-ocr page 1-
-ocr page 2-

Nederl.

002

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

Prof. J. A. ALBERDINGK THIJM EN ZIJNE DOCHTER.

-ocr page 6-

quot;vv1- •:- ■gt; ■ ^ \' /. , ;• - . . ■ v;--

1 ,v-^r ■-\' gt; - ... -v\' •gt;\' -• ■■ •-. ;-■?.• I

^ - ■ v ;- ,4-/; ^ A

/ - ■■ ■ -■- - \' ■ •■

1

-ocr page 7-

•L

4

BUNDEL GEDICHTE^ SCHETSEN en NOVELLE^.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

ü / /DT^,

GEDICHTEN, SCHETSEN en NOVELLEN

VAM

Prof. J. A. ALBERDINGK THIJM

EN ZIJNE DOCHTER.

--

ROTTERDAM

D. BOLLE.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

WOORD VOORAF,

i|El is aan de zijde van mijn vader, dat ik mijn eersten bundel proza in \'t lieht geel\'. Tot nu toe schreef ik vooral voor de toegevende jeugd. Moge mijn geleider door zijne liederen liet hart der beoordeelaars gunstig stemmen voor dezen eersten grooten stap, dien ik waag op het ruimere gebied der letterkunde.

Catii. Alu. Thum.

-ocr page 12-
-ocr page 13-

INHOUD1).

Levensbeschrijving van J. A. Alb. Tli........

Twee Kindersmarten............

Zeven Chineesche liederen...........

Een diner in de tweede helft der 18de eeuw......

De Venus-Expeditie............

Aan Mr. Herman J. van Lennep.........

Eene coquette moeder..........

Aan mijn üochtertjen............

Aan mijn Zoontjen Frank...........

Aan mijne jongste Zuster...........

De Lakenkooperszoon van Brugge.........

De ledige bidstoel.............

Op Koning Willem III............

De groote Meimaand............

Op het standbeeld van De Ruyter.........

Ter blijde inkomst van Z. K. H. Prins Hendrik der Nederlanden

en Pricces Maria van Hohenzollern . ,.....

Het Noordzee-Kanaal............

Bij de dood van twee jong gestorven Princen......

Holland-Krakatau.............

Nederland-Insulinde............

Aan Louise Stratenus............

De openhartige vrouw............

In het Album van Schlaraffla . . . . ......

Aan Thérèse Schwartze...........

Op hot gouden drukkersfeest van Mr. .F. .1. Enschedé.

1

IToi proza is van M^j. Cath. Alh. Tii.. dirlitwerk is van haren vader.

-ocr page 14-

I N H 0 U D.

Bladz.

In een boek met etsen............

Aan den dichter B. van Mem-s.........120

De Vriesche Muze.............122

Aan Pieter Corneliszoon Hooft. ... .....12o

Aan de firma Conen-Offenbcrg..........12-r\'

Op de Vecht..............126

Tegen den Zuidgevel van het Nieuwe Muzeüm.....129

Eene Poolsche herinnering...........l \'O

Po speelman van St. Cecilia..........141

Manola. . . . ,...........148

Aan Mevrouw Bosboom-Toussaint.........178

Aan Mr. J. C. de Marez Oyens.........180

Aan Mej. Anna Marius............181

Uit het leven van een Amsterdamsch koopman.....182

Aan Jonkvrouw * *............l^\'

Voor de zelfde..............1^6

De vrouw van den acteur...........197

Ten derden Eeuwgetijde van Hugo do Groot......20:gt;

Drie eerste kussen.......\'......200

Een half dozijn snel-dicht...........-1\'

Aan Anna Muller-Thijm...........221

Kongres-indrukken.............222

Nog een tritsjen Sneldicht...........223

Zijn eigen graf..............224

De naauwe schoen.............227

De Schoonheid..............230

De Kunsten..............2 gt;1

In een Huiskamer.............232

Aan Mej. C. van Everdingen..........232

Aan eene Schilderes........, 2-

Een half uur op den toren van \'t paleis te Amsterdam . . . 234

Aan Vondel..............

Aan Henri Joseph Teixeira de Mattos........244

-ocr page 15-

Jl/E VENSB ESC H RIJ VING

VAN

J. A. A. Th.

Crij vraagt mij naar zijn lotgeval in dezer stede poorte?

Zie hier al vast seizoen en plaats en ure van geboorte.

\'t Was toen men schreef het vijfde jaar sints de Eerste Bonaparte Geketend op zijn rotsklip stond, met bloedend heerschersharte. Augustus\' zon brak dertien maal door d\'Amsterdamschen nevel, „\'t Ghecroonde Wesep,quot; droeg weleer de huizinge in haar gevel. Dies dunkt, naast de Amstel. hem de Vecht de heerlijkste onzer stroomen, Waarlangs we, in blijde bedevaart, naar \'t Drostlijk Muyden komen. Ter plaats stond de appelboomgaard eens, „vorberrent van den Indenquot;, Toen Gijsbrechts volk, om spilletrouw, geslagen werd „totMuilen.quot; 1) Rechts rees de Korenmeterskluis, waar plompe Staatsche klanten. Als waar\' \'t het Amsterdamsch stadhuis hun zegeteeken plantten; 2) Daar stierf (en \'t wees Item eens voor al een plaats bij haar vazallen) Van Aemstels scboone-vronwenrei do roemrijkste van allen.

Aan de overzij — en \'t won voor goed zijn hart voor Koning Caerle Stond lang de „steenenquot; Paladijn, der mannen eêlste paerle.

Hij was zijn moeders oudste kind, en kuipersbaarse en hamer Klonk rustig, lustig, op de maat tot in beur stille kamer.

Al vroeg heeft hij den tol betaald aan Amstels koortsbezoeking.

i

1

Melis Stoke: Huyd. D. III. V. 150—158.

2

In 1577. Zie Wagonaar. Amsterdam. I. aGn.

-ocr page 16-

2

En, Mi.1lrr.1s Same.i! your apelUng-.irhool bracht luttellijfsverkloeking. Uw kweekschool „Nnf. ran \'t Alfjememquot; heeft toen hem opgenomen; Maar \'t was. of hem het Nutache hloed door de aadren niet wou

[stroomen.

Al steeft ge uw deeg met algebra, uw spijs won niet beklijven. Al liet ge\'m zelfs zijn themata naar lust in dichtmaat schrijven. Toen heeft hij, zoetjens, zoetjens aan, bij feestgelegenheden.

Zoo als het hem werd voorgedaan, zijn veêr al eens versneden, \'t Geheim van \'t schoon heeft Harmen Klijn hem vriendlijk voor-

gefluisterd ,

Do vaersleer had hij Withuys\' mond aandachtig afgeluisterd.

\'k Roken alweer — \'t gaf weinig eer aan deze heusche vrinden; Hij hield zich enkel aan hun leer; hij Bilderdijk te vinden\'quot;. Hij zocht in \'t land „van Teisterbantquot; en nog wat verder henen.. . En werd de „Ultramontaanschequot; klant, begroet met slijk en stoenon. En nu — zoo menig, menig blad heeft hij al volgeschreven. En vraagt (doch niet om kei of klad): waar\' \'t boter thuisgoblovon?

-ocr page 17-

TWEE KINDERSMAETEN.

„Noon. Ottolino, ik loop niot met je!quot;

„Waarom niot. Anna. och too. ik lioh niemand die met me spelen wil.quot;

„Ik geloof het wel; mama heeft het me ook streng verboden; je moeder is immers eene actrice.quot;

Hot hlonde tienjarige hoofd boog diep op de borst neder en langs het hooge witte boezelaartje rolden twee zware tranen. Het was Ottoline te moede alsof zij zeer schuldig was; „je bent geen fatsoendelijk kindquot; hadden de wreede meisjes op school wel eens tegen haar gezegd, en het „onfatsoendelijkekindquot; voelde oen soort eerbied voor allen die haar zoo minachtend behandelden.

„Maar eene actrice is immers niets kwaads/\' had zij eens gestameld met een vuurroode kleur op de wangen; — zij had gemeend dit te moeten zeggen, ter verdediging van haar moeder. Maar geen van do kinderen had daarop geantwoord.

Hoe konden zij dat ook?

74j was dus meestal alléén in den speeltijd. en als

-ocr page 18-

4

na de school de meisjes in groepjes en arm in arm elkander onder vroolijk gebabbel thuis brachten, liep Ottoline beschaamd achteraan.

Op haar verjaardag had mama gevraagd.

— „Kindje, wat wil je het liefste hebbenT

_ Ik durf het niet zeggen,quot; was het antwoord

geweest.

— „Nu nog mooier, maar gauw er mede voor den dag!quot;

_ „Of dan mama alsjeblieft geen actrice meer wil ziin1?quot;

— „Zottinnetje! — hier! Dat is beter voor je;

bewaar het goed.\'

En lachend had de moeder een gouden band van

haar pols losgewonden en de kleine in den schoot geworpen.

Het kind had niets gezegd ... Zij mocbt rhen dag thuis blijven, omdat het „feestquot; voor haar was; zij had doozen vol lekkers en heel veel moois gekregen; mama had geen tijd en kon natuurlijk niet bij haar zijn; maar zij had immers alles wat haar hart begeerde en ze mocht zooveel schoolvriendinnetjes vragen als zij maar wilde. Als zvj wilde /.. .

Waarom was Ottoline dan niet gelukkig en dank-

baar 1

„Een vreemd kind,quot; had de moeder hoofdschuddend gezegd, „misschien zal het wel door tgroeien komon v _ En zij ging naar haar repetitie.

-ocr page 19-

5

Het kind bleef thuis in het rijk gestoffeerde kleine salon. Op de canapé lagen onaangeroerd de gouden armband en allerlei suikergoed, een nieuw toiletje, een in rood en goud gebonden boek ... Zij zelf stond voor quot;i venster en keek drooraend naar de eerste sneeuwvlokken.

Waar was zij gelukkiger, hier of up school? — Zij vroeg zich zelf af waar of ze liever was.

Zij was hier ook zoo alleen ; zij had mama nooit durven zeggen hoe de kinderen op school over haar spraken, neen , want mama zou dan ook maar verdriet hebben zoo als zij. . . zij kon het ook niet zeggen , want mama had geen tijd om naar haar gepraat te luisteren en toch... het jonge hart had zoo graag iemand gehad die met zachte hand den neêrdrukkenden last van verachting die daarop rustte wegnam....

Onder langs het raam ging een bedelaarskind met gescheurd kleedje en onuitgekamde haren voorbij , haar liedje neuriënde terwijl het droefgeestig en vragend hand en oog tot de voorbijgangers ophief.

Ottoline zag hoe het steeds teruggestooten werd, en zij.. . het rijke kind daarboven verstond wat het arme daar beneden lijden moest. Eén tikje aan \'t raam en het toonen van haar lekkers, dat door den dankbaren, verrukten blik der kleine bedelares gevolgd werd, was maar een inleiding om hel meisje naar beneden te doen ijlen en iu triomf liet misdeelde lotgenootje naar boven te brengen.

-ocr page 20-

6

— „Wil je wat van mijn lekkers?quot;

— „Heel graag, juffrouw.quot;

— „Neen ik beu geen juffrouw; ik ben . . . Otto-line , en hoe heet jij ?quot;

— „Mina.quot;

— „Heb je honger, Mina f\'

— „Ja!quot;

— „En ben je koud V\'

— „Ja, altijd koud.quot;

— „Kom hier, we zullen samen eten en ik wil je

verwarmen ...quot;

De beide kinderen waren overgelukkig.

— „Mama is actrice,quot; had Ottoline niet zonder schroom gewaagd te zeggen , maar Mina had haar alleen met groote oogen aangezien en blijkbaar niets ergs in dat woord gevonden.

— Moeder is dood en vader slaat me altijd als ik niet genoeg centen van de straat meêbreng.quot;

— „Slaan! Neen dat doet mama nooit; maar ik geloof dat mijn vader dood is net als jou moeder;

ga je ook op school\'?quot;

— „Neen,quot; verzekerde Mina met een diepen

zucht „ik moet bedelen.quot;

De beide meisjes zwegen een oogenblik , Mina dachl hoe heerlijk het zijn moest om zoo\'n rijk juffertje te wezen en veel te leeren , en Ottoline sprak in haar eigen hart; „mama slaat me nooit en ik heb nooit kou of honger.quot;

-ocr page 21-

7

Kinderen praten weinig als zij nog niet aan elkander gewend zijn. Mina moest weer gaan bedelen, maar verliet haar nieuwe vriendinnetje niet zonder beloofd te hebben: „morgen terug te komen.quot;

En den volgenden dag voelde Ottoline zich niet meer verst ooten en eenzaam op school; zij dacht aan de arme Mina op straat.

-ocr page 22-

ZEVEN CHINEESCHE LIEDEREN.

i.

ONDERGANG VAN HET STAMHUIS TSJOE.

De bron met koele stroomen vloeit Op \'tonkruid, dat op d\' akker groeit. Ach, slapen, slapen kan ik met.

Ik waak in rusteloos verdriet;

!k weet niet wat ik wensch of doe Als ik het ongeluk bedenk

U dreigend, Huis van Tsjoe!

-2.

De bron met koelen vloed besproeit Het onkruid, dat al dichter groeit. Ik waak en staaroo- vroeg en spaa. En denk met diepe zuchten na.

En voel wat bitter leed het doe,

Eu hoe \'t mijn hart met schrik vervul. Wat dreigt het Huis van Tsjoe.

-ocr page 23-

9

3.

De bronstroom maakt liet kliskruid nat. Dat groeit aan dal en heuvelpad: In slaaploosheid en diepen druk Denk ik, ontsteld, aan \'t ongeluk Dat altoos toeneemt, inuner toe... Zoodat geen redding mooglijk is Voor \'t eedle Huis van Tsjoe.

i-.

01\' \'t regent, dondert, stormt ol\' licht. Het onkruid wortelt vast en dicht; Wie stuit in d\' akker nog \'t verderf? Het gantsche rijk, der vaadren erf,

\'t Is of \'t iil onder gaat!...

Slechts Soen, de Vorst, is de eenge nog Die standhoudt en weerstaat.

II.

TWEE AKKERS, TWEE BRUIDEN.

I.

Bouw niet op verscheiden hoeven

Aan verscheiden vlieten;

Ginds zal \'t onkruid wortel schieten Onderwijl gij hier blijft toeven.

Droom niet van een heil, dat u de sterren Hier ontzeggen; tracht naar geen geluk van verren.

-ocr page 24-

10

Bouw niet op verschciilcn landen,

la verschelden streken; \'t Is daarginder onkruid kweken: Minnenijd strekt reeds haar handen. L)ic twee bruiden zich heelt uitgekoren Schijnt een jager, jagend langs twee sporen.

ill.

ÜE MAAGD SPREEKT.

1.

Ben ik ii waarlijk lief.

Is u mijn kus iets waard. —

Welaan, grijp koen dan \'t roer. En vrees niet voor de vaart.

En wilt gij niet, wel wees dan man.

Trek elders heen! — voor u een ander dan

2.

Ben ik u dier en waard,

Hangt gij mij smartlijk aan,

Zoo vindt gij wel de kaan,

Waarmeê gij herwaards vaart.

Maar haakt ge niet naar mijn nabijheid. Wel! \'k troost mij licht, in beider vrijheid!

-ocr page 25-

n

IV.

LIEFDEGAVEN.

1.

Een jonkvrouw, klein en rein en fijn, Heeft voor haar deurtjen mij besteld; Ik keer en wend mij telken reis, Of haar heur woord aan mij iets geldt, O kom! gij zijt mijn een\'ge schat.

Een jonkvrouw, zedig, vroom en teer, Vereerde mij een kleurig lint;

Het lint is rood, de rand is groen :

Maar schoon ik \'t nog zoo prachtig vind, Haar deugd en zede trekt mij meer.

3.

Zij heeft de veldplant I geplukt, En bracht ze versch bedauwd naar huis; Het is, voorwaar, een zeldzaam kruid: Maar \'k spreek heel mijn geluk niet uit, Als zij ze me in de handen drukt.

-ocr page 26-

12

V.

DE BARBAREN VAN \'T NOORDEN.

1.

Met lange gele haren Zoo komen de barbaren

In scharen.

Langs hunne sla.pen hangen Als slangen

Hun haren, de gelen, de langen.

±

Die steeds ons schrikbeeld waren. De woestenijbarbaren,

Zij komen bi) scharen. Zij bouwen geene velden, Een haardstee zien ze zelden; Wat volk zij niet ontstelden!

3.

Slechts wilde en raauwe beten. Niet gaar gemaakt om te eten,

Slaan ze onbereid te lijf; Zij proeven rijst noch maïs; Een vcêr dunkt hun dat Iraai is Op \'t ongeschoren hoofd; In leder steekt lam lijf.

-ocr page 27-

13

4.

De scharen zijn gekomen; Het land is ingenomen:

\'t Is uit met rust en vree: Kom haastig neêrgevaren, O Vorst, of Noordsche scharen, Mot lange gele haren,

Bezetten land en steê.

VI.

RIJK HUWELIJK.

1.

Het nestjen , dat het vogeltjcn zoo kunstig samenweeft.

Wordt aan het diertjen wreed ontrukt door \'s vogels rooverklaauw.

Zoo wordt de zoete hoop verstoord, waarin het bruidtjen leeft, Wanneer een rijk en machtig Heer haar wechrooft als zijn vrouw.

2.

Het huppelende vogeltjen bouwt in den groenen boom Een woning, die de roover straks met lust bewonen zal.

Het droeve bruidtjen gaat daarheen en stort een tranenstroom, Haar stoet is rijk aan wagenpraal, wel honderd in getal.

3.

Beklaag den teed\'ren kunstenaar; een machtiger dan hij Heeft uit zijn nestjen hem verjaagd, zoo kunstig opgebouwd.

Beschrei het arme bruidtjen, dus geroofd van \'s minnaars zij, Wat is de rijkdom, als de smart de ziel gevangen houdt ?

-ocr page 28-

14

Vil.

BF,TEEKENIS DER LIEFDEGAVEN.

1.

Gij wierpt mij omen appel in den schoot : Nprih daarvoor moê den roodon edelstpon ! Niet als betaling. maar alleen Als teeken van hetgeen ik ineen ; Gii hoort mij toe; ik hoor u toe.

Gij wierpt mij eene perzik in den schoot : Neem daarvoor meê den groenen edelsteen ! Niet als vergolding, maar alleen Als stille taal van tederheên;

Gij hoort mij toe , ik hoor u toe.

3.

Gij wierpt een purpren pruim mij in den schoot Neem dies van mij den blaamven edelsteen. *1 ïs ojonn vergoeding tüe ik ineen ,

Maar weêrschijn mijner tronw alleen . Die spreekt : ,Gij hoort mij toe : ik n !\'quot;

-ocr page 29-

Een diner in de 2de helft der 18de eeuw.

Do drie voorzalen van het keizerlijk paleis te Peters-burg doorgaande, waarin verschillende militairen en bedienden een soort van heg vormden, kwam men in de receptiezaal.

Het was in het midden der maand September. omstreeks 1764 en het najaar liet zich al geducht hier, in \'tNoorden, voelen.

Maar daar binnen in de schitterende zalen merkte men niets van de grillen der natuur; — een zoele warmte hing in de vertrekken.

Er was diner ten hove.

Voor en na kwamen de hooge gasten binnen. Het was moeielijk onder deze bont gekleede menigte zoo terstond zijn vrienden te herkennen.

Alles wemelde er van kostbare stoffen. De heeren. volgens de fransche mode in prachtigen , veelkleurig satijnen markiezen-rok met degen op zijde en gepoederde pruik, zacht geparfumeerde jabots en kanten manchetten. wedijverden met de weelde in fluweel en zijde dor damestoiletten. Do ontzagwokkondo jmrnrs

-ocr page 30-

16

cenigszins verscholen onder de verplichte manteau-de-cour; het lange, puntige, smal opgeregenliif, maar vooral de reusachtige kapsels van hoog opgerolde lokken met veeren bekroond, die de meeste vrouwen zoo niet grooter althans even groot als de mannen maakten, vormden zulk een zonderling geheel, dat onze blik, aan eene gansch andere mode gewend , de receptiezaal van Catharina de Tweede, eerder een schouwburgvoorstelling clan een werkelijk bof gewaand zoude hebben. Ook verloren vele der sterk gepoederde met kleuren en moesjes versierde vrouwen al. bet bekoorlijke van natuarlijke schoonheid.

Men hoorde niets als het geruisch van rijke klee-dinfstoffen . het zachte mompelen van stemmen en hier en daar den metaalklank, het rinkinkelen van degens tegen elkander onder het buigen en voorstellen der heeren uit de verschillende groepen. Toch . wanneer het bij oogenblikken heel stil was, - geli]k het gebeurde wanneer een merkwaardig menschenpaar binnentrad _ hoorde men het zilverachtig murmelen van aangrenzende waterspelen. Links van de oroote zaal bevonden zich de keizerlijke oranjenen waarin, onder den lichtstroom van duizend veneü-aansche lantaarnen , eene nabootsing van les mux de Versailles in het klein , was aangebracht.

Het oogenblik scheen gekomen, waarop men de keizerin verwachtte, want gestadig wendden deoogen zich naar de groote vleugeldeur op den achtergrond.

-ocr page 31-

17

Een trompetgeschal kondigde de komst van Hare Majesteit aan.

Terstond rangschikten zich de gasten : de heeren rechts , de dames links ; een oogenhlik later openden I wee kamerheeren de deuren en het gansche gezelschap stond stilzwijgend in diep gebogen houding de Vorstin af te wachten.

Achttien pages tusschen de twaalf en zestien jaar oud, in rood satijn gekleed, traden voor Catharina uil. deelden zich in twee groepen en bogen de knie bij bet verschijnen der keizerin.

Nu trad de hooge vrouw zelf binnen, gekleed d la Pompadour: in Kozakkendracht huppelde aan haar zijde haar lievelingsdwerg — een geschenk der Czar-toriskis.

De keizerin werd gevolgd door den jongen Frederik Willem, neef van den koning van Pruisen , en door Pieter van Courland die hare gunst trachtte te verwerven en veel kans had om weldra weêr als rechtmatig hertog op te treden.

Catharina zag er misnoegd uit; met de uiterste minachting blikte zij neder op de gebogen rijen van voorname edellieden. Zij was dien dag zeer wrevelig te moede; gisteren had zij tot den franschen gezant Ber-teuil gezegd ; „L\'avenir vous apprendra s\'il appartient a quelque autre que moi de donner un roi aux Polonaisquot; 011 nu reeds ontstemde haar do moeielijkheid van dit op te lossen problema.

-ocr page 32-

18

Twee groote partijen kenteekenden zich in Polen. De eerste die zich gaarne republikeinsch noemde, met Radziwill, Branicki en anderen aan liet hoofd , dezt partij eischte het status qun in de staatsverordeningen en stootte alle vreemde inmenging terug. De tweede partij bestond uit de Czartoriskis, die hun neef Ponia-towski als werktuig gebruikten. Deze wilde zich juist den vreemden invloed ten nutte maken, om de ge-wenschte veranderingen in de wet aan te brengen en door bemiddeling van Catharina zelve tot de hoogste

macht te geraken.

Nu reeds voelde de Keizerin zich ontstemd en belemmerd door de groote rol welke zij in de Poolsche politiek op zich genomen had, en terwijl haar oog over haar gasten zwierf, besloot zij een eind aan deze moeielijklieid te maken en haar macht door den inval van eeu oogenblik aan geheel Europa te doen kennen.

Een onheilspellende glimlach speelt om hare gezwollen lippen, haar blik valt op Poniatowski: haar plan was gemaakt en stond sedert vast.

Zij treedt nu met een lichte neiging van het hoofd langs de uitgedoschte riien.

Kwalijk was zij bij hen gekomen die het laatste stonden , of ditmaal liet zich een dreunend trommel-geroffel vernemen, en uit de oranjerie trad de hofmaarschalk. een gouden staf dragende, gevolgd door tachtig bedienden. Hij kondigt aan dat de tafel ge-

-ocr page 33-

Ifl

reed is en vóór dat. hij de stoet opent, vraagt hij geknield aan Hare Majesteit, wien zij de eer gunnen wil van naast haar plaats te nemen.

Hoezeer Catharina ook meende aan haar hof go-heel de etiquette der fransche koningen na te komen, toch wilde zij haar gunsten en grillen niet aan handen leggen, en hij die haar had weten te hehagen of dien zij om de een of andere reden hij zich wilde hehhen, verkreeg den voorrang tot zelfs boven de prinsen van koninklijken hloede.

Catharina wees met de punt van haar waaier op Poniatowski.

De gansche vergadering keek vol verwondering naaiden nieuwen uitverkorene... was hij te henijden of te beklagen?

De koninklijke gasten, de hevoorrechten van gisteren , de eerst gelokte dan verworpen gunstelingen... voelden iets dat naar wraakzucht geleek door het hoofd hruischen, maar Catharina was almachtig en zij moesten hiervoor huigen.

Oogverblindend was de aanblik der duizende waskaarsen in de groote eetzaal. De gouden en zilveren bekers, de borden van vermeil diein millioenenweêrkaat-singen het licht tot een vuurzee herschiepen; — het bonte der bloemen , het schitterende kristal , de zachte muziek, die onzichtbaar en liefelijk ruischte, alles maakte een betooverenden indruk.

Op tafel stonden verscheidene pyramiden van suiker,

-ocr page 34-

20

verguld en beschilderd met historische feiten , allen bestemd om de vorstin te vleien; zeldzame vruchten en fijne kostbare geleien; maar vooral, en hierin steeg Catharina\'s smaak voor weelde en verkwisting ton top, een honderdtal schalen met gouden dukaten, waar men van nemen kon. zoowel als van de andere dessertschotels.

Graaf Kayserling bekleedde de plaats van eersten voorsnijder. Toen de keizerin gezeten was, hood hij haar een servet aan in een rood satijnen doek gehouden; verder op dezelfde wijze een vermeil bord. waarover hij eerst met een stuk brood wreet, dat hij vei -volgens eerbiedig aan de lippen bracht en in een

zilveren mand wierp.

Dat oude gebruik, dat vroeger bij ieder gerecht plaats

had, werd nu nog slechts éénmaal waargenomen bij

den aanvang van den maaltijd.

De keizerlijke voorschenker moest ook den bokaal der vorstin aan de lippen brengen , voor dat hij hem haar aanbood, doch Catharina had hieraan het o-ebruik toegevoegd dat altijd haar gunsteling en de oudste prins barer familie, die tegenwoordig was, vóór haar drinken moesten. Vier honderd vijftig lijfwachten waren tegenwoordig, buiten de tachtig dienaren; achter eiken zetel van de genoodigden stond een van deze krijgslieden en schonk den wijn; de dienaren droegen aan.

De dwerg liep over de tafels tusschen de bloemen

-ocr page 35-

21

en taarten als in een tuin en trachtte het gezelschap aan het lachen te maken. De pages waren gerangschikt tusschen de reusachtige oleanders en planten die de muzikanten verborgen.

Van tijd tot tijd werd de gezondheid der keizerin gedronken. Bij den eersten toost stond een ieder op. de dames zoowel als de heeren; laatstgenoemden bogen de knie voordat zij hun beker aan den mond brachten. Onder de vensters der eetzaal antwoordde een salvo van saluutschoten der artillerie op dezen eersten dronk.

De muziek speelde voort; de levendigheid der gesprekken nam toe , en het gevoel van eerbied voor de keizerlijke tegenwoordigheid verminderde , er kwam over het gansche gezelschap een soort van laisser-aller : de tongen der gasten werden warm en los onder den invloed der uitgezochte spijzen en heerlijke wijnen. Schitterende oogen werden nog glansrijker, slanke schouders leunden allengs vertrouwelijker nader bij hun huurlieden , de waaiers gingen in zacht geruisch op en neder en dienden niet zelden als bescheiden geleiders van zoet gefluisterde woorden.

De heeren werden teederder in hun manieren, welsprekender in hun blik; opgewekt als de mannen altijd worden door den invloed van een onberispe-lijken maaltijd.

De diamanten, de bloemen , de muziek , het meè-slepend gevoel van weelde, zijn het meestal die het

-ocr page 36-

22

bloed sterker doen vloeien in de aderen eener vrouw; maar bij den man is het meer het voedsel dat hij eet en de wijn , dien hij drinkt.

Poniatowski gevoelde zich geheel thuis in zijn nieuwe rol van gunsteling; hij behandelde Catharina gelijk hij het iedere vrouw zoude gedaan hebben, wier conquête hij verlangde te maken; geheel uit het oog verliezende dat zij keizerin en machtig... en wreed was: dit behaagde echter de hooge vrouw.

Haar rang vergetende en enkel bedacht om haar nieuwe caprice te gehoorzamen verloor zij al haar waardigheid uit het oog ; de gasten echter waren er aan gewend; niemand verwonderde zich.

Rijker en rijker stroomden de wijnen , de grovere schotels hadden nu plaats gemaakt voor de zuidelijke iijne vruchten.

Catharina\'s beker stond geen oogenblik ledig , telkens werd hij op nieuw gevuld, en Poniatowski moest methaar drinken. Nu vat zij zijne handen , haar oogen zien beneveld in \'t rond, zij glijdt geheel bedwelmd door den drank van haar zetel en eenige kamerheeren dragen haar — nogtans vol eerbied — de zaal uit.

Dit is het teeken dat het gastmaal der Czarine geëindigd is ; de genoodigden staan op en verspreiden zich in de aangrenzende salons.

Morgen, als zij ontnuchterd is , zal geheel Europa aan de voeten dezer vrouw beven.

-ocr page 37-

DE VENUS-EXPEDITIE.

Daar was eens een landtje\' in \'et weeldrig Europe, \'tHad Stalen en Raden en ander gerijf;

Maar kunstzin, helaas, vond er nergends verblijf. Wie elders de werken van \'t voorgeslacht sloope,

Hier vond hij zijn meesters. Geen weekbladgeschrijf Vermocht de Vernielingszucht perken te zetten;

Zij stormde de Schoonheid met mokers te liji\', En loochende rustig de sesthetische wetten.

Maar toen kwam er uitkomst. Der schoonheid Godes Steeg toornig en fier op haar glinstrenden wagen;

En zou zich in Fcebus\' paleis gaan beklagen,

Op dat hij, besloot tot een duchtige les,

En \'t landtjen, met een van zijn gloeyende stralen, Zou straffen voor \'t sloopen van poorten en zalen.

Toen kwam uien in \'t landtjen verschriklijk in\'t naauw: Men zett\'e een attentie aan Venus op touw;

Terwijl het Gezantschap dan tevens kon hooren , Hoe Venus den Zongod tot straffen zou sporen.

Licht brak die démarche (tor mindring der straf) De punt van de dreigende vuurschichten af.

-ocr page 38-

24

\'t Kost guld, zoo\'n Gezantschap: maar dal kan niet schelen

Men kon toch nu eenmaal niet (builen ons om)

Apollo en Venus mei ons lalen spelen,

Misschien ons vernielen, mei zwijgende Iroui.

Men wilde ecu bewijs van belangstelling geven,

En daarom, al gold hel de Schoonheid ook maar, Voor \'leersl van zijn leven Bespiegelt men haar.

Men neeml van \'s Lands guldens een duizend of vijttien:

En huichell: ,0 Focbus, wij worden zoo naar,

Tenzij dal wij Venus precies voor uw schijf zien!

En Venus, zij walgl van de domheid der streek, Zij ergerl zich beurtelings purpren en bleek; ,0 Abdera-leelt,quot; roept zij: ,toen ik welmeenend.

Der Kunst om u rond eenen godlijken straal,

Een blik mijner oogen quot;genadig verleenend,

U toesprak met de edelste kracht van haar taal.

Toen sloot gij uw ooren met nuttigheidswallen.

En sloegt als een razende lompert in \'t rond,

Vernielend al wat gij kost grijpen en vallen;

Omdat gij het Niels zoo verrukkelijk vondt...

Eu nu ik mij afkeer en u ga beklagen.

En u ga beschamen bij d\'oorsprong des lichts.

Betreurt gij niet eens het verlies mijns Gezichls,

Maar acht u vereerd met mijn sleeplij) le dragen;

Gij hebt u een pot vol dukaten geslagen,

Maar koopt u hel vonnis niet al mijns gerichls.

1ST1.

-ocr page 39-

Aan Mr HEKMAN J. VAN LENNEP.

dank voor de verdediging van mijn uationaliteUsgevoel.

Men speel\' de clavecymbelnoten

Van Hollands Volk ons rustig voor :

Steeds klonk er luide een naainklank door, Van geen akkoord ooit uitgesloten.

Die naamklank trilt. nu fors, dan zaelit, Nu hoog . dan laag , door alle gangen ,

Die \'t luistrend oor weet op te vangen, En zet y.c zoetheid bij ol\' kraeht!

Die naam is de uwe. waarde diehter!

Eu valt. bij ieder nieuw geslaeht, Het voeren van dien naam niet liehter — Tol heden is \'t met eer volbracht.

Heb dank dus voor de goede woorden En voor de oprechte broederhand,

Die gij. o Zoon van Nederland,

Mij waard keurt aan onze Amstelboorden!

-ocr page 40-

26

Onze Amstelbooi\'den ! — Deerenis Vervult mij \'thart, voor wie zou achten Dat hij aan de Anisterdarasche grachten Méér burger dan .... uw dienaar is !

\'k Zou haast in staal zijn iiem Ie schelden In \'t uitgezochtste Warmoesstraatsch; 01\' laten zoo veel gckkenpraats Hein nog gevoeliger misgelden !

God gaf mij eerst mijn Hollandsch bloed, Toen — \'t water van zijn Doopgenade... O! dal ik nooit den bond verrade Bezegeld in dien dubblen vloed!

Ik ben dien adel mij bewust;

Ik heb hem van geen Vorsl te oiitleenen; \'k Ben thuis op de Amslcrdamsche sleenen. \'k Ben thuis aan Willibrordus\' kust.

Maar toch, al luidt mijn woord zoo lier Hel is mij zoel van u te hooren :

„Gij , teelt van Poorters , hier geboren ! „Ai kan de Geus u niet bekoren, —

„Tocli hoort gij hier! toch hoort gij hier

-ocr page 41-

Penk go(^ukttk JMoedkr.

Elsa van Oord was geboren in den Haag in 1852. Haar vader, een forsche ridderlijke natuur met het gemoed van een lam, was kolonel bij de cavallerie en acht en veertig jaar oud, toen zijn dochtertje, zijn eenig kind, ter wereld kwam. Hij had haar zijne gevoelige grijze oogen geschonken, zijn flinke houding en zijn eerlijk hart. Haar moeder was indertijd de schoonste blondine van Zeeland geweest. Beeld-athoon zoo als men zegt, maar ook steen-ArW. Zij had haar eenig kind met de rosse haren nooit lief kunnen hebben; verder ware het niet mogelijk geweest haar iets te verwijten: zij leefde volgens alle vormen der etiquette en beminde ... zichzelve.

De vader werd door zijne militaire plichten veelal verhinderd zich met het kind bezig te houden, daarbij kwam nog dat hij zich bij zijne ijzige gade niet thuis voelde en dan liever onder zijne vrienden in de so-cieteit zat.

Mevrouw was twintig jaar jonger dan haar man

-ocr page 42-

eu ook gaarne vrij oin naar welgevallen met eenige jeugdige bewonderaars schouwburgen en concerten te bezoeken; zij was daarbij eene uitstekende écuyère en galopeerde niet zelden te midden van haar cavaliers door de bosschen en tusschen de duinen : zoo werd het kind veel aan zich zelf overgelaten.

Elsa had eene Zwitsersche bonne die zeer goedig

voor haar was.

Op het oogenblik dat deze novelle begint is het kleine meisje zeven jaar oud en zij aanbad liare moedei. Hoe weinig zij ook gestreeld werd door die fijne witte handen , toch was zij overgelukkig er van tijd tot tijd haar rozenmondje op te kunnen drukken. Hoe zelden ook de schoone blonde vrouw tot haar rosharig kind glimlachte, vond Elsa het al overheerlijk als mama zoo vriendelijk tegen een ander was. Hoe fier was de kleine en hoe snel klopte haar hartje van diepge-voelden kindertrots, als mevrouw van Oord \'s avonds rijk gekleed van de trap at\' kwam ruischen. in het salon op en neer voor den grooten spiegel ging, haar lange handschoenen aantrok en met een onnavolgbaar hoofdknikje haar kind „goeden nacht wenkende, achteloos de smalle hand op den aangeboden arm van den een of anderen nederigen cavalier liet rusten, die haar naar een feest geleiden zou. Dan keek het kind hare moeder na, zoo lang dat maar kon. De groote oogen drongen tusschen een smalle reet. van de deur, die met de kleine vingers

-ocr page 43-

20

werd opengehouden . .. eerst zag zij mama de marmeren trappen afgaan. dan door de breede vestibule wegzweven onder \'t flauwe licht van de huislantaarn;... den knecht in eerbiedige houding de voordeur openen, de fijne hand den kostbaren met kanten beladen sleep opnemen: den puntigen, eleganten voet over den drempel stappen... zi] zag... neen zij zag niets meer, want een portier werd dichtgeklapt, een rijtuig rolde weg. de voordeur sloot weêr de kille, koude buitenlucht af, en El sa kroop bij den groot en open haard, en staarde uren lang in \'t grillige vuur. terwijl haar kinder-droomen de gevierde moeder in de balzaal volgden . . . tot eindelijk de aan haar zijde ingedommelde honne opschrikte en zich overtuigde. dat bet al ruim tijd was bet, kind te bed te leggen.

Elsa was seen uur in haar bedje of zij gleed er zachtjes uit, sloop op hloote voetjes naar de kamer barer moeder, daar verborg zij zich in de wijde plooien van het bedgordijn „om haar lieve mooie mama nog eens te zien als zij thuis kwam.quot;

Hoe laat mocht het wel zijn als de kleine, in haar schuilhoekje ontwakend, zich de oogjes wreef, en de eerste ocbtendstraal strijdende tegen het roodé flikkeren der nachtlamp een vreemdsoortigen lichtstroom wierp om de blonde vrouw, die met losge-rolde haren. en groote overspannen oogen in quot;t midden van het vertrek stond, met moede hand haar sieraden losmakende en eindelijk uitgeput in hare

-ocr page 44-

30

kussens neêrzonk. De glinsterende grijze oogen, die haar daar in de schaduw tegenblonken, zag zij niet, en toch waren die kijkertjes met onuitsprekelijke liefde en bezorgdheid op haar gericht, tot eindelijk de regelmatige ademhaling der moeder, het kind verkondigde , dat zij gerust kon zijn ... de kleine drukte zacht haar gezichtje in de rijke afhangende haren der slapende ... en zocht haar eigen bedje weêr op, waar engelenbeelden haar fantasie vervulden. die allen op de eenig geliefde moeder geleken.

Een koortsachtige, overspannen toestand voor een zevenjarig kind; — \'t is mogelijk, — maar \'t was nu eenmaal zóó.

Zoo gingen eenige jaren voorbij.

Elsa\'s teergevoelige natuur, die zoo weinig liefde kreeg, zocht zich schadeloos te stellen door goed en zacht voor anderen te zijn.

Voor zich zelf vroeg zij niets en klaagde nooit; — alles was „nietsquot; waar het haar eigen pijn of verdriet gold en zij door dit kleine woord anderen gerust kon stellen.

Zij had de studie lief gekregen, haar diep poëtische ziel was geheel in verrukking voor alles wat kunst en schoonheid verried. vooral de toonkunst was haar lievelingsstudie. Hoe stil zij ook dagen achtereen kon zitten , verdiept in Fransche en Engelsche dichters, en hoe hoog haar hart ook sloeg voor al die gevoelens van liefde, grootmoedigheid en medelijden, voor

-ocr page 45-

31

elke vreugde of verdriet, toch voelde zij zich eenzaam, behalve gedurende die uren als hare tengere kindervingers de akkoorden der muziek onder zich voelden trillen, en hare klare aankomende stem liederen zong, die spraken van een wereld vol idealen, zooals zvj die zocht.

Onbezonnen kindervreugd .had zij nooit gekend, en als kolonel van Oord haar wel eens in zijn armen sloot, haar denkend hoofd met de gouden lokken aan zijn borst drukte en schertsend vroeg:

— „Waar zijn Elsa\'s poppen?quot;

dan keken haar trouwe grijze oogen gul en verwonderd in \'s vaders blik:

— „Papaatje weet toch wel dat ik daar veel te oud voor ben,quot; klonk haar antwoord.

— „Te oud! en Marianne Smoor, en Agues Bieklre, en Gateautje van Hessel, en zoovele anderen.quot;

— „Zou ik u plezier doen als ik met een pop speelde?quot; — vroeg zij zacht vleiend.

— „Plezier? och neen; maar ik dacht dat het nog al paste bij een klein meisje en veel natuurlijker en gezonder was dan al dat lezen en pianospelen. maar plezier zoudt ge er alleen u zelve\'mee moeten doen.quot;

— „Nu, dan blijf ik liever bij mijn muziek en mijn boeken.quot;

Elsa was nu zestien jaar en ging nog dikwijls

-ocr page 46-

32

als haar moeder \'s avonds uit was, op haar oude plekje tusschen de bedgordijnen hare komst afwachten.

Dit moest het kind duur te staan komen.

Het was op den derden December dat de kolonel van Oord met zijne vrouw genoodigd waren op een bal der Russische ambassade.

— „Mama is van avond net een koningin uit de feeënwereld,quot; dacht Elsa, toen zij, haar studieboek onder den arm dragende, het salon binnentrad, om hare moeder ook vóór het bal nog eens te zien.

Mevrouw van Oord zag er dan ook prachtig uit in haar lichtblauw met zilver doorwerkte, brocade kleed, waarop met zeer veel smaak takken van donkerroode rozen met diamanten haken bevestigd waren.

Toch, toen de moeder weg was, bleef zij niet zoo als weleer in quot;t vuur zitten staren om haar in gedachten te volgen, maar zij ijlde naar de eetzaal. naar haar geliefdkoosd instrument om in de tonen-wereld eene bevolking te zoeken voor al de leêgte en stilte rondom haar.

Zij liet de kleine vingers zacht, heel zacht over de toetsen glijden; licht behoefde zij niet; — in den haard doofden in rossen gloed de laatste kolen uit en wierpen hun bescheiden licht niet verder dan de ijzeren kachelplaat.

Elsa, hoe jong ook , was om zoo te zeggen geheel volwassen. Wol liet do Ie kort geworden jurk de

-ocr page 47-

33

hnoge kin derlaarzen nog zien en hingen twee lange vlechten ■ haar op den rug ver over het middel, maar houding en handgebaar deden toch de pas ontloken wouw herkennen, die schuchter en plotseling wakker geschud uit onbewuste kinderdroomen, met half verrasten , half beangstigden blik aan \'t leven vraagt: „Wat kan dat zijn?quot;

Dit „wat kan dat zijnquot; had zij zich ook onrustig afgevraagd, eenige dagen geleden, toen op een muziekavondje bij haar ouders, hier, in deze zelfde kamer, misschien wel op hetzelfde uur, luitenant Zorger — een groot vereerder barer moeder — aan de piano plaats genomen had en na het zingen van Liszt\'s: „Du bist wie eine Blumequot; een doordringenden, donkeren, langen hlik in de starende opgetogen oogen van het muzikale meisje had geworpen. — Of zij het zich herinnerde? — Onwillekeurig vormde zich nu ook dezelfde melodie onder haar dwalende vingertoppen; zij voelde nog de vreemde rilling die haar bij dat lied doorliep; het was niet alleen opgetogenheid over de compositie, het was niet dat gewone geluk dat iedere meesterlijke schepping der tonen in haar deed ontstaan; neen, de stem die het gezongen had drong diep tot in haar meisjes-hart en zij had als betooverd haar blik niet van den zanger kunnen afwenden, als schenen zijn donkere oogen haar pijnlijk en toch zalig in de ziel te dringen . . . „Wat kon dat geweest zijn ?\'quot;

-ocr page 48-

84

Daar zat zij nu in liet duister, en dezelfde zachte melodie deed zich fluisterend, nauw hoorbaar, als een echo van toen hooren „Betend clasz dich Gott erhalte,

so rein, so...quot;

Waarom schrok zij? — Bewoog er zich iets in de kamer1? — Wel neen! hoe kinderachtig, hang te zijn!

De tonen zwollen en ruischten . . . breed en smee-kend trilden zi] in voller akkoorden luid door de zaal; zij kon de dienstboden in huis niet storen: het

was pas tien uur ...

„Betend .. . betend dasz dich , Gott..

_ „Elsaü!quot; fluisterde een stem naast haar.

Met een gil van ontzetting vloog het kind op.

— „Wie is daar!quot; vroeg zij bevend van schrik

on klemde zich aan de piano.

„Schrik niet, Elsa, het is geen viiand of dief; \'t is . . . een vriend, wilt ge nog eens dat lied spelen

dat ik laatst... voor U zong F,

Die stem! zi] herkende haar nu . .. daareven herdacht zij haar nog vol teederheid.

_ „Luitenant Zorger, gij hier!quot; sprak Elsa ontzet.

nog geheel onder den indruk van haar eerste ontsteltenis.

— „Tk hoorde U spelen, het venster in den hoek was niet geheel gesloten, ik moest tot U komen ... ging hij voort, in \'t donker naar de hand van \'I meisje tastend; zij was koud en trok zich terug.

..Papa en mama zijn niet thuis, ik ben nog

-ocr page 49-

35

te jong om visites te ontvangen. ik zal.. . even \'t licht aansteken en u uitlaten.quot;

De woorden stroomden snel over haar lippen, hij moest weg, en spoedig weg; dat voelde zij, dat gaf haar vrouwelijk instinct, haar gevoel van eer haar in, waarom wist zij niet.

„Zijt gij bang, Elsa?quot; vroeg hij zacht. Het kind meende dat hij op de duisternis duidde.

- „Bang? — Neen, —1 waarvoor?quot;

„Welnu, maak dan geen licht; ik heb u slechts

één woord te zeggen en dan ga ik heusch weg.quot;

„\'t Is wel vreemd zoo in donker, maar één woord .. . zeg het dan maar gauw, wat is het ?quot;

„Het is een vraag: „Wie was die bloem, daar ih laatst mijn lied aan zong.quot;

— „Ik weet het niet.quot;

- „Nu, ik zal het u zeggen,quot; ging hij voort, , terwijl hij trachtte haar kleine koude hand tusschen | tie zijne te verwarmen, „men heeft bloemen lief en

daarom vergelijkt men menschen waar men veel van | Itoucll met bloemen; — welnu de bloem die ik lief ! heb... zijt gij!quot;

— „Ik?quot; vroeg het meisje ongeloovig.

En toch... zij lachte niet; zij kon er niet mee | spotten; daar straks toen de melodie die sprak: 1 „Dn bist wie eine Blume.. onder haar vingeren | ruischte, had zij ook aan geen hloem gedacht 7 maar I aan de stem, die dat lied gezongen had en aan de

-ocr page 50-

36

oogen die haar claarbi] hadden aangezien... „ Wat kon dat wezen r vroeg de ontwakende natuur in het meisjeshart.

- „Ja, kind, gij zijt het, ik heb u lief, liever dan de gansche wereld, gij ziit in miin oogen eeno frissche onschuldige bloem , ik .. .quot;

Do jonge man had haar lenige taille omvat en trok li aar naar zich toe, zij voelde een verzengenden adem, die langs haar wang gleed . . . haar fiere natuur verzette zich met alle kracht tegen deze eerste bedwelming.

— „Maar, mijnheer Zorger, ik bid u, laat mij los, — ik begrijp u niet, ik kan u niet begrijpen.\'

Maar hij liet haar niet los, hij wilde de eerste zijn die deze jonge ziel geheel zou vervullen; hij was moede van al de coquette vrouwen waarvan hij dikwerf de dupe geweest was; hij had Elsn gezien naast haar moeder en had gevoeld dat hij de eerste kon aanbidden en de tweede bijna haatte. Hij had er niet over nagedacht hoe men het aanlegt indien men zulk een jong kind van liefde spreken wil. hoe men dal aan moed leggen om haar geluk niet te verstoren en haar dat waas van aantrekkelijke onschuld te laten dat juist maakt dat men haar bemint.

„Niet begrijpen?quot; vroeg hij met nadruk, „Elsa? begrijpt gij niet dat als ik \'s morgens ontwaak het eerste wat ik voor mijn geest zie uw beeld is, uwe scboone Uchtstralende oogen, die mij... een man...

-ocr page 51-

\'61

laatst hebben doen beven als een riet; uwe rijke gouden vlechten; uw zoele, roode lippen ... in één woord alles, alles wat mijne kleine aangebeden Elsa is... Wees niet bang, kind, waarom wilt gij u van mij los maken? Wees gerust... ik zal u geen kwaad doen, maar ik stierf van verlangen li dit te zeggen .. . dat is liefde ... hebt gij dan nooit lief gehad f\'

— „Neen althans zoo niet.quot; Antwoordde het meisje nog weinig gerustgesteld „ik houd dol veel van mama , en heel heel veel van de muziek; maar als mama graag uitgaat of op reis dan sterf ik niet, al zie ik haar niet, — neen, dan ben ik blij dat zij gelukkigen tevreden is.quot;

— Goed, edel kindquot; zeide Zorger warm, „zoo had ik u gedacht, zoo had ik u gehoopt. Gij zult zien. gij zult mij liefhebben , gelijk ik u.quot;

Dit zeggende trok hij het meisje nog dichter tot zich, boog haar hoofdje achterover en drukte een langen, innigen kus op haar lippen. Zij uitte een schrillen kreet en ontzonk zijnen arm. Hij meende reeds de dienstbode te hoeren komen, liet haar zacht op het tapijt glijden en ontvlood door hetzelfde raam , waarlangs hij binnen gekomen was.

Maar de bedienden waren reeds ter ruste gegaan; de kolonel had den sleutel meègenomen want „het zou zeer laat worden.quot;

Elsa was weer in een oogwenk opgestaan, naar

-ocr page 52-

38

het venster geloopen en had dit ongeduldig dichtge-

%

worpen.

Zij liet zich onder een vloed van tranen op de piano vallen , het. arme teère lichaam was zenuwachtig in elkaar gekrompen en ontsteld , zij snikte eindelijk luid en riep in hevige , hartstochtelijke opgewondenheid uit: „Die nare man ! die akelige man ! ik zal het aan mama zeggen!quot; Zij weende zoolang tot dat zij in slaap op haar muziekboeken neer zeeg.

Kort daarop ontwaakte zij vol schrik , meende geritsel te hooren en overal wat te zien, zocht terstond naar de lucifers, ontstak licht en keek op de pendule.

Pas half twaalf! en toch, mama was al drie uur weg ... wat was er ook weèr geschied sincls dien tijd? ? Het scheen haar of een wereld van gebeurtenissen in deze paar uur opgesloten lag... onwillekeurig kwamen de woorden en de melodie uit Faust haar in \'t geheugen, waar Gretchen zingt, „non, non ce n\'est plus toi! . ..quot; Zij streek vermoeid met de hand over het jonge voorhoofd , nam een kaars en ging naar boven.

Zij ontkleedde zich en zocht te slapen... te vergeefs! — „Wat was hij ruw geweest! En zoomaar door een venster te komen en haar zoo hard aan te vatten . .. Was dit nu werkelijk wat zij in \'t Fransch als „amour,quot; in \'t zachte Engelsch als „lovéquot; had geleerd? Hij sprak immers van liefde? Maar liefde dat was toch iets anders, de ridders van Walter

-ocr page 53-

39

Scott duvMen ternauwernood tot hun dames opzien; mijnheer Zorger had volstrekt niet gedaan zoo als zij in boeken las. dat verliefden deden, buitendien waren daar de vrouwen ouder, althans niet met korte rokken en een hoogen witten boezelaar, ze hadden sierlijke sleepjaponnen en ze waren allen zóó mooi! Maar, mijnheer Zorger had toch gezegd dat hij haar lief had, en jokken... ö foei, dat kon hij niet, hij had zoo\'n schoone stem en zulke lieve oogen en mama prees hem altijd zóó en hij was een knap officier en hij had eene moeder, eene arme weduwe van wie hij zooveel hield... hij moest wel goed zijn;... wat had hij haar ook weêr gezegd \'1... Hij sprak haar naam zoo heel anders uit als een ieder; en hij had haar niet zoo leelijk gevonden als mama die altijd zeide: „hoe kom ik toch aan dat leelijke rosse jodenkind als dochter,\'quot; . .. zijn woorden hadden heel anders geklonken . .. zóó zoet, zoo oneindig zoet, nog heerlijker dan het lied van laatst. .. was zij misschien werkelijk schoon? of was hij verblind zoo als altijd in de boeken staat: „de liefde maakt blind;quot; maar dan weêr had hij haar liet\', anders kon hij niet verblind zijn! Ja, het een of ander moest waar wezen ... ó hoe heerlijk! Wie had haar lief hier in huis? Mama niet... papa een beetje, maar hij had zoo weinig tijd om het haar te bewijzen, broertjes of zusjes had zij niet, de vriendinnen waren ook zoo geheel anders .. . Hoe innig, hoe teeder had hij

-ocr page 54-

40

haar gekust.. . zoo deed het nog niemand . . . haar lippen gloeiden er van ... zij voelde het steeds . . . ó ware hij hier om haar nog een ...quot;

Zij verborg het gelaat in de kussens en weende vol zaligheid.

„Zou er nu iets gebeuren !quot; ging haar gedachtenloop voort, „en wat dan wel?quot; Hoe zou zij zich schamen als zij hem bij daglicht terug zag... ja, schamen, eu toch zou niets heerlijker zijn .. . zou zij zijn vrouw worden?quot;

Elsa lachte luid: ... „zij, een kind ,.. . mevrouw . .. mevrouw Zorger .. . Neen; zij zou hem dikwijls zien en dan wachten tot dat zij eene dame was; misschien zou hij haar wel schaken zooals Walter Scott dat zoo mooi vertelt; en zij zouden te zamen op een paard door bosschen vluchten... heerlijk! heerlijk!quot;

En het meisje drukte honderd zoenen op haar hoold-kussen en sloot het vol verrukking in haar armen.

Zoo vervloog de tijd. Zij hoorde verschillende klokken drie uur slaan.

„Drie uur!quot; sprak zij tot zich zelve, „mama komt zeker pas tegen vijf uur thuis, hoe heerlijk, dan kan ik nog twee volle uren zoo prettig denken!quot;

Het kind doorleefde haar eerste liefde!

Op het bal van de Russische ambassade was luitenant Zorger ook gekomen; „wel wat laat...quot; zoo als men meende had hij zich na het diner in de Club niet

-ocr page 55-

-11

van de tafel kuiiiien scheiden. Hij bevond zich. als naar gewoonte, in de onmiddellijke nabijheid van mevrouw van Oord. Deze vond dat de jonge man dien avond iets bijzonders had.

— „Nooit heb ik hem zóó gezien,quot; dacht zij, .,ik heb nooit bemerkt dat het der moeite waard was op hem te letten; hoe dwalend is zijn blik! hoe geheimzinnig zijn glimlach! hoe smeekend ziet hij mij daar aan... „Zorger,quot; sprak zij luid tot den op vier pas van haar al\' staanden luitenant, „kom hier, ik moet li wat vragen.quot;

En toen hij tot haar kwam:

„Ge ziet er uit alsof ge heden een groote conquête gemaakt hadt... vertel me daar iets van!quot;

Hij was schoorvoetend genaderd; in zijne oogen-blikkelijke stemming boezemde die vrouw hem een onoverwinnelijken afkeer in en toch, hij moest tot haar gaan , want hij wilde haar toonen dat hij genezen was, dat hij haar gevaarlijk spel kende, dat hij sterk was. Hij naderde... arme man!

Mevrouw van Oord had hem dikwijls verwaarloosd, zij was zich dit bewust; hij scheen haar weinig de moeite waard... en buitendien hij was haar zóo onderworpen , dat het haar verveelde; maar, van avond, ja... er was iets bijzonders aan hem „quel homme étrangequot; prevelde mevrouw tot zich zelve „je ne lui connaissais pas ce petit air intéressant, . . . neen ik laat hem niet glippen!quot;

-ocr page 56-

42

Zoi\'ger was een groote , jonge, donkere man van zevenentwintig a dertig jaar. Hij was de eenige zoon eener weinig gefortuneerde weduwe , zooals Elsa zeer goed had opgevangen en was vroeger dikwijls aangehaald als een moclelzoon. Sinds hij in den Haag geplaatst was; ofschoon hij niets buitengewoons deed en hij onderzijn kameraden nog steeds als zeer „ernstigquot; en „solidequot; bekend stond, was hij onder den invloed van mevrouw van Oord veel veranderd. Hiervan konden de steeds zeldzamer wordende brieven getuigen die aan zijne moeder menigen zucht ontlokten.

Mevrouw van Oord was eene geroutineerde coquette; met onnavolgbare meesterlijkheid wist zij jonge lieden tot zich te trekken. Naar liefde trachtte zij niet, zij waande ?elfs dat deze niet bestond en slechts een herschenschim was, eene romantische uitvinding dei-dichters; maar zij wilde triomfen voor haar ijdelheid , zij wilde gevierd en aangebeden zijn, zij wilde dat alle vrouwen met naijver de minnaars zouden tellen die zij als slaven aan zich bond. Om echter tot dit doel te geraken moest zij de mannen in hun zwak tasten en dat zwak kunnen streelen. In alle coquetterie is een diepe grond van minachting voor den man gelegen ; de man echter ziet het aan als een huldeblijk ; hij denkt dat de vrouw zich niet zooveel moeite zou geven om hem te behagen indien zij hem niet hoog stelde. Helaas! het tegendeel is waar. De coquette vrouw wil slechts aan den man in zooverre behagen als zij

-ocr page 57-

hem dan gelijk een speelpop voor al haar grillen kan laten huigen , hem alle gewaarwordingen van vreugde, wanhoop, vrees, geluk door één oogopslag kan laten ondervinden , zij ziet met innig genoegen , hoe of zij den krachtigen man kan doen verbleeken, hem van zijn levensdoel, van zijn carrière kan afbrengen , hem van de hoogste zaligheid in de diepste ellende kan storten en zij doet dat spelend ; om haar kracht te beproeven .. . dat is de coquette vrouw. Maar om tot dezen graad van coquetterie gekomen te zijn, welke minachting moet daartoe niet reeds in de ziel der vrouw bestaan door deze gemakkelijk verkregen macht! zij vat het voorwerp dat zij voor dit spel geschikt acht, aan bij zijne gebreken . ..

En toch ... zelfs de mannen die deze manéges. . . kennen en ze verafschuwen zijn nog zóó zwak door hun eigen ijdelheid dat zij meestal in die strikken vallen; dat zij de vrouw die hunne gebreken, hun ijdelheid zelve streelt, „aardig, onderhoudend, amusantquot; vinden, terwijl die andere, die uit achting voor de mannen zelf slechts zegt wat zij meent en nooit vleit, voor stijf en ontoegankelijk gehouden en als dusdanig alleen gelaten wordt. Zijn dus de mannen niet schuld aan de coquetterie der vrouw? Maar neen, niet alleen, want de vrouw moet weten tot hoe ver of ze gaan mag, om geen misbruik te maken van de zwakheden, welke zij in den man ontdekt.

-ocr page 58-

14

Luitenant Zorger voelde tussclienbeide zeer duidelijk de keten die hem aan mevrouw van Oord hechtte en menigmaal drukte zij hem onuitstaanbaar . . . zoo ook dezen avond.

Hij had nooit in zich de macht gevoeld dien last af te schudden totdat hij op zekeren dag in de kinderlijke diepvoelende oogen van Elsa blikte; daar ontdekte hij dat er een rein geluk in de liefde kan bestaan, en van dat oogenblik af was zijne verachting-voor de moeder even groot als zijne vereering voor het kind. „Hoe was bet mogelijk dat deze moeder zulk eene dochter had, en toch had hij dezen avond niet onvoorzichtiger wijze met ruwe hand die dochter in haar hoogste en edelste hoedanigheid aangegrepen?quot; Dit vroeg hij zich af, al plaats nemende naast de moeder.

„Ik wil aan mevrouw van Oord toonen dat ik geheel van mijne ongelukkige liefde voor haar genezen ben en door mijn onverschilligheid bewijzen dat ik de kracht heb die banden te breken.quot; Dacht hij.

De arme man! geen tien minuten waren er ver-loopen sinds dit herhaalde groote besluit of hij was weêr geheel gebiologeerd, door deze koude, schoone, (jeroutineerde slang, en sprak troostend tot zich zeiven:

„Nu, dan nog één avond!quot;

Indien er een schrander bespieder gestaan had in die flauw verlichte oranjerie, waar, achter fantastische exotische planten de van den dans rustende paren een

-ocr page 59-

45

schuilhoekje zochten, indien hij daar gestaan had. ginds hij de donkere schaduwen van het geurende loof eener Oleander, welk verschijnsel had hij niet waargenomen ?

. . . — Vóór vier uur \'s morgens was het „ewig Deinquot; en „ewig Meiirquot; tusschen Elsa\'s moeder en den jongen luitenant gewisseld.

Er zijn verschijnselen in het innerlijke leven die den meest diepzinnigen psycholoog in wanhoop zouden brengen en al zijn stelregels in een zouden doen storten, zoo waar is het dat iedere ziel een nieuw raadsel op te lossen geeft.

Had luitenant Zorger mevrouw van Oord lief? Tn \'t minst niet, hij had haar integendeel bijna loeren haten.

AVas mevrouw dan verliefd op den luitenant ?

Allons done!. .. Zij was voor geen enkel diep gevoel vatbaar. niet eens voor afkeer, allerminst voor liefde.

En toch ... en toch . ..

Mevrouw van Oord gaf dien avond voor, zich bijzonder aan Zorger gelegen te laten leggen en zji deed dit op zoo\'n meesterlijke wijze, in waarheid gedreven door haar verlangen om zijn geheimzinnig uiterlijk van dat oogenhlik te ontsluieren en te weten wat daar achter stak dat zij zelf ten slotte moeielijk zou hebben kunnen zeggen of haar belangstelling vcrlrlijk of roorf/cirmd was.

-ocr page 60-

40

Zorger, die niet ongevoelig was aan deze hulde, liet er zich zóó door meeslepen , vond zich zoo gestreeld door deze voortdurende vertroeteling van zijn eigenliefde, dat hij ten laatste niet meer wist of hij toch eigenlijk niet doodelijk verliefd was op Elsa\'s moeder en het beeld der dochter zich hoe langer zoo meer in dichte nevelen hulde en er niets van overbleef als een dichterlijk droombeeld. De trotsche. groote vrouwenfiguur. die door velen omgeven; door allen bewierookt werd; die ongenaakbaar en koud scheen, en toch in brandende lava onder dit levende marmer scheen te gloeien, die vrouw kon alleen zijn ideaal wezen, en om die vrouw voor hem te zien buigen , door liefde voor hem vervuld te zien was wel het hoogste wat luitenant Zorger zich van geluk voor kon stellen.

Wat is toch eigenlijk het verschil tusschen werkelijke liefde en gewaande liefde ?

„Een mensch die een goede gelegenheid voorbij laat gaan kan zelfs door de goden niet geholpen worden.quot;

Dit wist de jonge Zorger ook, en mevrouw van Oord was door haar eigen flirtationquot; zoo opgewonden geraakt, dat zij voor het eerst van haar leven de voorzichtigheid uit het oog verloor.

Elsa hoorde het half vijf slaan. Zij had geen slaap kunnen vinden en dat ook niet gewenscht. Het „heerlijke denkenquot; was, — daar het altijd over hetzelfde onderwerp liep — veel kalmer geworden. Luitenant

-ocr page 61-

47

Zorger stond nu wel op een verheven voetstuk waarvoor Elsa in nederige aanbieding geknield lag, maar toch ging het hoogste punt van haar droomen niet verder dan tot een vreedzaam lief huisje , waar ze hem „o zoo gelukkig zou maken ; — ergens bui-ton — heel afgezonderd van alle menschen; — het altijd nieuwe refrein der eerste liefde : „une chaumière et ton coeur.quot;

Nu Elsa reeds vol kalm geluk tot deze bepaling voor haar toekomst gekomen was , herinnerde zij zich dat mama wel haast thuis zou komen en zij dus haar wachtplekje moest gaan innemen. Vreemd... het kind waande altijd dat de moeder niet rustig kon inslapen zoo dit niet onder de oogen van haar dochtertje plaats had. Zij ging er dus heen en zat daar nog geen twintig minuten, toen zij de voordeur hoorde ontbét waren sluiten: papa en mama.

De slaapkamer van mevrouw, waarin Elsa zich bevond grensde links aan bet vertrek van den kolonel; rechts was de kleedkamer van mevrouw, die tegelijk f/arde-rohe was en in deze laatste bevond zich de ingang tot de kamer van het kind.

Zij zag haar moeder binnen komen en zich tegen hare gewoonte geheel gekleed op haar bed laten vallen ; papa was in zijn kamer bezig zich te ontkleeden ; zij hoorde hem fluitend op en neer loopen; toen was alles stil.

— ,.Wat zon mama hebben . zo slaapt niotquot;, dacht

-ocr page 62-

48

Elsa; natuurlijk sliep zij niet in haai1 volle baltoilet.

Zoo verliep misschien een half uur; niets verstoorde cle doodelijke stilte dan de ademhaling van den kolonel , die door de open reet der deur duidelijk hoorbaar was. Op eens richtte mevrouw van Oord zich overeind , gleed zacht met de wit satijnen schoenen op den grond en naderde behoedzaam de deur der kamer van haar gemaal.

Hare dochter volgde gespannen elke beweging.

Mevrouw trad binnen in het vertrek van den kolonel , kwam oogenblikkelijk terug met een sleutel, wierp een wollen doek om haar hals , zag op de pendule en ging haar eigen kamer uit... de trappen af.

Het kind wilde haar achterna: misschien was zij ziek ... neen ! haar instinkt hield haar terug, zij kreeg een gevoel alsof hare moeder iets deed, dat niet goed was... zij wilde het niet zien ... zij vloog de kleedkamer door en haar eigen kamertje binnen, ze had nauwelijks tijd dit te sluiten, daar hoorde zij mama met iemand anders de kleedkamer binnen komen. Elsa\'s hart klopte hoorbaar, zij voelde het, zij stond voor een beslissend oogenblik in haar jeugdig leven; haar moeder ... het schoone ideaal barer kinderdroo-men ... zou het in puin vallen ?

Het meisje wist dat luisteren heel slecht is, en toch ... welke macht houdt haar aan die plek gekluisterd , en doet haar het bespiedend oog naar \'t sleutelgat richten.

al\'- I\'

r I

W

II I

«■ ili 1

i [:

wK |t \\

|| I |

.

I

-ocr page 63-

49

Op eene kleine divan in de kleedkamer zaten twee flauw verlichte gestalten , en eene was de moeder... maar de andere? Zou de oranjerie van de Russische ambassade dit misschien kunnen vertellen?

Men fluisterde...

Elsa kon de stemmen niet onderscheiden maar zij voelde een oneindig weedom haar in het hart glijden . — die hare jeugd weg nam en in de spookachtige schaduw die haar eigen figuur op den wand van haar kamertje wierp, zag zij zich zelve gekromd, verouderd, met ingevallen kaken en witte haren... „Moeder! moeder!quot; snikte zij, met moeite een smarte-1 ijken kreet onderdrukkend.

Maar... wat? — Het is alsof een andere pijn de eerste verdringt, en het kind radeloos . . . bijna zinneloos wordt. Het fluisteren wordt luider, hartstochtelijker, zij herkent de andere ... en zakt steunend, op haar knieën tegen de deur.

Elsa, kind, waarom breekt u het jonge hart niet op dit oogenblik? Wat ziet, wat hoort gij? „Dn bist wie eine Blume, so hold, so schön, so rein!quot; — Ja, het is dezèlfde stem; de woorden ruischen haar als wilde melodie door de ooren; zij wringt zich de rosse vlechten om den tengeren hals, .. zoo zij nu slechts kon sterven!

.Maar neen; een geritsel heeft haar gehoor getroffen. . . „papa is op!quot; het kind weet niet hoe, en weet niet waarom. maar fluks opent zij haar deur. ..

4

-ocr page 64-

50

in een oogwenk staat zij bij haar moeder, en in quot;t zelfde oogenblik wordt met krachtige hand van buiten de kleedkamer geopend, en in \'t volle binnenstroo-mende licht staat daar mevrouw van Oord met Elsa on luitenant Zorger.

Mevrouw was opgevlogen, maar zonk terug terwijl zij zich aan haar kind klemde.

— „Ha!quot; buldert de kolonel — „ellendige vrouw!quot; en treedt op zijn vrouw toe en wil haar bij den arm oprukken. — Elsa werpt zich tusschen haar vader en moeder en smeekt:

— Papa! papa! laat mij spreken\'.quot;terwijl Luitenant Zorger eerst naar zijn wapen tastend dat hij echter terstond loslaat — een gek figuur maakt en angstig rond zoekt hoe te ontkomen.

— „Hoe, kind, jij hier?quot; vraagt de vader ontsteld, en zich woedend tol den jongeling wendend, „lafaard !... rechtvaardig u!quot; — de kolonel doet een stap naar den luitenant en heft de hand op. Elsa houdt hem terug, laat zich voor zijn voeten vallen en roept uit:

— „Vader, hoor mij aan! — Wees een oogenblik kalm!quot; smeekt zi} tot Zorger opziende, „ik kan immers alleen alles verklaren, — Ja, vader, vloek mij zoo ge wilt, ik ben alleen de schuldige?quot;

— „Neen! ilc!quot; valt Zorger haar in derede, „maar ik ben bereid ...quot;

— „Gij schuldig, mijn kind, mijn eenig kind, neen. neen. zeg dat niet!quot; roept do vader plotseling ont-

-ocr page 65-

51

steld en wil het meisje in zijn armen opheffen. Maar zij laat dit niet toe, en haar blik vol waardigheid op Zorger vestigend, vergezeld met een krachtig handgebaar , spreekt zij:

— „En toch vader, is het zóó, — deze man hier is mijn verloofde ... ik ben wel wat jong, vader, daarom schudt gij ongeloovig het hoofd ; maar toch het is zoo.\'\'

— „Maar hoe komt gij dan midden in den nacht met hem hier, en hij was toch op het bal, en waarom spreekt uwe moeder niet voor u\'? Haar tegenwoordigheid huldigt dus dit...quot;

Mevrouw van Oord trachtte te vergeefs iets te zeggen ; haar keel was als dichtgesnoerd; ook de medeplichtige stond sprakeloos.

— „Vader, vader...quot; viel het meisje hem in de rode: „laat mij spreken! Ik zal u alles zeggen... ik ben nog wel is waar een kind ... of was het althans; welnu, toch had ik luitenant Zorger reeds lief... ook bij beminde mij , — hij beeft mij van avond . . . vóór bet bal bezocht... en mij zijn liefde verklaard ...quot;quot;

Een doffe kreet der moeder onderbrak hier bet verhaal van het meisje; — mevrouw voelde het lt;h)1 moest waar zijn, nu wist zij waarom Zorger er zoo vreemd had uitgezien.

— Stil, mama , stil... laat mij uitspreken ! — daar de luitenant naar het bal moest, en ik niet ging, omdat ik nog een kind ben . .. zoo bad hij mij beloofd . . . na afloop van bet bal terug te komen... ziet u —

-ocr page 66-

52

wij hadden elkander zoo lief... en konden niet tot morgen wachten... mama betrapte ons hier... dat is alles.quot;

Vol twijfel zwierven de blikken van den lieer van Oord van de moeder die machteloos met afgewend hoofd op de divan lag, — naar de dochter, die het jonge hoofd diep neergebogen hield. — Hij richtte zijn verwoeden blik op Initenant Zorger.

— „Hoe laag en slecht uwe handelwijze ook zij . zoo vorder ik van n mij in dit oogenblik als man van eer te antwoorden , kort en bondig. Hebt gij mijn dochter van liefde gesproken ?quot;

— Ja, kolonel.quot;

— „Kwaamt gij dezen nacht hier om baar?\'quot;

— „Ja vaderquot; viel Elsa in de rede : „ik verzocht er hem om, ó vergeving !\'quot;

— „Gij kind, hebt niet geweten wat gij deedt, maar gij, luitenant, uwe handelwijze tegenover een jong. onervaren meisje is schandelijk .. . infaam ... ik wil ii vergeven op ééne voorwaarde . . En zich tot zijn kind wendende :

— „Elsa sta np! geef den luitenant uwe hand!quot;

Het meisje gehoorzaamde als in een droom.

— „Waarom zoo traag?quot; ging de vader voort. „Zóó! nu is het goed.., luitenant Zorger, Elsa is pas veer-lien en een half jaar oud; van daag over twee jaar zult ge haar huwen, geef mij daarop n\\v woord van eer.quot;

-ocr page 67-

— „Ik zweer lietquot; antwoordcle de jonge man, uit barmhartigheid Elsa\'s hand loslatend; „als tenminste.. zijn blik richtte zich op mevrouw van Oord.

— „Ik begrijp u,quot; zeide de kolonel en sprak tot zijne vrouw: „is de moeder van ons kind, het met mvj eens?quot;

— „Ja/\' lispte de ongelukkige vrouw.

— „Gij zult dus uw eed getrouw zijn, luitenant, en over twee jaar zien wij elkaar terug.quot; Besloot kolonel van Oord, terwijl hij den jongen man het tee-ken van heengaan gaf.

Sedert dien nacht was het voor altijd met Elsa\'s levensgeluk gedaan. Zij werd zich in den beginne niet recht bewust wat of er eigenlijk had plaats gehad, maar in onnoembare smart de brandende slapen tusschen de kleine handen drukkend, staarde zij voor zich uit, bij de eerste dagschemering haar kamertje als een vreemd oord beziende... alles scheen haar veranderd ... zij hoopte nog een boozen droom gehad te hebben en straks te zullen ontwaken . .. Helaas! uit zulk een droom ontwaakt men niet.

Het was haar eerste geweldige levenssmart.

Haar moeder ?!!

— „O! laat mij er niet aan tienken!quot; smeekte zij tot haar eigen hart. — „En Zorger?quot; — „Ja, hij had haar bedrogen.quot; Maar dat was nog uiets vergeleken bij het ideaal der moeder dat vernietigd voor haar lag.

-ocr page 68-

54

Den volgenden morgen ontving het meisje een briefje! van dezen inhoud:

;,Elsa, vergeef mij, dat ik uw jeugdig leven ver-„nietigde. — Ik vind geen woorden om mijn gedrag „te verontschuldigen; misschien vindt ge in latere „jaren nog een gevoel van medelijden voor mij. — „Ik vertrek nog heden van hier, en zal weldra „Europa verlaten hebben. Ik zweer het u; gij zult „mij nooit terug zien, ik zal den dood weten te „vinden. Zorger.quot;

Het meisje begreep dat zij dit niet aan haar vader, noch aan haar moeder zeggen kon.

De kolonel zelf liet zich ook later nooit een woord ontvallen over Elsa\'s aanstaande; de moeder werd nog koeler en afgetrokkener tegen haar dochter. Zou de vader den toestand begrepen hebben\'? — Deze vraag werd niet opgelost.

i- \'

■ ||

II

Jaren zijn sinds dien nacht vervlogen. Kolonel van Oord is dood; hij heeft zijne dochter als eenige erfgename achtergelaten, terwijl de moeder een jaar-lijksch inkomen was toegekend.

Mevrouw van Oord reisde de eene badplaats na de andere af, haar levenswijze week zoo geheel af van die harer dochter dat Elsa zelf voorgesteld had van elkander te gaan. Het was voor de moeder een ware verlichting geweest.

De wereld beklaagde haar dat zij door haar dochter

mg

Vquot; i

-ocr page 69-

55

verlaten was; als men haar dit kwam zeggen, zuchtte zij even en voegde er aan toe:

— „Wat zou eene moeder niet doen om het geluk van haar kind te verzekeren.

Elsa werd door iedereen aangeduid als een „zonderling meisje.quot;

Zij was rijk, jong en schoon, zij bezocht zeer weinig gezelschappen, had elke huwelijksaanvraag afgeslagen, en wijdde zich geheel aan liefdewerken.

Zij sprak weinig, en de lieden die meenden „daar moest wat achter stekenquot; en die te vergeefs getracht hadden hier achter te komen, noemden haar „de zachte krankzinnige.quot;

Van Zorger had Elsa nooit meer iets gehoord. — Toch verbleekten haar lippen buitengewoon, toen zij eens \'s morgens het „Dagbladquot; opnemende, onder de gesneuvelden te Atjeh „kapitein Zorgerquot; genoemd zag.

-ocr page 70-

AAN MIJN OÖCMTERTJEN

31ct cciiig schrijfgerief.

y

ifjlchier een vouwbeen en een pen.

Een rijmend zedepreeker , —

Maar zoo als ik, helaas, niet ben, -

Zou hier, in puntdicht zeker Betoogen dat een goed gemoed Zijn pen nooit doopt in gal ol\' roet , Maar, schrijft hij scherpe dingen, Zich altoos toch voor bittre hoedt, En steeds bereid is, prikt hij bloed,

Een windseltje\' aan te brengen. Het vouwbeen van een jonge maagd

is \'t zinnebeeld der orde ,

Dier zuivrc netheid die behaagt,

En haar tot vreugde worde! Het geelt deez\' les der jonge vrouw : „Hebt gij ten allen tijde „Het recht ook aan uw zijde, „Sla (schoon \'t een offer wezen zoti) „Steeds alles in de beste vouw!

(i Dec. 18(50.

-ocr page 71-

AAN MUN ZOONTJE N FRANK,

3Ict een liueaul.

Op hel hobblig pad van \'t leven Naar den rechten weg te streven ,

Recht in H front en zonder beven Op den vijand vuur te geven,

Recht door see en zonder reven Over \'t vlottend meer te zweven ,

Zonder stooten , zonder wringen ,

Voor dc waarheid in te springeii Dat zijn alles flinke dingen ,

Sprekend iiit de gladde taal Van does zuivren lineaal.

Wees zoo kantig als zijn zijden ,

Maar zoo klaar ook t\' allen tijden U aan andrer dienst te wijden;

Wees hun regel, wees hun hulp. \'ttieen volstrektlijk niet beteekent , Als men op een aanval rekent,

Kruip dan veilig in je schulp.

Neen! ver van je wech te frommelen , Mag je niet je lineaal,

Hoort men naar geen andre taal,

Boel\' en booswicht al te maal Duchtig op hun kop gaan trommelen.

0 Dcc. 1800.

-ocr page 72-

Op 15 Maart 1879.

In. ecu eMiiiplaar van „Leeuwendalersquot; en „/ef/epruul der Ücliuoiihcid\'\'.

1.

TTEsschclschaa liing aan (Ie wanden

Van de liooge Muyder zaal,

Met haar blanke, rappe handen.

Eens de geurge lootgirlanden,

Die Van Baerle heeft bezongen In de teerste hartetaal.

\'k Heb die suhuone muurvercierster

U, mijn zusjen, zoo verwant! Uitgenoodigd en gebeden Op het lieve leest van heden. Uwe pronkzaal in te treden.

En ze toovrend om te scheppen,

In een blijde lustwarand.

3.

Goedheid (wat men noeme en roeme!).

Goedheid is de hoogste deugd.

En bij al haar kunsttalenten.

-ocr page 73-

59

Bij haar wintcrloze ïenten,

Heelt Maria Tcsselscliadc

Grijzaartshool\'d en blonde jeugd Door haar goedheid méést verheugd.

4.

,ïo|)!quot; zoo sprak zij: „ik zal komen,

Maar zet mij een helpster bij!quot; En zuo koos ik, zonder schromen, Trotsende der eeuwen stroomen, Hageroos, dat heerlijk schepsel (Onder Tessels oog geboren)

Tot haart hulp en speelpartij.

\'k Zie ze thands uw kamer eieren;

\'k Hoor ze met een blijden lach Cithers stemmen, om te vieren In een lichtwolk van gezangen Dezen overschoonen dag.

Neem, als pand der groote liefde

Die mijn broederkus vertaalt. Zusjen-licf, dit vaerzenzijdtjen, \'t is niet veel, mijn schilderijtjen: Maar gij zijt het kunstrijk bijtjen Dat uit lage veldviolcn

Soms nog zoeten honig haalt.

-ocr page 74-

DE LAKENKOOPERSZOON VAN BRUGGE.

Anno lÖOÖ.

De Vrouwe van Gaesbeeck was edel eu rijk.

Haar dochter de schoonste van \'t land,

Maar ach, te vergeefs dongen Ridder en Knaap

Naar de gunste van Goedelaas hand.

±

Zij wonden de kleuren van Goedelaas keus in hoofschheld en liel\'de oin hun hoofd; Zij waagden hun leven in strijd en tornooi:

Geen die zij haar gunste belooft.

3.

„Al windt gij mijn kleuren om schild en heimet;

„Al toont gij mij hoofschheid en min; „Al licht gij de Ridders als veêren van \'t paard. „Mijn hart neemt ge, o knapen, niet in.quot;

-ocr page 75-

61

4.

De Vrouwe van Gaesbeeck Want haar Huis er, liaai Haar kind had de keus uit Maar haar kind wim ü

was toornig en droef: naam zou vergaan, de grootsten van \'t land . n rede verstaan.


Heur hart hing (o schande) aan een wolkramerszoon:

Den zoon van den Deken van \'tGild;

En gaarde de vader ook potten vol goud.

De zone di«aagt sporen noch schild.

fi.

„Zoo min als hij ooit aan de zij van den Graaf

„Door de poort van Byzantium vaar\',

„Zoo min voert, van Brugge, des wolkramers zoon „Door de kerkdeur mijn kind ten altaar!quot;

7.

Graaf Boudewijn trekt naar het Oosten ten strijd;

Een jonkman trekt mede ter vaart.

Met een schild waar geen ridderlijk teeken op prijkt, Maar gewapend en wakker te paard.

S.

Graaf Boudewijn strijdt, van een Keizerlijk vuur

Voor Konstantinopel ontblaakt;

Een Muzelman houwt als een held om zich rond , En sabelt ter neêr wat hij raakt.

-ocr page 76-

02

n.

Dal was op liet hoofd van den Grave gemnnt!

Maar een bliksemend zwaard keert den slag-; Hel Üoslen deinst af — en het Westen viert feest! De sikkelbanier scheurt als ra».

10.

Wie heeft aan den Veldheer liet leven gered?

Wien dankt men een Keizer te meer?

Een jongling, ginds bloedend uit menige wond! Van d\'aanvang de roem van het heir.

11.

Wel draagt hij geen beuklaar met aadlijk blazoen.

Maar Bondewijn treedt op hem aan,

En merkt inet zijn bloed hem een Kruis op zijn schild, Daarneven een liggende Maan!

12.

En de wolkramerszoon aan de zij van den Graaf

Trekt meê ten triomf door de poort.

En de Vrouwe van Gaesbeeck beleeft dal liaar kind. Den aadlijken kramer behoort. \')

1) Zie de stof bij Ellen J. Milliugtnn. .Herakly in History.quot; Poetry and Romance

-ocr page 77-

DE LEDIGE BIDSTOEL.

Hot is Pinksterzondag.

Door de rijkbeschilderde hooge vensters breken voor jaar s-zonn es tral en.

Voor het altaar staat de oude priester, liet witte hoofd gebogen over do offerande; in blauwe wolkon stijgt de wierook op , en van het koor ruischen mys-ische orgeltonen. De geheele volksmenigte buigt in \'t. stof, slaat zich op de borst en zucht: „peccaviT In het. hart van Paul Bruinier echter heeft de ontwakende natuur zooveel lentegeuren verspreid, zijn geost is zoo vol jubelenden vogelzang dat hij niet kan aiielen en den onzichtbaren God aanbidden. Met diepe, ange teugen heeft hij de voorjaarskoelte gedronken, en een nieuw zalig gevoel doortintelt geheel zijn wezen. Waarom dan betrad hij den tempel ?

Daar staat hij... zijn blonde figuur is scherp af-gcteekend onder do donkere kerkbogen.

— „Daar is toch haar stool... waar mag zij zijn V\' spreek hij tot zich zeiven. eu vorschend loopt zijn

-ocr page 78-

64

stralend oog langs al de gebogen vrouwengstalten die\' zich nu langzaam opheffen en wier neergeslagen oogen en gevouwen handen de herinnering van het even uitgestorte gebed dragen.

Paul Bruinier was de kerk binnengegaan omda zijne verloofde, Nelly Pouting, hem den vorigen avom toegefluisterd had:

— „Als wij samen bidden, ben ik gelukkig.\'quot;

Haar wensch was hem een gebod: — anders hij

was „heel weinig kerkschquot; — zooals de menschen zeggen.

Paul en Nelly hadden elkander innig lief.

Den volgenden zomer zou bij den krans van oranjebloesem door Nelly\'s donkere lokken vlechten, en zij zouden beiden hand in band gaan door bet geheele volgende leven.

— „Dan ben je voor altijd de mijne,quot; had Pau haar gisteren nog gezegd, „schrikt dat altijd je niet af?\'

En zij had hem aangezien met een blik zoo als de liefde alleen geeft, en met een wonderbaren glim lach had zij geantwoord:

Waar 01 voor h oei c

van zi/j vermoe achter inder; ebed De als zij Hij maar\' o-epaki De de gri gehev

lij W(

Pai

gissin Toi Sinds zich quot; kome

gevoe

welkt op te

— „Ik kan mij anders niets voorstellen van de toekomst.quot;

Paul vond rust noch duur op zijn plaats; die ledige bidstoel hinderde hem geweldig. Waar kon zij zijn? Daar stond toch met koperen lettertjes o) dien keurisren rood fluweelen stoel gegrift: N. I

-ocr page 79-

65

Waarom is zij er niet ? — Hij kwam daar toch alleen voor haar! — Kijk! daar neemt een vreemde den stoel der geliefde in; wie waagt het op den bidstoel van zijne Nelly te knielen! Wie durft daar met oude. vermoeide trekken, en misschien een zondig leven achter zich. de plaats ontwijden waar Nelly haar reine kinderziel voor God uitstort en zeker dikwijls in haar gebed den naam van Paul prevelt . . .

De minnaar kan dit niet aanzien. en ... buitendien als zyj er niet is, wat doet hij dan hier?

Hij zal weg gaan, naar haar woning ijlen, vragen... maar\' de volksmenigte heeft zich achter hem samen gepakt en hij is gedwongen te blijven.

De orgeltonen sterven weg onder het hooge gewelf; de grijsaard aan het altaar heeft zijn zilveren kruin opgeheven en met het gelaat tot het volk gekeerd spreekt hij woorden van vrede en hoop.

Paul verstaat niets: gansch zijn geest verdiept zich in gissingen „waarom of zij er nu niet is?\'?quot;

Toch wordt zijn oor getroffen door het woord liefde. Sinds hij Nelly bemint maakt een vreemde ontroering zich van hem meester telkens als die klanken tot hem komen, die in een enkel klein woordje flat oneindige gevoel noemen.

„Hebt God lief boven al!quot; klinkt het van de verwelkte lippen des grijsaards. Paul\'s geheele wezen staat op tegen deze uitspraak.

„ Nelly lief hebben boven al,.. ja, dat was goeden

-ocr page 80-

GG

niets moeielijk, integendeel... maar God! wie is God? waar is God ? stormt het in zijn gemoed en als met een tooverslag ziin de lentegeuren nit zijn hart verdwenen en dreigen plaats te maken voor de kille stroomen van twijfel en ongeloof. Doch het afzijnder geliefde hondt hem te veel bezig ; met ongeduld moet hij wachten tot dat do dienst is afgeloopen en de uiteengaande menigte hem rnimte laat om ook zijn weg te hanen. Nog één hlik op haar hidstoel en dan snel vonrt! de straat op naar haar woning.

— „Juffrouw Nelly ?quot; vraagt zijn blik nog vóór zijn woord aan de dienstbode die hem de deur opent.

— „Do juffrouw is ziok,quot; luidt hot droeve antwoord.

•— „Ziek? Wat scheelt haar! \'t is toch niet erg?quot;

— „Wil mijnheer even binnen saan. dan zal ik mevrouw roepen.quot;

Paul is reeds binnen geijld en opent de welbekende huiskamer, zij is leêg... hij gaat binnen om op de moeder te wachten.

— „Ziek ! ziekquot; ... herhaalt hij in zich zelf en zijn oogen dwalen langs de meubels die alle reeds voor hem met een liefdesherinnering versierd zijn. Hier, staat do canapé waarop zij nauw hoorbaar antwoordde „jaquot; toon hij voor quot;1 eerst gevraagd had of zij hem zou kunnen liefhebben; daar, op dat blad staat haar kopje, de eerste oorzaak eener nietige kibbelpartij — zij had hem ge

haar beschonken had —

zeggen wie het

weigerd te

-ocr page 81-

07

verder dat ronde voetkussen waar haar kleine voet zoo dikwijls op rustte... met één blik kwamen honderde herinneringen in zijn geest op: alles sprak hier zoo luid van haar...

„Paul. beste Jongen , onze Nelly is ziek.\'quot; — Mevrouw Pouting was den binnentredende kort op den voet gevolgd en legde de hand vertrouwelijk op zijn schouder.

— „Toch niet ernstig, nietwaar?quot; vroeg hij met al de onrustige teederheid aan zijn minnend hart eigen.

— „Ik vrees van jaquot;, zeide de moeder met neergeslagen oogen.

— „Maar... om Gods wil, wat is het?quot;

— „Keelziekte; het is gisteren avond opgekomen nadat ze van de wandeling met jon terug was ; do pijn en benauwdheid namen zoo toe . dat wij van nacht nog den dokter lieten roepen.quot;

— „En . .. wat zegt hij ?quot;

— „Ofschoon er geen direkt gevaar is ziet hij het nog al zwaar in ... maar , zoo als zij daar ligt in die hevige benauwdheden kan het niet. duren , er moet spoedig een wending komen ten goede, of...quot;

— „Maar... dat is vreeselijk! o Nelly, mijn Nelly!quot; barstte Paul weenend uit, „neen, neen, dat mag, drit kan niet! het is onmogelijk ! Is er dan niets anders te doen ? een ander geneesheer misschien ..

„God alleen kan hier helpenquot;, bevestigde de

-ocr page 82-

G8

moeder met een diepen zncht . „de wetenschap vermag niets.quot;

— „God?! God?!... maar er moet toch iets anders .. . iets irezpnlyjht. . . gevonden worden.quot;

— „Ga nn , mijn jongen, ik moet bij haar terug-keeren . . . wij willen hopen en bidden; ik zal n een boodschap zenden zoo spoedig als er verandering in haar toestand komt.quot;

— .,0, ik zal zelf ieder nnr hier zijn\'om te vragen.quot;

En Paul stormde de deur uit en den weg op. terwijl hij mompelde: „Zou God werkelijk bestaan? Zou Hij kunnen en willen helpen?quot;

De jongeling dwaalde langs de velden vervuld van •sombere doodsgedachten en de zonnestralen die de bloempjes aan zijn voeten kusten, de vogels die tjilpend hun nestje bouwden , de geheele natuur die hem dien morgen nog toegelachen had en zoo gelukkig stemde, ze schenen bem nu in bnn feestgewaad uitdagend zijn droefheid te bespotten.

Uur aan uur ging hij hooren „hoe of het met de zieke wasquot; en telkens bleef er minder hoop in zijn ziel.

Hij was alleen op de wereld. zonder ouders of familie, en de liefde van Nelly bad nl deze leegte in zijn hart aangevuld.

Na een nacht vol onrust en wanhoop stond hij weer voor het hnis der geliefde,.... \'t was zoo vroeg — waarom dan stormde zijn hart in angstige slagen daalde woning zoo stil was?? Men opende de deur: nie-

-ocr page 83-

•39

iiituid sprak; acliLer iu de huisgang wankelt de moeder met bleek gelaat en rood geweende oogen den binnentredende te gemoet, zij durft niet opzien maar /inkt, snikkend aan zijn borst en spreekt fluisterend met gebroken stem :

_ „ God heeft het zóó gewild, ze was te goed voor deze wereld , ze was een engel.quot;

De overmaat van verdriet maakte Paul als buiten zich zeiven , maar zich voor de moeder overmeesterend uitte hij geen klacht, trouwens voelde hij nog iets ?... had de dood zijn hart niet met ijzige hand versteend ?

Onzinnige toorn woelde in zijn hart toen hij voor \'t laatst zijn hoofd boog over het marmeren gelaat van zijn bruidje... zijn?... Neen, men had haar aan hem ontroofd en hij kon den veroveraar niet bereiken ... zijn schat terugvorderen ... er was dus een macht waartegen hij niets vermocht 1! \'!■ Star en droog stond het oog van den anders zoo levenslustigen Paul en toen hij haar ledigen bidstoel in den tempel terug zag ontvlood een vreeselijk woord aan zijn lippen.

Hij kon het in het stadje N. niet uithouden. Dat graf. dat ééne graf daar , het maakte hem krankzinnig.

Dertig jaren zijn verloopeii sinds die Pinksterdagen.

De bidstoel van Nelly Pouting bevindt zich nog altijd op dezelfde plaats ; de N. P. staan er nog in, schoon de spijkers verroest zijn , het trijp vaal en versleten is, de pooten wrak. Toch vindt hij altijd nog huurders.

-ocr page 84-

70

Sinds Nelly daar knielde is menig gebed van vei-schillendeii aard over de leuning van het oude meubelstuk uitgesproken , zoowel dat van eene bezorgde moeder voor het heil van haar zoon, van eene boetende Magdalena floor schaamte diep gebogen, van een onschuldig kind dat „geef ons heden ons dagelijksch brood,quot; smeekte.. . Maar geen zal wel zoo krachtig geweest zijn als dat van den teruggekeerden, grijs geworden Paul die den stoel met N. P. terstond herkende en daarover gebogen uitsprak : .,Ik heb overal troost en bevrediging gezocht; niets heeft mij voldaan; ó God schenk mij het kinderlijk geloof mijner Nelly.quot;

-ocr page 85-

ÖP KÖNINS WILLEM fff.

lö Mui

^^y\\ii Derden Willeins lijil zal \'l nageslaulit gewagen: Toen is de Walerwoll\' in Haarlems meer verslagen, En hem de buil ontrukt van \'t zegenrijkst gewest;

Toen werd de diepe voor door Hollands grond getrokken, üie Welvaarts rijke vloot naar Amsterdam zal lokken; De postdraad en de spoor vereenigde Oost en West. De nazaat dankt het Hem, die voorstaat, onverschrokken. Haar eer in \'t buitenland en binnenslands haar best.

Opschrift op ceuc cerepoort.

-ocr page 86-

ii iMiti

De groolc Meimaand is in \'tlaiul, En strooil iloor bosdi cu lustwarand

De bloesems der kastanje ,

Seringen hangt ze, in ri jk festoen. Te midden van het malsche groen, Ter eer van wie, ter eer van wie ? Van Neerland en Oranje!

Het lieflijk boschjen schalt en fluit: Der nachtegalen teer geluid

Doortrilt de geur\'ge hagen.

Wat zingt de vink in \'tblinkend riet? Waarvan weergalmt hun lentelied? Waar anders van, waar anders van Dan van dees blijde dagen!

Soms is wel, onder \'t ruim azuur. Bij d\' eêlsten aam der veldnatuur ,

Een vogelkrijg gestreden;

Maar zie wat nu op \'t blij gelaat Van \'tgantsche land geschreven staat: Men weet alleen, men weet alleen Van liefde en vreugde en vreden!

muziek gezet door W. A. Smit.

-ocr page 87-

73

\'t Zal wel iiicl altijd zomer zijn;

Niet btoeds verguldt een zonneschijn Bij 1\'rissche bi\'ies, o schip van Staal,

Uw want en pronkkampanje!

Maar alle nood neemt eens haar keer; Na \'L wintren komt de Lente weer , En wij, vertrouwend op den Heer, Wij bidden Hem zijn zegen af.

Dien Hij al zoo veel jaren gaf, Op Neerland en Oranje.

-ocr page 88-

OP HET STANDBEELD VAN DE RUYTER.

p

VTRnot-huigei\' onzer stad, de duiigdziiamste onzer helden Bij „Fransclie middeinacltlquot; \'s Lands glorie nog en hoop: De Vlootvoogd zonder blaam. Zal men zijn titels melden? Vraag ze aan \'t verbaasd Euroop.

\'28 April \'76.

-ocr page 89-

TER BLIJDE INKOMST

van Z. K. H. Frins Hendrik der Nederlanden en van H. K. H. Princes Maria van HoheuzoIIern.

n

v X Ecu rouwfloers werd opi\'ecliler ooit gedragen

Dan dut door ons in tranen werd aanvaard,

Toen \'thuivrend uur, op \'l Huis ten Bosch geslagen, De Koningin liad meegevoerd van de aard.

Wat geurde en straalde uit d\'eêlsten vrouwenaard. Was wechgevaagd. — 0 loome sleep der dagen,

Wier bleeke rei door Bosch en Huizing waart.

Daar komt geen eind aan ons rouwmoedig klagen!...

Daar kómt een eind! Sophia wijst verheugd.

Van waar zij zweelt in \'t blijde licht der Hemelen, Een erve ons aan van haar vorstinnendeugd.

Een jonkvrouw, wie de glans van adel, geest en jeugd Met liefde voor ons land aan Hendriks zijde omwemelen. Ontsteekt in Neèrlands hart weêr de oude levensvreugd.

2\'J Juli 1878.

-ocr page 90-

HET NOORDZEE-KANAAL

„Dien gouden lijdt moet Holland noyt vergeten, Toen de oorlogsroem, te water en to land, Een zee van licht spreidde over grens en strand Waarboven, op haar elpen throon gezeten. Ons Amsterdam de keizerskroone spant.

Toen \'tStaatsbeleid, met ijzersterke draden, Gesponnen op het Kapitool aan \'t Y,

quot;t Vernult bedwong of dreef naar onze zij Van half Euroop, dat beefde voor de daden Ja, reeds voor \'t woord, van Hollands burgerij.

Toen Van de Velde onze oorlogsvloot penceelde, Toen Rembrandt onze burgers schildren kon Op doeken, waar \'thooghartig Albion Van daag des noods de schatten om verspeelde, Die \'t aan den Theems en aan den Indus won.

-ocr page 91-

77

Toen Vondel zong van Henricks krijgsviktorie,

Vfin Kasimier op \'tbrieschende genet,

Of Ruyters roem op \'t speeltuig had gezet.

Diens edelsten der eedlen reine glorie,

Toen Mnyden strekte een Hollnndseli Rami)ouillet:

Bij voorbaat: want wij kwamen niet na de anderen! Wij kwamen niel — of traden de andren voor: Europa was voor ons gebeel geboor. Als Scburmans bier den geest van alle sebranderen Betooverd hield, en Tessel hart en oor.

Dien gouden tijd zal Holland nooit vergeten! Maar \'t nageslacht vergete ook even-min Wal wij, gepraamd door forschen kinderzin. Den oudren waard, ons lot hun oer vermeten. En schrijven hier op \'t boek der Eenwen in.

Xog laten we ons vernecdren noch verwinnen. Nog slroomt bet bloed ons vnrig door de borst: En wordt heel de aard niet meer door ons gelorst , Als do Alias doet op onze Raadhnistinnen.

Wij durven veel. dal niemanl vreemds nog dorst.

Wij sloegen, van de koopstad in ons Zuiden, Een reuzenbrug tot bij der huren steè: Wij maalden drong wat nimmer voorzaal deê. Wij weten thands der waereld te beduiden:

,1 [eraan! de Slad van de Aemslel ligt aan zee!quot;

-ocr page 92-

78

•Ia, ja! nog zijn we n waard, o voorgeslachten! En neemt dit uur geen Vondel hier liet woord: Wat Shakespear woont aan d\'andren Noordzee-boord Het is genoeg — dat. met vereende hraehfm,

We, uw God getrouw, n volgen! Voort! Steeds voort

Op liPt fppst dor Maatscliappij.

-ocr page 93-

BIJ DF. DOOD VAN TWEE JOM GESTORVEN PRINOEN.

Aan Prins Louis Napoleon.

Gl.T droegt den eigen naam pens Vorsten, die een tliroon In Holland heeft gesticht, en \'tvolk in \'t hart gedragen:

Hij heeft ons liefgehad, en vroeg der liefde loon,

Toen de Aartstyran de kroon hem heeft van \'t hoofd geslagen.

Gij zijt ons bijna vreemd ... maar bij zoo\'n groote smart Als die uw Moeder trof, in \'t bloeyendst uwer dagen.

Schreit elk oprecht, elk onverbasterd Hollandsch hart:

Dat zij, na zóo veel ramps. God nog dit leed moei klagen.

Gij, schoone, jonge held, gij, meer dan Keizerszoon,

Wiens voorhoofd, rein en fier, een nimbus schijnt le omblinken ,

De bede, die uw jeugd der Almacht beeft gehoon .

(üng in vervulling, toen n alles scheen te ontzinken :

Gij wenschte vriend of maag te redden door uw bloed ]) — Voor aller wanbedrijf hebt. martlaar! gij geboet.

1) Tn \'sPrincen gebpclenboelc vond men phii gesclireven gebed, dat aldns eindigde; ^Indien ik moet sterven. Heer. dat )iet dan zij om liet leven van een der mijnen te redden; indien ik moet leven. «Int bet dan onder de waardigsten zijnquot;.

-ocr page 94-

80

Aan den Prins van Oranje.

A L rirlit men zorgeloos een groene bruiloft aan,

Daar is er, Die zijn zeis meêdoogloos weet te zwaayen:

\'t Misbruikt Stadhuis-Paleis doe Hem in linnen gaan, \')

Het keert Hem niet in \'t maayen.

Geliefde prins! Ons hart betreurt... neen. toelt 11 nog!

Eens waart ge, ons thuis gekeerd, gered uit veel verblinding! Begaafde, wakkre geest, gerijpt door ondervinding,

Hadt gij de kiel van Staal gestuurd in \'t rechte zog.

Nog zien wij zucbtend uit... begoochling van \'t gemoed! — Oranje! een naam? — een plicht. De geestkracht van den Zwijger

Met hooger rechtsgevoel 1); den ridderlijken gloed Van tweeden Willem: Mensch, Wetgever, Vorst en Krijger! Dat alles draagt, gij heen! Waarheen? Waar Moeders groet Glimlachend van omhoog, n \'tal vergeten doet.

Juni. 1879.

1

20 Dec. 15K1.

-ocr page 95-

„HOLLAND-KRAK A TAUquot;.

Nfien , wie zijn leêge iiand in deze bus durft steken.

Hij is den eernaam niet van Nederlander waard.

Laat ik hier, tot mijn smart , gestempeld goud ontbreken Een bede om hulp en troost, ziedaar liet muntslagteeken Dat met mijn koper gaat gepaard.

Sept. issa.

-ocr page 96-

N E D K R L AND INS U LINT) E.

Hoog tussclieu hot jongdig gebladorlo . in don to]) v;in een lindeboom . een lijster /.ijn nestje ge

bouwd.

De zon speelde door quot;I lichte groen en do vogel

zong er van liefde.

Maar woest zijn de el 01 non ten in opstand geraakt en hebben in toomelooze macht den boom en liet

nestje vernield.

Zal nu het lied van den woudzanger verstommen? Neen. Ginds , in de schaduw van geurig laag hout wacht hem een ander nestje.

Ook in quot;t i-ijk der vogels beerscht broederschap en

weldadigheid.

En al de gevederde vrienden uit den omtrek komen den nieuwen gast bezoeken en hem troosten in zijn ongeluk ; de oen zingt hem oen liedje voor . de ander brengt bom een korreltje graan, de dorde een

-ocr page 97-

83

kleinen voorraad wol om zijn bedje zacht te maken.

Zoo doet ieder wat hij kan en de lijster zingt

weêr van liefde: want 11ij heeft een nieuw tehnis gevonden.

-ocr page 98-

AAN LOUISE STRATENUS

Oj» haar bekroond Volkslied.

Cru waart mfj lief, wijl go edpl zijl on rein, Eon atmosfeer van \'t eclite en ongemeene

Als rozenwolk steeds uitvloeide om uw schroêri, En gij u-zelf de minste sohat, — de kleene.

Gij waart mij lief, om \'tgouden hart, vol glood; Al smolt dat goud ook vaak te licht tot stralen

En vloot dan wech, en liet uw arm gemoed Dan naauw de kracht tol menschlijk ademhalen.

Gij waart mij lief, zoozeer niet om den zang, Dio van uw harp des waerelds grens ging vindon.

Als om de pen, van d\'allereersten rang , Waarmee ge uw ziel vertolkt voor uw beminden.

Gij waart mij lief, om dat, al strekte licht Do goedheid soms der waardigheid tot schado.

De harmonie door stem en aangezicht Hersteld scheen, en een blijk van Gods genade.

-ocr page 99-

s.\'i

Maar sints ik u dat vadcrlandsch akkoord Met zulk een diepte aan \'twondre lied der baren Oritlcenen hoorde, en gij de stem van \'t Noord Aan \'tzoet gesuis van \'tZuiden wist te paren,

Sints gij zoo warm, niet zulk een schittrend oog, Van Hollands volk en \'t Rijk dar Nederlanden

Te zingen wist en stemmen \'1 hart ons hoog, En doen de ziel van de oude fierheid branden, —

Sints heb ik u om dezen heldenaard,

Dien grootschen toon, mijn broederhart gegeven: Doe wat gij wilt, nooit wordt ge u-zelve onwaard Gij hebt ons in de ziel gestaard,

Gij hebt dat heerlijk lied geschreven.

Driekouiugou \'b3.

-ocr page 100-

J

Pk openhartige ynouw.

Een portret in briefvorm.

Leiden , (i Mei \'83.

—• „Hoor eens, dat is nu maar allemaal gekheid, dat eeuwige ,,als \'tu blieftquot; spelen, liet is een slecht compliment dat je aan de menschen maakt door altijd te denken: ze kunnen de waarheid niet verdragen. Wij, jij, Alice en ik, wij zijn ontwikkelde vrouwen van deftige familie en wij zullen eens invoeren, om ronduit alles te zeggen wat we meenen; — we zullen dit tegenover elkaar doen, natuurlijk, en in de eerste plaats, om hier mêe te beginnen, wil ik je openhartig bekennen, dat ik gisteren wel thuis was toen je hier kwaamt, maar je liever niet wilde ontvangen omdat. . . nu ja, omdat je nooit van weg gaan weet en ik je toch niet de deur uit kan zetten als ik het druk heb, of als je gebabbel me verveelt. Wij zijn zulke oude kennissen dat je me dit wel niet kwalijk zult nemen. — Antwoord mij eens spoedig op dezen brief, want indien jij, verstandige vrouw, deze open-

1 llrij!

-ocr page 101-

87

harliglieid niot vurdmgeu kiuit. dan zid ik mijn plannen van wereld-liLTVonning moeien laten vai\'en. en vol afkeer weer tot de dikette, vleierij en leugen terug keeren en dat maakt wanhopend

Uwe getrouwe Betsy Wanüeks.

Den Haag . 7 Mei \'83.

Liefste, toen ik je brief begon te lezen dacht ik ... vergeef me nu ook mijne oprechtheid. . . „Betsy is gek geworden.quot; Hoe! zij, de vriendelijke, beschaafde vrouw, schrijft zóó plat... zóó opzettelijk ongemanierd .. . Later, toen ik door las begreep ik je bedoeling, maar vond toch dat je in je ijver te ver gingt. Openhartigheid behoeft geen lompheid of platheid te worden. Wij behoeven ook volstrekt niet elke waarheid te verkondigen waar men ons niet naar vraagt; daarbij hebben wij allen veel luiheid en gemakzucht in ons karakter en het tegen gaan, het overwinnen van deze en andere gebreken is daarom nog geen valschheid of onwaarheid. De waarheidsliefde bestaat niet in het openleggen en volgen van onze lusten en invallen. Toen je gisteren ,,niet thuisquot; gaaft speet het mij wel je niet te vinden, want ik kwam uit den Haag alleen om je te zien, daar je me verleden week verzekerdet dat ik je negligeerde. De mogelijkheid nam

-ocr page 102-

I,

88

ik echter aan dat je werkelijk „niet thuisquot; waart en dit troostte mij, ofschoon ik zeer goed weet dal hel „niet thuisquot; slechts een aangenomen vorm is, (dieje ook wel zult afschaffen) voor „ontvangt nietquot; — zoo ligt er toch iets verzachtends in. Enfin. . . nu ik weet dal je verwijt dat ik tegenover je verkoeld was, eigenlijk maar zoowat gezegd was, en je liever hebt dal ik niet kom omdat ik „van geen weggaan weet,quot; zoo beloof ik je, je voortaan niet meer lastig le zullen vallen; maar, doe me één genoegen, ter wille van onze twintigjarige vriendschap: schrijf me dagelijks gedurende ééne week, hoe of ge u bevindt bij uwe oprechtheid, en de ondervindingen die gij op dat gebied opdoet. Ik zal van mijn kant hetzelfde doen; maar bij mij is de naastenliefde nommer één; en ofschoon ik mij ook op de oprechtheid toeleg, zal zij altijd verzacht worden door liefde voor mijn evenmensch en beschaving. — Addio! — Ik heb je je brief niets kwalijk genomen, maar verlaat je nu, anders „zou ik wêer van geen weggaan weten.quot;

Je liefhebbende Alice de Vliet.

Leidenquot; , 8 Mei \'83.

Wel sapperloot. . . wat ben je een wijsneus ! Je neemt zoo-n schoolmeesterstoon tegenover me aan! dat ik grooten lust zou hebben niet aan je verzoek te voldoen

: !\'

! I

111 I

i r; |i|

-ocr page 103-

indien ik niet het vooruitziclil luid dat acht dagen spoedig voorbij zülleu zijn eu ik dan geen lessen meer van je aan wil nemen, ze mogen dan waarheid of geen waarheid bevatten, want zoo als je zelf zegt: „tonte vérité n\'est pas bonne a direquot; Ik geef je echter toe dat zelfs de oprechtheid beschaafd kan en moet wezen ; daarom zal deze brief en alle volgende er ook de kenmerken van dragen en wil ik een anderen toon aanslaan. Het is heel vreemd dat als men zich iets ernstig voorneemt de struikelblokken als paddenstoelen uit den grond opstaan. Vroeger had ik nooit zooveel nagedacht bij hetgeen ik deed of zeide , maar nu, nu ik mijn vlag geheeschen heb en oprechtheid, malyré tout en a travers tout in mijn banier voer komen er duizend ... neen ik meen tien of liever vijf (maar dat is toch ook al veel) gelegenheden per dag voor , waarin het zeer zeer moeielijk is volmaakt oprecht te zijn. Ik wist niet dat ik zulk een leugenachtig mensch was; nu bemerk ik het pas en krijg een afschuw van mij zelve, maar die zal wel weggaan, want ik ben op den goeden weg.

Gisteren was mijn brief aan je adres juist verzonden toen ik dacht: zie zoo! ik ben moe, nu ga ik me wat uitstrekken op de canapé. Pas lag ik daar of Truitje, de meid , komt binnen en vraagt „of ik thuis ben.quot; „Dat zie je immers welquot;, antwoordde ik haar, want ik vind het niet goed om met de meiden op een al te farniliaren voet te zijn en had haar dus niets medegedeeld over mijn oprechtheids-besluit.

-ocr page 104-

90

M P

I I

— „Mevrouw vuu M. is or om a eene visite tc tiiakeu.\'\'

„Mevrouw van M.!quot; dacht ik hij mij zelve „en hel

salon wordt schoongemaakt... haar man wordt waarschijnlijk burgemeester, en mijn man moet lid van den raad wezen..

— „Waar is mevrouw?quot; vroeg ik aan de meid, naar een middel zoekende de bezoekster weg te zenden zonder onheleefdheid en zonder onoprechtheid.

— „In het spreekkamertje, Mevrouw.quot;

— „Wel, Trui, meid, het is vandaag de schoonmaak-dag van het salon, zeg aan Mevrouw v. M. en aan alle andere bezoekers: Dat het mij erg spijl ... neen, zeg niets van spijt want dat is niet waar, zeg dat ik Mevrouw niet kan ontvangen.quot;

Een oogenblik later kwam de meid terug:

— „Mevrouw... Mevrouw zei dat was niets, zij hoelde niet in \'t salon, ze had zelf ook een huishouden . . .quot;

Ik vloog op :

— „Maar, niensch; wat heb je dan gezegd?quot;

— „Ik zei dat Mevrouw niet kon ontvangen, en toen vroeg Mevrouw zoo goedig: „och, is Mevrouw dan ziek?quot; en toen zei ik: „neen, Mevrouw, maar de beste kamer wordt schoon gemaakt.quot;

— „Ben je mal!quot; was mijn weinig aanmoedigend antwoord, „nu moet ze maar hier komen, wat ziel het er uit! . . . laat Mevrouw dan maar dadelijk binnen , ze heeft al lang genoeg gewacht.quot;

De meid ging en ik begon terstond hier en daar

i 1

% ;

li

-ocr page 105-

91

wat recht te trekken, de vlek van het tafelkleed (dat onder ons nog- goed is maar voor vreemden!!!!) te verbergen door er een album op te leggen; (ofschoon tlit ook een onoprechtheid was) het huismutsje van mijn man achter een canapékussen te stoppen, een paar stoelen om de tafel te zetten, om een schaduw te maken over de kale plekken in \'t kleed die de jongens er inschoffelen als zij zitten te eten, enz.

Daar kwam Mevrouw binnen . . . prachtig hoor! ik was dood verlegen. Zij maakte me een compliment over mijn keurige, allerliefste huiskamer en verzekerde dat ze veel liever huiskamers zag dan salons, omdat zij vond dat de karakters van de bewoners in een huiskamer veel meer afgedrukt waren dan in een salon, waar alles meer aan conventioneelen vorm onderworpen was. Zij was allerliefst, maar mijn verlegenheid week niet.

— „Indien ge wist hoe eenvoudig ik zelf ben, zoudt ge er nooit over gedacht hebben, Mevrouw, om me niet het genot te schenken van in uw woonkamer ontvangen te worden.quot; Zeide zij onder anderen.

Ik verzekerde haar dat ik haar goedheid zeer waardeerde, maar was overtuigd dat haar gezegde alleen uit nederigheid voort kwam. Ik weet niet wat al gekheid ik uitkraamde, want ik was geheel van mijn stuk. Na een poosje over het weer en de muziekfeesten gesproken te hebben, kwam het thema op de modes, daar de zomer nu in aantocht is. Ik

-ocr page 106-

92

J

had in dien tijd de gelegenheid gehad mij te herstellen en begon reeds mijn geweten te onderzoeken ot\' ik nog geen onoprechtheid gezegd had, toen Mevrouw v. M. op haar hoed duidende dien ik monsterlijk vond, zeide:

— „Ik ben van \'tjaar toch zoo gelukkig met mijn toiletten; ik heb eindelijk eens een hoed kunnen vinden die mij goed zit; ik heb hem voor het eerst op , vindt u hem niet allerliefst ?quot;

— „Allerliefst? — Och... men kan zoo moeielijk over zaken van smaak oordeelen.quot; (Ik dacht: dat is nu toch oprecht, maar wel een beetje a la Alice. .. op zijn Haagsch.) Haar gezicht betrok een weinig.

— „Hè dat verwondert me ... iedereen vindt het een dotje.quot;

— Ja, \'t is mogelijk, zoo ik hem op de hand zag ..

— „Dus, u vindt hem wel mooi, maar dat hij mij niet staat, ik dacht juist...quot;

— „Pardon, mevrouw, ik geloof dat hij volgens uw smaak n heel goed staat, en heel schoon is; maar mijn smaak zou het nooit wezen.quot;

Mevrouw v. M. had tact genoeg om zeer beleefd ie blijven, maar er kwam iets gedwongens en kouds over het gesprek, kort daarop stond zij op en ging heen. Ik was zelf ontstemd en besloot nu om uit te gaan ; daar het salon schoongemaakt werd en ik niet weêr voor de vraag wilde staan of ik „Thuisquot; was.

!

(i| i

; Mi Mils

ij ilffii

l i

w

i

-ocr page 107-

03

Juist strikte ik de linten van mijn hoed vast toen Truitje op nieuw boven kwam zeggen dat miinheer V. er was en een oogenblikje belet vroeg.

— „Zeg aan mijnheer dat ik op het punt ben om uit te gaan.quot;

De meid vertrok met de boodschap en kwam terug met het antwoord :

— „Dat mijnheer mevrouw niet lang op zou houden , slechts vijf minuten.quot;quot;

— „Laat mijnheer in de woonkamer.quot; Met hoed en mantel ging ik zuchtend en met loomen tred de trappen af.

— „Pardon . mevrouw , ik hoop niet dat ik u de-rangeerquot;, zei de beleefde grijsaard diep buigende.

— „Toch wel . mijnheer , doch er is niets aan te doen.

Hij keek mij verbaasd aan.

— „Het zal niet meer gebeuren. mevrouw . maar uw man had mij verzekerd dat mijn bezoek n aangenaam zou zijn , en daar ik heden avond een lezing houd, dacht ik u zelf de billetten te komen brengen.quot;

— „Ga zitten , mijnheer.quot;

— „Als ik u niet te zeer ophoud , mevrouw had misschien een afspraak gemaakt.quot;

— „Hoegenaamd niet, maar de zitkamer wordt gedaan en ik ontvang niet gaarne in de huiskamer, daarom ging ik uit.quot;

„O ! is het anders niet!quot;\' zeide Mijnheer V. wiens

-ocr page 108-

94

gelaat, in eens ophelderde, „dan raag ik wel tien minuten blijven,quot;

Hierop kreeg hij de kaarten uit ziin zak en ging voort:

— „Ziet U, ik heb voor U en Mijnheer de beste plaatsen gereserveerd,\'quot;

— „Toch niet vooraan?quot; vroeg ik.

— „Zeker, natuurliik.quot;

— „Maar dan ga ik stellig niet.quot;

— „Niet? maar Mevrouw, de meeste dames,.,quot;

— „Ik weet niet wat andere dames gaarne hebben, maar ik vind niets vervelender dan lezingen, ik ga er louter uit beleefdheid heen, en als ik dan nog ten minste een plaats achter aan kon hebben, waar ik mijn middagdutje doen kan.quot;

— „Mevrouw!quot;

— „U begrijpt toch wel dat het niet anders kan,,. vooral in dit warme voorjaarsweer,quot; (Ik meende dat dit verzachtend werken zou.)

Mijnheer V. die te vergeefs trachtte zich goed te houden, en mij een oogenblik aanzag alsof ik schertsen wilde, maar terstond bemerkte dat deze hoop ijdel was, nam de kaarten op, stak ze in zijn zak en zeidc met een trilling in zijn stem:

— „Mevrouw, zoo velen zijn verlangend die kaarten te ontvangen, dat ik ze liefst geef aan lieden die er belang in stellen en die tot eigen ontwikkeling gaarne een lezing bijwonen. Ik heb de eer U te groeten,quot;

.! i

g.\' |.

r

-ocr page 109-

95

Hij vertrok. Ik wierp mijn hoed en mantel neer en zette mij aan de schrijftafel om U dit een en ander mee te deelen. Denk echter niet dat ik mij hij deze eerste moeielijkheden reeds gevangen geef. Tk wil de aclil dagen uithouden. Adien!

Uwe Betsy.

Den Haag, 9 Mei 1883.

Je brief van gisteren heeft mij erg vermaakt , lieve Betsy, en als je zoo voortgaat. zal je het spoedig zoo benauwd in Leiden krijgen dat je er niet zult kunnen blijven, nu, dan kom je misschien naar den Haag wonen en zal ik trachten je . .. oprechtheid te verdragen.

In elk geval laat ik je voor dit thuis en niet tl/ui* zijn een practischen raad geven: stel één dag vast in de week dat je bepaald ontvangt en neem dan bij voorkeur dirn dag dat het salon niet wordt schoongemaakt, dan kan je meid altijd zeggen: „Mevrouw ontvangt enkel op Zondag of Dingsdag of Donderdag.\'quot; al naar je vast zult stellen. En ik vind wat mij betreCt je badt dien ouden heer V. gerust in den waan knnnen laten dat je zijn lezing met graagte zoudt aan-liooren ... Maar, \'t is waar ook, wij gaan van een ander beginsel uit.

Ik verheug mij in alle oprechtheid op je volgenden brief, om je oprechlbeids confessie verder le hooren.

-ocr page 110-

96

Leiden . 10 Mfi \'S3.

Lieve Alien,

Mijn man bracht van middag een vriend meê te dineeren zonder dat ik er op gerekend had , dat was mij zeer onaangenaam. Gij begrijpt , hoezeer ik in \'t nauw zat, daar ik pas uw brief gekregen had , die mij erg had doen wankelen in miin goede voornemens, maar ik dacht: „wel foei. wie zon een proef zoo spoedig willen opgeven.

— „Ik geloofquot; zeide onze gast tot mijn man „dat mijn bezoek mevrouw niet welkom is.quot; Ik was in een ander gedeelte der kamer en hoorde dit.

— „Wel zekerantwoordde Joseph , „ze heeft alleen maar wat hoofdpijn denk ik; niet waar Betsy?quot; vroeg hij, zich tot mij keerende , ik had zijn gezegde gehoord en mocht dus niet den schijn van het. tegendeel aannemen.

— „Ik hoofdpijn , wel neen , ventje-lief.quot;

— „Ik hoop maar niet dat ik mevrouw ongelegen kom zeide de gast.

— Wat noemt u ongelegen mijnheer ?quot; vroeg ik op een zeer onwelwillenden toon. De man werd vreeselijk verlegen en zich tot mijn man keerende:

— „Hoor eens, Wanders, ik kom liefst een volgenden keer terug.quot; Hij stond op.

■ !

t

/tl _

-ocr page 111-

91

— „Wel! nu nog mooier; het is mijne vrouw immers heel aangenaam dat je hier bent, niet waar, lieve ^

— „ Aangenaam ? volstrekt niet; ik houd niets van cl erge! ijke verrassingen.\'?

— „Ik zal je een dokter zenden , je bent niet recht welquot;, zeide mijn man, die moeielijk zijn drift kon bedwingen : „kom, Verwonde, wij gaan samen in een restaurant dineeren , ik vraag je wel verschooning , ook uit naam mijner vrouw, ik wist niet dat ze ziek was.quot;

Beide heeren gingen weg.

Ik at alleen met mijn twee zoontjes, die mama „niets lief,quot; vonden en natuurlijk vroeg naar bed moesten.

De avond ging langzaam en treurig voorbij. Welke bovenmenschelijke kracht is er toe noodig om zulk een ingekankerd kwaad als de leugen en het comedie-spelen uit de wereld te doen verdrijven ! Ik dacht den geheelen avond na over middelen om de waarheid te dienen en toch niet onvriendelijk te zijn. Ik zocht voor het souper alle lekkere hapjes bij elkaar waar ik wist dat mijn man van hield, om hem zoodoende toch maar weer goed te stemmen; ik bleef op om hem af te wachten wat ik anders sinds jaren niet meer deed. Eindelijk kwam hij; \'twas al half één, de meiden waren naar bed ; die beste vent was toch niet erg boos :

— „Zoo, Betsy, is je koorts voorbij?quot;

7

-ocr page 112-

98

fl

i

Dit ontstemde me.

— „Koorts? Ik heb geen koorts gehad; wat bedoel je?quot;

— „Nu ! maar dan moet je krankzinnig zijn geweest. om zóó mijn vriend te ontvangen.quot;

— „Krankzinnig ? in \'t minst niet. Ik heb mij voorgenomen geen onwaarheid meer te zeggen; ik kon dus geen ander antwoord geven dan wat ik gaf.quot;

— „Nonsens! zulke waarheden zegt men niet. (rij moet trachten; verstandig te wezen.quot; ging hij voort: „je wilt immers gaarne dat ik lid van den raad word; geloof me , zonder vrienden; zonder . . . krui-wagentje... komt men er niet. — wat zon het mi zijn , zoo mijn vrouwtje, als een barbaarsche priesteres der oprechtheid, een vogelverschrikster in haar eigen huis werd ... dan was bet. gedaan met al onze mooie plannen.quot;

— „Dat is nietsquot; zeide ik met waardigheid „liever zelfs armoê lijden dan zondigen.quot;

— „Dat is een groot woord , kindje , zondüjen . .. hm ! ja .. . maar vind je bet dan geen zonde om do menschen ruw en onaangenaam te behandelen ?quot;

— „Hoe kan je bet ruw en onaangenaam noemen als men eenvoudig de waarheid zegt; de menschen moeten dan maar zorgen dat zij zon volmaakt zijn om dit te kunnen verdragen.quot;

— „Ja, maar ... en cittcndxwt? Wat te doen?quot;

„Zij moeten er zich in oefenen ; zij moeten liet

!; i lil

I

i ,;r

ii

li

i

y !

-ocr page 113-

fm

waardeeren flat er menschen zijn die den moed hebben de waarheid te spreken , en dan maar liet onaangename dragen.quot;

„Wel, wel, wat een ijver op eens; nn, slaap er nog maar eens een nachtje over ; we willen niet kibbelen . morgen spreken we elkander nader.quot;

Goeden naclil. Allee: zeg mij eens wat ge hiervan denkt.

Uw Betsy.

Den- Haar , 11 Mei 1883.

Mijn arme vriendin , wij zijn nu half weg den proeftijd en daarin verheug ik me; laat ons hopen datje or met gezonde hersens uitkomt , want waarlijk, volgens jo brief van gisteren schijnt je echtgenoot je ook voor min of meer geesteskrank te houden ; hij is anders dunkt mij volstrekt de man niet om zoo geduldig te blijven. Mijn Hugo althans had me anders geleerd. indien ik aldus zijn vrienden ontving!

Wel foei! Is de gastvrijheid dan geen deugd die ook beoefend moet worden , en zoo je het onaangenaam vhjdt dat vrienden bij je aanzitten is dat niet eer een gebrek in /om karakter dan dat het in hun een fout zou wezen om geen grofheden te kunnen verdragen? Als onze mannen vrienden meè brengen , dan is het onze plicht als vrouw en als huishoudster om dit zeer goed on zrrr aangenaam zelfs te vinden , al was het maar alleen omdat het onzen heer en meester welgevallig

-ocr page 114-

100

is. Dan moeten we zorgen dat alles klaar en in ordo is, al komt. die visite nog zoo onverwacht. en wii moeten ze in alle maarheid met den vriendelijksten glimlach ontvangen en met de hand op het hart kunnen zeggen dat hun komst ons plezier doet ; dat is onze plicht , zijn wij niet in die stemming . dan kan ik jo ten zeerste aanraden om hiermede te beginnen van je zelf te veranderen . dat is nobeler en beter dan eerst de wereld te willen bekeeren door iedereen te willen oefenen in het philosophisch gelaten aanhooren en opnemen der ergste grofheden. En nog, verondersteld dat een gast door jou beleedigd, zich hierover heenzet en gelaten alles draagt wat het aan de waarheidsliefde behaagt hem aan te doen , vind jo dat hij binnen de grenzen der wellevendheid blijft, bescheiden en beschaafd kan zijn en niettegenstaande de gastvrouw er zich formeel tegen verklaart foch baai gast blijven en aan haar tafel aanzitten ? Zulk een gast stelt zich bloot aan het gevaar om door de vrouw des huizes een paar kruiers te zien ontbieden en zich vierkant op straat te zien zetten \' Waar dwaalt go heen ! Neen beste , je bent volstrekt niet krankzinnig en je hebt er ook geen aanleg toe , anders zou ik niet met je redetwisten. Je houdt, zooveel van oprechtheid, daarom zal ik je dan ook maar volstrekt geen verontschuldigingen van dit openhartig schrijven aanbieden. A domain!

Alice.

-ocr page 115-

101

Leiden, 12 Mei 1883.

Ik schrijf je ouder tranen. — Ik ben nu twaalf jaar getroawcl en nog nooit is mijn man zonder mij \'savonds uitgebleven, of wel hij heeft mij gezegd waar hij was. Je veronderstelling is slechts al te juist geweest, hij gelooft mij krankzinnig of halstarrig; in \'t eerste geval wil hij mij onder geneeskundige behandeling stellen, in het tweede mij straffen, en mijn cauchemar — zijn uitblijven — voortzetten tot dat ik mijn grillen, zooals hij het noemt, op geef en weer word zooals vroeger.

Nu, dit worden zooals vroeger is mij een gruwel, want dat wil zeggen: onwaarheid spreken van den vroegen ochtend tot den laten avond; en sinds dat ik cle oprechtheid beoefenen wil, is mij elke onwaarheid zulk een afschuw geworden, dat ik, indien ik tot de slotsom komen moest, dat men eigenlijk om in vrede met anderen te leven, om je stand en positie op te houden, altijd onwaarheden moest zeggen . . . werkelijk van melancholie krankzinnig werd.

Ik heb den geheelen nacht geweend en zit je hier te schrijven met roode gezwollen oogen. De meiden kijken mij aan en vragen: „of mijnheer op reis is.quot; Ik zeg „neen.quot; Ge moest op dat „neenquot; eens de uitdrukking van haar gelaat zien! „Komt mijnheer van middag thuis eten?quot; vraagt de keukenmeid. „Ik

-ocr page 116-

102

\' Jf T

denk liet welis mijn antwoord; wat kan ik anders zeggen, want hij komt zeker thnis, en ik hoop maar dat hij dan medelijden met mijn verdriet zal hebben en niet weer van avond uitblijven. Ik word nog een martelares van mijn beginsel. A tmtot, daar is de klêermaker van de jongens, straks zet ik mijn brief voort.

Ach, ik heb de nieuwe zomerpakjes voor mijn Jongens niet kunnen bestellen; een beste man anders die van der Brugge en hij heeft smaak ook. Ik kwam met hem in een gek parket. Hij vroeg me „is mevrouw niet wel?quot; en ik antwoordde natuurlijk: „ja, heel wel.quot;

— „Mevrouw7 schijnt toch wat hoofdpijn te hebben.quot;

— „In \'t minst niet.

— „Het is misschien de hitte die mevrouw hindert,quot;

— „Volstrekt niet, ik heb geschreid.quot;

Verbeeld je dat die man daaruit de gevolgtrekking maakt dat ik hem op familiaren voet wil brengen. Ik was bij de tafel bezig om stalen uit te zoeken; hij buigt zich heel dicht bij me en fluistert:

„Ik heb er al van gehoord, maar och, ziet u,het zal zoo\'n vaart niet loopen.quot;

„Wat meen je; ik begrijp je niet.quot;

— „Dat mijnheer, mevrouw zoo\'n beetje verne-

.

— „Maar... van der Brugge!quot;

— „O, mevrouw, excuseer, is het misschien niet tvaur\'f

sl

i

-ocr page 117-

103

— „Waar?... waar:-... Ja, \'tis wel waai\'; maar je moest er maar liever iiiel over spreken, dat past niet.quot;

Dit beleedigde hem.

— „Zou mevrouw meenen dat zij op mij smalen mocht omdat ik maar een kleermaker ben.quot;

— „Wel neen, ik vind het een heel net vak; maar...quot;

— „Ik kan toch niet nalaten naar de gezondheid mijner clientèle te int\'ormeeren, als ik aan het roode gelaat bespeur dat zij ziek zijn . . .quot;\'

— „Neen, maar ik ben dan ook niet ziek, en ik weet niet waarom of je vraagt naar de kleur van mijn gezicht; dat past niet; ik zou ten minste...quot;

— „O mevrouw ... ik heb ook geen roode oogen en neus niet waar?quot;

— „Roode oogen. neen...quot;

— „Mevrouw meent toch niet te willen zeggen dat ik een roode neus heb ?quot; zijn stem beefde van drift, Alice; nu, hij heeft altijd een erge roode neus en de menschen zeggen dat hij een borreltje drinkt.

— „Ja; juist.quot;

Ik dacht dat de man een beroerte kreeg.

— „Mevrouw!quot; gilde hij zoo hard dat ik verschrikt opsprong.

— „Nu, van der Brugge, ik meende het niet kwaad.quot;

— „Niet kwaad meenen ?!quot; schreeuwde hij terwijl hij zijn stalen bij elkaar pakte. „U zoudt er misschien nog

-ocr page 118-

I

104

SI

bij durven voegen dat mijn neus rood ziet tengevolge van dronkenschap.quot;

— „Tk zeg zulke dingen niet of ik moet ze met waarheid kunnen verzekerenquot; antwoordde ik waardig en kalm. Misschien was er in ons dialoog wel iets grappigs , maar ik bemerkte dat in dat oogenblik niet.

— „Maarquot; ging hij op denzelfden toon voort met zijn ingepakte stalen een stap naar de deur doende, „als mevrouw mij van zoo iets slechts verdenkt, dan dank ik verder voor de eer van begunstigd te worden.quot;

— „Wel neen, van der Brugge, ik niet, de men-schen zeggen het.quot;

— „De menschen!quot; schreeuwde hij op nieuw woedend wordend: „nu, ze zeggen van u nog heel wat anders.quot; En met een ging hij de kamerdeur uit die hij met geweld dicht kletste en liet hetzelfde lot aan de voordeur ondergaan.

Deze dag is niet gelukkig begonnen. Ik moet nu gaan zorgen voor het tweede ontbijt; de jongens zullen wel ontevreden zijn dat hun pakjes nog niet besteld zijn.

Ik zal in de toekomst je raad van receptiedag opvolgen. Zou mijn man van middag thuis komen\'? Tot later. Adieu !

Betsy.

KI

_i 1

I

Ml I

I4 -\'pi

i ■

B i

ng I ^ I

i

-ocr page 119-

105

Briefkaart. Den Haag . 13 Mei \'83.

Ik rfchiijl\' Jc deze paar woorden op een briefkaart, omdat ik geen tijd heb je eenigszins uitvoerig te schrijven, daar ik vrienden uit Duitschland over heb. Vergeet niet me van alles op de hoogte te houden.

Alice.

B r i e 1\'. Leiden, 13 Mei \'83.

\\Vral had ik gehoopt op een troostbrief van je ! — 11lt; had er zulk een behoefte aan; nu moest ik me maar met dat eenvoudige kaartje vergenoegen. Mijn voorgevoel zegt me dat ik van daag een van de droevigste uren in mijn leven te doorworstelen zal hebben en weet nog niet hoe of ik in zoo korten tijd zoo heb kunnen doordrongen worden van het hooge en groote der oprechtheid a Wavers tout.

Mijn man is gisteren thuis komen eten, hij polsde even mijn gemoedstoestand om te zien hoe of ik gestemd was, en daar hij mij nog bij hetzelfde besluit onwrikbaar vast zag staan, sprak hij verder niet met mij en is zeer misnoegd uitgegaan en nog niet teruggekeerd ; ik heb nu een brief van hem ontvangen ; maar durf dien heusch niet openmaken. Je kunt je ook niet voorstellen hoezeer men mij lastig gevallen is.

-ocr page 120-

106

Eerst ging ik van ochtend een paar boodscliapp en doen. De leveranciers, die toch wel aan ine gewend waren , zagen mij medelijdend aan en gaven elkander allerlei teekens telkens als ik tot hen kwam. Toch waren zij zeer onvriendelijk, waarschijnlijk omdat ik mij niet geneerde hun de oprechte waarheid en natuurlijk in ronde woorden, over hun koopwaren te zeggen.

Op straat ontmoette,ik Henriette van Bergen, die mij staande hield en vroeg hoe of ik hel maakte. 01-schoon ik nu niets intiem met haar ben, vond ik mij toch niet gerechtigd om haar een antwoord te geven dal niet getrouw was aan de waarheid, en ik zeide :

— „Miserabel.quot;

— „Zoo? en wat is er dan gebeurd?quot;

„Mijn man blijft \'s nachts uit.quot;

— „Arme ziel, kom, laat ik wat met je opwandelen en vertel me dat eens.quot; Zij ging een paar passen niet me, maar haar vragen werden me zoo lastig en ik verzocht haar heen te gaan.

— „Heengaan? Waarom? dit is juist mijn weg.quot;

— „Je vragen vervelen me , ik ben liever alleen.quot;

— „Erg beleefd inderdaad!quot; lachte zij, „en als je zoo met je man omgaat dan verwondert het mij niets dat hij liever niet thuis komt.quot;

Zij keerde mij den rug toe, en toen ik eenige schreden verder een winkel binnen ging zag ik haar aan den hoek van de straat met iemand anders staan praten en schertsen; zoo zij het alleen over mij had

-ocr page 121-

107

zou ik liet kmnuMi vergeven, nuutr ik ben overtuigd dat zij over het uitblijven vun mijn man sprak en wat zal iiij dan wel voor een reputatie krijgen!

Ia den winkel zelf ontmoette ik juffrouw Gooiman, die zelf naar mij toekwam en vroeg.

.,lIoe gaat het er meè ? Ik heb zoo\'n (liep medelijden met n.quot;\'

— „Met mij? Waarom?quot;

„Och ik Iaat voor mijn kleine jongens ook bij van der Brugge maken en hij vertelde me van daag van u zelf gehoord te hebben dat u zoo ongelukkig waart; hij had u zien schreien en zeide „het ging niets goed met mijnheer ... ik dacht dat mijnheer ziek was en heb van ochtend dadelijk door mijn Aaltje bij uw Truitje laten informeeren, maar die zeide... och, u weet mevrouw, zoo is de taal der dienstboden onder elkaar! Mijnheer is niet ziek, maar hij wordt een ui Hooper en mevrouw doet zoo raar; ze wordt stellig gek van verdrietquot; ... Ik ben nu toch blij dat ik u zie en van u zelf de waarheid kan hooren.quot;

— „De waarheid, juffrouw, zal ik altijd zeggen, maar aan u zeg ik niets, want li is de grootste praatster uit de geheele stad en u steekt uw neus overal in , en dit zijn familiezaken die u niets aangaan en mijn man is de braafste man die onder de zon loopt.quot;

Dit antwoord kwam over mijn lippen vóór dat ik het wist, en juffrouw Gooiman werd volstrekt niet

-ocr page 122-

108

boos, maar zij keek mij medelijdend aan en schudde bedenkelijk liet hoofd.

Zij ging zelfs een beetje van me van daan alsof ik een aanstekelijke ziekte had en sprak lang en nadrukkelijk met de eigenares van den winkel die mij voortdurend in quot;t oog hield.

Ik ging zoo spoedig mogelijk naar huis, en voml daar den brief van mijn man.

Sinds heb ik je geschreven cn wacht nu de terugkomst van de jongens af; maar het is al laat en zij zijn er nog niet; zoodat ik wat ongerust word en een boodschap naar de school zal zenden, terwijl ik tegelijk dezen brief op de post zal doen.

Je liefhebbende Betsy.

Telegram aan Mevr. Wandeus le Leiden. Antw. het. — \'s Gravenhage. 1 i Mei \'s morgens 0 uur.

Ontvang je brief. Ongerust. Zijn kinderen en echtgenoot thuis\'!

Alice.

Telegram aan Mevr. u. Vliet, den Haag. 1883. — 1*4 Mei v. m. 10 Va uur.

Neen. — Brief onderweg,

Betsy.

-ocr page 123-
-ocr page 124-

y-—9*

; I

no

Zi} is geheel terug gekomen van hetgeen gij in mv brief aan haar „krankzinnige halstarrigheicT noemt; en liaar wensch 11 en de jongens terug te zien is ongemeen groot.

Laat ik u eerst zeggen hoe doodelijk ongerust zij verleden week geweest is, daar ze uw brief niet had durven openen. en de tijd verstreek waarop de kinderen gewoonlijk thnis kwamen. Zij liet. aan de school informeeren en de meester gaf de boodschap mede dat mijnheer zelf zijn zoontjes was komen halen en gezegd had dat zij voor een poosje uit de stad gingen.

Daarop opende Betsy uw brief en zag daarin dat ge uw kinderen voor een poosje meè naar buiten naamt naar uw moeder toi dat Betsy van hare krankzinnige halstarrigheid genezen zon zijn, nw vrienden weêr welwillend zou ontvangen, en lieden geen onaangenaamheden zeggen en niet op de groote straat do huiselijke kibbelpartijtjes dragen, den goeden naam van haar man te grabbelen gooien en den kleermaker on winkeljuffrouwen tot vertrouwden van haar geheimen maken.

Om u te overtuigen dat dit alles op haar beginsol van waarheidsliefde gegrond was, sluit ik hier bij al de brieven in die zij mij in den kaatsten tijd over dit onderwerp schreef, — en ge zult spoedig overtuigd wezen.

Nn zult gij echter zeggen: ik noem dal gekkenstre-ken en verkies geen slachtoffer or van te worden.

i

i

f I \'!

i I

!f1

I I

ill

m

i\'-

K I,

É I:

!

■ i

-ocr page 125-

Ill

Welnu, ik kan u tot uwe geruststelling zeggen, dat zij terug gekomen is van haar overdreven manier van de oprechtheid op te vatten. Zij heeft ingezien dat elke deugd, zelfs de waarheidsliefde, indien ze niet in hnlam gehouden wordt door haar zusters, de andere deugden tot de droevigste gevolgen kan leiden.

Wij hebben veel met elkander gesproken, het vóór en tegen van elke zaak overwogen, en ik kan u de verzekering geven dat zij genezen is. Zij zal als de oude Betsy aan uwe zijde terugkeeren . niet dies aan de waarheidsliefde en oprechtheid opofferen, maar trachten zooals vroeger een gewenscht evenwicht, tusschen het volbrengen van al haar maatschappelijke plichten als vrouw , en bewaakster van het huiselijk geluk te houden. Zij zal de naastenliefde , de bescheidenheid , de voorzichtigheid en vele andere goede hoedanigheden even streng nakomen als de openhartigheid en oprechtheid , om zoodoende tot een gewenscht geheel te geraken dat haar en hare omgeving slechts tot geluk kan strekken. Zij zeide rnij nog gisteren : „ik wil er mij voornamelijk op toeleggen mijn eigen gemak , mijn eigen belangen op den achtergrond te stellen en vooral liet geluk van anderen in \'t oog te houden, dan zal ik wel niet meer in dergelijke dwaasheden vervallen.quot;

Zij is dus geheel bereid om alles weer goed te maken en in haar huishouden zooals weleer rust en zonneschijn te verspreiden.

-ocr page 126-

112

Convenieert het u echter dat zij nog wat bij mi] blijft zoo zal mij dit zeer verbliiden . daar mijn man toch op reis is en ik liet wel wat eenzaam zou hebben zonder haar.

Schrijf u haar echter eens, want de moed oni-breekt haar om u vergeving te vragen voor hot vor-ledene.

Geloof mij gaarne mof vriendschappelijke hoogachting.

Uw Dw.

Alice de Vu et.

Briof aan Mevrouw Alice df. Vliet to \'Ion Hans;.

Waarde Mevrouw,

üw brief was mij een van die zeldzame golnksbodon zooals wij er slechts zelden op onze levensweg ontmoeten.

Ik ben u zeer dankbaar; niet alleen voor het schrijven van deze regelen, maar voor den onwaar-deerbaren vriendschapsdienst aan Betsy en aan mijne geheele familie, in de eerste plaats ook aan mijne kinderen en mij bewezen.

Laat ik n hierna zeggen dat ik gaarne van nw welwillend aangehaalde „eenzaamheidquot; gebruik maak om do vriendelijke invitatie voor Betsy met blijdschap aan te nemen. Wij kunnen dezen zomer niet. goed in Leidon terug keeren. ü weet hoe of alles in een

-ocr page 127-

113

klein stadje spoedig wordt rondgepraat ; en hoe vast een gedeelte van onzen kring doordrongen is van hot feit dat ik mij onwaardig gedragen heb, en een ander gedeelte vast overtuigd is dat Betsy krankzinnig is. Wij willen de zomermaanden en de vacantietijd er over laten verloopen en dan tegen het najaar in Leiden terugkeeren. Ik laat u dan Betsy tot 1 Juni en schrijf haar hierover in inliggenden brief, dien ik u verzoek haar wel te willen overhandigen. De kinderen zijn hier ook gelukkig bij hun grootmoeder; de buitenlucht doet hun goed. Ik ga dagelijks naar Leiden, voor mijn zaken; maar aan de publieke opinie kan ik niets veranderen; dat moet slijten. Den lcn Juni denk ik met Betsy on de kinderen naar Scheveningen te gaan, tot einde September, en dan naar Leiden terug te keeren. U nogmaals dankende, verzoek ik u de verzekering mijner eerbiedige waardeering te willen ontvangen.

Uw D\\v. Dienaar, Joseph Wanders.

-ocr page 128-

li ut mm im aiitog-rafek,

IMJcengebraclit door Selilaraffla.

TVUnsl (leclt geon ;essen uit; dat maakt liaar grootheid klein. Het Schoon streelt en verheft gelijk een lentewadem,

Maar Waarheids zon doorstrale een dampkring frisch en rein, Opdat de Schoonheidsmuze er vrij en rijk in adem.

De Sehoonheid is nit God, gelijk het Ware en l Goed:

Géén vak dat. uit /.ijn aard. dien oorsprong oneer doet.

■•V Maart . 1883.

-ocr page 129-

M\\i fGütilü tiiwaMii.

Mof mijn ,Jacob de Wit.quot;

G1.1 lepft in beter tijd, dan toen Boucher, Van Loo . En wie er meer in \'t spoor rlier vlugge Fransclien dartelt, Zinli soms vergaapten aan den kunstzwier van Wattean , Beproevend of m\' aldus aan \'t klassicisme ontspartelt.

Gij leeft in beter tijd dan toen De Wit en Troost

Dien lossen trant niet licht op Hollands bloemhout entten. Straks trad de herfst hier in, voor die kunstmaat\'ge lenten. Eti stijfheid werd hier schaars door levensbloei verpoosd.

Toch wijst uw vrouwenhart (uw kunstzin nog veel minder) Den „Graauwtjensmanquot; niet af, dien \'k bij u binnenleid. Zijn kunst , zijn lol, zijn leed , zijn weelde, hier en ginder, Heeft soms op hulde recht, steeds op toegevendheid.

Den meerdre valt het licht den mindren te waardeeren. Onttrek dan ook uw gunst niet gants aan mijn De Wit. Als hij uw oog en oor een half quartier bezit,

Zal van dat machtig oog het levenstralend git Misschien als vrienschapstolk zich naar zijn schrijver keeren.

out. iss\'j.

-ocr page 130-

het Gouden Orukkersfeest van Mr. m jeSTUS ENSCHEÖÉ.

Wio Haarlem poogt le steken naar de kroon. Hem breng\' de schim van haar beroemdsten zoon Geen Midas-ooren, ten verdienden toon Voor \'t Gostersmaden, —

Blijv\' Lourens Janszoon rustig in zijn graf, En wacht\' hij daar getroost liet vonnis af,

Waar Recht en Waarheid met hun gulden staf Zich op beraden!

Daar leeft een andre nóóit geschonden Faam,

Daar spreekt een beeld, daar tuigt een schoone naam. Bewierookt door Kritiek en Dichtkunst saam, Van Haarlems Glorie.

Wat schaadt het, of men, \'t oud bewondren moe, Op d\' ouden rug de slagen haaglen doe En lachend rondzwier, met een doornenroe. -Zl.l viert viktorie.

Zij kondigt, over land en over zee,

Bij vriend en vreemd, in burcht, in dorp, ensteê. Den blanken roem van \'t Huis van Enschedé. Waarop Zi-1 groot gaat.

-ocr page 131-

117

Hier vloeit hel merg, der hoogste wetenschap.

De geur der kunst, op elke ontwiklingstrap,

Het smijdig goud \') in Cadmus\' kroost2), wier stap Geen kwijning blootstaat.

Al wat er ooit door Dichterboezem vloog,

Al wat de geest ooit moeizaam overwoog,

Al wat geen dood, goen Lethe duchten moog\'

Kan ZIJ bewaren.

Hier treden Wetstein , Elzevier , Plantijn ,

Te zaam , en hangen \'t kleed van hei melijn, Het koningskleed, trots Gutenberg en Rhiju Om Een aan \'t Sparen.

Hem ciert der Rechtren deftige barret;

Zijn sleutels veilgen Teyler en haar wet;

Gezegend zijn de schreden , die hij zet In \'t huis der weezen.

In kerk en scholen komen , op zijn woord . De leeraarsrollen rijk aan lessen voort,

Waar volk en jongren vlijtig, ongestoord.

Zich rijp in lezen.

Maar schooner dan de rechterlijke hoed,

Of wat m\' in hem ooit huidige en begroet,

Blinkt om zijn hoofd en straalt ons in \'t gemoed Een GOUDEN KROONE.

Dat is een roem voor Haarlem, die nooit taant.

Lang leve wie zoo\'n weg tot nieuwe wegen baant!

Dat God den eedlen man, zoo vruchtbaar voorwaards gaand , Eens rijk beloone!

1) Geldawaarclig rijkspapier. 2) De letters.

-ocr page 132-

J. C. d. M. 0. en Jonkvrouwe S. C. v.

-t Sept. lö1?1?.

^A.Ls Ftebus zelf de moeite neemt,

Al Is \'lmet koele tinten, Het zielebeeld van vriend ot\' vreemd

Op kaartpapier te printen,

Diin speur ik, met nieuwsgierigheid.

Met geestdrift soms voor \'tsclioone, De plannen na, gespreid, gebreid, Begooclilend op elkaar geleid In altijd juisten tone.

Maar als de Dagvorst zich verlaagt

Tot schraler lauwer-plukken, Om staalgravuren (slecht geslaagd) Al wat het merk der hardheid draagt

Op bristol af te drukken.

Dan keer ik met een blik mij al

Als toekomt aan den slover. Die steeklig herfstblad, zerp en straf. Aanvaardt voor Muzenlover.

Neen, mij de druk der hcil\'gc stift

Waarin het leven ademt.

Dat \'s kunstnaars eigen zieleschritt

Doorvonkelt en doorwademt!

Neen, mij de trilling van de hand,

W.

Aan Mr.

-ocr page 133-

119

Waar \'t schatrijk menschenwezcn Zijn sprekend zegel beeld in plant,

Zijn hart, mijn hartslag aanverwant, Zijn ziel mij in doet lezen!

Neen, ii, geliefden! up uw leest Zoü\'n choor van dichterzielen,

Wier harptoon in gemoed en geest

Een beeldendrom doet krielen! De kunst kan hier zlch-zelve zijn:

De handdruk der geniën Wordt door geen meestal dom burijn Gelasterd, en de kunst vol pijn Staat niet mei kromme kniën!

\'tls alles leven en natuur,

Oprechtheid zonder vouwen,

Wat de etsnaald en haar bijtend zuur Geeft zoets en rijks te aanschouwen. Zoo moog \'tu wachtend huwlijk zijn:

Al groeft het lot dan voren, Men trekt te zaani de zelfde lijn. .. 1\'lant bloemen in den zonneschijn. En bouwt den voorspoedstoren.

Wie hand aan hand, en oog in oog. Door \'t leven voort mag schrijden, Gedachtig dat het voert omhoog — Al is \'t door storm en lijden, — Hem viel de hoogste prijs ten buit, Dien \'t lot ooit geeft te trekken,quot; En hier verrast hem reeds \'t geluld . Het zoete lied der Englenluit,

Die eens hem op zal wekken.

-ocr page 134-

BIJ EEN PRENT IN DE KATHOLIEKE ILLUSTRATIE.

Aan den Dichter R van Meurs.

Gu vraagl mij, Zeer Eerwaarde Vrind, Oin bij ile nevensgaande print (Die \'k waarlijk onverduwbaar vind) Een strofe ol wat te schrijven.

\'k Aanvaardde blindlings deze laak,

Niet denkend dat de rare snaak Uie zoo ieïs houtsnijdt, tot vermaak Van uwer leesren hart en smaak. De grap zoo ver zou drijven.

Wat moei er toch in rijm gezeid Van de opgedirkte kleine meid ,

Die door mamaatjen wordt geleid Voor \'t stijve Lieve-Vrouwtjen ,

Opdat gevoel en schoonheidsmin Reeds van des levens eerst begin Gebannen worde uil ziel en zin Van \'t walerzuchlig boufjen!

-ocr page 135-

121

\'k Wou , dal ik wisl wat ik begon Mei deze ioould-he Frau-Baron,

In haar (luweelcti prachljapon ,

Bij bloote hand en armen.

De blik, die geeslloos haar onlviel,

Haar lalïe lacli en hol profiel Kan mijn verwende kunstnaarsziel Verheffen noch verwarmen.

Hoe graag ik u van diensl won zijn, Ik ducht, ik vlucht den lagen schijn Dal zulk een kermisprinl-burijn Bij mij genaa zou vinden . . .

Helaas, ik weet bij mauvais jeu Voegt bonne mine, een lange queue

Van minder strenggezinden Biedt reeds zijn pen ... Welnu , lant niicux! Las délicats sont malheureux!

Gelukkig zijn de blinden!

6 Sept. \'78.

-ocr page 136-

ÖE VfUESGBE MUZE.

Iwee dichters danken u liun gloed, o Vriesclie schoonen ! De grootste van ons rijk gezegend Nederland.

quot;t Is Vondel. die als knaap zijn bloden wierook brandt Voor haar. die aan de kust van \'t blanke Vliemeer wonen.

\'t Is Rembrandt, Vondels Pair, die speelt met stralenkrooncn. Die hij naar willekeur om incnschenhoofden spant;

Maar die het levend licht, dat afstroomt van zijn hand, Uw oogen, Saske, ontleent, uw\' haarvloed en uw\' koonen.

Zoo deed een Vriesclie maagd, voor vijltien honderd jaar \') Eens grooten Konings hart reeds van haar schoonheid beven: Zoo slaat ge \'t al in band: \'t zij Vorst ol Kunstenaar;

De teedre Keulsche Zwaan omkiept uw rein altaar, En Leydens lichtheraut knielt. in der dochtren schaar.

Voor Saskia, die leeft waar Rembrandts naam zal leven.

1 Mei \'8-2.

1) llouixa, Heugistus\' dochter. Wiusem. Chrun. lU\'i\'i, bl. 4^.

-ocr page 137-

AAN PfETER CORNEÜSZOÖN HOOFT.

1« Maart 1881.

XjlAh u mijn groet. urbane Drost van Muytlcn Aartskimstenaar mei dichterlijk penceel!

Uw gaaf, doorgloeid van d\' adem van liet Zuiden, Viel levenslang een tooverroè ten deel.

De koopren laai , die Hollands burger voerde, Door ii verlost van onduilseli drab en schuim,

Werd, toen uw stal\' elektriesch haar beroerde , Verkeerd in goud , rijk , smijdig, diep en ruim.

Ga nu te wed, o Glaucus, in haar stroomen ; Begluur haar geestig rimplen langs het riet;

Deel fluistrend mee, wien gij er langs hoort komen En \'l blanke voetje\' in \'t beeknat domplen ziel.

Gij, Daifilo, verhaal van \'t sterrenllonkren

Dat, zelfs des daags, uw ziel ten doolhof leidt!

Frincessen , ziet het schouwlooneel verdonkren , Als Medicis haar ondergang beschreit.

-ocr page 138-

124

Ja, Medicis , nog elders daalt uw glorie :

De Benvemitoos zijn uw erf ontvloon:

Hier cizeleert ineu licdren en liistoric Met njn,r staal dan van Florences zoon.

Aan u mijn groet, die met der schoonheid glansen

Uw gastvrij huis doorglocid hebt en bed aak t, Die Tesschelschaa met bloem- en loverkransen Het vrouwlijk hoofd onsterflijk hebt gemaakt!

Mijn groet aan u , Doorluchtig ingezeten

Van de Een\'ge stad, die Keizerskroonen spant! Wat staat u goed, de „fransche Koningsketenquot;, Republikein met onverslaafd geweten !

Wat voelen we ons met trots aan u verwant!

-ocr page 139-

AAN DE FIRMA GONEN-OFFENBERG,

OP HARE VOORTREFFELIJKE FOTOGR/VFIËN,

-A-Ls andre Jozuees, die over \'tlicht gebiedt,

Went gij niet slechts de Zon in haren loop te stuiten. Maar dwingt haar, hij \'tverwijl, om op uw tooverruiten Tc schiklren, vonk voor vonk, al wat haar Mik beziel. Wech, Don cn Meissonier, dit kunstpenceel toetst fijner: En Phcebo, tot van daag, alleen de God van \'iLiod, Schaft Bismarck-Offenberg een grooter rijksgebied:

Eerst slaat hij hem in band, en kroont den Albeschijner Daarna, ten teeken van zijn gunst.

Tot God der S c h i 1 d e r k u n s t.

-ocr page 140-

ÖP OE VECHT.

Aan J. W. BROUWERS, Pastoor van Bovenkerk.

Uit Sint Margreten Rade kwam oens aan Maas en Rof Een zoon der Muzen vragen,

01\' soms in de eerste dagen Een linlk naar Holland voer.

Geboren op de grenzen van Schelde en Rhijngeliied Wou liij aan de Amstel wonen,

Die hem het spoor zou toonen Van Vondels tred en lied.

Naar d\'afdruk van zijn schreden in deze stad aan \'t Y, Naar d\' echo var. zijn zangen,

Die hier in \'t loof bleef hangen .

Verzuchtte en smachtte hij.

De veerman voer bem over; en waar hel sedert gold Onze oude kunst te prijzen.

Daar kwam hij vaak ons wijzen Hoe dat van stapel rolt.

Hij stortte ons, oud gedienden, een nieuwe geestdrift in Hij preekte \'tjong geslachte \'t Revrucliten der gedachte Met vaderlandschen zin.

-ocr page 141-

127

Rpzong pons Vollenliove ons Hollands „gouden lijdtquot;, „Difn Nlemant moet vergetenquot;.

Zal Holland Holland heeten ,

Don vreemdeling ten spijt, —

Hier vloclil een andre dichter, een andre Yondelszoon, Van d\'onden gloed bevangen,

Door voorbeeld . woord en zangen.

Onz\' onden roem een kroon.

Hij heet ons spelevaren op d\'adem van den stoom.

Maar wekt, langs d\'Amstelkaden .

Meerminnen en Najaden

Uit d\' ouden schoonen droom.

De Veelitnymf slaat al lachend heur armen nil den vloed. Hare oogen schieten vonken,

Heur blonde tressen pronken Met paerlen in hnn gloed.

Dr blanke handen wenken, \'t gelaat ziet blijde rond. Een zangtoon streelt onze ooren:

Wij wanen weêr te hooren Een liedtje\' uit Tessels mond.

Pastooii jen, \'t wordt gevaarlijk!... o Muydei\' tochtgezin! Laat, als Ulysses\' vrinden,

U aan het vaartuig binden.

Ducht, duchl d(gt; Vechtmeermin!

Bij quot;t vliegen over \'t water, bij tritonshoorneschal,

Had ons dier nymfen lokken Haast over boord getrokken In \'tal te hel kristal.

-ocr page 142-

128

Nv

Helaas. dat sleclits de stemmen van dit fantastiosch volk Ons langs den stroom geleiden !

En wij vergeefs verbeiden Een goud getinte wolk ,

Waaruit hierin ons midden, gij, goede Tesselseliaa. Omstuwd door uw poëeten ,

Ons opdaagde en deed weten :

„Ik-zelf, ik ben n na!

,Ik lieb met welgevallen uw Muyder toelit aanschouwd ; Dat Spiegbels Muzentoren Uw geest nog blijft bekoren ;

Gij in gedachte houdt

„Wal eenmaal om mij henen in prozavorm en rijm ,

Gezucht, geschertst, gestreden ,

Getroost werd en geleden ,

Zoo luide als in \'t geheim;

„Dat gij den geur der slingers in Muydens hooge zaal En \'t vaderlandsche leven ,

Met moed en deugd gedreven .

Herdenkt zoo menigmaal.

„Gaal voort, gaat voort, mijn neven! Streeft deechle schoonheid na. Gelooft de barteslagen .

Die S a m e n w e r k i n g vragen ,

En doet als Tesselschaa I

„Daar is een Hooger leven , dan wal uw handgreep last , Geen grenzen , die dat prangen.

\'t Voorheen met gouden spangen ,

Die heel uw ziel omvangen ,

Is aan uw Heden vast.

-ocr page 143-

Tegen den Zuidgevel van \'t Nieuwe Muzeüm.

Hollands heerlijkheid, in \'t vroegst en jongst verleden, Schiet rijke straal bij straal door deze muren lieen:

(teen nabuur, die ons ooit \'t geschiedboek heeft ontstreên,

Dat van een grootheid tuigt ongeëvenaard tol heden. Van deze kleine plek, dit Oost- en Westerslib,

Werd aan Europe en de Aard weleer tie wet gegeven. Schijnt naast der vaadren zon ons licht een vonk, — die stip Op hun azuren grond trilt nog van goed en leven.

9

-ocr page 144-

jpENE J^OOLSCHE ^iERINNERING.

Zij zat op de houten bank onder do warande, die. met drie treden op, leidde tot den ingang van een dor vleugels van liet kasteel.

Het was een der eerste herfstavonden tegen \'t einde van September. De notenboomen, pas van hunne vruchten beroofd en die daarbij vele takken en bladoren hadden verloren, wierpen van den rand van het breede gazon een lange, geheimzinnige schaduw over den weg: de maan stond in haar eerste kwartier.

Uit de verte over de afgemaaide velden, kwamen enkele melancholische, ongekunstelde tonen eener schalmei; in een gladden waterplas kwaakte de moeras-nachtegaal : verder was alles doodstil in de natuur.

Hoe lang zij daar reeds zat, weet ik niet.

Op den blauwen steenen vloer der warande aan hare voeten, lagen drie geelachtig bruine jachthonden . mot den kop rustend op de voorpooten. — De dioron

-ocr page 145-

»

; !

131

en de vloer waren sterk verlicht door den zilverblanken maneschijn; maar de dichte klimoptakken, clie langs het hekwerk der warande afhingen. verborgen de eenzame gestalte achter hun donker gebladerte. Toch zag men een fijnen puntigen voet, die den rug van den geliefkoosden hond tot bankje gekozen had, en bet licht, dat hier en daar tusschen de kronkelende takken schemerde, maakte eenige blauwe plooien en witte kanten zicht baar en een paar teêre aristocratische handen, waarvan de eene ontbloot een papier vasthield. Of zij jong en schoon was, wilde de schaduw niet verklappen. Dikwerf ontsnapte haar een lange half onderdrukte zucht, en het minste geritsel in \'t groen werd door haar met eene onrustige beweging beantwoord.

De avondwind werd luchtig en kil: de eenzame vrouw op de warande-bank ontvouwde een shawl en wikkelde er zich in.

Langs het grasperk bewoog zich eene smalle zwarte schaduw tot bij de bank; — de honden knorden wel. maar schenen geen vreemdeling in den aankomende te moeten aankondigen.

— ..Mag ik Mevrouw de Gravin vragen, of ik van avond de komst van mijnheer moet afwachten vroeg eene niet onwelluidende jonge mannenstem.

— „Neen, Arras, ik ontvang juist een telegram waarin de Graaf mij zegt hem eerst morgenavond de paarden aan \'t station te zenden; hij reist dus ook van nacht niet.\'quot;

! t

-ocr page 146-

De laatste woorden werden op smartelijken toon en eenigszins vertrouwelijk uitgesproken.

De maan wierp nu haar volle licht op den jongen man: het was een neger, waarschijnliik de een o( andere vrijgemaakte slaaf die misschien wel met de Gravin was grootgebracht: althans zijn toon was wel wat familiaar voor een eenvoucligen knecht.

— „Het wordt de Gravin stellig te koud,quot; sprak

hij nauw hoorbaar.

— „Ik blijf hier nog wat; — daar de Graaf niet thuis komt. slaap je weer zoo als gewoonlijk voor me deur. Ga nu; ik heb je verder niets op te dragen.quot;

De laatste zinsnede was op hoogen toon uitgesproken. Een bittere glimlach speelde om den mond des negers, zijn oogen fonkelden; maar op hetzelfde oogenblik kruiste hij eerbiedig zijn armen over zijn borst, boog diep en verwijderde zich langzaam.

Nauwelijks was hij uit het gezicht of Mevrouw de Gravin Sulowska stond op, ging naar binnen en doorschreed eenzaam de verschillende vertrekken, die allen als tot een feest verlicht waren: zij had toch haar gemaal terug verwacht.

Zij kon hoogstens drie en twintig jaar oud zijn en hare blonde schoone gestalte en sierlijke kleederdracht staken scherp af bij de deftige strenge vormen van het ameublement Louis XIII, waarvan de donkere tinten eerder eene oude burchtvrouw zouden doen veronderstellen. In de middenzaal stond zij slil en

-ocr page 147-

Vóó

terwijl haar hand als naar een steun zich uitstrekte , dwaalden haar droeve oogen onderzoekend langs de muren. Levensgroote antieke familieportretten uit alle eeuwen zagen op de jonge vrouw neer. Al deze Poolsche Prinsen , in hunne kleurige ridderkleeding, waren helden, die voor de vrijheid van hun vaderland dapper gestreden hadden. Het was alsof de Gravin aan ieder van hen wat te zeggen had, want zij bewoog zich van den een tot den anderen, terwijl hare lippen zich als in quot;t gebed bewogen.

De laatste schilderij was blijkbaar nog niet oud; de f\'rischheid der kleuren en het moderne van het kostuum duidden dit aan; vriendelijker dan de andere scheen deze Ridder de ronddwalende vrouw gade te slaan. Ook zij was ontroerd; de stem beefde; en vochtig was het oog , dat tot dit af beeldsel opzag:

— „Vader!quot; zuchtte zij, „waarom moet mij uw raad , uw voorbeeld ontbreken ? Waarom mag ik het slechts in de herinnering bewonderen en beminnen? Gij ziet mij toch\'?!quot;

De voetstappen van een naderende kamenier stoorden deze ontboezeming.

— „Heeft Mevrouw mij gescheld?quot; — vroeg het meisje.

— „Neen, maar gij kunt mij toch ontkappen, en dan naar bed gaan; ik heb nog te schrijven; laat overal de lichten uitdoen, de Graaf komt van avond niet thuis,quot;

-ocr page 148-

De Ivamuaier vertrok om dit hevel tneè te deelen; de Gravin leunde nog even tegen hel portret van haren vader en verdween daarop door een der vleugeldeuren.

Een oogenblik later kwamen twee rijk gegalonneerde lakeien binnen, draaide de lichten uit en weldra heerschte overal stilte en duisternis.quot;

Overal \'!■ ? ?

Verlicht, door een kleine, vergulde lamp, zit de Gravin in een los wit wollen gewaad in haar boudoir te schrijven. De rijke haren zijn ontrold en golven tot op het tapijt. De hooge blos, die het fijne gelaat verwt, getuigt van innerlijke gemoedsbeweging. De lange pinkers zijn onvermoeid neergeslagen op de vliegende, krassende pen; af en toe beven de fijne neusvleugels en de oogleden schemeren, rood, alsof er tranen zijn uit het hart die zich baan willen breken .... maar dan overschaduwt zich weêr het edele voorhoofd , trotsch buieen zich de mondhoeken en met eene kleine on-geduldige beweging strijkt de smalle hand de neervallende, weerbarstige lokken terug.

Aan wien zou haar brief gericht zijn? Laat ons zien!... Juist vloeit de naam van haar gemaal uit de vluchtige pen.

. . . Laurent schijnt zich niet van de hoofdstad te kunnen verwijderen; ik vrees dat het stille buitenleven hem al te eentoonig is. U weet hij heeft behoefte aan afwisseling en sterke gemoedsbeweging. Maar, lieve moeder, ik bid u, kwel u niet met verontrustende

-ocr page 149-

I

(

135

gedachten . gelijk in uw laats ten brief. Vrees niets , wat zijne liefde en gehechtheid aan mij ..

Een kreet, luid, schoon onderdrukt. ontsnapte aan haar lippen, de kanten zakdoek werd tusschen de tanden geklemd, zij schoof het papier terug. nam de kleine lamp op en mompelde terwijl zij zich verhief:

— „Ik zal morgen verder schrijven, overdag zijn mijn zenuwen sterker. Zij drukte op den knop van een schel; daarop verscheen de neger ; zonder een woord te uiten wees zij gebiedend op het ruige tijgervel, dat voor de aangrenzende kamer lag ; toen verdween zij zelf met haar licht door dezen ingang en grendelde van binnen de deur.

De neger strekte zich uit op de dierenhuid, drukte het wollige hoofd tegen den grond en droomde van...

Neen, het was geen droom , het was een wanhopige alleenspraak:

— „Zóó ver ben je gekomen, Arras, jij slaaf, jij leelijk monster... dat oude vorstenbloed heb je niet kunnen uitdoven... wanneer zal je weer vrij zijn en zitten op den troon van je vaderen \'! Sinds wanneer zijn je hart en geest slaaf net zoowel als je lichaam? Sinds dat de oogen van die blanke vrouw zooveel weenen... die oogen . die je als kind zoo dikwijls tegenlachten, en die op haar bruidsdag zoo zalig glansten . . . nu weenen zij. . . en die tranenvloed heeft in je borst een vuur doen ontbranden ... een verlangen haar te wreken.., haar te verlossen ... en

-ocr page 150-

136

de dag zal komen dat dit gebeuren zal . . . en als hij gevallen is ... plaats je haar op den herwonnen troon van je vaderen ...quot;

Arras sliep in, en zijn droomen toonden hem de blanke Gravin Snlowska aan zijn zijde en scharen van zwarte onderdanen die voor hem de knie bogen ; hij had haar oneindig lief, maar zij ... zij was nog bedroefder dan vroeger.

In het aangrenzende vertrek lag de vrouw van wie hij droomde ; hoe uitgeput en vermoeid zij ook was van al dat vruchteloos verlangen naar den afwezigen echtgenoot, zij kon in den slaap geen vergetelheid vinden.

In het midden van het vertrek wiegelde aan vergulde kettingtjes de roodkleurige nachtlamp , die in rosse kringen eene fantastische schemering door de kamer wierp. Verder was geen beweging, geen geluid merkbaar; af en toe sloten en openden zich de groote moede oogen van de rustende vrouw, en wrong haar kleine witte hand wanhopend de zijden dekens ... zij zocht slaap en vergetelheid , maar beide schenen haar te ontvlieden.

Plotseling verheft zij zich . . . voetstappen zijn hoorbaar op het kiezelzand onder haar balkon ... zij grijpt naar haar geweer — dat haar \'s nachts nooit verlaat als Laurent uit is. Zij vreest dat men den onge-wapenden neger mocht aanvallen . . . zy fluit zacht en opent behoedzaam van binnen haar deur.

-ocr page 151-

137

— „Anas!quot;

In een weak is de neger nil. het rijk der droomen in de werkelykheid teruggekeerd.

— „Myiady!quot;

— .,Er gebeurt iets .... er is onraad . . . zijt gij bang.quot;

— „Myiady kent mij!quot;

— „Neem dit geweer en ga op liet balkon , wij zullen wel zien wat het is.quot;

— „Wij!!!quot; De neger duizelt; maar de Gravin, die Ijem een oogwenk dralen ziet, zegt:

— „Gij durft niet... ik zal gaan.quot;

Maar Arras is haar voor. Nauw is de balkondeur geopend of Mevrouw roept uit:

— „Er is brand, Arras, hoort gij dat klokkengelui\'? Roep Francoise. ik moet er heen.quot;

— „Maar, Myiady ...quot;

— „Zwijg, rep u, ieder oogenblik is kostbaar.quot;

De neger verwijdert zich , en reeds heeft Mevrouw

haar wit wollen kleed omgeworpen en spreekt haastig tot de binnentredende kamenier ;

— „Francoise geef terstond order om in te spannen!quot;

— „Mevrouw, het rijtuig staat reeds voor, Joseph zeide u zou gaan, dat wist hij zeker.quot;

— „Die goede Joseph! reik me mijn pelsmantel, dan behoef ik mij verder niet te kleeden.quot;

— „Zal ik meegaan. Mevrouw\'?quot;

— „Gij? — neen! Arras.quot;

-ocr page 152-

138

Drie iniuuten later was de Gravin iu liet rijtuig; de paarden renden in vollen draf naar de plaats van het onheil.

Op een van de meest afgelegen dorpen, aan de grenzen van de bezitting der familie Solowski, stond een groot boerenhuis, met daarbij behoorende schuren inbrand.

Hoog ten hemel stegen de rookkolommen , de vlammen sloegen uit de vensters. Het vierspan der Gravin werd met vaste hand geleid tot vlak bij het brandende huis; er waren reeds eenige pompen aanwezig, de anderen kwamen in volle vaart aangereden. De nacht was hol en spookachtig verlicht door het vuur; men hoorde het stroeve zuigen der brandspuiten, het kraken der neervallende balken, het knetteren van het vernielende vuur, het akelige loeien der vlammen.

Het was een schrikwekkend schouwspel. Toch werd de aankomst der Gravin als een geluksteeken uit den hemel ontvangen. Jammerende vrouwen en kinderen wierpen zich, om hulp roepend, aan den voet van haar rijtuig: zij was zeer bemind bij quot;t volk.

De intendanten, die aanwezig waren, konden zich in deze verwarring niet doen gehoorzamen. Eên stem waö er echter, die hoe zacht ook, door allen gehoord, en door allen gevolgd werd.

Op de trede van haar rijtuig , eenigzins boven de woelende menigte uit, stond Julia Solowska. Zij geleek een bovennatuurlijke verschijning; een rosse gloed verlichte haar gestalte ; de bonte mantel was wijd ach-

-ocr page 153-

1 ;i9

terover geslagen ; met uilgestrekte hand gaf zij hare bevelen ; aan hare voelen lagen weenend de moeders en kinderen en Arras stond onwrikbaar voor haar , met zijn lichaam de naderdringende volkmassa terughoudende.

Van tijd tot tijd rustte de witte hand der Gravin gedachteloos op den zwarten schouder van haar die-naar, alsof zij den rug van een stoel had vastgehouden — en het was in die oogenblikken alleen , dat het ondoordringbaar gelaat van den slaat\' — een vorstenkind — hel door de vlammen verlicht, een uitdrukking kreeg van ongekend geluk.

Wat vermat zich deze ongelukkige?

De Gravin bemerkte niets van hetgeen in den slaaf omging; het groote onheil; dat haar onderdanen trof, had te zeer haar opmerkzaamheid geketend; zij gevoelde zich moeder over al deze arme menschen...

Eindelijk was men den brand meester.

Mevrouw Solowska liet de vrouwen en kinderen op wagens naar een ander eind van het dorp brengen, in een schuur, die daar leèg stond, en beloofde hen voor den volgenden dag kleeding, voeding en een beter onderkomen.

Toen zij huiswaarts reed, brak de dageraad reeds aan. Zij lei zich ter ruste en wilde ook dat de neger slapen zou.

— ,Heden komt Laurent thuisquot;, sprak zij tot zich zelf, terwijl zij, zalig door deze gedachte en in

-ocr page 154-

140

het bewustzijn van haar goede daad, glimlachend insluimerde.

— „Ik zal hem dooden en zij zal de mijne wordenquot;, herhaalde de arme slaaf. Ten minste in zijne droomen was hij vrij en gelukkig; zou de Gravin o[i dit punt althans zijn lot niet deelen\'?

-ocr page 155-

DE SPEELMAN VAN St. CECILIA.

L e ar lt;gt; n d e.

I.

De speelman streekt zijn vedel.

Te noen en \'s avonds laai. Des avonds bij de linde,

Des morgens langs de straal.

Hij speelde, en onder \'t strijken,

Sloeg vaak zijn hart van vreugd, O!\' dekte een hlos de kaken Van zijn onnooz\'le jeugd.

3.

Wel was hij rijp van jaren;

Maai- toch nog rein van hart: En weende \'i onder \'t spelen,

\'t Was nooit van rouw noch smart

4.

Hij had een oude moeder;

Hij was haar leste spruit. Een moeder te verzorgen 1lt; heter dan een hruid.

-ocr page 156-

142

Zij leefde en sloofde binnen, En voor liaar kind alleen; En wat hij builen gaarde,

Brar.bl bij naar moeder been.

(i.

Hij vedelde nil den Irenre.

Hij kon geen boerenwerk:

Zijn veêl was ook zijn liefde . . . En speellui zijn niet slerk.

7.

Tlij vedelde aan de linde.

Hij vedelde op de deel: Bij bruiloft en processie. Op \'t raadhuis en \'I kasteel.

8.

Maar nimmer keerde \'i \'s avonds

Naar moeders rieten kluis . Of even door \'t bosschaadje Sloop hij in \'I bedehuis.

9.

Een kleine landkapelle

Stond daar in de eenzaamheid. Mei lieflijk sombre welve Als len gebed bereid:

10.

Met waslicht, dat, men wist niet

Door wie, ontstoken werd: Met stilte en rust, zoo welkom Aan \'t arme menscbenhart:

-ocr page 157-

143

11.

Een landkapel, — den speelman

Vooral zoo overdier Om \'1 lieve beeld der Heil\'ae. Dal daar omloverd wier.

12.

quot;1 Was \'1 beeld der sclioone jonkvronv.\'.

S a n c t a Geeilia.

De palrones der speellijn En \'I oud Do-re-mi-fa.

13.

IToe vaak heefl onze borst hier

Zijn teerste lied gespeeld, Hoe vaak hem \'t vriendlijk lonkjen Dor knischc maagd gestreeld.

U.

Hoe vaak, als hij zijn blikken

Rij \'t waslicht opwaart sloeg. Was \'1 of zij mei haar oogen Hem nog een wijsjen vroeg.

15.

Hoe stroomden dan de tranen

Hem langs de wangen af. En scheen quot;t hem of ze een glimlach In ruil dier tranen gaf.

1(5.

En toch zij was zoo rijzig.

Zoo princ\'lijk om te zien.

Dat bij baar niet dorst naderen. Dan zinkend op de knif-n.

-ocr page 158-

144

17.

Op kroon en gordel vonkelt

Robijn en esmeraud;

f]aar orgel is van zilver;

Haar sclioentjens zijn van goud.

18.

Zoo slaat zij daar te pronken,

En weet het zelve niet; En zachtjens speelt de speelman Haar \'t eerst elk nieuwe lied.

19.

Maar eens daar vliegt hij haastig

En doodsbleek aan haar voet. En, tranen op de snaren,

Speelt hij met woesten gloed.

20.

En die de taal der tonen.

Hun droefste taal verstaal, Verneemt dat, ach. zijn moeder Uit nooddruft sterven gaat.

21.

Zij krank. — hij, aan haar leger.

Zoo stond zijn ambacht stil: Eilaas, hem rest, de nood slechts. Die hij niet klagen wil.

22.

Wie kan in droefheid spelen ...

WieV — Onze speelman, ja! Maar niet dan aan de voeten Van Sand Cecilia.

-ocr page 159-

145

23.

En die de taal der tonen

Verstaat. — lonkt blij te moê

IIpiii aan, — on schopt hem licfdrijk fTaar gouden schoentjon loc!

24..

Hij neemt het diep bewogen Maar onverwonderd aan.

En knst het menigwerven,

En haast zich daarvandaan.

25.

En waar uit buurmans winkel \'t (ihecroonile Goudt-Aes hangt.

Daar lelt men van het broodgeld, Zoo veel als hij verlangt.

26.

Maar aanstonds is de buurman Naar \'t Dorpgerecht gegaan,

En geeft, als eerlijk goudsmil. Een snooden diefstal aan.

27.

,De speehnan-lediglooper „Steelt, ongehoord bedrijf!

„Cecilië nyt den Bossclie ,Do kleêren van het lijf.\'-

28.

De gouden schoen ter tafel, — Hij was bewijs genoeg.

Voor \'t rechl, dat d\' armen speelman Terstond in banden sloeg.

-ocr page 160-

146

29.

„De dieven moeien hangen,quot;

En tie arme vedelaar,

Wordt heengeleid Ier galge,

01\' hij een gouddief waar!

30.

Toch vraagt hij van \'t Gerecht nog

Ontroerd deze éene gunst. —

„Zijn uiterste oogenhlikken „Te heil\'gen door zijn kunst.\'

31.

De vedel in zijn handen,

Schoon hij ten schandpaal gaat , Geleidt men hem door \'tboschjen Waar \'1 herbaar kerkjen staat.

32.

Daar knielt hij nog voor \'t laatste

Al spelend voor haar neêr.

Die hij heefl aangehangen Met liefde, trouw en teêr!

33.

Daar hidt hij, in zijn spelen.

Al schreyend van haar af: „Ach, wil mijn moeder troosten, „In \'t leed dat ik haar gaf!

32.

„Zo kan mij niet verdenken:

„Maar och, de schande is groot, „En de oneer van haar zone „Vervolgt haar tol der dood.

-ocr page 161-

147

35.

Het volk tracht uit te vorschen Wat toch de speelman speelt .

Zij luistert naar zijn tonen , En zien naar \'t Heil\'genbeeld.

36

Het volk slaat spraakloos gade, Al wat de speelman doe...

Daar werpt zijn Patronesse Hem \'t andre sehoentjen toe!

37.

Nu dringt het volk naar binnen. \'t Veroordeelt langer niet

Die \'t met zoo groote gunsten Van God gezegend ziet.

38.

Gelukkig, die geloof heeft!

Het is de gouden straal.

Die uit het Eden wemelt In \'t arme tranendaal.

-ocr page 162-

^VI A IST O T . A.

r4ii kent die vochtige, gure Noveniber-avonden, als de wind n kil uit het Noord-Oosten om wang en ooren loeit. en toch niet sterk genoeg blaast om den lisbonden regen, den voorbode van de sneeuw, op te houden?

Alles is donker. In de straten, wel is waar, branden de lantaarns, maar haar licht schemert flauw door de natte glazen; en het gezicht gedoken in den hoogen kraag van uw ulster, zijt ge bijna blij dat ge niet kunt opzien , en dus den bekenden beursbuurman niet

behoeft te groeten.

Ik had gedineerd in eene oud patricische familie, die niet alleen rijk aan geld, maar ook rijk aan dochters was : .. . zeven volwassen schoonen !

Veel kinderen zyin voorzeker een hemelsche zegen, maar als 7X\\ den leeftijd bereikt hebben, waarop men hun eene plaatsing als mensch in de Maatschappij moet zoeken, kan deze zegen wel eens drukkend worden.

Zeven dochters! . . . en ik was nn jeune homme lt;)

-ocr page 163-

149

marier, in den veelbelovenden leertijd van diie-en-twintig jaar, met een kleine blonde snor en zoowal vijf-en-twintig-lionderd gulden inkomen, als eerste bediende op een bankierskantoor; daarbij vooruitzichten... op verhooging, en. van den kant van ongetrouwde tantes, de hoop op goede erfenissen.

Gij begrijpt, dat zulk een benijdenswaardig jong mensch niet te veronachtzamen is, in eene familie met zeven dochters.

Ik werd dus gevierd en vertroeteld in het huis der

familie Bruizer.

De drie oudste meisjes kwamen volstrekt niet meer in aanmerking, en deze dames hielden zich onledig met het uitvinden van een nieuw opvoedings-systeem voor haar jongste broertje.

O ja, het moet gezegd worden, het laatste kind was gelukkig een jongen geweest; hij had nu den liefe-lijken leeftijd van zestien jaren bereikt, en was een soort idioot geworden: dank zij het nieuwe opvoedings-systeem van „de Zusters.quot;

De jongen werd altijd nog ..Jantjequot; genoemd, en nam nooit zijn pet af, om geen kou te vatten; hij mocht | ook geen latijn leeren, omdat men vreesde, dat hij katholiek priester zoude worden en zoodoende het heerlijke Bruizer-geslacht zou uitsterven.

Hij was een rechte lummel: de afgod van het huis. De andere vier meisjes waren niet onaardig. Als ik in deze familie kwam dineeren, — en dit gebeurde

-ocr page 164-

150

trouw ééns in de week, omdat de heer Bruvzer een schoolvriend geweest was van mijn vader — dan hoorde ik, zoodra mijn schel overging, de vier meisjes uit de zijkamer stuiven, waar zij mijn komst verbeid hadden , en onder lachen en allerlei uitroepen : „hé mijnheer Frank ! och mijnheer Frank!quot; enz. werd ik iu triomph binnen geloodst.

De blonde Emma nam mijn hoed, de bruine Alice mijn rotting of parapluie; de zwarte Dora mijn jas en Adelaide de jongste, schoof mij een fauteuil bij het vuur, terwijl zij mij vroeg, of ik ook pantoffels wenschte aan te trekken.

Daarop kwamen de drie andere zusters binnen, in haar midden Jantje; daar achter, gearmd, papa en mama Bruizer, die vol trots op hun kroost neer zagen.

Beiden waren al zeer grijs, niet van verdriet, maar ... van de jaren.

Tot dat „de soep op tafelquot; was, moest ik aandachtig luisteren naar het afleggen der proeven van Jantjes vruchtbare studiën van de atgeloopen week; — een snuifje aannemen van papa; — mama, die in haar tijd coquette was geweest een complimentje maken; — de drie oudste zusters antwoorden, die altijd tegelijk spraken; de knipoogjes en teekens zien en waardeeren der vier jongere meisjes ; dankbaar blikte ik dus telkens ten hemel — respectief naar het plafond — als het verlossingswoord „aan tafel!quot; werd uitgesproken.

-ocr page 165-

151

Dit was telkens eene groote verbetering , wanl het oorverdoovend gebabbel van al die dames , had den lieer Bruizer er toe gebracht een zeer wijs besluit te nemen : aan tafel mocht niemand spreken behalve het ouderpaar en de oudste dochter Suze. De visite. .. mocht natuurlijk ook praten en de andere meisjes mochten antwoorden, als haar iets gevraagd werd ; de heer Jantje ging altijd weg na de soep. het scheen dat hij verder alleen moest eten , „wantquot; — zei Lizo „het. kind heeft een zwakke maag en al dat rumoer om hem heen hindert aan zijne digestie.quot;

Het was na een dergelijk diner, dat ik op dien November-avond naar mijn kamers terugging.

Mijn familie woonde winter en zomer buiten.

De regen plaste en \'t waaide geducht. Ik was juist ia het denkbeeld verdiept, dat ik niettegenstaande mijn goedige natuur, er onmogelijk toe zou kunnen overgaan om een van de Bruizertjes te trouwen, toen ik plotseling, dicht bij een dooden boom tegen een groot pak aan liep; ik bukte en tastte, het scheen een bewusteloos mensch te zijn.

Er was geen politieagent te bespeuren ; zoo goed als het ging, tilde ik den persoon op, en trachtte met mijn last tot een lantaarn te naderen.

Aan het doornatte goed, dat de leden omklemde, zag ik dat het eene vrouw moest zijn , en het matte licht der lantaarn gaf mij een doodsbleek kindergezicht te zien, dat hoogstens vijftien winters achter zich kon hebben.

-ocr page 166-

152

Goede raad was hier duur; geen open winkel in de buurt, geen enkel huis dat er eenigszins gastvrij uitzag en waai* ik om een plaatsje voor mijn last had durven aankloppen ... geen apotheek . .. Het _ weder werd steeds guurder, de wind kreeg de overhand; ik kon het kind daar toch niet zoo laten liggen. Ik stond een oogenblik radeloos, het koude levenlooze lichaam van het meisje op een stoep vasthoudende.

Eeu ratelende vigilante , die waarschijnlijk iemand naar een partij had gebracht, kwam langs mij heen ; met veel moeite overheerschte mijn stem den bulderenden wind; het voertuig stond stil. Ik tilde het kind in het rijtuig, en beval den man naar den eersten den besten apothekerswinkel te rijden; de gedachte van gasthuis of politiebureau schrikte mij af.

Zelden ontmoette ik grooter menschlievendheid dan bij dezen dienaar Esculaaps; ja, hij haalde er zelfs zijne vrouw bij, en zij boden mij aan het meisje tot den volgenden morgen te houden ; hetgeen ik dankbaar aannam.

Het kind was nog buiten kennis, toen ik wegging, maar de „deskundigequot; verzekerde mij dat hel na eenige zorg geheel tot het leven terug zou keeren.

Ik kon dien nacht niet slapen.

Zou het waar zijn dat men zich onwillekeurig hecht aan hen aan wie men goed doet ?

Hetgeen ik nu gedaan had was al zeer gering en ik kon ook onmogelijk door deze eenvoudige daad wak-

-ocr page 167-

153

kcr gehouden worden , en locli wendde ik mij om en oin op mijn kussens, mij tifvragende wat ervan deze vondeling worden moest.

Zoo vroeg mogelijk stond ik voor den apothekers-winkel ; de luiken werden geopend.

— „Welnu?quot; vroeg ik aan den patroon die juist zijn domein betrad.

— ,,Ze is geheel hersteld; maar het is eeu zwak meisje; zij spreekt weinig en dankt voor de minste vriendelijkheid, die men haar bewijst.quot;\'

— „Hebt gij haar reeds naar baar tehuis, ouders, beroep, enz. gevraagd?quot;

— „Ze is te zenuwachtig en barst telkens in tranen uit.quot;

— „AVat zullen we met baar beginnen ?quot;

— „ Haar laten gaan , ze is groot genoeg om haar eigen buis, op licbten dag, terug te vinden.quot;

— „En zoo zij er geen beeft V\'

— „Haar naar een politiebureau verwijzen.\'\'

— „Hum... kan ik haar zien?quot;

— „Zeker.quot;

En dc welwillende man geleidde mij naar binnen waar mijn vondeling, in een te wijden kamerjapon, bij het vuur zat. Niets viel mij aan baar op, dan bare onbeschrijfelijke magerte en het droevig angstige van bare groote bruine oogen.

— „Hier is de mijnheer die je gisteravond hier bracht, kind.quot;

-ocr page 168-

154

Met deze woorden liel tie apotheker mij binnen en verdween.

Waarom hij zich zoo bescheiden terugtrok, may God weten, het was mij niets aangenaam, maar hij wilde zich blijkbaar niet verder met de zaak bemoeien en mij de verantwoordelijkheid laten dragen.

Ik zette mij tegenover de kleine en vroeg:

— „Hoe heet gij ?quot;

— „Manolaquot;, antwoordde zij half luid.

— „Dat is zeker een italiaansche naam; hoe oud ben je, Manola?quot;

— „Vijftien jaar, mijnheer.quot;

— „Was je gisteren avond ziek, dat ik je zoo op straat vond liggen V\'

■ — „Ik was mijn weg kwijt en ik had al drie dagen geloopeu . . . en had niets gegeten.quot;

De magere bleeke wangen verwden zich donker rood; haar uitspraak trof mij; zóó kon geen kind spreken dat tot den bedelaarsstand behoorde.

— „Leven je ouders nog?quot;

— „Moeder was weggegaan sinds eenige dagen en ik zocht haar.quot;

— „Weet ge niet waarheen?quot;

— „Neen; zij ging alleen, zonder iets te zeggen, midden in den nacht.quot;

— „Hebt gij verder geen familie of vrienden?quot;

Zij schudde treurig met het hoofd.

— „Was uw moeder arm?quot;

-ocr page 169-

155

— „Ja; zij naaide, breide, borduurde; maar zij was heel zwak, oil de tnenscheii heel hard voor haar.quot;

— „Eu wat hebt yij geleerd?quot;

— „Moeder heel\'L me alles geleerd wat zij zelf kon en ik hielp haar.quot;

— „Zijl ge nooit op school geweest ?quot;

— „Neen.quot;

— „Dat is jammer.quot;

— „Moeder heeft me geleerd,quot; zeide zij, opnieuw sterk blozende.

— „En... kunt ge dan iets, om uw brood meê to verdienen?quot;

Mijn vraag klonk mij vreeselijk hard toe. Dal teêre, jonge kind zou reeds zelf voor haar levensonderhoud moeten zorgen! zou moeten werken om den honger van een leven te stillen waarin zij uiels dan smart vond. — Een grenzeloos medelijden maakte zich van mijn ziel meester.

— „Ik kan handwerken maken en Fransch en Engelsch spreken/\'

Dit antwoord duidde althans op de goede afkomst der moeder; in zooverre had ik mij dus niet bedrogen.

— „Maar . . ging zij voort met de wijsheid van iemand die heeft zien tobben om het dagelijksch brood; „de menschen willen mijn werk niet, misschien omdat ik te slecht gekleed ben ... zij stootten moeder

-ocr page 170-

156

ook terug cii beleedigdcn luuir vreeselijk . . .

vreeselijk,quot;

Zij begon hevig te snikken en verborg liet gelaat in de handen.

Ik had mij reeds voorgenomen mijn begonnen liehlc-werk niet te laten steken en dit meisje zooveel mogelijk te redden. Ik keek op mijn horologie om te zien hoeveel tijd mij nog overbleef voor dat ik op mijn kantoor moest wezen. .. \'t was half negen.

— „Waar zijn je kleèren \'!■quot; vroeg ik om een anderen loop aan haar gedachten te geven.

— „Men heeft ze op zolder gehangen om ze te droogen.quot;

— „Hoor eens, Manola, ik zal je bij goede men-schen onder dak zien te brengen; wil je alles doen wat ik je zeggen zal?quot;

— „Alles.quot;

— „Dan zal hier straks een vrouw komen en je hebt haar maar te volgen; we kunnen die lieden hier niet verder last aandoen. Tot later dan.quot;

Ik stond op en zeide bij het heengaan aan den apotheker, dat ik hem zeer dankte en dat ik binnen het uur eene vrouw zou zenden die het meisje verzorgen zou, totdat ik een dienstje of iets anders voor haar gevonden had. Mijn plan was gemaakt.

Dicht bij de stad woonde mijn vroegere kindermeid; op het gebied van opofferende naastenliefde kende ik haar\'s gelijke niet; zij was nu „en retraitequot; en leefde

-ocr page 171-

157

alleen van haar overgespaarde penninkjes waarbij mijne familie een kleine jaarlijksche toelage deed; dit scheen mij de aangewezen persoon om mij te stennen in mijn ondernemen.

Ik ging dus tot haar; zij begreep me terstond en was bereid Manola voorloopig tot zich te nemen.

\'T is eigenaardig hoe of weinig ontwikkelde men-schen zooveel takt en begrip hebben in zaken van naastenliefde.

Eerst \'s avonds kon ik mijne beschermeling een bezoek maken in haar nieuwe woning.

Bij het binnentreden betrapte ik er mij zeiven op eene fijne pas ontstokene sigaar weg te werpen .. . voor wie? boven was toch niemand als mijne oude meid en een straatkind ... Ja, maar een straafkmd dat met haar groote, onschuldige en toch zóó smartelijke oogen mij \'s morgens reeds allerlei beschroomdheden inboezemde.

Manola was onder Mietjes handen bijna onherkenbaar geworden.

De beide vrouwen zaten vertrouwelijk te praten bij het licht van een lampje en onder een gezellig kopje thee.

Bij den eersten blik werd ik getroffen door d| teêre schoonheid, door bet jeugdig onontwikkelde figuur van het. meisje; haar hoofd had een stille fiere bonding ; baar huid van bals en handen was schitterend wit en de blik, dien zij tol mij opsloeg, had.dat geheimzinnige van een sinds de kinderjaren verborgen smart.

-ocr page 172-

158

— „Wat zegt, ii van ons kind, mijnheer Frank?quot; zeide de goede vrouw op mij toetredende.

— „Wel, Mietje,quot; zeide ik haar dankbaar de handen vattend, „je hebt een goed werk gedaan.quot;

Zij bood mij een stoel en een kopje thee: daarop verliet zij de kamer, verzekerende dat zij nog wat in haar kamertje te doen had.

— „Hoe gevoelt gij u hier, Manola?quot; vroeg ik aan het meisje, mijn stoel naderbij schuivende.

— „O, Mietje is zoo goed.quot;

— „Ja, \'tis een beste ziel... en ik hoop dat zij u hier zal honden. tot dat wij iets voor u gevonden hebben.

Zij zag mij met verbaasde oogen aan.

— „Wat zoudt ge wel willen worden?quot; ging ik voort.

— „Worden?. .. Niets ... als ik moeder niet terug vind, zou ik het liefste sterven; ik dacht heusch. gisteren avond, toen ik op straat neerviel, dat ik sterven zou, en ik was heel blij, want ... ik was zóó moe!quot;

En bij de herinnering daaraan week de geringe glimlach, die om haar lippen speelde, van haar gelaat, en zij liet vol wanhoop het hoofdje hangen.

— „O,quot; zeide ik bemoedigend, „wij zullen zeker uw moeder terugvinden, maar ge moet me eerst zeggen boe zij beet. en waar of ge met haar gewoond hebt.quot;

-ocr page 173-

159

— „Wij zijn van Engelsche afkomkt,quot; sprak zi]. steeds voor zich starende, terwiil een hooge blos haar hleeke wangen overgoot, „maar... wij moesten uit Engeland vluchten, toen heeft moeder mij „Manolaquot; genoemd en zich zelf... Madame Paul...quot;

Zij verborg het gelaat in beide banden. Hier moest een geheim, een misdaad . .. een schande aan ten grondslag liggen en toch hel kind zag er zoo onschuldig uit.

— „Kunt gij mij niet zeggen... waarom al dat geheime?quot; begon ik. Zij richtte zich op, als dooreen adder getroffen: de stille wanhoop van haar gelaat was veranderd in vastberaden tegenzin en met een koninklijk gebaar, recht voor mij staande :

— „Mijnheer, vraag mij nooit naar het geheim mijner geboorte... gij zijt gentleman, gij kunt deze me-dedeeling niet tot prijs stellen voor de weldaad mij bewezen; anders zou ik verplicht zijn ook u en deze rustige woning te ontvluchten.quot;

Ik stond verstomd. Zooveel energie in zulk een jeugdig en arm kind. Haar taal en houding bevestigden mij in het vermoeden dat zij van goede afkomst moest wezen.

— „Wees gerust, Manolaquot; antwoordde ik kalm. „Ik wil een vriend, eon beschermer voor u wezen, u zooveel mogelijk helpen... ik zal dus den naam van Madame Paul bij mijne nasporingen opgeven . . . welk dorp hebt gij liet laatst bewoond V\'

-ocr page 174-

160

— „Abkoudequot; gaf zij nauw hoorbaar ten antwoord. Al haar energie was gebroken , zij was weer het hulpbehoevende kind van den vorigeh avond, zij zonk op de knieën, brak in tranen los en riep hartstochteliik uit:

— „O vergeef, vergeef mij. mijnheer Frank, dat ik zoo ruw tegen u sprak, tegen u. mijn redder, mijn weldoener! Tk verdien uw goedheid niet, neen. waarlijk ... laat mij maar weer aan mijn lot over !. .

Mijn naam „Frankquot;, met een engelsch accent uitgesproken, had een wonderbaar liefelijken klank in mijn oor; ik vatte stil haar kleine handen, deed haar neerzitten en zeide haar zachte woorden zooals men die tegen een weenend kind spreekt. Toen zij een weinig bedaard was, zeide ik :

— „Tot dat ik uw moeder teruggevonden heb, moet ge in elk geval maar hier blijven ; ik zal u boeken sturen en tusschenbeide wat met u komen lezen: verder kunt ge misschien Mietje wat behulpzaam zijn in haar huishoudentje, wat naaien enz. „Ik moet nu wegquot; besloot ik, opstaande , — want mijn vrienden wachten mij in de club — „en zal nog even met Mietje over uw bezigheden spreken ; beloof me . mij in alles te vertrouwen en geen poging te doen om weg te loopen , of zelf je moeder te gaan zoeken : wat gedaan kan worden, zal ik bepaald doen. Adieu!quot; Zij sprak niet meer, maar zag mij met innige dankbaarheid aan; ik ging nog even met Mietje praten en toen ik het huisje verliet. voelde ik dat twee groote

-ocr page 175-

161

bruine oogen nog door tranen vochtig mij zoo ver mogelijk nastaarden.quot;

Alle nasporingen , die ik reeds den volgenden dag-naar „madame Paulquot; in \'t werk stelde, waren vruchteloos. Men verlangde meer gegevens, een anderen naam enz., maar telkens als ik dit punt bij mijne beschermelinge aanroerde werd het gevolgd door eene treurige scène, zoodat ik het denkbeeld opgaf, ooil achter dit geheim te zullen komen.

Van dien eersten avond af ging ik bijna dagelijks naar mijne oude Mietje\'s woning. Manola was eene ijverige leerling.

De oude meid was zeer tevreden over haar humeur en gehoorzaamheid, en telkens als ik haar het weekgeld voor 1 kind nitbetaakle, zeide zij:

— „Och, mijnheer, \'tis zoon engeltje; ik moest eigenlijk niets voor haar aannemen, want zij heeft liet geluk in mijn woning gebracht; Gods zegen rust toch zichtbaar op de minste weldaad.quot;

In mijn leven was dit kind ook een behoefte geworden; de dagen waarop ik verhinderd was tot haar te gaan, met haar te lezen en te praten, lieten een leegte in mijn ziel, waarover ik met mij zeiven dikwijls den spot dreef.

En Manola ?...

Zoo verliep de winter.

Langzamerhand vergat zij mij te vragen, of ik nog niets van haar moeder gehoord had; en ik was er haar dankbaar voor, want dit onderwerp was

ll

-ocr page 176-

162

altijd zeer piinlijk, omdat het mij wrevelig maakte, dat het kind zoo stijfhoofdig weigerde mi] nadere inlichtingen te geven—

Zij wist het zelf niet, de arme, maar ik zag het, hoe langzamerhand liefde tot mij al haar andere vermogens overschaduwde. Zij leefde slechts bi] de uren die ik met haar was, en stond tijden aan het venster mijn komst af te wachten.

Zij was eene gewillige en hoogsthegaafde leerling; misschien was het daarom ook, dat ik maar niet besluiten kon, mij van haar terug te trekken, toen ik dat vonkje gewaar werd dat in haar donkere kinder-oogen blonk, telkens als ik kwam, en de grootere bleekheid van haar wangen bemerkte, als ik langer dan gewoonlijk weg was gebleven.

Mietje nam mij eens ter zijde en met een betee-kenisvollen blik zeide zij;

— „Hoort u, mijnheer Frank, dat meisje is geen gewoon kind : aan hetgeen ik hier en daar zoo bemerk moet ze van voorname ouders zijn; misschien zou het goed wezen als u haar ergens op kostschool kon doen. dat ze later een dame wordt. want voor onzen stand is ze toch niet geboren.quot;

— „Ja, goede Mie, maar je begrijpt op \'tkostschool ... met mijn inkomen dat zou wat hoog loo-pen; mij dunkt ook dat ze genoeg weet, en wij studeer en veel samen; over een jaar of zoo zal zij alles welen wat iedere deftige dame.. . .

-ocr page 177-

1G3

— „O,quot; viel ze mij in de rede, „dan zou u misschien wel wat weg kunnen gaan , op reis of zoo____

— „Ik? — Weg? — Moet ik begrijpen, dat je denkt...

— „Ziet u, mijnheer Frank, ik ben van dat zachte lieve kind gaan houden en mij dunkt, als u geen plan heeft haar later te trouwen, moest u maar liever niet meer zoo dikwijls bij haar komen....quot;

Ik had mij onmerkbaar aan Manola gehecht en kon er niet aan denken het kind zoo maar te verlaten; daarbij was ik niet overtuigd van de noodzakelijkheid van deze verwijdering en besloot alles nog een paar dagen aan te zien.

Ik ging dien dag ontstemd naar huis, en was dubbel onaangenaam aangedaan toen ik een brief van mijnheer Bruizes vond, die mij particulier wenschte te spreken.

Den volgenden dag reeds vóór dat ik mijn bureau opzocht, zat ik in de binnenkamer van den heer Bruizer diemijzeide „van vertrouwbaren kant gehoord te hebben, dat ik dagelijks ergens in een achterbuurt ging, dat ik daar rendez-vous had enz. enz.,quot; enfin alles wat de wereld bij dergelijke gevallen uitstrooit.

„En,quot; eindigde de dappere vader Bruizer, dit zou me bitter weinig kunnen schelen als je niet de zoon waart van den boezemvriend van mijn kinderjaren, en...quot; hier stokte hij een weinig, „indien we allen je hier in huis niet beschouwden als toekomstige..

-ocr page 178-

164

— „Toekomstige wat?quot; vroeg ik verbaasd.

— „Nou, hou je maar zoo leuk niet,quot; zeictemiin-heer Bruizer, mij op de knie slaande.

— „Ik begrijp u volstrekt niet,quot; was mijn koel antwoord.

— „Komaan, alsof iedereen niet wist dat je om een van me dochters hier komt.quot;

— „En om welke dan wel?quot; vroeg ik, met moeite ernstig blijvend.

— „Ja, dat is het juist; daar kibbelen ze genoeg over onder elkaar.quot;

— „Ik zou mij dan ook moeielijk voor de eene ol andere kunnen decideeren,quot; zeide ik koel.

— „Ziet ge wel,quot; antwoordde Bruizer, met moeite zijn vreugde verbergende, „ik wist wel dat het bij jou er nog maar tot een laatst besluit op aankwam: de keuze uit de schaar; maar, jongen,quot; ging hij met hoogen ernst voort, „weet wel, dat ik, als aanstaande schoonvader, en als vader, voor al mijn dochters, een oppassend jong mensch wil hebben, en je mag er niet dergelijke----quot;

Ik werd nu werkelijk woedend, bij de gedachte, dat hij en anderen mijne arme, onschuldige Manola zoo klakkeloos veroordeelden. Op eens ontwaarde ik dat voor dit kind een gevoel in mijn ziel ontstond, dat mij tot dusver geheel vreemd was gebleven. Ik verliet den heer Bruizer, na eenige korte onaangename woorden: liet mij zelfs \'s middags verontschul-

-ocr page 179-

165

digen voor het gewone diner en ijlde quot;s avonds met kloppend en verlangend hart naar mijne beschermelinge, vreezende dat zij misschien ook geleden zou hebben van de booze tongen daarbuiten.

Toen ik het kleine nederige huisje naderde, stond ik een oogenblik stil, mij herinnerende wat de trouwe Mietje mij gezegd had en mijn eigen voornemen vernieuwend om voorzichtig te zijn en het meisje niet noodeloos met droombeelden te kwellen en noodzakelijk in verdriet te storten.

Het was nu geen koutte winter meer: de heerlijkste voorjaarszon had den geheelen dag menschen en planten gekoesterd en in ieders borst een verlangen naar nieuw leven doen ontstaan. Nu was de avond gevallen, maar toch nog niet sterk genoeg om reeds het licht te doen ontsteken, en de meeste lieden zaten met opengeschoven vensters gretig den winter vergetend en vol vertrouwenden komenden zomer begroetend.

Ook mijn goede Mietje liet de frissche lucht in haar huisje dringen en, naderende , zag ik eene mij welbekende jonge figuur in de schemering van het open raam zitten.

Ik herinnerde mij den November-avond toen dit kind nog niets in mijn leven was, en werd mij zelve bewust dat ik tot geen prijs naar die dagen terug wilde keeren; iets in mijn binnenste zeide mij, hoe zoet het is om wel te doen... ja, maar vooral om bemind te zijn... want, was het eigenlijk niet die overtuiging

-ocr page 180-

166

die mij dagelijks met verhaaste schreden naar de woning der oude meid voerde 1...

Wat zij my gisteren waarschuwend mededeelde en wat ik toen als overdrijving ver van mij afschoof... nu stond het voor me als klare werkelijkheid: dat eenzame kind daar in dat arme huisje trok mij onweerstaanbaar tot zich, door de liefde die zij zich-zelve waarschijnlijk niet eens bekend had.

Mietje had gelijk gehad : ik moest breken of haar. trouwen.... Het eerste was toch alleen mogelijk, indien het niet reeds te laat was . .. arm kind! — het tweede was te gek om er aan te denken, niet alleen omdat ib toch geen meisje zonder naam en van de straat opgeraapt tot mijn vrouw kon maken, maar buitendien dat geheim dat op haar drukte. , . ik kon toch niet tot toekomstige moeder mijner kinderen iemand nemen , die door een schandvlek haar plaats in de maatschappij verloren had! ...

Ik trad de woning binnen.

— «Mietje is een paar boodschappen gaan doen,quot; zeide het meisje opstaande en met een groet mij tegemoet komend.

— „Het zal wel wat donker wezen om te lezen. Welke heerlijke avond!quot; antwoordde ik, een stoel bij het open venster schuivende. Manola had het plaatsje weêr ingenomen , dat zij juist verlaten had.

— „Mietje dacht dat u van avond niet zou komen,quot; zeide zij half tot zich zelve sprekende met een kleinen zucht.

-ocr page 181-

167

(Do oude meid had dus gedacht dat mijn gevoel van eer mij teruggehouden zou hebben én dat haar woorden veel indruk op mij gemaakt hadden.)

— „Niet komen!quot; herhaalde ik als een echo.

— „Zij zeide, dat u voor zaken uit de stad moest.quot;

— „En dacht Manola ook dat ik maar zoo weg zou gaan , zonder afscheid te nemen ?quot; vroeg ik. mij tot haar over buigende.

— „Ik weet nietquot;, antwoordde het kind, en een koude rilling liep haar door de leden, terwijl zij zich nog- meer in haar hoekje terugtrok en onafgebroken naar buiten staarde, waar af en toe een enkele werkman of een koe voorbijging.

Wij zwegen een oogenblik. Ik herhaalde voortdurend tegen mijzelve ; \'t is niet mogelijk, ik heb dat kind niet lief; en jonge meisjes hebben altijd van die kleine affectietjes; dat zal wel overgaan.quot;

— „U gaat toch niet weg?quot; vroeg zij in plotseling verheven toon.

— „Misschien wel; ik neem eiken zomer een kleine vacantie en daarbij heb ik mijn ouders in zoo langen Lijd niet bezocht; dit is iets heel ongewoons , zij zullen niet weten hoe het komt; mama schreef mij nog een brief vol bezorgdheid de vorige week.quot;

— „Mevrouw Vogler is zeker heel lief voor U. .

— „Natuurlijk ! . .. Welke moederquot;. .. Ik hield plotseling in, want het hoofdje daar voor me boog diep voorover en krampachtig wrongen zich de kleine handen.

-ocr page 182-

1(38

Ik was blijkbaar wreed; ik had voor een oogeiiblik liet treurig lot van mijn beschermeling vergeten.

— „Heel prettig zou ik het vinden, Manola/\' ging ik op lossen toon voort „indien mijn moeder je kon; ik zal heel veel van je vertellen.quot;.

— Ik zou haar ook zóó gaarne zien,quot; verzekerde het kind, haar hoofd weer opheffend.

„Ze is zoo goed en zou zeker veel van je houden.quot;

Een nieuwe pauze volgde.

— „Gij gaat dus niet verder dan naar Gelderland bij uw ouders?quot; vroeg het meisje op nieuw.

— „Het is nog niet zeker; eenige vrienden hebben mij uitgenoodigd tot een toertje in Zwitserland.quot;

— „Zwitserland!quot; riep zij pijnlijk uit, „daar zijn zulke vreeselijke afgronden!quot;

— „Ik zal je dan Alpenrozen meebrengen/\'

Op nieuw verborg zij het gelaat in hare vingers; ik nam stil haar kleine handen in de mijne, liet zo een oogenblik op haai- knieën rusten.

— „Je moet niet doen als een klein meisje, Manola; wij zijn zoo goede vrienden geworden en wij moeten dat blijven; al ga ik weg. ik zal immers weêr terugkomen.quot;

— „Ik heb niemand als u, in de gansche wijde wereldquot;, fluisterde zij en twee heete tranen vielen op onze handen. Ik stond ongeduldig op... ik was op \'t punt haar in mijn armen te sluiten en te zeggen: „ik zal ook mijn geheele leven je niet meer verlaten.quot;

-ocr page 183-

169

Ik nam mijn hoed en stormde weg zorder er een woord aan toe te voegen; mij dunkt ik hoorde daarbinnen een kreet en een slag. .. maar het zal wel mijn dichtslaan van de deur geweest zijn en het loeien van den wind die weèr was komen opzetten. Ik ging met verhaaste schreden naar huis, alsof een bende dieven mij op de voet volgde; en ik vond het overal koud, guur en vochtig als op dien eersten Novemberavond.

Den volgenden dag schreef ik aan Mietje, dat ik mijn ouders ging bezoeken en zond haar geld vooruit vooi-een maand. Ik vroeg en verkreeg terstond verlof aan mijn kantoor; mijn verschillende vrienden en ook de Bruizers ontvingen mijn kaartje, met mijn „uit de stadquot; gaan er op aangekondigd.

Pas te midden mijner familie, gevoelde ik dat de [)laats; die „het straatkindquot; in mijn gemoedsleven had ingenomen, al een zeer groote moest geweest zijn; want in de eerste dagen had ik moeite om mij af te leiden van dat bleeke eenzame kinderfiguurtje, hetwelk voortdurend mijn geest bezighield. — „De oude meid had gelijk/\' sprak ik tot mij zelve, „ik had niet zoo veel moeten komen, mij niet zoo intense aan het kind gelegen moeten laten liggen, of eerder weggaan ...quot; Maar het was nu eenmaal zoo en Manola zou zich ook wel zoo als ik, na een dag of acht, aan dit afzijn wennen.

Toen de maand om was, zond ik weèr het geld aan Mietje; en daar ik twee maanden verlof had gekregen

-ocr page 184-

170

vmi mijn chefs, ging ik werkelijk met eenige vrienden Zwitserland in.

Ik moet bekennen, dat ik Manola geheel en al vergat en zelfs zóó sterk, dat ik eerst Amsterdam weer binnentredend, de vondeling als in een droombeeld ook in mijne herinnering terugvond.

Ik meende geheel aan mijn plicht te voldoen eu ook wijzer voor het meisje te handelen, door pas naar Mietje te gaan, nadat ik acht dagen in de stad was.

De woning der goede oude gediende scheen mij bijzonder leeg eu stil; toen ik naderde.

— „O mijnheer Frank, mijnheer Frank,...quot; stamelde de goede vrouw, toen ik binnenkwam, „waarom is u niet eerder gekomen .. . mijn arm kind ...quot;

Ik- zag haar bevreemd aan, hoe was zij veranderd! zij verborg haar gelaat in haar voorschoot en riep weenend:

— „Het is mijn schuld niet! Ik had haar lief als mijn eigen kind.quot;

— „Maar, Mietje , in Gods naam, wat is er gebeurd?quot;

— „Manola is weg.quot;

— „Weg? — Waarheen? Hoe zoo?...quot;

— „Zij zeide altijd: ik heb alles verloren; ik had alleen nog maar mijnheer Frank; — ik wil naar hem toe gaan, en als hij mij niet hebben wil, dan ga ik waar moeder is.quot; — Toen antwoordde ik, mijnheer: „maar kind, mijnheer Frank komt terug, en je moeder kun je toch niet vinden,quot; o en dan glimlachte zij zoo

-ocr page 185-

171

vreemd, „moeder is dood,quot; sprak zij dan kalm, „ik kan dus ook bij haar komen.quot; Ze at en sliep niet meer, mijnheer, en vroeg maar altijd; „zal hij van daag komen?quot; — zij stierf compleet weg, en slonk als sneeuw voor de zon. Nog voor achttien dagen geleden was zij hier en zei maar aldoor „ik moet hem zooken, ik moet hem vinden.quot; \'tWas net of zij aan \'t malen ging, en zij zat maar altijd aan dat venster uit te kijken of u niet kwam. quot;T is nu juist veertien dagen geleden dat ze is weggegaan; in den beginne dacht ik ook nog telkens: „ze zal terugkomen,quot; maar ze is niet teruggekomen.quot;

— „Maar Mietje, dat is vreeselijk! Heb je dan niet op haar kunnen passen \'? Je hadt het mij toch beloofd.quot;

Als een echte schuldige, wilde ik al de verantwoordelijkheid van mij zeiven af en op de oude vrouw schuiven.

— „Wat kon ik er aan helpen, mijnheer, zij was een volwassen meisje; ik kon haar niet vastbinden; en ze was wel meer alleen uit of thuis geweest.quot;

Onmogelijk kan ik beschrijven, welken indruk het verdwijnen van dit kind op mij maakte. Ik beloofde aan de oude meid mijn uiterste best te doen om haar terug te vinden. En dat deed ik ook; ik adverteerde herhaaldelijk in alle mogelijke couranten, schreef rechts en links brieven; bracht de politie op de been: niets hielp. Zij had volgens Mietje geen ander geld kunnen hebben als vijf gulden zakgeld, die ik haar eens geschonken had.

-ocr page 186-

172

Voortdurend verweet ik mij zelven schuld te zijn geweest van het ongeluk van dit meisje; — ik had door mijn dagelijksche bezoeken en onze gezameutlijke studiën haar niet alleen doen gelooven, dat ik haar liet\' had, maar dat gevoel — de liefde — voor haar zoo nieuw — had ik in \'t leven geroepen , zonder mijn onvoorzichtigheid te overdenken. Ik was zelf jong, maar ik kende de wereld genoeg; ik was een man en had anders moeten handelen.

De herinnering aan Manola wierp mij in een soort melancholie, die door niets te verdrijven scheen. Ik had mijne gewone bezigheden weer opgevat, ook het wekelijksche diner bij de Bruizers.

Het jongste meisje, Adèle, betuigde mij nog het meeste sympathie. Zij nam mij eens apart en zeide:

„Toe, Frank, vertel me eens wat je zoo neerdrukt, net alsof ik je zuster was ; wil je ?quot;

Ik herhaalde haar Manola\'s geschiedenis en Adèle Bruizer weende over de arme vondeling, zij had een rein hart en deed niet zoo als de wereld; zij begreep dat er in mijn affectie voor dat verlaten meisje niets slechts kon zijn.

Van dat oogenblik af, kwam er eenige familiariteit tusschen haar en mij; zij hielp mij in mijne steeds vruchtelooze nasporingen.

Twee jaar later werd Adèle Bruizer mevrouw Vogler; zij is een lief en goed huismoedertje en bederft druk onzen eenigen stamhouder, den kleinen Joseph. In alle

-ocr page 187-

173

oprechtheid moet ik bekennen, dat mijne vrouw, uit hare min interessante omgeving van het ouderlijke huis weggenomen, werkelijk een allerliefst vrouwtje is; geestig, handig en van goed humeur. Zij neemt mij mijne herinnering aan Manola niets kwalijk , integendeel, wij spreken zelfs dikwijls over het arme kind en Adèle herhaalt telkens :

—- „Als wij haar vinden, nemen wij haar in huis , niet waar, Frank ?quot;

— „Nemen wij haar in huis!\'\' dit. kunnen wij heden niet meer zeggen; helaas! Eergisteren was mevrouw Vogler bijzonder vroeg beneden en zat druk in do Courant te snuffelen toen zij in eens uitriep:

— „Manlief! och toe, laten wij van avond naar Carré gaan; het is het eerste optreden van Delphine, de riviergodin, op vier ongetemde witte paarden.quot;

— „Het is goed, Adèle, we zullen gaan, ofschoon je weet, ik houd niet veel van dergelijke kunsten.quot;

Wij gingen.

No. 3 van \'t programma werd met spanning verwacht, „nu komt ze,quot; fluisterde men overal.

Het tooneel van het Circus was in een schuimend meer veranderd.

De directeur kwam vóór en verzocht grooto stilte, daar de paarden zeer schuw waren.

Ademloos keek de menigte naar de scène.

Daar steigerden van tusschen de schermen vier kolossale, witte, ongezadelde rossen; op één van hen

-ocr page 188-

174

stond eene fijne, in gazenstof gehulde vrouwengestalte; de kleine linkerhand hield de zilveren dunne teugels vast, de rechter steunde een soort lier in de zijde. Zij geleek eene Loreley te paard ; lang golfde haar rijke haardos om haar henen; en zachte tonen ruischten van het geheimzinnige speeltuig. Met behendigheid zou zij de dieren om doen zwenken en van de scène in het Circus komen. Daar zweeft haar donker oog over de menigte, onze blikken ontmoeten elkander... mijne lippen beefden; „Manola!quot; Zij verbleekte en sloeg achterover tusschen de ongetemde dieren, die met een enkelen hoefslag in woeste vaart ronddraafden en vóór dat zij gevat konden worden, door een tweeden zet over de jonge vrouw, het zand rondom baarteer lichaam rood verwden.

Ik zat als een zinnelooze voor mij uit te staren, toen Adèle mij toefluisterde ;

— „Ik hen er akelig van geworden. Frank, laten wij maar naar huis gaan; ze is levenloos weggedragen.quot;

Wij gingen; eerst thuis kon ik mij rekenschap geven van hetgeen er gebeurd was.

En toen ik aan Adèle zei: „t was Manola;quot; weel ik niet, wie van ons beiden het bedroefdste was. Zij zelfs sprak het eerst:

— „Misschien is zij nog te redden, Frank , ga er heen, en breng haar hier zoo het mogelijk is.quot;

Maar het was niet meer mogelijk : ik vond slechts

-ocr page 189-

175

haar lijk, en morgen zal ik de eenige wezen, die haar de laatste eer zal bewijzen.

Een oude vrouw, die mij bij het verongelukte meisje bracht, vroeg of ik ook misschien mijnheer Frank Vogler was en op mijn bevestigend antwoord, overreikte zij mij een oude gele enveloppe, die zij op de paardrijdster gevonden had en waarop stond, buiten mijn naam en adres: „na mijn dood te bezorgen.quot;

Thuisgekomen opende ik het papier, in bijzijn mijner vrouw, en wij lazen:

„Mijn Geheim. — Liefste vriend, als ge deze regelen zult lezen zal ik niet meer zijn, daarom kan ik n gerust toevertrouwen, welk noodlot op mijn leven rustte.

Ik heet. . . Annie Lamson . . . Toen ik acht jaar oud was maakte mijn vader, die docter was, zich schuldig aan vergiftiging op de beide jongere broers mijner moeder om hun geld te bemachtigen, zóó luidde althans het oordeel... hij werd... gerechtelijk ter dood gebracht. Begrijpt gij dat mijn moeder, half krankzinnig, met mij vluchtte? Overal, in Engeland, stond met levens-groote letters zijn naam . . . zijn misdaad aangeschreven . . . het werd eene reclame, een broodwinning-voor anderen: een lokvogel voor de vreemdelingen in het panopticum!!! — Mijn moeder gebruikte het weinigje geld dat haar bleef om met mij naar Duitsch-land te vluchten; toen veranderde zij haar naam; nu eens werkend, dan weer bedelend. gingen wij van dorp lol dorp. van stad tot stad .. . telkens verrees

-ocr page 190-

176

de misdaad mijns vaders als een rechter tusschen ons en het volk. Wij kwamen naar Holland ; mijn moeder genoot hier eenige rust; zij werkte veel en leerde mij zoo goed zij kon. Maar ook daar bleef het geheim van de misdaad niet verborgen; men verwarde zelfs de begrippen zóó dat men haar op straat met slijk wierp en „moordenaresquot; achterna riep. Ik was toen ruim veertien jaar oud en dacht dat moeder vlagen van krankzinnigheid had. zoo vreemd deed zij; zij was ook zoo uitgeput van honger en verdriet dat zij telkens meende de schimmen van haar broertjes en van haar man te zien. Nog in het zelfde jaar verliet zi] \'s nachts stil ons kamertje; ik vrees dat zij zicb in een vlaag van waanzin verdronken heeft.

Kort daarop vond ik u. Ik ben toch dankbaar aan God , want toen ben ik waarlijk gelukkig geweest. Dat ik u liefhad met al de innigheid van een ontwakend meisjeshart, behoef ik u wel niet te zeggen. Ik begeep het toen niet, — maar nu wel — dat ge mij ontvluchtte. De wanhoop, die ik daardoor ondervond, deed mij besluiten het huis der goede Mietje te verlaten, u te zoeken, te roepen, dag en nacht; ik dacht ik moest n toch ééns nog ontmoeten; ik wenschte niets anders.

Toen, mijn vriend, — heb ik uit broodgebrek genomen het eerste het beste wat ik vond. Als Engel-sche had ik een aangeboren talent tot paardrijden en had het ook als kind gedaan. Maar hetzij gij mij dood nog terug mocht zien, of enkel mijn herinnering

-ocr page 191-

177

bij ii leeft, ik geef u de verzekering bij alles wat mij heilig is, — bij mijne liefde voor u — dat ik mij uwer waardig bewaard heb. Ik schrijf dezen brief zeer kalm. Ik zou niet anders meer kunnen zijn; ik heb zooveel verdriet gehad dat ik geloof zelfs do macht tot gevoelen verloren te hebben. Ik ben mi negentien jaar, en weet niet, hoe lang dit leven nog dnren zal. Ik hoop maar dat de goede Mietje niot te veel om mij getreurd zal hebben.

Manola.

Noch mijne vrouw, noch ik konden een woord uiten na deze regelen gelezen te hebben: wij drukten elkander stil de hand.

De goede Mietje is kindsch geworden: zij kan onder deze tijding dus niet meer lijden.

12

-ocr page 192-

Aan Mevrouw BOSBOOM—TOUSSAINT.

IC Septemlier 1S82.

1.

[k bon van de Oiulc Burgery Der lang verstokte stad aan \'t Y,

Die, voor de volksviktorie tn \'t Hoofdkwartier van Ken\'merland. Geen pek- aan pekton heeft gebrand , Bij zeer betwistbre glorie.

2,

Toch plaats ik heden voor mijn raam Een wapenkoning, die de faam Van Alkmaar uittrompettert;

Mijn zwart-en-roode feestbanier, Met gouden boord, trilt hoog en fier, Waar deze hulde schettert.

3.

Van Alkmaar daagt de gloriezon;

Daar stroomt een milde letterbron , Die Neêrlands beemd dooradert,

Sints gij, op Hollandsch schrijfpapier, Uw helden vol gevoel en zwier. Ten levenskamp vergadert.

-ocr page 193-

179

I

Geen voert zoo rijk een dichtpalet; Frans Hals\' en Rembrandts keurportret

Doet de uwen niet verbieeken. Daarbij, \'t is niet maar kleurengloeil. Waaraan mijn eerbied hulde doet: Zij doen veel meer dan spreken.

5

Zij voelen diep en voelen fijn ; Het leven-zelf in toets en lijn

Doet ge ons voor \'t oog verrijzen. Uw kunst zoo groot, zoo ongemeen, Gaat boven \'t werk dier meesters lieen. Die wij om \'t zeerste prijzen.

C

Wij danken u, dat gij ons land Zoo stralenrijk een diamant

Geplaatst hebt in zijn kroone;

Ik buig geroerd voor u de knie, Getroffen door de harmonie, Van \'tONGEMEENE, dat \'k u zie Omtooveren in \'I schoo.ne.

-ocr page 194-

Aan Mr. J. C. DE MAREZ OYENS,

in. \'s-Q-ravenliaS\'P \')•

W At maak-je geestig goed het luy\'ren van uw klokken

En mijn „vergeetellieitquot; bij ijverlozen spoed,

Toen \'k, door den Tijd gezweept, van Zorgvlied ben vertrokken, Vol dankbaarheid en toch schier zonder atscheidsgroet.

Wat heb je \'t corduaen, dat spande om Tessels voet Ter snede, en tot mijn troost. in mijn verzuim betrokken! Gedrukt aan menig hart zofi \'t nog ontroeren, schokken, Al klopt geen boezem meer van Baerle-en-Vondels gloed.

Neen. neen, dien gouden tijd moet Holland nooit vergelen.

Hij straalt ons, wie we ook zijn, als middagzon in \'toog; Hij slaat om Hollands volk een kostbre broederketen.

Hij zegt, uit wat geslacht men samen oorsprong toog;

vrij maakt ons \'t werk ten plicht; hij wijst ons naar omhoog. En geeft ons Hollands eer met nadruk op \'1 geweten.

15 Febr. \'S3.

1) Toen hij, na «lat ik zijn waardschap, nabij ZovRVlieil, Renoten had. mij mijn scheergereedschap naznn.l, met een toepassing van Hootts brief over Tenseltjen- mniltjens.

-ocr page 195-

Aan Mejufvrouw ANNA MARIUS,

met eenig letterkumlig scliildenrerk.

VTU hebt de dichtkunst liei. Is \'l wijl uw Naamgenoot Voor ruim twee-honderd jaar door Vondel werd bezongen? Of om den Held-poëet, die, schande en dood ontsprongen, Tot op Carthagoos puin de prozalucht ontvlood?

Zij \'t meer dan prozawerk, wat ik u gaarne bood\', Den vriendsehapsgloed ten blijk, mij in \'t gemoed gedrongen

Uil uw bezielend oog! Dat zedig morgenrood Geelt mijnen beelden kleur, hel bleek verleen ontwrongen.

Wanneer uw nijvre hand mijn droog verhaal doorblaarl. Mocht dan uw blik en slem ze wéér ten loven wekken... De schepsels, die :k vergeefs in de oogen heb gestaard.

De kunstnaar pul zich uit, boetseert de vaal-graauwe aard Daar is in heel zijn groep geen kracht, geen licht te ontdekke Tenzij er van \'lazuur een straal doorhenenvaarl!

-ocr page 196-

Uit de aanteekeningen van een Amsterdamsch Koopman.

Op de oude Turfmarkt (seligen Andenkens) was, voor 45 Jaren geleden, een kruidenierswinkel in \'thuis N0. 56; de eigenaar heette Hans Brik en was een jong getrouwde flinke üuitscher van de grenzen; zijn vrouw, Lize Waal, was een mooi, teêr weeskind, die in haar „van Speyk\'-kostuum, met doorschijnenden halsdoek en hoofdkapje den sterken, maar toch Ger-maansrh schwartnenden Hans had weten te boeien.

Hoe verkwikkend was, voor dat verlaten weeskind, de warme zon van de jonge huwelijksliefde !

Maar er zyn bloemen uit koude streken, die onder de Zuidelijke zon verschroeien.

Na een drukkenden Juli-dag klonk in \'t huis 56 op de Turfmarkt het geween van een klein wichtje, dat schreiend het leven begroette, en twee uur later zei een zwakke lieve stem:

-ocr page 197-

183

„Ween niet, Hans, ik laat je ons kind, en vvachl. je daarboven.quot;

De tijd kon de geslagen wonde maar half genezen; het verloren geluk had den glimlach gestolen van \'t gezicht van den jongen vader; hij bleef bijna vreemd aan \'t kind, dat later door zijne schoolmakkers niet anders genoemd werd dan : de droomende Hendrik.

De kruidenierszaak ging achteruit; lust en leven was er uit verdwenen.

De kleine Hendrik werd bij goede menschen besteed ; Hans verkocht de zaak en ging naar Duitsch-land, naar zijn geboortevlek terug, in oude herinneringen troost zoekende. Maar die troost bleef uit; \'t scheen afsof daarboven zijne Lize te veel naar hem verlangde; hij ging dus tot haar; wat kon hij beter doen? Toch, voor zijn dood beval hij zijn in Amsterdam gebleven kind aan de zorg van een zwager, en verzekerde zijn zoontje een klein kapitaal. Hij had het wel noodig, de arme Hendrik ! Ontzaglijk veel van zijne moeder had dat kind: stil, teer, gevoelig, liefde behoevend, en — zóo alleen.

Ik ontmoette hem voor \'t eerst, toen hij twee-en-twintig jaar oud was; zoo iets lichtblonds als dien jongen, had ik nooit gezien: Fijne, vrouwelijke ledematen, doorschijnende, bleekwitte huid, heel lichtblauwe oogen; blond, bij wit af, waren haren en kneveltje. Hij had een bepaalden tegenzin in den handel; het studeeren kostte geld, en nu was hij „ surveillantquot;

-ocr page 198-

184

op ccue school, en dichtte en las veel in zijn vrijen tijd. Ik bezocht zijn school, als lid van de schoolcommissie bij \'t lager onderwijs. Zijn uiterlijk viel mij op, interesseerde me. Ik ontbood hem ten mijnent, leerde zijne geschiedenis kennen uit brieven van den oom-voogden uit twee portretjes van zijne ouders. Ik las eenige van zijne gedichten en vond ze vol aanleg en zielenadel.

Ik wenschte den jongen man eenige vooruitzichten in de toekomst te openen, wenschte hem bij mijne vrienden te pousseereu en inviteerde hem in mijn familiekring.

Ik had niet gerekend op zekere zestien-jarige bruine oogjes , in den vorm van een eenige dochter.

De jonge blonde dichter werd op haar verliefd.

Hoe kon het ook anders !

Vaders bemerken in quot;t algemeen dergelijke zaken niet, en Hendrik was te bescheiden om te spreken; hij voelde ook te zeer het verschil van stand. Ik zag hem nog magerder en doorschijnender worden, zonder mij rekenschap van de oorzaak te geven. Mijn dartel, vroolijk kind vond ik toch, op een avond, geheel buiten haar gewoonten stil en afgetrokken.

— ,Wat scheelt er aan, Louise?quot; vroeg ik haar, denkende dat zij een nieuwe japon of hoed verlangde en vreesde afgeslagen te zullen worden, zoo zij den wensch uitte.

— „Och, papa, ik dacht aan dien armen Hendrik; hij is wel te beklagen , niet waar ?quot;

-ocr page 199-

186

Waarom \'t Hij is arm, ja, maar hij heeft talenten , een goed uiterlijk____quot;

— „Houd u veel van hem ?quot;

— „Zeker , en jij ?quot;

— Jk niet.quot;

— „Zoo? en waarom niet?quot;

„Weet-u; papaatje-lief, ik houd niet zóó van hem, als hij \'t zon willen, en daarover is hij heel bedroefd en dat spijt me zeer voor hem.quot;

— „Wat zeg-je!quot; (Ik stond verbaasd mijn kind aan te staren; een licht ging me op, ofschoon ik haar altijd meer geëigend had gevonden om met poppen te spelen, dan wel om een ernstige genegenheid in te boezemen) — ,,o, ik begrijp het al, — nn \'tzal wel beter gaan/\' besloot ik, opstaande en Louise op haar wangetjes een licht tikje gevend.

Acht dagen later was ik met Louise op reis, en de schoonheden der Zwitsersche natuur verdreven spoedig alle beelden van jonge, blonde, verliefde dichters.

Er zijn sinds dien dag vier en twintig jaar ver-loopen, Louise viert haast haar zilveren bruiloft; zij deed een solide huwelijk volgens haar stand; haar volwassen jongens zeggen mij overluid, dat ik oud word.

Hendrik is natuurlijk ook getrouwd. Hij nam de jongste van zes dochters uit het huis, waar hij commensaal was: een goed, lief, gedevoueerd schepsel, dat haar man aanbad.

Ik verloor hem gedurende een geruimen tijd uit

-ocr page 200-

18lt;j

het oog, toen ik laatst, \'t mag nu zes maanden geleden zijn, een inteekenlijst inzag, waarbij mijne weldadigheid werd ingeroepen voor den gewezen ondermeester Hendrik Brik, die, niettegenstaande zijn zuinig en deugdzaam leven, niet in zijne behoeften kon voorzien; — ik teekende voor een kleinigheid, en nam mij vóór hem te gaan opzoeken.

Het was op het eind van den winter, half Maart, maai\' toch was de kou zóó fel , dat wij onze reeds uitgeklopte en weggehangen pelzen weêr voor den dag hadden moeten krijgen.

Ik had op de inteekeningslijst gezien, dat Hendrik Brik op de Keizersgracht woonde, hetgeen bij mij de gedachte op deed komen:

— „Waarom niet op een goedkooperen stand!quot;

Ik ging er heen, en moest aan een smal verwloos huis aanschellen; een oude schoonmaakster — of liever smeerpoets — deed mij open, en op mijne vraag of mijnheer Brik hier woonde en thuis was, werd mij, met eene heesche stem en mond zonder tanden , geantwoord:

— „Op de vierde verdieping, de deur rechtover de bovenste trap.quot;

Ik klom al hijgend en blazend de drie en zeventig treden op . . . ja, drie en zeventig ... ik bewonderde mijne zichzelf verheffende menschlievendheid. Eindelijk stond ik voor de deur met het bordje „te huis Hendrik Brikquot; en klopte aan.

-ocr page 201-

187

Het was eeu soort afgeschut stuk van een zolder, dat ik betrad; recht tegenover den ingang een groot luik en daarnaast een venster rrfet kleine, groene ruitjes. Een magere, geheel grijze, bleeke slecht gekleede man stond op en kwam op mij toe.

— „Mijnheer Brik?quot; zei ik hem vragend aanziende.

— ,,Ik zelf, Mijnheer,quot; luidde zijn antwoord van een lichte hoofdbeweging vergezeld.

Hij zag, hoop ik, mijn medelijdenden blik niet, maar bood mij den eenigen stoel aan, die in \'t vertrek was, en ging zelf tegen den ouden slecht gekalkten muur van zijn vliering staan. Een oogenblik zwijgens volgde; ik had mij volstrekt niet voorbereid op de ontroering, die zich van mij meester maakte, en vond geen woorden om mijne gedachten te uiten. Mijn blik dwaalde langs de kale muren en ontmoette slechts welsprekende getuigen van diepe armoede: een stroozak in een hoek scheen tot bed te dienen; een vermolmde tafel; hier en daar een stapel oude boeken; een hoopje turf en karige spaanders; een soort van kooktoestel met een gebroken potje er op; een emmertje water; overal stof op den grond ; aan de voeten van Hendrik Brik lagen vier ongewasschen honden, die er toch nog welvarender uitzagen dan hun meester.

— „Mag ik weten, waaraan ik de eer van uw bezoek te danken heb, mijnheer?quot; vroeg hij, toen het hem scheen, dat mijn inspectie van zijn woning genoegzaam volbracht was.

-ocr page 202-

188

rt

I

i I

I

pi!

„Ik meende u van dienst le kunnen zijn .... onze vroegere vriendschap

Meer kon ik niet uitbrengen, zoo trof mij zijn armoede en verouderd uiterlijk.

Een trotsche, bittere glimlach speelde om zijne lippen ; en hij antwoordde eenigzins koel;

— „Mijnheer vergist zich, indien hij meent dat ik iets noodig heb; intusschen ben ik u zeer dankbaar voor uwe welwillendheid,quot; voegde hij er op zachten toon bij.

— „Mijn goede Brik,quot; zeide ik vertrouwelijk, „hoe is het mogelijk, dat gij met uwe talenten zoo arm geworden zijt.quot;

Hij glimlachte even, zag verlegen op zijn kleeren neer, streek liefkozend over liet dier dat het dichtste bij hem was en antwoordde :

„Talenten, mijnheer, maken niet rijk... men moet de kunst verstaan ze tot geld te maken. In den tijd, toen ik uwe familie bezocht, heb ik mij zelf ook een oogenblik door de hoop laten verblinden eens een groot man te worden . . . U weet, dat een teer onbeantwoord gevoel mij uit uwe omgeving verdrong.quot; Hij ademde even diep, en ging toen voort: „Ik heb Louise altijd nog lief, gedenk haar dagelijks, maar ik geloof toch wel, dat haar uiterlijk en omgeving . .. doch genoeg; zij wilde mij immers niet hebben! Maria, mijne goede vrouw, de zedige dochter van mijne hospita , die, arm, haar brood moest verdienen, gelijk ook

ffl

H \'1}

Uii il

ii

illl 14 ilc ^

I

I

i i

I ;

It\'

is s ir

\'III- :: \'

II

\' sinjj

1

-ocr page 203-

180

ik — zij had mii lief, en zeide niet neen, toen ik haar vroeg. Vijftien jaar was ik met haar getrouwd, en ik kan zeggen, wij zijn gelukkig geweest, al waren wij niet rijk; gedurende tien jaar was zij ziek... \'t eindigde in eene vreeselijke hersenontsteking, waarbij zl] het gezicht verloor; toen kwam de ware. de bittere armoede. Ons geluk leed toch daarom geen schipbreuk... maar, ik verveel u, mijnheer/\' zeide hij verontschuldigend . terwijl hij zich uitgeput aan den muur klemde: zijn gelaat zag aschgrauw : „hongerquot; stond er op te lezen. Ik deed hem op mijn stoel neerzitten, en dacht er over, hoe hem terstond te kunnen helpen, toen ik voetstappen op de trap hoorde: het waren de sloffen van de vrouw die mij had opengedaan; zij bracht een

stoel uit de keuken; ik gaf haar een geldstuk, om wijn,

/

brood en ... glazen te halen, wat zij met een opgehelderd gelaat aannam. Ik verzocht mijn armen vriend niet verder te gaan, voordat hij iets gebruikt zou hebben.

Toen de vrouw terugkwam . en hij zich wat versterkte, nam ik eenige bladen manuscript van den grond en doorliep ze; daarop zette hij zijn verhaal voort:

„Zij was blind, zij was ziek, wij hadden nooit een meid kunnen houden ... U weet dat ik les gaf op de school N; in mijne vrije uren rijmde ik zoo\'n beetje... maar sinds ik bij u geen opgang met mijne verzen meer kon maken, merkte niemand ze op; ik vond geen uitgever die mijne manuscripten lezen wilde. Zoo als ik zeide, kwam foen de hittere armoede. Marie

-ocr page 204-

190

werd blind en zóó zwak; dat zij in \'t geheel niet op kon staan , de uren die ik op school doorbracht waren de hardste voor ons beiden... zij zoo alleen en hulpbehoevend . .. ik . .. ja, God alleen weet hoeveel angsten ik dan uitstond, hoeveel inspanning het mij kostte om de gedachte bij de lessen te houden; hoe mijn geheele ziel vertoefde in ons arme kleine huisje... zoodat ik de guitige jongensstreken van mijn scholieren niet eens bemerkte. Eerst later hoorde ik, dat zij mij uitlachten, om mijne steeds armoediger kleeding , en overal mijn karikatuur teekende. En dan, stel u mijn naar huis gaan voor!... ik vloog letterlijk over de straat en telkens bleef ik sidderend en bevend voor de deur van onze schamele woning staan. Ik luisterde dan angstig of ik daarbinnen ook gekerm of hnlpkreeten zou hooren. .. maar hoorde meestal niets als het onstuimige kloppen van mijn eigen hart; tot eens... toen vernam ik ook dat niet een onbeschrijfelijk voorgevoel maakte zich van mij meester : vol ontzetting stond mijn polsslag stil, een koud zweet brak mij uit . . . het was al te zwijgend, daar in quot;I vertrek ... ik dorst l iet slot van de deur niet openen ... ik schrok voor het onherroepelijke van een troost-looze werkelijkheid terug... ik zonk bevend op de knieën: „O God, mijn God!quot; riep ik uit „neen, gij zult mij, arme, dit eenige, liefste niet ontnemen!quot;

Zoo ver was Hendrik gekomen , bij verborg zijn hoofd in de handen en snikte overluid. Waren daar

-ocr page 205-

191

troostwoorden voor te vinden ? Met stille deelneming kon ik slechts wachten tot hij bedaarde. Dit duurde één oogenblik, toen hief hij weer het bleeke gezicht op, dat overdekt was met tranen en zeide kalm doch met doffe stem :

— „Maria was dood; gedurende acht dagen vergat ik alles, en ging als in een droom ; ik weet dat ik haar zag begraven in zoo\'n wagen waarop, voor die lezen kan, het woord „armenquot; staat. Of ik sliep en at, weet ik niet meer, maar op een morgen stond ik zooals vroeger voor de deur van de school, en hoorde eene welbekende stem mij zeggen: „Vriendje, je hebt een remplacant, we hebben je niet meer noodig.quot; Eenige kinderen riepen mij achterna: „Dronken bedelaar !quot; \'t Is vreemd, dat kinderstemmen mij altijd hebben aangedaan... toen althans stegen tranen in mijn oogen. Dit was voorde eerste keer dat ik weenen kon, sinds dat zij naar tien Hemel gegaan was; mijne knieën wankelden onder me, ik viel tegen een hooge stoep aan, en weende; een politieagent hief mij onzacht op en duwde mij voort met de woorden: „ Geen straatslenterij! ga naar je werk, in plaats van zoo vroeg al uit de kroeg te komen.quot;

Kort daarop werd ik weêr een beetje gelukkig; ik moest wel alles verkoopen, wat we nog aan meubels en dergelijken hadden, om aan den apotheker en aan \'t begrafenisfonds iets te betalen; maar toch voelde ik mij onderworpen aan mijn lot, en kon ik met ge-

-ocr page 206-

latenheid aan mijn toestand denken; ik was nu ten minste alleen om te lijden en tegen de armoede te strijden, ik behoefde niet meer den folter te doorleven om het liefste wat ik op aarde bezat gebukt te zien gaan onder de harde slagen van het lot.

Een jaar of drie zijn nu reeds voorbijgegaan, sinds Marie mij alleen achterliet. Ik heb, wel is waar, mijn lessen op school niet meer, maar geef eenige privaatlessen en heb zeer weinig behoeften; zoodat mijn uitgaven gering zijn. Ik lees veel Engelsch en Fransch . en breng menig zalig uur door niet mijne rijmende gedachten op te schrijven; deze arme honden hebben zich sterk aan mij gehecht, \'t Zijn op het oogenblik mijn eenige vrienden; ik hoop niet vóór hen te sterven ; ze hebben me noodig.quot;

— „Maar, zeg me, vriend Hendrik, je bent hier zoo arm gelogeerd, waarom niet liever op een minderen stand, en dan de noodige meubels behouden! vroeg ik.

— „Men heeft mij aangeraden hier te gaan wonen, om zoodoende meer élèves te krijgen,quot; was zijn eenvoudig antwoord.

— „En is u dat gelukt!quot; vroeg ik; als een natuurlijk gevolg van mijn praktischen zin.

— „Neen,... maar het is niets; ik geef bijna alle lessen gratis, aan jongelui,• die even als ik arm zijn; eenige kennissen zenden mij af en toe kleêren; ik kook mijn eigen eten—

-ocr page 207-

IP?.

— „Vergeef me dat ik u in de rede val. maar dat is te sterk: gi] kunt toch niet koken.quot;

— ,Och,quot; antwoordde hij glimlachend, „ik eet maar rijst met vijgen: een mensch behoeft zoo weinig: . . . en de honden vinden wel wat beters bij de buren. Gij kunt. niet begrijpen hoeveel dien sten zij mij bewijzen,quot; ging hij voort op nieuw zijn dieren streelend. Zij verwarmen mij in den winter als hel mij quot;s nachts aan dekking ontbreekt : ze zijn trouw en wachts en... hebben mij lief.quot;

— „Ik zou gaarne iets voor u doen. Hendrik.quot;

— „Iets voor mij doen? Welnu. mi]nheer, vergun mij u mijn laatste vers voor te lezen: sta mij toe u tusschenbeide te bezoeken en met u te spreken over zaken, die mij dierbaar zijn. . . daar lijd ik gebrek aan.quot;

— „Zeer gaarna, beloof mij dan iedere week bij mij te komen dineeren; dan brengt gij uw manuscripten meê en wij hebben weer avondjes gelijk weleer.quot;

Een glans van geluk kwam over zijn bleek gelaat: met bewogen stem las hij mij een paar strophen voor op den dood zijner vrouw.

Er was zooveel geniaals in de gedachten en vindingrijkheid in de beelden die hij gebruikte. zulk een rijkdom van woorden en teerheid van opvatting dat ik besloot mij alle moeite te geven om een uitgever voor zijn werk te vinden.

Bij het afscheid nemen . zeiden wij : tot morgen!

13

-ocr page 208-

194

Helaas, hij kwam nooit. Hij was te veel verzwakt clan dat mijn late hulp hem gezondheid en kracht zou hebben kunnen teruggeven.

Eerst stuurde hij zijne scbriften, en scheen beschaamd zelf te komen. Ik begreep hot en liet zijne garderobe voorzien : maar toen nog kwam hij niet. Eene alge-meene verzwakking had zich van hem meester gemaakt en . . . dezen morgen bracht ik hem naar zijn laatste rustplaats!. Zóó eenzaam leeft en sterft alleen een idealist.

-ocr page 209-

AAN JONKVR. # *.

A\\^At Muze. leêr van hart. bezielt de fijne trekken.

Die gij vol geest en gloed aan \'I blij velijn vertrouwt ? En wie, wie komt daarna met wreed vernis bedekken Den glimlach, die ontkent. dat n dat schrift berouwt?

Viel u het lot zoo zwaar, is \'t lijdend hart zoo oud.

Dal dit zich telkens tot voorzichtigheid voell wekken, En, waar. in zustervlucht, de zielen opwaards trekken, Hel soms zoo stralend oog beraden om zich schouwt V

Mijn warme dank, een traan, voor\'t Zuidlijk licht der woorden

Die zwieren uit uw lieve pen!

Mijn aarzelend ontzag... voor \'t kalme, koele Noorden.

Dat ademt uit uw blik, als ik \'tgebied verken.

Waarop mijn hart en geest het zoet getuignis hoorden. Dat recht deed aan u-zelve en mij — gelijk ik ben!

Sept. \'SI.

-ocr page 210-

VOOR DE ZELFDE.

Sonnet! gij zedig dicht! gij fijn geslepen beker,

Op gouden voet geschroefd. hoe staRt en straalt gij daar! De wijn. dien \'k in u schenk, al heeft mijn band, onzeker Of zij niet plengen zal. is onvervalscht en klaar.

Zal hij ook geurig zijn. ook geestrijk, niet te zwaar?

Hij stemme. in \'slevens strijd, het. lijdend hart niet weeker!

Iets mystiesch\' in \'\\ hoiK/urf. eerbiedig leer. ontbreek er

Niet in. voor wie \'k u wij! — Do vriendschap geeftuhaar.

Foei. vriendschap!... ijzig woord! — Ach, dat voor trouwe zielen. Wier hart, oprecht en rein. elkaar verstaat en schat,

fie een minder konden doopnaam hadt!...

Ik zou voor uw altaar nog Wijder nederknielen,

En juichen vuur\'ger nog, bij quot;tzoet vriendinnenbeeld, Dal nieuwen glans schiet door de scheemring. mij bedeeld.

•is S. \'SI.

-ocr page 211-

Pe yROUW VAIs^ DEN /^lCTEUR.

Zij Ijad liern lief. Was liet wonder ? Avond aan avond had zij hein die groote wereld . vol edele. hooge, zelfopofferende liefde zóó zien vertolken als ze in haar ziel te vinden was. Geen vleiend woord der talrijke aanbidders, welke haar fortuin om haar heen lokte, had haar hart kunnen treffen : niets . niets had beantwoord aan die oneindige behoefte aan teedere, terughoudende en toch grenzelooze liefde, die in haar hart gloeide.

Bestond er dan geen enkele klank, geen gevoel dat het hare evenaarde ? Zij bezocht den schouwburg als één van die eigenaardige plichten aan haar stand verbonden, die door den „bontonquot; geëischt werden, tot op den avond dat Edward Boothing voor het eerst optrad.

In haar loge gezeten . als schoone vrouw en rijke erfgename het voorwerp van honderd smachtende man-nenblikken; door haar onnavolgbaren smaak en kostbare kleeding het brandpunt van alle vrouwelijke too-

-ocr page 212-

198

ueelkijkers die even spoedig daalden als zij opgeheven werden en steeds gevolgd waren van een minachtend lachje en schouderbeweging : „geen charmes ... zeis te mager... ze is scheef... ze weet zich niet te kleeden... ze heeft geen smaak. ,. ze rijgt zich vree-selijkquot;, en vele dergelijke bekende uitingen der jaloezie — kon zij slechts met moeite den kreet onderdrukken, die haar ging ontsnappen , toen Edward Boothing in de tweede akte van „Lost in the crowdquot; zijne liefde schildert voor de ontrouwe gade. De kleine wit geschoeide hand tastte onstuimig naar den ontblooten hals. alsof zij daar drukkende plooien te verwijderen had, de verbleekte lippen zochten naar lucht, tranen bevochtigden de schoone oogen: „hij verstaat hetquot; weende en jubelde tegelijk een verleidelijke stem onder de wit satijnen corsage.

Daar had zij den echo van haar eigen ziel hooren trillen, en zij luisterde . . . luisterde weer en dronken van die zoete toonen, .hoorde zij ze droomend en wakend.

Ook in het dagelijksche leven moest zij weten of zijn stem dezelfde betoovering had , of dezelfde eeuwige liefdetoon er in trilde. Zij wist het zoo in te richten dat de oud-aristocratische zalen baars vaders zich voor den artist, voor het kind der muze , zonder ander voorgeslacht, openden. Zij vreesde een ontgoocheling en durfde ter nauwernood de oogen tot haar gast opheffen ; maar toon zij elkander aanzagen. . .

-ocr page 213-

199

,Het waren twe Conincskinderen,

Sy hadden malcander so lief.

Sy conden by een niet comen ..

— „Freule, ik bid u. maak u zelve ea inij niet ongelukkig; de uiaatschappij scheidt ons op een onverbiddelijke manier ? Waarom helpt gij mij niet uit den waan? waarom laat ge mij zoo zoete en al te schoone droomen koesteren V\'

Dit werd door Edward Boothing gefluisterd in \'t oor der rijke gevierde Adeline Berthwick. op den eersten avond dat de acteur de gast haars vaders was.

En haar antwoord zeide hem, dat het geen droomen behoefden te zijn. dat het werkelijkheid kon wezen . .

—- „Maar gij kent mij ter nauwernood,quot; riep de artist ontzet uit. „gij weet niet. gij kunt niet weten hoe mijn loopbaan mij door alle poelen sleept..

Zij schudde het blonde hoofd.

— „Ik heb u lief. is dat niet genoegT\'

— „Adeline, neen, zeg dat niet.... want ziet ge .. . ge maakt me waanzinnig . . ! ook ik bemin u, maar . . . weet ge hoe of mannen gelijk /Hief hebben?quot;

— „Mannen gelijk (ji/j . . . die bestaan niet, (jij zijl de eerste, de eenige die ooit, mijn hart met versnelden slag deed kloppen.quot;

Hij knielde vóór haar, verborg het gloeiende voorhoofd in de plooien van haar kleed:

— „Heb barmhartigheid met uzelve, kind, behalve de maatschappelijke hinderpalen!... tracht de toekomst

-ocr page 214-

200

uw toekomst in de oogen te zien . . . laat ik u waarschuwen tegen mijzelven ... ik, die voor a kniel . . . u liefheb, ja, u aanbid, maar wiens liefde nooit langer duurde que ce que durent les roses, l\'espace d\'un matin.quot;

Zij had hem vol zalig zelfvertrouwen in de oogen gezien, de kleine witte handen op zijn donker hoofd gelegd en gezegd:

— „Tot geen prijs, geliefde, wil ik je aan de kunst ontrukken, maar myjnc liefde zal zoo groot wezen, dat ze een veilige haven zijn zal tegen je eigen ongedurigheid . .. geloof me, uit je stem sprak eeuwige liefde.quot;

Zij. waren gehuwd.

Het kind van den patriciër had band en hart aan den kunstenaar geschonken en zelfs den dag voor haar huwelijk blindelings ... al zijn schulden betaald.

De wereld morde en zeide zelfs dat de vader van verdriet gestorven was. Maar de oude heer Berthwick had stervende nog de handen zegenend over het jonge paar uitgestoken : hij wist zijn kind gelukkig.

Hoog in de vrije natuur, ver van de „cancansquot; bouwden zij hun nestje. Zwitserland had nooit een gelukkiger tweetal menschen tusschen zijn sneeuwkruinen verborgen.

Maar het heimweh naar de kunstwereld, de dorst naar het terugzien van \'t voetlicht en het daverend

-ocr page 215-

201

juichen der menigte, door één woord in verrukking gebracht — knaagde aan het hart. van den artist.

Adeline zag en gevoelde dit; zij stelde haar vriend voor naar de een of andere wereldstad terug te keeren.

Zij reisden af: hij naar het leven , zij naar I \'ll...

Drie jaren zijn verloopen sinds dat Boothing onder bloemenregen en lauwerkransen door het Londensche publiek in Haymarket begroet werd.

Beroemd om zijn spel, is hij tevens berucht geworden door zijn amourettes met de eerste dames van het hof en zijn alles verteerende schulden.

Adeline betaalde zoolang als zij wat had: tot eiken

prijs wilde zij haar man redden... Zij klaagde nooit____

zij was immers gewaarschuwd, zij had het immers vooruit geweten.

Het is bijna armoede die in haar eenzame woning heerscht; en als zij \'s avonds haar bleek en teer tweejarig dochtertje in slaap gekust heeft, dan zit zij bij het zwakke lamplicht en wacht... en wacht... of hij misschien dezen avond weer eens thuis zal komen.

Ieder voorbijratelend rijtuig, iedere naderende stap daarbuiten doet haar met ingehouden ademtocht luisteren, terwijl de wind in den uitgedoofden haard huilt als een verre echo van het daverend applaus, dat Edward\'s optreden in den schouwburg begroet.

-ocr page 216-

TEN Sen EEUWGETIJDE VAN HUGO DE GROOT.

In Hollands gouden Eeuw. toen Clio met haar veder

Wel honderd namen heeft geboekt.

Wier\'weèrgaa, grootsch ol\' zoel, aandoenlijk diep of leder, Hel oog van \'l nageslacht vergeefs bij andren zoekt. —

In de Eeuw van onze kunst, in de Eeuw der oorlogsglorie,

In de Eeuw vau strijd op elk gebied.

in de Eeuw. die Fabel schijnt, bij \'t proza der Historie,

In d\' Eeuwstroom, van wiens vloed men louter kroonen giet.

Toen \'tNassauseh broederpaar, voor Nieiiwpoort of den Bossche.

Den roem van Spinola verwon.

De burgerij van \'l Y. in puriteinschen dosse.

quot;t Schoone Insulinde omarmde, in \'t aanschijn van de zon. —

Toen Hollands roem weerklonk. ginds in liet Klassiesch Romen.

Bij bekerklank der schilderbenl.

Tot aan de verste britsche en schandinaafsche zoomen En waar maar fraai Latijn bemind wordt en gekend.

-ocr page 217-

203

Toen zijn er ilrie geweest, wier namen boven allen Geschitterd hebben aan den trans.

— Zijn zij wellicht van daar op \'t aardrijk neêrgevallen ? — Als Hemelsch diamant zoo blonk dier starren glans.

Staatslieden, Foebusquot; kroost, geleerden, oorlogshelden Hnn allen liggen ze op de tong,

De namen, die de Faam in eeuwigheid vermelden En levend houden zal — Euroop zij oud oi\' jong.

En toch — niet om der kunst, der kennis nieuwe banen,

Noch ongetemden oorlogsmoed,

Klopt ons het Hollandsch hart en staal hel oog vol tranen Bij \'t rijzen van hun beeld, bij \'tschittren van hun gloed.

Zij waren wijs, en rijk, lalenlvol en uitstekend. —

Maar niet om kracht oi\' om genie :

Om eedier Hemelglans, door \'taardsche omhulsel brekend: Charaklera d e I is \'l. dien quot;k zing in deze drie.

Die vlamt van \'t voorhoold al\' en spreekt in al uw daden O trits, dis voor ons oog verreesl!

De Kuyter, Huyg de Groot, en Vondel! Gele bladen Van \'s Lands geschiedboek! trilt , waar men die namen ieesl!

Cl h a r a k t e r a d e 1 is \'I : oprechtheid , zell\'verloochning ;

Bij fierheid , needrigheid ; bij vroomheid , zelfgevoel!

Hun waarheid steeds getrouw, nooit azend op begoochling ; \'t Geweten lot een gids ; nooit eigenbaat hun doel.

De Ruyter, koene Zeeuw, en deftig Nederlander!

Die \'t ongehoorde mooglijk maakt:

Een vader en een held ; voor wien de fransche stander Zich buigt. als maar zijn lijk de Fransche kust genaakt.

-ocr page 218-

204

Eu Vondel , groote ziel en minnaar van de vrede!

Toch strijdgraag. lichl „der ruste moêquot; !

U bracht ons Amsterdam , uw uitverkoren stede.

De schatten der natuur als waardigst oiïer toe.

De Groot! wij zullen ons bij u niet vergelijken ,

Maar voelen \'t hart weldadig slaan ,

Dat wij, uw nageslacht, uw eigen Eeuw niet wijken Waar u de geestdrift eert en u wordt recht gedaan.

Ja. \'t werpt een zwarte schaauw op d\' eeuwgen roem dier dagen

Dat Kerk- en Staatskrakeel, verwoed ,

U, edelste onder ons, vervolgd heelt met zijn slagen, Nog onverzadigd van der Barnevelden bloed.

\'kZie, „Hollands wonderquot;! u gelrokken door de banden,

Die \'t landskind boeit aan \'s vaders erf,

Belijdend: „Neen. daar zijn , zijn geen twee vaderlanden:

„Ik moet naar Holland — of ik sterf!quot;

\'k Zie \'t machtig Amsterdam, ik zie zijn Burgervaderen,

Die Vorsten waren in Euroop,

Eerbiedig u , den- balling , naderen .

En remmen Haagsche Staatkunstraderen.

Ja, stuiten schier der wetten loop :

Maar, hoe \'t u grieven moog, liet afscheid van uw ouderen,

De laatste kus, gedrukt op Hollands dierbren grond,

Gij duldt om uwentwil geen last op andrer schouderen,

En in uw harte slaat de wreede scheidingsstond :

Geen voorrecht duldt uw eer, waar \'t recht zich moest doen gelden

Veel liever lijdt ge \'t onrecht dan ,

Gij rechts- en godgeleerde en roem der letterhelden :

Aanvaard des naueefs groet: Goil dank, gij waart een Man!

-ocr page 219-

205

Dal STfiefl ons mopcl om voorl te schrijdon .

Te midden van der volkven stoel.

Dat wij nog\' monumenten wijden

Aan mannen van het. echte bloed!

Dat wij . met minder deugd .en gaven , Hun aanspraak op erkenning staven

En fier zijn op zoo\'n voorgeslacht ;

Dat niemant in de Duitsche Gouwen Nog durft betwijflen of mistrouwen,

Dat Holland ons heeft voortgebracht.

Ja. kroonen wij quot;s lands beste en grootste.

En danken wij des Heeren hand,

Die ons uil de eigen kleiaard bootste

En Holland gal\' tot Vaderland.

Dan zullen wij, wat moog vervallen .

Met onze laatste honderdtallen

Nog juichen in der vaadren deugd .

En op het puin der volksaltaren Ons hoopvol om den standaart scharen, De lichtbaak voor een nieuwe jeugd.

Voovgpdragf-n ter Feestvierins in het Grand Theatre, door Mevrouw Willi. Ellenberger, 10 April. 1883.

-ocr page 220-

PR IE EERSTE JCUSSEN.

— Wie of wel den eersten kus van onze lieveling zal krijgen ?quot; vroeg de jonge mevrouw van Lorris aan haar vader, die zijn eenig kleindochtertje op den schoot liet springen.

— „Dat moet grootpa wezen, niet waar, Hansje?quot; En de oude man drukte het kind tegen zijn vermagerde wang die toch van hoop en genoegen gloeide, terwijl een stralende glimlach hem een nieuwe jeugd terug gaf. Maar de kleine Johanna wendde zich met schrik af. sloeg met de vuistjes tegen die harde kaak en begon zelfs te weenen. Grootvader was door deze demonstratie allerminst gevleid.

— „Het kindje heeft zeker hongerquot;, verontschuldigde de moeder, terwijl Hansje de armpjes smeekend naar de min uitstak. Kom. papa, zullen wij in dien tijd een toertje in den tuin maken ?quot;

En vader en dochter genoten de frissche morgenlucht, de een aan het verleden, de tweede aan hel tegenwoordige denkend.

-ocr page 221-

207

Nu kwam ook Hansje op den arm van haar voedster gezeten, lachend en kraaiend met roode wangetjes en wenkende handjes naar buiten ; zij scheen wonderveel plezier te hebben in een verkleurde guttapercha pop die onder de weinig zachte behandeling liarer kleine eigenares onophoudelijk piepte.

Grootvaders beelden uit het verleden verbleekten . bij het beschouwen van dit rozige nieuwe leven. De gewillige pop werd door Hansje gedrukt, getrokken. gezwaaid, geknepen en weggeworpen, terwijl grootvader en moeder zich beijverden het slachtoffer van de kleine •huistyran telkens op te rapen en aan de bezitster terug te geven. Toen dit een poos geduurd had , begon het Hansje te vervelen: zij drukte de pop nog eens stevig in het mollige armpje en liet ze toen voor goed vallen. terwijl zij onverbiddelijk weigerde haar weer vast te houden.

De drie generaties zetten hun ochtend-wandelingetje voort onder de lommerrijke hoornen van mevrouw van Lorris\' buitenplaats ; het kindje sliep weldra in en werd door haar bewaakster naar binnen in haar wiegje gebracht.

Kort daarop keerden vader en dochter ook naar huis en namen de versmade pop mee. die zij op liet voetpad vonden liggen.

— „Zij houdt niet meer van die pop/quot; zeide de grootvader, „wij moeten haar een andere koopen.\'quot; En nog vóór het tweede ontbijt ging hij het dorp

-ocr page 222-

20ft

in, om voor zijn eenig Hansje iets anders te zoeken. Nu werden de oude en de nieuwe pop in het wiegje gelegd en tweepaar minnende oogen bespiedden liet ontwaken van liet kind. om getuige te wezen van haar verwondering en blijdschap.

Met grooten ernst staarden de open kijkertjes om zich rond, alsof zij de teedereteekens en woorden niet vatten. die haai\' begroetten ; toen vatte Hansje met kleine vaste hand de \'s morgens versmade pop en...

„O!quot; riepen grootvader en moeder gelijk uit en vlogen heiden op alsof\' er een wonder gebeurd was: „haar eerste kns!quot;quot; Ook de min kwam bij dien uitroep toegeschoten, en allen drie wilden nu het kind om beurten in de armen nemen. opdat zij aan hen herhalen zou. wat zij de pop geschonken had.

Maar Hansje begreep volstrekt niet. wat, men van haar wenschte en voldeed er ook niet aan.

Den grootvader blonk een traan in \'t oog en zijn bevende hand gleed droevig langs zijn ruwen baard.

Achttien jaar zijn sinds dien dag verstreken.

Daar ginder achter den kerktoren rust Johanna van Lorrisquot; grootvader, zonder dat de kleindochter hem erg betreurt; haar schuld is het niet. zij heeft hem immers nooit gekend.

Door dezelfde lanen, waar eens haar min haar droeg, wandelt zij nu. tot een schoon jong meisje opgegroeid. De moeder zit. met thee-servies en breikous onder

-ocr page 223-

209

den ouden beuk ; zij wél, zij denkt nog veel aan haar vader terug en aan zijn liefde voor haar en haar kind.

— „Zou Louis van avond niet komen, mamaV\' Vraagt het meisje tot de theetafel tredend, „anders is hij er reeds om acht uur en nu is het al half negen.

— „Ik denk toch wel...,quot; antwoordt de moeder met een kleinen zucht: zij is niet meer de eerste in het hart der dochter.

Johanna zucht ook, maar het is van verlangen naar den wegblijvenden, en toch... is zij niet alleen in haar liefde ? wordt deze wel beantwoord ?

Het kiezelzand kraakt ginds in de laan, zenuwachtig vouwt het meisje haar handen...

— „Ik heb maar geen werk genomen; mama, de schemering valt zoo spoedig in.quot;

De moeder ziet bezorgd haar kind aan, er was zoo\'n vreemde klank in die onverschillige woorden.

;;Ja, kindje, anders om te breien heeft men niet veel licht noodig.quot;

De stappen komen nader en verdubbelen den slag van Johanna\'s jeugdig hart; tusschen de boomen teekent zich een jonge mannelijke figuur.

— „Kijk, daar is Louis!quot; roept de moeder verheugd uit, want nu is haar kind zeker tevreden. En zich tot den jongen man wendende:

— „Kom je daar eindelijk ! Johanna dacht reeds...quot;

— „Mama! viel het meisje haar smeekend in de rede.

14

-ocr page 224-

210

— „Goeden avond, mevrouw! Hoe gaat het, Johanna1?quot;

En de jonge man groet eerbiedig de moeder en

reikt het meisje een vrienden-hand.

— „Wij zijn zoo aan je gewend. Louis/quot; zegt mo-vronw, „dat we je erg missen, al kom je ook maar één half uurtje later... ga zitten!quot;

— „Zeer heusch van uantwoordt Louis Verbein. terwijl hij plaatsneemt. „Zou uw dochter even gunstig over mij denken ?quot;

Hoe kan hij zoo iets zoo hardop vragen/\' roept do teervoelende liefde van \'t meisje, en zij zegt luid md afgewend gelaat:

— „Ik denk dat het een heerlijke avond is, en dat men daarvan moet genieten.quot;

— „Daarom kom ik ook hier; niet waar. mevrouw V\'

De moeder heeft de geurige thee ingeschonken en

zegt welwillend :

— „Vertel me nu eens, Louis, wat of je den ge-heelen dag hebt gedaan V\'

Johanna staart onafgewend in de diepe schaduwen van het eikenboschje daarginds; daar roept haar iets. daar trekt haar iets aan; zij wilde daar zijn zonder bet gedruisch van menschenstemmen te booren, zoo alleen en stil met haar gedachten, zoo heerlijk alleen ... — geheel alleen \'l ?

De koele avondwind speelt zacht om de jonge slapen van \'tmeisje; de schemering valt sterker; in do verte boort men enkele klanken van oen in \'I dorp

-ocr page 225-

211

doortrekkende muzikanten-troep; een oneindig, onbevredigd verlangen doet haar hlik dwalen, langs hel eikenboschje. daar voorbij, ver over de onafzienbare vlakten; een rilling doorloopt haar teere ledematen: zij voelt dat de rozen van haar wangen verdwijnen; gelukkig ziet niemand het, want de maan is nog niet opgekomen. Zij volgt niet goed den zin van de woorden die vlak bij haar gesproken worden. maar de melodie van die stem schept in haar hart een hemel-sche liefdes-sinfonie.

— „Mij dunkt dat je \'t koud krijgt, Johanna,quot; zegt de bezorgde moeder; „hier, doe mijn shwal om: ik ben warmer gekleed dan jij.quot;

— „Dank u, mama, och neen, houd uw shwal, ik heb het heusch niets koud.quot;

„Ja, ja, dat is maar gekheid met je neteldoek-sche jurk; de avonden zijn kil.quot;

— „Nu, dan zal ik even mijne eigen doek gaan halen; \'tis nog zóó heerlijk buiten.quot;

En zij wipt op en haar witte doorschijnende gestalte verdwijnt en lost zich op in de dichte avondnevelen. Het is Louis te moede, alsof op dat oogen-blik de wereld voor hem uitgestorven is.

— „Zeg aan Mietje, dat zij het theeservies weg komt halen,quot; heeft mevrouw van Lorris haar dochter nageroepen.

— „Ze is allerliefst,quot; fluistert de jonge man, half luid tot zicbzelven.

-ocr page 226-

212

— „Niet waar?quot; zegt de moeder met trots „enzoo gedienstig voor mij; ze is een engel van een kind. Je moest dat den geheelen dag eens bijwonen, Louis; je kunt er je geen idee van maken...quot; En het volle moederhart vergeet geheel dat ze tot eene jeugdige ontvlambare natuur spreekt , zij heeft behoefte om al het, goede wat zij in haar kind ziet lucht te geven.

„Hoe gelukkig zal haar man later wezen verzekert Louis en zijn hart klopt hoorbaar; het is alsof de moeder ontwaakt. Dat haar dochter een tee-dere vriendschap voor Louis Verbein had opgevat, wist zij wel, maar dat de jonge man dit gevoel deelde, dat hij zelfs verder ging... neen, dat mocht niet.

— „Haar man,quot; herhaalt zij als een echo; „het kind Is gelukkig nog veel te jong om aan iets dergelijks te denken; zij heeft mijne moederlijke zorgen nog te zeer noodig, zij...quot;

Mietje komt de theeboel weghalen en mevrouw vraagt, „waar of de juffrouw blijft.quot;

— „De juffrouw voelde zich niet heel plezierig,quot; zei Mietje „en was maar vast naar bed gegaan.quot;

\'T is nog niet zoo ver met haar vriendschap als ik meende, denkt de moeder. Zou ze ziek worden? ruischt het vol onrust door Louis gedachten en haastig staat hij op, neemt afscheid en belooft den volgenden morgen terug te komen, om te hooren of Johanna beter is.

„ \'T zal wel niets zijn,quot; verzekert de moeder,

-ocr page 227-

213

en zij schikt zicli om Mietje naar binnen te volgen. „Wilt ge niet door het huis terug gaan ?quot; vraagt zij vriendelijk aan haar jongen bezoeker. En in het gebladerte ritselt een klagende bries bij deze eenvoudige woorden.

— „Dank u; mevrouw, ik ga maar door het achterdeurtje en ben daar dichter bij huis.quot; Zij namen afscheid.

— „Het schijnt dat we onze nachtegaal behouden,quot; zegt mevrouw van Lorris tot haar meid, bij het naar binnengaan.

Hoog in den kastanjeboom kweelde de vogel dei-liefde.

„Jij hier!quot; spreekt verrukt en fluisterend Louis Verbein, terwijl hij de smalle koude vingertjes van de kleine witte verborgen gestalte bij het achterpoortje tusschen zijn handen vat.

Zij kan niet antwoorden; het was of haar voetjes weigerden haar langer te dragen; zij leunde tegen de doornige heg, maar voelde de stekels niet.

„Ik bid je, Johanna, zeg mij iets, laat me hoo-ren of mijn gewaande geluksdroom tot werkelijkheid wordt ?quot;

Hij is haar zeer dicht genaderd, zij trekt zich wat terug en wil zich goedhouden; het was toch een dwaasheid hier gekomen te zijn; zij wilde toch maar alleen goeden nacht zeggen, waarom kan zij die woorden . zoo eenvoudig, dan niet uitspreken?

-ocr page 228-

214

Alles duizelt om haar heen, zij bedekt rnet de koude handen de gloeiende oogen... ziet dan om zich rond... zij is alleen.

Was het een droom ?

Neen! nog beven haar de lippen van een zalig ongekend geluk... ó God! zij werden... door hem gekust!

Mama is thuis en wacht haar, en gaat misschien naar haar kamer en is ongerust als zij haar niet ziet.

Het meisje snelt naar huis, de trappen op, het hart vol zalige aandoening. Zij werpt zich op haar bed en weent.

Aan de deur klopt haai\' moeder:

— „Hoe gaat het, lieve? Ben je al in bed? Ik heb even de thee omgewasschen.quot;

Tot geen prijs mag mama haar nu zien.

— „Ik ben wat verkouden, ma; het zal morgen wel beter zijn; ik zal de deur maar niet opendoen, anders moet ik opstaan.quot;

„Nu dat is goed, lieveling, tot morgen dus.quot;

En mevrouw van Lorris zegt tot zich zelve, dat zij zich voor niet ongerust heeft gemaakt, dat haar dochter niets om Louis Verbein geeft.

Twee jaar zijn verloopen sinds dien avond: Johanna van Lorris is mevrouw Verbein geworden eu de moeder is bij het jonge huishoudentje komen inwonen; toen

-ocr page 229-

zij van hun huwelijks-reis terugkwamen. Zij heeft zich langzamerhand met de gedachte verzoend, dat zij slechts de tweede iu \'t hart van haar eenig kind was.

En nu ?

Mevrouw van Lorris heeft de ramen en blinden van de slaapkamer, die voor de hitte der zon den geheelen dag gesloten bleven, opengezet, de koele avondlucht stroomt rijkelijk naar binnen; in het groote ledikant met teruggeschoven gordijnen ligt de jonge mevrouw Vcrbein met bleek uitgeput gelaat; de eens zoo rozige ronde wangetjes zijn ingevallen, de oogen staan schitterend en hol.

— „Dank u wel, ma,quot; spreekt zij met zwakke stem , „dat doet me goed.quot;

— „Ja, lieve, hoe gelukkig dat alles nu voorbij is; in een paar dagen ben je weêr de oude, llinke Johanna.quot;

— „Ik zou mijn kindje zoo graag eens zien.quot;

— „Ja; maar mag dat wel? Het zal je agiteeren.quot;

— „Het zal me zóo gelukkig maken; ik zal dan alle pijn vergeten.quot;

Mevrouw van Lorris gaat even in het aangrenzende vertrek en komt terug met een klein weenend popje op de armen.

Alle vermoeidheid wijkt uit de trekken van de jonge mevrouw Vcrbein ; zij steekt de magere witte handen uit om haar schat te omvangen; haar moeder legt het kleintje behoedzaam naast haar.

-ocr page 230-

210

— „Laat mij liet kussen!quot; smeekt zij zacht. Innig drukt zij haar eerstgeborene tegen de lippen.

— „Nu pas weet ik wat geluk is,quot; zegt zij tot den binnentredenden Louis, die zich stil en voorzichtig over moeder en kind buigt.

— „Ik ben thans de derde in haar hart...quot; zegt de grootmoeder tot zich zelf; „maar ik geloof, dat ik er aan begin te wennen.quot;

Met dubbele teederheid straalt haar oog op haar kleindochtertje.

-ocr page 231-

EEN HALF DOZIJN SNEL-DIGHT.

Aen Me-vrou, toen sy buyten verjaerdc: mei een stel voor taelel-suer en een paer voreken.

3 Junii, G10 10GGG LXXIL

1.

j Y soggun dat ick Gonstantiin (Aen \'t Hol\' en over all gesien)

Niet liooyh genoegh toaerdeer.

\'K hoor andre gasten altijt klaglien,

Dat („schaem-je wat,) haar elcken keer De wnerd te hoogh heeft aangeslaghen.

Hoe \'t sij, ick wil in Huygens loon My aen een sneldicht waeghen:

En wel , op \'t stel „ door man en zoon U heden opgedraghen.

Geniet de soetheit der Natuer,

En van des Hemels Peetschap, En blijv\' n \'s levens scherp en suer Beperckt tol dit Gereelschap.

-ocr page 232-

218

2.

AiNUEKS.

Geseten in het groen, liet soetc soincrloininer,

Weet gliy van suer noch scherp, noch van den l\'rins geen qimcl. Goiit, die het al ghebiet, beware u in dien staet.

Waer gliy ghecn suer besuerl dan t]uclseii en coiicoiuuier!

Twkk Huys-Vaders.

-Ian swoeght en sweet,

Op dat hy Keet Saint haerlie negen kleyne vraten Toch goed b e s o r g ht nioogh achterlaten; Terwijl dat Piet, in teghendeel,

Maer swoeght en sweet opdat hij Neei En \'tneghental aen hem ghegeven Eens o n b e s o r g h t kan laten leven.

4.

Twee die eu in sitte.n.

Dc huysbcics sprveckt.

Tijl maeckt ine \'talloos nae den zin, En telt op lu niy mijn luier.

En dit verbaest geen eenen buer;

Want Tijl s i t weêrgaes warm e r i n. En nochtans Kees en sit niet min Dan Tijltje-baes e r danig i n;

Ja soo, dat soms aen ieder hair, Een sweetdrop hangt; maer kom ik daer, Noyt light de huer by Keesjen klaer.

-ocr page 233-

219

Konst-veklossinghe.

Bij \'tswaer verkiesings-werck, den arbeidt van du clubben; Als nyl des Aerts-godts hooft (ons Naties achtbaer hool\'i) Ten spijl van die \'t benijdt nianlial\'tigh wordt gheklool\'t Een wijs Minervaes kroost, tnet poiityeque schabben,

Ghetuyght men, en te-recht: Bal heeft \'et swect gekost: Bewonder \'tParlement: \'tis met de konst verlost.quot;

Gheen wonder, dat dan oock, by hooge Konstbelangen,

De Raedt- of Camer-helft de pen treckt door den post,

Laet slopen, die er staen \'), laet schimm\'len, die er hangen \'J): Sy haelt haer adem weer: s\' is van de konst verlost 1).

0.

Op de nooT van K . ., gkafmakeii.

Een rist van honderde heeft hy gestopt in d\'aerde, Met onberoert gemoedt en onbewoghen bliek;

\'tSij hem een Engel hielp of grijnsaert Heintje Piek;

Geen geur van \'t hout der kist die oyt dien man vervaerde. Een glimlach oin den ment verkeerde \'i niet de doojen; Een traen slechts weid\' in \'t oogh (van reyne danckbaerheit) Als hy voor \'frijn of Piet een rustplaets had bereit. En scheuticheit of trots hem rijck voor-sag van fooien.

\'LWas vreemt, toen by sijn graf men onzen braven miste:

Sijn valen swarten rock, sijn opgeslagen rnou,

Sijn pet, sijn bonte wang. Sijn swager, die hem kiste. Had noyt gedocht dat K. oock eenmael sterven sou.

1

Dit. zinspeelt op een vroegeren toestand. Wij hebben, dank zij eene betere stemming bij de Regeeriug, nn toch een Muzeüm gekregen.

-ocr page 234-

T O E - G HIF T E.

/.

Ol\' EEN 0UB0LL1GH PHOTOGKAPHE.

(Versachtinghe van mè-klinckerts.)

Als ick de vodden zie, die gh\'uyt dal doncker liol,

Üaer ghy u ruyten wascht met lust schijnt op te delven, — Dan segh ick aenstondts tot my selven.

En liou de stellingh\' vol:

Hy \'s wel geen photograph\' om luydkcels op te roemen:

Maar toch met alle recht een vodde-graef te noemen.

8.

ANDERS.

Gh\'en voert gheen wijt bewindt, maer als \'kden glimlach speur, Waer mè ghy op u huys bevel voert van den tinnen, —

En \'k li commando\'s hoor beghinnen:

Dan roep ick aen-stondts: „Wat ghebeur\',

Noyt laten wy den vyandt binnen:

Want slaet gheen Rijcx-, gheen Burch-, gheen Marck-grael\'zelfs

[hem af:

, Toch voert by ons een Grael\', de Vodde-Grael\' den staf.quot;

-ocr page 235-

AAN

ANNA MARIA PETRONELLA MULLER-THUU

Op haar 23n Verjaardag. Met mijn „Portretten, vai i Vondel.quot;

Ha,, Vondel a gekend, lieve Anna, mijn poëet, In geestdrift opgevlamd , had wis zijn gouden snaren Doen ruisclien, bij \'tgezicht niet slechts dier blonde haren, Maar van de blanke deugd, die elk u eigen weet:

Bij \'t geestrijk , hartlijk woord , dat vaak uw mond ontgleed , En waar zich lach en traan zoo lieflijk soms aan paren. Vereeuwigd wierd uw naam in marmer, zacht van ailren . Zoo als zijn pen \'t voor Baertge en Margareta \') deed.

Behelp u, nichtjen-lief, met dicht van minder keur;

Maar neem, bij \'t groote feest, dat we alle dankbaar vieren, Mijn kleinen ruiker aan, al is hij bleek van kleur.

Gij, blijf met d\'eigen gloed uws moeders bloemperk eieren. Tot onze lieve Heer een hand heeft aangeraakt,

Die waard is. dat zij u weêr minderjarig maakt.

2« Okt. IR81.

1) Baertgon Hooft en Marg. van Rhijn. Zie Porti\', v. V. 1)1. 104 en 127.

-ocr page 236-

KONGRES-INDRUKKEN\\

Portraits instantaTies.

I.

Mejufvrouw Kitty Wijnstroom.

IEn lief\'gezielit, van fijne sneê, Van teêr en frisch palet.

De kleur van \'loog? — de tint dor zee, Dooi- \'t stralen van de lentezon

In zilvren gloed gezet.

Naief en deeglijk; levensreê.

Oprecht en plichtgetrouw;

Een vlaag van Engelsch wel en wee Geeft haar distinctie. \'tValt haar ineê Wat andren licht ontstemmen zon — Die blonde jonge vrouw.

11.

Mejufvrouw Jeannette Fokkens.

\'t Gevoelig oog ziet klaar en frank U aan; vertolkt den open zin Voor al wat schoon is , eêl van klank En eêl van inhoud, \'t Lage sluipt Dal goedig hart, dien wakkren geest niet in. De kenniszucht staalt elk hesluit,

En heeft in dienst een wil,

Die zich kordaat, maar vrouwlijk uit; Gepast klinkt rede en stemgeluid ;

Gepast ook zwijgt ze stil.

1) Te Breda.

-ocr page 237-

223

III.

Mevrouw X.

Eon mannelijko inooc). ook — mond-, — on handgebaar; lots sr-halks in \'toog, dat bleok on knipprig staal en goed is Bi j grensloos zelfgevoel, in meening edelmoedig,

Maar karig met don duim ; onnoozel staal zo daar.

Vol ijver ; toch niet ijverzuchtig ;

Een ongeroepen lolk van vrouwenbate en recht.

Veel goede wil , geen takt; door indiscretie kluchtig.

„Vier waerelddeelenquot; staan verbaasd van \'t goon zij zegt: Do impressie is gemengd: vermoeyend, komiesch . .. klucht

4 Sppt. 1SS1.

-ocr page 238-

NOG EEN TRITSJEN SNELDICHT.

i.

\'t J_S jammer, daar zijn doornen aan de rozen!

Zoo klaagt de pessimist, naar \'t redeloos gebruik. Wij danken God, dat Hij, voor braven en voor boozen, Met schoone rozen ciert den wreeden doornestruik.

2.

„Voor allen Vrijheid!quot; eisclit de meerderheid der kranten\' „Althands,quot; zoo gaan zij voort, „voor onze geestverwanten.\'

3.

„Ik denk, dus ben ik,quot; spreekt de keur der llieoristen. „\'k Bemin, dus zal ik zijn,quot; vernnpgt ter-stond de Christen.

-ocr page 239-

„ZIJN EIGEN GRAF.quot;

Bij pon nquarel mijner tante, Mevroniv FUCHS, areb. AL15. THÏJM.

De najaarstinten hadden een rood-paarschen gloed ver over de heide verspreid, en de ondergaande zon vergulde de buitenste takjes der zeldzame beuken-boomen. De vogeltjes hadden hun avondlied reeds uitgezongen en rustten nog voor de laatste maal in het teedere dons hunner nestjes, want zij wisten het: de winter stond voor de deur.

Rondom heerschte stilte en eenzaamheid en de godheid alleen troonde over de onafzienbare velden.

Tegen een roode zandrots leunende, de spade in de magere hand , en bezig een kuil te graven zit Ance-lin, de kluizenaar. De kinderen zijn altijd bang voor hem en vliegen in troepjes weg, als zij hem zien, zooals de vogels voor den zwarten vogelverschrikker; de boeren uit den omtrek zeggen, dat hij met den duivel omgaat, en de stedelingen, die langs hem voorbijgaan , halen de schouders op, en glimlachen tegen elkander: „de dwaas!quot;

Het dagwerk is voor Ancelin volbracht. Zijn gebeden zijn gezegd en de zieken voor welke hij in den omtrek genezende kruiden zoekt en bereidt, hebben hnn deel ontvangen.

-ocr page 240-

Nu rust hij uit, niet zoozeer van de vermoeienissen van den dag als wel van de wonden, die hem bijbleven uit een woelig verleden. en die telkens weer op nieuw bloeden , zoo dikwijls hij in aanraking komt met de menschen. Zijn rust, zijn grootste troost bestaan daarin dat hij eiken avond wat dieper dien kuil graaft, waar zijn stoffelijk overschot eens bedolven zal worden.

Het ruwe bruine kleed, dat zijn oude ledematen omhult. steekt sterk af bij het bleeke, fijngebei-telde gelaat. De scherp geteekende, smalle neus, de teer geaderde slapen en het hoog gewelfde voorhoofd duiden op diepzinnig denken, op buitengewone geestes-vermogens, terwijl de doorschijnende moe-gewaakte oogleden geheel neergeslagen zijn, om nog den laatsten straal van vuur te verbergen , die eens uit dien blik heeft moeten gloeien. De linkerhand rust op de in den grond staande spade, de rechter, uitgeput door het voeren van het zwaard, steunt tegen den zandheuvel waarop hij zit; de voeten zijn verborgen in de reeds gedolven diepte. Zijn hart herdenkt, ook zonder één versnelden polsslag, de stormen van het verleden.

Hij heeft ze allen overleefd.

Krijgslusf heeft zijn oog doen schitteren en zijn eens krachtige hand van ongeduld laten trillen.

Liefde heeft zijn hoofd met rozen gekroond.

Eerzucht heeft hem doen buigen voor de grooten dei-aarde en hem onder hen een plaats doen innemen.

Door zijn geboorte bezat hij adel en goud.

-ocr page 241-

Dit alles toch kon zijn brandend verlangen naar geluk niet bevredigen; hij proefde van eiken beker en wendde onverzadigd de steeds dorstende lippen af.

Zoo ging liet leven allengs voorbij en de onder-dom kwam, onverbiddelijk, onontwijkbaar,... Wat bad hij gezocht, en wat gevonden ?

„Ik ben van God uitgegaan en kan niets vinden wat mij bevredigt tot ik tot Hem terugkeer.quot;

En hij overdacht, hoe weinig hij voor zijn Schepper geleefd had en welke rekenschap hij van het, hem geschonken leven zou moeten afleggen.

Toen gaf hij den armen al wat hij bezat, verliet vaderland en vrienden om in de eenzaamheid zich voor te bereiden op den dag dat de eeuwigheid haar poorten voor hem ontsluiten zou.

Hij leest niet, want hij weet dat de ondervinding van een ander nooit iemand heeft wijsgemaakt; hij is vol goedheid, vol toegevendheid voor de dwalingen der menschheid , voor de verblindheid der gelukzoekers ; hij zelf was vroeger immers ook zoo.

Dit alles overdenkt hij, bij het vallen van den nacht, als hij aan zijn laatste woning hier op aarde arbeidt . en het is bijna een glimlach die over zijn dunne lippen speelt als hij in dien kuil blikt en tot zich-zelven spreekt:

„Als ik daar zal rusten, is mijn ziel eindelijk in\'t bezit van \'t eenige goed ; de Godheid.quot;

-ocr page 242-

Bi lAAUWS SC101I.

Bij zeker plaaljen.

A-Ls Sint Grispijn ten driestal zat,

Heeft hij den klanten die hij had Geen Godspraak voorgestameld;

Hij stak zijn eist en trok zijn draad Met luste, naar de leest en maat Bij Heer en boer verzameld.

Wie houdt er dus ex tripodee Een zedepreek (hoe wel ter snee!)

Bij Hannchens schoentje-aantrekken! Het Heerken staat in slecht gerucht, Dat, mot zijn neusdoek, voor de lucht Dorines hals wou dekken.

Ons arme kind is met een zucht Haar moeders kelder ingevlucht.

Toen zij van Hans verstaan moest. Dat, was haar voet ook mollig fijn. Dit schoentjen veel te smal zou zijn, Als Hannchen daanneê gaan moest.

\'tls niet half zuiver, hallef val set i,

Dat ze uit het hemdtjen, aan den hals ,

Het handtjen heeft verloren;

Och neen, zij lot daar gants niet op: \'tKwam slechts den schilder in den kop Ons daarmee te hekoren.

-ocr page 243-

229

Hij ziet ons voor geen Priucen aan;

Want toen de Prins kwam rondgegaan

En \'t glazen muiltjen passen,

Toen dekte een zachte blos \'t gelaat (Waar halsdoekweerschijn schoon bij staat) Van \'l Poestertjen in de asschcn.

Mijn schilder is een wakkre borst,

Dat hij zoo vriendlijk zorgen dorst Voor \'t zoo goedkoop genoegen, Den braven lezer voorgezet (Die toch geen Prins is al-te-niet ?); \'t Lectriesjen leert zich voegen.

,De dames nemen veel voor lief!quot; Zoo denkt zoo\'n schalke hartedief,

En vleit zich met.. . geen ongerief,

Tot, met dit sneldichtfooitjen (Weldadige koud-water-doop!)

Zelfs Huygens in den mond hem loop\': ,,Sijn dese hoenders niet te koop, ,Wat doen sy uyt het coytjen?quot;

12 April 1876.

-ocr page 244-

jScHOONHEID.

A,. s eon gouden zomermorgen rijst er voor des volks gezicht, Tusschen zachte en donkre wolken, telker eeuw een koestrend liclil, \'tls de schoonheid: \'t Is de Heilige, in haar kleed van blank azuur. Die de kroon draagt aller kroonen: Rijksprincesse der natuur; Die de lage stofklomp adelt, sluyrend nog met vloeibre glansen Wat den afgrond slechts ontwallemde en niet opvlamt naar Gods transen, \'tls de Schoonheid, \'tis de Heiige; zij regeert in\'s kunstnaars harte: Zonder haar verkwijnt zijn vreugde ; met haar streelt de dolk der smarte. Elke berk in zijn warande draagt de lettren van haar naam:

Eiker starre van zijn avond spreekt hij van haar grootsche faam: „Schoonhcid, schoonheid!quot; juicht zijn boezem, al mijn krachten,

[al mijn eer,

Wil ik uwen glimlach wijden: slechts u min ik eindloos teèr! In zijn slapeloze nachten, in zijn eenzame arbeidscel.

Vult slechts Eenc heel zijn leven: o de kunstnaar kent Haar wel: \'tls zijn waereld: duizend beelden, duizend englen om hem heen, Die zijn brandend hoofd omwuiven, hupplen op haar bloemenschreên.

Zoete smart der schoonheidschepping: mids een klaar en fijn v e r s c h i e t Elke nieuw geboren dochter adem, doel, en uittocht bied\'!

-ocr page 245-

PE J^unsten.

BOUWKUNST.

Uci\' kunsten kroon en haar begin: Haar moeder en Vorstin.

SCHILDERKUNST.

Zij scliept uit volle levensbron : De zuster van de Zon.

BEELDHOUWKUNST.

Zij voert een staf. die wat hij raakt Ten Held ol\' Heil\'ge maakt.

MUZIEK.

Daar vloeit ons van haar wiekgeruisch Een geur van \'t,jongst ,tehuis.quot;

-ocr page 246-

IN EEN HUISKAMER,

voor den schoorsteen.

(jTOede Laren en Penaten

Zijn de Vriendschap en \'t Vernuft. Kunstzin, door geen trots verbluft, Moog die beiden nooit verlaten.

Aan Mejufvrouw C. van Everdingen.

Met „Geertvuidc van Oosteuquot;.

vTl.I noodigt mij op zangkunst uit;

Maai\' wie u hoorde s p r e k e n Hem klonk reeds d\'adem van het Zuid In onze Noorder streken.

Een gouden hart hij zilvren long

Was Truidokens van Oosten, God doe, met beide, ook u nog lang Deez\' anno waereld troosten.

-ocr page 247-

AAN 1111 IC ïï IL D1E1S j

die mij een paar dichtregels vroeg.

-Eeii greep voor ii in \'l koper van mijn snaren !

Zij zijn. Goddank, ontstemd nonli afgespeeld:

Al ging de storm in \'t herfstseizoen der jaren Er kil doorheen, hun bleef nog klank bedeeld.

Zij trillen nog, bij iedere verovering,

Die hooger gloed op aardsche kon behaalt: Als heldenmoed, geloof, of kunstbetoovering Van \'l heerlijk licht der Godheid straalt.

Of als een ziel, harmonische verschijning,

Mijn oog en hart met weelde en glans doordringt: Als uit het wonder spel der verwen en omlijning-Me een schoonheids-hymne tegenklinkt.

En \'t kunstnaarshart weêr dankbaar mag ontwaren Eenstemmigheid — al wat gelukkig maakt:

Dan grijp ik geestdriftvol van zelf weer in de snaren En roep : Aanvaard mijn lied, de Muze is weêr ontwaakt.

Dan strek ik blij de huldigende handen,

Zie juublend op, en buig de knie.

Gelukkig in de zijden banden Der nieuw ontloken sympathie.

1SS3.

-ocr page 248-

Éen half uur op te

den toren van het Paleis Amsterdam.


\'t Is Maandagochtend 81 uur en wel 16 Mei.

De paleisstraat is al druk bezocht: naaimeisjes, melkboeren , kantoorbedienden... o ja, dat is er zeker één... een kantoorbediende, of liever een kashouder. Een echte trouwe hollandsche kashouder, die, sinds dertig jaren, met een inkomen van 600 a 1000 gulden een kas van tien maal honderdduizend onder zijn beheer heeft. De brave man!... het dunne haar hangt plat over de slapen ; zijn rosachtige hoed zit eenigszins achterover op het licht gebogen hoofd. De oor en zijn langwerpig en groot, de oogen diepliggend, de vorm van mond en neus doen aan een schaap denken. Het weinig zichtbare linnen en het smalle zwarte striempje om den mageren hals, de nauwschouderige vale jas, en de wijde om de beenen zwabberende pantalon voltooien zijn uiterlijk , terwijl hij voorzichtig een versleten portefeuille onder den linkerarm draagt.

-ocr page 249-

Hier en daar ontmoet hij eenige goed gekleede lieeren, en telkens maakt hij met de rechterhand eene beweging naar boven, om snel klaar te zijn met groeten, in geval dat het klanten van het kantoor van zijn patroon mochten wezen.

Ja, nederige, trouwe man, ik heb je chef, van jou sprekende, hooren zeggen : „Hij is te dom om oneerlijk te zijn.quot; Dat wil zeggen : te bescheiden om verhooging te vragen , en te dom, om een niet te ontdekken diefstal te begaan.. . bewijst dat jou domheid , of jou eerlijkheid1? Waar denk je aan, goede oude sukkel; terwijl je op de trambrug eerbiedig plaats maakt voor de dubbeltjesrijders ? Ik weet het, je denkt aan een som, die gisteren op \'t kantoor niet uitkwam, aan die 25 cents te veel of te weinig ... je denkt aan je ziekelijke oudste dochter , die je huishouden waarneemt , die je een lekkeren warmen schotel beloofd heeft, als je van middag moe en afgetobd huiswaarts keert, op de derde verdieping eener woning in de Tweede Weteringdwarsstraat.. . Arme man, en toch een heer en ook tevreden en gelukkig . . .

Amsterdamsche kashouder, een glimlach plooit je ruw geschoren lippen; je ziet in verbeelding je jongsten zoon, die je weldra in je keurige carrière zal bijstaan en opvolgen, die daarbij, zooals de buren zeggen, een „aardig versquot; maakt en zoodoende buiten het ruime kashouderstraktement nog voor bruiloften en verjaringen zijn „aardig versquot; voor een aardig som-

-ocr page 250-

metje, of voor niets... zal kunnen maken. Arme kantoorheer! glimlach maar. en vergeef mijn bespiedenden medelijdenden blik! maar. rep je, want zie, aan den kant van het IJ komen zware wolken op, en je jas mag niet nat worden , het is je beste en de naden zijn er al kaal van geschuierd en buitendien de laarzen kunnen geen vocht verdragen . .. het schoenlappersgeld ging aan de studieboeken van je zoon.

Daar loopt een jong fatje over de brug; hij draagt voor het eerst een jas met panden en is er zoo trotsch op als een nieuw officier over quot;t rinkinkelen van zijn sabel. Dag! goedige boonestaak; dag! blanc-bekje ! je gelooft zeker dat iedereen je aan zal zien voor een dertigjarigen geschoren agent in wijnen . .. wien heb je daar zoo kameraadschappelijk gegroet? Ook iemand met een jas met panden ? Dat zou ik denken . . . hij is wel twintig jaar ouder dan jij, vrindje; maar hoe loopt hij zoo luchtig en draait zijn hoofd naar alle kanten, die zesendertiger? Wat heb je voor vreemds? Een breeden rouwrand . en zwarte handschoenen... Mijnheer is weduwnaar...

Hoe raar hè ? Zoo in eens : plus rien I Geen knorren meer , als hij te laat thuis komt; geen scènes over te weinig speldengeld ; geen opgelegde boete meer, als hi] dames aankijkt of met natte voeten binnenkomt; geen modemaaksters of dokters-rekeningen meer... niets, niets meer van al wat meer dan twintig jaar den man had neergedrukt... alles weg, in eens!

-ocr page 251-

237

Natuurlijk heeft hij eerst getreurd en zich opgesloten; maar alles heeft zijn tijd. nu althans gevoelt hij zich even levenslustig en vrij als toen hij een gelukkig student was: hij mag nu \'s nachts een foulard om zijn hoofd dragen, en de voeten een beetje meer links of rechts uitsteken; hij mag weer eens uitslapen! — Daar komt een aardig paar door de Paleisstraat. Een dame, die zeer dik is, groote gestes maakt en ieder oogenblik de handen pakt van haar cavalier •, ze gaan in het Palais royal iets gebruiken; de heer heeft een knappen kop; niet heeft hij den schijn van artiste te zijn, hij is het werkelijk: een natuurlijk geniale, sympathieke musicus. Hij heeft een forsch uiterlijk ; het lange grijswordende haar hangt hem tot op de schouders; de glinsterende, grijze oogen verraden een vonk in zijn binnenste, die de fakkel van het genie ontsteekt; zijn God is de toonkunst; zijn hoogepriester Bach, en hij behandelt dien God en dien hoogepriester met eerbied, liefde en verstand; hij onderwerpt ze met meesterlijke hand aan de duizend teère snaren van zijn gevoelig, diep gemoed. Hij is echter vóór alles „bon enfant,quot; een soort natuurkind, te midden onzer woelige stad. Op het oogenblik luistert hij rustig welwillend glimlachend naar zijne opgewonden gezellin: „Sehen Sie, geliebter Herr Musik . ..rath.quot;

üe Dultschers hebben een zwak voor \'t werkwoord ..iiebenquot; ook als adjectio en den titel rath brengen zij gaarne in hun onderhoud. De dikke luidruchtige

-ocr page 252-

238

ilanio schijnt eene dichteres te wezen ... zij spreekt over haar liefde voor Vondel, haar liefde voor kunst, haar liefde voor Holland;, haar liefde voor haar pas gemaakt oratorium en de liefde, waarmee zij den Heer „Musikratliquot; zal toegedaan zijn, indien hij uit liefde tot de toonkunst, lieve muziek op haar liefelijke gedichten wil maken. De groote componist is bijna blij (al heeft hij \'t niet breed) dat hij een dienst, een grooten dienst voor niet en enkel uit liefde, uit ware, diepe liefde voor zijn God zal kunnen doen; welwillend glimlacht hij; „Wij zullen het probeer en.\'\'

De straat wordt al voller en voller; de kunstlievende heer en dame ontbijten op hun gemak; langs de grachten, over de brug en uit de straat komen vele kinderen die hetzij links naar \'t gebouw van \'t „Nutquot; -hetzij rechts afslaan naar de muziek of andere scholen der gewezen „bloemmarktquot;.— Bakkers, slagers, groenteboeren. leêge vigilantes 7 brievenbestelders. — Een interessant baantje, dat van brievenbestelder; het is te verwonderen dat deze lieden zoo eenvoudig blij ven: want wie meer dan zij hebben de machtigste draden der samenleving in handen? Eén verloren brief en Mijnheer N. cloet een wanhopige speculatie aan de beurs; Mejuffrouw H. geeft haar „jawoordquot; aan een nietswaardige; Mevrouw P. gaat op reis om vrienden te bezoeken, die haar niet verwachten kunnen; Mijnheer S. sterft zonder aan zijn zoon vergeving te hebben geschonken, waarop die zoon zich verdrinkt en zijn

-ocr page 253-

239

bruid in \'t klooster gaat... in één woord, de grootste gevolgen hangen af van een luttel stukje papier in de hand van een gewoon sterveling, die met zelfver-getenden kinderlijken eenvoud zijn plicht vervult en zoodoende menigen traan droogt en menige onrust stilt. Maar hij plu losop lieert niet. de brievenbestelder, hij gaat van deur tot deur zonder vreugde en zonder angst.

Daar komt de eerste tram met luid gebel en dreunend over de brug uit de Vondelstraat; hij is zeer bezet; meestal heeren die van hun respectieve huizen naar hun bureaux in \'t midden der stad gaan; een of twee schamel gekleede in duffe regenmantels gehulde /es-juffrouwen: dat is al . . . Dat is cd ?

Maar is het dan niet veel ? Zijn het geen men-schenlevens die ieder een wereld in zich verbergen, die een drama of comedie afspelen en die of ten onheile of ten zegen voor velen hunner strekken ?! — \'T is waar; en zoo zag ik b.v. Jonkheer van Rijmsma voor op den tram staan; hij gaat niet naar zijn bureau . .. Allons done! Jonkheer van Rijmsma is te aristocratisch om iets te willen doen. Hij gaat in de groote Club ontbijten, want thuis, tegenover zijn jonge mooie vrouw, brrrr! hoe akelig.

Een oogenblikje. Jonker, laat ik u in \'t wit der oogen zien; al is het voertuig dat u droeg lang voorbij en al streelt ge in dit oogenblik met welgevallen uw lippen met uw tong, terwijl uw blik dwaalt over de

-ocr page 254-

240

voor li geurende schotels. — Gij zijl zoo trotsch op uw overouden naam, dat ge mij wel het genoegen moogt gunnen de wereld mede te deelen, op welke wijze gij hem helpt vereeuwigen.

Gij zijt nog geen vijftig, kort, gezet, met vuurroode kleur en rosachtig haar. Uw oogen, die uw zwak voor den nectar der stervelingen verraden, zijn van tletsche tinten en met roode randjes omgeven.

Zeg mij eens, mijnheer v. Rijmsma, hoeveel moorden hebt ge al op uw geweten ?

Moorden \'?! gij lacht... gij weet het zelve niet; het zijn zulke lastige dingen om aan te denken. Ik zal het u zeggen. Gij hebt nog niet lang geleden de liefde weten te verwerven van een jongen gevierd meisje... Zij was rijk en ge hadt dat geld noodig om reeds oude schulden te betalen.

De blanke duif, die met de witte vederen, vlekkeloos als sneeuw, aan den morsigen havik wordt overgeleverd en haar geloof in de menschheid, haar vertrouwen op zedelijkheid door het slijk ziet uitge-wischt — wordt gedemoraliseerd.

Het arme kind!... „zij was toch gewaarschuwd,quot; zei de wereld. Maar gelooft dan de liefde van het kind, tot vrouw gegroeid, zich niet zóo groot, zóo sterk dat het haar mogelijk schijnt een bandeloos maar haar dierbaar leven ten goede te geleiden ?

Haar liefde stierf, van Rijmsma, gij herinnert u wel ? Ja; zelfs de macht tot beminnen werd in haar

Ill I

iji : i (

il

\' .

!j;v m

HI

-ocr page 255-

241

boezem gedood; ze werd eenvoudig eene gevoellooze coquette. Was dit geen zedeliike moord ? Maar er was meer: uwe jonge, twintig-jarige vrouw had eene zuster die bezorgd en behoedend over de jonggetrouwde waakte ; hoe menigmaal als uw hand in brutale woede zich ophief over uw vrouw trof de slag slechts Dora... die hem met vreugde droeg... „Dora! hoe knijpt zich uw waterig oog dicht vol schrik voor dit spookachtig verschijnsel?\'\' N\'y pensons pas, bot zijn „onaangename zaken.quot;

Laffaard ! ! Zie uw werk aan !

Op een goeden dag verspreidde zich het gerucht, dat de zuster der jonge en schoone mevrouw van Rijmsma niet wel bij het hoofd was. Zij gaf al haar geld den armen weg en erger dan dat zij schonk het aan lieden, die bewezen het niet te verdienen. Zij werd gedurende zes weken in een gesticht te Utrecht geplaatst, om dagelijks door verschillende geneeshee-ren onderzocht te worden; de eerste drie weken vond men haar volmaakt bij haar verstand, maar toen begon zij zich op te winden over van Rijmsma\'s gedrag tegenover zijn vronw, en dat zij niet meer bescbor-mend daar op kon treden.

„Doe toch mijne zuster geen pijn!quot; roept zij smeo-kend tot eiken geneesheer, tot eiken vreemdeling, die haar bezocht.

„Ze is gek,quot; werd er na zes weken besloten.

„Uw tweede moord, van Rijmsma!quot;

-ocr page 256-

242

Ja, drink slechts met een glimlach uw glas ledig; spreek over volksvoeding en volksbelangen; morgen wordt ge lid van de kamer en overmorgen ontvangt gij een ridderkruis ... En er zou geen godheid bestaan . die wreekt en alles tot gerechtigheid doet terug-keeren ?

Wat zal er dan worden van dat arme meisje, dat voor een blinde moeder zwoegend naast u op den tram stond en dat ge slechts een blik van minachting waardig keurd et ?

Rijken zeggen gaarne : er is geen God; maar, wat blijft er dan over voor de armen 1

Maar ziet, mijn half uur is om en ik mag den lezer niet langer op dit hooge bespiedingsoord ophouden; daarbij is de wind gaan liggen en bij het te lang aanschouwen van het treurige daar beneden loopen wij gevaar onze tranen te vermengen met de reeds vallende regendrnppelen.

-ocr page 257-

AAN VONDEL.

5 Februari 1879.

„ Scribis Af.tep.nitati.quot;

Geraydus Vossius.

Al wat in boeken stak was in het hoofd gevaren

Van wijzen Vossius, cn uit die zee van blaan Ziet liij klaar blikkend op. en schudt do grijze haren. En spreekt: ,Wal ooit verga, uw werk zal niet vergaan.quot;

Uw werk zou niet vergaan: want door uw gouden snaren Trilt de eedle mcnschenziel, en houdt uw liedren aan, Zoo-lang de wedergalm van weelde cn zielsbezwaren In Leeuwendael de hand in \'s dichters harp zal slaan.

fiij hebt, in onze taal, ons volk, ons land, bezongen; Het bloedend , treurlooneelquot;, Athenes wederschal,

Was u een schoonheidsbeeld van dit ons tranendal,

Waar zoo veel zonneschijn, voor ouden en voor jongen.

Toch nog de borst verruimt; waar ons uw zang nog stroomt En moed geeft, tot Ge ons eens bij God venvellekoomt.

-ocr page 258-

AAN HENRI JOSEPH TEIXEIRA DE MATTOS,

toon liij mijn borstbeeld gemaakt had.

Eeu needrig Vondelzoon hebt gij uit klei gebootst: Een, die tot roeping beeft, bij Schoonheids dienstaltaren, De snaren van zijn liarp en \'t reukwerk niet te sparen ; Eon, die haar mint oprecht, rein, vurig, onverpoosd.

Dat \'s uw ontschuldiging: wanneer gij u getroost Niet met de Beetsen, de Ten Kates, Lauriljaren,

Maar met een mindren god naar de eeuwigheid te varen: \'tls trouwens voor uw roem schier \'t zelfde wien gij koost.

De kleine kunstenaars zij moeten levenskracht Ontleenen van den geest, dien ze in hun werk verbeelden; Hun wordt van buiten af de lichtgloed toegebracht;

De groote, als of ze vrij met alle gaven speelden.

Zij strooyen \'t leven zelf in vonken om zich rond, En quot;t werd allicht een kroon voor die daar bij hen stond.

Okt. \'83.

E I N D E.

-ocr page 259-
-ocr page 260-
-ocr page 261-