-ocr page 1-

--\'\'-if : 1 ■

immmWÊÊM

ïfSfif ®::ïSiS,

I f

■■-••■\'■ ■\'■■

rMmB Wff,. -1

\'•; \' \':}■-,^J-i1

lï Z\'J.-.Samp;J ■;._______ ■.;..-i^-.-.;J

| 1

,: J-1 ö---3 . - .\'/T t\' ;nrre t»«i 17-^, \'.r-m ; r;..; • : ■ y._ v

j

t\' ■

1 I

quot; • ., 1

IliSfe , ■ ^ ■

\'5;r:-.- —\'......

\'i;yvV^

Vak 27

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

^#tn* --v,.-.t V. — :,. ..-

. : \'\'-ca

-ocr page 5-

Laatste veiling

DER

-ocr page 6-
-ocr page 7-

or DE makKT van

Prae-adamita.

door

G. D. KERN EIK.

Looft allo krachtcu, looft dcu Heer!

Caxt. ])\\n.

Bib .1. ak H!NDL.^ ■■-ür\'Ri WÜHRT.

Alkmaau A. KUSTERS. 1889.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

INHOUD.

Bldz.

Aan don Leüer ... ............(

Iets wat men gewoonlijk vooraan zegl..............2

AKDI\'ll\'UNd f.

]. Een niet alledaagsch plan..........ü

2. Ik had mijnen wagen eens volgeladen met.,. louter

uien................gt;)

;5. De doos van Pandora...........11

i. Een verdrietig leven...........lü

5. Of dat ook waar is............17

6. Geschiedenis..............18

7. Een heerlijke vertooning..........20

8. Met de laarzen van zeven mijlen.......23

Bis.... I...............28

10. De waarheid en Ensopus oi\' andersom.....32

11. Met do lantaarn of hij oen sigaartje......31

12. De fopperij i.s do wereld nog niet uit.....38

13. Aan den haard of in do herborg.......39

li. Wie lost dit raadsel op..........11

15. Het onderste uit de kan..........-14

10. Het deksel op den neus..........15

17. Kreeftengang en gordijnen-preek.......iti

AFDEEUNG II.

1. IJespiogoling..............50

\'2. Zonder overgang.............51

3. Een slaapdrankje.............52

1. Voorheen en thans............55

5. Domme monschon............58

ü. Een snuifje.......... . . . tiO

-ocr page 10-

VI

AFDKELING III.

Jildz.

1. Heerlijke scliildevijen...........62

2. Dooreen................05

•3. Iets over welensehap in betrekking op beschaving . (15

i-. Oude gebruiken.............69

5. In de verkeerde wereld..........71

(i. Godsdiensligo linnegieterij.........71

7. Vervoeging van den verleden lijd in den legenwoordigon 71)

H. Een dankje waard............79

9. Staaltjes van eerlijkheid..........80

AFDEELINÜ IV.

I. Do ezelsbrug..............^3

2. Wie houdt het met grootvader........Hi

3. Een ellendig getob............H6

i. Aan de sterke geesten de groote dommerijen ... 88

5. Do vereering van een ongeborene.......91

(i. Tweevoetige kruipdieren..........93

AF DE FLING V.

1. Overmaat...............96

2. Alledaagsche kost: wij weten niet.......97

i3. Geologisch zuivere berekening........98

4. Onweerlegbare cijfers...........99

5. Veronderstellen of vaststellen........1G2

6. Een misselijk steunpunt..........IG3

7. Van achteren vergeleken..........104

8. Uitvinding van den laken bril........105

9. Do eerste broek.............106

10. Suffende denkers..............Iquot;\'\'

11. Smakelijk eten..............111

12. Kermisbier................\' \' 3

1 li. Het panhuis..............IE\'

li. Of dat knappe menschen waren.......116

15. Normaalles...............118

Ki. Zemelen-knoopers............\' H\'

17. Bij vergelijk...............

18. liet brons-dessert.............

19. Begraven...............^ -3

-ocr page 11-

vir

20. Lijkriïdo................|2(i

21. Poripliraso...............107

AFDKELI.NC VI.

1. Babelsclio spraakverwarring.........129

2. Vóór gr na. Allijd liclzclfdo.........130

H. Wio mijn vriend Plato is..........i;-j|

i. Reislierinnering.............133

5. Zoo kort mogelijk............13 ).

(gt;. Nullen en ixxen.............135

7. Te dom om Ie lezen...........135

8. Hoofdstuk zonder naam...........137

5). Eon ist failliet.............138

10. Beginselen van ontleding..........139

11. jVlotapliysica..............1 [O

12. Familie-leden..............1 j. |

13. Om eens adem te soheppen.........142

li:. Bewijsgronden..............113

15. Neger-leverantie.............iff,

10. Veronderstelling of leugen.........150

17. Terug naar den vondeling.........151

AFDKKMNCr VII.

I. Overzicht...............152

2. Waarom zoo 011 niet anders.........155

•quot;gt;. Een groote factor............156

■i. Nog cenigo factoren............157

i). Ook een gevolgtrekking....... . . 158

(gt;. Belofte maakt schuld...........159

7. (leen recht en toch recht..........162

K. Eeno staalfabriek.............162

9. Nog geen Wilhelmusjc...........16\'t-

AKDEELING Vlll.

1. Geschiedkundige onfeilbaarheid........100

2. Plato blijft thuis.............168

Nevelachtige dageraad...........169

i. Een oud wetboek van strafrecht.......175

5. Handel door beschaving..........177

6. Iets over vee..............179

-ocr page 12-

VIII

Voo op ^las........

Een hoel kleine roman .... Wat eon roman al bewijst .

Iets geschreven zonder samenhang AFDEEL1NG IX.

Bldz. . 180 . 181 . 18:? . 181

7.

8. 9.

10.

Een bewonderd man . . Een kijkje op do kaart Twee vragen on nog wat.

Demi-saison.....

Vreemde vogels ....

Vindingrijk......

De knecht boven den meesli Sanscritische cijfers. . Do mitrailleuse . . • • De vesting is overgegeven Dus en bij gevolg . • •

AFDEEL1NG X

Eerste waarheid......

Tweede waarheid.....

Hot einde........

Narede.........

186 187 193 190 198 200 201 205 20G

209

210

i). 6.

7,

8. 9,

10.

213 210 219 223

-ocr page 13-

(Sïa// r/f

c ^cyr

u

■//

Tgt;e beste voorrede is meestal die, welke men seh,rijft nadat een werk klaar is; maar dan leordt zulke voorrede ook gewoonlijk een overzield van het hoek.

Om de eerste rede heb ik mijne voorrede eerst geschreven nadat ik het werk zoover af had, dat ik meende dat het met den inhoud volstaan kon; en om de tweede rede heb ik die voorrede dan ook maar op de laatste bladzijde hare -plaats aancjexcezen.

Als gij mijn boek met genot zult gelezen hebben, lezer, dan zult gij mijne voorrede niet vreemd vinden-

Be Schrijver,

G. DOLS. K. E.

-ocr page 14-
-ocr page 15-

Iets wat mon gewoonlijk vooraan zegt.

»Vooroordeel moet men bestrijden, niet beleedigen noch kwetsen.

»Wat een gedacht! een vooroordeel bestrijdt men niet; wat zou men daarmede uithalen ?

»We), iemand de waarheid doen inzien.

»Gekheid, door geen strijd doet men iemand de waarheid inzien. Daar is niets, waartegen een grooter vooroordeel bestaat dan tegen den Roomschen Godsdienst, en wat haalt alle strijd daartegen uit! Men hoort uwen strijd niet, en schrijf er iets tegen, men leest het niet; doodeenvoudig, men wil zijn vooroordeel niet afleggen.

»Nu, wat dan te doen om iemand uit zijn vooroordeel te doen ontwaken ?

»Geef hem wat vergulde pillen in, die zal hij slikken.

»Dat kunnen anderen doen, ik geef er den......

Blaf, blaf, blaf... hoe langer hoe harder ... en ik ontwaak. Uit was het met mijnen droom en natuurlijk ook met het dispuut. Ik had echter weinig tijd om hierover na te denken,

-ocr page 16-

en het eerste wat ik deed, was uit het bed springen en in mijn origineel kostuum eens even in het schemerdonker door het venster te gluren om te zien wat er te doen was, want ik kan best staat maken op mijn hondje, en zijn blaffen zegt mij genoeg.

Onraad was nu wel niet, maar ik zag toch in het schemerdonker twee gestalten zich verwijderen van mijn huis. Daarna begaf ik mij weer te bedde, en trachtte te slapen, iets wat mij zooals gewoonlijk wanneer ik eenmaal ontwaakt ben, ook dezen keer niet wilde gelukken.

Meermalen heb ik romans de wereld ingeschopt, prul-dingen , niettegenstaande een van die leugenachtige dingen — zooals alle romans zijn — zoo schoon geschreven was, dat ik zelf geloofde dat het een ware geschiedenis was. Men begrijpt dus dat ik in vroeger jaren verbeelding genoeg bezat. Thans is dat anders, ik ben een practisch hoofd van een huisgezin, een ambtenaar als gij wilt; en zonder vrouw of kinderen te bezitten, is er toch iemand die voor de menage en de rest zorgt, ook voor den hond. Ik trek mij ter wereld volstrekt niets aan dan wat mijn ambt mij gebiedt, en dan schrijf ik nu en dan zoo wat om eenen drukker, een trouwen vriend van mij, wat werk te geven (?!)

Omdat ik niet slapen kon, en geen lust gevoelde mijne phantasie ruim spel te geven, nam ik — in mijn bed — een echt philosophische houding aan en zette mij schrijlings op den rug van Plato.

Wat mochten wel die twee gestalten aan mijn huis hebben willen zoeken?... Zoo\'n hond is toch een onbetaalbaar beest. Terwijl alles slaapt, waakt hij omdat hij moet waken; geen sterveling zal hem aan het verstand brengen, dat hij dit niet moet, omdat mijn hond dit met alle honden gemeen heeft, dat hij geen belang heeft bij waken of niet waken.

Zou een knecht — een mensch — even trouw zijn plicht vervullen ? Laat eens kijken. Zulk een man zou mij dienen uit eigenbelang. Als hij nu eens geen godsdienst had, en twee zulke schuimers zouden dien knecht in \'t geheim voorstellen hem eenige honderden, misschien duizende guldens te geven, op voorwaarde dat hij hen behulpzaam was om mij — als ik eenige tonnen bezat, wat gelukkig niet het

-ocr page 17-

geval is — te bestelen, en bij eenigen onraad naar de andere wereld te helpen!

De eigenbaatzuchtige knecht zonder geweten zou aldra de balans in de hand nemen, en wegen eens hoeveel belang hij had bij mijnen dienst of wel bij dat voorstel van die dieven; en de balans zou weldra naar het laatste overhellen.

Alzoo slechts overlegd om die zaak tot een goed einde te brengen zonder door de politie gesnapt te worden; dan was de man in korte uren in het bezit eener som, welke hij anders slechts na vele jaren, misschien zijn leven lang niet zou bijeenkrijgen.

Ingeval dat hij ontdekt werd, wel dan nam hij maar in allen haast een reisbiljet — zonder retour — naar de grens, en hij zou ongestoord zijn buit genieten.

Nu kon het wel eens zijn dat hij gesnapt werd eer hij zoover was. Honderd tegen een van niet, omdat zooveel complimenten noodig zijn eer aan alle formaliteiten der politie voldaan is, en ik als lijk nog moest geschouwd worden enz. Maar dat één geval genomen; nu, de doodstraf bestaat niet meer; en dan, daar zijn geen getuigen van het feit; een proces dus van een goed jaar, een goede advocaat, en nog alle kans van vrijkomen.

Maar de beide andere schurken zijn ook gesnapt en de zaak kon eens grondig bewezen worden ? Dan blijven nog altijd de verzachtende omstandigheden — wat toch een mooi ding, die verzachtende omstandigheden! — en met eenige jaren is mijnheer vrij.

Dus het een tegen het ander opgewogen.. . top, heeren, den slag maar geslagen. Het eigenbelang vordert het.

Zekere tweevoeters uit de vorige eeuw, bekend onder den naam van wijsgeeren of philosophen dineerden eensdaags bij den patriarch van Ferneij, en wilden hun atheïsme eens aan den man brengen. „Pardon heeren, zei Voltaire, wacht, ik zal even mijne dienstboden verwijderen, want ik gevoel nog geen trek om mij dezen nacht te laten vermoorden.quot;

Zonder het te weten was ik van den rug van Plato afgevallen en weer ingedommeld.

Adres aan u, mijne heeren ongeloofverkondigers, hetzij gij als hoogleeraars eene leer verkondigt, die gij zelf niet gelooft,

-ocr page 18-

hetzij gij als politieke tinnegieters rondloopt in stad en dorp om het volk met uwe leer en op uwe manier een vermeend geluk aan te brengen.

Waarlijk, nu heeft mijn werk een inleiding, en nog wel een goede; zoo\'n inleiding is anders een heele toer; het is zoo alsof men op den uitkijk stond om iedereen aan te roepen en te zeggen; Vriend, kom eens kijken, hoe mooi het hierbinnen is. Dat is dom, men mag niet pralen; maar ja, wat heeft onzen goeden eersten papa verleid ? De hoogmoed. Dus laten wij maar zwijgen. De vrucht valt niet ver van den boom, en ik beken nederig een achterneef te zijn van Adam.

-ocr page 19-

AFDEELING I.

1. Een niet alledaagsch plan.

Mijnheer Winkler, Gij behoeft mij zoo leelijk niet te bekijken, alsof ik met dat woordje „hoogleeraarquot;, uit mijne inleiding, n bedoeld had. Ik maak u mijn compliment over uw werk „Dc mensch vóór de geschiedenis.\'quot; Gij vertelt mij dat gij het met genoegen hebt geschreven, en ofschoon onbekend, wenschtet gij mij toch, dat ik het met een zelfde genoegen zou lezen.

En ik wil u bekennen, dat ik dat mooi werk met veel genoegen heb gelezen, maar gelezen niet alleen, ik heb er ook eens over nagedacht. Menig verdicht regeltje heb ik er in gevonden, waarover wij ons nog eens moeten spreken.

Vooraf éóne zaak, die mij niet bevalt. Namelijk zeg mij eens waarom gij in dat werk bijna niet meer spreekt over uwe „ontwikkelings-theoriequot;? Dit vind ik niet mooi en nog minder consequent. Laat ik het ü maar zeggen: aan eenen positieven Godsdienst hebt Gij bet niet gezien; eerst hebt gij dien trachten af te breken met uwe apengeschiedenis, en.... dat ding schijnt mislukt, man; daarvan zijt gij met moer dan een nat pak afgekomen. En nu gij u daarmede oen weinigje anders dan bespottelijk hebt gemaakt, hebt gij toch zooveel verstand gebruikt, dat gij uw kijkkastje hebt ingepakt.

Zich echter om zulko nietigheid gewonnen geven, dat ging niet aan, en andermaal, zooals hot heet, goed beslagen kwam mijnheer weer op bet ijs.

Nu, dat boek, „de mensch vóór de geschiedenisquot; is

-ocr page 20-

8

werkelijk mooi, en het heeft heel wat moeite gekost om het bij malkaar te krijgen, en klaar en duidelijk is erin bewezen dat het menschelijk geslacht wat ouder is dan van gisteren. Maar hoe oud dan — dit heb ik een andermaal ook al eens gevraagd. Het werk bevat eene goedo vijfhonderd bladzijden, en eerst op de 249ste bladzijde komt gij met het eerste jaartal en spreekt van „over 4000 of 5000 jaren.quot; Van den mensch vóór dien tijd en zooals gij het noemt vóór de geschiedenis hebt gij hot mooist denkbaar verdichtsel gegeven, wat te denken is, en als phantasiast ruim ik u gaarne do plaats, die ik ook eenmaal met zooveel eer innam?

Zooals dan gezegd, heb ik over uw werk eens nagedacht, en na rijp overleg ben ik tot het besluit gekomen — en ik ben sterk in besluiten — om uw werk totaal af te maken, ja heel en al, zoo zelfs, dat niets ervan meer zal overblijven. Het is niet meer als vroeger, toen ik de fabelen nog niet kende en niet begreep — toen ik er nog niet rijp voor was; neen, mijnheer, anders om; uw boek is van a tot z niets dan eene mooi verzonnen fabel, aangevuld met enkele kleine geschiedenissen, en voorstellingen, die bij een roman of in een amouretje zeer goed passen zouden.

Over dat afmaken zult gij alvast in uw vuistje lachen; dat begrijp ik zeer goed; men heeft zoovele bewonderaars, en de huidige studenten slikken liever voorgekauwden kost dan zelf te kauwen; daarom heeft uw werk zooveel gezag (?) maar die wat meer doet dan lezen van romans, ziet eens naar hot ware der zaak en der bewijsgronden.

Nu zou ik alvast beginnen met uw werk te sloepen, en er een ander oud gebouw, eeuwenoud, weer voor in de plaats te zetten; hetgeen gij niet doet, mijnheer. Gij breekt wel af, en laat een kale plaats; een kale plaats staat leelijk, man, en als u dat oude gebouw niet beviel, goed, breek het af, maar dan moest gij een beter,

-ocr page 21-

9

een degelijker, een schooner voor in de plaats zetten, dat doet gij niet.

Gij spreekt mij zooveel van wetenschap en wijsbegeerte, ik wil u eens te paard helpen op den ouden Jean-Jacques, beproef eens of gij hora berijden kunt. ,,Wijsgeeren, riep hij eens uit, uwe zedewetten zijn heel mooie dingen, maar, as je blieft, toont mij eens hunne sanctie, hunne bekrachtiging. Gij wilt geenehcl, zegt mij dan eens, wat stelt gij daarvoor in do plaats!quot;

— Voort, knolletje, voort —

2. Ik had mijnen wagen eens vol geladen met,., louter uien,

Dit is nu wel geen goed begin om iemand af te maken ; maar mijnheer, ik wil u niet afmaken, alleen uw werk wil ik den doodsteek geven, uw mooi werk over „den mensch vóór de geschiedenis.quot; IJ wil ik niet eens kwetsen.

Als men de pen ter hand neemt, heeft men toch reeds een plan om over iets te schrijven, waarvan men iets weet; en Winkler begint met een aardig „mea culpaquot; op de tweede bladzijde:

„De geologen weten wel dat herhaaldelijke groote „watervloeden onderscheidene gedeelten van de aarde „hebben bedekt; zij weten wel dat sommige landstreken „diep onder water lagen, terwijl anderen hoog daarboven „uitstaken; zij weten wel dat landen, die nu droog zijn, „eenmaal den bodem der zee hebben gevormd, en dat „de tegenwoordige wateren landstreken bedekken, die „eenmaal tot woonplaats voor planten en dieren dienden...quot;

Men ziet, dat men om geoloog te zijn, niet erg beslagen op het ijs behoeft te komen. Wordt niet meer dan het aangehaalde gevorderd, dan is elke twaalfjarige schooljongen een geoloog, als hij maar iets afweet van den Nederlandschen bodem.

„....maar van eene algemeene overstrooming, een tijd waarin de wateren geheel den aardbodem overdekten, weten zij niets.quot;

-ocr page 22-

10

Dan zijn het alles behalve geleerden, mijnheer Winkler, als uw gezegde waar is; en ik verzeker u, dat er geologen zijn, die n zeer weinig dank zullen weten over dit compliment van hun onkunde.

Een geoloog bén ik juist niet, maar, zooals gij ziet, rijd ik in mijn speeluren nog wel eens te paard opeen Platonischen rug; en van die hoogte bekeken, zijt gij met uw breekijzer niet voel grooter clan een mannetje uit de poppenkast van Jan Claassen, zaliger gedachtenis uit den gulden kindertijd.

Zal ik u nu eens bewijzen, mijnheer, dat er wel een algemeene overstrooming geweest is, een tijd, waarin de wateren geheel den aardbodem overdekten?

Zeg mij dan eens, manlief, waar vindt gij een plaatsje op geheel den aardbodem, dat niet getuigt van de werking van het water\'? Maar denkt gij overigens, dat gij alleen geloof verdient, en alle oudere en nieuwere geschiedschrijvers tot zelfs in die zaken waarin allen eenparig overeenkomen, bedriegers zijn, en men hun, op uio woord, allo geloof moet ontzeggen! Vriend, \'t is waar dat Adam gevallen is uit hoogmoed, maar gij waart in zijne plaats nog veel minder te betrouwen geweest.

Van Mozes houdt gij juist niet veel, en toch die man kende nog al wat van de geologie. Maar wat dunkt u van Flavins Josephus? Nu die schrijft in Antiq. L 1. C 5: „Van dezen algemeenen vloed gewagen alle schrijvers van de heidensche (barbaarsche) geschiedenis, en onder deze vooral Berosus de Chaldeër, Hieronymus de Ae-gyptiër en Manaseas de Damascener. Zelfs Abydenus noemt den Patriarch, onder wien die algemeene vloed plaats had: Xisuthrus, en zegt dat deze van alle men-schen alleen is behouden gebleven met zijne familie in eene ark, die hij op Gods bevel gebouwd had.quot;

Maar dat is alles goed en wel, en ik zal maar geen verdere aanhalingen meer doen, want wie weet of al die schrijvers niet vervalscht zijn!!! Evenwel, mijnheer

-ocr page 23-

11

Winkler houdt veel van reizen, en die heeft hij veel gedaan om zijn mooi bonk bij elkander te krijgen en beslagen op het ijs te komen; waarom reisde hij niet eens door naar Armenië? Daar toch is de Ark op de bergen blijven staan, en daarvan weten de lieden aldaar heden-ten-dage nog te praten. Maar wat zijn znllce praatjes voor mijnheer Winkler, en nog, wat zullen de Turken met al hun bijgeloof en fabelen daarvan afweten?

Zeker praatje over Solon zal ook wel een verdichtsel zijn, dat die man volgons eigen bekentenis — zoo ten minste vertelt ons Flato — niet verder achteruit kon in zijne wijsgeerige en geologische onderzoeken dan tot de algemeene overstrooming.

Laten wij nu maar zwijgen van Lucianus, van de geschiedenis, opgeteekend dooi\' de Chineezen, van de Indische boeken, in een woord van al de oudste volken, bij welke geschied boeken bestaan, en in welke allen te lozen staat van eene algemeene overstrooming; Winkler heeft gesproken: „Roma locuta, causa finita.quot;

Als wij nu eens echt geologisch gesproken, zouden vragen: Waarvandaan vinden wij dan op de hoogste bergen over geheel de aarde de overblijfsels van visschen en dieren, die er op duizende uren vandaan thuis beboeren! dan wijst ons Winkler heel gemoedelijk op eenen nooit te bewijzen, maar zeer mooi uitgedachten ijstijd, die nooit bestaan heeft; hierover later een woord.

Haalt do schouders maar niet op, groote meester en leerlingen van dien groeten meester. Heel-en-al breek ik u af, dat is mijn vast besluit; ook uw ijstijd is een ui.

3. Dc doos van Pandora.

Pandora, zoo verhaalt ons Hesiodus, was eene vrouw op bevel van Zeus door Hesphaestus gemaakt, en aan welke verschillende goden voortreffelijke hoedanigheden geschonken hadden. Nadat Zeus haar voorzien had van

-ocr page 24-

12

een doos, die alle menschelijke rampen in zich besloten hield, bracht Hermes haar naar Epimetheus; deze opende terstond de doos, zoodat al de jammeren zich over de wereld verspreidden, en alleen de hoop op den bodem overbleef.

Als men toch tot fabelen zijne toevlucht moet nomen, waarom zijn die oude dichterlijke Oosterscho sagen dan niet net zoo goed als de huidige ?

Zet u neder, lezer, de heer Winkler begint eenen langen „Misererequot; over den armsten der stervelingen, over den mensch.

In zijn mooi werk lezen wij op bldz. 129:

„Toen de mensch voor het eerst op aarde verscheen, was hij omringd door eene wilde en hem vijandige dierenwereld. Hij was zwak en alles wat hem omringde, was machtig. Hij was naakt, en alle dieren waren door eenen dikken pels tegen de ruwheid van het klimaat beschermd.quot; — Of die eerste mensch een vondeling was! —

In het begin \'sprak eens iemand tot de scharen, dat snijders lappendieven waren. Dit is een even majestueuze aanhef, en voor het overige komen beiden in waarheid overeen.

Toen de mensch door God op aarde geschapen, in het paradijs geplaatst was, toen stelde God den mensch als heer over al het geschapene en de dieren waren hem onderdanig — dus niet vijandig. God voerde de dieren tot Adam, opdat deze hun eenen naam zou geven. Dit staat te lezen, mijnheer Winkler, in de oudste en waarste geschiedenis, die er is: Genesis I en II Hoofdstuk. Aldaar vindt gij ook, mijnheer, dat God Adam stelde als heer en meester over de dieren. Nu is mij dat een aardig stellen van eenen machteloozen en volgens u, zwakken mensch als heer en meester over eene machtige vijandige, viervoetige omgeving ; en dan één misschien tegen honderd !

-ocr page 25-

ia

liet is wel wat gek, om op een houten hobbelpaard de wereld rond te willen rijden.

Daar staat vorder in do geschiedenis door Mozes geschreven; De raensch was naakt en hij schaamde zich niet — omdat in den staat van onschuld geen wellust noch begeerte des vleesches bestond. — Begrijpt gij dit, waarde heer? — Zij zagen wel dat zij naakt waren, maar merkten dit niet op als ongewoon, totdat zij na hunnen zondenval den prikkel des vleesches gevoelden. Toen vlochten zij vijgenbladen en maakten zich (onder)-lijfbekleedsels.

Deze geschiedenis heeft vrij wat meer gezag dan de vertelseltjes van eenen heer Winkler.

Vooruit dan maar.

„Tusschen den mensch en die dieren moest strijd ontstaanquot;, aldus Winkler, eon vreeselijke strijd, ongelijk in \'t eerst, maar die weldra gelijk werd, vooreerst omdat de mensch middelen vond om zijne vijanden te bevechten, en ten tweede, omdat de soorten waartegen hij strijd voerde, langzamerhand uitstierven en verminderden, omdat zij bezweken in den strijd voor het bestaan die alle schepselen moeten voeren, en ook......enzquot;.

Ik begrijp dat iedereen het voor onzin houdt, dat één enkel mensch, zwak en zonder verweringsmiddel lang dien vreeselijken strijd tegen honderde woeste beeren enz. zou volgehouden hebben. Winkler zegt niet, dat meer menschen tegelijk op aarde verschenen, maar „toen da mensch voor het eerst op aarde verscheenquot;. Het logisch gevolg, mijnheer, zou zijn, dat de verslindende dieren onzen ongewapenden grootpapa charmant zouden hebben opgepeuzeld, en deze wereld het rijk dor dieren zou gebleven zijn, in plaats van de woonplaats der menschen.

Nog een vraag: Aan welken poolstreek is de mensch voor het eerst op aarde verschenen, dat hij zich tegen de ruwheid van het klimaat moest beschermen?

-ocr page 26-

14

Wijselijk zwijgen de groote geologen hierover stil. Dus daarover tot weerziens in uwen lekkeren ijstijd.

Dit chapiterke wordt lang, maar in de doos van Pandora zijn alle kwalen opgesloten geweest, en over het menschom uitgestrooid.

In eenen langen tusschentijd leerde de mensch voel van den holenbeer kennen, dien hij bestudeerde, volgens Winkler; maar:

„de holenbeer begon te verdwijnen, de soort stierf „langzamerhand uit. De mammouth speelde nu de hoolll-„rol, en deze schrandere kolossus leerde den mensch „vele dingen. De mammouth wist bosschen te vinden, „wist waar bronnen waren, kon het ijs der rivieren ver-„breken, wist waar vruchtboomen groeiden, of waar „eetbare wortels in den grond verborgen waren. Do „mensch, het spoor van den mammouth volgende, kwam „in bosschen van notenboomen, hazelaars en wilde appels, „en vond in die vruchten \'n gewenschte bron van voedselquot;.

Leen ons ook dien telescoop eens, mijnheer, want gij hebt die zaken zoo mooi gezien, en wij, arme schepselen moeten ons behelpen met de geschiedenis van Mozes, waarin staat, dat God den mensch begiftigd had met vele natuurlijke en bovennatuurlijke gaven. Wij lezen echter niet, dat God, toen hij Adam uit hot paradijs verdreef, hem ook die natuurlijke gaven ontnomen had.

Volgens u, mijnheer, wist de mensch gedurende hot lange tijdperk van den holenbeer geen bosschen, geen bronnen, geen vruchtboomen, geen eetbare wortels, en kon hij geen ijs breken. Dit laatste ontbrak er nog aan. Waarvan leefde dan die eerste mensch? Hij hing zeker al dien tijd met zijn neus aan eenen spijker te drogen.

Nu zijn wij half „misererequot;.

Heb maar wat geduld lezer, ik moet dit ook hebben.

„Door zich tot benden te vereenigen,quot; zegt Winkler op bldz. 130, „kon de mensch de jacht op den mam-

-ocr page 27-

15

„mouth ondernemen. Zooals men tegenwoordig in Indiö „olifanten vangt, deed de mensch waarschijnlijk ook „toen reeds, llij groef groote kuilen in den grond, be-„dekte die met takken en bladeren en aarde, en de „niets kwaads vermoedende mammouth viel in den verraderlijken kuil, als hij meende over don vasten bodem „te gaan. Als dat gebeurd was, doodden de om den kuil „staande jagers den mammouth met steenworpen en met „pijlen, of ze lieten hem verhongeren.quot;

Daar de heer Winkler ons verkondigt, dat de mensch te dien tijde nog geen spade en dergelijke instrumenten kende, was een kuil om een mammouth erin te vangen, te maken, een heel aardige tijdpasseering met de origi-neele werktuigen, die de mensch bezat. Maar verder:

Welk een rijkdom was zulk een doode mammouth! zijn vleesch, zijn slagtanden, zijn huid, alles werd gebruikt.quot;

Hoe onbeholpen, volgens Winkler, die mensch ook was, hij kon toch al biljarten, en maakte ballen uit de ivoren slagtanden van den mammouthI Dat schijnt zoo, ten minsten.

„En toen de mensch het vuur nog uitvondquot;......toen

was hij klaar, en al kende hij nog geen metaal, zelfs geen kommen en ketels, hij kon toch bouillontrekken.

AVeet gij wat, mijnheer, wij laten n dien ongezouten kost dier onbeholpen voorvaders van uw vinding, maar wees zoo goed en antwoord eens op het volgende:

Gij zegt: Toen de mensch het eerst op deze aarde verscheen.

Waarvandaan kwam de mensch? Ik weet wel, dat gij eens een werkje geschreven hebt, waarin gij volhoudt dat de mensch niet van den aap afkomt. Toen was het met u zoo wat tusschen het hangen en het wurgen, een ontwikkeling of een schepping. Met liet eerste kwaamt gij niet klaar, en een schepping was u wat te machtig. — Maar elk dier droeg een pels en uw eerste mensch was naakt......!

-ocr page 28-

16

Nu nog wat; Daar gij eerst op de helft van uw mooi werk spreekt van 5000 jaren voor onzen tijd, zoo ben ik zoo vrij eens te vragen: hoeveel eeuwen liggen tusschen ons en liet tijdperk van den holenboer en den rnammouth ?

Pardon, dat is erg onbescheiden van mij. Want Winkler heeft beschreven „den mensch vóór de geschiedenisquot;. En vóór de geschiedenis was geen geschiedenis, en toch schrijft Winkler eene geschiedenis vóór de geschiedenis. De man moet zeer veel uren per dag vrijaf hebben en niet weten waar te blijven met zijn tijd om den vierkanten cirkel te gaan zoeken!

Hier zij terloops gezegd, dat zeker de opmerking gemaakt kan worden dat toch menschen en volken geweest zijn, van welke geen geschiedenis is geschreven. Dit geef ik gaarne toe, maar die zijn toch niet voorhistorisch in den waren zin van het woord. Zij stonden naast de geschiedenis, want wij hebben eene geschiedenis van af Adam, den eersten mensch, en dus is eene geschiedenis van af het begin der schepping van den mensch. Van U, lezer, en van mij zal ook wel geen geschiedenis geschreven worden, dat behoeft ook niet, maar zijn wij daarom voorhistorisch?

i. Een verdrietig leven.

„Doch niettegenstaande dat, zegt ons Winkler, is de mensch toch nog zeer ellendig, en zijn leven zeer nooddruftig, want hij heeft geen enkelen vriend, en alle dieren, die hem omringen, bedreigen en ontrusten hem. Zelfs de hond is nog een wild dier. De mensch heeft nog geen vee, dat hem melk verschaft, want ook het rund is nog een wild dier. Ook kent hij de kunst nog niet om het land te bebouwen, noch die van visch te vangen. De jacht op kleine herkauwende dieren, op anti-

-ocr page 29-

17

lopon en horten, hot zoeken v.m eetbare planton on wortels is zijn eenige bezigheid.quot;

Schrik maar niet, lozer, voor die vele woorden, waarin aan het slot Winkler met zijn linker verstand niet moer weet, wat hij eenige regels vroeger schreef met zijn rechterhand. Voor een paar minuten nog zagen wij het verschrikkelijk schouwspel van jagen op- on afmaken van eenen mammouth, en nu is do ganscho bezigheid van den mensch de jacht op antilopen en horten, en nog wat.

Ook lezen wij in Hoofdstuk I van Genesis, dat God wilde en tamme dieren geschapen heeft. Dat or diersoorten bestaan, die nooit wild geweest zijn, zal Winkler ons toch wel toegeven, en hierin is geen twijfel wat betreft den huishond.

Wat de vriendschap betreft van den hond, houden wij ons aan het menscholijk gevoel: „soort zoekt soort.quot; Adamskinderen zoeken hun vriendschap bij Adamskinderen en uit dieren ontwikkelde wezens bij.....beesten!

5, Of dat ook waar is!

Ons vorig chapitertje was wat kort en daar zijn menschen, die alles met de maat uitmeten — ook zijn andere menschen — en die maatmenschen zullen denken, dat zij in dat chapitertje geen waar voor hun geld hadden. Wees tevreden, lezer, misschien stel ik u schadeloos door nog kortere, maar dan moet gij ze minstens driemaal lezen.

Na al dat onbepaald moois, heb ik gemeend eens wat bepaalds — of het mooi wordt, weet ik niet -te schrijven.

Bij mijnheer Winkler hebben wij nog geen jaartallen kunnen vinden, omdat hij eeno geschiedenis schrijft vóór de geschiedenis, van welke hij ons zegt op bldz. 2 van zijn mooi werk :

2

-ocr page 30-

18

„Er is ook cono geschiedenis, die opgesteld is dooi\' redeneering, die afgeleid is uit zaken, die te boek gesteld is uit het nadenken over dingen en toestanden, die niet gezien en beleefd zijn door do schrijvers van de geschiedenis.quot; — Is dat ook waar?

„Immers, er is eeno geschiedenis, geschreven door menschen die leefden toen de dingen voorvielen, die ooggetuigen waren van de voorvallen, die zij te boek hebben gesteld —• en dit is de echte, de ware geschiedenis.quot;

Best, vriend: maar wanneer nu eens die echte, ware geschiedenis uwe afleidingen, uwe nagedachte — of uitgedachte dingen en toestanden logenachtig maakt, wat dan? Dan staat gij te kijken, manlief, en moet weer verhuizen met uw kijkkastje.

En gelooft gij wel, Winkler, dat gij van de menschen iets vordert, wat men zich eiken dag uiet veroorlooft te,vorderen! Gij decreteert van uwe hoogte, dat eenige millioenen menschen hun overtuiging, hunne innige overtuiging, hun geloof moeten afleggen om zonder verder, aanhangers te worden van eene nieuwheid zonder het geringste waardegehalte van waarheid. GUj decreteert, dat de geschiedenis der eerste tijden, tot heden toe door alle tijden heen, en met eenige niets afdoende veranderingen, door alle volken geleerd, valscli is. Gij decreteert dat Mozes, Flavius Josephus, Eusebius, Polyhistor, Syncellus, Berosus, Abydenus enz. enz. leugenaars zijn. Dat zijn allen groote lompers, en gij alleen zijt knap met nog een paar nieuwlichters, die het aan de oude zedelessen niet gezien hebben! Neen, goed-geloovige man, daartoe gaat de wereld niet over, vooraleer gij eens de handen uit de mouwen steekt en klaar en duidelijk bewijst dat het volgende hoofdstuk valsch is.

6. Geschiedenis.

Wij tellen :

Volgens do Juliaansche periode 0602.

-ocr page 31-

19

Volgens do jaartelling der IsraMioten 5650.

De geboorte van Christus 1889.

Op een andere plaats heb ik eens bewezen, waarom de Juliaansche telling van die der Israëlieten verschilt, en hoe toch in hoofdzaak beide tellingen gelijk zijn.

De schepping dateert alzoo, volgens de onweerlegbaar geschreven geschiedenis zesduizend zeshonderd en twee jaren, en ook in dat jaar werd de eerste mensch, Adam, geschapen.

Toen Adam l.\'il) jaar oud was gewordougowon hij Set-li.

/,

Seth

105 ,,

// //

u

v 10 hos.

//

Enos

90 „

// v

/,

u Cainam.

u

Cainam

70 „

n n

v

v MalaK\'l.

//

Malalcël

05 „

//

\'/

v Jarcd.

//

.Tared

103 „

//

// //

n

v Henoch.

//

ITouocli

05 „

lis

„ Mailiusalcni.

Mathusatein

187 „

u

„ „

v Lamcch.

II

Lamech

J 83 „

// //

// Nor.

u

N oö

500 v

// v

// 1

Sem,Chamcn.) aplioi

Volgens dezelfde geschreven geschiedenis leefde Adam 930 jaren. Voor iemand die deze jaartallen kan optellen was Lamech alzoo 56 jaren oud, toen Adam van deze wereld verhuisde.

Daar wij nergens lezen dat de oude Adam verkindsch was geworden vóór zijnen dood, integendeel met vele natuurlijke gaven verrijkt, kon hij tot zelfs aan zijn verren kleinzoon Lamech nog de geheele geschiedenis vertellen, die hem wedervaren was, waarvan dan alle voorgaande kleinzoons met hunne familie getuigen waren om te bevestigen dat Adam steeds waarheid sprak. Zoo zullen die allen de wereldhistorie wel verhaald hebben aan Noë, die 126 jaren na den dood van Adam werd geboren.

Toen Noë 600 jaren oud was, in de 2lle maand op den 17jcquot; dag van zijnen ouderdom, begon de zondvloed, — alweer volgens diezelfde geschiedenis. — Toe, Winkler, kom er maar tegenop.

Goed geteld had dus die Zondvloed — die algemeene

-ocr page 32-

20

ovorstrooming — plaats in hot jaar dor werold 1656.

Opdat men mij later niet verkeerd zou verstaan, heb ik hier weer eene vraag te doen, nl.: waren en zijn 1656 jaren niet genoeg om de geheele wereld te bevolken? Mozes haalt slechts de namen aan, die hij voor do genealogie noodig heeft, maar zegt overigens nog telkens daarbij: „hij gewon zoons en dochters.quot;

Deze vraag voeg ik er bij, omdat andere geleerden, hoewel zeer gekant tegen de verzinsels van Winkler, wel aannemen dat vóór den zondvloed de wereld met dieren bevolkt was, maar minder vindt men het bewijs, dat de wereld vóór den Zondvloed ook met menschen bewoond was, en dat wij dus heel goed kunnen aannemen, dat wij beenderen van menschen en van dieren gezellig vereenigd vinden in holen of lagen van het dili-viaal tijdperk.

7. Een heerlijke vertooning.

Al dat serieuze, wie wil daarmede nu zijn hoofd breken!

Dat dacht ik wel. Daarom heb ik maar zooveel mogelijk voorgeteld, dan is het gemakkelijk na te doen; maar men mag mijn voorgaand chapiterke toch niet overslaan. Ik ben te trotsch op dat kindje, wat ik niet heb voortgebracht.

Zonder vertooning geen kermis, en de uitnoodiging van Winkler is vervat in zulke mooie woorden, dat het onbeleefd zou zijn daaraan geen gevolg te geven.

Aan den arm dus van Winkler binnengetreden.

Het buitengordijn kon wat aanlokkelijker zijn. Een gladde zee zonder golven — dit is niets aanlokkelijks —■ van verre een rustige driemaster, rechts eenige getopte en eenige toppelooze wezens, die gansch rustig onder den naam van ijsschotsen een bad gaan nemen in de zee. Aldus de voorstelling op do plaat tegenover bladz. 19.

-ocr page 33-

21

Treedt nu maar binnen. Wel verd..., mijnlieer, bier is niets te zien en ook geen bezoekers, wat moet dat beduiden.

Geduld, beeren, ge zult tocb wel meer verstand hebben; de goede menigte meende hier ijs te vinden, maar... wacht even, ik zal u dooi\' den lieer Winkler de zaak laten voorlezen, bladz. 19:

„In het begin van het aardkundig tijdvak, dat men „thans dat van het diluvium noemt, werd een groot gedeelte van Europa met ijs bedekt. Ten gevolge van „oorzaken, die door de geologen nog niet genoegzaam „verklaard kunnen worden, werd de temperatuur, die in „bet tertiaire tijdvak in het noorden der aarde zeer „mild geweest was, veranderd; het werd zoer koud, „zoo koud zelfs, dat het bergijs, hetwelk de toppen der „bergen van het toenmalige vasteland bedekte, zich ontzaglijk uitbreidde, en naar de dalen zakte, en groote „uitgestrektheden met eene dikke ijskorst bedekte. Ook „het geheele noorden der aarde werd met ijs bedekt; „al het land werd een onafzienbaar ijsveld en groote „ijsschotsen dreven in de wateren der zee. De ijstijd, „de ijsperiode noemt men den tijd, waarin die groote „omkeering voorviel...quot;

Mijnheer Winkler, zoudt ge niet donken dat liet best was uwe hersens eenen winterjas aan te trekken, want zulke vertooning van vóór het jaar nul, kon eens uwe hersens doen bevriezen, waarvan nu al veel verstijfd is.

Hierbij moet echter de storm in het glas water losbreken.

Waar vandaan dan, domperige achterlingen, waar vandaan en hoe verklaart gij die achter gelaten zandvlakten, die kolossale steeneu hier en daar verspreid, die wrijvingen op steenrotsen, waarvan raeu heden nog de sporen ziet?

Niet op éeno, maar op twee wijzen, beeren zond-vloed-loochenaars, kunnen wij dit uitleggen, zonder

-ocr page 34-

22

dat wij ons do Aprilsche ui van een ijstijd laten opbinden.

Vooreerst door den zondvloed. Alle beroemde geologen nemen den zondvloed of algemeenen vloed aan en zeggen dat die met eene kracht gewerkt heeft, waarvan de hnidige natuur ons geen voorbeeld meer geeft. Dit zegt ons De la Beche p. 181 enz., Dr. Buckland in zijn Reliquiae p. 249. Verder Conybeare, prof. Sedgewick, Phillips in Geol. Trans. v. Ill p. 13. Nog Razoumovsky, prof. Pusch en Dr. Bigsby in Geol. Trans I. p, 205 on anderen, waarbij ook Lyell, Elie de Beaumont enz.

Volgens de geleerden werkte de Algemeene Vloed met ongekende kracht, en toch welke reuzenkracht zien wij heden ontwikkeld door het water. Nemen wij slechts eenen waterval als de Staubbach, de Reichenbach, de Victoriaval, de Niagara,; met welk een kracht, maar ook met welk een gemak, zien wij daar het water spelen met steenen van honderden, ja duizend kilogram.

Intusschen verklaart Winkler dat het onderzoek nog niet ver genoeg gevorderd is om hunne veronderstelling uit te leggen.

Wat nu de sporen betreft van schuren op de steenblokken, die zullen wij in ons volgend hoofdstuk bij onze tweede oplossing geven, ook naar den zin aller huidige wetenschappelijke menschen. Intusschen kunnen wij ze ook hier verklaren op eene andere wijze. — Iedereen die in zijn leven iets meer gedaan heeft dan in zijn studeerkamer tusschen de boeken zitten, weet dat het fijne zand de machtigste factor is bij het snijden, schuren en slijpen van steen of graniet Wanneer nu zulk een zwerfblok op een vlakte of tegen een berg honderde jaren is blootgesteld aan het zand, dat soms door stormwinden en nat langs zulk een steen gedreven wordt, dan laat dit zand blijkbare sporen, zelfs diepe sporen op dien steen achter.

Maar, zal men zeggen, in den omtrek of nabijheid van sommige dier steenen vindt men geen zand, en dus

-ocr page 35-

is dit niet meer dan eene veronderstelling! — In dit geval heeft zij toch nog meer waarde dan de veronder-stolling van oenen nooit te bewijzen ijstijd, plus dat ik do vraag stel: wat bevond zich vroeger ter plaatse waar nu de Zuiderzee is? Zoo zal ook wel liet zand door wind of water naderhand zijn weggespoeld of weggedreven, en de steen bleef op zijne rustplaats.

Gaan wij nu over tot onze tweede verklaring, thans algomeenor aangenomen en veel natuurlijker dan den aangenomen ijstijd.

8, Met dc laarzen van zeven mijlen.

Al dadelijk zullen wij bier moeten hooren, dat er vele geloovigen gevonden worden, die ook den ijstijd aannemen. En hierop is mijn antwoord, dat men veel tracht uit te leggen door de werking van het ijs, maar mij is nog niemand bekend, die den ijstijd, zooals hij door Darwin is uitgedacht, aanneemt, behalve dc ongeloovigen.

Zoo wil men de aanwezigheid van groote stoenen uitleggen, op plaatsen, waar die in hot geheel niet schijnen thuis te behooren. terwijl die steenen afkomstig schijnen van steen- of rotsbanken, die honderdo uren van die plaats verwijderd zijn. Daar er nu zijn, die or aan twijfelen of do wateren, ook van den grootsten vloed, zulke steenen hebben kunnen vervoeren, nemen zij aan dat groote IJsschotsen deze steenen vervoerd hebben.

Ziethier duidclijkshalve eene kleine uitweiding:

Op hooge borgen en in het Noorden ook op lagere streken, valt de neerslag van den dampkring in den regel niet als water, maar als fijne drooge sneeuw, die, als hij zich op hoogvlakten of in uitgestrekte komvormige dalen tot groote massa\'s kan verzamelen, niet meer geheel in den zomer wegsmelt, maar het gansche jaar door, de zonnestralen blijft terugkaatsen. Door de gezamenlijke werking van de drukking en het aan de opper-

-ocr page 36-

24

vlakte gesraoltene, soms ook als regen neergevallene, naar onderen doorgezijpelde en daar weder bevrorene water, verkrijgt de sneeuw langzamerhand een meer vasten vorm, om eindelijk in bijna volkomen luchtvrij en daardoor min of meer blauwachtig ijs over te gaan. Langs de bergwanden vormt zich een ware ijsstroom, een zoogenaamde gletscher, die langzaam maar onweder-staanbaar door de tusschenruimten der rotsen naar het dal of Maar de zee glijdt, totdat de hoogere warmtegraad der lagere streken evenveel ijs versmelt als er van boven wordt aangevoerd. Door de uitzetting van het in de rotsspleten doorgedrongene en daar bevriezende water vallen aanhoudend van de omliggende hoogten groote en kleine steenen op den gletscher neder, en vormen daar een soort van dijken of zandmorainen, die, wanneer deze gletschers even als twee rivieren samenvloeien, zich tot eene middenmoraine vereenigen. Somtijds vallen blokken door spleten tot op den bodem van den ijsstroom waar zij dan meestal worden meegevoerd. Ook van zijn bedding kan de gletscher min of meer steenen en puin wogsleepen. Hij polijst de rotsen, waarover en waarlangs hij schuurt, terwijl de ingevrorene steenen daarin krassen en groeven etsen, die de richting der beweging aangeven on derhalve, zoo zij door naburige brokken zijn uitgesneden, onderling evenwijdig loepen.

Stellen wij ons nu een oogenblik op Scandinavië, waar wij gletschers vinden van 1300 vierkante meters oppervlakte, als in het Jostedal. Wanneer daar bij lange strenge koude van de tot 2000 Meter hooge ijsvelden in Noor-wegen een gletscher voortwerkt tot aan de Noordzee, dan zal dat met steenen belast ijs door het water op-genomen en door de zeestroomen medegevoerd worden, totdat het smeltend ijs ergens op honderde uren afstand misschien zijnen last neerlegt.

Onvergelijkelijk veel grootere uitgebreidheid vertoonen de gletschers in Groenland en de hooge poolstreken.

-ocr page 37-

Daar bedekken zij bijna geheel liet land on dalon rechtstreeks af in zee, waar, door do beweging van eb en vlood telkens ontzaglijke stukken worden afgebroken en medegevoerd.

Maar hoe komen deze stoenen of zwerfblokken dan zoover landwaarts in voor, op uren afstand van de zoo ? Eenvoudig omdat èn land èn zee aanhoudend veranderingen ondergaan, en niet altijd land geweest is wat nu land is.

Laten wij tot voorbeeld nemen het zwerfblok van Oudenbosch in Noordbrabant, waarvan het oorspronkelijk gewicht circa 5300 kilogr. was. Dit zwerfblok heeft duidelijk sporen, dat het aan de werking eener voort-schuivende ijsmassa is blootgesteld geweest. Dit geheel afzonderlijk granietblok schijnt herkomstig uit Scandinavië.

Dat de omstreken van Oudenbosch aanmerkelijke veranderingen hebben ondergaan, toont ons eene vergelijking der tegenwoordige militaire kaart met eene oude kaart van 1505; dan zien wij als het ware het werk van drie eeuwen onder onze oogen voltrokken. Dit te beschrijven zou mij te wijdloopig voeren, men vindt dit in de „studiën D. XXX, atl. 4, bldz. 378.quot; Dat land behoorde toen bij Zeeland en was door even groote stroomen doorweven. Vóór den St. Elisabeths vloed vormde hot een aaneengesloten geheel met don grooten Holland-schen waard.

Die steen nu, afkomstig uit Scandinavië, is door oen gletscher in zee gevoerd, on die gletscher, medegevoerd door de zeestroomon, is naar de Noordzee afgekomen en door een vloed of dergelijke op liet water gedragen tot bij Oudonbosch. Hierbij kunnen wij nog aannemen, dat zelfs geheel Zeeland en het westen van Noord-Brabant een geheele zee was tot tegen den diluvialen bodem, in den tijd dat dit zwerfblok hierheen vervoord is, daar dit even goed over drie als over twee duizend jaren heeft

-ocr page 38-

26

kunnen plaats hebben. Wij liebben ondervinding van winters, streng genoog in onzen tijd, om aan zulk een feit niet te twijfelen. Volgens Professor Von Baer is in den winter van 1837—1838 een granietblok van een millioen ponden van Finland naar liet eiland Hockland overgebracht door het ijs. Dit reuzenwerk geselüedde in onzen historischen tijd. Hieruit zien wij dat wij voor alle wetenschappelijke waarnemingen geenen voor-his-torischen tijd behoeven; en daar die voor-historische ijstijd slechts een onbewezen en nooit te bewijzen veronderstelling is, die alleen- Darwin en zijne opvolgers noodig hadden voor hunne veronderstelling der ontwikkeling, zoo acht ik mij gerechtigd dien voorgewenden ijstijd te noemen eene Aprilsche ui, nog beter een onzin. Geen bewijs voor dien ijstijd is te vinden, omdat alles zeer goed anders uit te leggen is, en als de oudste geschiedenissen, zooals die van Mozes en al zijne opvolgers, geen melding ervan maken, dan is dit wel degelijk een bewijs tegen die veronderstelling. Tot nog toe hebben de ongeloovige dwarskijkers nog niets kunnen vinden dat in tegenspraak is met de Bijbelsclie geschiedenis, en niettegenstaande al hunne listige pogingen zal het hun nooit gelukken.

Maar laten wij overgaan tot de orde van den dag.

Winkler zegt ons dat de eerste mensch — de moderne vondeling — braafveel weg had van eenen onbeholpen lomperd, en zelfs nog geen akkerbouw kende. Tot deze overtuiging heeft hij echter nog niet den domsten boer kunnen overhalen.

Er is eene geschreven geschiedenis, waarvan do materialistische geologen de groote waarde niet kunnen ontkennen, omdat zij is, volgens Winkler zeiven, de ware, de echte geschiedenis, en daarin vinden wij onze eerste stamvaders vrij wat gelukkiger geboekstaafd dan dien phantasmagorischen onbeholpen drommel, van wien Winkler gewaagt.

-ocr page 39-

27

Adam had vele natuurlijke en bovennatuurlijke gaven van God gekregen. Tot zulke gaven behoort wel op de eerste plaats een goed verstand. Als een goed familievader — toen hij kinderen had — begreep hij dat de luiheid het oorkussen des duivels is, en van mijnheer Satan had hij vooralsnog genoeg aan de eerste los, want zijne bovennatuurlijke gaven waren erg gehavend van de reis gekomen. Daarom besloot Adam — en voerde ook zijn wil uit — dat de oudste jongeheer landbouwer zou worden en zijn broeder herder, zonder dat zij hierin les kregen aan een hoogere school, (ien. IV\', 2. Ook weet ik niet of heden ten dage het herdersbedrijf aan hoogere of lagere scholen geleerd wordt; overigens, het is een smerig ara plooi.

Als Winkler hiertegen op wil komen, met te beweren dat Cain nog geen stoomploeg, geen zicht- en geen dorsch-machine had, goed, dan kunnen wij hem toch oenen keer gelooven.

Als er echter herders waren, dan was er ook tam vee. Die herders kenden ook al het opslaan van tenten. Genis IV, 21.

Terwijl Winkler cum suis met hun bevroren hersenen, den mensch nog zoo dierlijk mogelijk vinden, is onze inensch reeds kort na zijne schepping een knappe bol, verwerkt hij erts en smeedt ijzer, zooals grootpapa Tubalcain. Gen. IV, 22; en dat die eerste lieden ook al van muziek en poëzie hielden, en dus het leven al wisten te veraangenamen, blijkt ons uit Gen. IV, 21, waar wij Jubal aantreffen als kapelmeester der cither- en harpspelers.

In dien zelfden tijd zat de meer dan half bevroren achter-grootvader van do moderne geologen onder een hooge rots verborgen, in een dik beerenvel gehuld, en onderhield aan den ingang der rots een groot vuur, tot afwering der wilde dieren, die zich rondom zulke grot in de muziek oofendeu, terwijl de wolf zeer zeker de

-ocr page 40-

28

eerste viool blies, en de tijger den doedelzak liantennlc. Zoo mooi ongeveer staat liet, behalve in woorden, ook op een mooi plaatje tegenover bladzijde 43 van dat mooi werk. Nu zal het niemand meer verwonderen, hoe het toch. komt, dat de beer zoo mnziekalisch is en zoo verleidelijk schoon kan dansen in gezelschap van zijnen baas den Zigeuner!

9. Bis....!

Moeten wij dit nu tweemaal lozen? Zooals go wilt. Maar mot den landbouw moet de industrie gepaard gaan.

Een klein woordje voorop om verder te begrijpen. Als een oningewijde eene geologie in handen krijgt, wemelt het hem op hot laatst voor de oogen van al die geleerde woorden, waarin in geen twee dezelfde woorden twee moderne geologen overeenkomen, om zoodoende den oningewijde onder een papperas van woorden te overstelpen, en hem alle geduld te ontnemen, opdat hij met die schoonklinkende woorden al meer dan tevreden, do rest maar niet meer inzie en goedgeloovig zijn hoofd neerlegge bij de orakeltaal hunner groote wetenschap, die nog geen wetenschap is en het ook nooit worden zal.

Hierin komen die mannen echter vrij goed overeen, dat zij noemen een cfe\'luvium en een a/luvium, en dat ook kunnen wij aannemen. Het diluvium is het tijdperk van de algemeeue overstrooming — wij noemen dat ook diluvium of zondvloed. Wij mot onze zekere cijfers en gegevens uit de Schriftuur, verschillen echter eenige eenwen omtrent dit tijdperk met de moderne geologen, die met den binocle der wetenschap gewapend, niet veel aanduidende sporen in den grond mot heldere letters lezen.

Alluvium wordt genoemd wat wij na dien tijd in aanslib ouz. van rivieren, meren, enz. vinden.

In het begin van het laatstgenoemde tijdvak was

-ocr page 41-

Winkler\'s mcnsch al zoo ver dat iiij steenen hamers, bijlen, enz., in een woord, al het benoodigde uit steen wist te maken; een bewijs dat hij het of\' nog niet ver of uiterst ver in de industrie gebracht had.

Wanneer nu ongeveer in een tijdvak de botte mensch geslepen steenen maakte, dat gaat niemand aan; men heeft die steenen werktuigen gevonden en dat moet genoeg zijn. liet is echter bij de geleerden (?) nog niet uitgemaakt, of al die mooie steenen voorwerpen, in museums bewaard, werkelijk ouder zijn dan de onderzoeking naar dezelve. Wij lezen toch dat eenige sluwe werklieden, ziende dat de industrie in vuursteenen voorwerpen uit dien eeuwenouden tijd goede vruchten afwierp, soms wel met een halve karvracht van zulke (moderne) kunststukken te voorschijn kwamen. Raadt dus maar op. Zij bedrogen werkelijk de archeologen. Aldus Winkler bldz. 4(5.

Ik wil nog wat uit de school klappen, maar dan ook attentie!

Boucher de Pertes is een ijverig man, die lang in het land der mollen gewroeteld heeft, maar vruchteloos naar gezelschap zocht. Eigenlijk was hij toch geen mol-lenvanger, maar een industrieel in oude beenderen, steenen, potten, scherven enz. Van hem zegt ons Winkler bldz. 52 :

„Niemand was genegen op zijn verzoek naar hot dal „der Somme te gaan, en zich met eigen oogen te over-„tuigen van de waarheid van hetgeen hij beweerde. „Maai- toch hield Boucher de Pertes vol, en in 1847 „kon hij in zijn „Antiq. celtiques et antédiluvionnesquot; „ongeveer 100U afbeeldingen vertoonen van voorwerpen „die hij in den schoot der aarde gevonden had. Men „moet zijne klaagliederen lezen om het verdriet te begrijpen van dezen man, zoo vol geestdrift voor hot „onderzoek en de waarheid, over het ongeloof en den „twijfel dien hij overal ontmoette.

„Onder moer lachte men hem uit..... Men streed niet

-ocr page 42-

30

„moor over do feiten, men nam zolTs do mooito nlet „hem to ontkennen, men begroef hem in vergetelheid. „Vervolgens zocht men verklaringen, die werkelijk nog „verrassender waren dan de feiten zeiven; de steenen „bijlen waren eon voortbrengsel van het vuur, een vul-„kaan had hen in vloeibaren toestand uitgebraakt, en „door in het water te vallen waren zij in zulke stukken „gebarsten tengevolge van de plotselijke afkoeling, eenigs-„zins zooals het gebeurt met de bekende glastranon. „Anderen integendeel riepen de koude te hulp; vuur-„steenklonters zouden door de vorst gebarsten zijn, en „zoo tot messen en bijlen gevormd. Vervolgens beweerde „men dat de arbeiders in de grintgronden die bijlen zoo „bekapt en daarna in de aardlagen hadden gestopt; en „in het zand gedrongen door hun eigen zwaarte, enz.quot;...

Ziethier een betaald antwoord aan Boucher do Pertes door Winkler:

„Maar aan den anderen kant is het ook waai\', dat „hij wel eenigszins door eigen schuld een martelaar „werd van zijn geloof. Zeer dikwijls had hij veel te stout „gesproken, en zijne weelderige verbeelding den teugel „gevierd. Gelukkig evenwel duldt de wetenschap r/eene „omorikbare dogma\'squot; (onthoudt dit.)

In de schoone Nederlandsche taal kan men nog altijd schoone termen vinden om op omschreven wijze te zeggen: Vriend, gij liegt als een eerste schobbejak.

Is die industrie dan nu verloren? Alweer een vak minder; handel en akkerbouw, alles is bedorven.

Boer of industrieel, aan welke ik zeg dat gij dit mijn boek niet moest lezen, ik kan u geen goeden troost geven. Of die zaken nog waarde hebben, weet ik niet; maar ook weet ik geen gekken meer die er geld voor over hebben.

Overigens wij gelooven wel aan dogma\'s, en ook aan oene zeer verheven wetenschap met dogma\'s, en in onze wetenschap is geen een enkel dogma dat ons verbiedt

-ocr page 43-

ill

to geloovon, dut hot Christendom do grooto boschuvlng hooft uungobrucht, on dat hoovordor men zich daarvan verwijdert, men des te onbeschaafder wordt; en dat de natuurmenschen ook nog heden erg onbeholpen zijn in hunne werktuigen en misschien steen gebruiken, waar wij ons van ijzer bedienen. Neemt maar een kijkje bij de ongelukkige afstammelingen van Canaan in Africa, of hunne niet veel meer begunstigde soortgenooten, do Indianen van America. Lust het u niet dat uitstapje te maken, trekt dan maar eens naar Lapland; en is u dat alles te veel, lees dan gonoegelijk aan uwen haard de onder den valschen naam van romans door Jules Verne geschreven ware geschiedenissen.

Alvorens ik dit lange hoofdstuk sluit, wil ik, om mij zeiven bezig te houden en anderen den tijd te korten, nog een paar woordjes schrijven over industrie.

Noe had veel verstand van den akkerbouw en van nog meer; want hij legde zich eenen wijnberg aan. Daarbij bedreef hij de onvoorzichtigheid van een glaasje te veel te drinken van dien Oosterschen wijn; maar dat kan men hem vergeven, want jonge wijn is koppig. En wie weet of de man zich niet ter deze moede gewerkt had; want, buiten het landbouwbedrijf, Gen. IX, 20, was hij baas op de werf en maakte schepen, Gen. VI, 14, die in tonnon-inhoud nog al aardig met de huidige wedijverden. Zeker had hij veel volk ter hulp, maar timmerde, Gen. VI: 14, toch nog ettelijke jaren over zijn groote boot, dien hij daarenboven goed waterdicht maakte met pek en harts, waarvan hij ook al kennis had. Zijn maat die hij gebruikte, is in zwang gebleven tot in onze eeuw, toen men het tiendeelig stelsel heeft uitgevonden, dut ook beter is, en aan de raaatverwarring een einde maakte, want die ellen en voeten die Noë ook gebruikte, brachten wat vergissingen, Gen. VI: 15.

Winkler maakte te dien tijde met zijnen mensch jacht op het reuzenhert, en nooit heeft hij gedroomd hoe laat

-ocr page 44-

H2

liet toon was. Als hij na do vermooienis van do jacht wat uitgerust is, zullen wij hom verder spreken over zijn mensch en geschiedenis vóór de geschiedenis.

10, Do waarheid cn Eusopus of andersom.

Do grootste domheid, die in dit schrijven voorkomt—■ en er zijn er vele — is, dat ik met den heer Winkler geen andere menschen wil aannemen dan Adam, en dat ik telkens de afstammelingen van Adam plaats naast don zich ontwikkeld hebbendon mensch der moderne geologen, welke mensch geen herkomst heeft, ten minste de wetenschap (?) kan hem geeno aanwijzen. Hij is in den waren zin een vondeling.

Behalve ettelijke mannen die bang zijn voor een rechtenden schepper, neemt do geheele wereld eenen geschapen mensch aan. Dien ontkennen die bange hoeren niet, maar meenen hem dood te zwijgen. AVat zij ons echter vertellen van het menschdom tot aan de Kelten, en dat is voor hun eenige duizend eeuwen en voor ons eene troostvolle leugen, zeggen zij zelve te zijn niets anders dan een roman.

Hoort maar eens wat ons Winkler zegt, als hij gaat spreken over de Kelten in zijn mooi boek op bldz. 262.

„In de vorige hoofdstukken, vooral in de eerste van „ons boek, hebben wij telkens moeten raden en gissen... „maar thans behoeven wij niet meer geheel in het duister „rond te tasten.... Dit neemt echter niet weg, dat toch „ton opzichte van deze steenen (dolmens, menhirs, erom-„lechs, hunnebedden) alle duisternis nog niet is weggekomen.

AVij verzoeken u echter, dames en heeren, uw met cijfeis aangeduide oude geschiedenis op zijde te leggen^ die boeken zijn te oud en hebben lang zooveel waarde en waarheid niet als die raadsels en gissimien.

-ocr page 45-

33

Dat durven ons voorzetten heeren, die zich verbeelden de wetenschap in pacht te hebben, en in- en met waarheid moeten bekennen dat alles wat zij volgens de op ondervinding steunende wetenschap (?) ons voorhouden niets dan raadsels en gissingen zijn, en dat tot aan den tijd der Kelten. Nu, de Kelten zijn wel is waar niet van gisteren, maar toch uit den historischen tijd; later zullen wij nog wel eens van hen gewagen, wanneer wij de eerste sporen van den mensch klaar en duidelijk vinden aangetoond in Armenië, die zich van daar naar Babylonië begaf en van daaruit zich over de geheele wereld verspreidden. Volgens de geschiedenis komen de Kelten uit Azië. Ook worden zij genoemd Kimbren of Cymbren, ook Gomaren, en hun stamvader was Gomer, de in Gen. .X: 2 eerstgenoemde zoon van Japheth.

Zoo komt de waarheid toch altijd voor den dag, al houdt Erisopus zelf den spiegel voor. Overigens moet men toch bekennen, dat de wetenschap eerlijk is. Zij zegt ons, dat zij eene geschiedenis schrijft vóór de geschiedenis; zij vertelt alles heel mooi; zij geeft ons de schoonste voorstellingen daarvan op plaatjes; zij zegt dat die toestanden van vóór de geschiedenis heden ten dage nog juist zoo worden aangetroffen bij de onbeschaafde volken; en vraagt gij dan: Zegt ons nu eens eerlijk of van dat alles iets waar is! dan krijgt gij ten antwoord: „Het zijn louter raadsels en gissingen;quot; die gek genoeg is om dit te gelooven, dat moet hij weten, maar uit dit ons antwoord blijkt genoeg, hoe wij zelf er over denken.quot; Alzoo de uitspraak der wetenschap is en;blijft: Van de geschiedenis vóór de geschiedenis tot aan den tijd dat de Kelten reeds over Europa verspreid waren, weten de geleerden niets dan wat labelen op te disschen, vervat „in raadsels en verzinsels.quot;

3

-ocr page 46-

84

11. Mot de lantaarn of bij een sigaartje.

Diogenes was een wijsgeer, zooals een ieder weet, maar een aardige, want anders had hij de domheid niet bedreven van zich op eene reis naar het eiland Aegina door roevers te laten oppakken en zich te Kreta als slaaf te laten verkoopen om in 324 v. Chr. zijn ellendig bestaan te eindigen. Hij kon ook aardige dingen zeggen. Toen de groote wereldbeheerscher Alexander hem bij Korinthc vond liggen in het origineelste kostunra, dat men kan uitdenken, naast zijne ton zich koesterende in de zonnestralen en aan Diogenes een gunst aanbood, gaf deze ten antwoord: „Ik begeer niets anders dan dat gij mij uit den zonneschijn moogt gaanquot;, waarop Alexander van het eene uiterste in het andere vallende, uitriep: „Ware ik Alexander niet, dan wenschto ik Diogenes te wezen.quot;

Nu kan het ook goed waar zijn dat het tonnenge-welf dagteekent uit den tijd van Diogenes.

Met al zijn gekheid was Diogenes toch nog een wijsgeer. Op zekeren dag, toen de zon in Zenith stond, leende hij een lantaarn, en bij gebrek aan een bougie stak hij er wat anders in, maar toch iets wat hij kon aansteken, hetgeen hij dan ook deed. Nadat hij dan een weinig toilet gemaakt had en zijne haren en baard wat had in order gebracht, trok hij met zijn opgestoken lantaarn door de stad om... eenen mensch te zoeken. Natuurlijk werd hij uitgelachen door twee studenten, een van de universiteit en een van de hoogere burgerschool; een schoolmeester die dit zag, viel flauw, en een jonge juffrouw, die voorbijging, dacht iets...

Zulke voorstelling was ook wat al te kras. Toen toch bestond de wereld en de mensch reeds een goede 3500 jaren, en dan nog een mensch gaan zoeken!

Of Diogenes een mensch gevonden had, verhaalt de geschiedenis niet; maar dat Winkler in den tijd vóór

-ocr page 47-

35

do geschiedenis, vóór do schepping van den mensch en van het licht, met zijn opgestoken sigaar een mensch ontdekt heol\'t, is zeer zeker niet waar. Louter raadsels en gissingen, zegt hij ons. Maar later kwam de lantaarn en met deze licht, meer licht; men ontdekte beenderen en geraamten van menschen in holen en op andere plaatsen, die geleefd hadden lang vóór Adam, tenminste vóór den Zondvloed.

Vóór den Zondvloed of vóór de „algemeeno overstroomingquot;, dit geef ik gereedelijk toe, boste heer, maar vóór Adam, niet. Nog eens iets, wat ik reeds eens gezegd heb. Van Adam tot de „algemeeno overstroomingquot; tellen wij 1G56; dat zijn jaren meer dan genoeg om de goheele wereld te bevolken, zoo goed met, menschen als met dieren. Het is en blijft eene waarheid dat de geologen nooit hebben kunnen bewijzen, dat zij een enkel fossiel ontdekt hebben ouder dan zesduizend jaren. Overigens staat hun verstand stil, wanneer wij hen vragen: „waaraan is die hooge ouderdom van mensche-lijke fossielen te herkennen ?quot;

Dan kunnen zij ons wel zeggen, dat zij beenderen van den mensch hebben gevonden met beenderen vermengd van vóórhistorische dieren; maar dan is mijn antwoord, dat er evenmin vóórhistorische dieren als vóórhistorische menschen bestaan hebben.

Sedert wanneer dagteekent het Uitsterven van den holenbeer, van den mammouth, van het reuzenhert enz.?quot; Dat weet gij niet, mijnheer Winkler c.a. Zelfs weet gij niet eens of die dieren in onzen tijd uitgestorven zijn; zoover hebt gij uw onderzoek aan Noord- en Zuidpool nog niet uitgestrekt, en wat bij tijd en wijl nog in do maagdelijke bosschen van Africa kan ontdekt worden, ook dat weet gij niet. Hierover later nog iets.

Die teveel wil bewijzen, bewijst niets. Terwijl gij spreekt over vóórhistorische tijden en menschen en dieren, haalt gij aan Julius Caesar, Plinius on Seneca, die over dieren

-ocr page 48-

36

spreken als den bison enz., dieren die nu niet meer zouden bestaan, wat eene onwaarheid is, daar zij, al is het niet in hunne oudste kwartieren, toch nog bestaan. quot;Wat echter erger is, om iets uit uwen vóórhis-torischen tijd te bewijzen, neemt gij telkens uwe toevlucht tot den historischen en verwart het een met het ander.

Maar, gij zult mij zeggen, al is het waar dat die dieren niet uitgestorven zijn, dan bewijst dat nog niet dat zij niet vóór Adam of vóór den historischen tijd geleefd hebben. Goed, mijnheer, èn als zij dat niet bewijzen, dan bewijzen zij ook niet het tegendeel.

Winkler zegt ons op bldz. 36 van zijn mooi werk:

„De merkwaardigste ontdekking in dit opzicht is die „van eenen geheelen mamraouth, in het ijs op het strand „van de ijszee. In 1799 ontdekte een toengoesche vis-„scher aan den mond van de Lena een groot dood dier „in een ijsblok. Eenige jaren later was dat ijsblok zoo „ver weggedooid, dat men in dat dier een olifant herkende. In 18Ü6 vond Adams, die voor het museum „van Petersburg reisde, het dier bijna geheel van het „ijs bevrijd, en het vleesch grootendeels door wilde „dieren afgevreten. Hij zag met verbazing, dat de huid „met veel wolhaar, waartusschen lange ruwe haren „stonden, bedekt was geweest.quot;

Wat bewijst nu dit sterk citaat? Niets anders dan dat die mammouth eenigen tijd in het ijs heeft gezeten, waartusschen hij levend of dood was ingeraakt, maar wie maakt het uit, of hij ééne, dan wel tien of twintig eeuwen daarin iiad gezeten; maar om daarin een vóórhistorisch dier ouder dan zestig eeuwen te bepalen, laten wij liever een pintje drinken, mijnheer, dat hebben wij veel zekerder.

En nu uw hoofdbewijs, mijnheer, omtrent de vindingen van uwe vóórhistorische menschenbeenderen: bldz. 62 en 63.

-ocr page 49-

87

„Men moot dus aannemen dat de ophoopingen van „dieren- en menschenbeenderen in de meeste holen, eene „andere oorzaak hebben als liet verblijf van den mensch „en van eenige wilde dieren in die donkere schuilhoeken. „Men onderstelt dan ook dat die beenderen veelal in do „holen gevoerd en afgezet zijn door „ioaterslroomeri\\ „Die onderstelling wordt zeer waarschijnlijk door het „feit dat men altijd gerolde keien met die beenderen „vermengd vindt, en die keien zijn niet afkomstig van „het gesteente waarin liet hol ligt, maar zijn van an-„dere plaatsen aangevoerd. Dikwijls zelfs vergezellen „land- en zoetwaterschelpen, slakkehuisjea, enz. dc been-„deren. Veeltijds ziet men ook dat de dijbeenderen en „armbeenderen der groote zoogdieren ronde kanten heb-„ben, 011 dat kleine beenderen tot gerolde brokjes zijn „geworden. Dat zijn zekere teekenen, dat die beenderen „eenmaal door waterstroomen zijn vervoerd, waterstroo-„men die krachtig genoeg waren om alles mede te slepen, „beenderen, aarde en keisteenen die zij op de oppervlakte der aarde aantroffen, voordat zij verdwenen in „de diepte der aarde!quot;

Nu is al het mooie er af. Do groote waterstroomen hebben alles gedaan. Dat meende men vroeger ook; do algemeene overstrooming of de Zondvloed was een der hoofdoorzaken van het verspreid of bijeen liggen van vele heterogene zaken; nu meende men een nieuwe uitlegging te vinden, en... Winkler zegt juist hetzelfde. Wat de Zondvloed met zijnen flux en reflux nog gelaten had, dat deden later de overstroomingen der rivieren; zoodat nog niet eens bewezen is of die bewerktuigde fossielen afkomstig zijn van wezens die vóór of na den Zondvloed leefden, dus niet eens kan gezegd worden of zij minder dan vierduizend jaren oud zijn dan wel vijf a zesduizend.

Mijnbeer Winkler, hoe smaakt die manilla?

-ocr page 50-

38

12. De fopperij is do wereld nog niet uit.

la den goeden ouden tijd was een zeer wijze koning met name Salomon. Geen man was zoo sluw dat hij dien wijzen koning kon foppen; maar als die wijze man do bijen niet tot zijn dienst had gehad, dan was hij er toch nog ingeloopen door de sluwheid eener dame, die hem een paar bouquetten present deed, één natuurlijk en de andere fabriekswerk; maar de bijen vei klapten het geheim.

Om het geheim der moderne geologen te ontdekken, hebben wij gelukkig de wijsheid van Salomon niet noo-dig, omdat die geleerden niet zoo lijn en spitsvondig zijn als de dames; onze nieuwlichters verraden telkens zich zei ven.

Waaraan men de oudheid der beenderen kent, is eene voor iedereen op te lossen vraag, ten minste ieder kent verschil tusschen een been van eenen pas geslachten os, en eenzelfde been, dat eenige jaren onder den grond is gestopt geweest; maar hoeveel verschil er is tusschen een been dat vier of dat wat vijf eeuwen oud is, dat is zoo gemakkelijk nog niet uitgemaakt; dit hangt zelfs van zoovele omstandigheden en nevenzaken af, dat het bijna niet mogelijk is dit uit te maken. Wij schenken dus de heeren hun onderzoek en bijgevolg hunne bevindingen van beenderen van zes en meer dnizende jaren.

Moeten de geologen echter bekennen dat zij leelijk bij den neus zijn genomen door werklieden, die alle mogelijke oude instrumenten op het fijnst nabootsen — zelf zoo fijn dat Winkler bekent, dat men een uiterst knappe Piet moet zijn om de echte waar van de valsche te onderscheiden; niet minder ongelukkig zijn zij in het onderscheiden der gevonden beenderen. Hoeren wij mijnheer Winkler bldz. 312 van zijn mooi bock.

„Immers, de beenderen die in dat grint voorkomen,

-ocr page 51-

39

„zijn veelal zoo gebroken en gerold dat zij bezwaarlijk „te erkennen zijn, en sommige beenderen van groote „exemplaren van onzen hedendaagsclien bruinon beer, gelijken zoo precies op die van den holenbeer dat het zeer „moeielijk is beiden van elkander te onderscheiden.quot;

Wij behoeven niet ondeugend te zijn, om volgens dit aangehaalde de geheele geschiedenis van den holenbeer een verdichtsel te noemen; daar evenwel ook groote en kleine olifanten zijn, valt dit onder dezelfde rubriek: zoodat ten langen laatste de moderne geologen hunne eigen stelling bewezen hebben, nl.: dat alles wat zij ons vertellen over holenbeer en mammouth niets anders is dan raadsels en gissingen. Dus die groote geleerden donken met den grooten hoop: Mundus vult decipi: do wereld wil bedrogen worden; decipiatur ergo; .ook wij zullen den onnoozelen troep maar foppen.

13, Aan den haard of in dc herberg.

Do tijd is nog zoo lang niet voorbij, toen herbergen en cafó\'s tot de rareteiten behoorden, vooral op de dorpen. Eenigen beweren dat het toen een goede tijd was, omdat de huisgenooten na afgedaan work gezellig om den schijnenden haard gingen zitten, hun pijpje opstopten en geen geld verkwistten.

Wat ik echter volstrekt op dien tijd afkeur, is, dat dan gewoonlijk de oudste van hot gezelschap, soms een afgeleefde grootvader, begon mot geschiedenissen te verhalen, waarvan de een al onmogelijker was dan de andere (!) Hiervan was het gevolg, dat do menschen het hoofd vol kregen met muizennesten, geesten, spooken enz.; en waartoe kon dat dienen, dan tot het aankwee-ken van bijgeloof, domheid en wat dies meer zij? (!!!)

In onzen tijd is dat anders! Nu gaan de menschen, na oenen geheelen dag niet voel uitgericht te hebben, \'s avonds naar hot café, vorteoron daar de helft moor

-ocr page 52-

4U

dan zij op éénen dag verdienen kunnen, maken de sociale en politieke vraagstukken uit, beslissen over vrede en oorlog en... lijden thuis met vrouw en kinderen honger.

In welken tijd Winkler het meeste opgang zou hebben gemaakt, durf ik niet beslissen. Dat is ook om het even, want de man kan mooi vertellen, goed raadsels opgeven en in het gissen is hij zeer bedreven. Of hij echter in de tijden van grootvader met zijn neuswar-mortje, ook aandachtige toehoorders zou gevonden hebben, dat is wat anders. Deze hielden wel veel van vertelsels, maar zij kenden ook goed hunnen katechismus, en wat met deze leer niet overeen te brengen was, vond geen plaatsje in den kring.

Tegenwoordig zijn wel eenige luisteraars met open mond te vinden, maar zij hebben honger. Of die nu den mond open houden, omdat zij honger hebben of omdat zij de ooren gesloten houden, dat weet ik niet; of wel het spreekwoord moest waar zijn, dat een hongerige maag geen ooren heeft.

Nadat de aardige tijdkortende vertelsman ons eone geschiedenis heeft geschreven vóór de geschiedenis, toen de mensch voor het eerst op aarde verscheen, op eenen zekeren onbepaalden tijd als een dondergod uit de wolken gevallen, tot aan de Keltem of Oimbren in den histo-rischen of geschiedkundigen tijd — waarvan wij veel meer waars weten dan Winkler — zouden wij denken dat hij uitgepraat was na de laatste verklaring, dat hij tot dan toe niets anders had kunnen doen dan raadsels

en gissingen geven; maar jawel....., onze zegsman

moet nog eens terugkomen op den hoogen ouderdom van de wereld en hare eerste bewoners: dus zijn wij gedwongen met hem mede te reizen, willen wij ten minste niet verstoeten blijven van dit belangrijk stuk kennis.

-ocr page 53-

41

14. Wie lost dit raadsel op?

Pardon, dames en heeren, zorgt hier niet te struikelen.

„Doch wij moeten opmerken,quot; zegt ons Winkler op blz. 322, „dat do geologische bewijzen, hoe geschikt zij ook zijn om den langen duur aan te toonen van den tijd dien er verloopen is sedert die aardlagen gevormd zijn, toch niet voldoende zijn gebleken om de genoemde tijdperken in de geschiedenis van den mensch „tijdrekenkundigquot; te bepalen. En evenwel hebben wij tot heden niets anders, als hetgeen de geologie ons leert, tot eenigen grondslag om den tijd te bepalen waarin de makers van de vuursteenon werktuigen uit het diluvium in Frankrijk en Engeland leefden. Prestwich heeft aangetoond, dat er een zeer lang tijdperk moet zijn verloopen sedert de aardlagen begonnen afgezet of gevormd te worden, waarin wij nu vuursteenen werktuigen vinden..... Hij waarschuwt tegen eene te hooge schatting van dat tijdsverloop, en hij is niet ongenegen om de ontwijfelbare gelijktijdigheid van den mensch met den holenbeer, den mammouth, het neushoorndier en andere nu uitgestorvene zoogdieren, eerder te verklaren door te onderstellen dat die dieren in liet loven gebleven zijn tot in eenen lateren tijd dan men gewoonlijk aanneemt, dan wel door te onderstellen dat het aanwezen van den mensch op aarde tot in een ontzaglijk lang geleden tijdvak terug gaat. Prestwich besluit zijn betoog met de volgende woorden: „dat wij onze tegenwoordige tijdrekening zeer ver moeten uitstrekken, ten opzichte van het eerste verschijnen van den mensch, is ontwijfelbaar zeker, maar dat wij bij honderd duizenden van jaren moeten rekenen, is, naar mijne overtuiging, in den tegenwoordigen staat van ons onderzoek, ongepast en voorbarig.quot;

„Maar een vergelijking van bijzondere typen met hetgeen op andere plaatsen gevonden is, bewijst dat er geen lijn van afscheiding aan te toonen is tusschen den

-ocr page 54-

4U

dan zij op éénen dag verdienen kunnen, maken de sociale en politieke vraagstukken uit, beslissen over vrede en oorlog en... lijden thuis met vrouw en kinderen honger.

In welken tijd Winkler het meeste opgang zou hebben gemaakt, durf ik niet beslissen. Dat is ook om het even, want de man kan mooi vertellen, goed raadsels opgeven en in het gissen is hij zeer bedreven. Of hij echter in de tijden van grootvader met zijn neuswar-mortje, ook aandachtige toehoorders zou gevonden hebben, dat is wat anders. Deze hielden wel veel van vertelsels, maar zij kenden ook goed hunnen katechismus, en wat met deze leer niet overeen te brengen was, vond geen plaatsje in den kring.

Tegenwoordig zijn wel eenige luisteraars met open mond te vinden, maar zij hebben honger. Of die nu den mond open houden, omdat zij honger hebben of omdat zij de ooren gesloten houden, dat weet ik niet; of wel het spreekwoord moest waar zijn, dat een hongerige maag geen ooren heeft.

Nadat de aardige tijdkortende vertelsman ons eone geschiedenis heeft geschreven vóór de geschiedenis, toen de mensch voor het eerst op aarde verscheen, op eenen zekeren onbepaalden tijd als een dondergod uit de wolken gevallen, tot aan de Keltem of Oimbren in den histo-rischen of geschiedkundigen tijd — waarvan wij veel meer waars weten dan Winkler — zouden wij denken dat hij uitgepraat was na de laatste verklaring, dat hij tot dan toe niets anders had kunnen doen dan raadsels

en gissingen geven; maar jawel....., onze zegsman

moet nog eens terugkomen op den hoogen ouderdom van de wereld en hare eerste bewoners: dus zijn wij gedwongen met hem mede te reizen, willen wij ten minste niet verstoeten blijven van dit belangrijk stuk kennis.

-ocr page 55-

41

14. Wie lost dit raadsel op?

Pardon, dames en heeren, zorgt hier niet te struikelen.

„Doch wij moeten opmerken,quot; zegt ons Winkler op blz. 322, „dat do geologische bewijzen, hoe geschikt zij ook zijn om den langen duur aan te toonen van den tijd dien er verloopen is sedert die aardlagen gevormd zijn, toch niet voldoende zijn gebleken om de genoemde tijdperken in de geschiedenis van den mensch „tijdrekenkundigquot; te bepalen. En evenwel hebben wij tot heden niets anders, als hetgeen de geologie ons leert, tot eenigen grondslag om den tijd te bepalen waarin de makers van de vuursteenon werktuigen uit het diluvium in Frankrijk en Engeland leefden. Prestwich heeft aangetoond, dat er een zeer lang tijdperk moet zijn verloopen sedert de aardlagen begonnen afgezet of gevormd te worden, waarin wij nu vuursteenen werktuigen vinden..... Hij waarschuwt tegen eene te hooge schatting van dat tijdsverloop, en hij is niet ongenegen om de ontwijfelbare gelijktijdigheid van den mensch met den holenbeer, den mammouth, het neushoorndier en andere nu uitgestorvene zoogdieren, eerder te verklaren door te onderstellen dat die dieren in liet loven gebleven zijn tot in eenen lateren tijd dan men gewoonlijk aanneemt, dan wel door te onderstellen dat het aanwezen van den mensch op aarde tot in een ontzaglijk lang geleden tijdvak terug gaat. Prestwich besluit zijn betoog met de volgende woorden: „dat wij onze tegenwoordige tijdrekening zeer ver moeten uitstrekken, ten opzichte van het eerste verschijnen van den mensch, is ontwijfelbaar zeker, maar dat wij bij honderd duizenden van jaren moeten rekenen, is, naar mijne overtuiging, in den tegenwoordigen staat van ons onderzoek, ongepast en voorbarig.quot;

„Maar een vergelijking van bijzondere typen met hetgeen op andere plaatsen gevonden is, bewijst dat er geen lijn van afscheiding aan te toonen is tusschen den

-ocr page 56-

4U

dan zij op éénen dag verdienen kunnen, maken de sociale en politieke vraagstukken uit, beslissen over vrede en oorlog en... lijden thuis met vrouw en kinderen honger.

In welken tijd Winkler het meeste opgang zou hebben gemaakt, durf ik niet beslissen. Dat is ook om het even, want de man kan mooi vertellen, goed raadsels opgeven en in het gissen is hij zeer bedreven. Of hij echter in de tijden van grootvader met zijn neuswar-mortje, ook aandachtige toehoorders zou gevonden hebben, dat is wat anders. Deze hielden wel veel van vertelsels, maar zij kenden ook goed hunnen katechismus, en wat met deze leer niet overeen te brengen was, vond geen plaatsje in den kring.

Tegenwoordig zijn wel eenige luisteraars met open mond te vinden, maar zij hebben honger. Of die nu den mond open houden, omdat zij honger hebben of omdat zij de ooren gesloten houden, dat weet ik niet; of wel het spreekwoord moest waar zijn, dat een hongerige maag geen ooren heeft.

Nadat de aardige tijdkortende vertelsman ons eone geschiedenis heeft geschreven vóór de geschiedenis, toen de mensch voor het eerst op aarde verscheen, op eenen zekeren onbepaalden tijd als een dondergod uit de wolken gevallen, tot aan de Keltem of Oimbren in den histo-rischen of geschiedkundigen tijd — waarvan wij veel meer waars weten dan Winkler — zouden wij denken dat hij uitgepraat was na de laatste verklaring, dat hij tot dan toe niets anders had kunnen doen dan raadsels

en gissingen geven; maar jawel....., onze zegsman

moet nog eens terugkomen op den hoogen ouderdom van de wereld en hare eerste bewoners: dus zijn wij gedwongen met hem mede te reizen, willen wij ten minste niet verstoeten blijven van dit belangrijk stuk kennis.

-ocr page 57-

41

14. Wie lost dit raadsel op?

Pardon, dames en heeren, zorgt hier niet te struikelen.

„Doch wij moeten opmerken,quot; zegt ons Winkler op blz. 322, „dat do geologische bewijzen, hoe geschikt zij ook zijn om den langen duur aan te toonen van den tijd dien er verloopen is sedert die aardlagen gevormd zijn, toch niet voldoende zijn gebleken om de genoemde tijdperken in de geschiedenis van den mensch „tijdrekenkundigquot; te bepalen. En evenwel hebben wij tot heden niets anders, als hetgeen de geologie ons leert, tot eenigen grondslag om den tijd te bepalen waarin de makers van de vuursteenon werktuigen uit het diluvium in Frankrijk en Engeland leefden. Prestwich heeft aangetoond, dat er een zeer lang tijdperk moet zijn verloopen sedert de aardlagen begonnen afgezet of gevormd te worden, waarin wij nu vuursteenen werktuigen vinden..... Hij waarschuwt tegen eene te hooge schatting van dat tijdsverloop, en hij is niet ongenegen om de ontwijfelbare gelijktijdigheid van den mensch met den holenbeer, den mammouth, het neushoorndier en andere nu uitgestorvene zoogdieren, eerder te verklaren door te onderstellen dat die dieren in liet loven gebleven zijn tot in eenen lateren tijd dan men gewoonlijk aanneemt, dan wel door te onderstellen dat het aanwezen van den mensch op aarde tot in een ontzaglijk lang geleden tijdvak terug gaat. Prestwich besluit zijn betoog met de volgende woorden: „dat wij onze tegenwoordige tijdrekening zeer ver moeten uitstrekken, ten opzichte van het eerste verschijnen van den mensch, is ontwijfelbaar zeker, maar dat wij bij honderd duizenden van jaren moeten rekenen, is, naar mijne overtuiging, in den tegenwoordigen staat van ons onderzoek, ongepast en voorbarig.quot;

„Maar een vergelijking van bijzondere typen met hetgeen op andere plaatsen gevonden is, bewijst dat er geen lijn van afscheiding aan te toonen is tusschen den

-ocr page 58-

46

good herlezen, dan breekt gij niet op do ecne bladzijde af, wat gij op de vorige geschreven iiebt. Een klein voorbeeldje tot opheldering:

Om uwen ijstijd te bewijzen, wijst gij op de grooto steenen, die soms hier on daar eenzaam verspreid liggen, en niet anders dan in don boezem van eon ijsschots •aldaar kunnen aangebracht zijn; en om don circulus vitiosus klaar voor te stellen, bewijst gij die aanwezigheid der steenen door eonen ijstijd — om u to ontslaan van oenen Zondvloed, waarvan volgens u de geleerden niets afweten.

Maar nu gaat gij een paar bladen verder, en bewijst het aanwezig zijn dier steenen door oenen „algemoenon vloedquot;, en dan ook, volgens n, dien algemoenon vloed door het hier en daar verspreid liggen van steenon. Op blz. 63 toch van uw mooi werk verzekert gij:

„Dat zijn zekere toekons, dat dio beenderen eenmaal door waterstroomen zijn vervoerd, waterstroom en die krachtig genoeg waren om alles mede te slepen, beenderen, aarde en keisteeneu die zij op de oppervlakte der aarde aantroffen, voordat zij verdwenen in do diepte der aarde.quot;

Ook spreekt gij hier, misschien zeer onwillens, inden trant van Mozes, uw doodvijand. Want, groote geleerde! alleen de wateren van de „algemeene overstroomingquot; waarvan de geologen niets afweten volgens u, dus do wateren van den Zondvloed verdwenen in de diepte der aarde; terwijl bij elke plaatselijke overstrooming do wateren zich oenen anderen uitweg zoeken naar zee, of wel een meer of dergelijkon achterlaten, maar niet in do diopte der aarde verdwijnen, al gaat ook van zulke massa eenig water weg, wat door den grond wordt opgezogen.

17. Kreeftengang en gordijnen-preek.

Mijn moeder, een eenvoudige maar wijze vrouw, zeide

-ocr page 59-

47

altijd: Jongon wacht u voor don hoogmoed, want dat is de eerste hoofdzonde. In dien tijd nam ik die wijze lessen gretig aan, maar meestal verstond ik daarvan niet veel. Zoo was het ook met die les van den hoogmoed.

Waarlijk, ik werd heel wat anders dan hoogmoedig: ik werd kleingeestig, zoo zelfs dat ik geen enkel ongelijk duldde, maar ongenadig iedereen, die iets misdreef, don mantel uitpoetste. Hieruit begrijpt een ieder dat ik geen misslagen bedreef, ja boven allen lof verheven was? Ziet dan, of ik niet nederig beken een arme afstammeling van Adam, een zondaar te zijn.

Iemand uitpoetsen, omdat hij misdoet, dat moet men niet; men moet alle ongelijk verduldig verdragen, en hetgeen tegen ons misdaan is, vergeven; dat is christelijk, zoo betaamt het.

Dit laatste is een gulden regel, dien men leert als kind maar de geest — niet liet lichaam, mijnheer Winkler — heeft verscheiden ontwikkelingsjaren noodig om dit te begrijpen. Het is ook een zeer gemakkelijke regel, dit beseft men eerst als men op jaren komt; zoolang het bloed nog met stoom door de aderen gaat, kan men wol vergeven, maar met de restrictie van niet te vergeten. Zooals dan gozegd, met de jaren komt verstand; dit begrijp ik nu al tamelijk goed. En toch geen regel zonder uitzonderingen, en dus gebeurt het ook al eens, dat met de jaren geen verstand komt; zelfs gebeurt nog iets meer: wonderlijk genoeg gaat met de jaren het verstand achteruit.

Dit is nu geheel in tegenstelling met de leer van Winkler, en toch hij zal dit niet kunnen ontkennen. Maar die achteruitgang van verstand is toch tweeërlei; bij sommige menschen begint hij op zeventig of tachtigjarigen leeftijd, maar daar zijn ook menschen bij wie dit wat eerder voorvalt.

Of zou er iemand aan kunnen twijfelen dat het een teeken van achteruitgang is in do verstandelijke ver-

-ocr page 60-

48

raogens van menig zich noemend geoloog, wanneer deze eene niet alleen van God geopenbaarde waarheid, een niet alleen onloochenbaar geloof, maar zelfs eene door allo eeuwen heen bewezen en aangenomen geschiedenis verwerpt, om met iets nieuws voor den dag te komen, dat men reeds eene wetenschap gelieft te noemen, zonder voor dat nieuws ook maar het geringste bewijs te vinden!

Zeker, mijnheer Winkler, zoo iemand is reeds gekrenkt in zijne verstandelijke vermogens; want zulk gevaarlijk spel drijft men alleen uit hoogmoed om zich een naam, een beroemden, een grooten naam te maken.

Echter, moderne geologen, de geschiedenis zegt ons, dat toen Adam uit hoogmoed gevallen was, dat hij toon werd voor den gek gehouden door twee wezens, die veel meer wisten dan wat Adam door zijne kennis van goed en kwaad had opgedaan. De duivel lachte nu in zijn vuistje om de kennis van Adam; maar God zelf zeide; Ziet, do mensch is geworden gelijk een van ons! — Ziet Winkler is geworden gelijk één van ons! —

Zoo iets veroorlooft men zich in onze huidige wereld! En dat omdat men één enkel bewijs niet kan leveren, terwijl men er toch honderd voor hot grijpen en vangen heeft! Eerlijk echter bekend, is dat ook een allerrampzaligst bewijs, omdat het de hoeksteen is van het geheele gebouw, waarmede het geheele stelsel staat of valt. Want kan de ontwikkelings-theorie niet bewezen worden, dan moet de mensch geschapen zijn, en is de mensch geschapen, dan is Mozes in \'t gelijk, en dan hebben allo goddelooze geologen ongelijk.

Praatjes zijn goedkoop, maar Cuvier, een groote baas op geologisch gebied, was van geen praatjes gediend, en die verklaart, even als Linné, elke diersoort voor eenen vaststaanden vorm, scherp gescheiden ook van zijne naastverwante soorten; ook riep hij eens alle nieuwer-wetsche zoölogen en palaeontologen op, om uit de vroegere

-ocr page 61-

49

of tegenwoordige dierenwereld een enkel voorbeeld van overgang, een enkelen tusschenyorm of verbindingslid, tusschen welke soort ook, aan te wijzen. Ofschoon de geheele geleerde moderne wereld over zulke stoutigheid in beroering kwam, bleef men stilletjes thuis, en die uitdaging bestaat nog, en niemand durft den handschoen oprapen.

Gij, mijnheer Winkler, durft hem ook niet aan; maar wie wil voor de vierschaar gedaagd worden van: v. d. Hoeven, Cu vier, Flourens, de Quatrefages, d\' Archiac, Marchison, Wagner, Owen, de Blainville enz. allen geologen en palaeontologen, die tegenstanders zijn uwer ontwikkeling en Darwin\'s theorie bestrijden!

4

-ocr page 62-

A FDRULI NG TI.

1. Bespiegeling.

Geologie, palaoontolngie en nog andere ...gie zijn bekende namen, maar labyrinthen van dwalingen; daarom vindt mon aan die wetenschap zonder onwrikbare dor/ma\'s noch in- noch uitgang; dit heeft Winkler ondervonden bij liet schrijven van zijn mooi boek. Ik gevoel deswege geen trek iets over geologie te schrijven, en dit had Winkler ook niet moeten doen, dan was op hem niet toepasselijk het woord van Hutton: „wanneer onze verbeelding dingen te voorschijn roept, waarvan in de natuur geen voorbeeld gevonden wordt, dan schrijven wij sprookjes in plaats van natuurlijke historie.quot;

Op den Zondvloed terugkomende, waarover wij een paar bladzijden vroeger schreven, dienen wij de aandacht er op te vestigen, dat alle uitstekende geologen aannemen dat ook reeds voor den Zondvloed groote catastrophen en revoluties der aarde hebben plaats gehad; en ook is het zeker dat de aarde of liever de wereldbol voor dien Algemeenen Vloed geheel anders gesteld was wat zijne oppervlakte van land en zee, bergen, dalen, rivieren enz. betreft, dan na dien vloed. — Dit mag ons niet verwonderen, als wij weten dat volgens verklaring der knapste geologen de natuur (God) bij dien vloed eene kracht ontwikkelde, waarvan geen weerga bestaat. Te minder nog zal het ons bevreemden.

-ocr page 63-

51

als wij willen toezien hoe het tegenwoordig op den aardbol toegaat, welke gedurig over zijne geheele uitgestrektheid veranderingen ondergaat: de zee legt op de eone plaats neer wat zij op eene andere heeft opgenomen, stroomen en rivieren brengen grint, zand enz. uit hooger gewesten naar hunne monding, graven hun bed hier uit om het ginds op to hoogen enz. Overstroomingen brengen in enkele dagen de grootste veranderingen te weeg; aardbevingen en vuurspuwende bergen doen in korte oogenblikken uitgestrekte plaatsen van aanzien veranderen, landen verdwijnen, meren en eilanden ontstaan in een ommezien —■ en dit alles zonder die schrikwekkende krachten van den Algemeenen Vloed. Waarom zou men nu twijfelen of deze gewone natuurkrachten ook niet vóór den Zondvloed, gedurende de 1656 jaren van af de Schepping hun invloedrijk werk gedaan hebben?

2, Zonder overgang.

In Munsterland had men eens vuursteenon opgedolven, die volgens de geologische berekeningen eenige duizende jaren oud moesten zijn: mooie oudheidkundige instrumenten, die met de meeste zorg bijeen verzameld en bewaard werden; ongelukkig brak eens een dier vunr-steenen uit den voorhistorischen tijd en...... toen verbrijzelden de groot! geleerden al die mooie kostbare steenen: want ziet gij, lezer, in dien eersten ongelukssteen zaten munten, en toen zaten munten in al die oude vuursteenen werktuigen, en die munten waren bisschoppelijke munten uit die zestiende en zeventiende eeuw; zoo verhaalt ons Reusch in zijn Bibel undNatur bldz. 479.

Over de steenen werktuigen moet nog veel gezegd worden, maar om eens wat adem te scheppen, zullen wij een ander thema gaan nemen. Alleen stip ik in \'t voorbijgaande aan:

-ocr page 64-

Als Adam reeds velo werktuigen kende on Noë reeds goed op de hoogte van akkerbouw enz. was, en een kleinzoon van Adam erts en ijzer verwerkte, waarom gingen dan van lieverlede die kundigheden weer verloren en namen de menschen hunne toevlucht tot die minder volmaakte steenen werktuigen? Robinson Crusoë zou dit vraagstuk heel goed kunnen oplossen; maar waarvan komt het dat een vader dikwijls zeer knap is in een of ander bedrijf, en zijn zoon met alle mogelijke moeite daarvan maar niets kan begrijpen! En als die zoon nu na zijns vaders dood de spullen van dezen te gelde maakte en naar eene eenzame plaats ter wereld trok; wat zou die zoon, gehuwd zijnde, in die eenzame van alle verkeer verstokene plaats aan zijne afstammelingen loeren! Deze zouden van meet af moeten beginnen.

Welnu dergelijke slimmerikken zullen er ook wel bestaan hebben, toen de menschen zich van uit Babel over de geheele wereld verspreidden.

Nu, vuursteenen, tot later.

3, Een slaapdrankje.

Eer ik nu vorder eene hoofdzaak van den voorhisto-vischen mensch bij den kraag pak om hem uit te schudden, moet ik wat tijd hebben om mij te bedenken. Do lezer begrijpt dit wel niet, maar ik kan maar niet schrijven zooals ik wil; ik moet mij eens op nieuw gaan laten beslaan. Ondertusschen zullen wij ons bezig houden met een mooi vertelseltje van Benoit de Maillet:

Sommige visschen zijn vogels geworden: dit kwam door dat die visschen eenen gestadigen trek gevoelden om boven den waterspiegel op te springen en zich in de lucht to verheffen, zoo kregen zij de faculteit van te vliegen; in die vlucht werden zij eens eenen keer naar het land gedreven door eenen storm: (menschen waren nog niet uit dieren ontwikkeld, en do wereld was gansch

-ocr page 65-

53

anders clan thans;) langs het strand der zee dan stonden boomen en in dit geboomte verdwaalden de visschen. Daar zaten die arme visschen — die volgens onze domme meening buiten het water niet kunnen leven — in de takken der boomen te kijken, en hielden zich goed vast met de buikvinnen; die buikvinnen werdenpootendoordat zij gebruikt werden om zich vast te houden; dit begrijpt men wel slecht, maar het is toch zoo. Wat men beter begrijpt is dat de borstvinnen vleugels werden, ook door het gebruik; ook begrijpt men goed, dat de schubben door het gebruik vederen werden; — men moet alles maar weten te gebruiken; — de afzonderlijke organen ondergingen nog eenige geringe wijzingen; kop en staart werden bij eenige visschen wat langer, bij anderen wat korter, en nu — na die metamorphose, die in een paar dagen klaar was — begonnen die nieuwbakken vogels stoute luchtsprongen te maken, en na eeuigen tijd — een vasten van oen goed rond jaar •— kregen de vogels honger en vlogen uit de boomtakken om voedsel te zoeken.

Eenige vogels hunne adellijke afkomst niet gedachtig, kregen er trek in hunne oude kameraden op te peuzelen en zetten zich op het water, alwaar de kleine visschen aan hunne lekkere pooten kwamen zuigen, die door de vogels dan gesnapt werden. Dikwijls echter zakten de vogels met hunne pooten in slijk en moeras, en dan moesten de vogels hevig trekken om de pooten uit het slijk los te krijgen: dit gebruik van trekken verlengde de beenen der vogels; maar nu moesten zij met den bek dieper reiken om het voedsel te grijpen, en dit gebruik verlengde den hals en den bek.

Andere vogels kregen lust in hunne natuurgenooten te verorberen. Zij moesten deze dus grijpen, maar wanneer zij ze gegrepen hadden, moesten zij op hunne pooten gaan staan en hadden niets anders om hun prooi vast te houden dan den bek, maar hiermede moesten zij eten;

-ocr page 66-

54

daarom gebruikten zij eerst óónen vleugel en later twee vleugels, en door het gebruik werden de vleugels voor-pooten. Door het goed en veelvuldig gebruik werden de pooten klauwen en do klauwen vingers; ook waren intusschen do vederen tot haren overgegaan, en in plaats van een mooie vederen pluim kregen zij eenen leelijken staart op hun achterste. Hier en daar werd door het gebruik nog een kleinigheid veranderd, en zoo zijn wij eindelijk gekomen tot den aap.

13e aap dan, een zeer verstandige knaap, zegt zeker iemand, nam eens een philosophischo positie aan, en zette zich aan het denken. Door het gebruik van het denken, kreeg hij verstand, — of andersom? — deéóne aap schoor den anderen de huid kaal, en klaar is de... moderne geoloog met de... geschiedenis vóór de geschiedenis.

Gelooft gij mij niet, gelooft dan maar de groote mees-tors der moderne geologie met hunne ontwikkelings-theorie.

En gij moet die hoeren niet zoo driestweg zeggen, dat alles bastaarden waren, en dat bastaarden onderling onvruchtbaar zijn. Immers do wereld is daar met hare bewoners om het tegendeel te bewijzen, anders zal do muilezel u wel overtuigen!!

Ook als een dier in zijn ontwikkeling steken bleef, weggenomen door den dood, dan kwam terstond een ander, deed gauw eenige sprongen, was dan zoover als zijn overleden natuurgenoot en begon van daaruit do ontwikkeling, zoodat toch nooit stilstand was; bijna zooals dat thans gebeurt, wanneer een locomotief ontspoort, fluks wordt een ander ontboden, cn deze zot de reis voort.

Wat was het tocli in mijn kindsche jaren een schoone tijd. s Avonds verzamelde een troep volk in de smidse, en daar werd mooi verteld. Wij kinderen mochten ook daarheen, omdat do smid een braaf christelijk man was, die met zijn twee ooren luisterde of de ver Leisels ook vuurvast waren. En dan die zuchtende blaasbalg, die

-ocr page 67-

gloeiende ijzerstaaf, die rondspattende vonken, die for-sche hamerslagen, die door den gloed glimmende gezichten

en dan die mooie raadsels, gissingen on vertelsels......

Zoo deden de domme boeren op de dorpen, en nu de vraag: als men boven aangehaald natuurlijk verhaal hoort, dan vragen wij, welk prefereer je van do twee, wat zou wel het domste zijn, het thans of het vroeger!

4. Voorheen en thans.

Toen ik zes jaren oud was, zeide mijn vader: Toe, jongen, naar de school, gij moet een geleerd man worden. Dat toette in mijne ooren als hagelsteenen. Het ideaal des meuschen begon voor mij, nl. naar de school gaan en geleerd worden.

Ik zal hier niet in bizonderhoden treden omtrent het verschil van leerwijzen toen en thans, genoeg dat het onderwijs toen godsdienstig en goed was, goed vooral omdat het beperkt bleef tot de noodzakelijke vakken; vooral werd onze moedertaal goed geleerd, en aan mijnen ouden braven schoolmeester — voordien een geacht ridder van de naald met eenen vierkanten ellenstok -heb ik het te danken, dat ik in mijne moedertaal een weinig thuis ben. Wel is waar heb ik in lateren tijd nog wat andere huismeubels in mijn brein geplaatst; daar ik echter niet van overtolligen ballast houd, heb ik van deze weer eenigen aan de deur gezet, en slechts de noodzakelijkste behouden. Door het behoud der noodzakelijkste, maar ook voor hun behoud las ik eens bij Kardinaal Wiseman, in zijne voordrachten te Rome gehouden, het volgende:

„Na al het voorgaande, schijnt de gevolgtrekking wel overbodig, dat de Christelijke Religie geen belangstelling behoeft te hebben bij do natuurwetenschappen. En toch waren oudtijds en ook nu nog mannen, die tegen de geologie opkomen, ofschoon juist deze wetenschap de

-ocr page 68-

56

sclioonsto en doorslaanste bewijzen voor den Christelijken godsdienst oplevert, en nog nooit liet geringste bewijs er tegen heeft kunnen leveren.quot;

„Daar zijn in alle tijden wehneenende Christenen geweest die meenen dat wetenschap en litterarischo geleerdheid onmogelijk kunnen samengaan met den ijver voor heiliger plichten, of dat zij den geest aftrekken van de betrachting der hemelsche zaken, on dat zij die bestendige heiligheid der gedachten storen, naar welker bezit ieder Christen steeds moet streven; ook meenen eenigen hunner dat een dergelijk streven in de H. Schrift duidelijk veroordeeld wordt op die plaatsen waar zij opkomt tegen de wijsheid dezer wereld... Maar hooren wij hieromtrent den grooten Clemens van Alexandria waar hij zegt Stromata L 1. c. 2. T. I. p. 327. dat veelvuldige en rijke geleerdheid het vertrouwen der toehoorders wint voor hem, die de groote dogma\'s van ons

H. Geloof verkondigt, terwijl zij zijne volgelingen met bewondering vervult en hun de waarheid aantrekkelijk maakt. Dit merkte Cicero reeds op als hij zeide: Magna est enim vis ad persuadendum scientige.quot;

Hierna verklaart Clemens op wetenschappelijke wijze verscheidene zaken uit de IJ. Schrift; het aanhalen van deze zou ons te ver voeren.

„De H. Basilius de Groote gold in zijnen tijd als een groote voorstander en verdediger der profane wetenschap... Op ééne lijn met hem staat de H. Gregorius van Nyssa... De II. Gregorius van Nazianze ging in zijn streven nog verder... Juliaan de afvallige begreep het nut der wetenschap zoo goed, dat hij een decreet uitvaardigde, waarbij den Christenen het bezoek der openbare scholen en het verwerven van wetenschappelijk onderricht verboden werd. (Zie hierover Socr. Ilist. Eccl.

I, 12) en dit, zegt Baco, werd voor eene noodlottiger machinatie gehouden dan de bloedige vervolgingen zijner voorgangers.quot; P. I. Cap. XV, p. 112.

-ocr page 69-

57

„Evenals die mannen in de Oostersche Kerk dachten ook groote en geleerde heiligen in de Westeische. De H. Hieronyraus vaart zelfs bitter uit tegen diegenen „welke — zooals hij zegt — onwetendheid voor heiligheid houden, terwijl zij er zich op beroemen dat zij leerlingen zijn van arme visschers.quot; Ep. XV, ad M. In zijn schrijven, Adv. Jovin. toont bij in klare woorden aan, dat liet voor den Christen niet esne onwaardige maar eene belangrijke stadie is, den samenhang te zoeken tusschen de geopenbaarde waarheid en de menscholijke wetenschap, om dan te ontwaren hoe schoon die beiden hand aan hand gaan.quot;

„De H. Augustinus zegt dat de wereldsche wetenschap voor den theoloog van groot gewicht is, en voegt hierbij : Wanneer diegenen die zich wijsgeeren noemen, soms een waar woord met ons geloof overeenstemmend gesproken hebben, dan moeten wij dit niet alleen niet over het hoofd zien, maar dit tot ons eigen gebruik overnemen van hen, als zijnde zij hiervan de onrechtvaardige bezitters. De waarheden, vervolgt hij, die hier en daar in hunne schriften voorkomen, zijn als het reine metaal in de erts verborgen. Met hoeveel zulk edel metaal in goud en zilver beladen zagen wij den liefderijken leeraar, den zaligen martelaar Cyprianus uit Egypte trekken! Hoeveel dergelijke vonden Lactantius, Victorinus, Op-tatus, Hilarius enz.quot; De doet. dir. L II. Cap. 40.

Ik meen dat dit citaat lang genoeg is en meer dan overtuigend om nog de gezaghebbende stemmen uit latere eeuwen voor deze waarheid aan te halen. Overigens zijn de H. Bernardus, 11. Thomas, H. Anselmus enz., in dezen zin en in dit gevoelen over bekend.

En waren het niet de donkere kloostermuren die ons al de schatten van geleerdheid bewaarden en beoefenden in de middeleeuwen, toen vorsten en vandalen soms wedijverden om alle kennis en kunst te vernielen I

En zijn het niet, om nog een enkel te noemen, de

-ocr page 70-

58

Pausen van Rome, de heerschers op geestelijk en geestes gebied, welke niet nalaten hunne onderdanen op dat gebied aan te sporen hunne beste krachten aan de studie der wetenschappen te wijden!

Daar de mannen der wetenschap, van de moderne wetenschap, telkens en telkens op het gebied der onderen bevinding geslagen worden, brengen zij liever hun strijdkamp op het wijsgeerig gebied; maar iedereen dient te weten dat zij hierbij uitgaan niet van eene overtuiging, maar van een vooroordeel tegen de eeuwige Waarheid, welke steeds door alle eeuwen heen in de Roomsch Katholieke Kerk bewaard wordt.

De strijd voor den geloovige is dus heel gemakkelijk, als hij slechts het uitgangspunt van de ongeloovigen kent, cn weet van welke sophisterijen deze zich bedienen. Eenigen van deze heb ik in dit boekje bijeengebracht, met weglating evenwel van velen die te dom zijn om er eenige opmerkzaamheid aan te schenken.

Begrijpt men nu dat het in mijne ooren toette als hagelstcenen, toen men mij sprak van naar school gaan en geleerd te worden !

Al gelijkt dit hoofdstuk veel op een inleiding, tocii meende ik dat het nergens beter pastte, dan waar hot nu staat.

5. Domme menschen.

Als nu van mijne schoolkameraden eenigen dom zijn gebleven, dan moet dit don moderne geologen zeer verwonderen en ons niet. Zoo ook ging liet vroeger en gaat het nog in de wereld. Alle menschen stammen af van éénen vader Adam, en later van Noë. Zij zouden eene stad en eenen groeten toren bouwen. Daartoe gingen zij brikken bakken — Gen. KI: 3. — briksteenen ter dege door vuur gebakken, en in plaats van cement gebruikten zij aardpek. Maar zulken hoogen toren, dien

-ocr page 71-

59

mon over de geheelc wereld zou zien, dat was gekheid, want de wereld is rond; en God kon niet dulden, dat zooveel kostelijke tijd verknoeid werd, daarom zond hij hun de spraakverwarring, en alle pleizier was er af. Daar de verschillende stammen elkander niet meer begrepen, zocht ieder een plaats voor zich, waar hij zou gaan wonen met zijne stamgenooten van dezelfde taal.

Nu is het wel zeker, dat allen min of meer verstand hadden van bouwen, de een van brikken te vormen en te bakken, de andere van aardpek te bereiden, alweer anderen van te metselen, en... mijnheer Winkler met consorten verwondert het, dat alle volken dit later niet meer kenden, zooals behalve met het bouwen, nog met meer andere zaken het geval is, — en toch het waren alle kinderen uit ééne school. Dit komt omdat die heeren te geleerd zijn om te begrijpen hoe een klompenmaker een klomp kan klaar krijgen.

Dat mooi hoek moest vol, bet moest een dik boekdeel worden met zooveel bewijzen, dat aan ieder de moed moest ontzinken om den handschoen tegen Winkler op te nemen. Nu is het vol bewijzen en tegenbewijzen, vol wijsgeerige en sophistische redeneeringen, in één woord het bewijst zoo duidelijk een ladder van opklimming, dat men geen sport kan missen, als men maar de lantaarn volgt der moderne geologie. Hier en daar is wel een gebrekkige sport, maar men wordt gewaarschuwd niet te vallen. Ziet maar eens hoe Winkler een ongestoorde vooruitgang en ontwikkeling bewijst op bldz. 341 van zijn mooi werk:

„Op de Kanarische eilanden leefde in de veertiende eeuw een ras, dat men voor een Africaansch houdt, volkomen in den staat van het steentijdperk. Zij maakten bijlen, lancetten, messen en pijlpunten van obsidiaan, en ook bijlen van groen jaspis. Hun lansen waren lange stokken met hoorns. Het is mogelijk dat dit volk eens hot ijzer had gekend, en dat het die konnis had verloren

-ocr page 72-

00

door liet verhuizen naar deze eilanden, die geen ijzererts opleveren...quot;

Al geven wij toe, dat Winkler geen nagelaar is, zooals deze door zeker iemand beschreven wordt, toch ging het hem hier eventjes in het vleesch, en zich verbijtende vervolgt hij:

„...maar er is nooit een bewijs gevonden, dat het zoo geweest is.quot;

Nu, dan had men dit kunnen zwijgen, maar het boek moest vol, dat zouden wij haast vergeten hebben.

6, Een snuifje.

Wij zijn een stap te ver gesprongen, wij waren nog eerst aan de ontwikkeling der vogels, on nu zitten wij in eens in het steentijdperk uit de veertiende eeuw, wol te verstaan van onze jaartelling; maar ook met de ontwikkeling der vogels waren wij al te ver vooruit; maar dat komt omdat Avij in dat mooi werk nergens een begin vinden. Want het is toch zeker geen begin, als Winkler zegt; „Toen de mensch voor het eerst op aarde verscheenquot;; want die verschijnt, komt toch ergens van daan.

Nu, laten wij dat punt dan maar rusten. Winkler schreef eens: „Als dooi\' de eene of andere genetische wet de straaldieren voortgebracht hebben de gelede dieren, de gelede dieren de weekdieren, de weekdieren de gewervelde dieren, als do visschen voortgebracht hebben en voortbrengen de reptielen, do reptielen de vogels en de vogels de zoogdieren — dan moet dat voldoende zijn om het onafscheidelijk verband van den mensch met hetzelfde schema van ontwikkeling te bewijzen.quot; Aldus Winkler. Drie Vragen enz. bldz. 115.

Alzoo de mensch moet volgens Winkler zijn oorsprong zoeken bij het straaldier. Maar men veroorlove ons te vragen, wat het was, waaruit het straaldier zich ontwikkeld heeft!

-ocr page 73-

61

Daar echter de lozer met mij dio lange ongezouto en ongezuurdeosemde rij van ontwikkeling niet verlangt na te gaan, zullen wij maar in eens den Gordiaanschen knoop doorhakken; Winkler cum suis dan laat ons op het laatst uit een klein mosplantje of iets dergelijks te voorschijn kruipen. — Dat kunnen wij nog wel ontdekken aan het mossig haar van eenige menschen! — Verder zullen wij den oorsprong maar niet meer zoeken, nu weten wij genoeg. In deze mooie theorie — \'t is nog maar een theorie, en zal het nooit verder brengen, al zou zij zich nog zoo krachtig ontwikkelen — beroept Winkler zich steeds en vooral op groote mannen: natuurlijk vooraan op Darwin, dan op Lyell, Hooker, Huxlei enz. enz.

Men moet bekennen dat behalve Darwin, ook de andere genoemden wel meer clan eens in eenen Homerischen slaap vielen; maar Lyell voert tegen de leer eener hoogere ontwikkeling aan, dat bij de reptielen, die belangrijkeafdeeling der werveldieren, geen vooruitgang maar teruggang te bespeuren is; terwijl Hooker op zijne beurt bij vele planten, b. v. de cryptogamen, in plaats van hoogere bewerktuiging, eene duidelijke achterwaartsche beweging heeft opgemerkt. Aldus Lyell, Geological Evidences Chap. XX.

En zijn de mannen der ontwikkelings-theorie niet zelve bewijs genoeg tegen hun eigen leer! De geheele beschaafde wereld schrijft hare beschaving toe aan hot Christendom, en dit kan ook een Winkler niet ontkennen ; noemt dit nu beschaving, ontwikkeling, vooruitgang of hoe gij wilt. Welnu de nieuwerwetsche ontwikkelingstheorie wil van geen Christendom af weten, integendeel zij zoekt dit te ondermijnen — zoo mogelijk — en af te breken, om de menschen weer naar het heidendom terug te voeren. Is dit nu geen achterwaartsche beweging, is dit geen teruggaan? Zoodoende zullen die mannen weer heidenen worden, van heidenen weer oer menschen, van oermenschen weer beesten, van... maar laten wij hen daar blijven; of zij er misschien op hunne plaats waren!

-ocr page 74-

AFDEELTNG III.

1. Heerlijke schilderijen.

Aan mijne korte hoofdstukken ziet men wel, dat ik vooruit maak: ik heb dan ook in die weinige bladzijden reeds gesproken over veel zaken uit het mooie werk van Winkler. Ik heb nl. ver- en behandeld: drieafdeelingen, zestien hoofdstukken en meer dan drie honderd veertig bladzijden. Nu moest ik met Winkler het tijdvak der motalen aanvangen, en vooreerst het bronstijdvak.

Vooraf moeten wij weten dat Winkler ons vertelt

— en dus is het waar — dat de mensch gedurende de millioenen jaren zijner ontwikkeling in holen woonde. Dat dit zeker is, bewijst hij ons door dat menschen-beenderen gevonden zijn in holen — maar ook nog elders. Die beenderen zijn zeer dikwijls op de hoeken en kanten afgesleten, zoowat alsof zij van verre naar de holen ingerold waren, daarom hebben de menschen in de holen gewoond (!! !)

Nog een bewijs: Nergens vindt men overblijfsels van hunne huizen. Dus vóór de geschiedenis van den mensch waren geene huizen; juist zoo, maar ook geen menschen.

Laten wij nu eens een kijkje nemen in het bronstijdvak, en onthouden wij daarbij goed dat wij nog

— volgens Winkler — ons bevinden in de geschiedenis van den mensch vóór de geschiedenis van den mensch, dus vóór Adam, die meer dan vijf duizend jaren als

-ocr page 75-

63

oxordium hoeft gefigureerd, on door Winkler naar het middelstuk zijner vertelseltjes wordt overgebracht.

Attentie, als het u belieft, Winkler vertelt op bldz. 840.

„Een hoogst belangrijk feit, is de verschijning van het metaal in de geschiedenis van hot menschdom. De nakomelingen van do holen-bewoners van Périgord en van België en van de skandinaafsche kustbewoners waren rijp voor het ontvangen van metalen werktuigen, welker waarde zij weldra leerden kennen en achten. Uit de ellendige horden die hun honger stilden met het vleesch der dieren die zij op de jacht doodden, en die in kommer en gebrek hun bestaan voortsleepten, was een krachtiger slag van mensclc;\' ontstaan, die geleerd hadden sommige dieren te temmen en tot hun dienst te gebruiken, zoodat de bevrediging van hun behoeften niet meer van de twijfelachtige uitkomsten der jacht alleen afhankelijk was. De man woonde met vrouw en kinderen in een door hom-zelven gebouwde woning, voer in een door hem-zelven getimmerde boot over de rivier, hoedde met zijne kinderen de kudde en bebouwde het veld, terwijl de vrouw en dochters de huiden der geslachte dieren looiden en er kleederen van maakten, matten vlochten, het graan en boomvruchten inzamelden, meel maalden, brood bakten en den maaltijd gereed maakten.quot;

Nog al aardig verteld, mijnheer Winkler; gij hebt de Lappen en Finnen verlaten, en vertelt ons zoo iets ongeveer van de Nooren en Denen, — zooals het bij die volken heden toegaat. —

Maar, geleerde heer, in het vierde hoofdstuk van het tijdvak der geslepene steenen op bldz. 250 van uw mooi hoek, geeft gij ons eene mooie beschrijving en een mooi plaatje, en daarop zien wij:

Een vrouw die voor eenen grooten steen op do knieën ligt en meel maalt. — Onder ons gezegd is die vrouw erg onzedig; maar die was misschien nog in den staat van onschuld, omdat zij lang, zeer lang voor Adam en

-ocr page 76-

fi4

Eva leefde; ook kan het zijn, dat het gure weder in dat ruwe klimaat op die fijne gestalte nog geen invloed had! — Twee poedelnaakte bengels van zoo wat acht a tien jaren maken deeg en bakken brood. Een tamme hond met de tong uit zijn bek, ligt dit alles op zijn gemak te bekijken. In de verte, misschien op een kwartier uur afstand drijft de huisbaas eene koe, eene geit en een varken, zeker om die te hoeden. Onvergetelijk mooi hierbij is, dat de vrouw, in den figuurlijken zin, de broek aan heeft, want haar oogslag op hare dierbare wederhelft in de verte voorspelt hem bij zijne thuiskomst geen lekkere kom koffie!

Wat ik nu maar op te merken heb, mijnheer, is dat gij de dochters en de leerlooierij hier niet hebt bijgevoegd, anders is er geen verschil tusschen uwen mensch uit het steentijdvak en het bronstijdvak en — zooals gij zelf ons zegt — den mensch uit het huidig ijzertijdvak. Immers (afgezien van de naaktheid der beelden) zegt gij ons, dat het in het steentijdvak geschiedde: „volkomen op dezelfde wijs als nog heden geschiedt in de armste districten van Toscane.quot;

Prachtiger wordt uwe redeneering, wanneer gij zelf zegt; „Op den achtergrond van dezelfde plaat zien wij eenige tamme dieren. Daardoor wordt ons aangetoond dat het tijdvak der geslepene steenen ook dat is waarin sommige dieren getemd en tot huisdieren gemaakt werden ; dat de hond, het rund en het schaap (een geit staat er, als ik goed zie) toen reeds door den mensch onder het juk waren gebracht.quot;

Ik heb een neef, die staand volhoudt, dat men niet zou gelooven dat een stier drie duizend ponden kon zwaar zijn, als het niet (in drukfout) in de courant stond.

Het is met dat plaatje en met al de andere gelijk met de vertooningen op de kermis in vroeger dagen. Men liet een kladschilder een vreeselijk tooneel op een doek schilderen, en men verkondigde den toegestroomden hoop

-ocr page 77-

65

volk het vreeselijk feit dat in Achter-Indië had plaats gehad; en do huidige studenten gelijk de toenmalige toehoorders koopen die gedrukte geschiedenis, omdat zij vreeselijk waar is, want men ziet het op de schildering. (!!!)

2. Dooreen.

Dat is me eenen dooreen, zegt de oude huishoudster van Van Lennep, wie kan dat aan elkander knoopen! Dat zeg ik ook. Maar, wacht even, wij zijn b. v. bij Winkler in het steentijdperk eu lezen op bldz, 251: „Het zeil (van de schepen) is zeker ook reeds vroeg uitgevonden, doch het is tot heden onmogelijk te bepalen, wanneer dat gebeurd is. Waarschijnlijk evenwel niet vóór dat de mensch, reeds metalen bezat.quot; Is dit ook geenen dooreen? Kon hot zeil dan ook niet wachten tot honderd bladzijden verder in de verhandeling der metalen? Dus maar aangesukkeld.

3. Iets over wetenschap in betrekking op besohaving.

Nu de mensch een huis heeft, is hij volgens Winkler eensklaps een beschaafd man. Bldz. 347:

„Doch waar de man voor zich en de zijiion een woning bouwt, en een haard aanlegt, aan welke de vrouw de eereplaats inneemt...quot;

dus de vrouw wordt keukenprinses, en dat is genoeg 1!

„daar is de grond gelegd voor het familieleven, on daarmede voor beschaving. Bij den haard ontkiemen de zachtere gewaarwordingen die den mensch veredelen, en do samenleving aangenaam maken. Onmerkbaar ontstaan aan den haard de banden die het huisgezin aaneen binden, en met het besef van bij elkander te behooren, ontwaakt ook het plichtgevoel voor elkander te zorgen en elkander te beschermen.quot;

Met een enkele verbetering in den tekst is dit een

-ocr page 78-

6(5

zeer mooie uitwijding tpcjen Winkler\'s theorie. Hij voege slechts hierbij: „bij den godsdienstigen haard.quot;

Ik zeg: tegen Winkler\'s theorie, tegen allo godloochenaars, tegen allo liberalisten. Wat toch is hun streven?

Niets anders dan het willen vernietigen van allen positieven godsdienst, en het willen omverwerpen eener maatschappij, opgericht on gesteund door oenen positieven godsdienst, die het familieleven als een hoofdzaak beschouwt.

En wat wil men daarvoor in de plaats geven ?

Dit staat mot duidelijke woorden in do befaamde schoolwet van Nederland, nl. „christelijke en maatschappelijke deugden.quot;

Uitlegging: Christelijke deugden zonder Christendom, zonder Christus. Winkler cum suis, allen geletterden, roepen herhaaldelijk uit: „Gelukkig dat de wetenschap geene onwrikbare dogma\'s duldt.quot; Nu, hoeren, gelukkiger nog dat de dogma\'s naar geene wetenschap behoeven te vragen. Hij, die beiden gesteld heeft, heeft do dogma\'s als baas geschapen, en van deze de wetenschap tot dienstmeid gemaakt, of beter gezegd, tot slavin. Immers het is geen wetenschap, die niet de waarheid tot uitgangspunt en tot doel heeft. Dit blijkt volkomen uit de leer der moderne geologie. Wat zegt Winkler over zijn eigen leer: „Tot hiertoe hebben wij niets anders dan raadsels en gissingen;quot; en eerst daar waar hij zich op de Schriftuur begint te baseeren, daar heeft iiij wat anders. Welnu, die man durft die raadsels en gissingen wetenschap noemen, \'t is wat moois! En wat hebben die mannen, allen geleerden, nu kunnen aanhalen tegen de dogma\'s? Behalve raadsels en gissingen, niets. Zij kunnen geen begin vinden van het geschapene; zij kunnen geen enkel fossiel noch van fauna noch van flora aanhalen, waaruit zij ook maar in het geringste een enkel bewijs van ontwikkeling tot een ander soort kunnen bewijzen; zij kunnen door niets bewijzen dat de wereld

-ocr page 79-

67

ook maar een enkel jaar ouder is clan de Schriftuur ons zegt.

En dat is clan de wetenschap — een arme geblinddoekte — die tegen de dogma\'s moet opkomen!!

Maar het wegcijferen der dogma\'s is maar een doekje voor het bloeden, want die heeren moeten ronduit bekennen, dat de dogma\'s genomen zijn uit de H. Schrift en de Traditie. Alzoo door te schermen tegen de dogma\'s bevecht men de H. Schrift. En alweer onder de II. Schrift heeft men liet gemunt op God en op Jesus Christus. Zoo komen wij eindelijk tot een Christendom, tot Christelijke deugden zonder een God, zonder een Christus.

Een Christendom zonder Christus, een koningschap zonder koning, een koning zonder onderdanen enz. enz. make iemand zulken onzin eens uil! Denkt soms iemand, dat die quasi-geleerden iets ando-is voorhebbon, welnu ziethier eene aanhaling van Dr. 11. Sinia, dus een Dr., alias geleerde.

Op bldz. 471 Vragen van den Dag 1887, schrijft die man :

„Onder godsdienst behoeft men niet te verstaan \'t aankleven van vaste, onveranderlijke leerstellingen.quot; -Christelijke deugden ?!

„Met gemoedsleven behoeft men niet te bedoelen liet toegeven aan eene ziekelijke fantasie.quot; — Maatschappelijke deugden?!

„...Men kan onder godsdienst ook verstaan de vereering van die hoogere macht, welke in ons werkt en ons des te meer aanspoort, het goede te betrachten (en\' ook te doen, vraag ik K. E.) het kwade na te laten, naarmate wij vooruitgaan in ware beschaving; die macht waarvoor Faust geen naam had en waarvoor misschien geen betere naam voegt dan die van zedelijke macht... Wanneer men aan den godsdienst deze boteekenis hecht, dan durf ik beweren, (een sterk stuk, mijnheer, op een oude broek K. E.) dat wij Darwin niet erkentelijk genoeg kunnen zijn... Wij zullen dan beter\'t groote gebod leeren

-ocr page 80-

f58

gehoorzamen, hetwelk den grondslag van\'fc Christendom uitmaakt: „Wat go wilt, dat de menschen u doen, doe dat hun desgelijks.quot;quot;

Als het anders niet is, dan mag zulk Christendom zich in een regenbui te drogen hangen, dan hebben de menschen \'t hem niet gedaan. Maar verder:

„Men kan onder gemoedsleven verstaan gevoel voor \'t schoone, dat de dichter, de schilder, de beeldhouwer ons te genieten geven; vereering van alles wat goed en edel is, en bewondering van die grootsche Natuur, welke ons omringt, en zich steeds grootschor aan ons vertoont, naarmate de wetenschap haar veroveringsgebied uitbreidt; eerbied voor die onverklaarbare macht, welke haar in \'t aanzijn riep (wie mag dat zijn? K. E.) en dan voorwaar zal de studie der natuurwetenschappen in \'t algemeen en \'t aanhangen van Darwin in \'t bizonder ons niet maken tot koude, gevoellooze wezens, die enkel leven voor grof zinnelijk genot.quot;

Nu is het mooi genoeg; en de theorie is aardig gedacht en mooi opgesteld, en om de practische zijde er van te waardeeren, ga men maar eens kijken op de tentoonstellingen van kunsten enz.; daar vindt men zulke mooie gebeeldhouwde en geschilderde beelden, dat ieder ander, behalve belijders van het zoo even beschreven geloof, het schaamrood op het aangezicht komt. Die tentoonstellingen met al hunne naaktheid hebben veel weg van eenen beestenstal, en... laten iedereen gevoelloos...? Nog een practische kant van die zedelijke macht die de geheele maatschappij doortintelt, zijn de publieke huizen en de straatjuffers; maar kom, die heeren Drs. spelen genoeg met open kaart... Nog een derde practische kant van die zedelijke macht is het openbaar onderwijs, zoogenaamd neutraal; maar dit laatste is zooveel beschreven dat ik er mij van ontslagen acht.

-ocr page 81-

69

4. Oude gebruiken,

Alvorens wij met het bronstijdvak beginnen, willen wij even eenen terugblik op het vorige werpen en eens zien of de mensch ooit holenbewoner is geweest in den zin der atheistische geologie.

De geschiedenis van alle tijden bewijst ons, dat hoe verder de mensch van de zuivere geloofs- en zedeleer afweek, hij des te ruwer en onbeschaafder werd; dit wordt ook gestaafd door de huidige feiten. Dat dus vele menschenrassen na de verdeeling der- en verspreiding over de aarde van hunnen meer beschaafden staat vervielen en tot eenen ruweren, ja tot eenen half wilden staat overgingen, is ons geen wonder. Christus bracht zijne goddelijke leer op de wereld, en geheel de wereld is gedwongen te bekennen dat van deze leer de beschaving is uitgegaan. Verlaat men echter deze geloofs- en zedeleer, dan komen de hartstochten bij den mensch boven, en hoe meer men aan deze den vrijen teugel laat, des te nader komt men bij het dier. Uit deze onweerlegbare en door de geschiedenis steeds bewezen waarheid volgt, dat de mensch, die door zijn geest tot iets ver-heveners dan deze wereld geroepen is, dien geest en bij gevolg ook zijn lichaam wel kan doen zinken en verdierlijken, maar hieruit volgt onweerspreekbaar ook dat een redeloos dier nooit tot mensch zich kan verheffen of verheven worden.

De mensch den door God hem voorgeschreven regel voor zijn gedrag verlatende, is gedaald en zoover gedaald dat door zijne verdierlijking zijn geest zeer beneveld is geworden en zijn verstand schijnbaar uitgebluscht is. Hiervan vinden wij het bewijs bij vele stammen van Zuidelijk Africa. Van deze ook weten wij door missionarissen en reizigers, hoe zij zich onder de leiding van den godsdienst weder tot zeer beschaafde wezens ontwikkelen, waaruit ook heden duidelijk blijkt dat alleen de gods-

-ocr page 82-

70

dienst de ware beschaving geeft. Maar blijven wij in Europa voor ons bewijs.

Do bewoners van Europa behooren allen tot liet kau-kasisch ras, behalve de Laplanders, do Finnen en Hongaren; deze drie behooren tot het ras der Mongolen, zijn dus uit ééne familie herkomstig. Welnu men vergelijke den staat van beschaving dor Magyaren mot dien dei-anderen.

Daar dus in onze negentiende eeuw monschen in holen wonen — waar do bergachtige bodem zich daartoe leent — kunnen wij ook aannemen dat zulks in vorige eeuwen is geschied. Zelfs kunnen wij aannemen dat dit gebeurd kan zijn in de 1656 jaren tusschon Adam on den Al-gemeenen- of Zondvloed.

Nu is het zeker dat beenderen van menschen en dieren bijeen in dezelfde holen gevonden zijn, maar volgens aller verklaring zijn deze beenderen gerold, dat is, hunne scherpe hoeken zijn afgerond en toonen duidelijke sporen dat zij door eenen geweldigen stroom in deze holen zijn bijeen gerold. Daar eenigen dezer holen eenen zeer ouden, ofschoon onbepaalden tijd aanduiden door hunnen inhoud, ligt hot voor do hand, dat zij door den Algemeenen vlood or in gevoerd kunnen zijn; want IBöd jaren bij werkelijk veelvuldige generaties waren genoeg om de geheelo toenmalige wereld met menschen te bevolken.

Onder de geleerden is men het nog niet eens, of de beenderen der menschen zoo oud zijn als de beenderen der dieren in diezelfde holen. Ofschoon Buckland, Cuvier, Spring e. a. dit ontkennon, helt toch do meerderheid met Lyell II p. 225, Schmerling e. a. naar don bevestigenden kant.

Ofschoon wij nu toegeven dat menschen in holen kunnen gewoond hebben, volgt dit echter niet uit tie bevinding van menschenbeenderon in die holen. Ook volgt daaruit niet datgene wat Winkler c. s. ons vertellen omtrent den toestand dier bewoners.

-ocr page 83-

5. In de verkeerde wereld.

In vele holen vinden wij beenderen van dieren, waarop nog duidelijk de sporen en krassen te zien zijn van tanden, ook gebroken en gespleten beenderen, en dit dient Winkler om er uit af te leiden, dat de menschen die beenderen gespleten hebben om er bet merg uit te halen, en dat zij vunrsteenen messen gebruikten om bet vleesch en de pezen er af te snijden.

Dit alles echter behoort veeleer tot de raadsels en gissingen van die ontwikkelingsmenschen, en zelfs al was zulks waar, dan bewijst dat nog in \'t geheel niets voor hunne veronderstelling.

Alvorens verder te gaan willen wij nog op zekere zaak opmerkzaam maken, waarover wij vroeger al eens gesproken hebben, en die wij hier verder willen verhandelen, n.1. het uitsterven van dieren.

Men zegt ons dat zekere dieren zijn uitgestorven, zooals b. v. de mammouth, do boleubeer, enz., en dit uitgestorven zijn, ben ik zoo vrij minstens in twijfel te trekken. — Vroeger heb ik reeds gezegd dat men nog te weinig weet van zekere streken dezer wereld om zulks maar grif te verzekeren, maar ook moet men weten dat door uiterlijke omstandigheden eeu dier allicht eenige veranderingen kan ondergaan en toch hetzelfde dier blijven, zonder daardoor in de ontwikkelings-theorie te vallen. Of b. v. de olifant haren of wol draagt of niet, zal hem niet veranderen tot mammouth, en of dus\' eon mammouth ooit iets anders is geweest dan een gewone olifant, blijft nog te beslissen, want klimaat of levenswijze kunnen hem wel voor het uiterlijk iets veranderd hebben. Wij willen dit door eenige voorbeelden staven.

Beekman zegt ons dat in Guinea alle vogels en ook de honden zoo zwart zijn als de inwoners. De os der Ro-meinsche Campagne is meereudeels grauw en in het

-ocr page 84-

72

overige Italië rood; ook zijn daar varkens en honden zwartachtig, terwijl hunne heerschende kleur in Engeland wit is. Corsikaansche paarden en honden zijn mooi gevlekt. V. t. a. f. B. p. 14.

Smith N. V. t. G. p. 147 merkt aan dat de schapen van Guinea haren dragen en de menschen wol. In de omstreken van Angora zijn alle dieren, als schapen, geiten, konijnen en katten met een schoon lang zijden haarpels bedekt.

Bisschop lleber schrijft in N. o. a. f. t. P. o. I. II 219 dat wanneer honden en paarden van Indië naar de gebergten vervoerd worden, dat zij dan weldra met schoone wol bedekt zijn, gelijk de Shawl-geiten van dat klimaat.

Bosman leert dat de Europeesche honden van de goudkust geheel veranderen. Hunne ooren worden lang en stijf als van den vos, en zij nemen ook eene vossen-kleur aan, en hun bellen en keffen gaat over in zeker gehuil. Van dezelve zegt Barbot, dat de inlandsche honden veel op vossen gelijken; met lange staande ooren, langen staanden spitsen staart, zijn zij geheel onbehaard, hebben eene bloote naakte huid en blaffen niet, maar huilen. Aldus N. Coll. of Voyages etc. p. 712.

In eenige karavanen, die ik voorbijkwam, zegt een reiziger. Travels in Assyr. Med. and Persia I, 241, waren kameelen van een veel grooter soort dan ik nog ooit tevoren gezien had, en even zoo verschillend in gestalte en verhouding van de arabische kameelen als do buldog van den hazen wind verschilt.

Ontelbaar zijn de voorbeelden die ons toonen hoe verandering van klimaat, van levenswijzen enz. werkt op het uiterlijke der dieren, en, dit zij hierbij gevoegd, ook op de menschen. Daarom venneen ik dat te licht gesproken wordt over uitgestorven dieren. Nemen wij tot voorbeeld den mammouth die zich van den olifant onderscheidt voornamelijk door eene meer behaarde huid en

-ocr page 85-

73

grootore slagtanden, overigens behooren beiden tot dezelfde diersoort, tot de familie der slurfdieren uit de orde der veelhoevigen. Nu is het zeker, gelijk uit bovenstaande voorbeelden blijkt, niet onmogelijk dat mammouth en olifant hetzelfde dier is, wat slechts door bijkomende omstandigheden eenige uiterlijke veranderingen heelt ondergaan. Zelfs Fairholme, p. 35(5, haalt eene stelling aan van bisschop Heber, waaruit hij toont dat ook nog heden ten dage in Indië behaarde olifanten leven, terwijl hij beweert dat de olifanten in koude klimaten meer en zwaarder haar krijgen.

Keeren wij nu terug tot de beenderen in do holen gevonden, en wij zullen een hol noemen door Buckland grondig onderzocht. Hiervan zegt Winkel pag. 6:

In 1823 gaf do engelsche geoloog Buckland zijn bekend „werk uit, dat „reliquite diluvianasquot; getiteld is en het-„welk vooral handelt over het beroemde hol van Kirk-„dale, en de overblijfsels van monschen en dieren, die „daarin gevonden zijn.quot; In Afd. I, hoofdst. 11, hebben wij getoond dat Winkler zelf die overblijfsels van beenderen in die grot aan eenen grooten watervloed moet toeschrijven.

Wanneer wij echter Buckland zeiven raadplegen, pag. 1—51, dan vindon wij dat dat hol in 1821 te Kirkdale in Yorkshire ontdekt werd in eene steengroeve. De bodem was met eene stalagmietkorst bedekt en daaronder was leem, waarin beenderen van verscheidene dieren en vogels. Men vond er een groot aantal tanden, bijna allen van hyena\'s en onder deze waren exemplaren van lederen leeftijd. Daaronder waren ook beenderen van olifanten, rhinozeros, beeren, wolven, paarden, hazen, waterratten, duiven, leeuwerikken, enz. Buckland bewijst uit dit alles dat dit meerdere geslachten van hyaenas tot woon • plaats heeft gediend, die al die beenderen beknaagd, gebroken en gespleten hadden, hetgeen nog zeer merkbaar was aan de sporen der tanden op die beenderen,

-ocr page 86-

74

wanneer men ze daaraan toetste. Maar van overblijfsels van menschen in dat hol was geen spoor te vinden: zietdanr lioe zeker men kan afgaan op aanhalingen als die van quot;Winkler.

6. Godsdienstk e tinnGgieterij.

Nu ga ik niet Winkler naar het bronstijdvak.

Men neme mij niet kwalijk dat ik hier niet in twee trokken klaar ben; ik moet mij toch een weinigje aan mijnen zegsman houden. Welnu, Winkler begint het bronstijdvak mot het volgende op bldz. 347 van zijn mooi loerk:

„Naar alle waarschijnlijkheid is het goud liet eerste „metaal dat de menscli heeft loeren kennen. Gedegen „goud vindt men in liet zand van vele rivieren, in den „vorm van kleine plaatjes of korreltjes. Het schitteren „van het goud als de zon erop schijnt, moest natuurlijk „de aan lacht van den menscli tot zich trekken. Wilden „zijn als kinderen, alles wat blinkt, trekt hen aan. Het „goud moet dus reeds vi\'Oog in do handen van den mensch „zijn gekomen.quot;

Is dat geen mooie inleiding voor liet //ronstijdvak? De menschen bovendien reeds in een huisgezin samenlevende aan den hniselijkeii haard waren nog wilden, die gek waren naar alles wat blinkt, vooral goud. De menschen uit de negentiende eeuw die een huisgezin hebben, maar niet aan den huiselijken haard verblijven en verkeeren, zijn gek genoeg om jacht te maken op het gouden kalf, — dat ook blinkt, en dat zij als God eeren. De mensch vóór den mensch en de mensch na den mensch hebben dus die gekheid gemeen, en die zal hun niet gauw uitwassen.

„Na het goud heeft het koper de aandacht van den „mensch getrokken,quot; — Winkler zegt het, wie twijfelt er aan? — „vooreerst omdat dit metaal op sommige

-ocr page 87-

75

plaatsen gedegen gevonden wordt en ton tweede, omdat sommige koperertsen, vooral het zoogenaamde koperpyriet, zeer veel voorkomen.quot;

Als soms iemand bezwaarlijk zich van deze feiten kan overtuigen, moet hij niet uit liet oog verliezen, dat Winkler schrijft eene ware geschiedenis vóór de geschiedenis, waar hij zelf is bijgeweest! Hij zegt verder, en daarvan kunnen wij een stukje aannemen voor onzen tijd:

„Evenwel is het halen van koper uit zijn ertsen zulk een moeielijk werk, dat het klaarblijkelijk de middelen en de bekwaamheden van den mensch uit het tijdvak waarover wij nu spreken, te boven ging. Het koper werd niet in gedegen staat gebruikt, maar in dien van allooi, hetwelk gemaakt werd door een kopererts en een tinerts samen te smelten.quot;

Hier heeft menheer wat te veel hooi op zijn vork genomen, want dit laatste is zoo gemakkelijk nog niet klaar; maar zoo gaat het als men alles wil weten, of in zijnen hoogmoed denkt: Men slikt alles wat ih\' voorzet.

„Ook do kennis van het tin klimt tot in de hooge oudheid op. Doch de vorige opmerking is ook toepasselijk op het tin... omdat ook het maken van tin uit tinertsen een moeielijk werk is.quot;

Ik wil liever het verwerken van koper- en tinertsen aan de mannen van liet vak bij de smeltovens overlaten. Ik heb dit dikwijls genoeg gezien in het neutraal gebied van Moresnet in de nabijheid van Aken, en zou dus een woordje mede kunnen praten, maar Winkler\'s mooi rverk moest vol zin en onzin. En om dit te bewijzen gebruik ik slechts zijn eigen woorden, blz. 349.

„Hoe kan nu het maken van brons ontdekt zijn? „Onderstellen wij — want in het nasporen van den „voorhistorischen tijd zijn onderstellingen onmisbaarquot; —

Maar, mijnheer, en de onwrikbare dogma\'s!!

...—„dat op een plaats waar het grint... tinertsen

-ocr page 88-

76

„bevatte... dat iemand... daar een vuur aauleide, en da „hij, toen het uitgebrand was, in de asch een klompje „metaal vond, dan enz.quot; vond hij tinerts.

Veronderstellen wij dat die wilde, zooals Winkler hem nog op de vorige bladzijde noemt, den tijd ging doorbrengen met het studeeren van chemie, om te onderzoeken, wat vuur alzoo achterliet, en veronderstellen wij nog veel meer onmogelijke zaken, dan heeft toch de voorhistorische mensch van Winkler het tin gekend in dat klompje metaal dat hij vond. En enkele regels verder zegt die groote geleerde:

„Het tin dat, op zich zelve zacht, harde allooien „vormt, het tin dat het harde koper broos maakt, was „nog voor de adepten der middeleeuwen zulk een onbegrijpelijk wonder, dat zij hetquot; enz.

Ofschoon het zeker is dat vele uitvindingen de vruchten van studie en ijver zijn, staat het van den anderen kant vast, dat ook vele zaken toevallig zijn ontdekt. Dit laatste neemt Winkler aan voor de koper- en tinertsen. Dit behoeven wij ook niet op zijde te zetten. Maar nog gereedelijker is het antwoord, dat n.1. God aan den eersten mensch, dien Hij geschapen heeft, vele natuurlijke gaven en kennissen mededeelde, en die mensch zal die kennissen wel niet onder stoelen en banken verborgen hebben, maar aan zijn kinderen en kleinkinderen hebben medegedeeld, naar gelang hij in hen de neiging tot dit of dat vak ontwaarde. Dit is ton minste de natuurlijke loop der dingen.

7. Vervroeging van den verleden tijd in den togenwoordigen.

Na de grotten en holen, uitgekapt of niet, zijn de oudste woningen, die men ontdekt heeft in lateren tijd; de paalwoningen of paaldorpen, waarover wij later een woordje zullen zeggen.

Voorop zij dit gezegd, dat niettegenstaande de here-

-ocr page 89-

77

koningen van tienduizenden jaren, een nauwkeurig onderzoek heeft uitgemaakt dat de paalwoningen niet ouder kunnen zijn dan 2000 jaren voor Christus, dus historische woningen en geen voorhistorische; dewijl de geschreven geschiedenis handelt over 4000 jaren voor Christus.

Toch gelieft Winkler dit alles als vóórhistorisch voor te stellen.

In het mooi werk op bldz. 350 lezen wij:

„Bewerkt koper wordt er bijna niet in de voorhistorische bouwwerken van Europa gevonden en ten gevolge van deze omstandigheid hebben de archeologen beweerd, dat het brons in Europa gebracht is door een volk dat uit het Oosten kwam, en dat beschaafder was en dat reeds een kopertijdvak doorleefd had, dat is, een volk dat het koper zou hebben gekend en gebruikt. Dit uit Azië gekomene volk zou geheel Europa overstroomd en onder het juk hebben gebracht en bijna overal de oorspronkelijke bewoners hebben verdrongen, zoodat in Europa liet brons plotseling voor het maken van wapens en gereedschappen, het steen zou hebben opgevolgd.quot;

Hier levert ons Winkler, zonder dat hij er aan denkt, echte historische geschiedenis, en geen vóórhistorische; zoo niet, dan ben ik zoo vrij dien geleerde te vragen, waar dan wel zijn historische tijd begint.

Niet tegen Mozes alleen heelt Winkler nu te kampen. Mozes zegt ons Genesis XI, 8: „En zoo verstrooide do lieer hen van daaruit in alle landen.quot; Nu komt verder de wereldgeschiedenis en verhaalt ons van de volksstammen die mee?- dan eens uit Azië opkomende zich over Europa verspreidden, en hunne kennis medebrachten, die ook in hunne opvolging do vorige bewoners op vele plaatsen verdrongen, enz. Nog zegt ons de geschiedenis hoe de eerste bewoners, die zich tegen de indringers wisten staande te houden, toch van deze vele nuttige zaken leerden, die hun onbekend waren. En dat de Europeanen in vroegeren tijd veel van de Oostersche

-ocr page 90-

78

volken geleerd hebben, bewijst ons de geschiedenis tot zelfs onder de kruistochten.

Volgens Winkler heeft het echter allen schijn dat noch de gewijde noch de ongewijde geschiedenis eene wetenschap is, en alleen de moderne geologie hierop aanspraak mag maken; evenwel het omgekeerde is hot geval. De moderne geologie met hare beginselen, haar streven en haar doel is niets dan veronderstellingen, gissingen en raadsels.

Het aangehaalde citaat door Winkler uit de geschiedenis, kan Winkler zelf zoo grif niet aannemen, want dan vervalt hij in de catastrophen, overstroomingen en... dogma\'s. Dat zijn onwrikbare feiten welke ook de geologie bewijzen kan, maar daarom neemt zij ze niet aan. Een gemakkelijke leunstoel, dunkt me.

Do geleerde Zweed, Professor Nilsson, die de Phoeni-ciers voor de eerste fijne bewerkers van koper houdt, komt nog niet zonder kleerscheuren van Winkler af, want die geleerde komt te dicht bij den bijbel, omdat Phoenicië de woonplaats was van den knnstigen Hiram, die door koning Salomon geroepen werd om den tempel van Jerusalem te versieren.

Nog hebben wij den Deen Worsaae en den Zweed Hildebrand, twee geleerden die meenen dat de kunst van metaal te gieten uit Azië met landverhuizers naar Europa is gebracht.

Maar die heeren steunen op eene geschreven geschiedenis, waarin catastrophen vermeld worden en dit kan en mag de groote wetenschap der geologie niet dulden. Winkler zegt het ons in zijn mooi werk op bldz. 350:

„Doch nevens deze geleerden, die men in de ethnologie zeer gepast kan vergelijken met de voorstanders van catastrophen en geweldige revolution in de geologie, vindt men er ook die het verschijnen van brons in Europa willen verklaren door een groote uitbreiding van de handelsbetrekkingen der volken in dien tijd. Zy ver-

-ocr page 91-

79

werpen het denkbeeld van een overstrooming van men-schen, van een landverhuizing op groote schaal, ten gevolge waarvan er eene groote omkeering in de zeden en gebruiken en in de industrie zou zijn ontstaan.quot;

Dus de geschiedenis verkoopt onzin als zij ons zegt b. v. dat de Germanen een deel uitmaakten oorspronkelijk der in Hoog-Azië vereenigde Indo-Europeesche familie, waartoe de Indiërs en Perzen, Grieken en Romeinen, Kelten en Slaven ook behooren; en dat die Germanen zich over een gedeelte van het tegenwoordige Duitschland verspreid hadden. Zoo ook zal het wel onzin zijn dat de Franken vroeger aan den Beneden-Rijn wonende onder den naam van Bructeren, Ghamaven, Katten en vooral van Sicambren sedert de 3tlc en 4lt;le eeuw door de Nederlanden naar Gallië afzakten, en dat land in bezit namen.

Maar dat zijn geen landverhuizingen op groote schaal, dit toch kent men alleen in Araerica, het land van belofte, waar de lekker gebraden kwartels den menschen in den mond vliegen.

Ik denk wel dat niemand verder bewijzen van cata-strophen enz. verlangt, maar mocht dit zijn, dan verzoek ik hun een oog in het zeil te houden, want weldra vertrekt de moderne geologie met de Noorderzon; men noeme dit dan een catastrophe of een landverhuizing; quot;t kon ook wel een eeuwige eclips zijn.

8. Een dankje waard.

Winkler, die zijn mooi irrrk geheel en al zou ro/maken met de geschiedenis van den mensch vóór de geschiedenis van den mensch, schrijft reeds op bldz. 350 over den geschiedkundigen of historischen mensch, en zijn werk, zijn mooi werk bevat meer dan 500 bladzijden. Men onthoude dit steeds voor de toekomst. Daarom wil ik niet zeggen dat Winkler tot hiertoe niets anders geschreven heeft, dan zoo wat over den huidigen toestand

-ocr page 92-

80

van eenige of geheel onbeschaafde of nog weinig beschaafde volken. En al ware dit ook, dan moeten wij hem toch dankbaar zijn voor dien „rondschouwquot; over de wereld in zijn mooi werk met zijne mooie plaatjes, waarop zoo mooie figuren — gansch natuurlijk.

9. Staaltjes van eerlijkheid.

Ik zeide vroeger in een hoofdstuk dat men met Winkler\'s vertelsels dient op te passen, omdat een altijddurende verteller niet aan den gang kan blijven zonder verdichtsels. Maar dit is ons reeds toegegeven. Ik zeide ook dat hij niets zekers geeft, dan waar hij zich op den Bijbel beroept. Ieder lezer zal denken, dat ik gekscheer, want als het boek Genesis met meer andere van de H. Schrift geen geschreven geschiedenis is, wat is dan een geschreven geschiedenis!

Dit vraag ik ook, vooral wanneer Winkler ons eeno geschiedenis belooft van den mensch vóór de geschiedenis — nl. de geschrevene.

Het heeft echter allen schijn, of het haast deed met dat mooi tverk — dat vol moest, — en haast doet geen goed, en het goede wil geen haast.

Ik zal nu een lang citaat van Winkler aanhalen, waaruit ten zeerste blijkt dat hij eene geschiedenis heeft geschreven van den mensch vóór de geschiedenis! In zijn afdeeling „bronstijdvakquot;, bklz. 353 lezen wij:

„Uit den Bijbel weten wij dat in Abraham\'s tijd, 2000 jaren voor Christus, het zilver reeds als middel tot betaling diende, terwijl het eerst met het ijzer in Europa voorkomt. In de homerisch-heroïsche eeuw kenden de Grieken het ijzer, en Herodotus bericht ons dat in de 5quot;c eeuw voor Christus de Massageten, die ten Oosten van de Kaspische zee woonden, toen zij door Cyrus aangevallen werden, slechts wapens van brons en goud hadden, maar noch ijzer noch zilver bezaten. En toen

-ocr page 93-

81

keizer Trajanus over de Alpen trok, en do Daciërs onderwierp, vond hij bij dit volk slechts wapens en werktuigen van brons, en dit is te opmerkelijker daar er in het niet zoo heel ver afgelegene Noricum, reeds in de 3cle eeuw voor Christus, zulke voortreffelijke ijzeren wapens gesmeed werden, dat het norische staal zelfs ten Zuiden van de Alpen zeer beroemd was.quot;

„In het boek Genesis wordt over het koper gesproken. Tubal-Ka\'ln, de smid uit de schrift (welken eerbied voor de H. Schrift en zijn auteur? K. E.) die het ijzer wist te smeden, werkte ook in koper.quot;

„In I Koningen VII, 13 en 14 leest men dat Salomo liet uit ïyrus komen Hiram, een koperwerker, die vervuld was met wijsheid en met verstand en met wetenschap, om alle werk in het koper te maken enz.quot;

„üe uitleggers van den bijbel zeggen dat het woord hetwelk hier met koper is vertaald, eigenlijk brons be-teekent.quot;

„Als een merkwaardig voorwerp van brons noemen wij hier de bekende koperen zee van den tempel der Israëlieten.quot; Zie I Kon. VII, 29, 37.

„Herodotus, lib. IV, p. 81, spreekt van een ander kolossaal bekken van brons, dat zestigmaal grooter was dan dat hetwelk Pausanias, zoon van Cleobrontos, aan den tempel van Jupiter Orios schonk, welke tempel bij de brug Euxinus op de grenzen van Scythië was gebouwd. Dit bekken kon zeshonderd amphoren bevattten en het was zes vingerbreed dik. Zulke groote bekkens werden door de Grieken bij godsdienstige ceremoniën gebruikt. Ook in Skandinavië had men oudtijds bij de offeranden bronzen bekkensquot; enz.

En tegenwoordig, Winkler, ziet men wel meer trommelaars over straat trekken met koperen bekkens, die soms den volke veel onzin verkoopen, en door veel menschen begekt en bespot worden; maar zij maken het er ook naar, al schry ven zij niet verschillende stukken

6

-ocr page 94-

82

uit geschiedschrijvers over en noemen dit geschiedenis van den mensch vóór de geschiedenis.

Of de tekst der H. Schrift zuiver vertaald is door brons, koper of metaal zal ik maar onbesproken laten, dat doet hier niets ter zake.

Wat echter een weinig in het oog loopend is, is dat Tubal-Kaïn rond weg de smid uit de schrift genoemd wordt, terwijl men voor Hiram eene zekere vereering koestert, en in plaats van dezen te noemen; den kopersmid uit de schrift, heet hij hier bij Winkler, bijna gelijk in de Schriftuur: „een koperwerker, die vervuld was met wijheid en verstand en met wetenschap om alle werk in het koper te makenquot; enz.

Is aan de strekking van deze aanhaling niet een wei-nigje geur, en is de aanhaler misschien zelf een geurmaker? In allen geval, mij dunkt dat. de vrijmetselarij hierdoor braaf ver uit de mouw komt; dat zullen de vrijmetselaars van den derden graad niet ontkennen, al mengen zij zich ook niet in politiek. (?)

-■m--

-ocr page 95-

AFDEELING TV.

1. De ezelsbrug.

Poötis omnia licent. Vrij en goed vertaald: „Enjelui, muzikantjes is het ja liber, dansen, springen, dat je broekje er van scheurt!quot;

Non, zal men zeggen, met zulke vertaling kan men het doen; ja, lezer, wanneer soms mijn oude knol, Plato, niet best meer weg kon, dan zong ik wel eens lustig een straatdeuntje, en wij beiden, Plato en ik of omgekeerd, wij kregen ander zin en lustig ging liet weer verder, liet even aangehaald deuntje der muzikanten en zijne latijnsche overzetting — of ze exact is, weet ik niet — kwam mij in het hoofd, toen ik door den heer Winkler eene vertaling zag geven van Herodotus: „...aan den tempel van Jupiter Orios schonk, welke tempel bij de brug Euxinus op de grenzen van Scythie was gebouwd.quot;

Verbeeldt u, hoeren, „Pontus Euxinusquot; vertaald door „de brug Euxinusquot;. AVien komt hier niet de vermaarde „pons asinorumquot; voor den geest! quot;Waarlijk, de ezelsbrug!

Maar och, beste man, laat de sluisjes maar dicht, ik kan slecht waterlanders hebben; wordt maar niet schaamrood, mijn beste, op die hnuj zijn er meer gestruikeld dan gij; negen en negentig procent van uw consortium

-ocr page 96-

«4

in de geologie hebben hun nek er op gebroken. Gij zijt zonder dit geluk (?) eraf gekomen. Maar vergeef mij mijne hilariteit; man, pontus Euxinus, de brug Euxinus! Of hadt Gij dat woord zoo maar in haast overgeschreven van eenen anderen, die daarmede op do pons asinorum geschitterd had, en nu ook u in de fuik liet loepen! Enfin, een mensch kan zich vergissen, vooral hij die op hoogen toon alle dogma\'s tot het eeuwig vuur der hel heeft gedoemd. Een catastrophe als oratorische figuur kan het ook slecht zijn; van catastrophen ken ik u een vijand; liever bij een lekker vuurtje met een fijne manilla en vreedzaam, geen aardschokken, geen donderbuien, zelfs niet in de verte een vuurspuwende berg.

De Scythiërs echter, mijn geleerde heer, alsmede de studenten van meer of minder uitgebreide aardrijkskunde zullen vreemd staan te kijken of liever te zoeken naar uwe brug Euxinus. Wij zullen het maar laten bij „de Zwarte Zeequot; man, en wanneer gij soms aangesteld mocht worden als examinator in do aardrijkskunde, stuur dan liever in uwe plaats een soort „naalridder meteenrielquot; zooals die mij in mijne jongelingsjaren reeds wist te vertellen dat „Pontus — niet pons—Euxinusquot; de oude naam was van de Zwarte Zee; zoo meende hij dat de Grieken haar noemden.

2. Wie houdt het met grootvader!

Als men zijn hoofd zoo vol heeft, kan de boel wel eens in de war loepen. Winkler kon slecht eenen overgang vinden naar zijn „tweede hoofdstuk van zijn vierde afdeeling,quot; n.1. naar de paalwoningen. Eene brug moest toch altijd erheen voeren, en daarom maar de brug Euxinus genomen.

Hebt gij lust, lezer, stap dan maar op. De brug is totaal nieuw, ik verzeker het u, zij komt zoo even uit den winkel. Die door Winkler in schrift en plaatjes

-ocr page 97-

85

weergegeven paalwoningen kunnen misschien wel bij een ezelsbrug uitkomen, maar dat kunnen wij afwachten, daarover mag do geleerde heer dan alleen zijn reis voortzetten.

Herodotus dan, de straks genoemde, een der oudste Grieksche geschiedschrijvers, leefde van 484 tot 408 voor Christus. Welnu, mot dien man was Winkler bezig om zijn geschiedenis vóór de geschiedenis te schrijven. Winkler was dus te fel doorgedraafd en had zich vergaloppeerd; dit zag hij eerst toen hij de brug Euxinus was overgereden. Rechtsomkeerd gemaakt, maar die brug was weggeborgen en geen ander dan de Pons Asi-norum, de ezelsbrug, bleef over om te komen tot de... paalwoningen.

Een groote nul op elk ander gebied dan dat van het geld had zich in zijn hoofd gezet of laten zetten dat hij afgevaardigde moest zijn in den Haag. Met gold is wel veel te doen, maar toch niet alles. Daarom trok die groote nul rond om zich aan de kiezers te vertoonen en te... spreken. Toen hij gesproken had, zei een oud kiezertje: „Mijn vader had toch altijd gelijk als hij zeide: de rijken hebben het geld in bezit en de domheid in pacht.quot; Wat had die nul dan gezegd? Niets, rein niets, wat groote woorden gesproken, maar erg domme, groote doordomme volzinnen.

Of Winkler rijk is, weet ik niet, hij zal het wel kunnen stellen; als ik rijk was, behoefde ik niet te stu-deeren en geen boekjes te schrijven, want het geld zou veel doen. Of Winkler dom is, maak ik niet uit, dit raadsel lost men op uit iemands geschriften. Maar dat Winkler groote woorden spreekt, dat weet ik wel, b. v.:

„Doch van alle bronnen voor de kennis van dezedon „en gebruiken van den mensch in de eerste tijden van „zijn bestaan, is er geen belangrijker dan die in de „laatste twintig jaren hekend is geworden, en die men „gewoon is de paalwoningen te noemen.quot;

Winkler schreef dit in 1877.

-ocr page 98-

86

3. Een ellendig getob.

Plato, oude knol, neem mij eens op uwen rug en laten wij eens een rij toertje maken.

Tegen den Katholieken Godsdienst is niets bestand. Dit is gauw gezegd en even gemakkelijk bewezen, en de ware geologie staaft dit hoelanger hoemeer.

Daar had men in de vroegste tijden van het christendom het algemeen verbreid heidendom met zijn oude dwaalleeringen en zijn oude aanlokkelijke bedorven zeden. Welke macht, welke kracht, ja, -welk helsch geweld van wapenen het heidendom ook heeft aangewend, het heeft den voortgang van hot Evangelie niet kunnen stuiten, maar is er door vernield en vernietigd. Dit is een geschiedkundig feit in Europa, en feiten bewijst men niet. Wilt gij echter:

Het heidendom kon tegen de volmaakte waarheid van het christendom slechts verdichte overleveringen en ongerijmde dwalingen stellen. Welnu, de minste waarheid is veel sterker dan alle dwalingen. Dus op het gebied des geestes was de zegepraal aan het Christendom verzekerd.

Maar hetzelfde bleef niet uit op materieel gebied. Stoffelijke kracht is geene macht dan in zooverre zij een gevolg is van zedelijke kracht. Stoffelijke kracht wordt alleen door den geest in beweging gezet, de geest wordt beheerscht door de gedachte, de gedachte is onderworpen aan de waarheid.

Om deze twee reden, die slechts ééne oorzaak aanduiden, werd het verbond van het heidendom met mijnheer Satan opgezegd. Daar de nederlaag zoo groot was, dat geen buit overbleef, mocht Satan een goed heenkomen zoeken. Langs \'s Heeren wegen wandelende, bedacht de vos een nieuwe streek, n. 1.: satan omhelsde zelf het Christendom, hij werd Christen, en dat zoo erg mogelijk Christen. Hij zag zijn werk van 40 eeuwen

-ocr page 99-

«7

verwoest door het Chnstendom, hij zou het Christendom op zijne beurt verdelgen door het Christendom.

Daar kwamen in de drie eerste eeuwen de gnostische secten, die hot opkomend Christendom nog moesten zuiveren! maar overal kwam de oude aap nog uit de mouwen en alle dommerijen van de heidensche wijsgeeren streefden om den voorrang; die krijgslist mislukte.

Een bondgenootschap mot Arius en de beruchte dwaalleeraars van dien tijd gaf wat beter vooruitzicht. Zij lieten alle leerstukken dos goloofs bestaan, en pakten slechts een enkel hiervan aan, dat zij bestreden. Maar Satan dacht alleen aan de middenpunt-vliedende kracht, en niet aan de aantrekkingskracht van ieder middenpunt.

Dewijl die ketters zich als het waren in eene Christelijke maatschappij bleven bewegen, kregen zij kracht genoeg om deze eenigen tijd in beroering te houden. De dwaling toch behoudt altijd eenige macht door de waarheid, waartusschon zij zich mengt. Maar waarheid en dwaling samengevoegd in eenen ketel gaan aan het gisten, de aantrekkingskracht voegt zich erbij, en do waarheid keert naar haar middenpunt, en do dwaling schaart zich op Satans zijde. De onschuldig verdwaalden werden weer echte Christenen, en de halsstarrige ketters voegden zich onder \'s duivels banier, met het vooruitzicht van daar te verzeilen, waar geen enkel verdronkene zicli zal willen droegen.

Het middenpunt en do haard van het licht des Christendoms is Rome, en Satan keek leelijk op tegen dat hooggebouwde nest, dat hem zooveel parten speelde.

Hij vertelde aan do vorsten dat in de H. Schrift stond: Geeft God, wat God toekomt, maar don Keizer, wat den keizer toekomt. In het Oostersch schisma, of duidelijker: Door de Oostersche scheuring kreeg het pauselijk gezag treffende en doodende (geen doodelijke) wonden, genoeg om ook den ongeloovigste te bewijzen dat het niet voorbestemd is om te sterven often onder te gaan.

-ocr page 100-

88

Moede van al dat tobben en zwoegen, roept Satan op zekeren dag geheel zijn leger op: infanterie, cavalerie, artillerie en stormt op de rots van Petrus los onderdo leus: protestantismus.

Het protestantismus nam in zich alle mogelijke dwalingen op, pour confondre par Ie nombre, zal men denken; misgeraden, neen om hen allen in de hel te begraven. Want daar het voor het geestelijk gezag „de eenigo waarborg van elk geloof\', de persoonlijke rode in de plaats stelde, was het de haard van alle dwalingen. Het protestantismus is dan ook wel de slotrede van Satan op godsdienstig gebied.

Groot was in het begin de uitslag dier kolossale ondernoming, maar dit was, zooals men weet, niet te wijten aan de knappe (?) aanvoerders.

Hola, knolletje, ho, hu, hue... laten wij eens ademscheppen, dat gaat zoo niet, wij hadden nog altijd den wind van achteren, maar hier moeten wij eens kijken naar den weg, want het protestantismus heeft zoo oneindig veel dwaalwegen!

4, Aan de sterke geesten de groote demmerijen.

Do moderne geologisten zullen denken: ziezoo, nu zijn wij eraf. Neen, heeren, nog niet: ik heb gezegd dat ik het mooi werk van Winkler geheel afbreek en het vorig hoofdstuk behoort nog bij de introductie hiertoe.

Om u zoo gauw mogelijk uit uwe bange verwachting te helpen, zal ik maar doorrijden, echter voorzichtig. Maar in dit opzicht heb ik hulp. Men heeft wel eens meer gezien dat een verstandloos paard soms verstandiger handelde dan zijn berijder; en laatst nog vertelde mij een boer, dat men in het duister het paard maar moest laten begaan, honderd tegen een dat het altijd terechtkomt.

Goed dan, oude Plato, zie dan maar dat gij er komt.

-ocr page 101-

89

ik laat u vrijen teugel, want ik heb nog al betrouwen in u.

Heere mijn tijd, Luther durfde wat aan. In den beginne scheen hij niet goed te weten wat hij wilde en of hij het ooit goed geweten heeft blijft mij een raadsel; maar volgens de algemeene meening was zijn streven:

Hij, Luther, zou het Woord Gods in zijnen oorspron-kelijken staat herstellen, want volgens hem — ik meen Luther — was het — nl. het Woord Gods — sedert eeuwen begraven of verstikt onder eenen hoop men-schelijke overleveringen, die het Woord hadden vervalscht.

En om tot dat doel te komen, goot hij eenen overvloed van gal en verachting uit over alle groote geleerde en heilige mannen van de Christelijke Kerk, te beginnen met de Heilige Vaders der Vierde eeuw tot de Pausen, bisschoppen, kerkleeraars, concilies enz. in de zestiende eeuw.

Dat was al vast een goed begin voor een zuiveringsproces. Om dit goed vooraan te zetten, en al de dwalingen en domme verklaringen uit te wisschen van een H. Hieronymus, een H. Augustinus, een H. Basilius, een H. Gregorius, een H. Leo, een H. Joannes Chrysos-tomus, enz. enz., vertrouwde hij de uitlegging van den Bijbel toe aan alle blinden der wereld, aan alle mogelijke botterikken, aan caresseerende monnikken, aan zeepzieders, aan ketellappers, aan legerjongens, in een woord aan al wie maar een lans wilde breken met den Paus, volgens de toenmalige uitdrukking.

Nu mag zich niemand erover verwonderen, want logisch gesproken kon het niet anders, dat vorston en vorstinnen — welke het meest? — in overleg met de hoofden der secte of liever der secten, de geloofs-formu-lieren vaststelden, terwijl men overal tegen de paapsche tyrannie en verdrukking den standaard verhief, ter herstelling van het zuivere woord Gods en de vrije uitlegging van den Bijbel. En evenzeer scheen het logisch te zijn dat het volk slechts te kiezen had tusschen de koninklijke, hertogelijke, gemeentelijke godsdiensten en het schavot,

-ocr page 102-

90

Een ieder begrijpt gemakkelijk deze ongelooflijke tegenstrijdigheid; en toch het is jnist deze tegenstrijdigheid welke het protestantismus tot in onzen tijd heeft in het leven gehouden.

Dewijl geen ketterij ooit bestaan heeft, of ooit meer bestaan kan, die niet reeds in het protestantismus vervat was; dewijl dus het protestantismus de deur toedeed voor verdere ketterijen, moest bet ook lang genoeg bestaan om zijne dubbele zending te volbrengen; nl. 1H. dat de dwaling des te beter en to schooner de waarheid doe uitschijnen, en 2°. dat de dwaling zelfs nog die eenige deelen der waarheid verstikt en onder slijk begraaft, die zij aanneemt.

Voorheen toch schreeuwde men heinde en verre: „De Bijbel, niets dan de Bijbel!quot; en tegenwoordig, en heden en vandaag hoort men slechts dit; „Do Bijbel is niets, dat is een Oostersch samenraapsel, een rommelzoo, en beteekent niets.quot;

— Heeren geologisten der moderne richting, ik nader met Plato. —

En wat is de Bijbel voor dat kleine getal geloovigen, die nog strijden tegen den stroom van het anti-christelijk rationalismus? — men denke aan dedoleerenden.—Do Bijbel is voor hen het graf van het Christendom. Immers kunnen zij zelve nog zeggen wat het Christendom is?

Evenwel Plato! begrijpt gij hoe het mogelijk is, dat dit boek, de Bijbel, waarvan een genie moest bekennen, dat men het na een studie van drie eeuwen, niet zou kunnen begrijpen en verklaren zonder andere en vooral bovennatuurlijke hulp, dat men dit boek met millioenen verspreidt onder.de Hindoes, de inlanders van Australië en verdere heidenen, om hen daaruit de godsdienst van Christus te doen verkrijgen! Daar trekken de colporteurs den rug met Christendom beladen; mooie ingebonden roede, blauwe, gulden christendommen,... salut, bespottelijke heeren met uwe bespottelijke christendom men!

-ocr page 103-

91

5. De vereering van een ongeborene.

Als godsdienst is het protestantismus dood, maar ook het Christelijk geloof is dood in een groot gedeelte van Europa. Dit heeft Satan ten minste als buit behaald bij zijnen grooten stormloop in de zestiende eeuw.

Een kind is uit liet protestantismus geboren, genaamd „Neenquot;. De ontkenning, do negatie — ik zeg niet de welgemeende, deze kan niet bestaan — neen de koppige, de hardnekkige, de verstokte negatie, het groote „Neenquot; is voor onze eeuw overgebleven. En dat „Neenquot; durft onbeschaamd en driestweg zich noemen „De Wetenschapquot;.

Maar ach! heeren van de Wetenschap, dophilosophie zooals gij liet belieft te noemen zal de Kerk niet schaden. De Kerk heeft de vreeselijke en herhaalde aanvallen der ketterij weerstaan, en nog staat daar die rots, en op die rots staat nog met gulden letters „Tu es Petrusquot;; welnu, ik vraag u in gemoede, wat denkt gij tengere, kleine hondjes uit te richten met uw keffen en bellen tegen die rots, waarop ijzer en staal stomp geslagen zijn, en waartegen elke hoovaardige ketterij zich den kop heeft te pletter geloopen!

Uwe anti-christelijke philosophie, of wijsbegeerte of wetenschap, — noemt het zooals gij wilt — heeft geeno ziel en heeft geen lichaam, hoe wilt gij er dus een leven in krijgen, en hoe wilt gij dat men zich dan voor een zielloos en lichaamloos niets zal bang maken!

Alvorens ik u dit nader uitleg, vraag ik u eens of gij het oneindig verschil wel begrijpt dat er bestaat tusschen de onbcschofste ketterij geleid door eenige brutale venten, en een heirleger van wijsgeeren aangevoerd door knappe veldoversten? liet werk van Luther, Calvijn, Hendrik VDI heeft zich gedurende drie eeuwen in Europa staande gehouden, en dat nog wel in de helft van Europa, en het werk der wijsgeeren als b. v. van Voltaire en J. J. Rousseau heeft nergens vasten voet kunnen vinden, hoe

-ocr page 104-

92

veel jaren arbeid in woorden en geschriften men er ook aan verknoeid heeft.

Het werk der wijsgeeren van de moderne richting heeft geen ziel, heeft geen lichaam.

Het heeft geene ziel, dat is, geen leer, en geen leer, omdat het geen waarheid heeft. Na alle studie, moeite en opoffering vraagt de huidige wetenschap nog „wat de waarheid is, en of er eene is.quot;

Wat is nu een wetenschap zonder een enkele waarheid? De wetenschap heeft alle Christelijke waarheden over boord geworpen, maar daarom ook is eene ledige plaats open, en die kan de wetenschap niet aanvullen. Maar ook de mensch kan het op den duur niet uithouden met negaties. Om eene zekere waarheid te ontkennen moet men eene valschheid in de plaats zetten, zoo deed de ketterij, maar dit ging niet lang op. Maar het was toch meer dan het altijd herhaalde van Winkler c. s. „Wij weten niet hoeveel jaren die afzetting gevorderd heeft; wij weten niet of dit bezinksel zoo en zoo oud is; wij weten niet wanneer do aarde is beginnen te worden; wij weten niet, wanneer de mensch voor het eerst op aarde verscheen; wij weten niet welk soort van aap zijn papa was,quot; en nog duizendmaal „wij weten niet.quot;

Do mensch, mijnheer Winkler, wil iets weten, en als nu de wetenschap komt, die beweert alles te kunnen bewijzen, en hem moet zeggen: ivi/j weten niet; dan is die wetenschap voor den mensch dood, zonder macht voor zijnen geest, zij heeft geene ziel.

En omdat zij geen ziel heeft, daarom ook heeft zij geen lichaam, want het lichaam is de gedaantegeving der ziel. Die eene ware of eene valsche leer belijden, stellen toch allen een zedelijk lichaam daar, omdat ééne leer hen verbindt, hen vereenigt tot eene verzameling, eene kerk. Maar, heeren der ontkennende wetenschap, wat hebt gij wat u vereenigt ? waar is uw vereenigings-

-ocr page 105-

93

punt, waar is do waarheid uwer leer? Gij krijgt nog geen school bijeen, ik zwijg van een kerk, want hoevelen onder u worden er gevonden, die zich slechts omtrent ééne omstandigheid verstaan, of in één punt overeenkomen? Hoe ook zou dit kunnen, daar gij u alvast bij het eerste begin afvraagt: Is de wereld of het zijn der wereld te danken aan een scheppingsdaad of aan een ontwikkeling? Het antwoord luidt: Wij weten niet. Maar bij het allereerste begin moet gij beginnen, geleerde lui! en niet vragen — de getuigen zijn al te klaar — maar zeggen: Er is een God die alles geschapen heeft en bestiert. In dit geval echter biecht gij aan don duivel, en dat zou uwe wetenschap slecht bekomen.

G. Tweevoetige kruipdieren.

Door den Bijbel is het Protestantismus dood, dat weten wij allen; want daarin staat evengoed: „Broeders, waakt en bidt en bedwingt uwe hartstochten door boetedoeningenquot;, alsook: „Laten wij eten, laten wij drinken, laten wij ons met bloemen tooien, want morgen zullen wij niet meer zijn.quot;

Maar hoe ziet het uit met de Oostersche scheuring? Daaraan is zoo maar even geroerd, maar veel weten wij nog niet daarvan, behalve dat zij nog leeft. Zeg ons iets daarvan on trek dan met Winkler c. s. naar de vermaarde brug Euxinus.

Plato zette mij hier zulk een gek gezicht op, dat ik, niettegenstaande het serieuze der-zaak, moest lachen; maar op zijn antwoord proestte ik het uit in een schaterlach.

Iets er van, nou, daar ziet het uit gelijk overal waar de vrouw baas is. Als die godsdienst de ware was, dan gaf de hel 999 van de duizend verdoemden terug. De deuren des Hemels, hoe eng ook in het Evangelie afgeschilderd, zouden zich op het woord van de gehuwde popen zoover openen dat alles met versnelden pas door kon, lammeren.

-ocr page 106-

9i

schapen, rammen, koeien, stieren, geiten, bokken, zelfs de honden, ja tot de wolven toe.

Het wordt Paschen, en de getrouwe Christelijke onderdanen van den keizer en paus aller Russen gaan biechten. Wij begrijpen heel goed dat vader pope, die den druk van vrouw en kinderen moet torschen, soms wat uit zijn humeur kan zijn. Vreest men nu voor een minder goed onthaal in den biechtstoel, dan gaat men vooraf madame mama maar eens bezoeken, een klein geschenkje kan geen kwaad, de ijdelheid een weinigje streelen ook al niet; ook zal zij het u zeker niet kwalijk nemen, dat gij een weinigje bedrijvig zijt om de oudste bijna huwbare dochter. Nu, gij kunt nog meer zeggen, wat men al in zulke oogenblikken zegt; en gaat dan maar gerust heen in afwachting der dingen die komen zullen. Dien avond blijft men niet onbesproken, en gaat dan maar gerust den anderen morgen biechten bij den pope, proficiat.

Wat zijn ze, de Russische popen, die, niet gelijk de Dominé\'s, zich bepalen tot den Bijbel alleen, maar alles verrichten gelijk in de Roomsche Kerk, wat zijn zij in \'t oog hunner kudde ? Niets dan arme huurlingen, wier beroep het is voor geld te zingen, ónder het stamelen van slecht Grieksch — zelden verstaan zij iets van die taal — veel kruisjes te maken, van deur tot deur om aalmoezen rond te trekken en gewetens te ontlasten.

Nu, dit laatste gaat daar met een franschen slag; — bij ons is het wat moeielijker. — Dat gaat volgender wijze:

Terwijl menheer de Baron een groot feest viert met muziek en dans, kondigt men hem midden in het bedrijf aan, dat de pope is aangekomen voor de Paasch-biecht der familie.

Dat geeft stoornis, denkt men. Niemendal; zorg goed voor den besten vader, en zeg hem dat hij een oogen-blik wacht. In een oogwenk is in eenen hoek der keuken een tafeltje gedekt, de overblijfsels van den feest-

-ocr page 107-

95

maaltijd worden opgebracht, men schenkt een goed groot glas wijn aan den heiligen man; deze peuzelt en verorbert zoo stilletjes aan zooveel mogelijk, en drinkt nu en dan eens heel goed, en... met schitterende waterachtige oogen voorspelt hij een eeuwigheid van geluk aan eene familie, die zoo bezorgd is voor den heiligen godsdienst en zijne ijverige bedienaars.

Ondertusschen vindt mijnheer Baron een weinigje tijd en de pope wordt in een zijkabinet gebracht. M. Baron komt ook binnen, maakt eene kleine verontschuldiging, werpt zich op de knieën en biecht:

„Vader, gij vindt mij alweer gelijk verleden jaar om dezen tijd, eerlijk mcnsch voor het oog der wereld, maar misschien schuldig voor God. Gij kunt mij met den hemel verzoenen, doe het, want ik heb over alles berouw.quot;

„Mijn broeder,quot; zegt de pope zalvend, „laten wij God danken, dat hij u steeds bezielt met de beste gevoelens, zooals algemeen bekend is. Gij hebt groeten voortgang gemaakt in de deugd, omdat gij niet slechter zijt geworden. Bid aandachtig een „Onze Vaderquot; en een „Wees gegroetquot; als boete voor uwe zonden, en de absolutie, die ik u ga geven, zal het overige doen.quot;

Mijnheer maakt een kruisje, staat op, geeft den pope de hand — met eenige roebels er in — waarschuwt mevrouw dat het hare beurt is en... zet den feestavond voort.

Slotsom: Do dominó is niet geacht, hij is gehuwd; maar de pope is veracht, ook hij is gehuwd. Blijft alleen de karig bezoldigde ongehuwde priester der Roomsch Katholieke Kerk, die niet gehuwd maar geacht is, omdat zijn voorbeeld nog beter preekt dan zijn mond. Maar hierover een andermaal.

Daar is maar eene waarheid, waartegen noch ketters, noch scheurmakers, noch wijsgeeren iets vermogen met al hunnen laster, leugens en sophismen.

-ocr page 108-

APDEELING V.

1. Overmaat.

Hij was er zoo uit, hij was er zoo uit... he... he; ja, dat dankt u de donder, wie zou er niet uit zijn, als men Engeland, Holland, een deel van Duitschland, Rusland en nog meer landen met een deel van het Oosten heeft afgereden.

In mijn hoofdstuk 7, Afd. III heb ik een begin gemaakt met de paalwoningen, en — zonder overgang — stapte ik over op bewerkt koper. Dat kwam omdat ik naast Wink\'er moest voortsukkelen, en die man geeft soms geen tijd om adem te scheppen.

Maar wat drommel hebben de paalwoningen uit te staan met de geschiedenis van den mensch vóór de geschiedenis? Dat weet Winkler zelf niet. Omdat hij niet en niemand bewijzen kan, dat zij ouder zijn kunnen dan 2Ü00 jaren voor Christus, is hij zoo verstandig noch jaar noch datum hunner stichting aan te halen. David Page vert, door Winkler Prins, zegt: „de paalwoningen voeren ons terug tot het vroegste Celtische tijdvak; wellicht dagteekent haar oorsprong van een tijd die twee tot vierduizend jaar geleden is, maar het is duidelijk dat zij niet zoo oud zijn als sommige oudheidkundigen hebben verzekerd.quot;

Bijgevolg behooren zij tot den tijd der geschiedenis en zijn niet vóórhistorisch; en of men nu al beenderen

-ocr page 109-

97

van wilde dieren, bronzen en dergelijke voorwerpen vindt, dit bewijst niets voor den ouderdom, want paalwoningen met dergelijken inhoud zijn onlangs nog bij de wilden van Africa gevonden, en deze worden daar thans nog bewoond.

Eu wat is dat voor \'n dom verdeeling: het mam-mouths-tijdvak, het rendier-tijdvak, het brons-tijdvak. Immers het tweede en derde bestaat nog bij de Lappen on andere Noordelijke bewoners, en waar ergens ter wereld zijn de natuurmenschen in het stoomtijdvak!

Maar, wij weten er alles van: het mooi werk moest vol, niet alleen met zinnen en onzinnen, maar ook met plaatjes en afbeeldingen. Acht plaatjes, heel keurige gravuren, komen ons de paalwoningen aanschouwelijk maken, en welk oordeel van Winkler zeiven verwacht men over die teekeningen? Luistert: bldz. 367:

„De palen in den moerbodem zijn heden de eenige stoffelijke sporen, die van de woningen overgebleven zijn. Van de hutten die zij droegen, vinden wij niets meer. Het is dus altijd de phantasie, die de vele afbeeldingen van zulke paaldorpen heeft geteekend, het is de phantasie die ons platen geeft te zien, zooals er in de meeste werken voorkomen die over de paalwoningen handelen, en zooals wij ook in dit werk geven.quot;

Verder commentaar vind ik overbodig. Maar tot geluk en welzijn van het menschdom, wiens bestaau er van afhing:

„Een enkel overblijfsel van de hutten bestaat er toch, en dit is een brok gebakken leem.quot;

Dank u, mijnheer, wij hadden geen overmaat noodig.

2. Aldaagsoho kost: Wij weten niet.

Toen ik zeide dat Winkler zich wel wachtte jaar of datum der paalwoningen op te geven, zal menigeen ook gedacht hebben, dat ik hier gebruik maakte van een

7

-ocr page 110-

98

muizenval. Eerlijk leeft het langste, en daarom op hot appèl met Winkler\'s eigen woorden:

„...de vraag naar den ouderdom van dit merkwaardig tijdvak in de geschiedenis der menscltheid. Wij beweren niet dat wij in staat zijn deze gewichtige vraag voldoende te beantwoorden.quot; Bldz. 427.

Beter ware geweest te zeggen; Wij beweren dat wij niet in staat zijn... Hebben wij hier niet alweer die ongeboren wetenschap uit mijn hoofdstuk 5, Afd. IV!

„Ook heeft ons Lyell... ■— aldus Winkler — het volgende gezegd over den ouderdom der paaldorpen en den duur van het bronstijdvak in Zwitserland: ...Ookiseene dwaling in het bepalen van de betrekkelijke oudheid dier gedenkteekenen van oude volksstammen zeer mogelijk, want sommige stammen kunnen eeuwenlang afgezonderd geleefd hebben en in hunne gewoonte stilstaande gebleven zijn, terwijl anderen vooruitgingen en van zeden veranderden.quot;

„De pogingen van de zwitsersche geologen en archae-ologen om den ouderdom der bronzen en steenen tijdvakken naar jaren te berekenen, ofschoon tot heden nog niet gelukt, verdienen toch onze aandacht, en schijnen mij toe veel belovend te zijn.quot;

Veel beloven en weinig geven, doet do gokken in vrede leven; maar verstandige menschen houden met recht vol: Belofte maakt schuld.

3. Geologisch zuivere berekening.

Ziethier nu een paar staaltjes van rekening, bldz. 427;

„De schranderste berekening — volgens Lyell, zegt Winkler, — is die van Morlot betreffende de delta van de Tinière, een stroom die bij Villeneuve in het meer van Genève vloeit. De kleine delta, die jaarlijks door den stroom vergroot wordt, is uit grint en zand samengesteld. Hare gedaante is die van eenen platten kegel,

-ocr page 111-

99

en hare inwendige structuur is voor eeuigen tijd zichtbaar geworden door een doorsnede van 350 meter lang en 11 meter diep, gemaakt voor een spoorweg. De regelmatigheid van hare structuur bewijst dat zij zeer langzaam en door de eenvoudige werking van dezelfde oorzaken gevormd is. Drie lagen plantenmodder, waarvan elk eens de oppervlakte van do delta heeft moeton uitmaken, zijn op verschillende diepten doorgesneden... De bovenste laag behoorde tot het romeinsche tijdvak, en bevatte romeinsche dakpannen en een muntstuk. De tweede laag... daarin vond men scherven van on verglaasde potten en een haartang van brons, waardoor het bronstijdvak werd aangetoond. De derde laag... daarin vond men stukken van ruwe potten, stukken houtskool, gebrokene beenderen en een menschelijk geraamte met eenen kleinen, ronden en zeer dikken schedel. Marlot vermoedt dat het romeinsche tijdvak een ouderdom van zestien tot achttien eeuwen vertegenwoordigt, dat het bronstijdvak tusschen de 3000 en 4000 jaren moet geleden zijn, en dat de oudste laag of die van het steentijdvak, een ouderdom van 5000 tot 7000 jaren vertegenwoordigt.

4, Onweerlegbare cijfers,

Al dat vitten, jongen, haalt niets uit, zei mijn moeder altijd, dat maakt maar kwade vrienden.

Kwade vrienden kan ik niet dulden, noch in den bedrij-venden noch in den lijdenden vorm, en daarom laat ik het mij door niemand te kwaad maken. Welnu iioe komt Winkler er toe om de bevindingen eener delta te gaan rangschikken onder de rubriek paahcoiiiiujen! Dat wordt oen wirwar, waaruit geen asschepoester klaar kan komen. Maar kom aan, het staat er eenmaal als slotregel van de paalwoningen, en ik heb mij zoo menigmaal door Winkler laten leiden om eenen omweg te maken, nu ook maar weer op reis.

-ocr page 112-

100

Gek sta ik echter te kijken over de redeneering van Lyell, aangehaald door Winkler. Wat is een delta? Een delta is een landstreek, die aan den mond van een rivier door aanslibbing gevormd wordt, en meestal een drie-hoekigen vorm (delta) heeft. Zoo dus ook heeft de Tinière een delta gevormd van drie lagen. Volgens genoemde heeren bewijst de regelmatigheid van hare structuur dat zij zeer langzaam en door de eenvoudige werking van dezelfde oorzaken gevormd is.

Ik ben zoo vrij deze laatste berekening eens even onder het snoeimes te nemen, daar ik meermalen onderzoeken mede ingesteld heb van delta\'s en andere grondlagen, ook van oude romeinsche en andere villa\'s. En wat is mij gebleken? Dat de regelmatigste delta steeds die was, welke in eens door eene overstrooming werd gevormd. Bracht de rivier in haar geweldig overtollig maar krachtig water zand aan, dan vormde dit aan haren mond bij de stuiting van den stroom eene regelmatige zandbank, evenzoo ging het met leem of kiezel-grond en dergelijken.

Vervolgens meenen ons die knappe heeren wijs te maken, dat de eerste de beste regenbui voetstoots alles naar de rivier doet drijven, wat zich op haren weg bevindt. Het is waar, dat ik de meeste villa\'s, romeinsche, gallische of andere, meestal op hoogtens heb gevonden in de nabijheid van rivieren, maar de sterkste plasregens lieten nog de potscherven van sigel- of samosaarde boven op den grond liggen zonder ze mede te voeren; ik wil nog zwijgen van de romeinsche pannen, waarvan ééne meer dan vier malen het gewicht heeft van ééne onzer pannen.

Daarom houd ik staande vol, dat die voorwerpen in de delta\'s zijn gekomen niet door eene langzame werking, maar door eene catastrophe b. v. een geweldige stroom of eene overstrooming, daar deze alleen in staat is om zulke stukken en nog veel zwaardere te vervoeren.

-ocr page 113-

101

Bijgevolg is die schrandere berekening — zooals Lyell ze noemt — reeds een heel deel besnoeid.

Maar de potten en scherven bewijzen niets. Bezig zijnde met opgraven eener romeinsche villa in do nabijheid van Hoensbroeck, van welke villa nog de geheele fundeering met de verwarmingsgeleiding, hot hypocanstum, zelfs do badkamer nog bestond, vond ik op den diopsten bodem, uit groote vierkante roode gebakken steenen bestaande, rustende op uit leem gebakken en op elkander gebitumeerde ronde vlakken, vormende kleine kolonnen, vond ik geheele en gebroken kruiken, stukken van aardeen steenwerk met een soort glazuur overdekt, welke men eerst in latere eeuwen ontdekt heeft. Uit dit viel niets anders af te leiden dan dat „na de romeinenquot; daar ter plaatse, hunne opvolgers nog een huis of hut konden gebouwd hebben van de overblijfsels dior villa. De villa werd niet jonger om het vindon van later steen-werk, en dit later steen-, pot- en aardewerk werd niet ouder omdat het in die villa gevonden was; en die waren toch nog niet door een geweldige stroom op die hoogte bijeen gedreven !

Maar van overstroomingen of catastrophen houdt Winkler niet, omdat die, eenmaal aangenomen, hunne toch reeds zoo zwakke berekeningen totaal in duigen gooien. Konden die heeren nog maar stormen en aardbevingen wegcijferen, dan waren zij wat meer op hun gemak. Maar de beste aller geologen, God, spot en lacht wat met de apenkinderen en hunne cijfervaste dwalingen. Waar hebben deze eens een enkel cijfer, een enkel bewijs, dat niet met een weinigje verstand kan weggecijferd worden ?

Ook bronzen en andere metalen voorwerpen hebben nooit, zelfs bij benadering een tijdvak kunnen aanwijzen, omdat zulke voorwerpen door alle tijden heen gemaakt werden en worden, en beschaafde menschon opvolgden aan onbeschaafden, maar ook onbeschaafdon aan beschaaf-

-ocr page 114-

102

den, zooals wij blijken genoeg liebben, dat b. v, in Zuidelijk Limburg de meer beschaafde romeinen verdreven werden door veel minder beschaafde stammen.

5. Veronderstellen of vaststellen.

Errare humanum est, zegt het spreekwoord, een mensch kan zich vergissen... ook in de schranderste berekening. Wat evenwel van de andere berekeningen terecht komt, als zelfs de schranderste nog faalt, zullen wij in een andere berekening zien.

— De tweede als al te onnoozel, sla ik over, dus aan de derde. —

Winkler zegt op bldz. 4^8:

„Een derde berekening, mij door Morlot medegedeeld... Zij heeft betrekking op den ouderdom eener paalwoning.quot;

„Die palen komen voor bij den Pont de Thièle tusschen do meren van Bienne en Neufchatol. Hot oude klooster van St. Jan, 750 jaar geleden gesticht, en oorspronkelijk op den oever van het meer van Bienne gebouwd, bevindt zich nu op eenen belangrijken afstand van het meer, en geeft ons een maatstaf van de landaanwinning in zeven en een halve eeuw. Stellende dat vóór dim tijd het water in dezelfde verhouding in moerassig land veranderd is, dan krijgen wij eene som van zestig eeuwen voor den aanvang van het moeras, liggende tusschen het klooster en de paalwoning van Pont de Thièle, samen dus 6750 jaren.quot;

Het mooiste en zekerste komt nu, bldz. 429:

„Morlot meent, na de plaats bezocht te hebben, dat het zeer waarschijnlijk is dat de bodem waarop het moeras rust, overal gelijk is; doch dit belangrijk punt is nog niet door boringen gebleken. De uitkomst zou, als dat bevestigd werd, zeer wel rijmen met de boven gemelde chronologische gissing omtrent den ouderdom van het steentijdvak van Tinière.quot;

-ocr page 115-

108

Ik heb mij veroorloofd hier en daar te cursiveeren, opdat het ware en zekere dezer berekening des te beter uitkome.

Stellende, oome, zei mijn kleine neef, dat ik een boterham had die 52000 geographische mijlen lang was, dan kon ik het manneke in de maan eens er aan laten happen; en het zon zeer waarschijnlijk zijn dat hij het deed, maar dit is door ondervinding nog niet gebleken; maar het komt toch overeen met mijne gissing, dat het manneke honger heelt, na zoolang gevast te hebben.

6. Een misselijk steunpunt.

Alvorens wij die slechts ongeveer 4000 jaren oude, vóórhistorische (?) paalwoningen verlaten, brengen wij nog een bezoek aan de hierop betrekking hebbende „cran-nogesquot;; aldus noemt mon kunstmatige eilandjes die hier en daar in de meren van Ierland zijn gevonden.

Winkler had nu eenmaal geheel zijne wetenschap in dit ééne mooi werk willen uitputten, en daarom flgurecren hier die eilandjes crannoges — van zeer jongen datum— in do vóórhistorische geschiedenis.

Of mijnheer echter niet veel over die dingen wist, of om wat anders, na een paar bladzijden, waarop nog een afbeelding braaf wat ruimte inneemt, en na ons zoowat genoemd te hebben, wat men erop gevonden heeft, bewijst hij zelf ons klaar dat zijne berekening omtrent het tijdvak van het renzenhert, van koper, brons enz. geen waarde heeft.

Op bldz. 382 lezen wij omtrent het groote iersche hert of renzenhert:

„Op de beenderen van dit dier alleen afgaande, zou men kunnen beweren dat sommige crannoges tot den oudsten steentijd opklimmen.quot; — In de crannoges nl. heeft men beenderen van het renzenhert gevonden — „doch daar het door andere dingen voldoende bewezen

-ocr page 116-

104

is, dat de crannoges tot den tijd van den geslepen steen ot\' tot den bronstijd gerekend moeten worden, bewijzen de beenderen van liet reuzenhert in de crannoges dat dit dier in Ierland veel langer heeft geleefd dan in de overige landen van Europa. Onderscheidene geschiedkundige documenten bewijzen dat sommige crannoges tot in het laatst der zestiende eeuw zijn bewoond geworden. Zij dienden toen tot een soort van vesting, waarin een stamhoofd langen tijd zijn onafhankelijkheid wist te bewaren.quot;

Mij is het onbegrijpelijk, hoe Winkler hier eensklaps aan de geschiedkundige documenten verlof of permissie geeft om zich met de geschiedenis vóór de geschiedenis te bemoeien. Mijns erachtens is dit veel te toegevend, want zoo drukt men eenen onverzoenlijken vijand maar niet aan zijn hart! Het is immers de geschiedenis van af Mozes, Flavins Josephus, zelfs van Herodotus enz. tot op onze dagen, die spot met al de fabelen, raadsels, gissingen, veronderstellingen, en wat dies meer zij, van Winkler met al de geologen der atheïstische richting.

7. Van achteren vergeleken.

Een blik nog op de „moeraswoningen of moerasdorpenquot;, en wij zijn klaar met den bronstijd. „Terramaresquot; worden die genaamd.

Of nu de bronstijd moest bewezen worden door die paal-, meer- en moeras-woningen, of andersom, dat weten wij niet; maar daar die woningen gebouwd zijn, en nog worden bij de wilden, en bewoond zijn en werden over 4000 jaren tot nu toe, zoo kan men de ontcijfering van dit raadsel vrij aan eenen heksenmeester overlaten.

In deze laatste woningen heeft men overblijfsels gevonden van vele tamme dieren, o.a. van het schaap en do geit. Winkler zegt bldz. 386 uitdrukkelijk „van liet schaap en de geitquot; en laat er in eenen adem op volgen:

-ocr page 117-

105

„die moeielijk van elkander te onderscheiden zijn, daar deze beide dieren in een anatomisch opzicht zoo veel op elkander gelijken\'\'. Ik denk wol dat hem het grootste gelijk zit in den staart.

Tel nu maar op de vingers uit hoe oud de geit is, dan weet gij ook van wanneer de moeraswoningen dag-toekonen.

8. Uitvinding van den laken bril.

Ik was van plan alle verdere vertelsels, raadsels en verzinsels onbesproken te laten, die ons Winkler in zijnen bronstijd opdischt; maar daar ik denk dat de geschiedenis weldra zal afgeschaft worden (??) om plaats te maken voor de „wetenschap op dit gebied\'\', voel ik mij gedrongen nog eens met betraande oogen te kijken naar al datgene wat onze geschiedschrijvers zoo zorgvuldig in hun glazenkasten bewaarden, maar toch tekijk aanboden, en dat nu weldra plechtstatig niet meer op ouderwetsche manier begraven, maar in eenen lijkenoven verbrand zal worden.

Daar hebt gij het glas, bestaande uit eene verbinding van kiezelzuur (kwarts of kiezelaarde) met potasch of soda, met bijvoegsels van kalk of loodoxide. De geschiedenis zegt ons, wij weten dit uit Plinius, dat de uitvinding van het glas wordt toegeschreven aan Phe-nicische schepelingen, die aan het strand een vuur stookten tusschen stukken soda, waarmede hun schip geladen was.

Denkt iemand dat van dit geschiedkundig opgeteekend feit een enkel woord waar is! Dan dient men te weten dat Adam op zijn ouden dag een bril gebruikte — doch niet om den Talmud te lezen — en Eva ging met een binocle naar het theatre. Lacht maar niet; Winkler zal u wel geschiedenis leeren. Bij hem toch lezen wij op bldz. 404 in zijn mooi toerh;

-ocr page 118-

106

„Het schijnt dat do ontdekking van het glas omtrent dozen tijd, dat is in den bronstijd, is gebeurd. In graven en tumuli nit den bronstijd vindt men glazen kralen van groen of blauw glas.quot;

„üo oude overlevering, die verhaalt dat het maken van glas uitgevonden is door Phoenicische kooplieden, die een glasachtig product zouden verkregen hebben door op het zandige strand natron uit Egypte, dat is koolzure soda, te branden, geelt derhalve oen veel te jongen datum aan de uitvinding van het glas; deze stof is reeds in den vóórhistorischen bronstijd uitgevonden.quot;

Als wij, stommerikken, wat verder nadachten, dan wisten wij dat Winkler gelijk heeft. Donk eens: In de woestijn leidt een engel Mozes op eene hoogte, en toont hem van verre het beloofde land. Dit was onrao-gelijk te overzien, en daarom gaf de ongel aan Mozes eenen verrekijker of telescoop!!!

0. De eerste broek.

Ik dien hier nog eens voor de zooveelste maal opmerkzaam te maken, dat Winkler nog steeds bespreekt „den mensch vóór de geschiedenis.quot; Wij, achterlingen en dompers, die Adam voor eenen geschapene en nog wol voor den eersten mensch aannemen, en hierin steun vinden in de gewijde en ongewijde geschiedenis, wij hielden ons steeds ervan overtuigd, dat Adam in zijnen onschuldigen staat geen hemd aan had en Eva evenmin.

Die anders geen hemd aan heeft, knoopt zijn jas toe tot aan den hals, uit schaamte; maar dit deed Adam ook nog niet. Alle schaamte was er uit bij den onschuldigen Adam, of liever: er was nog geen schaamte in.

Dit is nu van den kant der Christelijke Kerk eene vrij ergerlijke leer voor de hedendaagsche zedige wereld; zoo maar naakt er heen loopen! dat mag wel op prentjes en plaatjes, niet alleen, in Winklers werk, mooi werk,

-ocr page 119-

107

maar ook aan ramen en op kamers. Maar om Adam over land te laten loopen poedelnaakt gelijk do anabaptisten dit vroeger ook deden, dat was aan beide kanten eene ergernis tegen de leer der „morale indépendantequot;, omdat het te koud is.

Plato, Plato, onbetaalbaar dier, smul uw ruif maar eerst ledig, straks maken wij weer een uitstapje, rust nog maar wat uit onder een goed bufken haver.

Volgens Winkler nu had Adam wel een hemd aan, en nog wel een jas en broek ook, omdat bldz. 404:

„De kunst van weven schijnt in den bronstijd uitgevonden te zijn. Men heeft de zekere bewijzen dat de „mensch van dat tijdvak stoffen wist te weven.quot;

„Men heeft ook strengen garen, einden touw van boom-„schors gemaakt, netten met groote mazen, strooien „matten en teenen manden gevonden. Vele gespletene „en spits gesnedene ribben van dieren zijn erkend voor „tanden van kaarden om vlas te kaarden. Ook vindt „men in de Zwitsersche meren eene groote menigte „dikke schijven van gebakken klei, met een gat in liet „midden. Die voorwerpen dienden tot spangewrichten „voor de schering; de draad liep door het gat van den „kogel of de schijf heen, en werd er door een knoop „in vast gehouden. Het bijeen vinden in de paaldorpen „van geweven stof, strengen garen, eindjes touw, kaar-„den en spangewrichten bewijst voldoende dat men de „uitvinding van het weven in dezen tijd mag stellen.quot;

Als Winkler dit liegt, dan lieg ik het ook, en voor ons beider eer zou ik dit niet graag hebben; want ik heb dit van hem overgeschreven, gelijk hij het van een ander gedaan heeft; en die ander heeft er toch noch eer noch oneer van, wijl hij niet wordt genoemd, noch door Winkler, noch door mij.

Ook zou de een of ander spotvogel kunnen lachen met steenen kogels en schijven met een gat er in; maar neemt dan ten minste den hoed af voor kaarden uit

-ocr page 120-

1(J8

spits gesnedene ribben, dat was uiterst vernuftig voor eenen bronsmensch. Daarom is liet niet noodig deze ribbenkaarden te vergelijken met de te velde groeiende kamkaarden, noch met de machinale kaardenriemen, die men in onzen tijd van den stoommensch gebruikt!!!

Niemand buitendien verbeelde zich dat het door mij van Winkler aangehaalde blijft berusten op eone ver-onclemtelling, want het wordt ons uitgelegd bldz. -106:

„Doch even als de wetenschap uit een kakebeen en een paar andere beenderen niet alleen de grootte en gedaante, maar ook de levenswijze van het geheele dier weet af te leiden...quot;

— Hier ontbreekt nog maar dat men ook het verstand uit eenen knook filtreerde. —

„...is het ook aan eenen kundigen fabrikant te Zürich, met name Pour, gelukt, uit verspreide brokken en stukkon, vooral met behulp der onderstelling...quot;

— Wij weten dat de wetenschap geen dogma\'s aanneemt, om zich alle mogelijke achterdeuren open te laten en morgen te kunnen verwerpen wat zij heden als onfeilbaar leeraarde. —

Verder: „vooral mot behulp der onderstelling, dat de in dit werk vermelde en vroeger raadselachtige kleikogels tot spangewrichten voor de scheringdraden dienden, de waarschijnlijke inrichting van een weefgetouw na te sporen, zooals het ter vervaardiging dier oogenschijnlijk zoo ingewikkelde patronen gediend heeft.quot; (Zoo ingewikkeld als deze volzin.)

Die ingewikkelde patronen dienden toch wel genoemd, zou ik meenen. Ik vind vier plaatjes; nquot;. 1 een touwen net, nquot;. 2 den buitenwand eener mand, n0. 3 don bodem eener mand, nquot;. 4 een grof stuk doek als van een dweil-doek. Er is geen de minste twijfel, of die figuren zijn uitmuntend naar hedendaagsche exemplaren nagemaakt; noch korver, noch netknooper zal zicli er in vergissen. Blijft dus alleen nu. 4, maar de poetsmeid mag uitmaken.

-ocr page 121-

109

of die juist met haar dweildook overeenkomt of niet.

Die fabrikant Pour had zeker zijn schaapjes op het droge, om uit alle mogelijke veronderstellingen iets te maken, wat niemand behoeft te gelooven.

Mijn huishoudster zou met behulp der onderstelling desnoods uit kleikogels nog lekkere soep kunnen koken.

10. Suffende denkers.

In ons hoofdstuk 3, Afd. I, hebben wij den mensch met zijn neus in eenen spijker zien te droogen hangen, en over het ongemakkelijke dezer houding hebben wij maar liever gezwegen. Wij hebben Eva met eenen bril op den neus aan het spinnewiel zien zitten, en wij zagen de zonen van Noö aan dezen eene broek brengen om aan te trekken!!!

Eenige millioenen menschen hebben steeds als waarheid uit do H. Schrift en ook uit de wereldsche geschiedenis aangenomen, dat Cain de eerste landbouwer is geweest. Wat zijn die millioenen toch lamme stommerikken, en dat doodeenvoudig omdat zij niet aan „de wetenschapquot; gelooven.

Bij Winkler vinden wij den vóór-historischen mensch al op de korenbeurs en op de veemarkt. Ja, de brons-mensch — niet de bronzen mensch — was in den tyd vóór den historischen Adam een knappe landbouwer, een uitmuntende veefokker. Tot mijne verwondering begrijp ik niet, hoe het komt dat hij do kunst- of margarine-boter nog niet had uitgevonden. Maar deze was bij het schrijven van Winkler\'s werk nog niet in zwang, en daarom verwachten wij die nog in eene „verbeterdequot; uitgaaf.

„De overblijfselen, die men in de verschillende paal-dorpen heeft gevonden, leeren ons dat hij toen niet van de jacht en vischvangst alleen leefde, maar dat hij reeds begrip van landbouw had en de veeteelt beoefende.quot; Aldus bldz. 408. En een eind verder:

-ocr page 122-

110

„Nevens de bovengenoemde graansoorten vindt men in de paalwoningen ook alle soorten van onkruid, die tegenwoordig op de graanvelden groeien. Gelijk de granen zijn ook zij vreerad aan onze europeesche flora, zij zijn raet de granen uit het Oosten gekomen, misschien wel met de eerste landverhuizers uit Azië.quot;

In hoofdstuk 7, Afd. III hebben wij gezien, dat de „geleerdenquot; die men in de ethnologie niet gepast moet vergelijken met de voorstanders van catastrophen, eene landverhuizing op groote schaal verwerpen, en dat zij ook niet willen dat daardoor eene omkeering in zeden en gebruiken en in de industrie zou ontstaan zijn. Het schijnt dat ook Winkler op die zijde zijnen zetel heeft. De catastrophen toch zoowel als de landverhuizingen maken eene groote streep door al de geologische berekeningen.

Ik heb echter uit Winkler aangetoond dat de „wetenschapquot; geen onwrikbare dogma\'s aanneemt, en zich veroorlooft heden te ontkennen wat zij gisteren aannam. Hier b. v. zien wij door diezelfde landverhuizers uit het Oosten, die vroeger ontkend werden, zaden van granen on onkruid aangevoerd, omdat het al te klaar en duidelijk bewezen is, dat zij uit het Oosten komen. Meer nog, hier geeft Winkler toe, wat uitdrukkelijk in do H. Schrift staat: „met de eerste landverhuizers;quot; dus de eerste menschen in Europa komen uit het Oosten. Zoodoende moet men na alle mogelijk getob en gehaspel nog zijns ondanks de waarheid der II. Schrift belijden.

Nog een tweede voorbeeld van de onwrikbare standvastigheid der „wetenschapquot; is eene zaak, waarover wij vroeger reeds gesproken hebben, en ook een catastrophe, n. 1.: De wetenschap neemt geene algemeene overstrooming aan, volgens Winkler, omdat die eene catastrophe is; maar is dan de door de moderne geologen uitgevonden — en niet bevonden — ijstijd geen catastrophe? Hierover later meer.

-ocr page 123-

Ill

Zij zeggen: „Het klimaat werd van mild eensklaps uitermate streng en kond en geheel Europa werd een ijsvlakte.quot; Wij willen hiervoor geen bewijzen, zij zijn niet te vinden; maar die ijstijd moest uitgedacht worden, om buiten den zondvloed om, verschijnselen uit te leggen, die zuiver den zondvloed bewijzen. Zoodoende dacht men den Schepper en Regeerder de loef af te stoken. Nu zou men denken, dat die geleerden merkten dat zij met zich zeiven in tegenspraak kwamen; wel, dat merkten zij heel goed, maar hun overtuiging is, dat de liberalen, voor welke zij leeraren, het denkend deel der natie is, „dat niet denkt.quot; Best, goed voor dat denkend deel, maar voor ons, niet denkend deel, die wel donken, is dit wat anders.

11, Smakelijk eten,

Op de beurs werden granen verhandeld, maar welke granen vooral? Winkler zegt ons, bladz. 408: „depaal-„bewoners verbouwden niet minder dan tien soorten. „Volgens Prof. 0. Heer heeft men in de paaldorpen gebonden vijf soorten van tarwe, verder gierst en drie „soorten van gerst, waarbij twee- en zes-rijïge. Haver „is slechts te...quot;

Zonder in liet landbouwersbedrijf te diep te willen doordringen, komt mij die bevinding wel wat vreemd voor. Den gemetamorphoosden bronsmensch ter zijde latende, en aannemende dat wij hier te doen hebben met de eerste landverhuizers uit het Oosten, die hunne graansoorten mede invoerden, begrijp ik niet good, boo men na vierduizend jaren nog die graansoorten kan terugvinden, en zelfs zoo fijn hunne soorten onderscheiden. Winkler spreekt hier in den echten boerentrant over soorten van tarwe, soorten van gerst. Maar hiervan afgezien, zegt ons Winkler, gelijk wij gezien hebben in hoofdstuk 1, Aid, V, dat van de hutten der paal-

-ocr page 124-

112

woningen niets is overgebleven, en alleen in den moer-bodem de eenige stoffelijke bewijzen er van zijn. Bij gevolg zijn die graansoorten of in het water óf in den natten moerbodem terecht gekomen, en zullen daar gedaan hebben wat alle granen doen, die in vochtigen grond terechtkomen. Zij zijn ontkiemd en... gelijk alle granen in het water, zij rijpten niet, maar stierven weg. Bleef dus de hoofd- of moederkorrel, maar ook deze sterft nadat hij ontkiemd is, en... verrot. Wat bleef nu nog voor het onderzoek over? Misschien hermetisch gesloten kruiken of potten! Maar voor 3000 jaren was, zoover mij bekend, de hermetische sluiting nog niet uitgevonden.

Het mindere volk is op zijn manier soms niet dom. De geologen moeten bekennen, dat zij hunne tegenwoordige oude instrumenten uit den steentijd nog zoo vast niet kunnen betrouwen, en dat de arbeiders hun daarin dikwijls bij den neus hebben gehad. Dat dit ook bij de paalwoningen heeft plaats gehad, is zoo goed als zeker. Zoo nu ook zullen die ons bekende graansoorten wel in die paalwoningen beland zijn, en door den een of anderen kortzichtigen onderzoeker uit het er mede gemengde moer gezift zijn. Tn Zwitserland weten op eenige plaatsen de oude lieden nog te vertellen, dat over eenige jaren mooi geld van zekere heeren kon verdiend worden, als men maar slim was. Dat was gemeen!!

Nu blijft nog eene manier mogelijk ter herkenning der graansoorten, n. 1. gebakken brood. Maar of die manier mogelijk is na 3000 jaren, wie zal dat uitmaken! Winkler zegt wel, bldz. 409:

„Zulke verkoolde broeden heeft men in verscheidene

„paaldorpen gevonden...... Ook heeft men een koek van

„gierst gebakken gevonden, met lijnzaadkorrels er doorheen, zeker om hem lekkerder te maken.quot;

Ik beken dat de chemie vrij wat ontleden kan, maar om uit verkoolde b r o o d e n, na 3000 jaren, nog de graansoorten, bijvoorbeeld vijf soorten

-ocr page 125-

113

van tarwe to ontleden, ik wilde dat kunstje wel eens zien.

Maar do inenseh is overal raensch, en wat de hoofdzaak is, hij doet overal gelijk een mensch, behalve wanneer hij door hel gebruik weer vleugelen gaat krijgen, dan vliegt hij Winkler c. s. na, om zich ook aan de zon te branden. Tot nu toe blijft het altijd hetzelfde deuntje, zooals in het mooi werk, bldz. 409:

„Deze spijs is tot in onze dagen bestaande gebleven, „en vormt nog het brood van de armen op de Kanari-„scho eilanden. Zelfs gebeurt het, volgens Prof. Heer, „nog heden in sommige streken van Zwitserland, dat „men een handvol gerooste gerstkorrels in plaats van „een stuk brood eet... Gerooste gerstkoeken speelden „bij de ouden, als heilig graan, bij alle offers een groote rol.quot;

Verzoeke dit laatste niet to luid te zeggen. Mozes kon het eens hoeren, en die gekscheert niet, zelfs niet met een gouden kalf, ik zwijg van met een bronzen mensch.

Waaraan men de granen ook kenne, aan verkoold of aan — niet vergane na 4000 jaren! — gerooste korrels, eenieder zal de schouders ophalen en... als men maar niet gefopt is.

12. Kermisbier.

In den tijd van de geschiedenis vóór do geschiedenis van den mensch,... lieve kinderen, het is zoowat achtduizend jaren geleden, toen richtte onze achtergrootpapa, met name Bronsman, een groot feest aan; naar ik verneem was dat de eerste landelijke kermis. Grootpapa Bronsman en alle onze achterneven Bronsjongens trokken met een troep Bronshonden ter jacht en brachten eenen aanzienlijken Bronsbuit mede naar huis. Alle bronzen pinnen en instrumenten om de beenderen te splijten en het merg eruit te zuigen of te halen, werden door do Bronsdochters voor den dag gehaald en lijn

8

-ocr page 126-

114

opgepoetst; deze — ik bedoel de instrumenten — blonken en glommen als staal. De Bronsvrouwen roostten gerstkorrels en bakten de lekkerst denkbare gerstkoeken — zooals nu nog de Egyptische soldaten in Barbarye eten. — Ik vermeen ook, kinders, dat er olie- en appelbollen bij te pas kwamen, maar hierin verlaat mij soms de memorie.

Toen noodigde grootpapa nog vijf Bronslieden en eene twintigjarige Bronsdeerne. Nadat die allen aan tafel gezeten waren, vervoegde zich nog bij hen grootmama Bronsman en uw grootneef van twaalf jaren, plus de schreeuwleelijkert zuigeling Bronsman. Ook hadden zij een hond laten mededoen.

De oudste en huwbare jongedochter — zij had geen hemd aan, en ook haar boezeroen niet tot aan den hals dicht geknoopt, maar dit zij u geen ergernis, kinders, want het weder was lekker — de huwbare Bronsdochter dan fungeerde als schenkster. Jongejuffroaw Bronsman numero twee was hof- en hoofdtapster, en numero drie was al maar bezig oliebollen te bakken, een weinigje op distantie — wegens den reuk.

— Toen nam Edda een koek uit de asch, zwaar en kleverig en vol zemelen. —

— Een toen, oh dat is zoo mooi, waarvan weet gij dat nog?

— En toen, kinders, aten en dronken de gansche familie Bronsman en de kermisgasten, en het was kermis •—• eerste dag, pardon, eerste kermis. Zoo staat het nog altijd in het mooi werk van Winkler, op een lief gravuurtje tegenover bladz. 409.

— Maar wat dronken zij?

— Bier, kinders, echt, schuimend bier, onvervalscht, zonder soda of gelatine of... enfin gerst, hop, water en kalfspooten. Luistert, kinders, de moderne geologen hebben dit ontdekt; gij vindt het tegenover het mooie, straks besproken plaatje bij Winkler op bldz. 409:

-ocr page 127-

115

„Prof. Heer heeft geen bewijzen gevonden, dat de „bewoners der paaldorpen uit gerst bier hebben gebrou-„wen. Als men evenwel bedenkt, dat het brouwen van „bier uit gerst in Egypte overoud is, is het wel waar-„schijnlijk dat ook de paalbewoners bier maakten, te „meer, daar deze drank op zeer eenvoudige wijze te be-„reiden is. Een aarden pot en een aarden deksel en een „gevlochten zak, meer heeft men niet noodig om bier „te brouwen.quot;

13, Het Panhuis.

Ik houd verbazend veel van een goed potje bier, en zulke liefhebbers zullen wel meer gevonden worden. Het kan daarom geen kwaad die eenvoudige bewerking van Winkler met zijnen aarden deksel op eenen aarden pot, en zijnen gevlochten zak, eens op hot punt van het mes te nemen.

Hoe wordt bier gemaakt? — niet het fabriekswerk.

Daartoe wordt het graan eerst gemout, d. i. het wordt in houten of steenen bakken met water overgoten om het te weeken, waarna het in den moutkelder wordt uitgespreid, alwaar het begint te kiemen; is het genoegzaam gekiemd, dan droogt men het op een eest. Nu is het mout; en dit mout wordt in grove korrels gemalen, waarop men overgaat tot het beslag maken; nl. men overgiet het mout in kuipen met warm, daarna met kokend water, waardoor de temperatuur tot 75 gr. C. stijgt. Nadat men het nu verkregen mengsel afgetapt heeft, maakt men een tweede aftreksel, en er zijn brouwers, die deze bewerking nog een paar malen herhalen. — Op sommige plaatsen wijzigt men ook deze handeling. — Het verkregen moutaftreksel wordt nu in koperen ketels gekookt, daarna wordt bet spoedig afgekoeld in groote, vlakke bakken, of wel in toestellen met buizen waardoor koud water loopt. Het verkregen vocht wordt nu

-ocr page 128-

116

in do geilkuipen gebracht en met gist gemengd, waarop de gisting volgt; op vaten afgetapt, ondergaat het hier eene nagisting.

Doe me dat nu maar met eenen aarden pot met eenen aarden deksel en eenen gevlochten zak! Met deze twee instrumenten alleen heeft men het nooit kunnen doen; hiervan kan men zich met eigen oogen overtuigen in de meerendeels in Limburg nog bestaande „panhuizenquot; met hunne brouwerijen die in origineel niet behoeven onder te doen voor de oudste brouwerijen van Egypte.

Ten minste de brouwerijen van Egypte konden niet eenvoudiger zijn, dan die welke in Limburg in elk huis werden opgericht ter ontduiking van den accijns, toen die volksdrank voor het eerst belast werd. Naast den toenmaals geïmproviseerden brouwketel stond een mand vol kaf, en deze werd in den brouwketel omgegoten op het geringste verdacht voor ambtenaren; en deze heeren konden alsdan geen onderscheid maken tusschen dien voederketel of brouwketel. — Maar dit alles was toch nog omslachtiger dan eenen aarden pot met eenen aarden deksel en een gevlochten zak.

De menschen vóór de geschiedenis — uit den bronstijd — hebben, volgens Winkler, het brouwen afgezien of geleerd van de menschen in of uit of na de geschiedenis; waarom anders beroept men zich op de oude Egyptenaren, een volk dat tot de geschiedenis behoort? Do waarde van de gravure staat gelijk met die der paaldorpon hoofdstuk 1, Afd. V.

14, Of dat knappe menschen waren.

Ik denk, dat do lezer gedaan heeft zooals ik. Toen ik zoo druk over de brouwerijen bezig was, nam ik een fiksen pot oud, en ik kan de verzekering geven, dat hij goed deed. Ik heb wel eens van zeker soort van monschen de bewering moeten hooren, dat wijn pleizierig

-ocr page 129-

117

maakt en geestig, jenever kwaadaardig en bier dom on stom. Die dat beweert is een nagelaar, zeker met zijne leer betrekkelijk liet bier. Dan moest geen dommer en stommer volk zijn dan de mannen der „wissenschaftquot; en der „philosophiequot;, daar niemand het zal betwisten dat de Dnitschers een potje bier lusten. Wel beken ik, dat uit datzelfde Duitschland ons dikwijls de grootste dom-merijen komen toegewaaid, zoo ook menig stukje van de beruchte geologie; maar wolk land levert niet te eeniger tijd eenige zotten?

Kijk daar eens, onze goede Winkler, wat mag hem overkomen! Hij, anders zoo bezadigd, zoo beredeneerd, komt daar aan met den hoed in do hoog opgestoken hand, uitroepende bldz. 413;

„En hier staan wij oen oogenblik stil om mot eenigon hoogmoed te overzien, wat de scherpzinnigheid van den mensch heeft aan liet licht weten te brengen, uit de duisternis van vele eeuwen die het leven van den mensch in de eerste tijden van zijn bestaan bedekte.quot;

En hij heeft ons niet eens gezegd, hoe die mensch onder dat deksel gekomen was! En wij kunnen ook niet aannemen, dat die uitroep het gevolg is van een goed potje Munchener, versch aangestoken(?).

Maar kom, alle gekheid op een stokje, de zaak is te serieus, en ziethier hoe de wetenschap met vele, grooto on gewichtige kennissen, — waarvan een eeuwig geluk afhangt — verrijkt is. Bldz. 413:

„Door de onderzoekingen der wetenschap weten wij: dat de oudste bewoners van Zwitserland in hutten woonden, die op palen en balken gebouwd waren, die in het water waren opgericht, — dat zij zoowel jagers en vis-schers, als landbouwers en veefokkers waren — dat zij tarwe, gerst en haver kweekten — dat zij verscheidene diersoorten gekend hadden, en het paard en het rund tot den landbouw gebruikten — dat zij in staat waren brood te bakken — dat zij wintervoorraad van granen en

-ocr page 130-

118

vruchten, zooals appels, peren, pruimen, enz. opsloegen, hetzij voor eigen gebruik, hetzij tot veevoeder — dat zij konden weven en stoften van linnen vervaardigen — dat zij touw, Ktrooien matten en teenen manden wisten te maken — en eindelijk dat zij wapens en gereedschappen konden maken van steen, been, hertshoorn en brons. Ook is hot zeker dat zij met verwijderde landen handelsbetrekkingen onderhielden, al was het slechts om vuursteen, tin, barnsteen en koraal te bekomen.quot;

En dat zij graag een potje oud dronken, beste heer, niet vergeten!

15. Normaalles,

Eerlijk gesproken, mijnheor, beteekent dv kennis niet veel, ik weet or oneindig meer van. Gij noemt dio lieden paalwoners, maar dat is mis; ik zal liet u zeggen: hot waren paalmenschen.

De naam van „paalwormquot; is genoeg bekend, om hem niet nader te moeten beschrijven. De professors aan de normaalscholen zeggen, dat zij — nl. de paalwormen, niet de professors — tot de familie der Pholaden of Doorschelpdieren behooren: hun lichaam heeft eene wormachtige gedaante, bij gevolg, gewoonlijk lang en recht: daarentegen is de aap een kromme held die zicli altijd op een voorpoot moet steunen, wanneer hem de lust bekruipt om zich eenigen tijd de positie van den mensch to veroorloven. Nu, koste wat wil, de mensch moet uit een ander dier ontwikkeld zijn, soort of geen soort; buitendien de paalbewoner kende geen apen, en men heeft deze diersoort ook niet in Zwitserland ontdekt. Daarom is het veel zekerder dat de paalmensch zicli ontwikkeld heeft uit eenen paalworm dan uit eenen aap. Men vindt immers nog veel menschen zoo recht en lang als een paal.

-ocr page 131-

119

16. Zemelen-knoopers,

Do plaatjesmaker uit Winkler\'s mooi werk heeft gedacht dat men alles zoo „natuurlijkquot; mogelijk moet weergeven ; daarom stelt hij ons den paalbewoner aan den feestdisch voor zonder hemd aan. Zulke voorstelling zou voor een uit een koolstronk — want die staat ook in do ontwikkelingsrij —- ontwikkelde er nog door kunnen, wanneer hij die voorstelling als zuivere waarheid wilde geven, — maar ook dan nog kon men dat op veel passender manier doen — ; maar iemand op een prent voor te stellen zonder hemd, om u te laten zien hoe de kleederdracht toenmaals was, en dan een bladzijde verder over die menschen van die voorstelling te zeggen, dat zij hemden droegen tot aan den hals en hier rond uitgesneden; kijk, zoo iets geeft nog meer te denken dan te zien. Ik kan echter niet gelooven, dat het in Winkler\'s bedoeling gelegen heeft door do opname van zulke prenten in zijn mooi werk iets te hebben willen bijdragen tot aanmoediging van slechte hartstochten; neen, ik denk dat hij alleen het werk maar mooi heeft willen maken ; maar enfin, het hemd is iemand nader dan de rok.

En had dan die zonder hemd voorgestelde mensch werkelijk een hemd aan? Het antwoord zou reeds bevestigd kunnen worden uit het aangehaalde in hoofdstuk 14, Af\'d. V, alwaar wij zagen dat de paahnenschen of paalbewoners linnen konden weven. Maar niet alleen een hemd, ook oen rok droeg de paahnensch; bldz. 418 lozen wij omtrent do bevindingen bij een lijk gevonden in eenen tumulus op Skandinaviö — hoe oud, „wij weten nietquot;, maar toch uit den bronstijd, bij gevolg ongeveer 3000 jaren oud:

„Het lijk was in onderscheidene wollen kleederen gewikkeld: vooreerst een mantel van een grof weefsel, vlokkig aan de binnenzijde en aan den hals uitgesneden... vervolgens twoe sjaals, bijna vierkant en met franjes...

-ocr page 132-

120

daarna oen hemd, ook aan den hals uitgesneden, 011 dat met een langen band om den middel vastgebonden werd... eindelijk bij de boenen van het lijk twee stukken wollen stof... Ook vond men sporen van leer... Het geheele lijk was in een runderhuid gewikkeld. Verder bevatte doze doodkist... een doos met twee wollen mutsen... oen bronzen haarkam... een bronzen scheermes... een bronzen zwaard in een houten schede...quot;

Dat was een geheele reisnécessaire, en dat voor een bronsmensch of een paalmensch — beiden worden door Winkler onder een catagorie gerangschikt — en Winkler zegt ons bldz. 420;

„...toont aan, dat dit graf tot de laatste dagen van den bronstijd in Jutland gerekend moet worden.quot;

Dus de bronsman van Jutland had een hemd aan, en do bronsman van Zwitserland die linnen bezat, wordt zonder hemd voorgesteld! Mag Winkler ook wel ooit eens gehoord hebben van zemelen-knoopors!

17. Bij vergelijk.

Wij zijn nu bij de lijken, en... uit het rijk der dooden niets geen nieuws. Men heeft lijken gevonden, die begraven waren, en men heeft asch in stukken doek (?) of urnen gevonden. Dit pleit wel niets voor de geschiedenis vóór de geschiedenis, maar het is vulsel. Immers de geschreven geschiedenis verhaalt ons van volken, die hunne dooden begroeven, en van anderen, die de lijken verbrandden.

Uit de ascli den ouderdom opmaken, dat ging niet; maar die ouderdom laat zich afmeten uit do bronzen en beenen voorwerpen in die graven gevonden. — A propos, wat verhaalt ons de geschreven geschiedenis van de wapenen der Friezen, der Brukteren, der Bataven, der Menapiërs, der Toxandriërs, der Eburonon, enz. enz., omtrent don tijd, toen de veldoverste en goschiodschrij-

-ocr page 133-

121

ver Gajus Julius Caesar in Belgisch Galliö viel? Dat dozo steonen instrumenten gebruikten, dat zij beenen werktuigen hadden, dat zij bronzen wapenen gebruikten. En dat was ruim een halve eeuw voor onze jaartelling; dus... vóórhistorisch? Maar toen woonde Krupp nog niet in Essen.

18. Het brons-dessert.

Nog oen enkel woordje over dien bekenden en zuiver berekenden vóórhistorischen bronstijd, en wij zijn met hem klaar.

Aan hot einde der tafel verwacht men nog een lekker beetje en een lijn glaasje voor den lekkeren mond. Dit nu zet ons Winkler voor in twee doodshoofden uit den bronstijd, die dan ook eens voor de verandering uiterst acurraat en puntelijk dien tijd bepalen.

Aandachtige toehoorders! wij lezen in het mooi werk, bldz. 424:

„Menschenschedels uit het tijdvak van het brons... „Het onderzoek van die schedels heeft aangetoond, dat het „menschenras in dit tijdvak sedert liet vorige niet ver „anderd was, want het type, waartoe deze schedels be-„hooren, is hetzelfde arische type dat sedert den tijd „der geslepen steenen het primitieve, op het mongool-„sche gelijkende ras, had opgevolgd.quot;

Zoude dan waarachtig het primitieve of allereerste ras, op het mongoolsche gelijkende, nog uit het Oosten zijn gekomen 1 Dan moeten de moderne geologen zich leelijk vergrabbeld hebben in hunne becijfering. Nu Winkler mag hen wel eens onder handen nemen.

Het hol van Lombrives heeft twee voorname schedels opgeleverd, die door Garrigore aan het Anthropologisch genootschap van Parijs zijn aangeboden. Van deze zegt ons Winklor bldz. 424:

„Deze beide schedels, de ecno van een kind van onv

-ocr page 134-

122

„streeks acht jaar en de andere van een vrouw, zijn „door Carl Vogt nauwkeurig onderzocht en beschreven. „Hij zegt daarvan liet volgende:

„„De beide door den heer Garrigore aangeboden schedels zijn zeer goed bewaard gebleven, en gedeeltelijk met een stalagmietkorst bedekt. De schedelholte is met kalktnf gevuld. De beenderen zijn buitengewoon licht, droog, poreus en kleven aan de tong.

„„De kleinste schedel is die van een kind van bijna negen jaren, dat op het punt is om den hoektand en de eerste kies te wisselen.

„„De grootste schedel is naar den vorm en de dunheid dor beenderen te oordeelen, van een vrouw. Do tanden bewijzen dat de menschen toen even goed tandpijn hadden als tegenwoordig, want een tand is er uit en twee zijn gecariëerd... Naar him diameter zou men deze schedels kunnen plaatsen naast die der Joden en der Zigeuners...quot;quot; Wat waardegehalt die schedels hebben en wat zij bewijzen, vinden wij eerst in een tweede voorbeeld bij Winkler, bldz. 425:

„Het geraamte van Meilen is dat van een kind... Juist omdat het een kinderschedel is, kan hij ons niet dienen ter bepaling van de kenmerkende trekken van het ras... Als alle schedels uit dien tijd zoo waren als deze, zouden zij niet gunstig zijn voor de verstandelijke vatbaarheid van de bewoners van Zwitserland in den bronstijd, en ook niet aantoonen dat die menschen hooger in ontwikkeling stonden dan het ras dat in de vorige eeuwen leefde... Maar alle schedels uit dien tijd waren zekerlijk niet zóó, want dit is een kinderschedel, misschien van een hal ven idioot, wie zal het zeggen?quot;

Maar, waarom dan, mijnheer, waarom dien schedel beschrijven, als gij eindelijk zelf bekent, dat hij waarlijk niets bewijst?

Hier heeft men alxoo het waardegehalt en tie bewijzen van schedels, en wat meer zegt: uit zulken gekken of

-ocr page 135-

123

idioten schedel bewijst men den ouderdom van liet bronstijdvak, omdat hij in een Zwitscrsch meerdorp gevonden is. Welnu do Zwitsersche meerdorpon waren over twee duizend jaren zeer zeker nog bewoond, en toen, gelijk ook nog veel latei\' gebruikte men bronzen wapenen enz. Zelfs kan die schedel nog veel later bij toeval op dit meerdorp zijn terecht gekomen; wie zal hot zeggen? voegen ook wij hierbij. En die flltratio van verstand uit knoken en beenderen is ook niets minder dan cijfer vast, even gelijk het bepalen of de schedel van een man of van een vrouw is, terwijl wij de tandpijn vóór of na den dood maar dood zullen laten.

19. Begraven.

Ik heb den lezer genoeg verveeld met den bronsmensch, en om de maat te doen overloopen, geef ik hem nog een chapiterke op den hoop toe. Dat geef ik hier, omdat ik vroeger er niet aan gedacht heb, en omdat ik het later weer zou kunnen vergeten. Wantik ben een aardig mensch. Eenige menschen zijn er, zoo zegt men, die kunnen hun hoofd niet bij elkander houden voor ééne gedachte. Nu heb ik soms wel honderd gedachten te gelijk in mijn hoofd. Men zou denken dat de sterkste dan vooraan kwam; dat is zoo niet; de behendigste behaalt altijd de overwinning. Zoo immers — zeggen ze — gaat hot ook in het leven — en achteraan komen de sterken, die niet zoo sluw en bedreven zijn als de behendigen.

Dit wordt nu dat sterk argument, omdat het den bronsmensch, den rendier mensch, don mammou tb mensch, ja zelfs den holenbeermensch dood laat gelijk zij waren, en bovendien hen nog vastnagelt onder eene korst, zoogenaamd stalagmiet.

Men behoeft niet te schrikken voor dien geleerden naam; hij beteekent niets dan wat kalk en water, overal bekend.

-ocr page 136-

124

In goed llollandsch noemt men zulke dingen „drop-steenenquot;. Dit zijn de zuilen-of kogelvormige kalksteonen, die men in de holen van kalkbergen aantreft, ontstaande door het doorsijpelen van sterk met koolzure kalk bezwangerd water, dat bij verdamping den steen achterlaat. De hangende dropsteenen noemt men „stalaktietenquot;, de op don bodem rustende „stalagmietenquot;. En dit is al hun bizonders.

De geloerde scheikundige Liebig doet ons zien, hoe dat in zijn werk gaat. Hij zegt; „Op de oppervlakte van Frankenland, waar de kalksteen vol holen is, ligt een vruchtbare grond, waarin plantaardige stoffen onafgebroken vergaan. De teelaarde of humus ontwikkelt onder den invloed van vochtigheid en lucht, koolzuur, dat door den regen afgenomen wordt. Het zoo met dat zuur bü-zwangerde regenwater doordringt den poreuzen kalksteen, lost er een gedeelte van op, en naderhand, als het overvloedige koolzuur in de holen verdampt, valt het met de kalkachtige stof naar beneden en vormt stalaktieten. Zoolang het water, zelfs nu en dan door eene reeks van holen vloeit, kan er geene zuivere stalagmiet-korst gevormd worden: daarom is de vorming van zulk oen korst in het algemeen eene gebeurtenis, die voorgevallen is nadat het oude stelsel van afwatering niet meer bestond; eene verandering die veroorzaakt kan worden door eene aardbeving, waardoor nieuwe spleten ontstaan, of doordat eene rivier zich een lager bed graaft en dus niet meer in het oude bed vloeit.quot;

Dus: door den „algemeenen vloedquot; of door bizondere vloeden zijn de beenderen van menschen en dieren naar die holen ingerold. Wanneer die beenderen erin gerold zijn dooi\' den „algemeenen vloedquot; dan verging de afwatering door dien „algemeenen vloedquot;; wanneer zij erin gerold zijn door eene rivier, b. v. de Maas of de Somme — in wier dalen men die holen veel vindt — dan is de afwatering geschiedt doordat de rivieren

-ocr page 137-

125

zich eon dieper of wel een ander bed groeven. In het eerste geval dagteekenen dus de stalagmietkorsten van af den „algemeenen vloedquot; en in het tweede zijn zij van nog veel jongeren datum.

Zoo maakte Schmerling, die over de holen in de nabijheid van Luik — in het Maasdal — landurige en nauwgezette waarnemingen in het werk stelde, hieruit de gevolgtrekking, dat de beenderen, die hij onder de stalagmietkorsten gevonden had, alsmede de vuurstee-nen werktuigen uit diezelfde holen, daarin gespoeld waren door strooraen, die met de oppervlakte van de landstreek in verband stonden. Vervolgens heeft een der grootste geologen van Frankrijk, Elie de Beaumont verklaard, dat het dal der Somme van nieuwere vorming is, waardoor al de duizendtallen van jaren van den uitzinnigen en verrukten Rocher de Perthes in duigen vielen.

Daar nu zoo weinig omstandigheden noodig zijn om eene stalagmietkorst te vormen, kan iedereen begrijpen, dat daarbij alle berekening faalt: het korter of langer tijd hangt slechts af van de snelheid der verdamping, en de dikte der korst van den aangevoerden kalk.

Evenwel de moderne geologie heeft met tien handen te gelijk naar die druipsteenen gegrepen, om er uit te

bewijzen dat zij...... niets bewijzen. Hoort slechts

Winkler in zijn mooi werk bldz. 60:

„...... die pilaren en kegels van druipsteen... hebben

slechts in zooverre eenig belang, dat zij een duidelijk bewijs geven van de hooge oudheid van dezen bodem... Een zekere maatstaf ter berekening van den ouderdom der kalksteenvormingen en van de holen zeiven, vindt men daarin echter niet, daar men niet kan aannemen dat de druipsteenvorming altijd en onafgebroken regelmatig is gebeurd.quot;

Dat is eene categorische vingerwijzing, die nog meer ontkent dan ik ontkend heb. Ik dacht dat Winkler

-ocr page 138-

.1 2(5

daarmede tevreden was, althans het doen kon, maar.... de wetenschap kent geen dogma\'s, wol contradicties. Ziet slechts:

„is gebeurd; maar desniettemin als men stalaktieten vindt, die zestien meter lang zijn, en stalagmieten die eenen omvang hebben van elf meter, dan zekerlijk zal men wel willen gelooven, dat de tijd waarop deze vormingen begonnen zijn te ontstaan, veel langer geleden moet zijn dan het tijdstip waarop men gewoonlijk do schepping der aarde stelt.quot;

Men wordt erop attent gemaakt dat hier slechts rje-loof wordt gevraagd, zeer welwillend. Zeer verplicht, mijnheer, dank u.

„Wie zou het wagen eene berekening te maken van den ouderdom van zulke reusachtige kalkvormingen, ontstaan door verdamping van kalkhoudend water, waarbij de opgeloste kalkdeeltjes een vasten vorm aannamen. Eeuwen hebben in zulke gevallen nauwelijks de waarde van een dag of een uur.quot;

Hier slaat de man weer dóór als een blinde vink. Dat Winkler dan eens bewijze dat zulks niet zou kunnen in een halve eeuw, in plaats van eeuwen. Kan hij dat niet, dan kan hij nog minder dan ik; en onze kennis der scheikunde is in lange niet zoo groot als die welke Onze Lieve Heer aan moeder natuur heeft gegeven, en ook ken ik geen stoomketel of verdampingsmachine gelijk aan die, welke God in het aardbodemtje geplaatst heeft, en waarvan slechts hier en daar een schoorsteentje komt kijken als bij den Vesuvius, den Ethna enz. Maar ik vergat dat Winkler niet van cata-strophen houdt.

20. Lijkrede.

Ik meen dat de Bronsmensch geen lijkrede noodig heeft, laat hem dan rusten in vrede onder welke korst

-ocr page 139-

127

hij dan ook moge liggen; do moderne geologie zal hem in zijn slaap niet storen, hoeveel onzin zij ook over dien geflngeerden mensch maakt.

21. Periphrase.

Daar wij het ijzertijdperk gaan intreden, moeten wij don heer Winkler onzen hartelijken dank brengen voor zijne belangrijke bijdragen in zijn mooi werk, bijeen verzameld uit het bronstijdperk. Om te weten hoe de wereld bestaat in verschillende landen, waar de men-schen nog geen kennis hebben van stoom en electrici-teit, behoeven wij die wereld niet af te reizen. Wij weten nu ongeveer hoe zich de menschen behelpen. Dit is zeer zeker verdienstelijk voor den heer Winkler, dat hij ons een „rondschouwquot; over den aardbodem heeft gegeven, al geeft hij aan zijn boek, zijn mooi werk, ook den roman titel van „de mensch vóór de geschiedenisquot;.

Winkler heeft een geschiedenis geschreven, ongeveer zooals zij heden geschiedt, en hij verbloemt dit niet. Immer in ons hoofdstuk 9, Afd. III, hebben wij gezien dat Winkler menig staaltje van eerlijkheid levert. In dat hoofdstuk toch haalt hij de H. Schrift aan als bewijs voor zijn koper- of bronstijdvak. Die echter eenmaal een boek of een werk aanhaalt als gezaghebbend bewijs voor zijne leer, erkent toch zeer zeker het gezag van dit boek. Dat boek, aangehaald door Winkler, dat boek, waaruit Winkler zijn bewijs nam, is deH. Schrift. Dus Winkler erkent de H. Schrift, tenminste als een geschiedkundig werk. Dit eenmaal aangenomen, volgt van zeiven dat hij eene schepping moet aannemen, zooals zij in het boek Genesis, het eerste boek dier geschiedenis wordt aangegeven, want anders heeft z\'yn aangehaald bewijs uit bet verdere gedeelte ook geen kracht. Het aangehaalde bewijs wordt verder genomen uit de ware geschreven geschiedenis gelijk

-ocr page 140-

128

ook alles wat Winkler schrijft genomen is uit de geschreven geschiedenis of van de bestaande feiten, zooals ik telkens bewezen heb.

De slotsom is dat Winkler een mooi hoek heeft willen schrijven en dit slechts een weinig aantrekkelijk heeft willen maken door het tot titel te geven „De mensch vóór de geschiedenisquot;. Ook hoopt hij dat het met veel genoegen raag gelezen worden; dit genoegen heb ik hem geschonken. Winkler vraagt ook een „gunstig oordeelquot; over zijn werk, ik meen dat ik hierin niet te kort ben gebleven, en zal ook in de volgende hoofdstukkon steeds zoo goedgunstig mogelijk oordeelen.

-ocr page 141-

AFDEKLING VL

1. Babelsche spraakverwarring.

„De kennis en het gebruik van het brons hadden ecnon grooten stoot gegeven aan de industrie van den monsch, en waren de oorzaken geweest van het ontstaan van eene menschelijke maatschappij.quot; Aidns lezen wij bij Winkler op bldz. 431.

„In hoofdstuk 9, Aid. Iff, hebben wij gezien dat Winkler als getuigenis voor zijnen bronstijd op bldz. 353 den Bijbel aanhaalt, en op de eerste plaats het boek Genesis, en tweedons I Koningen. (De ezelsbrug Euxinus is toen genoeg besproken).

Hier komt Winkler alzoo weder een heel eind nader bij de H. Schrift als hij ons spreekt van eene menschelijke maatschappij in het bronstijdvak. Eene kleine vingerwijzing kan echter geen kwaad, meen ik.

De naam van den metaalbewerker Tubalcaïn, door Winkler aangehaald, komt voor Gen. IV, 22. Als mijnheer nu nog vijf verzen terug had willen zien, dan had hij gelezen Gen. IV, 17; „En hij (Cam) bouwde eene stad en heette haar naar den naam van zijnen zoon, Henoch.quot; Als Caïn die stad nu ook niet bouwde op den geboortedag van dien zoon, hij heeft ze toch gebouwd, en om eene stad te bouwen moet vooraf eene maatschappij bestaan. Bij gevolg, toen de eerstgeboren zoon van den eersten geschapen monsch die stad bouwde

9

-ocr page 142-

130

toen had rtio zoon reeds broeders en deze broeders reeds kinderen, on alstoen moest om die stad te bewonen reeds eene menschelijke maatschappij bestaan.

Wat de aanhaling van lliram betreft onder koning Salomon die regeerde van 1020 tot 980 voor Christus, die bewijst volstrekt niets voor een koper- of bronstijdvak, even zoomin als die omtrent Tubalcaïn; want volgens die redeneering zouden wij heden ook nog in het koper- en bronstijdperk zijn, omdat ook heden koper en brons verwerkt worden. Verder zegt Winkler op dezelfde bladzijde:

„Met recht geeft men dus den naam van ijzertijdperk aan de laatste periode van de ontwikkeling van het primitieve menschdom, en do laatste oogenblikken van het ijzertijdvak zijn het begin van de geschiedenis.quot;

Voor het denkend deel der natie is wel nooit meer onzin in zoo korte woorden neergeschreven. Winkler haalt de bewijzen voor zijn kopertijdvak uit de geschreven geschiedenis; na dat kopertijdvak komt het ijzer-tijdperk en na dit ijzertijdvak komt het begin van de geschiedenis. En niet dat Winkler deze geschreven geschiedenis niet aanerkent, want hij haalt deze aan met tekst en al.

2, Vóór en na. Altijd hetzelfde.

Het gouden kalf buiten rekening gelaten, bekleedt het ijzer eene allervoornaamste plaats onder onze metalen, en daarom willen wij eens zien hoe de onbeschaafde volken — Winkler noemt hen vóórhistorische — het aanleggen om aan ijzer te komen.

Bldz. 431 lezen wij: „Gedegen ijzer, nl. natuurlijk metallisch ijzer, is bij uitstek zeldzaam. Men vindt liet slechts in de luchtsteenen of aürolithen, als zoogenoemd meteoorijzer. Volgens de» russischen natuurkundige Tal-las kunnen sommige siberische stammen met veel moeite

-ocr page 143-

131

oen beetje ijzer halen uit de meteoorsteenen die in dat land gevonden worden, en van dat ijzer maken zij messen. ILetzelllle doen ook do Lappen. En volgens het verhaal van Americus Vespncius maakten do Indianen aan den mond van La Plata, in de vijftiende eeuw, pijlpunten on andere voorwerpen van brokjes ijzer uit aörolithen.quot;

Zijn dat aanhalingen uit den vóórhistorischen tijd?

„Doch steenen die uit den hemel vallen zijn veel te zeldzaam om er ijzer genoeg uit te verkrijgen. Hot is dus wel zeker dat het ijzer in vorige tijdvakken uitzijn erts verkregen werd, zooals men koper en tin had vorkregen, namelijk door de reductie van het oxyde onder den invloed van warmte en kool... Het smelten van het ijzer was in \'t geheel niet noodig om dit metaal te bekomen... Het was genoeg dat men ijzer had in spons-achtir/cn toestand; als men deze sponsachtige massa roodgloeiend maakte en met hamers smeedde, verkreeg men een staaf ijzer.quot;

En Winkler zal ons nu bewijzen, hoe men in zijnen uitgedachten vóórhistorischen tijd dat ijzer maakte, door dat bij de bewijzen put bij „de halfwilde volken van den tegenwoordigen tijdquot;, bij de „Tartarenquot;, bij do „Negers aan den Senegalquot; enz., bldz. 432. Ook vinden wij daarbij alweer zoo\'n plaatje, waardegehalt als do vroegere.

Die nu niet tevreden is met dit hoofdstuk als inleiding en als slotrede over liet ijzertijdperk, die moet maar zien dat hij er meer van te weten krijgt; want met eenen zeer behendigen slag maakt Winkler er zich van af, door in eens op de uitvindingen te vallen van dien nooit volprezen vóórhistorischen ijzertijd.

3. Wie mijn vriend Plato is.

Plato, mijn oude vriend, is een beroemd Griekscb

-ocr page 144-

132

wijsgeer, geboren te Athene in 420 voor Christus. Zijn vader heette Aristo, en daar hij slecht zonder moeder kon zijn — wat voor een wijsgeer zeer dom is — had hij hiervoor eene vrouw genaamd Pirictione. Naar ik vermeen, staan deze namen nog in geen enkel stamboek van paarden of runderen.

Plato was een leerling van Socrates — hoe hem dit tot aanbeveling kan strekken, kan ik tot nog toe niet begrijpen, want Socrates was, naar iedereen weet, een groote gek. — In Sicilië sloot hij nauwe vriendschap met den edelen Dion — iemand die in 353 v. C. vermoord werd door Kalippus van Athene, en ik weet niet of hij deze eer waardig was. Dion nu gaf aan onzen Plato eenen aanbevelingsbrief voor Dionysiusden Ouderen. Als men nu weet dat deze Dionysius Major van Syracuse ten gevolge van zijne overdadigheid aan een gastmaal plotseling overleed, dan blijft ons niet veel groeten dunk van dezen alleenheerscher over. Zijne gemeene handeling omtrent Plato kan ons dan ook niet verwonderen. Hij leverde Plato als burger van Athene uit (Dionysius was te dien tijde met Sparta tegen Athene verbonden) aan den Spartaanschen gezant Pollis, die hem als slaaf verkocht. Hoeveel Plato toen precies opbracht, is niet opgeteekend: het zal wel niet veel geweest zijn, want wijsgeeren zijn veelal koppige paarden, waarvan niemand bizonder graag gediend is. Of Plato was weggeloopen, en of men hem had weggejaagd, dat doet niet veel ter zake, maar op veertig-jarigen leeftijd vinden wij hem te Athene terug als leeraar der wijsbegeerte. Iedereen weet dat hij sedert nog verschillende malen is verkocht geworden in groote boekwinkels, en hij geniet het bizonder voorrecht dat, niettegenstaande hij in 348 v. Chr. is gestorven, hij toch nog steeds voortleeft.

In onzen tijd dachten de moderne geologen vanWin-ler\'s richting wat nieuws gevonden te hebben door de ontdekking (?) der vóorhistorie. Maar het „nil novi sub

-ocr page 145-

1:33

solequot; niets nieuws onder de zon —• dus ook geen oud nieuws — blijft altijd waar. Want toen Plato over meer dan 3000 jaren een aardige wijsgeer was, beraarde bij — buiten meer andere dommerijen — ook, dat „ideeën „alleen door liet verstand gekend worden; zij ontstaan „uit de herinnering aan een vroeger zieleleven ; de hoog-„ste idee is die der Godheid, of van liet volmaakt goede „en sclioone. En dewijl dit volmaakte slechts één kon „zijn, geloofde hij aan eenen eeuwigen en volmaakten „God, schepper van het heelal, en aan de onsterfelijk-„heid der ziel.quot;

Dus Plato geloofde aan eene herinnering uit een vroeger leven, maar een zieleleven. — Kunnen de atheïstische geologen zicli ook iets herinneren uit hun vroeger leven, uit liet beestenleven! Alzoo Plato en de nieuwer-wetsche geologen houden van beide kanten aan een voorhistorisch loven, wel een beetje verschillend in oorsprong, maar overigens juist hetzelfde.

4. Eeisherinnering.

Nu vroeg ik onlangs eens aan Plato: Oude jongen, zeide ik, gij zult u nog wel iets herinneren uit uw vroeger zieleleven, lang voor dat gij geboren waart! Welnu vertel mij daarvan iets, en zeg mij eens, hoe het uitzag met die oermeuschen en hunne voorzaten van af den gorilla, den oerang-oetang enz. tot het oerzaad, .en gij behoeft den koolstronk in de rij niet over te slaan.

Glimlachend de schouders ophalende antwoordde Plato: Menig rijtoertje hebben wij samen gemaakt, maar nooit zijn wij aan de brug Euxinus uitgekomen. Wel zijn wij eens doorgedraafd tot aan de wijd vermaarde „ponsasi-norumquot; de ezelsbrug; en daar heb ik u laten zien, hoe-velen op die brug den nek gebroken hebben, daar zaagt gij Agrippa, Nero, Domitianus, Trajanus, Marcus Aurelius, Severus, Maximinus, Decius, Valerianus, Aurelianus,

-ocr page 146-

134

Galerus; die allen zijn van de ezelsbrug gevallen met liet staal tegen de „Waarheidquot; in de hand. Ofschoon dit lijken te over waren als voorbeelden, vonden zij toch nog menigen ezel als navolger, die nogmaals op die brug stapte en er het leven bij inschoot.

Verder toonde ik u daar een massa lijken van Cerin-thus, Menander en andere Gnostiker, handelaars in een weinigje waarheid en veel leugens en onzin; Montanis-ten, Novatianen, Manichoeën volgen op de rij af. Ik wees u nog de Donatisten, Adianen, Arianen en toen sloegen wij de rest maar over onder de opmerking: zoolang er menschen op de wereld zijn, zullen ook ezels zijn die zich aan geen voorbeelden storen.

Daarna namen wij een kijkje bij diegenen, die van die beruchte brug gevallen, nog spartelden om het leven in dien stinkenden modderpoel onder die brug; en daar vonden wij Luther, Carlstadt, Aecolampadius, Zwingel, Melanchton, Calvijn, Hendrik VIII en andere protestee-rende deurwaarders.

Zelfs hebben wij den zinkenden of liever tot „nietquot; (nihilismus) overgaanden Michael Oaerularius — stichter der Grieksche en Russische kerk — niet overgeslagen.

Slechts den halfrotten Mahomet zijn wij voorbijgegaan, nu, dien kunnen wij later nog eens een bezoek brengen.

Maar, zeide Plato, uit mijn vroegere zieloleven.....!

tot morgen!

5. Zoo kort mogelijk.

Uitgesteld is niet afgesteld, sprak Plato, alleen verzoek ik u, zieleleven in geestesleven te veranderen en dan zal ik u nog wat verder inlichten.

Terloops dan hadden wij vroeger genoemd Voltaire en J. J. Rousseau, beiden te boek staande als wijsgeeren, dus mannen die zich op geestesgebied beroemd hebben gemaakt — hetgeen ook maar goed is, want op practisch gebied hebben zij zich leelijk berucht gemaakt.

-ocr page 147-

135

Die twee hoeren hebben dit met de in liet vorig hoofdstuk genoemden eigen, dat zij allen togen do „AVaarheidquot; streden onder liet öóne vaandel der „lengenquot;.

Waarom echter, zeide Plato, zullen wij ons bij die twee karaktcrlooze individu\'s ophouden. Laten wij hot heirloger van wijsgeeren eens de revue doen passeereu.

6. Nullen en ixxen.

Nadat Plato de stelt eens ouder zijnen geest had gezet, — zoo noemde hij,, een snuifje nemenquot; — begon hij aldus:

Daar hebt gij den pantheïst, daar hebt gij den atheïst, daar hebt gij den materialist, daar hebt gij... maar wacht... één voor één en achter malkander op rij, dan kunnen do moderne geologen boter hun denkgenooten opmerken en onderscheiden en zich bij hen paren.

Mijn meening was, dat onze geologen die oude wijsgeeren maar gezamenlijk om don hals moesten vallen, wijl hun aller doel toch hetzelfde is, nl. het wegcijferen van God en de rest.

Dit moest Plato wel bekennen, maar die hoeren, zeide hij, cijferen met nullen, en do vroegere wijsgeeren rekenden met ixxen, dat maakt het verschil van hot onderscheid.

7. Te dom om te lezen.

Alwie geen Godvreter is, maar ter dege een grondig onderzoek instelt, komt hedon ten dage gelijk al zijne voorgangers tot dit besluit; „God sprak en het wasquot;.

En hiervan do apotheose door J. J. Rousseau, luidende:

„Een zoo groot systeem, zoo troostvol, zoo verheven, zoo geschikt om de ziel te verheffen en de deugd te steunen; systeem zoo klaar, zoo holder, zoo eenvoudig; systeem waarin voor den monschelijkon geest minder onbegrijpelijke zaken voorkomen, dan dommerijen in elk ander systeem.quot;

-ocr page 148-

136

Door de letterlijke vertaling heeft taal, stijl en klaarheid wel een weinigje geleden, merkte ik op, maar daaraan stoorde Plato zich niet.

Om zich van do „Scheppingquot; te overtuigen, ga men slechts van dit standpunt uit: 1quot;.) Een oneindig verstand kan vele dingen voortbrengen, welke een beperkt monschenver-stand niet kan begrijpen. \'2°.) Alleen het dier behoudt het voorrecht van niets te gelooven.

Elke dwaalleering zondigt tegen een dezer twee waarheden. Neem op de eerste plaats den pantheïst, aan dezen mag de huidige moderne geoloog gerust do hand geven, ja zelfs den arm tot aan de schouders toe. Do pantheïsten namen aan — of zij dit deden, weet ik niet, maar zij leerden het — één wezen, volstrekt, volkomen; nog genaamd: het ééne, het alles, het zijn, het onafhankelijk ik; dit alles beduidde God.

Dat oneindig onafhankelijk en onvergankelijk wezen had hot gedacht over zich-zeiven, maar dit gedacht was al te verward en ordeloos om dat zich-zelven te begrijpen. Dat wezen was — het valt licht te begrijpen — buitensporig nieuwsgierig om te weten hoeveel in zich-zelve zat. Ongeveer, zeide Plato, zooals ik doe, wanneer ik zwanger ga van een gedachte; om ze en hare hoedanigheid te onderzoeken zet ik ze op papier; is zij goed en iets waard, dan laat ik ze staan, anders krab ik ze door.

Zoo ook deed dit onafhankelijk wezen, God genaamd. Het pakte zijn eigen Jan-Claessen-kraam uit malkander om hem eens na te zien; — de wijsgeeren noemen dit: zich voorwerpelijken of zich voorwerpelijk opstellen — om buitenzinnelijk met die bovenzinnelijke mannen te spreken moest ik zeggen: Dit onafhankelijk enz. wezen stelde zich tegen zich-zel ven over als niet-hij. Daar dat wezen nu geest en stof is ■— ten minste bij machte dit te zijn — daarom ontwikkelde zich zijn geest-zijn in een menigte van geesten, en zijn stoffelijke eenheid onderdeelde zich in een oneindig aantal stoffelijke voor-

-ocr page 149-

137

stellingen. Dus do wereld met al haren paperas is ccno ontwikkeling uit dat oneindig wezen. Dio ontwikkeling geschiedt of was geschied dooi\' voortbrenging — gelijk do apen de jongen voortbrengen ; of door ontluiking - ik denk zooals de vogels uit een ei -—; of door wijziging (echte ontwikkeling) —- zooals de planton zich op den bodem ontwikkelen. —

Deze ontwikkelings-theorie moet gij echter zoo begrijpen, dat zij slechts do daarstelling is van het „ééne volmaaktequot;.

Zoodat, bracht ik in hot midden, ik geen persoonlijkheid op mij zeiven ben, maar als het ware, een gedeelte, eene hoedanigheid, van dat „één wezenquot;.

Juist ZOO) merkte Plato aan, maar ook zoo, dat „gij\'\' geen go d en geen kwaad doet, omdat gij geen persoonlijkheid zijt, maar dat „één wezenquot; waarvan gij een stukje, een lid, een daarstelling zijt. Maar laat mij uitpraten : Wanneer eon gedachte op papier gezet, mij niet beval t, dan krab ik ze door, neem ze terug en hervorm zo. Zoo doet ook dat „één wezenquot;. Neem aan dat gij, man, een slechte weergeving van het „éénequot; gedacht zijt, dan wordt gij weggevaagd en weder in een ander mensch geeft het „oneindig wezenquot; een boter gedacht.

Wanneer nu na duizende van jaren dat wezen zich uitgeput heeft in voortbrengsels of ten minste weet wat het is, kan en vermag, dan veegt hot de geheele lei al en keert weer in zich zeiven terug.

8. Hoofdstuk zonder naam.

Niets nieuws onder de zon, dacht ik, na het vorige eens overkauwd te hebben; daarin zat evengoed de beesterij als in de huidige systemen; de strekking was hetzelfde; Geen (ïod of een God, die van dat alles de schuld droeg; maar de mensch, al was hij het meest zedeloos denkbaar varken, hij was en bleef onverantwoordelijk als zijnde slechts een daarstelling van- en

-ocr page 150-

138

eenzelvig met do Godheid. In beiden wordt de geest voor zijne dommerijen schadeloos gestold door het hart.

9. Een ist failliet.

Een goede drie kwart eeuw zijn voorbijgegaan, sedert een gek voor wien geen gekkenhuis groot genoeg is, do grootste gekheid beging, die ooit in het brein van een gek kon opkomen. Natuurlijk moet men voor zoo iets een Engelander zoeken.

Robert Owen, geboren in 1771 te Newtown besloot als hervormer der maatschappelijke ellende op te treden. Eerst dan gaf hij zijne wijsgeerige studies theoretisch in het licht. In den beginne was hij pantheïst, wijl volgens hem de mensch niet zedelijk verantwoordelijk is, en daarom straf en belooning moeten wegvallen. Die theorie werkte echter zijns inziens te langzaam voorde ellende van het menschdom (?) Daarom cijferde hij maar in eens de geheele Godheid weg, en na alle mogelijke theorieën nagelvast gemaakt te hebben, besloot hij prac-tisch de proef op de som te leveren.

Hij verzamelde dan zoo wat zeven of acht honderd mannelijke en vrouwelijke personen, die hij zoozeer doordrongen achtte van de leer van atheïsmus, dat er voor hun nakomelingen geen vrees bestond een andere leer te omhelzen dan die hunner ouders. Dan bracht hij hen naar America, zocht hen daar eene afgezonderde vaste standplaats uit, en bouwde voor hen de stad New-Harmony; en dit zou de model-kolonie worden. Dan deed hij allen den eed afleggen van getrouwdheid aan hunne moeder de natuur; intusschen spoorde hij hen toch aan om vlijtig te arbeiden en zich aan het oude gebruik te houden van rechtop te gaan op twee voeten, opdat later niemand hunne afkomst zou in twijfel trekken.

Vooral drukte hij hen goed op het hart van het mijn, en dijn af te schaffen, van voor altijd met mond en

-ocr page 151-

139

hart vaarwel te zeggen aan het Opperwezen; zoo zij dit onderhielden beloofde hij hun op zijn eerewoord als atheïst, dat zij en hunne nakomelingen zoodanig hoog een geluk zouden bereiken, dat geheel de wereld er over zou verstomd staan, en eindelijk zou verzaken aan godsdienst, huwelijk en particulieren eigendom, de drie afschuwelijkste geesels waaronder het menschdom gebukt gaat. Dit alles, ging Plato door, is letterlijk overgenomen uit „de verklaring van de onafhankelijkheid des geestesquot; voorgedragen in de redevoering gehouden te New-Ilar-mouy 4 Juli 1826 door R. Owen.

Het spreekt van zelf dat zulke edele zaak haar verheven doel niet kon missen. Daar was echter een geesel, onder de drie bekende van R. Owen niet aangehaald, die deze zedelijke volksplanting verdelgde en... men heeft nooit meer een woord er van gehoord. De beursmannen zeggen dat die maatschappij in datzelfde jaar 1826 reeds ontbonden werd.

10. Beginselen van ontleding.

Waartoe dat vorig hoofdstuk\'? Iedereen toch weet dat het atheïsmus voortleeft niet door voortteling maar door inenting, dat kon en moest die Engelander ook weten, maar hij was gek.

Maar mijnheer atheïst of goddelooze, de duivel zal u halen als er een God is. Overigens heeft reeds menigeen van uw consortium bewezen, hoe hartelijk uwe goddeloosheid u gemeend is; b. v. de op dit punt onverstoorbare en onverwinbare vrijdenker Volney, eens op de kusten van America in doodsgevaar verkeerende, greep een rozenhoedje en bewees te midden van den storm aan al de matrozen dat hij zijn „Onze Vader on Wees Gegroetquot; niet verleerd had.

Zal ik u nu bewijzen wat voor onzinnigheid de goddeloosheid is, vroeg Plato.

-ocr page 152-

140

Difc behoeft niet meende ik, ik herinnerde mij juist een geval van zulken vrijgeest die een avond doorbracht in een uitgelezen kring van dames en heeren. In een gesprek over godsdienst meende hij iets bizonder vleiends te zeggen met de opmerking: „neemt mijn vergissing niet kwalijk, dames, in een huis waar geest met schoonheid wedijvert, meende ik niet alleen de eer te hebben van niet in God te gelooven.quot; „Die hebt gij ook niet alleen, mijnheer, antwoordde de huisdame, mijn hond en mijn kat hebben ook die eer, maar die goede dieren zijn ten minste zoo verstandig van daarop niet te roemen.quot;

Als de atheïst een standbeeld ziet, zal hij moeten bekennen, dat daarvan een maker bestaat, on hij zal de schouders ophalen voor iederen gek, die hem dit uit zijn hoofd zou willen praten. Welnu, moeten wij niet hetzelfde doen voor den goddelooze, die ons zou willen wijs maken, dat het menschelijk lichaam en de ziel gee-nen maker gehad hebben! Wat is eon standbeeld bij den mensch! en nemen wij eens van den mensch een klein stukje „velquot; en betrachten wij dat wonderwerk eens: dat vel is genoegzaam vast om het bloed te weerhouden, genoeg los om het zweet door te laten; aangenaam zacht om het gevoel te streelen en toch hard genoeg om onophoudelijke wrijvingen te weerstaan; doorschijnend om de schoonste kleuren te vertoonen, en toch weer zoo ondoorschijnend dat het het bloedig vleesch voor ons oog verborgen houdt, enz. enz. en dat is nog eerst een lapje vel; waar zou het heen als wij op die manier eens den geheelen mensch betrachten! en die zou geen maker hebben! ?

11. Motaphysica.

Wij zagen straks een klein lapje vel, laten wij ook een klein tipje van de ziel betrachten — als wij kunnen.

-ocr page 153-

141

Wat is dat geheimzinnig iets, flat in ons lichaam die ontelbare spieren en zenuwen in beweging brengt, en zooveel verschillige, ongelijke ja strijdige bewegingen zoodanig rangschikt dat allen tot éen doel samenwerken? — Ieder geneesheer moet verklaren dat dit zoo is. —

Is dat de ziel? — Dat dan die ziel ons nitlegge hoe zij zulk wonder verricht! Dat de ziel ons dan bij voorbeeld eens aan het verstand brenge hoe zij het aanlegt om uit het voedsel in ons lichaam het chyl te trekken, en uit dat chyl ook weer het bloed; hoe zij dat bloed uit het hart voortstuwt tot in de uiterste ledematen en het ook weer naar het hart terugvoert! — Als de ziel dit doet, zal zij het ook wel weten. — Maar voor de uitvinding van Harvey in lfi2(J ontkende diezelfde ziel deze hare werking.----Dus dat alles gebeurt wanneer do ziel er is, doch niet door hare werking, ja zelfs zonder dat zij er kennis van heeft.

In de bewegingen, uitgevoerd door den wil der ziel, is zij wederom niets anders dan een blind werktuig dat niet weet wat het doet. Immers weet de ziel op welke zenuwen en spieren zij moet werken bij het openen en toedoen der oogen, bij het zien, smaken, voelen, enz. bij het bewegen van handen en voeten, bij het spreken enz.?

Het leven is iets Goddelijks of liever een goddelijk verschijnsel, en niemand heeft het ooit schooner beschreven dan de Apostel, toen hij schreef Act. XVII: 28. „In Hem toch leven wij, bewegen wij ons, en zijn wij.quot; Wij zijn het niet die leven, maar God leeft in ons.

Het beginsel — principium — des levens is dus de ziel. Heeft het lichaam geene ziel, dan is het levenloos en niets dan „een lijk.quot;

12. Familie-ledon.

De Pantheïst kan terecht gehouden worden voor vader of moeder — misschien beiden tegelijk —- van onze hui-

-ocr page 154-

142

(lige ontwikkeliiigsmannen; do Atheïst bekleedt met eere de plaats van peetoome; komt nog de Materialist, en wij zullen, eens moeten zien hoeveel die van de lamilie is.

Wij zullen echter eerst Winkler nog een poosje volgen, die door zijne strekking ons reeds heeft doen zien, waartoe hij behoort; als de aap geheel-en-al nit do mouw is gekomen, zullen wij hem eens tor dege aanpakken.

13. Om eens adem te scheppen.

Op het einde van hoofdstuk 2 Afd. VI zagen wij dat Winkler ons eenklaps vervoerde naar de uitvindingen van het ijzertijdvak in den voorhistonschen tijd. Wij lezen bldz. 433:

„Het goud was reeds in den bronstijd bekend... Hot „zilver daarentegen werd eerst in den ijzertijd ontdekt... „Het was eerst in den ijzertijd dat men do cupellatio „uitvond.quot;

„üe ijzertijd wordt ook gekenmerkt door de uitvinding „van het pottebakkerswiel, en het bakken van potten „in daarvoor geschikte ovens.quot;

„Verder wordt het ijzertijdvak gekenmerkt door de „uitvinding van de munt. Hot is uit dezen tijd dat de „oudste bekende munten dagteekenen... De oudste mun-„ten die men kent, zijn grieksche, en klimmen op tot „de achtste eeuw voor J. Chr.quot;

Nu haalt toch de donder alle bedrog. Winkler zegt uitdrukkelijk op bldz. 431, dat „de laatste oogenblikken „van het ijzertijdvak zijn het begin van de geschiedenis.quot;

Is nu de achtste eeuw voor Christus ook nog vóórhistorisch. Nu dan, mijnheer, de opgeteekende, de geschreven geschiedenis zegt ons, dat koning Phidon van Argos in de 8S,C eeuw de munt zou hebben uitgevonden, en uw voorhistorisch bewijs hebt gij weer uit de geschreven historie geput, maar hierover straks nog wat anders.

Winkler herhaalt nog eens die uitvindingen op bldz. 434

-ocr page 155-

143

on zegt dan vorder: „De ijzertijd zal weldra overgaan in den gescliiedkundigen tijd. Als wij den mensch „uit de eerste tijden van liet ijzer, zijne zeden en ge-,,bruiken, zijn wapens en sieraden beschouwd zullen heb-„ben, zullen we moteen aan liet einde zijn van onze schets „van den mensch vóór de geschiedenis. Wie dan verder „wil weten hoe het vervolgens met den mensch in Eu-„ropa is gegaan, zal zich daartoe moeten vervoegen bij „Herodotus en bij de geschiedschrijvers die dien vader „der geschiedenis zijn opgevolgd.quot;

Alzoo komen wij toch haast aan een einde; nog oen oogslag op zeden, wapens en gebruiken van die voorhistorie en wij zijn er.

14. Bewijsgronden,

Als ik mij niet vergis, dan heeft Winkler in een zijner werken gezegd, dat opmerkingen — liet spreekt van zeiven, dat die gegrond moeten zijn — hem zeer aangenaam zijn. Welnu, ik heb mij steeds bereid getoond dien vriendschapsdienst te bewijzen, ik zal er dan maar mede doorgaan.

Dat Winkler van eenen voorhistorischen tijd niet veel afweet, heeft hij genoegzaam bewezen; nu dat is best mogelijk, omdat een voorhistorische tijd nooit bestaan hoeft, wei een voorhistorische eeuwigheid, en ook volken naast of zonder geschiedenis in den geschiedkundigen tijd.

Wat bestaan heeft en nog bestaat, is het duistere omtrent zekere volken en zaken; maar deze volken en zaken zijn en waren niet voorhistorisch, want zij leefden in den geschiedkundigen tijd, alleen is omtrent hun geen geschiedenis geschreven. Maar als dal voorhistorisch moet heeten, dan is ieder van wien in de geschiedenis enz. geen melding gemaakt wordt, voorhistorisch.

Er bestaat echter eene geschreven geschiedenis van af den eersten geschapen mensch. Nu zal ieder ver-

-ocr page 156-

144

standig mensch mot mij hot eene flauwe aardigheid vinden van Winkler, om telkens te neer te komen op Herodotus als den oudsten der geschiedschrijvers, die leefde van 484 tot 408 voor Christus, terwijl het aan ieder bekend is, dat Mo/es de oudste aller geschiedschrijvers is, deze was geboren in 1571 voor Christus en leefde 120 jaren.

Door aldus te handelen, wordt men niet alleen verdacht, maar openlijk bekend gemaakt als partijdig man, of wel men geeft groote blijken van onkunde. Daar zijn nog oudere schrijvers dan Herodotus, die ook geschiedenis schreven; zoo b. v. om een enkele te noemen: Confusius 551—479 v. Chr., dus ook ouder dan Herodotus, en die schrijver is algemeen bekend; dan hebben wij nog Sanchimiation 1250 v. Chr., een Pheniciër als geschiedschrijver en meer anderen.

Herodotus heeft wel is waar eene meer uitgebreide geschiedenis geschreven in het Qrieksch over eenige gedeelten van Azië en Africa, maar.... hij die „pontus euxinus\'\' vertaalt door „de brug Euxinusquot; mag niet te veel schermen met den Griek Herodotus.

Ook is het een zeer zekere waarheid dat niet één enkel geschiedboek zoo vele bewijzen voor zijn echtheid, waarheid en onbetwistbaarheid heeft als het boek Mozes, door alle tijden heen zuiver en onvervalscht bewaard door het Joodsche volk, dat dit boek als door God gegeven beschouwde. En als nu Winkler dit boek meent dood te zwijgen, dan vergist hij zich; en als hij er niet van spreekt, dan is dit een groot bewijs trcjen Winkler, omdat hij geen kans zag een enkel bewijs te vinden om dit boek af te breken of te ontkennen. Dus is hij verplicht het stilzwijgend aan te nemen, en dan......?

Nog eene opmerking heb ik hierbij te voegen. Winkler zegt:

„Het is uit dezen tijd dat de oudste bekende munten dagteekonen... De oudste munten die men kent, zijn

-ocr page 157-

145

grieksche, en klimmen op tot de achtste eeuw voor J. Chr.quot;

Dit is weer eene van die stoute beweringen van een man die denkt dat iedereen hem op zijn woord gelooft. Laten wij eens zien:

Genes. XXXIII. 19 lezen wij dat Jacob van de zonen van Hemor een stuk land kocht en dit betaalde met honderd lammeren. Nu vinden wij in Act. VII, 16 dat Jacob dat land met geld betaalde.

Voorop zij gezegd dat dit was in het jaar 2!)] 8 der wereld of 1973 voor Christus, en wij zullen bewijzen dat Jacob in munten betaalde.

Wanneer wij Shakespeare lezen, dan vinden wij dikwijls melding van Engel en Kruis, en wij weten dat hij hiermede de munten bedoelt die zulk teeken droegen. Dit was vroeger een meer algemeen gebruik dan tegenwoordig. In nog vroegere tijden droegen de munten de beeltenis van een dier, aan welks waarde zij gelijk gesteld werden. Zelfs bij de Romeinen droegen munten zulke beeltenis, en die met een schaap schijnen bekend; het schijnt dat zij daarom de munten pecunia noemden naar het woord pecus vee.

Dr. Clarke vond bij Citium op Cyprus eene dergelijke munt, die het aangehaalde bevestigt. Omtrent deze munt verklaart Dr. Munter in eene dissertatie, die thans bij de akten gevoegd is der koninklijke Deensche academie, dat zij van zilver en van Phoenicischen oorsprong is, wijl zij op den achterkant een phoenicisch opschrift draagt, terwijl op den voorkant de beeltenis van een lam staat. Zooals wij weten, noemden de Phoeniciers zelve hun land Kanaan, en het was in dit land Kanaiin bij Sichem dat het gekochte land lag.

Dit is ware geschiedenis en veel. meer te betrouwen dan de bewering van Winkler. De oudste bekende munten zijn niet de Grieksche, wijl deze bekende Phoenicische munt volgens Munter veel eeuwen ouder is dan de achtste

MÉM.

-ocr page 158-

146

eomv voor J. Chr. Omdat nu do bewoners van het land Kanaan munten hadden en volgens de H. Schrift daarmede betaalden, en omdat de gevonden zilveren munt volmaakt overeenstemt met do H. Schrift, is dit een bewijs dat reeds munten bestonden in 1973 voor Christus.

Winkler stelt de achtste eeuw voor Christus nog in zijnen voorhistorischen tijd, waar zal hij in zijnen tijd de ware geschreven geschiedenis van het jaar 1973 voor Christus plaatsen ?

Dit is alzoo wederom een bewijs voor het denkend deel der natie, dat niet denkt en geene onwrikbare dogma\'s aanneemt, zelfs niet eens een grondig onderzoek instelt alvorens beweringen te uiten.

15. Leger-leverantie.

Men heeft oude ijzeren wapens en werktuigen gevonden nog vermengd met bronzen, dus dit is het bewijs van overgang van brons tot ijzer, bldz. 435. „Zoo vond men in de graven van Hallstadt sommige zwaarden met bronzen gevesten en ijzeren kling.quot;

Er strijdt niets tegen het aannemen dier stelling, maar het voorbeeld tot bewijs dier stelling, is een bewijs waarvoor ik den hoed afneem. Ik vond eens een mooi gevlamden zilveren dolk met twee zilveren doodsbeenderen boven- en een zilveren doodshoofd onder het gevest, en dat gevest bestond uit hout. — Of de vrijmetselaars dien dolk zouden herkend hebben, durf ik niet ontkennen. — Dat zou dan ook eenzelfde degelijk bewijs zijn geweest, dat het zilvertijdvak opvolgde aan het houten. Enfin.

Uit het ijzertijdvak nu vond men dolken, zwaarden, gordels, fraaie halsbanden, armbanden, haarspelden, mooie mantelhaken, barnsteenen en enkele glazen kralen.

Verder honderd bronzen vazen, ook kleine glazen vazen, dan een menigte overblijfsels van aardewerk, gouden sieraden......

-ocr page 159-

147

Winkler zegt: „vrij zeker was dat goud uit Trans-sylvaniö afkomstigquot;. Waartoe deze opmerking dient kan ik niet anders uitleggen dan doordat ik denk dat de bewoners van Zevenbergen (Transsylvanië) verondersteld worden toen reeds een historisch volk te zijn, waarbij de voorhistorische menschen van Hallstadt bij Salzburg in Oostenrijk goud kochten door ruilhandel!

„Africaansch ivoor is zeer overvloedig in deze graven van Hallstadt... Zonder twijfel werd het ivoor door de Phoeniciërs aangevoerdquot;. Dit is een bewijs gelijk dat dei-Zevenbergers. Die te Driebergen is, mag dit ontcijferen tot tijd passeering.

De krijgslieden droegen helmen, want men heeft „eenen helmquot; gevonden in die graven. Hier vinden wij ook weeleen erg belachelijk plaatje: Een krijgsman te paard: het paard is mooi opgetuigd, maar de krijgsman heeft het warm; zijn uitzicht heeft veel van eenen kaal-ge-schoren aap met een ceintuur-om zijn midden en eenen mantel op zijn rug, en eenen helm op zijn hoofd. Een ander krijgsman te voet: die schijnt zoo warm te zijn voor den strijd dat hij alle kleederen heeft afgeworpen; alleen den helm heeft hij op zijn hoofd gehouden.

Niet alleen echter te Hallstadt heeft men zulke voorhistorische voorwerpen gevonden, ook te Saint-,Ican-de-Belleville in Savoie zijn graven uit denzelfden tijd ontdekt. Inhoud als voren.

„De Zwitserscho meerdorpen hebben ook hun aandeel geleverd in de bouwstoffen voor een geschiedenis van het ijzer tijd vak... Er is in Zwitserland echter slechts een enkel paaldorp dat uitsluitend Lot den eersten tijd van het ijzertijdvak behoort, het is dat van la Tène in het meer van Neufchatel. De voorwerpen die men in dit paaldorp heeft gevonden, zijn klaarblijkelijk van gal-llschen oorsprong. Men heeft daarvan de overtuiging gekregen door de wapens enz. die te la Tène gevonden zijn, te vergelijken met die welke aangetroffen zijn in

-ocr page 160-

148

de graven van Alise-Sainte-Reine, het oude Alisia, waar de Gallische onafhankelijkheid verloren ging in den strijd tegen Caesar.quot; Aldus Winkler blz. 440. En verder blz. 444:

„Wat was het type van het menschenras in het eerst van den ijzertijd? Ongetwijfeld hetzelfde als het tegenwoordig in Europa levende. De schedels en geraamten uit de graven van dit tijdvak leeren ons duidelijk, dat het ras toen gelijk of identisch was aan het thans bestaande.quot;

Als Winkler hier een weinigje had nagedacht, dan had hij goed kunnen begrijpen, dat hij onzin neerschreef; en nu wil ik niet uitmaken of dat werkelijk zoo is, en of hij dacht dat het „denkend deelquot; toch alles voor goede munt aanneemt, wat hij schrijft.

Immers wanneer wij eens een kaart ter hand nemen, aangevende het Romeinsche rijk van den tijd van Ctesar, dan vinden wij daarop een Gallia Cisalpina en een Gallia Transalpina. En nemen wij dan een geschreven of liever gedrukte geschiedenis ter hand, dan kunnen wij daarin vinden het volgende:

De Romeinen noemden Gallië zoowel het land tusschen de Pyreneën en den Rijn, het eigenlijke vaderland der Galliërs, van den kant van Rome beschouwd, aan gene zijde der Alpen gelegen, Gallia Transalpina, alsook het Noordelijk deel van Ralië, aan deze zijde der Alpen, Gallia Cisalpina. Die beide Galliën werden bewoond door éénen volkstam, en een deel van het tegenwoordige Zwitserland behoorde tot het Gallia Transalpina. Het bewijs ligt voor de hand in de wapenen gevonden te Neufchatel in Zwitserland, niet zoo heel ver, zooals men weet, van de tegenwoordige Fransche grens. — Nu waren do toenmalige Galliërs waarlijk geen vóórhistorisch volk, daar weten de Romeinen van te spreken. De Galliërs toch die aan deze en aan gene zijde van de Po gevestigd waren, waren de schrik der Romeinen, bedreigden zelfs Rome, waren menigmaal de bondgenooten van de vijanden der Romeinen, en zetten hunne strooptochten tot

-ocr page 161-

149

in het Zuiden van Italiö voort, totdat zij na vele en bloedige oorlogen door de Romeinen ten onder werden gebracht.

Het Gallia Transalpina had tot grenzen ten Noorden en ten Oosten den Rijn en de Alpen, en binnen dat gebied lag niet alleen Frankrijk en België maar ook een deel van Zwitserland, en ook deze Gallen hebben hunne geschiedenis, want voortdurend waren zij met de Romeinen in oorlog. Een gedeelte van dit Gallië werd reeds in 121 v. Chr. door de Romeinen veroverd. Het overige werd door Caesar onderworpen 58 51 v. Chr.

Diodorus van Sicilië, een geschiedschrijver, die ten tijde van Qesar leefde, heeft eene beschrijving gegeven van de wapenen der Gallen, en Winkler zegt dat De Rongemont heeft aangewezen dat de wapens uit de genoemde graven en van Neufchatel zuiver overeenkomen met die der Gallen door Diodorus beschreven.

Dus Winkler staaft door bewijzen het hidorische van een volk, en geeft dit den naam van voorhistorisch. Moeten wij nu zoo iets onzin of domheid heeten?

Herhalen wij nog eens wat Winkler vroeger zeide; „Tot hiertoe hadden wij niets dan raadsels en gissingenquot; en van af zijnen brons- en ijzertijd schrijft hij geschiedenis af uit de werkelijk geschreven geschiedenis, om zijn roman over de vóórhistorie klaar te krijgen.

Misschien kan iemand eene opmerking maken omtrent de aangegeven grenzen van Gallia Transalpina, nl. den Rijn en de Alpen; omdat ook de Helvetiörs die streek bewoonden.

Welnu, dat doet niets af aan de historie en is niet het geringste bewijs voor eene voorhistorie. Immers de Helvetiërs waren een volk van Keltische afkomst uit Azië, afstammende van den oudsten zoon van Japhet nl. Gomer, stamvader der Gomaren, ook genaamd Kim-bren en Kelten. Aran deze Kelten van 1 lelvetië, uit vier stammen bestaande, vereenigden zich de Tigurini met

-ocr page 162-

150

de Kimbren en Teutonen tegen de Romeinen. Tusschen 58 v. Chr. en 1(J na Chr. kwamen zij onder de Ro-ineinsohe heerscliappij. Omstreeks 400 na Chr. maakten de Aiomannen zich van het grootste deel van het tegenwoordige Zwitserland meester enz. enz.

Alzoo men kan aannemen wat men wil, nl. dat NenfchiUel bewoond werd door Gallen of door Helvetiërs, in beide gevallen is het een historisch en niet een voorhistorisch volk. Daar echter de gevonden wapens zuiver op de beschrijving van die der Gallen door Diodorus gelijken, is het meest zeker, dat Neufchatel door Gallon bewoond werd, over welke eene geschiedenis bestaat.

16. Veronderstelling of leugen.

Nu hebben wij met Winkler alle onmogelijke tijdvakkou doorloopen, en men zou zeker de hoop koesteren nu aan den eeuwigen onzin een einde te krijgen.

Niettegenstaande de aangehaalde bewijzen — dieniets bewijzen — voor eenen voorhistorischen meusch, voor praoadamiten of zoo iets, zal die leer der huidige geologie mot atheïstische strekking nooit vasten voet kunnen krijgen. Sedert zes duizend jaren gelooft ieder verstandig mensch aan de schepping van Adam door God, zooals die door Mozes is opgeteekend. Voor dit geloof hebben wij de onomstootelijkste bewijzen, omdat het Joodsche volk hiervan het levend bewijs blijft tot aan het einde der tijden.

Daarentegen bewijst de atheïstische geologie niets van al wat zij voorhoudt; wat ook niet anders kan, omdat een leugen door geene bewijzen tot waarheid kan gemaakt worden. En al berust de geheele theorie slechts op eene veronderstelling, zoodat men ze nog niet voor eene leugen mocht uitmaken, dan zou men toch mogen vergen, dat de voorstanders dier theorie toch eene enkele waarheid hadden kunnen vinden tot steun hunner theorie.

-ocr page 163-

151

Het taaie geduld dier natuurlijke natuuronderzoekers is zeker to bewonderen, vooral daar een onbevooroordeeld en grondig onderzoek hen telkens een streep door de rekening maakt, en steeds duidelijker bewijzen levert voor de H. Schrift en de Goddelijke Openbaring.

Zucht naar waarheid is zeer zeker niet het doel van deze, aldus genaamd, wetenschap; neen de eigenlijke drijfveer is: God weg te cijferen uit de maatschappij, eene vrije zedenleer zonder dogma\'s in te voeren, de slechte hartstochten den vrijen teugel te geven, en zooveel mogelijk anderen ook in dien modderpoel mede te slepen.

17, Terug naar den vondeling.

De doctors en professors in deze en-wetenschap, zelve goed de onwaarde hunner bewijzen begrijpende, geven een overmaat van woorden, waarmede zij de balans meenen te doen overslaan.

Zoo geeft dan ook Winkler nu nogmaals een overzicht van al de tijdvakken, en begint weer van meet-af met „toen de mensch voor het eerst op aarde verscheenquot;, dus die mensch is en blijft nog steeds een „vondelingquot;.

Na de weerlegging in de vorige hoofdstukken acht ik mij echter ontslagen van het genoegen den lezer en mij nogmaals met hetzelfde te vervelen; die het de moeite waard acht, kan toch al het voorafgaande nog eens lezen. Daarom, en om aan het einde te komen, nog slechts hier en daar een enkele opmerking.

-■ms

-ocr page 164-

AFDEELING VIL

1. Oversioht.

Over zesduizend jaren heeft God de wereld geschapen cn ook den mensch uit aarde gemaakt en eene ziel in hem geschapen; mannelijk en vrouwelijk geslacht schiep lui- Hij gaf den mensch eene taal om te spreken, en deed alle wilde en tamme dieren, dio hij geschapen had, bij Adam komen, opdat deze hun eenen naam zou geven, hetgeen hij deed. Gen II. 19. De aarde werd bevolkt met menschen en dieren gedurende 1656 jaren. De hoofden der generaties, \'afstammende van Adam, zijn met name genoemd. Gen V en VI. In 1656 kon alzoo do geheele wereld met menschen en dieren bevolkt zijn.. In dit jaar ontstond de „algemeene vloedquot; ook genoemd „diluvium — zondvloed.quot; Daardoor werden alle levende wezens, dio op aarde waren, verdelgd, behalve die welke met Noë in de ark zich bevonden en de visschen. Gen. VII en VIII. Van dezen Zondvloed of algemeenen vloed gewagen alle oude overleveringen en ook do oudste schrijvers en de geheele aarde is er het bewijs van.

— iNaar ik uit goede bron verneem, is iemand op het oogenblik bezig een diepen put te maken, welks wanden de verschillende ontwikkelings-perioden (?) van de aardkorst zullen veitoonen. Men spaart moeite noch geld om den onzin der ontwikkeling te verkondigen: drukken

-ocr page 165-

153

was niet genoeg, nu moet men zien dat liet een lengen is, als men de aarde met hare fossielen in de ware gedaante wil voorstellen. —

Door de wateren van den Algemeenen Vloed is de geheele aardbodem doorwoeld, en de boringen, overal gedaan, geven eene nagenoeg gelijke uitkomst van af het Laurentiaansche steenstelsel tot het Quaternaire of jongste stelsel.

De volgende tabel kan dienen voor hen die eenig belang stellen in deze geologische indeeling:

TIJDPERKEN. GEST EEN\'1\' ENSÏ ELSELS.

Kainozoische of jongste, Mesozoische of middelste.

Paleaozoische of oudste.

| Quaternaire of jongste. 1 Tertiaire.

Krijt of kalk.

| Oöliet of Jura.

| Trias of bovenste nieuwe roodo Zandsteen. Permsche of lagere l nieuwe roode zandsteen. \' Steenkolen.

Oude roodo zandsteen fof Devoniscli.

Silurisch.

| Cambrisch.

Eozoischo, j Laurentiaansch.

Zoodanig ongeveer is de werking geweest van het water op de aarde gedurende den tijd dat do wateren van den Algemeenen vloed en hervloed de omgewoelde lagen lieten bezinken.

Een verder bewijs voor dezen Algemeenen Vloed is, dat wij tot in de oudste en diepste lagen fossielen vinden van fauna (dieren enz.) en van flora (planten), ten minste weinige overblijfsels zijn versteend, andere zijn verweerd, maar hebben nog hunne sporen ofindruksels nagelaten. Van weekelijke bestanddeelen vindt mon na-

-ocr page 166-

154

tuurlijk weinig of niets, en de zwaardste zijn zeker het diepste gezonken. Ook zijn die dieren het diepst gezonken, die de minste middelen bezaten om hun levon tegen do opkomende stroomen te verdedigen, en dus het eerst omkwamen.

Dit is de eenvoudigste oplossing der bevindingen dei-aarde, en zij is de eenig ware en zekere omdat zij berust op de geschreven geschiedenis en op de tellurische gegevens.

Maar wat eene onwaarheid is en blijft, is de onzin eener ontwikkeling. Het is waar, dat men in de onderste lagen de sporen vindt van de enkelvoudigste planten en minst ontwikkelde dieren. Maar dit bewijst dat b.v. die mossen en varens het meest tegen verweering bestand waren, gelijk ook die huidige planten; en de eenvoudigste dieren zonken het eerst en het diepst, omdat zij de minste middelen hadden ter verdediging van hun leven.

Om echter een ontwikkelingswerk te vinden, moest men bij al die achtergebleven fossielen minstens één enkel gevonden hebben, waarbij of waaraan men kon aanmerken ook maar den geringsten overgang van één soort in een ander soort.

En hier staan de atheïstische geologen met den mond vol tanden. Nooit is gevonden en nooit zal gevonden

wokden een enkel fossiel waaraan een ontwikkeling te bespeuren is van een soort tot een ander soort.

Voorbeelden van domheid zijn genoog geleverd, o.a. de zoogenaamde „Andrias Scheuchzeriquot; deed lang dienst als overgangsmensch totdat een grondig onderzoek in 1811 door Cuvier bewees dat men met het geraamte te doen had van eenen groeten Salamander. Even zoo groot was de domheid omtrent de „Archaeopteryx Ma-crura Owenquot; zooals men meende een fossiel dat duidelijk eenen overgang aantoonde tusschen reptiel en vogel; maar nooit is kunnen weerlegd worden het resultaat van Prof. Owen van 1862, nl.: dat dit fossiel geen

-ocr page 167-

155

enkel kenmerk van een reptiel bezit, en dat do deelen die van den gewonen vorm der vogelen afwijken, alles behalve op de daarmede overeenkomstige deelen van reptiel gelijken. — En dien weg gaan allo vondsten op die voor ontwikkelingsfossielen gehouden worden, als zij grondig onderzocht worden.

Laten wij sluiten met de woorden van den groeten geoloog Cuvier:

„Welk recht hebben wij om aan het historisch gezag van Mozes te twijfelen?

Ie. Hij is de oudste geschiedschrijver.

2e. Zijne geschiedenis van de schepping komt in de opeenvolging van het geschapene volkomen met de geologische opeenvolging der lagen overeen.

8e. Van Adam tot Mozes waren wegens den hoogen leeftijd, dien de menschen toenmaals bereikten, weinige geslachten voorbijgegaan.

4e. De meeste geologen komen daarin overeen, dat Mozes of een uitgebreide geologische kennis bezeten heeft, öf door goddelijke ingeving geschreven heeft.

2. Waarom zoo en niet anders.

liet is niet onbekend dat ook de stelling bestaat en verdedigd wordt, dat de scheppingsdagen van Mozes voor even zooveel tijdvakken worden gehouden, zoodat na de schepping der planten en kruiden, een lange tijd verliep voor dat de reptielen en de vogels geschapen werden en wederom een tijdperk tusschen deze en de andere dieren enz.; zoodoende zou men dan gemakkelijker de bevindingen in den aardbodem kunnen uitleggen.

Maar waarom zou men hier voor de dagen tijdperken aannemen, hetgeen men niet doet voor de andere dagen door Mozes genoemd, b.v.; in het zeshonderdste levensjaar van Noö, de tweede maand, don zeventienden dag enz.

-ocr page 168-

156

En de bevindingen in den aardbodem kunnen doodeenvoudig uitgelegd worden door het werken der wateren van den Algemeenen Vloed, gelijk ik in mijn vorig hoofdstuk heb aangetoond.

Dagen blijven dagen, zooals zij door Mozes genoemd worden; en „het werd avond en morgenquot;, dus afgescheiden in dag en nacht.

3. Een groote factor.

Die het werk der geologen goed betracht, moet zeggen dat die mannen eenen reuzenarbeid ondernomen hebben ; wanneer zij hierin niet de „Waarheidquot; tot richtsnoer nemen, dan bevinden zij zich in een labyrinth, waaraan te vergeefs in- of uitgang gezocht wordt. Blijven wij slechts in Nederland:

Er is wellicht geen land ter wereld, dat zooveel plaatselijke veranderingen ondergaan heelt dan Nederland. Van die veranderingen van af den Zondvloed gedurende meer dan twintig eeuwen weten wij niets anders dan dat het een aan de zee ontwoekerd land is. De Kim-brische vloed (340 of 850 v. Chr.) scheidde Zeeland van Vlaanderen. Een andere groote vloed omstreeks 100 v. Chr. vormde de reeks eilanden, die onze noordelijke kusten omzoomen. Een groot gedeelte van ons land heeft zich door aanslibbing van rivieren gevormd, een ander gedeelte is ontstaan uit drooggemaakte meren. Watthans de Zuiderzee is, was voor vijftien eeuwen grootendeels land, waarin toen slechts het kleine meer Flevo was, terwijl eenige takken van den Rijn er doorheen stroomden. In 1250 was de Zuiderzee reeds met de Noordzee vereenigd. De watervloed van 25 Dec. 1277 deed den Dollard ontstaan. De watervloed van 1421 deed den Biesbosch ontstaan. Herinneren wij nog aan den Allerheiligen-vloed van 1570; aan den vloed van 1686 toen Noord-Holland onderliep; aan den ontzettenden storm-

-ocr page 169-

157

vloed van 1775; aan den vreoselijken watervloed van 1825, van 1855 enz. enz

En met al de door die vloeden ondergane veranderingen moet de natuuronderzoeker rekening houden. En al heeft nu niet elk land zulke tallooze veranderingen ondergaan als Nederland, toch is bijna geen plaatsje op den aardbodem te ontdekken, dat niet getuigt van de werking van het water, ook nd den Algeineenen Vloed.

Het is bijgevolg niets dan onkunde met de plaatselijke gebeurtenissen, die de getalridders der geologie doet rekenen met duizenden en millioenen jaren, en hen met ellenlange cijfers de eeuwen doet tellen eener delta, die voor hare vorming misschien niet eens één jaar noodig had.

4. Nog eenige factoren.

Met nog andere rekening-verstorende factoren hebben de geologen te rekenen, en hierin vooral de vulkanen en aardbevingen. Hoe doen deze in korte oogenblikken de aarde van gedaante veranderen! landen en meren doen zij ontstaan of vergaan na enkele oogenblikken.

Toen Cajsar met zijn leger kwam in de omstreken van de plaats waar nu Aken ligt, toen waren aldaar verschillende vuurspuwende kraters. Waar zijn die nu? Het eenig overblijfsel daarvan — als het als dusdanig kan beschouwd worden — zijn de warme bronnen te Aken.

Nog raag men niet vergeten de veranderingen van het klimaat. Menigvuldige plaatsen in Limburg duiden aan, dat hier eenmaal de wijnbouw eene groote plaats innam; b. v. de Wijngaardsberg, de Wijngaardshof, de Wijngaardshaag, aan den Wijngaard enz. enz.; dit is een bewijs dat het klimaat hier eenmaal veel warmer was. Welnu hoeveel verschil bestaat er niet in de werking van kouder of warmer klimaat op fauna, en vooral op flora!

-ocr page 170-

158

5. Ook een gevolgtrekking.

Hoe reusachtig ook het werk der geologen is, Winkler springt er nog al aardig mede om. Bij hem lezen wij bldz. 445:

„Er zijn er zelfs die met de woorden van Palgrave uitroepen: Wij moeten het loslaten, dat sprakelooze verleden, waarvan wij niets weten, noch door feiten, noch door chronologie; waarvan wij, zoowel in Europa als in Azië, Africa en America, te Thebe zoowel als te Nineveh, in Griekenland, zoowel als op do vlakten van Salisbury moeten getuigen: weg is weg, verloren is verloren.

„Maar er zijn anderen die getracht hebben de geschiedenis van het verledene op te rakelen uit de asch der tijden, en daaronder zijn er die te dikwijls aan de verbeelding de plaats inruimden die aan liet onderzoek toekomt, en die geschreven hebben eerder in den geest van den novelleschrijver dan in dien van den philosoof of natuuronderzoeker.quot;

— Bravo! Winkler, vooral voor uw laatste zinsnede.

„Er bestaan vier theoriën over den bronstijd. Volgens sommige archteologen ging de ontdekking of invoering van het brons niet vergezeld van de eene of andere groote en plotselinge verandering in den toestand van het volk, maar was het gevolg van en is het bewijs voor eene langzame en vreedzame ontwikkeling. Anderen schrijven do bronzen wapens en gereedschappen die in het Noorden van Europa gevonden worden, toe aan de romeinsche legers; nog anderen aan de phoenicische kooplieden; terwijl nog anderen meenen dat de menschon van den steentijd vervangen werden door een nieuw en meer beschaafd volk van indo-europeesch ras, komende uit het Oosten, dat, de kennis van het brons medebrengende, Europa overstroomde, en de oorspronkelijke of liever vroegere bewoners verdreef en op sommige plaatsen volkomen uitroeide.quot;

-ocr page 171-

159

— Wat cr ook van zij, Winkler bewijst hier klaar on duidelijk — gelijk hij op meer plaatsen doet —• dat eene indeeling in steen-, brons- en ijzertijdperk eene groote domheid is, omdat op do eene plaats reeds lang brons en ijzer gebruikt werd, terwijl men zich op do andere nog met steen behielp; en zoo zijn ook nog heden weinig beschaafde Indianen, die of geen of slechts een bekrompen verstand van het ijzer hebben; waaruit volgt dat op zulke opvolging of orde de geringste berekening niet te maken is; waarom Winkler dan ook in het begin van zijn mooi werk maar bekende dat zijn steen en bronstijdperk niets anders bevatte dan „raadsels en gissingenquot;.

6. Belofte maakt schuld.

Wie was Mahomed?

Zijt gij gek! was het antwoord van Plato.

Neen, dan vraag ik liever of Mahomed een gek was. Nadat gij alle mogelijke afvalligen van den waren Godsdienst zijt nagegaan, hebt Gij ook een hoofdstuk over Mahomed beloofd, en hier herinner ik u aan die belofte. Zoo goed immers als ieder ander sectaris heeft hij medegeholpen om veranderingen op het wereldtooneel te voorschijn te roepen, en in een wijsgeerig werk over de geologie moet ook hij eene plaats innemen.

Nu dan kort en goed.

Mahomed is geboren in Mecca, 10 Nov. 570. Hij was van den stam Koreish, die in rechte linie van Ismaël beweerde af te stammen. — Ismaël als zoon van Abraham en Hagar is genoeg bekend. — Zijn vader heette Abdallah, zijne moeder Amina. Hij was van eene adellijke maar arme familie. Wees op jeugdigen leeftijd, kreeg hij zijne eerste opvoeding bij zijn oom Abu-Talib, die hem voor den handel bestemde. Op twaalf-jarigen leeftijd vertrok hij naar Syrië en werd te Bostra in een Nestoriaansch

-ocr page 172-

160

klooster goedgunstig opgenomen. Daar had hij den naam van El Amin, de oprechte. Op vijf-en-twintig-jarigen leeftijd huwde hij met eene schatrijke veertig-jarige weduwe, genaamd Kadija. Toen ontwaakte bij hem de eerzucht, en in stille overpeinzingen smeedde hij zijn plan tot op veertig-jarigen leeftijd.

De tijdsomstandigheden schenen hem te begunstigen. De Arabieren toch hadden alsdan een wonderlijk zamen-raapsel van godsdienst; zij hielden de besnijdenis met de Israëlieten, zij geloofden in éénen God, maar aanbaden ook de sterren; dan hadden zij eenen vuurdienst. Anderen vereerden twee geesten als goden, den geest van het goede en den geest van het kwade. Zelfs waren er, die menschenoffers brachten aan eenige uitgedachte goden. Zooals ik zeide een zamenraapsel.

De Joden in Arabiö bleven getrouw aan hunnen godsdienst, maar de ware Katholieke leer vond overal groote hinderpalen.

Men kan Mahomed een zeker knapheid van verstand en doorzicht niet ontzeggen. Hij begreep dien toestand, hij kende dat volk met zijne verschillende begrippen, en hij smeedde den Coran — waarin iedereen wat wils vond — tot een geheel. Wat van die openbaringen gezegd wordt, verdient met stilzwijgen te worden voorbij gegaan. Die hem niet op zijn woord geloofde, dien wist hij het in te prenten met zijn zwaard; en toen hem dit begon te gelukken, dacht hij er niet alleen aan zich met een geestelijke, maar ook met een wereldsche waardigheid te bekleeden. Hij had alzoo een godsdienstig en een staatkundig systeem, en zijn Coran was een kerkelijk, een burgerlijk en een krijgswetboek.

Wat zijn eigen persoonlijkheid betreft was hij innemend en welsprekend en had een verbazend talent om zijne brutale hartstochten te ontveinzen. Ook had hij aan zijne oude rijke vrouw niet genoeg, en ter vergelding van dien ouderdom huwde hij de negenjarige Ayescha,

-ocr page 173-

161

en nam er nog eenige bij op het voorbeeld van zijnen grooten voorganger, — gek op zijaen ouden dag — Salomon.

Zijne leer uiteenzetten zou al te langdradig worden. Genoeg, zij bestond uit vele hoofdstukken van het oude en nieuwe testament, doorvlochten met dommerijen en hartstochtelijkheden uit liet heidendom. En of Mahomed zelf iets van zijne voorgewende zending geloofde,\' heeft nog niemand kunnen uitmaken; wij weten wel dat bij aan vallende ziekte leed, en kunnen ons dus gemakkelijk eenige verrukkingen uitleggen.

Door zijne leer en zijne daden heeft Mahomed bij de Arabieren en aangrenzende volken den naam van een groot man verworven, maar hij is en blijft een mensch, die een fijn gebruik heeft weten te maken van de tijdsomstandigheden en van de hartstochten zijnertijdgenooten.

De jaartelling der Muzelmannen dagteekent van Ma-homeds vlucht naar Medina G22 n. Chr. Hij stierf te Medina in 632.

Dat ook de leer van Mahomed zich zoolang heeft staande gehouden ligt vooreerst in haar toegeven, hare voldoening der booze driften en lusten van den mensch, waaronder vooral de veelwijverij; maar ook omdat zooals ik zeide, iedereen wat wils er in vindt. Opdat Mahomed zijne leer bij de Joden zou doen bijval vinden, verwierp hij de Goddelijke Drieëenheid, hierdoor maakte hij zich ook aangenaam aan de Arianen van dien tijd, ook behield hij de besnijdenis. Om bij de toenmalige wijsgeeren ingang te vinden, stelde hij het Deïsmus in plaats van het Pantheïsmus, of liever hij nam hot Stoïcismus aan. Om braaf te schijnen en heilig, verbood hij het gebruik van wijn. Om de krijgers zijner oorlogen tot fanatismus op te hitsen, beloofde hij hun een paradijs van schoone maagden. Om de Christenen op zijne zijde te halen, roemde hij Christus en de Apostelen als groote mannen enz. enz.

11

-ocr page 174-

162

7. Geen recht en toch recht,

En nu dient tot uw naricht, zeide Plato, dat ik mijne schuld vereffend heb. Merk alleen nog op, dat de leer van Mahomed eene heidensche leer is, die in zooverre met die der atheïstische geologen overeenkomt, dat beiden leerstellingen neerschrijven zooals zij in hunnen kraam te pas komen, met dit verschil, dat Mahomed zijn eenmaal geschreven stelregel niet meer introk, maar de geologen van straks genoemde strekking nemen geen „onwrikbare dogma\'squot; aan, om morgen voor onwaar te kunnen doen doorgaan, wat zij heden op den stelligsten toon verzekerden.

Zoo geeft ons Winkler op bldz. 450 de stelligste bewijzen van de beschaving der menschen uit zijnen bronstijd, van hunnen godsdienst enz. om te besluiten met het volgende op bldz. 451:

„In \'t algemeen genomen, moet men zeggen dat wij voor het oogenblik niet genoeg gegevens hebben, om ons het recht toe te kennen een stellig oordeel uit te spreken over de bron van de beschaving in den bronstijd.quot;

8. Eene staalfabriek.

Dat een bronstijd bestaan heeft, staat vast, omdat men bronzen voorwerpen gevonden heeft. Zoo kan men een tijdperk vastknoopen aan alles wat men vindt. Vraagt men dan, wanneer of ten minste ongeveer wanneer die tijd bestaan heeft, dan haalt Winkler voorbeelden aan van de bronzen — ik meen: metalen — zee of bekken in Salomons tempel en van een nog grooter gelijk bekken bij de brug Euxinus (!?) alzoo ongeveer drie duizend jaar voor vandaag. Volgens die stellings- en veronderstellingsmannen wordt die bronstijd opgevolgd door den ijzertijd, en vraagt men dan, wanneer ongeveer — zelfs op een duizend jaren na — begint die ijzertijd, dan krijgen wij ten antwoord bldz. 458:

-ocr page 175-

163

„...de eerste verschijning van het ijzer is volkomen „voor ons verborgen. De kennis van het ijzer reikt bij „de meeste volkomen zoo diep in het duister, dat de „mythe zijnen oorsprong van do goden of van den hemel afleidt...quot;

Dus de bronstijd is nog bekend, en die ging over in den na hem komenden ijzertijd, en de oorsprong van dezen ijzertijd is volkomen voor ons verborgen. — Prachtige gevolgtrekking voor een wijsgeer.

Winkler noemt zijn mooi werk een wetenschappelijk werk, een wijsgeerige philosophische studie. Maar, menheer, waar te lande leert men eene philosophic met gevolgtrekkingen als de voorgaande? Aan heksen gelooft gij noch ik, maar die zulke gevolgtrekkingen kan doen ingang vinden is kunstiger dan een heks, hij is een heksenmeester; of wel hij moet een denkend deel vóór hebben, dat in het geheel niet denkt, want in dit geval is iedereen een goochelaar, en éénoog nog koning in de stad der blinden.

En hier geef ik den novellist Winkler het woord, bldz. 459:

„De Egyptenaren schijnen reeds in overoude tijden „de kunst gekend te hebben om uit meteoorijzer staal „te maken, daar zij kameelmest als brandstof gebruikten, „welks koolstofverbindingen het ijzer tot staal maakten. „Dit herinnert ons de kunstgreep van Weient. De Wil-„kinasage verhaalt nl. van Weient den Smid, dat hij, „toen hij voor koning Nidung een zwaard smeedde, den „kling tot poeder vijlde, het vijlsel met deeg vermengde „en het als voeder aan de ganzen gaf. Vervolgens verzamelde hij zorgvuldig den ganzendrek, en gloeide hem, „en uit het ijzer smeedde hij een zwaard, zoo wonder-„baar scherp, dat het een vlok wol van een meter lengte „doorsneed, die hij in het water wierp, en met den „stroom liet wegdrijven, en het Amilias, zijn vijand „(de zin is nog niet uit. K.E.) wien hij dat zwaard op

-ocr page 176-

164

„den schedel lei, tot aan den middel kloofde, zonder „dat deze het bespeurde.quot; (dat dacht ik wel, zoo gaat het meer! K. E.)

Die nu graag staal wil vervaardigen, weet hoe hij dat krijgt, als hij maar ganzen of kameelen bij de hand heeft. Van al degenen, die men den kop heeft gekloofd of afgeslagen, heeft men nooit hooren vertellen, of zij dat ook bespeurden.

Omdat ik soms veel genot vind in de mythen en sagen, ben ik hierin goed voorzien. Ik heb echter mijn bibliotheek en mijn gansch memorierek tot in zijne uiterste hoekjes doorzocht, maar kon de Wilkinsage nergens vinden. Daarom sta ik hier voor het eerst verbluft voor do meer uitgebreide kennis „van sagenquot; van Winkler. Ik ben beschaamd, maar ik kan het waarlijk niet helpen!!

9. Nog geen Wilhelmusje.

„Het begin der ijzerindustrie reikt ook bij de beschaafde „volken der oudheid tot in voorhistorische tijden terug.quot; Bldz. 456.

En hier haalt Winkler tot voorbeeld aan een volk dat „zijne afkomst uit het Oosten verried, deEtrusken of Etruriërs.quot;

Dit volk behoefde zijne afkomst niet te verraden; het is zeker dat de Etruriërs uit het Oosten kwamen, en de Tyrrheners verdreven, gelijk deze de Umbriërs gedaan hadden, en hun land in bezit namen gelegen aan de Tyrrheensche zee, een zoogenaamd gedeelte van do Mid-dellandsche zee.

Maar dit volk is in het minste niet vóórhistorisch, wijl zeer zeker allo volken, en dus ook de Etruriërs uit het Oosten komen, en onder den geslachtsboom van Noö vallen, en van daaruit ook hunne kennis der metalen en andere dingen hadden medegebracht.

En hier kunnen wij zeggen: „Goddankquot;. Wij zijn met Winkler aan het einde van zijnon ijzertijd. Na nog eenige

-ocr page 177-

165

getallou genoemd to hebben, zegt hij openhartig: „maar deze getallen zijn evenmin zeker als...quot; dus daar is niets van waar.

Slot: Winkler bldz. 402: „Wij zouden nu hier onze geschiedenis van den mensch vóór de geschiedenis in de Oude Wereld kunnen eindigen:quot;

— ik wilde dat hij het maar deed.

„alles wat wij in de vorige bladzijden beschreven hebben, zijn feiten en voorvallen, waarvan geen geschrevene geschiedenis bestaat.quot;

— Daar meen ik dat hij staaltjes van geleverd heeft. En wie kan daarna Winkler op zijn woord nog geloof ontzeggen!

„Maar de vóórhistorische tijd gaat niet als in een sprong over in den historisohen; integendeel er is een tijdvak van overgang, dat mon als den „dageraad van de geschiedenisquot; die beschreven is, kan beschouwen; en daaraan willen wij nu een hoofdstuk wijden.quot;

— Of wel men gooit zijn geld te grabbel, of wol do drukker drukt gratis!!!

-ocr page 178-

AFDEELING VIII.

1. Geschiedkundige onfeilbaarheid.

Morgenrood, morgenrood, ja, toen wij dat nog lustig op zongen, toen was het leven voor ons ook nog morgenrood: maar de schaduwen worden reeds langer. Nu, dit liedje kwam mij onwillekeurig voor den geest, toen Winkler mij den dageraad der geschiedenis aanbood.

Ik veroorloof mij echter dien dageraad eens wat nader te bekijken: dezen keer wil ik Plato liever thuis laten, als ik het niet vergeet, zal ik later zeggen, waarom.

In het volle licht van dien dageraad, vooraan, staat — volgens Winkler — do vader der geschiedenis: Herodotus 484—408 v. Clir. Die man komt er bij Winkler door zonder eenige opmerking, maar bij mij zoo niet. ÜI\' Winkler wel ooit eens het boek Daniël, die 559 voor Christus geschreven heeft, gelezen heeft, weet ik niet. Maar Daniël schrijft veel over Cyrus den stichter van hot Perzische rijk, en die regeerde van 55ü—529 voor Christus. Ook Herodotus schrijft de geschiedenis van Cyrus, maar Herodotus en Daniël verschillen hemelsbreed.

Een van beiden heeft het mis; maar Daniël was tijdgenoot van Cyrus en Herodotus kwam eerst vijf-en-veertig jaren later kijken: dit zou echter zooveel niet bewijzen. Maar uit den tijd van „morgenroodquot; herinner ik mij nog iets anders, en dit wil ik Winkler eens te binnen brengen, dan mag hij zijn memorie eens napluizen.

-ocr page 179-

167

Of hij dan eindelijk ook eens mag bekennen; Er is geen betere, geen schoonere, geen zekerdere geschiedenis dan de Heilige Schriftuur.

Uit dat „morgenroodquot; herinner ik mij een wolk aan de kimme, en die wolk was voor meerdere jonge lui een duistere vlek. En ook van uit dien tijd herinner ik mij nog goed „de Zwarte Zee, Pontus Euxinusquot;, door Winkler vertaald: de brug Euxinus. En die wolk heette de: „Cyropaxliaquot; en de „Anabasisquot; van Xenophon.

Xenophon 444—354 lieoft de geschiedenis van Cyrus beschreven in zijn „Cyropsediaquot; en... mijnheer, en... die geschiedenis van Gyrus door Xenophon, komt zui ver, ja puntolijk overeen met diezelfde geschiedenis van Cyrus in de 11. Schrift. Dit bewijst al vast wat meer.

En om ons maar in eens van Winkler met zijn Herodotus te ontlasten, zullen wij Herodotus zelt eens hooren, hoe hij over zijn geschiedenis van Cyrus spreekt: „Ik beken, zegt Herodotus, dat de geschiedenis van Cyrus op verschillende wijzen wordt verhaald; maar ik meen don zekersten weg gevolgd te hebben, nl. die het meeste beviel aan de Joniërs — Herodotus was een Joniër — omdat Cyrus de Joniërs overwonnen had en onder het juk gebracht, omdat ik de Joniëi s wilde aansporen wraak te nemen over de hun vroeger ontnomen vrijheid.quot;

Nu uit zulke eigen bekentenis begrijpen wij heel goed de waarheidsliefde van den geschiedschrijver Herodotus. Mozes daarentegen en de andere schrijvers der H. Schrift begrijpen de waarheid anders.

Door dien dageraad zouden wij nog tallooze strepen kunnen halen, maar wij zullen ons bij een enkel bepalen.

Herodotus Ij. 11. cap. 77 zegt uitdrukkelijk dat in Egypte (jeea wijn gebruikt of verbouwd werd, hetgeen niet overeenkomt met Mozes, Genes. XLenXLlll. \\\\rie schrijft nu waarheid?

De ware geologie heelt bewezen dat Herodotus ook hier liegt.

-ocr page 180-

168

In de groote beschrijving van Egypte, welke de Fran-sciie regeering na de expeditie in dat land uitgaf, geeft Costaz I, 62 eene nauwe schildering van den wijnbouw, zooals hij in de hypogaeen of onderaardsche gewelven van Eilithya geschilderd is van af het planten van den wijnstok tot dat de wijn afgetrokken is. — Daarop zette Jomard dit onderzoek voort tot in de tijden der Pharaos; in Bull. Un. sect. 7 T. IV, p. 78, beroept hij zich op de stukken van amphoren en wijnkruiken, die onder de ruinen van Egyptische steden gevonden werden en die tot nog hunne innerlijke korst van wijnaanslag behouden hebben. — Nadat Champollion het hieroglyphisch alphabet ontdekt had, was allo twijfel opgeheven. Men had flesschen gevonden die rood geverwd waren tot aan den hals, die wit en doorschijnend bleef, en hierop leest men in hieroglyphen het woord „Erpquot;, dat in het Koptisch wijn beteekent. L. a BI. I p. 37. — Casaubon zegt ons ook dat het Egyptische woord „erpisquot; wijn beteekent.

Hieruit volgt dat de geologie klaar en duidelijk heeft uitgemaakt dat de H. Schrift alleen de waarheid leert; hoe meer de geologie grondig haar onderzoek doorzet, des te meer zullen de bewijzen aan den dag komen voor die eene en onfeilbare waarheid, en gelijk de geologie, hoezeer ook misbruikt, nog niet een bewijs tégen de H. Schrift heeft geleverd, zoo zal zij ook in de toekomst een gloriekrans zijn voor ons H. Geloof.

2. Plato blijft thuis.

Waarom ik Plato thuis had gelaten! Omdat hij ruzie beeft met Xenophon. Ik heb eens gezegd, dat Plato zich niet veel meer herinnerde uit zijn vroeger zieleleven; daarom beging die wijsgeer dan ook menigen stommen streek, waaronder ook zijne leer omtrent de opvoeding der kinderen. En in dit laatste punt had Xenophon het hem verbruid, dewijl Xenophon van meening was, dat de moeders de kinderen moesten opvoeden en onder-

-ocr page 181-

169

wijzen. Plato nu was heel-en-al tegen de emancipatie van de vrouw, en kon het des noods even toegeven, dat de meisjes door de moeders werden opgevoed, maar nooit de jongens.

Jammer dat Plato toen nog geen kennis droeg van onze onvergelijkelijke schoolwet met have neutraliteit, wat zou hij een speach op do Nederlandsche liberalen hebben afgestoken.

Dus daarom bleef Plato thuis. Ik houd niet van men-schen die op alles wat te zoggen hebben, dat zijn wijsneuzen.

3. Nevelachtige dageraad.

Daar ik alleen schrijf voor mijne lezers, en niet voor hen die mijn boek niet lezen, wil ik mijne lezers ook in alles voorkomen en hen zooveel mogelijk genoegen doen. Daarom zeg ik hun vooraf, dat ik hier een ellendig lang hoofdstuk ga beginnen; en daar de lezers uit al het voorgaande reeds meer dan genoeg hebben van de moderne geologie als „wetenschapquot; met hare ware en vaste beginselen, zoo laat ik het aan hun believen over om dit hoofdstuk te lezen of over te slaan. Nu reeds kan ik zeggen, dat het niets moois is, het is te droog, een dageraad zonder dauw.

Of Winkler begreep dat eene novelle als schildering van dien dageraad hem slecht zou bekomen, of om andere redenen,... hij geeft het woord aan Le Hon, vertaald door Ds. van Oosterzee, bldz. 463:

„De hoogvlakte van Iran wordt geacht het middelpunt te zijn van de uitgebreide streek, waaruit reeds in voorhistorische tijden volksverhuizingen hebben plaats gehad. Deze verhuizingen schijnen in alle richtingen te hebben plaats gehad, met uitzondering alleen van Midden-Azië, waar een op de Iraniers naijverige en eveneens machtige menschenstam woonde.

-ocr page 182-

170

„Dit gedeelte van Azië ligt ten westen van den Indus; het is hetzelfde als het tegenwoordige Afghanistan, 13e-loedchistan en Perziö; oudtijds heette die streek Bactrle, Perziö en het eigenlijke land der Ariërs.quot;

— Als men eene kaart vergelijkenderwijs raadpleegt, dan ziet men dat tusschen die opgave en het ware der zaak nog al verschil is, maar dat doet niets ter zake. — Azië heeft geen voorhistorischen tijd, hoe men deze ook nome; dit bewijst niet alleen Mozes, maar ook allo schrijvers, herhaaldelijk door mij genoemd. — Die hoogvlakte van Iran als middelpunt, waaruit de volksverhuizingen zijn begonnen, is onzin, tegen alle geschiedenis in, en waarvoor men geen bewijs heeft. — Als ergens, dan ligt hier de waarheid in het midden; want Persis, Aria, Bactriania, Margiania, Hyrcania, Media, enz. omarmen van den Oostkant het land, gelegen meer Westwaarts naar den kant van Pontus Euxinus (die brug 1 die brug!) het land eertijds genaamd Armenia, Assyria, Babylonia. Dit nu is volgens alle geschiedenissen en overleveringen het land, van waaruit het menschdom zich over de wereld verspreid heeft.

Eenigen zijn van meening dat de eerste volksverhuizing plaats had 173 jaar na den Zondvloed, dus 1830 van af het begin der wereld of 3057 voor Christus. Anderen stellen haar onder Phaleg 2058 jaar der wereld of 2833 v. Chr.; deze laatste berekening is volgens Gen. X, 25. Noë zelf hoeft do aarde verdeeld onder zijne nakomelingen, en de volksverhuizingen zijn begonnen ynder Noë. Eene oude overlevering wil zelfs dat Noë met zijn kleinzoon Javan, zoon van Japhet, naar Italië verhuisd is, en Latium bewoond heeft, Noë onder den naam van Saturnus en Javan onder dien van Janus (?)

Toen de afstammelingen van Noë begonnen te vermeerderen, trokken zij uit Armenië meer Zuidwaarts en belanden in het land Sennaar, Gen. XI, 2. Sennaar ook Seniar genaamd, — niet te verwisselen met Sennaar in

-ocr page 183-

171

Z. Nubië — is de plaats waar Nemrod de stad en den toren van Babol wilde bouwen, dus Babylonië, voordat zij zich over de wereld zouden verspreiden, Gen. XI, 4. Hier nu werd hunne spraak verward, en nu waren zij gedwongen te gehoorzamen aan de voorschriften van Koë omtrent de eerste landverhuizing. Weldra volgden de landverhuizingen zich op, want Gen. X, 10 —11, zien wij reeds dat Nemrod met Babylonië niet tevreden, een deel van Assurië inneemt. Assur vertrekt uit dat land en bouwde Ninive.

„Er is rede om het daarvoor te houden, dat de iranische volksverhuizingen voornamelijk veroorzaakt werden door invallen uit het Noorden, van de toeranische stammen, welke onder de namen van Scythen, Tartaren, Mongolen enz. bekend zijn. Voor zoover ons de geschiedenis terugvoert, zien wij, te midden der nevelen van het verledene, den toeranischen menschenstam Iran overweldigen vóór het tijdvak der Assyriërs en Mediërs.quot;

— Als gij zoo goed wilt zijn, menheer, waar zijn de redenen om het er voor te houden! zoo iets is gauw gezegd, maar nooit te bewijzen; want dat is in strijd met do boven aangehaalde geschiedenis. En de Toeraniërs van dien tijd is een „deus ex machinaquot;; want aan de rivier Toera in W. Siberië woonden nog geene menschen vóór de eerste landverhuizingen. — Wanneer de schrijver van die fabel wat meer volkenkunde bestudeerd had, dan begreep hij dat hij met zijne Scythen, Tartaren en Mongolen eene groote dommerij verkoopt. Dat zijn geen stammen, maar één stam, komende van den stamvader Magog, tweede zoon van Japhet, die zeer zeker geen tegenstroomsche beweging maakte, maar van uit Z. Azië meer naar het Noorden verhuisde, om na verschillende eeuwen weer Zuid- en Oostwaarts zich uit te breiden. — Overigens, die nevelen van het verledene zullen niet optrekken voor dat de blinddoek der hartstochtige leugen wordt weggenomen, en men zijne oogen eens door een

-ocr page 184-

172

grondig onderzoek wil openen voor de schitterende waarheid. — Omtrent de Assyriërs en Meden laten wij ons ook geen knollen voor citroenen verkoopen: zooals ik boven bewees.

— Verder wordt mot grove trekken eene fabelachtige schets gegeven van de verhuizing der blanke bevolking van Midden-Azië, en daarop volgt, bldz. 464-:

„Terstond zij echter opgemerkt, dat deze in de geschiedenis des menschdoms belangrijke gebeurtenis het gevolg was van eene menigte verhuizingen, verschillend in tijd en in uitgebreidheid, verdeeld over tal van eeuwenquot;...

„De aankomst der Ariërs in het Westen moet... voor omtrent 4000 jaren hebben plaats gehad.quot;

— Dat is nu eens een onnauwkeurig onberekend jaartal gegeven, waarop ik niets tegen heb, als nl. de Iraniërs gehouden of beduid worden als de eerste men-schen, die zich ook het eerst over den aardbodem verspreidden, en het eerst den geheelen aardbeden bewoonden en bevolkten. Zooals ik boven aantoonde begon de volksverhuizing uit Babylonië in 2933 v. Chr. en voegt nu hierbij 1888 na Chr., dan krijgen wij 4721 jaren. Het verschil van ons met die geleerde lui is slechts 700 en eenige jaren, maar daar nog geen bliksem-treinen waren te dien tijde, gunnen wij die eerste landverhuizers gaarne het verschil dier jaren vóór hunne aankomst in het Westen; en zeven eeuwen is al een heel tal van eeuwen, en bij eenigszins voorspoedige generatie zal zij ook wel uitgebreid genoeg geweest zijn.

„Van de Ariërs verliest zich de oorsprong in den nacht der eeuwen.\'\'

— Hierop doet de duivel nog geen eed.

„Uit taalkundige navorschingen blijkt dat zij slechts ééne vrouw hadden.quot;

— Een bewijs, dat zij nog al verstandig waren ; ik meen dat men aan ééne vrouw rijkelijk genoog heeft,

-ocr page 185-

178

oven gelijk aan ééne schoonmoeder. Tk doo hot zonder, en dit blijkt niet uit mijne taalkunde.

„Sommige gedeelten der Indische en iranische boeken noemen tien maanden als de tijd van dracht der vrouwen.quot;

— Dat was hunne zaak, en een bewijs dat zij een groot-boek er op nahielden.

„De groote arische volksverhuizing had zonder twijfel niet ineens, maar achtereenvolgens plaats.quot;

— Zooals de geschreven geschiedenis bewijst.

„Onzes oordeels hebben sedert den steentijd talrijke

volksverhuizingen uit Azië naar het Westen plaats gehad.quot;

— Oordeel of niet, dat staat met evenveel letters in de geschiedenis zonder steentijd.

„Welken weg de Ariërs op hunne invaltochten naar het Westen genomen hebben, kan men enkel eeniger-mate bij gissing bepalen.quot;

— Zeer zeker den rechtsten, indien zij hem kenden.

„Slechts weinige geschiedkundige bijzonderheden zijn

van ouder dagteekening dan de eerste bekendwording van het brons in dit gedeelte van Europa. De steentijd duurde ongetwijfeld in het Westen nog voort, toen de drie grootste pyramiden in Egypte werden gebouwd, nu omtrent 4800 jaren geleden; om vasteren geschiedkundigen grond te hebben, moet men in het begin van onzen bronstijd komen. In die lang verledene tijden is de oogst voor de geschiedenis rijker in het oosten. A¥ij ontmoeten er de eerste aartsvaders der 1L Schrift, (hoho! K. E.) tijdgenooten van de Pelasgiërs die zich in Griekenland vestigden, en van den inval der Hycsos in Egypte. Deze twee groote gebeurtenissen hadden omtrent gelijktijdig plaats met de stichting van Babyion en Niniveh, een weinig vroeger dan die van Sidon en Tyris aan de phoe-nicische kust, voor 4000 — 3800 jaren.quot;

— Met al dat povere van geschiedkundige bizonder-heden heeft Winkler toch zijn mooi werk vol gekregen met raadsels en gissingen. — Ik ben en blijf uiterst

-ocr page 186-

174

nieuwsgierig omtrent eene nadere opheldering van het bouwen der pyramiden, nu omtrent 4800 jaren geleden; en dat men mij dan met diezelfde rekenkundige regels dien tijd eens in verband brenge met de stichting van Babylon en Ninive, van Sidon en Tyrus. Ik ben te lang aan onbeschaamde drieste onwaarheden gewoon bij die mannen, die wetenschappelijke geologen, om mij om deze nietigheid uit mijn humeur te laten brengen. Ik lach om die rekening van 4800 jaren.

„Gedurende de eerste helft van den bronstijd werd Assyrië door de Egyptenaars overmeesterd, dit had plaats onder de regeering van Thoutmes III, omtrent 3500— 3400 jaren geleden.quot;

— Noem hem Thoutmes III of Toetvork I, het is beiden even waar en even mooi. De geschiedenis gewaagt van het Assyrische rijk, dat van af zijnen stichter Nemrod of Assur of Ninus steeds zeer machtig was, en reeds vroegtijdig heerschappij voerde over Medio, Babylonië, Mesopotanië en de westelijk gelegen landen. Eerst in de jaren 600 v. Chr. geraakte dit rijk in verval. Zoo luidt de ware geschiedenis, waarin ik tevergeefs naar dien Thoutmes III zoek, zoowel onder de vorstenhuizen van Egypte als van Assyrië.

„Tegen het midden van den bronstijd zien wij in het Oosten Mozes de Israëlieten uit de Egyptische slavernij verlossen; vervolgens de belegering van Troye.....Eindelijk landden de Etruriërs in Opper-Italië aan, gelijk de Joniërs in het zuiden van dat schiereiland, waar zij het oude Cunae stichtten.quot;

— Hier is maar alleen de vraag, wat men gelieft bronstijd te noemen, en hoever die zich uitstrekt; en dan had ik nog eens graag iets gezien van vorstenhuizen en jaartallen.

Goddank, het citaat is af, en de dageraad.... nog ver.

-ocr page 187-

175

4. Een oud wetboek van strafrecht.

Met den meesten spoed wil ik de nog hangende hoofdstukken over den dageraad der geschiedenis verhandelen. Winkler heeft een ander begrip over dien dageraad; want hierin rakelt hij nog eens alles op wat hij vroeger vergeten had en later nog ergens vernomen heeft.

„De oudste woonplaatsen der Germanen zijn in oven groote duisternis gehuld als die der Kelten.quot;

— Kort en bondig, daarvan weet men niets.

„Door den invloed van de Romeinsche beschaving

ontwikkelde zich de Frankische, Allemannische, Servische, in één woord de Zuid-Germaansche beschaving.

„De wapens der Franken bestonden in een zwaar,

tweesnijdend slagzwaard...... De wapens der Germanen

waren tweesnijdende zwaarden.... enz.quot;

— Ik ben zoo vrij den ongeduldigen lezer naar een of ander museum te verwijzen; allen zijn volgepropt met die wapens en andere dingen; dan behoef ik die litanie niet over te schrijven.

„De onder den naam van runen bekende schrijfteo-kens waren bij alle Germaansche stammen in gebruik... een onder en een jonger runenschrift.

„De ontcijfering van hot oude runenschrift is zeer moeielijk...quot;

— even gelijk thans veel Duitsche brieven van do nazaten der Germanen.

„Onder do Noordsche oudheidkenners zijn er enkelen die gemeend hebben tusschen den ouderen en jongeren ijzertijd nog een middentijdvak te moeten aannemen, dat den tijd van 450 tot 700 na Chr. omvat, en gekenmerkt wordt door eenen rijkdom aan goud en Romeinsche gouden munten.quot;

— Geen beter kenmerk voor eenen ijzertijd dan goud!!! Ook ik meen dat men liet met twee ijzertijden wol doen kon, zonder nog eenen derden gouden (gulden?) ijzertijd.

-ocr page 188-

176

Bldz. 469. „Do meeste voorwerpen uit den ijzertijd in Denemarken worden in moerassen en venen gevonden.... Venen en moerassen zijn onze oudste archieven.quot;

— Die voorwerpen, even als die nieuweiwetsche archieven, zijn soms duchtig beroest. Het volgende tot voorbeeld.

Bldz. 471. „Facitus verhaalt dat de Germanen de lafhartigen straften door hen in een moeras te werpen en met doornige takken te bedekken. Deze zelfde straf trof, naar Bourgondische wetten, de vrouw die haren man met boos opzet verlaten had. Bij de oude Friezen en Ditmarschers werden vrouwen, die haren man ontrouw waren, en jonge dochters, die oneer over haren stam gebracht hadden, naar een moeras gebracht en daarin geworpen.quot;

— Wij hebben op dat strafwetboek niets tegen, want elk strafwetboek heeft zijn goed en zijn kwaad; het ergste is, dat men het nergens zonder strafwetboek doen kan, omdat zondigende menschen moeten gestraft worden. Dit geldt slechts voor de menschen op de wereld want volgens de moderne wetenschap bestaat geen wetboek voor hiernamaals, gelijk Dr. Sinia zegt, die het goed niet doet uit hoop op belooning, en het kwaad niet laat uit vrees voor straf. - Waarvoor laat men dan het goed, en waarvoor doet men het kwaad!? —Nu, laat het strafwetboek maar rusten, maar zien wij eens even, waar men het bewijs van dit wetboek uit den dageraad der geschiedenis heeft gevonden, en hoe sterk dat bewijs is:

„Er zijn op verschillende tijden en op onderscheidene plaatsen in venen menschen-lijken gevonden, onder omstandigheden, die het in hoogen graad waarschijnlijk maken, dat zij het slachtoffer van die gebruiken zijn geweest. Veertien zulke gevallen zijn er bekend; één in Oost-Friesland, één in Ierland, de overigen op het Kirabrische schiereiland en op de Deensche eilanden.

-ocr page 189-

177

Eonigen van die ongelukkigen waren klaarblijkelijk door takken of houten haken onder water gehouden.quot;

— Van dien hoogen graad van waarschijnlijkheid kan ik mij slecht overtuigen. Ja, dit citaat zou niet de moeite beloond hebben het aan te halen, wanneer ik het niet deed om het bespottelijke aan te toonen der bewijsgronden van de „wetenschapquot;, die mordicus alles wil bewijzen.

„Ook Rusland leert ons veel betreffende den toestand der beschaving in den ijzertijd. Reeds in do zevende eeuw vóór Chr. bloeiden Grieksche koloniën aan de Zwarte Zee, belangrijke handelsplaatsen.quot;

Nu wordt in eens die Pontus Euxinus ganscli Rusland; men komt van Pontus Exinus in Rusland over de Pons Asinorum.

Dat gelukkig gekozen woord van „handelsplaatsenquot; brengt Winkler\'s aandacht eensklaps op den handel.

5. Handel door beschaving?

Mijn boekje mag vol komen, maar meer dan het noodzakelijke schrijf ik niet. Hoe minder ik schrijf, des te minder vellen druks, en hoe minder vellen, des te minder drukloon, en ik behoef daarom mijn boekje nog geen cent goedkooper te laten gaan. Ik moet ook leven, en in het zweet der pon mijn brood verdienen, en toch uit medelijden behoeft men dit boekje niet te koopen. Ook weet ik dat men niet al te veel er uit leeren zal, bijna niets dan dat waarheid, waarheid is en leugen, leugen; en dit weet iedereen, want dat is in de harten der menschen gegrift. Men zal denken, dat ik dit boekje schrijf om als nuttig lid der maatschappij ook een steentje bij te brengen aan.... Ik zal maar niets verder zeggen. Neen, ook steentjes breng ik niet meer aan, des heb ik er gedurende tien jaren zooveel aangebracht, dat ik er nog buikpijn van heb, en toch, dat waren steentjes van

12

-ocr page 190-

178

allerlei soort, marmer, graniet, hardsteen, savonnière, mergel, briksteen enz., maar zooals ik zeg, aan het steentjes aanbrengen heb ik een tante overleden.

Waarom en voor wat schrijf ik dan? Hierop geef ik geen antwoord, dan: Ik schrijf met een goed doel. Dus ik verzwijg het waarom.

Omdat ik nog al wat verstand heb gehad van bouwstoffen, spreekt het van zeiven dat ik iets van handel moet kennen, want bouwstoffen moeten gekocht worden, dus handel; en in den handel steekt veel — volgens Winkler zelfs de beschaving. Dit nu is onfeilbaar, want juist door den handel ontrukken de Chineezen de beschaving aan de Mongolen, door den handel ontwikkelt men de Africanen zoodanig, dat zij zich op allerlei manleren laten beetnemen. Maar geen regel zonder uitzonderingen ; want die eens wil weten, hoe de Nederlandsche staat de beschaving opneemt, en met vaderlijke zorg tobt en zwoegt voor onzen Oost, voor de bewoners van Insulinde, die ga maar eens te rade bij Max Havelaar. Daarom behoeft men niets anders te lezen dan de Koffieveilingen en.... in deze nog niet alles. Enfin de handel is beschaving of wel het tegendeel, maar niet andersom.

Dit is nu een praeludium van mij op het handels-chapitre van Winkler, beginnende op bldz. 474. Ik wil slechts in \'t kort hiervan iets mededeelen, in allen val meer wetenschappelijks dan Winkler opdischt.

Op de eerste plaats noemt hij de Phoeniceërs, en zegt ons:

„Omstreeks 1100 vóór Chr. stevenden zij door do zeestraat van Gibraltar, en stichtten de belangrijke handelsplaats Cadix.

— Het staat iedereen vrij dit te gelooven of niet. Wat waar is; De Phoeniceërs waren het beroemdste volk der oude wereld op het gebied van handel en nijverheid. De bewoners zei ven noemden te dien tijde hun land Kanailn — bewijs van afkomst, — Sydon en Tyrus

-ocr page 191-

179

waren hun eerste steden. Uit de tiendeeeuw vóórChr., is vooral Hiram, de vriend van koning Salomon merkwaardig; en uit het begin der negende eeuw v.\'Clir., Ethbaal, de vader van Jesebel. Zijne achter-kleindocliter Elissa (Dido) moest haar vaderland verlaten en breidde de kolonie Carthago aanmerkelijk uit. Later werd de Phoenicische kust door de Perzen, daarna door Alexander den Groote veroverd enz.

Dan noemt ons Winkler de Etrusken als zeevaarders en handelslieden uit do vijfde eeuw v. Chr. Ons is bekend dat de Etrnriërs eene Thracische kolonie is, en de Thraciërs tot stamvader hebben Thiraz, zevende zoon van Japhet.

Daarna komen do Grieken; — maar weldra zou de lezer denken, dat ik geschiedenisles wil geven. Niets minder waar dan dit, en ik hoop dat men mij nooit de eer aandoe van mij ergens in eene landsbetrekking als professor in do geschiedenis te benoemen — waarvoor ik overigens ook te dom ben.

En hiermede stap ik van don handel af, omdat ik niets er bij verdienen kan.

S. Iets over vee.

„Do behoefte aan een algemeen geldig ruilmiddel werd reeds vroeg gevoeldquot;... De munten kwamen.

— Alzoo het gouden kalf, waarom in de woestijn de Israëlieten dansten, kreeg eenen anderen kop dan eenen kalfskop. Maar geld is toch nog minder dan drek. Dat wil zeggen: de liberalen gooien er mede als met drek — niet met hun eigen schoon lief geldje — om school-tempels en onderwijs-paleizen te bouwen. Maar met geld kan men alles — al klinkt het wat vreemd, — zelfs nog een paspoort naar den hemel verkrijgen. En zonder geld — wanneer men het noodig heeft — staat men leelijk te kijken.

-ocr page 192-

180

Ik zou hier Plato wel weer aan het woord laten, en hem eens eene praktische onderwijzing laten geven over de geldelijke en andere hulp, die ieder raensch moet brengen aan zijnen behoeftigen medebroeder, maar dit doe ik niet om drie reden.

De eerste is, dat Plato hierin zoo platonisch is, dat hij den armen als een onnut wezen der maatschappij beschouwt, dat men voor den mond van het kanon moet binden en tot morsel schieten, opdat er geen zaad van overblijve. — De tweede is, omdat in dit mijn boekje geen zedelesaen te pas komen, en dat zou ook niets helpen. — De derde is, opdat niemand dit neme: „Cicero pro domoquot; en mij een arm schrijver zou noemen.

Vroeger heb ik eens gezegd, wie de uitvinder der munt heet to zijn en niet is. Winkler zegt bldz. 47ü dat bij vele volken geld en vee gelijk staat, omdat „pecuniaquot; geld zou afkomen van „pecusquot; vee, wat ook waar is.

Dit echter vind ik schandelijk, en ik weet zelfs geen gemeenen naam te vinden, leelijk genoeg om mij uitte drukken. Want als vee met geld gelijk staat dan is het ook waar; Hoe meer geld, hoe grooter heest. Nu dit is niet waar, dat kan niet zijn. Die onlogische gevolgtrekkingen moesten levend verbrand worden; daar hebt gij ook dat ander: Hoe grooter geest, hoe grooter beest- Maar dan bleef toch ten lange laatsten niets meer over dan beesten; de rijken beesten, de geleerden beesten en... die maar eenen halven cent bezit, is al een klein veeke of beestje. Foei!

7. Vee op glas.

„De aarden potten en vaten vertoonen thans sporen van het pottebakkerswiel, maar zij zijn nog in of bi/j opene vuren gebakken. ...Tacitus verhaalt ons als iets opmerkelijks dat de Germanen grove aarden schotels en

-ocr page 193-

181

zilveren bekers gebruikten, en de laatsten naar het scheen, even weinig achtten als de eersten.quot;

— Wat er tocli al bij dien dageraad voor den dag komt! Ik ken een zoon van mijn moeder, die toch mijn broeder niet is, en die eet met eenen zilveren lepel en een zilveren vork van een gewoon aarden — zoo genoemd : porceleinen — bord, en die acht het eene zoo min als het ander; maar wat er mede gehanteerd wordt, dat is wat anders. En zoo zullen de Germanen ook wel gedacht hebben.

„Do overlevering, dat het glas eene phoenicische uitvinding is, heeft voor de geschiedenis der beschaving geen waarde.quot;

— Dat is jammer: ik dacht anders dat de bronstijd-mensch zijne metaalkennis gebruikt had tot het bizonder schoone glasschilderen of branden, hiertoe immers zijn metaal-oxyden noodig. Maar wij zijn in het ijzertijdvak en daaraan dacht ik niet. Toch zegt ons Winkler dat in het romeinsch-germaansch museum te Maintz kunstvolle glazen voorwerpen zijn.

„Nog kostbaarder zijn twee op het eiland Seeland, in een graf uit den ouderen ijzertijd, gevondene glazen vaten; kunstig geëmailleerde schalen van helder glas, met ingebrande bonte figuren, menschen- en dierenbeelden, jacht- en strijdtooneelen, een teekening die, wat stijl en compositie betreft, aan do grieksche vazen doet denken.quot;

—- Als dat geen waarde heeft voor de beschaving, dan weet ik het niet meer!!! Zou men dit heden zoo mooi kunnen namaken?

8. Een heel kleine roman.

En nu wat voor het schoone geslacht, iets geestigs, romantisch; een held die zich ter wille eener schoone met zijn zitvlak op een gloeiende kachel zet — bij ver-

-ocr page 194-

182

gissing — in zijn uitermate liefde voor... baargeld. Hij doodt twee medeminnaars, overwint alle onmogelijke obstacles invincibles en... zij krijgen zich. Hij gaat hout zagen en zij spinnen om aan den kost te komen. Aan het spinnewiel treffen wij haar.

„Bldz. 482: De godenmythen geven getuigenis van de vaardigheid der vrouwen in spinnen en weven, want als zelfs de moeder der goden een vlijtige spinster is, die den vlasbouw beschermt, vlijtige spinsters beloont en tragen bestraft, dan leert ons dit dat de menschen, die het beeld der godin naar hunne eigene persoonlijkheid schilderden, de kunst van het spinnen in groote eere hieldenquot; enz.

— Daar die kunst met hare eere vervallen is, en ons niets nader in den dageraad te aanschouwen geeft, stel ik het uit, om hierover te schrijven, ad calendasgnecas.

Hier zou het misschien de plaats zijn om iets aan het adres der dames te schrijven; maar uit al bet voorgaande blijkt dat ik niet houd van menschen die op alles wat te zeggen hebben; en ik zal mij wel wachten van zelf iets te doen, wat ik bij anderen afkeur omdat ik het leelijk vind.

Eer ik echter van dit chapitre afstap, wil ik mijnen ambtgenooten eenen goeden raad medegeven, eenen raad berustende op ondervinding. Daar zijn er meer die geene vrouw hebben, en als men hen zou vragen: waarom? dan zou men gemakkelijk op zulke onbescheiden vraag ten antwoord kunnen krijgen: dat raakt u niet. Ik zeg dit precies niet, maar toch ongeveer. Dit weet ik wel, dat hij die geene vrouw heeft, ook voor geene vrouw behoeft te zorgen, en dus wat meer tijd kan wijden aan... ja, nu, b. v. aan zijne studies. Maar studies bestaan ten deele in boekwurmerij, maar nog ten meerdere deel in opmerken, waarnomen, en/., en daaruit voor zich zeiven en •— \'t spreekt van zelf — voor anderen altijd goede gevolgtrekkingen te maken.

-ocr page 195-

18?.

Aan mijne waarnemingen in mijne ambtenaars-loop. baan heb ik de overtuiging te danken, dat hij die met zoo min mogelijk moeilijkheden wil te kampen hebben, steeds moet trachten het bij de dames niet te verkerven, maar van den anderen kant niet meer dan uiterst noodzakelijk met hen in aanraking komen moet. Ofschoon ik nog al gewoon ben bewijzen en rekenschap van mijn zeggen te geven, laat ik hier voor de verandering Plato weer eens thuis. Die met mijnen welgemeend en raad niet tevreden is, mag het tegenovergestelde eens beproeven : wel moge het hem bekomen!

Overigens zal mij niemand betwisten dat geen schepsel meer te waardeeren, hooger te achten is dan eene brave, christelijke, verstandige huismoeder.

9. Wat een roman al tewijst.

Eindelijk dan zijn wij met Winkler gekomen aan het begraven van don — ijzertijd, denkt men, neen van den — monsch in den ijzertijd. 11 ij begint met de pyra-miden, zegt ons dan iets over verbranden, en ten slotte over begraven. Daar dit alles echter zuiver historisch is, vind ik dit maar boekvulsel, men leest dat in elke wat meer uitgebreide geschiedenis, waar zoo wat verteld wordt over de zeden en gebruiken van het volk tegen het begin onzer jaartelling.

Ik wil echter één voorbeeld aanhalen voor de bewijskracht van onzen novellist in zijn mooi werk bldz. 484;

„Een Grieksche roman uit de tweede eeuw van onze tijdrekening verhaalt van oen man die Rhodanus heette en die met zijne vrouw Simonis, door de soldaten van koning Garmos werd vervolgd. Reeds zijn zij hem zoo nabij, dat er geen ontkomen meer mogelijk is. Nu bedenkt Rhodanus eene list: zij werpen zich ter aardeen houden zich dood. De soldaten zien do schijnbaar leven-looze lichamen op de aarde liggen, liet is nacht geworden

-ocr page 196-

184

en de aanraking van een doode is dan nog akeliger dan bij zonnelicht, en daarom onderzoeken zij niet nauwkeuriger, maar werpen naar landsgebruik kleederen en wat zij verder toevallig bij de hand hadden, brood, vleesch en noten, op de schijnbaar dooden, en gaan heen. Rhodanus en Simonis waren van vermoeidheid in slaap gevallen, en ontwaakten eerst door het gekras der raven die, het vleesch ruikende, om hen heen vlogen. Toen stonden zij op en gingen verder, en kwamen aan een open graf, waarin eene jonge dochter begraven zou worden. Een oude Chaldeër verhinderde dit, door te beweren dat het meisje niet dood was. En dat was zoo. Het graf bleef ledig, en op den bodem lagen vele kleederen, spijzen en dranken, die op het graf verbrand zouden zijn. Daarvan at en daarmede kleedde het echtpaar zich, en trok toen over eene rivier. Daar verkocht Rhodanus de kleederen die zij uit het graf van het meisje hadden medegenomen, maar dit werd bekend: zij werden gegrepen en wegens het plunderen van een graf voor den rechter gebracht. — Deze vertaling leert ons veel betreffende do grafgebruiken der Grieken.quot;

Is het nu niet jammer dat Winkler dit aangehaalde eenen roman noemt! Een roman overigens uit de tweede eeuw, waarin — niet de eeuw, maar de roman — alles zoo natuurlijk is, nog natuurlijker dan in onze huidige romans. Maar dit tot daaraan toe. De bewijzen worden geput uit de romans!!!

Met die bewijzen en dergelijken gaat Winkler door tot in de zeventiende eeuw bldz. 487, dus nog altijd vóórhistorisch.

10. Iets geschreven zonder samenhang,

De grenzen van den vóórhistorischen en den historischen tijd zijn even weinig bepaald als die der verschillende beschavings-perioden. Egyptenaren, Klein-Aziaten, Grieken,

-ocr page 197-

185

Romeinen behoorden reeds lang tot de geschiedenis, toen het keltische, het germaansche en vooral het slavische Europa nog volkomen in het duister lag. Do geschiedkundige tijd begint bij ons met de invoering van het Christendom,quot; aldus Winkler bldz. 489.

— Ik lees in Dr. S. Sr. Coronel: het ziektekarakter des tijds: „En toch is het maar al te waar: de speculant is zenuwzwak, wat men noemt gebroken... Ja, niet zelden heeft de slag de hersenmassa zoo diep getroffen, dat de ongelukkige werkelijk stapelgek wordt. De gees-tolijk-linancieel geruïneerde begint aan grootheids waanzin te lijden......quot; bldz. 15. Vr. v. d. D.

-ocr page 198-

AFDEELING- IX

1. Een bewonderd man,

In mijn voorgaand hoofdstuk heb ik mot Winkler een slot gemaakt aan de geschiedenis van den mensch

vóór de geschiedenis van den mensch in...... Europa.

Iedereen zou meenen aan het einde der historie to zijn. Mis. Wij gaan over in Winkler\'s zesde afdeeling bldz. 490: De mensch voor de geschiedenis in „Amerika.quot;

Winkler rekent onder de bewonderaars van Darwin ook Hopkins.

Ik lees in: Over Natuurkundige Theoriön door W. Hopkins, vertaald door J. v. d. Hoeven, bldz. 49: „Wij hadden ons verbeeld, dat de wetten van redeneering over zulke onderwerpen, aan welker gezag Newton en Laplace, Tresnel en Faraday in hunne wiskundige en proefondervindelijke onderzoekingen eerbiedig gehoorzaamden, nog niet waren afgeschaft, en dat elk, die eene physische theorie voortgebracht had, ook de verplichting had erkend, om haar niet stellige bewijzen te staven, bewijzen, welke ten minste de schaal der waarschijnlijkheid naar hare zijde deden overslaan. Wij hadden eindelijk gemeend dat feiten waarop geredeneerd wordt, werkelijk feiten en geene veronderstelde feiten moesten zijn. Wij bekennen dat het aannemen van zulke besluiten, die geen steun hebben in eenige stellige en

-ocr page 199-

187

op zich zelf staande blijkbaarheid, alleen ten gnnste van een onbewezen theorie, ons weinig voorkomt te strooken niet de bedachtzaamheid en de waardigheid van wijs-geerig onderzoek.

2. Een kijkje op de kaart.

Dat kleine hoofdstukje dient als inleiding voor eene zeer lange les, die ik nit Winkler wil aanhalen, en welke reeds nu door die weinige woorden van Hopkins weerlegd is.

Bldz. 490. „Sedert de ontdekking van Amerika is er zeker weinig wat zoozeer de belangstelling van de ethno-logen heeft opgewekt, als de vraag naar de afkomst van den meusch in America, namelijk van de inboorlingen van dat werelddeel...... Op geologische gronden

werd de eenheid van het memchelvjk geslacht langen tijd bijna bij uitsluiting geleeraard, totdat de natuurwetenschap geloofde genoeg gegevens verzameld te hebben, om de oorspronkelijke veelheid van de menschenrassen der aarde te verkondigen; dat is om te beweren dat de onderscheidene menschenrassen niet opéén punt der aarde, maar op verscheidene punten ontstaan waren. Met deze bewering was ook het ontstaan van het Ame-rikaansche ras verklaard, n.1. dat het in dat werelddeel zelf ontstaan was, en niet uit een ander gedeelte der aarde, als een uitlooper van een ander ras, was voortgekomen: het Amerikaansche type was een tot dat werelddeel behoorend oorspronkelijk type, welks wieg nergens elders als in dat werelddeel gezocht moest worden.quot;

— Maar Winkler heeft ons gezegd dat de wetenschap (?) geene onwrikbare dogma\'s aanneemt.

quot;....worden. Maar toen ten gevolge van Darwin\'s theorie van het ontstaan der soorten de overtuiging allengs doordrong, dat alle levende typen van onzen tijd vau

-ocr page 200-

188

eenige weinige, misschien van een enkelen oorspronko-lijken vorm af\' te leiden waren, won ook natuurlijk tevens de bijna vergetene eenheidsleer een nieuwen steun, en de waarnemingen die sedert dien tijd gedaan zijn, maakten dien steun telkens sterker en steviger.quot;

— Darwin een voorvechter der H. Schrift?! Maar mooier is het dat terwijl dan de H. Schrift en Darwin hetzelfde leeren (?) Darwin als gezag geldt, en men aan de H. Schrift geen geloof hecht. Evenwel Darwin en Mozes verschillen hemelsbreed.

quot;....steviger. Moeten wij tengevolge daarvan ons dus voorstellen dat het menschelijk geslacht uit een enkel middenpunt van schepping is ontslaancursiveer K. E.) dan volgt daaruit dat ook de oude vraag weer aan de orde komt: van waar is de oorspronkelijke bevolking van America gekomen?quot;

„In den tegenwoordigen staat der wetenschap is er aan een verzoening tusschen de beide denkwijzen, dio der monoqenisten of verdedigers der eenheid, en der pluralisten of verdedigers der veelheid, niet te denken, maar roei is de zege van de eersten over de laatsten waarschijnlijk (I. c. K. E.) Doch wij moeten hierbij niet vergeten, dat die zege toch slechts de zegepraal van een hypothese is, want volstrekte zekerheid ligt voor ons zeker buiten het gebied der mogelijkheid.quot;

— Wie schreef ook weer ergens over hoogmoedswaanzin! Het geheele werk van Winkler heeft geen andere strekking dan Darwin\'s leer te verkondigen en verdedigen; maar als nu Darwin bewijst (als dit zoo is) dat de H. Schrift altijd de waarheid geleerd heeft, wanneer zij ons zegt, dat alle menschen van eenen mensch afkomen, dan verkondigt Darwin slechts een hypothese. Ik heb ergens gezegd, mannen der wetenschap, dat mee wetenschap geen wetenschap is, omdat zij geene ziel en geen lichaam heelt. Zij hoeft geene ziel omdat zij geene waarheid heeft; hier immers noemt de discipel

-ocr page 201-

189

de eerste stelling van zijnen meester eene hypothese. Zij heeft geen lichaam, omdat geen twee atheïstis-geo-logische mannen ook maar in een enkel punt overeenkomen, ten bewijze alweer het voorgaande.

„De verdedigers van do eenheid van het menschelijk geslacht moeten nu hun best doen om de oorzaak op te sporen van de typische verscheidenheden van ons geslacht, en do mogelijkheid aantoonen van de verspreiding der menschen over de geheele aarde; zij moeten dus ook verklaren van waar de oorspronkelijke bevolking van America gekomen is.quot;

— Dat is een behendige draai van een bewijs voelden niets kwaad vermoedende. De wijsbegeerte, wijs-geerige man, vordert dat wie een altijd geleerde waarheid wil omverwerpen, dat deze de bewijzen levere voor zijne nieuwe leer, maar niet dat ieder onzinnige de waarheid kome uitdagen om haar leer, door alle eeuwen aangenomen, stuk voor stuk te bewijzen. Voor zulke wijsbegeerte haalt men de schouders op.

Maar gij zelf\', man, gij gevoelt u zoo verpletterd dooide waarheid, dat gij, willens of niet, de bewijzen voor de eenheid van afkomst levert, en geen enkel bewijs kunt leveren voor uwe veelheid. Ziet hier:

bldz. 491: „Bij de afgezonderde ligging vanhetAme-rikaansche vasteland, dat zoowel ten Oosten als ten Westen door groote zeeën van de Oude Wereld wordt gescheiden, kan men niet wel aannemen, dat de westelijke gedeelten van de oude wereld, Europa en Afrika, de geboorteplaatsen van het Amerikaansche of roode menschonras zullen zijn geweest. De groote afstand tus-schen de Westkust van Europa en Africa en de Oostkust van America, belet ons te gelooven dat men ooit in voorhistorische tijden met schepen van de Oude- naaide Nieuwe Wereld zal zijn gevaren, over den Atlanti-schen Oceaan heen. Maar anders is liet aan de Westkust van America, waar, in de noordelijke streken van

-ocr page 202-

190

den Grooten Oceaan, Azië en Amerika zoo dicht bij elkander liggen, dat zij slechts door een zeestraat, de straat van Behring, van elkander gescheiden zijn. Men wil zelfs dat deze zeestraat op sommige plaatsen zoo nauw is, dat men, in Azië staande, den Amerikaanschen oever kan zien. Uit Azië kan de mensch over de Behring-straat zijn getrokken, en dit is des te waarschijnlijker, daar de Amerikaansche oever van die zeestraat, vergeleken met den Aziatischen, een betrekkelijk milder klimaat heeft, en met een daaraan beantwoordenden hoo-geren plantengroei is getooid. Ook de etlniologische kenmerken van den Americaan wijzen op zijn afkomst uit Azie eerder dan uit een ander werelddeel, want als hij in het een of ander opzicht tot een ander menschen-ras nadert, dan zeker staat hij veel dichter bij den Mongool dan bij den Kaukasier of den Neger, zijn oostelijke overzeesche buren.quot;

— Ik voeg nog een kort woordje bij aan hetgeen Winkler hier, naar het schijnt tot zijn spijt, heeft neergeschreven.

Op de tweede bladzijde van zijn mooi werk schreef Winkler:

„De geologen weten wel dat herhaaldelijk groote watervloeden onderscheidene gedeelten van de aarde in verschillende tijden hebben bedekt... en dat de tegenwoordige wateren landstreken bedekken, die eenmaal tot woonplaats voor planten en dieren dienden...quot;

— Uit dit weinigje wat de geologen weten, kan ik heel goed de gevolgtrekking maken, dat de westkust van Amerika vroeger met de oostkust van Azië is verbonden geweest, en de Behringstraat niet bestond. Dit zal niemand durven ontkennen; en wanneer men de kaart eens ter hand neemt en ziet daar de Aleutische en andere eilanden in de Behringzee, dan is liet zeer moeielijk om weg te cijferen, dat de geheele Behringzee vroeger vasteland was, verbindende Azië met Amerika.

-ocr page 203-

19]

Eilanden toch ontstaan door vulcanische werkingen, of door wegspoeling van gedeelten land, of door aanspoelingen — maar deze laatsten worden niet aangeduid met den naam van eilanden. Welnu, de Aleuten zijn een groep van zestig eilanden en wegens de groote menigte klippen voor schepen ongenaakbaar. Zij nemen een aanvang met het schiereiland Alaska in het westen van America, en vormen van daaruit ééne lijn naar do provincie en het schiereiland Kamschatka, in het uiterste Noord-Oosten van Azië. De Oostkust van Kamschatka langs de Behringzee wordt door een dubbele rij werkende vulkanen begrensd. Wat kan nu tegen de meening zijn, dat in gelijke mate het land van Kamschatka opgehoogd is door de vulcanische werkingen, in gelijke mate het land, waar nu de Behringzee is, gezonken is, ja, nog meer is weggenomen door den stroom uit de IJszee naar den Grooten Oceaan! Dit is geen veronderstelling, maar eene topographische stelling, berustende op.al die eilanden en die groote menigte klippen; zij is buitendien grondig bewezen door Willem Georges Stöller in zijne onderzoekingen gedaan ten jare 1738.

Maar gesteld dat de Behringstraat van af den Zondvloed — of wil men liever; den algemeenen Vloed —-bestaan heeft, dan zijn de eerste bewoners van America per schip naar dat land gereisd. Als Noë een schip — een ark — bouwde van 450.000 vierkante ellen inhoud, zouden dan zijne nakomelingen, met de kennis van hun vader verrijkt, niet schepen hebben kunnen bouwen, groot genoeg om een zeestraat over te steken, waar men van den eenen oever den anderen kon zien?

Ofschoon America in 1492 door den Genuees Christophel Columbus ontdekt is, wiens ontdekking in 1499 door den Florentijn Amerigo Vespucci verder uitgebreid werd, moet men niet denken dat het overzeesche vasteland vóór dien tijd onbekend was. Vooreerst mijn vriend Plato, sprekende van een groot vastland aan gene zijde

-ocr page 204-

192

van don Atlantischon Oceaan gelegen, noemt dit land Atlas. Manilius (I. Astron) maakt melding vaii een groot vasteland, gelegen ten westen van Europa en Africa, door de zee van ons vasteland gescheiden, en wier inwoners, in betrekking tot ons, tegenvoeters zijn. Aris-toteles (De Mirab.) verhaalt ons, dat een zeer groot eiland aan gene zijde van de straat van Gibraltar (ultra fretum Herculis) op verre dagreizen van Gades (Cadix) gelegen, aan de Carthagers bekend was, maar dat de magistraat op doodstraf verboden had naar dat eiland te verhuizen, toen hij zag dat eenigen, begeerig naar den rijkdom er van, erheen wilden trekken, üiodorua de Siciliër (Ti. 5) verhaalt dat eenige Phoeniciërs na eenen langen tocht teruggekomen van een groot eiland, de bizondere vruchtbaarheid van dat land roemden, dat Tyriërs daarom besloten volksplantingen daarheen te zenden, maar dat de Carthagers hen dit beletten, opdat zij zelf nl. de Carthagers naar dat land konden verhuizen, indien zij uit Africa verdreven werden. — Dit alles wijst ongetwijfeld op America.

Tk zeide dat het den schijn had of Winkler dat tot zijn spijt had neergeschreven. Ook onmiddellijk daarop laat hij volgen:

bldz. 491 en 492: „Tegen de bewering evenwel dat de raensch uit Azië over de Behringstraat naar America zou zijn getrokken, heeft men gewichtige bedenkingen geopperd. Vooral is een vergelijking van de talen en tongvallen der Aziaten en der Amerikanen ongunstig voor deze onderstelling.quot;

— Winkler zegt verder niet waarin deze ongunstige vergelijking ligt; maar kan die meer ongunstig vergeleken worden dan de Hollandsche met de Russische, en beiden wonen in Europa! Van taalverwantschap weet Winkler niet veel naar het schijnt.

quot;....onderstelling. Desnietemin heeft men tot heden nog geen betere onderstelling voor het bestaan van het

-ocr page 205-

193

amerikaansche ras, en derhalve moeten wij er ons voor-loopig mede tevreden stellen.quot;

- Het schijnt dat die waarheid niet anti-godsdienstig wetenschappelijk genoeg is, en daarom heet men haar eene onderstelling.

Heb ik geen recht als ik zeg dat ik niet houd van menschen, die op alles wat te zeggen hebben!

3. Twee vragen en nog wat.

Zooals wij zien hebben de wetenschappelijke mannen der anti-christelijke richting geen andere gegevens dan raadsels, gissingen en veronderstellingen, en hierop is hun geheele theorie gegrondvest.

In zijn werk: Drie vragen enz., bldz. 38, zegt dezelfde Winkler:

„De hypothesen mogen waarde hebben als pogingen om de waarheid te naderen, maar de wijsbegeerte verbiedt hare aanneming als grondslagen der wetenschap.

— En in datzelfde werk lezen wij bldz. 145:

„Een enkel wel waargenomen feit is meer waard dan een dozijn onbewezen hypothesen.quot;

Zoodoende heeft de „wetenschapquot; reeds lang haar eigen doodvonnis geveld. Meermalen echter heb ik het woord van Winkler aangehaald:

„üe wetenschap duit geene onwrikbare dogma\'s.quot;

— Dit is ook de reddingsplank der anti-godsdienstige geologie, en daarom verkondigt diezelfde man bldz. 48, alsook in zijn mooi boek:

„maar de wetenschap kan niet buiten de veronderstellingen.quot;

Dit dus voorop gezet, en daarbij bewezen dat bijna al hun veronderstellingen valsch zijn, willen wij nader onderzoeken of men die veronderstellingen kan aannemen zonder daardoor in tegenspraak te komen met de Bijbelsche geschiedenis.

13

-ocr page 206-

194

Vooraf zij gezegd, dat die leer, welke men heden Darwinismus noemt, evenveel gelijkt op die van Darwin als de leer der Protestanten op die van Lnther. Maar dit huidige Darwinismus in zijne hypothesen is zoo mooi ingekleed, dat men het van verre beschouwd, als een onoverkomelijke berg aanziet. Maar in tegenstelling met alle andere, wordt deze berg steeds kleiner naar mate men dichter erbij komt.

Om op de gestelde vraag te antwoorden, zullen wij haar in onderdeelen splitsen en eerst vragen:

Kan men de veronderstelling aannemen dat de wereld ouder is en langer heeft bestaan dan ongeveer zesduizend jaren, zonder hierdoor in tegenspraak te komen met de Bijbelsche geschiedenis?

Wij hebben gezien dat voor deze veronderstelling niet één enkel gegrond bewijs te vinden is, en desniettegenstaande kunnen wij die hypothese aannemen zonder met de Bijbelsche geschiedenis in tegenspraak te komen.

In Genesis I, 1 lezen wij: In liet begin schiep God hemel en aarde.

Wanneer was dat begin? Daaromtrent is geen andere bepaling te geven dan: in het begin der tijden; dus niet: van eeuwigheid af. Alzoo voor dat nog ergens iets geschapen was, schiep God hemel en aarde. Deze bracht hij voort uit het niet.

En verder Gen. 1, 2 lezen wij: maar de aarde was woest en ledig. Deze toestand duurde alzoo, totdat God den eersten dag het licht schiep. Hoeveel tijd nu verliep tusschen het scheppen van hemel en aarde en het licht van den eersten dag, verhaalt die geschiedenis niet, en daarvoor kan men desnoods duizenden van jaren aannemen evengoed als één minuut. Maar wat voor de hand ligt is, dat geen van beiden bewezen kan worden uit feiten van andere scheppingen, omdat nog niets anders geschapen was, wat als feit of als leid-

-ocr page 207-

195

draad ons ten bewijze kan strekken: dit is het verschil tusschen ons en de huidige Darwinisten, wier veronderstelde bewijzen genoegzaam weerlegd zijn.

Iets anders zou het zijn of de aarde gedurende dien tijd zich ontwikkelde, en dan komt het er op aan, wat men door ontwikkeling verstaat. Zeer zeker ontwikkelde zich uit de aarde geen andere wezens, daar deze allen in de volgende zes dagen geschapen zijn. Of zich echter water, grond, klei enz. in dien tusschentijd meer of minder scheidden en hardere bestanddeelen vormden? maar dit is geen ontwikkeling en slechts een verandering van toestanden, zooals die nog dagelijks plaats grijpt. Dat de aarde aanvankelijk een nevel of een gloeiende massa zou geweest zijn, welke zich allengs zou verdicht hebben, wordt algemeen verworpen ook door onze tegenstanders. In het aangehaald werk bldz. 15 zegt Winkler :

„Do geologie heeft reeds genoeg geleden door de aanneming van die vuurtheorie.quot;

„Echter is de neveltheorie op zijn best slechts een aannemelijke gissing, en er is niets in de stuctimr van den aardbol dat niet zeer wel anders verklaard kan worden als door te vermoeden dat zij uit een oorspronkelijk gloeienden staat zou zijn afgekoeld.quot;

In elk geval valt niets op te merken tegen deze waarheid:

— „God heeft de aarde geschapen uit het nietquot; — wat en hoe zij dan ook was in het begin.

Tweedens komt de vraag:

Kan men de veronderstelling aannemen dat de mensch ouder is en langer heeft bestaan dan ongeveer zesduizend jaren, zonder hierdoor in tegenspraak te komen met de Bijbelsche geschiedenis?

Wij hebben gezien dat voor deze veronderstelling niet één enkel gegrond bewijs te vinden is. Deze veronderstelling is in lijnrechte tegenspraak niet alleen met de

-ocr page 208-

196

Bijbelsche geschiedenis, maar ook mot de weroldsche geschiedenis; terwijl de ware groote mannen der wetenschap, de naar waarheid zoekende geologen eenparig aannemen dat het scheppingsverhaal van Mozes de eenige ware geschiedenis is omtrent liet ontstaan van den mensch, en dus de mensch niet langer bestaat dan zesduizend jaren.

Met de bewijzen van het voorgaande, heb ik tevens aangetoond dat het onmogelijk is, dat de ééne soort zich uit een ander soort kan ontwikkelen, zoodat alle menschen afstammen van den eenen geschapen eersten mensch Adam.

Genoemde ontwikkeling van soort tot soort bestaat evenmin bij de dieren en bij de planten als bij de menschen, en daarvandaan liet: „Natnra non facit saltiun De natuur maakt geen sprongen.quot; Voor do huidige Darwinisten kan men dit best vertalen door: Apen brengen geen ezels voort.

4. Demi-saison,

Het groote woord: Natnra non facit saltum, hebben de Darwinisten met beide handen tegelijk aangegrepen, om daaruit hun hoofdbewijs te trekken en te besluiten tot het volgende sophismus:

De natuur maakt geen sprongen. Welnu de Zondvloed is een sprong. Dus heeft de Zondvloed nooit bestaan.

Iedereen begrijpt die verkeerde toepassing: want in dit geval hadden wij nooit aardbevingen, overstroomingen enz.

Maar wat meer is. Do Darwinisten, die alles zoeken weg te cijferen Avat maar eenigszins op God of Bijbel betrekking heeft, hebben den Zondvloed trachten weg te cijferen; maar daar zijn zooveel onweerlegbare bewijzen voor deu Zondvloed, dat do sporen ervan niet uit te wisschen zijn. Daarvoor had nu Darwin den ijstijd uitgevonden.

-ocr page 209-

197

Eerst zou ik nu hier dien fatneuzen ijstijd, waarover reeds meermalen melding is geweest, wat nader moeten toelichten en beschrijven, vooral omdat ik reeds zoo menig bewijs in dit werk tegen dien ijstijd heb geleverd, maar ik zal dit liever in een volgend hoofdstuk doen, omdat ik hier eerst een paar vragen wil stellen en oplossen.

Wanneer de zondvloed een natuursprong zou zijn, en daarom onmogelijk, is dan een ijstijd niet een even groote natuursprong, en daarom niet even onmogelijk?

Immers is het geen natuursprong, wanneer eene tropische hitte heerscht aan Noord- en Zuidpool, en deze hitte zoodanig afneemt en gevolgd wordt door een koude zoo sterk, dat de geheele aarde van aan den Noordpool tot in Spanje en Italië, dus onder den veertigsten graad geheel met ontzaglijke ijsblokken overdekt was, ja al dat land niets dan een ijsveld was, waarna die koude wederom moest wijken tot don poolcirkel.

Wanneer men die twee natuursprongen eens tegenover elkander op de weegschaal legt, naar wolken kant zou deze overhellen?

En wist men dan nog maar eenige rede aan te geven voor die opvolging van die verschrikkelijke koude op die uitermate hitte.

Het doel echter van Darwin met zijnen ijstijd laat zich goed begrijpen. Toen hij alle ontwikkclingsbonoo-digdheden aan den Noordpool onder een tropische hitte bijeen had, begon het on wikkelingsproces, zoodat de vogels zich uit de visschen, de Viervoetige dieren uit de vogels, de mensch uit het dier moest ontwikkelen. Toen alles ontwikkeld was, joeg hij allen over do geheele wereld met zijnen onuitstaanbaren ijstijd. Gelijk met de dieren luidt ook die fabel omtrent de planten enz.

Wij moeten echter Darwin recht laten wedervaren. Toen iiij dan met do uitlegging zijner ontwikkeling den aap had afgeleverd, hief hij zijne fabriek op, want een

-ocr page 210-

198

menschenverstand kon hij niet klaar krijgen. De eer der ontwikkeling van den raensch uit den aap komt aan zijne opvolgers Vogt o. s. toe, die tegenwoordig die fabriek exploiteeren; maar de machinerie is erg versleten, en het goed dat uit die fabriek komt vindt weinig koopers, ofschoon het dagelijks met groote emphase geveild wordt aan de hoogere en lagere scholen.

En nu de vraag?

Kan men de veronderstelling aannemen, dat de voorgegeven ijstijd bestaan heeft, zonder hierdoor in tegenspraak te komen met de Bijbelsche geschiedenis?

Het onhoudbare dezer veronderstelling is meer dan bewezen, en al heeft men vóór Darwin nooit van dien ijstijd vernomen, toch kan men hem aannemen zonder hierdoor in tegenspraak te komen met de Bijbelsche geschiedenis, — als men maar eenige restricties neemt.

Het doel van den uitgedachten ijstijd is eene ontwikkeling, die men niet kan aannemen volgens de geschiedenis; maar de ijstijd op zich zeiven levert geen bewijs tegen de geschiedenis, gewijde noch wereldscho, omdat in geen van deze iets voor of tegen den ijstijd wordt gezegd.

Als men dus afziet van hot doel, dan kan men die mannen vrij gunnen, dat zij zich met hunnen ijstijd den tijd korten.

5. Vreemde vogels.

Dat het woord: Natura non facit sultum, ook niet op de Darwinistische leer der ontwikkeling toepasselijk is, blijkt uit het voorbeeld van alle bastaard-dieren, dio altijd onder zich onvruchtbaar blijven. Er heeft dus nooit een ontwikkeling van het ééne soort tot het andere plaats; maar wat wij wel vinden, dat is in al het geschapene een geleidelijke opklimming in liet bestaande, hetgeen men kan noemen: de schoone, door den Schepper daargestelde harmonie.

-ocr page 211-

199

Zoo vinden wij een oneindig aantal wezens van af de straaldieren tot de viervoetige zoogdieren, en bij die wezens vinden wij een oneindige opkiiimning tot het meer volmaaktere, maar de zeester, zooals wij ze heden zien, is niets volmaakter dan die welke in de diepste bezinksels gevonden is en wel veertig eeuwen oud is. En nemen wij een der meest volmaakte dieren zooals de Gorilla uit de dichte bosschen van Neder-Guinea, of\' den Orang Outan van Borneo, deze zijn heden niets boter en tot geen hooger soort ontwikkeld dan hunne voorzaten van over vierduizend jaren. En toch vinden ■wij eene ladder van opklimming van af de zeester tot den Orang-Outan. Maar gelijk do sporten eener ladder elk op zich zelvon staan, al klimmen ze ook hooger, zoo ook staat in de opklimmende ladder der natuur elk soort op zich zeiven, hoe nabij het ook een andere soort moge komen. Een reptiel blijft dus altijd een reptiel, en een vogel een vogel, al vindt men bij het een dan ook eenige kenmerken van het andere. Streng genomen zou ik moeten zeggen: al vindt men ook eenigen schijn van kenmerken.

Zoo had de Archeopteryx macrura lang onder dien schijn dienst gedaan als eene ontwikkeling van reptiel tot vogel, totdat prof. Owen in 1862 verklaarde, dat dit fossiel geen enkel kenmerk van een reptiel bezit, en dat de deelen die van den gewonen vorm der vogelen afwijken, alles behalve op de daarmede overeenkomstige deelen van een reptiel gelijken. — Hiertegen geen protest.

Een twaalf jaar na datum vond Hilberlein van Pap-penheim weer een zoogenaamde archeopteryx — ver-steend gelijk de vorige, of beter gezegd, afgedrukt in oon leisteen. Daar stormden de geleerden op los, zelfs Vogt ontbrak niet. De domste verklaringen werden over dezen indruk in den steen gegeven; do een verklaarde dat het do beenon had van een reptiel, de andere van een vogel, een derde meende dat het klauwen waren.

-ocr page 212-

200

een vierde vrije vingers, en de groote Vogt(!) verklaarde dat twee der vingers beweeglijk zijn(!); enfin, na heel wat belui heeft men den vogel in hot Museum te Berlijn geplaatst en hij is geen bespreking meer waardig gekeurd; de ware geleerden lachten met de dommorij van dit overgangsfossiel.

6. Vindingrijk.

In America zijnde vind ik mij verplicht om den lezer terug te voeren naar dien nooit bewezen, maar altijd verzonnen ijstijd, waarmede A Vin kier, bldz. 492, zijn Americaansch — echt Americaansch — verhaal begint.

„Even als in Europa volgde ook in America, na den tertiairen tijd, waarin het klimaat zeer zacht en mild was...quot;

— Met onze tegenwoordige kennis kunnen wij dit niet bewijzen, zegt Winkler. Wij hebben allo reden om dit laatste te gelooven.

„was, een tijd waarin de temperatuur belangrijk daalde,

een ijstijd of zoogenaamde ijsperiode...... Na den ijstijd

werd de temperatuur weer liooger, en daarmede schijnt (schijn of bedrog? K. E.) gepaard te zijn gegaan een langzaam dalen van de middengedeelten van het land en oen gelijktijdig opheffen van de kusten.quot;

De lezer die vroeger het geduld heeft gehad om de ontwikkeling van vogels uit visschen te lezen, mag nu nogmaals zijn geduld op de proef stellen, dan zal ik hem eens den ijstijd — niet der wereld, maar van Darwin uitleggen:

Toen het einde van het pliocene tijdperk begon te naderen, dus kort vóór het intreden van den ijstijd, heerschte er over de gansche aarde een veel warmer klimaat, dan wij thans ondervinden. Dit vermoeden heeft geen grond, maar kwam Darwin uiterst goed te pas ter bereiking van zijn doel. Hieruit zocht hij te bewijzen, dat de ge-

-ocr page 213-

201

lijke vormen op de afgescheiden bergtoppen der Oudeen Nieuwe wereld gedurende den ijstijd uit liet Noordon derwaarts zijn overgevoerd. Dus hij verzamelde zo in het noorden en deed aan den ijstijd eene periode van verhoogde warmte voorafgaan, en in deze veronderstelling konden wezens, die nu in het klimaat van den 60Blcquot; graad leven, gedurende het post-pliocene tijdperk op eene breedte van 66 tot 67 graden, en de echt noord-sche schepselen nog nader bij de pool wonen. Om zich van het gelukken zijner pogingen nog meer te verzekeren, vermoedt hij daarenboven, dat bij den aanvang van het pliocene tijdvak de temperatuur nog veel hooger was dan in het post-pliocene. Ten gevolge dier verhoogde warmte verlieten vele dieren hunne oude verblijven, om die voor frisscher en kouder woonplaatsen te verwisselen, en vestigden de noordelijke, onder-noordelijke en noordelijk gematigde wezens zich allen boven of in den omtrek des poolcirkels. Wanneer wij nu eenen blik slaan op de aardglobe, dan zien wij dat er onder den poolkring een bijna onafgebroken land ligt, van het westen van Europa door Siberië heen tot het oosten van Amerika.

De zoo hoog levende dieren konden derhalve rondom de pool in die onmetelijke gewesten, door geen slagboo-men gescheiden, vrijelijk met elkander in gemeenschap komen; en op die wijze ontwikkelde zich in de poolstreken der Oude en Nieuwe Wereld een verbazenden rijkdom van dezelfde noordelijke vormen.

Si non e vero, bene trovato. Na dit alles vooraf in-gereedheid gebracht te hebben, kondigt Darwin den naderenden ijstijd aan. Eene ongekende kille luchtsge-steklheid begon den lang gekoesterden wereldbol te omgeven , zoodat al de levende schepselen, nagenoeg gelijktijdig in ongewonen toestand verplaatst, op hunnen ge boortegrond tegen het winterachtige weder niet voldoende meer beschut waren. De strenge steeds toenemende koude aan de noordpool dreef de poolbewoners

-ocr page 214-

202

zuidwaarts, en de algemeene verhuizing nam onderhen een aanvang; de noordelijk gematigde wezens voorop, daarachter de onder-noordelijke vormen en eindelijk als achterhoede de ware poolbewoners. Deze beweging greep plaats in Scandinavië, Rusland, Siberië en America, alsmede aan de noord- en zuidpool: al wat leefde bewoog zich naar den Evenaar. — Onze aandacht vestigende op de noordelijke vormen en deze op hunnen tocht nagaande, zien wij dat al zeer spoedig, op het punt nl. waar de Oude en Nieuwe Wereld door den Oceaan gescheiden worden, de ontzaglijke legertrein zicli in twee deelen splitst, en bijgevolg dezelfde noordelijke soorten tegelijk naar America, Azië en Europa hunnen tocht zuidwaarts voortzetten.

\'De koude nam nog aanmerkelijk toe. Uit het noorden kwamen bergijsstroomen aanzetten, die geweldige ijsbergen over Europa en America dreven, en rotsgevaarten naar het zuiden, tot zelfs in Spanje en Italië medevoerden. De landverhuizers wisten zich tijdig uit do voeten te maken, onvermoeid voorttrekkende, totdat zij eindelijk nabij den Evenaar terecht kwamen, of dien zelfs overschreden. Waar zij als indringers een vreemd grondgebied betraden en met de inboorlingen in botsing geraakten, zullen zij dank hunne krachtige noordsche organismen, den vijand die door koude verzwakt, in lijdenden toestand verkeerde, veelal verdrongen hebben.

Hoelang die schrikbarende verwarring in de natuur heeft aangehouden, weet Darwin niet; maar hij zegt: „wij hebben goede bewijzen dat de ijstijd op alle plaatsen een ontzaglijk langen tijd, bij jaren gerekend, geduurd heeft.quot;

Nadat de koude haar toppunt bereikt had, en de ijstijd „ontzaglijk langquot; geduurd had, gingen eindelijk do geteisterde landen een blijder toekomst te gemoet. Langzaam kwam een dragelijker temperatuur. De zon, gedurende onnoemelijke jaren in hare weldadige werking belemmerd, begon allengs haren beperkten invloed uit te

-ocr page 215-

20:3

breiden. Toen do ijsbergen smolten en de vloeden vervolgens terugkeerden, lieten zij op de doorweekte landen de zaden der noordelijke planten achter, die wel is waar in de vlakten grootendeels moesten bezwijken, maar op de koude bergtoppen liet leven konden behouden. Op hunne beurt maakten de noordsche landverhuizers, die zich bestendig tusschen de keerkringen hadden opgehouden, zich reisvaardig om den terugtocht naar hunne haardsteden te ondernemen. Zij die den Evenaar hadden overschreden, marcheerden natuurlijk naar den Zuidpool, en dus in tegenstelling van hunne oude kameraden die op het noorden aanhielden. Maar de achterhoede vormde nu de voorhoede.

Als nu alle vroegere reisgenooten zich weer aan den grooLen trein hadden aangesloten, dan zouden allen wederom in hunne oude woonplaats zijn terecht gekomen; maar eenige tochtgenooten ■— misschien uit te min ontwikkeld nationaliteitsgevoel — onderbraken de reis, zeiden hunne onvermoeide broeders en zusters vaarwel en vestigden zich in de een of ander op hunnen weg gelegen streek. Bij het toenemen der warmte trokken deze achterblijvers naar de hoogten van nabij-gelegene gebergten. Daar zij geen reden hadden of wel in de onmogelijkheid verkeerden om naar liet noorden te verhuizen, bleven zij tot heden toe bergbewoners, alsmede de vertegenwoordigers van talrijke stamgenoo-ten, die in het noorden leven.

Na dit alles veronderstelt Darwin, dat na den ijstijd liet klimaat nooit dien boegen warmtegraad meer bereikt heeft van liet pliocene tijdvak; zoodat b. v. de Americaansche vormen, die nu zes of zeven graden beneden den poolcirkel wonen en van Europa volkomen zijn afgescheiden, zich vroeger op het onafgebroken land rondom de pool ophielden, en derhalve zonder den oceaan op hunnen weg te ontmoeten, naar de Nieuwe Wereld verhuisd zijn.

-ocr page 216-

204

7. De knecht boven den meester.

Mooi is dio schildering, en welke romanschrijver kan het halen bij die fabel van Darwin.

Eenigszins is het reeds duidelijk waarom Darwin dien ijstijd heeft uitgedacht; daardoor toch wil hij aantoo-nen dat alles zich uit eenige enkele oervormen of misschien slechts uit één enkele ontwikkeld heeft; daarom ook kwam hij tot het besluit, waarmede Winkler zich niet schijnt te kunnen vereenigen, dat alle menschen afstammen van slechts één menschenpaar.

Als twee menschen hetzelfde zeggen, dan is dat nog niet hetzelfde. Zoo ook hier. De H. Schrift neemt een enkel menschenpaar aan, waarvan alle anderen afstammen ; ook Darwin doet dit, maar in de H. Schrift is het de van God geschapen en in het paradijs geplaatste mensch , en bij Darwin is het de in het noorden zich ontwikkeld hebbende mensch.

Winkler c. s. heeft het hoog op met dien nooit volprezen fabelachtigen ijstijd, uitgedacht om God met schepping en zondvloed aan den dijk to zetten, maar dat ééne menschenpaar hindert hem en hierin geeft hij Darwin nog niet zoo grif gelijk, want zooals wij zagen noemde hij dat op bldz. 491 „de zegepraal van eene veronderstellingquot;. Dus de ijstijd die bij Winkler vaststaat als een paal boven water, wordt door hem zei ven genoemd „eene veronderstellingquot;. Dat is de rechte logica van eene wetenschap, die geene onwrikbare dogma\'s aanneemt.

Hieruit weten wij nu alvast wat te denken als Winkler in America alweer begint mot zijnen ijstijd) zooals wij in ons vorig hoofdstuk zagen. Overigens staat hij toch in America te kijken bijna als een blindeman. Bldz. 493:

„......een menigte grotten en holen... doch deze holen en grotten hebben tot heden niet, zooals de euro-

-ocr page 217-

205

peosche, voorwerpen opgeleverd die voor de geschiedenis van den mensch in liet tijdvak waarin zij gevormd werden, belangrijk zijn..... Alles wat van hoopen keukenafval , aardwerken, begraafplaatsen enz. in holen of in den bodem van America voorkomt, is uit een betrekkelijk nieuwen tijd, die geologisch niet van den hedendaagschen te onderscheiden is. Geen diersoort is uitgestorven, geen verandering van den bodem van eenig belang is er gebeurd, sedert de mensch leefde wiens dooden en tumuli, en wiens overblijfselen van maaltijden wij in schelphoopen vinden, die als een gordel liggen op do geheele kust van America.quot;

S. Sanscritischo cijfers,

Toch is iets in America gevonden bldz. 493:

„Gelijk in Europa, vinden we ook in America een reeks van feiten uit de geschiedenis van den mensch vóór de geschiedenis, die men getracht heeft naar jaren te bepalen: berekeningen die evenwel grootendeels op onderstellingen berusten, en derhalve volstrekt niet als onfeilbaar beschouwd mogen worden......

„Lyell spreekt in zijn Geol. Evid. over de berekening van Dr. Bennet—-Dowler. Do alluviën van de delta

der Mississippi...... zijn naar de matigste schatting

waarschijnlijk meer dan 100.000 jaren oud. Bij New-Orleans heeft men een menschengeraamte gevonden dat tot het oorspronkelijke type van het roode indiaansche ras zou behooren, en volgons de berekening van Dowler 50,000 jaren oud zou zijn. Door Dr. Smidt is evenwel de onhoudbaarheid van die berekening duidelijk bewezen. Hetzelfde is het geval geweest met den 10.000 jaren ouden mensch van Florida, menschelijke overblijfsels die, op gezag van Prof. Agassiz, zoowel in America als in Europa eenige jaren geleden zeer vermaard zijn geweest...... Voor de vorming van deze aardlaag is geen

-ocr page 218-

206

tijd vast te stellen, tenminste niet zoover de tegenwoordige waarneming reikt, üe berekeningen van Agassiz mogen dus evenmin als die van Dowler beschouwd worden als uitkomsten van echt wetenschappelijk onderzoek.quot;

— Die berekeningen waren zeker gemaakt in Ameri-caansch algebra, en dan stout gelijk alle Americaanscho humbug.

„Verder heeft men in America nog twee andere overblijfsels van menschen ontdekt... Een hoogen ouderdom in geologischen zin hebben ook deze beenderen zekerlijk niet......quot;

— Oit de aangehaalde zinsneden acht ik mij gerechtigd het verder boekvulsel op zijde te laten, want daar worden ons vindingen van geraamten opgedischt vergezeld van porselein, en dat alles in het post-pliocene tijdvak.

„In den post-tertiairen tijd gebeurden belangrijke geologische gebeurtenissen in het westen van America......

herhaaldelijk vulcanische uitbarstingen...quot;

— Dewijl ik echter ervan overtuigd ben, dat Winkler houdt aan het beginsel: „Natura nou facit saltum; de natuur maakt geen sprongenquot; wegens zijn schijnbaren tegenzin op bldz. 350 uitgesproken tegen te voorstanders van catastrophen, zoo beu ik zoo vrij den goed-willigen lezer te verwijzen naar bldz. 496 en 497 Winkler.

1. De mitrailleuse.

Daar ik nog al dikwijls citaten aanhaal, die Winkler aan den een of anderen geoloog toeschrijft, zoo ben ik zoo vrij hier aan te stippen, dat ik die toeschrijvingen niet voor eigen rekening neem, maar ze overlaat aan die van Winkler.

Zoo werd in mijn vorig hoofdstuk Agassiz aangehaald, en eerlijk bekend, ik heb nergens die berekening van Agassiz gevonden, hetgeen echter niet zegt dat zij niet bestaat.

-ocr page 219-

207

Maar opdat do lezer zich een gedachte omtrent Agassiz kunne vormen, wil ik hier een stukje aanhalen uit eene redevoering door Agassiz gehouden te Neufchatel, naar ik vermeen in 1866.

Hij zegt dat het eene dwaasheid is nog langer te blijven volhouden, dat het primaire tijdperk slechts wezens van de lagere bewerking bevat. Men vindt daar roods de vier hoofdtypen van straaldieren, weekdieren, gelede dieren en gewervelde dieren; echter bij de drie eerstgenoemde afdeelingen heeft in den langen loop der tijden niet de minste ontwikkeling plaats gegrepen. Nemen wij nu eens, zegt hij verder, de berekening van Darwin aan, dat namelijk die wezens misschien vele hon-derde millioenen jaren bestaan hebben, is het dan geen wonderlijk verschijnsel, dat wij zo in onze dagen in oven onvolmaakten toestand bezitten als toen zij in het primaire tijdperk, in do thans versteende beddingen bedolven werden? Men zal toch niet beweren, dat die dieren niet voor ontwikkeling vatbaar waren? Viel er dan niets meer te volmaken aan de koplooze dieren, zooals oester en mossel, aan de nog lager staande echi-nodermaten en polypen? Of was er misschien gebrek aan individuen? Immers ook niet; zoo de natuur de bevoorrechte exemplaren had willen opkweeken tot hoo-ger roeping, zij had een rijke keus gehad, daar volgens de palaeozoölogische opgave van Dr. A. Bronn, alleen in de Silurische en Cambrische steenbeddingen, beiden tot de primaire vormingen behoorende, niet minder dan 3593 verschillende diersoorten aanwezig zijn. Wij zouden het eene nietswaardige spitsvondigheid achten, dit verschijnsel te willen verklaren door stoutweg te beweren, dat geen enkel individu ooit in gunstige uiterlijke omstandigheden verkeerd had, waardoor de natuur de een of andere toevallig ontstane afwijking tot verdere voltooiing had kunnen aangrijpen, liet bezwaar wordt niet opgelost tenzij door aan te nemen, dat er stilstand is en

-ocr page 220-

208

geen ontwikkeling, dat de natuur de bestaande vormen slechts bewaart, niet verandert.

— Ilc meen dat men hieruit Agassiz vrij wat beter leert kennen, dan uit zijn betrekking tot de berekening uit Winkler.

Daar ik echter uit die aanhaling van Agassiz de ont-wikkelings-theorie weer heb aangeraakt, wil ik het aangehaalde voltooien uit Lyell: Antiquity of Man, bldz. 402, 1863: „De klasse der reptielen, waarvan thans de krokodil de hoogste vertegenwoordiger is, komt in do secondaire gesteenten veel beter bewerktuigd voor, dan in de tertiaire of recente, zoodat men wel genoodzaakt wordt bij die belangrijke afdeeling van gewervelde dieren eene teruggaande beweging aan te nemen.quot;

— Winkler zal zich niet gewaardigen mijn boek, het boek van een Katholieken on weten schappelij ken schrijver te lezen; maar anders zou ik dien man der ontwikke-lings-theorie eens vragen, wat hem hier dunkt van Agassiz en vooral van Lyell, met wien hij zoo gaarne schermt, of beter: achter wiens scherm hij zich zoo gaarne verbergt. — Al verhandel ik hier ook de logenachtige vondsten van America, het aangehaalde van Agassiz on Lyell is echter waar en geen Americaansche humbug.

Ofschoon ik mij niet gaarne van vreemde vormen bedien, zal ik hier in vreemde taal een zes-en-dertig-ponder lossen, waarmede ik dan ook meen, dat de ontwikkelingstheorie het doen kan :

Agassiz, Contrib. to the natur. histor. of North-America, vol. III: „I shall consider the transmutations-theorie as a scientific mistake, untrue in its facts, unscientific in its method and mischivous in its tendency.quot;

Götho als Naturforscher in K. von Raumer\'s Kreuz-zügen I, 70 — verg. Hettinger Apologie: „das schreck-lichste was men horen musz, ist die wiederholte Versi-cherung, die sammtlichen Naturforscher seien hierin der-selben Meinung.quot;

-ocr page 221-

209

10. De vesting is overgegeven.

Ik denk dat Winkler nu genoeg heeft van zijne ont-wikkelingsleer en ook van zijn : „Toen de menscli voor liet eerst op aarde verscheenquot;, ontwikkeld nit... ja waar uit? „dat weten wij nietquot;!!!!

Om ons nu niet verder meer te vermoeien in het nagaan van ai den onzin over America, zullen wij sluiten met de volgende twee kenmerkende aanhalingen:

Winkler bldz. 498; „...schedel gevonden van voor den ijstijd in do sierra... voor de groote uitbreiding van het bergijs...

„Prof. Whitney vertoonde do bewaard geblovcno gedeelten van (dezen) california-schedel aan het congres der Americaansche natuur-ondorzoekers, dat in !S6(.) te Cliicago gehouden is. Die schedel wekte toen veel belangstelling, maar tevens ook twijfel op, een twijfel die zoover we weten, nog heden niet geheel weggenomen is. Prof. Whitney, die van de waarheid en echtheid der gohoele zaak volkomen overtuigd is, beloofde weldra allen twijfel te zullen opheffen. Men moet zich dus verwonderen, dat do Amerikaansche geleerde sedert niets van zicli heeft laten hoeren. In 1872 door Prof. Desor aangemaand, antwoordde hij, dat hij bezig was met liet verzamelen van de bouwstoffen voor zijn verhandeling, en daarmee beginnen zou zoodra hij de daartoe noodigo geologische onderzoekingen had geëindigd.quot;

— En die heeft hij nog niet geëindigd. Kan er wel grootereu bluf uitgedacht worden? In 1808 komt men plechtstatig met eenen schedel voor den dag, die men zegt van voor den ijstijd te zijn, en deze bewering hebben 20 jaren van geologisch onderzoek nog niet kunnen bewijzen! hetgeen Winkler heel leuk en zoo openhartig bekent alsof hij met een troep gekken of wel apen te doen had.

Do tweede kenmerkende aanhaling is de volgende:

Bldz. 499: „...en de geschiedenisloozo of do vóór-

U

-ocr page 222-

bistorischo tijd van den eon reikt dus in don geschiedkundigen tijd van den ander.quot;

— Ten lange laatste krijgen wij het dan. Het woord vóór-historisch moet door het geheele boek heen, hetzelfde beteekenen als geschiedenislooze. Immers zoo goed als het woordje „ofquot; kan beteekenen: „een van beidenquot; evengoed kan het ook beteekenen „het een is gelijk aan hot ander.quot; Maar in het eerste geval zal ieder wetenschappelijk man zeggen; zoowel de geschiedenislooze als de vóórhistorische,quot; immers het is in iedere wetenschappelijke verhandeling een hoofdveroischte van zoo duidelijk mogelijk zich uit te drukken. In het gewone geval dient „ofquot; tot uitlegging van het voorgaande; en hier zal iedereen mij toegeven dat ik goed lees: de geschiedenislooze of, zooals Winkler hem steeds gelieft te noemen, de voorhistorische.

Welnu, dit laatste geef ik hem graag toe, want in hot ander geval behoort ieder geschiedenisloos mensch of een mensch over wien geen geschiedenis geschreven is tot don vóór-historischen tijd.

11. Dus on bij gevolg.

Het masker is dus gevallen, en Winkler neemt met ons aan, dat wel een geschiedenislooze tijd van eenige volkeren bestaat, maar niet een vóórhistorische tijd.

Zooals wij uit Agassiz en Lyell gezien hebben is de ontwikkelingstheorie een wetenschappelijk misbaksel, dus en bij gevolg is elke diersoort op zich zeiven geschapen; dit laatste wordt nog meer bekrachtigd doordien nooit een enkel overgangsvorm gevonden is. Immers, zooals wij gezien hebben, geven de enkele hiertoe aangehaalde gevallen van den „andrias Scheuchzeriquot; alsook van do „archteoptorix macruraquot; niet het geringste bewijs hiertoe; dit erkennen heden ten dage alle geologen van elke richting.

Do onveranderlijkheid of bestendigheid der soorten is

-ocr page 223-

211

meer dan grondig bewezen door J. Muller, Cuvior, Andr. Waguer, Marchison, Milne Edwards, Flourens, de Quatre-fages, von Bar, enz. enz.

Dat de mensch een op zich zelf staand soort is, ontkent niemand ter wereld, en daar hij uit geen ander soort ontwikkeld is, en daar er ook geen bewijzen voor te vinden zijn dat de mensch zich in zijn eigen soort uit een ander dier kan ontwikkeld hebben, zoo blijft niets over dan:

„Den zesden dag schiep God den mensch.quot;

Van dien mensch, Adam, tot op onze dagen hebben wij eene onafgebrokene geschiedenis, welke in den tijd vóór onze jaartelling als heilig en onschendbaar door do Joden bewaard werd.

„Naastquot; maar niet „vóórquot; deze geschiedenis staan de gescliioJenislooze volken, die zich van uit Babylonië in Aziö over de geheele wereld verspreid hebben. J lot laat zich heel goed begrijpen, dat deze volken, welke jaren en jaren noodig hadden om hunne vaste volksplantingen te stichten , wol iets anders te doen haddon dan hunne geschiedenis op te teekenen, die overigens niet veel te vermelden zou gehad hebben, en vrij wel zou overeenkomen met het in do Cyropodie onophoudelijk herhaalde „van daar trokken zij verder zooveel stadieün enz.quot;

Dat die verhuisde volken hunnen God en Schepper niet getrouw bleven, maar in een afschuwelijk heidendom vervielen, behoeft ons niet te verwonderen, als wij zien dat het Joodsche volk in de woestijn onder do strenge tucht van Mozes nog een gouden kalf maakte on dat als god vereerde, en dat niettegenstaande de grooto wonderen en teokenen van den Almatigen God, die dagelijks onder hunne oogen voorvielen.

Dat kan ons zeker niet zoozeer verwonderen, als dat heden ten dage menschen opgevoed in eene Christelijko maatschappij; menschen die do macht, grootheid en schoonheid van het geloof van Christus niet kunnen ontkennen; menschen die de goheele wetenschap aan

-ocr page 224-

hot Christnnclom en zijne instellingen te danken hebben,— dat zulke menschen, met niet meer dan eene alledaagsche kennis, zich durven noemen: mannen der wetenschap; dat zulke menschen, na met kunst- en vliegwerk een plaats aan de staatsruif veroverd te hebben, zich doen gelden als „gezaghebbendquot;; dat zulke menschen een oordeel vellen durven over zaken, waarvan zij net zooveel verstand hebben als een koe van latijn; dat zulke menschen in hunne eigendunkelijke waanwijsheid zich tegen de hoogste waarheden durven kanten; dat zulke menschen trachten af te breken een geloof van achttien eeuwen, door millioenen getuigen met hun bloed bezegeld; dat zulke menschen dwaas genoog kunnen zijn om met hunne katheter-wijsheid eenige millioenen menschen de les te komen voorlezen omtrent de heiligste zaak des menschen, nl. het geloof.

\'Dat kan ons zeker niet meer verwonderen, dan dat hansworsten, novellisten en romanschrijvers zich durven beroepen op philosophie en wijsbegeerte, terwijl zij geen sophismus uit een syllogismus kunnen onderscheiden; dat zulke mannen zicli noemen mannen der wetenschap, zonder te vermoeden, ik wil zwijgen te weten, wat wetenschap is; dat zulke mannen durven noemen wetenschap, een in hun brein ontworpen onding met kop noch staart; een onding, waarvoor zij sedert bijna een eeuw vruchteloos een eerste aanneembare stelling — veel minder eene waarheid tot grondslag zoeken.

Dat kan ons zeker niet meer verwonderen, dan dat mannen wier „coeur fait mal a la têtequot;, alle wetenschap, alle achting en alle schaamte trotseerende aan de wereld eene „morale indépendantequot; willen opdringen, om de Christelijke wereld terug te voeren naar den smerigen en stinkenden modderpoel van het heidendom met al zijne zedeloosheid en verderf.

Dien de schoen past trekke hem aan! En ten slotte: „Natura non facit saltumquot;. — Apen brengen geen ezels voort.

-ocr page 225-

A FDEELING X.

1. Eerste waarheid.

Hier moot ik weer een beroep doen op mijn vriend riato.

Oude vriend, haal uw gedachten nog eens bij elkander uit den tijd van uw vroeger geestesleven, en bewijs eens de gekheid van een materialistische wetenschap!

Niets eenvoudiger dan dat, jongen: Do goddeloozedie u zegt dat de wereld bestaat, draait, voortbrengt enz, uit zich zeiven zonder maker en bestuurder, verkoopt een oneindig grootere domheid dan de gek die a zou willen aan het verstand brengen, dat een goed uurwerk bestaat en geregeld gaat zonder maker.

Maar baas boven baas. De materialist erkent geen verstand boven het menschelijk verstand, bijgevolg heeft het menschelijk verstand met de ontwikkelingstheorie ook langzaam deze wereld met have geheele omgeving daargesteld en houdt dat alles ook in stand. Wat hierbij wel een weinig wonder is, is dat het menschelijk verstand dan ook de wetten der natuur heeft voorgesteld, terwijl dat zelfde verstand van al die wetten niet ééne enkele begrijpt. Nu, dat menschelijk verstand is zoo knap dat het nog niet een haar op ons hoofd kan doen ontstaan of groeien — behalve Theophile (?) —•

In de schepping is hot daarstellen van het stof uit het niet een blijk van eene Almacht; maar het won-

-ocr page 226-

2U

dervolste is do inrichting, vorm en gedaante van al liet daargestelde, en dat daarvoor wel terdege eon Oneindig Verstand en eeno Oneindige Wijsheid noodig is, bewijst, om niets anders te noemen, onze ziel en ons lichaam.

Omdat geen schepsel noodzakelijk is, zooals ons het komen en verdwijnen ervan getuigt, moet er een noodzakelijk wezen zijn, waaraan al de niet noodzakelijke wezens hun ontstaan to danken hebben. Dit één noodzakelijk wezen moet noodzakelijk een volkomen volmaakt wezen zijn om in zekere mate eene volmaaktheid te geven aan do schepselen, welke het doet ontstaan; want niemand kan geven wat hij niet hoeft. Wie zal nu durven beweren dat liet stof al die volmaaktheden bezit? nemen wij bij voorbeeld wat bij den menscli voor de hand ligt: het leven, liet gevoel, het begrip, de vrijhei: 1 enz. Er zijn wol zoogenaamde wijsgeeren geweest, wier verstand zoo eng was dat zij het in twijfel trokken of de bewerktuiging niet aan het stof het denkvermogen kon schenken; maar nooit is er een mensch ter wereld dom genoeg geweest om te verklaren of slechts te denken dat het „stofquot; wezenlijk en volmaakt verstand is en dat er zooveel verstand zit in oenen steen als in het hoofd van Napoleon I of Bismarck.

Maar als de goddelooze materialist dit moet toegeven, hoe redt hij dan zijn „wetenschapquot;? Omdat het hoorn van Broussais nog niet versleten is, en de volgende domme redeneering nog op verschillende aria\'s gespeeld wordt. Zij luidt;

„Gelijk een ieder, zoo ook begrijp ik dat een verstand alles geschikt en geordend hooft; kan ik hieruit besluiten dat dat verstand alles heeft geschapen! neen dat kan ik niet, omdat de ondervinding mij geone voorstelling geeft van eeno onafhankelijke oppermachtige schepping. Men zal mij zoggen; maar do natuur heeft zich zelve niet gemaakt, dus eene wijze macht heeft haar geschapen. Pan is mijn antwoord; Good, maar ik kan mij geen

-ocr page 227-

gedacht maken van deze Almacht... Ik blij 1\'dus bij mijn gevoelen en geloof aan een rangschikkend verstand, dat ik niet een scheppend verstand durf noemen, hoewel het dit zijn moet.quot;

liet begrip van schepping bevat in zich het gedacht van zijn-, van niet zijn, van overgang van het een (het niet zijn) in het ander (het zijn). Als Broussais nu duvl\'t beweren dat hij dat gedacht niet vatten kan, dan is hij een groote stommerik, want zulk gedacht kan iedereen zich maken. — Ik wil hiermede niet zeggen dat wij de schepping in haren geheelen omvang begrijpen, want om Gods Almacht volmaakt te kennen, moet men God zijn.

Blijft nu nog over het krassend geschreeuw eenmaal gericht tot Bernardinus van St. Petrus, en heden in honderde echos herhaald:

„Maar toon ons dan uwen God en hoe is hij, toon ons zijnen hemel, hel en vagevuur, en wij zullen er aan geloovenlquot;

Als de „wetenschap (?)quot; niets gelooft dan wat zij ziet, dat clan die geleerde lieden maar gerust hun verstand loochenen. Nu hiertoe zijn zij reeds goed op weg. Zij willen den afstand tusschen den mensch en het dier verkleinen, welnu het verstand is de eenige hinderpaal, en do wetenschappelijk^ (?) wereld loont ons voorbeelden genoeg van wezens zoo diep gezonken, dat er gegronde reden bestaan om aan hun verstand te twijfelen.

Nog eenige regeltjes van Plato tot slot.

— Het geschapene bestaat, dus er is een schepper.

— Het vergankelijke bestaat, dus er is een bestierder.

- God alleen kan zeggen; „Ik ben die benquot;. Dus do

ontkenning zou luiden. „Ik ben die niet bonquot;.

— De mensch hoeft verstand en zich zeiven niet gemaakt. Dus er is een verstandig wezen dat hem het verstand gegeven heeft.

Zoo zou ik nog lang kunnen doorgaan, maar genoeg; en nu iets anders.

-ocr page 228-

216

2. Tweede waarheid,

Als het onloochenbaar moet aangenomen worden dat er een Opperste Wezen (God) is, dan is die God of dat Opperste AVezcn ook do Opperste Waarheid. En als nu dit Opperste Wezen, die Opperste Waarheid aan do menschen bekend maakt, dan kennen wij die Opperste Waarheid, — al begrijpen wij ze dan ook niet.

Als ik godgeleerde was, zou ik met onweerlegbare bewijzen aantoonen dat God die Waarheid aan de menschen heeft bekend gemaakt en geopenbaard, maar het doel van dit boekje is slechts een klein weerwoordje te geven aan de ontkennende domheid, niet aan de naar Waarheid strevende Wetenschap, welke de Waarheid van den Bijbel en het Woord Gods steeds schooner en helderder aan \'s menschen geest vertoont.

De mensch is een geest — geen beest — geschapen naar Gods beeld en gelijkenis; die geest vereenigd met een lichaam. Door zijne geestesgaven in verband met God, door zijn lichamelijk organismus in verband mot de geschapen natuur, is hij als een schakel tusschen God en do andere schepsels. — Met vele bovennatuurlijke en natuurlijke gaven verrijkt, was do rechtvaardige mensch in het begin goed en gelukkig. Zijn ziel in gehoorzaamheid aan God, beheerschte ten volle het lichaam, en door het lichaam de geheele geschapen natuur. — God gaf den mensch zijn gebod en verbod. Indien de mensch dit verbod van God niet had overtreden, zou hij, do deugdzame en rechtvaardige steeds nader tot zijnen God gekomen zijn, en ongevoelig uit de schaduw des gcloofs tot bet eeuwige licht zijn overgegaan. ■— Ongelukkiglijk overtrad de mensch hot verbod van God. De opstand van den menschelijken geest tegen God had als onmiddellijk gevolg de opstand van het vleesch tegen den geest, en van de natuur tegen den geheelen mensch. — Do uit zijnen onschuldigen staat verlaagden mensch

-ocr page 229-

moest in hot zwoet zijns aanschijns zijn brood verdienen, hetgeen een geheel andere beteekenis heeft dan „den strijd gaan voeren om liet bestaanquot;. — Gedoemd tot don dood gevoelde hij zich ongelukkig, en getroffen in do schoonste zijner bovennatuurlijke gaven zou hij weldra in de grootste onwetendheid vervallen zijn wat aangaat zijnen Schepper, alsook do wijze om hem te dienen. Maar het Opperste Wezen begon met aan den mensch eonigo gedeelten der Opperste Waarheid te openbaren, welke openbaringen in het Oude Verbond zijn opgetee-kend en bezegeld door de klaarblijkelijksto wonderen van die openbarende Waarheid. Onder do treffendste openbaringen kan gerangschikt worden die van den Zondvloed, honderd en twintig jaren vooraf bekend go-maakt; de wateren waren een jaar lang over de aarde on gedurende elf inaanclon omwoelden zij door hunnen vloed en horvloed de geheelo aarde en lieten de lagen na, zooals wij die heden zoo schoon kunnen bewonderen om het hart der aarde. Na dien Zondvloed bleef do ark van Noö rusten op de hooge bergen van Armenië. Noö met do zijnen waren de eenig overgeblevenen van het menschdom, van wie bij gevolg alle menschen afstammen. Toen deze familie langzamerhand vermeerderde, daalden eenigen daarvan aanvankelijk naar liet Zuiden af, naar Babylonië, alwaar — hetgeen waarschijnlijk is — Nemrod do hoofd-aanleider was tot het bouwen van den toren van Kabel, een woord dat, beteekenonde: spraakverwarring, van af dien tijd aan die plaats zijnen naam gegeven heeft. — Van daaruit verspreidden de afstammelingen van Noö zich over geheel de aarde naar alle windstreken. Het verdere is in dit boek aangehaald en, naar ik meen, duidelijk genoog bewezen.

De hier opgetoekondo feiten met de daarop betrokking hebbende openbaringen zijn opgeteekend door Mozes op bevel van het Opperste Wezen. Zij bchooren dus tot do zuiverste en opperste waarheid. Do zending van Mozes

-ocr page 230-

218

door God werd bewezen door do krachtigste wonderen; en waren deze niet opgeteekend in de H. Schrift, dan zouden zij nog door de overlevering tot ons zijn gekomen door het Joodsche volle, dat onverbiddelijk en hardnekkig aan zijne traditie getrouw bleef en blijft te midden van verbanning en vervolging vroeger zoowel als nu.

liet ontkennen van de geopenbaarde Waarheid is dus even onzinnig als het ontkennen van het Opperste Wezen, God.

Eindelijk kwam na 4000 jaren van af de schepping der wereld de Tweede Persoon der Allerheiligste Drie-eenheid, nl. God de Zoon om het werk der Openbaringen te volmaken, en om den door de zonde van Adam verloren hemel weder voor het menschdom te heroveren.

Daar ik in dit boek meermalen heb aangetoond, hoe zelfs hier de grootste — zich noemende — godloochenaars, vol verwondering stil stonden voor die verhevene en toch zoo eenvoudige, voor die goddelijke en toch zoo begrijpelijke leer, ja, hoe die groote geesten moesten bekennen, dat het door Jesns verkondigd evangelie „do eenige eeuwige Waarheidquot; is, dan moet men verontwaardigd zijn dat mannen van een zeer middelmatig verstand, de door hen zoogenoemde „wetenscliapquot; durven inroepen, om niet anders te kunnen voortbrengen dan een altijddurend „neenquot;, en „wij weten nietquot;.

Ik meen genoegzaam dat „neenquot; en dat „wij weten nietquot; weerlegd te hebben om hier nogmaals daarop terug te moeten komen.

Maar de plichten ons opgelegd door de Opperste Waarheid, plichten door welker vervulling wij ons waardig maken den heroverden hemel te mogen bekomen, die plichten staan den trotschen, in schijn zich zoo vernederenden dierlijken apenzoon in den weg.

Die plichten ons opgelegd door de Opperste Waarheid vorderen dat wij die lrotschli■•id afleggen, en ons verstand en onzen wil onderwerpen door geloof en liefde voor

-ocr page 231-

21\'.)

onzen Schepper en onzen Verlosser. Zij vorderen, dat wij niet onzo vleeschelijlco driften volgen, maar dat wij liet lichaam aan den geest trachten to onderwerpen door werken van versterving. Zij vorderen, dat wij niet ons hart verlustigen in- en hechten aan de schatten dezer wereld, maar dat wij ons als geesten verheffen boven de aanlokkelijkheden der natuur, en de goederen dezer aarde betrachten voor hetgeen zij zijn: schijngoederen, die voor ons niet bestonden vóór onze geboorte en die ons verlaten aan ons sterfbed. — Wij zijn het niet dio hen verlaten, maar zij verlaten ons, — dat wij alzoo die goederen gebruiken en er over beschikken gelijk het Opperste Wezen, dat al zijne trouwe kinderen evenzeer bemint, wil dat wij rentmeesters die besteden...

Maar, waarlijk ik zou aan het eind van mijn boekje nog boetprediker worden en dat is mijn doel niet. Daarvan laat ik liever Pascal een woordje zeggen:

„Zegt vaarwel aan uwe slechte hartstochten, en gij zult gelooven. Twijfelt gij daaraan? Wel, ziet dan: Wanneer verhuist het geloof uit uw hart\'? — zoodra de slechte hartstochten daar hun lawaai beginnen. — Wanneer keert het geloof terug? — zoodra de ouderdom of het aanschijn des doods de kalmte aanbrengen. Alvorens het „symbolumquot; aan te vallen, schiet men eerst bres in de „Tien Gebodenquot;.

Slotwoordje van dit hoofdstuk: Waar is de mensch die op zijn sterfbed ongeloovig is getvorden? Hoevelen zijn er op hun sterfbed tot het ware geloof gekomen of herkomen?

3. Het einde.

Als dat alles wat Plato ons daareven verteld heeft, waar is, dan moet al het andere onwaar zijn. Van al dat andere blijft ook bitter weinig meer over, zelfs niet eens wat speelgoed voor mijnen kleinen neef.

-ocr page 232-

220

Daar ik in mijn allereerato hoofdstuk zcide, dat ik tot het besluit was gekomen om „de geschiedenis van den mensch vóór de geschiedenisquot; van AVinklei\' totaal af te maken, zoo zelfs, dat niets er van meer zou overblijven, zoo meen ik dat ik mijn besluit ten volle volvoerd heb; dus ben ik, Goddank, aan het einde van mijn boek.

Onnoozele kleinigheden, alsook het laatste werelddeel, Australië, heb ik maar overgeslagen, want als Winkler\'s groene hout nog geen cent waard is op de veiling, wat zal ik hot dorre dan nog bijslepen; dat ware moeite te vergeefs.

Aan het einde van zijn mooi werk vraagt Winkler eon gunstig oordeel van den lezer. Ik heb dat gunstig oordeel uitgemeten, maar toch als vakman in alles den meter gereduceerd tot den centimeter, en niettegenstaande dat heb ik mijn geduld dikwijls van millimeter tot meter moeten overbrengen en rekken.

Daar Winkler echter sommige werkelijk hoofdzakelijke en noodzakelijke verhandelingen over het hoofd of door do vingers ziet, heb ik eenigen daarvan eens even aangeroerd, echter niet allen, want het was mijn plan niet „geheel mijne wetenschapquot; in dit boek uit te storten.

Hier herinner ik mij iemand die aan zijne luchtige lezers verweet in eene knorrige bui dat zij op zijne ziel knabbelden. Dat wil ik den lezer niet verwijten om de eenvoudige reden, dat ik mij wel zal wachten hem mijne ziel als eenen verwerkten hutspot voor te zetten. — Integendeel, ik verheug mij over vele zaken, en eerstens over dit, dat de lezer bij het lezen van dit boek zich dikwijls verveeld heeft: dit is een vergoeding voor mijn verveling bij het omwerken en omwoelen van velen onzin. Ook zal de lozer denken dat het boekje voel te duur is voor zijn zaaks; nu ik heb nog duurdere moeten

koopen met veel m..... zaaks. Tweedons verkreukel ik

er mij over, dat menige lezer zaken hierin zoekt, die

-ocr page 233-

221

niet to vinden zijn, en anderen zaken niet vinden kan, die er wol in staan. Maar het meeste vermaak smaak ik alvast voorop in de vitterijen der „vittersquot;, en ik weet van welken kant het omveêr zal opkomen.

Ik heb ook eens gezegd, dat men uit dit boekje niets anders leert dan dat waarheid waarheid is, en lengen leugen; en dit wist mijn kleine neef al toen hij drie jaren oud was; en toen wist hij reeds nog meer nl. wat liegen is. En dit laatste weten vele groote en zoo gezegd geleerde bazen niet; — onder die bazen versta ik niet alleen groote en kleine bazen, maar ook veelsoortig volk. — Alzoo om iets uit dat boekje te loeren, behoeft men het ook niet te koopen.

Daar ik vast in besluiten ben, had ik echter besloten al dit laatste in de narede te zetten, en nu is het bij ongeluk in een hoofdstuk terecht gekomen, maar dit komt omdat ik het niet helpen kan, niet door mijne vaste besluiten. Ook draagt daarvan veel de schuld of de storm van gedachten, öf mijn geesteszwakheid in zijn strijd met de stormende gedachten.

Dewijl ieder verstandig en vooral Christen mensch zijn ziel moet doen heerschen over het lichaam — wat een uitgemaakte zaak is die iedereen uit het voorgaande begrijpt — zoo wil ik daarover niet spreken; maar of de ziel, de geest ook kan heerschen over „alle gedachten tegelijk\'quot;, dat is wat anders; en uit dit boek zal de lezer zien dat ik dat niet kan. Soms had ik op den Platonischen rug een ferme gedachte bij den kraag, een andere kwam en prikkelde — neen, geprikkeld door jaloerschheid, deed zij zich in hare onbeduidendheid nog zoo schoon voor, dat ik ze voor goede munt opnam; en eerst na het verwerken er van zag ik dat ik een prulding had neergeschreven; maar omdat ik niet van panthe\'ismus wil gediend zijn, liet ik zo staan, opdat anderen eveneens er over zouden denken als ik. Onder-tusschen echter was do goede, ferme gedachte verstop-

-ocr page 234-

pertje spelen. Is het dus te verwonderen dat ik zelf niet toegrijp dat toch nog iets in dit boek is, wat deugt!

Nu dit klein beetje deugdzaams bied ik den lezer aan, en het minder deugdzame moet hij dan maar voor rekening van mijn vriend Plato laten.

Men zal denken dat dit hoofdstuk wel de narede kon zijn. Die zoo iets denkt, heeft nooit den declamatie-cursus medegemaakt. Want alvorens men weg gaat, groet men of men maakt een deftige buiging. Ofschoon ik nog geen zin heb om weg te gaan, en dus kon zeggen : tot weerziens, in plaats van te groeten, wil ik toch op fatsoenlijke manier in eene narede van den lezer afscheid nemen.

-ocr page 235-

N A REDE.

Dewijl mijn meening is dat liet niet volkomen juist is aan een boek als dit, slechts óéne strekking te geven, waardoor die strekking vaak eenzijdig wordt, heb ik nu en dan tot afwisseling — zonder andere strekking — zoowat gekeuveld over andere dan geologische zaken. In een boek over de geologie als dit, raag zulks niet alleen, maar komt er zeer goed in te pas.

Immers de moderne atheïstische-materialistische geologie heeft een groot programma en vele strepen op haren kerfstok. Terwijl de ware geologie, beoefend door werkelijk talentvolle mannen eenen lauwerkrans vlecht om de slapen der Waarheid, komt do ontkennende geologie, zich noemende de „Wetenschapquot; hiertegen in verzet; en dewijl deze niet één enkel deugdelijk bewijs voor hare veronderstellingen kan aanhalen, schaart zij zich onder het janhagel der achterbuurten om van daaruit haar vuil te werpen naar de Waarheid.

Laatstgenoemde geologie wordt echter slecht gediend door hare soldaten. Wat toch vermag alle „ontkenningquot; tegen één enkele waarheid? Niets.

AVat echter erger is, is dat het „denkend deel dei-natiequot;, zooals zekere partij strijders zich noemen, nooit geleerd hebbende zelf te denken, zulken onzin aan de hoogescholen, aan hoogere en zelfs aan lagere burgerscholen gretig opslurpt, omdat zulke leer een spoorslag

-ocr page 236-

224

te meer is voor het onzedig gedrag dier jonge burgers. Van die scholen gaan die burgers over in do maatschappij om verder het zaad te strooien van dat onkruid, dat zoo welig in hun hart tiert. Maar wat blijft over van den geest? Wat zien wij heden in onze geologische wereld? Ellendige, verwijfde, afgematte, levensmoede fatten, met glazige oogen, verfletste wangen, wier grootste straf is dat hun verduisterde geest in hun uitgeput lichaam geen liefde meer kent, en zich niet meer in staat gevoelt den last des levens te dragen.

Maar hoe stom en dom zijn zij ook begonnen! Zij die den Katholieken hunne blinde gehoorzaamheid verwijten aan een twee duizendjarig geloof hunner voorvaderen, zij schenken een blind geloof aan professoren die in hunne middelmatige kennis lijden aan hoogmoedswaanzin ; aan professoren zoo dom dat zij niet eens een behoorlijk syllogismus kunnen vormen; aan professoren, die niet in staat een enkel eenvoudige theologische vraag te verhandelen, durven uitroepen: „Liever met Darwin uit een beest, dan met Genesis uit Adam.quot;

De maatschappij vindt haren steun in het Christendom, maar moet zij haren steun gaan zoeken in hare afstamming van beesten, dan zal zij weldra een heesten-rijk worden in plaats van eene menschelijke maatschappij. En dat zij op dezen weg reeds ver gevorderd is, zou ik met bewijzen kunnen staven, en hun uit zekere steden voorbeelden aanhalen waar jonge burgers en burgeressen van ternauwernood veertien jaren, reeds groote beesten zijn.

Het verwondere dus niemand, dat ik in dit werkje sommige leerwijzen besproken heb, ja zelfs nu en dan mij al eens op theologisch terrein heb gewaagd, om daardoor aan te toonen hoe men van de ééne ketterij in de andere, van de ééne dwaling in de diepere is gevallen om eindelijk uit het protestantismus het heden zoo gevierde, eeniggeboren zoontje „de negatiequot; te doen geboren worden niet alleen, maar om die ontkenning

-ocr page 237-

225

op ccnen troonhemel rond te dragon ter aanbidding.

Ik weet niet zeker of ik wel eenen gevoegelijken samenhang daaromtrent in dit boekje gegeven heb, maar om dien te vinden behoeft men slechts hier ou daar oen hoofdstuk te scheiden en anderen to koppelen. Ik heb die hoofdstukken slechts willekeurig gerangschikt.

Ook hel) ik soms hier of daar een hoofdstuk neergeschreven dat de oppervlakkige lezer zal beschouwen als „te veelquot;. Welnu ik heb niets geschreven zonder bedoeling. — Daarom beken ik toch nog dat groote dommerijen in dit boekje voorkomen, on het zou mij werkelijk spijten als dit niet zoo was, juist omdat zoo weinigen erkennen willen dat zij dommerijen begaan. Maar waar zou het vermakelijke van het loven blijven, als de dommerijen er niet waren?

Do grootste dommerij nu van mij is, dat ik dit boekje geschreven heb, omdat de wereld boord vol is van boeken, en de markt zoo overladen is, dat hot niet anders dan do grootste dommerij kan genoemd worden nog boeken te schrijven, boeken die niet gelezen worden — zooals cene Eva\'s dochter zeide — omdat zij over iets handelen, wat de één niet begrijpt en de andere bespottelijk vindt; boeken dus die maar geld kosten aan drukloon en niets opbrengen, enz.

Maar, geduldige lezer, juist omdat de wereld boord vol is van boeken, heb ik dit boekje geschreven en ik bied bet u aan op een rozenblaadje. Neem dit nu niet als eon dommerij, ik zal het u uitleggen.

In zekere plaats bestond een gezelschap of vereeniging van geleerden, die —mirabile dictu — zich zoomin mogelijk in woorden, maar zooveel mogelijk in teekens moesten uitdrukken. — Ik hoorde bij die lieden niet thuis, want in mijn boek is niet één mooi plaatje, gelijk toch in alle geleerde boeken past. — Die vereeniging nu bestond uit vijftig man, en daarop mocht volgens de statuten nooit of nimmer uitzondering gemaakt worden. — Op

15

-ocr page 238-

220

zekeren dag ochtcr verzoekt een geleerde om opname in die vereeniging. Do voorzitter staat hem te woord— pardon, ten teekon. Hij neemt een glas, vult dit ten boorde toe mot water, zoodat één onkel druppel meer het had doen overloopen. Maar de aanzoek doende geloerde neemt een rozenblaadje, legt dit zachtjes op het Avater, en giet voorzichtig een klein druppeltje water midden op dit rozenblaadje. Het blaadje met den waterdruppel bleven hoven zwemmen en het glas liep niet over. De geleerde werd aangenomen bij uitzondering.

Zonder aanspraak te maken op den naam van geleerde — want ik wil mijn narede niet sluiten met een dommerij — bied ik echter dit boekje aan op zulk een rozenblaadje; in de stellige overtuiging dat geen godloochenaar het klaar krijgt om het af te breken, en er een ander gebouw voor in de plaats te zetten.

HINDK YA NDEKLH.

-ocr page 239-
-ocr page 240-
-ocr page 241-