Vak 167
GODDELIJKE LIEFDESCHICHTEN
OF
BEWEEGREDENEN VAN GOO LIEF TE HEBBEN.
vet/ft-fa a-£.9 en nlLgcfc^S
in -cii-Jettlg 9]t-e3itaticii.
(jotrükken uit de werken van eenige schrijvers der beroemde Societeit van Jezus
KRANS OF ROZENHOEDJE VAN LIEFDEAKTEN, EN EENIGE BETRACHTINGENEN GEBEDEN ONDER HET H. MIS-OFFER.
Uit liet Italiaanscli, naar deaitgm ra ionie, in list lloilaniscli oifcrselraclil
DOOR
N. A. JANSSEN.
Priester.
(Srcj cn9om -oan 9cn ^Viziatez.
TWEEDE DRUK.
GENNEP
1885.
imprimatur
M. SCHOLTIS, Par. et Dec.
ad hoc delegatu
AAN DEN LEZER.
t\'ehiei t dkottic lezer iu cctt aictn boekje, bij ivijzc van meditatie, vele zeer schoone gevoelens, die sterk en krachtig de grootc beweegredenen ontvouwen, welke God den mensch heeft gegeven om hem zijne liefde te vergemakkelijken. Ze zijn uit onderscheidene schrijvers, leden der beroemde Societeit van Jezus, verzameld en hier bijeen gebragt.
Gelijk in een helderen spiegel van weinig omvang, macu kunstmatig bewerkt, zich de zonnestralen vereenigen, zoo overvloedig, dat zij plotseling een groot vuur kunnen ontsteken, zoo hoop ik, zal vit de vereeniging van zoo vele liefde-uitdrukkende gevoelens, een vermogende, krachtig werkende deugd geboren worden, die in staat zij, aldra in uw hart een levendigen brand van goddelijke liefde te ontsteken.
Diegeen welke korte stof tot overweging verlangt, neme eenige zinsneden uit elk punt; ook daarin zal hij overvloedig voedsel vinden, om zijnen geest bezig te houden, en lange en vurige gemoedsaandoeningen in zich op te wekken. In dier voege kan hij in elk punt eener meditatie vele en velerhande overwegingpuntcn vinden. Trouwens, men heef t de algeemene punten dezer meditatie in ruime
IV
mate ontwikkeld, opdat er rijke stof zij voor diegenen, welke over de voorgestelde waarheden wijdloopig willen nadenken.
Men heeft er tweederlei gebed tot voorbereiding bijgevoegd, opdat de min ingewijde een denkbeeld hebbe van de wijze, waarop men de meditatie behoort aan te vangen.
Ter eere Gods een liefdezuchtje tot den Meer voor de schrijvers en voor hun vertaler!
TOT DE
MEDITATIE.
Zie mij voor uwe heilige tegenwoordigheid, ó God van oneindige majesteit, die hemel en aarde met uwe onafraetelijkheid vervult, en tot in de diepst verborgene schuilplaats mijns harten doordringt. Gij doorschouwt mijn hart en peilt mijne geheimste gedachten. Gij merkt alle mijne handelingen op, om ze te beloonen, indien zij goed en heilig, om ze te straffen, indien zij slecht en schuldig zijn. God, onfeilbare waarheid, ik geloof dat, en wel met dezelfde vastheid, waarmede ik geloof dat Gij God zijt één in wezen, en drievuldig in personen, ik geloof het, omdat Gij het geopenbaard hebt. Ik hoop in U, omdat Gij oneindig barmhartig en goed zijt. Ik bemin U met gansch mijn hart, met mijne geheele ziel, uit alle mijne krachten, uit alle mijne vermogens, en ik aanbid U, mij ootmoedig voor U neerbuigend met al de hulde, die het nietigst onder de schepselen aan zijnen Schepper verschuldig is. Ik smeek U, 6 God van goedheid, verlich mij in hetgeen ik ga overwegen, doe het mij met levendige en doordringende kennis begrijpen. Verwek in mijn gemoed krachtige en talrijke aandoenin-
VI
gen, waarmede ik U eere, en uwen mildadigen bijstand verdiene tot het maken van goede voornemens en onwankelbare besluiten.
(Hierna bidde men het; Kom Schepper H. Geest meermalen herhalende: Ontsteek uw licht in onze zintien, stort uwe liefde in onze harten!)
Miii
Mijn God, mijn Schepper en mijn eenig goed ; Vader, Zoon en H. Geest! ik aanbid uwe goddelijke Majesteit, die ik boven al bemin en door deze meditatie wensch te verheerlijken. Doch, wie ben ik, en wie zijt gij, dat ik mij verstout totU te spreken, en mij eenige oogenblikken voor uw ontzaggelijk aanschijn op te houden? Gij, zijt der heiligen Heilig; ik de snoodste dei-zondaren. Gij zijt der koningen Koning, de Heer der heeren, oneindig wijs, rijk zonder paal, grenzeloos magtig; ik,., een uit slijk gekneed schepsel, een nietige aardworm, een zwakkeling, een onweteling, een arme. Maar dit is juist de beweegreden die mij tot U doet naderen; want Gij alleen kunt, met den invloed uwer genadegaven, mijne uiterste ellende te hulp komen. Gij, verlich Gij mijne onwetendheid met uwe wijsheid. Gij, bemoedig Gij mijne zwakheid met uw vermogen; uwe eindelooze goedheid alleen is het, die mij opwekt, om voor U te verschijnen, niettegenstaande het bewustzijn mijner onverdiensten en mijner gruwelijke zon-
VII
den, die ik op nieuw van ganscher harte verfoei en, door uwe genade ondersteund, nooit meer wil bedrijven. Ontvang, 6 God van ontferming, ontvang de oefening, welke ik tot verheerlijking uws heiligen naams, om U te eeren en te behagen, ga aanvangen. Doch, wel wetend, hoe magteloos ik ben om, zonder de hulp uwer hemelsche genade, iets te doen wat U beha-gelijk zij, smeek ik U ootmoedig om die genade, om dien hemelschen bijstand. U, eeuwige Vader, draag ik mijn geheugen op: vervul het met heilige gepeinzen. Ontvang Gij, goddelijke Zoon, mijn verstand; helder het op met de tallooze lichtstralen uwer hemelsche klaarheid. Heilige Geest, U offer ik mijnen wil: verwarm hem, doe hem ontbranden door het vuur uwer heiligheid, en vergemakkelijk mij deze aandoeningen. Mijn allerbeminnenswaardige Jezus, mijn Heiland en Zaligmaker, ik geef U mijn hart; ontvlam het met uwe heilige liefde. Ik moet U bidden ; dat hebt Gij mij bevolen; maar ik ben volstrekt onwetend in mij van dezen pligt te kwijten. Gewaardig U dan, 6 goddelijke Meester, en leer mij bidden, gelijk Gij het uwen geliefden leerlingen geleerd hebt. En, opdat dit mijn inwendig gebed U aangenamer cn behagelijker zij, sta mij toe dat ik het vereenige, gelijk ik het vereenig, met het gebed dat gij beoefendet ten tijde van uw sterfelijk leven.
Heilige Maagd, waardigste moeder mijns Hee-ren, sta mij goedgunstig bij met uwe alvermogende voorspraak. Paar uwe gebeden met de
VIII
mijne, opdat mij geschiede naar mijn verlangen.
Mijn Engel-bewaarder, verdedig en bescherm mij op dezen stond en altijd tegen de lagen des boozen geestes. Breidel, ik bid het u, de wispelturigheid mijner verbeelding, en geef mij in, wat ik God behoor te vragen tot zijne verheerlijking en tot mijner ziele zaligheid.
BEWEEGREDENEN VAN
GOD LIEF TE HEBBEN-
vamp;tMaazd cn witcj-cfin ^ÏLedüaiicn.
•gt; q.
God moet bemind worden, om het oneindig goed dat Hij in zich bevat.
Bedenk, ó mijne ziel, hoe gij op deze wereld leeft om God te beminnen; hoe uw eigen Schepper dit van uw eischt, met u in het leven te bewaren ; terwijl Hij het u verklaart in het eerste gebod Zijner goddelijke Wet, als Hij u zegt: gij zult uwen God beminnen met geheel uw hart, met uwe gansche ziel, met alle uwe krachten. Doch, niet alleen heeft Hij er u een bevel van willen geven, maar-daarenboven er de middelen toe willen vergemakkelijken, door u de groote redenen te doenkennen die gij hebt, van Zijne oneindige beminnelijkheid lief te hebben, en Hem geheel en gansch uw hart toe te wijden.
2
In der daad, wat wilt gij beminnen, indien ge uwen God niet bemint? Hij, hij is een grenzeloos goed; Hij is schoon boven alle schoonheid, allerbeminnelijkst boven al wat bemind kan worden. Hij is oneindig, om oneindige volmaaktheden en schoonheden, en elk dezer is oneindig. Al wat ge in de schepselen schoons en liefelijks beschouwt, dit alles is in God, hunnen Maker en Schepper, verzameld; maar het is in Hem in eene eindloos groote overmaat, het is in Hem met al de zoetste aanlokkelijkheden, die u kunnen noopen om Hem te beminnen. Al wat men schoons en verwonderlijks in de geschapene dingen vindt, zijn druppels, die afdalen van die Fontein van oneindigeuitmun-tendhedenen bekoorlijkheden; het zijn lichtstralen die uit die onmetelijke Zon van onverklaarbaren glans schieten. God is de oorsprong van alle goed, de oorzaak, waaruit al wat goed is zijne waarde trekt. Alle schepselen hebben het goed, wat in hen is, gansch en uitsluitend van God ontvangen ; zij zullen het niet hebben, dan voor zoo veel en zoo lang het God zal willen, niets meer. Al wat schoon, al wat goed, al wat volmaakt is, bevindt zich in God, maar in zijn laatsten en uitmuntendsten graad van volmaaktheid; het is daar, in Hem, in eene eindeloos-oneindige mate. God is de opperste in alle slag van goederen; opperste Wijsheid xiie alles ontdekt]—opperste Grootheid, die alles omvat — opperste Mogendheid, die kan wat zij wil — opperste Weldadigheid — opperste Milddadigheid —- opperste Schoonheid, die alles tot liefde wekt — opperste Gelukzaligheid, die alle
3
goed geniet. Ja, God is de wijsheid, de almacht, de schoonheid, de rijkdom, de wezenlijke volmaaktheid zelve.Zijn goddelijk zijn is een afgrond van verbazing, een oceaan van genaden, een paradijs van wellusten, een niet te meten opeenstapeling van oneindige oneindigheden.
Mijne ziel, indien gij een God, zoo rijk in goederen, zoo overvloedig in schoonheden, zoo schitterend van voortreffelijkheden niet bemint, wat of wien wilt gij dan op deze aarde beminnen ? Bemin dus dat Goed, dat alle goed is. Hoe groot is uw geluk en hoe verheven uwe waardigheid, eenen God, een gansch schoon, een gansch be-minnelijken God, die alle liefelijkheid is, uwe liefde te kunnen wijden! Vraag Hem dikwijls, dat Hij u eene groote liefde jegens Hem geve; en om zulke liefde te verdienen, zeg Hei» dikwerf, althans met het hart; mijn God, oneindig Goed, ik acht en bemin U boven alles. Wat toch kunt gij ten opzichte van een zoo grooten God minder doen, dan Hem dikwijls te betuigen, dat gij Hem acht voor hetgeen Hij is, dat gij aan Hem boven alle ander goed — oneindig minder dan Hij — de voorkeur geeft?
Met een levendig geloof, geloof ik, ê God, dat Gij een allervolmaakst goed zijt, schoon boven alle schoonheid, goed boven alle goedheid, uitgebreidste ondoorgrondelijkheid van al wat wezen is, uitmuntendste gedachte van alle denkbare volmaaktheid, allerverheven it beeld van alle uit-gezochtste liefde. O mijn God, ik verheug mij met U over de grootheid, van door U geschapen te
zijn; ik verblijd er mij met U over, omdat het uw goed, uwe weldaad, uwe schenking is. Ik verheug mij, dat Gij zijt, die Gij zijt; dat Gij in U de glansrijkste verdiensten vereenigt; dat Gij allerwaardigst zijt om boven alles, boven al wat goed is, bemind te worden. Ik betuig U, dat ik U acht en liefheb, meer dan wat of wien ook. O Heer, wie mag een hart hebben zoo blakende van liefde, als uwe grenzelooze voortreffelijkheden en schoonheden het verdienen! Konde ik een Serafs hart hebben, om U beter te beminnen! Konde ik U met duizend harten liefhebben, indien het mij gegeven ware, duizend harten te hebben 1 Ik vraag U de gaaf eener brandende liefde; ik smeek U om deze kostbare genadegaaf, ik smeek er U om door uwe onmetelijke voorrechten. Dat ik U beminne 6 God; omdat Gij oneindiglijk wijs, almogend, heilig, eeuwig, volmaakt schoon, allerliefelijkst zijt! Aangezien Gij alle goed zijt, geef mij uit barmhartigheid, dat ik U met alle liefde beminne. Aangezien Gij één zijt, die meer is dan alle anderen, verleen mij dat ik U boven allen eeniglijk liefhebbe. Ik neem voor en wil U heden en al de dagen mijns levens plechtiglijk betuige, dat ik U, o mijn God, acht en bemin boven alles. Ik maak het besluit, U dikwerf eene groote liefde jegens U — oneindig Goed — te zullen vragen. Ik beken, dat zulke hemelsche liefde alleen van U kan komen ; haar verhoop ik, haar verlang ik boven en meer dan al wat verlangens-waardig is; haar alleen zal ik betrachten, op haar alleen prijs stellen. Dat verwacht ik van uwe
grondeloozegoedertierenheid,ö God! Eenegroo-te liefde jegens U —mijn eenig en oneindig Goed — een groote liefde.
De onmetelijke volheid van alle goed, van oneindig goed, was altoos in God, is altoos in God geweest, van af de eeuwigheid ; zij zal altoos in God wezen door alle eeuwen der eeuwen, zonder begin, zonder einde, zonder eenige afwisseling, zonder de geringste vermindering. Welke groote volmaaktheid in God : immer gelukzalig, immer ahnagtig, immer allervolmaakst te zijn geweest, zonder van anderen ooit het minste te hebben ontvangen 1 God was van eeuwigheid wat Hij is, in alles onverandelijk, oneindig; Hij is dat altoos, en altoos was Hij dat, volstrekt noodzakelijk. De goddelijke volmaaktheden zijn in God zoo standvastig, zoo zeker en veilig, dat geene volmaaktheden dien grooten Heer ooit kunnen ontbreken. Al zweerden alle menschen en alle duivelen tegen God te zalm, zij zouden Hem, met alle hunne vereenigde krachtinspanningen, geen greintje Zijner volmaaktheid ontnemen, Zijne eeuwige vreugde geen haar-breed kunnen verstooren. Voorwaar, groote Gods-heerlijkheid, welke door niet één kwaad in hare gelukzaligheid kan gehinderd worden, ja, waartegen alle vermogen, als Hij het wil, krachteloos is. Al ging de gansche wereld te gronde, al werden alle menschen en Engelen in den eeuwigen vlammenpoel gestort, God, de
6
Opperste, zou er het minst niet door gedeerd of beschadigd worden. Die Opper-Heer hervindt, in en door zijne grenzelooze volmaaktheid, alle genoegen,allen wellust, alle gelukzaligheid. In het beschouwen van Zijn eigen Wezen, geniet Hij eene zee v;in geneugten, een peilloozen afgrond van tevredenheden, een onuitputbare verzameling van wellusten. God is zoo vol van alle goed, dat Hij niet gruoter kan worden dan Hij is. Al schiep Hij ook duizende werelden, en die allen vervuld met even verhevene schepselen, in grootheid gelijk aan Zijne hemelsche Moeder ; al besteedden zich die schepselen gedurende tallen van jaren in onafgebroken huldebetoon jegens Zijn goddelijke Majesteit; dan nog zou die opeenstapeling van eerbewijzing God niets grooter, niets gelukkiger maken dan Hij thans is. God is groot, door God te zijn; Hij is alles, en alle mogelijk goed, altoos standvastig, altoos onveranderd en onveranderlijk.
Maar gij, mijne ziel, waarom bemint gij dien God niet, dien God die alle goed in zich bevat, alle, niet voorbijgaand en vergankelijk, maar alle duurzaam, eeuwig en onsterfelijk goed ? Zijne volmaaktheden zijn oneindig in alle hare onder-deelen, zonder begin, zonder einde, zij kunnen onmogelijk verbeterd of vermeerderd worden; want zij bevatten in zich alles wat volmaakt is. Bemin dan een zoo onuitputbaar, onontbrekend, eeuwig, eindeloos Goed. Bevestig u in uw gemaakt besluit van Hem dikwijls toe te spreken: mijn God, oneindig Goed, ik acht U, ik bemin U boven al.
7
Of, verdient die hoogste Majesteit in uw hart de eerste plaats niet? — Neem u wijders voor, Hem u zeiven welgevallig te maken, door u in werken te oefenen, die Gode-zelven behagen, als: veelvuldige overwegingen en gebeden, het bijwonen der H. Mis, het waardiglijk ontvangen der heilige Sakramenten, enz. Gij weet, hoe zeer ge u, door zulke oefeningen, bij God aangenaam kunt maken. Beijver u derhalve, om ze overvloediglijk te benuttigen, dien Opper-Heer tevens dikwerf deze gevoelens opzendend ; o Heer, ik betuig U, dat ik, hetgeen ik doe, allee?i doe om vwer liefde-wille, om U genoegen te geven.
O hoogste Goed, ik loof en prijs uwe eindelooze voortreffelijkheden, die van niemand voortkomen, noch de minste behoefte hebben aan eenig schpsel. Met geheel mijn gemoed verootmoedig ik mij voor U die zoo groot zijt, en wil van U — van alles onafhankelijken Heer — geheel afhangen. Ik verheug mij over uwen rijkdom, zoodat Gij u-zel-ven genoeg zijt om volkomen gelukkig te wezen, ja overvloeit van goederen zóó, dat Gij ook alle schepselen met zegeningen kunt overladen. Hoogste goedheid, zijt Gij tot meer niet bekwaam; want Gij hebt het meeste. Gij bezit alles. Gij alleen hebt van U-zelven een hoogst wezenlijk Zijn, onveranderlijk, eeuwigdurend, Bij U vergeleken is het geheelal een druppel water, een korrel zand, een zonnestofje. Het doet mij goed, dat Gij dusdanig zijt; zoodat ilc niets beters kan verlangen, niets voortreffelijkers kan beminnen. O, konde ik
mij geheel in liefde tot U verteeren 1 Konde ik U liefhebben met eenen U beminnenden, millioen malen vermenigvuldigden wil ! Ontvang althans mijne verlangens, mijne vlammende begeerten, En, aangezien ik niet kan, wat ik zou willen kunnen, zoo neem ik mij toch voor, U dikwijls met het hart mijne liefde te betuigen. Ik neem mij voor, U genoegen te geven door wel te doen, door te doen wat U behagelijk is; en juist daarom wil ik dat doen, om U tevreden te stellen, om U te verheerlijken, U die zoo allerwaardigst gediend, geëerd en boven al beliefd wordt. Ik smeek het U, vergemakkelijk mij de uitvoering van dit rnijn voornemen, door degewenschte gaaf eener groote liefde, eener liefde die mij het hart ontrukke aan al het geschapene, eener liefde die mij eeiug en geheel aan U boeije. Doe mij smaak vinden in U te gehoorzamen, in mij toe te leggen op werken die U behagelijk zijn. Ook dit wil ik: mij met U vereenigen door dikwijls herhaalde akten van liefde; zoo als ik voorneem te doen, met U dikwerf deze hartelijke betuiging toe te spreken; nijn God, oneindig Goed, ik acht U, ik bemin U hoven al.
Dsrds Punk
Wij hebben groote zaken van God overwogen. Bij dat alles overdenk, mijne ziel, dat, hoeveel volmaakts, uitmuntends en oneindigs ons verstand met zijn zwak begrip kan omvatten, dit alles een bloote niet is, vergeleken bij hetgeen is, in wezen en in waarheid. God is die goedheid niet, welke wij ons verbeelden, maar eene Majesteit oneindig
9
verheven boven alle onze gedachten. God is zelfs die oneindigheid van volmaakte schoonheden niet, welke wij in Zijn allervolmaakst Wezen bewonderen en waarover wij verstomd staan. Hij is eene oneindigheid oneindig grooter, dan die wij ons kunnen voorstellen. Laat het menschelijk verstand zich inspannen om te denken, hoe verheven, hoe onmetelijk God zij; dat het al de volmaaktheden zamenvatten, waarvan het levendigst denkvermogen zich eene gedachte kan vormen: onuitsprekelijk alvermogen — matelooze grootheid — hoogst schitterende heerlijkheid — eenig wen-schelijke goedheid; het ga zoo voort met alle mogelijke voorregten en denkbare volmaaktheden opeen te stapelen : hetbeginne wederomen verme-nigvuldige, verbrecde, verlenge en vergroote dit vele duizend-duizend keeren, ja met millioenen, op millioenen, eeuwen door, in en uit; geheel die schat, die gansche opeenstapeling is een loutere niet, vergeleken bij hetgeen God is; het verdwijnt voor Zijn goddelijk aanschijn als damp, vervliegt als rook. God is eindeloos grooter, dan al wat door aller menschen en Engelen kennissen kan worden uftgedacht. Hij is een alleruitstekendst, een allerverhevenst, een onbegrijpelijk, niet uit te spreken Wezen. Wij kunnen ons in God verblijden, wij kunnen Hem liefhebben wij kunnen Hem aanbidden: eens zullen wij Hem kunnen genieten. Hem kunnen bezitten. Doch wij kunnen, en nooit zullen wij kunnen. God begrijpen. O mijn hart, moestet gij niet geheel in liefde voor dien God wegsmelten ? Maak althans het besluit,
10
Zijne hemelsche goedheid dikwijls om de genade Zijner liefde te smeeken. Gij kunt God wel nooit volmaaktelijk en volkomen kennen; maar doe althans uw best, om wegens Hem eenige klare kennis te bekomen. Hoe beter men Go^d kent, hoe helderder de verdienste in Hem uitschijnt van nog meer bemind te worden. Neem u voor dikwijls aan God te denken; want, is iets waardig gekend te worden, quot;t is Zijne oneindigheid. Doet gij dat, welk opperst goed zal zich dan niet met immer stijgende klaarheid aan uwen geest vertoonen, en \'n- uwe ziel eene steeds vurigere liefde ontsteken 1 Geheel ons geluk bestaat, in ons verstand zóó te gebruiken, dat het altoos beter en beter ontdekke wie die God is, en in onzen wil bezig te houden, met Hem door eene immer meer brandende genegenheid lief te hebben. Maak een vast besluit, van u op beiden toe te leggen.
Hoe waar is het, ó mijn God, dat Gij oneindig groot, eindeloos meer verheven zijt, dan Engelen en menschen zich kunnen verbeelden I Ik juich in mijne ziel, dat Gij onbegrijpelijk, dat Gij onschatbaar zijt. Ik bewonder deze uwe grootheid, om welke de Engelen en Gelukzaligen noch uwe schoonheid,noch uwen luister, noch het ongenaakbaar licht, waarin Gij U ophoudt, kunnen beseffen. Ik verheug mij, dat uw ondoorgrondelijk Wezen aan U alleen — oneindig licht—volkomen bekend is. Dan, ofschoon ik U niet kan begrijpen, ik wensch U toch vuriglijk, zoo veel mogelijk, te kennen. Ik heb een levendig verlangen van eene hoogeachting voor U op vatten, mijn geest te
11
voeden met lichtende kennissen uwer schoone oneindigheid, door een overvloed van bovenmatige liefde de onwetendheid mijns geestes aan te vullen. Ik weet, dat geen eenig schepsel U kan beminnen naar de mate uwer beminnelijkheid, U kan aanbidden naar de verdienste uwer eerwaardigheid. Hierover verheug ik mij met U, omdat dit al, uw eigen, het U waardig heil is, het heil waardoor GijGodzijt. Ik smeek U om de genadegaaf, van U met de vurigste liefde alle goed te willen. Ik verzucht naar de gaaf, van U met de vaardigste dienstbaarheid te gehoorzamen. Ik ben zeker, dat ik veel tot uwe eer zal verrigten, indien ik U mag kennen. Verwek dus in mij eene groote begeerte van mij hierop toe te leggen, van mij daaromtrent heldere begrippen te bezorgen. Want ik ben geschapen om U te kennen, om eene hooge gedachte te krijgen van uw overschoon en allervolmaaktst Wezen. Ik bedank U, dat Gij mij een daartoe vatbaar verstand hebt geschonken. Dat begrip, dat verstand wijd ik U toe, 6 mijn God, en bid U, dat Gij mijn gemoed verlichtet met de stralen van uwen glans, opdat ze mij ophelderen en althans iets ontsluieren van die peillooze diepte der grootheden, der schoonheden, der oneindigheden, die in U zijn. Verlich mij, ó Heer, verlich mij. Ik wil en zal dikwijls aan U denken, en aan alles wat mij uwe onmeetbare liefelijkheid liefelijkst voor oogen kan stellen ; opdat ik immer meer en meer verlange U te beminnen en te behagen. Intusschen erken en beken en belijd ik, dat Gij alle liefde, allen lof.
12
alle vereering en zegening waardig zijt; en als dusdanig vereer, zegen en bemin ik U boven alles.
(Hernieuw uiue voornemens, van dikwerf aan God te denken — ie lezen hetgeen u van God spreekt —dikwijls akten van liefde te beoefenen.)
Beweegredenen van God te beminnen, getrokken uit de Goddelijke voortreffelijkheden.
lesife® Pu.nt
Overdenk in \'t bijzonder, welk goed u op deze wereld het meest behaagt, wat uw hart opwekt tot innigere en krachtigere liefde. Dat goed zult ge in God vinden; maar op een hoogst volmaakte, op eene oneindig voortreffelijke wijze, oneindig redelijker om bemind te worden.
Bemint gij de schoonheid, overdenk, dat God eene onmeetbare schoonheid is, door welker liefelijkst aanschouwen millioenen Serafijnen voldaan zijn, waarin millioenen zalige Geesten hun behagen scheppen zich voortdurend te spiegelen. God is deeenige en rijkste bron, waaruit alle liefelijkheid, alle bekoorlijkheid, alle aanlokkelijkheid vloeit; Hij is dat schoone, dat zich over de schepselen spreidt om ze te vercieren, zönder dat Hij eenig verlies onderga van het oneindig schoone wat in Hem is.
Behagen u schatten en rijkdommen, denk dat
13 \'
God een onuitputtelijke schat is, dat Hij alle rijkdommen in Zijne magt heeft, dat Hij er de alge-heele en volstrekte meester van is. Indien ge Hem bemint, zal Hij uwe vergelding zijn, in Hem zult ge allen rijkdom, alle schatten hervinden.
Zijt gij op groot- en eerwaardigheden gesteld, weet, dat uw God alle majesteit en uitmuntendheid is, dat Hij Zijne dienaren bekroont met jubel en heerlijkheid, dat Hij hen in het hemels vaderland zóó groot maakt en verheft, dat zij als zoo vele goden schijnen.
Voelt gij u gedreven tot diegenen, welke uitstekend zijn in wijsheid, in vermogen, in eigendommen, in heiligheid, enz.; dan moet gij veel meer God beminnen, wiens magt alvermogend, wiens eigendommen allervolmaaktst, geheel en volstrekt, wiens heiligheid allerreinst, onbevlekt en ongeschonden is, zóó, dat Hij-alleen Zijae schepselen kan heiligen en met deugden eieren. Alle heer- en meesterschappen ontleenen haar gezag aan God; al wat licht- en doorluchtig is, ontvangt van Hem zijn glans en luister. Hij God is licht boven alle klaarheid, volmaakt boven alle volmaaktheden, goedheid boven alle goed. God is niet slechts de goede; maar de betere, de beste. Is dus alle goed in God, zoo is het duidelijk, dat dit opperst, dit hoogst en beste Goed meer moet bemind worden, dan alle ander minder goed. Mijne ziel, indien u andere goederen behagen, moet u, om dezelfde reden. God oneindig meer behagen ; want in Hem is alle goed besloten wat gij buiten Hem kunt beminnen; maar oneindig-
14
lijk meer. In God is, als in haren oorsprong en eerste oorzaak, de gansche natuur te vinden : alle gaven, alle goede hoedanigheden, en dan nog oneindige goederen meer. Waarom verliest gij u dan rondom de schepselen, van nietige schijngoederen een geluk afbedelend, dat zij uit zichzelvcn niet hebben ? God alleen kan u bevredigen tot en met de vervulling uwer grootste verlangens. Bemin derhalve dat eenig Goed, dat alle goed is. Bemin uwen God, die alleen u kan verzadigen; bemin Hem van ganscher harte. Wend alle uwe zorgen en krachten aan, om Hem door uwen handel en wandel, door al uw doen en laten te behagen. Dit zij hel oogmerk van al uw betrachten : Hem genoegen te geven, aan Hem te believen. Zeg Hem dikwijls, ernstig en welgemeend : mijn opperste Goed, ik verklaar en betuig U, dat ik doe, wat ik doe, om U te behagen. Het is eenegroote Godsgoedheid, dat Hij genoegen schept in ons handelen. En, aangezien gij Gode niets anders kunt aanbieden, offer Hem althans deze genoegdoening, dat gij Hem dikwijls de hulde brenget uwer goede werken.
O mijn God, ó mijn hoogste goed ! Ik bemin de schepselen, omdat ik meen in hen eenige goedheid aan te treffen, die mijne liefde waardig is. En ik bemin U niet, oneindige goedheid, in wien alle goed uitschijnt dat maar eenigzins kan behagen ! Ik bevlijtig mij, diegenen te bevredigen en welgevallig te zijn, aan wie ik mijne liefde schenk; en ik denk er niet aan U te vreden te stellen, U genoegen te geven, aan U, aan wien ik verpligtben geheel mijne liefde te wijden I Gij
15
hebt behagen, Gij verlustigt U in mijne goede werken; en ik, ja, ik ó wil er vele beoefenen ; ten einde U te voldoen, U te believen. Ja, dat wil ik, ook met ongemak en lijden. Ik wil U uit zuivere liefde dienen en beminnen.
Voorwaar, mijn God, ik ben maar al te dwaas en uitzinnig geweest, toen ik mij verloor in de gehechtheid aan nietige goederen, aan beuzelachtigheden, aan vuige genoegelijkheden! In U kon ik alle goed vinden, in U kon ik beminnen al wat mij buiten U kon aanlokken; maar ik heb dat niet gewild. Ach ! hadde ik U altijd lief gehad, goddelijke beminnenswaardigheid I Het berouwt mij, dat ik mijne genegenheden kwalijk geplaatst heb, het berouwt mij, ö Heer, het spijt mij, en mijne gansche ziel is er bedroefd over. En nog-tans, 6 Heer, ik zou U willen beminnen, ik zou U willen lief hebben, zoo veel ik weet en kan. Ik zou ook de liefde willen verliezen van de nietigheden dezer aarde. O Heer, ik smeek het U, doe mij toch een weinig kennen wie Gij zijt, hoe Gij dat eenig heil, dat eenig goed zijt, hetwelk mij alleen rust en verzadiging kan schenken. O mijn God, ik draag U mijne ziel op, opdat Gij ze geheel tot de uwe maket. Ik wijd ze U toe, opdat Gij ze vervullet met uwe genadegaven, en deze mij noopen om U te dienen, om U alleen lief te hebben. Ik bemin U, mijn God, en betuig U, dat ik U wil beminnen, door mijn hart te scheiden van alle geschapene genegenheden. Ik hoop rust, vrede en genoegen te hervinden, in U te behagen. Daarvoor smeek ik U door uwe grondelooze
16
goedheid, welke ik andermaal en op nieuw bemin, vereer en toejuich. Amen.
Tweeii Punt,
Overweeg een wonderbaar uitwerksel van Gods oneindige schoonheid en volmaaktheid, het is dit; het aanschouwen dezer schoonheid doet de verhe-venste Serafijnen zalig zijn, en vervult hen met zulken overvloed van hemelschen wellust, dat hun geest hem niet geheel kan bevatten. Nooit houden zij op, het eindeloos goed dat zij in God zien, te bewonderen en er voor te verstommen ; ■nooitkunnen zij aflaten, dat schoone te beminnen, wat zij eens bemind hebben. Al wie begint God te zien, gelijk Hij is, bekent, dat het een oogen-blik beschouwen van dat schoone, meer waard is, dan gedurende millioenen eeuwen alle ander denkbaar genoegen te smaken. Alle geneugten en wellusten dezer wereld, vergeleken bij die zuivere genietingen, welke de minste onder de Gelukzaligen smaakt, in God te aanschouwen, zijn, als waren ze een enkel allergeringst druppeltje bij een peilloozen oceaan.
Gods schoonheid is onmeetbaar. Die haar ziet, vermoeit zich niet, met ze door alle eeuwen dei-eeuwen te aanschouwen. Haar zien, zal immer en altoos een allerzoetste verwondering, een aller-streelendst genoegen in het gemoed der Zaligen gaande houden en aankweeken. Op welk oogen-blik ook wij God zullen zien, zullen wij Hem genieten even schoon, even beminnenswaardig, als Hij duizende jaren te voren was. Want onveran-
17
derlijk is Hij in eene volmaakte schoonheid, in eene onverslensbare fleurigheid, in eene onafneembare volmaaktheid van volmaaktheden. Zijne liefelijkheid zal nooit tanen, Zijne aanlokkelijkheid zal eeuwig duren, om ons eeuwig te verblijden, om geheel ons hart eeuwig bezig te houden met Zijne alvermogendste beminnelijkheid. God alleen heeft, om Zijne oneindige schoonheden, dit voorrecht, dat Hij altoos nieuw zal schijnen, altoos voortreffelijk, altoos uitmuntend door aller eeuwen eeuwigdurendheden. Zijne bekoorlijkheid zal immer levendig, immer verbazend wezen; zij zal elk oogenblik der ziele een opperst genoegen verschaffen in haar te aanbidden, in haar lief te hebben, zonder verlangen tot iets anders, zonder iets anders te willen genieten dan hetgeen zij eenmaal in God heeft begonnen te smaken, Datzelfde verlangen, diezelfde genieting zal in haar levendig en werkend blijven na millioenen jaren, als of het de eerste dag ware. De oneindige kracht der goddelijke schoonheid is van dien aard, dat zij in elke gelukzalige ziel onafgebroken, zonder einde, het genot zal storten van onuitsprekelijke wellusten, van onbegrijpelijke gelukzaligheden.
Wat begeert gij, mijne ziel, waarnaar haakt gij, indien ge niet verzucht tot dat eindeloos schoon, waarbij al het aardsche vergeleken, slijk en stof is. Herinner u dikwijls, dat ge zijt geschapen, om dat eindeloos schoon te genieten. Stel alle uwe krachten te werk, om naar den Hemel te gaan ; daar alleen is dat eindeloos
2
18
schoon te vinden. Wek dikwerf dat verlangen in u op, van God dalr | eeuwig te beminnen. Zeg Hem intusschen dikwijls : Mijn God, ik verlang vurig, U in den Hemel te beminnen, U in dat\'Paradijs van Zaligheden te genieten. Gij hebt het mij beloofd; ik verhoop \\het\\ van U, ik reken op uwe beloften.
O beminnenswaardige God, oorsprong van al wat schoon is, beginsel en oorzaak van alle liefelijkheid! Ik verlang boven al, mijnen geest af te zonderen van alle genegenheden dezer aarde, en hem geheel in U te vestigen, die de uitgelezene bloem van alle schoonheid zijt. Mijn God, ik liep als een verloorling achter de schimmen dezer wereld, met eene ijdele, dikwerf zondige nieuwsgierigheid mijne oogen en gedach. ten slaande op beuzelingen, terwijl ik mij het hart liet vervoeren door schemergoederen waarmede zij zich optooien. Ik leef intusschen, U vergetend ; ik denk aan U niet, ik hecht mijn hart aan U niet! En nogthans overschoone God, zijt Gij toch het genot en de lust der ver-hevenste schepselen, die in U een gestaag 1 a-radijs hervinden. Om uwe schoonheidte genieten, hebt Gij de heerlijkste geesten geschapen, de helderglansrijkste Cherubijnen, de uit liefde vlammende Seraphijnen. In U vinden zij de vervulling van alle hunne vurigste wenschen, het voedsel eener nooit bezwijmende liefde. O, hoe onmeet- en onnaspoorbaar is uwe goddelijke beminnenswaardigheid! Geef mij licht, 6 Heer, opdat ik het Opperschoon leerc kennen dat
19
zoo zeer aan Engelen en Gelukzaligen behaagt; opdat ik, op U verliefd, al doe wat mogelijk is, om U te behagen. Aan de Engelen en Uitverkorenen vertoont Gij U glansrijkst, beminnelijkst, overschoonst, alle liefde allerwaardigst. Doe U ook zoo aan mij kennen. Ook ik hoop U eeuwig en altoos in den Hemel te bezitten, zonder mij ooit te vermoeien, zonder mij ooit in uwe liefde te verzaden. Daar zal ik U eeuwig schoon, eeuwig nieuw, eeuwig verrukkelijk aanschouwen. Ik begeer u, ganschelijk zoo als ik ben, lief te hebben. Maar, opdat ik dat vrijer en vaardiger doen kunne, geef, ó schenk mij eene walging van al het aardsche. Doe mij kennen en inzien dat de goederen der aarde laag, ijdel en verachtelijk zijn, dat zij niets om hebben dan schijn en vertooning, dat zij aldra verslensen en vergaan. Ontneem mij de geneigdheid van ze te willen zien, van er mij mede bezig te houden; opdat ze mij niet langer bedriegen, opdat er mijn hart niet meer aan kleve, maar ik tot U kome en in U rust vinde. Mijn God, verlos mijn geest van de ketenen die hem aan de genegenheden voorde aardsche dingen gekluisterd houden. Ik ben naar mijne vrijheid verzuchtende, om U geheel te kunnen liefhebben, om U te kunnen smaken, om U, gansch bevredigd te kunnen dienen. Ik bemin U boven al; in den hemel hoop ik U nog beter te zullen beminnen. Amen.
20
Bgsi©
Gods schoonheid wekt zóó vermogend tot liefde, dat zij zelfs de harten der duivelen oogenblikkelijk zoü veranderen, indien zij zich klaar aan hen konde vertoonen. Bij den eersten blik, welken deze weêrspannige geesten op het Goddelijk aanschijn zouden werpen, zouden zij alle hunne rampen vergeten, zij zouden zich verrukt gevoelen door dat zoet aanschouwen, en niet kunnen nalaten God onvergelijkelijk meer dan zich-zelven te beminnen. Dat hemelsch licht, hetwelk hun het overschoon aangezicht huns Heeren zou doen aanstaren, zou hen ongevoelig maken voor alle hunne folteringen, zou daarentegen zielzalvende vlammen van heilige liefde in hen ontsteken. Lucifer - zelf, in wien haat en wrok tegen God zoo groot zijn, zou, op het verschijnen dier goddelijke schoonheden, zijne woede veranderen in eene hartelijke liefde, zijne vervloekingen in liefderijken jubel, zijn helsche lasteringen in hemelsche loftuitingen ; hij zou bekennen, dat Gods schoonheid zoo uitstekend is dat, deze een enkel oogen-blik te genieten, meer dan opweegt tegen de vreeselijke pijnen van millioenen jaren in de hel. De kracht, van God ontsluierd te aanschouwen is dusdanig, dat zij den verraderlijksten en in het kwaad gehardsten wil in de teederste en liefderijkste liefde kan doen smelten en verzachten. Met hare klaar den verdoemden veropenbaarde tegenwoordigheid, kan zij de afgrij-
21
selijkste hel in eene allerbekoorlijkst Eden van wellusten herscheppen.
Trouwens\'t is geen wonder, dat\'de oneindige schoonheden van het opperste Goed zoo iets in geschapene geesten kunnen uitwerken, Ini-raeis, diezelfde door God-zelven beschouwde schoonheden, hebben Hem-zelven van alle eeuwigheid gelukkig en zalig gemaakt. God was niet eerder, dan hij gelukkig was; Hij leefde van eeuwigheid, en was van eeuwigheid gelukzalig, zonder dat zijne eeuwigdurende tevredenheid en gelukzaligheid ooit in het minst onderbroken, verstoord of verminderd werden. In God is het één en dezelfde zaak: te leven.... en eene grenzelooze gelukzaligheid te genieten. En dat genieten is Zijn leven. Zijn Wezen, vol geneugten, vol zoetheid, zonder gevaar van onheil, zonder ondervinding van hindernissen, geheel behagelijk, geheel vrede, geheel goed; geheel oneindige, niet uitspreekbare gelukzaligheid. Doch, van waar die volle onmetelijkheid van wellusten, die bekwaam was om het oneindige Hart van een God, door alle eeuwen en eeuwen, te gelukzaligen? Van niets anders dan van het eeuwig aanschouwen Zijner onuitsprekelijke schoonheden; daaruit heeft Hij eene onopdioogbare bron van eeuwigduurzaam en eindeloos geluk weten te trekken, zonder eenig ander heil buiten Hem, zonder mogelijke verveling van zulk zelf-beschouwen, en dat voor jaren zonder tal, voor eindelooze eeuwen, voor de oneindige eeuwigheid, voor eeuwig. Gelukkig wij, die geschapen
22
zijn, om zulke verbazende wonderen, ook voor eeuwig te genieten. Gelukkig ons verstand, dat zich eeuwig moet ontspannen door de aanwezigheid van zulk schoon I Gelukkig onze wil, die eene zoo wonderbare schoonheid moet beminnen en er zich in verlustigen I Gelukkig onze liefde, die gansch en volkomen moet zwemmen in die onmetelijke, in die grondelooze zee van hemelsche genietingen en tevredenheden!
Mijne ziel gij moet dus niets anders betrachten, dan deze onuitsprekelijke beminnenswaardigheid te aanschouwen. Vraag derhalve, vraag God om die genade, vraag Hem, om naar den Hemel te gaan; maar vraag het Hem dikwijls. Beijver u, goed te doen op deze wereld, opdat gij er u overvloedig en bovenmatig voor beloond moget zien in de eeuwige verheerlijking. Neem u voor, eenige deugden te beoefenen, b. v. de naastenliefde, de verduldigheid in handelen en lijden, het breidelen uwer hartstochten; ten einde gij u alzoo uwe zaligheid verzekeret.
O grootheid der schoonheid Gods 1 O volkomenheid 1 O volheid van goddelijke liefelijkheid 1 O overvloed en uitstorting van goddelijke bekoorlijkheden! O afgrond! O oceaan! O wereld van goederen, volmaaktheden, van geluk, va11 roem en heerlijkheid! Ik wensch en verlang, en begeer U eens te zien, mij eenmaal in uwe aanschouwing voor altoos te verlustigen. Wanneer toch zal ik U zien, aanschijn-aan-aanschijn ? Wanneer zal de dag van vreugde en verrukking aanbreken, dat ik in uw koningrijk trede, ter
23
lessing mijns vurigen gelukzaligheiddorsts? O heerlijke en voor mij glansrijke dag, ó stond van zaligheid, als ik uwe stem, uwe uitnoodi-gende ^stem zal hooren, om in te gaan in die onsterfelijke blijdschap, in die vreugd der vreugden, in dat jubel van jubelen I Naar dat gelukzalig leven verlang ik, ik haak naar dat leven, waar ik! U, ö mijn God, zeker en veilig, duurzaam en eeuwig zal liefhebben. Dat leven verhoop ik door de verdiensten mijns Heeren J. C. — Zulk Jot ben ik niet waardig; want om mijne zonden verdien ik alle^straf. En nogtans. hoop ik op U, op U, ó mijn\'God. Gij hebt mij tot die groote vcropenbaring, tot dat onsterfelijk aanschouwen geroepen. Maar wat staat mij te doen, om het te bereiken? U te dienen, 6 Heer, U te eeren, U te beminnen. Tot dat alles ben ik bereid. Neen, neen ik wil om niets ter wereld U door de zonden beleedigen ; ik wil, door en voor wat ook, uwe liefde_ uwe vriendschap niet verliezen. Integendeel: ik wil U eeren en vereeren; ik wil U bevredigen dooreen deugdzaam leven,door het onderdrukken mijner hartstochten (zeg welke), door liefdewerken (jegens wie, en hoe?), door werken van godsvrucht, enz. Ik verlang U te beminnen, 6 mijn God, en steeds toe te nemen in uwe liefde. Dat wil, dat zal ik, indien gij mij door uw hemelsch licht bestralend, dat opperste Goed zult doen kennen, dat mij voor eeuwig gelukkig moet maken. Ik bid U, eeuwige en oneindige God, ik] bid U door uwe oneindige wijsheid, verlich mij. Ik smeek U,
24
door uwe grondelooze goedheid, ontvlam mij met eene blakende liefde, waardoor ik U eenig en bovenal kunne beminnen en liefhebben. Ik bemin U mijn opperste goedheid, ik bemin U. {Hernieuw dikwijls de gemaakte voornemens).
Beweegredenen van God te beminnen, getrokken uit Zijne weldaden.
iêESk fut.
Een gewichtige reden die mij tot Gods liefde behoort op te wekken is, dat God mij bemint, ja mij bemint met de teederste liefde. Zijne liefde is niet alleen eene liefde met woorden, maar eene met de daad werkelijke liefde. Goed willen en goed doen, is in God een en dezelfde zaak. Uit liefde heeft mij God mijne ziel geschapen, haar daarenboven Zijne beeltenis en goddelijke gelijkenis indrukkend. Uit liefde vormde Hij mij het lichaam, en bewaart het mij met in-en uitwendige vermogens van verstand, geheugen, wil, enz.
O levende God, ik beken, aan U het leven verschuldigd te zijn, het leven dat ik van U heb ontvangen en voortdurend ben ontvangende en dat door uwe loutere barmhartigheid, ondanks mijne geheele onwaardigheid. Ik beken, belijd en betuig het U ; ik loof en bedank er U duizendmaal voor.
Wat meer is: omdat God mij beminde, heeft
25
Hij zoovele wonderen Zijner almacht gewrocht, als ; de aarde — den hemel — de planten en dieren, met al wat mij dienstig is om te leven en te genieten. Hetzijn allen uitstekende werken Zijner almogendheid, niet tot Zijn nut, noch tot dat der Engelen — welke er geenibehoefte aan hebben; — maar alleen tot mijn voordeel, tot mijn genoegen. Het zijn altemaal weldaden van dien mij minnen-den Heer; met het oogmerk dat ik, de vertijnd-heid Zijner liefde jegens mij overwegende, door zoovele liefde getroffen, aan Zijne liefde zoude beantwoorden. Al de schepselen : de Hemel, de aarde, de elementen, de redelooze dieren, het zijn als zoovele tongen die mij toeroepen, dat mijn en hun Schepper mij goed wil. mij lief heeft. Onophoudelijk zeggen zij mij, dat zij door Zijne almagt, voor mij zijn geschapen; Zijn eindelooze schoonheid heeft ze voor mij fraai en voortreffelijk gemaakt; Zijn opperste wijsheid bestuurt en leidt zete mijner dienste; Zijn beminnelijke goedheid bewaart en verrijkt ze te mijner gunste. Wat kan ik meer verlangen, om een zoo minnenden, jegens mij zoo weldadigen God lief te hebben ?
Overweeg mijne ziel, en zie of en hoe die groote God u genegen is. Dit alles heeft Hij vooru gedaan, terwijl Hij kon niets doen; terwijl Hij zich bij zich-zelven kon bepalen, in Zijn eeuwig zelfbehagen, zonder aan u te denken. En nogtans is Hij immer aan u denkende, voor u werkende, u op elk oogenblik met de talrijkste en uitstekendste weldaden begenadigend. Hij houdt Zijne oneindige volmaaktheden altijd voor u bezig : Zijne al-
26
raagt, om het aanschijn te geven aan zoo vele schepselen die u wel doen ; Zijne wijsheid, opdat die schepselen u voordeeliger zouden zijn , Zijne goedheid en mildadigheid, om u het genot van al het goede te doen smaken, dat zij in zich bevatten. Dat alles doet Hij met eene levendige, met eene onuitsprekelijke en volstandige, zich nooit vermoeiende liefde. Nimmer is Hij verzadigd in u met zijne genadegaven te verrijken ; nooit zal Hij ophouden, de ruimste zegeningen over u te doen afdalen, De weldaden, welke die goede God u bewijst, zijn ontelbaar, zonder dat gij zelfs weet, hoe groot zij zijn, zonder dat gij er zelfs aan denkt, zonder dat gij er Hem dankbaar voor zijt met ze te erkennen. Wat toch kon die liefderijke Heer meer doen, om u in de noodzakelijkheid te stellen van Hem te beminnen, van Hem genoegen te geven, van Hem uit wederliefde en erkentelijkheid te gehoorzamen ? U van alle kanten omgeven, u van alle zijden als bestormen met zoovele verplichtingen van liefde, met zoov ele onverklaarbare, niet op te tellen weldaden I De versteendheid uws harten zou dus even groot als onbegrijpelijk zijn, indien gij niet innig dien God bemin det, die u n.et zoovele gunsten heeft overladen, en steeds overlaadt.
O mijn God, ik ben een monster van ondankbaarheid. Zoovele weldaden van uwen kant, zoo vele liefde; en van mijnen kant geene liefde, zulke groote ondankbaarheid 1 Gij zoudt van mij willen bemind worden ; en wat doet Gij niet, om mij tot die liefde te verplichten I Ach, ik bedank
27
U voor al wat ik ben, voor al wat ik ooit van U heb ontvangen; dit alles was en is uwe schenking, dat alles kwam en komt van uwe minnende goedheid. Ik erken, dat het alles van U komt, en in dat alles erken ik tevens mijne strenge verplichting van U te beminnen. En evenwel besluit ik nog niet U, na zoovele weldaden, geheel mijne liefde te wijden I Daarom verklaar ik het voor het aanquot; schijn des Hemels en der hemelsche geesten ; ik ben een monster van ondankbaarheid... . ten hoogste van U begenadigd... . jegens U ten hoogste ondankbaar 1 O, hoezeer verschilt mijne handelwijze van de uwe! Ach, Opperheer der harten, vermurw mijne versteendheid, opdat ik mij toch eens voor goed aan mijne verplichtingen herinnere, en niet langer wedersta aan de roepstem uwer genade. Mijn God, aangezien Gij nooit ophoudt mij te begenadigen, smeek ik U dringend en ootmoedig, dat Gij mij meer en meer doet inzien de grootheid, de voortreffelijkheid, de. oneindigheid uwer weldaden; opdat ik ereene hooge achting voor opvatte, en volkomen overtuigd zij wegens mijne uiterste verplichting van U te beminnen, van U uit liefde, te dienen van nooit op te houden te doen hegeen ü behagelijk is. Ik maak het vast besluit van dikwijls aan uwe weldaden te denken, ze aandachtig te overwegen en er U dikwerf voor te bedanken. Dikwijls zal ik U de betuiging mijner liefde hernieuwen en tot U spreken: Oneindige goedheid ik bemin U boven al-Stort in mijn hart die vlammende liefde welke van U afdaalt, de liefde waarmede ik U vurigst
28
verlang te beminnen. Ik smeek hetU door alle uwe voor mij zoo bezorgde volmaaktheden. Ik bemin U, 6 mijn opperste weldadigheid; ik bemin U; en nooit zal ik ophouden U te beminnen, U uit liefde te dienen.
fweeie fill.
Beschouw, o mijne ziel, al de schepselen van het Heelal. God is immer in elk dier schepselen te uwer gunste werkende; God schenkt zich-zelven in al die schepselen. God is het, die • u verlicht door de zon, die u verwarmt door het vuur, die u voedt door de spijzen; die u verlustigt door de welluidendheid, die u streelt door schoone gezigten, die u bevredigd en genoegen doet vinden in al wat gij schoons en aangenaams geniet. Gij hebt niets goeds in- noch buiten u, dat u niet van God komt. Hij helpt u in alles wat u nuttig, aangenaam, genoeglijk en lief is. Hij helpt u uit liefde, om u te behagen, om u goed te doen. Des nachts zend Hij u den slaap. Hij waakt aan uwe sponde en behoedt u tegen ongevallen i bij dag staat hij u steeds ter zijde en voorziet in al uwe noodwendigheden; Hij helpt u spreken, wandelen, handelen; Hij helpt u in uwe kostwinning, in uwe betrekking; Hij voorziet in uwe behoeften; Hij verlangt dat u alles welslage, Hij verheugt zich in uwen voorspoed. Gij kunt niets doen, geen stap zetten of verzetten, geen woord uitbrengen, geen zucht slaken, geene gedachten vormen, tenzij die lief-
29
derijke Heer u bijsta en meêvverke tot het rigten uwer schreden tot het uiten uwer woorden, tot het vormen uwer denkbeelden, tot het regelen uwer genegenheden. Gij kunt geen hoegenaamd genoegen smaken tenzij God het u geve. In een woord: het is en blijft U onmogelijk, iets te verrigten zonder Gods bijstand, iets goeds te doen, iets goeds te erlangen, dat niet immer en altoos van dienzelfden God kome.
Erken ö mijn ziel deze en zoovele andere weldaden, die u van God zijn ■ en nog steeds geworden. Zij zijn duizenden, zij zijn ontelbaar, ze zijn talloos op elk uur, op eiken stond. Waarom dan bemint gij den Gever, den Schenker van dat alles niet? Is het mogelijk dat gij zoo lang dien God vergeet, die gestadig aan u denkt, die u op elk oogenblik met de weldaden van Zijn alvermogen zegent, die op eiken stond de sprekendste bewijzen geeft van Zijne uitgelezene liefde ! Hij doet het, om u tot Zijne liefde over te halen ; Hij houdt u van alle kanten als omsloten en omcingeld met Zijne genadegunsten; ten einde uw schuldig hart te bestormen en er zich geheel meester van te maken. Doch gij. . . gij zijt en blijft weerbarstig, gij betwist Hem den eigendom uws gemoeds! Wat moet God dan doen, wat beproeven, om uwe liefde te winnen? Denk en herdenk er eens ernstig op na. . . . Weldaden, inzonderheid als zij overvloedig en voortdurend zijn, hebben toch natuurlijkerwijs kracht, ja een ongeloofelijk vermogen, om elk gemoed, ook het ruwst, te binden. En de algeheele, de uitgestrekte, de rijkste en
30
overvloedigste Gods-weldaden zijn krachteloos ten uwen opzigte! Gij denkt er niet aan, gij overweegt dat niet oplettend; daarom maakt dat geen indruk op uw hart. Neem u dan voor, die weldaden dikwerf en met aandacht na te gaan, ten einde door die overweging tot krachtdadige besluiten te komen, van God te dienen, van Hem te dienen uit wederliefde, van Hem uit liefde te gehoorzamen, van uit liefde uwe goede werken te vermenigvuldigen; om Hem, om uwen God te behagen,
O mijn God! Waarom brand ik niet van liefde tot U, terwijl ik mij bevind in het midden uwer liefdevlammen, uwer weldaden, uwer schepselen» in welke Gij mij al dat goed bewijst, wat Gij door hen op mij doet nederdalen. Ach! daar Gij zoo milddadig zijt te mijner gunste, verlaat mij niet in datgeen wat mij het belangrijkst is. Verlich mij in U te aanschouwen, II mijn weldoener van eiken stond, mijn Schenker van alle en elkdanig goed; verlich mij, verlich mij. O! dat ik mij niet bepale bij het bloot aanschouwen der schepselen, maar dat ik tot in hen doordringend. Uwe almogendheid, Uwe in mij zoo liefdevol alle goed uitquot; werkende weldadigheid aandachtig leere waarnemen en gade slaan. O mijn God, deze overweging, die zelfde gedachte heeft zoovele andere harten in liefde tot U doen ontvonken. Ik draag U die
liefdevollegemoedsaandoeningen van anderen op;
ik verheug er mij met U over, om het genoegen en de verheerlijking die er jegens U uit voortspruiten
31
Helpt mij, ö schepselen, helpt mij mijnen en uwen Schepper lief te hebben; ontsluiert Hem mij, gelijk Hij is; doet mij Hem kennen als hoogst milddadig; doet mij Hem kennen als geheel mijne liefde waardigst.
Mijn God, ik weet U dank voor al het goede dat ik eiken oogenblikgeniet; Gij zijt het die het over mij uitstort. Maar ik ongelukkige ! De ver-pligtingen die op mij rusten van U te beminnen, zijn bovenmatig groot, zij vloeien over. En ik. . . ik heb geen liefde, het ontbreekt mij aan kracht, om te doen wat U welgevallig is. Gij, gij denkt zonder ophouden aan mij, Gij omvat mij met Uwe weldaden 1 Ik wil dan ook dikwijls aan U denken; ten einde U schuldige eer en lof te brengen. Dikwijls wil ik mij aan Uwe gedurige weldaden herinneren, dikwijls wil ik er U mijne dankerkentenis voor aanbieden. Daar Gij mij uit liefde zoo zeer begenadigt, wil ik U ook uit liefde behagen, U dienen, U gehoorzamen. Ik wil mij oefenen in akten van liefde en eerbewijzing jegens U, en — hetgeen U zoo aangenaam is — in liefdewerken jegensmijnennaaste. Gij, ó God, help mij; versterk mijn gemoed met uwe hemelsche liefdestralen, en mijn hart met Uwe goddelijke inspraken; opdat ik voortaan niet ondankbaar leve, gelijk ik tot mijne schande en schade tot nu toe ondankbaar geleefd heb. Ik stel mijn betrouwen op U, ik hoop in Uwe liefde. Ik hoop en betrouw op U,mijn God, omdat Gij immer en altoos groot en milddadig jegens mij zijt geweest in weldaden.
\\
32
Derde Puni.
Overdenk, mijne ziel, en meet de grootheid dei Goddelijke weldaden af, naar hetgeen u kon gebeuren, indien God, in het uitdeelen dier gunsten, met u spaarzamer ware geweest. U het leven schenkend kon God toelaten, dat ge met een zwak, onvolkomen, ja met een mismaakt ligchaam geboren werdt. Gij kondt ter wereld zijn gekomen herzenloos, zonder verstand, zonder oordeel. Maar God heeft u gezond en kloek, in welzijn geschapen; Hij gaf u begrip, gevoel, vernuft. Sta stil bij- en bemerk deze gaven die u zoo welgevallig zijn, waardoor gij van anderen zijt onderscheiden, ja veelligt meer dan anderen geacht wordt. Gij hebt ze allen als een geschenk van eene hemelsche hand ontvangen. Gij kondt blind, of doof, of stom, of verminkt ter wereld zijn gekomen. Hoe zeer zoudt ge u Gode verpligt achten, wanneer Hij u door een mirakel het leven, de spraak, de beweging, het gebruik van eenig zintuig, of wat ook schonk, waarvan gij bij uwe geboorte, of later door eenig ongeval waret beroofd geweest. Denk dus, dat gij van God ontvangen hebt en steeds zijt ontvangende dieoogen, welke u zoo dierbaar zijn; die tong, welkeu zulke groote diensten bewijst; dat gehoor, die handen, alle die lidmaten, welke uw ligchaam vercieren en opluisteren. Denk, dat zoo vele anderen, of eei zij nog het licht zagen, of van hun eersten leeftijd, die schoone gaven misten. Wat zoudt gij u gekneld gevoelen, indien ge u van anderen zaagt opgemerkt als misvormig van geest
33
ofligchaaml Is het u niet zeer veel beter, nooit gebrekkelijk, nooit verstoken te zijn geweest van al de voorregten die u onderscheiden ? Overweeg bovendien, dat God met liefde en zorg over u waakt, als waret gij het lid zijner oogen. Hij waakt over uwe zintuigen, over alle uwe vermogens, ten einde gij bevrijd blijvet van duizend onheilen, van duizend gevaren. O, wist gij, hoe vele ongevallen Zijne liefdevolle voorzienigheid van u heeft afgeweerd 1 Indien God u slechts ée\'n oogenblik die voorziende waakzaamheid onttrok, welke Hij uit loutere liefde op zich heeft genomen, gewis, geheel uw lichaam, geheel uw geest geraakte in wanorde ; gij verloret het gebruik uwer zintuigen en geestvermogens; gij haddet noch gezondheid van ligchaam, nog kloekheid van ziel meer; gij waret overstelpt met duizenderlei ellenden en krankheden. Hield God op, u te behoeden, gij verloret het leven-zelf dat gij zoo lief hebt, ja gij werdet vernietigd, tot uw eerste niet- zijn teruggebragt. Ontvangt gij dan van uwen God zoo vele niet aan allen verleende, u van zoo veel gebreks en onheils vrijwarende voorregten; hoe is het dan mogelijk, dat gij dien groeten Begiftiger niet bemint, dat gij zoo koud en flauw zijt, in Hem iets goeds te willen? Hadde een mensch u het honderdste, het duizendste gegeven, van hetgeen God u geschonken heeft, gij zoudt voor dien mensch van liefde branden, nimmer ophouden hem te beminnen; gij zoudt van hem spreken, gij zoudt hem loven en verheffen, gij zoudt uw vermaak vinden in met hem te verkeeren, in u met hem
3d
te onderhouden. En met God 1 Met God doet gij niet alleen zóó; gij doet het tegenovergestelde. Het is, als ware u aan God weinig gelegen: gij eert Hem niet door gebeden en lofbetoon, gij houdt u ver van Zijne kerken, het verveelt u, veel van God te hooren spreken, werken van deugd te beoefenen, die Hem toch zoo behagelijk zijn. Nog erger, gij hebt u van Zijne gaven bediend, en bedient er u veelligt nog van, om Hem te beleedi-gen en te verachten: van uwe oogen, om te zien wat God niet wil dat ge ziet; van uw ligchaam, om u wellusten te veroorloven die God verbiedt; van uw denkvermogen, in het bezig te houden met gedachten en verbeeldingen die u Zijne heilige Wet ontzegt; van uw hart, om het weg te werpen ten dienste der schepselen, in onheilige gehechtheden, in goddeloosheden.....Is dit de vrucht
welke God inoogst voor Zijne milddadigheden, voor Zijne overvloedige u bij vooregtgeschonkene genadegaven 1
O! mijn God, hoe zeer bemint Gij mijl Gij bemint mij met de meeste liefde; want gij doet mij goed ten koste uwer eer. Voorwaar, ik zou U door mijne oogen zoo grootelijks niet beleedigd hebben, indien Gij er mij van haddet beroofd, voorziende dat ik ze zou misbruiken, om U te vergrammen. Dat zelfde zeg ik van mijne tong, zoo glibberig om Uwe wet te overtreden door onzedige, al te vrije woorden, enz.; van mijn denkvermogen, met zoo vele schuldige gedachten bevlekt; van alle mijne vermogens, werktuigen mijner handelingen. Ik belijd, ö Heer, dat ik mijn
35
verstand heb misbruikt om kwaadaardiger, mijn spreken, om sluwer te zijn in bet plegen van daden die U verongelijkten. Hoe hebt Gij er toe kunnen overgaan om mij zoo veel goeds te bewijzen, van wien Gij niets dan versmadingen te verwachten had? Ik sta beschaamd over mijn onverdragelijk misbruiken uwer genadegaven; dat ontstelt, dat verplet mij. Ik verdien, dat Gij mij mijne oogen, tong en handen, dat Gij mij alle mijne in- en uitwendigen vermogens ontnemet; omdat ik ze misbruikt heb tegen Uwe grenzelooze goedheid Uitliefde tot U berouwt het mij, zoo zeer misdreven, U zoo grootelijks gekwetst te hebben. Ik verdien, van alle goed beroofd te zijn. Doch ik neem voor, U dikwijls te herhalen : Voor niets ter wereld, o Heer, wil ik U ooit meer zwaar vergrammen. Ik verklaar en betuig U, dat ik mij voortaan ganschelijk tot Uweeer,tot Uwen dienst wil besteden. Ik maak U eene offerande van mijne oogen; van mijne tong, van mijn gehoor, van alle mijne ledematen. Ze zullen niets meer zien, niets meer spreken, niets meer hooren van hetgeen U mishaagt, van hetgeen mij in gevaar kan stellen, Uwe heiligheid te kwetsen. Inzonderheid offer ik U dat gedeelte van mij zelven op, waarmede ik het meest gezondigd heb. Ik verklaar mij allerschul-digst, en allerwaardigst dat te verliezen; ik betuig U dat het mij, door Uwe genade gesterkt, nimmermeer tot zonden zal dienen. Maar daartoe is mij Uw bijstand noodig ; ik smeek er U om. Onttrek U aan mij niet, verlaat mij niet, of ik keer terug tot de zonde. O, verlaat mij niet 1 Gij zij1
36
oneindig goed ; Gij zult mij niet verlaten. Verleen mij de genaden welke ik het vurigst verlang en die mij noodzakelijk zijn, de genaden van U te beminnen, van U meer en meer met meerdere liefde lief te hebben. O Heer, verlaat mij niet. Besteed Uwe mildste liefdadigheid aan deze mijne ziel; zij heeft er dringende behoefte aan. Besteed ze, ik bid het U door de verdiensten van mijnen Jezus.
De liefde waarmede God zoo veel voor ons geleden heeft, is eene beweegreden van Hem te beminnen.
Igfgte Punt.
Ga over, mijne ziel, tot- en overweeg nieuwe getuigenissen van Gods verbazende liefde jegens u. Getuigen Zijner hartelijke genegenheden uwaarts zijn ; het kruis, de nagelen, de doornen, de geeselslagen, de dood.... welke Hij voor u aannam en onderstond uit liefde tot u. Weet ge wat het zeggen wil: een God voor u geslagen, voor u gegeeseld, gewond, gekerft, met doornen gekroond, onregtvaardig tot den wreedsten dood veroordeeld, beladen met een zwaar kruishout, aan dat kruis met handen en voeten vastgenageld, van de menschen gescholden, verguisd, gelasterd, zoo zeer van allen mishandeld, dat Hem een druppel waters werd geweigerd om Zijnen brandenden dorst te lesschen, ten laatste
37
vermoord, uit liefde tot u, door den geweldig-sten en ijsselijksten dood geslagen?! Zie... om u eene artsenij van zaligheid te bereiden, liet Hij geen druppel bloeds in Zijn gezegend lig-chaatn, geen druppel welken Hij niet te uwer gunste vergoot. O! konde ik begrijpen, hoe overmatig groot Zijne liefde jegens mij is geweest! Immers, het was die liefde, welke Hem ter slagtbank voerde in het midden der felste pijnen, benauwdheden en folteringen, die uit liefde ooit verdragen zijn of verdragen kunnen worden. Zoo veel slagen en stooten — zoo vele doodsangsten — zulke scherpstekende, de hersenen doorboorende doornen — zulke plompe en wreede nagelen — zulke hartverscheurende verlatenheid... dit alles en nog meer lijden voor mij, dit alles uit liefde voor mij ! Voorwaar, dit is een verfijnde liefde, eene bloem van liefde, welker weerga niet te denken is. Beschouw, mijne ziel, ó aanzie uwen Jezus op het Kruis! Daar hangt Hij, door de liefde jegens u gekruisigd ! O groote, o oneindige, o vurigste liefde ! Jezus\' liefde tot den mensch was zoo groot, dat, waren Hem duizende dooden gevergd Hij, om onzent wil, liefde genoeg zou gehad hebben om ze te aanvaarden. Hij beminde veel meer dan Hij leed, en eene veel grootere liefde hield Hij in Zijne ingewanden opgesloten, dan de liefde waarvan Hij, in het onderstaan Zijner bittere smarten, uiterlijk deed blijken. Zijne martelingen verkondigen ons gewis een groote, een onuitsprekelijke liefde; en toch verklaren
38
zij ons de uitgestrektheid Zijner liefde slechts onvolkomen; aangezien Zijne inwendige liefde onvergelijkelijk grooter was, dan die Hij uitwendig door Zijn lijden openbaarde
Deze overdenking behoorde wel mijn hart met de warmste wederliefde te vervullen : mij van mijnen God te zien bemind worden met zoo vele en zulke uiterste liefde-blijken ! Wat hadde die goede God meer kunnen doen, indien Hij een God aan zich hadde gelijk gehad, wien Hij een uitgelezene, eene volmaakte liefde had willen betoonen ? AVelke overmaat van liefde hadde Hij Hem meer kunnen bewijzen, dan Hij bewezen heeft aan zijn schepsel aan zijn\' slaaf, aan zijn\' vijand?! Voor zich-zelf hadde Hij niet meer kunnen doen, voor zijn eigen leven niet, noch voor Zijn eigene grootheid, indien Hij zich dezen door Zijn eigen werken had moeten bezorgen. O mij ondankbare, voor wien God zoo veel heeft gedaan, als ware ik een andere God 1 En ik, ik wil niet beantwoorden aan zoo vele liefde; ik wil niet erkentelijk zijn voor zoo\'n liefdevollen God; met Hem te dienen, met Hem te gehoorzamen, met Hem geheel mijne genegenheid toe te wijden 1
O onmetelijke, ó almogende, 6 allerheiligste God 1 Hoe hartstogtelijk bemint Gij den mensch, en mij in \'t bijzonder 1 Wat toch is de mensch, dat Gij hem zoo teederlijk liefhebt dat Gij, om hem van Uwe liefde te overtuigen, zoo vele monden opent als Gij wonden hebt, waarmede ik U overdekt zie. Het grootste liefdeblijk van
39
den eenen vriend tot den anderen is, dat hij zich niet spaart in voor hem te lijden, het lijden toch is, wat men hardst kan onderstaan Maar zoo véél lijden, in alle slag van lijden, en dat lijden voor een slaaf als ik ben! Dat is eene goedheid, eene liefde, alleen een min-nenden God eigen. O Heer, vattede en begreep ik die goedheid, zulke liefde! Gelukkig de zielen, wien gij het door een bijzonder goddelijk licht veropenbaard hebt. O, hoe beminnen zij U ! Hoe branden zij geheel van liefde tot hunnen God ! Er is geen hart dat U kan beminnen naar de verdienste van Uwe gronde-looze liefde. Wat moeten de Serafijnen wel gezegd hebben, toen zijU uit liefde tot denmensch in zulke vreeselijke benauwdheden, in zulke wreede martelingen zagen kwijnen! Wat mij betreft, ik bewonder en verhef zegenend die eindelooze welwillendheid, die U tot zulk grootsch bestaan heeft doen besluiten. O, mijne uiterste schaamte, van U niet te beminnen, van niet geheel uit liefde tot U te gloeijen! Heer, ik draag U op alle Uwe pijnen, alle Uwe benauwdheden, alle Uwe folteringen, en door derzelver verdiensten vraag ik niets van U, dan de genade van U lief te hebben, van altoos toe te nemen in Uwe heilige liefde. Dit wil ik : dikwerf Uwe wonden beschouwen en U, voor mij aan \'t Kruis gehecht. In die wonden, in dat aan het Kruis hangen, zal ik Uwe onverklaarbare liefde lezen. Ook wil ik U dikwijls zeggen : ik bemin U, mijn God, ik bemin U bovenal
40
Bovenal wil ik U uit liefde gehoorzamen, om U door al mijn doen en laten genoegen te geven. Ik omhels en kus Uwe heilige wonden, levende zegels uwer liefde. Ik omhels en kus Uw heilig hart, waaruit ik eenige vlam van liefde trekke. Deze alleen begeer ik, om deze alleen bid en smeek ik U, ó mijn Godl
Tweeds Punt.
Denk, mijne ziel, hoe Jezus, voorziende en wetende, wat Hij voor U op het einde zijns levens zou te lijden hebben, niet eens dien tijd wilde afwachten, om u van zijne teerhartige liefde te doen blijken. De Heer des hemels verscheen op aarde, bedacht op de verfijndste liefdevonden voor den mensch, met het oogmerk van het felste lijden voor ons geluk te onderstaan. Hij kwam met zulken honger tot lijden, dat Hij geen eenig oogenblik van lijden wilde verliezen. Nauwlijks was hij in Maria\'s maagdelijken schoot ontvangen, of Hij brandde van liefde, om den bitteren lijdenskelk voor U te beginnen te drinken. Van af den eersten stond Zijns bestaans stelde Hij zich al de hardheden van Zijnen levenswandel, Zijn lijden, Zijne armoede. Zijne vermoeijenissen, Zijne geeseling. Zijne nagels. Zijne lans, en al de martelende werktuigen Zijner rampen voor. Dat tempeest van smarten, die vloed van pijnen ontstelde Hern niet. Integendeel, Hij aanvaardde dat alles met de meeste bereidwilligheid.
41
met de levendigste begeerte tot mijn heil, gereed om dat alles terstond te lijden, hadde het zijnen hemelschen Vader niet anders behaagd, in dat eerste oogenblik dacht Hij aan mij ; toen reeds droeg Hij Zijne vernederingen. Zijne folteringen, Zijn leven en Zijnen dood voor mij den Hemel op I
O minnelijke Zaligmaker, hoe veel deed Gij in die eerste oogenblikken voor mij, en hoe weinig heb ik gedurende mijn gansche leven voor U gedaan !
Maar, ofschoon de folteringen, die Hij voorzag, Hem zoo terstond het ligchaam niet moesten verscheuren, wilde Hij echter, dat ze Hem van stonde aan, door een inwendige marteling den geest zouden benauwen. Hij wilde intus-schen, dat de levendigheid Zijner verbeeldingskracht Hem stuksgewijze het beweenelijk tafereel zoude ophangen der smarten en pijnen, die Hem wachtende waren. Een zoo vreeslijk aanschouwen, een zoo gruwzame voorstelling begon Hem van toen af door de ziel te waren, Hem het Hart te nijpen met doodelijke beduchtheden. Hem het gemoed als overstelpt te houden onder eene zee van benauwdheden en zielangsten. Gods liefde kan, ten gunste van den mensch, niet werkeloos blijven; zij is vernuftig in het toepassen van liefde-vonden op en voor \'s menschen heil. O liefde I O Goddelijke goedheid ! O uitgelezene, o bloem van liefde 1
Wat meer is; ten einde ook in het ligchaam te lijden, terwijl Hij reeds in Zijn geest beangstigd
2
42
werd, wilde Jezus Zijne levensdagen beginnen als een klein kindje; om zoo ganschelijk al de strafbaarheden te onderstaan, welke andere kinderen niet gevoelen, bij gemis aan redenering, aan oordeel, aan begrip. Maar Jezus, voorzien van volkomen kennis, van het volmaakste gebruik der rede, Jezus wilde ze allen ondervinden en lijden. O wonder! Een almachtig God, een onmetelijke, dien de wereld niet kan bevatten, die door Zijne grootheid de grenzen van al het geschapene overschreidt, dien grooten, ontzaggelijken God zich een klein kind te zien maken uit liefde tot mij, zich te zien opsluiten in den schoot eener maagd! Ja opgesloten, en gedurende negen maanden als begraven te zien in de engten van zulke gevangenis ! O wonder van liefde, tot hoever gaat Uwe liefde jegens mij! Overdenk toch, mijne ziel, welke goede minnaar uw God is die u, om u, zulke —• om zoo te spreken — buitensporige blijken van liefde heeft gegeven. Hij heeft zich mensch gemaakt, om voor u te kunnen lijden. Hij leed geen uitstel; maar. Zijne liefde als prikkelend, begon Hij Zijn menschelijk leven met vreese-lijke geesteskwellingen en harde ligchaamson-gemakken. Daarin heeft Hij, zoo lang Hij leefde, volhard, niet uit noodzakelijkheid, niet gedwongen, maar uit loutere liefde, opdat wij op onze beurt de ellenden van dit tijdelijk leven zouden leeren verdragen. Doch, hoe bevalt it dat lijden, om Gods wille ? Onmogelijk is het, in deze wereld te leven zonder rampen, zonder
43
tegenheden van velerlei aard. En nogtans hoe zorgend tracht gij er u aan te onttrekken! Hoe dikwerf hebt gij Gods heiligheid gekwetst, om niet iets te lijden te hebben; omdat gij eenige lastige moeielijkheid niet wist, niet wildet overwinnen. Zijn dat de voorbeelden die ge van uwen God ontvangt, die geen oogenblik leefde vrij van kwellingen, vrij van smarten? — Maak dan het voornemen, van voor Gods eer do tegenheden te verdragen, welke gij door den dag zult ontmoeten; de lasten te omhelzen, die ge zult te overwinnen hebben om God niet te beleedigen. O, hoe veel heeft het hem gekost, om u voorbeelden te geven van verduldige lijdzaamheid I
Mijn allerminnelijkste Heiland en Zaligmaker! Hoe zeer mislijken ik U, en hoe verschillen mijne geneigdheden van de Uwe 1 Gij, gij hebt de smarten lief, zóó, dat Gij er U reeds voor Uwe geboorte mede belaadt 1 Hoe vernuftig was Uwe liefde I Uwen geest te kwellen met folteiingen, die U eenmaal werkelijk zouden treffen! U gedurende negen maanden in een engen kerker op te sluiten, om er de groote ongemakken te ondervinden onafscheidelijk van dien toestand! En ik, hoe wars ben ik van alle lijden ! Hoe menigmaal heb ik de zonde verkozen, om eenig ongemak te vluchten, den moed niet hebbende van uit liefde tot U iets lastigs te verdragen! Mijn God, ik beken en betuig U, dat ik om mijne misdaden alle kwelling en straf schuldig ben. Doch ook betuig ik U,
44
dat ik voortaan, om niets ter wereld U andermaal wil mishagen. Wat grooter kwaad, welk grooter onheil toch kan er wezen, dan U te vergrammen, U misnoegen te geven? O ja, ik wil het lijden beminnen, om U te gehooi-zamen, ik wil lijden, opdat Gij niet beleedigd wordet door mijne zonden. Ik sta veibaasd over Uwe voor mij zoo lijdensvaardige liefde.
Ik bedank U, 6 Heer, voor die aan mijnen levenstoestand zoo noodzakelijke en doeltief-fende voorbeelden. Ik draag U Uw eerste
levenslijden op, en door dezes verdienste smeek
ik U, dat Gij mij dat lauw en laf hart ont-nemet, hetwelk van elke kwelling huivert, en schrikt van de ongemakken des christelijken levens. Schenk mij een nieuw hart gelijkvormig aan het Uwe, opdat ik U ook in beproeving moge dienen, opdat ik U moge behagen in het midden van kommer en smarten. U te bevredigen is mij genoeg, mits Gij geëerd wordet, verkies ik te lijden wat mij ook bitterst zal gemoeten op den weg uwer geboden, en nooit en nimmer wil ik, om eenig kwaad, ophouden goed te doen. En dat alles, om U te verheerlijken, U wien ik van ganscher harte, wien ik meer dan mij-zelven bemin.
(Hernieuw de gemaakte voornemens van te willen lijden.)
Der da Punt,
Onse God mensch geworden, komt ter wereld tusschen wrede pijnen en folterende smarten. Hij wil niet geboren worden in het moederlijke huis,
45
waar Hij althans cenige leniging te wachten had ; maar Hij verkoos, tot deze zijn eerste verschijning, alle omstandigheden der hardste kwelling. Hij wilde des winters, in den onaangenaamsten tijd des jaars, geboren worden; van dien winter koos Hij de guurste maand, van die gure maand het koudst uur, middernacht, wanneer de strengheid der koude het scherpst en doordringendst is. Een hol, dat tot stal diende, was het paleis van dien Hemelkoning, zulk paleis ontving zulken Vorst I In die plaats, op dien stond werd een mensch-minnende God geboren, en kwam Hij uit den schoot der ongedeerde Maagd, in nederigheid, in armoede en in smarten te voorschijn ; Zijn eerste legerstede was de harde grond. O liefdewonder ! De Allerhoogste, de Onmetelijke, de Eeuwige, die op der windenvleugelen wandelt; wiens voeten Cherubijnen drukken en Serafijnen, Hij vertoont zich voor den eerstenkeer op aarde uitgestrekt op den blooten vloer I Hier begint Hij te leven voor het openbare wereldlicht, in het midden van allerlei ongemakken. Als een onnoozel wicht lijdt Hij de guurheden des jaargetijds, metal wat er het nachtelijk uur aan toevoegt! Wie staat niet verstomd op het aanschouwen van dien God, die koude schiep en sneeuw, den winter en de jaargetijden? Hij laat zich gekweld worden van Zijn eigen schepselen 1 Hij maakt de koude scherper, opdat zij Hem lastiger zij. Hij verguurt den wind( opdat er Zijn teer ligchaampje pijnelijker door gezweept worde. Hij wapent het [norsche jaargetijde, om door sneeuw en vorst, en al wat zij sner-
46
pendst met zich voeren, verveeld en geplaagd te worden.
In dezen toestand kwam Jezus niet uit noodzakelijkheid ter wereld. Hij toch was de Heer en Meester van alle schepselen; Hij kon zich door Zijne schepselen op allerlei genoegelijke wijzen doen dienen. Doch Hij kwam en vertoonde zich als een wicht, arm, trillende van kou, in de uiterste behoefte, van alles verstoken. En zóó kwam Hij, zóó vertoonde Hij zich om mij, uit liefde tot mijl Om mij tot lijden aan te moedigen, om mij aan hinderende ongemakken te gewennen; opdat ik ze zou leeren verdragen tot Gods verheerlijking, tot mijne zaligmaking. Zal het dan mogelijk zijn dat ik, na zulk voorbeeld, aan niets anders denke, niets anders betrachte dan gemak, dan geneugte en wellust? Zal mij dat voorbeeld niet aanvuren» om eenige kwelling te onderstaan uitliefde tot Hem ; tot geduldig, tot edelmoedig, tot liefderijk lijden? — Hoe dikwijls, daarentegen, heb ik mij, afgeschriktvan eenige ligchamelijke kwelling, aan zonden overgegeven! Hoe menigmaal heb ik den dienst van God verlaten, nagelaten Hem te believen, om mij van eenige nietige tegenheid te vrijwaren! Maar, het zal zoo niet meer gaan. Ik zie een God en besef, dat hij mij mijn schuldig vleesch leert versterven door het Zijne — dat allerheiligst, dat alleronschuldigst, dat vlekkelooze ligchaam — aan zoo veel smart te onderwerpen! Ik wil van nu af Zijne voorbeelden navolgen; ik wil het doen, trots alle kwellingen, trots alle beproevingen die ik zal hebben door te staan.
47
O mijn God, 6 Liefde der menschen, ó door droefheid, lijden en smarten gelouterde Liefde! Gij vergenoegdet U niet met ons, door zoo vele ons bewezene weldaden, Uwe goedwilligheid te betoonen; Gij wildet dat nog duidelijker maken door zoo vele folteringen, waarmede Gij ons tot voorbeeld en zaligheid strektet. Ik aanvaard Uwe overmatige liefde, en wil er U dankbaar voor zijn, door mij te onderwerpen aan de kwellingen en straffen, die Gij mij voor mijne zoo grove en zoo veelvuldige zonden zult overzenden. O hemelsche Meester, wat hebt Gij mij vroeg geleerd hetgeen mij dienstig is! O opperwijze kenner mijner kwalen, ik weet en erken het: mijn ligchaam is mijn ergste vijand; want het neigt mij tot alle slag van zonden, het voert mij in \'t gevaar van Uwe vriendschap te verliezen. O blind en ellendig ik, die dat alles wetend, toch voortga met dat ligchaam te dienen, dat ligchaam tc streelen, dat ligchaam tot mijne zelf-liefde te misbruiken ! Aan hoe vele misdaden heb ik mij om des ligchaams wille schuldig gemaakt! Hoe zeer heb ik U verongelijkt, om dat ellendig vleesch genoegen te geven! Mijn God, mijn hartelicht, spiegel en meester van eeuwige waarheid! Ik verootmoedig mij voor Uw aanschijn en smeek U; verlich mij, en doe mij inzien, hoe groot een vijand mijner ziel mijn ligchaam is. Doe in mij een nieuwe geest geboren worden, die mij dat ligchaam als Uwen vijand doet haten. Dat ligchaam doet mij tegen U opstaan door de zonden; dat ligchaam is mijn ziele vijand; het heeft haar zoo menigmaal op den rand eens eeuwigen ver-
48
derfs gebragl. — Doch Gij, mijn God, Gij weet, dat ik door eigen krachten niets vermag, dat ik tot al wat goed is het vuur uwer reine liefde noodig heb. Geef, ó Heer, geef mijner ziel dat vuur, die liefdegloed, door de verdiensten van zoovele door U uitgestane smarten. Geef het mij, opdat de brand uwer liefde het vuur mijne vleeschelijke en zondige genegenheden verstikke. Door de kracht uwer hemelsche liefde zal de slapheid mijns gees-tes herleven. Verlich mij. Heer, en verander mij; opdat ik door Uwen bijstand, de liefde tot mijn ligchaam — slijk en stof—tempere en breidele; opdat ik het, om U mijne wederliefde te betoonen, aan lijden en versterving onderwerpe. Dit is mijn voornemen, mijn vast besluit. Ik zal mij zulke.. . (noemze) genoegens ontzeggen; ik zal mij zulke. .. ongemakken getroosten. Alles om U, uit liefde tot U; om Uwe liefde te erlangen, ö zoete Jezus, van U, dien ik bemin, naar wien ik verzucht. Dit durf ik van Uwe eindelooze goedheid verhopen. Amen I
Beweegredenen van God te beminnen, ontleend aan Zijn sterfelijk leven.
Isssli Pint,
Ga, mijne ziel, geheel het leven van uwen mensch-geworden God na, en overweeg, dat Hij, als zwak, ellendig en nietig mensch, niet alleen al de kwellingen en smarten wilde lijden, die
49
\'s menschen leven van af de eerste kindschheid tot aan het graf doorgaans meebrengt; maar daarenboven zich de ontberingen en behoeften wilde getroosten van een uiterst bekrompen, bekom-mervol en vermoeiend bestaan. Hij wilde geen gebruik maken van Zijn alvermogen, om zich te vrijwaren van de smarten des ligchaams en de verongelijkingen der menschen. Aan de zon gaf Hij kracht, om Hem des zomers te branden, en der vorst, om Hem des winters te doen rillen van koude. Zijne vijanden bekleedde Hij met magt; hoewel Hij wist, dat ze zich tegen Hem zouden verheffen, dat zij Hein zouden lasteren en vervloeken als den slechtsten der slechten, dat zij Hem Zijn leven zouden belagen, dat zij Hem ter dood zouden steenigen. Nauvvlijks geboren, werd Hij van Herodes vervolgd, en genoodzaakt in eene harde ballingschap te vlugten, waar Hij zijn opluikend leven in de nijpendste ontberingen doorbragt. Zoodra was Hij niet voorzien van wat meerdere krachten, of Hij zag zich genoopt, door handen-arbeid in Zijn armelijk bestaan te voorzien. Tot mannelijken leeftijd gekomen — hoezeer algemeene Koning van al het geschapene — leefde Hij voortdurend verstoken van alle tijdelijke middelen, zonder geld of goed, het meest zonder dak. Den nacht bragt Hij onder den blooten hemel door, den blooten grond tot leger kiezend. Des daags ging Hij te voet, hier en daar, regts en links predikende; geen acht slaande op zonnehitte, regen, honger en dorst, op menig levensgevaar; vervolgd en belasterd door hen, die Hij
50
met allerlei zegeningen zocht te bevoorrechten. Zijn vasten was ononderbroken, ononderbroken de verguizingen, de ^maad, de tegenspraak, de vernederingen, waaraan Hij was blootgesteld. Maar buiten en boven dit alles was Hem bitter de droefheid die Zijn\' geest kwelde, op het zien van zoovele en zoo groote zonden, waarmede Zijn teergeliefde Vader beleedigd werd. De zonde was Hem een afschuw, omdat zij de oneindige Goedheid kwetst, welke Hem zoo lief was. Geen wonder dan, dat Hij zich het hart als voelde verteeren, bij het aanschouwen van zoovele God tergende misdaden. Deze droefheid, dat hartzeer bleef Hem immer bij en maakte Hem het leven bitter, boven alles wat gezegd of verbeeld kan worden. Zóóveel, dat alles deed Hem Zijne liefde voor den mensch verduren; want, gelijk die liefde grenzeloos en oneindig was, zoo wilde Hij ook, dat Zijne smarten mateloos zouden wezen. Zijne liefde tot ons rustte nooit. Daarom ook wilde Hij niet, dat Zijn lijden ooit onderbroken zoude worden. Hij liet het nooit poezen, nooit ophouden. Zóózeer verlangde Hij, dat wij Hem zouden liefhebben ! Om zich deze wederliefde te verwerven, wilde Hij ons door gestadig lijden de treffendste bewijzen geven van Zijne onbegrijpelijke liefde. O, hoe zijn wij dan ten volle overtuigd van Jezus\' grenzelooze liefde jegens ons 1 Maak dus ook het voornemen, van in uwe kwellingen u dikwijls tot Jezus op te heffen. Hem zeggende : Mijn Jezus, ik bemin U meer dan ik mijne ziel bemin.
51
O liefde der wereld, o Zaligmaker ! wie zal U beminnen, gelijk. Gij verdient bemint te worden? Gij zijt allerwaardigst, dat U alle hulde en eerbe-wijzingen worden opgedragen. Wat toch hebt Gij niet gedaan, opdat ik U zoude liefhebben ? Gij hebt voor mij oneindig meer gedaan, dan ik bekwaam ben voor mij-zelven te doen. Ol wie zal genoegzaam voor U uit liefde branden ? Ontvlam mij, ó Heer, en ontsteek geheel mijn gemoed door Uwe liefdevlammen. Ontsteek mijn gemoed met dat hemelsch vuur, dat in mij alle aardsche genegenheden verstikke. Mijn God, ik heb geen liefde, dan voor aardsche zaken, voor nietigheden. Deze loop ik reikhalzend na, deze zoek ik met angstige bekommernis, ik verlang ze begeeriglijk, ik bedroef mij, als ik ze niet bereik, ik verlies ze met smart. In ze te betrachten en na te jagen heb ik mijn hart verloren, dat hart, hetwelk zoovele beweegredenen heeft van alleen voor U te kloppen, naar U alleen te haken, niets anders te beminnen dan Uwen dienst,Uwe rerheerlijking. Uw welbehagen. Ik weet, dat Gij mij bemint; de zonder ophouden door U geleden smarten getuigen mij van Uwe onvergelijkelijke liefde. Achl Het doet mij leed, onuitsprekelijk leed, dat ik U niet bemind, maar veel meer, dat ik Uw lijden door mijne zonden vergroot en vermeerderd heb. Doch nu, o Heer, nu bemin ik U, en wil U altoos beminnen: in het midden mijner kwellingen, in het midden van hetgeen mij door hartstogten van anderen zal worden aangedaan, in het midden mijner eigene ellenden. Ik betuig U, dat ik U
52
nooit meer, noch om eenig goed, noch om eenig kwaad dezer aarde, door de zonde zal beleedigen. Deze betuiging, dit voornemen zal ik U dikwerf herhalen. Doch, geef Gij mij de kracht Uwer Goddelijke genade, zonder welke ik niets, maar met welke ik alles in alles vermag. Dat verhoop ik, op Uwe verdiensten steunend. Door deze oneindige verdiensten bid en bezweer ik U, om Uwen hemelschen bijstand. Toon mij. ö Heer, toon mij op nieuw Uwe liefde, door mij dien bijstand, die bovennatuurlijke krachten te schenken, welke Gij Toor mij verdiend hebt. Nog eens; ik smeek er U om, uit al de krachten mijner ziel.
(Hernieuw utu besluit, van dikwijls akten van liefde te verwekken, inzonderheid wanneer ge u door tegenheden of onheilen zult gekweld gevoelen.)
Twgede Punfc,
Ik overweeg de groote versmaadheden, on-teeringen, beleedigingen en verguizingen, welke mijn mensch-geworden God geheel zijn leven lang heeft onderstaan; en dat tot mijn welzijn, om mij te leeren, om mij te overtuigen en aan te moedigen tot de beoefening van die — allen christen, van welke stand het zij; edel of burger, rijk of arm — zoo noodzakelijke deugd: van het edelmoedig verdragen van slechte behandelingen, verongelijkingen, bitsche woorden, enz. waaraan men van den kant zijns naasten schier onophoudelijk bloot staat.
Nooit is eenig mensch slechter behandeld,
53
met meer schande en versmaad heden overladen geweest, dan onze Goddelijke Heiland. Men noemde Hem Godslasteraar, oproerling, bezetene! Men hield Hem voor dom; men behandelde Hem als een dwaze, als een zot! Hij werd voor een toovenaar gehouden, die door duivels hulp wonderen verrichtte. En Hij. ... Hij verdroeg in stillen vrede en diepe rust de wreedste miskenningen van alle slag van menschen: van koningen, van koninklijke be dienaren en creaturen, van regters, van openbaren en ambteloozen, van heidenen en joden. Hij zag en ondervond deze versmadingen, en toonde er zich niet gevoelig over, Hij de Aln.achtige! Doch wat Hem het meest het hart doorgriefde, waren de verongelijkingen Hem door Zijn eigen leerlingen aangedaan. Door eenen van hen werd Hij voor een nietigen prijs, als een andere Jozef, als een verworpen slaaf, als door iedereen te verachten schuim verkocht? Eene der grootste ellende, welke een vrijen mensch kunnen overkomen is, voor prijs verkocht en zoo aan slavernij onderworpen te worden. O, welk een vreemd schouwspel, welke vertooningen! Een God ver; kocht! En door wien ? Door een Zijner geliefden\' door eenen dien Hij tot in het uiterste met Zijne uiterste gunsten had begenadigd, dooreenen die Hij gekozen had, om een Zijner Apostelen te zijn! — voeg hierbij den smaad Hem door de andere Apostelen aangedaan, toen zij van Hem wegliepen. Hem schandelijk ontvlugtten-En het hoofd, de eerste onder hen, hij vlugt
54
niet.. .. maar loochent en verloochent Hem meermalen, verklarend en zwerend, Hem niet te kennen. Hem niet te willen kennen! Niet willend, voor een der Zijne gehouden te worden 1 Doch, wat mag dien God bewogen hebben, om zóó in .Zijne eer verguist te willen zijn, Hij die zoo naijverig is op Zijne glorie? O grootheid van liefde! O krachtdadige liefdadigheid! Om mij het verdragen der min- en verachting te leeren, het geduldiglijk onderstaan van belee-digingen — dat zoo noodzakelijk is aan allen die vreedzaam willen leven, — de door God verbodene wraakbegeerlijkheden te onderdrukken.— Wij hadden noodig onderwezen te worden in het lijden en verdragen van hoon en smaad, van stootende woorden en daden die wij dikwijls moeten ondervinden van dezulken, die wij het meest hebben wél gedaan, Jezus\' liefde wilde ons heldhaftige voorbeelden van lijdzaamheid geven opdat wij die — als christenen- — geheel welvoegelijk zouden kunnen navolgen. Bovendien wilde Hij ons opwekken, dat wij om zijnen \'t wil zouden doen, hetgeen Hij gedaan heeft uit liefde tot ons. Zie eens hoe zachtmoedig en zedig Hij Zijn dierbare eer—de eer van een God Iaat verscheuren. Hij laat zich uitlagchem Hij laat zich bespotten, hoonen verguizen! Maar gij ? Men raakt nauwlijks aan uwe eer of achting, of gij valt uit in verwcnschingen, in toorn en wraakzucht. Gij wreekt u, met terug te schelden, die u gescholden heeft, met te lasteren, die u gelasterd heeft, met de eer te bezwalken, van
55
die aan de uwe is te kort gebleven! — Dit zal ik voortaan, uit liefde tot God niet meer doen.
Ik bedank ü; zoetlievende Jezus voor de verduldigheid, welke Gij tusschen zoo vele ver-smaadheden van allerlei aard om mij beoefend hebt. Verleen mij, zachtmoedige Heiland en Verlosser, dat ik U in Uwe lijdzaamheid navolge. Ik, ik verdien om mijne zonden, dat alle men-schen en duivelen mij onteeren; want ik heb Uwe Goddelijke wet met voeten getreden. Ik verdien, door allen voor eerloos gehouden te worden, dat niemand zich om mij bekreune, dat allen mij verlaten, mij vervolgen. Want, zoo dikwijls ik gezondigd heb, heb ik U vervolgd, heb ik U veracht. Ik schaam mij over mijne kittelachtige gevoeligheid, ik die geen bitsch woord kan verdragen. O mijne schande! Van mij, die bij de minste dikwijls ingebeelde miskenning mij opzet tot toornachtige wederlegging, tot dwingende eerherstelling, tot wraak! Hoe zeer, mijn God, ben ik U verpligt die mij door Uwe voorbeelden eene zoo moeielijke deugd hebt willen vergemakkelijken. Doch, hoeveel heeft het U gekost! Hoe ligt wordt het lijden, nadat een God van Majesteit, van eindelooze eerwaardigheid, dat lijden in beoefening heeft gebracht door zich te laten verachten, door zich, zonder wraaklust, te laten beleedigen; door goed te doen aan die Hem lasterden en vervolgden. Ik bid U Heer, vergemakkelijk mij de beoefening der lijdzaamheid door Uwe genade. Dat deze mij overtuige dat men, om der wille
56
van Uwe liefde, en met vooruitzigt op de daarvoor weggelegde vergelding, alles kan lijden, alles kan onderstaan. O Heer, het is U bekend, hoe weinig ik kan verdragen; hoe de minste verongelijking mij in het vuur zet, in ongeduld, in woede. Doch ik neem mijn\' toevlucht tot Uwe onoverwonnene lijdzaamheid, haar draag ik U op, die Uwe levenslange, die edelmoedige lijdzaamheid. Door hare verdiensten bid ik U, mij het verdragen des ongelijks, dat mij zal wedervaren, te verzachten. Uwe genade kan het bitterste zoet maken. Dat verhoop ik van U; -dat hebt Gij mij toegezegd. U, om Uwe liefde te behagen, U breng ik mijn besluit en ernstig voornemen, mij van tegenlasteren, van verwenschingen, enz. te onthouden, waar ook of wanneer of door wien mij eenige verongelijking mogt worden aangedaan. Ik zal mijn\' haat- en wraakzucht matigen, ja onderdrukken. Word ik beleedigd, ik zal mijn toevlucht tot U nemen, ik zal Uwen bijstand inroepen, ik zal U om kracht en sterkte smeeken; teneinde kwaad met goed te loonen; en dat alles en altoos uit liefde tot U, om voor U te doen hetgeen mij moeijelijkst is: liefde te betoonen aan die mij hinderen, te helpen die mij schaden en benadeelen.
DêM® Punt.
Het leven mijns Verlossers levert een bewijs op van een duurzame en altijd werkende liefde jegens den mensch, voegende bij een eerst
57
uiterste van grenzelooze liefde, een tweede en een derde, telkens en steeds alle gedachte te boven gaande Doch hetgeen Hij om onzent wille in zijn heilig Lijden volbragt, dat overtreft alle begrip, dat is buiten het bereik der levendigste verbeelding. Wat Hij toen leed in alle slag van pijnen en martelingen, is onbegrijpelijk, ongelooflijk. Uit onderscheidene openbaringen weet men, dat Hem meer dan honderd kaakslagen werden gegeven. Men sloeg Hem honderd dertigmaal met vuisten. Honderd-veertigmaal werd Hij geschopt. Op Zijne armen, schouderen en borst sloeg en stiet men Hem meer dan twee-honderd keeren. Meer dan twintig maal trok eu sleepte men Hem bij de hairen. Men spuwde Hem meer dan zestig keeren in het aangezicht. De geeselslagen gingen de zesduizend te boven, zij dóórwondden Zijn maagdelijk ligchaam, maar ook zij doorkerfden, zij ontvleesden het. Zeventig aller scherpste doornen doorstaken Hem het hoofd ; en die doorvlochte, Hem meermalen op het hoofd gedrukte schijnen spotkroon vermenigvuldigde Hem tot hon-derde doornprikkelingen, bloed-en hersensteken. De kneuzingen en wonden in Zijn hoog heilig ligchaam stegen tot de vijfduizend. Om beter te zeggen: dat geheele onschuldig ligchaam was ééne wond, ééne plaag. Geen plekje ligchaams, geen stipje vleesches van het hoofd tot de voeten bleef ongedeerd, onbebloed, ongemarteld. Gedurende zijn H. Lijden deed Hij duizende stappen in arbeid en bloedzweet, in angst en
58
benauwdheid; deels door en om de mishandelingen Zijner vijanden, deels door en om het in den hof en in het regthuis gestorte bloed. Ten laatste stierf Hij gehecht aan een kruis tusschen twee moordenaars-kruizen. Hij leed en had geleden wat in alle slag van lijden op deze wereld kan geleden worden. Hij leed en had geleden van alles beroofd, van alles verstoken, van alles van allen verlaten: van eer en goed, van kleederen en deksel, van kennissen en vrienden, van Hemel en aarde.
Nog niet alles. Diezelfde Heer-God en Zaligmaker, wist en wilde nog Zijn lijden vermeerderen, door Zijn geest te plagen met inwendige Hem allerbitterste en benauwende. Zijne ziel knellende en nijpende allervreesselijkste folteringen, die Zijne vijanden niet machtig waren Hem aan te doen. Alle die pijnen leed een
groote God____leed God----voor mij en uit
liefde tot mij !.....
Hoe is \'t mogelijk, dat ik niet verstomd sta, op het wreedaardig zien lijden van het Opperwezen, voor mij, nietig schepsel! Ach, hoe is een zoo minnende God toch allerwaardigst om van mij geëerd, gediend en bemind te worden! Beschouw, mijne ziel, en doorschouw Gods liefde, door zoovele openingen, als er wonden zijn in zijn hooggezegend ligchaam. Jezus\' liefde was eenig en geheel op mijn heil, op mijn welvaren bedacht. En, aangezien, hetgeen meest tot mijn geluk leidl, het verdragen der kwellingen en smarten is; zoo heeft Hij zich tot mijne onder-
59
rigting en overtuiging met zooveel lijdens willen beladen; opdat ik mij door hel ontvluchten van eenig en welkdanig lijden ook, nooit of nimmer zou laten bewegen tot hetgeen strijdig is aan de Hem verschuldigde g hoorzaamheid en onderworpenheid.
O mijn Verlosser en Zaligmaker, ö Redder mijner ziel! Ik bedank U, dat Gij mij hebt vrijgekocht door zulke wreede, door zulke ijsselijke, zoo edelmoedig onderstane pijnen en martelingen. Gij wildet ja, mijn geneesmiddel, maar ook. Gij wilcet mijn voorbeeld zijn. Maak, dat ik Uwer wet gehoorzame, al moet ik ook alles lijden om er mij aan te onderwerpen. Maak, dat ik U nooit verlate en minachte, om mijnen vleesche genoegen te geven. Dat ligchaam ó, ik weet het, dat weerspannig ligchaam heeft mij zoo menigmaal doen zondigen,____ doen zondigen, omdat
ik niet wilde lijden. Dat ligchaam heb ik te ongeregeld, zondig lief. Geef, dat ik mijne blikken dikwijls vverpe op Uw allerheiligst, en toch mishandeld en doorwond, op Uw voor mij doorkerfd, ontvleeschd ligchaarr;. Doe mij hieruit leeren, ook mijn ligchaam te doen lijd mi, dat schuldig ligchaam; het te kastijden dror ee-.iige vrijwillig aangenomene boetpleging; door vasten, door gebeden, door aalmoezen, door in- en uitwendige verstervingen. Mijn ligchaam is de ergste vijand mijner ziel, mijner Zaligheid; het is de snoodste roover Uwer eer. Ik weet het, ik beken en erken het; want ik weet dat het mij, uit zucht tot het aardsche, tot zonde neigt en tot het schenden
60
uwer aanbiddelijke geboden. Uwe heilige, dierbare wonden kussende, en op het uit deze wonden door U gestort bloed betrouwende, smeek ik U, 6 Heer; verlos mij te uwer eere van mijne onredelijke en ongeregelde afkeerigheid van lijden. Ik bemin U boven al; maar ik verlang U te beminnen met eene mij-zeiven overwinnende liefde. Ik verlang, U mijne liefde te doen blijken naar de wijze die U het behagelijkst is; door dikwijls en veel voor U te lijden. Hiertoe voel ik mij verpligt, dat moet ik; want ook Gij hebt niets, Gij hebt U zeiven voor mij niet gespaard. Ik\' maak dan het besluit van U te dienen, al gaat die dienst van kwelling en lijden vergezeld. Ik zal U dienen en behagen ten koste van rnij-zelven, uit liefde tot U en ter eere van Uw heilig Lijden.
(Treed in eenige bijzonderheden: welke lastige werken wilt ge verrigten ? B.v. uwe oogen bedwingen tegen de nieuwsgierigheid—uwe gebeden storten in eene hinderlijke ligchaamshouding — dezelve verdubbelen — zi eenige uitspanning ontzeggen, enz.)
Beweegredenen van Got! te beminnen, ontleend aan Zijn H. Lijden.
Eerste: Punt,
Ik ga Gods groote liefde overwegen, in het door Hem onderstaan der verregaande verachtingen, waaraan Hij gedurende Zijn lijdenstijd was
G1
prijs gegeven. Welke verduldigheid beoefende Hij niet in toe te laten, dat Zijn schoon, Goddelijk aangezigt van een nietigen mensch, in de tegenwoordigheid eener groote menigte van eerbiedwaardige personen, zonder de minste reden en rede, smadelijk geslagen werd! Datzelfde aangezigt, in hetwelk zich de Engelen verlangen te spiegelen, v/as gedurende een ganschen nacht het mikpunt van duizend schandvlekken ; bespuwd, bevuild, overdekt met afzigtelijkheden, overladen met kaakslagen! Deze trok Hem met de hairen, gene met den baard; anderen bespotteden en beschimpten Hem, de laagste en gemeenste scherts tegen Hem uitbrakend. Alle deze ontee-ringen verdroeg mijn Heiland met het grootste geduld. Zijn mond niet openend tot klagen. Inwendig droeg Hij dit alles Zijnen Vader op; opdat wij door Zijne verdiensten geholpen zouden worden in het wraakloos verdragen van verongelijkingen, vvaaaaan wij kunnen bloot staan.
O Jezus, onschuldig Lam, wie kan dat overdenken, en U niet liefhebben, om de voorbeelde-looze verduldigheid waarmede Gij zulke slechte mishandelingen verdragen hebt? Ik bid U, Heer, verleen mij eene edelmoedige sterkte; opdat ik uit liefde tot U geduldiglijk en geduldig het ongelijk en de plagerijen verdrage, die mij kunnen worden aangedaan. Dat ik in die omstandigheden mijne ziel in vrede en gelatenheid bezitte, en U tot Uwe verheerlijking opoffere hetgeen ik tot schade mijner eer van de wereld te lijden heb!
Doch hierbij bleven de onteeringen niet, waar-
62
van Jezus het slachtoffer was. Ofschoon Hij de eeuwige wijsheid Is, duldde Hij, dat Hij van Herodes voor een dwazen, voor een hersenloozen werd gehouden. Men omhing Hem als met eene zotskap, en in zulke toetakeling sleurde men Hem, in spotternij en schande, door den drom der zaêinge-stroomde menigte langs de pleinen en straten van Jeruzalem. Hij werd door PiUitus op ééne lijne geplaatst met den eerloozen struikroover en moordenaar Barrabbas ; ja door het geroep van \'t grauw voor nog slechter uitgeschreeuwd clan deze.... boven dien boef.... den dood schuldig Verklaard! De Koning der Serafijnen, alle hulde en eerbied overwaardigst, zóó op aarde onteerd 1 O mensch, zóó bespot en beschimpt gij den voor u mensch geworden God 1 Kon Hij den mensch dan meer beminnen dan Hij gedaan heeft? Hij heeft ons liever gehad clan Zijn eigene eer; want deze heeft Hij, ons ten voorbeeld, als niet geacht tusschen hoon en versmadingen. En ik zou uit liefde tot Hem eenige geringe miskenning, eene kleine vernedering van mijnen evenmensch niet kunnen, niet willen verdragen 1 Ik zal bij de minste beleediging gevoelig zijn, in verwijtingen uitvallen, mij tot wederwraak opzetten, met smaad en verwensching overladen,die mij eenig ongelijk heeft, aangedaan! Niets voor God willen lijden, niets, om Gode welgevallig te zijn, om Hem genoegen te geven 1 Terwijl mijn God, ten einde mij de gelatenheid te leeren, en mij aan te moedigen om de mishandelingen der menschen te verdragen, zooveel heeft gedaan, zooveel heeft willen
63
lijden! Neen, ik neem mij voor, veel voor Jezus te willen verdragen. Dit voornemen zal ik dikwerf herhalen.
O mijn God, 6 mijn Heiland! Wat bewoog U toch, om ons menschen zoo hoog te schatten? Wat, om voor ons Uwe eer op te offeren, om voor ons bespot, versmaad en gelasterd te willen worden ? O Koning der koningen, tot hoe laag zie ik U vernederd en vertrapt; O, hoe groot en schuldig moet mijne hoovaardigheid wezen, wijl Gij ze door zulke versmaadheden hebt moeten herstellen! O der Engelen Heerlijkheid! O eenige Liefde der menschen ! Tot hoe ver heeft U Uwe liefde. Uw wil van mij wèl te doen, gebracht I Om mij te leeren, dat ik moet lijden, om mij te versterken in het verdragen van beleedigingen. Ik, Heer, ik ben alle verachting waardig; omdat ik mij slaaf heb gemaakt van zoovele ondeugden. Ik ben de afschuwelijke zondaar die verdien van iedereen vervloekt te worden. En nogtans, zendt Gij mij in Uwe barmhartigheid iets lastigs te verdragen, ik schud het met weêrzin van mij af, en tracht er mii wraakgierig van te bevrijden. O schande, 6 lafheid ! Niet te willen verdragen wat mij verschuldigd is, wat ik zoo duizendmaal verdiend heb ! En Gij, heilige God, Gij eerbiedwaardigste. Gij verdraagt onschuldig de grofste beleedigingen, den laagstenhoon, de eerlooste versmaadheden! Versterk mij, 6 Heer, opdat ik U mijne gevoelens in handen stelle. Verlich mij, opdat ik van mijne ijdele achting voor wereldsche eer en grootheid terugkome; opdat ik dit alleen hoogachte hetgeen
64
een christen waardig is . voor U te lijden, voor U te verdragen. Verleen mij, dat ik de oordeelvellingen der wereld verachte, van de wereld die U zoo deerlijk mishandeld heeft. Ik draag U alle Uwe versmaadhedén, alle Uwe verguizingen op, en bid U, door dezer verdiensten, om de deugd van lijdzaamheid; ten einde ik het mij aangedane ongelijk leere ontveinzen, het wreken vergete en het kwaad met goed beloone. \'t Is moeijelijk, ó Heer, en tegenstrijdig aan mijne bedorven neigingen; maar, wat wordt niet gemakkelijk door uwen hemelschen bijstand, wat niet genoegelijk, als het er op aan komt U te behagen; aan wien ik alles verschuldigd ben ? Mijn God, zoo zeer voor mij versmaad, ik bemin U boven al; ik bemin U meer dan mijne eer, meer dan mijnen goeden naam. Nooit zal ikU vergrammen om, in strijd met nwen heiligen wil, naar eer en grootheid te streven. Dat stel ik mij vastelijk voor, dat wil ik ; om uwen \'t wil lijden, om der wille van uwe liefde verdragen, vooral in mijne eer; om U te eeren, om U te verheerlijken.
Twesds Pul.
Ik ga de hoogste Gods-liefde overwegen van mijnen Jezus, die Zijn dierbaar leven heeft willen offeren voor mij. Zijnen vijand. Dit was een uiterst bewijs Zijner Goddelijke, een uiterste heldhaftigheid zijner liefste liefde: voor mij te sterven, een leven gevend, dat meer waard was dan millioenen werelden, meer dan alle levens
65
van alle mogelijke schepselen. Het ware gewis een verbazende verfijndheid van goedertierenheid geweest, indien Gods Zoon gestorven ware alleen voor Heiligen en regtvaardigen; opdat deze het reeds verworven heil niet meer zouden verliezen. Indien Hij den dood hadde onderstaan voor een\' der drie Goddelijke Personen. Maar sterven voor mij zondaar, voor mij onteerder zijner Godheid. .. dit was eene onmetelijke, onuitsprekelijke liefdadigheid.
O mijn God! hoe waardig zijt Gij, God te zijn; daar Gij voor Uwe vijanden zijt gestorven. Zóó goed zijt Gij, dat Gij, van natuur onsterfelijk, en als God niet kunnende sterven, U-zelven hebt mensch gemaakt, opdat Gij voor mij uw leven zoudet kunnen slachtofferen. Uwe oneindige liefde verdient dus wel, dat ik U voor mijn Vader houde, en als dusdanig geheel mijne liefde wijde, aangezien Gij mij, ten koste van Uw tijdelijk leven, het ware leven der ziel geschonken hebt. Ja, zoo zijt Gij, ó Heiland mijn Vader; als Vader erken en neem ik U aan, als Vsder omhels en bemin ik U. Geef mij de genade, dat ik dat Goddelijk Vaderschap, dat ik dal leven mijner ziel wete te schatten, nu ik inzie, dat dit leven U uw God-menschelijk leven gekost heeft.
Jezus\' liefde ging nog verder. Hij stelde zich niet tevreden met op eene ééndanige wijze te sterven ; maar Hij wilde den schandelijksten dood sterven, den dood des kruises, den slavendood, den dood der moordenaars, den dood
3
66
der snoodste booswichten. Zijn dood en sterven werden Hem veroorzaakt door de felste lig-chaams-smarten. Drie uren zieltoogde Hij open aan het kruis; Hij zieltoogde met het door doornen doorstoken, door doornen rustelooze hoofd. Hij zieltoogde met door nagels verscheui-de handen en voeten; met die door het gewigt zijns ligchaams lang en breed verwijde en opengescheurde wonden. Hij zieltoogde met zijne door zweep- en geeselslagen doorkerfde en door het ruwe kruishout nog pijnlijker gemaakte schouderen. Hij zieltoogde met verstuikte en uit-een-gerukte beenderen, met gerekte zenuwen, met kurkdroogen bitteren mond; met in bloed verdronken oogen; met door \'smaad, hoon en laster gefolterde ooren. Hij zieltoogde eindelijk, met een van smarten uitgeput, met een van pijnen afgetobd,1 afgetapt en doormarteld lig-chaam. En alle die pijnen, en alle die angsten, en alle die martelingen had Jezus gewild! Hij werd mensch, om dat alles te kunnen lijden, om eenen zoo wreeden^dood te kutinen sterven. Hij zocht en koos den ijsselijksten der dooden, om ons ten bewijs te verstrekken van zijne grenzelooze goedheid; om ons te doen zien, met welke en hoe groote liefde zijn hart voor ons brandde. Hij wilde met al die wonden bedekt en overdekt worden, opdat deze als zoo vele kelen, zijne liefde tot mij zouden uitgalmen! O ziel, zijt ge nog niet overtuigd, hoe zeer God u heeft liefgehad? Zoo vele monden, als zijn Goddelijk ligchaam wonden telt, verkondigen het u.
G7
Hernieuw uwe verzuchtingen en gebeden tot God. Bid Hem, dat Hij u een groote liefde schenke; opdat gij Hem naar zijne verdiensten wedarbeminnet, en getrouw en volstandig dienet.
O onbegrensde Liefde! O geheel bijzondere, ö ontzaggelijke Liefdel Wat Gij gedaan en geleden hebt, o Heer, dat hebt Gij voor mij gedaan en geleden; Gij beschiktet het te mijner gunste, tot mijn welvaren. O allermildda-digste Heer 1 Gij geeft al wat Gij hebt, al wat Gij zijt; cn aanwien? Aan mij die niet waardig ben het daglicht te aanschouwen. Daarin bestond de uitgelezenheid uwer liefde; dat Gij voor mijn geluk deed wat Gij doen kondt, dat Gij mij schonkt al wat Gij kondt schenken. Hoe zal ik U dan, ó Heer, ooit iets kunnen weigeren ? — Ik wijd en heilig U mijn hart toe; ik stel U mijne ziel in uwe handen ; ik draag U mijne inwendige vermogens : mijn geheugen, verstand en wil op, met alle mijne zintuigen . Wat ik ben en vermag, ik wil dat het al U toebehoore. Ik smeek U door uwe hoogste milddadigheid: gewaardig nog geheel mij — zoo als ik ben — als uw eigendom te aanvaarden en mij, door den bijstand uwer hemelsche genaden, geheel den uwe te maken. Dat wensch ik te zijn, met U alleen te dienen, U alleen aan te kleven, U alleen lief te hebben. Ik maak het besluit: mijn leven, mijn gansch leven tot uwen heiligen dienst te besteden, alles en niets anders willende betrachten dan hetgeen Gij, o Heer, van mij wilt; uwe gansche heilige wet onderhoudend, mij
68
onthoudend van al wat U, ook in de kleinste zaken zou kunnen mishagen; voor U willende lijden, zóó, door mij om uwe liefde vele genoegens te ontzeggen, als u-ter-eere eenige ongemakken en kwellingen te verdragen. Gij, gij waart van uwe natuurwege vrij van pijnen en smarten, uwe liefde alleen heeft U uw wezen doen veranderen; zij heeft U het sterfelijk vleesch doen aannemen, opdat Gij voor mij, uit liefde tot mij, zoudet kunnen lijden. O! welke dankbaarheid, welke wederliefde is U voor zoo gioot eene liefde niet verschuldigd 1 Ik bemin U, ö Heer, met geheel mijn hart; ik bemin U meer dan mij zeiven; nooit zoo lang ik leve, nooit wil noch zal ik ophouden U lief te hebben.
(Bekrachtig uwe voornemens, van God nooit te zullen beleedigen; van Hem nu en dan om Hem te believen — iets op te\'offeren van hetgeen u aangenaam, genoegelijk of lastig is; treed deswege in eenige bijzonderheden, als b: v: omtrent het bedwingen uwer nieuwsgierigheid het u versterven in \'t gebruik van spijs en drank het onderdrukken van lichaamsgemakkelijkheden — het beoefenen van lijdzaamheid, stilzwijgendheid, enz.)
Onze God leed alle die martelingen zonder noodzakelijkheid, geheel vrijwillig. Hij had ons kunnen verlossen en vrij koopen zonder pijnen, zonder eenig ongemak van zijnen kant. Doch Hij wilde lijden, om ons te doen zien,, tot hoe ver de
69
liefde weet te gaan van een God: tot het lijden van ongeloofelijke smarten,en dat alleen uit loutere genegenheid voor ons. Trouwens, Hij had kunnen leven in pracht, in vermogen en majesteit, in aardsche grootheid en rijkdommen. Ook in dien staat had Hij millioenen werelden kunnen af-koopen. Hij had zich slechts voor zijnen hemel-schen Vader te verootmoedigen. Hem een smeekschrift aan te bieden, te onzer gunste eenige woorden tot verzoening te spreken; want elke en de minste daad van zijnen \'t wegen vereerde God-den-Vader oneindiglijk, en was dus voldoende om de oneer te herstellen, welke den Hemel door onze zonden was aangedaan._[Bovendien kon elk zijner werken — van eene*oneindige waarde — ons allen den verloren hemel doen terug vinden. Hoe groot was dan zijne liefde, daar Hij zich om ons, van alle die grootheden, van al dat geluk beroofde! Hij wilde in alle slag van armoede, in de verworpenste nederigheid, in de wreedste folteringen, midden in de onge-hoordste versmadingen, zonder noodzakelijkheid, alleen om ons wel te doen, zijn leven eindigen ; om ons een bewijs te geven van de geheele, van de grenzelooze uitgestrektheid zijner liefde.
O groote God! Welke uitersten I Welks liefd Wat toch hadt Gij voor, met zooveeFte wille.i lijden ? Was het, om de genegenheid te winnen van eenigen groote ? Neen voorzeker: het was om U de wederliefde te winnen van een nietig schepsel, van uwen slaaf, van mij. Hoe I ik ellendeling, ik hervind een God die zooveel onge-
70
looflijks voor mij heeft gedaan, en zoo liefdevol, en zoo geheel uit loutere liefde ! Zijt gezegend en geprezen, o liefdevolle, 6 niet te begrijpen God 1 Wees geloofd en toegejuicht, ó allerbeste, ó allerheiligste Godl O kon mijn hart smelten, getroffen door uwe vlammende liefdeschichten 1 Dat althans mijne tong zich nooit vermoeije in U, in uwe voor mij zooveel lijdende liefde te prijzen en te verheerlijken! Gij hebt mij inderdaad behandeld, als ware //i God. Immers, wat kondt gij meer voor een God doen, dan een oneindig waardig leven in de bitterste martelingen te slagt-offeren ? En dat, dat hebt Gij voor mij gedaan, uit liefde jegens mij, tot mijn geluk. Gij kondt mij weder koopen, en heerschen en leven; Gij hebt mij vrijgekocht lijdende en stervende.
Overweeg nog, mijne ziel, dat elke boetple-ging van een in gezag oneindig persoon, reeds een groot bewijs van liefde zou geweest zijn. Had Gods lieve Zoon slechts een klein ongemak voor ons geleden, nooit zouden wij Hem daarvoor een geëvenredigde erkentenis hebben kunnen bewijzen. Wat dan nu denken, welke zal nu mijne verpligting niet wezen, voor zulke menigvuldigheid van zielangsten en ligchaams-pijnen! Een menschelijk hart, dat eene aan Gods liefde geëvenredigde wederliefde zou koesteren, is onmogelijk; zoo een hart bestaat niet. Nog-tans, daar Gods Zoon geen deeltje van zichzelf niet wreedelijk gemarteld heeft gelaten, daar Hij zijn leven gansch en geheeel voor mij heeft verteerd en geslachtofferd; zoo is het mijne
71
pligt, en maak ik het besluit, van al mijne lidmaten, al mijne vermogens, al mijne levensdagen ten dienste, ten gevalle en welbehagen diens goeden Gods te wijden: mijne tong om Hem door gebed te loven — mijne handen, tot het uitreiken van aalmoezen. Hem ter eere — mijne voeten, om zijne bevelen uit te voeren — mijn gehoor, lot het ontvangen van zijn heilig woord •— mijne oogen in zijne foltering-gereedschappen te aanschouwen — mijne gedachten, in zijne smarten te overwegen — mijn hart, ó ja mijn hart, om Hem mijne liefde te betuigen, in Hem lief te hebben. Ja dikwerf zal ik Hem toespreken tot Hem verzuchtend; Oneindige Goedheid ik beihin U boven al. Immers de dankbaarheid voor hetgeen mijn Heiland voor mij heeft geleden, eischt een eeuwigdurende gedachtenis van- en herinnering aan zijne liefde, aan zijne goedertierenheid, aan zijne onwaar-deeibare weldadigheid. Dat neem ik mij voor, daartoe besluit ik, dat zal ik.
Ik erken U, ó Heer, mijne schuld, voor het teeder liefdebetoon uwer Goddelijke goedheid door zoo vele smarten. O groote God! Wat is die doorstooten borst, wat zijn die vastgenagelde voeten, die doorboorde handen... wat zijn het dan zoo vele tongen die mij luide toeroepen, dat Gij mij bemind hebt? Wat is dat doorkrabt en bespuwd aangezigt, dan eene getuigenis van het goede dat Gij mij wilt? Wat zijn die blauw geslagen en ontvleeschde schouderen, dan een bewijs van uwe smachtende liefde
72
mijwaarts? — Ik geloof het, 6 Heer, ik erken en belijd, dat Gij mij lief hebt. Maar ach, hoe duur kwam het U te staan, mij uwe grenzelooze liefde te doen begrijpen! Ook dat besefik; dat wil ik met eenige wederliefde vergelden. Doch ook deze wederliefde kan alleen door U in mijn hart worden ontstoken. Gij kwaamt, om in onze zielen een vuur van liefde te doen branden, om ze geheel te doen gloeien van Goddelijke liefde. Ik, ik stel U uwe smartsn en folteringen voor, en hoop door dezer verdiensten dat heilig blakende vuur te erlangen, dat van U alleen afdaalt. Gij wilt, dat het in mijn hart brande; en ik, ik verlang dat het er in ontstoken worde. Doch van mijzelven ben ik tot niets bekwaam. O, stort die heilige liefde in mijn gemoed, opdat er mijn geest tot U door opgevoerd worde; opdat zij in mij alle aardsche genegenheden ver-stikke en mij geheel verkeere in uwe heilige liefde. O minnaar mijns harten! Ik wil U ... ik geheel U beminnen: met mijne gedachten wil ik over uwe pijnen nadenken — met mijn hart tot U verzuchten — met mijne oogen de werktuigen uws lijdens aanstaren — met mijnen mond uwen lof verkondigen — met al mijne lidmaten in en voor U lijden. U dienen, U behagen, XT lief hebben. Ik moet lijden, omdat ik zondaar ben ; om mijne zonden verdien ik de bitterste straffen. Hetgeen mij kwaads te beurt valt, dat is aan mijne misdaden verschuldigd, dat is eene liefdekastijding van uwe vaderlijke hand. Hoe zeer ik ook door alle denkbare kwellingen bezocht werd.
73
nog ware het beneden mijne verdieste n. Buven-dian, het is uw wil, ó mijn |God 1 Gij wilt dat ik lijde, wanneer Gij\'mij lijden overzendt. Zijtdan gezegend en toegejuicht, ook in de beproevingen en straffen die van] U komen! Alleen smeek ik U ootmoedig door uwe liefde, dat Gij mij uwe genade gevet, van U te kunnen toonen, dat ik gaarne en van harte voor U wil lijden. O ja, ik zal niet ophouden voor U te lijden, tot dat ik U beminne in eeuwigheid.
(Hernieuw en bekrachtig uwe voornemens van dikwijls door liefde-akten tot God te verzuchten, vooral in lijden. Mijn\'^God, jlit. . . .lijd ik om U, omdat ik U bemin boven al.)
Wij moeten God beminnen, om de liefde die Hij ons toedraagt.
leisle fill.
Ik ga de onmetelijke liefde overwegen van den eeuwigen^ Vader, toen Hij wilde dat zijn Eengeboren Zoon voor mij — zijn vijand en slaaf — den bittersten, den wreedsten, den schandelijksten dood zoude sterven. ^Hij gaf mij, tot genezing mijner kwalen, niet een Engel, niet een Serafijn, niet een geheel koor van Engelen ofeenige andere schepselen ; maar zijn [eigen Zoon, dien Zoon die oneindig meer waard is dan millioenen werelden en Engelen. Hij gaf wat het zijne was, en
74
zoodanig het zijne, als zijn Zoon: even kostelijk, Hem even dierbaar als zijn eigene Goddelijkheid. Hij gaf zijn eigen Zoon, volkomen aan Hem gelijk ; wat meer is: Hij gaf zijn Eengeboren. Hij gaf Hem onbaatzuchtig, zondereenig voorbehoud ; alleen uit liefde, uit loutere barmhartigheid. Hoe vertee-dert zich mijn hart niet op het zien van den oppersten en oneindigen God-Vader, zoo zeer bedacht om mij lief te hebben, dat Hij toectemt in den dood en — in welken 1 — van zoo eene Verhevenheid, van zijn Eengeboren Zoon! O nooit gehoorde ontferming! Zóó heeft God mij lief gehad, dat Hij toestemt in het halsgeregt van zijnen schuldeloozen Zoon; opdat ik—zijn verrader en moordenaar— niet sterve, niet verloren ga 1 Wie had zoo iets ooit gezien, wie gehoord ? Wie had zoo iets kunnen denken ? Inderdaad, zoo eene nooit geziene, nooit gehoorde liefde ziet men in God. O, boven alle wonderen verheven, ó ontzaggelijke weldadigheid! Is het mogelijk zich iets grooters, iets onbegrijpelijkers te verbeelden, dan dat God-de-Vader tot mij — ten eeuwigen dood veroordeelde — zegge: zondaar neem, neem mijn Eengeboren Zoon, en koop u door zijn bloed en dood vrij van den eeuwigen u verschuldigden dood ? O milddadigheid! O erbarming! O eindelooze Godsliefde! Heeft men ooit gehoord, dat een koning, afgezien van alle eigen-nut of belang, wilde, dat zijn eenigeen onschuldige zoon zoude sterven, om het leven te sparen aan een slaaf, aan een verrader? Heeft men zoo iets ooit gelezen? Is zoo iets ooit in eene mensehelijke
75
verbeelding opgekomen? — Eene bloem van liefde ware het geweest, indien God zijn onster-felijken Zoon gegeven hadde, om een zichtbare koning der menschen te zijn, wien alle volken zouden gehoorzamen en aanbidden. Maar Hem, dien Zoon, te leveren, opdat Hij voor zijn slaaf — de Regtvaardige voor den misdadige, de Schepper voor zijn schepsel — zou le sterven, en zóó sterven. .. . ! Zóó schandelijk, zóó wreedaar-diglijk, zóó gemarteld 11
O groote God 1 Hoe overschrijdt Gij alle grens van goedheid ten gunste van uwen versmader ? I Is uw Zoon dan niet heilig ?... En Hij moet sterven?.., Jezus is het beeld uwer zelfstandigheid, tusschen den glans uwer heiligheid van U voort* gebragt. Hij is uw Zoon, uw Eengeborene, uw Zoon en God gelijk Gij 1 Waarom moet Hij dan sterven? Zijne dood is niet noodzakelijk; Hij kan ons, zonder te sterven, ja zonder te lijden, van den eeuwigen dood verlossen. O, in ons goed te doen, oneindig liefderijke God! uwe liefde en uwe goedheid hebben datjwonderwerk gewrocht. Gij wildet ons toonen, dat uwe liefdadigheid tot ons geen paal kende. Daarom wildet Gij toelaten, dat uw Eengeboren Zoon om onze liefde gedood werd. Gezegend zijt Gij, 6 Vader van barmhartigheden, voor uwe grenzelooze milddadigheid jegens ons, zondaren! O mijn God, hoe zeer moet ik U beminnen, U, die mij zoo zeer heeft lief gehad, dat Gij voor mij den dood wildet van mijnen God en Schepper. Naar de orde van liefde schijnt het, dat Gij eerst te letten hadt op het
76
leven van uwen Eengeboren. Maar neen, de orde uwer liefde wilde uw eigen Zoon voor onze zaak geslagtofferd hebben. 01 wat zal ik dan doen, om aan deze uwe liefde te beantwoorden ? ik zou U toch zoo gaarne beminnen, zoo gaarne van ganscher harte liefhebben, zoo gaarne U dienen, gehoorzamen en aanbidden. Verleen mij, 6 Heer, schenk mij een grenzelooze wederliefde. Ik draag U mijne ziel op, mijn leven, geheel mij-zelven, wat ik weet, wat ik ben, wat ik kan. Doch, wat weet, wat vermag, wat ben ik I Aanvaard althans mijn goedgemeende opdragt, en onderschraag mijne zwakheid. O mij ellendeling! Hoe zal ik aan zulke Gods-liefde door menschelijke wederliefde beantwoorden! Heilige Engelen, Hemelbewoners, prijst en zingt voor mij mijnen en uwen God ter eer; bedank en zegent Hem voor mij; dat uwe lofzangen en jubeltoonen in eeuwigheid zijn Hemeltroon omgalmenl
Mijne ziel, denk en herdenk wat gij te doen hebt, om zulken minnenden God op uwe beurt lief te hebben. Moet zulke overmatige goedheid onvergolden blijven? O neenl Ik wil God dienen uit alle mijne krachten, ik wil Hem zoo veel mogelijk believen door het vertiendubbelen van werken die Hem het behagelijkst zijn. Dat neem ik mij voor, daartoe besluit, dat wil ik. Doch, wijl het Gode zoo aangenaam is, dat men den naasten om zijnen\'t wil wèl doet, dat goede aannemend als Hem-zelven gedaan, daarom maak ik het voornemen van mijnen broeder in zijne ellenden en noodwendigheden bij te staan.
77
hem te helpen met opoffering van mij-zeiven.
Dat alle Engelen-kooren U in eeuwige eeuwigheid prijzen en zegenen^ó mijn God; omdat Gij ons bemind hebt zóó dat Gij, om ons lief te hebben, uwen dierbaren Zoon, onzen Heer Jezus Christus der magt des doods hebt overgeleverd. Konde ik duizend levens slagtoffereu! Hetgeen Gij voor mij hebt gedaan, kon alleen een God doen: God die Gij zijt, oneindig in alles, eindeloos in barmhartigheden.
Ik verheug mij, 6 Heer, en ben blijde, dat uwe goedertierenheid zoo eindeloos is, en zoo overvloedig in werken van oneindige liefde. Gij hebt ons, ten koste van het bloed en het U dierbaarst leven, ten koste van het leven uvvs Eengeborenen vrijgekocht. Daardoor hebt Gij ons verheven tot een allerheiligst, allergoddelijkst, allerzaligst wezen: tot het wezen der genade, tot het wezen der onsterfelijkheid. Verder kon uwe liefde niet gaan.... O groote, werkelijke en werkende Liefde! O brand vau Goddelijke tot zoo hoog opgevoerde waarheidl Geef mij, ó mijne Liefde, geef mij dat ik Ubeminne. Almagtig is^het verslindend vuur uwer liefde. En ik, ik wijd ULmijn hart, opdat Gij het door dat uw liefdevuur van alle ongeregeldheid zuiveret. Konde ik geheel en ganschelijk in liefde verkeerenl—Kuisch en reinig mij, 6 eeuwige Liefdel konde ik U alleen liefhebben; want Gij alleen zijt alle liefde waardig. O mijne Liefde! O mijne zoetheid 1 O vreugde en lust van mijn gemoed! Ik heb U liever dan mijzel-ven. Uwe verheerlijking is mij dierbaarder dan
78
al het mijne. Geheel ik en met geheel bemin ik U. Ik bemin U met al wat ik ben en kan zijn, en vermits Gij mij in niets noodig hebt, zal en wil ik mijnen broeder liefhebben, hem ondersteunen en helpen, om U behagelijk te zijn.
(Overleg, waarin en hoe gij uwen evenmemch wilt bijstaan: met aalmoezen, met diensbetoon, met raadgevingen, met troostende woorden, door gebeden). . . .
f Punt.
Overdenk eene nieuwe beweegreden van uit ganscher harte God te beminnen,, eene beweegreden ontleend aan zijne goedheid, waarmede Hij ons menschen, niet de Engelen heeft willen vrijkoopen, door onze menschelijke natuur, niet de natuur der Engelen aan te nemen.
God moest den zondige, zijne eer versmaad hebbenden mensch haten. Hij moest hem duizend en duizendmaal ver van zich wegjagen. Met dat al heeft Hij ons zóó lief, dat Hij van uit den Hemel afdalend, op aarde mensch wordt, om ons te bevrijden van des duivels slavernij. Wonderbare liefdekrachtl Hij vond onze menschelijke natuur bevlekt, doorwond, door zondeschuld vergiftigd. En toch wilde zich die God •—- zuiverheid en onbevlekte Heiligheid— met die besmeurde zondige menscheid bekleeden. Hadde God zich mensch gemaakt vóór Adams val, toen \'s menschen natuur gezond, volmaakt, schoon was; het ware reeds eene onuitsprekelijke weldadigheid in God geweest. Maar, dat Gods Eengeboren, in
79
volle Godheid, nu de natuur van den mensch verzwakt, melaatsch, voor Gods oogen afschuwelijk was, daar niet van gruwde .. . dat is een wonder van wonderen, dat is eene verstomming. Die schoone, oneindige schoonheid, die Hemel-sche Majesteit, die onmeetbare Hemel en aarde vervullende Heerlijkheid, zich voor den mensch verlagen, zich met zulk eene oneindig mindere natuur omgorden !
O groote Heer, almagtig God! Wat ben ik U niet schuldig, ik nietige worm, voor wien Gij mensch geworden zijt, gelijk ik mensch ben. Om mij, die in een poel van boosheid als begraven lag, op te regten, verlaagt Gij U-zelven, Gij Hoo-gere dan Cherubijnen en Serafijnen! — O! mag ik wel zeggen: O buitensporige liefde!© aller wonderen wonder!—maar dat verbazend Goddelijk liefdefeit neemt toe in liefdekracht, wanneer men overweegt, dat God ons wilde vrijwaren, terwijl de Engelen — zondaren — zonder deernis of ontferming, in hunne vervloeking en vervloekte verdoemenis gelaten werden. En nogtans waren zij meer dan wij. De Engel was de schoonste vrucht van Gods alvermogen. Hij toch werd in den Hemel geschapen, in eigenschappen en volmaaktheden ver boven ons uitmuntend. En het mindere werd gesteld boven het meerdere, het onvolmaaktere boven het uitstekende. Welke geheimenis! Het was Gods-Zoons liefde. Hij ziet Lucifer zich verdoemen. Hij laat hem in de verdoemenis dalen. Maar, toen ik mij in den afgrond ging storten, wilde Hij niet dat ik rampzalig werd gt;
80
Hij gaat tot een uiterst over; Hij omhult zich met ons slijk, en verlaagt zich, om ons te redden, van uit den hoogen hemel tot\' op de lage aarde.
O God ! O allerheiligst Wezen ! waarom zoo veel liefde voor den mensch ; zooveel regtvaar-digheid met de Engelen ? O wondere liefde I O zeldzaamheid van liefde! Den mensch te willen stellen voor den Engel..mij, slijk, te willen afkoopen, en den schoonste onder de Serafijnen in zijn verderf te laten ! Voor mij te willen sterven; en zich niet te bekreunen aan het verloren gaan van zoo vele hemelsche geesten 1 Gezegend, mijn groote God, o God van ei harming, gezegend uwe liefde jegens mijl Ach I Geef, dat ik dankbaar zij voor zulke vreemde en wonderbare goedertierendheid. Ik wensch U te erkennen en lief te hebben voor en als mijnen lieven God en besten Vader. Ik verlang vuriglijk U uit alle mijne krachten te dienen, zoo als het passelijk is en betaamt, voor uwe liefde jegens mij en alle menschen. Maar om U met geheel mijne ziel te kunnen beminnen en liefhebben, moet ik uwe liefde kennen en hoogachten. Verlich mij. Heer, ver-lich mij; geef mij eene heldere, eene volmaakte kennis van uwe liefde. Doe mij doorgronden en beseffen het bewijs van liefde dat Gij mij gegeven hebt, met voor mij te hebben willen sterven. Ik wijd en heilig U mijn leven toe met al wat in mij is; tot uwe eer en verheerlijking wil ik het besteden en dienstbaar maken; voor U wil ik lijden, lijden al wat Gij zult goedvinden
81
mij over te zenden. Ik sta verbaasd en beschaamd bij en over mijne voorledene ondankbaarheden; ik heb schier niets gedaan om U behagelijk, alles gedaan om U mishagelijk te wezen. Doch ik wil een andere worden. Ik bid, dat uwe almogende genade mij geheel vervulle, mij treffe door de schichten uwer eeuwige liefde. Ik wil in U alleen hopen, op U alleen betrouwen, mij in U alleen verheugen. Neem van en uit mij al wat U kan mishagen. Ontruk uit mijn hart allen kwaden wortel van ondeugd; verstik in mij alle kiem van ongeregeldheid, opdat ik geheel uit uwe liefde leve. Dat stel ik mij voor, daartoe ben ik bereid. Ik zal doen wat Gij wilt dat ik doe. Immer en altoos zal ik tot U verzuchten: mijn God, ik doe dit.... uit liefde tot U, om U genoegen te geven.
ieifi® Punt.
De liefde van Gods Zoon jegens den mensch is nog groot geweest, omdat Hij op aarde komend om ons wèl te doen, niets dan kwaad van den mensch ondervonden heeft. Hij verklaarde dat het zijn genoegen was, met de kinderen der menschen te zijn, met hen te verkeeren, zich met hen te onderhouden. Maar van den stond zijner geboorte tot dat Hij stierf, wedervoer Hem van den kant der menschen niets dan min- en verachting, hoon, smaad en belee-digingen, bittere spot en lage verguizing, verraad, verloochening, pijnen en martelingen. En wie
82
toch was Hij die desniettegenstaande en tusschen alle die doornen en smarten met den mensch wilde wonen ? Hij was diezelfde Gods Zoon, wiens Zijn gelukzaligheid is: dezelfde die in den schoot zijns eeuwigen Vaders als in eene zee van hemelsche wellusten zwom; dezelfde wien de troonwachten huldigen, aanbidden en toejuichen. Die Heer, die zoo gelukzalige God zegt niet, dat Hij zijn behagen schept in tusschen de Engelen te zetelen, en zich met de Serafijnen bezig te houden ; maar met de menschen die Hem met ondankbaarheid, met mishandelingen en versmaadheden bejegenden. Waarom toch beroemde zich Jezus niet op de geneugten des hemels, maar wilde Hij de ellenden dezer aarde smaken ? Het was alleen door het geweld zijner onmeetbare liefde jegens ons. Deze deed Hem zooveel genoegen vinden in ons wel te doen, dat de wreedste folteringen Hem een zoete wellust waren, indien Hij slechts het doel zijner liefde mogt bereiken.
O eeuwige wijsheid! Gij zegt mij een groote waar heid; Gij vindt uw welbehagen in het gezelschap van menschen die U kruizigen; en Gij gewaagt niet van de Engelen die U verheerlijken! Onder de menschen wachten U smarten, verguizing, folteringen, kruis en dood; terwijl Gij in het midden der hemelkoren vergroot, gezegend en verheven wordt! Wat zullen de Engelen hiervan zeggen? Hunne onsterfelijke liefkoozingen zijn toch zoo streelend, zoo aanlokkelijk 1 Hoe kan het zamen gaan; oneindig zalig in uws Vaders schoot televen.
83
en op aarde om te gaan met menschen die U vervolgen, lasteren en verachten ! Hoe kunt Gij op de hoofden der Serafijnen troonen, en gebukt gaan onder de schandelijke slagen der menschen? Hoe een Paradijs van onsterfelijke rust genieten, en zieltogen op een kruis! Uw onder de menschen zijn, is een vernederd en mishandeld zijn! Waarom dan zegt Gij, dat Gij op aarde uw genoegen en uwen wellust vindt ? — Dit is een mirakel van liefde, eene verbazende liefdadigheid, iets dat U de voor ons geledene angsten en martelingen doet aanzien als geneugten en wellusten. Gij hebt het menschdom willen begenadigen; dat was U genoeg. Gij hebt uwe gansche genegenheid over ons willen uitstorten; dat was U alles. Dit verandert U de doornen in rozen, de pijnen in bloemen, de folteringen in zoetigheid. Maar nu Heer, hoe zullen wij U voor zulke teedere liefde kunnen ver-gelden?Ik weetwel: liefde betaalt zich met liefde; doch ik weet niet, hoe zulke liefdebloémen zullen vergolden worden. Verleen en schenk mij, ó Heer, dat ik althans trachte U te wederminnen door het geduldiglijk onderstaan van wat lijdens en ongelijks, U ter eer. Koninklijk noemt Gij de lasten en kwellingen welke Gij voor mij geleden hebt; en ik, ik zal het uit wederliefde tot U, als een van U afdalend geschenk achten, indien mij eenig lijden te beurt valt. Beminde ik U, 6 Heer, dan zou mij alle bitter zoet schijnen; koude en armoede, hitte en verlatenheid, smarten en beproevingen, alles zou zich voor mij ten aangenaamste keeren. Maar ik bemin U niet, o mijn God! Ach! door de
84
verdienste van uw heilig God-menschelijk bloed, schenk mij uwe zoete liefde. Schenk ze mij door uwe eindelooze goedheid, door uwe grenzelooze erbarming, door uwe onverklaarb\'re liefde. Mogt en konde en wilde ik toch iets voor U lijden! Konde ik lijden zonder klagen ; konde ik geduldig, konde ik uit liefde lijden ! O! raogte ik dat bereiken; te willen lijden om U te behagen! Ik bid en smeek U om uwe liefde, en maak het ernstig besluit van, zooveel mogelijk, voor U te lijden. Dikwijls, ja altoos zal ik U betuigen: mijn God, uit liefde tot U verdraag ik dit..... of dat. ..ik verdraag het, om mij aan U behagelijk te maken.
Beweegreden van God te beminnen, omdat Hij ons zoo vele zonden heeft vergeven.
Sipste Punt.,
Hoevele en welke zonden heeft God van mij verdragen en ontveinsd, daar toch die zonden zoo vele beleedigingen zijn zijner hooge majesteit en allerbeminnenswaardigste goedheid aangedaan 1 God moet, inderdaad, wel eene groote liefde jegens mij koesteren; wijl Hij zoovele verachtingen en versmadingen heeft geleden als ik zonden heb bedreven. Hij moet wel vol zijn, ja overvloeijen van liefde jegens mij, als Hij mij zoovele bespottingen heeft kwijtgescholden, die ik mij, nietige worm, jegens Hem niet geschaamd
85
heb, God toch kent volmaaktelijk deze verongelijkingen, Hij zag ze duidelijk ; want ik bedreef ze in zijne tegenwoordigheid en onder zijn goddelijke oogen. God gevoelt ook, en allerlevendigst, die Hem aangedane verongelijkingen, en haat ze ten zeerste. Bovendien is het in zijn vermogen er zich elk oogenblik over te wreken, want op een enkelen wenk zijner almogende regtvaardighcid, kan Hij den schuldige in het diepst der hel begraven. Maar Hij heeft met een onverklaarbare toegeeflijkheid en lankmoedigheid al de beleedigingen Hem door mijre zonden aangedaan verdragen; Hij heeft medelijden met mij gehad, Hij heeft zich over mij ontfermd en mij mijne zonden kwijtgescholden. Dezelfde God wikt en weegt de onmetelijke grootheid en zwaarte van zoovele schulden, Hij begrijpt volkomen de ondankbaarheid die er in is opgesloten, als bedreven zijnde tegen Hem, mijn opperste goed, mijnen grootsten Weldoener. Uit deze kennis ziet Hij in zich alle redenen van tegen mij zijne wrekende bliksems te slingeren, ten einde mij te doen beseffen, hoe onwaardig ik gehandeld heb met tegen Hem te zondigen. En niettegenstaande dat alles, heeft God zijne regtmatigste verontwaardiging tegen mij gebreideld, en zijne verplettende hand terug gehouden van de aan mijne boosheid verschuldigde straffen. Wat koning is er ooit op aarde geweest, die gemakkelijk en allezins regtvaar-diglijk zich over de tegen hem opgestane verraders kunnende wreken, hen niet getroffen heeft
86
niet alleen, maar daarentegen alle gelegenheden gezocht, om hun wèl te doen; ten einde hen derwijze onder zijne gehoorzaamheid terug en tot bekentenis hunner schuld te brengen ? Zoo lang de wereld wereld is, weet men van geen koning, die vijfmaal vergeven heeft aan die hem vijfmaal beschimpte en trouweloos zocht te verraden. Maar God, hoeveel ongetrouwheden heeft Hij van mij, gedurende mijn gansch leven, niet ongewroken verdragen 1 Elke mijner zware zonden was een gruwelijk verraad tegen zijne goddelijke Majesteit gepleegd. En nogtans hoevele zulke zonden heeft Hij mij niet vergeven, in plaats van mij te verdelgen, zoo als ik verdiende verdelgd te worden, in plaats van mij te straffen naar de mate mijner verme telheid ! Integendeel: voor straf, gunstbetoon ; in stede van verdoemenis, zegen en allerlei genadegaven I Nog meer: ziende, dat ik zelfs wars bleef van vergiffenis te vragen, riep mij God door zijne liefdevolle inspraken ; Hij deed mij mijne dwaling inzien en bewoog mij, om de genade van leedwezen en hierdoor de vergiffenis mijner schulden te verwerven. Hoe groot zofl de lijdzaamheid van een Vorst niet wezen, die vergiffenis schonk aan een vijand, welke hem zijne tien kinderen of—indien dit mogelijk ware — tienmaal zijn eengeboren zoon zou gedood hebben ? Hoeveel groo-ter is dan Gods mededoogen, die mij niet tienmaal, maar misschien tienmaal tien keeren, misschien honderde malen even veel zonden heeft kwijt gescholden, waarmede ik zijnen god-
87
delijken eengeboren, van Hem oneindiglijk geliefden Zoon, opnieuw gekruisigd had 1 Voorwaar, dit is beminnen ten koste van zich-zelf; dit is wel, zich-zelven vergeten, om anderen wel te doen! Wat zal ik mijnen God wedergeven voor zulke liefde, voor zooveel goedertierenheid ? O, overmaat van inschikkelijke liefde 1 God vergenoegt zich hiermede : dat ge Hem uwe wederliefde toonet, met Hem niet meer te beleedigen door de zonde.
Dat zij verre, dat ik U, mijn barmhartige, in het vergeven der grofste ongeregtigheden zoo gemakkelijk mee waardige God, dat\' ik U ooit meer door de zonde kwetse. O groote God, ó vergififenisschenker dermenschelijke snoodheden, ik verheug mij met U over uwe zoetlievende barmhartigheid en ontferming. Zoo een erbarmende Vader was mij noodig, om door mijne zonden niet verloren te gaan. O, ingewanden van goddelijk mededoogen, o hart vol zoete liefde ; hoe jubel ik van blijschap, dat ik in U een zekeren toeverlaat in mijne ellenden gevonden heb 1 Hoe menigmaal hebt Gij mijne misdaden ontveinsd, hoe dikwijls mij mijne fouten en zonden kwijtgescholden ! Gij alleen, ó liefderijke Vader, Gij alleen kondt zooveel geduld, zulke edelmoedige goedheid hebben. Ik stel dan ook mijn betrouwen op U, ó barmhartige, o goedertiere 1 Wend uwe goddelijke oogen van mijne misdrijven af; ze zijn meer dan duizend hellen schuldig. Maar sla daarentegen uwe lieve genadeblikken op mijne van verdiensten schamele ziel neder, en
88
doe mij van levenswijze veranderen. Ik; ik ben alle kwaad; maar Gij, gij zijt alle goed. Ik ben een broos en zwak schepsel tot alle kwaad geneigd ; maar Gij, o Vader, Gij zijt de hersteller mijner zwakheden en de geneesheer mijner zielekwalen. Ik hoop in U en reken op den bijstand uwer genade, Ik zou U zoo gaarne nooit meer vergrammen, mijn goede God, ó zoo gaarne ! Leen uw oor aan mijne smeekingen, van het maaksel uwer handen, en verhoor mijne ootmoedige bede. Geen zonden meer, 6 neen, geen zonden meer! Door uwe grondelooze goedertierenheid schenk mij, dat het zoo zij ! Schenk mij, dat ik U als mijnen Vader gehoorzame, dat ik U als mijn Meester eerbiedige, dat ik U als mijn eenige en eeuwige liefde beminne. Dit neem ik mij voor, dit verlang, dit wil, hiertoe besluit ik. Gij zijt oneindig goed, ó eeuwige goedheid! Gij zijt de goedheid-zelve. Gij verdient dus alle liefde. O 1 Ik bemin U van ganscher harte. Altoos, altoos zal ik U alleen, U boven al beminnen. Ik zal U op aarde lief hebben, en eeuwig zal ik U beminnen in den hemel.
Tweedj? Punt,
Ik ga dezelfde Gods-goedheid in het vergeven mijner zonden overwegen, maarnu in betrekking tot de strenge regtvaardigheid, waarmede Hij onverbiddelijk de Engelen strafte. Aan niet eenen van hen schonk Hij vergiffenis voor eenc eerste, voor eene enkele overtreding.
89
Welke overmaat van goedertierenheid in God 1 Aan den nietigen mensch zoo dikwerf en zoo gemakkelijk zijne zonden en pligtverzakingen kwijt te schelden, terwijl Hij geené barmhartigheid had geschonken aan den hoogen adeldom van zijn hemelsch hof, aan zoovele verhevene en boven andere Engelen-koren uitstekende geesten ! Hoe 1 den groote straffen, en den mindere, den laagste sparen! Geen ééne fout te ontveinzen aan duizenden van Engelen, aan zoovelen als er om ééne zonde van uit den hemel in den eeuwig vlammenden afgrond geslort werden; ze allen te veroordeelen, ze allen onherstelbaar, met eene laatste straf te straften, en hoe te straf\'en... ? En allen, van den kleinste tot den grootste, van den minste tot den meeste 1 Tegen alle die hemelsche cieraden het wraaklekkend zwaard te slingeren, zonder acht te slaan op de groote ontvolking der hemelen 1 — En dan zooveel lijdzaamheid, zooveel erbarming en medelijden met duizende gruwelheden van duizende, van milioe-nen nietelingen, van aardwormen, van zondaren . .. van mij! — God moet mij dan wel ontzaggelijk liefhebben, om zoo vaardig en liefdevol te vergeven, ja te vergeten hetgeen ik tegen Hem misdaan heb. Een groote liefde is het voorzeker, eene liefde die tegenover onverschilligheid bestand is. Maar zoo menigvuldige, zulke groote onverschilligheden niet alleen, maar minachtingen en verachtingen !
O alvermogende Heer! Wie toch bond uwe wraakoefehde hand ? Wie wederhield uwe regt-
4
90
matige verontwaardiging ? Wie bedaarde uwe | na getergde regtvaardigheid, dat zij tegen mij niet | te
los ging, om zich over mijne verachtingen te H
wreken? Gij, mijn God, Gij kunt, door het slechts di
te willen, hemel en aarde verdelgen, het geheelal di
met wat er in is, de zon en hemellichten, het he
wijd en ruim gestemde gewelf des hemels, Enge- vi
len en Aartsengelen, Cherubijnen en Serafijnen, b(
Gij kunt ze met een wenkuws wils tot niet maken. w
Door welke kracht, door welk vermogen zijt Gij ve
dan weerhouden geweest van mij, voor mijne nlt;
gepleegde misdaden te straffen ? O ! het was uwe tii
liefde, alleen uwe liefde tot mij 1 ge
Aan wien de schuld der zonden en de daardoor in
der goddelijke Majesteit toegebrachte beleedi- d(
ging bekend zijn, dien schijnt het eene verbazen- m de goedheid in God, dat Hij een enkele zonde
verdraagt. Zoo ééne zonde immers wilde God ti
niet ontveinzen zelfs niet in Lucifer, den schoon- hi
st^ der geschapene geesten, den voortreffelijkste b;
en meest begenadigde van al wat de goddelijke cl
almagt verhevenst had voortgebracht. Doch, het G
minste zondevlekje in zijne Engelen niet hebben- w
de willen dulden, heeft God in mij, worm van gi
nietigheid, zoovele (hier herinner ik mij, althans il
in 7 algemeen, alle mijne zonden) misslagen en d
fouten genadiglijk verdragen, ja uitgewischt! k
Inderdaad: dit is wel een ontzaggelijk wonder- li
werk zijner weldadigheid, een zegepraal zijner d
bewonderenswaardige goedheid, een triomf van n
zijn alvermogen, eene Hem alleen eigene, een a
uiterste liefde. Maar, wat staat mij nu te doen, n
91
na zulke uitstekende liefdeblijken ? — God lief te hebben naar de mate zijner goedertierenheid, Hem in het minst, in niets ooit meer te belee-digen ; althans iets te verdragen voor een God, die zooveel van mij geleden heeft; inzonderheid het mij aangedane ongelijk te vergeven, mijn vijand niet te verwenschen, hem geen kwaad te berokkenen, hem goed te doen in stede van wraak te nemen. Immers, ik ben Gode meer verschuldigd, dan de hoogste verhevene Serafijnen. Hij toch is voor mij oneindig barmhartiger geweest dan jegens hen. Dat zal dan ook gebeuren : ik wil en zal God meer-en-meer en immer meer lief hebben; ik zal dat vooral toonen door het kwaad, van anderen mij aangedaan, met goed te vergelden.
O mij toegenegen God, ó God van goedertierenheid 1 De liefde welke Gij mij toedraagt heeft U te mijner gunste tot alles den weg gebaand. Gij hebt voor mij gedaan hetgeen Gij den Engelen weigerdet; Gij hebt mij verdragen ; Gij hebt mij zoovele boosheden vergeven; terwijl een enkele smet in hemelsche geesten geen genade heeft gevonden in uwe oogen. O mogt ik U vereeren door en met eene gelijksoortige deugd I Konde ik met lijdzaamheid verdragen, konde ik, op uw voorbeeld, uit er harte het ongelijk vergeven, waarvan ik soms het offer, maar dan toch altoos een schuldig offer ben. Hit is mijner zwakheid moeijelijk, dat gevoel ik maar al te zeer ; doch uw voorbeeld noopt en dwingt mij tot zulke kleine edelmoedigheid. Gij toch
92
hebt mij zoo veel vergeven; Gij hebt zooveel vergeten, als hadde ik U nooit in het minst beleedigd 1 Ik erken en belijd, dat ik, om uwe liefde, verpligt ben alles te vergeven, omdat Gij mij alles vergeven hebt. Wat ware er van mij geworden, indien Gij U gewroken haddet! Ik was een prooi van een onuitbluschbaar vuur, een slachtoffer van eeuwige wanhoop en rampzaligheid. Maar, o Heer, ik vergeef, ik vergeef geheel en volkomen, ernstig en wel gemeend, al wat mij door wien ook werd misdreven. Doch daartoe heb ik U noodig, 6 Heer; ik ben zwak en geneigd tot wederwraak. Uit mijzelven ben ik magteloos om mijn voornemen uit te voeren en mijn woord gestand te doen. Ik smeek U dus om uwen goddelijken bijstand en hemelsche genade. Gij, barmhartige. Gij zult mijne bede hooren en verhooren; want op U heb ik mijne hoop gesteld. Op U betrouw ik, U bemin ik, en om (J bemin ik mijne vijanden. Ik zal ze niet haten noch wederhaten; ik zal hun wel doen om U, om uwe onbegrijpelijke mijwaarts betoonde goedertierenheid, uit erkentelijkheid, om U een flauw blijk van wederliefde te geven. (Hernieuw dikwijls deze voornemens.)
De?4e ?mL
God stelt zich niet tevreden met den mensch zijn gemaakte zondeschuld te vergeven; maar Hij schenkt hem nog met de vergiffenis dei-zonden dat kostelijke terug, waarvan hij zich door
93
de zonde beroofd had. Op het aanschouwen van ons berouw, gevoelt God niet alleen een groot jubel, maar ook hergeeft Hij ons zijne heiligma-kende genade en zijne vriendschap ; Hij doet onze aanspraak op den hemel terugkeeren; Hij vereert ons, begunstigt ons, stelt ons op ééne lijn met de altoos getrouwe Engelen, verciert ons met de uitmuntendste genadegaven, en verwacht ons opnieuw in de eeuwige vreugdezalen, waar Hij ons zal doen troonen in heerlijkheid, waar Hij ons in zijne dan niet meer schendbare vriendschap zal bevestigen. Ofschoon God den mensch die Hem beleedigt in handen heeft, om hem, indien Hij het wilde, duizend dooden te doen sterven, berouwt het den mensch nauwlijks God vergramd te hebben, of deze vergeet als bet ware, dat Hij in zijne oppereer gekrenkt was; alleenlijk is Hij er op bedacht, hoe Hij den mensch zal verbeteren en met nieuwe noggrootere vooregten begenadigen. Onbegrijpelijk, gewis, is Gods liefde jegens elk onzer; maar ook die liefde verstomt de Engelen zeiven. Deze weten en kennen wat God is, wat Hij voor ons doet; zij kennen de Majesteit en oneindigheid zijns Wezens en brengen die in verband met hetgeen Hij is en doet ten onzen opzigten. Maar ik, hoe is het mogelijk dat ik er niet toe overga om zoo\'n goeden God te beminnen naar de aanspraak die Hij op mijne wederliefde heeft 1 Wien toch zal ik mijn hart willen schenken, indien ik het niet aan God wijd, aan dien almo-genden Heer, aan dien liefderijken, mij op den duur zooteederlijkbeminnenden God? Hoe schiji)
94
ik aan niets anders te hebben gedacht dan aan Hem te beleedigen, aan mij tegen Hem in opstand te stellen I
Maar nu zal ik mijne goede voornemens hernieuwen van God te beminnen, van veel voor Hem te doen, van vooral wat mij moeijelijkst is uit liefde tot Hem te beoefenen: te vergeven aan die mij verongelijken, te beminnen die mij haten, te begunstigen die mij benadeelen, op te zoeken die mij vervolgen. En dat alles om God, Hem ter eere, om Gode welgevallig te zijn, om Hem een blijk te geven van mijne wederliefde.
Ik bezwijm van schaamte, ó mijn God, uitgelezen minnaar mijner ziel; omdat ik niet beantwoord heb aan uwe overgroote liefde. Ach hoe vaardig en voorkomend zijt Gij geweest in mij mijne vele en herhaalde zonden te vergeven! Hoe groot was uwe liefde toen Gij mij, met de kwijtschelding mijner schulden, tevens uwe milddadigste genadegaven terug schonkt, en al het zaligenden weêrgaaft dat ik met uwe vriendschap had weggeworpen! Gezegend zij uwe goedheid, waarmede Gij dengeen met weldaden hebt overladen, die uwe liefde had besmeurd met zoovele zonden ! Mijne beschaming ij des te grooter, omdat ik vermetel zondigde, op uwe ontferming rekende in het midden mijner snoodheden. Ik weet niet. Heer, waarover mij meer verwonderen: over uwe eindelooze goedertierenheid, of over mijne verregaande boosheid; beiden zijn onverklaarbaar. Hoe menigmaal toch, ó Heer, kwaamt Gij in mijne ziel, om haar met uwe gunsten te verrijken;
95
en hoe dikwerf heb ik U daar uil verdreven door er toegang in te verleenen aan eenig aardsch door U verboden geroege» ! En dan, m ij verloren ziende, en mij opnieuw tot U keerende, hervond ik U telkens als Vader, die mijnen opstand n iet meer scheen te gedenken. Gij ontvingt mij wederom in genade; Gij spraakt mij goeden raad in, bewoogt mij tot heilzame besluiten en, mij mijne trouweloosheden vergevende, hersteldet Gij mij in uwe onschatbare vrienschap. En, na zooveel goedheid, na zulke zoo dikwijls herhaalde liefdeblijken, staat het bij mij nog niet vast, geheel mijn hart aan U te geven ? Ach neen, mijn teergeliefde Vader, duizendmaal neen I Geef mij, dat ik U volmaaktelijk beminne. Geef mij vooral dat ik, om U welgevallig te zijn, het mij aangedane ongelijk vergeve, kwaad metgred en beleediging met liefdadigheid vergelde. Ik smeek U Heer, schenk mij hiertoe uwen vermogenden en onont-beerlijken bijstand. Dat ik mij. door U geholpen, toch hierin overwinne, en deze zegepraal stiere tot uwe verheerlijking. AmenI
lfeg@ii.de Kedi^alit.
God mint ons, daarom verdient Hij onze liefde, lerele Punt.
Ik breng mij te binnen, en denk er ernstig op na, hoe God mij bemint en uit liefde, zoovele jaren, met allerlei natuurlijke en bovennatuurlijke
96
gunsten en voorregten begenadigd heeft; en dat wel zonder dat er in mij iets of voor Hem eenig belang aanwezig was, dat Hem daartoe kon bewegen, veel minder nopen. Zijne liefde tot mij was dus alleredelst, want Hij beminde mij geheel vrijwillig, alleen om mij met weldaden — uitvloeisel zijner teedere liefde — te overladen. In zijne geheel-onbaatzuchtige liefde alleen vond Hij beweegredenen van mij wèl te doen. Wij, wij beminnen die ons beminnenswaardig voorkomen. Maar God trof in mij niets beminnenswaardigs aan. God beschouwde mij in mijne nietigheid. Wel nu, hetgeen een niet en nietig is, kan onmogelijk beminnenswaardig schijnen of een anders liefde wekken. En nogtans, in dien mijn toestand neigde zich God tot mij, in dien toestand had Hij mij lief, Hij trok mij uit dat niet, schonk mij het leven, en vercierde mij met natuurlijke gaven. Ter wereld komende zag God mij besmeurd door de erfsmet; ik was een afschuw in zijne oogen, een voorwerp van vervloeking. Desniettegenstaande ging God voort met mij lief te hebben, waschte mijne ziel in een God-menschelijk bloed, reinigde mij van alle vlek, en begenadigde mij bovendien met zijne uitstekendste gaven en bovennatuurlijke voorregten. O ontzaggelijk en verbazend wonder eener vlammende Gods-liefde I Nog meer: eer God mij goed wilde en belees, zag en wist Hij, hoe ik zou leven in vergetelheid zijner weldaden, hoe ik op de alleronwaardigste wijze aan zijne liefdeblijken niet zou beantwoorden. En toch en ondanks zulke vporuitzigten.
97
heeft zich Gods liefdezucht niet laten bekoelen noch verflauwen. Het was Gode bekend, hoe ik schier onafgebroken zou leven ten prooi van ijdelheden, van zondige grillen en hartstogten; hoe ik deze mijne aandacht en genegenheden zoü wijden ten koste van zijne liefde. Zulke volle last van miskenningen en slechte bejegeningen tegen een zoo minnenden God, en die hij voor- en doorzag, moest Hem dat niet zijne welwillendheid van mij doen keeren, om er andere zielen meê te begenadigen, die met meerdere trouw en onderwerping groote zaken tot zijne verheerlijking zouden uitwerken ? En toch verkoor Hij mij met daarlating van anderen, en hield Hij nooit op mij volstandig zijne liefste gunsten mede te deelen; dat deed hij door alle mijne ondankbaarheden heen, zonder maat en onophoudelijk. Voorwaar, zulke bloem van liefde is wel waardig dat ze door wederliefde van mijnen kant vergolden worde. Zoü het tegenovergestelde mogelijk wezen ? Zoü ik mijn leven lang kunnen voortgaan in eene zoo tegennatuurlijke ondankbaarheid? Zoü ik niet eens voor altoos moeten besluiten, om aan zulke onbegrensde liefde met geheel mijne — zoo beperkte — wederliefde te beantwoorden? Ach! wat staat mij te doen? God ootmoedig te smeeken, dat hij mij verlosse van alle gehechtheid aan het aardsche, dat Hij mij een vonkje zijner brandende liefde schenke. Ik zal mij daarom dikwijls met Hem bezighouden; door te bidden, door op de voorgestelde en nu begrepene waarheid
98
na te denken, door Gode mijne ellenden, mijne behoeften en noodwendigheden, mijn verlangen van Hem te beminnen vertrouwelijk bloot te leggen. Dat neem ik mij voor, dat is mijn vast en ernstig besluit.
O mijn God, groote monarch van hemel en van aardel Hoe zoet en genoegelijk is het mij te weten, dat gij mij lief hebt 1 O zaligheid 1 zoo teederlijk van God bemind te worden J Dank, ö Heer, dank! ik verblijd er mij over ó God! Ik verheug mij over uwe eindelooze goedheid die ook mij omhelst. Gij omhelsdet mij reeds, toen ik er nog niet was. Gij omhelsdet mij zelfs toen en alhoewel ik zondaar was; Gij omhelsdet mij ondankbare, mij afschuwelijke in uwe oogen. O vlammende liefde! O alles verteerende teedere lieidel O goddelijke liefde! ik was immer een onwaardige, een hoogst schuldige, een veroor-deelenswaardige. Dat beken ik, dat belijd ik voor U, God almachtig. Ik verklaar mij uwer weldaden alleronwaardigst. Des te meer zij uwe liefde gezegend en geprezen, o mijn God! Want Gij bebt U ontfermt over een waardeloos schepsel. Ongelukkig ik, die tot op dezen stond uwe liefde versmaad, de liefde tot het aardsche gezocht, betracht en aangekweekt heb. Zie Heer, zie genadelijk neêr op mijne groote ellende. Ik verloor mij bij en achter nietigheden, ik stelde het vleesch boven den geest, de zonde boven U! Welke dwaasheid, welke verblindheid, welk ongeluk! Geef Heer, geef en schenk mij uit barmhartigheid, dat ik mij losmake van de
99
schepselen, om mij met hart en ziel geheel aan U te geven. Doe, dat mijn verstand U beter kenne, mijn geheugen steeds aan u denkc, mijn wil in uwe liefde wegsmelte; dat alle mijne vermogens door uwe liefde bestuurd en geregeld worden I Gij alleen zijttoch mijn God, mijn Al, mijne liefde. Mijn lieve Heer, ik bemin U; maar bovenal, meer dan mij zei ven. [Herhaal deze betuiging dikwijls, er langzaam op nadenkend.)
Een andere omstandigheid, waaruit Gods oneindige liefde blijkt en zijn hartelijk verlangen van mij wèl te doen is, dat hij mij zulke uitstekende bewijzen van goedheid schonk, zelfs in het midden mijner afwijkingen; toen ik zijne H. wet overtrad, om mij aanijdele, niets-„bedui-dende en zondige zaken over te geven, toen nog ging God voort, zijne genadeschenkingen en barmhartigheden over mij uit te storten. Hij gaf mij leven, gezondheid, achting, goederen.. . . Hij bevrijdde mij van onnoembare onheilen en gevaren. Hij belettede de duivelen — uitvoerders zijner geregtigheid — mijne ziel naar den afgrond te slepen, dien ik om mijne misdaden verdiend had. Hij drong met zachte en tevens krachtige inspraken in mijn hart, mij met meer dan vaderlijke ingewanden bewegend, om boetvaardig tot Hem weder te keeren. En dat alles uit loutere liefde tot mij 1 Maar ik . .. ik wederstiet zijn liefdevol aanzoeken; en, in plaats van aan zooveel
100
N.
goedheid te beantwoorden, wederstond ik aan zijne genade; ja, zijne goedertierenheid strekte mij als \'t ware tot last... en ik stapelde schulden op schulden, zonden op zonden 1 En God bleef mij ondanks mij lief hebben. Hij ging voort met mij aan het hart te kloppen ; Hij liet niet af, mij door zijn goddelijke roepstem tot bekecring te wekken, mij te treffen met de schichten zijner liefde. Maar dan nog — ó hardheid van gemoed 1 — dan nog bleef ik van zonden als overgolfd, doof voor Gods lieve uitnoodiging; ik zeide Hem — althans door mijn bedrijven —- dat ik mij niet bekreunde om zijne vriendschap, dat ik zijn paradijs kon missen, en zijne hel niet vreesde. Doch God — ó liefdel — hernam; ik kan U, o mijn kind, niet langer indien ongelukkigen staat aanschouwen; ik zal U, door mijne genade, uit uwen doodelijken slaap zoodanig wakker schudden dat ge u, om van mij ontslagen te zijn, zult overgeven; ge zult de mijne zijn ; ge zult er ten laatste toe overgaan om mij te beminnen ; ge zult u den hemel waardig maken, en zoo zal ik eindelijk allen mijnen barmhartigheden deze kroon opzetten, dat ik u deelgenoot kan maken van eene onsterfelijke gelukzaligheid.
Dit alles heeft God voor mij gedaan, en Waarom ? Omdat Hij mij lief had, omdat Hij behagen schiep in mij wèl te doen. Gewis, het ware reeds eene uitstekende Gods barmhartigheid geweest, mij door den bliksem zijner versmade en te lang getergde regtvaardigheid niet te verpletten. Maar, door een onbegrijpelijke, bij God alleen moge-
101
lijke goedertierenheid, heeft Hij niet opgehouden mij te begenadigen in weerwil mijner halstarrig-heid; als hadde Hij zijnen regtmatigen, aan mijne zonden verschuldigden haat veranderd in liefde en mededoogen. Zóó hebt Gij, 6 God van erbarming, mijne peillooze boosheid door uwe eeuwig grenzelooze liefde overtroffen!
Met welken naam zou men de goedheid eens konings bestempelen, die niet zou nalaten goed te doen a^n een\' slaaf, door wien hij langen tijd met den grofsten hoon ware beleedigd geworden ? — Oneindig goedertierener is de groote koning der koningen, is God te mijnen opzigte geweest. Ellendig mensch die ik ben 1 Waar of wien schenk ik mijne liefde, indien ik ze Gode, mijnen harte-vriend, mijnen onvergelijkelijken minnaar niet wijd ? Doch ik bemin alles behalve God; God alleen heb ik niet lief. God die mij immer en altoos bemind heeft. Maar ik ga mij voor Hem verootmoedigen, en Hem om de uitmuntende gaaf zijner liefde smeeken; opdat deze mij belette ondankbaar, en noodzake brandende te zijn van wederliefde.
Goddelijke minnaar. Parel van liefdel Ik bedank U. Ik verklaar mij ten hoogste aan U ver-pligt. Voorzeker, indien uwe liefde niet goddelijk ware. Gij haddet mij zoo lang niet kunnen ver. dragen; Gij hadt\' mij zoovele gunsten niet kunnen bewijzen, terwijl ik uwe heiligheid kwetste en voortging met U te versmaden. U zij daarvoor eeuwige dank gebracht! Het is helaas, maar al te waar, dat ik U uit mijne ziel verjoeg, om er den
102
duivel in te halen, wanneer ik toestemde in mijne ongeregelde geneigdheden tot het kwaad. Doch) uit mijne schuldige ziel verjaagd, wist uwe gron-delooze liefde wederom en herhaalde malen er op nieuw bezit van te nemen. Gij radet mij in uwe ontferming, en wektet mij op tot bekeering. Gij vergat mijne vergetelheden, Gij achtet mijne verachtingen niet, Gij hersteldet mij in uwe vriendschap, omhelsdet mij met uwen God-vaderlijken liefdekus, en schonkt mij op nieuw uwe liefde. Het scheen, als of uwe barmhartigheden aangroeiden met het menigvuldiger en grooter worden mijner ongeregtighedea. Mijn God! Ik verheug mij zooveel ik weet en kan, dat Gij die opperste goedheid en liefde zijt, die Gij zijt. O, hadde ik U nooit beleedigd, hadde ik U altoos lief gehad! — Ik verfoei en vervloek mijne voor-ledene boosheden. Ik wilde duizend dooden gestorven zijn liever dan U vergramd te hebben. Mijn God, Liefde mijner liefde. Ziel mijner ziele, mijns levens Leven! U verkies ik boven gansch de wereld, U verkies ik boven mij-zelven. Ik wensch en verlang vuriglijk, dat Gij door allen boven alles wordet verkoren, van alle menschen bemind, bemind naar uwe verdienste. Door de verdiensten van Jezus, ó, geef mij uwe liefde. Ik wil U lief hebben, ik wil U vereeren en huldigen met heilige Missen en Communiën, door gebeden, meditatiën, liefde-akten, enz. Door het lijden en den dood van mijnen geliefden Jezus, schenk mij uwe liefde. Amen!
103
Defde fut.
Ik overweeg den stond waarop God begon mij te beminnen, het oogenbllk wanneer God zijn eerste plan maakte van de weldaden, waarmede Hij mij zou begenadigen, en die Hij op hun tijd heeft voortgebragt. God heeft mij vóór alle eeuwen lief gehad, vóór allen tijd, oneindiglijk vroeger dan toen ik bestond. Zijne liefde is eeuwig geweest, en zijn wil van mij wèl te doen oneindig. Gods liefde had geen begin, en het oogenblik, waarop Hij begon mij te beminnen, is onnaspoor-baar, het is niet te vinden. God besteedde de gansche voorledene eeuwigheid in mij lief te hebben; Hij ging voort met mij te beminnen door eene eindelooze duurzaamheid. God heeft zich-zelven niet eerder bemind dan Hij mij beminde ; Hij heeft zich-zelven geen goed gewild eerder dan Hij mij uitkoos, om mij deelgenoot te maken van zijne hoogste weldaden. Gedurende al den tijd dat Hij zijn goddelijk Wezen beminde, nam Hij ook behagen in mijn geluk-wezen en in de uitgestrekte gunsten waarmede Hij mij verrijkt heeft en zal voortgaan te verrijken door alle toekomende eeuwen. Wel gelukkig ik, die zoo lang vóór mijne geboorte het voorwerp ben geweest van \'s Heeren voorliefde, van God, die niet eerder God dan Hij mijn minnaar was. Hadde God slechts voor eenige oogenblikken aan mij gedacht, hadde Hij zijne genegenheid slechts ter loops op mij gevestigd, dan nog konde ik Hem zulke welwillendheid met eeuwige hulde en wederliefde
104
niet betalen. Ha-.ide God van af den troon zijner majesteit een enkelen blik van liefde op mij, af grond van ellenden — nietigen nieteling — vat van zonden — doen afdalen; het nare een verbazend wonder geweest van eene Hem alleen eigene goedertierenheid. Maar God heeft mij niet voor eenige oogenblikken, niet op éénige wijze, maar met geheel zijne liefde, gedurende eeuwige jaren, gedurende ontelbare eeuwen en eeuwen lief gehad-De eeuwige heeft mij eeuwiglijk bemind! Alle zijne zoo uitstekende, zoo tallooze weldaden zijn uitvloeisels zijner eeuwige liefde jegens mij 1 Het is dan wel tijd dat ik begin, op mijne beurt God te beminnen en Hem mijne vurigste wederliefde toe te wijden. Overweeg dat ernstig, mijne ziel, en bedenk wat gij Go de verschuldigd zij t. Denk, of het niet allerdringenst noodzakelijk is, dat gij zonder ophouden alles doet waartoe gij bekwaam zijt, om Hem te behagen, die door alle eeuwen heên zijne genegenheid op u gevestigd hield, zonder ze ooit van u te verwijderen. Derhalve, bemin Hem zoo veel gij kunt. Bevlijtigu, alle uwe werken goede werken te doen zijn ; opdat zij tot Gods liefde kunnen gestierd worden. Betuig Hem,dat ge u door die werken Hem behagelijk wilt maken.
O eeuwige GodI Ik aanbid U uit de diepte mijner nietigheid. Ik bedank U voor de eeuwige liefde waarmede Gij mij bemind hebt. O Heer, wie is gelukkig genoeg, om zich immer aan de eindelooze jaren te herinneren, dat Gij hem, eer hij er was, hebt lief gehad ? Gelukkig ik, indien ik vervuld ware met uwe liefde; gelukkig, indien ik
105
het verlangen hackle, van niets buiten U te betrachten ! Maar het is zóó niet. Ik ben vol ijdele genegenheden, vol zondige grillen, vol smetten. Gij, ó Heer almagtig en groot in erbarming, ktiisch en reinig mijn gemoed van alle ongeregelde gehechtheid aan het aardsche. Ik verlang, smaak en genoegen te vinden in U te beminnen, in U te believen. Konde ik mijn lust vinden in, uitliefde tot U, alles te doen wat Gij geboden, maar ook alles wat Gij mij aangeraden hebt 1 O aller liefde allerwaardigste God 1 Schenk mij door Jezus\' verdiensten, dat ik U volhardend diene en lief hebbe tot aan den dood ; dan zal ik U eeuwiglijk beminnen in den Hemel. Maar helaas! Ik begin zoo laat, U lief te hebben; daarom moet mijne liefde tot U des te vuriger zijn. Nu wil ik niet langer uitstellen. Ontvang dan, 6 lieve Heer, ontvang de genegenheid mijns harten, en maak dat ze geheel de uwe zij. Ik wijd U al wat ik ben, al wat ik heb, al wat in mij is ; verstand, wil, geheugen, gevoelen, vermogen^, ligchaam en ziel. Ik bid U door de verdiensten van mijn\' Heiland en Verlosser, door het van mijn Jezus gestorte bloed, vei vul mij geheel met uwe heilige liefde. Maak mij voor U levend, en heilig mij door uwe hemelsche genadegaven. Dat deze mij immer en meer- en- meer ontvlammen van liefde jegens U, tot U mijnen eeuwigen minnaar, dien ik voor altoos hoop lief te hebben in de eeuwigdurende woonsteden. Amen I (Hernieuw uwe voornemens, hernieuw ze dikwijls, van u door herhaalde liefde-akten aan God behage-lijk te maken, van Hein uit liefde te willen dienen.J
106
God verdient van ons bemind te worden, om de hoedanigheid der liefde wélke Hij ons toedraagt.
ic^iie Fint.
Gelijk God mij van eeuwigheid bemind heeft, zoo zal hij mij ook in de toekomende eeuwigheid liefhebben, mits ik geene hindernis aan zijne liefde stelle door de zonde. Van zijnen kant heeft God besloten, dat ik Hem in zijn eeuwigdurend koningrijk, waar Hij onveranderlijk heeft vastgesteld mij de eeuwige genieting zijner eigene gelukzaligheid te schenken, zal bezitten. O 1 Hoe groot en volkomen zal mijne tevredenheid wezen in den hemel, wanneer ik met mijne gemoedsblikken in het goddelijk hart zal doordringen en duidelijk kennen, dat God als God mij lief heeft, en nooit zal ophouden mij met eene onsterfelijke liefde altoos te beminnen. Daar zal ik de verbazende wonderen zijner teederheden, zijner voorledene, tegenwoordige en toekomstige liefde bespiegelen en napeinzen. Daar zal ik zien dat God altijd gelukkig, altoos zalig is; maar ook, dat Hij mij altoos zal liefhebben, voor mij altoos goed en genadig zal zijn. God zal mij, uit liefde, nooit eenig goed weigeren; integendeel. Hij zal mij alle zijne goddelijke schoonheden ontsluijeren en daardoor — door derzei ver klare aanschouwing — mij de ziel vervullen met een eindeloos genot van
107
bewondering, liefde en blijdschap. God bespaarde zich, om mijne gelukzaligheid te worden, willende, dat die volle maat van genietingen, die zijne Goddelijkheid met onbegrensden wellust vervulden, zich door alle eeuwen heen over mijn gemoed zouden uitspreiden, en hetzelve zoodanig zouden verzadigen, dat het boven het bereik zij van alle gedachte, van alle verbeeldingskracht. Daar zal ik-zelf God zien, maar zien gelijk Hij is; ik zal Hem zien gelijk Hij zich door zich zeiven ziet. Tusschen de glansrijkste lichstralen, zullen zich al de goddelijke eigenschappen bloot en ontsluijerd aan mij voordoen, en mij het helderst inzigt geven in de peillooze diepten zijner volmaaktheden. O afgrond, 6 zee van wellusten, die mij het gemoed zullen overstroomen met dat onmetelijk, met dat oneindig, met dat onverklaarbaar schoon; en dat in eene volmaakte zekerheid en gerustheid, dat ik mij eeuwig en altoos zal verlustigen aan die bron van zaligheid ... eeuwiglijk, gelijk God eeuwig isl— Geen enkel goed werk hoe klein ook, dat ik voor Hem en in zijne genade zal ver-rigt hebben, of God hecht er eene eeuwige vergelding aan; maar die vergelding, die prijs zal duizendmaal, zal oneindiglijk grooter, rijker en overvloediger wezen, dan al wat ik deugdzaamst en voortreffelijkst zal hebben uitgevoerd.
Waarom dan niet besloten, van ganscher harte God te beminnen? God, die mij gedurende eene gansche eeuwigheid wil liefhebben, God dien ik zelf in alle eeuwen en eeuwen zal moeten en willen beminnen 1 \'t Is immers ongetwijfeld waar.
108
dat ik in Gods liefde mijne onsterfelijke gelukza. ligheid moet hervinden. Waarom dan ben ik zoo loom en laf in te arbeiden voor een Heer, die zoo milddadig is in het beloonen van elk goed werk, zelfs van het geringste, van het schijnlijk nietigste ? Ik zou als moeten ontzielen, om Hem door nooit onderbrokenedengdewerken te behagen, naardien deze mij de eeuwige gelukzaligheid van het he-melsch vaderland moeten yergrooten. Daartoe verlengt mij God het leven, daartoe overlaadt Hij mij met weldaden van allerlei aard; opdat ik mij een hoogeren troon verwerve en een overvloedi-geren oogst van onsterfelijke heerlijkheid. Ik maak dan het voornemen. God dikwerf om de genade te smeeken, van mij te zaligen door deze drangreden; van Hem eeuwig en hartelijk te kunnen beminnen en herbeminnen, van alle toekomende eeuwen te kunnen besteden in de liefde jegens een God, wiens oneindige liefde jegens mij nooit genoegzaam, door mijne welkdanige wederliefde ook, kan vergolden worden. Tot dat einde, en om mij een des te grooter gewigt van eeuwige vergelding waardig te maken, zal ik mij toeleggen op het beoefenen der beste en meest mogelijke goede werken.
O mijn God, mijn opperst heill Het is stout van mij, dat ik zoo vurig verlang, U voor altijd in den hemel te komen beminnen. Immers ik ben een zondaar, dus alleronwaardigst om mijne woonplaats te vestigen in den zaligen kring dei-Heiligen. Nogtans ik ben uw schepsel, ten hoogste aan U verpligt door zoovele genadegaven en door
1Ö9
uwe dubbel eeuwige liefde jegens mij. Ik dank en herdank U voor uwe onbegrijpelijke en grenze-looze goedertierenheid. Ik wensch U lief te hebben zooveel ik weet en kan. En, wijl ik zie hoe moeijelijk het mij is, U op deze wereld naar be-hooren lief te hebben, verlang en verzucht ik naar het oogenblik, dat ik U in uw hemels koningrijk zal mogen aanschouwen, waar ik zeker ben U met geheel mijne ziel te zullen beminnen. Ik verstout mij zelfs U te zeggen, dat ik tot een zeer hoogen graad van heerlijkheid wensch op te stijgen, ten einde U daar te beminnen, gelijk Gij van de Serafijnen bemind wordt Want ik ben U meer verschuldigd dan eenig ander schepsel. Gij moet eenmaal het loon mijner nietige goede werken zijn. Dat loon zal des te glansrijker worden, naar mate mijne werken beter en veelvuldiger zullen geweest zijn. Uwe teedere liefde wacht mij in den hemel, om mij aan U gelijk te maken: onsterfelijk als Gij, eindeloos gelukzalig als Gij. Gij verlangt, dat ik rijk zij in goede werken, opdat uwe belooning des te overvloediger zij. Ddar vooral wilt Gij mij toonen, dat ik steeds het voorwerp uwer liefde was, en dat eeuwiglijk zijn zal. Ik verwacht dus en verlang vuriglijk U in den hemel te bezitten, en U daar voor altoos mijne liefde te wijden, zonder vrees van ooit of immer van U gescheiden te zullen worden. Daarom bemin ik uw paradijs meer dan alle andere genietingen; want daar bemint men U volkomen en eeuwig. Ik ben ook bereid, liever duizend maal het leven te verliezen, dan mij in het minst gevaar te stellen, van het annschou-
110
wen uwer goddelijke liefelijkheden te moeten missen. Dikwert zal ik U om de genade smeeken van zoo te leven, dat ik mij den hemel verzekere; want ik wil U — en dat verhoop ik vastelijk — ik wil U eeuwig liefhebben. Ik zal alles doen wat mogelijk is om, door het vermenigvuldigen van goede werken, mij een grootere vergelding waardig te maken, ten einde U in den hemel vuriger te kunnen beminnen. Dat stel ik mij voor, dat wil ik, door uwen bijstand geholpen. Dezen verzoek ik U ootmoediglijk door de liefde welke Gij mij toedraagt, en door de oneindige verdiensten van mijnen lieven Jezus.
fwesie Fut.
Welk danig is de genegenheid waarmede mij God; van eeuwigheid bemind heeft, en mij in de toekomende eeuwigheid zonder ophouden zal beminnen ? — God bemint en heeft mij bemind met eene oneindige liefde, ja met dezelfde liefde waarmede Hij zijn eigene Godheid eeuwiglijk beminnen zal. Alhoewel God in zijne onmetelijke volmaaktheden oneindige stof van liefde vindt; heeft Hij echter, door eene overmaat van goedheid, verkozen ook mij te beminnen met dezelfde genegenheid, maarmede Hij zijn goddelijk Wezen lief heeft. O wonder 1 God plaats zijne oneindige liefde buiten zich-zelf. En toch vindt Hij in en binnen zich-zelven al wat beminnenswaardig is; want in Hem is alle goed. Hoe heeft God dan buiten zich-zelven kunnen gaan, om een zoo nietig
Ill
iets te beminnen als ik ben ? — Dat is eene geheimenis zijner goedheid, een mirakel zijner liefde. Die goddelijke minnaar, die zich uitsluitend in den afgrond zijner grenzelooze volmaaktheden kon welbehagen, heeft zich verwaardigd zijne onbegrijpelijke liefdadigheid tot mij te keeren. Wél kan ik voor mijnen God doen al wat in mijn vermogen is: ik kan Hem uit geheel mijn hart en uit alle mijne krachten liefhebben, ik kan Hem dienen en gehoorzamen :_doch nooit kan ik Hem eene aan de zijne geëvenredigde liefde wedergeven; Hij immers bemint mij, en heeft mij altoos bemind mot eene liefde die goddelijk en oneindig is, terwijl mijne liefde zeer bepaald en
onvolmaakt is____de liefde van een\' iiiensch I De
genegenheid welke Qod mij toedraagt, en zijne begeerte van mij wèl te doen, ontvlugten alle verbeelding, dat gaat alle menschelijk begrip in het oneindige te boven. Zijne liefde tot mij is grooter dan de liefde, waarmede alle Heiligen en Geluk-zaligen God beminnen; want deze liefde — hoe teeder en groot men ze zich voorstelle — is en blijft altoos eene menschelijke liefde; daar, integendeel, de liefde waarmede mij God mint, goddelijk en oneindig is.
Hoe dan zal ik beantwoorden aan die oneidige Gods Itefde ? — Voorzeker niet anders, dan door alle mijne genegenheden toe te wijden aan dengeen, die mij goddelijk en oneindiglijk lief heeft. Hoe groot zou bij gevolg mijne ondankbaarheid zijn, indien ik een gedeelte mijns harten aan eenig schepsel wilde overlaten ! Immers, al ware
112
mijne liefde oneindig, dan nog ware ik ze verschuldigd aan dien oneindigen Minnaar. Ik moet en wil Hem dus met gansch mijzei ven liefhebben; ik wil Hem immer meer beminnen, verlangende geheel mij-zelven op te offeren in liefdebetuigingen en werken, dien teêrminnenden God waardig. —
Onderzoek hier, mijne ziel, of ge voor God niets meer kunt doen dan gij thans doet, of ge niet meerdere goede werken kunt beoefenen dan gij thans beoefent; ol gij, b. v. niet meer kunt vasten, meer bidden, of ge geene strengere boetvaardigheid kunt plegen, meer aalmoezen geven, enz. Of gij niet zachtmoediger kunt wezen en ootmoediger, meer onderworpen aan Gods aanbiddelijken wil, meer overgegeven in beproe vingen, geduldiger in kwellingen en smarten ? — Wel is waar, gij kunt niet veel; maar verlang althans veel, zeer veel te doen; doe wat ge kunt... en doe het uit zuivere liefde tot God.
O God! hoe ontzaggelijk groot zijn uwe liefde-bewijzen I Gij hebt niemand noodig, hangt van niemand af; en toch vernedert Gij de grootheid uwer liefdadigheid, met ze aan een onwaardig schepsel te wijden, gelijk ik ben! In uwe eigene liefde bezit Gij een volmaakte en nooit gestoorde gelukzaligheid, die alle uwe verlangens bevredigt; en toch verwarmt Gij ook mij met uwen liefdebrand, verlicht Gij mij met uwe liefdestralen 1 Uwe nooit volprezene goedertierenheid verlaagt zich, om teèr\'iartig op mij neèr te zien, om mij lief te hebben met dezelfde eindelooze
113
genegenheid, waarmede Gij u-zelven bemint 1 O Liefde, ó Heill Konde ik U ook en insgelijks oneiudiglijk liefhebben 1 — Doch schaamrood moet ik bekennen, dat ik U niet bemin. Konde ik, meer dan de Engelen, U zegenen ; konde ik, meer dan de Serafijnen, U verheerlijken ; konde ik U dienen, meer en beter dan eenig ander schepsel ! Gij, ó Heer, zie neder op mijne verlangens, aanhoor mijne beden door Jezus verdiensten en door uwe eindelooze welwillendheid jegens mij ; opdat ik U immer meer trachte te behagen, en mij-zelven meer en meer oefene in goede werken : in lijdzaamheid, in naastenliefde, in alle deugden. Ik maak het besluit, U altijd uit liefde te zullen gehoorzamen. Ik ga er mij ernstig en van harte op toeleggen, om al wat mij mogelijk is te verdragen, en mijnen even-mensch, om U, wèl te doen. Doch vooral zal ik U zonder ophouden om een vurige liefde smee-ken ; opdat ik U — eeuwige en grenzelooze liefde — meer beminne dan mij-zelven, meer dan mijn eigene ziel, met het levendig verlangen van U eens voor eeuwig lief te hebben in den hemel. Amen.
leïiê fui
Overweeg, mijne ziel, wie het is die u-bemint, \'t Is geen vorst dezer aarde, geen Engel, geen Serafijn; \'t is de almagtige God zelf, de Oneindige, de Onmetelijke, de Eeuwige, de Opperheer, de onuitsprekelijke Majesteit, \'t Is dat Wezen, hetwelk de grenzen van zon en sterren niet kun-
114
nen omvatten; dat de aarde op hare zuilen kan doen schudden en ze van hare fonderingen kan doen tuimelen; dat den onmeetbaren oceaan in zijne vuist klemt, en de wereld op zijne drie vingeren draagt! Hij is die zich noemt den Heer der heirkrachten.den God der goden,den Koning dei-koningen, den Heer der heeren, den Magtige, die hemel en aarde uit niet te voorschijn bragt met zijnen wil alleen, zonder arbeid of inspanning, zonder vermoeijenis, zonder medehulp, alleen omdat Hij het wilde, omdat het Hem zoo beliefde. Dien hemel, die wereld, die aarde bewaart en onderhoudt Hij; Hij dient ze tot onmisbare steun en onderschraging; zonder Hem werden zij wederom en oogenblikkelijk niet\\ met enkel te willen, met ze zijne almogende hand te onttrekken, lossen zij zich in niet op: menschen en Engelen... alles I Welnu, dat oneindig, dat groot Opperwezen, dat bemint, mij! Die God is mij genegen en gestadig! Die Hooge en Ontzaggelijke wil mij goed, het opperste goed! Die Eindelooze bemint mij met dezelfde liefde waarmede Hij zich-zelven bemint! Wat kan er meer wonderbaar gedacht worden, wat kan men zich vreemder verbeelden ? Een God van oneindige waardigheid plaatst zijne liefde op zoo een nietig iemand, op zoo \'n worm, op zoo\'n ongelukkige als ik ben! Wat toch ben ik? Naar het ligchaam: een vuilnis-mengsel, een wormenaas, een slijkerige aardkluit; en weldra zal dat ligchaam stof zijn. Naar de ziel, 6 ellende ! een zondaar door boosheid aangestoken, bevlekt en besmeurd met zonden en schulden--een af-
1
115
schuweling van ondeugden — een voorwerp van duizend ellenden en zwakheden —voor het goede krachteloos, vaardig tot het kwade— hoovaardig, wellustig — traag in Godsdienst — herhaaldelijk Gods vijand, Gods eerbelager, Gods eerverrader — satans slaaf en dienaar.... En zulk ligchaam wordt van zulke Majesteit gespaard I En zulke ziel wordt getroeteld, ja vlammend bemind ran zulken God I En bij zulke overweging smelt ik niet van liefde voor zulke Liefde 11
Mijne ziel, moedigen wij ons aan en verkloeken wij ons, om ernstiglijk en voor goed God te beminnen die alleen, waar hel zijne liefde tot ons geldt, overdreven is. Wil u niet met weinig vergenoegen ; want, om aan zooveel liefde te beantwoorden, zal ook het vele allernietigst zijn. Be-trach inzonderheid datgeen, wat een zoö grooten God-en-minnaar het aangenaamst is. Trach in alles uw willen te doen overeenstemmen met zijne altoos regtmatige verlangens. Wees overigens verzekerd, dat die groote u niet behoevende Heer u altijd en teederlijk lief heeft, dat alles, wat n zal overkomen, door Hem gewild wordt tot uw welzijn, omdat Hij ziet, dat het tot uw volmaakt heil dienstig en voordeelig is. Derhalve bevlijtig u om alles : voor- en tegenspoed, gemak en ongemak, troost en beproeving, lief en leed, om alles van zijne lieve vaderhand met liefde aan te nemen. Trach alles, wat Hij in zijne alwijze teederheid over u zal beschikken, met gelatenheid, ja met gevoelens van wederliefde te aanvaarden, Hem dikwerf betuigend: Mijn God! uw wil ge-
116
schiede, gelijk in den hemel, zoo ook op aarde.
O groote Minnaar mijner ziel, die oneindig en allerverhevenst God zijnde, n.ij ellendeling met een goddelijke liefdadigheid bemint; ach, geef mij barmhartiglijk, dat ik U in waarheid hartelijk lief hebbe. Geef, dat ik mijn genoegen vinde in aan uwe goddelijke wet te gehoorzamen, en in heilige werken te verrigten U ter eer. Verleen mij de genad» van in alles en altijd uwen heiligen en aanbiddelijken wil te betrachten. Gij toch zijt mijne liefde, mijn heil; Gij bemint mij om mij, om mijn geluk; Gij, bemint mij zoodanig, zoo buitengemeen, zoo oneindiglijk, dat uwe liefde mij wel altoos een diepe geheimenis blijven zal. Ik bemin, ó ja, dien uwen goddelijken wil, dat uw liefdevol welbehagen. Ik wil wat Gij wilt, en wil niets dat Gij niet wilt. Ik wil, dat in mij plaats grijpe, hetgeen U welgevallig is, \'t zij voor- of tegenspoed, \'t zij met of tegen mijn genoegen. Vervul dan in mij, ó God, hetgeen uw heilige wil wegens mij zal goed achten, hoe lastig en moeije-lijk ook het mij moge vallen. Indien gij het zoo en niet anders wilt. Gij wilt het voor mijn geluk, omdat Gij mij lief hebt, omdat Gij weet dat het mijn welzijn bevordert. Ikneem dan ojk bereidwillig aan al wat mij van U zal geworden; om zóó aan U te believen, om mij daardoor aan U behagelijk te maken. Doch altijd en bovenal zal ik tot U roepen: geef Heer, geef mij uwe liefde. Daarom — om die liefde — bid en smeek ik U door uwe grenzelooze goedertierenheid, door uwe nooit volprezene liefdadigheid. Ik draag U op de aller-
in
volmaakste en volkomenste liefde mijns grooten Redders en Zaligmakers Christus-Jezus. Door diens verdiensten vraag ik U een teedere liefde, waarmede ik beminne wat Gij bemint, en mij altijd en in alles schikke naar uw goddelijk welbehagen. Ik bemin U, ó mijn beste ttiinnaar en Vader! Ik bemin uwen goddelijken wil, beginsel en oorzaak van alle goed. Gij, gij vondt in mij niets dan boosheid, zonde en ellende ; en toch bemindet Gij mij: en toch liet Gij niet af mij lief te hebben; en toch wildet Gij van mij bemind worden! In U, in uwen aanbiddelijken wil hervind ik alle goed. Daarom bemin ik U, daarom zal ik U altoos liefhebben; daarom wil ik wat Gij wilt; daarom zal ik niets verlangen dan hetgeen Gij verlangen zult.
(Hernieuw menigwerf het voornemen van dikwijls tot God te zullen verzuchten: Uw wil geschiede gelijk in den hemel, zoo ook op aarde !)
God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij onze Vader Is,
Gods oneindige liefde jegens mij is blijkbaar, doordien Hij mijn Vader heeft willen zijn, en Hij mij tot zijn kind heeft willen aannemen, in weerwil van mijne slechtheid en van mijn bederf.
118
Reeds als Vader schonk Hij mij het leven, mij uit niet trekkend. Dat leven bewaart en onderhoudt Hij mij door zijn goddelijk alvermogen, ja geeft het mij elk oogenblik met ziel en ligchaam, met al wat ik heb en ben. Die goede Vader heeft mij bij voorkeur, böven zoovele anderen betere schepselen dan ik ben, tot zijn kind aangenomen. Tol mijn reizend vertoeven in dit tijdelijk leven schiep en vercierde God deze groote wereld; want van dat oogenblik af dacht Hij aan mij en bestemde ze mij tot herberging. Tot datzelfde einde maakte Hij die wereld zoo schoon, luisterde haar op met schitterende sterren, met die overschoone zon en maan, met planten en vruchten, met allerlei slag van dieren, met al dat liefelijk streelende dat kon dienen tot bevrediging mijner behoeften, ja tot mijne verkwikking en uitspanning. In al die wereld-schepselen hervindt zich God, en wel tot mijne hulp, tot mijn gerijf en voordeel. Hij belastzich met de zorg van ze in goeden staat te houden, schenkt hun leven en bedrijvigheid, noopt hen tot mijnen dienst; en dat alles en allezins met een vol hart van vaderlijke toegenegenheid. Nogtans, dit heelal met al wat het behejst, is het paleis van mijn bestendig verblijf niet; \'t is slechts eene voor eenige weinige jaren mij geleende woning. Wanttot duurzaam verblijf mijner eeuwigheid heeft die minnende Vader mij zijn eigen paleis bestemd daar boven, boven de nu zigtbare hemelen. O teederheid van liefde jegens mij 1 Reeds zoo lang vóór mijne geboorte twee groote — de zigtbare en onzigtbare — werelden voor te bereiden en in
119
stand te houden, beiden bestemd vour mijn tijdelijk en eeuwig heil 1 —Indien God mij voor \'t oogenblik al die lijdelijke goederen niet doet genieten naar welke ik blind verlang, \'t is omdat Hij —• onfeilbaar wijs — voorziet, dat ik die goederen zou misbruiken tot zijne oneer en ten schade mijner ziel. Ware dat niet, zijne goedheid en teedere liefde schonken ze mij allen. Immers Hij is altoos geneigd, allerlei gunsten en genietingen over mij uit te storten, naar de mate zijner liefde jegens mij; en deze liefde is grenzeloos, onbeperkt, oneindig. Daarom wacht Hij mij in den „hemel, waar Hij mij veilig met alle soort van rijkdommen, eerwaardigheden en genoegens zal overladen, zonder dat ze mij schaden kunnen. Daar toch zal ik zijne genadegaven niet meer kunnen misbruiken; ik zal niets meer kunnen misbruiken, want ik zal niet meer kunnen zondigen. Voor alsnog is mijne kwaadaardig! eid, die mij zoo gemakkelijk het tijdelijke doet misbruiken tot verderf van het eeuwige, een beletsel; zij verhindert de goddelijke milddadigheid, mij in ruimere mate met aardsche voordeelen te begiftigen, welke mijne ziel zouden benadeelen. Daar, in den hemel, verbeidt mij Gods volle goedheid; daar zal Hij mij behandelen als een oneindiglijk milddadige en vermogende Vader; daar zal Hij mij als doen zwemmen in rijkdommen en genietingen; daar zal Hij zijner hartstogtelijke liefdadigheid jegens mij ongebreideld de teugels vieren; daar zal ik, zijn kind, als overstelpt worden met al de schatten zijner over mij uitgestorte heerlijkheid.
120
O mijn goede Vader, ó hoogst goedertieren en in mildadigheden eindeloos rijke God 1 Hoe zoet en hartverrukkend zullen mijne genietingen zijn, als de nevelen van dit duister leven opgeklaard endesluijer mijns ligchaams zullen zijn weggeschoven, als Gij — God — mijne gelukzaligheid zult worden! Dan zal ik U in de volle klaarheid vaneen hemelsch licht aanschouwen, en dat aanschouwen zal mijner /iele eene verhevene gelijkenis met U, ó Vader, schenken.—-O stro om van wellust en verzadigende geneugten I O heerlijkheid, wanneer de eigen oogen mijns geestes mij zullen overtuigen, dat Gij mij bemint, dat Gij mij altijd en in eeuwigheid zult liefhebben, gelijk, ja oneindig meer dan ooit eenig vader zijn eenig kind heeft lief gehad ; dat Gij mij in dien ge lukstaat zult behouden, ver van alle kwaad, ver van alle kwellingen of beproeving, vervuld met onschatbare genoegens, eerwaardigheden en hemelsche —■ eenige — grootheid. Waar is de Vader, die zooveel doet of ooit zooveel zal doen voor het heil zijner kinderen? Bij U, ó Vader, kan geen andere vader vergeleken worden. Gij alleen zijt mijn ware Vader; Gij alleen kunt en wilt mij waarlijk en volkomen gelukkig maken. Ik wil U dan ook als mijn Vader eerbiedigen en gehoorzamen ; ik wil mij aan U als aan den besten en dierbaarsten der vaderen onderwerpen, mij in alles fzeg waarin) schikken naar uw vaderlijk welbehagen. Ik verlang, ó Vader, naar den hemel; want ik verlang naar U ; bij U zal ik veilig, bij U zal ik onzondig, bij U alleen zaiik volmaakte-
121
lijk gelukkig wezen. Maar wanneer, 6 Vader, wanneer zal ik voor uw goedertieren aangezigt verschijnen! O, ontsteek immermeer in mij een vlammende bc-geerle naar mijn hemelsch vaderland; ontsteek in mij een brandenden dorst na;ir die eeuwige genietingen. Hoe toch zou ik niet haken naar hel bezit dier hemelsche erfenis, welke Gij, ó Vader, voor mij uw kind hebt gereed gemaakt !In dat zoet verwachten wil ik U intusschen behagen en dienen ; dat wil ik uit liefde tot U, alleen uit liefde, uit kinderlijke liefde. Help mij, ó Vader, sta mij als een goede Vader bij, want uw kind is zwak. Dat vraag ik U nederig, ootmoedig en van ganscher harte ; daarom smeek ik U uit al de krachten mijner ziel. Ik aanvaurd van uwe vaderlijke liefdehand al wat U believen zal mij over te zenden, voor of tegen, goed of kwaad. Doch wat zeg ik? Wat kan er mij kwaads van U geworden ! Ik verheug mij nu reeds, en voel mij getroost door het vooruitzigt op de eeuwige goederen, welke Gij mij in den hemel zult schenken ; ik hoop en verwacht ze van uwe grenzelooze, vaderlijke goedertierenheid.
f wieie Fiat,
De toekomende gelukzaligheid is : die mij bestemde erfenis, welke mijn goede Vader mij niet alleen met zijn Gods woord heeft toegezegd, maar welke Hij ook wil, dat ik verhope en verwachte als eene mij toebehoorende zaak. Wat
122
meer is : ten einde ze mij op meer dan eene wijze te verpanden, was ik nauwlijks geboren of God — begeerig om mij aldra tot den zijne te hebben — voegde bij de kinderschap van na-tuurwege, een andere nog meer te bewonderen kinderschap van genade. Immers, uit loutere goedheid schonk Hij mij het H. Doopsel, nam Hij mij, op eene wondere wijze, tot zijn kind aan. Uit kracht van deze geheimzinnige aanneming, begiftigde Hij mij met verheven, bovennatuurlijke voorregten, en deze doen mij zijn zeer geliefd kind zijn, dat Hij in zijne goedertierenheid deelgenoot maakt van zijn goddelijke natuur; zoodat ik met meer regt en reden aanspraak maak op zijn hemelsch koningrijk, dan eenig natuurlijk kind ter wereld op de erfenis van zijn vader. Doch ó ! die genadengaven, dat regt, die aanspraak op den hemel heb ik verloren, zoo menigmaal ik grovelijk zond\'gde. Maar dan wederom en desniettegenstaande, hoe zeer door mij ondankbaren gekwetst en beleedigd, heeft mij God,door een wonder zijner erbarmende liefde, in dat verloren regt h.-rsteld telken male, als ik door eene ware boetvaardigheid tot Hem terugkeerde. God scheen er als behoefte aan te hebben, dat ik niet zou ophouden dubbel zijn kind te zijn, en eveneens wilde Hij mijn Vader wezen, ja Vadei in den hemel, waar Hij mij zou verrijken met onwaardeerbare onsterfelijkheid en opeengestapelde eeuwige goederen en geneugten. Daar wil Hij mij in heerlijkheid aan zich gelijk maken, vei-
123
lig en zeker, nooit van Hem gescheiden te zullen worden, Hem altijd als Vader en gelukzaligheid te zullen bezitten.
Maar gij, mijne ziel, hoe bemint gij dien goeden Vader? Hoe eert en vereert gij Hem? Door te zondigen hebt gij zoo dikwerf verzaakt aan uw goddelijk kindschap, om u des duivels slaaf te maken. O dwaasheid I waartoe is de mensch bekwaam ! Een zoon van God maakt zich slaaf van satan 1 God doet zoo veel, om in ons de waardigheid van zijne kindei en te bevestigen, om ons geëerd, groot en gelukkig te doen zijn in zijn he-melsch Paradijs ; en wij... wij achten dat niet, wij versmaden dat, althans feitelijk ; wij verliezen dat voor eene beuzeling, voor eene nietigheid ! Wij geven ons, misschien onbedacht, maar toch vrijwillig aan het gevaar over, van dat onschatbare voor eeuwig kwijt te zijn 1 En toch, wat is er meer natuurlijk dan zijn vader lief te hebben ? Maar dan een Vader zoo liefderijk, zoo bezorgd voor ons heil, zoo afgerigt op onze eeuwige gelukzaligheid I En zoo\'n Vader bemint men niet! Zoo een Vader wordt niet gehoorzaamd! O dwaasheid I O ramp ! O goddeloosheid I
Onze Vader die in de hemelen zijt. Gij zijt waardig van al uwe kinderen gekend, geacht, gehoorzaamd en bemind te worden. Dat wensch en verlang ik van ganscher harte ; want dat verdient Gij. Ik wensch en verlang, dat Gij in onze harten heerscht, en dat uw vaderlijke wil door ons volbragt worde gelijk Hij in den hemel wordt
124
uitgevoerd. Ik bid U, geef mij dagelijks krachtige genaden, opdat ik leve als een U in alles gehoorzamend, U eerbiedigend, U liefhebbend kind. — Berouwvol en tot mijne beschaming belijd en beken ik, dat ik een onwaardig, weerspannig en verraderlijk kind geweest ben. Maar ik verfoei en verafschuw mijne zonden, omdat ze U, mijn Vader, hebben beleedigd. Duizend en duizend maal bedank ik U, dat Gij mij geschapen en voor uw kind hebt aangenomen. Gij voorkwaamt mijne wenschen. Gij zijt mijn Vader, en mijn grootst geluk is tot U te roepen: mijn Vader die in de hemelen zijt. Ik bemin U als mijn goddelijken, eeuwigen Vader, en smeek U door uwe hoogste goedheid: ó Vader, geef mij uwe liefde; geef dat ik als een welgeaard en regtschapen kind beantwoorde aan uwe uitgelezene vaderliefde. Geef, dat ik U uit liefde diene en gehoorzame. Ik verlang en haak naar het Paradijs, dat Gij mij met uw onfeilbaar woord beloofd en verpand hebt. Ik verlang ddar bij U te zijn; om U te kunnen danken, om U te kunnen zegenen en mijn eeuwig kinderschap te kunnen verzekeren. Verlos mij, ó genaderijke Vader, verlos en bevrijd mij van het eenige dat kwaad is, van de zonde. Verwijder van mij, of althans sterk mij tegen de verzoekingen en aanlokkingen tot zonde. Bind en hech nvj aan uwen heiligen dienst met stalen ketenen ; want, ofschoon uw kind, verlang ik ook uw dienaar, uw slaaf te zijn. Opdat ik U nimmer meer beleedige, nooit meer vergramme . . . nooit meerf ó Vader, nooit meer I Amen.
125
ieïie f ii4.
God verdient bemind te worden, omdat Hij onze broeder is
God is mijn broeder, en dat is Hij, omdat Hij liet gewild heeft. Diegroote, alvermogende Heer heeft mijn broeder willen zijn, liever dan de broeder te willen wezen van de Cherubijnenen Serafijnen. Hij koos mijne ellendige en veroordeelde natuur, om er zich mede te verwantschappen, door zich mensch te maken; terwijl Hij zulke nauwe betrekking met andere, betere en meer verhevene schepselen weigerde. Als broeder bemint Hij mij met eene verwonderlijke, hoogst belanglooze liefde. Eenige Zoon van het rijk Gods zijns Vaders, heeft Hij mij tot broeder en mede-erfgenaam van dat Rijk willen hebben, mij door zijne verdiensten waardig makend om deelgenoot te zijn van zijne onsterfelijke heeilijkheid. Toen ik door de zonde in de vijandschap was gevallen van den Opperkoning — zijnen Vader — heeft Jezus, zijn oudste en eerstgeboren Zoon, mij in zijns Vaders vriendschap hersteld, en mij, door zijn leven en dood het regt herwonnen toten de aanspraak op die hemelsche erfenis. Niets is Hem aangenamer, dan dat zijn en onze goede Vader ons verrijke met gunsten en genadeschen-kingeu ; opdat wij waardig mogen verschijnen voor het aangezigt van dien almagtigen Hemelheer. Om dat te bereiken, deelt ons Jezus zijne eigene verdiensten mede, ons bekleedend met
126
de kostelijke vercierselen van genaden, die Hij ons door zijne gebeden en lijdenspijnen verworven heeft. Ofschoon wij te nietig waren om zijne slaven te zijn, zijn wij zijne broeders geworden. Bekend met de afzigtelijkheid onzer misdaden en zonden, moest Hij tegen ons zijne wrekende bliksems slingeren. Hij moest de duivelen los laten, om ons in duizend flarden te scheuren. Maar neen: Hij had liever — om ons heil, ter genezing onzer schuldigheid — dat zijn eigen God-menschelijk ligchaam gefolterd en ont-vleeschd werd. Hij had liever zich-zelf prijs te geven, ten einde ons door zijne lijdenssmarten in de verloren broederschap en in deelachtigheid aan zijne eeuwige glorie te herstellen. Hij wist, hoe moeijelijk het ons was, langs den steilen weg ten hemel op te klimmen. Daarom werd Hij mensch, ons in zijn zigtbaar vleesch de paden aanwijzend, langs welke de weg voert tot dat Rijk van eeuwige gelukzaligheid. Mensch geworden, doorkruiste Hij dien weg van kruizen, in smarten levend zonder tusschenpoozen. Zoo werd ik door zijn voorbeeld aangemoedigd en voorgelicht, om dien weg, hoe moeijelijk ook, vaardig te bewandelen. Gedurende zijn sterfelijk leven lettede Hij nooit op hetgeen Hem gemakkelijk, maar alleen op hetgeen mij nuttiger en voordeeliger was. Hij zag over zijn lijden heên, en had alleen het oog gevestigd op hetgeen er uit zijn voorbeeld voor mij nuttigst en zaligst kon voortvloeijen. Mij in den hemel tot broeder te hebben was het mikpunt zijner handelingen ;
127
dal was het eenige doel zijns strevens, daarnaar haakte zijn Godmenschelijk broederhart 1
Ach, ik ben niet waardig een hart in mij te dragen, indien ik het niet ganschelijk besteed in dien Goddelijken Broeder, dien hartstogtelijken Minnaar mijns geluks lief te hebben. O mijne schande en beschaming ! Ik heb, in het voorle-dene, willen zondigen en wist, dat ik door te zondigen de Goddelijke broederschap verloor, en daarvoor des duivels slavernij in de plaats vond.
O God, onmeetbare en eeuwige Liefde I Welke waardigheid, dat ik U tot broeder heb. Gij die de natuurlijke en wezenlijken zoon van God zijt I Gij zijt de Eengeborene van der koningen Koning, de Heer der heerschappen. Ik neem deel aan uwe vreugde, dat Gij de eindelooze AVijsheid, het alvermogend Woord, de glans en luister der onsterfelijke Heerlijkheid zijt. Ik ver-keug mij over de grenzelooze liefde, zoetigheid en wellust, waarmede Gij uwe rust vindt in den liefdeschoot uws Vaders. Ik verblijd mij over dat alles en juich er om, omdat het uw heil, uwe bezitting, uw eigendcvm is. Ik bedank U van harte en zegen U voor de onbegrensde liefdadigheid, die U voor mij — uw\' slaaf — uit den hemel deed nederdalen, om de gedaante mijns broeders aan te nemen. Ik bedank U voor den brandenden ijver, waarmede Gij mijn eeuwig welzijn zoekt te bevorderen. Daarvoor toch hebt Gij U zóó vernederd, daarvoor hebt Gij zoo véél geleden in alle slag van lijden, daarvoor hebt Gij den
smartelijksten dood willen sterven. Ach 1 Hoeveel ben ik U verschuldigd 1 O mijne lieve Goddelijke broeder I Waarom toch hebt Gij zooveel voor mij gedaan ? Waarom hebt Gij mij van satans slaaf verheven tot de waardigheid van een Godskind, tot een erfgenaam des hemelsch, tot uwen broeder ? Door de verdiensten van zoovele door U onderstane smarten, smeek ik U: verlich mij, opdat ik de grootheid mijner waardigheid wél kenne en inzie. Verleen mij velen, krachtigen en duurzamen bijstand, opdat ik niet meer zondige... opdat ik den kostbaren schat uwer Goddelijke broederschap nooit meer verlieze. Schenk mij, dat ik, met een geest van Godskind bezield, onzen eeuwigen Vader getrouwelijk gehoorzame, liefderijk diene en door vele heilige werken behage. Tot- en opdat ik gevoerd worde naar het hemelsch Sion, naar dat Jubel van eeuwige genietingen, hetwelk Gij mij door en langs den bloedigen weg van zooveel lijden hebt verworven.—-Ik bemin U, ó mijn God en Heer! Ik bemin U, en wil U altijd trachten te behagen. (Bepaalhet een en ander, wat ge tot Gods eer zult verrigten.)
129
Twaalfde Medilali®.
God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij de Bruidegom is onzer zielen.
lepsti Pint.
God heeft zich tot bruidegom mijner ziel gemaakt; Hij heeft mijne ziel tot zijne bruid verkoren. Er is op deze wereld geen nauwere vereeni-ging denkbaar dan die van eene ziel, welke met God in vriendschap leeft. O adeldom, die mijner ziel te beurt valt, van gelijktijdig Gods dochter, maar ook de bruid te zijn, niet vaneen\' aardschen keizer, maar van God, Oppermonarch van het heelal. Schepper aller dingen ! Uit den staat eener nietigste, allerbehoeftigste en door de zonde al-lerafzigtelijkste, ziet mijne ziel zich door dat bovennatuurlijk huwelijk verheven tot eene opperste grootheid, vercierd met eene volmaakte schoonheid, met eene uitgelezene liefde van God bemind, en eindelijk in den hemel verwacht, waar zij als vorstin des Paradijses tusschen de koren der zalige Geesten moet gekroond worden. Welk een wonder ware het reeds, indien die al-magtige Opperheer zich gewaardigde op mij neêr te zien, indien Hij mij éénige genegenheid toedroeg 1 Maar Hij, die groote God, zich voor mijn minnaar en Bruidegom verklaren 11 Mijne ziel heeft niet het eerst hare liefde aan God betuigd, noch zich aan Hem als bruid toegewijd. Die groote Koning had mij het eerst lief, ja voor dat
ISO
ik was, eer ik in staat was Hem te kunnen beminnen. Hij was het die mijne ziel verkoor, Hij verhief haar — inde zuiverende en heilige wateren des Doops — tot die groote en geheimzinnige bruilofsviering. Nooit heeft Hij iets nagelaten, maar altijd is Hij er op uit geweest, om zich van mijn hart te vermeesteren en liefkozend mijne liefde te winnen.
En toch is Hij die ontzaggelijk-groote God, wien het heelal aanbidt, voor wien Hemel en aarde. Engelen en duivelen neerbuigen. Om mij des te zekerder aan zich en aan zijne liefde te hechten verklaart Hij, dat Hij van zijnen kant de gegeven trouw nooit zal breken. Hij verzekert mij, dat Hij alle genoegen smaakt in zich met mijne ziel te onderhouden, in ze lief te hebben, in ze te eieren en te verrijken met zijne meest uit-gelezene gaven; opdat het Hem gegeven zij, haar eenmaal op een uitstekende hoogte in den hemel te doen troonen. O, hoe vele titels om God lief te hebben ! Hij — God ... — onze hemelsche bruidegom! Welke beweegreden van dikwijls aan Hem te denken 1 Welke drangreden van te betrachten hetgeen Hem behagelijk en welgevallig is ! —Heb ik dat gedaan ? Heb ik dat betracht ? Of, heb ik mijn hart van Hem afgewend, om het te keeren tot nietelingen ran schepselen ? de liefde diens goddelijken Bruidegoms minachtend, om mij over te geven aan ijdelheden, om te verzuchten naar schijngoederen, naar zondige genietingen, naar zieltnoordende wellusten !
O mijn hemelsche en goddelijke Bruidegom !
131
Mijn lieve Jezus I Mijne dierbare Liefde 1 Ik bemin U met geheel mijn hart en smeek U om een brandende, getrouwe en onschendbare liefde, om eene liefde die buiten U niets anders wete te beminnen. Ik verzucht naar U en hoop in den hemel uwe onvergelijkelijke schoonheden te zullen aanschouwen, waar ik mij d oor een eeuwigen en onverbrekelijken liefdeband met U moge vereenigen.
O I dacht ik altoos aan U . .. om U lief te hebben I Konde ik door onafgebroken liefdeakten tot U, mijn Bruidegom, de verlangens mijns harten stieren 1 Schenk mij uwe goddelijke hulp, opdat ik het althans dikwijls doe. Schenk mij, dat ik genoegen vinde in mij rr.et U als met mijnen hemelschen Bruidegom te onderhouden. Laat niet toe dat ik U verrade, met mijne genegenheden aan iemand of aan iets anders te schen • ken dan aan U alleen, mijn lieve Heer 1 Daarom bid en smeek ik U ootmoediglijk, ik nederige. Vercier mijne ziel — uwe bruid — met het kostelijkst kleed eener gloeijende liefde, opdat zij eene U waardige bruid zij, eene Godsbruid, gansch liefde gelijk Gij zijt. Het voegt immers den Bruidegom, zijne bruid op te luisteren met vercierselen die geëvenredigd zijn aan dis bruidegoms staat en hoedanigheden. Wie nu is rijker, wie meer verheven en magtiger dan Gij, Heer en eigenaar van onmetelijke schatten 1 Maar wie ook is armer en behoeftiger dan ik, vat rsn ellenden, nieteling, afschuwelijke zondaar ? U past het, U, vorstelijke Bruidegom, mijne naaktheid te bedekken en in
132
mijne noodwendigheden te voorzien. U past het, en Gij alleen kunt mijne schamele ziel vercieren met schenkingen van allerlei deugden : met ootmoed, met lijdzaamheid, met zachtmoedigheid, met liefde. Gij zult het; want Gij wilt dat ik te voorschijn kome als eene zoo\'n Bruidegom, zoo\'n Koning min-onwaardige bruid. Door de hoofdliefde, waarmede Gij mij op het Kruis bemind hebt, vraag ik U om uwe liefde; maar om eene uwer bruid waardige liefde: om eene liefde die niets zoeke, niets betrachte, zich aan niets late gelegen zijn dan aan haren Bruidegom te behagen. Ik smeek U om eene liefde, die zich van mijn hart volkomen meester make, en het gesloten houde voor elke en alle andere genegenheid. Immers \'t is billijk en redelijk dat ik, U naar verdiensten niet kunnende beminnen, U althans lief hebbe in al de uitgestrektheid van mijn zwak vermogen. O ja, mijn lieve Bruidegom, ik bemin U. Deze liefdebetuiging zal en wil ik dikwijls en hartelijk herhalen.
fwgei® Punt,
Door te zondigen was mijne ziel ellendig en allerafschuweüjkst geworden. God — mijn Brui degom — vergoot, om mij te reinigen, al zijn bloed. Dat bloedvergieten koste Hem de wreedste smarten.... den dood. Hij had mijne ziel meer lief dan zijn eigen leven ; want aan het kruis slagtofferde Hij zijn God-menschelijk leven tot af kooping mijner ziel. Hij schenkt mij — aan
133
mij I — en geeft mij tot bruidschat zijne oneindige verdiensten. Hij wil dat ik er mij van bediene als van mijn eigendom. Hij wil, dat ik door die verdiensten van Gods milddadigheid, de vergiffenis mijner zonden koope, een overvloed van hemelsche genadegaven,bovenatuurlijke voorreg-ten en eindelijk den prijs eener eindelooze gelukzaligheid. Deze moet mij tot laatstenennooit te eindigen bruidschat verstrekken in het hemels Koningrijk.
Mijne ziel, welke beweegredenen van wederliefde ! God strekt u niet alleen tot vader, tot broeder ; maar ook wil Hij uw teêrminnende Bruidegom wezen. Denk dan eens, hoe en hoe zeer gij op uwe beurt God moet beminnen. Gij moet Hem beminnen, zoo als een geliefde bruid haren hartlievenden bruidegom wederkeeiig lief heeft. Of verdient die oneindig sch oone, die rijke, magtige en volmaakte Bruidegom zulke wederliefde, ja de geheelheid uwe liefde niet ? Hij is u bovendien een bloed-Bruidegom ; want voor u — zijn \'geliefde bruid — en uit liefde tot u heeft Hij al zijn bloed gestort. Hij is uw eeuwige Bruidegom ; met Hem moet gij eeuwig leven, eeuwig heerschen; Hem moet gij eeuwig beminnen. Hem eeuwiglijk genieten. — Waarom dan Hem niet bemind ? Waarom tracht gij Hem niet te behagen door uwe werken ? Waarom bedroeft gij Hem daarentegen door zoovele beleedigingen ? Waarom onteert gij Hem ?
O mijn zoetlieve Jezus! Waar vond men ooit een met U te vergelijken bruidegom? Waareenen,
134
die zooveel liefde had voor zijne bruid, als Gij liefde voor mijne ziel hebt ? Gij zijt onschatbaar door uwe verhevene Majesteit, maar ook Gij zijt de eenig-onbegrijpelijke door de bovenmatige liefde, waarmede Gij als een door trouw beproefd bruidegom mijne ziel bemint. Ik sta beschaamd en als verplet bij de gedachte, hoe ongelukkig ik ben geweest, hoe ontrouw ; doordien ik mijne zoo dikwijls beloofde trouw door de zonde zoo schandelijk gebroken heb. O, hadde ik U toch nooit beleedigd! — Ik verfoei mijne zondenen snoodheden, als zoovele ongetrouwheden U aangedaan. Ik schaam mij, dat ik mijn hart van U afgetrokken en aan anderen, aan schepselen gegeven heb. Ach, mijn lieve Bruidegom ! Verwijder en jaag van mij alle ongewijde liefde. Gij alleen zijt mijn hemelsche Bruidegom, en moet dat in eeuwigheid zijn. Ik wil niets meer dan hetgeen Gij wilt; de wil toch van den bruidegom behoort ook de wil der bruid te zijn. Ik wil dus, en wil dit alleen, wat U kan behagen. Ik wil U dienen, U gehoorzamen, U believen, door mijne gedachten, door mijne genegenheden, door mijne handelingen, door mij daar op toe te leggen, dat ik U immer meer en beter kenne, dat ik mij door het beoefenen van liefdeverzuchtingen inniger met U vereenige, dat ik mij meer toelegge op werken van lijdzaamheid, van liefdadigheid, van ootmoed en versterving. O, verleen mij daartoe u,v liefdevollen bijstand. Verlich mij door de verdiensten van uw vergoten bloed, opdat ik U immer beter leere kennen ; dan ook
135
zal ik U meer en beter liefhebben. O mijn God, God van licht en liefde I Ontsluijer mij steeds klaarder het liefelijk-schoone dat in U is ; en mijn hart zal zich van de schepselen losrukken en U aankleven. Ontvlam mijn hart met eenen aangroeijenden brand \\an uwe heilige liefde. Verwek mijn gemoed tot vurige verlangens naar den hemel. Daar moeten de onverbreekbare banden gelegd worden van dat verheven huwelijk, waarvoor Gij mij in het H. Doopsel en in de boetvaardigheid tot uwe bruid gemaakt hebt.
Ik bemin U, goddelijke Bruidegom.
Ik bemin U met geheel mijn hart.
Derde Pwit.
Een nieuwe beweegreden van de mensch-wording van Godseengeboren Zoon is deze : Hij wilde verschijnen in gedaante en natuur gelijk aan zijne bruid; Hij wilde met hare oogen gezien, met hare ooren geho. rd, tastbaar gesteld worden aan alle andere menschelijke zintuigen. Dat groot wonderstuk —■ die almagtige, onmetelijke, onzigtbare, tot dan toe zuivere geest, maar nu met ons menschelijk vleesch omhulde — dat wonderstuk vertoont zich thans aan onze oogen. Dat wonderstuk wrochtte Gods liefde. Om zich beter te doen beminnen, streefde God naar grootheid noch voorrang, maar wilde Hij verschijnen in alles gelijk aan zijne geliefde bruid ; opdat Hij haar hart aan zich zou liechten, en zij haren Bruidegom genoeglijker zou kunnen beminnen
136
naar de wijze harer onvolmaaktheid. Van daar, dat Hij zich-zelven heeft willen als vernietigen, zijne Majesteit, grootheid en waardigheid heeft willen verkleinen, om zich aan zijne bruid gelijk te maken. Met zijne volle Godheid heeft Hij in een ligchaam, aan het onze gelijk, willen wonen, aan dat ligchaam een hemelsche schoonheid mededeelend, en zijn goddelijk schoon als lig-chamelijk en tastbaar makend. En hierdoor overtreft Hij alle andere geschapene schoonheid, \'t Is door deze Hem eigenaardige hoedanigheid dat Hij, in zijn sterfelijk leven, de harten en de genegenheid van die Hem aanschouwden tot zich trok, dat zij Hem op de minste uitnoodiging vaardig volgden. Niets was er in den verligchaam-den Jezus dat niet overtogen was met een waas van goddelijke schoonheid. Het voorkomen van zijn aangezigt was eerbiedwaardig, aanminnelijk en vol majesteit. Zijne oogen flikkerden van een levendig en zacht doordringend licht. Zijn hoofd verried een hemelsch en bovenmenschelijk maaksel. Zijne stem was gelijk aan eene zoet-vleijende harmonij, doch krachtig tevens en overtuigend. Zijn gansche houding, zijn spreken, bewegen en handelen, alles ging in Hem vergezeld van een wegslepende en onwederstaanbare bevalligheid. Langs alle kanten verspreidde Hij glansrijke stralen van goddelijke heerlijkheid. Zijn wonderbare schoonheid, zijne zoet-en lieftalligheid deden Hem van duizenden, door en langs onvruchtbare landen en bosschen volgen. Zij konden zich van Hem niet losrukken zóó,
i
137
dat ze de gedachte verloren van voor de eerste en dringenste noodwendigheden des levens te zorgen, zich als voedende met het genoegen van Hem te zier. en te hoeren spreken. O ! haddet gij Hem op aarde gezien, gewis hadt gij in uw hart alle andere genegenheid, elke andere liefde voelen plaats maken voor de eenige liefde tot den mensch-geworden Je\'.us. Doch gij kunt Hem zien, gij kunt Hem aanschouwen niet alleen, maar gij kunt Hem genieten en bezitten... in den hemel; indien Gij Hem wilt beminnen en dienen op deze aarde. Daar zult gij Hem aanschouwen met de eigen oogen die gij thans in het voorhoofd draagt. Maar gij zult Hem daar zien in zijn vollen glans, in al zijnen luister, van eene zoo verbazende ligchaamsschoonheid, zoo uitmuntend, zoo aanlokkelijk, dat zich uwe blikken gedurende de eeuwige eeuwigheid niet zullen verzadigen in op Hem te staren. Altoos en onveranderlijk en op de volmaakste wijze zullen zij er hunne volle voldoening, hunne gelukzaligheid in hervinden. De heerlijke schoonheid van des Zaligmakers ligchaam zal honderdduizend malen den glans der zon verduisteren ; maar met een ziel- en ligchaamzalvend licht dat alle begrip te boven gaat, ja dat zelfs geen voorwerp wezen kan der levendigste verbeelding.
Mijne ziel, Jezus\' bruid, waarom verzucht gij niet naar den hemel, waarom stijgt gij met uwe genegenheden niet opwaarts, om die wonderen van schoonheid te zien en uw ligchaam te zaligen door de eeuwige genieting van uwen geliefden Bruidegom ? 6
138
Deze was de laatste en krachtigste drangreden, welke zijn eindelooze wijsheid heeft willen vinden, om zich van \'s menschen hart meester te maken: het verschijnen in een menschelijk lig-chaam, dat overtogen was met een goddelijk schoon, met een schoon dat elk anderen luister uitdooft, met een schoon, voorwerp, bron en oorzaak van gelukzaligheid in aller eeuwen eeuwen.
O mijne ziel, onthech uw hart van alle aard-sche liefde. Want, geeft ge u ten prooi aan andere dan hemelsche aanlokkelijkheid, dan stelt ge u aan het gevaar bloot, van uwen Bruidegom Jezus nooit of nimmer in zijn eeuwig koningrijk te aanschouwen, veel minder te genieten.— Gij zult Hem zien ja, alsregter; maar dan. .. 1 Smeek derhalve uwen God, maar doe het ernstig en van harte, smeek en bid Hem, dat Hij uw hart ontrukke ïian alle aardsche gehechtheid! Zeker is het, dat gij niets beters kunt beminnen dan Jezus uwen Bruidegom. Zie dan toe, en bemin Hem van ganscher harte. Neem u voor, te willen wat Hij wil, te doen wat Hij wil dat gij doet, en dat alles en altoos Hem ter eer, om u aan Hem — uwen schat — behagelijk te maken.
{Men kan zich hier andermaal bedienen van dc zamenspraak die voorgaat, in het tweede punt.)
God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij onze vriend is.
Serste faal.
God zelfheeft het verklaard: Hij is mijn vriend, en verzekert mij van zijne welwillendheid en uitgelezene liefde. Met mij voor zijn slaaf te willen, hadde Hij mij reeds eene uitstekende gunst bewezen; maar neen. Hij stelt er prijs op, dat ik zijn vriend zij, en, als ik het wil, verpandt Hij mij zijn eeuwigdurende vriendschap en liêfdevolle genegenheid. Diezelfde God heeft door het Doopsel en later in het H. Sakrament van Boetvaardigheid, de edele gaaf zijner heiligmakende genade in mijne ziel gestort. Daardoor ben ik wezenlijk en in waarheid de vriend geworden van God-zelven.
O zielminnende Heer! Was het dan voor een uit slijk gevormd schepsel geene eerwaardigheid genoeg dat Gij zijn meester waart ? O gewigt van grootheid ! Een Go 1 — de grootheid en majesteit zeiven — tot vriend te hebben! Welke verwaardiging van Gods goedheid ! Indien ik in staat van genade ben, ben ik in zelfstandigheid en waaiheid de vriend van dien almagtigen God, wiens oneindige verhevenheid alle grootheid van alle aardsche koningen op oneindige wijze te boven gaat. Die goddelijke genade verheft mij tot een goddelijk wezen, en schenkt mij een
140
onvergelijkelijke waardigheid, waardoor zich de scheppende Majesteit in de gelegenheid stelt van met mij een innige en hechte vriendschap aan te gaan ; ofschoon zij — die Majesteit — de verhevenste Monarch en Opperheer is van het heelal, en de Serafijnen zeiven het zich tot eene hoogste eer zouden rekenen hare slaven te zijn. Deze eer stelt alle andere eerwaardigheden in de schaduw; zij is een opperst geluk. Indien toestand — van Gods vriend — ben ik Hem zoo aangenaam en dierbaar, dat Hij mij bemint met eene hoogst bevoorregte en allerteêrhartigste liefde. Nooit heeft er een regtzinnigere, een reinere, een warmere vriendschap bestaan dan die welke mij God wijdt, indien ik door zijne genade aan Htm verbonden ben. Op deze wereld kunnen wij niet diegenen niet beminnen, die er voor uit komen en er blijken van geven dat ze onze vrienden zijn. Hoezouden wij ons dan kunnen onthouden van God lief te hebben, die ons de trefifendste bewijzen levert van zijne levendigste vriendschap ! Wij zouden, daarentegen, alle onze pogingen behooren aan te wenden, om Hem te believen en genoegen te geven. Of is het der moeite niet waardig, een almagtigen Heer tot vriend te hebben ? Zou het ons geen uiterst onheil wezen, indien wij Hem tot hoofdvijand hadden ? Wat kan de verbeelding zich goeds voorstellen hetgeen opweegt tegen een God-vriend? Wat kan ik bij de zonde winnen, indien ze mij Gods liefde doet verliezen ? Wat kan ik van den anderen kant verliezen, zoo lang God mijn vriend is. Ik
141
mag dus God nietbeleedigen, om mij niet beroofd te zien van zijne boven alles dierbare vriendschap. Wel ongelukkig de sterveling, die der wereld en den menschen ten gevalle, de vriendschap van den Wereldmeester minachtend, zijn\' haat inloopt en zich zijne vijandschap berokkent! O neen 1 Ik maak het besluit, dien goddelijken Vriend en Oppermeester nooit door eenige zonde — vooral niet door grove overtredingen — te beleedigen. Ik neem mij integendeel voor, vele deugden en goede werken te beoefenen, ten einde mijne ziel immer te bevestigen in een standvastige en steeds aangroeijende liefde tot mijnen God.
O Heer en ware Vriend! Hoe groot is mijn geluk, dat ik uw vriend ben, dat Gij door eene zoo hartelijke als goddelijke vriendschap aan mij verbonden zijtl Uwe liefde is mij beter dan de liefde en achting van alle menschen en Engelen. Uwe vriendschap schat ik boven al het geschapene. Laat niet toe, 6 Heer, dat ik uwe vriendschap verliezend verloren ga ; maar geef genadiglijk dat ik uwe vriendschap en genegenheid altijd boven alles stelle. Ik bedank U vuriglijk en ootmoedig dat Gij U verwaardigd hebt mij ellendeling tot uw\' vriend te kiezen, 6 ik bedank er U voor! Mijn God van liefde en goedertierenheid, door de liefde welke Gij mij hebt toegewijd, ach, schenk mij dat ik U op deze aarde veel, ja veel beminne en liefhebbe. Geef, dat het mij een gruwel zij, uwe vriendschap te breken door de zonde. Help mij, 6 Gena-
112
dige, opdat ik mijn luttele goede werken U ter eer vermeerdere. Geef mij ó Barmhartige» dat ik mij immer meer en vaster vestige in uwe vriendschap. Amen !
(Hernieuw de gemaakte voornemens.)
Overweeg, mijne ziel, de hoedanigheid van Gods vriendschap: hoe getrouw een vriend God is, hoe standvastig en teeder; hoe waardig derhalve om van ons bemind te worden. Van aard-sche vrienden zijn wij nooit zeker; zij kunnen ons op duizend manieren ontnomen worden. De dood ontrukt den eenen vriend aan den andere... Allerlei niet te voorziene omstandigheden scheiden ons van wat ons dierbaarst is. De tijd alleen, menschelijke veranderlijkheid, ongevallen van allerlei aard kunnen onze vrienden van hoedanigheden berooven, welke hen ons beminnelijk maakten ; hoe weinig is er noodig om een vriend te verliezen! Een bloot achterdenken is dikwerf voldoende, om eene lang] onderhouden vriendschap te krenken, ja geheel te doen verdwijnen. Hoe vele wantrouwigheden, hoe vele valsche vermeeningen, die een vriend niet heeft kunnen ophelderen, omdat ze bedekt of geheim waren, en die toch de meest gevestigde vriendschap doen verkoelen en soms in afkeerigheid of vijandschap doen ontaarden ! — Gij alleen, o Heer, zijt een zekere vriend, op U alleen is te rekenen. Geen eenig ongeval, geen omwisseling van zaken.
143
geen magt in hel of hemel, die mij uwe liefde kan rooven. Ik ben zeker, dat Gij nooit uwe vriendschap zult breken, zelfs niet al beleedig ik U door ligtere zonden en ondankbaarheden. Gij verdraagt met de grootste toegevendheid mijne ellenden en zwakheden; \'1 is, als werden ze door U niet opgemerkt. O geruststellende verzekering en gemoedsvreugde, dat ik van uwen kant geen vriendschapbreuk te vreezen heb! Ik weet, dat Gij nooit een eenig mensch verlaat, tenzij Gij eerst door hem verlaten en veracht wordt. Indien ik-zelf het niet wil, is niets in staat mij van U te scheiden, zelfs de dood niet; want stervende zal mijne ziel in de armen uwer liefde overgaan-De dood, die mijn ligchaam tot flarden zal maken, zal mij een gewin zijn; hij zal den sluijer wegschuiven welke mij mijnen Vriend verborgen hield, hij zal mij in diens bezit stellen en in dat der eeuwige schoonheden. Ik heb slechts op U te staren o Heer; dan heb ik een vaste en onwiik-bare hoap op de blijdste toekomst, Welk geluk i Mijn God tot vriend te hebben, tot wien ik in den hemel zal kunnen zeggen: mijn God, mijn Vriend, mijn Al! Nu reeds ben ik geheel aan Hem, en niets kan Hem mij ontrukken. Eeuwig zal ik in een eeuwigdurende noodzakelijkheid leven van Hem te beminnen en mij in zijne liefde te verlustigen. Dat zalig lot ben ik onwaardig; en nogtans mag, ja moet ik het verhopen, om\' dat God — mijn vriend — het mij beloofd en verdiend heeft. Door die verdiensten, o Heer, sta mij bij, opdat ik uwe vriendschap nooit door
144
de zonde verlieze. Ik wil in uwe genade, in uwe vriendschap leven, ik wil in uwe vriendschap sterven. Ik bemin U,ó Vriend, ö minnaar mijner ziel. Ik wil wat Gij wilt; ik wil niet wat Gij niet wilt. Ik wil mij oefenen in vele goede werken; om U te behagen, U mijn uitgelezen minnaar, mijn vriend.
(Stel u e enige goede werken voor om Go de te behagen, en u zijne vriendschap ie verzekeren tot den dood.)
Eeifie Fiat.
Mijne ziel! God heeft u altijd als viiend behandeld. Toen Hij zijne oogen op u sloeg, en gij op weg waart om voor eeuwig veroordeeld te worden, daalde Hij van uit den hemel om u te redden. Door een wonderbare verwaardiging zich als mensch aan u gelijk makend, leverde Hij zich zelf geheel aan u over, alles ten beste gevende: ligchaam en ziel, bloed en leven! En waarom? Om u zijn [vriend te redden, om u vrij te koopen van een eeuwige en anders onvermijdelijke ramp. Indien een vriend, om zijnen vriend van den dood te bevrijden, zich liet martelen, in stukken scheuren en stierf, zou dat niet een meer ongehoord dan zeldzaam blijk van hoogste liefde wezen? Hoe zou zich de gespaarde niet tot een eeuwige wederliefde verpligt achten! Welnu, om ons tegen den eeuwigen dood te vrijwaren, heeft Jezus ergere en langdurigere pijnen onderstaan, dan ooit door eenig mensch
145
kunnen geleden worden, en dat uit loutere liefde voor onze zaligheid. Als een vriend zonder weerga heeft Hij alle zijne verzuchtingen, alle zijne in- en uitwendige kwellingen, alle zijne woorden en werken tot dat eenig doel gestierd, om ons voor eeuwig gelukkig te maken. Om ons van zijne liefde te doen blijken, en te doen beseffen hoe dierbaar wij Hem zijn, heeft Hij al gegeven wat Hij — Godmensch— had. Tot dat einde heeft Hij zich — om het in eens te zeggen — laten vermoorden 1 — O ! Jezus is niet onze vriend geworden uit eigenbaat, zoo als dat meerendeel het geval is tusschen wereldlijke vrienden. Hij heeft zich ons tot vriend gemaakt, om ons al het zijne te schenken, om ons alles mede te deelen wat in zijn vermogen was. En wij ... wij hadden niets mede te deelen wat Hem waardig kon geacht worden. Hij is dan wel de beste der vrienden, Hij is onze eenige ware vriend. — Is het, niettegenstaande dat alles, nog mogelijk, dat God geene gevoelens van wederliefde in mijn hart vindt? Waartoe zal Hij zich dan keeren? Welke andere middelen zal Hij aanwenden ? Wat zal Hij tot dat oogmerk nieuws uitvinden, na al het reeds beproefde ? — Denk, mijne ziel, en herdenk hierop na. Zeg mij, wat heeft God voor u kunnen doen, om uwe genegenheid te winnen, hetgeen Hij niet gedaan heeft? Het schijnt immers, dat Hij daartoe de vernuftigste liefdevonden heeft uitgeput. Gewis, indien ge er op nadenkt, zult ge moeten bekennen, dat er niets doelmatiger gedaan kon
140!
worden, om uw gemoed op eene even krachtige als zoete wijze tot zijne liefde over te halen. Het gevolg en besluit dezer overweging zal dan wel dit zijn: indien ik God niet ernstig en van ganscher harte lief heb, ben ik onverschoonbaar.
Dat beken ik, mijn lieve Heer, dat beken ik met schaamte en schande. O, ijzeren hardheid mijns harten, indien ik mij niet laat bewegen door zoovele drangredenen! Indien ik geheel mijn God niet bemin, ben ik niet te verontschuldigen.
O God Liefdadigheid 1 O Liefde! nooit moest mijn hart iets anders gevoelen, nooit moest er iets op mijne lippen zweven dan liefde en wederliefde. En nogtans, hoe weinig, 6 Heer, wordt Gij bemind, omdat men zoo zelden over uwe liefde nadenkt, en over het onbegrijpelijke dat gij hebt aangewend om U het bezit onzer harten te verzekeren. Ik^ schaam mij, 6 Heer, over mijne vroegere levenswijze, toen ik mij gedroeg als uw trouwelooze vijand, toen ik U belcedigde en versmaadde door mijne zonden. Mijn God! alle mijne zonden en boosheden zijn mij van harte leed, ik haat en verfoei ze met geheel mijne ziel. Ik bewonder uwe eiude-looze goedertierenheid, zoo rijk en onuitputbaar in uw streven naar mijne liefde. Zoo veel, zoo groot, zoo lijdzaam en geduldig, zoo liefdevol en ontfeimend, om mij ellendig schepseltje te winnen! En dan nog heb ik U niet bemind; dan nog ben ik niet verteerd van wederliefde ; dan nog was en bleef ik liefdeloos! O, hoe
147
spijt en rouwt het mijl Maar neen. Voortaan, ó Heer. zal ik nooit meer uwe liefderijke vriendschap door de zonde breken. Voor niets ter wereld wilik meer uwe liefde missen. Neen, ik bemin U boven al. Geef mij, als vriend die Gij zijn wilt, uwen kostbaarsten schat, uwe liefde. Ik bid U om dien schat en smeek U om die ontferming. Ach! Gij hebt mij uw leven ten slagtoffer gebragt; Gij zult mij dan ook uwe liefde niet weigeren. Dan zal ik als een trouwe vriend U wederminnen, en mij nooit meer door de zonde van U verwijderen. Ik maak het vast besluit, deze beweegredenen van wederliefde dikwijls te zullen herdenken, U dikwijls zeggend: Mijn God en lieve Heer! Uwe genade en vriendschap zijn mij boven alles dierbaar; voor niets ter wereld wil ik ze verliezen.
Wij moeten God beminnen, omdat wij de zijnen en naar zijn beeld geschapen zijn.
lefltëi Pvinlc
Wij behooren Gode toe; God is onze oppervorst en Koning. Een vassaal bemint zijnen vorst. Een dienaar moet zijnen meester genegen zijn. Wij zijn Gods vassalen, wij zijn dienaren van den allerbesten Vorst, die ons met de grootste en liefderijkste welwillendheid behan-
148
delt, die ons uit loutere liefde schenkt al wat wij bezitten, die ons eindelijk bestemt tot een eeuwigdurende gelukzaligheid. Wijden wij derhalve onze liefde aan zoo\'u goeden Vader, aan zoo\'n wettigen en magtigen Opperheer 1 Welk mensch zou van ganscher harte zijnen vorst niet liefhebben, indien hij wist dat die vorst het plan heeft, hem met de uitstekendste weldaden en voorregten te begenadigen?
Wij zijn bovendien Godes, omdat wij, geheel en gansch gelijk wij zijn, een zamenstel uitmaken van Gods liefdegaven Onttrok ons God wat het zijne is, en deed Hij dat te niet, dan waren ook wij tot niet gebragt; immers wij hebben niets dat het zijne niet is. Ons ligchaam behoort Gode toe. Hij toch heeft het gebouwd. Hij behoudt het levend. Hij kleedt en voedt het met het zijne. Onze ziel is Godes; Hij heeft ze uit niet geschapen, en elk oogenblik handhaaft Hij haar in de genieting van haar en zijn leven. [Ik kan niet ontkennen, dat al de schepselen, die mij helpen en ten dienste staan, van God zijn, dat al de gevaren waarvan ik bevrijd ben, al de verzoekingen welke ik overwonnen heb, al do goede gedachten en inspraken die in mij opwellen, al de goede werken welke ik verrigt, dat dit alles Gods gaven zijn en uitvloeisels zijner liefdevolle milddadigheid. En wie is in staat het getal dier gaven te bepalen of uit te spreken? Wie zal er de waarde van schatten, wie hare uitmuntendheid waardce-ren? Is dan alles van God, zijn wij Hem voor
149
al wat goeds in- en buiten ons is en in eeuwigheid zijn zal, verpligt; waarom zou dan ook mijne liefde niet voor God wezen ? Hij Iaat mij de vrijheid van ze aan wien ik zal willen te schenken; doch tevens doet Hij mij de vermogende drangredenen kennen, die mijnen wil behooren te bepalen. Maar, zou ik trouweloos genoeg kunnen zijn, om die wilsgenegenheid aan iets of iemand anders dan aan God alleen te schenken? Daartoe toch ben ik op de wereld, dat is het doeleinde mijns zijns, dat namelijk ook mijn wil Godes zij, gelijk al het overige van Hem is; dat ik Hem beminne en liefhebbe, om zijne Hem eigene voortreffelijkheden, dat ik Hem diene en gehoorzame als mijnen oppersten Koning, als de oorzaak van alle goed, als het begin en einde mijner eeuwige bestemming. O! ik besluit dan, en wil Hem mijn gansch hart wijden; het ware immers onwaardig, onredelijk en dwaas. God niet de meester mijns harten te doen zijn, daar alle andere schepselen Hem toebehooren.
Met het zoetst en innigst genoegen mijns harten aanbid en loof ik U, ó groote God, als mijnen Koning en Heer. Mijn grootste eer is uw slaaf te zijn, U te erkennen voor mijnen milddadigen en goedertieren Meester. Uw gebied is volstrekt onafhankelijk, uw eigendom onverdeeld, uwe magt is eeuwig en oneindig. O mijn GodI Dat ook mijne liefde U geheel toebehoore I Wees Gij de monarch mijns harten, wees Gij er de bestuurder en bezitter van, Wat kan ik
184
voor mijne lauwheden, boven-menschelijke verlichtingen voor mijne onwetendheid. Ik maak dan het besluit, dikwerf tot dit feestbanket dei-Engelen te naderen, ten einde mijne schamele ziel bevrucht worde met de heerlijke genadegaven uwer grenzelooze en nooit volprezene liefde.
Mijn zoetlieve Jezus! Gij hebt mij tot uw verblijf en woning gekozen; ó vercier mij dan ook met de schenkingen uwer genaden en met U behagelijke deugden. En de Engelen, mij opgeluisterd ziende door uwe goddelijke weldadigheden, zullen met hemelsch welbehagen U ter eere kunnen uitroepen: zie hier het huis waar God woont, zie hier het Paleis, dat zich de Godheid tot verblijf heeft toebereid. Gij hebt, ó jezus, zoo vele uitstekende voorregten geschonken aan de onvergelijkelijke moeder, in wier schoot Gij negen maanden hebt willen rusten. Herinner U, dat Gij ook mijne ziel verkoren hebt om er in af te dalen met uw vlekkeloos ligchaam, met uwe heiligste ziel, met uwe gansche Godheid. Vercier en stoffeer mij met liefde, opdat ik minder bevreesd en meer betrouwend dikwijls en zoo waardig mogelijk aan uwe heilige Tafel moge aanzitten. Ik stel mijne hoop op uwe oneindige goedheid en betrouw op uw hoogste liefde. Ik bemin U, ó God tegenwoordig in het Hoogwaardig H. Sa-krament. Ik neem mij voor, mij dikwijls met U te vereenigen door middel van dit kostlijk hemelsch voedsel.
185
iiuie fiii
Ik ga overdenken de liefdevolle vereeniging, welke onze Verlosser door dat goddelijk voedsel wil vestigen tusschen zijne hemelsche zelfstandigheid en het ligchaam en de ziel van elk, die Hem in het Hoogwaardig H. Sakrament ontvangt.
Jezus wilde in en binnen ons leven, inniglijk in elk van ons komen, Hij wilde met ons als ingelijfd worden. Met dat oogmerk liet Hij zich als voedsel na. Een gegetene spijs vereenzelvigt zich dusdanig met dengeen die haar gebruikt heeft, dat beiden eene zelfde zaak worden, en geene kunst in staat is ze van elkander te scheiden. Zóó ook voedt men zich met dat hemelsch manna, zóó vereenigt men zich inniglijk met den Verlosser, zóó wordt men als een zelfde zelfstandigheid met zijnen God en Heer. God leeft m zoo iemand, en hij leeft in God. God woont met hem, in hem ; en hij, hij is met God ver-eenigd en als zaêmgevoegd. O goddelijke liefde, die niet te vreden, bij ons tegenwoordig te zijn en met ons te verblijven, zoo ver gaat, dat zij in ons binnen dringt, zich met ons één maakt, opdat Jezu\' s God-menschelijk ligchaam slechts een ligchaam zij met het onze 1 Gezegend deze uwe liefde, ó mijn God I Tot zulk uiterste hebt Gij U vernederd, om U geheel op te offeren roor het heil der menschen. Zóó hebt Gij geheel en gansch de onze willen zijn. Gij hebt voor ons alles willen worden : onze God, onze Redder,
8
180
onze broeder, onze toevlugt en veiligheid, onze spijs en drank ; en waarom ? Om ons toch maar wèl te overtuigen dat Gij ons lief hebt, dat Gij onze minnaar zijt. O Jezus, vurigste, getrouw-ste, hartstogtelijkste der minnaren! O goddelijke liefde! O keur en bloem van bovenmatige liefdei O onbegrijpelijke liefdel
Doch waarom, ó mijne ziel, zijn uwe verlangens tegenstrijdig aan de verlangens van uwen Heiland en Zaligmaker? — Jezus heeft een brandende begeerte van met u te leven; en gij ... gij verlangt zoo weinig Hem in u te ontvangen. Jezus gevoelt een uiterste drift van zich met u te vereenigen; maar gij ■ • ■ gij ondervindt zelfs moeielijkheid van Hem in u op te nemen, die toch uw eenig, uw waar, uw hoogste heil en uwe zaligheid is! Het is, omdat Hij met alle vurigheid bemint, en die liefde streeft naar die gedurige en volmaakte vereeni-ging; terwijl ik van mijnen kant Hem niet, of niet genoegzaam lief heb. Daarom houdt mij de nietigste verontsckuldiging, het geringste voorwendsel terug, om mij met Hem te ver-eenigen, om Hem in mij te ontvangen. Doch, mijne ziel, welke reden hebt gij van God niet lief te hebben? Heeft Hij veelligt niet genoeg gedaan om zich uwer liefde waardig te maken ? — Voorwaar, een vreemd en zonderling verschijnsel 1 God mikt gedurig met de vurigste liefdeschichten op mijne ziel; maar zij ketsen er op af als op steen en staal, mijn hart blijft koud in \'t midden van dat goddelijk liefdevuur, en tuijn hart is, als ware het ijs!
187
Wat zult Gij dan beproeven, d mijn God, om mijn ijskoud hart te treffen en het te doen vuur vatten? In dit Hoogeerwaardig Sakrament van liefde hebt Gij alle mogelijke brandstoffen aangebragt om mijne ziel in liefde tot U te doen ontvonken; en nog blijf ik ongevoelig, nog blijf ik koel en onverschillig, nog voel ik mij niet door liefde branden 1 Ach 1 ontneem mij dat ijzeren, dat steenen hart, en geef mij een hart dat aan uw blakend hart gelijke. Ol geef mij een hart gelijkvormig, in alles gelijk aan het uwe. Minnelijk en allerbeminnenswaardigst hart van mijnen lieven Jezus, kom en heersch in mijn gemoed. Kom en ontsteek in mij eene liefde van dankbaarheid, eene althans eenigzins geëvenredigde liefde aan mijne dure verplig-tingen. Ik maak het besluit van U dikwijls in het H. Hoogwaardig Sakrament van liefde zoo waardig mogelijk te ontvangen, opdat ik uw verlangen bevredigt\', maar ook opdat een vurige wederliefde tot U in mij ontstoken worde. O schenk mij de genade van U lief te hebben, opdat ik alleen in, en met en voor U leve. Deze genade zal ik niet ophouden van U af te smeeken. Schenk ze mij ö Heer, door diezelfde goedheid waarmede Gij mij bemint.
(Ik hernieuw mijn voornemen van U dikwijls om uwe liefde te zullen bidden.)
188
God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij ons den H- Geest heeft gegeven.
Uerat? Fiat.
Gods liefde hield zich niet tevreden met ons het eeuwig Erfwoord des Vaders gegeven te hebben, opdat Het zoude sterven voor \'s men-schen welzijn. Zij ging verder, en schonk ons nog den H. Geest; opdat die Geest met eigen persoon in ons zoude wonen, onze zielen zoude heiligen, ons verstand zoude verlichten en ons gemoed troosten. Diezelfde Gods Zoongedurende zijn gansch leven zoo erg van de menschen mishandeld, maar ten hemel varende om er met zijnen goddelijken Vader te heerschen, kwam daar, zoo vervuld van liefde tot ons christenen, dat Hij alras die kostbare gaaf op ons neder-zond, den heiligen Geest. Niet alleen vergat Hij de kaakslagen, de geesselroeden, de martelingen, de verguizingen en het schandig kruis, waarmede wij Hem het leven ontnamen; maar Hij behandelde ons, als hadden wij Hem op het hoogst vereerd en de innigste liefde betoond, als hadden wij Hem uit barmhartigheid het leven geschonken. Immers, nauwlijks in zijn hemelsch vaderland en eeuwig koningrijk aangekomen, zond Hij ons het grootste geschenk des hemels, de gaaf der gaven ; een anderen goddelijken Persoon
189
gelijk Hij is, een Persoon oneindig goed, heilig, onmetelijk, aller God, Gods liefde. ..denH. Geest, Dien zond Hij ons, opdat Hij oigt;ze zielen zoude reinigen van zonden, ons in goddelijke mensclien zoude herscheppen, onze harten zoude ontsteken met paradijsvlammen van een eeuwige onuit-bluschbare liefde.
O zoetlieve Jezus, welke teederheid, welke goedertierenheid 1 Was het dan niet genoeg dat Gij, alvorens deze wereld te verlaten, ons ten troost het Hoogwaardig-heilig Liefdesakrament van uw God-menschelijk vleesch en bloed naliet? — Neen, daarmede waart Gij niet te vreden ; want nauwlijks gezeten aan de regter hand uws eeuwigen Vaders, zendt Gij ons een anderen goddelijken Persoon, die met- en in ons wone, die ons in uwe plaats onderrigte, die onze harten zalve met hemelschen troost, die ons verrijke met duizend genadegaven. Ach mijn Jezus! Gij zijt wel altoos dezelfde, altijd minnende, altijd liefdevolle minnaar, altijd dezelfde zoo wel in uwe pijnen als in uwe verheerlijking. Gij zijt waarlijk de goede vriend ; want Gij vergeet ons niet in het midden uwer grootste grootheden. Wel gelukkig ik ! Doch ook wel ondankbaar ik, die U zoo ligtelijk vergeet, U mijnen Heer en God ! Om ons van uwe liefde te doen blijken, steldet Gij voor ons op het Kruis uw hart open. Maar in den hemel gekomen ontsluit Gij ons het Paradijs, om ons uwe zelfstandige liefde — den H. Geest — te schenken. Dat wist uwe goedheid te bereiken, tot zoo hoog steeg uwe
..
190
immer klimmende liefde 1 Gij regeudet op ons af en stortet in onze harten het vuur uwer goddelijke liefde. O Heer! hoe kan ik U niet beminnen ? Hoe is het mogelijk, dat ik U door mijne U welgevallige] werken niet trachte te believen? Gij, gij geeft mij het best wat Gij hebt, uwe U eigen liefde, een goddelijken Persoon, den grooten Liefdegeest 1 Gewis, ik kan aan de grootheid dezer weldaad niet beantwoorden, tenzij ik mij beijvere U op mijne beurt alles weder te geven wat ik bezit, tenzij ik mij met geheel mijnen wil toelegge op het betrachten van al wat U behagelijk en lief is. O 1 Ik betuig U dan ook, dat ik alles wil doen wat U kan verheerlijken (Neem hier het een en ander voor, wat gij Gade ter eer zult bewerkstelligen.)
Op nieuw smeek ik U, 6 zoetlievende Jezus, zend uwen H. Geest over mij, opdat Hij mij in een nieuwen mensch herscheppe, mij gansche-lijk aan uwen heiligen wil gelijkvormig, mij geheel gelijk ik ben den uwe make, gansch volkomen, in- en uitwendig, met geest en wil, met ziel en ligchaam.
O groote heilige Geest 1 Schepper, Schenker en Zegenaar 1 Opperst, goddelijk liefdevuur 1 Ontvlam mijn ijskoud hart, verlevendig mijne bloedlooze ziel, en verander mijne aardsche in hemelsche liefdadigheid, verlich mijn ruw en onwetend verstand, en kuisch het van alle dwa ling en bedrog. Maak dat ik U kenne, opdat mijn wil uwer steeds indachtig zij in al zijn doen en laten. Heilige Beschermer, wees mijne
191
hulp en mijn versterker in alle mijne noodwendigheden, en verlaat mij niet.
fwe@ie Punt.
Ik ga de liefde overwegen die de eeuwige Vader mij bewezen heeft, in mij den H. Geest te schenken.
Zijne onnaspoorbare liefde konde genoegd wezen met mij zijnen van Hem zoo geliefden eengeboren Zoon gegeven te hebben; des te meer, omdat wij dezen zoo slecht behandeld hadden, zóó slecht, dat wij voortaan alle liefde onwaardig waren. Maar neen : Hij vergenoegde zich niet met ons dien Zoon geschonken te hebben ; Hij wilde ons bovendien zijne gansche goddelijke liefde uitstorten door zijn derden god-delijken Persoon. Met die schenking zijner liefde wilde Hij ons den oorsprong, de oorzaak geven van alle goed. — Gezegend zulkdanige goedheid die nooit ophoudt te geven, die zich nooit verzadigt met lief te hebben ! O ongehoorde weldadigheid 1 Een God alleen kan zooveel liefde bevatten, zoovele gunsten verspreiden.
O goedertieren Vader van barmhartigheden 1 Wat kan ik doen, om U voor zooveel oneindig goeds mijne erkentenis te betuigen ? Aangezien ik niet véél vermag, schenk mij de genaden, van althans te doen wat in mijn vermogen is. Geef mij, dat ik al mijne krachten inspanne, om U niet alleen met begeerten, maar vooral met werken mijne liefde te betuigen. Dat ik mij
192
verootmoedige, en in alles uwen heiligen en altoos aanbiddelijken wil vervullel Dat ik mijne zondige luimen en hartstogten bedwinge! Dat ik mijne verontwaardigingen en gevoeligheden breidele! Dat ik geene genegenheid in mij late die U niet toebehoore, die niet tot uwe verheerlijking en mijne zaligmaking strekkei
Ik zal verder opmerken, dat die H. Geest zich aan alle menschen mededeelt, die door het H. Doopsel en door de Boetvaardigheid met Godden-Vader in vriendschap leven. Die H. Geest schenkt zich aan mij tot heiligmaking mijner ziel, welke Hij zich tot vriendinne maakt, met zijne gaven vervult, met liefde verrijkt, ja zoodanig veredelt, dat Hij ze tot een paleis vormt der Godheid. — Ofschoon en hoe zeer ook de ziel een schuilhoek van ondeugden, eene hel van zonden, een hoi van duivelen ware ; zoodra zij zich door een waar berouw tot God bekeert, laat die goddelijke, die allerzuiverste en allerheiligste Geest niet af, met de grootste goedeitierenheid in die ziel terug te keeren, haar lief te hebben, haar te reinigen, haar door zijne genaden te heiligen, ja haar tot een troon te maken voor de H. Drieêenheid; en deze zou liever het verblijf der gelukzaligen verlaten, dan niet te wonen in zoo eene door den H. Geest gereinigde en door zijne genaden vercierde ziel.\'— O ziel! wanneer ge eene goede biecht hebt gesproken, wanneer ge in Gods vriendschap leeft, zijt gij schooner dan al het geschapene, zijt gij Gods luisterrijke troon, een tabernakel der H. Drieêenheid, schooner dan de
193
schoonste morgenzon, zijt gij het geliefkoosd verblijf der Godheid. O, kendet gij u-zelve in dien genadenstaat, hoe zeer zoudt gij de zegeningen schatten, die u dan door den H. Geest worden aangebragt 1 — Houd intusschen niet op uwen God te bedanken, te loven en te beminnen. Hem die zich verwaardigt in u te wonen.
O Heer, geef dat ik U beminne naar de verdienste uwer eindelooze goedheid. Geef dat ik U altijd, dat ik U boven alles beminne. Ik draag U mijn hart op; geef dat het U geheel zij toegewijd. Ik draag U mijn verstand op; verlich het. opdat het U kenne. Ik draag U mijn geheugen op; geef dat het U nooit vergete, dat het mij steeds herinnere aan mijn pligt van U te loven, te danken en te verheerlijken. Heer, maak U meester van alle mijne vermogens, van alle mijne gevoelens en gewaarwordingen; vervul ze met uwe grootheden, opdat ik mij ganschelijk tot uwen dienst bestede, opdat ik U in alles wille behagen-
Ik neem mij voor, U dikwerf door eenige betuiging van liefde te vereeren. Ik zal U dikwijls zeggen : Oneindige goedheid, ik bemin U boven al. En dan wederom; Hoogste goed, ik verkies in uwe genade ie sterven, liever dan U beleedigend te leven. Menigwerf zal ik deze betuiging ernstig herhalen.
Seri© Punt,
Overweeg, ó ziel, welk ongelijk men den H. Geest aandoet door zwaar te zondigen. Door eene
194
zware zondeschuld verdrijft men van zich de goddelijke genade, en tevens dien oppersten H. Geest. Die zwaar zondigt, \'t is als zeidehij tot dien Geest: vertrek van mij, H. Geest, mijn Heiligmaker, vertrek van mij. Verwijder U uit mijn gemoed, eeuwige Trooster ; ik wil God verliezen. Neen, ik wil God niet meer in mij, ik acht het voor niet, de goddelijke genade van mij weg te werpen, hoe zeer ook deze van een oneindig heil, ja van eindelooze goedheid der goddelijke liefde vergezelt gaat. — O vermetelheid van den zondaar! O rampzalige roekeloosheid I — door eene zware zonde verjaagt de ongelukkige God uit zijn schoonst paleis en van zijnen glansrijksten troon, uit de ziel, waarin hij vroeger door de genade woonde. — Overdenk dat, mijne ziel, overdenk hoe ontrouw, hoe onbeschaamd en verraderlijk gij tegen God gehandeld hebt, als gij zondigdet. Overdenk wie die H. Geest is, die zich gewaardigt in u te verblijven, als gij in staat van genade leeft, en wat gij bestaat, als gij Hem door te zondigen uit u wegzendt. Hij toch is de onuitsprekelijke liefde, waarmede de eeuwige Vader en de eeuwige Zoon zich onderling beminnen. Hij is beider onverbreekbare band, allerheiligste vrede, liefderijkste omhelzing, vervulde en allervolmaakste vereeniging. Hij is geheel zoetheid, geheel liefelijkheid, geheel genoegen, geheel milddadigheid, geheel schenking, bron en oorzaak van alle genadegaven. Als eindelooze liefde zegevierde Hij over de almacht des Vaders, en deze zegepraal bezorgde ons tot red-
195
middel den hemelschen Zoon. Hij zegevierde eveneens over dien zelfden Zoon, en deze zegepraal deed dien Zoon zich voor ons vernederen tot den dood, ja tot den dood welken Hij stierf genageld aan een kruis. Nog niet alles: Hij komt in onze zielen en woont daar-in, onmetelijk goedertieren, oneindig weldadig, ondenkbaar liefdevol. Hij overlaadt, ja overstelpt en begenadigt ons met onwaardeerbare voorregten en onschatbare schatten, en nooit verlaat Hij ons, tenzij wij Hem, tenzij wij God verlaten door de zonde.
O God, geheel reine en zoete liefdel O God H. Geest, ó der armen Vader, lieve Gastheer onzer zielen, Hartelicht, wijd- en diepvloeiende stroom van genaden, zee en oceaan van zalvende liefde I Gij kiest onze zielen tot uwe bruiden. Gij vormt ze tot uwe tempels. Gij vervult ze met hemelkracht en genaden, OI Ik verheug mij met U over hetgeen Gij zijt, en bedank U voor alles wat Gij mij genadiglijk hebt geschonken. Hoe jammer ó! en hoe zeer is het mij leed, dat ik U zoo menigwerf door de zonden verloren heb. O Heer, gedoog niet dat het nog ooit meer gebeure! Neen, ik wil niet meer zondigen, dat ongelijk, die wreedheid wil ik U niet meer aandoen. Gij zijt Gods liefde; geef mij dan dat ik U, mijn God, altijd liefhebbe, dat ik altoos beminne die mij het eerst en zoo zeer heeft lief gehad. Verleen mij een luisterend oor naar uwe hemelsche inspraken ; dat ik uw heilig, leidend licht volge, dat ik U in mijn hart opneme, dat ik in mij alle ongeregelde liefde doode, dat alleen uwe
196
vlekkelooze en goddelijke liefde in mij leve I O Heer, dat bid en smeek ik U door uwe grenze-looze goedheid, dat vraag ik U door deverdiens-ten van Hem die alles verdiend heeft, van mijnen Jezus. Mijn hoogste goed, ik bemin U vut de hoogste liefde, en nooit wil ik, om wien of wat ook, zondigen.
Maak het besluit dikwijls van God te vragen, dat Hij de zonde van u verwijdere, dat gij nooit van Hem gescheiden wordet, opdat gij de genade niet verliezet en met haar den H. Geest. Leeft gij in die heilige genade, de H. Geest zal u nooit verlaten; Hij zal als eene trouwe gids en waarheidlievende vriendu voorlichtenengeleiden, Hij zal u overal en in alles vergezellen, Hij zal u sterken en verkloeken in uwe zwakheden, u vertroosten in uwe kwellingen, u bemoedigen in tegenheden, Hij zal u altoos en overal en in alles bijstaan, ondersteunen en helpen. Immers, Hij is het die alle gaven uitdeelt, van Hem daalt af wat goed, heilzaam en zalig is. Bid eindelijk om de genade, van dien H. Geest nooit te verliezen door de doodzonde. O goddelijke Geest, bewaar en bevrijd mij van dat wangedrocht, beiuaar en bevrijd mij van de doodzonde.
107
\'eg.
God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij zijne heilige Engelen bestemd heeft om ons te bewaren.
Groot is Gods goedheid, in mij een Engel te geven, die mij beschutte en over mij wake. De Schepper van het heelal beveelt aan een hemelschen, zoo verheven, zoo genadevollen, in het Paradijs zoo glorierijken geest, dat hij mij als een verzorger en verdediger ter zijde sta. Laat mij eens overwegen wie dat schepsel is, hetwelk mij God zoo liefderijk te mijner bewaring heeft toegevoegd. — Het is een alleredelst geest, een allervolmaakst schepsel, een aangenomen Gods kind, een zijner dierbaarste vrienden, een zijner gemeenzaamste vertrouwelingen, bevestigd in de goddelijke genade en in s\' Heeren vriendschap. Dat verheven schepsel, die zuivere geest heeft zijn troon en woonstee in de eeuwige gelukzaligheid, leeft eeuwig en onsterfelijk in de genieting van het aanschijn en de verheerlijking zijns onsterfelijken Vaders. Nu, die groote Personaadje, die edele geest staat mij op Gods bevel ter zijde, hij bewaakt, behoedt, beschut en verdedigt mij . .. mij, een vat van bederf, een\' door voorledene zonden eerlooze en verrader der goddelijke Majesteit. O uitgelezene liefde, dat God aan eene groot-
198
vraardigheid-bekleeder van zijn hemelsch koningrijk belast mij te vergezellen, zich nooit van mij te verwijderen, zorgvuldig over mij wacht te houden, opdat mij ellendeling, in dit dal van ellenden, niets ontbreke van hetgeen nuttig en voordeelig is aan en tot mijn wezenlijk geluk. Dat die Engel niet alleen in last heeft mij bij te staan, als ik Gods wetten getrouwelijk naleef; maar zelfs dan, wanneer ik een opstandeling word, wanneer ik mij schaar onder de bannier des duivels, wanneer ik mij tot dezes slaaf verlaag door de van God zóó gehate zonde! Inderdaad een groot voorregt, dat zoo een schoone, heilige en vermogende Engel voortdurend is toegevoegd aan een mensch, hoe nietig, hoe zondig en afschuwelijk die mensch ook zij. En die gezellige vereeniging van een Engel met den mensch is niet van dien aard, dat de mensch des Engels slaaf of dienaar zij ; maar dat de Engel zich ten dienste van den mensch bestede, zich bevlijtige den mensch in al zijne noodwendigheden te ondersteunen, en hem allerlei gunsten en voordeelen te verschaffen. Zie daar even vele werken van goddelijke liefdadigheid, van Gods eindelooze liefde jegens den schuldigen mensch .. . jegens mij.
Dat deedt Gij voor mij, 6 groote Schepper, voor mij die, ik zeg niet uw slaaf, maar satans slaaf was door de erfzonde. Dat deedt Gij voor mij bij het oogenblik mijner geboorte. Toen reeds bezorgdet Gij mij dien Engel, dien trouwen wachter, dien hemelschen gids en voor-
199
lichter! — Ik sta verslagen — hoe kan het anders ? — over uwe voor mij zoo schitterende liefde en bezorgdheid. Het was U niet genoeg de elementen, de planten en vruchten en dieren, alle levende en levenlooze schepselen tot mijnen dienst bestemd te hebben. Gij vaardigdet bovendien een vorst uwer hemelsche troonwacht op aarde af, die mij nooit, noch bij dag noch bij nacht verlaten, maar immer zorgvuldig en liefdevol bewaren en beschermen zou. O, hoe veel en hoe grootelijks ben ik U voor deze liefdegunst verschuldigd ! Verleen en geef mij uit barmhartigheid, dat ik aan zoo veel liefde beantwoorde met U te dienen, te eeren en te gehoorzamen. Ik wil U dan ook alle eer brengen waartoe ik bekwaam ben. Ik wil mij aan uwe heilige wetten onderwerpen, ik wil U in alles gehoorzamen. Voor niets wat mij de wereld en hare schepselen kunnen aanbieden wil ik U ooit door eenige zonde beleedigen. Dat ben ik U om zoo vele redenen verpligt; maar ook dat eischt van mij die heilige vereeniging, welke mij aan de zaligende oogmerken van mijnen Engel moet binden. — Ik bemin U, ó mijn God. ik bemin U uit liefde; Gij zijt mijn Heer, mijn Al. Voeg barmhartigheden bij barmhartigheden, opdat het mijner ziele wèl ga. Dat smeek ik U af door de vereering welke U uwe Engelen toegalmen, en door de gehoorzaamheid waarmede zij zoo vaardig uwe bevelen uitvoeren. Help mij ó Heer, en haast U tot mijnen bijstand, opdat ik inzonderheid dflt uw bevel
200
betrachte en naïeve welks vervulling mij het moeijelijkst valt, (noem dat) daarop wil ik vooral letten, dat wil ik vooral getrouwelijk onderhouden.
Heilige Engel, mijn zorgvuldige bewaarder en teerhartige beschermer! Verkrijg mij van God de sterkte en genade, dat ik niet overtre-de hetgeen mij onder zijne bevelen moeielijker valt; smeek er voor-en met mij uwen en mijnen Heer om. O ! weer ver van mij alle gelegenheden van zonden. Breidel en toom-in des duivels aanzoeken en listen, opdat ik niet in zónde valle. Ik bedank U hartelijk voor al het goede wat Gij mij van mijne geboorte af bewezen hebt. Ik vertrouw en werp mij in uwe Engelen-armen en reken op uwe hemelsche liefde, op uwe vermogende tusschenkomst, op uwe veilige en heilige bescherming.
Tweeie Punt,
Ik overweeg nu de beweegredenen en het beginsel waaruit de groote liefde vloeit, die de Engelen den mensch toedragen, waarom zij ons zulke en zoovele onschatbare diensten bewijzen. De beweegreden hiervan is, dat hunne en onze God ons zoo verbazend met weldaden heeft willen begenadigen, dat Hij zich voor ons vernederd heeft en, uit liefde tot ons, den wreed-sten dood heeft willen sterven. De Engelen zagen Gods Zoon —■ Heer van alles, in alles aan zijnen Vader gelijk en beeltenis van dezes
201
zelfstandigheid — zij zagen Hem zoodanig vervuld met liefde voor het geslacht der menschen, zoo begeerig naar hun heil, dat Hij ons —- het koste wat het wilde •— wilde vrij koopen, dat Hij zich om onzen\'t wille tot niet wilde maken, dat Hij tot dat einde de gedaante van een slaaf, ja van een zondaar wilde aannemen, dat Hij eindelijk alles en alle slag van smarten wilde onderstaan, die ons om onze zonden verschuldigd waren. Dat voorbeeld van een God, die goddelijke liefde ontstak in de Engelen eene aan deze gelijkende liefde; door deze liefde gedreven, vernederen zij — die edele en verhevene geesten — verlagen zij zich tot de zoo ondergeschikte bediening van wel onze gidsen, onze beschermvoogden en bewaarders te willen zijn. Zij zagen hoe God — die groote God — verliefd was op Adams kinderen; dat was hun genoeg, hierop ontvlamden ook zij in liefde tot ons, dat maakte hen oplettend op onze noodwendigheden, dat vormde hen — geen moeite sparend — tot wachters en als voedstervaders van ons stervelingen.
O mijn God, groote menschenminnaar 1 Hoe zeer ben ik U verpligt 1 Gij hebt mij lief gehad, niet Gij alleen; maar Gij hebt mij ook van de heraelsche geesten doen beminnen. Wees geloofd en geprezen, omdat Gij door uwe bovenmatige liefde de Engelenkoren met het toonbeeld uwer liefde verpligt hebt, dat ook zij mij zouden beminnen en uwe groote goedertierenheid jegens mij navolgen. Ook zij vernederen zich om ons
202
te helpen, om ons te versterken, te bemoedigen, waakzaam en oplettend te beschermen. Dat doen zij op uw voorbeeld ziende, hoe zeer Gij U tot ons heil en voor onze zaligheid vernederd en verlaagd hebt. Ook deze nieuwe weldaad ben ik wederom aan U verschuldigd. O, hoe zeer moet ik mij dan beijveren voer uwe glorie, aangezien Gij uwe hemelsche geesten te mijner bewaring hebt afgezonden. — Wat zou ik zeggen, indien ik een aardschen koning, indien ik den magtigsten, den wijsten, den besten monarch dei-wereld tot mijn voogd en beschermheer had .5 — Doch nu is het een Engel, een van de troonwacht des Allerhoogsten, een onvergelijkelijk verhevener, betere, wijzere dan de magtigste onder de menschen. En die Engel is mij steeds beschermen de, hij waakt onophoudelijk over mijn welzijn, hij helpt mij op duizenderlei wijzen; hij is mijn schild tegen de aanvallen der duivelen, hij geleidt en licht mij voor op den weg dien tot mijn eeuwigdurend heil voert, en bevrijdt mij van duizende gevaren ; er is geen dienst zoo gering, waarin hij mij niet ter zijde staat, van het oogenblik mijner geboortte tot aan den laatsten stond, tot aan den uitersten snik mijns levens.
Welke eer voor den mensch, welk voorregt, welke Gods goedheid en ontferming! Hieruit zal ik leeren, hoedanig ook mijn gedrag behoort te wezen ten opzigte van mijnen evenmensch. De heilige Engelen — in grootheid en waardigheid zoo uitstekende geesten — achten het niet beneden zich, geheel hunne zorg aan mij nieteling te wij-
203
den ; zou ik dan, om Gode te behagen, geen dieast bewijzen aan mede-schepselen van dezelfde natuur als ik, wier vader hun en mijn God isr — Ik maak dan het voornemen van mijnen naaste te helpen en nuttig te zijn, al is er ook eenige last, eenige vernedering meê gemoeid. De Engelen zelf sparen zich niet om mij nuttig te zijn; en ik . .. ik zou mij ontzien in mijne natuurgenoten behulpzaam te wezen 1
O groote God en Vader 1 was het niet genoeg, ja bovenmatig goed en liefderijk, indien Gij den geheelen menschelijken geslachte een enkelen Engel tot bewaring en bescherming haddet toegevoegd ? Waarom aan elk mensch in \'t bijzonder zoo een verheven gezant afgevaardigd? Wie toch en wat ben ik, dat Gij voor mij en ten gevalle van mij zoo een vorst afzendt van uit uw eeu^vig koningrijk ? Dit voorregt voegdet Gij bij zoovele, bij duizend andere vruchten uwer goddelijke liefdadigheid. Uit deze uwe liefde leerden uwe hemelsche geesten, ons menschen, om U, te helpen en bij te staan. Wel gelukkig de mensch, ^lien Gij zoo wonderlijk begenadigt! O, mogt ik op mijne beurt uit uwe liefde en uit die dei-Engelen, de liefdadigheid leeren jegens mijnen naaste ! O Heer, schenk mij een straaltje dier hemelsche liefde, opdat ik mijnen evenmensch liefhebbe en hem goed doe. Geef mij, dat ik mij althans en zekerlijk onthoude van al wat hem kan hinderen of mishagen ; dat ik mij integendeel bewogen gevoele om hem bij voorkomende ge legenheden te dienen en behulpzaam te zijn.
204
Bij deze neem ik mij voor eenige goede werken van naaste-liefde te beoefenen, (noem eenige zulke liefdewerken.) Ik wil ze beoefenen uit liefde tot U, 6 mijn God, maar ook uit liefde voor mijnen evenmensch dien Gij zoo zeer bemint.
Niet alleen bepaalt God een Engel tot bescherming van elk mensch; maar tot het welzijn der gansche wereld stelt Hij onderscheidene hemel-sche geesten te werk, die te zorgen hebben voor al wat tot instandhouding van \'t menschelijk geslacht noodig en bevordelijk is. God verspreidt in zijne goedheid over het heelal eenige Engelen, wier taak het is de beweging der hemelen te handhaven, de elementen in stand te houden, te waken over het welzijn der ondergeschikte schepselen, en dat alles ten bate van den mensch. O grootheid van Gods liefde, die van alle kanten zoovele Grooten van zijn hemels hof belast heeft met de zorg over mij nietig schepsel!
Ik bedank U, mijn liefdevolle Schepper, dat Gij een Engel hebt aangesteld, die de zorg en het toeiigt heeft over het water dat ik drink ; eenen andere die der zonne voorzit welke mij verwarmt en bestraalt; eenen andere die mij een verkwikkende lucht doet inademeii; eenen die de dieren bewaakt met welker wol ik mij kleed, met welker vleesch ik mij voed, en die mij voorzien van zoovele andere ten gerijve mijns levens nuttige ja dikwerf onontbeerlijk noodwen-
205
digheden. O, welke liefdevolle zorgvuldigheid, welke wijze voorzienigheid; en dat ten gunste van zulke geringe, van zulke dikwijls zoo ondankbare schepselen! Hoezeer behoor ik U dan niet te gehoorzamen en te dienen, daar Gij zooveel doet tot mijn welzijn 1 O ja, ik bemin U, mijn opperste goed, ik wil U gehoorzamen, ik wil U eeren, ik wil U op allerlei wijzen toonen dat ik geen ondankbare ben.
Mijne ziel! daar wij de Engelen, die zoo heilige zoo vermogende an hoogverhevene wezens, tot onzen dienst en bescherming hebben, vereeren wij hen en brengen wij hun onze hulde en erkentenis! De Schepper gaf ze ons uit achting en liefde voor ons. En zij... zij gewaardigenzich ons te begeleiden, ons hulp en bijstand te leenen. Eerbiedigen wij hunne heilige tegenwoordigheid, ons nooit iets veroorlovend dat hunne reine oogen zou kunnen kwetsen. Beleedigen wij God niet voor het aanschijn zijner hovelingen. Dragen wij ook hun liefdeen toewijding; want zij beminnen óns, zij staan ons ter zijde, zij blaken van liefdadigheid ten onzen opzigte en letten zorgend op al wat ons waar geluk kan bevorderen.
Heilige Engelen, gelukzalige bewoners des hemels! Looft God voor de niet uit te spreken weldaden, die Hij ons geschonken heeft. Brengt en zingt duizendmaal lof en eer aan uwen en onzen Schepper. Looft Hem om zijne liefde die Hij u — hemelsche geesten — heeft ingestort tot onze bescherming, \'t Is deze liefde welke u onze bewaarders doet zijn, van ons menschen en van
206
mij, den nietigsten zondaar onder de kinderen van Adam. Maak groot en verheerlijkt die liefde des eeuwigen Vaders, die zulke heilige wachters, als gij zijt, over mij heeft afgezonden. Maakt Hem groot en verheft Hem voor de liefderijke zorg die Hij den menschelijken zaken wijdt, wanneer Hij zijne hemelsche hovelingen gebruikt tot het heil der stervelingen. Zegent en prijst dien nooit volprezen God, aan wien wij allen zoo zeer verpligt zijn. Helpt mij in het hoogachten dier wonderbare voorzienigheid, met dewelke Hij u de zorg over deze aarde heeft opgedragen. Hadde ik, ó Hemelvorsten, uwe engelen-krachten, om Hem waardiglijk te dienen! Hadde ik uwen altoos vlekkeloozen wil, om Hem met geheel mijn hart lief te hebben! O, helpt mij om dien beminnelijken Vader altoos getrouw te dienen. Helpt mij in het onderdrukken en overwinnen mijner zondige hartstogten; want deze trekken mij van Gods dienst af. Helpt mij dat ik geheel zuiver en rein mijnen Heer beminne, en in mijne ziel zoo\'n goeden God late heerschen. Weest mijne voorsprekers bij God, opdat ik zijn alvermogende magt en wonderbare heiligheid heiliglijk vreeze, zijner magthebbende meesterschap ootmoedig gehoorzame, zijner onverklaarbare goedheid geheel mijne liefde wijde. Verkrijg mij een goddelijk licht, dat mij \'s Heeren oneindig schoon immer klaarder doe kennen, opdat ik Hem kennende bewondere. Hem bewonderende inniger liefhebbe. Gij, gij zijt Gods naburen, gij, gij brandt van goddelijke liefdevlammen. O! schiet ook een
207
straaltje van dien hemelschen gloed in mijn hart, opdat het warm en gloeiend worde van goddelijke liefde. Gij o ! bemint voor mij met eene mij niet gegeven liefde, bemint een zoo beminnens-waardigen Vader, en verwekt mij dikwijls tot liefde-verzuchtingen. Voortaan wil ik mij wachten van God te beleedigen ook om u, die de zonde zoo verafschuwt. Ik wil Hem daarentegen in uwe tegenwoordigheid vereeren; dit toch—-ik weet het—.is u zoo lief en aangenaam. Intusschen dank ik u ootmoedig, ó heilige geesten, voor al het goede waarmede gij mij omgeeft. Ik maak het besluit van dagelijks iets te doen u ter eer, van u dikwijls te mijner hulp aan te roepen ; door uwen bijstand geholpen mag ik toch alle goed van God verwachten.
God verdient van ons bemind te worden, omdaS Hij onze zaligheid is.
Eerste Punt,
Zóó groot is Gods liefde jegens mij, dat Hij uit liefde zich-zelven wilde geven in den hemel, opdat ik Hem daar bezitte en tot loon mijner goede werken eeuwiglijk geniete. Na dit blijft er Gode niets meer te doen, niets meer te geven over; en mij rest niets meerders te verlangen of te verhopen. Wat werk kan zoo groot zoo verheven zijn, dat de mensch daarvoor een God verdient
208
tot belooning? Wie staat niet verslagen bij de gedachte, dat de Schepper zich-zelf tot vergelding geeft aanzijn schepsel?—Gezegend zoo eene goedheid 1 geprezen zoo eene liefde, die den mensch voor zijn zoo gering en beperkt dienstbetoon betaalt met haar geheel goddelijk Wezen! God zal zich geheel door mij doen bezitten, Hij zal mij alle zijne schoonheden doen genieten, diezelfde schoonheden, diezelfde goddelijke en oneindige eigenschappen, welke Hem zeiven van eeuwigheid en voor eeuwig gelukkig maken. In den hemel zal ik de genieting smaken van Gods oneindigheid, van Gods onmetelijkheid, van Gods heiligheid, van Gods liefde, van Gods wijsheid, in één woord van alle Gods oneindige volmaaktheden. Uit alle zijne uitmuntende verhevenheden zal ik een grenzeloozen wellust, een eindeloos behagen, een onbegrijpelijk en volkomen genoegen trekken. Een meer dan genoegzaam loon ware het, indien mij God de eene of andere zijner voortreffelijkheden ter genieting mededeelde. Maar neen, de goddelijke liefde is niet te vreden, tenzij ze mij alle hare schoonheden licht en klaar in-eens vertoone, tenzij ik ze alle gelijkelijk aanschouwe, en in dat aanschouwen voor eeuwig jubele en gelukzalig zij. Ziedaar Gods liefde en \'s Heeren goedertierenheid: den mensch het gansche bezit te geven van het geheele hemelsch koningrijk, van Zich-zelven! Indien ik tijdens dit kortstondig leven Gode genoegen geef, bereidt mij diezelfde God eene eeuwigheid van niets ontbrekende geneugten, van wellusten als
209
er geen grootere zijn, om het geluk van God zeiven uit te maken. OI waarom ijver ik dan niet onvermoeid en gestadig in God te dienen, daar ik weet dat een God in den hemel mij opwacht om zelf mijne vergelding te zijn? Waarom verlang en verzucht ik niet dikwerf naar den hemel, om door dat heilig verlangen mijne zwakheid te schragen, en mij aan te vuren tot getrouwe naleving van Gods wetten ? — Ik neem dan voor, dikwijls aan den hemel te denken, dikwijls den hemel van God af te smeeken. Ik neem ook voor, mij naarstiglijk toe te leggen op het beoefenen van goede werken, opdat ik mij zekerder make van die oneindig heerlijke toekomst. Ik zal dikwijls mijn hart verheffen tot Hem, die eenmaal en dan vooraltijd mijn hart moet verzaden.
Ik geloof, ó mijn God dat Gij — in U zeiven volmaakt en volkomen gelukkig — de oorzaak en oorsprong onzer gelukzaligheid zijt. Dat maakt mij blijde, daarover verheug ik mij met U, omdat het uwes, omdat het uw eigendom is. Ik verheug mij eu wensch mij zeiven geluk over en met de eindelooze gelukzaligheid, die Gij — van alle schepselen onafhankelijk — in U zeiven geniet. Eens hoop ik de onmetelijke schatten uwer goddelijke volmaaktheden te aanschouwen, eens hoop ik mij in het wonder uwer onvergelijkelijke uitmuntendheden te verlustigen, eens hoop ik te zwemmen in dien oceaan van onvergankelijke genietingen. U zij dank, lof en verheerlijking, wijl Gij mij hebt geschapen tot het aanschouwen van het oneindig schoon dat in U schittert,
9
210
Geef mij, ö eindelooze Schoonheid, dat mijne gedachten zich dikwijls metU bezighouden,geef dat ik dikwijls een brandend verlangen in mij opwek-
ke van U te aanschouwen. Vervul mijn hart met
een heilige begeerte tot den hemel, tot mijne zaligheid, tot het bezit van U, schat der schatten. Ik heb U lief, mijn eeuwig en eenig heil, mijn opperst Goed I Ik troost mij door te denken en te hopen, dat ik U eenmaal en dat voor eeuwig in het Paradijs beminnen zal, dat ik daar als geheel liefde zal worden door en om uwe liefde. 01 vermeerder in mij die zoetstreelende hoop, die hartverkwikkende begeerte, opdat deze mij sterk maken in den geestelijken strijd, opdat deze
mij aanwakkeren tot het getrouwelijk naleven uwer
heilige wetten en geboden.
Dikwijls zal ik U deze betuigingen van hoop en liefde doen: mijn God, oneindige volheid van alk goed, ik bemin U meer dan mijn eigen-zelven. Mijn God, van U verhoop ik de genade van U eetcwig in den hemel te bezitten. Dat veilang ik, ofschoon en hoe zeer onwaardig. Help mij Heei, opdat ik mij redde en zalig make. Dat smeek ik U door de verdiensten van mijnen Jezus, dat smeek ik U door uwe grenzelooze goedertierenheid en ontferming.
fwieie Punt,
Wat beloont God met de eeuwige zalgheid? Indien de mensch gedurende duizend jaren met den grootsten ijver God diende, dan ware hij
211
nog niet waardig, een halven dag in den hemel Gods aanschijn te genieten. Welke liefde, welke goedertierenheid is het dan niet van Gods wege, dat men door een enkel akte van waar berouw, door een enkel akte van liefde zich de eeuwige gelukzaligheid kan verwerven I Kan er een grootere milddadigheid, een grooter uiterste van goedheid uitgedacht of verbeeld worden? Een eeuwig Paradijs voor zoo weinig werks! Zóóveel waarde hecht God aan elk goed werk hetgeen een braaf christenmensch Hem ter eere doet, dat zijne goedheid niet voldaan is, tenzij Hij hem daarvoor een altijddurend geluk schenke. Had God niet duizend werelden kunnen scheppen, waarover Hij den mensch de meesterschap had kunnen opdragen, om hem voor zijne Hem bewezene diensten te beloonen? Of tallooze,onmetelijke, van allen wellust overvloeijende paleizen, tot vergelding zijner minste goede werken? Maar neen, dit gehengde zijne goedheid niet, dat strookte niet met zijne liefde. Voor een dronk water Hem te eere den naaste toegereikt, voor eene uit liefde tot Hembedwongene nieuwsgierigheid, voor eene luttele versterving, voor een troostwoord aan den bedroefde, heeft Hij geen minderen prijs, geen geringere belooning dan Zich-zelven ..; en voor eeuwig 1 Is dat mogelijk? Kan men zich dat verklaren? Zulken prijs voor zulke werken! — O ja, Gods goedheid is geheel en volstrektelijk verheven boven het begrip van den mensch. Niet alleen loont Hij onze nietige goede werken honderd- en duizendvoud. Hij beloont ze met al
212
wat Hij heeft. .. met Zich-zelven. Verbazender loon weet zijne oneindige wijsheid niet uit te vinden, grootere vergelding weet zijne almagt niet te scheppen. — O! wie staat niet verstomd bij het overwegen van zulke liefdadigheid? Wie zal, om zoo te spreken, zijne ingewanden niet uitstorten, om eenen God te behagen die zoo rijk en milddadig is in vergelding?
Geef mij uwe genade, ó mijn God, en schenk mij uwen bijstand, opdat ik U in alles diene, opdat ik U believe door alle mijne werken, ook door de geringste. O ja, ik betuig U: ik wil ze allen tot uwe eer en verheerlijking stieren. Is het mogelijk, ó Heer, dat Gij zulk behagen schept in hetgeen de mensch voor U verrigt, dat Gij hem daarvoor met het eeuwig bezit van U-zelven wilt beloonen? Beloofdet Gij mij geene vergelding hoegenaamd, dan nog moest het mij een groot geluk wezen U te mogen dienen, ik dia uw schepsel en slaaf ben, ik die U geheel toebehoor. O ja, ik zou U willen dienen, omdat Gij zijt die Gij zijt: oneindig Goed, volstrekte Monarch, Heer en meester van al het geschapene. Hierom alleen, en dit is mij genoeg, hierom bemin en wil ik U alle goed. Doch boven al wil ik U dat goed, wat uwe verheerlijking kan bevorderen, en daarom — om dit te bereiken — wil ik getrouwelijk alle uwe geboden naleven. In miine werken, U ter eer, zal ik U dikwijls deze betuiging mijner nederige dienstvaardigheid opzenden: Mijn God, dit.. . of dat.. . doe ik om uwe liefde, om U te behagen. O, herinner
213
mij dikwijls aan dit voornemen, opdat ik het uitvoere; want ik stel er te veel prijs op, een\' God te behagen die zoo goed is in Zich-zelven, en zoo goed jegens mij.
Het ontga mij ook niet hoe God, door het ons voorstellen van zulke heerlijke belooning, ons wil aanmoedigen tot zijnen heiligen dienst; ten einde wij nimmer nalaten Hem te gehoorzamen zoo wel in het grootere als in het kleinere. De wereldlingen getroosten zich vele zekere varen, veel moeite en arbeid, en dat wel voor eene zeer twijfelachtige, meermalen nooit te bereiken vergelding. Zouden wij christenen ons dan niet aangorden tot groote zaken, wij die van God zeiven de verzekering hebben van eene onfeilbare, van eene alle geluk omvattende, van eene nooit te eindigen belooning 1 Zouden wij niet bereidvaardig en gaarne de kortdurende kwellingen van dit leven uit liefde tot God verdragen, wanneer wij het oog gevestigd houden op de eeuwige rust die ons in den hemel, ia Gods eigen schoot wacht?!
Ik beken het, 6 Heer! Om mij in het bezit te stellen van zulk onuitsprekelijk heil, moeste ik noch rusten, noch eenig verdienstelijk werk verwaarloozen. Elke inspanning, elk zweet, elke moeielijkheid is toch een niet, daar het eene eeuwigheid van gelukzaligheid geldt. Mijn leven en mijne krachten, al mijne in- en uitwendige vermogens, al wat ik heb, alles moeste ik tot uwen heiligen dienst besteden. Dat wil ik dan ook, 6 Heer, dat zal ik, om aan U te behagen, dat
214
zal ik om eenigerwijze te beantwoorden aan uwe goedheid, van U die mij in den hemel zoo een gewigt van gelukzaligheid bereid hebt.
ierie fut.
Gods goedheid jegens den mensch schijnt nog op eene bijzondere wijze uit, doordien Hij aan zoovele stervelingen, aan zoo velen die als kinderen sterven, de eeuwige verheerlijking schenkt, zonder dat ze iets gedaan hebben om haar te verdienen. Geen eenig Engel had dit voorregt. Ten opzigte van geen een Seraf gebruikte God die barmhartigheid, welke Hij uitoefent ten gunste van zoovele minderjarige kinderen, die Hij zaligt niet om hunne verdiensten, maar alleen door de verdiensten des H. Verlossers, hun in den H. Doop toegepast. Wat moet een kindje dat op de wereld is geweest, maar zonder oordeel, zonder het gebruik der rede, dat, als eene bloem door den dood afgeplukt, geheel schoon en rein is overgegaan tot het volle genot van wat er in den hemel aanlokkelijks is, wat moet zulk wicht wel zeggen ? — Zulke bloem van goddelijke liefde lezen alleen de kinderen van Adam 1
Maar met de menschen, die tot jaren komen, handelt God niet minder weldadig. Immers, Hij schenkt ons zijne genade, en door deze maakt Hij het ons gemakkelijk hooger te klimmen dan de Engelen, ja in den hemel de Cherubijnen zeiven te boven te streven. Met ons is die op-
215
perste Schenker milddadiger geweest dan mat de Engelen zeiven; want aan sommigen van ons heeft Hij overvloediger genaden meêgtdeeld dan aan vele hemelsche geesten. Van natuur-wege is de mensch minder dan de Engel; en desniettegenstaande overtreffen vele menschen in bovennatuurlijke gaven menige Engelen; zoodat er in den hemel gelukzaligen zullen gevonden worden, die in glorie de Cherubijnen zeiven te boven zullen gaan. God gaf den hemel-schen geesten slechts een zeer beperkten tijd van te kunnen verdienen, terwijl Hij den menschen het leven vele jaren rekt, opdat zij vele verdiensten kunnen vergaren, en tot eene immer hooger stijgende verheerlijking geraken. Welk edel oogmerk, en bron van onvergankelijke schatten voor den mensch ! De mensch kan uit liefde tot Gods verheerlijking werken, en door elk werk dat hij zoo verrigt, kan hij zich den weg banen tot eene hoogere hemelvlugt, tot eenen door eeuwige eeuwen in glans en luister winnenden troon. God beperkt voor den mensch de schatten zijner milddadigheid niet, gelijk Hij het voor de Engelen heeft gedaan. Neen, zoo lang de mensch leeft, geeft God hem de gelegenheid van de kroon te eieren die hem in den hemel wacht. Het hangt van den mensch zeiven af, of die kroon min of meer schitterend zij, het hangt van hem af, of zij eenmaal ook boven den luister der Engelen uitblinke. Wat belet mij, naar zulke hoogte te streven, en waarom God niet gediend, die zoo rijk is in belooning? Zelfs
216
het minst zal Hij niet onvergolden laten, alle goed, dat Hem ter eere wordt verrigt, zal zijn eeuwig en onsterfelijk loon niet missen.
Tot dat einde neem ik mij voor, mijn lig-chaam het een en ander al eens te ontzeggen, ofschoon deszelfs genieting niet ongeoorloofd mogte zijn (noem dat.) Ook neem ik mij voor, mij van mijne gewone bezigheden wèl, dat is tot Gods eer te zullen kwijten. Dezelve uitoefenende zal ik dikwijls, althans met het hart, zeggen: Heer, ik doe dat om uwe liefde, om U genoegen te geven, om U te believen, en om mij eene altoos grootere gelukzaligheid waardig te maken.
O mijn opperste Heil, mijn eeuwige Minnaar, mijn God I Ik bedank U, dat Gij den mensch — ook mij — boven de Engelen hebt bevoorregt. Gezegend zij deze uwe verfijnde liefdadigheid 1 Ik bedank er U voor, ó ja duizend en duizend maal. O ruime Vergelder, ó milddadige Beloo-ner, ó God!... Hoevele prikkelende beweegredenen van U te dienen, van U te behagen, van alle mijne werken tot uwe verheerlijking te stieren! Ik ben verzekerd, dat ook het minste goed werk, hetgeen ik uit liefde tot U verrigt, rijkelijk zal beloond worden. Waarom zou ik U dan niet dienen, waarom U niet altoos en in alles dienen ? Waarom zoü ik er niet gestadig op uit zijn om U glorie te geven? Blindeling die ik ben en ellendeling! Ik let zelfs niet op de eeuwige belangen mijner ziel!. . .
O Heer, geef mij dat ik U in alles believe;
217
geef dat ik daaraan denke, waardoor ik mij aan U behagelijk kan maken, dat ik dat beoefene en betrachte; dat ik mij steeds herinnere aan uwe heilige geboden en heildragende raadgevingen. Geef dat ik altoos en in alles uwen heiligen wil volvoere, dat Hij mijn gids en voorlichter zij in al mijne gedachten, in al mijne woorden, in al mijne verrigtingen. Gij zijt oneindig goed; daarom zijt Gij immer bereid degenen met grootere gunsten te begenadigen, die zich meer bevlijtigen tot uwen heiligen dienst. Gij zijt waardig van allen gediend te worden, omdat Gij de groote God zijt, maar ook, omdat Gij ons beloont met immer aangroeiende en overvloedige gelukzaligheden.
Mijn lieve God en Heer 1 ik bemin U. Konde :,i U altoos meer en meer liefhebben I Ik bemin U, omdat Gij verlangt van mij bemind te worden. Geef, dat ik steeds toeneme in het beoefenen van allerlei belooningswaardige deugdewerken: in heilige Communiën, in het dikwijls en waardig tegenwoordig zijn bij het H. Misoffer, in werken van liefdadigheid, van barmhartigheid, van lijdzaamheid.., In het beoefenen dier werken, neem ik mij voor U, ö Heer, dikwijls en bij herhaling te zullen betuigen, dat ik ze U toewijd, dat ik ze venigt om U te behagen.
218
God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij aimagtig is.
lessfe© f ui»
God is zóó magtig, dat Hij kan wat Hij wil, en het kan op de wijze waarop Hij wil. Met dit alvermogen maakte God den hemel en de aarde en al wat er bewonderenswaardigst bestaat. Hij trok alles uit niet: den hemel, de aarde, de elementen en al wat leeft. Om dat alles te wrochten, had Hij niets anders noodig dan te zeggen : het worde! Met dat ééne woord schiep God alles, en gaat Hij voort alles te scheppen wat voor en na op de wereld verschijnt, alles tevens behoudend met die wonderbare orde en evenredigheid waarvoor wij verbaasd staan. Dat kost Hem noch moeite noch arbeid; dat te willen is zijn doen.
O kracht van Gods almogenden arm! O onoverwinnelijke sterkte, waaraan niets wederstaat, waaraan elk ander vermogen onderworpen is. Na die ontzaggelijke in de schepping waargeno men Gods magt, is deze zoo weinig verzwakt of uitgeput, dat zij even gemakkelijk duizende andere werelden kan doen oprijzen. Wat \'s men-schen begrip zich kan verbeelden, wat der Engelen verstand kan bevatten, zooveel en oneindig meer kan zij tot leven brengen en te voorschijn doen treden. Geheel die oneindigheid van mogelijkheden is Godes magt onderworpen. Om ze te doen
219
5 zijn, om ze zich te doen bewegen, om ze te doen : handelen, daarvoor is Gods enkele wil genoegzaam. Hij kan tallooze werelden scheppen veel grooter dan de tegenwoordige, en die bewoond door veel volmaaktere schepselen. Die werelden kan Hij doen verschillen in gedaanten en vormen, Hij kan ze door van elkaër verschillende schepselen doen bevolken. Dat kan Hij, en oneindig meer, in een oogenblik, en van niet. Hadde God die zoo verschillende en tallooze werelden voortgebracht, Hij zou ze allen gelijktijdig aan zijnen vinger hangende kunnen houden, zonder dat deze door het gewigt van die vooronderstelde gevaarten, duizendmaal meer bevolkt dan onze huidige aarde, niet alleen gedurende honderdduizend jaren, maar eene gansche eeuwigheid door, ooit de minste vermoeijenis zou gevoelen.
Inderdaad: God zal in den hemel die ontzag-^ gelijke hoeveelheid van menschen en Engelen vol heerlijkheid en luister behouden, zonder dat dezer gelukzaligheid een greintje van waarde of hoeveelheid zal verliezen, zonder dat aan de goddelijke weldadigheid ooit iets onttrokken zal worden. Eveneens en door dat zelfde alvermogen zal God een vervaarlijk getal verdoemden in den hellepoel houden opgesloten, en hen gedurende een eeuwige eeuwigheid doen straffen en folteren, zonder dat zijne wraakoefenende hand ooit of immer in het minst zal verlammen. O verbazende kracht van een goddelijk willen, hoe zeer moet ik U hoogachten, vreezen en eerbiedigen ik slof, besmeurd met zoo veel zondeschulden!
220
Kan er nog iets aardsch gevonden worden, dat mij een God van zulk alvermogen kan doen beleedi-gen ? Ik ben bevreesd voor een\' magtigen der aarde — en wat is deze bij God vergeleken? — en ik ontzie God niet! O mijne ziel, verneder en verootmoedig u voor dat alvermogend Opperwezen, dat u niet behoeft, dat u op een\' wenk zijns wils en met u het gansch heelal kan vernietigen. Wees klein onder het gewigt dier almagt, en leer haren wetten gehoorzamen. Hoe nuttig en roemwaardig is het ons, dat wij Gode kunnen believen! Hoe meer behooren wij ons derhalve diep voor Hem neêr te buigen, aangezien de ootmoedigheid ons de deur opent tot zijne genade en vriendschap! O gelukkig ik, die alleen dooi mij aan zulken almagtigen monarch te onderwerpen, als vriend met Hem mag leven, zijne grenzelooze oneindigheden kan deelen en van Hem bemind worden! Ik ben dan wel dwaas en uitzinnig, indien ik, ten koste van wat ook, mij niet bevlijtig om zijne liefde en genegenheid te betrachten.
Oneindiglijk magtige God en Opperheer! uw onbegrijpelijk alvermogen is mij een troost en genoegen. Ik aanbid U en verootmoedig mij voor U, 6 Heer en Koning! Gij alleen zijt bovenmagtig. Gij alleen zijt groot. Ik eer en bemin U als dusdanig meer, oneindig meer dan al wat geschapen is. Ik werp mij voor U neder, ik stof en asch voor U, Almogend, en buk onder uw aanbiddelijk en oppermagdg willen, lie wil U in alles onderdanig zijn, ik wil alle uwe ge-
221
boden onderhouden, en nooit en in niets wil ik uwe zoo regtmatige bevelen kwetsen. Ik besef mijn geluk, U voor God te hebben, aan wien geene magt ontbreekt om mij wèl te doen 1 O, hoe gemakkelijk is het U, goed te zijn, daar Gij alle magt in U vereenigtl Hoe heerlijk paart zich het hoogste vermogen aan eene oneindige goedheid 1 Het geven kost U niet meer dan het willen. Ik hoop dan in U, mijn betrouwen op U stellend die oneindig magtig en tevens oneindig goedertieren zijt. Door uwe groote almagt bid ik U, dat Gij mij het vermogen schenket van uwe heilige wetten stipt na te leven, mijne kwade hartstogten te bedwingen, en mij-zelven over mijne zondige neigingen meester te maken; opdat ik mijn hart met al zijne genegenheden aan uwe onwederstaanbare beminnelijkheid volkomen onderwerpe. O grootmogende Godl Ik bid U, besteed uwe raagt te mijner gunste, door aan mijne ziel eene sprank van uwe magt te schenken, waardoor zij moedig en onversaagd de moeielijkheden des christelijken levens te boven kome. Gij 6 Heer, kunt alles; maar mij ontbreekt alles, ik kan niets uit mij-zelven. Ik ben flauw en ijverloos in het beoefenen van werken die U behagen, ik laat mij dwingen en overheerschen door hartstogten, door aardsche nietigheden, door ijdelheden. Dat uwe almagt, ö Heer, mij kromme, en dat uwe allerregtvaar-digste gestrengheid mij een heilzame vrees inboezeme, die mij belette U ooit door eenige zware zoude te beleedigen: Neen Heer, ó neen,
niets zal in staat wezen mij van U te scheiden. Ik verneder mij tot in het diepst over den niet, waaruit Gij mij getrokken hebt, en waarin Gij mij kunt doen terug zinken. Doch, aangezien Gij mij hebt begenadigd met het leven, wil ik het genieten in uwe genade, met U bevriend, met U te dienen en te gehoorzamen, met voor U te werken om U te behagen. Ik neem voor dikwerf uwe almagt te mijner hulpe in te roepen, opdat ik door haar gesteund mij-Keiven bemoedi-ge, aanwakkere en versterke. Ik zal U dikwijls zeggen: Ahnagtige God, help mij, om in uwe genade te leven, en te ijveren voor en om uwe liefde. Help mij, o viijn God, help mij!
Twacds Punt.,
Hoe grootelijks verdient God van mij bemind te worden, daar Hij zijne almagt heeft aangewend en steeds voortgaat aan te wenden, om mij met zoovele weldaden te begunstigen als ik reeds genoten heb en bij voortduring beu genietende. Er was niets minder dan een oneindig vermogen noodig, om mij uit het niet te doen voortkomen. Datzelfde alvermogen houdt mij staande en belet, dat ik niet andermaal niet worde. Datzelfde alvermogen bragt, te mijner gunste, hemel en aarde voort: de sterren met hare wonderbare wentelingen, den loop der zon met alle hare heilrijke uitwerksels, zooveel andere schepselen om mij te dienen, om mij op te beuren, om mij te onderschragen, te verkwikken en te verlustigen. O
223
alvermogen i hoe rijk waart Gij in schenkingen ; maar hoe veel blijft U nog over na zoovele wonderen !
Onder de groote en veelvuldige voorregten waarmee God mij heeft begenadigd, zijn er eenige zoo verheven, zoo verbazend, dat er eene almagt vereischt werd om ze tot wezen te brengen. Er was eene almagt noodig; om dien gelukkigen knoop te leggen, waarmede het eeuwig Woord des Vaders mensch werd, waarmede de Goddelijke natuur zich in den persoon des onsterfelijken Zoons vereenigde met de natuur der menschen, waarmede een God afdaalde om zich met de zwakke menschheid te bekleeden, voor mij I De Serafijnen zeiven konden hiervan de mogelijkheid niet gissen. En toch wist Gods almagt dat schijnbaar onmogelijke te verwezenlijken. Nog meer: datzelfde alvermogen wist het maagdelijk vleesch van Jezus te bedekken onder de uiterlijkheid van brood, opdat het een voedsel werde, en op zoovele altaren hervoortgebragt, ten einde er ons het gebruik en de aanbidding van te vergemakkelijken. Diezelfde eindelooze Al mag1 hervond niet uit te spreken schenkingen en liefdegaven, waarmee de mensch vercierd, bekwaam werde en waardig om de Godheid zelve te aanschouwen aanschijn-aan-aanschijn, in alle hare schoonheid, in al haren glans, en dat eeuwiglijk in de hoogste en zoetste verrukkingen. Hooger kon de goddelijke Almagt niet stijgen, dan voor mij mensch te worden — voor mij spijs en drank — voor mij eeuwige gelukzaligheid!
224
En ik zou dien almagtigen Heer. die zooveel onbegrijpelijks voor mij heeft gewrocht, niet lief hebben, ik zou Hem mijnen dienst weigeren, ik zou dit althans niet voor Hem over hebben, diit ik Hem tracht te believen door mijn goede werken 1
Ach! ik maak het besluit, dikwijls aan Gods verbazende weldaden jegens mij te denken, Hem er voor te bedanken. Hem er om te beminnen.
O groote God, magtige Schepper en opperste Weldoener! ik bewonder uwe almogendheid, en breng haar hulde voor al wat zij mij doet genieten, \'tls uwe schenking, \'t is een louter uitvloeisel uwer goddelijke milddadigheid, een uitwerksel uwer lieve liefde. Ik bedank U voor al het oat-vangene, en voor al wat ik nog van U te wachten heb. Uwe almagt is mij een voorwerp van innige vreugde, van een niet te eindigen jubel; want zij is uw eigendom, eene uwer oneindige volmaaktheden. Gezegend Gij, aan wien ik alles te danken heb I Mijne ziel is uwe gaaf; ik geef ze U, opdat zij uwe slavinne zij, en zich als dusdanig geheel aan U en aan alle uwe bevelen onder-weipe. Gij verleendet mij verstand en geheugen; ik wijd ze U toe, opdat ze zich besteden om U te kennen en uwer te gedenken. Mijn wil is eene schenking van uwe goedertierenheid; hij zij gestadig bezig met U betuigingen van wederliefde op te zenden Ook het leven ben ik U verschuldigd; duizend maal wil ik het slagtofiferen, liever dan slechts éénmaal U door zware zonde te bedroeven.
225
Geef mij, ik bid het U ootmoediglijk, geef mij hulp en genade, dat ik alle mijne krachten inspanne tot uwen heiligen dienst, tot liefde en dankbaarheid. O! uwe oneindige almogendheid zal mij bijstaan; dat hoop ik, daarop betrouw ik onwrikbaar. Indien Gij wilt, kunt Gij mij alles geven. Geef dat ik U beminne. Verlich mij door den glans uwer goddelijkheid, opdat ik immer meer en beter doorde en doordringe tot in het gewigt van weldaden, waarmede Gij mij even vermogend als goedgunstig begenadigd hebt. Dan zal ik U inniger lief hebben, dan zal ik U getrouwer dienen, dan zal ik U bereidvaardiger gehoorzamen. Dikwijls — dit neem ik mij vastelijk voor — dikwijls zal ik uwe mij bewezene weldaden overwegen, opdat door deze overweging mijne ziel vuriger en levendiger zij in U te beminnen, en ik alles uit liefde voor U te doen wat U kan behagen.
iepie Pint,
Welke gevolgen moet ik tot mijn troost en onderrigting trekken uit de tot hiertoe overwogene goddelijke almagt? — God kan alles, ook datgeen wat den mensch onmogelijk schijnt. Tot op het niet oefent God zijn alvermogen uit, uit dat niet zelfs weet Hij volmaaktheden te voorschijn te brengen. De domste en onzinnigste schepselen worden als redelijk en vernuftig, wanneer zij overtogen worden met dien geest van Gods almagt ; dan vergeten zij als \'t ware de neigingen
226
die hun natuurlijk zijn, om Gods gevoelens te volgen ; ja zij hebben geene neiging, dan die van zich te bewegen op de wenken diens grooten Heeren. Trouwens, de schepselen behoeven vele middelen, om soms nog maar zeer geringe zaken uit te voeren. Maar God is zich-zelven genoeg om alles te ondernemen en tot bestaan te brengen. Hij vindt in zijne onbegrensde magt een voorschot da! onuitputtelijk is. Hem is het willen genoeg om alles te kunnen, \'t Is waar. Hij bedient zich van de schepselen; maar Hij heeft ze niet noodig. De schepselen ontleenen geheel hunne bedrijvigheid van God, zonder wien zij niets vermogen. Wat dan heb ik in mijne nijpenste behoeften te vreezen, indien ik op den Almagtigen betrouw en op zijne almogende bescherming ? Hoe kan hij te gronde storten, wiens zwakheid leunt op den arm van die almagtig is? Hoe kan hij bezwijken of verloren gaan, wien God een burg is. — God kan alles: welk loon heb ik dan van Hem niet te wachten, indien ik ernstiglijk zijn wel-meenend dienaar ben! Hij heeft aan zijne vergeldingen geen andere palen gesteld, dan die zijner eindelooze goedheid en van zijn onbegrensd vermogen. Hij wil mij beloonen met eene zoo onschatbare gelukzaligheid, dat het een werk zij zijner oneindige almagt waardig. God kan alles! Hoe zeer heb ik dan te duchten, indien ik mij verstout. Hem door de zonde te beleedigen, aangezien Hij over een eindelooze magt te beschikken heeft om mij te straffen. God kan alles! Dus kan ik niet wanhopen van de vergiffenis
227
mijner zondeschulden, hoe veelvuldig, hoe groot, hoe afschuwelijk zij zijn mogen ; want zijn goddelijk woord verzekert mij, dat de Allerhoogste in deze wereld vooral praalt, met zijne almagt te doen uitschijnen in het kwijtschelden der grofste beleedigingen. De almagt des Scheppers is bron en maat van zijne barmhartigheid. — Gij, o Heer, hebt medelijden met alles, omdat Gij alles vermoogt; uw vermogen kent geen paal. — Met U wensch ik mij-zelven ge!uk,dat ik tot Heer en Vader, tot Schepper en Zaligmaker dengeen heb, die met zijn wil alleen alles vermag. Daarom hoop ikinU, aan wien het natuurlijk is wèl te doen, aan wien het geené moeite kost zijne schepselen met gunsten te verrijken. O hoogst Ontfermende, zie neer op mijne zwakheid, versterk mij in het goede, stort in mij een vaardige kloekheid om des duivels verzoekingen af te slaan, verleen mij een onwrikbaren moed, um te wederstaan aan zijn verleidende aanlokkingen en aanlokkende vlijerijen, versterk mijn hart tegen den schimp dei-lage begeerlijkheid, opdat ik ze breidele en aan uwen heiligen wil onderwerpe. Den martelaren schonkt Gij zóó een heldhaftig vermogen dat zij, hoe zwak ook uit zichzelven, over de woede der wreedste folteringen zegevierden. Verleen ook mij dat bovenmenschelijk vermogen over en tegen mijn vijanden. Dan zal ik hen niet vreezen; mijn eenige vrees zal zijn van U te vergrammen, ontrouw te worden aan uwen heiligen dienst, U te ontvallen, U te mishagen.
Ik bemin U, 6 almogende God! Het is mij zoet
J
.
228
en lief U te bevredigen, en, door aan U te behagen, mij het loon waardig te maken, dat uwe almagtige goedertierenheid haren dienaren en vrienden heeft voorbereid. Vernietig, door den bijstand uwer genade, mijne zondige en tot zonden voerende driften, ontneem mijner ziel al wat haar stremmen en hinderen kan in het nauwkeurig betrachten harer pligten, opdat ik U getrouwelijk diene, in alles vaardig gehoorzame en altijd vuriglijk liefhebbe.
God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij de oneindige wijsheid is.
Eerste Pint.
Een uitmuntende voortreffelijkheid, waarom God verdient van mij bemind, boven al het geschapene geacht, en zijn aanbiddelijke wil boven alles gesteld te worden. is zijne oneindige Wijsheid. God is het volmaaktst verstand, dat alles weet, dat alls ziet, dat alles begrijpt. Er is geen zonnestofje in de lucht, geen greintje zand in de zee, geen graspiertje op het veld, dat God niet kent, niet doordringt, niet in- en doorschouwt tot in hunne schijnbaar nietigste en meest verborgene eigenschappen. Geen diertje zoo nederig op aarde, geen worm of insekt, geene gedachte in \'s menschen geest, geene
229
beweging in eenig geschapen hart, dat zich aan God niet klaar en open voordoet, gelijk de glansrijke vuurzon op het midden van den dag. Al wat op aarde wemelt en bewogen wordt, dat alles kent God in allen deele met al deszelfs hoedanigheden, hoeveelheden, omstandigheden, dat alles ligt voor Hem open, geteld en gerangschikt. God heeft alles getelt en genieten, als ware het een enkel schepsel, voor Hem is er geene verscheidenheid, geen maat of getal. Hij verwart niets. Hij vergeet niets. Hem ontglipt niets, — O onbegrijpelijke Wijsheid!
God heeft daarenboven voor oogen al wat voorleden is, als ware het huidig en tegenwoordig. Hij kent klaarblijkelijk al wat er sedert den aanvang der wereld tot op heden is voorgevallent Wat zoo vele milioenen menschen dachten, wat zij begeerden, wat zij verrigteden, wat aan zoo vele planten en gewassen, wat aan zoo vele dieren en insekten, wat aan alles en aan allen op deze door hen eenigen tijd bewoonde aarde wedervoer, dat alles en wat daarbij niet genoemd noch opgesomd kan worden, dat alles is Hem oogenschijnlijk.
Nog weet en kent God al wat komen moet, al wat nog zijn zal: zoovele verlangens, zoo vele gewaarwordingen van liefde in het hart der gelukzalige en hemelsche geesten, niet alleen gedurende duizende jaren, maar door de gansche toekomende eeuwigheid. Dat alles kent God, dat weet God, dat ziet God duidelijk en helder en klaar, als kwame het op dit oogenblik onder
230
zijn goddelijke oogen. En dat kennen van het toekomende benevelt Hem de kennis en het weten van het voorledene niet, dat doet Hem hetgeen geweest is niet vergeten. Met een enkelen blik zijner goddelijke Wijsheid treft Hij van de eene tot de andere eeuwigheid, ziende wat met mogelijkheid gezien kan worden, zonder twijfel, zonder hapering, zonder verwarring, zonder dat het voorledene zich menge met het tegenwoordige of toekomende, of met iets wat aan verbeeldingkracht onderworpen is. —De goddelijke Wijsheid is een verrukkend schouwtooneel, waarop zich Gode al wat mogelijk is, onderscheidenlijk voordoet ; oneindige aan de onze gelijkende werelden, oneindige aan de onze niet gelijkende werelden, werelden die God kan voortbrengen en vervullen met allerverschillendste schepselen,\'metschepselen oneindig in elk soort. Het goddelijk verstand is eene schouwplaats van alle denkbare schoonheden, van schoonheden omtrent welke God de wonderlijkste denkbeelden in zich heeft. Vanuit dat groote volk van mogelijke schepselen ontdekt God wat zij zouden verrigten, wat willen, wat denken in alle omstandigheden van elk oogenblik eener gansche eeuwigheid, waarin zij zich zouden kunnen bevinden. O onbegrijpelijke afgrond 1 O onnaspoorbare onmetelijkheid i O zeediepte van Gods, eeuwige Wijsheid !
Nog meer treffend en verbazingwekkend ; God weet, kent en doorziet alles op eene allervol-maakste en volkomenste wijze. Hij weet en kent het, zonder het ooit geleerd of bijgeleerd te hebben.
231
Sedert God God is, weet Hij wat Hij weet, het voorledene, het tegenwoordige, het toekomende, het bestaande, maar ook het niet-bestaande, mogelijke. O diepte der goddelijke wetenschap ! O verstomming der ongeschapene Wijsheid!
Een ander wonder : God kent al wat tot hiertoe overwogen is, door een eeuwige gedachte vol klaarheid en helderen luister. God redeneert daar niet over, maar begrijpt het alles met een enkelen blik zijner onmetelijke wetenschap.
Hoe nu zou ik zoo een goddelijk verstand, zoo eene oneindige Wijsheid niet eerbiedigen, niet onderworpen gehoorzamen ! O ja, ik maak het besluit mij in alles aan Gods heilige Wijsheid, aan Gods aanbiddelijken wil te onderwerpen. Hoe toch zou ik niet vreezen, die alwetende Wijsheid door een eenige overtreding te kwetsen, hoe zou ik iets bestaan dat beleedigend zou wezen voor de oogen dier oneindig-verstandclijke Majesteit!
O God in alles oneindig! wat vreugd voor mij, dat Gij zoo grenzeloos wijs en alwetend zijt boven alle begrip en wetenschap I Ik weet nu, dat Gij een onveranderlijk verstand zijt, waarvoor niets is verborgen. Ik weet, dat Gij met een enkelen blik uwer alles inziende kennis alles doorgrondt. Gij zijt dat heldere licht, hetwelk geene duisterheden noch verborgenheden kent, uwe wetenschap is onbeperkt, en de door U gekende waarheden zijn zonder tal. Gij kent oneindige dingen en hebt ze nooit aangeleerd noch nage-vorscht. U is alles van- en tot in alle eeuwigheid
232
tegenwoordig, en millioenen jaren zijn voor U een stip. Gij verlicht alle geesten, en verspreidt den glans uwer wetenschap over al het geschapene. O wijsste God, ó goddelijke Wijsheid ! hoe zeer verdient Gij om deze voortreffelijkheid van mij bemind, geëerd en gediend te worden ! Gij vergeet niets; Gij zult dus ook het weinige goeds niet vergeten dat ik U ter eere zal mogen verrig-ten. Ik maak het besluit veel goeds te doen uit Hefde tot U, om U te believen. Tot dat einde ondenverp ik mij gaarne aan uwe wijze verordeningen en bevelen; ik wil ze met ijver betrachten en naleven. Niets vau al wat Gij geboden hebt zal ik veronachtzamen. Ik bemin U, o eindelooze wijsheid, ik bemen U met geheel mijn hart.
tweede Pant.
Overdenk, mijne ziel, hoe gij verpligt zijt God lief te hebben, omdat Hij zijne oneindige wijsheid heeft aangewend tot uw voordeel en tot uwe zaligmaking.
Gods wijsheid denkt gestadig aan mij, zij waakt over mij, zij houdt zich met mij bezig, als ware ik alleen op de wereld. Bij dag en bij nacht besteedt zij zich om mij wèl te doen, ja zij overlaadt mij met eene magt van onbegrijpelijke genaden en zegeningen, ondanks mijne Haar zoo bekende overtredingen en zonden. Van af de voorledene eeuwigheid was zij op mij, nietigen worm, liefdevol starende, van toen
233
af maakte zij plannen wegens al dat heil, hetgeen ik reeds van haar heb genoten en nog van hare zorgende goedheid te wachten heb. Het was Gods opperste wijsheid die de wereld denkbeelde, met die orde en wonderbare evenredigheid van schepselen, waarmede zij van haar begin door duizende jaren heên staande en behouden bleef. Diezelfde wijsheid wrochtte dat schoone Paradijs — Gods heerlijkst wonderwerk — dat onvergelijkelijk verblijf der gelukzaligen, dat Eden van eeuwig-heraelschen wellust. Nog met de eigene hoogste wijsheid ordende God de middelen, waardoor ik mijne zaligheid zou bewerken en tot de onsterfelijke glorie opstijgen. Die wijsheid bestuurt mij op dezen stond, doet mij den weg kennen en volgen die ten hemel leidt. Tot dat zelfde oogmerk verlicht zij mij door zoovele nuttige leeringen. Doch inzondeiheid : toen de zaak mijner onsterfelijke gelukzaligheid door de zonde van den eersten mensch verloren was, toen vooral vond de eeuwige wijsheid raad, en voorzag zij liefderijkst in het onmogelijke van mijnen kant. Toen wist zij hare voortreffelijkheid te doen schitteren om, met inachtneming der menschelijke waardigheid, alles te herstellen: uit een uiterst onheil wist zij een uiterst heil, iiit de diepste ellende het hoogste goed te trekken. Die wijsheid beschikte het, dat een goddelijk Persoon mensch werd, ten einde van den mensch zeiven een God te maken. Zij vond het middel van den onsterfelijken te doen sterven, opdat nietige
10
234
sterfelingen een onsterfelijk leven van eeuwige genieting niet zouden missen. Die onbegrijpelijke, schijnbaar onzinnige wijsheid verkeerde het vleesch van een God-mensch in een zelfstandig voedsel onzer zielen, mij een goddelijk bloed nalatende tot prijs mijner vrijmaking ja, maar ook tot prijs mijner onsterfelijke gelukzaligheid.
Beseft gij nu, mijne ziel, hoe groot uw geluk is; een zoo wijzen Heer tot God te hebben, die zijne onbereikbare wijsheid aanwendt, om de grootste wonderen te wrochten tot uw voordeel, en die tot vergelding van al dat onbe-grijpelijk-liefdevolle niets anders eischt dan uwe wederliefde ? — En ik.. . ik zou mij niet laten leiden door een zoo wijs Wezen, door een God die alles kent, die niet kan falen, die alleen en volkomen weet wat mij tot heil strekt: voor-of tegenspoed, beproeving of troost, lijden of verkwikking! Al dat wil of beschikt of laat die oneindige wijsheid toe, opdat het mij hoogst nuttig zij, opdat het mij tot mijn eeuwige zalige bestemming voere. Waarom dan mij niet geheel overgegeven aan dien alles wetenden, alles wijsselijkst en liefderijkst bestierenden God?
Ik maak het besluit mij dikwerf aan God op te dragen. Hem zeggende: Dat uvj allerheiligste wil volbragt worde gelijk in den hemel, zoo ook op aarde — en ... zoo ook in mij!
O alleen wezelijk-Wijze, ó God!... ik bedank U, dat Gij de schatten van uw verheven weten besteed hebt, in zooveel wonderlijks voor mij, te mijner gunste uit te voeren. 01 hoe zeer
235
verlang ik de diepte uwer uitstekende weldaden te peilen, opdat deze mij leeren mogen U waarlijk te beminnen, en U in alles genoegen te geven. O! dat ik U toch liefbebbe, U alleen liefhebbe, alleenlijk betrachte wat U welgevallig is! O ja, mijn lieve Heei ! ik wil hetgeen Gij wilt, dat wil ik ten koste van alles. U is alles bloot en ontsluierd, voor U is geen duister, geen verborgen. Gij ook kunt U niet bedriegen in datgeen over en jegens mij te beschikken wat mij het heilzaamst is. Daarom stel ik mij in uwe handen, daarom wil ik geen wil dan den uwe. — Doch, ó al wijze en algoede! verlich mijn gemoed en onderrig mijne onwetendheid. Ontdek mij, Gij die het glansrijk licht der hemelen zijt, en ontsluier mij het aan mijne bekrompenheid verborgene uwer goddelijke wetenschap. M:iak mij kennelijk de wijze en liefderijke vonden waardoor Gij mij tot uwe liefde wekt. Ik verzucht tot uwe liefde en haak er naar, opdat ik U be/ninne en liefhebbe in alle om-; standighedon mijns levens: in genoegens, maar ook in tegenheden, in vermoeienissen en in rust, in kalmte, maar ook in tempeesten, in smaad en verachting ... in alles en altijd. Bat uw heilige, wijze en aanbiddelijke wil geschiede gelijk in den hemel, zoo oök op aarde; zoo ook ö ja, in mij!
Gods oneindige wijsheid vertoont zich wonderbaar in het voortbrengen van alle schepselen.
236
waarover zij zich heeft willen uitstorten. Zij toch schittert op een verbazende wijze in het uitspansel des hemels, in dat onmetelijk getal sterren, welke ons zoo ordelijk boven onze hoofden rollen, met zooveel juistheid de jaargetijden aanbrengen, en zooveel heilzaams te onzer gunste uit zich doen vloeien. Even verwonderlijk is zij in het ontluiken van het geringste bloempje en in het doen wemelen van den nietigsten worm. Wel is waar, de wijsheid des Allerhoogsten straalt wonderbaar uit in het scheppen onzer geestvermogens: van het men-schelijk verstand, immer begeerig naar meerdere kennissen, van ons geheugen, de getrouwe schatbewaarder van zoo vele voorledene gebeurtenissen, van onzen tot eindeloos en onbegrensd verlangen geschikten wil. Maar diezelfde oneindige wijsheid openbaart zich ook op een uitstekende wijze in de vorming onzer ligchamen, welke voorzien zijn van een menigte niet te tellen werktuigen, en deze verschillende van stof, van gedaante, van beweging, gesteldheid en uitwerking, en nogtans onderling zóó overeenstemmend, allen met volkomene eendragtig-heid tot hetzelfde doelgerigt! Zoodat alle Gods-werken ons getuigen van zijn oneindige wijsheid. Doch op eene gansch bijzondere wijze spreekt zich Gods wijsheid uit in het bestuur der wereld, en in die algoede voorzienigheid, waarmede zij alles leidt tot de door haar bestemde oogmerken. .. Zij vindt onfeilbare middelen om te bereiken wat zij zich heeft voor-
237
gesteld. Zij overkomt alle hinderpalen; zonder aan iets of aan iemand eenig geweld aan te doen. Zij weet zich zelfs van die hinderpalen zelven[te bedienen, om des te zekerder tot haar doeleinde te geraken. Die wonderbaar-verlichte en verlichtende wijsheid toont Gode de geschik-ste wegen, langs welke Hij zich meester maakt van den wil der menschen, zonder dat zij genoodzaakt worden. Immers, God behandelt onze vrijheid als een vader: met eerbied en ontziening. En echter omgeeft Hij haar met zoo wijsselijk geregelde raadgevingen en inspraken, dat Hij het weërbarstigst willen naar zijnen aanbiddelijken wil doet overslaan, en den mensch doet neigen tot het tegenovergestelde van wat hij aanvankelijk verkeerd wilde; zoodat hij — de mensch — later verafschuwt hetgeen hij vroeger lief had, en later bemint waarvoor hij vroeger terugdeinsde.
Ik zal mij dan aan die onsterfelijke, alle heil aanbrengende wijsheid toebetrouwen en geheel overgeven, ten einde zij mij leide, regele en besture. Ik zal haar mijne vrijheid wijden, haar smeekend, dat zij mij ter zijde sta met de werkelijkheid harer genade, en mij tot het ware goede stiere. Ik zal haar bidden, dat zij mij vast en volstandig doe zijn in het beoefenen van goede werken, dat zij mij sterke tegen de moeielijkheden der deugd en des geheelen christelijken levens. Ik zal mij volkomen aan hare voorzienigheid overlaten als aan het licht dat mij, langs de kronkelende en doornachtige
238
paden van dit sterfelijke, te leiden heeft naar het onsterfelijk wit mijner eeuwige bestemming.
O God van wijsheid, 6 God van alle wetenschap! Wie zal uwe handelingen en uwe schepselen begrijpen, om in deze de wonderen te schatten, waarmede Gij ze hebt voortgebragt en bij voortduring bestiert? Uwe blikken schitteren oneindig klaarder dan der zonne-lichtstralen. Gij weet welke voortreffelijkheden uwen schepselen passen ; daarmede begenadigt Gij hen. Gij voorziet de wegen, langs welke Gij ze tot hun einde zult doen wandelen, en verstrekt hun daartoe de meest geëigende, de gemakkelijkste en zekerste middelen. Gij let op- en voorziet in alles gelijktijdig. Gij zijt geheel licht zonder eenige vermenging van duisternis. Gij zijt een wonderbare fakkel die alle schepselen verlicht, opdat in hen uitschijne, dat zij het werk zijn van uw onmetelijk verstand. Maar inzonderheid praalt Gij wonderbaar in het geestelijk bestuur van den mensch, door onzen wil te plooien naar uwe volstrekte raadsbesluiten, zonder onze vrijheid te schaden of haar te belemmeren. Mijn hart ó Heer, is in uwe handen: Gij kunt er de gevoelens in opwekken die U behagen. Gij kunt het bewegen tot overeenstemming met uwe hemelsche verlangens. Uwe alles-doorziende wetenschap verschaft U de inspraken, waardoor ik bewogen zou kunnen worden tot volmaakten omkeer en verandering van zeden, tot een nieuwe regeling van een nieuw en beter leven. Ik verheug mij met U over die volstrekte en
239
toch zoo zoete meesterschap, en bid U tevens, dat Gij te mijnen opzigte gebruik gelievet te maken van deze uwe goddelijke voortreffelijkheid. Stort in mij die heilige gedachten, welke Gij weet dat het meest vermogen op mij zullen uitoefenen, om U getrouw te dienen en vuriglijk lief te hebben. Ontsteek in mijn hart die gevoelens vaii vrees, van hoop, van haat, van liefde, welke het krachtigst zijn om de zonde te doen verafschuwen, de deugd te doen betrachten en naar den hemel te doen verlangen. Leid en bestuur Gij mij naar uw goddelijk welbehagen. Ik geef mij geheel over aan de hooge beschikking uwer wonderbare voorzienigheid, ik onderwerp er mij aan voor tijd en eeuwigheid. Ik betrouw in U, ik hoop in U. Gij zult mij ter zaligheid leiden. Dat beloof ik mij van uwe bewonderenswaardige wijsheid en van uwe onmetelijke, nooit volprezene liefde.
God verdiént van ons bemind te worden, omdat Hij de oneindige goedheid is.
Sarsts Punt,
God is een onmeetbare, een peillooze, een oneindige goedheid. God is de hoogste goedheid, de eerste goedheid. God is een oorspronkelijk goed, een oceaan van alle goed, een goed waar
aar ng-
ip! je-en, )rt-dig eet asiel de de ste )k-er-ire in
LIW
alt a ii ar ij-ijn de \'ij iet de or ïn sn n. ;n
240
geen goed meer bijgevoegd kan worden: want God heeft alles, bezit alles. God is zulkdanige en zoo groote goedheid, dat Hij goeds genoeg bezit om er alle schepselen meê te vervullen. Hij is goed in wezen, goed in willen, goed in handelen. Hij is goed, ja best van zijne natuurwege. Hij is goed en best door zijnen wil. Hij is een loutere, allerzuiverste en allerschoonste goedheid. In God heerscht een opperste neiging van goed te doen. Gods weldaden zijn een dégelijk bewijs van zijne goedheid, en doen ons klaar zien hoe goed Hij is. Om zijner goedheid te voldoen schiep Hij de wereld, uit de duistere diepte des niets zoo vele schoone en volmaakte wezens trekkend, en hen verrijkend met zoo vele en zulke verhevene hoedanigheden I Deze allerbeminneswaardigste, goddelijke goedheid stort in ons, met eene meest verkwistende milddadigheid, allerlei goed; niet omdat zij dat noodig heeft, maar alleen omdat zij goed is en hare neigingen wil involgen. God was, of liever is, eer Hij de wereld schiep, even gelukkig als Hij het is, nu Hij de wereld geschapen heeft. Alle zijne genadegaven deelt Hij ons mede om ons welzijn; en wat Hij ons geeft bereidt ons, om nog meer te erlangen. Hoevele schenkingen heeft Hij ons gedaan! Met hoevele bekwaamheden begiftigd! Met hoevele inspraken tot zaligmaking! Hoevele bovennatuurlijke genaden, en hoe menigmaal! En Hij wist, dat wij er geen waarde aan zouden hechten; en dat wederhield Hem toch niet, de eene weldaad op de andere te stapelen. En waarom? Opdat
241
wij zouden zien en beseffen hoe gr.ed Hij is, en hoe geneigd om ons schepselen wèl te doen. Zijne eindelooze goedheid verbeidt ons in deu hemel, om ons door eeuwige goederen en geneugten een nog sterker bewijs te geven hoe uiterst en oneindig goed Hij jegens ons is.
En ik... ik bemin dien God niet, wiens natuur geheel goedheid is, dien God welke zijne eindelooze goedheid geheel te mijner gunste besteedt! Voor wien zal dan wel de liefde zijn, tenzij om die hoogste goedheid lief te hebben ? O! wie kan van een oneindige liefde branden, om ze geheel en volkomen aan God te wijden! — O Heer! welk een kwaad bedrijft de zondaar! Hij toch beleedigt, min- en veracht het hoogste goed, de opperste goedheid, die om zoovele oneindige redenen verdient behaagd, bemind en gehoorzaamd te zijn!
Ik aanbid U, mijn hoogst beminnenswaardige goede God, en wil U al het meest mogelijke goed : den hoogsten lof, de diepste onderwerping, de hartelijkste liefde. O grenzelooze Goedheid! verleen mij dat ik U wete te kennen, opdat ik U wete te beminnen. Gij alleen zijt waarlijk goed, gelijk Gij alleen wezelijk groot zijt. Niets dat goed is ontbreekt U. Uit U vloeit alle goed, van U daalt al wat goed is neder. Schenk mij dan, dat ik U alleen lief hebbe, U, hoogste, U, oneindig goed. Laat nooit toe, dat ik zoo een groot goed als Gij zijt door de zonde beleedige, en gedoog niet, dat ik ooit te kort blijve aan den eerbied dien ik U verschuldigd ben. Hadde
242
ik mij daaraan nooit, bezondigd! Ware ik duizend maal in uwe liefde gestorven, alvorens U door zware zonden te kwetsen 1 Uwe eindelooze goedheid is mij klaar uit de wonderbare, onnoembare en onvergelijkelijke liefdeschenkingen, waarmede Gij mij zoo geheel belangloos begenadigd hebt. Ik verlang U beter te kennen, om U met meer vuur en teederheid lief te hebben. Verlich mij, 6 hoogste Goed, en verwarm mijn hart met uwe goddelijke liefde-schichten. Dat smeek ik U door Jezus\' verdiensten. Geef, dat ik U immer meer en beter kenne, opdat ik U hartelijker beminne. Amen.
fweii® Punk
God is de oneindige goedheid; maar dat is Hij ons ten gevalle. Wat zouden wij zijn, ware God niet zoo goed, niet zoo milddadig, niet zoo goedertieren als Hij het is? Waarlijk, wij hebben juist een God zoo als wij Hem behoeven, een God die ons zegent met overvloedige weldaden, in weerwil van onze ondankbaarheid. Hoe zeer wij Hem ook miskennen, verdraagt Hij ons niet alleen, maar behoedt en beschermt Hij ons, ja laat Hij geen oogenblik voorbij gaan, waarop Hij ons niet verrijke met duizend genadegunsten. Hoe zeer wij Hem door de zonde onteeren, is Hij altoos bereid om vergiffenis te schenken. Terwijl wij om onze overtredingen verdienen vernietigd en door duizend hellen te worden ingezwolgen, beurt Hij ons op, ja verheft
243
Hij ons boven de hemellichten, opdat wij eeuwig-lijk niet Hem zegevieren. Zoo\'n God hebben wij noodig, wiens goedheid ongedeerd blijft ondanks alle onze boosheid. Met al het groote en wonderbare dat God in de natuur-orde, in den hemel, op de aarde, in de lucht, in het water voor ons gewrocht had, was zijne onmetelijke goedheid niet voldaan. Hij rustte niet tot dat Hij den mensch voortbragt, tot dat Hij den mensch vrij-kocht, voor den mensch zijn leven gaf, tot dat Hij zijn bloed stortte voor zijne vijanden, tot dat Hij den mensch — als zijn geliefden vriend — een feestbanket aanrigtte, eene tafel opgedischt met zijn eigen vleesch en bloed, en waar het bloote beeld schuil gaat voor het ware wezen!
O goddelijke goedheid! O oneindige en aller-beminnenswaardige goedertierenheid!
Overweeg, mijne ziel, en herdenk het verbazend wonderbare dat uw God voor u gedaan heeft; hoe dat alles onmogelijk ware, indien God niet rijk was in onvergankelijke, onbegrijpelijke en namelooze goedheid. En zie dan of Hij, die dat alles voor u gedaan heeft, maar weinig wederliefde waardig is.
Mijne ziel, wist gij hoe goed God is, hoe zeer Hij u lief heeft, gij waret u zelve te klein van tevredenheid, en het hart zou u breken van jubel. O mijne ziel! waarom bemint gij niet een God die zóó goed is in zich-zelven en zóó goed jegens u? Waarom schenkt gij uwe gansche genegenheid niet aan eenen zoo minnenden en
244
zoo be minnelijken God? Waarom spant gij alle uwe krachten niet in, om uw hart door eene meer gloeijende liefde te doen branden ? Waarop kan zich uw wil beter toeleggen, dan om een\' in goedheid zoo uitstekenden God lief te hebben?
Ik maak het besluit alle mijne werken te verrigten met het doel om Gode te behagen. Ik zal Hem dikwijls zeggen: Heer ik doe dit.. . om U genoegen te geven.
Oneindiglijk goede God en Vader! Ik deel in uwe vreugde over deze uwe eindelooze beminnenswaardigheid. Ik belijd dat alle voorledene, huidige en toekomende, ja alle mogelijke schepselen er nooit toe kunnen geraken, U te beminnen gelijk gij behoort bemind te worden. Alleen uwe eigene oneindige liefde evenaart uwe oneindige beminnenswaardigheid. Bemin U-zelven dan, o mijn God, bemin U met een waardige liefde. Doch ook, schenk mij een brandende liefdewerkelijkheid, waarmede ik U lief hebbe naar al de krachten van mijn zwak vermogen. Uw goede wil mij-waarts zal mij die genade schenken. Gij, gij hebt mij goeds gewild zóó, d.it Gij voor mij zijt tnensch geworden en gestorven, zóó dat Gij U aan mij geschonken hebt tot spijs en drank. Ach ik dank er U duizendmaal voor, duizend maal wil ik er U voor prijzen en zegenen. Ik verwacht de eeuwigheid des Paradijses, om II daar mijne dankzeggingen te verontsterfelijken.
O opperste goede God! Ik bemin U met de hoogste liefde waartoe ik vatbaar ben. Ik bemin uw genoegen en zelfbehagen. Ik betuig U dat ik,
245
al wat ik doe, verrigten wil ovi U, d niinnelijksie goedheid, genoegen ie geven.
Dikwijls — dit neem ik mij ernstig voor — dikwijls zal ik U deze betuiging herhalen. Doch, ó God vol van goeden wil jegens mij, help mij, cpdat ik het zoo doe. Besteed in mij de schatten uwer magtige genade. Verleen mij dit groote goed: dat al mijn verlangen, al mijn denken, al mijn handelen tot U gericht zij, om U te behagen. U alleen. Daarom bid ik U, door uwe U geslagen heilige lijdenswonden: wonden in uwe handen en voeten, in uw God-menschelijk liefdehart. Door de verdiensten van uwen smart-vollen voor mij gestorven kruisdood, geef mij die genade. Dat heloof ik mij van U. Verleen het mij, ik smeek het U, ó ja verleen het mij, en neig uwe ooren naar mijne hoopvolle smeekingen!
Hef ie Punt,
God verdient van ons bemind te worden om zijne oneindige grootheid.
God is waarlijk groot. Buiten God is er niets of niemand waarlijk groot. Gij alleen ó mijn God, zijt de allerhoogste, het Opperwezen, Gij alleen zijt groot.
De mensch kan in de eene of andere bijzondere uitmuntendheid betrekkelijk-groot zijn; maar nooit, volstrekt nooit in alles. Iemand is groot om de verhevene waardigheid waarin hij geplaatst is, maar tevens is hij misschien van mindere afkomst. Een ander is van groeten
246
huize, maar heeft geene bijzondere persoonlijke hoedanigheden. Een derde munt uit in heldenmoed, maar hij mist voorzigtigheid, enz. — Geheel anders is het met God gelegen. God is groot in alles; groot in magt, groot in goedheid, groot in heiligheid. Gods grootheid is bovendien onmetelijk, oneindig, onbegrensd, terwijl der menschen grootelijkheid broos en onbestendig is; zij is afhankelijk van de waardeering en denkwijzen van andere menschen. Maak, dat deze haar verachten of er de geheugenis van verliezen; en de aardsche grootheid houdt op grootheid te zijn. Maar Gods grootheid verandert niet, de Allerhoogste houdt niet op groot te zijn, al wordt Hij ook van de menschen niet gekend, erkend of herdacht. Menschen maken slechts vertoon van grootheid, als zij met minderen vergeleken worden. Een edelman schijnt groot tegenover een burger, maar vergeleken bij een prins, geraakt die edelman weêr op den achtergrond; en die prins zelf schijnt, in het gezelschap van een koning of monarch, niet veel bijzonders meer. Maar nu, een koning tegenover God 1 \'t Is een nieteling, een loutere niet. — De Schepper alleen heeft van zich-zelven alle grootheid, en deze komt des te meer uit, naar mate men haar vergelijkt met al wat niet God is. — De menschen worden groot gemaakt door andere menschen, en dan nog moet God er tusschen beiden komen: een koning schat zijne grootheid naar het getal zijne onderzaten, een veldheer naar de getalsterkte en dapperheid
247
zijner soldaten. Maar God is groot uit zich-zelven, in zich-zelven bezit Hij alle grootheid, en deze is Hem wezenlijk eigen,en dat oneindiglijk. De Schepper is van zich-zelven even groot als Hij het zijn zou, indien Hij, in plaats van eene, millioenen werelden aan zijne heerschappij onderworpen had. — De grooten dezer aarde zijn veeltijds slechts groot in onze meening. Zij schijnen ons groot—■ zeide eertijds een wijze — omdat wij klein zijn. Indien wij opstegen en groot werden, dan zouden zij op hunne beurt klein worden; doch hoe zeer wij ook in verhevenheid kunnen winnen, wij zullen altoos klein zijn voor God.
Sommige menschen achten wij groot, en wij bedriegen ons. Wij noemen groot degenen die boven anderen uitsteken in rijkdom, in waardigheid, in magt. Zulke grootheid is slechts eene geleende. De verdienste alleen is het, die de ware grootheid maakt, en alleen de deugd is de moeder der ware verdienste. Van daar dat God oneindiglijk groot is, omdat Hij oneindig-goed en heilig is. De menschelijke grootheid is voorbijgaande, zij bepaalt zich bij \'s menschen leven en bij de nog onzekere geheugenis van andere menschen. Alles snelt voorbij, alles ontglipt; maar uwe grootheid, ó m\'jn God, was altijd en zal altoos wezen; want zij is uwer natuur eigen, van allen en alles onafhankelijk. — Intusschen, welke achting heb ik voor die oneindige Gods grootheid? God alleen verdient mijne gansche achtirg, want God alleen is oneindig groot. Hoedanig ontzie en
248
eerbiedig ik zijne groote Majesteit, hoedanig zijne wetten? Verkies ik en hoe, Hem genoegen te geven boven alle schepselen ? Wat doet men niet) om den grooten dezer aarde te believen, wat niet om hunne luimen en grillen in te volgen ? Maar wat zou ik niet behooren te doen, om den Allerhoogste welgevallig te zijn!
Groote, allerhoogste God! Ik acht en bemin TJ boven al wat aardsch is. Ik wil U behagen door het nauwkeurig naleven uwer heilige geboden; hen stel ik boven mijn eigene voldoening, en nooit wil ik U mishagen ten gevalle van eenig aardsch schijngenot. Veriich mij, ó Heer, opdat ik uwe grootheid wel doorgronde. Stort in mijn gemoed een allerhoogste achting en doordring mijn hart met den diejosten eerbied voor uwe goddelijke grootheid. Gij toch zijt groot in alles; groot in heerschappij,omdat Gij aan allen gebiedt — groot in magt, omdat Gij alles kunt — groot in wijsheid, omdat Gij alles weet—groot in onmeetbaarheid, omdat Gij alles omvat — groot in goedheid, omdat Gij aan allen alle goed verstrekt. Ik schep behagen in alle deze uwe eindelooze grootheden; want ze zijn uw eigendom, en doen U de beste in alles zijn. Ik verheug mij in en over alle deze uwe grootheden, omdat zij uwe schepselen groot en verheven maken; want door uwe grootheden naderen zij U en worden zij tot U gevoerd. Immers, de braven wijden zich aan U toe en ó I dan worden zij zoo groot in uwe oogen : groot door de genade welke hen tot vorsten verheft, ja tot
240
uwe kinderen, groot in deugden, door welker kracht zij de aardsche goederen vertrappelen, de geziene dingen verachten, hunne blikken en neigingen hooger opwaarts tot de hemelsche goederen keerend, omdat deze alleen groot en achtingwaardig zijn.
O groote God ! door de volheid uwer genade trek mijne ziel tot U, opdat zij zich met U vervoege en vereenige door nimmer breekbare liefdebanden. Geef, dat ik door middel dezer heilige vereeniging overvloedig deelachtig worde aan uwe liefdegaven, en deze mij inwijden in de kennis uwer ongenoemde uitmuntendheden. Geef, dat mijne ziel groot zij in de liefde uwer grenzelooze beminnelijkheid, groot in zucht en zorg om U te behagen. Vuriglijk en van ganscher harte begeer ik, U grootelijks te vereeren. Daarom smeek ik (J om uwe verhevene genadegaven, ik smeek er U om door uwe hooge barmhartigheid en ontferming, door uwe onmetelijke goedertierenheid. Ik bemin U en heb U lief, o God oneindig in grootheid. Ik maak het besluit, mij van alle, ook van de minste vrijwillige overtreding te wachten, om uwer allerhoogste Majesteit niet te mishagen.
250
God verdient van ons bemind te worden om zijne oneindige barmhartigheid-
isrste Pint»
God verdient ten hoogste van mij bemind te worden, omdat Hij hoogst barmhartig is, en mij oneindige bewijzen heeft gegeven van de liefderijkste ontferming.
De afschuwelijkste ellende, waarvan God mij meermalen verlost heeft, was de zonde, dat kwaad, door mijne eigene krachten niet alleen, maar door de pogingen van alle menschen en Engelen, ja van alle mogelijke schepselen, ongeneeslijk en onherstelbaar. Van dat zoo vreesselijk onheil en jammer heeft God mij zoo dikwijls en op eene zoo wonderbare wijze verlost, door het God-menschelijk bloed van die Hem Zoon is, ja eengeborene. Zijne liefdevolle erbarming heeft mij eene zoo moeielijke zaak — het aan de zonde ontheffen mijner ziel — hoogst gemakkelijk gemaakt. Indien ik mij, alleen door eene akte van waar berouw, dat dierbaar Bloed toepas, wordt mijne ziel rein en gezuiverd van millioenen allerafschuwelijkste zonden, indien ik het ongeluk hadde gehad er zoo vele te bedrijven. Is dat niet een onvergelijkelijke erbarming, mij met zoo weinig vrij te maken van een eindeloos kwaad? Van uit eenen allerrampzaligsten staat van vijand van God — waarin ik verdien van
251
God gehaat en vei acht te worden — over te gaan tot de hoogste waardigheid waartoe een mensch bekwaam is: tot de kindschap en vriendschap van God, en dat gepaard aan het volle regt tot de erfenis des hemels?! En dat geneesmiddel, hetwelk mijne schuld uitwischt, en mij herstelt in het bezit van zulke uitmuntende genadegaven, dat gewordt mij niet ééne reis, maar staat daar als gereed duizenden duizend-malen, zoo menigwerf als ik er behoefte aan heb! —-Indien wij, na honderd jaren van eene allerstrengste boetpleging, in vasten, in haire kleederen, enz. ons, met behulp van dat Heilands bloed, van de afschuwelijke misvormigheid dei-zonde konden vrij maken, dan nog zouden wij ons hoogst gelukkig te achten hebben. Maar de naamlooze goedertierenheid van onzen God eis^cht zoo veel moeielijks en hards niet. Hem genoegt een enkele akte van goddelijke liefde, dat alleen doet onze ziel van de afschuwelijkste besmetting der zondeschuld overgaan tot den staat van een allerschoonste wezen, hetgeen als vergoddelijkt wordt door de kostbaarste gaven van hemelsche genade. 01 hoe beminnelijk is God om deze oneindig-milddadige en zoo dikwerf herhaalde barmhartigheid! Hoe zeer verdient eene zóó ontfermende goedheid geheel onze liefde ! Hoe zeer veidient zij, dat zij ook in het minst niet gekwetst of beleedigd worde!
Hierom maak ik het besluit God dikwijls te bidden, dat ik Hem nooit opzettelijk, zelfs nooit door ligt ere zonden moge vergrammen. Hij toch,
252
die zoo uitermate goedertieren en barmhartig is, Hij is al mijne vereering en liefde allerwaardigst. Het ware dus eene uiterste boosheid, Hem op nieuw te beleedigen, die mij zoo menigmaal vergeven heeft.
Mijn allerbeminnelijkste God en lieve Heer! voltrek in mij de menigvuldigheid uwer barmhartigheden met de gave uwer heilige liefde, opdat deze mij in haat stelle tegen de zonde, en mij belette U ook in het minst te mishagen. Ik dank, loof en zegen U, dat Gij mij de vergiffenis mijner zonden zoo makkelijk gemaakt hebt. Ik bedank U dat Gij U, om mij vergiffenis te schenken, met zoo weinig tevreden stelt; met eene akte van opregt leedwezen. Wie zou dat gelooven, 6 mijn God, indien Gij-zelf het mij niet haddet geopenbaard? O lieve ingewanden vol medelijden en zoete ontferming! Wie anders dan Gij —-oneindig in uwe verhevenheden — wie kon zulk eene goedheid hebben, wie zulk eene erbarming uitoefenen? — Wees gezegend voor altijd, wees door Engelenkoren geprezen, en verheerlijkt door alle begrijpende schepselen ! Ik bemin U, ó oneindiglijk barmhartige God, God die zoo vaardig zijtin het kwijtschelden der snoodste en zoo menigwerf herhaalde misdaden. Gij verdient alle liefde van menschen, die U alles verschuldigd zijn. Gij zijt geheel mijne genegenheid overwaar-dig; want Gij hebt zoo goedertieren vergeten hetgeen ik tegen U misdreven had. Ach! konde ik, om U te dienen, om U wegens uwe grenzelooze ontferming in eeuwigheid te verheerlijken, aller
253
schepselen liefde in mij-alleen vereenigen 1 Ik bid en smeek U; reinig mijn hart van alle boosheid, zuiver het meer en meer van alle ongeregtigheid, en maak dat ik U nimmermeer vergram me. Dit zal ik dikwijls van U afsmeeken : de genade van niet te zondigen, de genade van nooit door de zonde van U gescheiden te worden.
Pint,
Ik ga nog andere barmhartigheden overwegen, waarmede onze lieve Heer mij begenadigd heeft tot verlichting mijner zoovele groote ellenden.
Ik... ik ben een zamenstel van onwetendheden) van dwalingen, van boosheden. Ik ben een put van zonden, eene mijn van ondeugden. Zóó werd ik geboren— ontvangen in zonde zoodanig zoude ik gebleven zijn, ja door te zondigen, zou ik ellenden en jammeren op jammeren en ellenden gestapeld hebben, ware God jegens mij niet allerweldadigst geweest, in al dat ongelukkige en snoode te verminderen en te verbeteren. Wie sprak voor mij eer ik werd geboren, wie, opdat God mij ter wereld dede komen in een katholiek land, of mij althans het leven gaf door katholieke ouders? Alleen de goddelijke barmhartigheid^ Deze gaf mij het aanzijn in omstandigheden^ waarin ik den waren God duidelijk kennen, in de te gelooven waarheden grondig onderwezen, in de te beoefene deugden liefderijk onderrigt konde worden. Hoe vele onderwijzingen deed God mij geworden, om mij tegen de valsche
254
grondregelen te wapenen, en mij regtte houden op den weg die ten hemel leidt! Hoe veel heilige gedachten stortte Hij in mijnen geest, en hoekrachtig bewoog Hij mij het hart ten goede! Het was Gods barmhartigheid welke zoovele en zoovele bekoringen verre van mij hield, en niet toeliet, dat de duivel mij tot verdervens toe zou plagen. Zij gaf mij moed en kloekheid, om aan zoovele andere alleiieislagtige verzoekingen te weêrstaan. Zij deed mij smaak vinden en tevredenheid in het beoefenen van goede hemelwaarts voerende werken. Zij deed mij de ondeugd haten die ik gevlugt, het heilige en heilzame lief hebben dat ik betracht heb. Zij ontnam mij mijns harten hardheid, en begenadigde mij met deugdelijke vastheid en volstandigheid. Had ik het ongeluk van af te dwalen, en mij te verslingeren in dwaze geneigdheden voor schepselen, dan volgde Zij mij als op de hielen, Zij riep en herriep mij lijdzaam en welwillend, om met haar in vriendschap weder te keeren. Zij bragt in mijn gemoed de kennis van mijnen rampzaligen zondestaat, en vermurfde mij het hart door droefheid en leed over de bedrevene misstappen. En dat zoo menigmaal, telkens wanneer ik gezondigd had ! O ! onschatbaar en talloos is de maat en de verhevenheid van goddelijke genaden, van verlichtingen des H. Geestes, van bovennatuurlijke lichtsralen, van hemelsche vertroostingen, waarmede zij mijne zwakke ziel vervuld heeft. Er zijn vele Heiligen, jegens welke de goede God minder barmhartig is geweest dan jegens
255
mij. En die Heiligen zullen niet ophouden Hem door alle eeuwigheid, voor die mindere van Hem ontvangene geuadeschenkingen, te loven. O 1 dacht ik ernstig aan die diepte van goddelijke goedertierenheid, voorwaar, mijn geest zou als geheel wegsmelten in akten van brandende liefde jegens mijnen God. — Dat te overdenken zal eeue mijner zoetste bezigheden wezen in den hemel, dat herdenken dier uitstekende en namelooze ontfermingen, die God jegens mij heeft uitgeoefend. Doch reeds op deze aarde moet ik deze overweging vuriglijk betrachten. Ik maak dan ook het voornemen, dikwijls hieraan te zullen denken.
O allerweldadigste, 6 allerbarmhartigste, 6 hoogstontfermende God! geef mij, onder de menigte uwer goedgunstigheden, deze genade ; geef mij, dat mijne dankbaarheid eenigzins geëvenredigd zij aan uwe uitgestrekte goedertierenheid. Ondersteun mijne flauwe zorgeloosheid door uwe sterke kracht. Verlich mijne onwetendheid en verdrijf mijne dwalingen. Schenk mij vastheid en volstandigheid in uwen heiligen dienst. Voeg, 6 Heer, voeg barmhartigheden bij barmhartigheden, zegeningen bij zegeningen, genaden bij genaden; want ik ben zwak en uiterst behoeftig. — Ik jubel van vreugde en tevredenheid bij de gedachte, dat ik een God, een Vader heb, oneindig in barmhartigheden, een Vader in wien ik altoos kan en wil hopen ja hopen ofschoon. . . liever, omdat Hij bekend is met mijne onverdiensten, met mijne onwaar-
256
digheid, met mijne onmagt en ellenden. O mijn God en lieve Vader I hoe wél komt de oneindigheid uwer barmhartigheid te stade bij den afgrond mijner nietigheid 1 O I overwin de afschuwelijkheid mijner ongeregtigheden door de grenzeloosheid uwer ontfermingen. Gij, mijn God en liefste Vader, Gij hebt zulke zoetlieve ingewanden van goedertierenheid ! Gij schenkt dagelijks vergiffenis, Gij ontveinst telken dage hetgeen wij telken dage tegen U misdrijven, telken dage overlaadt Gij ons met weldaden in weerwil onzer slechtheid. Ik hoop en betrouw dus altoos in U, op U. Ik hoop, dat Gij als een teêrhartige Vader mij altoos zult liefhebben, dat Gij voor mij — uw kind — zult zorgen, dat Gij mij zult verdedigen en beschermen, dal Gij mij eindelijk met gunsten zult begenadigen ten eeuwigen leven. Dat vraag ik van U, ik nederige, daarom bezweer ik U door de grootheid uwer barmhartigheden, door het lijden en den dood van uwen dierbaren Eengeborene, door den lof en de zegeningen welke U van de gelukzaligen worden toe gegalmd. Ik bemin U, 6 God van mededoogen, en om U beter te beminnen en inniger lief te hebben, maak ik het besluit, dikwijls de wonderen te overwegen, welke Gij uit loutere barmhartigheid voor, in en jegens mij gewrocht hebt.
Serie Punt.
Ik ga van meer nabij de uiterste verfijndheden van Gods barmhartigheid jegens den zondaar
257
gade slaan, eene barmhartigheid die ik zelt ondervonden heb, wanneer ik mij in dien aller-ongelukkigsten toestand gedompeld zag.
Welkdanig toch is Gods geduld en verdraagzaamheid, als Hij den zondaar — zijn vijand — zoo lang afwacht tot boetvaardigheid! Welke edelmoedigheid in het ontveinsen van allergrofste en dikwerf wraakaftergende beleedigingen, waarmede God in zijn aanschijn door den zondaar, versmaad wordt! De mensch... hij ontveinst deels uit onwetendheid, welke hem het hem aangedane ongelijk verbergt, deels uit onvermogen, omdat hij onmagtig is het hem aangedane te straffen en te beletten. Maar God! Hij weet en ziet alles, en niets ontbre kt Hem om den zondaar met zijne regtvaardige wraakneming te tuchtigen. En toch ontveinst Hij, Hij zwijgt en verdraagt! Jaren en jaren wederstaat Hij aan de dringende inspraken zijner onbevlekte heiligheid, aan zijne regte regtvaardigheid, aan zoo vele goddelijke volmaaktheden, die geen vrede kunnen hebben met de schuld der zonde, die ze van de aarde zoude willen uitgeroeid zien en met den zondaar begraven in den eeuwigen vuurgloed.
Eindelijk wanneer de Almagtige ziet, dat hij den zondaar langen tijd vruchteloos tot boetvaardigheid en bekeering heeft afgewacht, en zich daarom verpligt weet op wraak bedacht te zijn, dan nog kent zijne barmhartigheid geen einde: zij bedreigt den zondaar, zij doet zich schrikwekkend hooren, opdat de schuldige door
11
224
En ik zou dien almagtigen Heer. die zooveel onbegrijpelijks voor mij heeft gewrocht, niet lief hebben, ik zou Hem mijnen dienst weigeren, ik zou dit althans niet voor Hem over hebben, d.it ik Hem tracht te believen door mijn goede werken I
Ach! ik maak het besluit, dikwijls aan Gods verbazende weldaden jegens mij te denken, Hem er voor te bedanken. Hem er om te beminnen.
O groote God, magtige Schepper en opperste Weldoener I ik bewonder uwe almogendheid, en breng haar hulde voor al wat zij mij doet genieten, \'t Is uwe schenking, \'t is een louter uitvloeisel uwer goddelijke milddadigheid, een uitwerksel uwer lieve liefde. Ik bedank U voor al het ont-vangene, en voor al wat ik nog van U te wachten heb. Uwe almagt is mij een voorwerp van innige vreugde, van een niet te eindigen jubel; want zij is uw eigendom, eene uwer oneindige volmaaktheden. Gezegend Gij, aan wien ik alles te danken heb 1 Mijne ziel is uwe gaaf; ik geef ze U, opdat zij uwe slavinne zij, en zich als dusdanig geheel aan U en aan alle uwe bevelen onder-weipe. Gij verleendet mij verstand en geheugen; ik wijd ze U toe, opdat ze zich besteden om U te kennen en uwer te gedenken. Mijn wil is eene schenking van uwe goedertierenheid; hij zij gestadig bezig met U betuigingen van wederliefde op te zenden Ook het leven ben ik U verschuldigd; duizend maal wil ik het slagtofferen, liever dan slechts éénmaal U door zware zonde te bedroeven.
225
Geef mij, ik bid het U ootmoediglijk, geef mij hulp en genade, dat ik alle mijne krachten inspanne tot uwen heiligen dienst, tot liefde en dankbaarheid. O! uwe oneindige almogendheid zal mij bijstaan; dat hoop ik, daarop betrouw ik onwrikbaar. Indien Gij wilt, kunt Gij mij alles geven. Geef dat ik U beminne. Verlich mij door den glans uwer goddelijkheid, opdat ik immer meer en beter doorzie en doordringe tot in het gewigt van weldaden, waarmede Gij mij even vermogend als goedgunstig begenadigd hebt. Dan zal ik U inniger lief hebben, dan zal ik U getrouwer dienen, dan zal ik U bereidvaardiger gehoorzamen. Dikwijls — dit neem ik mijvastelijk voor — dikwijls zal ik uwe mij bewezene weldaden overwegen, opdat door deze overweging mijne ziel vuriger en levendiger zij in U te beminnen, en ik alles uit liefde voor U te doen wal U kan behagen.
leiie Finfe.
Welke gevolgen moet ik tot mijn troost en onderrigting trekken uit de tot hiertoe overwogene goddelijke almagt? — God kan alles, ook datgeen wat den mensch onmogelijk schijnt. Tot op het niet oefent God zijn alvermogen uit, uit dat niet zelfs weet Hij volmaaktheden te voorschijn te brengen. De domste en onzinnigste schepselen worden als redelijk en vernuftig, wanneer zij overtogen worden met dien geest van Gods almagt ; dan vergeten zij als \'t ware de neigingen
226
die hun natuurlijk zijn, om Gods gevoelens te volgen ; ja zij hebben geene neiging, dan die van zich te bewegen op de wenken diens grooten Heeren. Trouwens, de schepselen behoeven vele middelen, om soms nog maar zeer geringe zaken uit te voeren. Maar God is zich-zelven genoeg om alles te ondernemen en tot bestaan te brengen. Hij vindt in zijne onbegrensde magt een voorschot dat onuitputtelijk is. Hem is het willen genoeg om alles te kunnen, \'t Is waar. Hij bedient zich van de schepselen; maar Hij heeft ze niet noodig. De schepselen ontleenen geheel hunne bedrijvigheid van God, zonder wien zij niets vermogen. Wat dan heb ik in mijne nijpenste behoeften te vreezen, indien ik op den Almagtigen betrouw en op zijne almogende bescherming ? Hoe kan hij te gronde storten, wiens zwakheid leunt op deu arm van die almagtig is? Hoe kan hij bezwijken of verloren gaan, wien God een burg is. — God kan alles; welk loon heb ik dan van Hem niet te wachten, indien ik ernstiglijk zijn wel-meenend dienaar ben! Hij heeft aan zijne vergeldingen geen andere palen gesteld, dan die zijner eindelooze goedheid cn van zijn onbegrensd vermogen. Hij wil mij beloonen met eene zoo onschatbare gelukzaligheid, dat het een werk zij zijner oneindige almagt waardig. God kan alles! Hoe zeer heb ik dan te duchten, indien ik mij verstout. Hem door de zonde te beleedigen, aangezien Hij over een eindelooze magt te beschikken heeft om mij te straffen. God kan alles! Dus kan ik niet wanhopen van de vergiffenis
227
mijner zondeschulden, hoe veelvuldig, hoe groot, hoe afschuwelijk zij zijn mogen; want zijn goddelijk woord verzekert mij, dat de Allerhoogste in deze wereld vooral praalt, met zijne almagt te doen uitschijnen in het kwijtschelden der grofste beleedigingen. De almagt des Scheppers is bron en maat van zijne barmhartigheid. — Gij, ó Heer, hebt medelijden met alles, omdat Gij alles vermoogt; uw vermogen kent geen paal. — Met U wensch ik mij-zelven geluk, dat ik tot Heer en Vader, tot Schepper en Zaligmaker dengeenheb,die met zijn wil alleen alles vermag. Daarom hoop ik in U, aan wien het natuurlijk is wèl te doen, aan wien het geené moeite kost zijne schepselen met gunsten te verrijken. O hoogst Ontfermende, zie neêr op mijne zwakheid, versterk mij in het goede, stort in mij een vaardige kloekheid om des duivels verzoekingen af te slaan, verleen mij een onwrikbaren moed, um te wederstaan aan zijn verleidende aanlokkingen en aanlokkende vlijerijen, versterk mijn hart tegen den schimp dei-lage begeerlijkheid, opdat ik ze breidele en aan uwen heiligen wil onderwerpe. Den martelaren schonkt Gij zóó een heldhaftig vermogen dat zij, hoe zwak ook uit zichzelven, over de woede der wreedste folteringen zegevierden. Verleen ook mij dat bovenmenschelijk vermogen over en tegen mijn vijanden. Dan zal ik hen niet vreezen; mijn eenige vrees zal zijn van U te vergrammen, ontrouw te worden aan uwen heiligen dienst, U te ontvallen, U te mishagen.
Ik bemin U, o almogende God! Het is mij zoet
228
en lief U te bevredigen, en, door aan U te behagen, mij het loon waardig te maken, dat uwe almagtige goedertierenheid haren dienaren en vrienden heeft voorbereid. Vernietig, door den bijstand uwer genade, mijne zondige en tot zonden voerende driften, ontneem mijner ziel al wat haar stremmen en hinderen kan in het nauwkeurig betrachten harer pligten, opdat ik U getrouwelijk diene, in alles vaardig gehoorzame en altijd vuriglijk liefhebbe.
God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij de oneindige wijsheid is.
iefite Pui
Een uitmuntende voortreffelijkheid, waarom God verdient van mij bemind, boven al het geschapene geacht, en zijn aanbiddelijke wil boven alles gesteld te worden, is zijne oneindige Wijsheid. God is het volmaaktst verstand, dat alles weet, dat alls ziet, dat alles begrijpt. Er is geen zonnestofje in de lucht, geen greintje zand in de zee, geen graspiertje op het veld, dat God niet kent, niet doordringt, niet in- en doorschouwt tot in hunne schijnbaar nietigste en meest verborgene eigenschappen. Geen diertje zoo nederig op aarde, geen worm of insekt, geene gedachte in \'s menschen geest, geene
229
beweging in eenig geschapen hart, dat zich aan God niet klaar en open voordoet, gelijk de glansrijke vuurzon op het midden van den dag. Al wat op aarde wemelt en bewogen wordt, dat alles kent God in allen deele met al deszelfs hoedanigheden, hoeveelheden, omstandigheden, dat alles ligt voor Hem open, geteld rn gerangschikt. God heeft alles getelt en gemeten, als ware het een enkel schepsel, voor Hem is er geene verscheidenheid, geen maat of getal. Hij verwart niets. Hij vergeet niets. Hem ontglipt niets, — O onbegrijpelijke Wijsheid I
God heeft daarenboven voor oogen al wat voorleden is, als ware het huidig en tegenwoordig. Hij kent klaarblijkelijk al wat er sedert den aanvang der wereld tot op heden is voorgevallen. Wat zoo vele milioenen menschen dachten, wat zij begeerden, wat zij verrigteden, wat aan zoo vele planten en gewassen, wat aan zoo vele dieren en insekten, wat aan alles en aan allen op deze door hen eenigen tijd bewoonde aarde wedervoer, dat alles en wat daarbij niet genoemd noch opgesomd kan worden, dat alles is Hem oogenschijnlijk.
Nog weet en kent God al wat komen moet, al wat nog zijn zal: zoovele verlangens, zoo vele gewaarwordingen van liefde in het hart der gelukzalige en hemelsche geesten, niet alleen gedurende duizende jaren, maar door de gansche toekomende eeuwigheid. Dat alles kent God, dat weet God, dat ziet God duidelijk en helder en klaar, als kwame het op dit oogenblik onder
230
zijn goddelijke oogen. En dat kennen van het toekomende benevelt Hem de kennis en het weten van het voorledene niet, dat doet Hem hetgeen geweest is niet vergeten. Met een enkelen blik zijner goddelijke Wijsheid treft Hij van de eene tot de andere eeuwigheid, ziende wat met mogelijkheid gezien kan worden, zonder twijfel, zonder hapering, zonder verwarring, zonder dat het voorledene zichmenge met het tegenwoordige of toekomende, of met iets wat aan verbeeldingkracht onderworpen is. —De goddelijke Wijsheid is een verrukkend schouwtooneel, waarop zich Gode al wat mogelijk is, onderscheidenlijk voordoet ; oneindige aan de onze gelijkende werelden, oneindige aan de onze niet gelijkende werelden, werelden die God kan voortbrengen en vervullen met allerverschillendste schepselen,\'metschepselen oneindig in elk soort. Het goddelijk verstand is eene schouwplaats van alle denkbare schoonheden, van schoonheden omtrent welke God de wonderlijkste denkbeelden in zich heeft. Vanuit dat groote volk van mogelijke schepselen ontdekt God wat zij zouden verrigten, wat willen, wat denken in alle omstandigheden van elk oogenblik eener gansche eeuwigheid, waarin zij zich zouden kunnen bevinden. O onbegrijpelijke afgrond 1 O onaaspoorbare onmetelijkheid i O zeediepte van Gods. eeuwige Wijsheid!
Nog meer treffend en verbazingwekkend ; God weet, kent en doorziet alles op eene allervol-maakste en volkomenste wijze. Hij weet en kent het, zonder het ooit geleerd of bijgeleerd te hebben.
231
Sedert God God is, weet Hij wat Hij weet, het voorledene, het tegenwoordige, het toekomende, het bestaande, maar ook het niet-bestaande, mogelijke. O diepte der goddelijke wetenschap ! O verstomming der ongeschapene Wijsheid!
Een ander wonder : God kent al wat tot hiertoe overwogen is, door een eeuwige gedachte vol klaarheid en helderen luister. God redeneert daar niet over, maar begrijpt het alles met een enkelen blik zijner onmetelijke wetenschap.
Hoe nu zou ik zoo een goddelijk verstand, zoo eene oneindige Wijsheid niet eerbiedigen, niet onderworpen gehoorzamen ! O ja, ik maak het besluit mij in alles aan Gods heilige Wijsheid, aan Gods aanbiddelijken wil te onderwerpen. Hoe toch zou ik niet vreezen, die alwetende Wijsheid door een eenige overtreding te kwetsen, hoe zou ik iets bestaan dat beleedigend zou wezen voor de oogen dier oneindig-verstandclijke Majesteit!
O God in alles oneindig 1 wat vreugd voor mij, dat Gij zoo grenzeloos wijs en alwetend zijt boven alle begrip en wetenschap 1 Ik weet nu, dat Gij een onveranderlijk verstand zijt, waarvoor niets is verborgen. Ik weet, dat Gij met een enkelen blik uwer alles inziende kennis alles doorgrondt. Gij zijt dat heldere licht, hetwelk geene duisterheden noch verborgenheden kent, uwe wetenschap is onbeperkt, en de door U gekende waarheden zijn zonder tal. Gij kent oneindige dingen en hebt ze nooit aangeleerd noch nage-vorscht. U is alles van- en tot in alle eeuwigheid
232
tegenwoordig, en millioenen jaren zijn voor U een stip. Gij verlicht alle geesten, en verspreidt den glans uwer wetenschap over al het geschapene. O wijsste God, ó goddelijke Wijsheid I hoe zeer verdient Gij om deze voortreffelijkheid van mij bemind, geëerd en gediend te worden ! Gij vergeet niets; Gij zult dus ook het weinige goeds niet vergeten dat ik U ter eere zal mogen verrig-ten. Ik maak het besluit veel goeds te doen uit befde tot U, om U te believen. Tot dat einde onderwerp ik mij gaarne aan uwe wijze verordeningen en bevelen; ik wil ze met ijver betrach • ten en naleven. Niets van al wat Gij geboden hebt zal ik veronachtzamen. Ik bemin U, d eimielooze wijsheid, ik iemen U met geheel mijn hart.
Tweede Ftint.
Overdenk, mijne ziel, hoe gij verpligt zijt God lief te hebben, omdat Hij zijne oneindige wijsheid heeft aangewend tot uw voordeel en tot uwe zaligmaking.
Gods wijsheid denkt gestadig aan mij, zij waakt over mij, zij houdt zich met mij bezig, als ware ik alleen op de wereld. Bij dag en bij nacht besteedt zij zich om mij wèl te doen, ja zij overlaadt mij met eene magt van onbegrijpelijke genaden en zegeningen, ondanks mijne Haar zoo bekende overtredingen en zonden. Van af de voorledene eeuwigheid was zij op mij, nietigen worm, liefdevol starende, van toen
233
af maakte zij plannen wegens al dat heil, hetgeen ik reeds van haar heb genoten en nog van hare zorgende goedheid te wachten heb. Het was Gods opperste wijsheid die de wereld denkbeelde, met die orde en wonderbare evenredigheid van schepselen, waarmede zij van haar begin door duizende jaren heên staande en behouden bleef. Diezelfde wijsheid wrochtte dat schoone Paradijs — Gods heerlijkst wonderwerk— dat onvergelijkelijk verblijf der gelukzaligen, dat Eden van eeuwig-hemelschen wellust. Nog met de eigene hoogste wijsheid ordende God de middelen, waardoor ik mijne zaligheid zou bewerken en tot de onsterfelijke glorie opstijgen. Die wijsheid bestuurt mij op dezen stond, doet mij den weg kennen en volgen die ten hemel leidt. Tot dat zelfde oogmerk verlicht zij mij door zoovele nuttige leeringen. Doch inzondeiheid ; toen de zaak mijner onsterfelijke gelukzaligheid door de zonde van den eersten mensch verloren was, toen vooral vond de eeuwige wijsheid raad, en voorzag zij liefderijkst in het onmogelijke van mijnen kant. Toen wist zij hare voortreffelijkheid te doen schitteren om, met inachtneming der menschelijke waardigheid, alles te herstellen: uit een uiterst onheil wist zij een uiterst heil, uit de diepste ellende het hoogste goed te trekken. Die wijsheid beschikte het, dat een goddelijk Persoon mensch werd, ten einde van den mensch zeiven een God te maken. Zij vond het middel van den onsterfelijken te doen sterven, opdat nietige
10
234
sterfelingen een onsterfelijk leven van eeuwige genieting niet zouden missen. Die onbegrijpelijke, schijnbaar onzinnige wijsheid verkeerde het vleesch van een God-raensch in een zelfstandig voedsel onzer zielen, mij een goddelijk bloed nalatende tot prijs mijner vrijmaking ja, maar ook tot prijs mijner onsterfelijke gelukzaligheid.
Beseft gij nu, mijne ziel, hoe groot uw geluk is: een zoo wijzen Heer tot God te hebben, die zijne onbereikbare wijsheid aanwendt, om de grootste wonderen te wrochten tot uw voordeel, en die tot vergelding van al dat onbe-grijpelijk-liefdevolle niets anders eischt dan uwe wederliefde ? — En ik ... ik zou mij niet laten leiden door een zoo wijs Wezen, door een God die alles kent, die niet kan falen, die alleen en volkomen weet wat mij tot heil strekt: voor-of tegenspoed, beproeving of troost, lijden of verkwikking 1 Al dit wil of beschikt of laat die oneindige wijsheid toe, opdat het mij hoogst nuttig zij, opdat het mij tot mijn eeuwige zalige bestemming voere. Waarom dan mij niet geheel overgegeven aan dien alles wetenden, alles wijsselijkst en liefderijkst bestierenden God?
Ik maak het besluit mij dikwerf aan God op te dragen, Hem zeggende: Dat uw allerheiligste wil volbragt worde gelijk in den hemel, zoo ook op aarde — en ... zoo ook in mij!
O alleen wezelijk-Wijze, ó God!... ik bedank U, dat Gij de schatten van uw verheven weten besteed hebt, in zooveel wonderlijks voor mij, te mijner gunste uit te voeren. 01 hoe zeer
235
verlang ik de diepte uwer uitstekende weldaden te peilen, opdat deze mij leeren mogen U waarlijk te beminnen, en U in alles genoegen te geven. OI dat ik U toch liefbebbe, U alleen liefhebbe, alleenlijk betrachte wat U welgevallig is I O ja, mijn lieve Heei ! ik wil hetgeen Gij wilt, dat wil ik ten koste van alles. U is alles bloot en ontsluierd, voor U is geen duister» geen verborgen. Gij ook kunt U niet bedriegen in datgeen over en jegens mij te beschikken wat mij het heilzaamst is. Daarom stel ik mij in uwe handen, daarom wil ik geen wil dan den uwe. — Doch, 6 alwijze en algoede! verlich mijn gemoed en onderrig mijne onwetendheid. Ontdek mij, Gij die het glansrijk licht der hemelen zijt, en ontsluier mij het aan mijne bekrompenheid verborgene uwer goddelijke wetenschap. M:iak mij kennelijk de wijze en liefderijke vonden waardoor Gij mij tot uwe liefde wekt. Ik verzucht tot uwe liefde en haak er naar, opdat ik U beminne en liefhebbe in alle omstandigheden mijns levens: in genoegens, maar ook in tegenheden, in vermoeienissen en in rust, in kalmte, maar ook in tempeesten, in smaad en verachting ... in alles en altijd. Dat uw heilige, wijze en aanbiddelijke tuil geschiede gelijk in den hemel, zoo ook op aarde; zoo ook ö ja, in mij!
Sifi® iiii
Gods oneindige wijsheid vertoont zich wonderbaar in het voortbrengen van alle schepselen,
236
waarover zij zich heeft willen uitstorten. Zij toch schittert op een verbazende wijze in het uitspansel des hemels, in dat onmetelijk getal sterren, welke ons zoo ordelijk boven onze hoofden rollen, met zooveel juistheid de jaargetijden aanbrengen, en zooveel heilzaams te onzer gunste uit zich doen vloeien. Even verwonderlijk is zij in het ontluiken van het geringste bloempje en in het doen wemelen van den nietigsten worm. Wel is waar, de wijsheid des Allerhoogsten straalt wonderbaar uit in het scheppen onzer geestvermogens; van het men-schelijk verstand, immer begeerig naar meerdere kennissen, van ons geheugen, de getrouwe schatbewaarder van zoo vele voorledene gebeurtenissen, van onzen tot eindeloos en onbegrensd verlangen geschikten wil. Maar diezelfde oneindige wijsheid openbaart zich ook op een uitstekende wijze in de vorming onzer ligchamen, welke voorzien zijn van een menigte niet te tellen werktuigen, en deze verschillende van stof, van gedaante, van beweging, gesteldheid en uitwerking, en nogtans onderling zóó overeenstemmend, allen met volkomene eendragtig-heid tot hetzelfde doel gerigt! Zoodat alle Gods-werken ons getuigen van zijn oneindige wijsheid. Doch op eene gansch bijzondere wijze spreekt zich Gods wijsheid uit in het bestuur der wereld, en in die algoede voorzienigheid, waarmede zij alles leidt tot de door haar bestemde oogmerken. .. Zij vindt onfeilbare middelen om te bereiken wat zij zich heeft voor-
237
gesteld. Zij overkomt alle hinderpalen, zonder aan iets of aan iemand eenig geweld aan te doen. Zij weet zich zelfs van die hinderpalen zelven^te bedienen, om des te zekerder tot haar doeleinde te geraken. Die wonderbaar-verlichte en verlichtende wijsheid toont Gode de geschik-ste wegen, langs welke Hij zich meester maakt van den wil der menschen, zonder dat zij genoodzaakt worden. Immers, God behandelt onze vrijheid als een vader; met eerbied en ontziening. En echter omgeeft Hij haar met zoo wijsselijk geregelde raadgevingen en inspraken, dat Hij het weërbarstigst willen naar zijnen aanbiddelijken wil doet overslaan, en den mensch doet neigen tot het tegenovergestelde van wat hij aanvankelijk verkeerd wilde; zoodat hij — de mensch — later verafschuwt hetgeen hij vroeger lief had, en later bemint waarvoor hij vroeger terugdeinsde.
Ik zal mij dan aan die onsterfelijke, alle heil aanbrengende wijsheid toebetrouwen en geheel overgeven, ten einde zij mij leide, regele en besture. Ik zal haar mijne vrijheid wijden, haar smeekend, dat zij mij ter zijde sta met de werkelijkheid harer genade, en mij tot het ware goede stiere. Ik zal haar bidden, dat zij mij vast en volstandig doe zijn in het beoefenen van goede werken, dat zij mij sterke tegen de moeielijkheden der deugd en des geheelen christelijken levens. Ik zal mij volkomen aan hare voorzienigheid overlaten als aan het licht dat mij, langs de kronkelende en doornachtige
238
paden van dit sterfelijke, te leiden heeft naar het onsterfelijk wit mijner eeuwige bestemming.
O God van wijsheid, ó God van alle wetenschap! Wie zal uwe handelingen en uwe schepselen begrijpen, om in deze de wonderen te schatten, waarmede Gij ze hebt voortgebragt en bij voortduring bestiert? Uwe blikken schitteren oneindig klaarder dan der zonne-lichtstralen. Gij weet welke voortreffelijkheden uwen schepselen passen ; daarmede begenadigt Gij hen. Gij voorziet de wegen, langs welke Gij ze tot hun einde zult doen wandelen, en verstrekt hun daartoe de meest geëigende, de gemakkelijkste en zekerste middelen. Gij let op- en voorziet in alles gelijktijdig. Gij zijt geheel licht zonder eenige vermengingvan duisternis. Gij zijt een wonderbare fakkel die alle schepselen verlicht, opdat in hen uitschijne, dat zij het werk zijn van uw onmetelijk verstand. Maar inzonderheid praalt Gij wonderbaar in het geestelijk bestuur van den mensch, door onzen wil te plooien naar uwe volstrekte raadsbesluiten, zonder onze vrijheid te schaden of haar te belemmeren. Mijn hart o Heer, is in uwe handen: Gij kunt er de gevoelens in opwekken die U behagen. Gij kunt het bewegen tot overeenstemming met uwe hemelsche verlangens. Uwe alles-doorziende wetenschap verschaft U de inspraken, waardoor ik bewogen zou kunnen worden tot volmaakten omkeer en verandering van zeden, tot een nieuwe regeling van een nieuw en beter leven. Ik verheug mij met U over die volstrekte en
239
toch zoo zoete meesterschap, en bid U tevens, dat Gij te mijnen opzigte gebruik gelievet te maken van deze uwe goddelijke voortreffelijkheid. Stort in mij die heilige gedachten, welke Gij v/eet dat het meest vermogen op mij zullen uitoefenen, om U getrouw te dienen en vuriglijk lief te hebben. Ontsteek in mijn hart die gevoelens van vrees, van hoop, van haat, van liefde, welke het krachtigst zijn om de zonde te doen verafschuwen, de deugd te doen betrachten en naar den hemel te doen verlangen. Leid en bestuur Gij mij naar uw goddelijk welbehagen. Ik geef mij geheel over aan de hooge beschikking uwer wonderbare voorzienigheid, ik onderwerp er mij aan voor tijd en eeuwigheid. Ik betrouw in U, ik hoop in U. Gij zult mij ter zaligheid leiden. Dat beloof ik mij van uwe bewonderenswaardige wijsheid en van uwe onmetelijke, nooit volprezene liefde.
oneindige goedheid is.
God is een onmeetbare, een peillooze, een oneindige goedheid. God is de hoogste goedheid, de eerste goedheid. God is een oorspronkelijk goed, een oceaan van alle goed, een goed waar
240
geen goed meer bijgevoegd kan worden; want God heeft alles, bezit alles. God is zulkdanige en zoo groote goedheid, dat Hij goeds genoeg bezit om er alle schepselen mee te vervullen. Hij is goed in wezen, goed in willen, goed in handelen. Hij is goed, ja best van zijne natuurwege. Hij is goed en best door zijnen wil. Hij is een loutere, allerzuiverste en allerschoonste goedheid. In God heerscht een opperste neiging van goed te doen. Gods weldaden zijn een dégelijk bewijs van zijne goedheid, en doen ons klaar zien hoe goed Hij is. Om zijner goedheid te voldoen schiep Hij de wereld, uit de duistere diepte des niets zoo vele schoone en volmaakte wezens trekkend, en hen verrijkend met zoo vele en zulke verhevene hoedanigheden I Deze allerbeminneswaardigste, goddelijke goedheid stort in ons, met eene meest verkwistende milddadigheid, allerlei goed ; niet omdat zij dat noodig heeft, maar alleen omdat zij goed is en hare neigingen wil involgen. God was, of liever is, eer Hij de wereld schiep, even gelukkig als Hij het is, nu Hij de wereld geschapen heeft. Alle zijne genadegaven deelt Hij ons mede om ons welzijn; en wat Hij ons geeft bereidt ons, om nog meer te erlangen. Hoevele schenkingen heeft Hij ons gedaan! Met hoevele bekwaamheden begiftigd! Met hoevele inspraken tot zaligmaking! Hoevele bovennatuurlijke genaden, en hoe menigmaal! En Hij wist, dat wij er geen waarde aan zouden hechten; en dat wederhield Hem toch niet, de eene weldaad op de andere te stapelen. En waarom? Opdat
241
wij zouden zien en beseffen hoe gceil Hij is, en hoe geneigd om ons schepselen wèl te doen. Zijne eindelooze goedheid verbeidt ons in den hemel, om ons door eeuwige goederen en geneugten een nog sterker bewijs te geven hoe uiterst en oneindig goed Hij jegens ons is.
En ik... ik bemin dien God niet, wiens natuur geheel goedheid is, dien God welke zijne eindelooze goedheid geheel te mijner gunste besteedt! Voor wien zal dan wel de liefde zijn, tenzij om die hoogste goedheid lief te hebben ? O! wie kan van een oneindige liefde branden, om ze geheel en volkomen aan God te wijden! — O Heer! welk een kwaad bedrijft de zondaar! Hij toch beleedigt, min- en veracht het hoogste goed, de opperste goedheid, die om zoovele oneindige redenen verdient behaagd, bemind en gehoorzaamd te zijn!
Ik aanbid U, mijn hoogst beminnenswaardige goede God, en wil U al het meest mogelijke goed : den hoogsten lof, de diepste onderwerping, de hartelijkste liefde. O grenzelooze Goedheid! verleen mij dat ik U wete te kennen, opdat ik U wete te beminnen. Gij alleen zijt waarlijk goed, gelijk Gij alleen wezelijk groot zijt. Niets dat goed is ontbreekt U. Uit U vloeit alle goed, van U daalt al wat goed is neder. Schenk mij dan, dat ik U alleen liefhebbe, U, hoogste, U, oneindig goed. Laat nooit toe, dat ik zoo een groot goed als Gij zijt door de zonde beleedige, en gedoog niet, dat ik ooit te kort blijve aan den eerbied dien ik U verschuldigd ben. Hadde
242
ik mij daaraan nooit bezondigd! Ware ik duizend maal in uwe liefde gestorven, alvorens U door zware zonden te kwetsen 1 Uwe eindelooze goedheid is mij klaar uit de wonderbare, onnoembare en onvergelijkelijke liefdeschenkingen, waarmede Gij mij zoo geheel belangloos begenadigd hebt. Ik verlang U beter te kennen, om U met meer vuur en teederheid lief te hebben. Verlich mij, ó hoogste Goed, en verwarm mijn hart met uwe goddelijke liefde-schichten. Dat smeek ik U door Jezus\' verdiensten. Geef, dut ik U immer meer en beter kenne, opdat ik U hartelijker beminne. Amen.
Iwtgie Fint.
God is de oneindige goedheid; maar dat is Hij ons ten gevalle. Wat zouden wij zijn, ware God niet zoo goed, niet zoo milddadig, niet zoo goedertieren als Hij het is? Waarlijk, wij hebben juist een God zoo als wij Hem behoeven, een God die ons zegent met overvloedige weldaden, in weerwil van onze ondankbaarheid. Hoe zeer wij Hem ook miskennen, verdraagt Hij ons niet alleen, maar behoedt en beschermt Hij ons, ja laat Hij geen oogenblik voorbij gaan, waarop Hij ons niet verrijke met duizend genadegunsten. Hoe zeer wij Hem door de zonde onteeren, is Hij altoos bereid om vergiffenis te schenken. Terwijl wij om onze overtredingen verdienen vernietigd en door duizend hellen te worden ingezwolgen, beurt Hij ons op, ja verheft
243
Hij ons boven de hemellichten, opdat wij eeuwig-lijk met Hem zegevieren. Zoo\'n God hebben wij noodig, wiens goedheid ongedeerd blijft ondanks alle onze boosheid. Met al het groote en wonderbare dat God in de natuur-orde, in den hemel, op de aarde, in de lucht, in het water voor ons gewrocht had, was zijne onmetelijke goedheid niet voldaan. Hij rustte niet tot dat Hij den mensch voortbragt, tot dat Hij den mensch vrij-kocht, voor den mensch zijn leven gaf, tot dat Hij zijn bloed stortte voor zijne vijanden, tot dat Hij den mensch — als zijn geliefden vriend — een feestbanket aanrigtte, eene tafel opgedischt met zijn eigen vleesch en bloed, en waar het bloote beeld schuil gaat voor het ware wezen!
O goddelijke goedheid! O oneindige en aller-beminnenswaardige goedertierenheid!
Overweeg, mijne ziel, en herdenk het verbazend wonderbare dat uw God voor u gedaan heeft; hoe dat alles onmogelijk ware, indien God niet rijk was in onvergankelijke, onbegrijpelijke en naraelooze goedheid. En zie dan of Hij, die dat alles voor u gedaan heeft, maar weinig wederliefde waardig is.
Mijne ziel, wist gij hoe goed God is, hoe zeer Hij u lief heeft, gij waret u zelve te klein van tevredenheid, en het hart zou u breken van jubel. O mijne ziel! waarom bemint gij niet een God die zóó goed is in zich-zelven en zóó goed jegens u? Waarom schenkt gij uwe gansche genegenheid niet aan eenen zoo minnenden en
244
zoo berninnelijken God ? Waarom spant gij alle uwe krachten niet in, om uw hart door eenc meer gloeijende liefde te doen branden? Waarop kan zich uw wil beter toeleggen, dan om een\' in goedheid zoo uitstekenden God lief te hebben?
Ik maak het besluit alle mijne werken te verrigten met het doel om Gode te behagen. Ik zal Hem dikwijls zeggen: Heer ik doe dit.. . om U genoegen te geven.
Oneindiglijk goede God en Vader! Ik deel in uwe vreugde over deze uwe eindelooze beminnenswaardigheid. Ik belijd dat alle voorledene, huidige en toekomende, ja alle mogelijke schepselen er nooit toe kunnen geraken, U te beminnen gelijk gij behoort bemind te worden. Alleen uwe eigene oneindige liefde evenaart uwe oneindige beminnenswaardigheid. Bemin U-zelven dan, 6 mijn God, bemin U met een waardige liefde. Doch ook, schenk mij een brandende liefde-werkelijkheid, waarmede ik U lief hebbe naar al de krachten van mijn zwak vermogen. Uw goede wil mij-waarts zal mij die genade schenken. Gij, gij hebt mij goeds gewild zóó, dat Gij voor mij zijt mensch geworden en gestorven, zóó dat Gij U aan mij geschonken hebt tot spijs en drank. Ach ik dank er U duizendmaal voor, duizend maal wil ik er U voor prijzen en zegenen. Ik v erwacht de eeuwigheid des Paradijses, om U ddar mijne dankzeggingen te verontsterfelijken.
O opperste goede God\'. Ik bemin U met de hoogste liefde luaartoe ik vatbaar ben. Ik bemin uw genoegen en zelfbehagen. Ik betuig U dat ik,
245
al wat ik doe, ver rig ten tuil om U, o minnelijkste goedheid, genoegen te geven.
Dikwijls-—dit neem ik mij ernstig voor— dikwijls zalik U deze betuiging herhalen. Doch, ó God vol van goeden wil jegens mij, help mij, opdat ik het zoo doe. Besteed in mij de schatten uwer magtige genade. Verleen mij dit groote goed: dat al mijn verlangen, al mijn denken, al mijn handelen tot U gericht zij, om U te behagen. U alleen. Daarom bid ik U, door uwe U geslagen heilige lijdenswonden: wonden in uwe handen en voeten, in uw God-menschelijk liefdehart. Door de verdiensten van uwen smart-vollen voor mij gestorven kruisdood, geef mij die genade. Dat heloof ik mij van U. Verleen het mij, ik smeek het U, ó ja verleen het mij, en neig uwe ooren naar mijne hoopvolle smeekingen 1
iifie Punt,
God verdient van ons bemind te worden om zijne oneindige grootheid.
God is waarlijk groot. Buiten God is er niets of niemand waarlijk groot. Gij alleen ó mijn God, zijt de allerhoogste, het Opperwezen, Gij alleen zijt groot.
De mensch kan in de eene of andere bijzondere uitmuntendheid betrekkelijk-groot zijn; maar nooit, volstrekt nooit in alles. Iemand is groot om de verhevene waardigheid waarin hij geplaatst is, maar tevens is hij misschien van mindere afkomst. Een ander is van grooten
246
huize, maar heeft geene bijzondere persoonlijke hoedanigheden. Een derde munt uit in heldenmoed, maar hij mist voorzigtigheid, enz. — Geheel anders is het met God gelegen. God is groot in alles: groot in magt, groot in goedheid, groot in heiligheid. Gods grootheid is bovendien onmetelijk, oneindig, onbegrensd, terwijl der menschen grootelijkheid broos en onbestendig is; lij is afhankelijk van de waardeering en denkwijzen van andere menschen. Maak, dat deze haar verachten of er de geheugenis van verliezen ; en de aardsche grootheid houdt op grootheid te zijn. Maar Gods grootheid verandert niet, de Allerhoogste houdt niet op groot te zijn, al wordt Hij ook van de menschen niet gekend, erkend of herdacht. Menschen maken slechts vertoon van grootheid, als zij met minderen vergeleken worden. Een edelman schijnt groot tegenover een burger, maar vergeleken bij een prins, geraakt die edelman weêr op den achtergrond; en die prins zelf schijnt, in het gezelschap van een koning of monarch, niet veel bijzonders meer. Maar nu, een koning tegenover Godl \'t Is een nieteling, een loutere niet. — De Schepper alleen heeft van zich-zelven alle grootheid, en deze komt des te meer uit, naar mate men haar vergelijkt met al wat niet God is. — De menschen worden groot gemaakt door andere menschen, en dan nog moet God er tnsschen beiden komen: een koning schat zijne grootheid naar het getal zijne onderzaten, een veldheer naar de getalsterkte en dapperheid
247
zijner soldaten. Maar God is groot uit zich-zelven, in zich-zelven bezit Hij alle grootheid, en deze is Hem wezenlijk eigen,en dat oneindiglijk. De Schepper is van zich-zelven even groot als Hij het zijn zou, indien Hij, in plaats van eene, millioenen werelden aan zijne heerschappij onderworpen had. — De grooten dezer aarde zijn veeltijds slechts groot in onze meening. Zij schijnen ons groot — zeide eertijds een wijze — omdat wij klein zijn. Indien wij opstegen en groot werden, dan zouden zij op hunne beurt klein worden; doch hoe zeer wij ook in verhevenheid kunnen winnen, wij zullen altoos klein zijn voor God.
Sommige menschen achten wij groot, en wij bedriegen ons. Wij noemen groot degenen die boven anderen uitsteken in rijkdom, in waardigheid, in magt. Zulke grootheid is slechts eene geleende. De verdienste alleen is het, die de ware grootheid maakt, en alleen de deugd is de moeder der ware verdienste. Van daar dat God oneindiglijk groot is, omdat Hij oneindig-goed en heilig is. De menschelijke grootheid is voorbijgaande, zij bepaalt zich bij \'s menschen leven en bij de nog onzekere geheugenis van andere menschen. Alles snelt voorbij, alles ontglipt; maar uwe grootheid, 6 m\'jn God, was altijd en zal altoos wezen; want zij is uwer natuur eigen, van allen en alles onafhankelijk. — Intusschen, welke achting heb ik voor die oneindige Gods grootheid? God alleen verdient mijne gansche achting, want God alleen is oneindig groot. Hoedanig ontzie en
248
eerbiedig ik zijne groote Majesteit, hoedanig zijne wetten? Verkies ik en hoe, Hem genoegen te geven boven alle schepselen ? Wat doet men niet; om den grooten dezer aarde te believen, wat niet om hunne luimen en grille.n in te volgen? Maar wat zou ik niet behooren te doen, om den Allerhoogste welgevallig te zijn!
Groote, allerhoogste God 1 Ik acht en bemin U boven al wat aardsch is. Ik wil U behagen door het nauwkeurig naleven uwer heilige geboden; hen stel ik boven mijn eigene voldoening, en nooit wil ik U mishagen ten gevalle van eenig aardsch schijngenot. Verlich mij, ó Heer, opdat ik uwe grootheid wel doorgronde. Slort in mijn gemoed een allerhoogste achting en doordring mijn hart met den diepsten eerbied voor uwe goddelijke grootheid. Gij toch zijt groot in alles: groot in heerschappij,omdat Gij aan allen gebiedt — groot in magt, omdat Gij alles kunt — groot in wijsheid, omdat Gij alles weet — groot in onmeetbaarheid, omdat Gij alles omvat — groot in goedheid, omdat Gij aan allen alle goed verstrekt. Ik schep behagen in alle deze uwe eindelooze grootheden; want ze zijn uw eigendom, en doen U de beste in alles zijn. Ik verheug mij in en over alle deze uwe grootheden, omdat zij uwe schepselen groot en verheven maken ; want door uwe grootheden naderen zij U en worden zij tot U gevoerd. Immers, de braven wijden zich aan U toe en ó 1 dan worden zij zoo groot in uwe oogen : groot door de genade welke hen tot vorsten verheft, ja tot
240
uwe kinderen, groot in deugden, door welker kracht zij de aardsche goederen vertrappelen, de geziene dingen verachten, hunne blikken en neigingen hooger opwaarts lot de hemelsche goederen keerend, omdat deze alleen groot en achtingwaardig zijn.
O groote God ! door de volheid uwer genade trek mijne zie! tot U, opdat zij zich met U vervoege en vereenige door nimmer breekbare liefdebanden. Geef, dat ik door middel dezer heilige vereeniging overvloedig deelachtig worde aan uwe liefdegaven, en deze mij inwijden in de kennis uwer ongenoemde uitmuntendheden. Geef, dat mijne ziel groot zij in de liefde uwer grenzelooze beminnelijkheid, groot in zucht en zorg om U te behagen. Vuriglijk en van ganscher harte begeer ik, U grootelijks te vereeren. Daarom smeek ik U om uwe verhevene genadegaven, ik smeek er U om door uwe hooge barmhartigheid en ontferming, door uwe onmetelijke goedertierenheid. Ik bemin U en heb U lief, o God oneindig in grootheid. Ik maak het besluit, mij van alle, ook van de minste vrijwillige overtreding te wachten, om uwer allerhoogste Majesteit niet te mishagen.
250
God verdient van ons bemind te worden om zijne oneindige barmhartigheid.
Esrste Punt.
God verdient ten hoogste van mij bemind te worden, omdat Hij hoogst barmhartig is, en mij oneindige bewijzen heeft gegeven van de liefderijkste ontferming.
De afschuwelijkste ellende, waarvan God mij meermalen verlost heeft, was de zonde, dat kwaad,
door mijne eigene krachten niet alleen, maar door de pogingen van alle menschen en Engelen,
ja van alle mogelijke schepselen, ongeneeslijk en onherstelbaar. Van dat zoo vreesselijk onheil en jammer heeft God mij zoo dikwijls en op eene zoo wonderbare wijze verlost, door het God-menschelijk bloed van die Hem Zoon is, ja eengeborene. Zijne liefdevolle erbarming heeft mij eene zoo moeielijke zaak — het aan de zonde ontheffen mijner ziel — hoogst gemakkelijk gemaakt. Indien ik mij, alleen door eene akte van waar berouw, dat dierbaar Bloed toepas,
wordt mijne ziel rein en gezuiverd van millioenen i
allerafschuwelijkste zonden, indien ik het ongeluk z
hadde gehad er zoo vele te bedrijven. Is dat I
niet een onvergelijkelijke erbarming, mij met i
zoo weinig vrij te maken van een eindeloos kwaad? Van uit eenen allerrampzaligsten staat t
van vijand van God — waarin ik verdien van c
251
God gehaat en vei acht te worden — over te gaan tot de hoogste waardigheid waartoe een mensch bekwaam is; tot de kindschap en vriendschap van God, en dat gepaard aan het volle regt tot de erfenis des hemels?! En dat geneesmiddel, hetwelk mijne schuld uitwischt, en mij herstelt in het bezit van zulke uitmuntende genadegaven, dat gewordt mij niet ééne reis, maar staat daar als gereed duizend en duizend-malen, zoo menigwerf als ik er behoefte aan heb! — Indien wij, na honderd jaren van eene allerstrengste boetpleging, in vasten, in haire kleederen, enz. ons, met behulp van dat Heilands bloed, van de afschuwelijke misvorm\'gheid der zonde konden vrij maken, dan nog zouden wij ons hoogst gelukkig te achten hebben. Maar de naamlooze goedertierenheid van onzen God eischt zoo veel moeielijks en hards niet. Hem genoegt een enkels akte van goddelijke liefde, dat alleen doet onze ziel van de afschuwelijkste besmetting der zondeschuld overgaan tot den staat van een allerschoonste wezen, hetgeen als vergoddelijkt wordt door de kostbaarste gaven van hemelsche genade. O! hoe beminnelijk is God om deze oneindig-milddadige en zoo dikwerf herhaalde barmhartigheid! Hoe zeer verdient eene zóó ontfermende goedheid geheel onze liefde ! Hoe zeer ve:dient zij, dat zij ook in het minst niet gekwetst of beleedigd worde!
Hierom maak ik het besluit God dikwijls te bidden, dat ik Hem nooit opzettelijk, zelfs nooit door ligt ere zonden moge vergrammen. Hij toch,
252
die zoo uitermate goedertieren en barmhartig is, Hij is al mijne vereering en liefde allerwaardigst. Het ware dus eene uiterste boosheid, Hem op nieuw te beleedigen, die mij zoo menigmaal vergeven heeft.
Mijn allerbeminnelijkste God en lieve Heer! voltrek in mij de menigvuldigheid uwer barmhartigheden met de gave uwer heilige liefde, opdat deze mij in haat stelle tegen de zonde, en mij belette U ook in het minst te mishagen. Ik dank, loof en zegen U, dat Gij mij de vergiffenis mijner zonden zoo makkelijk gemaakt hebt. Ik bedank U dat Gij U, om mij vergiffenis te schenken, met zoo weinig tevreden stelt; met eene akte van opregt leedwezen. Wie zou dat gelooven, ó mijn God, indien Gij-zelf het mij niet haddet geopenbaard? O lieve ingewanden vol medelijden en zoete ontferming 1 Wie anders dan Gij — oneindig in uwe verhevenheden — wie kon zulk eene goedheid hebben, wie zulk eene erbarming uitoefenen ? —Wees gezegend voor altijd, wees door Engelenkoren geprezen, en verheerlijkt door alle begrijpende schepselen! Ik bemin U, o oneindiglijk barmhartige God, God die zoo vaardig zijtin het kwijtschelden der snoodste en zoo menigwerf herhaalde misdaden. Gij verdient alle liefde van menschen, die U alles verschuldigd zijn. Gij zijt geheel mijne genegenheid overwaar-dig; want Gij hebt zoo goedertieren vergeten hetgeen ik tegen U misdreven had. Ach! konde ik, om U te dienen, om U wegens uwe grenzelooze ontferming in eeuwigheid te verheerlijken, aller
253
schepselen liefde in mij-alleen vereenigen I Ik bid en smeek U; reinig mijn hart van alle boosheid, zuiver het meer en meer van alle ongeregtigheid, en maak dat ik U nimmermeer vergramme. Dit zal ik dikwijls van U afsmceken ; de genade van niet te zondigen, de genade van nooit door de zonde van U gescheiden te worden.
fwieie fait,
Ik ga nog andere barmhartigheden overwegen, waarmede onze lieve Heer mij begenadigd heeft tot verlichting mijner zoovele groote ellenden.
Ik... ik ben een zamenstel van onwetendheden^ van dwalingen, van boosheden. Ik ben een put van zonden, eene mijn van ondeugden. Zóó werd ik geboren— ontvangen in zonde -- zoodanig zonde ik gebleven zijn, ja door zelf te zondigen, zou ik ellenden en jammeren op jammeren en ellenden gestapeld hebben, ware God jegens mij niet allerweldadigst geweest, in al dat ongelukkige en snoode te verminderen en te verbeteren. AVie sprak voor mij eer ik werd geboren, wie, opdat God mij ter wereld dede komen in een katholiek land, of mij althans het leven gaf door katholieke ouders? Alleen de goddelijke barmhartigheid^ Deze gaf mij het aanzijn in omstandigheden^ waarin ik den waren God duidelijk kennen, in de te gelooven waarheden grondig onderwezen, in de te beoefene deugden liefderijk onderrigt konde worden. Hoe vele onderwijzingen deed God mij geworden, om mij tegen de valsche
254
grondregelen te wapenen, en mij regtte houden op den weg die ten hemel leidt! Hoe veel heilige gedachten stortte Hij in mijnen geest, en hoekrachtig bewoog Hij mij het hart ten goede! Het was Gods barmhartigheid welke zoovele en zoovele bekoringen verre van mij hield, en niet toeliet, dat de duivel mij tot verdervens toe zou plagen. Zij gaf mij moed en kloekheid, om aan zoovele andere allerleislagtige verzoekingen te weerstaan. Zij deed mij smaak vinden en tevredenheid in het beoefenen van goede hemelwaarts voerende werken. Zij deed mij de ondeugd haten die ik gevlugt, het heilige en heilzame lief hebben dat ik betracht heb. Zij ontnam mij mijns harten hardheid, en begenadigde mij met deugdelijke vastheid en volstandigheid. Had ik het ongeluk van af te dwalen, en mij te verslingeren in dwaze geneigdheden voor schepselen, dan volgde Zij mij als op de hielen, Zij riep en herriep mij lijdzaam en welwillend, om met haar in vriendschap weder te keeren. Zij bragt in mijn gemoed de kennis van mijnen rampzaligen zondestaat, en vermurfde mij het hart door droefheid en leed over de bedrevene misstappen. En dat zoo menigmaal, telkens wanneer ik gezondigd had 1 O 1 onschatbaar en talloos is de maat en de verhevenheid van goddelijke genaden, van verlichtingen des H. Geestes, van bovennatuurlijke lichtsralen, van hemelsche vertroostingen, waarmede zij mijne zwakke ziel vervuld heeft. Er zijn vele Heiligen, jegens welke de goede God minder barmhartig is geweest dan jegens
255
mij. En die Heiligen zullen niet ophouden Hem door alle eeuwigheid, voor die mindere van Hem ontvangene genadeschenkingen, te loven. O 1 dacht ik ernstig aan die diepte van goddelijke goedertierenheid, voorwaar, mijn geest zou als geheel wegsmelten in akten van brandende liefde jegens mijnen God. — Dat te overdenken zal eene mijner zoetste bezigheden wezen in den hemel, dat herdenken dier uitstekende en namelooze ontfermingen, die God jegens mij heeft uitgeoefend. Doch reeds op deze aarde moet ik deze overweging vuriglijk betrachten. Ik maak dan ook het voornemen, dikwijls hieraan te zullen denken.
O allerweldadigste, 6 allerbarmhartigste, ö hoogstontfermende Godl geef mij, onder de menigte uwer goedgunstigheden, deze genade ; geef mij, dat mijne dankbaarheid eenigzins geëvenredigd zij aan uwe uitgestrekte goedertierenheid. Ondersteun mijne flauwe zorgeloosheid door uwe sterke kracht. Verlich mijne onwetendheiden verdrijf mijne dwalingen. Schenk mij vastheid en volstandigheid in uwen heiligen dienst. Voeg, 5 Heer, voeg barmhartigheden bij barmhartigheden, zegeningen bij zegeningen, genaden bij genaden; want ik ben zwak en uiterst behoeftig. — Ik jubel van vreugde en tevredenheid bij de gedachte, dat ik een God, een Vader heb, oneindig in barmhartigheden, een Vader in wien ik altoos kan en wil hopen ja hopen ofschoon. . . liever, omdat Hij bekend is met mijne onverdiensten, met mijne onwaar-
256
digheid, met mijne onmagt en ellenden. O mijn God en lieve Vader I hoe wél komt de oneindigheid uwer barmhartigheid te stade bij den afgrond mijner nietigheid! O I overwin de afschuwelijkheid mijner ongeregtigheden door de grenzeloosheid uwer ontfermingen. Gij, mijn God en liefste Vader, Gij hebt zulke zoetlieve ingewanden van goedertierenheid ! Gij schenkt dagelijks vergiffenis, Gij ontveinst telken dage hetgeen wij telken dage tegen U misdrijven, telken dage overlaadt Gij ons met weldaden in weerwil onzer slechtheid. Ik hoop en betrouw dus altoos in U, op U. Ik hoop, dat Gij als een teerhartige Vader mij altoos zult liefhebben, dat Gij voor mij — uw kind — zult zorgen, dat Gij mij zult verdedigen en beschermen, dat Gij mij eindelijk met gunsten zult begenadigen ten eeuwigen leven. Dat vraag ik van U, ik nederige, daarom bezweer ik U door de grootheid uwer barmhartigheden, door het lijden en den dood van uwen dierbaren Eengeborene, door den lof en de zegeningen welke U van de gelukzaligen worden toe gegalmd. Ik bemin U, ó God van mededoogen, en om U beter te beminnen en inniger lief te hebben, maak ik het besluit, dikwijls de wonderen te overwegen, welke Gij uit loutere barmhartigheid voor, in en jegens mij gewrocht hebt.
ietie fini
Ik ga van meer nabij de uiterste verfijndheden van Gods barmhartigheid jegens den zondaar
257
gade slaan, eene barmhartigheid die ik zelt ondervonden heb, wanneer ik mij in dien aller-ongelukkigsten toestand gedompeld zag.
Welkdanig toch is Gods geduld en verdraagzaamheid, als Hij den zondaar—zijn vijand — zoo lang afwacht tot boetvaardigheid I Welke edelmoedigheid in het ontveinsen van allergrofste en dikwerf wraakaftergende beleedigingen, waarmede God in zijn aanschijn door den zondaar, versmaad wordt! De mensch.. . hij ontveinst deels uit onwetendheid, welke hem het hem aangedane ongelijk verbergt, deels uit onvermogen, omdat hij onmagtig is het hem aangedane te straffen en te beletten. Maar God! Hij weet en ziet alles, en niets ontbre kt Hem om den zondaar met zijne regtvaardige wraakneming te tuchtigen. En toch ontveinst Hij, Hij zwijgt en verdraagt! Jaren en jaren wederstaat Hij aan de dringende inspraken zijner onbevlekte heiligheid, aan zijne regte regtvaardigheid, aan zoo vele goddelijke volmaaktheden, die geen vrede kunneii hebben met de schuld der zonde, die ze van de aarde zoude willen uitgeroeid zien en met den zondaar begraven in den eeuwigen vuurgloed.
Eindelijk wanneer de Almagtige ziet, dat hij den zondaar langen tijd vruchteloos tot boetvaardigheid en bekeering heeft afgewacht, en zich daarom verpligt weet op wraak bedacht te zijn, dan nog kent zijne barmhartigheid geen einde: zij bedreigt den zondaar, zij doet zich schrikwekkend hooren, opdat de schuldige door
11
258
vrees ontwake, en door eene late maar niet nuttelooze boetvaardigheid de goddelijke verontwaardiging stille, en haar de noodzakelijkheid bespare van hem te straffen. Nog meer: baat dat schrikgedruisch des Hemels niet, ontroert zich de zondige raensch — boten dwaas —nog niet op het afhangend treffen des Allerhoogsten, dan wekt onze lieve Heer het medelijdend hart zijner geliefden op, opdat zij Hem bidden ten gunste van den verharde, en een nieuw uitstel tot zijne bekeering afsmeeken. Hierin gelijk aan een teêrminnenden vader die, gebelgd over een schuldigen zoon welke hij zou moeten straffen, doch hiertoe niet kunnende besluiten, veel beweging en groot gedruisch maakt, tot dat meer dan een toesnelle, die hem het slaan belette en voor het kind genade vrage. Niet anders deed de goede God menigwerf met velen, waarvan de H. Schrift en de kerkelijke geschiedenissen gewagen. — Zoo heeft God met mij gedaan, mijnen bewaar-Engel en andere beschermheiligen opwekkend, dat zij een nieuw uitstel tot bekeering voor mij zouden afsmeeken, op het oogenblik dat zijn getergde regtvaardigheid Hem uitdaagde, om mij niet de bliksems van eindelooze weeën te verpletteren. — O wonderbare Gods-meêdoogendheid 1 hoe goedertieren, 6 Heer, hebt Gij mijne onwaardigheden verdragen 1 O vernuftige erbarming! hoe vindingrijk waart gij om mij tot bekeering te voeren!
Gewis, de zondaar heeft het in zijne raagt pen Heer te vergrammen, van zijnen Schepper,
259
te vlugten, zich van Hem door de zonden te verwijderen. Maar ook en niet minder zeker is het, dat hij uit zich-zelven niet het minst verlangen kan opvatten van zich met God te verzoenen, tenzij diezelfde barmhartige God hem het eerst roepe, en hem door zijn hemelsche opwekkingen uitnoodige, om door de boetvaardigheid tot Hem terug te keeren. — God verliest niets, wanneer wij ons van Hera scheiden, God heeft volstrekt geene behoefte, noch aan ons noch aan onzen dienst, noch aan onze bekeering. Desnietegenstaande toont hij zóó veel droefheid over zulke afscheiding, en is Hij zóó bezorgd, om ons tot Hem te doen wederkeeren! Wie heelt ooit gehoord, dal een regter eenen schuldige heeft trachten te bewegen, dat deze, in plaats van veroordeeling voor-, van hem de kwijtschelding van eene grove misdaad zou aannemen? De allerbarmhartigste doet nog meer voor den zondaar. Die groote Schepper, die alles gemaakt heeft, maakt zich-zelven geheel en gansch en alles, om den zondaar voor zijne vriendschap te herwinnen. Hij verontrust het schuldige geweten door herhaalde wroegingen, Hij beangstigt den geest van den zondaar met telkens hernieuwde vrees van ongekende straffen, van onzekerheid des levens en doods, van eene vreeselijke eeuwigheid. Hij prikkelt hem tot boetvaardigheid door de herinnering aan zijne weldaden, aan zijne belooningen, aan zijne liefde. Dit alles zijn stemmen van God, genadetongen die zich aan den zondaar zijns ondanks doen hooren.
260
Het zijn liefdegalmen, welke den ongelukkige van wege den monarch van \'t heelal uitnoodigen, opdat hij van zijne dwalingen afzie en wederkeere tot de genade en vriendschap, welke hij nimmer had moeten verlaten.
Wederstaat de zondaar aan al dat onbegrijpelijk barmhartige, in de boosheid volhardend, dan nog bedient zich de goedertieren Opper-vader van andere meer treffende vindingen, om den ongelukkige te redden, Hij neemt allerlei gedaanten aan, bekleedt zich met allerlei verschijnselen, of er ook ééne zij, geschikt om het hart van den zondaar te vermurwen. Hij slaat zijne inborst gade, schikt zich naar zijne geneigdheden, somtijds neemt Hij zelfs zijne zwakheden te baat. Hij wint den hooghartige en grootheidzuchtige, met hem de eeuwige grootheden aan zijne achting en betrachting voor te stellen. Hij maakt zich meester van de vrees-achtigen, door hun de ijsselijkheid der helsche straffen te doen inzien, de edelmoedigen trekt Hij tot zich, door hun voor oogen te houden de verpligting van dankbaarheid voor zijne zoo verbazende weldaden van eiken stond. —- Hadde God eenig gewigtig belang in onze bekeering. Hij kon niet meer bezorgd wezen, om ons tot boetvaardigheid te nopen. En dat niet éénen keer, dat niet den éérsten keer als wij gezondigd hebben ; maar nadat wij hem honderde .,. duizende malen beleedigd, en maanden... soms jaren weerstreefd hebben aan zijne erbarmende uitnoodigingen en liefdevoll inspr
261
Om onze het Opperwezen aangedane veron-gelijkingen, zouden wij tin allerstrengste kastijdingen èn althans verdienen, van zijne bann-hartigheid verlaten te worden. En wee aan ons, indien God met ons handelde naar zijne heilige regtvaardigheid! Want uit ons-zelven zouden wij er nooit aan denken. Hem om ontferming te smeeken ; wij zouden ons, integendeel, immer en meer en-meer in het kwaad verharden.
Mijn God, wat is er U dan toch aan gelegen dien ontrouwen dienaar, dien beleediger, den zondaar te regt te brengen ? Zoudt Gij veelligt minder gelukig zijn, indien Gij hem overliet aan zijnen boozen wil en aan zijne dwaze vermetelheid ? Of zijt Gij niet de Allerhoogste, de oneindige eh onmetelijke, de van allen onafhankelijke en opperstgelukzalige ? O ja uw gansch geluk hangt alleen van u-zelven af. Voor eéne ziel die zich verliest, kunt Gij een millioen andere zielen scheppen, die U met een volmaakte trouw en volstandige liefde zullen dienen. Uwe bezorgdheid en bekommerende zucht om den zondaar tot uwe vriendschap en genade terug te voeren, zijn dan wel hoogst verwonderlijk, onbegrijpelijk, zij zijn wonderen van uwe aller-beminnenswaardigste barmhartigheid. Ik-zelf, ó Heer, ik beken, dat ik met uwe goddelijke erbarming uwe grenzelooze liefde en goedertierenheid ondervonden heb. Ik ondervond zoo menigmaal, hoe Gij mij tot leedwezen over mijne fouten en zonden opwektet, wanneer ik mij van U verwijderd had, U verracht hebbend door
•262
mijne overtredingen. Maar nu heb ik U lief, 6 God van mededoogen. Ik loof en prijs U, ó lijden verdraagzame, ó weldadige en nooit volprezen liefderijke Vader ! Ik hoop in U, ik betrouw op U, ó God, minnaar mijner ziel. Duld niet 6 almogende Goedertierenheid, dat ik U nog ooit verlate door de zonde. Reeds te veel en te dikwijls ben ik tegen U opgestaan. Laat niet toe, dat ik mij nog ooit pligtig make aan die ondankbare ongeregtigheid en onregtvaar-dige ondankbaar) eid. Bind mij aan uwen heiligen dienst door een diep gevoelde, gestadig-waak-zame en duurzaam-weikende herinnering aan uwe grenzelooze barmhartigheden. Verlich mijn verstand, opdat ik uw vaderlijk mededoogen in- en doorzie. Gelukkig ik, indien ik ze wel besef en naar waarde schat! Die vruchtbare kennis zal mijn onbestendig hart aan uwe zoete liefde boeien, zij zal mijn gemoed doen huiveren en trillen over deszelfs voorledene boosheden. Daarom 6 God, verlich mij, en doe mij de diepte uwer mij bewezene barmhartigheden peilen. Dikwijls — dit is mijn ernstig voornemen — dikwijls zal ik ze overwegen en er aandachtig op napeinzen. Voor U, o Heer, en voor uwe alles vervullende heilige tegenwoordigheid maak ik dit besluit. Uwe barmhartigheden zullen mij aanporren om U getrouw te dienen, om U — oneindige goedheid —-teederlijk en altoos geheel mijne wederliefde te wijden.
263
X2Cirste MmdiïmïiB.
God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij eeuwig is.
Eerste Fisi.
Gods heerlijkheid is oneindig groot, omdat Hij de Eeuwige is. God zal eeuwig zijn, en altijd zal Hij God wezen. God is eeuwiglijk geweest, en altijd is hij God geweest. Verwijden wij de gedachten der ziel door eeuwen van eeuwen, tellen wij eene eeuwigheid en daarna eene andere, nimmer afgebrokene eeuwigheden. Elke overweging en elke berekening verdwijnt voor Gods eeuwigheid, voor de eeuwigheid van die altoos was en altoos zijn zal. God zal eeuwig noodzakelijk zijn, gelijk Hij eeuwig noodzakelijk was. God wachtte geen oogenblik om te zijn, want Hij was vóór allen tijd, vóór alle eeuwen, vóór wat menschen en Engelen met gedachten achterhalen kunnen. Die oudheid, of juister, dat immer zijn van God, verdient een onbegrensde hoogachting, een eindelooze eerbewijzing. God is niet alleen de oudste van al wat was, maar Hij is, voor dat er tijd was. Alleen om deze uitmuntendheid: omdat Hij vóór alles, omdat Hij de oudste, omdat Hij de eeuwige is, daarom alleen zijn wij Hem de hoogste vereering schuldig, daarom alleen moeten wij ons wachten van Hem ooit te beleedigen.
264
Het wezen van God is zoo vast, zoo hecht, dat het onsterfelijk moet voortduren. Er is geen geschapene kracht, er is zelfs niets denkbaar, dat die duurzaamheid kan verminderen. Het goddelijk alvermogen kan alle andere dingen in niets oplossen; maar Gods wezelijkheid is het te leven, te duren, onsterfelijk te zijn. Gods almogendheid, Gods onmetelijkheid, Gods schoonheid zullen noch kunnen Hem ooit ontvallen. O zoete bezigheid, ó lieve betrachting eens harten, een goddelijke schoonheid te beminnen die nooit vergaan kan, die altoos vol eindelooze aanlokkelijkheid zal wezen, altoos rijk in onein-digen glans! Ach! hoe dwaas en groot is dus onze dwaling, als wij onze genegenheid vestigen op aardsche schijnbaarheden die ons ontglippen en die — wat erger is — een wreede foltering nageven. —Gods bezitting is eeuwig, Hem alleen moet ik beminnen; want Hem alleen kan ik eeuwiglijk genieten. Hij i i de ware schoonheid, de eenig wezenlijke en duurzame. Beminnen wij derhalve eeniglijk den Eeuwige, beminnen wij Hem op den duur! Gods liefelijkheid is eeuwig, eeuwig is zij, om ons, door haar te aanschouwen, eeuwiglijk te verblijden. Eeuwig is zijne beminnelijkheid, om eeuwiglijk geheel ons hart te vervullen. Eeuwig is zijne almogendheid, om ons zonder einde alle goed te bezorgen ! Zijn wil is eeuwig om ons altoos lief te hebben, om ons eindeloos met al *vat heilvol is te begenadigen. De Eeuwige heeft mij eeuwiglijk lief gehad! Mijne ziel, \'t is dan toch eindelijk tijd,
265
dat gij dengeen bemint, die u vóór allen tijd bemind heeft, dengeen die u lief had gedurende de gansche voorledene eeuwigheid.
Gij hebt mij bemind, ó mijn God, en uwe liefde jegens mij was eeuwig. Dat ik U, ó Heer, althans van nu af beminne, en nooit ophoude van U lief te hebben 1 Al te lang heb ik gedraald, al te lang heb ik U doen wachten naar mijne wederliefde. O help mij, opdat ik door een vurige liefde mijne voorledene achteloosheid eenigszins goed make. Ik juich, ó mijn God\' en verheug mij met U over uw eeuwig zijn. Ik juich, omdat uw eeuwig zijn alle tijden, alle eeuwen, alle duurzaamheden omvat. Uwe Goddelijkheid was altoos, zij zal immer zijn, zij leefde immer en zal immer leven, zij begon nooit en zal nimmer eindigen, zij werd nooit geboren, en nooit zal zij sterven, zij ontlook nooit, en nooit zal zij verslensen. Gij zijt eeuwig en onsterfelijk, Gij zult door alle eeuwen der eeuwen heerschen. Alle uwe eigenschappen en volmaaktheden zijn zoo zeker en veilig, dat zij eeuwiglijk bestaan zullen. Daarover verheug ik mij met U, dat is het voorwerp mijner vreugd, omdat het uwes is. Verleen mij de genade, ó Heer, dat ik mijn hart ledige van de liefde der aardsche nietigheden, om het alleen te vullen met eeuwigdurende schatten. Indien ik U bemin, bezit ik een heil, geniet ik eene schoonheid, welke mij nimmer zullen ontbreken. Ik wil U beminnen, ö Heei, die mij altijd zult beminnen. Ontneem mij dan de liefde van alle geschapen ding, en
266
geef mij uwe liefde. Hoe zeer misken ik uwe beminnelijkheid, indien ik mijn hart ook maar gedeeltelijk open stel voor eenig geschapene 1 Konde ik mijne genegenheid tot U honderdduizend-maal vergrooten, dan nog ó Heer, zou ik U niet genoeg beminnen. O eeuwige God! aangezien ik U zoo weinig kan beminnen, geef mij althans dit, dat ik U van ganscher harte beminne. Ik smeek U om deze barmhartigheid, ik smeek erU om door de verdiensten der liefde, waarmede mijn Jezus U lief had. Mijne ziel, niet lang meer, en God wacht u in eene der twee groote eeuwigheden: óf in de gelukzalige eeuwigheid, om u te vervullen met onsterfelijke vreugd en zegening, of in de eeuwigheid van vermaledijding, om u te dompelen in nooit te eindigen smarten en eeuwigdurende jammeren. Gij zijt op deze wereld als eene vreemdelinge reizende naar een ander oord, naar uw vaderland. Uw vast verblijf en uwe woonplaats, uwe onveranderlijke bestemming zal weldra óf in de eeuwigheid des hemels, óf in de eeuwigheid der helle zijn. Wil dan toch niets bestaan, wat u in gevaar brenge van in de rampzalige eeuwigheid te storten, waar gij God zoudt haten — God het eeuwig heil — waar gij God in eeuwigheid zoudt lasteren en vervloeken. Betracht daarentegen alles, omgord u met moed en sterkte, ten einde u de gelukzalige eeuwigheid te waarborgen, de eeuwigheid waar gij God — de eeuwige schoonheid — eeuwig zult liefhebben.
Eeuwige God en Vader! verlich mijn ver-
267
stand, opdat ik de eeuwigheid waardeere. Doe mij levendig begrijpen wat het is: die eeuwige tijd, die eeuwigheid, dat altijd-duren, waarin ik zalig of verdoemd zal moeten leven.
O ja, ik maak het vast besluit, alle zonden te vlugten en al wat tot zonden leiden kan (noem hier de gevaren tegen welke gij u wilt wapenen.) Ik wil U altoos beminnen, U op deze wereld altoos liefhebben ; opdat ik mij verzekere, U altijddurend in de toekomende eeuwigheid te zullen beminnen. O ja, mijn God, ik zal U liefhebben. Gij die alleen mijn eeuwige en onsterfelijke liefde waardig zijt.
De eeuwigheid des Allerhoogsten moet mij d\'enen, om mij van vele groote waarheden te overtuigen, die allergeschiktst zijn tot regeling van mijne levens- en handelwijze. De hoogverheven God is eeuwig, immer dezelfde, altoos onveranderlijk, altijd even schoon, even goed, even volmaakt. Van daar is Hij dan ook altijd allerbeminnenswaardigst. Doch, van waar komt het, dat mijne liefde jegens Hem zoo veranderlijk en onstandvastig is? Die liefderijke lieve Heer is jegens mij altijd dezelfde: geheel goedheid» geheel hartelijkheid, geheel goedertierenheid. Waarom dan blijf ik niet immer dezelfde jegens Hem, waarom niet vast en volstandig in Hem te gehoorzamen, in Hem te dienen, in Hem te
268
beminnen? Is God eeuwig, Hij is dan ook onveranderlijk, Hij is als eene rots, bestand en pal tegen. elk uiterlijk geweld. Waarom dan hecht ik Hem niet aan, waarom zoek ik mijn steunsel niet in zijne onveranderlijke vastheid, waarom stel ik mijn betrouwen en vertrouwen niet geheel op Hem? Hij toch, die zich op zulken vasten grondslag vestigt, zal nooit wankelen, noch bezwijken. Wee aan hen, zegt de H. Augustinus, wee aan diegenen, welke leunen en steunen op de brooze en vergankelijke goederen dezer aarde! Ook deze schijngoederen zullen hun ontvallen en met hen te niet gaan. Wel gelukkig hij, die met den Profeet kan zeggen: wat mij aangaat, ik wil mij met mijn\' God vereenigen, in Hem wil ik geheel mijne hoop en al mijne liefde stellen 1
Is God eeuwig, dan zullen ook zijne belooningen eeuwig zijn. Welk groot geluk is het mijne, het geluk van een\' Heer te dienen, wiens vergeldingen nooit kunnen eindigen, gelijk Hij-zelf nooit eindigen kan i —Ik hecht er groote waarde aan en reken het mij tot eer, de grooten en vermogenden dezer aarde te dienen, hunne gunst en genegenheid te winnen: hunne wenken zijn mij bevelen, en hunne goedkeuring eene streeling. Doch hoe broos en onzeker is dat! Zelfs de koningen en Monarchen eindigen, en hoe ras! — En al het goede, al het voordeelige en streelende dat mij van hen kan geworden, dat alles eindigt, en zal mij zekerlijk met het leven ontglippen.
269
Hoe verheven ook in waardigheid: Pausen en Bisschoppen, Keizers en Koningen, hoe aanzienlijk zij schijnen, zij hebben te eindigen ... in een grafl en met hen storten ook zij te neer, die zich op hunne bescherming verlieten, die op hunne welwillendheid gebouwd hadden.
Maar uwe grootheid, ó Onsterfelijke, zij is rein en zuiver, zij staaf pal en onwrikbaar op de onomstootbare pijlers uwer eeuwigheid. Deze kan noch waggelen noch wankelen, en evenmin kunnen wankelen of waggelen de heerlijke belooningen, die Gij voor uwe dienaren hebt weggelegd. Voor elk, ook het geringste ter uwer eer gepleegd deugdewerk, bestemt Gij eene eeuwigheid tot prijs. En welkdanig eene eeuwigheid? Eene eeuwigheid die vergezeld gaat van een onsterfelijk leven vol eindelooze geneugten en hemelschen wellust.
Ik bemin U met geheel mijn hart, 6 eeuwige God! Ik wil U eeuwigen en oneindigen vergelder — ik wil U dienen. Gij, die nooit begont en nooit zult eindigen, die waart vóór alle tijden, die na alle tijden zijn zult, die al wat tijd is in uwe eeuwigheid opneemt, zonder zelf, door al wat tijd is, bevat te worden; die paal en ophouden stelt aan alle geschapene dingen, maar die zelf door niets bepaald wordt. In U, 6 Eeuwige, hoop ik, op U, Eeuwige, stel ik al mijn betrouwen, door uwe onfeilbare beloften aangemoedigd, haak en verzucht ik naar het onsterfelijk genot van U, 5 eeuwige God I — Doe mij verliefd zijn op dat eeuwige. Vervul
270
mijn hart met vurige begeerten tot dat onsterfelijke. Gij hebt mij geschapen om eeuwig te leven. Gij onderhoudt mij het leven, opdat ik mij het eeuwige leven waardig make. Ach! doe mij smachten naar mijn eenig en laatste einde, naar de eeuwige hemelgoederen ; zij toch alleen kunnen mij verzadigen en volkomene rust bezorgen. U zij lof en dankzegging, 6 Heer, omdat Gij mij tot en voor zoo veel heils geschikt en vatbaar geschapen hebt. Ik wil die onverwelkbare bloemen van zaligheid niet wagen door het streven naar tijdelijke en vergankelijke nietigheden. Daarom bid ik U, dat Gij uit mij wegnemet die dwaze achting, welke ik dwaasselijk gekoesterd heb voor de dwaasheden van hier-beneden. Doe mij hare ijdelheid, hare geringheid en slechtheid begrijpen. Geef, dat mijn verstand daarvan overtuigd zij, opdat mijn wil er van walge als van nietswaardige aarde en te verachten slijk. Vervul daarentegen mijn gemoed met een diepe en uitgestrekte hoogachting voor het eeuwig gelukzalige; ten einde ik alle mijne gedachten en plannen, alle mijne bezorgdheden daar heên rigte, en niets nalate van wat mij tot dat alleen betrachtenswaardige voeren kan.
Ik maak het besluit, dikwerf aan dat onsterfelijk eeuwige te denken, U mijn God. nooit of nimmer om wat ook te beleedigen — vooral niet door grove zonden — en dikwijls verlangens en begeerten naar dat eeuwige in mij op te wekken. Ik heb U lief, ó God zonder begin, ik bemin U, ó Eeuwige zonder einde.
271
Derde Put
God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij onveranderlijk is.
Ik overweeg G ods uitstekende waarde, omdat Hij bestaat in alle goed niet alleen, maar in alle onveranderlijk, onafwisselend, hoogste en zelfde goed.
Alle aardsch goed is aan verandering onderhevig, en verliest alras zijne gedaante. Alle geschapene schoonheid verliest door den duur van hare waarde. De jaren doen haren glans tanen, en weldra verdwijnt zij door den dood..., zij eindigt en sterft. Zij is iets veranderlijks, iets broos. — Gods oneindige schoonheid alleen zal altoos en onveranderlijk dezelfde, de gansche schoonheid blijven. Die schoonheid, welke door hare immer zichtbare geneugten en liefelijkheden den hemelschen lusthof vervullen zal, kan nooit, zelfs niet in \'t minst afnemen, noch iets van hare bekoorlijkheid verliezen. Nooit zal zij ophouden bemind te worden, zij zal, die haar bemint, eeuwig en onsterfelijk maken. Hemel en aarde zullen vergaan; maar God zal immer de Hoogste, de Volmaakste, de Oneindige blijven. Nooit zal Hem een greintje ontnomen worden van zijne onbegrijpelijke voortreffelijkheid. —- Alle schepsel kan vergaan en zich in niet oplossen ; dat zou het, indien het goddelijk vermogen naliet het door zijne kracht te schragen en te behouden Alleen God is dusdanig onveranderlijk en on-
272
verderfbaar, dat Hij blijft die Hij is, al zoü ook al wat buiten Hem is tot niet wederkeeren. Alleen de goddelijke natuur is bevrijd van alle wisselvalligheid en veranderlijkheid. Alle wijsheid, alle raad, alle magt, alle blijdschap die nu in God is, is altoos in Hem geweest, onverminderd en onvermeerderd. Hij kan niet meer, niet grooter zijn dan Hij is. God kan in gelukzaligheid niets verliezen. Hij kan ook niets winnen ; want, onveranderlijk in zich zelf, bevat Hij alle verlangbaar geluk, alle mogelijke tevredenheid.
Mijne ziel, hoe lang nog zullen wij ons verslingeren in de liefde tot de vergankelijke, brooze, schijn- en slijkgoederen dezer aarde, tot die nieteti welke ons elk oogenblik kunnen ontvallen en verlaten ? Beminnen wij, ó ja, beminnen wij onzen God, het hoogste, het onveranderlijke, het aan geen bederf onderhevig goed : dat hoogst schoone, dat hoogst goede, dat hoogst vaste en volstandige in zijnen liefdevollen wil, dat eeuwig en onwrikbare in zijne beloften voor die Hem dienen. Smeeken wij Hem dikwijls, dat Hij ons standvastig make in zijnen dienst, onveranderlijk-trouw in Hem te behagen door onze uit wederliefde gepleegde goede werken.
Groote God I onveranderlijke God 1 uwe wonderbare onveranderlijkheid is mij een voorwerp van jubel Het verheugt mij dat Gij zoo verheven zijt in alle soort van volmaaktheden, zóó onveranderlijk, dat noch uwe eindelooze schoonheid ooit kan verslensen, nog uwe heiligheid kan verminderen; dat noch uwe almogendheid ver-
273
zwakt, noch uwe liefde verkoeld, noch uwe gelukzaligheid ondermijnd, noch uw liefdevolle wil aan het wankelen gebragt kan worden. Ik geloof, dat gij altijd dezelfde zijt, altijd de beste, altijd de verhevenste. Ik geloof, dat uwe volmaaktheid in niets kan aangroeijen, aangezien Gij alle aanwinst in U hebt. Dit strekt mij tot innigen troost, dat uwe teêrminnende goedertierenheid altoos bestendig blijft, altoos geneigd om goed te doen, om den zondaren te vergeven, onze gebeden te verhooren, onze ellenden te lenigen. Ik deel met U uwe tevredenheid, dat Gij niet bekwaam zijt om minder of meerder te hebben ; want van U zeiven hebt Gij alles. De grootheid uwer onveranderlijkheid is uwer oneindige natuur eigen. Over dat heerlijk voor-regt uws oneindigen wezens verblijd ik mij. Ik verlang mijne liefde in- en op U te vestigen, in U, eeuwig-duurzaam, eeuwig-eindeloos, eeuwig-onveranderlijk Wezen. O ! geef mij dat ik U duurzaam en onwankelbaar liefhebbe. Schenk mij volstandigheid in het betrachten van al wat U behagen kan. Stel mij de onvaste en ligt-ontbrekende goederen dezer aarde in afschuw. Neig mij tot de altijd duurzame schatten uwer heerlijkheid en mijner gelukzaligheid. Door uwe gaven alleen kunt Gij-alleen mij in het goede vestigen. Ik bid er U om ; ik smeek er U om door de dienstvaardigheid, door de gehoorzaamheid, door de onveranderde liefde waarmede Gij door mijn Jezus vereerd werdt. Slechts deze verandering ontware ik in mij, dat ik voortaan toeneme in
274
U goed te willen, in steeds ijverig te blaken tot werken waarmede Gij U genoegt! Ontvlam mij in uwe liefde, en dat deze mij in een ander mensch herscheppe ! Ik hoop, dat Gij mij altijd barrahartigst, milddadigst en goedertierenst zult wezen. Ik weet, dat noch uwe goede genegenheid van mij wèl te doen, noch uwe almogende goedheid mij ooit zal ontbreken. Daarom hoop ik in U. Ik vraag U, en altoos zal ik U vragen om standvastigheid in het haten der zonde, in U te behagen en lief te hebben, in mij op te wekken tot het verlangen der eeuwige gelukzaligheid ; opdat ik u eere en zegene in alle eeuwen der eeuwigheden.
Mijn God, hoogst en onveranderlijk goed ! U bemin ik, maar ik bemin U boven al en meer dan eenig vergankelijk goed dezer aarde.
God verdient van ons bemind te worden omdat Hij onmetelijk is.
lerste Fint.
Ik ga eene groote Gods uitmuntendheid overwegen, die daarin bestaat, dat Hij onmetelijk is en overal tegewoordig. Op welkdanig punt ook des heelals, daar vindt zich God met zijn oneindig wezen, met zijn grenzeloos alvermogen. Daar geeft Hij aan alles het leven, daar bestuurt en
275
beheerscht Hij alles. God is in den hemel, op de aarde, in de lucht, in de zeeën, in de diepste afgronden. God is alom tegenwoordig en woont alles bij. Hij neemt waar al wat er gebeurt, en zonder zijne tusschenkomst wordt er niets gedaan, geschied er niets. God is altijd in mijne oogen, opdat zij zien; in mijnen geest, opdat hij denke; in mijn hart, opdat het beminne.
O gelukkig ik, daar God, overal zijnde, ik Hem altijd en overal hervind, zoodat ik geen stap behoef te verzetten om mijnen God te bereiken, om mijne oneindige liefde te genaken. Die groote Heer, die de liefde mijner ziel is, ziet mij altoos van nabij. Mijn wellust en genoegen, mijn koning en vader, mijn bruidegom en mijn heil, mijn al is altijd bij mij. Waar ik mij ook bevind, ik ben nooit alleen, want ik ben altoos met God, en God is altoos met mij. Ik ben immer en altijd in het gezelschap der drie goddelijke Personen, van den Vader, van den Zoon en den H. Geest.
O mijne ziel! Gods schoonheidis u altijd en overal tegenwoordig. Haddet gij het hemelsch licht om haar te ontdekken, gij waart reeds hier gelukzalig. De eindelooze goddelijke Majesteit hebt gij steeds bij u. Gij kunt haar door akten van aanbidding en huldebetoon gedurig tot u doen neigen. O! welk genoegen zou het u wezen, indien ge u gewendet u dikwerf met God te onderhouden, die zich nooit van u verwijdert; indien gij menigmaal tot Hem verzuchtet, die u met zijne almagt omcirkelt, om in alle uwe noodwendigheden te voorzien. Waarom houdt gij dan uw hart niet
276
dikwijls bezig met die onmetelijke goedheid te beminnen, die u het wezen meedeelt en het leven ? O mijne ziell in u is die opperste Vader, uwe oneindige gelukzaligheid. Beijver u dus, u dikwerf inniglijk met Hem te vereenigen door herhaalde akten van liefde. Zeg Hem dikmaals: U bemin ik, o onmetelijke God, U, die mij tegenwoordig zijl. Ik bemin U met geheel mijn hart, meer dan mij-zelven.
Daarbij zal ik nog dit aanmerken: God is op zulke wijze onmetelijk, dat Hij niet nalaat overal tegenwoordig te zijn, al is Hij altoos en overal met mij. God is in alles, en zijne grootheid dringt door tot in de zon, tot in xlc maan, tot in het uitspansel. Hij doordringt tot voorbij en aan gene zijde van het hoogste der hemelen. Hij strekt zich door onmeetbare ruimten buiten onze wereld uit, verder dan zich eenig geschapen verstand kan verbeelden. God omvat alles, zonder door wat-ook omvat of begrepen te kunnen worden. Wat meer is: overal en op elke plaats hervindt zich zijne geheele Godheid, zijne geheele Almagt, zijne geheele onuitputbare Wijsheid. O grootheid van God, die door geen wereld van werelden omvat wordt, verheven als zij is boven eene oneindigheid van uitgestrektheden! Zoodat God geheel in de geheele wereld is, ja in elk punt der wereld. En tevens is Hij buiten de wereld. Hij is geheel met en binnen, maar ook geheel buiten mij.
Dikwijls zal ik aan den mij altoos en overal tegenwoordigen God denken, dikwijls zal ik Hem vereeren door akten van aanbidding, van smeekingen, van liefde.
277
Ik verheug mij, ó groote God, over dieU eigene groote roemwaardigheid, waardoor Gij onmetelijk zijt, waardoor Gij zijt waar Gij zijn wilt, en nergens kunt niet zijn. Gij zijt mij na en geburig, om mij te helpen, ora mij te begenadigen. Gij zijt in mij, mij overladende met duizend en duizend weldaden. Die grootheid, waarover ik jubel, is ook mijn geluk; want, daar Gij overal zijt, vind ik U overal Daal ik af tot in de ingewanden der aarde, daar zijt Gij. Stijg ik op tot boven de sterren, ook daar hervind ik U. Bevaar ik onoverzienbare zeeën, nooit zal ik mij van U verwijderen. Konde ik zelfs door de lucht vliegen ook daar zou ik U aantreffen, op de vleugelen dei-winden troonend. Te regt dan verblijd ik mij over deze uwe onmetelijkheid, omdat ik U overal tegenwoordig vind, en dus overal voor uwe goddelijke tegenwoordigheid, voor U, geloovig kan uitroepen; ik geloof, o mijn God, dat Gij zijt waar ik ben. Ik buig en verootmoedig mij voor U, dien ik aanbid.
O Heer, hoe kostbaar is uwe onmetelijkheid, voor die U lief hebben! Die U bemint, kan U overal vinden, kan zich overal met U onderhouden en zeggen; Ik bemin U, d mijn God, die hier bij mij tegenwoordig zijt.
Ik maak het besluit, dikwijls door zulke en diergelijke akten tot U te verzuchten; geef mij daartoe uwen bijstand, schenk mij dat door de verdiensten van mijnen JeiUs. Ik smeek er U om door uwe grenzelooze goedertierenheid. Geef mij dat, ó Heer, geef mij dat.
278
Ik bemin U, ó onmetelijke God, ó mij altoos en overal tegenwoordige Godl
Tweedie Paat.
Welk groot voordeel trekt de mensch uit deze goddelijke onafraetelijkheid ?
Een zoo groote God is ons altijd tegenwoordig, en wel dusdanig, dat wij niet alleen in de nabijheid zijn van die onmeetbare en oneindig-beminnenswaardige schoonheid, maar van haar als omarmd en doordrongen worden. Wij zijn als zwemmende in de onmeetbaarheid en on-medemetelijkheid van God, wij zijn geheel vol van God. \'t Is niet noodig, dat wij buiten ons gaan, om troost te zoeken bij de schepselen; want in ons, in onze harten en zielen zetelt het hoogste goed, de schoonste schoonheid der wereld. Ik kan, door het uitdrukken mijner gemoedsaandoeningen, God hier op aarde gezelschap houden, gelijk Hem de Engelen ter zijde staan in den hemel. Waar ook ik mij bevinde, nooit ben ik alleen ; want ik ben altoos met God, en God is altoos met mij. Welke reden van tevredenheid en zoetigheid voor ons, dat wij ons altoos met God, het opperst goed bevinden I Ik kan mij hier op aarde eene soort van hemel maken, door dikwijls te denken aan Gods tegenwoordigheid, en door mij te oefenen in liefde-akten jegens Hem.
O eeuwige liefde 1 Gij zijt altoos met mij; maar ik... ik sta nimmer vast met U. Gij denkt
279
altijd aan mij; maar ik, ik ben uwer niet indachtig. Gij woont midden in mijn hart; en mijn hart woelt en weidt immer ver van U. — Ik bid en bezweer U, schenk mij die genade, dat de gedachte aan U immer in mij leve; doe in mij akten van liefde bloeien ; maak, dat ik U dikwerf zegge; mijn God, ik bemin U, die mij tegenwoordig zijt.
O groote troost 1 God, den almogende altoos bij ons te hebben, den Magtige, om onze ellenden te heelen; den Barmhartige, om ons onze schulden te vergeven; den Milddadige, om ons met zijne schenkingen te begunstigen. Dien God, welke ons met een eindelooze liefde lief heeft, wiens behagen het is ons met zijne genadegaven op te eieren, dien God hebben wij immer aan onze zijdel Maar ik. . . ! Waarom beijver ik mij niet, altijd meer en beter dien God te kennen. Hem die mij zoo nabij is ? Waarom spaar ik arbeid en moeite in het beoefenen van werken zijns smaaks, van gebeden, van heilige gemoedsverzuchtingen, van liefdeakten en andere deugden ? Ik w eet nogtans, dat Hij dit alles van nabij gade slaat, dat Hij — die goede God — er zich in verheugt, dat Hij dat alles in eeuwigheid en oneindiglijk zal beloonen. — Ware God duizende mijlen van mij, ik zou Hem moeten zoeken, ten einde Hem te vereeren, en Hem de hulde mijner wederlielde aan te biên als aan mijnen Koning, aan mijnen Schepper, aan mijn opperste en laatste Goed, als aan mijnen God I Waarom toch dat niet ge-
280
daan, nu ik weet, dat Hij mij zoo nabij is ? Waarom Hem niet dikwijls mijne smeekingen opgedragen, daar ik Hem zoo noodig heb ? Waarom niet, daar Hij in elke plaats en op eiken stond mijne gebeden kan verhooren ? Ellendig ik 1 ik leefde, als of er geen God ware. Voor zijne aanbiddelijke tegenwoordigheid bedreef ik boosheden, dat ik mij zou geschaamd hebben zoo iets te bestaan voor het oog van den geringsten der menschen 1
Mijn onmetelijke God, mijn Schepper! ik verootmoedig mij, mij voor U nederwerpende, voor U die mij hier hoort en aanschouwt. Uwe onbegrijpelijke onafmeetbaarheid geeft mij stof tot innige vreugd ; want zij doet mij U overal ontmoeten, om U te aanbidden, te smeeken, en U de betuigingen mijner liefde aan te bieden. O I ik verlang U beter te kennen, opdat ik U, steeds aan U denkende, vuriger beminne, vaster in U geloove, onwankelbaar op U betrouwe. Gij hebt altoos uw goddelijk oog op mij gevestigd. Gij slaat oplettend gade wat ik denk, wat ik spreek, wat ik verrigt. Niets kan U ontgaan; de minste gedachte, de zwakste beweging mijner ziel is bloot aan uw beschouwen. Ach 1 sta mij bij, mijn, mij altoos en overal vergezellende God en Heer, en geef, dat ik nooit iets doe hetgeen U mishage of uwe reine blikken kwetse. Ik gruw bij de herinnering aan mijne gepleegde zonden, ik verfoei ze, ik haat ze, ik vervloek ze, omdat zij U, den Onmetelijke, beleedigd en gegriefd hebben. Ach 1 kom mij te
281
hulp en verleen mij sterkte, opdat ik U nooit vergde. Verlich mij met den glans uwer genade; zij doordringe mij zóó met het denkbeeld uwer goddelijke alom-tegenwoordigheid, dat ik, uwe heilige Majesteit immer voor oogen hebbend, niets besta, dat mij van U zou kunnen verwijderen. Prent in mij uwe gestadige gedachtenisse, opdat ik dikwijls aan U denke, U dikwijls mijne liefde betuige, en er altoos op uit zij U door mijne werken te behagen, zoo als ik U op dit oogenblik met geheel mij-zclven lief heb. — Daarom neem ik voor, mij Uwer dikwijls te zullen herinneren. In al mijn doen en laten zal ik mij immer voorstellen U te vereeren, U te believen, U in uwe tegenwoordigheid en onder uwe goddelijke oogen daadwerkelijk te beminnen. Ik zal U dikwijls zeggen; Heer dit... doe ik, om U te behagen ; want Gij ziet mij. //elf\' mij, om dat wel te. doen.
Bef ie Pant.
De onmeetbaarheid, waarmede zich God aan mij altijd tegenwoordig stelt, maakt, dat diezelfde Allerhoogste zijneblikkenaltijdopmij gerigtheeft. God ziet mij, geen oogenblik of Hij bemerkt mij, nimmer word ik van Hem vergeten. I )eze waarheid wèl doorgrond, is bekwaam om mij een deugdzaam mensch te doen worden niet alleen, maar zelfs een groot Heilige. God ziet mij 1 Hoe zedig behoor ik mij dan niet altoos te gedragen, aangezien ik onophoudelijk voor- en in de tegen-
12
282
woordigheid des Heeren wandel I De Serafijnen en Cherubijnen verdiepen zich in een afgrond van grondeloozen eerbied, op liet aanschouwen der opperste Majesteit. En ik, worm der aarde, ik heb haar niet ontzien in mijne woorden, in mijne handelingen; ik dacht er niet aan, dat ik immer sta voor het aanschijn van een God ! De Majesteit van wereldlijke koningen vervult de haar omstaanden met zulk ontzag, dat zij de roekeloosten en onbeschaamdsten in hun pligt houdt. Maar de majesteit van den Alvermogende zal dat van mij niet verkrijgen, en ik zal mij verstouten voor zijne allerzuiverste oogen, die elke zonde haten, datgeen te bedrijven, wat ik voor de oogen van een mensch niet zou durven bestaan ! En ik nogtans, ik weet, dat Hij der zonden en den zondaar een grenzeloozen haat toedraagt, en dat Hij slechts heeft te willen, om dezen te verdoemen! Hoe dan zou ik in zijne aanbiddelijke tegenwoordigheid durven zondigen?! — God ziet mij. Dus, Hij ziet het goed dat ik doe. Hij slaat er acht op, om het te beloonen met eene gelukzalige onsterfelijkheid. Waarom dan geef ik mij geen moeite, om Hem wél te dienen, en schatten van verdiensten te vergaderen? Waarom wek ik in mij geen vurige en liefdevolle verlangens op van Hem te believen, en mij aan Hem behagelijk te maken? — Wat hieruit te besluiten? Dat ik dikwerf de oogen des geloofs op mijnen mij tegenwoordigen God moet slaan, en levendig den smaak gevoelen dien ik Gode geef, wanneer ik het goede verrigt
283
wat Hij mij oplegt of aanraadt. Ik moet mij zeggen ; indien ik nu, op dezen stond, mijns Scheppers wil betracht, strek ik tot troost aan mijnen hemelschen Opperkoning. Op dit oogen-blik geef ik aan het hart des Almagtigen blijdschap, vreugd en tevredenheid; want zijne
I goedheid behaagt zich in mijn wei-doen, en zijn goedertieren blik ziet met minnende goedkeuring goedheid behaagt zich in mijn wei-doen, en zijn goedertieren blik ziet met minnende goedkeuring
Iop mijn doen en lijden neer. Zulke overwegingen zullen een onuitsprekelijk zoet genoegen in mijne ziel storten ; en het gewigt van moeite en ongemakken, waarmede mijne goede werken vergezeld gaan, zal zich niet meer doen gevoelen. op mijn doen en lijden neer. Zulke overwegingen zullen een onuitsprekelijk zoet genoegen in mijne ziel storten ; en het gewigt van moeite en ongemakken, waarmede mijne goede werken vergezeld gaan, zal zich niet meer doen gevoelen. — God ziet mij, en met zijn goddelijken blik doordringt Hij tot in het verborgenst mijns harten. Alle mijne gemoedsbewegingen bemerkende, onderscheidt Hij ook alle mijne beweegredenen in doen en laten. Derhalve : ik moet
.
over mij-zelven waken, ten einde elk min-zuiver doelwit uit te sluiten, en alle mijne gedachten, woorden en werken ongemengd en alleen te stieren tot zijne verheerlijking en tot zijn goddelijk welbehagen.— God ziel mij, ook dan, wanneer ik op het felst bekoord word. Dan ziet en aanschouwt Hij mij, om mij aan te moedigen tot krachtigen weerstand. Hij biedt mij zijne bovenmenschelijke hulp aan, om mij te versterken. Hij wijst mij op de kroon der eeuwigdurende gelukzaligheid, als aanwakkering tot de zegepraal. Hoe vurigen welgemoed behoor ik dan niet te strijden! En kan ik aan de overwinning twijfelen, als ik zonder aarzelen
284
zijnen vermogenden bijstand inroep? Za! \'Ie moeielijkheid mij afschrikken, als ik op den eeuwigen prijs let, dien de behaalde zegepraal wacht: God ziet en aanschouwt mij in mijne kwellingen en smarten. Hij let op alles wat ik uitsta. Hij let op het geduld waarmede ik verdraag. God is op mijne bede bereid, mij van mijn lijden te verlossen, indien zijn meerdere eer en mijn heil er mede gebaat zijn; zeker, om mij in \'t lijden te versterken, opdat ik niet bezwijke onder den druk.—Waarom dan in mijne benauwdheden niet tot Hem geroepen, waarom Hem mijne smeekingen niet opgezonden r
Ik zal dan dikwerf akten in mij opwekken, betuigende dat ik aan Gods alomtegenwoordigheid geloof, die alles in mij gadeslaat en niets onopgemerkt laat. Dikwijls zal ik mij voor Hem verootmoedigen. Hem aanbidden, tot Hem roepen als tot dengeen die mij overal bij is.
Mijn onmeetbare Schepper, ik aanbid U hier bij mij tegenwoordig. Ik buig mij voor uwe goddelijke blikken, die steeds op mij gevestigd zijn.
Hij L eve ! Hij de oneindige, in wiens tegenwoordigheid ik mij bevind. Hij leve !
Met den diepsten eerbied, o God, verootmoedig ik mij voor uwe aanbiddelijke Majesteit. () groote Heer ! vervul mijne ziel met de gedurige
gedachtenisaan uwe goddelijke tegenwoordigheirl,
opdat ik mij dikwijls bezig houde met aan U te denken en U als zigtbaar te aanschouwen. Dit zal mij mijne nieuwsgierigheid doen breidelen, om niet te blikken op aardsclie en ijdele nietig-
285
heden. Het troost mij, 6 Heer, dat geheel mijn inwendig volkomen voor U bloot ligt. Het strekt mij tot blijdschap, dat Gij U zoodanig aan mij laat gelegen zijn, zoo oplettend mij waarneemt, als ware er niets anders op de wereld met U en in U, dan ik-alleen. U zal ik dus dikwerf mijne ellende ontdekken, U mijne smeekingen opzenden. In U rust geheel mijn betrouwen, om geholpen te worden in het goede, gesterkt tegen het kwade, en bemoedigd in den strijd van een deugdzaam leven. Druk in mijne ziel een diepen en levendig gevoelden eerbied, eene heilzame vrees voor uwe ontzaggelijke Majesteit, ten einde ik mij nooit verstoute, U beleedigende, mij in uwe goddelijke tegenwoordigheid eenige zonde te veroorloven. Vergemakkelijk mij akten waarmede ik menigmaal betuige, aan uwe goddelijke alom-tegen-woordigheid te gelooven. Doordring mij inniglijk en krachtig van die troostvolle en heildragende gedachten; God ziet mij, God slaat acht op mij. Ik weet en ben overtuigd, dat die gedachte mij grootelijks kan helpen, om toe te nemen in werken van ware godsvrucht, ten einde deze naarstiglijk en met het zuiverste oogmerk te verrigten. Daarom verlang ik, die gedachte zeer levendig in mijn verstand te prenten. Intusschen geloof ik, o mijn God, dat Gij mij altoos aanschouwt, mij, alle mijne gedachten, alle mijne woorden,alle mijne werken, allemijne bewegingen. Ik geloof, dat Gij ze oplettend waarneemt. Gij mijn God en Schepper, eeuwige wijsheid, algoede voorzienigheid, mijn bewaarder en verlosser, mijn
286
eeuwige vergelding, mijne ontsterfclijke gelukzaligheid 1
Ik maak het besluit deze geloufsakte dikwijls tc hernieuwen, om U te eeren en mij op te wekken tot het gestadig verheffen mijner oogen door het geloof tot U, die mij overal en altijd allertegen-woordigst zijt. Dan zal al mijn doen en laten tot U alleen gerigt worden, mijn eenige beweegreden zal zijn U te behagen, U, mijne eindelooze alomtegenwoordige Majesteit. Ik bemin U, ó onmeetbare God, ik heb U lief met geheel mijn hart, met mijn gansche ziel.
een en oneindig is.
Serste fiat.
Overweeg, mijne ziel, de hooge waarde die God in zich heeft, door dat Mij eenig en enkel is, maar tevens opperst en oneindig. God is zoo groot, zoo volmaakt, dat Hij geen gelijken heeft, noch kan hebben. Hij overtreft alle mogelijke wezens in volmaaktheid, in verhevenheid, in gelukzaligheid. God is zoo een uitmuntende schoonheid, dat niets met haar kan vergeleken worden. God is een-eenig en tegelijk alle goed, in alles en in allen grenzeloos oneindig. In zijn eenige schoonheid bevat Hij eindelooze volmaaktheden. In zijn eenige goedheid bevat Hij de goedheid, waaruit al wat goed is voortspruit.
287
God is de eenige Heer en Meester van al het geschapene: Hem dienen de Engelen, Hem vcreeren de Cherubijnen, Hem bewonderen de Serafijnen, Hem verheerlijken de Gelukzaligen. De elementen gehoorzamen Hem, dc duivelen vreezen Hem, en alle schepselen erkennen, dat zij zijne slaven zijn. God is de eenige Schepper van al wat zigtbaar en onzigtbaar is, wien alle schepselen verpligt zijn, zonder dat Hij aan wien of wat ook, eenigerwijze verpligt is. God is het eenig heil, de ee\'iige gelukzaligheid. Hij alleen maakt gelukkig, Hij alleen vervult zijne dienaren met ganschelijk verzadigende tevredenheid. Hij is de eenige temmer der helle en helsche magten. Hij is de eenig-eeuwige, die nooit kan verdwijnen. Hij omarmt alle tijdeni alle eeuwen, alle eeuwigdurendheden. Hij is de eenige volheid van wezen zonder gebrek, altijd onveranderlijk, altijd onafneembaar, altijd dezelfde, altijd één, en hoogst en opperst. Alles in God, en alles is één in God.
En die zoo eenige, zoo overste God, zou niet het eenig en opperst voorwerp mijner liefde zijn! — Er is niets dan een God alleen, die mijn hart kan voldoen en verzadigen. Hij alleen verdient, dat wij Hem onze genegenheden ten offer brengen. Hij alleen verdient, dat wij Hem alleen lief hebben, dat wij Hem alleen beminnen met geheel ons hart, met geheel onze ziel, met alle onze krachten. — Hoezeer moet ik dan een zoo grooten God hoogachten en eerbiedigen. Hem die het eenig einde is van alle geschapene
288
dingen, door en voor wien alles geschapen is ! Verlies ik Hem door de zonde, waar zal ik een\' andere vinden, die mij dat groote verlies zou kunnen vergoeden ? Mishaag ik Hem door mijne ontrouw, wie zal mij te hulp komen, daar Hij de eenig mogende, de eenig-almagtige is van wien mijn geluk afhangt r
Dikwijls— dit besluit ik ernstig— dikwijls zal ik Hem om de genade bidden, van Hem alleen lief te hebben en boven alles te schatten.
O onmeetbare God, Gij die één zijnde voor oneindig geldt, ik deel in uwe vreugde, omdat Gij eenig en alleen zijt en geen gelijken hebt. Ik verblijd mij daarover met U ; want op die wijze zijt Gij kostbaarder en grooter, op die wijze zijt Gij meester van alles, zijt Gij de beste van allen. Ik schep er behagen in, dat er buiten U geen andere beminnenswaardige God is. Gij, zijt degeen, dien ik boven al moet lief hebben want Gij zijt boven alles. —■ O zoete troost, van U geheel mijn hart te kunnen schenken! Wat of wie is er aan U gelijk? Waarmede of met wien zou ik mijn hart kunnen deelen: Geef, ó Heer, dat ik U naar verdienste beminne. Gij zijt alle goed; verleen mij dus dat ik U liefhebbe met al wat ik heb, met al wat ik ben. Daar Gij één en meer zijt dan allen en alles, geef» dat ik U eeniglijk, boven al wat de wereld aanbiedt, moge beminnen. O ! konde zich mijn hart, zoo groot en ruim als het is. in liefde verkeeren voor uwe eindelooze goedertierenheid! — mijn God en lieve Heerl ik zou alle mijne
289
vermogens, ullc mijne gernoedsaandoeningen willen écn maken, om zc allen en geheel en ganschelijk in uwe heilige lielde te besteden. Gij zijt één; wees mij dan ook alles. Ik bemin U eeniglijk, ik bemin U alleenlijk, en bemin ik iets anders, 6, dat ik het toch niet beminne dan om ü en in U! — Ik schat en waaideer U boven alles. U te dienen, uwen aanbiddelijken wil te volbrengen, is mij dierbaarder dan wat-ook. Ik offer U geheel mijn hart; ontvang het, want Gij zijt mijn eenige God, mijn eenige Schepper, mijn eenig Goed. Ik smeek en bid U, dat Gij U, door uwe zegevierende genade, tot eenigen Heer en Heerscher van alle mijne genegenheden maket, tot eenige beweegreden mijner handelingen. O Heer, het zij zoo! Ik betuig U, dat ik alle mijne werken, vooral mijne goede, eeniglijk en alleen lot uwe verheerlijking wil betrachten. Ik neem mij voor maai, o lieve Heer, help mij — U dikwijls te zullen zeggen; wijn God dit.. . dat. . . doe ik tc uwer ccr. — Ik maak het besluit, U dikwerf om de genade te zullen smeeken van U alleen liet te hebben. — Ik bemin U, o mijn eenig en oneindig Heil, ik bemin U boven al, mijn eenige God!
Twieie Punt,
God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij oneindig volmaakt en zioh-zelven allergenoegzaamst Is.
Overdenk, mijne ziel, hoc God in zijn natuurlijk wezen een zoo gehecle en volledige volmaaktheid
290
bevat, dat Hem niets kan mangelen, zoo als Hem ook niets kan bijgeworden. God besluit in zich niet alleen alle oneindig goed, maar ook oneindiglijk geheel, gansch en volkomen. Hem ontbreekt geen eene veihevendheid, geen eene grootheid, geen eene uitmuntendheid van welken aard ook. \'t Is deze volheid en volkomenheid van alle goed, welke Hemallergenoegzaamst doetzijn inzieh-zelven, maar ook uitstekend boven al wat buiten Hem is. Aan dit alles deelt Hij heil en volmaaktheid mede, zonder van wien of wat ook iets terug te ontvangen ; want elk schepsel heeft Hem noodig, terwijl Hij zelf van allen en alles volstrekt onafhankelijk is. Inderdaad, eer Hij de wereld schiep, was God even schoon, even almagtig, even heerlijk, even gelukkig in zich-zelven, als Hij thans schoon, almagtig, heerlijk en gelukkig is. Vóór tijd en eeuwen, vóór zienlijke en onzienlijke schepselen had God alles: Hem was een eindeloos vermogen, een wondervolle Majesteit, een hoogste wijsheid, een onmeetbare schoonheid. Hij had in zich meer dan honderd en duizend werelden. Hij had, van niets en niemand iets noodig te hebben. Hij had, dat Hij God was, dat is: eene oneindigheid van volmaaktheden, eene oneindigheid van goedeien, eene oneindigheid van gelukzaligheden, zonder verlangen tot iets meerders of tot iets anders. God genoegt zich met het aanschouwen zijner natuurlijke schoonheid, om volmaakt gelukkig te zijn, en nooit, door oneindige eeuwen van eeuwigheden, verveelt Hem het genieten dier zijne zelfstandige schoonheid, — Derhalve : O dwaasheid der men-
291
schelijke begeerten, die zich afmatten en vermoei-jen in het zoeken en najagen van nietigheden buiten God ! God genoegt zich in- en met zich-zelven ; en wij, wij kunnen ons niet genoegen met God ! En nogtans is Gods liefde alleen bekwaam onze harten, ook op deze wereld, te bevredigen. Alleen het aanschouwen van dat onmeetbaar goddelijk schoon, zal in onze gelukzalige geesten het verlangen uitdooven van alle andere schijn-geneugten, het zal gedurende de gansche eeuwigheid stroomen van eindeloozen wellust in onze zielen storten.
Mijne ziel, waarheen gaan de neigingen uws harten indien zij zich niet richten tot dien God, bron en vervulling van al wat goed en heilzaam is? Verlies dan uw hart niet tusschen de klaterende bekoorlijkheden dezer aarde. Al hare schijnheerlijkheid is stof en asch. Haar ijdelc praal gaat voorbij en verslenst. Daarom, verlangt het aanschouwen der wonderbare schoonheid wier bloesem nooit verwelkt, wier glansrijkheid niet kan tanen. Bemin met al uwe krachten die verbazende goedheid, die niets van u noodig hebbend, u des-niettemin, uit loutere liefde, met zoo vele weldaden overladen heeft.
O groote God en ontzaglijke zegenaar, ó overste Majesteit! ik geloof vastelijk, dat Gij een oneindig volmaakt en hoogst volkomen wezen zijt. Met den diepsten eerbied aanbid ik uwe van alle schepselen U eigene onafhankelijkheid. Ik geloof dat gij oneindig rijk, oneindig aller-genoegzaamst zijt aan U-zelven. O der schatten
292
Schat 1 ö Goed van alle goederen! 6 der koningen Koning! ik verootmoedig mij voor U, ik bemin U, ik heilig en wijd mij voor altoos aan uwen dienst toe. Juist daarom zijt Crij mijn God, omdat Gij mij in geene deele noodig hebt. Doch van waar, dat Gij zoo gedreven wordt om mij te begenadigen, als kondet Gij met leven zonder mij r Gij zijt vol van oneindige rijkdommen; daarom zoekt Gij, in wien den overvloed uwer volheid uit te stoiten. Gij zijt eindeloos goed, daarom vindt Gij uw behagen in U aan anderen mee te deelen. Ik weet dat, hetgeen Gij voor mij gedaan hebt Gij het gedaan hebt uit liefde, niet uit belang. Daaruit is mij uwe onnaspoorlijkc liefde blijkbaar. — Wees gezegend, ó Heer, die den mensche zooveel goeds bewijst, zonder dat er u aan gelegen zij. Gij hebt alles voor mij gedaan. Gij hebt U voor mij vernederd, ja vernietigd. .. tot den dood. . . tot den dood des kruises! Of, zou U iets ontbreken, zoudt Gij iets minder hebben, indien de mensch verloren ging. Neen voorzeker! Maar gij vloeit over van goedheid; \'t is deze goedheid alleen die ons tot voorwerp uwer liefde en genadegaven maakt.
O! ik bemin u dan ook, mijn allerbeminnens-waardigste, en wil u altijd lief hebben. Gij, gij vergenoegt U-zelven- daarom kunt Gij ook mij vergenoegen. Geef, 6 Heer, geef dat ik afzie van alle geneigdheid tot de schepselen. Verlich mij, breng mij te-regt, en doe mij de ijdelheid der aardsche beuzelingen inzien. Ontsluier mij mijne dwalingen en dwalende zienswijzen. Ik
293
smeek er U om door uwe grenzelooze goedheid, door uwe onuitputtelijke liefde cu dour de eiir delooze verdiensten van mijnen Jezus. Verlich mij, opdat ik U kenne, U mijn eenig heil, eenige rust en bevrediging mijns harten. Ik betuig U andermaal, dat ik U van ganscher harte lief heb. Deze betuiging zal ik dikwijls hernieuwen, dikwijls zal ik U om de gave uwer liefde smceken.
Pint.
God moet van ons bemind worden, om zijne oneindige heiligheid.
God is het toonbeeld, de eenige oorzaak en bron van alle heiligheid zelve. God is niet alleen heilig, maar Hij, en Hij alleen is noodzakelijk en wezenlijk heilig. De schepselen kunnen, wel is waar, een zekere hun eigene heiligheid bereiken ; maar zij kunnen ze ook verliezen, omdat zij kunnen zondigen. Hoezeer zij ook mogen toenemen in heiligheid zij zullen altoos oneindig minder heilig zijn dan God. Dezelfde onbegrensde heiligheid, die God noopt zich-zelven als het iioogste goed te beminnen, verpligt Hem even zeer de zonden te haten, die het uiterste kwaad is; God moet die noodzakelijk onophoudelijk en oneindiglijk verafschuwen. Gelijk de liefde, die God zich-zelven toedraagt, alles aanwendt, om zijne verheerlijking te bevorderen, zoo beweegt Hem de haat welke Hij tegen de zonde gevoelt, om deze te vernietigen, als een zijner
294
eer allertegenstrijdigst kwaad. — De Almagtige is oneindig heilig; daarom kan Hij niet alleen geen eenige zonde willen of goed keuren, maar Hij kan ze zelfs niet ongestraft laten. En aangezien zijn afkeer van en haat tegen de zonde noch paal noch perk heeft, daarom straft Hij de doodzonde zonder einde, dat is: met dc berooving van een oneindig goed, en met eenc kastijding die nooit op zal houden. Om zijne heiligheid te bevredigen heeft God, tot straf der zonde, eene oneindige voldoening gewild. Van daar dat Hij, tot herstel zijner door de zonde gekwetste eer, zijn eengeboren mensch geworden Zoon heeft doen steiven. Hoe uitstekend moet dan wel de heiligheid des Allerhoogsten, en hoe vreeselijk zijn haat tegen de zonden zijn, dewijl Hij ze op eene zoo verbazende wijze straft in zijnen eigen en zoo teêrgeliefden Zoon, in dien Zoon, in wien Hij slechts de schaduw der zonden zag! Er is geen werk Gods, dat beter zijne grenzelooze heiligheid doet uitkomen, dan het menschgeworden Woord; dat immers sterft op Kalvariën tot straf en vernietiging der zonden. Maar hoe zeei moet dan ook diezelfde aan het kruis stervende Verlosser mij de zonde doen verafschuwen, opdat ik mij niet pligtig make aan een van den onsterfelijken Vader zoo gehaat en gestraft kwaad!
Intusschen behoort het mij, Gods heiligheid te vereeren, en mij in den geest vervoegende bij de zuivere Serafijnen, met hen diep eerbiedig uitgalmende; heilig, heilig, heilig, 6 God der
295
heirkrachten! Ik moet Hem eer en hulde bewijzen door te gehoorzamen aan zijne zoete bevelen, die mij opleggen heilig te zijn, gelijk Hij-zelf heilig is. En hier zal ik opmerken, dat God mij niet zegt: zijt magtig, zijt wijs, zijt gelukkig, gelijk ik magtig, wijs en gelukkig ben; maar wel: zijt heilig, gelijk ik heilig ben. Ik moet dus ernstig bedacht wezen om mijne ziel te heiligen; dat toch is het wat mij God als het allerbelangrijkst geboden heeft. Dat zal ik doen, van dien pligt zal ik mij kwijten, wanneer ik in mijn hart de gevoelens zal verwekken, welke de Almogende heeft tegen de zonde. Dat zal ik betrachten, wanneer ik mij dikwijls zal oefenen in akten van afkeer en ver-foeijing tegen de zonden ; wanneer ik zorgvuldig de schuld der zonde in mij zal trachten te vernietigen, door inwendige en hartelijke akten van berouw en leedwezen ; wanneer ik mij zal overtuigen dat elke zonde, al is zij ook eene ligtere, nogtans nooit een klein kwaad is, aangezien zij oneindiglijk mishaagt aan een oneindig-heiligen God.
Door een levendige ofschoon kortstondige verlichting deed God aan de H. Metildis de wondervolle verhevenheid zijner grenzelooze heiligheid kennen en den vreeselijken afkeer, dien Hij van de zonde heeft. Dat helder inzien maakte een zoo sterken indruk op den geest van die heilige, dat zij betuigde : met dat licht, zou zij hare gedachte niet hebben kunnen vestigen op hare zonden; zoo zeer verpletterden, zoo zeer verschrikten zij haar !
296
Ach, mijn lieve Heer en God 1 doe mij door een dergelijk licht mijne boosheden kennen; zulk licht stelle mij de zonde in afschuw, dat licht doe er mij gemakkelijker door herhaalde akten van spijt en leedwezen aan verzaken. Door zulke berouwvolle verzuchtingen wensch ik mijne ziel te heiligen, door een levendigen haat der zonden wensch ik mijne ziel van schulden te vrijwaren. Daarom bid ik U: geef mij uwe hemelsche verlichting, opdat ik de gruwelijkheid der zonde besefte en daardoor een diepen afschrik gevoele van U te beleedigen. O allerheiligste, ó allervolmaakste God! ik aanbid in U een eindelooze zuiverheid, onbestaanbaar met de minste afwijking, met de minste zondige onvolmaaktheid. Al wat Gij doet getuigt van uwe volkomenste heiligheid. Ik bemin deze U eigene voortreffelijkheid en smeek U, dat Gij mijne ziel versterket met overvloedige genaden, ten einde ik uwe heiligheid wete en kunne navolgen. Uwe wonderbare heiligheid is nooit werkeloos; zij is steeds vruchtbaar in daden van heilige volmaaktheid. O 1 stort in mijn gemoed eene heiligmakende genegenheid, die het reinige van alle geneigdheid tot het aardsche, die het kuische van alle zondige besmetting, en het verciere met een uitmuntende goddelijke liefde. — Mijne ziel werd in het H. Doopsel uw tempel. Een\' tempel Gods betaamt een volmaakte heiligheid, welke hem opluistere en tot een waardige woonplaats make voor een eindelooze majes-
297
teit, die Gij zijt. Daarom smeek ik U, ó allerheiligste God ! verleen mijner ziel een straaltje uwer heiligheid, die haar verciere, die haar doe schitteren in deugden, die haar vooral de zonde doe haten en U beminnen. Met geheel mijn hart verfoei ik alle en elke mijner zondeschulden, ik verfoei ze, omdat zij uwer volmaakte heiligheid zoo zeer mishagen. Ik maak het vast en ernstig besluit van al wat zondig is of tot zonde leidt, met de meeste oplettendheid en zorg te zullen vlugten. Geheel mijn gemoed heeft U lief, ó opperste hater van het uiterst kwaad, van de zonde. Om uwe liefde wil ik mij voortaan wachten van gebreken en fouten, waaraan ik mij vroeger schuldig maakte. Om U genoegen te geven, om ü te believen, wil ik mij oefenen, zoo wel in hetgeen Gij mij geboden, als in hetgeen Gij mij aangeraden hebt. Daardoor zal ik mij uwer heiligheid welgevallig en behagelijk maken. Ik bied U ootmoediglijk de vermogens mijner ziel aan ; bevestig ze in het goede, in het heilige, bevestig ze in het beoefenen van deugdzame verrigtingen, doe haar in krachten winnen, maak ze vermogend, vooral in eene volmaakte en volstandige liefde tot U. Dat vraag ik U, ö Heer en heilige God, daarom bid ik U door de verdiensten en heilige werken van mijnen gezegenden Heiland, Christus-Jezus. Ik smeek er U om door zijnen smartelijken maar smetteloozen dood.
298
God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij onze Heer en Meester Is.
lente Fist.
God is geheel onze liefde waardig, omdat Hij volstrekt Meester en algemeene Heer is van al het geschapene. Zijne heerschappij en meesterschap strekken zich uit over de gansche natuur, over al wat redelijk en redeloos, ligchamelijk en onligchamelijk is, zij overstralen de grootste koningen en monarken, de koren der Engelen-zelven, al wat is eu zijn kan. Daarom wordt God genoemd der koningen Koning, de Heer der heerschappen. Alle ding is Gode onderworpen; ook de voor geen rede of begrip vatbare schepselen gevoelen Gods heerschappij en gehoorzamen Hem. God heerschapt overal en in allen deele. Niets of niemand kan Gods gebied ontgaan, noch ophouden Godes te zijn. Er is geene plaats waarheen vingten, waar dengeen te ontvlugten die overal gebiedt, of de vlugtende ontmoet eene hindernis die hem stuit. Gods meesterschap legt de hand op allen tijd, op alle plaats, op allen mensch, op alles en allen. God is volstrekt onafhankelijk Heer van alles. Met al wat er bestaat kan Hij doen wat Hij wil. Hij kan het door het vuur doen branden, verbranden en verteeren niet alleen, maar ook Hij kan het vernietigen, Hij kan het in niet oplossen.
299
Hij-zelf- lieer en Meester, Mij gaf aan alles en allen bet zijn, Hij heeft alles en allen geschapen. Beschikt de pottcbakker naar willekeur over de kneding zijner handen, hoe veel te meer beschikt God naar zijn welgevallen over alle schepselen I
Hier komt bij, dat de schepselen geen oogen-blik God kunnen missen; altijd en in alles moeten zij door Hem behouden en onderhouden worden, zoo niet, zouden zij zich plotseling in hun vroeger niet —- waaruit zij getrokken werden — zien verdwijnen. Op eiken stond herschenkt God zijnen schepselen het leven dat Hij hun bij hun worden mededeelde. Een grootere behoefte, dan die wij aan God hebben, is onmogelijk, ondenkbaar. Ook voor geen enkele onzer handelingen kunnen wij God ontberen. Wij kunnen geen oog bewegen, geen vinger verdraaien zonder Gods bijstand. Ons zijn, ons voortbestaan, ons werken, ons bewegen, alles hangt ten slotte van God at. Uit allen hoofde en op allerlei wijze is Hij onze Meester, onze Heer en Koning. En wij .. . wij zijn zijne slaven, zijne onderworpenen. Ik heb alles aan God te danken : handen, voeten, oogen, verstand, geheugen, wil; al mijne ledematen, al mijne zenuwen, al mijne aderen, al mijne gevoelens, al mijne vermogens, derzelver werktuigen, dat alles en meer, op elk uur, op eiken stond.
Hoe nu dien ik dezen grooten Meester, dien ontzaggelijken Heer? Hoe bemin ik Hem? Voor v/ien en voor wat heb ik zoo vele maanden, zoo vele jaren mijns levens gearbeid en gezwoegd)
300
voor wien en wat al dien tijd doortobt, dien tijd, welken ik eenig en alleen had moeten besteden tot den dienst van mijnen God? Heb ik welligt veel tijds, misschien al dien tijd door-gebragt in God te ongehoorzamen, in op te staan tegen zijne wetten, in mijne zondige luimen en grillen op te volgen, in mij slaaf te maken van mijne hartstogten, van mijne afgekeerdheden, van nijd, van haat?. . . Rampzalig ik, die Gods dienst heb willen verwisselen met de deerniswaardige huldiging mijner ondeugden, mijner kwade hartstogten, mijner schuldige begeerlijkheid !
O! ik zal God dikwijls bidden, dat Hij mij van die schandige zonden-slavernij gelieve te verlossen, ik zal Hem dikwijls smeeken en uit-noodigen, dat Hij-alleen in mij gebied voere.
Met den meesten smaak mijns harten belijd ik U, o mijn God, en roep U uit voor mijn Koning, voor mijnen Meester en Heer. Leve God, mijn Meester, mijn Heer, mijn Koning! — Uwe algemeene, volstrekte en algeheele heerschappij is mij een innig genoegen en zoete troost. Hoe ware het anders mogelijk ten opzigte van een Heer en Meester zoo goed, zoo beminnenswaardig, zoo vol erbarming en goedertierenheid ? Hosanna! Gij zijt aller Heer, aan U ben ik alles, alles verschuldigd. Uwe heerschappij en uwe meesterschap zijn volstrekt, onafhankelijk en algenoeg. Ter vervulling van uw welbehagen en van uwen hoogst ontzag inboezemenden wil vernietigd te worden, ook dit ware onze
301
verheerlijking! Tk ben geheel en gansch, geheel-lijk en ganschelijk van U, door U, 6 mijn God! Alles gewordt mij op elk oogenblik van de volheid uwer onnaspoorbare en alvermogende liefde. Zonder U ware ik zelfs niet mogelijk. . . Ik aanbid uwe boven mijne lage nederigheid verhevene Majesteit. Mijn geluk is het, geheel en in alles van U afhankelijk te zijn. Ik ben uw slaaf, ó goddelijke Meester! dat ben ik door natuur en door noodzakelijkheid, dat ook verlang ik te wezen door keus en wil. Ik verkies IJ te dienen, door getrouwelijk aan uwe heilige Wet te gehoorzamen. Ik wil mij door U laten geleiden en besturen, door U wien ik in alles volkomen toebehoor. Beschik over mij naar uw goddelijk welgevallen. Geef of ontneem mij het door U geschonkene, troos of sla mij, handel met mij volgens uw welbehagen ; ik stel mij gelaten in uwe heilige handen. Ik wijd mij ganschelijk en gansch aan uwe overste heerschappij. Beschik over mij, over mijn leven, over mijne eer, over wat ik heb en ben, naar uw gelieven. Dit alleen vraag ik U, dat Gij mij verlosset van de slaafsche dienstbaarheid aan mijne ondeugden en kwade driften. Ik ben mij bewust, die woeste en verwoestende ondieren in mij te hebben laten wroeten ; daar schaam ik mij over, dat rouwt mij innig en opregtelijk. Door het van mijn Verlosser en Zaligmaker vergoten bloed bid ik U: verlos mij van de redelooze dwingelandij mij\'ier hartstogten, inzonderheid van . .. (noem hier den harlstogt die meer dan andere in U het hoofd opsteekt:)
302
Kom Gij, o Oppermeester en Heer, kom en heersch in mijn hart, beheersch en overheersch het door uwe genade. Dat uw rijk en gebied bezit nemen van al de vermogens mijner ziel !
Tweede Pint,
Ik ga overwegen de majesteit en grootheid van den algemeenen Heer en Meester van het heelal. Hij is een dusdanige, dat millioenen hemelsehegeesten, volgezagen heerlijkheid. Hem aanbidden en dienen. In zijne tegenwoordigheid staan zij opgetogen en verrukt, terwijl de pijlers des hemels sidderen. De Aartsengelen knielen voor Hem neer, de Cherubijnen buigen zich in ootmoed, en de Serafijnen vallen neder, uit eerbied en ontzag bevend. Ziedaar een schim van Gods grootheid 1 In zijn hemelsch hof heeft God de magtigste, de heiligste en verhevenste koningen tot dienaren. De magt van één van hen is voldoende, om op éénen dag millioenen men-schen te verdelgen, een enkele van hen is genoegzaam om, alleen door zijne tegenwoordigheid, onoveiwonnen helden en gansche legers te verpletteren. Wat moet dan Gods hof niet zijn, dat vervuld is van zulke en zoo vele magtige en sterke hovelingen ! Zij allen nogtans erkennen God voor hunnen eenigen Opperheer, zij belijden Hem oneindig verheven boven allen geschapen lof, boven alle vereering, boven alle aanbidding. Zoo diep zij zich voor Hem verootmoedigen, betuigen zij nogtans, dat hunne verootmoediging
303
oneindiglijk onevenmatig is aan de volheid zijner algeheele meesterschap. Boven dat alles is het bewonderenswaardigst, dat een God van zoo veel majesteit, gezag en heerschappij, zich niet trolsch ea hoogtoonend voordoet, maar zoo genaakbaar en liefelijk, dat de minste en nederigste mensch op aarde zich met Hem kan onderhouden, en Hom op eiken dag-en nachtuur zijne noodwendigheden kan bloot leggen. De sterveling heeft zelfs niet noodig dat hij daartoe zijn voet verzette. Door zijne inspraken roept ons God tot zich. Hij dringt ja noopt ons, dat wij ons bij Hem vervoegen, dat wij tot Hem opklimmen.
Mijne ziel, aanbid dikwijls dien God, dat wonder van majesteit en grootheid. Bezoek Hem dikwijls in zijne kerken, doe Hem dikwijls eene offerande van u-zelven, om Hem te dienen en te gehoorzamen.
Wees gezegend, o mijn God, voor uwe liefdevolle goedheid. Wees gezegend voor eene zoo wonderbaie liefelijkheid. Mijn geluk is voorwaar groot, dat mijn Heer en Meester zoo verheven, zoo edel en magtig, maar ook dat Hij tevens zoo menschlievend en goedertieren is. Gij zijt die God, wien de Hemel een troon is en de aarde eene voetbank. Het heelal is U een enge tempel; hij kan U niet bevatten. Duizende uitgestrekte werelden zijn U te bekrompen. Die-hoogheid en hooge verhevenheid uws Wezens maken mijne vreugde uit; maar ook jubel ik bij het aanschouwen uwer beminenswaardige goedertierenheid en goedertieren beminnelijk-
304
heid. Gij zijt mijn Heer en Meester van natuur-wege ; doch, waart Gij liet niet, wij zouden U als dusdanig uitroepen, om uwe zielzaligende goedgunstigheid. Doe mij de genade, ó Heer, dat ik U — zoo\'n goeden Meester — getrouwelijk diene ; geef mij, dat ik uw gehoorzame slaaf zij, aangezien Gij mijn allerbeminnelijkste Koning zijt. Ik buig en verootmoedig mij voor uwe onmetelijke grootheid. Ik aanbid uwe eindelooze verhevenheid. Dankbaar erken ik die onschatbare verwaardiging, waarmede Gij mij uitnoodigt, om in mijne noodwendigheden tot U te vlugten, in mijne ellenden uwen bijstand af tesmeeken. Ik wil van uwe lieve goedheid gebruik maken; en daarom neem ik mij voor, mij dikwijls tot U te zullen wenden, om U als mijnen God van majesteit te aanbidden, om U als mijnen grootsten weldoener te bedanken, en vooral, om mij als slaaf geheel en onafscheidelijk aan uwen heiligen dienst te wijden. Ja, mijn God en Opperheer, ik verpligt en bind mij ganschelijk aan uwe wetten en bevelen. Ik draag U mijne vrijheid, mijn hart en mijne genegenheden op, opdat zij allen U gehoorzamen, opdat zij niets willen dan hetgeen U aangenaam kan wezen. Dikwijls zal ik mijne toevlugt tot U nemen, ten einde U mijne behoeften, mijne ellenden, mijne kwellingen van ziel en ligchaam open te leggen. Ik hoop dat uwe goedheid, zoo vol van liefde, mijn smeeken zal aan- en verhooren. Ik bemin U, 6 mijn overste Meester, en uit liefde tot U wil ik U in alles naar geheel mijn vermogen behagen.
305
Derde Punt.
God alleen is de groote Heer en Meester, omdat zijne heerschappij van niemand afhankelijk is. Hoe zeer de monarken dezer aarde zich eieren met den brommenden naam van mogendheden; zij moeten echter toestemmen, dat zij afhankelijk zijn van hunne onderdanen; deze toch hebben zij noodig óf om van hen gediend, óf om door hen verdedigd te worden. Welken steun en welke onderschraging behoeven zij niet omstaande te blijven en zich te kunnen handhaven ! Ontvallen hun deze middelen, dan ook vallen zij gelijk elk ander mensch; maar zij vallen dan met meer gedruis, omdat zij van hooger neerstorten. Alléén God is volkomen en volstrekt onafhankelijk. Hij is zich-zelven Meester in hel tot wezen brengen zijner verhevenste werken. Hij genoegt zich met niets, om uit dien afgrond zoo veel schepselen te trekken als Hem gevalt. Schikt Hij zich, in zijn voortbrengen, naar de neigingen van door Hem geschapen oorzaken, Hij iloet het, omdat Hij het zoo doen wil; immers, wil Hij het anders, dan doet Hij die zelfde oorzaken aan hare natuurlijke neigingen tegenstrijdige uitwerksels opleveren. Zoo bedient Hij zich van het vuur, om de drie jongelingen in denBabijlo-nischen gloed-oven te verfrisschen, en van de baren der zee maakt Hij den Israëliten eenen wal, voor hunnen doortogt in die groote waterkom.
Ook in de bovennatuurlijke orde van genade handelt God als onafhankelijk Heer en Meester,
13
306
Als Hij het wil, let Hij op geene gesteltenissen. Welken aanleg vond Hij in de twaalf nederige visschers, om er evenveel Apostelen van te maken r Welke in een tollenaar, om hem een Evangelist te doen worden? Uit een vervolger trekt Hij een vat van uitgelezene heiligheid, en dat even gelukkig, als Hij een H. Joannes-den Dooper gevormd had tot zijn voorlooper. Hij weet armen tevreden en opgeruimd hunne ontberingen. en hun lijden te doen dragen, gelijk Hij heilige monniken een schat doet vinden in hunne vrijwillige armoede. Hij heeft noch rijkdommen noch aardsche eergrootheden noodig om ons, waar Hij het wil, gelukkig te doen zijn. Aller schepselen gelukzaligheid hangt alleen van Hem af, terwijl Hij-zelf in ons goed te doen, van geen eenig schepsel afhankelijk is.
Is God van alles onafhankelijk Heer en Meester, dan moet alles, wat God niet is, van Hem afhangen. Ja, ons welzijn en onze roem bestaan daarin, dat wij van dien eindeloozen Heer en Meester in alles afhankelijk zijn.\'t Is waar, van anderen te moeten afhangen, dat vernedert en verlaagt ons; maar van den Almogende afhankelijk te zijn, hierin is onze grootste eer, hierin is onze gelukzaligheid gelegen. Door deze vrijwillige af hankelijkheid en onderwerping vereenigen wij ons nauwer met den Schepper, ons deelachtig makend aan zijne grenzelooze almogendheid. Zóó roemde er de II. Paulus op, dat hij alles kon.. . maar in God, wien hij volkomen onderworpen was, van wien hij volkomen afhankelijk
307
leefde. Niets is er dat ons zóó ter aarde werpt en verlaagt, als van God niet te willen afhangen. Lucifer, hij die /00 verheven en groot werd geschapen, hij wilde zich aan deze afhankelijkheid onttrekken. Dat wierp hem plotseling in den hellepoel; daar is hij, tegen zijnen dank en gedurende eene eeuwige eeuwigheid, onderworpen aan de beschikkingen des Almagtigen, aan nimmer eindigend lijden, aan altoosdurende jammeren. Die den Allerhoogste eene vrijwillige afhankelijkheid weigerde, die wordt genoodzaakt als slaaf te zuchten, gestraft en gefolterd door eene onverzoenbare regtvaardigheid.
Wat mij aangaat, ó groote God, ik stel er al mijn roem en al mijne grootheid in, mij voor uw slaaf te erkennen en geheel en gansch afhankelijk te zijn van de bevelen uwer oppermajesteit. Laat nooit toe dat ik, door blindheid geslagen, mij ook een enkel oogenblik onttrekke aan de volkomenste onderworpenheid die ik U schuldig ben. Maar, al te veel en al te dikwijls heb ik, door te zondigen, mij verzet tegen uwe regtmatige Meesterschap. Dat verfoei en verafschuw ik thans met bittere tranen van berouw en leedwezen. Als slaaf uwer regtvaardigheid heb ik verdiend in den helschen kerker begraven te worden; want ik heb tegen U gezondigd, ik ben opgestaan tegen mijnen Heer en Meester. Dat verdiende ik, omdat ik de door U mij geschonkene vrijheid misbruikt heb. Doch van nü af maak ik het besluit, mij voortaan volkomen aan uwe heilige wetten te zullen onderwerpen. Doch ól kom mij
308
te hulp en verleen mij krachtigen bijstand, opdat ik mij-zelven en mijne kwade hartstogten kunne overwinnen. Ik bid liet U door de verdiensten van dien Verlosser, die U zoo zeer onderworpen leefde, ik bid het U door de verheerlijking, welke zijne gehoorzame kruisdood U gebragt heeft. Ik aanbid U, ó Opperheer en Meester van alle schepselen. Ik werp mij verootmoedigd voor U neer, voor uwe onmeetbare grootheid, voor uwe goddelijke Majesteit, voor uwe einde-looze Heerschappij.
XXÏXte Keditalie.
Bod verdient onze liefde, omdat Hij ze ons gebiedt.
Eerste Pint.
Groot is mijne verpligting van God (e beminnen; want Hij-zelf gebiedt het mij. Aangezien God zóó groot, en wij daarentegen zóó klein zijn, ware het reeds eene gunst geweest, dat God ons toeliet Hem te beminnen. De Vorsten en Koningen der aarde zijn niet gewoon hunnen onderdanen te zeggen : ik ben tevreden dat gij mij beminnet. Helder en klaar beduiden zij hun: ik wil, dat gij mij dienet; de liefde zou ons gelijk maken, dat wil ik niet; ik wil dat gij minder dan ik, dat gij beneden mij zijt. — Onze God handelt zóó niet. Ofschoon Hij de Majesteit, de grootheid en oneindigheid zelf is, wekt
309
Hij ons niet alleen, opdat wij Hem beminnen, maar maakt Hij er ons met uitdrukkelijke en zinrijke woorden een gebod van, ja verzekert Hij ons bovendien, dat wij door Hem lief te hebben ons geluk verzekeren voor tijd en eeuwigheid ; terwijl ons, in het tegenovergesteld geval, niets dan rampen wachten voor dit en het toekomende leven. Hadde God ons geboden de zon, de sterren, of eenig ander schepsel te beminnen, wij zouden zonder tegenspraak hebben moeten gehoorzamen ; Hij heeft alle magt van zijnen schepselen te gebieden; wij, wij moeten Hem gehoorzamen. Maar nu wil Hij. dat wij Hem — de grenzelooze goedheid, de oneindige liefelijkheid, de eindelooze beminnenswaardigheid zelve — liefhebben. En wij, wij zouden ons daaraan onttrekken, wij zouden Hem niet dikwijls de hulde onzer liefde brengen. Hem niet dikwijls betuigen, dat wij Hem willen behagen! O! wij behoorden God dikwerf te bedanken voor zijn liefelijk gebod van liefde. Gewis, indien God ons verboden had Hem te beminnen, wij zouden al het mogelijke moeten aanwenden om zulk verbod met eene toelating verwisseld tc zien. Inderdaad, God te beminnen is ons een hoogste goed, een al te groote eer. Wij zijn niet waardig ons door de liefde zoo inniglijk met God te vereenen.
Er zijn op deze wereld zoo vele menschen van allerlei geslacht, van allerlei ouderdom, van allerlei stand, zwak en ellendig als wij; en deze vinden hun streelendst genoegen in de
310
beoefening van herhaalde goddelijke liefde-akten. Zij ondervinden dezelfde kwellingen, worden door dezelfde bekoringen geslingerd als wij; en toch houden zij hun gemoed met God bezig, voeden zij hun hart met hoogere liefde zóó, dat zij besloten hebben liever duizendmaal — indien het mogelijk ware — te sterven, dan zondigende Gods liefde te verliezen, of Hem, door de minste vrijwillige overtreding te mishagen. Dat doen zij, dat doen zoo velen, zoo gaarne, zoo vaardig, zoo gansch gemoedelijk. Waarom zou ik dat ook niet kunnen, niet willen doen: — Deze verpligting van God te beminnen, is overigens de eerste verpligting, de oudste, de meest bevoorregte. Ik moet er mij dus, vóór alle andere verpligtingen, van kwijten. Dat neem ik mij dan ook ernstig voor, daartoe besluit ik.
O mijn groole Koning! Wie ben ik, dat (Jij mij gelast U te beminnen! Doe ik het niet, dan bclgt Gij U over mij, dan bedreigt Gij mij in dit leven met tijdelijke en in het andere leven met altijddurende ellenden. Ach, ellende der ellenden, U niet lief te hebben! Zeg het mij, ó mijn God, wat is er U aan gelegen, dat ik U beminner Gij zijt zoo bezorgd, dat ik U mijne liefde wijde. Gij bedreigt mij met de felste straffen, indien ik daaraan te kort blijve, en, in het tegenover gestelde geval, belooft Gij mij het Paradijs, het eeuwig genieten eener onbegrijpelijke heerlijkheid. Nog eens: wat is er U aan mijne liefde gelegen? Wat zoudt Gij verliezen indien ik mij-zelve verloor met U niet te
311
beminnen? Voorzeker niets. Maar Gij wilt mijn geluk, Gij wilt mijne zaligheid. Gij weet dat mijn geluk bestaat in U lief te hebben, en uwe geboden uit liefde na le leven, in werken to plegen die U behagen. U lieve Heer en God! dat verlang, dat wensch ik dan ook; want ik haak naar mijne gelukzaligheid. Doch ik ben üoo lauw en flauw, zoo onstandvastig, zoo ijskoud voor het goede. Om Gods wille, geef mij geestelijke, geef mij volstandige, geef mij vlammende krachten, opdat deze mij onophoudelijk aanwakkeren tot het betrachten van werken die U behagelijk zijn. Door uwe grondelooze goedertierenheid, ö help mij! Door de liefde welke mijn mensch geworden Jezus u toedroeg, geef dat ik U beminne.
Ik maak het besluit dikwijls uit liefde tot U, mijn hart tot U te zullen verheffen, opdat ik gehoorzame aan uwe wet van liefde. Ik zal U zeggen: mijn (Jod ik bemin V van gansclier /icirie, met geheel mijne ziel, met al mijne krachten, met geheel mijn gemoed; ïk bemin U met geheel mij-selven, meer dan mij-zelven.
Tweede Punt,
Hoe redelijk en regelmatig is het God boven alles lief te hebben!
Is God de Oppermonarch van hemel en aarde, de Meester van het heelal, onze Schepper en Behouder, het eenig oogmerk en einde van ons zijn, onze eenige toekomende gelukzaligheid
312
dan is het ook billijk, dat Hij van ons eische wat wij best hebben: onshart, onze genegenheden, onze liefde. Waartoe wil ik het best dat in mij is —• mijne liefde — besteden, tenïij er gehcel-011 altoos een offerande van te maken aan de beminnenswaardige Majesteit en goedgunstig-heid van een God! Die goddelijke Heer wil, dat de mensch Hem als God behandele. Hij wilj zoo niet uit deszelfs mond, althans uit zijn hart regtzinnig hooien betuigen, dat hij zijn God boven al het geschapene hoogacht en wil gehoorzamen, dat hij Hem niet wil beleedigen, al kon hij zich daardoor alle door de goddelijke wet verboden goed verwerven; dat hij zijns Scheppers tevredenheid stelt boven alle zondige voldoeningen van eigen ligchaam, van hartstog-ten, van vrienden, van wat ook. Is dit alles niet redelijk en regtvaardig ? Dat God namelijk verkoren worde boven zaken oneindig beneden Hem, boven hetgeen zijn heilige wetten verbieden ? — Dat is het, wat de mensch Gode betuigt, wanneer hij verklaart God boven alles te beminnen. En zou nu de mensch deze zoo redelijke betuigingen niet dikwerf voor God behooren te vernieuwen I God smaakt grootelijks zulke liefde-betuigingen, en loont ze met nieuwe genadegaven die onze zielen heiligen. Bij elke akte van liefde bereidt Hij ons eene nieuwe kroon van onsterfelijke heerlijkheid. Ach! indien de mensch niet dikwerf zulke oefeningen betracht, \'t is, omdat hij God niet naar waarde schat, omdat hij geen werk maakt van de oneindige
313
verdiensten te kennen die in God zijn, en ge-volgelijk niet beseft, dat Gods genoegen boven alle aardsch genoegen moet gesteld worden. En nogtans, wat heeft God niet gedaan, om zich cn zijne verdiensten aan den mensch te doen kennen! Alle schepselen toch, met hunne betrekkelijke waarden, zijn beelden van God gemaakt, om ons eene schaduwe te verstrekken van de eindelooze voortreffelijkheden des Aller-hoogsten. Alle Gods weldaden, zoo talrijk, zoo wondervol, zijn gedurige getuigenissen zijner edelmoedige en vurige liefde jegens ons. De beeldtenissen zijner smarten en van zijnen dood zijn ons als zoovele spiegels, waarin wij voortdurend zijne liefde beschouwen. Zijn voor ons ten spijze bereid ligchaam toont ons zijn uiterste drift van zich met ons te vereenigen, van met ons te wonen. De liefdevolle door Hem aangenomen titels van vader, van broeder, van vriend, van bruidegom, zeggen zij ons niet, dat Hij liefde wil, en dat Hij al onze liefde waardig is r Desniettegenstaande hebben wij geen zorg om deze krachtige beweegredenen te kennen, nog minder — zoo veel het ons gegeven is — dezelve te doorgronden. Wij willen Hem niet beminnen — althans daadwerkelijk— omdat wij Hem onzer liefde niet waardig kennen. Immers, dachten wij er eenigszins ernstig op na, het ware onmogelijk Hem niet lief te hebben, het ware onmogelijk, dat wij ons niet dikwijls voor Hem verootmoedigden, onmogelijk, dat wij geen smaak vonden in Hem onze liefde te betuigen door Hem te gehoorzamen.
314
Ik neem mij dan voor, dikwijls te zullen nadenken over de beweegredenen die mij God kunnen doen kennen. Ik neem mij voor, Hem dikwijls de hulde mijner liefde te zullen aanbieden.
Mijn God, oneindig heil, opperste genade-schenker, grenzelooze liefde I Ik belijd en beken, dat Gij geheel mijne achting, geheel mijne liefde,
geheel mijne genegenheid allerwaardigst zijt___
Ik heb liefde weg te werpen voor beuzelachtige i nietigheden dezer aarde, ik heb mij vermoeid en afgetobt in het beminnen van schepselen, en zoo vele jaren bragt ik door zonder eens ernstig aan U te denken, zonder U althans van mijne ; liefde te doen blijken. Onwaardig ik, rampzalig ik! Het spijt mij, 6 Heer, dat ik U niet bemind heb, zeker niet naar de mate uwer beminnens- , waardigheid. Wanneer toch, ó Heer, zal ik U liefhebben, U, mijne oneindige goedheid! Ik begeer en verlang mij door liefde-akten dikwijls ! met U te vereenigen. Ik begeer en verlang, dat alle schepselen U liefhebben. Ik verheug mij over de zuivere liefde waarmede de Engelenkoren U beminnen in den hemel. Ik verheug 1 mij over de liefde welke U door zoo vele heilige zielen op aarde werd toegedragen, over de liefde waardoor en waarmede zoo vele martelaren hun leven voor U veil hadden. Ik verheug er mij met U over, omdat Gij U met die liefde genoegt, omdat die liefde U behagelijk is. Ik bied U al de liefde van mijnen Jezus aan, en door de verdiensten van die Jezus\' liefde smeek en bid ik U: geef mij genade en kracht, opdat
315
ik LT dikwijls akten van liefde opdrage. Dikwijls zal ik met deze en diergelijke verzuchtingen tot U naderen: Mijn God, mijn ecnig cn eeuwig heil, ik bemin U meer dan al. Ik wil U, bovenal, alle goed. Voor niets ter wereld wil ik V beleedigen. Door uwe hulp gesterkt, wil ik liever sterven, dan U beleedigend te leven.
Derds Punt,
Het moet mij niet genoeg zijn «lat ik-alleen God beminne ; maar ik moet naar mijne krachten zorgen, dat mijn lieve Heer ook van anderen bemind worde. Een christen moet als christen en als aangenomen kind des Allerhoogsten doen, hetgeen de Zaligmaker van zich-zelven getuigde, als Hij sprak: ik heb eene onweerstaanbare behoefte van mij bezig te hóuden met de belangen mijns hemelschen Vaders,met zijne verheerlijking te bevorderen, met het vuur zijner goddelijke liefde in aller harten te ontsteken. De liefde is een vuur, en dat vuur moet ook anderen verwarmen. Dusdanig behoort mijne liefde ook jegens God te zijn; zij moet de gemoederen ontvlammen dergenen die van mij afhangen, of met mij verkeeren. Er bestaat geen vuur dat niet verwarmt, en door deze werkelijke verwarming onderscheidt zich de ware vlam van de schijnbare. Niet anders onderscheidt zich de ware liefde van een christen jegens zijnen Heer, van de schijnbare; ook zij — de ware liefde — deelt anderen de liefde jegens denzelfden God
316
mede. Is dit vuur, tot Gods verheerlijking, in mij niet, dan moet ik gelooven, dat ook de levendige vlam der hemelsche liefde in mij niet is.
Hierin is de glorie des Almachtigen gelegen, dat Hij van zijne schepselen geacht en bemind wordt. Deze roem is Gods heil, het is goed, het is heil, omdat en voor zoo veel het goddelijk cn oneindig is. Immers, indien de glorie klimt naarmate der waardigheid van den persoon wien zij toekomt, tot hoe hoog moet dan niet de verhevenheid van Gods heerlijkheid stijgen ! Al de schepselen, bij God vergeleken, zijn als een niet. Wat zal dan de grootheid van alle schepselen wezen, vergeleken bij die van\'den Schepper?! Jezus\' heerlijkheid — als mensch — was allervolmaakst en alleruitmuntendst; en nogtans, vergeleken bij die van zijnen onster-fclijken Vader, belijdt de Zaligmaker zelf, dat zij als een niet was. Er bestaat eigenlijk niets groots dan God alleen. Zoo ook is er niets verheveners dan Gods heerlijkheid. Welnu, wat hart is dan het mijnel Den Koning van\'t heelal dat heil te kunnen aanbrengen — zijne verheerlijking—dat Hij namelijk bemind en, uit liefde, ook van anderen kan gehoorzaamd worden ; eene ziel tot inkeer en boetvaardigheid gebragt, de minste zonde belet, de geringste deugd te doen beoefenen met oogmerk om Gode te behagen, zijn edelere en grootschere werken, dan al de ondernemingen der beroemdste veroveraars, dan de gewigsligste verbonden aangegaan en gesloten door staatkundigen, dan de overwinningen van
317
koning- en keizerrijken. Dat leert ons het geloof dat ook stemt de natuurlijke rede toe. Dat alles immers is slechts schepselen-grootheid ; terwijl de bekeering van zondaren, de beoefening van deugden, enz. uitloopen op de wezenlijke verheerlijking van den Schepper; en om die reden is er tusschen deze en gene geene vergelijking mogelijk. Maar waarom dan betoon ik Gode mijne liefde niet, door Hem de verheerlijking te bezorgen die Hem toevloeit, met ook van anderen gekend, gediend en bemind te worden; met de zonden te beletten, die Hem zoo onteeren, met het onderhouden zijner heilige wetten tc bevorderen, hetgeen Hem zoo zeer behaagt?
Ik moet derhalve mijne liefde jegens God uitoefenen door te zorgen, dat ook anderen zich onthouden van zonden, dat zij de goddelijke geboden naleven en overvloedig zijn in goede werken. Dat kan ik immer doen, door hen te stichten, door hun goede voorbeelden te geven ; deze toch werken dikwerf meer goeds uil dan de predikatiën der beroemdste redenaars. Ik moet hen bij gelegenheid zoet en liefdevol tot goed wekken; ook kan ik hen aanzoeken, dat zij, om Gode glorie en eer te geven, werken van godsvrucht beoefenen. Ik moet middelen beramen, om in de gemoederen mijner vrienden, kennissen en onderhoorigen eene hooge achting aan te kweeken voor mijn almogenden Heer en Schepper. De liefde is vindingrijk in goed te doen aan het voorwerp harer genegenheid.
318
Indien de ware liefde tot God in mij is,zal zij middelen ingeven, om het heil — de verheerlijking — mijns Heeren ook door anderen te verbreiden.
ü God, die alle eer en liefde waardig zijt! o God die verdient van alle schepselen bemind te worden! deel aan mijne ziel een vonkje van dien ijver mede, dien Gij-zelf voor uwe verheerlijking hebt; opdat ik mij bevlijtige, U ook van anderen te doen kennen en liefhebben. Ik kan U — dank zij uwer genade — zooveel goeds en beha-gelijks aanbrengen; ik zal de gelegenheid niet voorbij zien, van het U met woord en daad te bezorgen. Want ik bemin U, ó mijn God, eu gun U al wat uwe schepselen tot uwe verheerlijking kunnen uitwerken. Ik verlang dat allen U dienen, gehoorzamen en eerbiedigen. Totdat einde maak ik het voornemen, mij hierop toe te zullen leggen, dat ook andere weten, wie eu wat Gij zijt, opdat zij, om de verdiensten uwer cindelooze volmaaktheden en om uwe onbegrijpelijke weldaden, U behagen door het nauwkeurig betrachten uwe heilige geboden en het beoefenen van godsdienstige werken.
{.Denk aan de personen en middelen, door wien en waarmede gij \'s Heeren glorie wilt bevorderen)
319
Het geluk van den mensch bestaat in God lief te hebben.
Bifite Punt.
Geheel ons geluk op aarde is daarin gelegen, dat wij God beminnen en Hem uit liefde gehoorzamen. God heeft s\'menschen hart gemaakt ja, maar voor Zich-zelven. Daarom heeft Hij in dat hart verlangens ingestort naar een oneindig geluk, opdat de mensch hierin alleen zijne rust en tevredenheid zoude vinden. Er is voor ons rust noch gerustheid dan in ons middenpunt en in het einde, dat God-zelf ons heeft voorgeschreven en afgebakend. Wij moeten óf—hetgeen onmogelijk is — van natuur veranderen, óf ons overtuigen, dat wij in de liefde tot het aardsche nooit geluk en ware tevredenheid vinden zullen. De tijdelijke goederen kunnen ons een luttel bezig houden, ons gedurende eenige oogenblikken vermaken, of liever verstrooien, zij kunnen ons zelfs bedriegen door eene schijnbelofte van schijnbaar groote zaken ; maar schenken wij hun onze genegenheden, dan zal zich het bedrog weldra ontsluieren, die aangekleefdheid zal onze foltering en beul worden, zij zal ons, na een kortstondig onzuiver genot, groote kwelling en onrust baren ; want zij zal ons ons geweten en onze ziel —
320
de meesteressen van ons-zelven — doen verliezen, ons slaven doende worden van onze kwade hartstogten. Wat erger is, wij zullen te laat onze dwaling inzien, wij zullen onze ellenden ondervinden, maar er ons niet los van kunnen maken, wij zullen aan die schandige en onredelijke slavernij gebonden zijn tot straf van het Gode aangedane ongelijk, doordien wij Hem onze liefde ontnomen hebben, om ze aan aardsche nietigheden te wijden. Ons gemoed zegt het ons, dat het niet kan leven zonder te beminnen. Doch, om te beminnen, wil het een voorwerp van hoogst, duurzaam en eeuwig goed, waardoor het volkomen en voor altijd bevredigd worde. Maar, de goederen dezer aarde, de zinvermaken, wat men rijkdommen en grootheden noemt, zij zijn — hoe men ze wende of keere — onduurzaam, onzeker, onbestendig ; zij verdwijnen als een schim na een flauwe en kortstondige flikkering. Hoe kunnen zij dan onze ziel verzaden die — beeld der Godheid — geestelijk en onsterfelijk is ? En, is de ziel niet tevreden, hoe zal dan de geheele mensch tevreden zijn ? Alleen God, een oneindig goed alleen kan den mensch voldoen. De goddelijke liefde alleen is geheel rein en zoet, zij voert met zich den vrede des harten en de gerustheid van geest, zij besluit in zich de meeste tevredenheid die mogelijk is op deze aarde. Wat is er trouwens aangenamer, wat streelender dan te beminnen en bemind te worden ? Hoe zoet moet het dan niet zijn God te beminnen, dat voorwerp van
321
alle goedheid, van alle uitgelezene schoonheid en aanlokkelijke liefelijkheid ! God, voor wien wij zijn geschapen, wiens verrukkende tegenwoordigheid wij te gemoet zien, als onze eenige gelukzaligheid, in de eindelooze glorie 1 Waarom dan beminnen wij onzen God niet, daar toch zijne liefde het beste aanbiedt, wat wij ook oj) deze aarde kunnen bezitten r
Mijne ziel, hoe meer en beter gij God dient, eert en gehoorzaamt, hoe meer vreugd, hoe meer rust en tevredenheid gij zult smaken. Benuttigen wij dan de middelen, die ons het meest en best God kunnen doen lief hebben. Ik maak daarom het besluit. God dikwerf om zijne heilige liefde te zullen bidden. Dikwijls zal ik beweegredenen overdenken, die mij God op het beminnenswaardigst voorstellen. Gods volmaaktheden zijn zoo groot, zoo talrijk, en zoo tastelijk in de kennissen die wij van Hem hebben, in de weldaden waarmede Hij ons begenadigt, dat wij ze slechts te overwegen hebben, om ons hart en alle onze genegenheden tot Hem te voeren. Dit is de grootste glorie van onzen God, dat Hij zich, ook ongezien, doet beminnen, en onze gemoederen aan zich bindt door de banden der teederste liefde.
Ol hoe zeer verheugt het mij, mijn God, dat uwe liefde geheel zoetigheid, geheel liefelijkheid, geheel vrede en rust, rein vermaak, ongestoord genoegen ea hartzalvende tevredenheid is. Gij zijt de fontein, waaruit zelfs het weinige streelende vloeit, dat wij in de goederen dezer aarde smaken.
332
Gij geeft ze ons als cene proef der eeuwige genoegelijkheden, die ons eenmaal hierboven wachten ; Gij geeft ze ons, opdat wij verzuchten naar den hemel, en wij ons deze door goede werken waardig maken. — Maar ik ongelukkige! ik heb mij als een prooi overgegeven aan ijdelc, aan zondige, veelligt aan schandige genietingen, mij zelve bedriegend en valschelijk overtuigend, als of zij mij rust en genoegen konden aanbrengen. Doe mij mijne dwalingen inzien, o Heer, en verlos mij van de verpeste begoocheling. Mijn gemoed haakt naar een eindeloos heil, het wil een geluk grooter dan het se// is. Gij hebt het geschapen, om het met goddelijke geneugten te overstroomen, het kan niet rusten tot dat het U bezitte. Ik ken en erken mijn ongeluk, omdat ik mij slaaf heb gemaakt van eene lage liefde, van zingenot, van zucht tot ijdele en ten verderve leidende naam-grootheid. Mijn God! vernietig in mij die slechte begeerlijkheden. Ik schaam mij over de volheid mijner ellenden en ondeugden. Gij zijt mijn God, mijn Al. Ik zou mijnen vrede willen terugvinden, mijn genoegen in U te dienen, in U werkelijk lief te hebben-God, geheel goedheid geheel liefde en ontferming, heb mededoogen met uwen dienaar, erbarm U over uw kind. Geef mij door uwe grenzelooze goedertierenheid, geef mij uwe liefde, geef ze mij; ik smeek er U om ooimoedig en betrouwend. Ik verfoei mijne voorledene zondige aangekleefd-heden, en verlang niets meer dan U lief te hebben. Doe mij, ik bid het U, doe mij de zoete zoetigheid
323
ondervinden, welke men reeds op deze wereld smaakt in U te beminnen, in zich aan U beha-gelijk te maken. Dat erken ik als het hoogste goed hetgeen op aarde te vinden is. Alles toch is er aan gelegen, alles bestaat in U lief te hebben, in aan U te behagen. Ik verdien als een rampzalige op deze aarde rond te dwalen, indien ik elders mijn geluk zoek buiten uwe liefde; in deze vind ik het met zekerheid. Ik bemin U, ó mijn God, en maak het ernstig besluit van al te zullen doen wat in mijn vermogen is, om U beter te kennen en meer te beminnen. {Hernieuw de boven gemaakte voornemens.)
Twieds Pui.
God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij schoon en liefelijk is.
Er bestaat niets dat ik met meer welbehagen beminnen moet, dan mijn Schepper, omdat er niets ter wereld schooner is dan Hij. Al de goddelijke eigenschappen zijn zoo volmaakt en zoo beminnenswaardig, dat God, om elke van haar, boven alles verdient bemind te worden. Desniettemin moet deze titel van schoon boven al wat geschapene schoonheid is, mijnen wil krachtdadig en liefelijk bewegen, om God met al de vermogens mijner ziel lief te hebben. Hetgeen schoon is, is een straal van het goede waarmede het vergezeld gaat en waardoor het behaagt. In God nu, is het goede oneindig; daarom moet
324
in God ook een onmeetbaar schoon zijn, glans en stralen uitschietend, waarmee het eiken aanschouwer ten hoogste vermaakt en bevredigt. Alle ligchamelijke schoonheid is onvolkomen, zij is niet wezenlijk schoon, zij is het slechts oppervlakkig en schijnbaar; elk beetje wat men haar ontneemt, is genoeg om ze te mismaken. Zij is eerie volmaaktheid in schijn, terwijl haar inwendig gansch verachtelijk is. Immers, het men-schelijk ligchaam is vol onreinheid, erger dan een met sneeuw bedekte vuilnishoop. Daarentegen is Gods schoonheid volkomen en zelfstandig ; in Hem — in God — is de ware en zelfstandige schoonheid, alle mogelijke beminnelijkheid. Hij is geheel schoon, zoo overmatig schoon, dat die Hem eens ziet, onmogelijk ojj Hem niet verliefd wordt, onmogelijk Hem niet meer bemint dan zijn eigene ziel.
O mijn God, mijn opperst goed! Gij zijt allerschoonst. Gij zijt de bron en oorzaak van alle schoonheid en liefelijkheid, Gij zijt een allerzuiverste, een alleruitgelezenste geest. Klaar gezien behaagt Gij zoodanig, dat Gij die U aanschouwt, zaligt en vrijwaart van alle kwaad. Wien Gij verschijnt, dien schijnt alle aardsche liefelijkheid mismaaktheid en vuilnis. O beminnenswaardige Heer, openbaar mij —aan uwen ellendigen dienaar — hoe groot uwe onmeetbare schoonheid is. Geef, dat ik U-alleen beminne, U-alleen zoeke, naar U-alleen liake, U-alleen ver-lange te kennen en lief te hebben. Gij-alleen bevat al het schoone van al wat schoon is, Gij-alleen
325
lans bevat de bloem van alle schoonheden, het ian- denkbeeld van al wat liefelijk, het toppunt van ligl. al wat beminnenswaardig is. — Wat is er hel-len, derder dan uwe Wijsheid r Wat glansrijker dan :hts nwe Majesteit ? Wat treffender dan uwe Goed-ien i heid, wat behagelijker dan uw Weren? Ik deel en. ih uwe vreugde over uwe eindelooze schoonheid, iar verzameling van alle mogelijke en denkbare jn- volmaaktheden. Ik bemin U met geheel mijn au hart. Met een ootmoedigen geest en met een te- opgetogene ziel bewonder ik uwe onbegrijpelijke g; liefelijkheid, ofschoon nog zoo weinig van mij gc gekend. Ik bid U : geef mij meerdere kennis ; [jj want eene schaduw van uwe oneindige schoon-ic heid is genoeg, om mij het hart te bevredigen fd en het een walg te doen hebben van alle ui aardsche goederen. Verlich mij, 6 Heer, opdat ik U kenne. Verspreid over mijn begrip eene jt straal van dat hemelsch licht, dat U bewon-n derenswaardig maakt aan Serafijnen en hemel-n sche geesten. Ook ik verlang U te zien, ij te ,r aanschouwen; want ik ben zeker, dat ik in U J niet alleen zal waarnemen alle schoonheden, !, bevalligheden en voortreffelijkheden, die men e in alle mogelijke schepselen kan aantreffen ;
maar daarenboven het volmaakte in zijn hoog-i r sten en laatsten graad van volkomenheid. In ; U-alleen zal ik mij, eeuwige eeuwen door, in ) i alle mogelijke schoonheid en aanlokkelijkheid verlustigen. — Dat verwacht, dat verhoop ik van uwe liedevolle goedertierenheid en van uwe ontfermende beloften.
S\'ifi
Ik maak het besluit mijne oogen te zullen berooven van vele nieuwsgierige en ongeregelde blikken, ten einde mijn hart vrij en zuiver te houden van de liefde tot het aarsche. Vermakkelijk mij, ó Heer, de beoefening van dit mijn voornemen. Geef mij eene groote kennis van U, opdat mij aan U-alleen gelegen zij, en ik alle mijne vermogens bestede in op IJ te létten, in U te behagen, om mij alzóó uw allerschoonst aanschijn in den hemel waardig
te maken.
Deris Punt.
Mijne ziel! besluit toch eens voor goed uwen God lief te hebben. Alle zijne volmaaktheden verkondigen U zijne opperste beminnelijkheid, zijne onmetelijke goedheid, zijne grenzelooze schoonheid, zijne verbazende almagt, zijne onbeperkte wijsheid,zijne eindelooze eeuwigheid, zijne eeuwige gelukzaligheid. Zijne titels, en wat Hij is; teêrminnend Vader, toegenegen Broeder, hartelijke Bruidegom, milddadige Weldoener, Bron van alle goed, goedertieren Meester, Verlosser uwer ziel. Hersteller uwer uiterste ellende ten koste van zijn bloed, ten koste van zijn
leven____alles roept U toe, dat Hij uwe geheele
liefde waardig is. Bemin Hem dus zoo veel gij kunt, en verlang het oneindiglijk te kunnen. In God vloeit de beminnelijkheid over. God vereenigt in zich oneindige beweegredenen van bemind te worden, Hoe dan gloeit en brandt
S27
gij niet van goddelijke liefde, terwijl gij leeft in \'t midden van liefdevlammen, in \'t midden van al het onnoembare waarmede Hij U omgeeft en als overlaadt r O! denk dikwijls aan s\' Heeren liefde. Hond u wèl voor den geest die eeuwige jaren dat Hij u lief had, dat Hij u beminde eer gij geboren werdt. Herinner U dikwerf de goedheid, die U zulke liefde heeft toegedragen. — Denk dikwijls aan God. Tracht meer en dieper nadenkend door te dringen in dien peilloozen afgrond der Goddelijkheid, in dien oceaan van eindelooze voorregten,in dat verheven denkbeeld van Gods beminnelijke schoonheden. Deze zij uwe voorname, uwe hoofdgedachte: indien et-iets waardig is gekend te. worden, het is God. Wij aijn geschapen, om van Hem kennis te dragen, wij leven, om ons door die kennis de eeuwige gelukzaligheid te verdienen. Bidden wij God dan dikwijls om de gave zijner liefde, en offeren wij Hem dikwijls ons hart op, opdat het in zijne liefde meer en meer toeneme. Bevlijtigen wij ons om door onze werken Gode te behagen; Hij toch verdient het, Hij verdient, dat wij in alles zijnen heiligen en aanbiddelijken wil betrachten, Hij verdient het, dat wij alle onze krachten inspannen, om Hem te vergenoegen.
Mijn allerbeminnenswaardigste, mijn allerliefste, mijn alleróneindigste God! ik bid en smeek U: stort in mijn hart den overvloed uwer hemelsche liefde. Druk in mijn gemoed de onuitwischbare gedachtenis uwer ontelbare en
328
liefdevolle goedgunstigheden, opdat ik ze dikwijls overwege en er ernstig op nadenkc. Doe, dat ik overal en altijd mijne verpligtingen van U lief te hebben en mij aan U behagelijk te maken, voor de oogen mijns geestes hebbe. Ontsteek mijn hart met dat gloeiende vuur dat Gij van den hemel zendt, om de gemoederen der men-schen tot uwe heilige liefde te doen ontvlammen. O mijn goede Jezus, gelijk ik dat vurig verlang, zoo smeek ik er IJ om met ootmoedige en hartelijke beden. Ik bemin U, o mijn God! O mijne liefde, ik heb U lief! Ik verlang, ja duizendmaal verlang ik U met de blakendste liefde te omhelzen, met eene liefde die mij onafscheidelijk aan U boeie, mij op het nauwst en innigst met U vereenige. O! ware ik vervuld van uwe liefde, ten einde niets anders te willen dan U te gehoorzamen en mij aan U behagelijk te maken! Aan U-alleen heilig ik mij toe, geheel mij-zelven: mijn verstand, mijn wil, mijne genegenheden, alle mijne vermogens, mijn geest en ziel, mijn hart en ligchaam, geheel mijne vrijheid. Gewaardig U dat weinige ja, maar dan toch dat alles van mij te aanvaarden als hetgeen U toebehoort. Maak mij door uwe bovennatuurlijke genade geheel den uwe, geheel vervuld met achting en genegenheid jegens U.
Ik maak het besluit, U dikwijls te zullen betuigen dat ik U bemin, dat ik uwe liefde en uw welbehagen stel boven al het aardsche. Ik maak eindelijk het besluit, U dikwerf om de schenking uwer liefde te zullen smeeken; want van U-
329
alleen kan zij afdalen. Dat verhoop en verwacht ik van uwe eindelooze goedertierenheid. Ik bemin U, o hoogste goed, oneindig heil! Ik bemin U meer dan mij-zeiven, meer dan al wat geschapen is.
XXXIsf0 Hedilalie.
OüiI verdient van ons beminil te wonicn. omdat Hij ons oneindiglljk bemint.
Sersfee Punt.,
Een nieuwe allergewigtigste titel om mijnen (quot;iod te beminnen is, dat Hij mij oneindiglijk lief heeft. God is allervolmaaktst niet alleen in zijn bestaan, maar ook in zijn beminnen; Hij bemint mij met geheel zich-zelven en met al de volmaaktheid zijner eindelooze liefde. Hierdoor verpligt Hij mijn gansch gemoed, om Hem mijne wederliefde te wijden met geheel mij-zelven en met al de volmaaktheid waartoe ik bekwaam ben. De liefde is als een zeilsteen, zij is een aanloksel tot liefde, zij is eene zoete bekoorlijkheid die dwingt tot wederliefde, zij is als een natuurlijke behoefte van lief te hebben, die ons liefheeft. Daaruit volgt, dat ik de strengste verpligting heb van Gode alle goed te willen, Hem die niet alleen mijn minnaar is, maar mij eene grenzelooze liefde toedraagt, de liefde van een God. Hij mint mij met een onmetelijkefi brand van liefde. Al bemin ik ook God-alleen
14
330
met al mijne krachten, ik kan Hem nooit anders dan de liefde wijden van een mensch, nooit kan ik aan zijne liefde beantwoorden dan met een gieintje van liefde zoo klein en nietig, dat het, bij zijne liefde vergeleken, slechts een vonkje kan genoemd worden tegenover een oninetelijken brand. Ik moet dan God beminnen met de grootst mogelijke liefde, zonder er iets voor anderen van af te zonderen; ja ik moet Hem beminnen, met mijne liefde aan allen en alles te onttrekken, om ze gansch en geheel-onverdeeld aan mijnen God te geven. In God is het slechts één: te zijn, te beminnen. God te wezen en mij lief te hebben. Wie is in staat, die onbegrijpelijke inschikkelijkheid van liefde in dien ontzaggelijken Heer, in dien God der hoogste majesteit, der onmetelijke grootheid, der oneindigste volmaaktheid te beseften? In dien God, die mijn minnaar werd uit loutere liefde! O onbegrijpelijk geluk als liet mijne is: van eenen God bemind te worden ! O uiterst der uitersten: God minnend! De mensch van God bemind! De mensch is uit zich-zelf een niet; God is in zich-zelf alle wezen, Hij is. Altijd een oneindige afstand tusschen Hem die bemint, en tusschen dengeen die bemind wordt. God is niet alleen Monarch en Heer der aarde, maar tevens Meester des hemels, der afgronden, van het heelal! En nogtans bemint hij mij, mij onwaardige, mij verdienstelooze, mij beladen met onverdiensten ! Hij bemint mij... en Hij heeft zoo vele yedenen van mij te haten, als er beleedigingen zijn die ik ondankbare, die ik opstandeling, die
331
ik halstarrige, die ik,zondaar, Hem heb aangedaan. O ! wat kon God meer doen, om mij door en tot liefde te treffen r
Ik beken hst met schaamte, ó eeuwige Minnaar mijner ziel, ik beken het: indien ik U met al de krachten en vermogens die in mij zijn, niet lief heb, heb ik niets, volstrekt niets tot verschooning in te brengen. Gij, gij zijt overdreven in liefde jegens een allernietigst schepsel als ik ben, voor zulk een nieteling hebt gij U tot eindeloozen minnaar gemaakt, ó allerbeminnenswaardigste God! — Ik* werp mij in diepen ootmoed voor 11 neêr, ó almogende Heer en Schepper I Ik bid U ; werk in mij met uwe krachtdadigste genaden, en ontruk mij aan alle genegenheid (ot het nietig aardsche. Maak dat ik in U, grenzelooze minnaar, al mijne liefde plaatse.Dat die liefde,diegoddelijke liefde mijn hart kuische van alle aardsche aange-kleefdheid, opdat ik mij met al het gewigt mijner genegenheden tot (J voere, in U ruste, Hoe zeer ik U beminnen kunne, ik zal U toch altoos oneindig minder lief hebben dan ik het verpligt ben, Wat immers kan een mensch zijn die God bemint, in vergelijking van een God door wien de mensch bemind wordt? O Heer ! doe mij deze liefelijke beweegreden inzien, de redenen waardoor Gij mij verpligt U geheel mijn hart te wijden. Doe mij beseflen, hoe groot ik kan worden, als ik U, mijnen oneindigen minnaar, van ganscher harte liefheb. Dat verlang ik, dat begeer ik vuriglijk, daarom bid en smeek ik U om uwe hemelsche liefde. Dat zij zich van mijn hart meester make,
332
flat zij mijne genegenheden tot zich trekke, dat zij alleen in mij heersche, dat zij mij uwen volmaakten minnaar doe worden ! Dat viaag ik U, ö mijn God, door de verdienste der liefde, waarmede de allerheiligste menschheid mijns Zaligmakers 1\' bemind heeft. Dat vraag ik U nog door uwe grenzelooze barmhartigheid, zoo geneigd om goed te doen. Uit mij-zelven hen ik onbekwaam om mij van dezen pligt te kwijten, ik ongelukkige, ik onbezonnene, ik die mij verlies in het beminnen der dwaasheid. Maar gij, ó Heer, Gij zijt almagtig en goedertieren; van U vraag ik die gaaf, de kostbare schenking uwer liefde. Geef ze mij, o mildadige Opperzegenaar; geef ze mij 6 God! O ja, ik bemin l\' boven al wat geschapen is.
Twseds Punt.
De oneindige volmaaktheden der goddelijke liefde jegens mij, doen God mijn allervolmaaktste minnaar zijn in alle slag van volmaakte liefde.
God is eeuwige minnaar. Van toen God was, en zoo lang God zal God zijn, was en zal God mijn minnaar wezen. Elk aardsche minnaar kan ophouden te beminnen, hij kan zelfs de liefde veranderen in haat. Maar, indien ik Gode getrouwe dienaar wil blijven, ben ik zeker, dat God nooit zal ophouden mij lief te hebben, ja dan ben ik voor zijne onsterfelijke en immer voortdurende eindelooze genegenheid gewaarborgd. Godimmers zal altoos onverandelijk zijn in zijne liefdevolle besluiten. Eer zullen hemel
333
en aarde vergaan, dan dat Hij te kort blijve aan zijn liefderijke beloften; Hij zal nimmer aflaten mij het hoogste goed ie willen.
God is een almogende minnaar. O mijne verhevene grootheid! een God tot minnaar te hebben, die mij met tallooze weldaden begena digend, nog immer over groolere cn meerdere gunsten te beschikken heeft. God is een minnaar van onuitputbare milddadigheid; Hij schenkt zelfs aan den zondaar, die Hem niet bemint, onnoembare natuurlijke voorregten. En aan den regtvaardige — die Hem lief heelt — bewijst Hij onvergankelijke genadegaven; en die in zijne liefde sterven, deze bskroont Hij met vooralle begrip niet te begrijpen heerlijkheid!
God is een onbaatzuchtige minnaar. Hij be mint geheel belangeloos. Hij bemint met een edele goedhartigheid, uit louteie edelmoedigheid. God bemint mij om der wille van mijn belang, om mijne ware grootheid, om mijne gelukzaligheid.
In God is de liefde zoo vurig, zoo gloeiend, dat Hij voor mij geheel ingewanden van barmhartigheid is. Om aan mij te denken besteedt Hij den oneindigen gloed van zijn willen, om mij te begenadigen bezit Hij de oneindige krachten zijner almogendheid en alle zijne ein-delooze volmaaktheden. God gebruikt, om mij lief te hebben, die groote Majesteit, die de wereld bestuurt en de eeuwen regelt. God bemint mij zoo zonderling, als ware er op de wereld njets beminnenswaardig dan ik alleen. Geheel God met zijn oneindige zelfstandigheid, met
334
zijn grenzelooze goedheid, schoonheiil en volmaaktheid, met al de ongeschapene personen in den Vader, in den Zoon, in den H. Geest, geheel God, Hij bemint mij. Hij is geheel op mijne liefde uit, als ware ik een gansche te beminnen wereld! —O hardvochtigheid mijns harten, indien ik een God niet bemin, die mij zóó lief heeft! O mijne verblindheid, indien ik niet overtuigd ben van mijn oneindige verplig-ting van met geheel mij-zei ven God te beminnen!
Ik zal mij voor den H. Geest verootmoedigen. Hem van harte smeekend, dat Hij mij een groot licht schenke om mijnen God wèl te kennen ; dan toch zal er in mij eén groot vuur oprijzen om Hem wèl te beminnen.
Goddelijke Geest, Schepper, Vormer en Hervormer van onze geesten! Ach, daal neder en bezoek mijne ziel, haar vervullend met uwe volmaakte liefde. Ik ben, wel is waar, zulke uitmuntende gaaf alleronwaardigst; want de liefde tot het aardsche heeft mijne ziel geschonden. Maar toch, ik ben verpligt U te beminnen, ik moet uw volmaakte minnaar worden. Gij, gij prikkelt mij zoo sterk en op zoo vele wijzen tot wederliefde; ik moet ze dus betrachten, ik moet er toe geraken. Doch uit mij-zelven is dat onmogelijk; daarom bid ik U, levendige fontein van vurig licht en brandende liefde! ik smeek U, Schenker van alle gaven, ontsteek een helderst licht in mijn verstand, opdat ik inzie en begrijpe hoe zeer God, om zijne liefde jegens mij, van mij verdient bemind te worden. Ik
335
bid U: stort in mijn hart uwe allerkmchtigste liefde, opdat zij dc zwakheid mijner besluiten versterke en aanwakkere. Verdrijf uit mij alle aardsche aangekleefdheid die mij in gevaar zou kunnen brengen van U te mishagen. Bevestig in mij een kloekenen vasten wil van U in alles te voldoen, van U te dienen en te bevredigen, U die allen dienst en alle genoegdoening waardig zijt. Geef mij dat ik U met de vaardigste zorg, met den vurigsten ijver altoos cu in alles uit liefde gehoorzame. Dat vraag ik U, daarom smeek ik U door de verdiensten der almogende gebeden, waarmede mijn lieve Heer Jezus-Chris-tus U vereerde op aarde, ik bid er U om door dc beloften, waarmede diezelfde goddelijke Zoon ons uwe hemelsche genade heeft toegezegd, ik bid er U eindelijk om door de oneindige goedertierenheid die in U is. U bemin ik, 6 eindelooze, o goddelijke, o nooit volprezene Liefde !
Serie Punt.
God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij oneindige liefde is.
God is alle liefde, God is oneindige liefde. God leeft altijd, zich-zelven — ongeschapen heil — altijd beminnend ; maar ook mij beminnend, mij mensch, beminnenswaardig goed buiten Hem. God is geheel liefde, de liefde-zelve, zelfstandige, wezenlijke liefde. Hoe is mij het hart niet brandende als ik mij in waarheid hoor zeggen, dat de eeuwige Vader, de eengeboren Zoon en de H .
336
Geest mijne oneindige liefde is ? Geheel liefde in den wil van mij goed le doen, geheel liefde in mij daadwerkelijk- goed te doen, cn welk goed?., algemeen en bijzonder, ontelbaar; geheel liefde; in zijn, in willen, in doen. Geheel liefde, in de goederen der natuur zoo wel als in die der genade, en in de goederen van eeuwige verheerlijking. Geheel liefde in den hemel, geheel lielde op aarde, in en buiten mij, overal, altoos en in alles. Welkdanige toch was Gods liefder Mij le beminnen, eer ik er was ! Gedurende eene geheele eeuwigheid mij te liefkoozen in zijne gedachten, mij voor zijn goddelijke oogen te houden, mij in zich een wezen verbeeldende zoo uitmuntend, zoo volmaakt, als de mensch is ! Mij te beminnen om mij het aanzijn te schenken I Mij onsterielijkhcid te bestemmen in te leven, grootheid in het begrijpen, vrijheid in het willen ! Mij zoovele enzoo groolcsrhitterendecieraden van genadegaven voor te beschikken! Mij onzegbare en onverstaanbare goederen van altijddurende glorie voor te bereiden uit liefde, alleen uit liefde, geheel uit liefde!
[s de hefde de ziel der weldaden, welkdanig zal dan de ziel der goddelijke aan mij bewezene en nog te bewijzene weldaden wezen ? geen andere dan deoneindige liefde van een God jegens mij. God, wel is waar, kan metgeene gedachten begrepen, met geene woorden uitgesproken worden ; maar dan toch kan men zich van God niets beters voorstellen. Hem niet beter begrijpen noch ver klaren dan met te zeggen: God is oneindige liefde.
337
Ik verootmoedig mij in mijne nietigheid, ó groote God, en in dien diepen afgrond aanbid ik mvc hooge en onbegrijpelijke Godheid, als geheel oneindige liefde jegens mij. Ik weet het, ik zou mij geheel in wederliefde tot U moeten verkeeren en omvormen, indienhetmogelijk ware, oneindige liefde jegens U moeten worden. Doch waarom althans niet alle mijne pogingen aangewend, waarom niet alle mijne krachten ingespannen, om mijnen God uit geheel mijn hart, mei al de vermogens mijner ziel, met geheel mij-zelven lief te hebben? Wat toch kan God meer voor mij doen, dan dat Hij in zich-zelven en in zijne wonderbare genadegaven oneindig beminnenswaardig, oneindig minnend, oneindige liefde is ? En, aangezien ik uit mij-zelven God niet kan beminnen, zonder dat Hij-zelf mij zijne liefde instort, waarom dan vraag ik Hem door vurige en onophoudelijke gebeden den schat zijner liefde niet r Hij toch die geheel liefde is, Hij kan ze mij niet weigeren. Hij — minnend Vader —die mij uit kracht zijner liefde zijn eengeboren Zoon schonk, dien Zoon welke uit liefde tot mij mensch werd, ons slagtoffer op hel kruis, ons geestelijk voedsel op het Altaar! Nog minder kan mij de H. Geest, die Geest welke de kern der goddelijke liefde is, zijne liefde weigeren. Dat gebed, déze ootmoedige smeeking is de verhevenste, de meest hemelsche en goddelijke welke ik tot zoo\'n goeden God kan opzenden: Oneindige liefde, schenk mij uwe vurigste liefde, opdat ik U met geheel mij-zelven lief hebbe.
O God ran liefde, ó God van erbarmende
338
goedertierenheid 1 waarom bemint U de mensch niet ? Waarom bemin ik U niet ? Gij komt ons zoo beminnelijk voor, Gij voorkomt ons met uwe liefde,Gij zijt onze geheeleliefde zoo overwaardig! O schenk mij dan de kostelijke gaaf uwer hemel-sche liefde ; Gij alleen kunt ze mij geven, Gij alleen beschikt over dien onschatbaren schat-Konde ik U toch eens oneindiglijk liefhebben! Konde ik eens en onveranderlijk smaak vinden in U te gehoorzamen, in U mijne onverdeelde liefde te betuigen, in alle mijne werken tot uw genoegen en uwe verheerlijking te stieren 1 O, dat verwacht ik, dat hoop ik, dat zal ik intusschen niet ophouden van uwe barmhartigheid af te smee-ken. Gij hebt mij uwen ééngeboren Zoon geschonken,dien Zoon van dezelfde zalfstandigheid met U, eindeloos grooter dan al wat uwe almogendheid heeft voortgebragt. Ik hoop, dat Gij mij door zijne verdiensten een mindere schenking niet zult weerhouden. Verkrijg ze voor mij, ó gezegende Verlosser, verwerf ze mij door uwe voor den troon der onuitputbare goddelijke weldadigheid gestorte bede. Toon haar uwe wonden — den prijs dier gcwcnschte liefde — en maak dat zij in mijn hart dale ener in wone, als het heil, dat Gij mij door uw dierbaar bloed gekocht hebt. Ik stel mijn betrouwen in uwe oneindige verdiensten, in uwe minnende goedertierenheid. Gij hebt meer voor mij gedaan ; daarom zult Gij ook dit doen. Gij zult mijne smeeking verhooren. Ik wensch U lief te hebben, ó eindelooze liefde Uk zalUbeminnen, ó mijn God. Amen I
EINDE.
reimprimatur
Fr. A. Vincentiüs Modena O. P. S. P- Ap. Mag. Socius
r e i m p r i m a t u r
J. Canali Ptr. Conslantinop, Vices gerens.
OF
ROZENHOEDJE VAN MEFDE-AKTEN-
1. Mijn God, mijn opperst heil, ik zou U altijd willen bemind hebben.
2. Mijn God, ik verfoei den tijd, waarop ik U niet beminde.
■T. Hoe kon ik zoo lang leven zonder uwe liefdrl
4. En tiij, mijn (rod, hoe kondt Gij mij verdragen 1
5. Ik bedank U, mijn God, voor zulke groote lijdzaamheid.
6. ^ an nu af echter, wjl ik U altijd liet hebben.
7. Ik ben te vreden, liever te sterven, dan U niet te beminnen.
S. Ontneem mij het leven, o mijn God, imlien ik U niet zoude lief hebben.
\'^e genade waarom ik U vraag, is die van lT altoos lief te hebben.
10. Met uwe liefde zal ik geheel gelukkig zijn.
Glorie zij den Vader, enz.
II
1. Ik verlang, mijn God, U van allen bemind te zien.
■
341
2. Gelukkig ik, konde ik mijn bloed offeren, opdat allen U beminnen.
8. Die U niet bemint is een ware blinde.
4. Gij, mijn God, verlicht hem.
5. \'t Is een wezenlijk ongeluk U — opperst Goed — niet lief te hebben.
fi. Ik, mijn God, ik wil niet onder het getal dier ellendige blindelingen zijn, welke U niet beminnen.
7. Gij, mijn God, Gij zijt mijne vreugd en al mijn genoegen.
8. Ik wil voor altijd geheel de uwe zijn,
!•. Wie toch zal mij ooit van uwe heilige liefde kunnen scheiden r I
10. Komt schepselen, komt allen, om mijnen God te beminnen.
Glorie zij ten Va do-, enz.
111.
t. Mijn God, ik verlang duizend harten om U lief te hebben.
2. Ik wensch aller menschen harten te hebben, om U tc beminnen.
3. Ik ware verheugd dat er meer werelden waren, mist zij allen U lief hadden.
i Zalig, indien ik U konde beminnen met de harten van alle mogelijke schepselen.
2. Gij, mijn God, Gij verdient het.
ti. Mijn eenig hart is al te arm, al te koud, om U lief te hebben.
7. O ongelukkige kilheid der menschen, in ü — overst heil — te beminnen.
342
8. O vreesselijke verblindheid der wereldlingen, die de ware liefde niet kennen.
!•. Gelukzalig, gij Hemelbewoners, die ze kent, pn die bemint.
10. O zalige noodzakelijkheid van God lief te hebben 1
Glorie zij den Vader, enz.
IV
1. Wanneer, o mijn God, zal ik van uwe liefde branden?
2. O! dat lot zal mij dierbaar en heilvol zijn.
3. Maar, middelerwijl ik U niet naar behooren weet te beminnen, doet het mij toch goed, dat er zoo veel anderen zijn, die U zekerlijk van ganscher harte lief hebben.
4. In\'t bijzonder verheugt het mij, dat Gij van al de Engelen en Gelukzaligen in den hemel bemind wordt.
5. Ik vercenig mijn arm hart met het hart van die allen.
6. Op eene bijzondere wijze wil ik U beminnen met die liefde,waarraede de Heiligen U beminden, die het meest op U verliefd waren,
7. Daarom stel ik mij voor U te beminnen met dezelfde liefde, waarmede de H. Maria Magdalena. de H. Catharina en de H, Theresia U lief hadden.
8. Met de liefde waarmede de H. Augustinus, de H. Dominicus, de H. Franciscus Xaverius, de H. Philippus Nerius, de H. Vincentius-a-Paulo en de H. Ludovicus van Gonzaga U beminden-
343
9. Met dezelfde liefde, waarmede de HH. Apostelen, inzonderheid de H. Petrus en de H. Paulus en uw geliefde Leerling U minden.
10. jNIct diezelfde genegenheid, waarmede de grootc li. Jozef U lief had.
Glorie zij den Vader, enz.
V.
1 Nog meer: ik wil U beminnen met de liefde waarmede Maria —■ uwe allerheiligste Moeder — U op aarde lief had.
2. Inzonderheid met die liefde, waarmede zij U beminde, toen zij uwen goddelijken Zoon in haren maagdelijken schoot ontving. Hem baarde. Hem voedde, wanneer zij Hem zag sterven.
3. Met de liefde nog, waarmede zij U bemint en altoos beminnen zal ia den hemel.
4. Doch om U,mijn God—-God vaneüulelooze goedheid — te beminnen, is dit-zelf niet genoeg»
5. Daarom wenschte ik U lief te hebben, gelijk Crij door het Goddelijk Woord, mensch geworden, bemind werdt.
fi. Zoo als dat Woord U beminde, toen het werd geboren.
7. Zoo als Het U beminde, toen Het op \'t Kruis zijn geest gaf.
8 Gelijk Het U steeds bemint in deze heilige Tabernakelen, waar Het voor onze oogen verborgen is.
0 Met dezelfde liefde waarmede Het U bemint, en altijd door de geheele eeuwigheid in den hemel beminnen zal.
344
10. Eindelijk zou ik U willen beminnen met de liefde, waarmede Gij U-zelven bemint; maar, aangezien zulke liefde mij onmogelijk is, maak Gij, o mijn God, en schenk het mij erbarmend, dat ik U lief hebbe zooveel ik weet cn kan, en zooveel liet U behaagt. Zóó zij het!
Men sluit met het volgende Gebed.
God, dien den U minnenden onzigtbare goederen hebt voorbereid: stort de genegenheid uwer liefde in onze harten: opdat wij U in alles en boven alles liefhebbend, uwe alle verlangen overtreffende beloften in ons mogen vervuld zien Poor onzen Heer jczus-Christus, die met U leeft en heerscht in alle eeuwen der eeuwen. Amen
BETRACHTIXGEN EX GEBEDEN
ONDER HET
üïyi
Vereenig de opwcllingeu uws harten en een waar gevoel van godsvrucht met deze korte bemerkingen ; ze zullen u helpen, om met vrucht liet H. Misoffer bij te wonen. Wordt ge door deze of gene gedachte meer bijzonder getroffen, blijl er u bij ophouden, tol dat gij liet raadzaam oordeelt tot eene andercover te gaan. Immers, de gevoelens des harten zijn als de kern van het gebed.
VOOK DEN AANVANG DER II. MIS.
I )enk, terwijl de priester aan quot;t altaar verwacht wordt, aan het laatste Avondmaal, waar C hristus het H. Misoffer instelde, en zich aan ons allen tot spijs gaf.
Ik erken, ó Heer Jezus, dat Gij de uwen bemind hebbende hen lot het einde toe hebt lief gehad.
Gij bcreidet mij eene tafel legen al degenen die mij kwellen.
Ik zal U een offer van lof- en dankzegging opdragen en \'s Heeren naam aanroepen.
Ik geloof, ó mijn God, dal in hel H. Misoffer dezelfdeopdragthernieuwdwordt, welke Christus-
346
Jezus volbracht heeft op het kruis. Ik geloof, dat deze opdragt zich hernieuwt voor de verheerlijking van uwen goddelijken en aanbiddelij-ken naam, voor de heiliging der regtvaardigen, voor de bekeering der zondaren.
O Vader van barmhartigheden en ontferming! kuisch mijn hart, eer het deel neme aan de opdragt van het vlekkeloos Lam, dat de zonden der wereld wegneemt.
Vertrekt en verwijdert u van mij, aardsche en ontijdige gedachten; want ik ga getuige zijn van het verhevenst werk der goddelijke almagt.
Verwerf mij, 6 gezegende onder de vrouwen verwerf mij de genade van in deze H. Mis te genwoordig te zijn met die ingetogenheid, met die aandacht en godsvrucht, waarmede gij-zelve het Kruisoffer bijwoondet op Golgotha ; opdat ook ik deelachtig worde aan de genaden, welke God-de-Heer uitstort over degenen, die deze heilige offerande met behoorlijke gesteldheid komen bijwonen.
A.VX HET CONMÏEOK.
Beschouw Christus in zijnen doodsangst, biddende, als wanneer zijn zweet was als afzijpelende bloeddruppels.
Wie zal mijnen hoofde water en mijnen oogen eene fontein van tranen geven, en ik zal bij dag en bij nacht weenen.
Zie hier, ó mijn God, den zondaar, den verrader, die zoo menigmaal tegen U opstond dooide zonde. Helaas! hoe ondankbaar was ik aan
347
uwe liefde. Ik ken, 6 Heer, en verfoei mijne zonden; maar ook ik ken en bewonder uwe goedheid en ontferming. Wie is grooter ; ik in boosheid, of Gij in barmhartigheid : Wordt mijne boosheid, wordt aller boosheid door uwe gren-zelooze erbarming oneindiglijk overtroffen, ó, zij dale op mij neder en schenke mij, uit loutere goedertierenheid, een vermorzeld en verootmoedigd hart.
AAN HUT KVK1K JiLKISUX.
Overweeg de drievoudige verloochening van Petrus. Hij kwam niet tot inkeer, dan nadat de Heer hem genadiglijk aanschouwd had.
Hoe menigmaal schaamt gij u uwen Jezus voor de menschen, en verloochent gij Hem ! Wanneer zult gij uwe boosheid inzien r
Heer, ik heb gezondigd. Verwerp mij niet van uw aanschijn, aanzie mij en ontferm U mijner-
Mijne ellenden, 6 Heer, rigten als \'t ware den troon uwer erbarmingen op . . . Hoe ellendiger, verachtelijker ik ben, des te meer aanspraak heb ik op uwe ontferming. Ach Heer, ontferm U mijner. Jezus! wees Gij mij genadig. Christus. Gezalfde der gezalfden, Gods Eengeboren, Heiland en zegenaar ! wees goedertierener met die plichtiger is. Gij zult U over mij ontfermen, omdat ik veel misdreven heb.
AAN HET GL0K1A.
Overdenk der Joden luidruchtige vreugde bij de beschimpingen en versmadingen tegen Christus.
348
Zijt ook gij niet van dezulken, die zich behagen in allerslechtste zaken?
Wat zal ik zeggen of regtvaardiglijk voorgeven ? God heeft de boosheid van zijnen dienaar ondekt.
Bekeer ons, God, ons heil, en wend uwe gramschap van ons af.
Tn U, ó Heer, zal ik mij verblijden en opspringen. U zij glorie, lof cn eer in alle eeuwen der eeuwen!
AAN HET EPISTEL.
Denk aan de verzamelde beschuldigingen des volks tegen Jezus, aan de bespottingen, aan de slagen, aan den hoon en smaad in het liuia van Annas en Caïphas.
Waar is uwe sterkte en uw geduld :
Gij zijt mijne verduldigheid, 6 lieer!
Stel, ó Heer, eene wacht aan mijnen mond, en eene deur die mijne lippen omcirkelt. Duld niet dat mijn hart neige tot onbedachte woorden.
Ik dank U, ó goddelijke Geest, voor alle uwe over mij tot heiligmaking uitgestorte genadegaven. Maar inzonderheid dank ik U, dat Gij U verwaardigd hebt tot mij te spreken door de Profeten en heilige Apostelen. . , Schenk mij dc genade, dat ik voordeel doe met uwe hemelsche leeringen, opdat zij mij niet lot schande en vervloeking strekken in den vreesselijken ooi-deelsdag.
AAN HET EVANGELIE.
Van Caïphas naar Pilatus gesleurd, wordt Christus ondervraagd wegens zijne leering.
349
Hoe acht gij Jezus\'kostbare leering? Hoe ontvangt gij haar r Hoe deelt gij ze aan anderen mede ?
Heer I rigt mijne schreden naar uwe uitsprake, en dat geene ongeregtigheid over mij heersche.
Uw woord is mijnen voeten eene lamp.
Ik zal den boozen uwe wegen leeraren, eu de goddeloozen zullen tot U bekeerd worden.
Welke verpligting bind mij niet aan U, o mijn God, dat Gij mij, buiten zoovele anderen, geroepen hebt tot het ter zaligheid voerend licht van uw heilig Evangelie! Waartoe zouden mij alle andere genadegaven dienen, zonder de gave bij uitnemendheid, de gave van het heilig Geloof: ... O aanbiddelijk Geloof! O bron en wortel van eeuwig heil! in uwen schoot wil ik leven en sterven. Konde ik voor (J sterven ! .. Verre van mij menschelijke berekeningen, bloot-menschelijke, verdwalende redeneeringen, menschelijke, ligtvaardige oordeelvellingen. De evangelische onderrigtingen, niet de grondregels noch de vei keerde praktijken der menschen zullen mijnen vrede en roem uitmaken ; zij-alleen zullen mij tot leiding en gids verstrekken. De bedrogen en bedriegende wereld is mij een afschuw: zij is van Jezus vervloekt: zij zij vervloekt!
AAN JIEÏ OFFEUTOJMUM.
Overdenk Christus\' bereidvaardigheid en zijne opdracht tot alles wat zijns Vaders verheerlijking en der menschen heil kon bevorderen.
Hoe zijt gij bereid tot tegenspoed en kwellingen? Mijn God en Vader ik ben bereid tot de
350
geeselingen om mijne zonden. Doch, ó Heer, spaar mij in de eeuwigheid, ik zal den kelk des heils aanvaarden en \'s Heeren naam aanroepen.
Ik aanbid U, 6 mijn God, en draag U met den priester dit heilig offer op tot uwe verheerlijking, als eene betuiging van erkentenis voor zoovele van U ontvangene weldaden, tot voldoening mijner schulden en van de schulden aller zondaren. Ontvang, ó Heer, het brandoffer van uwen eengeboren Zoon die — offerande en offeraar—zich-zelven aan U opdraagt. Dat zijne heilvolle verdiensten inzonderheid nederdalen op de behoeftigsten;... mijn ziel is die ellendige. . . Nogtans, mijn hart, troost u; Jezus draagt zich voor u den eeuwigen Vader op.
AAN HET O HATE FUATliF.S.
Christus wordt — met doornen gekroond — den volke voorgesteld: ccce homo !
Hoe zult gij staan, 6 rnensch, wanneer gij in den oordeelsdag voor Christus uwen regter zult verschij nen ?
Wie geve mij dit, dat Gij mij in de diepte beschermet en mij verberget, tot dat uw woedende toorn voorbijga?
Ik zal mijne spraak tegen mij laten gaan, ik zal in de bitterheid mijner ziel spreken, ik zal Gode zeggen: wil mij niet veroordeelen.
Zie, ik ben in boosheden ontvangen.
Het schepsel kan den Schepper niets aanbieden dat Hem waardig is. Nogtans, ik vereenig mij en geheel mij-zelven met Jezus\' offerande. Hij -
351
alleen kan voor mij verdienen. Hij-alleen heeft mij verworven, wat alleen mij tot zaligheid strekt. Ik wil niets dan hetgeen Jezus wil. O God van liefde, ik zoek alleenlijk uwe liefde. Schenk mij uwe liefde, 6 Heer: zij is mij genoeg. Zie genadiglijk neer op het offer mijns harten, op het offer van geheel mij-zeiven, gelijk Gij neêrzaagt op Jezus\' offer, waaraan ik het mijne verbind.
AAN DE PREFATIE.
Die vijf dagen te voren Christus het blijde Hosanna hadden toegejuigt, schreeuwen nu: kruisig Hem, kruisig Hem.
Zijt gij, mijne ziel, niet even onstandvastig in uwe goede voornemens? Wat stelt ge u heden voor; wat doet gij morgen r
Volmaak u Heer, mijne schreden op uwe paden, opdat mijne voetstappen niet wankelen. Bevestig mij in uwe woorden. — Uwe regterhand zal mij staande houden.
Mijne ziel, gij zijt voor den hemel, niet voor de aarde geschapen. De aarde is u eene ballingschap, de Hemel uw Vaderland. Verhef dan uw hart met uwe gedachten, met uwe gevoelens, met uwe neigingen en begeerten Hemelwaarts. Klim op, tot waar voor Godes troon, de Engelen jub\'lend schallen. Mijn hart verzucht tot U, ö opperst Heill Gij alleen zijt voor altoos mijn schat, mijn wellust, al mijn genoegen. Gij-alleen zijt mij het eenige, het ware goed. .. . Buiten U is alles ijdel, alles nietig, alles leugenachtig. Buiten U is alles teleurstelling, begoocheling, bedrog..
ch, o Heer, den kelk des iaanroepen, raag U met uwe A-erheer-:ntenis voor en, tot volle schulden t brandoffer jfferande en :t. Dat zijne nederdalen die ellendi-ezus draagt
ekroond —
nneergij in regter zult
i de diepte i\\v woeden-
n gaan, ik ken, ik zal den.
en.
:ts aanbie-\'reenig mij ande. Hij -
352
AAN HET SANCTUS.
O groote, driemaal heilige God! Gij zijt on-eindiglijk en grenzeloos heilig; ik... ik ben een zondaar, een worm, een nieteling. Gansch de hemel en gansch de aarde zijn vol van U. Gij omvat alles, en niets bevat U, Mijn hart alleen is ijdel en ledig van al wat goed is: het is vol ellende en zonde... Ach! vervul mij met U-zelven, en ik zal vol van uwe liefde zijn, en ik zal volkomen de uwe zijn. Gij wilt, dat ik heilig zij ; heilig, omdat Gij heilig zijt; heilig, gelijk Gij heilig zijt. O Heer, maak mij heilig door uwe heiligende genade. Op deze betrouwend roep ik met een dengdeheld des Christendoms uit; ik wil heilig zijn, ik wil eeu groot heilige, ik wil zonder uitstel heilig wezen.
I!J.) DK fiHDACHÏEMS DEK l.UVENDEX.
Jezus draagt zijn kruis naar den Doodsberg. Hoort gij Christus\'stem niet? Die achter mij wil komen, verzake zich-zelven, neme zijn kruis op, en volge mij. Heer, trek mij door uwe genade, en wij znilen op den geur uwer heilige leeringen U natoopen. Het zij verre van mij, in iets anders te roemen dan in het kruis van onzen Heer Jezus Christus.
Jjegeven wij ons tot Hem, zoo veel mogelijk buiten het gewoel der wereld, zijne schande — de schande des kruises — met hem deelende.
Gij o Heer, Gij zijt de algemeene Vader. Stort dus op alle uwe kinderen de volheid uwer
353
|
™od! (jij zijt on-. . . ik ben een ng. Gansch tic vol van U. Gij ■lijn hart alleen ■d is; het is vol ij met U-zelven, , en ik zal vol-t ik heilig zij ; —ilig) gdijk CJij =eilig door uwe ;trouwend roep nistendoras uit; ■root heilige, ik -:vi;xi)K.\\. =en Doodsberg. )ie achter mij quot;neme zijn kruis door uwe ge-quot; uwer heilige ■ -re van mij, in kruis van on-genadegaven, de vruchten dezer onbloedige offerande uit. |
Verheven zij uwe Bruid, de H. Roorasch-Ka-tholieke Kerkl — Verleen uwen steun en krach-tigen bijstand aan Christus\' vertegenwoordiger op aarde, aan den Paus van Rome. Verdelg ketterijen en scheuringen. Schenk eendragt en vrede onder de christen vorsten, koningen en keizers. Zie genadig neêr op onzen Bisschop, op onze priesters, op onzen koning, op allen die ons wereldlijk of geestelijk besturen. Sla een oog van goedertierenheid op mijne bloed-verwanten, op mijne lieve vrienden en vijanden, op allen •, oor wie ik óf uit rechtvaardigheid óf uit liefde verschuldigd ben te bidden. Geef hun allen, dat zij U liefhebben, dienen en gehoorzamen. AAN DE H. CONSECRATIE. Verander, ó mijn God, mijne gemoedsgesteltenissen in de uwe, gelijk Gij het brood en den wijn verandert in uw heilig vleesch en bloed, en verleen mij de genade van mijne ziel, mijn ligchaam eu mijn leven geheel en volstrektelijk tot uwen heiligen dienst te besteden. |
Bl.l DE OPHEFFING DEK II. HOSTIE
Christus wordt met de handen en voeten aan het kruis genageld, ten aanschouwe der gansche wereld.
Zie 6 mensch, en aanschouw uwen Redder, Hoe hebt gij Hem tot nu toe omhelsd, die u hier
15
veel mogelijk ine schande — Ju deelende. meene Vader. quot; volheid uwer
3ó4
met uitgestrekte armen ter omhelzing uitnoodigt ?
Mijn geliefde is aan mij, en ik aan Hem,— Boodschapt Hem, dat ik van liefde kwijn. — Wie zal ons van Christus\' liefde scheiden? Kwelling of benauwdheid? — Ik ben zeker, dat noch dood noch leven, noch eenig schepsel ons zal kunnen scheiden van Gods liefde, welke is in Christus-Jezus onzen Heer.
Ik aanbid U, ó glorierijke Jezus, die voor mij slagtoffer van verzoening zijt geworden. Ach 1 maak dat mijn hart in uwe oogen een zuiver, heilig en onbevlekt slagtoffer uwer liefde zij.
Bf.T DE OPHEKFTNG VAK DEN KELK.
Hoe veel bloeds heeft Christus-Jezus niet uit zijne vijf wonden gestort tot afwassching mijner zonden! Waarom, ö zondaar, komt gij niet toege-loopen, om gereinigd te worden, en met blijdschap te putten uit die bloedfonteinen des Zaligmakers?
Wasch mij meer en meer van mijne boosheid, en zuiver mij van mijne zonde. Wie kan zuiver maken hetgeen uit onzuiver zaad ontvangen is r Kunt Gij dat niet, die alleen zuiver zijt? —mijn God, schep in mij een rein hart.
O lieve Jezus ! ik aanbid in dezen kelk uw dierbaar bloed, dat voor onze zaligmaking aan het kruis is vergoten geworden. Laat dat heilig bloed op mijne schuldige ziel vloeien, en zij zal geheiligd en gereinigd worden. Eeuwige Vader, herinner ü, dat Abels bloed wraak riep tegen Caïn den broedermoorder. Het bloed des nieuwen
355
Abels, de purperen stralen uit Jezus\' wonden, roepen om barmhartigheid en ontferming te onzer gunste. O bloed, ó heilige plagen van Jezus weest mij altijd tegenwoordig, opdat ik altijd hope.
BIJ DE OEnACHTENI* L)Kil OVKItl.KDKN\'I\'.X.
Verlich, o Jezus, hen die in de duisternissen en in de schaduwe des doods zitten.
Gedenk, ó Heer, dat de zuiverende zielen, die Gij als regter straft, uwe bruiden zijn en beminde dochters uwer eeuwige liefde. Doe haar, door het bloed van Jezus uwen Zoon, de uitwerksels dezer offerande ondervinden, haar inzonderheid, aan welke ik uit pligt van regtvaardigheid, van liefde en dankbaarheid meer verschuldigd ben. Voer haar in uwen schoot, opdat zij het wit harer bestemming — uwe verheerlijking — bereiken.
AAN HET 1\'AÏElt XOSTEU.
Overdenk de zeven door Christus aan het kruis gesproken woorden. 1 Hij bidt voorzijne vijanden. Wat doet gij r 2. T)en berouwhebbenden moordenaar wordt de hemel toegezegd. T.eer ernstig, niet zoo laat, boetvaardigheid plegen. 3. De Moeder wordt aan Joannes en deze haar aanbevolen. Aanwien zult gij u beter aanbevelen ? 4. Christus klaagt, dat Hij verlaten is. En gij, gij meent troost te moeten smakenI 5. Hij heeft dorst naar uwe heiligmaking, gij hebt er eene walging van. 6. Christus geeft te kennen, dat zijne folteringen volbragt zijn. Zoo zal, al wat
356
goeds en kwaads in u is, voltrokken worden. 7. Beveel ten laatste, op het voorbeeld van Jezus uwen geest in de handen uws hemelschen Vaders.
Gij zijt dus onze Vader, 6 eeuwige God! — Vader, omdat Gij ons met zooveel liefde geschapen hebt. Vader, omdat Gij ons ten koste van zoo veel bloedshebt vrijgekocht van de zonde. Ol maak, dat wij waardige kinderen zijn van zulken Vader, met alléén onzes Vaders glorie en grootheid te betrachten. Voor U, ó Vader, ben ik geschapen; voor U alleen wil ik leven, in en met U wil ik sterven.
I. En wij vergeven onzen schuldenaren.
II. Doe mij hooren; heden zult gij met mij in het Paradijs wezen.
III. O Maria zie, ik ben uw kind.
IV. Verlaat mij niet, Heer mijn God, wijk van mij niet af.
V. Mijne ziel heeft naar U gedorst.
VI. Wel gelukkig hij die zijn\' loop volbragt, het geloof behouden heeft.
VII. In uwe handen beveel ik mijnen geest.
BIJ HEÏ DOMINK NON SU51 DIGNUS.
Velen van die Christus aan \'t kruis hadden zien sterven, keerden terug, op hunne borst kloppend.
Zult ook gij niet op uwe borst kloppen, ten tecken van waar berouw over uwe zonden.
Heer! met den Publikaan sla ik mij op de borst en zeg; wees mij zondaar genadig. — En nu, ö Heer ! zijt mijner gedachtig, en neem geene wraak
over mijne zonden, noch herdenk mijne misdaden of die mijner ouders. — Laat uwe barmhartigheden ons spoediglijk voórkomen. En ik zal U zegenen in eeuwigheid.
AAN !gt;E NÜTTINO.
God alleen is waardig God te ontvangen. Hoe dan zal het eene ziel wezen, een zondige ziel, gelijk de mijne is. — Doch Gij let slechts op uwe erbarming, ó Heer; niet op uwe grootheid, noch op mijne niet-waardigheid. Gij verlangt, ja wilt liet, dat ik tot U nadere, gelijk een zieke tot den geneesheer om genezen, gelijk een behoeftige tot den vermogende om verrijkt te worden.
O God van liefde en almagt! zie hier voor uwe voeten het ziekste en armste uwer schepselen... Trek mij tot U, vereenig mij met U, en ik zal bovenmate gezond en rijk wezen voor uw goddelijk aanschijn. Wrocht, 6 wrocht dit wonder uwer liefdevolle almogendheid. Kom in mijn hart.. . kom en bezit.mijne ziel. En al heb ik het geluk niet van U werkelijk in mij te ontvangen, kom evenwel in mij met uwe genade, en verlaat mij niet. Maak, dat ik U immer liefhebbe, maak, dat ik sterve in uwe heilige liefde.
{Oefen hier de geestelijke Communie.)
NA DE NUTTING.
Overweeg het graf van Christus... Hij verlangt, dat uw hart zijn graf zij.
Mijn hart is bereid, 6 God, mijn hart is bereid.
358
Sta-op Heer, tot uwe rust, Gij en de ark uwer heiligmaking. — Mijn hart zal zich met U verblijden.
Gij hebt nu, 6 mijn lieve Jezus, eene offerande voltrokken in alles gelijk, aan hetgeen Gij op Golgotha volbragt, om uwen Vader te gehoorzamen. Maak, dat ik mij ook geheel en volkomen aan uwen heiligen dienst en aan het onderhouden van uw H. Evangelie wijde. Ik wil voortaan niets dan hetgeen Gij wilt. Geheel gelijkvormig aan uwen heiligen aanbiddelijken wil, wil ik leven en sterven.
OP HET EINWE DER H. MIS.
Ik dank U, 6 Heer, dat Gij mij — het onwaardigst schepsel — hebt toegelaten bij het verhe-venst uwer wonderen. Vergeef mij goedertieren hetgeen ik veelligt zelfs misdreven heb. Geef, dat ik door uwe genade en verdiensten geholpen, eens moge ingaan in den tempel van het eeuwig Vaderland, om daar het groot offer van liefde te voltrekken, door hetwelk mijne ziel in mijnen God haar eeuwig bestaan eii hare overste gelukzaligheid vinden zal.
GEI5ED VAN DEX H. FRANCISCUS XAVERIUS.
O God, ik bemin U en heb IT lief, niet opdat Gij mij zaliget of, omdat Gij, die U niet beminnen, eeuwiglijk straft. Gij, gij mijn Jezus, hebt mij geheel op het kruis omhelsd. De nagels en de
359
lans, veel smaad en schande, ontelbare folteringen, zweet en ziele-angsten, en eindelijk den bittersten dood hebt Gij voor mij — zondaar — onderstaan. Zou ik U, allerbeminnenswaardigste Jezus, dan niet beminnen ? Niet, opdat gij mij in den hemel zalig maket, of opdat Gij mij niet eeuwiglijk veroordeelet, noch om hoop van eenige vergelding; maar ik bemin U en zal U altoos beminnen, gelijk gij mij bemind hebt: alleen, omdat Gij mijn Koning zijt, alleen, omdat Gij God zijt. Amenl
INHOUD.
Bladz-
Aan den lezer...........in
Voorbereidend-gebed tot de Meditatie . v
Ander voorbereidend-gebed......vi
Eerste Meditatie. — God moet bemind worden, om het oneindig goed dat Hij in zich
bevat............. ^
Tweede Meditatie. — Beweegredenen van God te beminnen, getrokken uit de Goddelijke
voortreffelijkheid.........
Derde Meditatie. — Beweegredenen van God
te beminnen, getrokken uit zijne weldaden. 24 Vierde Meditatie. — De liefde waarmede God zooveel voor ons geleden heeft, is eene beweegreden van Hem te beminnen. . . 3ti Vijfde Meditatie. — Beweegredenen van God te beminnen, ontleend aan zijn sterfelijk
leven . . -..........
Zesde Meditatie. — Beweegredenen van God
te beminnen,ontleend aan zijn II. lijden. . 60 Zex ende Meditatie. — Wij moeten God beminnen, om de liefde die Hij ons toedraagt. . 73
II
Bladz.
Achtste Meditatie.—-Beweegredenen van God te beminnen, omdat Hij ons zoovele zonden
heeft vergeven..........84
Negende Meditatie. — God mint ons, daarom
verdient Hij onze liefde.......05
Tiende Meditatie. — God verdient van ons bemind te worden, om de hoedanigheid der liefde welke Hij ons toedraagt . . . 106 Elfde Meditatie. — God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij onze Va-
it der is.............1)7
y Deküic I\'ltnt. — God verdientvan ons bemind
VT te worden, omdat Hij onze broeder is . . 125.
Twaalfde Meditatie. — God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij de Bruide-
1 gom is onzer zielen........1\'JO
Dertiende Meditatie—God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij onze
12 vriend is............130
Veertiende Meditatie. —• Wij moeten God 24 beminnen, omdat wij de zijnen zijn. . . 147
Vijftiende Meditatie. — Ik moet God beminnen, omdat Hij mijn Schepper is. . . . 155 3^; Derde Punt. — Ik moet God beminnen,
omdat Hij mij behoudt.......1G2
Zrsiie?idc Meditatie. -—• God verdient van ons 4y bemind te worden, omdat Hij onze Heiland
en Zaligmaker is.........167
gQ Zeventiende Meditatie. — Wij moeten God beminnen, omdat Hij zich tot ons voedsel 73 heeft gemaakt........ , 178
ill
lil adz.
Achttiende Meditatie.— God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij ons den H.
Geest heeft gegeven ........ 188
Negentiende Meditatie. — God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij zijne heilige Engelen bestemd heeft om ons te
bewaren............1^7
Twintigste Meditatie. — God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij onze
zaligheid is.........\' • 207
Ee n-en-twin tigs te Meditatie. — God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij
almagtig is ... ........218
Twee-en-twintigste Meditatie.— God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij de
oneindige wijsheid is........228
Drie-en-twintigste Meditatie. — God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij de
oneindige goedheid is.......239
Derde Punt. - God verdient van ons bemind te worden, om zijne oneindige grootheid .............215
Vier-en tictntigstc Meditatie. — God verdient van ons bemind te worden, om zijne
oneindige barmhartigheid......250
Vijf- cn-tu \'in tigs te Meditatie. — God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij
eeuwig is............2fi
Derde Punt.—God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij onveranderlijk is.............271
IV
Bladz.
Zes cH-twintigstc Meditatie.— God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij
onmetelijk is..........274
Zeven en-hein tigs te Meditatie. — God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij één
en oneindig is..........290
Tweede Punt. — God verdient van ons be mind te worden, omdat Hij oneindig volmaakt en zich-zelven allergenoegzaamst is. 28i) Derde Pi \\ï. — God moet van ons bemind
worden, om zijne oneindige heiligheid . . 293 Acht en-twintigste Meditatie. — God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij onze
Heer en Meester is.........29S
Ne gen-en-twintigste Meditatie. — God verdient onze liefde, omdat Hij /.e ons gebiedt. 308 Dertigste Meditatie. —• Het geluk van den
mensch bestaat in God lief te hebben . . 319 Tweede Punt. — God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij schoon en
liefelijk is......•.....323
Een-en - dertigste Meditatie. — God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij ons
oneindiglijk bemint........329
Derde Punt.— God verdient van ons bemind te worden, omdat Hij oneindige
liefde is............336
Krans of Rozenhoedje, van Liefde-akten . . 34U Betrachtingen en gebeden onder hel heilig Mis Offer.......; .... 345
Door den zelfden vertaler en bij hem verkrijgbaar :
LEVEN VAN DEN H. VINCENTIUS a PAULO, door Mgr. Abelly. Bisschop van Rodez.
Drie deelen in gr. 8 : BI. 436, 442, 418 prijs /. 3. 00.
DE 150 PSALMEN VAN DAVID EN DE CANTICA, welke in den Brevier voorkomen, met doorloopende aanteekeningen.
prijs 80 ets.
DE PARABELS VAN HET H. EVANGELIE, omschreven, uiteengezet en toeg^-
*
past, door Pater Bumgiochi S. J. s
prijs 45 ets.