2
Vriend van Hoogstr. Zie. v. d. Aa.
3
De Ha«quot;8, Ged. j». 338.
31
geheele regels zijn overgenomen van de stekelige prijsvraag door Vondel opgesteld en door de Amsterdamsche Academie in Maart 1030 1) uitgeschreven.
Een achttal antwoorden of navolgingen worden bewaard in de Duncanii.na 1712 en 13. Den geest, die er in heerscht, kan men vermoeden ; de uitersten komen echter niet voor, zooals in dien zoo weinig krachtigen tijd past; er is geen antwoord zoo vuil als dat van Trigland was. maar ook geen zoo zachtzinnig en poötisch als van Tesselschade iu den goeden ouden tijd. Al die variaties van Tapvol en Alvol op Apol of van Heeleton op Helicon en zooveel andere, even weinig geestige, kunnen we dan ook zonder schade voor ons dichterlijk genot achterwege laten. Genoeg zij het ons te vermelden, dat velen alleen redding verwachtten uit den warboel en dichtersstrijd van Hoogstraten. In »De wegh naar den Zangberg onveiligquot; (door Gerard de Haes ? -) luidt het 2):
»Dat d\'Amstel-Herkules zich wapen,
En zwaai\' het schitterend geweer,
En ga dit snoodt gespuis te keer.
Zoo word\' de glory van dien helt In goude letteren gestel t:
Men eer\' H.....als een Heilig.
Door Hem zijn Pindus wegen veilig.quot; \'
Ook gt;Het verval der Nederduitsche Dichtkunstquot; 3) is aan David van Hoogstraten opgedragen. Die opdracht is :
Beroemde man s),
\'t mishaage u niet Dat u mijn Zangster in \'t verschiet Genaaken koom, zy durft zich vleien Met uwe gunst, terwyl ze staat In haar onnoozelste gewaadt \'t Verval der Dichtkunst te beschreien.
Nooit leende gy uw\' nyvre handt Ten lof van ongerymde prullen.
Dan om den Nar 4) de kap te vullen.
Gun my, daar gy d.e vierschaar spant
1
Zio Leeiulortz in Navorscher 1875..
2
8) Dune. J712, 2.
3
Dunc. 1718. Het was van Zoons, blijkens Brief aan Ciirysost. Matanasius over vZangl)org in Gevaarquot;. 1715, en vele plaatsen uit do stukken van den poëtenoorlog bijv.Do Zangberg ontzetquot;, passim. De Haes was zeer boos op Zoons blijkens zijne Gedichten, p. 42(gt;.
4
Met deze woorden had De Haes Van Hoogstraten aangesproken in zijn lijkdicht op hot afsterven van Maria van Nispen, zijne echtgenoote, overleden te Amsterdam den 2()on van Slacht-maent 1708, on in zijn lofdicht op I). v. H\'s Aenm. over de Geslachten. Hl. 81o: Boroemde man, o glori van liet I Jquot;.
Op bl. 324 zegt do Haes aan Hoogstr.: ,,\'i Mishage u niet, dat mijn gedicht n nadren komequot;
C,) Het gewone epitheton ornans voor De Haes, volgens dezes eigen getuigenis, bl. 120 van zijn Gedichten.
32
Als Neêrlaudts Hoofdtpoëet te vraagen,
Of hier de bal is mis geslagen. \')
De schrijver van het »Vervalquot;, de Zeveuhergsche dichter J. Zeeus, uitte zijne afkeuring in gezonde, krachtige bewoordingen. Men oordeele naar \'t begin ;
Indien ge Nederduitsch kunt leezen ;
Indien ge Nederduitsch verstaat;
Indien ge iets weet van klank of maat:
En langer niet bespot wilt weezen,
Rampzalig kroost, dat uit het bloedt Van Marsyas uwe afkomst rekent.
Uw naam naar \'s Vaders landtstreek tekent,
En in den Frygiaanschen vloedt Uw doopstroom, zyt gewoon te baaden,
Ai, laat u toch ten beste raaden.
Geen haat of hoogmoed drijft den schrijver tot spieken, maar de dwaasheid der dichters. De gouden tijd van Vondel en Hooft is voorbij, nu wordt de kunst gehoond en gelasterd »door vuil en dartel straatgeraasquot; en weinigen zijn meer der poëzie genegen. Mecenen zijn er niet meer, zooals in den tijd van Augustus. gt;Toen werdt der kunste een kerk gesticht, nu is er kans zich arm te zingen.quot; Velen dichten om gewin, anderen tooien hun met moeite te voorschijn gebrachte gelegenheidsgedichten met wonderspreuken. »Ken ander zal zyn stem doen hooren, daar Jochimbuur met Aaltje paart; daar Aagt of Albertoom verjaartquot;; terwijl hij daarbij een.ophef maakt, alsof hij van Eneas zong.quot; Het nageslacht van Brandt en Oudaan meent den geest der poëzie van hen te hebben overgeërfd, maar het blijft steeds laag bij den grond. Daarom moesten die arme rijmers hun schrijven staken en hun pen liever in \'t rekenboek gebruiken.
De Uotterdamsche dichter Joan du Haes, door zijne moeder Cornelia een kleinzoon van Geraert Brandt en neef van Oudaen, meende, en waarschijnlijk terecht, dat de schrijver het voornamelijk op hom gemunt had en antwoordde met een keerdicht »Aan den Maaker, van het Dicht, genaamt Het verval der Nederd. dichtkunstquot;. «Gewaande Geestquot; begint liet, »\'t inishaage u niet, dat ik, uw knevels in\'t verschiet, kom seheerenquot;.... maar wij zullen hem niet verder volgen, wanneer hij steeds met dezelfde rijmklanken als in »\'t vervalquot; allerlei hatelijkheden, maar weinig geest ten beste geeft.
De rust was dus nog niet hersteld, hoe goed Zeeus het ook bedoeld had ; integendeel nam de strijd kort daarop nog veel grooter verhoudingen aan, toen hij zich uitbreidde tot den zoogenaamden »Poëteuoorlogquot; van 1715 en 171G. Mkolaas van Amerongen had de achtste satire van Boileau vertaald »De menschelijke dwaasheid
J) Deze regel is een terugslag op oen in den Jien Apol. Bundel 1718.
..Di»- \'t vinnighst in zyn antwoort is,
En slact den rechten bal niet mis/\' enz.
2) Zie Catalogus ofte Lyst der Knnstwerkon, die deozen Muizenzang zyn voorafgegaan, achter „de Zangberg geznivertquot;. Cata). Lettk. bl. 410 nquot;. 21.
33
in tegenstelling der andere dierenquot; in een slechten vorm; daarop was een «Berispdichtquot; gevolgd. P. A. De Huybert, Heer van Kruiningen, lid van Nil Volentibus Arduum, had in de voorrede van zijn blijspel »De gewaande Astrologistquot; beweerd, dat Vondel geen begrip had van de tooneelregels omtrent éénheid van plaats, tijd en handeling. Toen had Zeeus »de Zangberg in Gevaarquot; geschreven om Vondel en ook zijn vriend Van Amerongen te verdedigen; en daarna komt er bijna geen eind aan de schimp- en lasterschriften, waarin over en weer de opgemerkte fouten ten breedste worden uitgemeten. Vooral De Haes, wiens vleien en dichten om geld gehekeld wordt, en Zeeus, die in een hekeldicht van Juvenales mures door muren vertaald had \'), moesten het ontgelden.
Zeer geestig is te midden van zooveel onverkwikkelijke geschriften, »De Zano-mcrg gezuivert, Muizenzang, Met de gehcele Aanmerlcingcn van Opsonins Mero, Bihcrius TCdax, Sorbilius Dento, Lurconius Crapula cn Vinins Curculio. Boor zorg cn Arbeid van Br. Chrysostomus Malanasius. 2) Hierbij Icoomt het Afbeeldsel van den groofen Parnasbullebalc Saeeharias KUstorinus. \'sGrav, 1710,quot; Het portret van Klistorinus met zijn schild »van Marsepyn met een vergulde korst, zijn riddervlies van witte suikerquot; enz. gelijkt sprekend op dat van Zeeus, Het gedicht zelf is 24 bladzijden groot, de aanteekeningen met het voorwerk, enz, beslaan er G8. In den ernstigsteu toon worden de grootste dwaasheden verteld, en Vooral de toenmaals gebruikelijke edities met zeer lange noten belachelijk gemaakt, 3) Maar wij kunnen
1) „Et divina opici rodebant carmina murosquot; was door hem vertaald mot „terwijl de muuren vast dien grooton rijkdom schondon.quot;
2) Volgens Mr. Van Doorninck, Vevmomdc on naamlooze schrijvers is dit liet pseudoniem van J. J. Mauritius; dien naam ontleende hij aan Hyacinthe Cordonnier, meer algemeen bekend onder den naam van Theinisouil de Saint-Hyacinthe.
Zie over hem en zijn Chef d\'ocuvre (I\'iih inconnu: Dr. Bisschop, Justus ran Effen bl. 48, sqq,
3) Bijv. de noot bij den naam Klistorinus:
„Klistorinus is naar allen schyn een Grieks woord ; maar waar \'t van daan koomt, is zo gemakkeiyk niet te verzekeren. Zo gissingen helpen inoogen, geloof ik, dat men leezen moet Klifstorinus, van \'t woord KXcc^slv, en \'t by woord ógzivog. Het eerste betekent schreeuwen, ge-hjh de ganzen doen, en \'t tweede beduidt iemant, die op een Berg tvoont, of die een Liefhebber van\'t Gebergte is, van llqoq een,* Berg. Men weet aan den eonen kant dat de ganzen goede waakers zyn, gelyk daar van in de Romeinsche Historiën een doorluchtig voorbeeld is, toen, enz. — Aan den anderen kant is \'t bekent, dat do Helikon by uitneementheid de Berg geheeten wordt, gelyk men van ends Rome de Stad, Cicero clen liedenuur, Homerus, Virgilius en den heer den Poeët noemt. Zo dat Klastorin us zo veel t(; zeggen is, als een hewaaher van den Zangberg» Weet niemant der geleerden hier iets beters op uit te vinden, ik mag \'t gaeren lyden. Orso-Nius Mero.
De oirspronk, dien de heer Mero aan \'t woord Or inns, ógsivóg, geeft, vind ik onwraakbaar; maar men kan \'er een\' andere uitlegging aan geeven, dat naamelyk deeze Saeeharias daarom naar \'I (febergte genoemt wordt, om dat hy misschien een goed vriend heeft, die in \'t Gebergte woont. Ondertusschen komt mij die t/a/tbenaaming wat onstichtelijk voor, en men zou somwylen daar uit gedachten krygen, alsof deeze groote lieveling van Euterpe een keffer, of schreeutver op den Zangberg was, en als of al* zyn\' kunst allben bestondt in een onbe\' schaaft geraas te maaken, \'t geen de kracht van \'t woord KX(x£biv eigentlyk medebrengt. Doch zo men eenige verandering in de Leezing moet maaken, zou ik liever leezen Kissorinus of Kil-torinus van Klggcc of KCxza, dat een Kvtcr betekent, die, gelyk bekent is, een zinnebeeld verstrekt van de Welspreekendheid, gelijk te zien is, enz.... Biberius Edax.
Ik kan deeze alleiding van \'t woord ybCoaa gantsch niet goedkeuren, dewyl zulks den onkundigen een\' indruk geeven zou, even of deeze Saeeharias een Exter was, die \'t geen hem die
3
ons niet langer bij dien poëtenoorlog 1) ophouden, omdat David van Hoogstraten niet rechtstreeks bij den strijd betrokken was. Hij werd wel uitgemaakt voor den go-waanden ^ Leen van Fedrus, maar hij antwoordde daarop niet en, als hij het noodig oordeelde zijne afkeuring te kennen te geven, gaf zulks geen aanleiding tot vijandschap met den berispte. Zoo had Hoogstraten in den Brief, geplaatst, voor de »Ver-dediging der Poëzy\'\' door de Haes vertaald 3) uit het Engelsch van Filips Sidney, met \'t oog op Zeeus 4) gezegd: »dat ook zij cenen harpoen of roskam verdienen, die met onbetoomde pen of tong, luiden beledigen, die niet alleen hun geen leetgedaen, maer in tegendeel hen met alle bereitwilligheit op verschelde wyzen verplicht hebben; of door bun onstuimigh gesnap do gezelschappen, waer in zij zich bevinden, beroeren, en den meester willen spelen in dingen, die zij niet verstaen ; terwijl ze, van de oude hulpe versteken weder weghzinken in don drek, waer uit men hen getogen hadt.quot; ft) Vreemd blijft het, dat Zeeus hierop alleen heeft geantwoord (in de Voorrede van don Tweeden Druk van »De Wolf in \'t Schaepsvelquot; Rott. 1715), dat die hatelijke uitdrukkingen niet op hem konden slaan, want dat hij den Heer Hoogstraten, »zoo verraaert door zijne dichtkunst, als bemint om zijne heuscheitquot; vrij kende van dubbelhartigheid. Hoogstraten heeft ook weer een lofdicht geschonken onder Zeeus\' portret voor dien tweeden druk.
Door de beter gezinden onder de strijdende poëten bleef Hoogstraten geëerd. H. K. Poot, die dien poëten-oorlog »dcr jammren jammerquot; noemde, schatte hem hoog. Zijn «Luister der Geleertheitquot; 6) werd in 1718 mot deze woorden aan Hoogstraten opgedragen:
i/r-r(7vriend voorgozeit had, naaklapte. Men zou met minder verandering kunnen leezen: van KlUlorinus ■n^srog, heroemf, hcfaaml. SoiUiiLius Dento.
Waarom niet Klistorinus, gelyk er staat, gehouden? Men kan dat genoegsaam van \'twoord hlisleeren alleiden. \'t Woord Idisteercn heeft zyn\' oorsprong van KXvamp;lv, afivasschoti, zuivcycu, on dit komt over een met den titel van \'t QeitXichi\'. ücn Zatiyhery CiczuiverL Luroonius Cuapula.
(teen van alle deoze gissingen kan my genoegen geeven, en ik zoek de afkomst van doezen naam hooi ergens anders. Ik oordeel met den Heer Edax, dat men leezen moet Kissovinus of Kitioriniismaar ik meen, dat dit woord heel anders behoort ontleed te worden, en dat het koomt, niet van Kl\'gou een Krter, noch ook niet van üQSivóg hergdchliy; maar van Kiaang, of Kvrtog, k\'lhnoj) of KiGOrjQrjg, iemant, die met klimop (jekroont iff, en OQSvg een Mnilrzr/.M.oogv\\y\\i, dat ook do twee laatste lettergroepen Jiimis niet vorgeofsch zyn, en dat die hun\' oorsprong hebben van Qivóg^ \'t geen by do Grieken voor een Schild gebruikt wordt; zo dat het woord Klissorinufif Kittorinus of Kistorinns zeer veel beduiding heeft, en een* Muilezel betekent, die wel Miwop (jekroont is, en een groot schild draagt.quot;
Daarna volgt eene lange verhandeling over het hl it nop, over don Mailezel als voorbeeld van naarstigheid, over de Ezels, van nature liefhebbers der Poëzie, enz. enz., door Vinius Curculio, Ten slotte worden uit oudere en nieuwere schrijvers nog een achttal voortreffelijke hoedanig-heden van de ezels te berde gebracht door Ciikvsostomus Matanasius, die ten slotte oordeelt, dat de lezing Klistorinus wel blijven kan, en dat het weinig ter zake doet, van welk woord men den naam afleidt.
1) Do strijd eindigde met den dood van Zeeus.
2) „Fabel van den gewaanden Leen van Fedrus, Alleen onder de zwijnen voor den waren Leen gehouden.quot; (De ware was Broekhuizen geweest). Spreeawdicliten voor en tegen Fedrus, 1)1. 12. Bibl. v. Lettk. II p. 445.
3) Op aanraden van Dav. van Hoogstraten, zie „Aon den Lezerquot; bl. 8.
4) Zie Brief aan Chrys. Mat., over Zangberg in Gevaar.
5) Brief van D. v. 11. aan Joan de Haes vóór zijn vertaling van Sidney. 1 Oct. 1712.
0) Duncaniana. J718.
35
»Febus wnertste zoon Hoogstraten Eer en steun van Helikon,
Zoo die kunst oit glori wou,
Hier kan mij do dichtstof baten.
\'K prijs de Wetenschappen nu.
Neem die kroon, zij past ook u.quot;
Doch niet alleen voor Dichters was Hoogstraten een wegwijzer; op\'t gebied van Nederlandsche taal en stijl was hij do vraagbaak voor allen, die op een keurigen vorm en eene nette inkleeding prijs stelden. J)s. Wigbold Muilrnan, predikant to \'s-Gra-veuhage, bijv. vroeg hom in dat opzicht om raad, en Hoogstratens antwoord was !) »om winst te doen, die haer en in \'t schryven en in \'t spreken mogte te stade komen, ga uw E. voor uitspauninge lezen de Voorredens en Opdragten, die Vondel voor zyn Treurspelen gestelt heeft, ook zyne Aenleidinge ter Dichtkunst, in onrym geschreven : vervolgens de Treurspelen zelfs, en daer in de Reien, die alle zeer schoon,
en op den leest der beste outheit geschoeit zyn ; waer toe uw Eerw. te liever treden zal, omdat ze meest al uit heilige stofïo bestaen. Dan zal in aenmerking komen de
Histori der Reformatie van Brant. Uw Eerw. behoeft zich niet te stooren aen de Arminiaensheit, zoo die daer in tc veel mogte doorsteken gelyk de heeren Vollen-
hove en iMoonen dat hebben aengemerkt. Dus gewapent zal uw Eerw. toetreden tot de heerlyke schriften van den Ridder Hooft, dien naer allen schyn geene nakomelingen zullen evenaren.quot; Beter raad kon Hoogstraten zeker niet geven.
Zuiverheid van stijl, het passende van beelden en uitdrukkingen, was eeu voorwerp van Hoogstraten\'s voortdurende opmerkzaamheid; want ofschoon zijn »Kort begrip der rederykkuustquot; eerst na zijn dood door Vlaming is uitgegeven, reeds dertig en meer jaren waren er verloopen, sedert hij het ontwerp op \'t papier had gebracht. Van tropen (woortwalingen) en figuren (woortgestalten) gaf hij voorbeelden uit de beste schrijvers, overtuigd, dat voorbeelden steeds het meeste voordeel aanbrengen. Noodig was dat boekje »ten dienst der dichtlievende jeugt,quot; omdat Willem Se wel bij zijne Spraakkunst wel een ruig ontwerp eener Rederijkkunst bad gevoegd, maar zonder voorbeelden; en omdat de »Rederyck-kunstquot; in het «Kort Begrip Loerende recht Duidts sprekenquot; van de Kamer »In Liefde Bloeyendequot; verouderd was.
De Nederlandsche spraakkunst trok in \'t bijzonder de belangstelling van Hoogstraten. In zijn tijd eerst begon men zich met ijver daarop toe te leggen, en Hoogstraten zag het gewicht van die studie in, want geen taal was tot nog toe zoo verwaarloosd als de onze, »de bastaerdy en het misbruik onzer ryke moedersprake is zoo verre ingekropen, dat zelfs luiden van letteren in hunne schriften groot bewys geven van onbedrevenheit in dezelve.quot; Daarom bezorgde hij eene vernieuwde uitgave van Nyloë\'s «Aanleiding tot de Nederduitsche Taalquot; en nam do uitgave op zich van Adriaeu Verwer\'s grammatica2), die zijn naam altijd bedekt heeft gehouden,
1) Brief van I). v. Hoogstraten aan W. Muilrnan. Amst. 1TI8. N. o. g. bewaard op tie Bibl. van Letterkunele te Leiden.
Denzelfden raad ongeveer geeft hij aan de jonge schrijvers in zijn „Berechtquot; voor zijn „Aen-merkingen over de Geslachtenquot;.
2) Linguae Belgicae idea Grammatica, Poëtica, Ehetorica doprompta ex Advorsariis Anonymi Batavi. Amst. 1707.
30
opdat men er des to vrijer over oordeelen zou, of\' de afgunst, zoo üc er lust in had, vrijelijk zuu kuunen uitvaren. Maar hoe vele spraakkunsten er ook binnen korten tijd \') mochten verschijnen, van een schimpen en schelden als onder de poëten was geen sprake; men beoordeelde elkauders werk, wees op humane wijze op gebreken, verschilde in opvattingen, maar wist elkanlers werk te waardeeren. Aan do opvatting en bewerking van Moonen\'s spraakkunst werd door allen do prijs toegekend, totdat alles overtroffen werd door »den onvormoeiden en bykans onbegrypolyken arbeid van den doorzichtigen en vernuftigen Heere Lambert ten Kate, wiens gezigt verder is doorgedrongen dan dat van iemant dargenen, die by onze of by onzer voorouderen tyden, zich bemoeit hebben met der vaderlautsche sprake eenig licht by te zetten2).quot;
Slechts een enkel woord over Hoogstratcn\'s »Lijst der gebruikelijkste Zelfst. Naamwoorden door hunne geslachten beteekend,quot; zooals de titel der latere drukken luidt. De eerste uitgave3) was slechts eene proeve, »Aenmerkingen over de Geslachten der Z. nw. ten dienst dor taellievenden opgestelt\'\'. Schromelijke verwarring heerschte er in het gebruik van de geslachten der Z. uw Do schrijvers schreven er maar op los ; sedert Melis Stoke was die ontaarding begonnen, en slechts Hooft en Vondel en eenigo weinigen, die hen in hun keurigheid volgden, waren zich zeiven gelijk gebleven en hadden nauwkeurige ouderscheidingen waargenomen; daarom had hij uit hen zijne voorbeelden genomen, en die alphabetisch gerangschikt, opdat men ze met een oogopslag zou kunnen vinden. De grammatici gaven wol vele regels, maar ten eerste zijn die moeielijk te onthouden, en vervolgens blijven er telkens zoovele uitzonderingen over, waarover het gebruik vonnis moet vellen, dat eene lijst veel practischer en gemakkelijker is. Met algemecne goedkeuring van zijn tijdgenooten is die lijst dan ook ontvangen, »N\'jit wert nutter arbeit aon onze Moedertale besteed\'\', oordeelt Rabus 4), en nog Huydecopcr s) prijst, mot het oog op dit werk. Hoogstraten als den »Gids en Leidsman der aankomende Dichteren,quot; die met het uitgeven en vermeerderen van zijn Geslachtlijst de Nederlandsche taal een dienst bewezen heeft, »waardoor hij verdiend heeft, dat men zyns Naams, zo lang\' er Duitsch gesproken wordt, met achtinge en genegenheid gedenke.quot; Toch wist Huyiecoper zeer goed en toonde dat ook aan, dat er in Hoogstratea\'s werk misslagen waren, dat liet nog niet »ten top van volmaaktheidquot; gebracht w.is. Voor de tweede uitgave zond Moonen hem eene verzameling van woorden uit Vondel. Mr. Frans v. Boekhoven uit Hooft, de Rotterdammers J. Sudermau en J. de Haes, »die zich zoozeer niet overgeven aan den koophandel, dien ze met roem oeffeuen, dat ze daer door het heiligdom der Zanggodinnen vergetenquot;, aauteekeningen ook uit andere schrijvers. Hoogslraten\'s Lijst bleef niettegenstaande de gebreken a), de basis voor de verdere
J) Bijv. Moonen\'s Noclord. Spraokk. in 1700.
Sowol\'s Nodor.l. Spraakk. in 1708.
2) D. v. 11. Aon don lozor, vóór zijn kort begrip dor Rodorijkkunst.
3) Van 1700 en niet van 1708, zooals Schotel en dus ook v. d. Aa 1 icelt. De volgende uitgaven zijn aldaar opgegeven en ook Ypey, Gosch. dor Nodorl. tale, 1, bl, 538.
4) Kabus, Boekzaal, 1723, bl. 309.
5) Proeve, p. 87.
6) Dikwijls verschillen Hooft en Vondel in de geslachten der woorden, doordien Hooft als Amsterdammer, de n van \'t voorgaande woord weglatende, de woorden lichter vrouwelijk
37
geslachtsbepiiling. Kluit gal\' in 1783 eene geheel omgewerkte uilgave als zesden Druk. Biklerdijk was cr mee ingenomen, en daar waar hij en Siegenbeek overeenkwamen met Hoogstraten lieei\'t men in de zoogenaamde «Nieuwe Spellingquot; nog die lijst gevolgd in het bei)alen van de Geslachten dor Zelfstandige Naamwoorden.
Zijne werken hebben dus den waardigen en ijverigcn man lang overleefd. In enkele opzichten heeft hij dei; weg gewezen nog aan velen na hem. Zijn overlijden werd, volgens de gewoonte dier dagen, in vele lijkdichten betreurd.
Zijne meer dan middelmatige gestalte, zijn schoon uiterlijk en sprekende oogen komen goed uit op de portretten, die van hem bewaard worden op het Archief (,e dezer stede.
Daaraan paarde hij, zooals wij zagen een karakter, beminnelijk voor zijne omgeving en vrien !en, vergevensgezind jegens zijne vijanden, maar fier op zijne overtuiging en Ie velde trekkend voor hetgeen hem waar en goed scheen. Door zijn ontwikkelden geest, zijne groote kennis en zijn goeden smaak werd hij door zijne let-tetkundige tijdgenooten als meerdere erkend, en wenschten zij hem tot scheidsrechter in hun dikwijls, helaas, kleingeestige geschillen. Meestal boven de partijen staande, zocht hij door vlijtigen arbeid en ernstige studie voor tijdgenoot en nakomeling nuttig te zijn ; daardoor is zijn werk blijven leven, en beschouwen wij nog tegenwoordig David van Hoogstraten als een der eerste grondleggers van de studie der Neder-landsche taal
maak to, dan VoiuU-l. Soms zijn dc diclitcrs ziclizclf ongelijk bijv. Vondel in feest, Hooft in M ((yistrddt.
Hoogstraton meent, dat een .slide wapen niet goed is, en dat het moet zijn een sta el wapen; hij onderscheidt dus geen stoll\'el. adj. Hij had ook geen goed begrip van personificatie; enz.
Wü . 1 tsm
i
■
■
■:quot; gt;;;■ quot;..\' :■ ;l .v \' . ■ quot;WÊÊm - .■- m ■ \' ■ ,.-•,gt; • MBBraBa ■ 1 Hl |
«ai— KMMi mÊm... MB mm j ■ Ü» 1 1 I BHBlSiWaraHi ./t* . Hl mmmÊslmÊRÊEmM iif-, É| quot; ,■■;:■ ■: ■ ;\'quot;!• MS |
m
I :
■
]l
-, *m. quot;v: .•; ■\'■■
■
■
|
Wf \' -■ ■ ■ ^•- -M , Mm HH ■ H H Wm m |
i,, ... ■ÏÏÜ.\'itJ ï^rquot;-- Mgt;- MMawMi H |
.
*
»
.
%