Kast 438 PI. H N0.45
ZEDELIJKE RELIGIE
ZEDELIJKE RELIGIE
DOOK
P. H. HUGENHOLTZ JR.
/gt; BEWERKT NAAR
W. AI. SALTER\'s „Religion der Moralquot;
AMSTERDAM Tj. V A N H O L K E M A
i SS8
EEN WOORD VOORAF.
Toen ik, nu meer clan twee jaar geleden, voor\'t eerst kennis maakte met het boek van Salter, dat hier den lezer in een Nederlandsche bewerking wordt aangeboden, maakte dat aanstonds op mij een diepen indruk. Ik leefde in de hoop, dat deze of gene, die er even als ik door getroffen was, zich aan zou gorden om het te vertalen. Maar die hoop bleef tot nog toe onvervuld. Onder den stortvloed van vertalingen, die onze boekenmarkt overstelpt, zocht men dit pittige boek nog altijd te vergeefs. Salter\'s toespraken drongen slechts tot weinigen door. En onder die weinigen waren er, die, min of meer geërgerd door zijne stoute beweringen en krasse paradoxen, te weinig oog hadden voor zijne frissche en diepe gedachten. Daarom besloot ik een poging te wagen, om wat mijzelf had beschaamd, gesticht en opgewekt in ruimer kring bekend te maken. Met behulp van een paar vriendenhanden, die den arbeid bespoedigden, vertaalde ik Salter\'s boek. Maar ik wil het niet aanbieden aan vrienden en geestverwanten, zonder vooraf het werk en zijn auteur met een enkel woord bij hen in te leiden.
EEN WOORD VOORAF.
William Mackintire Salter is de voorganger van eene afdeeling der »Society for ethical culture» te Chicago. Haren hoofdzetel heeft deze vereeniging te New-York, waar zij in 1876 werd gesticht door Felix Adler, zoon van een Joodschen Rabbijn aan de voornaamste synagoge aldaar. Zelf tot Rabbijn opgeleid reisde hij naar Duitschland, om zijne opvoeding te voltooien, maar werd daar zoo doortrokken van moderne ideën, dat de loopbaan zijns vaders voor hem ontoegankelijk was. Als aanhanger van Kants wijsbegeerte in nieuweren vorm (neo-Kantiaan) keerde hij terug, vasthoudende aan de postulaten van den grooten meester, maar zonder aan-de begrippen van God en onsterfelijkheid objectieve werkelijkheid toe te kennen.
»Ik neem het theïsme niet aan,quot; zegt hij in een zijner conferences. »Maar de grondslagen kunnen het gebouw overleven en den onderbouw vormen van een nieuwe stichting. Ik hecht mij met al mijne kracht aan de grondslagen van het theïsme: vooreerst de ontkenning van het toeval, dat is te zeggen: de overtuiging dat er orde is in het heelal; vervolgens het geloof, dat die orde goed is, m. a. w.: dat er vooruitgang is in de wereld.quot; Van deze beginselen uitgaande, heeft Adler\'s philosophic, hoe vrij zij wezen moge, een religieuzen grondslag Maar vooral onderscheidt zij zich door hare praktische strekking. „Waar het verschil van geloofsbegrippen steeds sterker op den voorgrond treedt,quot; zegt hij, »schijnt het noodzakelijk de zedewet te plaatsen, daar waar ze aan geen discussie onderhevig is: in de praktijk. De menschen hebben zoolang getwist over den Auteur van de wet, dat zij zelve in de schaduw is getreden. Onze
VI
EEN WOORD VOORAF. VII
beweging is een beroep op het geweten, een kreet om meer rechtvaardigheid, eene opwekking tot strengere plichtsbetrachting.quot; i)
Van dezen meester is Salter een warm, maar zelfstandig aanhanger. Ook in zijne voordrachten weerklinkt een kreet om meer rechtvaardigheid, wordt op allerlei wijze een beroep gedaan op het geweten.
Salter is een zedeleeraar, een prediker der moraal, zoo ge wilt. Doch een moralist van gansch eigenaardige soort. Geen dorre zedelessen, geen nuchtere ver-toogen zijn \'t die hij u aanbiedt. Neen, zijne profetiën tintelen van heilige geestdrift voor de hoogste zedelijke idealen, gloeien van verontwaardiging over al de halfheid en dubbelhartigheid die hij vindt op godsdienstig, al de zelfzucht en onrechtvaardigheid die hij aantreft op maatschappelijk gebied. Een sociaal hervormer is hij, gedragen en gedreven door de idee van sociale rechtvaardigheid, die hem bestendig voor oogen staat. De religie, het geloof aan de oneindige waarde en de einde-lijke zegepraal van het goede, te verheffen tot een sociale macht, in haren spiegel ons te vertoonen alle huiselijke, kerkelijke, maatschappelijke leugens en ellenden, ziedaar zijn ernstig streven.
Al noemt hij zichzelf bescheidenlijk» een vragerquot;, toch is Salter inderdaad een profeet van sociale zedelijkheid, barmhartigheid, rechtvaardigheid. Hij heeft al den gloed, al de geestdrift, maar ook al de eenzijdigheid van een
VIII EEN WOORD VOORAF.
profeet. Want eenzijdig is hij. Aan de dogmatische theologie heeft hij zulk een onverzoenlijken haat gezworen, dat hij daardoor de eeuwige waarheid, in den gebrekkigen vorm der kerkelijke dogmatiek verscholen, soms schromelijk miskent. Tegen het Godsbegrip in supranaturalistischen zin voert hij vaak een zoo heftige polemiek, dat hij daardoor voorbijziet, hoe hij zelf, in andere vormen en woorden, de hoogste goddelijke macht erkent. Het gebed beschouwt hij zoo eenzijdig als een zelfzuchtig vragen om lotsvenvisseling en verandering in den loop der natuur, dat hij het niet tot zijn recht doet komen als vrome overpeinzing en eerbiedige verheffing van het hart tot een hoogere wereld, zoodat men hem telkens zou willen herinneren aan het woord van den door hem zoo diep vereerden Emerson ; » Het gebed is de beschouwing van de feiten des levens uit het hoogste standpunt, \'t Is de alleenspraak van een mijmerende of jubelende ziel.quot; Dat zijn de gebreken zijner deugden. Ik heb die gebreken niet verheeld, al heb ik ook hier en daar zijne uitdrukkingen een weinig verzacht en de tegenspraak, waarin hij zich door die eenzijdigheden wikkelt, eenigszins pogen op te heffen.
Mijne bewerking en aanbeveling van dit boek is dan ook geen bewijs van onverdeelde instemming met elke bewering die hier aangetroffen wordt. Maar voor geest en strekking van Salters toespraken voel ik warme sympathie. \'t Komt mij voor, dat hij waarheden zegt, harde en ernstige waarheden, die wij tot onze beschaming wel eens mogen hooren. Zijn manmoedig breken met kerkelijke vormen en leerstellingen, zijn krachtig op den voorgrond stellen van de sociale zijde der religie juich
EEN WOORD VOORAF. IX
ik van harte toe. Doch wat mij bovenal in hem bekoort is zijn moedig geloof in de toekomst, zijne vaste overtuiging dat religie voor ons niets meer, maar ook niets minder zijn mag dan principieele zedelijkheid, die, juist omdat zij het zedelijk leven zoo diep en ernstig opvat, vol is van schaamte en ootmoed, van geestdrift voor de gerechtigheid, van vromen eerbied voor de macht van het heilige. Waar alle geloof in een menschvormig-persoon-lijken God ons ontvalt en moet ontvallen, hebben wij aan deze religie volkomen genoeg. Als wij haar bezitten, behoeven we niet met ziekelijken weemoed terug te blikken naar het scherp geformuleerd geloof der orthodoxie, niet met zenuwachtigen angst te klagen over het verval van den godsdienst, niet met koortsachtig verlangen te hunkeren naar een nieuwe dogmatiek. Wij hebben dan een religie veel dieper, frisscher, krachtiger dan die eenige kerk of dogmatiek ons schenken kan. Als deze religie ons hoofd en hart vervult, kunnen we het verval van den kerkelijken godsdienst, de kwijning der dogmatische studiën rustig aanzien. De religie, die in dezen verouderden vorm ondergaat, herleeft dan in humanitaire en sociale gedaante.
Alleen in de op den titel vermelde Duitsche bewerking van de hand van Georg von Gizycki zijn deze voordrachten van Salter gezamenlijk verschenen. Nevens die vertaling, die door den auteur zeiven goedgekeurd en dus betrouwbaar is, raadpleegde ik de oorspronkelijke lezingen, voor zoover ik die kon machtig worden. Een paar voordrachten, die over Wendel Phillips, den Amerikaanschen bestrijder van den slavenhandel en die over het onbevredigende van het Unitarisme liet ik achterwege, omdat zij te
VIII
profeet. Want eenzijdig is hij. Aan de dogmatische theologie heeft hij zulk een onverzoenlijken haat gezworen, dat hij daardoor de eeuwige waarheid, in den gebrekkigen vorm der kerkelijke dogmatiek verscholen, soms schromelijk miskent. Tegen het Godsbegrip in supranaturalistischen zin voert hij vaak een zoo heftige polemiek, dat hij daardoor voorbijziet, hoe hij zelf, in andere vormen en woorden, de hoogste goddelijke macht erkent. Het gebed beschouwt hij zoo eenzijdig als een zelfzuchtig vragen om lotsverwisseling en verandering in den loop der natuur, dat hij het niet tot zijn recht doet komen als vrome overpeinzing en eerbiedige verheffing van het hart tot een hoogere wereld, zoodat men hem telkens zou willen herinneren aan het woord van den door hem zoo diep vereerden Emerson : » Het gebed is de beschouwing van de feiten des levens uit het hoogste standpunt, \'t Is de alleenspraak van een mijmerende of jubelende ziel.quot; Dat zijn de gebreken zijner deugden. Ik heb die gebreken niet verheeld, al heb ik ook hielen daar zijne uitdrukkingen een weinig verzacht en de tegenspraak, waarin hij zich door die eenzijdigheden wikkelt, eenigszins pogen op te heffen.
Mijne bewerking en aanbeveling van dit boek is dan ook geen bewijs van onverdeelde instemming met elke bewering die hier aangetroffen wordt. Maar voor geest en strekking van Salters toespraken voel ik warme sympathie. \'t Komt mij voor, dat hij waarheden zegt, harde en ernstige waarheden, die wij tot onze beschaming wel eens mogen hooren. Zijn manmoedig breken met kerkelijke vormen en leerstellingen, zijn krachtig op den voorgrond stellen van de sociale zijde der religie juich
EEN WOORD VOORAF. IX
ik van harte toe. Doch wat mij bovenal in hem bekoort is zijn moedig geloof in de toekomst, zijne vaste overtuiging dat religie voor ons niets meer, maar ook niets minder zijn mag dan principieele zedelijkheid, die, juist omdat zij het zedelijk leven zoo diep en ernstig opvat, vol is van schaamte en ootmoed, van geestdrift voor de gerechtigheid, van vromen eerbied voor de macht van het heilige. Waar alle geloof in een menschvormig-persoon-lijken God ons ontvalt en moet ontvallen, hebbèn wij aan deze religie volkomen genoeg. Als wij haar bezitten, behoeven we niet met ziekelijken weemoed terug te blikken naar het scherp geformuleerd geloof der orthodoxie, niet met zenuwachtigen angst te klagen over het verval van den godsdienst, niet met koortsachtig verlangen te hunkeren naar een nieuwe dogmatiek. Wij hebben dan een religie veel dieper, frisscher, krachtiger dan die eenige kerk of dogmatiek ons schenken kan. Als deze religie ons hoofd en hart vervult, kunnen we het verval van den kerkelijken godsdienst, de kwijning der dogmatische studiën rustig aanzien. De religie, die in dezen verouderden vorm ondergaat, herleeft dan in humanitaire en sociale gedaante.
Alleen in de op den titel vermelde Duitsche bewerking van de hand van Georg von Gizycki zijn deze voordrachten van Salter gezamenlijk verschenen. Nevens die vertaling, die door den auteur zeiven goedgekeurd en dus betrouwbaar is, raadpleegde ik de oorspronkelijke lezingen, voor zoover ik die kon machtig worden. Een paar voordrachten, die over Wendel Phillips, den Amerikaanschen bestrijder van den slavenhandel en die over het onbevredigende van het Unitarisme liet ik achterwege, omdat zij te
X EEN WOOkD VOORAF.
zeer een Amerikaansch karakter dragen, om hier recht verstaan en genoten te worden. Een paar andere voegde ik, met sommige uitlatingen, bijeen; kortom, ik trachtte het geheel voor Nederlandsche lezers genietbaar te maken, zonder den Amerikaanschen stempel er aan te ontnemen.
Dat Salter\'s toespraken waardeering zullen vinden ook bij hen, die tegen zijn radikaal standpunt ernstige bezwaren hebben, is mijn stille hoop. »Zou — zoo zeg ik met von Gizycki« — de God der waarheid, der gerechtigheid cn liefde, in wien zij gelooven, geen welgevallen hebben in dezen waarachtigen, dapperen, trouwen man, die zulk een hartstocht voor de gerechtigheid heeft en zoo vol is van liefde? Zullen zij niet gevoelen, dat zij staan tegenover een genius, die het zedelijk peil der menschheid zoekt op te heffen? Wij leven in een tijd, waarin het.» sociale vraagstuk,quot; als het gewichtigste van allen wordt erkend. Och, of velen uit dit werk wilden leeren, dat de ware oplossing alleen langs zedelijken weg te vinden is!«
Bij mijn aanstaand bezoek aan Amerika hoop ik Salter een exemplaar der Nederlandsche bewerking van zijn boek aan te bieden. Als mij het voorrecht van zijne persoonlijke ontmoeting is ten deel gevallen en ik met zijné en andere vrije gemeenten in de Vereenigde Staten van nabij heb mogen kennis maken, deel ik daarvan later wellicht het een en ander mede.
P. H. Hugenholtz Jr.
Amsterdam, Maart 1888.
INHOUD.
Bladz.
T. ZEDELIJKE RELIGIE..........................................................................I-
II. HET IDEALE ELEMENT IN IJE ZEDELIJKHEID..............................iS.
III. WAT IS EEN ZEDELIJKE HANDELING?..........................................40-
IV. IS ER EEN HOOGERE WET?............................................................6l.
V. HET ABSOLUTE IN DE ZEDELEER..................................................SS.
VI. DE ZEDELEER VAN JEZUS................................................................112.
VII. BEVREDIGT DE ZEDELEER VAN JEZUS DE BEHOEFTEN VAN
ONZEN TIJD?....................................................................................134.
VIII. KRACHT EN ZWAKHEID VAN HET rROTESTANTISME..................157.
IX. HET SOCIALE IDEAAI........................................................................iSc*.
X. HET VRAAGSTUK VAN DE ARMOEDE..............................................204.
XIV DE BASIS DER ETHISCHE BEWEGING..............................................230.\'
XII. TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING--------251.
GRONDSLAGEN DER VEREENIGING TOT AANKWEEKING VAN
I.
ZEDELIJKE RELIGIE.
Naar men verhaalt, zou de staatsman Cavour kort vóór zijn dood gezegd hebben, dat hij jaloersch was op de menschen van een jonger geslacht, omdat zij vóór het einde der eeuw getuigen zouden zijn van de gewichtigste aller historische gebeurtenissen ; van de geboorte van een nieuwen godsdienst. Er zijn er onder ons, die gelooven, dat het geheim der nieuwe religie ligt in de ontwikkeling van onze zedelijke natuur. Geen nieuwen eeredienst, geene nieuwe vormen en gebruiken hebben wij \'aan te bieden. Verre van ons de gedachte, der wereld een splinternieuwen, afgeronden godsdienst voor te schrijven I Wij hebben enkel eene eigene, innerlijke, diepe overtuiging; wat daaruit in bijzonderheden groeien zal voor onszelven of voor de wereld, waarlijk, dat weten we nog niet. Men heeft mij uitgenoodigd heden te spreken over den wijsgeerigen grondslag van de ethische religie. Ik vrees dat mijne opmerkingen te -eenvoudig en onbepaald zullen zijn, om dien weidschen
i
ZEDELIJKE RELIGIE.
naam te dragen, -\'k Weet zelfs niet of deze beweging^ die ons allen zoo sterk heeft aangegrepen, een bepaalden wijsgeerigen grondslag heeft, in den technischen zin van het woord. De majesteit der moraal, het gevoel dat er een hooge, een ontzaglijk verhevene beteekenis in dit alledaagsche woord verborgen ligt, — dat is ons ver-eenigingspunt, en misschien zal alles wat ik thans vermag hierin bestaan, dat ik iets van die beteekenis, zoo als zij zich voordoet aan mijn eigen geest, in zoo weinig mogelijk wijsgeerige termen u tracht te ontvouwen.
Onze zedelijke natuur is die zijde van ons wezen, waardoor wij ons boven onszelven verheffen en eene ideale wereld binnentreden. De wetenschap, met hare methode van waarneming en ervaring, is beperkt; tot de wereld, zoo als zij is. De moraal is volgens haar wezen-de gedachte aan hetgeen behoort te zijn. Zij geeft den mensch niet weer zoo als hij is en is evenmin een copie of een algemeen overzicht van de feiten van het maatschappelijk leven. Zij verkondigt de wet, volgens welke de mensch handelen en de maatschappij ingericht worden moet. De moraal, in één woord, houdt ons het beeld voor oogen van ons ideale Ik en geeft ons de samenleving verheerlijkt terug, \'s Menschen natuur toch heeft twee zijden; de eene is gekeerd naar \'t geen feitelijk is, de andere gericht op het betere dat er behoorde te zijn. Een edele taak is de ontleding van \'s menschen lichaam, van zijne hersenen en zijnen geest, de nauwkeurige navorsching en stelselmatige rangschikking van de feiten der menschelijke samenleving. Maar de psychologie en sociologie vervangen de moraal niet, en zelfs-haar onmisbaren grondslag geven zij ons niet. Neemt
2
ZEDELIJKE RELIGIE. 3
gij \'t woord wetenschap in den strengsten zin — de wetenschap van den mensch zoo goed als iedere andere — dan weet zij niets van recht of onrecht, maar alleen van \'t geen is, van de feiten en hun onderlingen samenhang. Voor het verstand alleen bestaat noch deugd noch ondeugd. Deze begrippen danken hun ontstaan aan onze waardeering van de feiten; en het orgaan dezer waardeering is een ander dan dat, waarmee wij de feiten zelve ervaren en verklaren : de menschen noemen het het geweten. Dit oordeelt over de waarde der feiten ; want hoe onwrikbaar en bestendig die ook schijnen mogen, toch kan \'t gebeuren, dat hun alle zedelijk recht van bestaan moet worden ontzegd.
Zulke feiten zijn de ongerechtigheid, de gewetenlooze zelfzucht, iedere vorm van onrecht, al mocht hij zich van \'s werelds begin tot aan haar einde voordoen, en alle wetten en instellingen, daaruit zonder verbindende kracht voortgevloeid.
De zekerheid en gezondheid van ons leven bestaan hierin, dat wij de hoogere doeleinden en wetten van ons bestaan voor oogen houden. Want niet enkel tot weten, ook tot handelen en volbrengen is de mensch geroepen; en zal zijn handelen iets meer zijn dan een ijdele herhaling van het voorgaande, dan moet hem de idee voor den geest zweven van iets, dat tot nog toe niet onder zijn bereik viel. Zonderling niet waar ? dat de mensch, niet tevreden met hetgeen hij ziet, het bekende en gewone den rug toekeert, zoekend naar iets beters; dat hij voor zijne idealen of voor zijne droombeelden zijn leven op het spel zet? Toch behoort ook dit tot de menschelijke natuur; de ideale doeleinden van het menschenleven
4 ZEDELIJKE RELIGIE.
zijn het die hem oproepen, om ze te verwezenlijken, en hij kan niet nalaten hun \'t oor te leenen, eenvoudig en oprecht.
Een zedelijke religie moet de gedachten der men-schen in deze richting leiden. Zij moet tot een nieuw geloof in de idealen opwekken. Zij moet, volgens haar innigst wezen, een praktische godsdienst zijn — niet praktisch en ideaal, maar praktisch omdat ze ideaal is. Zij moet den mensch een last op de schouders leggen, hem een taak aanwijzen -— een last, die alleen door handelen kan worden opgeheven, een taak, waaraan men zich niet onttrekken kan, eer zij volbracht is. Even als het plan van een architect beteekent een idee op zichzelf niets : zij wijst op een nieuwen levensvorm, gelijk het ontwerp een nieuw gebouw vertegenwoordigt. Want evenals de kunstenaar, wiens verbeelding hem het schoone in een of andere gedaante voorspiegelt, naar het penseel grijpt, om het in beeld te brengen, evenals de gedachten, die uit het binnenste van den denker opwellen, hem dwingen zich uit te spreken, zoo wordt bij de echt zedelijke natuur iedere idee van het goede eene noodzakelijkheid, iedere gedachte aan het hoogere een eisch, — alles, wat ons voor den geest zweeft en wat zoover verwijderd schijnt, is de drijfveer en het doel van ons handelen en leven. Doch hoe zelden wordt de praktische beteekenis van de ideale zijde der menschelijke natuur ten volle gekend ! In hoevele illusies verliezen de menschen zich, wanneer zij aan het ideaal denken! Om mijne gedachten duidelijk te doen uitkomen, kan ik misschien niet beter doen dan over eenige van deze illusies het oog te laten gaan.
5
Dan noem ik allereerst de aesthetische illusie. De menschen zweven, ja zwelgen in een ideale sfeer. Het goede wekt een gevoel van welbehagen bij hen op ; zij beschouwen het, zij hebben het lief, zij vereeren het, zoo zeggen ze, — alles doen ze, alleen het goede betrachten, dat niet. Er is in den godsdienst van onze dagen veel dweperij, waarbij men alle mogelijke verheven gevoelens koestert en schoonklinkende phrasen uit; maar ach, hoe arm en schraal vertoont zich daartegenover het leven ! Ziedaar een onpraktisch idealisme, omdat het een valsch idealisme is. Men bedenkt niet, dat de ideën alleen aangeven, hoe wij ons leven hebben in te richten. Het element van den eerbied ontbreekt. Wanneer wij niet in de stemming zijn, om te handelen, wanneer wij niet waarlijk beter willen worden, dan mogen wij aan het goede zelfs niet denken. Het is een soort van heiligschennis het aan te zien en niet naar zijne eischen te gaan handelen.
Nauw verwant met de aesthetische is de philosophi-sche illusie, die de ideale wereld beschouwt, als staande nevens de werkelijke. Hun, die gewoon zijn zich in de wereld der ideën te verdiepen, valt het zoo licht die voor werkelijke, zelfstandige dingen te houden. Zij worden zoo met hen vertrouwd, de ideën verkrijgen zulk een realiteit voor hun geest, dat de natuurlijke orde van het denken wordt omgekeerd en men van de ideën als werkelijkheden en van de werkelijke wereld als vaneene schijngestalte spreekt. Dat was het geval in de Platonische wijsbegeerte. Goedheid, gerechtigheid, de zedelijke ideën zoowel als alle andere, beschouwde Plato als op zichzelf bestaande, zelfstandige wezens. De ideale wereld
6 ZEDELIJKE RELIGIE.
was hem werkelijk eene wereld aan de onze gelijk, slechts meer volkomen. Ware \'t zoo gesteld, wat hadden wij dan anders te doen dan onze gedachten tot die ideale wereld te verheffen en in haar de rust en den vrede weder te vinden, die ons hier ontzegd zijn!
Dat zou wel een soort van religie wezen, maar een praktische ware \'t zeker niet. Ja wat meer is, het zou een denkbeeldige religie zijn ; want zulk een ideale wereld, als Plato schildert, bestaat niet buiten de werkelijkheid om. De Platonische wereld is niets meer dan de wereld, zooals wij haar gaarne aanschouwen zouden, zooals zij behoorde te zijn. Zij is een ideaal voor onze wereld, en deze laatste naar dat ideaal te hervormen, dat zou de taak van een praktische religie zijn. Wilt gij, zoo zou men naar waarheid tot ons kunnen spreken, wilt gij het volkomene aanschouwen, tracht het dan te scheppen, anders zweeft ge vergeefs over de aarde en door de hemelen; alleen de idee der volmaaktheid is in ons, het volmaakte zelf moet komen. De menschen vragen: wat ligt er bevredigends in zulk eene beschouwing van al het hoogere en betere, als een ideaal van onzen geest ? Maar een edele geest vraagt niet in de eerste plaats ; wat is bevredigend? maar; wat is waar? En ik ben zeker, dat hij die door de gedachte aan het hoogere is aangegrepen en heeft gevoeld dat het zijne taak en roem is dat te verwezenlijken, zich de hoogste bevrediging ontzegd zou zien als men hem zeide: dat hoogere bestaat reeds en gij hebt uwe geestesoogen maar te openen om het te zien. Welken zin, welke beteekenis had ons leven, door welke hooge gedachten en voornemens zou het gedragen worden, als wij bespeurden, dat wat wij
ZEDEMJKK RELIGIE.
■doen reeds volbracht is ? Waarlijk, in \'t diepst onzer ziel verlangen wij te handelen en te wagen; ja, al waren wij niet van de overwinning verzekerd, toch zouden wij den strijd wagen, als de geestdrift voor het zedelijk ideaal ons eenmaal overmeesterd heeft.
Ik denk eindelijk aan de theologische illusie. De theologie vat al onze gedachten van het hoogste en beste samen in de gestalte van een volmaakt, persoonlijk wezen, dat de wereld beheerscht en regeert. Er is aan die theologie een edele zijde; natuurlijk denk ik niet aan de godsdienstige voorstellingen van wilden of bijgeloovigen, maar aan die van reine en verhevene zielen. God is het volmaakte. Geen grenzen, geen feilen kent hij: onmetelijke goedheid, oneindige gerechtigheid vormen zijn wezen.
Hadden wij geen andere keus dan tusschen de wereld zooals zij is, zonder de gedachte aan iets boven haar, waaraan zij te meten is, en dat verheven ideaal van volkomenheid, dat men steeds voor oogen hebben kan, hoe zouden wij een oogenblik kunnen aarzelen bij de vraag wat van die beide te kiezen! Al wat is willen wij van een ideaal standpunt beschouwen. Ons moet een hooge en bestendige maatstaf van volkomenheid voor den geest staan; en zoolang er voor deze geen plaats is veroverd in de nieuwe orde van dingen, zal het oude geloof blijven bestaan en recht van bestaan hebben. Demensch toch heeft in zijne natuur die beide zijden van welke ik gesproken heb, en de volmaaktste kennis van \'t geen is zal nooit zijn gevoel voor het ideale vervangen. Houdt men op aan God in den alledaagschen zin te gelooven, dan behoeft men daarom nog niet moedeloos
8 ZEDELIJKE RELIGIE.
weer te keeren tot de wereld en het leven, zooals wij ze kennen en zien. Alles wat dit Godsbeeld aanbiddelijk maakte, blijft — al die hoogere eigenschappen die wij instinctmatig goddelijk noemen en die de menschen instinctmatig vereeren, waar ook maar een spoor daarvan in menschelijke gedaante optreedt — goedheid, medelijden, grenzenlooze liefde, onwankelbare gerechtigheid.
In de wereld en in ons eigen hart vinden wij ze slechts ten deele en in kiem. Wel is haar overwinning de heilige eisch van ons wezen, maar feitelijk heerschen zij nog niet. Vatten wij nu de goddelijke eigenschappen samen in een beeld buiten en boven ons staande, dan loopen wij gevaar te vergeten dat zij menschelijke eigenschappen zijn; en de godsdienst wordt enkel het aanbidden van iets dat buiten ons bestaat, instede van het gevoel van een heilige roeping of taak te zijn. Wij moeten goddelijk worden, wij moeten deze wereld tot een schouwtooneel der gerechtigheid maken. Wat de menschen in de gestalte van een persoonlijken God hebben saamgevat, dat is de beeltenis van ons ideale zelf. Wij maken de liefde en gerechtigheid tot een mythe, als wij zeggen dat zij feitelijk in de wereld heerschen. Steeds is de gerechtigheid in de wereld gebrekkig. Wel staat ze daar boven ons als een heerlijk ideaal, maar werkelijkheid heeft zij enkel in hen die haar uitoefenen. De wetten staan boven ons, maar wachten op ons, tot wij ze volvoeren ; doen wij dat niet, dan verliezen zij tijdelijk haar doel, dan mist ons leven zijne beteekenis. Wij kunnen slechts zeggen, dat de zedewet geheel ons leven moest beheerschen, dat de gerechtigheid eeuwig naar dienaren
ZEDELIJKE RELIGIE.
verlangt. Het ideaal der oude godsdiensten verschilt niet wezenlijk van dat der nieuwe. Doch terwijl de oude zeggen : het ideaal heerscht werkelijk, zal de nieuwe zeggen: laat het heerschen ! De oude godsdiensten schijnen ons binnen te leiden in de gesluierde mysteriën; de nieuwe maakt die mysteriën in al hun verhevenheid tot het doel en de wet van het menschelijk leven. De oude godsdiensten werpen ons op de knieën in een dwepend schouwen en aanbidden; de nieuwere heft ons op tot het vertrouwen, dat wat wij aanbidden als onmetelijk boven ons verheven, onder ons en in ons tot werkelijkheid moet en zal worden.
Doch als \'s menschen idealen niets onthullen buiten onszelven, maar enkel aangeven wat wij zeiven behoo-ren te zijn en te doen, waarom spreken wij dan van onze overgave aan hen als van een godsdienst ? Op het woord als zoodanig ben ik niet gesteld en aan geen der heerschende godsdienstvormen sluit ik mij aan. Ik ga niet uit van het streven om met hen een compromis te sluiten. Nochtans voel ik me gedrongen van religie te spreken — wel is waar niet op de gewone manier als van iets dat aan de zedelijkheid wordt toegevoegd, maar van de zedelijkheid als religie.
En dat op twee gronden. De religie zou men van zuiver menschelijke zijde kunnen omschrijven als \'s menschen hoogste belangstelling; wordt iemands gemoed door een of andere zaak geheel ingenomen, dan kan men van hem zeggen dat hij eene religie heeft. Hoort ge niet dikwijls van menschen die aan een of ander voorwerp eene religieuze toewijding schenken, die in een vriend-schaps- of liefdesbetrekking een religieuze trouw bewij-
9
ZEDELIJKE RELIGIE.
zen? Er zijn er wier herinneringen hun religie vormen, staatslieden die op religieuze wijze opgaan in den dienst van hun land, hervormers die in religieuze toewijding aan den dienst eener idee hun vermogen en leven opofferen. Menschen daarentegen die zich om geen enkel ding meer dan om iets anders bekommeren, die geen enthusiasme kennen, onverschillig zijn en niet in staat tot het brengen van een of ander offer, — dat zijn in eiken tijd de eigenlijk irreligieuze menschen. Men kan niet ontkennen dat b.v. de nihilisten van Rusland een zekere religie hebben, hoe gebrekkig zij ook wezen moge. Niet te loochenen is het, dat het ideaal der menschelijke rechten, zoo als het in Frankrijk vóór honderd jaren ontstond, voor duizenden een religie werd. Vergeefs daarentegen zou men de schoonste theorie over het leven en het heelal religie noemen, als zij de zielen der menschen niet in beweging brengen, niet aangrijpen en tot hooger trap opvoeren kon. Verkrijgt alzoo de zedewet, de gedachte van het goede, in den geest van enkelen de opperheerschappij over alle andere gedachten, maakt zij zich meester van hunne gevoelens en beheerscht zij hun leven, dan is dat hunne religie. Ik geloof inderdaad dat er geen gedachte is die een zoo instinctmatige vereering wekt als de gedachte van het goede; dat voorstellingen van de Godheid en plannen voor een betere maatschappij dan alleen de menschen diep ontroeren, als zij op een of andere wijs die gedachte in beeld brengen of belichamen. De vraag of zedelijkheid voor de menschen in \'t algemeen een religie worden kan,, is de vraag of de menschen in \'t gemeen voor belangelooze bewondering vatbaar zijn, of zij het
ZEDELIJKE RELIGIE.
goede kunnen liefhebben, afgezien van persoonlijke vrees en hoop, alleen omdat het goed is en een betooverende macht voor hen bezit. Welnu, daaraan twijfel ik niet. Ik, geloof dat wij gewoonlijk veel te laag van den mensch denken. De hoogere natuur ligt in ons allen; zij wordt te weinig wakker geroepen en uit dien hoofde wellicht blijft het menschelijk leven op een zoo laag peil, als het werkelijk is. Laat er een nieuwe religie geboren worden, die het waagt den mensch van zijn beste zijde aan te grijpen, die hem tot gerechtigheid, grootmoedigheid en al wat edel is oproept, alleen omdat deze zijn waarachtig en eigenlijk leven zijn; en ik geloof dat de wereld over het antwoord verbaasd zal staan.
Maar nog op andere wijze wordt de zedelijkheid voor onze tijdgenooten een. religie. Verschillende godsdiensten zijn er, naarmate de voorwerpen, waarop de hoogste neigingen der menschen zich richten, verschillend zijn. De meest ware religie zou die zijn, waarin heel de ziel zich richtte op \'t geen werkelijk het hoogste en verhe-venste in de wereld is. Nu brengt de zedewet, mits recht verstaan, den mensch in aanraking met het diepste wezen der dingen. Waaraan ik ook twijfelen moge, aan de wet van den plicht kan ik niet twijfelen, — niet twijfelen kan ik, of er recht en onrecht is en of ik verplicht ben het rechte te doen. Dat ik deze wet geleerd heb, dat anderen die vóór mij geleerd hebben, dat ik weinig meer van haar weet dan wat me daarvan overgeleverd of geleerd is, dit alles verandert daaraan niets; evenmin dat ik die wet nog niet volkomen ken, dat ik in hare beoordeeling telkens aan dwaling bloot sta. Nochtans ben ik er zeker van, even als Dorothea in
12 ZEDELIJKE REMCIE.
George Eliot\'s Middlemarch, dat er een hoogste recht is, als ik het maar vinden kon. Soms wil ik het goede doen, maar schijnt het me zoo bezwaarlijk en afschrikkend, dat ik er voor terugdeins. Doch het goede zelf verandert niet met mijn wenschen en willen. Al mocht ik het vergeten of onder de aandrift van een begeerte of hartstocht mijzelf in den waan brengen, dat het niet meer bestaat, toch zou \'t onveranderd stand houden. Al stierf ik en al namen anderen mijne plaats in, toch zou het goede voor hen hetzelfde zijn wat het voor mij geweest was. Waar ook immer twee personen tegenover elkander staan en elkaar in \'taangezicht zien, daar bestaat de wet van wederzijdsche achting en waardeering, de wet der gerechtigheid, zooals wij haar noemen. Al wordt zij niet erkend, toch blijft die wet; al handelt men met haar in strijd, al treedt men elk harer voorschriften met voeten, toch houdt zij stand. De menschen, \'t is zoo klaar als de dag, maken deze wet niet, maar vinden haar alleen. Bestaan er buiten de menschen nog andere redelijke wezens, dan geldt zij even zeker ook voor hen. Evenmin als de aarde en de sterren de wet der zwaartekracht scheppen, waaraan zij gehoorzamen, evenmin scheppen de menschen of de vereenigde heirscharen van redelijke wezens in \'t gansch heelal de wet van den plicht. Ja,, al ware er geen God, in den zin waarin het woord s Godquot; gewoonlijk wordt opgevat, toch zou die wet niet ophouden te bestaan. Zij is niet gemaakt en kan niet veranderd worden door God of menschen, zij behoort tot de natuur der dingen. In de plaats van de-wet der zwaartekracht kan men zich een andere denken; maar voor redelijke wezens kan er geen andere wet
ZEDELIJKE RELIGIE.
bestaan dan de wet der gerechtigheid, der weerzijdsche achting en eerbiediging. Geen geval is er denkbaar waarin het goed zou zijn over een ander menschelijk wezen met geringschatting te oordeelen. En toch, hoe ontbreekt het velen aan eerbied en achting voor anderen; hoe zijn •er, die zonder blikken of blozen, willekeurig over anderen beschikken! Hoe zelden wordt de wet der gerechtigheid opgevolgd! Toch staat zij hoog boven alles, ook al zou niemand haar gehoorzamen.
Zoo wordt, neen, zoo is de zedelijkheid religie. Hij alleen volbrengt een waarlijk zedelijke daad, die \'t doet omdat hij moet, omdat de natuur der dingen hem daartoe dringt. Voor het kristal zou het religie kunnen zijn een kristal te worden, den drang te volgen die het in volkomen gedaante te voorschijn zou brengen. Voor den mensch is het religie een mensch te zijn, zijn menschelijk deel aan de algemeene taak te volbrengen.quot;
De zedewet is niet anders en niet minder dan een der vormen van de alles omvattende wet. Daarom worden wij bij het gehoorzamen aan haar boven onszelven en het eigene verheven; gelijk de wateren der zee rijzen en dalen als in antwoord op den polsslag der hemellichamen, zoo klopt dan ons hart in overeenstemming met de levensbeweging van het heelal.
Doch hoe schaars wordt deze hooge beteekenis der zedelijkheid nog erkend ! Hoe vaak gewaagt men van haar, als had zij met het goddelijke en eeuwige niets te doen! Men spreekt van zedelijkheid, als gold het hier slechts aardsche en maatschappelijke verhoudingen en als zouden wij nevens en buiten de zedelijke deugden een godsdienstig leven behoeven, dat van boven wordt gevoed.
ZEDEI.IJKE RELIGIE.
14
Maar van waar komen dan die zedelijke deugden? Van beneden misschien? uit voorzichtigheid, uit welvoegelijk-heidsgevoel, uit berekenende zelfzucht ? Wie dat meent, heeft nog nooit in de sfeer der echte zedelijkheid geademd ! Als jongeling van negentien jaren schreef Channing: »A1 mijne gevoelens en neigingen hebben zich onlangs gewijzigd. Eerst beschouwde ik zedelijke volmaaktheid op zichzelf, als het eenige voorwerp waarnaar ik te streven had. Thans heb ik mij onvoorwaardelijk aan God overgegeven.quot; Maar dat is een zinnelooze tegenstelling, wier onwaarheid hij trouwens zelfgevoelde, toen hij twintig jaren later schreef: »Liefde tot God is slechts een andere naam voor liefde tot gerechtigheid en welwillendheid de roeping van den godsdienst is niet »ons tot iets te verheffen dat hooger staat dan de zedelijkheid en dus hooger dan God zelf; maar ons \' een verheven opvatting van de zedelijkheid te geven.quot; De zedelijkheid, zegt men dikwijls, betreft de verhouding van mensch tot mensch; de godsdienst stelt ons in betrekking tot eene hoogere orde van dingen. Maar wat is de zedelijkheid anders dan \'s men-schen antwoord op de eischen der hoogere wereldorde ? Want de grond der gerechtigheid ligt niet hierin dat een ander haar begeert en ik geneigd ben haar te schenken, maar dat hij haar verkrijgen en ik haar tegenover hem uitoefenen moet. Absoluut is de plicht, nvet afhankelijk van onze wenschen of gedachten, maar ons gegeven, in en met de natuur der dingen. Zedelijkheid, in hare diepste beteekenis opgevat, is religie. Zij is de eenige religie van den zedelijken mensch. Ook bij de meest bescheidene verrichting kan ik mij
ZEDELIJKE KEIJGIE.
bewust zijn de roepstem te volgen, die een hoogere, die de allerhoogste zelf mij vernemen doet. Zielsverheffing, eerbied, heilig ontzag, wel verre van niets met haar gemeen te hebben, zijn niets anders dan het begin der zedelijkheid. En is de zedelijke daad door ons volbracht, dan volgt haar een zalig gevoel van vrede, ten teeken van den zegen dien de Hemel aan dien oogenblik verbindt, waarin onze ziel met het goede, met het volmaakte zich vereenigt.
Dit bedoelen wij als we van een zedelijken, een wezenlijk praktischen godsdienst spreken. Dan bedoelen wij,, \'t is duidelijk, niet maar een oppervlakkige verbetering van de oude godsdiensten. Niet maar een weinig meer praktische bemoeiingen, wat meer zorg voor de nooden der armen, een ietwat betere opvoeding der jeugd, wat meer zuivere, gezonde, betamelijke levensvormen. Ja de religie der zedelijkheid zou dit alles omvatten, maar alleen omdat zij oneindig meer beteekent. Niets anders is zij dan een nieuwe opvatting van de natuur der religie.. Niet op wat meer godsvereering, op gebed, op \'t zich verlaten op een ander komt het aan, maar op het gevoel van eene levenstaak, van iets oneindigs dat volbracht moet worden en de richting van het leven daarheen.
Godsdienst is niet, het kwaad en onrecht in de wereld te zien en te vertrouwen dat het, naar Gods raadsbesluit, wel hier of daar ten goede uit zal loopen, maar het kwaad en onrecht vol vertrouwen aan te grijpen en, gelijk John Stuart Mill zegt, het goede tot zijn ver verwijderde maar zekere zegepraal te leiden. De hoogste openbaring, de zuiverste stem der natuur ligt niet in
ZEDKLIJKE KELIGIE
\'t geen wij zien, maar in onze gedachten over \'t geen behoort te zijn. Vertrouw op uwe droomen, o hervormer! Nooit komt gij nader tot het hart, het wezen van de dingen dan juist daarin. Wat u voor oogen staat, wat thans zoo sterk, zoo zeker en zoo onverwin-nelijk schijnt, zal na een poos verdwijnen; wat ge u voorspiegelt, wat u in anderer oog tot een onpraktischen droomer maakt, zal eens de werkelijkheid zijn. Schroom niet, uwe eischen te hoog te stellen; er is iets in ons wat daaraan beantwoordt, iets in de natuur der dingen dat het hoogste mogelijk maakt.
Wij volgen edele voorbeelden, als wij spreken van een zedelijke religie. Of droeg niet reeds Emerson de overtuiging van de wezenlijke eenheid van zedelijkheid en godsdienst in zich om ? Sprak hij niet reeds voor lang van den troost, de hoop, de grootsche idealen die voortvloeien uit de ontwikkeling van onze zedelijke natuur? i) »De geest dezer eeuw,quot; zegt hij. »heeft zich van de theologie af- en naar de moraal toegekeerd. Dat is een vooruitgang in mijn oog.quot; Ongeloof was hem het verlies van eene zedelijke overtuiging. Religie was hem het persoonlijk en gemeenschappelijk handelen in dienst van het zedelijk gevoel. De genoegzaamheid van dit gevoel was voor hem een albeheerschend feit. Hij wil niet toegeven dat de moraal het gemoed niet bevredigt, of dat zij enkel een gebod geeft zonder den geest waardoor het gebod leven erlangt. Waar ook
i) Aan verschillende geschriften van Ralph Waldo Emerson, der. grooten vriend van Parker, zijn de volgende aanhalingen ontleend, t. w.: aan „De souvereiniteit der zedewet,quot; „Karakter,quot; beide voorkomende in zijne Lezingen en Biographisclie Schetsen, „De Predikerquot; enz.
ZEDELIJKK KEI.KilK.
verhevenheid van karakter zich iu een mensch vertoont, •wees verzekerd dat eerbied, liefde en onverzadelijke dorst naar waarheid hem volgen op zijne schreden, s Niemandquot; beweert hij, »kan voorspellen welke godsdienstige omwentelingen ons in de naaste toekomst te wachten staan. De stelsels der theologische scholen zullen daarbij waggelen en vallen, maar de wetenschap van het zedelijk leven houdt stand, en wie liefde of aanleg voor ethische studiën in zich gevoelt, kan zonder •gevaar al zijne krachten en gaven besteden aan het graven in die mijn. Kansels en theologische katheders mogen wankelen, dit standpunt blijft onwrikbaar. Elke overwinning van den godsdienst gaat uit van het zedelijk gevoel.quot;
O gij allen die u met ons één voelt in de hoop op •een zedelijke religie, grootsch is de taak die ons wacht: de oude waarheden van onze zedelijke natuur te vertolken in de taal van den dag. De theologie geeft niet meer, maar minder dan de waarheid. Het leven zal in de toekomst niet minder, maar meer beteekenis hebben dan tevoren; want niet langer zullen de menschea enkel bewonderende toeschouwers zijn van een goddelijk plan dat zich in de wereld verwezenlijkt, maar zeiven zullen zij daarvan de volvoerders zijn, zeiven de handen, door welke het eeuwige werelddoel zijne vervulling nader wordt gebracht.
17
II.
HET IDEALE ELEMENT IN DE ZEDELIJKHEID.
De algemeen heerschende opvatting der zedelijkheid\' blijft laag bij den grond. Zelfs in de kerken, waar wij toch tot een ideale levensopvatting moesten opgewekt worden, spreekt men van s louter zedelijkheid.quot; Men meent, dat er in de zedelijkheid niets mysterieus-schuilt en men stelt er den godsdienst tegenover. Een gevierd Engelsch geestelijke zeide eens: »Soms verliest het Christendom het goddelijke en eeuwige uitliet oog en ontaardt dan in een zedelijke discipline, waaraan de warmte van de godsdienstige vereering, van liefde, hoop en ontzag ontbreekt.quot; De zedelijkheid zelve zou dus niet tot het goddelijke en eeuwige behooren, er zou niets in haar zijn, wat onze ziel met liefde of eerbied, met hoop of ontzag vervullen kon! Een begaafd Amerikaansch redenaar zeide met het oog op vroegere tijden: »Het was geen moraal, die men de kinderen leerde, maar de verheven dingen der eeuwigheid, en niet wat recht en liefelijk is onder de menschen.
HET IIJEALE ELEMENT IN DE ZEDELIJKHLTD.
De zedelijkheid behoort dus niet tot die verheven dingen; zij is slechts een aangelegenheid van deze vergankelijke wereld, een veraangenaming van het menschenleven. Ja, men heeft meermalen beweerd, dat de zedelijkheid alleen dan bestaan kan, wanneer zij op den godsdienst steunt, — dat zij slechts een tak is, aan den krachtigen stam van den godsdienst ontsproten.
Tegenover deze oppervlakkige beschouwing wil ik trachten de ideale beteekenis van de zedelijkheid te stellen. Ik zal aantoonen, welke verheven gedachten zij in zich sluit, hoe zij ons in de ziel grijpen kan, hoe er iets van het eeuwige in haar schuilt en hoe zij in iedere niet geheel onaandoenlijke natuur huivering en liefde, hoop en vrees wekken kan en waarlijk wekt. Ik zal aantoonen dat de eenig ware religie — al kwam zij nergens volkomen tot stand — een vrucht der zedelijkheid is; dat de zedelijkheid de wortel en niet een loot van den godsdienst is. Vooral wensch ik hierbij hun tegemoet te komen, die niet gewend zijn aan hetgeen men een idealistische levensbeschouwing pleegt te noemen.
Laat mij dadelijk beginnen met te verklaren, dat die ideale beschouwing der zedelijkheid, waarop ik thans het oog heb, niets met een wijsgeerig idealisme gemeen heeft. Er bestaat geen reden, waarom de wijsgeerige realist of zelfs de materialist zich niet zou kunnen aansluiten bij hetgeen ik over de zedelijkheid wensch te zeggen. Inderdaad vind ik bij dezulken, die zich materialisten noemen, evenveel zedelijk idealisme, als bij eenige andere menschensoort. Denk aan de nihilisten in Rusland, die gij voor het meerendeel, zoowel jonge
2o HET IDEALE ELEMENT IN DE ZEDELIJKHEID.
mannen als vrouwen, niet dieper zoudt kunnen beleedigen, dan wanneer gij hen idealisten noemdet. Maar waarop is hun hoop gevestigd? Op hetgeen zij met de oogen zien en met de handen tasten kunnen, op den socialen en politieken toestand, dien zij steeds aanschouwen? Neen juist op datgene, wat zij niet zien, op hetgeen in Rusland noch is, noch ooit geweest is; een tijdperk van vrijheid, van demokratie, van broederzin. Zoolang die tijd niet is aangebroken, is het slechts een mogelijkheid, een denkbeeld, waaraan zij zich vasthouden. En voor die mogelijkheid, voor dat denkbeeld, brengen zij niet zelden hun rang en positie ten offer, leiden zij meermalen een bijna ascetisch leven, zijn zij bereid naar Siberië te trekken of het schavot te bestijgen. Niets, zelfs niet hun leven, is hun zoo dierbaar als het denkbeeld, de droom van hun hart en van hunne verbeelduig.
Evenmin is het zedelijk idealisme onvereenigbaar met de utilistische leer omtrent den oorsprong en de sanctie van onze zedelijke begrippen. Het utilisme leert, dat onze begrippen van recht en onrecht niet door een geheimzinnige openbaring, of bij ingeving geboren worden, maar dat zij ontstaan langs den natuurlijken weg van menschelijke ervaring en ontwikkeling en dat de diepste grondslag der zedelijkheid in haar streven ligt, om het algemeen welzijn en geluk te bevorderen. Met geenerlei theorie heb ik mij op het oogenblik bezig te houden, maar alleen met de kern der zedelijkheid, welker ideale natuur zoo zelden ten volle gekend wordt. In werkelijkheid zijn er onder de utilisten niet minder idealisten — in den zin, waarin ik het woord gebruik — dan onder de voorvechters van eenige andere theorie
21
der zedelijkheid. Jeremias Bentham wordt de vader van het modern utilisme genoemd; maar heeft Engeland gedurende de laatste eeuw een grooter hervormer bezeten op het gebied van wetgeving, politiek, gevangeniswezen en onderwijs, dan juist dezen Jeremias Bentham? Van hem en James Mill heeft men terecht gezegd: sin het geloof, dat de theorie almachtig is, dat er geen scherpe grens te trekken valt tusschen hetgeen theoretisch juist en praktisch uitvoerbaar is, dat ieder eenvoudig en verstaanbaar stelsel door wilskracht en vastberadenheid alleen in een stel van regels en motieven kan worden omge-zet — in dat geloof togen zij onversaagd in alle richtingen aan het werk, om hunne splinternieuwe leer op de ruwe werkelijkheid toe te passen.quot; Dat is de echte geest van het idealisme, zooals ik het hier wensch op te vatten. Iedere hervorming is van nature idealistisch. Ieder hervormer blijft niet staan bij hetgeen is, maar klimt op tot datgene, wat naar zijne overtuiging zou moeten zijn, hij legt zich niet bij de overgeleverde zeden, gebruiken en instellingen neer, maar vertrouwt op de denkbeelden, die volgens hem in de toekomst moeten heerschen; iedere vruchtbare hervorming is een zege, door eene idee op het bestaande behaald.
Wanneer ik van de ideale beteekenis der zedelijkheid spreek, wanneer ik zoek aan te toonen, dat zij ons, van hetgeen wij zien en weten opheft tot datgene, waaraan wij slechts kunnen denken, dan meene men echter niet, dat ik het gebied van den menschelijken geest zou willen overschrijden. Zoo maakt Shakespeare zich oogen--schijnlijk aan dezelfde tegenspraak schuldig, als hij spreekt van
22 HET IDEALE ELEMENT IN DE ZEDELIJKHEID.
........ gedachten
Die buiten het bereik zijn onzer ziel. i)
Maar al staan de zedelijke ideën ook nog zoozeer in tegenstelling tot de werkelijkheid, zij blijven steeds gedachten van den menschelijken geest. Wanneer wij ze tot de onze maken en er in leven, verliezen wij onszelf niet, maar slaan wij onze vleugels wijder uit. Wij zijn meer dan de ruimte, die ons lichaam inneemt, wij bezitten een geest, die het verleden en de toekomst vermag te omvatten, die de aarde kan omspannen en zich tot de sterren kan opheffen, die bij machte is te oordeelen over hetgeen bestaat en te denken aan het betere, dat zou kunnen bestaan. Niets is ontoegankelijk voor den geest; de meest verhevene, goddelijke en volkomen dingen zijn slechts gedachten van hetgeen zou kunnen zijn.
Na deze verklaring kom ik tot mijn eigenlijk onderwerp.
Wat zijn voor ons natuurlijker en gewoner gewaarwordingen dan onze wenschen en behoeften? Bij eenig nadenken voelen wij dadelijk, dat zij een ideale betee-kenis hebben. Onze wenschen gaan niet uit naar hetgeen wij hebben of zijn, maar naar hetgeen wij niet Jhebben of niet zijn, naar hetgeen wij missen, naar wat ons ontbreekt. Wat is dus het voorwerp van onze wenschen anders dan een mogelijkheid, een denkbeeld ? Ja, al onze wenschen en behoeften berusten op denkbeelden. Het kan onze verwondering wekken, dat wij dikwijls meer waarde hechten aan hetgeen niet, dan aan hetgeen wel is. Waarom toch? zouden wij kunnen
i) Hamlet. Jlednjf I. Tooneel 4.
HET IDEALE ELEMENT IN DE ZEDELIJKHEID. 23
vragen. Wij kunnen daarop geen ander antwoord geven dan de verklaring, dat die eigenaardigheid in onze natuur schijnt gegrond te zijn. Evenmin als wij kunnen nalaten te hooren en te zien, kunnen wij nalaten te denken aan hetgeen wij niet hooren en niet zien, ons onbevredigd te gevoelen, naar iets te streven, ons idealen te vormen. Misschien is dit een voorbeschikking voor den vooruitgang, voor leven en beweging. Want wanneer iemand geen behoeften in zich voelt, wanneer hij geen wenschen of idealen koestert, wat is hij dan feitelijk anders dan dood, zonder eenige drijfveer tot handelen, zonder mogelijkheid zelfs om iets meer te worden dan hij is!
Doch onze idealen zijn van tweeërlei aard. Er ligt een groote afstand tusschen het verlangen van een kind naar een pop of een slede, en den wensch van een jongeling of meisje om een rein, vlekkeloos leven te leiden, of het verlangen van den rijperen mensch naar gerechtigheid, als vasten grondslag van alle maatschap-peliike instellingen. Er bestaat inderdaad in ons geheele streven een verschil tusschen het verlangen naar hetgeen wij geluk kunnen noemen, naar welbehagelijkheid, welstand, genot, en het verlangen naar goedheid, onbaatzuchtigheid en reinheid. Wij kunnen niet zeggen: wij moeten gelukkig zijn, maar alleen: wij zouden gaarne gelukkig zijn; maar wij zeggen wel: wij moeten goed zijn, en dat blijven wij zeggen, ook al wenschen wij het niet, al zijn onze feitelijke begeerten op dat oogenblik van geheel tegenovergestelde!! aard. In één woord, de stempel van autoriteit is op een bepaalde soort van denkbeelden gedrukt. Wij leven te midden van ideën voorzoover wij tenminste waarlijk leven ; maar
24 het ideale element in de zedelijkheid.
naar sommige strekt slechts onze begeerte zich uit, terwijl andere ons verplichtend schijnen; sommige kunnen wij ons tot levensdoel stellen, wanneer wij dat willen, terwijl andere ons voorgeschreven schijnen, zoodat wij ons niet zonder een gevoel van schaamte van hen kunnen af keeren.
Er ligt op zichzelf geen schande in, geen thuis en geen familie te bezitten, of geen handelscarrière vóór zich te hebben. Maar een thuis te bezitten en het trouweloos te verlaten, of in zaken de wetten van waarheid en eer te krenken, dat is zedelijk afkeurenswaardig. Op een vrijen middag het een of ander boek ter hand te nemen, of onze boeken in den steek te laten om te gaan wandelen, of deze of gene straat in te slaan — in geen van deze alternatieven ligt iets bindends, het een kan even goed zijn als het andere, het eenige betere kan hier alleen daarin bestaan, dat we onzen lust volgen. Maar dikwijls hebben wij de keus tusschen tweeërlei handelwijze, waarvan de een een bepaalden drang op ons uitoefent, waarvan wij voelen, dat hij beter is dan de andere, ook al kiezen wij hem niet. Zij schijnt een zeker recht op ons te hebben, onafhankelijk van onzen wil; en het is nu niet onze taak, af te wachten of onze eigen keus ook zal veranderen, maar wel deze zelf te veranderen en steeds het ware en goede te kiezen. Welnu, onder de menigte idecn, die zich aan onzen geest voordoen, noemen wij diegenen, die zulk een verbindende kracht in zich dragen, die van nature beter zijn en ons schijnen te dwingen: zedelijke ideën; die alle te zamen vormen datgene, wat wij zedelijkheid noemen.
De zedelijkheid draagt aldus volgens haar innigst wezen een ideaal karakter. Zij leert ons niet, wat de
HET JDEAI.E ELEMENT IN\' DE ZEDELIJKHEID. 25
menschen doen, maar wat zij doen moesten, niet wat zij wenschen, maar wat zij wenschen moesten. Het is juist als met de waarheid. Waarheid is niet datgene, wat men denkt, niet dit of dat geloof, hoe dierbaar het ons ook zijn moge, maar datgene, wat met het werkelijk wezen der dingen overeenstemt. Evenzoo in de kunst: een schilderij of een beeld is niet daarom een kunstwerk, omdat het penseel of de beitel daartoe ter hand genomen zijn, maar omdat het in zekere mate het schoonheidsideaal weergeeft.
Laat mij ter verklaring van de ideale beteekenis der zedelijkheid enkele eenvoudige voorbeelden noemen. Gelukkig bezitten de meeste menschen van nature een zekere goedhartigheid, die vooral in den huiselijken kring, waar wij tot anderen in nauwe betrekking staan, tot haar recht komt. Hoe veel gelukkiger is het huisgezin, waar onderlinge liefde wet is! Maar gesteld dat dit in deze of gene familie niet het geval is, dat een der leden die wet vergeet, spoedig uit zijn humeur raakt en zich prikkelbaar en knorrig toont, zoodat het op den geheelen kring invloed heeft en de vriendelijke, vroolijke goedhartigheid, die er vroeger heerschte, te loor gaat, of althans slechts zwakke sporen achterlaat. Zullen wij daarom een oogenblik aarzelen te verklaren, dat de liefde ook voor dat gezin het ideaal blijft, dat zij er, al woont zij er niet langer, zou behooren te wonen om met haar geest alles te doordringen ? Al zijn de feiten in tegenspraak met het ideaal, zullen wij daarom aan het ideaal zelf twijfelen ? Zeer zeker niet. Het doet niets ter zake of de menschheid eens in volslagen bar-baarschheid leefde en geen liefde noch idealen kende.
26 HET IDEALE ELEMENT IN DE ZEDELIJKHEID.
of velen die nu pas leeren kennen of wellicht nog niet kennen, of zelfs het leven van de besten onder ons nog weinig aan het ideaal beantwoordt, of dat ideaal zelf zich nog tot grooter volmaking ontwikkelen kan. De vraag is deze: is het een waarachtig ideaal? Zou er in het verleden vooruitgang in een andere richting dan in deze mogelijk geweest zijn? Is er in de toekomst vooruitgang denkbaar in tegenovergestelde richting ? Neen, het huiselijke leven kan zich feitelijk in verschillende richtingen bewegen, maar slechts eéne kan de rechte zijn. Er bestaat een ideaal dat onveranderlijk is. Of, om een voorbeeld uit het staatkundig leven te noemen : rechtvaardigheid moet het eerste streven van den staat zijn. Ik beweer niet, dat dit steeds het geval geweest is, of zelfs nu is. De staat heeft te dikwijls alleen naar macht gestreefd; het hoofd van den staat heeft menigmaal zijne onderdanen tot slaven gemaakt; hun eigendom, zelfs hun leven hing van zijn willekeur af. Maar wie zal aarzelen te erkennen, dat de staat voor het recht moet opkomen, dat rechtvaardigheid het ideaal, en vooruitgang slechts in ééne richting denkbaar is, dat het achteruitgang zou zijn, wanneer de staatsmacht in handen kwam van menschen, die slechts hun eigen en niet het algemeen welzijn beoogden ? Gesteld, dat de staat onderscheid maakte tusschen menschen van verschillende gelaatskleur, of dat er een wet voor de rijken en een andere voor de armen bestond; zou dan niet een stem in ons eischen, dat daarin verandering werd gebracht?
Ligt er niet iets gebiedends, iets imperatiefs in het denkbeeld van algemeene rechtvaardigheid ? Rechtvaardigheid — het is een alledaagsch woord, maar is haar wezen een
HET IDF.ALE ELEMENT IN DE ZEDELIJKHEID. 27
even alledaagsche zaak, zelfs in onze moderne maatschappij ? Wat is zij dus anders dan een idee, die, al werd zij ook nooit verwezenlijkt, steeds het ideaal, het eenig ideaal, voor de inrichting der staten blijven zou ? Geen tyrannen uit vroeger eeuwen, noch de machtigste wil uit onze dagen kan daaraan iets veranderen. Het hoogste politieke vraagstuk is hare erkenning en verwezenlijking, en wanneer de regeeringen niet daarnaar streven, wordt niet het ideaal, maar worden zij zelf vernederd en ter aarde geworpen. Wie aan de rechtvaardigheid vasthoudt en te vaster staat en te luider spreekt, naarmate zij bedreigd wordt, komt voor eene idee op. Laat hem zijn geloof behouden, al ontbreekt ook de rechtvaardigheid ; zij zal nooit op aarde geheel verwezenlijkt worden, maar daarom geen zweem van hare ideale beteekenis, van hare ideale autoriteit verliezen.
Of laat mij een voorbeeld uit het koopmansleven aanhalen. Welk rechtschapen man zal in zaken de eerlijkheid niet boven de uitkomst stellen? Wie voelt niet, dat hij eerlijk behoort te zijn, of het hem voordeel aanbrengt of niet? Wie voelt niet, dat in eerlijkheid het ideaal voor het handelsbedrijf gelegen is, wie erkent dit niet in zijne gedachten, al doet hij het in zijn handelen niet, en wie zou niet gaarne wenschen te weten, hoe zijne zaken ingericht zouden kunnen worden, zoodat iedere schijn van reden tot oneerlijkheid verdween? Wat is de geheime onrust, die velen in dezen kwelt, anders, dan een soort van erkenning, dat de idee behoorde te heerschen, dan een gevoel van iets gebiedends, waarmee zij op de een of andere wijze vrede hebben te sluiten. Wat doet het er
2S HET IDEALE ELEMENT IN DK ZEDELIJKHEID.
toe of de menschen vroeger weinig gevoel van eerlijkheid hadden, of ze het allengs verworven of nog niet verworven hebben, of eerlijkheid nog een ideaal is, waaraan de heerschende handelwijze niet beantwoordt? Ik vraag slechts: wordt daardoor ons vertrouwen op het ideaal eenigszins geschokt ? Is niet ieder streven naar vooruitgang op dit ideaal gericht ? Is niet iedere afwijking achteruitgang en zouden de menschen, wanneer zij dit ideaal niet langer erkenden, zelfs in de beperkte mate, waarin zij dat thans doen, niet zeer zeker in hun onrecht zijn?
Zoo is het met alle maatschappelijke instellingen, met iedere verhouding in het menschelijk leven: er bestaat een ideaal, een wet, en wel voor iedere verhoudng een afzonderlijk ideaal, overeenkomstig haar karakter. Voor het huisgezin, den staat, het bedrijf bestaat een volkomen, een juiste regeling; aan ieder persoonlijk bestaan is een ideaal gesteld, dat gezocht en gevolgd moet worden. Want zelfs wanneer wij het ideaal niet gegrepen hebben, gelooven wij aan zijn bestaan. Wij weten, dat we de voorwaarden tot lichamelijke gezondheid niet kunnen stellen of veranderen, dat wij die slechts hebben te leeren kennen, dat er inderdaad eene ideale levenswijze bestaat, die ieder, die haar volgde, volkomen physieke gezondheid en kracht zou verzekeren. Wijl gelooven, dat de voorwaarden tot maatschappelijke welvaart en bloei, de bronnen van vrede en vreugde, voor ieder persoonlijk geopend behoorden te zijn. Er bestaat eene ideale maatschappij, die het algemeen welzijn zou waarborgen; er bestaat eene ideale wijze van denken,, voelen en handelen, die, wanneer zij verwezenlijkt werd, tot een volkomen menschelijk bestaan zou leiden. Wij
HET IDEALE ELEMENT IN HE ZEDELIJKHEID. 29
kennen de wet, die dat wonder van orde, regelmaat en nauwkeurigheid, die harmonische beweging in de natuur rondom ons te voorschijn roept. Hoe eenvoudig en toch hoe veelomvattend tevens is de wet der zwaartekracht! Maar de wet, die uit den chaos van het menschelijk leven een kosmos zou scheppen, kennen wij niet. Zij onderscheidt zich van de wet der zwaartekracht daardoor zeer duidelijk, dat zij niet onweerstaanbaar werkt. Deed zij dat, dan bezaten wij reeds een orde van dingen, die met de orde om ons heen vergeleken zou kunnen worden. Maar wij hebben die wet te zoeken en wanneer wij haar gevonden hebben, moeten wij haar uit vrijen wil gehoorzamen. Wij hebben er wel reeds eenig begrip van, wij weten tot op zekere hoogte, wat de rust en den vrede onder de menschen bevordert. Wat wij het zedelijk ideaal noemen is datgene, wat wij er van kennen. Maar hoeveel blijft er nog te leeren! Zelfs het denkbeeld van rechtvaardigheid, dat het beste deel van het zedelijk ideaal uitmaakt — wie kent, wie verstaat het geheel, wie doorgrondt zijngeheele beteekenis, ook voor de toekomst?
De moraal roept ons tot de beschouwing van het hoogere en betere. Zij is eene wetenschap van het leven niet zooals het is, maar zooals het behoort te zijn, — zooals het zou zijn. wanneer het door dat denkbeeld geheiligd werd. Zij leert ons, van dit hoogste standpunt uit, het leven te beschouwen en, zonder aarzeling en zonder vrees, het werkelijk leven der menschen naar dien idealen maatstaf te meten, \'t Moge geen aangename taak zijn, als onze eigen rechter op te treden; maar wanneer wij het ernstig meenen met onze zedelijke ontwikkeling, is dit telkens onvermijdelijk. Wanneer wij ons aan een
HET IDEALE ELEMENT IN DE ZEDELIJKHEID.
onedelen hartstocht hebben overgegeven, uit zelfzuchtige motieven een belofte gebroken hebben, op de eene of andere wijze het lagere in plaats van het hoogere gediend hebben, laat ons dit niet gering achten, maar er over nadenken en onszelf daarom veroordeelen. Nog minder uitlokkend is het, over anderen de vierschaar te spannen. Hoe hard is het, iemand, dien wij liefhebben, in onze achting te moeten doen dalen 1 Maar de vraag is, wat gaat voor: trouw tegenover een persoon of tegenover de waarheid ? Zonder ons met dwaze aanmatiging boven anderen te verheften, mogen en moeten wij toch, waar de waarheid het eischt, oordeelen en veroordeelen, steeds bedenkende, dat geen persoonlijke neiging ons de eischen van een idealen maatstaf mag doen vergeten.
Ook wanneer wij de geschiedenis lezen, moet ons zedelijk oordeel ons vergezellen. Groot is dan soms de verzoeking om ons zedelijk geloof te verzaken; de feiten der historie; druischen er menigmaal tegen in! Het recht wordt op het schavot verkracht, het onrecht zit op den troon — waarlijk wij zouden er menigmaal aan kunnen twijfelen, of recht en onrecht wezenlijk bestaan, of onze begrippen daaromtfent, in plaats van onveranderlijke wet ten, niet geheel betrekkelijke en overgeleverde opvattingen, zelfs niet geheel denkbeeldig zijn. Dat zijn de verzoekingen van den zedelijken idealist. Verfrisschend werken dan de woorden van dezulken, wier zedelijk geloof niet wankelt, al zien zij het door den gang der historie niet bevestigd. Gij kent het woord van Seneca omtrent den Romeinschen consul Sulla, dat »het misdrijf der godenquot; zijn geluk uitmaakte i). Ik gevoel een i) Sencca. Consolatio ad Marciam, 12, 6.
3-5
HET IDEALE ELEMENT IN DE ZEDELIJKHEID. 31
diepe bewondering voor dat woord; ofschoon het den schijn van godslastering draagt, sluit het mijns inziens de innigste vroomheid in zich. Wat was de geschiedenis en vooral het einde van dezen man anders dan een bespotting van ieder gevoel van recht! Hij, die zich door middel van het vermogen eener lichte vrouw over duizenden slachtoffers en dooden heen een weg baande tot de heerschappij over zijne stad, die zich op hoogen leeftijd met een gevoel van bevredigde eerzucht op zijn landgoed terugtrok cn daar het wellustig leven van zijne jeugd nog eens voortzette, hij stierf ten slotte in vrede, en honderden, die hij door zijne zorgeloosheid voor zich had ingenomen en wier ziel hij verdorven had, woonden zijne begrafenis bij. Kan het ons verwonderen, dat een schrijver gezegd heeft:»de geschiedenis alleen kon het wagen, ons van een vreedzamen levensavond als den zijnen te verhalen, evenals zij telkens weer met ons zedelijk gevoel den spot drijft.quot; Was het niet natuurlijk, dat Seneca met het oog op de algemeen heerschende meening, dat de goden het lot van ieder menschenkind tot in alle bijzonderheden regelden, dat geluk van Sulla een misdrijf der goden noemde? Welk een verheven godslastering, niet alleen de menschen, maar ook de goden aan dien maatstaf van zedelijke ideën te meten! Want dat zal steeds de toetssteen van het ware geloof blijven: zullen wij onze ideale overtuiging ter wille van een aantal tegenovergestelde feiten prijsgeven, of zullen wij daaraan vasthouden, al druischen ook alle zichtbare en onzichtbare machten daartegen in? Het gevoel voor het ideale recht te verliezen, het op te geven tegenover een schijn van macht, dat is de vorm van ongeloof, van atheïsme, dien wij het meest
32 HET IDEALE ELEMENT IN DE ZEDELIJKHEID.
te duchtea hebben. Dan zou er inderdaad een schoonere wereld dan die ons omringt, die van zedelijke waarheid en gerechtigheid, voor ons in duigen vallen, en het zou nauwelijks de moeite waard zijn langer op die bouwvallen te leven. Ja, al moest ik dit gevoelen ook alleen volhouden, toch sta ik er niet alleen in, maar deel ik het met mannen, die men utilisten en materialisten noemt en met vele anderen. Gij herinnert u misschien John Stuart Mills welsprekende aanklacht tegen een godheid, die een rein en rechtschapen mensch tot de hel zou willen veroordeelen, omdat hij niet aan bepaalde theologische dogmen geloofde — ware dat mogelijk, dan zou Mill zelf ter hel willen varen. Uit een gezegde van Huxley spreekt eveneens die edele handhaving van het zedelijk oordeel; gt; Gesteld dat de theologie het bestaan van een boozen god leerde, en eenige, zelfs christelijke, theologen zijn die leer zeer nabij gekomen, zouden dan de godsdienstige aandoeningen van het zedelijk ideaal op zulk een almachtigen demon moeten worden overgebracht3 Ik meen van neen. Honderdmaal beter, dat het menschen-geslacht onder zijn slagen verpletterd werd, dan dat het tot het booze zou zeggen: „wees gij mijn leidsman!quot;
Neen, te midden van al wat in de wereld ons ontmoedigt, is er geen grond voor het geloof, dat de hoogste wereldmachten boos zijn. Slechts zij die den mensch vrijheid en verantwoordelijkheid ontzeggen en al het onrecht in de wereld aan de natuur der dingen wijten, kunnen de diepste natuurmacht boos noemen. Laad de verantwoordelijkheid van het onrecht op hen, bij wie zij berust: op de menschen die het plegen — en de hemel is vrij van het vreeselijk spooksel van een boozen god
HET IDEAMi ELEMENT IN OE ZEDELIJKHEID.
weer beschouwd als de uiting van de diepste natuur der dingen. Hun te gehoorzamen, voor hen te arbeiden, tegen welke overmacht, tegen welke gewelddadige middelen van de zijde des onrechts ook, zal dan weer ais de waarachtigste, de diepste, ja de eenige vroomheid gelden.
Eene dwaling evenwel zou \'t zijn te meenen, dat die idealen enkel verwezenlijkt zullen worden door eene buiten ons liggende macht. Goden die buiten ons om de gerechtigheid handhaven en door loon en straf werktuigelijk doen triomfeeren, zijn er niet en zullen er nimmer zijn. Gerechtigheid en goedheid hebben niet enkel buiten ons, maar allereerst in en door ons macht. Zij heerschen in de wereld, \'t zij met onze medewerking en dan tot onze zaligheid, \'t zij ondanks ons verzet en dan tot onzen ondergang. Met het hoogste gezag zijn zij bekleed, volstrekt verplichtend zijn zij, omdat zij ons worden voorgesteld in en door de natuur der dingen. Eerst als wij elke gedachte aan eene uiterlijke, in des inenschen leven ingrijpende voorzienigheid ter zijde stellen, schitteren zij des te helderder niet haar eigen licht en getuigen zij van den grond waarin zij wortelen, die nooit kan wijken, die eeuwig en onveranderlijk is.
Eens zal de menschheid zich tot zulk een hoogte hebben verheven, dat een leven en dood als die van Sulla tot de onmogelijkheden behooren; de maatschappij zal zoo geordend zijn, dat een riian als Sulla geen kans heeft, om op te klimmen, of, zoo hij die al had, toch algemeen veracht zou sterven. Het geluk van Sulla was het misdrijf van het Romeinsche volk. De maatschappij zal steeds zulke monsters van
33
34 het ideale element in de zedelijkheid.
boosheid opleveren, totdat zij zichzelf gereinigd zal hebben: dit juist is hare taak, waaraan zij zich niet onttrekken kan, zonder zelf te verrotten en te sterven; de vrijwillige overgave der maatschappij aan deze taak, dat is de godsdienst der toekomst.
Merkwaardig is het, Alfonsus van Castilië te hooreit zeggen, dat hij, zoo hij bij de schepping tegenwoordig ware geweest, eenige nuttige wenken tot eene betere inrichting zou gegeven hebben. Ach, had hij slechts begrepen, dat het in zijn macht stond een deel der schepping te hervormen ! De treurige maatschappelijke toestand in de middeleeuwen was niet den Schepper, maa r den menschen zelf te wijten, en in de eerste plaats dien vorsten en heeren, waartoe Alfonsus behoorde. Hij had licht zijn klein deel van het heelal beter kunnen inrichten en den naburigen vorsten een voorbeeld kunnen geven waardoor aan de onderdrukking en de uitmergeling van de zwakkeren door de sterkeren paal en perk werd gesteld.
Wanneer wij aan de ideale natuur der zedewet denken, klinkt het zonderling te hooren beweren, dat zij op feiten moet berusten. Zij is inderdaad niet een vraag van feiten, maar van het recht der feiten, van hunne overeenstemming met den maatstaf van den geest. Alle wetenschappelijke stellingen moeten berusten op hetgeen bestaat, want zij zijn verklaringen van de bestaande orde van dingen; wij schenken daaraan meer of minder geloof, naarmate de feiten er meer of minder voor getuigen. Maar de zedewet is van nature een ideaal, en vele gebeurtenissen in de geschiedenis en het leven kunnen wij slechts daardoor verklaren, dat men de zede-
HEF IDEALE ELEMENT IN UE ZEDELIJKHEID. 35
wet niet in acht genomen, ja zelfs geheel vergeten heeft. De zedelijkheid op feiten gronden ? Op welke feiten ? Er bestaan ontelbare feiten, waaruit men slechts onzedelijkheid zou kunnen afleiden. Alleen op de goede dus? Maar op die wijze bewegen wij ons in een cirkel. Daarop steunt de zedelijkheid inderdaad niet. Wij vinden haar niet zoozeer in de wereld, maar wij eischen haar. Amiël, de fijngevoelige Geneefsche mysticus, zegt ergens: »Het is niet de historie, die het geweten gerechtigheid leert; het is het geweten, dat de historie gerechtigheid leert.\'J Alle bijzondere zedewetten kunnen tot de hoogste wet, het streven naar algemeen heir,\' teruggebracht worden. Maar wie kan zeggen, waarop die hoogste wet steunt? Zij spreekt onmiddellijk tot den menschelijken geest. Geen ernstig rechtschapen man verlangt een reden te kennen, waarom hij het goede heeft te doen, evenmin als een reden waarom hij zou toegeven dat de zon aan den hemel staat. De zon is er en hij ziet haar; en vreugde en licht en warmte, dat weet hij, zijn aan haren invloed te danken. Evenzoo is het met het denkbeeld van het algemeen welzijn: het te kennen be-teekent het lief te hebben, het als de hoogste levenswet te beschouwen. Het niet als zoodanig te erkennen, in de verschillende vormen waarin het optreedt — wat beteekent het anders, dan ons tot zwervers en bannelingen op aarde te maken, ja de alge-meene wet van het bestaan te wederstreven, daar zelfs de atomen aan de wet der aantrekkingskracht gehoorzamen, zelfs de gevoellooze regen de banden erkent, die hem aan de zee, waaraan hij zijnen oorsprong dankt, verbinden. De mensch behoort aan de idee van het
36 HET IDEALE ELEMENT IX DE ZEDELIJKHEID.
algemeen welzijn toe; hij is alleen zichzelf, wanneer hij uit en voor haar handelt.
Wekt de zedewet alzoo geen diepe gedachten in ons op ? Dat de mensch met een algemeen goed kan overeenstemmen, dat hij zich met diegenen verbinden kan, die hij nooit gezien heeft noch zien zal, dat hij zich aan de menschheid kan wijden, om haar te heelen en op te heffen, ligt daarin niet iets geheimzinnigs en wonderbaars ? Inderdaad er ligt iets oneindigs in de menschelijke natuur zoowel als in het goede, waarnaar zij streeft. Onze ziel smacht naar een volkomen goed, waartoe wij ons getrokken voelen, zoodat wij de wet, die daarop wijst, tot de onze maken. Wekt dit in ons geen heilig ontzag, geen liefde, geen hoop? Ik ken slechts één ding in deze wereld, dat waarlijk heilige vrees en eerbied wekt; het is niet het een of ander natuurtooneel, niet een of andere openbaring van macht of schoonheid, maar de gedachte aan de hoogste wet, waaronder wij leven, aan de idealen, die ons steeds gesteld zijn, aan het streven naar volmaking, dat ons innigst wezen bezielt. Soms gevoelen wij ons inderdaad als vreemdelingen te midden van dit leven, waar wij zooveel aanschouwen dat ons treft en bedroeft, en wij kunnen niet nalaten ons eigenlijk vaderland als ver verwijderd, onszelf als reizigers daarheen ons voor te stellen. Welk een verlangen kan ons bezielen, wanneer wij daaraan denken, hoeveel liefde, hoop en vrees ons vervullen, wanneer wij bedenken, dat wij door een of ander toeval, een of andere onvoorzichtigheid van den rechten weg kunnen afdwalen! Wie zal nu beweren, dat de zedelijkheid alleen eene aangelegenheid van deze wereld, eene opluistering van ons aardsch bestaan uitmaakt ? De
HET IDEALE ELEMENT IN\' DE ZEDELIJKHEID. 37
hoogere beginselen der zedelijkheid zouden voor iedere andere wereld evenzeer van kracht zijn als voor deze. Zij ontstaan niet in dit vergankelijke ondermaansche, maar zij vinden er een gebied, waarop zij heerschen. Wij kunnen ons niet voorstellen, dat zij een oorsprong hebben; zij zijn niet door de goden geschapen, zij zijn ganschelijk niet geschapen, maar zij behooren tot de eeuwige, onveranderlijke orde der dingen.
Wat voegt nu de godsdienst nog aan de zedelijkheid toe ? Welke gedachten geeft hij ons, grooter dan die van eene wet, die ons voor eeuwig omvat ? Niets, vooi^ zoover ik zien kan; wat hij er tracht bij te voegen is in den regel bijgeloof voor \'t minst. De overgeleverde godsdienst stelt zich het goede voor, als belichaamd in een persoon en beweert, dat deze de wereld regeert. Maar dit is een illusie en inderdaad eene, die schaadt. Een ware, gezonde en geheel redelijke godsdienst zou eenvoudig een volkomen zedelijkheid zijn. De moraal als zede, als openbare meening, als wet, moet, dit weet ik zeer goed, steeds gewijzigd en uitgebreid worden; en meet men de zedelijkheid naar de heerschende voorstelling af, dan schijnt in vergelijking met de hoogere ideën, het woord zedelijkheid ons zwak en alledaagsch toe. Maar de zedelijkheid is in waarheid een beginsel en iedere breedere opvatting van het leven berustte steeds op hare beginselen en leidde steeds tot een hooger, verhevener ideaal. De godsdienst schijnt aan de zedelijkheid de voorstelling van den hemel toe te voegen; maar bij eene zuivere opvatting is die hemel niet iets, dat buiten het goede bestaat, maar de triomf van het goede. Ook wij, die aan het goede
3S HET IDÜAI.E ELEMENT IN DE ZEDELIJKHEID.
gelooven, verwachten die zegepraal; het einddoel der dingen is nog niet bereikt, ligt nog in een ver verschiet; wij weten niet, of deze onze oogen ooit dien triomf aanschouwen zullen, maar wij kunnen ons dien slechts voorstellen als het resultaat van al ons lijden en strijden.
Doch de religie der toekomst moet zich niet alleen van de mythische elementen der oude godsdiensten ontdoen, zij moet een edeler vorm van godsdienst aan \'t licht brengen. Aan de godsdiensten van het verleden kleeft in den regel een smét van zelfzucht. Zij gaven uitzicht op belooning. Zij riepen de menschen niet alleen in naam en ter wille van het goede op. Zij wisten de menschen niet aan zich zelf te onttrekken. Ik zie een nieuwe religie geboren worden, die het vertrouwen op den mensch tot grondslag heeft, die een beroep doet op de diepste trouw van zijn hart, die gelooft, dat hij het goede kan liefhebben zonder hoop op belooningj dat hij zich boven al de beweegredenen, waardoor, de menschen zich gewoonlijk laten leiden, verheffen kan, dat een hemelsch beginsel \'s men-. schen leven kan beheerschen. De onzekerheid, wat er na den dood van ons zal worden, heeft nooit eene edele, echt religieuze ziel verontrust. Zij kan de wankelmoedigen en vreesachtigen, die zoo bezorgd zijn, of hun armzalig ik nog voortleven zal, tot wanhoop drijven of in den schoot der kerk hun troost doen zoeken. Welnu, laat hen dezen troost behouden, zoolang het hun lust; maar zij zouden eeuwig kunnen voortleven zonder de ware zaligheid te kennen. Deze zal hun deel niet worden, eer zij opgehouden hebben aan zichzelf te denken, hetzij zij leven of sterven, eer zij zich geheel aan het goede wijden, en alleen naar het hoogste en
HET IDEALE ELEMENT IN DE ZEDELIJKHEID. 3lt;)
eeuwige streven. Want zoo de religie iets beteekent, stelt zij ons in dienst van eene hoogste wet en onttrekt zij ons aan onszelf. De religieuze menschen der toekomst zullen zich zonder twijfelen en zorgen aan het ideaal van het volmaakte overgeven; zij zullen weten, dat ze onder een hoogere en sterkere hoede staan, dan zij zelf ooit zouden kunnen uitdenken, dat de heilige machten, die niemand vermag te noemen, hen dragen en omvatten, dat, zoo er iets edels in hen leeft, dit voortbestaan zal en zij al het overige gewillig kunnen zien sterven. Eene ideale volkomenheid is de eenige en diepste grond van ons bestaan; wanneer wij ons niet tot haar keeren, dan is ons leven, hoezeer het ook van zaken, plannen en arbeid vervuld moge zijn, ontbloot van redelijke beteekenis; wanneer ons geheele streven op haar gericht is, dan bestaan er voor ons geen bezwaren, geen zorgen meer, — in ons hart daalt een vrede en een vreugde, die geen rampen noch teleurstellingen ons ontrooven kunnen.
III.
WAT IS EEN ZEDELIJKE HANDELING?
Onze vereeniging stelt zich een ideaal doel. Zij wil het zedelijke leven der wereld verrijken, de som vermeerderen van die zedelijke handelingen, die \'s menschen hoogsten rijkdom uitmaken. Trachten wij ons heden duidelijk te maken wat wij onder een zedelijke handeling verstaan. Wat geeft aan eene daad het karakter van zedelijkheid, wat verleent haar zedelijke waarde? i)
i) Ik vond aanleiding tot dit onderzoek, toen ik in eene klasse van jongelieden, die met de vereeniging voor zedelijke vorming in verband staat, de behandeling der ethiek inleidde, en het resultaat is ten deele aan hunne medewerking te danken. Toen ik eenige maanden later de ethiek van Aristoteles doorbladerde, viel mijn oog op deze plaats: „tussehen de werken van kunst en van zedelijkheid bestaat een eigenaardig verschil. Ue werken der kunst namelijk dragen de volkomenheid in zichzelf en \'t is genoeg als zij zus of zoo geschapen zijn. Bij de werken der deugd echter is \'t, om rechtvaardig en harmonisch te heeten, niet genoeg dat zij dus of zoo geschapen zijn. Daar wordt ook vereischt, dat hij die ze volbrengt, het doe in een bepaalde gemoedsstemming: vooreerst dat hij ze doe met bewustheid; ten andere dat hij ze doe met een bepaald voornemen dat haar zelve ten doel heeft; eindelijk dat hij vast en onveranderlijk bij zijn doen volharde.quot;
Groot was mijne verrassing, toen ik hier in hoofdzaak dezelfde analyse terugvond, die ik met mijne leerlingen gemaakt had.
41
Niet op de tegenstelling tusschen zedelijkheid en onzedelijkheid heb ik hier \'t oog, maar veeleer op de vraag, welke van onze dagelijksche handelingen, die niet bepaald onzedelijk mogen heeten, den eerenaam van moreele handelingen mogen dragen. De meeste handelingen der menschen zijn, geloof ik, eenvoudig niet-zedelijk. Wij gehoorzamen daarbij aan de meeningen, gebruiken en gewoonten van de ons omringende maatschappij. Wij denken en handelen overeenkomstig de heerschehde zeden. Niet dat we daarbij huichelen, maar ongemerkt en door een soort van natuurlijke aantrekkingskracht treden wij in \'t spoor dat het gebruik ons afgebakend heeft. Van een lager standpunt bezien, is daarin niets verkeerds, kan er zelfs iets goeds in gelegen zijn; wellicht is de maatschappij alleen bestaanbaar op grond van dit instinct van navolging, dat bandelooze willekeur en buitensporige luim in toom houdt; zoo ligt er in elk heerschend gebruik een zekere zin. Wie zou nochtans een stelselmatig volgen van zeden en gewoonten zedelijk durven noemen?
Neen, een zedelijke daad moet onze eigene d a a d z ij n. Zij moet uit overtuiging voortvloeien. Een leven volgens vasten sleur is zonder zedelijke beteekenis. Dan eerst beginnen wij waarlijk te leven, als we uit dit onbewust en instinctmatig volgen van de openbare meening ontwaken, tot bewustzijn van onszelven komen en in \'t besef dat wij een rede èn geweten hebben om die te gebruiken, ze dan ook werkelijk gebruiken. Wat wij doen als wij waarlijk wakker zijn, wat onze individualiteit doet uitkomen, dat heeft zedelijke waarde, dat alleen. En dat geheel afgescheiden van de vraag, wat
42 WAT IS T.F.N\' ZEDELIJKE HANDELING ?
de bijzondere inhoud van ons denken of doen is, ja zelfs, of wij ons al of niet meer aansluiten aan de heerschende strooming; want al is het onwaarschijnlijk, dat iemand die voor zichzelf denkt en handelt, van de heerschende zeden niet eenigszins zou afwijken, zoo ligt toch, van een zedelijk standpunt bezien, de fout niet hierin, dat men op een of ander bijzonder gebied de gewoonte volgt, maar hierin, dat men \'t louter werktuigelijk doet. Al is een zedelijke handeling in volkomen overeenstemming met het heerschend gebruik, toch is zij altijd meer dan dat. Geen samenloop van uiterlijke invloeden kan ons zedelijk maken, ja, \'t kan zijn dat wij een naar den gewonen maatstaf volmaakt vlekkeloos leven leiden en ons toch nooit tot de hoogte der echte zedelijkheid verheven hebben. Hare bronnen ontspringen in het binnenste; niets heeft die hooge waarde, waar wij thans van spreken, dat niet uit ons innigst zelf geboren is. Ja, er kan meer zedelijkheid liggen in den strijd, zelfs in den vruchteloozen strijd van den een, dan in de rustige, gelijkmatige en afgepaste deugd van den ander, bij wien wij deugd noemen wat misschien slechts het gevolg is van een gelukkigen bloedsomloop, of van gunstige omstandigheden. Zedelijkheid is zelfverwezenlijking. O, hoe ellendig is de toestand van hem die geen geheiligd zelf bezit, die nooit bij eene overtuiging zijne toevlucht zoekt, gelijk de oud-geloovige die zoekt bij zijne goden, omdat hij geen overtuiging heeft; die geheel buiten zichzelf leeft, wiens ziel slechts de afspiegeling is van de vluchtige mode, van den veranderlijken schijn der wereld. Weet, o mensch, dat de aanvang van uw eigen zedelijk leven hierin bestaat dat gij iets gelooft—\'t komt er niet half
WAT IS EEN\' ZEDELIJKE HANDEHXG? 43
zooveel op aan wat, als dat gij het gelooft, dat het u heilig is, dat ge daaraan vasthoudt, \'t zij de wereld al of niet u volge. Wees aan den genius in uw eigen binnenste getrouw.
»Wie ooit een man wil zijn, zij een nonconformistquot; zei Emerson. De mensch moet voor zichzelf handelen, of hij is verloren. Van het bewustzijn van iedere andere harmonie, dan die met zijn beter Ik moet hij afstand kunnen doen. Als ik de oogen rondom mij sla, zie ik mannen en vrouwen blindelings de heerschende mode volgen in samenleving, godsdienst en staatkunde, zonder een enkele ernstige gedachte aan \'t geen waarheid, recht en plicht is; zij zijn allen verloren en zullen \'t blijven tot zij tot zichzelven komen en een werkelijk innerlijk, persoonlijk leven beginnen te leiden. De eenige goddeloosheid bestaat hierin, andere goden te volgen dan die spreken in ons binnenste. De eenige ontheiliging is die, niet van de kerk, de sacramenten of den bijbel —maar van de innigste, gezondste gedachte van onzen eigen geest, \'k Zeg niet de leer, maar de beteekenis der moraal is: onafhankelijkheid van de publieke opinie; middelpunt en regel van ons leven te stellen niet in de wereld buiten, maar in de wereld binnen in ons, zoodat, ook zelfs als wij met de buitenwereld overeenstemmen, we dat niet doen als een echo, maar als een levende factor van die wereld.
Moet een zedelijke handeling alzoo onze eigene daad zijn, \'t spreekt evenzeer van zelf, dat haar goede uitslag niet maar toevallig volgen, maar w e r k e 1 ij k bedoeld z ij n moet. Wij moeten niet maar iets goeds doen, maar ook willens zijn iets goeds te doen. Ja, geheel de zedelijke
\'44 WAT IS EEK ZEDELIJKE HANDELING?
beteekenis van eene daad ligt in hare bedoeling. Twee handelingen kunnen geheel hetzelfde uiterlijke resultaat hebben en toch, ten opzichte van haar zedelijk gehalte, hemelsbreed van elkaar verschillend zijn, al naarmate zij door het eene of het andere motief zijn bepaald. En deze motieven zijn natuurlijk alleen hun, die de daden doen, bekend. Men heeft wel eens getracht de ethiek van al deze innerlijke en, zoo \'t heette mysterieuze elementen te ontdoen en tot eene quaestie van succes alleen te herleiden. Iedere handeling werd dan zedelijk geacht die goede, elke onzedelijk die slechte gevolgen had — zonder ruggespraak met de motieven. Nu is \'t zeker waar, dat eene daad niet altijd goede gevolgen heeft, alleen omdat men zich die voorgenomen had, evenmin als een gedachte reeds daarom waar behoeft te zijn, wijl zij naar de waarheid streefde. Wij weten maar al te wel dat er op aarde vele goede bedoelingen bestaan, die weinig degelijke of duurzame vrucht dragen. Hoeveel goedhartige menschen b.v. leggen zich toe op een soort van weldadigheid die meer schade dan nut aanbrengt 1 Maar dan ligt het kwaad niet in de goedhartigheid of weldadigheid die zij betoonen, maar in hun gebrek aan inzicht; en het eenige geneesmiddel ligt niet hierin, de weldadigheid in te krimpen, maar haar door nadenken voor te lichten. Eene handeling toch mist haar zedelijk karakter, als zij zich niet laat bestralen door al hetlicht van inzicht en kennis dat haar ten goede komen kan. Wie de ethiek tot een soort van sociale mechaniek verlagen willen, beseffen niet dat voor zulke uiterlijke handelingen automaten even goed en wellicht beter zouden zijn dan menschen.
WAT IS EEN\' ZEDELIJKE HANDELING? 45.
Prof. Huxley zegt inderdaad dat, wanneer eene hoo-gere nvicht hem in staat wilde stellen altijd te denken wat waar en te doen wat goed is, onder voorwaarde dat hij zich in een uurwerk liet veranderen en eiken morgen bij het opstaan liet opwinden, hij dat aanbod oogen-blikkelijk aannemen zou. Welk eene besparing van smart en moeite zou zulk een inrichting met zich brengen! Toch betwijfel ik, of er onder de honderd, ja duizend ernstige menschen één zou zijn die hierin met den hoogleeraar mee zou gaan, en niet veeleer met Lessing zeggen zou dat, als God in de eene hand de volle waarheid en in de andere het eeuwig .streven naar waarheid hield, hij in allen ootmoed die laatste hand zou kiezen. Waarom? Omdat wie anders handelt zijne beteekenis als zedelijk wezen praktisch loochenen zou: omdat wij gevoelen dat, hoe verheven de waarheid zij, navorsching en op navorsching gegronde erkenning der waarheid nog verhevener is. Evenzoo ware het eene praktische verloochening van onze zedelijke roeping, ons handelen in eens anders hand te leggen. Verzekerd zijn wij, dat in de zedelijke wereld de glorie niet in het goede, maar in het willen, in \'t bewust en vrijwillig doen van het goede ligt; beter voor het goede te strijden om het menigmaal te missen, dan dat het door eindige wezens nooit werd aangeleerd. In elk geval zou eene deugd, gelijk Huxley ze begeerde, geenerlei zedelijk gehalte hebben. Al stonden hare gevolgen volkomen gelijk met die van eene eigenlijk zedelijke daad; waren zij niet bedoeld, zoo zou daarop lof of blaam evenmin van toepassing zijn als op een natuurproces. Alexander de Groote b.v. bracht de Grieksche taal en beschaving,
46 WAT IS EEN ZEDELIJKE HANDELING ?
kunst en zeden naar het Oosten, waarheen ook zijne veroveringstochten hem leidden. Wat was die verbreiding der Grieksche beschaving een weldaad voor de wereld! Doch indien, gelijk waarschijnlijk is, de hartstocht van Alexander zich alleen uitstrekte tot verovering, krijgsmacht en roem, indien de weldaden die hij der wereld schonk louter een onbedoeld gevolg, een toevallige samentreffing met zijne overwinningen waren, welke zedelijke verdienste heeft hij dan ?
Dikwijls heb ik ernstig hooren beweren, dat een mensch zichz elven niets goeds bewijzen kan, zonder tegelijkertijd anderen wel te doen, dat men b.v. geene handelszaak op touw kan zetten, zonder anderen, die anders wellicht in nood geraakt waren, arbeid en levensonderhoud te geven; ja men heeft wel tot verschooning van de groote monopoliën van onzen tijd aangevoerd, dat zij zich niet kunnen staande houden, zonder in \'t belang van anderen te werken. Het feit is onweersprekelijk, maar men bedriegt zich door te meenen dat dit feit aan de eischen der moraal beantwoordt.
Welke bedoelingen heeft de industriëel of de bezitter van het monopolie? Alleen het antwoord op die vraag beslist, of in \'t geen hij doet eenige zedelijke verdienste ligt. Zijn de weldaden, die anderen ten deel vallen, mede het doel van zijne persoonlijke operatiën, of gaan ze daarmee enkel noodwendig samen? Ik geloof inderdaad, dat het doen gelden van hoogere motieven in handelszaken op den gang en de bijzonderheden van het bedrijf meerderen of minderen invloed hebben moet; maar ik kan mij twee voor het uitwendige aan elkaar gelijke handelszaken voorstellen, waarvan nochtans de eene door
WAT IS KEN ZEDI-,I.IJKE HANDELING? 47
een zedelijk motief gedreven wordt, terwijl de andere, gelijk mijns inziens de meeste, eenvoudig niet-zedelijk is. Het onderscheid ligt dan geheel in de bedoeling. Wat wij dachten, wat wij wenschten te doen, daarop\' komt het van een zedelijk standpunt enkel aan.
In nauw verband hiermede staat een ander kenmerk eener zedelijke handeling, dat zij v r ij w i 11 i g v e r-richt wordt. Wat ik door noodzakelijkheid gedwongen doe, heeft geen zedelijke waarde. Neem aan, om een eenvoudig voorbeeld te kiezen, dat ik \'s morgens vroeg opsta, omdat ik daartoe gedwongen ben, omdat ik mijne plaats zou verliezen, als ik niet op een bepaalden tijd in den winkel van mijn patroon aanwezig was, dan ligt daarin, \'t spreekt vanzelf, niets zedelijks. Maar doe ik het, zonder daartoe gedwongen te zijn, enkel en alleen in \'t gevoel dat ik die goede gewoonte aannemen en mijne traagheid overwinnen moet, dan heeft dit eenige zedelijke waarde. Neem aan: ik breng een boek naar de bibliotheek terug, om een geldboete te ontgaan, of ik doe het in \'t besef dat anderen, die er even goed recht op hebben als ik, dat boek noodig kunnen hebben, is het dan twijfelachtig welke dier beide handelingen iets met zedelijkheid heeft uit te staan? Of onderstel: ik leid een eenvoudig, ingetogen leven, omdat mijne middelen mij niet toelaten anders te leven, of wel ik leef zoo eenvoudig, omdat ik, hoewel meer bemiddeld, diep gevoel hoe een mensch moet leven, als hij nood en ellende ziet in de wereld rondom zich — dan zult ge toch niet aarzelen te zeggen, welke van deze beide levenswijzen, hoezeer oogenschijnlijk aan elkaar gelijk, een zedelijke waarde heeft. De
48 WAT IS EEN ZEDELIJKE HANDELING?
spaarzaamheid, die, als de nood er toe dwingt, een onbeduidenden indruk maakt, krijgt een verheven karakter, als de mensch in den vrijen dienst van eene idee zich haar ten plicht stelt. Of denk u het geval, dat een werkgever aan zijne arbeiders die het werk staken, toegeeft, omdat hij er toe gedwongen is, omdat zij de zaken zoo gestuurd hebben dat hij, als hij hun geen hooger loon geeft, in \'t geheel geen arbeiders vinden kan. Stel daartegenover een anderen werkgever, die niet eerst een werkstaking afwacht, die ook geen grond heeft om haar te vreezen, maar enkel met het oog op zijne arbeiders, op hunne behoeften en strevingen als menschelijke wezens en huisvaders, hun hooger loon betaalt, i. é. w. niet omdat hij moet, maar omdat hij wil, kan er dan eenige twijfel zijn, wie van die beiden zich tot de waardigheid van een zedelijke daad verheft? Vrijheid, zelfbepaling is het teeken, het ware kenmerk van een zedelijke daad. Natuurlijk spreek ik niet van een betwistbaar metaphysisch begrip van vrijheid, maar ik neem het woord gelijk wij allen het verstaan en dagelijks gebruiken; vrijheid van uiterlijken dwang, van noodzakelijkheid in den populairen zin. Eene daad, door vrees ingegeven, is geen werkelijk vrije daad. Koning Richard II van Engeland b.v. zocht een opstand onder de boeren daardoor te dempen, dat hij de door hen verlangde hervormingen toestond en ten bewijze daarvan hun brieven deed uitreiken, van het koninklijk zegel voorzien, waarin al hunne eischen formeel werden ingewilligd. Later evenwel, toen het gevaar geweken was, gaf hij het bevel dat allen die zulke koningsbrieven hadden, die, op straffe des doods, moesten afgeven.
WAT IS EEN ZEDELIJKE HANDELING?
Ziedaar, zegt wellicht iemand, een rechtvaardige handeling waarop een onrechtvaardige volgde. Neen, zeg ik, van rechtvaardigheid is hier geen sprake, maar alleen van het in acht nemen van de vormen der gerechtigheid, door een gevoel van vrees gedreven. Wat wij doen, zonder dat er eenige druk van buiten op ons werkt, enkel in \'t gevoel van \'t geen wij behooren te doen, wat alzoo de vrijwillige uitdrukking van ons .zieleleven is, dat alleen mag zedelijk heeten.
Voorts, aan een zedelijke daad mag geen motief van eigen belang ten grondslag liggen. Dat wil niet zeggen dat vele op eigen belang gerichte handelingen niet natuurlijk en noodzakelijk zijn. zoo als de wereld thans is, maar alleen dat zij zich niet tot de waarde van zedelijke handelingen verheffen. Hoe daalt een daad in onze waardeering aanstonds tot ■een lageren trap, als wij ontdekken dat een egoïstisch motief aan haar ten grondslag ligt! Gesteld, een man is eerlijk en maakt zich niet schuldig aan bedrog tegenover de onkundigen, die zijn winkel binnentreden, omdat hij ziet dat hij zich daardoor een roep van eerlijkheid verwerft en zijn uitzicht op debiet verbetert; we mogen dan zijne slimheid prijzen, maar zullen wij meenen dat hij zich tot de sfeer der zedelijkheid verheven \'heeft? Gesteld, een zoon wijdt zich aan zijne ouders, maar met de gedachte aan zekere vergelding, die hem later ten deel zou kunnen vallen, dat hij b.v. in geval van „ziekte t\'huis een toevlucht of bij geldverlegenheid ondersteuning vinden zou, schijnen ons dan zulke gedachten niet een soort van heiligschennis? Roepen zij ons niet •de woorden uit Shakespeare\'s Koning Lear voor den geest:
49
4
WAT IS EEN ZEDELIJKE HANDELING ?
Liefde is geen liefde Als zij zich mengt niet loonzucht, die ter zij Van \'t ware doel zich afwendt.
Gesteld, een man wordt soldaat, niet uit belangelooze toewijding aan eene zaak, maar ter wille der soldij, wij zullen hem dan niet veroordeelen, maar zijn zedelijk standpunt hoog verheffen zullen we evenmin. Wie, die de heerlijke schepping van Thorwaldsen gezien heeft,, den leeuw bij Lucern in de rots uitgehouwen, ter nagedachtenis aan de Zwitsersche garde, bij de verdediging der Tuileriën in 1792 gesneuveld, wordt niet pijnlijk aangedaan, bij de gedachte, dat deze mannen zich toch ten slotte voor goud verkocht hadden en wel ter ondersteuningvan eene zaak, waartegen elk instinct en iedere overlevering der Zwitsersche vrijheid protest hadden moeten aanteekenen? Gesteld, een man treedt in \'t huwelijk,, zoo al niet om geld, dan hoogstens omdat het eenzaam leven hem verveelt en de rust en het genot van een eigen huis hem bekoren, wat is hij dan ten slotte anders dan een egoïst, zonder eenig aandeel aan het hoogste heil van het huwelijksleven, dat ons aan onszelf ontrukt meer dan iets anders en ons de belangeloosheid leert kennen die de ziel is van de zedelijkheid !
Kortom, een zedelijke daad is een zoodanige, waardoor wij ons boven persoonlijke overwegingen verheffen. Geen berekeningen mogen daarmee vermengd zijn »die van \'t ware doel zich afwenden.quot; De zedewet daalt niet af tot het lagere peil, waarop wij gewoonlijk staan en zoekt ons niet te bekoren door het vooruitzicht dat wij haar aanhangende, er beter aan toe zullen zijn; neen, zij gaat uit van de onderstelling, dat wij een hoogere
5°
WAT IS EEN ZEDELIJKE HANDELING? 51
natuur hebben en van dit hoogste standpunt wendt zij zich tot ons. In den ouden tijd der beweging tegen de slavernij zochten berekenende, slimme lieden de slavenhouders aan\'t verstand te brengen, dat het goedkooper zou zijn, loonen uit te betalen dan slaven te houden, dat hun eigendom dan veiliger zou zijn, dat zelfs hunne onontbeerlijke lekkernijen, hun vruchten- en vanille-ijs minder zouden kosten, als de negers op vrije voeten waren; dat deze schilderachtige huisbedienden met hunne zwaarmoedige Ethiopische manieren, hunne zwijgende gehoorzaamheid, hun bronzen kleur en wollig haar, het in hun eigen belang zouden achten op de bezittingen hunner heeren te blijven, al waren zij vrij geworden. Ik weet niet waarover mij meer te verwonderen, dat zulk een dwaas argument met eenige hoop op overreding kon worden aangevoerd, of dat de eigenlijke zetel van het kwaad niet werd aangetast en niet rond werd uitgesproken, niet dat de slavenhouders niet zoo slim en praktisch waren als zij konden zijn, maar dat zij onrecht deden. Er zijn sommige dingen, waarbij \'t mij niet maar niet-zedelijk, doch bijna onzedelijk voorkomt, zich op andere dan de hoogste motieven te beroepen. Er zijn nu eenmaal sommige dingen in deze wereld die heilig zijn. Jezus, zoo verhaalt men , maakte een geesel van touwtjes en dreef daarmee de geldwisselaars uit den tempel met het woord: maakt het huis mijns Vaders niet tot een huis van koophandel! Een dergelijke ontroering gevoel ik als ik de zaak der menschenrechten en der men-schenliefde van een ander dan het hoogste standpunt hoor bespreken. Dat zijn onderwerpen die ons tot hunne eigene hoogte moeten opheffen. Is er sprake van de
52 WAT IS EEN ZEDELIJKE HANDELING?
rechten van een mensch, dan komt het enkel hierop aan, die rechten te doen gelden, zonder de gedachte aan persoonlijk voordeel.
Zoo zijn er thans die een meer stelselmatige en werkzame liefdadigheid aanbevelen op dezen grond, dat zulk een armenzorg ons van de vrees voor het socialisme kan bevrijden. Maar dan is \'t ons niet te doen om den mensch, den mensch in nood, den mensch in diepe ellende, neen, enkel hierom dat ons eigendom zeker zij voor verbeurdverklaring of roof. Schande over een milddadigheid, die zichzelve tot een handel verlaagt! Tegenover haar sta het getuigenis, dat wie de zaak der mensch-heid op een anderen, dan op den hoogsten grond wil dienen, de menschelijke natuur minacht, zoowel bij hen die in nood zijn als in zichzelven, als hadden wij geen hoogere natuur waardoor we ons boven die lagere overleggingen verheffen kunnen 1
\'k Heb wel hooren beweren, dat men aan een toekomstige wereld moet gelooven, \'t zij ze besta of niet, opdat de menschen in deze wereld op den rechten weg blijven. Deze beschuldiging tegen de menschelijke natuur wijs ik af. De fout die ik inderdaad in vele kerken terugvind is niet deze, dat zij te groote, maar dat zij te geringe, te irreligieuze gedachten van den mensch koesteren — dat zij het goddelijke element in den mensch niet erkennen en er geen eerbied voor betoonen. Niet door verlenging van zijn bestaan, zelfs tot in eeuwigheid, stijgt \'s menschen waarde, maar alleen door verbetering van het gehalte, door verheffing van het peil van dat bestaan. Of welke winst zou \'t aanbrengen, bid ik u, als de menschen onder den in-
53
vloed van hoop of vrees voor een andere wereld tot zedelijkheid werden gebracht ? Hoeveel uiterlijk fatsoen en goed gedrag daardoor ook mocht worden te voorschijn geroepen, geen waarachtige zedelijkheid, die immers enkel door het laten varen van vrees en hoop en de onvoorwaardelijke en volstrekte onderwerping aan de stem van den plicht van heden verworven wordt. In hunne harten zou nog altijd het oude zelfzuchtige Ik heerschen en onsterfelijkheid ware slechts de verlenging van zulk een type van bestaan. Wat voor aanspraak zouden zulke menschen op onsterfelijkheid hebben ? Welke goede zaak zou er mee gediend zijn, welk hooger werelddoel kon er door bereikt worden, dat hun een nieuwe levenstijd werd gegund ?
Hoe armzalig is de beschouwing van den christenpre-diker Paley, dat verstandig overleg en plichtbesef zich slechts daardoor onderscheiden, dat wij in \'t eene geval \'t oog hebben op \'t geen wij in de tegenwoordige, in \'t andere op \'t geen wij in de toekomstige wereld te winnen of te verliezen hebben! Immers kan er op dit standpunt geen sprake zijn van de waarde en den aanleg onzer natuur, van den voorrang der ziel boven het lichaam, van onze geestelijke boven onze dierlijke natuur, daar er inderdaad volgens hem en vele christenpredikers geenerlei waarde noch goddelijke aanleg in onze natuur gevonden wordt en er geen onderscheid bestaat tusschen mensch en dier, dan misschien alleen dit, dat de mensch zich van een verrekijker bedient en het dier alleen zijne oogen heeft om te onderscheiden wat in zijn eigen belang is.
Welk een treffend contrast vormt daarmee de toon
54 WAT IS EEN ZEDELIJKE HANDELING?
van den rechtzinnigen St. Xavier, die in geestdrift uitroept :
o mijn Jezus, hebt ook mij Als aan uw kruis omarmd,
Gekweld door hoon en spotternij U over mij erbarmd.
Gij torschtet lijfs- en zielepijn En smarten zonder tal.
Om mij die nog uw vijand was Te redden van den val.
Hoe zou quot;k dan niet aan u, o Heer Geheel verbonden zijn, —
Niet uit den wensch naar hemelvreugd.
Uit vrees voor hellepijn.
Niet in de hoop op vuig gewin Zelfzuchtig, laag gezind,
Neen. maar uit heil\'ge wedermin Tot ii die eeuwig mint!quot;\'
Zoo wenschte, naar men verhaalt, de heilige Theresa zich een fakkel in de rechter- en een vat met water in de linkerhand, om met den eenen de heerlijkheid des hemels te verbranden en met het andere de vlammen der hel uit te blusschen en alzoo te bewerken, dat de menschen God alleen uit liefde dienden. Is \'t niet dezelfde geest die spreekt uit deze verzen van Matthew Arnold :
„Wacht u geen ander leven in \'t verschiet,
Maakt dan dit aardsche edel, groot en rein !
Wacht u hiernamaals d\'eeuw\'ge Rechter niet.
Laat u \'t geweten dubbel heilig zijn !
Was Jezus Christus eens een mensch als wij,
O, zij \'t ons streven zoo te zijn als hij 1quot;
55
Tintelt in zulke gedachten niet een gloed van zedelijke gezondheid, dien we dankbaar hebben te begroeten, \'t zij hij uit christelijke, of welke andere bron dan ook ons tegenstraalt?
Zoo moet een zedelijke daad vrij zijn van het motief van eigenbelang, \'t zij dit betrekking hebbe op dit of op een volgend leven. Eindelijk — en wellicht stelt dit het reeds gezegde nog in een helderder licht — een zedelijke daad moet uit beginsel geschieden. Volg ik enkel een aandrift van welwillendheid en is die welwillendheid bij mij geen beginsel, dan is mijne handeling een instinctmatige, geen zedelijke. Ben ik trouw jegens mijn vriend, maar onwaar tegenover iemand die mijn vriend niet is. dan heeft zelfs mijne vriendentrouw geen zedelijke waarde. Overeenkomstig mijne neiging te handelen, dat is geen zedelijkheid. Zedelijkheid is: naar een regel, volgens een beginsel te handelen. Zij brengt al mijne toevallige neigingen, al mijne natuurlijke driften, die her- of derwaarts streven, in overeenstemming met dien regel en omgordt alzoo mijn leven met orde, vastheid en onwankelbare trouw. Van hoevele menschen zegt men, dat, als men ze maar op \' t goede oogenblik aantreft, zij wel goedgezind zullen zijn. Maar het goede geldt voor altijd: en evenmin als het in zijn innerlijk wezen van onze stemming afhankelijk is, evenmin moest het in zijne praktische toepassing daarvan afhankelijk zijn. De werkelijk zedelijke mensch is alleen hij die zegt: dat mag niet zijn, — wien het goede de bestendige, blijvende regel van zijn handelen is. Geen uitweg kan ik hier zien: wij moeten ons volstrekt, zonder voorbehoud wijden aan
56 WAT IS EEN ZEDELIJKE HANDELING ?
den plicht, aan alles wat goed is. Welk een verbrokkeld, fragmentarisch leven leiden de meesten onzer! Wij hebben onze invallen en aanvallen van goed zijn: duurzaam zijn zij niet. En als wij e e n e zaak doen die goed is, laten wij een andere ongedaan. Maar gelijk er geen reden is om rechtvaardig te zijn, die niet ten alle tijde geldig is, of om waar te zijn, die niet tegenover alle verzoekingen kracht behoudt, of om menschelijk te wezen, die niet alle personen met wie wij in aanraking komen geldt, zoo is er ook geen reden waarom wij rechtvaardig zouden zijn, die er ook niet toe dringt waar te wezen en geen reden om waar te zijn, of zij dringt ook tot menschelijkheid.
Met andere woorden: er is geen grond voor ééne deugd, die niet voor alle deugden geldt: niet dit of dat goede, maar al wat goed is wordt van ons geëischt. Mij dunkt, een mensch volbrengt dan alleen een waarlijk zedelijke daad, als hij haar doet, niet omdat zij juist gerechtigheid of waarheid of eenige andere bijzondere vorm van plicht is, maar omdat zij plicht is en zoo de stilzwijgende gevolgtrekking toelaat, dat hij alles wat plicht is zou willen doen. Zoo heeft een zedelijke handeling in den strengsten zin een algemeene of oneindige beteekenis en wie haar volbrengt heeft een waarde, waarvan de grens niet te bepalen is, alsof er een geheimzinnige vorm van materie ware, die een kristal of plant of bloem, een zon of ster, wat dan ook in het stoffelijk heelal zou kunnen zijn. Immers mijn fier geloof in den mensch onderstelt dat hij, hoezeer schijnbaar verhard, verstijfd, ingeworteld in een of ander type, toch alles worden kan wat goed is ; dat hij in zijn binnenste kneed-
WAT IS EEN ZEDELIJKE HANDELING ? 57
baar is en niet in een onveranderlijken vorm gegoten, dat er geen ongenaakbare hoogten buiten of boven hem zijn, dat de idealen van een held, martelaar, heilige, god voor hem niet onbereikbaar zijn.
Zoo is het dan geen lichte, weinig beteekenende zaak een zedelijke daad te volbrengen. Js Menschen waarde ligt in zijn vermogen tot zulke handelingen, — ligt hierin dat hij de menigte niet behoeft te volgen, dat hij zich door zijne gedachten kan laten leiden, dat hij vrij het goede willen en in het doen van \'t goede onbaatzuchtig wezen kan, dat hij de bruisende golven van drift en hartstocht kan stillen, zoodat zijn leven den helderen hemel der beginselen weerkaatst. Dan wordt zijn eenig ideaal, een mensch te zijn, boven lagere overleggingen verheven, niet meer de slaaf van vrees of hoop; zijn eenige hoop steeds waarachtiger te worden; zijn eenige vrees ontrouw te worden aan zijn doel en te worden neergetrokken naar die lagere belangen die zoo voor de hand liggen en juist daarom zoo verleidelijk zijn.
Door beschouwingen als deze worden wij opgevoerd tot een wereld, hemelsbreed verschillend van die waarin wij gewoonlijk verkeeren. Stemt gij niet met de wereld overeen en laat ge u niet afdrijven met haren stroom, dan wordt zij onverschillig jegens u. \'t Zij zoo, laat haar onverschillig jegens ons zijn en wij even koel tegenover haar — wel te verstaan: tegenover hare meening, haar lof of blaam; — wie weet of na .verloop van tijd hare meening, haar maatstaf van beoordeeling zich niet wijzigt! De wereld vraagt enkel naar \'t geen gij geleverd hebt en bekommert zich niet om uwe gezindheid; voor ons echter wordt de waarde van een mensch geheel door
WAT IS EKN ZEDELIJKE HANDELING ?
5»
zijne gezindheid bepaald. Ons gaat het van een zedelijk standpunt niet aan, wat iemand verricht heeft ten behoeve der gemeenschap, als die verrichtingen niet voortvloeiden uit een zedelijk streven. Ja, onze maatstaf van beoordeeling wijkt zoozeer van den algemeenen af, dat wij iemand kunnen hoogachten, die voor de gemeenschap hoegenaamd niets doen kan, die tot ondersteuning van een of andere zaak geen enkelen vinger uit kan steken, en wiens ziel nochtans gloeit en wiens aangezicht nu en dan van een hoogeren glans kan stralen bij de gedachte aan het goede. Laat trouw aan den plicht een mensch bezielen en beheerschen en een enkel van zijn laatste oogenblikken zal meer waard zijn dan heel de levenstijd van menigeen die succes had, of dan een gansche reeks van koningen en vorsten die enkel schitterden met uiterlijken glans. Wat bekommert het de wereld of uwe keus van het goede gedwongen of vrijwillig was, of gij bij het werk dat zij van u verlangt, zelfzuchtig of belangeloos waart, als gij \'t maar doet? Toch zijn vrijheid en onbaatzuchtigheid, ook al zou geen ander oog dan het onze ze opmerken en erkennen, de hoogste schatten des levens, in vergelijking waarmee al het andere een voorbijgaand toeval is. Toewijding aan een beginsel, innerlijke vrede en gezondheid der ziel — wat gaan zij de bedrijvige, rustelooze wereld aan! Toch is juist dit eene de hoogste inspanning waard; ja belachelijk zou ons het onzinnig drijven en dringen der wereld kunnen schijnen, als niet de dwaling omtrent het levensdoel een zoo ernstige ware, als niet ieder in de woelende menigte zich ten slotte dat hoogste doel, waarnaar wij trachten, te stellen had.
WAT IS EEN ZEDELIJKE HANDELING? 59
Immers een ideaal levensdoel licht alle menschen voor. Niet buiten onszelf wordt het gevonden. Niet dit is het, een denkbeeldig bovennatuurlijk wezen te behagen of een of andere historische persoon uit het grijs verleden na te volgen. Veel nader, in ons eigen hart ligt het; door onze eigene natuur als zedelijke wezens wordt het ons gesteld. Niets hoogers is er dan een zedelijke daad te volbrengen, niets waarin de volle idee en beteekenis van ons wezen zoo tot uitdrukking komt, dan daarin, \'t Ls de overwinning van het goddelijke in ons — de zegepraal van iets dat behoort tot die elementaire krachten, die in lang vervlogen eeuwen uit den chaos orde en uit de duisternis licht schiepen. Onze trots moet het zijn, aan de som van zedelijke handelingen in de wereld een enkele toe te voegen. Telkens als we ons tot die hoogte verheffen, begint er een nieuwe ster te schijnen aan het innerlijk firmament, die, als hij door de nevelvlekken van onze wenschen en strevingen zich een weg baant, voor altijd stralen zal. Ja, al konden de sterren van den hemel vallen, deze sterren zouden blijven schijnen. Iets volkomeners dan een zedelijke daad laat zich niet denken. Want een zedelijke handeling is niet een uiterlijke verrichting, noch een of andere bijzondere wilsdaad, alle zoogenaamde zedelijke daden zijn ten slotte uitvloeisels van ééne handeling, de diepste gedachte dei-ziel, de handeling des levens. Alle kleine afwijkingen daargelaten, bewegen wij ons in de eene ofin de andere richting. Geen enkele goede daad die wij verrichten telt mee, tenzij ze een deel is van het levensplan dat boven haar uitgaat. En geen voornemen is toereikend dat niet geheel het leven en heel de mogelijke toekomst omvat.
WAT is EENquot; ZEDELIJKE HANDELING ?
6o
De ster, die aan onzen levenshemel stralen moet, is de alles omvattende handeling van ons leven. Voor een wijle moge zij zich aan ons oog ontrekken; maar bezit zij eenige waarde, eenige profetie van een volkomen schoonheid, dan zal zij ons van nieuws bestralen. Niets is zoo verraderlijk als de herinnering, niets hangt aan een zoo dunnen draad als de persoonlijkheid, als het bewustzijn dat ik dezelfde ben die ik voor vijfentwintig jaren was — als het bewustzijn dat velen zich voorstellen in een ander leven te zullen hebben, dat zij dezelfde personen zijn die zij hier waren. Dat alles geeft een onzekeren steun. Hoe? zullen wij, ijdele schepselen als we zijn, den eindeloozen horizon der toekomst meenen te kunnen vullen met de afbeeldingen van ons persoonlijk ik, en de goedheid die wij bereikt, de reinheid die wij verworven hebben, de belangelooze toewijding die ons beheerscht heeft, te nevelachtig achten om op zichzelf te kunnen bestaan zonder dat het »Ikquot; haar drager ware. Doch wat, o mensch, is nevelachtiger: het ik of het goede? Alleen het goede is waard voort te leven, in welken vorm dan ook, en voortleven zal het.
IV.
IS ER KEN HOOGERE WET?
Hoe kunnen zij die niet overtuigd zijn, dat er een persoonlijk God bestaat, die van buiten af het heelal beheerscht en regeert, spreken van een hoogere wet ? Op die vraag wenschte ik thans uwe aandacht te vestigen.
Over de waarde van handelingen vellen wij gedurig een oordeel. Sommige bevredigen ons, andere niet, sommige zijn rechtvaardig, andere onrechtvaardig. Daarmee bedoelen wij niet, dat zij ons persoonlijk al of niet nadeelig zijn; de bevrediging die wij verlangen heeft betrekking op een maatstaf, geheel onafhankelijk van ons persoonlijk belang. Ons allen staan zekere idealen voor den geest, die wij in de \'daden der menschen rondom ons verwezenlijkt zouden willen zien. Al gaat een trou-welooze of onrechtvaardige bejegening, een ander aangedaan, ons niet persoonlijk aan, toch voelen wij niet minder levendig, dat zij onrechtvaardig is, dat zij niet had behooren te geschieden. Al kenden wij de omstan-
62 IS KR EEK IIOOGERE WET ?
digheden die leidden tot de daad, al hebben wij voor den dader eenig medegevoel, dat onze veroordeeling tempert, toch mag ons medegevoel ons niet doen vergeten dat hier onrecht is geschied. Het rechte is dat wat behoort te zijn. Al zouden onze omstandigheden, er door gewijzigd, onze wenschen er min of meer door bevredigd worden, al was ons persoonlijk belang er mee gediend, als er onrecht werd gedaan kan het daarom toch niet minder onrecht zijn en in een oogenblik van oprechtheid zouden wij onszelven veroordeelen omdat wij het wenschten. Wat recht is, is onafhankelijk van onze wenschen en belangen. Met het oog op deze laatste kunnen wij enkel zeggen : we zouden gaarne zien dat dit of dat geschiedde; nimmermeer, het moet zoo zijn. Dat zeggen wij alleen als we ons tot een hoogere sfeer verheffen, als wij boven persoonlijke overwegingen uitgaan, als wij spreken van het standpunt der rede.
Evenzeer is het recht onafhankelijk van eens anders wenschen of persoonlijke belangen. Recht beteekent niet, mijne wenschen tegenover uwe wenschen op te geven, of mijn persoonlijk voordeel aan uw persoonlijk voordeel op te offeren. Uwe wenschen moeten billijk zijn, moeten met een onpersoonlijken maatstaf overeenstemmen, uw persoonlijk belang moet met het algemeene belang in harmonie zijn, anders kan en mag ik u niet ter wille zijn. Zedelijkheid is geen sympathie; vaak kunnen de omstandigheden van dien aard zijn, dat ik iemand anders evengoed als mijzelven iets ontzeggen moet. Sympathie is eenvoudig een natuurlijk instinct, beter en edeler, zeer zeker, dan zelfzucht, maar, voor zoover zij niet door overwegingen van zedelijken aard
IS ER EEN HOOGERE WET ?
geleid en beheerscht wordt, in staat ons evenzeer op een dwaalspoor te leiden, als zelfzucht het doet. Sympathie is persoonlijk; zedelijkheid is onpersoonlijk ; zij kent geen onderscheid; heeft uw liefste vriend onrecht gepleegd, dan is het daarom niet minder onrecht en als ge daaraan denkt moet strengheid zi h mengen in uw teederheid.
Zoo zijn recht en onrecht onafhankelijk van onze veranderlijke meeningen. Is ons oog geopend, dan zien wij de zon; is het gesloten, dan is zij voor ons verloren; werden wij blind, dan zou zij voor altijd voor ons verloren zijn. Vergeefsch ware, als wij eigenzinnig waren en enkel afgingen op het gezag van onze tegenwoordige ervaring, de poging om ons te bewijzen dat zij nog schijnt; nochtans zou zij daar staan, en waren wij redelijk en aan onze vroegere normale ervaring indachtig, dan zouden we dat kunnen weten. Zoo zijn er ook in onze zedelijke ervaring oogenblikken die in autoriteit alle andere overtreffen. In die rustige, heldere oogenblikken nu weten en zeggen wij dat wij de waarheid zien; op andere tijden kunnen wij, overweldigd door onze hartstochten of vooroordeelen, of verbijsterd door de tegenovergestelde zeden en meeningen der menschen — min of meer gevoelen dat wij haar uit het oog verliezen; nochtans houdt zij stand. Vraagt ge mij, waarom wij haar niet altijd zien, als zij erjtoch altijd is, dan luidt het antwoord, dat wij niet altijd ons best doen haar te zien, maar er dikwijls op uit zijn, onze hartstochten en vooroordeelen te rechtvaardigen. Vraagt ge, waarom de gewoonten en meeningen der menschen zoo verschillend en onderling zoo tegenstrijdig zijn, dan antwoord ik dat
63
64 IS ER KEN HOOGEKE WET ?
die gewoonten en meeningen voor het meerendeel door alles, behalve door zedelijke overwegingen gevormd zijn. Zelden hebben de menschen met onbevangen zin enkel naar recht en onrecht in de dingen gevraagd. In \'t beste geval heeft zich in hunne gewoonten en meeningen een weinig moraal gemengd. Nog moet de tijd komen, waarin de menschen, zich zooveel mogelijk vrij makend van persoonlijke overwegingen, er naar zullen streven in hunne gedachten de reine idealen der zedelijkheid te weerspiegelen. De ontwikkeling van het zedelijk leven, is nog in hare kindsheid. Zij is wat de wetenschap was vóór de geboorte van een Baco of een Darwin. De menschen hadden de waarheid niet gezocht: zij onderzochten de natuur, zoo ze dit al deden, om voor zekere oude theoriën van philosophischen of theologisch en aard een bevestiging te vinden. Waar vindt men thans den belangeloozen onderzoeker der moraal, die geduldig is, vlijtig, arbeidzaam, nauwgezet, die, zonder zich te bekommeren om den waan van gisteren of heden, enkel vraagt naar hetgeen recht is? Breekt eens de tijd aan, waarin de menschen even ijverig zullen zijn in de navorsching van de wereld der zedelijke ideën, als zij het thans zijn ten opzichte van het rijk der natuur, dan zal er een steeds toenemende overeenstemming in zedelijke begrippen ontstaan, gelijk ze thans meer en meer gevonden wordt ten opzichte van de resultaten der natuurwetenschap. Nog loopen de meeningen der menschen ten opzichte van allerlei wetenschappelijke vragen hemelsbreed uiteen, maar wij betwijfelen niet, of sommige meeningen waar en andere valsch zijn; want de toetsteen der waarheid is de overeenstemming met de feiten.
65
Wel nu, evenmin als de verschijnselen der natuur zijn de idealen der zedelijkheid afhankelijk van onze meening daarover. Er is een ware, een volkomen rich-tige wijze van dit of dat te doen. Wij kunnen die inderdaad evenmin maken of scheppen als wij de zon aan den hemel maken of scheppen kunnen; wij hebben haar enkel te ontdekken.
Zoo bestaat het goede, onafhankelijk van onze wisselende wenschen, belangen en meeningen. Doch hoe, zoo vraagt men wellicht, kan men van het goede spreken als van eene wet? Wetten kennen wij in de natuur of in den staat. Doch is niet het goede enkel een voorstelling van onzen geest? Bij eenig nadenken evenwel worden wij er van bewust, dat het tot het eigenlijk begrip van het goede behoort, dat het zich als een wet doet gelden. Het goede en rechte zijn alleen dat wat behoort te zijn; zij zijn niets op zichzelf; zij hebben enkel beteekenis en wezenlijkheid als idealen van ons handelen. Als wetten die ons handelen beheerschen hebben zij hoogere beteekenis dan de wetten van den staat of van de natuur. De staatswetten zijn alleen dan werkelijk wetten, als zij goede wetten zijn; een onzedelijke wet kan iederen dag verbroken worden. Alleen dat is voor mij wet wat mij verplicht; waaraan ik trouw betoonen moet, zal ik mijne eer als redelijk wezen handhaven.
Betwijfeld kan het worden of de natuurwetten, de wet der zwaartekracht, der cohaesie, der chemische verwantschap b.v., in den eigenlijken zin wetten te noemen zijn. Zij zijn eenvoudig omschrijvingen van feiten — van regelmatige, bestendige, onveranderlijke
5
66
feiten, zoo ge wilt; maar toch altijd slechts van feiten,— en een wet is eigenlijk een voorschrift voor \'t geen de feiten moeten zijn. Zoo is ook een zedewet in meer eigenlijken zin een wet dan de wetten der gezondheid of van het handelsleven. Een gezondheidswet zegt dat, als gij begeerig zijt naar een volmaakt gezond lichaam, gij op een bepaalde wijze leven, zekere gewoonten volgen moet; maar gesteld, gij bekommert u niet om zulk een normalen toestand, wat beteekenen dan voor u de gezondheidswetten? De wetten van den handel zeggen dat, als gij in zaken voorspoedig wilt zijn, gij ondernemend zijn moet, geneigd om een weinig te wagen, maar te gelijk zorgvuldig en methodisch in uw boekhouding; maar als ge u niet om succes in uwe zaken bekommert, als ge zelfs in \'t geheel niet in zaken zijt, wat beteekenen dan voor u die wetten van handel en bedrijf? De gezondheids- en handelswetten willen enkel zeggen dat, als gij een zeker doel bereiken wilt, ge zekere middelen moet aanwenden, \'t Is echter de vraag, of gij dat doel bereiken wilt. Iets geheel anders is een zede-wet. Zij zegt niet enkel, dat er zekere middelen zijn die wij moeten aanwenden om ons doel te bereiken, maar dat er een zeker doelwit is dat ons verbindt, waarnaar wij streven moeten, zullen wij ons karakter als redelijke wezens bewaren.
Dikwijls zoekt men de wetten der zedelijkheid aan te bevelen, door aan te toonen dat zij de middelen zijn waardoor de algemeene welvaart bevorderd wordt; kiest iemand de algemeene welvaart als zijn levensdoel, dan moet hij overeenkomstig die wetten handelen, want de ervaring heeft bewezen, dat zij, en zij alleen, tot alge-
IS ER EEN\' HOOGERE WET? 67
meene welvaart leiden. Maar gesteld dat iemand zegt: ik kies het algemeen welzijn niet tot mijn doel, wat kunt gij hem dan tegenvoeren als de moraal niets meer inhoudt dan de zoo even gegeven verklaring?
Inderdaad, als de zedeleer niets meer beteekent, be-teekent zij niets. Zij verheft zich boven ons wenschen en willen in de bepaling van ons levensdoel, evenzeer als van de middelen waardoor wij het bereiken moeten. Zij is niets anders dan de zich kond doende rede en er zijn even waarachtig zedelijke, doeleinden als er zedelijke middelen zijn om die te bereiken. Leeft een mensch niet voor het algemeene welzijn, dan is hij daarom niet minder gebonden door de zedewet. Deze zegt hem: gij moet voor \'t algemeene welzijn leven. Zij strekt zich uit over de geheele werkzaamheid van onzen wil; zij hangt niet af van \'t geen wij doen of laten: zij is een ideaal van ons handelen, van gelijken omvang als het geheel van ons praktisch leven. Geen handeling, geen begeerte, geen gedachte of oordeel waarvan niet de vraag geldt: is zij in harmonie met den maatstaf van het goede, waaraan zij alle onderworpen zijn ? Zoo openbaart zich in de natuur der zedelijkheid zelve aan ons een hoogere wet, zoo is deze in onzen aanleg als redelijke wezens gegeven. Een hoogere wet noemen wij haar, omdat zij onafhankelijk is van den maatstaf, waarvoor de menschen gewoonlijk eerbied betoonen. Hoe machtig is de gewoonte 1 Hoe dikwijls verdooft zij de stem des gewetens! En toch komt het enkel aan op de vraag: is deze of gene gewoonte goed, stemt zij overeen met de eischen der wet die boven haar staat ? Hoe gemakkelijk is het met den stroom der openbare
68
meening mee te drijven, te denken, ]ief te hebben en te haten, als de menschen om ons heen! En toch moet op ieder punt de openbare meening voor den rechterstoel gesteld worden, om uit te maken, of zij recht van bestaan heeft, dan of het onze plicht is haar te wijzigen. De hoogere wet is onafhankelijk van de eischen der staatswet. Gelukkig het land, waar die laatste de hoogere wet afspiegelt en zoo het volk een ideaal voorhoudt! Want doet zij dat niet, weerspreekt zij de hoogere wet, dan moet deze, niet gene gehoorzaamd worden.
Geheel de beteekenis der zedewet ligt in het bewustzijn van eene onzichtbare autoriteit; zich voor de gewoonte of de publieke opinie te buigen is zedelijke afgoderij. Er is iets dat boven die beiden staat en waaraan wij in de eerste plaats trouw verschuldigd zijn; aan alle andere autoriteiten slechts in zooverre als die hoogere door haar spreekt. Hij alleen verricht een waarachtig zedelijke daad, die haar doet in gehoorzaamheid aan dien onzichtbaren metgezel, aan die wet die \'s morgens met hem opstaat en \'s avonds met hem ter ruste gaat, die hem nooit verlaat, tot hij voor \'t levenslicht de oogen sluit. Zoolang ge u niet aan dezen onzichtbaren leidsman onderworpen hebt, zoolang ge niet de stemmen der wereld buiten u, zoowel als het gevlei uwer eigene wenschen en droomen, tot zwijgen hebt gebracht, zoolang niet de hartstochtelijke kracht en gloed uwer wenschen opgaan in het offervuur der toewijding aan het hoogste, weet ge niet wat het zegt te leven, wat het betee-kent werkelijk een man te zijn, die zichzelven regeert en niet de slaaf van anderen is.
69
Vanwaar het gezag dier wet die in en boven ons is ? Het gewone antwoord schijnt mij hier volkomen onjuist. Vele van onze bijzondere plichten vinden hunne sanctie hierin dat zij op het algemeene welzijn gericht zijn. Maar wat is de grond van dien hoogsten plicht, naar het algemeene welzijn te streven ? Wie wijst ons het fundament waarop hij steunt? De bronnen van het gezag der burgerlijke wetten liggen in onzen demokratischen staat in den wil des volks. De burgerlijke regeering ontleent hare macht aan de instemming van hen die geregeerd worden. Maar aan de souvereiniteit van de wetten der moraal beantwoordt geen praktische toestemming van de zijde der menschen in \'t algemeen. Deze bepaalt zich gewoonlijk tot de wet van het persoonlijk eigenbelang. Stemmen de menschen in met de wetten der zedelijkheid, dan erkennen zij stilzwijgend, dat deze een innerlijk recht hebben om te heerschen en de vraag blijft alzoo: waaraan ontleenen zij dat recht r Jk waag te beweren, dat de hoogere wet niet berust op onze instemming met haar, dat het recht niet door een besluit der meerderheid wordt vastgesteld, dat het bestaat en met zijn gebod tot ons komt, \'t zij wij er al of niet mee instemmen, dat het onze roeping is daaraan trouw te zweren als aan een souverein, dien wij niet op zijn troon geplaatst hebben en dien wij evenmin onttroonen kunnen. Ethiek en politiek zijn in hare wijze van werking hemelsbreed verschillend. De diepste grond van de volkssouvereiniteit ligt niet hierin, dat het volk het recht heeft te doen wat hem behaagt, maar dat het waarschijnlijker is dat het volk, dan dat een of ander bijzonder persoon of een enkele
■JO IS ER EEN HOOGEKE WET?
klasse van menschen goed regeeren zal. En het gezag van de wetten des volks, zoowel als van die van een of anderen koning of heer berust op hare overeenstemming met den hoogeren maatstaf van recht en gerechtigheid. Zeer verre, helaas, is de thans bestaande demo-kratie van dat ideaal verwijderd. Daarom oordeelde Homerus:
„Geen veelhoofdig gezag is goed, één zij de regeerder.\'\'
En Sokrates wist dat, wanneer hij veroordeeld werd, dit het gevolg zou zijn van de boosheid en den haat van het gepeupel. De ware demokratie evenwel slui11 de verantwoordelijkheid der verstandelijke en zedelijke aristokratie in zich, maar is voor deze een nieuwe gelegenheid, een krachtige wekstem om haar licht voor het volk te doen schijnen. De ideale bestemming van iederen mensch is, zichzelf te regeeren; ziedaar de zedelijke bron der demokratie, maar die zelfregeering moet met de gedachte aan \'t hoogste en beste in overeenstemming zijn.
Evenmin ligt de sanctie der hoogere wet in den bijbel. Gansch overbodig zou het zijn hiervan onder ernstige menschen nog te reppen, zoo niet een tegenovergestelde meening zich maar al te dikwijls hooren liet. Ik las onlangs dat een leeraar aan een theologisch seminarie gezegd had, dat, volgens zijne meening, het geweten niet van den bijbel kon afwijken, omdat het bewustzijn van het goede zelf uit den bijbel voortspruit. Is dit praktisch atheisme, deze afwezigheid van een levende zedelijke overtuiging, die zich achter het masker der vereering van een boek verbergt, — is dit de leer van sommige kerkelijke leiders, wat goeds hebben wij
IS ER EEN HOOGERE WET? 7!
dan van die kerken te wachten! Neen, de bijbel behoort tot de gewijde letterkunde der wereld, omdat hij de zedelijke idealen en strevingen der menschheid, of liever van een klein deel der menschheid, weerspiegelt, niet omdat hij die geschapen heeft. Er zijn immers nog andere bijbels behalve dezen, al noemen wij dien eenen in \'t bijzonder met dien naam; elke regel die een goede en religieuze gedachte uitdrukt, is een gewijde regel; en uit het hart des menschen, uft zijne profetische ziel die droomt van de toekomstige dingen, zullen nog eerwaardiger bijbels en heiliger schriften voortkomen, dan alle die het verleden heeft gekend.
Meer eerbied zijn wij verschuldigd aan de meening dat de autoriteit van het goede op een of andere wijze met God verbonden is. God is dikwijls maar een naam voor \' t onzichtbare goede, dat in ons en boven ons is. Toen Sokrates zeide: »Atheners, ik heb u lief en acht u hoog, maar ik zal den goden meer gehoorzamen dan u,quot; — toen Petrus en de apostelen den joodschen raad antwoordden: »Men moet God meer gehoorzamen dan den menschen,quot; — toen Antigone de ongeschrevene, onveranderlijke wetten der goden boven het bevel van den koning van Thebe stelde en het lijk haars broeders de laatste eer bewees, niettegenstaande- dit bevel; — toen gaven zij slechts aan de hoogste gedachte des menschen gehoor, en zij waren zich er van bewust, dat deze den mensch moet beheerschen: dat ze eerder alles wilden trotseeren dan daaraan ontrouw worden. God was slechts een naam voor die hoogste heiligheid, welke in de borst van iederen mensch ligt, als hij haar slechts weet op te merken. Sokrates zegt: » waar iemand zichzelf
72 IS ER EEN IIGOGERE WET ?
plaatst, omdat hij \'t er voor houdt, dat het goed is daar te staan, of omdat hij er door zijn bevelhebber geplaatst is, daar geloof ik, dat hij blijven moet en \'t gevaar moet trotseeren, zonder zich te bekommeren om den dood of iets anders vergeleken met de schande.quot; Inderdaad, het goede bindt hem als met tooverkracht aan de plaats, waar hij is. De verplichting daar te blijven is een laatste tot niets anders te herleiden plicht: hij ligt in de rede en in de natuur der dingen; en indien onder het woord »Godquot; alleen de rede en de natuur der dingen verstaan werd, zouden wij het zonder bedenking gebruiken. Maar voor de meesten beteekent »Godquot; iets anders. Als ik van de redelijke en natuurlijke wet der dingen sprak, zouden velen mij niet begrijpen; indien ik het woord God gebruikte, zouden zij meenen mij te verstaan. Toch zou dit werkelijk niet het geval zijn, want zij zouden gelooven, dat ik onder God \'t zelfde verstond wat zij er onder verstaan; en zooals zij die uitdrukking gebruiken, is het bijgeloof. Voor hen is God een persoon, en zij gelooven, dat de wetten der zedelijkheid daarom wetten zijn, omdat hij die voorschrijft en wij ons uit eerbied voor hem er aan te onderwerpen hebben. Maar wanneer God iets is, dat buiten de zedelijkheid staat, een persoon, die in letterlijken zin bevelen geeft, zoo geeft hij aan zijne bevelen geen autoriteit, maar geven zij veeleer hem autoriteit. Geen wil ter wereld kan iets goed maken, wat niet op zichzelf goed is. Indien dit mogelijk ware, zou daaruit moeten volgen, dat, indien die wil iets beval, wat niet goed was, \'t op zou houden niet goed te zijn: waarvan een totale uitwissching van de zedelijke grenslijnen het
73
gevolg zou zijn. De edelste christelijke theologen hebben aan een van Gods wil onafhankelijk recht vastgehouden en hebben aanbidding van den goddelijken wil geeischt, juist dewijl deze met het goede in volkomen overeenstemming is. Robert Browning zegt:
„De waarheid en rechtvaardigheid Zijn god\'lijk, al kon satans macht Het onrecht plaatsen op den troon En haat doen huldigen als wet.quot;
En toch, indien dit waar is, hebben we hierin nog geen antwoord op de vraag naar den oorsprong van het gezag der hoogere wet. Inderdaad, er is geen antwoord op die vraag, — er zijn geen bronnen voor dat hoogste gezag — wij kunnen niet boven de wet van het goede uitgaan. God is niet hooger; de menschelijke rede is slechts datgene in ons, dat het hoogste waarneemt; het heeft in waarheid geen oorsprong, geen bron, noch in den hemel noch op aarde — \'t is een laatste, onveranderlijke, ongeschapen wet — ik zou haast zeggen; de eeuwigdurende rotssteen, waarop geheel het zedelijk heelal is gebouwd. Het is hetzelfde als hetgeen de oude stoïcijnsche philosophen het natuurrecht noemden, hetwelk feitelijk in vele opzichten tegenover het positieve recht staat — hetzelfde als hetgeen de Ro-meinsche rechtsgeleerden als hun ideaal beschouwden, waarnaar het overgeleverde Romeinsche recht zou kunnen worden omgewerkt, — hetzelfde als hetgeen in de oogen onzer voorvaderen de grondslag was der natuurlijke en onveranderlijke menschelijke rechten. Het is hetzelfde, wat Sophokles den uitroep ontlokte:
74
„Ach, ware het mijn levenslot
15ij al mijn woord en werk een heil\'gen eerbied te bewaren,
Aan d\' eeuw\'ge wetten trouw,
Die in de hoogte zwevend, in des aethers
Onmetelijk gebied, ontsprongen aan den schoot
Des Hemelvaders, niet
Aan quot;t sterflijk menschenkind.
Nooit wiegt vergetelheid hen zacht in slaap,
Een God die nooit veroudert wekt hen steeds.
Het is hetzelfde als datgene, waarvan Cicero zeide, dat wij er niets van kunnen wegnemen, niets veranderen, niets opheffen, dat noch de senaat noch het volk het recht hebben ons daarvan te ontheffen; hetzelfde als datgene, waaraan Rousseau dacht, toen hij zeide; »De eeuwige wetten der natuur en der orde zijn nog werkzaam zij nemen in \'t oog der verstandigen de plaats der positieve wetten in; hetzelfde, wat Voltaire bedoelde, als hij zeide: »Het gevoel der rechtvaardigheid is zoo natuurlijk, het wordt zoo algemeen bij den mensch waargenomen, dat \'t in mijn oog onafhankelijk is van elke wet, van eiken godsdienst.quot; De hoogere wet is inderdaad datgene, wat aan de menschheid haar doel stelt, zij is het fondament van den staat, de grondslag van alle waarde en waardigheid van het menschelijk leven.
En dat deze wet geen loutere inbeelding maar een werkelijkheid en een macht is in de geschiedenis der menschheid, blijkt daaruit, dat niets, wat daarmede niet in overeenstemming is, kan standhouden. Ik heb deze wet niet omschreven; ik heb als vanzelf sprekend aangenomen, dat wij allen een zekere voorstelling van haar hebben; hare praktische beteekenis kunnen wij uit de verschillende deugden opmaken, die wij als idealen in onze ziel dragen.
TS ER EliN HOOGF.RE WET? 75
Bij de behandeling van zulk een groot onderwerp zijn juiste wetenschappelijke bepalingen niet altijd wenschelijk, zelfs al waren zij mogëlijk. \'t Is voor mij voldoende, geheel in \'t algemeen te zeggen, dat de hoogere wet datgene is, wat ons beveelt naar \'t algemeene welzijn te streven. Of anders uitgedrukt; dat iedere mensch de roeping van een mensch heeft en dus als heilig en onschendbaar behandeld moet worden. Wat ik hier nu wil doen uitkomen is dit, dat, indien wij niet iederen mensch achten, wij de hoogere wet schenden, en dat, wanneer er in een maatschappij velen zijn, die die wet verachten, de ondergang van zulk een maatschappij vast staat. De dingen zijn zoo ingericht, dat alleen de rechtvaardigheid zekerheid, duurzame orde en blijvenden vrede met zich brengt. Wij hebben dat niet zoo gemaakt en wij kunnen \'t niet veranderen. Het is een deel van de natuur der dingen,—hetwelk onzen wil ten onder brengt en om onze bedoelingen zich niet bekommert; het be-teekent, dat wij in andere sterkere handen zijn dan in onze eigene. De profeten uit den ouden tijd waren eenvoudig zij, die de partij van de hoogere wet kozen, de slechtheid en verdorvenheid, welke zij om zich heen zagen aanklaagden en ongeluk en ondergang profeteerden als gevolg daarvan. De grieksche tragedie is vol van deze gedachte — zij is religieus, zelfs zoo religieus als de profetiën van het oude testament. De hoogste wetten zijn geen doode, stompe, onverschillige dingen, maar, om zoo te zeggen, snel gewiekt en levendig, als ze geschonden worden. Gij kunt nooit de gevolgen van een onrecht ontloopen. Wanneer gij er niet onder lijdt, clan lijdt de maatschappij, dan lijden uwe kinderen er onder;
76 IS ER EEN HOOGERE WET?
op de een of andere manier moet het onrecht gewroken worden. Er is een zedelijke orde in de wereld, welke ons toont, wat wij doen moeten, en zich op ons wreekt, wanneer wij dat niet doen. De geschiedenis geeft hiervan indrukwekkende bewijzen. De Romeinen spraken van de Furiën, die den schuldige vervolgden, en hem vroeger of later zouden achterhalen. De Hebreërs spraken van den toorn van den Eeuwige tegenover de misdadigers. Deze metaphoren, deze figuurlijke uitdrukkingen zijn niet meer, maar minder dan \'t feit zelf. De beleedigde majesteit der rechtvaardigheid zal zich wreken. »De goddelooze,quot; zegt een Hebreeuwsch profeet, sis als een wervelwind, die opkomt en weer verdwijnt; maar de rechtvaardige bestaat eeuwig.quot; i)
Vaak verloopt er geruime tijd eer dit aan \'t licht komt. Onze tegenzin tegen onrecht en onrechtvaardigheid vindt dikwijls onmiddellijk geen voldoening; maar de tijd zal die geven, — indien niet aan ons, dan aan dengene, die dat gevoel van tegenzin van ons overerft. Want de rechtvaardige vergelding heeft niet onze eigen bevrediging in \'t oog; ze wordt verwezenlijkt ter wille van haarzelve. Wij noemen ons gelukkig wanneer ons de gunst ten deel valt, de voltrekking der rechtvaardigheid te zien; maar deze voltrekking zal komen, \'t zij wij haar zien of niet. Het einde, het gevolg van het tegenwoordige onrecht ligt in de toekomst, is voor onze ocgen verborgen ; maar einde en gevolg van verleden onrecht liggen duidelijk voor ons. Wat is er geworden van As-syrie en Babyion, die machtige rijken, die op het top-
i) Spreuken: X: 5.
IS ER EEN HOOGERE WET?
punt hunner macht een voorgevoel kregen, een gevoel, dat hun reusachtig gebouw verkeerd was opgetrokken en die:
„Wrviclen, langzaam stierven op den troon.quot;\'
Zij berustten op geweld, ze waren van onzedelijkheid doordrongen en daarom veroordeeld te vallen. Wat is er van Griekenland geworden dat door zijne kunst, zijne literatuur en philosophie niet kon worden gered ? Griekenland, waarvan Matthew Arnold zegt, dat iedere ontwikkelde mensch het liefhebben moet, Griekenland, de banierdrager der kunst en der wetenschap voor alle volken, dat toch ten onderging, schitterend als \'t was, omdat het niet genoeg achting voor het handelen toonde — omdat het kracht tot handelen, vastheid van karakter miste. Wat werd er van Rome, dat zijne heerschappij zoo ver over het Westen uitstrekte en dat toch door zijnen Cicero en Antoninus, door zijne scholen van groote rechtsgeleerden niet gered kon worden? Het is ten onder gegaan ten gevolge van zijne weelde en zwelgerij, ten gevolge der traagheid onder de hoogere- en der slavernij onder de lagere klassen, door zijne verachting der menschen, door zijne groote landerijen,, door de ongelijkheid die er heerschte. Wat was de Fransche Revolutie — ik meen hare gruwelen en moorddadigheden, die, zooals iemand zeide, haar tot een waarheid maakten, »welke in helsch vuur was gekleed,quot; — wat was zij anders dan het rechtvaardige vonnis over een verdorven kerk, een verdorven monarchie, een verdorven maatschappij, — een straf, welke Frankrijk trof en uitging van de geschonden gerechtigheid der dingen?
77
78
Wat was de laatste oorlog in de Vereenigde Staten anders dan het natuurlijke en onvermijdelijke gevolg van een onrecht, hetwelk men in de levenszenuw der natie voort liet woekeren en hetwelk haar den ondergang nabijbracht? De staatslieden hoopten vóór den oorlog met het onrecht een verdrag te sluiten, — zij verborgen zich achter de formule van wet en constitutie ; maar de verdragen en het door de constitutie veroorloofde onrecht waren gedeeltelijk de oorzaak van den oorlog. De oorlog was een strafgericht dat het land trof wegens het toelaten van dergelijke overeenkomsten en wegens het bezit van zulk eene constitutie.
Wendell Phillips i) placht te zeggen, dat het gevoel der rechtvaardigheid iets was, «waartegen geen tyran ter wereld machtig genoeg is zich in stand te houden, en geen constitutie heilig genoeg om te kunnen blijven bestaan,quot; en hij placht zijne hoorders te vermanen: »Denkt hieraan, wanneer gij naar een vergadering van tegenstanders der slavernij gaat, en weet, dat tegenover haar verheven doel, haar geducht besluit, haar ernstig streven op de weegschaal gelegd, zelfs Webster en alle staatslieden in de tegenovergestelde weegschaal in de hoogte zouden rijzen.quot; Die profetie is vervuld — de staatslieden, die de politiek als een handelszï;ak
l) II endel Phillips trad te Boston op als een krachtig bestrijder van de slavernij in een tijd toen de publieke opinie zich not; voor haar verklaarde, toen de uitlevering van voortvluchtige slaven nog door de wet gesanctioneerd werd, ja toen nagenoeg alle kerken voor haar partij kozen. Webster was in die dagen een warm verdediger van de slavernij in den Senaat. H.
79
beschouwden, zijn te licht bevonden, en nu wenscht niemand er voor uit te komen dat hij of zijn vader ook maar eenigermate met die staatslieden sympathiseerde. »Hoe kan,quot; riep Phillips uit, »een zwakke minderheid, zonder gewicht of invloed in \'t land, zonder het oordeel van millioenen, waarop zij zich kan beroepen, beschuldigd, beschimpt, en veracht — hoe kunnen dezulken zich een weg banen tegenover de overweldigende macht eener reusacht ge autoriteit — als zij zich niet van het afgodisch heden afwendt en zich op de menschheid beroept? Wij zullen tot den afgod van den dag zeggen: Hier zijn wij, geslagen, maar wij zullen ons vonnis neerschrijven met de stalen stift van een komende eeuw, en nooit zal men \'t vergeten, als wij \'t kunnen verhinderen, dat gij in uwen tijd u trouweloos tegenover de aanspraken van den slaaf hebt getoondquot;. Neen, dappere ziel, het zal nooit vergeten worden, uw beroep op het menschengeslacht heeft reeds gehoor gevonden; gij werdt niet geslagen, de autoriteit, die in uwen tijd zoo machtig was, heeft in den onzen zeer weinig gewicht, en de man, die met zulk een verachting van de hoogere wet kon spreken — » een zekere hoogere wetquot;, zegt Webster, »een zeker iets, dat tusschen hier en den derden hemel bestaat, ik weet niet waar,quot; — hij leeft hoogstens in de geschiedenis van ons land voort als iemand, die te verontschuldigen is.
Wat zijn de gewelddadigheden, die van tijd tot tijd in Ierland uitbreken, de sluipmoorden, die van tijd tot tijd in Rusland plaats vinden, — wat zijn zij anders, dan de Furiën eener zich wrekende gerechtigheid? Sidney Smith zeide, dat » op het punt van Ierland de Engelschen
SO IS ER EEN HOOGERE WET?
hun gezond menschenverstand schijnen verloren te hebben en met de barbaarschheid van tyrannen en de onnoo-zelheid van idioten handelen;quot; Byron noemde Engelands vereeniging met Ierland, »de vereeniging van den haai met zijn prooi» ; Burke verklaarde dat Ierland »alleen dan recht van Engeland verkrijgen zou, als het hem den degen op de borst zette«; en Gladstone zelf erkent, »dat Engeland nooit iets toestaat, tenzij het er uit vrees toe genoodzaakt wordt«. Als dit waar is, wordt er dan niet een geroep vernomen om wrekende Furiën? En Rusland, hoe kan het beter beschreven worden, dan geruimen tijd geleden geschiedde en door Phillips herhaald werd; »een despotisme, door sluipmoord in toom gehouden r« Is het nihilisme iets anders, dan, zooals, Phillips verklaarde, »het laatste wapen der slachtoffers, wien, geworgd en geboeid, geen andere tegenweer overblijft!»
»God wil,« gaat Phillips voort, — en dat is hetzelfde als dat de gerechtigheid het eischt, — »dat de onrechtvaardige macht onzeker zij, en iedere beweging van den reus, die in ketenen daarneder ligt, is een les in de rechtvaardigheid, hetzij zij diene om een enkelen dolk op te lichten, of den opstand eener stad te bewerkstelligen «.
Ja, al de onrust, al de wanorde, al de werkstakingen en uitbarstingen van wilden hartstocht in de Vereenigde Staten, zij strekken ten bewijze, dat het evenwicht der gerechtigheid niet is bereikt. De menschen zijn voor den vrede, terwijl toch de voorwaarden van den vrede niet bestaan. Doet wat recht is, laat den staat van de gerechtigheid getuigenis afleggen, laat ieder handelslokaal, iedere fabriek, iedere spoorweg, ieder schip een
IS ER EEN HOOGERE WET? 8l
toonbeeld er van zijn, — en gij zult spoedig genoeg vrede hebben. Wanneer » er vrede heerscht in Warschau,\' is de geestelijke dood nabij. Wanorde, quot;verwarring, opstanden zijn teekenen. van geestelijk leven, bewijzen, dat er gedachten zijn, die de harten der menschen in beweging brengen, — dat zij niet tevreden zullen zijn, eer zij eenigszins worden, wat zij moesten zijn. De gerechtigheid zal ons niet met rust laten, tot wij aan hare eischen hebben voldaan; de maatschappij zal, zooals een andere idealistische stem uit onze geschiedenis, Channing, gezegd heeft, geschokt geworden en verdient geschokt te worden, tot hare heilige schuld tegenover de armen en onwetenden afgelost is. Zoo doet zich de hoogere wet gevoelen, niet slechts onmiddellijk voor het geweten, maar ook in den loop en in de ontwikkeling van de geschiedenis der mensch-heid zoowel als in de onrust en opgewondenheid van den tijd, waarin wij leven.
De hoogere wet is de oplossing van ons sociaal vraagstuk. Zij vond slechts een kleinere politieke toepassing, toen zij zich ten opzichte van de slavernij deed gelden. Hare toepassing wordt geëischt, waar ooit de mensch, maatschappelijk vrij of niet, onteerd wordt. Overal geldt het grondbeginsel: Eehandel een ieder, met wien gij in aanraking komt, als iemand, die het \'levensdoel van een mensch heeft, en help hem, voor zoover gij kunt, dit levensdoel te verwezenlijken. Wat zijn \'s menschen levensidealen? Ik behoef ze niet op te sommen. Wat beschouwen wij als passend en betamend voor onszei ven? Wat goed voor ons is, wat ons dierbaar is, is waarschijnlijk ook anderen dierbaar. Gelooft gij niet dat ook anderen gaarne een toereikend inkomen zouden
6
82 IS ER EEN HOOGERE WET?
hebben, een fatsoenlijke woning, eenigen vrijen tijd om te denken en zich aan het hoogere leven te wijden? En wanneer gij mij zegt, dat zij in vele gevallen geen belangstelling voor die dingen hebben, dat zij geen hoogere eerzucht kennen dan die van een leven van de hand in den tand, dat zij een dof en dierlijk bestaan leiden en daarmee tevreden zijn: -— moeten wij dan niet vragen, evenals volgens Matthew Arnold de En-gelschen moeten vragen, als zij aan de uitbarsting denken van de lersch-Katholieke wraak: wiens schuld is datr Is \'t niet ten deele de schuld van de maatschappij, dat deze menschen zich met dat leven van de hand in den tand tevreden stellen moeten, omdat het toch waarlijk een wettig pogen voor hen was, aan zichzelf overgelaten naar meer te streven, — en de arme zielen immers geheel aan zichzelf waren overgelaten ? Mogen wij, als wij dit bedenken, voortgaan verwijtend van hun verdierlijkt leven te spreken ? Zij zullen voortgaan zoo te leven, tot wij hun tot broeders worden, tot wij bij hen de gedachte doen ontwaken aan datgene wat hun verheven roeping is. Wanneer geen handelswet, geen staatswet, geen kerkwet dit gebiedt, zullen wij \'t er dan niet voor houden, dat de hoogere wet dit beveelt? — die wet. welke ons allen als broeders beschouwt en ons als zoodanig plichten oplegt, die op deze betrekking gegrond is en die geen andere grenzen kent van den plicht dan die van algemeene achting en liefde ? Indien dit onze ware verhouding is, indienwij, gelijk Marcus Aurelius zegt, tot samenwerken zijn bestemd, gelijk voet en hand en oogleden, als \'t onnatuurlijk is toornig tegen onze naasten te zijn of hen te haten, of onverschillig tegenover
IS ER EEN HOOGERE WET ? 83
hen te zijn : past het ons dan, zooveel nutteloos te verkwisten ? komt dan al de tijd dien wij aan onszelf wijden ons inderdaad toe? gevoelen wij dan niet behoefte aan een menschelijkheid, die alle grenzen der overlevering overschrijdt, — aan een menschelijkheid. die onze verbroedering met de armsten en onaanzienlijksten in de praktijk van ons dagelijksch leven tot waarheid maakt? De hoogere wet is in waarheid het gewone doen en denken der menschen vooruit, en staaf er verre boven.
De menschen hebben geen flauw begrip van de plichten, waaronder zij in werkelijkheid staan. Zij zijn te vreden met den gemiddelden maatstaf der moraliteit. Zij zouden de slavernij niet verdedigen, o ! neen; maar wat in de slavernij verkeerd is, maakt alles verkeerd wat.het vrije streven van ieder individu naar het hoogste en het beste verhindert of onmogelijk maakt. De hoogere wet is strijdig met de heerschende loonwet, en ik hoop, dat er strijd en oneenigheid tusschen die beide mag zijn, totdat de hoogere wet erkend en aangenomen is; de hoogere wet is strijdig met de onderworpenheid der vrouw, met de meening, dat zij slechts een gezellin en helpster van den man is ; strijdig met elke huishouding, waar een persoon bestaat, die enkel te dienen heeft en een andere die alleen bediend wordt; zij vordert een algemeene toepassing van den regel van achting en eerbied tegenover den mensch.
Want de hoogere wet is niet een schoone bespiegeling, waaraan men zich in ledigheid over kan geven. Zij verlangt een hooger leven. Wanneer wij tot een gedachte geraken, die boven het gewone, dagelijksche verheven is, dan stelt die gedachte ons den bepaalden
84 IS ER EE.V HOOGEBE WET?
eisch, ons leven tot een hoogeren trap te verheffen, en ook het onze tot den vooruitgang der wereld bij te dragen. Wanneer wij ooit gedachten hebben, die onlust en onrust veroorzaken, zoo laten wij ons zeiven niet voor ongelukkig houden, maar voor gelukkig, want daardoor eert ons de geest van vooruitgang en geeft ons het eerste voorgevoel van het werk, dat hij voor ons bestemd heeft. Ontevredenheid over onvervulde persoonlijke wenschen en behoeften zal men nooit edel kunnen noemen; maar ontevredenheid met ons zeiven en ons leven, mot het oog op gedachten en aandriften, die door een idee worden opgewekt, welke ons tot iets hoogers oproept, — daarin ligt iets, dat bijna heilig is. Iedere opwekking van een dergelijke ontevredenheid beteekent, dat wij in de wereld, zooals zij is, niet werkelijk thuis zijn, dat wij in zekeren zin een beter tehuis hebben en tot een andere orde van dingen behooren.
Het hart heeft een soort van fijn instinct voor het goede, evenals het aardrijk zich met een stomme instinctmatige, beweging naar het licht en de warmte van de zon keert. Er zijn menschen, die ons zeggen, dat het niet goed is, onze idealen te hoog te spannen : dit zou ons voor het leven, zooals \'t is, ongeschikt maken. Zij vergeten, dat het niet onze taak is, het leven te nemen, zooals \'t is, maar onze plicht het te veranderen. Om met volkomen eerlijkheid en achting voor zichzelven te handelen, zei iemand, die aannam dat men in de politiek zijn handen niet rein kon houden, moest men altijd in een reine atmospheer leven, en de atmospheer van de politiek is onrein. Maar moet men dan zijn atmospheer maar zoo als iets gegevens
IS ER EENquot; HOOGERE WET? $5
aannemen zonder te weten, dat men zelf een factor is in haren toestand ? Een mensch met een te fijn gevoel voor het goede, met een te hoogen maatstaf van handelen zegt Herbert Spencer, zou \'t leven haast ondragelijk en onmogelijk kunnen vinden. Onmogelijk, neen — behalve in die zeldzame gevallen, wanneer \'t om gewichtige redenen beter ware, niet te leven. Maar ondragelijk ? Ja, en de overtuiging, dat dit zoo is, moest juist een aansporing zijn, om het leven dragelijk te maken. Is er ondragelijk onrecht ? Dan willen wij het omverwerpen. Zijn er ondragelijke toestanden ? Dan zullen wij er tegen opstaan.
Hij denkt ie zeer aan eigen lot Te weinig aan zijn plicht,
Die \'t niet op \'t spel te zetten durft En \'t zoo juist winnen wil. i)
Maar met volle overtuiging geloof ik, dat, als de gedachte aan een hooger goed ons bezielt, wij het evenmin verspelen als verliezen kunnen. De wereld is bestemd dien weg te gaan, dit is hare geaardheid, haar natuur, en iedere poging, iedere gedachte is slechts een nieuw begin, een nieuwe drang naar] die beweging naar omhoog. Het eenige, wat in deze Wereld mislukt, is het onrecht. Dat gaat zeker te gronde, al trekt het ook menschen en volken met zich, al stort het ze allen in \'t verderf. Het goede is datgene, wat blijft bestaan. O ! soms denk ik, als er eens een volkomen rechtvaardige maatschappij bestond, dan zou zij nooit ten onder gaan, de elementen zouden liefelijk
1} Marquis van Montrose (1612—1O50).
86 IS ER EEN HOOGERE WET?
jegens haar gezind zijn, de aarde zou haren ondergang uitstellen om haar te eeren, en wanneer die vreeselijke gebeurtenis ooit mocht plaats hebben , zoo zou die goddelijke maatschappij naar een gelukzalig eiland verplaatst worden, »dat eeuwig vruchtbaar is, vol reinen levenslust en niet door stormen verontrustquot;—en met onsterfelijkheid begenadigd worden. Maar \'t zij dit zoo is of niet — wij behooren tot zulk een maatschappij. De hoogere wet, die in ons weerklinkt, is een bewijs, dat wij tot een anderen staat behooren, dan dien waarin wij leven, tot een goddelijk gemeenebest; en de mensch moet aan dit hoogere burgerschap gedachtig zijn, als hij door de straten van zijn aardsche stad wandelt; het moet hem staande houden, terwijl hij daar wandelt en hem terughouden van alles wat ongepast, laag en gemeen is. Leugen is niet de wet van die ideale samenleving, en daarom mag hij niet liegen; eer staat daar boven winst, daarom moet zijn eerste gedachte zijn, rein te blijven; zelfzucht wordt daar niet door zelfzucht overwonnen, daarom moet hij in een element van onzelfzuchtige liefde leven; het eenige, wat hij nu mag hebben, waarvoor daar geen plaats is, is afkeer van en tegenzin in \'t onrecht; en zelfs deze kunnen geen bestendige gewoonten in hem worden, want ze bestaan alleen met het doel al \'t onrechtvaardige ter zijde te stellen; en als dat oogenblik ooit mocht komen, dan zou vreugde, zaligheid en stille eerbied de plaats van al \'t andere innemen. Mij dunkt, de heerlijkste onderscheiding, waarnaar de mensch zou kunnen trachten, is, te handelen, niet overeenkomstig onze armzalige wetten en overleveringen, maar volgens de hoogere, meer volkomen wet. die wij
ISquot; ER KEN HOOGERE WET? 87
slechts in ons eigen binnenste erkennen, als burger van een ideaal rijk hier te leven.
Dat rijk bestaat nog niet; alleen de voorstelling en de wet er van zijn in ons, het rijk zelf moet eerst geboren worden. Wij moeten dat rijk scheppen; wij weten niet of \'t ergejns anders dan hier verwezenlijkt zou kunnen worden. Een groote verantwoordelijkheid tot scheppen rust op de menschheid en op ons naar ons vermogen voor deze taak. Om zoo goed te zijn als onze vaderen, zeide Phillips, moeten wij beter zijn. De plichten van hunnen tijd waren nieuw voor hen; laten wij niet verbaasd zijn, wanneer er voor ons en de toekomst plichten zijn, van welker bestaan de menschheid nog geen denkbeeld had. De plicht is als de waarheid, wij zijn altijd bezig naar haar te zoeken. De grondbeginselen, de groote wetten mogen oud zijn, huune toepassing, hunne praktische beteekenis voor ons leven is altijd nieuw.
Nieuwe wegen leeren nieuwe plichten.
Oude goed\'ren laat de tijd verouden.
Opwaarts, voorwaarts moet gij altijd streven,
Met de waarheid in één spoor u houden.
V.
HET ABSOLUTE IN DE ZEDELEER.\'
Volgens velen is, geloof ik, de moraal alleen een zaak van subjectieve meening. De een denkt, dat dit waar is, de ander houdt weer dat voor waar, en beiden, zegt men, hebben hetzelfde recht voor hunne meening, beiden zijn even dicht bij de waarheid, want hier is geen andere waarheid te vinden dan alleen, dat wat een ieder voor zich denkt.
Ik stel nu de ernstige vraag, of zulk een beschouwing ons, als leden eener ethische vereeniging eenige-rlei basis geeft, waarop wij kunnen staan. Het beste, wat wij voor ons konden aanvoeren, zou dit zijn, dat wij in een zekere denkwijze toevallig overeenstemmen, zonder er evenwel aanspraak op te maken, dat deze denkwijze der waarheid meer nabij zou komen dan een andere. Men versta mij niet verkeerd. In zekeren zin kunnen wij ons nooit boven onze eigen
HET ABSOLUTE IN DE ZEDELEER.
meening verheffen; maar wij kunnen gelooven, dat deze meening met een buiten haar staande waarheid in harmonie is, dat ze een weerspiegeling van die waarheid is en ons die slechts voor den geest brengt. Dit is de bron van \'s menschen vertrouwen op zijn overtuiging.
Galilei geloofde, dat zijn meening over de aarde en de zon niet alleen zijne meening was, maar met de waarheid en de feiten der natuur overeenkwam. Evenzoo berusten onze zedelijke inzichten op de stilzwijgende onderstelling, dat er op iederen bijzonderen tijd en elke bijzondere plaats goede handelingen bestaan, en onze standvastigheid in \'t handhaven dier inzichten gaat geheel uit van het geloof dat zij aan dien idealen maatstaf beantwoorden. Als wij zoover kwamen, er aan te twijfelen, of er een ander recht kon zijn dan dat hetwelk onze opinie schiep en wij dus zouden toegeven, dat de meening van ieder ander even goed was als de onze, dan zou ons vertrouwen op onze eigen overtuiging en onze ijver er voor weldra afnemen, zoo niet geheel ophouden. Juist het bewustzijn, dat mijn gedachte iets in zich sluit, wat niet mijn gedachte is, is \'t, wat mij den moed geeft, haar vast te houden — hetgeen ook geldt van het geloof van den man van wetenschap dat zijn formule een waarheid of een wet der natuur weergeeft. Nemen wij voor een oogenblik eens aan, dat de man van wetenschap in staat ware zijne formulen zoo op te stellen als hij wilde, dat hij zich niet bewust was, van de noodzakelijkheid harer overeenstemming met de waarheid, zooals die buiten haar bestaat, — klaarblijkelijk zou er dan in geen enkele zijner stellingen iets zijn, dat waarde bezat, en het zou, voor
90 HET ABSOLUTE IN DE ZEDELEER.
zooveel hem aanging met de wetenschap gedaan zijn. Alle algemeene uitspraken van de wetenschap zijn slechts een vaststellen voor het bewustzijn van datgene wat ook buiten het bewustzijn waar is, en zij zouden even goed waar zijn, al bestond er in \'t geheel geen bewustzijn. De waarheid der zwaartekracht hangt niet van onze ontdekking er van af, zoo min als de waarheid, dat de chemische elementen zich in regelmatige verhoudingen met elkaar verbinden, of welke waarheid ook op het geheele gebied der stoffelijke natuur.
Zoo is de vraag, of er iets absoluuts in de moraal is, — dat is, iets vaststaands, wat niet wij tot iets onwrikbaars maken, wat nooit verandert, al veranderen wij ook — feitelijk de vraag, of er een wetenschap der zedelijkheid bestaan kan. Want, wanneer zedekunde niets meer is dan de van elkaar afwijkende begrippen van de men-schen over het handelen, van de oudste tijden af tot op het tegenwoordige, dan hebben wij in de samenstelling en rangschikking dier meeningen niet meer een wetenschap der zedeleer dan wij een wetenschap der astronomie zouden verkrijgen door de samenstelling en classificatie van al de meeningen der menschen over de hemellichamen, van Homerus\' tijd tot op heden. Wetenschap is niet een opsomming van meeningen, maar alleen van die meeningen, welke waar zijn; en indien men de ethiek berooft van de gedachte van een maatstaf, die van de wisselende, zedelijke overtuiging onafhankelijk is, zoo is een wetenschap der ethica niet mogelijk.
Maar \'t is gemakkelijker vragen te doen, dan ze te beantwoorden; en indien men onder zedelijkheid slechts de werkelijke handelingen van den mensch verstaat, dan
HET ABSOLUTE IN DE ZEDEI.EER. 9!
hebben wij klaarblijkelijk onze vraag ontkennend te beantwoorden en te zeggen, dat er op zedelijk gebied niets absoluuts bestaat: omdat de handelingen van den mensch zich naar alles, alleen niet naar een vast, onveranderlijk voorbeeld gericht hebben. De menschenkinderen hebben aan al de verschillende met elkaar in tegenspraak zijnde hartstochten hunner natuur toegegeven. Zij hebben gehaat en bemind, zijn wreed en goedhartig, valsch en trouw geweest, en er is nauwelijks een kwaad of een deugd te bedenken, waarvoor in hun leven geen voorbeeld is aan te wijzen. Als er ooit een wet opgevolgd is, dan is \'t eerd ïr zulk eene, welke tegenover de moraal staat, dan eene die haar te voorschijn doet treden, namelijk de wet, volgens welke een ieder zijn eigen belang, zijn eigen lust najaagt. Freeman verhaalt ons, dat bij de oude Frankische spelen, duizenden krijgsgevangenen in de amphitheaters aan de wraak van wilde dieren werden overgeleverd. Gregorius, de kerkgeschiedschrijver, bericht van een Duitschen hertog, die zich er mee vermaakte een lijfeigene de haren uit te trekken; diens tranen brachten zijn gebieder in de hoogste verrukking. Er moge een gelijkvormige, psychologische wet bestaan, volgens welke de menschen gehandeld hebben, n. 1. dat ieder doet wat hem het begeerlijkst schijnt, of wat hem \'t aangenaamst, \'t genotvolst is. Maar deze wet heeft geen zedelijke beteekenis, daar er volgens haar evengoed zedelijke als onzedelijke handelingen volbracht worden. Geen gelijkvormige zedelijke wet is in het feitelijk gedrag der menschen te ontdekken.
Doch onder zedeleer hebben wij waarlijk niet te verstaan, wat de menschen doen, maar datgene, wat zij
52 HET ABSOLUTE IN UE ZEDELEER.
gevoelen, te moeten doen. Wij moeten wel degelijk een onderscheid maken tusschen dat, wat de menschen doen, en gaarne doen, ja wat zij met genoegen verrichten of aanschouwen, en datgene, wat zij uit een zedelijk oogpunt goedkeuren. Wanneer wij aan Tschingiskhan denken, die zijn eerste overwinning daarmee vierde, dat hij zeventig gevangenen in ketels vol kokend water wierp, of aan Timur die 100,000 Indische gevangenen neersabelde en op de rookende puinhoopen van Bagdad een py rami de van 90.000 menschenhoofden oprichtte, of aan Attila, die zeventig steden geheel uitroeide en vernietigde, dan kunnen wij ons toch moeielijk voorstellen, dat zij \'t voor recht hielden, deze gruweldaden te plegen, noch aan den anderen kant, dat zij wisten dat het onrecht was; waarschijnlijk gaven zij zich eenvoudig aan den barbaarschen drang van hunne natuur over, zonder dat in de een of andere richting een geweten in hen ontwaakte. Zulke uitbarstingen van wreedheid zijn waarschijnlijk evenmin vergezeld van een zedelijk gevoel, als een aardbeving of de uitbarsting van een vulkaan. Als ons dus van de bewoners der Tonga-eilanden verhaald wordt, dat zij diefstal, wraak, vrouwenroof en moord in vele gevallen niet voor een misdaad houden, zoo bewijst dit niet, dat het geweten ons dikwijls op een dwaalspoor voert, maar dat het dikwijls in \'t geheel niet voert, of liever, dat er geen geweten voorhanden is.
Het geweten is voorzeker een ontwikkelingsprodukt, en er moet een tijd geweest zijn, toen er nog in \'t geheel geen begrip en gevoel van recht en onrecht was; dat een gevoel niets zegt, als \'t niet voorhanden
HET A11S0LUTE IN DE ZEDEI.EEP,
is, levert zeker nog geen bewijs, of zelfs geen grond van vermoeden, dat het niet te vertrouwen zou zijn, als \'t wel voorhanden is.
Dat een blindgeborene geen gevoel voor kleuren heeft, is geen reden cm cr aan te twijfelen, of hij ze zou knnnen onderscheiden wanneer hij eenmaal ziende werd. En evenals reizigers ons van volksstammen zonder godsdienst verhalen, zoo spreken zij ook van volken zonder geweten. De Tasmaniërs zijn van alle zedelijke voorstellingen of gevoelens ontbloot. De Australiërs hebben geen begrip van het goede en het rechtvaardige; hun eenig proefmiddel voor het hun betamende is in vele gevallen dit, of zij door hun aantal of door hunne kracht sterk genoeg zijn, de wraak dergenen te trotseeren, die zij uitdagend of beleedigend mochten bejegenen. Een geweten, zegt Burton, bestaat in Oost-Afrika niet, en berouw drukt slechts den spijt uit over een ongebruikt gelaten gelegenheid tot groote misdaden. De Tongas hebben geen woorden welke de begrippen uitdrukken van: deugd, gerechtigheid, menschelijkheid, noch voor de daar tegenoverstaande, als: ondeugd, ongerechtigheid, wreedheid. Lubbock zegt, dat hij zich geen enkel voorbeeld herinnert van een wilde, die ooit over iets berouw zou hebben getoond. Bij afwezigheid van het zedelijk gevoel volgen de wilden eenvoudig hun instinct of vragen naar hun eigen voordeel. Wanneer de heer Ellis, een zendeling, ons verhaalt, dat hij\' zich niet herinnert gedurende zijn verblijf op de Tahiti-eilanden onder de daar wonende vrouwen, die, toen de afgodendienst er nog heerschte, moeders waren geweest, er ook maar eene gevonden te hebben, die hare handen niet met het bloed van
93
94 HET ABSOLUTE IN DE ZEDELEER.
haar eigen kind had bezoedeld, dan zou\'t toch dwaas zijn, zich te verbeelden dat eenigerlei zedelijke goedkeuring met deze handelingen gepaard ging; en het motief, waarom deze moorden werden begaan, wordt ons duidelijk, wanneer wij hooren, dat meisjes meer gedood werden dan jongens, omdat zij bij \'t visschen en in den oorlog van minder nut waren. Wanneer dus de oude Spartanen hun jonge krijgers er toe overhaalden, op de Heloten te loeren en die verraderlijk te vermoorden, om zich te oefenen, dan is dit niet zoozeer een bewijs van een verdorven geweten, als wel van de afwezigheid van eenig geweten in hunne gevoelens tegenover hunne slaven, welke naar hunne meening niet meer recht hadden dan de dieren. Evenzoo, als de Sioux-Indianen bij hunne dansen en feesten hunne heldendaden in het stelen, plunderen en zelfs moorden als heerlijke dingen prijzen en het de hoogste eerzucht van een jong krijger- is, zich van de vederen meester te maken, die alleen ten teeken dienen, dat men iemand vermoord heeft, en bij die eerste veer nog zoovele mogelijk aan zijn hoofdsieraad toevoegt: dan schijnt het hier heerschende gevoel enkel bewondering van kracht en dapperheid te zijn ; en kracht en dapperheid zijn tegenover zwakte en lafheid bewonderingswaardig; dit was, naar \'t schijnt de eenige tegenstelling die hunne wilde gemoederen rnaken konden. Wij bewonderden tegenwoordig zulke kracht en dapperheid niet, alleen omdat wij hoogere deugden kennen, n.1. de achting voor het menschelijk leven en het gevoel van zijne heiligheid, en wij verlangen, dat men vooral deze deugden betrachte. Ik twijfel er aan, of er ooit iets door een wilde werd bewonderd, wat niet juist
HET ABSOLUTE IN DE ZEDEI.EER 95
in dat opzicht, dat zijn bewondering opwekt, bewonde-rings waardig was. Ik geloof niet, dat een wilde ooit het plunderen op zichzelf bewonderde ; hij bewonderde de sterkte en de dapperheid die er toe noodig waren. Ik geloof niet dat hij den diefstal op zichzelf bewonderde ; hij bewonderde de handigheid er van. Lubbock zegt, dat hij niet kan gelooven, dat moord en diefstal ooit op zichzelf voor deugdzaam werden gehouden, ofschoon zij ongetwijfeld, bij afwezigheid van het zedelijk gevoel, het middel waren om zich te onderscheiden en daarom niet met afkeuring werden beschouwd. Op dezelfde wijze kan men de zeerooverij beschouwen, die, zooals men zegt, de oefening, het beroep, de roem en de deugd der Skandinavische jeugd was. De eerste vorm der deugd was kracht of dapperheid. Dit verklaart ook op natuurlijke wijze de omkeering van de zedelijke onderscheidingen bij die wilde stammen, die den diefstal als een deugd aanzagen en den dief slechts dan bestraften, als hij zich liet ondekken. Uit het oogpunt van den wilde bestond enkel de tegenstelling tusschen handigheid en stumperachtige linksheid; en wanneer andere overwegingen niet in aanmerking komen, kan het de vraag niet zijn, welke van die beide hooger staat. Hetzelfde kan van de list van Odysseus gezegd worden, welke in de vroegste tijden der Grieksche beschaving zoo bewonderd werd; en wanneer wij aannemen, dat er toenmaals slechts een zwak bewustzijn van hoogere deugden bestond, dat de eenige tegenstelling, die gemaakt werd, die was tusschen list en gebrek aan list, tusschen handigheid in het najagen van zijn doel en onbekwaamheid in het bereiken van dat doel: dan zie ik niet, hoe
96 HET AliSOI.UTE IN DE ZEDEI.EER.
wij kunnen weigeren toe te geven, dat Odysseus\' list waarlijk bewonderenswaardig was.
Het absolute van de moraal wil niet zeggen dat de mensch altijd een geweten heeft gehad, of dat hij altijd de hoogste dingen heeft gebillijkt; indien dit zoo was, zou er niets absoluuts in de zedeleer zijn. De mensch is langzamerhand tot de erkenning van recht en onrecht gekomen, er moet een tijd geweest zijn, dat hij die kennis niet bezat; op dezelfde wijze, als hij zich tot de kennis der hem omringende wereld ontwikkeld heeften er een tijd was, dat hij niets meer wist, dan wat zijne onvolkomen ontwikkelde zintuigen hem onmiddellijk deden waarnemen, Geen enkele waarheid der wetenschap verliest hare kracht omdat zij niet altijd bekend was, of omdat, toen de menschen voor \'t eerst de waarheid opspoorden, zij die slechts onvolkomen begrepen ; het is genoeg, dat toen zij naar de waarheid zochten, zij die in zekere mate vonden, dat het verstand niet hopeloos in hersenschimmen verstrikt is. En zoo is \'t ook genoeg, dat de menschen, als zij naar het goede zochten, dat ook in zekere mate gevonden hebben: en wat de meeningen en zeden betreft, die zich zonder betrekking op zulk een doel hebben gevormd, ik zie niet in, dat de verdediger van de absolute zedeleer daar eigenlijk iets mee te maken heeft. Ik heb alleen op die voorbeelden uit een »vóór-zedelijken« tijd en uit het leven der wilden van den tegen woord igen tijd gewezen, om aan te toonen, wat ik niet onder het absolute van de moraal versta, m. a. w. om de verwarringen en misverstanden uit den weg te ruimen, die op den drempel van ons onderwerp liggen. Hebber, de menschen, vol van de hooge gedachte, te doen, wat recht
llliï ABSOLUTE IN DE ZEDELEER. 97
is, ooit goedgekeurd wat onrecht was? — dat is alleen de vraag, welke voor den verdediger der absolute zcde-leer van belang is. Meeningen, die toevallig ontstaan zijn of voortkwamen uit hartstocht of eigenbelang alleen, of zelfs uit het belang van de familie of van den stam, waarmee het belang van elk individu noodzakelijk kan zijn verbonden — zulke meeningen vormen geen zedelecr en gaan den leeraar der moraal niet aan. Zedelijk is dat, wat wij doen, gedrongen door de gedachte, dat wij \'t moeten doen, en ik twijfel er aan of er ooit een mensch was, die, zich verheffende tot deze hoogere sfeer van zijn wezen, niet in zekere mate gedaan heeft, wat goed was.
De meeste moeielijkheden bieden die gevallen, welke met den godsdienst in verband staan. De godsdienst schijnt alles, wat hij omvat en beheerscht, te heiligen. De aanhanger van een godsdienst neemt alles als hoogste wet aan, wat deze godsdienst hem beveelt. Nu zijn er zeker voorbeelden van godsdiensten die hunne aanhangers bevolen hebben te doen, wat onrecht was, waarbij deze hebben gehoorzaamd met een gevoel, dat zij — in dezen zin — hun plicht deden! Ik heb reeds van zooveel barbaarschheden verhaald, dat het geen aangename taak is, haar getal nog te vermeerderen; maar enkele voorbeelden moet ik toch aanvoeren. Er is in Indië een sekte, Thugs genaamd, die den sluipmoord als een godsdienstige handeling beschouwen. De Isra-ëlitiesche stammen richtten onder leiding van hunnen strijdgod Jahwe ontelbare slachtingen aan onder de stammen van Kanaan ; en dikwijls gebeurde \'t, dat een veldheer, die op bevel van dezen god handelde, zooals Mozes,
7
98 HET ABSOLUTE TM DE ZEDELEER.
na een barbaarsche overwinning verwijtend vroeg: waarom hebt gij alle vrouwen in \'t leven gespaard ?quot; waarop hij dan beval, alle gehuwde vrouwen en moeders te dooden en de andere vrouwen onder de soldaten te ver-deelen 1). Jezus wist, dat er eens een tijd zou komen, dat degene, die zijne discipelen zou dooden, meenen zou daarmee Gode een dienst te doen 2). En Paulus dacht vóór zijn bekeering, dat hij tegen den naam van Jezus van Nazareth veel vijandigs plegen moest 3). En behoeven wij nog van het onrecht en de gruwelen te spreken, die van de christelijke kerk zelve zijn uitgegaan tegen ketters en ongeloovigen — alles in het geloof. God er een dienst mee te doen? De Frankische koning Clovis zette na zijn bekeering den zoon van Sigibert aan, zijn vader te dooden, liet daarop den zoon ombrengen, en doodde nog vele andere koningen, zelfs zijn naaste, bloedverwanten, — en de bisschop Gregorius zegt van hem: »God liet hem alle dagen zijne vijanden in handen vallen en breidde zijn rijk uit, omdat hij met een oprecht hart voor God wandelde en alles deed, wat welgevallig was voor zijn aangezicht.quot; En behoeven wij aan de bloedbaden van de Albigenzen en aan de Inquisitie te herinneren? Er is bijna geen misdaad of geen handeling van verraad, die niet door de kerk geheiligd is geworden: herhaaldelijk hebben pausen verklaard, dat er geen verplichting bestaat om tegenover ongeloovigen zijn woord te houden.
Doch bij al deze gevallen ontstaat de vraag: wat is
1) Numeri 31 : 15—18,
2) Joh. 16 : 2.
3) Handelingen 26 : 9.
HET ABSOLUTE IX DE ZEDELEER. 99
de heerschende gedachte geweest ? Is \'t deze geweest, eenvoudig recht te doen, zonder rekening te houden met persoonlijke beweegredenen, met vrees of gunstbetoon, of is \'t deze geweest, iemand te behagen of het belang van een bijzonder persoon of van een klasse te dienen? Of, nog dieper gaande, kunnen wij vragen: wat is de oorsprong van den godsdienst? Is hij slechts de gepersonifieerde of geïdealiseerde gedachte van den mensch aan datgene, wat behoort te zijn, of is hij een zeker middel, waardoor hij zijne eigene belangen hoopt te bevorderen ? Mij dunkt, niets kan voor den onderzoeker van de oudste geschiedenis van den mensch duidelijker zijn, dan dat de godsdienst en zedeleer in hunnen oorsprong geheel verschillend zijn, en dat de godsdienst — zoo men dit godsdienst noemen mag — slechts een instelling was, om gevaar af te weren of voordeel te behalen voor zichzelf of voor zijn stam. » Het is duidelijk,quot; zegt Lubbock, »dat de godsdienst tenzij alleen bij ontwikkelde rassen, geen zedelijke richting of zedelijken invloed heeft.quot; De godheden zijn eerder booze dan goede wezens. De godsdienst is een middel om hen te verzoenen en hunne gunst te winnen; wat ook tot dat doel noodzakelijk was, waren de geloovigen geneigd te doen. De Thugs geloofden waarschijnlijk, dat hunne godheid slechts door de terdoodbrenging van hen, die haar niet vereerden kon worden bevredigd. Dezelfde gevoelens beheerschten zonder twijfel de stammen van Israël in de oorlogen tegen de Kananieten, — in verbond met hunne eigene, natuurlijke vijandschap tegen degenen, die in \'t bezit van \'t land waren, dat zij begeerden. Ik betwijfel of Mozes, of over \'t algemeen een dier
loo HET ABSOLUTE IN DE ZEDEI.EEE.
helden van de hebreeuwsche sage zichzelf ooit ernstig heeft afgevraagd: wat is rechtvaardig? hoe moeten wij, zonder aan eenig eigenbelang te denken, onze mede-menschen behandelen ? Ik twijfel, of zij ooit dachten aan een gerechtigheid, die de grenzen van hunnen stam overschreed, of dat zij ooit tegen deze gedachte zondigden. Naar alle waarschijnlijkheid hadden zij alleen de belangen van hun eigen volk op \'t oog en wilden die, goed-of kwaadschiks, door alle natuurlijke en bovennatuurlijke middelen bevorderen. Toen Paulus geloofde, dat hij veel tegen den naam van Jezus moest doen, dacht hij daarbij aan trouw jegens dien ouden stamgod, — die wel is waar onder den invloed van de leer der profeten tot zekeren graad volmaakt en verzedelijkt, maar klaarblijkelijk nog niet tot een volkomen zedelijk wezen was geworden, daar hij aan de vervolging van de aanhangers van een nieuwen geloofsvorm zijn sanctie hechtte. Met is mogelijk, dat Paulus\' bekeering ter laatste instantie ontstond uit een verheffing van zijn gevoel van recht, dat opkwam tegen de trouw aan den godsdienst van zijn stam alleen. Kunt gij u voorstellen, dat koning Clovis of de bewerkers van de Inquisitie zichzelf de vraag zouden hebben voorgelegd: wat zullen wij met een rustigen, ernstigen geest bezield, doen ? Weten wij niet, dat het in \'t eene geval slechts heerschzucht en in het andere slechts hartstocht voor de kerk en den god der kerk was, wat hen zoo deed handelen ? Zij wisten, dat, indien zij niet vervolgden, zij hunnen god zouden beleedigen en, dat, wanneer zij hun god beleedigden, er voor hen waarschijnlijk geen redding zou zijn, noch hier noch hiernamaals. Als \'t sluimerende geweten van een dier
HET ABSOLUTE IN DE ZEDELEER. ICI
katholieke inquisiteurs ooit ontwaakte, dan bleek dat niet uit een bijzondere rechtvaardiging, die hij voor zijn gedrag aanvoerde, maar enkel uit het feit, dat hij trachtte het te rechtvaardigen. Dikwijls openbaart zich bij een mensch de invloed van een geweten in hem niet in iets, dat hij doet, maar alleen in de verborgen bezorgdheid dat hij slecht gehandeld heeft en in een soort van poging het te doen voorkomen, alsof hij goed heeft gehandeld. En menigmaal misschien ontwaakt het geweten van den mensch nooit; het wordt geheel verteerd door een alles overweldigenden ijver voor zijn godsdienst of vaderland. Want de godsdienst van den mensch is dikwijls gelijk aan zijn patriotisme; evenals de patriotische dweper zegt: smijn vaderland... met recht of onrechtquot;, zoo zegt de godsdienstige dweper: smijn godsdienst, met al wat hij eischt, \'t heete recht of onrecht,quot; Beiden zijn even ver verwijderd van dien helderen, rustigen, onwrikbaren geestestoestand, waarbij men vraagt: wat is recht en wat is onrecht? Gij ziet hieruit, hoe geheel verschillend een religie der zedelijkheid van den godsdienst zou zijn, zooals hij gewoonlijk wordt opgevat. Godsdienst beteekent nog altijd voor vele menschen: de gunst van God te winnen. Op eenige godsdiensten heeft de zedelijkheid zeker meer of minder invloed gehad en zoo geven zij ons eenen god wiens gunst te bezitten van veel waarde is. Maar een religie der zedelijkheid zou uit een geheel ander motief haren oorsprong hebben: de eerste gedachte in de borst van haren aanhanger zou deze zijn : wat moet ik doen volgens \'t meest omvattende en volkomenste recht ? En haar god, — wanneer de namelooze macht, welke sde we-
102 HET ABSOLUTE INquot; DE ZEDELEER.
reld doordringtquot; ooit weer dezen bijzonderen naam zou verkrijgen — zou niets anders zijn dan de laatste en hoogste werkelijkheid, krachtens welke dit bewustzijn en de mensch en alle eindige dingen bestaan.
En daarom betwijfel ik, of een van deze voorbeelden aan den godsdienst, meer nog dan die aan het pa-triotisch fanatisme ontleend, in werkelijkheid de meening zou logenstraffen die ik heb uitgesproken: dat, wanneer een mensch oprecht vraagt: wat moet ik doen zonder acht te slaan op vrees voor of gunst van God of menschen? zijn antwoord in zekeren zin het rechte is. Natuurlijk, wanneer er geen voorstelling van het goede was, die boven den stam of de kerk of den god uitging, dan zouden de misdadigers, die wij aangehaald hebben, niet werkelijk verantwoordelijk zijn voor het onrecht, dat zij pleegden; ja, \'t was hun plicht, alleen volgens den hoogsten maatstaf van het recht te handelen welken zij kenden; niemand is verplicht tegen zijn geweten te handelen, zelfs wanneer dat hem gebiedt een moord te doen. Niettemin zouden wij zeggen, dat in zulk een geval zijn geweten geen waar geweten kon zijn, dat het niet overeenkwam met de volkomen maatstaf van het goede, waarmee alle gewetens in harmonie moesten zijn. Maar, in waarheid, het is twijfelachtig of de door ons beschouwde handelingen onder den drang van het geweten werden volvoerd; veeleer werden zij onder den blinden drang van godsdienstijver gepleegd. En godsdienstig fanatisme en geweten zijn, zooals hun geheele geschiedenis bewijst, geheel verschillende dingen.
Doch zelfs wanneer wij deze overtuiging niet konden verdedigen, wanneer er gevallen waren, waarin niet alleen
HET ABSOLUTE IN DK ZEDELEER. IO3
het godsdienstig gevoel, maar ook het zedelijk gevoel zelf in het verledene onmiskenbaar had gedwaald, zoo zou dit toch niet noodzakelijk ons vertrouwen op de tegenwoordige uitspraken van het zedelijk bewustzijn doen wankelen. Onfeilbaarheid schijnt aan geen enkel deel van onze natuur toe te behooren; onze zintuigen, ons verstand bedriegen ons somtijds, en toch gelooven wij ten volle dat zij in hunne normale functie betrouwbaar zijn. Wij houden er ons niet minder verzekerd van, dat de aarde rond is, omdat de menschen haar vroeger voor plat hielden, zelfs al waren ze bereid geweest^ voor deze overtuiging hun leven in de waagschaal te stellen. Mij dunkt, wij kunnen zeggen; wij zijn absoluut zeker, dat de aarde rond is, en zelfs indien wij daarvan niet absoluut zeker waren, zoo zou het feit zelf óf dit óf dat zijn, het kon niet beide tegelijk zijn. Kunnen wij dus niet absoluut zeker van enkele zedelijke beginselen zijn, en wel terwijl we geheel toegeven, dat in de erkenning van deze beginselen een ontwikkeling valt op te merken en soms ook een afval van die erkenning, zelfs nadat zij reeds verworven was ?
Alzoo is het bij een absolute zedeleer niet de vraag, of de mensch verandert, maar of de beginselen veranderen; de vraag is deze: zijn er onveranderlijke beginselen voor het menschelijk leven en handelen, onverschillig of dit laatste daaraan beantwoordt, of de menschen die volkomen kennen al dan niet? Nemen wij een beginsel, dat algemeen doorgedrongen is, dat van gelijkheid voor de wet b. v. of van ieders recht op persoonlijke vrijheid: — zijn wij niet overtuigd, dat iedere afwijking in dezen eene afwijking van het ware ideaal voor de men-
I04 HET ABSOLUTE IN DE ZEDELEEP..
schelijke samenleving zou zijn, dat, waar de belangen van maatschappelijke orde of beschaving zulk een afwijking schijnen te eischen, zulk een orde en beschaving niet zou deugen en vroeger of later te gronde moest gaan ? Zelfs wanneer onze zelfzuchtige belangen ons mochten verblinden, zooals bij de slavenhandelaars in Zuid-Amerika het geval was, en wij er zelfs toe gebracht werden, het kwaad, dat wij gesticht hebben te verdedigen en te rechtvaardigen, zou het daarom minder kwaad zijn, ofschoon, wij het niet langer als zoodanig beschouwden en geen levend wezen er dat oordeel over uitsprak? Zoo wordt het ons duidelijk, dat ons zedelijk gevoel recht en onrecht niet schept, evenmin als ons eigenbelang of onze begeerten dat doen, maar dat het die alleen vindt, evenals wij het oog voor de bewon-deringswaardige orde in de natuur ontsluiten, in het gevoel, dat niet zij, maar wij nu eerst optreden op het wereldtooneel. Het is hiermee juist, als met de voorwaarden der gezondheid. Gelooft iemand, dat hij deze naar verkiezing kan wijzigen, of dat zijne meeningen of begrippen daaromtrent hun wezen in het minste of geringste kunnen veranderen ? De voorwaarden tot het algemeen welzijn zijn even vast en onveranderlijk tegenover onzen wil en onze begrippen. Het algemeen welzijn is het hoogste doel der zedeleer; door iedere handeling of ieder verzuim bevorderen of verhinderen wij de bereiking van dat doel, en het is onze zedelijke plicht het steeds en in alles zooveel mogelijk te bevorderen en zoo weinig mogelijk te verhinderen. Wij weten niet altijd, wat ons te doen staat, de zedelijkheid is dikwijls een probleem voor ons; maar hiervan zijn wij
HET ABSOLUTE IN DE ZEDELEER. I05
zeker, dat het er niet om te doen is, volgens onze neigingen te handelen in het vertrouwen, dat zij de juiste richting zullen blijken aan te geven, maar dat het er op aankomt het goede en ware te erkennen en\' dat ten slotte alleen dat zal zegevieren. Er bestaat voor u en voor mij een levens- en handelwijze, wellicht in overeenstemming met onze omstandigheden en talenten eenigszins verschillend, die, wanneer wij haar steeds betrachtten, zou medewerken tot de komst van een tijd van algemeen welzijn, waarin het doel van het bestaan in iederen mensch verwezenlijkt zou worden.
Ik geloof, dat zij vaststaat, zoowel voor u als voor mij, en dat wij haar in letterlijken zin moeten opsporen als ware zij iets, dat door een andere hand dan de onze ons in de ziel was gelegd, iets, waarmee wij onze gedachten en ons leven in harmonie te brengen hebben. Dit vormt het ideaal voor een iegelijk onzer en het hoogste levensdoel is, dit te ontdekken en getrouw te volgen. Het wijst op een goed, \'dat buiten ons ligt, op een goed voor allen maar toch ook waarachtig voor ons in het bijzonder: ons heil ligt in het heil van allen; het spreekt tot ons niet door een openbaring van geweld of macht, maar alleen door zijn eigen zachte overredingskracht. Het is inderdaad onze eigen ware natuur, en wij dwalen en zijn ontrouw aan ons ware wezen, tot wij het gevonden hebben en volgen. Belemmert het den boom in zijn vrijheid, dat liij volgens een bepaalden vorm groeit? Wordt de vrijheid der bladeren beperkt, wanneer zij zwijgend aan een vasten regel van gratie en schoonheid gehoorzamen ? Neen, hun wil is één met de wet van hun bestaan. Ach! die van den mensch is
I06 HET ABSOLUTE IN DE ZEDELEER.
het zoo zelden; hij kent zijn waarachtig goed niet en zoo hij het kent, hecht hij dikwijls meer aan een goed van lagere orde. En toch kan de mensch een glorie deelachtig worden, welke die van bladeren en boomen en al het geschapene verre overtreft, hij kan zich zelf de wet stellen, die hij te gehoorzamen heeft, en haar zijn leven doen beheerschen. De mensch kan tot het doel der natuur vrijwillig medewerken — en dat kan het blad aan den boom niet; — hij kan tegelijk vrij zijn en de wereldorde dienen. De Engelsche dichter Tennyson spreekt van hetgeen hij als het ideaal van volkomenheid beschouwt, aldus;
„Onze wil is de onze, wij weten niet hoe,
Onze wil is de onze, geheiligd in U.quot;
Ik zou willen zeggen, het is de glorie van den mensch, dat hij een eigen wil heeft en dat hij dien wil toch in overeenstemming kan brengen met de eischen van een hoogste wet. Deze wet reikt verder dan alle jnensche-lijke wetten te zamen. Ik geef slechts in hoofdzaak de woorden weer van een uitstekend ekonoom. Prof. de Laveleye, die niet, gelijk zoovelen den idealen zin van zijne wetenschap miskent, — wanneer ik zeg, dat er in ieder moment der historie en in iederen maatschappe-lijken toestand een organisatie van staat en maatschappij denkbaar is, die het meest aan de zedelijke eischen van den mensch beantwoordt en zijn ontwikkeling het meest bevordert. Die organisatie, die orde vormt het rijk van het goede. De wetenschap is geroepen, haar te ontdekken, de wetgeving haar te sanctioneeren; iedere wet, die met die orde overeenstemt, is goed en recht-
IQ?
vaardig; iedere wet, die er tegen indruischt is slecht en onrechtvaardig. Die orde van dingen is zeer zeker niet altijd de bestaande; waarom zouden wij in dat geval een verandering daarin wenschen ? maar het is een zoodanige als tot het heil der menschheid moest bestaan. Een absolute zedeleer is slechts de wet van een sociale en politieke orde, waardoor het hoogste heil van het menschelijk geslacht zou verzekerd zijn. En zij zouden, dunkt mij, zedelijk het hoogst staan, die zonder op die bekrachtiging door de wetgeving en het voorbeeld van anderen te wachten, hun leven vrijwillig door die wet lieten beheerschen.
Doch indien er zedelijke beginselen zijn welker juistheid niet van onze beoordeeling afhangt, die aan ieder onzer overeenkomstig onze bijzondere omstandigheden en gaven, het ware levensideaal voorhouden en geenszins met onze vrijheid in strijd zijn, omdat zij alleen door onze vrijheid in ons verwezenlijkt kunnen worden, als er zulke beginselen bestaan, welke zijn het dan? Ik geloof, dat zij kunnen omschreven worden als gerechtigheid en liefde. Men zegt wel eens, dat de omstandigheden de plichten van den mensch wijzigen. Edmund Burke placht te zeggen dat de toestand van den mensch de leermeester is van zijn plicht. Maar zijn er omstandigheden, denkbaar, die het rechtvaardigen konden, dat iemand onrechtvaardig handelde ? Is er een of andere toestand waarin \'t onS geoorloofd is te haten ? Zeker niet; deze wetten hebben een onbepaalde, volstrekt algemeene geldigheid. Alle bijzondere plichten wijzigen zich; zij zijn slechts de toepassing van die algemeene wetten op de bijzondere, wisselende omstan-
IDS IIET ABSOLUTE IN DE ZEDEI.EEK.
digheden. De gerechtigheid kan eischen dat wij den eenen mensch beloonen en den anderen bestraffen; hen 0P gelijke wijze te behandelen zou zelfs onrechtvaardig kunnen zijn. De gerechtigheid kan er ons toe brengen, den oorlog te verklaren, of den vrede te bewaren, maar lichtzinnig een oorlog te beginnen of tot iederen prijs vrede te willen houden, zou tegen de gerechtigheid in-druischen. De gerechtigheid kan er ons toe leiden bij onze familie te blijven en voor haar onderhoud te zorgen, of ook haar te verlaten en tot verdediging van het vaderland onder de wapenen te gaan. Te erkennen dat de omstandigheden den aard van onze verplichtingen wijzigen, is volstrekt niet in strijd met het feit, dat er onder alle omstandigheden een absolute verplichting bestaat. De bewering, dat onze plicht zich met de omstandigheden wijzigt, is natuurlijk zeer voor verdraaiing vatbaar; een slecht mensch kan haar zoo uitleggen, dat hij vrij wel alles kan doen, waartoe hij lust heeft; maar wie oprecht is weet dat de plicht Zelf blijft bestaan en dat alleen zijne gedaante verandert. Evenzoo kan de liefde ons tot verschillende en geheel tegenovergestelde handelingen drijven. Uit liefde kunnen wij een armen man een aalmoes geven of weigeren, terwijl wij in beide gevallen niet naar luim, maar tot zijn bestwil handelen. Liefde kan ons dringen, de waarheid te zeggen of te verzwijgen, een belofte te houden of te breken, voor onze gezondheid te waken of haar vrijwillig op te offeren. Er is niets wat absoluut, d. i. qiets wat vast en onveranderlijk is in deze bijzondere eischen — de eenige absolute wet is die der liefde zelf. Men kan zich steeds door haar laten beheerschen.
HET ABSOLUTE IN DE ZEDEI.EER. I09
Gij kunt uw kind uit liefde beknorren, uw vriend uit liefde den weg afsnijden. Het is een van de sporen van menschelijkheid in de zangen van Homerus, dat twee vijanden aan het einde van een strijd nu en dan geschenken wisselen, ten teeken, dat zij niet uit haat, maar uit zucht naar roem gestreden hebben. Waarlijk, wanneer een daad uitzuiveren haat wordt volbracht, dan oordeelt zij zichzelf. Wij mogen het slechte haten, maar nooit mogen wij vergeten, dat een slecht mensch meer is dan zijn slechtheid; wij mogen zelfs een doodsvijand niet haten: al moesten wij hem in den strijd doo-den, wij mogen er geen genoegen in vinden.
Ofschoon er dus geen bepaalde daad denkbaar is, die altijd goed is, en geen bepaalde eisch, zooals » waak voor uw gezondheidquot; of »houd uw beloftequot;, waaraan altijd voldaan moet worden, volgt daaruit geenszins, dat de zedeleer geen absolute kracht zou hebben. Het absolute ligt in hare hoogste beginselen, die nooit verzaakt behoeven te v/orden en steeds ons richtsnoer moeten blijven. Wanneer ik aan een bijzonderen eisch van den plicht niet voldoe, mag dit nooit zijn, omdat eigenbelang of luim mij drijft, maar omdat ik aan een hoogeren, meer volkomen eisch van het beginsel gehoorzaam. Zoo het den schijn heeft, afsof er omtrent die bijzondere plichten eenige onzekerheid bestaat, dan zou ik een regel willen aangeven, waarnaar wij ons kunnen richten. Wanneer wij omtrent onzen plicht in twijfel zijn, laten wij ons dan afvragen; ben ik in twijfel, omdat ik heimelijk den wensch koester, anders te handelen, of omdat een waarachtig hooger beginsel dit schijnt te gebieden ?
Mijn eenige bedoeling is hier, u opnieuw en krach-
IIO HET ABSOLUTE IN DE ZEDELEER.
tiger op uw geweten te doen vertrouwen. Velen schijnen te gelooven, dat er in onze zedelijke natuur niets positiefs, niets werkelijks schuilt; zij meenen, dat plicht geheel van smaak en opvatting afhangt. Uit zulk een geloof wordt zeker geen heldenmoed geboren,- geen kracht, om de verzoeking te weerstaan; want welk bepaald kwaad ligt er in, aan de verzoeking gehoor te geven, wanneer er geen waarachtige maatstaf voor het goede bestaat? Is het geen dwaasheid heldhaftig te willen strijden, wanneer er geen onveranderlijk goed bestaat, waarvoor men strijden kan ? En toch heb ik er ernstig naar gestreefd duidelijk te omschrijven, wat ik onder dat absolute in de zedeleer versta. Niet de mensch is zedelijk steeds dezelfde geweest, maar de ware beginselen voor het menschelijk handelen, zij waren steeds dezelfde en wanneer de mensch belangeloos naar deze vraagt en zoekt, kan hij ze tot op zekere hoogte leeren kennen, \'s Menschen rede bereikt haar toppunt waar zij zich boven zichzelf weet te verheffen en\' wetten te ontdekken, die even waar en juist zouden zijn, indien zij niet ontdekt waren, wetten, die ouder zijn dan de menschelijke rede en zullen blijven bestaan en blijven werken, wanneer van menschelijke rede geen spoor meer zal te vinden zijn. Zulke wetten zijn alle natuurwetten. Het is zeker heilzaam, nu en dan uit onszelf uit te gaan, uit ons vergankelijk, zoo spoedig verwelkend ik en den polsslag van die oneindige eeuwige natuurbeweging te gevoelen, hare wetten te erkennen. Matthews Arnold noemt het een geruststellende, troostrijke gedachte voor den stervende, dat, hoewel hij den adem uitblaast, met hem niet de wereld
HET ABSOLUTE IN DE ZEUELEER.
11 I
vergaat, dat zij eeuwig blijft bestaan. Ik zou die gedachte willen overbrengen op eene andere orde van dingen dan die ons omgeeft, ik zou den stervende de gedachte aan de onsterfelijke beginselen willen ingeven. Ik zou er hem aan willen herinneren, dat de gerechtigheid niet sterft, omdat hij den adem uitblaast, dat de liefde niet ophoudt te werken, omdat de liefde van zijn hart weldra verdoofd zal zijn. Ik zou hem willen herinneren, dat, al hebben gerechtigheid en liefde tot nog toe niet algemeen ingang gevonden in de harten der menschen, dit het geval had moeten zijn, omdat daar hare plaats en hare beteekenis ligt — en dat zij het onveranderlijk ideaal bevatten, waarnaar het men-schelijk leven in de toekomst te streven heeft. Die vaste wetten schijnen aan dezulken, die ze gehoorzamen, iets van hun kracht mede te deelen als een bewijs, dat de mensch zoowel innerlijk als uiterlijk met een eeuwige orde van dingen verbonden is.
VI.
DE ZEDELEER VAN JEZUS.
Men heeft meermalen tegen de zedeleer van Jezus dc beschuldiging ingebracht, dat zij steeds op belooning uit is, dat zij niet van de menschen eischt, het goede te doen, omdat het goed is, maar omdat zij dan in een toekomend leven beloond zullen worden, terwijl zij in het tegenovergestelde geval gestraft worden. Zeker zijn er in het nieuwe testament plaatsen, die voor deze uitlegging vatbaar zijn. Jezus geloofde zonder twijfel aan toekomstige belooning en straf, en men dwaalt, wanneer men zich hem als een zacht, modern humanist voorstelt. Maar dat wil niet zeggen, dat hij zelfzuchtige motieven gebruikte, wanneer hij bij den mensch op zedelijk handelen aandrong. Het is iets anders te erkennen, dat het kwaad de wraak des hemels na zich zal zal sleepen, iets anders het kwaad te keeren uitsluitend of bij voorkeur door schrik aan te jagen voor die wraak.
Ik kan Jezus\' woorden niet in bijzonderheden beschouwen, maar veel schijnt mij toe verklaard te wor-
DE ZEDELEER VAN JEZUS. IIJ
Jen door het onderscheid tusschen den profeet en den eenvoudigen vermaner. Vele christelijke predikers hebben hunne hoorders door de voorstellingen van hemel en hel trachten te beheerschen en de zucht naar loon heeft de christelijke zedeleer gelijk zij in vroeger tijden gewoonlijk gepredikt is, veel schade berokkend. Maar Jezus was niet in de eerste plaats een prediker en vermaner. Hij was geheel en al een profeet, zooals wij, kinderen van het Westen, ons moeilijk kunnen voorstellen; hij treedt op als verkondiger en vertegenwoordiger van de hoogste wet. Wie smacht niet somtijds naar een rechtvaardiging van de wegen des Eeuwigen voor ons men-schenkinderen? Wien grijpt het niet in de ziel, wanneer hij ziet hoe de loop der dingen den onrechtvaardige en den onderdrukker begunstigt, ja een verbond met hem schijnt gesloten te hebben, terwijl het goede koud en onverschillig voorbijgegaan, zelfs vijandig behandeld schijnt te worden ? Wie heeft dan niet het gericht Gods aangeroepen en gevraagd : »Heer waarom verbergt gij uw aangezicht?.... Verlam den arm van den godde-looze en straf het kwaad.quot; De psalmdichter schilderde eens den vrome als een lam, dat liefderijk behoed en beschermd wordt door den herder, Jahwe. Wien zou het schoone en roerende van dit beeld niet treften; maar hoe zelden is het juist 1 Wij gelooven echter, dat het juist zou moeten zijn, dat in den diepsten grond de rechtvaardige boven den onrechtvaardige gesteld moet worden, en dat dit eens moet blijken. De profeet verdiept zich in dit vraagstuk, of liever hij tracht het op te lossen; en de oplossing, die Jezus gaf, heeft weerklank gevonden in de harten van duizenden en niet alleen tal
114
van lijdenden getroost, maar ook tal van twijfelmoedigen, voor wie het leven zonder die oplossing een hopeloos, ondoorgrondelijk raadsel zou zijn, gesteund en geschraagd. Alles wat ons zedelijk bewustzijn kwetst, zegt hij, zal weldra wijken; de wereld is niet werkelijk tegen den arme, den barmhartige, den rechtvaardige, den reine van hart — al schijnt het menigmaal zoo. Eens zal er een nieuwe dag aanbreken, waarop hun oog het Koninkrijk Gods zal aanschouwen en genade en zegen hun deel zullen zijn, terwijl den trotsche, den hoovaardige en den booze, naar recht, verootmoediging, schande en eeuwige smarten te wachten staan. Het koninkrijk der hemelen, dat was Jezus oplossing van het groote vraagstuk, de rechtvaardiging van de wegen Gods, het einde van de dwaalwegen dei-geschiedenis.
Wat in dit alles waarheid, wat dwaling is, gaat mij thans niet aan. Ik wil alleen trachten, deze taal historisch te verklaren. Niets is zoo gemakkelijk als van ons standpunt uit een oordeel te vellen over een geschiedkundig karakter, terwijl er voor niets zulk een onbevangenheid noodig is, dan om ons in zijn gedachtenkring en geestelijk leven in te denken en het van daar uit te be-oordeelen. Wanneer Jezus dus zegt: » Er is niemand die verlaat zijn huis of broeders of zusters om mijnent- of des evangelies willej die niet honderdvoudig terugontvangt in dezen tijd en in de toekomstige eeuw het eeuwige leven,quot; geloof ik niet, dat hij daarmee de menschen oproept of troost, maar hij verkondigt een wet en spreekt op joodsche wijze uit, wat volgens zijne meening, in de natuur der dingen moet gegrondvest zijn, hij doet en
DE ZEDELEER VAN JEZUS. 115
dit met te meer nadruk en kracht, nu de werkelijkheid daarmee schijnbaar in tegenspraak is. Wij hooren de discipelen, als Jezus de wisselaars met geweld uit den tempel uitdrijft het woord van den psalmdichter aanhalen : »De ijver voor uw huis heeft mij verteerd.« Wanneer in onze wereldsche dagen de beteekenis van zulk een hartstocht geheel tot ons doordrong, en de ijver voor God en de verheerlijking van de goddelijke wereldorde, die met het innig medelijden tegenover ongelukkigen een van Jezus\' hoofdbeginselen vormden, ons deel werd, dan zouden wij niet zoo spoedig beweren, dat Jezus\'zede-leer naar loon streefde. Wij zouden ons gevoel van ongeduld voor dezulken bewaren, die zijne woorden niet anders weten te gebruiken dan als verlokking of bedreiging, om de menschen op den rechten weg te houden.
Een andere bedenking tegenover de zedeleer van Jezus is deze, dat zij overspannen en onuitvoerbaar is. Hoe kunnen wij, heeft men beweerd, het kwaad niet wederstreven, iemand die ons op de eene wang slaat de andere toekeeren, wanneer men ons onzen mantel ontneemt, ook onzen rok geven en gewillig aan ieder leenen ? Druischen niet de wet en de staathuishoudkunde rechtstreeks tegen zulke voorschriften in ? Hoe lang zou een geordende maatschappij kunnen bestaan, wanneer deze voorschriften werden gevolgd ? Luidt niet de nieuwe leer der naastenliefde, niet te geven en te leenen dan alleen volgens ekonomische regelen ?
Ik geloof, dat er eenige verwarring in deze vragen heerscht. Jezus veroordeelt, naar ik meen, niet de zelfverdediging, maar hij doelt op het soog om oog en tand om tandquot; en op den geest der wedervergelding.
I 16 DE ZEDKLEER VAN JEZUS.
die daaraan ten grondslag ligt. Uit een oogpunt van zelfverdediging kunnen wij geweld gebruiken, om onzen persoon, ons eigendom of onze eer te beschermen. Uit dat oogpunt kan de eene natie of de eene klasse tegen de andere in opstand komen. Zulk een verdediging zou Jezus alleen veroordeeld kunnen hebben in verband met een voorstelling van de voorzienigheid, die niet langer de onze is. De wedervergelding is iets geheel anders. Ik ken geen wet der gerechtigheid, die ons veroorloven zou een slag met een slag of onderdrukking met onderdrukking te beantwoorden. Dat zou geen recht tegenover onrecht, het zou dubbel onrecht zijn. Het ware dan zeker beter, iemand de andere wang toe te keeren, en nog een mijl te loopen.
Trouwens de nieuwe begrippen omtrent naastenliefde, die gelukkig veld winnen, zijn met Jezus\' voorschriften niet in tegenspraak. Een naastenliefde, die alleen door berekening beheerscht wordt, verdient den naam van naastenliefde zeker niet. Wanneer wij op grond van een verkeerde opvatting van het beginsel, dat ieder zichzelf moet helpen, aan niemand langer hulp verleenen wilden, dan zouden wij niet vooruitgegaan zijn sinds het optreden der christenen, maar wij zouden tot de heidensche barbaarsch-heid terugkeeren. Wij moeten de oude gewoonte van het aalmoezen geven niet laten varen, omdat wij minder liefhebben of minder tot helpen bereid zijn, maar omdat wij meer liefhebben, omdat wij meer afdoende hulp willen verleenen, waardoor wij de armoede niet alleen tijdelijk verzachten, maar iets trachten te doen, wat haar in den wortel aantast. Wanneer onze naastenliefde alleen uit berekening en overleg voortkomt, wanneer het
DE ZEDELEER VAN JEZUS. 117
alleereerst ons doel is, hetgeen ons onaangenaam aandoet uit den weg te ruimen of aan het oog van het algemeen te onttrekken, dan kan men zeker van haar geen groote resultaten verwachten, zooals wij aan het gevoel van innig medelijden, dat Jezus beheerschte, te danken hebben. Dat gevoel heeft de menschheid alle eeuwen door gedreven, de zwakken en weerloozen te steunen, allerlei zegenrijke instellingen in het leven te roepen, aan de bestrijding van gebrek en armoede groote waarde te hechten. Alleen een herleving der liefde, nieuwe geestdrift voor de menschheid kan een diep ingrijpende hervorming tot stand brengen, — alleen een herleving van dat gevoel van teederheid, dat in Jezus leefde. Het moge door onze veranderde wereldbeschouwing, door ervaring en wetenschappelijke waarneming een andere wijze van uitdrukking hebben aangenomen, wanneer de kracht der liefde niet alles doordringt, zal zelfs de beste inrichting geen vruchten afwerpen. Geen kennis noch tact kan die liefde vervangen.
Jezus gebiedt den rijken jongeling, al zijne bezittingen te verkoopen en het geld aan de armen te geven. Laten wij ons niette spoedig tegen dit woord verzetten. Wij kunnen dat niet doen zonder groot gevaar voor onszelven. Want de echte geest, dien het ademt, is de eisch van volkomen toewijding. Volgens dit woord is er niets, wat wij geheel en al als het onze mogen beschouwen: alles, wat wij bezitten, moet ten zegen zijn. Ik heb een dieper geloof in den mensch, dan sommige ekonomen en sophis-ten, die de verhevenheid van dezen eisch ontkennen en hem tot het gewone peil van weldadigheid trachten te verlagen. Ik geloof, dat de mensch in het diepst van
I I 8 DE ZEDELEER VAN JEZUS.
zijn hart niet wil blijven staan, waar hij is, maar opgeheven wenscht te worden. Ik geloof, dat hij in staat is, om onzelfzuchtig alles wat hij bezit, zelfs zijn leven, te offeren, wanneer het hoogste van hem geëischt wordt. Wijsheid is zeer zeker noodig, maar er is een wijsheid, die uit zelfzucht geboren wordt en eene, die in den godsdienst zelf haar oor sprong heeft. Dezelfde handelingen kunnen in beteeke-nis hemelsbreed van elkaar verschillen. Ik kan een bedelaar een aalmoes weigeren, omdat ik onbarmhartig genoeg ben, om te meenen, dat ieder voor zijn eigen toestand uitsluitend zelf verantwoordelijk is, omdat ik geen medelijden ken. Maar aan den anderen kant kan ik het juist uit medelijden weigeren, omdat ik weet, hoe weinig die hulp zou baten, omdat ik liever eerst zijn behoeften wil leeren kennen, om hem dan meer afdoende te helpen. Dat zou zeker een geheel andere wijsheid zijn, die volstrekt niet in-druischt tegen het gebod van Jezus: !gt;Geef dengene, die het u vraagt en wend u niet af van dengene, die van u leenen wil.quot; Het gedachtelooze geven, dat de christelijke kerk slechts te zeer kenschetste, heeft zonder twijfel veel schade aangericht en doet dat nog. Zeker mogen wij het veroordeelen, mits dan ook een dieper en krachtiger geest van menschenliefde in ons ontwaakt zij, dan gewoonlijk van de kerk is uitgegaan.
Omtrent eene andere bedenking tegen de zedeleer van Jezus, waarvan ik niet begrijp, hoe een ernstig denkend man ze ooit kon maken, kan ik kort zijn. Ik bedoel deze, datjezus het familieleven geminachtzou hebben. Want dat hij de idee van het huisgezin en van den huwelijksband, die den grondslag daarvan vormt, steeds hoog hield, heeft hij in zulke strenge en verheven b:-
DE ZEDELEER VAN JEZUS. I IQ
woordingen u itgesproken, dat heden ten dage slechts weinige van zijne aanhangers ze kunnen doorstaan. Ik bedoel die, waar hij den echt voor onlosmakelijk verklaart, behalve alleen in geval van echtbreuk. Alleen de Katholieke kerk, die ondanks alle inmengselen van bijgeloof, het meest aan de oorspronkelijke, christelijke overlevering getrouw gebleven is, handhaaft deze opvatting. Maac het is vooral op eene minachting van de banden des bloeds, dat deze bedenking doelt. En inderdaad eischte Jezus van de menschen, dat zij broeders, zusters en ouders zouden verlaten, om hem te volgen. Hij wilde zelfs niet toestaan, dat een der discipelen zijn vader ging begraven, terwijl hij hem oogenschijnlijk eenigszins ruw toevoegde: »Laat de dooden hunne dooden begraven.quot; Hij kwam, zeide hij, niet om vrede te brengen, maar met het zwaard in de hand, hij zou den zoon tegen den vader en de dochter tegen de moeder doen opstaan en alzoo huisgenooten tot onderlinge vijanden maken. Toen zijn eigen moeder en zijne broeders hem wenschten te zien, wees hij zonder eenige warmte op zijne jongeren en sprak: »dit is mijne moeder en dit zijn mijne broeders.quot; Welnu, wanneer de zedeleer niets meer beteekent dan het in stand houden van den familieband, dan behoort Jezus zeker tot hare verachter-s. Maar wie durft beweren, dat er geen dingen zijn die zich boven de belangen van het familieleven verheffen ? Bestaat er geen gerechtigheid, die op voltrekking wacht, die zich even ver uitstrekt als het menschelijk geslacht en die alles, wat in onze tegenwoordige wetten en zeden ligt uitgedrukt, oneindig verre achter zich laat. Inderdaad, wie zich tegen de scheidingen in het familieleven verzet, die een on-
120
vermijdelijk gevolg van het christendom waren, hij ontkent den logischen gang, die alle machtige bewegingen der historie beheerscht en hij schaart zich onder de behoudenden. Ieder nieuw beginsel, dat de menschelijke gedachten doet gisten, is een beginsel van scheiding. Zij, die er zich mede vereenigen worden gescheiden van hen dieachterblijven, en wanneer het inderdaad zulk een verheven beginsel geldt als de gerechtigheid, dan moet iedere trouw tegenover iets lagers wijken. De mensch moet het beste kiezen; zonder dat heeft hij geen vrede met zichzelf, alle levensverhoudingen moeten daaraan dienstbaar worden gemaakt. Zoo deed Jezus waarlijk den zoon tegen den vader opstaan, want hij was streng en zonder aanzien des persoons in zijn eisch van onbepaalde trouw aan de zaak, die hij voorstond; hij voelde zich door een nauweren band vereenigd met dezulken, die zijne roepstem volgden dan met zijne aard-sche moeder en broeders. Geen godsdienst der toekomst zal zich waardig aan dien van het verleden kunnen aansluiten zonder een dergelijke scheiding te bewerken, zonder tegenover alle weifelenden en wankelmoedigen onbarmhartig op te treden en een band te leggen, die boven, zelfs tegenover iedere menschelijke vereeniging staat. Het pad van die toekomstige religie, waarvan wij zoo weinig weten, maar zooveel hopen, denkt zich menig jong, profetisch hart als met bloemen bestrooid. Ik geloof niet, dat dit het geval zal zijn, ik geloof niet, dat er minder zelfverloochening en onbezweken trouw, minder krachtige moed van ons geëischt zal worden. De menschheid heeft nog niet het tiende, zelfs niet het honderdste deel van haren weg afgelegd.
DE ZEDELEER VAN JEZUS. 121
Wij vergelijken ons met het verleden, met het oude Christendom en de middeleeuwen, wij moesten ons echter veeleer met het denkbeeld van volkomenheid meten en er ons van bewust worden, welke groote, bijna onmetelijke afstand nog afgelegd moet worden. Het doel ligt op een ver verwijderde hoogte en de weg daarheen is niet gemakkelijk maar ruw en steil en menig gevaar dreigt van ter zijde. Voelen wij ons tot nieuwen arbeid, tot een heerlijker doel, tot strenger plichtsbetrachting geroepen, of willen wij rustig blijven, waar wij eenmaal zijn? De beantwoording van deze vraag zal beslissen, of wij al dan niet kinderen van een nieuwen tijd genoemd mogen worden.
Ik kom nu tot eenige trekken in de zedeleer van Jezus, die zulk een duidelijke positieve waarde hebben, dat er zeker zelden bedenkingen tegen ingebracht zijn. Ik zal niet trachten een vergelijking tusschen hem en Sokrates, Sakya-Mouni of Confucius te maken. Dat is een moeilijke en gevaarlijke taak, die alleen ondernomen moest worden door iemand met een zoo groote mate van historische kennis, warmte en verbeeldingskracht, als zij, die deze taak zoo snel aanvaarden, maar zelden bezitten. Alleen ontken ik niet, dat er in Jezus\' leer wellicht geen enkel denkbeeld is, dat ooknietinande-rer leer te vinden zou zijn. Maar ik heb meer het oog op den profeet van Nazareth in verband met den tijd, waarin hij leefde en den invloed, dien hij op ons westerlingen heeft uitgeoefend.
Niemand zal willen beweren, dat wij tot Sokrates, of tot den Indischen vorst of tot Confucius in eenzelfde betrekking staan als tot Jezus. Sokrates moge niet zonder
122
invloed op ons gebleven zijn, in ieder geval is zijn invloed geen tiende van dien van Jezus. Lazen wij echter de apologie maar wat meer! Wij zouden er veel voedsel, veel kracht en troost voor het leven uit putten. Ten opzichte van de evangeliën is die wensch minder noodig. Jezus is een ideaal van goedheid, dat, zij het dan ook eenigszins onbepaald, ieder voor den geest staat. Zeker bestaat er veel onzekerheid, zoowel wat zijn leven als zijne leer betreft. Maar evenals de hoofdmomenten van zijn leven vaststaan, zoo ook de hoofdbeginselen zijner leer. Deze vormen een te veel omvattend en te nauw samenhangend geheel en ademen een te frisschen oorspronkelijke!! geest, dan dat wij zouden kunnen meenen, dat ze op onbestemde wijze tot ons gekomen zijn uit een tijd, overigens zoo overgegeven aan de traditie, onvruchtbaar en prozaïsch, i)
Allereerst zien wij hem tegen de overgeleverde zede-leer optreden. Wat zou anders, kunnen wij zeggen, de roeping van den profeet zijn, indien hij niet het zedelijk ideaal der menschen trachtte te verhelderen, de gerechtigheid van hare uiterlijke vormen trachtte te ontdoen, hare beteekenis en innerlijke waarde in het licht te stellen? Was er een Jezus van noode, om de bekende zedelijke eischen te stellen, om de zoogenaamde Mozaïsche wet te verkondigen en op hare toepassing in alle bijzonderheden aan te dringen? Dit alles deden
i) De vraag naar het al of niet historische van de figuur van Jezus is kennelijk nog niet tot onzen schrijver doorgedrongen. Achter menig woord, door hem zonder bedenking aan Jezus toegekend, zouden wij wellicht een vraagteeken plaatsen. Maar dit doet weinig ter zake; \'t is hem en ons hier om de oud-christelijke zedeleer te doen. H.
DE ZEDELEER VAN JEZUS. 123
reeds de leeraren des volks, vooral de Farizeërs. De Farizeërs waren zonder twijfel zeer vaderlandlievend; zij waakten voor het nationaal godsdienstig leven en de oude tradities; zij stonden tegenover het orthoxe Jodendom, juist zooals de moderne Jezuiten tegenover de Katholieke Kerk in den strijd met de moderne begrippen. Zij hadden voor het meerendeel de rechtgeleerden der natie op hunne hand, wier bepaald beroep door den naam schriftgeleerden niet geheel duidelijk wordt weergegeven, en die een natuurlijke neiging tot conservatisme toonden. Daar de Farizeërs met dezen aanhang van rechtsgeleerden één zaak hadden, waarvoor zij met geestdrift opkwamen, hadden zij grooteren invloed en stonden zij bij het het volk meer in eer dan de secte der Sadduceërs met hunne liberale neigingen en hunne vreemde begrippen en zeden. Maar het was de fout der Farizeërs, dat zij de zedeleer der schrift als het einde der waarheid beschouwden. De christenen geven zich, met het oog op de leer van Jezus, den schijn, alsof zij dit zeer verwonderlijk vinden, maar dat dit inderdaad niet verwonderlijk is, blijkt hieruit, dat zij zelf de christelijke zedeleer als even omonstootelijk beschouwen. Het is steeds en overal een eigenaardigheid van een conservatieve gezindheid geweest, te gelooven, dat er niets te wachten is, dat beter is dan het oude. Ik ken zelfs vrijzinnigen, die met een soort van ontevredenheid, of argwaan zelfs, iedere afwijking van hunne godsdienstige overtuiging, iederen vooruitgang begroeten. Zeer natuurlijk zijn wij geneigd, datgene voor het beste te houden, wat wij kennen en waaraan wij gewoon zijn. Maar Jezus voegde inderdaad iets aan de oude wetge-
124 DE ZEDELEER VAN JEZUS.
ving toe: hij was waarlijk een tweede Mozes voor de zulken, die zijne leer aannamen. Wij zullen niet trachten uit te maken, in hoeverre zijne leer nieuw is, in hoeverre zijne beginselen reeds door de oude wet en de profeten verkondigd waren. Het is merkwaardig, hoe wij steeds geneigd zijn, iederen vooruitgang, na diens intrede in de wereld, aan de autoriteiten toe te schrijven, die wij vereeren; terwijl toch vóór dien tijd de autoriteiten niet met zulk een duidelijke stem tot ons spraken. Zoo zal wellicht in de toekomst geen hervorming tot stand komen, of handige christenen zullen haar na hare intrede als een natuurlijk gevolg van hunne beginselen beschouwen; thans echter kan moeielijk beweerd worden, dat hun meester zoo duidelijk tot hen spreekt, dat zij doordrongen worden van het besef, zelf tot die hervorming te moeten meewerken.
De eene hervormer eert den anderen; een profeet is er zich steeds van bewust, dat hij het werk zijner voorgangers voortzet. Ieder van hen weet, dat hij geen bijzondere zaak dient, dat het slechts vormen zijn van ééne zaak, eischen van één beginsel, dat, terwijl de vormen betrekkelijk en begrensd zijn, het beginsel zelf absoluut en oneindig is. Het is steeds de triomf van het ideale goede, de overwinning van de gerechtigheid in de wereld. Alleen hij is een waar hervormer of profeet, die zijne zaak dient alleen om der gerechtigheid wille. Daaruit volgt echter geenszins, dat ieder profeet de volgelingen van zijnen voorganger eert, die wellicht zijne woorden nazeggen en voortplanten, zonder den geest en de draagkracht, die daarin schuilt, te begrijpen en te gevoelen. De omstandigheden wijzigen zich en het eeuwig beginsel moet in
125
nieuwe woorden gekleed worden, tot nieuwe handelingen drijven. Even als hij geen waar profeet zou zijn, die voor onzen tijd slechts in andere woorden het evangelie van vóór achttien eeuwen zou willen verkondigen, zoo zou ook Jezus slechts een schriftgeleerde onder de velen geweest zijn, indien hij alleen de woorden van Mozes of Jezaja in een bijzonderen nieuwen vorm gegeven had. In den grond was hij het met hen eens, maar hij sprak uit eigen overtuiging; hij verdedigde het ideaal tegenover een geslacht, voor hetwelk het idealisme tot een overlevering geworden was, en hij schilderde den meest nauw-gezetten aanhangers der oude wet het beeld van de gerechtigheid en van het gericht, dat, volgens zijn profetisch oog, hun volk boven het hoofd hing. Om meer bepaald te spreken : hij paste de zedewet meer op het innerlijk leven toe, doordien hij leerde, dat onze gedachten en woorden eene zedelijke beteekenis hebben, even goed als onze handelingen. Dat wij niet uit slechte motieven moeten handelen, daarvan is ieder overtuigd; Jezus leerde echter, dat wij evenmin slechte motieven mogen koesteren. De gewone leer is, ze te onderdruk ken; Jezus onderstelt evenwel een verheven gemoedsstemming, waarin dat zelfs onnoodig is. Men heeft beweerd, dat dit ondenkbaar is, dat wij onze gevoelens niet in onze macht hebben en dat wij in ieder geval alleen aansprakelijk zijn voor de schade, die daaruit voor anderen voortvloeit. Maar Jezus wil op dit gebied niets toegeven. Niets, wat ten goede leidt, is onmogelijk; wanneer onze gevoelens slecht zijn, zijn wij er verantwoordelijk voor, dat wij ze laten bestaan. Er is eene krenking van onszelf, die dieper gaat dan iedere
126
krenking, die wij een ander zouden kunnen aandoen. Een hooger doel moet aan ons leven ten grondslag liggen: aan het ideaal, waarop wij ons oog richten, moeten wij ondanks onze tallooze misgrepen blijven vasthouden. Welk een diepe zedelijke ernst spreekt uit het gebod van Jezus: »Indien uw rechteroog u ergert, ruk het uit en werp het van u..... Indien uwe rechterhand u ergert, houw ze af en werp ze van u.quot; Toch is de waarheid geheel op zijn zijde tegenover de gemakkelijke levensopvatting van de meeste menschen. Het kan zijn, dat geen krenking in het leven te vreezen is dan alleen een zedelijke, dat geen vreugde of genot, geen sieraad van lichaam of geest de smetten van onze zedelijke natuur kunnen vergoeden. Zou het niet waarlijk beter zijn oog of hand te verliezen dan die tot verlaging van het geestelijke in ons te gebruiken ? Is dit een ascetische levensbeschouwing? Neen; maar het strengste ascetisme zou waarlijk beter en edeler zijn dan een verdooving van het geweten, waardoor wij slechts van tijd tot tijd eenig zelfverwijt gevoelen en geen smart ons kwelt, zoo dikwijls wij ons aan een onwaardige handeling of gedachte overgeven. Ik geloof, dat wij aan den eisch van volkomen reinheid streng moeten vasthouden. Stellen wij daardoor de krachten der mensche-lijke natuur te hoog? Lecky verhaalt, dat, »toen de Romeinsche consul Marius het leger der Teutonen verslagen had, hunne vrouwen den overwinnaars smeekten, de Vestaalsche maagd te mogen dienen, om daardoor in de slavernij hare eer te verzekeren. Het verzoek werd haar geweigerd en in dienzelfden nacht stierven zij allen door eigen hand.quot; — Neen, al is voor menigeen de
DE /EDELEER VAN JEZUS. 12/
eer slechts een droom, voor velen vormt dit teedere, ontastbare goed hun innigst leven.
Jezus ruimde verder iedere beperking van de liefde tot den naaste uit den weg. Liefde tegenover broeder en vriend werd reeds vóór hem algemeen verlangd, en zeker aanschouwde het oog der profeten nu en dan een schemering van den dageraad van algemeene liefde en broederzin. Maar volgens Jezus moest die liefde onmiddellijk en zonder ophouden het leven beheerschen. Zelfs onze vijanden moeten wij liefhebben, geen vorm van kwaadwilligheid, geen zucht naar wraak mag geduld worden. Wij moeten vergeven, niet slechts zevenmaal, maar zeventigmaal zevenmaal, vergeven is een oneindige plicht. Dat is heden ten dage zeker een algemeen erkende waarheid, ofschoon meer in gedachten en woorden dan in gevoelens en daden; maar ten tijde van Jezus was ze zelfs niet in het denken opgenomen. De humaniteit der oude volken strekte zich in het gunstigste geval tot hun stam of volk, nooit tot de geheele menschheid uit. Het moge zonderbaar schijnen, maar het is niettemin waar, dat de natuurlijke verhouding der menschen eer vijandig dan vriendschappelijk is, behalve alleen in den besloten kring van het familieleven. Ja, niettegenstaande al onze betuigingen en den werkelijken vooruitgang in ons voelen en denken, geldt dit heden nog op groote schaal. Het geldt menigmaal van volken, klassen, vereeni-gingen en personen, die naar denzelfden prijs dingen. En de reden ligt voor de hand: het is de zucht naar zelfbehoud, het streven om de beste plaats te veroveren, dat ons bezielt. Zij, die met den werkelijken strijd om het bestaan het minst te maken hebben, kunnen het
128 DK ZEDF.I.EER VAX JEZUS.
meest liefhebben, heeft men meermalen beweerd. Wie in den strijd betrokken is, moet zich staande houden; hij kan niet allerlei teedere gewetensbezwaren koesteren, hij moet van het voordeel gebruik maken, waar hij kan, en, waar het noodig is, zelfs anderen benadeelen. De strijd, die volgens de nieuwere wetenschap in de lagere wereld gevoerd wordt, beheerscht, naar men beweert, ook de menschelijke samenleving. Liefde en broederzin zijn dingen, waarover de idealist vrij kan spreken, die wellicht in een hemelsch rijk verwezenlijkt mogen worden ; in de wereld is de overwinning aan de zijde van den sterke, en wellicht is het kinderachtig en sentimenteel, al moge het ook christelijk zijn, om voor zooveel zwakke en onnutte wezens van onze soort te zorgen. Waarom niet de natuur gevolgd, of ze haar eigen weg laten gaan: dan zouden alleen de sterken enbruik-baren blijven leven.
Ik voor mij geloof in volle waarheid, dat dit alles alleen de uiting is, van het dierlijke in ons, dat zich onder den dekmantel van wetenschap en menschelijke redeneering een schijn van recht zoekt te geven — geenszins de taal van hetgeen er menschelijks in ons is. Het menschelijke ontwikkelt zich in ons, naarmate wij ons door andere drijfveeren dan door zelfzucht laten leiden, naarmate wij den band gevoelen, die ons aan anderen bindt, alleen dat geluk zoeken te verwerven, dat met het geluk van anderen overeenstemt. De band, die ons met de menschheid verbindt, is geen natuurkracht, die ons drijft, het is slechts een macht in de ideale natuur, die een idealen dwang op ons uitoefent; nochtans is het die band, die onze waarde en onzen roem uitmaakt.
129
Eene verbroedering der menschheid, zooals Jezus haar schilderde, is een denkbeeld tegenover hetwelk verscheidene van onze staatkundige en maatschappelijke instellingen geen dag langer zouden mogen blijven bestaan. Wij laten ons meestal door lagere drijfveeren beheer-schen, die onder den invloed van hoogere denkbeelden slechts eenigszins gewijzigd en gematigd worden. De religie eischt, dat die denkbeelden een onbepaald, alles beheerschend gezag voor ons hebben. In het koninkrijk der hemelen, waarvan Jezus sprak, zou deze eisch vervuld worden. Niemand kon daarin ingaan, voor wien niet de liefde het absolute beginsel was, hetgeen daaruit zou blijken, of men de aanspraken van den minste der broederen, van dezulken, die door de wreedheid van het lot of door eigen zonde tot naaktheid, honger of schande waren vervallen, had willen kennen. En er ligt deze waarheid in Jezus\' opvatting, dat dit rijk van boven en niet door den natuurlijken loop der dingen zal komen, dat het namelijk niet zal of kan geboren worden door de werking van \'s menschen natuurlijke, zelfzuchtige neigingen. Een zekere school van vrijzinnige wijsgeeren leert, dat het streven van den mensch, zoo hij geheel vrij is om in zijn eigen belang en volgens zijne natuurlijke neiging te handelen, op het heil der geheele menschheid gericht zal zijn. Er ligt meen ik een korrel waarheid en een berg van dwaling in deze leer. . In de middeleeuwen werd aan de natuurlijke neigingen der menschen vrij spel gelaten; wet en regeering betee-kenden weinig meer dan hetgeen de sterken er van maakten. Vulden daar de verschillende neigingen elkander zoo gelukkig aan, was toen het streven va,n
9
13°
de sterken en machtigen op het heil der geheele menschheid gericht ? Integendeel leert ons de geschiedenis, dat de sterken gering in aantal waren, maar onbegrensd in hoogmoed en macht, dat vorsten en geestelijken hun medemenschen in zoo verre »wel dedenquot;, dat ze hen tot hunne slaven maakten. En de beteekenis van de absolute monarchie, zooals zij in de 15de eeuw ontstond, was voor een deel hierin gelegen, dat zij de onbeperkte vrijheid van de sterken beteugelde en hen veelal verhinderde volgens hun oogenschijnlijk belang en hunne natuurlijke neigingen te handelen,, in één woord, dat zij de ongelijkheden die in den staat der natuur en der vrijheid moeten gevonden worden, zocht te matigen. Het ziet er treurig uit voor een republiek, wanneer hare veelgeroemde vrijheid alleen beteekent de vrijheid van een bepaalde klasse van burgers, om anderen in hun dienst te stellen. De toekomst zal, naar ik geloof, in vereeniging met het verleden bewijzen, dat het slechts een liefelijke droom is, te gelooven, dat de zelfzucht van den eenen mensch zich zoo gelukkig naar die van den anderen zal voegen, dat ze als broeders moeten samenleven. Verbroedering komt niet uit die theorie voort; zij is een zaak van het hart en moet uit het hart komen. Zij moet onze zelfzuchtige neigingen overheerschen, zij kan nooit daaruit geboren worden. Zij zal, wanneer zij ooit op aarde daalt, uit een ideale sfeer tot ons komen; beheerscht zij ons ooit, dan zal zij aan de betoovering van haar ideale schoonheid en haar ideaal recht hare
macht ontkenen.
Dat was de beteekenis van het hoogste doel, dat Jezus den menschen stelde, te streven naar het Godsrijk, Hoe
DE ZEDELEER VAN JEZUS. I3I
weinig waarheid bevatten zijne woorden thans voor ons, niet alleen voor ons modernen, maar voor geheel de nieuwere christelijke wereld. Hoe geven wij aan dat rijk een overdrachtelijke beteekenis of stellen er allerlei afgetrokken begrippen voor in de plaats! Of wanneer wij nog aan zijn concreet bestaan vasthouden, hoe plaatsen wij dan die godsstad ver boven ons in de wolken, of aan het eind der tijden, bij onszelf denkend, dat daar haar rechte plaats is, dewijl men toch niet ernstig kan meenen, dat ze nog het ideaal en den regel voor ons leven kan vormen! Dientengevolge is het enthusiasme van de tegenwoordige menschen, voor zoover zij het nog gevoelen, flauw en beperkt; het verheft ons niet tot een ideale hoogte, het grijpt ons niet diep in de ziel. O, wie wenscht niet somtijds geleefd te hebben in een tijd, toen het eeuwige goed van het Godsrijk den menschen nabij scheen, toen een vurige hoop het leven vervulde, toen de hemel op het punt scheen op aarde neder te dalen, haar aan te raken en te heiligen! Het is geen wonder, dat die eerste geloovigen zoozeer één hart en één ziel waren, dat niemand iets als het zijne beschouwde, maar zij alle dingen gemeen hadden. Hoe konden zij, die niet met woorden speelden, maar aan het »koninkrijk Godsquot; geloofden, hoe konden zij nalaten hun aardsche leven zoo in te richten, dat het eenigszins op het toekomende geleek!
Het woord »Koninkrijk Godsquot; heeft wellicht uitgediend voor dezulken, die niet onder den dekmantel van eene voor hen verouderde vroomheid het licht, dat in hen is, verbergen willen; maar de gedachte, die er aan ten grondslag ligt, is van steeds blijvende beteekenis en
J ,, DE ZEDELEER VAN JEZUS.__________
waarde. Van hetgeen er in de christelijke voorstelling hieromtrent onwaar en schadelijk is, zal ik later spre en. De wezenlijke waarheid die er in ligt is, in weinige woorden deze, dat de mensch noodzakelijk aan een andere orde van dingen behoort, dan aan die,^ we e hij ervaart. Hij kan zien hetgeen is en zich tegelijkertij een denkbeeld vormen van hetgeen zou moeten zijn; in dit denkbeeld vindt hij het doel van hetgeen bestaat, datgene, waarop zich zijne gedachten en krachten moeten richten. Zulk een denkbeeld vormt ieder denkend wezen zich met meer of minder klaarheid; dat doel is dus aan alle denkende menschen gesteld, Het is van hen, die er naar streven niet gansch en al afgescheiden, hoe hoog het ook boven hen verheven moge zijn: het is een doel voor alle redelijke wezens en het omvat niet meer of minder dan een volkomen maatschappij of gemeenschap tusschen die allen. Terwij men het in oude tijden een koninkrijk noemde, zouden wij het nu den naam van republiek kunnen geven, wanneer wij slechts niet vergeten, dat, al zijn hare wetten aan den eenen kant door ons gemaakt, wij die toch niet geheel in onze macht hebben, daar ze in de ideale natuur der dingen even onveranderlijk gegrond zijn, als het doel zelf onveranderlijk is. Aan ons staat in werkelijkheid alleen, onszelf naar dit ideale beeld te vormen. Nog juister kunnen wij het een verbroedering noemen, daar hierdoor het denkbeeld van een gemeenschappelijk belang, een gemeenschappelijk leven, een gemeenschappelijke vreugde zoo krachtig en innig in ons gewekt wordt. Alleen naar eigen ontwikkeling te streven, zooals de nieuwere beschouwing leert,
*33
bevredigt ons evenmin als het vroegere zorgen voor de zaligheid van onze eigen ziel. In onze beste oogenblik-ken verlangen wij uit onszelf uit te komen, ons boven onszelf te verheffen en te gevoelen, dat wij deelen van een groot geheel zijn, dat wij niet alleen een roeping tegenover onszelf hebben. Het geluk en het heil waarnaar onze ziel uitgaat, willen wij niet voor onszelf verwerven, maar wij verwachten het als een gevolg van onze betrekking tot anderen, als een soort van gave en zegen van de hoogere éénheid. Alleen dan ben ik religieus, wanneer wat wet is voor mij wet is voor allen, wanneer in het heil van allen ook mijn heil gelegen is, wanneer de kracht en de vreugde van het algemeen bestaan mij doorstroomen, wanneer ik gevoel, dat niet mijn armzalig ik, maar de wereldziel in mij leeft, en het wereldstreven mij bezielt!
En zoo zeker geloof ik, dat het » koninkrijk Godsquot; in zijn waarachtige beteekenis het middelpunt van den godsdienst vormt, dat ik een nieuwe opvatting, een in-ilig gevoel voor zijn diepe waarheid, afgescheiden van elke louter overgeleverde uitdrukking, als een onontbeerlijke voorbereiding voor de religie der toekomst beschouw. In dien zin staan wij nog op den bodem der profeten, en Jezus zelf is de hoeksteen.
VII
BEVREDIGT DE ZEDELEER VAN JEZUS DE BEHOEFTEN VAN ONZEN TIJD?
Het is tegenwoordig geen ongewone bewering, dat de zedeleer van Jezus den val van het theologisch stelsel, dat naar hem genoemd is, zal overleven. Dat stelsel zal ik niet bestrijden; het heeft op dezulken, die ik tracht te bereiken, reeds alle macht verloren. Ernstiger en meer ingrijpend schijnt mij de vraag, of de zedelijke idealen van het Christendom eenige wijziging behoeven. De zedelijke belangen der menschheid zijn hier hoofdzaak. Zoozeer is die overtuiging tegenwoordig doorgedrongen, dat de bekwaamste verdedigers van Christendom of Jodendom meer en meer de zedelijke werking, van hunne geloofsleer uitgegaan, op den voorgrond stellen. Onmogelijk is het die te verge;ten, o^ gering te achten. De verplichtingen, die de oude godsdiensten ons hebben doen gevoelen, de verhevenheid der idealen, die zij der wereld geschonken hebben te willen verkleinen, zou geen vooruitgang maar teruggang
\'35
zijn. Wie zou de zedelijke overtuiging en den heldenmoed van een Amos of een Jesaja kunnen vergeten? Wie zou de woorden van zachtmoedigheid, van nederigheid, van reinheid, liefde en broederzin, die den menschenzoon van de lippen vloeiden, uit zijne herinnering willen bannen, of wie zou het kunnen, zelfs indien hij het wilde? Zeker niet door te vergeten, maar door al het goede dat het verleden ons schonk te verzamelen, kunnen wij in de toekomst voortschrijden.
En voortschrijden moeten wij! Iedere profetie, ook de joodsche en de christelijke heeft een vergankelijk en een blijvend element. Jezus sprak tot de menschen, in de taal en de denkwijze en, laten wij er bijvoegen, binnen de grenzen van zijn tijd. Maar tijd en taal en denkwijze veranderen en de horizon van den geest breidt zich uit. De vraag is dus: wat is het profetisch woord voor onzen tijd ? Meent niet dat ik zal trachten de houding van een profeet aan te nemen. De profeet stelt geene vragen, maar beantwoordt ze. Bij hem niets van dat weifelend dralen, dat zoekend ronddolen, dat het denken zelfs van de besten in dezen overgangstijd kenmerkt en dat eerst zal ophouden, als de nieuwe tijd daar is en het vuur van een heilige overtuiging weer gloeit in de menschelijke borst. Ik ben, even als anderen, slechts een vrager. Ik tracht enkel de opmerkzaamheid te vestigen op de behoeften en vragen van onzen tijd, en aan te toonen dat zij bepaalde antwoorden en oplossingen eischen, zooals wij die vergeefs zoeken in de oud-christelijke moraal. Want al loochen ik niet dat zij eeuwige grondbeginselen predikte, toch acht ik dit geenszins voldoende; wat wij thans behoeven is eene
1^6 BEVREDIGT DE ZEDELEER VAN JEZUS
toepassing dier grondbeginselen op de vragen en strijdpunten van het heden, overeenkomstig het hedendaagsche leven en denken. Zonder die toepassing zijn die grondbeginselen even onvruchtbaar als oud i).
Niets thans zoo algemeen, als een zeker uiterlijk eerbetoon aan de groote wetten der gerechtigheid, maar met volkomen onverschilligheid voor t geen zij te be-teekenen hebben voor onze levenspraktijk en van haar eischen. Hoevelen verkondigen met groote warmte en overredingskracht de groote ideën zelve, maar zonder zich van den ruimen omvang van hare toepassing bewust te zijn. De persoon in het stuk van Terentius die den beroemden regel uitsprak: »ik ben een mensch en acht niets mensch\'lijks van mij vreemdquot;, deinst niet terug voor kindermoord en noemt het dwaas, een kind in \'t leven te houden, dat gevaar loopt tot een leven van schande op te groeien. Van de gevolgen van zijn beginsel is hij zich eenvoudig niet bewust.
Ofschoon hiermee geenszins op ééne lijn te stellen, is toch opmerkelijk, dat Jezus terwijl hij den gouden regel verkondigt, die wel verstaan aan alle kwalen der maatschappij een einde maakt, toch de slavernij niet veroordeelt, hoewel er reeds in zijnen tijd een sekte bestond die zulk een hoogte van zedelijke ontwikkeling bereikt had dat zij haar veroordeelde, die der Esseërs. De oud-christelijke moraal kon daarom weinig baten
I j Prof. Felix Atller zegt ergens; „Geweten, gerechtigheid, wat is daarin nieuws, zijn zij niet zoo oud als de bergen ? Inderdaad, en vaak even onvruchtbaar als de rotsen. De nieuwe beteekenis der gerechtigheid ligt niet in haarzelve, maar in hare nieuwe toepassing op de bijzondere ongerechtigheid van een bepaalden tijd.
\'37
bij de bestrijding van de slavernij. Niets staat er in het Nieuwe Testament, dat zich niet met de instandhouding der slavernij verdraagt, indien slechts de heeren zich niet schuldig maken aan opzettelijke onderdrukking of on-menschelijkheid. Alleen door een teruggaan tot grondbeginselen, waarvan de christelijke moraal zelve slechts voor een deel de predikster is en die, zonderling genoeg, hunne moderne uitdrukking gevonden hebben in die philosophie der menschenrechten, waartegenover de christelijke kerk even vaak een vijandige als een sym-pathetische houding aangenomen heeft — alleen door een terugkeer tot die grondbeginselen werd de weg gebaand voor de afschaffing der slavernij in Amerika.
Welke zijn nu de zedelijke behoeften van onzen tijd die zich \'t eerst aan ons opdringen ? In de eerste plaats zou ik willen noemen de behoefte aan eerlijkheid en nauwgezetheid in het denken. Tijdens het verval van den Romeinschen godsdienst placht men te zeggen dat twee priesterlijke waarzeggers elkaar niet zonder lachen konden aanzien. In dien groven vorm doet zich de fout bij ons niet voor. Maar te veelvuldiger is zij in schijnbaar onschuldige gedaante, als men b.v. aan eene leer een uitlegging geeft niet overeenkomstig met haar natuurlijke beteekenis; als men gebruiken in stand houdt, terwijl de ideën die daaraan ten grondslag liggen, niet langer een zaak van overtuiging zijn; als men een kerk of sekte blijft aanhangen, zonder haar van harte te zijn toegedaan. Zonder twijfel geschiedt dit vaak met de beste bedoelingen, en iets goeds kan ook hiermee, gelijk met ieder kwaad, gepaard gaan. Doch het tast aan, wat voor den religieuzen mensch van onschatbare waarde.
I3^ BEVREDIGT DE ZEDELKEK VAX JE/X\'ri
ja van absolute noodzakelijkheid is; de volle oprechtheid en het bewustzijn van innerlijke waarheid. Ook leert de ervaring dat leerstellingen en inrichtingen, die zulk een steun behoeven, zelve reeds aan t zinken zijn. Door de aanwending van zulke middelen kan haar verval hoogstens vertraagd, maar soms ook, als ten spot van dubbelzinnige bedoelingen, bespoedigd worden Men verhaalt dat Carlyle eens aan een zijner vrienden, Stanley, den corservatief-modernen deken van de West-minster-abdij, aanwees met de woorden: »Daar gaat onze vriend, de deken, die gaten boort in de kiel van zijn schip, de kerk van Engeland, maar zonder t zelf te weten.quot; Zoo erkende Emerson toen hij zich losmaakte van de Unitarische kerk, waarin hij eenige jaren als prediker gewerkt had: »Ik had gehoopt haar met mij vooruit te brengen, maar mijn pogen mislukte.quot; Verscheidene jonge predikers van onzen tijd, die dergelijke verwachtingen koesteren, zullen van geluk mogen spreken, als zij zich niet over erger mislukking dan Emerson te beklagen hebben, als namelijk hunne reformatorische voornemens niet na eenigen tijd hunne kracht verliezen en zij in de kerk blijven, niet als een teeken, dat zij haar tot hoogere waarheid opgevoerd, maar dat zijzelven den hoogeren waarheidszin veloren hebben. Schreef niet Emerson, ten deele met het oog op zijne eigene ervaringen als prediker: » Het bezwaar tegen het inacht-nemen van vormen, die voor u dood zijn, is, dat het uwe kracht verlamt. Gij verspilt daarmee niet enkel uwen tijd, maar gij bevlekt daardoor uw karakter. Doet daarentegen uw eigen werk en gij zult u sterk voelen.quot;
Niet enkel toch op de nutteloosheid van een der-
DE BEHOEFTEN VAN ONZEN TIJD ? 139
gelijk compromis wilde ik wijzen, neen, vooral op het feit dat onze eer als eerlijke denkers daardoor wordt aangerand. Maar al te velen zijn er, die er geen flauw begrip van hebben dat hun denken even goed als hun willen en handelen staat onder eene wet; dat het hun niet vrij staat te gelooven wat hun belieft, dat een overtuiging dan alleen eerbiedwaardig, dan alleen krachtig is, wanneer zij de vrucht is van een zedelijke noodzakelijkheid. Bij zulk eene beschouwing van de moraal verwondert het mij niet, dat men haar te klein acht om religie te kunnen worden. Maar in de werkelijkheid omvat de zedelijkheid alles wat behoort te zijn en heeft zij alzoo bcteekenis voor elk levensgebied. Zoowel voor ons denken als voor onze uiterlijke handelingen houdt zij ons een ideaal voor oogen en vorscht zij naar de meest verborgen drijfveeren en bewegingen van het zieleleven.
Geloof aan de waarheid, zegt zij, en verdraai die niet naar uwen zin, noch drijf met haar een lichtzinnig spel; houd voor waarheid wat uwe rede als waarheid erkent, ■anders staat ge schuldig aan ontwijding van het heiligste in u. Toch is dit kwaad niet van dien aard, dat men het door een of ander voorschrift kan genezen. Deze booze geest laat zich alleen door een goeden geest overwinnen, die als met een tooverslag aan heel het denken gezondheid en kracht zal verleenen. \'t Is de geest der openhartigheid, der absolute, meest volkomen oprechtheid. Verspreidde zulk een geest zich in het gemeenteleven, dan zou hij misschien menige kerk van hoorders en predikers berooven, maar de zaak der waarheid verder brengen.
Zulk een nieuwe ernst is in geheel ons denken noo-
I40 BEVREDIGT DE ZEDELEER VAN JEZUS
dig. De menschen spelen met phrasen en denken dat, als zij maar dezelfde woorden gebruiken, het verschil van meening niets ter zake doet. Ontzaglijke gevolgtrekkingen bouwen zij op de zwakste premissen en matigen zich b. v. aan op grond van positieve wetenschap te leeren wat deze nooit heeft geleerd, gelijk het materialisme vaak even aanmatigend en overijld optreedt, als de tegenovergestelde meening. Of men verlaat den bodem van het redelijk denken en beweert door een of ander geloof, ter wille van een of ander subjectief belang, de oplossing van wijsgeerige vraagstukken verkregen te hebben.
Wat nu heeft in de oud-christelijke moraal betrekking op dit gebrek aan openhartigheid, deze willekeur, om niet te zeggen oneerlijkheid, op het gebied van het denken r \'t Zou moeilijk zijn, behalve de algemeene opwekking tot duiven-oprechtheid, iets van dien aard te vinden. Niet dat Jezus de verstandelijke deugden geringschatte, wat door sommigen geheel ten onrechte uit de zaligspreking der armen van geest wordt afgeleid. Hij slaat er eenvoudig geen acht op, en de grond van dit zijn zwijgen is niet ver te zoeken. Hoeveel eenvoudiger was in dien tijd \'s menschen plicht, hoeveel enger zijn gezichtskring! Weldra, zoo meende men, zou de bovennatuurlijke orde van zaken aanbreken; \'t kwam er slechts op aan, de voornaamste plichten voor hart en leven in te scherpen. Wetenschap en kritiek wierpen niet, gelijk thans, een oude wereldbeschouwing omver en, voor zoover de tijd een overgangstijd was, gold het alleen den overgang tot de voltooiing en praktische verwezenlijking eener beschouwing die reeds lang gegolden had. Thans
141
evenwel zijn onze beschouwingen over de natuur en den mensch geheel van gedaante veranderd; niets minder dan een nieuwe wijsbegeerte, een geheel nieuwe wereldbeschouwing is bezig zich te vormen en nooit te voren kwam het zoozeer aan op de ontwikkeling van het verstand. Doch in plaats dat de volgers van Jezus ons thans daarin voorgaan, wordt deze deugd \'t ernstigst beoefend door hen, die vele christenleeraars meenen te moeten bestrijden en berispen: de geleerden, de natuur- en ge. schiedvorschers. Ik behoor niet tot hen die gelooven aan de algenoegzaamheid der wetenschap, maar ik schroom niet te zeggen, dat de onderzoekingen der navorschers \'\' op dit gebied ons menigmaal een oprechtheid en ijver^ een eerbied voor de waarheid en een moed in het uitspreken van eene eerlijke overtuiging te zien geven, die allen denkers tot model kunnen dienen. — Een les in de moraal, in mannelijke trouw aan het geweten ligt in ieder echt wetenschappelijk onderzoek opgesloten en is van niemand beter te leeren dan van de grootste wetenschappelijke figuur onzer eeuw, van Charles Darwin. Laat dezelfde openhartigheid, dezelfde onverschrokkenheid in het onderzoeken, dezelfde mannelijkheid in het denken, dezelfde volkomen overeenstemming van woord en gedachte uw godsdienstig denken kenmerken, en een revolutie van gelijke beteekenis voor dit gebied van het menschelijk leven zal daarvan het gevolg zijn.
Ik denk verder aan de behoefte aan een hooger peil van klaarheid en zedelijkheid op politiek gebied. De staat is geenszins een noodzakelijk kwaad, gelijk sommigen willen, maar heeft een heilige, ik zou haast zeggen, een religieuze roeping. Zij is in de eerste
142 BEVREDIGT DE ZEDELEER VAN JEZUS
plaats deze; geweld te verhinderen, de hartstochten in toom te houden. Even als de zwaartekracht de planeten houdt binnen hare banen en alle atomen aan elkaar verbindt, zoo moet de staat, althans uiterlijk, een der-gelijken gemeenschapsband onder de menschen bewaren. Doch hij heeft tevens het bereiken der doeleinden die voor allen onmisbaar zijn, zooveel mogelijk, te verzekeren. Iedere mensch heeft een individueelen werkkring binnen welken hij alleen zichzelven verantwoording schuldig is, maar zoodra zijn handelen het belang van een ander raakt, heeft hij eene andere verantwoordelijkheid, die tegenover den staat. De staat heeft te zorgen dat in aangelegenheden die veler belangen raken, het doel niet gemist worde. Hij kan individuen of vereenigingen niet toelaten voordeelen te behalen, ten koste van anderen. Vooral in een demokratischen staat, waar men een volksre-geering heeft, is het de vraag: is zij inderdaad een regeering voor het volk ? Ik bedoel niet voor ééne klasse, die alzoo genoemd wordt, maar voor allen. Is het algemeen welzijn gewaarborgd en worden er geen individueele vrijheden of rechten toegelaten die aan andere rechten te kort doen ? Deze vragen moeten in de naaste toekomst voor ons volksleven op de eene of andere wijs beantwoord worden. Had men alleen de keus tusschen een godsdienst naar den ouden trant en eene staatkunde ernstig op de beantwoording dier vragen gericht, dan zie ik niet in hoe eenig jongeling met hooge idealen zou kunnen aarzelen den staatsdienst te kiezen. Een religieuze trek ligt in iedere belangelooze toewijding aan openbare belangen en zulk eene toewijding is de dringende politieke behoefte van onzen tijd.
DE UEIIOEFTEN VAN ONZEN TIJD? 143
Welke les geeft ons het oude christendom in politieke moraal? \'tVerwacht immers de hervorming van heel de maatschappij, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, enkel van de wederkomst van Christus op de wolken. Die verwachnng is geen toeval, geen stuk Oos-tersche beeldspraak, maar de bekroning en voltooiing der oud-ehristelijke wereldbeschouwing, een antwoord op de diepste vraag van het menschenhart, die niet enkel luidt : wat i s het rechtvaardige en het goede ? maarj hoe zal het komen, hoe een einde maken aan ongerechtigheid en boosheid ? Het antwoord der oude christenen heeft uitgediend, maar de vraag blijft aan de orde. En de religie zal van nieuws dagen over de wereld, als die oude vraag ons weer machtig aangrijpt en naar een ander, voor onzen tijd bevredigend antwoord doet zoeken. Het probleem is, in één woord, sociale rechtvaardigheid, het scheppen van middelen en gelegenheden tot verwerving van het hoogste en beste voor iedereen. Voor iedereen, ziedaar den eisch der rechtvaardigheid. Het hoogste en beste is niet voor u of mij, of voor eenige bepaalde soort of klasse van menschen, maar voor allen ; het is het doel, het recht, de ideale bestemming van ieder menschelijk wezen. Is dat het probleem, dan kan de oud-christelijke methode om het op te lossen geen geloof meer vinden. Eerlijk moet worden toegestemd, dat zij tot de verijdelde verwachtingen der menschheid behoort. De Menschenzoon, die zoo ras wederkomen zou, is in alle eeuwen niet verschenen, om de beloofde verlossing aan te brengen: de voorstelling zelfs van zulk een verschijning behoort thans tot een denkwijze die achter ons ligt
Dezelfde onverschilligheid voor het staatsleven die
144 liEVKEDIGT DE ZEDHI.EER VAN JEZUS
wij vinden in het Nieuwe Testament, keert terug in de geschriften der kerkvaders. Tertullianus zei, aan \'teind der tweede eeuw, »dat niets hem minder ter harte ging dan de publieke zaak.quot; Cyprianus, den grooten kerkman der derde eeuw, kwam de gedachte aan een triumf der kerk in deze wereld niet in den zin; de eenige zegepraal, die hij haar voorspelde, was die in de toekomstige eeuw. In de vierde eeuw vraagt Au-gustinus pathetisch; »wat gaat het een mensch, die sterven gaat, aan, onder wiens regeering hij leeft, als zij die regeeren hem maar niet tot goddeloosheid en en ongerechtigheid dwingen 1quot; Zijn groote werk waaruit deze plaats is aangehaald, moet bewijzen dat »de Stad Godsquot; niet bestemd is op aarde te bestaan en dat de ondergang des rijks door de aanvallen der barbaren zijne mede-christenen niet behoefde te verontrusten. Willen wij een. waardige opvatting leeren kennen van de roeping van den staat, dan vinden wij die veeleer bij de oude Heidensche wijsgeeren, keizers en rechtsgeleerden dan bij Jezus en zijne jongeren. Marcus Aurelius stelde zich, volgens Lecky, ten doel het begrip te verwezenlijken van een vrijen staat waarin alle burgers gelijk zouden zijn, en dat van een koningschap dat zich tot eersten plicht zou stellen de vrijheid der burgers te eerbiedigen. »De slavernijquot; zegt de Romeinsche rechtsgeleerde Florentinus,»is een volksgebruik waarnaar, in strijd met het natuurrecht, een mensch aan de heerschappij van een ander onderworpen wordt.quot; »Voor zoover het natuurrecht in aanmerking komequot; zeide een andere, Ul-pianus, »zijn alle menschen gelijk/\' En verder:»volgens het natuurrecht worden alle menschen vrij geboren.
DE BEHOEFTEN VAN ONZEN TIJD? I45
Door de kerk werden deze denkbeelden, met alles wat zij in zich sluiten, nooit overgenomen. Terwijl zij bad om de komst van het Godsrijk, verzuimde zij maar al te zeer daarvoor te werken. Thans komen wij tot het inzicht dat, wanneer op deze aarde — en misschien evenzoo op iedere andere — gerechtigheid komen zal, wij\'t zijn die haar hebben aan te brengen, en dat wij niet beter voor hare komst kunnen bidden dan door haar een plaats in ons eigen hart aan te wijzen en haar toe te passen in onze wetten en instellingen. De menschheid moet de heiligheid en de glorie erven die den menschen-zoon, op zijnen troon gezeten, omstralen zouden; want de uitoefening der rechtvaardigheid is een heilige zaak. Een goddelijke glans omgeeft den koning of rechter, de overheid of den bijzonderen persoon, die zich wijdt aan deze taak. Want al is de gerechtigheid, in de men-schelijke handelingen en regeeringen voorhanden, armzalig en worstelend, toch zijn hare eischen eeuwig; zij gaan niet van menschen uit, niet van onze aarde of andere planeten, maar van iets dat ouder is dan die alle; wie haar uitoefent handelt als een afgezant van God. Op dit punt dus moet een geest, geheel verschillend van dien van den ouden godsdienst, den nieuwen bezielen. De Stoïcynsche en niet de oude christelijke stelregel moet ons hier den weg wijzen: »den wijze betaamt het deel te nemen aan het openbare leven;quot; want door den staat en niet door een mythisch gericht op de wolken moeten recht en gerechtigheid tot stand komen.
Een nieuwe zedeleer der industrie moet ontstaan of, beter gezegd, de moraal moet nu voor \'t eerst op dit onderdeel der menschelijke werkzaamheid
10
j46 bevredtgt de ZEDELEER van JEZUS
worden toegepast. Wat schenkt ons op dit punt de oude christelijke zedeleer? Wenden wij ons van de denkwijze van onzen tijd tot haar, dan is \'t bijna alsof wij van de eene wereld in de andere treden. Had Jezus, zoo als hij in de evangeliën voor ons staat, voor de armoe geen gevoel ? Gewis, zijn medegevoel was gren-zenloos. Maar, afgezien van de aalmoezen der liefdadigheid, ligt aan zijne beschouwing daarvan een begrip van de Voorzienigheid, van \'s menschen betrekking tot God ten grondslag dat in een dichterlijk sprookje t\'huis behoort, maar alle macht over ons redelijk geloof verloren heeft. Niet zoozeer op eigen inspanning en arbeid kwam het hier aan, als op het vertrouwen dat wij meer zijn dan de vogelen, die noch zaaien noch verzamelen in de schuren, meer dan de leliën, die arbeiden noch spinnen, en nochtans door den Hemelschen Vader gevoed worden.
Welk een scherp contrast met deze idyllische beschouwing vormt die waaraan wij in den laatsten tijd gewoon zijn geraakt! »Wij zien,» zegt Darwin, »het aangezicht der natuur van vreugde stralend en meenen overvloed van voedsel waar te nemen. Wij zien niet of vergeten, dat de vogels die zorgeloos zingen rondom ons, meest van insecten of zaden leven en alzoo steeds leven vernielen, of wij vergeten in hoe grooten getale deze zangers of hunne eieren of hunne jongen door roofvogels en roofdieren verslonden worden; wij denken er niet altijd aan dat, al moge er thans voedsel in overvloed voorhanden zijn, dat niet in alle jaargetijden het geval is.s — «ik reken,» zegt hij verder, «voornamelijk afgaande op het sterk verminderd aantal nesten in het
DE BEHOEFTEN VAN ONZEN TIJD? I47
voorjaar, dat de winter van 1854 op \'55 vier vijfden van de vogels op mijn eigen terrein vernietigd heeft.» Een feit is het dat de hemelsche Vader, van wien Jezus sprak, waarschijnlijk aan een grooter aantal zijner schepselen voedsel en steun ontzegt dan hij daarvan werkelijk voorziet. Deed hij dat niet, dan zou de aarde weldra door de nakomelingschap van een enkel paar bedekt zijn. Vandaar dikwijls een strijd om het bestaan, die in zijne hardheid en onbarmhartigheid door niets wat onze verbeeldingskracht zich voor kan stellen overtroffen wordt. Is niet ook de mensch begrepen in dit groot proces dat heel de natuur beheerscht ? Wordt ook hij niet vaak in dien kamp in \'t nauw gebracht en overgelaten aan zijn lot?
Darwin zoekt ons, met het oog op de wezens van lager orde, te troosten «met het geloof dat de strijd dei-natuur niet onophoudelijk wordt gevoerd, dat daarbij geen vrees gevoeld wordt, dat de dood in den regel spoedig treft en dat de sterken, de gezonden en gelukkigen in \'t leven blijven». Maar ach, de mensch is geen wezen van lager orde en bij onze deernis met hem baat die troost ons niets. De mensch is een wezen dat denkt en siddert van vrees; hoe pijnlijk kan hij wachten op den dood en hoe lang soms nog voortleven, al schijnt hemzelf en anderen zijn leven nutteloos 1 Hoe vergeet m^n soms eindelijk dat hij een mensch is en behandelt hem als slechts een klomp vleesch of leem, een ballast op aarde 1 Wee ons, als wij een beschouwing van de menschelijke natuur hebben, die ons niet doet huiveren en toornen als wij daaraan denken, als wij niet zeggen: O vreeselijke strijd, gij hebt geen recht, geen plaats in
J^g BEVREDIGT DE ZEDELEER VAK J^zyS_______________
de menschenwereld, waar alleen de wet van weerzijdsche achting, hulp en medegevoel mag heerschen!
Neen waarlijk, wij hebben hoogere gedachten van de menschelijke natuur; wij beamen Jezus\' woord, al is \'t ook niet de gevolgtrekking daaruit afgeleid: .Hoezeer
gaat gij de musschen te boven U Wij zeggen Hamlet na: «Welk een meesterstuk is de mensch! Hoe edel door de rede! hoe oneindig rijk in vermogens; in vorm en beweging hoe verwonderlijk en vol uitdrukking! In houding, hoe gelijk aan een engel! Inbegrip, hoe gelijk aan een god!» In den mensch, in iederen mensch zien wij een wezen van onmetelijken aanleg, van onschatbare waarde. Maar juist als wij den mensch zoo beschouwen, rust een nieuwe last op onze schouders. Wij kunnen niet meer zonder huichelarij den arme en ongelukkige
aan de zorg van den hemelschen Vader aanbevelen, noch
instemmen met de koude onverschilligheid, met het praktisch materialisme van de leer van het laissez-faire, al laten wij aan de leerstellingen der ekonomie en aan de gedachten die aan het christelijk vertrouwen ten grondslag liggen, gelijkelijk recht weervaren. Wij hebben, in één woord, de gedachte in eere te houden en de feiten te wijzigen. Immers al staan de verschijnselen van de natuur, van
den regen, de gesteldheid en de vruchten van den bodem,
niet in onze macht, de menschelijke gewoonten en instellingen hebben wij wel in onze macht. En dan geloof ik dat het niet noodzakelijk is dat een enkel mensche-lijk wezen in onze beschaafde maatschappij van gebrek omkomt of zelfs een ander dan een menschwaardig bestaan leidt, als maar die maatschappij ontwaakt en de haar opgelegde taak volbrengt, In de natuur der
BE BEHOEFTEN VAN ONZEN TIJD? 149
dingen ligt het niet. De natuur der dingen wijst en drijft veeleer naar iets beters. Aan den mensch ligt het, die zulk een ideale leiding niet wil aannemen, maar het verkieselijk acht, dat ieder zijn eigen weg ga, of handele zonder op het algemeene welzijn te letten,
Vond alzoo de oude godsdienst zijn zwaartepunt in het bidden tot God, de nieuwe moet, hoezeer de inkeer in zichzelf en de zielsverheffing niet verzakend, bovenal een beroep op den mensch zijn, niet zoo evenwel als kwam dat woord enkel van een mensch, maar in naam van het hoogste en met het doel, het menschelijk leven weder met een verhevene heiligheid in verbintenis te brengen. Deze heiligheid is die der gerechtigheid.
\'t Is waar, Jezus leerde den gouden regel, die een populaire en bevattelijke uitdrukking der gerechtigheid is, maar hij liet niet den duidelijken en overweldigenden indruk achter, dat ook het industrieele leven daarnaar moet worden ingericht. Bij zijne bijzondere beschouwing van de Voorzienigheid en van den te verwachten ommekeer in de menschelijke dingen, was het probleem des levens nauwelijks van genoeg belang om zulk een bepaalde toepassing te eischen. Hoe weinig kende men daarbij in het vruchtbaar en vreedzaam Palestina, waar elk zoo gemakkelijk in zijn onderhoud voorzag, wat men thans de »sociale quaestie» noemt!
Wel werd gedurende den korten tijd, dat zijn geest frisch en krachtig in de gemoederen zijner jongeren werkte, aan zijne hooge eischen in hunne levensinrichting eenigs-zins voldaan en toonde de eerste gemeente eenige trekken van echten broederzin, maar toen er een tijd van ontmoediging volgde, voelde men niet meer de bindende
150 BEVREDIGT DE ZEDELEER VAN JEZUS
verplichting om die trekken te bewaren; en in den loop der christelijke historie geschiedde er maar al te weinig om de kloven tusschen de verschillende klassen, waarin de maatschappij zich natuurlijk telkens verdeelt, eenigs-zins te dempen. Het praktische ideaal der kerk is voor het grootste deel dat van de milddadigheid en van het medelijden ; neerdalende goedheid van den meerdere tot den mindere, eerbiedig opzien van den mindere tot den meerdere. Geen rechtvaardigheid, die de milddadigheid en de nederbuiging grootendeels overtollig zoude gemaakt hebben.
»Een uur van rechtvaardigheid,« zegt een oud Mo-hamedaansch voorschrift, »is zeventig jaren van gebed waard.« \'t Zelfde geldt van de milddadigheid. Al die hospitalen en asylen strekken ja in zeker opzicht onze beschaving tot eer, maar zijn toch aan den anderen kant een bewijs van hare krankheid. Wij raken den wortel niet, als wij er meer oprichten, al moet dit ook geschieden, zoolang het kwaad voortduurt. De religie der toekomst komt eerst met hen die werkelijk de kwaal in den wortel aantasten en die, Jt zij dan op bevel van den staat, of in gehoorzaamheid aan de stem van hun eigen hart, in geen handelszaak treden en aan geen nijverheidsonderneming deelnemen waarin niet aan allen, die daarin met hen deel hebben, de maat der gerechtigheid vol gemeten wordt, — die de talenten, tot leiding en voorbereiding van ondernemingen hun geschonken, gebruiken, niet om anderen in hunne macht te krijgen, maar, gelijk Godin en Leclaire in Frankrijk, om anderen op te heffen; die in alles wat zij doen, ook in de meest materieele aangelegenheden, een overweldigen-
DE BEHOEFTEN VAX OXZKN TIJD? 151
den religieuzen drang gevoelen. Zonder religie toch, zonder toewijding aan een hooger ideaal, komt geen groote hervorming van den arbeid tot stand. Alle natuurlijke zelfzuchtige driften van den mensch komen tegen haar in verzet. De oplossing van het industrieele vraagstuk ligt daarom evenmin bij de arbeidende klassen als bij de werkgevers. Beiden streven — de besten niet te na gesproken — vaak evenzeer naar heerschappij en ik heb eens een fabrikant hooren zeggen, dat geen werkbaas zoo aanmatigend en tyranniek is als een die opeens uit de rij der gewone arbeiders opklom tot dien rang. Dat begreep reeds Aeschylus toen hij zeide: »Wie eene macht bezit die hij eerst pas verwierf is dikwijls hard van zin.»
De oplossing van het probleem ligt alleen in een idee, in een beginsel; in personen enkel in zooverre, als zij van die idee, van dat beginsel doordrongen zijn. En de aanvaarding van die idee, niet onder den druk van een zelfzuchtig verlangen, maar enkel omdat zij goed is en alle aanneming waardig, is religie, daar zij inderdaad \'s menschen verwantschap met het hoogste bewijst en hem als in een droom doet zien
„De bergen waar zijn levensstroom ontspringt,
Den oceaan waarheen ziyh die beweegt.quot;\'
Een zedelijke behoefte van onzen tijd is eindelijk een nieuwe beschouwing van het doel van het mensch e 1 ij k bestaan. Wie onzer stelt zich nog tevreden met de voorstelling, dat dit doel voor ieder gelegen is in de redding zijner eigene ziel! De oud-christelijke idee van een hemelrijk was veel edeler, in haar lag
152 BEVREDIGT DE ZEDELEER VAN JEZUS
inderdaad een beteekenis van onschatbare waarde; maar de vorm en de verwachting, waarmee de oude christenheid haar verbond, zijn bedrieglijk gebleken, daar de rechtvaardige inrichting van het menschelijk leven, die bij de wederverschijning van den menschenzoon komen, weldra komen zou, in alle eeuwen nog niet gekomen is. Al de voorstellingen die van dat oude denkbeeld nog overbleven, van een hemel aan gene zijde der wolken, van een god, dien wij eens zien zullen, van den zoon, zittend aan zijne rechterhand en van engelen als zijne dienaren, zijn voor ons vruchten der dichtende phantasie. Als reactie daartegen bestaat thans de heerschende neiging om het doel van het leven in het onmiddellijk nabijzijnde, tastbare, ja zelfs in zuiver stoffelijke belangen te vinden.
Al gaan we tot op zekere hoogte met deze richting mee, in zooverre zij een tegenstelling vormt met de oude die de menschelijke aangelegenheden en belangen hare aandacht nauwelijks waardig keurde, zoo heeft toch ook zij hare grenzen. Wie kent niet de oogenblikken van dieperen ernst waarin hij dat levendig gevoelt! Er is iets in ons dat, althans in onze gedachten en voornemens, zich boven alle grenzen verheft en een onmetelijk goed zoekt. Gelijk dit iets mij aandrijft om een groot deel van mijn geluk in dat van anderen te vinden, zoo maakt datzelfde \'t mij onmogelijk er genoeg aan te hebben, als ik anderen maar gelukkig zie. Ik ben er mij van bewust dat louter gelukkigen nog slechts het ABC van het leven hebben geleerd, dat het begrip van volkomenheid de gesteldheid van het hart in zich sluit, het verdienen van de gelukzaligheid, de verruiming
DE BEHOEFTEN VAN ONZEN TIJD? 153
van den geest, de veredeling van het zedelijk leven — en dat niets minder dan het volmaakte en dit verwezenlijkt in allen, \'s levens doelwit wezen mag, \'t Is het kenmerk der religie, van deze idee van het grenzenloos goede uit te gaan, de waarde van al het geringere, van al het bijzondere goede naar zijne verhouding daartoe af te meten, ons streven te richten naar de sterren en een oneindige heiligheid te leggen in elke bijzondere daad. Daarom sloeg Jezus den grondtoon der religie aan in den eisch om zich niet met de overgeleverde regelen van het goede maar met niets minder dan de volmaaktheid tevreden te stellen, i) En een apostolisch schrijver sloeg denzelfden toon aan in het woord: »Al wat waarachtig, al wat eerwaardig, al wat rechtvaardig, al wat rein, al wat beminnelijk is, al wat wèl luidt, welke deugd en welke lof er ook zij, zijt daarop bedacht.» 2) Daar er nu middel en doel in de wereld is, daar b.v. de materie er is voor den vorm, en lagere vormen voor hoogére, anorganische voor organische, gevoellooze voor gevoelende en de enkel gevoelenden voor de met rede begaafden, zoo is het redelijke leven het werelddoel en volkomenheid niet slechts een menschelijk maar een wereldprobleem. Op elke edele daad zien de sterren vriendelijk neer ; bij iedere keus van het hoogere boven het lagere, bij iedere opoffering van het persoonlijk voor het algemeen belang doortrilt een stille sympathie het heelal. Geen enkele daad, die alzoo opwaarts streeft, kan haar doel missen. Er is geen vernietiging van het goede.
1) Matth. 5 : 48
2) Phil. 4 : 8.
[Cj^, BEVREDIGT DE ZEDELEER VAN JEZUS
Wij stervelingen kunnen iets volbrengen dat niet sterfelijk is.
Het zal duren, het zal blinkeu
Van een reinen glans omstraald,
En zijn lof zal nog weerklinken
In de stad waar \'t licht niet daalt, i)
Geen louter aardsch paradijs is \'t, waarop in deze verzen wordt gewezen, al is \'t onze roeping naar een betere inrichting der maatschappij hier op aarde, als naar een voorbereidenden vorm van het volmaakte te streven — neen, het is een doel en vrucht van menschelijken arbeid en strijd, niet meer onderhevig aan aardsche verandering of vernietiging, een wereldstad, waar een wereldoogst wordt ingezameld en een werelddoel bereikt en wier aandenken aan het leven hoogere waarde en het gevoel van iets onvergankelijks schenkt.
Leven wij persoonlijk voort met dit goede ? Zullen wij in een anderen bestaansvorm zelf weten van het goede, dat wij in dit leven gedaan hebben ? Zullen wij hen ontmoeten voor wie wij het deden, hen herkennen die wij liefhadden ? Ik weet het niet en ik houd dit hoogstens voor een vraag der nieuwsgierigheid, hoewel voor een zeer verklaarbare, omdat zij innig samenhangt met het gevoel van aanhankelijkheid en liefde, dat een zoo groot deel van ons levensgeluk uitmaakt. Doch de zedelijke volkomenheid heeft niet onze persoonlijke bevrediging, maar ons waarachtig leven ten doel. Wie niet het ware en goede meer dan zichzelf bemint, wie het niet stelt boven alle persoonlijke banden, wie niet in het voorwerp van zijn teederste liefde een afschrjnsel van
I) Felix Adler. „De stad des lichts. (The City ol the Light.\'quot;)
r
DE BEHOEFTEN VAN ONZEN TIJD? 155
iets hoogers ziet, wie niet gevoelt dat een waarachtig
menschelijke liefde niet mogelijk is, als er geen liefde
..
bestaat voor \'t geen meer dan menschelijk is — die was nog nooit, hoe gelukkig of begaafd hij ook wezen moge, in een toestand van religieuzen eerbied. Hier toch is \'t niet de mensch die den mensch ontmoet, maar de mensch die zich buigt voor de onveranderlijke, ideale natuur der dingen, — niet voor God in den gewonen zin des woords, maar voor den God der Goden, iets zoo onuitsprekelijks en noodwendigs dat, wanneer het ophield te bestaan, de sterren van den hemel zouden vallen en, als het ook maar uit het menschelijk bewustzijn verdween, de menschelijke maatschappij in een chaos van barbaarsch-heid zou terugzinken. Emerson drukte het aldus uit: «Ik zie dat de verstandige en consciëntieuze menschen overal op de wereld van een en dezelfde religie zijn : de religie van weldoen en moedbetoon, — menschen van onbuigzamen waarheidszin, van volkomen oprechtheid en diep gevoel voor anderen. Daaruit besluit ik dat er eene opvatting van de religie mogelijk is, die alle scepticisme tot een ongerijmdheid maakt.quot; Zulk een opvatting van den godsdienst is \'t die onze tijd behoeft. Ik geloof niet dat een persoonlijke onsterfelijkheid of een persoonlijke God, in den gewonen zin dezer woorden, een deel van haar uitmaken, want dat zijn dingen, ten opzichte waarvan een ernstig en wijsgeerig scepticisme mogelijk is. Al moet te dien opzichte volkomen vrijheid van persoonlijk geloof bestaan, op grond der religie kan dat geloof niet gevorderd worden. De zekerheid en heiligheid der religie liggen in \'s menschen zedelijke natuur. Hier alleen vernemen wij de gebiedende stem, die niet alleen van mogen
156 BEVREDIGT DE ZEDEEEER VAN JEZUS, ENZ.
en kunnen, maar van moeten spreekt, het gezaghebbend woord zonder hetwelk de religie alleen een spel van gevoelens en begrippen is. Wij staan onder hooger bevel; al hebben wij de vrijheid al of niet te gehoorzamen, zoo ligt toch enkel in gehoorzaamheid onze menschelijke waardigheid en de religie zal bij ons herleven, wanneer, door gehoorzaamheid aan dit bevel, eene wedergeboorte van ons leven en denken, van al onze menschelijke betrekkingen tot stand komt.
»Wij hebben,quot; zegt Emerson in zijn Essay over heroisme, «vele buitengewone jongelieden gezien, die nooit tot rijpheid kwamen, of wier werkzaamheid in het werkelijk leven niet buitengewoon was. Als wij hun gedrag en houding gadeslaan, als wij hen hooren spreken over de maatschappij, over boeken, over godsdienst staan wij verbaasd over hunne stoutheid; zij schijnen heel onzen burgerlijken en maatschappelijken toestand te minachten ; hun toon is die van een jongen reus, die zonder eenige moeite een omwenteling in het bestaande zal teweegbrengen. Maar zij treden in een praktischen werkkring — en de verbazende kolos schrompelt tot eene gewone menschelijke gedaante ineen. Zij vonden geen voorbeeld en geen leidsman en hun hart versaagde. Toch blijft de idee waar, die zij overmoedig nastreefden; en grootere dapperheid en zuiverder waarheid zal eens hun geloof belichamen.quot; Klinken deze woorden van den man die zelf niet in gebreke bleef nog in den avond zijn levens te luisteren naar de stem die hij aan den morgen vernam, niet nog als een roepstem, ja als een uitdaging, de ernstige jongelingen van onzen tijd in het oor ?
VUL
KRACHT EN ZWAKHEID VAN HET PROTESTANTISME.
De geest der geschiedenis is grooter dan een harer helden, en al denken wij, van het Protestantisme sprekend, allereerst aan Luther, heden willen wij niet hem, maar de beweging die van hem uitging beschouwen. Waarin bestaat de beteekenis van het Protestantisme? In hoever heeft het al, in hoever niet aan zijne roeping beantwoord ?
Het Protestantisme is geslaagd allereerst hierin, dat het een breuk was met de Katholieke kerk en niet louter een hervorming dier kerk. Hier was Luther zelf, niet enkel de logica van zijne beginselen, groot. Luther was inderdaad geen hartstochtelijk tegenstander van overlevering en gezag. In de stellingen, die hij aan de deur van Wittenbergs slotkapel aanplakte, tastte hij niet, gelijk algemeen wordt aangenomen, den Paus aan, noch diens macht om zonden te vergeven. Hij zegt: »Wie tegen de waarheid van den apostolischen aflaat spreekt, zij vervloekt. Maar wie zich tegen de lichtzinnige
158 KRACHT EX ZWAKHEID VAN HET PROTESTANTISME.
en schaamtelooze taal van de aflaatpredikers verzet, zij gezegend.» Den tweeden pauselijken afgezant bood hij zelfs aan, »deze onderwerpen te laten rusten en de zaak zelve te laten doodbloeden, indien de tegenpartij ook zweeg.» Wel is waar was hij bezorgd, zoo voegde hij er veelbeteekenend bij, dat, «zoo men hem bleef aanvallen, er uit een onbeduidend geschil dra een ernstige strijd zou geboren worden.» Hij verklaarde zijn protest tegen den aflaathandel «als een trouwe zoon der kerk» te hebben ingediend en bood aan, een openlijke verklaring in dezen geest af te leggen. En in deze openlijke verklaring zegt hij dat «hoewel er helaas te Rome veel was dat niet deugde, dit toch geen reden was noch worden mocht om zich van de kerk los te scheuren. Integendeel, hoe erger het daar toegaat, des te meer moet men de kerk steunen en aanhangen, want door scheuring of smaad wordt het niet beter,» Hij was alzoo geen strijder, ter wille van den strijd. Neen, hij streed alleen, omdat hij moest. Ik ken geen verhevener voorbeeld van den moed, de stoutheid en fierheid, die een eenvoudige innerlijke noodzakelijkheid den mensch inboezemen kan. Hij hield stand, omdat hij moest, omdat hij, gelijk hij te Worms voor de vergaderde vorsten zeide, niet anders kon.
Ik behoef hier niet te verhalen, hoe Luther stap voor stap tot een breuk met de kerk gekomen is. Ik behoef niet te herinneren aan zijn eenzamen geestelijken strijd in het klooster te Erfurt, waar hij kwam tot het besef van de nietigheid van alle louter uiterlijke werken, tot het bewustzijn, dat de mensch alleen door het geloof wordt gerechtvaardigd, de grondgedachte van de hervorming. Ik behoef zijn dispuut met Eek in Leipzig
KRACHT EN ZWAKHEID VAN HET PROTESTANTISME. 159
niet te beschrijven, waar \'t hem duidelijk werd, dat zijn eigene inzichten met die van Huss en Wiklef vóór hem overeenkwamen en dat alzoo, als pausen en conciliën hen verdoemd hadden, die pausen en conciliën niet onfeilbaar konden zijn. Evenmin behoef ik den uiterst snellen vooruitgang van zijne intellectueele ontwikkeling in dezen tijd te schilderen; hoe zijn moed bij het gerucht dat er een pauselijke banbul tegen hem geslingerd was scheen te klimmen, hoe hij inzag dat zijne zaak de zaak van Duitschland was en hij daarom zijn zendbrief aan den adel van het Duitsche volk uitvaardigde; hoe hij met bijna jongensachtigen overmoed de pauselijke banbul verbrandde en eindelijk die wereldhistorische houding op den rijksdag te Worms aannam, verklarend dat hij niet wilde herroepen, daar hij wist dat het noch veilig noch raadzaam is tegen het geweten te handelen, al zouden ook een machtige kerk en een machtig rijk dat goedkeuren.
Doch hoe groot de man zij, de beteekenis van het tooneel is nog grooter. Dat was het eerste bedrijf van de Protestantsche revolutie. Slecht zou de wereld er bij gevaren hebben, indien Erasmus op die plaats had gestaan. Deze was, gelijk andere geleerden van zijnen tijd, ontevreden, hij schreef satiren op de monniken en scholastieken en sympathiseerde in \'t algemeen met Luther, maar hij wilde in de kerk blijven en die van binnen uit hervormen; verzoenen en bemiddelen wilde hij. Tot het einde toe ging hij voort satiren te schrijven en verdraagzaamheid te prediken; maar de gedachte aan eene scheuring kon hij niet verdragen en verklaarde dat »vreedzame dwaling beter was dan stormachtige
l6o KRACHT EN ZWAKHEID VAN HET PROTESTANTISME.
waarheidquot;, \'t Ging hem gelijk het thans den liberalen gaat die in de Anglikaansche kerk volharden of dea vrijzinnigen in \'t algemeen die vasthouden aan het kerkelijke christendom. Met het verledene te breken en schijnbaar ontrouw te worden aan de kerk, waarin men is opgevoed, dat vreest men bovenal. Luther kende slechts één ding: trouw aan zijne innigste overtuiging, kwam het verleden daarmee niet overeen, des te erger voor het verleden.
Wij kunnen ons thans nauwelijks voorstellen, aan welk een onmetelijke, op geheel het verleden rustende macht Luther het hoofd te bieden had. Met de orthodoxie of eenigen anderen vorm van het Protestantsche Christendom te breken is een onbeduidende zaak, in vergelijking hiermee, zich van die gemeenschap los te maken die de sleutels der aarde zoowel als die des hemels bezat. Want is thans de kerk iets betrekkelijk onschuldigs, — toen was zij een macht die geen mededingster naast zich duldde. De staat was slechts het lichaam, zij de ziel; een wereldrijk was zij dat geen verschil van nationaliteit kende; als ieder ander rijk had zij haar belastingstelsel: het tiende deel van de opbrengst der gezamenlijke landerijen van de christenheid stroomde haar toe. Haar behoorde bijna een derde deel van den bodem van Europa. De beambten van dit rijk waren niet onderworpen aan de burgerlijke rechtspraak; alleen voor hunne eigene gerechtshoven konden zij ter verantwoording geroepen worden en onder de bescherming, hun daar verleend, konden zij hunne schapen naar welgevallen scheren. Zij alleen konden huwelijken sluiten, zij alleen echtscheiding toestaan. Zij hadden de beschikking over het eigendom van afge-
KRACHT EN ZWAKHEID VAN HET PROTESTANTISME. l6l
storvenen; een testament moest door hunne uitspraak bevestigd worden; zij alleen begroeven de menschen en konden een christelijke begrafenis op hunne kerkhoven weigeren. En dit rijk, dat met den mensch bijna in iedere levensbetrekking in aanraking kwam, had zijn middelpunt in Rome en zijne aangelegenheden werden, gelijk van algemeene bekendheid was, juist niet altijd ten beste zijner onderdanen bestuurd, maar tot verhooging van den invloed, van de praal en macht, van de inkomsten der Roomsche pausen en kardinalen — gelijk eens in de dagen der Caesars de volksmenigte in de provincie niet in haar eigen belang, maar in dat -• der veroveraars werd geregeerd.
Deze heerschappij over de zielen en lichamen, gedachten en daden der menschen, over leven en dood, ja over \'t geen na den dood volgen zou, gewis niet in naam der waarheid en der voortschrijdende verlichting, maar in naam van eene wereldbeschouwing, die ondermijnd werd door elke wetenschappelijke ontdekking, door elk onafhankelijk wijsgeerig stelsel; — deze oude verjaarde heerschappij werd gebroken, in \'t aangezicht geslagen, en aan \'t wankelen gebracht, toen voor meer dan driehonderdvijftig jaren Luther zijne stem verhief. Heil u, o dappere man, voor dien eersten, stouten stap! Reeds bij de gedachte daaraan ademen wij vrijer. Verdere slagen zullen volgen; en ondanks alle hervormingen, die deze macht moge ondernemen, ondanks alle inspanning om hare overeenstemming met het moderne denken en de staatkundige vrijheid te bewijzen, ondanks de pracht van hare alom verrijzende kerken, zal zij hare oude opperheerschappij
11
102 kracht en zwakheid van met protestantisme.
nooit heroveren. Zij is een afgeleefde inrichting, de vooruitstrevende geest der menschheid heeft haar achter zich gelaten.
Dat was de eerste goede vrucht van het Protestantisme. Nauw daarmee verbonden is een tweede, die wij ook aan Luther zeiven danken. Het goede was in de Katholieke kerk iets uiterlijks, iets formeels geworden. \'t Loopt altijd gevaar daartoe te vervallen. Het schept eerst zekere vormen en gaat dan daarin op; en gelijk menschen voor goede burgers gelden, omdat zij hunne belasting betalen, hunne stem uitbrengen en een ambt bekleeden, afgezien van de gedachten en beweegredenen die hen daarbij bezielen, zoo werden de menschen voor goede christenen gehouden, die eenvoudig aan de voorschriften der zooeven geschilderde macht gehoorzaamden, zoo en zooveel Ave Maria\'s en Pater-nosters prevelden, zoo en zoo vastten of boete cleden, zoo en zooveel geld gaven of deze en gene sakramenten ontvingen. Dat wil zeggen: men had een uiterlijken maatstaf voor het karakter — en Luther\'s beteekenis bestaat hierin, dat hij er een innerlijken voor in de plaats stelde.
In een zijner eerste redenen, twee jaren voordat hij zijne stellingen aansloeg gehouden, deed hij nadrukkelijk de leer uitkomen, dat de vroomheid niet in uiterlijke werken, maar in een innerlijk beginsel bestaat, dat eene op zichzelf goede handeling zondig wordt, zoodra haar beweegreden zondig is. Luther bediende zich niet van een philosophische taal; zijne gedachten bewegen zich geheel in theologische vormen; maar de grondbetee-kenis van zijne groote leer van de rechtvaardiging door het geloof en niet door de werken schijnt mij deze ge-
KRACHT KN Z\'.VAKHEID VAN HET PROTESTANTISME. 163
weest te zijn, dat alleen het innerlijk leven de waarde van een mensch bepaalt — zoodat, al ware geheel zijn uiterlijk leven onberispelijk, hij toch op \'t verkeerde spoor zou zijn, als de gedachte of drijfveer, daaraan ten grondslag liggend, louter zelfzuchtig was. Luther beweerde niet dat de werken zonder beteekenis waren ; ook sluit op zichzelf zijne rechtvaardigingsleer geene geringschatting van de voorschriften en vormen der kerk in zich; hij beweerde dat werken of handelingen, afgescheiden van hun drijfveer, en waarneming van voorschriften en gebruiken op zichzelf zonder beteekenis waren — ja schadelijk en ergerlijk, ■*\' zoodra men meende, dat zij op zichzelf zedelijke waarde gaven aan hem die ze uitoefenden.
Alleen sprak Luther van »het aangezicht Godsquot; als wij spreken van de zedelijke roeping en was hem een misstap niet enkel een zonde tegen een ideale wet, maar tegen een persoonlijken, toornigen God. Dat verschil in woorden en zelfs in begrippen mag ons niet verblinden voor de gelijkheid in wezenlijken zin. Luther zegt: wij worden door het geloof gerechtvaardigd; de he-dendaagsche wijze van uitdrukking is: wij hebben zedelijke waarde, niet door \'t geen wij doen, maar door \'t geen wij bedoelen bij ons doen. Zoo ontsproot het Protestantisme uit een herleving van het geweten en eene diepere opvatting van het zedelijke leven. Luther kon in vasten, boetedoening en het geven van aalmoezen geen vrede vinden; zij kastijdden het lichaam, de ziel louterden zij niet. In \'t diepst zijner ziel smachtte hij naar rust en hij vond die, terwijl hij nog in het Augustijnerklooster te Erfurt was, in de gedachten die het
164 KRACHT EX ZWAKHEID VAN HET PROTESTANTISME.
oude schriftwoord bij hem opwekten: 9 de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.quot; Dat woord weerklonk telkens in zijn oor en stortte hem een onuitsprekelijken vrede in de ziel. Wilt gij die oude ervaring in nieuwe-ren trant zien uitgedrukt? In een bekoorlijk verhaal van den Noorschen schrijver Björnstjerne Björnson zegt een eenvoudig landmeisje: »Ik denk dikwijls, als alles stil is, dat ik een stem hoor zingen.quot; — »Dat is het goede in uw eigen zielquot;, antwoordt haar makker. Zoo is \'t; als een mensch, in plaats van te streven naar een of ander uiterlijk werk, dat hem in de oogen van anderen of van zichzelven eenigszins verheerlijkt, zich omkeert om aan het goede zich te wijden en het voor altijd te gehoorzamen, dan is \'t of zich een stem in hem laat hooren: — of wij haar het goede noemen of God, of wij zeggen: »het goede zingtquot; of »God heeft welbehagen in ons,quot; \'t is eenerlei, een verschil alleen in de taal, niet in de zaak. Het Protestantisme is, in zoover het aan den oorspronkelijken geest van Luther getrouw is, innerlijker, dieper doordringend dan het Katholicisme. In het Protestantisme is de godsdienst persoonlijker; bij minder uiterlijken schijn heeft hij hier meer wezen. Het stelt den mensch van aangezicht tot aangezicht tegenover de centrale waarheid der dingen; plaatst hem onmiddellijk tegenover die onuitsprekelijke autoriteit, waarvan al het overige slechts de schaduw en weerschijn is. Ik zeg dit niet van alle Protestantisme. In Engeland was het meer een politieke aangelegenheid, en in plaats van het zedelijke leven te verhoogen, werkte het, door de intrigues van Hendrik VIII veeleer tot verlaging daarvan mee. De eerste werkelijke Pro-
KRACHT EN ZWAKHEID VAN HET PROTESTANTISME. 165
testanten in Engeland waren de Puriteinen, gelijk de Hugenooten het waren in Frankrijk en de aanhangers van Zwingli en Calvyn in Zwitserland. Maar over \'t algemeen bracht het Protestantisme zeker nieuwen zedelijken ernst in het leven. Men vergelijke slechts voor een oogenblik Luther, Zwingli of Calvyn met Leo X; welk een verschillend type van menschen 1
Nog in een ander opzicht hebben wij aan het Protestantisme verplichting. Het schonk ons de gewetensvrijheid. Wel is waar is Luther hier niet zoo groot als de logica der beweging, die van hem uitging. Luther stond de gewetensvrijheid niet als beginsel voor. Hij wilde vrijheid slechts voor zijn eigen geweten. Maar de logica der geschiedenis berust niet op de gedeeltelijke verklaring van een individu. Toen Luther te Worms zijn beroemde woorden sprak, nam hij het feitelijk op voor eiken oprechten hervormer, ook van lateren tijd, sprak hij voor elke voorwaartsche beweging in het denken en maatschappelijk leven tot op den dag van heden, ja verdedigde hij uwe en mijne zaak: — want ook onze spreuk is \'t: stegen het geweten te handelen is niet veilig en gevaarlijkquot;; dat te zeggen in het licht en onder de omstandigheden van dezen tijd is onze geheele roeping. Daarom is het, dunkt me, niet billijk de bekrompenheid en het bijgeloof van vele Protestanten, individuen of kerken, aan hun Protestantisme te wijten; het is hun als menschen of vereenigingen toe te rekenen, want bekrompenheid en bijgeloof hechten zich maar al te licht aan menschen en vereenigingen; alleen uit gebrek aan waarachtig Protestantisme is het af te leiden. De ware beteekenis van het Protestantisme is vrijheid.
l66 KRACHT EN ZWAKHEID VAN HET PROTESTANTISME.
Het Puritanisme was een karakteristiek Protestantsche beweging; want het was de handhaving van het geweten tegenover de slapheid en het formalisme der Engelsche kerk. De moderne richting was een andere karakteristiek Protestantsche beweging, want het was een verzet van rede en geweten tegen de dwalingen der orthodoxie. Wie ooit de persoonlijke overtuiging van zijn gemoed tegen een vereeniging van machthebbers en waardig-heidsbekleeders verdedigt, die is in beginsel een Protestant. Wanneer dus Luther Carlstadt vervolgde, Calvyn Servet verbrandde, de Puriteinen Roger Williams verbanden, waren zij in zooverre geen Protestanten, en in naam der beginselen zelve, waardoor zij hun eigen vrijheid verzekerden, verdienen zij veroordeeling. Geruimen tijd duurt het eer een in de geschiedenis geworpen beginsel in al zijne gevolgtrekkingen doorwerkt, maar vroeger of later zal dit geschieden. Het beginsel der gewetensvrijheid heeft zich in betrekkelijke volkomenheid misschien \'t eerst in de Vereenigde Staten verwezenlijkt, maar het is een vrucht van het Protestantisme en \'t was de hand van Maarten Luther die het slingerde onder de machten der historie, al begreep hij zelf niet, wat hij deed.
Als een vierde vrucht van het Protestantisme, als een resultaat van dezen geest der vrijheid die in alle richtingen van het moderne denken werkt, lost zich niet alleen de oude kerk maar ook de oude godsdienst allengs op. De schaal van het Christendom valt uiteen, alleen zijn zedelijke kern houdt stand, \'t Werd in de vorige eeuw niet half zoozeer aangetast door Paine en Voltaire als thans voor het bewustzijn van ernstige en
KRACHT EN ZWAKHEID VAN HET PROTESTANTISME. 167
denkende mannen door den nieuwen indirecten invloed der wetenschap en der historische kritiek. Menschen die nooit populaire vrijzinnige voordrachten hooren, die nooit Voltaire of Strauss gelezen hebben, ontvangen uit de intellectueele atmospheer zelve, waarin zij ademen, een nieuwe wereldbeschouwing, en de oude voorstellingen van wonder en gebed en voorzienigheid verdwijnen zoo stil, dat zij het verlies niet eens gewaar worden. De nieuwe gedachte ligt in de letterkunde, in de poëzie, in de wetenschap, in de dagbladpers. Het onderscheid tusschen de ernstige menschen in de kerken en daarbuiten is vaak verrassend klein. Als wij vragen naar de religie die zich in de beschouwing van het leven, de maatschappij, de nijverheid, de politiek weerkaatst, wat toch haar eenige zuivere toetssteen is, dan onderscheiden zich Hervormden niet wezenlijk van Doopsgezinden, Lutheranen of Remonstranten. Hunne bijzondere kerkelijke opvattingen zijn alleen een zaak van gewoonte of overlevering. Hunne religie bestaat, onder het omhulsel van vrome namen en uitdrukkingen, in eerbied voor het goede en in vertrouwen dat het zal zegevieren in de wereld. Hun christendom heeft veel overeenkomst met dat van een mijner vrienden die mij onlangs zeide dat het hem om den naam christen niet zoozeer te doen was; doch als iemand zeggen zou dat hij geen christen was, zou hij zich beleedigd voelen. De bijzondere voorstellingen, die aan de vorming der verschillende sekten ten grondslag liggen, zijn thans voor niemand van belang, tenzij voor een minnaar van oudheden of voor een zeloot. Een ander resultaat liet zich van het protes-tantsche beginsel van vrijheid van het geweten en van
l68 KRACHT EN ZWAKHEID VAN HET PROTESTANTISME.
het individueele oordeel niet verwachten. Hoe toch ware het mogelijk, dat zich elke persoonlijke meening eenvoudig bij de officieele bijbelverklaring zou neerleggen; moest niet elk vroeger of later beproeven over de waarde van den inhoud des bijbels te oordeelen bij het licht dat hem thans bestraalt? Luther droeg er toe bij den geest te sterken in het geloof aan eigen overtuiging tegenover het gezag der kerk, en waar de geest tot overtuigingen komt, die met de leer der heilige schriften onvereenigbaar zijn, daar doet dezelfde logica het zelfde vertrouwen koesteren.
Evenmin als aan een heilig boek kan aan een heilig persoon langer een onschendbaar gezag over den geest toegekend blijven. Maar verdwijnt het goddelijk gezag van Jezus, dan houdt ook het Christendom op de godsdienst bij uitnemendheid te zijn. Zoo voert de logica van het Protestantisme onverschrokken en onverbiddelijk over den godsdienst heen, waaruit het ontstond. Zoo droeg het beginsel van Luther in zich de oneindige ontwikkeling van den godsdienst, die niet beperkt kan blijven binnen de grenzen van het historisch Christendom. Immers de mensch-heid kan niet eeuwig de oude kleederen dragen ; even als uit de oude kerken groeit zij uit de oude godsdiensten uit, en de toekomst zal grootere dingen brengen, dan ooit het verleden heeft gekend.
Waar ik nu tot mijn vijfde punt overga, ben ik in \'t onzekere of ik het tot de licht- of schaduwzijden van het Protestantisme rekenen moet. Ik bedoel de omstandigheid dat het Protestantisme ons feitelijk den Bijbel heeft geschonken, die te voren een bijna verzegeld boek was, en in quot;quot;t bijzonder ons rechtstreeks tegenover Jezus en
KRACHT EN ZWAKHEID VAN HET PROTESTANT ISME. 169
de apostelen heeft gesteld. In Luthers tijd wist het volk weinig of niets van den Bijbel; Jezus en de apostelen dachten zij zich meer als de grondpijlers van dat groote rijk, dat hen overal omgaf, dan als levende historische personen. Gelijk men aan de wereldsche Renaissance te danken heeft dat de belangstelling in de oude Grieksche en Romeinsche letterkunde, onafhankelijk van kerkelijke commentaren, weer werd opgewekt, zoo valt het in de latere godsdienstige Renaissance te roemen dat zij de oude joodsche en de eerste christelijke letterkunde overbracht in talen waarin een ieder ze voor zichzelven lezen kon. ... Overal wordt de Bijbel ten gevolge der Reformatie het eigendom van den gemeenen man, die, als \'t ware met Jezus en de apostelen leert om te gaan. Ziedaar de lichtzijde van het Protestantisme. Dwaasheid toch ware het den Bijbel onvoorwaardelijk ter zijde te leggen en te wenschen dat de wereld niets van hem weten mocht. Welk een zegen heeft hij, mits recht gekend en begrepen, in den loop der eeuwen verspreid en biedt hij nog aan duizenden ; hoevele profetiën van het Oude Testament, hoevele woorden van Jezus en zijne apostelen getuigen van waarachtigen, persoonlijken godsdienst, strevend naar het hoogste, naar vervulling der gerechtigheid! Juist de bijgeloovige eerbied dien zoovelen voor den Bijbel koesterden, is een getuigenis voor zijne macht; zoo hebben Cicero en Plato en Aristoteles nooit de harten en gewetens beheerscht. En toch — die Bijbel door het Protestantisme ontsloten, droeg naast zijne goede ook zijne kwade vruchten. Gelijk geen ander boek dat eigendom van onze westelijke wereld werd, gloeit de Bijbel van de idee der gerechtigheid, en voor hen, die inhoud en
170 KRACHT EN ZWAKHEID VAN HET PROTESTANTISME.
vorm weten te onderscheiden, is hij nog altijd een bron van zedelijke bezieling. Doch de vorm waarin die ideën zijn gehuld spreekt niet meer tot ons. De gerechtigheid wint voor ons niet aan gezag, als zij wordt voorgesteld als de wil van een bovennatuurlijk wezen; ons vertrouwen op hare zegepraal in de wereld wordt niet versterkt door het beeld van een gericht dat eens de rechtvaardigen en onrechtvaardigen als schapen en bokken van elkander scheiden zal. Zelfs was de geopende Bijbel niet eens een afdoende verdediging tegen de Roomsch-Katholieke kerk. \'t Is waar, hij zegt niets van den Paus of van de conciliën, van het vagevuur of van de tusschen-komst der heiligen en in \'t oog van vele bekrompen Protestanten is dat genoeg. Maar de Bijbel geeft praemissen, waaruit menige Katholieke leerstelling als een geenszins onlogische conclusie kan worden afgeleid. Als één mensch spreekt met onfeilbaar gezag, is er dan een grond in de natuur der dingen waarom ook niet anderen met hetzelfde gezag zouden spreken ? Als één mensch zonden kan vergeven, is het dan ondenkbaar dat hij die macht op anderen die na hem komen zouden overdroeg ? Als onze gebeden hen die op aarde zijn kunnen baten, waarom zullen wij dan ook niet bidden voor hen, die naar de geheimzinnige andere wereld zijn gegaan ? Wanneer de tusschenkomst van rechtvaardige menschen hier bij God kan baten, waarom niet zooveel te meer de voorbede van hen, die heiligen in den hemel geworden zijn ? Inderdaad de Nieuw-Testamentische schriften zelf zijn voor een deel de vrucht en de openbaring dier katholieke richting, die de Protestanten met hare hulp bestrijden willen!
Evenmin als een wapen in den strijd tegen het Katho-
een regel van geloof en leven zijn. Van onvergankelijke waarde is zijn begrip van gerechtigheid, maar de trap van ontwikkeling, v/aarop hij geschreven werd, is thans door een hoogeren vervangen. Wij kunnen niet denken en gelooven, niet leven en handelen zoo als de Bijbel ons wil laten denken en gelooven, leven en handelen. Wij zijn van hem gescheiden, niet alleen door achttien eeuwen tijds, maar ook door achttien eeuwen van ervaring, wetenschap en denken. Om van min beteekenende verschilpunten niet te spreken, wie, die een kind is van zijn tijd, kan aan het koninkrijk der hemelen gelooven, de wereld beschouwen, vertrouwen op een persoonlijke voorzienigheid of op een wonderbare verhooring des gebeds, gelijk volgens den Bijbel Jezus en de apostelen dit deden? De menschen beelden zich slechts in, dat de Bijbel een autoriteit voor hen is, omdat zij hem niet werkelijk kennen, omdat zij zich nooit de moeite gegeven hebben hem te beschouwen in \'t licht der omstandigheden, onder welke hij geschreven werd. Het Protestantisme, dat met den geopenden Bijbel de wereld meende te kunnen beheerschen, is een mislukking.
Mislukt is het Protestantisme, in zooverre het ons geen nieuw geloof geschonken heeft, gelijk de wereld
^ dat behoeft. De Protestanten hebben grootendeels een
voudig vastgehouden aan zekere overblijfselen van een oud kleed; zij begrijpen niet dat de wereld niet op puinhoopen leven kan; zij hebben haar geen positief, nieuw beginsel geschonken, machtig een wedergeboorte te bewerken. De Katholieke kerk heeft alle positieve bestanddeelen der Protestantsche leer. De
I
172 KRACHT EN ZWAKHEID VAN HET PROTESTANTISME.
meeste modernen b. v. dekken zich door den christen-naam aan te nemen en zich tot de discipelen van Jezus te bekennen; maar ook de Katholieken zijn gezamenlijk christenen en discipelen van Jezus. De orthodoxe christenen gelooven aan de godheid van Christus, aan de drieeenheid en aan de verzoening; maar ook de Katholieken gelooven dit alles en nog veel meer. De episkopale kerken hebben hare priesters, hare bisschoppen en haar ritueel, maar dat alles heeft de Katholieke kerk in veel grootscheren stijl. Vrijheid van gedachte en geweten is immers geen positief, alleen een formeel beginsel. Het beteekent dat wij vrij moeten zijn i 11 de aanneming van hetgeen ons redelijk toeschijnt, onafhankelijk van ieder uiterlijk gezag, maar het zegt niet wat redelijk is; praktisch gesproken beduidt het, in \'t beste geval, alleen toegankelijkheid voor de waarheid of bereidwilligheid om voor de erkende waarheid partij te kiezen, niet de waarheid zelve. En eer er een nieuw geloof kan zijn, moeten er nieuwe ideën zijn.
Welnu, aan die nieuwe ideën, aan een nieuwe voorstelling van het leven en de maatschappij ontbreekt het nog maar al te zeer. In de stellingen der Bergrede ligt, mits recht ontwikkeld, in kiem een ideaal van maatschappelijke gerechtigheid. Dat licht is het, waaraan de maatschappij behoefte heeft — niet in de eerste plaats de Bijbel of een revisie of een redelijke verklaring van den Bijbel, niet een onderzoek naar het historisch karakter van Jezus\' leven en werken — maar een tijdperk van sociale rechtvaardigheid, een ethische religie, die, in de plaats van priesters, officieele gebeden en heilige boeken, een ideaal van heiligheid en gerechtigheid voorhoudt aan onze ge-
KRACHT EN ZWAKHEID VAN HET PROTESTANTISME. 173
brekkige maatschappij: een religie waarbij de mensch zijne verwantschap met de onzienlijke wereld enkel vindt en voelt in het gebod: doe de gerechtigheid waarnaar gij dorst.
Helaas, het Protestantisme wierp in den persoon van Luther het gewicht van zijn invloed in de schaal tegenover het verlangen naar sociale rechtvaardigheid dat de harten der onderdrukte Duitsche boeren vervulde. Laat mij met een enkel woord wijzen op dit voorbeeld van ontrouw van het Protestantisme aan zijn eigen beginselen. De Duitsche boer verlangde vrijheid, kerkelijke en staatkundige vrijheid. De kerk en de leenheeren vereenigden ■*\' zich om hem uit te zuigen. Hij bezat tegenover hen geen noemenswaardige rechten. Hij was aan den grond gebonden, was verplicht eiken dienst te bewijzen dien de heer van hem vorderde en had zijn recht op de oude ge-meente-bosschen, — weiden en — vischwaters verleren. Aan de kerk betaalde hij niet alleen het tiende deel van zijn gras en koren, van alle veulens, kalveren, lammeren, varkens, ganzen, hoenders, zelfs elk tiende ei, maar bovendien betaalde hij nog geld voor eiken bijzonderen dienst dien de kerk hem bewees. Een katholiek schrijver van dien tijd, een broeder van den secretaris van Karei V. zegt: »wij kunnen \'van de christelijke geestelijken nauwelijks iets verkrijgen zonder geld: bij den doop, geld; bij de communie, geld ; bij het huwelijk, geld; bij de biecht, geld; — ja geen laatste oliesel zonder geld; zij zullen de klokken niet luiden zonder geld; geen kerkelijke begrafenis zonder geld; zoodat het schijnt dat het paradijs gesloten is voor hen die geen geld hebben. . .
174 KRACHT EN ZWAKHEID VAN HET PROTDSTANTISME.
De rijke kan lichtelijk aflaat erlangen, maar de arme niet, omdat hij geen geld heeft om dien te betalen.« Geen wonder dat de boeren in opstand kwameu tegen zulk een dubbele tirannie 1
In hunne bekende twaalf artikelen vorderden zij onder anderen het recht om hunne geestelijken zelf te kiezen, vrijheid van lijfeigenschap, het gebruik van gemeenteweiden en bosschen als weleer, en eindigden met de verklaring: »Mocht een of meer van deze artikelen in strijd zijn met het woord Gods, zoo zullen wij daarvan afstand doen, zoodra ons die strijd wordt aangetoond, ja, al stond men ons sommige artikelen thans reeds toe en het bleek later dat zij onrecht waren, dan zouden zij van stonden aan krachteloos en dood zijn.«
Welk een schoone roeping vond hier een godsdienst die in deze wereld eenig nut wilde stichten, die het recht beschermen en het onrecht omverwerpen wilde 1 Omstreeks dezen tijd waren vele armen Protestant geworden. Bracht hun Protestantisme een hooger gevoel van sociale rechtvaardigheid mee? Wat zeide Luther zelf? PIij was inderdaad niet van medegevoel met de boeren ontbloot. Daarvoor was hij te zeer mensch, om niet te zeggen christen. En als qen moedig man liet hij ook niet na den vorsten ronduit zijne meening te zeggen. Zelfs eer nog die artikelen waren openbaar gemaakt, zeide hij: »De gemeene man, die aan goed, lijf en ziel te lijden heeft, die boven alle maat op \'t schandelijkst bezwaard is, mag noch wil deze dingen voortaan lijden en heeft waarlijk reden om er met vlegels en kolven op in te slaan/\' Van de artikelen zegt hij tot de vorsten: »Sommige zijn zoo
KRACHT EN ZWAKHEID VAN HET PROTESTANTISME. 175
recht en billijk dat het feit alleen dat zij gesteld moeten worden u voor God en menschen onteert.quot; Hij herinnert hun dat de overheid niet is aangesteld om haren moedwil aan de onderdanen te koelen, maar om ten nutte der onderdanen te werken. Zoo geschat en geplukt te worden is voor de boeren niet langer dragelijk. »Wat zou \'t baten of de akker van een boer zooveel guldens opbracht als halmen en korenaren, als de overheid maar des te meer naar zich toehaalde om hare en overdaad te verhoogen 1quot; Toen echter de vorsten pracht weigerden aan zijnen aandrang toe te geven, toen de boeren hunne woorden met daden begonnen en met oproer dreigden, — toen gaf Luther zelf toe te bezegelen en ging hij feitelijk tot de zijde der tegenstanders over.
\'t Is geen aangename taak de woorden aan te halen waarvan Luther zich tegen de boeren bediende, nadat deze eenmaal den weg des gewelds hadden ingeslagen. Niet de mensch, maar de priester is het, die hier spreekt. Zijne theorie was »dat het christelijk recht was zich niet te verzetten tegen onrecht, niet naar het zwaard te grijpen, zich niet te verdedigen, noch zich te wreken, maar lijf en goed op te offeren.... lijden, lijden, kruis, kruis is \'s christens recht en geen ander.quot; Hij sprak van de christenen als van kudden schapen; die niet gehoed, maar geslacht moesten worden. Als zij tegen de overheid rebelleerden, was er voor hen maar één lot. Met het oog op de » moordende en .roovende rotten der boerenquot; gelijk hij ze noemde, zeide hij tot de vorsten. » Een oproermaker die als zoodanig kan worden aangewezen, staat reeds onder goddelijken en keizerlijken ban, zoodat elk die kans ziet hem op te hangen, daaraan we! doet. . .
176 KRAGHT EN ZWAKHEID VAN HET PROTESTANTISME.
Heimelijk of openlijk wurge en verwonde men dat volkje, gelijk men een dollen hond doodslaat.quot; Ik geloof niet dat dit enkel is toe te schrijven aan lafheid en aan den wensch om het te houden met het vorstelijk gezag — al mogen deze motieven voor een deel bij Luther hebben meegewerkt; want gelijk hij tegen het einde van den oorlog niet naliet zachtheid aan te bevelen, zoo hield hij ook gedurende den krijg niet op van de »dolle dwingelandijquot; der vorsten en heeren te spreken, \'t Was veeleer de zwakke zijde niet alleen van het Protestantisme, maar van heel het Christendom, die hier aan \'t licht kwam, de leer namelijk der weerloosheid, het beginsel dat wij niet zelf de gerechtigheid hebben te doen regeeren, maar dat aan een hoogere macht moeten overlaten. Dat had Luther van den beginne af gepredikt en daarvoor plaatsen uit de schrift aangevoerd, \'t Was niet zoozeer een verandering in zijne inzichten of sym-pathiën als wel in de omstandigheden, waarop zij werden toegepast. Van den beginne af sprak hij in dezen trant: zich te verzetten is als heidenen handelen, christenplicht is geduldig te zijn, niet te strijden; de beschermende gerechtigheid is alleen Gods zaak; niemand mag zijn eigen rechter zijn, een poging daartoe is iets dat God niet kan dulden, \'t is strijden tegen God. Zulk een beschouwing is voor ons mythologisch, maar voor Luther, die zich nauw aan de leer zijns meesters aansloot, was zij loutere waarheid. Had Luther meer van een heiden aan zich gehad, dan zou hij zich voor de wereld meer vertoond hebben als een waarachtig man. Want niet op grond van zulk eene beschouwing bevordert men den vooruitgang der wereld. Ware zij voor
KRACHT ENT ZWAKHEID VAN HET PROTESTANTISME. 177
honderd jaar de levensregel van de ontwikkelde Fran-schen geweest, de Fransche Revolutie ware niet geboren. Ware de gedachte die Luther\'s arm verlamde, de overtuiging geweest der Amerikanen in 1776, dan zou de Republiek der Vereenigde Staten nog altijd een Britsche provincie zijn. De zegepraal behoort hun die weten dat gerechtigheid door henzelven moet worden uitgeoefend, en die geen achting voor zichzelf zouden hebben, als zij zich niet verdedigden tegen hen die hunne rechten beschimpen. Ik sta niet in voor alles wat de boeren deden; velen waren even fanatiek als Luther, even weinig tot toegevendheid geneigd als Luther den adel opwekte het jegens hen te zijn. Doch \'t is enkel de vraag: waren zij in het begin niet in hun recht met hunne eischen?
Welk een zonderling begrip van de beteekenis dezer geheele zaak koesteren toch velen! Zoo zegt d\'Aubigné in zijne Geschiedenis der Hervorming, dat het volk nog niet rijp was voor het genot van een staatkundige hervorming, dat vele onheilige zielen niet op de vrijheid waren voorbereid. Ach, welke phrasenl Welk een geluk voor de maatschappelijke orde, zegt hij, dat het evangelie Luther in toom hield; want wat ware er geschied als hij zijn vèr rei kenden invloed ten gunste der boeren had aangewend 1 Wat daarvan het gevolg zou zijn geweest is licht te vermoedén; niets anders dan de overwinning der boeren, die ondersteund geworden zouden zijn door de steden, bijna even zoo vijandig aan den adel als zij; de afschaffing van het leenstelsel — ja misschien zelfs eene vreedzame overwinning, eene afwending van het schrikkelijk bloedbad, en niet, gelijk
178 KRACHT EN ZWAKHEID VAN HET PROTESTANTISME.
thans het geval was, nog twee honderd jaren van ellendige slavernij voor de boeren en van overmoed en geweld van de zijde der heeren.
Anderen weten ons te verklaren dat het een g ods-dienstige hervorming was die Luther boven alles ter harte ging. Maar ik bid u, wat is godsdienst? Ziet ge niet in, dat juist ons streven naar waarheid en gerechtigheid ons er toe zou moeten leiden zulk een godsdienst af te wijzen? De eenige religie, waarom \'t mij en naar ik vertrouw ook u te doen is, zou \'t juist willen opnemen voor de zaak die Luther feitelijk in den steek liet, en zoo een eeuw van sociale rechtvaardigheid voor de wereld doen aanbreken, in het gevoel dat wij daartoe verplicht zijn, gedreven door een onzichtbare zedelijke noodzakelijkheid.
Wie bereidt den weg voor zulk een religie — een religie, waaraan thans even zeer behoefte bestaat als ooit in tijden van feudale en kerkelijke onderdrukking ? Twijfelt gij daaraan, luistert dan naar den noodkreet der verstooten armen in het christelijk Londen, in al onze Protestantsche steden, ook in de nieuwe- wereld. Niet Protestanten als zoodanig, niet christenen als zoodanig, niet priesters en kerken als zoodanig bereiden den weg, maar zij die, onder welke benaming ook, luisteren naar de roepstem der gerechtigheid en die zelf doen weerklinken. Nu en dan waagt iemand zijne stem te verheffen tegen zelfzuchtig bezits- en machtsvertoon; nu en dan spreekt iemand uit als zijn geloof, dat men belangeloosheid uitoefenen en niet enkel van haar droomen kan ; nu en dan verneemt men den eisch dat openbare belangen boven bijzondere moeten gaan in de staatkunde.
KRACHT KN ZWAKHEID VAN HET PROTESTANTISME. 179
in de nijverheid, ja overal. Nu en dan roept men het bestuur van stad en land op om ook het kleinste belang van den geringsten burger niet te beschouwen als iets dat buiten het bereik van zijn rechtmatige bemoeiing ligt. Als zulke stemmen zich doen hooren op de straat, in de dagbladen, in vergaderingen van hervormingsgezin-den, dan zijn zij, al gewagen zij met geen woord van godsdienst stemmen in den nacht, die spreken van den naderenden dag; dan zij zijn voor een ongeloovigen tijd de getuigen van ideale waarheid en gerechtigheid, en dat waarin Luther en het Protestantisme en het Christendom te kort kwamen, zal hare vrucht en haar triomf zijn.
Het Christendom heeft groote, overdreven groote waarde aan het individu gehecht, althans in den loop dei-tijden. Want de stichter ging steeds uit van het koninkrijk der hemelen, hetgeen een overdrachtelijke uitdrukking is voor een sociaal ideaal en hij leerde de men-schen, niet bij zichzelf te blijven staan, maar hunne gedachten op dat rijk te richten, daarop te hopen, daarom te bidden en intusschen te leven als dezulken, die in dat rijk verdienen in te gaan. Maar wanneer in later tijden een vroom christen zich ernstig in zijn plicht verdiept, dan richten zijne gedachten zich niet zoozeer op een hoogere opvatting van het sociale leven, als wel op de vraag, hoe hij zijne ziel zal redden en hoe hij anderen zal opwekken eveneens daarnaar te stre- »
ven. Die toestand van godsdienstige opwinding, die men in Engelsche kerken tracht te bereiken en waarin b. v, het leger des heils zijne kracht zoekt, komt niet voort uit een heilig enthousiasme voor sociale belangen, waardoor de mensch zichzelf vergeet en naar verheffing van
HET SOCIALE IDEAAL. iSl
het algemeene welzijn streeft, maar gelijkt veeleer op een handelspaniek, waarbij men door schrik bevangen wordt en ieder slechts aan zichzelf denkt.
Maar wat beteekent het persoonlijk leven, afgescheiden van de maatschappij ? Onderstelt niet iedere moraal maatschappelijke betrekkingen en is er een zedelijk goed denkbaar, dat alleen voor het individu zou bestaan ? Gaat de beteekenis eens na van de algemeen erkende deugden. Wat is rechtvaardigheid anders dan eene betrekking tusschen mensch en mensch ? Wat beteeke-nen liefde, goedheid, grootmoedigheid en ridderlijkheid, wanneer er geen menschen zijn, tegenover wie ik deze gevoelens koester? Wat zijn waarheid, eerlijkheid en trouw anders dan ideale trekken in het maatschappelijk leven? Vaderlandsliefde en algemeene menschenmin behoef ik niet eens te vermelden, maar zijn zelfs de zoogenaamde persoonlijke deugden strikt genomen wel persoonlijk? Kuischheid wordt een persoonlijke plicht genoemd, doch zeker bestaat zij niet in ontkenning van de geslachtsverhoudingen, maar in een reine opvatting van die betrekkingen. Matigheid is een persoonlijke plicht, maar zeker is zij geen einddoel, doch slechts een middel tot het doel, n. 1. de handhaving der heerschappij van het redelijke en zedelijke in ons; de matige mensch is des te meer mensch, maar als mensch strekt zijn werkkring en plicht zich tot menschen uit, en zijne matigheid moet hem in staat stellen, zich behoorlijk van zijn aandeel in het leven en werken der menschheid te kwijten. Iedere plicht heeft onmiddellijk een maatschappelijke beteekenis. Wanneer wij alleen zijn, in de ziekenkamer of het studeervertrek, of in een afgelegen hoekje
182 HBT SOCIAAL IDEAAL.
van de wereld, dan is het de beteekenis van onzen plicht, dat wij die eenzaamheid in gedachten opheffen en in onze sympathieën en bedoelingen met en voor onze medemen-schen leven. Een koning kan koninklijk zijn, waar hij zich ook bevindt; zelfs wanneer hij onttroond is, kan hij een zekere waardigheid en majesteit behouden. Een zoon van goeden huize, die een beschaafde opvoeding heeft genoten, neemt instincten en manieren van dien aard mee, al komt hij ook onder ruwe boeren. Wanneer hij die vormen behoudt, toont hij, zich nog met het ouderlijk huis verbonden te gevoelen, waarvan hij enkel plaatselijk gescheiden is; vergeet hij zich evenwel, dan wordt de band verbroken.
Wanneer wij dus strengere waarheid en een edeler vorm van eergevoel verlangen dan gewoonlijk onder de menschen heerscht, dan doen wij dit niet omdat wij cns buiten of boven de maatschappij stellen, maar omdat wij de eischen van eene ideale maatschappij voot oogen houden; en wanneer wij meer gerechtigheid vorderen dan de staat eischt, dan is het, omdat wij ons leden voelen van een hoogere maatschappij, die tot nog toe alleen in gedachten bestaat. Iedere verheffing boven de zeden en de geschreven wetten is een overgave aan het ideaal tegenover de onvolkomenheid van het bestaande en het zinnelijke. Immers wij behooren niet zoozeer aan de maatschappij, zooals zij feitelijk is, als aan het maatschappelijk ideaal.
Meent niet, dat ik een wijsgeerig betoog tracht te leveren, wanneer ik aldus de sociale beteekenis van de moraal in het licht stel: ik wil er alleen op wijzen, dat wij volgens onze natuur als zedelijke wezens tot ver-
HET SOCIALE IDEAAL. 1S3
wezenlijking van het maatschappelijk ideaal geroepen zijn. Maar al behooren wij aan de maatschappij, toch is het onmogelijk op onszelf en volgens eigen luim te leven. Zulk een individualisme is de bron van alle zonde. Valsch-heid, onkuischheid, iedere vorm van kwaad is een verzet van persoonlijke willekeur tegen de wet van maatschappelijk welzijn. Zoolang de mensch alleen aan zelfbehoud denkt, is hij weinig meer dan een dier. Hij wordt menschelijk, wanneer de gedachte aan zijn familie hem drijft, wanneer hij zich één voelt met haar, voor haar werkt en haar verdedigt; hij wordt nog menschelijker, wanneer hij deel uitmaakt van een ruimeren kring, welks welvaart en eer hem als de zijne ter harte gaan; en hij beantwoordt het meest aan zijne roeping, wanneer hij tot de gedachte aan de menschheid opklimt en ook in zijnen kring geen bevrediging van eigenbelang duldt, waardoor iemand, ook de minste of geringste geschaad of gekwetst kon worden. Het is duidelijk, dat ons gevoel voor maatschappelijke belangen te meer waarde heeft, naarmate het zich verder uitstrekt. Wanneer ik de beleediging gevoel, die mij, of mijn familie, of den kring waarin ik mij beweeg wordt aangedaan, maar ik heb geen gevoel van gepleegd onrecht, waar buiten dien kring iemand op gelijke wijze beleedigd wordt, dan acht ik blijkbaar niet den mensch als zoodanig, dan ben ik niet waarachtig menschelijk, maar ik gevoel eenvoudig eenige betrekking op hen die mij het naast staan. Gevoel voor de rechten van ieder menschelijk wezen, dat ons verbiedt het met voeten te treden, ook al lag het voor ons in het stof, dat is de toetssteen, ja, de eigenlijke beteekenis der moraal.
i84 het sociale ideaal.
Daardoor wordt ook de vorm van het maatschappelijk ideaal bepaald. Maar laat mij u vooraf zeggen, dat ik niet zal trachten een beeld van dat ideaal te ontwerpen. Velen was dit een aangename en veredelende taak; ik mis de scherpzinnigheid en de verbeeldingskracht, die daartoe behooren. Ik kan enkel op eenvoudige wijze het beginsel aangeven, dat daaraan ten grondslag ligt. Dit beginsel is in één woord, dat in eene ideale maatschappij ieder mensch zoowel doel als middel moet zijn. Ik behoef er niet op te wijzen, dat in vroeger eeuwen dit beginsel niet algemeen erkend werd. Niet alleen bestond bijna overal de slavernij, maar eenige der grootste philo-sophen verdedigden haar uitvoerig. Wij kunnen ons nu nauwelijks een denkbeeld maken van den strijd, dien de tegenstanders der slavernij vóór den Amerikaanschen vrijheidsoorlog te strijden hadden. De begrippen omtrent algemeene menschenrechten zijn moderne begrippen, d.;e in Oud noch Nieuw Testament, noch, naar ik geloof, in eenig geschrift van een der godsdiensten te vinden zijn. Aristoteles verdedigt de slavernij door te zeggen, dat zij niet alleen een wettig deel van de maatschappelijke huishouding uitmaakt, maar dat zij ook in de natuur gegrond is door het onderscheid tusschen hen, die lichaamskracht en hen, die geestesgaven bezitten; de laatsten staan boven de eersten, evenals de goden boven de menschen of de menschen boven de dieren staan. Dit was, zeide hij, in het algemeen de verhouding van de barbaren tegenover de Grieken, zoodat deze hun natuurlijke slaven waren. Daarom beschouwde Aristoteles niet alleen de slavernij, maar ook een oorlog om slaven te werven als gerechtvaardigd. Inderdaad konden onze moedige hervormers
HET SOCIALE IDEAAL. 1S5
tegenover de uitgebreide ondervinding van het verleden en de vernuftige redeneeringen van vele groote denkers zich alleen op het ideale beginsel van de rechten en aanspraken van ieder menschelijk wezen beroepen. Wat beteekende het, dat die rechten steeds vertreden waren, dat de kreet van de verdrukte menschelijke natuur verstikt was, zoodat de slaven zich gewillig tot slaven lieten maken — bestonden die rechten niet even goed en moest niet hoe eer hoe liever die noodkreet verhoord en de slaven uit hun doodelijken slaap opgewekt worden?
Met welk een schijn van recht hoort men ook nu nog de slavernij meermalen verdedigen! Nog onlangs las ik bij een schrijver van onze dagen: »Ontwikkeling en beschaving zijn alleen daar mogelijk, waar vrije tijd gevonden wordt en deze wordt door slavernij verkregen. Zij riep een klasse van menschen in het leven, die tot arbeiden werden geboren, opdat anderen zulks niet behoefden te doen, die niet tot denken werden geboren, opdat anderen zouden kunnen denken. De aartsvaders Abraham, Izaak en Jakob zouden niet die onverstoorbare kalmte bezeten hebben, die hun deel was, wanneer zij zelf met hunne kudden rondgezworven haddenquot;,!). Het is niette ontkennen, dat hierin, wat de geschiedkundige feiten betreft, eenige waarheid schuilt; niettemin leert de moraal,
1) Hagehot, Natuurwetenschap en staatkunde. Vgl. Tylor, Anthropo-logie... . „Ofschoon de beschaafde wereld deze instelling (de slavernij) heeft afgeschaft, geniet zij toch nog de zegeningen die de oude maatschappij aan haar te danken had. Door slavenaibeid namen landbouw en nijverheid in bloei toe, werden er schatten vergaderd en werd er tijd gewonnen, waarin geestelijken, schrijvers, dichters en wijsgeeren het peil van het menschelijk denken en weten konden verheffen.quot;
lS5 HET SOCIALE IDEAAL.
dat het beter ware, zoo er geen ontwikkeling en beschaving bestond, dan eene die op zulk een onrechtvaardigen grondslag steunde. De geschiedenis verhaalt ons, wat gebeurd is, niet wat zou hebben kunnen gebeuren; en zeker zouden er andere wegen denkbaar zijn waarop men tot eene groote en betere ontwikkeling had kunnen komen zonder dat een menschelijk wezen eens anderen slaaf had behoeven te zijn. Ik geloof niet, dat er een ware beschaving bestaat, die niet op edelmoedige achting voor de rechten van den mensch berust. Alle vriendelijkheid en voorkomendheid, die zich niet tot op zekere hoogte tegenover ieder openbaart, met wien wij in aanraking komen, verraadt eenige geheime sporen van de zelfzucht, waaruit zij ontspringen.
Het sociale ideaal sluit dus gelijkheid in zich, geen gelijkheid van rang en werkzaamheid, maar gelijkheid in dien zin, dat allen wederkeerig doel en middel zijn, dat niemand het waagt, een ander als werktuig tot bevrediging van eigen lusten te gebruiken, maar ieder in zijne medemenschen wezens ziet, die hun eigen beteekenis en waardigheid hebben. O, wanneer zal de tijd aanbreken, waarin de naam mensch hooger waarde heeft in ons oog dan eenige titel van rang of gezag, waarin wij in iederen mensch een koning zien, al is ook zijn kroon bezoedeld en zijn gewaad bevlekt. Wanneer zullen wij op ons verleden kunnen terugzien, in het bewustzijn, dat wij onder alle omstandigheden den mensch erkend en geëerd hebben, dat wij steeds indachtig geweest zijn aan den broederband, die ons allen verbindt?
Ik geloof dat het mogelijk is, onze gedachten geen rust te gunnen, eer ons geestesoog dien tijd en dat beeld
HET SOCIALE IDEAAL. 187
aanschouwt, eer de eeuwige beginselen van gerechtigheid tot in iedere ader van de menschheid zijn doorgedrongen, zoodat zij zich boven de vergankelijke dingen verheft en medewerkt tot het eeuwige doel, dat haar schiep. Ik zie niet in, hoe wij ons vroeger rust zouden kunnen gunnen, hoe wij er vrede mee kunnen hebben, een eenigszins verbeterden toestand als het einddoel te beschouwen. Ik begrijp niet, hoe de drijfveer, die ons zoover voert niet nog verder voeren moet; geen rust schijnt mij mogelijk, dan alleen in de gedachte van volkomenheid, geen vrede voor de ziel, dan alleen in een overgave aan die oneindige idee, die ons moet drijven en bezielen en iedere daad moet heiligen.
Ik geloof aan de »Stad des lichts», waarvan Adler zoo schoon gezongen heeft. Zij is het sociale ideaal, en van het streven naar zijn verwezenlijking, van ons leven overeenkomstig zijne eischen verwacht ik een wedergeboorte van de religie in de wereld. Wij zijn de arbeiders aan den bouw van die stad. Wij denken niet langer aan haar als aan een geschenk, dat uit den hemel moet nederdalen. Wij zien niet naar buiten; onszelf is de last opgelegd. Onze eer en ons leyensdoel gebieden ons hem op te nemen. Uit de onzichtbare wereld klinkt een stem ons in de ooren; »sta op, o mensch en handel ; ik beveel u niet een smeekeling, maar een schepper te zijn. Breng nogmaals het eerste wonder tot stand en schep orde uit de verwarring en de duisternis, die in u en om u heerschenlquot; Wanneer gebeden alleen het Koninkrijk Gods op aarde konden doen nederdalen, zou men dan niet meenen, dat het in achttien eeuwen van christelijk gebed nedergedaald moest zijn? En waar
l8S HET SOCIALE IDEAAL.
dit niet het geval is, waar de zelfzucht en de ongerechtigheid der menschen, hun verachting van de hoogste wet, hun praktisch ongeloof in de mogelijkheid van iets beters en hoogers geheel in tegenspraak zijn met die ideale orde van dingen, welke les kunnen wij daaruit trekken ? Deze, dunkt mij, dat zoolang wij onze blikken buiten en boven ons slaan wij vergeefs zullen uitzien, — dat de religie, zal zij religie en niet langer kinderspel zijn, een ander uitgangspunt moet kiezen en de menschen zelf moet aansporen tot de vervulling van eene taak, die zij zoolang aan een ander hebben overgelaten.
Nadat wij aldus het beginsel van het sociale ideaal, het daarin schuilende element van volkomenheid, en de methode om tot zijn verwezenlijking te geraken, beschouwd hebben, willen wij vragen, welke praktische beteekenis het heden ten dage voor ons heeft, voor onze staatkundige instellingen en de vormen en gebruiken van ons maatschappelijk leven. Allereerst in betrekking tot den staat. In de oudheid was zedelijkheid bijna één met staatkunde; een waarachtig zedelijk leven\'was een zoodanig, dat in dienst stond van de belangen van den staat. Ons ideaal omvat meer. Aristoteles beschouwde de barbaren als niet veel meer dan dieren en keurde het goed, dat men hen in den oorlog tot slaven maakte. Voor ons hebben volkeren even goed als menschen zekere rechten tegenover elkaar; geen volk heeft het recht, een ander alleen als werktuig tot bereiking van zijn doel te gebruiken. Het sociale ideaal eischt, in één woord, een volkenrecht. Het verbiedt noch oorlog, noch verovering; maar het verbiedt beide, wanneer zij enkel zelfzuchtige uitbreiding ten doel hebben. De instandhouding van een
HET SOCIALE IDEAAL. 189
alhankelijkheidsbetrekking, alleen ter wille van handelsbelangen of eigen voordeel zonder een ernstig streven, om de afhankelijken op te voeden, te beschaven en tot burgerlijke plichten te bekwamen, is een bepaalde misdaad. Op deze wijze wilde Grootbrittannië haar Ameri-kaansche koloniën afhankelijk maken; dat was het, wat de verontwaardiging opwekte, wat de boeren onder de wapenen dreef en
„ . . . . het schot dat over heel de aarde weerklonkquot;
deed ontbranden.
Al geef ik toe, dat de beschaving volkomen recht heeft, om de barbaarsche volkeren het uitsluitend en onvruchtbaar bezit van den bodem te ontzeggen, niettemin blijft het een gruwel de van bezit beroofde wilden zoo te behandelen als wij de Indianen behandeld hebben. Zij zijn menschen en hebben dus menschen-rechten, en wanneer zij die rechten niet kunnen verdedigen, is het des te schandelijker van een regeering die moedwillig met voeten te treden. De Indianen hadden tot een hooger standpunt opgeheven kunnen worden, zij kunnen nog opgeheven worden; er bestaat geen menschenras op aarde, dat wanneer het wijs en men-schelijk behandeld wordt, zijne wildheid niet afleggen, geen plaats in de rij der beschaafde volken zou kunnen innemen. Geen belangen der beschaving rechtvaardigen ongerechtigheid. Veeleer rust op een volk, dat op een hooger standpunt staat, de taak, anderen tot zich op te heffen, en hunne meerderheid en kracht ten hunnen nutte en niet tot hunne onderdrukking aan te wenden.
Het beginsel van het sociale ideaal moet verder op
jgO HET SOCIALE IDEAAL.
de verhouding tusschen beambten en burgers van den staat worden toegepast. De tijd is voorbij, dat een koning of keizer zijne onderdanen in dienst kon nemen, zonder hen er voor te beloonen. Het recht daartoe bestond wel nooit, maar het gebeurde niettemin. Wanneer het echter het streven van monarchen en despoten wordt, hunne macht tot verdediging van de rechten dei-burgers tegen elkaar of tegen uiterlijk geweld aan te wenden, dan hebben monarchie en despotisme hun bedenkelijke zijde grootendeels verloren. Men kan onder een monarch vrijer zijn dan onder de heerschappij eener klasse. Niet op een regeeringsnaam of vorm, maar op den geest, die een staat bezielt komt het aan. Hoe staat het met de bekleeders van openbare betrekkingen in onze Vereenigde Staten? Dienen zij den staat, of zijn zij op persoonlijk voordeel bedacht, behartigen zij hun eigen belangen, of het algemeen welzijn? Is het niet al te veel in het vergeetboek geraakt, dat wie in den staatsdienst treedt, dit moet doen ter wille van den staat? Het wordt zeer natuurlijk geacht, dat lieden, die eenmaal een ambt verworven hebben, zichzelf voor die inspanning beloonen, ja zelfs ook hunne vrienden, hunne trouwe vrienden, die hun daarbij ter zijde stonden. Het baat weinig, of wij, in overeenstemming met onze demokratische beginselen een wisselend beambtenpersoneel hebben, wanneer bij iedere wisseling der partijen een nieuw aantal zelfzuchtige menschen optreedt, waardoor het bederf in het openbaar leven zich steeds verder voortplant. Men beweert, dat wij in onzen staatsdienst handelsbeginselen van noode hebben, en ik geef dit gaarne toe.
HET SOCIALE IDEAAL. igï
waar men op degelijkheid en eerlijkheid het oog heeft die niet op persoonlijk of partij-voordeel bedacht is. Maar overigens schuilt de wortel van het kwaad juist hierin, dat men het groote onderscheid tusschen staatkunde en handel vergeet. Het handelsbedrijf heeft, zooals ieder weet, het verkrijgen van winst ten doel, niet voor dezen of genen of voor iedereen, maar voor onszelven. De drijfveer voor den handel is een zoo groot mogelijk voordeel te verkrijgen; wat valt er van de staatkunde te wachten, wanneer men zich daarbij hetzelfde doel stelt ? Het openbaar leven is geen bedrijf, het is ver daarboven verheven, het moet zich kenmerken door een adel en waardigheid, die geen onderneming uit eigenbelang ooit bezitten kan. De staatsdienaar moet tot op zekere hoogte zijn particuliere belangen opgeven en het openbaar belang tot het zijne maken; hij moet leven in en voor den staat, en zijn inkomen is geen belooning, voordeel of winst, maar een toelage, die hem, niet zoozeer voor zijn diensten, als wel voor zijn onderhoud in den dienst wordt uitgekeerd. Het denkbeeld van den »bezoldigden staatsdienst» moet algemeen doordringen; dat onze beambten dit zoo weinig begrijpen is daaraan toe te schrijven, dat het groote publiek het niet begrijpt, \'dat dit niet inziet, waarom, terwijl bij ons alles, zelfs menigmaal de godsdienst niets meer is dan een handelszaak, de politiek hierop een uitzondering zou maken.
Maar terwijl het beginsel van het sociale ideaal aldus op den staat moet worden toegepast, heeft het ook nog een verdere strekking. Het sociale ideaal eischt, dat de sterkere leden der maatschappij de rechten van de zwakkeren eerbiedigen. In den natuurstaat is het omge-
192
keerd en eerst dan, wanneer een staatkundig geordende maatschappij wordt gevormd, worden de zwakkeren beschermd en de zelfzuchtige begeerten van de sterkeren beteugeld. Wat is de beteekenis van onze gerechtshoven anders, dan er voor te waken, dat menigeen niet volgens zijn lust en begeerte handelt, of hem te straffen, indien hij het deed? Wat zou er van onze rechten als burgers worden, indien er geen regeeringsmacht bestond, om die te waarborgen? Inderdaad is tegenwoordig iedere beschaafde staat tot op zekere hoogte een verwezenlijking van het sociale ideaal, maar overal moet steeds voortgeschreden worden. Waar toch is de grens te trekken, binnen welke de staat ten gunste van den zwakkere tegenover den sterkere moet optreden? Moet de staat alleen het leven en het eigendom beschermen? Maar waar veler leven nauwelijks de moeite van het leven waard is, zou daar de staat niet het zijne kunnen doen, om het te verbeteren? Waarom hebben wij openbaar onderwijs, waarom een staatstoezicht op het fabriekwezen, waarom het verbod van arbeid van kinderen beneden een bepaalden leeftijd, of van vrouwen, tenzij onder bepaalde voorwaarden? De menschen kunnen ook zonder opvoeding leven, en kinderen en vrouwen kunnen het leven houden, ook wanneer zij beneden tien jaar of langer dan tien of twaalf uur per dag werken, ten minste zoolang als het duurt. De staat schijnt dus door die voorzorgsmaatregelen te erkennen, dat het er niet alleen op aankomt, het leven te beschermen, maar tevens het dragelijk te maken. Waarom zal hij zich dan ook niet ten doen stellen, het meer dan dragelijk te maken? Waarom er niet naar streven elk individu althans de
193
mogelijkheid te verschaffen om werkelijk een zegen te worden, zoowel voor zichzelf als voor anderen ?
En wat het eigendom betreft, waarom zou de staat zich niet ten doel stellen, dat niet alleen voor \'t oogen-blik te beschermen, hoe \'t dan ook gewonnen moge zijn, maar de wetgeving zoo in te richten dat het eigendom, zonder door den staat willekeurig te worden weggeschonken, zich toch algemeener verdeele? Doet, zou ik vragen, de staat zijn plicht, als hij door het karakter zijner wetgeving, door het verleenen van privileges er toe meewerkt om de ophooping van het eigendom in de handen van eenige weinigen te bevorderen en de kloof tusschen de verschillende klassen der maatschappij te vergrooten ? Ik heb geen plan voor te slaan, ik zoek eenvoudig naar de grenzen der toepasselijkheid vaneen beginsel. En ik geloof niet dat er grenzen zijn die, gelijk de wijsgeeren zeggen, a priori getrokken kunnen worden; de grenzen liggen eenvoudig in \'t geen de staat doen kan, en dat hangt wederom hiervan af, wat zij die den staat vormen, denken en willen.
Eene omwenteling in de openbare meening of een ontwaken van het volksgeweten zou zulk eene uitbreiding van de staatswerkzaamheid kunnen teweegbrengen, dat deze voor het minder begunstigde deel der gemeenschap deed, wat zich thans nog niet droomen laat. Niet een bijzondere plicht, maar de idee en roeping van den staat is \'t, die ik thans bedoel, om er aan te herinneren dat hij moet instaan voor de rechtvaardigheid, voor het gemeenschappelijk welzijn, zoodat wie daarmee in strijd handelt tot onderwerping onder zijn gezag te dwingen is, — dat het doel van den staat
13
HET SOCIALE IDEAAL.
inderdaad geen ander is, dan dat der religie, namelijk . een volkomen sociale staat, en dat hij zich van de religie enkel onderscheidt door het element van geweld, waarvan hij zich bedienen kan, dat echte religie en echte, ver ziende staatmanskunst hand in hand moeten gaan. Het sociale ideaal is het doel van onze instellingen. Een louter wereldsche staatkunde moest er niet bestaan. Ook de staatsman behoorde een priester te zijn en moest, te midden van de verwikkelingen en bezwaren van het openbare leven, het oog ten hemel richten en zich laten leiden en heiligen door het beginsel, dat hemel en aarde vereenigt.
Doch nog meer van nabij raakt ons het sociale ideaal. Wij allen moeten leven, maar niet allen kunnen wij in dezelfde mate beschikken over middelen van onderhoud, noch over de mogelijkheid om ons die te verschaffen. Niet allen hebben wij rechtstreeks toegang tot den grond; afhankelijk zijn wij niet alleen van hen die hem bebouwen, maar ook van hen die op een of andere wijze over zijne voortbrengselen beschikken. Niet alleen voedsel, ook kleeding, deksel, voorwerpen van genot en weelde behoeven wij, want in ekonomischen zin geldt alles als weelde, wat ons oog bekoort, ons verstand scherpt, den hoogeren aanleg van ons wezen ontwikkelt. Ieder mensch draagt het vermogen in zich tot een hooger dan een louter stoffelijk bestaan. Voedsel, deksel, kleeding zijn eigenlijk slechts de steiger van het huis des geestes. ]\\Taar ten gevolge van wisselende omstandigheden en natuurlijke bekwaamheden wordt een deel der gemeenschap, bij de bevrediging van zijne lichamelijk6 en geestelijke behoeften, van het andere afhankelijk. In
HET SOCIALE IDEAAL- I95
één woord: de betrekking van werkgevers en werklieden ontstaat. Zij is niet de oorspronkelijke betrekking, welke veeleer die van. heeren en slaven was, maar die, welke in beschaafde landen thans bijna algemeen heerscht. Mogen wij nalaten er op aan te dringen, dat het sociale ideaal ook hier zijne verwezenlijking vinde? Ik zie geen grond om hier een uitzondering te maken. Ik weet dat ik alzoo met de gewone handelsbeginselen in tegenspraak kom en dat hier de regel geldt, dat ieder voor zich-zelven zorgen moet. Maar ik moet dien regel tegenspreken ; want al is hij formeel volkomen waar, zoo is toch de ontkenning die daarin ligt een leugen; dat ik niet verplicht ben voor een ander te zorgen, is onwaar. Dat ware een fraaie verontschuldiging voor die zonde waarop de alleroudste vloek rust, dat de loochening van eiken socialen band. Die geest zou, als hij ongehinderd doorwerkte en niet door zelfzuchtig overleg in toom ge-houden werd, in het sociale leven een volslagen anarchie doen geboren worden. Zoo spreek ik niet uit mijn eigen naam, noch als een streng rechter. Liever roep ik voor u op de breede schare van afgetobde arbeiders, van gebogen gestalten, van verminkte loonslaven, die van den vroegsten aanvang der geschiedenis optreden en geen einde nemen tot op den dag van heden, — die zich voor menschen hebben afgesloofd, gehamerd en gesmeed, gespit en geploegd in het zweet huns aan-schijns; en deze lange processie, dit onafzienbaar leger zou ik willen doen pleiten voor mijne zaak. O, hunne woorden, neen, hunne stomme klachten, hunne zwijgende, verwijtende blikken zouden aangrijpender en welsprekender zijn dan mijn woorden immer zijn konden. Zij
jgg HET SOCIALE IDEAAL. __ -
zeggen, zij meenen, al kunnen zij het niet duidelijk onder woorden brengen, dat in hen iets verscholen lag, wat nooit uitzicht had zich te ontwikkelen, dat hoewel nu en dan een sehemering tot hen doordrong, een zwakke lichtstraal hen verheugde, toch de duisternis zich altijd weer rondom hen samenpakte, tot zij eindelijk niet meer wisten of er nog licht bestond. Hun gansche leven ging op in de zorg voor de middelen om voort te bestaan. Zij wisten dat de voortbrengselen van hunnen arbeid ergens heengingen maar niet tot hen kwamen, dan in zoover zij hun de middelen schonken om hun armzaligen levensloop voort te zetten. Zij wisten dat er groote dingen waren in de wereld, dat er groote daden geschiedden, maar zij hadden daaraan geen deel, zij konden de goden enkel bidden hun kracht tot dragen te geven, want genieten was voor hen niet weggelegd.
O, is er een treuriger gedachte in de wereld dan die aan de verstikking der kiemen, allerwege in haar neergelegd? Gelukkig hij wien nooit deze gedachte kwelde bij den terugblik op zijn eigen leven; gelukkiger nog hij die nooit de oorzaak van zulke gedachten of feiten bij anderen was. Neen, vrienden, die krachtsverspilling is geen noodwendigheid. Ik spreek hier natuurlijk niet van de natuurorde, maar van de orde in het menschelijk leven, waarover wij macht hebben. Niet de goden bewerken die verspilling, maar wij, die haar toelaten, ja, veroorzaken. Elk nalaten van eene handeling, gevorderd door het ideale beginsel dat wij ons stellen, is een toelaten, een feitelijk veroorzaken van zulk een verspilling. Ik weet, de werkgever betaalt zijnen arbeiders loon; doch
J9;
wat bepaalt maar al te dikwijls de hoogte van het loon dat hij betaalt? Zijne beweegreden is zijn eigen voordeel en hij betaalt slechts zooveel loon als hij moet geven om dat voordeel te verwerven.
Behoeven of verlangen de arbeiders meer, dan behoeft hij daarom niet meer te geven; alleen als zij in de gelegenheid zijn hem feitelijk te dwingen om meer te geven, zal hij het doen. In één woord : hij heeft enkel en alleen het oog op zijn eigen doel en gebruikt anderen slechts als middel tot dat doel. \'t Spreekt van zelf dat ik, zoo sprekende, niet het oog heb op bepaalde personen, maar alleen op de menschen, die zich enkel door handelsdrijfveeren laten leiden. Een beginsel heb ik op het oog, een beginsel, lijnrecht tegenovergesteld aan den grondregel van het moreele ideaal. Soms kan men de beschouwing van de arbeiders als handelsartikelen in den meest krassen en onbewimpelden vorm zien uitgedrukt. »Kan een man van zaken,quot; zoo sprak eenige jaren geleden de ondernemer van een paardenspoorweg in Boston, » het onderscheid aangeven tusschen den koop van arbeid en den koop van hooi, haver, paarden en andere benoodigdheden ?quot;■ i) En het antwoord daarop luidt, volgens mij, dat er van een handelsstandpunt geen onderscheid bestaat; als de mensch alleen zijn eigenbelang in \'t oog heeft, wat maakt het dan voor verschil, welke de middelen zijn waardoor hij
ii Vergelijk Homerus:
„Wijn verschafte zich toen \'t langlokkige volk der Acliaiers,
Deze voor koper en gene voor schitterend ijzer, en andren Weder voor huiden van ossen, en andren voor levende nmders,
Andren voor slaven in ruil.quot; (\'Ilias VII : 472—475.)
jgg HET SOCIAL?quot;. IDEAAL.
zijn doel bereikt? Een machine is in een fabriek even veel waard als een mensch, ja misschien als een dozijn menschen, als men ze enkel beschouwt als vertegenwoordigende zooveel spier- en werkkracht; daarom zal de zuivere man van zaken zich zooveel mogelijk machines aanschaften, want deze eischen hoegenaamd geen loon. Hij mag machines gebruiken, hoe fijner en vernuftiger ingericht, des te beter; hij mag ze behandelen, zoo als hij wil, hij mag vuur, wind, damp, water, alle krachten der natuur zich tot dienaren maken, ja, hij mag de dieren des velds inspannen en hun het werk laten doen, — want ik houd mij aan het oude gelooï aan de menschelijke waardigheid, dat alles, wat niet redelijk en zedelijk is, beschouwt als van rechtswege schatplichtig aan den mensch. Maar zoodra hij met een anderen mensch in aanraking komt, houdt zijn heerschappij op; hij mag ik zeg het in naam der hoogste wet — hij mag hem niet verlagen tot zijn werktuiglijken dienaar. Veeleer behoort hij te zeggen: wij arbeiden samen, samen winnen wij wat wij als loon voor onzen arbeid verdienen; en hoewel ik als hoofd der onderneming het recht heb op de onderscheiding en het aandeel in de winst die den chef toekomen, en hoewel gij, daar ik het werk ondei-neem, mijne bevelen hebt te volgen en niet ik de uwe, zijt ge toch mijne kameraden en niet mijne huurlingen, ik ben hoogstens uw hoofdman, niet uw heer in den gang der industrie.
De oplossing van het industrieele probleem, de opheffing van alle armoede die geen eigen schuld is, de verheffing van de arbeidende klassen tot de volle waarde en waardigheid van vrije menschen, de opening van
199
middelen en gelegenheden voor allen tot een waar en edel leven: — is dienovereenkomstig een zeer eenvoudige zaak. Eenvoudig, zeg ik, al is zij niet volbracht in de eeuwen die achter ons liggen en al zal zij zelfs in vele toekomstige eeuwen niet volbracht worden. Niet door arbeidersvereenigingen, hoewel deze in de tegenwoordige ellende noodzakelijk en rechtmatig zijn; want dat is alleen zelfzucht tegenover zelfzucht, klasse tegenover klasse stellen. Niet door ondersteuning van den arbeid van de zijde van den staat, niet door een of andere wetgeving, al kunnen beide op hare wijze nuttig zijn. Niet door verkwistende milddadigheid, vaak onteerend voor hen die haar genieten, zoowel als voor hen die haar uitoefenen, wijl de middelen tot die milddadigheid zelve dikwijls door teugellooze zelfzucht en ongerechtigheid verworven zijn. Er is een veel eenvoudiger en radikaler geneesmiddel dan een van deze. Het bestaat in de opneming van een nieuw beginsel in de harten der menschen. Het bestaat hierin, de wet van het sociale ideaal aan te nemen en tot wet voor de nijverheid te verheffen; hierin, iederen mensch dien men werk geeft niet als een werktuig, maar als een mensch te behandelen en hem de middelen te verschaffen om menschelijke doeleinden te bereiken; hierin, geen voordeel te kennen, dat wij niet eenigermate met hem deelen_ In nog andere, nog inniger betrekking staat het sociale ideaal tot ons leven. Met een enkel woord slechts kan ik er op wijzen. Wij staan tot elkander in de betrekking van man en vrouw, van ouders en kinderen. Ook hier hebben de instincten der zelfzucht in het verleden vrij spel gehad, en nauwelijks daagt voor ons het inzicht
200 HET SOCIALE IDEAAL.
dat de vrouw niet van rechtswege de dienares van den man is, en dat de kinderen niet enkel middelen voor het doel der ouders zijn. Al is ook de werkkring der vrouw van die des mans verschillend, toch staat hij met dien van den man op dezelfde hoogte; zij is, gelijk Felix Adler juist heeft gezegd, niet zijn trawant, maar zijn tweelingsster. En de kinderen; — ais hunne zwakheid hen aan mishandeling prijs geeft, is de verplichting des te heiliger te denken aan den man en de vrouw die zich uit hen ontwikkelen moeten, en hen te maken tot zelfstandige voorwerpen van onze zorg en liefde.
Terwijl nu de beteekenis van onzen grondregel in dit opzicht steeds meer wordt erkend, zijn er in ons gezin toch nog anderen die wij nog maar al te licht beschouwen enkel als middelen tot bereiking van ons doel: zij, die wij bepaaldelijk als onze gedienstigen aanduiden. Als gij zegt: o, onze dienstboden behooren niet tot ons, zij dienen ons enkel, wij geven hun onderhoud, rijkelijk onderhoud en tegelijk ontvangen zij bij ons een opvoeding die hun weder te stade komen kan, dan zeg ik, \'t zij zoo; ik neem aan dat zij geen slaven zijn, dat zij met goedheid behandeld worden, dat zij hunnerzijds tevreden kunnen zijn. Maar dan vraag ik: zijn wij tevreden? zijn zij geen menschen, en kunnen wij rustig zijn zoolang ze niet ten volle als menschen erkend en behandeld worden ? zoo lang het sociale ideaal ook niet op hen volledig is toegepast ? Ik erken dat ik mij niemand als dienaar wensch in den gewonen, eenzijdigen zin van dit woord. Het bewustzijn dat iemand het is, is voor mij niet verheffend; ik vind geen behagen in dat kruipend voorkomen, die deemoedige blikken, die stipte
HET SOCrALE IDEAAL. 30I
gehoorzaamheid, zij betamen noch een man noch een vrouw. Zij vernederen mij, als had ik mij zelf daaraan schuldig gemaakt, Ik verlang geen dienst, dien ik niet beantwoord. Ik voel dat, als ik een ander niet eer, ik mijzelf niet eer; want ik b e n in den diepsten grond ieder ander; \'t is e e n e gemeenschappelijke natuur waaraan wij allen deel hebben; i k word opgeheven door iedere eer, i k word vernederd door eiken hoon, die een ander mensch wordt aangedaan. Vraagt ge mij: maar indien niet de tegenwoordige, wat zal dan de inrichting van ons huiselijk leven zijn? dan antwoord ik: ik denk niet aan de inrichting, zelfs niet aan de vernietiging der tegenwoordige vormen; ik vorder alleen de opneming van een grondbeginsel in ons hart; ik eisch dat men dat beginsel toelate te veranderen en te hervormen, of te vernietigen en te scheppen, naar zijnen aard.
Aan \'t eind mijner beschouwing bespeur ik dat ik mij over een ruim veld bewogen heb. Dat deed ik enkel om den omvang en de strekking van ons beginsel te doen uitkomen. Ik heb niet getracht ,het sociale ideaal te schilderen, maar alleen het beginsel daarvan aan te geven en onze tegenwoordige levensinrichting daaraan te toetsen. Doch als wij ons voorstellen, hoe de staat en het statenverkeer daardoor hervormd, handel en nijverheid onder zijn heiligenden invloed veredeld, ons huiselijk leven en onze verhouding tot onze onderhoori-gen daardoor bestraald en opgeheven zou worden, dan kunnen wij met ons innerlijk oog het ideaal, althans in breede omtrekken, zien. Ook voor den geringsten mensch
202 HET SOCIALE IDEAAL.
houd ik dit niet voor een te hooge gedachte. De geringste draagt in zich, wat hem daarvoor ontvankelijk maken kan. De eenzaamste kan toch die gevoelens en voornemens in zich voeden, die hem vormen tot medelid van de ideale maatschappij. De armste kan, als hij zich in die gedachte verdiept, iets van den rijkdom des levens gaan beseffen. De kranke kan daarin artsenij vinden. De stervende voelt zich bij die gedachte eeuwig, want elk bijzonder bestaan lost zich daarin op; onze zielen leven of sterven, naarmate zij beantwoorden aan het ideaal, \'t Is, geloof ik, niet enkel een men-schelijk, \'t is een wereld-ideaal, en het werelddoel wordt spoedig erkend door hen die er naar streven.
In dien zin kan men de religie omschrijven als het »heimwee der ziel.quot; Er is iets in ons, dat ons zegt dat wij, niet behooren tot een rijk van afgunstige tweedracht, tegenstrijdige belangen, triumfeerende zelfzucht. Wij hebben een ander vaderland. Het tehuis der ziel is, ik weet niet waar, maar hier is het niet. Wij behooren aan den vrede, aan de liefde, aan alles wat den geheiligden naam van het goede draagt. Waar zijn ze die dit verheven burgerschap doen gelden en door hunne toewijding aan het hoogste beginsel, door de heiligheid die in hun oog ieder menschelijk wezen omstraalt, door de nieuwe inrichting van hun leven en den vrede hunner ziel bewijzen, dat zij verbonden zijn met het rijk dat »niet van deze wereld is ?quot;
Het kwaad in den bestaanden godsdienst is, dat hij opgehouden heeft voor ideale overtuigingen in de bres te springen. De kerken zijn vrienden van de bestaande orde van dingen. De moraal is een overlevering. Weinig
HET SOCIALE IDEAAL. 203
wordt er thans gezegd om de menschen schaamrood te maken, door tegenover hun leven en de inrichting onzer maatschappij een hooger ideaal te stellen. Wie zal de banier van absolute gerechtigheid opheffen? Wie zal de zedeleer ontdoen van hare conventioneele uitdrukkingen, en zonden, thans ongestoord gepleegd, aan de kaak stellen ? Wie den menschen eischen voorhouden, waarvan zij thans niet droomen ? Wie dat doen, wie het element van het oneindige in de zedelijkheid erkennen, wie religie en gerechtigheid tot één en de hoogste wet tot levenswet maken — zij zullen de herauten, de profeten van de religie der toekomst zijn.
X
HET VRAAGSTUK VAN DE ARMOEDE.
Vele menschen gevoelen er nauwelijks iets van, dat de armoede een vraagstuk is. Voor de Katholieken schijnt zij eer de oplossing van een vraagstuk dan een vraagstuk zelf te zijn. Het doel van het leven is, in den hemel te komen, en het geven van aalmoezen aan de armen een weg om daartoe te geraken. De deken van Boston zeide eens: »Wanneer de rijke geen arme ontmoette, dien hij door aalmoezen beweldadigen kon, zou het, naar ik vrees, geheel onmogelijk voor hem zijn, in den hemel te komen. Bedenk, dat zelfs nu de weg even moeielijk voor hem is, als voor een kameel die door het oog eener naald moet gaan.quot; Hij oordeelt het daarom niet verstandig, naar de opheffing der armoede te streven, zelfs indien zulk een utopisch plan uitvoerbaar ware. En waarschijnlijk beschouwen de meeste christenen de armoede als een deel der zedelijke orde van dingen; hoe dikwijls worden Jezus\' woorden aangehaald: »Armen hebt gij altijd bij u.quot; Vele moderne christenen sluiten zich hierbij aan; uit den mond van
HET VRAAGSTUK VAN DE ARMOEDE. 2C5
vrijzinnige predikers hooren wij woorden als deze: »de ongelijkheid van onzen maatschappelijken toestand, rijkdom en armoede, kennis en onwetendheid moeten als beschikkingen der Voorzienigheid worden aangenomen.quot; Of ook fraai klinkende en honigzoete woorden als deze: «Rijkdom en armoede, roem en vergetelheid, genie en gewoon verstand, het is alles in harmonie met de eeuwige muziek in Gods heelal.quot;
Dat men hier niets gevoelt van het probleem is duidelijk. Zelfs is hier geen enkele gedachte waaruit een oplossing kan voortvloeien. Wat maakt de armoede tot een probleem? O, ik vergeet niet, dat er diepere vraagstukken zijn. De armoede is niet het grootste kwaad. Zij is beter dan oneerlijk verkregen goed. Het leven zelf is niet waard in stand gehouden te worden, wanneer het geschiedt ten koste van alles wat het leven adelt. De eerste zorg van den zedeleeraar betreft niet den toestand van den mensch, maar hemzelf, de drijfveeren van zijn handelingen. Niettemin is de armoede een vraagstuk, dat ontstaat, zoodra wij het gevoel hebben, wat een men-schelijk wezen zijn en worden moet, hoeveel er in hem kan sluimert en zich ontwikkelen kaïK
Wanneer wij dat gevoel niet hebben, wanneer wij in den mensch niets meer erkennen dan wat wij zien, wanneer ons geen ideaal voor oogen staat van hetgeen hij zou kunnen wezen, dan kan de armoede voor ons geen vraagstuk zijn. De beeldhouwer kan dwalen, wanneer hij meent, dat het beeld der schoonheid, dat hem voor den geest staat, in het marmer sluimert, waaruit hij het tracht te scheppen; maar in het marmer van ieder menschelijk leven sluimert waarlijk een ideaal beeld. Wij
2o6 het vraagstuk van de armoede.
leggen het er niet in; wij vinden het en doen wel, wanneer wij trachten, het werkelijk leven daarmee in overeenstemming te brengen. Er bestaat iets, wat met onze ware natuur overeenstemt en iets wat daarmee in strijd is. Het toeval, onze opvoeding en omgeving zijn ons in zoover gunstig, als zij deze tot ontwikkeling brengen, in zoover ongunstig als zij haar verdooven of verkrachten. Het noodlottige van de armoede is dit, dat zij den menschen, door ze in één klasse samen te vatten, geen gelegenheid biedt, om zich te verheffen. De armoede is een vraagstuk met het oog op het hoo-gere streven van den mensch. Het is niet alleen, ofschoon zeer zeker ook, een staatkundig vraagstuk; de geschiedenis bewijst dat de vereeniging van een groot aantal armen de zekerheid en het voortbestaan van een staat bedreigt. Het is niet alleen, ofschoon zeer zeker ook, een sociaal en ekonomisch vraagstuk; want zij verdeelt de menschen in klassen, maakt groote uitgaven van particulier en publiek kapitaal noodzakelijk, waardoor tegelijk het productief kapitaal vermindert. Doch het is bovenal een zedelijk vraagstuk, dat zich, afgescheiden van iedere gedachte aan staat of maatschappij, reeds voordoet, wanneer wij ons duidelijk maken, wat ieder menschelijk wezen moest zijn en in zich om moest dragen. Dit standpunt is het hoogste en mag hier nooit uit het oog verloren worden. De vraag, die in betrekking tot iedere maatschappelijke verhouding, tot iedere staatkundige inrichting moet worden gedaan is deze: hoe werkt zij op den mensch, bevordert of schaadt zij het doel van zijn bestaan?
Laat ons nauwkeurig nagaan, hoe de armoede op den
HKT VRAAGSTUK VAN DE ARMOEDE. 207
mensch werkt. Iets meer of minder voedsel, betere of mindere kleeding te hebben, schijnt op zichzelf weinig, maar een zekere mate van vervulling dier behoeften is voor het bestaan van den mensch onontbeerlijk, terwijl gebrekkige voeding en kleeding den mensch niet alleen aan lichamelijke ziekten blootstellen, maar ook zijn geest en karakter verzwakken. Hoe staat het met uw eigen geest, wanneer gij honger hebt? Kunt gij dan helder denken? En hebt gij dan meer wils-dan lichaamskracht? Wordt ge dan niet licht ontstemd, geraakt en knorrig? Maar stel eens, dat die toestand voortduurt, dat gij wel steeds iets, maar nooit genoeg hebt, of althans niet meer dan eens in de week: dan kunt gij u den toestand van een groot aantal armen voorstellen.
Bedenk verder eens, hoe de armoede den geest van den mensch terneerdrukt. Al zijn voor het oogenblik zijne behoeften bevredigd, wat zegt dit voor de toekomst ? De onzekerheid van bestaan maakt den toestand der armen zoo ellendig. Een gevoel van eigenwaarde kan alleen met onafhankelijkheid samengaan, met het gevoel, dat wij niet van het wisselend geluk afhangen, maar tot op zekere hoogte onze eigen meesters zijn. De arme is, wel is waar, geen slaaf of lijfeigene meer, zooals in de middeleeuwen, maar het is de vraag, of zijn werkelijke onafhankelijkheid en veiligheid eenigzins grooter is dan toen. Omtrent den vrijen arbeid in de eeuw van Homerus ontvangen wij eenige aanwijzing, waar Achilles verklaart liever de minste plaats op aarde te willen bekleeden dan koning van den Hades te zijn, en hij als type van die minste plaats niet die van slaaf, maar die van gehuurden arbeider noemt.
20i5 her vraagstuk van de armoede.
Deze had geen beter lot dan de slaaf en miste de zekerheid, waarin de laatste leefde.
Hoe licht neemt de arme de meening van anderen omtrent hem overl Hoe licht verliest hij zijn gevoel van eigenwaarde en komt hij er toe, zich als één uit den grooten hoop te beschouwen, om wien niemand zich bekommert. Maar wanneer de mensch vergeet dat hij voor zichzelf achting moet kunnen blijven koesteren, \'t zij anderen het doen of niet, dan schijnt alle grond voor vertrouwbaarheid in hem verloren.
Bovendien, aan hoeveel verzoekingen stelt de armoede den mensch bloot! Zeker worden wij uit onze eigen natuur reeds te zeer door verzoeking gekweld, dan dat onze omstandigheden er ons nog meer in behoeven te brengen. En toch is armoede waarschijnlijk de aanleiding tot de helft van alle onzedelijkheid en misdaad. Ik zeg niet de oorzaak, want ik geloof niet, dat de mensch, zelfs in de grootste verleiding, zijne verantwoordelijkheid verliest. Want wij zijn ten slotte niet verplicht om zoo te leven als wij gaarne wenschten, maar wel om goed en rein te leven. En toch welke verzoeking tot bedriegen, stelen, zich verkoopen, omringt de armen, wanneer ze in dringenden nood tot hem komt; hoe gemakkelijk, hoe onbeteekenend schijnt het dan er aan toe te geven, terwijl het leven zoo dierbaar eu de strijd zoo zwaar is! O, goddelijk is het, haar te weerstaan, juist waar zij het sterkst is; toch zouden wij niet wen-schen, dat zij tot ons kwam of tot hen, die wij liefhebben : wij zouden haar zoo ver mogelijk van ons verwijderd houden. Waarom dan ook niet van de armen?
En dan welk een opeenhooping komt in alle groote
HET VRAAGSTUK VAN DE ARMOEDE. 209
steden noodzakelijk uit de armoede voort, zooals ik weldra nader zal toelichten. Welke kansen heeft de eerbaarheid in die één of twee vertrekken, waar dikwijls een groote familie op één gedrongen is, hoe kan daar ieders persoon heilig gehouden worden ? En toch moest dit tegenover ieder van jongs af aan geschieden. Wanneer de eerbied voor het lichaam verloren gaat, wanneer dat niet, als het ware, met een omheining omgeven is, die het vertrouwelijk binnentreden ver biedt, is het dan waarschijnlijk dat de ziel geeërbiedigd zal worden ? Bij deze opéénhooping zijn de teekenen van eerbied bijna onmogelijk in acht te nemen en met hen gaat maar al te licht de eerbied zelf verloren.
En eindelijk, hoe hebben de man en de vrouw, die uitgeput en afgemat van hun dagelijkschen arbeid, thuiskomen, tijd of gelegenheid om hun geest te verfrisschen ? Welk natuur- of kunstgenot staat hun open r Hoe weinig frischheid tot lezen of denken rest hun! Hoofd en zinnen zijn door het vermoeiende dagwerk verstompt; zij kunnen op zijn allerhoogst een onschuldig vermaak opzoeken. Gelukkig zij, wanneer zij niets lagers be-geeren. Het hoogere leven van den rnensch wordt ten offer gebracht, wanneer er week in, week uit, jaar in, jaar uit, dagelijks tien uur hard gewerkt wordt. Tijd tot ontwikkeling ontbreekt, al weten vele armen nauwelijks, wat dat woord beteekent en al kennen zij alleen de laagste en meest materieele behoeften. Des te erger, \'t Zou anders kunnen zijn. En toch, zoolang er armoede bestaat, kan het niet anders zijn; zij eischt niet slechts tien, dikwijls twaalf en meer uren arbeid per dag. Men kan deze bezwaren niet uit den weg ruimen door
2io het vraagstuk van de armoede.
te zeggen, dat velen, die niet arm zijn, ook tien of twaalf uur per dag werken; want niet alleen heeft hun arbeid iets geestelijks en is dus van hoogeren aard, maar dikwijls is het ook niet volstrekt noodzakelijk, dat zij werken; ofschoon zij reeds genoeg bezitten, wenschen zij nog meer, terwijl voor den arme één of twee uur minder werk zooveel minder voedsel, vuur en kleeding ten gevolge heeft. Ik zal geen medelijden verspillen aan den rijke, die zich geen tijd gunt om zich te ontwikkelen. Dat sommigen, die de middelen tot ontwikkeling bezitten, ze ongebruikt laten, is geen reden, waarom die middelen niet tot ieders beschikking zouden moeten staan.
Ik beweer niet, dat ruimte van tijd steeds talenten van verstand en hart tot ontwikkeling zou brengen, dat, waar de armoede geweken was, een nieuwe oogst van denkers, navorschers en kunstenaars verkregen zou worden; maar ik weet wel, dat zonder de opheffing van dien looden druk zulk een oogst onmogelijk verkreg en wordt. Wie van ons heeft niet wel eens werklieden gezien, wier helder inzicht in de dingen, wier vindingrijke geest, zooals hij zich in kleinigheden openbaart, wier schoonheidszin schijnen aan te toonen, dat zij iets tot wetenschap of kunst zouden hebben bijgedragen, indien de omstandigheden hun gunstig waren geweest? Enkele weinigen natuurlijk hebben een zoo geprononceerd en krachtig talent, dat het zich ontwikkelen en vrucht dragen zal, hetzij het zonlicht het beschijnt of niet. Doch de meesten van ons zijn aan teedere planten gelijk, die het zonlicht tot hun groei behoeven en zonder dat een kwijnend bestaan leiden. Sommigen zullen zelfs te midden van
HET VRAAGSTUK VAN DE ARMOEDE. 211
het zonlicht sterven ; maar van iedere aanmatigende heerschappij over de armen, is die het meest verkeerd en kwetsend, die alleen dan de schaduw der armoede wil doen verdwijnen, wanneer zij zeker is van het resultaat, die een behoeftigen werkman alleen dan eenige vrije uren gunt. wanneer zij weet, hoe deze gebruikt zullen worden. Wie stelde den eenen mensch als voogd over den anderen aan ? De zon schijnt voor allen; laat ieder zooveel mogelijk onder hare stralen opgroeien. Ieder is alleen voor zichzelf verantwoordelijk.
Wanneer de armoede aldus den mensch van zijne zekerheid en zijn gevoel van eigenwaarde berooft, wanneer ze hem in verzoeking brengt, wanneer ze schade doet aan de huiselijkheid, de welvoeglijkheid en den eerbied voor den mensch, wanneer ze de ontwikkeling van zijn hoogeren aanleg tegenhoudt, valt het dan te ontkennen,dat de armoede een vraagstuk is, dat ernstige belangstelling van lederen menschenvriend eischt ?
Gaan wij allereerst den feitelijken toestand na. Volgens de jongste statistiek hebben in Pruisen 94 percent der bevolking een gemiddeld inkomen van /135 per persoon, hetgeen bij een huisgezin van vijf of zes personen ongeveer /quot;750 zou bedragen. Terwijl het inkomen van vele huisgezinnen dit bedrag te boven gaat, blijft dat van vele anderen er ver beneden, maar het gemiddelde staat zelfs op de grens van armoede. Men beweert, dat in Engeland nauwelijks één daglooner zijn gezin van zijn eigen loon onderhoudt; bijna iedere familie wordt ten deele door het armbestuur onderhouden. In het jaar 1884 deelde John Bright als rector van de universiteit te Glasgow in zijn openingsrede mede, dat
212
er in die stad 41,000 huisgezinnen elk in één vertrek woonden; terwijl een bekend statisticus kort geleden beweerde, dat er in Londen 250,000 menschen letterlijk in hokken leefden en hun toestand erger is dan die der West-Afrikaansche wilden.
Eenige zendelingen hebben ons geschilderd, wat zij in het Oosten van Londen zagen. Hoe, terwijl de christenen kerken bouwden en van het op handen zijnde duizendjarige rijk droomden, de ongelukkigen ongelukkiger en de zedeloozen verdorvener werden. De klove, zeiden ze, die de laagste klasse der maatschappij van onze kerken en van alle beschaving scheidt, is dagelijks wijder geworden. Van de 2290 personen, die ergens in een rij huizen woonden, gingen slechts 135 ooit ter kerke; sommigen, die reeds 64 jaar waren, herinnerden zich niet ooit een bedehuis bezocht te hebben. De reden hiervan ligt niet zoozeer in afkeer van den godsdienst, als in onvatbaarheid of tegenzin om te denken in het algemeen. Gij kunt een geheel huisgezin of zelfs twee families in een ruimte van acht voet in het vierkant opééngehoopt vinden, waarvan de muren en de zolder zwart zijn van het vuil, dat zich daar sinds jaren heeft opgehoopt. Misschien vindt gij er een gebroken stoel, de treurige overblijfselen van een ledikant, een stuk van een tafel, of nog waarschijnlijker alleen een plank op een paar tichelsteenen, een oude omgekeerde mand of kast ter vervanging van genoemde meubelen. In een kelder vond een gezondheidsinspecteur vader, moeder, drie kinderen en vier varkens bijeen; elders een weduwe met drie kinderen en een kind, dat reeds dertien dagen dood was. In een ander vertrek
HET VRAAGSTUK VAN DE ARMOEDE. 213
wonen, eten en slapen negen broers en zusters van wie de oudste negen-en-twintig jaar telt. De echt, zegt men, is in deze kringen geen gebruik. Als gij vraagt of de mannen en vrouwen, die in deze holen leven, getrouwd zijn, zal men om uw eenvoud lachen. Wijnhuizen zijn er in menigte; met hun licht, hun vroolijk-heid en hun vermogen om tijdelijk de ellende te doen vergeten, zijn zij voor tienduizenden vergelijkenderwijze een hemel. Wien kan het, naar den mensch gesproken, verwonderen, dat jonge meisjes zich liever aan een leven van onzedelijkheid overgeven, dan een dergelijke zoogenaamde huiselijkheid te genieten? En toch trachten de meesten in deze kringen hun brood door eerlijken arbeid te verdienen. Stelen brengt veel meer in en er bevinden zich onder hen een menigte dieven; maar dezulken, die lucifers maken tegen tien cents het gros, en vrouwen, die voor twaalf cents een broek naaien en zelf nog het garen leveren, of anderen, die voor vijftig cents een dozijn hemden naaien, zijn talrijker dan de oneerlijken. Zulk een stand van zaken bevestigt hetgeen Matthew Arnold omtrent deze wereldstad schreef: » Londen heeft in uiterlijke leelijkheid, in innerlijken alge-meenen nood en bederf en in particuliere overdaad zijn gelijke niet in de wereld.quot;
Bij de armoede over geheel Europa verspreid, wil ik niet in bijzonderheden stilstaan, ofschoon ook Parijs, — dat zóó overbevolkt is, dat ernaar men zegt, voor de kinderen der armen geen plaats blijft,zoodat deze bijna algemeen buiten worden uitbesteed met het gevolg, dat er onder de zorg van die kinderpachters 50 percent vóór hun tweede jaar sterven — genoeg stof zou opleveren. Maar
214 het vraagstuk van de armoede.
breidt zich die zwarte wolk der armoede, die over de helft of wellicht over twee derden van Europa hangt ook over de nieuwe wereld uit? Vóór honderd jaar heerschte daar, over het algemeen, weinig armoede; er waren zoowel weinig rijken als weinig zeer armen; maar sedert dien tijd hebben de industrieele ondernemingen aan enkelen een groot vermogen in den schoot geworpen, terwijl de armen naar verhouding armer werden. In New-York, waar vóór vijftig jaren één arme werd gevonden op 123 personen, die hun eigen kost verdienden, treft men er nu één op achttien aan. In de mijnen van Pennsylvanië kunt gij kleine jongens van elf jaar vinden, die voor nog geen vijf gulden per week dagelijks van zes uur \'s morgens tot \'s middags half vier werken en die zich bovendien zelf olie moeten aanschaffen. Wat wordt ons omtrent de woningen der armen in Pittsburg verhaald door iemand, die het kort geleden bezocht ? In zwarte, vervallen steenen huisjes, die naast de vuurspuwende gieterijen en de stampende molens opééngedrongen staan, in vervallen houten hutten, tegen de steile klippen der stad of op een ruwen bodem van kolen en afval van allerlei aard gebouwd, wonen duizenden arbeiders van de ijzerfabrieken. En dat is de » Stad Gods,quot; die de Presbyterianen voor zich gebouwd hebben, maar — zij wonen er natuurlijk niet zelf in, zij vluchten de heuvels op naar een hooger gebied, waar de verstikkende rook, die de gemeene arbeiders moeten inademen, hen niet bereikt.
In Chicago zijn in ééne wijk 65 huizen die ieder door twee en twintig huisgezinnen bewoond worden. De gezondheidsstatistiek der stad toont aan, dat er 50 per-
HET VRAAGSTUK VAN DE ARMOEDE. 215
cent van de kinderen, die hier geboren worden, vóór hun vijfde jaar sterven. In één jaar werden van gemeentewege 3414 huisgezinnen ondersteund. Telkens zijn er meer eenzamen en wanhopigen, die zich van het leven berooven, of komen er menschen van honger en koude om, die niet gemist worden.
Menigmaal wordt beweerd, dat de menschen niet willen werken, en ik twijfel niet, of er zijn evengoed onwaardige als waardige armen. Een onderzoek in Boston heeft geleerd, dat er van de 2294 huisgezinnen, die in een jaar bezocht werden, 314 volstrekt geen ondersteuning verdienden, dus ongeveer een op de zeven. Maar hoeveel er in die stad naar werk zoeken, wordt ons duidelijk, wanneer wij hooren, hoe op een oproeping voor de verpleging van een gevaarlijk geval van diphteritis zich binnen 24 uur 130 liefhebbers aanmeldden, terwijl de dokter vooruit verklaard had, dat het voor de verpleegster zeer gevaarlijk was.
Wat behoeven wij meerdere teekenen van een benauwend feit, dat ons tot waanzin zou kunnen brengen, wanneer wij er ons geheel in verdiepten en niet bedachten dat het onze plicht alleen . is, den treurigen toestand in zoover te verbeteren als in ons vermogen ligt en dat wij alleen daarvoor verantwoordelijk zijn. Wat zijn armenhuizen, weldadigheidsinstellingen, werkstakingen en opstanden, wat zelfs de kapellen en zendingen voor de armen anders dan bewijzen voor een en hetzelfde feit?
Bet eekent dit, dat de wereld armer wordt en dat dien-tengevofge de minder begunstigde leden der maatschappij hun evenredig deel van het algemeene ongeluk te dragen
21 6 HET VRAAGSTUK VAN DE ARMOEDE.
hebben? Maar de rijkdom neemt eerder toe dan af en het treft ons, dat daar. waar de rijkdom het grootst is, juist de armoede het meest verbreid is en den ergsten vorm aanneemt. Londen, welks Oosten ik beschreven heb, is verreweg de rijkste stad der wereld. Parijs, New-York, Chicago zijn alle rijke steden, waar de weelde in paleizen, equipages en sociëteiten steeds toeneemt, terwijl de armoede steeds als een noodlottige schaduw schijnt te volgen. Het is niet, dat onze inkomsten te gering zijn om ons werkvolk behoorlijk te betalen en hen voor gebrek te vrijwaren. De grootste schatten worden menigmaal verdiend door dezulken, die hun werkvolk het slechtst behandelen. Ik moet mij nu bepalen bij de hoofdoorzaak en het voornaamste geneesmiddel van de armoede. Het bestaan der armoede te verontschuldigen door te wijzen op den druk der slechte tijden, die zich overal doet gelden, gaat niet aan. Of lijden de eigenaars van fabrieken en handelsondernemingen gebrek aan voedsel en huisvesting? Neen, zij hebben van de winsten uit betere tijden genoeg kunnen besparen, om genoegelijk te kunnen blijven leven; maar zij, die hen deze winsten hielpen verkrijgen, ontvingen toen slechts juist genoeg om zich staande te kunnen houden. Men heeft beweerd, dat de werkgevers niet meer betalen, dan waartoe de noodzakelijkheid hen dwingt, dat de maatstaf van de Iconen dezelfde is als die, waarnaar de prijs van de aardappelen en het goud geregeld wordt, dat dit alles volgens eene wet geschiedt, even onveranderlijk als de wereldorde. Sophistische ekonomen beweren, dat vraag en aanbod het laatste woord te spreken hebben, dat zij in de ekonomie hetzelfde zijn, wat de zwaartekracht in
HET VRAAGSTUK VAN DE ARMOEDE. 217
cle astronomie of de scheikundige verwantschap in de chemie is; wij kunnen de wijze, waarop zij werken, lee-ren kennen, maar doorgronden kunnen wij haar niet. Huichelachtige drogrede zou ik bijna geneigd zijn te zeggen — het kleinste kind kan er de reden van opgeven. De mensch betaalt niet meer loon dan waartoe hij verplicht is, als hij niet meer wil geven, wanneer hij er alleen aan denkt, zelf de meest mogelijke winsten te verwerven. Daarop komt die blinde noodzakelijkheid, die ijzeren wet van de loonen neer. Het is een blinde noodzakelijkheid, alleen omdat de mensch blind is, het is een ijzeren wet omdat zij haar ijzer aan de zelfzucht van het menschelijk hart ontleent. Het is geen wet, die buiten ons ligt, zooals de wet der zwaartekracht; het is geen wet in ons binnenste, behalve alleen dan wanneer wij haar willekeurig en met algeheele minachting van de hoogere wet der gerechtigheid en der mensche-lijkheid tot een wet verheffen Deze zoogenaamde grondslag der staathuishoudkunde is, voor zoover hij op den arbeid van den mensch betrekking heeft, geheel en al een schepping van den menschelijken wil; bij iedere edele opwelling in den mensch, bij ieder ontwaken van het beste in hem wordt die grondslag ondermijnd. Er is iets in ons, dat die ijzeren wet zou kunnen nemen en breken als een kind een boomtakje. De mensch kan zich, wanneer hij wil, daarboven verheffen, zooals de vogel zich in de lucht verheft. Ja, gelooft mij, er zal een tijd komen, waarin velen zich daarboven verheffen, — want, zooals George Sand zegt, het ideale leven is geen ander dan het normale leven, dat wij geroepen zijn te leeren kennen.
2l8 het vraagstuk van de armoede.
Eenige geringere oorzaken dier armoede wil ik hier enkel aanstippen. Het gebeurt hier en daar, dat mannen en vooral vrouwen, niet het loon ontvangen dat hun volgens overeenkomst toekomt. Ik heb een bericht gelezen van een advocaat in New-York, waaruit blijkt, dat daar jaarlijks duizenden werksters en dienstboden in hun loon te kort worden gedaan.
De sage verhaalt van een klok op de toren van een oud Italiaansche stad, die door ieder geluid kon worden, wien eenig onrecht was aangedaan, en waardoor men een overheidspersoon ter plaatse riep, die den verongelijkte in zijn recht stelde.
Er moest op ieder plein in elke stad zulk een klok gevonden worden, op welker gelui ieder onrecht dadelijk hersteld werd. De gerechtigheid moest zeker niet van iemands geldelijk vermogen, om haar te koopen afhangen, zij moest op eenvoudig verlangen verkregen kunnen worden. Liever de gerechtshoven in het oneindige vermeerderd, dan met het recht gedraald, dan het steeds te verschuiven of wellicht nooit te voltrekken.
Ik zou als oorzaak der armoede ook de verhoogde kosten van levensonderhoud kunnen vermelden, die uit het feit voortvloeien, dat er zooveel tusschenpersonen staan tusschen den voortbrenger en den verbruiker, waarvan er eenige wel, andere niet noodzakelijk zijn. De kosten, die er op het brood komen, dat uit een vat meel bereid wordt, moeten twaalf a zestien gulden bedragen. Van den prijs, dien de verbruiker betaalt komt er drie-en-twintig percent aan den bakker, zeven aan den groothandelaar, molenaar en kuiper, elf percent aan de spoorwegmaatschappijen, twintig aan den landbouwer
HET VRAAGSTUK VAN DF. ARMOEDE. 2I9
en veertig percent aan den kleinhandelaar en bezorger. Bedenkt eens, hoe het koopvermogen van het arbeidsloon verhoogd zou worden, wanneer deze veertig percent van den handelaar tot de helft teruggebracht werden, zooals het in een magazijn van levensmiddelen mogelijk zou zijn, wanneer de arbeiders dat slechts wisten op te richten en te leiden.
Ik kan kort zijn, wat de oorzaak der armoede betreft, waarbij de zedemeesters met voorliefde stilstaan, n.1. de dronkenschap. Zonder twijfel wordt door de armen veel voor bedwelmende dranken uitgegeven en kan de zucht daarnaar door zedelijke middelen en door beperking van de verleiding tot op zekere hoogte worden tegengegaan. Het is echter de overtuiging van hen, wier oordeel op nadenken, waarneming en ervaring gegrond is, dat de dronkenschap meer een bijkomstige omstandigheid dan een oorzaak der armoede, ja zelfs meer een gevolg daarvan is. Zoo oordeelen de Londensche zendelingen, die ik reeds aanhaalde, uit wier geest de onmiddellijke aanraking met de armen menig kerkelijk vooroordeel schijnt gebannen te hebben. Zij vragen, nadat zij den toestand der woningen beschreven hebben, wie zich verwonderen kan, dat de herberg voor den afgematten arbeider het Elyseesche veld schijnt te zijn. Een licht, vroolijk, vriendelijk en fatsoenlijk tehuis is de beste vijand voor de herberg. Maar onder de ijzeren wet van de loonen, waardoor de werkgevers zich slechts te veel laten beheerschen, is zulk een tehuis voor de groote menigte onbereikbaar.
De voornaamste en diepste grond der armoede — want luiheid en zorgeloosheid laat ik hier buiten reke-
220 HET VRAAGSTUK VAN DE ARMOEDE.
ning, wijl daaromtrent geen twijfel bestaat — ligt hierin dat de rijkdom, dien de armen helpen vormen, slechts voor een zeer gering gedeelte tot hen terugkeert. Zij werken en hun werk telt en duurt voort; maar zij ontvangen er niets voor, dan hetgeen noodig is om hen tot den arbeid in staat te houden. Zij hebben geen voordeel van hun werk en ontvangen alzoo strikt genomen geen loon. Dat is onzedelijk; maar hoe licht het besef van recht in den mensch verduisterd wordt, blijkt uit het feit, dat slechts weinigen ook onder de arbeiders zelf het voor onzedelijk houden.
Gesteld, dat ik een aardappelland had en gij naamt aan, dat voor mij te bebouwen. Natuurlijk moet ik u onderhouden, zoolang gij daar mee bezig zijt — dat is noodig, opdat gij kunt arbeiden. Maar gesteld nu, dat gij in den oogsttijd bij mij kwaamt en uw aandeel van de aardappelen eischtet en ik zeide, dat gij daarop geenerlei recht hadt: zou daardoor uw gevoel van rechtvaardigheid niet ten diepste gekrenkt worden ? Gesteld, dat ik u zeide: »Ik heb u reeds betaaldquot;, zoudt gij dan niet antwoorden: »Het was natuurlijk noodzakelijk, dat gij ons in het leven hieldt, terwijl wij werkten, maar wilt gij ons niet iets voor onzen arbeid zelf betalen?quot; Natuurlijk is het niet waarschijnlijk, dat gij nog eens voor mij zoudt willen werken, tenzij gij in omstandigheden kwaamt, dat gij of voor mij moest werken, of geheel zonder broodwinning zoudt zijn. Dan kon ik u weder in dienst nemen en gij kondt week in, week uit, jaar in, jaar uit voor mij arbeiden en steeds van voedsel kleeding en huisvesting voorzien zijn, zoodat gij na eeni-gen tijd werkelijk vergat, dat gij ooit aanspraak op iets
HET VRAAGSTCK VAN DE ARMOEDE.
meer hadt gemaakt en gij zelfs het recht daarop uit het oog verloort.
In dezen toestand verkeeren vele menschen: zij werken juist voor zooveel, als zij noodig hebben om het leven te houden. Inderdaad, wanneer er een juiste definitie van armoede te geven ware, zou het wellicht deze zijn: de toestand van dezulken, die voor hun onderhoud geheel van hun dag- of weekloon afhangen en die, zoodra dit ontbreekt, óf op weldadigheid van anderen steunen, óf verhongeren moeten.
De helft der arbeiders zeker leeft in dezen toestand. De menschen willen liever voor hun onderhoud alleen werken dan niet leven. Het maakt geen verschil, of de arbeid voor den werkgever of voor het algemeen van groote waarde is ; de vraag is alleen, of er menschen zijn, die hem verrichten kunnen en willen en dit liever tot den laagsten prijs doen, dan in het geheel geen werk te hebben. Zoolang dezulken er zijn, zal \'de werkgever, die alleen op zijn voordeel bedacht is, de loonen tot op het noodigste inkrimpen. Armoede is het noodzakelijk, eeuwig resultaat van industrie en handel, die alleen uit zelfzuchtige motieven gedreven worden, terwijl de bevolking óf dezelfde blijft óf toeneemt, zooals tegenwoordig het geval is.
Wanneer dus de hoofdoorzaak der armoede hierin gelegen is, dat de menschen door hunne noodzakelijkste behoeften gedwongen worden om ieder aandeel aan de winst, die door hun arbeid verkregen wordt, op te geven, dan hebben wij daarmede ook het voornaamste geneesmiddel, de oplossing van het vraagstuk aangeduid. Zeker is weldadigheid geen oplossing. Weldadigheid is
222 HET VRAAGSTUK VAN DE ARMOEDE
de boete der maatschappij voor de zonden van hare enkele leden, of uwe en mijne boete voor de zonden van iemand anders. Zij is aan den eenen kant een soort van onrechtvaardigheid, natuurlijk niet tegenover de armen, maar van hen, die de weldadigheid onnoodig hadden moeten maken tegenover hen, die haar uitoefenen.
Vroeger drukte in Engeland de armenbelasting zwaar maar naar billijkheid op de adelijke grondeigenaars ; want hun feitelijk monopolie van grondbezit was de hoofdoorzaak der armoede. Met hetzelfde recht kan van de fabrikanten geëischt worden, dat zij bij \'t gebeuren van ongelukken hunne werklieden steunen, zoo als sedert eenigen tijd in Engeland en gedeeltelijk ook in de Vereenigde Staten bij de wet geschiedt. Het zijn alleen maar praktische bezwaren en geen beginsel der gerechtigheid, dat ons kan weerhouden de leniging van den nood der arbeidende klasse over te laten aan hen voor wie zij gewerkt heeft. Geen werkliedenvereenigingen kunnen het vraagstuk oplossen. De werkelijke armen blijven daar meestal buiten en, al konden ook zij zulk een vereeniging vormen, deze zou waarschijnlijk bij de eerste poging om aan het kapitaal weerstand te bieden uitéénspatten, omdat het kapitaal kan wachten, op zijn reservefonds kan teren, terwijl het weinige, wat zulk een vereeniging bezit, spoedig uitgeput zou zijn. Winkelvereenigingen kunnen in het gunstigste geval slechts weinigen tot nut zijn; want wanneer zij de groote massa ten nutte beginnen te komen en dus de prijzen der levensmiddelen algemeen dalen, dan zullen zeker ook de loonen verminderen; en steeds zullen er menschen te vinden zijn,
HET VRAACSTUK VAX I)E ARMOEDE. 223
die liever het laagste loon aannemen dan in het geheel geen middel van bestaan te hebben. Evenzoo kunnen goedkoopere en betere woningen slechts weinigen ten goede komen en slechts zoolang als zij weinigen blijven ; want zoodra de huurprijzen algemeen dalen, behoeven de werkgevers niet zu!ke hooge loonen als vroeger uit te keeren. Goed onderwijs is evenmin een afdoend middel tegen de armoede, i) Beschaving en ontwikkeling heffen slechts weinigen uit hun staat op, en naarmate het aantal knappe werklieden stijgt, neemt ook de concurrentie toe en dalen de loonen. Wanneer de arbeid van bekwame werklieden ooit zoo algemeen werd als nu die van on-bekwamen is, dan zou hij nauwelijks beter betaald worden en de beschaving zou het treurige van den toestand slechts te dieper doen gevoelen. Een wetenschappelijk ontwikkeld man ontvangt alleen daarom een beter inkomen, omdat hetgeen hij levert zeldzaam is; laat ieder tot zijn werk in staat zijn en de waarde er van zal pijlsnel zinken.
Een gewelddadige hervorming zou evenmin een oplossing van het vraagstuk kunnen brengen. Eenige van de grondbeginselen der revolutionairen zijn geheel onwaar. De arbeid zelf vertegenwoordigt niet de geheele waarde, zoodat, naar zij beweren, alles wat in de wereld wordt voortgebracht aan de beenderen en \'spieren die het voortbrachten, zou toekomen. Niet de arbeid alleen, maar de wijze, waarop hij geleid wordt, bepaalt zijne
i) Ik behoef nauwelijks te zeggen dat onderwijs, winkelvereenigingen. en genootschappen hier alleen in zoover beschouwd worden als zij voor oplossingen van het vraagstuk der armoede gehouden worden; op zichzelf zijn het alle gewenschte hulpmiddelen.
224 HET VRAAGSTUK VAN HE ARMOEDE.
waarde, en bijna altijd heeft deze in andere handen dan in die der arbeiders gerust. Ik zie uit mijn raam op een menigte werklieden, die graven, kalk bereiden, de fundamenten van een huis leggen, hooge muren optrekken, doch niet in het wilde, maar volgens een plan, met welks ontwerp zij misschien zelf niets te maken hadden. Dezelfde ijver en kracht, hetzelfde arbeidsvermogen kon gebruikt zijn, en toch, zonder overeenstemming met dit plan, zoo goed als niets tot stand gebracht zijn. Ik zie een man, die zich rustig onder de werklieden beweegt en nu en dan eenig bevel geeft; hij raakt wellicht kalk noch steenen aan, maar is hij, de architect, niet onmisbaar voor het resultaat? Hetzelfde geldt van iedere fabriek, iedere onderneming: zij, die niets doen, naar het schijnt, dan op het kantoor zitten en van tijd tot tijd een vergadering van directeuren of aandeelhouders bijwonen, bepalen niettemin wat en hoeveel er geproduceerd, gekocht en verkocht moet worden, en de opperlieden en opzichters zelve volgen slechts hun bevelen, of indien niet, dan zal dezelfde arbeid en inspanning oneindig minder vruchten dragen. Het is een dwaze en ijdele bewering, dat de arbeid op al den rijkdom der wereld recht zou hebben. Wanneer een revolutie op dien grond tot stand kwam, zou alleen regeering-loosheid en barbaarschheid het gevolg zijn.
Niets anders dan de heerschappij van een ander beginsel kan het vraagstuk tot oplossing brengen, en daalde werkgevers feitelijk de overhand hebben, een ander beginsel, dat hen beheerschen moet. De werkgevers moeten erkennen, dat hunne werklieden een zedelijk recht op een aandeel in de winst hebben, niet op alle winst
HET VRAAGSTUK VAN DE ARMOEDE. 225
natuurlijk. Dat schijnt mij de oplossing van het vraagstuk der armoede. Waar geen winst is, kan natuurlijk geen aandeel zijn, noch voor werkgevers noch voor werklieden; daar deelen beiden in hetzelfde ongeluk. Maar waar winst is, daar moest zij gedeeld worden. Ik zeg niet gelijk op — want inderdaad staan de diensten niet gelijk — maar gedeeld moest zij worden. Men moest den werkman doen voelen, dat het onomwonden erkend wordt, dat hij zijn deel tot het begeerde resultaat bijdraagt. Wanneer de menschen een gepast gevoel van hunne rechten hadden en werkelijk vrij waren, zou er gedeeld worden. Maar in den regel is dit niet het geval; de behoeftige werklieden zijn niet vrij, of het moest de vrijheid zijn om zonder middel van bestaan te mogen blijven; en evenmin hebben zij een gepast gevoel van hunne rechten, daar de meesten, hetgeen zij niet verkrijgen, langzamerhand voor een onmogelijkheid gaan houden en er eindelijk alle aanspraak op laten varen. Maar gelukkig begint het bewustzijn van hunne rechten in de tegenwoordige werklieden te ontwaken, zelfs menigmaal te stout en onbekookt; en gelukkig de werkgever, die ontwaakt tot het besef van zijn dienovereenkomstige!! plicht. De rijkdom groeit in de handen van enkelen aan, alleen omdat zij, ofschoon christenen, die, zooals de wet zegt, niet liegen, bedriegen noch stelen, toch gewetenloos zijn en hun, die hen dien rijkdom helpen verwerven, niets meer geven dan noodig is, om zich van hunne hulp te verzekeren. Er is een nieuwe zedelijkheid van noode. O gij, wien het vermogen gegeven is om te heerschen en te leiden, die zoo scherp ziet en zoo juist weet te rekenen, streeft naar zulk een hoogere moraliteit!
IS
226 HET VRAAGSTUK VAN DE ARMOEDE.
Versmaadt het, iemand alleen als werktuig tot bereiking-van uw eigen doeleinden te gebruiken ; bedenkt, dat wat voor u goed is, ook voor hem goed is, dat het hoogere doel van zijn bestaan hetzelfde is als het uwe; aanvaardt het werk te zamen en geniet te zamen de vruchten van uwen arbeid. Is het slechts een ijdele droom, dat de leiders van menschelijke ondernemingen zich door zulke edele drijfveeren kunnen laten beheerschen ?
Laat mij u een voorbeeld uit het heden noemen — dat van een Parijschen décoratieschilder Leclaire, die in het jaar 1842 zijn werklieden een aandeel in de winst begon te geven. Hij werd geboren in 1801 en was de zoon van een armen schoenmaker; reeds op zijn tiende jaar verliet hij de school, om eerst op het land te werken en daarna bij een metselaar in de leer te gaan; op zijn zeventiende jaar ging hij zonder geld en zonder vrienden naar Parijs, waar hij bij een huisschilder in de leer kwam. Toen hij zes-en-twintig jaar was, begon hij een eigen zaak te drijven, trok weldra de aandacht van verschillende architecten en werd reeds na enkele jaren geroepen, om aan de bank van Frankrijk en andere belangrijke gebouwen te werken. Maar zijn edelmoedige natuur was niet tevreden met eigen succes, en verdiepte zich steeds in pogingen, om het lot van zijn werklieden te verbeteren. Hij gebruikte zinkwit inplaats van loodwit, waardoor hij de koliek, die bij schilders zoo menigvuldig voorkwam, overwonnen moet hebben. Doch niet alleen het lichamelijk lijden, ook de onzekerheid, waaronder de arbeiders hun brood verdienden, lag hem aan het hart. Hij wist, dat de werklieden, wanneer ze onder een nieuwen meester kwamen te staan, nauwkeurig onderzocht werden
HET VRAAGSTUK VAN DE ARJIOEDE. 22;
en dat degenen, wier voorkomen een vermindering van. arbeidskracht voorspelde, ontslagen werden, en welk een slag dit voor hen was. AI spoedig gaf hij daarom zijn voornemen te kennen, om een deel van de winst onder hen te verdeelen. De politie zag daarin een streven om werklieden van andere meesters af te trekken, en verbood de vergadering, die hij bijeengeroepen had, om het volk zijn plan uiteen te zetten. Zelfs onder zijne eigene lieden waren er, die hem wantrouwden, en een van hunne bladen beschuldigde hem van het streven, om op die wijze de loonen te doen dalen. Toen Leclaire echter, nadat hij zijn vier-en-veertig arbeiders verzameld had, 11886 Francs neerlegde en ieder op hetzelfde oogenblik zijn deel gaf, gemiddeld 225 Francs per hoofd, toen kon men de aanschouwelijke les niet langer weerspreken. Alle aarzeling week en maakte plaats voor onbepaald vertrouwen. In de volgende jaren werden grootere sommen verdeeld, in het geheel tot aan zijn dood, in 1872, ongeveer /300,000. Het beginsel van te doen deelen in de winst strekte zich ook uit tot de leerlingen en zelfs tot iederen arbeider, die misschien voor een enkelen dag zijn diensten had verleend. De Engelsche schrijver 1)
I) Men vergelijke „Nineteenth Century\'quot; Sept. 1880 „Een redder der maatschappij\'quot; door Sedley Taylor. Deze en andere artikelen van Taylor zijn in een klein boekje samen uitgegeven, getiteld „Profit-sharing\'\' London, Kegan Paul, Trench amp; Co., prijs f 1.60. Het huis Leclaire bestaat nog en verdeelde in het jaar 1SS2 240,750 Francs onder 998 werklieden. Vgl. Bibl. Universelle et Revue Suisse, Lausanne Mars 1884, waarin berichten voorkomen van vele andere etablissementen in Frankrijk die een aandeel in de winst uitkeeren, vooral over dat van Godin in Guise en Le Bon Marché en M. Bords pianofabriek te Parijs. Er is een afzonderlijke „Société formée pour faciliter l\'etude pratique des diverses
228 HET VRAAGSTUK VAM DE ARMOEDE.
die Leclaires geschiedenis verhaalt, vertelt o. a., dat een man, die één dag tien uur gewerkt had, aan het eind van het jaar i Franc 15 centimes ontving als zijn aandeel in de winst op een loon van 6 Francs 50 centimes. Kan het ons verwonderen, dat de zedelijke toestand der arbeiders aanmerkelijk verbeterde r dat zij zich door een band van eigenbelang en toegenegenheid aan hun werkgever verbonden voelden en dat er niet flauw gewerkt, geen tijd verknoeid of geen werktuig of materiaal moedwillig vernield werd r Is \'t wonder dat dit systeem zich sedert uitbreidde, zoodat in 1881 in Europa 100 firma\'s volgens dit beginsel werkten, waaronder spoorweg- en assurantiemaatschappijen, banken, gieterijen, fabrieken en een dozijn andere ondernemingen van verschillenden aard. En in Leclaire\'s zaken werd dit alles uitgevoerd zonder dat hij zelf arm werd, want hij liet een particulier vermogen na, gelijk aan hetgeen hij onder zijne werklieden verdeeld had. Ideale plannen kunnen verwezenlijkt worden; het eenige wat daarbij noodig is, is geloof in hunne macht en wijsheid bij de uitvoering.
Vraagt gij, hoe wij overigens tot de oplossing van het vraagstuk der armoede kunnen medewerken ? Wij kunnen allereerst de beteekenis van het probleem diep gevoelen, niet als ware \'t er ons alleen om te doen iedereen rijk te maken, maar om het peil der armen te verheffen, om het mogelijk te maken, dat hun leven eenige beteekenis, eenigen hoogeren zin ontvangt. Wij kunnen de treurige voorwendselen omtrent de noodza-
méthodes de participation du personal dans les benefices de l\'entreprise,quot; welke drie of viermalen in \'t jaar een verslag van 100 pagina\'s uitgeeft en haren zetel heeft te Parijs, 20 Rue Bergère.
HET VRAAGSTUK VAN DE VRMOEDE. 229
kelijkheid der armoede ontmaskeren. Wij kunnen de feiten voor aller oogen blootleggen. Wij kunnen een nauwgezet geweten hebben omtrent het gebruik van producten, door onbezoldigden of slecht bezoldigden arbeid verkregen. Wie zou zijn geweten niet bezwaard voelen, wanneer hij wist, wat de goedkoopte van de voorwerpen, die hij koopt, in waarheid beteekent. De menschen, zeide eens een arme naaister, zouden misschien niet zoo ongeduldig worden, wanneer een hunner hemds-knoopen losging, als zij wisten dat een steek meer aan ieder, de werkster een brood in de week kost; want zij ontvangst soms vijf-en-twintig cents maakloon voor een dozijn hemden ; zij spaart ieder kruimeltje en zou dikwijls meer willen eten, als zij het maar had. Zoo is \'t met anderen die broeken en linnen overtrekken, vrouwenrokken en mantels maken. O, als wij ons slechts voornamen van de vruchten van zulk een arbeid niets te willen weten, onzen voorspoed niet op anderer nood te willen bouwen, ieder van wiens arbeid wij voordeel hebben, flink te betalen — wij zouden, meen ik, een begin hebben van een waarlijk zedelijke maatschappij. Beter onszelf te bekrimpen dan een ander onrecht aan te doen of dit te ondersteunen. En dan kunnen wij, voor zoover wij zelf rechtstreeks werkgevers zijn, in onze verhouding tot onze arbeiders een voorbeeld van een ideale regeling van den arbeid stellen. Leclaire was één man; wellicht zijn er onder ons een dozijn die evenzoo zouden kunnen handelen. Ik kom er openlijk voor uit: willen wij anderen hervormen, laat ons dan allereerst onszelf verbeteren!
XL
DE BASIS DER ETHISCHE BEWEGING.
Toen gij, mijne vrienden, u aan de ethische beweging in deze stad aansloot, waart gij, hoop ik, niet van meening, dat gij lid werdt van een of andere litterarische of philosophische vereeniging. Een litterarische veree-niging vereischt geen bepaalde overtuiging; hare leden bedoelen eenvoudig kennis van en smaak voor de letteren aan te kweeken. Een philosophische vereeniging zoekt meer naar een basis, dan dat zij er een bezit; en in dezen tijd van kritisch en historisch onderzoek is \'t niet gemakkelijk er eene te vinden. Een ethische vereeniging stelt zich een ernstiger taak, zij wil werken op karakter en leven; hare leden kunnen zich niet onttrekken aan de vraag, op welk fondament zij bouwen, welke overtuiging aan hun streven ten grondslag ligt. Wij stellen ons inderdaad — \'t is zaak dit al aanstonds duidelijk uit te spreken — een edeler privaat leven en een rechtvaardiger sociaal leven, met de stichting dezer vereeniging, ten doel. Een huis wenschen wij op te
DE BASIS DER ETHISCHE BEWEGING. 231
trekken voor onszelven en voor de menschheid, dat vele geslachten na ons ten zegen wezen zal. Wat vormt de onwrikbare rots waarop dit huis moet rusten?
Allereerst, de basis onzer beweging ligt niet in de oude godsdiensten. Verre van ons, het Jodendom of het Christendom te minachten of te bespotten! Geen vreemden zijn zij ons, maar onze geestelijke voorouders. Smaadredenen worden dikwijls tegen hen gericht, alsof de menschelijke geest niet voor hen verantwoordelijk ware, als of zij van buiten waren ingevoerd of kant en klaar uit den hemel gevallen. Met die oppervlakkige beschouwing stelt men zich feitelijk op het standpunt der bovennatuurlijke godsdiensten. Wij daarentegen weten, dat de eenige oorsprong van alle godsdienstig geloof der menschheid, de menschheid zelve is, dat noch een god noch een duivel het den menschen schonk, zoodat wie een godsdienst bespot met den menschelijken geest zelf den spot drijft. Doch, al zijn wij van alle spotternij afkee-rig, toch zijn wij ons van het onbevredigende van het oude geloof voor onze hedendaagsche inzichten niet minder bewust. Hoewel ook hier de eene trap der menschelijke cultuur op een anderen, lageren trap volgt, is toch de overgang zoo groot, dat hij met eene omwenteling gelijk staat. Om aanstonds tot het hart der zaak te komen: de menschen hebben vroeger de onuitsprekelijke wereldmacht als een persoon voorgesteld en zoo weinig begrip gehad van de natuurorde en de onveranderlijkheid der natuurwetten, dat zij meenden door hun bidden tot die macht haren loop te kunnen veranderen. Wij daarentegen worden door den invloed van wijsgee-rige kritiek en positieve wetenschap er toe gedrongen.
232 DE ÜASIS DER ETHISCHE BEWEGING.
de persoonlijkheid Gods als eene open vraag te beschouwen en het gebed, in den zin van het vragen om bepaalde lotsverandering, als een onnutte verspilling van men-schelijke kracht. Persoonlijkheid is een begrip, ontleend aan onze ervaring van menschelijke wezens; wij hebben geen recht dit over te brengen op iets dat onze ervaring te boven gaat, tenzij als zinnebeeldige uitdrukking, gelijk wij van het onbekende mysterie kunnen spreken als zon, als licht of leven. Theologie is eenvoudig poëzie in prozaïschen vorm. De ongeziene Macht, krachtens welke wij leven, is grooter dan al onze symbolische omschrijvingen kunnen weergeven, zij overtreft onze schitterendste metaphoren, zij is inderdaad een ongenaakbaar, een ondenkbaar licht. Ons past zwijgende eerbied, sprakelooze aanbidding. Nemen wij een gebed op de lippen, dan is \'t als uitdrukking van het hoogst en heiligst zielsverlangen, als verheffing van het hart tot de ongeziene macht. In iedere anderen zin is het gebed eene driestheid, ja een verkleining van het ontzaglijk mysterie, in welks schoot wij met de wijde wereld rusten. Hoe minder wij in staat zijn, dogmatische beweringen ten opzichte van het onbekende te uiten, des te meer zien wij in de bekende wereld orde en wet. De sfeer van het willekeurige krimpt in en onttrekt zich aan onze blikken. Een begrip van het heelal ontwikkelt zich, dat, al moge het voor de kinderlijke voorstelling minder aantrekkelijkheid hebben, des te grooter en verhevener is voor den denkenden en rijpen geest. Willekeur, voornemens die wisselen en falen, mogen bij men-schen voorkomen; zij bestaan niet in de natuur, niet in die diepste en alomvattende orde van dingen, waarvan
DE BASIS DER ETHISCHE BEWEGING. 233
de mensch en de natuur deelen zijn. Wij kunnen onze medemenschen om iets verzoeken, op elkaar een beroep doen tot vervulling van onze wisselende wenschen en behoeften, maar een verzoek aan de hoogste macht sluit een dubbele zonde in zich; vooreerst wantrouwen in den zegen der orde, waarin zij zich openbaart, en die bestaat, afgescheiden van ons bidden en wenschen; ten andere vertwijfeling aan ons eigen vermogen om als naaste oorzaak te handelen en het gewenschte te bereiken. Eigenlijk is er slechts ééne bede die gewettigd is: uw wil geschiede! en daarmee het verlangen naar alles wat zij in zich sluit: veerkracht en berusting, reinheid en gerechtigheid.
In dit opzicht verschillen wij dus zeer beslist van Jodendom en Christendom, ook al stemmen wij met vrijzinnige Christenen en Joden in menig opzicht overeen. Vele verouderde begrippen en vormen hebben zij bestreden en achter zich gelaten. Maar zij zijn in hun hervormingswerk niet ver genoeg gegaan. Wij berispen hen, niet om \'t geen zij gedaan hebben, maar om \'t geen zij thans niet willens zijn te doen. Vrijzinnige Christenen b. v. gelooven niet meer aan de drie personen der oude theologie, maar met des te grooter kracht schijnen zij zich vast te klemmen aan de leer van één persoon. Het Jodendom houdt vast aan den hoogsten monarch, staande aan de spits of gezeten op den troon van het heelal. Hier en daar hooren wij misschien, dat men dit niet letterlijk en dogmatisch moet opvatten, dat men daarmee enkel een dichterlijke personificatie bedoelt: — maar welke ernstige beteekenis kunnen wij aan die verklaringen hechten, als men blijft hangen aan
234 ue basis der ethische beweging.
de oude vormen, die toch enkel iets beduiden in verband met de oude voorstellingen 1 Is er religie, dat is de meest oprechte en waarachtige verhouding der ziel tot hetgeen haar \'t hoogste en \'t beste is, wanneer de menschen tevreden gesteld worden met uitvluchten en compromissen en het gebruik van dubbelzinnige woorden? Soms wordt ons gezegd dat het gebed de wetten Gods noch veranderen, noch opheffen, maar ons alleen in harmonie daarmee bréngen kan. En onmiddellijk daarop hooren wij niet maar eene invocatie van de Godheid, die haar recht heeft, maar een gebed om genezing voor de kranken en hulp voor de armen, alzoo een praktische verloochening van de beschouwing in de toespraak neergelegd. Intusschen worden de kranken niet genezen en de armen niet geholpen. En in naam der waarheid vraag ik u: zullen wij de kerken niet bezweren op te houden met zulke ijdele gebeden? zullen we de kanselredenaars niet toeroepen: richt zulke beden tot de mannen en vrouwen in de kerkbanken; zegt hun, dat hun de zorg voor de gemeenschap en voor hun eigen huisgezin is toevertrouwd., dat op hen de taak rust, uit te gaan tot genezing der zieken en opbeuring der ongeluk-kigen; dat het hunne roeping is hunne wetgeving en hun bedrijf met rechtvaardigheid jegens de armen te doordringen? Och, of er een stroom van oprechtheid door de kerken bruiste 1 Al verstoorde hij ook hare godsdienstoefeningen, al wierp hij ook de kerken zelve omver, wat nood! De zaak der waarheid gaat bovenal; en behoudt zij eenmaal als overwinnares het veld, dan keeren orde, schoonheid en zegen snel genoeg terug.
Neen, vrienden, met kerkelijke geloofsbegrippen en
DE BASIS DEK ETHISCHE BEWEGING. 235
vormen is \'t voor ons gedaan; wij zijn geen Christenen noch Joden in kerkelijken zin. Zonder twijfel, aanvankelijk verliezen wij iets door een zoo onbewimpelde erkentenis. De oude godsdiensten maken een deel uit van de bestaande orde, en houden wij de oude benamingen vast, ook zonder een enkele der oude leerstellingen, dan zullen we daarvan een tijdlang voordeel hebben. Maar de eerste eisch van een ethische ver-eeniging is waarheid. Wij hebben onze belijdenis in te richten, niet naar \'t geen de groote menigte, of onze ouders of vrienden gelooven, maar naar \'t geen wij-zelven gelooven. Is de meerderheid niet met, ja zelfs tegen ons, dat strekt ons niet tot schade, \'t Zal veeleer een toetssteen voor ons zijn. Wil iemand om der waarheid en zijner overtuiging wille het heerschend vooroordeel niet trotseeren, dan behoort hij niet bij ons tehuis. Wil hij ter wille van zijne zaken of van maatschappelijke overwegingen in de kerk of in den tempel blijven, laat hem begaan. Beter de kleinste vereeniging, beter zelfs de ontbinding der onze, dan dat wij aan onze overtuiging ontrouw worden, of door een of ander vergelijk om volksgunst bedelen zouden.
Ja, de waarheid eischt een bekentenis die nog verder gaat. Ik heb gezegd, dat wij niet bouwen op den grondslag der oude godsdiensten; maar wij staan in \'t algemeen niet op den grondslag van den godsdienst, in den ge-bruikelijken zin des woords. De gewone onderstellingen van dien godsdienst zijn: God, gebed, onsterfelijkheid. Wel zie ik niet voorbij, dat er een ruimere beteekenis van het woord religie is, eene beteekenis waarbij het van toepassing is op elke beschouwing, die den men-
236 DE 1ÏASIS DER ETHISCHE BEWEGING.
schelijken geest een hoogste ideaal stelt en hem den weg wijst om het te bereiken. Zelfs verheel ik niet mijne persoonlijke overtuiging, dat uit een nieuw gevoel van de eischen die de zedewet ons stelt, uit een nieuwe aanraking met het hoogere, ideale streven, voor de wereld een nieuwe overtuiging zal dagen omtrent het leven, zijne beteekenis en zijn doel, een nieuw inzicht in den grond en het doel der wereld. Maar wij beginnen niet met een nieuwe wereldbeschouwing. Wij verlangen veeleer een nieuw besef van plicht; wij storten ons in den stroom van den zedelijken vooruitgang; wij behoeven niet te vragen vanwaar hij komt, noch zijn loop ten einde toe te volgen om te staren op de zee waarin hij zich uitstort; wij beginnen maar met er ons in te werpen en er in te baden, omdat wij weten dat dit goed doet, — omdat, zoodra wij hem slechts met de hand of den voet hebben aangeroerd, wij zijn frischheid gevoeld, het leven en de geneeskracht van zijn water ondervonden hebben; wij doen het, omdat wij versmachten te midden van de dorre woestenij rondom ons. Doch dit alles is geen godsdienst in den gewonen zin des woords, en wij hebben geen recht om uit de populariteit, die dit woord in de algemeene schatting heeft, voordeel te trekken en ons door het gebruik daarvan aan te bevelen. Ja, wij zouden de zaak van die toekomstige religie, die mij na aan \'t hart ligt, miskennen, als wij haar wilden verwisselen met de godsdiensten, die thans bestaan en niet op zedelijken grondslag rusten. Vraagt ons dus iemand of wij een godsdienstige vereeniging vormen, zoo zullen wij antwoorden: neen, niet gelijk gij waarschijnlijk het woord »godsdienstquot; verstaat; wij vor-
DE BASIS DER ETHISCHE BEWEGING. 237
men een ethische vereeniging. Ziet hij in dit woord »ethischquot; geen religieuze beteekenis of kracht, dan zal het zeker verloren moeite zijn, hem die bij den tegen-woordigen toestand van het denken over deze dingen te willen doen gevoelen.
Maar zoo niet de godsdienst in engeren zin, is \'t dan wellicht de wetenschap of het zoogenaamde agnosticisme, die de basis der nieuwe beweging zullen uitmaken? Dat schijnt de indruk te zijn die velen van ons hebben; wij willen, meenen zij, niets aannemen wat wij niet wetenschappelijk bewijzen kunnen. Daar ligt een zekere waarheid in; wij nemen althans alle resultaten van wetenschappelijke bewijsvoering aan; wij klampen ons niet vast aan een geloof uit den ouden tijd, waar een overwicht van wetenschappelijke bewijsgronden tegenover staat. Zoo b.v. de bijbelsche wonderverhalen, ot het geloof aan de onfeilbaarheid der schrift of de leer van de booze geesten of van de gebedsver-hooring. Wij zijn in overeenstemming met de methode der moderne wetenschap en stellen geen slotsom terzijde, die zij ons voor oogen stelt. Maar tegelijk erkennen wij de grenzen van het positieve weten, gelijk Kant in de vorige en Herbert Spencer in deze eeuw die zoo scherp getrokken heeft. Het weten is beperkt tot de ervaring; wat buiten die ervaring ligt behoort tot het gebied der zedelijke overtuiging, is een voorwerp van vermoeden of vertrouwen, maar wetenschappelijk bewijsbaar is het niet. Deze kritische onderscheiding heeft de grondslagen van het theologische dogmatisme ondergraven en aan wijsgeeren en godgeleerden een hoog noodige les in bescheidenheid en deemoed gegeven.
DE BASIS DER ETHISCHE BEWEGING.
Doch hoewel wij dat alles erkennen, is noch het agnosticisme noch de positieve wetenschap de basis van onze beweging. In de nieuwe, heldere atmospheer van het moderne denken hebben wij de oude luchtkas-teelen voor onze oogen zien verdwijnen, het een na het ander bleek een hechten grondslag te missen in de ervaringswereld, waarin wij leven. Toch is deze atmospheer niet iets waarop men bouwen kan. Hoogstens is zij een doorzichtige middenstof, waardoor wij de werkelijke grondslagen kunnen ontdekken. Het agnosticisme is in werkelijkheid niets meer dan de leer van de grenzen van ons weten. Maar wat wij niet kennen kan toch bezwaarlijk een basis voor ons handelen zijn. Alleen de omstandigheid dat de menschen niet meer aan de oude dogmen gelooven, is geen grond voor de stichting van eene ethische vereeniging. Er zijn wellicht een menigte agnostici, die weinig met ons sympathiseeren, wier ongeloof zich misschien evenzeer tot de grondslagen der moraal als tot die der theologie uitstrekt en die wellicht eenvoudig een leven van verfijnde zelfzucht leiden. Het agnosticisme is alleen het neutrale licht des verstands, dat voor de edelste doeleinden gebruikt, maar ook voor de laagste misbruikt worden kan. En ook de wetenschap, die ons positief leert wat wij weten, is ons geen voldoende gids. Ik wil voor niemand onderdoen in bewondering van de wereld, die de wetenschap ons heeft geopenbaard. Hoe heeft de ruimte zich uitgebreid, hoe oneindig is de tijd geworden en hoe schijnt ééne wet de machtige beweging van wereldstelsels en den kleinsten traan die langs een kinderwang rolt, te beheerschen! \'t Is een majestueus, verheven heelal, waarin wij leven en
2J9
het kan ons toeschijnen als moest het ons groote en verhevene gedachten inboezemen ten opzichte van \'t geen ons eigen leven behoort te zijn. Doch wend ik mij van de natuur tot de beschouwing- van het menschelijk leven en van de inrichting der menschelijke maaatschappij, dan neemt mijn eerbied in zeker opzicht eer af dan toe. De wetenschap, die mij de verschillende feiten van ons menschelijk bestaan getrouw verhaalt, biedt niet altijd een verkwikkende studie. De geschiedenis, dat onderdeel der wetenschap van den mensch, verhaalt van verdierlijking, van brutale zelfzucht, van schreeuwend onrecht, van een rechtvaardigheid die vaak de onschul-digen schijnt te straffen en de schuldigen vrij huns weegs laat gaan. En de waarneming van het heden — want de statistiek is niets anders dan wetenschappelijke waarneming — onthult bijna even veel onbehoorlijke als behoorlijke dingen. De statistiek der misdaad is evenzeer een wetenschap, als eene statistiek van den vrede en de orde dat zijn zou, de statistiek der prostitutie is even wetenschappelijk als die van het reine huiselijke leven, die van de armoede, evenzeer als die van de welvaart. Wat de wetenschap ons leert moet als feit worden aanvaard, maar kan niettemin zedelijke ergernis bij ons wekken. Wij mogen tot sommige feiten zeggen: gij hebt geen recht van bestaan! Ja, soms moet juist het doel onzer wetenschappelijke waarnemingen zijn, zulke waarnemingen in de toekomst onmogelijk te maken, d. i. de feiten te vernietigen. Zoo blijkt de wetenschap niet het hoogste te zijn. Zij zegt ons alleen wat is, zij zegt ons niet wat behoort te zijn. Dat laatste wordt ons verkondigd door een hooger vermogen, dan
240 DE BASIS DER ETHISCHE BEWEGING. -
dat der wetenschappelijke waarneming; het is eene uitspraak, een eisch van het geweten.
Wat alzoo de basis is, waarop wij eene ethische vereeniging wenschen te stichten, kan niet twijfelachtig zijn. Niet de godsdiensten, niet de godsdienst zelf in den gewonen zin des woords, niet het agnosticisme, al mogen velen onzer agnostici zijn, niet de wetenschap, ofschoon wij al hare resultaten erkennen, vormt dezen grondslag. Op iets diepers en anders dan dit alles — op de rots van het geweten willen wij bouwen, op de eeuwige wetten, die zich openbaren in \'s menschen zedelijke natuur.
Ons weten moge tot de zinnen beperkt zijn, maar geweten is niet weten; het weten leert wat is, het geweten is de idee van \'t geen behoort te zijn. Al hebben onze oogen nooit een volmaakt rechtvaardigen mensch aanschouwd, al hebben wij nooit een absoluut rechtvaardige regeering gekend, noch zelfs van haar gehoord, niettemin zegt het geweten tot iedereen: gij moet rechtvaardig zijn; zegt het tot iedere gemeente en eiken staat: er is voor u geen andere wet dan die der volkomene rechtvaardigheid en, wanneer gij haar mist, hebt gij geen vastheid noch zekerheid. Het geweten, in één woord, leidt ons binnen in een rijk van idealen. De echte moraal heeft in dit opzicht meer met de kunst, dan met de wetenschap gemeen. Echte kunst toch is geen angstig nauwkeurige photographic, zij bestaat niet hierin, een voorwerp juist zoo weer te geven, als de zinnen het ons voorstellen, maar in de erkenning van de idee van het onderwerp, zoodat wij bij de beschouwing van de schilderij of het beeld iets voelen van den gloed
DE BASIS DER ETHISCHE BEWEGING. 24I
des kunstenaars en aangegrepen worden door de geestdrift, die hem tot scheppen drong. Als de groote Shakespeare zeide dat het eenige doel zijner kunst was »aan de natuur den spiegel voor te houden, aan de deugd hare eigene trekken, aan de ondeugd haar eigen beeld en aan de eeuw en den tijdgeest haar eigene gedaante en stempel te toonen«, dan moet ik zeggen dat de ethiek eene kunst is van een geheel ander karakter. Zij houdt niet den spiegel der werkelijkheid, maar dien van het ideaal ons voor, dien spiegel waarin wij ondeugd als ondeugd, deugd als deugd leeren kennen ; volgens welken wij over de eeuw en den tijdgeest een oordeel vellen en bepalen hoedanig haar gedaante, en wat haar kenmerk behoort te zijn. Meer bij de idealistische dan bij de realistische kunst zou ik de ethiek willen vergelijken; bij die kunst, die in de onvergelijkelijke houding van een Apollo, in de goddelijke bekoorlijkheid van een Venus van Milo, in de majesteit van een Mozes van Michel Angelo, in de stralende reinheid van eene Madonna van Raphael zich openbaart. Die allen zijn menschelijk en toch zijn zij meer dan menschelijk, want \'s kunstenaars gedachte van het volkomene heeft in die gewrochten gewerkt en in hunnen aanblik zien wij een weerkaatsing van dat slicht dat nooit op land noch zeeën viel.«
Kunst is de verwezenlijking van het schoone, moraal is de verwezenlijking van het goede. Als wij de men-schen beschouwen, zien wij den aanleg tot volkomenheid die in hen ligt, denken wij aan \'t geen zij bestemd zijn te worden. Wij hebben onszelf en de maatschappij rondom ons te beschouwen als kneedbare stof, waarin de goddelijke ideën van het goede begonnen een gestalte
16
242 DF. BASIS DER KÏHISCHE BEWEGING. •
te verkrijgen; nooit verwerven zij die volkomen, zoodat wij, op onze zinnen afgaande, aan haar bestaan zouden twijfelen; toch staan zij voor het oog des geestes en behooren slechts aangestaard te worden, om van nieuws onze ziel aan te grijpen en het menschelijk leven tot hoogere vormen en edeler doeleinden op te voeren.
Wie kan, als hij het beeld der menschelijke maatschappij aanschouwt, tevreden zijn met hetgeen hij daar ziet? Wie vindt daar niet alomme tegenspraak met zijne begrippen van gerechtigheid, van menschelijkheid en broederzin! Wie, die een hart of geweten bezit, heeft niet gevoeld dat heel deze orde van dingen — waarin het eigenbelang niet alleen de drijfveer maar het grondbeginsel van het handelen is, waarin wij niet zoozeer letten op de rechten en aanspraken der menschen, als veeleer hierop in welke mate zij ons dienen en tot ons gewin bijdragen kunnen, waarin alle middelen van onderdrukking en dwang, als zij maar geen openbaar geweld én bedrog in zich sluiten, als wettig worden beschouwd, als iets wat ieder doen mag, omdat allen het doen — wie, zeg ik, heeft dan niet gevoeld dat deze orde van dingen, zelfs al is hij daarin persoonlijk betrokken, onrechtvaardig is; wie heeft dan niet gesmacht, gelijk men in diepe duisternis smacht naar het licht, naar een nieuwe orde van dingen, die hem niet dwingen zou de beste en edelste aandriften zijner natuur te onderdrukken? De sociale vragen zijn de vragen van den dag. En die sociale vragen zijn in den diepsten grond zedelijke vragen; zij omvatten de verhouding van den mensch tot den mensch. En wat is de moraal anders dan het ideaal van de verhouding tusschen mensch en
DE BASIS DER ETHISCHE BEWEGING. 243
mensch. Zelfs niet het kleinste voorwerp, noch het geringste gedeelte er van, dat betrekking heeft op menschenrechten, ligt buiten mijn sfeer als leeraar der moraal. De zedeleer is even ruim van omvang als het menschelijke; zij heeft beteekenis voor het gansche leven der menschheid; zij eischt niets minder dan dat aan iederen mensch voor \'t minst de mogelijkheid tot een waarachtig menschelijk bestaan gegeven zij. Mate-rieele belangen zijn heilig als zij menschelijke belangen zijn; de vraag naar de loonen heeft een zedelijke beteekenis, in zooverre loon in zich sluit den grondslag van spijs en drank, van kleeding en woning waarop een menschelijk wezen zijn hooger bestaan moet bouwen. De opvoeding heeft een zedelijke beteekenis, en het ontwerpen en uitvoeren van een rationeel en humaan opvoedingsplan is een van de zedelijke problemen van onzen tijd. De politiek heeft een zedelijke beteekenis; welk ander doel toch heeft de staat dan gerechtigheid en gemeenschappelijk welzijn, die immers eischen zijn der moraal ?
Politiek leven is, ernstig opgevat, openbaar leven d. w. z: het opgeven van bijzondere belangen of klassen-belangen en de toewijding van zichzelf aan de openbare aangelegenheden. Ik weet inderdaad .niet, op welk gebied of verschijnsel van het leven ik den blik zou kunnen richten, waarop de zedevvet niet van toepassing is. Zij is geen bedelares die smeekt om een schuilplaats in een hoekje van ons bestaan; neen, zij is souverein en, zij \'t ook ongehoord en onbemerkt, zij schrijft aan het geheel de wet voor en het ideaal. Zij heeft beteekenis voor het verstand, zij veroordeelt de gewetenlooze uitleggingen
24 r)E BASIS DER ETHISCHE BEWEGING. \'
het handige spelen met woorden, zoo gebruikelijk in onze liberale kerken. Zij heeft beteekenis voor ons huiselijk leven, waar zij aan alle leden het ongeschreven wetboek voorhoudt van onderlinge liefde en waardeering. Voor onze uitspanningen, voor onze handelsaangelegenheden, voor de leiding van den staat heeft zij beteekenis. Zij is inderdaad een onzichtbare begeleidster die bij ons blijft, waar wij ook henen gaan. Een begeleidster, zeg ik? O zij staat ons veel nader dan een gids; want als zij ons vermaant en gebiedt, doet zij dat in die hoogste daad, waarin wij onszelf vermanen en gebieden. Zij is in ons de stem van God, van de 2gt;pro-phetische ziel« waaraan wij allen deel hebben; een tee-ken dat wij behooren tot eene andere wereldorde, dan die wij zien en tasten kunnen, en wortelen in iets vas-ters dan de aarde, in iets ouders en eerwaardigers dan de hemel. Een nieuwen indruk te ontvangen van die innerlijke roepstem, te weten dat hare eischen alle overgeleverde regelen van goed zijn te boven gaan, dat zij niet dit of dat goede maar al het goede bedoelt; zoo een oneindigen horizon, eene baan voor eeuwigen vooruitgang voor ons te openen; — dat is het doel en de beteekenis der ethische beweging.
O ik weet, er zijn kerken die minachtend spreken van loutere zedeleer en vragen, of een mensch daarin zijn heil kan vinden. Ik antwoord daarop onmiddellijk, dat die loutere moraal, die zij kennen en beoefenen, gewis \'s menschen heil niet verzekert, noch verzekeren kan. Maar daarom behoeven wij, mijns inziens, niet iets dat de plaats der moraal inneemt, maar een hoogere, volmaaktere moraal, eene die geheel het leven dekt en geen
DE BASIS DER ETHISCHE BEWEGING.
245
enkel hoekje daarvan buiten de heilige heerschappij vau het rechtvaardige en goede laat liggen. Een hoogeren maatstaf van rechtschapenheid behoeft de wereld, een zoodanigen die zelfs de godsdiensten van onzen tijd van de bekrompenheid van hun eigen maatstaf overtuigt, die de sluimerende gevoelens der menschen wakker roept en een wedergeboorte in het bijzondere en maatschappelijke leven bewerkt. Zou menige kerkelijke vereeniging het wagen zoo geringschattend van de moraal te spreken als zij die zelve tot beginsel had ? Neen, onder moraal verstaat zij gewoonte en overlevering, of hoogstens een reeks van voorschriften, die Mozes of Jezus gegeven heeft en die in een boek zijn neergelegd. Dat zij eene onafhankelijke idee, een onuitroeibaar beginsel van den menschelijken geest zelf is, ouder dan alle zeden en tra-ditiën en boeken en personen en alzoo in staat die allen te vervangen en op te heffen, daaraan wordt niet gedacht. Toch bedoel ik niet anders dan dit, als ik de zuivere voorschriften van het geweten ten grondslag leg aan onze beweging. Wij beweren de onafhankelijkheid der moraal; wij steunen niet op het dogme, omdat er iets in den mensch is, dat hem meer nabij ligt en meer voor hem beteekent dan het dogme. Wij steunen niet op de geschiedenis, omdat wij weten\'dat de bronnen der geschiedenis in onszelven liggen en dat de grootste bewegingen der geschiedenis voortkwamen uit inspiratiën die ook thans nog kunnen worden opgewekt. De moderne wereld spreekt van vooruitgang; wij gelooven aan een zedelijken vooruitgang; — dat de begrippen van recht niet vaststaand, maar voor een oneindige uitbreiding vatbaar zijn. Geen definitieve vaststelling der moraal
246 DE BASIS OER ETHISCHE BEWEGING.
is mogelijk. In de toekomst kunnen de menschen gewetensbezwaren voelen, waaraan zij thans in \'t geheel niet denken. Ja er kan zich, bij voorbeeld, een gevoel van rechtvaardigheid ontwikkelen, dat onze tegenwoordige inrichting van handel en nijverheid met smaad en schande overdekt.
O, hoezeer hebben wij vrijzinnigen behoefte aan zulk een nieuw middelpunt, zulk een nieuwe basis van ver-eeniging. De oude godsdiensten en het liberalisme in zijne tegenwoordige vormen hebben een ander uitgangspunt. Het Jodendom is een rassengodsdienst, een reine, verhevene godsdienst, maar toch een rassengodsdienst, en wel een zoodanige, waartoe een mensch die niet Jood geboren is, zich weinig aangetrokken voelt. Het Christendom is universeeler; maar het is gegrond op en begrensd door Jezus van Nazareth, en hoewel ik bij niemand wil achterstaan in diepen eerbied voor deze eenige gestalte, dit beeld vol majesteit en zachtheid, dat door alle eeuwen zijn licht verspreidt, zoo dwingt ons toch de waarheid te erkennen dat het geen grondslag biedt breed en ruim genoeg voor het heden en de toekomst. Ja, Jezus zelf wordt gedragen door een dieperen grond in \'s menschen rede en geweten, en op dezen grondslag kunnen ook wij even veilig staan, met even onversaagd vertrouwen bouwen als hij en zijne aanhangers vóór achttien eeuwen.
Allerminst bevredigend is het gewone godsdienstige liberalisme. Aan den eenen kant is het nog te kritisch, verdiept het zich in historische onderzoekingen naar de bronnen van Israels godsdienst en het Christendom, die, hoezeer wetenschappelijk van hooge waarde, voor het
DE B^SIS DER ETHISCHE BEWECIXli. 247
religieuze leven van ondergeschikte beteekenis zijn. Aan de andere zijde is het te dogmatisch en hunkert, van eigen zwakheid en armoede zich bewust, naar een nieuwe scherp geformuleerde dogmatiek.
Ik geloof dat de toekomst aan de vrijzinnigen behoort, aan hen die zich los hebben gemaakt van de vormen en belijdenissen van den ouden tijd en daarmee niet langer geduld willen oefenen. Maar hun ongeduld moet verder gaan; zij moeten ongeduldig worden met zichzelf en met den zedelijken toestand van de maatschappij; zij moeten vóór alles doof zijn voor den sirenenzang, die vrijheid verwart met bandeloosheid. Den kreet om hoogere idealen, om strenger beginselen van plicht en zedelijkheid hebben zij tot den hunnen te maken. Op de puin-hoopen der oude geloofsburchten hebben zij op te trekken niet een nieuw dogmatisch gebouw, maar een tempel van religieuze zedelijkheid. Voor de ernstige en vrome vrijzinnigen die deze idealen koesteren, is de ethische vereeniging.
Immers de basis van onze beweging — och kon ik \'tu nader aan \'t hart leggen! — is niet een theorie over de zedelijkheid, maar het zedelijk leven zelf. \'t Is er mij hier niet om te doen, u een metaphysisch stelsel van ethiek voor te dragen, u het transcendentalisme of het utilisme te ontvouwen, al heb ik daarover mijne eigene inzichten, die ik niet aarzelen zal bij gelegenheid uit te spreken. Neen, ik sta hier om, zoo ernstig als \'t mij mogelijk is, de idee van het goede zelf u voor te houden, het u te doen liefhebben om zijnszelfs wille, u de schoonheid daarvan in uw handelen, de verheven orde en den zegen daarvan in uw leven te doen beseffen. Slechts ééne theorie
248 DE BASIS DER ETHISCHE BEWEGING.
der moraal is er, waarvan ik een innigen afkeer heb, niet omdat zij eene theorie, maar omdat zij de zedelijkheid zelve ondermijnt. Ik bedoel de meening, die gij nu en dan kunt hoeren verkondigen, dat de moraal niets anders is dan verfijnde zelfzucht, dan scherpziende slimheid, dat het doel des levens in niets anders ligt en liggen kan, dan in de vermeerdering van eigen lust en het vermijden van eigen leed. Dat de mensch niet uit zichzelven uittreden kan, dat hij een ander niet gelijk zichzelf kan liefhebben, dat hij het doel van zijn bestaan niet kan vinden in de gemeenschap, in zijn huisgezin, in den staat, dat hij voor deze allen niet kan leven of zelfs sterven liever dan ze onteerd te zien: — dat noem ik het gevaarlijkst ongeloof, en, al werd het ook door priesters of wijsgeeren verkondigd, ik zal er tegen protesteeren zoolang ik adem heb. Neen, zedelijkheid i s juist het treden uit zichzelf, het leven van en voor iets grooters. Schranderheid en behartiging van eigenbelang, zij mogen behooren tot de dienaressen, tot het gevolg der moraal; nooit mogen zij als hare meesteressen optreden.
Onze philosophie der ethiek besta voorloopig in onze praktijk. Feitelijk der wereld te toonen dat de moraal een voldoenden grondslag aan ons leven schenkt, de mogelijkheid der zelfverzaking te bewijzen door haar aan den dag te leggen; metterdaad te toonen dat er een hoogere zedelijkheid mogelijk is dan die de wereld thans kent. Dat te bewijzen door de strengere reinheid van ons bijzonder leven, door hoogere begrippen van eer in onze zaken of beroepsaangelegenheden, door een rechtvaardiger verhouding tegenover onze werklieden, ja door een
DE BASIS DER ETHISCHE HEWECIXG. 249
nieuwen stroom van medegevoel en menschelijkheid, die ons boven onszelf en ons alledaagsch bedrijf verheft en ons de lasten der kranken, der armen, der veriatenen in onze maatschappij doet dragen — dat, dat zij ons ideaal!
Laat allen die zulke gedachten, die zulk een streven en verlangen koesteren zich aan ons aansluiten. Wij vragen niet, of gij christenen zijt of niet, of gij joden zijt of niet, of gij agnostici zijt of niet. Niets van dat alles is ons doel noch onze grondslag. Een nieuwe grondslag is \'t waarop wij willen bouwen, een nieuw doelwit waarvoor wij de harten der menschen willen doen ontgloeien, een nieuwe broedergemeente, die wij willen stichten. En terwijl ik dit uitspreek, gevoel ik, dat ik niet meer mijn persoonlijk verlangen uit, maar dat ik veeleer mijn stem leen aan de behoefte van onze maatschappij en onzen tijd. Ik herinner u aan de vrijzinnigen zonder onderlinge aaneensluiting die hoogere gedachten bij hen voedt en onderhoudt; die hunne diepere behoeften kennen, althans schemerachtig beseffen, maar als zij in de kerk komen er steenen voor brood ontvangen. Ik herinner aan de zwervende en zoekende zielen, van alle religieus samenleven gaandeweg vervreemd en zich wijs makende, dat kunst en wetenschap, dat uitspanning en verstrooiing voldoen kunnen aan de hoogste zielsbe-hoeften. Ik herinner u aan de kinderen, wier hoogere opleiding in huis verwaarloosd wordt en die enkel op het praktisch leven worden afgericht. Ik richt uwen blik niet slechts op die gruwelen der maatschappij, tegen welke reeds velen protesteeren, maar op die dingen, waarvoor de maatschappij en de kerken betrekkelijk onverschillig zijn. Op de kinderen wijs ik u door overmatigen
250
fabrieksarbeid ontzenuwd en verstompt, op de halfver-hongerde kleine haveloozen die u op de straten dagbladen verkoopen. Toen onlangs op een laten avond een dier stumperts met zijn smal en bleek gezichtje mij zoo smeekend aanzag, had ik een gevoel, alsof ik hem heel zijn voorraad zou willen afkoopen en dubbel betalen, als ik zijn oog maar door een straal van vreugde mocht verhelderd zien ! Ik wijs u op de bedenkelijke overmacht die het vereenigd kapitaal, als het niet dienstbaar is aan hooger beginsel, vaak nog over de arbeiders oefent. Ik bid u, roepen deze en zoovele andere feiten ons niet toe; laat de stem des gewetens zich verheften, laat de wet der gerechtigheid van nieuws verkondigd worden, laat er een vereeniging met geen ander doel dan de zedelijke vragen te overwegen in uw midden bestaan! Geven wij acht op die roepstem, bouwen wij op dien cn-wrikbaren bodem; en de maatschappij en het vaderland, het heden en de toekomst zullen er ons voor zegenen.
TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING.
Dat aan eene ethische vereeniging geen behoefte bestaat, wordt door velen beweerd. En dat niet enkel door orthodoxe joden of christenen, van wie geen ander oordeel is te wachten, maar door vrijzinnigen, binnen of buiten de kerken, wier denkbeelden in menig opzicht de onze nabij komen.
Zoo beweerde een leider van het liberale Jodendom, dat de christenen aan een vereeniging als de onze wellicht behoefte hebben, maar de joden niet, daar hun eigen kerkgenootschap even ruim en vrij is, als de vereeniging voor zedelijke vorming. Dit geeft mij aanleiding tot een woord over de houding van het liberale Jodendom. Ik behoor niet tot hen die beweren, dat de woorden liberaal en Jodendom absoluut onvereenigbaar zijn en zich evenmin laten verbinden als olie en water. Toch heeft het Jodendom een bepaalde beteekenis; nam het geen eigenaardige plaats in, dan zou \'t onnoodig
r
!
252 TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING.
zijn er over te spreken, \'t Moge waar zijn dat niet alles wat vroeger geacht werd tot het Jodendom te behooren daarvan een wezenlijk bestanddeel is. Alleen omdat een mensch de schrift niet meer beschouwt op de oude onkritische, bijgeloovige manier, omdat hij de hoop op de verschijning van een Messias opgeeft, alleen omdat hij niet al de kleine levensregelen opvolgt, voorgeschreven door de rabbijnen en leeraars van de wet — alleen daarom houdt hij niet op een jood te zijn. Elke godsdienst heeft sommige bepalingen, voorstellingen en vormen, die onder bijzondere omstandigheden opkomen en onder andere omstandigheden verdwijnen, en die men kan aannemen of opgeven, zonder aan zijne grondbeginselen ontrouw te worden. De grondbeginselen van het Jodendom laten zich in weinige woorden samenvatten : dat er één God is en dat het joodsche volk van hem de bijzondere roeping ontving om die waarheid aan de wereld te verkondigen. Hiervan heeft het Jodendom steeds getuigenis afgelegd, het geeft aan de vrome Israelieten, door de gansche wereld verstrooid, een principieele ge-loofseenheid, al mogen zij in vele gebruiken en nevenzaken ver van elkaar afwijken. Doch worden deze grondbeginselen geloochend, dan houdt het Jodendom op een bepaalden zin te hebben. Hier staan natuurlijk de grenzen van het vrijzinnige Jodendom. Een mensch kan vrijzinnig zijn ten opzichte van de sabbatsviering, van de besnijdenis, zelfs van de hoop op persoonlijke onsterfelijkheid, maar twijfelt hij er aan of er één God is en of het huis Israels van hem een bijzondere roeping heeft ontvangen, dan kan hij zich niet langer een vrijzinnigen jood noemen, omdat hij in quot;t geheel geen jood
TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING. 253
meer is. Ik meen natuurlijk een jood in godsdienstigen zin. Den band van het ras kan men nu eenmaal niet verbreken. Ook behoeft een jood, hoezeer zich zijne religie wijzige, niet op te houden innig belang te stellen in de welvaart van zijn volk.
Nu zijn er feitelijk vele joden die deze twijfelingen koesteren; de tijdgeest heeft hen even goed als anderen aangegrepen en hen doen gevoelen, dat Jahve zoowel als Zeus of Apollo voorstellingen zijn der menschelijke verbeeldingskracht, die de tijd en de omstandigheden, maar niet het redelijk denken, tot bepaalde geloofsartikelen hebben omgeschapen, dat elke waan van een bijzondere roeping of missie van boven — buiten die roeping voor al wat waar en goed en edel is, die ieder ernstig mensch in zijn binnenste verneemt, — niet anders is dan ijdel kinderspel. Dergelijke joden nu, en eenigen van hen zien wij in ons midden, zijn op hunne plaats in eene ethische vereeniging. Wij gelooven dat \'s menschen eerst en edel streven is: waar te zijn. De menschen zijn niet altijd verantwoordelijk voor hun geloof, maar zij zijn \'t wel voor hun handelen, of dit aan hun geloof beantwoordt of het tegenspreekt. Kan een mensch van geloof jood blijven, kan hij in deze nieuwe wereld van het denken nog vasthouden aan het oude trotsche geloof zijner vaderen, hij doe het; niemand zal hem meer dan wij eeren om zijne trouw. Maar houdt hij op te gelooven, dan drijft dezelfde edele drijfveer, die hem dwong in de gemeenschap der geloovigen te blijven, hem nu er toe haar te verlaten.
Een joodsche gemeente die even ruim en vrij is als
254 TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING.
een vereeniging voor zedelijke beschaving — ik heb niets tegen haar, en zal niets tegen haar hebben, als zij een zedelijke vereeniging wordt. Tot zoolang is zij een anomalie, noch aan het Jodendom, noch aan de nieuwe zaak getrouw; want de nieuwe zaak verlangt niet slechts woorden, maar daden, niet slechts gedeeltelijke, maar volkomen overeenstemming tusschen onze belijdenis en onze gedachte. Zegt dus een joodsch leeraar, dat het Jodendom een godsdienst der menschheid is en dat het de roeping is der joden dien godsdienst in hun leven en handelen uit te drukken, dan staat hij de zaak der toekomstige religie in den weg, wijl hij hen die hare besliste belijders moesten zijn terughoudt in den ouden kring; dan verlengt hij in het gunstigste geval voor korten tijd het schijnleven van zijn oud geloof. Want het oude geloof is midden in het proces van zijne oplossing;-en ieder prijsgeven van een oude religie, ieder aannemen van een nieuwe instelling of van een nieuw gebruik is een bewijs dat dit proces voortgaat, dat het oude sterft en weldra zal zijn voorbijgegaan. Het onderscheid tusschen ons en hen die in de oude geloofsgemeenschap blijven is, dat zij zich vastketenen aan een ondergaande zaak en wij ons verbinden met eene in wier toekomst wij gelooven. Want de vurigste hoop van den geavanceerden joodsche leeraar zelf is, dat het Jodendom als een bijzondere godsdienst verdwijnen en in iets grooters opgaan zal; wij gelooven, of liever wij weten, dat het voor ons is voorbijgegaan en dat het zaad van iets grooters thans wordt uitgestrooid. Gij, geloovige Israëlieten, richt uw oog op een zon, die haren loop nagenoeg heeft volbracht, wier glans, zoo
TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING. 255
zij voor \'t oogenblik nog straalt, weldra zal ondergaan. Wij richten ons oog op den nieuwen dag, wij staren vol verwachting naar den opgang van een nieuwe zon; al hangen er nog nevelen, toch vertoont zich reeds eeti zwakke schemering van het naderend licht aan den gezichteinder; de dag, wij zijn er zeker van, zal weldra daar zijn.
Gelijk de liberale richting in het Jodendom geen grond is om daaraan vast te houden, maar veeleer een teeken zijner naderende ontbinding, zoo geldt hetzelfde van de vrijzinnige opvatting van het Christendom. Ook dit heeft nevens zijne onwezenlijke, zijne wezenlijke leerstellingen, wier gemeenschappelijke erkenning uit de christenen der geheele wereld een broederschap vormt. Die wezenlijke hoofdgedachte is, dunkt mij, dat Jezus de Heer en Heiland der menschen is, m. a. w. dat hij een centrale, gansch eenige beteekenis heeft in de geschiedenis. Dat hebben de christenen steeds erkend, dat belijden zij overal nog heden ten dage, tot de meest liberale christelijke secten toe. Christen is wie Jezus als heer en meester belijdt en het leven leidt, door hem voorgeschreven. Een zoodanige kan twijfel voeden ten opzichte van de drieeenheid, van de inspiratie van den Bijbel en andere duistere leerstellingen, maar aan Jezus twijfelt hij niet; gaarne en willig beschouwt hij zijn woord als beslissend omtrent iedere vraag die zijn geest verontrust. Is hij evenwel onzeker ten opzichte van Jezus zeiven, onderscheidt hij tusschen hetgeen waar en onwaar, waardig en onwaardig is in zijne leer, dan is het duidelijk dat het gevoel van onvoorwaardelijke overgave dat een volgeling zijnen meester toedraagt, van hem
256 TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING.
geweken is; gaat hij voort zich christen te noemen, dan is hij dat slechts in naam of volgens zijne christelijke geboorte. Met andere woordenhet vrijzinnige Christendom, even als het vrijzinnige Jodendom, heeft zijne grenzen. Wie ophoudt Jezus als zijn heer en meester te belijden, kan geen vrijzinnig christen zijn, want hij is in \'t geheel geen christen.
Wie, die het beeld van den Jezus der evangeliën in groote trekken als historisch aanneemt en het aanziet met den onbevangen blik van een mensch van dezen tijd, kan jegens hem die gevoelens koesteren, die het christelijk geloof onderstelt ? Welke geleerde, ja welke gewone leek die zijn eigen oogen gebruikt, ziet niet dat Jezus zich binnen de grenzen van zijn tijd bewoog, — als hij geloofde dat menschen door booze geesten bezeten konden zijn, dat de wondermacht die hij en anderen bezaten een onmiddellijke gave van den Allerhoogste was, dat hij de eene uitverkorene des hemels was en dat zijn rijk op aarde zou neerdalen tijdens het leven van het geslacht waartoe hij sprak.
O, niet uit moedwil, maar met weemoed kwam menige jonge christen tot het besef van deze feiten en voelde daarbij de warmte van zijne toewijding en van zijn vertrouwen verkoelen en wegsterven. Jezus was hen het beeld der volmaaktheid geweest; nu vertoonde dit goddelijke aangezicht maar al te duidelijke sporen van menschelijke zwakheid en onvolkomenheid.
Wel nu, ook voor hen die dit christelijk geloof verloren, werd de vereeniging tot aankweeking van het zedelijk leven gesticht. Ook voor hen immers is waarheid de eerste plicht. En dit bewustzijn laat hun niet toe vrede
TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING. 257
te hebben met de liberale vormen van het Christendom. Zij weten zeer goed, dat zij geen christenen zijn in den rechten en slechten zin van dat woord. En ook al hebben zij de zedelijke kern van het oude Christendom met dankbaarheid aanvaard, al tellen zij de oude christenen onder hunne geestelijke voorouders, hunne naamgenoo-ten, hunne geestverwanten voelen zij zich niet.
Toch bezielt hen een stil vertrouwen, dat zij niet slechts een oude haven verlaten hebben, maar bestemd zijn voor een betere, \'t Is waar, wij zien niet naar het aangezicht van een volmaakte over ons heengebogen en ons vriendelijk toewenkend; maar het ideaal der volkomenheid verschijnt ons en voedt in ons de blijde hoop dat ons oog eenmaal het volmaakte groeten zal. De godsdienst der christenen is een herinnering geweest, de godsdienst der toekomst zal een hoop zijn. Wij zijn niet tevreden met het leven en de wereld, zooals wij ze voor ons zien; wij moeten droomen van een betere, wij moeten denken aan een nieuwen hemel en een nieuwe aarde, als wij aan het hoogere in ons trouw en geen slaven der zinnen zijn; maar de betere wereld, de hemel der menschelijke droomen is er nooit geweest, is er thans niet en zal er nooit zijn, zoolang niet de mensch hemelsche grootheid en heiligheid nabij komt door de grootheid zijner eigen ziel, door de reinheid zijner eigen bedoelingen, zoolang hij zich geen hemel schept. Het goddelijke is in ons en er is geen wonder, geen fabel van goddelijke macht in \'t verleden, of \'t is een parabel van hetgeen de mensch-heid in de toekomst kan volbrengen. Emerson zegt ergens, dat hij \'t een wonder acht, niet dat er één Christus geweest is, maar dat er niet duizend Christussen ge-
17
258 TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING.
weest zijn. Gelooft mij, vrienden, deze wereld, als gij diep genoeg in haar doordringt, uw eigen leven als gij beneden de oppervlakte daarvan afdaalt, is rijk, onmetelijk rijk aan mogelijkheden — hoe anders zou alles zijn als deze gedachte ons steeds vervulde 1 Zij hebben de ware levensphilosophie, zij zijn de kinderen der toekomst, die de goddelijke aandrift in zichzelf gevoelen en hunne wezenlijke betrekking tot het diepe mysterie der dingen hierin vinden, de roepstem te volgen die daarvan bestendig uitgaat.
Doch er is nog een andere behoefte, waaraan de ethische beweging voldoet, een behoefte die niet uitsluitend het vrijzinnig Jodendom of het vrijzinnig Christendom aangaat, maar beiden evenzeer. Wij gelooven aan eenheid, aan eenheid op den grondslag van het waarachtig menschelijke. In ieder menschelijk wezen is iets dat onze achting en onze liefde vraagt. De grenzen die de menschen vaneen scheiden, moeten, meenen wij, verdwijnen. Een godsdienst der liefde moet treden in de plaats van de oude godsdiensten van den haat, die nog altijd de christelijke en joodsche wereld verdeelen. Nu staan het vrijzinnig Jodendom en Christendom, voor zoover zij uitsluitend hervormen binnen hun eigen sfeer en daarbij aan den ouden naam blijven hangen, de zoo vurig gewenschte volmaking in den weg. Zeker kan geen jood zich inbeelden dat christenen tot zijn legerkamp zullen overgaan; evenmin kunnen verstandige christenen zich langer inbeelden dat het mogelijk is de joden te bekeeren. De pogingen in deze laatste richting zouden ons een glimlach op \'t gelaat brengen, als zij niet getuigden van hoogst bedenkelijke onwetendheid. Nog onlangs las ik van twee Engelsche genootschappen,
TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING. 259
die duizenden ponden sterling aan het onderhoud van zendingsposten onder de joden besteed hadden, zonder een enkele bekeering uit te werken; en ik herinner mij vóór enkele jaren gehoord te hebben van een genootschap in Philadelphia, dat in al de jaren van zijn bestaan één jood bekeerd had en te dien tijde alle krachten moest inspannen om hem vast te houden. In het Christendom is niets dat een verlichte jood kan aannemen, wat hij niet ook in zijn eigen godsdienst vindt, en laat een christen zijn geloof aan het Christendom varen, dan zal hij zich bezwaarlijk door het Jodendom aangetrokken voelen, daar de mythische theologie, die hij in het Christendom wantrouwt, evenzeer ligt in de basis van het Jodendom. Verlichte menschen zullen tegenwoordig noch op de eene, noch op de andere wijze veranderen van confessie, en zal het ooit tot een vereeni-ging komen, dan moeten zij elkaar de hand reiken in een genootschap, dat noch joodsch noch christelijk, maar eenvoudig menschelijk is. Het doet mij pijnlijk aan, als ik een bewijs van edelmoedigen of liefdevollen zin christelijk hoor noemen, of aan den anderen kant een streven opmerk om al wat waar en goed is toe te kennen aan het Jodendom. Dat herinnert aan den ijdelen waan van Alexander den Groote, die eiken goeden mensch een Helleen wilde noemen, of aan de neiging der Unitariërs om Mozoomdar i) die eens hier ter plaatse optrad,
1) Een begaafde en welsprekende Hindoe, aanhanger van de sekte der Brahmo Somaj die het beste uit het Hindoeisme en uit het Christendom saam zoekt te vereenigen. Zelf hoorde ik den aantrekkelijken man voor eenige jaren te Wiesbaden spreken over den godsdienst der toekomst.
li.
26o tegenstanders ex toekomst der ethische beweging.
voor hun eigene vereeniging in beslag te nemen. Met een fier zelfgevoel verklaarde deze welsprekende Indiër voor een vergadering van Unitariërs te Boston: »Ik kan geen aanspraak maken op de eer van tot eenige christelijke confessie te behooren, hoewel ik voor alle sympathie heb. Wenscht gij eene verbroedering met mij, dan kome zij tot stand op grond van ons gemeenschappelijk geloof. Lessing laat in zijn beroemd tooneel-stuk «Nathan de Wijze» een vrijzinnig christen een jood toeroepen; » Nathan, Nathan, gij zij t een christen 1quot; Maar Nathan antwoordt. »Wat mij voor u tot christen maakt, maakt u voor mij tot jood.quot; Wat u doet gevoelen dat ik bijna een Unitariër ben, doet mij gevoelen, dat velen uwer zoo goed als Indiërs zijn.quot;
In waarheid, er moet een religie komen die al deze grensscheidingen overschrijdt, ook die tusschen Christenen, Joden en Indiërs. Want de waarheid der dingen is niet Christelijk of Joodsch of Indisch, maar één. De behoeften der menschheid zijn in de gansche wereld dezelfde. Dezelfde zijn overal de groote levensregelen ; de roeping en bestemming van alle natiën komen overeen, en ik hoop op den tijd, al ligt hij nog in een verre toekomst, waarin één gedachte, één doel, één hoog streven de harten aller menschen zal bezielen. Dan, eerst dan, in die hoogere en reinere lucht zal de menschheid vrij ademen, dan zal zij de hoogten bereikt hebben, waarvoor zij bestemd is. Vrienden, één enkele schrede, een klein begin in deze richting hopen wij te maken. De oude vijandschap, den ouden zinneloozen haat wenschen wij te bannen, om in iederen evenmensch den mensch te achten en lief te hebben. Wij verlangen dat de beide
TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING. 201
stroomen die elkaar zoo nabij komen, één stroom worden, dat, gelijk Paulus uitroepen kon: »Hier is noch Jood, noch Griek, noch slaaf, noch vrije, noch man noch vrouw, want gij zijt allen één in Jezus Christusquot;, zoo in de nieuwe religie de oude namen en scheidsmuren wegvallen en de menschen elkaar zullen kennen niet als Joden of Christenen, niet als Germanen of Skandinaviërs of Amerikanen, maar alleen als menschen, met al de waarde en al de aanspraak van menschen op weerkeerige achting en liefde.
Wat te zeggen van de zoo vaak gehoorde verontschuldiging waarom men zich niet bij ons aansluit: dat het,, noodzakelijk is achter te blijven bij hen die op den weg van den vooruitgang nog niet zoover gevorderd zijn en hen vooruit te helpen? Wat is dan onze eerste plicht, anderen te helpen — in gansch algemeenen zin — of onszelven trouw te zijn ? Er zijn lieden, die zoo spreken alsof onze godsdienstige betrekkingen enkel een zaak van overleg waren, alsof men hier of daar blijven, orthodox of liberaal, christen of jood zijn kon, als men daardoor maar iets goeds vermocht te doen. Mijn vriend, die uzelf zoo sophistisch bedriegt, weet dat de aanblik van een waarachtigen man, van een edele vrouw meer waard is voor de wereld, dan de aanblik van honderden die anderen zoeken te redden, zonder eerst geleerd te hebben zichzelf te redden.
Wie menschen brood geeft, dient slechts weinigen.
Doch allen dient, wie \'t waagt getrouw te zijn.\'\'
De eerste vraag die elk heeft te beantwoorden is, geloof ik, niet: waar kan ik het meeste goed doen ? maar; waar kan ik \'t meest en best getrouw zijn aan mijn
202 TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING.
eigen overtuiging? Gelooft mij, als er een zedelijke wereldorde is, zal hij die vóór alles getrouw is, op een of andere wijs het meeste goed doen. Maar dalen wij voor een oogenblik tot dat lagere standpunt af, hoe kunnen wij dan \'t krachtigst anderen helpen? Daardoor dat wij ons eigen standpunt kunstig verbergen, of daardoor dat wij het openlijk handhaven en op elke eerlijke manier trachten het door anderen te doen waardeeren ? Leiden wij de menschen uit de duisternis door zoo te handelen, alsof wij er zelf midden in stonden, dringen wij anderen om hunne vooroordeelen prijs te geven, als wij zelf die schijnen te deelen? Neen, wie het oude geloof heeft op-sesreven behoeft het niet te verachten, en nog veel minder
O O
hen, die uit gebrek aan iets anders het blijven aanhangen; hij behoeft niet barsch, ruw, onvriendelijk te zijn, maar kan met zachte, hoezeer vaste hand, geduld oefenend met de langzame schreden die de geest op weg naar een nieuwe beschouwing maken moet, anderen voorwaarts leiden.
Andere verontschuldigingen, die worden ingebracht, verraden een even angstig ontzien van anderen en een al te zwak geloof in zichzelf. Hoe dikwijls zegt men ons: sommige klassen van menschen mogen in staat zijn uwe stellingen aan te nemen, de groote massa behoeft nog de oude drijfveren van vrees voor den rechter en huivering voor de toekomstige straf, om te blijven op den weg van den plicht. Nu — om niet eens te vragen of er een pad van den plicht is, waarop de menschen door vrees gehouden zullen worden, of niet een lage en onwaardige meening omtrent de menigte aan dat oordeel ten grondslag ligt — waardoor wordt ten
TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING. 263
slotte \'s menschen handelen bepaald: door de behoefte van een zekere klasse van menschen of door zijn eigen behoeften ? Kunnen wij niet tot onze tegenstanders zeggen : hebt g ij de vrees voor Gods toorn en voor de eeuwige straf nood.ig om te blijven op het pad van den plicht? Zoo niet, hoe kan dan wat anderen tot verontschuldiging kan strekken, u tot verontschuldiging zijn?
Hoe vaak wordt al verder gewezen op het lijden, dat velen bij het verlaten vau het oude geloof zou te wachten staan. Zeer mogelijk, kan men antwoorden, want elk afscheid van eene denkwijze waarin wij zijn opgevoed en ons t\'huis voelen brengt smart met zich; de fout ligt. alleen in een levensphilosophie, die het vermijden van de smart maakt tot het hoogste doel van ons bestaan. Doch afgezien van dit alles, schijnt mij de groote vraag voor ieder deze: zou ik zelf lijden, en zoo ja, zou het niet edel zijn te lijden, als dat de prijs is waarvoor ik mijne ziel nader tot de waarheid brengen kan ?
Anderen weer zien om zich heen met de vraag, is de tijd rijp voor onze beweging? Misschien geven zij daarop een onzeker antwoord. Maar gij, mijn vriend, hebt u niet in de eerste plaats om den tijd te bekommeren; gij zijt niet verantwoordelijk voor den tijd, maar voor uzelf. Waarom dus niet eenvoudig gevraagd: ben ik rijp voor dit inzicht, is er in mij iets dat mij verhindert een twaalf-of vijftigtal menschen de hand te reiken die zich eveneens daartoe bereid voelen ? Grooteren ernst behoeft vóór alles onze tijd, krachtiger moet hij worden aangegrepen door de vraag van den persoonlijken plicht; levendiger gevoelen dat wij in de eerste plaats onszelf in \'t rechte spoor te brengen hebben. Werd zulk een stemming de heer-
264 TEGENSTANDEnS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING
schende, dan zoudeu al die nietige verontschuldigingen, die ik verder laat voor \'t geen ze zijn, een einde nemen.
Toegegeven echter dat de behoefte aan eene ethische beweging voor de hand ligt, met het oog op het vrijzinnige Jodendom en Christendom, is zij even dringend voor hen die eenvoudig en alleen vrijzinnigen zijn? Zijn zij niet reeds vrij en hebben zij onzen steun nog noodig? Vrij ? ach, vrienden ik kan soms dit groote en edele woord haast moe worden; in het gebruik daarvan ligt vaak een zekere phraseologie of zelfgenoegzaamheid, alsof zij, die zich voor vrij houden, niets meer te leeren of na te streven hadden. De «vrijenquot; — dat moesten zij zijn die in vrijheid streven naar een groot doel, een aanlokkelijk wit, een edel ideaal. Zij moesten \'t bereidwilligst zijn om voor hunne beginselen in te staan, die te verdedigen en te handhaven, waar ook de gelegenheid zich aanbood. Maar wie kent niet de vrijzinnigen die vragen, wat zij er aan hebben zouden, zich bij zulk een vereeniging als de onze aan te sluiten — alsof\'t hier de vraag gold iets goeds te krijgen, in plaats van iets goeds te doen, — alsof, wanneer beginselen op \'tspel staan, niet elk die er aan gelooft, met vreugde openlijk zijn bijval moet betuigen, zonder berekening van winst of verlies ! Om in het tuchtelooze en zich vaak verschuilende libera\'isme van onze dagen iets van dien geest te wekken, daarom alleen reeds, al waren er geen andere motieven, zou een ethische vereeniging op hare plaats zijn. Met de goede trouw schijnt het slecht gesteld in deze utilistische eeuw, zij heeft het voorkomen van een ouderwet-sche, bijna vergeten deugd; de menschen verschuilen zich, zoeken uitvluchten, sluiten compromissen en spreken
TEGENSTANDERS EX TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING. 265
dubbelzinnige woorden, zonder zich te schamen, naar \'t schijnt. En toch is er zeker geen edeler deugd, geen onbedrieglijker kenmerk van een rechtschapen natuur, dan dat van een gemoed teergevoelig voor de eischen der waarheid en onmiddellijk bereid om hare zijde te kiezen.
Nog andere behoeften heeft de moderne richting. Het is niet genoeg, de oude geloofsstellingen af te schudden en een even rechtschapen leven te leiden als de vromen om ons heen. De eisch, die tot ons komt is, een beter leven te leiden, strengere plichtsgeboden te erkennen, de wereld op te voeren tot een hoogeren trap van zedelijke volkomenheid. Daarvan vind ik weinig gevoel onder de vrijzinnigen, in doorsnee genomen. Ik ontdek weinig van de gedachte, dat zij in de toekomst van ons geslacht een groote rol te spelen hebben ; ik bespeur slechts zwakke geestdrift, tenzij bij het streven om over de oude kerkelijke orde van dingen te trium-feeren. Een zedelijke vereeniging heeft ten doel, uitdrukking te geven aan dien hoogeren eisch. Zij gaat niet uit van eene negatie, maar van de gedachte van het goede en rechtvaardige ; zij omvat die begrippen in al hun omvang en beteekenis; zij meet zich niet aan \'t geen geweest is of thans nog bestaat; zij waagt het een volkomen goed, een volmaakte gerechtigheid zich voor te stellen en dan ieder toe te roepen: ziehier het doel uws levens. Daaruit vloeit voort een toetsing van alle inrichtingen en zeden van het maatschappelijk en bijzonder leven, van \'s menschen karakter en denkwijze. Wat zou een mensch doen, als hij zich door de gedachte aan het volmaakte recht liet beheerschen, welke veran-
9
dering zou dan plaats grijpen in zijn dagelijksch leven,
266 TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING.
in de behandeling van zijnen naaste, van zijn handelsconcurrent, zijn werkgever of nemer, van zijne vrouw of kind, van zichzelf ? Wat laat deze maatstaf toe en wat veroordeelt hij, wat eischt hij dat er nooit geweest is? Eens was er geen familieleven, zooals wij het thans kennen, eens was er geen vreedzaam handelsverkeer, gelijk wij het thans hebben, eens was er geen samenwoning van menschen in dorpen en steden, geen regeering dan die van ruw geweld. Welnu, wie kan zeggen, welke nieuwe handelwijzen in \'t leven van nijverheid en handel, welke hoogere regeeringsvormen zich in de toekomst kunnen ontwikkelen? Een zedelijke vereeniging roept de menschen op om hunne private liefhebberijen te laten varen en op hoogere doeleinden hun zinnen en krachten te richten, den bangen strijd om het bestaan tot eiken prijs gevoerd, te staken en na te denken, hoe de menschen behoorden te leven om bewuste deelen te worden van een beweging die de wereld zoekt op te heffen, wijl anders de beteekenis van het leven zelf te loor gaat.
Laat de menschen rondom zich zien in de wereld, zoo als zij is; laat hen zien, hoe vaak het huiselijk leven van zelfzucht doordrongen is, hoevelen er zijn, die niets hebben wat naar huiselijkheid zweemt, hoe handel en nijverheid van de moraal, waarover velen zich in bespiegelingen verdiepen, door een ontzettende kloof gescheiden zijn, hoe de regeering nog altijd in menig opzicht de heerschappij der sterken is, en hoe de zwakken uitgezogen en onderdrukt worden, hoe de maatschappij achter een dunnen sluier van fatsoen na-melooze diepten van ongerechtigheid verbergt. Laat iets van dit alles tot hun bewustzijn komen, welk
TEGENSTANDERS EN\' TOEKOMST DEK ETHISCHE BEWEGING. 267
een oneindigen arbeid zullen zij daarin vinden voor een religie, die er naar streeft het menschelijk leven op aarde tot een »stad des lichts« te maken, nieuw te ordenen, te herscheppen 1 Een onmetelijke sfeer opent zich hier voor het denken en navorschen; een krachtig appél wordt hier vernomen op al de toewijding, den moed en de geestdrift waarvoor het menschenhart vatbaar is.
Meent toch niet, vrienden, dat de ethische beweging opgaat in eenige voordrachten, in een beetje weldadigheid, in een zwakke poging om iets voor de opvoeding der kinderen te doen. Hooger doel stelt zij zich, ver over dit alles henen ziet zij uit naar niets minder, dan naar den bouw van een nieuwe sociale orde onder de men-schen. Voordrachten, weldadigheidsinstellingen, scholen en wat dies meer zij, kunnen enkel middelen wezen tot bereiking van dit doel. IJdel zou het leven zijn en ijdel de arbeid, als niet dit alles een hooger doel had, als wij niet in de duistere toekomst de grondlijnen van een heerlijk gebouw van het menschelijk leven konden zien, waarvoor wij thans maar de eerste grondslagen kunnen leggen.
Elke strengere regel dien iemand onzer zich in zijn privaat leven oplegt, zal een dezer grondsteenen zijn; elk gevoel van onwil tegen geoorloofd onrecht, elke poging tot toepassing van meerdere rechtvaardigheid in handel en bedrijf, elke gedachte aan een meer volkomen gerechtigheid door den staat te verwezenlijken, elke beweging van uw hand, van uw ziel in de richting van den vooruitgang der menschheid zal iets bijdragen tot den grondslag voor den toekomstigen bouw. Wij richten wel is waar ons oog niet ten hemel, maar op de
258 TEGENSTANDERS EX TOEKOMST DEK ETHISCHE BEWEGING.
aarde, doch wij doen het met de gedachte aan een meer volmaakte orde van dingen en, al schijnt wat wij doen droevig klein in vergelijking met de grootheid van ons ideaal, toch omvat dat ideaal de mogelijkheden der toekomst en wat zij zal brengen is ons een troost voor de geringheid van \'t geen wij thans vermogen — hoewel het ons aanspoort dat geringe onbeschroomd en goed te doen.
En wat zal ik ten slotte zeggen van de beschuldiging van atheïsme die telkens tegen ons wordt ingebracht? Kwam zij alleen uit vijandschap voort, dan zou zij nauwelijks vermelding verdienen. Lord Bacon zeide dat »allen die een godsdienst of eenig bijgeloof van hunnen tijd aantasten, door de tegenpartij met den naam van atheïsten gebrandmerkt worden,« De joden die ons dezen naam toekennen, moesten zich den hoon herinneren die door de volken van het oude Rome hun voorvaderen op \'t hoofd geladen werd als zij hen »vijanden van goden en menschen« noemden. En de christenen moesten er aan denken, dat een der eerste martelaars, Polykarpus, gedood werd door het Heidensche gepeupel, dat hem uitkreet voor een atheïstischen nieuwigheids-zoeker. Zoo bevindt men zich in edel gezelschap, als men wordt ingedeeld bij hen die in verschillende eeuwen atheïsten genoemd zijn. Maar de aanklacht kan, ik wil het toegeven, even goed in onwetendheid als in boosheid haar oorsprong hebben en aan onopzettelijke en onvrijwillige onwetendheid zal ik ten allen tijde mijne aandacht schenken. » Het woord God,« zegt Max Muller, gt;is een groot woord. Wie dat voelt en begrijpt zal zachter en billijker oordeelen over hen die bekennen
26g
niet te durven zeggen dat zij aan God gelooven.« Doch aan den anderen kant is het woord s God« soms een klein woord en wordt het zoo familiaar gebruikt als gold het, gelijk Matthew Arnold zegt, een goede kennis uit de naburige straat. In die kleine beteekenis, de gewoonste en populairste in het Christendom, is het woord hier ter zijde gesteld. De God, aan wien de meeste Christenen en Joden gelooven, de God die denkt en liefheeft gelijk de menschen dat doen, die plannen maakt en er straks weer berouw van heeft, die zich door smeekingen verbidden laat, — de God die alleen een afschaduwing, een vergroote afbeelding van den mensch zelf is — dat alles hebben wij een illusie genoemd ; wat toch is het anders dan een gewrocht der verbeeldingskracht dat voor letterlijke waarheid wordt gehouden, een sprookje, van andere slechts hierin verschillend dat men er een religieuzen zin aan hecht. Nooit hebben wij beweerd dat er geen God is; alleen niet een zoo grof-menschelijke God, als aan wien de meeste menschen gelooven. De werkelijke basis der Godsvoorstelling in den ruimeren zin van dat woord, ligt in de philosophische of, zoo ge wilt, wetenschappelijke opvatting van de physische wereld als een verschijningswereld, als een reeks van werkingen, die volgens hare natuur tot hare verklaring een andere orde van dingen onderstelt, die achter of boven haar ligt. Er bestaat meer dan wij met de volmaaktste zintuigen zien of ontdekken kunnen; er is een andere orde van zijn, die alleen door \'s menschen gedachte kan worden begrepen. Maar de gedachte aan die hoogere orde is geen weten, wij hebben geen rechtstreeksche kennis van haar dan met het bewustzijn, dat elk beeld met
2/0 TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING,
noodzakelijkheid uit onze menschelijke ervaringen ontstaan, zich niet werkelijk op haar laat toepassen. Wij weten alleen dat de hoogere orde bestaat, dat zij de steun en de grondslag is van heel de veelvoudige, wonderbare wereld die wij zien, dat de bronnen van ons eigen leven, van alle eindig bestaan in haar liggen; maar haar door het eene voornaamwoord eer dan door het andere aan te duiden, haar een persoon te noemen, gelijk wij personen zijn, eene of andere uitdrukking letterlijk op haar toe te passen die voor menschelijke betrekkingen of ervaringen geldt, — daartoe hebben wij noch vrijmoedigheid, noch recht. Toch is zij geen ledig en ijdel begrip, aangezien door die hoogere orde de wereld niet alleen bestaat en ons eigen leven verklaard wordt, maar ook de idealen des levens ons gegeven worden en wij ons door haar geroepen voelen onze idealen te verwezenlijken en een hooger levensplan uit te werken. Een dichte sluier bedekt de diepten die aan gene zijde van ons bewust leven liggen; met ons oog kunnen wij niet tot haar doordringen, ja zelfs niet vermoeden wat zij in haren schoot verbergen mogen; toch schijnt uit die diepten niet slechts ons leven voort te komen, maar ook de ideale vorm dien het behoort aan te nemen en de eeuwige roepstem om ons tot harmonie tot haar te verheffen.
Dat is zeker geen atheïsme, doch theïsme is liet evenmin. Als het maar waar is, den geest verruimt en het gemoed bevredigt, wat doet het er dan toe welken naam wij er aan geven, ja of wij er in \'t geheel een naam aan geven!
Onze taak is \'t, van alle fabelen en sprookjes afstand
TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING. 271
te doen en ons vertrouwen te stellen op de hoogste voorstellingen van het goede en rechtvaardige, in het geloof dat daarin de macht van het» universum verborgen ligt, dat zij het zijn waar \'t op aankomt en die ten slotte zullen overwinnen. Wij hebben te toonen, dat de zedelijkheid even vast kan staan zonder fabelen en sprookjes als met hen, — ja vaster , en dat zij een ontwikkeling en toepassing op het leven kan erlangen, gelijk nimmer te voren. De zaak van het goede, zoo gelooven wij, zal enkel triomfeeren in de hand van hen die van elk beroep op de goden afzien; ons vertrouwen op de goden, als ik die uitdrukking gebruiken mag, is alleen dit, dat zij de dingen zoo geordend hebben dat de zaak van het goede triumfeeren kan. De strijd is geen hopelooze, de natuur der dingen is niet tegen ons maar voor ons — ziedaar het diep religieus geloof, dat steeds zijne uitdrukking zal vinden, zoolang ik spreek van deze plaats.
Wie wil zich met ons vereenigen en zoo onze handen steunen? Er zijn altijd velen, geneigd te wachten en \'t eerst aan te zien, of een zaak succes heeft, eer zij hun lot aan haar verbinden. Zoo zullen velen vreezen hunne maatschappelijke positie te benadeelen door zich met ons te verbinden. Ten slotte is \'t ook het best dat de weinigen die tot ons komen zulken zijn, die er een heeten strijd voor over hebben en vast besloten zijn aan hunne overtuiging trouw te blijven tot eiken prijs. Want onze zaak, zijn we ons hiervan volkomen bewust, is niet de zaak der voorname lieden; evenmin een zoodanige waarom de maatschappij zich bijzonder bekreunen zal. De gedachte aan een nieuwe orde van zaken wordt
272 TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING.
nooit met vreugde begroet door hen die in de oude den toon aangaven, zij was nooit mode en werd het nooit, zoolang ze niet iet^ van haar wezen en kracht verloren had. Doch de gedachte der gerechtigheid en van een nieuwe orde van dingen doet een beroep op het fiere zelfgevoel van \'t menschelijk hart. Weest verzekerd, dat zij bij toeneming hier en daar uit allerlei kringen dappere, eenvoudige zielen aan zal treffen, die geen vrees kennen en geen ernstiger zorg dan deze, aan hunne beste en hoogste gedachten trouw te zijn.
De ethische vereeniging heeft zendelingen noodig. Een eerlijke propaganda heeft men zich niet te schamen. Ik geloof veeleer, dat onze vereeniging zichzelf eerst recht zal kennen en eerst waarachtig leven zal, als zij vol is van den geest der propaganda. Niet uit ijclelheid, niet om onzen kring uit te breiden zeg ik dit; hoogere belangen staan op \'t spel; de zaak der toekomst is \'t, die wij trachten te dienen, de waarheid die onder de menschen moet worden uitgebreid. Beschouwen wij onze vereeniging en onszei ven als gezanten der waarheid, als dienaren in en door wie zij ter overwinning zal worden geleid.
Geen kleine gedachten toch heb ik van het werk, dat wij moeten ondernemen, van de baan die voor ons ligt. Niets minder hebben wij te doen dan de omtrekken van een nieuwe moraal aan te geven; nieuw, niet in absoluten zin, maar in dezelfde beteekenis als de moraal der Bergrede nieuw was, als de moraal der Fransche Revolutie en die der Amerikaansche vrijheidsverklaring nieuw was, dat wil zeggen nïeuw met het oog op de omstandigheden en de heerschende zedelijke
TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING. 273
begrippen van onzen tijd. Verstrooide fragmenten van de Bergrede kunt gij bij de profeten en in den Talmud vinden, maar met dat al was de Bergrede toch nooit te voren gepredikt. Christelijke theologen mogen u thans zeggen, dat de menschenrechten in de christelijke leer van de oneindige waarde van elk individu bij voorbaat verkondigd waren; toch waren de menschenrechten een nieuw evangelie—gelijk het Christendom\'t nooit aan de wereld gaf, en dat thans weer vorderingen maakt, weer opschudding veroorzaakt en grootere beloften voor de toekomst in zich draagt dan het Christendom van alle kerken te zamen. Maar sde menschenrechten« loopen gevaar een ledige formule te worden; zij beteekenen voor velen alleen de burgerlijke, staatkundige en godsdienstige menschenrechten; zij zijn tot zekere wettelijke verordeningen gekristalliseerd. De gedachte behoeft een nieuwe uitlegging; een nieuw evangelie moet gepredikt worden, overeenkomstig de omstandigheden des tijds.
Immers de menschenrechten gaan niet op in het recht op leven en eigendom, in het stemrecht, in het recht op vrije keus van godsdienst. De menschelijke rechten beantwoorden aan de menschelijke roeping, en eerst als ge u alles hebt voorgesteld wat een \'mensch behoort en vermag te zijn, hebt ge een voldoend begrip van \'t geen zijne rechten zijn. Gesteld, gij geeft den mensch in het afgetrokkene het recht op zijn leven, maar de maatschappij is zoo ingericht, dat hij nauwelijks de middelen om te leven erlangen kan. Gesteld, gij geeft hem den vorm der vrijheid, en toch dwingt hem de nood in werkelijkheid een slaaf te worden. Gesteld, gij zegt hem, dat hij het recht heeft om zijn geluk na te jagen,
18
274 TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE UEWEGINC.
maar het geluk is een dwaallicht dat hem bestendig ontvliedt. Gij beweert dat de menschen vrij en gelijk geschapen zijn, en toch zijn ze in werkelijkheid niet vrij en gelijk. Zijn dit alle ijdele onderstellingen ? of loopen burgerlijke en staatkundige gelijkheid niet gevaar een ledige vorm te worden, wanneer het ontstaan van groote sociale ongelijkheid wordt geduld? De nieuwe moraal zal moeilijker te omschrij ^en en nog moeilijker te verwezenlijken zijn dan eenige van vroegeren tijd; toch moet het een, zoowel als het ander worden beproefd. Een ideaal van \'sociale gelijkheid moet allen volke worden voorgehouden. Ik bedoel niet, dat allen een gelijk vermogen moeten hebben, maar dat allen evenzeer boven den drang van knellenden nood verheven moeten zijn. Slechts wie daarboven verheven is, is werkelijk vrij. Van dag tot dag niet de minste zekerheid te hebben van zijne middelen van ■ bestaan, of, zelfs wanneer deze verzekerd zijn, te weten dat er geen mogelijkheid bestaat zich boven een totale afhankelijkheid van den dagelijkschen arbeid te verhefien, geen mogelijkheid om vrij naar het hoogere te streven; dat is inderdaad een mensch ontmenschen, dat hem geestkracht, hoop en moed ontnemen.
Wij kunnen een rijk van sociale gelijkheid bekomen door den vrijen wil des volks, daardoor dat het denkbeeld, dat zij onderling broeders zijn, macht verkrijgt over de menschen — daardoor dat sterken en ontwikkelden hunne hoogere gaven niet tot onderdrukking, maar tot verlichting en opheffing van hunne ondergeschikten gebruiken ; daardoor dat zij alle driften en gewoonten afleggen, die er hen toe leiden den zwakkere zooveel mogelijk uit te persen en hem zoo weinig mogelijk daarvoor
TRnnxsTANDERS EX TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING. 275
te geven. Dat is de eenige, de eenig duurzame weg om een ware gelijkheid tegemoet te gaan. Andere wegen zijn er om het te beproeven, en deze andere wegen zullen, zeker worden ingeslagen, als de ware niet gekozen wordt-Revolutie, geweld zullen dan worden beproefd. Maar al kunnen revolutie en geweld staatkundige problemen oplossen, maatschappelijke problemen lossen zij niet op. Zonder een verandering van grondbeginselen wordt zelfs door een geslaagde omwenteling de toestand van eene ondergeschikte klasse niet verbeterd; of, gaat het haalbeter, dan zal zij weldra de rol van den onderdrukker., tegenover de nieuwe onderdrukte klasse spelen, die zich onder haar vormt. De eenige overwinning, die den strijd waard is, is de overwinning van grondbeginselen — de eenige waarachtige vrede zal aanbreken als deze, in den vorm van een nieuw zedelijk ideaal, erkend, aangenomen en nageleefd worden. De menschenrechten moeten erkend worden,, niet alleen in den staat, maar ook in de werkplaats, op het landgoed, in de mijn, in de fabriek, op elk gebied van menschelijk leven, waar menschen voor hunne bestaansmiddelen arbeiden. Nieuwe regelen op dit gebied moeten een deel uitmaken van die nieuwe moraal, waarover ik spreek.
Evenzoo geloof ik dat er een nieuwe moraal voor het huis moet zijn, dat een nieuwe inrichting van het huiselijk leven, die niet enkel op bloedverwantschap is gegrond,, maar in kleinere afmetingen de verwantschap der mensch-heid weergeeft, moet worden uitgedacht en beproefd en ook een nieuwe of althans een hoogere moraal van den staat moet worden uitgewerkt.
276 TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGING.
.... Wilt gij den diepsten grond van mijn vertrouwen op onze toekomst kennen: \'t is deze dat er in de maatschappij een bepaalde plaats in voor zulk een vereeni-ging als de onze, en dat die plaats moet worden ingenomen. De meeste zelfs van onze vrijzinnigste godsdienstige vereenigingen zien meer achter- dan voorwaarts. Zij zeggen ons dat, terwijl op het gebied van kunst, wetenschap en nijverheid de wereld voorwaarts trekken moet, wij met onze godsdienstige voorstellingen eerbiedig naar het gebied van het verleden hebben terug te gaan. Van een nieuwen godsdienst kan geen sprake zijn.
Welnu, wij komen op voor het begin van de nieuwe orde van dingen en — komen zal zij. De oude ligt op sterven, als zij niet reeds dood is, in bijna alle geesten van hoogere intelligentie. De oude godsdiensten bloeien nog in dorpen en in die groote handelssteden, waar het licht der nieuwe wetenschap en beschaving nog nauwe-lijk doorgedrongen is. Mettertijd zullen zij zonder twijfel in den letterlijken zin des woords, even als de Ro-meinsche godsdienst in de latere dagen van het keizerrijk, paganisme zijn, dat is: de landelijke godsdienst. Aan den anderen kant, als geen nieuwe religie, geen nieuwe moraal, geen nieuwe gemeenschapszin in de steden doordringt, zullen deze ondergaan en hare beschaving met haar, gelijk Rome onderging, hoe dicht bevolkt, hoe rijk en prachtig die keizerlijke stad ook was. Wij behoeven een religie, die alles wat in de private zedeleer heilig is behoudt, maar er de burgerlijke en maatschappelijke deugd aan toevoegt. Een religie, onder wier eerste grondbeginselen zal behooren, deel te nemen aan het openbare leven — wier hoogst geloof dit zal zijn, dat
TEGENSTANDERS EN TOEKOMST DER ETHISCHE BEWEGINC. 277
gerechtigheid onder ons heerschen kan, en dat de hoogste gerechtigheid ook de meest praktische is.
De grootste praktische dwaling, die wij zouden kunnen koesteren, zou zijn de waan dat iets anders ons werk voor ons doen kon. In de oude tijden lieten de menschen alle groote aangelegenheden over aan de zorg der Voorzienigheid. In onze dagen wordt de »ontwikkeling« dikwijls zoo behandeld, alsof zij iets buiten en boven ons ware, iets waarvan wij de bewegingen maar hebben af te wachten. Maar de ontwikkeling werkt door 11 en mij. Zij is enkel een abstracte naam voor\' den loop dien uw en mijn arbeid, dien de arbeid van alle aardsche wezens neemt. Zij is beter of slechter, naar mate wij beter of slechter handelen. Zij beweegt zich snel of sleept zich langzaam voort, al naarmate de pols onzer gedachten snel klopt of traag en mat is. En aan u en mij staat het, medeleden en vrienden dezer ver-eeniging, op dit oogenblik zelf te bepalen, wat, naar de mate onzer krachten, de ontwikkelingsgang in onze stad zal zijn. En als honderd vereenigingen als de onze, \'t zij ze kerken, tempels, loges, genootschappen of bonden heeten, zich tot een dergelijk besluit met ons verbonden, dan zou geheel de toekomst onzer stad een gansch andere worden, als zij anders waarschijnlijk zal zijn.
Doet alzoo de goede keus. Meent niet dat ge uwe verantwoordelijkheid van u kunt afwentelen; gij kunt haar niet ontgaan. Neemt ze op u; strijdt den goeden strijd, dan wacht ook u de kroon, niet daarboven in den hemel, maar hier in het menschel ijk geweten, voor u weggelegd!
GRONDSLAGEN DER VEREENIGING TOT AANKWEEKING VAN HET ZEDELIJK LEVEN.
1. Wij erkennen de waarheid, dat het welzijn van den staat, waarmee onze belangen zoo nauw verbonden zijn, moet bestaan in het wel handelen van zijne burgers in \'t bijzonder. Daarom achten wij \'t onzen hoogsten plicht, onze talenten zoo te ontwikkelen en ons leven zoo in te richten, dat wij anderen door leer en voorbeeld leiden kunnen en zoo, terwijl wij ons eigen geluk verzekeren, den staat en onze medemenschen den hoogsten dienst bewijzen.
2. Wij gelooven, dat juiste en zedelijke inzichten in onze eigene betrekking tot het geheel, waarvan wij dee-len zijn, van groot gewicht zijn voor het recht besef van onzen plicht. Waar het geestelijk gezichtsveld door een nevel van bijgeloof verduisterd is, zijn geen heldere begrippen omtrent den plicht verkrijgbaar ; speculatieve philosophie en dogmatische theologie moeten daarom aan de uitspraken van de wetenschap, de rede en het
GRONDSLAGEN DF.R VEREENIG ING 279
geweten getoetst worden en dienovereenkomstig staan of vallen.
3. De gewone dogmatische geloofsbegrippen hebben niet meer onze verstandelijke instemming en voldoen niet aan onze zedelijke behoeften. Zij verhinderen de ontwikkeling van geest en hart. Een ware levensphi-losophie en een hooger ideaal van plicht te vinden, behoort tot de taak die wij onszelf gesteld hebben.
lt;lt;»
4. Gelijk er algemeene wetten van het natuurlijk leven zijn, van wier gevolgen de physieke gezondheid afhangt, zoo zijn er — tot nog toe onvolkomen gekende — wetten van ons zedelijk en redelijk leven, waarvan ons zedelijk en redelijk welzijn afhangt. De navorsching van deze wetten is van het hoogste gewicht, zoowel om ons eigen leven wel in te richten, als ook om ons in staat te stellen anderen, in \'t bijzonder onzen kinderen, bij het richten van hun leven op edele doeleinden alle mogelijke hulp te bieden.
5. Daar wij steeds het schouwspel voor oogen hebben van de vernedering en ellende, die uit de, zij \'t in onwetendheid gepleegde, overtreding van deze wetten voortvloeien en daar wij er ons van bewust zijn, hoe ontoereikend, blijkens de resultaten, tot dusver de middelen zijn geweest, door welke men deze kwalen heeft willen heelen, gevoelen wij dat de heilige plicht ons is opgelegd om, terwijl wij ons eigen leven van alle ongerechtigheid trachten le zuiveren, naar vermogen alles te doen om
28o grondslagen der vereeniginc
onze mèdemeuschcn uit de treurige diepte, waarin zij verzonken zijn, op te heffen.
6. In deze overtaiging en in gehoorzaamheid aan do eerste verplichtingen die zij oplegt, vereenigen wij ons hiermede tot een genootschap, dat den naam zal dragen: De Vereeniging voor z e d e 1 ij k e ontwikkeling in Chicago.
7. Tot onze inrichtingen zullen behooren voordrachten cn debatten voor volwassenen en scholen voor kinderen, waarin onze beginselen ontwikkeld en verspreid zullen worden, cn zulke andere middelen, als de ervaring ons van tijd tot tijd aan de hand moge doen.
Wij roepen hierbij de medewerking in van allen, die in vollen ernst denken en gevoelen gelijk wij, terwijl wij het oprechte vertrouwen koesteren, dat onze vereeniging ten blijvenden zegen voor de gemeenschap, waarin wij leven, zich ontwikkelen en alzoo aan de hoogste belangen der meuschheid dienstbaar wezen zal.
De Vereeniging voor zedelijke vorming bedoelt, onafhankelijk van de godsdienstige leerstellingen van het verleden, de zaak van het goede te dienen. Terwijl zij geheel buiten de christelijke of joodsche kerken .staat, verspilt zij haren tijd niet aan de bestrijding van deze, maar zoekt het werk op te vatten, dat deze maar al te zeer ongedaan lieten: het werk der zedelijke en maatschappelijke hervorming.
TOT AANKWEEKING VAN HET ZEDELIJK LEVEN. 281
Voordrachten worden gehouden Zondag-voor-Tiiiddags te 11 uur, van October tot Mei.
De ethische school bestaat uit kinderklasseu ■en een seminarie... De kinderen worden in den leeftijd tusschen tien en vijftien jaren opgenomen en, overeenkomstig hun leeftijd in de plichten des levens •onderwezen.
De armenzorg, die de ethische vereeniging heeft Ingevoerd, is nochtans afzonderlijk georganiseerd, zoodat ook zij, die in vragen van religie niet met haar overeenstemmen, zich in het werk der philantropie, aan haar kunnen aansluiten. Tot nog toe zijn er maatregelen genomen dat zieken, zonder onderscheid van geloofsbelijdenis, die in hulpeloozen toestand verkeeren en niet in een hospitaal opgenomen kunnen worden, worden voorzien van bekwame verpleegsters, die hen bezoeken en hun in hunne woning de noodige diensten bewijzen.
De damesvereeniging, die de armenzorg steunt, verschaft kleederen, bedden en andere zaken, die •de verpleegsters voor hare patienten noodig hebben. Iedere dame, \'t zij zij al of niet met het genootschap in ■verbinding staat, kan lid worden van deze vereeniging.
Een vereeniging van jongelieden heeft zich gevormd voor persoonlijke, verstandelijke en zede-.iijke ontwikkeling.
.Nieuwe medeleden der ethische vereeniging
C RONDSLAGEN DER VEREENHilNG, ENZ.
2S2
zijn zeer gewenscht. Geen onderteekening van eenige geloofsbelijdenis wordt verlangd, en bij gebrek aan middelen wordt de jaarlijksche bijdrage gaarne kwijtgescholden. Wij wenschen dat elk, die aan onze ideën en bedoelingen gelooft, zich met ons verbinde. Kaarten van lidmaatschap zijn bij alle bestuursleden der veree-ging verkrijgbaar.
HET BESTUUR.