-ocr page 1-

BEKNOPT HANDBOEK

UEIi

GENEESMIDDELLEER

voor Artsen en Studenten.

Vrij bewerkt naar Schmiedeberg\'s Grundriss der Arznèimittellehre

mum--

. ;, pMp f

DOOR ( ■

A. P. FOKKER,

Huoglecraur te Oroniii^u.

*

»

HAARLEM, DE ERVEN F. BOHN. : 1885.

y

-ocr page 2-

O. qn.

f

)

F

A

-ocr page 3-
-ocr page 4-

O. qti

m)

i

T

p\'

i

-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-

BEKNOPT HANDBOEK

DEK

GENEESMIDDELLEER.

-ocr page 8-

\\

■■

-ocr page 9-

O tl ° Ho

BEKNOPT HANDBOEK

DEU

GENEESMIDDELLEER

voor Artsen en Studenten.

Vrij bewerkt naar Schraiedeberg\'s Grundriss der Arzneimittellehre

noon

A. P. FOKKER,

V\', .

\' *i,\' • I \' \\^A\\

§m - :

Hoogleeraar te Groningen.

II A A KL EM , DE ERVEN F. BOHN. 1885.

«

I

-ocr page 10-

.

-ocr page 11-

VOORREDE.

Het Grundriss der Pharmacologie, waarvan ik eene Noder-landsche bewerking aanbied, voldoet aan eene lang gevoelde behoefte. Het behandelt namelijk de pharmacologie op beknopte wijs, zonder in eene dorre opsomming van feiten te ontaarden.

In den laatsten tijd zijn, vooral in Duitschland, talrijke uitstekende handboeken over Pharmacologie verschenen. Velen daarvan verdienen aanbeveling om als vraagbaak te dienen voor hem, die omtrent een of ander bijzonder onderwerp inlichting zoekt. Maar noch de student, noch de reeds gevestigde arts heeft den tijd ze geregeld te bestudeeren of te lezen, zij zijn te uitvoerig.

In Schmiedeberg\'s handboek vindt echter zoowel de student, die een overzicht over dit vak moet verkrijgen, als de arts die zijne pharmacologic wil „retoucheerenquot;, wat hij zoekt, namelijk de voornaamste resultaten der nieuwere pharmacologie.

Aanvankelijk had ik het voornemen van Schmiedeberg alleen diens methode over te nemen, doch overigens de stof geheel vrij te bewerken, ik moest echter dra erkennen, dat ik wel een ander, maar geen beter boek zou kunnen schrijven. Ik heb mij er daarom loe bepaald enkele hoofdstukken, waar hot mij voor-

-ocr page 12-

VI

kwam dat Schmiedeberg\'s voorstelling verkeerd, of ook reeds verouderd was, geheel om te werken en er overigens naar gestreefd het oorspronkelijke, met geringe wijziging doch in overeenstemming met de eischen onzer Pharmacopoea, terug te geven.

Men zal misschien vragen waarom ik niet gewacht heb tot de Commissie lot herziening onzer Pharmacopoea met haren arbeid gereed was. Eerstens omdat ik niet geloof dat zulks zoo spoedig het geval zal zijn, maar in de tweede plaats omdat, al moge ook do Pharmacopoea door eene nieuwe vervangen worden, de geneesmiddelen, die de thans levende artsen gewoon zijn voor te schrijven, toch voorloopig wel dezelfde zullen blijven. Daarom heb ik dan ook vele nieuwere geneesmiddelen, ofschoon die niet in de tegenwoordige Pharmacopoea zijn opgenomen, besproken.

ctkonindkn, Mei 1885.

A. P. Fokkeh.

-ocr page 13-

INHOUD.

Biz.

Inleiding............................................I

I. Phavmacologie on Materies medicn....................1

ii. Do phannacolngisohe werkingen......................it

3. Do bronnen der Phanmcologie......................(i

4. Do keuze der artsenijen naar rationeele grondslagen ... !) . 5. Vordeeling der pliarmaca........... . lü

I. De Zenuw- en Spiergiften............................M

1. Do Strychninegroe]i . ...........................16

L2. Groep van liet ourarine............................1!)

Groep der Morpliino...............22

4. (Iroep der Alcoholica...............ÜO

5. Groep van hot Amyinitriet.............41

li. Do Col\'feinegroep........ .......4i{

7. De Kanif\'orgroep................4(i

8. De Aminoniagroep................4b

i). De blauwzuurgroep...............4(J

10. Do groep van hot rnoederkoorn...........50

11. Do tropeïnengroej)................52

\\c2. Do muscarinegroep................59

l.\'i. Groep van Pilocarpine on Nicotine..........lid

li. Groep van C.oniino on Loheline...........62

15. Do Pliysostigminegroop ...........................64

10. De Apomorphinegroep..............67

17. De groep van Emetine..............69

18. Do Saponinegroep................71

P.). Do Digilalinegroop................7y

^0. Do Veratrinegroop................78

121, Do Aconitinegroep................80

ïJÜ. Do {jolcliicinegroep................82

;£!. Do Ghininegroep................

-ocr page 14-

vi;i

UI/..

II Middelen die, door moleculaire werkingen, veranderingen

veroorzaken op de plaatsen waar zij worden aangewend. \'Jl

I. De inwikkelende midtlclen............_• ^

\'i. De reuk- en smaakiniildelen............9\'r\'

lt;i. Den smaak verbeterende stollen..........95

h. Theesoorten......■..........9quot;

c. Riekmiddelen. . . . ■............\'Jï

d. Stinkende stollen als zenuwmiddelen........1*7

De aromatische en hittere maagmiddelen.......

tt. Kruiderijen en aromatische maagmiddelen......100

h. Zuiver hittere maagmiddelen...........\'02

l. Tot verschillende doeleinden gebruikte verouderde en ohso-

leete geneesmiddelen...............104

5. Middelen die de piswegen desinfecteeren en prikkelen. . . 107

(i. Dc huidprikkels.................\'OU

a De terpentijnoliegroep.............113

h. De groep der mosterdolie............115

c. De groep van cantharidine en euphorbine......quot;ö

7 De Purgeermiddelen...............quot;7

8- Zwavel als purgeermiddel.............

i). De Anthehnintica, wormmiddelen ..........124

III. Do werkingen van water en van zoutoplossingen . . . 128

1. Het water .................\'28

2. De groep van hel chloornatrium en der gemakkelijk cesorbeer-

hare alkalizouten................DU

«■ De zoutwerking................\':i2

b. De kaliwerking................D\'U

c. De werking van de jodiden...........\'a7

(/. De werking der bromiden............

c. De werking der chloorzure zouten.........\' \'0

De groep van het glauberzout, van de moeielijk resorbeer-hare zouten der alkaliën en aarden.........\'42

IV Do bijtmiddelen. Alkaliën, Zuren, Halogenen en Oxy-

datiemiddelen..................\'\' 7

1. Groep der Alkaliën...............150

2. De groep der Zuren...............\'quot;8

3. De minerale wateren...............\'M

i. Groep der Halogenen...............

5. Groep der Uxydatiemiddelen (van de zuurstol\').....\'71

-ocr page 15-

IX

Hl/,,

V De vorbindingen der zware metalen en van aluminium

als zenuw- spier- en bijtende vergiften.......174

1. De plaatselijke werking van de zouten der z.vare metalen

en van aluinaarde................175

Ü. De resorptiewerkingen der metalen..........\'82

I- Arsenicum..................184

■J. Anümoniuin.................l\'JO

Het kwikzilver................19\'2

i. Het ijzer..................199

5. Hel zilver..................205

(i. Koper en Zink................i!08

7. Lood...................210

•S, Bismuth..................2lit

9. Aluinaarde ................214

10, Phosphorus..... ...........215

VI, De aromatische verbindingen...........217

I. De stikstol\'vrije aromatische verbindingen als spier-en zenuw-

vergiften ................ . , , 217

quot;2. De aromatische verhindingen als desinlecteenniddelen en

protoplusmagilten........ .......220

3. Looizuren als adstringelitia............220

VII Spijsverteeringsfermenten en Voedingsmiddelen , , , 230

VIII. Mechanisch en physisch werkende geneesmiddelen. . 234

1. Mechanische middelen, VerhandstolVen .,,,,. 234

Pleisters en pleisterhestanddeelen ... ......234

(i. Pleisters........ .........23()

h Pleisterhestanddeelen..... ........230

3. Zalven en vette oliën..... ........237

a- Zalven...................237

/(. Vette oliën en hesUuiddeelen voor zalven......238

I. Pappen en stovingen................23i?

Alphabetisch Hogistor ... .241

-ocr page 16-

;V,.

-ocr page 17-

IN LEI I) TNG.

1. Pharmacologie en Materies medica.

Phannucoloyie is do loer dor working van door scheikundige omzetting in liet levend lichaam werkzame stollen.

Materies medica houdt zich slechts met do werking van die stoffen bezig, die als geneesmiddelen worden gebruikt.

Beide namen hebben dus eene verschillende beteokonis; immers terwijl do pharmacologie vele stoffen , die zeer werkzaam zijn maar nimmer als geneesmiddel worden gebruikt, behandelt, houdt de materies medica zich ook bezig met andere, die wol als geneesmiddelen worden gebruikt, maar niet aan den phar-inacologischen eisch voldoen, van in het levend lichaam langs chemischen weg werkzaam te zijn.

Sterk werkende stoffen, hetzij zo al of niet als geneesmiddelen worden gebruikt, noemt men ook wel vergiften en de beschrijving barer werkingen Toxicologie. Die naam is evenwel minder passend omdat de vraag of eene of andere stof giftig werken zal, hoofdzakelijk afhangt van de hoeveelheid waarin /.ij wordt toegediend en dezelfde stof, die in kleine dosis eene heilzame werking bezit, of ook onwerkzaam is, in groote dosis verschijnselen veroorzaken kan , die men met den naam vergiftiging bestempelt.

Terwijl pharmacologie dus eene zelfstandige wetenschap is en met physologie en pathologie tot dezelfde groep der biologische wetenschap behoort, is materies medica eene toegepaste wetenschap en bestaat zij uitsluitend ten behoeve der praktijk.

i

-ocr page 18-

a

leder lijdviik, ieder volk, ju zelts ieder arts heeft zijne eigene materies medica; dit is niet het geval met de pharmacologie, omdat voor de/.o de praktijk bijzaak is, zoodat de beschrijving van de werking eener stol\', die niinmor als geneesmiddel wordt voorgeschreven, ol\' als zoodanig in onbruik is geraakt, toch bare belangrijkheid behoudt.

Niettemin bestaat tusschen beide wetenschappen een nauw verband.

Vele artsenijen der materies medica behooren tevens tot het gebied der pharmacologie, zoodat het voor hen, die slechts met de behoeften der praktijk rekening houden, onverschillig kon schijnen, of de pharmacologie dan wel de materies medica hen omtrent de werking van die stoffen voorlicht. Toch is dit niet het geval. Daar de pharmacologie, als theoretische wetenschap, nauwer verwant is aan de physiologie, doch de materies medica eene hulpwetenschap der medische praktijk, is de methode die beiden volgen eene andere; uit den aard der zaak is het onderzoek van den pharmacoloog, die niet gebonden is door den eisch naar practische resultaten, vrijer, gestrenger en meer onbevoor-deeld. Daarom vooral is het van belang dat hij, die geroepen is om als arts op te treden, bekend zij mot do resultaten der theoretische pharmacologie. Hij moge die niet altijd kunnen in toepassing brengen, toch zullen zij hem in vele gevallen eene leidsvrouw kunnen zijn bij zijn beoordeeling van de werking der door hem voorgeschreven artsenijen.

De meening dal, daar de pharmacologic de werking van vele geneesmiddelen nog niet kent en de therapie bijna uitsluitend op empirie berust, de onvolledige resultaten der eerste wetenschap vooralsnog voor den practischen arts onverschillig zouden zijn, kan als een overwonnen standpunt worden aangemerkt. Voor den empirisch handelenden arts is hol immer uiterst moeieiijk de uitwerking van een toegediend geneesmiddel te leeren kennen, en meermalen zal zijne kennis der pharmacologie hem in staat stellen to beoordeelon , of eenig verschijnsel, dat hij geneigd is aan het door hem toegediend geneesmiddel toe te schrijven, al of niet daardoor kan zijn veroorzaakt.

-ocr page 19-

3

Waai\' liij I), v. pulvis aiitispasmodiciis hij kraiuptooslaiuloii voors^lirijl\'l, zal ilo phannacologie iiem leeron dat. als ile kramp ophoudt, dit niet aan de werking van het daarin aanwezige zwavelkwik kan wordon toegeschreven.

Als eone long- of nierhloeding ophoudt, na inwendige toediening van aluin ol\' eenig hloedstelpend inotaalzout, zal slechts kennis der phanuaco-lugio hein kunnen hehoeden voor do dwaling, dat er verhand zoude bestaan tusschen hot ophouden dor bloeding en hot toegediondo goneosmiddol.

De schrijvci\' van dit korte, voor praktisclie geneeskundigen bestemde handboek heeft zich ten doel gesteld eene materies medica op pharmacologischen grondslag te leveren, eene zoodanige waarin niet de empirische toediening van geneesmiddelen hoofdzaak is, maar die toediening getoetst wordt aan theoretische gegevens.

2. De pharmacologische werkingen.

De veranderingen, die de weefsels tijdens het leven door phar-maea ondergaan, zijn scheikundige en dikwijls dezelfde die die sloffen zouden teweegbrengen als ze op afgestorven lichaams-deelen inwerkten; geconcentreerd zwavelzuur werkt volkomen op dezelfde wijs op levende en op afgestorven weefsels. Slechts bij de inwerking op levende weefsels komen bovendien de gevolgen in aanmerking, die daaruit voor het lichaam als geheel voortvloeien.

Tegenover die bekende chemische processen , splitsingen , omzettingen, vernietigingen enz. staan zoodanige werkingen, vooral op zenuwen en spieren, wier aard we niet kennen. Wel gelukt het soms daarin afwijkingen van de normale gesteldheid, b. v. geheele of gedeeltelijke stremming van den inhoud van zenuwcellen ol spiervezels, aan te leunen, maar dit is meestal onmogelijk, zoodat de vergilïigde cel schijnbaar onveranderd gebleven is. Alleen de gewijzigde functie doet ons besluiten , dat toch een of andere wijziging moet gevolgd zijn.

We weten dat lot eene normale werkzaamheid der organen hunne schoi-kundigo samenstelling onveranderd moet zijn, en mogen dus uit eene gewijzigde werkzaamheid tot eene wijziging der samenstelling besluiten.

Toch moot men hier hot begrip, scheikundig, niet te strong opvatten, en

1*

-ocr page 20-

4

zou men dwalen, als men alleen zooilanige wijzigingen als selmlkundige opvatte, ilie volgens de begrippen der moderne clieinle de atomistische samenstelling betrelTen; eerder moet aan eene moleculaire verandering worden gedacht. Evenals eene oplossing van keukenzout cene moleculaire verhin-ding is van keukenzout met water, is eene zenuw- ot\' spiercel een moleculaire verbinding van eiwitachtige stoffen, lecithin, zouten, water en andere bestanddeelen.

Ölecht.s bij een normalen molcculairen toestand van deze oi-gaan-elenienten is hunne werkzaamheid normaal, maar beiden kunnen reeds door betrekkelijk geringe invloeden worden gewijzigd. Wij weten dat reeds oen gering verlies van water door verdamping, of eene opzwelling en verlies van zouten door behandeling met water, in staat is een belangrijken storenden invloed op de werkzaamheid van die weefselelementen uit te oefenen, ja zelfs ze geheel te doen afsterven. Zuiver water werkt als drank alleen daarom niet giftig, omdat het dadelijk na zijne resorptie, door vermenging met de in het bloed en de vochten der weefsels aanwezige opgeloste stoffen, onschadelijk gemaakt wordt. Do moleculaire toestand der weefsel-elementen kan verder ook worden gewijzigd door vreemde stoffen die er in binnendringen en evenals een steen in eene machine de moleculaire rangschikking verstoren. Dergelijke werkingen kunnen voor het oogenblik niet geconstateerd, of door eene mathematische of chemische formule worden uitgedrukt.

De wijze waarop deze werkingen tot stand komen is afhankelijk van den aard der molecule van do giftige stof. We weten niet waarom de strijchnin-molecule , nadat zij in de zenuwcellen van het ruggemerg is opgenomen . hunne reflexprikkelbaarheid zoodanig doet toenemen, dat tetanus optreedt; terwijl vele andere stoffen, die schijnbaar veel op stnjchnine gelijken, of in \'t geheel niet of in tegenovergestelden zin werkzaam zijn. Wel voert ons de vergelijking van alle giftstoffen tot de meening, dat de werking niet afhangt van de grootte der moleculen , dat is van het aantal daarin aanwezige atomen, en evenmin van de aanwezigheid daarin van een bepaald element. Want kleine moleculen, zuoals die van blaauwzuur, kunnen zoor giftig, grootere en zelfs zeer groote onwerkzaam zijn, en wij kennen geen enkel element waarvan alle verbindingen giftig werken.

Die voorstelling van moleculaire werking, vooral van de zenuw- en spiergiften, wordt nog waarschijnlijker door het feit

-ocr page 21-

5

dal dc orgaan-elementen daarbij niel vernietigd worden, maar na eliminatie van het gif weder normaal arbeiden. Ware dit niet het geval, men zou er b. v. niet aan mogen denken, chloroform toe te dienen. Atropine kan weken en maanden lang gebruikt worden om do pupil le verwijden en toch blijven de weelselelementen der iris geheel ongerept, zoodat zij, nadat de behandeling met atropine is gestaakt, weer geheel normaal werkzaam zijn.

Sloffen, die hestiimkleelen van liet lichaam vernietigen, kunnen tijdens liet leven niet in zenuwcellen binnendringen, omdat ze, voor ze die hereiken, zich reeds met andere lichaamshestanddeelen hehhen verbonden. Geconcentreerd zwavelzuur, chloor, zinkchloried en dergelijke bijtmiddelen werken slechts bijtend in op de plaatsen waar zij worden aangewend, terwijl de moleculaire vergiften plaatselijk meestal geheel onwerkzaam blijven en hunne werking op bepaalde organen, dikwijls slechts op enkele gedeelten van het zenuwstelsel, eerst ontwikkelen, nadat zij in liet bloed zijn opgenomen en daarmede in de weefsels verbreid.

De werking van zoodanige giftstofïen openbaart zich dan in, door moleculaire verandering tot stand gekomen, stoornissen der werkzaamheid. Tot voor korten tijd meende men te kunnen volstaan met eene beschrijving van de daarbij waargenomen verschijnselen. Het komt er echter vooral op aan de organen en gedeelten van organen, waarop die giften inwerken, te bepalen , dus hunne werking te lokaliseeren en de qualiteit en quantiteit van die werking te beschrijven.

Dit is eene belangrijke, maar betrekkelijk gemakkelijke taak voor dc experimenteele pharmacologic. Veel moeielijker is hel de scheikundige veranderingen, die het lichaam en dc wijzigingen die de voeding en stofwisseling ondergaan, te loeren kennen.

Eerst dan als dit min of meer volkomen gelukt zal zijn, zal men aan de beantwoording dor vraag kunnen denken, of de werking eenor giftstof therapeutisch kan worden gebruikt.

Ofschoon de pharmacologic, evenals iedere andere wetenschap , in de eerste plaats beoefend behoort te worden zonder dat men uitsluitend hare praktische toepassing op het oog heeft, mag men toch de hoop koesteren dat later de daarbij verkregen resultaten tol hel genezen van ziekten zullen kunnen worden gebruikt.

-ocr page 22-

6

3. De bronnen der Pharmacologic.

In de oudste tijden werden waarschijnlijk geneeskrachtige kruiderijen slechts instinctmatig gebruikt: evenals een hond gras eet om daardoor braking op te wekken en slijm, dat hem hindert , te verwijderen.

Later werden geneesmiddelen gekozen volgens bepaalde regelen, dus met meer overleg. Maar aanvankelijk waren die regelen zeer eenvoudig. Als men een ziek dier nn het gebruik van eene of andere plant zag herstellen, schreef men daaraan geneeskracht toe en diende haar ook aan zieke menschen toe; aanvankelijk zonder eene diagnose te maken, later slechts in zoodanige ziektegevallen, die men met de bij het dier genezen ziekte voor identisch hield. Op die wijs kwam de geneeskunde in handen van herders.

Waar de mensch te kort schoot in de keuze van een bepaald geneesmiddel voor een bepaalde kwaal, daar meende men niet beter te kunnen doen dan de hulp der godheid in te roepen, die zich door teekenen ofdroomen, of ook bij monde der priesters openbaren moest. Deze laatsten werden dus tegelijkertijd geneesheer.

Nu de godheid door bemiddeling der priesters met de genezing van ziekten belast was, lag hel voor de hand, dat niet alleen op de materieele kracht van de door hen aangeraden geneesmiddelen gerekend werd, maar verlangde men ook dat de godheid zelve den strijd tegen de ziekten, die men zich als zelfstandige wezens voorstelde, voeren, of ook de stoffelijke werkingen der geneesmiddelen versterken zou.

Ten einde nu de genezende, soms ook wel de doodelijke werking der geneesmiddelen te leeren kennen, en die met behulp der godheid te versterken en in de juiste gevallen aan te wenden, of ook, om de godheid te bewegen den strijd tegen de ziekten aan te gorden, gebruikte men wederom symbolische middelen.

-ocr page 23-

7

Zoo kwam het verband lusschen geneeskunde, vooral pliannacologie en waarzeggerij, tooverij en mystiek lot stand, een verband dat zelfs tegenwoordig door een deel der raenschen nog aangenomen wordt. Want even als bij vele natuurvolkeren tooverij en geneeskunst onafscheidelijk verhonden zijn, worden thans nog onder alle beschaafde naties en onder alle standen ilt;er-sonen gevonden, die het niet versmaden tot allerlei mystieke handelingen hunne toevlucht Ie nemen, ten einde kwalen, die de kunst der artsen trot-seeren , door bovennatuurlijke krachten te doen genezen.

Langzamerhand begon men echter toch sommige artsenij-werkingen te leeron kennen en tot genezing van ziekte te gebruiken, b. v. de door purgeermiddelen veroorzaakte ontlastingen. Maar lang heeft liet geduurd voor men in dit opzicht veel vooruitging.

Toen de menschheid moer geoefend begon te worden in het denken en men zich zelfs ging verstouten do diepste geheimen der natuur en den oorsprong van al hel bestaande optelossen door logische deductie, zonder do noodzakelijkheid in te zien die door waarnemingen aan te vullen, gingen geneeskunde en phannacologie uit de handen der priesters in die der philoso-phen over.

Eerst in de scholen van Khodos, Knidos en Kos begon zich de eigenlijke geneeskunde eenigszins te ontwikkelen, totdat uit laatstgenoemde, de grootste arts die ooil geboren werd, de meest rationeele van alle empirici, Hippoocrates, de geneeskunde en ook de pharmacologic op waarneming der natuur grondvestte. Wel is waar niet zonder ernstigen strijd, want de strijd tus-schen wetenschap en geloof, lusschen waarneming en speculatie, die nog in onze dagen niet geheel is beslecht, werd doorhem aangegord.

Wanneer wij de lotgevallen der phannacologie in de daarop volgende eeuwen nagaan, hebben we weinig reden om ons te verblijden. Het zoeken naar specifieke middelen, naar panaeeën, naar den steen der wijzen, het oproepen van bovennatuurlijke machten tol genezing van ziekten, zijn schering en inslag; een der weinige lichtpunten daarin was stellig wel het optreden van Galenus, die wel een onbruikbaar systeem opstelde, maar toch

-ocr page 24-

8

jjoogdc do geneesmiddelen nanr symptonmlische indicaties voor le schrijven.

Toch zien we iioe, toon kunsten en wetenschappen weer begonnen te bloeien, Paraselsus de krachten der artsenijen tracht te ontdekken door teekenen en droomen , en, door het dynamisme der Arabieren te doen herleven, den grondslag legt waarop zich later de homoöpathie zal ontwikkelen.

Tot de weinige vorderingen, die de pharmacologie in al die eeuwen gemaakt heeft, behooren in hoofdzaak slechts de invoering door de Arabieren van talrijke uit Oost-Azie afkomstige en de overbrenging uit Amerika van daar door de inboorlingen gebruikte geneesmiddelen.

Men moet liet derhalve als een groote stap in de goede richting beschouwen, dat in do tweede helft van de vorige eeuw Engelsche geneeskundigen do waarneming aan het ziekbed in de plaats stelden van de phanlastischo speculaties, die vooral in Duitschland op natuurphilosophischon bodem voortwoekerden. Deze richting heeft thans overal vasten voet gekregen. Toch is zij herhaaldelijk op dwaalsporen geraakt, en wordt ook hier meermalen subjectieve opvatting verwisseld met objectieve waarneming.

Uit al deze verschillende bronnen heeft de pharmacologie geput, oen feil dat ook thans nog duidelijk genoeg merkbaar is, terwijl eveneens nog overblijfselen der Galeensche leerstellingen zijn waar te nemen.

De steeds toenemende ontwikkeling van chemie, physiologic, pathologie en andere verwante wetenschappen vordert dat ook do pharmacologie eindelijk op rationeele grondslagen gevestigd worde; anders zou het verband, waarin zij tot die andere wetenschappen staat, licht worden verbroken. Om dit doel te bereiken is het noodzakelijk bij de keuze on do toediening der artsenijen naar bepaalde regelen te werk te gaan.

-ocr page 25-

9

4. De keu^e der artsenijen naar rationeele grondshigen.

Men neemt bij de toestanden van liet lichaam, die men ziekten noemt , bepaalde verschijnselen, een bepaald verloop en een bepaalden afloop waar, die van uitwendige omstandigheden at-hankelijk zijn. Daar wij deze laatsten, ten minste gedeeltelijk, kunnen wijzigen, bestaat de mogelijkheid op het verloop en den afloop eener ziekte invloed uit te oefenen. Of deze invloed voordeel zal aanbrengen moet de waarneming loeren. Doch die waarneming is slechts dan mogelijk, als men nauwkeurig bekend is niet de wijze waarop die ziekte verloopen zou, als zij geheel aan zich zelve werd overgelaten en op geenerlei wijze werd ingegrepen. Meestal is dit echter het geval niet, want slechts in zeldzame gevallen kan met zekerheid worden bepaald, welk verloop eene ziekte, die met den dood eindigen, maar ook in genezing kan overgaan, nemen zal. Vandaar dat men meestal geen juist oordeel kan vellen over het resultaat van een toegediend geneesmiddel.

Meestal tracht de arts zich een denkbeeld te vormen van het verloop, dat de ziekte nemen zou, als geen geneesmiddelen werden toegediend, door hot waarnemen der ziekteverschijnselen in verband mot vroeger door hem of anderen opgedane ondervinding; hij kiest dan het geneesmiddel dat hem het meest geschikte voorkomt en beoordeelt hot resultaat daarvan, door bet verloop, dat de ziekte nu neemt, Ie vergelijken met dat wat hij zich voorgsteld had, dat zij nemen zou , als hij het geneesmiddel niet had toegediend. Het spreekt echter van zelf dal deze laatste voorstelling onjuist zijn kan en het dus van den waarnemenden arts afhangt, welk resultaat hij aan het toegediende geneesmiddel wil toeschrijven. Vandaar dat deze subjectieve methode zeer onzeker is en weinig vei l rouwen verdient.

Hel is nk\'t te loochenen, dat waar op die wijs geruimen tijd aehtereen talrijke waarnemers tot dezell\'de resultaten omtrent de werking van een of ander geneesmiddel komen , de mogelijkheid bestaat dal «leze gelijk hehben.

-ocr page 26-

10

Toch moet iiion ook liior ni)g op dwaling voi\'diiclil zijn. Hoe vele iiilsen liol)l)en tocli jaren achtereen resultaten meenen te zien van de toediening van arnica bij hersenziekten.

Moer heil zon men mogen verwachten v;m de statistieke ine-thode. Wordt een groot aantal gevallen eener ziekte niet, een oven groot aantal met een bepaald geneesmiddel behandeld, zoo bestaat de mogelijkheid dat men uit het verschillend verloop van beide groepen, do werking van het geneesmiddel leert kennen. Hoe grooter het aantal der behandelde gevallen, des lo grooter zal ook do mogelijkheid worden, dat men op die wijze tot een jnist resultaat komt.

Toch zijn de voorwaarden voor deze methode in den regel niet aanwezig; het aantal behandelde lijders moet zeer groot zijn, de graad waarin deze aan dezelfde ziekte lijden overeenkomen, er moet geenerlei andere behandelingswijze worden ingesteld, ja men mag eischen dat beide groepen van lijders onder volkomen gelijke diaetetische en hygienische verhoudingen leven.

Hoeveel verwarring is er b. v. niet in de statistiek van den typhus gebracht, daar de eene waarnemer slechts gevallen in rekening bracht, waar de ziekte zich volkomen had ontwikkeld, terwijl een ander ook lichtere gevallen, febris mucosa enz. mederekende. Hetzelfde geldt voor de statistiek van croup, waar vele waarnemers ook gevallen van pseudo-croup hebben ine-degerekend.

Zelfs daar waar die voorwaarden aanwezig zijn, hebben de verkregen resultaten slechts eene algemeene waarde en gelden niet voor ieder concreet geval.

Deze zuiver empirische methoden laten ons dus in den steek, waar het geldt de werking van oen geneesmiddel te loeren kennen.

Do meest rationoele methode daartoe is de experiinontoelo. Wol is waar zou men ook hot behandelen van een zieken inensch oen experiment kunnen noemen, doch we hebben reeds gezien, dat daar de voorwaarden tot liet verkrijgen van betrouwbare resultaten in don regel niet aanwezig zijn.

Meer resultaat zon mogen worden verwacht van proefnemingen op zieke ol\' kunstmatig ziokgemaakte dieren, ware het niet dat do moeste bij den monsch voorkomende ziekten noch spontaan bij dieren voorkomen, noch kunstmatig bij hen kunnen worden tot

-ocr page 27-

11

stand gebracht. Toch zijn vooral omtrent antipyretische en antiseptische geneesmiddelen en ook omtrent do werking van tegengiften , op die wijs reeds belangrijke resultaten verkregen.

Intnsschen bestaat er nog eene andere rationeele methode voor den pharmacoloog-arts om de werking van geneesmiddelen te loeren beoordeelen, oene methode die men de symptomatische zoude kunnen noemen. Deze moot zich ton dool stellen de veranderingen, die do ziekten in do verschillende organen veroorzaakt, te neutraliseeren, door daarin kunstmatig togen-ovorgestelde veranderingen te doen ontstaan en daardoor de voor bot lichaam nadeelige gevolgen of voor den lijder lastige verschijnselen dor ziekte op to beffen.

Een eerste vereischte daartoe is wel dat men de werking van do geneesmiddelen op de verschilende organen van het lichaam nauwkeurig kont, doch eveneens dat men zich oene juiste voorstolling vormt van de zitplaats dor ziekte, van haren invloed op do enkele organen en vati het verband tusschen de ziekteverschijnselen onderling en tusschen deze on do ziekelijke afwijkingen zelve. De ziekelijke veranderingen der organen, die eene wijziging hunner functie veroorzaken, kunnen slechts van quanti-tatieven aard zijn, bunne werkzaamheid wordt verzwakt of versterkt. Daar do geneesmiddelen op dergelijke wijze op de organen en hunne function inwerken, moet eene rationeele therapie zich ten doel stollen die werkzaamheid, als zij is afgenomen, te doen toenemen, als zij is toegenomen , te doen afnemen. Indien het ziekelijk veranderde orgaan voor voeding of afscheiding dient en de ziekte oen gewijzigde voeding of aCscheiding veroorzaakt, kan deze worden gewijzigd of onderdrukt, of kunnen althans hare gevolgen voor het lichaam zooveel mogelijk onschadelijk gemaakt worden.

Het spreekt van zelf dat do hiertoe noodzakelijke kennis van de werking der geneesmiddelen op de afzonderlijke organen van het lichaam, niet alleen aan bet ziekbed, maar meestal slechts door pharmacologische experimenten, waartoe ook gezonde dieren en menschen gebruikt worden, kan worden verkregen.

Deze kennis maakt de praktische arts zich ton nutte.

-ocr page 28-

12

Daar hol ccliler niet alleen op do werking der geneesmiddelen zelve, maar ook op hare intensiteit, haren duur en soms ook op eene doelmatige combinatie van verschillende werkingen aankomt en deze laatsten dikwijls in bepaalde verhoudingen moeten worden aangewend, heeft de praktische ondervinding en oefening der artsen hier een dankbaar arbeidsveld; wetenschap en praktijk vullen hier elkander aan; slechts daar waar de laatste zich niet boven het laagste peil van empirie weet te verheffen, kan van een fegenoverstellen van beiden sprake zijn.

5. Verdeeling der pharmaca.

Het is noodzakelijk de talrijke stoffen, die in de pharmacologie worden behandeld, wier aantal stellig nog veel grooter zal worden , systematisch in te doelen, anders ware het niet mogelijk ze te overzien en bij het onderzoek naar hunne werkingen eene bepaalde methode te volgen.

De indeeling kan geene scheikundige zijn, omdat niet altijd overeenstemming bestaat tusschen scheikundige samenstelling en werking.

Evenmin kunnen de organen van het lichaam, waarop de pharmaca werken, den grondslag leveren voor een pharmacolo-gisch systeem, want in zeldzame gevallen werken ze slechts op een enkel orgaan, in den regel op meer dan een tegelijk. Ais men spreekt van herseri-, ruggemerg- en hartgiften wordt de werking van die stoffen op de andere organen, die ook zeer belangrijk kan zijn , met stilzwijgen voorbijgegaan.

Men moet dus om een bruikbaar pharmacologisch systeem te verkrijgen, het voorbeeld volgen der botanici en op alle eigenschappen der pharmaca letten, evenals deze bij de verdeeling dei-planten in natuurlijke familiën doen. Zoodanige stoften wier eigon-schappen en werkingen het meest met elkander overeenkomen worden, zooals Buchheim het eerst gedaan beeft, tot pharina-cologische groepen vereenigd en iedere groep naar een der meest bekende barer leden genoemd.

-ocr page 29-

I:)

Tot (Id Slryclininegroep beliuoren bijv. idle vergiften, wier werking inliet licha.iiii in liet algomeon met die van strychnine overeenkomt, dus niet alleen het brucine, dat bijna altijd nevens strycbnine in de natuur voorkomt, maar ook bet tbebaine, een der alcaloïden van bet opium.

Tot de groep van bet glauberzout brengen we allo stollen die de boofd werking gemeen bebben, dat ze, evenals dit zout, purgeerend werken, omdat ze rnoeielijk uit hel darmkanaal worden geresorteerd, dus niet alleen vele magnesiumverbindingen maar zelfs het manniet, ofschoon die scheikundig geheel anders zijn samengesteld.

Op deze wijs heeft Buchheim een natuurlijk systeem opgesteld dat, ook al breidt zich de kring der pharmacologische sloffen nog belangrijk uit, toch bruikbaar zal blijven en slechts meer volmaakt zal kunnen worden. Langzamerhand zal men de enkele groepen scherper van elkander leeren onderscheiden, zelfs nieuwe groepen opstellen en de bestaande kunnen wijzigen zonder dat het noodig is het systeem zelf door een nieuw te vervangen. Nieuwe onderzoekingen zullen natuurlijk met dit systeem rekening moeten houden, daar ze anders weinig waarde zouden hebben. Dat voor het oogenblik het systeem van Buchheim nog niet geheel volledig is, is grootendeels een gevolg van het feit dat we van vele, vooral plantaardige geneesmiddelen, niet alleen de werking, maar zelfs de samenstelling, de werkzame bestanddeelen nog niet kennen.

Voor de materies medica, die zich slechts met de praktische toepassing van bepaalde werkingen der enkele artsenijen bezig houdt, kan geen afzonderlijk systeem worden opgesteld. Wel kan men, ten haren behoeve van de pharmacologische groepeering gebruik makende, de artsenijen naar die werkingen, die bij de behandeling van zieken uitsluitend of in de eerste plaats in aanmerking komen , bijeenvoegen. Men kan dus spreken van pur-gantia. Maar toch mag men de purgeermiddelen die tot verschillende groepen behooren, b. v. het glauberzout en do senna, niet bijeenvoegen, omdat de redenen waarom die stoffen in verschillende groepen zijn ingedeeld, dikwijls ook voor de praktijk belangrijk zijn en de indicaties voor hunne aanwending bepalen.

-ocr page 30-

I.

De Zenuw- en Spiergiften.

Volo stofïbn wijzigen, nadal zo in hel, blood en do weefsels zijn opgenomen, de werkzaamheid van zenuwen en spieren. Do plaatselijke werking treedt hier op don achtergrond en wordt slechts bij enkeion waargenomen. Alcohol b. v. veroorzaakt , als hij in geconcentreerden toestand wordt toegediend, eene bijtende of ontstekingachtige werking, die door vordnnnon mot water wordt verzwakt; maar voor do werking op het zenuwstelsel is het onverschillig of hij in geconcentreerden dan wol in verdunden vorm wordt toegediend; steeds is die werking dezelfde.

Hij andei\'c geneesmiddelen b. v. do metaalzouten vindt het omgekeerde plants; daar is de plaatsolijko werking hoofdzaak, doch treedt do working op zenuvvon on spieren op den achtergrond.

De wijzigingen, die do werkzaamheid der zenuwen door deze stoffen ondergaat, zijn quantitatiovo. /ij veroorzaken dus of oen vermindering of eene toename van de normale prikkelbaarheid van hot zenuwstelsel of van enkele zijner doelen. Men noemt do vermindering of vernietiging van de prikkelbaarheid en de daardoor gevolgde belemmering of opheffing van do workzaamhoid van zenuwen of spieren, verlamming.

Twee stoffen , die op eene zenuw of eeno spier eeno tegen-ovorgostolde werking bezitten, kunnen elkanders werking opheffen. Aiitcu/onisine. Een alcaloïd dat eene zenuw verlamt bv. zal dat ook doen als deze door oen ander alcaloïd sterk geprikkeld is, zal dus de werking van het laatste opheffen, ümgo-keerd zal echter een prikkelend werkend alcaloïd zonder wor-

-ocr page 31-

15

king blijven op een verlaind orgaan, want verlamd is slechts een orgaan dat niet meer geprikkeld kan worden.

Men zon dus recht hebben slechts een eenzijdig antagonisiiie aan te nomen, ware het niet , dat in vele gevallen van verlamming deze niet volledig is, maar slechts in eene afname der normale prikkelbaarheid bestaat, zoodat sterk prikkelende stollen nog werkzaam kunnen zijn.

Vermeerderde werkzaamheid kan tweeërlei oorzaak hebben: de prikkelbaarheid kan vermeerderd zijn, zoodat dezelfde prikkels een veel sterkere uitwerking hebben, of ook de intensiteit der prikkels kan zijn toegenomen bij gelijk gebleven prikkelbaarheid. In beide gevallen, die ook tegelijkertijd kunnen aanwezig zijn, volgt een prikkelingstoestand en een verhoogde werkzaamheid. In de praktijk is bet dikwijls onmogelijk uit te maken, welke van beide werkingen in het spel is; slechts de verhoogde werkzaamheid zelve treedt te voorschijn.

De wijzigingen die de spiervverkzaamheid door giftstoffen ondergaat zijn van meer samengestelden aard; hier komt toch niet alleen de prikkelbaarheid, maar ook de voortgebrachte arbeid en de elasticiteit in aanmerking. We zijn nog niet in staat biervoor algemeene regelen op te stellen.

Van de elementen van het zenuwstelsel worden slechts de centrale en de perifeere uiteinden door giften in hunne werkzaamheid gewijzigd. De zenuwen zelve, de vezelen die slechts tot geleiding dienen, blijven zoolang het leven voortduurt ongerept ; we kennen althans geen enkel voorbeeld van gestoorde geleiding van prikkels in de merghoudende zenuwvezels.

Als wij spreken van de werking van giftstoffen op bepaalde zenuwcenlm in de hersenen of in andere deelen van liet zenuwstelsel, dan bedoelen we daarmee slecbts de centrale eindapparaten, onverschillig welke hunne anatomische ligging moge zijn. Ongetwijfeld bestaan ei\' b. v. centra vooi1 gewaarwording, al kunnen we die ook niet op bepaalde plekken van de biistzelfstandigheid der groote hersenen lokaliseeren.

-ocr page 32-

If)

I. De Strychninegroep.

TTiorfoe bchoomi behalve Strychnine ook Brucine, Thobaine en Calabarine. Al deze alcaloïclen werken als strycbiiine, alleen veroorzaken brucine en tiiebaïne bij kikvorschen, vóór hot, uitbreken van den tetanus, nog eene min of meer volkomene verlamming van de hersenwerkzaamheid, misschien ook van de zelfstandige, niet door reflex tot stand komende, werkzaamheid van het ruggemerg. Hierdoor verbinden zij de strychnine- met de morphinegroep en kunnen als overgangsvormen tusschen beide groepen worden beschouwd.

Het meest karakteristieke verschijnsel der strychninewerking is tetanus, bestaande in eene meest plotseling optredende, van enkele sekonden tot vele minuten durende, tonische zarnen-trekking van allo willekeurige spieren. Gewoonlijk zijn de enkele aanvallen van tetanus van elkander gescheiden door korte, iets langer dan de krampen durende tusschenpoozen, maar bij zeer hevigen \' tetanus blijven deze tusschenpoozen uit en is het gehoele lichaam voortdurend stijf, hard en onbewegelijk.

Daar bij gelijktijdige samentrekking van de spieren der go-wervelde dieren, de werking van de extensoren sterker is dan die dor flexoren, worden bij tetanus de romp en de ledematen zeer geslrekt (orthotonus). Zelfs kan do romp naar achteren zijn omgebogen (ophisthotonis).

De oorzaak van don tetanus is eene sterke toename van do refloxprikkelbaarhoid van hot ruggemerg, van do medulla oblongata en van do hersenen, waardoor zelfs de meest onbeduidende uitwendige prikkels, die het oog, hot oor en in hot algemeen de organen van hot gevoel treffen, oen aanval van tetanus opwekken, üat deze tetanus een roflexverschijnsel is , volgt uit hot feit, dat bij kikvorschen do aanvallen uitblijven, na doorsnijding der achterste (gevoels) ruggemergswortels, en eveneens uitblijven als alle uitwendige prikkels zorgvuldig worden afgeweerd. Bij don monsch wordt zelden of nooit, na toediening van strychino, alleen vermeerderde rellexprikkelbaarhoid waargenomen.

-ocr page 33-

17

meestal vol^t dadelijk tetanus; maar wel noemt men na groote medicinale giften soms stijfheid 011 trekkingen in de spieren, vooral in die van den nek en van de onderkaak, groote gevoeligheid voor zintuigsprikkels, beven der ledematen en bemoeie-

v

lijkte ademhaling waar.

Na lang voortgezet gebruik van giften, die te klein zijn om als zi j slechts eenmaal worden toegediend verschijnselen te veroorzaken, wordt soms de reflexprikkelbaarheid verhoogd, doch niet in zoo sterke mate dat een gezond inensch niet in staat zou zijn do reflexbewegingen te onderdrukken. Bij lijders aan verlamming na apoplexie echter, bij wie de wilskracht niet op de verlamde ledematen kan inwerken , volgt in deze laatste soms levendige beweging ja zelfs tetanische contractie, verschijnselen die bij ruggemergs verlammingen, zonder dat strychnine toegediend was, ook wol ten gevolge van gevoelsprikkels kunnen optreden. Therapeutisch staat deze strychninewerking gelijk met een passieve gymnastiek en is die het eenige gevolg dat men van de toediening van strychnine kan verwachten.

Sommige automatische centra van hot centraal zenuwstelsel worden door strychnine sterk geprikkeld; vooral is dit het geval met het vaatcentrum; bij gecurariseerde dieren volgt hierdoor verhooging van de bloedsdrukking en verlangzaming van den hartslag. Bij kikvorschen wordt ook de van het ruggemerg uitgaande spiertonus versterkt.

Ook do gevoeligheid van sommige zintuigen wordt door strychnine verhoogd. Vooral is dit het geval met het gezicht. Giften van ^—4 mgr. doen bij gezonde menschen en ook bij vele lijders aan amaurosis de gezichtsscherpte en ook de grootte van het gezichtsveld toenemen. Daar die verbetering slechts volgt na subcutane injectie in de nabijheid van het oog, en eenige dagen duurt, zou men misschien mogen aannemen dat zij het gevolg was van eene directe inwerking van strychnine op de retina. Toch is hot nog waarschijnlijker dat de oorzaak der toename van do gezichtscherpte moet gezocht worden in vermeerderde prikkelbaarheid der lichtwaarnemende centra in do hersenen, zoodat een even sterke lichtprikkel hier eene sterkere lichtge-

-ocr page 34-

waarwording veroorzaakt. Bij amaurose is liet gebruik van strychnine slechts van symptomatisch nat, daar do verbetering der gezichtscherpte, al duurt zij soms eenigen tijd, niet blijvend is.

Na inwendige toediening van groote giften strychnine, 20 mgr.. zag men ook de scherpte van den reuk sterk toenemen en stoffen zooals knoflook, duivelsdrek, valeriaan e. a. geen stank maar eenc aangename gewaarwording opwekken (Fröhlich). Het tastgevoel wordt door strychnine weinig of niet gewijzigd.

Tegenwoordig gebruikt men strychnine nog slechts bij motorische paralysen en wel is zijne aanwending hier vrij algemeen, ofschoon slechts zelden resultaten daarvan worden gezien. Het eenige wat men hier van het middel kan verwachten is, dat eene ten gevolge der ziekte verminderde prikkelbaarheid van de overigens ongerepte motorische centra tijdelijk toeneemt; a priori kan echter niet worden beoordeeld of dit een gunstigen invloed op de verlamde deelen zal hebben.

Strychnine werkt niet op het hart, de spieren en do perifeere zenuwen.

De dortd volgt bij strychnine-vergiftiging, of door asghyxio, het gevolg van den tetanus der ademhalingsspieren, of door algemeene verlamming van het zenuwstelsel. Uit dierproeven is gebleken dat de op de aanvankelijke prikkeling volgende verlamming van het vaatcentrum daarbij vooral van invloed is.

Voor volwassen menschen is do inwendige toediening van 100—120 mgr. strychnine gewoonlijk doodolijk.

Men gewent niet aan het gebruik van strychnine; eerder neemt bij voortgezet gebruik van kleine giften de gevoeligheid toe en volgt cumulatieve werking; het is de vraag of deze op onvolledige eliminatie van hot alcaloïd, dan wel op het feit berust, dat de toename dor prikkelbaarheid langer duurt dan het tijdsverloop tusschen twee strychninedoses, zoodat de volgende giften inwerken op zonuwolomenten wier prikkelbaarheid nog door de vroeger toegediende is verhoogd.

Men gebruikt het extractum nucis vomicae, welks werkzame be-standdeelen strychnine en brucine zijn, dikwijls met goed gevolg bij chronische maag- en darmcatarrhen. De werking kan hier van

-ocr page 35-

19

tweëerlei aard zijn, het strychnine kan werken als een amarum, doch ook door verhooging van de reflexprikkelbaarheid der ganglienceilen, vanwaar de prikkels voor do spijsverteeringsklieren en de darmbewegingen uitgaan.

Als amarum zouden andere meer onschadelijke middelen do voorkeur verdienen, terwijl waar diarrhoea aanwezig is, van strychnine, dat de peristaltische bewegingen moot vermeerderen, weinig heil te verwachten is. Men geeft hier aan het extractum nucis vomicae de voorkeur, omdat men meent dat het hierin aanwezige strychnine minder gemakkelijk geresorbeerd wordt, dus langer in het darmkanaal vertoeft, dan bij toediening van hot alcaloid zelf het geval zijn zou. Beter zou het echter zijn hier looizuur strychnine in een slijmige emulsie too to dienon, omdat dit in nauwkeurig bekende gift kan worden toegediend, wat bij hot extract niet mogelijk is.

1. Strychnine, kleurloozo kristallen zoor moeielijk in water oplosbaar.

2. Salpeterzuur Stri/chtiine, minder moeielijk in water oplosbaar dan hot alcaloid zelf; kleurloozo kristallen. Giften :i—8! mgr, per dag tot 32! mgr.

3. Braaknoten, nux vomica, do zaden van do vloeschachtige vruchten van Strychnos nux vomica, bevatten 0.5— f/o Strychnine on IjVo brucino.

4. Extractum nucis vomicae, oen alcoholisch extract.

Giften 10—32! mgr.; por dag tot 130! mgr.

5. Tinctura. nucis vomicae 1 tot (J d. spiritus vini.

Giften tot 1 gr! pro dosi; 3 gr! daags.

2. Groep van het curarine.

Het curarine is een nog weinig bekend, in water gemakkelijk oplosbaar amorph alcaloid, voorkomende in het uit het hout van sommige Strychnossoorten bereide Ziüd-Amerikaanschc pijlgift „Curarequot;. Buntzen verkreeg eenmaal daaruit 4quot;lo curarine. Curarine verlamt, zonder gelijktijdig op andere doelen van het

-ocr page 36-

20

zenuwstelsel te werken, de uiteinden der motorische zenuwen van alle skeletspieren.

Kikvorschon worden door ü.005—0.01 mgr. picrinezuur curarine of eene overeenkomstige hoeveelheid curare geheel bewegingloos. Het hart klopt daarbij krachtig voort en de spieren behouden hare prikkelbaarheid. In dezen toestand kan het dierS—10 dagen blijven leven en, nadat het curarine met de pis is uitgescheiden, weer geheel gezond worden.

Bij zoogdieren wordt het gif even snel, misschien sneller door ile nieren uitgescheiden dan het uit de maag wordt opgeslorpt. Vandaar dat oneindig grootere giften curare, dan die bij injectie in liet bloed of onder de huid den dood veroorzaken, inwendig zonder eenig nadeel kunnen worden toegediend. Sclioin-burgk gebruikte op zijne reizen in Zuid-Amerika groote giften curare als geneesmiddel tegen malaria. Brengt men echter zeer groote hoeveelheden in de maag, of belet men, door de niervaten te onderbinden, de uitscheiding van het gif, dan werkt het per os toegediend, in even groote dose als bij subcutane inspuiting-(Cl. Bernard).

Ook bij zoogdieren paralyseert liet curarine aanvankelijk slechts de motorische zenuwuiteinden. Do dierven sterven asphyctisch, omdat de ademhalingsspieren worden verlamd. Indien echter de ademhaling kunstmatig wordt onderhouden, kan het geheel verlamde dier lang in het loven blijven en blijft de hartwerking en de bloedsdrukking onveranderd.

Waar men curare als geneesmiddel heeft gebruikt, geschiedde dit gewoonlijk met de bedoeling om, door de uiteinden der motorische zenuwen te verlammen, hevige en gevaarlijke krampen te onderdrukken.

Bij gecurariseerde dieren, bij welke kunstmatige ademhaling wordt onderhouden, veroorzaakt strychnine geen tetanus, omdat de prikkeling van het centraal zenuwstelsel niet op de spieren kan worden overgebracht; nadat beide vergiften uit het lichaam zijn geëlimineerd, kan soms nog volkomen genezing volgen (Richter).

Waar men bij den mensch tetanus met curare behandelt, is de werking van het geneesmiddel weinig minder erg dan do

-ocr page 37-

21

kwaal zelvo; immers om den tetanus Ie onderdrukken moet men do perifeere motorische zenuwuiteinden verlammen, maar als deze verlamd zijn , wordt de werking der ademhalingsspieren opgeheven. Wel bezit men in kunstmatige ademhaling een middel om verstikking te voorkomen, doch deze kan, op den duur, niet eens bij dieren zonder nadeel worden onderhouden.

Bij hevige strychninevergiftiging kan Joor curare het leven niet worden gered. Immers wordt het gevaarlijkste verschijnsel van deze vergiftiging, de verlamming der vaatzenuwen, niet door curare weggenomen, zoodat toch de dood door sterke daling van de bloedsdrukking volgt.

Men heeft beproefd, tetanus, lyssa en andere vormen van krampen te behandelen met curare in zoo kleine giften, dat de eigenlijke curarewerking, de verlamming der motorische zenuwuiteinden, niet of slechts gedeeltelijk tot stand kwam. Als in zoodanig geval genezing gevolgd is, volgt daaruit nog niet dat deze aan de werking van het toegediende curare moet worden toegeschreven. De ervaring zal nog moeten leeren of het mogelijk is door kleine giften curare hevige krampen te matigen en daardoor het gevaar weg te nemen , dat de tetanus der ademhalingsspieren verstikking veroorzaakt, zonder daardoor do motorische zenuwuiteinden in zoo sterke mate te verlammen, dat de ademhalingsbewegingen ophouden. Tot nog toe schijnt dit slechts eenmaal gelukt te zijn en wel in een geval van lyssa door Offenberg medegedeeld.

Curare is niet opgenomen in de pharmacopoea, omdat de handelspracparaten, wat gehalte en werking betrelt, zeer uit-eenloopen. Men is gewoon, vóór men het aan menschen toedient, de sterkte van een curare bij kikvorschen te beproeven en neemt dan aan dat het in eene gift van 0.1 mgr. snel oen kikvorsch moot verlammen. Van eene gefiltreerde oplossing van 5°/,, worden dan, eerst ieder kwartier, daarna ieder half uur en later in nog langere tusschenruimten 20 mgr. subcutaan ingespoten. Bij proefnemingen op dieren is gebleken dat de ademhalingsspieren later worden verlamd dan de spieren der ledematen, terwijl zoodra verschijnselen zich voordoen die op dreigend gevaar voor

-ocr page 38-

-l\'i

de ademhaling wijzen, kunstmatige ademhaling kan worden begonnen.

Vclo ammoniumbasen hebben met curare de verlammende werking op do motorische zenuwuiteinden gemeen. Of curare door een dezer nipt, vrucht kan worden vervangen, moeten latere onderzoekingen leeren.

3. Groep der Morphine.

Morphine verlamt op eigenaardige wijs de werkzaamheid van de groote hersenen, eene werking die men gewoon is narcose te noemen. Ook veroorzaakt het evenals strychnine eene toename van do reflexprikkelbaarheid van het centraalzenuwstclsel waardoor tetanus volgen kan. Bij do andere opiumalcaloidon is de narcotische werking, die bij hot morphine de overhand heeft, zwakker. doch de tetanische sterker, zoodat het thobaine, dat in dit laatste opzicht het sterkst werkt, in werking het strychnine nabij komt.

De werking dezer alcaloiden wordt hot bost voorgesteld als vulgt:

thebaine

narcotine codeïne

O

.Vi

O

O

c3

werking.

papavarine

morphine v

c

Narceine is geheel onwerkzaam.

Na het gebruik van morphine volgt slechts bij lagere dieren, kikvorschen, geregeld tetanus. Soms komt hij ook hij enkele zoogdieren, vooral bij katten, tot stand, terwijl bij honden in den regel slechts sterk vermeerderde reflexprikkelbaarheid wordt waargenomen. Bij enkele gevallen van vergiftiging van menschen werd eveneens, doch bij uitzondering, tetanus gezien. Dat do tetaniseerende werking van morphine in den regel bij booger georganiseerde dieren uitblijft, moet aan hun geringer weerstandsvermogen tegenover dit alcaloid worden toegeschreven. Gewoonlijk sterven zij reeds aan de gevolgen der hersenverlamming, voor de rellexprikkelbaarheid dermate is toegenomen dat tetanus volgen kan. Ook bij kikvorschen wordt de tetanus voorafgegaan door volkomen verlies van willekeurige beweging.

-ocr page 39-

Hij den mensch is de werking van morphine on van opium ongeveer dezelfde, omdat van de sterker tetanisch werkende alcaloiden, vooral van het thebaine, slechts eene zeer geringe hoeveelheid in het opium voorkomt. Toch moet, omdat het narcotine, dat in vrij groote hoeveelheid in opium aanwezig is, ook sterker tetanisch werkt dan morphine, aan het opium eene meer prikkelende, de reflexprikkelbaarhoid verhoogende werking worden toegeschreven.

Do werking van morphine op de hersenen is hij allo diersoorten in hoofdzaak dezelfde; het schijnbare verschil berust alleen daarop dat, bij verschillende dier soorten, degestoorde functie der hersenen zich niet op dezelfde wijs openbaart. Bij kikvor-schen worden achtereenvolgens do functien van de groote, de middelste (corp. quadrigemena) de kleine hersenen en van het verlengde merg verlamd, evenals dit het geval is als die deelen achtereenvolgens worden weggesneden, met dit onderscheid echter, dat bij hot wegsnijden de verlamming plotseling volgt, terwijl bij de morphineworking de werkingen op de verschillende deelen van hot centraalzonuwstelsel in elkander loopon, zoodat b. v. de verlamming van de groote hersenen nog niet geheel volledig is tot stand gekomen, als die van de middelste reeds begonnen is.

Bij deze dieren worden achtereenvolgens het vermogen tot willekeurige beweging, tot coördinatie en lot bewaren van de gewone lichaamshouding opgeheven. Later kunnen zelfs prikkels geen reflexbewegingen meer opwekken en eerst daarna begint de reflexprikkelbaarheid toe te nemen en volgt langzamerhand tetanus.

Bij do hoogere dieren en bij den mensch is de volgorde waarin de verschijnselen optreden eene andere. Het allereerste verschijnsel der morphinewerking is hier eene afname van de gevoeligheid voor sensibele prikkels, vooral voor de zoodanigen die pijn en hoest opwekkon, terwijl hot tastgevoel nog normaal blijft. Die werking kan volgen zonder het verschijnsel dat men als tweede morphineverschijnsel boschouwen mag, namelijk slaperigheid. De morphine werking bestaat dus van den beginne

-ocr page 40-

M

af in conc afname der prikkelbaarheid van sommige hersenge-deelten waardoor de gevoeligheid voor uitwendige prikkels is afgenomen. Van ecne prikkelende werking van morphine blijkt in don regel niets. Slechts in enkele gevallen volgen niet alleen even voor den slaap, meer zelfs nog tijdens het waken, hallucinaties, waanvoorstellingen, die naarmate het denkvermogen afneemt gemakkelijker opgewekt en tevens vluchtiger worden.

Daar lt;lc sensibele prikkelbaarheid is afgenomen, terwijl het gebied waar de gedachten zich vormen nog ongedeerd is, kunnen uitwendige invloeden niet, zooals in physiologischcn toestand , op die gangliencellen inwerken, die de vorming der gedachten beheerschen, met andere woorden daarop een remmenden invloed uitoefenen, zoodat het centrum waar de gedachten , de voorstellingen gevormd worden , evenals in physiologischen toestand vóór het inslapen het geval is, geheel aan zich zelve is overgelaten en spontaan werkzaam wordt.

Door sommigen worden deze verschijnselen toegoschreven aan eene directe prikkeling van enkele hersendeelen. Toch bestaat, ook omdat zo zoo weinig constant optreden, meer reden om die waanvoorstellingen aan eene verdoovende werking toe te schrijven. Blijkbaar is het evenwicht tnsschen de werking der enkele hersendeelen gestoord.

Zijn in dit tijdperk der werking de uitwendige prikkels, die, daar de reflexprikkelbaarheid ongerept is, nog zeer werkzaam zijn, niet bijzonder krachtig, dan volgt steeds slaap. Passieve en actieve beweging en levendige snelafwisselende zintuigsindruk-ken plegen echter den slaap, ja zelfs de diepere verdooving te verhinderen. Toch neemt langzamerhand de prikkelbaarheid van de groote hersenen zoo zeer af, dat eerst, een vaste slaap, daarna bewusteloosheid en eindelijk coma volgen.

Daarna breidt zich de verlammingstoestand uit op het verlengde merg en wordt de ademhaling eerst zeldzamer, onregelmatig , intermitteerend en rochelend, om eindelijk geheel op te houden. Hierdoor volgt natuurlijk de dood. Bij konijnen treden stoornissen der ademhaling op die met het Stoke-Gheyne-sche phaenomeen geheel overeenkomen (Filehne).

Belangrijke tnorphineverschijnselen bieden nog de vaten; Bij

-ocr page 41-

dieren wordt slechts bij de hevigste vormen der vergiftiging de vaattomis, door verlamming der vaatzennwen, in zooverre verlamd, dat de hloedsdruk daalt. Doch bij menschen volgt dikwijls reeds na gewone medicinale giften vaatverwijding in do huid van het lichaam en van het aangezicht. Hier zijn de zenuwcentra van deze vaatgebieden uiterst gevoelig voor invloeden die den tonus verminderen.

Met deze werking op hel vaatstelsel staan waarschijnlijk sommige ver-schijnselen der morphinevergiftiging in verband en wel het gevoel van congestie en de roodheid van het aangezicht, het uitbreken van zweet, huidjeukte en exnnthemen, vooral miliaria. Er bestaat geen reden om hier aan eene plaatselijke Inwerking van het morphine op de wanden der kleinere slagaderen te denken. Later als bij hevige vergiftiging ook de andere vaten verwijd worden, wordt de huid, die eerst rood was, wederom bleek. Daar de verwijding der huidvaten slechts een der oorzaken van het tot stand komen dezer verschijnselen is, is het verklaarbaar dat zij in vele gevallen niet waargenomen worden.

Het is niet met zekerheid bekend of de hersonvaten eveneens reeds vroegtijdig worden verwijd. Men mag dit echter waarschijnlijk achten en daarin een reden zien om bij zieken waar neiging tot hersencongestie bestaat, b. v. bij kinderen, zich van de toediening van opium en morphine te onthouden.

Terwijl indroppolen van morphine in het oog geen invloed op de pupil heeft, wordt deze bij hevige morphinewerking dikwijls vernauwd, een verschijnsel dat alleen voor de diagnostiek van belang is en waarschijnlijk door een samenloop van verschillende werkingen veroorzaakt wordt.

Slechts enkele perifeere organen worden door morphine aangedaan. Spieren en perifeere zenuwen in \'t geheel niet. Dat de tastzenuwen zelfs bij de hevigste vormen van morphinevergiftiging hare prikkelbaarheid behouden, blijkt uit het feit dat bij dieren iedere aanraking, ja zelfs de geringste trilling, reflec-toir trekkingen en krampen veroorzaakt. Evenmin wordt de plaatselijke gevoeligheid voor zoodanige gevoelsprikkels, als dooide secundaire spiraal van een inductieapparaat worden voortgebracht, verminderd. Slechts dan als men de zenuw van een

-ocr page 42-

26

uit het lichaam gesneden kikvorschpoot in cone waterige oplossing van opium of morphine legt, verliest zij hare prikkelbaarheid (Joh. Muller). Of de gevoeligheid eener zenuw, in wier onmid-delijke nabijheid een onderhnidsche morphineinspuiting gedaan wordt, daardoor vermindert, wordt echter door velen betwijfeld.

Morphine werkt niet direct in op het hart. Alleen kan in het laatste tijdperk van morphinevergiftiging een verlammingstoestand van de automatische motorische hartganglien (hartnar-kose) zooals die vooral bij vergiftiging met blauwzuur en met tot de chloroformgroep behoorende stoffen voorkomt, nevens de vaatverwijding tot het dalen van den bloedsdruk bijdragen.

Bij den mensch worden sommige afscheidingen door morphine onderdrukt; vooral is dat het geval met de speekselafscheiding, doch ook de slijmafscheiding in de luchtwegen neemt sterk af.

Vooral de darmbewegingen worden door morphine en ook door opium sterk verminderd, zoodat bij gezonde personen eene kortere of langere constipatie volgt. Ook bij diarrhoea, hetzij die door darmcatarrh of door darmzweren wordt veroorzaakt, wordt de vermeerderde peristaltische beweging verlangzaamd zoodat de diarrhoea ophoudt of althans vermindert.

Hoe rloze werking tol stand komt is nog niet behoorlijk verklaard. Vim verlamming der darmspieren of van motorische damganglien kan geen sprake zijn, evenmin van eene toename van de remmende werking van den splanchnicus. Het waarschijnlijkst is dat sensibele zenuwelementen in don darmwand die plaatselijke prikkels naar motorische centra overbrengen, van waar uit dan weer redectoir peristaltische bewegingen worden opgewekt, door morphine worden geparaliseerd. Dit verklaart ook waarom Inwendige toediening van morphine in den regel constipatie veroorzaakt, doch niet of althans in veel mindere mate, als hel subcutaan wordt aangewend.

Opium en morphine worden vooral gebruikt om een te sterke peristaltische beweging van het darmkanaal te onderdrukken, voornamelijk bij darmkatarrhen waar zij de diarrhoea doen ophouden.

Hij loodkolieken tracht men daarentegen door diezelfde middelen de bestaande constipatie te genezen, daar zij de door de

-ocr page 43-

±1

loodvergiftiging veroorzaakte, op sensibele prikkeling berustende kramp dor circulaire spiervezelen van den darm, die den doorgang der faeces belet, nplieffen.

Dikwijls geeft men bij de behandeling van darmziekten de voorkeur aan opium boven morphine, daar men meent dat door de aanwezigheid in het opium van colloide stollen, de alcaloiden minder snel geresorbeerd worden en dus langer plaatselijk op den darmwand inwerken.

In de praktijk gebruikt men vooral morphine dikwijls, om de gevoeligheid der hersenen voor pijn en hoestprikkels te vermeerderen. Meestal kan dit doel reeds door zeer kleine giften, 5—10 mgr. worden, bereikt.

Ook zenuwachtige slapeloosheid kan meestal door kleine giften morphine worden weggenomen. Wordt het om deze reden habitueel gebruikt dan moot gaandeweg de dosis worden vermeerderd, omdat de hersenen aan het gebruik van morphine gewoon raken. Dikwijls wordt do tolerantie van don patient togen morphine langzamerhand zoo groot, dat giften van 1—-1,5 gram subcutaan worden verdragen.

Het is mogelijk dat deze tolerantie het gevolg is van afstomping van de gevoeligheid der gangliemellen voor dezen moleculairen prikkel, toch kan hierbij ook wel eene versnelde omzetting of eliminatie in het spel zijn.

Bij zielsziekten moot men, daar de psychische functies niet zoo gemakkelijk door morphine worden gewijzigd als do sensibele, grootóre giften toedienen on wel is dit noodzakelijk bij delirium tremens, atropinevergiftiging, vele vormen van manie enz.

•Bij tetanus wordt morphine ook wel gebruikt; het kan hier echter niet tot do genezing bijdragen omdat het zelf tetanisch werkt, maar dient alleen om het lijden van den patient te verzachten en de euthanasie te bevorderen.

1. Ztmvehure morphine, kleurlooze naaldvormige kristallen in 14^ d. water oplosbaar.

\'1. Cliloorualcrstofzure viorphine, kleurlooze kristallen in 25 d. water oplosbaar.

-ocr page 44-

Gil\'ton van beide zouten; 5—30! mgr.; per dag tot (55! mgr. subcutaan \'i—20 mgr. in waterige oplossing.

3. Azijnzure morphine, witachtig poeder dat naar azijnzuur riekl en in 20 d. water oplosbaar is. Het verliest echter langzamerhand azijnzuur, zoodat hot morphinegehalte grooter wordt doch dc oplosbaarheid afneemt.

4. Codeine, kleurlooze kristallen in 80 d. water oplosbaar.

Giften 10—50! mgr.; per dag tot 200! mgr.

5. Opium, hot gedroogde melksap van Papaver somniferum. Opium kan minder dan 10 en zelfs 23lt;7u morphine bevatten. Do Pharmacopoea eischt een morphinegehalte van 9—12\'Vo.

Behalve morphine bestaat opium grootendeels uit narcotine waarvan liet tot 33quot;/,, kan bevatten; do andere alcaloiden komen daarin slechts in geringe hoeveelheid voor.

Opium is voor een groot deel in water en alcohol oplosbaar.

Giften: 50—130! mgr.; por dag tot 400! mgr.

6. Extractnm opii, waterig extract, eene roodbruine, droge massa van even onzekere samenstelling als het opium zelf.

Giften: 65! mgr.: por dag tot 200! mgr.

7. Pulvis Doveri, oen grijs poodor bestaande uit 1 d. opium, 1 d. ipecacuanha en 8 d. kaliumsulfaat, hot bevat dus 100/o opium.

8. Vinum opii simplex, opium 2 d. getrokken met 8 d. spaan-schen wijn. Het praoparaat bevat dus in 5 d. hot oplosbare van 1 d. opium.

Giften tot (gt;00! mgr.; per dag tot 2! gram.

•J. Vinum opii aromafiann, Laudanum, zijnde opium kouduit-getrokken met een wijnachtig, spirituous aftreksel van saffraan, kaneel en kruidnagelen, in zoodanige verhouding dat 6 doelen van dezen wijn het oplosbare gedeelte van één dool opium beval.

Giften als 8.

10. Sijrupus opiatus, opiumstroop, 1 doel opiumwijn mot 47 d. syrupus simplex (siroop van witte suiker) deze bevat dus opium.

I 1. Papaver somniferum, de onrijpe gedroogde zaaddoozen, maankoppen of slaapbollen genaamd; gehalte onbekend.

-ocr page 45-

u29

12. Syrtqms papaveris al bi, ecu waterig aftreksel van slaapbollen met suiker tot siroopdikte gebracht.

13. Sj/nqnis diacodii, gelijke deelen vati het vorige praeparaat en van althaeastroop.

Als aanhangsel van de morphinegroep kunnen de indische hennip en het lactucariuni, die soms nog als narcotica worden gebruikt, gerekend worden.

De indische hennip bevat behalve eene aetherische olie, can-naben, eene hoogst geringe hoeveelheid van eene in werking met strychnin overeenkomende base en een vluchtig alcaloid cannabinin, waarvan men de werking niet kent, als voornaamste bestanddeel eene harsachtige amorphe bittersmakende stof, cannabin. De/.e laatste veroorzaakt in kleine giften een eigenaardige dronkenschap, gevolgd door depressie en slaap. Na groote giften (0.3) werden in het tijdperk van opgewektheid, convul-sies, trismus en andere gevaarlijke verschijnselen opgemerkt. Steeds gaat een tijdperk van opgewektheid den slaap vooraf. De meeste in den handel voorkomende praeparaten zijn echter geheel onwerkzaam. Van het Laducarium geldt nog de meening van Gullen (1772) dat, zoo het al eene werkzame stof is, hare werking geheel onbekend is.

Onze pharmacopoea bevat noch den indischen hennip zeiven, noch het daaruit bereide extract, dat in het oosten als haschisch bekend is.

14. Lactucariuni, het gedroogde melksap van Lactuca virosa, geelbruine brokjes met een karakteristieken narcotischen! reuk. Giften 100—300! mgr.; per dag tot 1! gram.

15. Exlractum lactucae virosa ajuosum. Giften Lot 500! mgr.. per dag tot 2! gram.

Ki. Kxtractum lactucae virosa spiritnos. Giften tot2o0!mgr.; per dag tot 1! gram.

-ocr page 46-

30

4. Groep der Alcoholica

Tot deze rekenen wij alle gasvormige en vloeibare koolwaterstoffen , do eenzurige alcoholen, hunne aethers, neutrale esters, ketonen on aldehyclen en eindelijk hunne halogeenderivalen. Alle alcoholica werken op gelijke wijs, indien zij althans geresorheerd worden; dit laatste, de resorboerbaarheid, hangt deels van hunne vluchtigheid, deels van hunne oplosbaarheid in water af.

De plaatselijke werking dezer stoffen, die van de verwijderde werking op het centraalzenuwstelsel moet worden onderscheiden, is van de verschillende eigenschappen der afzonderlijke alcoholica afhankelijk.

Geconcentreerde alcohol onttrekt aan de weefsels water, coa-guleert hunne eiwitstoffen en veroorzaakt daardoor hevige prikkeling en ontsteking. Chloroform werkt in op giobulinostoffen en op het myosine: immers bij injectie in do arterien eerier extremiteit verstijven de spieren (Kussmaal). Aether coaguleert slechts het eiwit van eieren.

De bij lage temperatuur vluchtige alcoholica dringen snel do weefsels binnen en werken daar als fijn verdeelde vreemde lichamen meer of min prikkelend. Hierop berust het gebruik van alcoholische en aetherische vloeistoffen tot wasschingen en in-wrijvingen, waardoor eene matig sterke, doch niet uitsluitend oppervlakkige huidprikkeling wordt verkregen. De vluchtige verbindingen die een hooger moleculair gewicht hebben, chloroform, aethylenchloried e. a., veroorzaken in de huid eene korststondigo doch hevige sensibele prikkeling, dra gevolgd door verminderde gevoeligheid, en kunnen dus als plaatselijke anaesthetica gebruikt worden. Deze anaesthesie moot echter wel worden onderscheiden van de anaesthesie door koude, die gewoonlijk door aetherverstuiving tot stand gebracht wordt, ofschoon andere gemakkelijk vluchtige stoffen, die minder water kunnen oplossen dan aether, hiertoe nog beter geschikt zouden zijn. hmners bij de condensatie van waterdamp uit de lucht door de ver-

-ocr page 47-

3!

stuifde aether moet warmte vrij worden en de afkoeling worden verminderd.

Do lievig prikkelende werking van vele allylaethers I). v. mostevdolie cn van vele aldehyden facroleine) moet aan bijzondere elonienlaire werkingen door deze verbindingen worden toegeschreven.

Het bouquet der wijnen, der vruchten en van vele parfumerie-artikelen hangt af van talrijke meerendeels nog onbekende aethers en esters dor vetzuurreeks. Do gewone (aethyl) aether wordt als riekmiddol gebruikt evenals hot als „Hoffmansdrop-pelsquot; bekende mengsel van alcohol en aether, dat ook inwendig vaak wordt aangewend.

Door overmatig gebruik van alcoholica ontstaan dikwijls acute en chronische katarrhon der maag, vooral bij hen die ze in geconcentreerdon vorm tot zich nemen, terwijl zij, die alleen slappe alcoholische dranken b. v. bier drinken, moestal geenerloi stoornis der digestie ondervindon.

Deze werking van alcoholica is eene plaatselijke.

Omtrent de veranderingen die alcoholica in hot lichaam ondergaan is niet veel bekend.

Gewone alcohol wordt voor het grootste deel in hot lichaam tot koolzuur en water gooxydoerd en slechts voor een klein deel door de nieren (4 J) en do long onveranderd geëlimineerd. Men kan hom in do organen on het bloed terugvinden.

Chloroform, dat zeer vluchtig en weinig oplosbaar in water is, doorloopt waarschijnlijk hot lichaam zonder verandering te ondergaan. Op godefibrineerd bloed werkt hot op eigenaardige wijs in, het lost namelijk de roodo bloedlichaampjes op, belemmert de afgifte van zuurstof door het oxyhaemoglobino en vormt mot de bloodkleurstof eene verbinding. In het levend organisme blijkt niet dat deze bloodveranderingon tot stand komen. Nog vele andere alcoholica bewerken in godefibrineerd bloed oplossing der bloedlichaampjes.

Ghloralhydraat wordt in hot bloed niet in chloroform omgezet, maar voor oen deel onveranderd in de pis geëlimineerd, voor een ander dool in hot lichaam omgezet. Het grootste ge-

-ocr page 48-

deelle vindt men in do urine als trichloraethylglykuronzuur terug.

De werking dor alcoholica op liet centraalzenuwstelsel bestaat vooral daarin , dat achtereenvolgens de functie van do hersenen, hot verlengde merg en hot ruggomorg worden opgeheven. Ook de reflexprikkolbaarheid neemt langzamerhand af om eindelijk geheel te verdwijnen. Hierdoor onderscheiden zich de alcohilica vooral van morphine.

De volgorde, waarin de enkele doelen van hot centraalzenuw-stelsel worden aangedaan, is niet bij alle alcoholica dezelfde. In hot algemeen wordt eerst de gewaarwording voor pijn verminderd , daarna gaat de heerschappij over de willekeurige beweging verloren en wordt do psychische werkzaamheid door onregelmatige voorstellingen gestoord. Daarop verdwijnt do zin-tuigelijke waarneming, en gaat hot bewustzijn verloren, waarbij aanvankelijk nog eenigen tijd schijn- on waanvoorstollingon blijven bestaan, doch eindelijk worden ook deze evenals de ro-flexen geheel uitgedoofd.

De bloedvaten van het gezicht, van de huid on waarschijnlijk ook die van do hersonoppervlakte, worden door afgenomen prikkelbaarheid dor centrale uiteinden hunner zenuwen, reeds vroegtijdig verwijd. Deze lichaamsdeelen hebben dus roods in het begin der alkohol- en chloroformwerking eeno roode kleur. Later worden, zooals dierproeven geleerd hebben, alle bloedvaten geheel geparalyseerd en daarbij sterk verwijd. Hierdoor daalt de bloedsdmkking en kan, vooral door chloroform on chloralhydraat, do arterieele drukking zoo gering worden dat zij nog slechts onkolo millimeters kwik bedraagt. Toch blijft de pols groot, omdat bij iedere contractie van het hart de geheel geparalyseerde vaatwand door de bloodgolf veel sterker wordt uitgezet, dan dit met den in normalen toestand sterk gecontra-teorden vaatwand liet geval is. Waarschijnlijk hangt deze sterke verslapping en verwijding der bloedvaten niet alleen van centrale verlamming der vaatzenuwen af, maar ook van eene directe inwerking op do vaatspieren of de zenuwuiteinden in de wanden der kleinste arteries.

In het hart worden, bij hoogo giften, do motorische ganglion

-ocr page 49-

H3

geparalyseerd, y.ooals hij kikvorschen reeds door kleinere giften het geval is. Zooals wij later zien zullen werken alcoholica in kleine giften bij menschen en andere zoogdieren onder zekere omstandigheden nog op eigenaardige wijs op het hart in.

Een opmerkelijk verschijnsel van alle tot de alcoholica gerekende stoffen is dat van alle deelen van het centraalzenuwstelsel, het ademhalingscentrum het laatst wordt geparalyseerd. Bij voortgezette chloroformnarcose wordt de ademhaling steeds langzamer maar blijft, zelfs nadat de narcose den hoogsten graad bereikt heeft, toch nog regelmatig voortduren. Als door de sterke afname van den bloeddruk circulatiestoornissen optreden, wordt de ademhaling, evenals bij stikking plaats vindt, weder versneld. Eindelijk wordt echter de ademhaling onregelmatig en houdt zij geheel op, nog vóór het hart heeft opgehouden te kloppen. Hierdoor is het mogelijk bij menschen, die pijnlijke operaties moeten ondergaan, door chloroform zonder gevaar voor het leven eene zeer diepe en langdurige narcose teweeg te brengen. In dezen toestand is gewaarwording, be-wustzijn, willekeurige en reflexbeweging geheel opgeheven, het lichaam verslapt omdat de spiertonus is verloren gegaan, de pupillen vernauwd, de ademhaling verlangzaamd doch regelmatig, de hartslag minder frequent maar nog krachtig.

Wordt thans de bedwelming nog langer voortgezet, dan maakt het een groot verschil of de chloroformdamp behoorlijk met lucht vermengd, dan wel geconcentreerd wordt ingeademd. In het eerste geval houdt eindelijk ook de ademhaling op doch blijft het hart kloppen: liet gelukt nu nog door tijdige kunstmatige ademhaling de respiratie weer aan den gang te brengen. Wordt echter geconcentreerde chloroformdamp ingeademd , dan kan de hoeveelheid, die in het longenblood en uit do long in het linkerhart wordt opgenomen, te groot zijn, zoodat het hart plotseling ophoudt te kloppen.

Als het hart eenmaal stil staat is kunstmatige respiratie alleen, niet in staat de asphyxie op te heffen, omdat bij de gestoorde circulatie het chloroform, de causa nocens, niet uit het hart wordt verwijderd. Het werkzaamste middel om het

-ocr page 50-

u

lovon to dooii toi\'Ugkeeren is hier oen king achtereen voortgezette rhythmisch op de borstkas uitgeoefende drukking, waardoor liet hart afwisselend met bloed gevuld en weer geledigd wordt. Men moet er dus bij chloroformaanwending op bedacht zijn, dat de chloroformdanip behoorlijk met lucht verdund zij, opdat slechts kleine hoeveelheden tegelijk in het linkorhart komen en vandaar uit, gelijkmatig iu het lichaam kunnen worden verdeeld.

In dit opzicht verdienen do proefnemingen van P. Bert, om in plaats van zuiveren chloroformdanip een getitreerd mengsel daarvan met lucht (8 gr. chloroform op 100 L.) te laten inademen , alle aandacht. Ook de zoogenaamde chloroformsyncope, plotselinge hartstilstand in het begin der chloroforminademing door reflex langs den trigemenus tot stand gekomen, wordt hierdoor onmogelijk gemaakt.

Eon en ander geldt niet alleen chloroform maiir ook de andere anaes-tlietica dezer groep.

Üe chloorverbindingen van welke naast hel chloroform vooral het aethy-len- en aethyl.idenchlorid genoemd moeten worden, werken veel sterker paralyseerend op hot hart en verlagen den hloedsdruk veel moer dan de andere halogeenvrije alcoholica. Uit dit oogpunt geven do Amerikanen de voorkeur aan aether boven chloroform. Hier staat ociitor hot nadeel tegenover, dat aether, die roods bij 35° kookt en welks dampen oeue geringe dichtheid bezitten, voel minder gemakkelijk narcose veroorzaakt dan chloroform, dat bij 02° kookt.

Waar men anaesthetica gebruikt tot hot verkrijgen eener diepe en langdurige narcose, moot op de verlaging van den bloods-druk, die soms nadoolige gevolgen kan hebben, worden gelet. Het is experimenteel bewezen dat bij zwangere konijnen door diepe chloroformnarcose het foetus kan afsterven, terwijl dit niet geschiedt bij zwakke narcose waar de bloedsdrukking niet zoo sterk daalt. Uit dit oogpunt is bij zwangere vrouwen aether boven chloroform te verkiezen.

Lichtere graden van narcose, waarbij hot bewustzijn en hot gevoel niet geheel zijn opgeheven maar slechts verminderd, veroorzaken, evenals morphine, slaap. Daar do alcoholica tevens do reflexprikkelbaarheid verminderen, zijn ze als slaapmiddelen

-ocr page 51-

vooral clfiar aangewezen, waar verhoogde reflexprikkelbaarheid (zenuwachtigheid) de oorzaak van slapeloosheid is. In dit opzicht verdienen ze verre de voorkeur hoven morphine, omdat dit de reflexprikkelbaarheid kan doen toenemen.

Door de reflexparalyse bij diepe narcose worden tetauisclie krampen onderdrukt. Toch is hel gebruik van chloroform bij tetanus, ten minste bij strychinetetanus, tegenaangewezen omdat chloroform de door de stry-chinevergiftiging dreigende paralyse van bet vaatcentrum slechts zou verhaasten.

Om door chloroform en dergelijke vluchtige in water onoplosbare verbindingen narcose te veroorzaken is de inademing te verkiezen. In den laatsten tijd is de toediening van aether-damp door het rectum aanbevolen, doch schijnt deze door uitzetting van de darmen tot gevaarlijke verschijnselen te kunnen leiden. Voor inwendig gebruik als slaapmiddelen zijn deze stoffen echter ongeschikt, omdat zij de maag sterk prikkelen. Als zoodanig verkiest men dan ook in water oplosbare verbindingen, die niet zoo vluchtig zijn en minder sterk prikkelen, en wel in de eerste plaats het chloralhydraat; in den laatsten tijd is daarvoor ook het garaldehyd sterk aanbevolen.

Als slaapmiddel wordt de gewone alcohol zelden gebruikt en wel om zijne onaangename bijwerkingen, vooral zi jne nadeelige werking op de maag en don bekenden Katzenjammer.

Men is gewoon aan alcohol opwekkende en versterkende eigenschappen toe te schrijven en hem daarom, in den vorm van wijn, in uitputtende ziekten en ook in de reconvalescentie voor le schrijven, om de hartwerkzaainheid en het zenuwstelsel te versterken. Men doet. dit op grond der ervaring zonder zich rekenschap te geven van de wijze waarop de resultaten tot stand komen. Feitelijk is het echter niet uitgemaakt, of in de reconvalescentie het gebruik van wijn den toestand van het lichaam verbetert of bot herstel verhaast, dan wel of het alleen hel subjectief gevoel van welbevinden van den patient vermeerdert.

Op dezelfde wijze pleegt men het gebruik van alcoholica als genotmiddelen le verklaren, door daaraan eene prikkelende, op-

-ocr page 52-

;if)

wekkende werking loe te schrijven. Men beroept zich daarbij op de verschijnselen die bij een lichten roes worden waargenomen, en wel den toestand van overspanning der psychische functie, veel en hard praten en opgewondenheid, vermeerderde polsfrequentie , de roode kleur en het vermeerderde warmtege-voel der huid. Die zienswijze is echter onjuist, dit zijn slechts verschijnselen van beginnende verlamming van enkele hersen-afdeellngen. Het feit dat in de psychische sfeer allereerst opmerkingsgave, nadenken en oordeel gedeeltelijk verloren gaan, terwijl do toestand der andere hersenfuncties nog onveranderd blijft, is voldoende om de opwinding door alcoholische dranken te verklaren. Een soldaat voelt zich moediger, maar alleen omdat hij het gevaar minder opmerkt en er minder over nadenkt. Een redenaar spreekt vrijer en vuriger omdat hij zich minder door vrees voor het oordeel zijner toehoorders laat terughouden. Hij, die verlegen van aard is, verbaast anderen en zich zeiven door het gemak waarmede hij zijne gedachten kan uitdrukken.

Vooral wordt ook door alcoholica \'s menschen zelfkennis verschalkt. Menigeen spreekt en oordeelt over zaken die hij in nuchteren toestand ontwijkt, omdat hij zich dan bewust is er niet van op de hoogte te zijn. Een dronken persoon overschat zijne spierkracht en put die uit door ongewone en dikwijls ook onnutte bewegingen, zonder te bedenken dat dit hem misschien schaden kan, terwijl hij in nuchteren toestand zijne krachten zou sparen.

Karakteristiek voor een lichten roes is het gebrek aan zelf-beheersching, het toegeven aan oogenblikkelijke indrukken; daardoor is de een vroolijk, de ander treurig, deze strijdlustig, gene echter buitengewoon vredelievend. Toch kan iemand, die een goede opvoeding genoten heeft, zich hier nog meer beheerschen dan een onbeschaafde.

Nog minder dan in de psychische sfeer is bij andere functies eene opwekkende werking van alcohol waar te nemen.

De toename der polsfrequentie is niet eens het gevolg van den alcohol zelf, maar hangt uitsluitend af van de omstandigheden

-ocr page 53-

37

waaronder do alcoholische dranken gewoonlijk worden genoten. Zij is het gevolg van de ongewone levendigheid en blijft volgens Zimmerberg uit, als bij volkomen lichaamsrust alcohol wordt gebruikt. De bloeiende en blozende gelaatskleur ontstaat, zooals reeds boven gezegd is, door verlies van den tonus van dat deel der vaatcentra, dat de vaten van huid en aangezicht beheerscht. De toegenomen toevoer van bloed naar de huid en do gelijktijdige afstomping van de gevoeligheid der sensibele zenuwen veroorzaken het gevoel van aangename warmte, vooral als vóór het alcoholgebruik een lage temperatuur der lucht het gevoel van koude had teweeggebracht. Juist dit verschijnsel dus, waarom bewoners van koude gewesten den alcohol zoo op prijs stellen en dat op leeken den indruk maakt van een prikkelingstoestand, is integendeel slechts het gevolg van partieele verlamming.

Het spreekt van zelf dat als in geen orgaan eene prikkelende werking van alcohol kan worden geconstateerd, men ook geen recht heeft do weldadige werking van alcoholica aan het ziekbed daaraan toe te schrijven. Wel is waar bevat wijn, die daartoe het meest gebruikt wordt, bovendien nog onbekende aethers, die waarschijnlijk in werking van alcohol verschillen. Toch is het niet geoorloofd aan deze een tegenovergestelde werking toe te schrijven. De wijnsoorten, die men bij voorkeur als opwekkende middelen toedient en die zooals men zich uitdrukt „het bloed aanzettenquot;, bewerken evenals amijlnitriet reeds dadelijk eene sterke verwijding der vaten van het aangezicht, waarschijnlijk ook van die der hersenvliezen, en hierdoor komt die zg. aanzettende werking, die dus eigenlijk een paralytische is, tot stand.

Een andere vraag is echter hoe de weldadige en heilzame gevolgen van het gebruik van wijn aan het ziekbed, vooral bij hartzwakte, aan eene paralyseerende werking kunnen worden toegeschreven. Het antwoord op die vraag is moeielijk te geven, vooral omdat men het resultaat van de toediening van wijn en andere alcoholica bij hartzwakte slechts bij ervaring kent en dit dus nog veel minder verklaren kan.

Hij verzwakte hartwerking weet men in den regel niet welke ziekelijke causale momenten moeten worden opgeheven; het is mogelijk dat een vaat-

-ocr page 54-

knunp, die de ontlediglng van hel hart beleimnert, door do pai\'alyseerende werking van den wijn op do vaatzenuwen wordt opgeheven. In andere gevallen kan misschien de oorzaak der verzwakte werking van het hart gelegen zijn in te sterken tonus dor remzenuwen of in een bijzondere prikkelingstoestand der motorische hariganglien die, evenals electrische prikkeling, de contracties van het hart snel en oppervlakkig maakt.

Slechts dan zou men aan alcohol eene prikkelende werking moeten toeschrijven, wanneer gebleken was dat alcoholica de hartspier zelve prikkelenden; dit is echter niet uitgemaakt. Hol eenige feit, waaruit dit zou kunnen worden afgeleid, is dat de rompspieren van den kikvorsch door kleine giften alcoholica niet geparalyseerd worden, maar eerder krachtiger functioneeren.

Van opwekking der gewaarwordingen en van de psychische functies zal wel niemand bij zieken een bepaald nut verwachten. Men is er integendeel gewoonlijk op uit den zieken zooveel mogelijk psychische rust te verschaffen en hen voor gemoedsbewegingen te bewaren. Dit wordt door do zwakke narcose, die hot wijngebruik meebrengt, bevorderd en het ligt voor de hand dat dit voor den patiënt even gunstige gevolgen hebben kan als lichamelijke en psychische rust gewoonlijk voor hom meebrengt.

Eindelijk kan men de boteokenis van wijn als genotmiddel, ook bij zieken, niet hoog genoog schatten. Het is zelfs do vraag of wijn, op andere wijs bv. subcutaan toegediend, in alle gevallen dezelfde werking hebben zou. Door de reuk-en smaakgewaar-wordingon dio ons don wijn doen genieten en door die zwakste graad van narcose worden waarschijnlijk allerlei reflectoire werkingen veroorzaakt on opgeheven en hot is de som van al deze werkingen, die wij als gevolg van de toediening van wijn bij zieken waarnemen.

Als opwekkond en versterkend middel wordt wijn bij acute en chronische ziekten dikwijls voorgeschreven. Waar men oene krachtige inwerking op het, zenuwstolsel verlangt, gebruikt men bij voorkeur do alcoholrijke zuidelijke wijnen: in die gevallen dient men ook subcutane injecties van aether toe. Indien men den wijn moer als een genotmiddel toedient, kiest men do geurige Fransche en Rhijnwijnen, de laatste vooral hij koortsige ziekten, do eerste, waar chronische katarrhale toestanden der digostie-organen eene zwakke adstringeorende werking vereischen.

-ocr page 55-

39

Terwijl vroeger alcoholische dranken bij acute koortsige ont-stekingsziekten vermeden werden, werd in Meren tijd, vooral door Fransche cn Engelsche artsen, bij longontsteking en ge-wrichts-rhemmüsme een ruim gebruik gemaakt van brandewijn en cognac, en wel op grond der experimenteel opgedane ervaring dat groote giften alcohol de temperatuur en do stofwisseling verminderen. Toch moet men bedenken dat die temperatuurverlaging slechts bij booge, sterk dronkenmakende giften tot stand komt.

Een glas sterke brandewijn, onmiddellijk na zware verwondingen toegediend, kan, door afstomping der sensibiliteit en der reflex-prikkelbaarheid, van groot nut zijn en vooral het subjectief gevoel van den patient zeer verbeteren.

Onder de alcoholica, die zich in sommige opzichten nog al van de anderen onderscheiden, is het jodoform tegenwoordig een der belangrijkste. Jodoform, dat tegenwoordig in de chirurgische wond-behandeling eene zoo belangrijke rol speelt, veroorzaakt geen typische narcose maar een. stoornis van de hersenwerkzaamheid, wier verschijnselen in onrust, ijlen, zinsbegoochelingen, zwaarmoedigheid en dolheid bestaan. Het werkt ook sterk paralyseerend op bot hart en wel op zijne motorische gangliën, even als het als jodal bekende monojodaldebyd, welks werking op het kikkerhart meer nauwkeurig onderzocht is. Zijne antiseptische eigenschappen heeft jodoform met de andere halogeenverbindin-gen dezer groep gemeen, doch wordt hier die werking waarschijnlijk door vrijworden van jood zeer versterkt. Hierdoor cn door zijne moeielijke oplosbaarheid cn geringe vluchtigheid, wordt jodoform een krachtig antisepticum, dat, in den vorm van stroo-poeder aangewend, geruimen tijd eene wond desinfecteert. Toch zij men hiermede voorzichtig, want waar het bij uitgebreide verwondingen in groote hoeveelheid wordt aangewend kan er zooveel van worden geresorbeerd, dat de boven beschrevene vergiftigings-verschijnselen tot stand komen. Deze ontstaan waarschijnlijk door het jodoform zelf, terwijl de soms waargenomen exanthemen door het vrij geworden, op de huid geëlimineerde, jood worden veroorzaakt. In de pis wordt, behalve jodiden,

-ocr page 56-

10

een joodbevattend gepaard glykuronzuur uitgescheiden.

Misschien zou het jodoform bij de wondbehandeling door minder giftige chloorverbindingen kunnen worden vervangen.

1. Spiritus (vini) 500/o aethylalcohol.

2. Spiritus rectificatus, sterke spiritus 70quot;/o.

3. Spiritus rectiflcatissimus, zeer sterke spiritus (J0quot;/,.

4. Cognac — uit wijn gedistilleerd — zelden echt.

5. Vinum.

Bordeauxwijnen.

Rhijnwijnen.

Spaansche wijnen.

Ü. Aether. Acthylaether. aeth. sulf. kookpunt 34—3ü0 G. gemakkelijk ontvlambaar en explodeert in dampvorm met lucht gemengd.

Giften inwendig 0.1—0.5—1,0.

Subcutaan, 0.5—1,0.

7. Aether cum spiritu. Hoffman\'s droppels: Aether 1. spiritus rectificatus 1.

Giften inwendig 1.0—2.0.

8. Aether aceticus. Azijnaether in 10 d. water oplosbaar.

9. Aether miiriaticus alcohol. Een zeer samengesteld praoparaat, verkregen door inwerking van chloorgas op het distillaat van zwavelzuur en alcohol.

10. Mixer acidum IJalleri, gelijke doelen zwavelzuur en zeer sterken spiritus.

11. Spiritus uitri dulcis. Aethylnitriet, verkregen door distillatie van salpeterzuur met zeer sterken spiritus.

12. Chloroform, eene heldere kleurlooze zoetachtig riekende vloeistof met oen specifiek gewicht van 1,492—1,490. Het mag met oen gelijk volumen water geschud, daaraan geen zure reactie mee-deelen en geconcentreerd zwavelzuur niet zwart kleuren.

Chloroform moet in het donker bewaard worden, terwijl toevoeging van \\quot;lu alcohol zijne omzetting belet.

Omzettingen en verontreinigingen zijn niet zeldzaam. Als omzetting door het licht kent uien o. a. de vorming van aan zijn verstikkenden reuk herkenbaar chloorkooioxyd. GGljü. Dit gas vormt zich ook nevens zoutzuur,

-ocr page 57-

41

nis clilorofbnu in gesloten ruimten verdampt in de nabijlieid van vlammen zooals b. v. bij operaties bij gaslicht bet geval is. Als verontreinigingen komen voor gecbloorde verbindingen der aethan- en methanreeks, die echter evenals cbloroform werken. Alleen bet tetracbloormelbaan CC1., zou als verontreiniging gevaarlijk kunnen zijn, daar liet veel sterker verlammend op liet bart werkt. Men kan bet herkennen door zijn kookpunt (77°), zijn specifiek gewicht (1.029) en zijn onveranderlijkheid door kaliloog.

13. Chloralhydraat. Trichlooraklehyclhydraat., in water yc-makkelijk oplosbare kristallen, smeltpunt 58°.

Giften 1—2.! gr.; per dag tot G gram.

14. Paraldehyd eene kleurlooze vloeistof in 8 d. wateroplosbaar. Gift 3—6 gram in eens, in suikerwater.

5. Groep van het Amylnitriet.

Tot deze groep behooren, behalve amylnitriet zelf, do uitriten der alkaliën en het nitroglycerine. Daar amylnitriet de salpete-rigzure aether van een alcohol is en in sommige opzichten in werking met de alcoholica overeenkomt, wordt het door Schmie-deberg en andoren ook tot deze groep gerekend te behooren.

Men kan echter, daar de werking reeds na enkele droppels, waarin slechts eene onbeduidende hoeveelheid amylalcohol aanwezig is, volgt, deze met meer recht toeschrijven aan het daarin aanwezige salpeterigzuur, te meer omdat de salpeterigzure alkaliën en het in den laatsten tijd als geneesmiddel ingevoerde nitroglycerine eene gelijke werking bezitten.

Het uit deze verbindingen vrij wordende salpeterigzuur verandert het bloed in eene chocoladebruine massa, die niet meer in staat is zuurstof te binden , bruine kristallen afzet en de absorptiestrepen van stikoxydbloed vertoont. Deze verandering, waarbij de bloedlichaampjes ongerept blijven , berust op do vorming van melhaemoglobine, dat na eenigen tijd weer in oxyhaemoglobine wordt omgezet.

De inademing van den damp van enkele droppels amylnitriet veroorzaakt reeds eene sterke uitzetting van de bloedvaten dei-bovenste lichaamshclft en van de oppervlakkige hersenvaten.

-ocr page 58-

3-2

De verwijding van die bloedvaten , die eene belangrijke daling van de bloedsdrnkking veroorzaakt, gaat gepaard met eene sterke toename dor polsfrequenlie. Bij inademing van grootore boc-voelhcden worden allo bloedvaten gebeel verlamd en volgen dyspnoea en bewusteloosheid met convulsios , verschijnselen die waarschijnlijk met de verandering van het bloed in verband staan. Die vaatverwijding is hot gevolg van verlamming, zoowel van het vaatcontrmn als van de in de vaatwanden gelogen perifeere zenuwelementen. Meermalen werd na deze werking van amyl-nitriet oen voorbijgaande diabetes waargenomen.

Terwijl do werking van amylnitriet bijna onmiddellijk na de inademing volgt, doch van zeer korten duur is, vertoont zich de werking van natriumnitriet en nitroglycerine eerst 5—8 minuten na de toediening en duurt zij ook eenige uren voort, waarschijnlijk omdat uit het amylnitriet hot salpeterigzuur veel gemakkelijker en vollediger vrij wordt.

Men heeft getracht die sterke uitzetting der vaten en do daling der bloedsdrnkking die daarvan het gevolg is, te gebruiken bij ziekten on wel vooral bij de zoodanigen die men aan vaatkramp toeschrijft, angina pectoris, hcmicranio , epilepsie en dorgelijkon; do daarbij verkregen resultaten zijn problematisch. In don laatston tijd beeft Talma hot middel aanbevolen hij lijders aan hersonanaomio ton einde dyspepsie, braking on dergelijke gevolgen daarvan weg te nemen en hooft Rossbacb het gebruik van die middelen aanbevolen bij schrompelingsnieren ten einde de daarbij verhoogde bloedsdrnkking blijvend to verlagen.

1. Amijltiitriet, salpeterigzure amylaether, eene geelachtige verstikkend riekende vloeistof, die aan hot licht onder ontwikkeling van salpeterigzuur wordt omgezet. De bijvoeging van eenige kristallen van kaliumtartraat belet die omzetting.

Gift bij inademing i2—3 droppels.

-1. Nitroglycerine, beter Trinitroglycerine, de salpeterigzure aether van glycerinealcobol is een zeer gevaarlijke stof, die gemakkelijk ontploft. Dit gevaar schijnt echter niet aanwezig als men het in verdunde alcohol oplost.

Gift —1 mgr. pro dosi eens of meermalen daags.

-ocr page 59-

13

3. Natrmmnitriet, ecu zout dat bijna nooit zuiver is doch gewoonlijk met afwisselende hoeveelheden natriumnitraat verontreinigd, zoodat de opgegeven giften zeer uiteenloopen. Meestal bedroeg de gift u2—300 mgr. doch sommigen zagen nog na veel grootere giften de werking uitblijven.

(gt;. De coffeinegroep.

Deze groep bevat coffcine, chemisch trimethylxanthine, en theobromine, dimethylxanthine; beider werking is dezelfde, doch die van het coffcine is do sterkere.

lieido alcaloiden zijn beslanddeelon van overal op do wereld gebruikte genotmiddelen; niet alleen de koffie en de thee maar ook de paraguaythee of\' maté die in Zuid-Amerika, de colanoten die in Afrika worden gebruikt bevatten coffeine, terwijl theobromine het bestanddeel der cacao is.

Ook behoort tot deze groep nog hel cocaine, het alcoloid der inZuid-Ame-rika als kauwmiddel gebruikte cocabladeren.

CkiHejue veroorzaakt even als strychnine tetanus, gevolg van sterk toegenomen centrale reflexprikkelbaarheid en bovendien, vooral bij kikvorschen, eene op rigor gelijkende verandering van de spieren.

Aanvankelijk volgt bij rana esculenta slechts tetanus, en bij rana temporaria slechts spierverstijving, doch na eenigen tijd worden, ton minste na niet te groote doses, do verschijnselen bij beide kikkersoorton geheel dezelfde.

De spierverstijving begint ter plaatse waar het alcaloid wordt aangewend en breidt zich van daar langzaam over naburige spieren uit; somtijds zijn zelfs enkele deelen eener spier nog geheel normaal, terwijl het andere gedeelte reeds verstijfd is en zijne prikkelbaarheid verloren beeft.

Do hartboweging wordt verlangzaamd, doch na groote giften ondergaat ook de hartspier eono gelijke verandering als de andere spieren.

Bij zoogdieren treedt de tetanischo werking op den voor-

-ocr page 60-

-14

grond, loch volgt na injcclio van coffeine in het bloed bij konijnen katten en honden, hartverlamming.

Kleinere giften doen de polsfrequentie toenemen; daar deze toename ook bij met atropine behandelde dieren optreedt, kan zij niet het gevolg zijn van verlamming der remapparaten. De bloedsdrukking daalt gewoonlijk; soms wordt deze daling latei-door eene stijging gevolgd, maar steeds is de werkzaamheid van het hart onregelmatig, arrhythmisch evenals in het laatste tijdperk der digitalinewerking. Na inspuiting van coffeine in het bloed neemt bij konijnen de intensiteit der spiercontracties aan het myographyon af, doch bij kikvorschen neemt die na zeer kleine giften toe.

Bij menschen werd na inwendige toediening van 0,5—ü,Ügr. dronkenschap waargenomen, bestaande in duizeling, hoofdpijn, oorsuizen, beven, onrust, slapeloosheid, verward denkvermogen, ijlen en eindigende met slaperigheid. Andore waarnemers dienden echter dergelijke en zelfs grootere giften (1.5 Frericks) toe zonder deze of ook vergiftigingsverschijnselen waar te nemen.

Evenals bij dieren volgden ook bij menschen hartklopping, toename der polstrequentie en eene onregelmatige hartwerk-zaamheid.

Gewoonlijk neemt do behoefte om urine te loozen toe. In een j^eval vim vergiftiging bleek ook do hoeveeliieid urine te zijn toegenomen. Thee werd dan ook, evenals onlangs ook colïoine, ills diuretisch middel aangeprezen.

De beteekenis van deze alcaloiden als genotmiddelen moet uit hunne inwerking op het zenuwstelsel en op de spieren verklaard worden. Zoodra door vermoeienden arbeid do prikkel van den wil slechts traag op de spieren wordt overgebracht en deze slechts met moeite het arbeidsvermogen waarover zij nog beschikken in arbeid kunnen omzetten, kan coffeine, dat het ceiir traalzenuwstelsel prikkelt, den vermeerderden weerstand daarin overwinnen. Aan den anderen kant zullen matige doses van dit alcaloid, die te klein zijn om eene blijvende contractie der spieren te veroorzaken, het tot stand komen der gewone spierzamen-trekkingen bevorderen. Hierbij neemt het absolute arbeidsvermogen der spieren wel niet toe, maar komt toch de werk-

-ocr page 61-

zaamlieid gemakkelijker lot stand. De werking van koffie en thee moet behalve aan het coffeine nog voor een deel worden toegeschreven aan vluchtige hestanddeelen, die in de thee als aetlie-rische olie aanwezig zijn en zich in de koffie bij het branden vormen. De werking dezer stoffen komt in hoofdzaak met die van het alcaloid overeen; zij doen de polsfrequentie toenemen, prikkelen de hersenen vooral bij vermoeienis en belemmeren liet inslapen. Bovendien versterkt het bij het branden der koffie ontstane caffeon de darmperistaltiek.

In den laatsten tijd heeft men coffeine aanbevolen als surro-rogaat voor digitalis bij klepvliesgebreken en daarvan toename van de arterieele drukking en afname van de polsfrequentie waargenomen. Het voordeel van coffeine boven digitalis zou vooral in eene sneller volgende en het ontbreken van cumulatieve werking gelegen zijn, daar het zeer snel en onveranderd met de urine wordt geëlimineerd.

De beteekenis van coffeine voor de t herapie is, behoudens de toediening van koffie als genotmiddel (een groot kop kofiie bevat ongeveer 100—^00 mgr. coffeine) niet groot. Men meent door coffeine of guarana den duur van eenen aanval van migraine te kunnen bekorten, doch deze werking is even onverklaarbaar als de pathogenese van die ziekte onbekend is.

In den laatsten tijd wordt cocaine van verschillende zijden als een plaatselijk anaesthetisch middel aanbevolen. De alge-meene werking van dit alcaloid, dat evenals koffie en thee als genotmiddel gebruikt wordt, heeft met die van liet coffeine overeenkomst, liet werkt namelijk bij warmbloedige dieren vooral in op de groote hersenen, wier functie het sterk verhoogt en eerst in enorme giften verlamt. Het versnelt daarbij de ademhaling en den hartslag en vermeerdert do peristaltische bewegingen van het darmkanaal.

Cocaine en vooral coeabladeren werden gezegd spaanniddelen te zijn , evenals dit van de koiïie beweerd Is. l\'roel\'nennngon op hongerlijdende konijnen hebben echter geleerd dat cocaine den hongerdood niet vertragen kan. (Anrep).

Op bijzondere wijs werkt cocaine echter in op do gevoelsze-

-ocr page 62-

4()

nawen. Bij ondortmidsche injectie toch en ook bij het penseeion eener mucosa niet eene cocaineoplossing, wordt do huid en do mucosa ongevoelig voor pijnlijke prikkels, terwijl, volgons Laborde, na subcutane inspuiting bij cavia plaatselijke anaesthesio dor keel, van den neus en van het oog volgen zou, oono waarnoming die echter nog bevestigd moet worden. Van deze eigenschap van het cocaine wordt in den laatsten tijd veelvuldig partij getrokken om het oog, de koel en andere licht bereikbare slijmvliezen gevoelloos te maken en chirurgische operaties, waarvoor men vroeger chloroformeeron moest, zonder pijn uit te voeren.

1. Coff\'eine, gift 0.1—ü.2 p. dosi.

2. Caffeine citmat, goen zout maar een mengsel van coffeino en citroenzuur.

3. Cojfeine natro-henzoicum, 0.4. p. dosi; 1—2 gr. p. die.

4. Guarana, do gedroogde en lot poeder gebrachte zaden van Paullinia sorbilis bevat 5quot;/,, coffoine; giften 0.5—2 gr. p. dosi.

5. Cocainum muriuticiirn. Giften om te ponsoelen, waterige oplossingen van 2—^20 quot;/„•

7. De Kamfergroep.

Do stoffen, die tot deze groep behooron, prikkelen het cen-traalzonuvvstolsel, vooral de vorschillonde zenuwcontra van hot verlengde merg.

Het bijna alleen in het oog vallend verschijnsel, dat bij zoogdieren en menschen na toediening van grooto giften van deze stoffen wordt waargenomen, bestaat in periodieke, door korte tusschonpoozen gescheiden epileptiformo krampen. De door prikkeling dor medulla oblongata volgende stoornissen in de ademhaling en do hartwerkzaamheid treden daardoor geheel op den achtergrond, doch bij gecurariseorde dieren wordt eene tusschenpoozende, van prikkeling van het vaatcentrinn afhankelijke, toename dor arterieele bloedsdrukking waargenomen.

Hij menschen cu dioi\'en worden do krampen voorafgegaan door een toestand van opgewektheid der psychische sfeer, eene soort roes; bij dieren

-ocr page 63-

47

vooral door een slerko neiging om zich lo bewegen, waavdooi\' honden onophoudelijk langs de wanden van het vertrek heen en weer loopen. Na middelmatige gillen volgen bij nienschen dikwijls duizeligheid , hoofdpijn , verwarring der denkbeelden , eerst toe- daarna afgenomen polsfrequentie , roodheid van het gelaat, bewusteloosheid en krampen.

Bij kikvorschen volgt spoedig eenc op die van curare gelijkende werking, waardoor krampen niet meer tot stand kunnen komen.

Op de hartspier van kikvorschen werkt kamfer prikkelend , zoodat een door muscarine, of door verlamming der motorische gangliën, of door afname van de prikkelbaarheid der hartspier tot stilstand gebracht hart, weer gaat kloppen.

Op grond van een en ander moet de beteekenis van kamfer voor de therapie daarin gezocht worden, dat hij bij den collapsus, die in het verloop van acute ziekten voorkomt, tegelijkertijd de hartspier en het vaatcentrum, misschien ook het ademhalingscentrum prikkelt en daardoor de gevaarlijke verschijnselen, de verzwakking van den hartslag en van de ademhaling en de aanwezige verlamming van het vaatcentrum opheft. Toename van den bloedsdruk en versnelling van den bloedsomloop zijn dus de heilzame gevolgen van karafertoediening. Dat deze niet zoo geregeld tot stand komen als men zou kunnen wenschen, moet aan de moeielijke resorptie van het in water onoplosbare en weinig vluchtige middel en aan het feit dat de kamfer na geresorbeerd te zijn spoedig in onwerkzame camphoglykuronzuren wordt omgezet, worden toegeschreven. Vandaar ook dat de eerste verschijnselen der werking nu eens volgen na giften van 0.03 — 0.06 dan eens na tienmaal grootere.

Stoornissen der hersenftmetien worden eerst na giften van 3—4 gram waargenomen.

Tot de kamfergroep behooren nog borneol, campherol, menthol en vele andere kamfersoorten en aetherische oliën. Misschien ook de inoschus; deze laatste stof veroorzaakte in giften van 50—\'JUO mgr. bij menschen dezelfde werkingen op den pols en de hersenen (Jorg).

Het waarschijnlijk geheel onwerkzame castoreum heeft zijne

-ocr page 64-

reputatie als opwekkend middel ven model ij !c alleen te danken aan zijne met den raoschus analoge afkomst.

1. Camphora, kamfer, bijna onoplosbaar in water, doch wel in spiritus, aether en vette oliën.

Giften 100—iOO mgr. in poeders of emulsie; subcutaan 50 mgr. in aether opgelost.

2. Spiritus ramphoratus 1 d. op \\.i d. spir. vin rectif.

3. Moschus de inhoud van do voorhuids/.akken van het mannelijk inoschusdier, hot werkzame bestanddeel is onbekend.

Giften 50—200 mgr.

4. Castoretini, bevergeil; de Pbarmacopoea bevat twee soorten: Siberisch en Ganadasch; hot eerste is /.eer duur, beiden onwerkzaam.

(5. Tinct. Cast or ei 1 d. Siberisch castoreum op 8 d. spiritus.

8. De Ammoniagroep

Ammonia.hoeft eene plaatselijk prikkelende en etsende en eene verwijderde werking op het zenuwstelsel; bovendien werken hare verbindingen met anorganische zuren als zouten.

In het lichaam wordt ammonia spoedig in ureum omgezet on als zoodanig door de nieren uitgescheiden.

Bij honden volgt na inwendige toediening van zoo groot mogelijke doses ammoniumcarbonaat, 10—20 gram daags, geenerlei werking op hot zenuwstelsel en men mag daarom betwijfelen of die na de gewone medicamonteuse giften bij den mensch tot stand komt.

Wordt verdunde ammonia of koolzure ammonia in liet bloed of onder do huid ingespoten, dan wordt bij zoogdieren, door prikkeling der medulla oblongata en van het ruggemerg, de ademhaling versneld en krampachtig, de bloedsdrukking verhoogd, de pols versneld of verlangzaamd en volgen tetanische convulsies (151ake, Böhm en Lange, Funke en Deahna). liij konijnen veroorzaken 5U—70 mgr. ammonia in 3—t cmm. water opgelost, ook al wordt die gift herhaaldelijk subcutaan toegediend, slechts eene onbeduidende werking, maar volgen tetanus en dood na inspuiting in het bloed van giften van 10—15 mgr. (Funke en Deanah).

-ocr page 65-

49

Do aminoniapraoparaten worden tegenwoorrlig, behalve als plaatselijk prikkelende middelen, nog- slechts gebruikt bij catar-rhale toestanden der luchtwegen.

Na inspuiting in het bloed bij eene kal van 1 gram salmiak nam de sliimafscheidine\' op de trachea sterk af (Rossbach).

1. Ammonia liquida.

2. Acetas ammonicus liquidus, spiritus Mindereri, door azijnzuur verzadigde ammonia liquida.

Giften 2—10 gram; per dag tot 50 gram.

3. Koolzure ammonia, Sesquicarbonas ammonicus, wilte naar ammonia riekende kristaikorsten.

Giften 0.5—1 gram.

4. Sul cornu cervi, een mengsel van koolzure ammonia en go-zuiverde brandig dierlijke olie, thans oen obsoleet praeparaat.

9. De blauwzuurgroep.

Blauwzuur is oen heftig vergif voor alle dierlijke on plantaardige organismen. Bij zoogdieren werkt het vooral in op verschillende in de medulla oblongata, gelegen centra en wel op hot ademhalings- en zoogenaamd krampcontrum, het vagus- en vaat-centrum en veroorzaakt door prikkeling daarvan hevige krampen met bemoeiolijkto en krampachtige ademhaling. Doch zeer spoedig worden deze centra, evenals ook de motorische hartganglien, verlamd. De ademhaling en ook het hart staan dan stil zoodat do dood, dikwijls na zeer korten tijd, volgt.

Blauwzuur kun met haemoglobin eono bepaalde, kristalliseerbare verbinding aangaan, die wel in staat is zuurstof op te nemen, maar die zeer moeielijk weer afgeeft. 1 Je verschijnselen van vergiftiging zijn niet afhankelijk van het tot stand komen van deze verbinding, die men slechts buiten liet lichaam verkregen kont.

Na toediening van blauwzuur in giften die geen vergiftiging veroorzaken, neemt men of goenerlei verschijnselen, of slechts congestie naar hol hoofd met duizeligheid en een gevoel van drukking op de borst waar. Of door zoodanige giften therapeu-

4

-ocr page 66-

50

tischo resultaten kunnen worden verkregen, is niet bekend. Rationeele en zelfs empirische indicaties voor het gebruik van dit gif ontbreken. Aq. amygdal amar en aq. lauro-cerasi worden dan ook niet zoo zeer als artsenij toegediend, maar meer om den smaak van andere geneesmiddelen te verbeteren.

1. Aqua amygdalanan amararuni bevat iets meer dan een duizendste watervrij cyanwaterstofzuur.

quot;1. Aqua latirocerasi bevat van dat zuur ongeveer acht tienduizendste.

(.). De groep van het moederkoorn.

Do werkzame bestanddeelen van het moederkoorn zijn nog niet nauwkeurig bekend; alleen weet men dat het meerdere giftige bestanddeelen bevat en is van enkele van deze althans iets bekend.

Het bevat namelijk, behalve eenige alcaloiden waarvan e.rgo-tinine en cornutine de meest bekende zijn, een stikstofhoudend amorph, in water, doch niet in alcohol, oplosbaar zuur , ergotine-zunr, dat in onzuiveren toestand sklerotinezuur (Dragendorff en Podvvyssotzki) genoemd is, benevens een stikstofvrij in alcohol doch niet in water oplosbaar zuur, sphacelinezuur; dit laatste moet voor het werkzame bestanddeel van het alcoholisch moeder-koorn-extract, het ergotine van Wiggers, worden gehouden.

Wij weten van moederkoorn nog niet veel meer dan dat het lang voortgezet gebruik van kleine hoeveellieden eene vroeger epidemisch voorkomende ziekte, Ergotismus of kriewelziekte, veroorzaakte, die aanvankelijk algemeene hyperaestliesie, later paralyse of gangreen der extremiteiten deed ontstaan, en dut het waterig aftreksel ot waterig extract, Ergotine vanBonjean, contracties der baarmoeder verwekt.

lu gewone medicamenteuse gitten toegediend, versterkt liet middel do contracties eener baarmoeder, die reeds werkzaam is en bevordert dus de uitdrijving eener vrucht of nageboorte; oin

-ocr page 67-

51

echter, als do baarmoeder in rust verkeert, saiuentrekkingen daarvan en abortus ol\' ontijdige geboorte op te wekken, moeten zeer grooto, vergiftiging veroorzakende, doses worden toegediend.

Het is nog niet bekend aan welk bestanddeel van het moe-derkoorn de weeënbevorderende werking moet worden toegeschreven. Aan do alcaloiden stellig niet, daar deze in hoogst onbeduidende hoeveelheid in het moederkoorn voorkomen on dit door uittrekken met aother, die de alcaloiden oplost, die werking op den uterus niet verliest. Evenoons is bij prooihomingen op dieren gebleken dat ergotinezuur niet op do baarmoeder inwerkt. Waarschijnlijk is hot sphacelinezuur, welks zouten oplosbaar in water zijn, zoodat die in de waterige aftreksels van moederkoorn aanwezig zijn, de oorzaak dor samentrekking van don uterus.

Moodorkoornpraeparaten worden in do praktijk veelvuldig gebruikt bij bloedingen. Toch is er slechts ééno bloeding waarbij do werkzaamheid gebleken is, on wel baarmoedorbloeding. Daar echter hier de blooding ophoudt omdat door de samentrekking der spieren het orgaan verkleind wordt on do bloedvaten worden dichtgodrukt, is het niet geoorloofd, omdat moederkoorn baar-moodorbloodingen doet ophouden, er ook bij bloedingen uit andere organen eene bloodstolpendo werking aan too to schrijven.

Meestal neemt men in do praktijk aan, dat nioedorkoorn oeno bloeding doet ophouden omdat hot contractie van allo kleinere slagaderen veroorzaakt, zonder zich rekenschap te geven van hot feit, dat oono gelijktijdige vernauwing van allo slagaderen oeno sterke toename der bloedsdrukking zou moeten veroorzaken, waardoor natuurlijk do intensiteit oenor plaatselijke bloeding zou kunnen worden bevorderd.

Talrijke proofnomingoii met hot dool de algomoeno vaatvor-nauwing, door moederkoorn veroorzaakt, te bewijzen, hebben slechts tegenstrijdige resultaten gegeven, en wel omdat de oono waarnemer deze, de andere gene bereiding gebruikte. Thans is gebleken dat hot ergotinezuur goonorloi invloed op het lumen dor vaten ol\' do bloedsdrukking heeft, maar dat zoowel het sphacelinezuur als hot alcaloid cornutino, door prikkeling van het

vasomotorisch centrum, eene zeer belangrijke vernauwing dor

4*

-ocr page 68-

52

slagaderen en toename van den bloeddruk veroorzaken (Kobert). Die vernauwing dor slagaderen, vooral door sphacelinezuur, moet ook als de oorzaak worden beschouwd van het afsterven van perifeere lichaamsdeelen bij ergotismus gangraenosus. Experimenteel gelukte het door dit zuur bij hanen gangraen van den kam, ja zelfs het afvallen der vleugels te bewerken.

Zoolang het niet gelukt de werkzame bestanddeelen in zuiveren toestand te bereiden, verdient het gebruik van hot moeder-koorn zelf de voorkeur boven dat van de talrijke daaruit go-maakte praeparaten, die allen eene onbekende en onzekere samenstelling hebben.

1. Sem/e coruutum, moederkoorn, door de woekering eener kernzwam, claviceps purpurea, pathologisch ontaarde zaden van gramineën, vooral van de rogge. Het moot versch on droog zijn en mag niet in poedervorm worden bewaard.

Giften 300 mgr—1 gram; per dag tot 5! gr, in aftreksel.

2. Extract. secal. coniuti, het in alcohol onoplosbaar deel van het waterig aftreksel.

3. Eryotine van Jionjean, niet in de Ph. N., waterig extract.

4. Eryotine van Wiggers, als boven, alcoholisch extract.

10. De tropeïnengroep.

Het in Atropa belladonna aanwezige alcaloid Atropine, dat ook in Stramonium voorkomt, en daaruit met hyosciamine vermengd verkregen, Daturine genoemd wordt is eene verbinding van tropazuur mot do base tropin. De laatste is weinig werkzaam ; wordt daarin echter een at. 11. door oen zuurrest vervangen, evenals dit bij do vorming van zure aethers uit een alcohol plaats vindt, dan ontstaan verbindingen die zeer stork werkzaam zijn en tropeïnen genaamd worden (Ladenburg).

Atropine is dus oen tropeïn en wel tropazuur-tropin. Hyoscianiiti, dat behalve in Hijoscianius nigerook in Dubolsia myoporiodes voorkomt en daaruit zuiver bereid Uuboisine heet, en nevens atropine ook in Stramonium en liellu

-ocr page 69-

(Innrm gevonden wordt, is tropazuur hyoscine, terwijl liyoscine en h\'opine isomere stoffen zijn. Behalve deze in de natuur voorkomende kenl men thans verschillende kunstmatige tropeïnen: salicylzuur-. plhalzuur tropeïne, henzoijltropffle en vooral liet in de geneeskunde gehruikte hoinatropine, zijnde phenylglycoltropeïne, eene verbinding van tropine met amandelzuur.

Al deze tropeïnen hebben de honfdwerkingen met elkander gemeen en vorscliillen slechts in quantiteit van werking. Atropine werkt in, eerstens op verschillende doelen van liet centraal-zenuwstelsol, in de tweede plaats op vele perifeere organen; do werking is altijd eene verlammende, doch l)ij do laatsten treedt de verlamming onmiddelijk op, terwijl zij bij do eorston door prikkeling wordt voorafgegaan.

De perifeere organen, die door atropine worden verlamd, zijn de accomodatioorganen van het oog, de remapparaten van het hart, alle echte klioi^n, en de motorische zenuwelementen in do organen die gladde spiervezelen bezitten, vooral in hel darmkanaal. Atropine verlamt juist dezelfde lichaumsdeelen, die door muscarine sterk worden geprikkeld.

In het oog wordt door indroppeling van verdunde oplossingen van atropine de pupil verwijd en het accomodatievermogen verlamd. Vleeschvretende dieren zijn gevoeliger in dit opzicht dan plantenvretende; kikvorschen zijn weinig en vogelen geheel ongevoelig.

Die werking is bij indroppeling in het oog, niet bij inwendige toediening, eene plaatselijke; zij volgt loch slechts op het oog, waar de atropine werd ingedroppeld en niet op het andere, en men is zelfs in staat, door het alcaloid voorzichtig op oenen kant van den oogbol aan te brengen, de contractie van do iris aan die zijde het eerst te voorschijn te doen treden. Bovendien kan men bij kikvorschen nog op een uitgesneden oog de pupil verwijden.

De oorzaak der verwijding is voornamelijk verlamming van de uiteinden of eindtoestellen van den oculomotorius.

Dit blijkt daaruit, dat. na aanwending van atropine op hel oog sterke prikkeling van den stam van die zenuw, noch prikkeling der eiliaarzenuwen en evenmin muscarine de pupil doet vernauwen. Dat, ten ininste na niet

-ocr page 70-

54

al te groote giften atropine, de spievvezelen der iris niet verlamd zijn, blijkt daaruit, dat men door directe electrische prikkeling en door zoodanige stoffen, die niet de zenuw- maar de splervezelen prikkelen (physostigmine), en l)ij sommige dieren, zooals bij konijnen door prikkeling van den trigeminus, de pupil nog vernauwen kan.

Waarschijnlijk speelt echter ook de sympathieus bij de pupilvernauwing door atropine eene rol.

Dat na indroppeling van atropine doorsnijding van den sympathieus de verwijding der pupil doet verminderen, bewijst niet meer, dan dat de van liet centraalzenuwstelsel afhankelijke normale tonus van deze zenuw voor den musculus dilatator pupillae, door de ingedroppelde atropine niet was weggenomen. Maar dat de pupilverwijding, voor een deel althans, van sympathi-cusprikkeling afhankelijk is, volgt uit het feit, dat de verwijding door atropine veel sterker pleegt te zijn, dan die door doorsnijding van den oculo-motoriusstam wordt verkregen.

Ook de verlamming van het accomodatievermogen is het gevolg van verlamming der perifeere uiteinden van den oculomo-torins en wel van zijne ciliaartakken. Het eenige middel om deze op te heffen en het oog voor de nabijheid te doen instellen is physostigmine\', dal do spieren zeiven prikkelt.

De werking van atropine op het oog volgt betrekkelijk langzaam maar duurt gewoonlijk eenige dagen. Hoinatropine werkt sneller; maar de werking gaat veel spoediger voorbij, zoodat het voor oogheelkundig onderzoek de voorkeur verdient. Hyosciamine schijnt, Wat den graad der werking op het oog betreft, tusschen atropine en hoinatropine in te staan.

Door atropine wordt ook de intraoculaire drukking verminderd (Adamük).

In het hart verlammen kleine giften atropine dezelfde zenuwelementen, die, bij prikkeling van het perifere vagusuiteinde of van de veneuse sinus, bij kikvorschen het hart in diastole doen stilstaan, of althans zijne contracties verlangzamen. Na toediening van atropine zijn de remapparaten volkomen geparalyseerd, zoodat geenerlei prikkeling, nocli ook muscarine den hartslag kan vertragen; overigons is het hart normaal.

Bij dieren (niensch , hond, kat) waar in physiologisehen toestand een van het centraalzenuwstelsel uitgaande automatische vagustonus bestaat, wordt door atropine de hartslag sterk vermeerderd, zoodat liet aantal polsslagen

-ocr page 71-

kan verdubbeld zijn. Hij konijnen daarentegen is die toename onbelangrijk en bij kikvorschen blijft zij gobeel uit.

Atropine onderdrukt de afscheiding van iilie ware klieren.

Aan do glandula submaxillaris volgt, hij met atropine vergiftigde dieren, door prikkeling der zenuwen, geen speekselafscheiding (Keuchel), doch wel verwijding der bloedvaten (Heidenhain). Zweet- en slijmafscheiding houden op, de door muscarine veroorzaakte hypersecretie van het pancreas wordt opgeheven, die van de lever (gal) verminderd (Prévost). Het gelukt bij jonge katten niet meer door prikkeling van den ischiadicus zweet-secretie aan do voetzool te doen volgen. Ja, zelfs wil men na medicamenteuse giften belladonna de melkafscheiding hebben zien ophouden (Goulden). In al die gevallen onderdrukt atropine de door pilocarpine of muscarine vermeerderde klierafscheiding, maar de werking van die alcaloiden blijft, waar eerst atropine was aangewend, geheel uit.

Door toediening van atropine bij menschen ontstaat dus een zeer karakteristiek ziektebeeld. De pupil is verwijd, ongevoelig voor lichtprikkels, het oog daardoor donker en schitterend; de pols is frequent, vol en hard; door de onderdrukking der klierafscheidingen is de mond droog, wordt het slikken bemoeielijkt en de stem heesch; de huid is droog.

Van de met gladde spieren voorziene organen werkt atropine vooral op het darmkanaal. De peristaltische beweging houdt, vour zooverre zij door bemiddeling van motorische darmganglien tot stand komt, geheel op, doch bij niet al te groote giften blijft do spierrok \'van den darm zeiven prikkelbaar en trekt zij zich door directe prikkels samen, zonder dat hierdoor echter peristaltische bewegingen ontstaan. Indien echter de darmbewegingen door directe prikkeling van don spierrok zijn opgewekt, blijft de atropinewerking geheel of grootondoels uit. Zelfs neemt men soms na zeer kleine giften eene geringe toename van de peristaltische bewegingen waar, zoodat het den schijn heeft, alsof atropine de darmspieren zelve prikkelde. Na zeer groote giften ondergaat echter ook de prikkelbaarheid van de darmspieren eene afname.

De werking op het darmkanaal van muscarine, pilocarpine en

-ocr page 72-

5(5

nicotine blijft, na toediening van atropine uit, maar physostigmine, dut de spieren zelve prikkelt , veroorzaakt nog sterke peristaltische beweging, ja zelfs hevige tetanische samentrekking. Hieruit mag worden opgemaakt, dat atropine in do darmwand liggende gangliencellen, van welke de normale darmbewegingen afhankelijk zijn, verlamt. De werking van het alcaloid op de dartnspie-ren speelt bij atropinevergiftiging slechts eene ondergeschikte rol.

Bij de andere met gladde spiervezelen voorziene organen, de maag, de milt, de pisblaas en de uterus, treedt de werking van atropine slechts dan te voorschijn, als ze zooals bij muscarine en pilocarpinevergiftiging in een toestand van krampachtige samentrekking verkoeren. Hier wordt door atropine de kramp opgeheven. Physostigmine is het eenige middel, waardoor dan wederom spiercontracties kunnen worden opgewekt.

Op andere perifeere organen werkt atropine niet. Alleen bij katten volgt na indroppeling in hot oog aanvankelijk sterke speekselvloed, zoodat hier de verlamming der chorda door prikkeling wordt voorafgegaan.

Deze werkingen van atropine op perifeere organen zonden in de therapie kunnen worden gebruikt, als men slechts in staat was ze, even als op het oog, geïsoleerd tot stand te brengen en de intensiteit en den duur der werking in zijne macht had. Gewoonlijk volgen die verschillende werkingen echter gelijktijdig, zelfs de voor den patient zeer onaangename en gevaarlijke polsversnelling meestal het eerst van allen. Misschien zal men or in slagen, kunstmatige tropeïnen te bereiden, die slechts eeno enkele werking tegelijk veroorzaken. Toch kan men door atropine en zijne bereidingen nog wel goede resultaten erlangen. Tn vele gevallen gelukt het speekselvloed en overmatige zweetsecretie er door te onderdrukken, al blijft het middel ook in andere gevallen, waar waarschijnlijk het klierweefsel zelf ziekelijk veranderd is, werkeloos.

Door inademing van verstuifde atropineoplossing kan eene verhoogde slijmsecretie der bronchi verminderd, en de daardoor veroorzaakte hoest gematigd worden; misschien is het middel hier werkzaam door opheffing van eene krampachtige samentrekking der spieren. Men heeft ook in de praktijk opge-

-ocr page 73-

57

merkt flat sonunige vormen van hardnekkige constipatie door hel gebruik van exlr. beliadonnae snel en zeker worden genezen; waarschijnlijk was hier de constipatie het gevolg van krampachtige insnoering van enkele deelen van het darmkanaal. We hebben zooeven ook gezien, dat kleine giften atropine, te klein om de peristaltische beweging te verlammen , de spieren van den darm een weinig knnnen prikkelen. Voor de therapeutische aanwending van extr. beliadonnae geldt hetzelfde, wat vroeger omtrent extr. nuc. vom. en opium is opgemerkt.

Men weet nog niet of, en op welke wijs, atropine plaatselijk kan worden gebruikt bij krampachtige toestanden der baarmoeder; ook is de werking van het alcaloid op dit orgaan nog niet behoorlijk vastgesteld.

Misschien zou men bij hersenziekten en in het verloop van andere ziekten door atropine of door een der andere tropeïnen oen bovenmatigen tonus der hartrernmende vagusvezels en eene daarvan afhangende gevaarlijke polsverlangzaming kunnen opheffen.

Dc werking dor tropeïnen op het centraalzenuwstelsel is bij den mensch alleen voor atropine en voor hyosciainino nauwkeurig bekend.

Do hersenverschijnselen dooratropine bij menschen bestaan vooral in psychische exaltatie: duizeligheid, onrust en automatische, op St. Vitusdans gelijkende bewegingen, voortdurend hard en onverstandig spreken, ijlen, phantasmata en manie, lachen of zeldzamer schreien zijn de gewone verschijnselen , die nevens de plaatselijke werkingen op hot oog, het paralytische tijdperk, dat met slaap, coma en krampen verloopt, voorafgaan.

Dc meestal aanwezige roodheid van het gelaat en van do bovenste lichaamshei ft ontstaat waarschijnlijk door de toename der polsfrequentie, do daardoor verhoogde bloedsdrukkingen een gelijktijdige verwijding der huidvaten. Misschien werkt atropine evenals morphine plaatselijk op de zenuwelementen der huidvaten.

Bij den mensch volgt volgens Michea, Schroff en Meuriot na do volgende doses atropine:

^- I mgr: droge mond, dikwijls met dorst;

-ocr page 74-

58

2 mgr: pupilverwijding, polsversnelling, soms door een korte verlangzaming voorafgegaan;

3—5 mgr: hoofdpijn, droge mond en keel, dysphagie, verandering van het stemgeluid ja soms stemmeloosheid, droge huid, matheid, onzekere gang, onrust en zenuwachtigheid;

7 mgr; maximale pupilverwijding, stoornissen van het gezicht;

8 mgr: op dronkenschap gelijkende toestand, onzekere gang.

10 mgr: apathie, gestoord of opgeheven bewustzijn, hallucinaties , ijlen.

Hyosciamine werkt op de hersenen anders dan atropine. Na toediening van amorph hyosciamine blijven gewoonlijk de verschijnselen van levendige opgewektheid uit, terwijl bij kleinere giften neiging tot rust en slaap opgemerkt wordt (Scbroff). Ook na onderhuidsche toediening van 5—10 mgr. gekristalliseerd hyosciamine volgde nevens polsversnelling, slaap (Gnauck en Kronecker).

Atropine is in het algemeen aangewezen bij hersonverlammin-gen. Bij verlamming van het ademhalings- en vaatcentrum, de gewone collapsus, is echter daarvan geen nut te verwachten. Alleen gelukt het bij vergiftiging met morphine en bij zenuwlijden en psychische ziekten somtijds, een of ander verschijnsel van hersenverlamming door atropine geheel of gedeeltelijk weg te nemen. Het resultaat is afhankelijk van den aard van het geval, en indicaties voor de toediening bij bepaalde ziekten kunnen dus niet worden opgegeven.

1 Sulphas atropini, klemiooze in water goed oplosbare kristallen, giften i —1 mgr.; per dag tot 3! mgr.; subcutaan J — i mgr.

2 Folia belladoiiiiae, van Atropa belladonna, dolle kers. Giften tot 200! mgr.; per dag. tot (100!

3 Kxtracliini hcJItuloiuuie wpios.

Giften lot 32! mgr.; per dag tot 130! mgr.

4 I\'J.rfr. belladonnae spirit.

Giften tot 10! mgr.; per dag tot 05! mgr.

5 llcrha hjosciami van Hyosciamus niger.

0 Kxtrad ln/oseicnni aquos en spirituos.

Giften van het eerste tot 200! mgr.; per dag tot 1! gram.

van hel spiritueuse de helft.

-ocr page 75-

59

7 Oleum hyosciami oene groene olie, obsoleet.

8 Folia stramonii van Datura stramonium,

Giften 20 tot 200! mgr.; per dag tot 1! gr.

9 Extract, stramonii aquos. et spiritnos.

Giften van het eerste tot 180! mgr.; per dag tot 400! mgr. van het spiritueuse de helft.

12. De Muscarinegroep.

Het alcaloid uit Agaricus muscarius prikkelt dezelfde perifeere organen, die door atropine worden verlamd, in sterke mate. De rem-apparaten van het kikkerhart worden zelfs zoo sterk geprikkeld, dat het hart geheel in diastole stilstaat; dit geschiedt echter slechts dan, als de beweging van het hart alleen door do motorische gangliën tot stand kwam on niet als dc hartspier zelve geprikkeld werd.

Bij zoogdieren veroorzaakt muscarine door prikkeling van die zenuwelementen dc volgende verschijnselen: verlangzaamde hartslag, verlaagde bloedsdrukking, speeksel- en tranenvloed, vermeerderde secretie van panereasvocht, gal, slijm en zweel, vernauwing der pupil met accomodatiekramp, hevige tctanische samentrekking van maag en darmkanaal en daardoor braking en diarrhoea, eindelijk contracties der pisbiaas, van de milten misschien ook van de baarmoeder.

Al doze verschijnselen verdwijnen geheel door toediening van voldoende hoeveelheden atropine, en blijven uit bij dieren die vooraf met atropine waren vergiftigd: alleen dan, als na kleine giften atropine de zenuwelementen niet geheel, maar slechts ten deele verlamd zijn, kunnen groote hoeveelheden muscarine nog werkzaam blijken.

Zoogdieren sterven bij vergiftiging niet muscarine aan hartstilstand, doch kleine hoeveelheden atropine kunnen den dood afwenden, zoodat dit alcaloid met vrucht bij vergiftiging door vliegenzwam kan worden gebruikt.

Do suheutane inspuiting van I—3 mgr. muscarine veroorzaakt

-ocr page 76-

60

bij menschon storkon speekselvloed, congestie naar het hoofd, toename der polsfreqnentie later door de karakteristieke afname gevolgd, duizeligheid, angstgevoel, misselijkheid, vermeerderde darmbewegingen, kramp van hot accomodatievermogen, sterke zvveetafscheiding vooral aan het gelaat. Van al die verschijnselen volgen speekselvloed en toegenomen zweetsecretie hot eerst, zoodat muscarine evenals pilocarpine tot therapeutische doeleinden zou kunnen worden gebruikt.

13. Groep van Pilocarpine en Nicotine.\'-.

Deze beide alcaloiden prikkelen dezelfde organen, die floor muscarine geprikkeld worden. De werking op hot hart is echter in zooverre eene verschillende, dat daarin andere elementen worden geprikkeld en deze, na eerst te zijn geprikkeld, later worden verlamd.

Het kikkerlmi\'t blijft, eerst in dinslole stilstaan, een verschijnsel dat evenals bij muscarine door atropine kan worden opgeheven. Die stilstand is slechts tijdelijk; langzamerhand begint bet hart weer regelmatig te kloppen, doch nu kan door prikkeling van den vagus geen stilstand, noch zelfs verlangzaming der contractien, worden verkregen. En toch werken muscarine en prikkeling van den sinus evenals op een normaal hart en wordt hunne werking door atropine opgeheven. De vagusvezelen zelve worden dus door pilocarpine en nicotine evenmin verlamd, als dit door eenig ander gif mogelijk is, maar deze alcaloiden werken op dat deel der remapparaton, dat de vezelen van den vagus met do perifeere eindapparaten, die door muscarine geprikkeld en door atropine worden verlamd, verbindt. Groote giften paralyseeren eindelijk het geheele hart.

De werking dezer alcaloiden op het oog komt met die van muscarine overeen; alleen wordt de vernauwing der pupil door eene matige verwijding gevolgd, zoodat ook hier, evenals bij de vagusuiteindon in het hart, de aanvankelijke prikkeling van de uiteinden van den oculomotorius door eene afname der prikkelbaarheid gevolgd wordt.

De werking op klieren en ingewanden is eene prikkelende; do

-ocr page 77-

til

meest in hot oog vallende verschijnselen daarvan zijn toename der afscheidingen, tetanische contractie van het darmkanaal met braken en diarrhoea, verschijnselen, die door atropine worden weggenomen.

Nicotine verlamt in groote giften snel het geheele centraalze-nuwstelsel, vooral het ademhalingscentrum, zoodat de dood, nadat gewoonlijk convulsles zijn voorafgegaan, onder verschijnselen van coliapsus volgt. Kleinere giften (1 — i mgr. per kilogram rnensch of zoogdier) veroorzaken een voorhijgaanden, niet doodelijken collapsus met zeer groot zwaktegevoel; deze collapsus vormt met braking en diarrhoea het voornaamste verschijnsel van de vergiftiging door nicotine, die gewoonlijk volgt bij lion die hunne eerste sigaar rooken. Bij kikvorschen werkt nicotine bovendien eerst prikkelend, daarna verlammend, evenals curare, op de uiteinden der motorische zenuwen.

Men kan enkele van de werkingen van nicotine op perifeere organen, en wel den speekselvloed en den vermeerderde peristaltische bewegingen van den darm, tot stand doen komen, zonder tegelijkertijd het centraal zenuwstelsel te verlammen; dit geschiedt toch bij het gebruik van tabakslavementen; toch is dit eene gevaarlijke proefneming.

J\'ilocarpine komt in werking op het centraal zenuwstelsel met nicotine overeen: het veroorzaakt dyspnoea, krampachtig beven van het lichaam, draaibewegingen, bij kikvorschen convulsles en paralyse. Hij zoogdieren volgt vroegtijdig oeue sterke vermindering van den tonus van het vaatcentrum. Maar die werkingen contraindiceeren de toediening van het pilocarpine als geneesmiddel niet, daar zij eerst na veel grootere doses , dan noodig zijn om den in de therapie verlangden speekselvloed en sterke zweetafscheiding te voorschijn te roepen, volgen. Vooral bij den mensch behoeft men geen gevaar te duchten, daar die gevaarlijke pilocarpineverschijnselen nog worden voorafgegaan door braken en diarrhoea, verschijnselen, waaruit blijkt, dal de verdere toediening van het geneesmiddel behoort gestaakt Ie worden. Men kan dus pilocarpine gebruiken, om de afscheidingen in het algemeen, vooral do speeksel- en zweetafscheiding, te vermeerderen.

-ocr page 78-

De pisatschciding woi\'dt door pilocarpine niet verhoogd. Het gebruik van dit middel bij nierziekte kan dus slechts beoogen het water, dat anders door de nieren wordt uitgescheiden , langs anderen weg uit het lichaam te verwijderen. 01\' hierdoor therapeutische resultaten kunnen worden verkregen, zal de ondervinding moeten leeren; waar de niersecretie onderdrukt is, is van het middel weinig te verwachten, daar bij de sterke afscheiding van zweet en speeksel hoofdzakelijk water, maarniet de bestanddeelen van de urine, wier terughouding gevaarlijk kan worden, uit het lichaam worden verwijderd.

Eveneens moet de ondervinding nog leeren, of bij andere ziekten van deze, door zenuwprikkeling tot stand komende toename der afscheidingen heil te verwachten is ; waarschijnlijk is het echter dat, waar in een of ander lichaamsdeel, bijv. in het oog, exsudaten voorhanden zijn, de door pilocarpine veroorzaakte zweet- en speekselafscheiding tot de resorptic daarvan kan bijdragen.

Nog moet worden opgemerkt, dat ook de secretie in de luchtwegen door pilocarpine sterk bevorderd wordt, zoodat konijnen, bij vergiftiging daarmede, dikwijls aan longoedeem sterven. Bij patienten, waar de praedispositie tot longoedeem bestaat, zou men zich dus van het gebruik van pilocarpine moeten onthouden.

1 Ihjdrochloras pilocaypini, in water oplosbare kristallen, gewoonlijk met jaborine, een alcaloid in werking met atropine overeenkomende, dat dus de werking van het pilocarpine opheft of althans vermindert, verontreinigd.

Giften 5—30! mgr.; per dag tot (10! mgr.

2 Folia Jaborandi bevatten pilocarpine en jaborine.

3 Folia Nicotianae, tabaksbladeren, bevatten 317l) nicotine of moer. Geen van drieën in de Pharm. Neerl.

1

i. Groep van Coniine en Lobeline. \'J

Goniine, hot zuurstofvrije, vloeibare en vluchtige alcaloid van den gevlekten en waterscheerling, en Lobeline, het werkzaam be-

-ocr page 79-

(i;)

standdeel van de, indischon tab.ak genaamde, Lobelia inflata, verlammen het centraalzenuwstelsel en, vooral bij kikvorschen, evenals curare, de uiteinden der motorische zenuwen. Bovendien veroorzaakt coniine hevige convulsies. Deze laatsten blijven, wegens de curare werking , bij kikvorschen uit. Sommige onderzoekers (Harnack en Meyer) zagen die krampen echter volgen, waar zij bij kikvorschen door onderbinding van bloedvaten er voor gezorgd hadden , dat het gif niet met de motorische ze-nuwniteinden in aanraking komen kon. Anderen zagen zeevenwel, ook na die onderbinding, uitblijven (Fliess en Kronecker).

Afgescheiden van die hoofdwerking, komen dezealcaloidenin sommige opzichten met die der vorige groep overeen. Coniine verlamt namelijk dat gedeelte van de remorganen van hot hart, dat door nicotine en pilocarpine eerst geprikkeld en daarna verlamd wordt. Lobeline, dat scheikundig nog weinig onderzocht is, paralyseert dat gedeelte der remorganen dat ook door atropine verlamd wordt. Coniine vermeerdert de afscheiding van tranen, speeksel en urine terwijl uit de braking en diarrhoea, die bij vergiftiging steeds wordt waargenomen, mag worden opgemaakt dat hel de peristaltische beweging van het darmkanaal vermeerdert.

Lobeline veroorzaakt, in giften van 2—10 mgr. pro kilogram zoogdier, speekselvloed, braking en diarrhoea. Lobeline schijnt vooral narkotisch te werken op de groote hersenen, en slaperigheid benevens ongevoeligheid voor huidprikkels te veroorzaken. Bij den mensch veroorzaakten 11 mgr. in kleine doses toegediend, prikkeling in de keel, koliekpijn, misselijkheid, breiach-tigen stoelgang en een lichten soporeusen toestand (llonnberg). Na het gebruik der offlcineele tinctura lobeliae, werden die verschijnselen in nog heviger graad waargenomen en heeft men bovendien zweet, pupilvernauwing, slaapzuclit en anders hersen-vcrschijnselen zien volgen.

Het is nog niet uitgemaakt of enkele van die verschijnselen het gevolg zijn van de inwerking van lobeline op centrale of perifeere zenuwelementen van de ademhalingsorganen en of men daarin eene indicatie mag zien voor zijne toediening bij

-ocr page 80-

(14

asthma. Vooral in Amerika wil men bij asthmatischo toestanden gunstige resultaten van linct. loboliae hebben waargenomen.

Voor het gebruik van coniine bij krampachtige aandoeningen ontbreken zoowel rationeele als empirische indicaties.

1. Herba conii, gevlekte scheerling, bevat nevens coniine twee andere alcaloiden, methylconiine en conydrin, die ook in het als coniine in den handel voorkomende praeparaat aanwezig zijn.

2. Jli/drohromas coniuü, kleurlooze kristallen die GOquot;/,, coniine bevatten.

3. Herba lobeliae infiatae, werkzaam bestanddeel, lobeline. Giften per dag 2—5 gr. in infusie.

4. Tinct. lobeliae 1 op 8 d. spiritus. Giften Ü.3 —1! gr.; per dag tot 4! gr.

15. De Physostigminegroep.

Het alcaloid van den Galabarboon prikkelt zoowel do dwars-gestreepte als de gladde spieren en verlamt tevens het centraal-zenuwstelsel. Het zuivere van calabarine bevrijde alcaloid is door Harnack en Witkowski onderzocht.

Ue prikkeling van de spieren van het skelet blijkt, bij zoogdieren en soms ook bij menschen, uit de aanwezigheid van fibrillaire trekkingen, die noeli door doorsnijding der zenuwen, noch door toediening van chloralhydraat of curare ophouden. Alleen als de curarewerking zoo sterk is, dat ook de spier-irritabiliteit afneemt, houden ze op. De prikkelbaarheid voor inductiestroo-men van gecurariseerde en daarna niet physostigmine vergiftigde spieren blijkt daardoor belangrijk te zijn verhoogd, zonder dat echter bet arbeidsvermogen is toegenomen.

Physostigmine versterkt bij zoogdieren dc spierkracht van het hart, zoodat de contracties krachtiger worden en de bioedsdruk-king toeneemt; dit is ook liet geval als atropine, curare of chloralhydraat was toegediend, zoodat die toename van de bloeds-drukking no\'ch door verlamming dor reinapparaten, noch ook uitsluitend door vautvernauwing kan tot stand komen. De toename van de bloedsdrukking gaat gepaard met afname der

-ocr page 81-

frequentie , welke laatste echter hij vooraf met chloralhyrlraat hehandelde dieren uitblijft.

De door muscarine bewerkte diastoliseho hartsstilstand wordt door pliy-sostigmine in zooverre opgeheven, dat weer geregelde samentrekkingen volgen ; toch blijkt uit don aard dezer samentrekkingen, dat de muscarinewerking nog voortduurt en slechts door de prikkeling van de hartspier wordt overwonnen. Ook vagus- en sinusprikkeling doen het hart niet meer stilstaan. Het eenige middel om. na muscarine en physostigmine toediening, het hart geheel te doen stilstaan is de aanwending van eene of andere stof, die de hartspier verlamt, bv. apomorphine of eene neutrale oplossing van kopersulfaat. Is de verlamming niet volledig, zoodat de spierirritabiliteitniet geheel is opgeheven , dan kan deze hartstilstand weer door atropine worden weggenomen.

Physostigmine is niet de eenige stof die op die wijs een hartstilstand door muscarine kan opheffen. Kamfer, monobromkamfer, borneol, anilinesul-faat, arnicakamfer, cumarine, guanidine werken op dezelfde wijs. Guanidine prikkelt vermoedelijk niet de hartspier zelve, maar de motorische hartganglien.

Physostigmine veroorzaakt door prikkeling der gladde spieren in den darm hevige peristaltische bewegingen en ook samentrekkingen van de maag, de milt, de pisblaas en de baarmoeder; atropine is niet in staat die te onderdrukken. Als men achtereenvolgens aan een dier bepaalde hoeveelheden muscarine, atropine en physostigmine (bij katten van dit laatste alcaloid 5 mgr.) toedient, ziet men, vooral aan hel darmkanaal, eerst krampachtige samentrekking, daarna geheele verslapping en eindelijk weer op nieuw samentrekking optreden. Eene dergelijke afwisselende werking neemt men ook aan het oog waar: eerst door muscarine pupil vernauwing en accomodatiekramp, daarna door atropine pupilverwijding en verlamming van hot accomodatievermogen , en eindelijk door physostigmine weder vernauwing en kramp.

Physostigmine vernauwt de door atropine verwijde pupil, omdat het de spieren der iris, die door matige hoeveelheden atropine niet worden verlamd, prikkelt. Toch wordt eene door physostigmine vernauwde pupil meestal nog door atropine verwijd, omdat na aanwending van physostigmine de grootte dor pupil van twee factoren afhankelijk is, van de prikkeling van den sphincter door het gif en van den gewonen tonus van den oculomotorius. Daar

6

-ocr page 82-

(Hi

doze laatste door atropine wordt woggonomen, maakt dit alcaloid de pupil wijder.

Daar physostigininc gelijktijdig den sphincler en den dilatator papillae, die elkanders antagonisten zijn, prikkelt, gelukt hot, door dit mydriaticuin , zells bij katten niet, de pupil geheel te doen verdwijnen, zooals dit door muscarine kan geschieden.

De oorzaak der door physostiginine in het loven geroepen vermeerderde afscheidingen, van speeksel, slijm, tranen, zweet, kennen wij niet. Misschien prikkelt het de kliercellen zeiven. Voor die opvatting zou hel verschijnsel pleiten, dat physostiginine ook speekselvloed veroorzaakt bij dieren, waar door atropine de secre-torische zenuwen der speekselklieren zijn verlamd, ware het niet dat Heidenhain bewezen heeft, dat daarbij de verlamde speek-selzenuwen wederom prikkelbaar worden.

Physosfgmine verlamt spoedig het centraalzenuwstelsel, en veroorzaakt den dood onder stikkingsverschijnselen door verlamming van het ademhalingscentrum. Die algemeene verlamming wordt bij vele dieren, vooral bij katten, voorafgegaan door eene sterke prikkeling, die zich. door onstuimige bewegingen openbaart en als gevolg van de hevige dyspnoea moet worden beschouwd. Doodelijk zijn ongeveer 0.5—1 mgr. pro kilo zoogdier.

Bij Guyneesche biggetjes, die door de methode van Brown Sequard of van Westphal eene sterke neiging voor epileptiforine krampen hebben verkregen, volgen na toediening van matige giften physostigmine in de eerste dagen bijna onophoudelijk aanvallen daarvan (Harnack en Witkowski). Deze waarneming geeft weinig hoop, dat physostigmine bij ziekten van hot centraal zenuw-stolsel, die met krampen verloopen, gunstige resultaten zou kunnen geven, te minder omdat bij werkzame doses van dit middel lichtelijk collapsus volgt. Het schijnt dan ook dat men de proefnemingen met dit middel bij epilepsie gestaakt heeft, vooral omdat ook empirisch daarvan geen resultaten zijn waargenomen.

Van de werkingen van physostigmine op perifeere organen kunnen slechts die op het oog zonder gevaar worden gebruikt. Men kan dan ook de pupilvernauwing en de kramp der acco-modatie, bij verlammingen van den oculo-motorius, als gynuias-

-ocr page 83-

G7

tisch micklcl gebruiken. Daarbij worden echter ook do vaatspieren in het oog geprikkeld, zoodat de vaten nauwer worden, de vosdingsprocessen worden gewijzigd en de intraoculaire drukking afneemt. Hierdoor worden de gunstige resultaten bij de behandeling van acuut glaukoom, die bet eerst door Laqueur zijn waargenomen, verklaard. Pilocarpine en muscarine, die niet op de vaten inwerken, zijn voor dit doel onbruikbaar. Om de pupil te vernauwen verdient physostigmine ook boven die alcaloiden de voorkeur, omdat zijne werking langduriger is.

1. Salicylzuiir physostigmine, kleurlooze in water oplosbare kristallen.

De oplossingen van dit en van andere pbysostigminezouten worden bij bet staan eerst rood, daarna bruin gekleurd, zonder dat zij daarom onwerkzaam worden.

3. Exlradum Calabar Ph. N., een alcoholisch extract van de boo-nen, dat physostigmine en calabarine bevat. Beter ware een aethe-risch extract, daar het laatste alcaloid in aether onoplosbaar is.

1(5. De Apomorphinegroep. ^

Apomorphine, een alcaloid dat, bij inwerking van sterke zuren op morphine, door afsplitsing van water ontstaat, bewerkt bij zoogdieren eerst eene sterke prikkeling, daarna verlamming van die centra van de hersenen en van het verlengde merg, die voor gewaarwording en beweging dienen.

Bij kikvorschen wordt door giften van 0.5—5 mgr. despier-prikkelbaarheid verminderd, door 10 mgr. geheel opgeheven, zonder dat de spier stijf wordt. Op de hartspier is de werking dezelfde. Bij zoogdieren treedt de werking op de hersen- en ruggeincrgsfuncties op den voorgrond; bij konijnen ziet men na 5—-10 mgr. hevige prikkelingsverschijnselen, onrust, opgewektheid en groote schrikachtigbeid optreden, die vooral volgen na uitwendige prikkels. Daarbij maken de dieren allerlei spontane bewegingen, heen en weerloopen, springen enz.

-ocr page 84-

ü8

Eerst ua 10—dü mg. volgt de dood door verlamming van liet ademlialings-centrum, nadat dit eerst sterk geprikkeld en de ademhaling zeer frequent geworden is. Do dood wordt voorafgegaan door convnlsies, in een tijdperk der vergiftiging, waarin de ademhaling nog niet zoo sterk gewijzigd is, dat men deze aan de verstikking zou kunnen toeschrijven.

Dergelijke prikkelingsverschijnselen neemt men ook waar bij katten en honden; alleen volgen bij do laatsten de convnlsies eerst na 0.5—0,(5 gr. direct in het bloed ingespoten.

Bij menschen en bij die diersoorten, die in staat zijn om te braken. volgt, zoowel na deze groote giften als na kleinere, geregeld braking en wei als eerste verschijnsel, voor zich eenig ander symptoom van apomorphinewerking vertoont.

Bij honden volgt braking, na subcutane injectie van 0,5—1 mgr. hydrochloras apomorphini na 2—3 minuten; bij volwassen menschen na 5—10 mgr. binnen een kwartier ; bij jonge kinderen reeds na 0.5—2 mgr.

Het braken wordt voorafgegaan door nausea: misselijkheid, verslapping en zwakte der spieren, het gevoel van warmte en zweet, vermeerderde speeksel- en slijmafscheiding vooral van de bronchiaalklieren en, onmiddeiijk voor hot braken, eene sterke toename der polsfrequentie. Bij grootere giften, die spoedig braking veroorzaken, kunnen deze verschijnselen geheel of gedeeltelijk ontbroken, doch kleinere giften, te klein om braking te verwekken, veroorzaken dikwijls langdurige misselijkheid, slaptegevoel, toename der secreties vooral van do bronchiaal-on speekselsecretie en afname dor polsfrequentie. Dergelijke nausea veroorzakende giften van alle braakmiddelen worden bij longziekten, vooral bronchiaalkatarrhon, als expectoreerende middelen gebruikt en zijn daar werkzaam door de slijmsecretie te doen toenemen.

L)e vóór liet braken, vooral bij honden, sterke vermeerdering der polsslagen, moet het gevolg zijn van eene door het braken zelf opgewekte prikkeling der polsversnellende zenuwen, daar, evenmin als bij directe prikkeling van die zenuwen, de bloedsdrukking gewijzigd wordt.

Dat het braken door apomorphine een verschijnsel van centrale prikkeling is, blijkt uit het feit did, bij subcutane inspui-

-ocr page 85-

69

ting, dezelfde of eene kleinere dosis dan bij inwendige toediening werkzaam is. Bij do andere braakmiddelen, die eene perifeoro werking bezitten, zijn bij snbeutane toediening grootere giften noodig. \'■ •

Ook in andere opzichten verdient, als braakmiddel, apomor-phino de voorkeur ; eerstens zijn zeer kleine hoeveelheden reeds werkzaam, terwijl de gevaarlijke werkingen van het apomor-phine eerst na veel grootere dosis worden waargenomen, en in de tweede plaats heeft apomorphine, bij subcutane toediening, niet, zooals do meest andere braakmiddelen, eene prikkelende, ontsteking veroorzakende plaatselijke werking.

Do braking door apomorphine opgewekt kan soms, evenals na toediening van andere braakmiddelen, vooral bij kinderen aanleiding geven tot collapsus. Hoogstwaarschijnlijk is hieraan hol apomorphine onschuldig en is do verlamming der spiorprikkcl-baarheid, die grootere giften zouden kunnen veroorzaken, hier niet, in het spel.

1. Hydrochloras apomorphini, in water oplosbare grauwe kristallen, die aan het licht en ook in oplossing een groene kleur verkrijgen, zonder daardoor onwerkzaam te worden.

Giften als braakmiddel, subcutaan 5—10! mgr.; bij kinderen

1—2 mgr.; als expectoreerend middel inwendig 1—2 mgr. alle

2—3 uren.

17. De groep van Emetine.

Emetine is hot in den radix ipecacuanhae aanwezige kristal-iijne doch kleurlooze alcaloid, dat aan het licht gooi gekleurd wordt en moeielijk kristalliseerende zouten levert.

Ingifton van 10 mgr. verlamt het bij kikvorschen het centrale zenuwstelsel en dool het de prikkelbaarheid der spieren afnemen zonder die geheel te verlammen.

Na kleinere giften, ö—10 mgr., worden de contraction van hot kikkerhart onregelmatig en volgt eindelijk diastolische hartstilstand,

-ocr page 86-

Bij zoogdieren , vooral bij honden, volgen, onverschillig waar emeline aangewend wordt, hevige darmverschijnselen, bestaande in soms bloedige stoelgangen met zwelling, roodheid en ontvellingen der darmmucosa, evenals die door metaalvergiften, arsenicum , platina, antimonium, ijzer, en sepsine worden veroorzaakt. Ook in de longen wordt dikwerf, vooral bij konijnen, sterke bloedovervulling met oedema en roode hepatisatie aangetroffen.

Na subcutane en intraveneuse aanwending volgt de dood door hartverlamming, bij katten, snbeutaan na 90—100 mgr., intraveneus reeds na 20—50 mgr. Die hartsstilstancl wordt voorafgegaan door eene zeer sterke verlaging van de bloeds-drukking, zoodat aan het kijmographion de bloedsdrukking bijna gelijk nul blijkt te zijn, terwijl de enkele polsslagen evenals bij chloralhydraat (verg. pag. 32) zich 50—GO mm. boven de abscisse verheffen. De vaten worden dus eerder verlamd dan het hart, evenals bij de zooeven genoemde metaalvergiftigingen, die met gelijke darmverschijnselen verloopen, het geval is.

Emetine veroorzaakt plaatselijk ontstoking, bij subcutane inspuiting abs-cossen, in zalfvorm op de huid gebracht puisten, op slijmvliezen ontsteking o. a. conjunctivitis en bronchitis, als ipecacuanha in stofvorm met die slijmvliezen in aanraking komt. De inwerking op den darm is echter van een anderen aard, daar zij ook na onderhuidsche inspuiting volgt.

Voor de praktijk is van de emetineverschijnselen de braking het belangrijkste; deze treedt, evenals bij apomorphine* hot eerst van alle verschijnselen op en gaat slechts bij uitzondering met diarrhoea gepaard.

Hoe do braking tot stand komt is niet mot zekerheid bekend; hot waarschijnlijkst is echter, dat emetine do perifeere zenuwen der digostieorganen prikkelt en daardoor rellectoir braking opwekt.

Het tijdperk der nausea komt met dat bij do apomorphine-werking overeen. Als expectoreerend middel verdient ipecacuanha de voorkeur, omdat hot emetine langzamer wordt geresor-beerd en de werking dus langduriger is.

Vroeger werd ipecacnanha meer dan thans, in nausea en braking opwekkende giften, gebruikt, bij maag- en darmziekten

-ocr page 87-

71

van allerlei aard, o. a. bij diarrhoea en dyssenterie. Dat hier de ontlediging der maag door het braken nuttig zijn kan, spreekt van zolve, doch thans gebruikt men daartoe liever de maagpomp. Of kleinere giften emetine of ipecacuanha bij maag- cn darmlijden gunstig werken en op welke wijs, is nog niet mot zekerheid uitgemaakt. Do door empirie verkregen resultaten van deze behandelingswijze schijnen soms gunstig, soms ongunstig.

1. Radix ipexacuanhae, de bast der wortelvezels van Cephaelis ipecacuanhae. Giften als braakmiddel I gr. alle 10—15 min. in poeders; als expectoreerend middel in infusie 1 op 200, alle 2-—3 u. 1 lepel.

2. Tindura ipecacuanhae 1 op 10 d. spiritus.

3. Vinum ipecacuanhae 1 d. op 14 d. Spaanschen wijn: theelepelsgewijs.

4. Syrupus ipecacuanhae 1 d. tinct. ipecac, op 15 d. syru-pus simpl.

18. De Saponinegroep.

Met do vorige groep nauw verwant zijn de, als werkzaam bestanddeel saponine bevattende, plantaardige stoffen, waarvan do radix senegae cn de radix sarsaparillae de meest bekende zijn.

Het in rad. sonegiie aanwezige senegine is geheel identiscli met .saponine (uil den rad. saponariae), terwijl in de sarsaparillewortel, nevens saponine, nog oene andere in water moeieijjk oplosbare stof. smilaeine, voorkomt.

Nauw met saponine verwant is het digitonine uit de folia digitalis, tor-wijl nog dergelijke stollen in C.yclamen Europeum en Primula olliclnalis voorkomen.

Al die saponinen zijn amorphe glycosiden , die gemakkelijk in water oplosbaar zijn, terwijl do waterige oplossingen, evenals zeepwater, sterk schuimen.

De werking komt in vele opzichten met emetine overeen. Als saponine in even kleine giften werkzaam was en even gemakkelijk geresorbeerd werd als emetine, zou de overeenkomst zoo groot zijn dat men geen verschil kon opmerken.

-ocr page 88-

72

Saponine veroorzaakt plaatselijk ontsteking , in het onderhuidsch celweefsel phlegmonen, in het spijsverteeringskanaal gastro-enteri-tis. Het verlamt hot zenuwstelsel en de spieren, maar wordt zoo langzaam met den vochtstroom voortbewogen, dat het nabij de plaats waar het werd aangewend partieele verlammingen veroorzaakt. Bij inspuiting in het bloed sterven zoogdieren aan hartverlamming, daar het vergif hot eerst met dit orgaan in aanraking komt.

Kleine doses veroorzaken bij menschen verschijnselen die veel overeenkomst hebben met nausea, vooral prikkeling in de keel, en vermeerderde slijmafscheiding. Daardoor kunnen deze stoffen, vooral de senegawortel, evenals de eigenlijke braakmiddelen, als expectoreerende middelen gebruikt worden. Senega heeft boven ipecacuanha het voordeel, dat het langzamer geresorbeerd wordt, zoodat expectoreerende giften langduriger werken en ook langer achtereen kunnen worden toegediend, zonder dat zij de sterkere nausea en brakingen, die na langdurig gebruik van ipecacuanha dikwijls volgen, veroorzaken. liet past dus vooral bij chronische broncbiaalkatarrhen.

Wat het gebruik van sarsaparilla als Zittmanns decoct of\'Rob Laffecteur bij syphilis betreft, geldt nog heden ten dage de uitspraak van Boeker, die voor 25 jaren, na een zorgvuldig historisch, kritisch en experimenteel onderzoek de meening uitsprak, dat sarsaparilla misschien een uitstekend geneesmiddel mocht zijn, maar dat dit nog volstrekt niet gebleken was. Hoogstwaarschijnlijk is eene zwakke, expectoreerende saponine-werking het eenig gevolg eener sarsaparillekuur.

1. Radix Seneyae van Polygala Senega. Giften 5 15 gr. per dag in aftreksel op 100—400 water.

2. Si/rupns Senegae, op 1G d. syroop komt het in wateroplosbare van 1 d. rad. Senegae.

3. lt\'(«L Saponariae van Saponaria officinalis.

4. /iW. Sarsaparillae de wortels van verschillende smilaxspe-cies, bestanddeelen saponine en smilacine.

5. Decoct. ZiUiiiainii fortins, Sarsaparillae 100, suiker 5, aluin 5, anijszaad 5, fenkelzuad 5, folia sennae 25, zoethout 10 op 2500 decoct.

-ocr page 89-

73

(J. Decoct. Zitfmunni mitms, Sarsaparillae 50, Gort. citri 5, kancel 5, cardamomzaad 5, zoelhout 5, op 2500 cl. decoct.

Giften \'s morgens 500 gr. sterk decoct, warm, \'s namiddags 500 gr. zwak. decoct, koud te drinken.

lü. De Digilalinegroep.

Deze omvat een aantal stikstofvrije plantenbestanddeelen, mee-rendeels glycosiden, die allen op dezelfde wijs op hel hart van verschillende diersoorten inwerken, zoodat geene andere dan quantitatieve verschillen der werking merkbaar zijn.

Do belangijkste zijn digitaline, digitaleine en digitoxino, alle drie glycosiden der Digitalisplant, benevens het Scillaine, hot werkzame bestanddeel van don zeeajuin, dat in onzuiveren toestand als scillotoxine in don handel voorkomt. Verder hot vooral in Helleborus viridis voorkomende helleboroin; het oleandrine, het giftige bestanddeel van den Oleander, die bovendien ook mei digilaleine identisch nereine bevat; het apocynino in Indische hennep (Apocynum cannabinum) en het adonidine in Adonis vernalis voorkomende. Het convallamarine uit Gonvallaria maijensis is een glycosid, dat evenals saponine in waterige oplossing sterk schuimt. Nog behooron hiertoe de zeldzamer voorkomende antiarine, strophantine, thevetino en waarschijnlijk nog vele andere.

De hoofdwerking van deze stoffen bestaat daarin, dat zij op eigenaardige wijs de hart werkzaamheid versterken en de arte-rieele bioedsdrukking doen toenemen.

De wijze waarop die werking tot stand komt is nog slechts onvolledig bekend; Schmiedeberg beschrijft die als volgt:

De digitalisglycosiden wijzigen vooral de elasticiteit der hartspier zonder daarom hare contractiliteit te veranderen. Het onmiddellijk gevolg van deze werking is eene toename van het polsvolumen en een langere duur van do diastole. Toch is in dit tijdperk der werking de absolute hartwerkzaamheid onveranderd. Maar wel is, zelfs dan als het aantal hartslagen is afgenomen, de hoeveelheid bloed die bij iedere samentrekking van hel hart in

-ocr page 90-

74

do aorta geperst wordt, grootor, zoodat de slagaderen moor gevuld worden. Hierdoor stijgt de bloedsdrukking, onverschillig of zij betrekkelijk hoog of zooals in cliloralnarkose zeer laag was. Tegelijkertijd wordt het aantal hartslagen verminderd en wel door prikkeling van de remapparaten, zoowel die van den vagus als de in het hart zelf gelegene, eene vermindering, die uitblijft als die remapparaten door atropine waren verlamd, ofschoon ook in dat geval de bloedsdrukking toeneemt.

Na eenigen tijd wordt de prikkelbaarheid der remapparaten uitgeput, zoodat de polsfrequentie weer toeneemt, maar de bloedsdrukking blijft nog verhoogd. Na grooterc giften volgen bij het kikkerhart onregelmatige zg. peristaltische samentrekkingen van den ventrikel, bij zoogdieren, nevens hoogo bloedsdrukking, onregelmatige hartwerking en afwisselende toe- en afname der polsfrequentie. Eindelijk staat bij kikvorschon het hart in systole stil.

Toch is dnii de hartspier nog niet verlamd, want het hart trekt zich na luochanische uitzetting weer krachtig te zamen; /.ell\'s behoudt het de eigenschap om na kunstmatige uitzetting weer don systoliscben vorm aan te nemen, nadat de hartspier zelve hare prikkelbaarheid geheel heeft verloren. Hij zoogdieren kan dit natuurlijk niet worden waargenomen, daar zoodra het hart stilstaat en do hloedsdrukkingzeerlaag wordt, hartparalyse en.dood volgen.

Ofschoon de meeste pharmacologen van oordeel zijn dat er verschil moet worden aangenomen tusschen de werking van digitalis op het zoogdierenbart en op dat van koudbloedige dieren, beeft toch de eigenaardige werking op het kikkerhart lot de meening geleid dat het hoofdmoment der digitalis werking zou bestaan in eene toename van de elasticiteit der hartspier. Gesteld dat dit juist ware, dan kan do zaak echter niet zoo eenvoudig zijn als Schmiedeberg die voorstelt. Immers zou eene toename der elasticiteit niet alleen de diastole van het hart langer maken, maar ook het toevloeien van het bloed uit de longen moeten belemmeren, en is het vraag of daarbij de absolute hoeveelheid bloed, die tijdens de systole in de aorta gedreven wordt, grooter zou worden.

Men kan bij menschen, zonder gevaar voor hot leven, die eerste

-ocr page 91-

75

verschijnselen der digitaliswerking, de locnnme van de l)loeds-drukking en do afname der polsfrequentie, door kleine giften te voorschijn roepen en zelfs geruimen lijd doen voortduren. Slechts de toename der bloedsdrukking en de sterkere vulling der arteries heeft eene bepaalde therapeutische waarde, daar de polsverlangzaming als gevolg van die toename moot worden opgevat. Als rationeele indicaties voor het gebruik van digitalis kunnen dus worden beschouwd, ziekteverschijnselen veroorzaakt door oen verlaagde bloedsdrukking en eene te geringe vulling dor slagaderen. Vooral is dit het geval bij klepvliosgobrekon vun het hart, bij welke de aderen en capillairvaten met bloed worden overladen, zoodat waterzucht en stoornissen der ademhaling en der pisafschoiding volgen. Hier kan men, door do bloedsdrukking to vorhoogen, bewerken dat do urinesecrotie toeneemt, het uitgezweete bloedseruin uit de holten en weefsel van het lichaam wordt gerosorbeerd en door capillaire of veneuse hype-raomie der longen ontstane stoornissen dor ademhaling verdwijnen.

De zoogenaamde diuretische werking blijft bij gezonden, die eene normaal hooge bloedsdrukking hebben, uit, ja zelfs kan bij gezonde dieren do diurose afnemen; waarschijnlijk is deze niet alleen een gevolg van do vorhooging van de bloedsdrukking, maar ook van bet door opslorping van sereuse oxsu-daton veroorzaakte grootere watergehalte van hot bloed.

Daar hot hart bij do werking van digitalis krachtiger moet arbeiden, spreekt hot van zelf dat do hartspier tot die meerdere inspanning in staat moot zijn en ontaardingen, atropine en verdunning (dilatatie) der hartspier, het gebruik van digitalis kunnen verbieden.

Do vraag of digitalis ook daar nutt ig werkt, waar, door andere oorzaken dan gestoorde hartworkzaamheid, de slagaderen weinig gevuld zijn, kan niet mot zekerheid worden beantwoord. Het zou b.v. bij longontsteking, als uit de geaardheid van den pols blook dat het slagaderlijk stelsel weinig gevuld was, van belang kunnen zijn door vermeerdering van do hoeveelheid bloed en van do drukking in de slagaderen, den bloedsomloop in de longen te verbeteren. Maar we weten niet of door digitalis aan deze indicatie kan worden voldaan. Wol werd dit middel herhaalde-

-ocr page 92-

76

lijk bij pneumonie toegediend, doch dan geschiedde dit vooral omdat men er eene antipyretische werking van verwachtte. In dit opzicht heeft men echter do overtuiging gekregen, dat digitalis slechts dan de temperatuur verlaagt, als het een gevaarlijken collapsus, door hartparalyse, veroorzaakt, zoodat het middel als antipyreticum onbruikbaar gebleken is.

Evenals misschien, door toediening van digitalis bij longonl-steking, de bloedsomloop in de longen kan worden verbeterd, kan dit middel bij habitueele bloedovervulling der longen en passieve haemoptoe worden gebruikt. Mogelijk is het dat, ook bij beginnende tuberculose, door langdurige toediening van digitalis, gunstig op de voeding der longen kan worden gewerkt. Vroeger werd het middel ook bij ontwikkelde tuberculose vaak gegeven.

Daar de afzonderlijke digitalisglycosiden niet gemakkelijk genoeg kunnen worden bereid, behelpt men zich in de praktijk gewoonlijk met de gedroogde en tot poeder gebrachte bladeren.

Deze bevatten behalve de drie tot deze groep behoorendo glycosiden ook nog digilonine, dat scheikundig en phannacologisch met saponins overeenkomt, en bovendien nog splitsingsprodukten der glycosiden en wel toxlcoreslne en digitalireslne, stoffen die evenals picrotoxine werken; van deze werking wordt echter bij het gebruik der digitalis niets bespeurd. In do zeeajuin zijn, behalve scillaine, geen andere werkzame bestanddeelen gevonden.

De vraag of de praktijk gebaat zou worden met de invoering als geneesmiddelen dor afzonderlijke glycosiden is nog niet voor beantwoording vatbaar. Hot in de grootste hoeveellieid in de bladeren aanwezige glycosid, het digitalino, kan ovenals het digi-taloine slechts mot groote moeite en kosten zuiver bereid worden , terwijl hot kristallijne digitoxine , wegens zijne sterk plaatselijk prikkelende working on zijne onoplosbaarheid in water, waardoor hot zeer onregelmatig gorosorboord wordt, onbruikbaar gebleken is.

Digitalispraeparaton veroorzaken bij voortgezette toediening licht zoogenaamde cumulatieve werking. Schmiedoberg vermoedt dat do oorzaak daarvan gezocht mooi worden in vertraagde eliminatie, waardoor do glycosiden zich in het lichaam ophoopon. Doch van der Heide voert tegen die meening terecht aan, dat men van do clirni-

-ocr page 93-

77

natie van die glycosidon niets weel, daar zij niet in de urine kunnen worden teruggevonden en dat, daar hij /e evenmin kon terugvinden in liet bloeden de lever, de ophooping in het licluiain volstrekt onbewezen is. Volgens hem zou het, daar het gemakkelijk oplosbare en gemakkelijk diffundeerbare helleboreine eveneens cumulatieve werking bezit, voel waarschijnlijker zijn, dat die cumulatieve werking volgt omdat de chemische verandering, die de weefsel-elementen door die glycosiden ondergaan, zeer langzaam tot stand komt en van langeren duur is dan de tusschenpoos tusschen twee giften gewoonlijk bedraagt, zoodat eene volgende dose de werking der voorafgegane versterken moet. Men zocht reeds lang naar een surrogaat voor digitalis en stelt daaraan de eischen, dat het noch gevaarlijke bijwerkingen, noch cumulatieve werking bezitte, gemakkelijk oplosbaar zij en plaatselijk geen prikkelende eigenschappen hebbe, zoodat het ook voor subcutane injectie dienen kan. Helleboreine is daarvoor niet geschikt, evenmin erythrophleine , omdat dit nevens de digitalis-werking ook die van digitaliresine (picrotoxine) bezit, al is dan ook nog niet gebleken dat die nevenwerking ook aan liet ziekbed tot stand komt. Het zal moeten blijken of adonidine, scil-laine, oleandrine of apocynine als zoodanig dienen kunnen; zij zijn wel moeiclijk in water oplosbaar maar toch genoeg om geresorbeerd te kunnen worden.

Voor onderhuidsche inspuitingen kunnen die glycosiden niet gebruikt worden, omdat zij, ofschoon niet in zoo sterke mate als digitoxine, plaatselijk prikkelen en phlegmonen doen ontstaan. Door die plaatselijk prikkelende werking kunnen ook bij inwendige toediening digestiestoornissen en diarrhoea volgen, verschijnselen die, zij het ook in mindere mate, ook door de digitalis-glycosiden kunnen worden veroorzaakt.

Zeeajuin heeft eene zeer sterke prikkelende werking op het darmkanaal, die vooral daarom tot stand komt, omdat het daarin aanwezige koolhydraat, sinistrine, den overgang van het scillaine in den darm begunstigt, maar zijne resorptie belemmert.

1. Folia digitalis, in don bloeitijd verzamelde bladeren van ü. purpurea, bevatten digi tali ne, digitaloïne en digitoxine, bovendien

-ocr page 94-

78

hnnno als picrotoxino workondo splitsingsprorlucten, digitaliresino en toxicoresine en heit als saponino werkende digitonino.

Giften 50—130! mgr.; per dag tot I! gr. (Ph. N. 2! gr.) in infusie.

2. Tinctum Digitalis, 1 d. fol. dig. op 4 d. spiritus.

Giften ^ — 1! (Ph. N. 2! gr.); per dag tot i! (Ph. N. tot (i! gr.)

3. Acehmi DiyitaJis, p. fol. digitalis 2 d., azijn 10 d., spiritus! 1 d. Giften tot 2! gr.; per dag tot 6 ! gr.

4. Kxtr. Digital in.

5. Bidhus Sciltae de gedroogde middelste rokken van Scilla maritiina, zeeajuin, bevatten scillaiue, giften 50—200! mgr.; per dag tot 1! grm. als aftreksel.

C). Acetum Scillae 1 d. bulb., (J d. azijn, 1 d. spiritus. 7. Oxymel Scillae 1 d. acet. Scillae met 2 d. honig tot de helft verdampt.

20. De Veratrinegroep.

Veratrine, het belangrijkste alcaloid van vele Veratrumsoorten, verlamt bijna alle deelen van het centrale en porifeere zenuwstelsel, nadat het eenige daarvan vooraf geprikkeld heeft. Vooral werkt het in op de dvvarsgestreepte spieren en veroorzaakt hier een eigenaardigen toestand, waarin zij zich wel is waar na prikkels op normale wijs samentrekken, doch slechts zeer langzaam weer hunne normale lengte terugkrijgen. Vandaar dat bij kik-vorschen het tweede tijdperk der samentrekking, waarin de spier weer verslapt, zeer lang duurt. Hierbij vindt bij iedere samentrekking een grootere warmteproductie, dus een sterkere stofwisseling in de spier plaats (Böhm en Piek). De werking op hot hart is gelijk aan die op de willekeurige spieren; de systole komt op normale wijs lot stand, maar de overgang in de diastole vordert zoor langen tijd, zoodat de wijze waarop het hart zich beweegt eenige overeenkomst heeft mol de digitaliswerking.

In een later tijdperk worden do spieren verlamd; vooral is

-ocr page 95-

7\')

dit het govul met het zoogdierenhart, waarvan niet alleen de spierbundels, maar waarschijnlijk tevens de motorische hartgang-lien geparalyseerd worden. De klieren en het spijsverteerings-kanaal worden sterk geprikkeld, zoodat speekselvloed, misselijkheid, braking en diarrhoea volgen en bij kikvorschen ook een sterk schuimend zweet wordt algescheiden. Hoe deze verschijnselen tot stand komen is niet nader onderzocht.

Veratrine werkt verder eerst prikkelend daarna verlammend op de uiteinden van de motorische zenuwen in de spieren, de remzenuwen van het hart, de gevoelszenmven der huid en der slijmvliezen en de centripetaal geleidende zenuwvezelen in de long. Vooral belangrijk hiervan is de veratrine werking op de centra van gewaarwording der huid, der long, der keel, der maag en der conjunctiva. In de neus gebracht bewerkt veratrine niesten; in het oog-tranenvloed; op de tong het gevoel van branden; in de keel en de maag eene sterk prikkelende gewaarwording. In vet verdeeld, of in alcohol opgelost op de huid gebracht, veroorzaakt het eerst sterk prikkelen en warnitegevoel, dat zelfs in het gevoel van hevige branding kan overgaan, zonder dat daarom de huid rood wordt of ontstekingsverschijnselen vertoont. Daarop volgt verminderde gevoeligheid met de gewaarwording van koude en kippevel. Wegens deze werkingen wordt bij neuralgien, vooral van den trigeminus, veratrine veelvuldig als plaatselijk anaesthetisch middel gebruikt. Is, zooals bij snpra-orbitaalneuralgiën meestal liet geval is, de oorzaak in de Imidzenuwtakken zelve gelegen, dan is gewoonlijk het resultaat der aanwending bevredigend.

Het centraalzenuvvstelsel wordt bij allo diersoorten verlamd; hierbij treden bij den kikvorsch tetanische krampen, bij zoogdieren verlamming van het ademhalingscentrum op den voorgrond. Hierdoor en door de snelle afname der hart werkzaamheid en de nausea, volgen, ook bij matige giften, bij menschen verschijnselen die men met den collectiefnaarn „ collapsusquot; bestempelt.

Veratrine is dus een middel waardoor men in staat is op kunstmatige wijs collapsus te doen ontstaan. Duizeligheid, verduistering van het gezichtsveld, algemeene zwakte, eerst toe en dan afgenomen polsfrequentie waarbij de pols zwak en onge-

-ocr page 96-

80

regeld wordt, misselijkheid, kokhalzen en andere gastro-intestinale stoornissen, soms een verscheidene dagen durende hik, koude en bleeke huid en/, zijn de verschijnselen die men na eenmalige of herhaalde toediening van ongeveer 3 mgr. azijnzuur veratrine bij gezonden en bij zieken ziet volgen, liet spreekt wel van zelve dat eene zoo algemeene stoornis der lichaamsfunctien bij gezonden en bij zieken gepaard gaat met afname der iichaamwarmte. Op dien grond heeft men veratrine als antipyreticum gebruikt, vooral bij acuut gewrichts-rheumatisme en bij pneumonie. Men bedenke echter dat die verlaging van de temperatuur niet is een gewone ontkoorsing maar een verschijnsel van den, vooral bij koortsige ziekten, zoo gevaarlijken collapsus.

Indien het bleek dat de veratrinewerking op de spieren, zonder gevaar, kon worden te voorschijn geroepen, zou daarvan misschien als therapeutisch middel gebruik te maken zijn.

1. Veratrine, in water bijna onoplosbare witte brokjes die in zuren goed oplosbaar zijn.

Giften 2—6! mgr; per dag tot 30! mgr.

2. HeUéboras albus, Rhizoma Veratri, bevat veratrine en jervine.

3. Sahtidi/la, Staverzaad, bevat veratrine en sabadilline.

21. De Aconitinegroep.

Hiertoe behooren verschillende grootendeels nog weinig bekende alcaloiden in Aconitum en Delphinium soorten aanwezig.

Vooral hol kristalliseerbaio a^onitine uit Aconitum Napellus, pseudavoni-tine of nepalhic uit Aconitum ferox. japacoiiiline uit Aconitum Japonicum. delphinine (kristallyn) en slaphisayrine (aniorplil uit Delphinium Staphis agria.

Al deze alcaloiden werken op het hart en het ademhalings-en vaatcentrum. Bij kikvorschen worden beiden tegelijkertijd verlamd, bij zoogdieren treedt de verlamming van het ademhalingscentrum op den voorgrond.

De in den handel voorkomende aconitinesoorten komen in

-ocr page 97-

81

hoofdzaak in werking mei elkander overeen, doch hebben eene zeer verschillende sterkte. Het sterkst schijnt het door Langaard beschreven japaconitine te werken; dan het gekristalliseerde aconitine (van Petit), waarvan reeds enkele iniliigranunen voor den mensch doodelijk zijn; daarna pseudaconitine en delphinine, terwijl do amorphe aconitinesoorten de zwakste werking bezitten. Doch ook do als amorphe aconitine in den handel voorkomende stoffen verschillen in quantiteit van werking en zijn blijkbaar slechts in verschillende mate met andere stoffen (picroaco-nitine, apoaconitine e. a.) verontreinigde bereidingen van het gekristalliseerde aconitine van Petit.

Plugge die mot 7 verschillende handelspraeparaten experimenteerde, die uilen andere reacties gaven, geeft de werking van drie bekende aconitine soorten, het gekristaliseerde aconitine van Petit, liet amorphe van Merck en het vooral in de geneeskunde gebruikte, door Friedliinder in den handel gebrachte, amorphe aconitine van Trornmsdorf op als werkzaam :

Aconitine van Petit — lü()0 „ Merck = 125

„ Friedliinder — (i Geen wonder dan ook dat, waar door den medicus aconitine van Friedliinder bedoeld werd, doch door den apotheker aconitine van Petit werd afgeleverd, vergiftiging gevolgd is.

De working bij kikvorschen van die verschillende aconitinesoorten is nu volgons Plugge eene curareachtige , eene verlamming van de perifeere motorische zenuwuiteinden; daarbij houdt de ademhaling op en staat het hart in diastole stil.

Üe verlamming der motorische zenuwuiteinden wordt soms voorafgegaan door prikkeling, waardoor fibrillaire trekkingen optreden, die vooral door delphinine worden opgewekt.

Bij zoogdieren verlammen deze alcaioiden hot ademhalingscentrum en ook het vaatcentrum, en begint eerst daarna de hart-paralyse. Met spreekt echter van zelf dat do spoedig optredende stilstand der ademhaling met hare gevolgen, convulsies enasphyxie, het optreden van andere verlammingsverschijnselen voorkomt.

Als perifeere werkingen van deze alcaioiden wordt door sommigen vermeld eene in verlamming overgaande prikkeling

0

-ocr page 98-

van de sensibele zenmvuiteinden in de huid, evenals door veratrine wordt veroorzaakt. Hierdoor kan het gebruik van aconiline bij neuralgien worden gemotiveerd, ol\'schoon men daarbij bedenken moet, dat die werking op de sensibele zenuwuiteinden niet aan de amorphe aconitinepraeparaten toekomt.

Eindelijk kan als perifeere werking speekselvloed worden genoemd.

In de therapie werd aconiline vroeger bij verschillende toestanden gebruikt. Daarvoor ontbreken echter rationeele indicaties, zoodat, behoudens enkele uitzonderingen, aconitine thans tot de obsoleete geneesmiddelen kan worden gerekend. Ook met het oog op do onzekere samenstelling der handelspraeparaten verdient het aconitine geene plaats in de pharmacopoea.

1 Tubera aconiti, do wortel van Aconitum Napellus.

2 Ktfr. aconiti ckjuos.

Giften tol 0.3!; per dag tot 1.3! gr.

3 Extr. aconiti alcoh.

Giften tot 130!.mgr; per dag tot 500! mgr.

22. De Colchicinegroep.

Colchicine is eene stikstofhoudende, maar niet bepaald basisch reageerende stof, die in alle deelen van Colchicum autumnale voorkomt. Tn zuiveren toestand kent men zijne werking niet. Het in den handel voorkomende colchicine is een mengsel van deze stof met een van hare omzettingsproducten, het colcliiceine, dat kristalliseerbaar is en zuur reageert. Met. dit onreine prae-paraat zijn proefnemingen op menschen en dieren gedaan. Hetzelve veroorzaakt bij kikvorschen verlamming der spierprik-kelbaarheid (Harnack), krampen en verlamming van het centraal zenuwstelsel; bij zoogdieren bovendien nog heftige maag- en darm verschijnselen, zooals die ook door emetine worden veroorzaakt: braking en diarrhoea, roodheid, zwelling en ontvelling van het darmslijmvlies.

Op hel hart schijnt het gif geene bijzondere werking te bezitten. De bloedsdrukking daalt langzamerhand, daar met hel

-ocr page 99-

83

centraalzenuwstelsel de vaatzenuwcentra verlamd worden. Prikkeling van den splanchnicus doet, ook na groote giften, de bloedsdrukking nog toenemen.

Bij de algemeene vergiftiging worden, volgens Rossbach, de perifeere uiteinden der sensibele zenuwen verlamd, ofschoon oplossingen van colchicine, plaatselijk op de huid aangewend, hare sensibiliteit niet veranderen.

Het is onmogelijk uit deze werkingen eene rationeele indicatie voor het gebruik van colchicumpraeparaten af te leiden. Do empirische toediening bij rheuma en jicht vindt ook weinig toepassing meer.

1 Tubem Colchicl, Herfttijloos.

2 Semina Colchici.

3 Acetiim Colchici, 1 d. tubera met 12 d. azijn en ld. spiritus.

4 Oxymel Colchici I d. acetum C. mot 2 d. honig tot 2 d. uitgedampt.

5 Tinctura Colchici, d. semin. op 5 d. spiritus.

Gift tot 2! gr.; per dag tot G! gr.

G Vinum Colchici 1 d. semin. op 8 d. Spaanschen wijn en 1 d. spiritus. Giften als de tinctura.

23. De Chininegroep.

Chinine is een algemeen protoplasmagif voor hooger en lager georganiseerde wezens, dus niet alleen oen gif voor lagere organismen, bacterien, maar ook voor zenuwen en spieren, en voor alle weefselelementen van het dierlijk lichaam en van het bloed.

Hare werking is vooral eene verlammende. De eenige verschijnselen van prikkeling door chinine veroorzaakt zijn of uil-sluitend van plaatselijken aard, stoornissen der spijsverteering bij inwendige toediening, of abscessen bij subcutane inspuiting, of bepalen zich tot eene geringe toename van de reflexprikkelbaarheid van hot ruggemerg en eene nog niet goed bewezene prikkeling van de gladde spiervezelen van sommige onderbuiksorganen. Overigens werkt chinine paralyseerend, eene werking die met de

o*

-ocr page 100-

84

gTouttc der toegediende dosis tooneeinl en IjIJ /.eer groote giften niet eene totale opheffing van alle licliaamsfunctien eindigt. De dood volgt door verlamining van de functies, die voor iedere diersoort hel belangrijkste zijn: bij wariiibloedige dieren door adejnhalings-verlamming en haiistilstand. bij kikvorschen alleen door den laatsten, terwijl bij de allerlaagste organismen slechts het ophouden van bewegingsverschijnselen geconstateerd kan worden. Infusorien worden bv. bewegingloos in eene vloeistof, die 0.5 — 1 per mille chinine bevat (Binz). Bij een even groot chininegehalte houden ook de amoeboïde bewegingen der witte bloedcellen op. Bij kikvorschen wordt do uittreding van witte bloedcellen uit de vaten b. v. bij ontsteking van het mesenterium belet, volgens Binz omdat hare amoeboide bewegingen ophouden, doch volgens Zahn en Kohier, omdat de circulatie door chinine verzwakt en verlamd wordt. Doch in het bloed dezer kikvorschen aanwezige infusorien en entozoën worden noch verlamd, noch gedood (Zahn).

Op bacterien, de georganiseerde voortbrengers van rotting en gisting, werkt chinine veel minder krachtig in. Hunne bewegingen en vermeerdering, dus ook hunne functien, worden eerst onderdrukt bij een gehalte der vloeistoffen, waarin zij leven aan chinine, van S—S0/^-

Het hart is het eenigo spierachtige orgaan dat bij gewervelde dieren door chinine wordt verlamd; bij kikvorschen behouden, nadat do hartspier door chinine is geparalyseerd, de dwarsge-streepte spieren hunne prikkelbaarheid. Aanvankelijk wordt hier de hartbeweging verlangzaamd, daarna houdt zij geheel op en heeft het verslapte hart zijne prikkelbaarheid geheel verloren. Bij menschen en andere zoogdieren vermeerderen kleine giften chinine aanvankelijk de frequentie van den pols en de bloedsdrukking.

Ofschoon do oorzaak dezer verschijnselen nog niet bekend is, verklaart iiion zo uit hot ophouden van den tonus der hartremmende vagusvezols, wier centrale (Schlockovv) of peril\'eere uiteinden (Block, Jerasalimsky) minder prikkelbaar zouden geworden zijn. Verlamd worden deze vezels echter eerst door zeer groote giften (Jerusalimsky), ofschoon die verlamming niet altijd volgt (Schlockow Lewitzky), of niet altijd volkomen is (Binz). Mogelijk is het, dat de toename der bloedsdrukking het gevolg is van directe prikkeling der hartspier (Lewitzky) waardoor het polsvolumen evenals na digituline toeneemt.

-ocr page 101-

85

Grootere giften chinine, bij menschen I gram of meer, veroorzaken eene afname van de polsfrequentie en bloedsdrukicing, die niet door eene toename wordt vooi afgegaan en het gevolg is van beginnende verlamming van het hart.

De meeste onderzoekers hebben bij dieren en menschen eene verkleining der milt zien volgen, zoowel van eene ziekelijk ver-groote als van eene normale milt. Dit was ook het geval waaide miltvergrooting het gevolg was van de doorsnijding van de naar de milt gaande zennwbundels (Mosier. Jerusalimsky). Het is niet zeker of die verkleining het gevolg is van prikkeling van de gladde spiervezelen der milt, ofschoon men dit zou kunnen opmaken uit het feit, dat nog andere organen met gladde spieren door chinine worden geprikkeld en samentrekkingen der baarmoeder benevens vermeerderde peristaltische bewegingen van het darmkanaal er door worden opgeweki (Ghirone, Montoverdi).

Behalve op het hart werkt chinine vooral op het zenuwstelsel en wel op het centraal gedeelte daarvan; van hare werking op perifeere zenuwelementen blijkt weinig of niets; alleen zonden als zoodanig kunnen gelden de zooeven besproken doch niet bewezen verlamming der hartremmende vagusvezelen en eene paralyseerende werking op de speekselzenuwen, na directe inspuiting van het alcaloid in de speekselklieren (Heidenhain).

De hersenverschijnselen bij den monsch bestaan in duizeligheid, hoofdpijn, oorsuizen, hardhoorigheid en zelfs doofheid, lichtschuwheid , verduistering van het gezichtsveld en dubbelzien, verward denkvermogen, slaapzucht en verdooving.

Deze verschijnselen, die men met don naam kinineroes bestempelt. worden misschien evenmin door prikkeling van bepaalde hersengebieden veroorzaakt , als do overeenkomstige verschijnselen van den alcohol- en mor-phineroes; toch kan dit hier niet met oven groote zekerheid worden beweerd. Bij kikvorschen veroorzaakt chinine eene gelijke narcose als morphine. Bij vergiftiging niet chinine zijn bij den inensch bewusteloosheid, delirien , coma soms conyulsies de laatste verschijnselen. Volgt daarna nog genezing, dan blijven dikwijls zintuigstoornissen, doofheid en amblyopic, zelfs blindheid terug.

Bij menschen volgt do dood door collapsus; bij dieren, na sub-cutane injectie van amorph alcaloid, vooral door verlamming der ademhaling, die den hartstilstand vooraf pleegt te gaan (Heubach).

-ocr page 102-

86

Olschoon bij zoogdieren chinine op iiel ruggemerg en liet verlengde merg inwerkt, worden de verschijnselen daarvan door de veranderingen, die de ademhaling en de bloedsomloop ondergaan , op den achtergrond gehouden. Kleine giften amorph alca-loid verminderen bij konijnen de reflexprikkelbaarheid van het ruggemerg en van het vaatcentrum niet (Heubach), maar grootere giften, 40- 120 mgr. pro kilo konijn, 100—180 mgr. pro kilo hond, heffen de prikkelbaarheid van deze organen, zoowel voor reflex- als voor directe prikkels, geheel op, zoodra de bloeds-drukking belangrijk verlaagd is en stikking volgt.

Hoe do bij vergiftiging met chinine dikwijls volgende con-vulsies tot stand komen, is niet met zekerheid bekend; bij kik-vorschen neemt, na 1—5 mgr. amorph alcaloid, de refloxprikkel-baarheid steeds toe (Heubach). Na grootere giften chinine volgden hier verschijnselen van hersenverlamming, onafhankelijk van de werking op het hart, doch daarbij bleef de reflexprikkelbaarheid geruimen tijd onveranderd (Schlockow).

Daar chinine zeer sterk inwerkt op ademhaling en hartbe-weging, en evenals veratrine (zie pag. 79) een toestand van collapsus kan opwekken, spreekt het van zelf dat het, evenals dit alcaloid, de temperatuur en de stofwisselingsprocessen moet verminderen. Behalve deze door wijziging van ademhaling en harlwerkzaamheid veroorzaakte secundaire verandering neemt men echter voor chinine nog eene directe, zelfstandige inwerking op de stofwisselingsprocessen aan, en stelt men zich voor dat zij door plaatselijk in te werken op hel materiaal der stofwisseling, de in de weefsels tot stand komende splitsingen, oxydaties en synthesen zou vertragen. Wel is deze voorstelling hoofdzakelijk gemaakt ten einde de therapeutische resultaten van chinine te verklaren , toch zijn er enkele experimenteele gegevens, die deze meening steunen, o.a. de waarneming van Binz, dat chinine de zuurvorming in het bloed, zoo voor als na de stremming, belommert, en het feit dat ook de synthese van hippuurzuur in de nier, na toediening van benzoezimr, belangrijk door chinine vertraagd wordt.

De talrijke onderzoekingen naar den invloed van chinine op de stofwisseling hebben geene bepaalde resultaten opgeleverd, vooral

-ocr page 103-

87

omdat do wijze waarop dozo gedaan zijn dikwijls don toots der kritiek niet kon weerstaan of de vorkregen resultaten zoor uitoenliopon.

Bij proefnemingen in het respiratiotoostol van Pottenkofor vonden Bauer on van Boock do koolzuuruitscheiding bij katten nu eens af- dan eens toegenomen, terwijl Strassburger, die konijnen, na tracheotomie, door Müllorsche ventielen liet ademen, bij oen duur der proof van oen kwartier, geen wijziging der koolzuur-uitscheiding of dor zuurstofopnamo volgen zag. Even onzekere resultaten verkreeg men omtrent do stikstofuitscheiding in do urine. Terwijl eonigon hot ureumgohalte der urine door chinine zagen verminderen, werd dit door Unruh onveranderd gevonden.

Eeno proefneming, waaraan door bon die eono eiwitsparende werking van chinine aannemen nog al voel gewicht gehecht word, is in don laatsten tijd gedaan door van Boeck. Deze toch zag bij een in stikstofevenwicht verkeerenden hond, na inwendige toediening van 1 gram chinine por dag, de hoeveelheid in de pis uitgescheiden ureum 11°/,, afnemen. Die proefneming bewijst echter niet voel, daar het stikstofgehalte der faeces niet bepaald word en de mogelijkheid bestaat dat de in do urine ontbrekende stikstof in de drek zou zijn teruggevonden. Zelfs zou men dit, daar do digestie door eono zoo grooto gift chinine gestoord moet geweest zijn on daardoor do assimilatie van het gegoten vloesch minder volledig zijn tot stand gekomen, mogen aannemen, vooral ook omdat Janssen reeds vroeger bij kippon de secretie van piszuur had zien afnemen, doch alleen als hij chinine inwendig toediende, terwijl bij subcutane injectie de hoeveelheid piszuur zelf toegenomen bleek.

In ieder geval mag uit deze proeven worden opgemaakt, dat al moge chinine ook op sommige in het lichaam plaats bobbende chemische processen een belemmerenden invloed uitoefenen en daardoor de stofwisseling in zeker opzicht eenigszins afnemen, die afname wordt gecompenseerd door andere door chinine veroorzaakte werkingen. Als zoodanig zou de toename der hart-werking en van de bloedsdrukking, die na kleine giften geregeld wordt waargenomen, kunnen gelden. Maar in goon geval kan daardoor do werking van chinine, vooral do toniperatuurver-

-ocr page 104-

88

Jagende werking worden verklaard. Wat de afname der lichaamswarmte betreft, werd door bijna alle onderzoekers bij gezonden eene geringe en bij koortslijders dikwijls eene belangrijke afname der temperatuur waargenomen. liet is niet mogelijk uit te maken boeveel van die afname op rekening moet worden gesteld van den kunstmatigen collapsus en boeveel het gevolg is van eene directe chininewerking. Dat bij koortslijders de temperatuur veel sterker pleegt te dalen dan bij gezonden , zou kunnen worden toegeschreven aan bet feit, dat bier veel gemakkelijker collapsus wordt lot stand gebracht, omdat de koortstemperatuur zelve het tot stand komen daarvan begunstigt. Minder gemakkelijk laat bet zich echter verklaren, dat chinine bij vole met koorts ver-loopende infectieziekten, typhus, pneumonie, een sterke daling der temperatuur bewerkt, doch bij andere, septicaemie, pokken, in het geheel niet. Redenen, om aan te nemen dat bij eerstgenoemde ziekten gemakkelijker een kunstmatige collapsus zou worden tot stand gebracht dan bij laatstgenoemden, ontbreken. Men moet hier echter de mogelijkheid in bet oog houden, dat de temperatuurs-afname bij koortslijders bet gevolg is van eene directe inwerking van chinine op de het ziektegif reproduceerende, lagere organismen. Dat men nimmer aan een lijder zooveel chinine kan toedienen als in eene voedingsvloeistof zou worden vereischt om de ontwikkeling van lagere organismen tegen te houden, pleit bier niet tegen, daar men zich bij eene infectieziekte do lagere organismen in het lichaam moet voorstellen als een struggle for life voerende met verschillende levensprocessen, zoodat iedere hun nadeelige factor, boe gering ook, het stofje kan zijn dat de schaal ten gunste van de laatsten doet overslaan.

De vraag, of liet geraden Ih bij koortslijders, ook dan als de absolute hoogte dor temperatuur het leven van den lijder niet in gevaar brengt, chinine of andere antipyretica toe te dienen, behoeft hier niet te worden besproken. Alleen kan worden geconstateerd, dat in den laatsten tijd de meening dat bij infectieziekten de koorts een gunstig verschijnsel zou zijn en Gohnheims woord „Das Fieber heilt durch Feuer reinigendquot; langzamerhand meer ingang bij de artsen gevonden heeft.

De werking van chinine bij tusscbenpoozende koorts en inala-riaziekten in het algemeen, is zoo mogelijk nog minder opge-

-ocr page 105-

89

helderd. ITior werkt het niet antipyretisch, maar voorkomt sleclits ecne toekomstige temperatuursstijging.

Vreemd is het, dat Sydney Ringer en Senator bij lijders aan intermittens, waar chinine was toegediend, den koortsaanval wel zagen uitblijven, doch de vermeerderde stikstofuitscheiding niet; terwijl Naimyn en Hattwich de warmteafgifte nog zagen vermeerderen , ofschoon door de toegediende chinine de témperatimr van liet lichaam do norm niet meer overschreed.

Het gebruik van chinine als antitypicum bij malariaziekten en andere typisch verloopende aandoeningen, b.v. neuralgiën, berust dus voor het oogenblik geheel op empirie.

Evenals men vroeger chinine steeds door bittersmakende planten trachtte te vervangen, is men er in den laatsten tijd op uit bij de verbindingen der aromatische reeks, surrogaten daarvoor te zoeken. Men mag de hoop koesteren dat het gelukken zal daaronder verbindingen te vinden, die niet alleen evenals chinine temperatuur verlagend werken, maar dat ook doen , waar chinine in den steek laat, en die hare nadeelige werkingen op het hart en do ademhaling of op andere spier- en zenuwelementen missen. Als eerste schrede op deze baan heeft men reeds het salicylzuur gevonden en later nog andere stikstofvrije of stik-stofhoudende aromatische lichamen beproefd. Het zou echter niet tol heil der zieke monschheid strekken, als men iedere als zoodanig aanbevolen of nieuw ontdekte aromatische stof op groot,e schaal in de praktijk ging probeeren. Dit geldt echter vooral van de surrogaaten voor chinine als antipyreticum. Bij malaria-ziekten, waar chinine in den regel met goed gevolg en zonder nadeelige bijwerkingen wordt gebruikt, bestaat minder behoefte aan een surrogaat en moet ook worden betwijfeld, of er ooit een zal gevonden worden, dat de chinine geheel kan vervangen.

Van do andere in du kinabasten aanwezige alcaloiden kunnen vooral ohinidine, doch ook de andere, als antipyretische en antitypische middelen gebruikt worden. Alleen is hot cinchonino geheel onwerkzaam goblokon.

1. Zimvelznre cliiinne, zachte, zeer lichte, witte, zijdeachtige kristallen in 800 d. water oplosbaar.

Giften 50 100 mgr. meermalen daags — bij intermitcus I

-ocr page 106-

90

gr. voor den aanval als antipyreticum 1,5—2 gr. in eens.

2. Chl oorwaterstof zure chinine, in 34 d. water oplosbare witte kristallen. Giften als boven ; men bedenke echter dat dit zout, door hot lage atoomgewicht van het zuur, meer van hot alcaloid bevat.

3. Citroenzure chinine, fijne witte kristallen, mooiolyk in water oplosbaar.

4. Citrus ferricus et citrus chinini, doorschijnende roode schubben.

5. Zwavelzure cinchonine, witte, harde, glinsterende kristallen moeielijk in water oplosbaar — onwerkzaam.

(5. Zwavelzure chinidine, door de Duitschers conchinine genaamd, niet in de Ph. N.

7. Chinoidim, een bruine harsachtige massa, uit amorph alcaloid benevens amorphe modificaties der andere alcaloiden bestaande. Van het amorph alcaloid komen in den handel chloor wat erstol\'/.nre en zwavelzure verbindingen voor, als geelachtige poedervormige massas, die aan de lucht vervloeien en, wegens hunne gemakkelijke oplosbaarheid in water, voor subcutane inspuitingen geschikt zijn.

S. Qidmtum, de gezamenlijke alcaloiden uit Cinchona succi-rubra, een licht, geelgrauw poeder, bestaande, voor de helft uit cinchonidine, voor eene vierde uit cinchonine en voor twee achtste uit chinine en amorph alcaloid. Hot quinetum werd, doch ton onrechte, als een goedkoop chininosurrogaat aangeprezen.

9. Cortex chinae, de Ph. N. bevat de gele (regia), do bruine en de roode kinabast, de laatste van Cinchona succirubra. Een gehalte aan alcaloiden wordt niot opgegeven.

10. Extract, chinae fuscae et ruhrae,

Extract, chinae fuscae frigide paruinm , beiden waterige extracten ; bij de eerste bleef de helft, bij het laatste twee derde der alcaloiden onopgelost terug.

11. Tincturu chinae fuscae et ruhrae,

alcoholische aftreksels, waarin de in de basten aanwezige alcaloiden zijn opgelost.

-ocr page 107-

II.

Middelen die, door moleculaire werkingen, veranderingen veroorzaken op de plaatsen waar zij worden aangewend.

Terwijl do zenuw- en spier vergiften eerst werkzaam worden nadat zij zijn geresorbeerd, brengen de tot deze afdeeling behooren-de middelen dergelijke moleculaire veranderingen tot stand op die deelen van het lichaam waarop zij direct worden geappli-ceerd, dus op de uitwendige huid, de slijmvliezen der digestie-en respiratieorganen, der piswerktuigen en der conjunctiva. Zij kunnen ook wel geresorbeerd worden, maar zijn dan, of voor, ot\' na die resorptie zoodanig veranderd, of komen ook zoo sterk verdund met het bloed en verwijderde organen in aanraking, dat ze daarop niet meer inwerken. Alleen is het mogelijk , dat zij, zich in de uitscheidingsorganen ophoopende, hier dezelfde werking tot stand brengen als daar waar zij oorspronkelijk werden toegediend: elmitatiewerkiuc]. Zoo veroorzaakt b.v. het cantharidine, dat in het lichaam niet omgezet wordt, niet alleen op do huid eene exsudatieve ontsteking, maar kan het ook, als het in voldoende hoeveelheid geresorbeerd wordt, in do nieren eone overeenkomstige verandering veroorzaken.

De werking van deze stoffen bestaat, of in vermeerdering van bepaalde (plaatselijke) functies, van do gevoelszenuwen, do smaak- en reukorganen en de darmboweging, of in verhooging van het voodingsproces der weefsels waarop zij worden aangewend.

Worden verschillende stoffen, die chemisch niet op elkander inwerken, tegelijkertijd d. i. met elkander vermengd, aango-

-ocr page 108-

03

wend, dan kunnen zij toch eene moleculaire werking op elknnrler uitoefenen, waardoor hunne plaatselijke werking op de weefsels gewijzigd wordt. Vroeger sprak men van corrigeutia voor de werking, evenals men nu nog spreekt van corrigeutia voor smank of reuk.

Tot deze categorie behooren b.v. de inwikkelende middelen, die ook nu nog in de geneeskundige praktijk met vrucht worden gebruikt.

Het is niet mogelijk de tot deze klasse behoorende middelen pharmacologisch in te deelen; meestal zijn het geen scheikundige verbindingen, maar mengsels van allerlei stoffen, waarvan men velen nog in \'I geheel niet kent. Voorloopig moet men zich dus tevreden stellen mot ze in te doelen naar het therapeutisch dool waarmede zij worden gebruikt.

Eeno uitzondering daarop vormen do terpenen , mosterdoliën en ook eenige kategoriën van purgeermiddelen, dio tot eene pharmacologische groep kunnen worden vereenigd.

1. De inwikkelende middelen.

Gom, suiker, lijmen andere pharmacologisch indifferente stoffen dienen bij hot maken van pillen, granules, poeders, pastilles, kapsels, ouwels en dergelijke artsenij vormen, om de werkzame bestanddeelen daarvan mechanisch te omhullen. Bovendien hebben de in water oplosbare, of daarin opzwellende, colloide plantenbestanddeelen, zooals gom, slijm, amylum, dextrine en dergelijke, nog eene bijzondere beteekenis als inwikkelende middelen.

In de eerste plaats kunnen ze, ofschoon zelve geheel smakeloos, den scherpen en vooral den zuren smaak van vele werkzame stoffen wegnemen. Bij een oven groot zuurgehalte smaakt eene limonade b.v. veel minder zuur. als daarin dergelijke col-loidestoffen aanwezig zijn. In dit opzicht spelen de als pectine-stoffen bekende colloide bestanddoelen der vruchten eene groote rol. Haar zure smaak is niet alleen afhankelijk van het gehalte aan zuur en aan suiker, maar vooral van de verhouding tusschen

-ocr page 109-

93

het zuurgehalte en de daarin aanwezige hoeveelheid gom en pectinostofïen.

De framboos bevat, op dezelfde hoeveelheid zuur, minder suiker dan de aalbes, maar zij bevat 13 maal zooveel van die colloïde bestanddeelen: daarom noemen wij haar eene zoete vrucht, terwijl de aalbes ons eene zure vrucht toeschijnt.

Dergelijke verhoudingen vinden wij bij het bier: bij een gelijk gehalte aan alcohol en hopbestanddeelen smaakt dit minder bitter als het veel colloïde stoffen bevat.

Waarschijnlijk komt deze inwikkelende werking van colloïde stoffen ook in de maag en het darmkanaal in aanmerking, zoodat daardoor de inwerking van scherpe en prikkelende stoften op het slijmvlies wordt verzwakt, terwijl mot zekerheid mag worden aangenomen, dat onverteerbare colloide stoffen, vooral gom en plantenslijm , niet alleen zolven langen tijd in het darmkanaal vertoeven, maar dat ze ook hier de opslorping van andere stoffen kunnen vertragen. Voedingsmiddelen, die door een te groot gehalte aan die stoffen te lang in de maag en het darmkanaal verblijven, kunnen hier in gisting geraken en daardoor tot gezondheidsstoornissen aanleiding geven, en de moeielijke verteerbaarheid van vele groenten en vruchten, de schadelijkheid van kunstwijnen en van de zg. zware, aan extract rijke, biersoorten moeten grootendeels op rekening van de daarin aanwezige colloide stoffen worden gesteld. Wij kunnen van deze werking van gom, plantenslijm en dergelijke colloïde stoffen gebruik maken, waar wij geneesmiddelen toedienen, die wij op liet darmkanaal willen laten inwerken en die, zonder die colloide toevoegsels, reeds van uit de maag zouden worden geresorbeerd. Daarom gebruikt men bij darmkatarrhen niet het zuivere looizuur, maar geeft dit in een slijmig afkooksel of als extract van looizuur houdende plantendeelen. Ook waar wij bij de beiian-deling van darmziekten aan opium, extract, beiladonnae of nucis vomicae de voorkeur geven boven de daarin voorkomende zuivere alcaloiden, berust dit op de, door tie in die extracten aanwezige colloide stoffen, vertraagde resorptie.

-ocr page 110-

Ui-

In den laatsten lijil tracht men die werking van colloide stoffen na te bootsen, door geneesmiddelen, die men op het darmkanaal wil laten Inwerken, toe te dienen in pillen, die met een laagje waterglas ut\' keratine , dat in de maag niet opgelost wordt, bedekt zijn.

Behalve de later le behandelen suikersoorten worden de volgende stoffen als inwikkelende middelen gebruikt:

1. Ami/luni fritici, stijfsel, dient tot bereiding van stijfselpap ; 1 d. op 50 d. water.

2. Tnbera Sale}}, de knollen van verschillende Orehideënspe-cies; zij bevatten veel aniyltnn en plantenslijm (bassorine).

3. Mucilago of Solutio Salep, 1 d. Salep op 100 d. water.

4. Gummi Arabicum, afkomstig van verschillende Acaciasoorten, bestaat hoofdzakelijk uit arabinezuur calcium.

5. Mucilago \'j. arah, 1 d. op 2. d. water.

G. Tragacanth, afkomstig van verschillende Astragalussoorten, bestaat uit het in water opzwellend, maar niet daarin oplosbaar, bassorine.

7. Mucilago g. tragacanth, 1. d. tragacanth op 12 d. water.

8. Pulvis gummosns, gelijke deelen arab. gom, tragacanth en suiker.

9. Emulsies, waterige vloeistoffen, waarin onoplosbare vettige en harsachtige stoffen, in fijn verdeelden toestand, gesuspendeerd aanwezig zijn. De colloide bestanddeelen beletten, dat de gesuspendeerde stoffen bezinken. Men bereidt ze uit zaden , h.v. amandelen, of ook wel uit vette oliën met gomslijm.

De volgende stoffen bevatten van colloide bestanddeelen slechts plantenslijm; de bladeren en bloemen evenwel slechts in geringe hoeveelheid.

10. Radix althaeae.

Folia althaeae.

Sijvupus althaeae.

11. Folia en flores malvae.

Verder behooren hiertoe do mossoorten, aan welke men vroeger eene hooge voedingswaarde toeschreef, docli die men thans slechts als inwikkelende middelen beschouwt.

12. Carrhageen, lersche mos, bevat vooral bassorine.

-ocr page 111-

1)5

13. Lichen Islandicus, Jslandscho mos, bevat, behalve eene bitterstof, cetrarzuur, 10quot;/,, gewoon amylum en 20°/„ eener bijzondere amylumsoort, lichenin genoemd, die met water sterk opzwelt en do oorzaak is waarom afkooksels van dit mos zoo sterk geleiachtig zijn. Door het mos met alkaliën uit te trekken, die het cetrarzuur oplossen, verkrijgt men den

Lichen Island, ah amaritie liherat.

14. Zoethout, bevat nevens glucose, een glycosied yhjcerhizine dat in suiker en eene scherp smakende, zwak purgeerend werkende stof, glycerhetine, gesplitst wordt. Zooals de zoethout-praeparaten gewoonlijk gebruikt worden, werken ze als colloïde stoffen slechts inwikkelend.

Rad. liquiritiae.

Succ. liquiritiae, door uitkoken van den wortel en verdampen verkregen droog extract.

2. De reuk- en smaakmiddelen.

a. Den smaak verbeterende stoffen.

Lokker smakende en riekende plantenbestanddeolen worden zoowel gebruikt om den leelijken smaak en don stank van vele artsenijen te verbeteren, als om er verfrisschende dranken en andere genotmiddelen van te bereiden. Het komt hierbij niet aan op oen bepaalde werking hunner bestanddoelon, maar vooral op hot genot, dat zij aan zieken on gezonden kunnen verschaffen. Eene limonade is een zeer geschikte vorm om groote hoeveelheden koud water op eene aangename wijze in het lichaam te brengen. Hetzelfde resultaat zou men echter kunnen bereiken, ofschoon niot op zoo aangename wijs, door toediening van een koudwaterlavoment.

Behalve zoet en zuursmakende, worden ook aromatisch en bittersmakende stoffen gebruikt, om van eenvoudige geneesmiddelen gonotmiddolen voor de zieken te maken, eene kunst die door streng wetenschappelijke artsen dikwijls al te zeer wordt

-ocr page 112-

96

veronachtzaamd; want eon goed gekozen genotmiddel kan den lijder van meer nut zijn dan menig recept. Tot deze kategorie van geneesmiddelen beliooren, nevens de hieronder opgegeveno, nog de later te behandelen krui de r ij WiT\'Tcte •\' oliën,

vooral die der citrussoorten, vele organische zuren, vleesch-extract, wijn en ook de coffeine bevattende dranken, bij welke het niet altijd op de specifieke werkingen der hoofdbestanddee-len aankomt.

1. Saccharum alb., rietsuiker; 1 -droppel aeth. olie op 2 grin, suiker geeft een Elaeosaccharum. quot;

2. Sijr. simplex.,.. 20 d. witte suiker met 11 d. water.

2. Saccharum laclis, melksuiker, is niet hygroscopisch, zoodat zij de voorkeur verdient tol het bereiden van poeders. / 4. Syrupus ruhi idaei, frambozensiroop.

5. Syrupus rhoeados, klaprozensiroop -e. .a~ ; .....J

G. Folia menthae piperitae et crispae, peper- en kruizenuml met de daaruit bereide gedistilleerde wateren en aetherische oliën; deze laatsten bestaan uit terpenen en eene kamferachtige stof menthol.

\'I. Mei depuratum, honig.

8. Mei rosarum, rozenhonig, uit rozenbladeren en gewonen honig. h. Theesoorten.

Ook deze beliooren lot de sinaakverbeterende middelen. Dikwijls wil de arts den patiënt groote hoeveelheden lauw water doen gebruiken, b.v. om de zweetsecretie of, bij kramptoestanden, de verslapping der samengetrokken spieren te bevorderen. Lauw-warmvvater veroorzaakt echter dikwijls misselijkheid en braking en daarom maakt men er door toevoeging van aromatisch smakende en riekende bloesems, vruchten en kruiden eene thee van, die door den putient gewoonlijk met welgevallen gedronken wordt. Van eene bijzondere werking van de steeds in geringe hoeveelheid daarin aanwezige aetherische oliën bespeurt men niets. Tot bereiding van dergelijke theeën dienen de volgende planlen-deelen.

-ocr page 113-

97

1. Flares Suiiilmci, Vlierbloemon.

2. Flares tiliue, lindebloesem.

3. Flares chatnomillae, ktimille.

4. Species pectarales, gewoonlijk mengsels van allerlei plantaardige en zwak aromatische stoffen.

c. lUekmiddelen.

Vele vluchtige stoffen worden als riekmiddelen gebruikt, niet zoozeer om hot daaraan verbonden genot van het ruiken, dan wel om door prikkeling van het neusslijmvlies reflectoir op het centraalzenuwstolsel, vooral op het verlengde merg in te werken. Eene zoodanige reflexwerking kennen wij ook in het niezen.

Iedere prikkel op het slijmvlies van den neus doet een reflex langs den trigemenusbaan volgen, waardoor steeds oen met sluiting der slemspleet gepaarde uitademingskramp volgt, terwijl door centrale prikkeling der remzenuwen de hartslag verlangzaamd wordt en de bloedsdrukking afneemt.

Meermalen is in het begin der chloroforminademing, of\'bij de inwerking van andere sterk riekende stoffen op het neusslijm-vlies, verlangzaming dor pols ja zelfs stilstand van het hart waargenomen. Het nut van riekmiddelen bij onmacht en asphyctische toestanden berust op eene dergelijke reflectoire prikkeling van het verlengde merg.

Men kiest voor dit doel niet de eigenlijke riekmiddelen, maar die vluchtige stoffen , die tevens of ook uitsluitend eene sterke sensibele prikkeling veroorzaken, het best, vluchtige vetzuren, azijn- mierenzuur, ammoniak, sterk verdunde mosterdolie en ook vele aethers.

Als volksmiddelen worden daartoe de gasvormige producten gebruikt ontstaande bij het verbranden van vederen of het glimmen eener kaarts: in het laatste geval dus het prikkelende en stinkende acroleïne.

d. Stinkende staffen als zenuwmiddelen.

Bij vermeerderde prikkelbaarheid van het zenuwstelsel, vooral bij hysterische toestanden, worden vele onaangenaam riekende

7

-ocr page 114-

98

sloffen uIh geneesmiddelen gebruikt; van deze zijn duivelsdrek en valeriaan de belangrijkste, üaur geene andere bestanddeelen dan de aetherische oliën daarin aanwezig zijn en aan de gunstige werking van deze stoften niet kan worden getwijfeld, kan deze slechts in eene reflexwerking bestaan. Waarschijnlijk is de verhoogde gevoeligheid van deze lijders de oorzaak waarom die aeth. oliën, die bij gezonde personen een zeer onaangename gewaarwording veroorzaken, bij hen een tegenovergestelde uil-werking plegen op te wekken; immers zagen we reeds vroeger hoe bij personen, waar, door toediening van strycbine, de gevoeligheid dor reukzenuw was toegenomen, stinkende stoffen eene aangename riekgewaarwording opwekten. Het feit dat de valeri-aahreuk een zeer sterken invloed heeft op den psychischen toestand van katten en deze dieren dwingt eigenaardige dansen uit te voeren, pleit voor do mogelijkheid eener dergelijke specifieke reflexwerking bij menschen.

Hot vloeibare borneol, het hoofdbestanddeel der valeriaanolie, dat door oxydatie in gewonen kamfer kan worden omgezet, schijnt in groo\'te giften als kamfer te werken en zou als surrogaat daarvoor kunnen gebruikt worden.

1. /1.5« foetida, duivelsdrek; het zeer onaangenaam riekende hoofdbestanddeel is een mengsel van twee zwavelhoudende aetherische oliën. Bij proeven op zichzelven vonden Buchheim en Sennner de bestanddeelen van duivelsdrek geheel onwerkzaam.

2. Tincturu Asae foetidae, 1 deel op 8 d. wijngeest.

3. Radix Valerianae van Valeriana officinalis; het daarin aanwezige oleum Valerianae bevat valeriuanzunr, verschillende stoffen die tot de kaniferreeks behooren en wel vloeibaar borneol en een van deszelfs aethers en esters.

4. Tinct. Valerianae, 1 deel op 0 d. spiritus.

3. De aromatische en bittere maagmiddelen.

De ervaring heeft geleerd dat vele aromatische en bitter smakende geneesmiddelen een gnnstigen invloed kunnen hebben op

-ocr page 115-

99

het spijsverteringsproces en in staat zijn lichte oatarrhale aandoeningen der maag en stoornissen harer functie, dyspepsie, mits niet door weefselveranderingen tut stand gekomen, te genezen.

Deze maagmiddelen vermogen een normaal digestieproces niet te bevorderen. Proefnemingen op honden, bij welke door een maagfistel stukjes eiwit of stijfsel in zakjes van neteldoek in de maag werden gebracht, hebben geleerd, dat door salicine, ab-synth, chinine, peper, mosterd, keukenzout en dergelijke stoffen de vertering van eiwit en van stijfsel eerder vertraagd dan bevorderd wordt; misschien omdat die stoffen do werking van het pepsineferment belemmeren , evenals zij ook in staat zijn gistingsprocessen te vertragen. Wel wil Wolfberg gevonden hebben dat in een kunstmatig maagsap, bij aanwezigheid van strychnine , chinine en andere bittere middelen , meer fibrine wordt verteerd, doch dit klinkt zoo paradox dat men eene nadere bevestiging van deze proefnemingen moet afwachten. Ware het pepsine een georganiseerd ferment dan zou men zich kunnen voorstellen dat een bitter middel de werkzaamheid der organismen bevorderde, doch proefnemingen van Buchheim hebben geleerd dat de alcoholgisting er niet door bevorderd maar vertraagd wordt. En hot is moeieiijk te begrijpen hoe zoodanige stof de werking van een niet georganiseerd ferment of de hydro-lyse van eiwit zou kunnen bevorderen.

Daar deze maagmiddelen alleen werkzaam zijn als do digestie gestoord is, is het niet onwaarschijnlijk dat hunne werking voornamelijk eene antiseptische is en dat zij abnormale gistingsprocessen, die immers alleen bij gestoorde spijsvertering in de maag plaats vinden, belemmeren of tot stilstand brengen.

Ook bestaat de mogelijkheid dat deze maagmiddelen op het slijmvlies der maag eveneens inwerken als op onze smaakzenuwen, dat is in den maagwand verloopende zenuwen prikkelen en daardoor de functie der maag en vooral do afscheiding van maagsap bevorderen. In dit opzicht moet in zooverre verschil worden gemaakt tusschen de aromatische en bittere maagmiddelen, dat de eersten het slijmvlies der maag zelf kunnen prikkelen en bloedrijker doen worden, doch de laatsten dit verinogen missen.

7*

-ocr page 116-

lou

Het is niet bewezen of die invloed op liet slijmvlies der maag sterk genoeg is om de bewegingen van dit orgaan krachtiger te maken en ook daardoor de tunctie te bevorderen, maar wel worden stoffen, die rijk zijn aan actherische oliën, in de praktijk gebruikt om de darmbewegingen te versterken en bij kolieken, opgehoopte darmgassen uit te drijven.

Do Pharmacopoea bevat een aantal van die zoogenaamde maagmiddelen, waarvan vele geheel overbodig, andere verouderd zijn.

a. Kruiderijen en aromatische maayinideleii.

Do van citrussaarten afkomstige artsenijen bevatten , behalve aetherische oliën die tot de terpenen behooren en geen andere beteekenis bezitten dan den smaak te verbeteren, ook aromatische en bittere stoffen zooals limonine en aurantiine.

1. Citroenschillen, van Gitrus Lemonuui.

2. Oleum citri, de uit de schillen uitgeperste olie.

3. Oleum flornm aurantii s. Neroli, oranjebloesemolie , door distillatie met water daaruit bereid.

Aqua (lorum aurantii s. naphae.

4. Oranjeschillen, Cortex aurantiorum , do rijpe schillen van Gitrus aurantium, bevatten eene bitterstof aurantiïn ; de geelrood gekleurde buitenste laag, flavedo genaamd, eene aetherische olie die door uitpersen kan worden verkregen, de

5. Oleum aurantiorum; door distillatie der schillen met water verkrijgt men daaruit

G. Aqua corticum uurantloruni; en door zo met water uit te trekken en suiker en oranjeolie toe te voegen don

7. Stjrupus aurantiorum.

De kaneel bevat eene aetherische olie die hoofdzakelijk uit hel eigenaardig riekend en scherp smakend kaneelaldehyd beslaat. De bereidingen van kaneel hebben geene andere werking dan den smaak te verbeteren.

8. Cort. cinnam. Zeijlanici et Javanici.

8. Cort. cinnam. Cussiae, uit China, ook looizuur bevattend,

10. Oleum cinnainoini, kaneelolie.

-ocr page 117-

101

11. Alt;iua chinamomi, gedistilleerd.

12. Syrnpiis einnamomi, 1 d. tinctura cinnam. met 7 d. syr. simplex.

13. Tinctura cinnamomi, 1 d. kaneel op 8 d. spiritus.

Do kruidnagelen bevatten eene sterk prikkelende aetherische olie, een mengsel van eugenol en een terpeen.

14. O/euin caryophyllorum, kruidnagelolie.

De muskaatnooten zijn nog al giftig. Hot werkzame bestanddeel wordt gemakkelijk omgezet en daarbij wordt waarschijnlijk aetherische olie gevormd. De olie is een mengsel van terpeenen en kamfeenen.

15. Nxcen moschaiae , de harde noten van Myristica flagrans; zij zijn bekleed met eene gele hoornachtige zaadrok, macis, foelie geheeten , waarin eene aetherische olie aanwezig is.

1G. Oleum nucis moschatae.

17. Oteuni macidis.

De hieronder volgende kruiderijen voor de apotheek en de keuken bevatten aetherische oliën of ook andere scherpe, aromatisch smakende bestanddeelen die niet nauwkeurig onderzocht zijn.

18. Frurtus mrdamomi, de doosvruchten eener op Malabar groeijende Zingiberacee.

I\'.). Radix /inyiberis, gemberwortel, bevat een tot de terpeenen behoorende aetherische olie benevens een bitter en scherp smakende stof gingerol (cardol?).

20. SpirituH aroniafirus: kaneel, nootmuskaat, kruidnagelen , inarjorijnkruid , korianderzaad met water en spiritus gedistilleerd.

21. Had. calami aromatici, kalmuswortel, van Acorus calamus bevat behalve eene aetherische olie nog een bitter, scherp smakend harsachtig, stikstofhoudend glycosid acorine. De olie bestaat uit twee terpeenen.

Eindelijk behooren tot deze afdeeling nog de volgende zaden van Umbellifeeren, die als eenig bestanddeel eene aetherische olie bevatten en vooral, als zoogenaamde carminativa, gebruikt worden om darmgassen uit te drijven.

22. Semen Carvi, kummel, karwijzaad, van Garum carvi en de daarin aanwezige

-ocr page 118-

102

23. Oleum Carvi,

24. Semen foenicnH, Venkel.

25. Oleum FoenicuH.

26. Aq. foenicidi, gedisiillcord.

27. Semen Anm, Anijszaad.

28. Oleum Anisi, bestaande hoofdzakelijk uit vloeibaar en vast anetliol, anijskamfer.

2(J. Hemen phellandrii, watervonkelzaad.

h. Zuiver hittere maagm iel delen.

Hiertoe behoort in de eerste plaats de pharmacologische groep der bittere middelen, gekenmerkt floor de aanwezigheid daarin van scheikundig weinig bekende bitlerstoffen, die zich onderscheiden door groote bitterheid en in tegenoverstelling der alcaloiden physologisch weinig werkzaam zijn. Bovendien zijn er onder de alcaloiden eonige die zeer bitter zijn en daarom in kleine giften, waarbij de alcaloidwerking niet tot stand komt, gebruikt worden als de spijsvertering verbeterende middelen; vooral worden als zoodanig strychnine en brucine , doch ook chinine gebruikt.

Over do werking dezer bittere middelen hebben wij reeds gesproken. Behalve als geneesmiddelen zijn ze ook daarom van belang, omdat zij dienen tot bereiding van bittere tincturen die zoowel als genotmiddelen als als populaire maagmiddelen gebruikt worden.

Uit een pharmacologisch oogpunt kan aan geen der hier volgende bittere middelen de voorkeur boven andere worden toegekend. Bij enkelen draagt een gehalte aan looizuur tot de werking bij.

30. Radix Gentian ae, gentiaan wortel van G. lutea.

Van de bestanddeelen is het geritiaanzuur geheel indifferent; de bitterstof gentiopicrine is een in water oplosbaar kristalli-seerbaar glycosid.

31. Exlrart Gentianae, waterig.

32. Tindura Gentianae , 1 d. op G d. spiritus.

33. Jferhd ahfiinthii, Absynth, de bloeiende toppen van Arte

-ocr page 119-

103

misia absynthinm, bevat ecne kristalliseerbare bitterstof, absin-lliinc, in water mocielijk oplosbaar 011 eene aetherisehe.

34. Oleum Ahsinthii, ecne groene olie, waarin het met kamfer isomeère absinthol voorkomt.

35. Extract, absbithii, waterig extract, waaruit de aetherisehe olie bij het indampen vervluchtigd is.

30. Tinchira ahsinthii.

37, Quassia, houtsplinters van Q. amara, waarin ecne kristalliseerbare, in water moeielijk oplosbare bitterstof quassiine voorkomt.

38. Extract quassiae.

40. Folia Trifolio fihrini, driebladbladen, waarvan menyanthine, een glycosid , de bitterstof is.

41. Herha ceutaurii minor is, dnizendguldenkruid.

42. Vinum mtiarum , gelijke deelcn extract van gentiaan, cas-carille, carduus benedictus, centaurii en myrrbe, opgelost in *.)() d. spaansche wijn en daarbij G d. tinctuur van oranjeschillen gevoegd.

43. Glaudulae lupuli, lupuline, hopklieren, de aan de buitenzijde der schutblaadjes van de hopkegels aanwezige kliertjes; zij bevatten eene aetherisehe olie, een mengsel van een terpeen met een kamfecn en bovendien eene kristalliseerbare in alcohol doch niet in water oplosbare bitterstof, lupulit of hopbitterzuur genaamd.

44. Herha card ui heiiedicti, gezegende distel, eene in koud water moeielijk oplosbare bitterstof enicine bevattende, dient lot bereiding van een waterig Kxtractum cardui henedidi.

45. Radix Taraxaci, paardebloemwortel, van Leontodon Taraxacum, bevat eene bitterstof taraxine die in water oplosbaar is, en is vooral in het voorjaar zeer rijk aan zouten, vooral met organische zuren verbonden kaliumzouten. Aan deze zouten moet decliuretischeen zwak purgeerende werking worden toegeschreven.

40. Kxtractum taraxaci.

47. Jlcrha chclidoiiii, de bladeren der stinkende gouwe, bevallen eveneens eene bitterstof, chelidonine en eene groote hoo veelheid zouten.

48. Extractnm chelidoirii.

-ocr page 120-

104

i\'.l. Jiadi.r Calmiiha of Cohnnho; dczo bevat drie bitlerstoffon, een alcaloid berberin, verder coiumbozunr en eeno kristalliseer-bare in water weinig oplosbare indifferente stof columbine. Bovendien bevat de wortel stijfsel en nog andere colloïde stoffen, door welke de resorptie der bitterstoffen vertraagd wordt, zoodat zij in bet darmkanaal overgaan. IToe daardoor diarrhoeën kunnen worden genezen is niet verklaard. Misschien werken de bitterstoffen op dezelfde wijs als cotoine en paracotoine, stoffen in de uit Bolivia afkomstige Gotobast voorkomende , die door de darmvaten te verwijden do voedingsprocessen in den darmwand wijzigen (Albertoni), of misschien daarom diarrhoea genezen omdat zij de rotting in het darmkanaal tegengaan.

50. Kxtractum cahmtba, met koud water bereid zoodat het amylum der wortel er niet in voorkomt.

51. Cortex Cascarillue, de bast van Groton Eleuteria, bevat behalve looizuur en eene aetherische olie, een kristalliseerbare bitterstof cascarilline; zij dient tot bereiding van een

52. Kxtrachim Cascarillae.

Het zou weinig moeite kosten deze lijst nog belangrijk uit te breiden , doch wij meenen ons tot ecne opsomming dor voornaamste bittere middelen te moeten bepalen. Toch volgen hier nog eenige

4. tot verschillende doeleinden gebruikte verouderde en obsoleete geneesmiddelen.

ITet zijn stoffen, waarvan men weinig meer weet dan dat zij aetherische oliën bevatten, die in de praktijk zonder bepaalde indicaties nu eens als corrigontia, antidyscratica, tonica, nervina, stomachica enz. dan eens zooals cajeputolie en arnica als univer-seele geneesmiddelen gebruikt zijn. Do Pharmacologic kan van deze stoffen even weinig nut trekken als tegenwoordig do therapie; slechts als corrigontia voor den smaak kunnen zij nog eenige dienst bewijzen.

De volgende tot de Labiatae behoorende planten bevatten aetherische oliën die tot de terpenen of kamfeenen gerekend wor-

-ocr page 121-

105

den ; liivendcl- en i\'ozcrnarynolie bevallen gewonen kamfer.

1. F/ore* melissae, dienen lot bereiding van spirilus melissae composilns, Eau des Cannes.

2. Hcrba Thymi, Tym, waarin eene aelherische tymolie, die tliymol, cyniol en hel lerpeen Ihymen beval.

3. Flores LavendiiJae, vvaaruil door distilialio mei waler en spirilus een lavendelolie bevallende Spirilus lavendulae bereid wordl.

4. Hcrba Rosmuriin, Rosmarijn, die Oleum rosmarini beval, bestaande uit gewonen kamfer, borneol en een lerpeen.

Andere tot verschillende planlenfamilien behoorende kruiderijen bevatten insgelijks aelherische oliën, deels terpenen, deels kamfeenen.

5. Flores aniicae, de bloemknoppen van Arnica monlana, wolverlei , waarin eene aelherische olie en eene gele harsachtige bitlersmakende slof arnicine.

0. Tinetura arnicae,

7. Oleum Cajeputi. Gajeputolie uil de bladeren van Melaleuca Leucadendron, eene Moluksche Myrtacee, groen of geelachtig van kleur en van kamferachligen reuk en scherpen smaak, zij bevat, vooral terpeenen, cajeputenhydraat.

8. Fructus Lauri, de vruchten van Laurus nobilis, Laurier, leveren bij uitpersing eene groene, zalfachtige

9. Oleum Laurinum , een mengsel eener vette en eener uit terpenen beslaande aelherische olie.

10. Mi/rrha, een gomhars uit Balsamea of Balsamodendron Myrrha, beval eene aelherische olie myrrhol, een hars myrrhen en wordt tot verschillende doeleinden als Balsamicum, Sloina-chicum, Emmenagogum enz. gebruikt.

11. li net. Mi/rrhue, 1 d. op 8 d. spiritus.

12. Radix Iridis, de wortelstok van Iris Florcntina, Lischworlel, bevat gom en eene aelherische kamferachtige olie.

13. Radix Heleiiii, Alantswortel, van Inula Helenium, beval behalve eene in koud water onoplosbare amylumsoort Inuline , nog eene kamferachtige stof helenine.

14. Kxtractniu Ifelenii, met koud waler en spiritus bereid.

Als bloedzuiverende, zweet- en pisdrijvende middelen en zooals

-ocr page 122-

106

men dit noemde antidyscratica, resolventia en alterantia werden de volgende houtsoorten en andere plantaardige stoffen gebruikt; in Meren tijd werd daaraan de condurangobast als kankermid-del toegevoegd.

15. Sassafras, het wortelhout eener N. Amerikaansche Lau-rinee, waarin eeno naar venkel riekende aetherische olie, die uit 10n/0 safren en 90quot;/„ safrol, het eerste een terpoen, hot laatste een kamfeen bestaat.

I (i. Guajak, het hout der Guajakboom, dat guajakhars bevat; uil beide houtsoorten en don wortel van Ononis Spinosa werd de xg. houtthee, species lignorum, samengesteld.

17. Cortex Conduranyo, de bast van Gonolobus condurango; doch ook andere bastsoorten komen onder dien naam in don handel. Zij bevat oen glycosid; verder, in zeer geringe hoeveelheid, eene in werking met strychnine overeenkomende base en bovendien looizuur. Aan het looizuurgehalte moet de gunstige werking, die de bast bij sommige maagaandoeningen heeft, worden toegeschreven. Daar\'die ook wel eens eene enkele maal bij lijders aan maagkanker is waargenomen , heeft men dit middel als een modern, specifiek kankermiddel aangeprezen. Dose; als maceratie-decoct, 15 gram op 150 water, eenige malen daags een lepel.

18. Ilcrlxi violae tricolor in, ook Herba jaceae genaamd.

Als geneesmiddel bij scheurbuik wordt ook het lepelblad gebruikt, omdat door zeelieden die aan deze ziekte leden en eeno kust bereikten waar zij geen andere groenten dan dit kruid vonden, niet vrucht daarvan als geneesmiddel gebruik werd gemaakt.

1II. II er lm cochleariae recens, lepelblad, hot versche kruid eenei aan zeestranden groeiende Grucifoor, bevat evenals andere groenten eeno belangrijke hoeveelheid alkalizouten, bovendien oen glycosid waaruit, zooals dit in de mosterd geschiedt, butylmos-terdolie , sulfocyanbutyl, afgesplitst wordt. Uit hot versche lepelblad en uit verschen mierikwortel, die eene dergelijke mosterdolie levorl , wordt door distillatie met spiritus en water den

20. Spiritus cochleariae bereid.

-ocr page 123-

107

5. Middelen die de piswegen desinfecteeren en prikkelen.

Vole tol de terpenen behoorende plantonbostanddeolen worden na uit de maag te zijn geresorbeerd, onveranderd door denieren uitgescheiden en kunnen dan op verschillende wijs op deze inwerken; terwijl b. v. de jeneverbes de pisafscheiding doet toenemen , werken copaivabalsem en cubeben heilzaam in op oen aan blennorrhoea lijdend slijmvlies der piswegen. Do jeneverbes bevat aan organische zuren gebonden alkaliën en deze zouten kunnen de urinesecretio doen toenemen. Bovendien prikkelen de bestanddeelen der aetherische olio bij hunne eliminatie de nieren; deze prikkeling kan tot ontsteking leiden, maar ook in zwakkere graden slechts het vermogen der nieren om pisbestanddeelen, vooral water door te laten , doen toenemen.

De in deze geneesmiddelen aanwezige aetherische oliën bestaan meerendeels uit terpenen, die, daar zij vluchtig zijn, gemakkelijk worden geresorbeerd en zich in het lichaam met glykuronzuur verbinden.

Die gepaarde glykuronzuren gaan als oplosbare zouten in de urine over; of daarbij de wateruitscheiding toeneemt is niet uitgemaakt, maar waarschijnlijk is hun diuretisch vermogen van weinig beteekenis. Doch wel spelen de gepaarde verbindingen der terpenen in de urine in dat opzicht eene belangrijke rol , dat zij de urine, nog voor zij het lichaam verlaat, aseptisch maken. Al is dit nog slechts na het innemen van copaivabalsem behoorlijk geconstateerd, toch mag worden aangenomen dat andere dergelijke middelen, bv. cubebe, eene gelijke werking hebben.

De na het innemen van copaivabalsem uitgescheiden urine gaat zeer moeielijk in rotting over; zij blijft gerniinen tijd geheel helder en eerst nadat tripelphosphaten zijn afgescheiden en schimmels zich op de oppervlakte hebben ontwikkeld, worden soms rottingbacterien, doch in gering aantal, er in waargenomen. Op deze verandering der urine door copaivabalsem, waarschijnlijk ook door cubebe, berust de heilzame werking dezer geneesmiddelen bij blenorrlioea der urethra. Enkele druppels

-ocr page 124-

108

urine ilio na do loozing in do pisbuis I cru gbl ij von , zullon daar lichtelijk in rotting overgaan on dan de genezing oenor blen-norrhoea vertragen; is do urine echter vooraf ongeschikt gc-maakt om te rotten, dan is zij betrekkelijk onschadelijk geworden en kan zij de genezing eener blennorhoea niet tegenhouden. Men kan door desinfecteermiddelen in de urethra te spuiten dit resultaat niet bereiken, omdat daardoor aandrang tot urineeren ontstaat en de ingespoten stoffen door de urine worden weggespoeld.

Van de bestanddeelen der copaivabalsem worden vooral de terpenen, deels als gepaarde glykuronzuren, deels ook als zwavelzure aethers in de urine uitgescheiden. Alle terpenen, ook de gewone terpentijnolie, vormen met glykuronzuur gepaarde verbindingen en kunnen dus dienen om de urine meer of min aseptisch te maken.

Meerendeels worden zo echter slecht door de maag verdragen; dit is ook het geval met de copaivabalsem , en hot prac-tisch vraagstuk, .wolk dezer middelen hot minst nadeelig voor de digestie is en tevens do pis het sterkst aseptisch maakt, is nog niet opgelost; vroeger maakte men voor dit dool ook wel van terpentijnolie gebruik.

Tot deze groep bebooron verder ook do looizuurhoudonde Folia unie ursi, waarvan het hoofdbesl anddeel, hot glycosid arbu-tine, in het lichaam gesplitst wordt en hot splitsingsproduct, hydrochinon , als zwavelzure aether in do urine wordt geëlimineerd. Hierop berust waarschijnlijk do heilzame werking van dit geneesmiddel bij blaascatarrhen.

1. Fvuctns juuiperi, jeneverbessen, van Juniperus communis: 25—30 gram daags als infusie.

2. Rob juuiperi, gekneusde jeneverbessen met kokend water uitgetrokken en dit, na vermenging met suiker, tot extract uitdampt.

3. Spiritus jnniperi compositus, jeneverbessen, karwij-en venkelzaad mot water en spiritus gedistilleerd.

4. Oleum juniperi, de klou rlooze uit twee terpeonen bestaande aotherische olie.

-ocr page 125-

109

5. lialsaiiiKiH cojxiivac, van verschillende species van Gopaifera, bevat copaivaolie (G 10 H 1G), oen harszuur copaivazuur en een neutraal hars. Gift, 1-4 gr. in capsules, pillen met magn. usta of in emulsie.

0. Giihebe, de onrijpe vruchten van Piper Gubebae, staartpeper bevatten eene uit twee terpenen samengestelde cubebaolie, eene indifferente stof cubebine en een harszuur, cubebazuur. Gift 1 —5 gr. p. d.; 30—50 gr. pro die , in ouwels of pillen.

7. Extract. Cubehur, een aetherisch extract.

8. Folia time tirsi. Arbutus uvae ursi, beerenklauw. Gift 10—20 gr. pro die als infusie.

G. De huidprikkels.

Deze spelen in de therapie eene belangrijke rol. Allerlei tot verschillende pharmalogische groepen behoorende middelen worden gebruikt om een grooter of kleiner deel van de huid te prikkelen en, of eene oppervlakkige sensibele prikkeling, waarbij de huid begint rood te worden, of ook eene intensieve prikkeling van alle morphologische deelen der huid met exsudatieve ontsteking te veroorzaken. Man heeft daarbij de bedoeling, hetzij om de normale of ziekelijk ontaarde huid te veranderen, hetzij om indirect op verwijderde lichaamsdeelen in te werken.

Eene matige ontstekingachtige prikkeling , die lang achtereen onderhouden wordt, kan op de plaats van aanwending zelve of in hare omgeving exsudaten en weefselwoekeringen b.v. hoornvliesvlekken doen verdwijnen; specifieke werkingen op voeding of functie zijn daarbij niet in het spel, al nam men dit vroeger ook voor jodium aan; alles komt aan op tie intensiteit en de exten-siteit en op den duur en de gelijkmatigheid der prikkeling.

Hoe diep bij langdurige aanwending de werking zich zal doen gelden, is noch in het algemeen, noch voor co.icrete gevallen te bepalen. Zullzer bestreek bij konijnen de eene lichaamshelft met collodium cantharidatum en vond dan de inwendige deelen dezer

-ocr page 126-

110

helft anaemisch. Toch mag dit geen grond zijn om aan te nemen dat dit bij gewone huidprikkels ook hot geval zou zijn.

Daar het volstrekt niet bewezen is dat blaartrekkende pleisters, zell\'s lang opengehouden fontanellen, ooit gunstig hebben gewerkt op verwijderde organen, kan die hypothetische werking ook niet worden verklaard.

Het kan echter niet betwijfeld worden, dat sterke huidprikkels, die bij de aanwending hevige pijn en roodheid veroorzaken, dikwijls bij ontstekingsachtige, rheumatische en neuralgische aandoeningen gunstig werken, eene werking die wel niet anders dan reflectoir kan tot stand komen. Vroeger verklaarde men dit door aan te nemen dat het bloed van een ziek orgaan werd algeleid, thans weten wij dat sensibele prikkels, door rellex-werking, op den toestand en de functie van vele organen kunnen inwerken en mogen wij aannemen dat deze in de therapie eene groote rol speelt. Maar wij weten niet op welke wijs die heilzame werking in eon concreet geval, of ook in het algemeen, tot stand komt en welke zenuwbanen de reflexwerking volgt. Wij zien de uitwerking van deze middelen, wij weten dat die reflectoir moet tot stand komen, maar wij weten niet op welke wijs dit geschiedt.

Bij omnachten en soporeuse toestanden kunnen sterke huidprikkels dikwijls het bewustzijn doen terugkeeren, evenals een slapende door iedere sterke gewaarwording gewekt wordt.

De huidprikkels hebben vooral invloed op de ademhalings- en circulatieorganen, liet is echter niet gemakkelijk de bij menschen en dieren daardoor veroorzaakte verschijnselen te verklaren, omdat psychische invloeden , die moeielijk kunnen worden uitgesloten, op die organen een /.eer sterken invloed hebben en uitvoerige, methodische onderzoekingen omtrent den invloed van huidsprikkols nog ontbreken. In \'t algemeen neemt bij zwakke sensibele prikkels hot aantal ademhalingen toe, bij sterkere echter zeer sterk af (P. Bert, Langendorff). Hierop berust waarschijnlijk ook het ophouden der ademhaling bij menschen wier geheele huid plotseling met koud water in aanraking komt; deze mooning is in elk geval meer waarschijnlijk dan dat, zooals men

-ocr page 127-

Ill

vroeger geloofde, hier een reflexkramp der bronchiaalspieren in het spel zoude zijn.

De vaten worden door sensibele prikkels ol\' vernauwd of verwijd (Loven, Naumann). In den regel veroorzaakt een matige huidprikkel vaatvernauwing en neemt hierdoor de bloeds-drukking toe; gewoonlijk neemt dan, zooals bij bloedsdruktoe-name door andere oorzaken ook het geval is, het aantal polsslagen toe omdat het linkerhart een grooteren weerstand moet overwinnen. Die vernauwing der vaten wordt, vooral bij sterke prikkels, spoedig door verwijding gevolgd, waarbij door eene reflectoire prikkeling van don vagus de hartslag verlangzaamd wordt. Indien dit laatste in sterke mate het geval is, dan daalt daardoor bij zoogdieren de bloedsdrukking (Marey en Francois-Franck).

Dergelijke veranderingen aan de circulatieorganen moeten ook van invloed zijn op de verdeeling van het bloed in de afzonderlijke organen en daarop berust waarschijnlijk do heilzame invloed van huidprikkels bij ziekten, hyporaemie en ontstekingen dor longen, van het spijsverteringskanaal, de hersenen, het ruggomerg en hunne omhullende membranen.

Men hooft ook opgemerkt dat sensibele huidprikkels van invloed zijn op de lichaamstemperatuur en de stofwisseling. Heidenhain zag bij prikkeling van het centrale dool der ge-voelszenuwen niet alleen den bloedsdruk toenemen , maar ook de lichaamswarmte afnemen. Dit geschiedt ook bij aanwending van sterke huidprikkels. Deze verlagen, waarschijnlijk door vermeerderd verlies van warmte, tengevolge der perifeore vaatverwijding, de lichaamswarmte, ofschoon zwakkere huidprikkels de lichaamswarmte doen toenemen (Rohrig en Zuntz), vermoedelijk door verhoogde warmteproductie. Paalzow zag bij konijnen na aanwending van mosterdpappon het zuurstofverbruik en do kool-zuurproductio toenemen.

In welke gevallen huidprikkels aangewezen zijn en welke buid-prikkolende middelen in eenig concreet geval de voorkeur verdienen, zijn vragen die buiten hot bestek der pharmacologie liggen. Het zij hier nogmaals herhaald, dat bij geen dozer mid-

-ocr page 128-

Hi

delen, zelfs niet bij het jood, eene specifieke werking in het spells.

Indien men de geheele oppervlakte der huid of ten minste een groot deel daarvan matig wil prikkelen door baden, wasschingen of inwrijvingen, gebruikt men gewoonlijk verdunde oplossingen van zuren, alkaliën of zouten, alcoholische vochten, aetherische oliën en allerlei andere vluchtige stoffen. Wenscht men eene beperkte plek der huid sterk te prikkelen en rood te maken, dan zal men bij voorkeur mosterdolie in een of anderen vorm gebruiken. Exsudatieve ontsteking met blaarvorming wordt het best door cantharidine in den vorm van pleister tot stand gebracht. De middelen, waardoor deze drieërlei vormen van prikkeling worden veroorzaakt, kan men lot drie pharmalogische groepen brengen: de groep van de terpentijnolie, waartoe alle terpenen en vele koolwaterstoffen en aetherische oliën behooren, do groep van de mosterdolie, en de cantharidinegroep, die wij straks nog afzonderlijk behandelen zullen.

Alle stoffen die bij gewone temperatuur eene zekere vluchtigheid bezitten, maken de plaats waar zij worden aangewend meer of minder rood. Die roodheid volgt omdat die stoffen door hare vluchtigheid in de weefsels binnendringen en hier,.als waren het vreemde lichamen, op do weefselelementen inwerken. De terpentijnolien, vele plantaardige aetherische oliën, vele stoffen der vetreeks b.v. chloroform, aethylenchloruur, petroleum , vele aromatische verbindingen b.v. benzol, werken op deze wijs plaatselijk prikkelend. De vluchtige zuren der vetreeks, b.v. azijnzuur en onder de alkaliën het ammoniak, werken dan ook sterker prikkelend dan de niet vluchtige stoffen die tot dezelfde groepen behooren. Eene sterkere werking hebben die vluchtige stoffen, die, al zijn zij scheikundig indifferent, specifieke;, de weefseldeelen prikkelende eigenschappen bezitten, zooals b.v. de mosterdolie. Dergelijke stoffen brengen in korten tijd alle graden van prikkeling tot stand: pijn, roodheid, exsudatieve ontsteking met blaarvorming, eindelijk ettering en weef-selnekrose. Mosterdolie zou als huidprikkelend middel in alle opzichten de voorkeur verdienen, als men slechts vooraf de diepte der werking kon regelen. Dit is echter alleen bij een zeer opper-

-ocr page 129-

m

vliikkig gebruik mogelijk; wordt door mosterdolie, evenals dit door spaansche vliegen kan geschieden, eene huidblaar gevormd, dan blijkt dat het zeer vluchtige bijtmiddel niet alleen de oppervlakkige laag der cutis in ontsteking heeft doen overgaan, maar tot op eene belangrijke diepte is doorgedrongen, zoodat

r

langdurige ettermg en afstooting van vveefseldeelen volgt.

Dit is niet het geval met het specifiek prikkelende en bij gewone temperatuur niet vluchtige cantharidine; wordt dit in eene vette of\' harsachtige pleistermassa op de huid gebracht, dan bewerkt het eene langzaam tot stand komende exsndatieve ontsteking der cutis, waarbij de opperhuid als blaar wordt opgelicht maar de diepere lagen ongedeerd blijven ; de genezing volgt dan ook snel en zonder ettering en verlies van weefsel.

a. De terpentijnoliegroep.

Deze bevat, behalve de terpenen die wij reeds in verschillende plantendeelen hebben leeron kennen, vooral die der conifceron, de zoogenaamde terpentijnoliën. Allen komen in werking met elkander overeen, werken namelijk plaatselijk sterk prikkelend, zoodat na groote giften gastro-enteritis optreedt. Het sterkst van allen werkt de sabinaolie, die hevige ontsteking van het darmkanaal, gecompliceerd met abortus en haematurie, kan veroorzaken. De meeste terpenen die hier achter worden opgegeven zijn, ofschoon ze bijna allen tot bepaalde doeleinden worden gebruikt, overbodig.

Wordt terpentijnolie eenigen tijd aan de lucht bewaard, dan verharst zij en wordt waterstofhyperoxydhoudend. Daar waterstofhyperoxyd phosphorus oxydeert tot onderphosphorig-zuur, wordt verharste terpentijnolie aanbevolen om, hij vergiftiging met phosphorus , deze in de maag onschadelijk te maken. Men zij er echter op bedacht dat hier slechts verharste terpentijnolie kan gebruikt worden, daar versch bereide, die niet waterstofhyperoxydhoudend is, den phosphorus niet kan oxydeeren, maar die zou kunnen oplossen en zijne resorptie bevorderen.

De terpentijnolien der sparren en dennen en die van den

8

-ocr page 130-

114

krouihoutpijnboom, Pinus patnilio, verschillen in pharinacologisch opzicht slechts daarin van dc gewone terpentijnolie, dat zij minder scherp ruiken.

1. OJeum Terebinthinae, de aeth. olie uit het hout van verschillende soorten van pijnhoomen, wordt verkregen door distillatie van terpentijnhahem waarbij colophonium, vioolhars, terugblijft.

Door gewone terpentijnolie met water te distilleeren verkrijgt men den

2. Oleum terebinthinae depurat. s rectificatim, welke laatste voor inwendige toediening gebruikt wordt; giften 5—-20 droppels.

3. Unyuentum terebinthinae, een mengsel van terpentijn, gele was, olijfolie, met sandelhout gekleurd en door perubalsem welriekend gemaakt.

4. Unguent. Basilicum, Pikzalf, bestaat uit pik, colophonium, gele was en olijfolie.

5. Fix liquida, houtteer, het product der droge distillatie van pijnboomenhout, een afwisselend mengsel van koolwaterstoffen en aromatische verbindingen. Bij verdamping van houtteer blijft terug:

ü. Fix solula, Pik, dat als bestanddeel van pleistermassas gebruikt wordt.

7. A(pia picis is een aftreksel van teer met water, 1 d. op 20 d.

8. Ilcrha Sabinae, de bladdragende takjes van Junipenus sabina, Sevenboom, bevatten;

9. Oleum Sabinae, eene geelachtige uit terpenen bestaande olie.

10. Unyuentum Sabinae, fontanelzalf, versche takjes met water gekneusd, met reuzel verwarmd en deze na filtratie met gele was vermengd.

De hier volgende linimenten en spiritueuse oplossingen bevatten vluchtige stoffen (kamfer, ammoniak) en worden als huid-prikkelende middelen gebruikt. Als zoodanig kan men zo tol deze pharmacologische groep rekenen, omdat daarbij geen van de andere werkingen, die zij veroorzaken kunnen, tot stand koml.

11. Solutio camphorae spirituos. Spiritus vini camphoratus, ld. kamfer op 12 d. sterken spiritus.

12. Sapo ainmoniae, Linimentuni volatile, 1. d. ammonia liq. op 4 d. olijfolie.

-ocr page 131-

115

13. Sapo cromnticm li\'jui\'lHn, rloeibaar opodeldoch, 10 d. mod. zeep, 48 d. geest van rosmarijn, 1 d. kamfer en 1 d. ammonia liquida.

14. Sa po aromaticus solidus, opoileldoch, 9 d. stearinezuur, ld. koolzure natron, 50 d. zeer sterken spiritus, 3 d. ammonia liq. 1 d. kamfer on 2 d. bergamotolie.

Igt;. De (/roep der inosferdolic.

Wordt mosterdzaad tot poeder gebracht en met water bevochtigd, dan wordt het daarin aanwezige glycosid, myronzunr-kalimn, (G,oHi8 K N S2 Oio) door de insgelijks daarin voorkomende eiwitstof myrosine, die als ferment werkt, gesplitst in suiker, kaliumhydrosulfaat en aetherische mosterdolio CNSG3 H.,, isosulfocyaanzure allylaothor. Die splitsing komt niet onmiddellijk tot stand maar eerst eenigen tijd nadat het mosterdzaad of het mosterdpapier met water bevochtigd is, zoodat do werking van eene mosterdpap langzamerhand sterker wordt, eene omstandigheid waarmede bij de aanwending daarvan rekening moot worden gehouden.

De isosulfocyanzure aethers van andere alcoholradicalen , die van don witten mosterd b.v. en van herba cochleariae, zijn nog niet pharmacologisch onderzocht en worden niet in do praktijk gebruikt.

Inwendig toegediend veroorzaakt mosterd braking en kan hij, als geen andere braakmiddelen bij de hand zijn, bij vergif\'tlngen gebruikt worden om de maag te ledigen.

1 Semen sinapis, mosterdzaad van Brassica nigra.

Tot bereiding van mostordpap wordt mosterdzaadpooder met mooi vermengd, of ook zonder die bijvoeging, met water tot eene dikke brij aangeroerd, deze op linnen gestreken, met een dun gaasje of lapje bedekt en zoo lang (5 — 10 minuten) op de huid gelegd totdat dezo rood en pijnlijk wordt.

2. Charta sinapis, mosterdpapier, papier waarop van vette olie ontdaan poeder van mosterdzaad gekleefd is. Dit wordt voor het gebruik mot huur (niet mot kokend) water bevochtigd.

-ocr page 132-

IIG

3. Oleum ainapis aethereum, mosterdolie, oplosbaar ia 50 d. water. Deze kan, verdund met water of alcohol, in vloeipapier op de huid worden geappliceerd.

c. De groep van cantharidine en euphorbine.

De werkzame bestanddeelen der tot deze groep behoorende huidprikkelende middelen zijn bij gewone temperatuur niet vluchtig.

Cantharidine en euphorbine y.ijii anhydriden van zuren cantharidine blijft werkzaam nadat bet mot water of ook met alkaliën verbonden is ; euphorbine werkt alleen als anhydrid

Uit groote pleisters geresorbeerd en ook na inwendige toediening, veroorzaakt cantharidine als eliminatievverking nier- en blaasontsteking. Evenals door andere stoffen, die aan de pis prikkelende eigenschappen verleenen, volgen daardoor dikwijls vermeerderde erecties ; daarop berust het gebruik van spaansche vliegen als aphrodisiacum.

Despaansche peper bevat eene scheikundig indifferente krystalli-seerbare stof, capsaicine en bovendien eeue olieachtige stof cap-sicol. Vooral aan het eerste bestanddeel komt de scherpe, prikkelende werking toe.

Cantharidine, euphorbine en capsaicine zijn in vloeibare koolwaterstoffen, in vette oliën, in alcohol en in aether oplosbaar.

Tot deze groep behooren nog het met euphorbine overeenkomende mezereine, het anemonine dat in vele Ranunculaceën voorkomt en het in do vruchten van Anacardium voorkomende olieachtige cardol.

1. Cantharides, spaansche vliegen , bevatten ongeveer 4 pro mille cantharidine, dat in alcohol, aether, vette oliën en in alkaliën doch niet in water oplosbaar is.

2. Vnguentum cmdharidum 1 d. spaansche vliegen met zeer sterken spiritus bevochtigd, 4 d. olijfolie, 2 d. gele was.

3. Kmplastrum canthariduin, sp. vliegenpleister, 24 d. sp. vliegen,

2 d. perubalsem, 1G d. gele was en colopbonium, 0 d. terpentijn,

3 d. olijfolie.

4. Charta epispastica no. 1, Fontanelpapier no. 1, schrijfpapier

-ocr page 133-

117

gedrenkt mot eeno zalfmassa bestaande uit 3 d. sp. vliegen , 24 d. gele was, 9 d. spermaceti, 12 d. olijfolie, 30 d. wateren 3 d. Venetiaansclie terpentijn.

5. Charta epispastica no. 2, dezelfde bereiding, doch met 4 d. sp. vliegen.

O. Col!odium c.antharidatim , een mengsel van gelijke deeien collodium en aetherisch aftreksel van spaansche vliegen.

7. Tlnctura cantharidum, 1 d. sp. vliegen op 8 d. spiritus.

8. Mezerenm, Garon. De tot bundels opgerolde bast van Daphne Mezcrouin; werkzaam bestanddeel is het anhydrid mezereine.

Uiigneittim Mezerei, Garouzalf, een alcoholisch extract der bast vermengd met 7 d. unguentum simplex.

10. Fructus Capsici, spaansche peper, bevat als bestanddeelen capsicol en capsaicine.

7. De Purgeermiddelen.

De werking van deze middelen, namelijk van de plantaardige, kan met die der huidprikkels worden vergeleken. Evenals deze laatste de uitwendige huid, prikkelen de purgeermiddelen het slijmvlies van het darmkanaal; vermeerderde peristaltische beweging en snellere ontlediging van het darmkanaal is daarvan het gevolg; de inhoud der darmen wordt in vloeibaren toestand gedeponeerd, omdat hij te vroeg wordt geevacueerd om een deel van zijn watergehalte door opslorping kwijt te raken.

Sommige purgeermiddelen zooals crotonolie en gum. gutti zijn zoo sterk prikkelend, dat zij slechts in zeer kleine giften gebruikt kunnen worden om alleen de peristaltische beweging te ver-meerderon en iu grootere giften lichtelijk ontsteking van het darmkanaal, gastro-enteritis, veroorzaken. Crotonolie is bovendien ook een huidprikkel, zoodat zij op de huid roodheid en vorming van blaasjes veroorzaakt.

Andere purgeermiddelen zooals coloquint vermogen de huid niet te prikkelen, maar werken in het darmkanaal zoo sterk dat

-ocr page 134-

118

/.ij niol alleen de peristaltische beweging vermeerderen niaar ook ontsteking van het slijmvlies veroorzaken.

Nog andere purgeermiddelen, waartoe do jalappehars en het werkzame bestanddeel van ricinusolie behooren, werken slechts daarom purgeerend omdat /.ij alleen in de darmvochten oplosbaar zijn. Wat de ricinusolie betreft, deze bevordert evenals andere vette plantenolien ook daarom de defaecatie, omdat groo-tere hoeveelheden daarvan niet in het. darmkanaal worden gedigereerd , zoodat hot onverteerde gedeelte daarvan den darm-wand en de faecaalmassas glibberiger maakt. Eindelijk vermeerderen eenige dezer purgeermiddelen de peristaltische beweging van het darmkanaal door prikkeling, niet van de sensibele zenuwuiteinden in het slijmvlies, maar van de motorische darm-ganglicn zeiven. Dit geldt b. v. voor liet cathartinezuur en hot podophyllotoxine , welke stoffen ook bij inspuiting in het bloed of onder de huid werkzaam gebleken zijn.

Eigenlijk zou iedere iirikkelomle stof, die als zij in het bloed wordt opgenomen geene ulgemeene vergiftiging kan bewerken, als purgeermiddel kunnen worden gebruikt, mits zij slechts plaatselijk op bet darmkanaal kon worden aangewend. Dit geschiedt echter slechts dan, als de stof in de maag niet kan worden opgelost, of, omdat zij tot de colloïde stoffen behoort, slechts moeielijk uit bet spijsverteeringskanaal kan worden geresorbeerd ; is dit niet bot geval dan vindt do resorptie reeds van uit do maag plaats en kan dus geene plaatselijke werking op bet darmkanaal tot stand komen.

Ricinusolie, crotonolie, gutti en jalappehars zijn in waterige vloeistoffen onoplosbaar en passeeren dus de maag onveranderd, maar worden in het darmkanaal door de daar aanwezige alkaliën, de gal en het pancreasvocht opgelost of, zooals bij ricinusolie het geval is, verzeept. Gum gutti bestaat hoofdzakelijk uit gambogiazuur, doch bevat bovendien gom, waardoor de opslorping uit de maag van dit in water niet geheel onoplosbare zuur wordt belemmerd.

Van het in water gemakkelijk oplosbare werkzame bestanddeel van senna, rheum en rhamnus/ cathartinezuur , is weinig bekend. Misschien wordt het als colloïde stof niet uit de maag geresorbeerd, doch eveneens is het mogelijk dat dit wel het

-ocr page 135-

110

geval is on dat het mot het bloed naar de motorische darm-ganglien wordt gevoerd; immers kan door subcutane inspuiting dezelfde werking worden tot stand gebracht als door inwendige toediening. terwijl uit hot feit, dat de melk van zogende vrouwen na hot gebruik van deze stoffen purgeerend op het kind werkt, blijkt, dat het wel degelijk geresorbeerd wordt. Ditzelfde geldt van het colocynthino.

Het kristalliseorbare aloine is weinig werkzaam maar gaat. go-makkelijk in eene amorphe en zeer werkzame modificatie aloe-Iine over, die als zoodanig roods in Aloe lucida gevonden wordt. Do werking dezer stof is vrij onvolledig bekend. Alleen weten wij dat tot hare werkzaamheid de aanwezigheid van gal in hot darmkanaal noodzakelijk is; bij lijders aan icterus blijft de werking uit, eveneens als hot in clysma wordt aangewend, doch zoodanig clysma kan door bijvoeging van ossengal zoor krachtig werkzaam gemaakt worden. Volgens Hiller werkt het subcutaan aangewend zwakker, terwijl het aan de melk van zogende vrouwen purgoerende eigenschappen mededeelt.

Van de twee werkzame bestanddoelen van podophyllino is hot podophyllotoxine weinig, het picropodophylline in het geheel niet in water oplosbaar. Het eerste werkt subcutaan toegediend ook giftig op hot centraalzenuwstelsol (Podwyssotzki).

Voor \'t oogonblik kan do werking van deze purgeermiddelen slechts worden verklaard uit eene toename der peristaltische beweging vooral van de dikke darmen. De beweging dor dunne darmen is ook in physiologischon toestand zoo sterk, dat hun inhoud nog vloeibaar is als hij in de dikke darm wordt voortbewogen. Eerst dan als ook bier de poristaltiok is toegenomen, kan het water niet behoorlijk worden geresorbeerd en volgt diarrhoea.

A priori zou men de uitscheiding van vloeibare faeces aan eene toename van de secretie van darmvochten kunnen toeschrijven. Het is echter nimmer gelukt dit experimenteel aan te toonen; slechts bij ontsteking van den darm werd transsudatie van vocht daarin gevonden.

Toename der peristaltische beweging gaat steeds gepaard mot hyperaemie van het darmslijmvlies, die bij hevige graden tot bloeding in en op het slijmvlies kan aanleiding geven.

-ocr page 136-

130

Die hyporaemie kan als do toegediende purgeermiddelen onl-stekingachtige prikkeling van het slijmvlies (crotonolie, gutti) veroorzaken, of vooral op het onderste deel van hot darmkanaal inwerken (aloe), zich tot naburige hekkeningewandon uitstrekken. Daardoor kunnen samentrekkingen van ooti z wan geren uterus, abortus, volgen. Daarom is het zaak zich bij zwangere vrouwen van deze middelen te onthouden.

Ook bij koortslijders onthoudt men zich liefst van die ontsteking opwekkende purgeermiddelen, daar hunne sterk prikkelende werking do koorts zou kunnen vermeerderen.

Geen dezer purgeermiddelen is tol nu loc geschikt gebleken voor subcu-lane aanwending; de meesten kunnen niet zuiver worden bereid en werken slcrk prikkelend op bet onderbuidsch bindweefsel. Misschien is in dit opzicht, nog het meeste te wachten van hot cathartinezuur, als dit gemakkelijk genoeg zal kunnen worden bereid om als zuivere stof in den artsenijscbat te worden ingevoerd.

Voorloopig zijn wij niet in staat de tot dezo groep belioo-rende purgeermiddelen scherper van elkander te onderscheiden, vooral omdat van velen de werkzame bestanddoelen nog niet nauwkeurig bekend zijn. Dit geldt vooral van croton- en rici-nusolie. In de laatste is wol oen bijzonder vetzuur, ricinusolie-zuur, gevonden, maar dit is hot werkzame bestanddeel niot. Waarschijnlijk is do olio vooral daarom werkzaam omdat bij hare bereiding , door uitpersing uit hot zaad van den wonderboom, oen weinig van eene in dit zaad aanwezige slechts in verdund zoutzuur oplosbare stof, er aan hangen blijft. Die stof zelve werkt zeer heftig op het darmkanaal in en wordt door kookliitte onwerkzaam.

1. Oleum Crotonis, Crotonolie, do vette olie uit het zaad van Croton Tiglium. Eene sterk prikkelende stof die overal waar zij wordt aangewend hevige ontsteking opwekt. Giften — 1 droppel of 05! mgr.; por dag tot 200! mgr.

2. Oleum Rieiui, Wonder- Castor- of Ricinusolio, door uitpersen nit do zaden van Ricinus communis verkregen.

Giften 20—:50 gr. mot koffie, brandewijn of andere corrigontia voor don smaak.

-ocr page 137-

121

3. Tubera Jalapae, Jnlappc , dc wortelknollen van Ipomoea Purga, eene Mexicaansche Gonvolvulacec. Door uittrekking met alcohol wordt daaruit verkregen dc

4. Besina Jalapae, die behalve uit het werkzame bestanddeel, convolvuline, uit hars bestaat. Het convolvuline dat misschien identisch is met het in Scammonia aanwezige jalapine en met in andere soorten van Gonvolvulaceen voorkomende stoffen, is een harsachtig anhydrid dat met alkaliën in water oplosbare, doch onwerkzame convolvulinzure zouten levert.

Giften 30—200 mgr. meestal in verbinding met andere purgeermiddelen.

5. Sapo Jalapinus is jalapehars met medicinale zeep in spiritus opgelost en daarna uitgedampt.

Giften 100—300 mgr.

(i. Fructiis Colocynthidis, Kolokwint, de geschilde vrucht eencr Levantsche Gucurbitacee bevat als werkzaam bestanddeel een in water oplosbaar zeer bitter smakend glycosid, colocynthine.

Giften 10—100 — 300! mgr.; per dag tot 1.! gr.

7. Kxtmctum Colocynthidis, met alcohol en water verkregen extract.

Giften 10—50! mgr.; per dag tot 200! mgr.

8. Tinctura colocynthidis. Kolokwint met steranijs op wijngeest getrokken.

\'.). Podophyllinum , het in water onoplosbare deel van het spi-ritueus aftreksel van den wortelstok van Podophyllum peltatum.

Do werkzame bestanddeelen podophyllotoxine en picropodo-phylline behooren waarschijnlijk tot de anhydriden.

Giften 20—100 mgr.

10. Aloe, het gedroogde melksap der bladeren van verschillende Aioesoorten. Het daarin voorkomende kristalliseerbare aloine wordt in het darmkanaal, en ook door verwarming met water, in eene niet kristalliseerbare doch sterker werkzame modificatie, aloetine, omgezet.

Giften 100—300 mgr.

11. Extractwn aloes, eene waterige oplossing van aloe, tot oen droog extract uitgedampt; giften als bij aloe.

-ocr page 138-

122

12. Tinrtnra aloes, 1 d. aloe op 8 d. spiritus. Giften 10—\'.iO droppels.

13. Tinctnra aloes composita, gelijke deelen tinct. aloes, tinct. myrrhae en tinct. croci.

14. Folia Sennae, Senne, de vederachtige blaadjes van verschillende Gassiasoorten vooral uit Egypte, Alexandrie, aangevoerd.

Het belangrijkst bestanddeel is een amorph, stikstof en zwavel bevattend zuur cathartinezuur dat in water gemakkelijk oplosbaar is doch zeer spoedig, b. v. bij het uitdampen eener oplossing in water, wordt omgezet; bovendien bevat senne nog eene gele kleurstof en verschillende andere weinig bekende be-standdeelen. Giften A—4 gr. in aftreksel. Door senne met alcohol uit te trekken, waardoor stoffen die eene onaangename nevenwerking (koliekpijn) bezitten worden verwijderd , en te vermengen met vlierbloemen, venkel, anijszaad en kaliumtartraat bereidt men de

15. Species laxantes (St. Germain) die op 39 d. 1G d. senne bevatten en als laxeerthee gebruikt worden.

16. tufusiim sennae compositum, Aqna laxativa (Viennonsis), Senne 4 d.raliijszaad 1 d! ïiTct water getrokken lot 32 d. waarin wordt opgelost 6 d. manna en 4 d. Seignette zout.

Gift, bij eetlepels tot werking volgt.

17. Electiiarium sennae, compositum, E. lenitivum. 9 d. senne op 58 d. eener uit keukenstroop en vruchtenmoes bestaande conserf.

18. Pulvis Hquiritiae compositns, senne 2 d., zoethout 2 d. venkel en zwavelbloemen van ieder 1 d., suiker (i d.

1!). Khevm , rhabarber , de geschilde wortel van Ghineesche rhabarber. Het werkzame bestanddeel is het in do senne voorkomende cathartinezuur; bovendien bevat rheum looizuur en eene gele kleurstof, chrysophanzuur. Giften 100—500 mgr. Als laxans ^ — 1 gr.

20. Infnsum rhei aquosmn, een aftreksel bij gewone temperatuur van rhabarber en koolzuur natriumoplossing met spiritus en kaneelwater.

11. Extractiim rhei, waterig koud aftreksel van rhabarber tot

-ocr page 139-

123

droos extract uitgedampt; waarschijnlijk is daarbij het cathar-tinezuur grootendeels omgezet, dus hot extract onwerkzaam.

22. Extract, rit ei cowpositim, bij eene waterige oplossing van extractum rhei en extractum nloes wordt eene alcoholische oplossing van sapo jalapinus gevoegd en dit mengsel tot droogwor-dens verdampt.

23. Si/i-iipns rhei, maceratie van rhabarber in water, met suiker.

24. Cortex Bliamni frangnlae, wegedoornbast, niet in onze Ph., bevat behalve cathartinezuur en de ook in rhemn voorkomende gele kleurstof ook looizuur. Giften als afkooksel 15—30 gram.

Tot de zeldzaam gebruikte en verouderde sterke purgeermiddelen behooren nog:

25. Gntfi, Guttegom, een geel gekleurde gomhars waarin het heftig werkende gambogiazuur voorkomt.

2(5. Klaferinm, het uitgedampte extract van Ecballium Elate-rium , beide niet in onze Pharmacopoea opgenomen.

8. Zwavel als purgeermiddel.

Eigenlijk behoort zwavel wat hare verhouding in het darmkanaal betreft tot de pharmacologische groep der zwavelalka-lien. Daar zij echter door de peristaltische beweging te versterken purgeerend werkt, kan zij ook tot de purgeermiddelen worden gerekend. Zuivere, fijn verdeelde zwavel blijft in de maag onveranderd, doch wordt in het darmkanaal, vooreen deel althans, in zwavelnatrium omgezet. Dit zwavelnatrium dat (vergelijk Hoofdst. IV) zeer gemakkelijk hoornweefsel oplost zal de dannepiteliën kunnen woekmaken; het wordt echter daar waar in het darmkanaal de reactie zuur is omgezet zoodat zwavelwaterstof vrij wordt. Het is niet uitgemaakt of de purgeerende werking het gevolg is van de ontwikkeling van zwavelwaterstof, dan wel van de verweeking en oplossing der darmepitelien, waardoor de gevoeligheid van het slijmvlies voor rellexprikkels moet toenemen.

-ocr page 140-

124

Daar het alkaligehalte van den darminhoud nooit zeer groot is, wordt de zwavel in hot darmkanaal slechts zeer langzaam opgelost, zoodat do werking langzaam tot stand komt en nooit zoor krachtig is; de stoelgangen zijn dan ook gewoonlijk meer brijachtig dan vloeibaar. Vandaar dal men gaarne zwavel toedient, waar langen tijd achtereen harde faeces week moeten woi\'den gemaakt, b. v. bij lijders aan haemorrhoiden.

Aangezien, waar gezuiverde zwavel die niet bijzonder fijnkorrelig is wordt toegediend, deze bij de beperkte hoeveelheid alkali in het darmkanaal voor het grootste deel onopgelost blijft, is het resultaat der toediening gewoonlijk onafhankelijk van de toegediende dosis, zoodat men steeds op eene gelijkmatige werking rekenen kan en geene te sterke werking behoeft te vreezen. Slechts waar eene groote hoeveelheid in hoogst fijn verdeelden toestand, als zwavelmelk, werd toegediend , zou de mogelijkheid bestaan dat tegelijkertijd eene zoo groote hoeveel-lieid zwavelnatrium gevormd werd , dat dit den darm sterk prikkelde en hevige diarrhoea veroorzaakte.

Aan het gebruik van zwavel als purgeermiddel is het nadeel verbonden dat de flatus, en in mindere mate ook de uitscheidingen van longen en huid, den onaangenamen reuk van zwavelwaterstof verkrijgen.

1. Snlphvr depnratnm, afgewasschen zwavelbloemen, is de gewone gesublimeerde zwavel met ammonia en gedistilleerd water afgewasschen.

2. Sidphnr prdcclpilufmii, zwavelmelk, noemt men de zwavel door zoutzuur uit zwavelcalcium gepraecipiteerd.

*,). De Anthelmintica, wormmiddelen.

Deze middelen, die men met evenveel recht desinfecteermidde-len voor het darmkanaal kan noemen, moeten evenals do purgeermiddelen mooiolijk rosorboerbaar zijn, zoodat zij do maag passeoren en langen tijd in hot darmkanaal verwijlen.

-ocr page 141-

125

Hier behooren zij niet) zooals do purgeermiddelen doen, de peristaltische beweging te versterken, maar band- en spoel-vvormen en andere parasieten te dooden of ziek te maken, zoodat deze met den darminhoud in de dikke darmen worden gedreven en dan door purgeermiddelen kunnen worden verwijderd.

Voor iedere wormsoort heeft men afzonderlijke middelen. Tegen botriocephajus latus gebruikt men bij voorkeur het extrac-tmn filicis maris waarvan filixzuur het werkzame bestanddeel uitmaakt; tegen taenia solium liefst de grunaalwurtelbast en de kamala; koussobloemen verdrijven beiden. Bij spoelwormen eindelijk is het seinen santonici, en het daarin aanwezige san-tonine, hot hoofdmiddel, dat die parasieten niet alleen doodt, maar ze zelfs zonder dat purgeermiddelen worden gebruikt, afdrijft.

Het is gebleken dat tic resovptie van santonine uit de maag het best wordt voorkomen door het in ol; olivarum of ol; Kicini opgelost toe to dienen (Lewin).

Het afdrijven van bandwormen eischt eene bepaalde kuur. Eerstens moet een goed tijdstip daarvoor worden uitgekozen, namelijk dat waarop enkele geledingen van den worm spontaan worden uitgedreven; dan moot het dier door een geschikt diaet uitgehongerd en verzwakt worden; daarna het bandwormmiddel toegediend en eindelijk op het daarvoor gescbikte oogenblik een purgeermiddel van gepaste sterkte worden gegeven. Het voorschrijven eener zoodanige kuur eischt ondervinding zoodat het te begrijpen is hoe sommige bandwormspecialiteiten op dit gebied een buitengewoon succes hebben.

Alle anthehninthica veroorzaken na groote giften vergiftigingsverschijnselen vooral van het centraalzenuwstelsel. Santonine werkt bij kinderen vooral op de hersenen in en veroorzaakt reeds in medicinale giften geelzien en tijdelijke kleurblindheid voor violette lichtstralen.

N\'a 0,5 tot 12 gr. santonine bij volwassenen, 0,1 tot 0.7 gr. bij kinderen worden allerlei bcrsenverscliijnselen vooral eonvnlsies soms zelfs respiratie-stilstand waargenomen.

-ocr page 142-

Na het gebruik van granaatwoi-telbast heot\'l men lievige darmen hersenverschijnselen zien volgen: braken, koliekpijnen en diarrhoea, hoofdpijn, duizeligheid, verdooving, krampachtig beven der ledematen en zells convulsies.

Die hersenverschijnselen cn ook de werking van het middel op bandwormen zijn waarschijnlijk liet gevolg van liet daarin aanwezige alcaloid, pelletierine, waarvan men hel looizure zoul, dal moeilijk oplosbaar is en dus langen tijd in het darmkanaal verwijlt, reeds in do praktijk heeft aangewend.

De koussobloemen, wier werkzaam bestanddeel koussine is, en do kamala veroorzaken in groote giften geen andere nevenwerkingen dan diarrhoea, zoodat hier, vooral bij hot gebruik van kalama, geen purgeermiddelen behoeven te worden gegeven.

1. Filix man, mannetjesvaren, do wortelstok van Polysti-chum Filix Mas, bevat als werkzaam bestanddeel het in water niet, doch wel in aether oplosbare fdixzuur, bovendien ook nog looizuur.

2. Extract id» fiJicis maris, door uittrekking van den vorschen wortelstok met aether bereid, is een groenachtig dik extract waarin zich kristalkorrols van het zuur uitscheiden ; omtrent de gift van dit middel zijn de opgaven verschillend : 2—4 gram , ja zelfs 10—15 gram in pillen.

3. Granaatbast is afkomstig van den stam en de wortel van Punica Granatorum. Deze bevat behalve het vluchtige, gemakkelijk verharsende, kristalliseerbare alcaloid pelletierine, nog twee andere onwerkzame basen (Tauret) en veel looizuur. Waarschijnlijk bevat dus een afkooksel hot pelletierine als tannaat en bepaalt zich dus het voordeel van de toediening van het zuivere looizure zont uitsluitend tot de nauwkeurige doseering.

Giften 30—100 grm. als maceratiedecoct.

4. Koussohloemen, de bloempluimen van Brayera anthelminthica.

Het werkzame bestanddeel is een in water niet oplosbaar zuur,

koussine. Giften 15 — 40 gr. als maceratie waarbij ook het niet opgeloste deel wordt opgegeten.

5. Kamala, de van de vruchten van Rottlera tinctoria afgeborstelde kliertjes, blaasjes met eene harsachtige massa gevuld.

-ocr page 143-

I i27

een steenrood poeder dat ook als verfstof gebruikt wordt. Het werkzame bestanddeel is eene in water oplosbare harsachtige stof\', kamalen. Giften 10 -15 gr.

(i. Semen Santonici, wormkruid, de bloemhoofdjes van verschillende species van Artemisia, bevat santonine en eene walgelijk riekende aetherische olie.

7. Santonine is het anhydr\'d van santonzuur, in water onoplosbaar doch wel in alcohol en vette oliën; aan hel licht wordt het geel gekleurd. Giften 30—50 — 100! mgr.

8. Trochisci santonini, wormkoekjes; ieder koekje bevat 05 mgr. santonine, zoodat één koekje voor kleine kinderen reeds te veel is.

-ocr page 144-

III.

De werkingen van water en van zoutoplossingen.

Het water behoort als zoodanig en als oplossingsmiddel voor zouten van alkaliën en aardalkalien tot de belangrijkste bestand-deelen van het lichaam. Betrekkelijk geringe wijzigingen van het watergehalte en van de absolute en relatieve boeveelheid der daarin opgeloste zouten kunnen belangrijke veranderingen der voeding en stofwisseling na zich slepen. Deze laatste kunnen dooi vermeerderden toevoer van water en van die zouten kunstmatig worden tot stand gebracht en dikwijls met voordeel tot therapeutische doeleinden worden gebruikt.

1. Het water.

Eene ruime toediening van water kan do oplosbaarheid en het watergchalte van vele bestanddoelen en organen van het lichaam vermeerderen.

Waterige oplossingen zijn moleculaire verbindingen van water met de opgeloste stof, die andere eigenseliappen bezitten dan de stollen waaruit zij zijn zamengesteld. Eensdeels lossen zij vele lichaainsbestanddeelen veel gemakkelijker op dan water alleen, anderdeels• plegen zij niet zoo gemakkelijk in deelen van het lichaam, die hot vermogen bezitten water op te nomen , binnen te dringen. Hun vermogen om bij liltratie en osmose moiii-branen te doordringen verschilt van dat van zuiver water. Zuiver water kornt trouwens nooit met levende weefsel in aanraking daar het gewoonlijk reeds in do maag zouten of andere bestanddeelen oplost 011 als oplossing in liet bloed wordt geresorbeerd.

Water onttrekt aan de weefsels zouten en doet ze opzwellen. Als men uit het lichaam gesneden weetsololementen in water

-ocr page 145-

129

brengt, storvcn /.ij zeer spoedig af, omdat dit er/.oaten en andero oplosbare stoffen, die tot het in leven blijven onontbeerlijk zijn, aan onttrekt. Om de weefselelementen in het leven te doen blijven moet de vloeistof daarin aanwezig eene bepaalde con-centratie en samenstelling bezitten; wordt deze gewijzigd dan wordt de voeding en de werkzaamheid gestoord. Een dergelijke werking van water komt reeds tot stand bij drinkkuren, waarbij gernimen tijd achtereen groot e hoeveelheden mineraal- of ander water worden gedronken. Waar deze de maag uitspoelen, worden natuurlijk de oppervlakkige epiteellagen van hunne oplosbare be-standdeelen beroofd en met water geïmbibeerd; zij sterven daardoor en worden afgestooten, maar dit geeft aanleiding tot eene sterke nieuwvorming van epiteel; daarbij kunnen pathologisch veranderde cellen door normale worden vervangen en ziekelijke toestanden van het slijmvlies der maag worden genezen of verbeterd.

Bij het baden komt die werking van het water niet tot stand, omdat dit de onveranderde, vettige epidermis, noch binnendringen, noch chemisch veranderen kan. Slechts bij langdurige baden zwellen do oppervlakkige lagen der huid eenigs-zins op. Gemakkelijker geschiedt dit echter als de huid ziekelijk veranderd, of de epidermis bij wonden en zweren is verloren gegaan; hier is de werking van het water dezelfde als die op de maag; de ziekelijk veranderde weefselelementen worden gemakkelijker afgestooten, terwijl bovendien verontreinigingen van de wonden met infectiestoffen worden weggespoeld.

In \'t algemeen is bij baden water sledits het oplossingsmiddel voor ge-neeskrachligo stolïen, en wel voor neutrale en alkalische zouten der alkaliën; of het heeft; zooals hij de zg. indilTerento bronwateren, eene lagere of hoogere temperatuur; liet werkt dan slechts als drager eener andere temperatuur en kan als zoodanig op de lichaainswarmto en do stofwisseling, ol\' ook op de ademhaling en den bloedsomloop inwerken.

Uit het spijsverteringskanaal wordt het water zeer snel in het bloed opgeslorpt, floe dit geschiedt weten wij nog niet. Van endosmose kan geen sprake zijn, omdat bij dat proces twee stroomingen in tegenovergestelde richting aanwezig moeten zijn, en indien uit het bloed een stroom vocht in het darmkanaal

9

-ocr page 146-

1 HO

overging, geen verdikking der faeces zou plaats vindon. Evenmin kan de opslorping van het water als eene liltratie worden opgevat, omdat daarvoor het verschil in drukking in het darmkanaal en de bloedvaten te gering is. Ook is het niet waarschijnlijk dat het door openingen — stomata — daaruit wegvloeit; immers zou in dit laatste geval de resorptie van alle vochten van gelijke con-sistentie even snel moeten plaats vinden, dus van eene oplossing van natriumsulfaat even snel als van eene keukenzoutoplossing.

Beter kan in ieder geval de absorptie van het water als eene imhibitie .worden verklaard, die vooral op slijmvliezen, insereuse holten en in het onderhuidsch celweefsel gemakkelijk tot stand komt. De voor imhibitie vatbare weefselelementen, die direct met het water in aanraking komen, kunnen dit opnemen en dan weer als sereuse lyrnphe aan de lymphruimten of aan het voor-bijstroomende geconcentreerde bloed afgeven.

De uitscheiding van het water door de nieren is daarentegen eene filtratie die van de bloedsdrukking in de vaten der glomeruli afhankelijk is; misschien spelen daarbij, evenals bij de uitscheiding van vaste stoffen, de nierepitelien eene rol.

Zweetsecretie volgt bij ruimen toevoer van water slechts dan, als de huid zich tegelijkertijd in een toestand van congestie bevindt. In de praktijk is men gewoon die congestie op te wekken door de afkoeling van de huid te belemmeren, of ook, door toevoer van warmte van buiten af, de temperatuur der huid te verhoogen. Waarschijnlijk is daarbij tevens de werkzaamheid der zweetzenuwen verhoogd.

Het in het lichaam aanwezige water, dat tot de normale bestanddeelen der weefsels behoort en voor de oplossing der colloïde bestanddeelen van het lichaam dient, wordt zeer moeielijk door de nieren uitgescheiden, doch bij ruimen toevoer van water wordt het overbodig deel zeer snel geëlimineerd. Daarbij neemt het gehalte der urine aan vaste bestanddeelen af, zoodat deze door rijkelijk waterdrinken sterk verdund wordt. Toch kan onder sommige omstandigheden dit water ook gemakkelijk door huid en longen worden uitgescheiden. Dit wordt echter voorkomen door in plaats van zuiver water eene

-ocr page 147-

131

sterk verdunde zoutoplossing toe te dienen, zoodat men dan ook, waar men de urine sterk wil verdunnen b.v. om een der gewone bestanddeelen, het piszuur, opgelost te houden, met vrucht verdunde zoutoplossingen gebruikt.

Bij vermeerderde opname en uitscheiding van water door de nieren neemt de absolute hoeveelheid der stikstofhoudende stofwisselingsproducten in de pis toe. Uit het feit dat tegelijkertijd ook de hoeveelheid zwavelzuur in de urine toeneemt (Genth) blijkt dat die vermeerderde stikstofuitscheiding niet het gevolg is van snellere uitscheiding van stofwisselingsproducten, maar wel degelijk van vermeerderde eiwitomzetting. Die invloed van het water op de stofwisseling is echter van voorbijgaanden aard. Meestal duurt zij slechts kort, ofschoon de vermeerderde toevoer van water aanhoudt (I. Maijer, Oppenheim). De hoeveelheid ureum in de urine is ook dan vermeerderd als, door vermindering van andere secreties, de hoeveelheid urine tijdelijk is toegenomen (Kaupp).

Uit deze feiten blijkt dat ook dan als de wateromzetting van het lichaam is toegenomen, het stikstofevenwicht zich toch herstelt. Alleen moet door die voorbijgaande toename der eiwit-omzetting het gehalte der organen aan stikstofhoudende bestanddeelen afnemen. Als dit reeds in physiologischen toesland het geval is, mag worden aangenomen dat het ook dan zal geschieden als pathologische producten aanwezig zijn en deze , indien zij althans voor eene regressieve metamorphose vatbaar zijn, door het methodisch gebruik van water in den vorm der zoogenaamde indifferente minerale wateren tot resorptie kunnen worden gebracht. Het spreekt van zelf dat deze drinkkuren niet in alle gevallen kunnen helpen.

2. De groep van het chloornatrium en der gemakkelijk resorbeerbare alkalizouten.

Allerlei stoffen, die, in water gemakkelijk oplosbaar zijnde, de weefsels van het lichaam gemakkelijk doordringen (diffun-

9*

-ocr page 148-

I :!quot;J

docron), zoodal zij snel uit. de maag in hot darmkanaal worden geresorboord en daarna even snel door de nieren worden uitgescheiden, stoffen die geene bijzondere werking op spieren, zenuwen ot\' andere organen bezitten, brengen in het lichaam veranderingen tot stand die grootendeels afhankelijk zijn van hunne scheikundige verwantschap tol water. Daar het bijna uitsluitend alkalizouten zijn, die aan deze vereischten voldoen, kan men hunne werking kortweg zout werking noemen. Zuiver volgt die werking slechts bij toediening van chloornatrium, omdat bij de overige zouten als nevenwerking veranderingen der werkzaamheid van zenuwen en spieren worden waargenomen. Die nevenwerkingen zijn dan afhankelijk of van de base of van het zuur of, zooals b.v. bij joodkalium, van beiden. Bij de zure zouten komt bovendien de werking van het zuur, bij de alkalisch rea-geerende die van het alkali in aanmerking.

Tot de neutrale zouten, die gemakkelijk worden geresorbeerd, behooren de chloriden, bromiden, jodiden, de nitraten, chloraten, bromaten en jodaten der alkaliën en van het ammoniak.

Daarentegen worden de phosphaten moeielijk en vooral de sulfaten zeer moeielijk geresorbeerd.

Omtrent de zouten met organische zuren is weinig bekend; alleen weet men dat de zure wijnsteenzure alkaliën in resorbeerbaarheid nngeveer met de sulfaten overeenkomen. De zouten der aardalkalien worden in het algemeen moeielijk geresorbeerd.

Van de tot do groep van chloornatium behooronde zouten zijn vooral het chloor- broom- en joodkalium en het chloorzure kalium evenals de overeenkomstige natriumverbindingen praktisch van belang. Hot salpeter, dat vroeger in do therapie eono groote rol speelde, heeft thans nagenoeg uitgediend.

a. De. zoutwerking.

Zouten en hunne geconcontreorde oplossingen onttrokken aan de levende weefsels, ovenals aan andere vochtige lichamen, water. Daarbij dringen zij in de weefsels binnen en werken hierin, of als oplossingsmiddelen, of als moleculair verdoolde

-ocr page 149-

133

vreemde lichamen. Door heide werkingen worden de weefsels plaatselijk geprikkeld, en het hangt van den aard van het weefsel af, of die prikkeling eene wijziging der functie of der voeding zal veroorzaken, m. a. w. of de prikkeling eene functioneele of eene imtritieve zijn zal. Zoutoplossingen worden dikwijls als plaatselijk prikkelende middelen, zoowel voor do uitwendige huid als voor het slijmvlies van het spijsverteeringskanaal, gebruikt.

Keukenzout bevattende bronwateren, soolen, moederloog, ook zeewater dienen, in den vorm van baden, bij verschillende toestanden als huidprikkelende middelen. Daar de werking door het weerstandsvermogen der epidermis steeds oppervlakkig en weinig ingrijpend is, kan het gebruik van dergelijke baden weken en maanden achtereen worden voortgezet zonder dat men een nadeeligen invloed op de huid behoeft te vreezen, zooals bij het gebruik van andere huidprikkels lichtelijk het geval zoude zijn. Daarop berust de beteekenis van zoute baden; welke afzonderlijke bestanddeelen in die zoute wateren aanwezig zijn doet niets ter zake, omdat waterige zoutoplossingen door do ongeschonden huid toch niet geresorbeerd worden.

Op de slijmvliezen werken deze zouten veel sterker prikkelend dan op de huid, zoodat zij zelfs gastro-enteritis kunnen doen ontstaan; vooral is dit bij kaliumnitraat nitraat het geval. Eene matige prikkeling door deze zouten kan bij sommige maagaandoeningen nuttig zijn. Als de werkzaamheid der maag na excessen in Bace.ho gestoord is, kunnen sterk gezouten spijzen, b.v. haring, de digestie weer aan den gang brengen; eveneens is het gebruik van keukenzouthoudende minerale wateren bij vele chronische maagziekten nuttig. Als prikkelend middel is in die gevallen het gebruik van deze zouten boven andere prikkels te verkiezen, omdat de zoutoplossing veel dieper in de verschillende lagen der maagwand doordringt en op eene veel meer standvastige en matige wijs den voedingstoestand van die deelen in gunstigen zin wijzigt.

Do bederfwerende eigenschappen van deze zouten berusten grooten-deols op onttrekking van water. Bij liet inzouten van vleesch wordt het daarin aanwezige vocht in eene sterke zoutoplossing, de zoogenaamde

-ocr page 150-

] 34

pekel. veranderd, waarin door hel zoulgeluilte rottingsprocessen worden belet. Als plaatselijke antiseptica hij ziekten van liet spijsverteringskanaal kuntien echter hoogs lens alleen de moeielijk resorlieerhare zouten, de horax en het oplosbare kiezelzure natrium (waterglas) dienen.

Dc gevolgen van de opname van zoutoplossingen in het bloed zijn slechts bij het kenkenzout nauwkeurig bekend. Eerst volgt dorst, omdat do weefsels aan liet zont water afgeven en dit in ccno zoutoplossing veranderen, die in het lichaam niet meer de rol van het water kan vervullen. Daarom vertoont zich de dorst nog voor die zoutoplossing, die in zeker opzicht een abnormaal bestanddeel van het lichaam is, door dc nieren uit het lichaam is geëlimineerd. Deze zouten, vooral het chloornatrium en andere alkalische zouten, vermeerderen dus de uitscheiding van water en werken diuretisch. Bij waterzucht , die niet het gevolg is van stoornissen van den bloedsomloop maar door voedingsanomalien der weefsels ontstaan is, maakt men. als diuretica, bij voorkeur van deze zouten gebruik. Hot resultaat daarvan kan niet het gevolg zijn van de vermeerderde wateruitscheiding, daar deze toch spoedig door voedsel en drank weer wordt aangevuld. Eerder moot men aannemen dat die vormen van waterzucht, als zij niet door nierziekten veroorzaakt worden, het gevolg zijn van eene toename van hot imbitievermogen, van het vermogen om water op te nomen van de weefsels, en dat het zout daarop oen gunstigen invloed beeft.

Evenals zuiver water vorstorkon do zoutoplossingen, grooten-deels door de diurose te vermeerderen, de stofwisseling, en men vond bij menschon en honden de uroumuitschoiding toegenomen. Hot zout werkt hier evenals het water bevorderend op den stroom van parendlymvloeistof door do weefsels (Voit). Maar omgekeerd moot hetzelfde geschieden als, bij gelijkblijvenden toevoer van water, hot koukonzoutgohalte van het lichaam afneemt, omdat do toevoor van dit zout wordt opgeheven of verminderd; in dit geval werd insgelijks eene toename der ureumuitscbeiding gevonden (Klein en Vorson).

Na opname van alkalizouten wordt niet alleen het opgenomen zout zelf in de urine geëlimineerd, maar neemt ook haar ge-

-ocr page 151-

135

linlte aan andere zouten too. Na toediening van natrinnr/ontcn wordt in de urine ook meer kaliimi uitgescheiden (Boecker, Buchheim). Het omgekeerde is echter nog van meer belang. Indien andere alkalizouten dan choornatrium in liet bloed worden geresorbeerd, moet daarvan eene godeelteiijke omzetting van liet chloornatrium van het bloedserum het gevolg zijn. Wordt b.v. kaliumphosphaat opgenomen, dan zal een deel daarvan ten koste van het chloornatrium in chloorkalium en natriumphosphaat worden omgezet. Deze nieuwgevormde zouten worden, daar zij in het bloed niet gebruikt kunnen worden, met de urine geëlimineerd, zoodat hel gevolg van de toediening van die zouten is, dat het lichaam eene overeenkomstige hoeveelheid chloornatrium verliest. Toch is deze toename van de cbloornatriumuitscheiding slechts tijdelijk en houdt zij bij voortdurenden toevoer van kalium-zouten weldra op. Men mag hieruit concludeeren dat het chloornatrium in het bloedserum in tweeerlei vorm daarin aanwezig is, deels in vrijen toestand, deels in elementaire verbinding met eiwitstoffen; alleen het eerste kan worden geëlimineerd.

Deze onttrekking vuu chloornatrium verklaart waarom herbivore dieren en menschen keukenzout hij hun aan kaliumzouten zeer rijk voedsel tot zich moeten nemen, terwijl dit hij carnivoren onnoodig is en sommige, b. v. honden, een afkeer van gezouten spijs hebben. Mogen herbivoren, daar de uitscheiding van chloornatrium slechts beperkt is, ook zonder toevoer van dit zout in het leven kunnen blijven, toch is het een feit dat zij veel gezonder zijn als zij keukenzout krijgen en dat sommige wildsoorten op dit zout zoo belust zijn, dat hot als lokaas om hen to vangen wordt gebruikt.

Daar door die omzetting, vooral bij toediening van kaliumzouten, eene veel grootore hoeveelheid zout wordt uitgescheiden dan werd toegediend, volgt ook eene veel sterkere diurese en wordt de stofwisseling meer verhoogd dan bij toediening van eene overeenkomstige hoeveelheid chloornatrium het geval is. Daarom gebruikt men kaliumzouten bij voorkeur als diuretica en speelt joodkalium bij de behandeling van stoornissen der voeding eene zoo belangrijke rol.

Van do afzonderlijke bestanddeelon dezer zouten bezitten vooral hot kalium, jood, broom, on hot chloorzuur eene zelfstandige working.

-ocr page 152-

130

h. De kaliwerkiiKj.

Vergeleken met het keukenzout werkt chloorkalium op bijzondere wijs in op de spieren en het centraalzenuwstelsel. Die werking hebben ook de andere kaliumzouten; alleen kan deze door eene nog sterkere werking van hel daarin aanwezige zuur, b.v. in kaliunioxalaat, op den achtergrond worden geschoven.

Chloorkalium veroorzaakt bij kikvorsclien verlamming van het centraal-zenuwstelsel en van het luirt; bovendien eene afname iler gevoeligheid en van bof, arbeidsvermogen der spieren. Hij zoogdieren volgt na subcutane inspuiting van groote giften (1 gram pro kilo licbaamgewicht) dood door hartverlamming; na inspuiting in hot bloed echter reeds na fi—7 mgr. pro kilo; kleinere giften dan 3 mgr. veroorzaken in het bloed ingespoten pols-verlangzaming on eene voorbijgaande wijziging der bloedsdrukking (Auhert).

Bij inwendige toediening blijkt echter van deze kaliumwer-kingen niets, omdat die zouten even snel weer uitgescheiden worden als zij werden geresorbeerd, zoodat terzelfdertijd slechts eene geringe hoeveelheid in het bloed aanwezig is.

Groote hoeveelheden veroorzaken, door do plaatselijke zout-werking, gastroenteritis, zelfs met doodelijken afloop. Of de methodische toediening van kaliumzouten eene ziekelijk toegenomen reflexprikkelbaarheid of eene algemeene hyperaesthesie kan verminderen, is aan twijfel onderhevig. Met zekerheid weet men echter dat inwendig toegediende kaliumzouten bij den mensch geen invloed op de werkzaamheid van het hart hebben; immers blijkt daarvan niets bij de aan kalinmzouten zoo rijke voedingsmiddelen, het vleescbextract en de aardappelen, terwijl Bunge berekent dat een lersch daglooner, die bijna uitsluitend van aardappelen leeft, daarin per dag niet minder dan 40—70 gr. kaliumzout opneemt. Evenmin is van eene antipyretische werking van kaliumzouten iets gebleken, zelfs niet na toediening van 50—60 gr. kaliumnitraat bij acuut rheumatisme (Gebhard).

Vroeger werd salpeter dikwijls als anüpyretiseh middel gebruikt, waarvoor wel geen andere grond zal bestaan hebben dan zijn verkoelende smaak. In den laatsten tijd is, zij hot ook op andere gronden, joodkalium als antipyretisoh middel aanbevolen.

-ocr page 153-

137

c. De werking van de Jodiden.

Waarschijnlijk bezitten jodiden ecno zelfstandige werking, die niet door hot daaruit vrij worden van jood tot stand komt.

Honden sterven na inspuiting in do aderen van 0.7—0.8 gv. joodnatrium per kilo lichaarasgevvicht binnen 2t uren , onder verschijnselen van dyspnoea en narcose; bij de lijkopening iverden longoedeem en pleuritische exsudaten gevonden. Joodnatrium veroorzaakt bij kikvorschcn eigenaardige spiertrekkingen.

Ofschoon vele pharmacologen (Binz) aannemen dat in het bloed en de weefsels uit jodiden, jood vrij zou worden, is dit toch niet bewezen.

Men zou in de langzame eliminatie van bet jood een bewijs voor die meening kunnen vinden. Terwijl namelijk het grootste deel van het toegediende jodied zeer spoedig door de urine, het speeksel, het zweet en andere secrota wordt uitgoschoidon, blijft een klein deel daarvan lang in het lichaam, terug, zoodat hot speeksel weken achtereen nog sporen jood bevat. Menzon toch dit verschijnsel kunnen verklaren door aan te nemen dat oen klein deel van hot jood als eiwitvorbinding in het lichaam terugblijft en deze verbinding slechts in zoodanige secreta kan worden geëlimineerd, die evenals hot speeksel eiwithoudend zijn.

Toch is dit minder waarschijnlijk, vooral omdat vrij jodium In bet bloed on do weefsel vochten, dio natriumcarbonaat bevatten, niet bestaan kan on zich onmiddelijk met natrium zou verbinden. Zelfs Indien, zooals Binz beweert, daarbij niet alleen joodnatrium maar ook joodzuur natrium ontstond en door inwerking van beider zuren op elkander wederom jood vrij werd, zou dit toch slechts voor een kort oogenblik vrij kunnen blijven.

Op die plaatsen van het lichaam waar vrije zuren aanwezig zijn kan echter het joodnatrium worden ontleed, zoodat jood-waterstofzuur ontstaat, uit welk zuur dan wederom (door ozon?) jood vrij kan worden. Door do onderzoekingen van Buchhoim en Sartisson is gebleken dat de katarrhen van verschillende slijmvliezen en de huiduitslag (joodacne), die dikwijls na inwendige toediening van joodkalium ontstaan, het gevolg zijn van het vrij worden van jood. Hier wordt namelijk joodnatrium geëlimineerd dat dan door hier aanwezige zuren (koolzuur, salpetorigzuur, mierenzuur) wordt omgezet.

Vooral joodkalium bezit oene belangrijke /.outworking, daar een

-ocr page 154-

138

deel van dit /.out, natuurlijk len koste van het keuken/,out van het hloedserum, in joodnatrium wordt omgezet. Die zoutwerking kan echter de resultaten niet verklaren die door joodkalium als geneesmiddel worden verkregen, daar ook hot joodnatrium als zoodanig werkzaam gebleken is.

/I Als geneesmiddel gebruikt men vooral joodkalium dikwijls bij syphilitische (tertiaire) weefselwoekeringen, klierzwellingen vooral krop, exsudatieve ontstekingen, rheumatische aandoeningen en dergelijke toestanden. Ofschoon liet middel in vele gevallen zonder werking blijft en sommige van de toestanden waarbij hel wordt toegediend ook spontaan kunnen verdwijnen, is toch zijne werkzaamheid bij krop en bij syphilis voldoende bewezen. Misschien volgt die werking als specifieke jodidwerking, misschien ook alleen door wijziging der voeding en dor stofwisseling.I Als geneesmiddel gebruikt men vooral joodkalium dikwijls bij syphilitische (tertiaire) weefselwoekeringen, klierzwellingen vooral krop, exsudatieve ontstekingen, rheumatische aandoeningen en dergelijke toestanden. Ofschoon liet middel in vele gevallen zonder werking blijft en sommige van de toestanden waarbij hel wordt toegediend ook spontaan kunnen verdwijnen, is toch zijne werkzaamheid bij krop en bij syphilis voldoende bewezen. Misschien volgt die werking als specifieke jodidwerking, misschien ook alleen door wijziging der voeding en dor stofwisseling.

/Volgens Melsen en Annuchat worden, door toediening van joodkalium, in liet lichaam teruggehouden zware metalen, kwik on lood, geëlimineerd.Volgens Melsen en Annuchat worden, door toediening van joodkalium, in liet lichaam teruggehouden zware metalen, kwik on lood, geëlimineerd.

In do praktijk geeft men aan het joodkalium boven joodnatrium do voorkeur, omdat dit laatste veel minder goed, zonder te worden omgezet, kan worden bewaard.

I Do ervaring leert dat joodkalium in giften van u2 gram daags /goed en geruimen tijd achtereen kan worden toegediend zonder i de digestie te storen.

d. De irerking der Bromiden.

i\' Men gebruikt broomkalium bij ziekten van het zenuwstelsel om eene ziekelijke verhoogde prikkelbaarheid van do sensibele en I motorische hersenganglien te doen afnemen en daardoor ont-\' stane krampen, epilepsie, of slapeloosheid weg te nemen. , Do gunstige resultaten in deze gevallen door velen mot dit middel verkregen, komen met die van proefnomingen op dieren overeen. Albertoni toch zag bij honden na toediening van broomkalium de electrische prikkelbaarheid der groote hersenen sterk afnemen; terwijl hij gezonde honden na electrische prikkeling der hersenbast epileptische aanvallen optreden, bleven deze uit waar vooraf broomkalium was toegediend.

-ocr page 155-

139

Evenals bij joodkalium Iiocrscht omtrent de verklaring van de werking van broomkalium geen eenstemmigheid. Terwijl sommigen het vrij worden van broom in hot lichaam aannemen of ook slechts aan zoutwerking gelooven, meenen anderen dat do werking eene bromidwerking zoude zijn. Proefnemingen op dieren hebben hieromtrent geen uitsluitsel gegeven, en proefnemingen op gezonde inenschen evenmin tot overeenstemming geleid: de een zag na broomkalium dezelfde verschijnselen volgen als na toediening van chloorkalium, anderen vonden dat beide deze zouten geheel anders werkten, maar namen na toediening van broomnatrium dezelfde werking als na broomkalium waar.

Toch schijnt de ervaring aan het ziekbed te loeren dat broomkalium niet door zoutwerking werkt; immers werd door de meeste onderzoekers gevonden dat bij lijders aan epilepsie ook broomnatrium, zij het ook in mindere mate, werkzaam is.

Hieruit volgt dat de werking niet het gevolg van zoutwerking zijn kan. Dat de werking zou berusten op het vrij worden van broom binnen het lichaam, kan eveneens worden uitgesloten, omdat broomnatrium, dat zwakker werkt dan broomkalium, meer broom bevat dan hot laatste, en wol bedraagt het broomge-halte van het eerste 80V0 van het laatste slechts 67quot;/o. Blijft dus slechts de mogelijkheid over dat do werking van broom-kalium een bromidwerking is. Daarentegen kan de zwakkere werking van broomnatrium niet pleiten. Wol zou men kunnen meenen dat, daar broomkalium na zijne resorptie gedeeltelijk wordt omgezet in broomnatrium, do werking van beide bromiden afhankelijk moest zijn van do hoeveelheid daarin aanwezig broorawaterstofzuur. Men vergete echter niet dat de omzetting van broomkalium niet volledig kan zijn, zoodat ofschoon wel een deel daarvan in broomnatrium wordt omgezet, toch een ander doel als broomkalium naar do organen van het zenuwstelsol moet worden gevoerd.

Ook do vergiftigingsverschijnsolen, die dikwijls na het langdurig gebruik van bromiden volgen en weer verdwijnen als do toediening gestaakt wordt, wijzen, voor zoover zij de hersenen betreffen, op hot bestaan eener zelfstandige bromidwerking. Deze

-ocr page 156-

140

herscnverschijnselen zijn: afname van het..geheugen. zwakte van hol gezicht en het gehoor, afname, van de, gevoeligheid der huid en van vele slijmvliezen, onzekere gang, slaperigheid, ijlen en zelfs maniakale aanvallen. Na toediening van groote giften broorn-kalium is dikwijls eene afname van het aantal hartslagen waargenomen. Daar deze niet volgde na hot gebruik van broomna-trium, ligt het voor de hand hier aan eene kaliumworking te donken. Wol zou het onverklaarbaar zijn waarom, terwijl bij toediening per os van kolossale giften van andere kaliumzouton nooit kaliumworking werd waargenomen, dit bij broomkaliimi wel het geval zou zijn, te meer omdat dit zout toch in hot bloed voor een dool in broomnatrium moet veranderen. Toch is het mogelijk dat dat gedeelte van het toegediende broomkalium, dat niet in het bloed wordt omgezet, daar dit zout tot de mooio-lijkst diffundeerbare zouten van kalium behoort, langer dan andere kaliumzouton in hot lichaam torugblijft.

1 Evenals joodkalium veroorzaken ook de bromiden bij langdurig gebruik digostiostoornissen, huiduitslagen en catarrhalo ontstekingen dor slijmvliezen; onder deze laatsten moot vooral genoemd worden hot slijmvlies der ademhalingswerktuigon; althans ziet men dikwijls bij vrouwen en kinderen hevige hosstaanval-len volgen. Waarschijnlijk ontstaan deze chronische verschijnselen door het plaatselijk vrij worden van broom door bemiddeling van koolzuur en andore zuren.

Omtrent do waarde van broomkalium als geneesmiddel bij epilepsie zijn niet allo clinici eenstemmig. Wel zagen allen de aanvallen onder hot gebruik van broomkalium dikwijls uitblijven, doch terwijl do moesten die zagen terugkoeren nadat met de toediening van hot geneesmiddel was opgehouden, worden door anderen blijvende genezingen vermeld.

e. De werlchifj der chloorzure zouten.

In het algemeen komt de werking der chloorzure alkaliën met die der chloriden overeen. Slechts dan als die zouten in hot lichaam kunnen worden gedissocieerd, werkt hot vrij go-

-ocr page 157-

141

worden chloorzuur oxydeerend. In don regel worden deze zouten na inwendige toediening snel, volledig en onveranderd niet do urine geëlimineerd en neemt daarbij evenals na andere kalium-zouten de diurese toe. In enkele gevallen geschiedt dit echter niet, misschien omdat de eliminatie door nierlijden of andere omstandigheden is belemmerd, zoodat het chloorzuurzout langer dan gewoonlijk in hot lichaam verwijlt of\' omdat te veel van hot middel word toegediend. Dan ziet men vooral bij kindoren hevige vergiftiging en den dood volgen.

Die verschijnselen ontstaan door vernietiging van het bloed. Mot oxyhaemoglobine wordt omgezet in metliaemoglobine, liet bloed verkrijgt oeno chocolade kleur, het verliest hot vermogen om zuurstof af te geven, de bloedlichaampjes zwollen op, geven hunne kleurstof af en veranderen eindelijk in eene geleiachtige massa. De hierdoor veroorzaakte verschijnselen zijn: haomatu-rio, vermindering dor pisafscheiding, verstopping dor niorbuis-jes door bloedcylinders, verkleuringen dor huid, ook icterus, eindelijk dood onder coma en convulsies.

Bij mond- en keelaandoeningen werkt chloras kalicus zeer heilzaam; die werking moet grootondeels aan de plaatselijke desinfectoorende zoutwerking worden toegeschreven; toch wordt misschien in de mondholte, door koolzuur en andere hier aanwezige zuren, een weinig chloorzuur vrijgemaakt en daardoor sterker antiseptisch ingewerkt. Inwendig toegediend , kan oen weinig van het zout in de secreten dor mond worden uitgescheiden en dan eenigszins desinfecteerond werken, ook op plaatsen waarmode hot bij uitwendige aanwending doorspoelen on pensoelen niet in aanraking komt.

Als diuroticum moet dit kaliumzout, daar het soms tot vergiftiging aanleiding geeft, bij andere kaliumzouton achterstaan. I/. Chloornatrium, keukenzout.

vj. Chtoorammoaimn, salmiak. Giften 0.;! —12.

ol Broomkalium. Giften 0.5—:! gr.; per dag Lol 10—15 gr. /A. )Joodliahum. Giften 0.1—0.(1; per dag 1—2 gr. in water opgelost. Men vermijdo gelijktijdig zuren en inetaalzouten toe te dienen. Doelmatig is ook do bijvoeging van natriuincarbo-

-ocr page 158-

14igt;

naat, om do omzetting door het zure maagsap te voorkomen.

5. Ungnentum jodeti kalici, 1 d. op 8 d. ungt. simpl. Daar joodkali niet door de huid geresorbeerd kan worden en ook geene plaatselijke werking bezit, is het een onbruikbaar praeparaat.

0. Nitras kalicus, salpeter, verouderd.

7. Nitras natricus.

8./Chloras kalicus, in 16 d. water oplosbaar — als gorgeldrank in oplossing van öquot;/,,; Giften 100—600 mgr.; per dag :!—5 gram, voorzichtig.

Als alkalizouten, die daar zij in het bloed in carbonaten worden omgezet ook tot de later te behandelen alkaliën kunnen worden gerekend, dienen nog:

9/Acetas kalicus, bereid door kaliumcarbonaat met azijnzuur te neutraliseeren. Giften 2—4 gr,; por dag 8—12. gr.

10. Solutio acetatis kalici bevat ruim een tiende deel kaliumacetaat.

11. Acetas natricus. Giften als bij acetas kalicus.

3. De groep van het glauberzout, van de moeilijk resorbeerbare zouten der alkaliën en aarden.

i Tot deze groep behooren alle in water gemakkelijk oplosbare /organische en anorganische zouten, die moeielijk uit het darm-/ kanaal geresorbeerd worden, doch overigens geene bijzondere werkingen veroorzaken. In de eerste plaats het glauber- en bit-terzout, doch ook vele magnesiumzouten, enkele phosphaten en tartraten, eindelijk ook het ferrocyankalium en de aethylzwavel-zure alkaliën, en van organische verbindingen de manniet.

Deze zouten diffundeeren hoogst moeielijk door membranen, dringen daardoor slechts in geringe mate in de weefsels binnen, zoodat zij de huid en do slijmvliezen bijna niet prikkelen. In hot darmkanaal worden zij zeer moeielijk goresorboerd; hunne oplossingen worden dus in den dikken darm voortgedreven en beletten hier de indikking der faeces zoodat doze niet hot grootste deel van het zout in vloeibaren toestand worden geëvacueerd.

-ocr page 159-

143

Ofschoon dezo zouten niet in staat zijn sterke prikkeling of ontsteking te veroorzaken, prikkelen zij het hoogst gevoelig slijmvlies van den dikken darm toch genoeg om de peristaltiek te bevorderen en de faeces in dun vloeibaren toestand te doen uitdrijven.

De vroeger door Liebig verkondigde meening dat purgeerende zouten door ondosrnose vocht uit het bloed in het darmkanaal zouden doen overgaan, wordt door het feit wederlegd, dat de werking onafhankelijk is van den concentratiegraad en die zouten in zeer sterk verdunde oplossing eveneens purgeerend werken. Bovendien werd door vele onderzoekers gevonden dat in oene afgebonden darmlis gebracht glauberzout daarin geen transsudatie van vocht veroorzaakte (Thirij, Schiff, Radziejewski). Ware die meening van Liebig juist dan zou toch de intensiteit der werking met den concentratiegraad der oplossing moeten toenemen en vooral dan sterke diarrhoea volgen als het zout zonder water werd toegediend. Dit is echter het geval niet. Geeft men aan dieren, wier darmkanaal door voedering met droge spijzen arm aan vocht gemaakt is, glauberzout in substantie , dan blijft de werking van dit zout uit en wordt het langzamerhand geresorbeerd.

Üat sommige onderzoekers, die glauberzout in eene afgebonden dannlis brachten, eeno transsudatie van vocht daarin zagen volgen, moot aan do daardoor opgewekte ontsteking worden toegeschreven; om diezelfde reden veroorzaken sommige zouten der keukenzoutgroep en ook natriumphosphaat bij konijnen een sterke transsudatie van vocht in het darmkanaal (liunge).

Na het innemen van glauberzout wordt bij menschen en dieren het gehalte van hot bloed aan roode bloedlichaampjes grooter. Dit moet worden toegeschreven aan waterarmoede van het bloed, niet zoozeer door toename van de secretie, dan wel door belemmerde resorptie van vocht uit het darmkanaal, terwijl huid, longen en nieren voortgaan met water uit te scheiden.

Na inspuiting van glauberzout in het bloed bleef de purgeerende werking niet alleen uil, maar werden zelfs de faeces harder. Dit bewijst dat het zout niet werkt door prikkeling van motorische darmganglien, terwijl het harder en droger worden der faeces geen argument voor de theorie van

-ocr page 160-

144

liiebi^\' geacht kan worden, maai- eenvoudig het gevolg is van de mei de uitscheiding van het zout gepaard gaande sterke diurese.

Ook ma^nesiumcarbonaat en niiignesia nsta werken purgee-rend, daar zij in het darmkanaal in het gemakkelyker oplosbare doch zeer moeielijk diffundeerbare bicarbonaat veranderen. Dit geschiedt met alle magnesium verbindingen; door omzetting met natriumcarbonaat worden zij in magnesiumcarbonaat en dan door het koolzuur der darmgassen in bicarbonaat omgezet. Na toediening van bitterzout wordt in de faeces meer magnesia, doch in de urine meer zwavelzuur uitgescheiden, omdat ook hier in het darmkanaal een deel van hot bitterzout zich met natrimncarbomiat heeft omgezet.

Dat do purgeerende zouten moeiolijk worden geresorbeerd, blijkt daaruit dat zij slechts in geringe boeveelheid in de urine overgaan. Hoe langer zij echter in het darmkanaal blijven, des te meer er van wordt geresorbeerd. Dit bleek uit proefnemingen van Buchheim, die na glauberzout in kleine gitten en met een geringe hoeveelheid water, en ook als hij den stoelgang door morphine of tannine vertraagde, de uitscheiding van het zout door de nieren zag toenemen. Dit is ook de reden waarom wijnsteenzuurkalium-natrium, Sal Seignette, slechts dan de reactie der urine alkalisch maakt, als het zout geen diarrboe veroorzaakt en verklaart ook waarom het konijn met zijn lang darmkanaal tienmaal meer calcium- en inagnesiumphosphaat resorbeert en met de urine uitscheidt, dan de hond (Buchheim en KOrber).

Bij de therapeutische toediening van deze purgeerende zouten moet rekening gehouden worden mei de wijze waarop zij werken. Voor alles is het zaak ze niet in poedervorm of in sterk geconcentreerde oplossing toe te dienen, maar in verdunde oplossing, vooral in den vorm van minerale wateren. Het spreekt van zelf dat het van ondergeschikt belang is of deze iets meer of minder geconcentreerd zijn en of zij bovendien nog een groo-ter of geringer gehalte aan nevenbestanddeelen bevatten, omstandigheden waarvan de reclame met vrucht partij trekt. j Indien oplossingen van deze zouten lang in de maag verwijlen, storen zij dikwijls do functie van dit orgaan. Daarom moet men die bij bedlegerige patienten, waar door de rust en do houding van hot lichaam do overgang van stoffen uit do maag in het darmkanaal is belommerd, mot voorzichtigheid on niet te lang achtereen toedienen. Moestal poogt men bij hun gebruik don overgang in don

-ocr page 161-

145

darm te bespoedigen en dit is de reden waarom badartsen gewoon zijn de patiënten na hot gebruik van liet water eene wandeling voor te schrijven. Do beteekenis van dergelijke kuren zal voornamelijk wel daarin gelegen zijn, dat in het darmkanaal plaatsvindende gistings- en rottingsprocessen door de geregelde en volledige ontlediging van het darmkanaal worden tegengegaan.

Daar deze zouten slechts weinig prikkelen, kan men ze ook gebruiken om bij ontstekingachtige en koortsige toestanden den darm to ledigen on behoeft men niet te vreezen dat ze hier de koorts zullen verhoogen. Zelfs kan dit in dergelijke toestanden nuttig zijn en het ligt voor de hand dat de ontlediging van het darmkanaal en de bloedstoevoer naar dit orgaan, door de middenzouten veroorzaakt, een verminderden bloedstoevoer naar een in ontsteking verkeerend lichaamsdeel en een gunstigen invloed op het ontstekingsproces en de koorts ten gevolge hebben kan. Op deze wijze moet de antiphlogistische werking worden verklaard die men vroeger aan de middenzouten toeschreef.

Bij ontstekingachtige toestanden van het darmkanaal zelf zou de geringe prikkeling die deze zouten veroorzaken de ontsteking kunnen verergeren: daarom geeft men hier de voorkeur aan andere purgeermiddelen, b. v. aan calomel.

Dikwijls is het nuttig de purgeerende zouten te combineeren met andere stoffen, die de peristaltische bewegingen van het darmkanaal doen toenemen; vooral geldt dit van senna omdat die slechts de darmganglien prikkelt en niet het slijmvlies; eene goede combinatie is vooral hot Aqua laxativa Viennensis.

ij Sulphas mtricus, glauberzout, in IJ d. water oplosbaar. Giften 30 gr., eerPoctlepel vol, in water opgelost.

2. Sulphas kalicus.

3. Sal Carolimnn farlitiiun, Ph.G. kunstmatig Garlsbaderzout bestaat uit gedroogd glauberzout 44, kaliumsulfaat 2, keukenzout 18, natriumbicarbonaat 3(5 doelen. Het echte Carlsbader-zout bestaat slechts uil zuiver glauberzout,

4. Tarlras kalicus aculjis. cremor tartari, oplosbaar in 192 d. water. Giften 4 gr.

10

-ocr page 162-

14(5

5. Tarfras kdliciis, in 1—4 d. water oplosbaar.

(I. Tdrtras kalico-natrimn, /.out van Soignetto, gemakkelijk oplosbaar in (1,4 cl.) water. Gift tot 30 gram.

7. Tartanis horamtm, een zuur reageerend mengsel van t d. biboras natricus en -2 d. cremor tartari met water uitgedampt.

S. Hii/jiligs maqnmue, bitterzout, in water gemakkelijk oplosbaar. Giften een eetlepel, 30 gram , in water opgelost.

9. Nitrua mayiiesiae.

10. Pulvis (lerophorns, bmispoeder, 10 d. bicarbon. sodae, 10 d. suiker, 9 d. wijnsteenzuur.

Ook kan men magnesia usta en carbonas magnesiae, waarover op pag. Iö7 gesproken wordt, tot deze groep brengen.

11. .Vu/uKi, het aan de lucht verdroogde sap uit den stam van Fraxinus ornus, voornamelijk uit mannit, mannasuiker, bestaande ; do resorbeerbaarheid van deze stof wordt door andere daarin voorkomende colloide stoffen nog verminderd, dus tie purgeerende werking verhoogd. Giften 5—30 gr.

-ocr page 163-

IV.

De bijtmiddelen, Alkaliën, Zuren, Halogenen en Oxydatiemiddelen.

Do alkaliën, zuren, halogenen en do sterkere oxydatiemiddelen veroorzaken scheikundige veranderingen van do bestanddoelen der weefsels, waarom men zo don naam bijtmiddelen gegeven heeft. Doze werking, dio eone geheel andore is dan do molocu-laire werkingen die do tot nu too behandelde stoffen veroorzaken, kan allerlei graden doorloopon, van zeer geringe, nauwelijks merkbare wijzigingen van het protoplasma tot volkomen ontleding en vernietiging der weofselbestanddoolon toe. De gevolgen bestaan in ontsteking of vernietiging dor weefsels; in \'t laatste geval, waarbij verlies van substantie plaats vindt, noemt men haar wol chirurgische etsing.

De veranderde weofselbestanddoolon, hare splitsingsproducten, verder plastische oxsudaten alsmede verbindingen van deze stoffen met bostanddeelen van hot bijtmiddel, vormen eono massa die men brandkorst noemt. Deze kan week zijn en slechts los mot de onderliggende niet vernietigde weefsels verbonden zijn of ook uit eone vaste, droge, vast aanliggende massa bestaan.

Verlies van substantie kan ook daardoor tot stand komen dat do weefsels niet direct vernietigd, maar slechts gedood en dan nekrotisch afgestooten worden of door eone destructieve ontsteking te gronde gaan. Do etsing, die direct vernietiging veroorzaakt, gaat steeds met ontstoking der naburige deolen gepaard. Toch kan deze laatste ook zonder weefsel vernietiging volgen, als

10*

-ocr page 164-

140

5. \'rurtfdx l\'iilIciiji, in 1—4 d. water oplosbuar.

li. Tiirtras kaUoo-naü\'icus, zout van Seignette, gemakkelijk oplosbaar in (1,4 (I.) water. Gil\'t tot 30 gram.

7. Tartarus bo ra.mt us, een zuur reageerend mengsel van 1 d. biboras uatricus en \'2 d. cremor tartari met water uitgedampt.

S. iiKtt/iirs/dc, bitterzout, in water gemakkelp op-

losbaar. Giften een eetlepel, 30 gram, in water opgelost.

9. Xitras inayiiesiae.

10. Pulvis aeroifhonis, bmispoeder, 10 d. bicarbon. sodae, 10 d. suiker, 9 d. wijnsteenzuur.

(Jok kan men magnesia ustu en carbonas magnesiae, waarover op pag. 1 ö7 gesproken wordt, tot deze groep brengen.

11. Maiuui, het aan de lucht verdroogde sap uit den stam van Fraxinus ornus, voornamelijk uit mannit, mannasniker, bestaande ; de resorbeerbaarheid van deze stof wordt door andere daarin voorkomende colloide stoffen nog verminderd, dus de purgeerende werking verhoogd. Giften 5—30 gr.

-ocr page 165-

IV.

De bijtmiddelen, Alkaliën, Zuren, Halogenen en Oxydatiemiddelen.

Do alkaliën, zuren, halogenen en do sterkere oxydatiemiddelen veroorzaken scheikundige veranderingen van de bestanddeelen der weefsels, waarom men zo don naam bijtmiddelen gegeven heeft. Deze werking, dio oone geheel andere is dan do moleculaire werkingen dio de tot nu too behandelde stoffen veroorzaken, kan allerlei graden doorloopen, van zeer geringe, nauwelijks merkbare wijzigingen van het protoplasnia tot volkomen ontleding en vernietiging der woofselbestanddeelen toe. De go-volgen bestaan in ontsteking of vernietiging der weefsels; in \'t laatste geval, waarbij verlies van substantie plaats vindt, noemt men haar wol chirurgische etsing.

Do veranderde weefselbestanddoelen, hare splitsingsproducten, verder plastische exsudaten alsmede verbindingen van deze stoffen met bestanddeelen van hot bijtmiddel, vormen eeno massa dio men brandkorst noemt. Dozo kan weok zijn en slechts los met do onderliggende niet vernietigde weefsels verbonden zijn of ook uit eene vaste, droge, vast aanliggende massa bestaan.

Verlies van substantie kan ook daardoor tot stand komen dat do weefsels niet direct vernietigd, maar slechts gedood en dan nekrotisch afgestooten worden of door eene destructieve ontsteking te gronde gaan. De etsing, die direct vernietiging veroorzaakt, gaat steeds met ontsteking der naburige doelen gepaard. Toch kan deze laatste ook zonder weefsel vernietiging volgen, als

10*

-ocr page 166-

148

de lioeveelhcid van hot bijtmiddel te gering ot\' de duur zijner inwerking daartoe te kort was.

Door de etsing worden alle weefselelementen, hot bindweefsel , do celligo elementen, do vaatwanden , het bloed, do zenuwen ongovoer terzeilder tijd getroffen.

In de lichtste graden volgt, evenals na aanwending der mole-culairwerkendo middelen, dikwijls slechts prikkeling dor gevoels-zonuwon on vaatverwijding ten gevolge van actieve congestie; bij eenigszins sterkere etsing volgen verschillende graden van ontsteking, exsudatie met of zonder blaarvorming op de huid, pseudomeinbranon op slijmvliezen on serouse membranen, pa-ronchymateuso zwelling, troebel worden en woekering der collige elementen.

Hot verloop en de uitgangen van door etsing veroorzaakte ontstekingon hebben geen eigenaardige kenmerken; bij zwakke etsing kunnen de weefsels weer geheol gezond worden. bij sterkere worden ze vernietigd en gaan door verottering verloren.

Uo giftige werking van vele scheikundige verbindingen berust slechts daarop, dat ze door etsing der mucosa van maag en darmkanaal gastroenteritis, of, als ze in kleinere giften lang achtereen worden toegediend, katarrhale toestanden veroorzaken.

Mot do therapeutische aanwending van bijtende middelen beoogt men, óf door den voedingstoestand te wijzigen hyper-trophiön te doen teruggaan on exsudaton te doen resorboeren, of ook door sterkere etsmiddelon pathologische nieuwvormingen en ziekelijk ontaarde weefsels te vernietigen. Bovendien bezitten de alkaliën de eigenschap hoornweefsel en bindweefsel te verwooken, slijm op te lossen en vetten te vorzoopon.

Zuren en alkaliën kunnen ook worden gebruikt om elkander te noutraliseeren. Do functie van organen waarin in normalen toestand oene zure reactie bestaat, zooals in do maag, kan, door die te noutraliseeren, worden gewijzigd; ook het wegnomen der normale zure reactie der urine kan van invloed zijn op de pisbereidende organen. Eveneens kan hol wegnemen van de normale alkalische reactie dor weefsels roods voldoende zijn om stoornis van hare voeding of van hare werkzaamheid te veroorzaken.

-ocr page 167-

149

Alle organen , vooral liet zenuwstelsel, reageeren tijdens het leven steeds alkalisch, en wel is deze reactie uitsluitend of grootendeels afhankelijk van nntriumcarbonaat. Zoodra die alkalische reactie verdwijnt volgt do dood. Als men hij konijnen het alkali van het bloed door toediening van zoutzuur in de maag neutraliseert, sterven de dieren nog voor de alkalische reactie geheel verdwenen is, dus reeds op oen tijdstip waarop hot zuur nog niet op hot zenuwstelsel of op andere organen kan inwerken. Hier is do nonnalo alkalische reactie niet opgeheven, maar slechts zwakker gemaakt. Daar men in staat is door toediening van na-triumcarhonaat de normale alkalische reactie te versterken, zoo moet men de werking van zuren en van alkaliën, nadat ze in het bloed en de weefsels zijn opgenomen , slechts als quantitatief verschillend opvatten. Natriumcarbouaat vermeerdort de alkaliciteit van het lichaam, minerale zuren kunnen dio doen afnemen. In dit opzicht mag men dus niet van eene zelfstandige werking van zuren spreken.

Do oxydatiemirldelen en vrije halogonen bezitten slechts eene plaatselijke werking; alleen is dit niet het geval met het jood waarop wij later nog terugkomen.

Bij hot gebruik van bijtende stoffen tot therapeutische doeleinden komt hot niet op eene specifieke werking van het gebruikte bijtmiddel, maar uitsluitend op den aard en den graad der etsing aan en moet do genezing het gevolg zijn van de door deze veroorzaakte wijziging van den voedingstoestand der weefsels. De ervaring leert, dat afgezien van refloxwerkingen (vergl. pag. 110) in sommige gevallen door eene voortdurende plaatselijke prikkeling ziekelijke producten geresorbeerd kunnen worden.

Met het oog hierop is het in zeker opzicht onverschillig door welk middel die heilzame prikkeling teweeggebracht wordt. Maar wel is het van groot belang dat die werking in ieder bijzonder geval de noodige intensiteit hebbe en niet te lang maar ook niet te kort aangewend worde. Voor den arts, die in ieder bijzonder geval het juiste middel moot kiezen, is eene nauwkeurige kennis van de eigenschappen en werkingen der bijtmiddelen noodzakelijk.

-ocr page 168-

150

Ditzelfde gekit van de chirurgische etsing waardoor men ziekelijk ontaarde weefsels en pathologische nieuwvormingen wil ver-iiietigpn. Ook hier moet de arts om zijn doel te bereiken het meest geschikte bijtmiddel weten te kiezen. Docli deze keuze is lang niet zoo moeielijk en vereischt niet zooveel ervaring als de keuze van een bijtmiddel waarmede men slechts den voedings-toestand der weefsels wil wijzigen zonder die weefsels zelve te vernietigen.

1. Groep der Alkaliën.

Hiertoe behooren alle verbindingen der alkaliën en aarden, die basische eigenschappen bezitten (alkalisch reageeren) en geene specifiek werkende bestanddeelen bevatten, en wel de hydrox-yden, de rarbonaten, de basische phosphaten, de borax en de vetzure zouten of zeepen. Het alkalisch reageerend cyankalium echter, dat slechts door zijn gehalte aan blauwzuur werkt, behoort niet tot deze groep.

Do hydroxyden der alkalimetalen zijn sterke bijtmiddelen; het meest wordt als zoodanig, vooral tot chirurgische doeleinden, het kaliumhydroxyd in staafjesvorm gebruikt. Het werkt, deels door onttrekking van water, deels door oplossing en splitsing van de weefsels, wier eiwitstoffen in kalialbuminaat worden omgezet, in hooge mate vernietigend. De gevormde brandkorst is zeer week en vervloeit evenals hel middel zelf, zoodat zij bet onderliggende weefsel niet beschut, en de werking zeer diep pleegt door te dringen. Door het vervloeien van het bijtmiddel en van do brandkorst is het zeer moeielijk de werking tot een bepaalde plaats te beperken. Om liet vervloeien tegen te gaan en te beletten dat ook naburige deelen worden geëtst, kan men den kali mot bijtende kalk vermengen ; dit mengsel, dal als Weener bijtmiddel bekend is, vormt eene veel vastere, niet vervloeiende brandkorst.

In meer of minder verdunde oplossing wordt kali bij huidziekten gebruikt om grootere huidplekken zwak te etsen.

-ocr page 169-

151

Bijtende kalk is door zijn geringon prijs eon geschikt dositifec-teonniddel om organische dierlijke stoffen in hot groot to vernietigen. Lijken van dieren en menschen na veldslagen ol\'ook hij epidemische ziekten, secreetputten, met slijk gevulde kolders na overstroomingen, krengen in vilderijen en dergelijke do opeid)aro gezondheid bedreigende afvalstoffen gaan, met een dikke laag bijtende kalk bedekt of daarmede vermengd, niet in rotting over, maar worden, zonder dat stinkende gassen of schadelijke producten gevormd worden, spoedig vernietigd.

Zeepen en de koolzure alkaliën, vooral de eersten, dienen vooral om do huid te reinigen. Zij lossen het vet van liet huid-smeer op en verwoeken do oppervlakkige lagen der epidermis, die dan met de daaraan klovende onreinheden door afspoelen en afwrijven kunnen worden verwijderd. Op dergelijke wijs werken alkalische baden, die of als minerale wateren of als oplossingen van kalium- en natriumcarbonaat, bij huidziekten methodisch worden gebruikt om pathologische producten en weefsels te verwecken en op te lossen. Zij verschillen in dit opzicht van de zoute baden, die de epidermis veel minder aangrijpen en daarom in die gevallen worden verkozen waar men door eene gelijkmatige prikkeling de huidwerkzaamheid en op reflectoiren weg ook de functies van andere organen wil versterken

In de maag en het darmkanaal neutraliseeren sterk verdunde oplossingen van alkaliën zuren, lossen slijm op en verwecken ook de epitelien. Het neutraliseeren van zuren in hot spijsverteringskanaal is vooral daar nuttig waar bij katarrhale en andere ziektetoestanden gistingen plaats vinden, waarbij groote hoeveelheden organische zuren gevormd worden. Dit komt vooral voor bij kinderen; hier volgt door den prikkel die de zure darminhoud op den darmwand uitoefent gewoonlijk sterke diarrhce, terwijl bovendien de pancreasdigestie door het zuur gestoord wordt. Om die zuren te neutraliseeren, geeft men gewoonlijk de voorkeur aan gebrande magnesia, omdat de daaruit gevormde zouten purgeorend werken en daardoor den in gisting verkeerenden darminhoud uitdrijven. Dit laatste tracht uien bovendien tc bevorderen door bij de magnesia rheum Lc

-ocr page 170-

152

voegen. Door liet wegruimen van den in gisting verkeerenden darminhoud wordt een der oorzaken van de diarrhee weggenomen.

Vermeerderde /.uurvorming in de maag wordt meestal door toediening van natriumcarbonaat bestreden. Toch werkt dit middel bij chronische maagkatarrhen minder door zuren te neutraliseeren dan wel door slijm, dat gewoonlijk in vermeerderde hoeveelheid wordt afgescheiden en , daar het in den zuren maaginhoud onoplosbaar is, in dikke laag den maagwand bedekt, op te lossen. Dikwijls worden tot dit doel ook do alkalische minerale wateren gebruikt, die echter bovendien nog op andere wijs werkzaam zijn (pag. 133). Bij vergiftigingen met zuren kan men de koolzure alkaliën, evenmin als het krijt, tot neutralisatie gebruiken, omdat daarbij een groote hoeveelheid koolzuur zich in de maag zou ontwikkelen en de maag sterk zou worden uitgezet. Die sterke uitzetting zou toch, indien do etsing ook tot de diepere lagen was doorgedrongen, gemakkelijk tot bersting kunnen leiden, en bovendien de functiën van naburige deelen, hart en longen, kunnen belemmeren. Daar men in die gevallen evenmin de hydrox-yden, die zelve bijtend werken, gebruiken kan en de basische kaliumzouten mot de meeste zuren verbindingen zouden vormen die de maag sterk prikkelen, blijven als doelmatige tegen-middelen bij vergiftiging mot minerale zuren slechts over do magnesia en de natronzeepen, die voor zich zelve onschadelijk zijn en bij neutralisatie eveneens onschadelijke verbindingen leveren.

Bij vergiftiging met oxalzuur is eene verbinding van suiker met bijtende kalk, de zg. suikerkalk, een zeer geschikt tegenmid-del (Husemann); dit praeparaat bevat veel CaO in onschadolij-ken vorm, terwijl het gevormde calciumoxalaat geheel onoplosbaar is. Bij vergiftiging met arsenik- en arsenigzuur wordt ook de magnesia aanbevolen, omdat zij in neutrale en alkalische vloeistoffen met deze zuren onoplosbare verbindingen vormt: daartoe moet zij echter versch gepraecipiteerd en niet te sterk gebrand zijn (Bussy).

Vermeerderde toevoer van alkaliën veroorzaakt steeds eene

-ocr page 171-

153

toename der in hot lichaam aanwezige hoeveelheid, zelfs dan als ze in de maag worden geneutraliseerd; want in dit geval kan do zure maaginhoud do alkaliën van do darmvochten n;et meer noutraliseeron, zooals in physiologischen toestand het geval is, en worden deze weer ongonoutraliseerd uit het darmkanaal goresorboerd. In dit geval wordt de overmatige hoeveelheid alkali met de urine uitgescheiden, die dan alkalisch reageert.

01\' bij vermeerderden toevoor van alkaliën het gehalte van hot bloed daaraan toeneemt en wolken invloed dit op de stofwisselingsprocessen hoeft, is eene vraag dio op dit oogenhlik niet voor beantwoording rijp is. Waarschijnlijk is het dat do gevolgen van eene toename van de alkalicitoit van hot bloed niet dezelfde zouden zijn indien natrium- dan wol kaliumcarbonaat in overmaat aanwezig ware. Immers van de vochten van hot lichaam is natriumcarbonaat oen onontbeerlijk bestanddeel, zoodal, indien hot daaruit verdwijnt, onmiddelijk de dood volgt on men konijnen kan doen sterven door het natriumcarbonaat van hot bloedsorum door toediening van zoutzuur weg te nemen, liet is bij proefnemingen gebleken dat, als die dieren na toediening van zoutzuur roods in agonie verkeerden, door inspuiting in do aderen van natriumcarbonaat bet leven kon worden gered; kalium- en lithiumcarbonaat vermochten dit echter niet, misschien door hunne werking op hot zenuwstelsel.

Men weot dat hot bepalen van de alcaliciteit van het bloed zeer mooielijk is; dit is de roden waarom do vraag, of en hoeveel die alcaliciteit na toediening van alkaliën toeneemt , niet nauwkeurig onderzocht is. Wol zijn onderzoekingen bekend gemaakt naar de hoevoolheid koolzuur dio het bloed vermag te binden, waaruit bleek dat na toediening van natriumcarbonaat die hooveeliieid slechts weinig was toegenomen, zoodat men mag aannemen dat bij toediening van natriumcarbonaat het gehalte daaraan van hot bloed slechts weinig toeneemt.

Het is niet bekend wolken invloed die onbelangrijke vermeerdering van do soda van hot bloed op de stofwisseling heeft. Wel hooft men zoowol bij monschen als bij dieren na toediening van alkaliën wijzigingen dor stofwisseling zien volgen, doch het

-ocr page 172-

154

is niet bewezen dat, de toename van de alkalische reactie een van de factoren zou zijn die daarbij medewerken.

Men is gewoon aan de toename van de alkalische reactie van het bloed eene versterking van de oxydatieprocessen in het lichaam toe te schrijven en voor de praktijk daarvan partij te trekken in ziektetoestanden waarvan men de oorzaak zoekt in eene afname van die oxydatieprocessen. Dit was vroeger het geval bij diabetes en thans nog bij jicht. Toch is hieromtrent nog niets met zekerheid bekend geworden.

Waar men na toediening van alkaliën de nreumuitscheiding ziet toenemen, behoeft die toename nog niet het gevolg te zijn van vermeerderde alcaliciteit van het bloed; immers de mogelijkheid bestaat dat die alkalische verbindingen, als ze zooals de alcalicarbonaten gemakkelijk geresorbeerd worden, als zouten werken en door vermeerdering van de diurese vermeerderde ureumuitscheiding veroorzaken.

Op dezelfde wijs zal men na toediening van groote hoeveel-beden, die niet geresorbeerd worden maar de functie van de maag en het darmkanaal storen, eene afname der ureumuitscheiding kunnen zien volgen , maar dan is die afname slechts bet gevolg van verminderde opname van voedsel en staat niet in direct verband tot don graad van alcaliciteit van het bloed.

Waar men eene toename der ureumuitscheiding vond —• en niet alle onderzoekers vonden een toename — bleef men in gebreke te bewijzen dat eene toename der alkaliciteit van het bloed daarvan de oorzaak was.

Ofschoon alkaliën op slijmvliezen gebracht door oplossing van het mucine het secreet dunner doen worden en ook de afscheiding vermeerderen, neemt, waar zij in het bloed worden opgenomen, de afscheiding van bronchiaalslijm sterk af (Rossbach).

Bij de behandeling van jicht wordt veel gebruik gemaakt van alkaliën. Men meende dat de vermeerderde alcaliciteit van bet bloed de oxydatie van piszuur tol pisstof zou bevorderen. Werkelijk werd door Basham bij aan uit piszuur bestaande blaas-steenen lijdende patienlen na toediening van alkaliën, in de

-ocr page 173-

155

urine moor ureum gevonden terwijl het piszuur verdwenen was, maar andere onderzoekers verkregen geheel tegenovergestelde resultaten (Severin). Ditzelfde geldt van lithiunicarbonaat, waarvan Bosse en Buchheim bij zichzelven en bij jichtlijders den invloed op do uitscheiding van piszuur hebben bestudeerd.

Men beproeft door toediening van alkaliën niet alleen de afzetting van piszuur in de gewrichten on in de blaas te beletten, maar men dient ze ook toe met de bedoeling reeds in de blaas gevormde piszuurconcrementen op te lossen. Hier geeft men boven natriumcarbonaat de voorkeur aan kalium- en nog meer aan lithiumcarbonaat, omdat deze zouten, vooral het laatste, veel meer acid. uricum kunnen oplossen dan natriumcarbonaat. Toch is het moeielijk te gelooven dat men zelfs met lithiumcarbonaat , al moge dit ook zijn viervoudig gewicht piszuur kunnen oplossen, reeds gevormde blaassteenen zou kunnen doen verdwijnen en wel vooral omdat het oplossingsmiddel, in zeer verdunden toestand in de urine aanwezig, bij grootere con-crementen slechts op de betrekkelijke kleine oppervlakte kan inwerken.

Worden die zouten niet in zeer groote hoeveelheden toegediend, dan zijn ze niet in staat de reactie der pis alkalisch te maken en worden als bicarbonaten daarin uitgescheiden, maar dan kunnen zich in de blaas zeer moeielijk oplosbare zure piszure zouten vormen; doch worden ze in zeer groote hoeveelheden toegediend, zoo loopt men de kans dat uit de nu alkalisch reageerende urine aardphosphaten praecipiteeren, die op hunne beurt oorzaak van concrementvorming\' kunnen worden.

De gevallen waarin men na het methodisch gebruik van alkalische minerale wateren piszuurconcrementen heeft zien afgaan , moeten dan ook op een andere wijze worden verklaard: men heeft hier niet te doen met de overblijfselen van een of meerdere groote blaassteenen, die door de werking van het alkali in die mate verkleind zijn dat ze nu de urethra kunnen pas-seeren, maar met. deelen eener uit kleinere stukken bestaande massa , die door slijm on andere stoffen lot een groot concrement waren samengekleefd, welke kleinere stukken zijn losgeraakt, om-

-ocr page 174-

156

dal hot kleefiniddel (slijm) door de toegediende alkaliën is opgelost.

Ook bij andere ziektetoestanden der pisorganen kan het nuttig zijn dat de urine nu en dan alkalisch gemaakt wordt. Evenals in liet darmkanaal kunnen in de urine algescheiden koolzure alkaliën een gunstige werking op hot slijmvlies en op de epiteelcellen der piskanaaltjes uitoefenen. Ook door het afstompen eener zeer sterk zure reactie der urine kan men soms aan eone therapeutische of stellig aan eene prophylaktische indicatie voldoen; men kan daardoor de afscheiding en afzetting van vrij piszuur in de blaas voorkomen of althans verminderen. Evenals alle gemakkelijk diffundeerbare zouten iu \'t algemeen, veroorzaken ook de alkaliën eene toename van do wateruitscheiding door de nieren en werken dus diurotisch. In do praktijk geeft, men als diuretica, aan de alkaliën de voorkeur boven hunne neutrale zouten. Of de klinische waarneming, dat bij hydropische toestanden koolzure alkaliën sterker diurotisch werken dan hunne neutrale verbindingen, op rekening gestold moot worden van hun grooter diffusievermogen door doode dierlijke membranen (Woikart), i.s niet mot zekerheid te zeggen; eene sterkere diuretische werking toch kan evengoed tot stand komen doordat do alkaliën een moer gunstigen invloed op den toestand dor weefsels uitoefenen, zooals we dit op pag. 134 bij do groep van hot keukenzout hebben uiteengezet. Als diurutica geeft men aan de gemakkelijk diffundeerbare kaliumzouten de voorkeur boven do moeielijk diffundeerbare natriuirivorbindingen. Ook is het beter kaliumacetaat toe te dienen dan kaliumcarbonaat; het laatste zout stoort, door telkens het maagsap te neutraliseoren en door zijne directe inwerking op de mucosa, op den duur licht de digestie, terwijl het acetaat lang achtereen zonder nadeel kan worden toegediend. Voor het bloed is het resultaat toch hetzelfde , daar het azijnzuur in hot lichaam geoxydeord wordt en het kalium als carbonaat daarin terugblijft.

Na het gebruik van vruchten is de reactie der urine dikwijls alkalisch, evenals zij dil bij herbivoren altijd is, omdat na do oxydatie der plantenzure zouten in de vruchten aanwezig, koolzuur alkali in het lichaam terugblijft.

-ocr page 175-

157

1. Hydras kalinis, lapis causticus; in pijpjes gesmolten die aan de lucht vervloeien.

2. Hydras iiatriciis, harde , ondoorschijnende stukken.

3. Carbon as kalicus, een korrelig wit poeder dat aan de lucht vervloeit en, daar het verkregen wordt door wijnsteen te gloeien, vroeger den naam droeg van sal tartari.

4. Carbonas nafricus, doorschijnende aan de lucht verweerende kristallen in 1.8 d. water oplosbaar.

5. Bicarhonas natricus, witte kristalkorsten in 1:5.8 d. water oplosbaar.

(j. Carbonas lithii, wit kristalpoeder; Giften 50—300 mgr. in koolzuurhoudend water opgelost.

7. Sapo medicatus, medicinale zeep, olijfolie met natronloog verzeept.

8. Phosphas natricus, dinatriumhydrophosphaat, kleurlooze in 5 a 6 d. water oplosbare kristallen.

9. Bihoras natricus, borax, kleurlooze kristallen; do oplossing in water reageert alkalisch.

10. Oxydum magnesicum, magnesia usta, gebrande magnesia, een licht, amorph in water onoplosbaar poeder.

11. Carbonas magnesicus, magnesia alba.

12. Oxydum calcicum, calx usta, gebrande kalk.

13. Aqua calcis, kalkwater.

14. Causticum vienneuse, Weener bijtmiddel, een mengsel van 7 d. kalihydraat en (i d. gebrande kalk.

15. Carbonas calcicus, marmer in zoutzuur opgelost en neergeslagen door koolzure natron.

1 (1. Phosphas calcicus, gebrande beenderen opgelost in zoutzuur en neergeslagen door ammonia liq.

De zwavelverbindingen der alkaliën en aarden, de sulfiden en sulfhydraten sluiten zich wat de werking aangaat bij de vorige groep aan. Zij bezitten een sterk oplossend vermogen voor hoornweefsel, waardoor ze de epidermis sterk aangrijpen, en werden vroeger bij huidziekten dikwijls gebruikt. In het Dosten dienen ze ook als middel om het haar te verwijderen. Alle sulfiden hebben in dit opzicht gelijke werking, ofschoon men

-ocr page 176-

158

aan het vijfvoudig zwavelcalchmi in den vorm der soluiio Vle-minckx de voorkeur gaf. Vroeger meende men ook dat zwavel on zijne bereidingen een specifieke werking op do huid zouden hohben, en op die meaning is het gebruik van zwavelwateren als baden ol\' drinkkuren bij huidziekten gegrond; thans wordt dit niet meer geloofd.

Hot is zeer de vniag of aan Je geringe lioeveellieid zwavelwaterstof in do zjj. zwavelwateren aanwezig eenige waarde als geneesmiddel mag worden toegekend; waarschijnlijker is het dat do door liet gebruik daarvan geconstatoordo genezingen aan andere factoren moeten worden toogo-schreven o. a. aan het baden, de diaet, do leefwijze enz.

1. Trisulfurelum kalimm, zwavellever , eene olijfkleurige naar zwavelwaterstof riekende massa, verkregen door 4 d. gezuiverden zwavel met 7 d. koolzuren kali te smelten.

2. Sulfuretum calcicum, zvvavelcalcium, door gloeiing van gelijke deelen gesubiimeerden zwavel en gebluschten kalk bereid.

Zwavelwaterstof is overigens een vergif voor het zenuwstelsel, dat, zonder reduceerend op het bloed te werken, het centraal-zenuwsfelsel verlamt.

2. De groep der Zuren.

In pharmacologisch opzicht behooren hiertoe vooral het zwavelzuur en het chloorwaterstofzuur, in mindere mate het phos-phorzuur.

Van de andore zuren bezitten vele bovendien eigenaardige eigenschappon die hunne werking wijzigen. Joodwaterstofzuur en zwaveligzuur zijn krachtige reduceerendo middelen. Salpeterzuur werkt op eigenaardige wijs in op de eiwitstoffen en vormt daarmede zg. xanthoproteinzuur; oxydeerend werkt het echter in het lichaam niet. Fluorwaterstofzuur is een sterk specifiek etsmiddel. Do organische zuren der votrooks behooren slechts in zoover tot deze groep als zij plaatselijk als zuren werken; zij worden echter in het lichaam in meerdere of mindere mate geoxydeerd. Do hoogere verbindingen van deze reeks, die plaat-

-ocr page 177-

selijk geonorloi working niloefonen, dienen als voedingsstoffen. De door halogeenon en door do nitro- en sullbgroep (SO-OH) gesubstitueerde zuren van deze reeks zijn nog niet nader onderzocht.

De aromatische zuren eindelijk verschillen in vele opzichten in werking van de andere zuren.

De bijtende werking van geconcentreerde minerale zuren berust dikwijls op wateronttrekking. Geconcentreerd zwavelzuur onttrekt aan voddige organische stoffen niet alleen het daarin aanwezige water, maar bovendien ook H en O die zich tot water verbinden, terwijl de weefsels zelve verkolen. Bij de andere anorganische zuren speelt deze wateronttrekking eene meer ondergeschikte rol.

De zuurwerking, die bij de meeste minerale zuren eerst als zij eenigszins verdund zijn voor den dag komt, bestaat in het neutraliseeren van de alkaliën en eene meer of minder uitgebreide omzetting van de weefselelementen, dat is van het protoplasma-eiwit. Reeds in de inleiding van dit hoofdstuk is er op gewezen dat het verdwijnen van de alkalische reactie der weefsels bij plaatselijke aanwending van zuren reeds in staat is ontstekingachtige en andere veranderingen teweeg te brengen. Toch bestaat de hoofdwerking in wijziging van den normalen toestand van eiwitaardige en lijmgevende stoffen. Geconcentreerde zuren, vooral het salpeterzuur, coaguleeren gemakkelijk opgeloste eiwitstoffen en veranderen die in acidalbiunine.

liet is nog niet mogelijk de lijnere veranderingen, die het protoplasma door zuren ondergaan kan en die tol stase of onl-sleking leiden, lot bepaalde cheniische processen terug te brengen, voor zoover daarbij geene coagulalie ol\' neutralisatie van het alkali in hel spel is.

De lol het bindweefsel gerekende stoffen ondergaan door verdunde zuren, vooral door azijnzuur en de andere vluchtige leden der velzuurreeks, reeds bij gewone temperatuur, eene verandering, waarbij zij opzwellen en, als ze nu met water worden verwarmd, veel gemakkelijker in lijm worden omgezet dan anders hel geval is. Dit is de reden waarom vleeseh, dat

-ocr page 178-

160

zich in den toestand van lijlcverstijving bevindt en daardoor zuur reageert, veel malscher wordt bij het koken en braden dan het vleesch van pas geslachte dieren, en eveneens de reden waarom men vleesch van oude dieren, dat door de sterke ontwikkeling van het bindweefsel bijzonder taai is, door behandeling met azijn malscher kan maken. Zelfs hoornweefsel wordt door vluchtige vetzuren, als zij niet te sterk verdund zijn, aangetast, verweekt en opgelost, zoodat de hardste tot eelt en likdoorns verdikte opperhuid door geconcentreerd azijn- en monochloor-azijnzuur wordt vernietigd.

Door deze inwerking op de bestanddeeien van georganiseerde stoffen kunnen minerale zuren ook de ontwikkeling van bacterien belemmeren en rotting voorkomen. Het is nog niet met zekerheid te bepalen of boorzuur, dat vooral als antisepticum sterk is aanbevolen, ook werkelijk in dit opzicht do voorkeur boven andere zuren verdient.

In do praktijk worden zuren dikwijls als bijtende en prikkelende middelen gebruikt, doch zo kunnen in de meeste gevallen door andere middelen worden vervangen. Dit geldt zelfs van het rookend salpeterzuur dat in de chirurgie als bijtmiddel gebruikt wordt.

Het gebruik van koningswater voor voetbaden bij ziekten der lever en van andere inwendige organen is afkomstig uit den tijd toon men de verschijnselen bij het gebruik van dit middel, die door inademing van chloor en salpeterigzuur tot stand komen, op rekening stelde van de opname van salpeterzuur in het bloed. Dikwijls gebruikt men verdunde zuren vooral de vluchtige vetzuren, als zachte huidprikkels tot baden en wasschingen. Zij zijn daar aangewezen waar men een lichte maar toch niet geheel oppervlakkige prikkeling verlangt, waarbij de epidermis niet beschadigd wordt, zooals bij het gebruik van alkaliën liet geval zijn zou. Wasschingen met gewonen azijn zijn daarom aan le bevelen lot opwekking der huidwerkzaainheid, bv. bij acute ziekten, en te verkiezen boven wasschingen mot aetherische oliën die, als zij geresorbeerd werden, de nieren zouden kunnen bena-deelen. Voor baden kan men mierenzuur gebruiken, dat in oude

-ocr page 179-

lül

tijden als aftreksel van mieren voor dat doel veelvuldig werd aangewend. Zure dampen dienen ook tot inademing als riek-middelen, ofschoon ze voor dit doel niet beter zijn dan andere vluchtige stoffen. Alleen dan verdienen /.ij de voorkeur, als ze worden ingeademd of\' opgesnoven om bloedingen in de luchtwegen of in de neusholte te stelpen. Toch is het resultaat hiervan niet groot, daar het uitvloeiende bloed niet licht op die wijs genoog zuur zal opnemen om te coaguleeren. Boter gelukt dit echter daar waar men het zuur onmiddellijk op de bloedende vaten kan aanwenden. Van de zuren werken do minerale zuren het sterkst bloedstelpend, ofschoon ze in dit opzicht verre achterstaan bij de zuur reageerende metaalzouten, bv. ijzerchloried.

Bij het gebruik van organische zuren als zure dranken en limonades speelt de inwerking op de smaakzenuwen de hoofdrol on hierop berust ook hunne waarde als genotmiddelen. De fijnere vruchten zijn flauw en smakeloos als ze niet genoeg wijn- citroen- appel-zuur bevatten. Ook in den wijn zal een kenner ze ongaarne geheel missen. Bij koortszieken zijn deze zuren hot middel om oene voldoende opname van koud water mogelijk te maken, evenals de theesoorten in dit opzicht voor de opname van warm water dienstig zijn.

Daar chloorwaterstofzuur eene belangrijke rol bij de maag-digestie vervult en bij dit proces een bepaalde graad van aciditeit een vereischte is , hooft de toediening van zuren daarop een bijzonderen invloed.

Het door G. Schmidt bewezen i\'oit, dat in de maag vrij of aan pepsine gebonden zoutzuur wordt afgescheiden, leidde vanzelf tol de meening dat in sommige govulleu eene onvoldoende afscheiding van dit zuur de oorzaak der gestoorde digestie was. Toch gaf do toediening van zoutzuur bij maagziekten geen bepaald gunstige resultaten en wel omdat men zich eerst in den allerlaatsten tijd er op heeft toegelegd do pathologie der zoutzuurafschel-ding op meer exacte onderzoekingen op te bouwen, wat evenwel nog niet geheel gelukt is. Feitelijk berust dan ook thans het gebruik van zoutzuur bij maagziekten nog moer op empirische dan op rationeele gegevens.

In physiologischen toestand bestaat in do maag bijna voortdurend zure reactie. Versterking van deze zure reactie door matige giften van zuren blijft in don regel zonder in het oog

II

-ocr page 180-

102

looponde gevolgen. Toch ziet men na langdurig gebruik van zure dranken, bv. van sterk zure wijnsoorten, dikwijls chronische maagkatarrhen volgen.

Het is gebleken dat de vorming van groote hoeveelheden organische zuren door gistingsprocessen zeer nadeelig werkt op de mucosa van de maag en van het darmkanaal. Vooral is dit hot geval bij diarrheeën van kleine kinderen. Hier wordt door den zuren inhoud van den darm het bilirubine in biliverdine omgezet, zoodat de faeces do vooral door de moeders zoo gevreesde groene kleur vortoonon. Bij de behandeling van deze toestanden is men er op bedacht het gevormde zuur te neutralisoeron en de in gisting verkeerende stoffen uit den darm te verwijderen.

Toch ziet men bij de behandeling van dergelijke abnormale gistingsprocessen in de maag bij volwassenen dikwijls goede resultaten van de toediening van anorganische zuren, waardoor de lagere organismen , die de organische zuren vormen , gedood of althans werkeloos gemaakt worden.

liij vergiftiging met alkaliën mag hot tot neutraliseeren gebruikt zuur , noch zelf nadeelig zijn , noch nadeolige producten leveren. Hier zijn vooral organische zuren, citroen- wijnsteenzuur, doch ook vele anorganische op hunne plaats; alleen het salpeterzuur niet.

Koolzuur verschilt ook in pharmacologisch opzicht van de andere zuren. Wij gebruiken het in den vorm van spuitwater niet alleen als een genotmiddel maar ook bij katarrhale toestanden der maag, vooral bij do zoodanige die het gevolg zijn van overmatig eton of drinken. Dit gasvormige zwakke zuur dringt in den maagwand binnen , doch wordt hier niet, zooals met andere zuren het geval zou zijn, geneutraliseerd, maar blijft, als de hoeveelheid ten minste voldoende is, of als bicarbonaat of als geabsorbeerd gas aanwezig, zoodat het in staat is do werkzaamheid dor weefsels te verster-kon zonder toch de alkalische reactie op te heffen. Hierbij komt nog als tweede gunstig moment dat do prikkeling steeds eene matige blijft en dus nooit door overmaat nadeelig kan worden. Koolzuur is bovendien in staat de opslorping van water uit het spijsverteringskanaal te bevorderen. Quincque vond dat kool-

-ocr page 181-

163

zmirhoudend water sneller door do nieren wordt geëlimineerd dan gewoon water, zoodat het eerste het lichaam sneller pas-seeren moet; koolzuurhoudend water is dus een sterker diuro-ticuin en bevordert misschien ids zoodanig de stofwisseling moer dan gewoon water doet.

Evenals in de maag do reactie zuur pleegt te zijn, is die in hot darmkanaal bijna altijd alkalisch; wordt do inhoud van het darmkanaal zuur omdat zich daarin door gisting zuren vormen, of omdat de hoeveelheid alkali te gering is om den abnorm sterk zuren maaginhoud te neutraliseeron, dan is dit reeds voldoende om hot slijmvlies te prikkelen on vermeerderde peris-taltiek en dofaecatie te veroorzaken. Tot therapeutische doeleinden is het niet mogelijk zuren in het darmkanaal te brengen, omdat kleinere en middelmatige giften roods in do maag of het duodenum worden geresorbeerd, en grootere etsend werken. Slechts do zure alkalizoutqn dor meorbasische organische zuren, bv. het zure wijnsteenzure kalium, die betrekkelijk moeilijk worden geresorbeerd, dringen verder in hot darmkanaal door, maken de reactie daar zuur en prikkelen de mucosa, zoodat zij in voel kleinere giften de peristaltische beweging versterken dan de neutrale zouten der glauberzoutgroop. Hierop berust ook de purgoeronde werking van vele vruchtensappen en extracten, vooral van pruimen- en tamarindenrnoos en grasworteloxtract.

Ook hot gebruik van koningswater bij hardnekkigen icterus berustte op de prikkeling die do storkzure inbond der rnaag op bot slijmvlies van bot duodenum uitoefent, waardoor relloctolr ontlodiging der galblaas opgewekt moest worden.

Do vraag in hoeverre toediening van zuren de alkalische reactie van het bloed en van het lichaam doet afnemen, is oono hoogst belangrijke.

Daar alle zuren gemakkelijk worden geresorbeerd, nam men a priori aan dat door bunne toediening bot alkali van bot bloedserum zou worden go-noutraliseerd en bot hierbij gevormde zout in do urine geolimineerd. De proefnemingen door Mi(|uel in 1851 gepubliceerd, die bij bondon na toediening van zwavelzuur do oplosbare zouten van do urine zag toenemen, schenen die zienswijze te bevestigen, al waren zij in strijd met do proeven van üence Jones (ISi\'J) die na hot innernen van verdund zwavelzuur do zure

11*

-ocr page 182-

J (gt;4

reactie der urine had zien toenemen. Latere proefnemingen bevestigden echter deze aprioristische meening slechts gedeeltelijk. Eylandt tocli zag in 1855 na het gebruik van anorganische en van een aantal organische zuren do zure reactie der pis eveneens toenemen. Pb. Wilde vond in 1855 na bet innemen van zwavel- en van phospborzuur slechts eenc onbelangrijke toename van do hoeveelheid kali on natron in zijne urine. Fr. Hoffmann (1871) voedde 39 dagen achtereen eeno duif met eidooier die door zijn lecithingehalte hij verbranding zuurreageerendo asch geeft, welke voeding dus eenigszins overeenkomt met toediening van zuren. De hoeveelheid aschbestanddeolen en zouten was in drek en urine juist gelijk aan die van het voedsel, waaruit volgde dat geene afname van de alkaliën van het lichaam kon gevolgd zijn. Giihtgens, die het eerste met bonden experimenteerde (1872). vond toen , dat bij deze dieren na toediening van zwavelzuur de vaste alkaliën van de pis slechts weinig vermeerderen, en Salkowski (1875) dat na toediening van zwavelzuur en van taurine, waaruit als bet in hot lichaam wordt geoxydeerd zwavelzuur vrij wordt, bij konijnen do hoeveelheid vaste basen in do urine toeneemt.

De invloed van zuren op de alkalicileit van het bloed blijkt het best uit de vermindering van de hoeveelheid koolzuur die het bloed vermag te absorbeeren. Deze is bij verschillende diersoorten ongelijk. Bij konijnen kan men door toediening van zoutzuur zooveel alkali aan het bloed onttrekken, dat de dood daarvan het gevolg is. De dieren sterven geregeld, en wel door paralyse van het ademhalings- en vaatcentrum, zoodra de alkalische reactie van het bloed in eene neutrale overgaat cn het koolzuurgehalte tot op 2.\'.)—2.5 Vol.0/U gedaald is. Maar even geregeld komen de dieren, zelfs als zij reeds in agonie verkeeren, weer bij, als men hen eene oplossing van natriumcarbonaat in hot bloed spuit.

Bij honden volgt echter na toediening van zuren nimmer ge-heele of gedeeltelijke neutralisatie van het bloed , zelfs niet na zoo hooge giften dat do dieren door plaatselijke etsing der maag ziek worden. Doch hier wordt in do pis met het zuur ammoniak uitgescheiden en wol zooveel dat ongeveer het drie vierde dool van hot toegediende zuur als ammoniakzout wordt uitgescheiden, waardoor neutralisatie van do vaste alkaliën van het bloed wordt vermeden. Evenals bij den hond wordt ook bij don mensch het grootste deel der toegediende zuren in de pis aan ammoniak gebonden geëlimineerd (Goranda). Daar ammoniak onder

-ocr page 183-

165

gewone omstandigheden in liet lichaam gemakkelijk in ureum wordt omgezet, zoo moet deze omzetting door toediening van zuren worden belemmerd; misschien vindt dit in de lever plaats, waarheen het zuur na zijne resorptie het eerst wordt gevoerd.

Rij vole acute knortsijje en chronische ziekten is de hoeveelhekl ammoniak in do pis eveneens toegenomen. Of hierbjj venneei\'derdo vorming en uitscheiding van zuren, dan wel eene helemrnering der ureumsynthese door andere oorzaken in het spel is , is onbekend.

Hoe belangrijk ook deze invloed der zuren op do alkaliën van liet lichaam en indirect ook op de ureumvorming moge zijn, tocii is het niet mogelijk daaruit den invloed af te leiden die de toediening van zuren op de stofwisseling heeft. Voorloopig zijn wij dus niet in staat rationeele indicaties voor het gebruik van zuren bij ziekten te maken. Stellig werken zuren bij de behandeling van acute koortsige ziekten als genot- en verfrisschende middelen. Of daarbij bovendien in het gebied der poortader alkaliën worden geneutraliseerd is niet met zekerheid bekend, Dezelfde waarde als genotmiddelen komt aan de organische vetzuren toe; of ook deze, die bijna volledig in het lichaam worden verbrand, tijdelijk in het bloed alkaliën kunnen binden , is evenmin uitgemaakt.

1. Acidum hydrochloricum, zoutzuur, spec. gew. 1.150—1,154 ongeveer SO0/,, zuiver HGI. bevattende.

2. Acid. hydrochloricum dilutum, met 2 d. gedistilleerd water verdund, giften 5—10 droppels in water.

3. Acid hydrochloricum crudum , HCl.

4. Acid sulfuricum, zwavelzuur, spec. gew. 1,840—1,845, bevat 97 quot;/0 11,80,.

5. Acid. sulfuricum dilutum, met 5 d. water verdund. Giften 5—20 droppels in water.

6. Acid. sulfur, crud., vitrioololie.

7. Elixer acid. Huileri, gelijke deelen zwavelzuur en zeer sterken spiritus.

8. Tinctura acida cironiutica, gelijke doelen kaneel en gemberwortel, getrokken op een mengsel van 2 deelen zwavelzuur en 20 d. sterken spiritus.

-ocr page 184-

IGö

9. Acidum nitricuin, salpeterzuur, spec. gew. 1,334—1,340 mei 53quot;/,, HNü;,.

10. Acid. nitricum diltUmn, met u2 d. water verdund.

11. Acid tiHricum cruduin, geelachtig van ongeveer gelijke sterkte als het zuivere zuur.

12. Acidum phosphoricum , bereid door phosphorus met salpeterzuur to oxydeeren, bevat het ongeveer 26V0 HaP0i. Giften 5—15 droppels, per dag tot ü gr. in water.

13. Acidum horicum, boorzuur, witte kristalschubben in 25 d. water oplosbaar. Giften 0,2—1 gr. in oplossing.

14. Acidum aceticum , azijnzuur met een gehalte van 39—43 d. azijnzuur.

15. Acidum aceticum dilut, acetum, azijn, 13 d. azijnzuur met 87 d. gedistilleerd water.

17. Acetum pyroUgnosum crudum , brandige houtazijn, eene gele, brandig riekende, zure vloeistof die evenveel azijnzuur bevat als het vorige praeparaat.

17. Acidum tartaricum , wijnsteenzuur, in water oplosbare kristallen, bestanddeel van het pulvis aerophorus en tot bereiding van limonade, 1 d. op 200—300 vloeistof, dienende.

18. Acidum citricum, gemakkelijk in water oplosbare kristallen; het is een duur praeparaat dat door versch citroensap kan vervangen worden. Voor limonades 1 of 2 d. op 1000 vloeistof.

19. Acid succiuicum, barnsteenzuur, geelgrijze in wateroplosbare kristallen die naar barnsteenolie rieken.

3. De minerale wateren.

Deze behooren, daar het mengsels zijn, tot geene bepaalde pharmacologische groep, maar vereenigen min of meer de werkingen van het warm en koud water, van de gemakkelijk en moeielijk resorbeerbare zouten, van de alkaliën en van het koolzuur. Het behoeft wel geen betoog dat de in oneindig kleine hoeveelheid daarin aanwezige bijzondere bestanddeelen, jodiden.

-ocr page 185-

167

bromiden, lithiunizouten en gips in geen enkel opzicht tot de werking bijdragen.

Do werking eener minerale bron moet dus uitsluitend naar dc boofdbestanddeelen , waartoe liet water, dc chloorveibindingen van natrium en kalium, de carbonaten en sulfaten van natrium en magnesium en bet koolzuur bebooren, worden beoordeeld.

Hoe vollediger al deze bestanddeelen in een mineraalwater voorkomen, des te veelzijdiger is zijne werking, des te ruimer de kring van ziektetoestanden waartegen bel kan worden gebruikt. Daarom beboort de Karlsbader sprudel, die al die bestanddeelen in gelijkmatige verhouding bevat, tot de meest werkzame minerale wateren. Dit water werkt gelijktijdig in op dc maag, den darm, de stofwisseling en de niersecretie. Dat de werkingen der gemakkelijk resorbeerbare en der purgcercnde zouten elkander niet opheffen, maar naast elkander kunnen volgen, blijkt uit het feit, dat bet glauberzout geenerlei invloed uitoefent op de resorptie en de secretie van bet keukenzout (Buchheiin).

Er bestaat geene enkele reden om niet aan te nomen dat een kunstmatig mineraalwater volkomen dezelfde werking heeft als een in samenstelling daarmee overeenkomend natuurlijk. Toch zal beider uitwerking slechts dan dezelfde zijn als ze onder geheel gelijke omstandigheden als kuur worden aangewend. Het is echter lang niet altijd gemakkelijk alle daarbij in bel spel komende zeer samengestelde verhoudingen te kennen en toe te passen. De geografische en topografische ligging eener badplaats, hare hoogte boven den zeespiegel, de temperatuur en hare afwisseling, de vochtigheid der lucht en allerlei andere klimaatver-houdingen vormen met de werking van do bestanddeelen van het water en met den aard der diaet en van de leefwijze oen som van werkzame factoren, wier beteekenis men wel in \'I algemeen kan begrijpen, maar niet in concrete gevallen kan ontleden en die men dus niet gemakkelijk elders volkomen kan nabootsen.

Daardoor is de balneologie eene zuiver empirische wetenschap. Alleen moot zij op wetenscbappelijken grondslag steunen, meer dan thans nog het geval is. Wie aan een onderscheid tusschen

-ocr page 186-

1(58

kunstmutigo on tellurische warmte gelooft, wie een groot gewicht hecht aan sporen van in die wateren aanwezige bijzondere hestanddeelen, of zelfs aanneemt dat electrische stroomen daarin werkzaam zijn, wie in die minerale wateren iets anders zoekt dan physische en chemische werkingen van hare bestand-doelen, die verlaat den grondslag der wetenschap, ook eener zuiver empirische, en begeeft zich op het gebied van het geloof en der populaire medische dogmatiek.

4. Groep der Halogenen.

Deze bevat liet chloor, broom, jood en de onderchlorigzure zouten.

Deze verbindingen hebben allen eene etsende werking, waarbij in \'t algemeen het protoplasma gelijke veranderingen ondergaat als bij de inwerking van zuren.

De graad der etsing, chirurgische etsing of onsteking, hangt van de hoeveelheid en van den duur der inwerking af. Jood echter werkt in dit opzicht minder krachtig dan de andere.

Door de vernietiging van organische stoffen heeft vooral het chloor de reputatie van een krachtig desinfecteermiddel verkregen. Het gelukt inderdaad zeer gemakkelijk in rottende zelfstandigheden de kwalijk riekende stoffen. ILS en NH,S door chloor te vernietigen, ofschoon daarmede nog de schadelijk werkende hestanddeelen niet vernietigd behoeven te zijn. Wel is waar worden ook infectiestoffen door chloor vernietigd, als dit in genoegzame hoeveelheid kan inwerken, maar juist dit laatste is niet altijd het geval. Chloor hoeft geen specifiek giftige werking op het protoplasma der bacterien, maar werkt daarop evenals op niet georganiseerde organische stoffen.

Wil men dus infectiestoffen door chloor onschadelijk maken, dan kan dit slechts in zoover geschieden dat men alle vloeistoffen en voorwerpen die daarmee bezoedeld zijn geheel often deele althans medevernietigt. Gebruikt men het chloor niet in zoo ruime hoeveelheid, dan is het mogelijk dat het door on-

-ocr page 187-

169

schadelijke stoffen verbruikt wordt, voor hot op de schadelijke kan inwerken. De vroeger zoo beroemde chloorborookingen, die men dikwerf op belachelijke wijs bij epidemieën en lot hot des-infecteeren van menschen aanwendde, zijn dan ook thans met recht in discrediet geraakt.

Meer mag men tot desinfecteering van secreetputten, waar men de omgeving niet behoeft te sparen, verwachten van groote hoeveelheden chloorkalk. Toch is het aan te bevelen de secreetputten vooraf te ledigen, omdat anders zelfs de grootste hoeveelheid chloorkalk onvoldoende kan zijn om de massa faecalien daarin aanwezig slechts voorbijgaand te desinfecteeren. In zulke gevallen is chloorkalk slechts weinig werkzamer dan bijtende kalk, doch de eerste iieeft dit voordeel dat hot vrij wordende chloor ook hooger gelegene plekken van den put desinfecteert, die de niet vluchtige bijtende kalk niet bereiken kan. De ontwikkeling van chloor knn daarbij door verdund, ruw zwavel- of zoutzuur worden bespoedigd.

Het chloorwater dat vroeger uitwendig als desinfecteer- en bijtmiddel, inwendig ook bij infectieziekten gebruikt werd, is tegenwoordig en met recht bijna vergeten. Het spreekt van zelf dat hier geen chloor kan worden geresorbeerd, daar dit reeds in de maag door eiwitachtige en andere stoffen gebonden wordt en dus onmogelijk in vrijen toestand in het bloed kan opgenomen worden.

Hatloneeler zou dan nog zjjn de injectie van jood inliet bloed (v. d. Heide), ofschoon nadere proefnemingen noodig zijn en met hot oog op het hoven gezegde ook niet veel hiervan te verwachten is.

De verbindingen van jood met eiwitachtige stoffen zijn weinig stabiel en worden reeds door dialyse en door coagulatie van het eiwit gesplitst. Bestrijkt men de huid met eene oplossing van jood, dan kleurt zich de epidermis, naar den concentratiegraad, geel tot bruin. Daar het jood de huid prikkelt, volgt hier eene matige chronisch verloopende ontsteking of ook slechts eene versterking van het normale voedingsproces, waardoor pathologische producten kunnen geresorbeerd worden. Het jood\'ver-

-ocr page 188-

170

client daarom do voorkeur boven andere dergelijke plaatselijke prikkels, omdat het geruimen tijd op de plaats van aanwending-aanwezig blijft, de werking /.icli wegens zijne vluchtigheid in do diepte voortzet, en men in staat is door grootere of kleinere hoeveelheden of door herhaalde applicatie iederen gewenschten graad van prikkeling te veroorzaken en gelijkmatig tc doen voortduren. Hierop en niet op eene specifieke joodwerking berusten de resultaten die men bij de behandeling van exsudaten en weefsel woekeringen door joodpenseelingen kan verkrijgen. De ondervinding leert hoe sterk en hoe lang achtereen de aanwending moet worden voortgezet. Inwendig wordt jood thans zelden meer voorgeschreven. Meer gebruikt men het in oplossingen (joodtinctuur, joodjoodkaliumoplossing) als bijtmiddel tot het opwekken eener zg. adhaesieve ontsteking, ten einde na ontlediging van eierstokscysten en hydrocelen deze holten te doen vergroeien. Ook in dit geval verkiest men het jood boven andere lichte etsmiddelen, omdat het niet spoedig geresorbeerd wordt en dus langen tijd plaatselijk inwerkt, zonder door zich met dc weefselelementen te verbinden tot vorming eener brandkorst aanleiding te geven.

Gebruikt men voor dit doel joodtinctuur dan draagt niet alleen het jood maar nok do alcohol tot de werking bij.

In enkele gevallen volgden, na inspuiting van joodoplossingen in eiorstokscysten, vergiftigingsverschijnselen, bestaande in sopor, pijnlijkheid der maagstreek en hardnekkig braken; de uitgebraakte stoffen bevatten lebklieren on eerst vrij, later gebonden jood in groote hoeveelheid.

Bij honden werden na injectie van letale giften joodnatrium en joodjood-natrium slechts nierbloedingen, maar geen veranderingen der maagmucosa geconstateerd, doch Binz zag bij konijnen na subcutane injectie van joodjood-natriuni, hyperaemie en ekchymosen in de maag volgen. Hier moet worden aangenomen dat het jood als jodld of albumirnaat het bloed gepasseerd en In de maag, evenals daar In physiologlschen toestand HG1 wordt afgescheiden, als 11,1 geëlimineerd is, uit welke laatste verbinding dan jood moet zijn vrij geworden.

Honden, die men 40 mgr. in NaJ opgelost jood per kilogram in Ifet bloed spuit, sterven onder gelijke verschijnselen en na

-ocr page 189-

171

even langen lijd als na injectie van joodnatrium. Toch mag men daaruit niet concludeeren dat in beide gevallen vrij jood de oorzaak van den dood zijn zou.

1. Solutio chlorii, chloorwater. bevat O,-!\'0/,, Cl.

2. Chloretum calcicum, chloorcalciuni, een wit, korrelig zout dat, daar hot zeer hygroscopisch is, tot hot drogen van lucht of gassen kan worden gebruikt. Chemisch heeft hot de formule CaGI-.; wat men in het dagolijksch loven chloorkalk (bleokpooder) ploegt to noemen is eon door het inleiden van chloorgas in kalkmelk gevormd mengsel van chloorcalciuni en calciumhypochloriet dat door do Ph. N.

3. Hypochlovis cnlcicus genoemd wordt. Verdunde minerale zuren maken hieruit hot chloor vrij dat als gas ontwijkt.

4. Bromium, broom, oeno donkerbruine, sterk riekende, in water oplosbare vloeistof.

5. Jodium, jood, zwartgrauwo, motaalglanzende blaadjes in 5000 d. water, in 10 d. alcohol en vooral goed in oene waterige oplossing van joodkalium oplosbaar. Giften 10—! mgr.; por dag tot 130! mgr. in eono joodkaliumoplossing.

fi. Solutio jodii spirituosa, joodtinctuur, 1 d. jood op 12 d. zoor sterkon spiritus. Giften inwendig tot 130! mgr.; por dag tot 600! mgr.

7. Jodoform, niet in onze Ph, golo in water onoplosbare, eigenaardig riekende kristalblaadjes. Giften inwendig tot 200! mgr. per dag tot 1 ! gram.

5. Groep der Oxydatiemiddelen (van de zuurstof)

De zuurstof van het bloed is do uitsluitende oorzaak der physiologischo oxydatieprocessen. De oxydatiemiddelen, die wij buiten hot lichaam als zoodanig kennen , werken slechts plaatselijk in op die doelen van het lichaam waar we zo aanwenden. Zo veroorzaken hier etsing en vernietiging van weefsel on worden ook tot dit doel in do praktijk gebruikt. Kaliumponnan-ganaat is een sterk dosinfectoermiddol, dat vooral gebruikt wordt

-ocr page 190-

172

tol vernietiging van stinkende en schadelijke rottings- en gir-tingsproducten en wel op de onbeschadigde huid, in wonden , zweren en gemakkelijk toegankelijke lichaamsholten. Daar echter allerlei organische stoffen door kaliumpermanganaat worden ge-oxydeerd en het zout daarbij natuurlijk wordt omgezet, vernietigt het niet bij voorkeur schadelijke, maar vooral gemakkelijk oxydeerbare zelfstandigheden. Vandaar dat de werking oppervlakkig is en men het slechts met voordeel kan gebruiken om smetstoffen, die op de huid of in de mondholte aanwezig zijn, te vernietigen. Zijne etsende werking is eene hoogstonbe-duidende, omdat eiwitstoffen bij gewone temperatuur zeer moeielijk door het zout kunnen worden geoxydeerd. Bij aanwending op de huid wordt deze door afgescheiden mangaansuperoxyd tijdelijk bruin gekleurd.

De hooge prijs belet dat het middel op groote schaal lot desinfectie zou worden gebruikt.

Het chroomzuur, dat slechts als anhydried vast is, kan in phar-maeologisch opzicht moeielijk tot de oxydeermiddelen worden gerekend omdat zijne werking als zuur op den voorgrond treedt. Men gebruikt het nu en dan in de chirurgie als bijtmiddel, doch het is niet gemakkelijk de etsing te beperken , daar het. zuur vervloeit en ook geen vaste de naburige deelen beschuttende brandkorst vormt.

De zure chroomzure zouten zijn zwakke bijtmiddelen. Na hunne aanwending wordt bet chroomzuur, dat blijkens dierproeven ook van uit wonden wordt geresorbeerd, door de nieren uitgescheiden en veroorzaakt parenchymateuse nephritis (Gergens).

Tot de krachtigste oxydatiemiddelen behoort ook het ozon, dat echter ook slechts plaatselijk werkt. Bij de inademing prikkelt het de ademhalingswerktuigen zeer sterk (Asmuth en Al. Schmidt).

Het waterstofhyperoxyd is nog weinig onderzocht. Het wordt door versch bloed in water en zuurstof gesplitst (katalyse), zonder dat dc hestanddeelen van het bloed daarbij worden geoxydeerd. Op dezelfde wijs zouden smetstoffen, druipersc-creet, vaccinelymphe en de producten van sommige uleera,

-ocr page 191-

173

het waterstofhyperoxyd ontleden (Schönbein) en werd dit laatste daarom als desinfecteermiddel aanbevolen. Toch moet men niet voorbijzien dat, al werken deze infectiestoffen ook ontledend od l l2 (),,, het daarom toch niet zeker is dat ze daarbij vernietigd worden, ja zelfs is dit, als men de werking van waterstofhyperoxyd op hot bloed in aanmerking neemt, niet eens waarschijnlijk.

Waterstofhyperoxyd vorint zich in aetherische oliën die aan de lucht zijn blootgesteld en daarbij verharsen. Vooral is dit hot geval bij terpentijnolie; verharste terpentijnolie wordt als een geneesmiddel bij phosphorvergiftiging gebruikt.

Zwaveligzuuranhydried, dat bij de verbranding van zwavel ontstaat, is wel geen oxydatiemiddel maar integendeel een krachtig reductiemiddel; toch kan het hier besproken worden. Het onttrekt aan organische stoffen zuurstof en vernietigt die daarbij. Vandaar zijn gebruik als bleekmiddel. In pharniacolo-gisch opzicht komen bovendien zijne werking als zuur en andere eigenschappen, waardoor deze verbinding zeer giftig is voor levend dierlijk en plantaardig protoplasma, in aanmerking. In een mengsel van organische stoffen blijft zvvaveligzuur veel langer onveranderd dan chloor, dat zich zeer spoedig met alle mogelijke organische stoffen verbindt; daarom verdient het zvvaveligzuur de voorkeur om organismen te vernietigen die gisting, rotting of ziekteprocessen veroorzaken. Toch moot men, om vertrekken met zekerheid to desinfecteeren, ongeloofelijko hoeveelheden zwavel verbranden, zoodat aan Hoppe Seylors voorschrift om 15 gr. zwavel te verbranden voor iedoren kubiekon meter, die een vertrek houdt, en dit dan eenige uren gesloten te houden slechts eene beperkte waarde mag worden toegekend.

1. Permanganas kalicus, in 20.5 d. water oplosbare schoon-roodo kristallen.

Giften uitwendig in oplossingen van 1 tot 5 pro mille.

2. Ar.idnm chroinicum , clirooinzuuranhydried, roode kristallen.

-ocr page 192-

V.

Do vcrbiiuliiigcii der zware metalen, en van aliiminiiiin als zenuw- spier- en bijtende vergiften.

Hier bespreken we van de zware metalen slechts die verbindingen waarin liet metaal met zuurstof verbonden is of waaruit hot, zooals uit de halogeenvorbindingon, gemakkelijk als zuurstofverbinding kan worden afgescheiden.

De rosorptiewerking is afhankelijk van het metaaloxi/d, niet van de verbinding waarin dit werd toegediend.

Do \'organische metaal verbindingen waarin het metaal met koolstof ver-honden is, wier werking niet door het metaal als zoodanig maar door de eigenschappen der verbinding zelve wordt veroorzaakt, worden elders behandeld. Slechts dan als deze verbindingen geheel worden omgezet en het metaal in eene verbinding mot zuurstof overgaat, volgt de typische metaal-werking. Do zouten van loodtriaethyl en van kakodyloxyd b.v. werken in het lichaam ovenals andere basen der vetreoks ; eerst na hunne omzotting, als bot lood of bel arsenicum in bet lichaam met zuurstof zijn verbonden , volgen de lood- on arson ik werk in gen.

De zware metalen behooren in phnrmacologisch opzicht vooral daarom bij elkander, omdat zij met eiwitachtige stoffen analoge verbindingen, zg. albuminaten, vormen. Deze ontstaan ook in het levend lichaam en wel daar waar do metaalverbindingen worden aangewend. De weefsels ondergaan daardoor veranderingen die bij allo metalen hetzelfde karakter dragen.

Daarentegen zijn de na de resorptie volgende zenuw- en spierwerkingen voor ieder metaal verschillend, zoodat deze niet van eene algemeene chemische inwerking op de eiwitstoffen kunnen worden afgeleid. Alleen bewerken de eiwitstoffen in de moeste

-ocr page 193-

175

gevallen de oplossing der metaaloxyden in de alkalisch rea-geerende vloeistoffen des lichaams en stellen daardoor het metaal in staat zijne specifiek moleculaire werking op de zenuwen on de spieren uit te oefenen.

De metalen behooren dus in dit opzicht, wat hunne resorptiewerkingbetreft, tot de zenuw- en spiei\'giften. Men kan do plaatselijke werking der metaalverbindingen zelfs meer of minder volkomen ontgaan door bereidingen te gebruiken waarin het metaal reeds met eiwit of andere organische stoffen verhonden is; in dat geval worden, daar het metaalzoutop de plaats waar liet aangewend wordt zich niet meer met die eiwitstoffen behoeft te verbinden om geresorbeerd te kunnen worden, die verbindingen onveranderd geresorbeerd.

Uit een en ander blijkt dat men verschil moet maken tus-schen de plaatselijke en de algemeene werking der metalen. De plaatselijke verschilt voor de enkele metalen slechts in quanti-tatief opzicht, de algemeene werking is bijna bij alle metalen eene andere.

1. De plaatselijke werking van de zouten der zware metalen en van aluinaarde.

Evenals met andere basen , kunnen do eiwitstoffen zich mot metaaloxyden verbinden tot in water onoplosbare allmminaten. Brengt men in eene neutraio eiwitoplossing een metaalzout, dan ontstaat een neerslag dat uit eiwit , inetaaloxyd en het daarmee verbondene zuur bestaat. Het zuur kan in de meeste gevallen door water worden uitgewasschen , zoodat het niet meer als met het metaal verbonden kan aangemerkt worden en dus zelfstandig op het eiwit kan inwerken.

Eerst in den laatsten tijd is het gelukt motaalalbuminaten van constante samenstelling te bereiden.. Door Harnack zijn verbindingen van koperoxyd met eiwit verkregen, waarin van beide stoffen bepaalde hoeveelheden , of ouk de veelvouden daarvan, aanwezig waren.

Brengt men metaalzouten in aanraking met lovende weefsels dan werken ze daarop in evenals op eene eiwitoplossing. De

-ocr page 194-

17G

eiwitstoffen en het bindweefsel verbinden zich met het raetaal-oxyd en het vrij geworden zuur werkt op de weefselelementen zelfstandig in, als ware hot in vrijen toestand aangewend. Het gevolg hiervan is, etsing, die deels door het metaaloxyd, deels door het zuur tot stand komt. De intensiteit en do aard dezer etsing hangt af zoowel van do eigenschappen van het ontstane metaalalbuminaat, al? van de hoeveelheid en de sterkte van hot in het metaalzout aanwezige zuur. Is dit een zwak zuur en bovendien slechts in geringe hoeveelheid in oen basisch zout aanwezig en vormt het metaaloxyd met de stikstofhoudende weef-selelementón eene onoplosbare, taaie, vast aanliggende brand-korst, dan beschut deze de onderliggende weefsels, zoodat de olsing tot de oppervlakkige deelen beperkt blijft, In zoodanig geval is de ontstekingachtige reactie van korten duur omdat het zuur geresorbeerd of weggespoeld wordt, terwijl de brandkorst langen tijd blijft vastzitten en gevolgen na zich sleept die men met den naam adstringeerondo werking bestempelt en in de praktijk menigmaal gebruikt.

Het praktisch resultaat dezer adstringeerende werking bestaat daarin dat de intensiteit van ontstekingsverschijnselen verminderd, zwelling en woekering der cellige weefselelementen gematigd , overmatige slijmafscheiding onderdrukt, exsudaat- en ettervorming tegengegaan wordt.

Adstringeerend kunnen alle stoffen werken die met eiwitachtige en lijmgevende weefseldeelen vaste, in water en sereuse vloei-stoffen onoplosbare verbindingen vormen. Steeds is de adstringeerende werking afhankelijk van de vorming van die verbindingen, aan de oppervlakte der weefsels, in de tusschenzelf-standigheid en de intercellulaire vloeistof. Toch is het onmogelijk de bijzonderheden van die werking nauwkeurig te beschrijven. Evenals men zich voorstelt dat bij ontsteking de weefsels losser worden en vloeistoffen gemakkelijker doorlaten, mag zich van eene adstringeerende werking eene tegenovergestelde voorstelling maken en die als eene verdichting der weefsels beschouwen.

Hoogstwaarschijnlijk is zij dal ook; men moet zich voorstellen dat zij tot stand komt door dat de celligo oryaanelementen en do wanden en monden

-ocr page 195-

177

der verschillende voedingsgaii^eii, stomata, lympliruimten, capillaire bloeden lymphvaten met eene dunne laag van die onoplosbare verbinding worden bedekt, en dat de hierdoor ontstane vernauwing sterk genoog is om eene ziekelijk verhoogde voortbeweging en ophooping van voedingsinateria.il te koeren, maar niet sterk genoog om de normale voeding te bolommeren.

Doze verandering der weefsels gaat aanvankelijk steeds mot eone ontstekingachtige prikkeling gepaard , ook dan als zij niet door het vrijworden van zuren uit de melaalzoiiten wordt ondersteund; immers ook hierbij vindt etsing plaats die slechts, wat hare resultaten betreft, van gewone etsing verschilt. Dit is de reden waarom alle adstringeerende middelen, ook de looizuren die liet minst van alle nevenwerkingen uitoefenen, als zij in groote hoeveelheid of lang achtereen worden aangewend, hevige acute en chronische ontstekingen veroorzaken. Ofschoon gewoonlijk slechts eene geringe prikkeling volgt en deze van korten duur is, moet men zich toch bij zeer acuut verloopondc ontstekingen van adstringeerende middelen onthouden.

Daar de weefselverandering, waarop de werking van adstrin • gentia berust, belet dat deze dieper in de weefsels binnendringen , zoo kan men er slechts bij oppervlakkige aandoeningen resultaten van verwachten en is hunne inwerking op dieper gelegene deelen hoogstens eene indirecte. Daarom zijn vooral chronische katarrhen der slijmvliezen de ziekten waarbij men door adstringeerende middelen therapeutische resultaten verkrijgen kan.

Van de zouten der zware metalen is bij sommige de werking slechts adstringeerend, ais ze niet in groote hoeveelheid worden aangewend. Dit is vooral het geval met basisch azijnzuurlood, waarin de etsende werking van het zwakke en vluchtige zuur onbeteekenend is, terwijl de vaste, moeielijk oplosbare verbinding van loodoxyd met de eiwitachtige weefseleiementen die verdichting van het weefsel in booge mate lot stand doet komen.

Tegenover de adstringeerende metaalzouten staan de meer etsende. Al heeft het metaaloxyd ook eene sterke neiging zich met de stikstofhoüdende weefselbestanddeelen te verbinden, toch zal, als de daardoor gevormde albuminaten week zijn, als de elemen-

12

-ocr page 196-

178

ten waaruit de weefsels bestaan daarbij in zou verre vernietigd worden dat ze niet meer vast samenhangen, als eindelijk ten gevolge van sterkere ontstekingachtige prikkeling zich vloeibare exsudaten afscheiden, do brandkorst uit eene weeke, brijachtige massa bestaan, die gemakkelijk wordt afgestooten en dan geen beletsel tegen liet dieper binnendringen van hot metaalzout vormt. In dit geval is de bijtende werking heftig, zelfs dan als het vrij geworden zuur als zoodanig, daartoe niet medewerkt.

Tot deze etsende metaalverbindingen behoort in de eerste plaats het kwikzilveroxyd, dat eene weeke, niet vast aanliggende brandkorst vormt en niet alleen als hot in den vorm van een zout maar ook als het als oxyd wordt gebruikt zich met eiwit verbinden kan. Kwikoxydzouten werken dus, met uitzondering van het witte praeparaat, niet of slechts zeer weinig adstringeerend.

De andere metaaloxyden kunnen, als men de werking van de daarmee verbonden zuren buiten aanmerking laat, tusschen deze beide metaaloxyden, het adstringeerende loodoxyd en hot bijtende kwikoxyd gerangschikt worden. Het is echter niet mogelijk ze in een bepaalde volgorde te rangschikken, omdat men in de meeste gevallen niet in staat is te bepalen hoeveel van de etsende werking op rekening komt van het metaaloxyd en hoeveel van het daarmee verbonden zuur , te minder omdat vele van die metaaloxyden zich slechts dan met eiwit verbinden als zij zelve met een zuur verbonden zijn en vele ook niet eens zouten vormen met zuren die voor zich niet of slechts zwak etsend werken. Meestal is de werking van hot zuur hoofdzaak en is de intensiteit der etsing deels daarvan, deels van de oplosbaarheid van het metaalzout afhankelijk.

Bovenaan staan in dit opzicht de chloorverbindingen; zijn deze in water oplosbaar dan werken ze van alle normale zouten van hetzelfde metaal het sterkst etsend. Men behoeft om dit te erkennen slechts de werking van kwik-, zink-en ijzerchloried te vergelijken met die van de andere zouten van deze metalen. Bij do chloriden schijnt niet alleen de werking van het MG1 in aanmerking te komen, maar ook die van vrij geworden chloor;

-ocr page 197-

17\'J

immers vond Brijk, na aanwending van zinkchloried, in de brand-korsten organische chloorverbindingen.

Een dorgolijke werking, do vorming van cliloorverbindingon, zij hel ook voel storkei\', volgt bij de etsing met phospliorchloried.

De in water niet of weinig oplosbare chloorverbindingen der zware metalen, b.v. het zilver- en loodchloried en het kwikcliloruur, hebben geene of eene hoogst geringe plaatselijke werking, evenals de broom- en joodverbindingen; slechts kan bij de laatsten, b.v. bij ijzerjoduur, jood vrij worden en op de plaats van aanwending etsend werken.

Kwikjodied werkt, ofschoon in water onoplosbaar, toch sterk bijtend, omdat het evenals kwikoxyd zich met eiwitstoffen kan verbinden.

Het dichtst bij de chloorverbindingen staan , wat intensiteit van werking betreft, de salpeterzure metaalzouten. Omdat het salpeterzuur zilver in water gemakkelijk oplosbaar is, doch het chloorzilver niet, is het eerste van dit metaal het incest werkzame zout. Hetzelfde geldt onder de loodzouten van het lood-nitraat. Bij de nitraten van het kwikzilver komt nog de omstandigheid in aanmerking dat zij zeer gemakkelijk in basische zouten veranderen waardoor salpeterzuur vrij wordt. Zij werken daardoor niet minder bijtend dan kwikchloriod ; slechts is de bijtende werking hier meer oppervlakkig, omdat het vrij geworden .salpeterzuur de eiwitstoffen doet coaguleeren en dit het dieper indringen van het middel bemoeielijkt. Op de nitraten volgen de sulfaten; zwavelzuur zink b.v. werkt veel minder bijtend dan chloorzink.

Bij de zouten met organische zuren hangt de intensiteit der werking hoofdzakelijk van het metaal af. De werking der verschillende metalen zeiven kan men ook het best leeren kennen uit de werking van hunne azijnzure zouten. Voor die van het lood en het kwik geldt het boven reeds aangevoerde: lood-acetaat is een adstringens, kwikacetaat een bijtmiddel. Op het lood volgt het ijzer, dan het zink, het koper, het zilver en het tin, zonder dat evenwel in de werking van de laatste vier metalen veel onderscheid bestaat. Allen staan echter dichter bij het lood dan bij het kwik, dat is: allen werken moer adstringeerend dan bijtend.

12*

-ocr page 198-

180

De waarde voor de therapie van de verschillende metaalzouten ligt niet alleen daarin, dat men door het eene de verschillende graden van etsing door het andere eene min ot\' meer sterke adstringoerende werking kan veroorzaken, maar vooral daarin dat men ook bij het gebruik van een enkel praeparaat beide werkingen in dier voege kan vereenigen, dat eerst etsing met onstoking en vernietiging der weefsels optreedt en daarna eene adstringeerende werking volgt. In dit opzicht verdient van allo metaalzouten het salpeterzuur zilver de voorkeur. Aanvankelijk vernietigt dit de weefsels, welke vernietiging om de op pag. 170 opgegeven redenen oppervlakkig blijft, doch na korten tijd laat zich de adstringeerende werking gelden, die voor een deel dooide vast aangekleefde brandkorst tot stand komt.

Salpeterzuur zilver kan dus met vrucht gebruikt worden bij oppervlakkige chronische ontstekingen, waar de weefsels reeds zoo zijn veranderd dat ze niet meer voor restitutie vatbaar schijnen. Hier moet het zilvernitraat niet alleen de ziekelijk veranderde weel\'seldeelen vernietigen, maar ook in de nog niet zoo sterk ontaarde deelen door prikkeling of adstringeering den voedingstoestand verbeteren.

Dergelijke gecombineerde werkingen als door zilvernitraat, kunnen ook door andere metaalzouten worden teweeggebracht. Het. meest gebruikt men hiertoe het koper- en zinksulfaat. Bij deze middelen, die geen vaste, droge brandkorst vormen, is echter de adstringeerende werking minder krachtig, terwijl de bijtende werking zich tot ontsteking bepaalt.

Met het oog op de therapie kun men de als plaatselijke middelen gebruikte metaalzouten in drie groepen verdeden. De eerste groep omvat de zuivere bijtmiddelen, de tweede die praeparaten die tegelijk bijtend en adstringeerend werken en do derde de zuiver adstringeerende; lot deze laatste groep be-hooren ook de aluminiumzouten. Toch heeft deze verdeeling in groepen daarom minder waarde omdat de aard van de plaatselijke werking niet alleen van het metaalzout zelf maar nog van vele andere omstandigheden afhankelijk is. Tot deze behooren de hoeveelheid, de concentratie, de duur der inwerking, de plaats waar, en de wijze waarop de metaalzouten gebruikt worden.

-ocr page 199-

181

Enkele metaalvcrbinclingen kunnen slechts op die plaatsen van het lichaam werkzaam zijn, waar zij vrije zuren vinden, b.v. in de maag en in de huidklieren. Braakwijnsteen b.v. coa-guleert slechts eiwitstoffen in zure, niet in alkalisch roageerendo oplossingen. In de maag en do huidklieren, waar zure reactie aanwezig is, werkt het dus sterk bijtend, maar die bijtende werking blijlt uit, als het in het onderbuidsch bindweefsel olquot; op wondvlakten wordt aangewend. Tengevolge daarvan ontstaan op de huid geen diiïhse ontstekingen, maar puisten of pokken die do follikcls tot uitgangspunt hebben.

Hot basisch salpeterzure bismuth (magisterium bismuthi) is in water onoplosbaar en daarom onwerkzaam. Zelfs kan men het in groote hoeveelheid zonder nadeel in de maag brengen. Toch meenen sommigen dat hier door liet zure maagsap een weinig van liet zout opgelost wordt en dat dit astringeerend werken zou. In ieder geval moot die werking zeer onbeduidend zijn, daar maagsap met een normaal zuurgehalte slechts sporen van dit metaal/out oplost. Slechts dan als de maag zeer veel zuur bevatte, zou eene zwakke etsende werking kunnen volgen (Bricka).

Van de metaalzouten, die in de geneeskunde liet moest gebruikt worden , bchooren de volgende tot tie zuivere bijtmiddelen.

1. KwiJczilverchloried, Sublimaat.

2. Kwikzilveroxyd, (rood).

3. Ktvikziherjodied en joduur.

4. Zinkchloried.

5. Kaliumavtiinonyltartraat, braakwijnsteen.

(i. Salpeterzuur lurikoxi/dnid.

7. AntinioniumcJdoruur, butyrum antimonii.

8. Tinchloried.

De volgende metaalzouten werken etsend en adstringeerend.

1. [Jzerchloried.

2. Ijzervitriool, zwavelzuur ijzeroxydule.

3. Zwavelzuur koper en zink.

4. Azijnzuur zink.

5. Salpeterzuur zilver.

-ocr page 200-

184

(\'). Loodjodled.

7. Lapis óivinus, gelijke deelen zwavelzuur koper, salpeter en aluin met een weinig kamfer gesmolten.

8. Azijnzuur koper.

9. Loodnitraat.

10. Aethijlziravelzuur lood.

Eindelijk werken de volgende metaalverbindingen hoofdzakelijk adstringeerend.

1. Aluin.

2. Azijnzuur lood.

3. Zlnkoxyd.

4. Kicikzilverpraecipitaat (wit), een mengsel van kwikcliloried en kwikamied.

Metaalzouten worden, als zij tot lagen prijs te verkrijgen zijn, ook wel als desinfecteermiddelen gebruikt. Dit is vooral het geval met het ruwe ferrosulfaat. Men kan daarmede den stank van vele rottende stoffen wegnemen; zwavelwaterstof wordt b.v. door het ijzer en ammoniak door hot zuur gebonden. Om door metaalzouten met zekerheid lagere organismen te vernietigen , moet men ze in groote hoeveelheden gebruiken. Ook met bijtende knik is dat het geval, zoodat do metaalzouten met dit desinfecteermiddel op eene lijn kunnen geplaatst worden.

2. De resorptiewerkingen der metalen.

We hebben reeds medegedeeld (pag. 175) in welken vorm 1 de metalen worden geresorbeerd. AHe metaalverbindingen die / in alkalisch reageerende, eiwithoudende vloeistoffen oplosbaar | zijn, m. a. w. alle in alkalische vochten oplosbare nietaalal-I buminaton, kunnen in hot bloed worden opgenomen omdat zij op de plaats van aanwending niet worden gebonden. Toch is, omdat het diffusievermogen van die colloide stoffen hoogst gering / is, de resorptie eene zeer langzame. De zuren van het arsenicum / en hunne zouten echter, die goed oplosbaar zijn en geen ul-l buminaten vormen, worden snel in den bloedstroom opgenomen.

-ocr page 201-

183

Het moeielijkst volgt de resorptie der metalen van uit de maag. Enkele worden, na toediening per os in \'t geheel niet, ol\' in zoo geringe hoeveelheid gerosorbeerd, dat zelfs na langdurige toediening van geenerlei algemeene werking blijkt; tot deze behooren het mangaan, liet ijzer, kobalt, nikkel, cerium, koper, zink, tin en zilver.

Bij honden bevat de urine na maanden lang voortgezette toediening van mangaandubbelzouten slechts twijfelachtige sporen van dit metaal, dat toch na subcutane inspuiting gemakkelijk door de nier wordt geelimineerd (Kobert); van ijzer en nikkel geldt hetzelfde.

Slechts als de metaalzouten in eens in zoo groote hoeveelheid worden gegeven, dat een acute katarrh van de digestieorganen volgt, kan men ze in de urine terugvinden, wat niet het geval is als deze groote giften langzamerhand opkliimnendewijs worden toegediend, zonder eene acute katarrh te veroorzaken.

Blijkbaar blyfl de katarrh hier uit, omdat do mucosa der maag langzamerhand aan don sterken prikkel gewoon is geworden.

Op dit verhand tusschen katarrh en resorptie is tot nog toe te weinig golet. Do vraag Is hot ook of in vele gevallen , waar na inwendige toediening van metalen doze in rnerkharo hoeveelheden in de pis werden geöliquot; mineerd , de resorptie door eene gezonde mucosa heeft plaats gehad. Feltz en Hittor vonden hij honden in do urine veel koper, nadat ze door het sulfaat of acetaat gastro-enteritis hadden veroorzaakt. Hier kan hot verhand tusschen resorptie en maaglijden moeielijk worden voorhijgozien, daar hij toediening van kleine giften nimmer koper in do pis wordt uitgescheiden.

i Behalve arsenicum zijn vooral kwikzilve^ en lood de metalen waarvan, ook bij inwendige toediening, algemeene werking waargenomen wordt. Het kwik wordt zelfs bij toediening van onoplosbare verbindingen in zoo groote hoeveelheid geresorbeerd, dat gewoonlijk reeds na enkele dagen vergiftigingsverschijnselen volgen en het metaal zoowel in de urine als in de organen van het lichaam kan worden teruggevonden. De werking van het lood volgt langzamer, chronische loodvergiftiging volgt eerst, nadat hot metaal weken of maanden achtereen is toegediend; acute loodvergiftiging volgt slechts na subcutane inspuiting; zelfs na toediening van groote giften per os, worden geene

-ocr page 202-

184

andorc dan vorschijnselen van plaatselijke prikkeling der maag waargenomen.

Ofschoon l)ij den mensch na het innemen van snif. au rat. antimonii antimonium in de urine wordt uitgescheiden (M. Solon. Schilfer), zoo kent men toch geone antimoonvergiftiging, die niet met verschijnselen van gastroenteritis verloopt,.

/IIn het bloed opgenomen metalen worden , met eiwit pf andere organische stoffen verbonden, vooral met do urine doch ook met de gal uitgescheiden; zelfs na subcutane injectie vindt men van het metaal in de gal en de faeces terug. De meening dat ook het slijmvlies van het darmkanaal metalen zou kunnen uitscheiden is, wat hot ijzer betreft, door Quincke\'s onderzoekingen onwaarschijnlijk geworden.

1 Alle metalen veroorzaken bij hunne uitscheiding in de urine, / nierziekte, daarin bestaande dat do epiteelcellen der gewondene / en der rechte piskanaaltjes het metaal opnemen , dan langzamerhand afsterven en voor een deel als epiteelcylinders worden afgestooten, waarna do kanaaltjes zich sluiten. Aanvankelijk blijven de glomeruli gezond , maar later ondergaan die analoge veranderingen. Dergelijke uierontstekingen worden door allerlei bijtende en prikkelende stoffen , die in de urine worden geëlimineerd , veroorzaakt.

1. Arsenicum.

De werking van dit metaal is die van zijne verbindingen met

/ .murstof, bet arsenig- en arson ik/.uur.

Het kakodyloxyd en liet kukodylzuur, waarin het As. met koolstof verbonden is, werken aanvankelijk op eene hun bijzondere wijs, maar nadat langzamerhand dio verbindingen in het lichaam chemisch veranderd en hoogstwaarschijnlijk in een of in beide zuurstofverbindingen omgezet zijn , komt de arsenikwerking voor den dag.

Beide arsenicumzuren veroorzaken bij mc.nschen en zoogdieren heftige op gastro-enteritis gelijkende verschijnselen, die men vroeger voor het. gevolg van etsing der mucosa van maag en

-ocr page 203-

185

daviMkanaal hield. Inderdaad is dan ook arsenigznur, dat bijna uitsluitend bij vergiftigingen in het spel is, een bijtmiddel en wordt hot als zoodanig in de heelkunde, vooral in de tandheelkunde, gebruikt, Maar waar arsenigzuur als bijtmiddel gebruikt wordt, komt de etsing, die misschien slechts op zijne werking als zuur berust, steeds zeer langzaam tot stand. Daarmede is niet in overeenstemming het snelle bijna plotseling ontstaan der maag- en darm verschijnselen bij vergiftigingen. Veel waarschijnlijker is het dan ook dat deze niet het gevolg zijn van plaatselijke inwerking, maar op rekening van de door het middel veroorzaakte belangrijke stoornissen van den bloedsomloop moeten worden gesteld , die daarin bestaan dat de arterieele bloedsdruk zoo sterk daalt dat daarbij geen sprake meer kan zijn van oenen behoorlijken bloedsomloop (Böhm, Untorberger).

O

Men weet nog niet zeker waardoor die bloedsdrukverlaging veroorzaakt wordt. Stellig zijn daarbij vooral do vaten der onderbuiksorganen betrokken. Zij verliezen hunnen tonus, zonder dat de vaatzenuwen zijn verlamd ; immers reflexprikkels en directe prikkeling van liet halsgedeelte van hot ruggemerg doen don bloedsdruk wederom toenemen. Zelfs is dit nog het geval nadat de als stikkingvorschijnsel volgende, door prikkeling dor centra van hot verlengde merg ontstaande toename van de bloedsdrukking weder is voorbijgegaan (Boehm. Pistorius). Eindelijk gelukt het noch door deze middelen, noch door directe prikkeling van den splanchnicus meer , den arterieolen bloedsdruk te verhoogen. Toch roagecren de vaten van het konijnenoor gedurende het gansche verloop eener arsenikvergiftiging normaal na prikkeling van den sympathicus aan den hals (Boehm, Unterborger).

Behalve vaatyerwijding bewerkt arsenicum ook hartverlamming (Brodie, Blake, Sklarek, Cunze), vooral bij kikvorschen, en wol op dezelfde wijs als blauwzuur on emetine dat doen.

Bij zoogdieren treedt de hartverlamming slechts dan op den voorgrond als op eenmaal groot.e hoeveelheden arsenigzuur in het bloed worden gebracht. Maar zelfs bij hevige vergiftiging en Inge bloedsdrukking trekt zich het hart nog zoo krachtig samen, dat het hij compressie van de aorta nog eene belangrijke kracht kan uitoefenen (Boehm, Unterborger).

Do mucosa van het spijsverteringskanaal vertoont tijdens do vergiftiging belangrijke veranderingen, die vooral bestaan in hy-

-ocr page 204-

180

pcraernien 011 bloedingen cn in degeneratie en afsiooting der darmepitelien (Bochm, Pistorius).

I5ij don menscli vindt men aan do mucosa van het darmkanaal hypor-aomiën, bloedingen, ecchyrnoson, zwolling dor Poyersche en der solitaire follikels, exsudaat- on zweervorming.

Bij honden en katten is die mucosa hedekt met pseudonnembranen lt;lie uit vettig ontaarde, in hyalinekogels veranderde of tot huizon uitgetrokken darmepiteliën, uit ronde cellen en detritusmassa samengesteld zijn. Nadat dezo verwijderd zijn hlijkt do oppervlakte der mucosa, tengevolge van sterke capillaire hyperaemie der darmvlokken , eone purperroode kleur te hehben aangenomen.

Dezo veranderingen van het slijmvlies zijn ongetwijfeld het gevolg van de vaatverwijding; men mag aannemen dat de hyperaemie der haarvaten van de darmvlokken tot het uitzweeten cener voor stolling vatbare vloeistof leidt, die do epiteelcellen der vlokken losmaakt en, als zij stolt, daarmede de pseudomem-branon vormt (Boehm, Pistorius).

Gewoonlijk verloopt eene arsenikvergiftiging met hevige maag-en (larmverschijnsclcn cn heeft zij veel overeenkomst met cholera. Soms volgt in zeer snel verloopende gevallen de dood onder coma, delirien en stuipen zonder verschijnselen van maag- en darmaandoening, terwijl ook de obductie geen ziekelijke veranderingen van hot darmslijmvlies doet kennen. In die gevallen moet de dood het gevolg zijn van gestoorden bloedsomloop door de sterke verlaging van den bloedsdruk. Daardoor kunnen de function van de hersenen en van het verlengde merg zoo snel worden verlamd , dat de darmverschijnselen geen tijd hebben om zich te ontwikkelen, ofschoon uit dierproeven gebleken is dat deze na inspuiting in het bloed reeds binnen 40 minuten volledig kunnen zijn ontwikkeld.

Slechts bij subacuut verloopende gevallen van vergiftiging schijnt bij menschen en zoogdieren het arsenicum direct op het centraalzenuwstelsel in te werken en ontstaan daardoor verschijnselen van verlamming.

De chronische vorm der arsenikvergiftiging, die zich na langdurig gebruik van kleine giften ontwikkelt, veroorzaakt allerlei stoor-

-ocr page 205-

187

nissen dor voeding; bovendien voegen zich bij de maag-en darm-verschijnselen , katarrhale ontstekingen van keel en conjunctiva.

Onder die voedingsstoornissen vermelden we in de eerste plaats vetont-aarding van lever, milt, hart en nieren; aan de nieren ontwikkelt zich de reeds beschrevene nephritis. Ook de huid pleegt sterk te lijden. Zij neemt eene cachectische kleur aan, de haren en soms ook de nagels vallen uit, de huid schijnt droog en wordt de zitplaats van uitslagen en zweren die men, omdat ze ook bij mijnarbeiders voorkomen, aan de plaatselijke werking van arsenik-stof toeschrijft. Toch is het waarschijnlijker dat deze verschijnselen, evenals de darmveranderingen, hot gevolg zijn van do gestoorde circulatie. Do hersenverschijnselen bij chronische arsenikvergiftiging bestaan in psychische depressie, hoofdpijn, neuralgiën en allerlei stoornissen van sensibiliteit en motiliteit. Hunne genese is niet met zekerheid te verklaren. Misschien zijn het niet alleen gevolgen van de algenieene stoornissen der voeding, van de anaemic en do vermagering, maar ontstaan zij door een directe wijziging der voeding van het weefsel der hersenen.

Op dezelfde wijs moot het verdwijnen van het glycogeen uit de lever door arsenicum bij dieren worden verklaard (Salkowsky.)

Terwijl arsenicum in \'t algemeen oen ongunstigen invloed uitoefent op den voedingstoestand van bet lichaam en van verschillende doelen daarvan, valt bet niet te ontkennen dat hot in sommige gevallen do voeding van hot lichaam verbetert en in plaats van vermagering, toename van bot lichaamsgewicht doet volgen.

Men weet echter niet onder welke omstandigheden dit plaats hooft. Het z. g. arsonikoton, in Stiermarken gebruikelijk, geschiedt mot de bedoeling om don voodingstoostand en de afzetting van vet te bevorderen en tevens do spierkracht to verboogon. Eveneens wordt arsenicum dikwijls door paardenkoopers gebruikt om bij hunne paarden meer gevulde vormen en oen meer gezonden toestand der huid te verkrijgen.

Daartegenover staat echter de waarneming, dat patienten die geruimon tijd achtereen met kleine giften arsenicum worden behandeld en lijders aan chronisch arsonicismo gewoonlijk vermageren ; proefnemingen op dieren, vooral op konijnen genomen, bobben geleerd dat terwijl krachtige jonge dieren wel eens onder hot gebruik van kleine giften arsenicum vet worden, andere, vooral oudere en zwakkere in don regel vermageren.

Deze proefnemingen mot arsenicum kunnen niet dienen om

-ocr page 206-

188

dit metaal als therapeutisch middel in do praktijk aan te bevelen ten einde vermagering tegen te gaan en patienten te versterken. Evenmin kunnen de voorbeelden van arseniketers daartoe leiden, vooral ook omdat gevallen van plotselingen dood, van onverwachts volgende vergiftiging, bij deze lieden niet zeldzaam zijn.

Pc voeding van het b£enweefsel wordt door arsenicum begunstigd. Gies zag bij jonge konijnen en varkens na toediening van kleine giften arsenicum, dat de beenderen langer en dikker werden, de beenlichaampjes verdwenen, de_ spongieuse been-zelfstandigheid door compacte vervangen werd, doch de Haver-sche kanaaltjes bleven bestaan.

Op die hyperplasie der beenderen berust misschien de toename van het lichaamsgewicht die sommige onderzoekers na arsenikgebruik hebben gevonden; immers als de beenderen langer worden moet dit met do weeke doelen (spieren) ook het geval zijn en is het dus niet to verwonderen dat het lichaamsgewicht toeneemt, maar toch kan hierdoor het dik en vet worden door anderen waargenomen niet worden verklaard.

In hoeverre door toediening van arsenicum de stofwisselingsprocessen eene wijziging ondergaan is niet met zekerheid bekend.

Bij kippen en duiven vonden (quot;!. Schmidt en Stflrawnge de koolzuurnil-scheiding verminderd, en bij katten de ureumsecretie afgenomen. Wat de ureumuitscheiding betreft, verkregen Lolliot bij menschen en honden en Weiske bij schapen hetzelfde resultaat en zagen Ritter en Vaudry bij menschen, die aan kunstmatige chronische arsenikvergiftiging leden, de ureum-productie verminderen, die van piszuur vermeerderen.

Daartegenover vond van Boeck bij hongerlijdende honden na toediening van kleine niet giftige doses arsenigzuur geene wijziging der ureumsecretie en gelukte het mij evenmin die bij een in stikstofevenwicht verkeerenden hond te vinden.

Doch Gaethgens en Kossel zagen na grootere gitten (10 mgr. per kilo lichaamsgewicht) de stikstofuitscheiding toenemen, terwijl deze weder afnam als niet de toediening van arsenicum werd opgehouden.

De lichaamstemperatuur werd bij menschen en dieren subnormaal gevonden (Vaudrey, Gunze, Lolliot).

Uit deze onderzoekingen blijkt dat evenals bij andere stoffen, die gezegd worden do stofwisseling te wijzigen, cbinine, alkaliën enz., de resultaten zeer uiteenloopen. Ook hier blijkt dus

-ocr page 207-

18\'J

weer dat terwijl men als zeker mag aaimomen dat arsenicum invloed heeft op de stofwisseling, die invloed even goed eene toename als eene afname kan veroorzaken. In het eene geval kan misschien de vaat verwijding, in het andere eene directe inwerking van het gif op sommige organen, waardoor de stofwisseling plaatselijk gewijzigd wordt, de den doorslag gevende factor zijn. Maar hier moeten we ons bepalen tot gissingen. Want we kennen evenmin den invloed dien zoodanige vaatver-wijding op den voedingstoestand der enkele weefsels en organen hebben kan, als we iets naders omtrent een directen invloed van het arsenicum op sommige organen weten. Alleen mogen we aannemen dat de bloedovervulling der digestieorga-nen, ook dan als zij niet tot ontaardingen van het slijmvlies leidt, met gestoorde functie daarvan gepaard moet gaan, waardoor de assimilatie van het voedsel gestoord en de hoeveelheid geresorbeerd materiaal verminderd moet worden, wat natuurlijk tot afname van de stikstof-en koolzuuruitscheiding leiden moet.

Aangezien dus ons begrip van de arsenikwerking nog zeer nevelachtig is, kan er niet aan gedaclil worden rationeele indicaties voor de therapeutische toediening te stellen. Ook de empirische indicaties daartoe zijn zeer onbepaald. Men gebruikt arsenicum bij intermittens, nl. als chinine in den steek laat, bij neuralgien en neurosen, bij sommige vormen van huidlijden vooral psoriasis, en eindelijk bij kwaadaardige iyinpbomen. In sommige gevallen is het niet te loochenen dat het middel gunstige resultaten gaf. Toch mag ook bij deze ziektetoestanden hel gevaar, dat de digestie door arsenicum gestoord worden en chronische vergiftiging volgen zal, niet uit het oog worden verloren.

Die therapeutische resultaten kunnen vooralsnog niet worden verklaard. Toch mag men aannemen dat wijziging van de stofwisseling en van de voeding, misschien slechts van enkele organen, daarbij in hot spel is. Niet onwaarschijnlijk is het bv. dat de vaten der huid, evenals die van hel darmkanaal, eene dergelijke, zij het ook geringere verwijding ondergaan en de voeding van dit orgaan door de daardoor gewijzigde bloedsomloop nu

-ocr page 208-

190

eens verbeterd dan eens, zooals bij chronische vergiftiging het geval is, benadeeld wordt.

De werking van arsenicum bij intermittens kiin moeielijk aan antisepsis worden toegeschreven; immers is het rottingwerend vermogen van arsenicum gering, al wordt het dan ook als con-serveeringsmiddel vooral daarom gebruikt, omdat het een krachtig git\' is voor wormen en insekten. De antitypische werking van het middel, die ook vooral bij typisch verloopende neuraigien te voorschijn treedt, kunnen wij dus niet verklaren.

1. Arseni(izuu)\\ rattekruid, witte amorphe brokjes of ook kristallen moeielijk in water oplosbaar. Giften 5! mgr; per dag tot 10! mgr.; om te etsen, als Gosme\'s poeder met 3—4 d. dierlijke kool en met gomslijm tot eene pasta gemengd.

2. Solufio arsenicalis Foivleri. 1 d. acid. arsenicos. 1 d. kalium-carbonaat met 4 d. lavendelspiritus en met water tot 90\' d. verdund; zij bevat dus een negentigste arsenigznur. Giften 50— 500! mgr; per dag 1—iü! gr.

2. Antimonium.

Do werking van antimonium zooals die bij dieren na injectie van zijne dubbelzouten, vooral van tartarus emeticus in het bloed of onder de huid tot stand komt, heeft zeer veel overeenkomst met die van arsenicum. Vooral openbaart zich die overeenkomst in werking in eene sterke afname van do bloedsdrukking in de arteriën , het gevolg van vaatverwijding. Daarbij verliezen de vaat-zenuwen langzamerhand hare prikkelbaarheid maar blijft het hart vrij krachtig arbeiden, zoodat door compressie van de aorta en door digitalis de bloedsdruk nog belangrijk stijgen kan.

Hij eun v.cor snel verloop volgt door de gestoorde bloedsomloop de dood ouder krampen. Hij honden volgt behalve braking ook heftige en bloedige diarrhee. Bij kikvorschen wordt dadelijk het hart verlamd, eerst zijne motorische zenuwen en daarna ook de hartspier zelve; terzelfder wordt ook het centraalzenuwstelsel verlamd. De spieren van den romp worden door antimonium slechts vermoeid, niet verlamd.

-ocr page 209-

191

Eerst bij toediening van antimoonzouton door de maag treedt hot verschil in werking met arsenicum meer op den voorgrond, j Antimoon veroorzaakt in kleine giften slechts braking, in groote tovcns-ïilsiTig dor maag, terwijl bij arsonicuin do otsing ui!gt; blijl\'t en de braking weldra door darmverschijnselen wordt gevolgd. Dit verschil in werking tusschen beide metalen berust uitsluitend op de resorbeerbaarheid; terwijl do zuurstofverbindingen van het arsenicum zeer gemakkelijk worden goresor-beord, geschiedt dit met de zouten van antimoonoxyd zeer moeiolijk. Zelfs als deze laatste direct in het bloed worden ingespoten duurt hot, als niet zeer groote giften gebruikt zijn, altijd eenige uren voor zich de vergiftigingsverschijnselen vertoonon, zoodat ook de overgang van dit vergif uit het bloed in do weefsels slechts zeer langzaam schijnt te volgen. Terwijl arsenicum, ook in kleine giften toegediend, zeer snel geresorbeord en in hel lichaam verdeeld wordt, blijft antimonium lang in de maag terug, waar het do centripetaal geleidende zenuwen in het slijmvlies prikkelt en reflectoir braking veroorzaakt.

Dat de braking door antimoonzouton op deze wijs tot stand komt en niet het gevolg is eener centrale prikkeling, blijkt ook uit het feit dat men om door onderhuidscho inspuiting braking te verwokken veel grootere doses moot gebruiken en hot braken ook veel langer op zich laat wachten dan bij inwendige toediening. Het antimonium moet hier eerst op hot slijmvlies der maag worden uitgescheiden voor hot braking kan opwekken. Dat hier de braking werkelijk eeno eliminatieworking is blijkt uit het aanwezig zijn van antimonium in het braaksel.

Do braking door antimoonzouton opgewekt ploegt gepaard te gaan mot sterken collapsus, waarbij de lichaamstemperatuur belangrijk kan dalen. Deze collapsus is vooral het gevolg van do daling dor bloedsdrukking en van do afname van de kracht dor willekeurige spieren.

Als reaorpUeverschijnselen van antimonium, die ook na langdurige toediening van kleine giften worden waargenomen, kennen wij vol metamorphose van lover, hart en andere organen.

-ocr page 210-

()(gt;k zag men bij liongoi\'lijdoiulo dieren do eiwitom/.etting toeneuion (Gaehtgens).

Therapeutisch kunnen de antimoonzouten inwendig toegediend slechts gebruikt worden als braakmiddelen en als expectoreerende middelen, evenals apumorphine en emetine. Alles wat hieromtrent voor emetine is medegedeeld geldt ook voor tartarus eme-ticus, thans het eenige antimoonzout dat nog dikwijls gebruikt wordt. Slecht dan als men tot bevordering der expectoratie lang achtereen eene zwakke nausea wil doen optreden, verdient goud-zwavel misschien de voorkeur boven tartarus emeticus, omdat het onoplosbaar is en dus minder heftig eu langduriger werkt.

Over de plaatselijk prikkelende werking van tartarus emeticus is op pag. 181 reeds gesproken.

1. Tartarus emeticus, kaliumanthnonyltartraat, in 17 d. water oplosbaar; als braakmiddel is de gift 100—130! mgr.; per dag tot (iOO! mgr.; als expectoreerend middel 5—20 mgr. in oplossing.

2. Vinum stibiatum, braakwijn, 1 d. tart. emet op 240 d. Spaan-schen wijn; als braakmiddel is de gift bij kinderen alle 10—15 minuten een theelepel, als expectoreerend middel 10—40 droppels.

3. Unguentum Auteurietliii, pokzalf, 1 d. tart. emet. op G d. reuzel.

4. Sulphidum stihicum, sulfur auraturn antimonii, goudzwavel. Giften als expectorans 30—200 mgr. in poeders.

5. Kermes minerale, zwavelstibknn met antimonyl, obsoleet.

3. Het kwikzilver.

Kwik kan slechts worden geresorbeerd als het met eiwit ol andere stikstof houdende stoffen in oplosbaren vorm verbonden is. Wil men de plaatselijke etsing vermijden, dan kan men die verbindingen vooraf doen bereiden; anders vormen zij zich op die plaatsen van het lichaam waar het kwik wordt aangewend. Voor subcutane injectie zijn de in alkalische vochten oplosbare verbindingen van kwikoxyd met peptenen ol met de aiuiden en amidozuren der vetreeks, b.v. met acetamied, glykokol, aspara-gine enz. , bijzonder geschikt.

-ocr page 211-

193

Door de op pag. 178 vermelde eigenaardige inwerking van kwikoxyd op eiwitstoffen kunnen ook geheel onoplosbare kwikverbindingen worden geresorbcerd. Dit is vooral hol geval met kalomel, dat noch in de maag iu sublimaat, noch in het darmkanaal in kvvikoxyduul wordt omgezet, maar, zij het ook slechts voor een klein deel, door eiwitstoffen wordt opgelost (Buchheim en v. Oettingen). Dit kan ook door pepsine geschieden (Tuson) zonder dat daarbij fermentwerking in het spel is. De oplossing van calomel volgt zelfs in het onderhuidsch bindweefsel; immers werd in de etter van een absces door subcutane injectie van calomel veroorzaakt, eene opgeloste kwikverbinding gevonden (R. Bellini).

De werking van kwikzilver volgt ook bij de zg. smeerkuur, waarbij kwikzalf methodisch in de huid wordt ingewreven.

üvei\' de wijze waarop hierbij het kwik wordt geresorbeerd, is veel ge-schreven zonder dat die nog als uitgemaakt kan worden beschouwd.

Sommigen meenen dat hot kwik, voor een doel als vetzuui\'kwikoxyduul in de zalf aanwezig, in dezen vorm door do huidfollikels wordt geresorbeerd, eene meening die echter onhoudbaar geworden is nadat experimenteel is aangetoond dat ook bij bot inwrijven eener zalf, die geen spoor kwikoxyduul bevat, dus uit zuiver kwik en reuzel bestaat, kwikzilver geresorbeerd wordt.

Anderen meenen dat bot op de huid ingewreven kwik daarop langzamerhand verdampt, zoodat de lijder in eene atmosfeer van kwikdamp levende, deze door de longen opneemt, eene meening die niet geheel onwaarschijnlijk wordt door de waarneming dat soms bij patienten, die op dezelfde ziekenzaal naast een met de smeerkuur behandelden lijder verpleegd worden, salivatie ontstaat, ofschoon aan deze patiënten zclven geon kwik was toegediend.

Eindelijk meenen velen dat het kwik als zoodanig, of in dampvorm, of in kleine bolletjes, de huid binnendringt en hier of in het bloed in eene oplosbare kwikverbinding wordt omgezet. Sommigen willen dan ook bij smeerkuren bij dieren kwikbolletjes in de huid en het onderhuidsch celweefsel hebben teruggevonden, wat echter aan andere onderzoekers mislukte.

Kwikzilver veroorzaakt eene sterke daling van de bloedsdruk-king, die voor een deel hot gevolg is van verlamming en verwijding der arteriën. Tot die daling van de bloedsdrnkking draagt ook verlamming van liet hart bij, die hier veel meer op den

13

-ocr page 212-

194

voorgrond treedt dan bij vergiftiging met arsenicum of antimo-nium het geval is. Na injectie in het bloed van groote giften der verbindingen van kwikoxyd met amidozuren, sterven dieren aan hartverlamming.

Bij dieren veroorzaakt kwikzilver acute ontsteking van het darmkanaal, met tenesmi en waterige of bloedige diarrhea; deze is niet het gevolg van plaatselijke etsing, daar zij ook wordt waargenomen na uitwendige toediening van kwikbereidingen. Bij langdurige toediening van kleinere giften ontstaan, vooral in do dikke darm hyperaemie, haemorrhagische ontvellingen en diph-theritische zweren. Ook bij menschen volgen bij acuut mercu-rialisme maagcatarrh, koliekpijnen, gewone of bloedige diar-rhcen en op dyssenterie gelijkende veranderingen van het darmslijmvlies. Diezelfde darmverschijnselen volgen soms bij de smeerkuur (Brandis).

Do toediening van kleine giften kwikmetaal, van kwikbromuur en vooral van niet te kleine giften calomel veroorzaakt vermeerderden stoelgang en diarrhee, zonder plaatselijke veranderingen van het slijmvlies. Waarschijnlijk berust dit op prikkeling van motorische darmganglien door eene in het darmkanaal gevormde oplosbare kwikverbinding. Dat deze zich vormen moet, blijkt uit de na voortgezette toediening van kleine giften calomel spoedig volgende salivatie. In elk geval is de werking van grootere pur-geerende giften eene lokale en verdient calomel vooral daar, waar het darmkanaal zelf ziek is en iedere prikkeling van het slijmvlies moet worden vermeden, de voorkeur boven andere purgeermiddelen. Die voorkeur verdient het bovendien nog om eene andere reden. Uit proeven van Wassilieff is gebleken dat bij kunstmatige pancreasdigestie calomel de rotting belet, maar geenerlei invloed uitoefent op de werking der digestiefermenten. Het is dus een desinfecteermiddel voor het darmkanaal en vooral daar aangewezen, waar. zooals bij typhus abdominalis of diarrliee van kleine kinderen, infectieuse processen in liet darmkanaal zelf ziekteoorzaak zijn. De door calomel veroorzaakte stoelgangen plegen eene eigenaardige groene kleur te hebben die men vroeger aan vermeerderde galsecretie toeschreef. Men vond

-ocr page 213-

195

echter bij dieren met gal fis to Is na toediening van calomel de galafscheiding niet vermeerderd, en is na Wassilieffs proeven ook in staat dit verschijnsel beter to verklaren. De groene kleur der i\'aeces moet toch worden toegeschreven aan hot ontbreken van do in liet darmkanaal anders plaatshebbende rotting, zoodat de gal, die in physiologischen toestand daardoor veranderingen ondergaat, bij toediening van calomel in verschen, onverandorden toestand met de faeces wordt geëlimineerd.

Kwikzilverbereidingcn bezitten eeno eigenaardige werking op de mondholte. Allereerst neemt toch de afscheiding van speeksel sterk toe en ontstaat speekselvloed, die soms zeer sterk is. Waarschijnlijk ontstaat deze door bemiddeling der speeksel-zenuwen, ton minste het gelukt soms die salivatie door atropine te onderdrukken. Wordt de toediening van kwik niet gestaakt dan volgt gewoonlijk stomatitis met een zoor onaangenamen stank, die dikwijls tot zworen van het slijmvlies en van het tandvloesch, tot nekrotische vernietiging der weeko doelen en van do beenderen, en tot het uitvallen der lander leidt. Gewoonlijk zijn daarbij do spoeksolklieren gezwollen. Hoe die plaatselijke veranderingen ontstaan is niet met zekerheid bekend, doch misschien zijn zij wol hot gevolg van oene plaatselijke werking van hol in de socreta dor mondholte uitgescheiden kwik. Evenals op do mucosa dor digestieorganen ontstaan ook op do uitwendige huid dikwijls, ook bij inwendige toediening, roseola, exanthomon en ekzomen; de laatston vooral na inwrijving van kwikzalf.

Bij langdurige toediening wordt ook bij monschen hot con-traalzonuwstolsol aangedaan. Tot de gewone verschijnselen daarvan behoort het kwikbeven, dat tot paralysis agitans klimmen kan; verder hot zg. erethismus morcurialis, een toestand van sterk verhoogde psychische prikkelbaarheid , met schrikachtigheid, verlegenheid, slapeloosheid, hoofdpijn on hartklopping gepaard, en eindelijk velerlei neuralgiën vooral in do nabijheid der gewrichten.

Deze hei\'senvoi\'seliijnselen komen bij dieren minder slerk Le voorschijn en bepalen zich tol beven en schrikachtiglieid.

13*

-ocr page 214-

196

Uit deze werkingen van kwikzilver kan zijne therapeutische beteekenis niet worden afgeleid, want men is er in de praktijk juist op uit al die kwikverschijnselen, zelfs liet eerst optredende daarvan de salivatie, te vermijden.

Ofschoon de vraag, of het kwikzilver een goed geneesmiddel is bij syphilis, nog niet met zekerheid is uitgemaakt, valt het niet te ontkennen dat verschijnselen van secundaire syphilis , harde sjankers, condylomata, huid- en slijnivliesaandoeningen onder kwikbehandeling sneller plegen te verdwijnen dan waar geen kwik wordt toegediend, al is deze behandeling ook niet in staat recidieve der ziekte te voorkomen.

Men kan zich voorstellen dat het toegediende kwikzilver hier de specifieke smetstof vernietigt, met andere woorden dat het kwik hier als antisepticum werkt. Hel recidiveeren na kwik-kuren zou desnoods met deze voorstelling in overeenstemming kunnen worden gebracht, daar immers ook de malariasmetstof nadat de koorts door chinine is gecoupeerd, zonder opnieuw gevolgde infectie, tot recidiven kan aanleiding geven en dus evenmin geheel, maar slechts voor hot grootste deel, vernietigd kan zijn. Toch is deze voorstelling, vooral bij het weinige dat wij omtrent de syphilissmetstof nog weten, eene hypothetische.

Ditzelfde geldt echter van de andere meening, dat kwikzilver de syphilitische producten zou doen verdwijnen, door de stofwisseling te wijzigen. Daar kwikzilver bij inwendige toediening niet als zoodanig maar als organische verbinding wordt ge-resorbeerd, kan men moeielijk met Voit aannemen dat syphilitische producten zooals bv. condylomata zouden verdwijnen omdat het kwik zich bij voorkeur mot daarin aanwezige eiwitstoffen zou verbinden. Bovendien is het niet gebleken dat do toediening van dit metaal eenigon invloed op de stofwisseling zoude hebben, v. Boock vond zelfs dat bij een aan syphilis lijdenden man, die met eene bepaalde voeding in evenwicht ver-koorde, door eene smeerkuur de omzetting van eiwit noch vermeerderd noch verminderd werd, waaruit volgt dat de vermagering en anaemic, die men bij vele met kwik behandelde

-ocr page 215-

197

patiënten ziet volgen , niet het gevolg is van liet kwikgebrnik zelf, maar van daardoor veroorzaakte lokale aandoeningen, salivatie, maag- darmkatarrh e. a. Evenmin kan de waarneming van Schlesinger e. a., dat bij toediening van zeer kleine kwikdoses soms bij menschen en dieren het lichaamsgewicht en hot aantal roode bloedcellen toeneemt, leiden lol eene verklaring van de werking van dit, metaal. Alleen mogen we hierin een analogon zien van dezelfde, soms door kleine giften arsenicum volgende, verbetering van voeding en stofwisseling.

Behalve hij syphilis wordt kwikzilver, vooral kwikzalf, in do praktijk gebruikt hij ontstekingen van sereuse vliezen, van klieren en van het onder-huidsch celweefsel; het resultaat daarvan is echter problematisch.

Vroeger behandelde men bijna alle acute infectieziekten met kwikpraeparaten. in laturen tijd werd kwik alleen nog door Traube, Spiegelberg en anderen met gunstig gevolg gebruikt bij puer-peraalkoortsen. Indien kwikzonten hier werkelijk heilzaam werken, zou de verklaring misschien kunnen worden gezocht in hunne antiseptische werking; kwikchloried is toch het sterkste bekende antisepticum. Moge nu al de hoeveelheid van dit middel die men aan menschen kan toedienen, ontoereikend zijn om een zoo groot gehalte van het bloed, als tot vernietiging daarin van organismen zou noodig zijn, te verkrijgen, toch beslaat de mogelijkheid dat een geringer gehalte van deze slerk antiseptische stof bacteriën, die binnen het lichaam een struggle for life voeren met de levensprocessen, zou kunnen schaden. Tot nog toe hebben echter proefnemingen, waar men dieren opzettelijk infecteerde en gelijktijdig kwikchloried toediende, lot geen resultaat geleid.

Als gevolgen van kwiktoediening worden vetinelamorphosen van verschillende organen en soms bij menschen diabetes waargenomen; deze laatste kan bij konijnen en honden door sub-culane inspuitingen van sublimaat worden opgewekt.

Eindelijk worden bij menschen en dieren na het gebruik van kwikmiddelen dikwijls kalkconcrementen in de nieren aangetroffen , die hel gevolg schijnen te zijn van ontkalking der beenderen.

Kwik wordt vooral mei de pis, de gal en de faeces uit het lichaam geëlimineerd. De uitscheiding geschiedt echter zeer lang-

-ocr page 216-

198

zanni on ongeregeld; volgens nieuwere onderzoekers (Vajda en Pasclikis) wordt die niel, zooals men vroeger meendo, door hel gebruik van joodkalium bevorderd.

Van groot belang is de keus van een geschikt praeparaat, die zich vooral regelen moet naar de plaats van aanwending. Voor inwendig gebruik is calomel hot beste, doch dit middel wordt zeer langzaam on onvolkomen geresorboerd on geeft dikwijls aanleiding tot hot ontstaan van maag- en darmlijden, diarrhee. Voorsub-cutano inspuitingen gebruikt men het liefst amied-amido- en pep-toon verbindingen van kwikoxyd, die mon bereiden kan door behandeling van die stikstofhoudende stoffen met sublimaat en neu-traliseeron met natriumcarbonaat. Ook is in den laatsten tijd kwik-formamied voor dit doel aanbevolen. Voor subcutane injecties is kwikchloried zelf niet te gebruiken, niet alleen om zijne plaatselijk prikkelende werking, maar ook omdat bij dierproeven gebleken is dat daardoor dikwijls albuminurie en de op pag. 184 beschrevene nierontstoking volgen. Do mogelijkheid dat dio nieraandooning ook volgt na subcutane inspuitingen van niet-pnkkelondc kwikpraoparaten is natuurlijk niet uitgesloten.

Voor epidermatische aanwending is de bekende smeerkuur aan te bevelen, vooral daar waar men zooveel mogelijk digestio-stoornissen wil vermijden. Ook behoeft men van eeno smeerkuur niet, zooals misschien van subcutane inspuitingen, het ontstaan van nierlijden te vreezen. Hoogstens werd, onder oene smeerkuur, eene voorbijgaande albuminurie waargenomen (Für-bringer).

Do andore hieronder opgenoemde kwikpraoparaten zijn, voor zoover ze niet als plaatselijke etsmiddelen worden gebezigd, overbodig.

1. Hydrargyrum, kwik, dient tol bereiding van kwikzalf, is oen bestanddeel dor blauwe pillen dor Engolschen en wordt soms eollopelsgewijs toegediend bij ileus ten einde of door zijne zwaarte don doorgang te herstellen of sterke peristaltische beweging op te wekkon.

2. Uitc/iieiit. hydraryyri s. Ncapoiitainnii, kwikzalf, 1 d. kwik, 1 d. oude kwikzalf, 7 d. reuzel.

-ocr page 217-

199

3. Chloretum hydruryyrosum, kwikchloruui\', calomel, eon witachtig in water onoplosbaar poeder. Giften, als purgeermiddel 100—500 mgr., bij kinderen 10—20 mgr. eeiiK of tweemalen achtereen. Calomel mag niet gelijktijdig met alkaliën of met brom- of jodiden worden gebruikt.

4. Chloretum lu/driin/yricimi, kwikchloried, sublimaat, in water moeielijk oplosbare kristallen, (kiften 5—1(5! mgr.; per dag tot 65! mgr.

5. Jodctum hydraryyrosuin, kwikjoduur, een geel, amorph poeder. Giften tot 50! mgr.; per dag tot 200! mgr.

(5. Jodeinm hydraryyricnm, kwikjodide, een rood in water onoplosbaar poeder. Giften tot 30! mgr.; per dag tot 100! mgr.

7. O.rydnm liydrargyricinn, kwikoxyde, rood kwikpraecipitaat verkregen door de verhitting van salpetemmrkwik; het dient tot bereiding van

8. UiignciitiiM oxydi liyclraryyri, roode praecipitaatzalf, 1 d. op 32 d. reuzel. Het gele kwikoxyd wordt verkregen door kwikchloride met natronloog te praecipiteeren.

9. Chloretum et amididmn hydran/yrirum, wit kwikpraecipitaat, oen wit in water onoplosbaar poeder dienende tot de bereiding van

10. Unyuenlmn prueeipiitdi alhi, 1 d. op Ki d. reuzel.

Tol de verouderde kwikbereidingen behooren nog :

11. Nitrus hydraryyroso-awmonirus hasiciis, morcurius solubilis Hahnemanni, een zwart, zeer lijn poeder verkregen door sal-peteiv,uurkwik mot ammonia te praecipiteeren.

12. Sidphurctum hydrargyricnm et sulj)hiir, kwiknioor, aothiops mineralis. Tot do nieuwste:

13. Hydrargyrum formmnidatum dat in oplossing van 1 , ^ a 1 spuitje per dag , subcutaan wordt ingespoten.

4. Het ij z e r.

IJzor is het eenige zware metaal dat tot do physiologische bostanddeolen van liet lichaam behoort en bij voortgezette in-

-ocr page 218-

V 200

\\vcnrlip:o toediening geen vergiftigingsverschijnselen veroorzaakt. Toch heeft het in pharmacologisch opzicht in zooverre overeenkomst niet de andere zware metalen, dat het bij directe in-spuiting in het bloed zeer giftig werkt. Het veroorzaakt dan namelijk eene sterke daling van de bloedsdrnkking, waardoor de bloedsomloop en de gaswisseling van het bloed sterk afnemen; verder dezelfde darm verschijnselen die ook door arsenicum en antimonium worden veroorzaakt en eindelijk ook verlamming van het centraalzenuwstelsel en van de willekeurige bewegingen.

Geen van die werkingen van het ijzer wordt waargenomen als dit in een of anderen niet plaatselijk prikkelenden vorm inwendig wordt toegediend. Niet zoo onschuldig is echter de subcutane toediening: immers heeft men na onderhuidsche inspuiting van alkalisch reageerende , het bloed niet conguleerende ijzermiddelen de op pag. 184 beschreven nierontsteking zien volgen. Bij die inspuitingen wordt liet ijzer/out spoedig geresorbeerd en ook zeer spoedig als zoodanig door de nieren geëlimineerd, terwijl het in de urine door zwavelammonium kan worden aangetoond. In physiologischen toestand bevat de pis ook steeds een geringe hoeveelheid ijzer (10 mgr. daags) doch dit ijzer is daarin aanwezig in eene organische verbinding waarin liet door de gewone reagentia, dus ook door zwavelamnioniuin, niet kan worden aangetoond.

Behalve in de pis vindt men in physiologischen toestand in de gul geregeld eene ijzorvorbinding. Het verlies aan ijzer door pis en gal bedraagt echter steeds minder dan in het voedsel, waarin per dag gemiddeld GO—90 mgr. ijzer aanwezig is, wordt opgenomen.

Na inwendige toediening van ijzer ondergaat het ijzergehalte der urine slechts eene onbeduidende vermeerdering, terwijl de enkele milligrammen waarmede de in de urine uitgescheiden hoeveelheid toeneemt in organische verbinding daarin voorkomen en niet door zwavelammonium kunnen worden aangetoond. Bijna al_ het toegediende ijzer vindt men echter in de faeces terug\', onverschillig of de toegediende gift groot of klein was.

-ocr page 219-

201

Daar ijzer bij ondcrhuidsche inspuiting snol cn in groote lioo-vcclhoid in de urine wordt geëlimineerd, doch bij inwendige toediening in do faeces wordt uitgescheiden, ligt het vermoeden voor de hand dat hot in hot laatste geval cl\' in het geheel niet ol\' slechts in onbeduidende hoeveelheid geresorbeerd wordt. Daar men in dat laatste geval niet aan oene resorptiewerking van ijzer zou kunnen gelooven, heeft deze kwestie tot zeer veel geschrijf aanleiding gegeven.

Do meeste pharmacologen nomen aan dat het ijzer in grooto hoeveelheid uit de maag en hot darmkanaal wordt geresorbeerd, doch daarna zeer snel met do gal en de andere spijsvertorings-vochten wederom in het darmkanaal wordt geëlimineerd. Die meening is experimenteel niet behoorlijk bewezen , maar vindt slechts ingang omdat men zich anders de gunstige werking, die bij ebloroso van de toediening van ijzermiddelen wordt waargenomen, niet zou kunnen verklaren. Zij zou echter slechts bewezen kunnen worden door het constateeren van die eliminatie bij een galflstelhoud. Bij gebrek aan dit bewijs beroept men zich gewoonlijk op de proeven van Wild, die bij schapen, welke met hooi van een bekend ijzergehalte gevoed werden, in do vor-schillonde afdeelingen van hot darmkanaal des te meer ijzer aantoonde, naarmate die verder van de maag verwijderd zijn. Men ziet echter voorbij dat die proeven niet voel meer bewijzen kunnen dan dat ijzer tot de moeilijk resorbeerbare bestanddeelen van den darminhoud behoort.

Andere pharmacologen echter, die meer gewicht hechten aan de bijna volledige eliminatie van het toegediende ijzer met de faeces en de ten behoeve der praktijk gemaakte theorie voor geheel onbewezen houden, nemen aan dat het in \'t geheel niet geresorbeerd wordt en dus tot de overbodige geneesmiddelen behoort, te meer omdat de spijzen gewoonlijk eene grootere hoeveelheid ijzer bevatten dan tot vorming van bloedlichaampjes vereischt wordt. Zij bevinden zich echter tegenover de gunstige resultaten, die vele praktici van de toediening van ijzermiddeien bij chlorose hebben waargenomen, in groote verlegenheid. Geen wonder dan ook dat zij die resultaten trachten toe te schrijven

-ocr page 220-

aan de krachtige voeding die gewoonlijk nevens ijzer bij chlorose wordt voorgeschreven, of, /.oonls Schmiedeborg doet, die op zeer gezochte wijs willen verklaren. Schiniedeherg toch schrijft do gunstige werking van ijzermiddelen bij chlorose loe aan de ad-stringeerende plaatselijke working op de maag. Bij chlorose, waar gewoonlijk do digestie gestoord is, bestaat de mogelijkheid dat een adstringeerend middel een gunstigen invloed op het maagslijmvlies uitoefent en de voeding verbetert, en slechts in dat geval zou volgons Schmiedeborg ijzer gunstig werken. Dio verklaring is vooral daarom gezocht omdat de kans, dat door ijzer de diges-tiestoornis nog loenecnil, nog grooter is, te meer omdat ijzer-zouten de pepsinewerking belemmeren.

Men zou dus verstandiger doen tegenover do werking van ijzerbereidingen oene afwachtende houding aan to nemen, ware het niet dat dozer dagen door Bum go oene betere verklaring van do working en rosorptie van ijzer gegeven is.

Bunge vond dat onze voedingsmiddelen geen vrij ijzer bevatten maar eene organische ijzerverbinding die hij haemotogcen noemt. Dozo verbinding zou in het darmkanaal worden goresor-beerd, wat mot vrije ijzerzouten niet het geval is. Doch het gevaar dat in hot darmkanaal dit haomotogoon ontleed wordt en daaruit eene niet resorbeerbare ijzerverbinding wordt afgesplitst is groot, dos te grooter naarmate in het darmkanaal, zooals gewoonlijk bij lijderesson aan chlorose het geval is, abnorme gistingsprocessen plaats vinden. Do toediening van ijzerbereidingen bij chlorose zou nu in staal zijn do afsplitsing van het ijzer uit het baematogoon te beletten. Dit zou ook do reden zijn waarom, terwijl toch tot vorming van bloedlichaampjes altijd maar weinig ijzer noodig is, groote giften daarvan bij chlorose beter werken dan kleine.

Die omzeiling van haemalogeen zou vooral kunnen volgen lt;loor zwavel-alkaliën. Door afscheiding van een aan zoulzuur arm maagsap wordl de maaginhoud niel behoorlijk gedesinfecteerd en kan in hel darmkanaal boter-zuurgisling volgen, waarbij zwavelalkaliën uit zwavelzure zouten worden gereduceerd. In overeenstemming hiermede zou de bewering van Zander zijn , dat bij chlorose door toediening van zoutzuur nog betere resultaten worden verkregen dan dooi\' behandeling mei marlialia.

-ocr page 221-

203

Do ervaring hoeft geloerd dat bij chlorose door toediening van ijzerbereidingen do toestand snel kan verbeteren, terwijl uit do proefnemingen van Andral en Gavarret gebleken is dat daardoor het aantal roode bloedlichaampjes en het haemoglobine-gehalte van het bloed in korten tijd belangrijk kan toenemen. Dat daartoe de eiwitrijke voeding, die gewoonlijk wordt voorgeschreven , medewerkt kan niet betwijfeld worden.

Na bloedverlies is de werking van ijzer minder in het oog vallend; immers is het gebleken dat de gevolgen daarvan in korten tijd kunnen verdwijnen, ook zonder dat ijzer wordt toegediend. Do betrekkelijk groote hoeveelheid ijzer (haematogeon) in het voedsel aanwezig en het ontbreken van digestiestoornissen verklaart dit genoegzaam. Dat ijzermiddelen gunstig zouden werken bij anaemic en zwaktetoestanden door chronische ziekten veroorzaakt is niet gebleken. Rationeel zou de toediening, op grond van Bunges theorie, genoemd kunnen worden waar deze met digestiestoornissen gepaard gaan, ware het niet dat ijzerzouten als zoodanig zelve de digestie kunnen storen en dus de bestaande digestiestoornis verergeren.

Uzerchloried is een krachtig bloedstelpend middel daar het versch, niet gedeflbrineerd bloed, snol doet stollen. Hierbij werken gelijktijdig het metaaloxyd en het zuur. Het spreekt echter van zelf dat dit eene plaatselijke werking is en het ijzer-chloried onmiddellijk met de bloedende vaten in aanraking moet komen. Vandaar dat het niet alleen bij verwijderde bloedingen, uterus-, nierbloedingen en dergelijke, niet helpen kan, maar zelfs bij darmbloedingen, althans bij bloedingen in het onderste deel van het darmkanaal, onwerkzaam moet zijn; immers wordt het toegediend ijzerchloried reeds in de maag en de dunne darmen in ijzeroxydalbuminaat en zwavelijzer veranderd, verbindingen die geenerlei bloedcoaguleerende werking bezitten.

Onderhuidsche inspuitingen van ijzerzouten, die in den laatsten tijd eenigszins in de mode gekomen zijn, moeten, met het oog op het gevaar voor uierontsteking, geheel worden nagelaten.

1. Ferrum pulveratum , ijzervijlsel.

2. Ferrum hjdrogenio rednetum, fer do Quevenne, is zuiver-

-ocr page 222-

204

dor dan het vorige praeparaat; beide lossen in hot zure innag-sap op.

Giften 50—300 mgr.

3. Crocus martis, ijzersaffraan, verkregen door ferridsu]iaat met natriumcarbonaat te praecipiteeren, een roodachtig of geelachtig bruin poeder , geheel oplosbaar in chloorwaterstofzuur.

4. AiiUdotum ctrsenici, versch gepraecipiteerd ijzeroxyd. Men bouclé in voorraad twee flesschen ; de eene bevat 30 d. vloeibaar ijzerchloried (n0 12) met 130 d. water, de andere flesch 7 d. mngnesiumoxyd insgelijks met 130 d. water. Bij een geval van vergiftiging vermengt men den inhoud van beide flesschen en dient dien bij theekopjes den patient toe. De werking berust op de vorming van onoplosbaar arsenigzuur ijzeroxyd.

5. Lactas ferrosos, melkzuur ijzeroxyduul, dient tot bereiding van:

0. Trochisci hief,af is ferrosi, ijzerilikjes, elk koekje bevat (55 mgr.

7. Tindura ferri cijdoniata, tinctuur van ijzer en kweeperen-sap ; ijzerpoeder getrokken met dit aan organische zuren rijke sap, waarbij tinei, cinnamomi gevoegd is.

8.\' Vitnm tartraiis kalico ferrici, ijzerpoeder met wijnsteen en water uitgedampt en dit met witten wijn gedigereerd.

9. Sulphas ferrosus, ijzervitriool, groene kristallen die vooral in oplossing gemakkelijk worden geoxydeerd en tot bereiding der Blaudsche pillenmassa dienen ; giften 50—200 mgr.

10. Sulphas ferrosus exsiccatus, een wit poeder door verwarming van het vorige praeparaat bereid.

11. Chloretum ferricum, ijzerchloried, een gele kristalmassa die vrij zoutzuur bevat.

12. Solutio chlorefi ferrici^ liquor stypticus, 3 d. ijzerchloried op 1 d. water.

13. Chloretum ferri et chloretum ammouii, een mengsel van beide zouten , obsoleet.

14. Tin dura iierviiia Bestucheffii, 1 d. opgelost ijzerchloride met 3 d. aether en (i d. zeer sterken spiritus.

15. l\'yrophosphns ferricus.

1(). J\'j/ropliospinis ferricus cum citrate atuiiioi/ico, een uitgedaiiijit mengsel van beide zouten.

-ocr page 223-

205

17. Sj/rupus jodeti ferrosi, uit ijzer en jood bereid /.oouut de siroop ongeveer 20n|0 ijzerjoduur bevat.

Daar overal waar in de natuur ijzer voorkomt ook inancav/i wordt aangetroffen, lag het voor de hand dat menio^R • metaal als geneesmiddel bij allerlei ziekten probeerde. I f • i daarvan werden echter niet waargenomen.

Van mangaan weet men slechts dat hot subcutaan toegediend zeer giftig werkt en vooral nierontsteking veroorzaakt en dat bij inwendige toediening slechts sporen daarvan worden ge-resorbeerd.

5. H e t zilver.

De zilververbindingen werken plaatselijk sterk prikkelend en etsend.

Als onderzwaveligzuurzilvernatrium, de eenige bekende zilver-verbinding, die geene plaatselijke werking bezit, in het bloed of het onderhuidsch celweefsel ingespoten, werkt zilver zeer giftig. Die giftige werking openbaart zich in verlamming van het centraal zenuwstelsel, vooral van de achterste extremiteiten. Daarbij is de secretie der bronchiaahnucosa sterk vermeerderd. Dikwijls sterven de dieren onder krampen aan acute asphyxie; het is niet uitgemaakt of deze het gevolg is van verlamming van het ademhalingscentrum dan wel van longenoedeem. Bij kikvorschen wordt do algemeene verlamming voorafgegaan door krampen en volgen spiertrekkingen en hartstilstand in diastole.

Dat zilverzouten bij inwendige toediening, althans in kleine hoeveelheid, worden geresorbeerd, bewijst de zoogenaamde Argyria, eene na langdurig gebruik bij menschen en ook experimenteel bij dieren verwekte grauwe verkleuring der huid, ontstaan door de afzetting van fijne zilverdeeltjes in het weefsel der huid en van andere organen.

-ocr page 224-

206

In de huid vindt men die zilverdeeltjes in de bovenste laag van liet co-rium (Frommann, Hierner), in de zweetklieren en de gladde spiervezelen (Uietner). Hij sommige dieren, ratten (Iluet) en honden (Ball en Ciharcot), wordt die verkleuring der huid niet aangetroiren.

In het darmkanaal vindt men het zilver in het weefsel van liet slijmvlies, maar vooral in de vlokjes van den dunnen darm. De e|)iteelcellcn, ook die van de huid, blijven vrij.

Van de andere organen vindt men het zilver vooral in de mesenteriaal-klieren, de plexus chlorioidei der hersenen (Frornman, Riemer), de gewichtsvlokjes (Riemer), hij ratten in het mot het duodenum verhonden mesente-riurn (lluet), de intima der aorta (Hiemer), de lever en de nieren. In de lover treft men in de wanden der lijnere poortadertakken en leveraderen, en in het bindweefsel, dal de galgangen en arteriën omgeeft en do ruimte l.usschon de acini opvult, sterke afzettingen van zilverpartikoitjes aan. In do nieren vindt men die vooral in de glomeruli, doch, zij liet in mindere hoeveelheid, ook in de pyramiden en de papillen, waar zij tusschou on op de wanden der rechte piskanaaltjes afgezet zijn (Frommann, Riemer, lluet). In het weefsel van hersenen en ruggemorg wordt goene afzetting van zilver gevonden (Hiemer).

In iedor geval wordt zilver van uit de maag slechts langzaam geresorbeerd en veroorzaakt zijne inwendige toediening bij inenschen geene andere verschijnselen dan plaatselijke. Evenmin zag Huet bij twee ratten, die langer dan een jaar dagelijks 5—0 mgr. zilvernitraat gebruikten , vergiftigingsverschijnselen ol\' ook nierlijden volgen. Maar Rószahegzi zag konijnen na toediening van zilvernitraat onder verschijnselen van vermagering en verlamming sterven en vond, behalve vetontaardingen van verschillende organen , ia de nieren de bekende op pag. 184 beschreven ontstekingsverschijnselen, terwijl Bogoslowski bij dezelfde diersoort na langdurige toediening van kleine giften onderzwa-veligzuur zilvernatrinm en zilverpepton verlamming der achter-pooten zag volgen.

Zilver wordt in het lichaam slechts geresorbeerd als chloor-züver. liij toediening van salpoterzuurzilver in oplossing wordt dit zout, nadat hot don maagwand geprikkeld heeft, gedeeltelijk gereduceerd, gedeeltelijk in chioorzilver omgezet. Wordt het in pillen toegediend, dan blijft die lokaal prikkelende werking uit, daar reeds enkele uren na de bereiding der pillen al liet daarin

-ocr page 225-

207

aanwezige salpeterzuurzilver deolH in chloorzilvor (uit in de pillen-rnassa aanwezige chloorverbindingen) deels in gereduceerd zilver is omgezet en gereduceerd zilver in het geheel niet uit het darmkanaal wordt geresorbeerd (Jacobi). Ook eene oplossing van onderzwaveligzuurzilvernatrium wordt in de maag in chloor-zilver omgezet. Het zou daarom verstandig zijn, waar men toch van zilver eene algemeene werking verlangt, het in den vorm van chloorzilver toe te dienen. Dit zout is wel in de maag geheel onoplosbaar, maar kan , daar het in alkulischo vloeistoffen die chloornatrium bevatten een weinig oplosbaar is, in hot darmkanaal opgelost en daaruit worden geresorbeerd.

Men mag zich daarvan echter weinig resultaten voorstellen; immers wordt zilver onmiddellijk na zijne resorptie, zelfs reeds in de darmvlokken, in onoplosbaar gereduceerd zilver veranderd.

Daar zilver in het lichaam in eene onoplosbare verbinding wordt omgezet, kan van eene eliminatie natuurlijk geen sprake zijn. Argyria is dan ook ongeneeslijk. Na lang voortgezette sub-cutane inspuitingen bij konijnen van de oplosbare zilververbinding kon Jacobi dit evenmin in de pis terugvinden.

Is het te verwonderen dat men in de praktijk na toediening van zilverbereidingen slechts plaatselijke werkingen en argyria ziet volgen? Toch wordt het door sommigen nog bij epilepsie en tabes dorsalis gebruikt. Hij inwendige toediening van zilver-verbindingen wordt de mucosa van maag en darmkanaal, onmid-delijk onder de epiteellaag, bedekt met lijne partikeltjes gereduceerd zilver: argysose van het spijsvertoeringskanaal (Jacobi). De mogelijkheid bestaat dat deze verzilvering van het slijmvlies the-mpeutisch kan worden gebruikt om zijne functie te wijzigen. Misschien Hgl hierin do verklaring van de goede resultaten die men bij chronische darmkatariiien van de toediening van zilvernitraat wil hebben waargenomen. Immers al kan ook eene oplossing van dit zilverzout plaatselijk op den maagwand adstringeerend en etsend inwerken, op den darmwand kan dit onmogelijk het geval zijn, daar al het zilvernitnuit in do maag wordt omgezet.

Over het gebruik van zilvernitraat als plaatselijk middel is pag. tlSU reeds gesproken.

-ocr page 226-

208

1. Nitrus argenticus, zilveniitraat, gemakkelijk in watei\' oplosbaar.

Giften 5—32! mgr; por dag tot 130! mgr.

2. Nitrua argenticus fusus, lapis ini\'ernalis, helsche steen, hetzelfde praeparaat in pijpvorm gegoten.

Door 1 d. zilvernitraat met 2 d. kaliumnitraat saam te smolten, verkrijgt men don lapis mitlgatus.

Daar goudbereidingen nog gemakkelijker gereduceerd worden dan zilverzouten, kan men zich onmogelijk voorstellen, dat de inwendige toediening daarvan eenig resultaat zou hebben.

3. Chloretuin aurico- natricum, oen oranjekleurig mengsel, dat 30quot;/u goud moot bevatten.

G. Koper en Zink.

Deze beide metalen behooron pharmacologisch bij elkander; zij werken, niet alleen plaatselijk maar ook bij inspuiting in het bloed of onder de huid, op dezelfde wijs. Bij inspuiting tocli van die bereidingen van deze motalen, die geeno plaatselijke werking bezitten, worden de spieren verlamd en volgt de dood.

Of zink bovendien eene directe werking op hol centraal zenuwstelsel uil-oefent, is niet niet zekerheid bekend. Alleen zag men ook bij langdurige inwendige toediening van zinkzouten enkele verschijnselen, onrust, schrikachtigheid, boven, soms zelfs krampen (Michaolis) volgen.

Omtrent chronische koper- en zinkvorgiftiging bij menschon is weinig bekend. Slechts werd bij arbeiders in zinkmijnen eeno eigenaardige op tabes gelijkende, doch in het eerste tijdperk met hyperaesthesie verlooponde verlamming waargenomen (Schlockow).

Proefnemingen om bij dieren en ook bij menschon, door toediening van kleine giften koper, vergiftiging te doen ontstaan hebben goenerlei resultaat gegeven. Sleclils waar men bij dieren groote giften azijnzure en andore vetzure koperverbindingen toediende, stierven deze aan hartverlamming, omdat hier eene

-ocr page 227-

309

sterke ctsing van liet slijmvlies van het spijsverteringskanaal de resorptie had bevorderd (Falck en Neebe).

Na subcutaue injectie van koperacetaat bij konijnen zag Koeck albuminurie en nierontstoking volgen.

Evenals zilververbindingen gebruikt men in de praktijk bij epilepsie, neuralgie en andere zenuwziekten ook zinkzouten. Ofschoon bij deze laatsten de mogelijkheid bestaat dat ze gere-sorbeerd worden en dan op het zenuwstelsel inwerken, wat bij zilverzouten niet het geval is, bestaan voor hun gebruik evenmin empirische als rationeele indicaties.

Ware het niet dat men hier, evenals bij andere metalen, vrees voorliet ontstaan van nierontstoking moest koesteren, dan zou suhcutane injectie van cenc niet plaatselijk werkende zinkverlmiding, zinkaethyl, tot het veroorzaken eener algemeene werking moeten worden aanbevolen.

Koper- en zinkzouten veroorzaken op dezelfde wijs als anti-moonverbindingen braking. Als braakmiddel wordt vooral kopersulfaat gebruikt. Dit middel werkt zoo snel dat het geen tijd heeft om den maagwand te etsen en, daar het door de braking weer uit de maag verwijderd wordt, dit ook later niet doet. Men kan het daarom in groote giften toedienen zonder eene nadeelige plaatselijke werking te vreezen. Evenmin behoeft men natuurlijk bang te zijn dat het kopersulfaat zou worden gere-sorbeerd. Een en ander maakt dat kopersulfaat tot de beste braakmiddelen behoort en eene plaats verdient naast apomorphine.

In tweeerlei opzicht is kopersulfaat hot aangewezen braakmiddel bij phosphorvergiftiging, niet alleen om de snelle werking als braakmiddel, maar bovendien ook omdat het de phos-phordeeltjes met eene onoplosbare laag phosphorkoper, later van metallisch koper, omhult, waardoor deze geheel onoplosbaar en onwerkzaam worden gemaakt.

Maar de snelle werking en de korte duur van bet tijdperk van nausea maakt bet zout ongeschikt voor expectoreerend middel.

Vele verbindingen van beide metalen worden als plaatselijke middelen gebruikt.

Zinkoxyd is, in den vorm van zinkzalf, een zacht adstrin-geerend middel; de zalf is vooral werkzaam door een gehalte

14

-ocr page 228-

210

aan vetzuur zink en zou dus met vrucht kunnen worden vervangen door een mengsel van vet met oliezuur zink.

Zinkchloried is een zuiver bijtmiddel, dat in de chirurgie vooral dan gebruikt wordt ais men eene diep doordringende werking beoogt; liet vormt geen vaste brandkorst die liet dieper doordringen beletten zou en ook aanleiding zou kunnen geven dat daaronder smetstoffen achterbleven. Zinkchloried werkt dus niot alleen als bijtmiddel maar ook als plaatselijk desinfecteorniiddel.

De zwavelzure zouten van beide metalen worden eindelijk als uitwendige middelen gebruikt, waar men tegelijkertijd eene oppervlakkige etsing en eene voorbijgaande prikkeling en ad-stringeering wil veroorzaken.

1. Oxijdum ziiici, zinkbloemen. Giften 50—300 mgr.; por dag tot 2 gr.

2. Unguentum oxydi zinci, 1 d. op 8. d. reuzel.

3. Acetas zinci.

4. Sulphas zinci, gemakkelijk in water oplosbare kristallen.

5. Chloretum zmei, chloorzink, een wit hygroscopisch poeder; niet eene gelijke hoeveelheid stijfsel vermengd vormt het de tot etsing gebruikte pasta Ganquoin.

G. Valerianas zinci.

7. Lactas zinci.

8. Sulphas cupri, kopervitriool, blauwe groote kristallen. Gift als braakmiddel 1 gr. op 30 gr. water, alle 5 minuten 1 theelepel.

9. L(ij)is divinus, uit gelijke deelen sulphas cupri, salpeter en aluin gesmolten pijpjes, met bijvoeging van een weinig kamfer.

10. Sulphas cupri co ammonicus hasicus.

11. Oxj/dmn cupricmn , door verhitting uit gepraecipiteerd koolzuur koper verkregen; met 8 d. reuzel geeft dit:

12. Unguentum oxydi cuprici.

7. Lood.

Loodverbindingen bezilten eene algemeene werking, die bij inwendige toediening langzaam, doch bij inspuiting van niel lo-

-ocr page 229-

kaal werkende verbindingen (azijnzuur loodtriaethyl) sneller tot stand komt, en wol vooral op het darmkanaal, de spieren en het centrale zenuwstelsel.

Bij kikvorschen werkt lood zoodanig in op de spieren, dat deze minder goed tegen langdurige inspanning bestand worden en sneller zijn uitgeput, zonder dat daarom de spierprikkel-baarheid afgenomen is. Langzamerhand gaat ook deze laatste verloren, zoodat de spier bij do sterkste loodwerking in een toestand van verstijving afsterft; vooraf volgt echter door verlamming der hartspier hartstilstand.

Bij konijnen worden eveneens de spieren en het hart verlamd zoodat de dieren aan hartparalyse sterven. Bij katten, doch niet bij honden, worden bij langzame loodvergiftiging verlammingen van spieren waargenomen, die misschien het gevolg zijn oener verandering van het spierweefsel zelf.

De loodverlamming bij menschen is eveneens een direct gevolg der vergiftiging, doch daarbij ontaardt langzamerhand het spierweefsel. De prikkelbaarheid der spieren voor een afgebroken inductiestroom toch verdwijnt of vermindert, maar de spier blijft prikkelbaar voor een constanten stroom en voor mechanische prikkels.

Vooral bij honden kunnen door lood gemakkelijk hersenver-schijnselen tot stand gebracht worden. Bij deze dieren volgen eigenaardige op chorea gelijkende, dikwijls in krampen overgaande bewegingen, waarbij do sensibiliteit en het bewustzijn behouden zijn gebleven; de dood volgt eindelijk door motorische verlamming van het centraalzenuwstelsel. Dergelijke prik-kelingsverschijnselen zijn ook bij katten en duiven waargenomen. Bij de encephalopathia saturnina van den mensch zijn de verschijnselen van tweeerlei aard, deels directe loodwerkin-gen zooals do epileptiforme met coma gepaarde krampen, deels ook indirecte gevolgen der vergiftiging die slechts het gevolg zijn der langdurige primaire werking; tot de laatsten behooren hoofdpijn, amaurose en wijzigingen van de functie der psychische sfeer. De arthralgia saturnina , die bij menschen als gevolg van chronische loodvergiftiging dikwijls voorkomt, wordt bij

U*

-ocr page 230-

212

dieren niet waargenomen; bij menschen vertoont zij zich onder den vorm van hevige pijnen in do gewrichten en de in de nabijheid daarvan gelegen spieren, ol\' van krampachtige samentrekking dezer spieren; aan de extremiteiten zijn gewoonlijk do flexoren, aan den romp dc extensoren van den rug, aan de borstkas alle spieren zonder onderscheid aangedaan.

De werking van het lood op liet darmkanaal is bij menschen en dieren verschillend.

Bij honden en katten ontstaan hevige peristaltische bewegingen en krampachtige contracties van den darm met hevige koliekpijnen gepaard; bij konijnen alleen diarrhee. Daar hot darmkanaal door atropine weer tot rust pleegt te komen, moeten deze bewegingen het gevolg zijn van prikkeling van motorische darmganglien. Bij den mensch, waar loodkoliek als gevolg van chronische vergiftiging zeer dikwijls voorkomt, volgt nimmer diarrhee maar steeds hardnekkige verstopping door krampachtige samensnoering van het darmkanaal; door de uitrekking die het peritoneum daarbij ondergaat ontstaat hevige pijn; door reflectoire samentrekking der buikspieren wordt de buikwand hard en gespannen, terwijl door samendrukking van een groot aantal darmvaten de bloedsdrukking in de overige bloedvaten toeneemt en de pols vol, hard en langzaam wordt.

Alle loodverbindingen, zelfs hot in water geheel onoplosbare loodsulfaat, kunnen bij menschen en dieren, hetzij inwendig, hetzij onderhuidsch toegediend, chronische vergiftiging veroorzaken.

Lood wordt uit het spijsverteringskanaal zeer langzaam maar toch in belangrijke hoeveelheid (Annuschat) geresorbeerd. Het wordt geruimen tijd in het lichaam gedeponeerd, vooral in do beenderen, de lever en dc nieren, en zeer langzaam met do urine en do gal geëlimineerd. Toediening van joodkalium bevordert de eliminatie van het lood door de urine (Melsens, Oettinger, Annuschat).

Deze loodverschijnselen hebben slechts eene toxicologische waarde, daar lood tegenwoordig bijna nooit meer inwendig wordt toegediend. Bij chronische aandoeningen van maag en darm-

-ocr page 231-

213

kanaal kan de lokaio metaalwerking boter door eer, niet tot chronische vergiftiging leidend metaalzout worden verkregen.

Bij verwijderde bloedingen en ontstekingen is van loodzouten geenerlei werking te verwachten. Als plaatselijke adstrii;gentia kunnen loodzouten worden gebruikt, conf. pag. 177.

t. Acetas plumhicnn, normaal loodacetaat, in water goed oplosbare kristallen.

2. Acetas plumhicm crudus.

3. Solidio acetatis plumbi haai ei, loodsuiker, door verwarming van acetas plumbi met loodglid (8) verkregen. Eene oplossing van dit praeparaat in 20 d. water draagt den naam :

4. Aqua Goulardi.

5. Carhonas et hydras plumhicus, cevussa, Iqodwit.

ü. Unguentum carhonatis plumbi, 1 d. loodwit op 5 d. reuzel.

7. Uiic/uentiim carb. plumbi camphor. Ungt. alb. camphoratum, 24 d. unguent, carb. plumbi met 1 d. kamfer.

8. Oxydmn plumbi semivUreum, loodglid, een rood, oranjekleurig, zwaar poeder, vergelijk Hoofdstuk VIII. 2.

8. Bismuth.

Bismuth zou direct in het bloed ingespoten in werking overeenkomen met arsenicum en antimonium, doch met zekerheid is hieromtrent weinig bekend. Het eenige in do geneeskunde gebruikte bismnthzout is reeds op pag. 181 besproken.

Het is oen zoo indifferent geneesmiddel dat het bij inwendige toediening, zelfs van groote giften, geencrlei verscliijnselen veroorzaakt, althans wanneer het praeparaat niet met arsenicum verontreinigd is. Van eene resorptiewerking is dus geen sprake. Alleen wordt door sommigen beweerd, dat het bij ulceratieve processen van het darmkanaal, door de van epiteel beroofde deelen te bedekken (bapoederen), in staat is de genezing te bespoedigen.

1. Xitni.s hismHthiriis, magisterium bismuthi, een onoplosbaar wil poeder. Giften U,2—1 gr.; per dag tut 4 gr.

-ocr page 232-

214

ü. Aluinaarde.

Als plaatselijk werkende middelen kunnen do oplosbare zouten van aluinaarde mot metaalzouten worden gelijk gesteld. Zij vormen aluinalbuminatcn en werken adstringeerend. Zij kunnen ook als plaatselijke middelen voor het slijmvlies van liet spijsver-teeringskanaal worden gebruikt, daar ze, zelfs als zij geresor-beerd worden , geen vergiftiging veroorzaken.

In elk geval is do resorptie van aluinzouten onbeduidend. Reeds daarom kan van ecno adstringeerende aluinworking op verwijderde organen geen sprake zijn, te minder nog, omdat het aluin evenals een metaaloxyd aan eiwit gebonden geresor-beerd wordt en in dien toestand geenerlei adstringeerende werking kan uitoefenen.

In de praktijk wordt van de aluinverbindingen het meest gebruik gemaakt van kalialuin; dit zout reageert, door de zwak basische eigenschappen van het aluminiumoxyd, in afwijking van de dubbelzouten der zware metalen, sterk zuur zoodat zijne plaatselijke werking met die der enkelvoudige metaalzouten overeenkomt. In groote hoeveelheid veroorzaakt aluin ontsteking, die gewoonlijk met eeno sterke exsudatie gepaard gaat.

Aluminiumzouten werken, daar zij eiwitachtige en andere organische stoffen praecipiteeren, in sterke mate rottingwerend. Om secreten en beerputten te desinfecteeren gebruikt men vooral chlooraluminium, dat voor dit doel bijzonder geschikt schijnt.

1. Sulphas kulico almninims, aluin, in water oplosbaar. Giften 0.2—0.5 gr.; per dag tot 3 gram, uitwendig in oplossing van

i-n,-

2. Sulpit, hil. aluin, exsiccatus, aluinen ustum, dit werkt, daar het de weefsels water onttrekt, sterker dan gewone aluin.

-ocr page 233-

215

10. Phosphorus.

Phosphorus komt, wat zijne pharmacologische werking betreft, deels met de spier- en zenuwgiften, deels met arsenicum en de zware metalen overeen.

Phosphorus wordt, daar hot zeer moeielijk oplosbaar is, zeer langzaam en onvolledig geresorbeerd; de resorptie kan geschieden na oplossing in de gal en in de vetten van het voedsel. Het grootste deel van het toegediende phosphorus wordt echter in het darmkanaal niet opgelost maar gedeeltelijk geoxydeerd; de hierdoor ontstaande zuren prikkelen plaatselijk het slijmvlies van hot darmkanaal on kunnen ontsteking, zelfs ecchymosen en darmzweren veroorzaken. Door de langzame resorptie duurt het dikwijls eenigo dagen voor de eigenlijke phosphorusverschijn-selen zich vertoonen.

Deze laatsten bestaan voornamelijk in stoornissen der voeding en stofwisseling en wel vetontaardingen van lever, nieren, hart en willekeurige spieren. De hoeveelheid ureum neemt at\' (Schuitzen en Riess), maar de uitscheiding van stikstof neemt toe (Storck, Bauer, Falck). Deze stikstof wordt in de urine gevonden in den vorm van leucine, tyrosine en vooral vnn peptoon-achtige stoffen. Bovendien bevat de urine vleeschmelkzuur (Schuitzen en Riess). Hieruit blijkt dat phosphorus de omzetting van orgaaneiwit doet toenemen, maar dat de oxydatie der splitsingsproducten daarvan niet tot stand komt.

Soms volgt plotseling de dood door hartparalyse, waarschijnlijk nog door eene andere oorzaak dan vetmetamorphose dei-hartspier (H. Meyer).

In kleine giften langdurig toegediend, veroorzaakt phosphorus aan het beenweefsel dezelfde veranderingen als arsenicum. Er wordt n.1. in plaats van spongieuse, vaste beenzelfstandigheid gevormd (Wegner). Bij arbeiders in lucifersfabrieken werd de bekende ossificeerende phosphornecrose dikwijls waargenomen. Hoe die hyperplasie tot stand komt is onbekend; Wegner spreekt van een „formativen Reiz.quot; Kassowitz heeft onlangs beweerd dat het beenweefsel evenals andere weefsels door phos-

-ocr page 234-

-J 10

phorus in sterkere mate afsterft, maar dat deze vermeerderde vernietiging van beenweefsel bij geringe phosphorwerking door eene reactieve en sterkere nieuwvorming wordt gecompenseerd.

Een dergelijke liyperplastische prikkeling komt door kleine giften phosphorus tot stand op liet interstitieele bindweefsel van lever, long en andere organen (cirrhose).

tn de therapie beeft men herhaaldelijk phosphorus geprobeerd bij allerlei chronische ziekten ; \'1 resultaat was steeds problematisch en hot behoeft geen betoog dat het probeeren van een zoo gevaarlijk middel geheel moet worden afgekeurd.

De eenige rationeele indicatie zou te vinden zijn in de werking van phosphorus op het beenweefsel. Bij beenbreuken met vertraagde vorming van callus zou de aanwending van dit middel rationeel kunnen worden geacht. 01\' dit ook bij rachitis het geval is, waar hot in don laatsten tijd door enkelen is aanbevolen , moet betwijfeld worden.

Phosphorus, witte of geelachtige pijpon die onder water moeten worden bewaard en in dien toestand bij 44° smelten, weiriig oplosbaar in aether en vette oliën.

Giften 1 mgr.; per dag tot 5! mgr.

-ocr page 235-

VI.

Dc aromatisclie verbind in gen.

Do lot dc aromatische reeks bohoorende geneesmiddelen vormen geen afzonderlijke groep, maar behooren toch in dit opzicht bij elkander, dat zij op dezelfde wijze op lagere organismen inwerken. In het lichaam ingevoerd ondergaan do aromatische verbindingen wel allerlei veranderingen , oxydaties, synthesen, splitsingen zelfs reducties, maar toch blijft de gemeenschappelijke kern, het benzol , onveranderd, althans is geen enkel voorbeeld bekend, waar deze benzolkern in liet lichaam omgezet wordt.

Doch wel worden vele substitutieproducten der benzolreeks in zooverre veranderd, dat de in de verbinding ingetreden atoomgroepen, die tot de reeks der vetzuren behooren, op dezelfde wijze worden omgezet als het geval zon geweest zijn als zij zonder benzolkern in het lichaam waren ingevoerd. Toch blijft in dat geval het koolstofatoom steeds met den benzolkern verbonden.

Ofschoon de omzettingen, die de aromatische verbindingen in het lichaam ondergaan, in hooge mate belangstelling verdienen, hebben ze nog slechts in enkele gevallen (conf. p. 107) eene bepaalde beteekonis voor de therapie.

1. De stikstofvrije aromatische verbindingen als spier- en zenuwvergiften.

Bij de koolwaterstoffen dor aromatische reeks blijft de werking op hel centraal/,enuwstelsel op den achtergrond. Het meest

-ocr page 236-

218

werken daarop nog de terpentijnoliën. Deze tocli veroorzaken , in groote hoeveelheid geresorbeerd, verschijnselen van het cen-traalzenuwstelsel die als moleculaire werking moeten worden opgevat. Aanvankelijk is die werking eene prikkelende; door prikkeling van het vaat- en ademhalingscentrum en van het rugge-merg wordt de bloedsdrukking verhoogd, de ademhaling versneld en krampachtig en neemt de reflexprikkelbaarheid toe.

In zeer groote giften worden deze deelen van hot centraal-zenuwstelsel eindelijk geparalyseerd, nadat eerst do groote hersenen onder verschijnselen van diepe narcose verlamd zijn.

Bij menschen kunnen deze terpentijnoliewerkingen slechts door toxische, hevige ontsteking ter plaatse van aanwending veroorzakende , giften worden tot stand gebracht.

Kcnc afzonderlijke groep van de aromatische verbindingen wordt door de kamfers gevormd, die zich door hunne uitsluitend prikkelende werking op de medulla oblongata onderscheiden. Deze zijn reeds op pag. 4G besproken.

Nauw met de kamfergroep verwant is do groep van het pikrotoxine, dat zeli\' tot de aromatische verbindingen behoort, waartoe ook de splitsingsproducten der ■ digitalisglycosiden en van oleandrine moeten gerekend worden. Deze stoffen prikkelen zoowel bel vaat- en ademhalingscentrum als de motorische gangliën van het verlengde merg en veroorzaken toename van de bloedsdrukking, polsverlangzaming, krampachtige ademhaling en convulsies.

Ook het phenol (carbolzuur), dat bij iedere wijze van toediening, ook van uit wonden en de ongeschonden huid, gemakkelijk wordt geresorbeerd, werkt vooral op het verlengde merg. De werking is eerst eene prikkelende, later eene verlammende. De bij verschillende diersoorten waargenomen krampen zijn hel gevolg van eene tetaniseerende werking op het ruggemerg. De prikkeling van het verlengde merg openbaart zich door snelle en moeielijke ademhaling en toename van de bloedsdrukking. Deze laatste werd ook bij langzame resorptie door de huid waargenomen (Hoppe Seyler). Bij inspuitingen van phenoloplos-sing in het bloed werd echter reeds dadelijk verlamming van het vaatcentrum en sterke daling van de bloedsdrukking waargenomen, zonder dat daarbij do functie van het hart gewijzigd scheen te zijn (Gies). Door de trekkingen en convulsies wordt de pols versneld. Bij den mensch worden bij phenolvergiftiging

-ocr page 237-

219

hcrsciivcrscliijnsclen waargenomen: eerst hoofdpijn, duizeligheid, daarna verdooving.

Phenol vermeerdert verder, ook bij dieren, de zweet- en speekselafscheiding, vooral de laatste; ol\' deze vermeerderde secretie door atropine wordt onderdrukt is niet uitgemaakt. Waarschijnlijk wordt ook de slijmafscheiding in de bronchi vermeerderd en is dit de oorzaak van don soms na toediening van phenol volgenden hoest.

De dood door phenol is het gevolg van gelijktijdige verlamming van het ademhalings- en vaatcentrum,

Bovendien is phenol een sterk bijtmiddel; inwendig toegediend veroorzaakt het digesticstoornissen en in groote gift gastro-ente-l itis; op de hnid veroorzaken geconcentreerde oplossingen hevige pijn on roodheid met afschilforing dor epidermis, terwijl phenol in substantie een droge brandkorst doet ontstaan dio zonder ottering wordt afgestooten. Do bijtende werking is het gevolg van cone coagulatio van eiwitstoffen; zij komt ook door andere phenolen cn door sommige oxyphenolen tot stand.

Na zijne resorptie wordt phenol in hot lichaam mot zwavelzuur en glykuronzuur verbondon, voor oen deel in oxyphenolen, brandig catechine en hydrochinon, omgezet en in de urine geëlimineerd. Ook deze laatsten worden als gepaarde zwavelzuren uitgescheiden; die verbindingen worden echter buiten het lichaam weer gesplitst en do vrij geworden oxyphenolen aan de lucht geoxydeerd, waarbij producten ontstaan die aan de urine do bekende donkere kleur geven.

Minder giftig dan phenol doch daarmede in werking overeenkomende zijn do oxyphenolen; brandig catliechine, hydrochinon en rosorcine; het eerste werkt van de drie bot sterkst.

Van de zuren der aromatische reeks zijn vooral salicyl- en bonzoezuur belangrijk. Benzoozuur is weinig werkzaam. Salicyl-zuur veroorzaakt echter, vooral als het als salicylzuur natrium, dat gemakkelijk geresorbeerd wordt, wordt toegediend, bij menschen dikwijls een gevaarlijken collapsus. Op hot zenuwstelsel is de werking van salicylzuur, evenals die van vele andere aromatische verbindingen, gelijk aan die van phenol.

-ocr page 238-

220

Salicine, ccn glycosid dat in hoi lichaam in salicylaldchyd on suiker gesplitst en in salicylzuur omgezet wordt, komt in working met dit laatste overeen. Marmé zag bol convnlsios, daling van don bloedsdruk on verlamming der respiratie veroorzaken.

Van velo stikstof bevattende aromatische verbindingen, vooral aniline, chinoline en hunne derivaten, komt do werking met die dor stikstofvrijo overeen.

2. De aromatische verbindingen als desinfecteermiddelen en protoplasmagitten.

In 1832 verkreeg Reichenbach uit don houttoor eene vloeistof die hij kroosooi noemde, en later een mengsel van phenolen en phenolaothors bleek to zijn.

Daar kreosool ook voorkomt in rook, en vleosch en andere dierlijke stoffen door zo te borooken kunnen worden verduurzaamd, meende Reichenbach in kreosool het bederfwerende bestanddeel van den rook ontdekt te hebben; in die meening word hij versterkt door opzettelijke proefnemingen. FTel later door Bunge uil sloenkolonleer verkregen phenol bleek spoedig in dit opzicht mol kreosool overeen te komen.

Wel iw waar had men reeds vroeger teer en andere producten van droge distillatie als antiseptica gebruikt en later ook kreosoot bij onzuivere zweren aanbevolen „om de rotting der wondsecreten te voorkomenquot;, toch werd eerst door Lister do groote betoekenis van phenol en andere aromatische verbindingen voor de chirurgische wondbeliandeling begrepen en werden deze op zijn aansporen algemeen in de chirurgie ingevoerd.

Thans wordt, algemeen door de chirurgen erkend dat vele verbindingen der aromatische reeks meer of minder dosinfec-teerond werken on is men er vooral op uit voor bepaalde gevallen de juiste middelen to kiezen en met nieuw ontdokte stoffen in deze richting to experimenleeron.

De desinfecteerende werking der aromatische verbindingon berust op hunne eigenschap om hot protoplasma te doodon. (Jok het protoplasma dor laagste organismen, die wij als do bomid-

-ocr page 239-

delaars van rollings- ea gislingsprocessen kennen, is niet togen hunne inwerking bestand, zoodat clo meesten als bactcriegiften kunnen worden gebruikt.

In de meeste gevallen vernietigen deze verbindingen het pro-toplasma niet, maar is de werking eene moleculaire. Zelfs phenol, dat eiwitstoffen coaguleert, vormt daarmede geen verbinding (Bill). Van chloor en de metaalzoulen onderscheiden zich deze desinfecteermiddelen daardoor, dat zij niet zooals deze in de rollende en gistende massas aan eiwitstoffen worden gebonden on daardoor onwerkzaam gemaakt, zoodat zij hun nadeeligen invloed op bacterien blijven uitoefenen waar, bij aanwezigheid van eiwitstoffen, metaalzoulen weldra onwerkzaam worden.

Dit voor de praktijk niet geringe voordeel weegt dikwijls ruimschoots op tegen het veel sterker antiseptisch vermogen van sommige metaalverbindingen (sublimaat).

Evenals andere antisoptica belemmeren de aromatische verbindingen in geringere concentratie do vermeerdering van bacterien, terwijl zij deze eerst in sterkere oplossingen dooden: asepsis en antisepsis.

De hoeveelheid van deze sloffen, veroischt om bacterien te vornietigen, is afhankelijk van den aard dezer laatsten; sommige soorten worden door deze; andore door gene aromatische stof gemakkelijker vernietigd. In het algemeen kan men zeggen dat het thymol, dal zeer moeielijk in water oplosbaar is en veel minder vergiftig werkt op hoogere dieren dan phenol, tot de sterkste aromatische desinfecteormiddelen behoort. Dan volgen salicylzuur en bonzoezuur. Daarna het phenol en eindelijk de andere pho-nolen, van welke vooral resorcine, doch ook brandig catechine on pyrogallol onderzocht zijn.

De koolwaterstoffen werken, daar zij in water slechts weinig oplosbaar zijn, alleen dan sterker antiseptisch, als zij bij gewone temperatuur eene zekere vluchtigheid bezitten, zoodat hare dampen do te desmfecteeren voorwerpen binnendringen. Dit is b.v. liet geval met naphthaline, dat echter altijd in groote overmaat moet worden aangewend, opdat langen tijd achtereen de grootst mogelijke dichtheid van zijn damp verkregen worde.

-ocr page 240-

Do keuze der aromatische desinfecteenniddelen hangt vooral af van de voorworpen die men wil dosinfocteoren. Wensdil men excreta te deslnfecteeren, b.v. faeces, beerputten, dan is hot goedkoopste middel het verkieselijksle en kunnen in plaats van zuivere sloffen, ruwe producten, zooals zij uit teer worden verkregen, gebruikt worden.

Wil men daarentegen woningen, huisraad, kleederen en dergelijke voorwerpen deslnfecteeren, dan moet men er op bedacht zijn zoodanige middelen te kiezen die deze voorwerpen niet beschadigen of voor verder gebruik ongeschikt maken. Tot het con-serveeren van voedingsmiddelen en dranken zijn de meeste aromatische verbindingen door hunne giftigheid en ook door hun onaangenamen reuk en smaak ongeschikt. Het eenige daarvoor aanbevolene, het salicylzuur, mag, daar het plaatselijk de maag prikkelt en dyspepsie veroorzaken kan, slechts met voorzichtigheid worden gebruikt.

Ook daar waar slechts eene plaatselijke desinfectie beoogd wordt, vooral bij operaties en andere wonden, moet op de giftigheid dezer stoffen voor den mensch worden gelet. Nog is het niet gelukt een desinfecteermiddel te vinden dat aan eene zoo krachtig mogelijke werking op lagere organismen de eigenschap paart, dat het ook bij aanwending van zeer groote giften zoo onschadelijk is voor den mensch, dat het geenerlei werking op zenuwen en spieren uitoefent. Van phenol zijn bij uitwendige aanwending van groote giften meermalen, zelfs doodelijke ver-giftingen waargenomen. In dit opzicht verdient dan ook thymol do voorkeur boven phenol.

In vele gevallen zou men echter hier met vrucht gebruik kim-nen maken van de in water weinig oplosbare, doch bij gewone temperatuur vluchtige koolwaterstoffen. Zelfs al zijn deze giftig voor den mensch kunnen zij in overmatige hoeveelheid op wonden worden gebracht, omdat zij slechts in geringe hoeveelheid geresorbeerd worden en hunne eliminatie uit het lichaam met de resorptie gelijken tred houdt. Hierop berust de beteekenis van het in den laatsten tijd aanbevolen naphthaline.

In de wondbehandeling verdienen de aromatische desinfec-

-ocr page 241-

223

leermiddelen vooral daarom de voorkeur boven de metaalzouten, omdat zij geene o(\' slechts eene onbeduidende vernietiging van weefsel teweegbrengen; wel bepaalt zich do giftige werking op bel protoplasma hier niet uitsluitend lot de lagere organismen en worden ook de weefselelementen, die direct mot hot desin-focteermiddelen in aanraking komen, gedood, maar deze etsing is zelfs bij oplossingen van phenol, dal geconcentreerd een sterk bijtmiddel is, eene zeer oppervlakkige.

Niet alleen wonden worden bij den mensch met desinfec-teerende middelen behandeld, ook hel darmkanaal kan daardoor worden gedesinfecteerd. Voor de mondholte en de maag kunnen aromatische zuren worden gebruikt, ofschoon deze, vooral sali-cylzuur, op de mucosa der maag eene sterk prikkelende werking uitoefenen. Voor het darmkanaal echter, namelijk het onderste deel daarvan, waar reeds in physiologischen toestand allerlei rottingsprocessen plaats vinden, zijn deze zuren ongeschikt omdat zij te vroeg geresorbeerd worden. Hier kunnen slechts zoodanige aromatische verbindingen worden gebruikt die moeilijk oplosbaar zijn. Als zoodanig is in den laatsten tijd vooral naphthaline aanbevolen en bij ileotyphus en cholera infantum met vrucht gebruikt (Rossbach). Ook het moeielijk oplosbare thymol zou voor dit doel geschikt zijn en is onlangs met vrucht aangewend om eon gevaarlijken darmparasiet, anchylostoma duo-denale, te dooden.

Hij toediening van nttplithalino wordt een deel daarvan geresorlieet\'d en in de urine geëlimineerd, waarhij deze aseptisdi wordt en eene donkere kleur aanneemt.

Tn dit opzicht verdienen ook do glycerineaotbers der aromatische zuren, misschien ook die der phenoien de aandacht. Evenals de analoge vetzure glycerineaethers (vetten), passeeren /.ij de maag zonder veranderingen te ondergaan en worden oerst in hot darmkanaal gesplitst, zoodat eerst hier de aromatische paarling vrij wordt. Na toediening van bonzoezuurglyceried word bij honden, zelfs in de faeces, vrij bonzooz.uur gevonden, zoodat dit op den darm in zijne gehoeio lengte kan inwerken.

-ocr page 242-

2^4

Mot hetzelfde doel werd ook door Vulpian bismuthsalicylaat (zuur) aangeprezen, oene zeer moeielijk oplosbare verbinding, waaruit in het darmkanaal salicylzuur zou vrij gemaakt worden.

De meeste aromatische verbindingen werken antipyretisch , dat is zij kunnen bij koorts de temperatuur verlagen en do stofwisseling doen afnemen. Deze werking is vermoedelijk het gevolg van de inwerking dezer stoffen op het protoplasma, maar wij weten niet, of het het protoplasma van lagere organismen is waarop deze verbindingen inwerken , die wel dat van de organen van den koortslijder. Ware hel laatste het geval, dan zou men de werking kunnen gelijk stellen met het tot stand brengen van een lichten graad van kunstmatigen collapsus. Hieromtrent geldt hetzelfde wat bij chinine is medegedeeld.

Als antipyretica kunnen de aromatische verbindingen des te beter gebruikt worden naarmate hunne inwerking op zenuwen en spieren, vooral op de zoo gevoelige hartspier, op den achtergrond treedt. Steeds moet de mogelijkheid in het oog worden gehouden dat zij oen gevaarlijken collapsus kunnen veroorzaken, zoodat het raadzaam is , waar deze laatste dreigt te volgen , van hunne toediening af te zien. De keuze van voor ver-schillonde koortstoestanden geschikte aromatische stoffen moot aan de ervaring der artsen worden overgelaten.

In den laatsten tijd zijn van de aromatische verbindingen vooral do volgende gebruikt: salicylzuur, benzoezuur, resorcine en chinoline, bovendien hot kairine, een chinolinederivaat, namelijk do hydrochloorzure verbinding van oxyhydromethylchinoline, antipyrino of dimethyloxychinicine en thalline of tetrahydropara methyloxychinoline. Het is to voorzien dat het aantal dezer verbindingen nog belangrijk zal toenemen.

Het salicylzuur natrium, dat van deze middelen wel hot meeste gebruikt is, is gebleken vooral eeno zeer gunstige specifieke, dat is onverklaarbare, werking bij acuut gewrichtsrheumatisme te bezitten, terwijl het eveneens do galufscheiding schijnt te bevorderen.

Als desinfecteerende en antipyretische middelen ziju de volgende vooral belangrijk:

-ocr page 243-

\'1-1\')

1. Add. carholicaDi, carbolzuur, phenol, eene kristallijne Ideur-looze of roodachtige massa in ^0 a 25 d. water oplosbaar.

Giften 50 -100! mgr; per dag tot 0,5 gr. ! in verdunde oplossing.

2. Acid, carbol, crud., eigenlijk de zg. zware steenkolenteerolie, voornamelijk uit phenolen en vaste koolwaterstoffen bestaande.

3. Kreosotum, kreosoot, oene uit beukenhout verkregen leersoort , bestaande uit guajacol en kreosoi, beide methylderivatcn van brandig catechine. Giften evenals phenol.

4. Zincum sulfocarholimm , kleurlooze, in water goed oplosbare kristallen; voor uitwendig gebruik in oplossingen van 1—Squot;/,,.

5. Thymol, evenals vele dor volgende niet in de Pharma-copoea opgenomen; in 1100 d. water oplosbare kristallen. Giften 0,1—-1 gr. in alcoholische oplossing.

G. Pi/rogalluszuur, pi/rogallol, een trioxybenzol verkregen door verhitting van galluszuur, als witte, in water oplosbare kristallen. De oplossing trekt aan de lucht zuurstof aan en wordt zwart.

7. Itesorcine, een oxyphenol of dioxybenzol, een wit kristalpoeder dat aan het licht roodbruin gekleurd wordt, zeer gemakkelijk in water oplosbaar en weinig plaatselijk prikkelend.

8. Bc.nzoeziiur, moeielijk in water oplosbare witte kristallen, door sublimatie verkregen uit benzoehars, of ook, door behandeling van hippuurzuur uit de pis van herbivoren, met chloor-waterstofzuur. Giften 200—50U mgr., por dag 2—5 gr.

9. Natrium henzoicutn, een in water gemakkelijk oplosbaar wit poeder. Giften als benzoezuur.

10. Acid. salici/licurn, salicylzuur, moeielijk oplosbare grauwe kristallen; wegens zijne sterk prikkelende werking op de maag wordt het vrije zuur niet meer toegediend.

11. Natriumsal icy laat, gemakkelijk in water oplosbaar wit poeder. Giften 1 —(i gram.

12. Kairine, een kristallijn, wit, in water oplosbaar poeder. Giften ü.25—0.5—1 gr. p. dosi , meermalen daags.

13. Aiitipyriiic , een grijswit, kristallijn, bittersmakend poeder. Giften 2—G! gr. pro dosi.

15

-ocr page 244-

14. Thalline (zwavelzuur ot\' hydrochloorziuu) in water goert oplosbaar. Giften 0,25—0,5—1 gr. pro closi.

15. Naphthaline, moet vooral\' gezuiverd en gesublimeerd zijn. Giften 1—6! gram.

Van de volgende vloeibare harsen en balsems worden de perubalsem en storax gebruikt om schurftmijten te dooden. Daartoe, en tot vernietiging van parasieten in \'t algemeen, kan ook de petroleum dienen, ofschoon deze door hare giftigheid geene aanbeveling verdient. De harsen en balsems werken ook antiseptisch.

Benzoe, benzoehars, bevat hars en benzoezuur.

Tinctum henzoes, 1 d. op 8 d. spiritus.

Balsamam peruvianum, bestaat uit kaneelzure benzylaether en kaneelzure kaneelaether.

Styrax Uquidus, bestaat vooral uit een terpeen, styrol of einnamol, en uit styracine , de kaneelzure aether van kancelalcohol.

O!earn petrae, petroleum, waaruit door fractioneelc distillatie de benzine, als vlekkenwater in gebruik, verkregen wordt.

3. Looizuren als adstringentia.

De bij gewone temperatuur vluchtige aromatische verbindingen , vooral de terpenen en de meerendeels tot de aromatische reeks behoorende aetherische oliën, bezitten, evenals de kamfer-soorten en vele phenolen, in meerdere of mindere mate eene plaatselijk prikkelende, phenol zelfs eene zwak etsende werking.

Bovendien prikkelen vele aetherische oliën op bijzondere wijs de reuk- en smaakzenuwen. Reeds meermalen is er op gewezen hoe die lokale werkingen aan de therapie kunnen worden dienstbaar gemaakt. Hier moet echter nog worden stilgestaan bij de adstringeerende werking der looizuren, die in de praktijk velerlei toepassing vindt.

De talrijke in het plantenrijk voorkomende looizuren of looi-

-ocr page 245-

±±1

stoffen komen, ofschoon /.ij in scheikundig; opzicht niet geheel aan elkander gelijk zijn, toch in dit opzicht met eikander overeen, dat zij met lijmgevend weefsel oen zeer vaste en duurzame verbinding, ieder, vormen en ook eiwitstoffen en andere albuininoide verbindingen uit hare oplossingen praecipiteeren. Bij de metaal-zouten is reeds uiteengezet dat de zoogenaamde adstringeerende werking op dergelijke wijze tot stand komt; ook bij de looizuren is dit het geval; hunne adstringeerende werking is het gevolg van coagulatie van eiwitstoffen der weefsels. Slechts in dat opzicht verschilt de adstringeerende werking der looizuren van die der metaalzouten, dat bij de eerste de adstringoering de eenige werking is, terwijl bij de laatsten allerlei bijwerkingen (conf. pag. 177) in het spel kunnen zijn. Toch kunnen grooto giften looizuur de slijmvliezen sterk prikkelen, ja zelfs etsen, terwijl ook het misbruik van looizuur bevattende wijnen lichtelijk aanleiding geeft tot het ontstaan van maagcatarrhen.

Over \'l algemeen konion de verschillende looizuren, die allen met de stikstofhoudeude weefseldeelen onoplosbare verbindingen vormen, in werking met elkander overeen.

Tannine of galappellooizuur, dat in vrij zuiveren toestand in den handel voorkomt, verdient daar de voorkeur, waar men het direct op eene zieke plek kan aanwenden, dus op de uitwendige huid en sommige slijmvliezen.

Daar het bij inwendige toediening iu de maag spoedig aan eiwit-achtige stoffen gebonden wordt, kan tannine wel op de maag doch niet op bet darmkanaal inwerken. Al word ook daar hot in do maag gevormde tamünoalbuminaat door de alkaliën der darmvochten weer gesplitst, toch zou het daarbij vrij geworden looizuur dan door die alkaliën weder worden gebonden, zoodat toch goene adstringeerende werking tot stand zou komen.

Wenscht men dus tannine te doen inwerken op het slijmvlies van den darm, zoo moet men geen zuiver looizuur maar looizuur bevattende plantenextracten toedienen, b.v. catechu, ratanhia en dergolijkon. Dit deze extracten wordt door de daarin aanwezige colloido, gom- on slijmachtige stoffen het looizuur slochls zeer langzaam opgelost en do resorptie vertraagd, zoodat do

-ocr page 246-

mogelijkheid ontstaat dat het looizuur onveranderd in hot darmkanaal overgaat. Daarom verdient het ook aanbeveling die looizuurhoudende geneesmiddelen in slijtnige afkooksels toe te dienen.

Looizuur kan slechts uit het darmkanaal worden geresorbeerd, of met alkali verbonden, of als in alkalische vochten oplosbare eivvitverbinding. Daar geen vau beiden adstringeerend werken, kan van eeue algemoeno looizuurwerking, althans in organen waar de reactie alkalisch is, geen sprake zijn. Een deel van het looizuur wordt in het darmkanaal door lagere organismen in galluszuur omgezet, als zoodanig geresorbeerd en met de urine geëlimineerd. Na toediening van looizuur bevat de.urine, behalve gallus- en pyrogalluszuur, ook eene stof, die evenals looizuur zelf, eiwit en lijm praecipiteert (Schuitzen, Lewin). Waarschijnlijk is dat looizuur, dat door de nieren als alkalitannaat uitgescheiden in do zuur reageerende urine vrij geworden is. Looizuur kan dus na inwendige toediening op de piswcgen adstringeerend inwerken. Als verschijnsel daarvan neemt de pisafscheiding dikwijls af.

•1. Acidum tannicum, looizuur, een geelachtig wit, inwateren spiritus oplosbaar poeder.

Giften 50—500 mgr; per dag tot 2 gr.

2. Tinctura yallarum, galnotentinctuur, bereid door galappels , de door den steek eener wesp op eikenbladeren uitgegroeide knobbels , met haar vijfvoudig gewicht aan spiritus uit te trekken. De galappels bevatten Gü—70quot;/u looizuur.

3. Cortex quercus, de bast der jonge takken van Q. robur, bevat eikenlooizuur waaruit bij omzetting eikenrood kan gevormd worden.

4. Cortex salicis, wilgebast, bevat behalve looizuur nog het glycosied salicine. Vergelijk pag. 220.

5. Folio, en cortex fructuum juglandls, noteboombladeren van Juglans regia.

G. Hcrbu salviae, saliebladeren, waarin behalve looizuur nog eene aetherische olie aanwezig is.

7. Folia uvae ursi, beerenklauw, bevatten looizuur, bovendien ook arbutine (vergelijk pag. 10S) en urson. Giften per dag 10—20 gr. in aftreksel.

-ocr page 247-

42\'.)

8. Catechu, cachou, liet ingedampte waterig aftreksel van Acacia Catechu, bestaat voor de helft uit catechulooizuur dat het monanhydried is van het ook daarin voorkomende cate-chine; dit laatste wordt hij liooge temperatuur in koolzuur en brandig catechine gesplitst. Giften 0.3—1 gr.; per dag tot 5 gr. in poeders of slijmigo afkooksels.

9. Tincture, catechu, I op 6 d. spiritus.

10. Radix ratanhiae, de wortel van Krameria Triandra, bevat 40°/0 ratanhialooizuur. Giften 1—2 gr.; per dag 10—20 gr. ais afkooksel met slijmigo stoffen.

11. Extradwn ratanhiae, een droog, waterig aftreksel.

12. Tinctura ratanhiae , 1 op G d. spiritus.

Behalve deze in de Pharmacopoea opgenomene looizuurbe-vattende stoffen, kunnen nog als zoodanig gebruikt worden: Radix Tormentillae, Kinogom, Sanguis draconis, Lignum Gam-pechianum en andere.

-ocr page 248-

Vil.

SpijsYerteriiigsfermentcn en Voetliiigsiniddelcii.

Bij paticuien aan gestoorde spijsverleiing inoel de arts dikwijls beoogen de werkzaamheid der digestieorganen zooveel mogelijk te verlichten. Hij kan dit doen door zeer gemakkelijk verteerbare spijzen toe te dienen, of die vooraf buiten het lichaam zoodanig toe te bereiden, clat zij in het darmkanaal zelf niet meer behoeven te worden gedigereerd, maar alleen geresorbeerd. Ook wordt dit doel dikwijls nagestreefd door toediening van uit de digestieorganen van dieren verkregen spijsverteringsfermenten.

De verteerbaarheid eener spijs hangt zoowel van hare samenstelling, als van de wijze af waarop zij is toebereid. Wat de samenstelling betreft, komt niet alleen de hoeveelheid der afzonderlijke bestanddeelen, maar vooral de onderlinge verhouding daarvan in aanmerking. Eiwit en vet zijn beiden gemakkelijk te verteren, maar vet vleescb wordt niet gemakkelijk verteerd, omdat het vet, dat de spierbundels omgeeft, het maagsap belet tot deze door te dringen. Het vleescb van oude dieren, dat zeer vast bindweefsel bevat, wordt minder gemakkelijk verteerd dan dat van jeugdige , tenzij dat vaste bindweefsel door eene bijzondere wijs van toebereiding verteerbanrder geworden is.

De diaetetiek houdt zich bezig met de kookkunst ten behoeve der therapeutiek; zij leert den arts volgens rationeele grondslagen voor zijne patiënten het meest geschikte voedsel te kiezen.

De eigenlijke voedingsmiddelen zijn langzamerhand uit de pharniacopoea verdwenen.

-ocr page 249-

Een der belangrijkste is nog de levertraan. Deze vetstof onderscheidt zich van de anderen slechts door /,ijne gemakkelijke verteerbaarheid, liet gevolg van de aanwezigheid daarin, vooral in de gele en donkerder gekleurde soorten, van vrije vetzuren. Deze laatsten worden in hot darmkanaal, zonder dat daarbij het pancreasvocht behoeft mee te werken, verzeept, en daardoor de emulsie der neutrale vetten begunstigd. Door zijn gehalte aan vrij vetzuur diffundeert levertraan ook veel gemakkelijker door dierlijke membranen dan neutrale vetten (Buchbeim). De beteekenis van levertraan voor de therapie berust dan ook slechts op ver-meerderde vetresorptie, terwijl bij personen met eene zwakke spijsvertering door toediening van levertraan de digestie eener voldoende hoeveelheid vet mogelijk gemaakt wordt. De onaangename reuk en smaak van den levertraan, vooral eigen aan do soorten die veel vrije vetzuren bevatten, zou oen surrogaat, uit vrij oliezunr en neutrale vetten bestaande, eene won-schelijke aanwinst voor den artsenijschat maken.

Van de koolhydraten en suikersoorten is druivensuiker bet eindproduct der spijsvertering, dut geresorheerd kan worden. Bij patienten waar vooral de digestie van koolhydraten gestoord is, zou men dus druivensuiker als voedsel kunnen toedienen. Toch kunnen daaraan nadeelen verbonden zijn. Geconcentreerde suikeroplossingen kunnen evenals zoutoplossingen nadeelig op het slijmvlies der maag inwerken (vergelijk pag. 133); de suiker kan in het darmkanaal abnormale gistingprocessen voedsel geven, waardoor zuren en andere nadeelige\'producten worden gevormd, terwijl eindelijk toegediende suiker zeer spoedig en bijna tegelijkertijd wordt geresorheerd, terwijl de resorptie van in bet darmkanaal uit koolhydraten gevormde suiker, evenals die vorming zelve, langzaam doch voortdurend plaats vindt.

Slechts daar waar men druivensuiker in zeer sterk verdunde oplossing voortdurend kan toedienen, kan aan haar gebruik als voedsel groote waarde worden toegekend. Dit is bv. het geval bij koortslijders , die gewoonlijk dorst hebben en veel drinken. Hier kan men de suiker met vrucht combineeren met alcohol, eene stof die eveneens niet behoeft te worden gedigereerd maar

-ocr page 250-

282

onveranderd uil hot darmkanaal wordt goresorbeerd on voor liet grootste deel, evenals een koolhydraat, in hel lichaam wordt omgezet.

Bij andere niet aan koorts lijdende patienten moet in de moeste gevallen aan koolhydraten de voorkeur worden gegeven, doch hier is het de vraag, of de verschillende soorten van koolhydraten , wat hunne verteerbaarheid betreft, op eene lijn kunnen worden geplaatst. Hieromtrent is weinig met zekerheid bekend. Alleen is de vraag niet van belang ontbloot, of het koolhydraat geheel in suiker wordt omgezet, dan of zich daarbij bovendien nog andere colloide stoffen vormen. Immers moeten deze laat-sten, die moeielijk worden geresorbeerd, do oplossing der gevormde druivensuiker belemmeren. Dit is bv. het geval bij de aardappelstijfsel, waar zich nevens glycose, nog andere producten vormen. Deze laatsten zijn het, die het volledige kristallisee-ren der aardappelsuiker beletten en ook bij de gisting, waar deze tot wijnvervalsching gebruikt wordt, giftige bestanddeelen leveren.

Vroeger gebruikte men vooral bij de kindervoeding gaarne hel zoogenaamde Arrowroot, hot zetmeel van verschillende Aroideon en Gannaceën. Het is mogelijk dat in dit opzicht de practijk de theorie vooruit is geweest en dat dit amylum werkelijk gemakkelijker en vollediger verteerd wordt dan dat der gewone voedingsmiddelen.

Als verteerde eiwitstoffen gebruikt men thans nog al de onder den naam peptonen in den handel voorkomende mengsels van peptonen en eiwitstoffen, die stellig eene hooge voedingswaarde bezitten , maar door hun onaangenamen smaak en reuk bij de patienten weinig bijval plegen te vinden.

Bij maaglijders waar men reden heeft te vermoeden dat het maagsap, of in te geringe hoeveelheid wordt afgescheiden, of te arm is aan ferment, wordt dikwijls pepsine, uit magen van slachtvee bereid, toegediend. Slechts daar, waar de maagdigestie met de sonde wordt gecontroleerd, kan over de werking van dit ferment worden geoordeeld. Het inwendig gebruik van ossengal, waardoor men vroeger de vertering van vetten meende te

-ocr page 251-

bevorderen, behoort thans tot de geschiedenis: galbcstandrlee-len storen ook do maagsp ijs ver t o r i n g.

Eindelijk moeten als gemakkelijk verteerbare voedingsmiddelen nog het kindermeel van Nestle en de kindersoep van Liobig genoemd worden. Met eerste bestaat nit suiker , melk en tarwemeel, waarin het amylmn door stoom in dextrine is omgezet; do laatste wordt uit tarwemeel, molk, gerstemout en een weinig kaliumcarbonaat samengesteld.

1. Oleum Jecoris, hot levervet van de kabeljauw; in \'t al-gemeen is de resorbeerbaarheid evenredig aan de kleur , doch omgekeerd evenredig aan reuk en smaak, zoodat de blankste soorten wel de minst walgelijke, doch niet de meest werkzame zijn.

2. Pepsine is niet in onze Pharmacopoea opgenomen. Een der beste maar ook der duurste praeparaten wordt bereid dooiden apotheker Lemkes te Edam, doch dat van Dr. Witte to te Rostock is ook zeer bruikbaar en voel goodkooper. Het wordt veel in den vorm van popsinewijn gebruikt, die volgens de Ph. Germ, uit 50 d. pepsine, 5 d. zoutzuur, 50 d. glycerine en water en 1845 d. witten wijn gemaakt wordl.

-ocr page 252-

vin.

Mechaiiiscli en physisch werkende geneesmiddelen.

1. Mechanische middelen. Verbandstoffen.

Deze dienen deels lot bereiding van verschillende artsenijen, bv. van pillen en strooipoeders, deels tot cbirurgische verbanden en andere doeleinden.

1. Iaj cop odium, heksenmeel, smetpoeder.

2. Carho ligni, boutskool, voor tandpoeder.

3. Hirudines, bloedzuigers.

De antiseptische verbandstoffen en andere chirurgische hulpmiddelen, waaronder ook sponsen, laminaria, boomwol en dergelijke begrepen zijn , worden niet door de apothekers maar door afzonderlijke handelaars en industrieelen geleverd. Hunne vermelding ligt buiten het bestek van dit leerboek.

52. Pleisters en pleisterbestanddeelen.

Pleistermassa\'s bestaan uit klevende mengsels van hartsen, vetten en loodzeepen, die op papier of\' linnen gestreken gebruikt worden. Naar het doel waarmede men ze gebruikt onderscheidt men:

1. Hechtpleisters,

d. Bedekkende pleisters en 3. Geneeskrachtige pleisters.

De hechtpleisters, die in de chirurgie worden gebruikt om gapende wondranden bijeen te brengen en verbandstukken te

-ocr page 253-

285

bevestigen, iiiueteu gued kleven en toch gemakkelijk kiinuen worden weggenomen ; bovendien mogen /ij de luiid niet sterk prikkelen. Thans leveren fabrieken op linnen gesmeerde pleisters van zoo uitstekende hoedanigheid, dat de apotheker die de voorschriften der pharmacopoea volgt, daartegen niet concurreeren kan.

DekjiLdstei\'s moeten gewoonlijk dienen om oen deel der huid te bedekken en te beschutten en behooren dan geenerlei andere werking daarop te bezitten. Aan die vereischten voldoet het lood-of diapahnpleister dat do huid in \'t geheel niet prikkelt. In sommige gevallen gebruikt men die dekpleisters met het doel om ziekelijke producten tot oplossing te brengen en dan moot do pleister een lichten graad van nutritieve prikkeling uitoefenen. Hiervoor dienen uit hartsen alleen, of uit een mengsel van hart-sen en loodzeep bestaande pleistermassa\'s, die als prikkelend bestanddeel terpentijnolie, kamfer of andere vluchtige stoffen bevatten. Door leekeu worden deze pleisters „trekpleistersquot; genoemd.

Tot tie dekpleisters behoort ook het collodium.

Van de yeneeskrachtiye pleisters worden thans nog- slechts de zoodanige gebruikt, die spaansche vliegen en dergelijke scherpe stoffen bevatten, /ij worden gebezigd om ontsteking met blaas-vorming op te wekken of ottering te onderhouden. De pleister-massa bevestigt het werkzame bestanddeel op do huid en bevordert zijne werking door, of het huidsmeer, of ook het werkzame bestanddeel hv. cantharidine, dat in vetten oplosbaar is, op te lossen; over deze pleisters hebben wij reeds gesproken bij do groepen waartoe de werkzame bestanddeelen behooren. In do pharmacopoea vindt men thans van de vroeger zeer gebruikelijke pleisters slechts de zoodanige die, kwikpleisters uitgezonderd, eene plaatselijke werking beoogen.

Belladonna, opium, cicuta en andere dergelijke pleisters zijn met recht obsoleet geworden. Van eene resorptie van alcaloiden door de ongeschonden huid kan alleen bij de vluchtige sprake zijn. Wel is waar zou, als het gewoonlijk op de huid aanwezige vetlaagje verwijderd was, ook een niet vluchtig alcaloid in de huid en daarna in het bloed kimnen worden opgenomen, doch deze resorptie is in (;lk geval zeer onbeduidend, en de algemeene werking dezer

-ocr page 254-

236

alcaloidon kan veel beter door inwendige toediening verkregen worden. Slechts enkele alcaloidon (veratrino, aconitine) werken plaatselijk op de huid in.

Do vroeger gebruikte pleisters, die aan do werking van eenvoudige dek- of hechtpleisters eon gehalte aan aromatische ol\' stinkende (asa foetida) en kleurende bestanddeelen paarden, zijn thans geheel obsoleet geworden.

«. Pleisters.

1. Kmplastrum oxijcli pJumhi, diapahnpleister, bereid door het koken van gelijke deelen loodglid, olijfolie en reuzel, bestaat uit de loodzeepen van verschillende vetzuren, vooral oliezuur.

3. Kmplastrum (jummosum, gompleister, een mengsel van diapahnpleister, gele was, moederhars, ammoniakhars en terpentijn.

3. Emplastrum hydrargi/ri, 2 d. kwik, 1 d. oude kwikzalf, ü d. diapalmpleister en 1 d. gele was.

4. Emjdastrnm resinosuni, kleefpleister, harspleister: 3() d. diapalmpleister, (gt; d. colophonium en 1 d. terpentijn.

5. Emplastrum resinosmn nibrum, 8 d. emplastrum diapalmae, 2 d. wierook en 1 d. drakebloed.

ü. Kmplastrum aromaticnm, gele was, reuzel, nootmuskaatolie, terpentijn, wierook, kruidnagelen en pepermuntolie.

7. Emplastrum saponatum, zeeppleister: 47 d. emplastr. diapalmae, 112 d. gele was, (5 d. medicinale zeep en 1 d. kamfer.

8. Collodium bestaat uit 1 d. collodiumwol, 3 d. zeer sterken spiritus en 18 d. aether.

9. Collodium elastic am, IG d. collodium met 1 d. ricinusolie.

Onze pharmacopoea bevat nog tal van pleisters uit de oude

doos. Empl. asae foetidae, belladonnae, conii, de galbano cro-catum, hyosciami en opiatum.

lgt;. Pleisterhestanddeelen.

1. Colophon rum, vioolhars, hot residu van do distillatie van terpentijn.

2. Ammoniakhars, een gomhars van Doroma ammoniacum.

-ocr page 255-

3. (rulhuumn, moedorhiirs, een gomhars van Perzische Fern-laspccies.

•i. Cera fliwa, g(gt;lo was; do witte wordt door de Pli. geweerd, omdat deze dikwijls door kunstmiddelen gebleekt in den lumdel voorkomt en dan plaatselijk prikkelende eigenschappen kan hebben verkregen.

5. Mustix, een harsachtig sap uit de Pistacheboom.

fi. Litliaiyi/riim, minium en cerussa, alle drie loodverbindingen.

3. Zalven en vette oliën.

De uit vetten en dergelijke stoffen bereide zalven hebben eene weeke op boter gelijkende consistentie en dienen om de huid te besmeren, hetzij om die lenig te maken ot\' van epidermis bc-roofde plekken te bedekken, hetzij om geneeskrachtige stoffeni die in anderen vorm niet op de huid zouden kunnen worden aangewend, daarop te doen inwerken. Meestal zijn deze laatste plaatselijk werkende stoffen. Toch kan, zooals bij de kwikzalf, de bedoeling zijn dat die stot geresorbeerd wordt. De resorptie van bestanddeelen eener zalf kan tot stand komen, omdat de zalf het vettig laagje dat de huid bedekt oplost, waardoor die bestanddeelen in de huidfollikels kunnen binnendringen. Voor zooverre de zalven werkzame artsenijen bevatten, zijn ze bij de groepen waartoe zij behooren vermeld.

Ook de linimenten (vergelijk pag. 114) kan men lot de plaatselijk werkzame zalven rekenen.

a. Ztdven.

1. Viiijiicniitm paraffiiK\', vaselini, eene witte, doorschijnende zalf, die hoe langs zoo meer in gebruik komt en bereid wordt uit 4 deelen vloeibaar en 1 doel vast parafline.

\'2. Axmujia, reuzel.

3. Uuyuentum simplex, 1 d. gele was met -2 d. olijfolie.

4. t iiyumttiin tenienx Ph. (J. coldcream, witte was 4 d.

-ocr page 256-

igt;;J8

spermaceti 5 tl., amandelolie \'ti d., water Ki d., rozenolie I droppel.

5. Unynentnm carhonatis phniihi.

(i. UikjI. curh. jjlidiihl runiphor.

7. Unyuentum diachylon Ph. G. gelijke deelen emplastrum dia-palmao en olijt\'olie.

De Ph. Noeii. bevat nog unguentum althaeae, elemi, lauri-num , oxydi cobalti, populeum, terebinthinaceum enz.

c. Vette oliën en hestamldeelen voor zalven.

1. Oleum olivarum, olijfolie.

2. Oleum annjf/dalanini, amandelolie.

3. Oleum Hui, lijnolie.

4. Oleum s. hutynnn eacao, cacaoboter, ook tot hel maken van supposit.oria dienende.

5. Spermaceti, walschot, de vaste vetstof uil vliezige zakken van den potvisch, bestaande uit den palmitinzuren aether van cetylalcohol.

6. Glycerine, het nevenproduct der zeepfabricatie door destillatie gezuiverd, eene kleurlooze neutraal reageerende, siroopachtige vloeistof.

4. Pappen en stovingen.

Pappen zijn breiachtige, door water opzwellende, mceren-deels uit olie bevattende zaden bereide massa\'s, die verwarmd op in ontsteking verkeerende deelen der huid worden gelegd, om de ontstekingsprodncten tot resorptie te brengen, of om ettervorming te bevorderen.

Pappen werken slechts door hunne warmte; uitdroging of opzwelling der weefsels kan onder eene pap niet volgen, do eerste niet omdat de vochtige pap de verdamping van vocht op de huid belet, de laatste niet omdat de met water geïinbiheerde bestanddeelen der pap dit water vasthouden, zoodat het niet in

-ocr page 257-

de huid kan binnendringen. Eene droge warmte zou in dergelijke gevallen de huid prikkelen en warm water haar imbi-beeren. Door het gehalte dor pap aan olie of vetstoffen blijft deze langer warm. Meestal gebruikt men om pappen te bereiden fijngestampt lijnzaad.

Bij de verweekende kruiden komt behalve de warmte der pap nog eene matige huidprikkeling door de daarin aanwezige aethe-rische oliën in aanmerking.

1. Seinen Hui, lijnzaad; na liet uitpersen der olie blijft de lijnkoek over, die tot grof poeder gebracht als farina lini tot de bereiding van pappen dient.

Ook worden velerlei kruiderijen, als species emollientes, voor pappen gebruikt, meestal althaeabladeren, malvabladeren, kamillen, lijnzaad, melilotus en dergelijke.

Eigenlijk zou men de modderbaden als pappen voor het geheele lichaam kunnen beschouwen.

-ocr page 258-

.

-ocr page 259-

REGISTER.

A.

Absynth 102.

Acotas ammon. liq. 4!).

— nali\'icus 142.

— kalicus 142.

— plumbi 213.

— zinci 210.

Aoetuni vini.

— colchici 8J{.

— digitalis 78.

- scillae 78.

Acidum aoeticuin inn.

— arsenicosum 190.

— boricum 10G.

— carbolicum 225.

— citricum 16(1.

— chromicum 173. liydrocliloriemn 105. nitricum 1(gt;lt;).

— phosphoi\'icuin. I (id

— pyroliguosum lOfi.

— salicyllcum 225.

— suecinicum 166.

— sulfuricum 165.

— tannicum 228.

— tarlaricuiu 166. Aconitine 80.

Aether 40.

— aceticus 40.

— cuin spirit» 40.

- niuriat 40.

Alcoholica 30.

Alkaliën 150.

Aluinaarde 213.

Aloe 121.

Althaea 94.

Ammonia 48, 49.

Ammoniakhars 230.

Amylnitriet 41 , 42.

Ainylum 91.

Antagonisme 14.

Anthelinintioa 124.

Antidotum arsenici 204.

Antimonium 190.

Antiiiyreticn 224.

Antipyrine 225.

Apomorphine 07.

— hydrochlor. 09.

Aqua ainygd. anuir. 50.

calcis 157.

cortic. aurant. 100.

cinuamomi 101.

- foeniculi 102.

— Goulardi 213.

— laurocerasi 50.

— picis 114.

Aiomatische maagmiddelen 98. 100.

verbindingen 217.

Arsenicum 184.

Asa Ibetida 98.

Atropine 52.

Axungia 237.

l(i


-ocr page 260-

B.

Balsaiiium copaivae 109.

— peruvian.

lieuzoo 2\'/J6.

Benzoezuui\' 225.

Belladonna 58.

Bicarbonas natricus 157. Biboras — 157.

Hismulli 213.

Bittere maagmiddelen 98. 102, Bijtmiddelen 147.

Blauwzuur 49.

Braaknoten 19.

Bromium 171.

Bromiden 138.

Broomkalium 141.

Bulbus scillae 78.

C.

Cahtbarine Hi.

tlannabis indica 29. Gantharides llfi.

(larbo ligni 234.

(larbonas amnion. 49.

ealcis 157.

litbicus 157.

kalicus 157.

— magnesieus 157.

natricus 157.

— pluinbicus 213.

Castoreuin 48.

(ja teel in 229.

C.atbartinezuur 118.

C.austieum Viennense 157. (lera llava 237.

(lliarta epispastica 117.

— sinapis 115.

Cbinine 83.

(lliinoidine 90.

(Ihloorzure zouten 140. (Ibloralbydraat il.

U\'2

(\'.bloras kalicus 142.

C\'.bloretum ammonicum lil.

— auro natric. 208.

— calcis 171.

— ferricum 204.

— ferr. et eblor. aimn. 204. bydrargyrosum 198.

— bydrargyricum 199.

— — et amid. 199.

— natricum 131. 141.

— zincicum 210.

Chloroform 10.

Gitras magnesiae 146.

(locaïne 40.

Codeïne 22. 28.

ColTeine 43. 40.

Colchicine 82.

Gollodium 230.

— cantharid. 117.

— elast. 2:i().

(!olo])honium 230.

Goniïne 02.

Conchicine 90.

Cortex aurantiorum 100.

— cascarillae 104.

— chinae 90.

— cinnamomi 100.

— citri 100.

— condurango 100.

— granatorum 120.

— juglandis 228.

— quercus 228.

— rhamni 123.

— salicis 228.

Crocus martis 204.

Cubebe 109.

Curare 19.

Gurarine 19.

D,

üaturine 52.

Desinrccteormiddelcn (aromatische) 220


-ocr page 261-

Desinfecteermiiklelen vuur do piswe-

gen 107.

Digitaline 73.

Duboisine 52.

E.

Elatei\'ium 123.

Electuariurn sennae 122,

Elixer acid. Halleri 40, 1G5, Emetine 69.

Emplastrum aromat. 23(i.

— cantharid, 116,

— diapalrnae 236,

— gummas. 236.

— hydrargyri 236.

— oxydi plumlii 236.

— resinosum 236,

— saponatum 236,

Ergotine 02,

Extractum absynthii 103.

— .aconiti 82.

— alnes 121,

— belladonnae 58,

— calabar 67,

— cascarillae 104,

— chelidonii 103.

— chinae 90.

— colocynthidis 121,

— colum])o 104,

— cubebarum 10\'J,

— digitalis 78,

— filicis maris 126,

— gentianae 102.

— helen li 105.

— hyosciami 58.

— lactucae 29.

— nucis vomicae 19,

— opii 28,

([uassiae 103.

- ratanbiae 229.

rbei 122.

- — compos. 122,

- secal. corn, 52,

Extractum stramonii 59,

— taraxaci 103. Eupborbine 116.

r.

Ferrum pulv. 203,

— bydr. reduct. 203, Filix mas 126.

Floras arnicae 105,

— chamomillae 1)7.

— lavendulae 105,

— melissae 105, sambuci 97,

— tiliae 97,

Folia belladonnae 58, digitalis 77.

— jaborandi 62, —, mentbae 96,

— nicotianae 62,

— sennae 122,

— stramonii 59.

— trifolii 103,

uvae ursi 109, 128. Fruct. capsici 117.

— cardamomi 101. colocynthidis 121.

— juniperi 108.

luuri 105.

Gr.

Galbanum 237. Glandulae lupuli 103, Glaul)erzout, 142. Glycerine 238.

Guajak 106.

! Guarana 46.

, Gummi arabicum 94. i GuUi 123,

H.

HasQhisch 29. Halogenen 168, Hellebonis allms 80.


-ocr page 262-

MA-

Her ba absynthii 102.

— cardui bened. 103.

— centaurii 103. • - cheliclonii 103.

— cochleariae 100.

— conii 04.

— hyosciami 58.

lobeliae inllatao 64.

— roris inarini 105.

— Kal)inae 114.

— salviae 228.

— thymi 105.

— violae 106.

Hirudines 234.

Hydrargyrum 198. Hydrargyrum formnmidal. l\'J\'J. Hydras kalicus 157.

— natricus 157.

Hydrobromas coniini 64. Hydrocliloras pilocarpini 62. Ilyosciamine 52.

Hyppchloris calcis 171. Huidprikkels 10!).

Infusuni ibei a(|. r.\'2. - sennae eomp. 122. Inwikkelende middelen 92. Ipeeacuanlm 71.

J.

Jodiden 137.

•lodelum bydrargyrosum 199.

bydrargyrieuin 199. .Todkun 171.

.lodolbrm 39, 171. •loodkalium 141.

Joudnatrium 138.

K.

Kairinc 225. Kaniula 126. Kali 130, 157,

| Kamfer 46, 48.

Kermes mineral. 192. Koper 208.

Kousso 126.

Kreosoot 225. Kwikchloride 181.

— jodide 181.

— oxyd 181.

— zilver 192

L.

Lactas f\'errosus 204.

— zinci 210.

Lactucarium 29.

Lapis divinus 210.

mitigatus 208. Liuidanum 28.

Lichen carrbageen 94.

— islandicus 95. Lycopodium 234. Liniinentuin volatile 114. Litbargyruin 237. Liquiritia 95.

Lobeline 62.

Lood 210.

Jjooi/.uren 226.

Lupuline 103.

M.

Mangaan 205.

Manna 146.

Maslix 237.

Mei 90.

Mei rosarum 96.

Metalen (zware) 174. lokale werking 175.

— resorptieworking 182. Mezereuin 117.

Myrrba 105.

Moederkoorn 50. Morphine 22.

Morph. aceticum 28.

— bvdroclrlor 27.


-ocr page 263-

Morpli. sulfuric. -7.

Moschus 48.

Moslerdou| 115.

Muscarine 59.

N,

Naphthaline 226.

Narceino 22.

Narcotine 22.

Natrium benzoicum 225. Natrium nitriet 42.

Natrium salicylicum 225. Nicotine GO.

Nitras argenti 207.

— fusus 207.

— bismuthi 213.

hydrargyri 181

— hydrarg. amnion, bas. \'UO, kalicus 142.

Nitroglycerine 42. Nux moschata 101.

— vomica 19.

O.

übsoleete middelen 104. Oleum absynthii 103.

— amygdalarum 238.

— anisi 102.

— cacao 238.

— cajeputi 105.

— carvi 102.

- caryophylloruni 101,

— cinnamomi 100.

— citri 100.

— crotonis 120.

— Ibeniculi 102.

- Hor. aurant. 100.

hyosciami 59.

—■ jecoris 233,

— juniper! 108,

laurinum 105,

lini 238.

— rnacidis 101.

— nuc. moscbat. 101.

M\'gt;

Oleum olivarum 238.

— petrae 226.

— ricini 120.

— sabinae 114.

— sinapis 110.

— terebintbinae 114. Opium 28.

Opodeldoch 115. Oxydatiemiddelen 171. Oxydum calcis 157.

— cupri 210.

— hydrargyri 199.

— magnesiae 157. plumbi 213.

— zinci 210.

Oxyrnel colchici 83.

— sciilae 78.

Ozon 172.

Pavaverine 22.

Papaver 28.

Pappen en stovingen 238. Paraldehyd 41.

Pepsine 233,

Permanganas kalicus 173. Physostigmine 64.

— salycil. 67.

Phosphorus 215, 216.

Phospbas calcis 157.

— natricus 157,

Pyrogalluszuur 225,

Pyropbospbas lefri 204, Pyropbospbas feri\'i et citi1. amnion.

204.

Pilocarpine 60.

Pix liquida 114.

— solida 114.

i\'leislers 234.

PodQphylline 121.

Pulvis aerophorus 146.

— Doveri 28.

— gummosus 94.


-ocr page 264-

Pulvis liquiriliiie comp. 122. Purgeermiddelen 117.

Q.

Quassia 103.

(juinotum 90.

B.

Radix calami 101.

— columho 104.

— gentianae 102.

— Iielenii 105.

- iridis 105.

— ralanhiue 229.

— saponariae 72.

— sarsaparillae 72.

— senegae 72.

— taraxaci 103.

— Valerianae 98.

— zingiberis 101.

Hesina jalapae 121.

Resorcine 225.

Reuk- on smaakiiilddelen 95, 97. Rhizonia veralri 80.

Rheum 122.

lioh junipori 108.

S.

Sabadilla 80.

Saccharum 90.

Sal (larolinum fact. 145. Sal cornu cervi 49.

Santonine 127.

Sapo Rinmnniae 114.

— aromat. 115.

— jalapin. 121.

— medical. 157.

Saponaria 72.

Saponins 71.

Sarsaparillo 72.

Sassafras 106.

Secaio cornulum 52.

Seinen anisi 102.

— carvi 101.

— colchici 83.

— foeniculi 102.

— lini 239.

— phollandri 102.

— santonici 127.

sinapis 115.

Srailacino 71.

Solutie acotatis kalici 142.

— — plumbi 213.

— arsonicalis Fowleri 190.

— chloreti ferrici 204.

— chlorii 171.

— jodii 171.

Species laxantes 122.

— pectorales 97.

Spermaceti 238. Spijsvortoringsfermenton 230. Spiritus aromat. 101.

— cochleariae 106.

— Junipori comp. 108.

— mindereri 49.

— vini 40.

— — camphor. 48, 114. Strycbnine 16, 19.

— nitraat 19.

Styrax 226.

Succus liquiritae 95.

Sulfas atropini 58.

— cupri 210.

— cupr. amnion. 210.

— ferrosus 204.

--exsicc. 204.

kal. alumin. 214.

— kalicus 145.

— magnesicus 146.

— natricus 145.

— zincicus 210.

Sulfur dopuratum 124.

— praecipitatum 124. Sulfuretum calcicum 158.

- bydrargyri 199.


-ocr page 265-

Sull\'ureluin slihii l\'JÜ. Syrupus aurantiorum 100.

— cinnamomi 101, diaeodii 29,

— jodeti ferrosi 204. opiatus 28,

papa veris al bi 29,

rliei 123.

rhoeados 96.

— rubi idaei 90.

simplex 96.

T,

Tartarus emeticus 192, boraxatus 146.

kalieus 146.

kalicus acidus 145. natricus 146. Terpentijnolie 113. 114. Thaliine 226.

Tbebaine 16.

Theesoorten 96,

Thymol 225.

Tincbloride 192.

Tinctura absyntliii 103. acida arom. 165.

aloes 122.

— — compos. 122.

— arniffie 105.

asae tbetidae 98. ben/.oes 226.

— cantharidum 117.

— castorei 48.

— catechu 229.

chinae 90.

— cinnamomi 101. —■ colchici 83.

— colocynthidis 121.

— digitalis 78,

ferri cydoniata 204, ■ gallaruiii 228. — gentianae 102,

iobeliao 64,

Tinctura myrrhae 105,

— nervina Hest. 204.

nucis vomicae 19.

— ratanhiae 229.

— Valerianae 98.

Tragacanth 94.

Trisulfuretum kalioum 158. Trochisci lactat. l\'erros. 204.

— santonini 127.

Tropeinen 52.

Tubera aconiti 82.

— colchici 83.

- jalapae 121.

— salep 94.

U.

Unguentum Autenriethii 192.

— basilicum 114.

— cantharidum 116.

carb. plumbi 213 , 238.

— — — camphor. 213, 238,

— diachylon 238.

— hydrargyri 198.

— jodet. kalic. 142.

— leniens 237.

— mezerei 117.

— oxydi cujirici 210.

— hydrargyri 199.

— zinci 210.

— parafllni 237.

— praecipitati albi 199.

— sabinae 114.

— simplex 237,

-■ terebinthinae 114

V,

Vaseline 237.

Valorianas zinci 210, Veratiine 80.

Vinum 40.

— amarum 103.

! — colchici 83


-ocr page 266-

Vinum opii arom.

— — simpl.

— slibicituui 192.

Viuum tartr. kal. t\'ervici 204, Voedingsstoffen 230.

W.

Water 128 (minerale) 16(5. Waterstofhyperoxyd 172. Wonnniiddelen 124.

y.

Yzer 199.

Yzerchlüvide 181.

— vitriool 18^.

z.

Zalven en vette oliën 237.

Zenuw- en spiergiften 14. Zenuwiuiddelen (stinkende stoffen

als) 97.

Zilver 205.

Zineuin sulfoearbol. 225. Zinkchloride 181.

Zittnians decoct 72, 73.

Zuren 158.

Zoutwerking 132.

Zwavel 123.

Zwaveligzuur 173.

Zuurstof 117.


9rJ/o

-ocr page 267-