-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

Clt;/uSoamp;r/j ,

-ocr page 6-
-ocr page 7-

DE WEG DER GODDELIJKE LIEFDE,

-ocr page 8-

!)G.

-ocr page 9-
-ocr page 10-

H. Alphonsus Maria de Liguori

Bisschop, Kerkleeraar en Stichter van de Congr. des allerheiligsten Verlossers.

3 Kühlcn, Typogr Apost.- - M. GladbacK

-ocr page 11-

DE WEG DER GODDELIJKE LIEFDE

öodveuohtigre overdenkingen

over verschillende geestelijke onderwerpen voor zielen, die voortgang wenschen te maken in de goddelijke liefde,

yeeha.ndelingen

over de goddelijke liefde, — de gelijkvormigheid aan den wil van God, — de wijze om vertrouwelijk met God om te gaan, en — de inwendige zielskwellingen

EX GEVOLOD VAX

MIS-, BIECHT- EN COMMUNIE-GEBEDEN

DOOR DKX

h. alphonsus maria de liguori,

Uit het Italjaanseh vertaald door

TH. BENSDORP,

Priester zijner Congregatie,

--

AMSTERDAM,

lutkik amp; smit.

.. - gt;1888,. r-Hing f r.

UTReC\'iT G quot; I

-ocr page 12-

I

• i

J

I

-ocr page 13-

INLEIDING.

Dit boekje is een klein huldeblijk aan den heiligen Alphonsus ter gelegenheid van zijn eerste eeuwfeest. Wij meenen onzen heiligen Vader geene betere hulde te kunnen brengen, want zijne eigene werken geven het best getuigenis van zijne verhevene en heilige ziel; ook zal geene eerbewijzing den H. Alphonsus aangenamer zijn dan die, welke tevens heilzaam is voor de zielen.

Het boekje, dat wij ter vertaling gekozen hebben, zag hot eerst het licht in 1773, dus toen de H. Alphonsus reeds ziju 77ste jaar had bereikt; het maakte toen het tweede deel uit van een boek, dat tot titel droeg: „Overwegingen over het lijden van Jezus Christus en over andere geestelijke onderwerpen voor godvruchtige zielen.quot; De H. Schrijver beveelt het werkje in het bijzonder ter lezing aan. „Ziehier twee werkjesquot;, zoo schreef hij den Ssten September 1773 iu een zijner geestelijke brieven, „waarvan het eerste u kan dienen voor de overweging van het lijden: ook lees ik eiken dag iets uit het tweede, getiteld: „Godvruchtige oefeningen.quot; Ik zou willen, dat gij eveneens deedt, want ik heb het geschreven voor zielen, die zich geheel aan God willen geven.quot;

Aan deze overdenkingen hebben wij toegevoegd de Verhandelingen van den H. Alphonsus over de goddelijke liefde, — de gelijkvormig-

-ocr page 14-

vr

heid aan den heiligen wil van God, — de wijze om voortdurend met God te verkeeren, — do inwendige zielskwellingen, welke alle zeer geschikt zijn voor geestelijke lezing, — en ten slotte de Mis-, Biecht- en Communiegebeden om het tevens tot een kerkboekje te maken.

Beminde lezer, laat bovenstaande woorden van den H. Kerkleeraar, waarmede hij zijn werkje aanbeveelt, ook tot u gericht zijn; en daarom léés het boekje dagelijks, lees het met aandacht en vooral lees het met het doel, dat de Heilige er mede beoogde, nl. opdat uw ziel geheel moge toebehooren aan God; dan voorzeker zult gij den H. Alphonsus bij zijn eeuwfeest eene hem zeer welgevallige hulde bieden, en zult ook gij, hopen wij, eenmaal behooren tot die duizenden gelukkige zielen, welke door zijnen arbeid tot het bezit of althans tot een hoogeren graad van eeuwig geluk zijn gekomen, en alzoo in alle eeuwigheid mede de kroon vormen van den H. Alphonsus.

Heilige Vader, aanvaard dit klein huldeblijk bij het eerste eeuwfeest van uw zalig afsterven, zegen dit kleine boekje, geef, dat zoowel de vertaler als de lezer het doel mogen bereiken, waartoe gij hetgeschrevenhebt. Amen.

Laiuletur Jesus et Maria semper Virgo nunc et semper.

Geloofd zij Jezus en Maria altijd Maagd nu en altijd.

Rozenbaal, 1 Aug. 1887.

DE VERTALER.

-ocr page 15-

gfe) 6^) efe) gfe) gfe)

~T T T 9 ï quot;? ï T^ï T ï ï\' T-

HANDLEIDING VOOR HET INWENDIG GEBED OF DE MEDITATIE.

^«et inwendig gebed bestaat uit drie J^ll: deelen: Voorbereiding, overweging en slot. In de voorbereiding doet men drie akten: 1. van geloof in de tegenwoordigheid Gods; \'2. van nederigheid met eene korte akte van berouw; de derde akte is een bede om licht. Men doet ze aldus: 1°. Mijn God ik geloof dat Gij bij mij tegenwoordig zijt, ik aanbid U uit geheel mijn hart. 2°. Heer, om mijne zonden moest ik reeds in de hel zijn; oneindige goedheid, uit het diepste mijns harten spijt het mij, dat ik U be-leedigd heb. 3°. O mijn God, ik bid U om de liefde van Jezus en Maria, dat

-ocr page 16-

VIII

Gij U verwaardigt mij hij mijn cjcbed te verlichten, opdat ik er vrucht uit motje trekken. Vervolgens biclcle men een „Wees yeyroetquot; ter eere der allerheiligste Maagd, opdat zij dat licht voor ons afbidde, en tot hetzelfde doel een Eere zij den Vader ter eere van den H. Jozef, alsook van onzen H. Engelbewaarder en onzen bijzonderen heiligen Patroon. Die akten moet men verrichten met aandacht, maar kort, en dan aanstonds overgaan tot de overweging.

Bij de overweging bediene men zich altijd van een of ander boek, ■\'•\') ten minste in het begin, en daar, waar men zich het meest getroffen gevoelt, blijve men stilstaan. Men moet hierin doen, zegt de H. Franciscus van Sales, evenals de bijen, die ojj. eene bloem blijven, zoolang zij er honig vinden en dan naar een andere gaan. Men moet vervolgens in het oog honden, dat de vruchten dei-overweging drie in getal zijn, nl. gevoelens

*) Ook dit boekje is hiervoor uitmuntend geschikt.

-ocr page 17-

IX

verwekken, hidden en hesluiten, en hierin bestaat liet nut van het inwendig geheel. Nadat gij dan een of andere eeuwige waarheid overwogen hebt en God tot uw hart heeft gesproken, moet ook gij spreken tot God en wel vooreerst door de yevoelens of akten, die gij verwekt, zooals: van geloof, van dankbaarheid, van nederigheid of van vertrouwen; maar vernieuw vooral dikwijls de akten van liefde en van berouw. De H. Thomas zegt, dat elke akte van liefde ons Gods genade en den hemel doet verdienen. Quilihet actus caritatis meretur vitam aeternam, en eveneens elke akte van berouw. Akten van liefde zijn : Mijn God, ik hernin U hoven alles. Ik hemin U uit (jeheel mijn hart. Ik wil uwen heiligen wil in alles volbrengen. Ik verheug mij over uw oneindig geluk, en dergelijke. Voor do akte van berouw is het voldoende te zeggen : Oneindige goedheid, het spijt mij, dat ik ü heleedigd heb.

Üp de tweede plaats moet men vragen. God smeeken om licht, om nederigheid of een andere deugd, om een goeden

-ocr page 18-

dood, de eeuwige zaligheid, maar bovenal om zijne liefde en de heilige volharding. En als de ziel zich in groote dorheid zon bevinden, is het voldoende dat zij zegge: Mijn God, help mij. Heer heb medelijden met mij. Mijn Jezus, harm-hartigheid; en al deed zij niets anders dan dat, haar gebed zal zeer goed zijn. Op de derde plaats moet men alvorens het gebed te eindigen een bepaald besluit maken, zooals: een of andere gelegenheid te zullen vluchten, de onaangenaamheden te zullen verdragen van dien of dien persoon, een of ander gebrek te zullen verbeteren, en dergelijke.

Bij het slot eindelijk doet men drie akten: 1°. Men bedankt God voor de ontvangen verlichtingen. 2°. Men maakt het voornemen de gemaakte besluiten na te komen. 3°. Men vraagt God, dat Hij ons ter liefde van Jezus en Maria de noodige hulp verleene om aan de gemaakte besluiten getrouw te blijven. Men besluit zijne overweging met een gebed voor de zielen van het vagevuur, voor de overheden der Kerk, de zon-

-ocr page 19-

daren, alsmede voor al zijne bloedverwanten en vrienden, en tot die meening bidt men een Onze Vader en JFees gegroet. De H. Franciscus van Sales geeft den raad om een of andere gedachte, die ons in het gebed bijzonder getroffen heeft, aan te honden, ten einde ons in den loop van den dag er aan te herinneren.

liet is goed te weten, datEenedictusXIV een aflaat van 7 jaren heeft verleend aan ieder, die eenmaal daags een half uur meditatie maakt, en een vollen aan een ieder, die dit voortzet gedurende een maand, mits hij biechte en commu-niceere.

*) Zie Falise, ,Coiigr. Iiidulg. Eesol. Autheut.quot;

-ocr page 20-

DE

—■

de g: Di alle niet slijk, heef zich bew( koni in c zoov ken, den

-ocr page 21-

\'ofè ^ ^ ^ ^ ^ Q$d ofè ofè (èfêT

§ 1-

DE GEDACHTE AAN DE EEUWIGHEID.

-—-

SjpVe H. Augustinus noemde de gedachte •3E® aan de eeuwigheid magna cogitatio, de groote gedachte.

Deze gedachte was het, die de heiligen alle schatten en alle grootheid der aarde niet hoogcr deed achten dan stroo, dan slijk, dan rook en drek. Die gedachte heeft zoovele kluizenaars er toe gebracht zich in woestijnen en grotten te begraven, bewoog zoovele edele jongelingen, ja zelfs koningen en keizers zich op te sluiten in een klooster. Die gedachte gaf aan zoovele martelaren den moed om pijnbanken, ijzeren haken, gloeiende roosters, ja den dood des vuurs te trotseeren.

i

-ocr page 22-

— 2 —

Neen, wij zijn niet gescliapen voor deze aarde; het doel, waarvoor God ons op deze wereld plaatste, was dat wij met onze goede werken het eeuwig leven zouden verdienen, Finem vero vitam aeternam. 1) De eenige zaak daarom, zegt de H. Eu-cherius, waarop wij in dit loven te letten hebben, is de eeuwigheid, nl. om de gelukkige eeuwigheid te verdienen en ons voor de rampzalige eeuwigheid te vrijwaren. Negotium pro quo contendimus aeternitas est. Stellen wij die zaak in veiligheid, dau zullen wij gelukkig zijn voor immer; maar ook, verwaarloozen wij die zaak, dan zullen wij voor altijd rampzalig zijn.

Gelukkig hij, die altijd leeft met het oog gericht op de eeuwigheid, in het levend geloof, dat hij weldra sterven moet en de eeuwigheid binnengaan. Justus ex Jide vivit. 2) De rechtvaardige leeft uit geloof. Het geloof ja doet de rechtvaardigen leven in de genade van God, het

1) Rom 6. 22.

2) Gal 3. U.

-ocr page 23-

3 —

geloof geeft het leven aan hunne zielen, want het onttrekt hen aan de verlangens dezer aarde en herinnert hen aan de eeuwige goederen, die God bereid houdt voor hen, die Hem beminnen.

De H. Theresia zeide, dat alle zonden voortkomen uit gebrek aan geloof. Willen wij derhalve onze hartstochten en bekoringen overwinnen, dan moeten wij dikwijls ons geloof verlevendigen en zeggen: Credo vitam aeternam. Ik yeloof een eeuwig leven, ik geloof, dat er na dit leven, hetwelk weldra voor mij zal eindigen, een eeuwig leven volgt, een leven vol geneugten of een leven vol ellenden, naar gelang ik zal verdiend hebben door mijne goede werken of door mijne zonden.

De H. Augustinus zegt, dat iemand, die eene eeuwigheid aanneemt en zich niet tot God bekeert, ofwel zijn geloof, ofwel zijn verstand heeft verloren. 0 aeternitas (ziedaar zijne woorden), qui te cog it at nee poenitet, aut fidem non hahet, aut sihabet, cor non hahet. 1) Hiermede komt overeen

1) In soliloq.

-ocr page 24-

wat de H. Joannes Chrysostomus verhaalt, dat nl. de heidenen, als zij de Christenen zonden zagen bedrijven, hun zeiden ; gij zijt ofwel bedriegers of dwazen: want als gij niet gelooft (zeiden zij), wat gij voorgeeft te gelooven, dan zijt gij leugenaars ; maar, als gij gelooft aan eene eeuwigheid en toch zondigt, dan zijt gij zinneloos: Exprobrahant gentiles aut mendaces aut stultos esse christianos: mendaces, si non crederent quod credere dicehant: stultos, si credehunt etpeccahant. Wee den zondaren (roept de H. Caesarius uit), die, omdat zij nooit willen nadenken, de eeuwigheid binnengaan zonder haar te kennen; Vaepeccatorihus, qui incognitam ingrediuntur aeternitatem! en hij voegt er bij : Sed vae duplex ! ingrediuntur et non egrediuntur : Rampzaligen ! de poort der hel gaat wel open om binnen te gaan; maar nooit om haar te verlaten. „Mijne dochtersquot; zoo zeide dikwijls de H.Theresia tot hare volgelingen, eene ziel, eene eeuiviy-heid! Mijne kinderen, wilde zij zeggen, wij hebben ééne ziel: is die ziel verloren, dan is alles verloren, en is die ziel éénmaal

-ocr page 25-

— 5 —

verloren, clan is zij verloren voor immer. In één woord, van dien laatsten zucht, welke in het uur des doods van onze lippen zal komen, hangt het af, of wij eeuwig gelukkig zullen zijn of eeuwig rampzalig. Als het eeuwig leven, het paradijs, de hel alleen maar gissingen waren van de geleerden en volstrekt geene zekere waarheden, ook dan nog moesten wij alle zorg aanwenden om goed te leven en ons niet in gevaar te stellen onze ziel voor eeuwig ongelukkig te maken ; maar neen, het zijn geene gissingen, maar het zijn ontwijfelbare waarheden des geloofs, veel zekerder dan alles, wat wij met onze lichamelijke oogen aanschouwen.

Bidden wij dan den Heer, dat Hij ons geloof venneerdere: Domine, adcmge nobis Jidem; want als wij niet vaststaan in het geloof, dan zullen wij erger worden dan Luthér en Calvyn. Maar daarentegen, als wij de eeuwigheid, die ons wacht, met een levend geloof overwegen, dan is die gedachte in staat ons heiligen te maken.

Zij, die aan de eeuwigheid denken, schrijft de H. Gregorius, verheffen zich

-ocr page 26-

niet in den voorspoed, en de tegenspoed slaat hen niet neder, want, daar zij niets van deze wereld verlangen, zijn zij ook voor niets beducht. Ziehier zijne schoone woorden; Quisquis aeternitatis desiderio Jigitur, nee prosperitate attollitur nee adversitate quassatur; et dum nihil habet in niundo qnod appetat, nihil est quod de mundo perhorrescat.

Wanneer ons eenig lijden overkomt, eene ziekte, eene vervolging, denken wij dan aan de hel, die wij met onze zonden verdiend hebben; als wij dit doen, dan zal elk kruis ons licht schijnen en wij zullen God bedanken en zeggen ; Misericordiae Domini quia non sumus comumpti. 1) Dank der Barmhartigheid Gods, dat wij niet zijn verzivolgen. Zeggen wij met David: als God zich mijner niet ontfermd had, zou ik mij reeds sedert het eerste oogenblik, waarop ik Hem met zware zonde beleedigde, in de hel bevinden. Nisi quia Dominus adjuvit me, paulo minus hahitasset in inferno anima mea. 2)

1) Thren. 3. 22.

2) Ps. 93. 17.

-ocr page 27-

Voor zoover liet van mij afhing, was ik reeds verloren; maar Gij, o God van Barmhartigheid, Gij hebt uwe hand uitgestoken en mij bevrijd van den afgrond der hel: Tn autem eruisti animam meam, ut non periret. 1)

O mijn God, Gij weet, hoe dikwijls ik de hel heb verdiend; maar nochtans beveelt Gij mij te vertrouwen, o ik wil dan vertrouwen. Mijne zonden jagen mij schrik aan ; maar ik word bemoedigd door uwen dood en door uwe belofte, dat Gij vergiffenis zult schenken aan een ieder, die berouw heeft. Cor contritum et humiliatum Deus non despicies. 2) In het verledene heb ik U veracht: maar thans bemin ik TJ bovenal, en het spijt mij meer dan eenig kwaad, dat ik TJ heb beleedigd. Mijn Jezus, heb medelijden met mij. O Maria, moeder van God, spreek voor mij ten beste.

1) Ia. 38. 17.

2) Ps. 50. 19.

--

-ocr page 28-

§ 2.

WIJ ZIJN VREEMDELINGEN OP DEZE AARDE.

j-^p^oolang wij ons in dit leven bevin-den, zijn wij reizigers, dwalen wij rond op deze wereld, verre verwijderd van ons liomelscli vaderland, waar God ons waclit om ons eeuwig zijn beminnelijk aanschijn te doen genieten. Dum sumus in corpore, zegt de apostel, peregrinamur a Domino. 1) Zoolang wij in ons lichaam zijn, wonen wij uit van den Heer. Als wij derhalve God beminnen, dan moeten wij een voortdurend verlangen bobben om dit ballingsoord te verlaten, ons van het

1) 2 Cor. 5. 6.

-ocr page 29-

lichaam te scheiden en Hem in den hemel te gaan aanschouwen. Dit was het vurig en aanhoudend verlangen van den H. Paulus, gelijk hij zelf zegt: Andemus autem et honam voluntatem hahemus magis peregrinari a corpore et praesentes esse ad Dominum. 1). Wij hehhen goeden moed en willen liever uitwonen uit het lichaam en tegenwoordig zijn hij den Heer. Vóór de verlossing der menschen was voor ons, arme kinderen van Adam, de toegang tot God afgesloten; maar Jezus Christus heeft ons door zijnen dood de genade verdiend wederom Gods kinderen te kunnen worden f dedit eis potestatem filios Dei fieriJ, en aldus heeft Hij ons dc poorten geopend, waardoor wij als kinderen toegang hebben tot onzen Vader in den hemel. Quoniam per ipsum hahemus accessum ambo in uno Spirit ii ad 1\'at rem. 2)

Daarom ook zegt dezelfde Apostel: Ergo jam non estis hospites et advenae, sed estis cives sanctorum et domestici Dei. 3)

1) \'2 Cor. 5. 8.

2) Eph. 2. 18.

3) Eph. 2. 19.

-ocr page 30-

— 10 —

Derhalve zijt gij thans niet langer vreemdelingen; maar medeburgers der heiligen en huis genoot en Gods. Wanneer wij ons derhalve in Gods genade bevinden, dan genieten wij reeds liet burgerrecht van het paradijs, dan maken wij reeds deel uit van het huisgezin des Heeren. De H. Augustinus zegt; Cives terrenae civi-tatis parit peccato vitiata natura, qui sunt vasa irae; cives vero coelestis patriae parit a peccato naturam liherans gratia, qui sunt vasa misericordiae. 1) Onze natuur maakt ons kinderen dezer wereld en vaten van gramschap; maar de genade des Verlossers, die ons bevrijdt van de zonde, maakt ons kinderen des hemels en vaten van barmhartigheid. Dit deed David zeggen; Incola ego sum in terra, non abscondas a me mandata tua. 2) Heer, ik ben een reiziger op deze wereld, leer mij uwe geboden onderhouden, want deze zijn de weg om den hemel, mijn vaderland, te bereiken. Het is geen wonder, dat de slechte men-

1) Intent, n. 15B.

2) Ps. 118. 19.

-ocr page 31-

— 11 —

schen wel immer op deze wereld wensehen te blijven leven, want terecht vreezen zij van liet lijden dezes levens over te gaan tot het eeuwig en veel grooter lijden der hel; maar iemand, die God bemint en zoo goed als zeker is in staat van genade te verkeeren, hoe zou hij nog begeerig kunnen zijn om langer te leven in dit dal van tranen, te midden van zoovele bitterheden, zoovele gewetensangsten en van gevaren om eeuwig verloren te gaan ? Hoe zou hij onverschillig kunnen zijn en niet vurig begeeren, zoo spoedig mogelijk zich te gaan vereenigen met God, in die zalige eeuwigheid, waar geen gevaar meelis Hem te verliezen? O de zielen, welke God waarlijk beminnen, onophoudelijk, geheel hun leven lang, verzuchten zij en roepen uit met David; TIeu mild, quia incolatus mens prolongatus est! 1) Ach! hoe is hij te beklagen, die langen tijd moet leven in deze wereld, te midden van zoovele gevaren voor zijne eeuwige zaligheid! De heiligen dan ook hadden

1) Ps. 119. 5,

-ocr page 32-

— 12 —

voortdurend dit gebed in den mond;

Adveniat, udveniat regnum tuum; Spoedig, Heer, spoedig, breng ons over naar uw rijk.

Welaan, haasten ook wij ons dan, volgens de vermaning des apostels, binnen te gaan in dat vaderland, waar wij een volmaakten Ai-ede, een volmaakte rust zullen A-inden. Festinemus inyredi in illam requiem. 1) Haasten wij ons (zeg ik) met ons verlangen en hoviden wij niet op vooruit te streven, totdat wij die gelukkige haven, welke God bereid heeft voor zijne beminden, hebben bereikt.

Qui currit (zegt de H. Joannes Chrysos-tomus) non ad spectatores, sed ad pal-mam attendit; non consistit, sed cursum intendit. 2) Die in den wedstrijd loopt, let niet op de toeschouwers, maar alleen op den verlangden prijs, ook talmt hij niet; maar hoe dichter hij bij den prijs komt, des te sneller loopt hij; derhalve, zoo besluit de heilige, hebben wij reeds langen tijd geleefd, dan moeten wij ons des te

1) Hebr. i. 11.

2) Mor. hom. 7.

-ocr page 33-

— 13, —

meer beijveren met onze goede werken den kampprijs te behalen.

Onze eenige bede alzoo, om ons op te beuren in de vele angsten en bitterheden, die wij in dit leven moeten ondervinden, moet zijn; Adveniat regnum tuum. Heer, moge toeli spoedig uw koninkrijk aanbreken, dat rijk, waar wij voor eeuwig met U vereenigd, U van aanschijn tot aanschijn uit al onze krachten zullen beminnen en alzoo bevrijd zullen zijn van alle vreeze en van alle gevaar U nog ooit te verliezen»

En, als wij gedrukt gaan onder de vervolging of de verachting der wereld, troosten wij ons dan met de groote belooning, welke God voorbehoudt aan hem, die ter zijner liefde lijdt. Gaudete in illa die et exultate; ecce enim merces vostra multa est in coelo. 1)

Met allo recht, zegt de 11. Cyprianus, verlangt God, dat wij ons in het lijden en in de vervolging verheugen, want dan juist leert men de ware soldaten van

1) Luc. 6. 23.

-ocr page 34-

— 14 —

Christus kennen- en wordt aan de getrouwen de overwinningskroon toegekend. Gaudere et exultare nos voluit in persecutione Dominus, quia tunc dantur coronae Jidei; tune prohantur milites Dei. 1)

Ziehier mijn God: paratum cor meum, mijn hart is bereid. Hier ben ik, Heer, tot elk kruis bereid, wat Gij mij zult te lijden geven. Neen, geen pleizier, geene genoegens verlang ik in dit leven; geene genoegens verdient hij, die U heeft belee-digd en de hel verdiend heeft. Ik ben bereid alle ellenden, allen tegenspoed, die Gij mij overzendt, te verduren; ik ben bereid alle versmadingen van de menschen te omhelzen ; ik stem er in toe, dat gij mij berooft van allen troost naar lichaam en ziel; het is mij genoeg dat Gij mij niet berooft van U en dat ik ü altijd mag beminnen. Ik heb dit wel niet verdiend ; maar toch ik durf het hopen om het bloed, dat Gij voor mij gestort hebt. Ik bemin U, mijn God, mijn liefde, mijn al. Eeuwig

1) Ep. 6. ad. Tibaritan.

-ocr page 35-

— 15 —

zal ik leven eu in eeuwigheid zal ik U beminnen, en mijn paradijs zal bestaan in te juichen over de eindelooze vreugde, die Gij geniet en die Gij ook waarlijk verdient, omdat Gij eindeloos goed zijt.

-ocr page 36-

GOD VEEDIENT BOVEN ALLES BEMIND TE WOEDEN.

e 11. Theresia zegt, dat God aan dc ziel eene groote gunst bewijst, als Hij haar roept tot zijne liefde. Welaan, laten wij Hem dan beminnen, wij, die tot die liefde geroepen zijn, en beminnen wij Hem, gelijk Hij verlangt door ons bemind te worden. Diliges Dominum Deum tuum in toto car de. tuo. Gij zult den Heer uwen God beminnen uit cjeheel uw hart. De eerbiedwaardige Ludovieus Dupont schaamde zich tot God te zeggen: Hoer, ik bemin U meer dan iets ter wereld, ik bemin U meer dan alle schepselen, meer dan alle rijkdommen, meer dan alle eer

-ocr page 37-

— 17 -

en alle genoegens dezer aarde; want het kwam hem voor, als zeide hij met die woorden: Mijn God, ik bemin U meer dan stroo, meer dan rook, meer dan slijk.

Maar God is voldaan, als wij Hem beminnen boven alle geschapen dingen; welaan, doen wij dan ten minste dat weinige en zeggen wij: ja, mijn God, ja ik bemin U meer dan alle eer der wereld, meer dan alle rijkdommen, meer dan al mijne bloedverwanten en vrienden; ik bemin U meer dan mijne gezondheid, meer dan aardschen roem, meer dan alle wetenschappen, meer dan alle vertroostingen ; in één woord, ik bemin U meer dan alwat mij toebehoort, meer ook dan mij zeiven.

Ja, verstouten wij ons ook tot God te zeggen: Heer, hoog schat ik al uwe genaden en al uwe gaven; maar boven al uwe gaven bemin ik U, want Gij alleen zijt eene eindelooze goedheid, een goed, eindeloos beminnelijk, dat alle ander goed te boven gaat.

En daarom, mijn God, alwat Gij mg

2

-ocr page 38-

geeft buiten U en wat Gij zelf niet zijt, het is mij niet genoeg; maar, als Gij mij Uzelven geeft, dan ook zijt Gij alleen mij voldoende. Anderen mogen U vragen wat zij begeeren; ik voor mij wil niets anders van U vragen dan U zeiven, o mijne liefde, mijn al. In U immers vind ik alles terug, wat ik kan bezitten of verlangen.

Do gewijde bruid zeide, dat zij boven alles alleen haren beminde had uitgekozen tot voorwerp harer liefde. Dilectus mens candidus et rubicundus, electus ex millibus. 1) En wij, wien zullen wij tot voorwerp onzer liefde kiezen ? Waar, onder alle vrienden der wereld, kunnen wij een vriend vinden, die beminnelijker is, getrouwer en die ons meer bemind heeft dan God? Bidden wij Hem dan, en bidden wij zonder ophouden: Tralie me post te. Heer, trek mij tot U, want ik kan niet tot U komen, als Gij mij niet trekt.

Ach mijn Jezus, mijn Zaligmaker, wan-

1) Cant. ó. 10.

-ocr page 39-

— 19 —

neer zal het zoover komen, dat ik, van elke andere begeerte ontdaan, niets anders wensclio, niets anders zoeke dan U alleen. Ik zou mij van alles willen onthechten; maar zoo dikwijls komen er ongeregelde begeerten in mijn hart op en trekken mijne aandacht van II af. Onthecht Gij mij dan met uwen machtigen arm en maak U alleen tot voorwerp van al mijne liefde, van al mijne gedachten.

Wie God bezit, zegt de H. Augustinus, bezit alles; maar wie God niet bezit, hij bezit niets. Wat baten eenen rijke al zijn goud en edelsteenen, als hij leeft zonder-God? Wat baat het eenen koning, of hij vele landen bezit, als hij de genade mist van God\'? Waartoe dient het eenen geleerde, dat hij veel weet, dat hij vele talen kent, als hij niet weet en niet in staat is zijnen God te beminnen ? Wat baat het een legerhoofd, dat hij over een groot leger bevel voert, als hij zelf leeft in de slavernij des duivels en verre verwijderd van God? Toen David koning was, maar in zonde leefde, begaf hij zich naar zijne lusthoven.

-ocr page 40-

— 20 —

zocht hij troost in do jacht en andere vermaken ; maar het kwam hem voor, als riepen al die schepselen hem toe: Uhi est Deus tuus? Waar is uiv God? Meent Gij voldoening te tonnen vinden in ons ? Neen, neen; zoek God, dien gij verlaten hebt; Hij alleen kan uwe ziel bevredigen. David dan ook beleed, dat hij te midden van al zijne vermaken nooit den vrede had gevonden, maar dat hij dagen en nachten weende bij de gedachte dat hij zijnen God had verloren. Fuerunt mi hi lacrymae meae panes die ac nocte; dum dicitur mi hi quotidie: Uhi est Deus tuus. 1) Wie kan ons beter troosten te midden van al de ellenden en wederwaardigheden dezes levens dan Jezus Christus? Daarom zeide die goddelijke Verlosser: Ventte ad me omnes, qui lahoratis et onerati estis; et effo reficiam vos. 2) Komt allen tot mij, die lijdt en gedrukt gaat en ik zal U verkwikken. O dwaasheid der wereldlingen! Eén traan, dien men uit droefheid over

1) Psalm. 41, 4.

2) Matth. 11. 28.

-ocr page 41-

— 21 —

zijne zonden vergiet, geeft meer troost, een „mijn God,quot; door eene ziel in staat van genade met liefde uitgesproken, geeft meer voldoening dan duizend feesten, duizend schouwspelen, duizend vreugde-malen kunnen selienken aan een hart, dat de wereld bemint. O, ik herhaal het, dwaasheid, maar dwaasheid, waarvoor geen herstel meer mogelijk zal zijn, als met den dood de nacht zal komen, waarin, gelijk het Evangelie zegt, niemand werken kan. Ven it nox, quando nemo potest operari. 1) De goddelijke Zaligmaker vermaant ons daarom immer vooruit te streven, zoolang het licht ons begunstigt; want, als eenmaal de nacht zal gekomen zijn, zullen wij niets meer kunnen doen. Ambulate dnm luc.ern hahetis, ut non vos tenehrae comprehen-dant. 2)

God alleen dan zij heel onze schat, heel onze liefde; en al ons begeeren zij alleen het welbehagen Gods. God laat zich niet

1) Joan. 9. 4.

2) Joan. 12. 35.

-ocr page 42-

in liefde overtreffen; maar honderdvoud beloont lïij alles, wat men doet om Hem genoegen te geven.

Zwijg dan Gij wereld, zwijg, laat af en tracht

van mij

Geen achting ooit of liefde meer te winnen: Nu heerscht er in mijn hart een trouwer vriend

dan Gij,

Dien ik alleen en eeuwig wil beminnen. 1)

O mijn God, mijn eenig goed, neem Gij alleen geheel mijne ziel in bezit; en, gelijk ik van mijnen kant U boven alles uitverkies als voorwerp mijner liefde, maak Gij alzoo, dat ik in alle dingen mv welbehagen stelle boven elke eigene voldoening. Mijn Jezus, ik vertrouw door de kracht van uw heilig bloed gedurende het leven, dat mij nog overblijft, niets anders te zullen beminnen op deze wereld dan U alleen, om U alzoo eenmaal voor alle

1) Taci dunque, da me non cercare, Mondo iniquo, pi li stima, nc amore: Altr\' oggetto si prese il mio core Piü fedele e piü amabil di te.

-ocr page 43-

— 23 —

eeuwigheid te komen bezitten in het rijk der zaligen. Allerheiligste Maagd, kom Gij mij te hulp met uwe machtige beden en maak, dat ik eenmaal uwe voeten moge kussen in hef paradijs.

-ocr page 44-

mmmmmmmmm

% lt;.

OM HEILIG TE WORDEN MOET EEN ZIEL ZICH GEHEEL EN ZONDER VOORBEHOUD AAN GOD SCHENKEN.

de liefde, die wij aan de sclicpselen \'SëS geven, zegt de H. Philippns Nerius, ontnemen wij aan God, en daarom is onze goddelijke Zaligmaker, gelijk de H. Hie-ronymus schrijft, jaloersch op onze harten. Zelotypus est Jesus. Omdat Jezus ons vurig bemint, daarom wil Hij alleen heerschen in ons hart, en mededingers, welke Hem een gedeelte van de liefde, die Hem alleen toekomt, ontrooven, duldt Hij er niet. Het mishaagt Hem derhalve, als Hij ziet, dat wrj eene genegenheid voeden.

-ocr page 45-

— 25 —

die niet voor Hem is. En vordert onze goddelijke Verlosser soms te veel ? Hij, die ons al zijn bloed, die ons zijn leven gaf op het kruis ? Verdient Hij wellicht niet, dat wij Hem uit geheel ons hart en zonder voorbehoud beminnen ? Elke gehechtheid aan de schepselen, zegt de H. Joannes . van het Kruis, belet ons geheel aan God te zijn. Quis dabit mi hi pennas sic.ut columbae et voluhn et requies-cam. 1) Sommige zielen zijn door God geroepen om heilig te worden, doch, omdat zij niet edelmoedig genoeg zijn, omdat zij aan God niet geheel hunne liefde geven, maar eene of andere gehechtheid blijven voeden voor dingen dezer wereld, daarom komen zij niet tot de heiligheid en zullen zij er nimmer komen. Dezulken zouden wenschen op te vliegen, maar eene of andere gehechtheid houdt hen terug eu daarom verheffen zij zich niet, maar blijven immer op den grond. Men moet zich derhalve losmaken van alles. Elk draadj e, zegt dezelfde H. J oannes,

1) Ps. .34. 7.

-ocr page 46-

hetzij groot of klein, belet de ziel op te vliegen naar God.

De H. Gcrtrudis vroeg eens, dat God haar toch mocht doen kennen, wat Hij van haar begeerde. De Hoer antwoordde haar: Ik verlang niets anders van U dan oen ledig hart. Hetzelfde vroeg ook David van God : Cor mundum crea in me. Deus. Mijn God, geef mij een zuiver hart, dat ■wil zeggen, een hart, ledig en ontdaan van alle aardsehe gehechtheid.

Totumpro toto schrijft Thomas a Kempis, d. i.: Men moet alles geven om alles te winnen. Om God geheel te bezitten, moet men ook alles verlaten, wat niet God is. Dan ja, kan de ziel tot haren Verlosser zeggen; Mijn Jezus, ik heb alles verlaten voor U, geef U nu ook geheel aan mij.

Om echter zoover te komen, moet men God bij voortduring bidden, dat Hij ons met zijne heilige liefde vervulle. De liefde is dat machtig vuur, hetwelk in onze harten alle genegenheden, die niet voor God zijn, verbrandt. Als een huis in brand geraakt, zeide de H. Franciscus van Sales,

-ocr page 47-

— Tl —

dan worden alle goederen, die er binnen zijn, uit het venster geworpen ; de heilige wil zeggen: als een hart in vlam geraakt en de goddelijke liefde er bezit van neemt, dan heeft eene ziel geen preeken of geestelijke bestierders noodig om onthecht te worden aan de wereld, maar de goddelijke liefde alleen zal het hart zuiveren en van alle ongeregelde gehechtheid ontdoen.

In het Hooglied wordt de goddelijke liefde voorgesteld onder het zinnebeeld van een wijnkelder. Introduxit me rex in cellam vinariam, ordinavit in me chari-tatein. 1) In dien gelukkigen wijnkelder worden de zielen, de bruiden van Jezus Christus, bedwelmd door den wijn der goddelijke liefde; zij verliezen daar het bewustzijn voor de dingen dezer aarde, zij zien niets anders meer dan God, zij zoeken in alles niets anders dan God, zij spreken van niets dan van God en zij willen van niets hoorcn spreken dan van God; hooren zij anderen spreken van

1) Cant. 2. 4.

-ocr page 48-

— 28 —

rijkdommen, van waardigheden, van vermaken, dan wenden zij zich tot God en zeggen Hem met eene vurige verzuchting : Deus meus et omnia. Mijn God, wat wereld! wat vermaken, wat eer en roem! Gij alleen zijt mijn eenig goed. Gij mijne eenige voldoening.

Als de H. Theresia spreekt over het gebed van vereeniging , zegt zij, dat deze vereeniging in niets anders bestaat dan in af te sterven aan alle aardsche dingen om geen ander voorwerp te bezitten dan God.

De voornaamste middelen voor eene ziel, die zich geheel aan God wil geven, zijn de drie volgende: 1°. moet zij alle ook de kleinste fouten vermijden, en daarbij elke ongeregelde begeerte, hoe klein ook, onderdrukken, zoo bijv. moet zij zich onthouden van nieuwsgierigheid in zien of hooren, zich onthouden van kleine zinnelijke voldoeningen, van

* Gebed van vereeniging is eene bovennatuurlijke gave van gebed, waardoor de ziel op buitengewone wijze met God vereenigd is.

-ocr page 49-

— 29 —

dit of dat geestig maar nutteloos gezegde en dergelijken. 2°. moet zij onder de goede dingen altijd liet beste kiezen datgene nl. wat het meest behaagt aan God. 30. met gelatenheid en dankbaarheid uit Gods hand aannemen alle dingen, die mishagen aan de eigenliefde.

Mijn Jezus, mijne liefde, mijn al, o hoe zou ik U daar dood ou een schandelijk kruis kunnen aanschouwen, door allen verlaten cn verteerd door smarten, en dan voor mij vermaken en aardsche eer gaan zoeken ? Neen, ik wil geheel de uwe zijn. Vergeet het misnoegen, dat ik U heb veroorzaakt en neem mij aan. Doe mij kennen, waarvan ik mij moet onthechten en wat ik doen moet om U genoegen te geven; want ik wil dat alles doen. Geef mij kracht om het ten uitvoer te brengen en U getrouw te zijn. Mijn beminde Verlosser, Gij verlangt, dat ik mij geheel, zonder voorbehoud aan U geve om mij alzoo geheel te vereenigen met uw Hart. Hier ben ik, Heer; zie, ik geef mij op dezen dag geheel, zonder voorbehoud, geheel.

-ocr page 50-

geheel aan U. Van U hoop ik de genade om U getrouw te zijn tot aan mijnen dood. 0 Moeder van God en ook mijne moeder, o Maria, verwerf mij de heilige volharding.

-ocr page 51-

^ 9 ^ ^ ^ f 9 f-

§ 5-

DE TWEE GROOTE MIDDELEN OM HEILIG TE WOEDEN; VERLANGEN EN BESLUIT.

cliccl de heiligheid bestaat in de »\\vM liefde tot God; de goddelijke liefde is die eindelooze schat, waardoor wij deelachtig worden aan dc vriendschap van God: Infinitus thesaurus est hominihus, quo qui usi sunt, participes facti sunt amicitiae Dei. 1) God van zijnen kant wil ons gaarne dien schat zijner heilige liefde geven, maar Hij verlangt, dat wij dien vurig begeeren. Wie niet vurig naar iets verlangt, doet ook weinig zijn best om het te verkrijgen; is daarentegen het

1) Sap. 7. 14.

-ocr page 52-

— 32 —

verlangen groot, zegt de H. Laurentius Justinianus, dan maakt liet de moeielijk-heden licht en schenkt het tevens de krachten. Al zoo, wie er niet zeer op uit is in de goddelijke liefde vooruit te gaan, zal in plaats van in ijver voor zijne volmaaktheid te groeien, immer lauwer en onverschilliger worden, en als hij voortgaat met alzoo te verflauwen, zal hij groot gevaar loopen ten laatste in een diepen afgrond neer te storten; hij daarentegen, die met groote vurigheid naar de volmaaktheid haakt en eiken dag zijn best doet een eind weegs vooruit te gaan, hij zal haar allengskens en met verloop van tijd werkelijk bereiken. De H. Theresia zeide: God heicijst aan niemand vele gunsten of hij moet vurig naar zijne liefde verlangen. En op eene andere plaats: God laat geene enkele goede begeerte onbeloond. De heilige vermaande daarom een ieder zijne verlangens niet te laag te stellen, trant, (zeide zij) als wij op God vertrouwen en ons hest doen, dan kunnen wij langzamerhand daar komen, u-aar de heiligen gekomen zijn.

-ocr page 53-

— 33 —

liet is (volgens het gevoelen van genoemde licilige) misleiding van den duivel, als wij denken, dat liet hoogmoed is heilig te willen worden. Het zou hoogmoed en vermetelheid zijn, als wij op onze eigene werken of besluiten vertrouwden, maar niet als wij alles verhopen van God; als wij alles van God verhopen, dan zal Hij ons de kracht geven, die ons ontbreekt. Welaan, laten wij dan verlangen om tot een hoogen graad van goddelijke liefde te komen, en zeggen wij vol moed : Omnia posstim in en, qui me confortat. 1) Ik kan alles in Hem., die mij versterkt. Bemerken wij echter in ons dit vurig verlangen niet, laten wij het dan ten minste met aandrang van Jezus Christus afsmeeken, die het ons zeker zal geven.

Komen wij thans tot het tweede middel namelijk het besluit. De goede verlangens moeten gesteund worden door eene ziel, die vast besloten is al haar best tc doen om het verlangde goed te verkrijgen. Velen verlangen naar de volmaaktheid, maar

1) Phil. 4, 13.

-ocr page 54-

— 34 —

nimmer wenden zij er de middelen toe aan; zij verlangen zich naar een woestijn te begeven, groote gestrenglieden te oefenen, lange gebeden te verricliten, zelfs den marteldood te ondergaan, maar al die begeerten bepalen zieli tot een louter „ik zou wel willen;quot; zulke verlangens evenwel, verre van voordeelig te zijn, doen veeleer kwaad. Van zulke begeerten staat geschreven, dat zij den luiaard dooden: Desicleria occiduntpigrum. 1) Want, terwijl men zich met dergelijke onuitvoerbare verlangens verzadigt, denkt men er niet aan zijne fouten te verbeteren, zijne lusten te versterven of met geduld de veraelitingen en de tegenheden te verdragen ; men verlangt groote dingen te doen, maar die onvereenigbaar zijn met zijnen staat, en middelerwijl nemen de onvolmaaktheden toe, in elke tegenkanting verliest men den vrede, elke ziekte maakt ons lastig, en zoo leeft men voort, onvolmaakt, en zoo zal men ook onvolmaakt sterven.

1) Prov. 21. 25.

-ocr page 55-

— 35 —

Willen wij dus waarlijk heilig worden, besluiten wij dan: vooreerst elke dagelij k-sche zonde, toe klein ook, te vluchten. Ten tweede, onthechten wij ons aan elke zaak dezer wereld. Ten derde, zorgen wij nimmer onze gewone oefeningen van gebed en versterving achter te laten, hoe grooten afkeer en tegenzin wij er ook in ondervinden. Ten vierde laten wij eiken dag het lijden overwegen van Jesus Christus, want daardoor wordt iedere ziel die er op nadenkt van liefde ontvlamd. Ten vijfde, geven wij ons in alle wederwaardigheden met gelatenheid over aan den Wil Gods. Pater Balthasar Alvarez zeide : TVte zich in de moeielijkheden aan den yoddeljken Wil weet over te geven, hij yaat tot God met den sneltrein. Ten zesde, laten wij zonder ophouden aan God de gave zijner heilige liefde vragen.

Besluit, besluit, zeide de H. Theresia: De duivel heeft geen vrees voor hesluitelooze zielen.

Maar daarentegen, wie waarachtig besloten is zich geheel aan God te geven, hij zal alles te boven komen ook wat hem

-ocr page 56-

— 36 —

vroeger onoverkomelijk toescheen. Een besliste wil overwint alles. Zorgen wij den verloren tijd te herstellen, geven wij den tijd, die ons nog overblijft, geheel en al aan God. Alle tijd, die niet voor God besteed wordt, is ganseh en al verloren. Waarop wachten wij ? Tot God ons aan onze laauwheid overlaat en wij alzoo eindelijk in de allerdiepste ellende neerstorten? Neen, vatten wij moed, en van heden af aan zij onze leuze: Behagen aan God, al kost het ons leven.

Zijn de zielen zoo gesteld, dan doet God hen op den weg der volmaaktheid ■fooraxtvliegen. Wie geheel aan God wil toebehooren, moet besluiten: 1° Nimmer eene dagelijksche zonde te bedrijven hoe klein die ook zij. 2°. Zich geheel zonder voorbehoud aan God te geven, en daarom bezorgd te zijn alles ten uitvoer te brengen wat aan God genoegen kan geven, voor zoover namelijk de zielbestierder het goedkeurt. 3°. Onder het goede datgene uit te kiezen wat het meest behaagt aan God. 4°. Nooit te wachten tot morgen; wat heden kan, moet ook heden geschieden.

-ocr page 57-

— 37 —

5°. Dagelijks God te bidden, dat hij ons in Zijne liefde doe vooruitgaan. Als er liefde is, doet men alles, maar zonder liefde doet men niets. Om alles te winnen, moeten wij alles geven. Jezus Christus gaf ons zich zeiven geheel, opdat wij geheel en al de zijnen zouden wezen.

O God mijner ziel, wee mij ellendige! Heeds zoovele jaren leef ik op deze wereld, en helaas ! welken voortgang heb ik gemaakt in uwe liefde! Ben ik vooruitgegaan, dan was het in gebreken, in eigenliefde en zonden. Zal ik dan tot mijnen dood toe zoo moeten voortleven! Neen, mijn Jezus, mijn Zaligmaker, ach, help mij; ik wil niet sterven, zoo ondankbaar als ik tot hiertoe geweest ben. Ik wil U waarachtig beminnen en ik wil alles verlaten om genoegen te geven aan U. Reik mij uwe hand, o mijn Jezus, Gij, die al uw bloed hebt gestort om mij geheel aan U te zien toebehooren.

Ja, geheel aan U toebehooren, dat verlang ik met den bijstand uwer genade. Reeds ben ik den dood nabij, o help mij mijzelven van alles te onthechten, wat mij

-ocr page 58-

— 38 —

belet, geheel en al toe te behooren aan U, die mij zoo teedor bemind hebt. Doe het om uwe verdiensten. Op U is mijne hoop. Ook van U verwacht ik het, lieve Moeder Maria; verwerf Gij mij met uwe gebeden, die alles bij God vermogen, do genade geheel de zijne te worden.

-ocr page 59-

§ 6.

OVER DE WETENSCHAP DEB, HEILIGEN.

r is cone tweevoudige wijsheid op ijLii deze wereld, eene liemelsclie en eene aardsche. Door de liemelsclie wijsheid worden wij aangespoord om te behagen aan God en om groot te worden in den hemel; door de aardsche worden wij aangespoord om ons zeiven te voldoen en om groot te worden op deze wereld. Maar bij God is die wijsheid der wereld ijdel en louter dwaasheid: Sapientia enhn hitjus nmndi stultitia est apud Deum. 1) Dwaasheid, want de wijsheid der wereld maakt

1) 1 Oor. 3. 19.

-ocr page 60-

— 40 —

al hare volgelingen dwaas; zij maakt hen dwaas en aan dieren gelijk, omdat zij hen even als de dieren hunne zinnelijke lusten leert inwilligen. De H. Joannes Chrysosto-mus schrijft: Hominem ilium dicimus, qui imaginem hominis salvam retinet; quae autem imago hominis ? rationalem esse. d. w. z. Om het kenmerk van mensch te bewaren moet men redelijk zijn, m. a. w. moet men handelen volgens zijne rode. Gelijk men dus van een dier, dat altijd handelde volgens de rede, zeggen zou; dit dier gedraagt zich als mensch, zoo ook zegt men van een mensch, die volgens zijne zinnelijke lusten en niet volgens zijne rede handelt: deze mensch gedraagt zich als dier.

Maar ook al spreken wij van de men-schelijke wetenschap in goeden zin, nl. van de natuurlijke kennis der aardsche dingen, o hoe weinig beteekent het, wat do menschen er van weten, al hebben zij ook nog zoo lang gestudeerd? Wat anders zijn wij dan blinde aardmollen? want buiten de waarheden, die wij weten door het geloof, kennen wij niets dan

-ocr page 61-

— 41 —

door middel der zintuigen en hij wijze van gissing; alles dus is voor ons onzeker en aan vergissing onderhevig. Welk schrijver, die over zulke zaken geschreven heeft, al is hij door velen nog zoozeer toegejuicht, heeft zich vervolgens kunnen vrijwaren voor de blaam van anderen ? Maar het ergste is, dat de aardsche wetenschap ons opblaast, gelijk de H. Paulus zegt. Scientia inflat. Zij maakt ons trotsch en licht geneigd om anderen te verachten, een gebrek, dat zeer gevaarlijk is voor de ziel; want, zegt de H. Jacobus, God weigert zijne genaden aan de hoojnnoedisren en deelt ze alleen

O O

aan de nederigen uit; Deus superbis resistit, humilibus autem dat gratiam. 1)

Utinam mperènt et intelligerent ac novis-sima providercnt. 2) O gingen de men-schen eens te werk volgens hunne rede en volgens de wet van God; wisten zij eens bezorgd te zijn, niet zoozeer voor het leven, dat weldra eindigt, maar voor het leven, dat eeuwig duurt, voorzeker zij

1) Jac. 4. fi.

2) Deut. 32. 29.

-ocr page 62-

— 42 —

zouden geene andere wetenschap zoeken dan alleen die, welke dienen kan om deelaclitig te worden aan de eeuwige gelukzaligheid pn te ontkomen aan de eeuwige pijnen der hel.

De H. Joannes Chrysostomus vermaant ons bij de grafsteden der dooden de wetenschap des heils te gaanleeren: Profcis-camur ad sejmlchra. O, inderdaad, de grafsteden zijn op treffende wijze de scholen der waarheid; daar eerst leert men de ijdelheid der wereld kennen. Proficiscamur ad sepidchra. In die graven, zeide de heilige, zie ik niets dan verrotting, dan beenderen en wormen, nihil video nisi pictredinem, ossa et vermes; onder al die geraamten, welke ik daar aanschouw, kan ik niet onderscheiden wie geleerd is geweest, wie onwetend, alleen zie ik, dat alle wereldsche grootheid voor hen geëindigd is met den dood. Wat is er gebleven van een Demosthenes, van een Cicero, van een Ulpianus ? Dor mier unt somnum suum, et nihil invenerunt in manibus suis. 1)

1) Ps. 75. 6.

-ocr page 63-

— 43 —

Gelukkig hij, die van God de wetenschap der heiligen mocht ontvangen: Et dedit till scientiam sanctorum. 1) De wetenschap der heiligen leert ons God beminnen. Hoevelen ter wereld zijn bedreven in de schoone letteren, in de wiskunde, in vreemde en oude talen; maar wat zal hun al hunne wetenschap baten, als zij niet bedreven zijn in. de wetenschap der liefde Gods? Gelukkig hij, zegt de H. Augustinus, qui Deum novit etsi alia nescit! d. i. Gelukkig hij, die God kent, al weet hij van het andere niets. Al weet men niets van hetgeen anderen weten; als men God kent en Hem bemint, dan is men geleerder dan alle anderen, die, hoe geleerd ook, van God te beminnen geen begrip hebben.

Ongeleerden, roept de H. Augustinus uit, zullen komen en den hemel innemen. Surgunt indocti et rapiunt coelum ! O hoe geleerd waren een H. Franciscus van Assisië, een H. Paschalis, een H. Joannes de Deo, niet bedeeld wel is waar met

1) Sap. 10. 10.

-ocr page 64-

— 44 —

menschelijke wetenschap, maar vol van de wetenschap Gods ! Die wetenschap Gods is verborgen voor de wijzen, maar geopenbaard aan de kleinen. Ahscondisti haec a sapientihus et prudentihus et revelasti ea parvulis. 1) Door sapientcs (wijzen) worden hier de wereldlingen bedoeld, welke er op uit zijn de goederen en eer te verwerven der wereld, en de eeuwige goederen weinig tellen; terwijl parvuli (kleinen) op die eenvoudige, zielen terugziet, welke, aan kinderen gelijk, van de wereldsche wijsheid weinig begrip hebben, maar alleen bezorgd zijn om aan God te behagen.

O benijden wij toch nooit de menschen, die veel weten; benijden wij alleen diegenen, welke hun hart weten te schenken aan Jezus Christus; volgen wij Paulus na, die, gelijk hij schreef, niets anders wilde weten dan Jezus Christus en Jezus gekruist. Non judicavi me scire aliquid inter vos nisi - Jesum Christum et hunc crucijixum. 2) Gelukkig wij, als wij tot de kennis mogen geraken van de liefde,

1) Mattli. 11. 25.

2) 1 Cor. 2. 2.

-ocr page 65-

— 45 —

welke Jezus Christus ons heeft toegedragen op het kruis, en door dit leerboek der goddelijke liefde geleerd, het zoover brengen, dat wij Hem weten te beminnen. O ware en volmaakte Minnaar mijns harten, waar vind ik iemand, die mij zoozeer bemind heeft als Gij! In het verledene heb ik veel tijd verloren, omdat ik veel zoeht te weten zonder eenig nut voor mijne ziel, en weinig er aan dacht mij de wetenschap te verwerven uwer liefde. Ik zie het, dat leven is verloren; maar ik hoor, hoe Gij mij roept tot uwe liefde. Hier ben ik. Heer, ik zeg vaarwel aan alles. Van heden af aan zal mijne eenige gedachte zijn te behagen aan U, mijn hoogste goed. Aan U geef ik mij zeiven geheel, neem mij aan, help mij om ü getrouw te zijn; niet meer de mijne wil ik zijn, maar geheel, geheel de uwe. O Moeder Gods, help ook Gij mij met uwe gebeden.

* Men veroorlove mij hier mede te deelen welken grooten troost ik voor eenige dagen mocht ondervinden bij een bericht, dat juist

-ocr page 66-

— 46 —

op de zooeven behandelde stof, de wetenschap nl. der heiligen, betrekking heeft. Het geldt den beroemden schrijver Petrus Metastasio, die zich den lof van geheel Europa heeft verworven door de uitgave zijner dichtwerken. Doch met al hunne schoonheid zijn die gedichten slechts des te schadelijker; (die nl. welke handelen over de profane liefde), want, de uitdrukkingen zoo teeder en levendig als ze zijn, vermochten daardoor slechts des te beter in de harten der jongelieden de verderfelijke vlammen der onreine genegenheid aan te wakkeren. Dezelfde schrijver nu, heeft thans, naar men mij met zekerheid mededeelt, een boekje in proza uitgegeven, waarin hij al zijnen vroegeren arbeid verfoeit en betuigt, dat, indien hij al zijne werken kon terugnemen en maken, dat zij niet meer in de wereld verschenen, hij dit zou willen doen zelfs ten koste van zijn leven. En inderdaad men verhaalt mij, dat hij thans niets meer vervaardigt dan alleen eenige geestelijke en zedekundige tooneelstukken, waartoe hij door zijne waardigheid van hofpoëet genoodzaakt is; ook moet hij zich in zijn huis teruggetrokken houden en een leven leiden van godsvrucht en gebed. Ik kan niet uitdrukken welken troost mij dit heeft gegeven, want deze openlijke verklaring en dit allerlofwaardigst voorbeeld zal aan vele verblinde jongelieden, die zich door dergelijke minnedichten eer en aanzien

-ocr page 67-

— 47 —

zoeken te verwerven, de oogen doen opengaan. Zeer zeker verdient Mijnheer Metastasio met deze verklaring* meer lof dan hij verdienen zon met duizend prachtige boeken poëzie; dan toch zou hij alleen door de menschen geprezen worden, maar nu wordt hij geprezen door God. Heb ik hem dan vroeger veracht om de ijdel-heid, waarmede hij zich op werken van dat soort beroemde, (ik spreek niet van zijne gewijde tooneelstukken, die uitmuntend zijn en allen lof verdienen) thans kan ik er niet van uitscheiden hem te prijzen en ik zou hem als het mij mogelijk was, wel de voeten willen kussen, omdat hij nu zelf die werken veroordeelt en verlangt ze zelfs ten koste van zijn bloed (gelijk hij zich uitdrukt) mt de wereld te zien verdwijnen.

-ocr page 68-

ONZE EEUWIGE ZALIGHEID LIGT IN HET GEBED.

gebed is ons niet alleen nuttig, maar noodzakelijk ter zaliglicid. Vandaar dat God, die ons allen zalig wil zien, ons door een gebod tot bidden ver-pliclit. Petite et dahiiur vohis. 1) Vraagt en ii zal gegeven worden. Te beweren, dat liet gebed alleen raad zou zijn, en geene verplichting, was cene dwaling van Wiclcff, veroordeeld door bot concilie van Constans. Immers er staat geschreven oportet semper orare. Men moet altijd

1) Math. 7. 8.

-ocr page 69-

— 49 —

hidden. (Er staat nietprodest, het is nuttig, of decet, het hetaamt, maar oportet, men moei). liet is daarom zeer juist, wat de godgeleerden zeggen, dat men iemand, die niet minstens eens in de maand en immer als hij door eene zware bekoring wordt aangevallen, tot God zijne toe-vlueht neemt, niet kau vrijspreken van zware zonde.

De reden, waarom het zoo noodzakelijk is onszelven dikwijls Gode aan te bevelen, ligt in ons onvermogen om eenig goed werk, ja eene goede gedachte te hebben uit ons zelven. Sine me nihil potestis facere. 1) Kon quod sujfieientes simus coyiture aliquid a nobis. 2) Daarom zeide de H. Philippus Nerius, dat hij in vertwijfeling was over zichzelven. God echter, zegt dc H. Augustinus, wil ons zijne genade geven; maar, voegt hij erbij, God geeft die genade alleen aan hem, die er om vraagt. Deus dare vult, sed non dat nisi pet ent i. 3) In het bijzonder, zegt de

1) Jo. Ii5. a.

2) 2 Oor. li. 5.

3) lu Ps. 100.

4

-ocr page 70-

— 50 —

heilige, geldt dit van de genade der volharding; deze wordt niet geschonken dan alleen aan die haar vraagt. Alia nonnisi orantihus {Deurti)praeparasse simt perseverantiam. 1)

En, daar de duivel immer rondloopt en er voortdurend op uit is ons te verslinden, moeten wij, gelijk de H. Thomas zegt, ons ook noodzakelijkerwijze immer verdedigen met het gebed. Necessaria est homini jugis oratio. En reeds vroeger had Jezus Christus het gezegd. Oportet semper or are et non defccre. 2) Hoe ook zouden wij anders weerstand kunnen bieden aan die aanhoudende bekoringen, welke wij van de wereld en van de hel te verduren hebben\'? Het was een dwaling van Jansenius, door de Kerk veroordeeld, te zeggen, dat sommige geboden door ons onmogelijk te onderhouden zijn, en dat ons nu en dan ook de genade ontbreekt, die ze ons mogelijk maakt. God is getrouw, zegt dc H. Paulus, cn Hij duldt

1) Lib. de Pers. cap. ó.

2) Luc. 18. 1.

-ocr page 71-

51 —

niet, dat wrj bekoord worden, boven onze krachten. Fidelis au tem Deus, qui non patietur vos tentari supra id quod potest it. 1) Maar Hij wil, dat wrj in de bekoring bij Ilem de kracht zullen zoeken om te weerstaan. De H. Augnstinus schrijft; Lex data est, ut gratia quaere-retur, gratia data est ut lex impleretur. Daar het vaststaat, zegt hij, dat de wet door ons niet kan onderhouden worden zonder de genade, heeft God ons de wet gegeven, opdat wij de genade zouden vragen en daarna geeft Hij ons de genade om haar te volbrengen. Het Concilie van Trente heeft dit alles duidelijk uitgedrukt, toen het zeide: Deus impossihilia non juhet, scd juhendo monet et facers quod pass/s et petere quod non possis et adjuvat ut possis ; 2) d. i. God beveelt niets, wat onmogelijk is; maar, als Hij beveelt, vermaant Hij ons te doen wat wij kunnen, te vragen wat wij niet kunnen, en helpt Hij ons om te kunnen.

God alzoo is volkomen bereid ons zijne

1) 1 Cor. 10. 13.

2) Sess. 6. cap. 11.

-ocr page 72-

— 52 —

hulp te geven, opdat wij niet door do bekoringen verwonnen worden ; maar die hulp, Hij geeft ze niet dan alleen aan diegenen, welke ten tijde der bekoringen tot Hem hunne toevlucht nemen; in het bijzonder geldt dit, gelijk de wijze man zegt, van de bekoringen tegen de zuiverheid. Ut ui scivi quoniam aliter non possum esse continens, nisi Deus det .. . adii Dominuni et deprccatus sum ilium. 1) Zijn wij er wel van overtuigd, wij liebben geen kracht om onze vleeschelijke lusten te overwinnen nisi Deus det, of God moet ons te hulp komen; die hulp echter, wij kunnen haar niet verkrijgen zonder bidden; maar ook als wij bidden, dan zullen wij die hulp zeer zeker verkrijgen en genoeg om te weerstaan aan de gansche hel, in de kracht, gelijk de H. Paulus zegt, van God, die ons versterkt. Omnia possum in co qui me confortat. 2)

Om Gods genade te verwerven is het ook allernuttigst zijne toevlucht te nemen

1) Sap. 8. 21.

2) Phil. 4. 13.

-ocr page 73-

— 53

tot de voorspraak der heiligen, want de heiligen vermogen bij God veel, vooral ten gunste hunner bijzondere vereerders. Daarbij is dit niet louter eene godsvrucht van vrije verkiezing; maar, zegt de EL Thomas, deze godsvrucht is zelfs verplichtend, omdat de orde dei-wetten vereischt, dat wij stervelingen door de gebeden len ontvangen, die ter zakelijk zijn.

heiligen de midde-

zaligheid

nood-

Vooral echter geldt dit van de voorspraak der Allerheiligste Maagd Maria, wijl hare gebeden alleen meer vermogen dan die van alle heiligen samen. Te meer nog omdat wij, gelijk de II. Bernardus zegt, door Maria toegang hebben tot Jezus Christus, onzen Middelaar en Zaligmaker. Per te accessum hahemus ad F ilium, o inventrix gratiae, mater salutis, ut per te nos suscipiat qui per te datus est nobis. 1) Ik meen dan ook in mijn werk „de Heerlijkheden van Mariaquot;, cap. V § 1 en 2, alsook in mijn boekje over het gebed

1) Serm. Dom. infr. oct. assurapt.

-ocr page 74-

— 54 —

voldoende te hebben aangetoond, lioe gegrond de meening is van vele heiligen, in het bijzonder van den H. Bernardus en van vele godgeleerden, zooals Pater Alexander en Pater Contenson, dat wij alle genaden, die God ons schenkt, ontvangen door Maria\'s bemiddeling. Daarom zegt verder de H. Bernardus: Quaeramus gratiam et per Mariam quaeramus; quia quod quaerit invenit et frustrari non potest; d. i. Laten wij genade wagen, maallaten wij die vragen door Maria; want al wat zij vraagt verkrijgt zij, en nooit wordt zij teleurgesteld. Hetzelfde zeggen de II. Petrus Damianus, de H. Bona-ventura, de IT. Bernardinus van Siëna, de H. Antonimis en anderen.

Welaan, bidden wij dan, en bidden wij, gelijk de H. Paulus zegt, met groot vertrouwen. Adeamus ergo cum fiducia ad thronum yratiae; ut misericordtam conse-quamur et gratiam inveniamus in auxïlio oppor tuno. 1)

Thans is Jezus Christus op een troon

1) Heb. 4. 16.

-ocr page 75-

— 55 —

van genade gezeten om allen te troosten die hunne toevluclit tot Hem nemen, en Hij zegt ons: Petite et dabitur vohis. Vraagt en U zal gegeven worden. In den laatsten dag zal Jezus ook gezeten zijn op een troon, maar het zal een troon van gerechtigheid zijn. Welk eene dwaasheid dan zou het zijn nu, terwijl Jezus ons zijne genade aanbiedt, terwijl Hij ons van al onze ellenden wil bevrijden, nu niet tot Hem te gaan, maar uit te stellen tot Hij komen zal als rechter en geen barmhartigheid meer zal kennen.

Thans zegt Jezus, dat ons alles, wat wij Hem vragen, zal gegeven worden, zoo wij slechts met vertrouwen vragen. Omnia quaecunque oranten petitis, credite, quia accipietis et evenient vohis. 1)

O, als iemand een bewijs zijner liefde zou willen geven aan zijnen vriend, wat zou hij meer kunnen zeggen dan: Vraag van mij „icat gij wilt, ik zal het u gevenP

Si quis autem vestrum indiget sapientia,

1) Mare. 11. 24.

-ocr page 76-

— 56 —

voegt de H. Jacobus er bij, poatulet a Deo, qui dat omnibus afftuenter et non improper at. 1) Heeft nu iemand uwer behoefte aan wijsheid, hij trage ze van God, die aan allen mild el jk (jeeft en niet verwijt. De wijsheid hier bedoeld is de wetenschap om zalig te worden; wil men die wijsheid bezitten, dan moet men van God de noodige genaden vragen om de zaligheid te bereiken. En die genaden, zal God ze ons geven? O zeer zeker zal God ze ons geven, en Hij zal ze geven in overvloed, meer dan wij gevraagd hebben. Men lette nog op het woord non improperat. God verwijt niet. Als nl. de zondaar berouw heeft over zijne zonden en aan God zijne zaligheid vraagt, dan zal God niet doen gelijk de menschen, die aan ondankbaren hunne ondankbaarheid verwijten en hun het gevraagde weigeren; neen, maar vol bereidvaardigheid zal God geven wat Hem gevraagd wordt, ja nog meer dan gevraagd wordt. Willen wij dus zalig

1) Jac. 1. 5.

-ocr page 77-

worden, dan moeten wij tot aan onzen dood toe voortdurend bidden en altijd zeggen: Mijn God, help mij. Mijn Jezus, barmhartigheid. Maria, barmhartigheid. Als wij niet bidden ophouden, zijn wij verloren. Bidden wij echter niet alleen voor ons zelven; maar bidden wij ook voor de zondaren, daar dit zoo aangenaam is aan God. Zorgen wij ook eiken dag te bidden voor de heilige zielen van het Vagevuur ; o die heilige gevangenen zijn zoo dankbaar jegens hen, die voor haar bidden! En, als wij bidden, vragen wij de genaden dan altijd door de verdiensten van Jezus Christus, want Jezus zelf heeft ons geleerd, dat God ons alles zal geven, wat wij in Zijnen naam zouden vragen. Amen, amen dico vobis, si tjuicl petieritis Putrem in nomine men, dahit vobis. 1)

O mijn God, boven alles vraag ik U heden door de verdiensten van Jezus Christus deze genade: Geef, dat ik mij geheel mijn leven, maar vooral ten tijde

1) Jo. 16. 23.

-ocr page 78-

der bekoringen aan U moge aanbevelen, en dan vertrouwe, dat Gij mij ter liefde van Jezus en Maria zult te hulp komen. Allerheiligste Maagd, verwerf mij die genade, want daarvan hangt mijne zaligheid af.

-ocr page 79-

IK MOET EENMAAL STEEVEN.

zaliglioid van het

WFot is voor onze

M

hoogste belang, dat wij ons dikwijls herinneren en bij ons zeiven zeggen: ik moet eenmaal sterven. Elk jaar, op Aseh-Woensdag, doet de Kerk aan de geloovigen de waarschuwing; Memento, Jiorno, quia pulvis es et in pulver em reverter is. Gedenk, o mensch, dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeeren. Maar die waarheid van den dood wordt ook zeer dikwerf herinnerd gedurende den loop des jaars, nu eens door de kerkhoven, die wij aantreffen langs de wegen, dan eens dooide grafsteenen in onze kerken, dan weder

-ocr page 80-

— 60 —

door de dooden, die men ter grafplaats henenvoert.

De kostbaarste meubelen, welke de kluizenaars modenamen naar liunne grotten, waren een kruisbeeld en een doodshoofd ; een kruis om hen te berinneren aan de liefde van Jezus Christus, een doodshoofd om hen te doen denken aan den dag van hunnen dood. En aldus volhardden die kluizenaars in de boetvaardigheid tot het einde hunner dagen, en wanneer zij ten laatste als armen stierven in de woestijn, dan stierven zij met grooter tevredenheid dan do koningen in hunne paleizen.

Fin is venit, venit finis. 1) Op deze wereld leeft de een langer, de ander korter, maar voor een ieder, hetzij vroeg hetzij laat, breekt eens het laatste oogenblik aan. En op dat uiterste, op dat oogenblik van sterven zal niets ons kunnen troosten dan alleen het bewustzijn, dat wij Jezus Christus hebben bemind en te zijner liefde do ellenden van dit leven met geduld hebben

1) Ez. 7. 2.

-ocr page 81-

— 61

verdragen. Neen, dan troosten de rijkdommen niet, die wij bezeten liebben, ook de eer niet door ons

noegens door waardigheden

genoten noch de gems gesmaakt; de grootste dezer wereld geven den stervende geen troost, maar baren hem wee, en hoe meer hij er zich verworven heeft, des te grooter zalzijnebitterheidzijn. Zuster Margaretha van Sint Anna, Carme-litesse en dochter van Keizer Rudolf II zcide : Tl\'ai baten de koninkrijken in het uur des doods ?

O mijn God! aan hoevele wereldlicgen gebeurt het niet juist dan, wanneer zij het meest in de zorg om zich winsten, goederen, waardigheden te verwerven zijn verdiept, de tijding te ontvangen van hunnen naderenden dood. Dispone domui tuae quia morieris tu et non vires. 1) Mijnheer, zoo komt men hun zeggen, het is tijd om aan een testament te denken, uw toestand is bedenkelijk. Mijn God, wat teleurstelling voor zulken mensch ! Hij was op het punt zijn proces te winnen, in bezit te komen

1) Is. 38. 1.

-ocr page 82-

— 62 —

van dat huis, van dat landgoed, en nu komt de priester en zegt hein: Proficis-cere, anima chnstiana, de hoe mundo ! O ziel, ga heen van deze wereld en ga rekenschap geven aan Jezus Christus! Maar ik ben thans nog niet bereid! Bereid of niet\', thans is het oogenblik daar.

Ach mijn God, geef mij licht, geef mij kracht ; laat mij het leven, dat mij nog overblijft, geheel besteden om U te dienen en te beminnen! Moest ik heden sterven, ik stierf niet tevreden, mijn sterven zou vol onrust zijn. Wat dan draal ik nog ? Moet de dood mij dan verrassen en mij voor eeuwig ongelukkig maken ?

Mijn God, hoe dwaas ben ik geweest, welaan, ik wil verstandiger zijn. Nu, op dit oogenblik geef ik mij geheel aan U, neem mij aan en help mij met uwe genade.

Alzoo voor een ieder zal eenmaal het einde zijns levens en dus ook dat beslissende oogenblik aanbreken, waarvan eene gelukkige of rampzalige eeuwigheid zal afhangen. Oh momentum a quo 2gt;endet aeternilas !

O, dachten toch alle menschen aan dat

-ocr page 83-

— 63 —

gewiclitig oogenblik en aan de rekenschap, die zij dan moeten afleggen aan den Rechter van geheel hun leven ! Utinam sapermt et intclUgerent ac novis-sima providerent. 1) O, voorzeker zij zouden er niet zoozeer op uit zijn om geld te winnen, zich niet zoo zeer inspannen om groot te worden in het leven, dat voorbijgaat, maar zij zouden er alleen op bedacht zijn, om heilig te worden, om in het leven, dat nimmer voorbijgaat, groot te zijn.

Hebben wij dan geloof, zijn wij werkelijk overtuigd, dat er een dood, een oordeel, ecne eeuwigheid is, zorgen wij dan in die dagen, die nog komen, alleen te leven voor God. En daarom laten wij ons best doen op deze wereld te leven als vreemdelingen, die haar weldra moeten verlaten. Vei liezen wij nooit den dood uit het geziekt, laten wij in de zaken van dit leven zoo handelen, gelijk wij het doen zouden in het uur des doods. Al wat van deze wereld is, zal ons verlaten, of wel het zal verlaten worden door ons. Nemen wij daar-

at

1) Deut. 32. 29.

-ocr page 84-

64 —

om eten raad van Jezus Christus ter harte: Thesaurizate vohis thesauros in coclo, uhi neque\' aerugo, neque tinea demolitur. 1)

Versmaden wij de schatten dezer wereld, die ons toch niet bevredigen kunnen en weldra een einde nemen en laten wij hemelsche schatten zoeken, die ons gelukkig zullen maken en in eeuwigheid niet vergaan.

Rampzalige, die ik ben, voor een aard-sche voldoening heb ik zoo dikwijls den rug gekeerd aan ü, eindeloos Goed! Ik zie nu in, hoe dwaas ik ben geweest met de eer na te jagen en fortuin te zoeken op deze wereld. Doch mijn eenig fortuin zal van nu af geen ander zijn dan u te beminnen en in alles uwen wil te doen. O mijn Jezus, ontneem Gij mij dat verlangen om vertooning te maken, leer Gij mij de verachting en het verborgen leven beminnen. Geef mij kracht om mij zeiven alles te weigeren wat aan U mishaagt. Help mij ziekten, vervolgingen, mistroostigheid en alle kruisen, die Gij mij over-

1

b-

1) Math. (i. 20.

-ocr page 85-

— 65 —

zendt, met tevredenlieicl aan te nemen. O ik wensclite, dat ik ter liefde tot U mocht sterven van allen verlaten, gelijk Gij gestorven zijt voor mij. Heilige Maagd, uwe gebeden kunnen mij het ware geluk verwerven, kunnen maken, dat ik uwen Goddelijken Zoon vurig be-minne, welaan, bid voor mij, ik stel in ü mijn vertrouwen.

5

-ocr page 86-

§ 9-

VOORBEREIDING TOT DEN DOOD.

feWTfjct is zeker, dat men sterren zal.

Statutum est hominibus seniel mori. 1) Maar onzeker is liet, wannéér en hoe men zal sterven. Daarom vermaant ons Jezus Christus: Estote parati, quia, qua hora non putatis Filius hominis veniet. 2) Weest hereid, want op een uur, waarop gij het niet meent, zal de Zoon des menschen komen. De Goddelijke Zaligmaker zegt: Estote parati, iveest hereid. Om zalig te worden is het derhalve niet

1) Hebr. 9. 27.

2) Luo. 12. 40.

-ocr page 87-

— 67 —

genoeg, dat wij ons tot sterven voorbereiden, als de dood reeds daar is; maar dan moet de voorbereiding reeds geschied zijn, wij moeten dan bereid zijn om den dood op die wijze en met die omstandigheden aan te nemen, gelijk hij ons dan zal overvallen. Hiertoe nu is het zeer nuttig, dat men ten minste maandelijks de volgende akten verrichte :

O mijn God, zie mij hier aan uwe voeten, bereid om den dood te omhelzen, dien Gij mij hebt voorbeschikt. Reeds nu neem ik hem aan, en tot glorie uwer Majesteit en tot uitboeting mijner zonden breng ik U het offer mijns levens. Om mijn vleesch te believen heb ik U zoo zwaar beleedigd, ik stem er dan gaarne in toe, dat het dooide wormen worde verteerd en tot stof verga.

Mijn Jezus, ik vereenig de smarten en den doodstrijd, die ik dan zal moeten lijden, met de smarten en den doodstrijd, dien Gij, mijn Zaligmaker, geleden hebt in uwen dood. Ik aanvaard den dood met alle omstandigheden, gelijk Gij die wilt. Ik aanvaard den tijd, hij moge nog vele

-ocr page 88-

— 68 —

jaren verwijderd zijn of reeds spoedig aanbreken; ik aanvaard de wijze, op bed of daarbuiten, voorziens of onvoorziens, aan eene smartelijke of geene smartelijke ziekte, gelijk aan U behaagt. In alles geef ik mij over aan uwen heiligen Wil. Geef Gij mij de kracht om alles met geduld te lijden.

Quid retribitam Domino pro omnibus quae retrïbuit mihi ? Ik bedank U, o mijn God, en allereerst voor de gave des ge-loofs, ik betuig, dat ik wil sterven als zoon van de Katholieke Kerk. Ik ben er dankbaar voor, dat Gij mij niet hebt laten sterven, toen ik in zonde was en dat Gij mij zoo dikwijls en met zooveel barmhartigheid vergiffenis hebt geschonken. Ik bedank U voor die talrijke inspraken en genaden, waarmede Gij mij zocht te trekken tot uwe liefde.

Ik bid U, laat mij sterven, terwijl ik U ontvang in de H. Teerspijze, opdat ik met IJ vereenigd voor uwen Rechterstoel moge verschijnen. Ik verdien niet uit uwen mond die troostende woorden te hooren : Euge, serve hone et Jidclis, quia

-ocr page 89-

— 69

super pauca fuisti Jidelis, supra multa te constituam; intra in rjaudium Domini tui. 1) Welaan, gij goede en getrouwe dienstknecht, omdat gij over weinig getrouw zijt geweest, zal ik u over veel stellen, treed binnen in de vreugde uws Heer en. Ik verdien dit niet, want in niets ben ik U volkomen getrouw geweest; maar uw dood geeft mij de hoop, dat ik in den hemel zal mogen binnen gaan en U daar eeuwig en uit al mijne krachten zal beminnen.

O mijne gekruisigde Liefde, heb medelijden met mij, zie op mij neer met die zelfde liefde, waarmede Gij op mij noèr-zaagt van uw Kruis, toen Gij daar stierft voor mijne zaligheid. Delict a juventutis meae et ignorantias meas ne memineris, Domine. Mijne zonden jagen mij schrik aan; maar ik word getroost door het Kruis, waarop ik U gestorven zie uit liefde tot mij. Ecce lignum crucis in qua salus mundi pependit. Ik verlang mijn leven te eindigen, opdat ik ook ophoude

1) Matth. 25, 21.

-ocr page 90-

— 70 —

ü te beleedigen. Ach, om het bloed, dat Gij voor mij gestort hebt, vergeel mij al de beleedigingen, die ik U voor mijnen dood nog mocht aandoen. O sanguis in-nocentis, lava sorcles poemtentis.

Mijn Jezus, ik hecht mij vast aan uw kruis, ik kus de wonden van uwe heilige voeten en daarin wensch ik mijnen laat-sten zucht te slaken. Ach, verlaat mij niet in dat laatste oogenblik: Te ergo quaeswnus, tuisfamulis subveni, quospre-tioso Sanguine redemisti. Ik bemin U uit geheel mijn hart, ik bemin U meer dan mij zeiven, en uit het diepste mijner ziel is het mij leed, dat ik in het verledene U heb veracht. Ik was reeds verloren, o Heer! maar Gij in uwe goedheid, Gij hebt mij van de wereld bevrijd; neem dan nu reeds mijne ziel aan als ware het oogenblik reeds daar, waarop ik deze wereld moet verlaten. Nu dan reeds bid ik U met de H. Agatha: Domine, qui ahstalisti a me amorem saeculi, accipe animam meant. Heer! die de liefde voor deze wereld van mij hebt weggenomen, ontvang mijne ziel. In te Domine speravi.

-ocr page 91-

— 71 —

non confundar in aeternum ; redèmisti me, Domine, Deus veritatis. Op U, Heer, heh ik gehoopt; in eeuwigheid zal ik niet beschaamd icorden; Gij hebt mij verlost. Heer, God van waarheid.

O, Allerheiligste Maagd, kom mij in dat oogenblik van mijnen dood te hulp. Sancta Maria mater Dei, ara pro me peceatore, nunc et in hora mortis meae; Heilige Maria, Moeder Gods, hid voor mij, zondaar, nu en in het uur van mijnen dood. In te Do-mina, speravi, non confundar in aeternum. Op U, o Koningin, heb ik gehoopt; ik zal niet beschaamd icorden in eeuwigheid. Heilige Joseph, mijn beschermer, verwerf mij een heiligen dood. Mijn H. Engelbewaarder, H. Aartsengel Michaël, verdedigt mij tegen de hel in dien laatsten strijd. Mijn heilige beschermengel, alle heiligen van het paradijs, komt mij te hulp in mijn laatste oogenblik. Jezus, Maria en Joseph, staat mij terzijde in het uur van mijnen dood.

—-ï-K—

-ocr page 92-

_ ^ ^ -A——i-i_i_A A A A lt;*) A

quot;7 Y ? Y 7 7 Y 7 7 7—7—7~^r

§ 10.

WIE GOD BEMINT, MOET GEEN AFSCHRIK HEBBEN VOOR DEN DOOD.

SiPT^oe toch zon men een afschuw heb-®HL ben voor den dood, als men leeft in de genade van God ?

Qui manet in charitate in Deo manet et Deus in eo. 1) Een ieder, die God bemint, mag hopen op zijne genade, en, als hij zoo sterft, mag hij vertrouwen Hem voor eeuwig te gaan genieten in het rijk der zaligen; en zou zoo iemand dan den dood moeten vreezen ?

Het is waar, de profeet David zegt, geen enkel mensen is rechtvaardig in de

1) I. Joan. 4. 16.

-ocr page 93-

— 73 —

oogen van God : Et non intres in judicium cum servo tuo, quia non justijicahitur in conspectu tuo omnis vivens. 1) Maar hiermede bedoelt liij, dat niemand zich moet inbeelden zalig te zullen worden door eigen verdiensten alleen, want niemand, tenzij Jezus en Maria, kan zeggen, dat geheel zqn leven vrij is geweest van zonde ; evenwel behoeft iemand daarom niet bevreesd te zijn voor den dood, als hij nl. over zijne misdrijven een waar berouw heeft en zijn vertrouwen stelt op de verdiensten van Jezus Christus, daar Jezus juist voor de zaligheid der zondaren op aarde is gekomen: Venit enim Filius hominis salvare quod perierat. 2)

Inderdaad, om de zondaars zalig te maken is Hij gestorven, daarvoor heeft Hij al zijn bloed gestort; en het bloed van Jezus Christus, zegt de apostel, spreekt veel luider ten gunste van de zondaren, dan het bloed van Abel om wraak riep tegen Caïn, die hem gedood had. Sed

1) Ps. 142. 2.

2) Math. 18. 11.

-ocr page 94-

— 74 —

accessistis ad____ mediator em Jesum, et

sanguinis aspersionem melius loquentem quam Abel. 1)

Het is waar, een onfeilbare zekerheid van zijne eeuwige zaligheid kan niemand hebben zonder eene goddelijke openbaring , maar wel een vast vertrouwen; dit heeft een ieder, die zich oprecht aan God heeft gegeven en bereid is liever alles, ja het leven te verliezen dan beroofd te worden van de genade Gods. Deze zekerheid is met vastheid gegrond op de goddelijke beloften : Niemand, zegt de H. Schrift, heeft zijn vertrouwen gesteld op God en is beschaamd gemaakt. Nullussperavit inDominoet confusus est. 2) Op zoovele plaatsen van de H. Schrift betuigt God ons uitdrukkelijk, dat Hij niet den dood des zondaars wil, maar dat deze zich bekeere en leve. Numquid voluntatis meae est mors impii, dicit Do-minus Deus, et non ut convertatur a viis suis et vivat ? 3) Op een andere plaats

1) Hebr. 12. 22 ad 24.

2) Eccli. 2. 11.

3) Ez. 18. 23.

-ocr page 95-

— 75 —

wordt nog eens hetzelfde gezegd en nu bekrachtigd met een eed: Vivo eyo, (licit Dominws Deus, nolo mortem impii, sell ut convertatur et vivat. 1) Zoowaar ik leef, zegt God, de lieer, ik wil niet den dood des zondaars, maar dat hij zich hekeere en leve. Op dezelfde plaats klaagt God zijn nood aan die verharde zondaren, welke om de zonde niet te verlaten zich vrijwillig in het verderf storten. Waarom, roept God uit, waarom, huis van Israel, wilt gij sterven ? Quare moriemini domus Israel ? En tevens doet hij aan allen, die berouw hebben, de belofte, dat Hij al hunne zonden en boosheden niet meer zal gedenken. Si autem impius egerit poeniten-tiam.... vita vivet;.... omnium iniquitatum ejus, quas operatus est, non recordabor. 2) Teekenen nu voor den zondaar, welke hem met een groot vertrouwen moeten bezielen, dat hij vergiffenis heeft bekomen, zijn: op de eerste plaats afschuw van zijne bedrevene zonden. Een heilige Vader zegt,

1) Ez. 33. 11.

2) Ez. 18. 21. 22.

-ocr page 96-

— 76 —

dat iemand, die in waarheid zeggen kan; Iniquitatem odio hahui et dbominatus sum; 1) Mijne ongerechtigheid haat en verfoei ik, er gerust op moet zijn, dat hij in staat van genade is. Een bemoedigend tee-ken ook van Gods vriendschap heeft degene, die na zijne zonde gedurende langen tijd in het goede heeft volhard. Ook kan men nog als groote teekenen beschouwen, dat men in Gods genade verkeert, wanneer men vast besloten is liever het leven te verliezen dan de vriendschap van God; evenzoo, wanneer men een vurig verlangen heeft om God te beminnen en Hem ook door anderen bemind te zien, alsook, wanneer men er gevoelig over is, als men God ziet beleedigen.

Maar hoe kan het dan zijn, dat sommige groote heiligen, die zich geheel aan God hadden gegeven, die een verstorven leven hadden geleid, die onthecht waren aan alle genegenheid voor het aardsche, toch in hunnen dood groote angsten gevoelden, als zij er aan dachten, dat zij gingen ver-

1) Ps. 118. 163,

-ocr page 97-

— 77 —

schijnen voor Ckristiis hunnen rechter. Men kan antwoorden, het is zeldzaam, dat heiligen bij hun sterven zulke angsten hebben verduurd; God liet het dan toe om hen nog eenige overblijfselen van zonden te doen uitboeten, alvorens zij de eeuwige zaligheid binnen gingen. Maar in het algemeen zijn alle heiligen met groote kalmte gestorven, vurig verlangden zij naar den dood om alzoo te geraken tot de aanschouwing van God. Wat overigens die vreeze voor de zaligheid aangaat, er is tusschen de zondaren en de heiligen die sterven dit verschil: bij de zondaren gaat de vrees over tot wanhoop, maar bij de heiligen gaat zij over tot vertrouwen en daarom sterven zij in vrede.

Een ieder derhalve, die met reden vermoeden kan in staat van genade te zijn, moet naar den dood verlangen, dikwijls moet hij het gebed herhalen, dat Jezus Christus ons geleerd heeft, Aclveniat recj-num tuum. Heer, laat uw rijk komen; en komt de dood, dan moet hij dien met blijdschap omhelzen, zoowel om bevrijd te worden van de zonde (op deze wereld toch

-ocr page 98-

— 78 —

kan men zonder eene buitengewone genade niet leven zonder misslagen) als ook om God van aanschijn tot aanschijn te gaan aanschouwen en Hem uit alle krachten te beminnen .in het rijk zijner liefde.

Mijn beminde Jezus, mijn Zaligmaker en mijn Rechter, o, wanneer Gij mij eens zult oordeelen, ik smeek U, verwijs mij dan niet ter helle. In de hel zou ik U niet meer kunnen liefhebben, maar U voor eeuwig moeten haten; en hoe zou ik U kunnen haten, U, die zoo beminnelijk zijt en mij zoozeer bemind hebt ? Die genade, het is waar, om mijne zonde verdien ik haar niet; maar indien ik ze niet verdien, dan toch hebt Gij ze voor mij verdiend, toen Gij met zooveel smart uw bloed voor mij vergoten hebt op het kruis. In een woord, o mijn Rechter, zend mij alle lijden over, maar laat het niet gebeuren, dat ik U niet meer zou kunnen beminnen. O Moeder Gods, Gij ziet in welk gevaar ik verkeer van veroordeeld te worden om uwen Zoon, die eene oneindige liefde verdient, nooit meer te kunnen beminnen, welaan ontferm U mijner en kom mij te hulp.

-ocr page 99-

~ê$j ^ ^ §£ü ^ ^ ^ ^ ^ ^ è^

§ li-

IN HET KKUIS LIGT ONZE ZALIGHEID.

J^jMcce lignum crucis, in quo salus mundi **§£ pependit. Ziehier het hout des Krui-scs, waaraan het heil hing der ivereld. Aldus zingt de H. Kerk op den goeden Vrijdag. In het Kruis ja is onze zaligheid, daar vindt men de kracht tegen de bekoringen, do onthechting aan de genoegens der wereld, in het Kruis vindt men de ware liefde tot God. Wij moeten dus besluiten om het kruis, dat Jezus Christus ons heeft overgezonden met geduld te dragen en op dat kruis te sterven ter liefde van Jezus Christus, gelijk Hij op het zijne stierf ter liefde van ous. Er is geen andere

-ocr page 100-

— 80 —

weg om in den hemel te komen, dan de bitterheden des levens tot onzen dood toe met geduld te verdragen.

En ziedaar het middel om ook te midden van het lijden vrede te vinden. Ik waag het u, is er een ander middel om bij de kruisen den vrede niet te verliezen dan de onderwerping aan Gods wil ? Als wij dat middel niet te baat nemen, dan mogen wij gaan waar wij willen, dan mogen wij doen, wat wij kunnen, wij zullen den last van het kruis niet ontvluchten. Daarentegen, als wij het met bereidwilligheid dragen dan zal het kruis weder-keerig ons dragen, het zal ons dragen ten hemel en ons vrede schenken hier op aarde.

Wat doet iemand die het kruis van zich afstoot ? Hij verzwaart er den last van, maar iemand, die het omhelst en het met geduld draagt, hij maakt den last licht , en het gewicht zelf wordt hem een troost; ja, want God is mild met zijne genade voor allen, die bereidvaardig het kruis dragen, om Hem genoegen te geven. Vol-gens de natuur is het lijden niet aange-

-ocr page 101-

_ 81 —

naam ; maar wanneer de goddelijke liefde heerscht in een hart, wordt het zoet.

0, als wij acht geven op dien staat van geluk welken wij zullen genieten in het paradijs, wanneer wij God getrouw zijn en de nioeielijkhedcii van dit leven zonder morren verdragen, neen, dan zouden wij ons niet beklagen over God, wanneer IIij ons lijden overzendt, maar met Joh zouden wij zeggen : Haec mild sit consolatio, ut affligens ine dolore non parcat, nee con-tradicam sermonihus Sancti. 1) Dit zij mijne troost: dat God mij niet spaart in de beproeving en dat ik toch zijn raads-hesluit niet weêrspreke. En zijn wij zondaren, hebben wij de hel verdiend, ook dit moet ons opbeuren in de beproevingen, die ons overkomen, te zien nl. dat wij in dit leven door God gekastijd worden; want dit is een zeker teeken, dat God ons van de eeuwige kastijding wil bevrijden. Rampzalig de zondaar, wien het goed gaat op deze wereld! Wie onder eene zware beproeving gebukt gaat, moet zijn

1) Job. G. lü.

6

-ocr page 102-

— 82 —

oog maar eens wenden naar de hel, welke hij door zijne zonden verdiend heeft; wat pijn hij dan ook lijdt, zij zal hem onbeduidend schijnen. Indien wij derhalve zonden hebben bedreven, dan moet onze aanhoudende bede tot God zijn: O Heer, spaar mij geene smarten, affligens me dolore non parous; doch ik bid U, geef mij tevens kracht om te lijden met geduld, opdat ik uwen heiligen Wil niet wcersteve, nee contradicam sermonihus Sancti; maar mij in alles voege naar hetgeen Gij over mij beschikt, en immer herhale met Jezus Christus: Ita Pater, quoniam sic fuit placitum ante te. 1) Heer, het behaagde ü aldus te handelen, welaan zoo geschiede het.

De ziel, welke door de goddelijke liefde wordt beheerscht, zoekt niet anders dan God. Si dederit homo ornnem substantiam domus suae pro dilectione, quasi nihil des-piciet earn. 2) Wie God bemint acht alles gering, zegt aan alles vaarwel, wat Hem

1) Math. 11. 26.

2) Cant. 8. 7.

-ocr page 103-

— 83 —

niet dient tot de liefde van God; en voor de goede werken, die hij verricht, voor al de boetplegingen en vermoeienissen, die hij zich voor de eere Gods getroost, verlangt hij geene vertroostingen en geestelijke zoetheden te verkrijgen, het is hem genoeg te weten, dat hij genoegen geeft aan God; in een woord hij is er altijd en in alles op uit zich zeiven te verloochenen, aan elke voldoening van zich zeiven te verzaken, en na dit alles verheft uf verhoovaardigt hij zich op niets, maar noemt zich zeiven een dienstknecht, stelt zich op de laatste plaats en geeft zich geheel over in de armen van Gods welbehagen en Gods barmhartigheid.

Om heilig te worden moeten wij veranderen van smaak. Als wij het niet zoover brengen, dat wat zoet is ons bitter smaakt en wat bitter is zoet, dan zullen wij er ook nimmer toe komen om ons volmaakt te vereenigcu met God. Een groote waarborg voor de toekomst, een groot deel van onze volmaaktheid hier op aarde bestaat daarin, dat wij alle wederwaardigheden, die ons door den dag over-

-ocr page 104-

— 84 -

komen, met onderwerping verdragen, zoowel kleine als groote; en wij moeten ze lijden met die doeleinden, waarvoor de Heer in zijne Rechtvaardigheid wil, dat wij ze zullen lijden nl. lo. om onze bedrevene zonden uit te boeten. 2°. om liet eeuwig leven te verdienen. 3°. om genoegen te geven aan God, en dit laatste is het voornaamste en edelste doel, wat wij ons bij al onze werken kunnen voorstellen.

Verklaren wij ons daarom immer voor God bereid om elk kruis, wat Hij ons overzendt te verdragen, zorgen wij ook gereed te zijn om ter zijner liefde allerlei wederwaardigheden te verduren, opdat, als zij ons werkelijk overkomen, wij ze edelmoedig aanvaarden en ook wij dan zeggen, wat Jezus Christus tot Petrus zeide, toen de joden Hem gevangen namen in den hof om Hem ter dood te leiden: Calicem quem dedit mihi Pater non hiham ilium ? 1) God zendt mij dit kruis tot mijn welzijn; en zal ik dan zeggen, dat ik het niet wil\'?

1) Joan. 18. 11.

-ocr page 105-

— 85 —

En wanneer ooit de last van zoo\'n kruis ons al te zwaar mocht toeschijnen, nemen wij dan terstond onze toevlucht tot het gebed, want dan zal God ons kracht geven om het met verdienste te dragen. Herinneren wij ons ook aan hetgeen de H. Paulus zegt, nl. dat geene beproeving dezer wereld, hoe hard die ook zij, in vergelijking kan komen met de glorie, die God ons houdt voorbereid in het toekomstige leven. Non sunt con-dtgnaepassiones hujus temporis adfuturam gloriam, quae revelahitur in nobis. 1) Verlevendigen wij dan ons geloof, als de beproevingen ons ter neerdrukken ; slaan wij allereerst een blik op den gekruisten Zaligmaker, die daar zieltoogt op het kruis uit liefde tot ons; werpen wij ook een blik op het paradijs en op de belooning, die God voorbereidt voor hen, die lijden ter liefde van Hem, neen dan zullen wij ons niet beklagen, maar God bedanken voor de pijn, die Hij ons te verduren geeft, ja, wij zullen Hem vragen,

1) Kom 8. 18.

-ocr page 106-

— 86 —

dat Hij ons nog meer te lijden geve. O! de heiligen in den hemel; hoezeer verblijden zij zich thans, niet echter omdat zij eer en genoegens hebben genoten op deze wereld, maar omdat zij voor Jezus Christus hebben geleden. Weinig betee-kent alles wat voorbijgaat; alleen, wat nooit voorbijgaat en eeuwig duurt, is groot.

O mijn Jezus, hoezeer troost mij dat woord, hetwelk ik van U hoor : Conver-timini ad me et convertar ad vos. 1) Bekeert ii tot mij en ik zal mij keeren tot U. Ik heb U eertijds verlaten ter wille van de schepselen, ter wille van ellendige voldoeningen, thans verlaat ik dit alles en keer tot U terug, maar nu ben ik ook zeker, dat Gij mij niet verstoot, want Gij zelf verklaart U bereid mij aan te nemen, convertar ad vos. Neem mij dan in uwe genade op, doe mij kennen, welk groot goed Gij zijt, doe mij de liefde kennen, welke Gij mij hebt toegedragen, opdat ik U nooit meer verlate. Geef mij vergiffenis, mijn Jezus, geef mij vergiffenis, mijn be-

1) Zach. 1. 3.

-ocr page 107-

— 87 —

minde Zaligmaker, o, mijne liefde, vergeef mij alles, waardoor ik ü bedroefd heb. Geef mij uwe liefde, en voor het overige doe met mij, wat U behaagt. Kastijd mij zooveel als Gij wilt, beroof mij van alles, maar beroof mij niet van U. Laat geheel de wereld komen, laat zij mij al hare geneugten bieden, ik verklaar, dat ik alleen U begeer en anders niets. O Maria, beveel mij aan uwen Zoon, Hij geeft U wat Gij Hem vraagt; op TJ dan stel ik mijn vertrouwen.

-ocr page 108-

§ 12.

WELK GENOEGEN MEN AAN JEZUS CHRISTUS GEEFT, WANNEEE MEN TER ZIJNER LIEFDE LIJDT.

ffinaft quis vult post me venire, dbneget 4^5^ semetipsum et tollat crucem siiam quotidie et sequatur me. 1) Indien iemand na mij toil komen, hij verloochene zich zeiven, neme zijn kruis dagelijks op en volge mij. Het is van belang hier op deze woorden van Jezus Christus meerdere bemerkingen te maken. De goddelijke Zaligmaker zegt: Si quis vult post me venire. Indien iemand na mij wil komen : Hij zegt niet; indien iemand tot mij wil komen ad me, maar na mij post me. Christus wil, dat wij Hem op den voet 1) Luc. 9. 23.

-ocr page 109-

— 89 —

volgen; denzelfden weg dus van doornen en kwellingen, dien Hij bewandeld heeft, moeten wij ook bewandelen; Jezus zelf gaat ons voor en hij houdt niet stil, voordat Hij is aangekomen op Cal-varië, waar Hij sterft; als wij Hem dus beminnen, dan moeten wij Hem volgen tot onzen dood toe. Een ieder daarom moet zich zelf verloochenen, semetipsum,

d. w. z. hij moet zich zeiven weigeren, wat de eigenliefde hem vraagt, maar wat mishaagt aan Jezus Christus.

Christus zegt verder: Tollat crucem mam quotulie et sequatur me, hij neme zijn kruis dagelijks op en volge mij. Laten wij die laatste woorden een voor een beschouwen : Tollat; hij neme het op; weinig baat het, dat men het kruis gedwongen draagt; alle zondaren dragen het, maar zonder verdienste ; om het kruis met verdienste te dragen, moet men het bereidwillig omhelzen.

Crucem (/cruisJ; hiermede worden alle beproevingen aangeduid; Jezus Christus noemt ze kruis, om ons het lijden zoet te maken; dit woord immers doet ons

-ocr page 110-

denken, hoe Hij eenmaal op het kruis stierf ter liefde van ons.

Hij zegt: suam {zijn kruis). Men vindt ■personen, die, zoodra zij eenigen geestelijken troost ontvangen, zich zeiven aanbieden om evenals de martelaren met pijnbanken, ijzeren haken, gloeiende roosters te worden gefolterd ; een pijn in het hoofd echter, wat onoplettendheid van een vriend of het lastig humeur van een bloedverwant kunnen zij niet verdragen. Mijn broeder, mijne zuster; God vraagt van u noch pijnbank, noch ijzeren haken, noch gloeiende roosters: maar het is zijn wil, dat gij met geduld die pijn, die verachting dat humeur verdraagt. Eene kloosterzuster zou weder naar eene woestijn willen gaan om te lijden, zij zou groote boetvaardigheid willen doen, maar ondertusschen kan zij hare overste, kan zij in hare bediening deze of gene gezellin niet verdragen; God echter wil. dat zij het kruis zal dragen, dat haar te dragen gegeven is, en niet dat, wat zij zelve zou wenschen te dragen.

Hij zegt: quotidie {dagelijks). Men vindt er, die in den aanvang het kruis

-ocr page 111-

omhelzen, dan nl. als het komt; maar, houdt het eenigen tijd aan, dan zeggen zij: neen, nu kan ik niet langer. God echter wil, dat wij het kruis blijven dragen en het geduld bewaren, ook al moesten wij het onverpoosd dragen tot onzen dood toe. Ziedaar dus, waarin de zaligheid en de volmaaktheid gelegen is: Abneget, weigeren aan de eigenliefde, wat niet dienstig is. Tollat, het kruis omhelzen, wat God ons overzendt. Sequatur, de voetstappen volgen van Jezus Christus tot den dood. Wij moeten er wel van overtuigd zijn, daartoe juist houdt God ons op deze wereld, opdat wij de kruisen, die Hij ons overzendt, zouden dragen; en hierin bestaat de verdienste van ons leven. Onze Goddelijke Zaligmaker, die ons zoozeer bemint, is daarom niet op de wereld gekomen om in vreugde te leven, maar om te lijden, opdat wij zijne voetstappen zouden volgen: In hoe enim vocati estis, quia et Christus passus est pro nobis, vobis relinquens exemplum ut sequamini vestigia ejus. 1) Beschouwen TTl. Petr. 2. 21.

-ocr page 112-

■wij Jezus; ziet, hoe Hij ons vooruitgaat met zijn kruis en ons den weg baant, waarlangs wij Hem volgen moeten ter zaligheid. O, welk een groot heelmiddel vindt men in elke beproeving als men zegt tot Jezus : Heer, wilt Gij, dat ik dit kruis drage ? Welaan, ik aanvaard het en wil het dragen, zoolang als U behaagt.

Vele zielen hooren gaarne spreken van gebed, van inwendigen vrede, van liefde tot J ezus Christus; maar weinig bevalt het hun te hooren spreken van kruis en lijden. Dezulken beminnen Jezus Christus, zoolang de goddelijke vertroosting hun toelacht; maar, als die onthouden wordt, en er eenige bitterheid komt, als de Heer zich verbergt om hen te beproeven en hen van de gewone vertroostingen berooft, dan laten zij hun gebed, hunne communiën, hunne verstervingen varen, zij geven zich over aan moedeloosheid, vervallen in lauwheid en gaan aardsche voldcenin-gen zoeken. Zulke zielen echter beminnen veeleer zich zeiven dan Jezus Christus. Zielen daarentegen, die God niet met zulke baatzuchtige liefde beminnen, d.w.z.

-ocr page 113-

— 93 —

niet om de vertroostingen, maar mot eene zuivere liefde, alleen omdat Hij verdient bemind te worden, zulke zielen laten hunne godvruchtige oefeningen niet achter, hoe groot dan ook de dorheid en de verveling zij, die zij er in ondervinden; het is hun genoeg, dat zij aan God genoegen geven, en zij verklaren zich bereid om tot hunnen dood toe, ja gedurende de gansche eeuwigheid in die troosteloosheid te blijven, indien God dit zou verlangen. Jezus Christus (zegt de H. Fran-ciscus van Bales) is even beminnelijk in de vertroosting als in de verlatenheid. De zielen die God beminnen weten in het lijden zeer wel hunnen troost en zoetheid te vinden; de gedachte troost hen, dat zij lijden ter liefde van God; en zij zeggen;

O, welk eeu zoetheid, lieve Jezua,

Smaakt niet een hart, dat voor U lijdt!

O, kon ik voor U sterven, Jezus,

Die ook voor mij gestorven zijt! 1)

1

Quanto è dolee, mio caro Sinnore,

A chi V ama il pat ire per te!

Oh potcssi morir per tuo amorc,

Gesu mio, che sei mor to per me !

-ocr page 114-

— 94 —

Dit alles en veel meer dan dat heeft Jezus Christus wel aan ons verdiend, Hij die een leven vol bitterheid en een smartvol-len dood verkozen heeft zonder de minste verlichting, alleen omdat hij ons beminde en om ons te doen begrijpen, dat, zoo wij Hem beminnen willen, wij Hem op gelijke wijze moeten beminnen, als Hij ons bemind heeft. O, hoe dierbaar aan Jezus Christus is eene ziel, die lijdt en Hem bemint! O, goddelijke gave, gave boven alle gaven verkieselijk, beminnen met lijden en lijden met beminnen! O Jezus, Gij alleen hebt ons die grondstellingen des heils kunnen leeren, die grondstellingen zoo geheel in strijd met de grondstellingen dei-wereld; maar Gij alleen ook kunt ons de kracht geven om de kruisen te lijden met geduld. Ik vraag U dan niet, dat Gij mij van het lijden verschoont; alleen bid ik U, geef mij kracht om te lijden met geduld en gelatenheid. Eeuwige Vader, uw Zoon heeft ons beloofd, dat, wat wij U ook in zijnen naam zouden vragen. Gij ons alles zoudt geven. Amen, Amen, dico vobis; si quid petieritis Patrem in nomine meo.

-ocr page 115-

— 95 —

dahit vohis. 1) Zie hier dan, wat wij U vragen ; geef ons de genade om de kwellingen van dit leven met geduld te verduren. Verhoor ons om de liefde van Jezus Christus. En Gij, mijn Jezus, vergeef mij alle beleedigingen die ik U heb aangedaan, omdat ik in de beproevingen, die Gij mij hebt overgezonden, niet geduldig wilde zijn. Geef mij uwe liefde, zij zal mij kracht geven om ter liefde van U alles te lijden. Beroof mij van alles, van alle goederen der wereld, van mijne bloedverwanten, van mijne vrienden, van de gezondheid mijns lichaams, van alle vertroostingen, beroof mij zelfs van mijn leven, maar beroof mij niet van uwe liefde. Geef mij U zeiven, anders vraag ik TJ niets.

Allerheiligste Maagd, verwerf mij de genade Jezus Christus tot aan mijnen dood toe standvastig te beminnen.

1) Jo. 16. 23.

-ocr page 116-

§ 13.

DE LIEFDE GODS OVEKWINT ALLES.

^Êamp;orti» est ut mors dilectio. 1) De liefde is sterk als de dood. Evenals de dood ons losmaakt van alle goederen der wereld, gelijk hij ons ontrukt aan onze rijkdommen, aan onze eerambten, aan onze bloedverwanten, aan onze vrienden en aan alle aardsclie genoegens, zoo lieerscht ook de liefde Gods nauwelijks in een hart, of zij berooft het van alle gehechtheid aan de vergankelijke goederen dezer wereld. Vandaar dan ook wat men van de heiligen gezien heeft; zij ontdeden zich van alles.

1) Cant. 8. 6.

-ocr page 117-

— 97 —

wat de wereld liun aanbood, men zag hen verzaken aan hunne bezittingen, aan de hoogste waardigheden, aan al, wat zij hadden, en wegvluchten naar woestijnen en kloosters om al hunne gedachten alleen te wijden aan de liefde van God.

Eene ziel kan niet zijn zonder beminnen, hetzij dat zij God beminne of het schepsel. Vindt gij eene ziel van alle aardsche liefde ontbloot, gij zult haar gansch vol bevinden van de liefde Gods. Willen wij weten, of wij geheel aan God zijn, onderzoeken wij ons dau, of wij aan alles ter wereld zijn onthecht.

Sommige menschen beklagen zich, omdat zij in hunne godvruchtige oefeningen, in hunne gebeden, in hunnne communiën, in hunne bezoeken bij het 11. Sacrament God niet vinden. Tot dezulken zegt de H. Theresia : Onthecht uw hart van de schepselen, zoekt dan God en ge zult Hem vinden. Gij zult uiet altijd die geestelijke zoetheid vinden, welke de Heer in dit leren aan zijne beminde zielen niet bij voortduring, maar slechts nu en dan geeft om hun verlangen op te wekken naar

1

-ocr page 118-

— 98 —

die eindclooze geneugten, welke Hij hun in het paradijs houdt voorbereid; docli wat Hij hen wel doet ondervinden, is die inwendige vrede, welke alle zinnelijke genoegens te boven gaat. Pax Dei, quae exsuperat ornnern sensum. 1)

Wat grooter geneugte toch kan eene godminnende ziel smaken dan uit de innigheid haars harten te zeggen: Dem mens et omnia f Mijn God en mijn al. De H. Franciscus van Assisië bleef eens een geheelen nacht in eene hemelscho vervoering, terwijl hij voortdurend deze woorden herhaalde : Deus meus et omnia Mijn God en mijn al.

Fortis est ut mors dilectio. Als men een stervende nog een of ander stoffelijk ding zag vastgrijpen, zou dit een bewijs zijn dat hij nog niet dood was; de dood berooft van alles. Wie alzoo geheel aan God wil zijn moet vaarwel zeggen aan alles ; als hij nog iets voor zich zelvcn terughoudt, geeft hij blijk, dat zijne liefde tot God niet volmaakt is, maar zwak

1) Phil. 4. 7.

-ocr page 119-

— 99 —

Do goddelijke liefde berooft ons van alles. De liefde tot God, zeide een groot dienaar Gods, Pater Segneri de jongere, (wiens leven is beschreven door Muratori) de liefde tot God is een beminnelijke dievegge, die ons herooft van alles, wat dezer wereld is. Een ander dienaar Gods bad al zijne goederen aan de armen gegeven, en toen men hem later vroeg, wat hem tot zulk cene armoede gebracht had, haalde hij het evangelie uit zijn zak, en zeide: ziedaar, dit heeft mij van alles beroofd.

In één woord, Jezus Christus wil meester zijn van geheel ons hart en wil er geene mededingers. De senaat van Rome, zoo verhaalt ons de H. Augustinus, weigerde aan Jezus Christus de aanbidding, omdat Hij, zeiden zij, een trotsche God was, die alle eer alléén wilde ontvangen; en ja, zoo is het, Jezus Christus is onze eenige lieer. Hij heeft dus alle recht te vorderen dat wij Hem alleen aanbidden en met cene zuivere liefde beminnen.

De H. Franciseus van Sales zegt, dat de echte liefde tot God alles verslindt wat niet God is.

-ocr page 120-

— 100 —

Als er zich dus in ons hart ceni genegenheid doet gelden voor iets, wat God niet is of niet is voor God, dan moeten wij die terstond verwijderen en zeggen ga iveg van hier, er is yccn plaats voor u Daarin bestaat die algeheele verloochening welke de goddelijke Zaligmaker ons zoozeer aanbeveelt, als wij geheel de zijnen willen wezen; algeheele verloochening d. w. eene verloochening, die alles omvat, in het bijzonder ouders en vrienden. Hoe-velen worden nooit heilig, omdat zij willen behagen aan de menschen. David zegt, dat zij, die behagen aan de menschen, door God worden veracht. Qui hominibm placent confusi sunt, quoniam Deus sprc-vit eos. 1)

Boven alles echter moeten wij verzaken aan ons zeiven door de overwinning onzer eigenliefde. Vervloekte eigenliefde, die zich overal zelfs in onze heiligste werken wil inmengen, daar zij ons immer eigei glorie of eigen voldoening voor oogen stelt Hoevele predikers, hoevele schrijvers

1) Pa. 52. 6.

-ocr page 121-

— 101 —

verliezen aldus de vrucht van al hun zwoegen! Zelfs, als wij bidden, onze geestelijke lezing maken of te communie f^aan, sluipt er niet zelden eene minder zuivere bedoeling tusschen, b.v. om gezien te worden of geestelijken troost te smaken. Wij moeten er daarom immer op uit zijn dien vijand, waardoor wij onze schoonste werken verliezen, ten onder te brengen; zooveel mogelijk dus moeten wij ons alles ontzeggen wat bevalt, ons b.v. dat vermaak ontzeggen, juist, omdat wij er pleizier in vinden, aan dezen of genen persoon een dienst bewijzen, juist omdat hij ons minder aanstaat, dit of dat geneesmiddel innemen, juist omdat het bitter is. De eigenliefde doet het ons voorkomen als ware niets goed, waar zij niet hare voldoening in vindt; maar wie geheel aan God wil zijn, moet, waar het eigen pleizier geldt, zich zeiven geweld aandoen, en immer zeggen : Laat ik ook alles verliezen, als God maar voldaan is.

Niemand overigens is beter tevreden op deze wereld dan juist hij, die alle goederen der wereld veracht. Wie zich

-ocr page 122-

het edelmoedigst van zulke goederen ontdoet, wordt het ruimst begiftigd met de goddelijke genade; aldus weet de Heer zijne getrouwe minnaren te beloouen.

Mijn Jezus, Gij kent mijne zwakheid; maar Gij hebt beloofd een ieder te helpen, die vertrouwen stelt op U. Ik bemin U, Heer, ik vertrouw op U ; geef mij kracht en maak mij geheel den uwe.

Ook op U stel ik mijn vertrouwen, o mijne zoete Voorspreekster Maria.

-ocr page 123-

ont-

it de Eleer

§ 14.

o

i.

eid;

pen, iU, icht

OVER DE NOODZAKELIJKHEID VAN

HET INWENDIG GEBED.

reis, welke wij liier maken naar de, eeuwigheid. De eeuwige waarheden zijn iets geestelijks; daarom kan men ze niet zien met de oogen des lichaams, maar alleen met de beschouwing des verstands. Iemand, die niet overweegt, ziet ze.»niet, en zal daarom moeielijk den weg dei-zaligheid blijven bewandelen. Daarenboven, iemand, die niet overweegt, ziet ook zijne gebreken niet, en daaruit volgt, zegt de H. Bernardus, dat hij ze in het minst niet verfoeit. Evenmin ziet hij de

-ocr page 124-

— 104 —

gevaren, waaraan zijne zaligheid blootstaat ; hij denkt er dus niet aan die te vermijden. Maar als iemand overweegt, dan springen hem aanstonds zijne gebreken en de gevaren voor zijne zaligheid in het oog, en daar hij ze bemerkt, zal hij er ook op bedacht zijn zijne voorzorgen te nemen. De overweging zegt de H. Ber-nardus, regelt onze neigingen, leidt onze handelingen en herstelt onze misslagen. Consicleratio regit affect us, dirigit actus, corrigit excessus. 1)

O]) de tweede plaats is de overweging noodzakelijk, omdat wij zonder overweging de kracht missen om de bekoringen te overwinnen en ons toe te leggen op de deugd. De H.Theresia zegt, dat iemand, die de overweging verwaarloost, geen duivelen noodig heeft om hem naar de hel te brengen, want hij stort er zich van zeiven in neder.

De reden is, dat men zonder overweging ook het gebed niet beoefent. God doet niets liever dan ons zijne genade geven:

1) De oonsid. 1. 2. c. ö.

-ocr page 125-

— 105 —

maar, zegt de H. Gregorius, Hij geeft ze niet, of Hij moet er eerst om gevraagd worden en door onze gebeden als het ware gedwongen worden ze te geven. Vult Deus rogari, vult cogi, vult quadam importuni-late vinei. 1) Zonder het gebed evenwel, zal ons de kracht om aan onze vijanden te weerstaan ontbreken, en zullen wij niet volharden in het gebed. Monseigneur Palafox 2) schrijft: Hoe zal de Heer ons de volharding geven, als wij ze Hem niet vragen ? En hoe zullen ivij Hem vragen zonder hidden ? Maar iemand, die bidt, is gelijk aan een boom, die geplant is aan den oever van het water. Erit iamquam lignum, quodplantutum est secus decursus aquarum.3) Vandaar dat hij immer groeit.

Daarenboven is het inwendig gebed die zalige vuuroven, waarin de zielen worden ontvlamd van goddelijke liefde. In medi-tatione mea exardescet ignis. 4) De overweging, zegt de H. Catharina van Bologna,

1) In Ps. poenit. 6.

2) Ann. all. lett. d. S. Thereso.

3) Ps. 1. 3.

4) Ps. 38. i.

-ocr page 126-

— 106 —

is die gelukkige band, welke de zielen vasthecht aan Gad. Introcluxit me Rex in cellam vinariam, ordinavit in me car it a-tem. 1) De Koning geleidt mij in zijnen wijnkelder, zegt de gewijde bruid. Die wijnkelder is de overweging, waar de ziel zoozeer door de goddelijke liefde wordt bedwelmd, dat al hare zintuigen als het ware verdoofd worden voor de dingen dezer wereld. Niets ziet zij meer of het moet behagen aan haren beminde, van niets spreekt zij meer, tenzij van haren beminde, en van niets meer wil zij hooren spreken tenzij alleen van haren beminde. Elk ander gesprek verveelt haar en baart haar verdriet. De ziel, die zich afzondart in het gebed om zich daar alleen met God te onderhouden, zal zich, zegt de profeet, weldra boven zich zelve verheffen, Sc.de-bit solitarius et tacehit: quia levavit super se. 2) Hij zegt: sedebit, zij \'zal gezeten zijn. Wanneer nl. de ziel gezeten is, d. w. z. wanneer zij in de overweging

1) Cant. 2. 4.

2) Thren. 3. 28.

-ocr page 127-

rustig overdenkt, hoezeer God hare liefde waardig is en hoe groot zijne liefde is voor haar, zal zij in God smaak beginnen te vinden, zij zal haren geest met heilige gedachten vervullen, zich van aardsche genegenheden onthechten, grootmoedige verlangens zullen haar bezielen en ten laatste zal zij besluiten zich geheel aan God te geven. Waar vormden de heiligen do heldhaftigste besluiten en kwamen zij tot dien hoogcn graad van volmaaktheid, waar anders tenzij in het gebed ?

Hooien wij, wat de H. Joannes a Cruee zegt, als hij spreekt over het inwendig gebed:

Daar gaf Hij mij geheel zijn hart,

Daar leerde ik zijne zoetste leer;

Eu ik, \'k gaf mij geheel aan Hem, Niets hield ik voor mij zei ven meer: Daar werd mijn ziel de bruid van mijnen Heer.*

Maar, zegt de H. Aloysius van Gonzaga, men zal nimmer tot een hoogen graad van

* Quivi suo petto diemmi,

Quivi dottrina appresi assai gustosa; Ed io tutta sua femmi,

Non riserbando cosa :

Quivi gli promettei d\'esser sua sposa.

-ocr page 128-

— 108 —

volmaaktheid geraken, als men het gebed niet veelvuldig beoefent. Laten wij daarom hart hebben voor het gebed en verzuimen wij het nooit, hoe groot ook de verveling zij, die wij er ondervinden. De verveling, die wij daar lijden uit liefde tot God, zal ons ruimschoots worden vergoed.

O mijn God, vergeef mij mijne traagheid ; hoevele schatten van genade heb ik verloren, omdat ik zoo vaak nalatig ben geweest in het gebed! Geef mij voorde toekomst kracht om U getrouw te zijn cn hier op aarde te blijven omgaan met U, met wien ik hoop voor eeuwig te zullen verkeeren in den hemel. Ik vorder niet, dat Gij mij onthaalt op vertroostingen; ik verdien ze niet, sta mij slechts toe, dat ik blijf neergebogen voor uwe voeten om uwe barmhartigheid in te roepen voor mijne arme ziel. Daar, aan uwe voeten, mijn gekruiste Jezus, zal do gedachtenis aan uw lijden mij onthecht houden van de aarde en mij vereenigd doen blijven met U.

Heilige Maagd, sta mij bij in mijn gebed.

-ocr page 129-

§ 15.

DOELEINDEN VAN HET INWENDIG GEBED.

liet inwendig gebed of de over-weging goed te doen en er groot voordeel uit te trekken voor onze ziel, moeten wij eerst op den voorgrond stellen, met welk doel wij het beoefenen. Op de eerste plaats nu moeten wij het inwendig gebed beoefenen om ons meer en meer te vereenigen met God. Niet zoozeer nn zijn liet de goede gedachten van het verstand, die ons met God vereenigen, als wel de goede akten van den wil, of, gelijk men zegt, de godvruchtige gevoelens. Zulke godvruchtige gevoelens zijn bijv. akten van nederigheid, van vertrouwen,

-ocr page 130-

— 110 —

van overgeving en bovenal van liefde en berouw over zijne zonden. L)e akten van liefde zijn bet, (zegt de H. Theresia) die in onze harten het vuur der goddelijke liefde aan het branden houden.

Op de tweede plaats moeten wij het gebed beoefenen om van God de genaden te ontvangen, die noodig zijn voor onzen vooruitgang op den weg der zaligheid, en inzonderheid zijn goddelijk licht, om de zonden te vermijden en de middelen te kiezen, welke ons brengen zullen tot de volmaaktheid. De voornaamste vrucht evenwel van het inwendig gebed is, het verrichten van gebeden.1 God, volgens den gewonen regel gesproken, geeft zijne genaden niet tenzij aan hem, die vraagt. God, schrijft de II.Gregorius, wil gevraagd

1

Gchcd. Be. H. Alph. spreekt van gebed in een dubbelen zin. Vooreerst in een meer algc-meenen zin, en dan noemt de heilige yehed, elke verbefling der ziel tot God; vervolgens, in een meer beperkten zin nl. van vragen en sniec-ken. In bet Italiaanscb heeft men hiervoor twee ■woorden: orazioncenpreghiera. InhetHollandsch niet.

-ocr page 131-

_ 111 —

zijn, wil gedwongen worden, ja Hij wil als liet ware met geweld worden verwonnen: Vult Deus rogari, vult cogi; vult quaclam imporlunitate vinei. 1) Men gtve liier acht op de woorden; importunitate vinei, met geweld overwonnen worden. Somwijlen, als liet b.v. genaden geldt van grooter belang, zal liet niet voldoende zijn, dat wij eenvoudig bidden; maar wij zullen sterk moeten aanhouden en met onze gebeden God als liet ware moeten noodzaken ons bet gevraagde te geven. Het is waar. God is ten allen tijde bereid ons te yer-booren ; maar ten tijde der overweging, wanneer wij inniger met God vereenigd zijn, deelt Hij ons zijne genademiddelen met meer mildheid uit.

Bovenal moet men zorgen Hem tijdens het gebed do volharding te vragen en zijne heilige liefde. De volharding ten einde toe is niet eene genade, die alleen staat; maar het is een keten van genaden, waaraan moet beantwoorden de keten van onze gebeden.

1) In Ps. Toenit. 6.

-ocr page 132-

— 112 —

Indien wij ophouden met bidden, dan zal God ophouden ons zijne genaden te geven, en wij zullen verloren zijn. Die het inwendig gebed niet beoefent, zal moeielijk tot zijnen dood toe in de genade Gods volharden. Mgr. Palafox zegt in zijne aanteekeningen op de brieven van de II. Theresia. 1) Hoe zal de Heer ons de volharding schenken, indien wij ze Hem niet vragenEn hoe zullen wij ze Hem vragen zonder hidden? Buiten het gebed (zegt hij) is er geene gemeenschap met God.

Eveneens moeten wij er met onze gebeden op aandringen om Gods heilige liefde te verkrijgen. Met de goddelijke liefde, zeide de H. Franciseus van Sales, gaan alle deugden gepaard. Venerunt mihi omnia huna pariter cum ilia. 2) Alle goed komt in de ziel, als er de liefde komt. Laten wij dus aanhoudend vragen om volharding en liefde : en om dit met grooter vertrouwen te doen, laat ons denken aan de belofte door Jezus Christus gedaan, dat

1) Lett. 10 iiquot; 10.

2) Sap. 7. 11.

-ocr page 133-

— 113 —

God ons alles zal geven wat wij Hem vragen door de verdiensten van zijnen Zoon. Amen, amen dico vohis, si quid petienhs Patrem in nomine meo, daht vohis. 1) Als wij dus verlangen, dat God ons zijne gaven in alle volheid mededeelt, bidden wij dan en bidden wij zonder ophouden. Bidden wij voor ons zeiven; maar als wij ijver hebben voor de glorie Gods, bidden wij dan ook voor anderen, want het is God zeer aangenaam, als Hij ziet, dat wij Hem bidden voor de ongeloovigen, voor de ketters en voor alle andere zondaren. Confiteantur tihipopuli Deus, confiteuntur tihi populi omnes. Zeggen wij, Heer, doe U kennen, doe TJ beminnen. Men leze eens in de levens van de H. Theresia en van de H. Maria Magdalena de Pazzi, hoezeer God er bij die heiligen op aandringt dat zij zouden bidden voor de zondaren. Laten wij bij onze gebeden voorde zondaren ook het gebed voegen voor de zielen in het vagevuur.

Op de derde plaats moeten wij ons tot

1) Jo. ie. 23.

8

-ocr page 134-

— 114 —

het inwendig gebed begeven, niet om daar geestelijke zoetheden te smaken, maar vooral om te zien wat God van ons wil. Met Samuel moeten wij dan tot God zeggen: Loqucre Domme, quia auditservus tuus: Heer doe mij kennen wat gij van mij wilt, ik ben bereid het te doen. Sommige personen volharden in het gebed, zoolang de vertroostingen duren; maar honden deze op, dan laten zij het gebed varen. Het is waar. God ploegt in hot gebed zijne uitverkorene zielen te troosten en hun reeds eenigeu voorsmaak te geven van de geneugten, die Hij voor hen, die Hem beminnen, houdt voorbereid in den hemel. Daar hebben zij, die do wereld beminnen, geen begrip van; gewend om nooit anders te smaken dan aardschc genoegens, hebben zij voor de homelsche slechts verachting over. O, als zij ze eens kenden ! Ongetwijfeld zij zouden aan al hunne vermaken vaarwel zeggen om zich op tc sluiten in een cel, waar zij alleen van hart tot hart konden spreken met God.

Niets anders is het gebod dan een samenspraak tusschen God en de ziel. De

-ocr page 135-

— 115 —

ziel openbaart daar aan God hare gevoelens en hare begeerten, hare bekommeringen en hare smeekingen ; en God spreekt tot haar hart, Hij doet haar kennen, hoe goed Hij is. Hij doet haar de liefde kennen, die iïij haar toedraagt, en alles, wat zij doen moet om Hem genoegen te geven. Du cum earn in solitudinem et loquar ad cor ejus. 1) Maar die geneugten smaakt men niet immer; meestentijds lijden de heilige zielen in het gebed dorheid. Met dorheid en hekoringen (schrijft de H. Theresia) neemt God de proef op zijne beminden. En zij laat er op volgen : Mocht die dorheid ook het ;/arische leven duren, toch late de ziel het gehed niet varen ; de tijd zul komen waarop alles haar ruimschoots zal worden vergoed. De tijd van dorheid is de tijd van de grootste verdiensten ; laten wij ons dan vernederen, onderwerpen wij ons aan Gods wil, wanneer wij ons zeiven aldus zonder ijver gevoelen, zonder goede verlangens cn als het ware niet in staat eene enkele goede akte te doen; vernederen wij ons

1) Os. 2. 14.

-ocr page 136-

— 116 —

dan, zeg ik, en berusten wij er in, want zulk gebed zal ons meer voordeel doen dan elk ander. Het is genoeg dan te zeggen, zoo wij anders niet kunnen: Heer, help mij, heb medelijden met mij, wil mij toch niet verlaten.

Nemen wij dan ook onze toevlucht tot onze troosteresse, de Allerheiligste Maagd Maria. Gelukkig hij, die ten tijde der dorheid het gebed niet achterlaat. God zal hem overstelpen met genaden; laat hij dan zeggen: Ach mijn God, hoe kan ik er ook aanspraak op maken door U te worden getroost, ik, die op dit oogenblik verdiende te branden in dc hel, voor immer van U gescheiden en zonder hoop U nog ooit te kunnen- beminnen. Ik beklaag mij dan ook niet, o mijn God, dat Gij mij berooft van uwe vertroostingen, ik heb ze niet verdiend en ik vorder zo ook niet. Genoeg is het mij te weten, dat Gij eene ziel, die U bemint, niet kunt verstooten. Ontneem mij slechts niet dat vermogen om U te beminnen en voor het overige handel met mij, gelijk Gij wilt. Als het uw wil is

-ocr page 137-

— 117 —

mij tot mijnen dood toe en gedurende de gansclie eeuwigheid zoo bedrukt en troosteloos te doen blijven, ik heb er vrede mee; liet is mij genoeg, dat ik in waarheid zeggen kan: Mijn God, ik bemin U, ik bemin U ; Maria, moeder Gods, heb medelijden met mij.

-ocr page 138-

§ 16.

OVER GODS BARMHARTIGHEID.

jS^Kot» groot is het verlangen van God ïrMLA om ons deelachtig te maken aan zijne genaden, dat (gelijk de H. Angustinns zegt) het verlangen om ons die genaden te geven bij Hem grooter is dan bij ons de wensch om ze van Hem te ontvangen: Flus vult ille tibi largiri hima, quam tu aocipere concupiscas. En de reden daarvan is, dat de goedheid, gelijk de wijs-geeren zeggen, van nature est sui diffu-sivum d. w. v.. door hare natuur genoopt wordt zich uit te storten ten gunste van anderen. God daarom, die de oneindige goedheid is, heeft een grenzénloos ver-

-ocr page 139-

langen zich aan ons, zijne schepselen, mede te cleelen en ons deelachtig te maken aan zijne gaven.

En daaruit ook spruit voort het groote medelijden, dat God heeft met onze ellenden. De aarde, zegt David, is vol van de goddelijke barmhartigheid; niet is zij vol van de goddelijke rechtvaardigheid, want God oefent zijne rechtvaardigheid, in het bestraffen der zondaren, niet uit dan alleen wanneer het moet, en Hij als het ware gedwongen wordt ze te gebruiken. Daarentegen is Hij gemakkelijk en kwistig, waar het de uitoefening geldt zijner harmhartiyheid, en dit ten allen tijd en met allen. Daarom schrijft de li. Jacobus: Super exalt at misericordia judicium. 1) Be barmhartigheid roemt tegen het oordeel. De barmhartigheid rukt dikwijls aan de rechtvaardigheid de gees -cis, welke zij voor de zondaren bereid houdt, uit de handen en verwerft hun vergiffenis. ] )aarom noemt de profeet God zelfs met den naam „barmhartigheid.quot;

1) Jac. 2. 13.

-ocr page 140-

— 120 —

Deus meun misericordia me». 1) En vandaar zegt liij: Propter nomen tuum, Do-mine, propitiuberia peccato meo, 2) d. w. •/.. sclicnk mij vergiffenis, Heer, om wille van uwen naam, want Gij zijt de barmhartigheid zelve.

De profeet Isaias zegt, dat kastijden een werk is, wat met Gods hart niet overeenkomt, maar waarvan Hij een afkeer heeft en wat Hem vreemd is, (als wilde hij zeggen; verre verwijderd van zijne gezindheid). Dominus.... irascetur; ut facial opus suum, alienum opus ejus .... peregrinum est opus ejus ah co. 3)

Gods groote barmhartigheid kortom bewoog Hem zijn eigen Zoon naar de aarde te zenden om menseh te worden en te sterven op een kruis, opdat Hij ons zou bevrijden van den eenwigen dood. Daarom zong de H. Zacharias: Per viscera misericordiae Dei nostri, in qiiibus risi-tavit nos oriens ex alto. 4) Door de inge-

1) Ps. 58. 18.

2) Ps. 24. 11.

3) Is. 28. 21.

4) Luc. 1. 78.

-ocr page 141-

— 121 —

wanden van Gods harmhartigheid, waarin de Opgaande uit den hnoge ons heeft he-zocht. Per viscera misericordiae, door de ingewanden van Gods harmhartigheid, zegt de profeet. Dit beteekent eene barmhartigheid, welke voortkomt uit het diepste van Gods hart, immers God wilde, dat veeleer zijn menschgeworden Zoon stierf dan dat wij verloren gingen.

Om te zien, hoe groot Gods goedertierenheid voor ons is, en welk groot verlangen Hij heeft om ons goed te doen, is het voldoende die weinige woorden te lezen, welke Hij zegt in het Evangelie: Petite et dahitur vohis. 1) Vraagt en u zal gegeven worden. Wat zouden vrienden als blijk van genegenheid meer tot elkander kunnen zeggen dan: vraag van mij wat gij wilt en ik zal het u geven. Dat zest God tot een ieder van ons.

Bewogen bij het gezicht onzer ellende, noodigt Hij ons uit tot Hem te komen en belooft ons te zullen verkwikken. Venite ad me omnes qui laboratis et

1) Math. 7. 7.

-ocr page 142-

— 122 —

onerati es fis e.t eyo reficiam vos. 1) De Hebreeuwen beklaagden zich eens over God en zeiden, dat zij Hem geene genaden meer wilden gaan vragen; maar toen sprak God tot Jeremias: Waarom wil mijn volk niet meer tot mij komen? Ben ik soms een land dat woest ligt of achterlijk is, hetwelk geene vruchten geeft of die te laat geeft? Numquid soli-tudo fact us sum Israëli aut terra serotina ? quare ergo dixitpopuhis mens: Recessirrius, non veniemus ultra ad te. 2) Hiermede wilde God doen verstaan, welk ongelijk de Hebreeuwen Hem aandeden; immers aanstonds en ten allen tijde schenkt Hij troost aan een ieder, die zijne hulp inroept, gelijk Hij reeds zeide door den mond van Isaias: Statim ut audierit, respondebit tihi. 3) Zoodra Hij u hoort, zal Hij u antwoorden.

Zrjt gij zondaar, en verlangt gij vergiffenis ? O, heb geen vrees, zegt de

1) Matth. 11. 28.

2) Jer. 2. 31.

3) Is. 30. 19.

| H. •

heeft te g\' erlan | tua, dat i wacl harti Ers] En de k inke si(/n et li

Hij

-ocr page 143-

— 123 —

H. Joannes Chrysostomus, want God heeft grooter begeerte om u vergiffenis te geven clan gij begeert vergiffenis te erlangen: iVon adeo cupis dimittipeccata tua, sicutille dimittere. 1) Ziet God ecliter, dat iemand verhard is in zijne zonde, dan wacht Hij op hem, in de hoop nog barmhartigheid met hem te kunnen gebruiken. Exspectat Dominus ut misereatur vestri.2) En middelerwijl toont God dien zondaar de kastijding, die hem waeht, om hem tot inkeer te brengen. Dedisti metuentihiis te siynificationem, ut fugiant a facia arms et libermtur dilecti tui. 3) Xu eens gaat Hij staan kloppen aan de deur van zijn hart, opdat hij toeh zou openen. Ecce sto ad ostium et pulso; 4) clan weder loopt Hij hem achterna en roept uit : Et quare tnoriemini, domus Israël, 5) als wilde Hij vol medelijden zeggen: Mijn zoon, waarom clan wilt ge u zelvon

1) Hom. 23 in Math.

2) Is. 30. 18.

3) Ps. 59. G.

4) Ap. 3. 20.

5) Ez. 18. 31.

-ocr page 144-

— 124 —

ongelukkig maken? God gaat zoover, schrijft de 11. Dionysius, de Areopagiet, dat Hij zelfs den zondaar smeekt zich toch niet in het ongeluk te storten : Deus etiam a se aversos amatorie sequitur et deprecatur ne pereant. Ook de apostel zegt hetzelfde, want in naam van Jezus Christus smeekt hij dc zondaren zich met God te verzoenen. Obsecramus pro Christo, reconciliamini Deo. 1) Christus zelf (merkt de H. Joannes Chrysostomus hierbij aan) Hij smeekt U, en wat smeekt Hij? Verzoent u met God. Ipse Christus vos ohsecrat. Quid obsecrat ? Reconciliamini Deo.

Indien-eenigen alzoo nog verhard willen blijven, wat moet God dan nog meer doen\'? Ten overvloede doet Hij aan ieder weten, dat Hij niemand, die berouwvol tot Hem komt, zal verstoeten. Eum qui venit ad me non ejiciam for as. 2) Hij zegt bereid te zijn een ieder, die zich tot Hem bekeert, te omarmen. Convertimini ad me

1) 2 Cor. ó. 20.

2) Jo. 6. 37.

-ocr page 145-

— 125 —

et convertar ad rus. 1) Aan ieder zondaar, die berouw heeft, belooft Hij vergiffenis en verzekert hem, dat Hij niet meer zal denken aan zijne zonden: Si autem impius ejerit poenitentiam.... vita rivet; omnium iniquitatum ejus quas operatus est non recorclahor. 2) Hij gaat zelfs zoover, dat Hij ons oproept om Hem te beschuldigen. Venite et arguite me, si fuerint peccata vostra ut coccinum, quasi nix dealhabun-tnr. 3) Komt en beschuldigt mij, al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden gelijk sneeuw. Hij zegt arguite me, beschuldigt mij, als wilde Hij zeggen; berouwhebbende zondaren, komt tot mij, cn als ik u niet met open armen ontvang, verwijt mij dan, dat ik een breker ben van mijn woord.

Maar neen, de Heer kan een berouwvol hart niet versmaden. Cor contritum et hmniliatum Deus non despicies. 4). Men leze sleehts bij den 11. Lucas, met welk

1) 2 Zach. 1. 3.

2) Ez. 18. 21 et 22.

3) Is. 1. 18.

4) Ps. 50. 19.

-ocr page 146-

— 126 —

eene vreugde Hij het verloren schaap omarmde, 1) en met welk eene liefde Hij den verloren zoon ontving, toen deze aan zijne voeten wederkeerde. 2) God zelf op die plaats verklaart, dat er in den hemel meer vreugde is over een zondaar, die tot inkeer komt, dan over negen en negentig rechtvaardigen, die onschuldig zijn. Bi co vohis, quod ita gauclium erit in coelv super tmo peccatore poenitentiam ayentc, quam super nonayinta novem justis. 3) De H. Gregorius geeft hiervan als reden aan, dat de zondaren, die tot inkeer komen, gewoonlijk veel vuriger zijn in de liefde tot God, dan onschuldigen die lauw zijn. Flerumque gratior est Deo fervens post culpam vita, quam securitate torpens inno-centia. 4)

Mijn Jezus, omdat Gij mij met zooveel geduld hebt afgewacht en mij met zooveel liefde vergiffenis hebt geschonken, naar ik vertrouw, wil ik U ook veel beminnen;

1) Lue. lö. 5.

2) Ib. 20.

3) Luc. lö. 7.

4) Ap. Corn, a Lap. in 1. c.

-ocr page 147-

maar die liefde, Gij zelf moet ze mij geven. Geef ze mij, o mijn God. Het is weinig eervol voor U, dat een zondaar, zoozeer door U begunstigd, U weinig beminne. Mijn Jezus, wanneer zal ik beginnen even dankbaar te zijn voor U, als (rij goed zijt geweest voor mij? In liet verledene, in plaats van U dankbaar te zijn, heb ik U beleedigd en veracht. Zal ik misschien immer zoo voortleven jegens U, die niets gespaard hebt om mijne liefde voor U te winnen ? Neen mijn Zaligmaker, ik wil U beminnen en beminnen uit geheel mijn hart, ik wil U geen misnoegen meer veroorzaken. Gij beveelt mij U te beminnen en ik, ik heb geen ander verlangen dan dat. Gij zoekt mij en ik zoek niets anders dan U. Schenk mij uwe hulp zonder welke ik niets vermag. O Maria, o moeder van barmhartigheid, welaan, trek Gij mij geheel tot God.

-ocr page 148-

.4444444444444,4444444-44.4^44,4

\'\'•C.....\'-ïXW-.....-3^ ^Cc......— -O^C- -tZ

§ 17-

OVER HET VERTROUWEN OP JEZUS CHRISTUS.

^pVovcnniatc groot, gelijk , wij in de rilj) vorige paragraaf zagen, is voor ons de bannhartigheid van Jezus Christus; maar die barnihartiglicid, alzoo verlangt Hij het tot ons grooter welzijn, moeten wij met een levend vertrouwen van Hem verhopen, steunend op zijne verdiensten en zijne beloften. Daarom vermaant ons de H. Paulus dat vertrouwen standvastig te bewaren, want, zegt hij, het verkrijgt van God eene groote belooning. Nolite itaque amittere conficlentiam vestram quae mat/nam hahet remunerationem. 1) Als

1) Hebr. 10. 35.

-ocr page 149-

— 129 —

dan de vrees voor Gods oordeclen in ons liet vertrouwen seliijnt te verminderen, dan moeten wij die vreeze verdrijven en tot ons zeiven zeggen wat onze geleerde Saverio Mattei in zijne uitmuntende psalmvertaling zingt op de woorden van Psalm 42. Quare tristis es anima mea etc., waar hij aldus schrijft;

Maar hoe, gij kunt niet hopen En klopt van angst, mijn hart?

Welaan verdrijf die vreezen.

Weg met die sombre smart.

Waarom mij schrik aanjagen?

Vertrouw veeleer op God.

Ja, eeuwig Hem te prijzen Wordt eenmaal ook ons lot. *

De goddelijke Zaligmaker openbaarde aan de H. Geertruda, dat ons vertrouwen

Ma tu sperar non sai, Tu palpiti, o mio core? Deh sgombra il tuo timore: Non palpitar cosi !

Perchè turbar mi vocoi?

Spera nel tuo signore Chè i vanti, i pregi suoi Noi pur diremo un di.

9

-ocr page 150-

— 130 —

Hem een zoo groot geweld aandoet, dat het Hem onmogelijk is ons niet in alles, wat wij Hem vragen, te verhooren. Hetzelfde schrijft de H. Climacus. Oratio pie Deo vim infert. Ieder gebed, met vertrouwen verricht, doet God als het ware geweld aan, maar een geweld, dat Hem zoet en welgevallig is. Vandaar ook schrijft de H. Bernardtis, dat de goddelijke barmhartigheid gelijk is aan een ontzaggelijk groote bron, waar diegene den grootsten overvloed van genade uit ontvangt, die er heengaat met het grootste vat van vertrouwen. En dit is geheel volgens hetgeen de psalmist schrijft: Fiat misericorclia tua, Domine, super nos quemadmodum speravimus in te. 1) Heer, laat uive harm-hartiyheid over ons komen, gelijk wij op U gehoopt hehhen.

God heeft uitdrukkelijk verklaard, dat Hij al degenen, die op Hem vertrouwen, beschermt en zalig maakt. Protector est omnium Sperantium in se. 2) Qui salvos

1) Ps. 32. 22.

2) Ps. 17. 31.

-ocr page 151-

— 131 —

fads spernntes in te. 1) Dat allen zich dan verblijden, zegt David, die hunne hoop stellen op U, o mijn God, want zij zullen gelukkig zijn in eeuwigheid en Gij zult immer in hen wonen. Dezelfde profeet zegt: Sperantem, autem in Domino misericordia circumdalit 2). d. w. z. Hij, die op den Heer vertrouwt, zal zoozeer van alle kanten door zijne liefdevolle zorg worden omringd en beschut, dat hij beveiligd zal zijn tegen alle gevaar van verloren te gaan.

O wat groote beloften worden in de H. Schrift gedaan aan hen, die hunne hoop stellen op God! Wanen wij ons dan om onze bedrevene zonden al reeds verloren, ziet, het redmiddel is daar; Gaan wij ons met vertrouwen nederwerpen, zegt de apostel, voor de voeten van Jesus Christus; daar zullen wij vergeving vinden. Adeamus eryo cum fiducia ad thro-num gratia, ut misericordiam consequamur et gratiam inveniamus in auxilio oppor-

1) Ps. 16. 7.

2) Ps. 31. 10.

-ocr page 152-

— 132 —

tuno. 1) Wachten wij niet tot Jezus als rechter zal gezeten zijn op een troon van rechtvaardigheid, maar gaan wij thans tot Hem, nu hij gezeten is op een troon van genade. De H. Joannes Chrysostomus zegt, dat onze goddelijke Zaligmaker grooter verlangen heeft om ons vergiffenis te schenken, dan wij om vergiffenis te verkrijgen. Non adeo cupis dimitti pec-cata tua sicut ille cup it dimittere. 2) Maar, zegt wellicht een zondaar, ik verdien geene verhooring, als ik om vergiffenis vraag ; doch ik antwoord hem, dat, heeft hij zelf ook al de genade niet verdiend, zijn vertrouwen op de goddelijke barmhartigheid zal ze hem verwerven, want de vergiffenis van den zondaar steimt niet op zijne verdiensten, maar op de beloften van God, en God heeft beloofd vergiffenis te zullen schenken aan een ieder, die berouw heeft. Vandaar dat Jezus Christus zegt: Omnis, qui petit accipit. 3)

1) Hebr. 4. 16.

2) Hom. 23 in Math.

3) Luc. 11. 10.

1) 5

2) ]

-ocr page 153-

— 133 —

Een iedek, die vraayt, verkrijgt. De schrijver van het opus imperfectum het woord: omnis, een ieder, verklarende, zegt: Sive Justus sive peccator; men moge zondaar zijn of rechtvaaardige, het is genoeg, dat men bidde met vertrouwen. Hooren wij uit den mond van Jezus Christus zeiven, hoe hoogen prijs Hij stelt op het vertrouwen: Omnia, quaecunque orantes petitis, er edit e. quia accipietis et evenient vobis. 1) Alles wat gij biddende vraagt, gelooft dat Gij het zult verkrijgen, en het zal u geworden.

Is iemand alzoo in het bewustzijn zijner zwakheid bevreesd, dat hij zal terugvallen in zijne vorige zonden, laat bij dan slechts op God vertrouwen, en hij zal niet meer hervallen; de profeet geeft ons hiervan de verzekering: Non delinquent omnes, qui sperant in eo ! 2) zij zullen niet vallen, zij, die hopen op den Heer. Zij die op God vertrouwen, zegt Isaïas, veranderen van kracht; zij willen zeggen, dat zij een

1) Mare. 11. 24.

2) Ps. 33. 23,

-ocr page 154-

— 134 —

nieuwe kracht verwerven. Qui autem spe-rant in Domino mutahuntfortitudinem. 1) Laat ons derhalve volgens het woord van den H. Paulus, vast staan in ons vertrouwen en niet wankelen ; immers God heeft beloofd, dat Hij een ieder, die op Hem hoopt, zal beschermen; en daarom, als sommige zaken ons bijna onoverkomelijk toeschijnen, zeggen wij dan: Omnia possum in eo, que me confortat. 2) /A- kan alles in Hem, die mij versterkt. Wie toch heeft op God vertrouwd, en is verloren gegaan ? Nulhis speravit in Domino et confusus est. 3) Laten wij echter niet immer dat gevoelig vertrouwen verlangen ; het is genoeg dat wij den wil hebben om te vertrouwen. Dit is het ware vertrouwen, n. 1. te willen vertrouwen op God, omdat hij goed is, en ons wil helpen, machtig, en ons kan helpen, getrouw is, en ons zijne hulp beloofd heeft. Laten wij ons bovenal de beloften weten ten nutte te maken, welke

1) Is. 40. 31.

2) Phil. 4. 13.

3) Eccli. 2. 11.

-ocr page 155-

— 135 —

wij hebben ontvangen van Jezus Christus: Amen, amen dico vobis : si quid petieritis Fat rem in nomine meo, dabit vobis. 1) Voorwaar, voorwaar ik zeg U, als Gij den Vader iets in mijnen naam zult vragen. Hij zal het U geven. Laten wij daarom de genaden vragen, door de verdiensten van Jezus Christus, dan zullen wij verkrijgen al wat wij verlangen. O eeuwige God, ja ik weet het, ik ben arm aan alles, niets kan ik en niets heb ik, wat mij niet is toegekomen van uwe hand. Niet anders daarom zeg ik U dan, „lieer ontferm U mijnerquot;. Het ergste echter is, dat ik bij mijne armoede nog de boosheid heb gevoegd om uwe genade te beantwoorden met al die beleedigingen, welke ik U heb aangedaan. Maar ondanks dat alles, durf ik toch van uwe goedheid eene dubbele barmhartigheid hopen, en wel vooreerst de vergeving mijner zonden en vervolgens de genade der heilige volharding met de gave uwer heilige liefde; en vervolgens de genade van U tot mijnen dood toe

1) Jo. 16. 21.

-ocr page 156-

— 136 —

immer te smeeken mij te helpen. Dit alles vraag ik U en hoop ik van U door de verdiensten van Jesus, uwen Zoon, en van de gelukzalige Maagd Maria. O mijne groote Voorspreekster, kom mij te hulp met uwe gebeden.

In deze paragraaf heb ik melding gemaakt van het werk van den lieer Mattel over de psalmen, een werk, dat terecht van alle kanten bijval heeft verworven. Maar ik bid hem mij hier eene aanmerking ten goede te houden, die mij van het hart moet, en wel omtrent den uitbundigen lof, dien hij gegeven heeft aan de dichtwerken van zijn vriend Petrus Metastatio. Hij had daarvan moeten uitzonderen de profane minnedichten, daar deze geen lof, maar veeleer berisping verdienen; immers (gelijk ik in § 6 zeide) hoe schooner deze gedichten zijn des te schadelijker zijn ze voör de arme jongelieden. Hij had daarom in alle oprechtheid moeten zeggen, dat zijn geëerde vriend het groot talent, dat God hem heeft geschonken, veel beter had kunnen besteden aan andere werken, die tot stichting konden dienen en niet aan de zoo even genoemde gedichten, waarvoor hij wel is waar de toejuiching ontvangt van de wereldlingen, maar niet van de brave menschen en veel minder van God.

-ocr page 157-

— 137 —

In mijn werkje heb ik altijd vermeden iemand wie het ook zij te laken, zelfs al had men mij met beleedigingen overladen; maar ik schrik er niet voor terug hier in dit boekje mijne afkeuring uit te spreken over de minnedichten van Metastatio, immers de schrijver (gelijk ik in § 6 zeide) stemt hieromtrent zelf met mij in, daar hij tegenwoordig tot groote stichting, van deze minnedichten zelf een afkeer heeft en de werken, die de. wereld zoozeer toejuicht, thans zelf verfoeit. Ik weet wel, dat ik om deze afkeuring door de vereerders van Metastatio zal worden gelaakt; maar die vereerders moeten weten, dat, indien zij hem in dergelijke verderfelijke stukken prijzen, zij groot misnoegen geven, zoowel aan den Schrijver, die zou wen-schen ze niet gemaakt te hebben, alsook aan God, die verlangt dat boeken, welke schadelijk kunnen zijn voor de zielen niet geprezen worden maar gelaakt, zooals zij dit verdienen en zooals noodig is om den jongelieden, die onvoorzichtig genoeg zijn ze te lezen, de oogen te doen opengaan. Het is waar, dat de voortbrengselen van Metastatio allen zedig zijn en vrij van walgelijkheden, waarmede de goddelooze werken van Marino en andere besmet zijn; dit is waar; doch dit niettegenstaande kan men niet ontkennen, dat zijne uitdrukkingen van liefde al te teeder zijn en in staat om in het hart de vlam te ontsteken der onzuivere genegenheid. Wie ziet niet dat zulke genegenheden ten slotte op

-ocr page 158-

— 138 —

onreinheid uitloopen ? Dit blijkt duidelijk in het allerverdeifelijkst werkje de Pastor Jino, terecht, naar mij is medegedeeld, door de Kerk veroordeeld, en als het niet veroordeeld is, dan verdient het naar mijne meening wel duizendmaal zulks te worden. De aardsche en vleeschelijke genegenheden zijn een vuur, dat vroeg of laat leidt naar het vuur der hel. Maar al te goed weten zoovele ongelukkigen, door hunne eigene ondervinding geleerd, hoe die onzuivere vlammen, omdat zij er zich niet tijdig voor hebben gewacht, hun zoowel het hart als het verstand bedorven hebben.

De Heer Mattei mag daarom God wel bedanken, dat hij hem heeft ingegeven zijn grooten geest en zijne wetenschap te besteden aan een zoo nuttig en geleerd werk, hetwelk den lof van God alleen tot onderwerp heeft.

—=^@»0^3=—

-ocr page 159-

§ 18.

ZA.LIG WORDEN ALLEEN IS NOODZAKELIJK.

ffppögt;TO unum est necessarium. Er is maar $êf ééne zaak noodzakelijk. Het is niet noodzakelijk, dat wij in deze wereld vereerd worden met waardigheden, dat wij zijn bedeeld met rijkdommen, met eene goede gezondheid en met aardsche genoegens, maar het is noodzakelijk, dat wij zalig worden; immers een middenweg is er niet; als wij niet zalig worden, moeten wij verdoemd gaan. Na dit kortstondig leven zullen wij ofwel immer gelukkig zijn in den hemel of immer ongelukkig in de hel.

Ach mijn God, hoe zal het met mij

-ocr page 160-

— 140 —

zijn ? Zal ik zalig worden of zal ik verloren gaan? Een van beiden zal noodzakelijkerwijze mijn lot zijn. Ik hoop wel is waar zalig te znllen worden; maar wie geeft mij daarvan de verzekering ? Ik weet, dat ik reeds zoo dikwijls de hel heb verdiend; Jezus, mijn Zaligmaker, uw dood is mijne hoop.

Hoevele wereldlingen, die in dit leven overladen waren met rijkdommen, die tot hooge posten, ja zelfs tot tronen waren verheven, bevinden zich thans in de hel, waar al de fortuin, die zij in deze wereld maakten, hun tot niets dient dan tot grooter straf en grooter vertwijfeling! Ziethier, welken raad ons Jezus Christus geeft. Vergadert U, zegt Hij, yeene schatten op deze wereld;... maar vergadert U schatten in den hemel, waar noch mot noch roest ze verteert. Nelite thesaurizare vohis thesauros in terra . . . thesaurizate autem vohis thesauros in coelo, uhi neque aeruga neque tinea demolitur. 1) Alles wat wij winnen aan goederen dezer wereld, gaat

IJ Math. 6. 19 et 20:

-ocr page 161-

— 141 —

met den dood verloren; maar de geestelijke goederen, die wij winnen, zijn schatten van onvergelijkelijk veel grooter waarde en duren in eeuwigheid.

God, Hij heeft het ons gezegd, wil de zaligheid van allen. Vult omnes homines salvos fieri; en aan allen geeft hij de noodige hulp om zalig te worden. Rampzalig hij die verloren gaat! Heel de schuld ligt aan hem zelf. Perdilio tua ex te, Israël, tantummodo in me auxilium tuum. 1) En dit zal de grootste straf voor de arme verdoemden zijn: de gedachte, dat zij verloren zijn gegaan door hunne eigene schuld.

Vindicta carnis impii, iynis et vermis. 2) liet vuur en de worm (d. w. z. de knaging van het geweten) zullen de beulen van den verdoemde zijn tot straf zijner zonden ; de worm echter zal hem veel meer folteren gedurende de eeuwigheid dan het vuur.

Wat droefheid veroorzaakt in deze

1) Ps. 13. 9.

2) Euli. 7. 19.

-ocr page 162-

— 142 —

wereld niet het verlies van een of andere zaak van waarde, b. v. van een diamant, een horloge, of een beurs met geld, vooral wanneer dit geleden is door eigen schuld ? Men kan niet eten, men kan niet slapen bij de gedachte aan het groot verlies; en toch, er is dan nog hoop om het op een of andere wijze te herstellen. Hoe groot moet dan wel de foltering zijn van den verdoemde, daar hij denken moet, dat hij door eigen schuld zijnen God en het paradijs verloren heeft, zonder eenige hoop die nog ooit wederom te kunnen herwinnen.

Ergo erravimus. Ziedaar wat in eeuwigheid de klacht zal zijn van de rampzalige verdoemden : wij hebben dan gedwaald, wij hebben ons vrijwillig in het ongeluk gestort, en daar bestaat voor onze dwaling geen herstel meer. In alle rampspoeden, welke ons in dit leven overkomen, wordt er altijd vroeg of laat wel een middel van leniging gevonden, hetzij dan, dat de zaken een keer nemen of ten minste, dat men zich overgeeft aan den goddelijken Wil, maar quot;een enkel dezer heilmiddelen

-ocr page 163-

— 143 —

ziil ons ten dienste staan, wanneer wij in de eeuwigheid zullen zijn aangekomen en dan den weg des hemels hebben gemist. Daarom vermaant ons de Apostel onze zaligheid te bewerken niet de aanhoudende vreeze van haar te zullen verhezen. Cum metu et tremore vestram salutem operamini. 1) Die vreeze zal ons immer met behoedzaamheid doen wandelen, ons de kwade gelegenheden doen vluchten, maken, dat wij ons immer aan God aanbevelen, en aldus zullen wij zalig worden. Laten wij den lieer bidden, dat Hij ons deze gedachte diep in hot hart prente, nl. dat het van dien laatsten zucht, welken wij in het uur des doods zullen slaken, afhangt, of wij eeuwig gelukkig zullen zijn of eeuwig rampzalig, zonder hoop op herstel.

Mijn God, meermalen heb ik uwe genade veracht: ik verdien dan ook geen medelijden; maar van uwen profeet verneem ik, dat Gij goed zijt voor een ieder, die U zoekt. Bonus ent Dominus animrc

1) Phil. 2. 12.

-ocr page 164-

— 144 —

quaerenti ilium. 1) Vroeger ben ik van U weggevlucht; maar thans zoek ik, thans wenseh ik, thans bemin ik niets anders meer dan U. Om liefde\'swille versmaad mij niet; denk aan het bloed, dat Gij voor mij gestort hebt. Dit bloed en uwe bemiddeling, o Maria, o Moeder van God, ziedaar al mijne hoop.

I) Thr. 3. 26.

-ocr page 165-

§ 19.

OVER DE VOLMAAKTE ONDEEWEEPING AAN GODS WIL.

ejus. 1) Mijne spijs is den wil te doen van Hem, die mij gezonden heeft. Ziedaar wat Jezus Christus zeide van zich zeiven. In dit sterfelijk leven is het de spijs, die ons het leven bewaart, en daarom zeide Jezus, dat den wil te doen van den Vader zijne spijs was. Ook van zielen moet dit de spijs zijn. Et vita in voluntate ejus. 2) In de vervulling van den goddelijken wil bestaat ons leven; wie dien wil niet vervult, is dood.

1) Jo. 1. 34.

2) Ps. 29. 6.

eus cibus est ut faciam voluntatem

10

-ocr page 166-

— 146 —

De Wijze Mean zegt: Fideles in dilec-tione aequiescent illi. 1) Die getrouw zijn in de liefde, zullen hij Hem verblijven. Zij, die weinig getrouw zijn in de liefde Gods, zonden wenschen, dat God zich wilde voegen naar hen, en alles doen, wat zij begeerden; maar zij die God beminnen, zij schikken zich in alles en berusten in alles, wat God, omtrent hen zeiven of omtrent de zaken, die hun aangaan, beschikt; en in alle tegen-heden, welke hen drukken, zooals ziekten, oneer, bitterheden, verlies van goederen of bloedverwanten, immer hebben zij in allen nood dat woord of in het hart of op de lippen, hetwelk de gewone leuze der heiligen was, fat voluntas tua, uw wil geschiede.

God wil niets anders dan hetgeen voor ons het beste is, nl. onze heiligmaking. Haec est voluntas Dei, sanctijicatio ves-tra. 2) Laten wij daarom altijd kalm blijven door onzen wil immer te ver-

1) Sap. 3. 9.

2) Thea. 14. 3.

-ocr page 167-

— 147 —

eenigcn met den wil van God, en evenzoo ons verstand; denken wij er aan, dat al wat God doet, voor ons het beste is. Wie aldus niet handelt, zal nooit den waren vrede vinden. De hoogste volmaaktheid, welke wij op deze wereld, die een oord van zuivering, en dus een oord van lijden en kwelling is, kunnen hereiken, bestaat daarin, dat wij geduldig dragen hetgeen met onze eigenliefde in strijd is; en om dit geduldig te verdragen, bestaat er geen krachtiger middel dan het te willen lijden uit onderwerping aan Gods wil. Acquiesce igitur ei et haheto pacem. 1) Die zich in alles met den wil van God vergenoegt, is altijd tevreden, en niets van al, hetgeen hem ook overkomt, bedroeft hem. Non contristahit jus turn quidquid ei accident. 2) En hoe komt het, dat de rechtvaardige zich nimmer bedroefd maakt, wat er ook geschiede ? Omdat hij weet, dat alles, wat er geschiedt in de wereld, geschiedt door den Wil van God.

1) Job 22. 21.

2) Spreuk. 12. 21.

-ocr page 168-

— 148 —

De goddelijke Wil stompt, om het zoo uit te drukken, alle doornen af, en neemt het bittere weg van alle beproevingen, die ons in deze wereld overkomen. Een versje van den goddelijken Wil sprekende, zegt:

Gij verandert \'t kruis in vreugd,

\'t Sterven zelfs maakt ge een geneugt. Die zich slechts naar U kan voegen, Is nooit treurig om zijn lot.

O wat zijt Ge minnenswaardig,

Heil\'ge wil van mijnen God! 1

Ziethier den schoonen raad, welken ons de H. Petrus geeft, om te midden van de talrijke wederwaardigheden dezes levens den waren vrede te vinden. „ Werpt,quot; zegt hij, „al ime bekommeringen op God, want Hij draagt zorg voor IJ. Omriem sollicitudinem vestram projicientes in eum,

1

Tu le croci cangi in sorte. Tu fai dolee ancor la morte. Non ha croce nè timore. Chi ben teco unir si sa. Quanto degna sei d\'amore, O divina voluntii.

-ocr page 169-

— 149 —

quoniam ipsi est euro, de vohis. 1) Maar als een God alle zorg voor ons geluk op zich neemt, waarom kwellen wij ons dan met zoovele bekommeringen, alsof ons geluk van onze zorg afhing, en waarom geven wij ons niet over in de handen van God, van wien alles af hangt ? Jacta super Dominum curam tuam, et ipse te enutriet. 2) Werp mven kommer op den Heer, (zoo vermaant ons David) en Hij zal voor u zorgen. Laten wij van onzen kant slechts zorgen om gehoorzaam te zijn in alles, wat God ons beveelt of aanraadt, en laten wij vervolgens aan Hem de zorg over voor onze zaligheid; dan zal Hij er wel aan denken ons alle middelen te geven, die wij ter zaligheid noodig hebben. Erit tibi anima tua in salutem, quia in me luibuisti Jiduciam. 3) Die al zijn vertrouwen stelt op God, is zeker dat hij niet zal beschaamd worden. Om kort te gaan, die den wil van God vol-

1) 1 Petri 5. 7.

2) Ps. 54. 23.

3) Jer. 39. 18.

-ocr page 170-

— 150 —

brengt, komt in den hemel, en wie dien niet volbrengt, komt er niet. Velen stellen de hoop hunner eeuwige zaligheid in sommige devotie\'s, in zekere uiterlijke werken van godsvrucht, en middelerwijl wijken zij af van den goddelijken wil; maar Jezus Christus zegt: Non omnia qui (licit mihi Domine Domine, intrabit in reynum coelorum; sed qui facit volunta-tem putris mei.... ipse intrabit in regnum coelorum. 1) Niet ieder, die tot mij -egt. Heer Heer, zal ingaan in het Rijk der Hemelen; maar wie den wil doet mijns Vaders, hij zal ingaan in het Rijk der Hemelen.

Alzoo, willen wij zalig worden, willen wij tot de volkomene vereeniging geraken met God, laten wij Hem dan immer de bede doen van David: Doce me, Domine, facere voluntatem tnarn. 2) Leer mij, Heer, uwen toil te doen. Laten wij ons van onzen eigen wil ontdoen om dien geheel en zonder voorbehoud aan God te geven.

1) Math. 7. 21.

2) Ps. 142. 10.

-ocr page 171-

— 151 —

Wanneer wij aan G.od onze goederen geven door de aalmoes, onze spijzen door liet vasten, ons bloed door de boet-pleging, dan geven wij Hem wel is waar van het onze; maar als wij Hem onzen wil geven, dan geven wij Hem geheel ons zeiven. Hij derhalve,_ die aan God zijnen wil geeft, kan zeggen ; _Daar ik U mijn wil heb gegeven, o Heer, blijft mij niets meer te geven over. Het offer van den wil is het aangenaamste offer wat wij God kunnen brengen en God overlaadt met zijne genaden een ieder, die Hem dit brengt. Doch zal dit offer volmaakt zijn, dan moet dit twee eigenschappen hebben; het moet zijn: zonder voorhnhoud en standvastig. Sommige men; schen brengen God wel is waar het offer\' van hun wil, maar zij doen het niet. zonder voorbehoud; zoodanig offer nu is aan God weinig aangenaam. Anderen weder geven hunnen wil; maar nemen dien later weer terug, en stellen zich in groot gevaar door God verlaten te worden. Daarom moeten al onze pogingen, al onze verlangens, al \' onze gebeden ten doel

-ocr page 172-

— 152 —

hebben van God de volharding te verkrijgen, dat wij mogen volhouden in ons besluit om nooit iets anders te willen dan wat Hij wil. Laten wij daarom dagelijks die algeheele overgave van onzen wil aan God vernieuwen, en wachten wij ons wel van iets te zoeken of te be-geeren, wat met dien goddelijken wil niet overeenkomt. Op die wijze zullen alle hartstochten, alle begeerten, allo ongeregelde bewegingen in ons hart tot zwijgen komen.

Toen zuster Margaretha van het kruis, dochter van Keizer Maximiliaan en reliai-

o

euse van de barre voeten orde der H. Clara geheel en al het gezicht had verloren, zeide zij : Hoe zou ik verlangen te zien, als God niet wil dat ik zie.

Ontvang, o God mijne ziel, ontvang het offer van geheel mijnen wil, van geheel mijne vrijheid. Ik weet het, ik verdiende dat Gij mij den rug toekeerdet en weigerdet mijn offer aan te nemen, daar ik U zoo dikwijls ontrouw ben geweest, maar ik hoor, hoe Gij mij opnieuw beveelt U uit geheel mijn hart te

-ocr page 173-

— 153 —

beminnen ; ik ben er daarom zeker van, dat Gij mijn offer zult aannemen. Geheel en gansch dan geef ik mij aan uwen godde-lijken Wil over. Doe mij kennen, wat Gij van mij wilt; want ik ben bereid alles ten uitvoer te brengen. Geef, dat ik U beminne en verder moogt Gij over mij en over al het mijne beschikken, gelijk U goeddunkt. Ik ben geheel in uwe handen; doe met mij, hetgeen Gij weet, dat mij het nuttigste is voor mijne eeuwige zaligheid, want ik betuig, dat ik U alleen begeer en anders niets. O Moeder van God, verwerf Gij mij de heilige volharding.

Gij Jezus, zijt mijn schat, mijn leven,

Gij \'t eenig-st, wat mijn ziele vraagt,

\'k Heb mij geheel aan U gegeven, Doe maar met mij, wat U behaagt. 1)

1

Mio Gesü, diletto mio, lo non voglio altro ehe te. Tutto a te mi do, mio Dio : Fanne pur che vuoi di me.

-ocr page 174-

§ 20.

GELUKKIG HIJ, DIE AAN GOD GETROUW IS IN DEN TEGENSPOED.

e getrouwheid van den soldaat leert men kennen in den strijd, niet in den vrede. Deze aarde is voor ons het oorlogsveld, waar wij allen moeten strijden en overwinnen om zalig te worden. Als men niet verwint dan is men verloren, en verloren voor eeuwig. Vandaar zeide de H. Man Job : Cunctis diehus, quihus nunc milito expecto donec veniat immutatio mea. 1) Alle dagen, die ik nu strijden moet, wacht ik totdat mijne verande-

1) Job. 14. 14.

-ocr page 175-

— 155 —

ring komt. Job leed, daar hij zoovele vijanden te bestrijden had: maar hij troostte zich met de hoop, dat er, als hij zegepraalde, na zijnen dood verandering zou komen in zijn lot. Van die verandering sprak ook de H. Paulus en hij bemoedigde zich daarmede zeggende : Et mortui resurgent incorrupti; et nosimmu-tabimur. 1) In den hemel, zeide hij, verandert onze toestand; daar is het geen plaats meer van arbeid, maar van rust, geene plaats van droefdheid en kwelling, maar van blijheid en eeuwige vreugd. Welaan laten wij bemoedigd door de hoop op dat groote geluk tot onzen dood toe strijden en ons nimmer gewonnen geven aan onze vijanden donec veniat immutatio nostra tot dat eenmaal het einde komt van den strijd, en het begin aanbreekt der gelukzalige eeuwigheid.

Usque in tempus sus tinehit pat iens, et postea redditio jucunditatis. 2) Gelukkig

1) 1. Cor. 15. 51.

2) Eccl. 1. 29.

-ocr page 176-

hi] die in dit leven voor zijn God mag lijden; zijn lijden duurt slechts eenigen tijd usque ad tempus ; maar zijn vreugde in het land der gelukzaligen zal eeuwig zijn. Voorbijgaan alzoo zullen de vervolgingen, voorbijgaan de bekoringen, de ziekten, de lasten en ellenden van dit leven, en dan zal God ons een leven geven wat ons ten volle gelukkig maakt en dat nooit voorbijgaat. Nu is het de tijd om den wijngaard te besnoeien, en alles te verwijderen, wat ons den weg naar het beloofde land des hemels belet. Tempus putationis advenit. 1) Het snoeien baart pijn, daarom heeft men geduld noodig: postea redditio jucun-ditatis, maar later zullen wij naar de mate van ons lijden worden getroost. God is getrouw voor een ieder, die hier op aarde ter zijner liefde met geduld en overgeving lijdt. Hij belooft, dat Hij zelf voor dezulken het loon zal zijn, en dat loon zal ons lijden oneindig ver te boven gaan. Hgo mere es tua magna

1) Cant. 2. 12.

-ocr page 177-

— 157 —

nimis. 1) Maar de Heer wil, dat wij, alvorens de kroon van het eeuwig leven te ontvangen, eerst door de bekoringen worden beproefd. Beatus vir, qui sufferl len-tationem, quoniam cum prohatus fuerit accipiet coronam vitae, quam repromisit Deus diligentibus se. 2) Gelukkig dan hij die aan God getrouw blijft te midden van lijden en wederwaardigheden.

Sommige lieden meenen, dat zij door God bemind worden, wanneer al hunne zaken voorspoedig gaan, en zij geen wederwaardigheden hebben ; maar zij bedriegen zich ; want niet in den voorspoed, maar in de wederwaardigheden beproeft God het geduld en de getrouwheid zijner dienaren om hun daarna die kroon te geven, welke niet vergaat gelijk al de kronen dezer wereld; maar die, gelijk de H. Petrus schrijft, een kroon van eeuwige glorie zal wezen. 1\'ercipictis immarcessihilem gloriae coronam. 3) En

1) Gen. 15. \'2.

2) Jac. 1. 12.

3) 1 Petr. 5. 4.

-ocr page 178-

— 158 —

die kroon, aan wien wordt zij beloofd ? De H. Jacobus zegt: quam repromisit Deus diligentibus se. God beeft haar beloofd en berbaaldelijk beloofd aan wien Hem bemint; want de goddelijke liefde is bet die ons den moed zal geven om dapper te strijden en ons de overwinning zal doen bebalen.

Met de liefde Gods moet ook gepaard gaan de nederigheid. Goud en zilver, zegt de Ecelesiasticus, worden beproefd in het vuur; maar de menschen, die aangenaam zijn aan God, in den oven der vernedering. Quoniam in igne prohatur aurum et argentum; homines Deo recep-tibiles in camino humiliationis. 1) In de vernedering komt bet uit wie de heiligen zijn, daar blijkt bet of zij goud zijn of lood. Deze of gene persoon bijv. wordt algemeen voor een heilige gehouden; doch ziet,quot; nauwelijks ontvangt hij een minder aangename bejegening, of hij is geheel van streek, overal beklaagt hij zich, en zegt, dat bet den ander berouwen

1) Eccl. 2. ;5.

-ocr page 179-

— 159 —

zal. Wat bewijst dit ? Het bewijst, dat hrj lood is. De Heer zegt: In humi-litate tua patientiam habe. 1) Heb geduld in uwe vernedering. De hoovaardige acht elke beleeding die hij ontvangt, eene groote onrechtvaardigheid; en daarom kan hij die niet verdragen; de nederige daarentegen meent elke kwade bejegening, hoedanig die ook zij, te verdienen, en daarom verdraagt hij alles met gedidd. Laat hij, die een doodzonde bedreven heeft, slechts een blik werpen op de hol, die hij verdiend heeft, en in iedere smart zal hij het geduld weten te bewaren. Laten wij dan liefde hebben voor God, laten wij nederig zijn, en al wat wij doen, doen wij het niet om ons zeiven te voldoen, maar om genoegen te geven aan God. O die vervloekte eigenliefde!, zij wil zich overal zelfs in onze heiligste werken op den voorgrond stellen, zelfs in de geestelijke oefeningen, in het gebed, in de boetplegingen en in alle andere werken van godsvrucht tracht zij

1) Eccli. -t.

-ocr page 180-

— 160 —

immer eigen voldoening te vinden. Zeldzaam zijn de vrome zielen, welke op die wijze niet misdoen. Mulierem forfem quis inveniet ? procul et de ultimis f\'m-hus pretium ejus.

Waar vindt men eene ziel, zoo sterk, dat zij, vrij van eiken hartstocht en zonder eenig eigenbelang, standvastig blijft in hare liefde tot Jezus Christus, ook te midden van verachtingen, van smarten, van bitterheden des geestes en de kwellingen des levens ? Dezulken, zegt Salomon, zijn edelsteenen van hooge waarde, zij komen van de uiterste grenzen dei-aarde, en daarom zijn zij hoogst zeldzaam. Mijn gekruisigde Jezus, ook ik ben er een die tot zelfs in mijne godvruchtige oefeningen eigen genoegen en eigen voldoening heb gezocht. Welk een verschil met U, die ter liefde van mij een leven hebt geleid vol bitterheid, zonder eenige verkwikking ! Verleen mij uwe hulp, want van nu af wil ik alleen uw welbehagen en uwe glorie zoeken. Ik wil U beminnen zonder belangzucht. Maar ik ben zwak. Gij moet mij krachten geven om dit uit

-ocr page 181-

161

te voeren. Zie Heer, ik beu de mvo, beschik over mij gelijk liet U behaagt; maak, dat ik U beminne, niets anders vraag ik U. O Maria verwerf mij door uwe tusscheukomst getrouwheid aan God.

li

-ocr page 182-

WIE JEZUS CHRISTUS BEMINT, MOET DE WERELD HATEN.

Jezus Christus met oprechte

__„.Me bemint, is innig blijde, als

hij ziet, dat hij op dezelfde wijze dooide wereld wordt behandeld als Jezus Christus, die door de wereld gehaat werd, bespot en vervolgd, zóó zelfs, dat zij hem van smart deed sterven aan een hout van schande. De wereld is geheel tesrenovergresteld aan Jezus Christus, en

O O 7

daarom haat zij Jezus Christus, haat zij ook al zijne dienaren, liet was daarom, dat de goddelijke Zaligmaker zijne leerlingen aanmoedigde om de vervolgingen der wereld met kalmte te

-ocr page 183-

— 163 —

verdragen; daar zij de wereld hadden verlaten, zeide Hij, kon het niet anders, of zij moesten door de wereld worden gehaat. De mundo non estis.... propterea oclit vos mundus. 1)

Welnu, evenals de zielen, die God beminnen, hatelijk zijn in de oogen der wereld, zoo moet de wereld een voorwerp zijn van haat voor den beminnaar van God. De II. Paulns zeide: Mi hi ahsit gloriari nisi in cruce Domini nostri Jesu Christi per qitem mild mundus cru-eifixus est, et ego mundo. 2) Verre zij het van mij te roemen dan op het kruis van Onzen lieer Jezus Crhistus, door tuien de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld. De H. Paulns baarde afschrik aan de wereld, gelijk een veroordeelde, die dood aan het kruis hangt: maar dien zelfden afschrik baarde ook de wereld aan den H. Paulus, mihi mundus cru-cifixus est.

Tot dit einde wilde Jezus Christus voor

1) Jo. 15. 19.

2) Gal. VI, 14.

-ocr page 184-

— 164 —

onze zonden sterven aan liet kruis, om ons te bevrijden van de liefde tot deze booze wereld: Dedit semetipsum pro peccatis nostris, ut eriperet nos de hoe saeculo nequam. 1)

Onze goddelijke Zaligmaker die ons geroepen beeft tot zijne liefde, verlangt dat wij ongevoelig worden voor de beloften der wereld, zoowel als voor hare bedreigingen ; Hij verlangt, dat wij niet de minste rekening bouden nocb met hare blaam noch met hare toejuiching. Wij moeten God bidden, dat Hij ons de wereld geheel doe vergeten, ons blijde doe zijn wanneer wij zien, dat de wereld ons verstoot.

Om geheel aan God te zijn, is het evenwel niet genoeg de wereld te verlaten, maar wij moeten verlangen, dat ook de wereld ons verlate en ons geheel en al vergete. Sommigen verlatende wereld maar blijven toch het verlangen koesteren om door de wereld geprezen te worden, al was het maar, omdat zij haar hebben

1) Gal. 1. 4.

-ocr page 185-

— 165 —

verlaten. Door het verlangen nu, dat dezulken voeden naar de achting dei-wereld, maken zij, dat de wereld in hen nog blijft leven.

Gelijk verder de wereld Gods dienaren haat, en daarom ook een afkeer heeft van hunne goede voorbeelden en hunne heilige beginselen, zoo ook moeten wij een afkeer hebben van alle beginselen der wereld. Prudent ia carnis inimica est Deo, lecji Dei non est suhjecta, nee enim potest. 1) Het trachten des vleesehes is vijandig tegen God, het is niet onderworpen aan Gods u-et, want het hm dit ook niet. De Apostel zegt: nee enim potest, want het kan dit ook niet zijn; zeer zeker, want de wereld beoogt niets anders dan eigen voordeel en eigen voldoening; zij kan zieh dus niet vereenigen met diegenen welke alleen het welbehagen zoeken van God.

Ja, mijn Jezus, die voor mij gekruist en gestorven zijt, alleen aan U wil ik behagen. Wat maakt mij de wereld, wat

1) Eom. 8. 6 en 7,

-ocr page 186-

— 166 —

de rijkdommen, wat de eer en glorie! Gij alleen, mijn Verlosser, zult geheel mijn schat zijn. Wilt Gij, dat ik arm zij; ik wil arm zijn. Wilt Gij, dat ik vernederd zal wezen en door een ieder veracht; ik neem alles uit uwe hand aan. Uw heilige wil zal immer mijn troost zijn. Maar ziehier de genade die ik U vraag: maak, dat ik bij al wat mij overkomt, in het minst niet afwijke van uwe heilige wilsbeschikkingen.

-ocr page 187-

EEN STERVENDE, DIE SPREEKT MET DEN GEKRUISTE,

J^Ipezus, mijn Zaligmaker, die binnen yS weinige oogenblikken mijn Rechter moet zijn, ontferm U mijner alvorens het oogenblik aanbreekt om mij te oordeelen. Neen, geene vrees jagen mij mijne zonden aan noch ook de strengheid van uw oordeel; want ik aanschouw U hier dood op dit kruis voor mijne zaligheid.

Maar toch houd niet op mij te versterken in de benauwdheden waarin ik mij bevind; mijne vijanden willen mij vrees aanjagen en zeggen mij dat er geen zaligheid is voor mij : Multi dicunt

-ocr page 188-

— 168 -—

animac meae: non est salus ipsi in Deo ejus. 1) Maar ik wil immer blijven ver-trouwen op uwe goedheid: Tu au tem Domine, susceptor meus es. 2) Welaan troost mij, laat ik van U hooren, dat Gij mijne zaligheid zijt: Bic animae meae : salus tua ego sum. 3)

Laten voor mij niet verloren zijn al die smarten, al die verguizingen, die Gij geleden hebt, al dat bloed, dat Gij voor mij hebt vergoten. Redemisti crucem passus ; tantus labor non sit cassus.

Inzonderheid bid ik U, bij de bitterheid die Gij gevoeldet, toen uwe gezegende ziel zieh scheidde van uw allerheiligst lichaam, toch medelijden te hebben met mijne ziel, wanneer zij mijn lichaam zal verlaten. Het is waar, ik heb U door mijn zonden zoo dikwijls versmaad : maar thans bemin ik U boven al; ik bemin U meer dan mij zelvcn, eu uit het diepst mijns harten heb ik

1) Ps. 3. 3.

2) Ibid. 4.

3) Ibid. 34. 3,

-ocr page 189-

— 169 —

berouw over al het misnoegen dat ik U veroorzaakt heb. Ik verfoei het nu en haat het boven alle kwaad. Ik erken dat ik om de beleedigingen, U aangedaan, duizendmaal de hel verdiende; maar de bittere dood, dien Gij voor mij hebt willen ondergaan, en al die bewijzen van barmhartigheid, die ik van U heb ontvangen, doen mij hopen, dat ik van U, als ik voor U zal verschijnen, den heiligen kus van vrede zal ontvangen.

Vol vertrouwen op uwe oneindige goedheid, o mijn God, geef ik mij in uwe liefdevolle armen over. In te, Dom ine, speravi; non confundar in aeternüm. Ik heb, wel is waar door de beleedigingen die ik U heb aangedaan zoo dikwijls de hel verdiend; maar uw heilig bloed geeft mij het vertrouwen, dat Gij mij vergiffenis hebt geschonken en dat ik in den hemel zal komen om daar uwe barmhartigheid in alle eeuwigheid te verheerlijken. Misericordias Domini in aeternüm cantaho. Bereidwillig aanvaard ik al de pijnen, die Gij mij voorbehoudt

-ocr page 190-

— 170 —

in liet vagevuur: liet is billijk, dat de be-leedigingen, die ik U heb aangedaan, door liet vuur worden gestraft. O heilige kerker, wanneer zal ik in U zijn opgesloten, verzekerd nooit meer beroofd te kunnen worden van mijnen God! O heilig vuur, wanneer zult gij mij zuiveren van al die smetten, en mij waardig maken het vaderland der zaligen binnen te gaan.

ü eeuwige Vader, ik smeek U door de verdiensten van Jezus dood laat mij sterven in uwe genaden en in uwe liefde, opdat ik het geluk moge hebben U te beminnen in eeuwigheid ! Ik dank U voor alle genaden die gij mij in den loop mijns levens hebt gegeven, en bijzonder voor de groote genaden, dat (jij mij het H. Geloof hebt geschonken, en mij in deze laatste dagen gesterkt hebt met al de II. Sacramenten.

Gij wilt mijnen dood ; ook ik wil sterven om genoegen te geven aan U. Weinig beteekent het, dat ik sterve voor U, die gestorven zijt voor mij. Geheel tevreden dan zeg ik U met den H. Franciscus: Moriar, Domine, amove amor is tui, tjui

-ocr page 191-

— 171 —

amove amoris mei dignatus es mori. Dat ik sterve, Heer, uit liefde tot U, die U yeu:aardigd hebt te sterven uit liefde tot mij.

Met tevredenheid aanvaard ik den dood, alsook de pijnen, die ik nog voor mijn laatsten oogenblik verduren moet. Verleen mij uwe liulp om ze te lijden met volkom ene gelijkvormigheid aan uwen wil. Ik draag ze U alleen op tot uwe glorie en vereenig ze met de pijnen, die Gij verduurd hebt in uw lijden. Eeuwige Vader, ik breng U het offer van mijn leven en van geheel mij zeiven, ik bid U dit mijn ofïer te aanvaarden om de verdiensten van het groote offer, dat Jezus uw Zoon U van zich zelven bracht op het kruis.

O Maria, moeder van God en ook mijne moeder. Gij hebt mij tijdens mijn leven zoovele genaden verworven van God, ik dank U daarvoor uit geheel mijn hart. Ach, verlaat mij niet op dit oogenblik van sterven, nu ik het meest behoefte heb aan uwe gebeden. Verkrijg mij meer droefheid over mijne zonden en meer liefde tot God, opdat ik het geluk moge

-ocr page 192-

— 172 —

hebben Hem met U vereenigd, voor eeuwig en uit al mijne krachten te beminnen in den hemel. In te Domina, fsperavi non confundar in aeternwn.

Maria, mijne hoop, ik stel mijn vertrouwen op U.

-ocr page 193-

voor n te nina,

n.

ver-

§ 23-

AKTEN TE VERWEKKEN IN HET UUE DES DOODS.

de Z. Lidwina werd door een engel geopenbaard, dat de kroon van glorie en van verdiensten, welke haar in den hemel wachtte, eerst zou voltooid worden door de kwellingen, die zij zon moeten lijden in de laatste dagen voor haar dood. Hetzelfde heeft plaats met alle brave zielen, die van deze wereld heengaan. Het is zeker, dat alle goede akten van iemand die sterft in de genade Gods, van groote verdiensten zijn, en wel bijzonder de akte van overgeving, waardoor men den dood en alle pijnen.

-ocr page 194-

— 174

die liem vergezellen, aanneemt met de meeniug om te behagen aan God. Wij geven hier de akten aan, -welke in het uur des doods aan God bijzonder welgevallig zijn. Mijn God, ik bied U het offer aan van mijn leven, en ik ben bereid te sterven, wanneer het zal behagen aan uwen H. Wil. Fiat voluntas lua, lieer, uw wil geschiede ; immer, immer, fiat voluntas tua.

Heer, indien Gij mij nog eenigen tijd in het leven wilt laten, uw H. Wil zij gezegend ; maar ik verlang het leven niet, als ik het niet geheel en al zal besteden om U te beminnen en U welgevallig te zijn. Wilt Gij echter dat ik aan deze ziekte sterve, wees ook dan gezegend. Ik omhels den dood om uwen wil te vervullen, en ik herhaal: Fiat voluntas tua. Alleen smeek ik U, dat Gij mij gedurende dezen ganschen tijd zult bijstaan. Miserere mei. Deus, secundum magnum misericordiam tuam. Wilt Gij dus, dat ik deze aarde verlate, dan betuig ik U, dat ik wil sterven, omdat ook Gij het aldus wilt.

-ocr page 195-

En ik wil sterven om met de angsten cn bitterheden van mijnen dood voldoening te geven aan uwe rechtvaardigheid voor al die zonden, waarmede ik U be-leedigd heb en de hel heb verdiend.

Ook wil ik sterven opdat er een einde koine aan mijne zonden, en ik ophoude U te beleedigen en U misnoegen te veroorzaken in dit leven.

Nog wil ik sterven om TJ mijnen ver-sehuldigden dank te brengen voor al die genaden en al die liefdevolle oplettendheden, welke Gij mij in strijd met hetgeen ik verdiend had, beweaen hebt.

Ik wil sterven om U te toonen, dat ik meer liefde heb voor uwen heiligen Wil dan voor mijn leven.

Ik wil (als het U behaagt) sterven op dezen oogenblik, nn ik hoop mij in uwe genade te bevinden om alzoo zeker te zijn U in alle eeuwigheid te mogen loven en zegenen.

Bovenal vvil ik sterven om U in alle eeuwigheid en met al mijn krachten te gaan beminnen in den hemel, want dooide verdiensten van uw bloed, o mijn Ver-

-ocr page 196-

— 176

losser, hoop ik daar te komen en daar eens de zekerheid te hebben, dat ik nooit meer zal ophouden U te beminnen gedurende de gansche eeuwigheid. Mijn Jezus, Gij hebt eens den dood des kruizes omhelsd uit liefde tot mij, nu omhels ik den dood en alle pijnen, die mij nog wachten uit liefde tot U. Daarom zeg ik U met den H. Franciscus: Moriar, Domme, amove amor is tui, qui amore amoris mei dignatus es mori. lieer laat mij sterven uit liefde tot U, die U ge-waardigd hebt te sterven uit liefde tot mij.

O mijn Verlosser, mijne liefde, mijn eenig goed, ik bid U door uwe heilige wonden en uwen smartelijken dood, doe mij sterven in uwe genade en in uwe liefde. Gij hebt mij met uw bloed gekocht; laat dan niet toe, dat ik verloren ga. Jesu dulcissime, ne pennittas me separari a te, ne permittas me separari a te.

Heer, verwerp mij niet van uw aanschijn, ne projicias me a facie tua. Ik erken, dat ik door mijne zonden de hel heb verdiend; maar thans doen zij mij

-ocr page 197-

leed, meer leed dan elk ander kwaad, en ik hoop eens in den hemel in eeuwigheid uwe groote barmhartigheid jegens mij te verheerlijken. Misericordias Do-mini in aeternum cantabo.

Ik aanbid U, mijn God, die mij hebt geschapen. Ik geloof in U, eeuwige waarheid. Ik hoop op U eindelooze barmhartigheid. Ik bemin U, opperste goedheid ; Ik bemin TJ boven alles, wat bestaat; ik bemin U meer dan mij zeiven, want Gij verdient dat men U bemint. En omdat ik U bemin, spijt het mrj uit het diepst mijner ziel dat ik uwe genaden heb veracht. Ik beloof U liever eiken dood, ja duizendmaal den dood testerven, clan ü nog ooit weder te bedroeven.

O Jezus, Zoon van God, die voor mij gestorven zijt, heb medelijden met mij. Mijn Zaligmaker, maak mij zalig, en mijne zaligheid zij U eeuwig te beminnen. O Maria, moeder van God, bid voor mij uwen Jezus. Nu is het de tijd, waarin Gij mij meer dan ooit moet helpen. Maria mater gratiae, mater misericordiae, tu nos ah hoste protege et hora mortis suscipe.

12

-ocr page 198-

— 178 —

Suh tuum praesidium confuyimus, sancta Dei Genitrix. Sancta Maria mater Dei, ora pro nobis peccatoribus. Maria moeder der genade, moeder van harmhartigjieid, bescherm Gij ons teyen den vijand, ontvang ons in het uur des doods. Onder utvc bescherming nemen wij onze toevlucht. Heilige Moeder Gods. Heiligc Maria, Moeder Gods, hid voor ons zondaars.

O heilige Joseph, mijn vader, sta mij bij in deze oogenblikken. H. Aartsengel Michael, bevrijd mij van de duivelen, die mijne ziel belagen. Mijne heilige beschermers en allen gij heiligen van het paradijs, bidt God voor mij.

En Gij, mijn gekruiste Jezus, ontvang Gij op hot oogenblik van sterven mijne ziel in uwe armen. U beveel ik haar aan. Gedenk dat Gij mij verlost hebt met uw bloed. Te ergo quaesumus, tuis famulis subveni, quos pretioso sanguine redcmisti. Mijn gekruiste Jezus, mijne liefde, mijne hoop, ik betuig U hetzij ik leve hetzij ik sterve, dut ik niets anders verlang dan U alleen. Deus nietes et omnia eu wat anders kan ik ook verlangen

-ocr page 199-

buiten U ? Quid mihi est in coelo ei d te quid volui super terram ? Deus cordis mei et pars mea in aeternum. Gij zijt de liefde van mijn hart, Gij al mijn rijkdom. Aan U dan beveel ik mijne ziel, aan U, die baar verlost liebt met uwen dood. In manus tuas commendo spiritum tneum redemisti me Domine, Deus veri-tatis. Ik zeg daarom vol vertrouwen op uwe barmhartigheid: In te, Domine, spe-raii, non confundar in aeternum.

O Maria, gij zijt onze hoop: Spes nostra salve: Tot U dan zeg ik eveneens: In te, Domina, speravi non confundar in aeternum. Op U o Koningin, heb ik gehoopt; ik zal niet beschaamd worden in eeuwigheid.

-ocr page 200-

§ 24.

OVER HET HUIS ONZER EEUWIGHEID.

cmmÊbii homo in clommn aeternitatis suae.l) Wij dwalen, als wij het huis, waarin wij thans wonen, het onze noemen. Het huis van ons lichaam zal zeer spoedig zijn een graf; daarin zal het verblijven tot den dag des oordeels; maar het huis van onze ziel is het paradijs of de hel, naar gelang zij zal verdiend hebben, en in dat huis moet zij blijven gedurende de geheele eeuwigheid.

Naar het graf zullen onze lichamen niet uit zich zeiven gaan, zij zullen er door

Eccli. 12. 5.

-ocr page 201-

— 181 —

anderen worden heengedragen; en onze ziel zal na het oordeel gaan naar de plaats, welke zij verdiend heeft, óf van eeuwige vreugde, óf van eeuwig lijden.

Ibit homo in dornum aeternitatis suae. Naar gelang de menseh goed doet of kwaad, richt hij uit vrije beweging zijne schreden naar het huis des hemels of dei-hel, en eens binnengegaan in dat huis, verlaat hij het nooit meer.

Zij, die op deze wereld wonen, plegen dikwijls van woning te veranderen, of wel uit vrije verkiezing of wel omdat zij uit hunne woning verdreven worden. In de eeuwigheid verandert men nooit van woning. Waar men na het laatste oordeel binnen komt, daar moet men wonen voor altijd. Si ceciderit lignum ad austrun sive ad aquüonem, in quocunque loco ceciderit, ihi erit. 1) Die het zuiden ingaat des hemels, zal eeuwig gelukkig zijn; die het noorden binnengaat der hel, eeuwig rampzalig.

Wie derhalve in den hemel komt, zal immer vereenigd zijn met God, immer in

1) Eccli. 11. 3.

-ocr page 202-

— 182 —

het gezelschap zijn der heiligen, immer in den zoetsten vrede, hij zal volkomen gelukkig zijn; want iedere gelukzalige is geheel vervuld en verzadigd met geneugten en nimmer zal hij vreezen zijn geluk te verliezen. Als bij de zaligen de vrees zou ontstaan, het geluk, waarin zij zich verheugen, te zullen verliezen, dan zouden zij niet meer gelukzalig zijn, want alleen de gedachte, dat dit mogelijk ware, zou al hunne vreugde verstoren.

Hij daarentegen, die in de hel komt, zal immer verwijderd zijn van God, immer moeten lijden in de hel bij de verdoemden. En men denke niet, dat de pijnen der hel gelijk zijn aan de pijnen der aarde, waar het lijden door de gewoonte vermindert; evenals in het paradijs de geneugten nimmer verveling zullen baren, maar immer zoo nieuw zullen schijnen, alsof men ze de eerste maal genoot, (Dit beteekent het canticum novum, het nieuwe gezang, wat de heiligen immer zullen zingen : Et can-tabunt quasi canticum novum. 1) evenzoo

1) Ap. U. 3.

-ocr page 203-

— 183 —

zullen de pijnen der hel in alle eeuwigheid nimmer afnemen; nimmer zal de gewoonte er de pijn verminderen. De rampzalige verdoemden zullen in alle eeuwigheid dezelfde foltering van het lijden gevoelen, die zij er van gevoelden, toen zij het de eerste maal ondervonden.

De H. Augustinus zeide, dat hij, die eene eeuwigheid aanneemt en zich niet bekeert, zijne zinnen of zijn geloof heeft verloren : O aeternitas, qui te cogitat nee poenitet, aut jidem non hahet, aut si hahet cor non hahet. 1)

Wee, roept de H. Caesarius uit, wee den zondaren, die de eeuwigheid binnen gaan zonder haar te kennen, omdat zij er nimmer op hebben nagedacht! Vaepec-catorihus, qui incognitam ingrediuntur aeternitatem! En hij laat er op volgen: Sed vae duplex, ingrediuntur et non egre-diuntur. Maar dubbel rampzalig is hun lot, want eerstens vallen zij in dien afgrond van vuur, en vervolgens, eenmaal daarin neergestort, zullen zij er nimmer

1) Soliloq.

-ocr page 204-

— 184 —

uit opstaan. De poort der hel gaat open om in te treden, maar nooit om uit te gaan. Neen, zij hebben niet te veel gedaan, de heiligen, toen zij zich gingen begraven in grotten en woestijnen, daar leefden van kruiden en er sliepen op den grond, om alzoo hunne ziel te redden; neen, zij hebben niet te veel gedaan, zegt de H. Bemardus, want, waar het geldt eene eeuwigheid, is geene zekerheid groot genoeg. Nulla nimia securitas, ubi pericli-tatur aeternitas; het zijn de woorden van den heilige.

Wanneer dan God ons bezoekt met eenig kruis, bijv. met ziekte, armoede of een andere ramp, denken wij dan, ik heb de hel verdiend, en dan zal ons elke beproeving licht voorkomen. Zeggen wij dan met Job: Peccavi et vere deliqui, et ut er am iligmis non recepi. 1) Heer, ik heb u beleedigd, en ik ben niet gestraft, gelijk ik verdiende; hoe kan ik mij dan beklagen dat Gij mij eene beproeving overzendt, aan mij die de hel heb verdiend.

1) .Tob. 33. 27.

-ocr page 205-

— 185 —

Ach, mijn Jezus, verwijs mij niet naaide hel; want in de hel zou ik U niet meer kunnen beminnen, maar U voor eeuwig moeten haten. Ontneem mij alles, mijne goederen, mijne gezondheid, mijn leven; maar beroof mij niet van U. Geef, dat ik U in eeuwigheid moge beminnen en verheerlijken, en voor het overige kastijd mij en doe met mij, wat U behaagt. O Moeder van God, bid uwen Jezus voor mij.

-ocr page 206-

§ 25.

DE ZIELEN, DIE GOD BEMINNEN, VERLANGEN VURIG HEM IN DEN HEMEL TE GAAN AANSCHOUWEN.

sumus in corpora peregrina-mur a Deo. De zielen, welke op deze wereld niets anders beminnen dan God, zijn als zoovele edele bannelingen, die bestemd zijn, althans volgens hunnen tegenwoordigen. staat, om voor eeuwig de bruiden te worden van den Koning des hemels; maar die thans verre verwijderd van dien bruidegom ziju, zonder Hem te zien en daarom zonder ophouden verzuchten om heen te gaan naar het vaderland der zaligen.

-ocr page 207-

— 187 —

waar zij weten, dat de bruidegom liaar wacht.

Zij weten, dat haar Beminde altijd bij haar is; maar Hij is daar als achter een gordijn verborgen, eu laat zich niet zien. Of om beter tc zeggen. Hij staat daar gelijk zoo dikwijls de zon staat, verborgen achter de wolken, waardoor zij nu en dan wel een straal van haren luister laat doorschemeren, maar gansch zichtbaar vertoont zij zich niet.

Die beminde bruiden dragen een blinddoek voor de oogen, welke haar niet toelaat het voorwerp harer liefde te aanschouwen. Zij leven wel is waar tevreden, want zij voegen zich naar den wil van God, die haar aldus in ballingschap en van Hom verwijderd wil houden, maar met dat al is het haar toch onmogelijk niet onophoudelijk te verzuchten naar het oogenblik, waarop zij Hem zullen aanschouwen van aanschijn tot aanschijn om dan nog meer door zijne schoonheid te worden aangetrokken en Hem nog vuriger te beminnen.

Vandaar dat zij zich meermalen zacht-

-ocr page 208-

— 188 —

kens bij haren Beminde gaan beklagen, omdat Hij zich niet laat zien. Eenige liefde van mijn hart, zoo zeggen zij, daar Gij mij toch zoozeer bemint en mij met uwe heilige liefde gewond hebt, waarom verbergt Gij U dan voor mij, en laat Gij U niet aanschouwen ? Ik weet, dat Gij eene oneindige schoonheid zijt, ik bemin U meer dan mij zeiven, ofschoon ik U nog nimmer heb aanschouwd; welaan, toon mij uw verrukkelijk aanschijn. Ik wil U kennen zonder sluier, om dan nooit meer noch op mij zeiven noch op eenig ander schepsel te letten; maar aan niets anders meer te denken dan aan U te beminnen mijn hoogste goed.

Wanneer voor die zielen, door de liefde Gods verteerd, eens een straal doorbreekt van de goddelijke goedheid en van de liefde, die God haar toedraagt, dan zouden zij voor Hem wel willen smelten en vergaan van liefde; en toch voor die zielen is de zon nog met wolken bedekt, Gods schoon gelaat is nog verborgen achter het gordijn, nog dragen zij den blinddoek voor hare oogen.

-ocr page 209-

— 18Ö —

die Haar belet Hem te aanschouwen van aanscliijn tot aanschijn; hoe groot dan zal hare vreugde zijn, als die wolken verdwijnen, als het gordijn zal omhoog gaan, de blinddoek haar van de oogen zal vallen, en het schoon gelaat van den Bruidegom zich zonder sluier zal ver-toonen, zoodat zij Hem zullen aanschouwen in het volle licht, in al zijne schoonheid, in al zijne goedheid, in al zijne grootheid en met al de liefde, die Hij haar toedraagt ! O dood, waarom toch draalt gij zoo lang te komen! Als gij niet komt, kan ik mijn God niet gaan aanschouwen. Uwe taak is het mij de deur te openen en mij het koninklijk paleis mijns Heeren te doen binnengaan. O zalig vaderland, wanneer zal de dag daar zijn, dat ik mij zal bevinden in uwe heilige woon-tenten ! O beminde mijner ziel, mijn Jezus mijn schat, mijne liefde, mijn al, wanneer zal het gelukkig oogenblik aanbreken, waarop ik deze wereld zal verlaten en mij geheel vereenigd zal zien met TL Ik verdien het niet, dit geluk; maar de liefde, die Gij mij betoond hebt en daarbij

-ocr page 210-

— 190 —

uwe eindelooze goedheid doen mij hopen eenmaal te zullen behooren tot het getal dier gelukkige zielen, die geheel met U vereenigd, U beminnen en zullen blijven beminnen met ceue volmaakte liefde gedurende de gansehe eeuwigheid. Ach mijn Jezus, Gij kent mijn toestand. Gij weet het, ik zal eenmaal of wel eeuwig met U vereenigd zijn of eeuwig van U verwijderd ; heb medelijden met mij, uw bloed is mijne hoop ; en uwe voorspraak o Maria, mijne moeder, is mijne sterkte en mijne vreugde.

-ocr page 211-

Ji--i--i--i-i--i--i__i__i__i_i__i_i_

^ tp ? «p ? ^ ^ 7 7 ? ?

§ 26.

JEZUS IS DE GOEDE HERDEE.

moo heeft Jezus zelf gesproken: Ego rifEj] sum pastor bonus. 1) Ik ben de goede herder. De plicht van een goeden herder is geen andere dan zijne schaapjes op goede weiden te brengen en hen te bewaren voor de wolven. Maar mijn zoete Verlosser, was er ooit een herder zoo goed als Gij, die voer het behoud van uwe schaapjes gelijk wij zijn, uw bloed en leven hebt gegeven om ons te bevrijden van onze straffen.

Peccata nostra ipse pertulit in corpora sua super lignum, ut peccatis mor tui.

1) Jo. 10. 11.

-ocr page 212-

Iti\'l

justitiae vivamus; cujus livore sandtl estis. 1)

Hij heeft zelf onze zonden in zijn lichaam gedragen op het hout opdat loij der zonden afyestorren, voor de yerechtiy-heid zouden leven; door iviens striemen yij genezen zijt. Dus om ons te genezen van onze kwalen heeft die goede herder zich met al onze schulden beladen en die met zijn lijden uitbetaald, toen hij op het kruis van smart gestorven is.

Zulk een overdaad van liefde voor ons, arme schaapjes, deed Ignatius den martelaar branden van verlangen om voor Jezus Christus zijn leven te geven. Amor meus cruc fixus est. Mijne liefde is (jehruist zoo schreef hij in een zijner brieven. Hoe, wilde hij zeggen, mijn God heeft voor mij willen sterven aan het kruis, en ik zou kunnen leven zonder te verlangen, ook op mijn beurt te sterven voor Hem! En in waarheid, wat hebben de martelaren eigenlijk voor groots gedaan met hun leven te geven voor Jezus

1) 1 Petr. II. 24.

-ocr page 213-

— 193 —

Christus, die gestorven is uit liefde tot hen? O die dood van Jezus Christus, hoe zoet maakte hij dien martelaren al hunne folteringen, hoe zoet de geessels, de pijnbanken, de ijzeren kammen, do gloeiende roosters en den allerpijnlijksten dood.

Maar de liefde van dien goeden herder was er niet mede te vreden zijn leven voor zijne schaapjes op te offeren. Hij wilde hun na zijnen dood nog zijn eigen lichaam, eerst op het kruis geslachtofferd, nalaten, opdat het de spijs en het voedsel zou zijn hunner zielen. De brandende liefde, die Hij ons toedroeg, zegt de H. Joannes Chrysostomus, bracht Hem er toe zich met ons te vereenigen en als een tc maken. Semetipsum nobis immiscuit, ut unum quid simus.... ardenter enim aman-tium hoc est.

En wanneer die goede herder ziet, dat een zijner schaapjes verloren is, o wat doet Hij dan niet, wat middelen wendt Hij niet aan om het terug te krijgen! Hij houdt niet op met zoeken, totdat Hij het gevonden heeft. Et si perdiderit imam

13

-ocr page 214-

- 194 - ,

ex Hits.... vadit ad illam quae perierat, donee inveniat earn. 1) En als Hij liet heeft teruggevonden, dan legt Hij het vol vreugde op zijne schouderen om het nooit meer te verliezen. Et cum invenerit earn imponit in humeros suos yaudens. 2) Hij roept zijne vrienden en geburen (d. w. z. engelen en heiligen) bijeen, en noodigt hen uit te deelen in zijne blijdschap over het terugvinden van het verloren schaapje. Et veniens domum convocat amicos et vici-nos dicens illis: Congratulamini mihi quia inveni ovem meam quae, perierat. 3)

Wie dan zal niet met geheel zijn hart dien goeden Zaligmaker beminnen, die zich zoo vol liefde toont, zelfs voor zondaren, welke Hem den rug hebben gekeerd en zich vrijwillig in het ongeluk hebben gestort?

Ach mijn beminnelijke Zaligmaker, zie hier aan uwe voeten een dier verloren schaapjes. Ik ben van U weggevlucht;

u

1) Luc. 15. 4.

2) Luc. 15. 5.

3) Luc. 15. ö.

-ocr page 215-

• — 195 —

maar Gij hebt mij niet verlaten, geen middel hebt Gij verzuimd om mij terug te vinden. Wat zou er van mij geworden zijn, als Gij er niet op bedacht waart geweest mij te zoeken ? Ik rampzalige, hoe lang heb ik geleefd verre verwijderd van U? Maar thans hoop ik door uwe barmhartigheid mij te bevinden in uwe genade; en vluchtte ik vroeger van U weg, thans verlang ik niets vuriger dan U te beminnen en te leven en te sterven in de omhelzing uwer heilige voeten. Doch zoolang ik leef, ben ik steeds in gevaar U te verlaten, ach, ik bid U, bind mij daarom niet de strikken uwer liefde, en houd niet op mij te zoeken, zoolang ik nog leef op deze wereld. Erravi sicut ovis quae periit, quaere servum tuum. 1) O voorspreekster der zondaren, verkrijg mij de heilige volharding.

1) Ps. 118. 176.

-ocr page 216-

§ 27.

OVER DE ZAAK ONZER EEUWIGE ZALIGHEID.

MEVïe zaak der eeuwige zaligheid is voor ons niet alleen de gewichtigste, maaide eenige zaak, die ons kommer moet baren, want als die zaak mislukt, dan is alles verloren. Die gedachte der eeuwigheid met ernst overwogen, is genoeg om een heilige te maken. Indien alle men-schen, zegt de groote dienaar Gods, Pater Carafa, met een levend geloof aan de eeuwigheid dachten van het ander leven, dan zou de aarde een woestijn worden, want niemand zou er meer acht geven op de zaken dezer wereld.

-ocr page 217-

— 197 —

O mochten alle menschen immer dat groote grondbeginsel van Jezus Christus voor oogen houden. Quidprodest homini, si mundurn universum lucretur, animae vera suae detrimentum patiatur. 1) Wat haat het den mensch, indien hij de gansche wereld wint; maar het verlies lijdt van zijne ziel. Die grondstelling was het welke zoovele mensehen bewogen heeft de wereld te verlaten, zoovele maagden, zelfs van koninklijk bloed, zich op te sluiten in een klooster, zoovele kluizenaars hun leven te slijten in een woestijn, zoovele martelaren hun bloed te storten voor het geloof ; zij waren overtuigd, die heiligen, dat al de goederen der wereld hun in het andere leven niets zouden baten, indien zij dan hunne ziel hadden verloren.

Vandaar wat de Apostel schreef aan zijne leerlingen; Rogamus autem vos,

fratres____ ut negotium vestrum agatis. 2)

Wij hidden u, broeders, behartigt uwe zaak. Van welke zaak sprak hier de

1) Math. 16. 26.

2) Thess. 4. 10 en 11.

-ocr page 218-

— 198 —

H. Paulus? Hij sprak van de zaak, die zoo gewichtig is, dat wij, wanneer zij mislukt, beroofd zijn van het eeuwig rijk des hemels, en worden neêrgeworpen in een afgrond van pijnen, die nimmer een einde zullen hebben. Het gaat hier om eene eeuwige straf, om het verlies van het rijk des hemels, zegt de H. Joannes Chrysostomus. De immortalibus suppliciis, de coelestis regni amissione res agitur, 1) Wel terecht zeide de H. Philippus Nerius, dat het dwazen zijn, die zich zooveel moeite geven om rijkdom en eer te verwerven op deze wereld, en er zoo weinig aan denken om hunne ziel zalig te maken. Al die lieden, zegt de eerbiedwaardige Joannes Avila, verdienen te worden opgesloten in een krankzinnigengesticht. Hoe! wilde die groote dienaar Gods zeggen, gij gelooft dat er een eeuwigheid van geluk is voor ben die God beminnen, en eene eeuwigheid van straf voor hen, die Hem beleedigen, en gij beleedigt Hem ?

1) Hom. 25 in Math.

-ocr page 219-

— 199 —

Als wij een ander verlies lijden, hetzij van goederen of van goeden naam, hetzij van bloedverwanten of gezondheid, ja zelfs al verliezen wij ons leven, dan kan het altijd nog worden goed gemaakt; althans zeker door een goeden dood te sterven en het geluk des hemels te winnen, gelijk dit het geval was met zoovele martelaren ; maar met welk goed dor wereld, met welk fortuin, al is hot zoo groot als men op de wereld maar kan uitdenken, zou men ooit het verlies kunnen betalen zijner ziel ? Quam clahit homo commuta-tionem pro anima sua. 1)

Die sterft in de ongenade van God, en zijne ziel verliest, verliest met die ziel voor immer alle hoop om nog ooit zijn ongeluk te herstellen. Mortuo honiine impio non erlt ultra spes. 2) Mijn God! als het leerstuk van het eeuwig leven uiets meer was dan eenvoudig een twijfelachtige veronderstellingvan wijs-geeren, ook dan nog moesten wij al

1) Math. 10. 2G.

2) Prov. 11. 7.

-ocr page 220-

— 200 —

ons best doen om dat ecuwig geluk deelachtig te worden en aan het eeuwig ongeluk te ontkomen; maar neen, er is hier geen spraak van twijfel, het is zeker, het is een geloofspunt, een van beiden zal ons lot zijn.

Vreemd verschijnsel! Een ieder, die geloof heeft, en deze waarheid overweegt, hij zegt: liet is zoo, men moet om zijne ziel denken; doch weinigen zijn hot, die dit ook werkelijk doen. Men wendt de uiterste zorg aan om een proces te winnen, om een of anderen post te verkrijgen, en de zaak zijner zaligheid zet men aan kant.

Sane supra omnem errorem est dissi-mulare negotium aeternae salutis. Voor-waar, zegt de H. Eucherius, ziedaar een dwaling, die alle dwaling overtreft, want zijne ziel verliezen is een misslag, zonder herstel.

Utinam sap er ent et intelliyerent ac novissima provider ent. 1) Arme geleerden dezer wereld, die veel weten, maar er

1) Deut. 32. 29.

-ocr page 221-

— 201 —

geen begrip van hebben om aan hunne zielen een gunstig vonnis te verschaffen op don dag des oordeels!

Ach mijn Verlosser, Gij hebt uw Bloed gestort als losprijs mijner ziel; en ik, zoovele malen heb ik die ziel verloren en telkens opnieuw verloren. Ik dank U, dat Gij mij tijd geeft haar terug te winnen, door hot hervinden uwer genade. O mijn God, was ik maar liever gestorven, en hadde ik U toch nooit beleedigd ! Maar het troost mij te weten, dat Gij een hart, dat zich vernedert en dat berouw heeft over zijne zonden, niet kimt versmaden.

O Maria, toevlucht der zondaren, verleen uwe hulp aan eenen zondaar, die zich aan U aanbeveelt en op U zijn vertrouwen stelt.

-ocr page 222-

§ 28.

ieeler schik re zü Gods

OVEE DE VREUGDE DER GELUKZALIGEN.

Wintra in gaiidium Domini tui. 1) Als famp; de ziel liet liemelscli vaderland zal binnengaan, als het gordijn, dat haar het zien belette, zal zijn opgeheven, dan zal zij de oneindige schoonheid van haren God onbedekt en zonder sluier aanschouwen ; en daarin bestaat de vreugde van den gelukzalige.

Alles, wat zij dan in God zal aanschouwen, zal haar overstelpen met blijdschap. Zij zal de rechtmatigheid zien zijner oor-

1) Math. 25. 23.

-ocr page 223-

— 203 —

ieelen, de sclioone ordelijkheid zijner beschikkingen, omtrent den staat van iedere ziel, beschikkingen, alle geordend tot Gods glorie en tot ieders welzijn in het bijzonder.

Inzonderheid, wat haar zelve aangaat, zal zij de eindelooze liefde zien, die God haar heeft toegedragen door mensch te worden, door uit liefde tot haar zijn leven op te offeren aan het kruis. Dan zal | zij beseffen, welk een uitbundigheid van I liefde het geheim des kruizes geweest is: | een God dienstknecht worden en sterven aan een ellendig schandhout! Ook het geheim der Eucharistie ; een God verborgen te zien onder schijn van brood, en de spijs zijner schepselen geworden !

Verder zal zij elk in het bijzonder al de genaden en gunsten zien, welke zij van God heeft ontvangen, en welke haar tot nog toe verborgen waren. Zij zal zien de groote barmhartigheid, welke God zoo dikwijls met haar gebruikt heeft door haar af te wachten en hare ondankbaarheden te vergeven. Zij zal de veelvuldige opwekkingen zien, de verlichtingen en hulp-

-ocr page 224-

— 204 —

middelen, welke haai- in zoo grooten overvloed zijn geschonken. Zij zal zien, dat deze of gene kwelling, die ziekte, dat verlies van goederen of van bloedverwanten, hetwelk zij alles als straffen beschouwde, geene straffen waren, maar liefdevolle beschikkingen van God om haar te trekken tot zijne volmaakte liefde.

In een woord, alles wat zij daar zal aanschouwen, zal haar spreken van de oneindige goedheid van haren God en van de oneindige liefde, die Hij verdient ; en daarom, zoodra zij den hemel zal zijn binnen gegaan, zal zij geen ander verlangen hebben dan haren God voor eeuwig gelukkig te zien; en daar zij ter zelfder tijd begrijpen zal, dat het geluk van God allerhoogst, oneindig en eeuwig is, zal zij, hoewel geen oneindig geluk, omdat daarvoor een schepsel niet vatbaar is, toch een eindeloos en volkomen geluk genieten, hetwelk haar geheel met vreugde zal vervullen, en met dezelfde vreugde, die het eigendom is van haren God, en aldus zal in haar het woord bewaarheid worden:

-ocr page 225-

— 205 —

Intra in gaudium Domini tui. Treed hinnen in de vreugde uws Heeren. De gelukzalige is niet alleen gelukzalig door het geluk, dat hij zelf geniet, ook door het geluk van God; want de gelukzalige bemint God eindeloos meer clan zich zeiven; vandaar maakt Gods geluk hem eindeloos gelukkiger dan zijn eigen geluk, en dit ten gevolge van de liefde, die hij God toedraagt. Die liefde zal hem • al zijne gedachten op God doen vestigen; zijn grootst verlangen zal zijn genoegen te geven aan zijnen Beminde.

En ziedaar die heilige en zoete bedwelming, waardoor de zalige de gedachte aan zich zeiven meer zal verliezen om vooral te denken aan de glorie en de liefde van Hem, die het voorwerp van al zijn verlangen is, nl. God. Inehria-buntur ah ubertate domus tuae. 1) Die gelukkigen! van de eerste intrede, die zij doen in den hemel, zullen zij als buiten zich zeiven zijn, van geluk.

Daarom zal de gelukzalige elk ander

1) Ps. 35. 9.

-ocr page 226-

— 206 —

verlangen verliezen; geen ander verlangen zal liij hebben dan te beminnen en door zijnen God te worden bemind. En daar hij verzekerd zal zijn Hem eeuwig te zullen beminnen en eeuwig door God bemind te zullen worden, zal dit zijne hoogste gelukzaligheid uitmaken, eenc gelukzaligheid, die hem met blijdschap zal vervullen, en hem voor eeuwig zóó verzadigen zal met geluk, dat hij niets meer zal verlangen.

In een woord, ziedaar het paradijs van den gelukzalige: zich te verheugen in het geluk van God. En daarom als iemand in dit leven zich verblijdt over het geluk, wat God geniet, en in alle eeuwigheid genieten zal, dan kan men van hem zeggen, dat hij reeds in dit leven de vreugde van God binnengaat, en reeds in dit leven de vreugde begint te smaken van het paradijs.

Maar, o mijn zoete Verlosser, o liefde mijner ziel, met dat al bevind ik mij nog in dit dal van tranen en zie mij omringd van vijanden, die mij van ü willen scheiden. Beminde Verlosser, laat niet

-ocr page 227-

— 207 —

toe, dat ik U verlieze; maak dat ik U immer zoowel in dit als in het andere leven beminne, en beschik verder over mij, gelijk U behaagt. O Koningin van het paradijs, als Gij voor mij bidt, zal ik eenmaal zeker in den hemel komen, om daar immer bij U te zijn, en U iu alle eeuwigheid te verheerlijken.

-ocr page 228-

§ 29.

IN DE SPIJT, DAT MEN GOD VERLOREN HEEFT, DAARIN BESTAAT VOORAL DE HEL.

zwaarte van dc straf moet beant-\'Jsl\' woorden aan de zwaarte van liet misdrijf. De doodzonde wordt door de godgeleerden in twee woorden bepaald: Aversio a Deo, d. w. z. aan God den rug keeren, en daarin bestaat de boosheid van de doodzonde; zij bestaat in Gods genade te verachten en uit vrije beweging God, het hoogste goed, te willen belee-digen en zoo te verliezen. Vandaar dat terecht de grootste straf van den zondaar in de hel is dc spijt, dat hij zijnen God heeft verloren.

-ocr page 229-

— 209 —

Groot zijn ook de andere straffen dei-hel, zooals: het verslindend vuur, de verblindende duisternissen, het oorver-doovend gejammer der verdoemden, de stank, voldoende om die rampzaligen te doen sterven, indien het sterven hun slechts mogelijk ware; de opeengepaktheid, die hen benauwt en hun do ademhaling belet; maar al die straffen zijn niets, vergeleken bij het verlies van God. De verdoemden zullen in de hel eeuwig weeklagen; maar de bitterste oorzaak van hun jammeren zal zijn de gedachte, dat zij door eigen schuld beroofd zijn van God.

Ach mijn God, welk goed dan ook hebben zij verloren ! Gedurende dit leven zijn de verschillende voorwerpen, die ons omringen, onze harstochten, de tijdelijke bezigheden, de zinnelijke genoegens, de wederwaardigheden, ons zoovele beletselen, waardoor wij verhinderd worden onze aandacht te vestigen op de oneindige schoonheid en goedheid van God; maalais de ziel den kerker van dit lichaam heeft verlaten, dan wel is waar ziet zij

14

-ocr page 230-

— 210 —

God niet aanstonds, gelijk Hij is, want, als zij Hem zoo aanschouwen kon, zou zij aanstonds gelukzalig zijn; maar toch zij beseft dan, dat God een oneindig goed is, dat Hij oneindig schoon is en eene oneindige liefde waardig, en daarom, geschapen als zij is om dien God te kennen en te beminnen, zou zij aanstonds willen opvliegen om zich met Hem te vereenigen; maar als zij in staat van doodzonde is, dan stuit zij op een ondoor-dringbaren muur, de zonde. Die zonde sluit \'haar voor immer den weg tot God af. Heer, ik dank U, dat die weg nog niet is afgesloten voor mij. Nog kan ik tot U komen. Ne progicias me in facie tua, ach, ik bid U, wil mij niet verstoeten.

De ziel, die geschapen is voor de liefde van haren Schepper, moet, het kan niet anders, door hare natuur zelve zich gedrongen gevoelen om haar laatste doel, dat God is, te beminnen. In dit leven echter houden de duisternissen der zonde en de aardsche genegenheden deze neiging van de ziel, om zich met God te

-ocr page 231-

— 211 —

vercenigen, aan het sluimeren, en daarom bedroeft liet haar niet zoozeer, zich van Hem gescheiden te zien; maar als zrj haar lichaam verlaten heeft en van de zinnen is bevrijd, dan ziet zij helder en duidelijk, dat alleen God haar kan gelukkig maken. Zoodra zij daarom van het lichaam ontdaan is, wil zij aanstonds haar hoogste goed in de armen vliegen; maar als zij in staat is van doodzonde, dan ziet zij zich als een vijandin van God teruggestooten. Toch blijft zrj dien drang naar God gevoelen; en dit zal haar hel zijn; immer naar God getrokken worden, immer door Hem worden teruggestooten.

Kon de ongelukkige, nu zij God verloren heeft en Hem niet meer mag aanschouwen, kon zij ten minste troost vinden in Hem te beminnen ; maar neen. Mant, daar zij beroofd is van Gods genade, en eene slavin is geworden der zonde, is hare wil ten kwade gekeerd; van den eenen kant alzoo gevoelt zij zich immer gedrongen om God te beminnen, en van den anderen kant ziet

-ocr page 232-

— 212

zij zich genoodzaakt Hem te haten: ter zelfder tijd dus, dat zij God eenc oneindige liefde waardig kent, haat en vervloekt zij Hem.

Kon zij ten minste in dien kerker van folteringen, evenals de zielen van het vagevuur, zich overgeven in den wil van God en de hand zegenen van dien Rechter, welke haar naar verdienste kastijdt! Neen, die overgeving is haar onmogelijk, want om dit te doen, behoeft zij de hulp der genade ; maar de genade, (gelijk gezegd is) heeft haar verlaten; onmogelijk dus kan zij haren wil met dien van God vereenigen, hare wil is geheel met den goddelijken Wil in strijd.

Dit maakt dan, dat de rampzalige al haren haat tegen zich zelve keert; en zoo zal zij immer door tegenstrijdige gevoelens worden vaneen gescheurd; zij zou willen leven, en zij zou willen sterven: van den eenen kant wil zij leven om God immer te haten, daar Hij het voorwerp is van haren grootsteu haat; van den anderen kant wil zij

;■

-ocr page 233-

— 213 —

sterven om de pijn niet meer te gevoelen die zij uitstaat over zijn verlies. Aldus leeft zij in alle eeuwigheid in een aanhoudenden kampstrijd des doods. Bidden wij God door de verdiensten van Jezus Christus, dat Hij ons toch van de hel bevrijde. Bijzonder moet diegene bidden, welke zich bewust is gedurende zijn leven God door eene zware zonde te hebben verloren. Heer, (zoo moet hij zeggen) maak mij zalig, en daarom hecht mij door uwe heilige liefde immer meer aan U vast: verdubbel die heilige en zoete ketenen van zaligheid, en laten zij mij immer nauwer aan U verbinden. Ellendige die ik ben, daar ik uwe genade heb veracht en daarom verdiende voor immer van U gescheiden te zijn, o mijn opperste goed, en U immer te haten! Ik dank U, dat Gij mij in den tijd, toen ik in uwe ongenade leefde, hebt verdragen. Wat zou er van mij geworden zijn, indien ik toen ware gestorven ! Maar, daar Gij mij het leven hebt gelaten, o maak dan, dat dit mij niet diene om U nog meer te bedroeven,

-ocr page 234-

— 214 —

maar alleen om U te beminnen en het verdriet te beweenen, dat ik U heb aangedaan. Mijn Jezus, van nu af aan zult Gij mijn eenige liefde zijn, en mijn eenigste vreeze zal geen andere zijn dan U te beleedigen en mij van U gescheiden te zien. Ik echter kan niets, als Gij mij niet te hulp komt. Ik stel al mijn vertrouwen op uw bloed. Daardoor hoop ik van U de hulp te zullen verkrijgen om geheel de uwe te worden. O mijn Verlosser, mijne liefde, mijn al. O Maria, machtige voorspreekster der zondaren, help eenen zondaar, die tot U zijne toevlucht neemt, en op U zijn vertrouwen stelt.

Indien wij met grond willen vertrouwen dat wij God nimmer zullen verliezen, laten wij onszelven dan inderdaad geheel aan God geven. Wie zichzelven niet geheel aan God geeft, verkeert immer in gevaar Hem nog te zullen verlaten en Hem eenmaal eeuwig te verliezen; maar eene ziel, die zich edelmoedig van alles onthecht, en zichzelve zonder voorbehoud altijd aan God overgeeft, zulke ziel zalHemnietmeer

-ocr page 235-

— 215 —

verliezen; want God zelf zal het verhinderen en niet toelaten, dat eene ziel, die zich in de opreclitheid des harten geheel aan Hem heeft overgegeven. Hem daarna nog den rug toekeere en Hem aldus verliezen zou. Daarom zeide een groot dienaar Gods, dat wanneer men leest, hoe sommige personen, die eertijds het voornemen hadden een heilig leven te leiden, later gevallen zijn, men besluiten moet, dat zij zich niet geheel en al aan God hadden gegeven.

-ocr page 236-

§ 3°.

VERACHTING DER WERELD.

gedachte aan de ijdelheid der •\'MM wereld, en dat alles, wat de wereld groot noemt, niets anders is dan leugen en begoocheling, heeft vele zielen doen besluiten zich geheel aan God te geven. Quid prodest homini si mundum universum lucretur, animae vero suae detrimen-tum patiatur. 1) Wat zal het baten, dat men geheel de wereld heeft gewonnen, als men voor allo eeuwigheid zijne ziel zal hebben verloren? Deze groote grondwaarheid van het evangelie, hoevele

Ij Math. lü. 26.

-ocr page 237-

— 217 —

jongelingen heeft zij ouders, vaderland, goederen, eerambten ja zelfs kronen doen vaarwel zeggen om zich te verbergen in een klooster of een woestijn en daar alleen te denken aan God! De dag des doods wordt genoemd day van verlies: Juxta es.t dies perditionis. 1) Dag van verlies, want alle goederen, die wij op deze wereld gewonnen hebben, wij zullen ze allen op den dag des doods moeten verlaten. Daarom zegt de H. Ambrosius zeer wijs, dat wij ten onrechte zulke goederen de onzen noemen, immers wij kunnen ze niet medenemen naar de andere wereld, waar wij immer zullen moeten verblijven. Alleen onze goede werken zullen ons vergezellen, en zij alleen zullen ons troosten in de eeuwigheid.

Alle aardsche grootheid, de hoogste waardigheden, zilver, goud, het kostbaarst gesteente, het verliest alles zijnen glans, als men het beschouwt van het bed des doods. De vreesselijke schaduw des doods verdonkert zelfs den glans van

1) Deut. 32. 33.

-ocr page 238-

— 218 —

scepters en kronen en doet zien, dat al wat de wereld acht, niets is dan rook, slijk, ijdellieid en ellende. En in waarheid, waartoe dienen in den dood al de rijkdommen, die door den stervende zijn bijeengegaard, daar hem na zijnen dood niets overblijft dan een houten kist om daarin te worden neergelegd ter verrotting? Waartoe dient de zoo gevierde schoonheid des lichaams; immers er blijft niets van over dan een weinig stinkend stof en cenige ontvleeschde beenderen ?

Wat toch beteekent \'smenschen leven op deze wereld? Ziehier, hoe de H. Jacobus het beschrijft. Quae est enim vita vestra? vapor est ad modicum parens et deinceps exterminahitur. 1) Het is een damp, die een oogenblik wat vertoon maakt, en daarna niet meer te zien is. Die groote daar wordt heden geacht, ontzien en geprezen; morgen wordt hij veracht, gehekeld en verwenscht. Vidi impium superexaltatum .... et transivi, et ecce

1) Jac. 4. 13.

-ocr page 239-

— 219 —

non er at. 1) Hij is niet meer op zijn geliefkoosd buitenverblijf, ook niet in dat prachtig paleis, dat hij zich gebouwd heeft; waar is hij dan? Hij is vergaan tot stof en ligt in het graf.

Statera dolosa in manu ejus. 2) De H. Geest waarschuwt ons, dat wij ons zelven niet moeten laten bedriegen dooide wereld, want de wereld weegt de goederen met een valsche schaal; wij echter moeten de dingen wegen met de waarachtige weegschaal van het geloof; het geloof alleen leert ons de ware goederen kennen, immers goederen, die voorbijgaan, verdienen geenszins dien naam. Men moet geen rekening houden, zegt de H. ïheresia, met zaken die een einde nemen met den dood. O mijn God, wat is er thans overgebleven aan al die voorname staatsmannen, aan al die legerhoofden, aan al die vorsten, aan al die Romeinsche keizers, thans, nu het tooneel der wereld voor hen geëindigd is, en zij

1) Ps. 36. 35. et 38.

2) Ps. 12. 7.

-ocr page 240-

— 220 —

zich bevinden in de eeuwigheid ? Periit metnoria eorum cum sonitu. 1) Zij liebben een groot figuur gemaakt in de wereld, liun naam heeft overal weerklonken; maar nu zij gestorven zijn, is én hunne glorie én hun naam en alles voor hen vergaan. Men kan hier het opschrift toepassen, wat gemaakt is op een kerkhof van edellieden en edelvrouwen ;

Ziedaar, het eind van \'t aardseh vertoon.

Van \'s werelds pracht, van\'s werelds schoon: Een weinig slijk, een steen, een graf.

Zoo loopt hier \'t kort tooneelspel af. 1

Praeterit figura hujus mnndi. 2)

Ons leven in een woord is niets anders dan een tooneelspel, dat voorbijgaat, dat weldra een einde neemt, en dat einde moet komen voor allen, voor edellieden en voor landlieden, voor koningen en

1

Ecco dove liniece ogni grandezza.

Ogni pompu di terra, ogni bellezza, Vermi, lutto, vil pietra o poco arena Chiudono al fin di ognun la breve seena.

-ocr page 241-

— 221 —

voor leenheercii, voor rijken en armen. Gelukkig hij, die in dit tooneelspel zijn rol goed vervuld heeft in de oogen van God. Philips III, koning van Spanje, stierf in den bloei van zijn leven, in den ouderdom van 42 jaren. Voor zijn sterven zeide hij tot degenen die hem bijstonden: wanneer ik gestorven ben, maakt dan alom het schouwspel, waarvan gij nu getuigen zijt, bekend ; verkondigt dan, dat het in het uur des doods tot niets dient koning te zijn geweest, dan alleen om spijt te gevoelen, dat men heeft geregeerd. En hierop liet hij ten slotte zuchtend deze woorden volgen : O ware ik gedurende dien tijd in eene woestijn geweest om mij te heiligen, met hoeveel meer vertrouwen zou ik thans verschijnen voor den rechterstoel van Jezus Christus.

liet is bekend, hoe de II. Franciscus de Borgia van leven veranderde, toen hij het lijk had gezien van keizerin Isabella, welke, zeer schoon tijdens haar leven, na haren dood afschuw inboezemde aan ieder die haar aanschouwde.

-ocr page 242-

— 222 —

Hoe, riep toen Franciscus uit, is dit dan het einde van de goederen dezer wereld! en liij gaf zich geheel aan God. O mochten wij allen hem hierin navolgen, alvorens de dood ook ons wegneemt. Maar haasten wij ons, want de dood spoedt aan, en wij weten niet wanneer hij komt. Laten wij toch geen oorzaak zijn, dat van het licht, hetwelk God ons heden schenkt, ons alleen de wroeging zou overblijven en de verantwoording, die wij er van moeten geven op het oogenblik, dat wij in onze handen de kaars des doods dragen. Laat ons besluiten nu te doen wat wij dan zouden wenschen gedaan te hebben en niet meer zullen kunnen doen.

Neen mijn God, lang genoeg hebt Gij gewacht. Niet langer wil ik U laten wachten om mij geheel aan U te zien overgegeven. Gij hebt mij zoo dikwijls opgewekt om te breken met de wereld en mij geheel aan uwe liefde te geven. Thans roept Gij mij opnieuw, welaan, hier ben ik, neem mij in uwe armen op; want op dezen oogenblik geef ik

-ocr page 243-

— 223 —

mij geheel aan ü over. O Lam zonder vlek, dat eenmaal op den Calvarieberg U zei ven liebt geslachtofferd, en daar voor mij gestorven zijt, wasch mij allereerst met uw bloed rein van mijne zonden, vergeef mij alle beleedigingen, die Gij van mij hebt ontvangen, en doe mij dan in uwe heilige liefde ontvlammen. Ik bemin U bovenal, ik bemin U uit geheel mijne ziel. Hoe zou ik ooit ergens ter wereld een voorwerp kunnen vinden, dat meer liefde verdient, waar iemand, die mij meer bemind heeft dan Gij. O Maria moeder Gods, Gij mijne voorspreekster, bid voor mij en verkrijg mij eene ware en standvastige verandering van leven: ik stel op U mijn vertrouwen.

-ocr page 244-

§ 31.

LIEFDE TOT DE EENZAAMHEID.

^/5)1 od laat zich niet vinden in het Xwl gewoel der wereld. Vandaar dat de heiligen de woestijnen, de meest verholen spelonken opzochten om aldus den omgang der menschen te ontvluchten en zich alleen van hart tot hart te kunnen onderhouden met God. De H. Hilaribn heeft verschillende woestijnen bewoond; immer zocht hij de eenzaamste, waar zich niemand bevond met wien hij omgang kon hebben; ten laatste stierf hij in een woestijn van Cyprus, alwaar hij vijf jaren had geleefd. Toen de H. Bruno door God geroepen werd

-ocr page 245-

— 225 —

om clc wereld te verlaten, begaf hij zicli met zijne gezellen naar den H. Hugo, bisschop van Grenoble, om zich door deze een eenzame plaats te doen aanwijzen in zijn diocees. De H. Hugo wees hun de Chartreuse, eene woeste wildernis, eerder geschikt tot een verblijf voor wilde dieren, dan tot eene woonplaats voor menschen; met blijdschap gingen /ij daar wonen, en vestigden zich ieder in een kleine hut, op eenigen afstand van elkander.

De Heer zeide eens tot de H. Theresia: Véle zielen zou ik gaarne toespreken; maar de wereld maakt zooveel gedruisch in haar hart, dat mijne stem daar niet kan gehoord worden.

Te midden van het gewoel en de beslommeringen der wereld spreekt God ons niet toe, want Hij weet, dat indien Hij al spreekt, zijn woord niet wordt verstaan. Zulke woorden van God zijn de heilige ingevingen, de verlichtingen cn opwekkingen, waardoor do heiligen worden verlicht en in de goddelijke liefde ontvlamd ; maar als men de eenzaamheid niet

15

-ocr page 246-

— 226 —

bemint, zal men van het geluk die inspraken van God te hooren verstoken zijn.

Ik zal, zegt God, de ziel brengen in de eenzaamheid, en daar tot haar hart spreken. Ducam earn in solitudinem et loquar ad cor ejus. 1) Wanneer God eene ziel tot een verheven graad van volmaaktheid wil verheffen, wekt hij haar op om zieh terug te trekken naar eene eenzame plaats, waar zij van hot verkeer der schepselen verwijderd is; daar dan spreekt Hij tot hare ooren, niet tot de ooren van haar lichaam, maar van haar hart, en aldus verlicht Hij haar en doet haar in zijn goddelijke liefde ontvlammen.

De H. Bernardus zeide, dat hij God veel beter had leeren beminnen in dc bossehen, te midden van eiken en beuken, dan tusschen de boeken en te midden van Gods dienaren. Daarom zeide de H. Hieronymus vaarwel aan de genietingen van Rome, en sloot zich op in de grot van Bethlehem, waarna hij uit-

1) Ps. 2. 14.

1)

-ocr page 247-

— 227 —

riep : O sohtudo in qua Deus cum suis familiariter loquitur et conversatur! O een-ziiamlieid, hoe gemeenzaam handelt en spreekt God in u met zijne dienaren! In dc eenzaamheid gaat de Heer op vertrouwelijke wijze met zijne uitverkoren zielen om, daar doet Hij haar die woorden hooren, welke, gelijk de Bruid dei-gezangen zegt, de harten van heilige liefde doen smelten. Anima mea liquefaeta est, ut (dilectus mens) locutus est. 1)

spra-zijn. n in hart m et God van tij kken van derd )ren, aam, licht lijke

God i dc keu, Idcn i de nie-3 in uit-

Dc ondervinding leert ons, dat de omgang met de wereld en het najagen van tijdelijke goederen ons de gedachte aan God doet verliezen; maar van al die moeite, van al dien tijd, besteed aan de dingen dezer wereld, wat zal er ons van overblijven in het uur des doods\'? Wat anders dan spijt en knaging van het geweten? In den dood zal ons alleen overblijven liet weinige, wat wij gedaan en geleden hebben voor God. Waarom ons toch niet onthecht aan de wereld, voor dat wij er aan onthecht worden door den dood ?

1) Cant. 5. 6.

-ocr page 248-

— 228 —

Sedehit solitarius et tacehit, quia levavit supra se. 1) Die in de eenzaamheid woont, leeft niet meer in gejaagdheid, gelijk weleer, toen hij zich in het gewoel der wereld bevond, maar sedehit, hij zal rustig neerzitten; et tacehit, hij zal niet vragen naar zinnelijke voldoeningen, want boven zich zeiven en boven alle aardsche dingen verheven, zal hij in God alle goed en alle voldoeningen vinden.

Quis dahit mihipennas -sicut columbae, et volaho. et requiescam. 2) David verlangde de vleugelen te bezitten der duif om de aarde te verlaten, en haar zelfs niet meer met de voeten te raken, daar hij op die wijze alleen rust zou kunnen schenken aan zijne ziel. Doch, zoolang wij in dit leven zijn, is het ons niet gegeven van deze aarde weg te gaan; zorgen wij dan ten minste zooveel mogelijk de afzondering te beminnen om ons daar uitsluitend bezig te houden

1) Thren. 3. 28.

2) Ps. Ö4. 7.

-ocr page 249-

— 229 —

met God, on .aldus kracht te verkrijgen om, als het noodzakelijk is met de wereld te verkeeren, ons te vrijwaren voor fouten. Zoo deed ook David ten tijde van zijn koninklijk bestier. Ecce elongavi fugiens et mansi in solitudine 1) Zie ilc vluchtte weg en hleef in de eenzaamheid.

Ach, hadde ik altijd gedacht aan U, en niet aan de goederen dezer wereld, o God mijner ziel! Ik betreur de dagen, waarin ik de aardsche voldoeningen heb nagejaagd, en U, mijn opperste goed, heb bedroefd. O hadde ik U altijd bemind! Acb was ik maar liever gestorven, en bad ik U toch nooit bedroefd! Ellendige, die ik ben; reeds is mijn dood nabij, en ook dan nog zal ik gehecht zijn aan de goederen der wereld! Maar neen, mijn Jezus; heden neem ik het besluit alles te verlaten en geheel aan U te zijn. Gij zijt almachtig. Gij moet mij kracht geven om aan U getrouw te blijven, ü Moeder Gods, bid voor mij uwen Jezus.

1) Pa. 54. S.

--rtfi----

-ocr page 250-

§ 32.

DE EENZAAMHEID DES HAKTEN.

mmid prodest solitudo corporis, si de-fuerit solitudo cordis 9 In de vorig\'o paragraaf zagen wij, hoe nuttig voor de ingetogenheid des geestes de eenzaamheid is; maar, zegt de H. Gregorius, weinig of niets zal het baten volgens het lichaam te verblijven op eene afgezonderde plaats, als het hart vol blijft van gedachten en genegenheden voor de wereld. Opdat eene ziel aan God behoorc zijn twee dingen noodzakelijk. Vooreerst, eene algeheele onthechting aan het geschapene, vervolgens, eene algeheele toewijding harer liefde aan God. Indien ik

-ocr page 251-

— 231 —

wist, zeicle de H. Franciscus van Sales, dat er in mijn hart een adertje was, dat niet aan God behoorde, ik zou het er aanstonds willen uitrukken. Zoolang liet hart niet gezuiverd is, zoolang de geheele wereld er niet uit is, zoolang kan de goddelijke liefde er niet binnentreden om liet geheel te bezitten. God wil door zijne liefde heerschen in ons hart, maar Hij wil er de heerschappij alleen bezitten. Hij duldt er geene mededingers. Hij duldt niet, dat anderen Hem een gedeelte ontrooven van de genegenheid, die Hij met volle recht voor zich eischt.

Sommige zielen beklagen zich, dat zij bij hare godvruchtige oefeningen, zooals gebeden, communiën, geestelijke lezingen, bezoeken bij het H. Sacrament, nimmer het bijzijn genieten van God, en zij weten niet, welk middel zij zullen aanwenden om Hem te vinden. Doch de H. Theresia weet hun dat middel zeer wel aan te wijzen: Onthecht, zegt zij, uw hart aan al het geschapene, en ga daarna God zoeken, dan zult ge Hem vinden.

-ocr page 252-

— 232 —

Velen die zich van de schepselen willen scheiden en alleen met God willen ver-keeren, kunnen daartoe niet, gelijk zij dit wenschtcn, naar eene woestijn gaan; maar men moet bedenken, dat voor de eenzaamheid des harten geene woestijnen of grotten noodig zijn. Zij, die door noodzakelijkheid verplicht zijn om in verkeer met dc wereld te komen, kunnen, zoolang zij him hart vrij houden van aardsche gehechtheden, zeUs midden op de openbare wegen, midden op markten en pleinen de eenzaamheid des harten bezitten, en met God vereenigd zijn. De bezigheden, welke verricht worden om Gods wil te volbrengen, zijn voor de eenzaamheid des harten geen beletsel. De H. Catharina van Siena wist God wel te vinden te midden van de huiselijke bezigheden. Hare ouders hielden haar daarom den geheelen dag bezig om haar alzoo van hare godvruchtige oefeningen af te trekken; maar de heilige bleef te midden dezer beslommeringen teruggetrokken in het binnenste haars harten, zij noemde dat hare cel, en daar

-ocr page 253-

— *233 —

onderbrak zij geen enkel oogenblik haar innig verkeer met God.

Vacate et videte, quoniam ego sum Deus. 1) De goedheid Gods eenmaal gekend, trekt noodzakelijkerwijze alle genegenheden van ons hart tot zich; maar om het goddelijk licht, tot deze kennis noodzakelijk, te verkrijgen, moet men vacare, d. w. z. zich ontdoen van de aardsehe genegenheden, daar deze ons de kennis van God beletten. Gelijk een kristallen vaas, als zij vol zand is, niet toegankelijk is voor het licht der zon, zoo ook is een hart, dat verkleefd is aan geld, aan aardsehe eer of zinnelijk vermaak, niet volkomen toegankelijk voor het goddelijk licht. En daar het zonder dat licht God niet kent, zal het Hem ook niet vurig beminnen. In welken staat de mensch ook door God gesteld zij, wil hij niet, dat de schepselen hem van God aftrekken, dan moet hij wel is waar zorgdragen om zijne plichten te vervullen, gelijk God dit verlangt; maar voor al

1) Ps. 4.-). U.

-ocr page 254-

— 234 —

het overige moet hij zich verbeelden, dat er niemand op de wereld is dan alleen hij en God.

Wij moeten ons aan alles onthechten, en bijzonder aan ons zeiven door onze eigenliefde in alles tegen te gaan. Dit of dat voorwerp, bijv. behaagt ons ; juist daarom moeten wij het niet gebruiken. Deze of gene persoon heeft ons kwaad gedaan; juist daarom moeten wij hem goed doen. Kortom, in willen en niet willen moeten wij ons alleen regelen naar den wil van God, en tot geene. zaak overhellen, alvorens te weten, dat het do wil is van God, dat wij haar willen.

O met hoeveel goedheid geeft God zich aan een ieder, die zich van de schepselen onthecht om Hem te vinden !

Bonus est Dominus animae quaerenti ilium. 1) Dr. zuivere liefde tot God, zegt de II. Franciscus van Sales, verteert alles xvat niet God is, en verandert alles in liefde. Daarom moet men van zich

1) Thren. 3. 2ij.

-ocr page 255-

zeiven maken een gesloten tuin, gelijk geschreven staat van de Bruid der gezangen : Hortus conclusus soror mea sponsa. i) Gesloten tuin, ziedaar de naam cener ziel, die de deur gesloten houdt voor de genegenheden der wereld. Van God ontvingen wij al hetgeen wij bezitten : niet reden dus vraagt Hij van ons geheel onze liefde. Wanneer daarom eenig sehcpsel wil binnentreden, en een deel van onze liefde wil rooven, dan moeten wij liet beslist den toegang weigeren, en vervolgens ons koerende tot ons opperste goed. Hem zeggen uit de volheid van ons hart: Quid mihi est in cnelo, et a te quid volui super terrain ? Deus cordis mei et pars mea. Deus in aeternum. 2) O mijn God, wat is er buiten U, dat mijne ziel bevredigen kan? Neen, buiten U verlang ik niets, noch in den hemel noch op aarde. Gij alleen zijt mij genoeg : Deus cordis mei, et pars mea in aeternum.

1) Cant. 4. 12.

2) Ps. 72. 25 et 26.

-ocr page 256-

— 236 —

O gelukkig hij, die zeggen kan : Reg-num mundi et omnem ornatum saeculi comtempsi propter amorem Domini mei Jesu Christi. De heerschappij der wereld en al haren luister heb ik veracht om de liefde mijns lieer en Jezus Christus. Ja dit mocht zuster Margaretha van het Kruis zeggen, dochter van keizer Maximiliaan II. Toen deze groote dienaresse Gods zich bij hare religieuse inkleeding van hare rijke kleederen en edelgesteenten ontdeed, om daarvoor het arme wollen gewaad der barrevoeter zusters van de strenge orde der H. Clara in de plaats te ontvangen, wierp zij dezelve met zooveel verachting van zich weg, dat zij allen, die de plechtigheid bijwoonden, tot schreiens toe bewoog.

Mijn Jezus, wat mij aangaat, ik wil niet, dat de schepselen nOg eenig deel hebben in mijn hart. Gij alleen moet er geheel en al heer en meester van zijn. Laten anderen de genoegens en de grootheid najagen der wereld, ik verkies niets anders dan U; Gij alleen. Gij zult voor het tegenwoordige en toekomende leven

-ocr page 257-

— 237 —

mijn eenig erfdeel, mijn eenig goed, mijn eenige liefde zijn. En daar Gij mij bemint, gelijk ik zie uit de vele blijken, die ik daarvan ontvang, o help mij dan ook mijzelven te ontdoen van alles, wat mij van uwe liefde kan aftrekken. Maak dat mijne ziel op niets anders bedacht zij, dan om genoegen te geven aan U, als aan het voorwerp van al hare genegenheden. Welaan, stel U in bezit van geheel mijn hart, ik wil niet meer mijzelven toebehooren; heersch Gij over mij, en maak mij bereidvaardig tot de volvoering van al uwe verlangens. O Maria, moeder van God, ik stel mijn vertrouwen op U, uwe gebeden moeten maken, dat ik geheel tocbehoore aan Jezus.

-ocr page 258-

§ 33.

GOD ZIEN EN HEM BEMINNEN, DIT MAAKT IN HET ANDERE LEVEN HET PARADIJS DER ZALIGEN UIT.

0|ien wij thans, wat in het ander

leven die zalige hemellingen zoo ten volle gelukkig maakt. Die ziel, die in den hemel God van aanschijn tot aanschijn aanschouwt, kent daar Gods oneindige schoonheid en al die volmaaktheden, welke Hem eindeloos be minnenswaardig maken; vandaar dat het haar niet mogelijk is. Hem niet uit al hare krachten te beminnen, zij bemint Hem eindeloos meer dan zich zelve. Wat meelis, de ziel vergeet als \'t ware daar zich zelve, zij denkt aan niet anders, en

-ocr page 259-

— 239 —

verlangt niets anders dan om haren Beminde, nl. God gelukkig te zien; en daar zij ziet, dat God, liet ecnig voorwerp van al hare genegenheden, eeno oneindige vreugde geniet, zoo maakt die oneindige vreugde van God geheel haar paradijs uit. Ware de ziel vatbaar voor iets oneindigs, dan zou op het gezicht van het oneindig geluk haars Welbeminden ook hare eigene vreugde oneindig zijn; maar omdat het schepsel voor oneindige vreugde niet vatbaar is, zal de ziel ten minste verzadigd zijn van vreugde, zoodat zij niets meer zal verlangen. Ziedaar de verzadiging, waarnaar David verlangde, als hij zeide: Satiabor cum apparuerit gloria tua. 1) Ik zal verzadigd worden hij het openhaar worden moer glorie.

En alzoo wordt bewaarheid, wat God zal zeggen tot de ziel, als Hij haar in bezit stelt van het Paradijs: Intra in gaudium Domini tui. 2) Treed binnen in

1) Ts. 16. 15.

2) Math. 25. 21.

-ocr page 260-

— 240 —

de vreugde uivs IIeer en. God zegt niet tot de vreugde, dat zij de ziel moet binnengaan, want daar deze vreugde oneindig is, kan zij door geen schepsel worden bevat; maar God zegt, dat de ziel moet ingaan in de vreugde om er een deel van te ontvangen; doch een deel, zoo groot, dat het haar volkomen verzadigt en gelukkig maakt.

Daarom houd ik er voor, dat onder alle akten van liefde tot God in het gebed geene akte volmaakter is dan zich te verblijden over Gods oneindig geluk. Zeer zeker, juist dit is het, wat de gelukzaligen aanhoudend doen in den hemel; en daarom, wie zich dikwijls over het geluk van God verheugt, begint reeds op deze wereld te beoefenen, wat hij in den hemel hoopt te doen gedurende de geheele eeuwigheid.

Zoo groot is de liefde, waarvan de heiligen in het Paradijs voor God branden, dat indien er bij hen ook maar de vrees zou kunnen ontstaan God te verliezen of ten minste Hem niet meer uit alle krachten te beminnen, gelijk zij thans

1

-ocr page 261-

— 241 —

doen, deze vrees alleen hun eene hol van folteringen zou veroorzaken. Maar neen, dat is niet mogelijk, want zoo zeker als de zielen zijn van God, zoo zeker zijn ze ook, dat zij Hem voor eeuwig en uit al hare krachten zullen beminnen, dat zij immer door God zullen bemind worden en dat deze wederzijdsche liefde nooit, in eeuwigheid zal ontbonden worden. Mijn God, om de verdiensten van Jezus Christus maak mij deze liefde waardig.

Doch die vreugde, welke het eigenlijk geilde des hemels uitmaakt, zal nog vermeerderd worden door den luister der schoone stad Gods, door den glans harer bewoners, door het gezelschap dier engelen en heiligen; maar bijzonder van Maria, die alleen veel schooner zal zijn dan geheel het Paradijs; ook van Jezus Christus, wiens schoonheid nog eindeloos de schoonheid van Maria zal overtreffen.

Nog zal de vreugde der zaligen vermeerderd worden door de herinnering aan de gevaren, waaraan zij tijdens hun

-ocr page 262-

m

leven hebben blootgestaan, en waarin zij zoo gemakkelijk dat groote geluk des hemels hadden kunnen verliezen. En hij, die helaas om zijne zonden reeds de hel had verdiend, hoe vurig zal hij God bedanken als hij daar hoog in den hemel zal zijn, vanwaar hij op zoovele ongelukkigen zal neerblikken, die voor minder zonden dan hij bedreven had, veroordeeld zijn tot de hel, terwijl hij nu zalig is, verzekerd, dat hij zijnen God nooit meer kan verliezen, en bestemd is om eeuwig die geneugten te genieten van het Paradijs, welke nimmer zullen vervelen. De genietingen dezer wereld, al zijn ze nog zoo groot en duurzaam, beginnen met verloop van tijd te vervelen; maar de geneugten van het Paradijs niet; hoe meer men ze smaakt, hoe vuriger men ze verlangt, zoodat de gelukzalige er immer ten volle door verzadigd wordt, en er tevens voortdurend naar blijft verlangen; immer blijft hij er naar verlangen, en immer wordt zijn verlangen vervuld. Vandaar wordt de blijde lof-

-ocr page 263-

— 243 —

zang, waarmede de gelukzaligen God verheerlijken, en Hem voor hun eeuwig geluk bedanken, een nieuw lied genoemd. Cantate Domino canticum novum. 1) Dit lied heet nieuw, omdat het geluk des hemels altijd even nieuw blijft, als toen men het voor het eerst genoot, want immer göniet men het, en immer verlangt men er naar, en immer wordt het gesmaakt. Gelijk daarom de verdoemden vasa irae, vaten van gramschap worden genoemd, zoo noemt men de gelukzaligen vasa charitatis, vaten van goddelijke liefde. De H. Augustinus zegt dus met reden, dat er om dit eeuwig geluk te verdienen wel eene eeuwige arbeid mocht worden gevorderd. Weinig dan ookhebben de kluizenaars gedaan, ondanks al hunne boetplegingen en gebeden, weinig voor een paradijs, weinig zoovele heiligen, al hebben zij ook goederen, rijkdommen, ja koninkrijken verlaten, weinig voor een paradijs; gering was het lijden der martelaren, ondanks de pijnbanken, de

1) Ps 97. 1.

-ocr page 264-

— 244 —

gloeiende roosters en den wreeden dood, dien zij trotseerden, gering voor een paradijs.

Laten wij dan ten minste de kruizen verdragen die God ons overzendt; want als wij zalig worden, zullen al die kruizen voorwerpen worden van eeuwige vreugde. Worden wij door ziekten, smarten of andere tegenspoeden beproefd, heffen wij dan de oogen ten hemel, en zeggen wij: Eenmaal zullen al deze kwellingen eindigen, en dan hoop ik immer mijnen God te genieten. Welaan, moed gevat, laten wij lijden, laten wij verachten, wat dezer wereld is. Gelukkig hij, die bij zijnen dood niet de H. Agatha zeggen kan: Domine qui ahstulisti a me amorem saeculi, accipe animam meam. Heer, Gij hebt mijne ziel van de liefde dezer wereld bevrijd, mij met uwe liefde begiftigd, ontvang thans mijne ziel. Laten wij alles verdragen, laten wrij al het geschapene verachten; Jezus wacht ons en staat gereed met de kroon in zijne hand om ons koningen te maken van

-ocr page 265-

— 245 —

den hemel, indien wij Hem getrouw zijn.

Maar mijn Jezus, hoe kan ik nog dingen naar dat groote geluk, ik, die zoo dikwijls om ellendige aardsche genoegens voor uwe oogen aan het Paradijs hel) verzaakt, en uwe genade met voeten heb getreden. Doch uw heilig Bloed moedigt mij aan om, ofschoon ik zoo dikwijls de hel heb verdiend, toch nog te hopen op den hemel, ja, want Gij zijt gestorven aan het kruis, juist om aan hen, die het niet verdiend hadden, dien hemel te geven. Mijn Verlosser, mijn God, ik wil U niet meer verliezen. Help mij U getrouw te blijven. Advcniat reynum tuum. Om de verdiensten van uw heilig bloed, maak mij deelgenoot van uw rijk, en middelerwijl, zoolang de dood nog verwijderd blijft, fat voluntas tua, doe mij volmaaktelijk leven volgens uwen heiligen wil, want uw wil is het hoogste Goed, het paradijs op aarde voor dengene, die U bemint. Welaan dan zielen, die liefde hebt voor God, laten wij, zoolang wij nog in dit dal

-ocr page 266-

— 246 —

van tranen leven, immer naar het Paradij verzuchten, zeggen wij :

Schoon vaderland, waar H loon der liefde

In ceuw\'ge liefde zal bestaan !

Hoe draalt mij uur om TI te kennen JFanneer, o God, wanneer zal V slaan ! *

Patria bella, ove all\' amore In mercede. amor si da Te suspiro a tutte l\'ore Quando, oh Dio ! quando sara ?

-ocr page 267-

);jC— ...........:quot;^C

radijs

§ 34.

OVER HET GEBED VOOR HET ALLERHEILIGSTE SACRAMENT DES ALTAARS.

ïns gebed is immer aangenaam aan \' God, waar het ook geschiede; maar Jezus Christus schijnt bijzonder welgevallen te hebben in het gebed dat vóór Jlerheiligste Sacrament verricht wordt; daar toch schijnt hij aan degenen die Hem bezoeken zijne genaden en verlichtingen met ^milder overvloed uit te deelen. De Goddelijke Zaligmaker is in dit Sacrament tegenwoordig gebleven, niet slechts om de zielen, die Hem in de H. Communie ontvangen, tot spijs te zijn ; maar ook, opdat een ieder, die Hem zoekt,

(

-ocr page 268-

— 248 —

Hem ten allen tijde in persoon zou kunnen vinden. De vrome pelgrims gaan naar het huisje van Loretto waarin Jezus Christus tijdens zijn aardsch leven gewoond heeft; ofwel naar Jerusalem waar Hij aan het kruis gestorven is; maar hoeveel grooter moet onze godsvrucht zijn, wanneer wij ons bevinden voor een tabernakel, waar dezelfde Heer, die onder ons gewoond heeft, en op Calvarië voor ons stierf, in persoon tegenwoordig is.

Op deze wereld wordt niet aan allen rang van personen een bijzonder onderhoud vergund niet den Koning; maar met den Koning des hemels in het H. Sacrament mogen allen, groot en klein, rijk en arm, zich naar believen onderhouden, zij mogen bij Hem blijven zoolang zij verkiezen, Hem al hunne behoeften blootleggen, en Hem zijne genade afsmeeken Aan allen geeft Jezus daar toegang, en allen verhoort en troost Hij.

De wereldsche menschen, die geene andere genoegens kennen dan de genoegens der aarde, kunnen niet begrijpen wat genot er toch kan gelegen zijn in

-ocr page 269-

— 249 —

daar geruimen tijd neergeknield te blijven voor een tabernakel, waarin zich een geconsacreerde hostie bevindt; maar voor zielen, die God beminnen, gaan de uren en dagen, doorgebracht voor het H. Sacrament, als oogenblikken voorbij, zooveel hemelsche zoetheid doet de Heer haar daar genieten.

Maar hoe kunnen de wereldlingen die zoetheid smaken, daar hun geest en hun hart vol zijn van de wereld ? Willen wij, zegt de H. Franciscus de Borgia, dat de goddelijke liefde in ons hart heersche, dan moeten wij eerst de wereld daaruit verdrijven; de goddelijke liefde treedt anders zelfs niet binnen; immers er is dan geene plaats voor haar. Ijtal af, zegt David, Vacate te vide te, quoniam eyo sum Deus. 1) Om smaak te vinden in God, om te proeven, hoe zoet Hij is voor wie Hem bemint, moet men onthecht zijn van de aardsche genegenheden. Wilt gij God vinden? Onthecht u dan van de

1) Ps. 45. 10.

-ocr page 270-

— 250 —

schepselen, en ye zult Hem vinden, zegt de H. Theresia.

Wat nu moet eeu ziel, als zij voor het II. Sacrament ligt neergeknield, doen? Zij moet beminnen en vragen. Zij moet daar niet komen om zoetheid en troost te gevoelen; maar alleen om genoegen te geven aan God; akten van liefde moet zij er verwekken, zich zelve daar zonder voorbehoud aan God geven door aan alle eigene verlangens te verzaken, en zich zelve aan te bieden als offer. O mijn God, zoo moet zij zeggen, ik bemin U, en niets anders verlang ik dan U; maak slechts, dat ik U immer heminne, en voor het overige moogt gij met mij en al het mijne doen wat U hehaagt. Doch onder alle akten van liefde is aan God het aangenaamste die akte, welke de zaligen zonder ophouden beoefenen in den hemel, nl. van welbehagen in Gods oneindig geluk. De gelukzalige toch (gelijk we in § 28 zagen) bemint God eindeloos meer dan zich zeiven; vandaar verlangt hij veel vuriger het geluk zijns Welbeminden dan zijn eigen

-ocr page 271-

— 251 —

geluk; daar hij nu God eene oneindige vreugde ziet smaken, zou ook zijn eigen geluk oneindig zijn ; doch omdat het schepsel voor een oneindig geluk niet vatbaar is, zoo is zijn geluk ten minste volkomen. Het geluk alzoo van God maakt zijne zaligheid en zijn paradijs uit. Dergelijke akten van liefde nu, ook al verrichten wij ze zonder er de gevoelige zoetheid van te smaken, zijn aan God zeer welgevallig. In dit leven overigens geeft God zelfs aan zijne meest geliefde zielen niet immer vertroostingen; maar slechts nu en dan; en wanneer Hij ze verleent, geschiedt dit niet zoozeer tot belooning harer goede werken (want Hij behoudt ons het volle loon voor in den hemel) als wel om haar beter in staat te maken om met geduld de kwellingen dezes levens te verdragen, bijzonder de verstrooiingen en dorheden, welke de brave zielen lijden in het gebed.

Wat die verstrooidheden aangaat, daarover moet men geen zorg hebben; het is genoeg ze te verdrijven, als men ze be-meikt. Overigens ondervinden zelfs de

zegt

het en ? loet oost igen sfde laar loor een, lïer.

■ ik mer

gy

■■ v

jfde kte, be-gen lige nint en; het gen

-ocr page 272-

— 252 —

heiligen onvrijwillige verstrooidheden in het gebed; doch zij laten daarom geenszins het gebed varen, en zoo moeten ook wij doen. Als wij in ons gebed niets anders zonden doen, zegt de H. Franciscus van Sales, dan maar telkens op nieuw die verstrooidheden verdrijven, toch zou ons gebed van groot nut zijn. Wat nu de dorheid aangaat, voorzeker, er bestaat voor zielen, die het gebed be minnen, geen grootere kwelling dan daar neer te zitten, bij wijlen zonder eenig gevoel van godsvrucht, vol tegenzin en zelfs zonder eenig merkbaar verlangen om God te beminnen; daarbij komt dan nog dikwijls de vrees, dat zij misschien om hunne zonden in vijandschap zijn met God en daarom van Hem verlaten zijn. Te midden dezer dikke duisternissen zién zij geen enkelen uitweg; elke uitgang schijnt hun afgesloten. Dan vooral moet de vrome ziel sterk zijn, en niet het gebed laten varen, gelijk de duivel haar voorhoudt; zij vereenige alsdan hare troosteloosheid met hetgeen Jezus Christus leed aan

-ocr page 273-

— 253 —

het kruis, en vergenoege zich, als zij anders niet kan, ten minste met den wil eenige akten te doen, zooals: Mijn God, ik wil U beminnen, ik wil geheel de uwe zijn, heb\' medelijden met mij, verlaat mij toch niet.

Laat ook zij dan zeggen, wat eene heilige ziel tot God zeide, als zij het meest van troost verstoken was:

Vu Bemin XT, Heer, al loont zich ook Uw hllk op mij verholgen.

Vlucht ran mij wcy, zoo veel Gij wilt Ik zal TT immer volgen. *

T\'auw, xebben mi redo Xemica aff li ocehi tuoi Fuygimi quanto vttoi Sempre li seginro.

-ocr page 274-

lt;Efalt;amp;lt;amp;lt;é)lt;amp;lt;égt;elfolt;amp;)lt;amp;efa 6fc___cfe_ G$3~Qfë ^9 efë ^ Q$5 e$5 ^ èfê ofó ^ \'èfêT

d \'

ALLEEN IN GOD VINDT MEN DEN WAREN VREDE.

tÜÜllic c^cu vre(le ^ (le schepselen zoekt, zal dien nimmer vinden; want al do schepselen te zamen kunnen nog geen vrede schenken aan het hart. God heeft den mensch geschapen voor zich zelven alleen, dus voor een oneindiir goed, alleen in God derhalve kan de mensch vrede vinden. Ziedaar, waarom zoovelen, hoewel met schatten, eer en aardsche genoegens overladen, nimmer tevreden zijn. Immer zoeken zij nog meeleer, nog meer goederen, nog meer vermaken, en ofschoon zij ook hun streven bereiken, toch blijven zij altijd in onrust, en smaken nooit een enkelen dag van

-ocr page 275-

— 255 —-

waren Vrede: Delect arc in Domino, eidabit tibipetitiones cordis tui. 1) Wanneer iemand alleen in God zijn genoegen stelt, en niets anders dan Hem alleen zoekt, dan zal God zelf de zorg op zich nemen om al de verlangens van zulk een hart te bevredigen en het zal alsdan komen tot den gelukkigen staat van die uitverkoren zielen, welke niets anders verlangen dan genoegen te geven aan God.

Dwazen zijn liet, die zeggen : Gelukkig hij, die op zijn gemak kan leven, die aan anderen bevelen kan, die zooveel genoegens kan smaken als hij verlangt. Dwaasheid! alleen hij is gelukkig, die liefde heeft voor God, die zeggen kan: mij is God alleen genoog. De ondervinding leert het genoeg ; in \'t algemeen genomen, mogen wij zeggen: al die personen, welke door de menschen der wereld gelukkig worden genoemd, leiden in weerwil van hunne rijkdommen, in weerwil van hunne waardigheden, dikwijls een ongelukkig leven, en vinden zelden rust.

1) Ps. 36. 4.

-ocr page 276-

— 256 —

Maar hoe komt het dan, dat zoovele rijken, zoovele grooten en vorsten, die de goederen der wereld in overvloed kunnen genieten, geen rust vinden, en zoovele eenvoudige kloosterlingen daarentegen, die afgezonderd, arm en vergeten leven in een cel, zoo tevreden zijn ? Hoe komt het, dat die kluizenaars, ofschoon zrj in een woestijn of grot hun leven sleten, ofschoon zij honger en koude leden, toch jubelden van blijdschap ? O dezulken dachten alleen aan God, en het was God, die hen troostte.

Pax Dei, quae exsuperat omneni sen-sum. 1) O die vrede, welken God aan zijne beminde zielen schenkt, hoe ver wint hij het van al de geneugten, welke de wereld kan geven! Gustate et videte, quarn suavis est Dominus. 2) O wereldlingen, roept de profeet uit, waarom versmaadt gij het leven der heiligen zonder het te kennen ? Neemt er eens de proef van, laat, laat de wereld varen, geeft U aan God, en

1) Phil. i. 7.

2) Pp. 33. 9.

-ocr page 277-

— 257 —

gij zult zieu, hoeveel beter Hij U weet te troosten clan alle grootheid en alle genot van deze wereld.

Het is waar, ook de heiligen lijden groote beproevingen in dit leven; doch daar zij berusten in den wil van God, verliezen zij nimmer hunnen vrede. De minnaars der wereld schijnen nu eens treurig, dan eens blijde; doch in werkelijkheid leven zij meestal in onrust en bitterheid. De godminnende zielen daarentegen zijn boven alle wederwaardigheden cn wisselvalligheden dezer wereld verheven, daarom ook leven zij in eene blijvende rust. Hoor, hoe de beroemde Kardinaal Petrucci eene ziel beschrijft, die zich geheel aan God heeft gegeven.

Zij ziet, hoe \'t alles rondom haar In allerhande vorm vergaat;

Maar zij, met haren God vereend,

Blijft immer in denzelfden staat. *

Vede cung\'iarsi in variate forme

Fuori di se le creature, e dentro

II suo piu cupo centro

Sempre unito al suo Dio vive uniforme.

17

-ocr page 278-

— 258 —

Hij ecliter, die immer alzoo niet God vercenigd wil worden en eenen blijvenden vrede genieten wil, liij moet alles uit zijn hart verdrijven, wat niet God is, hij moet als liet ware dood zijn voor alle genegenheden der wereld. Mijn God verleen mij uwe hulp, opdat ik mij van alle banden, die mij nog naar de wereld trekken, moge ontdoen. Geef, dat ik om niets anders denke dan om welgevallig te zijn aan U.

Zalig zij, wien God alleen genoeg is. Heer, geef mij die genade, geef, dat ik niets zoekc buiten U, geef, dat ik niets wensche dan u te beminnen en aan U genoegen te geven. Uit liefde tot U doe ik thans afstand van alle aardsche genoegens, zelfs aan de geestelijke vertroostingen wil ik niet gehecht zijn. Anders verlang ik niets dan uwen H. wil te doen en U genoegen te geven. O Moeder Gods, beveel mij aan uwen Zoon, want aan U weigert Hij niets.

-ocr page 279-

§ 36.

GOD ALLEEN MOET ONS DOEL ZIJN.

jilpYij al onze handelingen moeten wij ■ i-J/ geen ander doel beoogen dan te behagen aan God, aan God, en niet aan onze ouders, niet aan onze vrienden, niet aan de grooten der wereld, ook niet aan ons zeiven; immers al wat niet voor God wordt gedaan, is geheel en al verloren. Veel wordt er gedaan om te behagen of niet te mishagen aan de menschen; doch de H. Paulus zegt: Si adlmc hominibus placerem, servies Christi non essem. 1) Indien ik noy aan de menschen zocht te

1) Gal. 1. 10.

-ocr page 280-

— 260 —

behagen, zou ik de dienaar van Christus niet zijn. God alleen moet als doel worden beoogd bij al wat wij vemcliten, zoodat wij kunnen zeggen, wat Jezus Christus eens zeide: Ego quae placita sunt ei facio semper. 1) Alles, wat wij hebben, heeft God ons geschonken ; van ons zeiven hebben wij niets dan de zonde. God alleen heeft ons in waarheid bemind. Hij toch heeft ons in eeuwigheid bemind, en zóó ver is zijne liefde gegaan, dat Hij ons zich zeiven gegeven heeft op het kruis en in het H. Sacrament des altaars. God alleen derhalve verdient al onze liefde.

Hoe is een ziel te beklagen, die nog gehecht blijft aan eene zaak dezer wereld, ofschoon dit aan God mishaagt; nooit zal zij vrede vinden in dit leven, en zij verkeert in groot gevaar ook nooit vrede te zullen genieten in het andere. Gelukkig daarentegen, o mijn God, de ziel, die niets anders zoekt dan U, die aan alk« verzaakt heeft uit liefde tot U; die ziel

1) Jo. 8. 21.

-ocr page 281-

— 261 —

zal de parel vinden van uwe zuivere liefde, een jjarel, die kostbaarder is, dan alle schatten en koninkrijken dezer wereld. Ja, als de ziel zoo gesteld is, dan erlangt zij de vrijheid der kinderen Gods, dan zal. zij zich bevrijd zien van alle banden die haar omlaag trekken naar de aarde en haar verhinderen zich met God te vereenigen.

Mijn God en mijn al, ik geef aan U de voorkeur boven allo rijkdommen, boven alle eer, boven alle wetenschappen, boven alle verwachtingen, boven alle gaven, die Gij mij kunt geven. Gij alleen zijt mij alle goed. Gij het eenige, wat ik verlang ; Gij immers zijt de oneindig Schoone, de oneindig Goede, de oneindig Beminnenswaardige ; Gij in een woord zijt het eenig goed. Geen enkele gave dan ook, die Gij zelve niet zijt, voldoet mij. Ik herbaal het en ik zal het immer herhalen. Ik verlang U alleen, niets anders ; en hetgeen minder is dan Gij, ik zeg het U, het voldoet mij niet. Ach wanneer zal bet mij gegeven zijn mij alleen bezig te houden met U te prijzen, U te be-

-ocr page 282-

— \'2 6 quot;2 —

minnen, aan U welgevallig te zijn, zoodat ik geen acht meer geve op de schepselen en ook op mij zelven niet? Ach mijn Jezus, ach mijne liefde, kom mij te hulp, wanneer Gij mij soms in uwe liefde mocht zien verflauwen, en ik mij in gevaar mocht bevinden om mijne genegenheid te schenken aan de schepselen en aan de genoegens der wereld. Emiite manum tuam de alto, eripe me et libera me de aquis mult is. 1) lied mij dan uit het gevaar, opdat ik mij niet van U verwijdere.

Laten anderen zoeken, wat zij willen, ik wil en begeer niets anders dan U, o mijn God, o mijne liefde en mijne hoop; Quid niihi est in coelo et a te quid volui sujjer terrain v... . Deus cordis mei, et pars mea Deus in aeternum. 2) Deus mens et omnia.

O menschen, laat ons tot bezinning komen; al liet goed, wat ons de schepselen geven, hot is niets dan slijk, dan

1) Ps. 143. 7.

2) Ps, 72. 25 et 26.

-ocr page 283-

— 263 —

rook en bedrog. God alleen maakt ons waarachtig gelukkig. In dit leven echter geeft Hij zich nog niet ten volle te genieten ; hier geeft Hij ons alleen eenigen voorsmaak van de goederen, die Hij ons voorbehoudt in den hemel. Daar, in den hemel wacht hij oiif, om er ons met zijne eigene vreugde te verzadigen, als Hij zeggen zal: Intra in gaudium Domini tui. Treed linnen in de vreugde uws Heeren. God verleent aan zijne dienaren de hemelsche vertroostingen alleen om hen verlangend te maken naar dat groote geluk, hetwelk IIij hun voorbehoudt in het Paradijs.

O almachtige God, o beminnelijke God, maak Gij, dat wij van heden af aan in alle dingen niets anders beoogen, niets anders zoeken dan uw heilig welbehagen. Wees Gij onze geheele, onze eenige liefde. Immers uit rechtvaardigheid en uit dankbaarheid zijn wij al onze genegenheid verschuldigd aan IJ. Niets dan ook is er, wat mij meer bedroeft, dan do gedachte, dat ik Uwe oneindige goedheid in het verledene zoo weinig bemind heb. Doch

-ocr page 284-

— 264 —

met de hulp uwer genade verlang ik en besluit ik l ■ in het toekomende te beminnen uit al mijne krachten. Alzoo hoop ik te sterven, niets anders beminnende dan U, mijn hoogste goed. O Maria, o moeder Gods, bid voor mij ellendige. Uwe gebeden worden nooiit afgewezen; bid dan uwen Jezus, dat Hij mij geheel den zijne make.

-ocr page 285-

§ 37.

MEN MOET ALLES LIJBEU OM GENOEGEN TE GEVEN AAN GOD.

SJ^iedaar het eenig en meest geliefkoosd streven der heiligen nl. een vurig verlangen te hebben om te lijden, om allerlei -wederwaardigheden, allerlei verachtingen en smarten te onderstaan, en alzoo genoegen te geven aan God, en welgevallig te zijn aan dat Goddelijk Hart, hetwelk onze liefde zoozeer verdient, omdat het ook ons zoo grootelijks lief heeft.

Hierin bestaat de geheele volmaaktheid, hierin al de liefde van eene ziel voor haren God, immer Gods welbehagen te zoeken en datgene te doen, wat het meest aan God behaagt. O welk een geluk

-ocr page 286-

— 266 —

met J esus Christus te kunnen zeggen: E(jo quae placita sunt ei fncio semper. 1) Immer doe ik, wat hehagelijk is aan God. Wat grooterc eer tocli, wat zoeter troost kan eeno ziel smaken dan eenige moeite te doen, eenigen tegenspoed te. lijden, en daarbij te denken: Ik ben welgevallig aan God. Al te zeer immers is liet onze plicht dat wij dien God welgevallig zijn, die ons zoo zeer bemind heeft, die ons alles gegeven heeft, wat wij hebben, die eindelijk, niet tevreden ons zoo groote weldaden te hebben geschonken, er toe gekomen is ook zichzelven te geven, eerst op liet kruis, waar Hij uit liefde tot ons stierf, en daarna in het H. Sacrament des altaars, waar Hij zich dooide H. Communie geheel aan ons geeft, zoodat Hem niets meer te geven overblijft.

Vandaar dat de Heiligen in hunne begeerte om aan God welgevallig te zijn, niet meer wisten wat te doen. Hoevele edele jongelingen hebben niet de wereld verlaten om zich geheel te geven aan

1) Jo, 8. 29,

-ocr page 287-

— 267 —

God! Koevele teedere maagden, zelfs van koninklijk bloed hebben de hand der grooten geweigerd om zich op te sluiten in een klooster! Iloevele kluizenaars gingen zich begraven in woestijnen en grotten om alleen aan God te behagen! Hoevele martelaren omhelsden om aan God genoegen te geven, met blijdschap de geesels, de gloeiende folteringen, en de wreedste martelingen der tyrannen!

In een woord, om aan God te believen ontdeden zich de heiligen van hunne goederen, verzaakten zij aan de hoogste waardigheden der wereld en aanvaardden zij als schatten: ziekten, vervolgingen,\' verlies van goederen en den smartelijk-sten en meest troosteloozen dood.

Alzoo het welbehagen Gods moet, indien wij Hem waarlijk beminnen, bij ons hooger staan dan het bezit van alle rijkdommen, alle eer, alle geneugten dei-wereld, ja zelfs van het Paradijs ; want ja, indien de gelukzaligen wisten, dat het aan God welgcvalliger zou zijn, hen te zien branden in de hel, ongetwijfeld zouden zij zich allen van zeiven in dien afgrond van

-ocr page 288-

vuur nederstorten om daar eeuwig te lijden, en alzoo welgevallig te zijn aan God.

Daartoe heeft God ons in de wereld geplaatst, opdat wij Hem zouden verheerlijken en zijne glorie zouden zoeken. Het welbehagen Gods daarom moet het eenig doel zijn van al onze verlangens, van al onze gedachten en werken. O dat Hart, zoo vol liefde voor ons, zoo vol zorg voor ons geluk, wel verdient het in alles te worden bevredigd.

Maar hoe komt het. Heer, dat ik in plaats van U welgevallig te zijn, U zooveel misnoegen heb veroorzaakt ? Doch de afschrik, dien Gij mij van mijne beleedigin-gen gevoelen doet, is een bewijs, dat Gij mij vergeven wilt. O vergeef mij dan, en laat niet toe, dat ik U nog langer ondankbaar zij. Geef, dat ik alles overwinne om ü welgevallig te zijn. In te Domine speravi, non confundar in aeternum. O Koningin des hemels, o mijne Moeder, trek mij geheel tot God.

-ocr page 289-

§ 38.

GELUKKIG HIJ, DIE NIETS ANDERS BEGEERT DAN GOD.

.quot;Q^ \' PauPeres spiritw\' quoniam ipso-rum est regnuni coelorum. 1) Zalig dc armen van geest, want hunner is het rijk der hemelen. Door armen ran geest worden zij verstaan, die arm zijn aan aardsclie begeerten en buiten God niets verlangen. Dezulken zijn arm naar begeerte ; maar niet in werkelijkheid, want zij zijn gelukkig, en dit reeds hier op aarde. Vandaar ook zegt do Heer niet; Ipsorum erit regnum coelorum. liet rijk der hemelen zal hun toebehooren; maar Hij

1) Math. 5. ■\'!.

-ocr page 290-

270 —

zegt; est, het rijk der hemelen behdokt hun. Heeds in dit leven zijn zij rijk, rijk, nl. aan geestelijke goederen, welke zij ontvangen van God, zoodat zij, lioe arm ook in het tijdelijke, toch immer gelukkig zijn.

Geheel anders is het met hen, die rijk zijn aan aardsche verlangens, want al bezitten dezen nog zoo groote rijkdommen, toch zijn zij nimmer voldaan: de goederen dezer wereld knnnen onzen dorst niet lesschen, integendeel zij wekken dien nog meer op, en daarom zijn de rijken nooit te vreden, daar zij nooit zooveel verkrijgen als zij begeeren.

Jezus Christus kwam ons de ware rijkdommen schenken, en daartoe wilde Hij arm zijn. Propter vos egenus factus est, ut illius inopia vos divites essetis. 1) Hij wilde arm zijn, zegt de apostel, om ons door zijn voorbeeld de aardsche goederen . te leeren verachten, en ons aldus met dc hcmelsche goederen te verrijken, die eindeloos veel kostbaarder zijn, en

1) \'2 Cur. 8. 9.

-ocr page 291-

— 271

eeuwig duren. Daarom uitdrukkelijk, dat alwie verzaakt, wat liij met gehechtheid op deze wereld bezit, geen waar volgeling van Hem kan zijn.

Gelukkig liij, die niets anders dan God begeert, en met den II. Paulinus zegt: Sibi habeant divitias suas clivites, regno, sua reyes; Christus mihi divitiae et regnum est. Laat de rijken der wereld (zegt liij) gelukkig zijn met hun geld, met hunne bezittingen, met hunne koninkrijken; mijn rijkdom, mijn koninkrijk is Jezus Christus.

Laten wij er wel van overtuigd zijn, God alleen maakt gelukkig; doch ten volle gelukkig maakt Hij slechts die zielen, welke Hem beminnen uit geheel hun hart. Hoe echter kan er plaats zijn voor de goddelijke liefde in een hart, dat vol is van de wereld? Sommige personen zullen dikwijls communiceeren, veel bidden, dikwijls het H. Sacrament bezoeken; maar omdat er de wereld nog in is, kan God geen bezit van hen nemen en hen niet verrijken, gelijk Hij zou wenschen.

verklaart Jezus niet aan alles

-ocr page 292-

Vole zielen beklagen zicli, dat zij in hunne heilige conimuniën en Imnne andere godvruchtige oefeningen God niet vinden. Tot dezulken zegt de H. Theresia; onthecht uw hart van de schepselen, dan zult ff ij God vinden.

Laten wij ons ontdoen van alle genegenheid, die riekt naar de wereld en vooral van onzen eigen wil. Geven wij geheel onzen wil zonder voorbehoud aan God, zeggen wij: Heer, beschik over mij en over al het mijne, volgens uw welbehagen, niets anders wil ik dan alleen, wat Gij wilt; ik weet, dat hetgeen Gij wilt, voor mij het beste is. Geef mij dan, dat ik U immer beminne, anders verlang ik niets.

Het eenige middel nu om ons van de schepselen te onthechten, is eene groote liefde te hebben voor God. Als dc goddelijke liefde niet zoo sterk wordt, dat zij geheel onzen wil overmeestert, dan zullen wij nimmer tot de heiligheid komen. En het middel om die alles overweldigende liefde te verkrijgen is het gebed. Laten wij God immer vragen.

-ocr page 293-

— 273 —

dat Hij ons Zijne heilige liefde geve; want dan zullen wij ons van al het geschapene onthechten. De goddelijke liefde is als een dief: op eene heilige manier berooft zij ons van alle aardsche genegenheden en doet ons uitroepen: 0 God ■mijns harten, wat zou ik verlangen hutten U.

Fortis ut mors dilectio. 1) De liefde is sterk als de dood, d. w. z. gelijk er geen kracht is, die weerstaan kan aan den dood, zoo is er niets, hoe moeielijk ook te overwinnen, dat weerstaan kan aan de goddelijke liefde. De liefde overwint alles. Door de goddelijke liefde overwonnen de martelaren de wreedste folteringen en den smartelijksten dood.

O gelukkig de ziel, die met David kan uitroepen: Quid mi hi est in coelo et a te quid volui super t err am ? Deus cordis mei, et pars mea Deus in aeter-num. Wat toch zou ik anders verlangen, hetzij in dit leven, hetzij in de eeuwigheid, wat anders dan U, o mijn God?

1) Cant. 8. 6quot;.

-ocr page 294-

Laten anderen de goederen winneiY die zij begeeren. Gij, o God mijns harten, zijt mijn eenig goed, Gij al mijn geluk.

Zoolang eene ziel zich niet geheel en al aan God gegeven heeft, verkeert zij altijd in gevaar Hem nog te zullen verlaten en verloren te gaan; maar wie zich eenmaal oprecht aan God geschonken heeft, hij mag vertrouwen Hem niet meer te zullen verlaten, want de Heer is zeer dankbaar en getrouw voor een ieder die zich aldus zonder voorbehoud aan Hem geschonken heeft. Maar hoe dan zijn sommige personen, die eerst een heilig leven hadden geleid, latei-zoo diep kunnen vallen, zoo zelfs, dat zij aan de wereld weinig hoop overlieten voor hunne zaligheid? Hoe dat mogelijk was ? Omdat, is mijn antwoord, zij zich niet geheel aan God hadden gegeven, hun val zelve is daarvan het bewijs.

Mijn God, mijn waarachtige minnaar, laat toch niet toe, dat mijne ziel, geschapen om U te beminnen, iets anders beminne buiten U, en niet geheel aan

-ocr page 295-

\'lib

Ü belioore, die mij gekocht hebt met u\\V bloed. Ach mijn Jezus, lioe is het toch mogelijk, dat ik, na de liefde te hebben gezien, die Gij mij hebt toegedragen, nog iets anders kan beminnen buiten U. Ach trek mij toch immer dieper in uw hart, doe mij alles vergeten, geef dat ik niets zoeke, naar niets hakc dan alleen naar uwe liefde. Mijn Jesus, ik stel mijn vertrouwen op U. 0 Maria, o moedor van God, op U rust geheel mijne hoop, onthecht mij van alle genegenheid, die niet voor God is, opdat Hij het voorwerp zij van geheel mijne liefde en van mijn eeuwig geluk.

-ocr page 296-

^ ^ _0i^. ~$jp ^ è^ è^) e^ ofi \' ^ efi è$3

§ 39.

OVEE DE DOKHEID DES GEESTES.

c ware godsvrucht, zegt de II. Fran-ciscus van Sales, bestaat niet daarin, dat men bij het gebed en andere godvruchtige oefeningen geestelijken troost gevoelt, maar in een vast besloten wil om niets anders te doen, niets anders te verlangen dan hetgeen de wil is van God. Dit moet het eenig doel zijn, waarom wij het gebed beoefenen, het eenig doel van onze communiën, onze verstervingen en onze andere werken van godsvrucht, al doen wij dit alles ook zonder eenigen smaak, en te midden van duizenderlei bekoringen en gevoelens van

-ocr page 297-

— 277 —

tegenzin. Met dorheid en bekoringen (zegt de H. Theresia) keurt God zijne waarachtige beminnaars. Al duurt die dorheid ook het yarische leven, toch moet de ziel het gebed niet laten varen. Eens zal de tijd komen, dat alles haar overvloedig zal worden betaald.

In den tijd yan troosteloosheid, zoo leeren het ons de leermeesters van het geestelijk leven, moeten wij ons bijzonder oefenen in akten van nederigheid en overgeving. Er is geen geschikter tijd om ons onvermogen, onze ellende te leeren kennen, dan wanneer wij in het gebed dorheid lijden, daar verveling, verstrooidheid, tegenzin ondervinden, er niet den minsten ijver gevoelen, ja zelfs in het geheel geen verlangen ontwaren om in de liefde Gods vooruit te gaan.

Dan moet de ziel zich vernederen, zij zegge dan: O Heer ontferm U mijner. Gij ziet hoe onmachtig ik ben om ook maar een enkele goede akte te doen. Ook moet zij akten doen van onderwerping aan Gods wil, zooals; Mijn God, het is uic wil, dat ik mij aldus in duisternis

-ocr page 298-

— 278 —

en bitterheid bevind, welaan, dat die heilige wil ten allen tijde geschiede. Ik verlang niet getroost te zijn; het is mij genoeg, dat ik hier hen om Ugenoegen te geven. En aldus moet zij blijven bidden gedurende al den tijd, die voor het gebed besterad is.

De grootste kwelling echter van inwendige zielen is niet zoozeer de dorheid als\' wel de duisternis, waarin zij ver-keeren, eene duisternis, waarin de ziel zich beroofd ziet van alle goede verlangens en ten prooi aan bekoringen van ongeloof en wanhoop. Somwijlen zijn de aanvallen zoo hevig, en is het gevoel van mistrouwen zoo sterk, dat de ziel in groote vrees verkeert ook de genade Gods te hebben verloren, en het haar toeschijnt als had God haar om hare misslagen verstooten en geheel en al verlaten; zij acht zich dan als het ware door God gehaat, en vandaar is gedurende dien tijd de eenzaamheid haar een kwelling en is het gebed haar een last. Dan moet de ziel moed houden, zij denke er dan wel aan: al die vrees of

-ocr page 299-

— \'279 —

zij misschien, hetzij in de bekoringen, hetzij in het mistrouwen heeft toegestemd, is niets anders dan angstvalligheid, het zijn kwellingen van de ziel, maar geen vrijwillige akten, en daarom zijn zij vrij van zonde. In die tijden biedt de wil zeer snel weerstand aan de bekoringen, maar door de duisternissen, die haar omringen, is het haar niet mogelijk dit duidelijk te onderscheiden. Doch de ondervinding bewijst het duidelijk, want biedt er zich bijv. een gelegenheid aan om ook maar eene dagelijksche zonde vrijwillig te bedrijven, dan zou de ziel in hare liefde tot God veel liever duizendmaal sterven.

Daarom moet zij zich in zulke oogen-blikken niet afmatten met te willen onderzoeken of zij wel in staat van genade verkeert, en of zij misschien niet heeft toegestemd. Gij wilt alsdan onderzoeken en zeker weten dat God u bemint, en God, Hij wil in zulke oogenblikken niet, dat gij dit weet, maar Hij wil alleen, dat gij ii vernedert, dat gij vertrouwt op zijne goedheid en u overgeeft aan zijnen

I

-ocr page 300-

280 —

H. Wil. Gij wilt alsdan zien, en God wil niet, dat gij ziet. Overigens zegt de H. Franciseus van Sales, dat het besluit, wat gij (ten minste met het verstandelijk gedeelte van uwen wil) blijft vormen om God te beminnen, en Hem niet het minste misnoegen vrijwillig te veroorzaken, voor u een zeker teeken is, dat gij in Gods genade zijt. Geef u dan gedurende dien tijd van beproeving geheel over in de armen van Gods barmhartigheid, betuig dat gij niets anders wilt dan God en zijnen heiligen wil, en wees niet bevreesd. O die akten van vertrouwen en overgeving te midden dezer verschrikkelijke duisternissen, hoe dierbaar zijn ze aan God! De H. Joanna van Chantal leed deze inwendige kwellingen 41 jaren lang, zij had daarbij verschrikkelijke bekoringen, en immer kwelde haar de vrees, dat zij in staat van zonde leefde en van God verlaten was. Zoo groot was toen haar lijden, dat, gelijk zij zeide, alleen de gedachte aan den dood haar eenige verlichting schonk. Somwijlen, zeide zij, scheen het

-ocr page 301-

— 281 —

mij toe, dat het geduld mij hegaf, en dat ik op het punt stond mij geheid aan het verderf prijs te geven. In de laatste acht of negen jai-en van haar leven werden hare bekoringen, in plaats van te ver-icinderen, nog heviger; wat zij ook deed: hetzij zij had of werkte, zij onderstond immer eene zoo vreeselijke inwendige marteling, dat zij medelijden inboezemde aan een ieder, die haar zag. Somwijlen scheen het haar, dat God haar van zich afstootte; zij wendde dan om eenige verlichting te vinden haren blik van God af; maar de verlichting, die zij zocht, niet vindende richtte zij opnieuw hare oogen naar God, ofschoon het haar toescheen, dat Hij op haar vertoornd was. In het gebed, in de H. Communie en in de andere godvruchtige oefeningen ondervond zij niets anders dan verveling en doodsangst. Het was haar als een zieke, die onder allerlei kwalen ligt ter neergedrukt, die niet in staat is zich van de eene naar de andere zijde te bewegen, die onvermogend is zijn lijden te openbaren, en geen enkelen

-ocr page 302-

— 282 —

uitweg ziet om aan zijne diepe ellende te ontkomen. De liefde, do hoop en het geloof dacht zij gansch te hebben verloren; maar bij dat alles hield zij toch hare oogen steeds op God gericht en gaf zich geheel over in de armen van Gods welbehagen. In een woord, de H. Franciscus van Sales vergeleek hare gezegende ziel bij een dooven zanger, die uitmuntend zingt; maar geen genot heeft van zijne stem, omdat hij haar niet hoort. Laat daarom de ziel, die ook onder de beproeving van dorheid gebukt gaat, laat zij geen moed verliezen, al gevoelt zij zich ook nog zoo zeer door de duisternis benauwd, maar laat zij haar vertrouwen stellen in het bloed van Jezus Christus, laat zij zich overgeven in den goddelijken Wil, en akten doen als deze:

O Jezus, mijne hoop en eenigc liefde mijner ziel, ik verdien geene vertroostingen, geef ze aan hen, die U immer hebben bemind. Ik voor mij, ik heb slechts de hel verdiend, ik verdiende daar reeds voor immer door U verlaten

-ocr page 303-

— 283 —

te zijn, zonder hoop U nog ooit meer te kunnen beminnen. Maar neen, mijn Verlosser, liever aanvaard ik alle lijden; straf mij gelijk gij wilt; maar beroof mij niet van het vermogen U te beminnen. . Ontneem mij alles; maar IT zelven niet. Ellendig als ik ben, bemin ik U toch meer dan mij zelven, en geef mij geheel aan U; ik wil niet langer voor mij zelven leven. Geef mij kracht om U getrouw te zijn. O Gij hoop der zondaren, Allerheiligste Maagd, op uwe voorspraak stel ik mijn vertrouwen. Zorg toch, dat ik mijnen God, die mij geschapen en verlost heeft, beminne.

-ocr page 304-

§ 40.

OVER HET LEVEN IN DE EENZAAMHEID.

u.v.e zielen, die God beminnen, vinden

BtP

\' ------------\' -------

\'SS Imn paradijs in de afzondering omdat zij daar verre verwijderd zijn van allen omgang met de menschen. Neen, gescheidcn te zijn van de schepselen, en met God te verkeeren, baart geen bitterlieid of verveling. Non enim hal)et amaritudinem conversatio illius nee taedium convictus illius sed laetitiam et gaudium. 1)

De wereldlingen hebben gelijk met de eenzaamheid te ontvluchten; want, als

1) Sap. 8. 16.

-ocr page 305-

— 286

zij niet meer in tlo verstrooiingen of in do beslommeringen der wereld zijn, gevoelen zij veel duidelijker in hun hart do knaging van hun geweten. Het is daarom dat zij opbeuring of ten minste verstrooiing zoeken in het verkeer der menschen; doch te vergeefs, want hoe meer zij hun best doen bij de menschen en in hot gewoel der wereld hun troost te vinden, des te grooter kwelling en bitterheid wordt hun deel.

Niet alzoo gaat het den vrienden van God; want in hunne afzondering vinden zij eenen zoeten vriend, een gezel, die hun moer troost en opbeuring schenkt dan het gezelschap van alle vrienden of bloedverwanten, ja\' zelfs van de hoogste personen dezer wereld. De II. Bernardus zeide : Nunquam minus solus, quam cum solus. Ik ben nooit minder alleen, dan wanneer ik alleen en verwijderd ben van de menschen, want dan is het God, die met mij spreekt, en daarenboven ben ik dan veel opmerkzamer om Hem aan te hooren en meer in staat mij innig met Hem te vereenigen. Ofschoon onze

-ocr page 306-

— 286 —

goddelijke Zaligmaker zijne leerlingen bestemd had om liet geloof te verbreiden, en daarom geheel de wereld te doorreizen, toeh wilde Hij, dat zij van tijd tot tijd hunnen arbeid zouden onderbreken en zich terugtrekken op eene eenzame plaats en zich daar alleen bezig houden met God. Ook weten wij, hoe Jezus hen reeds tijdens zijn leven placht uit te zenden naar verschillende streken van Judaea om er te werken aan do bekeering der zondaars, maar na afloop van hun vernioeienden arbeid bleef hij niet in gebreke hen naar een eenzame plaats te geleiden om daar een weinig uit te rusten. Et uit illis: venite seorsum in desertum locum et requiescite pusillum. 1)

Als de Heer dit zelfs aan zijne apostelen ten plicht stelde, zeggende: requiescite pusillum, rust een iveiniy uit, zeer zeker moet het dan wel voor alle evangelische werklieden noodzakelijk zijn, zich van tijd tot tijd in de eenzaamheid te be-

1) Marc. G. 31.

-ocr page 307-

geven ten einde de heilige ingetogenheid te bewaren en nieuwe kracht te verkrijgen om daarna weder met des te grooteren ijver voor de bekeering der zielen te arbeiden.

Als men voor zijne naasten arbeidt, maar dit met weinig ijver doet, en met geringe liefde tot God; als men zekere nevenbedoeling heeft, bijv. om zich eer of geld te verschaffen, dan doet men weinig nut in de zielen. Daarom zegt de Heer tot zijne werklieden: liequies-cite puHÜlum. Rust een weinig uit. Voorzeker bedoelde Jezus met deze woorden niet, dat de apostelen zich aan den slaap moesten overgeven; maar dat zij rust moesten zoeken in het verkeer met God, Hem de noodige genaden vragen om goed te leven, opdat zij aldus kracht zouden verkrijgen om aan de zaligheid der zielen te werken. Want zonder dit rustig verkeer met God in het gebed ontbreekt de ijver en de zorg zoowel voor ons eigen heil als voor dat van anderen.

Zeer wijs echter zegt van de eenzaam-

-ocr page 308-

— 288 —

Iieid dc II. Laurentius Justinianus: quad semper est amanda, non semper tenenda, d. i. wij moeten haar immer beminnen, maar haar niet immer zoeken. Diegenen, wil de heilige zeggen, welke door God geroepen zijn om aan de bekeering der zondaren te arbeiden, moeten niet immer eenzaam opgesloten blijven in eene cel, want dan zouden zij te kort blijven aan hunne roeping; willen zij aan die roeping gehoorzamen, dan moeten zij, zoodra het God is die roept, hunne afzondering verlaten. Toch moeten zij de eenzaamheid blijven beminnen, en er immer naar verlangen, want daar laat God zich het gemakkelijkst vinden.

Ach mijn Jezus, weinig heb ik de eenzaamheid bemind, omdat ik weinig liefde had voor U. Ik ben vermaken en opbeuring gaan zoeken bij de schepselen, en zij hebben mij beroofd van U, oneindig goed. Ellendige, die ik ben, dat ik zoovele jaren mijn hart aan de verstrooiing heb overgelaten, en aan niets gedacht heb dan aan de goederen der aarde, en volstrekt niet aan U1

-ocr page 309-

— 289 —

O neem Gij mijn hart in bezit, Gij immers hebt het gekocht met uw bloed; doe het in uwe liefde ontvlammen, wees er geheel en al meester van. O Maria, koningin dos hemels, Gij kunt mij die genade verkrijgen. Van U verwacht ik dit dan ook.

19

-ocr page 310-

§ 41-

OVEE DE ONTHECHTING AAN DE SCHEPSELEN.

mcu God waarlijk uit geheel TmwM\' zijn hart beminnen, dan moet men zich onthechten van al wat niet God is, of niet tot God brengt. Geheel alleen wil God meester zijn van ons hart. Hij duldt er geene mededingers; en terecht, want Hij is onze cenige Heer, aan wien wij alles verschuldigd zijn. Wat meer is, God is de eenige, die ons niet bemint uit eigenbelang, maar uit louter goedheid, en alleen omdat Hij ons vurig bemint, wil Hij, dat wij Hem beminnen uit geheel ons hart. Diligcs Dominium, Deum tuuvi ex toto c.orde tun. Om God te be-

-ocr page 311-

— 291 —

minnen uit geheel zijn hart, zijn twee dingen noodig. Op de eerste plaats verdrijven uit zijn hart elke genegenheid, die niet voor God, of niet volgens God is. Indien ik ivist (zeide de li. Franeiseus van Sales) dat er zich in mijn hart een adertje hevond, dat niet voor God ivas, ik zou het er aanstonds icillen uitrukken. Cty de tweede plaats, het gebed, want daardoor wordt de goddelijke liefde het hart binnen geleid. Maar indien het hart zich niet ledig maakt van de wereld, kan de goddelijke liefde er niet binnen komen, omdat zij er dan geen plaats voor haar vindt. Is daarentegen een hart aan de schepselen onthecht, dan zal het bij eiken ademtocht der genade aanstonds in de goddelijke liefde ontgloeien en vooruitgaan.

De zuivere liefde, zegt dezelfde heilige bisschop van Geneve, verteert alles, wat niet God is; en doet alles overgaan in liefde, want al wat men voor God doet, is liefde tot God. O hoe vol goedheid en hoe vrijgevig is God voor een ziel, die \'■niets anders zoekt dan Hem en zijnen heiligen wil! Bonus est Dominus animae

-ocr page 312-

— 292 —

quaerenti ilium. 1) Gelukkig hij, die reeds op deze wereld in waarheid zeggen kan met den H. ïranciscus : Deus me us et omnia. Mijn God en mijn al, cn alzoo al de ijdelheden der wereld weet te verachten. lieynum mundi et omnem ornatum saeculi contempsi propter aniorem Domini mei Jesu Christi.

Wanneer derhalve de schepselen ons hart willen binnen dringen, en daar een deel willen rooven van de liefde, die wij geheel aan God verschuldigd zijn, dan moeten wij ze aanstonds verdrijven, hun den toegang afsluiten en zeggen: V er-wijdert u van hier, zoekt het bij anderen, die van U gediend zijn, want mijn hart heb ik geheel geschonken aan Jesus Christus, er is dus voor u geen plaats. En met dit besluit gewapend, van niets anders te willen dan God, moeten wij haten, wat de wereld bemint, en beminnen, wat de wereld haat.

Boven alles is het om tot de volmaakte liefde tc komen noodzakelijk, dat wij ons

1) Thrcn. 8. 2ó.

-ocr page 313-

— 293 —

verloochenen, dat wij omhelzen, wat aan onze eigenliefde mishaagt, en ons ontzeggen, wat de eigenliefde verlangt. Dit of dat voorwerp, bijv. bevalt u, gij wilt het gaarne houden; juist daarom moet gij er u van ontdoen. Gij hebt walg van een zeker geneesmiddel, omdat het bitter is, neem het dan, juist omdat het bitter is. Gij hebt tegenzin om dezen of genen persoon, die u ondankbaar geweest is, wel te doen; welaan, doe hem wel juist omdat hij u ondankbaar is geweest.

De H. Franciscus van Sales gaat verder en zegt, dat wij zelfs do deugd moeten beminnen met onthechting, zoo bijv. moeten wij liefde hebben voor de ingetogenheid en het gebed, maar, wanneer wij hierin verhinderd worden door de gehoorzaamheid of door de liefde, dan moeten wij beiden zonder ons te verontrusten laten varen. En aldus moeten wij alles, wat ons door Gods wil overkomt, in tevredenheid aannemen. Gelukkig hij, die bij al wat geschiedt, slechts in zooverre iets wil of niet wil, naar gelang liet al of niet de wil is van God, zonder

-ocr page 314-

— 294 —

uit zich zeiven over te hellen naar een van beide kanten: Daarom moeten wij dikwijls bidden, dat God ons rust doe vinden in alles, wat Hij over ons beschikt.

Zeker is het, dat niemand op de wereld gelukkiger leeft, dan hij, die de dingen dezer wereld veracht, en immer zijnen wil aan den goddelijken wil gelijkvormig maakt. Vandaar is het zoo goed dikwijls gedurende den dag, of ten minste bij hot gebed en de II. Communie, aan de voeten des Gekruisten die algeheele overgeving van ons zeiven en van al het onze te vernieuwen door te zeggen; O mijn Jesus, ik wil niet meer aan mij zeiven denken, geheel en al geef ik mij aan U, doe met mij, wat U behaagt. Ik zie, dat al wat de wereld mij aanbiedt, ijdelheid is en begoocheling. Van heden af wil ik niets anders dan ü en uw heilig welbehagen zoeken. Help mij U getrouw te zijn. H. Maagd Maria, bid uwen Jesus voor mij.

Hoor, hoe Kardinaal Petrucci in weinige verzen de dwaasheid beschrijft

-ocr page 315-

— 295 —

van de volgelingen der wereld, en liet geluk van hen, die God beminnen:

Deez\' ijdele wereld, waar alles vergaat;

Schenkt nooit eene vreugde, die\'tharte verzaadt. Haar hoogste genot, haar uitbundigst verblijden, Hoe zoet het ook schijnt, is niets anders dan lijden. Terwijl Jezus\' kruizen, zoo bitter in schijn. Vol hemelschen balsem en zoetigheid zijn. *

Qucsto mondo volubile e cadente E sec na dc mine

I suoi vezzi piu carï, i suoi contenti Kan sembianza di g\'ioxc e non tormenti; Ma sc Gem seguite, i snoi tormenti San sembianza di pene e son contenti.

-ocr page 316-

Wi iM\'©J

§ 42.

DE DOOD DER HEILIGEN IS KOSTBAAK.

#\'etiosa in conspectu Domini mors sanctorum ejus. 1) Kostbaar in de oogen des Heeren is de dood zijner heiligen. \'etiosa in conspectu Domini mors sanctorum ejus. 1) Kostbaar in de oogen des Heeren is de dood zijner heiligen. Waarom wordt de dood der heiligen kostbaar genoemd? Omdat, antwoordt de heilige Bernardus, die dood zoo rijk is aan goederen, dat hij waard is tegen eiken prijs te worden gekocht.

Vol gehechtheid aan deze wereld wilden sommigen wel, dat er geen dood was, maar zegt de H. Augustinus, wat is een lang leven op deze wereld anders dan

1) Ps. 115. 15.

-ocr page 317-

— 297 —

een langdurig lijden? Quid est diu vivere nisi diu torqueri. Zoo groot zijn de ellenden en de kwellingen, die ons in dit leven onophoudelijk verontrusten, dat gelijk de H. Ambrosius zegt, de dood ons minder schijnt gegeven tot straf dan wel tot verlichting, ja als een gunst om ons van al die ellenden te bevrijden, ut mors remedium videatur non poena.

De dood is verschrikkelijk voor de zondaren, want zij weten, dat zij in hunnen zondigen staat na den eersten dood een tweede te wachten hebben, die eeuwig duurt: maar geenszins boezemt de dood vrees in fian de brave zielen, want op Jezus Christus vertrouwend hebben zij genoegzame teekenen, ja een zedelijke zekerheid, dat zij leven in de vriendschap van God. Daarom dat Proficiscere anima Christiana de hoe mundo {vertrek christen ziel), zoo bitter voor hen, die sterven tegen hun wil, heeft niets bitters voor de heiligen, die hun hart onthecht bewaarden aan de goederen der wereld, en immer in alle oprechtheid bleven her-

-ocr page 318-

— 298 —

herhalen: Deus metis et omnia, mijn God en mijn al.

Voor dezulken is de dood geene foltering, maar een rust, die een einde maakt aan al die angsten, welke zij zoo dikwijls verduurden in den strijd tegen de bekoringen of als zij hunne angstvalligheden of hun vrees van God te heleedi-gen tot bedaren zochten te brengen. Daarom wordt in hen het woord van den H. Joannes bewaarheid: Beati mor tui qui in Domino moriuntur! Amodo jam dicit spiritus ut requiescant a laboribus suis. 1) Zalig zijn de dooden, die in den Heer sterven. Van nu aan reeds, zegt de Geest, zullen zij rusten van hunnen arbeid.

Ook voor de pijnen, waarvan de dood vergezeld gaat, is iemand, die in de liefde Gods sterft, niet bevreesd; integendeel, tij is er veeleer over verblijd, daar hij ze God kan aanbieden als de laatste overblijfselen van zijn leven. O hoe groot is de vrede van iemand, die sterft, overgegeven in de armen van Jezus,

1) Apoc. 14. 13.

-ocr page 319-

— 299 —

I van dien Verlosser, welke zich zeiven | een bitteren en troosteloozen dood gekozen heeft om onzen dood zoet te maken en vol troost.

0 mijn Jezus, Gij zijt mijn rechter, maar Gij zijt ook mijn Verlosser, want Gij zijt gestorven voor mijne zaligheid. Heeds van het eerste oogenblik dat ik gezondigd heb, verdiende ik veroordeeld te zijn tot de hel, maar Gij in uwe barmhartigheid. Gij hebt mij over mijne zonden eene groote droefheid geschonken eu daarom heb ik de vaste hoop, dat Gij mij op dezen oogenblik vergeven hebt. Ik, ik had niet verdiend U nog langer te beminnen; maar Gij hebt mij met uwe gaven tot uwe liefde getrokken. Indien het uw wil is, dat de dood mij bij deze ziekte treffe, zoo neem ik dien met groote blijdschap aan. Ik zie wel, dat ik niet verdien aanstonds den hemel in te gaan, ik ga daarom bereidwillig naar het vagevuur, en wil daar lijden zooveel als het U behaagt. Mijn grootste smart zal daar bestaan in mijne verwijdering van U, want vurig verlang ik

-ocr page 320-

— 300 —

U van aanschijn tot aanschijn te kennen en te beminnen. O mijn dierbare Verlosser, heb daarom medelijden met mij!

Wat anders is liet tegenwoordig leven dan een voortdurend gevaar om beroofd te worden van God. Inter laqueos amlu-lamus zegt de H. Ambrosius, wij wandelen hier immer te midden van strikken, van de hinderlagen onzer vijanden, die er op uit zijn ons te berooven van Gods genade. Daarom dankte de H. Theresia God, telkens als zij de klok hoorde slaan omdat zij een uur van strijd en gevaar was doorgekomen zonder te zondigen. Daarom ook was zij zoozeer getroost bij het bericht van haren naderenden dood, want dacht zij, nu neemt het strijden een einde en nadert de tijd waarop ik zal toegelaten worden tot de aanschouwing van God.

In dit kortstondig leven kan men zich niet vrijwaren voor zonde. En ook dit is een beweegreden, die de godminnende zielen naar den dood doet verlangen. Die gedachte maakte den Eerw. Pater Vincentius Caraffa bij zijn

-ocr page 321-

— 301 —

sterven geheel opgeruimd, want zeide hij bij zichzelven, nu ik ophoud te leven, nu houd ik ook op God te beleedigen. Ken zeker godvruchtig persoon wilde, dat zij die hem oppasten hem op het oogenblik van sterven deze troostende waarheid dikwijls in het geheugen zouden roepen: Troost u N., moesten zij zeggen, want de tijd breekt aan, waarin gij God niet meer heleedigen zult.

Wat is ons lichaam anders dan eene gevangenis, waarin de ziel is opgesloten en alzoo verhinderd wordt zich te vereenigen met God. Vandaar dat de van liefde brandende Franciscus bij zijn sterven vol vreugde uitriep met den profeet: Educ de custodia animam meam. 1) Bevrijd mij van dien kerker. Heer, want hij belet mij U te aanschouwen. O minnelijke dood, wie zou u kunnen vrcezen, wie niet vurig naar u verlangen, immers gij zijt het einde van het lijden en het begin des eeuwigen levens. ïoen de 11. Martelaar Pionius ter strafplaats ge-

1) Ps. 114. 1.

-ocr page 322-

— 302 —

leid werd, toonde liij zich zóó verblijd, dat de omstanders er over verbaasd waren. Maar lioe kunt gij tocli zoo blijde zijn, vroeg men hem, daar gij zoo nabij zijt aan den dood ? Erratis (was zijn antwoord) erratis, non ad mortem sed ad vilam contendo. 1) Gij dwaalt, zeide hij, ik ga niet ter dood; maar ten leven, ten leven voor alle eeuwigheid.

Mijn zoetste Jezus, ik dank U, dat gij mij niet hebt laten sterven, toen ik leefde in uwe ongenade, en dat Gij mijn hart hebt gewonnen door zooveel goedheid met mij te gebruiken. Ach, als ik aan het leed denk, dat ik U heb aangedaan, zou ik willen sterven van smart. Die ziel, welke reeds verloren was, ik leg haar thans geheel in uwe handen. In marnes ttias commando spirittim meum. Denk er aan, lieer, dat Gij haar verlost hebt door uwen dood. Redemisti me Dom ine Deus veritatis. Ik bemin IJ, oneindige goedheid, ik wensch spoedig dit leven te verlaten om U dan met volmaaktere

1) Ap. Euscb. 1. i c. 14.

-ocr page 323-

— 303 —

liefde te beminnen in den hemel. Doch geef mij in den tijd, dien ik nog op deze wereld blijf leven, immer beter mijne verplichting te kennen om ü te beminnen. Mijn God, neem mij aan, ik geef mij. geheel aan U, ik stel mijn vertrouwen op U om de verdiensten van Jczns Christus. Ook op uwe voorspraak vertrouw ik, o Maria, mijne hoop.

-ocr page 324-

§ 43.

OVEK DE LAUWHEID.

■afplr zijn twee soorten van lauwheid: gt;B eene, die onvermijdelijk is, en eene, die men kan vermijden. Onvermijdelijk is die lauwheid, waaraan in dit leven zelfs de inwendige zielen onderhevig zijn, want tengevolge van de zwakheid harer natuur zal het onvermijdelijk gebeuren dat ook zij, zich van tijd tot tijd, ofschoon niet met volle toestemming, schuldig maken aan een of andere lichte fout. Ter oorzake van onze door de erfzonde bedorven natuur is niemand van dit gebrek vrij, tenzij door eene geheel bijzondere genade, die echter alleen gegeven werd

-ocr page 325-

— 305 —

aan de moeder van God. God zelve laat zulke vlekken in zijne heiligen toe om hen te bewaren in de nederigheid. Niet zelden gevoelen zij zieli zonder ijver, ja traag en lusteloos in hunne godvruchtige oefeningen, en in die oogenblikken van dorheid zullen zij lichtelijk in vele althans onbedachte fouten vallen. Zij overigens, die zich in zulken toestand bevinden, moeten daarom hunne gewone oefeningen niet achterlaten, ook moeten zij den moed niet laten zinken, en niet weenen, dat zij reeds in lauwheid vervallen zijn, want deze toestand is geene zondige lauwheid. Dezulken moeten met hunne gewone oefeningen voortgaan; zij zorgen slechts hunne fouten te verfoeien en dikwijls hun besluit te vernieuwen om geheel aan God toe te behooren, en verder moeten zij op Hem vertrouwen, want eenmaal zal God hen troosten.

De ware, de betreurenswaardige lauwheid echter is aanwezig, wanneer de ziel in dagelijksehe zonden valt, die geheel vrijwillig zijn, zich daarover evenwel weinig bedroeft, zich nog minder eenige moeite

20

-ocr page 326-

— 306 —

geeft om ze te vermijden, maar zegt, flat het zaken zijn van geen belang ? Hoe! misnoegen geven aan God is dat een zaak van geen belang ? De H. Tlieresia zeide tot bare kloosterzusters : Mijne hinderen, God behoede u voor elke vrijwillige zonde, hoe klein die ook zij.

Maar, zegt men, die zonden berooven ons toch niet van de genade Gods ? Die aldus spreekt verkeert in groot gevaar zich eenmaal werkelijk door de doodzonde van Gods genade beroofd te zien. De II. Gregorius zegt: dat iemand, die voor-bedachtelijk en uit gewoonte in dagelijk-sehe zonde valt, niet zal blijven, waar hij gevallen is, maar immer zal voortgaan tot hij nederstort in den afgrond. Nunquam illic anima, quo cadit jacet. 1) De doode-lijke ziekten komen niet immer uit zware ongesteldheden voort maar ook uit lichte als zij nl. veelvuldig zijn en lang duren: evenzoo is het ongeluk van sommige zielen, die in zware zonden vallen, dikwijls het gevolg van herhaalde dagelijksche zonden,

1) Mor. 1. 21.

-ocr page 327-

— 307 —

want deze maken de ziel zoo zwak, dat zij, wanneer haar eene zware bekoring overvalt, de kracht mist om te weerstaan, en bezwijkt.

Qui spernit modica paulatim decidet. 1) Die geen acht geeft op kleine fouten, zal zeer lichtelijk eenmaal een diepen val doen. De Heer zegt: Quia tepidus es, incipiam te evomere ex ore meo. 2) Omdat gij lauw zijt, zal ik beginnen u uit mijnen mond te spuwen. Door God uitgespuwd worden wil zeggen: door God ten minste beroofd worden van die bijzondere goddelijke hulp, welke ons noodzakelijk is om ons in zijne genade te bewaren.

Laten wij dit punt wel begrijpen. liet concilie van Trente veroordeelt dengene, die zegt dat wij in den staat van genade kunnen volharden zonder eene bijzondere hulp van God. Si quis dixerit, justifi-catum vel sine speciali auxilio Dei ut accepta justitia perseverare posse,

1) Eccl. 19. 21.

2) Apoc. 3. 16.

-ocr page 328-

— 308 —

anathema sit. 1) Alzoo kunnen wij in den staat van genade niet volharden zonder eenen bijzonderen en buitengewonen bijstand van God: dezen bijzonderen bijstand echter zal God billijkerwijze weigeren aan iemand, die met open oogen en onbekommerd eene menigte dagelijksehe zonden doet. Of zou God gehouden zijn dien bijzonderen bijstand te verleenen aan eene ziel, die zich niet ontziet Hem voortdurend en vrijwillig te bedroeven ? Qui paree seminat paree et metet. 2) Als wij zoo karig zijn jegens God, hoe kunnen wij dan hopen, dat God tegenover ons mild en vrijgevig zal zijn V Arme ziel, die vrede maakt niet hare fouten, al zijn ze ook klein! zij zal immer van kwaad tot erger vervallen; want omdat de hartstochten immer vaster voet zullen krijgen in haar binnenste zullen zij haar gemakkelijk verblinden, en als iemand blind is, gebeurt het gemakkelijk, dat hij in een afgrond neerstort op het

1) Jess. G. Can. 22.

2) 2 Cor. 9. C.

-ocr page 329-

— 309 —

oogenblik, dat hij er het minst aan denkt. Laten we bevreesd zijn voor de lauwheid. De vrijwillige lauwheid is gelijk aan de sluipkoorts, die weinig vrees inboezemt, maar zoo kwaadaardig is, dat zelden iemand er van geneest.

Doch ofschoon het voor de lauwe ziel moeielijk is zich te beteren, bestaan er evenwel middelen indien zij zich werkelijk beteren wil. Die middelen zijn: 1° besluiten tot eiken prijs uit dien ongelukkigen staat op te staan; 2° de gelegenheden der fouten verwijderen, anders is er geen hoop op beterschap; 3° zich dikwijls aan God aanbevelen, Hem vurig smeeken, dat Hij ons toch kracht schenke om dien bedroevenden toestand te boven te komen, en met bidden niet ophouden, totdat men zich werkelijk van de lauwheid bevrijd ziet. O Heer, heb medelijden met mij. Ik zie, dat ook ik verdien door U te worden uitgespuwd, om al die gebreken aan welke ik mij schuldig maak in uwen dienst. Rampzalige die ik ben! daarom bevind ik mij zonder liefde, zonder ver-

-ocr page 330-

— 310 —

trouwen en zonder goede verlangens. O mijn Jezus, verlaat mij niet, strek uwe machtige hand uit, en trek mij uit dien afgrond van lauwheid, waarin ik mij gevallen zie. Doe het om de verdiensten van uw lijden, waarop ik al mijn vertrouwen stel. Heilige Maagd, uwe gebeden kunnen mij helpen, o bid voor mij.

-ocr page 331-

o-gj ?!• \'K St o-lt;f!gt;§-\'-\'

§ 44. ZUIVERE MEENING.

zuiverheid der meening bestaat VEg hierin dat men alwat men doet, alleen doet om te behagen aan God.\' Jezus Christus zegt, dat naar gelang onze meening goed is of slecht, ook onze werken goed of slecht zijn in de oogen van God. Si oculus tuus fuerit simplex totum corpus tuum lucidum erit: si autem oculus tuus fuerit nequam, totum corpus tuum tenehrosum erit. 1) Indien uw oog zuiver is, dan zal geheel uio lichaam verlicht zijn, maar indien uw oog niet goed is, dan zal geheel uw lichaam duister

1) Math. G. 22 et 23.

-ocr page 332-

— 312 —

zijn. Het zuiver oog beteekent de zuivere meening om aan God te behagen. Het duister oog beteekent de verkeerde meening, wanneer men zijne liandelingen verricht uit rjdelheid of om aan zich zeiven te behagen.

Is er iets schooners dan zijn leven te geven voor liet geloof ? en toch, zegt de H. Paulus, als iemand sterft met eene andere meening dan om aan God te behagen, zal hij niets met zijnen marteldood winnen. Maar, als zelfs do marteldood niets beteekent, wanneer die niet voor God wordt geleden, wat beteekent dan al het preeken, al het schrijven, al do inspanning van \'sHeeren werklieden, ja zelfs al de gestrengheden der boetelingen, als dit alles geschiedt om den lof in te oogsten der mensehen of zijn eigen goeddunken in te volgen? De profeet Aggaeus zegt: dat ook de heiligste werken, wanneer men ze niet voor God verricht, geborgen worden in een zak met scheuren in sacculwn pertusurn, 1)

!) Agg- 1- 6.

\'

*

-ocr page 333-

— 313 —

dat wil zeggen, dat zij er allen uitvallen en geen enkel er in blijft. Daarentegen, als men werkt om aan God te behagen, dan zal elk werk, lioe weinig liet ook op zich zelf beteekent, meer waarde hebben dan vele werken, die zonder zuivere\' meening worden verricht. Wij vinden bij den H. Marcus, dat die arme in de offerkist des tempels niet meer offerde dan twee penningen, maar toch zeide de goddelijke Zaligmaker tot haar: Vidua haec pauper plus omnibus misit. 1) Deie arme weduwe heeft het meest geofferd van allen. De H. Cyprianus, dit verklarende zegt, dat zij meer dan alle anderen offerde, omdat zij die twee kleine geldstukken gaf met de zuivere meening om te behagen aan God.

Een der beste teekenen, waaraan men zien kan of iemand met een zuivere meening handelt, is dat hij zich niet ongeduldig maakt, wanneer zijn werk den gewenschten uitslag niet heeft. Ook is het een goed teeken, als hij na zijn

1) Mare. 12. 41.

-ocr page 334-

— 314 —

werk volbracht te hebben, al wordt hij ook gelaakt en met ondank betaald, toch tevreden en kalm blijft. Overigens, als het zou gebeuren, dat iemand om zijn werk werd geprezen, dan moet hij zich daarover niet verontrusten uit vrees voor ijdele glorie; wanneer deze zich wil doen gelden, moet hij haar verachten en haar zeggen met den H. Ber-nardus: Nee propter te eoepi, nee propter te clesinam. Ik ben om U mijn werk niet begonnen, ik zal het ook om u niet laten varen.

De meening om door zijn werk meer glorie te verwerven in den hemel is goed, maar het volmaaktste is te werken om genoegen te geven aan God. Laten wij er wel van overtuigd zijn: hoe meer wij onze eigene belangen uit het oog verliezen, des te grooter zal de Heer ons geluk maken in het Paradijs. Gelukkig hij, die alleen werkt om glorie te geven aan God en om zijnen heiligen wil te volbrengen. Volgen wij de liefde na der zaligen, zij zoeken in hunne liefde tot God ook niets anders dan zijn wel-

-ocr page 335-

— 315 —

ehagen. Als wij zoo gelukkig ziju, dat vij behagen mogen aan God, wat kunnen vij dan nog meer verlangen ? Si dignus ueris agere aliquid quod Deo placet, aliam mercedem quid requiris1)

De goede meening, ziedaar dat oog, hetwelk Gods hart verwondt, en het m liefde tot ons ontsteekt, gelijk Hij het zegt tot de bruid der gezangen: Vulnerasti cor meum soror mea sponsa, ulnerasti cor meum in uno oculorum tuorum. 2) Gij hebt mijn hart verwond, mijne hruid, mijne zuster, met één mver oog en. Dat één uwer oog en beteekent het eenig doel, dat de heilige zielen zich in alles voorstellen, nl. behagen aan God. Ziedaar ook wat de Apostel zijnen leerlingen aanraadde: Sive ergo mandu-catis, sive hibitis sive aliud quidfacitis, omnia in gloriam Dei j\'acite. 3) Hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, hetzij gij iets anders doet, doet alles ter eere Gods.

1) L. 2 de compunctione cord.

2) Cant. 4. 9.

3)1 Cor. 10. 31.

-ocr page 336-

— 314 —

werk Yolbraclit te hebben, al wordt hij ook gelaakt en met ondank betaald, toch tevreden en kalm blijft. Overigens, als het zou gebeuren, dat iemand om zijn werk werd geprezen, dan moet hij zich daarover niet verontrusten uit vrees voor ijdele glorie; wanneer deze zich wil doen gelden, moet hij haar verachten en haar zeggen met den H. Ber-nardus: Nee propter te coepi, nee propter te desinam. Ik ben om U mijn werk niet begonnen, ik zal het ook om u niet laten varen.

De meening om door zijn werk meer glorie te verwerven in den hemel is goed, maar het volmaaktste is te werken om genoegen te geven aan God. Laten wij er wel van overtuigd zijn; hoe meer wij onze eigene belangen uit het oog verliezen, des te grooter zal de Heer ons geluk maken in het Paradijs. Gelukkig hij, die alleen werkt om glorie te geven aan God en om zijnen heiligen wil te volbrengen. Volgen wij de liefde na der zaligen, zij zoeken in hunne liefde tot God ook niets anders dan zijn wel-

-ocr page 337-

— 315 —

behagen. Als wij zoo gelukkig zijn, dat wij behagen mogen aan God, wat kunnen wij dan nog meer verlangen ? Si dignus fueris agerc aliqukl quod Deo placet, aliam mercedem quid requiris\'1 1)

De goede meening, ziedaar dat oog, hetwelk Gods hart verwondt, en het in liefde tot ons ontsteekt, gelijk Hij het zegt tot de bruid der gezangen: Vulnerusti oor meuni soror mea sponsa, vulncrasti cor meum in uno oculorum tuorum. 2) Gij hebt mijn hart verwond, mijne bruid, mijne zuster, met één uiver oogen. Dat één meer oog en beteekent het eenig doel, dat de heilige zielen zich in alles voorstellen, nl. behagen aan God. Ziedaar ook wat de Apostel zijnen leerlingen aanraadde : Sive ergo mandu-catis, sive bibitis sive aliud quid facit is, omnia in gloriam Dei facite. 3) Hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, hetzij gij iets anders doet, doet alles ter eere Gods.

1

L. 2 de compunetione cord.

-ocr page 338-

— 316 —

De eerbiedwaardige Beatrix van de Incarnatie, eerste dochter van de H. Theresia, zeide, dat eene handeling die men voot God doet, al is zij nog zoo klein, met geen prijs ter loereld is te betalen. En zi; zeide dit met reden, want alle handelingen, die men voor God doet, zijn akten van liefde. De zuivere meening geeft aan onze geringste handelingen eene hooge waarde, zooals aan ons eten, aan ons werken, ja zelfs aan onze ontspanning, indien wij dit alles slechts doen uit ge hoorzaamheid en om genoegen te geven aan God. Wij moeten daarom reeds des morgens al onze handelingen aan God toewijden; maar het is zeer aan te raden deze goede meening daarenboven nog te vernieuwen bij elk onzer handelingen in het bijzonder, althans bij de voornaam-sten, zooals bij ons gebed, bij de H. Communie en de geestelijke lezing; wij moeten dan even in ons zeiven keeren, evenals die heilige kluizenaar deed, welke alvorens hij een of andere handeling begon, immer zijne oogen even ten hemel sloegen een oogenblik stil bleef staan; toen

-ocr page 339-

— 317 —

men hom eens vroeg, waarom liij dit deed, antwoordde liij: Ih ley aan om zeker doel te treffen. En ik, mijn Jezus, wanneer zal ik beginnen U waarachtig te beminnen? Wee mij, indien ik zelfs onder mijne goede werken er te ver-quot;■eefs naar een zou zoeken, dat alleen voor U was verricht! Ach heb medelijden met mij, laat niet toe, dat ik U zoo ellendig diene tot aan mijnen dood. Geef mij uwe hulp, opdat ik het leven, dat mij nog overblijft, tot niets anders bestede dan om U te dienen, U te beminnen. Geef, dat ik alles overwinne om genoegen te geven aan U, en dat ik alles verrichtte om aan U te behagen. Ik smeek het U door de verdiensten van uw lieilig lijden. O mijne groote voorspreekster Maria, verkrijg mij door uwe gebeden die genade.

-ocr page 340-

gfeefeiifei-feefegamp;iEfcisfeetepfoefesfeisfe

aartsv

8 ^0-VERZUCHTINGEN NAAK HET HEMELSCH VADEBLAND.

g^tëlukkig hij, die de zaak zijner zalig-XVSTf hcid tot een gelukkig einde brengt, en als hij dit oord van hallingschap verlaat, mag binnengaan in het hemelsch Jeruzalem, om zich daar te verheugen in dien immer blijden dag, vrij van alle kwelling en van alle vrees, dat eindeloos geluk ooit te zullen verliezen.

Dies peregrinationis meae centum et triyinta annorum sunt, parvi et mali. 1) De dagen van mijnen pelgrimstocht zijn weinige en hooze. Zoo sprak eens de

1) Gen. 47. 9.

-ocr page 341-

— 319 —

aartsvader Jacob. Hetzelfde kunnen ook wij zeggen, wij arme pelgrims, die hier op aarde voortdurend de kwellingen onzer ballingschap verduren, door bekoringen ter neer gedrukt, door onze hartstochten benauwd, gepijnigd door allerlei ellenden, maar vooral door de gevaren, waaraan onze eeuwige zaligheid blootstaat. Dit alles moet ons herinneren, dat het hier niet ons vaderland is, maar een oord van ballingschap, waar God ons slechts doet verblijven, opdat wij er ons door te lijden het groote geluk zouden waardig maken van eenmaal te mogen binnengaan in het vaderland dei1 zaligen.

Alzoo, reeds in dit leven aan deze aarde onthecht, moeten wij immer verzuchten naar het Paradijs. O Heer, moeten wij zeggen, wanneer zal het zijn, dat ik mij van al die benauwdheden zal bevrijd zien, dat ik om niets meer zal denken dan om U te beminnen en U te verheerlijken? Wanneer zal het zijn, dat Gij mij, naar het woord des Apostels, alles zult zijn in alles: Ut sii

-ocr page 342-

— 320 —

Deus omnia in omnibus. 1) Wanneer zal ik mij verheugen in dien blijvenden vrede, beveiligd tegen alle kwelling en alle gevaar van verloren te gaan? O mijn God, wanneer zal ik geheel verslonden zijn in U, wanneer uwe oneindige schoonheid van aanschijn tot aanschijn en zonder sluier aanschouwen? In oen woord, o mijn Schepper, wanneer zal het mij gegeven zijn U zoo geheel te bezitten, dat ik tot U zal kunnen zeggen: Mijn God, nu kan ik U niet meer verliezen.

Doch nu, o Heer, nu Gij mij nog ziet rondzwerven als een arme balling in dit vijandelijk land, waar ik onophondclijk moet leven in inwendigen strijd, o help mij dan met uwe genade, troost mij op dezen zoo bitteren pelgrimstocht. Ik zie wel is waar, dat van al hetgeen de wereld mij aanbiedt, niets in staat is mij gelukkig te maken, maar toch, als uwe hulp mij ontbreekt, vrees ik dat de aardsche genoegens mij nog zullen neertrekken in een afgrond.

1) Cor. 15. 28.

-ocr page 343-

Mij alzoo verbannen ziende in dit dal van tranen, zou ik ten minste immer aan ü willen denken, o mijn God, en mij w illen verheugen over liet oneindig geluk, dat Gij geniet; doch de booze neigingen van mijne zintuigen verheffen maar al te vaak hare stem in mijn binnenste en brengen mij in verwarring. Ik zou willen, dat al de vermogens mijner ziel met niets anders bezig waren dan met U te beminnen en U te bedanken; maar het vleeseh wil mij met geweld trekken om behagen te nemen in de genoegens der zinnen, zoodat ik met den H. Paulusmoet uitroepen; Infelix ego homo, quis me lihc-raht de corpore mortis hujus. \\) Ik arme menseh, die immer moet strijden, niet alleen met vijanden buiten mij, maar ook met mijzelven, zoodat ik oen last en een kwelling voor mij zeiven hen, facius sum mihimetipsi gravis. 2)

Wie dan zal mij bevrijden van het lichaam dezes doods, d. i. van het ge-

1) Rom. 7. 24.

2) Job. 7. 20.

21

-ocr page 344-

— 322 —

vaar om in zonde te vallen, waarvan lt;lc vrees alleen mij als een voortdurende dood is, die mij pijnigt en niet ophoudt mij te pijnigen mijn geheele leven lang? Deus ne elonyeris a me. Deus mens, in auxilium meum r esp ice. 1) Mijn God verwijder U van mij niet, want als Gij U van mij verwijdert vrees ik U te be-leedigcn; maar kom mij veeleer immer nader met uwe machtige hulp, m. a. w. help mij immer, opdat ik den aanvallen mijner tegenstanders kunne weerstaan. De Koninklijke jn\'ofeet zegt mij, dat Gij nabij zijt, dat wil zeggen het heilig geduld verleent aan allen die bedrukt van harte, d. i. inwendig bedroefd zijn. Juxta est Dorninus iis, qui trihulato sunt corde. 2) Sta mij dan ter zijde, o mijn beminde Zaligmaker, en geef mij het geduld, dat ik zoozeer behoef om al die moeielijkheden, waardoor ik gekweld word, te boven te komen. Hoe dikwijls gebeurt het niet, dat ik mij tot het

1) Ps. 70. 12.

2) Ps. 33. 19.

-ocr page 345-

— 323

gel:ecl begeef, maar dat allerlei lastige gedachten mijne aandacht aftrekken, en mij met duizenderlei beuzelarijen verstrooien. Geef Gij mij kracht om al die gedachten te verdrijven als ik mij met U onderhoud, en al de kwade neigingen, die mijne vereeniging met U beletten, te kruisigen. Neem ook, bid ik U, dien grooten tegenzin weg welken ik ondervind om hetgeen met mijne eigenliefde in strijd is, in vrede aan te nemen. O huis van mijnen God, bereid voor die Hem beminnen, naar u verzucht ik van uit deze aarde van ellende. F,rrati sicut ovis, quae periit, quaere servum tuum. 1) O beminde Herder, die nedergedaald zijt om de schaapjes te zoeken, die verloren waren, zie een daarvan ben ik, want ik heb U ellendig den rug gekeerd en mij in het verderf gestort; quaere servum tuum. lieer, zoek mij, wil mij niet verlaten, gelijk ik verdiend heb. Zoek mij, help mij, neem mij op en houd mij goed vast op uwe schouders, opdat ik

1) Pa. 118. 176.

-ocr page 346-

— 324 —

U toch nooit wederom verlate. Op hetzelfde oogenblik, dat ik vol verlangen beu naar het Paradijs, wil de booze vijand mij verschrikken met de gedachtenis mijner zonden; maar de aanblik van U, mijn gekruiste Jezus, vertroost mij en versterkt mij in de hoop, dat ook ik U eenmaal zonder sluier zal mogen beminnen in uw zalig rijk.

O Koningin van het Paradijs, houd vol mijne voorspraak te wezen. Het bloed van Jezus Christus en uwe voorspraak geven mij de vaste hoop, dat ik zalig zal worden.

-ocr page 347-

— 325 —

VERZUCHTING NAAR HET PARADIJS.

Schoon vaderland, waar onze liefde Met eeuwge liefde wordt beloond,

En waar uw God zich zonder sluier In \'t volle van zijn luister toont;

Ach, dat ook ik daar opgetogen,

Gods aanschijn zal aanschouwen mogen, Hoe lang nog toeft die blijde stond\'r Hoe lang, hoe lang? o van \'t verzuchten Gaat reeds mijn ziel ten hemel vluchten. *

80SPIR1 AL PARAD180.

Patria bella, ove al amore In mercede amor si da, E l\'amabil tuo Signorc Senza vel mirar si fa ; Di venir un giomo anch\'io A vedere in te il mio Dio Quando dato mi sara\'r Quando, quando, suspirando L\'alma mia per te s\'en va.

-ocr page 348-

Jb (ütibboïtfb

§ i-

HOEZEEK GOD ONZE LIEFDE VERDIENT.

()(1 is de volheid van alle genade, van alle goed, van alle volmaaktheid.

God is oneindig. God is eeuwig. God is onmetelijk, God is onveranderlijk.

God is machtig. God is wijs. God is voorzichtig.

God is rechtvaardig.

God is barmhartig. God is heilig. God is schoon.

God is heerlijk. God is rijk. God is alles, en daarom verdient Hij liefde en groote liefde.

-ocr page 349-

— 327 —

God is oneindig; aan allen geeft Hij, en van niemand ontvangt Hij. Wij liebben al wat wij hebben van God; maar God, Hij heeft niets van ons: Dms mcus es tu, quoniam honorum meorum non cges. 1) God is eeuwig. Hij heeft altijd bestaan, en altijd zal Hij bestaan. Wij, wij tellen de jaren en de dagen van ons aanzijn. Maar God kent geen begin, en Hij zal ook nooit een einde hebben. Tu autem idem ipse es et anni tui non deficient. 2)

God is onmetelijk, en door zijn wezen zelf tegenwoordig op alle plaatsen. Wanneer wij op de eene plaats zijn, kunnen wij niet tevens zijn op een andere. Maar God is op alle plaatsen; in den hemel op aarde, in de zee, in de afgronden, zoowel buiten als in ons. Quo iho a spiritu tuo, et quo a facie tua fugiam ? Si ascendero in coelum, tu illic es; si clescendero in infernum, ades. 3)

God is onveranderlijk; al wat zijn heilige wil eens van eeuwigheid heeft

1) Pa. 15. 2.

2) Ps. 101. 28.

3) Ps. 138, 7. 8,

-ocr page 350-

— 328 —

besloten, dit is en blijft zijn wil altijd. Ego Dominus, et non mutor. 1)

God is machtig, en tegenover God is alle macht der schepselen zwakheid.

God is wijs, en tegenover God is alle wijsheid der schepselen dwaasheid.

God is alwetend, en tegenover God is alle wetenschap der schepselen onwetendheid.

God is rechtvaardig, en tegenover God is de grootste rechtvaardigheid der menschen gebrekkig: Et in angelis suis reperit pravitatem. 2)

God is vol barmhartigheid, en tegenover God is alle goedertierenheid der schepselen onvolmaakt.

God is heilig, en tegenover God schiet de heiligheid der schepselen, hoe heldhaftig ook, eindeloos veel te kort. Nemo homes nisi solns Deus. 3)

God is schoon, o hoe schoon is God! Bij Gods schoonheid is al der schepselen schoonheid niets.

1) Mal. 3. 6.

2) Job 4. 18.

3) Luc. 18. 19.

-ocr page 351-

— 329 —

God is heerlijk, en tegenover God is al de glans der schepselen, zelfs der zon, duisternis.

God is rijk, en tegenover God is alle rijkdom der schepselen armoede.

God is alles, en bij God vergeleken zijn alle schepselen, zelfs het hoogste, het verhevenste, het bewonderenswaardigste, ja allen te zamen, niets: Omnes tamquam nihilum ante te. 1) En daarom verdient Hij liefde, en eene groote liefde.

O ja, God verdient zóó veel liefde, dat alle engelen en alle heiligen van het Paradijs nooit anders doen, en gedurende de geheele eeuwigheid nooit anders zullen doen dan God beminnen.

Het is hun liefde tot God, waardoor zij eeuwig gelukkig zijn.

O ja. God verdient zoo veel liefde, dat Hij zelf genoodzaakt is zich onein-diglijk te beminnen. En in die liefde, zoo noodzakelijk en zoo zoet tevens, welke God zich zeiven toedraagt, daarin bestaat

1) Ps. 38. G,

-ocr page 352-

— 330 —

zijn hoogste geluk ! en zouden dan wij Hem niet beminnen ?

Hoe beminden de heiligen Hem ?

De H. Franciseus Xaverius opende zijne kleederen en wierp zich ter aarde, den aandrang zijner liefde niet kunnende betoomen.

De H. Stanislaus Kostka ontblootte zich de borst, en liep naar de fonteinen om zich met water te verkoelen.

De H. Philippns Nerius kreeg dooiden gloed zijner liefde een merkbare uitzetting van het hart.

De H. Franciseus van Sales zeide: Indien ik wist, dat er in mijn hart ook maar een klein vezeltje ware, dat niet geheel doortrokken was van de goddelijke liefde, ik zou het er aanstonds willen uitrukken, en het heel verre van mij wegwerpen.

En de H. Catharina van Siena, de H. ïheresia, de H. Maria Magdalena de Pazzi en andere zielen heilig gelijk zij, vervielen dikwijls in heiligen waanzin, waren soms geheel buiten zich zeiven door de hevigheid der goddelijke liefde.

-ocr page 353-

— 331 —

Ja de H. Maria Magdalena de Pazzi, met zoo groote liefde nog niet tevreden, doorliep soms schreiend haar klooster, terwijl zij om aan haar hart lucht te geven - met luider stemme riep : de liefde wordt niet bemind, de liefde wordt niet bemind. En zouden dan wij Hem niet beminnen ?

Weet gij waarom wij Hem niet be-minnen ? Omdat wij Hem slechts zoo weinig kennen. De heiligen beminden Hem zoozeer, omdat zij Hem beter kenden dan wij. Trachten ook wij Hem dan een weinig beter te kennen.

Overwegen wij van tijd tot tijd zijne goddelijke eigenschappen, zijne goddelijke volmaaktheden, werpen wij ten minste van tijd tot tijd met ons verstand een enkelen blik op Hem, gelijk ik het u in deze bladzijden heb voorgedaan, en dan zal ook in onze harten de goddelijke liefde ontbranden.

Het is een groote gunst dat een zoo groote God zich door ellendige schepselen, gelijk wij zijn, laat beminnen, maar het is te gelijk zijn zoet gebod.

-ocr page 354-

— 332 —

Toen God op den kruin van Sinaï aan Mozes zijn wet gaf, was het eerste gebod dat God Heni oplegde : Diliges Dominum Dewm tuum. 1) Gij zult den Heer uwen God beminnen: Ex toto car de tuo: Uit geheel uw hart; Ex tota anima tua: Uit geheel uwe ziel: Ex tota fortitudine tua: uit al uwe krachten. God beval hem die woorden eerst goed in zijn eigen hart te prenten: Eruntque verba haec in corde tuo, en ze daarna bekend te maken aan het volk van Israël: Ei narrahis ea Jiliis Israël. Welaan dan, laten wij God beminnen, gelijk Hij verdient; vervullen wij volmaakt dat groote en zoete gebod door Hem zeiven gegeven. Het is het grootste en eerste gebod van de geheele wet. Hoc est maximum et primum mandatum. 2) Laten wij in de vervulling van dat gebod leven, in de vervulling van dat gebod sterven.

1) Deut. 6. 5—7.

2) Luo. 12. 49.

--

-ocr page 355-

§ 2.

HOEZEER GOD ONZE LIEFDE VERLANGT.

1. ■iy^Vrndut God ons vurig bemint verlangt Hij vurig, dat ook wij Hem beminnen. Niet alleen daarom heeft Hij ons tot zrjne liefde opgewekt door die herhaalde uitnoodigingen in de H. Schrift, en door zoovele weldaden, zoowel in het algemeen als in het bijzonder; maar Hij heeft ons daarenboven door een uitdrukkelijk gebod tot \' zijne liefde willen verplichten: Hij bedreigt een ieder die Hem niet bemint, met de hel, en belooft het Paradijs aan die Hem beminnen. God wil dat allen zalig worden, en dat niemand

-ocr page 356-

— 334 —

verloren gaat, gelijk de II. l\'aulus en de H. Petrus allerduidelijkst leeren; Onmes homines vult salvos fieri. 1) Paticnter a git propter vos, nolens aliquos perire; sed nmnes ad poenitentiam re-verti. 2) Maar als God allen zalig wil, waarom lieeft Hij dan de hel geschapen? Hij heeft de hel geschapen, niet om ons verdoemd te zien gaan; maar opdat wij Hem zouden beminnen. Als God de hel niet had geschapen, wie ter wereld zou Hem dan beminnen ? Als nu zelfs, nu de hel bestaat, toch het grootste gedeelte der menschen liever verdoemd wil gaan dan God beminnen, wie dan (ik herhaal het) zou Hem beminnen als er geen hel was ? Daarom heeft God hen, die Hem niet beminnen met een eeuwige straf bedreigd, opdat zij, die Hem niet willen beminnen uit vrije keuze. Hem ten minste zouden beminnen als uit dwang, gedrongen door hun vrees voor de hel.

1) 1 Tim. 2. 4.

2) 2 Petri 3. 9,

-ocr page 357-

2. O mijn God! hoe vereerd, hoe gelukkig zou zich een. monsch gevoelen, die zich door zijnen koning hoorde zeggen: Bemin mij, want ik hemin u. Een vorst dezer wereld zou zich wel wachten zoover af tc dalen, dat hij aan een onderdaan om zijne liefde zou vragen; maar God, die eene oneindige goedheid is, de Heer van het heelal, oneindig machtig en oneindig wijs, in één woord, die eene oneindige liefde verdient; een God die ons met zijne geestelijke en tijdelijke gaven heeft verrijkt. Hij acht het niet beneden zich ons te vragen om onze liefde. Hij vermaant en beveelt ons Hem te beminnen, en toch kan Hij het niet verkrijgen. Wat anders vraagt Hij van een ieder onzer dan bemind te worden? Quid Dominus Deus petit a te, nisi ut timeas Dominum Dcum tuum . . . et diligas eum. 1) Tot dit doeleinde kwam zelfs de Zoon Gods op aarde met ons verkeeren, gelijk Hij zelf het zeide: lynem veni mittere in terrarn, et quid

1) Deut. 10. 12.

-ocr page 358-

— 336 —

volo nisi ut accendatur. 1) Ik ben een vuur op aarde komen brengen, en wat wil ik anders dan dat het ontstoken worde. Men lette op die woorden: et quid volo msi ut accendatur: ivat wil ik anders dan dat het ontstoken worde; het is (zegt de H. Thomas) als kon God, die in zich zeiven een oneindig geluk bezit, niet gelukkig zijn zonder zich bemind te zien door ons: Quasi sine te heatus esse non posset.

3. Wij kunnen er dus niet aan twijfelen. God bemint ons, en bemint ons vurig, en omdat Hij ons vurig bemint, wil Hij dat wij Hem beminnen uit geheel ons hart. Daarom zegt Hij tot een ieder van ons: D dig es Dominum Deum tuuni ex toto corde tuo. 2) Gij %ult den Heer uwen God beminnen uit geheel uw hart, en Hij voegt er bij: Eruntque verba haec in corde tuo... et meditaberis in eis sedens in domo tua, et ambulans in itinere, dormiens atque consurgens: et ligabis ea quasi signum in

1) Luc. 12. 49.

2) Deut. 6. 5.

-ocr page 359-

— 337 —

manu tua, eruntque et movehuntur inter ocidos tuos: scribesque ea in limine et ostiis domus tuae. 1) Die ivoorden zullen gegrift staan in uw hart, gij zult er op nadenken, terwijl gij gezeten zijt in uw huis, en terwijl gij xvandelt langs den iveg, hij uw slapen en hij uw ontivahen, gij zult ze ter herinnering hinden aan uwe hand, zij zullen hangen en heen en weer gaan tusschen wue oogen, gij zult. ze schrijven op den dorpel en de deuren van uw huis.

Al deze woorden geven te kennen, welk een vurig verlangen God lieeft om door een ieder van ons bemind te worden. Hij wil dat die woorden: Gij zult den Heer uioen God hemiimen uit geheel uiv hart, zullen gegrift staan in ons hart, en opdat wij ze nimmer zouden vergeten, wil Hij, dat we er op nadenken, hetzij we in huis zijn, of wandelen langs de wegen, hetzij we slapen gaan, of uit den slaap opstaan. Hij wil dat wij ze als een herinneringsteeken gebonden

1) Ibid.

-ocr page 360-

— 338 —

hebben aan onze banden, opdat, waar wij ons ook bevinden, die woorden ons immer voor oogen zullen staan; van daar ook dat de Farizeën, die dit gebod letterlijk verstonden, die woorden, gelijk de H. Mattheus sobrijft, op perkamenten in de reebterhand en op het voorhoofd droegen. 1)

O talige schicht, roept de H. Gre-, gorius van Nyssa uit, die, als zij het hart binnendringt, ook tevens God er huin/\'.n brengt: Beata sngitta, quae simul in cor adducit sagittarium JDeum! Wanneer God, wil die heilige Vader zeggen, een pijl van liefde afschiet op eene ziel, d. w. z. wanneer Hij die ziel op bijzondere wijze verlicht, haar zijne goedheid doet kennen en zijn verlangen om door haar bemind te worden, op datzelfde oogenblik komt ook God met dien pijl van liefde mede, want Hij, die den jiijl afschiet is tevens de liefde zelve. Quoniam Deus caritas est. 2) Gelijk

1) Matth. 23. 51.

2) 1 Joa. 4. 8.

-ocr page 361-

— 339 —

verder de pijl in het hart, dat hij getroffen heeft blijft steken, zoo God eveneens; want als Hij eene ziel wondt met zijne liefde, dan komt Hij daar binnen, om immer met die ziel ver-eenigd te blijven. O menschen, zijn wij er toch van overtuigd: God alleen bemint ons met ware liefde; de liefde van onze ouders, van onze vrienden en van al degenen die zeggen dat zij ons beminnen, slechts hen uitgezonderd, die ons alleen om God beminnen, dat alles is geen ware liefde, het is een baatzuchtige liefde, zij beminnen ons om een of andere beweegreden van eigenbelang. Ja mijn God, ik weet het, Gij alleen bemint mij, Gij alleen verlangt mijn geluk, niet uit eigenbelang maar alleen uit goedheid, alleen om de liefde, die Gij mij toedraagt; en ik ondankbare, ik heb aan niemand zooveel misnoegen, zooveel bitterheid veroorzaakt als aan U, die mij zoozeer bemind hebt. Mijn Jezus, gedoog niet dat ik U nog langer ondankbaar zij. Gij hebt mij zoo oprecht bemind, ook ik wil

-ocr page 362-

— 340 —

U oprecht beminnen al den tijd die mij nog overblijft. Mijne liefde, zoo verzucht ik tot U met de H. Catharina van Genua, yeene zonde meer, geene zonde meer; U alleen wil ik beminnen, niets anders.

5. Eene ziel, zegt de H. Bernardus, die haren God waarlijk bemint, non potest veile nisi quod Deus vult, het is haar niet mogelijk iets anders te willen dan wat God wil. Bidden wij den Heer dat Hij ons toch wonde met zijne liefde, want eene ziel, die door de liefde gewond is, denkt er niet aan, ja is niet in staat iets anders te willen dan wat God wil, zij maakt zich los van alle begeerten harer eigenhefde. En die onthechting, gepaard met een algeheele overgave van zich zelve aan God, is de schicht waarmede de ziel op hare beurt het hait van God verwondt, gelijk Hij zelf verklaart, als Hij zegt tot de bruid der gezangen; Vulnerasti cor meum, soror mea sponsa. 1) Gij hebt mijn hart verwond, mijne zuster, mijne bruid.

1) Cant. 4. 9.

-ocr page 363-

— 341 —

6. Hoe schoon is de uitdrukking, van welke de H. Bernardus zich bedient omtrent dit zelfde punt: Discamus jacu-lari corda in Deum. Leeren wij, zegt hij, onze harten af te schieten op God. Wanneer eene ziel zich geheel, zonder eenig voorbehoud aan God overgeeft, dan richt zij in zekeren zin als een schicht haar hart op het Hart van God, hetwelk zich dan aanstonds gewonnen geeft, en als de gevangene wordt van die onthechte ziel. Ziedaar wat de zielen, die zich geheel aan God hebben gegeven, onophoudelijk bij al hare gebeden in beoefe-nino- brengren : Jaculantur corda in Deum.

O O

Zij geven zich geheel aan God, en doen dit voortdurend op nieuw met de volgende en andere dergelijke verzuchtingen van liefde;

Deus mem, et omnia. Mijn God, ik wil U alleen en niets anders.

Heer, ik geef mij geheel aan U, en als gt;1; mij niet weet te geven zooals het hehoort, neem Gij zelf mij dan.

O mijn Jezus, ivien toch zou ik he-

-ocr page 364-

— 342 —

minnen, als ik ü niet bemin, die voor mij gestorven zijt ?

1 ra he me post te: Mijn Zaligmaker, hef mij op uit het slijk mijner zonden, en trek mij met U mede.

Bind mij. Heer, hecht mij vast met de ketenen moer liefde, opdat ik U nooit meer verlate.

Ik wil geheel de mve zijn. Heer, hebt Gij mij verstaan ? ik wil geheel de uwe zijn, geheel de uwe.

Wat zou ik anders verlangen dan U, mijne liefde, mijn al?

Daar Gij mij geroepen hebt tot uwe liefde, geef mij dan ook de kracht om U welgevallig te zijn, gelijk Gij dit verlangt.

JVien toch zou ik beminnen tenzij U, die eene oneindige goedheid zijt, waardig, dat men U oneindig herninne.

Gij hebt mij het verlangen gegeven om geheel de uwe te zijn, welaan, voltrek uw werk.

IVat anders zou ik op deze aarde verlangen, dan IJ, die het opperste goed zijt ?

Ik geef mij geheel, zonder voorbehoud.

-ocr page 365-

— 343 —

aan U; o neem mij aan en geef mij kracht, om U tot den dood toe getroinv te zijn.

Ik ivil U veel heminnen in dit leven om U veel te beminnen gedurende de (jansche eeuwigheid.

Gij, Jezus zijt mijn troost, mijn leven,

Gij, \'t cenigst, wat mijn ziele vraagt; \'k Hel) mij geheel aan XT gegeven,

Doe maar mot mij wat U behaagt.

Wie dit versje van harte uitspreekt, verheugt het paradijs.

7. Gelukkig in één woord, de ziel, die in waarheid zeggen kan: Dilectus me us mi hi et ego illi. 1) Mijn God heeft zieh geheel gegeven aan mij, en ik heb mij geheel gegeven aan Hem, ik behoor mij zeiven niet meer toe, ik ben geheel het eigendom van mijnen God. Iemand, die aldus uit de oprechtheid zijns harten spreekt, hij is ten volle bereid, zegt de H. Bernardus, om veeleer de pijnen der hel te omhelzen (als hij die omhelzen kon zonder zich te scheiden van God)

1) Cant. 2. 16.

-ocr page 366-

— 344 —

dan zich ook maar een enkel oogenblik van God gesckeiden te zien; Tolerahi-lius ei esset gehennam tolerare, quam recedere ab Ulo, ket zijn de eigen woorden van den Kerkvader. O welk een keerlijke schat is de schat der goddelijke liefde! Gelukkig, alwie dien schat bezit! laat hij alle zorg aanwenden, alle middelen gebruiken om dien schat te bewaren en te vermeerderen; en die hem nog niet bezit, laat hij geen middel onbeproefd laten om hem te verkrijgen. Zien wij thans welke middelen het noodzakelijkste en het geschiktste zijn om dien schat der goddelijke liefde te verkrijgen en te bewaren.

-ocr page 367-

III.

MIDDELEN OM DE GODDELIJKE LIEFDE TE VERKRIJGEN.

1.

jj^f^TRet eerste middel is zich ontdoen yMlt van de genegenheden dezer wereld. In een hart, dat vol is van de wereld, is voor de liefde Gods geen plaats; hoe meer het hart wordt ingenomen door de wereld, in des te geringer mate heerseht er de goddelijke liefde. Wie derhalve zijn hart vervuld wil zien van de goddelijke liefde moet zijn best doen de geheele wereld er uit te verdrijven. Om heilig te worden moeten wij den H. Paulus navolgen, die om de liefde van Christus te winnen al de goederen dezer wereld verachtte als drek. Arhitror omnia ut stercora.

-ocr page 368-

— 346 —

ut Christum lucrifaciam. 1) O bidden wij den H. Geest, dat hij ons in zijne heilige liefde doe ontvlammen, dan zullen ook wij die goederen leeren verachten, en al de rijkdommen, al de genoegens, al de eer en waardigheden dezer wereld, waarvoor helaas het grootste gedeelte der menschen verloren gaat, wij zullen ze beschouwen als ijdelheid, als rook en slijk. O, wanneer de goddelijke liefde een hart binnenkomt, dan acht zij al hetgeen de wereld hoogschat, voor niets meer: Si dederit homo ornnem substantiam domus suae pro dilectione, quasi nihil despiciet earn. 2) Wanneer een huis, zegt de H. Franciscus van Sales, in brand geraakt, dan werpt men al de goederen het venster uit; de heilige wil zeggen : wanneer het hart ontstoken is door de goddelijke liefde, dan zal de mensch zich zonder preeken en zonder vermaningen van zijnen geestelijken vader, uit eigen beweging trachten te ontdoen van de aardsehe goederen, van

1) Phil. 3. 8.

2) Cant. 8. 7.

-ocr page 369-

— 347 —

de eer, van de rijkdommen en van ulle dingen dezer wereld, en niets anders meer willen beminnen dan God. De H. Catlia-rina van Genua zeide, dat zij God niet beminde om zijne gaven, maar dat zij Gods gaven beminde om God zeiven meer te beminnen.

Het is, zegt Gilbertus, voor een ziel die God bemint, pijnlijk en ondragelijk hare liefde tusschen God en de dingen dezer wereld te verdeelen, en tegelijk God en do schepselen te beminnen; Oh quani durum est amanti animum dimidiare cum Ch ris to et mundo. 1) Van den anderen kant, is de goddelijke liefde gelijk de H. Bernardus zegt, baatzuchtig: Amor insolens est, baatzuchtig, want God wil in een hart, daf Hij beinint, geen deelgenooten in de liefde; maar Hij wil het geheel en al voor zich. En eischt God misschien te veel, wanneer Hij verlangt dat de ziel niets anders dan Hem beminne ? Neen, antwoordt de

1) Serm. 11. in Cant.

-ocr page 370-

— 348 —

H. Bonaventura: Summa diligihilitas unice amari debet. Eene oneindige beminnelijkheid, eene oneindige goedheid, gelijk God, die eene oneindige liefde verdient, met recht vordert Hij alleen te staan, waar het de liefde geldt van een hart, dat Hij juist geschapen heeft, opdat het Hem zou beminnen; en vooral daar die God van goedheid om dat hai-t toch maar alleen te bezitten, zich geheel voor hetzelve heeft prijs gegeven. Totus in meos usus expensus, zeide de H. Ber-nardus, sprekende van de liefde die Jezus Christus hem had toegedragen : Hij heeft zich geheel ten dienste gesteld aan mijn geluk. Hetzelfde kan ook ieder van ons zeggen, daar Jezus Christus voor een ieder van ons geheel zijn leven en al zijn bloed heeft opgeofferd aan het kruis en ons daarenboven na zijnen dood, in het H. Sacrament zijn lichaam en bloed, zijne ziel, ja geheel zich zeiven heeft nagelaten, om de spijs en de drank te worden onzer zielen, en zich met een ieder van ons te kunnen vereenigen.

O hoe gelukkig is de ziel, die tot

-ocr page 371-

— 349 —

dien hoogen graad van liefde geraakt, dat zij, gelijk de H. Gregorius schrijft, een walg heeft van alles, wat haar niet spreekt van God, het eenige voorwerp harer liefde. Intolerabile est quidquid non sonat Deuvi quem inlus amat. 1) Wij moeten daarom zorgen nooit genegenheid te koesteren voor de schepselen, want zij zouden ons een gedeelte ont-rooven van de liefde, die God geheel voor zich verlangt. Ja, al is die genegenheid ook vrij van zonde, gelijk bijv. onze genegenheid voor bloedverwanten of vrienden, bedenken wij evenwel wat de H. Philippus Nerius zegt: dat wij al de liefde, die wij aan de schepselen schenken, ontnemen aan God.

Wij moeten ons daarom maken tot een gesloten tuin, gelijk de Heer de gewijde bruid der gezangen noemde: Hortus conclusiis soror mea spons a. 2) Een gesloten tuin, zoo heet iedere ziel, die de deur haars harten sluit voor alle

1) Lib. 2. Mor. c. 2.

2) Cant. 4. 12.

-ocr page 372-

— 350 —

genegenheid tot aardsche zaken. Wanneer derhalve een schepsel ons hart wil binnenkomen en er ook een plaats wil hebben, dan moeten wij het beslist den toegang weigeren, en daarop ons tot Jezus Christus wendend zeggen; O mijn Jesus, Gij alleen zijt mij genoeg; ik wil niets anders beminnen dan U. Deus cordis mei, et pars mea Deus in aeter-num. Mijn God, Gij moet de eenige Heer zijn van mijn hart. Gij mijne eenige liefde. En daarom, laten wij nooit ophouden God te bidden, dat Hij ons toch de genade schenke zijner zuivere liefde. Want, zegt de H. Franciscus van Sales, de zuivere liefde Gods verteert alles wat niet God is, en doet alles overgaan in liefde.

Het tweede middel om de goddelijke liefde te verkrijgen is de overweging van het lijden onzes Heeren Jezus Christus. Hiervoor kan men het boek lezen dat ik onlangs heb uitgegeven onder den titel: Overwegingen over het lijden van Jezus

-ocr page 373-

— 351 —

Christus; daar zal men eene uitvoerige bescliomving vinden van de pijnen, welke onze goddelijke Verlosser in zijn lijden verduurd heeft. Plet is zeker, als Jezus Christus op de wereld zoo weinig bemind wordt, dan is dit het gevolg van de nalatigheid en ondankbaarheid der men-schen, waardoor het hun te veel is, ook maar nu en dan, eens te beschouwen, wat Jezus Christus al voor ons heeft geleden, en met welke liefde Hij dit voor ons heeft geleden. Stultum visum est hominibus (schrijft de H. Gregorius), Deum pro nobis mori. Het schijnt, zegt de H. Gregorius, eene dwaasheid, dat een God heeft willen sterven om ons ellendige slaven zalig te maken, en echter, het is een punt van ons geloof, dat God dit heeft gedaan. Dilexil nas et tradidit semetipsum pro nobis. 1) Ja, Hij heeft al zijn bloed willen vergieten om daarmede onze zonden af te wasschen, Dilexit nos et lav it nos a peccatis nestris in sanguine suo. 2)

1) Eph. 5. 2.

2) Ap. 1. 5.

-ocr page 374-

— 352 —

O mijn God, roept liier de H. Bona Ventura uit, Gij hebt mij zoozeer bemind, dat Gij uit liefde tot mij u zeiven als het ware gehaat hebt: In tantum me diligis. Deus meus, ut te odisse viel naris. 1) Maar hiermede nog niet tevreden wilde hij daarenboven zelf onze spijs worden in de H. Communie : God heeft zich zoo voor ons vernederd, zegt de engelachtige H. Thomas, over het II. Sacrament sprekende, dat het schijnt als was Hij onze slaaf en als waren wij zijn God. Quasi esset servus eorum et quUibct eorum esset Dei Deus. 2)

Ziedaar waarom de apostel uitriep: Charitas enim Christi urget nos. 3) De liefde, die Jesus Christus ons betoond heeft, zegt de H. Paulus, zij dringt ons, ja noodzaakt ons in zekeren zin Hem te beminnen. O mijn God, wat doen de menschen niet uit liefde tot een schepsel, waarvoor zij genegenheid opvatten? en een God van oneindige goedheid, van

1) S. Bonav. in stira amor.

2) S. Thom. opusc. de S. Euch.

3) 2 Cor. 5. 14.

-ocr page 375-

— 353 —

oneindige sclioonlieid, een God die voor ieder van ons heeft willen sterven op een kruis, Hij wordt zoo weinig bemind ! Welaan volgen wij allen den Apostel na, die uitriep : Mihi autem absit gloriari, nisi incruce Domini nostri Jesic Christi. 6) Wat grooter glorie, sprak de apostel, kan ik op deze wereld verlangen, dan dat een God, uit liefde tot mij, zijn bloed en zijn leven gegeven heeft ? Ditzelfde moet een ieder zeggen, die geloof heeft; en wie dan die geloof heeft zou iets anders kunnen beminnen dan God! O God, hoe is het mogelijk, dat eene ziel den gekruisten Jezus beschouwt. Hem daar ziet hangen aan drie nagelen, zonder eenigen steun dan de wonden zelve zijner handen en voeten, stervende van louter smart, alleen uit liefde tot ons, en zich dan niet getrokken gevoelt, ja genoodzaakt ziet Hem uit al hare krachten te beminnen?

Neen, ik kan mij niet voorstellen, dat eene - ziel, die geloof heeft, al is zij nog zoo koud in de goddelijke liefde, on-

1) Gal. G. 14.

as

-ocr page 376-

— 354 —

gevoelig kan blijven en niet gedrongen wordt Jezus Christus te beminnen, -wanneer zij ook slechts een oogenblik met aandacht beschouwt wat de H. Schriften van de liefde zeggen, ons door Jezus Christus betoond in zijn lijden en in het Allerheiligst Sacrament des altaars. Betreffende het lijden zegt Isaias: Vere languor es nostras ipse tulit et dolor es nostras ipse portavit. 1) Waarlijk Hij heeft onze pijnen op zich ge-nomen en Hij heeft onze smarten ge-drayen. En in het volgend vers zegt hij: Ipse autem vulneratus est propter iniquitates nostras, attritus est propter scelera nostra. Hij is gewond om onze boosheden. Hij is verbrijzeld om onze misdaden. Alzoo is het een punt van ons geloof, dat Jezus Christus al die pijnen en smarten zelf heeft willen verduren, om er ons, die ze verdiend hadden, van te bevrijden. En waarom anders heeft Hij dit gedaan, tenzij gedreven door de liefde, die Hij ons toedroeg ? Christus

1) I-. 53. 1.

-ocr page 377-

— 355 —

ihlexit nos et tradidit semctipsum jgt;i a nobis 1) zegt de H. Paiüus, en de H. Joannes zegt; Qui clilexit nos -et lavit nos a p\'eccatis nostris in sanguine suo. 2) Wat nu het H. Sacrament aangaat, Jezus Christus zelf zeide tot ons allen bij de instelling: Accipite et manducate: hoc est corpus mewn 3) Neemt en eet, dit is mijn lichaam. En op eene andere plaats; Qui manducat meam carnem et hhit meum sanguinem in me manet et oyo in Ulo. 4) Wie mijn vleesch eet en mijn hloed drinkt, hlijft in mij\' en ik in hem. Hoe kan iemand die eeloof

o

heeft, dit lezen en zieli dan niet als het ware gedrongen gevoelen dien God to beminnen, dien God, die na zijn bloed en zijn leven te hebben opgeofferd ter onzer liefde, ons daarenboven nosr

•* T

zijn lichaam beeft nagelaten in het H. Sacrament des altaars, opdat het de spijs

1) Eph. ó. 2.

2) Ap. 1, 5.

3) 1 Cor. 11. 24.

4) Joa. 6. 5\'.

-ocr page 378-

— 356 —

zou worden onzer ziel en wij in do H. Communie geheel met Hem zouden worden vereenigd ?

Wij voegen liier nog een andere korte bemerking over Jezus lijden bij : Dc goddelijke Zaligmaker vertoont zich aan een kruis, met drie nagelen doorboord,

terwijl van alle kanten liet bloed uitstroomt en Hij zelf zieltoogt in dc smarten des doods. Nu vraag ik: Waarom vertoont zich Jezus aan ons in dien deerniswaardigen staat ? doet Hij dit alleen, opdat wij medelijden met Hem zouden hebben ? Neen niet zoozeer om ous medelijden als wel om onze liefde te winnen, heeft Hij zich in dien ellen-digen toestand willen gebracht zien. Het moest om onze liefde op te wekken reeds meer dan genoeg zijn dat God ons gezegd heeft: /« charitate perpetm dilexi te. 1) Ih heb U met eene eeutoige liefde bemind. Maar omdat God zag, dat dit voor onze lauwheid niet genoeg was, heeft Hij, om ons er toe | —

1) Jer. 31. 3.

-ocr page 379-

— 357 —

te brengen Hem te beminnen, gelijk Hij het verlangde, ons zijne liefde ook met daden willen toonen; daarom vertoonde Hij zicli aan ons overdekt met wonden, ja wilde Hij uit liefde tot ons sterven van smart, om ons door al dat lijden toch maar eenig begrip te geven van de eindelooze en teedere liefde die Hij ons toedraagt. Dit drukt de H. Paulus zoo schoon uit in de woorden: Dilexit tws et tra-didit semetipsum pro nobis. Hij heeft ons bemind en zich zeiven voor ons overgeleverd. 1)

3.

Het derde middel om tot de volmaakte liefde Gods te komen, is zich in alles gelijkvormig te maken aan den godde-lijken wil. Iemand, die God volmaakt bemint, zegt de H. Bernardus, non potest veile nisi quod Deus vult, 2) het is hem niet mogelijk iets anders te willen dan

1) Eph. ö. 2.

2) Serm. ad Fratr.

-ocr page 380-

— 358 —

wat God wil. Velen zeggen met den mond, dat zij geheel overgegeven zijn aan den wil van God; maar wanneer zij bezocht worden dóór een of andere tegenspoed, door een of andere lastige ziekte, dan zijn zij ontroostbaar. Niet alzoo de zielen die werkelijk gelaten zijn: dezulken zeggen in dergelijke gelegenheden : het is of het was aldus Gods tvil, en zij zijn aanstonds tevreden. Amori sancto omnia dulcia sunt, zegt de H. Bonaventura. Voor iemand die God hemint, wordt alles zoet. Die zielen weten dat er niets op de wereld gebeurt, tenzij op bevel of door toelating van God; en daarom buigen zij bij alles wat hun overkomt, het moge zijn wat het wil, nederig het hoofd, en zijn tevreden met alles wat de Heer beschikt. Immers ofschoon God niet wil, dat anderen ons vervolgen en ons nadeel berokkenen, toch wil Hij om rechtvaardige redenen, dat wij de vervolgingen die wij te verduren hebben, het nadeel wat ons berokkend wordt geduldig verdragen.

De H. Catharina van Genua zeide eens:

-ocr page 381-

— 359 —

„Indien God mij in het diepste der hel zon neerstorten, ik zon nog zeggen: Borium est nos Jiic esse. Het is ons (joed hier te zijn, het is mij genoeg, zou ik zeggen, dat ik mij hier bevind door den wil van mijn Beminde, want Hij bemint mij meer dan iemand anders, en Hij weet, wat voor mij het beste is, O wat is het zoet rusten in de armen van den goddelijken wil!

De eenige zorg van iemand, die zich toelegt op het gebed, zegt de II. Theresia, moet zijn: zijnen wil in alles gelijkvormig te maken met den wil van God, want daarin bestaat de hoogste volmaaktheid. En daarom moet hij immer dat gebed herhalen van David: Doce me facere voluntatem tuam. 1) lieer, daar Gij verlangt dat ik zalig worde, leer mij dan ook immer uwen wil volbrengen. De volmaaktste akte van liefde welke een ziel kan doen, is die welke de II. Paulus deed toen hij zich bekeerde en zeide: Domme quid me vis

1) Ps. 142. 9.

-ocr page 382-

— 360 —

Jacere ? 1) Heer, zeg mij, wat Gij van mij wilt, ik ben bereid het aanstonds te doen; deze akte is meer waard, dan duizend maal vasten en duizend lijfkastijdingen. Dit moet het doel zijn van al onze werken, van al onze verlangens en gebeden, het volbrengen van den goddelijken wil. Daarvoor moeten wij de Allerheiligste Maagd aanroepen, ook onze heilige patronen\'en engelbewaarders; wij moeten hun vragen, dat zij ons toch de genade verwerven den wil van God te mogen volbrengen. En komen er dingen voor, die strijden met onze eigenliefde, o dan kunnen wij door eene akte van overgeving schatten winnen van verdiensten ; gewennen wij ons daarom in zulke oogenblikken die schoone gezegden te herhalen, welke Jezus Christus ons met zijn eigen voorbeeld heeft geleerd, zooals ; Calioem quern dedit mi Ju Pater, non Inham illuni ? 2) Den Kelk, dien mijn Vader mij gegeven heeft, zou ik dien

1) Act. 9. G.

2) Joa. IS. 11.

-ocr page 383-

— 361 —

niet drinken ? of wel: Ita Pater, quoniam sic fuit placitum ante te. 1) Heer, alzoo behaagt het aan U, alzoo behaagt het ook aan mij, ofwel zeggen wij met den women Job : Sicut Domino placuit, ita factum est; sit nomen Domini hcneclictum.2) Het is geschied gelijk het den Heer hehaagd heeft; de naam des Heer en dj gezegend. Eén „God zij geloofdquot; in tegenspoed, zegt de eerbiedw. Pater Avila, is meer waard dan duizend dankzeggingen in voorspoed. Wij herhalen hier wat wij boven gezegd hebben: het is zoet msten in de armen van Gods wil, want dan wordt het woord bewaarheid van den H. Geest: Non contristabit justum quid-quid ei acciderit. 3) Wat den rechtvaardige ook overkome, het zal hem niet bedroeven.

4.

Het vierde middel om in Gods liefde te ontbranden is het inwendig gebed.

1) Matth. 11. 26.

2) Job. 1. 21.

3) Prov, 12. 21.

-ocr page 384-

— 362 —

De eeuwige waarheden kan men niet gelijk de zichtbare dingen dezer wereld met de oogen des lichaams aanschouwen, maar men kan ze alleen zien met de oogen des verstands. Als wij daarom niet een gedeelte van onzen tijd aan de beschouwing der eeuwige waarheden wijden, en vooral, als wij niet dikwijls denken aan onze verplichting om God te beminnen, aan zijne volmaaktheden, aan al die weldaden die hij ons bewezen heeft, en aan zijne groote liefde voor ons, dan zal ons hart zich niet gemakkelijk losmaken van de genegenheden dezer wereld en zijne liefde moeielijk geheel kunnen schenken aan God. In het gebed toont God ons de nietigheid van al het aardsche en de groote waarde van de goederen des hemels, daar doet Hij in zijne liefde ontvlammen de harten, die aan zijne uit-noodiging niet weerstaan.

Vele zielen echter beklagen zich, dat zij zich tot het gebed begeven, maar er God niet vinden; omdat zij er zich toe begeven met een hart vol van de we-

i

-ocr page 385-

— 363 —

reld. Onthecht uw hart van de schepselen, zegt de H. Theresia, zoek dan God en gij zult Hem vinden. Dc Heer is voor iemand die Hem zoekt, geheel goedheid. Bonus est Dominus animae quaerenti ilium. 1) Indien alzoo eene ziel in het gebed God vinden wil, dan moet zij zich ontdoen van alle genegenheid voor de zaken dezer wereld, dan toch zal God haar toespreken: Ducum earn in soluti-dinem et loquar ad cor ejus ! 2) Ik zal haar in de eenzaamheid leiden en daar tot haar hart spreken. Doch om God te vinden, merkt de H. Grcgorius aan, is de eenzaamheid des lichaams niet voldoende, ook de eenzaamheid des harten is noodig. De Heer zeide eens tot de H. Theresia: Tot menige ziel zou ik gaarne spreken; maar de wereld maakt zooveel gedruisch in haar hart, dat mijne stem er niet kan gehoord worden. O als de ziel, die zich tot het gebed begeeft, waarlijk onthecht

1) Thren. 3. 2.3.

2) Os. 2. 14.

-ocr page 386-

— 364 —

is, dan spreekt God wel tot haar, ja dan doet Hij haar zijne groote liefde kennen, en de ziel alsdan branden van liefde, (zegt een schrijver), zij spreekt niet, maar o wat zegt zij veel in dat stilzwijgen! Het stilzwijgen der liefde (zoo gaat dezelfde schrijver voort), zegt meer dan alle menschelijke welsprekendheid. In elke zucht openbaart dan de ziel geheel haar binnenste, en in die zalige oogenblikken houdt zij niet op te herhalen; Dilectus meus tnihi et ego illi, 1) Mijn beminde is de mijne en ik ben de zijne.

5.

Het vijfde middel om tot een verheven graad van goddelijke liefde te komen is het gebed. 1) Wij zijn arm aan alles; maar als wij bidden zijn wij rijk aan alles, want God heeft beloofd, dat Hij een ieder die bidt, zal verhoeren. T raagt, ^egt Hij,

1

Het gelcd quot;waarvan de H. Alphonsua hier spreekt is het ciehcil in den strikten zin; smeeken, vragen.

-ocr page 387-

— 365 —

en n zal gegeven worden. Petite et dahitur rob is. 1) Welk grooter bewijs van genegenheid kan een vriend geven aan zijnen vriend dan te zeggen: Vraag mij wat gij wilt, ik zal liet u geven. Welnu, dit zegt God tot een ieder van ons. God is de Heer van alles, en Hij belooft alles te geven wat men Hem vraagt; als wij dus arm zijn is liet onze eigene schuld, liet komt omdat wij de genaden die wij noodig hebben, niet vragen. Ziedaar ook do reden waarom het inwendig gebed een noodzakelijkheid is voor allen, want zonder inwendig gebed zal men te midden der wereldsche beslommeringen weinig denken aan zijne ziel, doch beoefent men het inwendig gebed, dan zal men de behoeften zijner ziel kennen, men zal dc noodige genaden vragen en die ook verkrijgen.

Geheel het leven der heiligen was een leven van overweging en gebed en al die genaden, waardoor zij heilig zijn geworden, zij hebben ze door het gebed ont-

1) Matth. 7. 7.

-ocr page 388-

— 366 —

Tangen. Indien wij derhalve zalig willen worden, indien wij tot de heiligheid willen geraken, dan moeten wij immer aan de deur van Gods barmhai tigheid staan, en daar alles vragen wat ons ontbreekt, het als een aalmoes afbidden. Hebben wij behoefte aan nederigheid; laten wij er slechts om vragen, en wij zullen nederig worden; hebben wij geduld in de kwellingen noodig, vragen wij het slechts, en wij zullen geduldig worden. Verlangen wij do goddelijke liefde, laten wij haar dan vragen en wij zullen ze verkrijgen. Petite et dabitur vohis ; het is een goddelijke belofte, die niet kan falen. En om ons vertrouwen in het gebed nog grooter te maken heeft Jezus Christus ons beloofd, dat welke genaden wij den Vader ook zullen Vragen in zijnen naam, of ter zijner liefde, of door zijne verdiensten, de Vader ze ons alle zal geven; Amen amen dico vohis: si quidpetieritis 1\'atrem in nomine meo dahit vohis. l)Enopeene andere plaats: Al wat gij aan mij zeiven

v 1) Jon. 16. 23.

-ocr page 389-

— 367 — ,

zult vragen ook in mijnen naam, om mijne verdiensten, zal ik doen : Si quidpetieritis me in nomine meo hoc faciam. 1) Ja, want het is een geloofspunt: wat God kan, dat kan ook Jezus Christus, daar hij Gods Zoon is.

Gebed van den H. Bonaventura tot Jezus Christus om zijne heilige liefde te verwerven.

O allerzoetste Jezus, doorwond mijn hart met den zoeten schicht uwer liefde, opdat ik immer moge kwijnen, immer moge verteeren van liefde tot U, vau verlangen naar U; dat ik er daarom naar smachte dit leven te verlaten om mij volkomen met U te vereenigen in de gelukzalige eeuwigheid. Maak, dat mijne ziel immer hongere naar U, o brood der engelen, Jezus in het H. Sacrament. Dat zij immer naar ü dorste, o bron van leven en van licht. Naar U zij haar verlangen, U zoeke zij, tot U slechts spreke zij, U vinde zij, en alles verrichte

1) Joa. 14. 14.

-ocr page 390-

— 368 —

zij immer tot uwen lof en glorie. Wees Gij, o Verlosser, mijn eenige hoop, Gij mijn rijkdom, mijn troost, mijn vrede, mijn toevlucht, mijn wijsheid, mijn deel, mijn schat, waaraan mijn verstand eu mijn hart immer gehecht blijven.

Gebed tot de Allerheiligste Maagd Maria om de liefde te bekomen tot Jesus en tot haar.

O Maria, Gij verlangt zoozeer uwen lieven Zoon Jezus bemind të zien, o als Gij mij bemint, ziehier dan de genade die ik door U vraag, en die Gij mij noodzakelijk moet verwerven; verkrijg mij een groote liefde tot Jezus Christus, maak dat ik niets anders beminne dan Hem. Gij verkrijgt van Hem al wat Gij wilt, verhoor mij dan, bid voor mij en troost mij; bind mij zoodanig aan Jezus, dat ik niet meer ophoude Hem te beminnen. Verwerf mij ook eene groote liefde tot TJ, die het meest beminnende, het beminnelijkste en het meest door God beminde schepsel zijt. Ik heb een groot vertrouwen in uwe goedertierenheid, en

-ocr page 391-

— 369 —

ik bemin U, mijne Koningin; maar ik bemin U weinig; verwerf Gij mij van God eene veel grootere liefde; want U beminnen is een genade, die God alleen schenkt aan die Hij zalig wil zien. Dat Jezus leve, onze liefde. En Maria onze hoop.

24

-ocr page 392-

II.

lano-f

OVER DE GELIJKVOEMIGHEID AAN DEN WIL VAN GOD,

■3-/^ eheel onze volmaaktheid bestaat in SMC de liefde tot onzen allerbeminne-lijksten God: Charitas est vinculum per-fectionis. 1) Maar de gelieele rolmaakt-heid weder van de liefde, bestaat in de gelijkvormigheid aan Gods heiligen Wil. Ziedaar, zegt de H. Dionysius de Areopagiet, 2) het voornaamste uitwerksel der liefde: den wil der beminden te ver. eenigen, zoodat beiden maar één ver-

Ij Coloss. 3. 14. 2)k de divin. nom. 4.

-ocr page 393-

— 371 —

langen hebben. Hoe meer daarom iemand met dien goddelijken wil vereenigd is, des te grooter is zijn liefde. Ja zeker aangenaam zijn aan God de verstervingen, de overwegingen, de communiën, de werken van naastenliefde; doch wanneer ? wanneer zij gedaan worden volgens zijn H. Wil. Wanneer het echter zijn wil niet is, dat zij geschieden, dan zijn zij aan God niet alleen niet aangenaam, maar dan worden zij door Hem zelfs verafschuwd en gestraft. Veronderstel eens iemand heeft twee dienaren; de een werkt den ge-neclen dag zonder zich een oogenblik rust te gunnen, doch hij doet alles volgens zijn eigen inzicht; de ander werkt niet zooveel, maar hij is in alles gehoorzaam; zeer zeker zal die tweede door zijn meester bemind worden, en de eerste niet. Wat baat het dat wij werken voor de glorie Gods. als Hij ons werk niet verlangt? De Heer verlangt geene offeranden (zeide de profeet tot Saul) maar gehoorzaamheid aan zijnen H. Wil. Numquid vult Dominus holo-

-ocr page 394-

— 372 —

causta et victimas et non po tins ut

obediatur voci Domini ?____ Quasi scelus

idololatriae est nolle acquiescere. 1) Een mensch die wil werken volgens zijn eigen wil, zonder dat het de wil is van God, bedrijft een soort van afgoderij, want in plaats van den wil van God te aanbidden, aanbidt liij in zekeren zin zijn eigen wil.

De hoogste glorie alzoo die wij aan God kunnen geven, is in alles te handelen volgens zijnen heiligen Wil. Onze goddelijke Verlosser die op aarde de glorie Gods kwam herstellen, heeft ons voornamelijk dit door zijn voorbeeld willen leeren. Hoort, hoe de heilige Paulus Hem tot zijn eeuwigen Vader laat spreken: Hostiam et oblationem noluisti, corpus autem aptasti mihi: tune dixi: ecce venio, ut faciam, Deus, volun-tatem tuam. 2) Gij hebt o Vader, de slachtoffers die de menschen U aanboden geweigerd; maar Gij wilt, dat ik U

1) J

2) J

1) 1 Keg. 15. 22. 1) Hebr. 10. 5.

-ocr page 395-

— 373 —

het leven offere, dat Gij mij gegeven hebt. Ziedaar dan, ik ben bereid iiwen wil te volbrengen. Ook heeft de goddelijke Zaligmaker meermalen uitdrukkelijk betuigd, dat Hij niet gekomen was om zijn eigen wil te doen, maar dien van zijnen Vader: Descendi de coelo, non ut faciam voluntatem meam, sed voluntatem ejus qui misit me. 1) En het kenteeken waaraan de wereld de liefde moest erkennen, die Hij zijnen Vader toedroeg, was geen ander dan zijne gehoorzaamheid aan Gods wil, waardoor Hij zich voor de zaligheid der menschen slachtofferde aan het kruis. Hij zelf verklaarde dit toen Hij in den hof zijnen vijanden, die Hem kwamen gevangen nemen, te gemoet ging: Ut cocjnoscat inundm quia diligo Putrem, et sicut mandatum dedit mihi Pater, sic fado, surgite, eamus hinc. 2) Ten laatste zeide Hij nog, dat Hij een ieder die den wil van God volbracht, als zijnen broeder beschouwde:

1) Joa. G. 38.

2) Joa. 14. 31.

-ocr page 396-

— 374 —

Qui fecerit voluntatem Putris mei ipse mens frater est. 1)

Alle heiligen dan ook stelden zich immer ten doel den wil van God te volbrengen, want zij begrepen dat daarin dc geheele volmaaktheid van eene ziel bestaat. De gelukzalige Henrious Suzo zeide: 2) „God verlangt niet, dat wij overvloeien van zalige ingevingen, maar dat wij ons in alles onderwerpen aan zijnen wil.quot; En de li. Theresia: „De eenige zorg, zegt zij, van eene ziel, die het gebod beoefent, moet zijn, haren wil gelijkvormig te maken aan den wil van God: en zij boude zich verzekerd, dat daarin de hoogste volmaaktheid bestaat. Hij die deze gelijkvormigheid het volmaaktste beoefent, zal van God de grootste gaven ontvangen en den meesten voortgang maken in het inwendig leven.quot; De gelukzalige Stephana van Soncino, eene domini-eanesse werd eens in een visioen ten hemel opgevoerd, zij zag daar hoe eenige over-

1) Matth. 12. 50.

2) L. 2. c. 4.

-ocr page 397-

375 —

ledene personen, die zij gekend had, eene plaats innamen onder de Serapliijnen, en tegelijk werd haar gezegd, dat deze zielen tot een zoo hooge glorie waren verheven om de volmaakte gelijkvormigheid, die zij op deze wereld betoond hadden aan den wil van God. De reeds genoemde Henricus Snso zeide nog, van zich zelven sprekende: „Ik wil veel liever de ellendigste worm der aarde zijn met den wil van God dan een seraphijn met mijn eigen wil.quot;

Op deze wereld moeten wij van de zaligen des hemels leeren, hoe wij God moeten beminnen. De zuivere en volmaakte liefde nu, welke de zaligen in den hemel aan God toedragen, bestaat in hunne volmaakte vereeniging met zijnen lieiligen wil. Wanneer de seraphijnen het als den wil van God zouden aanzien, dat zij de gansche eeuwigheid besteedden om zand te verzamelen aan de stranden dei-zee of onkruid uit te roeien op de velden, zij zouden dit bereidvaardig, ja met de grootste blijdschap doen. Nog meer: Indien God. hun een wenk gaf, om te

-ocr page 398-

— 376 —

gaan branden in het vuur der hel, onmid-delijk zouden zij zich in dien afgrond neerstorten om aldus den goddelijken wil te volbrengen. En dat is het wat Jezus Christus ons leerde vragen, nl. dien goddelijken wil te volbrengen op aarde, gelijk de heiligen zulks doen in den hemel: Fiat voluntas lua simt in coelo et in terra. 1) De Heer noemde David een man naar zijn hart, omdat hij in alles Gods wil vervulde: Inveni virum secundum cor meum qui faciei omnes voluntates meas. 2) Immer was David bereid Gods heiligen wil te volbrengen, gelijk hij zelf meermalen betuigd beeft: Paratum cor meum, Deus, paratum cor meum. 3) Ook vroeg hij niets anders van God dan hem dien heiligen wil te leeren volbrengen: Doce me facer e voluntatem tuam. 4) Een enkele akte van volmaakte gelijkvormigheid aan den goddelijken wil is genoeg om iemand

1) Matth. 6. 10.

2) Aot. 13. 22.

3) Ps. 56. 8 en 107. 1.

4) Ps. 142. 10.

-ocr page 399-

— 377 —

heilig te maken. Denk slechts aan Saulus : terwijl Saulus op weg is om de Kerk te vervolgen, treft hem Jezus Christus met een straal van zijn licht en bekeert hem. Wat doet nu Saulus ? wat zegt hij ? Hij doet niets anders dan zich volkomen overgeven aan den goddelijken wil: Domine quid me vis facere 9 1) En ziedaar, op hetzelfde oogenblik doet God hem kennen als het vat van uitverkiezing, den apostel der heidenen; Vas electionis est mi hi iste, ut portet nomen meum coram gentihus. 2) En geen wonder, want hij die aan God zijnen wil geeft, geeft Hem alles; wie aan God zijne goederen geeft door de aalmoes, zijn bloed door de lijfkastijding, zijne spijzen door te vasten, hij geeft aan God een gedeelte van hetgeen hij bezit, maar wie aan God zijnen wil geeft, geeft alles, hij kan in waarheid zeggen: „Ik ben arm, Heer; maar ik geef U alles wat ik kan; want nu ik mijn wil heb gegeven, blijft mij niets

1) Act. 9. 6.

2) Ibid. 15.

-ocr page 400-

— 378 —

meer te geven over. Ziedaar dan ook alles wat God van ons verlangt. Fili mi, praehe cor tuum mihi. 1) Mijn zoon, zoo zegt God tot een ieder van ons, mijn zoon, geef mij uw hart, dat is: geef mij uwen wil. Nihil gratius Deo posmmus offerre, quam ut dicamus ei:possidenos. Neen, zegt de H. Augustinus, wij brengen God nooit aangenamer offer, dan wanneer wij Hem zeggen: Heer, neem bezit van ons: wij geven aan U gelieel onzen wil, geef ons slechts te kennen, wat Gij van ons begeert, en wij zullen het doen. Indien wij derhalve ten volle aan de wensehen van Gods hart willen beantwoorden, laten wij dan zorgen ons in alles gelijkvormig te maken aan zijnen heiligen wil, en niet alleen gelijkvormig maar ook éénvormig. Om met Gods wil gelijkvormig te zijn is het genoeg, dat wij onzen wil naar Gods wil schikken; maar om éénvormig te zijn, moet daarenboven onze wil met Gods wil geheel één worden, zoodat wij niets anders willen

1) Prov. 23. 26.

-ocr page 401-

— 379 —

dan hetgeen God wil, en alleen wat God wil, ook onze wil is. Dat is het toppunt van de volmaaktheid, waarheen wij al ons streven moeten richten ; dat moet het doel zijn van al onze goede werken, van al onze verlangens, van al onze overwegingen en gebeden. Vooral daarvoor moeten wij de hulp afsmeeken van onze heilige voorsprekers, onze beschermengelen, en bovenal van de allerheiligste Maagd Maria, immers juist daarom is zij de volmaaktste geweest onder de heiligen, omdat zij immer het volmaaktst vereenigd is geweest met den goddelijken wil.

Doch het punt, waarop hier alles aankomt is, dat wij ons met den goddelijken wil vereenigen in alle zaken, zoowel in hetgeen ons bevalt, als in hetgeen met onze neigingen in strijd is.

In den voorspoed weten zich zelfs de zondaren wel met den goddelijken wil te vereenigen; maar de heiligen alleen doen dit ook in tegenspoed en in zaken die aan hunne eigenliefde mishagen. Ziedaar dus waaraan men zien kan of onze liefde tot God volmaakt is. De eerbied-

-ocr page 402-

380 —

waardige Pater J oannes Avila zeide: Kén „God zij geloofdquot; in tegenspoed is meer waard dan zes duizend dankzeggingen als de zaken naar wensch gaan.

Wat meer is : wij moeten ons met den goddelijken wil vereenigen niet alleen in de tegenlieden, die ons rechtstreeks toekomen van God, zooals ziekten, kwellingen des geestes, armoede, verlies van bloedverwanten en dergelijke, maar ook in die, welke ons door bemiddeling der mensclien overkomen, zooals versmading, verlies van goeden naam, onrechtvaardige bejegening, diefstal en alle andere soorten van vervolging meer. En wat wij hier wel moeten in het oog houden, is dit: Wanneer wij door iemand benadeeld worden in onzen goeden naam, in onze eer of in onze bezittingen, dan wil God wel is waar de zonde niet van den persoon die ons benadeelt, maar hij wil toch onze vernedering, onze berooving, onze smart. Het is zeker, het is zelfs een punt van het geloof: er gebeurt niets op de wereld of het gebeurt door den wil of met toelating van God. Ego Dominus formans lucem et tenebras.

-ocr page 403-

— 381 —

fact ens pacem et creans malum. 1) Van God komt zoowel alle goed als alle kwaad, d. w. z. zoowel alle voor- als alle tegen-spoed; wij toch noemen verkeerdelijk den tegenspoed een kwaad, ofselioon het in waarheid een goed is, indien wij hem slechts uit Gods handen aannemen. Is er wel eenig kivaad in de stad, wat niet van God komt f zegt de profeet Amos: Si er it malum in civitate quod Dominus non fecerit ? 2) En reeds de wijze Man had het gezegd: Bona et mala, vita et mors a Deo sunt. 3) Goed en kwaad, leven en dood komen van God. Het is waar, gelijk ik boven zeide: wanneer iemand ons onrechtvaardig benadeelt, dan wil God niet de zonde van dien persoon en God oefent geen invloed uit op zijn kwaden wil; maar God oefent wel invloed uit in zoover de handeling, waardoor iemand u slaat, berooft, beleedigt, bloot natuurlijk is; zoodat het onaangename, wat gij lijdt.

1) Is. 45. 7.

2) Amos 3. 6.

3) Eccl. 11. 14.

-ocr page 404-

— 382 —

werkelijk door God wordt gewild en ui toekomt van zijne liand. Daarom danl ook kon God zeggen : dat Hij en niemand I anders de bewerker was van al de bitter-1 heden, welke David zou te verduren liebben van zijnen zoon Absolon, ofsclioon deze hem zelfs zijne vrouwen onder zijn oog zou ontrukken; en dit tot straf zijner zonden. Ecce ego suscitaho super te malum de domo tua, et tollam uxores tuas in oculis ] tuis, et dabo proximo tuo. 1) Daarom ook zeide God tot de kinderen van Israel, dat Hij tot straf hunner boosheid de Assyriërs zou zenden om bij hen te rooven en te plunderen: Assur virga furoris mei.... mandaho illi ut auferat spolia et diripiat praedam. 2) De H. Augustinus verklaart dit aldus: Impietas eorum tanquam securis Dei facta est. 3) God bedient zich van de boosheid der Assyriërs als van een bijl om Israel te kastijden. En Jezus zelf zeide tot Petrus, dat zijn lijden en zijn

1) 2 Eeg. .12. 11.

2) Is. 10. 5.

3) In ps. 37.

-ocr page 405-

— 383 —

dood Hem niet zoozeer toekwam van de mensclien als wel van zijnen hemel-sohen Vader: Calicem quem dedit mihi Pater, non hiham illum ?

Toen de bode (men wil dat liet de duivel was) aan Job kwam boodschappen, dat de Sabeërs hem beroofd hadden van al zijne goederen en zijne zonen hadden gedood, wat antwoordde toen de heilige man ? Dominus dedit, Domi-nus ahstulit. 1) De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen. Hij zegt niet: do Heer heeft mij mijne goederen, mijne zonen gegeven, en de Sabeërs hebben ze mij ontnomen; maar: de Heer heeft ze mij gegeven, de Heer heeft ze mij ontnomen; want zeer wel begreep hij, dat dit verlies door God was gewild, vandaar ook voegt hij er bij: Sicut Domino placuit, ita factum est: sit nomen Domini henedictum. Gelijk het. aan God behaagd heeft, zoo is het geschied: de naam des Heer en zij gezegend. Als wij dus kwellingen hebben

1) Job. 1. 21.

-ocr page 406-

— 384 —

te verduren, dan moeten wij niet meenen dat zij ons alleen overkomen door toeval of door de schuld der mensclien; neen, wij moeten overtuigd zijn, dat al wal ons overkomt, ons overkomt door den wil van God. Quidquid Mc accidit contra voluntatem nostram, noveris non accidere nisi de voluntate Dei. 1) Toen de gelukzalige martelaren van Jezus Christus, Epictetes en Astion 2) op bevel des tyrans lagen uitgestrekt op de pijnbank en daar met ijzeren haken werden vaneen gescheurd en met brandende toortsen geblakerd, zeiden zij anders niets dan : Heer, dat uw wil in ons geschiede; en toen zij aan de strafplaats waren gekomen, riepen zij met luide stem: Wees gezegend, o eeuwige God, want nu is uw wil volkomen in ons vervuld.

Caesarius 3) verhaalt, dat een zeker kloosterling, ofschoon voor het uiterlijke niet in het minste van de anderen on-

.

1) D. Aug. in ps. 18-1.

2) Rosweid. 1. 1.

3) Lib. 10. c. 6.

-ocr page 407-

— 385 —

dcrschcidrle, evenwel tot eenu zoo lioogcn graad van heiligheid was gekomen, dat alleen door de aanraking zijner kleederen de zieken werden genezen. Zijn overste hierover verwonderd, vroeg hem eens, hoe het zijn kon dat hij zoovele wonderen deed, daar toch zijn leven niets voorbeeldiger was dan dat van de anderen? De kloosterling antwoordde, dat ook hij er over verwonderd was, en er de reden niet van begreep. Maar welke bijzondere godsvrucht beoefent gij dan, hernam dc Abt. De goede religieus antwoordde, dat hij weinig of niets bijzonders deed, alleen had hij immer een groote zorg gehad om niets anders te willen, dan wat God wilde, en God had hem de genade gegeven van zich immer volkomen met den goddelijken wil te kunnen vereenigen. De voorspoed, (zoo sprak hij) verheft mij niet, en de tegenspoed slaat mij niet neder, want ik neem alles uit Gods hand aan; ook heb ik bij al mijne gebeden slechts een enkel inzicht, nl. dat Gods wil volmaaktelijk in mij mag worden vervuld. Maar die schade dan (hernam

25

-ocr page 408-

— 38(5 —

do overste) welke eergisteren onze vijand ons berokkend heeft, door onze hoeve, waar zich ons koren en ons vee bevond, in brand te steken, bracht zij bij u dan niet het minste gevoel van verbittering te weeg ? Xeen vader, antwoordde hij, integendeel, ik dankte er God voor gelijk ik in dergelijke omstandigheden gewoon ben te doen, want ik weet dat God niets doet of toelaat, wat niet tot zijne meerdere glorie en tot ons grooter welzijn is, ik ben dan ook altijd tevreden, er moog geschieden wat wil. Toen de abt dit gehoord had, en in die ziel eene zoo groote gelijkvormigheid zag met den wil van God, was hij niet meer verwonderd, dat hij zoovele groote wonderen verrichtte.

Doch die zich zoo gedraagt, wordt niet alleen een heilige, maar geniet ook reeds op deze wereld eenen blij venden vrede. Men vroeg eens aan Alphonsus den groote 1) koning van Arragon, een zeer wijs vorst, wie naar zijne meening.

1) Pauorai. in vita.

-ocr page 409-

— 387 —

wel de gelukkigste mensch ter wereld was. Hij antwoordde; degene, die zich vereenigt met den wil van God, en alles, zoowel voor- als tegenspoed, uit Gods handen aanneemt. Diliycntibus Dcum omnia cooper aniur in honum. 1) De zielen, die God beminnen, zijn altijd tevreden, want hun eenig genoegen is het volbrengen van Gods wil, en dit ook te midden van den tegenspoed, vandaar worden zelfs de kwellingen voor hen bronnen van troost, en zijn zij blijde door dezelve te lijden genoegen te kunnen geven aan hunnen beminden Heer. Non contristabit justum quidquid ei acciderit. 2) IVat den rechtvaardige ook overhomt, het zal hem niet bedroeven. Inderdaad kan iemand grooter geluk op aarde verlangen dan alles wat hij wil vervuld te zien ? Welnu als iemand niets anders wil dan den wil Gods, ziet hij alles gebeuren wat hij wil, want alles wat er op de wereld geschiedt, behalve

1) Rom. S.

2) Prov. 2. 21.

-ocr page 410-

— 388 —

de zonde, geschiedt door den wil van God. Men verhaalt in de levens der woestijnvaders van zekeren landbouwer dat zijne akkers immer méér vruchten gaven dan die van de anderen. Toen men hem eens vroeg, hoe dit kwam, antwoordde hij, dat men zich daarover niet moest verwonderen, want hij had altijd juist het weer, wat hij verlangde; wel hoe? zeide men. Ja, antwoordde hij, want ik wil het weer nooit anders dan gelijk God het wil, en omdat ik van mijnen kant alles wil gelijk God het wil, daarom geeft God mij op zijne beurt vruchten, gelijk ik ze wil. De gelatene zielen, zegt Silvianus, hebben altijd hun zin; worden zij vernederd, dan willen zij het zijn; lijden zij armoede, zij willen arm zijn: in een woord, wat hun ook overkome, het is altijd volgens hunnen wil, en daarom zijn zij altijd gelukkig: Humiles sunt, hoc volunt; pauperes sunt, paupertate delectantur; itaque heati dicendi sunt. Is het koud, is het warm, regent het, waait het, iemand die vereenigd is met

-ocr page 411-

— 389 —

den wil van God zegt: ik wil dat het koud is, ik wil dat het warm is, dat het waait, dat het regent, want het is alzoo de wil van God. Treft hem armoede, vervolging, ziekte, welaan zegt hij, ik wil arm zijn, vervolging lijden, ziek zijn; ik wil zelfs sterven omdat ook God het aldus wil.

Ziedaar die schoone vrijheid, welke genoten wordt door do kinderen Gods, cn die meer waard is dan alle heerschappijen en koninkrijken dezer aarde. Ziedaar die zoete vrede welke het erfdeel is der heiligen, een vrede quae exsuperat omnem sensum, 1) die meer waard is dan alle genoegens der zinnen, meer waard dan alle feesten, alle vreugdemalen, alle eer en alle andere voldoeningen dezer wereld, want dat alles is ijdel en vergankelijk, en al streelt het een oogenblik de zinnen, het is onvoldoende, ja eene kwelling voor den geest. Vandaar dan ook dat Salomon, welke die aardsche genoegens in al hunne volheid had ge-

1) Philip, i. 7.

-ocr page 412-

— 390 —

smaakt, vol droefheid uitriep: Sed e hoe vanitas et affictio spriritus: 1) Oo, dit is jdelheid en labelling des (jees tes. De H. Geest zegt; Stultus sieu luna mutatur; sapiens in sapientia mane sicut sol. 2) De dwaze, d. i. de zon daar is gelijk aan de maan, die heden wast en morgen afneemt: vandaag ziet men hem lachen, morgen weenen; vandaag is hij zachtmoedig, morgen on tembaar als een tijger; en hoe komt dat ? Omdat zijn gesteltenis afhangt van de fortuin, hij verandert naar gelang van de omstandigheden, waarin hij verkeert. De rechtvaardige echter is gelijk de zon, altijd even helder en blij, wat hem ook overkome, want het is hem een geluk zijnen wil immer te kunnen vereenigen met den wil van God, en daarom geniet hij een onver-stoorbaren vrede. Vrede aan de men-schen van goeden wil, zeide de engel tot de herders. Et in terra pax homi-

1) Eccli. 4. IC.

2) Eecl. 27. 12.

-ocr page 413-

— 391 —

nihus honae voluntatis. 1) Wie anders zijn die menschen van goeden wil, tenzij diegenen, welke hunnen wil vereenigen met den goddelijken wil, die bovenal goed en volmaakt is ? Voluntas Dei hona, \' heneplacens et perfecta. Ja want God wil slechts wat het beste en het volmaaktste is.

De heiligen genoten door hunne gelijkvormigheid aan den wil van God, reeds eeu paradijs op aarde. Ziedaar zegt de H. Dorotheus, hoe de oudvaders zich in een zoo grooten vrede konden bewaren, zij namen alles uit Gods handen aan. Wanneer de II. Magdalena de Pazzi alleen maar het woord: wil Gods hoorde noemen dan gevoelde zij zich zoo getroost, dat zij buiten zich zelve geraakte in eene vervoering van liefde. Het is waar de mensch blijft immer het bittere van den tegenspoed gevoelen; maar als zijn wil vereenigd is met dien van God, zal dit alleen plaats hebben in bet lager gedeelte:

1} Lnc. 2, H,

-ocr page 414-

— 390 —

smaakt, vol droefheid uitriep: Sed et

hoe vanitas et affictio spriritus: 1) Onl dit is ijdelheid en kicelling des f/ees-tes. De H. Geest zegt: Stultus sicut luna mutatur; sapiens in sapient ia manet sicut sol. 2) De dwaze, d. i, de zondaar is gelijk aan de maan, die lieden wast en morgen afneemt: vandaag ziet men hem lachen, morgen weenen; vandaag is hij zachtmoedig, morgen ontembaar als een tijger; en hoe komt dat ? Omdat zijn gesteltenis afhangt van de fortuin, hij verandert naar gelang van do omstandigheden, waarin hij verkeert. De rechtvaardige echter is gelijk de zou, altijd even helder en blij, wat hem ook overkome, want het is hem een geluk zipeu wil immer te kunnen vereenigen met den wil van God, en daarom geniet hij een onver-stoorbaren vrede. Vrede aan de men-schen van goeden wil, zeide de engel tot de herders. Et in terra pax hoini-

1) Eccli. 4. 16.

2) Eccl. 27. 12.

-ocr page 415-

— 391 —

d elm nibus honae voluntatis. 1) Wie anders

Ooi; zijn clic menschen van goeden wil, tenzij

lees- diegenen, welke hunnen wil vereenigen

sicut I niet den goddelijken wil, die bovenal goed en volmaakt is ? Voluntas Dei hona, heneplacens et perfecta. Ja want

den | God wil slechts wat liet beste en bet

ziet I volmaaktste is.

ran- I De heiligen genoten door hunne ge-

on- I lijkvonnigheid aan den wil van God,

omt I reeds een paradijs op aarde. Ziedaar

mgt I zegt de H. Dorotbeus, hoe de oudvaders

«■r- I zich in een zoo grooten vrede konden

n ■ 0

anet ïon-

bewaren, zij namen alles uit Gods banden aan. Wanneer de II. Magdalena de Pazzi alleen maar het woord: wil Gods hoorde noemen dan gevoelde zij zich zoo getroost, dat zij buiten zich zelve geraakte in eene vervoering van liefde. Het is waar de mensch blijft immer het bittere van den tegenspoed gevoelen; maar als zijn wil vereenigd is met dien van God, zal dit alleen plaats hebben in het lager gedeelte:

1) Lnc. 2, H-

-ocr page 416-

— 392 —

dofili in het hooger gedeelte, in den geest, zal immer vrede en rust heersclien. Uwe vreugde, zeide de Verlosser tot zijne apostelen, zal niemand u ontnemen. Gaudium vestrum nemo tollet a vohis. Gaudium vestrum sit plenum. 1) Iemand die immer gelijkvormig is met den wil van God, geniet eene volle en blijvende vreugde: zijn vreugde is vol, want, gelijk wij boven zeiden, hij heeft alles, wat hij wil; zijne vreugde is blijvend, want niemand kan hem zijne vreugde ontnemen, omdat niemand kan beletten, dat hetgeen God wil, geschiedt.

Pater Joannes Taulerus verhaalt van zich zeiven, 2) dat hij na God vele jaren te hebben gebeden om iemand die hem het ware geestelijk leven zou leeren, op zekeren dag eene stem hoorde die hem zeide: ga naar die en die kerk, daar zult gij vinden, wat gij zoekt. Hij gaat naar die kerk toe, en aau de deur vindt hij een bedelaar zonder

1) Jo. 16. 22. et 24.

2) Bij Saint Jure,

-ocr page 417-

— 393 —

schoenen aan de voeten en geheel haveloos : hij groet hem en zegt: Goede dag, vriend. De arme antwoordt: Mijnheer, ik herinner mij niet dat ik ooit een kwaden dag heb gehad. Welnu, God schenke u een gelukkig leven, herneemt de Pater. Maar, zeide de bedelaar, ik ben nimmer ongelukkig geweest. Luister vader, zoo ging hij voort, ik zeg niet zonder reden, dat ik nooit een kwaden dag heb gehad ; want heb ik honger, ik loof .God; sneeuwt of regent het, ik zegen Hem; word ik veracht, verstoeten, of moet ik een andere kwelling verduren, ik zal er mijnen God altijd voor verheerlijken. Ik zeide ook dat ik nooit ongelukkig ben geweest, en ook dit is waar, want ik heb mij eigen gemaakt mijn wil in alles zonder voorbehoud te onderwerpen aan den wil van God, ik neem dan ook alles wat mij overkomt, hetzij zoet of bitter, met blijdschap uit Gods handen aan, ik beschouw het als voor mij het beste; ziedaar. Vader mijn geluk. Maar, hernam Tauler, indien God eens uw

den I 3hen.

tot \'men. Jobis. nand i wil endo

\' ge-

illes, end, igde tten,

van vele . die ren, die erk, ekt. aan ider

i

-ocr page 418-

— 394 —

verwerping wilde, wat zondt gij dan zeggen? Indien dat Gods wil was, antwoordde de bedelaar, zovi ik hem vol ootmoed en liefde omhelzen, doch ik zou Hem zoo stevig vasthouden, dat wanneer Hij mij in de hel wilde neerstorten, Hij genoodzaakt zou zijn zelf mede te gaan, en op die wijze zou het mij zoeter zijn mij in de hel te bevinden met Hem, dan zonder Hem alle geneugten te smaken van het paradijs. Waar hebt gij God gevonden\'? zeide de pater. Daar, was het antwoord, waar ik de schepselen heb verlaten. -— Wie zijt Gij ?— De arme: Ik ben koning. — Waar is dan uw rijk ? — Het is in mijn hart, waar alles door mij in orde wordt gehouden, de hartstochten gehoorzamen er aan de rede, en de rede aan God. Ten laatste vroeg hem Tauler, wat hem tot eene zoo hooge volmaaktheid had gebracht. Het stilzwijgen, antwoordde hij, waardoor ik mij heb afgezonderd van de menschen en mij leerde onderhouden met God, en vervolgens mijne gedurige vereeniging met God, in wien

-ocr page 419-

— 395 —

alleen ik steeds al mijn geluk heb gevonden. In een woord die bedelaar was zoo geworden door zijne groote gelijkvormigheid met den goddelijken wil; en voorzeker hij was in zijne armoede rijker dan al de koningen dezer aarde en smaakte te midden van zijn lijden grooter geluk dan al de wereldlingen te midden hunner aardsehe genoegens.

O hoe groot is de dwaasheid van hen, die aan den wil van God weerstand bieden! Zij moeten toch de kwellingen verduren; niemand immers kan beletten, dat de besluiten van God ten uitvoer worden gebracht. Voluututi ejus (juis resistit. 1) Maar daarenboven lijden zij alles zonder vrucht, ja bereiden zich bovendien nog grooter straffen in de eeuwigheid en verzwaren hun lijden op deze wereld. Quis restitit ei et pacem habuit. 2) Laat dien zieke te midden zijner smarten jammeren zooveel hij wil, laat dien arme in zijne ellende over God klagen, laat hij zich

1) Hom. 9. 19.

2) Job 0. 4.

-ocr page 420-

— 396 —

toornig maken, laat hij vloeken zooveel het hem behaagt, waartoe zal het hem dienen? Waartoe anders tenzij om zijn leed te verdubbelen. Quid quaeris homun-cio, quaerendo hona ? (zegt de H. Augus-tinus). Quaere unum honum in quo sunt omnia hona. O ellendige mensch, waarom gaat ge het zoeken buiten God\'? Zoek uwen God, vereenigt u met Hem, bind u vast aan Zijnen heiligen wil en ge zult immer, voor tijd en eeuwigheid, gelukkig zijn.

Wat immers wil God ten slotte anders tenzij alleen ons geluk ? Kunnen wij ooit een vriend vinden, die ons meer bemint dan God ? Het eenige wat God wil is dat niemand verloren ga, maar dat allen zalig worden en zich heiligen. Nolens aliquos perire, secl omnes ad poenitentiam revert i. 1) Voluntas Dei sanctificatio vestra 2) God heeft in ons welzijn zijne glorie gesteld, want daar Hij, gelijk do H. Leo zegt, uit zijne natuur eene onein-

1) 2. Petr. 3. 9.

2) 1. Thess. 4. 3,

-ocr page 421-

— 397 —

(ligc goedheid is, Deus cujus naturel honitas, en de goedheid van nature zich zoekt mede te deelen, zoo heeft God een allervurigst verlangen om de zielen deelgenooten te maken van zijne goederen en van zijn geluk. En wanneer God ons dit leven kwellingen overzendt, geschiedt dit alleen voor ons welzijn. Omnia cooperantur in honurn. 1) Zelfs de kastijdingen, die ons van God toekomen, zendt Hij ons, gelijk de godvreezende Judith zegt, niet over tot ons verderf, maar alleen opdat wij ons zouden beteren en zalig worden. Ad emendationem, nun ad perditionem evenisse eredam us. 2) Om ons van het eeuwig verderf te vrijwaren besehut God ons met zijnen goeden wil. Domiue ut scuto honav voluntatis tuae coronasti nas. 3) God verlangt niet alleen ons geluk, maar Hij is er zelfs bezorgd voor : Deus sollicitus est mei. 4) En wat zou God ons ook kunnen weigeren, zegt de H. Paulus,

1) Kom. 8. 28.

2) Judith. 8. 27.

3) Ps. 5. 13.

4) Ps. 39. 18.

-ocr page 422-

— 398 —

Hij, die ons zijn eigen Zoon lieeft gegeven? Qui propria Filio suo non pepercit, sed pro nobis omnibus tradidit illum, quomodo non etiam cum Ulo omnia nobis donavit? 1) Laten wij ons dus in dat vertrouwen geheel aan Gods beschikkingen overgeven, daar toch alles geregeld is tot ons welzijn. Wat ons ook overkomt, laten wij immer zeggen: In puce in idipsum dormiam et requiescam. quonimn tu. Do-mine, singulariter in spe constituistimc. 2) Geven wij ons geheel over in zijne handen, want zeer zeker. Hij zal zorg voor ons dragen; Omnem sollicitudinem vestram projicientes in cum, quoniam ipsi cura est de vohis. 3) Laten wij van onzen kant slechts denken aan God, aan de vervulling van zijnen heiligen wil, en God zal denken aan ons, en ons gelukkig maken. Mijne dochter, (zoo zeide de lieer tot de II. Catharina van Siena) denk gij aan mij, dan zal ik immer aan u denken. Zeggen wij dikwijls met de gewijde bruid:

1) Rom. 8. 32.

2) Ps. 4.

3) 1 Petr. ö. 7. ,

-ocr page 423-

— 399

Dilectus melis mihi et cyo illi. 1) Mijn beminde denkt om mijn geluk, ik wil dan ook op mijne beurt om niets anders denken dan om hem genoegen te geven en mij in alles te onderwerpen aan zijnen heiligen wil. Volgens den heiligen abt Nilus moeten wij God niet vragen, dat Hij late geschieden hetgeen wij verlangen, maar alleen, dat zijn heilige wil in ons vervuld worde. En wanneer ons beproevingen overkomen, laten wij ze dan uit Gods handen aannemen, en dat niet alleen met geduld maar zelfs met blijdschap, gelijk de apostelen deden, die vol vreugde weggingen van den hoogen raad, omdat zij waardig waren geacht voor den naam van Jezus versmading te lijden. Ihant gaudentes a conspectu concilii, quoniam dig ui habili sunt pro nomine Jesu contumeliampati. 2) Wat kan er grooter geluk zijn voor eene ziel dan te lijden, en daarbij te kunnen denken, dat zij door haar kruis geduldig

1) Cant. 2. 1Ö\'.

2) Act. 5. 41.

-ocr page 424-

— 400 —

te dragen God het hoogste genoegen geeft, wat zij Hem geven kan ? Ofschoon God hoogen prijs stelt op het verlangen van sommige zielen om ter Zijner liefde te lijden, toch vindt Hij, volgens de leermeesters van het geestelijke leven, nog grooter welbehagen in de gelijkvormigheid van diegenen, welke noch getroost, noch beproefd willen zijn; maar, overgegeven aan Zijnen wil, niets anders verlangen te doen, dan wat Hij begeert.

Indien gij dan godvruchtige ziel, welgevallig wilt zijn aan God en tevens op deze wereld een gelukkig leven wilt leiden, vereenig u dan immer en in alles met den goddclijken wil. Bedenk, dat al de zonden van het ongeregeld en bittere leven, wat gij misschien vroeger geleid hebt, alleen daaruit zijn voortgekomen, dat gij zijt afgeweken van den wil Gods. Omhels dan van nu af aan het goddelijk welbehagen, en zeg immer bij al wat u overkomt: Ita Pater, quoniam sic fuit placitum ante te. 1)

1) Luc. X, 21,

-ocr page 425-

— 401 —

Ja, Vader.\' ik loof U, dat het U alzoo hehagelijk is geweest. Wanneer gij u om. een of ander ongeval bedroefd gevoelt, denk dan dat het u is toegekomen van God, zeg dan ook aanstonds: God wil het ~oo, en wees tevreden. Ohmutui et non aperui os meum, quoniam tu fecisti. 1) Heer, daar Gij liet gedaan hebt zal ik zwijgen en het gewillig aannemen. Aan dat eene doel moeten al uwe gedachten al uwe gebeden gewijd zijn, d. w. z. aanhoudend moet ge bezorgd zijn en aanhoudend moet ge God vragen, èn bij de meditatie, èn bij de II. Communie èn bij het bezoek aan het H. Sacrament, dat Hij u toch de volmaakte vervulling leere van zijnen H. Wil. Draag u zeiven ook voortdm-end aan God op, zeg dikwijls, zie mijn God ik bied TJ mij zeiven aan, doe met mij en met al het mijne, gelijk het U behaagt. Dat was de oefening van de H. Theresia, minstens vijftig maal daags droeg de heilige zich aan den Heer

1) Pe. 38.

2G

-ocr page 426-

— 402 —

o]) en gaf zich geheel aan zijne heilige beschikkingen over.

O zalig gij, beminde lezer, indien gij dit immer zult doen, zeker dan zult gij heilig worden, en daarenboven zult gij een gelukkig leven hebben, maar bovenal een gelukkigen dood. Als iemand uit dit leven scheidt, dan hangt alle hoop die wij omtrent zijne eeuwige zaligheid koesteren alleen daarvan af, of wij hem gelaten zien sterven of niet. Als gij derhalve, gewoon om tijdens uw leven alles wat u van God werd toegezonden bereidwillig te aanvaarden, eveneens uil onderwerping aan Gods heiligen wil uwen dood zult aannemen, dan is uw zaligheid verzekerd en gij zult sterven als ecu heilige. Welaan geven wij ons dan geheel aan het welbehagen van onzen God over, van onzen God, die oneindig wijs is, en dus weet wat voor ons het beste is, die oneindig goed is — immers zijn Zoon heeft zijn leven voor ons gegeven — en daarom ook het beste voor ons wil. Laten wij er wel van verzekerd en overtuigd zijn, zegt de H. Basilius, God draagt onver-

-ocr page 427-

403 —

gelijkelijk veel meer zorg voor ons geluk, dan wij zeiven hot ooit zouden doen of verlangen kunnen.

Maar komen wij nu tot de praktijk en zien wij, waarin wij ons in het bijzonder met Gods wil gelijkvormig moeten maken.

Op de eerste plaats moeten wij die gelijkvormigheid beoefenen in de natuurlijke dingen, die ons van buiten overkomen, bijv. bij groote hitte, groote koude, regen, duren tijd, pest en derge-lijken. Wachten wij ons voor uitroepen als deze: welk een ondragelijke hitte! welk een ijzingwekkende koude! welk een ongeluk! welk een rampzalig lot! welk een ongelukkige tijd! of voor andere dergelijke uitdrukkingen, die getuigen van weinig onderwerping aan (jlods wil. De II. Franciscus de Borgia kwam eens gedurende den nacht voor een huis zijner orde, terwijl het sneeuwde; de lieilige klopte verscheidene malen aan, maar daar de paters sliepen, werd hem uiet opengedaan. Toen het dag geworden was, hadden dezen er groote

-ocr page 428-

— 404 —

spijt van, dat zij hem aldus onder den blooten hemel hadden laten wachten maar de heilige zeide gedurende dien tijd een grooten troost te hebben go smaakt bij de gedachte, dat God zelf die sneeuwvlokken op hem liet neet-vallen.

Op de tweede plaats moeten wij de gelijkvormigheid beoefenen in zaken die zich voordoen, in ons zeiven, zooals wanneer wij honger, dorst, of wel av. moede, mistroostigheid,- of versmading hebben te lijden. Ten alle tijde moeten wij zeggen: Heer, handel en beschik Gij, naar het U goeddunkt, ik ben met alles tevreden, ik wil alleen wat Gij wilt. Pater Rodriguez zegt, dat wij ook op die wijze moeten antwoorden, bij die verschillende veronderstellingen welke de duivel ons soms voor den geest brengt om ons in een of anderen valstrik tc lokken, of ten minste om ons te verontrusten, bijv.: Indien die of die u dit of dat zeide, U zoo en zoo behandelde, wat zoudt gij dan zeggen, wat zoudt gij doen\'? Laten wij hem dan

-ocr page 429-

— 405 —

eenvoudig antwoorden; Ili zou zeggen of doen hetgeen God wil. Op die wijze zullen wij ons voor alle fouten en voor alle kwelling bewaren.

Op de derde plaats, wanneer wij een of ander natuurlijk gebrek hebben, hetzij dan naar de ziel of naar het lichaam bijv. een slecht geheugen, traag verstand, weinig bekwaamheid, een misvormd lidmaat, zwakke gezondheid, laten wij ons daarover dan niet beklagen. Welke aanspraak hadden wij, en welke verplichting had God om ons een beter verstand, een schooner lichaam te geven? Had Hij ons niet kunnen doen terugblijven in het niet ? Wie gaat, als hij een geschenk heeft ontvangen, daarop nog bedenkingen maken ? Laten wij God dus dankbaar zijn voor hetgeen Hij ons uit louter goedheid heeft gegeven, en zijn wij tevreden met hetgeen Hij van ons gemaakt heeft. Wanneer wij meer talenten, een betere gezondheid, een schooner uitzicht bezaten, wie weet of wij niet verloren zonden gaan ? Voor hoevelen zijn niet de talenten en de wetenschap

-ocr page 430-

— 406 —

die zij bezaten, een oorzaak geworden van hun eeuwig verderf ? immers zij, die in deze dingen boven andere uitmunten, komen er zoo gemakkelijk toe zich zeiven te verhoovaardigen en hunnen evenmensch te verachten.

Voor hoeveel anderen is de schoonheid of de sterkte des lichaams eene aanleiding geweest om zich in duizend misdaden te werpen ? En daarentegen hoevelen, die arm waren of ziek of mismaakt van lichaam, zijn daardoor heilig geworden en zalig, terwijl, indien zij rijk waren geweest of gezond of schoon van uiterlijk, zij misschien verdoemd waren gegaan. Stellen wij ons daarom tevreden met hetgeen God ons heeft gegeven. Porro umtm est necessarium. 1) Er is maar ééne zaak noodzakelijk. Het is niet noodzakelijk dat wij schoon zijn, niet noodzakelijk dat wij eene goede gezondheid bezitten of een helder verstand, alleen is noodzakelijk, dat wij zalig worden.

Op de vierde plaats. Moeten wij

1) Luc. 10. 42.

-ocr page 431-

— 407 —

bijzonder overgegeven zijn tijdens de licliamelijko ziekten. Wij moeten dezelve bereidwillig aannemen, en wel op die wijze en voor al den tijd dien liet God behaagt. Evenwel moeten wij de gewone middelen aanwenden, daar ook dit de wil is van God; maar als deze niet helpen, laten wij dan onzen wil met Gods wil vereenigen, hetgeen ons veel voor-deeliger zal zijn dan de gezondheid. Heer, zoo moeten wij dan zeggen, ik wil niet genezen en ik wil niet ziek blijven; ik wil alleen wat Gij wilt. Zeer zeker, liet is hooge deugd zich tijdens do ziekte over zijne smarten niet te beklagen ; maar wanneer deze ons hevig kwellen, is het geene fout dezelve aan onze vrienden bekend te maken noch ook te bidden, dat de Heer er ons van bevrijde. Ik spreek hier echter alleen van groote smarten: want men vindt er velen, die grootelijks misdoen, omdat zij bij elke geringe smart of lichte ongesteldheid wel zouden verlangen, dat de geheele wereld hen kwam beklagen en over hen kwam schreien.

-ocr page 432-

— 408 —

Doch wat de groote smarten aangaat, wij hooren zelfs Jezus Christus op het punt van zijn lijden te beginnen, zijne smarten aan zijne apostelen bekend maken.

Tristis est anima mea usque ad mortem. 1) Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe. Ook bidt hij den eeuwigen Vader Hem er van te bevrijden: Pater mi si possibile est trans eat a me calix iste. 2) Vader, indien het mogelijk is, laat dezen kelk van mij voorbijgaan.

Maar Jezus leert ons ook, wat wij moeten doen, nadat wij aldus eens gebeden hebben; nl. ons dadelijk overgeven aan den goddelijken wil door er bij te voegen : Verumtamen non sicut ego volo, sed sicut tu. Nochtans niet gelijk ik wil; maar gelijk Gij. Hoe dwaas is het verder van sommige personen te zeggen, dat zij de gezondheid verlangen niet om het lijden, maar om beter bekwaam te zijn voor den dienst van God, om den regel te kunnen onderhouden, van nuttig te

1) Matth. 26. 38.

2) Ibid 39.

-ocr page 433-

— 409 —

kunnen zijn aan de communiteit, naar de kerk te kunnen gaan, te kunnen com-municeeren, boetvaardigheid te kunnen doen, te kunnen studeeren, te kunnen werken aan het heil der zielen door preeken, biecht hooren enz. Maar ik vraag u, godvruchtige ziel, waarom verlangt gij dat alles te doen? Om genoegen te geven aan God? En wat gaat gij dan zoeken daar gij toch zeker weet, dat het Gods welbehagen is, niet dat gij bidt of te communie gaat of boetvaardigheid oefent of studeert, maar dat gij met geduld die ziekte en die smarten lijdt, welke Hij u heeft overgezonden ? Vereenig dus liever uwe smarten met de smarten van Jezus Christus. — Maar het valt mij zoo zwaar, dat ik door mijne ziekte onnuttig, ja een last ben voor de communiteit, voor het huis. Maar gij moet gelooven, dat gelijk gij van uwen kant u aan den goddelijken wil onderwerpt, ook uwe oversten het aldus doen, zij weten immers dat gij dien last aan bet huis veroorzaakt, niet omdat gij lui zijt, maar omdat het de wil is van God.

!

J

-ocr page 434-

— 410 —

O die verlangens, die klachten, zij komen niet voort uit liefde tot God, maar uit onze eigenliefde, die voorwendsels zoekt om ons van den wil Gods afkeerig te maken. Willen wij welgevallig zijn aan God? Welnu laten wij dan, als wij aan het bed zijn gekluisterd tot God niets anders zeggen dan dit eene woord: Fiat voluntas tua! Heer, uw ivil ye-selnecle, en dat eene woord laten wij het immer herhalen, tot honderd en duizendmaal toe, want daardoor alleen zullen wij aan God meer genoegen geven dan door alle mogelijke verstervingen en oefeningen van godsvrucht. Er is geen beter manier om God te dienen, dan zich met blijdschap te onderwerpen aan Zijnen heiligen wil. De eerwaardige Pator Avila schreef eens aan een krankcn priester als volgt: Mijn vriend, houd u thans niet bezig mot na te gaan, wat gij doen zoudt, als gij gezond waart; maar stel u tevreden met ziek te zijn zoolang het aan God zal behagen. Als gij den wil van God zoekt, wat maakt het u dan of gij gezond zijt of ziek ? En zeer zeker,

-ocr page 435-

— 411 —

die dienaar Gods zeide dit met reden, want God wordt niet zoozeer verheerlijkt door onze werken, als wel door onze overgeving en onze gelijkvormigheid aan zijnen heiligen wil. Daarom zcide ook nog de 11. Franciscus van Sales, dat men God beter dient met lijden dan met werken.

Dikwijls ook zal het ons aan een geneesheer of geneesmiddelen ontbreken, ofwel de geneesheer zal er niet in slagen onze ziekte te kennen; ook dan moeten wij ons onderwerpen aan den wil van God, daar Hij dit alles weder zoo beschikt tot ons welzijn. Men verhaalt van zekeren man, die een groote godsvruht had tot den H. Thomas van Kantelberg, dat hij, toen hij eens ziek was, bij het graf van dien heilige zijne gezondheid ging vragen; en hij keerde gezond naar zijn vaderland terug ; maar, zoo dacht hij later bij zich zeiven, indien die ziekte eens beter ware voor mijne zaligheid, waartoe zou mij dan mijne gezondheid dienen\'? Onder den indruk dier gedachte keerde hij naar het graf terug en bad nu den heilige datgene

-ocr page 436-

— 412

voor hem te vragen, wat het beste was voor zijn eeuwige zaligheid; nauwelijks had hij dit gedaan, of hij viel in zijne vorige ziekte terug en was er zeer blijde mee, want hij was nu overtuigd, dat God het zoo beschikte tot zijn welzijn. Eveneens verhaalt Surius, dat zekere blinde, door de voorspraak van den heiligen bisschop Vedastus ziende werd. Doch later bad hij den heilige, om in geval het gezicht niet dienstig was voor zijne zaligheid, weder blind te mogen worden, en ziet, nadat hij aldus gebeden had, werd hij weder blind gelijk te voren. Het beste dus, als wij ziek zijn, is noch gezondheid noch ziekte te vragen, maar ons eenvoudig over te geven aan den wil van God en Hem over ons te laten beschikken, gelijk Hem goeddunkt. quot;Willen wij echter de gezondheid vragen, laten wij het dan ten minste doen met overgeving en onder voorwaarde, dat de gezondheid van ons lichaam wenschelijk zij voor de zaligheid onzer ziel; anders is ons gebed verkeerd, en zal door God niet worden verhoord, want God verhoort geen

L

-ocr page 437-

— 413 —

gelbeden, die niet met overgeving ge-scliieden.

De tijd van ziekte noem ik den toetssteen der geesten, want dan leert men kennen van welk gehalte de deugd is die eene ziel bezit. Als die ziel dan niet ongeduldig wordt, zicli niet beklaagt, niet allerlei middelen zoekt; maar gc-hoorzaam is aan geneesliceren en oversten, zich rustig houdt, gansch overgegeven aan den wil van God, dan is dit een teeken, dat er werkelijk deugd in die ziel is. Maar wat te zeggen van een zieke, die zich beklaagt, die zegt dat de anderen hem niet genoeg bijstaan, dat zijne pijnen ondragelijk zijn, dat geen enkel geneesmiddel hem helpt, dat de geneesheer er niets van weet, ja zich somwijlen over God beklaagt, als drukte zijn hand al te zwaar op hem? Toen de H. Franciscus, zoo verhaalt ons de H. Bonaventura 1) in diens leven, eens op buitengewone wijze door de smarten werd gekweld, sprak een zijner kloosterlingen hem in

1) O. 14.

-ocr page 438-

_ 414 • —

zijnen al te grooten eenvoud aldus toe; Vader, bid toch den goeden God u een weinig genadiger te behandelen, want Hij schijnt zijn hand al te zeer op u te verzwaren. Maar toen Franciseus dit hoorde, uitte hij een kreet: Wist ik niet, zoo luidde zijn antwoord, dat uw onnoozelheid u aldus deed spreken, ik zou u nimmer meer willen zien, daar gij aldus de oordeelen Gods durft laken. En dit gezegd hebbende, wierp hij zich hoewel geheel verzwakt en uitgeput van pijn, uit zijn legerstede op den grond en terwijl hij dien kuste, riep hij uit : Ik dank U, Heer, voor al de smarten, die Gij mij hebt overgezonden, ik bid U, indien het U behaagt, er mij nog meer te geven. Het i.s mijn verlangen, dat Gij mij kastijdt en mij niet spaart, want de vervulling van uwen heiligen wil is voor mij de grootste troost, dien ik op deze wereld kan genieten.

Die onderwerping is ook noodig bij het verlies van sommige personen die ons naar het tijdelijke of geestelijke nuttig zijn. De godvruchtige zielen begaan hier.

-ocr page 439-

— 4i5 —

ümtrent niet zelden groote fouten, daar zij zich hierin dikwijls niet aan de goddelijke beschikkingen onderwerpen. Niet van onze zielsbestierders moet onze heiligheid komen, maar van God. God wil dat wij ons voor de leiding-onzer ziel van bestierders bedienen; doch alleen dan, wanneer Hij ze ons geeft; wanneer Hij ze ons echter ontneemt, wil Hij, dat wij daarover niet ontevreden zijn, maar dat wij dan des te meer vertrouwen stellen op Zijne goedheid, en Hom zeggen: Heer, Gij waart het die mij dien steun hadt gegeven, Gij ook zijt het die hem mij hebt ontnomen, dat uw wil ten allen tijde geschiede; Doch kom Gij nu zelf tusschen beiden, leer Gij zelf mij thans, wat ik doen moet om U te dienen. En eveneens moeten wij alle andere kruizen, die God ons overzendt, uit zijne handen aannemen. Maar, zegt gij, die wederwaardigheden zijn straffen. Doch ik antwoord, zijn dan de straffen, die God ons overzendt in dit leven, geen genaden, geen weldaden? Als wij God beleedigdhebben,

-ocr page 440-

— 416 —

moeten wij allen op een of andere wijze aan zijne reclitvaardigheid voldoen, hetzij dan hier of hiernamaals. Laten wij daarom met den H. Augustinus zeggen: Hic ure, Mc seca, hic non parcas, ut in ac.ternum parcas. Heer hrand hier, snijd hier, spaar ons niet op deze wereld; maar spaar ons in de eeuwigheid, en met Job : Haec sit mild consolatio, ut ajjiigens me dolore non parcat. 1) Heer dit zij mijne troost, dat Gij mij kastijdt en mij niet spaart. Zeer zeker, iemand, die de hel verdiend heeft, moet verheugd zijn, als hij ziet dat God hem op deze wereld kastijdt, want dit moet hem zeer bemoedigen in zijne hoop, dat God hem in het andere leven wil sparen. Wanneer derhalve God ons beproeft, zeggen wij dan met den hoogepriester Heli; Dominus est, quod honum est in oculis suis j\'aciat. 2) Hij is de Heer, Hij doe wat yoed is in zijne oogen.

Verder moeten wij ook nog gelaten

1) 6. 10.

2) 1 Reg. 3. 18.

-ocr page 441-

— 417 —

zijn te midden van de kwellingen des gcestes. Wanneer eene ziel zich op het geestelijk leven begint toe te leggen, zal God haar gewoonlijk doen overvloeien van troost; maar als zij reeds meer in het inwendige bevestigd is, trekt God zijne hand terug. De Heer wil dan hare liefde beproeven, en zien of zij Hem ook dienen zal zonder reeds op deze wereld met gevoeligen troost te worden beloond. Zoolang wij leven (zegt de II. Theresia) is het niet te doen om veel van God te genieten; maar om zijnen H. wil te volbrengen. De liefde Gods bestaat niet in een teeder gevoel, maar in moedig en nederig God te dienen. Met dorheid en bekoringen (zegt zij op eene andere plaats) neemt God cle proef, wie Hem waarlijk beminnen. Laat de ziel dus God bedanken, wanneer zij die zoetheden van Hem mag ontvangen ; maar laat zij niet treurig of ongeduldig worden, als zij zich van dien troost beroofd ziet. Het is noodzakelijk nier de aandacht wel op te vestigen; sommige dwaze zielen toch, als zij zich

27

-ocr page 442-

In dorheid bevinden, meenen dat God lien verlaten heeft, of wel dat voor hen het geestelijk leven niet is gemaakt; en aldus laten zij het gebed varen ca verliezen weder alles wTat zij tot dan toe hadden gedaan. Er is geen schooner tijd om ons in de onderwerping aan den wil Gods te oefenen, dan juist de tijd van dorheid. Ik zeg niet dat gij geen smart moet gevoelen, als gij n van de tegenwoordigheid van uwen God beroofd ziet; het is niet mogelijk dat eene ziel zulks niet gevoelt, dat zij zieh daarover niet beklaagt; immers onze Verlosser zelf beklaagde er zich over aan het kruis: Deus meus, Deus metis, ut quid dereli-quislime? 1) Mijn God, mijn God,tvaarom hebt Gij mij verlaten ? maar zij moet zich in haar lijden immer geheel overgeven aan den wil van God. Alle heiligen hebben die troosteloosheid en verlatenheid geleden. Welk eene verhardheid van gemoed gevoel ik (schrijft de H. Ecr-nardus); ik vind geen lust meer in de

Ij Mattli, 27. \'lö.

-ocr page 443-

— 419 —

geestelijke lezing, geen behagen meer in de overweging, geen behagen meer in het gebed ! Dc heiligen waren meestal in staat van dorheid en beroofd van sre-voeligen troost. Dezen laatsten schenkt God slechts zelden, mogelijk alleen aan zielen, die min of meer zwak zijn, om hen op den weg der volmaaktheid niet te doen achterblijven ; maar de geneugten die als belooning moeten gelden, behoudt Hij ons voor in het paradijs.

Deze aarde is een plaats van verdiensten, doch die verdienste wordt verkregen door lijden; de hemel is de plaats van belooning en van vreugde. Het verlangen en het streven der heiligen was daarom niet die gevoelige ijver met troost gepaard, maar de geestelijke ijver gepaard met lijden. O, riep de eerbiedwaardige Joannes Avila uit, hoeveel beter is het in dorheid en bekoringen te zijn met den wil van God, dan zonder dien wil in verheven beschouwing !

Maar zult gij zeggen: indien ik wist dat die dorheid mij werd toegezonden door God, zou ik er mede tevreden zijn;

-ocr page 444-

— 420 —

lietgecn. mij echter kwelt en verontrust, is de vrees, dat zij misschien mijn eigen schuld is en eene straf voor mijne lauwheid. Goed, verbeter u dan van uwe lauwheid, betoon u vlijtiger; of moet gij misschien, omdat ge in dorheid zijt, u zeiven gaan beangstigen, daarom nalatig worden in het gebed en alzoo uw ellende verdubbelen? Toegegeven, uwe dorheid is voor u, gelijk gij zegt, eene straf; wordt die straf u dan niet toegezonden van God? Neem haar dus aan als eene kastijding die gij wel verdiend hebt, en vereenig n met den wil van God. Zegt gij niet, dat gij de hel hebt verdiend? Waarom beklaagt gij u dan nu? Verdient gij wellicht, dat God u vertroost ? Kom wees tevreden met de wijze waarop gij door God behandeld wordt, volhard in uw gebed, ga op den ingeslagen weg voort, en zie voortaan wel toe of misschien uwe klachten niet voortkomen uit gebrek aan nederigheid en uit uwe geringe overgeving aan den wil van God. Wanneer eene ziel zich tot het gebed begeeft, kan zij nooit grooter

-ocr page 445-

— 421 —

voordeel doen dan zieli te vereenigen met den goddelijken wil; zeg daarom met groote overgeving: Heer ik neem deze beproeving uit uwe handen aan, ik neem haar aan voor zoolang het u heilaagt. Indien het uw wil is, mij gedurende de gansche eeuwigheid in dezen droevigen staat te laten, ik hen er mede tevreden. Een gebed op die wijze gedaan is wel is waar niet aangenaam, maar zal u nuttiger zijn dan de zoetste vertroosting.

Men moet echter bedenken, dat de dorheid niet altijd een straf is; dikwijls is zij niets anders dan eene beschikking-Gods tot ons welzijn, een middel om ons nederig te houden. Opdat de H. Paulus zich op zijn ontvangen gaven niet zou verhoovaardigen, liet God toe, dat hij gekweld werd door bekoringen van onzuiverheid. Ne magniludo revelationum extollat me dat lts est mihi stimulus carnis meae, angelus Satanae qui me cola-pfiizet. 1) Wie het gebed beoefent te

1) 2 Cor. 12. 7.

-ocr page 446-

— 422 —

midden van vertroostingen, doet niets groots. Est amicus socitis mensae meae et non permanehit in die necessitatis. 1) Niet dengene, die alleen aan tafel met u is, zult gij voor uwen waren vriend houden; maar liem, die u in uwe kwellingen ter zijde staat, en dat geheel belangeloos. Wanneer God duisternis en kwelling overzendt, dan keurt Hij zijne ware vrienden. Een zekere Palladius had eens veel te lijden van dorheid in het gebed. Hij ging nu naar den H. Macarius, en deze gaf hem den volgenden raad: Wanneer, zeide hij, bij u de gedachte opkomt om het gebed te verlaten, dan moet gij antwoorden: Gaarne wil ik ter liefde van Jezus Christus mij tevreden stellen hier de muren mijner cel te bewaken. Ziedaar wat ook gij moet antwoorden. Als gij bekoord wordt om het gebed te laten varen en het u toeschijnt daar slechts tijd te verliezen, zeg dan: Ik hen hier om genoegen te geven aan God. Al deden wij in het gebed niets anders dan

1) Eecl. 6. 10.

-ocr page 447-

— 423 —

de verstrooiingen en de bekoringen te verdrijven, zegt de H. Franciseus van Sales, toch zou ons gebed goed zijn. Ja, zegt ïauler, als iemand ondanks de dorheid in het gebed volhardt, zal God hem meer genaden geven, dan indien hij langen tijd zou bidden met grooten ge-voeligen troost. Pater Rodriguez verhaalt, dat zeker persoon gedurende veertig jaren in zijn gebed nooit eenigen troost had gesmaakt; maar dat hij toeh op de dagen dat hij het deed, zich immer sterk gevoelde in de deugd, daarentegen wanneer hij het achtcrliet, eene zoo groote zwakheid ondervond, dat hij tot niets goeds in staat -was. Volgens den II. Bonaveutura en Gerson zullen velen God beter dienen als zij de verlangde innigheid niet bezitten dan wel, want zonder dezelve zullen zij veel zorgvuldiger zijn en zich boter bewaren in de nederigheid; terwijl zij anders misschien hoovaardig zouden worden of zich aan lauwheid zouden overgeven, denkende, dat zij hetgeen zij zochten reeds hadden verkregen. En wat hier gezegd wordt

-ocr page 448-

— 424 —

van de dorheid, geldt ook van de bekoringen. Wij van onzen kant moeten zorgen de bekoringen te vermijden, doch wanneer God wil of toelaat, dat wij bekoord worden, lietzrj dan tegen het geloof of tegen de zuiverheid of tegen welke deugd ook, moeten wij ons daarover niet beklagen, maar ons ook daarin onderwerpen aan den goddelijken wil. Toen de H. Panlus om bevrijding bad van de bekoringen tegen de zuiverheid, antwoordde hem de Heer: Sufficit tibi gratia mea. 1) Mijne yenade is u gencerj. Dit geldt ook voor ons. Als wij dus zien dat God ons niet verhoort en ons van een of andere lastige bekoring niet wil bevrijden, zeggen wij dan: Heer handel en beschik Gij gelijk het u behaagt; mij is uwe genade genoeg; doch help mij die toch nooit te verliezen. Niet de bekoring, maar de toestemming aan de bekoring berooft ons van de genade Gods. Wanneer wij echter de bekoringen bestrijden, dan

1) 2 Cor. 12. 9,

-ocr page 449-

— 425 —

zijn zij voor ons een middel om nederig te blijven, doen onze verdiensten aangroeien, maken dat wij veelvuldiger onze toevlucht nemen tot God, en aldus houden zij ons terug van God te beleedigen en vereenigen ons inniger met zijne liefde.

Ten laatste moeten wij aan Gods wil gelijkvormig zijn wat aangaat onzen dood; wij moeten dien willen aanvaarden op den tijd en de wijze, waarop God ons dien wil overzenden. Toen de H. Gertrudis 1) eens een heuvel beklom, gleed zij uit en viel in een laagte. Hare gezellinnen vroegen haar nu of zij niet bevreesd was geweest om te sterven zonder Sacramenten; zij antwoordde : vurig verlang ik te sterven met de Sacramenten, maar meer prijs stel ik op den wil van God, want ik houd voor zeker dat de beste gesteltenis die men hebben kan om goed te sterven, daarin bestaat dat men zich eenvoudig onderwerpt aan den goddelijken wil. Ik verlang daarom eiken dood, dien het God behagen zal mij te geven. De H. Gregorius

1) L. 1. vita c. U,

-ocr page 450-

— 426 —

verhaalt in zijne dialogen, 1) dat de Vandalen een zekeren priester hadden ter dood veroordeeld, met name Santolus, wien zij toestonden zelf den dood te kiezen, dien hij wilde ondergaan. De heilige man echter wilde niet kiezen, maar zeide: Ik ben in de handen van God en daarom wil ik den dood sterven, welken gij door zijne toelating mij zult aandoen: dien dood alleen wil ik en geen andere. Deze daad was aan God zoo aangenaam, dat, toen die barbaren den priester hadden veroordeeld om onthoofd te worden. God den arm van den beul terughield; de barbaren door dit wonder getroffen schonken den priester het leven. Dus wat de wijze van sterven aangaat, moeten wij dien dood voor het beste houden, welken God ons heeft voorbestemd. Denken wij aan onzen dood; zeggen wij dan altijd: Heer, maak slechts dat wij zalig worden en laat ons dan sterven, gelijk het U behaagt.

Eveneens moeten wij onderworpen

Ij Lib. 3. cap. 37.

-ocr page 451-

— 427 —

zijn, wat aangaat den tijd van onzen dood. Wat immers is deze wereld? Wat anders dan een kerker waarin wij alleen zijn om te lijdon, waar wij elk oogenblik in gevaar verkeeren om beroofd te worden van God? Het was daarom dat David uitriep ; Educ de custodia animam rncarn 1) Heer, voer toch mijn ziel uit dezen kerker. Ziedaar ook waarom de dood zoo vurig begeerd werd door de II. Tberesia. Als deze heilige de klok hoorde slaan, werd zij gansch opgeruimd denkende dat er alweder een uur van haar leven voorbij was, een uur van gevaar om God te verliezen. Volgens Pater Avila moet een ieder, die in redelijk goede gesteldheid is, naar den dood verlangen en dat wel om het gevaar wat men loopt de genade Gods te verliezen. Wat kan er beter en wenschelijker zijn dan door een goeden dood, de zekerheid te erlangen dat wij de genade van onzen God nooit weer zullen verliezen? Doch,

1) Ps. UI. 8.

-ocr page 452-

— 428 —

zult gij zeggen, ik heb nog niets gedaan, nog niets heb ik voor mijne ziel verdiend. Maar wanneer het de wil van God is dat gij thans uw leven eindigt, wat zult gij dan later nog doen, als gij zult leven tegen den wil Gods ? Wie weet zelfs of gij dan nog wel zoudt sterven, gelijk gij dat nu moogt verhopen ? Wie weet of gij niet zoudt omkeeren, opnieuw in zonde vallen, cn verloren gaan? En ook, al was er anders geen reden : zoolang gij leeft, kunt ge niet leven zonder zonde, \'althans zeker niet zonder kleine zonde. Cur, roept daarom de H. Bernardus uit, cur vitam desideramus, {71 qua quanta amplius vivimus tanto plus peccamus. 1) 1 Vaar om, zegt hij, waarom verlangen loij te leven, daar u-ij hoe langer wij leven, des te meer zonden doen. Welnu het is zeker; een dagelijksche zonde mishaagt aan God meer dan al onze goede werken hem zouden kunnen behagen.

1) Med, c, 8,

-ocr page 453-

— 429 —

Daarenboven zeg ik dat iemand, die weinig verlangen lieeft naar den hemel, blijk geeft van weinig liefde tot God. Als men bemint, dan verlangt men liet bijzijn van den beminde; doch God kunnen wij niet zien indien wij niet weggaan van de aarde. Alle heiligen dan ook hebben verlangd naar den dood om alzoo tot de aanschouwing te geraken van hunnen beminden Heer.

Zoo verzuchtte een H. Angustinus: Eja moriar, ut te videam. O, mocht ik sterven om U mijn God te aanschouwen. Zoo een II. Paulus: Desiderium hahcns dissolvi et esse cum Christo. 1) Ik verlang ontbonden te worden en met Christus te zijn. Zoo een David: Quando veniam et apparcho ante faciem Dei\'? 2) Wanneer zal ik komen en verschijnen voor Gods aangezicht^ En eveneens alle zielen, die liefde hebben voor God. Zeker schrijver verhaalt dat een ridder eens, ^terwijl hij op jacht was in een

1) Philip. 1. 23.

2). Ps. 41. 3.

-ocr page 454-

— 428 —

zult gij zeggen, ik heb nog niets gedaan, nog niets heb ik voor mijne ziel verdiend. Maar wanneer het de wil van God is dat gij thans uw leven eindigt, wat zult gij dan later nog doen, als gij zult leven tegen den wil Gods ? Wie weet zelfs of gij dan nog wel zoudt sterven, gelijk gij dat nu moogt verhopen ? Wie weet of gij niet zoudt omkeeren, opnieuw in zonde vallen, en verloren gaan? En ook, al was er anders geen reden ; zoolang gij leeft, kunt ge niet leven zonder zonde, althans zeker niet zonder kleine zonde. Cur, roept daarom de H. Bernardus uit, cur vitam desideramus, in qua quanta amplius vivimus tanto plus peccamus. 1) JVaarom, zegt hij, loaarom verlangen wij te leven, daar ivij hoe langer wij leven, des te meer zonden doen. Welnu het is zeker; één dagelijksche zonde mishaagt aan God meer dan al onze goede werken hem zouden kunnen behagen.

1) Mod. c, 8,

-ocr page 455-

— 429 —

Daarenboven zeg ik dat iemand, die weinig verlangen heeft naar den hemel, blijk geeft van weinig liefde tot God. Als men bemint, dan verlangt men het bijzijn van den beminde; doch God kunnen wij niet zien indien wij niet weggaan van de aarde. Alle heiligen dan ook hebben verlangd naar den dood om alzoo tot de aanschouwing te geraken van hunnen beminden Heer.

Zoo verzuchtte een H. Augustinus; Eja moriar, ut te videum. (), mocht tk sterven om U mijn God te aanschouwen. Zoo een H. Paulus: Desiderium habens dissolvi et esse cum Christo. 1) Ik verlang onthanden te xoorden en met Christus te zijn. Zoo een David: Quando veniam et appareho ante faciem Dei? 2) Wanneer zal ik komen en verschijnen voor Gods aangezicht ? En eveneens alle zielen, die liefde hebben voor God. Zeker schrijver verhaalt dat een ridder eens, .terwijl hij op jacht was in een

1) Philip. 1. 23.

2). Ps. 41. 3.

-ocr page 456-

— 430 —

bosch, iemand zeer schoon hoorde zingen; hij ging voort, en vond een armen melaatsche, bijna half verteerd ; waart gij het, vroeg hij, die daar zong? Ja Heer, antwoordde de melaatsche, dat was ik. Maar hoe kunt ge zingen en zoo gelukkig zijn te midden van al uw smarten, die u weldra het leven zullen kosten\'? De melaatsche antwoordde: Tusschen God en mij, o Heer, bevindt zich geen andere scheiding meer dan deze muur van slijk, nl. mijn lichaam; wordt deze hinderpaal weggenomen, dan ga ik het aanschijn van mijnen God genieten. Welnu ik zie dat zij eiken dag al meer en meer uit een valt, ziedaar waarom ik verheugd ben, en zing.

Ten slotte moeten wij ook gelijkvormig zijn met den wil van God wat aangaat den graad van genade en glorie. W ij moeten wel is waar alles wat op Gods glorie betrekking heeft, hoogschatten ; maar bovenal moeten wij hoogachting hebben voor zijn heiligen wil. Wij moeten verlangen God meer te

-ocr page 457-

beminnen dan de serapliijnen; maar wij moeten geen lioogeren graad van liefde verlangen dan God besloten heeft ons • te geven. Ik geloof niet, zegt Pater Avila, dat er één heilige geweest is, die niet verlangde om boter te zijn dan hij was; maar dit verlangen benam hun den vrede niet, want zij verlangden dit niet voor zich zeiven, maar alleen om God. Zij waren daarom tevreden met hetgeen God hun had toegedeeld, al wTas het ook dat zij minder hadden ontvangen, want zij achtten het grooter liefde tevreden te zijn met hetgeen God hun gaf, dan te verlangen naar meer. Ofschoon wij dus, gelijk Pater llodriguez 1) dit uitlegt, al ons best moeten doen om de volmaaktheid te bereiken, en wij ons van het bovenstaande niet als uitvlucht mogen bedienen voor onze lauwheid en traagheid, door gelijk sommigen te zeggen: „God moet het mij geven, ik kan niet meer doen dan ik doe,quot;

1) Tr. 8. c. 30.

-ocr page 458-

— 432 —

tocli, zoo gaat hij voort, mogen wij, indien wij een fout bedrijven daarom den vrede niet vei liezen, noch ons daarom minder onderwerpen aan don wil van God, die onze fout heeft toegelaten, noch den moed laten zinken, neen wij moeten dan aanstonds van onzen val opstaan, ons vol berouw voor God vernederen, en na Hem om nieuwe hulp te hebben gevraagd, op onzen weg voortgaan. Eveneens mogen wij gerust verlangen in den hemel een plaats te mogen innemen onder de Seraphijnen — niet om zelf grooter glorie te genieten, maar om grooter glorie te kunnen geven aan God en Hem meer te beminnen — doch wij moeten ons niettemin onderwerpen aan Gods heiligen wil, eu ons tevreden stellen met dien graad van glorie, welken 11 ij in zijn barmhartigheid zich verwaardigen zal ons te geven.

Een zeer bedenkelijke fout echter zou het zijn, naar de gaven van een bovennatuurlijk gebed te verlangen, en bijzonder te verlangen naar geestverrukkingen, visioenen en openbaringen.

-ocr page 459-

— 433 —

Integendeel, de meesters van liet geestelijk leven zeggen, dat zij die door God met dergelijke gunsten bevoorrecht zijn, Hem moeten bidden om er van beroofd te mogen worden en om Hem te mogen beminnen met eenvoudig te gelooven, daar dit de veiligste weg is. Velen zijn zonder die bovennatuurlijke gaven tot de volmaaktheid gekomen; alleen de deugden zijn het, die de ziel tot de heiligheid brengen, en vooral de gelijkvormigheid met den wil van God. Als het echter aan God niet behaagt ons tot een verheven graad van volmaaktheid en glorie te verheffen, onderwerpen wij ons dan ook daarin aan zijnen heiligen wil, en vragen wij dat Hij ons in zijne barmhartigheid ten minste wil zalig maken. Als wij zoo doen, dan zal het loon wat Hij ons in zijne goedheid geven zal, niet gering zijn, want onze goede God bemint bij voorkeur de onderworpen zielen.

xn één woord, wij moeten alles wat ons overkomt of ons ooit zal overkomen,

28

-ocr page 460-

— 434 —

beschouwen als voortkomende uit de handen van God. En al onze handelingen moeten wij ondergeschikt maken aan dit ééne doel; den wil van God te doen en alles te doen omdat God het wil. Om nu hierin met meerder zekerheid voort te gaan, moeten wij wat het uiterlijke aangaat ons geheel verlaten op de leiding van onze oversten, en wat het inwendige betreft, op de leiding onzer zielsbestierders; van hen moeten wij vernemen, wat God van ons wil. Wij moeten daarom een groot vertrouwen stellen in de woorden van Jezus Christus : Qui vos audit, me audit. 1) Die U hoort, hoort Mij; bovenal moeten wij bezorgd zijn om God te dienen in dien staat, waarin Hij door ons gediend wil worden. Ik zeg dit om te waarschuwen voor de misleiding van sommigen, die hun tijd verbeuren en zich tevreden stellen met allerlei nuttelooze verlangens. Als ik in een woestijn zou leven, zeggen zij, als ik in een klooster

1) Luc. 10. 16.

-ocr page 461-

— 435 —

Zou kunnen gaan, dit huis zou kunnen verlaten, verwijderd koude zijn van die of die bloedverwanten, die of die vrienden, dan zou ik mij toeleggen op de heiligheid, ik zou die en die gestrengheden oefenen, zooveel tijd wijden aan het gebed. Immer zeggen zij ,,ik zou ik zouquot; maar middelerwijl dragen zij met tegenzin het kruis, dat God hen overzendt, in één woord zij wandelen niet op den weg dien God wil, en worden niet alleen niet heilig, maar vervallen van kwaad tot erger. Zidke verlangens zijn meermalen bekoringen van den duivel, want veelal zullen zij niet zijn volgens den wil van God. Laten wij ze daarom van ons verwijderen, laten wij God op dien wreg alleen willen dienen, welken Hij voor ons bepaald heeft. Als wij zijnen wil volbrengen, zullen wij zeker heilig worden in welken staat de Heer ons dan ook moog\' plaatsen. Welaan, laten wij immer alleen willen, wat God wil, ja doen wij dat, en God zal ons drukken aan zijn hart. Maken wij ons daarom eenige plaatsen uit de Schrift

-ocr page 462-

— 436 —

eigen, die er ons bijzonder aan herinneren om ons immer met Gods wil te vereenigen, zooals: Domine quid me vis facere? Mijn God, zeg mij, wat wilt Gij van mij, ik wil alles doen. Tuils sum ccjo salvum me jac. 1) Ik belioor mij zeiven niet meer toe, ik ben de uwe, o mijn God, welaan doe met mij wat Gij wilt. En bijzonder als ons een zwaarder kruis treft, zooals de dood van bloedverwanten, het verlies van goederen, of iets dergelijks, o herhalen wij dan immer: Ita Pater, ita Pater, quoniam sic fuit plaeitum ank te. 2) Ja mijn God, en mijn Vader, ja zoo geschiede het, want zoo is het behagelijk geweest aan U. Laat ons vooral een bijzondere voorliefde hebben voor dat gebed, hetwelk ons geleerd is door Jezus Christus: Fiat voluntas tuu sicut in coelo et in terra. Uw wil geschiede op aarde als in den hemel. De Heer zeide eens aan de H. Catharina

1) Ps. 18. 94.

2) Matth. 11. 26.

-ocr page 463-

i

co

1

her-

van Genua, dat zoo dikwijls zij liet

\'il te

„onze Vaderquot; bad, zij bij die woorden

me

een wijl moest stilstaan en dan moest

wat

vragen, dat Gods heilige wil in haar

oen.

zóó mocht worden volbracht, als de

Ik

heiligen dien vervullen in den hemel.

ben

Doen wij ook zoo, en wij zullen zeker

met

heilig worden.

als

De H. wil van God en de onbe

s de

vlekte Maagd Maria mogen immer be

rlies

mind en geprezen zijn.

her-

ita

\'

ante

• il

idcr,

\' 1«

liet

li\'\'\'

ons

I if j

)ben

d is

i

■ tua

1

toil

j

md.

i r

irina

:

-ocr page 464-

WIJZE OM MET GOD VERTROUWELIJK OM TE GAAN,

GETKOKKEN UIT EEN FEANSCH WEEK EN MET VEE80HILLENDE TEOSIE GEDACHTEN, GEVOELENS EN GODVEUCIITIGE OEFENINGEN VERMEEEDEED DOOS DEN B0H11IJTEE.

H. Job was buiten zich. zeiven %1SI van verbazing bij het gezicht der goedheid van onzen God, die er zoozeer op uit is den menschen goed te doen, dat Hem niets zoozeer ter harte schijnt te gaan, dan te beminnen en bemind te worden door den mensch. Vandaar riep Job in zijn samenspraak met God in opgetogenheid uit: Quid est homo quia magnijicas eum ? uut quid appunis erg a eum cor tunm ? 1) Heer, wat is dan toch

1) Job. 7. 17.

-ocr page 465-

— 439 —

de mensch, dat Gij zoo veel werk van hem maakt en hem zoozeer bemint ?

Hieruit ziet men, welk eene dwaling het is te meenen dat men, door vertrouwelijk en gemeenzaam met God te handelen, ontbreken zou aan den eerbied verschuldigd aan zijne oneindige majesteit. Zeer zeker, godvruchtige ziel, gij moet God met allen ootmoed uwen eerbied betoonen, ü diep in zijne tegenwoordigheid vernederen, vooral bij de gedachte aan de ondankbaarheden en de beleedigingen, waarmede gij Hem vroeger hebt bedroefd; maar dit moet u niet beletten Hem levens te bejegenen met de teederste en ver-trouwelijkste liefde. God is de oneindige majesteit, maar Hij is tegelijk de oneindige goedheid, de oneindige liefde. Gij hebt in God een Heer, zoo verheven als er geen andeie zijn kan; maar gij bezit in Hem tevens den oprechtsten en warmsten vriend. Welverre dat Hij er zich om zou vertoornen, verlangt God integendeel, dat gij met Hem omgaat op dien zelfden vertrouwelijken, gemeenzamen en hartelijken voet, waarop

-ocr page 466-

— 440 —

de kinderen omgaan met hunne moeder. Hoort, hoe vol teederheid Hij ons tot zich roept en ons zijne liefkozingen belooft: Ad ubera portahimini, et super gemia hlandientur vohis: quomodo si eni mater hlandiatur. Ha ego consolabor vos. 1) Gelijk eene moeder er haar genoegen in vindt om haren kleinen zoon op haren schoot te hebben, hem te voeden en te liefkozen, zoo is het ook onzen goeden God een geluk een gelijke hartelijkheid te kunnen betoonen aan die uitverkoren zielen, welke zich geheel aan Hem hebben gegeven en al hunne hoop stellen op zijne goedheid.

2) Wees er van overtuigd: dat geen vriend, geen broeder, geen vader, geen moeder, geen bruidegom, geen minnaar u meer beminnen kan dan God. De goddelijke genade is die groote schat, waardoor wij, ellendige schepselen en slaven, de geliefde vrienden worden van onzen Schepper ; Infinitus enim thesaurus est Jiominihus. quo qui usi sunt participes

1) Is. 66. 12, 13.

-ocr page 467-

— 441 —

facti sunt amicitiae Dei. 1) Met geen ander doel zoekt God ons vertrouwen te winnen, met geen ander doel heeft Hij /jichzelven als het ware vernietigd exinanivit semetipsicm, en zich de vernedering willen getroosten van mensch te worden, dan om met ons gemeenzaam te kunnen omgaan. Cum hominihus con-versatus est. 2) Door zijne liefde vervoerd wilde Hij zelfs een kind worden, wilde Hij leven als een arme, ja liet Hij zich openlijk terechtstellen op een kruis; door die liefde ook is Hij er toe gekomen zich tegenwoordig te stellen onder sehijn van brood om alzoo immer bij ons te zijn en zich op het innigst met ons te vereenigen: Qui manducat meam carnem et hihit meum sanguinem in mè manet et ego in Ulo. 3) In een woord God bemint u zoozeer, dat Hij geen andere liefde schijnt te hebben dan voor u. Ziedaar, waarom ook gij geen ander moet beminnen

1) Sap. 7. 14.

2) Bar. 3. 38.

3) Joa. 6. 57.

-ocr page 468-

— 442 —

dan God. Zeg daarom van uwen God, gelijk gij het kunt en moet zeggen; Dilectus meus mihi et ego illi. 1) Mijn God heeft zich geheel gegeven aan mij, ik geef mij dan ook geheel aan Hem. Hij heeft mij tot zijnen welbeminde gekozen, ook ik wil Hem onder allen voor mijne eenige liefde kiezen. Dilectus meus ccm-diclus et rubicundus, electus ex millihus. 2) 3) Betuig ook dikwijls die liefde aan God, zeg Hem: O mijn God, waarom toch bemint gij mij zoozeer ? Wat goeds ziet Gij toch in mij ? Zijt Gij dan de beleedigingen vergeten, die ik U heb aangedaan ? Maar als gij zoo goed voor mij geweest zijt, dat Gij in plaats van mij naar de hel te verwijzen, mij integendeel nog zoovele genaden hebt geschonken, wien zal ik dan voortaan anders nog beminnen, o mijn goed en mijn al, tenzij IJ alleen\'? O mijn allerbeminnelijkste God, ik heb U in het verledene beleedigd, maar wat mij het meest be-

1) Cant. 2. 16.

2) Cant. 5. 10.

-ocr page 469-

— 443 —

(Iroeft, is niet zoozeer de straf, die ik daardoor verdiend heb, als wel het misnoegen, dat ik daardoor gegeven heb aan U, die een oneindige liefde verdient. Doch Gij kunt geen hart, dat berouw heeft en zich vernedert, versmaden. Cor cnn tri turn et humiliatum Deus, non des-picies. 1) Ach mijn God, thans verlang ik voor tijd en eeuwigheid niets anders meer dan U : Quid mild est in coelo et a te quid volui super terrain 9 Leus cordis mei et pars mea. Deus in aeternum. 2) Thans zijt Gij alleen, en dat voor immer de eenige Meester van mijn hart en van mijn wil. Gij mijn eenig goed, mijn paradijs, mijn hoop, mijn liefde, mijn al. Deus cordis mei et pars mea Deus in aeternum.

4) Om nu uw vertrouwen in God meer en meer te versterken, moet gij er dikwijls aan denken, hoe liefdevol God met u gehandeld heeft, wat liefdevolle middelen Hij al gebruikt heeft om u te doen opstaan uit uw ongeregeld

1) Ps. 50. 18.

2) Ps. 72. 26.

-ocr page 470-

— 444 —

leven, om u los te maken van uwe aardsche geheehtlieden en u te trekken tot zijne heilige liefde; dan toch zult gij het niet wagen te vreezen en uwen God weinig vertrouwen te toonen, thans nu gij een vast besloten wil hebt Hem te beminnen en Hem genoegen te geven zooveel gij kunt. De blijken van barmhartigheid, die Hij u vroeger heeft gegeven, bewijzen u immers al te duidelijk, dat Hij u waarlijk bemint?

Het is niet aangenaam voor God, dat zielen, die Hem van ganscher harte beminnen, die ook Hij dus bemint, Hem zoo weinig vertrouwen toonen. Wilt gij derhalve het liefdevol hart van uwen God genoegen geven, behandel Hem dan voortaan zoo vertrouwelijk en zoo hartelijk als u maar mogelijk is.

In manihus me is clescripsi te, muri tui coram oculis meis semper. 1) Mijn beminde ziel, zoo spreekt de Heer, waarom zijt gij bevreesd of waarom voedt gij mistrouwen? Ik heb u ge-

1) Is. 49. 1G.

-ocr page 471-

— 443 —

schreven in mijne handen om er immer aan te denken u wel te doen. Zijt gij misschien bevreesd voor uwe vijanden ? Weet, dat de zorg voor uwe verdediging immer voor mijne oogen is, zoodat ik die nooit kan vergeten. Ziedaar, waarom David jubelend uitriep tot God: Ut scuto honae voluntatis tuae coronasti nos. 1) lieer, wie zal ons nog kwaad kunnen doen, nu Gij met uwe goedheid en uwe liefde ons verdedigt en ons van alle kanten omringt ? Verlevendig vooral uw vertrouwen door de gedachte aan dat groote geschenk van Gods liefde, aan Jezus Christus: Sic Deus clilexit mundum, ut F ilium suum unigenitum dar et. 2) Hoe toch kunnen wij vreezen roept de apostel uit, dat God ons iets weigeren zal nadat Hij ons begiftigd heeft met zijn eigen Zoon ? Pro nobis omnihus tradidit illum: qtto-modo non etiam cum Ulo omnia nobis donavit. 3)

1) Ps. 5. 13.

2) Jo. 3. 16.

3) Rom. 8. 32.

-ocr page 472-

^ 446

6) Deliciae mean esse cum fdus homi-num 1) Het hart van den mensch is om zoo te spreken Gods paradijs. Als nu God u zóózeer bemint, bemin ook gij Hem dan. Als het Zijne geneugte is met U te zijn, laat het dan ook uw geneugte wezen, met Hem te zijn, en al den tijd van uw leven door te brengen in dat zelfde beminnelijk gezelschaj) wat gij eenmaal hoopt te genieten gedurende de gansche gelukzalige eeuwigheid.

6) Maak u gewoon dikwijls in stilte met God te spreken, doe dit op ge-meenzamen toon, vol liefde en vertrouwen, gelijk met een vriend, den besten, dien gij hebt, en die u het meest bemint. Is het nu, gelijk gezegd is, een groote dwaling tegenover God weinig vertrouwen te toonen, en immer voor Hem te willen verschijnen gelijk een vreesachtige en bloode slaaf voor zijnen koning verschijnt, sidderend van vrees, nog grooter dwaling zou het zijn te meenen, dat de omgang met God slechts

1) Prov. 8. 31.

-ocr page 473-

447 —

verveling en bitterheid sclienkt; neen, dut is niet waar: Non hahct amaritu-dinem conversatio illius nee taedium con-victus illius. 1) In den omgang met Hem is niets bitters noch in Zijn gezelschap iets vervelends. Vraag het aan de zielen, die Hem waarachtig beminnen, en zij zullen u zeggen, dat zij in de kwellingen van het leven nergens grooteren en meer deugdelijken troost vinden dan in hun liefdevollen omgang met God.

7) Men vraagt van u geene voortdurende inspanning van uwen geest, waarvoor gij al uwe bezigheden en uwe uitspanningen zoudt moeten vergeten; er wordt niets anders van u gevraagd dan tegenover God hetzelfde te doen, wat gij bij voorkomende gelegenheden doet voor een ieder, die u bemint en die bemind wordt door u.

8) Uw God is immer bij u, wat meer is: Hij is in u. In ipso vivimus, movenmr et sum us. 2) Men behoeft niet

1) Sap. 8. 16.

2) Act. 17. 28.

-ocr page 474-

— 448 —

aangemeld te worden, wanneer men Hem verlangt te spreken; neen. God heeft gaarne, dat men vertrouwelijk met Hem omgaat. Spreek Hem daarom over al uwe zaken, over uwe plannen, uwe moeielijkheden, uwe bekommeringen, over alles in een woord wat u ter harte gaat. Doe het bovenal, gelijk ik zeide, vertrouwelijk en met een open hart. God is niet gewoon tot eene ziel te spreken als de ziel niet tot God spreekt, want als de ziel niet gewoon is zich met God te onderhouden, zal zij, indien Hij haar ook al toespreekt, Zijne woorden toch niet verstaan. Vandaar Gods klacht in het Hooglied : Soror nostra par va est; quidfaciemus sorori nostrae in die quando alloquenda est. 1) Onze zuster is nog een kind in de liefde, wat zullen wij doen om haar toe te spreken, indien zij mij niet verstaat ? Wanneer wij Gods genade verachten, dan ja wil Hij beschouwd worden als Heer, de machtigste en verschrikkelijkste die er be-

1) Cant. 8. 8.

-ocr page 475-

— 449 —

staat; maar als wij Hem beminnen, wil Hij door ons behandeld worden als onze hartelijkste vriend. Hij wil dan, dat wij Hem dikwijls toesprekon, en dit met groote vertrouwelijkheid en ongedwongen.

9) Het is waar, wij moeten God immer behandelen met den hoogsten eerbied, maar als Hij u de genade bewijst, van u te doen gevoelen, dat Hij bij u is, en verlangt door n toegesproken te worden gelijk uw beste vriend, openbaar Hem dan de gevoelens van uw hart met groote vrijmoedigheid en vertrouwen. Praeoccupat qui se concu-piscunt ut illis se prior ostendat. 1) God wacht niet tot gij zelf het eerst naar Hem toegaat; maar zoodra gij zijne liefde verlangt, voorkomt Hij u: en vertoont zich aan u met alle genaden en hulpmiddelen, die u noodig zijn. Het is Hem genoeg, dat gij Hem toespreekt om u aanstonds te toonen, dat Hij bij u is en vol bereidvaardigheid om u te

1) Sap. (j. 14.

-ocr page 476-

45ö —

vcrliooron en te troosten : Et aures ejus in p reces eorum. 1)

10) Onze goede God is door Zijne onmetelijkheid tegenwoordig op alle plaatsen, doch er zijn vooral twee plaatsen waar Hij op geheel bijzondere wijze Zijne woning heeft; de eene is de hemel, waar Hij tegenwoordig is met de glorie, welke Hij daar mededeelt aan de heiligen ; de andere is op aarde en wel in het hart van de nederige ziel, die Hem bemint: TIahitans cum contrito et humili spiritu. 2) Onze God woont dus in het hooge dei-hemelen ; maar Hij acht het niet beneden zich tevens de dagen en nachten door te brengen met zijne getrouwe dienaren in hnnne cellen en grotten. Daar spreekt Hij met hen en deelt hun daar zijne goddelijke vertroostingen mede, waarvan een enkele meer waard is dan alle genoegens der aarde, en waarnaar alleen hij niet verlangt, die ze nooit heeft gesmaakt. Gustate et videte quoniam suavis est Dominus. 3)

1) Ps. 33. 16.

2) Is. 57. IS.

3) Ps. 33. 9.

-ocr page 477-

— 451 —

11) De vrienden dezer wereld hebben uren, waarop zij met elkander verkeeren, en uren, waarop zij van elkander verwijderd zijn ; maar indien gij wilt, zal er nooit een enkel uur van scheiding zijn tussehen God en u. Quiesces, et suavis erit sommis tuus. Dominus erit in latere tuo. 1) Gij zult slapen, en de Heer zal zich plaatsen aan uwe zijde en aanhoudend bij ti waken. Conquiencam cum ilia et erit allocutio cogitationis. 2) Wanneer gij rust, wijkt Hij niet van uwe sponde, maar Hij blijft bij u immer aan u denkende, om wanneer gij des nachts mocht ontwaken, u aanstonds met zijne heilige ingevingen te kunnen toespreken, en ook van u een of andere betuiging van liefde, van opoffering of dankbaarheid te ontvangen; zoo derhalve zet Hij ook gedurende die uren van rust Zijn zoeten omgang met u voort. Ja soms zal Hij u zelfs toespreken in uwen slaap en u ook dan Zijne woorden doen

1) Prov. 3. 24, 26.

2) Sap. 8. 9, 16.

-ocr page 478-

— 452 —

liooren, opdat gij die\'bij uw ontwaken in vervulling moogt brengen. Per somnium loquar ad ilium. 1)

12) Ook des morgens is Hij bij u om van u een woord van genegenheid of vertrouwen te hooren, om het offer te ontvangen van uwe eerste gedachten en van alle werken, welke gij dien dag wilt verrichten om Hem genoegen te geven, alsook van alle wederwaardigheden, die gij u voorstelt ter zijner eer en liefde geduldig te verdragen. Maar als nu uw God zich zoozeer beijvert om zich, op dat oogenblik van uw ontwaken, aanstonds aan u te vertoonen, verzuim ook gij dan van uwen kant niet. Hem aanstonds een blik van liefde te schenken en u te verheugen als gij van uwen God die blijde tijding moogt vernemen, dat Hij niet meer van u verwijderd is gelijk Hij dit eens was door uwe zonden, maar dat Hij u thans bemint, dat Hij ook door u bemind wil worden, daar Hij u op datzelfde oogenblik herinnert aan

1) Num. 12. 6.

-ocr page 479-

— 453 —

zijn beminnelijk gebod : Diliges Dominum tuum ex toto corde tuo. 1) Gij zult den Heer uwen God beminnen uit geheel uw hart.

13) Zorg dan dat gij zijne zoete tegenwoordigheid niet vergeet, gelijk de meeste menschen dit doen. Spreek met Hem zoo dikwijls gij maar kunt; meen niet dat Hem dit verveelt of dat Hij het beneden zich rekent gelijk de groeten dezer wereld. Als gij Hem bemint, zal het u aan geen stof tot onderhoud ontbreken. Spreek met Hem van alles wat u in de gedachten komt; van uzelven, van uwe zaken, gelijk gij het zoudt vertellen aan een vertrouwden vriend. Beschouw Hem niet als een hooghartig heerscher, die met niemand wil omgaan dan niet grooten, en alleen over gewichtige zaken wil spreken. O neen, onze goede God daalt gaarne tot ons af, en verlangt dat wij Hem zelfs in onze kleinste en meest alle-daagsehe belangen inwijden. God bemint u zóózeer en heeft zóóveel zorg voor u, als had Hij aan niemand anders te den-

li Deut. 6. 5.

-ocr page 480-

— 454 —

ken dan aan u. Hij geeft zich zooveel moeite voor uw welzijn, dat het schijnt als bezat Hij zijne voorzienigheid alleen maar om u te bewaren, Zijn almacht om u alleen te hulp te komen. Zijne barmhartigheid en goedheid alleen maar om deernis met u te hebben, u te overladen met Zijne weldaden en door Zijne liefdevolle oplettendheden uw vertrouwen en uw hart te winnen. Maak Hem daarom vrijmoedig geheel uw binnenste bekend, bid Hem dat Hij u helpe om al zijne wilsbeschikkingen volmaakt te volbrengen, laten al uwe verlangens, al uwe inzichten niets anders beoogen dan te weten wat Hem behagelijk is en voldoening te geven aan Zijn goddelijk hart: llcxela Domino viam tuam. 1 )Etpete ah eo ut vius tuas dirigat, et omnia consilia tua in ipso permaneant. 2)

14) Zeg niet: maar waartoe is het noodig al mijne benoodigdheden aan God bekend te maken, daar Hij ze immers

1) Ps. 36. 5.

2) Tob. 4. 20.

-ocr page 481-

— 455 —

ziet en ze veel beter kent dan ik zelf ? God kent ze; ja maar Hij gedraagt zich alsof Hij niets wist van de noodwendigheden, waarvan gij Hem niet spreekt, en waarvoor ge Hem niet om hulp vraagt. Onze goddelijke Zaligmaker wist zeer goed dat Lazarus dood was, maar Hij liet niet blijken, dat Hij het wist voor en aleer Magdalena het Hem gezegd had; eerst toen troostte Hij haar door de opwekking van haren broeder.

15) Daarom als gij gedrukt gaat onder eene ziekte, eene bekoring, eene vervolging of eenige andere beproeving, ga dan dadelijk om Zijnen bijstand vragen. Het is genoeg dat gij Hem uwe beproeving openbaart, en Hem zegt: Vide Domine quoniam trihulor. Heer zie hoe hedruld ik hen, en Hij zal niet nalaten u te helpen. Hij zal u ten minste kracht geven om uw beproeving met geduld te verdragen, en dit zal nog beter voor u zijn, dan er werkelijk van bevrijd te worden. Openbaar Hem de gedachten van vrees of van droefheid, die u kwellen, zeg Hem : o mijn God, op u is al mijne

-ocr page 482-

— 45G —

hoop gevestigd, ik draag U deze bitterheid op, en ik geef mij aan uwen heiligen wil over; maar wil Gij u dan ook mijner erbarmen: of wel bevrijd mij van die beproeving, of wel geef mij kracht om dezelve geduldig te verdragen.

En zeer zeker de Heer zal u dan troost of ten minste kracht schenken, gelijk Hij het beloofd heeft in het evangelie aan allen, die in hunne bedruktheid tot Hem hun toevlucht nemen : Venite ad me omnes qui laboratis et onerati estis et ego rejiciam vos. 1) Komt allen tot mij, die lijdt en gedrukt gaat, en ik zal u verhcikken.

16) God laakt het niet, dat gij in uwe kwellingen ook bij uwe vrienden eenigen troost gaat zoeken, maar Hij wil, dat gij vooral uwe toevlucht neemt tot Hem. Hebt ge dan uw toevlucht genomen tot de schepselen, en daar geen troost kunnen vinden voor uw hart, ga dan ten minste daarna tot uwen Schepper en zeg Hem : 0, Heer, de menschen hebben niets dan woorden, verhosi amici mei, 2)

1) Matth. 11. 28.

2) Job 1G. 21,

-ocr page 483-

— 457 —

doch zij geven mij geen troost; maar ik wil ook geen troost van hen; Gij Heer zijt geheel mijn hoop, Gij mijne eenige liefde, alleen van U wil ik getroost zijn, en die troost besta hierin, dat ik in deze omstandigheid handele, gelijk het U hehagelijk is. Heer, ziedaar dan, ik hen bereid deze beproeving mijn geheele leven te verdragen, ja zelfs gedurende de gansche eeuwigheid, indien dit aan U zoo behaagt ; doch ik bid U, gewaardig Gij u dan ook mij te helpen.

17) Wees niet bevreesd, dat God het ii kwalijk zal nemen, als gij u nu en clan eens op minzame wijze bij Hem beklaagt; gerust moogt gij eens zeggen : Ut quid Domine, recessisti longe ? 1) Heer Gij weet, dat ik ü bemin en dat ik niets anders verlang dan uwe liefde, waarom hebt Gij TJ van mij verwijderd ? Welaan kom mij dan ook te hulp, wil mij toch niet verlaten. En als de kwelling al te zeer aanhoudt

1) Ps. 10. 1,

-ocr page 484-

— 458 —

en u al te zeer benauwt, vereenig clan uwe stem met die van den bedrukten, aan het kruis stervenden Jezus, roep tot God om barmhartigheid met die woorden van Zijnen Zoon: Deus meus, Deus meus, ut quid dereliquisti me? 1) Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten ? Doch laat die beproeving u slechts dienen om u dieper te vernederen door de gedachte, dat hij die God heeft beleedigd, geen aanspraak kan maken op troost; verlevendig echter te gelijk uw vertrouwen en herinner u, dat alles, wat God doet of toelaat tot uw welzijn geschiedt. Omnia cooperantur in honum. 2) Juist dan, als gij u het meest aan verwarring en mistrouwen ten prooi gevoelt, moet gij zeggen met grootheid van hart: Dorninus illuminatio mea et salus mea, quem timeho. 3) Gij Heer moet mij licht schenken. Gij mij zalig maken, ik stel mijn vertrouwen op U. In te Domine speravi, non confundar

1) Matth. 27. 46.

2) Kom. 8. 28.

3) Pa. 26. J,

-ocr page 485-

— 459 —

in aeternum. 1) Breng aldus u zeiven tot kalmte, wel overtuigd, dat er nooit iemand gevonden werd, die op den Heer vertrouwde en verloren is gegaan: Nulbis speravit in Domino et confusus est. 2) Bedenk, dat uw God u meer bemint dan gij u zeiven kunt beminnen, wat zoudt gij dus vreezen ? David gevoelde zich geheel getroost, als hij zeide: Dominus sollicitus est mei. 3) De Heer is bezorgd voor mij. Zeg daarom tot God: o Heer ik geef mij geheel in uwe armen over, ik wil om niets anders meer bekommerd zijn dan om U te dienen en aan U welgevallig te zijn; zie Heer ik beu nu bereid om alles te doen, wat gij van mij verlangt. Niet alleen verlangt Gij mijn geluk, maar Gij zijt er zelfs bezorgd voor; aan U dan laat ik de zorg voor mijn geluk over. In U wil ik nu en immer rusten, want Gij wilt, dat wij al onze hoop stellen op U: In pflce in idipsum dormiam et requiescam;

1) Ps. 30. 2.

2) Eccli. 2. 11.

3) Ps. 39. 18.

-ocr page 486-

— 460 —

quoniain tu, Domine. singulariter in spe constituisti me. 1)

18) Sentite de Domino in honitate. 2) Helt goede gevoelens aangaande den Heer Met deze woorden vermaant ons de Wijze Man meer vertrouwen te hebben op de goddelijke barmliartiglieid dan vrees voor de goddelijke rechtvaardig-lieid, want gelijk de H. Jacobus zegt God is veel meer geneigd om wel te doen dan om te kastijden. Superexaltat au tem miser icordia judicium. 3) Vandaar wil de H. Petrus, dat wij in al onze bekommeringen zoowel wat liet tijdelijke als wat het eeuwige betreft, ons immer geheel verlaten op de goed heid van God, daar God de grootste zorg heeft voor ons geluk: Omnem sollicitudinem vestram projicientes in eum, quoniam ipsi cura est de vobis. 4) 0 hoe schoon is hierom de titel, welken David den Heer geeft, als Hij onzen

1) Ps. 4. 9, 10.

2) Sap. 1. 1.

3) Jac. 2. 13.

4) 1. Pet. 3. 7.

-ocr page 487-

— 461 —

God een God noemt, die slechts zalig wil maken : Deus noster. Deus salvos faciendi. 1) Deze uitdrukking\' beteekent, (volgens de verklaring van Bellarminns) dat de eigenlijke taak van God niet is te verdoemen, maar allen zalig te maken; want bedreigt God ook al degenen, die Hem verachten, met Zijnen toorn. Hij belooft daarentegen vastelijk Zijne erbarming aan allen die Hem vreezen, gelijk eens de H. Maagd liet zong in haren lofzang : Et misericordia ejus timentibus eum. Ik haal al deze plaatsen der H. Schrift voor u aan, godvruchtige ziel, opdat gij goeden moed zoudt honden wanneer gij soms gekweld wordt door de gedachte, of gij wel zalig zult worden, en of God u wel heeft voorbeschikt; immers uit al die beloften welke God u doet, ziet gij hoe groot Zijn verlangen is om u zalig te maken, zoo gij slechts besloten zijt Hem te dienen en Hem te beminnen, gelijk Hij het van u vraagt.

1) Ps. ü7. 21.

-ocr page 488-

— 462 —

19) Gebeurt het u dat gij eene tijding nova

ontvangt die u behaagt, doe dan niet Heei

gelijk sommige ontrouwe en ondankbare weid

zielen doen, die tot God gaan in den heek

tijd van beproeving, maar Hem in den nade

tijd van voorspoed vergeten en ver- heer

laten; neen betoon aan God denzelfden 2(

trouw, dien gij betoonen zoudt aan een moe

vriend die u bemint en zich over uw o-clu

O

geluk verblijdt, ga Hem aanstonds uwe lem

vreugde mededeelen, loof en dank Hem, is ■

het geheel beschouwende als een geschenk vrie

van Zijne hand: verblijd u over uw ovei

geluk omdat het u toekomt door Zijn heu

goddelijk welbehagen; laat alzoo uwe Goc

vreugde en uw troost geheel in Hem zijn: dik

Exultabo in Deo Jesu meo. 1) Cantaho her

Domino qui bona tribuit mihi. 2) Zeg ove

Hem: o mijn Jesus ik zegen u en ik zal wa:

u immer zegenen voor al die genaden, die zei

gij mij schenkt, want ja, geen genade ;

verdiende ik, maar kastijd mij, omdat ik dal

U zoo dikwijls heb beleedigd ; zeg Hem bes

met de gewijde Bruid; Omnia poma hel

18. —

-ocr page 489-

— 463 —

nova et vetera servavi tibi clilecte mi. 1) Heer, ik dank U; ik bewaar al Uwe weldaden, zoowel van vroeger als van heden, in mijne herinnering om er U naderhand voor te loven en te verheerlijken in alle eeuwigheid.

20) Doch als gij uwen God bemint, moet gij u meer verhevigen over het geluk van God dan over uw eigen geluk. Iemand die veel van zijn vriend houdt, is dikwijls over het geluk, dat zijn vriend te beurt valt, meer verheugd dan over het geluk, dat hij zelf geniet. Verheug u dan bij de gedachte, dat uw

is, zeg Hem

gelukkig

God oneindia

dikwijls: O mijn beminde Heer, ik verheug mij meer over uw geluk dan over eenig goed van mij zeiven, ja want ik bemin U meer clan ik mij zeiven bemin.

21) Een ander bewijs van vertrouwen, dat ten zeerste aan uwen God behaagt, bestaat hierin: wanneer gij een fout hebt bedreven, schaam u dan niet u

1) Cant. 7. 13.

-ocr page 490-

— 464 —

aanstonds aan Zijne voeten te werpen cu Hem vergeving te vragen. Bedenk het toeli wel: zoozeer is God geneigd om den zondaren vergiffenis te schenken, dat Hij treurt over hun ongeluk, wanneer zij zich van Hem verwijderen en voortleven, dood aan Zijne genade. Vandaar dat Hij hun met zooveel liefde toeroept: Quare moriemim, domus Israel? lievertimini et vivite. 1) Waarom zoudt gij sterven, huis van Israel, keert weder en leeft. Hij belooft de ziel die Hem verlaten heeft, als zij in Zijne armen terugkeert, aanstonds te zullen ontvangen. Conver-timini ad me et ego convertar ad vos. 2) O, als de zondaren eens begrepen met welk eene liefde de Heer hen afwacht om hun vergiffenis te schenken! Expectat Donunus ut misereatur vestri. 3) O, dat zij het verlangen kenden, hetwelk Hij heeft, niet om hen te kastijden, maar om hen bekeerd te zien, om hen te omhelzen en aan zijn hart te drukken! God immers

1) Ez. 18. 31, 32.

2) Zach. 1. 3.

3) Ia. 30. 18.

-ocr page 491-

— 465 —

verklaart onder eede, dat Hij niet den dood des zondaars wil, maar dat deze zich bekeere en leve: Vivo ego, dicit Dominus Deus, nolo mortem impii, secl ut convertatur impius a via sua, et vivat. 1) Ja, Hij gaat zoover, dat Hij de zondaren oproept Hem te besclmldigen indien Hij Imn geen vergiffenis zou schenken. Et venite et anjuite me, dicit Dominus : si fuerint peccata vestra ut coccinum, quasi nix dealhabuntur. 2) Als zeide Hij: Zondaren, hebt berouw dat gij Mij beleedigd hebt, en komt dan tot Mij; en indien Ik ii geen vergiffenis schenk, arguite me werpt het Mij dan tegen, behandelt Mij als een ontrouwe; maar neen. Ik zal Jlijn woord niet breken, neen, al was uw geweten ook zoo rood als karmozijn; indien gij tot Mij komt, zal Ik het met Mijne genade zoo wit maken als sneeuw.

22) Eindelijk heeft Hij nog uitdrukkelijk verklaard, dat zoodra eene ziel berouw heeft Hem vergramd te hebben Hij al

1) Ez. 33. 11.

2) Is. 1. 18.

30

-ocr page 492-

— 466 —

hare zonden vergeet. Omnium iniquitatum ejus non recordabor. 1) Als gij dus valt in een of andere fout, lief dan aanstonds uwe oogen op tot God, doe Hem een betuiging van liefde, belijd uwe fout, en vertrouw vast op vergiffenis. Zeg dan tot God: \'Heer, quem amas injirmntur; dat hart hetwelk U bemint, het is krank, het is vol wonden. Sana animam meam, quia peccavi tihi. Heer, Gij gaat rond om zondaren te zoeken, die berouw hebben, zie hier aan uwe voeten een zondaar die naar U zoekt; het kwaad is geschied, wat zal ik doen ? Gij wilt niet, dat ik het vertrouwen verlieze, neen ondanks mijne zonde wilt Gij mij nog alle goeds, en ook ik, ik bemin U nog; ja mijn God, ik bemin U uit geheel mijn hart, ik heb berouw over het misnoegen, dat ik U heb aangedaan, ik neem mij voor het nooit meer te doen; welaan Gij, die een God zijt, mavis et mitis et copiosus in misericordia, die God zoo zoet, zoo zachtzinnig, zoo overvloeien-

1) Ez. 18. 29.

-ocr page 493-

— 467 —

de van barmhartigheid, schenk mij vergiffenis, zeg ook tot mij gelijk Gij het eens zeidet tot Magdalena: remittuntur tibi peccata tua uwe zonden zijn u vergeven,. en geef mij kracht om U in dc toekomst getrouw te zijn.

23) Werp vooral in zulke oogen-blikken een oogslag op den gekruisten Jezus, opdat gij niet ontmoedigd moogt worden, hied den hemelschen Vader Jezus\' verdiensten aan, en vertrouw vastelijk op vergiffenis, immers om aan n vergiffenis te schenken, propria Filio non pepercit heeft God Zijn eigen Zoon niet gespaard. Zeg daarom vol vertrouwen: respice in faciem Christi tui, o mijn God sla Uw oogen op Uwen Zoon, voor mijne zaligheid gestorven; welaan dan om dc liefde van dien Zoon, erbarm U en sclicnk mij vergiffenis. Geef, godvruchtige ziel, bijzonder acht op dezen wenk, welke door de leermeesters van het geestelijk leven eenparig gegeven wordt, zorg toch dat gij, na een fout te hebben begaan u aanstonds tot God wendt, ook zoudt ge er op éénen dag honderd-

-ocr page 494-

— 408 —

maal in hervallen; en als gij dat gedaan hebt, moet gij, gelijk gezegd is, aanstonds gerust zijn, want blijft de moedeloosheid en de verwarring door de fout veroorzaakt in uwe ziel voortduren, dan zult gij u maar weinig meer met God onderhouden, gij zult het vertrouwen verliezen, uw ijver om Hem te beminnen zal verkoelen en gij zult slechts geringen voortgang kunnen maken op den weg des Heeren. Gaat gij daarentegen aanstonds naar God om Hem vergiffenis te vragen en beterschap te beloven, dan zullen uwe tekortkomingen zelve u dienen om nog meer vooruit te gaan in de goddelijke liefde. Bij vrienden, die elkander van harte beminnen is het niet zeldzaam, dat wanneer de een den ander iets misdaan heeft, doch zich daarna vernedert en vergiffenis vraagt, de vriendschap nog nauwer wordt dan te voren; laat het alzoo ook bij u zijn. Zorg, dat uwe fouten u dienen om u nog inniger met God te vereenigen in de liefde.

24) Hebt gij een twijfel, omtrent u

-ocr page 495-

— 469 —

zelven of omtrent anderen, doe dan wat getrouwe vrienden in zulke gevallen gewoon zijn : zij zoeken in nlles bij elkander raad. Laat nooit na dat blijk van vertrouwen ook aan God te geven, vraag Hem raad, bid Hem dat Hij u verlichte en u belpe beslissen wat Hem behagelijk is. Da verhum in ore men et in corde meo consilium. 1) Zeg Hem : lieer, wat wilt Gij, dat ik doe, of wat moet ik antwoorden, zeg het mij, ik zal doen gelijk Gij het zegt. Loquere, Domine, quia audit servus tuns. 2)

25) Toon dat vertrouwen ook door Hem behalve uw eigen benoodigdheden ook die van anderen aan te bevelen. Hoezeer behaagt het aan uwen God, als gij bijwijlen uw eigen belangen vergetende. Hem spreekt over de belangen Zijner glorie, over de ellende van anderen, vooral van hen die bedrukt van harte zijn, van de zielen in het

1) Judith 9. 18.

2) 1 Eeg. 3. 9.

-ocr page 496-

— 470 —

vagevuur, Zijne beminde bruiden, die zoozeer naar Zijn Heilig Aanschijn verzuchten, en van de arme zondaren die beroofd van Zijne genade leven. O Heer, zoo moet gij zeggen, inzonderheid voor deze laatsten, o Heer, Gij zijt zoo beminnelijk, Gij verdient eene oneindige liefde, en hoe kunt Gij het dan aanzien, dat zoovelen op deze wereld, ofschoon Gij hun zoovele weldaden bewijst, IJ toch niet willen kennen, U weigeren te beminnen, ja zelfs U durven be-leedigen en verachten ? Ach mijn allerbeminnelijkste God, doe U kennen, doo U beminnen. Sanctijicetur nomen tuum, adveniat reynum tuum, moge toch Uw heilige naam aanbeden en bemind worden door allen, moge Uwe liefde in alle harten heerschen. O laat mij toch niet van U weggaan zonder dat Gij mij eenige genade hebt geschonken voor de arme zielen, voor wie ik U bid.

26) Men zegt, dat er in het vagevuur een bijzondere straf is (straf van verlangen genaamd) voor de zielen, die tijdens hun leven weinig verlangd hebben

-ocr page 497-

— 471 —

it

naar liet paradijs. En met reden, want het verraadt weinig waardeering voor dat groote goed, voor dat eeuwige Koninkrijk, dat onze Verlosser ons met Zijnen dood heeft moeten verdienen, als wij niet vurig er naar verlangen. Vergeet daarom niet godvruchtige ziel, dikwijls naar het paradijs te verzuchten, zeg tot uwen God, dat gij een zoo vurig verlangen hebt om Hem van aanschijn tot aanschijn te mogen aanschouwen en beminnen, dat de tijd u hier beneden wel duizend jaren toeschijnt. Haak er vurig naar te mogen heengaan uit dit ballingsoord, uit deze plaats van zonde en gevaren, om te worden opgenomen in dat land van liefde, waar gij uwen God uit al uwe krachten zult beminnen; zeg Hem dikwijls: o Heer, zoolang ik op deze aarde leef, ben ik altijd in gevaar U te verlaten en beroofd te worden van Uwe liefde; wanneer zal ik, na dit leven waarin ik U immer heleedig te hebben verlaten, het geluk hebben U te beminnen met geheel mijne ziel, en mij met U vereeni-

-ocr page 498-

— 472 —

gen zonder vrees van U nog ooit te verliezen? Ziedaar het onophoudelijk verlangen van de H. Theresia; telkens als zij de klok hoorde slaan verheugde zij zich bij de gedachte, dat er al weder een uur voorbij was van haar leven en van het gevaar haren God te verliezen. Zóó vurig verlangde zij naar den dood om tot de aanschoviwing van God te komen, dat zij stierf van verlangen om te sterven; vandaar dat lied vol liefde hetwelk zij vervaardigde:

„I/v sterf tvijl ik niet sterven kan.quot;

27) In een woord, wilt gij het liefdevol Hart van uwen God genoegen geven, zorg dan zoo dikwijls gij maar kunt met Hem te spreken, doe het zonder ophouden en met alle mogelijke vertrouwelijkheid; de Heer van Zijnen kant zal het niet beneden zich achten, u ook te antwoorden, en op Zijne beurt ook met u te spreken. Hij zal u wel is waar niet toespreken met woorden die verstaanbaar zijn voor uwe ooren, maar met woorden zeer wel verstaanbaar voor uw hart; zoo gij u tenminste losmaakt

-ocr page 499-

— 473 —

van den omgang met de schepselen en u gewent alleen, van hart tot hart u met uwen God te onderhonden: Ducam earn in solitudinem et loquar ad cor ejus. 1) Hij zal u dan toespreken: door die heilige ingevingen, door die inwendige verlichtingen, door die openbaringen van Zijne goedheid, door die zoete beroeringen des harten, door die blijken van vergeving, door dat gevoel van vrede, door die hoop op den hemel, door die inwendige vervoeringen van blijdschap, door die zoete vertroostingen Zijner genade, door die liefdevolle omhelzingen en blijken van teederheid, in een woord Hij zal u toespreken met die woorden van liefde, wel bekend aan de zielen die Hij bemint en die niets anders dan God zoeken.

28) Ten slotte wil ik u hier, als korte samenvatting van alles wat wij boven gezegd hebben, een praktische manier aangeven om alle handelingen van den dag aan God welgevallig te maken. Des morgens bij uw ontwaken

1) Os. 2. 14.

-ocr page 500-

— 474 —

moet uw eerste gedachte zijn, uw hart tot God te verheffen, door Hem het offer aan te bieden van alles wat gij dien dag zult doen of lijden, en den bijstand af te bidden Zijner genade. Doe vervolgens de gewone akten voor den morgen, d. i. betuig God uwe dankbaarheid, doe een akte van liefde, bid om genade en maak het voornemen dien dag zóó door te brengen alsof hij de laatste was van uw leven. Pater Saint-Jure geeft den raad om des morgens eene overeenkomst met God te maken, door bijv. te bepalen dat zoo dikwijls wij een bepaald teeken zullen maken, bijv. onze hand naar ons hart zullen brengen of onze oogen opslaan naar den hemel of naar het kruis of iets dergelijks, wij daarmede bedoelen een akte te doen van liefde, van verlangen om God door allen bemind te zien, van een algeheele toewijding van ons zeiven of iets dergelijks. Nadat gij dan de bovengenoemde akten hebt verricht en uwe ziel gesteld hebt in de zijde van Jezus Christus en onder den mantel van

-ocr page 501-

— 475 -

Maria, nadat gij den Hemelsehen Vader hebt gebeden u ter liefde van Jezus en Maria dien dag te bewaren, zorg clan vóór al uwe andere bezigheden eenigen tijd toe te wijden aan het gebed of de overweging, en wel minstens een half uur. Overweeg bij voorkeur de smarten en verguizingen, die Jezus Christus verduurd heeft in Zijn lijden. Dit onderwerp is aan de godminnende zielen het dierbaarst, en het meest in staat hen in de liefde Gods te doen ontvlammen. Drie devotie\'s moet gij zoo gij wilt vooruitgaan, bijzonder ter harte nemen; de devotie tot het lijden van Jezus Christus, tot het H. Sacrament, en tot de allerheiligste Maagd Maria. Verder wat het gebed aangaat, zorg daarin dikwijls de akten te herhalen van berouw, van liefde en toewijding van u zeiven. De eerbiedwaardige Pater Carolus CarafEa, Stichter van de „Pii operarüquot; zeide, dat een vurige akte van liefde die men des morgens in het gebed doet, voldoende is om de ziel den ge. heelen dag te bewaren in den ijver.

-ocr page 502-

— 476 —

29) Volbreng ook nauwkeurig uwe andere godvruchtige oefeningen zooals biecht, H. Communie, brevier enz. Wanneer gij u met uwe viitwendige zaken gaat bezighouden, zooals studie, handwerk of andere bezigheden, aan uwen staat eigen, vergeet dan niet bij het begin van elke handeling de toewijding aan God. Smeek Hem om Zijne hulp, opdat gij alles zonder fout doen moogt, verzuim ook niet op het voorbeeld van de H. Catharina van Siena u dikwijls terug te trekken in de cel van uw hart om u daar met God te vereenigen. In een woord, wat gij ook doet, doe het alles met God en voor God. Wanneer gij uw kamer of uw huis verlaat, en eveneens wanneer gij er in terugkeert, beveel u dan immer door een Wees gegroet in de bescherming der allerheiligste Maagd. Gaat gij naar tafel, draag dan aan God op hetgeen u bij het eten of drinken weerzin verwekt of hetgeen u smaakt, en betuig Hem bij het einde uwen dank, zeg Hem „o Heer, wat zijt gij toch goed voor iemand die u zoozeer heeft beleedigdquot;. Vergeet door den

-ocr page 503-

— 477 —

dag niet uwe geestelijke lezing te doen, alsook uw bezoek bij het allerheiligst Sacrament en bij de allerheiligste Maagd Maria, noch ook des avonds uw rozenkrans te bidden en het gewetensonderzoek te verrichten met de akten van geloof, hoop, liefde en berouw, het voornemen om u te beteren en om de sacramenten te ontvangen in uw leven en bij uwen dood, maak daarbij ook de meening om alle af-fiaten te verdienen, die er aan verbonden zijn. Als gij u te bed begeeft, denk er dan aan dat gij reeds in het vuur der hel moest liggen, en leg u ter ruste in de omhelzing van het kruis zeggende: In pace in idipsurn dormiam et requiescam. 1) In vrede, in de bescherming des Ileeren zal ik slapen en rusten.

30) Bij deze gelegenheid wil ik in \'t kort de vele aflaten aangeven die aan verschillende gebeden of godvruchtige oefeningen verbonden zijn. Het is daarom goed, dat gij reeds des morgens de meening maakt om dien dag al de aflaten

1) Ps. 4. 9.

-ocr page 504-

— 478 —

die gij kunt te verdienen. Iemand die gelijk boven is aangeduid, de akten doet van geloof enz. kan een aflaat verdienen van 7 jaren iederen dag, en als hij hiermede een maand voortgaat, een volle aflaat, 1) welke toepasselijk is op de geloovige zielen en ook op hem zeiven in articulo mortis (op het oogenblik van sterven). Maak evenzoo de meening om al de aflaten te verdienen die verbonden zijn aan het bidden van het rozenkransgebed aan een gewijden rozenkrans, aan het bidden van het „Engel des 11 ter en \\ van driemaal daags de litanie van O. L. V., het Salve Reyina, het Wees gegroet en het Glorie zij den Vader: aan het schietgebed : Gezegend zij de onbevlekte en allerzuiverste Ontvangenis der gelukzalige Maagd Maria; alsmede aan het schietgebed : Geloofd zij nu en ten allen tijde het allerheiligste Sacrament, aan het bidden van het gebed: Anima Christi

1

Op een dag in de maand naar verkiezing, mits men biechte, communiceere en bidde tot intentie van Z. H. (Zie Falise^Congr. Indulg. Besol. Authent.quot;)

-ocr page 505-

— 479

ziet van Christus heilig mij; aan clc buiging van liet hoofd bij het Gloria Patri en bij de H.H. namen van Jezus en Maria, ook aan het Mis hooren en het houden van eene overweging gedurende een half uur, waaraan behalve de gedeeltelijke, nog een volle aflaat verbonden is voor ieder die dit volhoudt gedurende een maand, en daarbij biecht en Communiceert, 1) benevens de aflaten die men verdient door te knielen voor het allerheiligst Sacrament en door het kussen van het kruis. -—• Heb immer de meening om al de aflaten te verdienen, die gij kunt.

31) Om u nu in dit leven zooveel mogelijk ingetogen en met God vereenigd te houden, moet gij trachten om bij alles wat gij ziet of hoort uwe gedachten te verheffen tot God of ten minste een blik te werpen op de eeuwigheid. Bij voorbeeld, als gij stroomend water ziet moet gij denken dat alzoo ook uw leven voorbij vliet, en gij al meer en meer nabij komt aan den dood. Ziet gij een lamp die

1

Zie vorige bladzijde t. a. p.

-ocr page 506-

— 480 —

door gebrek aan olie uitgaat, denk dan dat alzoo ook eens aan uw leven een einde zal komen. Wanneer gij een begrafenis ziet of een doode, bedenk dan hoe dit lot ook eens liet uwe zal zijn. Ziet gij de grooten dezer aarde zicli verheugen in hunne waardigheden of rijkdommen, heb dan medelijden met hunne dwaasheid en zeg : Wat mij aangaat, ik heb genoeg aan God; Hi in currïbus et hi in equis, nos autem in nomine Domini. 1 ) Zij beroemen zich op die ijdelheden, ik echter, ik wil mij alleen beroemen op de genade van God en op Zijne liefde. Ziet gij den schitterenden lijkstoet of de heerlijke grafsteden van gestorven grooten dezer wereld, zeg dan: Wat baat hun al deze pracht indien zij verdoemd zijn! Aanschouwt gij de zee in rust of dooiden storm beroerd, denk dan aan het verschil dat er bestaat tusschen eene ziel in Gods genade en eene ziel die in zijn ongenade is. Als gij een dorren boom ziet denk dan aan eene ziel zonder God,

1) Ps. 19. 8.

-ocr page 507-

— 481 —

hoc zij voor niets goed is dan om in liet vuur geworpen te worden. Als gij ooit iemand, die schuldig is aan een zwaar vergrijp, van schaamte en angst ziet beven voor Let aanschijn van zijn rechter, zijn vader of overste, stel u dan voor, hoedanig de angst moet zijn van een zondaar voor het aanschijn van den oppersten Hechter Jezus Christus. Wanneer het onweert, en gij eenige vrees govoelt. denk dan aan het sidderen van de rampzalige verdoemden, daar zij in de hel onophoudelijk den donder hooren der goddelijke gramschap. Ziet gij een tor dood veroordeelde, en hoort gij hem vol droefheid uitroepen: „Zoo is er dan voor mij geen redding meer van den doodquot;, stel dan de wanhoop voor van eene ziel die, veroordeeld tot do hel, moet zeggen: zoo is er dan voor mij geen redding meer van het eeuwig verderf!

32) Aanschouwt gij de velden, de oevers der zee, bloemen en vruchten, wier schoonheid en geur u verkwikken, zeg dan: Ziet wat schoone schepselen de Heer op deze wereld gemaakt heeft,

sa

-ocr page 508-

— 482 —

opdat ik Hem toch maar zou beminnen, en welke andere geneugten behoudt Hij mij nog voor in liet paradijs! Wanneer de II. Theresia de sehoone heuvelen of dc heerlijke velden aanschouwde, zcide zij: o hoe verwijt mij dit alles mijne ondankbaarheid jegens God. En de Abt dc Rancé, stichter van la Trappe, zeide dat al dat sehoone hem zijne verplichting herinnerde om God te beminnen. Hetzelfde zeide ook de H. Augustinus, daar hij uitriep : Coelnm et terra et omnia quae in eis sunt, mihidicunt ut amem te. Hemel eu aarde en al wat zij bevatten roept mij toe, dat ik u moet beminnen. Men verhaalt van een vroom dienaar Gods, dat hij de bloemen en planten, die hij in de velden ontmoette dikwijls zachtkens met zijn stok sloeg, terwijl hij zei-de: Zwijgt toch, verwijt mij niet langer mijne ondankbaarheid jegens God, ik heb u verstaan, thans is het genoeg, niet meer daarover. Als de H. Maria Magdalena de Pazzi eene sehoone vrucht of eene bloem in hare handen had, gevoelde zij zich daardoor geheel in goddelijke liefde ontvlammen,

-ocr page 509-

— 483 —

want zij zcidc dan bij ziclizelve; Zie, van alle eeuwigheid hoeft God er aan gedacht om deze vrucht, deze bloem te scheppen, en mij aldus een bewijs van Zijne liefde te geven.

33) Wanneer gij oen rivier of een beek aanschouwt, bedenk dan, dat gelijk dit water voortspoedt naar de zee, zonder ooit stil te staan, ook gij alzoo immer voort moet gaan naar God, mv eenig goed. Gebeurt het u in een voertuig met paarden bespannen te rijden, zeg dan ; Zie, wat geven zich die sehuldelooze dieren een moeite om mij te dienen, en ik, wat moeite geef ik mij voor den dienst en liet welbehagen van mijnen God? Wanneer gij een hondje ziet, dat voor een stukje brood zoo getrouw is aan zijnen meester, bedenk dan hoeveel meer gij verplicht zijt aan God getrouw te zijn die u heeft geschapen, die u bewaart, in al uw behoeften voorziet en u overlaadt met zoovele weldaden. Wanneer gij het gezang der vogelen hoort, zeg dan; hoort gij, mijne ziel, hoe die diertjes den lof zingen van hunnen Schepper ? en gij, wat

-ocr page 510-

— 484 —

doet gij \'? O loof gij Hem ook met aktcu van liefde. Hoort gij daarentegen het ekraai van een liaan, denk er dan aan dat ook gij, gelijk Petrus, een tijd lang uwen God hebt verloochend, en vernieuw alsdan mv smart en uwe tranen. Eveneens, als gij het huis of de plaats ziet. waar gij vroeger gezondigd hebt, keer u dan tot God en zeg Hem : Delicto,juven tutis meae et ignorantias meas ne memi-nerts, I)online. 1) Be zonden mijnerJeugc. en mijne misslagen, gedenk ze niet, o lieer.

34) Aanschouwt gij de dalen, bedenli dan dat gelijk die dalen hunne vruchtbaarheid danken aan het water dat van de bergen vloeit, eveneens do genaden des hemels neerdalen op de nederige zielen — maar de hoovaardigen verlaten. Ziet gij eene schoon versierde kerk, stel u dan de schoonheid voor eener ziel in staat van genade, daar ook deze een tempel van God is. Wanneer gij de zee aanschouwt, overweeg dan Gods onmete lijkheid en grootheid. Ziet gij een vuur

1) Ts. 24. 7.

Ö

-ocr page 511-

— 48ö —

of een ontstoken kaars op een altaar, zeg dan : hoeveel jaren moest mijne ziel reeds branden in het vuur der liel! maar omdat gij, o mijn God, mij niet in dat eeuwig vuur . licbt willen neerstorten, zoo maak dat nu mijn hart gelijk dat hout of die kaarsen moge branden uit liefde tot U. Aanschouwt gij den sterrenhemel, zeg dan met den II. Andreas Avellinus: o mijne voeten, eenmaal zult gij die sterren des hemels betreden.

35) Herinner u ook dikwijls de liefdegeheimen van onzen goddelijken Verlosser. Ziet gij stroo of ontmoet uw oog een kribbe of een grot, denk dan aan liet kindje Jezus in den stal van Bethlehem. Ziet gij een zaag, een hamer, een schaaf of een boor, denk er dan aan, hoe Jezus als een eenvoudige leerknaap gewerkt heeft in den winkel van Nazareth. Ziet gij koorden, doornen, nagelen, balken, denk dan aan Jezus\' smarten en dood. Wanneer de H. Fran-eiseus van Assisie een lam zag, begon hij te weenen en zekle: gelijk een lam werd mijn Heer voor mij ter slachtbank

-ocr page 512-

— 486 —

geleid. Ziet g-ij verder een altaar, een kelk, een pateen, herinner u dan welke groote liefde Jezus ons betoond heeft door zich zeiven aan ons te geven in het H. Sacrament des Altaars.

36) OJïer u gedurende don dag dikwijls aan God op, gelijk dat de H. Theresia deed. Zeg Hem: zie hier ben ik, lieer, doe mij kennen waarmede ik U genoegen kan doen, ik ben tot alles bereid. Doe vooral ook, zoo dikwijls gij maar kunt, akten van liefde. De akten van liefde, gelijk dezelfde II. Theresia zeide, zijn het hout, waarmede het vuur der goddelijke liefde in ons hart aan liet branden wordt gehouden. De eerbiedwaardige zuster Seraphina do Capri eens overwegende hoe het muildier van het klooster zijnen God niet beminnen kon, begon het te beklagen en zeide: „Arm dier, gij kunt uwen God niet beminnen!quot; Op hetzelfde oogenblik begon het muildier zoo bitter te weenen, dat men de tranen als beken uit zijne oogen zag vloeien. Laat alzoo het gezicht van een redeloos dier, dat niet in staat is God te beminnen,

-ocr page 513-

— 487 —

voor u cene aansporing zijn om dit van uwen kant des te meer te doen, daar gij 7.00 gelukkig zijt liet te kunnen. Valt gij in eene fout, zorg dan u aanstonds te vernederen en met een akte van liefde, zoo vurig mogelijk, weder op te staan. Treft ii een of andere tegenspoed, zorg dan aanstonds uwe moeielijklieid aan God op te dragen en onderwerp u aan Zijnen Ileiligen wil; gewen u immer bij alle tegenkanting te herhalen; „Omdat God het zoo wil, wil ik het ook.quot; Die akten van overgeving zijn onder alle akten van liefde het aangenaamst en het dierbaarst aan het Hart van God.

37) Wanneer gij over oen of andere zuak moet beslissen of een gewichtigen raad moet geven, neem dan alvorens te handelen of uw antwoord te geven, eerst uwe toevlucht tot God. Gewen u om evenals de II. Rosa van Lima, door den dug zoo dikwijls gij maar kunt e herhalen: Deus in adjutorium tneum \'.ntendi gt; lieer, help mij, laat mij niet o er aan mij zeiven. Wend u daaiom dikwijls tot liet beeld van den Gekruiste of van de

-ocr page 514-

— 488 —

Allerheiligste Maagd Maria, en wees vooral bezorgd dikwijls de II.11. namen aan te roepen van Jezus en Maria, vooral ten tijde der bekoring. God, die van oneindige goedheid is, heeft het grootste verlangen ons deelachtig te maken aan Zijne genaden. De eerbiedwaardige Pater Balthasar Alvarez aanschouwde onzen goddelijken Zaligmaker eens met de handen vol genaden, terwijl Hij rondging en zocht om ze te kunnen uitdeelen. God evenwel wil, dat wij er Hem om vragen, petite et accipietis, vraagt en (jij zult ontvangen; doen wij dit niet, dan trekt Hij zijne hand terug; daarentegen opent Hij ze bereidwillig voor een ieder die Hem aanroept. Wie, zegt de Ecclesiasticus, heeft ooit zijn toevlucht tot God genomen, en werd door Hem verstooten zonder verhooring te vinden ? Quis invoeavit eum, et despexit ilium? 1) En David zegt, dat de Heer dengenen, die Hem aanroepen niet slechts barmhartigheid, maar zelfs groote barmhartigheid betoont.

1) Eccli 2. 12.

-ocr page 515-

— 489 —

Quonidm hi, Domine, swan\'s et mitis et multac misericordiae ornnlhus invocanti-hus te. 1)

38) O hoe goed en ijverig is de Heer voor een ieder, die Hem uit liefde zoekt! Bonus est Dominus anhnue qnaerenti Illum. 2) Als Hij zich zelfs laat vinden door hen, die Hem niet zoeken: Inventus sum a non quaerentibus me, 3) met hoeveel te meer bereidwilligheid zal Hij zich dan laten vinden door iemand die Hem zoekt, en die Hem zoekt om Hem te dienen en Hem te beminnen\'? Eindelijk, de rechtvaardige zielen moeten zich, gelijk de H. Theresia zegt, in de beoefening der liefde gedragen gelijk de zalige zielen in den hemel. Gelijk de heiligen in den hemel zich met niets bezighouden dan met God, geen andere gedachte, geen ander genoegen hebben dan Zijne glorie en Zijne liefde, zoo moet het ook met u zijn. Eeeds hier op deze wereld moet God uw eeuig geluk zijn, God hot eenig voor-

1) Ps. 85. 5.

2) Thren. 3. 25. S Bom. 10. 20.

-ocr page 516-

— 490 —

werp van al uw genegenlicid, liet eenig doel van al uwe handelingen en begeerten, tot gij eenmaal zult komen in liet rijk des liemels, waar uwe liefde geheel volmaakt en voltooid zal worden, waar al uwe verlangens ten volle zullen worden vervuld en bevredigd.

—oc^f) xrgt;gt; yrgt;.

-ocr page 517-

§ IV.

RAADGEVINGEN TER VERLICHTING EN BEMOEDIGING VAN EENE TROOSTELOOZE ZIEL.

GEESTELIJK ONDERHOUD TUSSOHEN DEX SOHBIJVEE EN EENE ZIEL, \'WELKE HEM OJI KAAD VRAAGT IN HARE ZIELSKWELLINGEN.

Bisschop. Welaan, laat mij eens \'JlMI hooren welke die gewetensangsten zijn, die u, naar gij zegt, zoo kwellen.

De Ziel. Mijn vader, reeds sedert drie jaren ben ik inwendig zóó dor en troosteloos, dat ik nergens, noch in liet gebed, noch voor het H. Sacrament, noch in de II. Commnnie mijnen God vind. liet is mij alsof ik eene ziel ben zonder liefde, zonder geloof en hoop, in één woord, verlaten van God. Noch het lijden van Jezus Christus, noch het H. Sacrament

-ocr page 518-

— 492 —

des Altaars maken op mij eenigen indruk moer, ik ben ongevoelig geworden voor alle devotie. Het is waar, ik heb dit alles verdiend om mijne zonden, waarvoor ik reeds moest branden in de hel.

Bis. In één woord, gij leeft dus reeds sedert lang in dorheid. Om u echter een juist antwoord te kunnen geven, moet ik weten of die dorheid vrijwillig is of niet ? Ik wil u mijne bedoeling verklaren : vrijwillige dorheid noem ik het, als de ziel zich schuldig maakt aan vrijwillige en voorbedachtelijke fouten, zonder dat zij haar best doet er zich van te beteren. Dit evenwel is eigenlijk geen dorheid, maar lauwheid: een toestand van dien aard dat, als de ziel geen geweld gebruikt om er uit op te staan, zij immer van kwaad tot erger zal komen; en God geve dat zij met verloop A\'an tijd nog niet in dieper ellende ver-valle. Deze soort van dorheid is als een teringkoorts, welke niet op eens doodt, maar toch den dood onvermijdelijk aanbrengt. De dorheid echter is onvrijwillig, wanneer de ziel haar best doet om op

-ocr page 519-

— 493 —

don weg flor volmaaktheid vooruit te gaan, do voorbedachte fouten vermijdt, goed bidt, dikwijls de sacramenten ontvangt, cn met dit al zich toch inwendig dor gevoelt. Komen wij ter zake: Gij hebt mij gesproken van zonden uit uw vroeger léven, hebt gij die zonden gebiecht ?

Ziel. Ja Vader, ik heb cr eene generale biecht van gedaan, meermalen zeli\'s heb ik zc beleden.

Bis. En wat zegt uw geestelijke bestuurder ?

Ziel. Hij heeft mij verboden nog ooit over dingen van mijn vorig leven te spreken; doch ik gevoel mij altijd ongerust want ik ben altijd bevreesd dat ik mij niet duidelijk genoeg verklaard heb. Daarenboven word ik gekweld door duizenderlei bekoringen van ongeloof, van onzuiverheid en hoogmoed; ik bestrijd ze wel, maar toch altijd kwelt mij de vrees, (lat ik er zwijgend ecnigszins in heb toegestemd.

Bis. En uw bestuurder, wat zegt hij betreffende die slechte gedachten ?

-ocr page 520-

— 494 —

Ziel. Hij wil niet dat ik cr mij van beschuldige, of ik moest zonder aarzelen kunnen zweren, dat ik er in lieb toegestemd. En gij Vader, wat zegt gij mij ? ik bid u mij eenigen raad te geven en mij wat op te beuren.

Bis. Wat ik u zeg? Ik zeg u dat gij meer vertrouwen moest hebben in de gehoorzaamheid aan uwen bestierder. Hebt gij nooit gelezen wat de H. Philippus Jserius leert? 1) Iemand, zegt hij, die aan zijnen biechtvader gehoorzaamt, kan er gerust op zijn, dat hij aan God geeu rekenschap zal behoeven te geven van hetgeen hij doet. Verder zegt de heilige, dat men op zijn biechtvader steeds ten volle moet vertrouwen, daar God niet zal toelaten, dat hij dwaalt; ook zegt hij, dat er geen zekerder middel is om de strikken des duivels te verbreken dan in de goddelijke dingen te gehoorzamen aan den wil van zijnen geestelijken bestierder, dat er daarentegen niets gevaarlijker is dan zich te willen regelen volgens eigen inzicht.

1) Bacci. L. 1. o. 20.

-ocr page 521-

— 495 —

Hebt gij den H. Iranciscus van Sales nooit gelezen ? 1) deze heilige schrijft van de gehoorzaamheid aan den zielsbestierder als volgt; „Ziehier de gewichtigste aller lessen; wat moeite gij ook doet, zegt do godvruchtige Avila, nooit zult gij zoo zeker den wil van God vinden, dan langs den weg dezer nederige gehoorzaamheid, door alle \'godvruchtigen der oudheid zoo-| zeer aanbevolen en beoefend.quot; In den zelfden zin schrijft ook de II. Theresia. 2) „De ziel,quot; zegt zij, „wende zich tot haren biechtvader, met het vaste besluit, daarna niet meer aan hare zaak te deuken, maar zich geheel te verlaten op het woord des Zaligmakers; Qui vos audit me audit. 3) Die u hoort, hoort mij. God stelt deze onderwerping op zoo hoogen prijs, dat, zouden wij ook de grootste moeielijk-heid ondervinden om te gehoorzamen, ja, hetgeen de biechtvader oordeelt, geheel verkeerd achten, indien wij het slechts

1) Introd. p. 1. O. 4.

2) Fond. c. ó.

3) Luo. 10. 16.

-ocr page 522-

— 496 —

doen, hetzij dan met tegenzin of zonder tegenzin, wij zeker Gods wil volbrengen.quot; En de heilige Joannes van het Kruis zegt, sprekende in naam van Jezus Christus: ,,Als gij uw vertrouwen weigert aan de biechtvaders, dan weigort gij het aan mij, wijl ik gezegd heb: die U veracht, veracht mij.quot; 1) Vorder zegt hij in No. 8: „Zich niet willen neerleggen bij hetgeen dooiden biechtvader gezegd wordt, is hoogmoed en gebrek aan geloof.quot; Do heilige zegt dit om de reeds boven aangehaalde woorden van Jezus Christus: Qui vos audit me audit. Die U hoort, hoort mij. Vandaar geeft de H. Franciscus van Sales de volgende allernuttigste grondregels: „I. Nooit is iemand verloren gegaan, die oprecht gehoorzaam was. II. Men moet tevreden zijn, wanneer men van zijn ziels-bestierdor weet, dat men op den goeden weg is, zonder te trachten dit zelf in to zien.quot; Een gewichtige les voor de angst-vallige zielen, welke immer de redon willen weten van hetgeen dezielsbestierder

1) Trait, delle spiuo t 3. coll 4. § 2. n. 2.

-ocr page 523-

— 497 —

hun oplegt. Ten III\'\'voegt deH. Franciscus van Sales als gevolgtrekking van den voorgaande er een anderen sclioonen grondregel bij. „Het bestequot;, zegt hij, „is in dit leven te wandelen met een blind vertrouwen op de goddelijke voerzienigheid te midden van duisternissen en twijfelingen.quot;

Overigens omtrent die gehoorzaamheid aan den zielsbestierder als men in twijfel is, zijn alle Leeraren der Kerk en alle heilige Vaders het eens; laat ik hier als bewijs slechts het woord aanhalen van den H. Bernardus. Deze heilige zegt, dat alles wat ons door den mensch in naam van God wordt opgelegd, zoolang het niet klaarblijkelijk zonde is, niet anders moet worden aangenomen dan. alsof het een bevel van God zelf ware; Quidquid vice Dei praecipit homo, quad non sit tarnen certurn displicere Deo, haud secus omnino accipiendum est qnam si praecipiat Deus. 1)

In één woord, die gehoorzaamheid aan zijne gewijde dienaren is het zekerste, ja

1) De Etaec. et Disp. c. 12.

-ocr page 524-

— 498 —

het eenige middel, dat Jezus Christus ons heeft aichtergelaten om de twijfelende gewetens tot rust te brengen, en daarvoor moeten wij Hem ten hoogste dankbaar zijn. Hoe toch zou anders een angstvallige ziel in hare twijfelingen ooit een volkomen rust kunnen vinden ? Die gewetensangsten (welke de bitterste kwelling zijn voor de godminnende zielen, veel grieven-der dan alle andere beproevingen, dan ziekten, vervolgingen en wat dan ooi zijn het deel geweest van bijna alle heiligen; een H. Theresia, een H. Maria Magdalena de Pazzi, een H. Joanna Francisea Fremiot de Chantal en vele andere zijn er door beproefd geweest; hoe echter zijn zij tot rust gekomen tenzij alleen door de gehoorzaamheid ? Wat zegt gij thans? Zijt gij nu overtuigd, dat gij veilig wandelt wanneer gij gehoorzaamt?

Ziel. Ja Vader, daarvan ben ik overtuigd ; maar hoe komt het dan, dat ofschoon ik ook gehoorzaam, ik toet sinds twee jaren geene godsvrucht meer gevoel ?

Bis. Thans begrijp ik waar het u

-ocr page 525-

— 499 —

scheelt, gij gevoelt den gewenschten vrede niet; maar ik vraag u, wat zoekt •rij ? zoekt gij den wil van God of zoekt gij vertroostingen ? Als gij heilig wilt worden, moet gij van nu af aan niets anders zoeken dan liet welbehagen Gods, die wil dat gij heilig zijt, maar niet, dat gij in dit leven immer overvloeit van troost. Mist gij Gods vertroosting, troost u dan met de hoop, dat gij toch den Vertrooster bij u hebt. Beklaagt gij u over eene dorheid van twee jaren ? De H. Joanna Francisca de Chantal heeft veertig jaren van dorheid moeten verduren. De II. Maria Magdalena de Pazzi verduurde vijf jaren lang de grootste kwellingen en bekoringen zonder de minste verlichting; en toen die tijd voorbij was, vroeg zij zelve aan God, haar op deze wereld toch geen gevoeligen troost meer te geven. De H. Philippus Nerius was zoo brandend van goddelijke liefde en toch zeide hij: „Mijn Jezus, ik heb U nooit bemind, ik zou U toch zoo gaarne beminnen.quot; Een andermaal zeide hij : Nog ken ik U niet o mijn Jeztcs, en daarom

-ocr page 526-

— 500 —

zoek ik U. Een andermaal weder zeidc hij ; Ik wenschte U te beminnen, mijn Jezus, maar ik vind den weg niet. R zoek U en ik kan U niet vinden. Zoo spreken de heiligen, en gij beangstigt u zoozeer, omdat gij dor zijt en uwen God niet vindt, gelijk gij dit zoudt wensclieu\'?

Ziel. Maar dat waren heiligen, docli ik, ik weet niet eens of God mij wel vergiffenis lieeft geschonken van mijne tallooze zonden, omdat ik niet weet of ik daarover wel ooit een goed berouw heb geliad.

Bis. Maar hoe? Hebt gij dan welliehtbehagen in de zonden, die gij bedreven hebt ?

Ziel. O neen, ik verfoei ze, ik haat ze meer dan den dood.

Bis. Welnu, waarom zou God u dan haten ? Gij vreest dat God u haat! O kondet gij eens zien welk eene liefde Hij u op dit oogenblik toedraagt, gij zoudt hier aan mijne voeten levenloos ter aarde vallen van louter troost. Weet gij niet, dat Jezus Christus die goede herder is, die op aarde is gekomen om zijn leven te geven voor de zaligheid van

-ocr page 527-

— 501 —

al zijne schaapjes, ook al hebben zij zich vrijwillig in hot ongeluk gestort ? En hoe zou het Hem clan mogelijk zijn, een schaapje te verlaten, dat bereid is liever te sterven dan Hem vrijwillig ook maar het minste misnoegen te veroorzaken ?

Ziel. Maar wie weet of ik niet heb toegestemd in eene zware zonde en God mij daarom verlaten heeft ?

Bis. Neen, dat kan niet zijn. Het is onmogelijk dat een zoo verschrikkelijk monster als de doodzonde in de ziel woont, zonder dat de ziel dit bemerkt. Geen enkel zondaar, die in Gods ongenade leeft, twijfelt; neen hij is er zeker van Gods genade te hebben verloren. Daarom is het een vaste grondregel van alle meesters van het geestelijk leven, dat zoolang een persoon, die godvreezend is, aan het verlies van Gods genade twijfelt het zeker is, dat zij dezelve niet heeft verloren, om de eenige reden, dat niemand Gods genade verliest, zonder dit zeker te weten.

Z iel. Maar waarom gevoel ik mij dan zonder vertrouwen ?

-ocr page 528-

Bis. Luister eens: het ware vertrouwen bestaat niet in het te gevoelen, maar in het te willen. Wilt gij op God vertrouwen ? Nu, als gij wilt vertrouwen, dan vertrouwt gij.

Ziel. Maar hoe is het dan met mijne liefde tot God ?

Bis. Voor de liefde Gods geldt dezelfde regel als voor het vertrouwen. Ook de liefde is in den wil. Wilt gij God beminnen ? Welnu, als gij . Hem wilt beminnen, dan bemint gij Hem reeds. Gij zoudt den troost willen smaken van te gevoelen dat gij vertrouwt, te gevoelen dat gij bemint; maar God, Hij wil tot uw grooter welzijn, dat gij den troost van dat gevoelig vertrouwen en van die gevoelige liefde niet hebt; troost u dan die deugden te bezitten, ofschoon gij ze niet gevoelt. Hetzelfde zeg ik u omtrent het geloof. Het is genoeg dat gij wt\'K gelooven hetgeen de Kerk u leert, zonder te willen gevoelen, dat gij gelooft. Eens zal de tijd aanbreken, dat al die nevelen zullen verdwijnen en dan zal het licht komen,

-ocr page 529-

— 503 —

hetwelk u dubbel zal troosten. Stel u imniddels tevreden met in duisternis te leven, overgegeven aan Gods H. wil en u verlatend op zijne barmhartigheid.

Laten wij ons daarom sterken met het overwegen van plaatsen uit de II. Schrift. God zegt op eene plaats : Convertimini ad me, ait Duminus exerciliium,et convertar ad vos. 1) Wendt u tot mij, zegt de Heer der heir schar en en ik zal mij tot U wenden. Als wij dus God willen bezitten, laten wij dan de schepselen verlaten; wenden wrij ons vol liefde tot Hem, dan zal ook Hij zich aanstonds vol liefde tot ons wenden. God zegt tot alle menschen; Venite ad me omnes qui laboratis et onerati estis et ego reficiam vos. 2) O gij allen, die bedrukt zijt, komt tot mij, en ik zal u verkwikken. Op een andere plaats vinden wij ; Venite et arguite me, dicit Dominus, si fuerint peccata vestra ut coccinurn, quasi nix dealbabuntur 3) Komt en beschuldigt mij.

1) Zach. 1. 3.

2) Matth. 11. 28.

3) Is. 1. 18.

-ocr page 530-

— 504 —

zegt de Heer: al waren moe zonden zoo rood als karmozijn, zij zullen wit worden als sneeuw. Komt o zondaren, zegt God, komt gij die berouw hebt, en als ik u geen vergifienis schenk, arguite me verwijt het mij dan, behandelt mij als leugenaar; maar neen dat zal niet gebeuren, want al zijn uwe zonden ook nog zoo rood, ik zal ze met mijne genade ■wit doen worden als sneeuw. God loopt in zijne liefde de zondaren achterna, terwijl Hij als het ware weent van medelijden over hun ongeluk. Et qua re mo-riemini, domus Israëli) roept hij uit; Waarom dan, huis van Israël, wilt (jij sterven, als wilde Hij zeggen: Waarom dan, mijne kinderen wilt gij verdoemd gaan, terwijl ik toch zoo bereidvaardig ben om u zalig te maken, indien gij slechts tot mij uw toevlucht neemt ? Welnu, als God zóó spreekt tot zondaren, die verhard zijn, hoe zal Hij dan eene ziel verstooten, die Hem wil beminnen ?

Zeg mij eens in alle oprechtheid, zijt

1) Ez. 33. 11.

-ocr page 531-

— 505 —

gij soms aan iets van deze wereld gehecht, bijv. aan een persoon, aan een of ander goed, voedt gij misschien een verlangen om vertoon te maken en boven anderen den voorrang te hebben ? Denk aan hetgeen de H. Joannes van het Kruis zegt, nl. dat de geringste gehechtheid, het kleinste draadje ons kan beletten tot God op te vliegen en Hem geheel toe te behooren.

Ziel. Neen Vader, met Gods genade meen ik voor geene zaak dezer wereld zooveel gehechtheid te hebben, dat ik mij daarvoor zou willen schuldig maken aan een vrijwillige fout, maar nochtans zie ik mij zelve vol gebreken, het mishaagt mij veracht te worden en als de gelegenheid zich voordoet, maak ik mij somtijds toornig.

Bis. En als dit gebeurd is, wat doet gij dan?

Ziel. Dan verneder ik mij, ik bid God mij te vergeven, en maak vertrouwende op de bijstand van Jezus Christus het besluit niet meer in die fout te hervallen; doch desniettegenstaande blijf ik toch vol vrees en onrust, het

-ocr page 532-

— 506 —

komt mij dan als het ware onmogelijk voor nog heilig te worden, ja het is mij dan, als ware het hoovaardigheid er nog naar te streven.

Bis. Zoo is het goed, blijf dit immer doen, alleen is het niet goed, dat gij zoo ongerust zijt; al valt gij om zoo te spreken ook honderdmaal per dag, doe dan immer hetzelfde: verwek een akte van berouw, maak het voornemen om met Gods hulp niet meer te hervallen, vernieuw uw vertrouwen op Jezus Christus, en wees daarna gerust. Weet ook, dat het geen hoogmoed is, als wij zelfs na eene fout nog hopen heilig te worden ; veeleer zou het hoogmoed zijn, als wij na eene fout den moed lieten zinken, en ons aan neerslachtigheid overgaven, alsof onze besluiten ons de verzekering konden geven van niet meer te vallen. Verneder u daarom, en vertrouw op God.

En nu genoeg, ik heb u verstaan, en in hoofdzaak al uwe kwellingen begrepen; alles komt hier op neer, dat gij niet weet, of gij zalig zidt worden en of gij u voor het tegenwoordige in Gods genade be-

-ocr page 533-

— 507 —

vindt. Gij hebt mij nu genoeg gezegd, stel mij thans over die angsten geen twijfels of vragen meer voor. Daar ik dus uwe gesteltenis genoegzaam ken, zal ik ii eenige wenken geven, die u als gij beangstigd zijt, naar ik hoop den vrede zullen teruggeven. Met vrede bedoel ik hier echter niet dien volmaakten vrede, die vrij is van alle schaduw van vrees; dezen vrede toch behoudt God ons voor in den hemel, want zoolang wij op deze wereld zijn, wil Hij, dat wij immer in zekere vrees verkeeren, opdat wij niet zouden vergeten Zijne goddelijke hulp te vragen en zouden leeren vertrouwen op Zijne goddelijke barmhartigheid ; immers indien wij die vrees niet hadden, zouden wij dikwijls vergeten onze toe-vpicht te nemen tot God. Hij laat dus die angsten toe, opdat wij niet zouden verzuimen tot Hem onze toevlucht te nemen.

BEWEEGREDENEN OM TOT VEKTKOITWEN OP TE WEKKEN OP GODS BAEHIIABTIGHEID EN OP DE VERDIENSTEN VAN JEZUS CHRISTUS.

Er zijn dus, naar gij zegt, vooral twee zaken waarvoor gij bevreesd aijt, voor-

-ocr page 534-

— 508 --

eerst vreest gij, dat gij niet zalig zult worden en vervolgens, dat gij van God nog geen vergiffenis hebt bekomen van uwe zonden. Wat het eerste aangaat: of gij al dan niet zijt opgeschreven in het boek des levens, dat is een geheim; God wil niet, dat wij dit weten, opdat alzoo een ieder vreeze en, gelijk de H. Petrus schrijft, met goede werken zijne zaligheid trachte te verzekeren. Qucipropter, fratres, mayis satagite ut per bona opera certain vestram vocationem et eUctionem faciatis. 1) Wel is waar is het God, die ons moet bekeeren en zalig maken ; doch van onzen kant moeten ook wij zorgen ons tot God te bekeeren, die dan niet in gebreke zal blijven ons tot de zaligheid te brengen. Convertimini ad me et salvi eritis. 2)

Het was een verfoeielijke dwaling van Calvijn te beweren, dat God sommige menschen schept met geen ander doel dan om hen naar de hel te verwijzen; en de ellendige ketter voegt er bij, dat

1) 2 Pctr. 1. 10.

2) Is. 45. 22.

-ocr page 535-

— 509 —

God zelfs die menschen noodzaakt om te zondigen, opdat zij zich aldus zonden verdoemen. Neen het is zeker, God wil de zaligheid van allen. Qui om.nes homines vult salvos fieri et ad agnitionem veritatis venire. 1) Ja God verklaart, dat Hij ook de zondaren, die bepaaldelijk den eeuwigen dood verdienen, nog wil zien bekeeren en zalig worden. Vivo ego, elicit Dominus : Nolo mortem impii, sed ut convertatur impius a via sua et vivat. 2) Zoo waar ik leef, zegt de Heer, ik wil niet den dood des zondaars; maar dat de zondaar zich hekeere, en leve. Tertullianus bemerkt, dat die eerste woorden vivo ego, zoo waar ik leef, een eed bevatten, welken God er bij voegt, opdat wij Hem zonder aarzelen zouden gelooven. Jurans eiiam, „ Vivo /quot; dicens, cup it credi sihi. 3) Vandaar, dat de geleerde Petavius er zich grootelijks over verwondert, hoe sommigen die waarheid, dat nl. God allen zalig wil zien, in twijfel kunnen trekken. Als men, zegt hij, deze

1) 1 Tim. 2. 4.

2) Ez. 33. 11.

3) Tert. de Poen. c. 4.

-ocr page 536-

— 510 —

woorden van de H. Schrift, mag aanranden en verdraaien, woorden die door God bekrachtigd zijn met een eed, welke waarheid van het geloof is er dan duidelijk genoeg om beveiligd te zijn voor haarkloverijen ? Quid est adeo disertum in Jidei decretis, quod a cavillatione lutum esse possit ? En waarom heeft God een zoo vurig verlangen om alle menschen zalig te maken? Omdat Hij ze geschapen heeft, gedrongen door de liefde, die Hij hun van eeuwigheid toedroeg. In caritateperpetua dilexi te, (zoo zegt God tot iederen mensch) ideo attraxi te miseransX) Met eene eeuwige liefde heb ik u bemind, daarom heb ik u in mijne erbarming tot Mij getrokken.

Ook kent God onze zwakheid en daarom, zegt de H. Petrus, heeft Hij geduld met de zondaren, want Hij wil niet dat zij verloren gaan, maar dat zij boetvaardigheid doen over hunne zonden om zali»-

O

te worden. Sed patienter agit propter vos, nolens aliquos perire, sed omnes ad poenitentiam reverti. 2) Die Verlosser,

1) Jer. 31. 3.

2) 2. Pctr. 3. 9.

-ocr page 537-

— 511 —

zegt de H. Augustinus, die ons van den eeuwigen dood bevrijd heeft ten koste van zijn eigen bloed, neen Hij wil de zielen, die Hem zóóveel gekost hebben, niet zien verloren gaan. Qui nos tanto pretio redemit, non vult perire quos emit. 1) God, in één woord, zou allen willen zalig maken, en daarom als Hij ziet dat sommigen door hunne zonden Hem noodzaken hen te verdoemen, dan weent Hij als het ware van medelijden en roept hun toe; Et quare moriemini domus Israel.... revertimini et vivite. 2) Mijne kinderen, waarom wilt gij u zei ven ongelukkig maken, waarom wilt gij u voor eeuwig verdoemen, terwijl ik aan het kruis gestorven ben om u zalig te maken ? Maar zijt gij dan zoo dwaas geweest mij te verlaten, welaan keert terug, hebt berouw over uwe zonden, en ik zal u het leven, dat gij verloren hebt, teruggeven.

Oordeel thans zelf, of God ook ver-

1) S. Aug. Serm. 22. E B.

2) Ez. 18. 31. 32.

-ocr page 538-

— 512 —

langt u zalig to zien, en wadit u daarom wel, u nog ooit woorden te laten ont-vallen als deze: Wie weet of God nog wel m\'jne zaligheid wil ? wie weet of Hij niet wil dat ik verdoemd ga, want ik lieb Hem zoo dikwijls beleedigd ?

Verdrijf zulke gedachten aanstonds, daar gij immers ziet, dat God u nabij is met zijne genade en dat Hij u op allerlei wijzen roept tot zijne liefde.

Wat nu de vrees aangaat, of de Heer u wel vergiffenis heeft geschonken van uwe vroegere zonden, ik licb u reeds in den aanvang gezegd, dat gij u zeiven daaromtrent moet geruststellen door de gehoorzaamheid aan uwen biechtvader; gij moet er dus, gelijk hij gezegd heeft, niet meer aan denken om nog te biechten van uw vroeger leven. Herinner u (gelijk ik zeide) het woord van de H. Theresia dat iemand die gehoorzaamt aan zijnen biechtvader, hetzij met of zonder moeite, zeker is. dat hij den wil van God vol brengt. Ik herinner u ook aan hetgeen de H. Joannes van liet Kruis schrijft, nl. dat het gebrek aan geloof is, als men

-ocr page 539-

— 6is —

zicli bij hetgeen de bicclitvader zegt, niet wil neerleggen. Immers Jezus Christus heeft in waarheid gezegd, dat een ieder die aan zijne dienaren gehoorzaa ut, aan Hem zeiven gehoorzaamt, en dat degene, die zijne dienaren versmaadt. Hem zol-vcn versmaadt. Qui vos audit me audit, qui vos spernit mo spernit. 1)

Leggen wij dan voortaan alle bekommeringen omtrent onze zaligheid neder in do handen van den lieer, want (zegt do II. Petrus) Hij draagt zorg voor ons. Omncm sollicitudincm vestram projicientes in cum, quoniam ipsi cura est de vuhis. 2) Om verders onszelven in de genade van God te bewaren, moeten wij een volslagen mistrouwen hebben in onze eigen krachten, want zonder de genade van God kunnen wij niet het minste goed doen, en zouden wij daarentegen in het grootste kwaad kunnen vallen. Vandaar dan ook, dat geheel onze zaligheid bestaat in ons zeiven aanhoudend aan God

1) Luc. 10. 10.

2) 1 Petr. 5. 7.

33

-ocr page 540-

— oi4 —=

aan te bevelen; want gelijk wij in aan-lioudend gevaar zijn te vallen, zoo moeten wij ons ook door liet gebed aanhoudend van Gods hulp verzekeren. Die bulp nu, zegt de li. Bernardus, wordt door God aan allen aangeboden en niemand blijft ervan verstoken, dan alleen bij die dezelve versmaadt. Affertur omnibus, et nemo \'tllius est expers, nisi qui renuit. 1) De goddelijke bulp wordt dus aan allen aangeboden; maar God wil, dat hij, die dezelve verlangt, er Hem om vrage: Petite et accipietis. 2) Hij dus die verzuimt er om te wagen, blijft er van beroofd, en gaat verloren.

Wanneer derhalve de duivel ons schrik wil aanjagen door de gedachte aan onze zwakheid, geven wij ons dan niet over aan mistrouwen, maar laten wij vast vertrouwen, dat wij van God de kracht zullen verkrijgen om weerstand te bieden aan alle bekoringen. God immers is almachtig, en Hij zelf moedigt ons aan om vol vertrouwen met den apostel uit

1) S. Bern, in Pur. M. V. S. I.

2) Joa. 16. 24.

-ocr page 541-

515 —

tc roepen : Omnia possum in eo qui me eonfortat. 1) Ik kan alles in Hem, die mij versterkt. En als wij op God vertrouwen, hoe zouden wij dan ooit kunnen beschaamd worden ? Neen, zegt do Eeclesiastieus: Nullus speravit in Domino et confusiis est. 2) Niemand heeft (jehoopt op den lieer en is beschaamd geworden. De naam alleen van Jezus brengt alle krachten der hel tot wijken. Want gelijk de H. Paidus schrijft: God heeft aan Jezus Christus een naam gegeven, die allen naam te hovfen gaat, daar bij den naam van Jezus alles zich vernedert. Donavii illi nomen, quod est super omne nomen, ut in nomine Jesu omne (jenu Jlectatur coelestium, terres-trium et infernorum. 3) lu den stiijd met de vijanden onzer zaligheid zullen wij dikwijls meer hulp vinden, als wij den naam van Jezus aanroepen, dan wanneer wij vele lange gebeden doen.

Ik wil tot uwen troost hier nog eenige

1) PKil. 4. 13.

2) Eccli. 2. 11.

3) Phil. 2. 9. 10.

-ocr page 542-

— 516 —

andere bijzondere wenken laten volgen, die, naar ik veronderstel, veel kunnen dienen voor de rust van uw geweten.

1°. Opnieuw druk ik ü op liet hart de gelioorzaamlieid aan uwen biechtvader, want naar hetgeen ik heb kunnen opmaken, hebt gij aan die gehoorzaamheid in het verledene, geen volledig vertrouwen geschonken en dat is de reden van uwe veelvuldige ongerustheid. Ik kan volstaan met hetgeen ik u daarover reeds gezegd heb. Wees er van overtuigd; iemand die wandelt onder de leiding der gehoorzaamheid, vindt zeker den weg naar den hemel.

2°. Zorg verder dat gij in tegenspoed alles met bereidwilligheid uit Gods hand aanneemt, vooral ten tijde van ziekte; gehoorzaam alsdan met nauwgezetheid aan den geneesheer in het gebruik der geneesmiddelen; maak hem uwe kwalen volledig, doch zonder overdrijving bekend en wees daarna zonder bekommering. Wil van hen die u bezoeken, geen betuigingen van medelijden afbedelen, en zou iemand u op overdrevene wijze beklagen, zeg dan evenals Jezus Christus;

-ocr page 543-

— 517 —

Calicem quern dedit mihi Pater non Inham \'Mum ? 1) Het is God die mij deze beproeving overzendt, en Hij doet dit niet omdat Hij mij kwaad wil, maar tot mijn welzijn, zou ik haar dan niet in vrede aannemen ? Ten tijde der ziekte kan men zien of iemand al dan niet den waren geest heeft. Sommige personen zijn, zoolang zij gezond zijn, geheel zachtmoedigheid en nederigheid; maar zoodra zij iets te lijden hebben, worden zij ongeduldig en trotseh; zij beklagen zich over allen, vooral wanneer zij een of ander geneesmiddel missen of niet op tijd bediend worden. Als gij dus ziek zijt, lijd dan alles met geduld. Zeg in allen tegenspoed met den godvreezenden Job: Sicut Domino placuit, ita factum est; sit nomen Domini henedictum. 2) Gelijk het aan den Heer behaagd heeft, is het geschied, dat de naam des Heeren gezeyenxl zij. Wees ook bezorgd om u niet te vertoornen als gij veracht wordt;

1) Joa. 18. 11.

2) Job. 1. 21.

-ocr page 544-

— 518 —

daaraan kan men zien, of iemand nederiquot;

O

is, nl. als hij in de verachting geduldig blijft.

3) God is geheel goedheid voor hen, die Hem zoeken: Bonus est Dominus animae quaerenti ilium. 1) Nooit is iemand, die op God vertrouwd heeft, door Hem verlaten geworden: Nullus speravit in Domino et confusus est. 2) God laat zich vinden gelijk de H. Paulus zegt, zelfs door hen die Hem niet zoeken: Inventus sum a non quaerentihus me. 3) Hoeveel te gemakkelijker zal God zich dan niet laten vinden door hen die Hem zoeken ? Wacht u dus wel om voortaan nog te zeggen, dat God u verlaten heeft. Ood verlaat niemand dan alleen hen die verhard zijn, die vrijwillig blijven voortleven in de zonde, en ook dezulken verlaat God notr niet geheel en al, immer, tot aan hun dood toe, blijft Hij hen met zijne liefde achtervolgen, immer schenkt Hij hun

1) Thren. 3. 25.

2) Eecl. 2. 11.

3) Eom. 10. 20. cit. Is. 65. 1.

-ocr page 545-

— 519 —

nog eenig licht om hen maar niet te \'zien verloren gaan.

4) Wanneer eene ziel God wil beminnen, kan God, gelijk Hij zelf betuigd heeft, haar \'onmogelijk zijne liefde weigeren: Eyo diligentes me diligo. 1) En als Hij zich voor die minnende zielen verbergt, dan doet Hij dit alleen voor haar welzijn, om ze des te vuriger naar zijne genade te doen verlangen, en ze alzoo nog inniger met zich te verbinden. Hoor eens wat de H. Catha-rina van Genua zeide op het oogenblik zelf, dat zij in groote dorheid was, ja zich door God verlaten waande en geen enkelen grond van hoop meer meende te hebben. „Hoe gelukkig hen ik, in dezen beklagenswaardigen staatquot; riep zij uit. „Laat vrij mijn hart zich te midden der verwoesting bevinden, als mijne liefde maar wordt verheerlijkt. 0 liefde mijner ziel, als mijn bedrukte staat ook maar een enkel greintje glorie schenkt, dan hid ik V mij gedurende de

1) Prov. ,8. 17.

-ocr page 546-

— 520 —

gansche eeuwigheid aldus te laten.quot; En terwijl zij zoo sprak, stortte zij in hare troosteloosheid bittere tranen.

5) Weet, dat de zielen die den Gekruiste beminnen, zich ten tijde der troosteloosheid in het binnenste haars harten het innigst met God vereenigen. Niets doet ons zoo zeer naar God zoeken dan de troosteloosheid, niets ook trekt God meer tot ons dan de troosteloosheid, want in de troosteloosheid zijn de akten van gelijkvormigheid aan den goddelijken Wil veel zuiverder en volmaakter, en daarom, hoe grooter de troosteloosheid is, des te grooter is de nederigheid, des te zuiverder is de overgeving, des te zuiverder is het vertrouwen, des te zuiverder zijn de gebeden, en op die wijze is ook de genade en de goddelijke bijstand des te overvloediger.

6) Om op den weg der volmaaktheid vooruit te gaan moet gij U bovenal toeleggen op de beoefening der goddelijke liefde. Alleen de liefde tot God, zuivert ons hart van alle onac-regelde gehechtheid. Zoxg daarom dik-

-ocr page 547-

— 521 —

wijls akten van liefde te doen zooals: Mijn God, ik hemin U, ik bemin U, ik hemin U en ik hoop te sterven, met de ivoorden: Mijn God, ik hemin U. Do heiligen zeggen dat die akten yan liefde als de ademhaling moeten zijn van onze ziel. Doch lees over dit punt het 2e en 3e hoofdstuk van de inleiding der „Verhandeling over de liefde tot Jezus Christusquot;, gij zult daar de gevoelens vinden, die u passen en die u in het gebed kunnen helpen.

7) Verders moet gij gedurende mv gebed uzelven dikwijls geheel zonder voorbehoud aan God opdragen. Zeg dan uit het innigste mvs harten: Mijn Jezus, ik geef mij zonder voorhehoud aan U. Ik teil yeheel de uwe zijn, (jeheel de uwe; en als ik mij niet aan U iveet te yeven gelijk dit moet, neem Gij zelf mij dan, o mijn Jezus, en maak mij geheel den uwe. De H. The-resia herhaalde die algeheele opoffering iederen dag vijftig malen. Bied God dus immer liet offer van uwen wil aan, en blijf steeds dat woord hor-

-ocr page 548-

— 522 —

halen van de H. Paulus: Domine quid vie vis facere. 1) Heer wat wilt Gij dat ik doe. Die ééne akte was genoeg om den H. Paulus van een kerkver-volger te veranderen in een vat van uitverkiezing. En daarom bid dikwijls met David: Doet; me facere volunta-tem tuam. 2) Heer, leer mij uwen wil volbrengen. Alle gebeden, die gij opzendt tot God, tot zijne H. Moeder, tot uwen Engelbewaarder, tot al mv heilige voorsprekers, zij moeten alle geen ander doel beoogen dan de genade te verkrijgen eener volmaakte vervulling van Gods li. Wil. Kortom dat ééne woord fiat voluntas tua, uw wil geschiede zij u een geneesmiddel voor al uwe kwalen en overlade u met alle goed.

8) En wanneer gij u gekweld gevoelt door dorheid, tracht u dan te verheugen over het eindeloos geluk van uwen beminden God; ziedaar de vol-maakste akte van liefde, gelijk de zaligen

1) Act. 9. 6.

2). Ps. 142. 10,

-ocr page 549-

— 523 —

die doen in den hemel; de heiligen toch verheugen zich niet zoozeer over hun eigen geluk als wel over het geluk van God, want zij beminnen God eindeloos meer dan zichzelven.

9) Wat het onderwerp van uw gebed betreft, laat nooit af van de overweging van Jezus\' lijden. Jezus Christus die ter onzer liefde lijdt, is het onderwerp dat het meeste in staat is onze harten voor Gods liefde te winnen. Als de Heer u bij de overweging van de geheimen zijns lijdens eenigen troost doet gevoelen, neem dien dan met erkentelijkheid aan; maar al gevoelt gij ook geen troost, wees er van overtuigd, dat uwe ziel in die overweging een groote kracht zal vinden. Ga inzonderheid dikwijls naar den hof van Gethsemane, wat ook de H. Theresia zoo gaarne deed, omdat zij daar haren Jezus geheel alleen vond; de beschouwing van uw Verlosser, bedekt met bloedig zweet, zieltogende van benauwdheid, en zóó bedroefd dat Hij uitroept: Tristis est anima mea usque ad mortem. Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe, o zij

-ocr page 550-

— 524 —

zal u kracht geven in uwe kwellingen, immers gij weet dat Hij dit alles lijdt uit liefde tot u. En als gij daar ziet, hoe Jesus zich gereed maakt om voor u te sterven, verklaar ook gij u dan bereid om op uwe beurt te sterven voor Hem. Als derhalve uwe angsten u het hevigst benauwen, zeg dan wat eens dc apostel Thomas zeide tot zijn medeapostelen : Ramus et nos, et moriamur cum en. 1) Laten wij gaan sterven met Jezus.

10) Ga ook naar Calvarië, waar gij uwen Jezus verteerd van smarten vindt stervend aan het kruis, en als gij Hem in dien staat aanschouwt, dan kan het niet anders, of gij zult u vol moed gevoelen om alles te lijden voor een God, die sterft van smart uit liefde tot u. De H. Paulus betuigde, dat hij niets wist, en niets anders wilde weten op deze wereld dan Jezus gekruist. Non enim judicavi me scire alt quid inter vos, nisi Jesum Christum et hiinc cruci-Jixum. 2) Wil men, zegt de H. Bonaven-

1) Joa. 11. 16.

2) 1 Cor. 2. 2.

-ocr page 551-

— 525 —

tui\'a, een blijvende godsvrucht bewaren tot Jezus Christus, dan moet meu Hem immer voor den geest hebben, zooals Hij daar .tc sterven hing aan het kruis. Semper nculis cordis sui Christum in cruce morientem videat, qui devotionem in se vult conscrvare. 1) Werp alzoo in al uwe bekommeringen een blik op don Gekruiste, en neem bij het gezicht van dien lijdenden Zaligmaker vol moed het besluit om ter Zijner liefde tc lijden.

11) Ik beveel u bovenal het gebed aan. Zoudt gij niet weten wat gij zeggen moet, zeg dan maar voortdurend : Deus in adjutorium meum intende; Dominc ad adjuvandum me festina. Heer help mij, en help mij spuediy.

Gij weet dat de H. Kerk in de getijden dit gebed zoo dikwijls door alle priesters en kloosterlingen doet herhalen, ook was het eene godvruchtige oefening van den H. Philippus Nerius om bij wijze van rozenkrans G3 maal te zeggen : Deus in adjutorium meum intende, Domine ad adjuvandum me festina.

1) De perf. vit. c. G.

-ocr page 552-

— ó26 —

De H. Beruarclus was verrukt, als hij dacht aan de woorden van Jezus Christus tot de zonen van Zebedaeus: Meester, zoo zeiden deze eens tot Jesus, wij willen dat Gij alles zult doen wat ivij u zullen vragen. Magister, volumus ut quodcumiue petierimus, facias nobis. En ziet, Jezus antwoordde: Quid vultis, ut faciam vohis? 1) Wat wilt gij dan, dat Ik voor u doe\'?

12) En de genaden, die gij aan God vraagt, vraag ze alle in naam van Jesus Christus. Alles wat wij van God ontvangen, ontvangen wij door de verdiensten van Jezus Christus, en onze goddelijke Verlosser heeft beloofd dat, wat wij ook in Zijnen naam zullen vragen, de Vader ons alles zal geven: Amen, amen dico vohis: Si quid pe-tieritis Putrem in nomine meo, dahit vohis. 2) Als gij u dan bevreesd gevoelt, dat God u wil verdoemen, denk dan bij u zeiven na, of het wel mogelijk

1) Mare. 10. 36.

2) Joa. 16. 23.

-ocr page 553-

Is, dat Hij die u zogt: vraag van Mij wat gij wilt en Ik zal liet u geven, den wil kan hebben u naar de hel te verwijzen.

13)- Doch waarom, als gij u in troosteloosheid bevindt, meenen, dat God ii haat ? In plaats van n bedroefd te maken, moest Gij u veeleer verblijden, daar gij ziet, hoe God u behandelt gelijk Hij zijne trouwste dienaren behandelt, ja gelijk Hij Zijn eigen Zoon behandeld heeft, van wien de II. Schriftuur zegt: Et Dominus voluit conterere eum in infirmitate. 1) De Heer wilde Hem vernietigd en vertreden zien onder smarten en kwellingen.

Wanneer gij verontrust wordt dooide gedachte, dat God u wellicht om uwe ondankbaarheden wil verlaten, doe dan evenals de twee discipelen, die naar Emmaus gingen, en wien Jezus zich vertoonde onder de gedaante van een pelgrim; toen zij het bovengenoemde vlek bereikt hadden, nam Jezus den schijn aan als wilde Hij Zijnen weg vervolgen;

1) Is. 33. 10.

-ocr page 554-

— 528quot; —

Sc Jinxit longius ire; docli zij, zegt het Evangelie: Coeyerunt illum dicentes: Mam nohtscum, quoniam advesperascit. 1) Zij dwongen Hem zeggende: hlijf hij ons, want het wordt avond. En toen ge-waardigde zich Jezus met licn liet huis binnen te gaan, en bij hen te blijven. Et intravit cum illis. Dit alles vinden wij bij den H. Lucas. Als gij dus meent, dat Jezus u wil verlaten, doe dan eveneens, dwing Hem om bij u te blijven, zeg Hem: Mijn Jezus, mane mecum blijf bij mij, ik wil niet, dat Gij mij verlaat ; want als Gij mij verlaat, tot wien moet ik dan gaan om troost en de eeuwige zaligheid te vinden\'? Donine ad quem ibivms? 2) li lijf aldus vol liefde en vurigheid met bidden voortgaan, en wees niet bevreesd, want zeer zeker, de Heer zal u dan niet verlaten. Zeg ook met den Apostel: Neque mors, neque vita . . . . neque crcatura alia poterit nos separare a caritate Dei etc. etc. 3) Mijn beminde

1) Luc. 24. 29.

2) ,Joa. 6. 29.

3) Kom. 8. 38. 39.

-ocr page 555-

— 529 —

Zaligmaker, Gij moogt IJ tegen mij vertoornen zooveel Gij wilt, toch zeg ik U, dat noch de vrees voor den dood, noch het verlangen naar het leven, noch eenig schepsel op de wereld, mij ooit zal kunnen scheiden van uwe liefde. Of wel volg het voorbeeld van den H. Franciscus van Sales; toen deze heilige in zijne jeugd eens aan groote dorheid ten prooi was, en de duivel hem de gedachte inblies, dat hij was voorbestemd voor de hel, antwoordde hij : Als ik dan mijn God niet zal kunnen beminnen in de eeuwigheid, wil ik Hem tenminste uit al mijn vermogen beminnen in dit leven. En op die wijze kreeg hij zijn opgeruimdheid weder.

15) Maar vergeet ook niet in uwe angsten of troosteloosheid uwe toevlucht te nemen tot de allerheiligste Maagd Maria, welke God ons gegeven heeft als de troost der bedroefden. Jezus Christus is de grondslag van geheel onze hoop, maar de II. Kerk wil, dat wij ook Maria „onze hoopquot; noemen. Spes nostra, salve. Wij danken alle genaden eerst en vooral

34

;

-ocr page 556-

— 530 —

aan Go;}, maar, zegt de II. Bernardub\', zij gaan alle door de handen van Maria. Vandaar dat hij, die nalaat zich aan te bevelen aan de allerheiligste Maagd, het kanaal der genade voor zich sluit. Daarentegen zal Maria van haren kant nooit in gebreke blijven haren bijstand tc verleenen, als men haar aanroept. Ziedaar, waarom dan ook alle heiligen bezorgd

O O

waren om zich onophoudelijk in de bescherming dier heilige Moeder, welke alles bij God vermag, aan te bevelen.

16) Overigens, zoolang gij werkelijk de meening hebt om God te beminnen, moet gij uw hart verruimen.Dilata os tuum et implebo illud. 1) Open uwen mond (zegt God) en Ik zal Item vullen: de be-teekenis hiervan is, dat naar gelang wij meer van God verhopen, wij ook meer van Hem ontvangen. God heeft aan die op Hem vertrouwen een bijzondere bescherming beloofd. Protector est omnium sperantium in se. 2) Zovi dus bij u de

1) Ps. 80. 11.

2) Ps. 17. 31.

-ocr page 557-

— 531 —

twijfel opkomen of de Heer u wel hoort, stel ii dan voor dat Hij u, gelijk eens den H. Petrus, berispt en zegt: Modicae Jidei, quare duhitasti? 1) Klein-geloovige, waarom twijfelt gij of ik wel naar u luister, daar gij tocli mijne belofte kent, dat ik een ieder zal ver-hooren, die tot mij bidt? Daar nu God ons werkelijk wil verliooren, verlangt Ilij, dat wij ook gelooven, dat Hij ons verliooren zal. Omnia quaecunque orantes petitis, credite quia accipietis et evcnient vohis. 2) Alles wat gij biddende mocht vragen, gelooft dat gij het zult verkrijgen, en het zal u geworden. Let hier op de woorden: credite quia accipietis, gelooft dat gij het zult verkrijgen. Wij moeten dus aan God om de genaden vragen niet het vaste vertrouwen ze te zullen verkrijgen, zonder daaraan het minste te twijfelen. Postidet autem in fide, nihil haesitans, 3) gelijk de H. Jacobus zegt. Daar gij te doen hebt met een God die

1) Matth. 14. 31.

2) Mare. 11. 24.

3) Jae. 1. 6.

-ocr page 558-

— 532 —

gelieel goedheid is, heb daii ook een groot vertrouwen en verwijder van u alle gevoel van zwaarmoedigheid. Die God dient in treurigheid, doet Hem in plaats van eer oneer aan. Die zich God voorstelt als bitter en streng, zegt de H. Bernardus, 1) beleedigt Hem, want Hij is de goedheid en de barmhartigheid zelve. Hoe kunt gij twijfelen, zegt de heilige, of Jezus u vergiffenis schenkt van uwe zonden, Hij, die ze met de nagelen zijner handen heeft vastgeklonken aan het kruis, waar aan Hij uit liefde tot u stierf\'?

17) God verklaart, dat het Zijne wellust is met ons te zijn: Deliciae mcae esse cum Jiliis hominum. 2) Als nu een God zijn genoegen vindt in den omgang met ons, dan zeer zeker, dan is het billijk, dat ook wij van onzen kant al ons genoegen vinden in den omgang met God. Laat die gedachte ons aanzetten om veel met God om te gaan,

1) In Cant. Berm. 38. n. 2.

2) Prov. 8. 31.

-ocr page 559-

— 533 —

en dat met het grootste vertrouwen; doen wij ons best om al den tijd, die ons nog te leven overblijft door te brengen met God, die ons zoo vurig bemint en wiens gezelschap wij eens in den hemel hopen te genieten gedurende de gansclie eeuwigheid.

18) Laten wij Hem dus behandelen met alle mogelijke vertrouwelijkheid en \'/efde, gelijk den teedersten, den dierbaarsten vriend, dien wij hebben, en die ons meer bemint dan iemand anders. Mijn God, de angstvallige zielen beschouwen God als een tyran, die niets anders van zijne onderhoorigen wil dan schrik en ontzag, vandaar, dat zij bij elk woord, dat hun in onnadenkendheid ontsnapt, bij elke gedachte die hun door het hoofd gaat, vreezen dat God reeds op hen vertoornd is en gereed staat hen in de hel te begraven. Neen, God verlaat ons met Zijne genade niet, of wij moeten Hem met open oogen, en met voorbedachten rade beleedigen m.a.w. Hem met vrijen wil den rug toekeeren; doen wij Hem echter een kleine be-

-ocr page 560-

— 534 —

leediging aan, dan zeer zeker mishaagt Hem dit, maar geenszins berooft Hij ons daarom van Zijne liefde; bij de eerste akte van liefde of berouw die wij doen, is Zijn toorn dan ook aanstonds weder bedaard.

19) De goddelijke Majesteit verdient voorzeker den diepsten eerbied en het nederigst ontzag; maar God wil dooide zielen, die Hem beminnen, veel liever behandeld worden met eene liefdevolle vertrouwelijkheid dan met vreesachtige terughouding. Behandel God dus niet langer als een tyran. Herinner u de weldaden, die Hij u bewezen heeft, ook nadat Hij van u zoovele beleedigingen en ondankbaarheden had ondervonden. Herinner u de liefdevolle kunstgrepen, welke Hij gebruikt heeft om u te onttrekken aan uw ongeregeld leven, de buitengewone verlichtingen, waarmede Hij u zoo herhaaldelijk geroepen heeft tot Zijne liefde; en behandel dus God van nu af aan steeds met groote vertrouwelijkheid en groote teederheid, als het dierbaarste voorwerp uwer liefde. Gaan wij verder.

-ocr page 561-

— 535 —

20) Het is niet noodig u op te wekken om veelvuldig gebruik te maken van de sacramenten, want dat doet gij reeds. Ga minstens tweemaal in de week biechten of allerminst eenmaal. Wat de com-munie aangaat, gelioorzaam daarin aan uwen bestierder; docli al gevoelt gij u ook dor, toch moet gij niettemin om de II. . \'ommunie vragen ; want de bestierders regelen zich in het meer of minder toestaan van de II. Communie naar het meer of minder verlangen, dat zij in hun poenitent ontwaren. Als dus uw bestierder ziet, dat gij er niet om vraagt en er geen verlangen naar betoont, zal hij niet lichtelijk uit zich zelf u de II. Communie opleggen. Wanneer gij echter niet werkelijk kunt communi-ceeren, doe het dan ten minste op geestelijke wijze, dat ten minste is toch in uwe macht, en dit moet gij meermalen daags doen.

21) Verder moeten twee geheimen steeds het bijzonder voorwerp uwer liefde zijn, nl. het II. Sacrament des Altaars en Jezus\' H. Lijden. Als de liefde van

-ocr page 562-

— 536 —

alle harten zich in één hart zou vereenigen, zeker, dan zou dat hart nog niet voor het kleinste gedeelte kunnen beant-woorden aan de liefde, die Jezus Christus ons in deze twee geheimen heeft betoond. Leg u alzoo in den tijd, die u nog te leven overblijft, vooral toe op twee zaken, beminnen en vertrouwen; laat u niet ontmoedigen door de kwellingen en zielsangsten, want ze zijn een teeken van Gods liefde en niet van zijn haat. Tot bewijs van deze waarheid wil ik deze kleine verhandeling sluiten met de geschiedenis van de eerbiedwaardige maagd Liduina; want ik geloof niet, dat er in de geschiedenis der heiligen een voorbeeld te vinden is van eene ziel, die zooveel lijden en bitterheid te verduren heeft gehad als deze vrome maagd.

Liduina werd uit arme ouders te Schiedam in Holland geboren. Toen zij nog zeer jong was, had zij eens het ongeluk op het ijs uit te glijden en brak een ribbe. Daar zij ten gevolge harer armoede weinig verzorging genoot, ontstond er van binnen aan de ribbe eene verzwering, welke door-

-ocr page 563-

— 537 —

gebroken haar geheele lichaam aandeed, met liet gevolg dat zij lam werd. Hare ouders lieten haar liggen, zonder zich het minst om haar te bekommeren, en zij, overstelpt van smarten, bleef lam in al hare ledematen, haar hoofd en haar linkerarm alleen uitgezonderd; want haar rechterarm was geheel onbruikbaar geworden, daar deze zoo hevig door het Sint Antoniusvuur was aangetast, dat liet bederf tot in het gebeente was doorgedrongen. Bij dat alles waagde zij het niet een woord van hare kwalen te reppen, uit vrees door hare ouders te worden beleedigd.

22) Zij had verder aanhoudende en hevige pijnen in het hoofd; aan haar voorhoofd had zij een groote wond, haar kin was tot aan haren mond open, en vol gestolten bloed, hetgeen haar het spreken belette en het eten. Van hare oogen was er één geheel naar achter gedrongen en aldus onbruikbaar geworden ; het andere was zoo vol van kwade vochten, dat zij het licht der zon niet kon verdragen en nauwelijks het licht

-ocr page 564-

— 538 —

kon verduren van een kaars. Zij leed een zoo hevige pijn in de tanden, dat zij bijna bezweek; daarbij verloor zij aanhoudend bloed, hetwelk haar uit mond en neus of wel uit oogen en ooren vloeide; zij had bovendien eene ontsteking aan de keel, welke haar zelfs belette adem te halen; zij werd gekweld door een aanhoudende koorts, leed aan aanhoudende braking; bij het minste voedsel, dat zij gebruikte, wierp zij een groote hoeveelheid water uit, vermengd met bloed. Zij was tegelijk waterzuchtig en teringachtig, had daarbij aan alles gebrek en was zonder eenige hulp. Somtijds bood men haar uit medelijden een of ander geneesmiddel aan, maar dat verdubbelde hare marteling; toch nam zij het met de gehoorzaamheid van een lam, zonder zich over iets te beklagen. Hare ouders, die arm waren, en wien al die kwalen verdrietten, gaven hunne ontevredenheid lucht op Liduina; zij was, zoo spraken zij, alleen geboren om hen te kwellen en om het weinige wat zij nog hadden op te maken, zoodat het

-ocr page 565-

— 639 —

maar te wenschcn ware, dat zij stierf. Licluina weende dan, niet evenwel om hare eigene rampen, maar over den last dien zij aan de anderen veroorzaakte.

23) Daar zij zich niet kon bewegen, en immer op haren rug moest liggen, begon daar haar vleesch te bederven en hechtte zich het vel aan het bed of liever aan het ellendig stroo, waarop zij neerlag vast, zoodat als iemand haar uit medelijden wat ophief, haar vel aan het stroo bleef hangen, en haar lichaam als het ware werd ontvleescht. In één woord, bij het aanschouwen van dat arme kind, nauwelijks vijftien jaren oud, zou men wanen een lijk te zien, dat neerligt op de baar, want nauwelijks kon zij nog ademhalen. En op die wijze heeft deze heilige maagd 38 jaren geleefd. Daar komt nog bij de vreesselijke mishandeling, die zij eens te verduren had van vier soldaten; deze ellendelingen drongen op zekeren dag hare kamer binnen, en na haar op allerlei wijzen te hebben beleedigd, haar uitmakende voor een bedriegster, een toove-nares, die men met verloop van tijd wel

-ocr page 566-

— 540 —

zou leeren kennen, rukten zij kaar het arme wollen deksel van het stervend lichaam, en alvorens weg te gaan, sloegen zij haar zeLfs met hunne zwaarden.

24) Bij al die uitwendige kwalen voegde zich nog een groote inwendige troosteloosheid, die verscheidene jaren aanhield; want God, die haar nog meer wilde louteren, deed met haar, gelijk Hij dit met zijne uitverkoren zielen gewoonlijk doet; Hij onttrok haar zijn gevoeligen bijstand, zoodat zij zich beroofd gevoelde van het genot van dat liefdevol vertrouwen op haren God, hetwelk haar zoo eigen was. Terzelfder tijd werd zij vreesselijk gekweld door den duivel, die haar inblies, dat al die rampen, waaronder zij gebukt ging, een zeker teeken waren, dat God haar verlaten had, en dat zij in wanhoop zou sterven. Doch zij, hoezeer ook bevochten door al die lichamelijke kwalen en door die folterende zielsangsten, zij leed alles met gelatenheid, zegende God, die haar aldus behandelde, en omgordde zich om zijnen toorn te bedaren met een boetegordel,

-ocr page 567-

— 541 —

waarvan de punten haar doorwond vleesch doorboorden.

25) De maagd leefde in die troosteloosheid vier jaren lang, maar zij leed alles met overgeving aan den wil van God, en immer God prijzende, die haar aldus wilde behandelen; zij vereenigde al hare smarten met het lijden van Jezus Christus, en op die wijze heeft zij dezen vreeselrjken storm gedurende al dien tijd weten te verduren. Doch na deze beproeving gewaardigde zich God haar te troosten, en ofschoon zij ook hare pijnen bleef gevoelen, toch zeide zij dikwijls: „Wanneer ik mijnen Jezus zie hangen aan het kruis, dan gevoel ik geen pijnen meer. De smarten doen mij weeklagen; maar het hart doet mij zeggen: o Jezus, vermeerder mijne pijnen, maar vermeerder ook mijne liefde.quot; Als anderen haar beklaagden, zeide zij : „Al mijn lijden is niets, want ik ben in handen van de oneindige goedheid, in de handen van mijnen God, die een veel medelijdender hart heeft dan een vader of moeder.quot;

-ocr page 568-

— 542 —

26) Verder moet gij, als gij waarlijk liefde hebt voor Jezus Christus, niet vergeten Hem dagelijks te bidden veor de zondaren. De H. Theresia en de H. Maria Magdalena de Pazzi waren steeds ten zeerste bezorgd om voor die ongelukkigen te bidden. Het getuigt van weinig liefde tot God, als men, wetend hoezeer God door de ongelcovigen, de ketters en zooveel andere zondaren beleedigd wordt, niettemin verzuimt tc bidden voor hunne bekeering.

27) Laat dan, bid ik u, alles wat gij hier gehoord hebt, u opwekken om uwe dorheid met kracht van ziel te dragen; als gij u echter meer dan gewoonlijk bedrukt gevoelt, raad ik u aan het volgende gebed te spreken:

ÖEBED VAX EEX GODMINNENDE ZIEL DIE IN TROOSTELOOSHEID IS.

Mijn gekruiste Jezus, Gij weet dat ik uit liefde tot U alles heb verlaten ; doch nadat Gij mij alles hebt doen verlaten, schijnt het mij toe, dat ook Gij mij verlaten hebt. Maar mijne liefde, wat zeg ik daar\'?

-ocr page 569-

— 543 —

itcli heb medelijden met mij, neen, ik ben het niet die spreek, het is mijne zwakheid, die mij aldus spreken doet, ik heb elke straf verdiend om die menigte van zonden, waaraan ik plichtig ben. Gij hebt mij dan verlaten gelijk ik dit verdiend heb, (Jij hebt mij beroofd van uwe zoete nabijheid, waarmede Gij mij zoo dikwijls getroost hebt, maar, hoe troosteloos ik ook bon en hoezeer ik mij van U verlaten zie, toeh betuig ik, dat ik U immer wil beminnen en zegenen. Als Gij mij maar niet berooft van de genade U te kunnen beminnen, dan moogt Gij met mij doen, wat Gij wilt. Ook ik zeg U, wat een uwer getrouwe dienaressen eens zeide :

Vk Bemin TI, Heer, al toont zich ook

Uw ooy op mij verbolgen, ^

Vlucht van mij weg, zooveel Gij wilt,

Ik zal V immer volgen.

Heer, beroof mij slechts niet van U, beroof mij dan verder, zoo dit U behaagt, van alles. Tralie me post te. Mijne liefde, trek mij tot U, en het zal mij niet deren, of Gij mij ook al berooft

-ocr page 570-

— 544 —

van den troost dit te weten; maar trek mij met kracht, hef mij op uit het slijk mijner misslagen. Tuis famulis suhveni, quos pretioso Sanguine redemisti. Ik wil geheel de Uwe zijn, ik wil IJ beminnen tot eiken prijs, ik wil U beminnen uit al mijne krachten; maar wat vermag ik uit mijzelven ? Alleen Uw bloed is mijne hoop. O Moeder van God, o mijne toevlucht, Maria vergeet toch nimmer in mijne kwellingen voor mij te bidden. Ik hoop zalig te worden op de eerste plaats door de verdiensten van Jezus\' bloed, en vervolgens door uwe gebeden. In te Domina, speravi, (zoo zeg ik u met den II. Bonaventura) non confundar in acter-num. Op n, o Koningin, heb ik gehoopt, ik zal in eeuwigheid niet beschaamd worden. Verwerf mij de genade mijnen God in dit leven en in alle eeuwigheid te beminnen, anders vraag ik U niets.

-ocr page 571-

OVEE HET BIJWONEN DEK H. MIS.

I0- de Mis mot godsvrucht bii tc

i Igfli o •gt;

IIWlJ 0 •\'

.\'NÏ® wonen moet men er aan denken, dat liet offer dos altaars hetzelfde offer is dat eenmaal gebracht werd op Calvarie, alleen met dit onderscheid, dat op Calvarie het bloed van Jezus Christus in werkelijkheid werd vergoten, terwijl het hier wordt opgedragen op onbloedige wijze. Als gij u toen op Calvarie hadt bevonden, met welk eene godsvrucht en teederheid zoudt gij bij dit offer tegenwoordig zijn geweest! Verlevendig dan uw geloof en bedenk, dat hetzelfde offer, daar opgedragen, ook nu aan God wordt opgeofferd op het altaar, denk er aan, dat dit veras

-ocr page 572-

— 546 -

heven offer niet alleen wordt opgedragen door den priester, maar door allen, die er bij tegenwoordig zijn, zoodat bij de H. Mis, waarin de verdiensten van het lijden des Zaligmakers op ieder in het bijzonder worden toegepast, allen in zekeren zin de bediening uitoefenen van priester.

2°. Daarenboven moet men weten, dat het offer der Mis tot vier doeleinden is ingesteld: 1°. Om God te eeren. 2°. Om te voldoen voor onze zonden. 3°. Om God te bedanken voor zijne weldaden. 4°. Om genaden te verkrijgen. Ziehier dan de wijze om de H. Mis met groote vrucht te hooren: 1°. In de Mis, waarin aan den Hemelschen Vader het offer wordt opgedragen van Jezus Christus, die mensch is en God, ontvangt God een oneindige eer, een eer, die grooter is, dan indien men Hem de levens offerde van alle mensehen en alle engelen. 2°. Door de offerande van Jezus Christus in de Mis ontvangt God eene volledige voldoening voor alle zouden der men-sehen eu bijzonder dergenen, die haar bijwonen, daar op hen de toepassing

-ocr page 573-

— 547 —

geschiedt van hetzelfde goddelijk bloed, dat op Calvarie werd vergoten voor de verlossing van het menschelijk gcj slacht. Door ééne Mis alzoo ontvangt God meer voldoening voor onze schulden, dan door eenig ander werk van uitboeting. Het blijft niettemin waar, dat al is do waardé van de Mis oneindig. God haar slechts op beperkte wijze aanneemt, volgens de gesteltenis nl. van hen, die haar bijwonen, en daarom is het goed meerdere Missen te hooren. 3°. In de Mis brengen wij aan God eenen waar-digen dank voor alle weldaden, aan ons bewezen. 4°. Wij kunnen gedurende do Mis alle genaden verwerven, die wij be-geeren, zoowel voor ons zeiven alsvoor anderen. Wij voor ons zijn de genaden onwaardig, maar Jezus Christus heeft ons het middel gegeven om ons zelve alle genaden waardig te maken; indien wij ze nl. den hemelschen Vader vragen in Jezus\' naam, terwijl wij Hem in de Mis als offer aanbieden ; want dan bidt Jezus zelf met ons mede. Indien gij wist, terwijl gij aan het bidden waart,

-ocr page 574-

— 548 —

dat dc allerheiligste Maagd en geheel hot Paradijs met u medebad, met wat vertrouwen zoudt gij niet bidden? Welnu, als gij u beijvert in de Mis eene of andere genade te vragen, dan bidt ook Jezus (wiens gebeden eindeloos meer waard zijn dan die van geheel het Paradijs) voor u en draagt voor u dc verdiensten op van zijn lijden.

Het is daarom goed dc Mis te verdeelcn in vier deelcn :

In het eerste gedeelte, dat is; van het begin der Mis tot het einde van het evangelie, draagt gij het offer op om God te eeren. Gij zegt bijv.: Mijn God, ik aanbid uwe oneindige Majesteit; ik zou U willen eeren, \'J el ijk Gij dit verdient ; maar welke eer kan ik, ellendige zondaar, U geven ? Ik bied U daarom de eer aan, welke Jezus Christus U geven zal op dit altaar.

In het tweede gedeelte, nl. van het evangelie tot de opheffing, biedt gij het offer aan tot voldoening uwer zouden, gij zegt dan: Heer, meer dan eenig kwaad betreur en verfoei ik alle beleedi-

-ocr page 575-

— 549 —

gingen, die ik U heb aangedaan, en tot voldoening daarvoor bied ik U utven Zoon aan, die zich op dit altaar op nieuw voor ons slachtoffert. Ik smeek U door Zijne verdiensten, schenk mij vergiffenis en verleen mij de heilige volharding.

In het derde gedeelte, d. i. van de opheffing tot de nuttiging, draagt gij Jezus aan zijnen hemelschen Vader op om uwen dank te betuigen voor al de genaden, die Hij u bewezen heeft, en zegt: Heer, ik hen niet in staat U op loaardige wijze mijnen dank te betuigen, maar ik bied U het bloed aan van Jesus Christus, en dit zoowel in deze Mis als in alle, die op het oogenhlik op aarde worden opgedragen.

In het vierde gedeelte nl. van de nuttiging tot het einde, vraagt Gij aan God met het grootste vertrouwen alle genaden, die U noodig zijn en bijzonder droefheid over uwe zonden, de volharding en de goddelijke liefde; gij bidt dan ook in het bijzonder voor uwe bloedverwanten, voor de zondaren en voor de pielen des vagevuurs,

-ocr page 576-

— 550 —

Ik keur het niet af, dat gij in de Mis ook uwe mondgebeden bidt; maar ik zou wensehen, dat gij terzelfder tijd niet naliet u jegens God te kwijten van de bovengenoemde verplichtingen, nl. van eerbetuiging, voldoening, dankbaarheid en smeeking. En ik bid u zooveel Missen te hooren, als Gij kunt. Elke Mis, die gij hoort op de wijze die ik u heb aangegeven, zal u een schat van verdiensten verwerven.

-ocr page 577-

— 551 —

GEBEDEN ONDER DE H. MIS, 1)

Introibo ad altare Dei.

O mijn God. hoevele genaden lieb ik voor mij laten verloren gaan, omdat ik in mijne achteloosheden heb nagelaten ze van U gedurende de H. Mis te vragen. Maar omdat Gij mij dit thans doet inzien, wil ik niet langer nalatig zijn in dit punt. Ik vereenig dan, o eeuwige Vader, mijne heden met do heden .van Jezus Christus, en ik hid U bij de liefde van dien Zoon, welke zich dezen morgen als slachtoffer aan ü gaat opdragen, doe mij beseffen, hoe eindeloos Gij verdient door mij bemind te worden, en welk een grenzelooze verplichting ik heb U te beminnen om uwe oneindige goedheid

1

Deze gebeden kunnen ook zeer goed dienen voor de dankzegging na de PI. Communie.

-ocr page 578-

— 552 —

en om de groote liefde, die Gij mij betoond hebt; geef mij kracht om mij te onthechten aan alle genegenheden voor deze wereld, leer mij mijn hart tot geen ander doel gebruiken dan om U te be minnen, U mijn opperste goed, die ook mij zoozeer bemind hebt. Ik bid U ook uw licht te verleenen aan hen die U|en Y niet\' kennen en die leven in de beroovins: van uwe genade. Verleen aan allen de gave van uwe genade. Verleen aan allen de gave van uwe heilige liefde. O on-| ^ eindige liefde van mijnen God, doe Upicul kennen, doe U beminnen.

O Maria, Gij die zoozeer verlangt uwen Zoon bemind te zien. Ziehier de genade die ik door U vraag: maak dat ik Hem beminne gedurende al den tijd dien ik nog te leven heb; anders verlang ik niets. O mijne koningin en mijne moeder, ik stel mijn vertrouwen op U, Gij verkrijgt alles, wat Gij uwen God vraagt. Gij ook bidt voor al uwe dienaren, welaan bid dan ook voor mü.

He

mijne ben ik de mij i

hede dan er l deze\' kan. volui o m: mij om nede ik 1 laat liefd

-ocr page 579-

— 553 —

Kyrie eleison.

Heer lever mij niet over in de handen mijner boosheden; denk, dat ik het werk ben. van uwe handen, laat niet toe, dat ik de buit worde der duivelen, onthecht mij aan de genegenheden dezer wereld en vervul mij met uwe heilige liefde.

Gloria in excelsis Deo.

O mijn God, mijn eenig goed, ik verheug mij over uwe oneindige volmaaktheden, ik verheug mij daarover, meer dan indien zij de mijne waren; ik ben er blijde om, dat niets ter wereld U dezelve ontnemen of ze verminderen kan. Welaan dan, mijn Jezus, immer volmaakt, oneindig in uwe grootheid, o mijne liefde en mijn God, welaan maak mij geheel den uwe. Mijn Zaligmaker, om die eindelooze goedheid, die U deed nederdalen op de aarde, doe mij, smeek ik U, de kracht uwer liefde gevoelen, laat mijne ziel zoodanig verteren van liefde, dat zij al het aardsche verachtend

-ocr page 580-

— 554 —

niets anders meer beooge dan U, aan niets anders meer denke dan aan U. Laat de liefde, die U voor mij deed sterven op het kruis, eveneens mij doen sterven in U, om in eeuwigheid voor U te leven.

O zelvi

Gebed.

O eeuwige Vader, ik bid IT om de liefde van uwen Zoon, vervul mijn geheugen met heilige gedachten, opdat ik immer denke aan U en uwen Zoon. Ach doe mij kennen en ten uitvoer brengen al hetgeen Gij van mij verlangt. En Gij, Heilige Geest, vervul mijnen wil met heilige verlangens, opdat zij in mijne ziel de vruchten voortbrengen, die voortkomen uit uwe liefde. Verlicht mij met uw licht, opdat mijn wandel steeds recht naar U ga en mijn wil geen andere vrijheid gebruike dan om geheel de uwe te zijn.

-ocr page 581-

— 555

Epistel.

God is de vollieid van alle genade, van alle goed, van alle volmaaktheid. God is oneindig. God is eeuwig. God is zonder grens, God is onveranderlijk, God is machtig. God is wijs. God is alwetend. God is rechtvaardig, God is vol barmhartigheid, God is heilig. God is schoon, God is heerlijk, God is rijk, God is alles. En daarom verdient Hij liefde, en groote liefde. O ja. God is zoo minnens-waardig, dat al de engelen en al de heiligen van het Paradijs gedurende de gansche eeuwigheid, niets anders doen en nooit iets anders zullen doen dan God beminnen, en het is die liefde tot hunnen God, waarin zij immer gelukkig zijn en immer gelukkig zullen zijn.

Gebed onder het H. Evangelie en het Credo om God te bedanken voor de gave van het ware geloof.

O Zaligmaker der wereld, voor mij-zelven en voor al mijne geloovige broeders

-ocr page 582-

— 556 —

zeg ik U dank dat Gij ons geroepen liebt en ons de genade hebt verleend van te leven in het ware geloof, hetwelk geleerd wordt door de heilige Roomsch Katholieke Kerk. „Goede God,quot; zoo zeg ik U met den H. Franciscus van Sales, „veelvuldig en groot zijn uwe weldaden eindeloos verplichten zij mij U te beminnen, en ik zeg er U mijnen liarte-lijken dank voor; maar hoe zal ik er U ooit genoeg voor kunnen danken, dat Gij mij verlicht hebt met het ware geloof ? Ik sidder, o Heer, als ik mijne ondankbaarheid vergelijk met eene zoo groote weldaad.quot; Ik dank u dan, mijn God, zooveel als ik ellendige dit vermag en ik bid U aan alle menschen de schoonheid te doen kennen van ons heilig geloof. „O God,quot; zoo riep dezelfde heilige uit, „de schoonheid van uw heilig geloof is zoo groot, dat zij mij doet sterven van liefde, en het schijnt mij toe, dat ik die kostbare gave moet bewaren in een hart geheel gebalsemd door de godsvrucht.\' Maar, o mijn Jezus, mijn Verlosser, helaas hoe weinigen zijn er, die in dat

-ocr page 583-

557 —

ware geloof leven! 0 mijn God, liet grootste deel der menschen ligt begraven in de duisternissen dos ongeloofs of dei-ketterij ! Gij, gij hebt U vernederd tot den dood en tot den dood des kruizes voor de zaligheid der menschen, en die ondankbaren, zij willen U zelfs niet kennen! Ach, ik bid U, o almachtige God, o opperst en oneindig goed, doe U kennen door allen en doe U door allen beminnen.

Offertorium.

O mijn zoete Zaligmaker, ik oiïer U dezen morgen op, al wat ik heb en al wat ik ben, mijne zintuigen, mijne gedachten, mijne genegenheden, mijne begeerten, mijne genoegens, mijne neigingen, mijne vrijheid; in één woord in uwe handen stel ik geheel mijn lichaam en geheel mijne ziel.

Aanvaard, o oneindige majesteit, het offer van den ondankbaarsten zondaar, die er ooit op aarde geweest is, maar die zich thans geheel opoffert en geheel

-ocr page 584-

658 —

wegschenkt aan U. Doe, o Heer, met mij, beschik over mij gelijk het U behaagt. Kom, o verslindend vuur, o goddelijke liefde, verteer in mij alles wat van mij is en wat aan uwe allerzuiverste oogen mishaagt, opdat ik van nu af aan geheel de uwe zij, en alleen leve voor het volbrengen niet alleen van uwe geboden en uwe raden, maar ook van al uwe heilige verlangens en van hetgeen ü \'het meest behaagt. Amen.

O Allerheiligste Maagd Maria, bied Gij met uwe handen dit mijn oft\'er der Allerheiligste Drievuldigheid aan, maak dat Zij het aanvaarde en mij de genade schcnke om Haar tot mijnen dood toe getrouw te zijn. Amen, amen, amen.

Van het Offertorium tot de Consecratie.

O Eeuwig Woord, Gij besteeddet drie-en-dertig jaren van arbeid en zuchten. Gij gaaft uw bloed en uw leven voor de zaligheid der menschen, in één woord Gij hebt niets gespaard om U door hen te doen beminnen ; hoe dan is het moge-

-ocr page 585-

— 559 —

lijk, dat er menschen zijn, die dit weten en U niet beminnen! Aeli mijn God, helaas ook ik ben een van die ondankbaren. Mijn Jezus, ik erken welk ongelijk ik Ü heb aangedaan, heb medelijden met mij. Ik bied U thans het offer van mijn ondankbaar hart, ondankbaar ja, maar vol berouw. Ja mijn dierbare Verlosser, boven alles is het mij leed, dat ik U heb veracht. Thans bemin ik U uit geheel mijn hart. Mijne ziel bemin toch een God, voor u gebonden als een booswicht, een God, voor u ge-geeseld als een slaaf, een God voor u verguisd als een spotkoning, een God eindelijk voor u gestorven als een misdadiger aan het kruis. Ja, mijn Zaligmaker, mijn God, ik bemin U, ik bemin U. Ach, herinner mij immer aan al hetgeen Gij voor mij hebt geleden, opdat ik toch nooit meer vergete U te beminnen. Koorden van Jezus, bindt mij aan Jezus, o doornen van Jezus, wondt mij met liefde tot Jezus, nagelen van Jezus, hecht mij vast aan het kruis van Jezus, opdat ik leve en sterve in ver-

-ocr page 586-

— 560 —

eeniging met Jezus. O bloed van Jezus, maak mij dronken van heilige liefde. O dood van Jezus, doe mij sterven aan alle geliechtlieid voor de wereld. Doorwonde voeten van mijnen Heer, aan u lieeht ik mij vast, bevrijdt mij van de hel door mij verdiend. Mijn Jezus, in de hel zou ik U niet meer kunnen beminnen; maar ik wil ü immer beminnen. Mijn beminde Zaligmaker, red mij, hecht mij aan U en laat niet toe, dat ik U nog ooit verlieze. O Maria, toevlucht der zondaren, moeder van mijnen Verlosser, help een zondaar die zijn God beminnen wil en zich daarom aan U aanbeveelt; help mij om de liefde, die Gij aan Jezus Christus toedraagt.

Onder de Elevatie.

Eeuwige God, ik aanbid U cn ik bedank U voor de groote weldaden die Gij mij bewezen hebt. Ik dank U dat Gij mij hebt geschapen, dat Gij mij verlost hebt door den dood van Jezus Christus, dat Gij mij christen hebt gemaakt, dat

-ocr page 587-

Gij mij hebt afgewacht, toen ik in zonde was, en dat Gij mij zoo dikwijls vergiffenis hebt geschonken. Ik bid U in naam van Jezus Christus geef mij een groot berouw over mijne zonden, de volharding in uwe genade, een goeden dood, den hemel: maar bovenal de kostelijke gave uwer liefde en eene volmaakte over-geving aan uwen li. Wil, Heer, geef mij ook de genade U immer te vragen om uwe hulp, opdat ik U nooit meer be-lcedige, o God mijner ziel. Laat niet toe dat ik hierin nalatig zij, gelijk ik dit geweest ben in het verledene. Geef mij licht en kracht om mij immer aan U aan te bevelen, vooral wanneer mijne vijanden mij bekoren om U opnieuw te beleedigen. Ik weet wel dat ik die genade niet verdien; maar Gij hebt ze beloofd aan een ieder, die ze U terwille van Jezus\' verdiensten zou vragen. Welnu omwille der verdiensten van Jezus Christus vraag en verwacht ik ze van U. O Maria uwe gebeden verkrijgen alles wat Gij vraagt, o bid voor mij.

36

-ocr page 588-

— 562 —

Na de Consecratie.

O God van liefde, o Gij die oneindig bemint en een oneindige liefde rerdient, zeg mij: hadt Gij nog meer kunnen uitvinden om U door de mensclien te doen beminnen ? Het was U niet genoeg menscli te worden, U te onderwerpen aan al onze ellenden; liet was U niet genoeg al uw bloed te storten onder de grootste folteringen en daarna verteerd van smarten te sterven aan een schandhout, alleen bestemd voor de grootste bposwicliten; Gij zijt zoo ver gegaan, dat Gij I zelfs tegenwoordig hebt willen stellen onder de gedaante van brood, U hebt willen maken tot onze spijs, om U alzoo met een ieder van ons te vereenigen. Zeg mij (ik herhaal het) hadt Gij meer kunnen uitdenken om IJ te doen beminnen ? O wij ellendigen dan, indien wij U in dit leven niet beminnen! O als wij de eeuwigheid zullen zijn ingegaan, welk eene wroeging zal het dan zijn U niet te hebben bemind! Mijn Jezus, ik wil niet sterven zonder U te beminnen en zonder U veel te beminnen. Grootelijks spijt het mij en pijnigt het

-ocr page 589-

— 563 —

mij, dat ik U zooveel misnoegen heb veroorzaakt. Ik heb er berouw over en ik zou er om willen sterven van smart. Thans bemin ik U bovenal, bemin ik U meer dan mij zei ven, en wijd ik U al mijne genegenheden toe. \'O Gij die mij dit verlangen geeft, geef mij ook de kracht het ten uitvoer te brengen. Mijn Jezus, mijn Jezus, ik wil niets anders van U dan U. Nu Gij mij getrokken hebt tot uwe liefde, verlaat ik alles, verzaak ik aan alles, en hecht ik mij alleen aan U, Gij alleen zijt mij genoeg, ü Maria, Moeder van God, bid Jezus voor mij, maak mij heilig. Voeg bij uwe talrijke wonderen ook nog dit wonder, van nl. zondaren te veranderen in heiligen.

Pater Noster.

Bid hier met aandacht het „Onze Vaderquot;

Adveniat regnum tuum. Mijn Vader, (Uw Zoon leerde mij U aldus noemen) mijn Vader, kom in mijn hart heerschen met uwe genade ; maak dat het U alleen

-ocr page 590-

— 564 —

diene, voor Ü alleen leve, U alleen be-minne. Et ne nos inducas in tenlationem. Ach laat niet toe, dat mijne vijanden mij kunnen bekoren op eene wijze, die mij ten val zou brengen. Sed libera nos a vialo. Bevrijd mij van de hel; maar bevrijd mij eerst van de zonde, daar de zonde alleen mij naar de hel kan brengen. O Maria, bid voor mij, bevrijd mij van dat groote kwaad, dat ik nog in zonde zou vallen en de genade zou verliezen van uwen en mijnen God.

Agnus Dei.

O Lam Gods, geslachtofferd op het kruis, gedenk dat ik een van die zielen ben, welke gij met zooveel arbeid en zooveel smarten hebt gekocht. Maak, dat ik U toch nooit verlieze. Gij, gij hebt U geheel gegeven aan mij; maak, dat ik geheel de uwe moge zijn, en dat ik geen andere bekommering hebbe dan aan U te behagen. Ik bemin U, o oneindig goed, ik bemin ü om U genoegen te geven, ik bemin U omdat

-ocr page 591-

— 565 —

Gij het verdient. Ik ken geen grootere droefheid dan de gedachte, dat ik zoo langen tijd in de wereld ben geweest zonder U te hebben bemind.

Mijn beminde Verlosser, maak mij deelgenoot van de smart, welke Gij over mijne zonden hebt gevoeld in den hof van Gethsemane. O mijn Jezus, ware ik liever gestorven en hadde ik U toch nooit be-leedigd. O liefde van mijnen Jezus, Gij zijt mijne liefde en mijne hoop. Ik wil liever mijn leven en duizend levens verliezen dan beroofd te worden van uwe genade.

Communie des priesters.

Doe hier eene geestelijke Communie.

Mijn Jezus, ik geloof dat Gij in het Allerheiligst Sacrament tegenwoordig zijt. Ik bemin U bovenal en wenschte U in mijne ziel te bezitten. Daar ik U echter thans niet op sacramenteele wijze kan ontvangen, kom dan ten minste op geestelijke wijze in mijn hart. Ik omhels U, ik vereenig mij geheel met U, als waart

-ocr page 592-

— 566 —

Gij reeds gekomen, o laat niet toe, dat ik mij ooit van IJ sclieide.

Postcommunie.

Mijn God, ontsteek mij geheel in uwe liefde; maak dat ik niets anders zoeke dan uw welbehagen, in niets anders genoegen vinde dan in hetgeen U behage-lijk is en alles, wat IJ niet behaagt, uit mijn hart verbanne. Geef dat ik immer uit de volheid van mijn hart tot U zeggen moge: O mijn God, o mijn God, U alleen begeer ik en anders niets. Mijn Jezus, geef mij eene groote liefde tot uw heilig lijden; maak dat uw pijnen en uwe dood mij immer voor den geest staan om mij immer te doen branden van liefde tot U en mij op te wekken eenig bewijs van dankbaarheid te geven voor zooveel liefde. Geef mij ook eene groote liefde tot het allerheiligst Sacrament des altaars, waarin Gij ons zoo duidelijk getoond hebt met welk eene groote teederheid Gij ons bemint. Geef mij, bid ik U, ook eene teedere godsvrucht tot uwe allerheiligste Moeder.

-ocr page 593-

— 567 —

Geef mij de genade haar immer te beminnen en te dienen en altoos mijne toevlucht te nomen tot hare machtige voorspraak, help mij ook anderen aan te sporen om haar te vereeren. Geef aan mij en aan allen immer een groot vertrouwen, eerstens op de verdiensten van uw heilig lijden en vervolgens, op de voorspraak van Maria.

Ik bid U, schenk mij een heiligen dood. Geef, dat ik U alsdan met groote liefde ontvange in de H. Teerspijze, opdat ik met U vereenigd, brandende van heilige liefdevlammen en met een groot verlangen om U te aanschouwen uit dit leven

o

scheide, om mij neer te werpen in de omhelzing uwer voeten, in dat gelukkig oogenblik, waarop ik U voor de eerste maal zal zien. Ik bid IT bovenal, o mijn Jezus mij de genade te geven des gebeds, opdat ik mij immer aan U en aan uwe allerheiligste Moeder aanbevele, vooral ten tijde der bekoring. Geef mij, bid ik om uwe verdiensten de heilige volharding cn uwe heilige liefde.

-ocr page 594-

— 568 —

Zegen des Priesters en laatste Evangelie.

Zegen mij, mijn Jezus, en zegen mij geheel: mijne ziel en mijn lichaam, mijne zinnen en mijne vermogens; zegen in het bijzonder mijne tong, opdat zij niet spreke dan ter uwer glorie; zegen mijne oogen, opdat zij geene zaken aanschouwen, die mij eene aanleiding kunnen zijn om U te bedroeven; zegen mijn smaak, opdat ik U niet beleedige met onmatigheid; zegen al mijne ledematen, opdat alle U dienen, en geen U beleedige; zegen mijn geheugen, opdat het mij immer herinnere aan uwe liefde en aan uwe weldaden; zegen mijn verstand, opdat het moge inzien, hoe goed Gij zijt en welk eene verplichting ik heb om U te beminnen, opdat het ook zien moge, wat ik moet vluchten en wat ik moet doen om mij gelijkvormig te maken aan uwen H. Wil. Zegen bovenal mijn wil ojidat hij niets anders beminne dan U, o oneindig goed, niets anders verlange dan genoegen te geven aan U, zich over niets anders verheuge dan over uwe

-ocr page 595-

— 569 —

glorie. O mijn Jezus, bind mij geheel aan uwe liefde, trek al mijne genegenheden tot ü, opdat ik niets anders beminne dan U. Maak mij geheel den uwe, alvorens ik sterve.

Ach mijn God, zoolang ik leef, ben ik nog in gevaar U te verliezen. O wanneer zal de dag aanbreken, waarop ik zal kunnen zeggen: Mijn Jezus, nu kan ik U niet meer verliezen.

0 Eeuwige Vader, om de liefde van Jezus Christus, wil mij toch niet versmaden, laat toe, dat ik U beminne, en schenk mij uwe heilige liefde. Ik wil U veel beminnen in dit leven, om TI veel te beminnen in het andere leven. quot;

O oneindig goed, ik bemin U; maar doe Gij mij kennen het groote goed, dat ik bemin. Geef mij de liefde, die Gij van mij verlangt. Maak, dat ik alles overwinne om U genoegen te geven.

Gebed tot de Allerheiligste Maagd.

O Domina, quae rapis corda, zoo zeg ik U met den H. Bonaventura. O Ko-

-ocr page 596-

— 570 —

ningin, die met de liefde en de gunsten, die Gij aan uwe dienaren betoont, hunne harten rooft, ik bid U, roof ook mijn ellendig hart, dat toch zoo vurig verlangt TJ te beminnen. Mijne moeder. Gij hebt met uwe schoonheid de liefde gewonnen van een God, Gij hebt Hem uit den hemel neergetrokken in uwen schoot, en ik, ik zou kunnen leven zonder U te beminnen? Neen, zoo zeg ik U met een ander uwer beminde zonen denH. Joannes Berchmans van de Societeit van Jezus : Nunquam quiescam, donec ha-huero tenerum amorem erga matrem mcarn Mariatn. Ik zal niet rusten zoolang ik niet zeker ben, dat ik liefde en wel eene standvastige en vurige liefde heb verkregen tot U, o mijne moeder, die mij met zooveel teederheid bemind hebt, ook toen zelfs, toen ik U zoo ondankbaar was. Hoe toch zou het thans met mij gesteld zijn, indien Gij, o Maria, mij niet hadt bemind en mij niet zooveel barmhartigheid hadt verworven ? Maar als Gij mij reeds zoozeer bemind hebt, toen ik U niet be-

-ocr page 597-

~ 571 —

minde, wat moet ik dan niet van uwe goedheid hopen, thans nu ik U bemin ? Ik bemin U, o mijne moeder, en ik wenschte een hart te bezitten, dat U beminde voor al die rampzaligen, welke dit niet doen. Ik wenschte een tong te hebben die de kracht van duizend tongen had, opdat ik allen mocht kunnen bekend maken met uwe grootheid, uwe heiligheid, uwe barmhartigheid en met de liefde, waarmede Gij allen die U beminnen, wederbemint. Had ik rijkdommen, ik zou ze alle willen besteden tot uwe eer, had ik onderdanen, ik zou hen allen willen vervullen van liefde tot U. Ik zou eindelijk voor U en uwe eer zelfs mijn leven willen opofferen, indien dit noodig ware. Ik beinin U dan, mijne moeder, maar terzelfder tijd vrees ik dat ik U niet bemin; want ik hoor zeggen, dat de liefde de bemin-nenden aan het voorwerp hunner liefde gelijk maakt. Amor aut similes invenit aut facit. Derhalve, daar ik mij zeiven zoo weinig op U zie gelijken, is dit een teeken, dat ik ü ook niet bemin.

-ocr page 598-

— 572 —

Gij zoo zuiver, ik zoo besmeurd! Gij zoo nederig, ik zoo hoovaardig! Gij zoo lieilig, ik zoo boos! Maar ziedaar nu, o Maria, wat gij doen moet; daar Gij mij zoozeer bemint, moet Gij mij aan U gelijk maken. Gij hebt alle macht om de harten te veranderen; neem dan ook mijn liart en verander liet. Doe aan de wereld zien, wat Gij vermoogt ten gunste van lien, die U beminnen. Maak mij heilig, maak mij een U waardigen zoon. Alzoo hoop ik, alzoo zij het.

AKTEN VAK VOOHBEREIDING EN VAN DANKZEGGING VOOR DE BIECHT EN DE H. COMMUNIE.

Alvorens te gaan biechten smeeke de biechteling God om licht, om zijne bedrevene zonden te kennen, en om de genade er een waar berouw over te hebben met een vast voornemen van verbetering. In het bijzonder wende hij zich tot de Moeder van Smarten, opdat zij die droefheid voor hem verkrijge. Daarna verrichte hij de volgende akte;

Gebed voor de Biecht.

O God van oneindige majesteit, ziehier aan uwe voeten den verrader, die U

-ocr page 599-

— 573 —

alweder beleedigd heeft, maar die U thans verootmoedigd om vergiffenis smeekt. Heer, verstoot mij niet, Gij immers versmaadt geen hart, dat zich vernedert. Cor contritum et humiliatum Deus non despicies. 1) Ik dank U, dat gij mij tot nu toe hebt afgewacht en mij niet, door mij te doen sterven in mijne zonden, naar de hel hebt verwezen, gelijk ik verdiend had. Wijl Gij mij aldus hebt afgewacht, koester ik de hoop, dat Gij mij in deze biecht door de verdiensten van Jezus Christus alle beleedi-gingen, die ik ü heb aangedaan, zult vergeven. Ik heb er spijt van en ben er bedroefd over, omdat ik daardoor de hel verdiend heb en den hemel verloren. Doch de reden waarom ik ze bovenal uit geheel mijn hart verafschuw, is niet zoozeer de hel, die ik verdiend heb, maar dat ik U beleedigd heb, oneindige Goedheid.

Ik bemin U, opperste goed, en omdat ik U bemin, betreur ik alle beleedi-gingen, die ik U heb aangedaan. Ik heb U den rug gekeerd, ik heb den

1) Ps. 50. 19.

-ocr page 600-

— 574 —

eerbied voor U verloren, ik heb tlwe genade, uwe vriendschap veracht, in één woord. Heer, vrijwillig heb ik U prijs gegeven. Om de liefde van Jezus Christus schenk mij vergeving van al mijne zonden, ik heb er berouw over uit geheel mijn hart, ik haat ze, ik verafschuw en verfoei ze boven alle kwaad. En niet alleen over de doodzonden heb ik berouw, maar ook over de dagelijksche zonden, want ook deze hebben U misnoegen veroorzaakt. Ik maak voor de toekomst het besluit om U met de hulp uwer genade nooit meer vrijwillig te beleedigen. Ja, mijn God, liever sterven dan nog ooit weer vrijwillig zondigen.

En als de bieehteling- zicli beschuldigd lieeft van een zonde, waarin hij meermalen is hervallen, dan is het raadzaam, dat hij omtrent die zonde een bijzonder besluit maakt en daarbij belooft de gelegenheden te zullen vluchten en alle middelen te zullen aanwenden, die de biechtvader hem heeft gegeven, of die hij zelf het krachtigst oordeelt tot zijno verbetering.

-ocr page 601-

— 575 —

Gebed na de Biecht.

Mijn lieve Jezus, lioeveel ben ik U erscliiüdigcl! Ik vertrouw, dat ik lieden door de verdiensten van uw bloed werkelijk vergiffenis lieb bekomen. Ik ben daar ten boogste dankbaar voor. Ik hoop in den hemel te komen om daar eeuwig uwe barmhartigheid te prijzen. Mijn God, heb ik TJ tot heden toe dikwijls verloren, thans wil ik ü niet meer verliezen. Van nu af aan wil ik oprecht van leven veranderen. Gij verdient al mijne liefde, ik wil u dan ook oprecht beminnen; ik wil mij niet meer van U gescheiden zien. lleeds heb ik U beloofd, maar ik beloof het opnieuw, dat ik liever sterven wil dan U nog meer te beleedigen. Ik beloof U ook de gelegenheden te zullen vluchten en dit middel [bepaal hier ivelk) te zullen aanwenden om niet meer te vallen.

Maar, mijn Jezus, Gij kent mijne zwakheid, geef mij de genade om U getrouw te blijven tot aan mijnen dood, en steeds tot U mijne toevlucht te nemen, als ik

-ocr page 602-

— 576 —

bekoord word. Allerheiligste Maria, lielp mij. Gij zijt de moeder der volharding, op ii dan ook rust geheel mijn vertrouwen.

Voorbereiding tot de H. Communie.

Er is geen krachtiger middel om zich te vrijwaren voor de zonde en voortgang te maken in de goddelijke liefde dan de H. Communie. Maar waarom dan blijven sommige zielen, ondanks zoovele communiën, immer even lauw en steeds behebt met dezelfde gebreken ? Dat komt door de geringe gesteldheid en de geringe voorbereiding, waarmede zij communiceeren. Twee dingen zijn voor die voorbereiding noodzakelijk. Ten eerste: dat men uit zijn hart verwijdere alle genegenheden, die een beletsel zijn voor de goddelijke liefde. Ten tweede : dat men ook een groot verlangen hebbe om G-od te beminnen. Eu dit, zegt de H. Eranciscus van Sales, moet onze voornaamste bedoeling zijn bij onze H. Communiën, te groeien nl. in de goddelijke liefde. Alleen uit liefde (zegt de heilige) moeten wij een God ontvangen, die zich alleen uit liefde aan ons geeft. Daarom verwekke men de volgende akten:

Akten van voorbereiding.

Beminde Jezus, waarachtige Zoon van God, die eenmaal voor mij stierft op het

r

-ocr page 603-

kruis in eene zee van smarten en ver-smaclingen, ik geloof vastelijk, dat Gij tegenwoordig zijt in liet Allerheiligst Sacrament, en ik ben bereid voor dit geloof mijn leven te geven. Mijn dierbare Verlosser, steunend op uwe goedheid en op de verdiensten van uw heilig bloed, hoop ik dat, wanneer Gij dezen morgen in mijne ziel komt. Gij mij geheel zult ontsteken in Uwe heilige liefde, en dat Gij mij allo genaden zult geven, die ik noodig heb om U gehoorzaam en getrouw te zijn tot aan mijnen dood.

Ach, mijn God, waarachtige en eenige minnaar mijner ziel, wat hadt Gij nog meer kunnen doen om mij te verplichten U lief te hebben ? liet is U niet genoeg geweest, mijne liefde, voor mij te sterven; Gij hebt daarenboven het Allerheiligst Sacrament willen instellen, uzelven onze spijs willen maken om U geheel aan mij te geven en TI alzoo op de nauwste wijze te vereenigen, ja geheel één te maken met een schepsel zoo ellendig en ondankbaar als ik ben. En Gij zelf noodigt mij uit om U te ontvangen

-ocr page 604-

— 576 —

bekoord word. Allerheiligste Maria, help mij. Gij zijt de moeder der volharding, op u dan ook rust geheel mijn vertrouwen.

Voorbereiding\' tot de H. Communie.

Er is geen krachtiger middel om zich te vrijwaren voor de zonde en voortgang te maken in de goddelijke liefde dan de H. Communie. Maar waarom dan blijven sommige zielen, ondanks zoovele communiën, immer even lauw en steeds behebt met dezelfde gebreken ? Dat komt door de geringe gesteldheid en de geringe voorbereiding, waarmede zij communiceeren. Twee dingen zijn voor die voorbereiding noodzakelijk. Ten eerste: dat men uit zijn hart verwijdere alle genegenheden, die een beletsel zijn voor de goddelijke liefde. Ten tweede : dat men ook een groot verlangen hebbe om God te beminnen. En dit, zegt de H. Francisous van Sales, moet onze voornaamste bedoeling zijn bij onze H. Communiën, te groeien nl. in de goddelijke liefde. Alleen uit liefde (zegt de heilige) moeten wij een Grod ontvangen, die zich alleen uit liefde aan ons geeft. Daarom verwekke men de volgende akten:

Akten van voorbereiding.

Beminde Jezus, waarachtige Zoon van God, die eenmaal voor mij stierft op het

-ocr page 605-

T

o/ /

kruis in eene zee van smarten en versmadingen, ik geloof vastelijk, dat Gij tegenwoordig zijt in het Allerheiligst Sacrament, en ik ben bereid voor dit geloof mijn leven te geven. Mijn dierbare Verlosser, steunend op uwe goedheid en op de verdiensten van uw heilig bloed, hoop ik dat, wanneer Gij dezen morgen in mijne ziel komt, Gij mij geheel zult ontsteken in Uwe heilige liefde, en dat Gij mij alle genaden zult geven, die ik noodig heb om U gehoorzaam en getrouw te zijn tot aan mijnen dood.

Ach, mijn God, waarachtige en eenige minnaar mijner ziel, wat hadt Gij nog meer kunnen doen om mij te verplichten U lief te hebben\'? Het is U niet genoeg geweest, mijne liefde, voor mij te sterven; Gij hebt daarenboven het Allerheiligst Sacrament willen instellen, uzelven onze spijs willen maken om U geheel aan mij te geven en TT alzoo op de nauwste wijze te vereenigen, ja geheel één te maken met een schepsel zoo ellendig en ondankbaar als ik ben. En Gij zelf noodigt mij uit om II te ontvangen

37

li

m van )p het

-ocr page 606-

— 578 —

en verlangt vurig, dat ik U ontvangc. O eindelooze liefde! een God zieh geheel aan mij geven! O mijn God, o oneindig beminnelijk goed, een oneindige liefde waardig, ik bemin U bovenal, ik bemin U uit geheel mijn hart, ik bemin U meer dan mijzelven, meer dan mijn leven, ik bemin U ook om U genoegen te geven, daar Gij immers vurig naar mijne liefde verlangt. Gaat henen uit mijn hart, gij aardsche genegenheden: alleen aan U, o mijn Jezus, o mijn schat en mijn al, alleen aan U geef ik geheel mijne liefde. Gij geeft U dezen morgen geheel aan mij, ik geef mij ook geheel aan U. Neem mij aan, laat mij U beminnen, want ik wil niets anders dan U en niets anders, tenzij wat aan IJ behaagt. Ik bemin U, o mijn Zaligmaker, en ik vereenig mijne ellendige liefde met de liefde, waarmede U alle engelen en heiligen beminnen, waarmede Maria, uwe moeder, en uw eeuwige Vader U bemint. O kon ik U door allen bemind zien! O kon ik U doen beminnen door alle menschen, en U doen beminnen, gelijk Gij het ver-

-ocr page 607-

— 579 —

dient! Zie, mrjn Jezus, reeds nader ik om mij te spijzen met Uw heilig vleeseh. Ach mijn God, wie ben ik, en wie zijt Ciij ?\' Gij zijt de Heer van oneindige goedheid en ik ben een afzichtelijke worm, die besmeurd ben met zooveel zonden en die U zoo dikwijls heb verdreven uit mijne ziel. Domine non sum diynus. Heer, ik ben zelfs niet waardig mij in uwe tegenwoordigheid te bevinden, ik moest reeds in de hel zijn, voor immer verwijderd en verworpen van uw aanschijn. Maar Gij in uwe goedheid noodigt mij uit om U te\' ontvangen ; reeds kom ik, ik kom vernederd en beschaamd over al het misnoegen, dat ik U heb veroorzaakt, maar ook vol vertrouwen op uwe goedertierenheid en op de liefde, die Gij mij toedraagt. Hoezeer spijt het mij, o , mijn beminnelijke Verlosser, dat ik U in het verledene zoozeer heb beleedigd! Gij zijt in uwe liefde tot mij zoover gegaan, dat Gij zelfs uw leven hebt gegeven, en ik, zoovele malen heb ik uwe genade en uwe liefde veracht, en U ver-mild voor een niet. Meer dan alle rampen

ango. eheel indig iefde emin meer n, ik even, iefde t. gij n U, in al, ^efde. 1 aan \'seem nt ik iders, icmin eenig iefde, ligen ieder, ) kon on ik chen, t vér-

-ocr page 608-

— 580 —

n van gansclier harte spijten en mishagen mij thans alle beleecligingen, die ik Uheb aangedaan, zoowel groote als kleine, omdat het beleedigingen zijn van U, oneindige goedheid. Ik hoop, dat Gij mij reeds vergeven hebt; maar als Gij mij nog niet vergeven hebt, vergeef mij dan, mijn Jesus, alvorens ik U ontvange. Ach, neem mij spoedig in uwe genade op, daar Gij toch weldra in mijn binnenste wilt komen wonen.

Kom dan, mijn Jezus, kom in mijne ziel, zij verlangt naar U. Mijne eenige en oneindige liefde, mijn leven, mijne liefde, mijn al, ik zou U dezen morgen willen ontvangen met dezelfde liefde, waarmede de zielen U hebben ontvangen, die U het meest beminden, en met dezelfde vurigheid, waarmede Uwe allerheiligste Moeder U ontving. Met hare heilige communiën vereenig ik de mijne. O heilige Maagd, mijne heilige Moeder Maria, geef gij mij uwen Zoon. Ik wil Hem ontvangen uit uwe handen. Zeg Hem : dat ik uw dienaar ben, want dan zal Hij mij met nog meer liefde aan

-ocr page 609-

— 581 —

Zijn hart drukken, als Hij zoo aanstonds tot mij komt.

Akten na de H. Commnnie.

De tijd na de communie is een kostbare tijd om schatten van genaden te winnen, want, daar de ziel dan vereenigd is met Jezus Christus, hebben hare akten en hare gebeden eene hoogere verdienste en waarde dan op andere tijden. Dan, zegt de H. Theresia, is de Heer in de ziel als op een troon van barmhartigheid, en dan zegt Hij tot haar: Mijne dochter, vraag van mij wat gij wilt, u wel te doen, ziedaar, het doel, waarom ik in u ben gekomen. O wat al bijzondere gunsten ontvangen diegenen, welke zich na de H. Communie met Jezus blijven onderhouden! De eerbiedwaardige Pater Avila bracht na de H. Communie immer twee uren in het gebed door, en de H. Aloysius van Gonzaga besteedde drie dagen om Jezus Christus te bedanken. Men verwekke daarom de volgende akten en doe zijn best om zich gedurende den dag door akten en gebeden voortdurend met Jezus, dien men des morgens heeft ontvangen vereenigd te houden.

Ziedaar, mijn Jezus, reeds zijt Gij gekomen. Gij woont nu in mij en zijt geheel de mijne geworden. Wees welkom,

-ocr page 610-

— 582 —

mijn beminde Verlosser. Ik aanbid U, ik werp mij aan Uwe voeten, maar ook ik omhels U, ik druk U aan mijn hart en ik dank U, dat Gij U gewaardigd hebt in mijn binnenste neder te dalen. O Maria, o heilige voorsprekers, o mijn heilige engelbewaarder, bedankt Hem voor mij. Daar Gij mij derhalve, o mijn goddelijke Koning, met zooveel liefde zijt komen bezoeken, geef ik U op mijne beurt mijnen wil, mijne vrijheid en geheel mijzelven. Gij hebt U geheel gegeven aan mij, ik geef mij ook geheel aan U; ik wil niet langer de mijne wezen; van nu af wil ik de uwe zijn en de uwe geheel en al. Geheel de uwe moeten zijn mijne ziel -en mijn lichaam, mijne vermogens en zintuigen, opdat zij allen zich beijveren om U te dienen en U genoegen te geven. Aan U wijd ik al mijne gedachten, al mijne verlangens, al mijne genegenheden en geheel mijn leven. Genoeg heb ik U beleedigd, mijn Jezus; het leven, dat mij nog overblijft, wil ik geheel besteden om U te beminnen, die ook mij zoozeer bemind hebt. Aanvaard,

-ocr page 611-

— 583 —

o God mijner ziel, het offer van een ellendigen zondaar, die niets anders verlangt dan U te beminnen en aan U te béliagen. Doe met mij, beschik over mij en over al het mijne, gelijk aan U behaagt. Uwe liefde vernietige in mij alle genegenheden, die ü niet behagen, opdat ik geheel de uwe zij en alleen leve om U genoegen te geven. Ik vraag U geene goederen dezer aarde, geen genoegens, geen eer ; geef mij, bid ik U, mijn Jezus, door de verdiensten van uw lijden eene voortdurende droefheid over mijne zonden. Geef mij uw licht, opdat het mij de ijdel-heid doe kennen der wereldsehe goederen en mij tevens doe beseffen, hoezeer Gij verdient bemind te worden. Onthecht mij van alle gehechtheden aan de wereld en bind mij geheel aan uwe liefde, opdat mijn wil van heden af niets wille of begeere dan alleen hetgeen Gij wilt. Geef mij geduld en gelatenheid in ziekte, in armoede en in alles wat in strijd is met mijne eigenliefde. Geef mij zachtmoedig te zijn jegens hen die mij verachten. Geef mij een heiligen dood, geef mij uwe

-ocr page 612-

- 584 —

H. liefde; maar bovenal, bid ik U, geef en mij de volharding in uwe genade tot aan nad mijnen dood; laat niet toe, dat ik mij ver nog ooit van U scheide : Jesu dulcissime, eri ne permittas me separari a te. En liierbij mijl vraag ik U tevens de genade altoos tot U mijne toevlucht te nemen en U altoos ter hulp te roepen, o mijn Jezus, in al mijne bekoringen ; ook de genade U altijd te vragen om de H. volharding.

O eeuwige Vader, Jezus uw Zoon heeft mij beloofd, dat Gij mij alles zult geven,

wat ik U in Zijnen naam vraag. Si quid petieritis Patrem in nomine meo dahit vol)is. 1) In naam dan en door de verdiensten van dien Zoon vraag ik U uwe heilige liefde en de heilige volharding,

opdat ook ik eenmaal in den hemel kome,

waar ik U uit al mijne krachten zal beminnen en in alle eeuwigheid den lof zal zingen uwer barmhartigheden, verzekerd dat ik nooit meer van U zal gescheiden worden.

O Allerheiligste Maria, mijne moeder

1) Joa. 10. 23.

-ocr page 613-

— 585 —

en mijne hoop, verwerf gij mij de genaden, welke ik verlang; mijne Koningin, verwerf mij ook u vurig te beminnen en mij immer te wenden tot u, in al mijne benoodigdheden.

eder

-ocr page 614-

KEEKELIJKE GOEDKEURINGEN.

IMPRIMATUR.

Amstelodami hac 11quot; Martii 1888.

H. J. H. ETJSCHEBLATT,

Lihr. Cons.

IMPRIMATUR SERVATIS DE JURE SERVANDIS-

G. SCHRAUWEN, C. SS. R.

Stip\'. Prov.

Amstelodami, I Oct. 1887.

-ocr page 615-

INHOUD.

Bladz.

Inleiding................v

Handleiding voor het inwendig gebed

of de meditatie...........vil

§ 1. De gedachte aan de eeuwigheid. . . 1 § 2. Wij zijn vreemdelingen op deze aarde. 8 § 3. God verdient hoven alles bemind te

worden................10

§ 4. Om heilig te worden moet een ziel zich geheel en zonder voorbehoud

aan God schenken..........24

§ 5. De twee groote middelen om heilig

te worden: verlangen en besluit. . 31 § 6. Over de wetenschap der heiligen. . 39 § 7. Onze eeuwige zaligheid ligt in het

gebed.................48

J 8. Ik moet eenmaal sterven.......50

§ 9. Voorbereiding tot den dood.....öG

§ 10. Wie God bemint, moet geen afschrik

hebben voor den dood.......72

§11. In het kruis ligt onze zaligheid . . 79 § 12. Welk genoegen men aan Jez as Christus geeft, wanneer men ter zijner liefde

lijdt..........-.......88

§13. De liefde Gods overwint alles. ... 90

-ocr page 616-

Bladz.

§ 14. Over de noodzakelijkheid van het inwendig gebed............103

§ 15. Doeleinden van het inwendig gebed. 109

§16. Over Gods barmhartigheid......118

§17. O ver het vertrouwen op Jezus Christus. 128 § 18. Zalig worden alleen is noodzakelijk. 139 §19. Over de volmaakte onderwerping aan

Gods wil..............145

§ \'20. Gelukkig hij, die aan God getrouw is

in den tegenspoed.........1Ó4

§21. Wie Jezus Christus bemint, moet de f

wereld haten............162

§22. Een stervende, die spreekt met den

Gekruiste..............167

§23. Akten te verwekkeninhetuurdesdoods 173 § 24. Over het huis onzer eeuwigheid. . 180 § 25. De zielen, die God beminnen, verlangen vurig Hem in den hemel te

gaan aanschouwen.........186

§ 26. Jezus is de goede Herder......191

§27. Over de zaak onzer eeumge zaligheid. 196 §28. Over de vreugde der gelukzaligen. . 202 § 29. In de spijt, dat men God verloren

heeft, daarin bestaat vooral de hel.1 208

§ 30. Verachting der wereld........216

§31. Liefde tot de eenzaamheid......224

§32. De eenzaamheid des harten .*.... 230 § 33. God zien en Hem beminnen, dit maakt in het andere leven het Paradijs der zaligen uit..............238

-ocr page 617-

Bladz.

§ 34. Over liet gebed vóór het Allerheiligste

Sacrament des Altaars.......247

§ 35. Alleen in God vindt men den waren

vrede.................254

§36. God alleen moet ons doel zijn. . . . 259 § 37. Men moet alles lijden om genoegen te

geven aan God...........205

§ 38. Gelukkig hij, die niets anders begeert

dan God...............269

§ 39. Over de dorheid des geestes.....276

\'lt;5 40. Over het leven in de eenzaamheid. 284 §41. O ver de onthechting aan de schepselen 290 § 42. .De dood der heiligen is kostbaar . . 296

§ 43. Over de lauwheid...........304

§44. Zuivere meening...........311

§ 45. Verzuchtingen naar het Hemelsch

Vaderland..............318

DE GODDELIJKE LIEFDE.

§ 1. Hoezeer God onze liefde verdient. . 326 § 2. Hoezeer God onze liefde verlangt. . 333 § 3. Middelen om de goddelijke liefde te

verkrijgen..............345

Gebed van den H. Bonaventura tot Jezus Christus om zijne heilige liefde te verwerven...................367

Gebed tot de Allerheiligste Maagd Maria om de liefde te bekomen tot Jezus en tot haar..................368

-ocr page 618-

liladz.

Over de oelijKvoemigheid den wil

van God.................370

Wijze om verteouwelijk met God om te gaan................ . . . . 438

liAADOEVINaEN TEE VEELIOIIIING EN BEMOEDIGING VAN EENE TEOOSTELOOZE ZIEL. . .491 Beweegredenen om tot vertrouwen op te wekken op Gods barmhartigheid en op de verdiensten van Jezus Christus . . . i308 Gebed van eene godminnende ziel die in troosteloosheid is.............Ö42

Over het bijwonen der H. Mis......ö4ó

Gebeden onder de H. Mis.........551

Akten van voorbereiding en van dankzegging voor de Biecht en de H. Communie. Ó7\'2

/

-ocr page 619-
-ocr page 620-

-—

-ocr page 621-
-ocr page 622-
-ocr page 623-