0
te-
HANDBOEK
KATHOLIEKE GODSDIENSTLEER
5
DOOR
B. DANKELMAV, li. R. Pr.
EN
J. H. WIJNEN, R. K. Pr.
VIERDE UITGA VE.
„Zedig is de metiamp;cJi, dien Gij, u Heer geleerd en in mee wet onderwezen heht.quot;
(Ps. 93.)
.%# , ■
W. VAN GULICK
\'S-BOSCH-ZWOLLE.
1888.
IAl- A. Jorxt \' //Z
BISDOM ROERMOND.
Overtuigd van het vele goede, dat door het „Handboek der ; „Katholieke Godsdienstleer, door de ZeerEerw. Heeren B. j „Dankelman en J. H. Wijnen, gesticht wordt, verleenen Wij gaarne Onze toestemming tot eene vierde, verbeterde uitgave, waarvan Wij de verspreiding ten zeerste aanbevelen.
Roermond, 24 Aug. 18S8.
t F. A. H. BOERMANS.
Bisschop van Roermond.
VOORREDE\'
Het ongeloof, dat in onze dagen vele en vreeselijke verwoestingen aanricht, heeft niet zelden zijn oorsprong aan onverschilligheid jegens den godsdienst te wijten Deze laatste is een kenteeken onzer eeuw : zi: heerscht vrij algemeen bij onze dwalende medechriste nen en voert zelfs velen, die zich Katholiek noemen, naar den afgrond van zedelijken ondergang heen.
De ondervinding heeft ons geleerd, dat sommige Katholieken de beoefening van den godsdienst langzamerhand verlaten en in het geloof onverschillig worden, omdat hunne kennis van den Katholieken godsdienst oppervlakkig en zeer gering is.
In onzen tijd vooral is het noodzakelijk, dat elk wetenschappelijk ontwikkeld Katholiek eene degelijke en vrij uitgebreide kennis van de waarheden des geloofs bezitte, opdat hij niet door de menigvuldige drogredenen, eiken dag in boeken en dagbladen als
de waarheid en de wetenschap voorgesteld, misleid worde; opdat hij in staat zij, bij voorkomende gelegenheden, de voornaamste moeielijkheden op te lossen en de meest gebruikelijke tegenwerpingen te wederleggen.
Daarom hebben wij ons bij de samenstelling van dit boek ten doel gesteld : 1° het geloof onzer lezers te versterken, door aan te toonen, op welke hechte en degelijke gronden de godsdienst berust; 2° onzen geloofsgenooten een Handboek te leveren, waarin zij de meest voorkomende godsdienstige vraagstukken niet slechts over het geloof, maar ook over de zedenleer, opgelost vinden, en alzoo de phchten van den oprechten Katholiek nader leeren kennen.
Dewijl wij ons vooral richten tot de leerlingen bij het middelbaar en gymnasiaal onderwijs, hebben wij ons beijverd, om de belangrijke stof kort, duidelijk en geregeld te behandelen. Derhalve hebben wij in deze vierde, verbeterde en vermeerderde uitgave overal de indeeling nauwkeurig aangewezen en in elke paragraaf, telkens wanneer eene nieuwe gedachte of bewijsvoering ontwikkeld wordt, deze met een Romeinsch cijfer aangeduid.
In scholen van meer uitgebreid lager onderwijs kan het Handboek wellicht niet ondienstig zijn voor de hoogste hltfs, indien de leeraar eene goede keus uit de
behandelde stof weet te doen en sommige meer ingewikkelde vraagstukken, met kleine letters gedrukt, ter zijde laat.
Moge Gods zegen op dezen arbeid rusten, opdat het zaadkorreltje, door onze hand uitgestrooid, in veler harten honderdvoudige vruchten voortbrenge tot eer des Allerhoogsten en tot heil en zaligheid der zielen.
De Schrijvers.
-sx-c5-
VERKLARING
VAX DE
VOORNAAMSTE TEEKEN8 EN VERKORTINGEN.
Agg Col.
in plaats van Profeet Ag geils. „ „ „ Brief van den H. Paulns aan de Colossensers.
|
Conc. v. Trente, 2e Zitt. Hfdst, 5. 2 Cor. XII, 3. Dan. IV, 12 . . „ Eccl....... Eccli...... Eph. I, 4 „ Esth.....„ Exod....... Ezech.....„ Gal.....,, Gen...... Hab.....,, Hand . . . . „ Hfdst.....„ Hebr .... ,, |
Concilie van Trente, 2e Zitting, Hoofdstuk 5. 2e Brief van den II. Paulns ■ aan de Corinthlërs, 1\'ie Hoofdstuk, 3e vers. Profeet Daniël, 4e Hoofdstuk, 12e vers. Boek Ecclesiastes of de Prediker. Boek Ecclesiasticus of Si rachszoon. Brief van den H. Paulns aan de Ephesiërs, le Hoofdst. 4e vers. Boek Esther. Boek Exodus of Uittocht Profeet Ezechiël. . Brief van den H. Paulns aan de Galaten. Boek der Genesis of Schepping. Profeet Habakuk. Handelingen der Apostelen. Hoofdstuk. Brief van den H. Paulus aan de Hebreen. |
J. 325 .....in plaats vau In \'t jaar .!!25.
J. v. Chr. . . . „ „ „ Jaar vóór Christus.
J. n. Chr. . . . „ „ „ Jaar na Christus.
Jac......„ „ „ Brief van den H. Apostel
Jacobus.
Jer....... ,, „ Profeet Jeremias.
Joan....... „ „ Evang elie van denll.Joannes.
1 Joan . „ „ „ Eerste brief van den H. Jo
annes.
Jou......„ „ „ Profeet Jonas.
Isa......,, „ ,, Profeet Isaias.
1. Kon.....„ „ ,, le Boeh der Koningen.
Luc......„ „ ,, Evangelie van den H. Lucas.
2 Macli . „ ,, „2e Boek der Machabeën.
Mal...... „ „ Profeet Malachias.
Mare.....„ ,, ,, Evangelie van den 11.Marcus.
Malth.....„ » „ Evangelie van den H. Mat-
theiis.
Micli...... ,, ,, Profeet Micheas.
Num....... „ „ Boek Numerorum of der
Getallen.
Openb...... „ „ Boek der Openbaringen van
den 11. Joannes.
1 Petr....... „ „ le Brief van den II. Petrus.
Phil...... „ „ Brief van den II. Paulas aan
de Philippiërs.
Ps......„ „ „ Psalm.
Rom...... „ „ Brief van den II. Paulus aan
de Romeinen.
Spreuk . . . . „ „ „ Salomons Spreuken.
Thess...... „ „ Brief van den H. Paulus
aan de Thessaloniërs.
Tim...... „ „ Brief aan Timotheüs.
Tit....... „ ,, Brief aan Titus.
Tob...... „ „ Boek Tobias.
Wijsh. (of Sap.) . „ „ „ Boek der Wijsheid (of Sapiential.)
Zach...... „ „ Profeet Zacharias.
f 450.....„ „ „ Gestorven in het jaar 450.
Fit de opgegeven voorbeelden zal de lezer gemakkelijk de andere verkortingen verstaan.
INLEIDING.
Over de bestemming van den mensch.
I. In de eerste helft der vierde eeuw vau onze tijdrekening leefde te Poitiers een jongeling met name Hilarius. Zijn hooge stand en rijkdom veroorlocfden hem, alle genoegens en vermaken der wereld te genieten; doch hij gevoelde zich bij dat alles niet gelukkig. Hij was nog heiden en had het geluk niet, den waren God te kennen. Onophoudelijk echter hoorde hij in zijn binnenste de stem zijner rede, welke hem deze vraag stelde ; Hilarius, ivat is het doel van uw hestaan op aarde; wat zal uw lot zijn na dit leven ?
Zijn heldere en schrandere geest zocht, met vurigen en onverpoosden ijver, de oplossing van dat gewichtig vraagstuk, en onder de leiding der goddelijke genade leerde hij den christelijken godsdienst kennen. Een schitterend licht ging nu voor zijnen geest op ; hij omhelsde het geloof en beijverde zich uit alle krachten, om het einddoel van zijn bestaan, dat hij thans kende, te bereiken. Hij leidde een deugdzaam en heilig leven, en wordt nu door de Kerk vereerd onder den naam van : Heilige Hilarius, Bisschop en Kerkleeraar.
IT. Voor ieder mensch is zeker deze vraag van het hoogste belang : ivaartoe ben ik op aarde geplaatst; wat
1
in plaats van In \'t jaar 325. ij j) „ Jaar vóór Christus. gt;) „ „ Jaar na Christus. » » „ Brief van den H. Apostel
Jacobus. )gt; „ „ Profeet Jeremias. » jj „ EvanrjelievandenH. Joannes. » » „ Eerste brief van den H. Joannes.
gt;gt; ij „ Profeet Jonas. » gt;! ,, Profeet Isaias. v gt;, „ le Boek der Koningen. » gt;, ,, Evangelie van den H. Lucas. ij ii „ 2e Boek der Machabeën. 3 ,1 ,, Profeet Malachias.
ii ii „ Evangelie vandenH.Marcus. ii » „ Evangelie van den H. Mat-theüs.
ii ii i, Profeet Micheas.
ii ii ii Boek Numerorum of der Getallen.
ii ii I, Boek der Openbaringen van
den H. Joannes.
ii ii ,i le Brief van den JJ. Petrus. ii ii I, Brief van den JJ.Paulus aan
de Philippiërs. ii „ „ Psalm.
ii ii I, Brief van den H. Paulus aan
de Romeinen.
ii ii „ Salomons Spreuken.
ii ii ii Brief van den ƒƒ. Paulus
aan de Thessaloniërs. ii ii „ Brief aan Timotheüs.
ii ii I, Brief aan Titus. ■ ■ ii ii „ -Boe^ Tobias. Sap.) . „ „ „ Boek der Wijsheid Cof Sapiential.} ii „ „ Profeet Zacharias. i „ ,, Gestorven in het jaar 450.
0PSegevcQ voorbeelden zal de lezer gemak-andere verkortingen verstaan.
J. 325 J. v. Chr J. n. Chr Jac. .
Jer. . Joan
1 Joan
Jon. . Isa . . 1. Kon. Lue. .
2 Mach Mal . Mare . Malth .
Mich . N um .
Openb,
1 Petr. Phil .
P3 . .
Rom
Spreuk Thess .
Tim Tit. . Tob . Wijsh. (of
Zach . f 450 . .
Fit de kelijk de
INLEIDING.
Over de bestemming van den menseh.
I. Iu de eerste helft der vierde eeuw van onze tijdrekening leefde te Poitiers een jongeling met name Hilarius. Zijn liooge stand en rijkdom veroorloofden hem, alle genoegens en vermaken der wereld te genieten; doch hij gevoelde zich bij dat alles niet gelukkig. Hij was nog heiden en had het geluk niet, den waren God te kennen. Onophoudelijk echter hoorde hij in zijn binnenste de stem zijner rede, welke hem deze vraag stelde : Hilar ius, wat is het doel van uw bestaan op aarde; wat zal uw lot zijn na dit- leven ?
Zijn heldere en schrandere geest zocht, met vurigen en onverpoosden ij ver, de oplossing van dat gewichtig vraagstuk, en onder de leiding der goddelijke genade leerde hij den christelijken godsdienst kennen. Een schitterend licht ging nu voor zijnen geest op ; hij omhelsde het geloof en beijverde zich uit alle krachten, om het einddoel van zijn bestaan, dat hij thans kende, te bereiken. Hij leidde een deugdzaam en heilig leven, en wordt nu door de Kerk vereerd onder den naam van : Heilige Hilar ius, Bisschop en Kerkleeraar.
II. Voor ieder mensch is zeker deze vraag van het hoogste belang : loaartoe ben ik op aarde geplaatst; wat
l
2
is mijue bestemming, wat moet ik doen, om het einddoel van mijn bestaan te bereiken? Hij, die deze kennis niet bezit, leeft als in een duister doolhof, waarin hij ronddwaalt zonder den weg of den uitgang te kennen; hij is gelijk aan een zeevaarder, die zijn schip aan wind en golven toevertrouwt, zonder te weten, waar hij zal aanlanden. Alle andere wetenschap, zonder deze eerste en noodzakelijkste, is slechts ijdelheid en dwaasheid.
III. Aangaande \'s menschen bestemming kunnen wij eene tweevoudige, zeer gewichtige vraag stellen :
1°. Eindigt het bestaan van den mensch met dit leven, of volgt er voor hem hierna een ander en beter leven, waartoe hij bestemd is ; m. a. w. wat is zijne eindbestemming\'?
2°. Waarom is de mensch op deze aarde, wat is hij verplicht hier te doen; met één woord: wat is zijne hestemming op aarde ?
De rede leert ons, als antwoord op de eerste vraag, dat de mensch geschapen is, niet slechts om eenige jaren op aarde door te brengen en hier zijn geluk te zoeken, maar dat hij bestemd is voor een hooger geluk in een ander leven, hetwelk nimmer eindigen zal, en tot eene eeuwige verheerlijking van Grod.
De rede geeft ook het antwoord op de tweede vraag en leert, dat de mensch op aarde gesteld is, om Grod als zijn Maker te verheerlijken, als zijn oppersten Meester getrouw te dienen, en daardoor gelukkig te zijn.
Om dit te bewijzen, zullen wij in \'t kort aantoonen :
1° dat God den mensch geschapen heeft om gelukkig te zijn ;
2° dat dit geluk volmaakt en eeuwig moet zijn;
3° dat het ware geluk niet op aarde te vinden is;
4° dat \'s menschen laatste bestemming is : hier op aarde en vooral in een volgend leven God eeuwig te verheerlijken.
Hieruit besluiten wij dan; daar de mensch voor een volmaakt en eeuwig geluk geschapen is en dat geluk op aarde niet bestaat, zal het hem zeker in een ander leven geschonken worden.
3
1°. God heeft den mensch bestemd en geschapen om gelukkig te zijn, want ;
а. God is oneindig goed en liefderijk; derhalve zal Hij zeker den mensch het aanzijn gegeven hebben om gelukkig te wezen.
б. Alle menschen verlangen en streven naar geluk, \'t is hun zelfs onmogelijk het tegendeel te willen. Dit verlangen ligt diep in ons hart; het is dus door den Schepper in ons binnenste neergelegd. Hieruit maken wij de gevolgtrekking, dat wij door God tot een waar geluk bestemd zijn.
2,;. De mensch heeft eene onsterfelijke ziel, welke dus eeuwig leven zal. Dewijl hij nu bestemd is om gelukkig te zijn, zoo volgt daaruit, dat hij voor een eeuioig geluk geschapen is, wijl anders zijn geluk niet met zijn wezen zou overeenstemmen.
Dat dit geluk volmaakt, vrij van alle smart en droefheid wezen zal, zegt ons het onwederstaanbare verlangen naar een dusdanig geluk, hetwelk de Schepper in ons hart heeft neei-gelegd. Daartoe moeten wij besluiten, wanneer wij slechts denken aan Gods grenzenlooze goedheid.
3°. Dat geluk, waarnaar de mensch met onweer-staanbaren aandrang streeft, kan hij op aarde niet vinden. Immers :
Dat geluk ligt niet in wereldsche genoegens , niet in rijkdom, aanzien en macht op deze aarde; dat alles toch is kortstondig en vergankelijk, kan ons elk oogenblik ontnomen worden ; dat alles is ijdel en schenkt slechts eenige vreugde en tevredenheid, welke immer beperkt en onvolmaakt zijn.
Deze waarheid bevestigde de groote koning Salomon, toen hij het toppunt van heerlijkheid en macht bereikt had, en te midden van weelde en zinnelijke genoegens uitriep : „In alles zag ik ijdelheid en kwelling des geestes en dat niets van duur is onder de zonquot; (Eccl. II, 11).
Hetzelfde getuigden met hem duizend anderen, die na den overvloed van aardsche goederen en vermaken genoten te hebben, toch bekennen moesten, dat alles slechts ijdelheid en begoocheling geweest was.
4
Treurig, voorwaar, zou \'s menschen lot zijn, indien hij, door een onvveerstaanharen aandrang naar een volmaakt en duurzaam geluk voortgedreven, dat geluk nimmer bereiken kon; m. a. vv. Gods oneindige goedheid geeft ons de overtuiging , dat ons verlangen zal bevredigd worden, dat wij geschapen zijn tot wnliooger geluk, hetwelk eeuivig duren zal.
4°. De mensch is geschapen om God te verheerlijken hier op aarde en vooral in \'t toekomende leven.
Immers God , als oneindig en volmaakt Wezen, moet noodzakelijk zich zeiven met eene oneindige liefde beminnen.
Indien Hij nu eenig schepsel tot een ander doel dan tot zijne eigen verheerlijking geschapen had, zou Hij zich zeiven niet volmaakt beminnen. Dus is de mensch, gelijk alle andere schepselen, tot Gods glorie en verheerlijking geschapen ! Dewijl nu de mensch in eeuwigheid zal blijven leven, zoo is hij ook bestemd om God eeuwig te verheerlijken.
Doch, om beter en met grootere zekerheid de eindbestemming van den mensch te kennen, moeten wij de goddelijke Openbaring raadplegen. Deze leert ons, gelijk later wordt aangetoond, dat wij geschapen zijn voor eene bovennatuurlijke gelukzaligheid, welke bestaat in het aanschouwen en het bezitten van God, de hoogste Schoonheid en het opperste Goed. Zij leert ons ook, dat wij, om dit laatste en bovennatuurlijke doel te bereiken, verplicht zijn, hier op aarde de middelen, door God ons daartoe aangewezen, te gebruiken en volgens Gods wil te leven. Komt de mensch daarin te kort, blijft hij vrijwillig in dwaling of in doodzonde tot aan zijnen dood voortleven, dan zal hij die bestemming niet bereiken, maar door God verworpen en tot een eeuwig ongeluk veroordeeld worden.
IV. Uit_ het voorgaande komt men dus tot dit besluit; de oneindig goede God schiep den mensch tot een doel, geëvenredigd aan zijne oneindige volmaaktheden en aan \'s menschen verhevene natuur. Ons doel op deze aarde is alzoo : God te dienen; onze eindbestemming; na dit
5
leven, in den hemel, volmaakt en eeuwig gelukkig te zijn door het aanschouwen van G-od.
V. quot;Welke middelen moeten wij gebruiken, om aan ons doel hier op aarde te beantwoorden en ons eeuwig geluk te verzekeren ?
1°. Daartoe moeten wij God kennen, omdat Hij de eeuwige Waarheid is. Opdat de mensch de waarheid zou zoeken en kennen, werd hem door den Schepper het verstand gegeven. De boogste en eeuwige Waarheid is God. Wij moeten ons dus beijveren, hem in zijne volmaaktheden en in zijne werken nader te leeren kennen.
2°. Hem behooren wij te dienen en zijn wil te volbrengen, dewijl Hij onze Schepper, onze opperste Heer en Meester is.
3°. God moeten wij heminnen, omdat hij de oneindige Schoonheid en het hoogste Goed is.
Om dezen drievoudigen plicht, die op ons rast, te vervullen, moeten wij
1°. alles gdooven wat God geopenbaard heeft;
2°. alle geboden, welke Hij ons gegeven heeft, onderhouden.
De mensch is, gelijk later zal aangetoond worden, tot eene bovennatuurlijke orde verheven. Door eigen schuld heeft hij echter de hem verleende bovennatuurlijke gaven en \'t recht op den hemel verloren. God schonk hem een Verlosser, die door zijn lijden hem met God verzoende, en genademiddelen, welke wij/Sacmme^eji noemen, instelde. Daardoor kan de mensch de genade terugbekomen en zijne bovennatuurlijke bestemming bereiken. Dus moeten wij:
3°. de genademiddelen gebruiken, welke God voor onze zaligheid ingesteld heeft.
Ons bekend te maken met de geloofswaarheden, de geboden en de genademiddelen, ziedaar het doel der katholieke godsdienstleer.
Zij is diensvolgens ia drie deelen gesplitst en handelt:
1°. Over het geloof;
2°. over de geboden;
8°. over de genademiddelen.
6
VI. Uit hetgeen wij reeds gezegd hebben, kunnen wij hier nog ééne vraag beantwoorden, namelijk : is de kennis der godsdienstleer nuttig en noodzakelijk ?
Het antwoord luidt bevestigend.
a. Die kennis is nuttig: 1° omdat zij ons vele waarheden, waarvan ons verstand slechts een duister en onvolmaakt begrip kan hebben, beter en vollediger doet kennen,
2° Omdat zij ons andere waarheden leert, welke onze natuurlijke rede, uit hare eigen krachten, nooit had kunnen bevroeden, en die alleen door middel der goddelijke Openbaring gekend worden.
3° Dewijl zij ons den weg en de middelen aanwijst, om deugdzaam te leven, zalig te sterven en den hemel in te gaan. Zij is dus de verhevenste aller wetenschappen; zonder haar is alle overige kennis slechts ijdelheid,
h. De kennis van dun godsdienst is noodzakelijk:
1° Omdat God, die ons de godsdienstige waarheden geopenbaard heeft, uitdrukkelijk verlangt en beveelt, dat alle menschen zijne leer zullen kennen en aannemen. Daarom gaf Christus aan de Apostelen het bevel; „Gaat en leert alle volkerenquot; (Matth. XVIII, 19). ., Wie u hoort, hoort Mijquot; (Lucas X, 11). Wij zijn dus verplicht aan het gebod en den wil des Allerhoog-sten te gehoorzamen, door eene ijverige studie van de godsdienstleer.
2° Omdat, gelijk wij later zien zullen, degenen, die tot de jaren van verstand gekomen zijn , zonder de kennis van eenige waarheden des geloofs niet zalig kunnen worden, terwijl het schuldige niet-weten van sommige andere waarheden eene doodzonde in zich kan bevatten en alzoo den mensch tot zijn eeuwig ongeluk brengt.
3° Ook is eene gebrekkige en onvolledige kennis der geloofswaarheden menigmaal in hare gevolgen even noodlottig als onwetendheid. Halve kennis leidt dikwijls tot twijfel aangaande een of\' ander leerstuk des geloofs, soms tot geheele ontkenning eener christelijke
7
waarheid, ja, tot volslagen ongeloof. Bij anderen geeft eene bekrompen godsdienstkennis aanleiding tot een onchristelijk en zondig leven en — in beide gevallen menigmaal tot den eeuwigen ondergang.
Bijgevolg is eene degelijke en meer uitgebreide kennis van den godsdienst niet slechts nuttig, maar voorde mees ten ook noodzakelijk.
Eindelijk is eene meer uitgebreide kennis der godsdienstleer noodzakelijk vooral voor hen, die tot de hoo-gere standen der maatschappij behooren en eene wetenschappelijke opvoeding genieten. Zij immers zullen, in latere jaren, menigmaal hooren spotten met den godsdienst en, in naam eener zoogenaamde wetenschap, veelvuldige tegenwerpingen tegen het geloof vernemen. Indien zij dan geene grondige kennis der godsdienstleer bezitten, zullen zij niet alleen verlegen staan, maar ook dikwijls zich door valsche redeneeringen laten meesleepen en aan hun geloof\' schade lijden.
EERSTE DEEL.
OE GELOOFSLEER.
1ste HOOFDSTUK.
OVER HET GELOOP IX \'ï ALGEMEEN.
§ I-
Begrip en voorwerp des Geloofs.
I. Geloovrn in \'t algemeen wil zeggen : iets voor waar houden, wat een ander bevestigt, juist daarom wiiJ hij et gezegd heeft. Zoo gelooft een leerling, wanneer hii, zonder het gezien te hebben en zonder de bewijzen daarvan te vragen, een historisch feit als waarlijk gebeurd aanneemt, omdat zijn leeraar hem dit verzekert Gelooven aan God beteekent: als waar en zeker aannemen hetgeen God geopenbaard heeft en wel juist daarom, wijl Hij het gezegd heeft.
Dusdanig geloof kan als eene voorbijgaande handelinq beschouwd worden, welke b. v. verricht wordt, wanneer men eene akte van geloof bidt.
Ook kan men het beschouwen als een blijvenden toestand eene voortdurende geneigdheid, eene deuqd, den Christen eigen, waardoor hij in staat is en aangezet wordt om te gelooven, d. i. akten van geloof te stellen, li. In den laatsten zm genomen is het geloof; eene
9
deugd door God ingestort, waardoor de mensch wordt verlicht en vast el ijk aanneemt al wat God heeft geopenbaard en door de H. Kerk voorstelt te gelooven.
Het geloot is eene gave Grods, daar wij het niet hebben uit onze eigen krachten of door onze verdiensten ; het wordt ons door den Heer uit louter goedheid, als eene genade gegeven.
Door die genade wordt ons verstand verlicht om de waarheden der goddelijke Openbaring als zoodanig te erkennen, en wordt onze wil geholpen en ondersteund om de waarheden des geloofs bereidwillig aan te nemen, ondanks de bezwaren, welke de hoogmoedige rede of de bedorven natuur zouden opwerpen.
De genade schenkt aan het geloof eene hoogere kracht, eene bovennatuurlijke wijding en eene bovennatuurlijke waarde.
Bij alle bewijsgronden des geloofs en bij de aangewezen werking der genade Gods blijft het geloof evenwel eene vrije onderwerping van ons verstand.
Zoolang wij op aarde verkeeren is de mogelijkheid om te twijfelen niet uitgesloten.
God deelt ons door zijne genade zooveel licht mede, dat wij, van goeden wil zijnde, gelooven, en tevens laat Hij zooveel duisternis over, dat. wanneer wij niet van goeden wil zijn, wij ook twijfelen kunnen. Het geloof toch stelt ons vele geheimen voor en waarheden, die wij door de rede niet zouden kennen, of die althans de Openbaring met grootere duidelijkheid en zekerheid doet kennen. Altijd blijft het geloof eene vaste overtuiging van dingen, die wij niet zien (Hebr. XI, 1), en aannemen, omdat God ze ons geopenbaard heeft.
Die vrije en ootmoedige onderwerping van ons verstand aan Gods Openbaring, geheiligd door de genade, maakt ons geloof verdienstelijk.
III. Wat is het voonverp van ons geloof, m. a. w. welke waarheden moeten wij gelooven V
Ons geloof heeft tot voorwerp alle waarheden, welke God op bovennatuurlijke wijze aan het menschdom geopenbaard heett.
10
De Openbaring, in het algemeen beschouwd, wordt onderscheiden in de natuurlijke en de bovennatuurlijke.
1°. De natuurlijke Openbaring is die, welke op natuurlijke wijze geschiedt (b. v. door de schepping en het bestuur der wereld) en alleen zulke waarheden omvat, welke onze rede door zich zelve ban kennen, b. v. het bestaan van God.
Wat de mensch alleen door middel van de rede kent, is voorwerp van kennis, niet van geloof.
2°. De bovennatuurlijke Openbaring, is die, welke op eene hongere en bovennatuurlijke wijze door God zeiven en door zijne gezanten gedaan werd. Zij bevat zeer vele waarheden, welke ons verstand uit eigen krachten niet kennen kan ; ook andere, welke tot het gebied der rede behooren, leert zij ons op bovennatuurlijke wijze en tot onze zaligheid.
Wij heeten dus Openbaring, in den eigenlijken zin des woords, die mededeelingen Gods, welke ons op bovennatuurlijke wijze gedaan zijn; deze alleen zijn het voorwerp van ons geloof.
IV. Voordat wij het bestaan der bovennatuurlijke Openbaring bewijzen, stellen wij de vraag : in hoeverre was deze bizondere Openbaring voor de menschen noodzakelijk ?
1°. In dien zin, dat wij, zonder die Openbaring, zeer vele waarheden, zelfs de eenvoudigste (h. v. die over de betrekking van den mensch tot den Schepper) zeer onvolmaakt, zonder volle zekerheid en slechts met moeite zouden gekend hebben. Dit zien wij duidelijk in de geschiedenis der heidensche wijsgeeren, die de geringe kennis, welke zij van het Opperwezen hadden, met ontelbare dwalingen vermengden.
2°. \'s Menschen kennis van deugd en zedenleer zou, zonder het licht der Openbaring, uiterst gering en gebrekkig geweest zijn, vooral omdat, na den zondeval, het menschelijk verstand door booze neigingen en driften verduisterd is en het hart ten kwade overhelt. Ook dit zien wij in de geschiedenis der heidensche volkeren, bij welke de ondeugden, zelfs
11
door hunne grootste wijsgeeren verheerlijkt werden.
3°. Deze bovennatuurlijke Openbaring was vooral noodzakelijk, om. die waarheden, welke ons natuurlijk verstand onmogelijk ontdekken kan (zooals het geheim der H. Drievuldigheid, onze bovennatuurlijke bestemming eu de middelen, welke wij ter bereiking van die bestemming moeten aanwenden), te leeren kennen. Daarom zegt Salomon: „ Wie zal uwen wil kennen, tenzij Gij (o God) wijsheid schenkt en uwen heiligen Geest zendt uit den hoogequot; (Wijsh. X, 17).
Wij besluiten dan :
1° de goddelijke, bovennatuurlijke Openbaring was voor den mensch noodzakelijk ; zonder haar zou hij de meeste geloofswaarheden in het geheel niet en andere beginselen van geloofs- en zedenleer slechts met veel moeite en dan nog gebrekkig gekend hebben.
2° Grod echter, zoo moeten wij hierbij voegen, was door niets gedwongen of genoodzaakt den mensch, door eene bizondere Openbaring, die waarheden te leeren; Hij heeft dat gedaan uit vrijen wil, en ons daardoor een nieuw bewijs zijner goedheid gegeven.
V. Wanneer God aan het menschdom waarheden verkondigt en geboden geeft, waardoor Hij voorschrijft hoe Hij gediend wil worden, dan verlangt Hij zeker ook, dat alle menschen die Openbaring aannemen en hun leven naar zijne wet inrichten. Daaruit volgt dus, dat zijne oneindige wijsheid aan eiken mensch ook de middelen aan de hand gegeven heeft, om het bestaan en den inhoud der Openbaring te kennen.
Nadat wij eerst het bestaan der goddelijke Openbaring bewezen hebben, zal aangetoond worden, waar wij den ganschen inhoud dier Openbaring vinden.
§ 2.
Over het bestaan der goddelijke Openbaring.
I. Reeds aan bet eerste menschenpaar openbaarde (rod waarheden, vooral aangaande hunnen oorsprong,
12
hunne bestemming en de komst des Verlossers, wier kennis zij, door het licht der rede alleen, nimmer zouden verkregen hebben. Deze Openbaring kon, wegens den langen duur van het leven der Aartsvaders, gemakkelijk bij de nakomelingen bewaard blijven. God gewaardigde zich daarenboven tot eenigen hunner, zooals Noë, Abraham, Jacob, te spreken, openbaarde hun vele waarheden en herhaalde de belofte, dat Hij aan het gevallen menschdom een Verlosser zou zenden. Aldus bleef de kennis van den waren God bij het uitverkoren Israëlietische volk bewaard, terwijl de meeste andere volkeren, door hunne hartstochten meegesleept, tot een afschuwelijken afgodendienst vervielen.
Ziedaar de oorspronkelijke en de aartsvaderlijke Openbaring.
II. Toen de Israëlieten een talrijk volk geworden waren, werd Mozes door God verkozen, om dat volk verder in de kennis der bovennatuurlijke waarheden te onderrichten en met de wijze, waarop God door hen wilde gediend worden, bekend te maken. Dit noemen wij de mozdische Openbaring.
Deze Openbaring werd in de volgende tijden bekrachtigd en aangevuld door de Profeten, die van God gezonden werden, om het volk tot den waren godsdienst terug te voeren of het daarin te bevestigen, en ook om de komst en het leven des Heilands in duidelijke woorden te voorzeggen.
III. Eindelijk verscheen de lang verwachte Messias op deze aarde ; de tweede Persoon der H. Drievuldigheid nam de menschelijke natuur aan en verkeerde gedurende 33 jaren onder de menschen. Hij was gekomen, om de mozaïsche wet te volmaken. De geopenbaarde waarheden over God, de onsterfelijkheid dec ziel en andere geloofspunten werden door Christus nader toegelicht en verklaard, doch de eeredienst en alle zinnebeeldige gebruiken van het Joodsche volk door Hem afgeschaft, gelijk herhaaldelijk in \'t Oude Verbond was voorspeld geworden. Hij sloot met de mensehen een nieuw Verbond, dat tot het einde der we-
13
reld bestaan zal, en leerde hun, hoe zij den Heer in geest en waarheid dienen moeten. Ziedaar de christelijke Openbaring.
IV. Hoe weten loij met zekerheid, dat God den menschen eene bovennatuurlijke Openbaring gegeven heeft, en to elke waarheden daarin zijn opgesloten ?
Dat zullen wij thans aantoonen.
Vooraf geven wij twee algemeene bewijsgronden voor het bestaan der bovennatuurlijke Openbaring.
1°. Gods wijsheid en goedheid.
De mensch, als redelijk wezen, is geschapen, om zijnen Schepper te kennen en te dienen, en daardoor eenmaal een geluk te bereiken, dat hij op aarde onmogelijk vinden kan. Was nu de mensch aan zich zeiven overgelaten, dan zou hij, door zijne rede alleen,, slechts zeer moeielijk en onvolledig de kennis der fundamenteele waarheden van den godsdienst verkrij ■ gen, zooals de ondervinding bij hen heelt aangetoond, die de Openbaring niet kennen of verwerpen. Daaruit besluiten wij dan met recht, dat God, die oneindig goed en wijs is, den mensch niet in \'t duistere heeft laten ronddwalen, maar hem, rechtstreeks of door gezanten, onderwezen heeft.
2°. De algemeene overlevering.
Bij alle volkeren en in alle tijden vindt men, alhoewel meestal met dwaling vermengd, eenige grondwaarheden terug, zooals het bestaan van de Voorzienigheid, van goede en booze geesten, den val en de straf van het menschdom, de hoop op een Verlosser.
De meeste dier algemeen gekende waarheden kan onze rede niet ontdekken. Derhalve moeten wij besluiten , dat zij door God zeiven aan het menschdom geopenbaard zijn.
3°. Het gezag van de 1111. Schriften, als geschiedkundige boeken beschouwd.
De H. Schrift verzekert ons, dat God den mensch waarheden geopenbaard heeft, en stelt ons een groot gedeelte daarvan voor. Indien nu aangetoond wordt, dat geen enkel geschiedkundig boek grooter gezag heeft
dan de H. Schrift, dan zijn wij genoodzaakt het bestaan der goddelijke Openbaring aan te nemen. Dat bewijs zullen wij thans leveren.
A. De boeken van liet Meuwe Testament.
Als het bewezen is : 1° dat deze boeken geschreven zijn door die mannen, wier namen zij dragen ;
II0 dat zij onvervalscht en ongeschonden tot ons zijn gekomen; en
III0 dat de schrijvers zeer geloofwaardig zijn; dan moeten wij erkennen, dat zij als historische boeken het hoogste gezag hebben en dat de rede ons dwingt de daarin verhaalde feiten aan te nemen.
I. De hoeken van het N. T. zijn geschreven door die mannen, wier naam zij\' dragen.
1°. Deze waarheid blijkt uit de voortdurende Overlevering der Kerk. Daarvan getuigen ons de katholieke schrijvers van alle eeuwen, van onze dagen tot de apostolische tijden. Uit de eerste eeuw noemen wij slechts twee namen van Heiligen, die de verschillende boeken van het N. T. bespreken, en verklaren, dat ze door de Apostelen en Evangelisten geschreven zijn — namelijk den H. Ignatius, Martelaar, die den verrezen Heiland met eigen oogea gezien had, en den H. Clemens,. een leerling van den Apostel Petrus.
2». Zelfs de ketters, zoowel van latere als van de eerste eeuwen, stemmen hierin met ons overeen; ook de heidenen en Joden, die de Christenen vervolgdenr hebben dit altijd erkend. Eerst in latere tijden werd dit door de ongeloovigen geloochend.
3°. Hit den inhoud der hoeken blijkt, dat de schrijvers Israëlieten waren, die met plaatsen, omstandigheden en gebruiken zeer goed bekend waren; dat zij ooggetuigen waren van hetgeen zij verhalen, of ten minste in dien tijd leefden.
4°. Indien het N. T. niet door de Apostelen of de
15
Evaugeiisten, maar door anderen gesehreven ware, dan had dit moeten geschieden tijdens het leven of na den dood der Apostelen. Noch het een. noch het ander echter is aan te nemen,
a. De Apostelen toch , bezorgd als zij waren voor de zuiverheid der christelijke leer, zouden dat bedrog niet geduld hebben.
b. Indien men de misleiding na hunnen dood had beproefd, zouden de geloovigen deze boeken niet hebben aangenomen als geschreven door de Apostelen.
II. De hoeken des N. T. zijn ons onvervalscht en ongeschonden overgeleverd.
1°. Eene vervalsching heeft niet plaats gehad ten tijde der Apostelen; zij immers zouden dit belet hebben ; ook niet kort na hunnen dood, want toen bestonden nog de eigenhandige geschriften der Apostelen, en de leer, door hen verkondigd, was nog in aller harten diep ingeprent. — Evenmin is dat gebeurd in later tijden, want toen waren ontelbare afschriften over de gansche wereld verspreid, en deze konden toch niet allen vervalscht worden. quot;Ware dit met enkele exemplaren geschied, dan zouden zij niet, gelijk werkelijk het geval is, met elkander overeenstemmen.
2«, Indien de Katholieken die boeken vervalscht en veranderd hadden, dan zouden Joden, heidenen en ketters hun dit verweten hebben. Veel minder zouden de Katholieken van hen, die buiten de Kerk leefden, zulk een bedrog gedoogd hebben.
3°. Den hoofdinhoud der boeken vinden wij terug in de schriften der HH. Vaders van alle eeuwen. Die overeenkomst bewijst duidelijk, dat er geen veranderingen hebben plaats gehad.
III. De schrijvers des N. T. zijn zeer geloofwaardig.
1°. Zij zijn niet bedrogen geworden. Immers de meesten hunner waren ooggetuigen van de feiten, welke zij
16
verhalen; zij traden daarbij zelfs als handelende personen op. De anderen (gelijk de H. Paulus en de H. Lucas) leefden met de leerlingen des Heeren, van wie zij konden vernemen hetgeen dezen gezien en gehoord hadden.
2°. Zij hebben niet willen bedriegen. Want:
a- Een bedrieger zoekt altijd in het bedrog zijn eigen voordeel. De Apostelen echter werden wegens de verkondiging hunner leer veracht, bespot en vervolgd. Toch volhardden zij en ondergingen de wreedste tolte-ringen, ja, zelfs den dood, tot staving der waarheid van hetgeen zij geschreven en gepredikt hadden.
b. Indien zij hadden willen bedriegen, zouden zij den menschen niet eene met de hartstochten zoo strijdige en strenge leer verkondigd hebben.
c. Ook is \'t niet te begrijpen, dat twaalf arme vis-schers den moed hadden, voor het gansche volk en den Hoogeraad, het verhaal van valsche en uitgedachte mirakelen te bevestigen.
d. De eenvoudigheid van hunne woorden, de oprechtheid , waarmede zij hunne eigen fouten en die hunner mede-Apostelen verhalen; het getuigenis van heidensche en joodsche geschiedschrijvers ; de bizonder-heden en omstandigheden, welke zij vermelden — dat alles pleit voor hunne waarheidsliefde.
3°. Eindelijk hebben zij, wat de hoofdzaken aangaat, niet kunnen bedriegen.
a. Indien de Apostelen omtrent de hoofdfeiten onwaarheden gepredikt hadden, dan zouden zeker de Joden en de heidenen daartegen zijn opgekomen, daar zij meestal spraken over openbare feiten en gebeurtenissen.
b. Wanneer hetgeen zij van Christus verhalen verdicht ware geweest, dan zou het onmogelijk geweest zijn de Joden en heidenen te bekeeren; vooral, dewijl de volgelingen der Apostelen niets dan smaad en vervolging konden verwachten.
c. Eindelijk kan men onmogelijk aannemen, dat millioenen menschen gedurende 18 eeuwen door eenige eenvoudige en meest alle ongeletterde mannen uit Judea
17
zouden bedrogen geworden zijn, zóózeer zelfs, dat duizenden voor de waarheid van de leer der Apostelen den marteldood ondergingen.
Aldus hesluiten wij : wijl de boeken des N. T. als geschiedkundige getuigen het hoogste en zekerste gezag, dat men verlauget kan, bezitten, zoo volgt daaruit, dat wij de feiten, in die boeken verhaald, als werkelijk zóó geschied moeten aannemen.
Het is dus een, met historische zekerheid, bewezen feit, dat Christas de leer, welke de Apostelen in hunne geschriften opgeteekend hebben, verkondigd heeft; dat Hij verklaard heeft eene goddelijke Openbaring te prediken ; dat Hij, ter bevestiging van de waarheid zijner woorden, ontelbare mirakelen gewrocht heeft.
Later zullen wij hieruit nog andere gevolgtrekkingen maken..
Thans blijft ons nog te bewijzen over het historisch gezag der boeken van het Oude Testament, in welke de vóór-christelijke Openbaring opgeteekend is.
B. Gezag der boeken van het O. T. en wel 1° der vijf boeken van Mozes ^
Wanneer wij aantooneu, 1° dat Mozes werkelijk de schrijver van den Pentateuclms is; 2° dat deze boeken ons onvervalscht zijn overgeleverd ; 3° dat Mozes waarheid geschreven heeft; dan hebben deze boeken een geschiedkundig gezag, hetwelk boven allen twijfel verheven is.
1°. Mozes is de schrijver van den Pentateuclms.
a. Deze waarheid werd vóór Christus\' geboorte door alle schrijvers des O. T. aangenomen en bevestigd; zij werd steeds door het Joodsche volk en ook door alle Christenen geloofd, ja zelfs door heidensche schrijvers erkend. Eerst in de 18« eeuw heeft het ongeloof twijfel dienaangaande geopperd.
1) Deze worden Pentateuchus (—s\'vts vijf en -soyoz hoek) genoemd. Het zijn de 5 volgende; 1° Genesis of boek der schepping ; 2° Exodus of uittocht; 3° Leviticus ; 4» Het boek der getallen of der optelling van het Israëlietische volk; 5° Deuterouoviium of de tweede Wet.
2
18
b. Wanneer men acht geelt op de wijze van behandeling, op de personen, zaken en omstandigheden, over welke gesproken wordt, dan ziet men, dat dit alles moet geschreven zijn door een ooggetuige of ten minste door iemand, die aan de naaste en zekerste bronnen geput heeft.
2°. Deze hoeken zijn ons onvervalscht overgeleverd, a. Dat was altijd de overtuiging van het Joodsche volk; hetzelfde getuigen ons alle latere geschriften van het Oude en Nieuwe Testament.
h. Zeker hebben de Joden die boeken niet vervalscht; want dan zouden zij vele feiten, welke slechts tot oneer van hunne voorouders strekken, daaruit weggelaten hebben; ook de heidenen niet, want dezen hadden de mirakelen, die Jehova\'s bestaan bewijzen, zeker uitgeschrapt ; evenmin de Christenen, dewijl de Joden zich tegen dat vergrijp zouden verzet hebben.
c. Om werkelijke vervalsching aan te brengen had het gansche volk van Israël daartoe moeten samenwerken, hetgeen onmogelijk is. Immers de Priesters en de Levieten zouden tegen die vervalsching zijn opgekomen ; het handschrift van Mozes werd in de ark bewaard; alle zeven jaren moest dit in \'t openbaar, en zelfs eiken Sabbat een gedeelte daarvan voorgelezen worden. Ook had men dan de handschriften der grieksche vertaling, welke reeds drie eeuwen vóór Christus door 70 geleerde Joden vervaardigd werd, moeten vervalschen. Dat is echter niet aan te nemen, dewijl deze overzetting in Egypte en andere landen verspreid was.
3°. Mozes heeft de zuivere waarheid geschreven.
a. Mozes kende zeer goed de feiten, welke hij mededeelt, a. Alles toch, wat in zijne vier laatste boeken voorkomt, had hij zelf gezien, gehoord of gedaan. Hetgeen in de Genesis verhaald wordt, kon hij door de aartsvaderlijke overlevering gemakkelijk weten, daar hij, wegens den langen levensduur der Aartsvaders, slechts zes geslachten van Adam verwijderd was, en de gebeurtenissen der eerste tijden
19
niet talrijk en daarenboven van groot belang waren.
/5. Daar God, zooala uit de geschiedenis van Mozes blijkt, hem vele openbaringen gedaan heeft, zoo moeten wij aannemen, dat hem, in bet gemeenzaam verkeer met God, vele waarheden zijn bekend gemaakt, welke den menschen tot heil verstrekken konden.
b. Mozes heeft niet willen bedriegen.
a. Overal vertoont hij zich als een man van een onafhankelijk en waarheidlievend karakter, die nimmer de gunst des volks door vleierij zocht te winnen, maar integendeel harde wetten voorschreef en de Joden over hunne ondeugden streng berispte.
/3. Hij zocht niet zich zeiven of de zijnen te verheffen; want. met achterstelling zijner eigen kinderen, benoemde hij Aaron tot Hoogepriester en Josuë tot bestuurder des volks.
r- De eenvoudigheid van zijn verhaal, de oprechtheid, waarmede hij zijne eigen fouten en die van zijn volk op-teekende, alsmede zijn deugdzaam leven zijn zoovele waarborgen voor de geloofwaardigheid van den Pen-tateuchus.
c. Mozes heeft niet kunnen bedriegen.
a. In het verhaal der feiten van het boek Genesis kon hij geen bedrog plegen, dewijl het gansche volk van Israël alles, wat hij mededeelt, door de overlevering der vaderen kende; evenmin in de geschiedenis van de vier andere boeken, daar de Joden de verhaalde feiten of zeiven gezien en gehoord of van hunne ouders vernomen hadden.
/3. Onmogelijk is het te veronderstellen, dat hij in staat zou geweest zijn, een talrijk volk tot medeplichtigheid aan bedrog te verleiden; vooral, dewijl dat volk tot tegenspraak en opstand geneigd was en Mozes hun uiterst strenge wetten voorschreef.
Besluit: De vijf boeken van Mozes geven ons door hun historisch gezag, hetwelk boven allen redelijken twijfel verheven is, de volkomen zekerheid, dat de daarin verhaalde feiten werkelijk gebeurd zijn.
20
II0. Historisch gezag der overige hoeken van het O. T.
Hier kan onze bewijsvoering korter zijn, omdat de Pejitateuchus het voornaamste der geschiedkundige boeken is en de ongeloovigen tegen het gezag der overige boeken van het O. T. niet zoovele bezwaren opwerpen.
Dat gezag nu wordt gestaafd door de schrijvers van het N. T., die deze boeken in \'t algemeen, en ook de meesten in \'t bizonder, als gezaghebbend aanhalen en daaraan bewijsgronden ontleenen.
«. Deze boeken zijn authentiek of echt.
De algemeene overtuiging en de voortdurende overlevering bij de Joden en de Christenen bewijzen, dat die boeken door de schrijvers, wier naam zij voeren, of ten minste door tijdgenooten, geschreven zijn.
6. Dat zij onvervalscht tot ons gekomen zijn, daarvoor waarborgen ons de eerbied, welke het Joodsche volk steeds voor de HH. Boeken koesterde ; alsook de openbare voorlezingen, het groot getal afschriften, welke onder het volk verspreid waren, en eindelijk de grieksche vertaling, in de 3e eeuw vóór Christus vervaardigd.
Ook na den dood des Verlossers zijn deze boeken niet vervalscht geworden, dewijl de Christenen altijd de H. Schrift in hooge eer hielden en ontelbare exemplaren onder hen en ook bij de Joden verspreid waren.
c. Deze hoeken zijn geloofwaardig:
De schrijvers konden gemakkelijk de feiten, welke zij verhalen, kennen, daar zij zeiven van de meeste oog-en oorgetuigen geweest waren of ten minste omstreeks den tijd, waarin die feiten gebeurden, geleefd hebben.
P- Hunne waarheidsliefde blijkt uit hunne nederigheid, eenvoudigheid en godsdienstigheid ; uit de oprechtheid, waarmede zij hunne eigen fouten en de misdaden van hun volk verhalen, en eindelijk uit hunne overeenstemming, zoowel onder elkander, alsook met de heidensche schrijvers.
r- Zij konden niet bedriegen, dewijl bij het volk de verhaalde feiten bekend waren.
21
Besluit. Bijgevolg moeten wij het geschiedkundig gezag dezer boeken erkennen.
Uit het voorgaande kan de volgende algemeene gevolgtrekking gemaakt worden :
1° De H. Schrift verhaalt ons op ontelbare plaatsen, dat God rechtstreeks of door zijne gezanten gesproken en eene bovennatuurlijke Openbaring aan de menschen gegeven heeft. Dewijl de H. Schrift van het O. en N T. een onwraakbaar geschiedkundig gezag heeft, dwingt ons het gezond verstand het hestaan der goddelijke Openbaring, vóór Christus en ook door Hem gedaan, aan te nemen.
2° De mirakelen en de voorzegyingen, in de H. Schrift verhaald, zijn dus werkelijk geschied in die tijden en op die plaatsen, welke de HH. Boeken aangeven.
Hierin \\ inden wij een nieuw en onfeilbaar bewijs voor het bestaan der goddelijke Openbaring in het Oude Verbond en voor de waarheid en den goddelij-ken oorsprong van het christelijk geloof.
§ 3.
De vóór-christelijke en de christelijke Openbaring door mirakelen en profetieën bewezen.
I. Mirakelen noemen wij : wonderiare werken, welke de krachten der schepselen te hoven gaan en alleen door Gods hulp kunnen geschieden.
Elk waar mirakel moet de volgende eigenschappen hebben;
1° het moet met zekerheid kunnen waargenomen worden;
2° het moet alléén door God, onmiddellijk of middellijk, kunnen gedaan worden, en bijgevolg bovennatuurlijk zijn.
Uit de natuur zelve van het wonder volgt zijne onfeilbare bewijskracht. Immers, als God door wonderen de zending van een persoon bekrachtigt; of wanneer een persoon zich als gezant Gods voordoet, in den naam
22
des Allerhoogsten tot de mensclien spreekt, hun den goddelijken wil bekend maakt en tevens, tot bevestiging van zijne zending en van de waarheid zijner leer, mirakelen doet — dan is hij waarlijk door God gezonden, dan is zijne leer door Gods onfeilbaar gezag bekrachtigd. quot;Want a. anders zou de eeuwige Waarheid de leugen bekrachtigen en het menschdom bedriegen.
b. Ook kan de oneindige Wijsheid en Goedheid niet toelaten, dat het menschdom door valsche wonderwerken in dwaling gebracht wordt.
c. Die bewijskracht der mirakelen werd altijd door alle volkeren erkend.
A. De ontelbare wonderwerken, welke geschiedden ter bevestiging van het gezag, waarmede Mozes door God bekleed was, tot bekrachtiging der leer, welke hij verkondigde, en der geboden, welke hij in den naam des Heeren gaf, zijn inderdaad ivare mirakelen. 1) Tot staving dezer bewering, maken wij de volgende opmerkingen :
1° Indien die wonderen geen ware mirakelen geweest waren, zou Mozes niet met zooveel klem en kracht, als bewijzen zijner zending, daarop gewezen hebben; ook zou het wederspannige volk ze niet als zoodanig aangenomen en zich niet aan het gezag van Mozes onderworpen hebben.
2° De Egyptenaren zeiven zagen daarin hovennatuur-lijke feiten en ware wonderen.
3° De bizondere omstandigheden dier wonderen toonen ons, dat zij bovenuatumdijk zijn. Zoo b. v. beveelt Mozes, en in één ©ogenblik beginnen de verschillende vcm Egypte, die later op zijn wenk terstond weder ophouden ; hij strekt zijne hand over de Roode zee uit en terstond scheiden zich de wateren van elkander.
Besluit. Hieruit volgt dus, dat God door mirakelen de zending van Mozes bevestigd heeft, en dat de waarheden, welke Mozes verkondigde, en lt;le geboden, die hij gaf in den naam van God, - werkelijk door
1
De bizonderheden leze men ia de Bijbelsche Geschiedenis.
23
God bekrachtigd zijn en het kenmerk der waarheid en der goddelijke Openbaring dragen.
Ziedaar dus den goddelijken oorsprong der oorspronkelijke, der aarts vaderlijke e?i der mozaïsche Openbaring door mirakelen bevestigd.
B. Een zelfde bewijs kunnen wij trekken uit Let onloochenbare feit, dat ook ter bevestiging van de zending en de leer der overige schrijvers van het O. T. ontelbare mirakelen, ten aanschouwe des ganschen volks, gebeurd zijn, wier bovennatuurlijk karakter niet kan ontkend worden.
II0. Eene \'profetie is : de voorspelling van eene toekomstige, den vienschen onbekende gebeurtenis.
Tot eene profetie wordt vereischt:
1° dat de voorspelling met zekerheid gedaan is;
2° dat het toekomstig feit bepaald en nauwkeurig aangeduid, en
3° dat het voorwerp der voorzegging aan de men-schen geheel onbekend is, gelijk b. v. daden, welke van onzen vrijen wil afhangen.
Eene zoodanige profetie kan alleen door bizondere hulp en verlichting van God gedaan worden. Wanneer nu iemand voorzeggingen doet en wel ten bewijze van zijne bovennatuurlijke zending en van de waarheid zijner leer, en die profetieën letterlijk vervuld worden ; dan moeten wij erkennen, dat hij van God eene openbaring heeft gekregen en dat zijne leer en zending met het zegel van Gods onfeilbaarheid gewaarmerkt zijn.
A. Mozes nu heeft ontelbare voorzeggingen gedaan 1) o. a. van den doortocht door de Roode zee, de tien plagen, den dood van alle Israëlieten in de woestijn met uitzondering van Josuë en Kaleb; hij voorspelde aan het volk voorspoed, zoolang het den Heer getrouw bleef, en tegenspoed, wanneer het de geboden overtrad. Al deze voorzeggingen zijn letterlijk vervuld geworden en bewijzen, dat Mozes werkelijk Gods gezant was en dat de waarheden, door hem verkondigd, van goddelijken oorsprong zijn.
1
Zie Schuster I, blz. 45 en vlg.
24
B. Ook de andere gewijde schrijvers, die na Mozes geleefd hebben, vooral de Profeten, hebben zeer vele voorzeggingen gedaan niet alleen over de lotgevallen van het Joodsche volk, maar voornamelijk over de komst, het leven, het lijden en de verheerlijking des Verlossers. Alle omstandigheden zijn door hen met de grootste nauwkeurigheid beschreven.
Dewijl nu al deze voorzeggingen zijn vervuld geworden, moeten wij erkennen, dat eene goddelijke openbaring aan de gewijde schrijvers gedaan is, en derhalve hunne leer, als door God bevestigd, aannemen.
Algemeen besluit. De vóór-christelijke Openbaring is dus van godde-lijken oorsprong, zooals blijkt uit het getuigenis der HH. Boeken, wier gezag wij aangetoond hebben, uit de mirakelen en frofelieèti, waardoor die Openbaring bevestigd en bekrachtigd werd.
Ter bevestiging dezer waarheid kunnen nog de volgende opmerkingen dienen, namelijk 1° dat men den goddelijken oorsprong dier Openbaring ook bewijzen kan door de beschouwing der verheven waarheden, welke in haar vervat zijn, en der buitengewoon wijze, wetten, welke tot bevordering van deugd en godsdienst aan \'t Israëlietische volk zijn gegeven.
2quot;. Dat Mozes reeds vóór meer dan 3000 jaren natuurkundige waarheden heeft verkondigd, welke eerst in onze dagen, na een aanhoudend vorschen en zoeken van vele geleerden, door \'s menschen verstand ontdekt en voldoende bewezen zijn. (Men herinnere zich b. v. hoe Mozes reeds verhaalt, dat het licht geschapen werd vóór de zon, hetgeen bevestigd wordt door de nieuwste wetenschap als zij leert, dat het licht eene op zich zelf bestaande zelfstandigheid is.)
Daarenboven zijn de ontelbare tegenwerpingen, welke de ongeloovigen aan de natuurlijke wetenschappen ontleend hebben, op doorslaande wijze door katholieke geleerden wederlegd. 2)
C. De vóór-christelijke Openbaring moest door den Verlosser der wereld voltrokken en aangevuld worden, gelijk Mozes reeds voorzegd had ; „ God de Hee^ zal u, uit het midden mos volks,... een Profeet doen opstaan; dien zidt gij hooren\'\' (Deut. XVIII, 15). Christus moest den menschen nieuwe geboden geven; „Ziet de dagen zullen hamen, zegt de Heer, en Ik zal met het huis van
1) Zie Schuster I. blz. 83, 110. 112.
2) »Het wetenschappelijk onderzoek van den lateren tijd,quot; zegt Prof. Scholz {Ilarmonie der göttl. Offenb.\'), heeft ten gunste der bijbelsche geschiedenis getuigenissen verkregen, die als reuzen tegen het ongeloof optreden.
25
Israël..... een nieuw verbond sluitenquot; (Jerem. 31). De
Joodsche offers moesten bij zijne komst ophouden en over de gansche aarde zou eene nieuwe offerande aan God gebracht worden. „In het midden der (zeventigste jaar-^) week, zal het slachtoffer en de offerande ophouden\' (Dan. XI). » Uit uwe hand zal Ik het off er niet aannemen; want van den opgang tot den ondergang der zon is mijn naam groot onder de volkeren en zal eene zuivere offerande in mijnen naam opgedragen wordevü\' (Malach. 1).
Het werk der verlossing zou, gelijk de Profeten voorspeld hadden, door het lijden en den dood van het menschgeworden Woord voltrokken worden.
Later, bij de behandeling der Geloofsbelijdenis, zal worden bewezen, dat Christus de verwachte Messias is, dat Hij, waarlijk God en Mensch te samen in één Persoon, den menschen eene goddelijke leer — de christelijke Openbaring — heeft verkondigd; dat Hij eene Kerk heeft gesticht, aan welke Hij den schat der Openbaring toevertrouwd en genademiddelen, tot heil en zaligheid der zielen, geschonken heeft; dat deze Kerk de Katholieke Kerk is, welke wij het geluk hebben onze Moeder te kunnen noemen.
§ 4.
Grondslag en bronnen des geloofs
I. Nadat wij gezien hebben, dat God den menschen vele waarheden geopenbaard heeft, moeten thans deze vragen gesteld worden : welke is de grondslag waarop ons geloof rust ; uit welke bronnen is de Openbaring ons toegevloeid, m. a. w. hoe zijn wij tot de kennis der Openbaring gekomen\'?
Om aan de uitspraak of aan de verzekering van een mensch geloof te schenken, moeten wij van deze twee zaken overtuigd zijn: dat hij goed iveet, wat hij zegt, en dat hij waarheid spreekt.
Passen wij nu dit beginsel op ons bovennatuurlijk geloof toe. God is de eeuwige en oneindige Wijsheid,
26
die alles kent en weet; Hij ia de onfeilbare Waarheid, bij wien logen en bedrog onmogelijk zijn. Hij heeft tot de menschen gesproken en hun de waarheden des geloofs verkondigd ; dienvolgens verlangt Hij ook dat Let woord zijner Openbaring aangenomen en geloofd worde.
De grond, het fundament van ons geloof is dus : Tiet gezag van God, die niet dwalen, noch in dwaling brengen kan. Met andere woorden : ivaarom gelooven wij ? Omdat God, de opperste Wijsheid en quot;Waarheid, ons de geloofswaarheden geleerd heeft.
II. Ook moeten wij hier nog de gevolgtrekking maken, dat wij verplicht zijn aan te nemen en te gelooven alle door God geopenbaarde waarheden, ook de meest duistere en boven onsbegrip verheven geheimen1), en waarom ?
1° Van den eenen kant, omdat ons verstand beperkt en de wijsheid van God oneindig is; hoe zouden wij de natuur, het wezen der Godheid kunnen doorgronden V
2° Van den anderen kant, omdat God waarachtig is en ons niets anders dan de waarheid kan verkondigen.
Aldus handelen wij redelijk ; want, ofschoon ons verstand die geheimen niet begrijpt, is het toch van het bestaan en de waarheid dier geheimen ten volle overtuigd , omdat het weet, dat ze door God geopenbaard zijn. Zoo immers handelen wij ook in de natuurlijke orde; alhoewel wij vele dingen niet begrijpen (b. v. hoe onze ziel, die een geest is, werkt op ons stoffelijk lichaam), nemen wij ze toch aan, omdat wij van het bestaan dier feiten, door de ondervinding of door het gezag van natuurkundigen, verzekerd zijn 2).
1) Een geheim is eene waarheid, waarvan wij het bestaan met zekerheid kennen, maar die wij in haar zelve onvolmaakt of in \'t geheel niet kunnen begrijpen. Van elk geheim des geloofs geldt de opmerking van den H. Thomas: «Dewijl dat, wat uit de opperste Waarheid voortkomt, geene onwaarheid kan zijn, zoo kan ons geloof om zijne waarheid niet klaarblijkelijk bestreden, en, om zijne verhevenheid boven \'s menschen vernuft, niet voldoende uit de rede bewezen worden.quot; Declar. Cap. LI.
\\ an de ongeloovigen zegt Périn : »daar zij aan onbegrijpelijke geheimen niet willen gelooven, hechteti zij zich nu aan deze dan aan gene onbegrijpelijke dwaling.quot;
27
III. Wat verstaat men door bronnen des geloofs ?
Door geloofsbronnen duidt men aan de verschillende wegen of kanalen, langs welke de goddelijke Openbaring tot ons gekomen is, namelijk de H. Schrift en de Overlevering.
Gelijk kennis en wetenschap, van geslacht tot geslacht , door schriftelijke en mondelinge mededeeling overgaan — zoo wilde God ook, dat de door Hem geopenbaarde waarheden ons op die tweevoudige wijze zouden medegedeeld worden.
In de H, Schrift 1) schonk de Heer ons de geschrevene oorkonden, in de Overlevering of Traditie de mondelinge mededeeling. Beide, innig samen verbonden, bevatten alle waarheden en geboden, die door God aan de menschen verkondigd zijn en het voorwerp uitmaken van ous geloof en den regel van ons gedrag.
Zij zijn echter slechts een verwijderde geloofsregel, dewijl de Kerk alleen, wat later wordt aangetoond, ons den waren zin en inhoud dezer geloofsbronnen mededeelt.
Elke deze geloofsbronnen zullen wij in eene afzonderlijke paragraaf behandelen.
§ 5.
Over de H. Schrift, als het woord van God beschouwd.
I. De H. Schrift is eene verzameling van hoeken, ivelke, onder ingeving en bizonderen bijstand des H, Geestes geschreven , door de Kerk als het looord van God erkend worden.
Zij wordt verdeeld in boeken des Ouden- en des Nieuwen Testaments. De boeken des Ouden Testaments bevatten de goddelijke openbaringen vóór de komst van Christus aan het menschdom gedaan ; die van het Nieu-
1
Ook Bijbel genoemd (van het guieksche woord BcpXoz — boek), dat is: het boek bij uitnemendheid.
28
we Verbond behelzende openbaringen, welke wij van Christus en de Apostelen ontvangen hebben.
De boeken van het O. T. zijn :
1°. 21 Geschiedboeken, waarin de schepping der wereld, de lotgevallen van de Aartsvaders en van het Joodsche volk verhaald worden.
2°. 7 Leerboeken of verzamelingen van Psalmen y Spreuken en Zedelessen.
_ 3°. 17 Profetische boeken, welke meerendeels voorzeggingen, vooral aangaande den Verlosser der wereld, bevatten
Het Nieuwe Testament bestaat uit: 1°. oier Evangeliën volgens de HH. Mattheus, Marcus, Lucus en Joannes, waarin de geschiedenis van de geboorte, het leven, het lijden en de verheerlijking des Heilands verhaald wordt.
2°. De geschiedenis der Apostelen, door den H. Lucas geschreven.
3\'. 14 Brieven van den H. Paulus en 7 van andere Apostelen, welke handelen over de geloofs- en zedenleer.
4°. De Apocalypsis, of het boek der Openbaringen^ van den H. Joannes, waarin voorzeggingen, vooral over den strijd en de overwinning der Kerk, vervat zijn.
De boeken der beide Testamenten zijn dus 72 in getal.
II. Boe moeten wij de boeken der H. Schrift beschouwen ?
Ais boeken, welke onder ingeving en bizonderen bijstand des H. Greestes geschreven zijn.
Wij noemen ze heilige of goddelijke boeken, niet alleen omdat zij de Openbaring bevatten en vrij zijn van dwaling, maar vooral wijl zij onder bovennatuurlijke ingeving van God geschreven zijn,
Derhalve kan de H. Schrift eenvoudig het woord Gods genoemd worden.
Deze leer is gegrond op de verklaring der H. Schrift zelve, op de voortdurende Overlevering en de plechtige uitspraken der algemeene Kerkvergaderingen.
III. Welke boeken tot de H. Schrift behooren, kunnen wij alleen weten uit de leer der Kerk, die ze als dusdanig aanneemt en ons voorstelt.
29
Dit blijkt duidelijk hieruit: a, dat wij de H. Schrift alleen van en door de Kerk ontvangen hebben; b. dat deze alleen het onfeilbare gezag bezit, hetwelk noodig is, om met zekerheid de door God ingegeven schriften aan te wijzen.
Een dusdanig gezag, dat met zekerheid beslist en waaraan allen zich moeten onderwerpen, is volstrekt noodig, opdat niet elkeen zich de vrijheid aanmatige, naar eigen oordeel en goedvinden de HH. Boeken aan te nemen of te verwerpen.
De Kerk heeft eene lijst {Canon) opgesteld,, waarin die boeken, welke zij als door G-od ingegeven erkent, opgeteekend zijn. De boeken, in dien Canon vervat, worden Canonieke boeken der H. Schrift genoemd. Deze zijn, gelijk wij boven zeiden, 72 in getal.
Wij moeten derhalve altijd een grooten eerbied hebben voor de H. Schrift, en nimmer is het geoorloofd, hare woorden tot scherts of op andere ongepaste wijze te gebruiken.
IV. Terloops zij hier nog aangestipt, dat de Protestanten niet met zekerheid kunnen weten, of hun Bijbel het woord Gods gebleven is.
Zij toch verwerpen het onfeilbaar gezag der Kerk, alsook de Overlevering, zonder welke het onmogelijk is te weten, welke boeken tot de U. Schrift behooren. Het gevolg daarvan is, dat er bijna geen enkel boek des Bijbels gevonden wordt, over welks goddelijke ingeving alle sekten het eens zijn,
V- Kan ieder Christen, met volkomen zekerheid, de H. Schrift verstaan en uitleggen ?
Volstrekt niet; dat kan alleen een hooger en onfeilbaar gezag. Ten bewijze diene het volgende :
1°. De H. Petrus getuigt, dat de EL Schrift vele moeielijke plaatsen bevat, welke door sommige men-schen, tot hun eigen verderf, verkeerd uitgelegd worden.
2°. Dit blijkt uit het getuigenis der HH. Vaders, die eveneens verklaren, dat de H. Schrift dikwijls zeer moeielijk te verstaan is, alsook uit de overtuiging en
30
handelwijze der Christenen van alle eeuwen, die zich nooit deze uitlegging aangematigd hebben.
3°. De H. Schrift bevat de openbaring der verhe-venste geheimen en der ondoordringbaarste waarheden ; zij beschrijft, in eigenaardige taal, plaatselijke gebruiken en instellingen. Dat alles maakt het begrip en de uitlegging zeer moeielijk.
4°. Hoe onduidelijk vele plaatsen der H. Schrift zijn, blijkt ook daaruit, dat de Protestanten zeiven vele en uitgebreide verklaringen der HH. Boeken geschreven hebben en zelden of nooit met elkander in de uitlegging overeenstemmen.
Uit het voorgaande volgt dus, dat niet eenieder persoonlijk, zonder gevaar voor dwaling, de H. Schrift kan uitleggen; dit komt alleen aan een hooger gezag toe.
VI. Welke hoedanigheden moet dat gezag hebben ?
1°. Het moet door Christus zeiven ingesteld zijn.
Immers, eene gezaghebbende verklaring, waaraan allen zich moeten onderwerpen, kan niemand geven, dan hij, die daartoe door God zeiven gemachtigd is.
2. Dat gezag moet onfeilbaar zijn, d. w. z. in zaken van geloof en zeden niet kunnen dwalen. quot;Want ieder Christen is verplicht alle in de H. Schrift geopenbaarde waarheden vastelijk te gelooven; die verplichting echter zou niet kunnen bestaan, als het gezag, waardoor die waarheden voorgesteld en uitgelegd worden, hem in dwaling brengen kon.
Dat onfeilbaar, door Christus ingesteld gezag vinden wij in het leeraarsambt der katholieke Kerk. Zij alleen bezit die tweevoudige hoedanigheid, welke ver-eischt wordt om eene voor allen verplichtende en onfeilbare verklaring der H. Schrift te geven.
Ook getuigt de geschiedenis, dat de kerkelijke overheid ten allen tijde van dat recht gebruik heeft gemaakt; zij verklaarde steeds den waren zin der HH. Boeken en verplichtte hare kinderen die uitlegging aan te nemen; de ketters, die de H. Schrift naar hunne zienswijze uitlegden, vei\'wijderde zij uit de gemeenschap der Kerk.
31
VII. Ten slotte kunnen wij nog deze vraag stellen ; Is het verboden de H. Schrift te lezen ?
1\'. Er bestaat geene enkele kerkelijke wet, welke aan de geloovigen het lezen van den (katholieken^ Bijbel onbepaald verbiedt.
Wij zeggen : kerkelijke wet; want ongetwijfeld zal eene hoogere wet, de natuurwet, iemand het lezen van den Bijbel ontzeggen, als die lezing voor zijne ziel gevaarlijk is, aanleiding zou geven tot verlies van de kostbare gave des gelools of tot gevaar voor de reinheid des harten
2°. Wel bestaan er kerkelijke verordeningen, welke het lezen van den Bijbel beperken.
Die beperking geldt echter niet den grondtekst, noch de latijnsche, door den Paus goedgekeurde vertaling, welke zonder verlof van de geestelijke Overheid mogen gelezen worden, maar alleen de overzettingen in eene levende taal.
3°. Het is verboden, zonder verlof van den Bisschop, den Bijbel in eene levende taal te lezen, als de uitgave, welke men gebruikt, niet door den Apostolischen Stoel werd goedgekeurd of niet voorzien is van aanteekenin-gen uit de geschriften der HEL Vaders of van katholieke geleerden.
4°. Het verlof van den Bisschop tot het lezen van
VIII. Deze beperkende voorschriften zijn, met het volste recht, door de Kerk vastgesteld:
1°. Omdat de lezing des Bijbels niet noodzakelijk is ter zaligheid.
2». Wijl eene menigte vervalschte vertalingen van geloof- en zeden, bedervende kantteekeningen voorzien, in omloop zijn en door Protes-tantsche Bijbelgenootschappen 2) verspreid worden.
3°. Omdat de ondervinding leert, dat er geene dwaling is zoo groot-geene losbandigheid zoo afzichtelijk, of zij werden door sommigen uit den Bijbel gehaald en daarmede verdedigd.
1) In dezen zin zegt de I-Catechismus van het Bisdom van Haarlem^ blz. 9 : yiHet leren van den Bijbel kan voor sommigen zeer gevaarlijk oj schadelijk zijn, en hun is het dus niet geoorloofd?
2) Van deze zegt de geleerde Protestaat Dr. Leo ;
«Gregorius XVI heeft de Bijbelgenootschappen eene pest genoemd ; ware ik Paus, ik deed hetzelfde.quot;
32
den Bijbel in eene levende taal wordt echter niet gevorderd, als men zich houdt aan eene vertaling, welke door den H. Stoel is goedgekeurd of met Bisschoppelijke goedkeuring en aanteekeningen, getrokken uit de werken der Kerkvaders of van andere katholieke schrijvers, voorzien is.
Altijd blijft het evenwel zeer raadzaam, en soms is het zelfs eene verplichting (bijv. in het Bisdom van Roermond), de toestemming tot het lezen van de H. Schrift aau zijn Pastoor of Biechtvader te vragen.
Ieder boude zich aan de bizondere bepalingen in zijn Bisdom:
§ 6.
De Overlevering.
I. De goede God heeft gewild, dat zijne Openbaring door twee kanalen tot ons komen zoude. Het eene is de H. Schrift, door de Kerk bewaard en uitgelegd; het andere is de Traditie of Overlevering.
Door Overlevering moeten wij hier verstaan : de verzameling van die geopenbaarde waarheden, welke in H, Schrift niet werden opgeteekend, maar, door de Apostelen gepredikt, in de H. Kerk bewaard gebleven en van hand tot hand overgeleverd zijn.
II. De ongeschreven leer der Apostelen wordt terecht Overlevering genoemd, dewijl zij van de Apostelen af onafgebroken in de Kerk. van het eene geslacht aan het andere, werd overgeleverd.
Op welke wijze is dat geschied ?
Deels door mondeling onderricht, deels door instellingen en gebruiken der Kerk of door de geschriften der HH. Vaders.
III. quot;Wat moeten wij ten opzichte van de Overlevering gelooven ?
1°. Dat zij, evenals de H. Schrift, het woord Gods bevat, en
2°. dat wij derhalve de geopenbaarde waarheden,
33
welke zij ons leert, even vast moeten gelooven als die, welke in den Bijbel opgeteekend zijn.
Waardoor knnnen wij bewijzen, dat wij, behalve den Bijbel, ook de Traditie moeten aannemen ?
Onder anderen door het volgende :
1°. Zonder de Overlevering weten wij niet, welke boeken tot de H. Schrift behooren, en of zij werkelijk onder Gods ingeving geschreven zijn of niet.Nemen wij dus den Bijbel aan, dan moeten wij ook de Overlevering aannemen.
2°. Christus heeft zijne Apostelen gezonden met den last, niet om te schrijven en boeken te verspreiden, maar om alle volkeren te onderwijzen; de helft der A-postelen hebben de leer, welke zij predikten, niet geschreven ; de anderen hebben eerst verscheidene jaren *) na Christus\' hemelvaart de boeken van het N. T. opgesteld en deden dit vooral bij gelegenheid van scheuring of ketterij.
Indien de H. Schrift alleen den schat der Openbaring bevatte, dan zou men moeten zeggen, dat Christus het ware middel, om de kennis der geloofswaarheden mede te deelen, niet aan de Apostelen gegeven heeft; dat de Apostelen bij de bekeering der volkeren een verkeerden weg gevolgd hebben; dat den geloovigen der eerste tijden het noodzakelijkste middel tot de geloofskennis ontbroken heeft. — Dat alles echter zal geen geloovig Christen veronderstellen.
3°. Ook is het onmogelijk, dat de H. Schrift de eeni-ge bron kan zijn, waaruit de Openbaring ons toevloeit, omdat daarin niet alles, wat wij moeten gelooven en onderhouden, is opgeteekend. Dit getuigt de H. Joannes aan quot;t einde van zijn Evangelie, waar hij zegt; „Er is nog veel meer, hetgeen Jesus gedaan heeft; werd dit in \'t bizonder beschreven dan zou, meen ik, de gansche wereld de hoeken niet kunnen bevattend. w. z. onnoemlijk veel heelt Christus nog gedaan en geleerd, wat niet in de H. Schrift vervat is. Bijgevolg moet er een an-
1) Het oudste Evangelie (van den H. Mattheus) werd eerst omstreeks 6 jaren na Christus\' dood geschreven.
3
34
der middel bestaan, om die waarheden en voorschritten te kennen; want Christus heeft zeker aan de Kerk alle middelen gegeven, welke noodig zijn om ook tot die kennis te komen. Dat middel is de Traditie.
4° Eindelijk leert ons de H. Schrift zelve, dat wij de Traditie moeten aannemen. Zoo schrijft de H. Paulus in zijn tweeden brief aan Timotheiis (II, 2); „Hetgeen gij van mij, onder vele getuigen, gehoord hebt, geef dat wederom over aan vertromvde mannen, die bekwaam zullen zijn ook anderen te leer en.quot;
Hetzelfde leeren ons het getuigenis der Kerkvaders van alle eeuwen, de uitspraken en de handelwijze der Conciliën en de gebruiken der Kerk.
IV. Heeft dan de Traditie hetzelfde gezag als de H, Schrift?
De Apostolische Overlevering over geloofs- en zedenleer, welke ons de door Grod geopenbaarde waarheden mededeelt, bevat het woord Gods, evenals de Bijbel, en moet dus insgelijks met denzelfden eerbied aangenomen en behouden worden.
Dat leert ons reeds de H. Paulus (2 Thess. II, 14) : „Zoo dan, broeders, staat vast, en houdt u aan de overleveringen, welke gij, zoo hij looorden als door onzen brief, geleerd hebt.quot; Zoo handelde de katholieke Kerk door alle eeuwen heen, gelijk hare geschiedenis ons aantoont ■, zij geloofde steeds met dezelfde vaste overtuiging zoowel het ongeschreven als het geschreven woord Gods.
In \'t voorbijgaan zij opgemerkt, dat hier niet gesproken wordt van de Overlevering met betrekking tot de kerkelijke tucht of gebruiken der eerste tijden, — welke naar omstandigheden veranderd kunnen worden — maar van geopenbaarde waarheden over geloof en zeden.
V. Waardoor kunnen wij met zekerheid weten, welke geloofswaarheden in de Traditie liggen opsre-sloten ?
Dat kunnen wij alleen door de leer en de voorstelling der H. Kerk; 1° omdat zij alleen den schat der Openbaring van de Apostelen ontvangen en onder den bijstand des H. Geestes onvervalscht bewaard heeft; 2® omdat zij alleen van Christus den last en de macht
35
heeft verkregen, om ons den inhoud en den waren zin van de H. Schrift en van de Traditie met onfeilbaar gezag te leeren.
Besluit.
I. Uit deze korte verhandeling over de bronnen van ons geloof blijkt duidelijk, dat de katholieke geloofsre-gel is : alles vastelijk te gelooven en te belijden wat God geopenbaard heeften door de H. Kerk te gelooven voorstelt, hetzij \'t geschreven is of niet.
II. Tot een katholiek dogma of geloofsartikel, hetwelk ieder kind der Kerk verplicht is aan te nemen, wordt dus vereischt; a.) dat die waarheid door God geopenbaard, en b.) door de H. Kerk als geloofspunt voorgesteld is.
Of die waarheid uit de H. Schrift of uit de Overlevering, of uit beide geput werd, is volmaakt hetzelfde.
III. Een leerstuk wordt geacht door de Kerk als geloofspunt te zijn voorgesteld;
a. Wanneer die waarheid ten allen tijdje, overal en eensluidend den geloovigen wordt voorgehouden in christelijke onderwijzingen, in kerkelijk goedgekeurde boeken, enz.
b. Wanneer door een algemeen Concilie of door den Paus, sprekende als leeraar en opperhoofd der Kerk, eene waarheid plechtig als geloofspunt verklaard en der gansche Kerk te gelooven voorgeschreven wordt.
§ 7.
Over de noodzakelijkheid des Geloofs.
I. Nadat wij het wezen en de bronnen des christe-lijken geloofs beschouwd hebben, doet zich vanzelf de vraag voor;
Is het geloof noodzakelijk ter zaligheid?
Ja, het geloof is volstrekt noodig, om den hemel te erlangen. Deze waarheid wordt gestaafd :
36
1° door de H. Schrift. „Zonder het geloof is \'t onmogelijk aan God te hehagen.quot; (Hebr. XI, 6.)
Niemand echter kan zalig worden zonder Grode aangenaam en welgevallig te zijn.
„ Wie niet gelooft, is reeds geoordeeldquot; (Joan, III, 18.)
„ Wie niet zal gelooven, zal veroordeeld worden? (Mare. XVI, 16).
Ziedaar de duidelijke uitspraak des goddelijken Yerlossers.
2° Door de rede wordt die waarheid bevestigd.
Immers God , die door de Profeten en Aartsvaders en eindelijk door zijn goddelijken Zoon Jesus Christus, godsdienstige waarheden geopenbaard, zijne raadsbesluiten en geboden bekend gemaakt heeft, verlangt ongetwijfeld, dat alle menschen zijne leer kennen en zijne geboden onderhouden. Wanneer nu de mensch de uitspraken des Heeren verwerpt en het goddelijke woord niet wil aannemen — dan loochent hij in zekeren zin de waarachtigheid van Gods woord, dan weigert hij zijnen Opperheer de onderwerping van zijn verstand.
Dat alles is zeker eene zware beleediging van God, een verzet tegen de hoogste Majesteit, en bijgevolg eene groote zonde, die den mensch van het recht op den hemel berooft.
II. Is elk geloot voldoende ter zaligheid ?
Volstrekt niet; alleen het ware geloof, dat Christus ons geleerd heeft, kan ons zalig maken. Ziehier ook, ter opheldering, eenige bewijzen dezer waarheid.
1° Christus heeft den mensch zijne Openbaring gegeven, niet in dien zin, dat \'t iedereen vrij staat die geheel of gedeeltelijk aan te nemen of te verwerpen, maar zoodanig, dat allen verplicht zijn het door Hem verkondigde geloof in zijn ganschen omvang aan te nemen. Immers ;
a) overal, waar de Verlosser verklaart, dat het geloof noodzakelijk is; dat hij, die niet gelooft, veroordeeld zal worden, daar spreekt Hij van de door Hem verkondigde leer in \'t algemeen, in haar geheelen samenhang.
37
h. Indien het elkeen vrij stond te gelooven, wat hij wilde, waarom zou Christus dan zijne Apostelen gezonden hebben , om alle volkeren te onderwijzen; waarom zou Hij dan eene Kerk hebben ingesteld, wier uitspraak (gelijk wij later zien zullen) allen verplicht zijn aan te nemen ?
2°. Ook de rede bevestigt die waarheid. Het is toch zeker eene groote misdaad, waardoor de deur des hemels gesloten wordt, wanneer iemand weigert te gelooven, wat God geopenbaard heeft. Een mensch dan. die niet alle door God verkondigde en door de Kerk hem voorgestelde waarheden aanneemt, maar alleen gelooft, wat hij goedvindt, verzet zich tegen het goddelijk gezag, en maakt zich aan gemeld misdrijf schuldig.
3°. De christelijke Openbaring is niet alleen een regel van geloof, maar ook van leven en zeden ; hij nu, die deze Openbaring, naar zijn eigen zin, slechts gedeeltelijk aanneemt, zal niet alle wetten en voorschriften onderhouden, hij zal ook leven, gelijk hij \'t goedvindt en zóó zich aan misdaden schuldig maken, waardoor hij zijn recht op den hemel verliest.
Het is bijgevolg eene ongerijmdheid, te beweren, dat elke godsdienst goed en Gode even aangenaam is, dat elk geloof voldoende is, om zalig te worden.
III. Waar vinden wij dan het ware geloof, dat alleen ons kan zalig maken ?
Alleen in de katholieke Kerk, wijl zij alleen de ge-heele Openbaring, als een haar toevertrouwden schat, van Christus en de Apostelen ontvangen en altijd on-vervalscht bewaard heeft; in één woord, omdat zij alleen de ware Kerk van Christus is, welke door haren goddelijken Stichter tot zuil en grondslag der waarheid (1. Tim. III, 15) gesteld werd, gelijk later zal bewezen worden.
IV. Bezitten de niet-katholieke Kerkgenootschappen ook de ware en onvervalschte leer van Christus ? 1)
Neen : zij hebben het ware geloof niet;
1
Deze vraag wordt later uitvoeriger behandeld.
38
1°, Omdat zij hunne leer niet onmiddellijk en ook niet middellijk van Christus of de Apostelen ontvangen hebben; want al deze sekten zijn eerst vele honderden jaren later ontstaan.
2°. Dewijl zij het gezag der Kerk verwerpen, welke alleen de waarheden, door Christus geopenbaard, ontvangen en, gelijk wij later zien zullen, onveranderd bewaard heeft.
3°. Dewijl de leer der ketters onophoudelijk verandert ; heden leeren zij wat zij vroeger ontkenden en omgekeerd : de ware leer van Christus echter is onveranderlijk, omdat de waarheid één en onveranderlijk is. Dat getuigt ons de H. Paulus in zijn 2den Brief aan de Corinthiërs (I, 18), waar hij zegt, dat zijn tot hen gesproken woord, dat zijne leer niet nu eens ja dan weder neen geweest is, daar Christus, dien hij predikte, altijd dezelfde is gebleven.
Bij \'t einde der beschouwing over de noodzakelijkheid des geloofs moeten wii \'t besluit maken :
1°. Dikwijls den goeden God te bedanken voor de genade van het ware geloof, welke Hij ons boven duizend anderen geschonken heeft; want, zegt de H. Augustinus, er is geen rijkdom, geen eerepost, geen kleinood ier wereld, zoo kostbaar als het katholieke geloof, dat ter zaligheid voert, onder voorwaarde natuurlijk, dat wij ons leven daarnaar inrichten.
2°. Van harte medelijden te hebben met onze dwalende broeders, en voor hunne bekeering te bidden 1), zonder echter iemand in \'t bizonder te veroordeelen, wijl aan God alleen het oordeel toekomt.
§ 8.
Over de eigenschappen des geloofs.
I. Het geloof alzoo is noodzakelijk, om Grode aangenaam te zijn en de eeuwige zaligheid te erlangen. Ons
1) In een volgend hoofdstuk, waarin gehandeld wordt over de inrichting, enz. der eenig ware Kerk van Christus, zullen wij nader de vraag behandelen : of allen, die buiten de gemeenschap der Kerk leven, verloren gaan.
39
geloof nn moet, opdat het ons inderdaad ter zaligheid voere, eenige eigenschappen bezitten, en wel de volgende ; 1° het moet algemeen, 2° levend, 3° vast en 4° standvastig zijn.
Ons geloof is 1°. algemeen, wanneer wij niet slechts eenige, maar alle waarheden aannemen, welke de katholieke Kerk ons te gelooven voorstelt. Zoodanig moet ons geloof zijn ; want, zoodra wij weten, dat de Kerk ons verplicht, om eene waarheid als geloofspunt aan te nemen, dan hebben wij de volle zekerheid, dat deze door God geopenbaard is. Elk leerstuk, dat God ons heeft geopenbaard, moet door ons geloofd worden, omdat de opperste Waarheid gesproken heeft, die niet kan bedriegen, en die juist daarom ons de geloofswaarheden verkondigd heeft, opdat wij ze alle, zonder onderscheid, zouden gelooven. Zoo leert ons de Heiland duidelijk, als Hij zegt; „Predikt het Evangelie (d. w. z. mijne leer in haar ganschen omvang) aan alle schepselen (Marc. XVI, 15), leert hen alles onderhouden, wat Ik u bevolen hebquot; (Matth. XXVIII, 20).
II. Het is echter niet noodzakelijk ter zaligheid, dat wij alle geloofswaarheden in \'t bizonder kennen ; het is voldoende in het algemeen alles te gelooven, wat de Kerk ons voorhoudt. Eenige punten evenwel moet ieder Christen uit noodzakelijkheid des middels weten. Dit wil zeggen ; dat zij, die tot de jaren van verstand gekomen zijn, niet zalig kunnen worden, als zij die niet kennen. Deze punten zijn : het bestaan van God, de goddelijke rechtvaardigheid, die vooral in het toekomende, eeuwige leven het goed beloont en bet kwaad bestraft, en, gelijk algemeen aangenomen wordt, ook het geheim der H. Drievuldigheid en der menschwording van Christus.
III. Ook is ieder, krachtens het goddelijk gebod, verplicht te kennen dea hoofdinhoud van het gebed des Heeren, van de 12 Artikelen des geloofs, de 10 geboden Gods, de 5 geboden der H. Kerk en eindelijk hetgeen noodig is om tot de HH. Sacramenten, welke hij moet of wil ontvangen, waardig te naderen.
40
De overtreding van dit gebod kan echter door onschuldige onwetendheid verschoond worden.
Ziedaar wat volstrekt noodzakelijk of ten minste streng verplichtend is; doch elk Christen, aan wien God de middelen en de gelegenheid daartoe verschaft, moet er zich op toeleggen, om eene uitgebreide en degelijke kennis van den godsdienst te verkrijgen. Dat is vooral noodig in onzen tijd, gelijk wij in de Inleiding aangetoond hebben.
IV. Ons geloof is 2° levend, als het zich in daden, in goede werken toont en door de liefde Gods bezield wordt.
Wanneer een boom ophoudt bladeren en vruchten te dragen of een lichaam zonder beweging, roerloos liggen blijft, dan besluiten wij, dat die boom dood is en dat de ziel dat lichaam verlaten heeft Zoo is ook het geloof een dood geloof, wanneer het geen vrachten van goede werken voortbrengt. Dit leert ons de H. Jacobus, als hij zegt (11,26): „Gelijk het lichaam zón-diergeest dood is ,200 is ook het geloof zonder de werken dood.quot;
Doch ook de werken, op ztcb zeiven, zijn niet vol doende, opdat ons geloof levend zij en ons ter zaligheid brenge : daartoe is \'took noodig, dat de liefde Gods in ons hart wone en onze goede werken beziele. Dat leert ons de H. Paulus, als hij zegt: „In Christus Jesus geldt (slechts) het geloof, dat door de liefde werkzaam is quot; (Gal. V, 6).
V. Kan zulk een dood geloof ons zalig maken ?
Neen, het geloof alleen, zonder de goede werken of
zonder de liefde Gods, is onvoldoende ter zaligheid. Zoo getuigt de H. Schrift op ontelbare plaatsen. De li. Jacobus o. a. schrijft (II, 24) : „Door de toerken wordt de mensch gerechtvaardigd, maar niet door het geloof alleen.quot;
Dusdanig was ten allen tijde de leer der Kerk, welke in het Concilie van Trente met duidelijke woorden is uitgesproken.
VI. — 3°. quot;Wanneer is ons geloof vast1}
Ons geloof is vast, als wij, zonder in het minst te twijfelen, gelooven.
41
„Het geloof,quot; zegt de H. Paulus, „is eene vaste overtuiging van dingen, die men niet zietquot; (Hebr. XI, 1).
Ons geloof moet vast zijn; want als wij weten, dat eene waarheid door God geopenbaard is, en wij die vrijwillig in twijfel trekken, dan twijfelen wij aan Gods onfeilbaarheid en waarachtigheid, loochenen zijne volmaaktheid, en maken ons dus schuldig aan groo-te zonde.
VII. — 4°, Eindeijk, ons geloof is standvastig, als wij bereid zijn liever alles, ook ons leven, te verliezen, dan het geloof te verzaken.
Ons gelooi moet ons dierbaarder zijn, dan de goederen dezer wereld, dan onze vrienden en bloedverwanten, ja, dierbaarder dan ons kortstondig leven op aarde. Dat alles toch zal ons niets baten, indien wij, door afval van het geloof, onze ziel voor eeuwig verliezen. Geene versmading, bedreiging of vervolging mag ons ooit bewegen, den kostbaren schat des ge-loofs piijs te geven.
Van zulk eene heldhaftige standvastigheid gaven ons de HH. Martelaren het heerlijkste voorbeeld. Bij de uitgezochtste en wreedste folteringen, in \'n aanschijndes doods, ja, te midden der vlammen, die hunne ledematen verschroeiden en verteerden, beleden zij moedig hun geloof.
VIII. Welke zijn de gewone oorzaken van geloofsverzaking ?
1Q. Hoogmoed en verwaandheid. Aan de trotschheid en eigenliefde van verwaande mannen, die hun eigen gevoelen stelden boven het gezag der Kerk, hebben de ketterijen van alle eeuwen haar ontstaan te danken. Ook ontelbare bizondere personen werden door den hoogmoed verleid en vielen daardoor van het geloot af. Dit is overigens zeer natuurlijk : bet geloof vordert de onderwerping des verstands aan \'t gezag van God; de hoogmoedigen echter zijn geneigd, om alleen op eigen doorzicht en verstand te vertrouwen, niets te gelooven dan hetgeen hunne rede volkomen begrijpt, en over geheimen van den godsdienst spits-
42
vondig te redeneeren. De twijfel over sommige geloofspunten komt in hunnen geest op; zij geven daaraan toe, en vervallen aldus langzamerhand in volslagen ongeloof.
2quot;. Het verzuim des gebeds en der overige godsdienstplichten. Hij, die weinig of niet bidt, die de godsdienstoefeningen verwaarloost en niet tot de HH. Sacramenten nadert, zal van lieverlede de kennis der waarheid en de liefde tot den godsdienst verliezen, onverschillig worden in de zaken van het geloof en — gemakkelijk tot volslagen ongeloof komen.
3°. Eene derde oorzaak, welke ontelbare menschen tot geloofsverzaking gevoerd heeft, is; wereldsgezindheid en een zondig leven. Zij, die aan niets anders denken dan aan vermaken en genoegens, die naar niets trachten dan naar het voldoen hunner driften en hartstochten, zij wenschen dat er geen eeuwigheid en geen hel bestaan mochten, om aldus vrij en zonder vrees in zonden te kunnen voortleven. Allengskens zien zij hun verlangen voor waarheid aan — want wat men wenscht gelooft men gaarne — en hun bedorven hart tracht hunnen geest te overtuigen, dat met dit leven alles eindigt. Eindelijk, om de stem des gewetens, die alle zondige genoegens verbittert en vergalt, tot zwijgen te brengen, doet het verstand zich zeiven geweld aan en — verzaakt het geloof. De ondervinding leert, dat het zedelijk bederf altoos den afval van \'t geloof voorafgaat. „Ik hei wel eens gewenscht, zegt een groot schrijver, ^ een matig, bezadigd, kuisch en eerlijk man te hoeren verzekeren, dat er geen God is : zoo iemand sprak ten minste belangeloos — maar dusdanig en worden niet gevonden.quot;
Laten wij derhalve immer ons geweten zuiver van zonden bewaren, dan zullen wij gemakkelijk alle bekoringen tegen het geloof overwinnen.
4°. Eene laatste oorzaak van geloofsverzaking is :
l) La Bruyere* Zie Laf or et^ in zijn heerlijk boek: Pourquoi Pon ne croit pas ?
43
het lezen van slechte hoeken en dagbladen, alsmede de omgang met onverschillige en ongodsdienstige personen.
De lectuur is het voedsel der ziel, zegt de H. Basi-lius. Wanneer nu iemand boeken of dagbladen leest, waarin de godsdienst bespot wordt, de waarheden van het geloof in twijfel getrokken worden, waarin de dwaling onder honderd verschillende vormen wordt voorgedragen, dan zal hij langzaam, maar zeker, de uitwerking van het doodelijk vergif, dat hij dagelijks bij droppels neemt, ondervinden. 1)
Hij zal zich verkeerde begrippen over geloof en godsdienst vormen, vooroordeelen tegen de Kerk en hare leer opdoen, onverschillig en eindelijk geheel ongeloovig worden.
Even gevaarlijk is de gemeenzame omgang en de vriendschap met onverschillige Katholieken, met Protestanten en ongeloovigen. Zulk verkeer geeft aanleiding om ongerijmde redeneeringen tegen het geloof te hooren, waarvan men soms de valschheid niet begrijpt; om getuige te zijn van spotternijen met den godsdienst en lasteringen tegen de Kerk. Aan dat alles wordt men allengs gewoon, men verliest den eerbied voor al wat heilig is en — weldra volgen twijfel, onverschilligheid en ongeloof.
Laten wij immer liefderijk, beleefd en voorkomend zijn, ook jegens andersdenkenden, maar vluchten wij zorgvuldig het gemeenzaam verkeer en de vriendschap der goddeloozen, der Protestanten en ongodsdienstige Katholieken. De ware vriendschap, welke alleen ons geluk kan bevorderen, is op godsdienst en deugd ge-bouwd.
1
Bewijzen van den verderfelijken invloed der slechte lectuur worden ons door de ondervinding dagelijks geleverd. Velen toch zijn ons persoonlijk bekend, die in hunne jeugd eene goede opvoeding genoten en langen tijd ijverige Christenen waren. Doch uit de lezing van slechte dagbladen hebben zij allerlei valsche denkbeelden over geloof en godsdienst geput; zij werden lauw en onverschillig in het godsdienstige en langzamerhand ook losbandig in hunne zeden.
44
■
§ 9.
Over de verhouding tusschen rede en geloof.
I. Het Protestantisme en het daaruit ontsproten Rationalisme hebben de grenzen van het natuurlijke en het bovennatuurlijke verward en daardoor de verhouding tusschen rede en geloof geheel verkeerd voorgesteld. Terwijl de Rationalisten de uitspraak hunner persoonlijke rede verheffen boven de waarheden des geloofs, of ten minste de rede geheel onafhankelijk van \'t geloof verklaren, ontzeggen de Protestanten aan de rede alle vermogen, om tot de kennis der waarheid te komen.
Wij zullen daarom trachten de katholieke leer over dit gewichtig vraagstuk, zoo kort en duidelijk mogelijk, uiteen te zetten.
II. Wat verstaan wij door de rede ?
Het aangeboren vermogen der menschelijke ziel, waardoor de mensch de waarheid — in zoover deze bi?me?i de grenzen der natuur vervat is — kent e?i daarover oordeelt.
Daar wij handelen over de verhouding tusschen rede en geloofd zoo wordt hier het geloof als subjectief, als eene vrije handeling van \'s men-schen ziel beschouwd en aldus bepaald :
Het geloof is: de vrije toestemming, welke het verstand^ door de goddelijke genade verlicht en geholpen^ aan de bovennatuurlijke waarheden schenkt ter wille van V ontfeilbaar gezag Gods, die ze ons openbaarde.
Hieruit blijkt dus, dat de rede en het geloof, ofschoon niet met elkander in strijd, toch verschillen onder een drievoudig oogpunt \\ namelijk ten opzichte 1° van hun voorwerp, 2° van de beweegreden, welke hen leidt, en 3° van de zekerhieid, welke zij geven.
Inderdaad : 1° de voorwerpen, welke de rede kennen en waarover zij oordeelen kan, zijn uitsluitend waarheden der natuurlijke orde.
Het geloof heeft daarenboven tot voorwerp waarheden, welke ons verstand, uit eigen krachten, niet kennen kan.
2°. De motieven, de beweegredenen, waardoor de rede in haren eigen-aardigen werkkring geleid wordt, behooren uitsluitend tot de natuurlijke orde 5 het motief des geloofs daarentegen is bovennatuurlijk, namelijk: het gezag van Gods onfeilbaarheid. Ook is het geloof voorafgegaan en vergezeld van de hulp der genade.
3°. De zekerheid^ welke de uitspraak der rede geeft, is niet volmaakt en slechts zoo sterk als de waarde harer beweegredenen en bewijzen 5 omdat deze beweegredenen valsch kunnen zijn, is de rede niet vrij van dwaling en hare uitspraak niet onveranderlijk.
De zekerheid, welke het geloof schenkt, is verhevener dan die der rede, omdat ze op verhevener motieven steunt; zoodat het geloof noch aan verandering, noch aan dwaling onderworpen is.
III. Welke waarheden kan de rede, onafhankelijk van het geloof met volle zekerheid kennen?
1°. In \'t algemeen de waarheden der natuurlijke orde b. v. ons eigen bestaan en dat der zichtbare schepselen.
2°. Vele waarheden der natuurlijke orde, welke als het geloof voorafgaande en daartoe leidende, kunnen beschouwd worden, zooals het bestaan van God, de onsterfelijkheid der ziel.
45
Dat leert ons de H. Schrift op vele plaatsen. Zoo o. a. zegt de H. Paulus (Rom. I. 20) , dat de heidenen in staat zijn God uit de aanschouwing der natuur te kennen, en dat zij schuldig; zijn, dewijl zij den Heer, dien zij kenden, niet gediend hebben.
Ook kunnen wij feitelijk het bestaan van God door onwederlegbare beweeggronden leeren kennen, b. v. uit de wonderbare leiding van Gods Voorzienigheid, uit de aanschouwing van wonderteekenen, zooals de Joden bij hun tocht naar het beloofde land, enz.
3°. Eens het feit der Openbaring gesteld, dan kan de rede de bewijs zen voor het bestaan der goddelijke Openbaring kennen en daardoor zich de zekere overtuiging van dat bestaan verschaffen.
De rede toch kan met zekerheid het bestaan van historische feiten kennen, als daar zijn : de mirakelen en voorzeggingen j daaruit ook kan zij door redeneering tot het bestaan der Openbaring besluiten.
4°. Desgelijks kan zij ook het bestaan der ware Kerk van Christus kennen, dewijl de bewijsgronden daarvoor onder \'t bereik harer kennis vallen.
5°. De rede kan ook de gronden, waarop de verschillende leerstukken des geloofs steunen, onderzoeken en verdedigen; zij kan aantoonen hoe redelijk het geloof is.
IV. Uit het voorgaande blijkt, dat de bewijzen voor \'t bestaan der Openbaring nooit de beweegreden of grondslag des geloofs kunnen zijn :
1° omdat het beginsel en het motief des geloois bovennatuurlijk moeten zijn 5
2° omdat bovengemelde bewijzen den mensch alleen de overtuiging geven, dat God werkelijk gesproken heeft en zijn woord geloofwaardig is 5 die overtuiging echter is geen geloof. Er zijn immers menschen, die V bestaan der Openbaring aannemen en toch hun verstand en hunnen wil niet aan aan \'t geloof willen onderwerpen.
V. De kennis der rede en het geloof kunnen ééne en dezelfde waarheid tot voorwerp hebben — b. v. het bestaan van God —doch onder verschillend opzicht. De mensch kent die waarheid, omdat zijne rede hem door bewijzen der natuurlijke orde, daarvan overtuigt \\ hij gelooft ze, door het geloof, dewijl zijn verstand en zijn vrije wil, door de genade geholpen, zich aan \'t gezag van Gods onfeilbaar woord onderwerpen.
VI. Kan het dan niet gebeuren, dat de geheimen des geloofs in strijd zijn met de rede ?
Neen, dat is onmogelijk; want 1°. God, die ons de geloofswaarheden openbaarde, schonk ons ook het licht der rede. Indien het geloof iets kon leeren, wat strijdt met de rechte rede, dan zou God zich zeiven verloochenen en tegenspreken, hetgeen bepaald onmogelijk is \'). — 2°. De waarheid is één ; twee tegenovergestelde begrippen over dezelfde
1) » Ofschoon het geloof boven de rede verheven *gt;, zoo kan toch nooit een werkelijke strijd tusschen beide bestaan, dewijl beide in een en dezelfde bron der onveranderlijke en • eeuwige waarheid, in God namelijk, Jiutmen oorsprong hebben en elkander wederkeerig ondersteunen. De rede immers bewijst, bescher/nt en verdedigt de waarheid des geloofs; het geloof daarentegen behoedt de rede voor alle dwaling en verrijkt, bevestigt en volmaakt haar met de kennis der goddelijke waarheden^ (En-cycl, Pii IX, 9 Nov. 1846.
46
zaak kunnen niet beide waar zijn. Dus is \'t onmogelijk, dat het verstand, zoolang het op den weg der waarheid blijft, iets leeren kan, wat strijdig is met de uitspraak Gods, welke onfeilbaar is.
Wanneer er schijnbaar strijd ontstaat tusschen het geloof en de uitspraak der rede, dan is deze laatste zeer zeker op den weg der dwaling.
Vil. Waarom zeggen wij, dat het geloof boven de rede verheven is r
1°. Dewijl het geloof steunt op het gezag van Gods onfeilbaarheid en aldus de zekerste en hechtste beweegreden tot grondslag heeft en van alle dwaling vrij is.
2°. Omdat het geloof ons waarheden leert, welke verre boven het begrip der menschelijke rede verheven zijn, en het ons tot eene bovennatuurlijke bestemming voert. Derhalve staat in de kennis der waarheden, die tot het gebied des geloofs behooren, de rede tot het geloof in een toestand van afhankelijkheid en onderwerping; zij mag dus in geloofszaken niet gebieden en voorgaan, maar moet nederig dienen en volgen.
De ware verhevenheid van \'s menschen geest ligt in de vereeniging van geloof en rede : deze verbinding geeft hem eene meer verhevene, meer omvattende en zekere kennis, zij geeft hem iets, dat grooter is dan hij zelf.
VIII. Worden de vooruitgang en de bloei der wetenschap door \'t geloof niet belet ?
Neen, integendeel worden zij door overeenstemming met en onderwerping aan \'t geloof bevorderd.
Inderdaad: 1° De ondervinding leert ons, dat steeds met\'t geloof ook de beschaving en de wetenschappen vooruitgingen — men denke slechts aan de bekeerde heidensche en barbaarsche volken ; dat, met de verzwakking of \'t verlies des geloofs, de beschaving en de wetenschappen bleven stilstaan en geheel te loor gingen; — men herinnere zich de ongelukkige volkeren, die tot het heidendom terugkeerden of het Mo-hamedisme omhelsden..
2°. Dit blijkt ook uit de natuur der zaak zelve. Immers :
d) In zuiver en uitsluitend natuurlijke wetenschappen Iaat het geloof de rede geheel vrij in haar onderzoek en leering.
b\') In die wetenschappen, welke rechtstreeks of middellijk met geloofswaarheden in aanraking komen, is het voor de zwakke en feilbare rede een groot voorrecht, ja de hoogste troost, dat zij door een onfeilbaar gezag wordt vóórgelicht en tegen alle dwaling in geloofszaken gevrijwaard
3°. Het geloof eindelijk spoort ons tot trouwe beoefening der wetenschap aan, opdat wij daardoor erkennen, hoe redelijk onze onderwerping aan \'t geloof is, en tevens opdat wij in staat zijn alle opwerpingen en dwalingen te wederleggen.
§ 10.
Belijdenis des Geloofs. — Kruisteeken.
I. Wanneer ons geloof, gelijk liet moet zijn, vast en standvastig is, dan zullen wij dat ook uitwendig
47
bewijzen door nimmer ons geloof te verzaken en altijd, wanneer \'t behoort, in onze woorden en daden, te toonen, dat wij Katholieken zijn.
Mag men ooit zijn geloof verloochenen of iets zeggen of doen, wat daarmede strijdig is?
Neen, nimmer mogen wij \'t geloof verzaken, en evenmin door woorden of teekenen eene of andere waarheid van den godsdienst loochenen of daarmede spotten.
Door deze zonde immers wordt God de grootste oneer aangedaan, en hierom zegt Christus : „ Wie Mij voor de menschen verloochent, die zal ook Ik verloochenen voor mijnen Vader, die in de hemelen isquot; (Matth. X, 33). Wij moeten liever de bespotting en versmading der wereld verdragen; ja, liever ons leven prijsgeven, dan ons geloof te verloochenen.
II. Ook mag men niet den schijn aannemen, of uitwendig zich zoo gedragen, alsof men het geloof verloochende. Hier kunnen wij ons een schoon voorbeeld uit de Bijbelsche geschiedenis herinneren. Eleazar, een bijna honderdjarige grijsaard, wilde liever, onder de vreeselijkste martelingen, sterven, dan den schijn aan te nemen alsof hij spijzen at, die door de wet van Mozes verboden waren.
III. Zijn er ook gevallen, waarin men verplicht is zijn geloof openlijk door woorden en daden te belijden ?
Ja, zoo dikwijls de eer van God of het zieleheil des naasten dit vorderen. Zoo b. v. zou men openlijk en moedig zijn geloof moeten belijden, wanneer men door een wettig gezag daarover ondervraagd werd ; zoo ook wanneer een overste door zijn stilzwijgen het geloof zijner onderdanen in gevaar zou brengen.
Er bestaat echter geene verplichting, om elkeen, die, zonder gezag of reden, het goedvindt ons over ons geloof te ondervragen, te antwoorden. — Ook mag men eene oefening van godsvrucht, welke niet verplichtend is, nalaten, indien door die oefening aanleiding zou gegeven worden tot spotternij met den godsdienst, tot godslastering of andere zware zonden.
48
Zelfs kerkelijke geboden kunnen ophouden te verplichten, indien het onderhouden daarvan gevaren of groote moeielijkheden zou verwekken, en het nalaten daarvan geen ontrouw aan het geloof openbaren zou, b. v. ten tijde van hevige vervolging.
IV. Wat moet men dan doen, als men tegen het geloof hoort spreken ?
Indien men dit gevoegelijk kan beletten, of met goeden uitslag het gesprokene weet te wederleggen, dan is men daartoe verplicht. Doch, wanneer men niet in staat is het gesprek te verbieden of door tegenspraak de zaak nog zon verergeren, dan is het genoeg, door zijn stilzwijgen te toonen, dat men het gesprek afkeurt
V. Sinds de eerste tijden des Christendoms en verder door alle eeuwen heen, werd het teeken des H. Kruises beschouwd als eene openbare belijdenis van het christelijk geloof.
Dewijl de protestantsche sekten het schoone gebruik van het Kruisteeken verworpen hebben, dient het thans als een bizonder onderscheidingsteeken der Katholieken.
Waarom gebruiken wij het H. Kruisteeken als eene belijdenis van ons geloof?
Omdat het vooral twee voorname geheimen van het katholiek geloof aanduidt, te weten de H. Drievuldigheid en de Verlossing.
1°. Wanneer wij zeggen: in den naam, dan belijden wij éénen God ; en als wij daarbij voegen : des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, dan erkennen wij drie onderscheidene Personen in ééne Godheid.
2°. Christus heeft aan het kruis het werk onzer Verlossing voltrokken; het kruis dus is daarvan het glorievolle herinneringsteeken. Wanneer wij nu het Kruisteeken maken, belijden wij openlijk, dat wij leerlingen zijn van den God-Mensch, die ons door zijn kruisdood verlost heeft.
VL Het is zeer goed en heilzaam dikwijls het H.
49 *
Kruisteeken te maken, vooral bij \'t begin en het einde van den dag, vóór en na den maaltijd, vóór elk belangrijk werk en bizonder in alle bekoringen. Aldus wapenen wij ons tegen den boozen vijand, die door het kruis overwonnen werd, en smeeken wij tevens den zegen des hemels over ons af 1).
Wanneer het Evangelie in de H. Mis gezongen of gelezen wordt, maken wij het Kruisteeken op voorhoofd, mond en borst, en vragen daardoor aan God de genade om het Evangelie met het verstand te kennen, met den mond vrijmoedig te belijden, en met het hart te beminnen en gewillig te volgen.
Besluit. Bij het einde der verhandeling over het geloof moeten wij deze practische voornemens maken : 1° Wij zullen ons nooit schamen over het geloof, maar dat altoos, waar \'t noodzakelijk of nuttig is, vrijmoedig belijden. 2°. Wij zullen zorgvuldig allen omgang met ongodsdienstige of zedelooze personen vermijden, en nooit boeken of dagbladen koopen of lezen, welke ons geloof of onze zedelijkheid in gevaar kunnen brengen.
1
Aan hen, die met een rouwmoedig hart het kruisteeken, onder aanroeping der H. Drievuldigheid maken, is een aflaat van 50 dagen verleend.
48
Zelfs kerkelijke geboden kunnen ophouden te verplichten, indien het onderhouden daarvan gevaren of groote moeielijkheden zou verwekken, en het nalaten daarvan geen ontrouw aan het geloof openbaren zou, b. v. ten tijde van hevige vervolging.
IV. Wat moet men dan doen, als men tegen het geloof hoort spreken\'?
Indien men dit gevoegelijk kan beletten, of met goeden uitslag het gesprokene weet te wederleggen, dan is men daartoe verplicht. Doch, wanneer men niet in staat is het gesprek te verbieden of door tegenspraak de zaak nog zou verergeren, dan is het genoeg, door zijn stilzwijgen te toonen, dat men het gesprek afkeurt
V. Sinds de eerste tijden des Christendoms en verder door alle eeuwen heen, werd het teeken des H. Kruises beschouwd als eene openbare belijdenis van het christelijk geloof.
Dewijl de protestantsche sekten het schoone gebruik van het Kruisteeken verworpen hebben, dient het thans als een bizonder onderscheidingsteeken der Katholieken.
Waarom gebruiken wij het H. Kruisteeken als eene belijdenis van ons geloof?
Omdat het vooral twee voorname geheimen van het katholiek geloof aanduidt^ te weten de H. Drievuldigheid en de Verlossing.
1°. Wanneer wij zeggen: in den naam, dan belijden wij éénen God; en als wij daarbij voegen; des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, dan erkennen wij drie onderscheidene Personen in ééne Godheid.
2°. Christus heeft aan het kruis het werk onzer Verlossing voltrokken j het kruis dus is daarvan het glorievolle herinneringsteeken. Wanneer wij nu het Kruisteeken maken, belijden wij openlijk, dat wij leerlingen zijn van den God-Mensch, die ons door zijn kruisdood verlost heeft.
VI. Het is zeer goed en heilzaam dikwijls het H.
49
#
Kruisteeken te maken, vooral bij \'t begin en het einde van den dag, vóór en na den maaltijd, vóór elk belangrijk werk en bizonder in alle bekoringen. Aldus wapenen wij ons tegen den boozen vijand, die door het kruis overwonnen werd, en smeeken wij tevens den zegen des hemels over ons af
Wanneer het Evangelie in de H. Mis gezongen of gelezen wordt, maken wij het Kruisteeken op voorhoofd, mond en borst, en vragen daardoor aan God de genade om het Evangelie met het verstand te kennen, met-den mond vrijmoedig te belijden, en met het hart te beminnen en gewillig te volgen.
Besluit. Bij het einde der verhandeling over het geloof moeten wij deze practische voornemens maken : 1° Wij zullen ons nooit schamen over het geloof, maar dat altoos, waar \'t noodzakelijk of nuttig is, vrijmoedig belijden. 2°. Wij zullen zorgvuldig allen omgang met ongodsdienstige of zedelooze personen vermijden, en nooit boeken of dagbladen koopen of lezen, welke ons geloof of onze zedelijkheid in gevaar kunnen brengen.
1) Aan hen, die met een rouwmoedig hart het kruisteeken, onder aanroeping der H. Drievuldigheid maken, is een aflaat van 50 dagen verleend.
e
llde HOOFDSTUK.
O VEE DE APOSTOLISCHE GELOOFSBELIJDENIS.
Inleiding.
I. De hoofdwaarheden van onzen 11. Godsdienst vinden wij in het kort samengevat in de twaalf artikelen des Geloofs. Deze te zamen worden ook Apostolische geloofsbelijdenis genoemd, omdat zij van den tijd der Apostelen afkomstig zijn en, volgens de overlevering, door hen werden opgesteld, vóórdat zij van elkander scheidden, om den volkeren het Evangelie te gaan verkondigen.
II. Deze geloofsbelijdeais bevat drie aldeelingen, welke wij achtereenvolgens nader znllen beschouwen. De eerste heeft betrekking op God den Vamp;der en de schepping der wereld; de tweede op God den Zoon en het werk der verlossing; de derde op God den H. Geest en onze heiligmaking. — In de eerste afdee-Img zullen wij behandelen het eerste geloofsartikel:
Ik geloof in God, den Vader almaquot; \'itig, Schepper des hemels en der aarde.
EERSTE AEDEELING.
OVEH GOD E3ST Zl.iX15 EIGliXSCHAPPEX IX \'ï ALGEMEEX.
§ 1-
Bronnen onzer kennis van God.
Gods bestaan.
I. Stoffelijke wezens kunnen wij door onze lichamelijke zintuigen leeren kennen; God echter, die een
51
zuivere geest is, zonder lichaam, valt niet onmiddellijk onder \'t bereik onzer zinnen. Daarom zeggen wij, dat wij God niet kunnen zien.
In den hemel nochtans zullen wij door eene bovennatuurlijke genade in staat gesteld worden, God van aanschijn tot aanschijn te aanschouwen.
II. Waardoor zijn wij dan tot de kennis van God en zijne eigenschappen gekomen ?
Door eene natuurlijke en eene hovennatuuiïijke Openbaring van God zeiven (Zie hoofdstuk 1 §. 1 en 2),
A. Door natuurlijke Openbaring verstaan wij, dat God zich door de zichtbare schepping en het bestuur der wereld aan ons openbaart, en dat onze ziel daardoor, met hare natuurlijke krachten, God kennen kan.
Het bestaan van God wordt op de volgende wijze door ons natuurlijk verstand bewezen :
1°. In elk schepsel, op zich zelf, en ook in alle schepselen, te zamen beschouwd, vinden wij slechts eindige, onvolmaakte en veranderlijke wezens.
Alles nu, wat eindig en veranderlijk is en geen noodzakelijk bestaan heeft, moet van een ander wezen het aanzijn ontvangen hebben; want, dewijl het eindig is, kan het niet uit zich zelf bestaan, en omdat het toevallig en veranderlijk is, moet er eene andere oorzaak zijn, waardoor het bestaat.
Dus moet er een wezen zijn, dat noodzakelijk, uit zich zeiven en eeuwig bestaat — namelijk God, die alles geschapen heeft.
2°. De heerlijk schoone orde, welke wij in het heelal bewonderen, bewijst ons Gods bestaan. Immers, wanneer wij een uurwerk zien, dat regelmatig loopt, of een prachtig paleis, waar alles wél geordend is — dan besluiten wij, dat dit door een kunstenaar of bouwmeester vervaardigd is. Zoo nok als wij de zon, de maan en die millioenen sterren, welke alle regelmatig, zonder de minste stoornis, haren loop volbrengen, beschouwen; wanneer wij ons oog slaan op de hemellichamen, de planten en de dieren, elk afzonderlijk of in hun wondervollen samenhang, waardoor
52
zij één harmonisch geheel vormen; wanneer wij het men-schelijk lichaam met zijne bewonderenswaardige zintuigen, waarvan elk zijne bizondere bestemming heeft, gadeslaan, dan moeten wij erkennen, dat dit alles niet door het toeval tot stand gebracht kan zijn.
Er moet dus noodzakelijk een hooger wezen bestaan, dat met oneindige wijsheid en almacht het heelal bestuurt en regeert. Terecht zegt de H. Schrift: „ Wie erkent niet in dit alles, dat de hand des Heeren het gemaakt heeft?quot; (Job. XII, 10). Dienvolgens leert het Vatikaansche Concilie „dat God, het begin en het einde aller dingen, uit het geschapene met zekerheid kan gekend ivordenquot; (IIe Hoofdst. de Revelat).
3°. Het bestaan van elk levend wezen in \'t bizonder, dat op aarde woont, brengt ons bij een weinig nadenken tot de erkenning van Grods bestaan. Van waar komt bijv. de vogel, die zingt in de lucht ? Uit het ei. — En van waar komt het ei ? Uit een anderen vogel. En deze ? Van een ander ei. — Zoo zullen dezelfde vragen altijd terugkomen, en nooit zullen wij eene oplossing krijgen, tenzij wij eene eerste oorzaak van alles aannemen, namelijk God, die alles geschapen heeft.
4°. Ten allen tijde hebben alle volkeren, zonder uitzondering, eene godheid erkend, ofschoon hun begrip van Gods wezen dikwijls met vele dwalingen vermengd was. Dat algemeen en voortdurend geloof kan geen anderen grond hebben dan in de aloude overlevering en in de uitspraak van het gezond verstand. Derhalve moeten wij besluiten ; datgene, waarin alle natiën overeenstemmen, namelijk de erkenning van het bestaan van God. kan niet anders dan waarheid wezen.
5°. Er bestaat eene algemeene, onveranderlijke natuurwet, welke in het hart van alle menschen is ingedrukt en waardoor wij het goede van het kwade onderscheiden. Diezelfde stem des gewetens vervult het hart des deugdzamen met vreugde en blijdschap en met hoop op belooning; het gemoed des boosdoeners daarentegen, met angst en vrees, zelfs ook dan, wanneer geen mensch van zijne misdaad getuige is.
53
Deze natuurwet dus moet door een oneindig, allerheiligst, rechtvaardig en alwetend wezen in ons hart zijn ingedrukt.
III. — B. God heeft zich zeiven op bovennatuurlijke wijze aan de menschen geopenbaard.
JDe kennis, welke wij van God en zijne volmaaktheden. alleen door het natuurlijke licht onzer rede, kunnen verkrijgen, is zeer onvolmaakt en niet voldoende om onze bovennatuurlijke bestemming te bereiken.
Daarom heeft God, in zijne oneindige goedheid, zich zeiven. zijne natuur en zijne volmaaktheden op bovennatuurlijke wijze aan de menschen nader kenbaar gemaakt.
Eerst heeft Hij dit gedaan aan de Aartsvaders en Profeten; ten laatste door zijnen ZoonJesus Christus, die ons eene zoo volmaakt mogelijke kennis der Godheid heeft gegeven. — Die mededeeiingen noemen wij de hovennatuurlijke Openharing, welke in de ïï. Schrift en de Overlevering vervat is, en waarover wij vroeger breedvoerig gesproken hebben.
Opmerking. Dat er nog, vooral in onzen tijd, menschen gevonden worden, die voorgeven niet aan God te gelooven, moeten wij toeschrijven :
1°. Aan hunne omvetendheid in zake van godsdieast^ zij loochenen en ontkennen wat zij nooit ernstig onderzocht hebben.
2°. Aan de lichtzinnigheid en onverschilligheid, waarin de onwetenden voortleven.
3°. Aan dwazen hoogmoed. Zij meenen alles te kunnen doorgronden, en willen zoo gaarne, in de oogen der wereld, doorgaan sqoxgroots vcrnufte7i.
4°. \\ ooral echter heeft het ongeloof meestal tot grondoorzaak ; de bedorvenheid des harten. — «Le cojur leur fait mal a la tete^\\ zegt een beroemd schrijver (Zie Ie Hoofdst. § 8).
Eindelijk moeten wij hier nog opmerken : dat zeer velen van hen, die zich als ongeloovig voordoen, praalzuchtige menschen zijn ; dat zij, misschien wel zonder uitzondering, niet overtuigd zijn van hetgeen zij zeggen, ja inwendig aan het bestaan van God gelooven.
Hoe velen zijn er niet, die zich op hun sterfbed tot God keeren, hunne spotternij betreuren en der beleedigde Majesteit van God om vergeving smeeken !
§ 2.
Eenheid van God.
Thans zullen wij overgaan tot de verdere beschouwing
52
zij één harmonisch geheel vormen; wanneer wij het men-schelijk lichaam met zijne bewonderenswaardige zintuigen, waarvan elk zijne bizondere bestemming heeft, gadeslaan, dan moeten wij erkennen, dat dit alles niet door het toeval tot stand gebracht kan zijn.
Er moet dus noodzakelijk een hooger wezen bestaan, dat met oneindige wijsheid en almacht het heelal bestuurt en regeert. Terecht zegt de H. Schrift: „ Wie erkent niet in dit alles, dat de hand des Heer en het gemaakt heeftf (Job. XII, 10), Dienvolgens leert het Vatikaansche Concilie „dat God, het begin en het einde aller dingen, uit het geschapene met zekerheid kan gekend worden!\' (IIe Hoofdst, de Revelat).
3°. Het bestaan van elk levend wezen in \'t bizonder, dat op aarde woont, brengt ons bij een weinig nadenken tot de erkenning van Grods bestaan. Yan waar komt bijv. de vogel, die zingt in de lucht ? Uit het ei. — En van waar komt het ei ? Uit een anderen vogel. En deze ? Van een ander ei. — Zoo zullen dezelfde vragen altijd terugkomen, en nooit zullen wij eene oplossing krijgen, tenzij wij eene eerste oorzaak van alles aannemen, namelijk God, die alles geschapen heeft.
4°. Ten allen tijde hebben alle volkeren, zonder uitzondering, eene godheid erkend, ofschoon hun begrip van Gods wezen dikwijls met vele dwalingen vermengd was. Dat algemeen en voortdurend geloof kan geen anderen grond hebben dan in de aloude overlevering en in de uitspraak van het gezond verstand. Derhalve moeten wij besluiten : datgene, waarin alle natiën overeenstemmen, namelijk de erkenning van het bestaan van God. kan niet anders dan waarheid wezen.
5°. Er bestaat eene algemeene, onveranderlijke natuurwet, welke in het hart van alle menschen is ingedrukt en waardoor wij het goede van het kwade onderscheiden. Diezelfde stem des gewetens vervult het hart des deugdzamen met vreugde en blijdschap en met hoop op belooning; het gemoed des boosdoeners daarentegen, met angst en vrees, zelfs ook dan, wanneer geen mensch van zijne misdaad getuige is.
53
Deze natuurwet dus moet door een oneindig, allerheiligst, rechtvaardig en alwetend wezen in ons hart zijn ingedrukt.
III. — B. God heeft zich zeiven op bovennatuurlijke wijze aan de menschen geopenbaard.
De kennis, welke wij van God en zijne volmaaktheden. alleen door het natuurlijke licht onzer rede, kunnen verkrijgen, is zeer onvolmaakt en niet voldoende om onze bovennatuurlijke bestemming te bereiken.
Daarom heeft God, in zijne oneindige goedheid, zich zeiven. zijne natuur en zijne volmaaktheden op bovennatuurlijke wijze aan de menschen nader kenbaar gemaakt.
Eerst heeft Hij dit gedaan aan de Aartsvaders en Profeten; ten laatste door zijnen Zoon Jesus Christus, die ons eene zoo volmaakt mogelijke kennis der Godheid heeft gegeven. — Die mededeelingen noemen wij de hovennatuuriijke Openbaring, welke in de H. Schrift en de Overlevering vervat is, en waarover wij vroeger breedvoerig gesproken hebben.
Opmerking. Dat er nog, vooral in onzen tijd, menschen gevonden worden, die voorgeven niet aan God te gelooven, moeten wij toeschrijven :
1°. Aan hunne onwetendheid in zake van godsdienst^ zij loochenen en ontkennen wat zij nooit ernstig onderzocht hebben.
\'Z0. Aan de lichtzinnigheid en onverschilligheid, waarin de onwetenden voortleven.
3°. Aan dwazen hoogmoed. Zij meenen alles te kunnen doorgronden, en willen zoo gaarne, in de oogen der wereld, doorgaan voor groote veynuften.
4°. Vooral echter heeft het ongeloof meestal tot grondoorzaak : de bedorvenheid des harten. — «Le cccnr leur fait vial a la tètequot;^ zegt een beroemd schrijver (Zie le Hoofdst. § 8).
Eindelijk moeten wij hier nog opmerken : dat zeer velen van hen, die zich als ongeloovig voordoen, praalzuchtige menschen zijn : dat zij, misschien wel zonder uitzondering, niet overtuigd zijn van hetgeen zij zeggen, ja inwendig aan het bestaan van God gelooven.
Hoe velen zijn er niet, die zich op hun sterfbed tot God keeren, hunne spotternij betreuren en der beleedigde Majesteit van God om vergeving smeeken !
§ 2.
Eenheid van God.
Thans zullen wij overgaan tot de verdere beschouwing
54
van trods wezen, gelijk Hij zich, door de natuurlijke en vooral door de bovennatuurlijke Openbaring, aan ons heeft bekend gemaakt.
Er bestaat maar één God.
1°. Deze waarheid leert ons de H. Schrift; „Ik ben God , en buiten Mij is er geen God, en niemand is aan Mij gelijk.quot; Zóó spreekt de Heer bij den Profeet Isaias (XLVI, 9),
2C. Diezelfde waarheid verkondigt ons de rede.
a. Indien er meer dan éèn God was , zouden zij aan elkander of gelijk of ongelijk moeten wezen. Geen van beide echter is mogelijk ; dus er is maar één God.
Bewijs,Zij kunnen onmogelijk gelijk zijn , d. w. z. even groot, machtig, enz,; want dan zou geen van hen het hoogste, het opperste wezen zijn. Derhalve zou geen van allen God zijn, dewijl God noodzakelijk het hoogste wezen zijn moet, aan wien alles onderworpen is.
/3. Indien er verscheidene godheden waren en aan elkander in macht en grootheid, dan zou alleen
dat eenige wezen God zijn, dat boven alle anderen verheven is.
b. Tot de eenheid van God moeten wij ook besluiten , wanneer wij de schoone wereldorde beschouwen , welke ons getuigt van één plan en ééne leidende gedachte van één oneindig wijzen Schepper.
§ 3.
Over Gods wezen.
I. Het is den mensch onmogelijk, Gods wezen duidelijk en volledig te verklaren. Uit hetgeen ons het natuurlijk verstand leert en vooral de bovennatuurlijke Openbaring verkondigt, kunnen wij op de vraag : wat is God ? aldus antwoorden ;
God is een oneindig volmaakte geest, de Schepper, de Heer van hemel en aarde, van icien alle goed voorkomt.
II. Een geest noemen wij een onstoffelijk wezen , dat verstand en vrijen wil bezit. Onze ziel is een geest.
00
doch de mensch , in zijn geheel genomen , is niet enkel een geest, omdat hij uit lichaam en ziel bestaat.
God echter is 1°. een zuivere geest, d. w. z. onstoffelijk en zonder lichaam. Deze eigenschap Gods wordt ons door het geloof geleerd en door de rede bevestigd.
a. God is een geest, want anders had Hij de wereldorde niet kunnen ontwerpen , dewijl deze het werk eener hoogere wijsheid is; anders ook kon Hij niet aan geesten, gelijk onze ziel, het leven gegeven hebben.
h. Later zullen wij bewijzen, dat God onmetelijk , alomtegenwoordig en onsterfelijk is. Alleen een zuivere geest kan deze hoedanigheden bezitten : alle lichamen immers zijn door ruimte begrensd en aan plaats gebonden ; zij zijn deelbaar, veranderlijk en sterfelijk.
c. Deze waarheid wordt ons in de H. Schrift met de duidelijkste woorden geleerd. Christus zelf sprak tot de samaritaansche vrouw : „ God is een geest\'quot; (Joan, IY , 24). Wanneer in den Bijbel gesproken wordt van den arm Gods, de oof/e» des Heeren, enz., dan geschiedt dit, om ons op menschelijke en aanschouwelijke wijze Gods almacht, alwetendheid, enz, voor te stellen.
lil. God is 2° een oneindig volmaakte geest. God wordt aldus genoemd, omdat aan zijn goddelijk wezen niets ontbreekt en Hij alle goed en alle volmaaktheden in oneindige mate in zich vereenigt, zoodat er geen volmaakter wezen kan bestaan of uitgedacht worden.
Alle volmaaktheden , welke wij in eenig geschapen wezen aantreffen, moeten ook in God bij uitnemendheid te vinden zijn, omdat Hij daarvan de eerste oorzaak is.
Vervolgens moeten ook alle denkbare volmaaktheden in God als in hare eerste oorzaak vereenigd zijn ; want zonder dat zouden ze zelfs niet mogelijk wezen.
Dus de eerste oorzaak van alles. God, bezit alle volmaaktheden ; Hij is de volmaaktheid zelve.
Daar God uit kracht van zijn wezen noodzakelijk en onafhankelijk is, kan Hij ook in zijne volmaaktheden niet begrensd zijn ; want noch zijne eigen natuur , noch
56
eenige macitt buiten Hem kunnen aan zulk een absoluut en noodzakelijk wezen grenzen stellen.
Hij is dus de volheid van alle volmaaktheden.
Ook dit leert ons de H. Schrift. Zij toch kent aan God alle mogelijke volmaaktheden toe. Zij noemt Hem den alleen Heilige, den alleen Machtige, den alleen Wijze, den alleen Goede. Zij verheft zijne grootheid, als zijnde zonder beperking, zonder grenzen (Ps. CXLlV, 3).
IV. God dan bezit alle goede eigenschappen der schepselen, welker begrip geen onvolmaaktheid in zich bevat — zooals goedheid, wijsheid — doch in oneindige mate; alle anderen, welke iets onvolmaakts in zich sluiten, zijn in eene andere eigenschap Gods in oneindig verhevener wijze opgesloten. Zoo vinden wij b, v. het goede van \'t redeneervermogen in zijne oneindige wijsheid, doch in den hoogsten graad van volmaaktheid.
V. God is 3° de Schepper van alles wat bestaat; later zal dit aangetoond worden.
Hij wordt genoemd: de Heer van hemel en aarde, omdat Hem de heerschappij over de gansche schepping toekomt; alle schepselen toch zijn aan zijnen wil en zijne bevelen onderworpen.
VI. — -ï0. Van Rem komt alle goed voort. Al het goede en schoone, wat wij in de natuur bewonderen; ons eigen lichaam en zijne krachten ; onze ziel en hare vermogens — alles komt van God, den Gever van alle goed. Alle bovennatuurlijke genaden, welke wij dagelijks ontvangen, het onuitsprekelijk geluk des hemels, dat voor ons bereid is, indien wij zalig sterven, het zijn alle zoovele kostbare goederen, welke wij aan God te danken hebben of van Hem verwachten.
VII. De ééne God, dien wij aanbidden, is een persoonlijk wezen en geheel onderscheiden van de schepselen.
Deze waarheid blijkt niet alleen duidelijk uit de H. Schrift en de leer der Kerk, maar wordt ons ook door het gezond verstand onwederlegbaar aangetoond, Immers:
57
a, God is oneindig, alomtegenwoordig, eeuwig en volmaakt; de schepselen daarentegen zijn eindig, begrensd, vergankelijk en onvolmaakt. God moet dus noodzakelijk een wezen zijn, boven bet geschapene verheven en daarvan onderscheiden; anders toch zou hetzelfde wezen hoedanigheden bezitten, welke tegen-strijdig zijn en elkander uitsluiten.
h. Indien God niet als -persoonlijk en hoogste wezen erkend werd, zou alle godsdienst en ook alle zedelijke orde uit de wereld verdwijnen.
Opmerkingen. 1°. Wanneer wij zeggen : ik geloof 6W, dan erkennen wij als waar aan te nemen hetgeen Hij gezegd heeft. Eenen God geloo-ven^ beteekent; aannemen, dat er één God is. In het le Art. der Apostolische Geloofsbelijdenis staat: ik geloof in God; d w. z. ik geloof dat Hij bestaat, en ik geef mij met een geloovig hart aan Hem over, om op Hem te betrouwen en Hem te beminnen. Insgelijks zeggen wij : ik geloof ... in Jesits Christus ... ix den H. Geest.
2°. Laten wij dan, aan deze belijdenis getrouw, aan God niet alleen ons verstand onderwerpen door te gelooven, maar Hem ook ons hart schenken, door Hem ui t al onze krachten te beminnen. Hij alléén is al onze liefde waardig, Hij alléén kan al onze wenschen in eeuwigheid vervullen.
§ 4.
Over de volmaaktheden Gods in liet bizonder.
I. Wij noemen volmaaktheid of eigenschap Gods al datgene, wat uit zijn wezen als voortvloeiend, en als het goddelijk wezen nader bepalend, door ons verstand gedacht wordt.
Die volmaaktheden zijn niet in werkelijkheid van elkander, noch van het wezen Gods onderscheiden : God is slechts ééne volmaaktheid. Ons bekrompen verstand echter beschouwt de eene eigenschap na de andere, of beter gc-zegd, de eene goddelijke volmaaktheid onder verschillende oogpunten, nu eens als almacht, dan als wijsheid, enz.
II. Er zijn eenige eigenschappen Gods, welke wij vooral moeten kennen en van nabij beschouwen, omdat zij ons nader zijne natuur en onze verhouding-tot Hem doen kennen, namelijk de volgende : 1°. God
58
—
is eeuwig, oaveranderlijk en alomtegenicoorduj; 2°. Hij is alwetend en altvijs; 3°. Hij is almachtig, oneindig heilig en rechtvaardig; oneindig goed, barmhartig en lankmoedig ; oneindig waarachtig en getrouw.
ITT. De drie eerste volmaaktheden Gods knnnen wij ons voorstellen als te beliooren tot liet goddelijke wezen; de twee volgende tot de werkdadigheid van Grods verstand, en eindelijk de laatste tot de werkdadigheid van zijn wil.
A. Volmaaktheden vau liet goddelijke wezen.
IV. — 1°. God is eeuwig, d. w. z. Hij is zonder begin en zonder einde- Van Hem zegt de H. Schrift : „die luas, die is en die zijn zalquot; (Openb. I. 8).
God moet noodzakelijk eeuwig zijn j want:
a) als Hij niet eeuwig was, dan zou Hij onvolmaakt en veranderlijk zijn, wat strijdt met de natuur van het goddelijke wezen,
h) Het niets kan onmogelijk iets voortbrengen j indien God niet eeuwig was en uit zich zelf geen noodzakelijk bestaan had, dan zou noch Hij, noch eenig schepsel hebben kunnen ontstaan. Hij is dus uit zich zeiven, zijn wezen is noodzakelijk ; Hij was dus van eeuwigheid en zal in eeuwigheid blijven bestaan.
Hierbij moeten wij nog opmerken, dat in Gods eeuwigheid geene opvolging van oogenblikken of tijden bestaat; dat Gods zijn, denken en willen wei een verleden of eene toekomst aanduidt, maar alleen iets tegenwoordigs, zonder einde en zonder begin.
V. — quot;2°. God is onveranderlijk. Hij blijft eeuwig dezelfde in zijn wezen, in zijne kennis, in zijne raadsbesluiten ; in Hem is niets wat begint, niets wat vermeerderd wordt of vermindert: „lij Hem is geen verandering en geen schaduw van veranderlijkheid\'\' (Jac. T, 17).
Deze onveranderlijkheid volgt uit het begrip van het goddelijk wezen : God is oneindig volmaakt, Hij bezit dus ieder oogenblik alles op oneindig volmaakte wijze ; Hij kan dus evenmin eene eigenschap verwerven als verliezen; Hij is en blijft onveranderlijk.
59
VI. Indien Gods wil en raadsbesluiten onveranderlijk zijn, hoe kunnen wij dan hopen door het gebed, enz. zijne gunsten te verkrijgen of de verdiende straffen af te wenden V
Wij kunnen dat alles verwachten en moeten het met vertrouwen vragen, omdat God, van alle eeuwigheid ons gebed en onze goede werken vooruitziende, van eeuwigheid besloten heeft, ons zijne genade te verleenen, zijne straffen van ons af te keeren, enz. Zóó heeft Hij ook van eeuwigheid voorzien, wie in onboetvaardigheid volharden en sterven zouden, en daarmede gaat het eeuwige raadsbesluit tezamen om hen te straffen ; van onzen kant dus moeten wij handelen alsof nog niets beslist ware en alles van ons eigen doen zal afhangen.
VIL — 3°. God is alomtegenwoordig wil zeggen: Hij is in den hemel, op de aarde en op alle plaatsen, en wel op drievoudige wijze. God is overal door zijne kennis, dewijl Hij alles ziet en doorschouwt; door zijn lüil, die alles bestuurt; door zijn wezen, dewijl Hij overal, tegelijkertijd en volkomen tegenwoordig is en door geene ruimte beperkt wordt.
a. Deze waarheid leert ons de H. Schrift: „Kan de mensch zich in schuilhoeken verhercjen, zoodat Ik hem niet, zie? Ben Ik het niet, die hemel en aarde vervul ?quot; (Jerem.
XXIII, 24).
b. God is een oneindig volmaakt wezen, dat noch door zich zeiven, noch door iets anders begrensd kan worden; zijn wezen is dus onmetelijk en alomtegenwoordig. — Ook zou er iets aan Gods volmaaktheid ontbreken, indien er eene plaats kon uitgedacht worden, waar Hij niet tegenwoordig is.
VIT. Opmcrkifigen, 1. Ofschoon Gods wezen alles omvat en doordringt, is Hij toch van de schepselen onderscheiden en wordt ook door niets ter wereld verontreinigd, daar Hij een oneindig zuivere geest is.
2. Ofschoon God door zijn wezen overal tegenwoordig is, vertoont Hij toch op eenige plaatsen, op bizondere wijze, zijne werkdadigheid. Daarom zeggen wij, dat de hemel zijn troon is, dewijl Hij daar aan de zaligen zijne glorie vertoont: dat de zielen der rechtvaardigen zijne tempels zijn, omdat Hij door zijne heib\'gmakende genade op eene bizonde-re wijze in die zielen tegenwoordig is.
60
B Volmaaktheden van Gods kennis.
IX. Grod is 1° alwetend, Hij kent op de volraaaktste wijze alles, wat gekend kan worden. De wijze, volgens welke God kent, is volmaakt; de omvang zijner kennis oneindig.
a. De volmaaktheid der wijze, waarop God kenl, blijkt hieruit: Hij kent van alle eeuwigheid «Hes het is; Hij weet en begrijpt alles tegelijk, door één enkelen blik; Hij bezit die kennis door zich zeiven, Rij verkreeg die niet door eenig wezen buiten zich. — Dat alles is een gevolg van de oneindige volmaaktheid van Gods wezen.
h. De omvang der goddelijke alwetendheid is oneindig.
Hij kent en begrijpt zich zeiven. „De geest (Gods) doorgrondt alles, ook de diepten der Godheidquot; (I Oor. 11,10).
Hij kent alles wat bestaat of bestaan kan, wat geweest is en zijn zal; Hij ziet onze handelingen en doorschouwt de geheimste gedachten onzer harten.
„De oogen Gods...... doorschouwen de diepste afgronden
in de harten der menschen; want God den Heer loaren alle ddngen hekend, eer Hij ze schiep, en zoo doorgrondt Hij ze ook alle, nadat zij voltooid zijn.quot; (Eccli. XXLIJ, 28).
Dat God ook alle toekomende dingen kent, welke van \'s menschen vrijen tuil afhangen, blijkt duidelijk uit de voorzeggingen van Christus en de Profeten.
Opinerkmg. 1°. De mensch verliest echter daardoor zijne vrijheid Diet: want hij handelt niet zóó of zóó, omdat God dit voorziet en kent: maar God ziet en kent van eeuwigheid \'s menschen daden, die hij uit vrijen wil zal verrichten. Zoo b. v. verloochende Petrus den Heiland, omdat deze het voorzegd had ; maar Christus voorzag en voorspelde die verloochening van Petrus, waaraan deze Apostel zich met vrijen wil zou plichtig maken.
2°. Het is goed en nuttig dikwijls aan Gods tegenwoordigheid en alwetendheid te denken.
a. Die gedachte zal ons, zoowel in de eenzaamheid als in het openbaar, van alle zonden terughouden en ons tot beoefening der deugd aansporen.
b. Die herinnering zal ons in kommer en in lijden, in droefheid en smart, vertroosten, bemoedigen en versterken. Dien troost smaakte de H. man Job, toen hij uitriep : «In den hemel is mijn getuige, en die mij kent is in den hoogequot; [Job. XVI, 20.].
61
X. — 2°. God is al wijs, cl. i. Hij weet alles op de beste wijze in te richten en de geschiktste middelen aan te wenden, om het doel, dat Hij zich voorstelt, te bereiken.
Het hoofddoel, dat G-od zich in de schepping voorstelde, is de openbaring zijner oneindige volmaaktheden. Ook ieder schepsel heelt zijne bizondere bestemming, waardoor eene bewonderenswaardige wereldorde ontstaat. Vooral moeten wij Grods wijsheid bewonderen in de beschikking der lotgevallen van ieder mensch in \'t bizonder, en ook van geheele volkeren. Menigmaal staan wij over sommige onverwachte gebeurtenissen verbaasd; doch later kunnen wij niet genoeg Gods wijsheid bewonderen, die alles zoo goed geregeld heeft, en zelfs de booze inzichten der men-schen deed dienen tot volvoering van het goddelijke plan. Dikwijls echter blijft, gedurende dit leven, veel voor ons oog verborgen, wat ons eerst in de eeuwigheid duidelijk zal worden.
Besluit. Wij moeten dus altijd een onbegrensd en kinderlijk vertrouwen op God stellen en met zijne beschikkingen tevreden zijn.
C. Eigenscliappen van Gods wil.
XI. God is 1° almachtig, d, w. z. Hij kan alles zonder uitwendige middelen, en daartoe is slechts één enkel besluit van zijn wil noodig.
Dewijl alle volmaaktheden in God oneindig zijn, moet ook zijne macht grenzenloos wezen. Als er iets was, dat Gods macht te bovenging, of indien Hij, om iets te volbrengen, uitwendige middelen noodig had, dan zou zijne macht niet volmaakt en oneindig zijn.
Dit leert ons ook de H. Schrift: „Bij God is niets onmogelijkquot; (Luc. I, 37). „Gij hebt alle dingen geschapen en door meen wil toerden zij geschapen\' (Openb. IV,
II).
XII. Slechts één ding kan God niet, namelijk : iets
62
doen wat strijdig is met zijne volmaaktheden. Dat is echter geene zwakheid, maar een noodzakelijk gevolg van zijne volmaaktheid.
Opmerking. God is vrij in de uitoefening zijner almacht ; Hij kou de schepselen uit het niet te voorschijn roepen of niet, deze wereld of eene andere scheppen.
XIII. — 2°. G-od is heilig, d. i. Hij wil en bemint enkel het goede en verfoeit het kwade.
Heilig noemen wij den mensch, die standvastig het kwaad vermijdt en het goede bemint en beoefent. Oneindig heilig is dus God, dewijl Hij het goede met volmaakte liefde bemint en het kwaad met oneindigen haat verfoeit. — Het goede is, op de eerste plaats. God zelf en zijne volmaaktheden en vervolgens alles, wat met zijne goddelijke volmaaktheid overeenstemt.
Kwaad is alles, wat strijdig is met Gods H. wil, met zijne eeuwige volmaaktheden.
Daarom zegt de H. Schrift: „Gij (o Heer !) bemint de gerechtigheid en haat het onrechtquot; (Ps. XLIV , 8).
Opmerking. 1°. God moet noodzakelijk de zonde haten. Hij kan jegens haar niet onverschillig zijn, anders zou Hij ophouden oneindig heilig te wezen.
2°. Daarom ook verlangt en wil God, dat wij meer en meer volmaakt worden. »Dit is de wil Gods, uwe heilig making\'\'\' [I Thess. VI, 4]. ygt;Zijt heilig, wijl Ik heilig henquot; [Lev. XT, 44].
XIV. — 3°. God is rechtvaardig wil zeggen: Hij beloont en bestraft naar verdiensten.
Fechtvaardig noemen wij hem; die elkeen — zich zeiven en anderen — geeft wat hem toekomt. God geeft zich zeiven wat Hem toekomt, door zich zeiven te kennen en te beminnen als het hoogste goed, en door de aanbidding en gehoorzaamheid van alle redelijke schepselen te vorderen.
Hij geeft den schepselen wat hun toekomt, door het goede te beloonen en het kwaad te straffen.
„Hij zal eenieder vergelden naar zijne iverken\' (Rom. II, 6).
XV. Hierbij moeten wij nog opmerken, dat God niet verplicht was ons eene belooning voor onze gehoor-
63
zaamheid aan zijne geboden te schenken; ook zonder dat loon zouden wij Hem onderwerping verschuldigd zijn.
Doch God,in zijne oneindige liefde, beloofde vrijwillig aan den menscli de belooning zijner deugd. Door deze belofte is Hij als onze schuldenaar geworden, en zal Hij onze deugden beloonen naar verdienste d.i. volgens de van eeuwigheid vastgestelde orde. Het geringste goed werk, dat wij doen, zelfs een beker water in zijn naam gegeven, zal niet onbeloond blijven.
Insgelijks zal Grod het kwade naar verdienste straffen d. w. z. gelijk het naar de besluiten zijner eeuwige rechtvaardigheid verdient gestraft te worden. Greene enkele misdaad, zelfs geene zondige gedachte, zal ongestraft blijven.
XVI. Waar en wanneer heeft de volmaakte vergelding plaats ?
A. De belooning der deugd en de bestraffing der zonde begint reeds in dit leven.
1° a. De ondervinding en de geschiedenis leeren ons, dat de deugdzamm op zichtbare wijze door Grod beschermd worden; dat zij menigmaal op wondervolle wijs gered en in eer en glorie verheven worden. Denken wij aan Jozef m Egypte en aan den vromen man Joh.
h. Ook zelfs te midden van lijden en rampspoeden vindt de rechtvaardige troost en opbeuring in zijn rein geweten en in de hoop op den hemel; hij draagt zijn ongeluk met geduld en gevoelt niet al den druk ■ kenden last der wederwaardigheden, welke hem treffen.
2°. a. De zondaar daarentegen ontvangt dikwijls reeds in dit leven de straf zijner boosheid: tegenspoed, ziekte en een schielijken dood. — Herinneren wij ons slechts eenige voorbeelden uit de geschiedenis ; Ah salon, Achah, Antiochus, enz.
h. Ook dan zelfs, wanneer het den zondaar xiiterlijk in alles voorspoedig gaat, is hij nooit tevreden of gelukkig. Hij is niet tevreden, omdat hij haat en afgunst in zijn hart voedt, omdat hij nimmer zijne driften geheel voldoen kan; hij is gejaagd en ongerust, omdat de knagingen zijns gewetens hem overal, te midden der vermaken, vervolgen en kwellen.
64-
é
»
B. Doch de volkomen vergelding van goed en kwaad heeft eerst in de eeuwigheid plaats. Daar zal God den deugdzame beloonen met eene eeuwige en onbeschrijfelijke zaligheid ; daar zal Hij den onboetvaardigen zondaar, volgens de orde zijner eeuwige gerechtigheid, met onbegrijpelijk zware en eindelooze straffen vergelden.
Besluit. De beschouwing der goddelijke rechtvaardigheid moet ons aansporen, om de zonden zorgvuldig te vermijden en steeds met nieuwen ijver in de deugd voort te gaan «Vreest vooralquot; zegt Christus, «Dengene, die lichaam en ziel in \'t verderf der hel kan stortenquot;. [Matth. X, 28].
Verder moeten wij daaruit besluiten, nooit op onze goede werken of op onze vermeende deugd trotsch te wezen, maar God in nederigheid des harten te dienen. Zoo leert ons de H. Paulus, wanneer hij zegt ; «Ik ben mij van niets [kwaads] bewust, maar daarom toch niet gerechtvaardigd: die mij oordeelt, is de Heerquot; [1 Cor. IV, 4].
XVII. 4°. God is goed, harriharlig en lankmoedig. God, de cdgoede, wil den schepselen goed mededeelen en overlaadt hen inderdaad met ontelbare weldaden. Als de oneindig barmhartige, is Hij geneigd het kwaad af te keeren en bereid den boetvaardigen zondaar vergiffenis te schenken.
God is lankmoedig, omdat Hij dikwijls lang wacht, eer Hij den zondaar straft, ten einde hem tijd tot boetedoening te geven.
a Van Gods goedheid getuigt ons het gansche heelal, want het is \'t werk zijner goedheid; daaraan herinneren ons de ontelbare natuurlijke en bovennatuurlijke weldaden, welke wij van Hem ontvangen hebben of die in de eeuwigheid ons beloofd zijn.
God, het oneindig volmaakte Wezen, moet grenzen-loos goed zijn, dewijl de goedheid eene volmaaktheid is, welke wij zelfs in den mensch bewonderen.
Daarom zegt de H. Schrift: „Gij hemint alles, wat Gij geschapen hebt, en haat niets van datgene, wat Gij gemaakt hebt\'\'\'\' (Wijsh. XI, 25).
b Vooral de rouwmoedige zondaar is het voorwerp der goddelijke barmhartigheid, daar God hem door zijne genade tot bekeering helpt en bereid is
ft*
\'J
hem vergiffenis te schenken en de eeuwige straf van hem of te wenden. Gods barmhartigheid is een noodzakelijk gevolg zijner goedheid, welke geneigd is allo goed te bewijzen.
Zij is ook overeenkomstig met zijne wijsheid, omdat de eeuwige verdoemenis den mensch van zijne bestemming afrukt. Wanneer den mensch dat ongeluk overkomt, dan geschiedt het, omdat hij Gods erbarmende hand, die hem redden wilde teruggestooten heelt.
Het grootste bewijs van Grods goedheid en barmhartigheid is, dat Hij zijn eenigen Zoon op de wereld gezonden heeft, om door zijn lijden en dood het diep gevallen menschdom te redden. Ook is de H, Schrift vervuld met uitspraken, waarin Gods barmhartigheid — vooral jegens den berouwhebbenden zondaar — verheerlijkt wordt.
— c. Gods lankmoedigheid stelt den zondaar in staal, de uitwerkselen der oneindige barmhartigheid te ondervinden ; zij wacht den zondaar af, opdat hij, na oprechte bekeering, genade moge erlangen.
Deze waarheid leert ons de H. Schrift:
„God heeft geduld en toil niet, dat iemand verloren gei\' (2 Petr. III, 9). Zij woidt ons getoond in het voorbeeld van Kinive en Jerusalem.
Gods lankmoedigheid is een gevolg van zijne goedheid, die den zondaar niet ééns, maar herhaaldelijk roept en vermaant tot bekeering; van zijne barmhartigheid, welke alle middelen gebruikt, om het eeuwige ongeluk van den zondaar af te wenden.
XVIII. 5°. God is waarachtig, d. i. Hij spreekt en openbaart niets anders dan de waarheid.
Als alwetend kan God niet dwalen; als oneindig heilig kan Hij niet in dwaling voeren of bedriegen : indien een van beide mogelijk was, zou Hij niet volmaakt zijn.
XIX. 6°. Eindelijk, God is getrouw, Hij volbrengt alles, wat Hij belooft of waarmee Hij bedreigt.
Gods getrouwheid volgt noodzakelijk uit zijne waar-
5
achtigheid, waardoor zijne woorden de uitdrukking van zijne gedaeliten en zijn wil zijn; ook volgt zij uit Gods onveranderlijkheid, kraclitens welke Hij bij ket eenmaal genomen besluit volhardt; ook kan Hij als almachtig altijd zijn wil ten uitvoer brengen.
De geschiedenis van \'t Israëlietische volk geeft ons van die waarheid de duidelijkste bewijzen. Daarom zegt de H. Schrift: „Weet, dat de Heer mo God
een sterke en getrouwe God is, die zijn verhond houdt-,.....
maar ook allen, die Hem haten, evenzeer vergeldt\'1 (Deut.
VII, 9).
Besluit: 1°. Wij moeten altoos, in welke omstan-digheden wij ons bevinden, aan Gods woord vaste-lijk gelooven en op zijne beloften onwankelbaar vertrouwen.
2°. Ten allen tijde moeten wij de waarheid spreken, afkeer hebben van leugentaal en de gedane beloften getrouw vervullen.
§ 5.
Over de H. Drievuldigheid.
I. In God zijn drie Personen : de Vader, de Zoon, en de H. Geest. Dat God één is in wezen en drievuldig in Personen, m. a. w. dat de drie goddelijke Personen, welke wij in God erkennen, slechts één zijn in wezen ot dezelfde goddelijke natuur hebben, noemen wij : het geheim der allerheiligste Drieviddigheid. —
quot;Wij moeten dit geheim gelooven :
1° omdat de leer der H. Drieëenheid ons in de H. Schrift wordt verkondigd. In het Oude Testament werd zij op verschillende plaatsen aangeduid.
Reeds op de eerste bladzijde der H. Schrift lezen wij : „laten Wij den meusch maken naar Ons beeld en gelijkenisquot; (Gen. I, 26). Later: „de Heer (de „Vader) zeide tot mijnen Heer (den Messias); neem „plaats aan mijne rechterhandquot; (Ps. CIX), op welke woorden Jesus zelf de Joden opmerkzaam maakte.
Doca eerst in het N. T. werd dit verheven geheim met duidelijke woorden voorgehouden. „Gaat en onderwijst alle volkeren, hen doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des li. Geestesquot; (Matth.
XXVIII, 19).
2°. Diezelfde waarheid verkondigden, op bevel des Heeren, de Apostelen, zooals uit ontelbare plaatsen hunner schriften blijkt.
3°. Door alle eeuwen heen heeft de katholieke Kerk deze leer zuiver en onvervalscht bewaard, gelijk wij uit hare liturgische boeken en uit de veroordeelingen, tegen de ketters uitgesproken, duidelijk zien.
De nadere verklaring dezer waarheid zullen wij, tot meerdere duidelijkheid, in eenige punten samenvatten.
II. Ieder der drie goddelijke Personen bezit de ééne en dezelfde goddelijke natuur, met alle goddelijke volmaaktheden, zoodat elke Persoon waarachtig God is. Deze waarheid behoeft hier niet nader bewezen te worden, dewijl allen, die aan God gelooven, de godheid des Vaders aannemen. Over God den Zoon en God den H. Geest zal later uitvoerig gesproken worden.
III. Ofschoon de Vader, de Zoon en de H. Geest als Personen onderscheiden zijn, is nochtans de goddelijke natuur niet onder de drie Personen verdeeld, maar geheel in eiken Persoon; want het goddelijke wezen, de goddelijke natuur, is ondeelbaar. Er is dus maar ééne goddelijke natuur, ééne godheid, één God in drie onderscheidene Personen.
IV. Daaruit volgt van zelf, dat de eene Persoon niet grooter, ouder of machtiger is dan de andere : zij zijn alle drie van eeuwigheid en even volmaakt, wijl alle drie maar één en dezelfde God zijn.
V. Waardoor zijn dan de drie goddelijke Personen onderscheiden ?
Zij zijn hierdoor onderscheiden, dat de Vader niet voortkomt, niet voortgebracht is ; dat de Zoon van den Vader is geboren of voortgebracht, en de H Geest
68
van den Vader en den Zoon te zamen voortkomt.
De eerste Persoon der H, Drievuldigheid is Vader, omdat Hij voortbrengt; de tweede is Zoon, omdat Hij voortgebracht wordt; de derde is H. Geest, dewijl Hij door den Vader en den Zoon te zamen nitge ademd wordt (spïratur), of van hen voortkomt.
De drie Personen hebben dus met elkander gemeen het goddelijk luezen; ieder Persoon heeft echter voor zich datgene eigen, waardoor Hij deze Persoon en niet een andere is : dat noemen wij •persoonlijke eigenschap.
VI. Ofschoon de Personen van elkander onderscheiden zijn, mogen wij Hen toch niet als gescheiden houden.
„Gelijk wij zien, dat de afstraling onafscheidbaar is van het licht, zoo belijden wij ook, dat de Zoon van den Vader niet gescheiden kan worden,quot; zegt het Cone, van Toledo, geh. in 675,
VIL Ofschoon de Zoon door den Vader wordt voortgebracht, en de H. Geest van beiden voortkomt, zijn toch de Zoon en de H. Geest van eeuwigheid. geJijk de Vader; zij zijn ook niet geschapen, maar hebben een noodzakelijk en eeuwig bestaan.
VIII. Wanneer wij zeggen; de eerste, de tweede, de derde Persoon der H. Drievuldigheid, dan duiden wij daardoor niet een voorrang onder de goddelijke Personen aan, maar alleen de orde, waarin de eene Persoon uit den anderen van eeuwigheid vourtkomt,
TWEEDE AFDEELING,
1)E n. DEIEVrLDIGHEID IX UAEE WEEKEN XAAE BUITEN.
\' § 1.
Over Gods werken.
1. Tot dusverre hebben wij de H. Drieëenheid beschouwd in haar wezen en in de verhouding der drie goddelijke Personen tot elkander.
69
Alle werken naar hviten d. i. buiten het goddelijk wezen, zooals b. v. de schepping, zijn in gelijke mate aan de drie Personen eigen.
Nochtans worden sommige dezer werken aan één der drie goddelijke Personen toegekend oi toegeschreven. Dit geschiedt met die werken, welke \'t meest geschikt zijn om aan te toonen, wat iederen Persoon in \'t bizonder eigen is en waardoor zij van elkander onderscheiden zijn.
II. Den Vader is dit bizonder eigen, dat Hij de oorsprong is, waaruit de twee andere Personen van eeuwigheid voortkomen. Daarom worden den Vader die werken toegeschreven, waarin zich het vaderschap, waarin zich de eeuwige voortbrenging,\'t meest afspiegelt, namelijk de schepping der wereld en andere werken, in welke vooral de goddelijke almacht uitschijnt.
III. De Zoon wordt door den Vader voortgebracht door de kennis van zichzelven ; dewijl nu wijsheid, in \'t algemeen, de vrucht is der kennis, wordt den Zoon de wijsheid toegeschreven met al die werken, waarin bizonder Grods wijsheid zich vertoont, zooals de ordening en regeling des heelals en het werk der verlossing of herstelling der oorspronkelijke orde.
Bij het laatste punt moeten wij opmerken, dat God de Zoon alleen de menscheiijke natuur heeft aangenomen, ofschoon ook de Vader en de H. Geest tot de menschwording en verlossing hebben medegewerkt.
IV. De H. Geest gaat van den Vader en den Zoon uit, als de onderlinge liefde. Daarom worden Hem de werken der liefde en vooral de heiligmaking toegeschreven.
V. Ziedaar de voornaamste waarheden, welke ons over het aanbiddelijk geheim der H. Drievuldigheid door de H. Schrift verkondigd en door de H. Kerk geleerd worden.
Wij noemen dit geloofspunt een geheim, omdat het eene waarheid is, welke het menschelijk verstand, door eigen krachten, niet kan kennen, en evenmin, nadat het tot de kennis dier waarheid door de Openbaring
gekomen is, kan hegrijpen — Wij begrijpen immers niet, hoe in één God drie Personen kunnen zijn.
Hier kunnen wij niet anders dan de beperktheid van ons verstand erkennen, eerbiedig neerknieleu, Gods onbegrijpelijke Majesteit aanbidden en — gelooven. Ja. vastelijk gelooven, omdat de eeuwige en onfeilbare Waarheid zicb zelve aldus aan ons geopenbaard heeft.
De nadere beschouwing van dit aanbiddelijk ge heim moet ons tot nederigheid stemmen, dewijl ons daardoor Gods verhevenheid en onze eigen onmacht aangetoond worden ; zij moet ons verlangen ontvlammen, om eens God in den hemel te bezitten en van aanschijn tot aanschijn te aanschouwen.
§ 2.
Over de schepping eu het bestuur der wereld.
-
A. Over de schepping in het algemeen.
I. Wanneer wij hier spreken van de wereld., dan verstaan wij daardoor: hemel ea aarde, met alle geschapene, zoowel onzichtbare als zichtbare wezens. God dan heeft de wereld geschapen, d. i. uit niets gemaakt, zonder vooraf bestaande stof, aXlezn door de kracht van zijn wil.
Deze waarheid wordt duidelijk bewezen : —--
1) Men kan evenwel niet aantoonen, dat er tegenstrijdigheid in ligt. Immers wij beweren niet, dat God in zijne natuur tegelijk één en drievuldig is, hetgeen zeker onzin zou wezen j maar wij zeggen, dat Hij, hoewel één van natuur, drievoudig in Personen is. Indien de goddelijke natuur gelijksoortig aan de onze was en de goddelijke Personen men-schen waren zooals wij, zou dit onmogelijk zijn. Doch hoe onvolmaakt is onze kennis van het goddelijk wezen en van de goddelijke Personen ! Gewoonlijk wordt het door deze gelijkenis toegelicht. Onze ziel is eveneens éénvoudig, en toch onderscheiden wij in haar drie onderscheidene vermogens: verstand, geheugen en wil. Wij gevoelen zeer goed, dat de wil of de wilskracht niet het vei stand is, waardoor wij het ware van het valsche onderscheiden , en dat de wil ook weder verschilt van het geheugen, waardoor wij ons het verledene herinneren. Nochtans gelooven en weten wij, dat wij maar ééne ziel hebben
71
lu. Door de H. Schrift: „In den beginne (d. i. in den beginne der geschapen dingen of in den aanvang des tijds) schiep God hemel en aarde (Gen I, 1).
Het woord scheppen beteekent hier niet : regelen , ordenen; want onmiddellijk na \'t aangehaalde vers volgt : „de aarde echter loas woest en ledigzij moest dus nog geordend worden. God schiep, wil alzoo zeggen ; Hij maakte uit niets. — In dien zin werd dat woord ten alle tijde verstaan, in het O. en ook iuhetX. V.
,.ln den heginne was het Woord .... Alles is door hetzelve gemaakt en zonder hetzelve is niets gemaakt ivat gemaakt isquot; (Joan I, l—3j. Hier leert ons het Evangelie, dat alles, al het geschapene, door het Woord (God den Zoon) gemaakt is; er bestond alzoo buiten God niets, waaruit het heelal kon vervaardigd worden ; dit werd dus in het aanzijn geroepen door de kracht van den goddelijken wil.
2°. Diezelfde waarheid werd door de HH. Vaders van alle eeuwen geleerd, door de H. Kerk altoos verkondigd en laatstelijk nog plechtig uitgesproken in het Vatikaansche Concilie.
3quot;. Zelfs de rede, nadat zij \'t begrip der schepping door de Openbaring verkregen heeft, toont ons aan, dat de wereld niet anders, dan door schepping uit niets kan voortgebracht zijn.
a. Immers, had God eene vooraf bestaande stof noodig gehad, om de wereld te maken, dan zou die stof van zijnen wil en zijne macht onafhankelijk geweest zijn; derhalve zou zijne macht begrensd, en niet oneindig zijn.
b. Indien men de schepping verwierp zou men ten laatste moeten aannemen, dai; de stof eeuwig is en de wereld zich zelve gevormd heeft, of dat zij zelve God is — hetgeen zeker ongerijmd en goddeloos is.
Immers: De stof kan niet eeuwig zijn, en de icereld heeft zich zelve niet gevormd
Want: «. Een wezen, dat uit zich zeiven en noodzakelijk bestaat, is (gelijk wij vroeger zagen) volmaakt en onveranderlijk. Elk schepsel en ook alle schepselen
72
samen genomen zijn onvolmaakt en veranderlijk; zij kunnen dvis niet door zich zeiven, niet van eeuwigheid bestaan, zij moeten door een ander voortgebracht zijn.
Zelfs voor het kleinste organisme (dier of plant) is het vanzelfont-staan onmogelijk. Dit is door de waarneming bevestigd. De beroemde natuurkundige Flourens, lid van de Academie Frang, zegt daarover: »De generatio spontanea (vanzelfontstaan) der insekten wordt door niemand meer verdedigd sedert Redi (1668) ; die der ingewandswormen door niemand meer sedert van Berieden (1853) ; die der afgietseldiertjes (infusoriën) door niemand meer sedert Balbiani (1862 en van geen enkel dier meer sedert Pasteur (1864).
,3. De oorspronkelijke stof, waaruit de wereld zou ontstaan zijn, kan niet iets stoffelijks zijn ; want dan had zij geene geesten, gelijk de menschelijke ziel, kunnen voortbrengen, Evenmin kan zij een geest zijn; uit dezen toch, als onverdeelbaar en onstoffelijk wezen, kan geen stof geboren worden.
y. De schoone orde en harmonie, welke in de wereld bestaat en, zooals wij vroeger zeiden, het bestaan van God bewijst, toont ons tevens aan, dat alles niet uit zich zeiven of door toeval aldus samengevoegd en geordend is, maar noodzakelijk een hooger, een oneindig wijzen Bestuurder veronderstelt, die alles geregeld heeft.
De wereld is niet één met God, maar van Hem onderscheiden. Want :
a. God immers is noodzakelijk, onveranderlijk, oneindig volmaakt: deze eigenschappen zijn rechtstreeksch strijdig met die der stoffelijke wereld.
?• Als God één met de wereld was, dan zou er geen onderscheid bestaan tusschen goed en kwaad, wat toch door ons verstand en door ons geweten erkend wordt.
B. Over de schepping der wereld in den tijd.
1. De wereld is niet eeuwig, zij ontstond in den tijd, of beter, met den aanvang van den werkelijken tijd, die eerst met haar begonnen is.
Zij is niet eeuwig ; want zij heeft de kenteekenen niet van een we\' zen, dat eeuwig is zij verandert voortdurend, en dit staat lijnrecht tegenover eeuwigheid.
73
De Bijhelsche tijdrekening begint eerst met de schepping des menschen. De vraag, of de wereld toen reeds lang bestond, zullen wij tlians beantwoorden
IT. God heeft de wereld, gelijk de Bijbelscbe geschiedenis ons leert, in zes dagen geschapen.
Moeten wij door die zes dagen verstaan : gewone dagen van 24 uren, of lange perioden van honderden of duizenden jaren? Vele geleerden zijn van meening, dat de beste opvatting is die van gewone en natuurlijke dagen.
Op de tegenwerping, dat de verschillende lagen van kolen, steen en andere stoffen, gevonden in den schoot der aarde, in de 6000 jaren sedert de schepping van den mensch niet kunnen gevormd zijn, wordt geantwoord ;
1° Al die lagen kunnen afkomstig zijn van den zondvloed en van latere overstroomingen.
2° De stellingen der Aardkunde (Geologie) zijn, voor het grootste deel, ijdele theorieën en onbewezen veronderstellingen, welke elkander menigmaal tegenspreken. ^
Er zijn nochtans ook zeer vele katholieke schrijvers, die de ses dagemXs perioden vamp;n vele jaren beschouwen,, of tusschen de natuurlijke dagen dergelijke perioden aannemen. Volgens deze uitlegging zou de wereld vele duizenden jaren vóór den mensch bestaan hebben. Ook die meening kan men volgen en verdedigen, omdat zij niet strijdig is met de H. Schrift, noch met de leer der Kerk.
1) De geleerde natuurkundige Cuvier zegt; »Mozes heeft ons eene cosmogonie nagelaten, welker nauwkeurigheid eiken dag op de bewonderenswaardigste wijze wordt bevestigd. Zijne cosmogonie is, van een zuiver wetenschappelijk standpunt beschouwd, in \'t bizonder daarom merkwaardig, omdat de orde, welke hij voor de verschillende tijdperken der schepping aanwijst, nauwkeurig dezelfde is als die, welke uit de geologische nasporingen wordt afgeleidquot; ; terwijl Ampere verklaart: \'gt;Of Mozes bezat eene even grondige kennis der natuurwetenschappen als onze eeuw, óf hij was geïnspireerd.quot;
74
III. Waarom heelt God de wereld iu zes dagen of tijdperken geschapen en niet in één oogenblik ?
Omdat dit het meest met zijne oneindige wijsheid overeenstemde. Zoo schept Hij ook niet in eens eeue plant of een boom. maar laat die langzaam uit het zaad opgroeien. De reden echter, waarom dit zijner wijsheid past, heeft Hij ons niet geopenbaard, en wij kunnen haar dus niet doorgronden.
IV. Waarom heeft God de wereld geschapen?
1° JVïei uit noodzakelijkheid; want in de werken huiten zich zeiven is God volkomen vrij; ook is Hij in zich zeiven oneindig gelukkig en volmaakt en behoeft niets buiten zich.
2° Hij schiep de wereld, omdat Hij oneindig goed is, en aan de schepselen de blijken zijner goedheid wilde mededeelen.
a. God bemint met oneindige liefde zijne goedheid, zijne volmaaktheden, en daarom wilde Hij deze in de schepping openbaren. Derhalve zegt de H. Schrift: „Alles heeft de Heer om zich zslven gemaaktquot; (Spr. XVI, 4).
b. Ofschoon de uitwendige verheerlijking Gods het laatste en hoogste doel der schepping is, beoogde zijne oneindige goedheid toch ook het welzijn der schepselen en dus ook de zaligheid des menschen,
Hieruit besluiten wij : 1° het laatste doeleinde der schepping is: Gods verheerlijking door de schepselen; 2° het nadere doel; het welzijn der schep telen,
C. Over het bestuur der \'wereld en de goddelijke Voorzienigheid.
I. Indien God, na de schepping, de wereld aan zich zelve had overgelaten, dan zou alles terstond in wanorde vervallen, ja tot het niet teruggekeerd zijn. De Heer echter behoudt en bestuurt de wereld door zijne Voorzienigheid. Door dezelfde kracht van zijnen wil, waardoor Hij de wereld schiep, maakt Hij ook, dat zij bestaan blijft zooals en zoolang het Hem behaagt.
II. God bestmirt de wereld d. w. z. Hij draagt
75
] zorg voor allen en voor alles, van den raeuscli tot I het nietigste schepsel; Hij beschikt en geleidt alles met wijsheid en goedheid tot het doel, waartoe de wereld geschapen is, namelijk tot zijne eigen verheerlijking en tot het welzijn der menschen, Er is of geschiedt dus niets in de wereld uit noodzakelijkheid of bij toeval; niets geschiedt er of God wil het of laat het toe, om redenen zijner wijsheid bekend.
III. Dat er eene Voorzienigheid bestaat, die de wereld regeert, is eene waarheid, op ontelbare plaatsen der H. Schrift ons geopenbaard. Zoo lezen wij in het boek der wijsheid (XIV, 3): „Uwe voorzienigheid, Vader! bestuurt alles.quot; Deze waarheid wordt ook door de rede bevestigd. Immers, wanneer wij overwegen, dat Grod almachtig en oneindig wijs is en alle schepselen met vaderlijke liefde bemint; wanneer wij de wonderbare orde en samenwerking van alle deelon des heel als en de wondervolle lotsbeschikkingen der menschen gadeslaan, dan moeten wij daarin de hand der Voorzienigheid erkennen (Zie § 2 der vorige Afdeeling).
IV. Indien God alles bestuurt, waarom geschiedt er dan kwaad in de wereld ?
God wil de zonde niet, integendeel; Hij laat ze echter toe:
a. omdat Hij den mensch een vrijen wil geschonken heeft, welke een heerlijk en den wijzen Schepper waardig geschenk is. Het goede gebruik der vrijheid strekt den mensch tot eer en God tot verheerlijking. Doch daaruit volgt tevens voor den mensch de mogelijkheid, om zijne vrijheid ten kwade te misbruiken ;
h. omdat God. zooals wij dagelijks in de wereld kunnen zien, ook het kwade tot voltrekking zijner eeuwige raadsbesluiten weet te leiden.
V. Waarom bestaan in de wereld zoovele rampen, ziekten en andere wederwaardigheden?
1° Die rampen zijn de natuurlijke gevolgen en straffen van de erfzonde en van de andere zonden.
2° Daarenboven kunnen zij den mensch als midrib-
len dienen, om zijn hoogste doel, de eeuwige zaligheid, te bereiken, dewijl zij geschikt zijn, om den zondaar tot bekeering te brengen en aan de rechtvaardigen gelegenheid tot vele verdiensten te verschafien.
VI. Wanneer wij somtijds zien, dat zondaars in de wereld gelukkig zijn en alles naar hun wensch gaat, de deugdzamen daarentegen met vele onheilen te kampen hebben, dan moeten wij er aan denken : dat het geluk der boozen slechts in schijn bestaat en zij, door \'t gemis der zielerust , in werkelijkheid diep ongelukkig zijn : dat God hen voor het weinige goed, wat zij doen, hier op aarde beloont, daar zij in de eeuwigheid volgens Gods rechtvaardigheid zullen gestraft worden ; dat God ook door bewijzen zijner goedheid den zondaar tot inkeer brengen wil. Voor de rechtvaardigen zijn de tijdelijke rampen geen werkelijk kwaad, dewijl zij daardoor in de deugd bevestigd en volmaakt worden, voor hunne zonden voldoen en hunne verdiensten voor den hemel vermeerderen. Die rampen maken hen meer gelijkvormig met den lijdenden Verlosser. Daarenboven schenkt God hun inwen-digen troost, waardoor de last der wederwaardigheden licht en aangenaam gemaakt wordt.
Besluit. Wanneer rampen en tegenspoeden ons treffen, moeten wij die als bewijzen van Gods goedheid aannemen en geduldig verdragen ; want: xwitn God liefhccjt^ dien tuchtigt Hijquot; (Hebr. XII, 6);
xwien Hij wil verheffen^ dien vernedert Hijquot; (Spreuk XVIII, 13).
§ 3-
Over de schepping in liet bizonder.
A. Dlt;i Engelen.
I. Behalve den mensch en de andere zichtbare en stoffelijke schepselen, heeft God ook nog onzichtbare en onstoffelijke wezens geschapen, die wij Engelen noemen.
De Engelen zijn zuivere geesten, met rede en wil begaafd, die geen lichaam hebben.
Hun naam wordt ontleend aan een Griekseli woord, dat afgezant beteekent. Zij dragen dien naam, dewijl God lien als zijne dienaars gebruikt, om zijnen wil bekend te maken of uit te voeren.
II. Dat er Engelen bestaan, en dat zij zuivere geesten zijn, is eene waarheid, ons door de H. Schrift en de Overlevering geleerd. Wanneer zij zich nu en dan in een zichtbaar lichaam vertoonden, dan was dat niet een eigen, maar een aangenomen lichaam. De natuur der Engelen is veel verhevener en volmaakter dan die der mensdien; hun verstand, hunne kracht, hunne schoonheid overtreffen verre \'s menschen vermogens.
II]. Het juiste getal der Engelen is ons onbekend, doch is zeker zeer groot, dewijl in de H. Schrift van duizenden en mülioenen gesproken wordt. Zij worden verdeeld in drie hiërarchieën, welke ieder drie koren bevatten : de Engelen, de Aurtsengelen en de Krachten ; de Machten, de Overheden tn de Heerschappijen; de Tronen, de Cherubijnen en de Serafijnen.
IV, Hoedanig waren de Engelen bij hunne schep-ping ?
Zij waren met de heiligmakende genade en vele andere heerlijke gaven verrijkt en bezaten een, hiin-ner natuur eigen, geluk. God echter had hen ook tot een bovennatuurlijk geluk bestemd, hetwelk zij door hunne getrouwheid moesten verdienen.
Aan hen, die gedurende den gestelden proeftijd Gode getrouw bleven, werd de bovennatuurlijke zalig heid, welke in \'t aanschouwen en \'t bezitten des Al-lerhoogsten bestaat, geschonken. Zoo zegt o. a. de Heiland ; „Hunne Engelen aanschomcen altijd het aanschijn mijns Vaders, die in de hemelen is1\' (Matth. XVIII, 10).
V. Velen echter onder de Engelen stonden, gedurende den tijd hunner beproeving, door de zonde van hoogmoed, tegen God op. Daardoor verloren zij de heiligmakende genade , en werden nu tot straf neder-geworpen in den afgrond der hel, waar zij in eeuwigheid de vreeselijkste pijnen verduren. „God heeft de
7S
Engelen, die zondigden, niet gespaard, maar in den duisteren kerker des afgronds geworpen en overgeleverd aan de pijnenquot; (2 Petr. II, 4). Deze afgevallen Engelen worden booze geesten of duivelen gebeeten.
Ofsclioon God toelaat, gelijk wij straks zullen zien, dat zij over de wereld ronddwalen, dragen zij toch overal hunne straffen met zich mede.
VI. In welke verhouding staan de Engelen tot ons menschen ?
l». Zij beminnen ons, omdat wij schepselen van den hemelschen Vader en bestemd zijn, hiernamaals eeuwig met hen gelukkig te worden; zij bewaren ons in ontelbare gevaren des lichaams zij bidden voor ons, dragen onze gebeden aan God op en vermanen ons door heilige inspraken ten goede, maar vooral verdedigen zij ons in den strijd voor onze zaligheid en zullen ons, ook in het uur des doods, tegen den boozen vijand beschermen.
2°. God heeft zelfs aan eiken mensch in het bizonder een Engel ter zijner bescherming gegeven, dien wij Engelbewaarder noemen.
Van \'t begin onzes levens waakt die Engel over ons, leidt ons op den weg der deugd en verwijdert ons door heilzame ingevingen van de zonde ; hij draagt onze gebeden en goede werken aan God op ; hij beschermt ons in de gevaren, vooral in de bekoringen en in het uur van onzen dood.
Vil. Wat wij onzen H. Engelbewaarder verschuldigd zijn, leert ons de H. Bernardns met deze woorden : „eerbied voor zijne tegenwoordigheid, dankbaarheid voor zijne goedheid, en vertrouwen in zijne bescherming.quot;
quot;VUL Geheel anders is\'s menschen verhouding tot de booze geesten, de duivelen. Uit haat tegen God en afgunst jegens ons, die bestemd zijn om eens het eeuwig geluk des hemels te bezitten, dat zij door hunne schuld verloren hebben, zijn de duivelen hoogst vijandig jegens
\\) Denken wij aan de geschiedenis van Tobias, van den H. Petrus in den kerker, enz.
79
ons gezind. Zij haten de tnenschen en zoeken hen op alle mogelijke wijze — in zooverre God dit toelaat — ook zelfs in hun lichaam te schaden 1). Vooral echter trachten zij den mensch tot zonden, tot onboetvaardigheid en zoo tot zijne eeuwige verdoemenis te brengen.
IX. De booze geesten zoeken ons ten val te brengen, door ons de zonde als bevallig of als eene onschuldige of geringe zaak voor te stellen; door ons, nadat wij \'t kwaad bedreven hebben, gedachten van wanhoop in te blazen, met één woord, door ons te hekoren tot zonden in gedachten, woorden of werken.
X. Waarom laat God deze bekoringen toe?
1°. Tot zijne eigen verheerlijking ; want, dewijl de strijd voor onze zaligheid door de aanvallen des duivels des te heviger is, zoo wordt, wanneer wij dien strijd met getrouwheid voeren, aan God des te grootere eer bewezen.
2°. Ook laat Hij dit toe tot heil der mensch en, omdat wij daardoor juist het bewijs onzer liefde jegens Hem kunnen leveren en ons de gelegenheid geschonken wordt, vele deagden te beoefenen.
XI. Ora de bekoringen des duivels te overwinnen, moeten wij :
1°. bidden, dagelijks en vurig bidden, vooral in \'t oogenblik der bekoring de HH. namen van Jesus en Maria aanroepen, het kruisteeken maken, ons met wijwater besproeien of eenige schietgebeden doen ;
2°. den bekoorder terstond standvastig weerstaan, volgens het woord van den H. Jacobus (IV, 7): vwederstaat din duivelen hij zal van u vliedenquot;
S0. Een krachtig wapen, om de overwinning in dezen strijd te bevechten, is: het vluchten der eenzaamheid, der ledigheid, der naaste gelegenheden en andere gevaren.
B. Over de schepping des menschen.
I. Xadat de hemellichamen en de aarde, met hare planten en dieren, geschapen en tot één prachtig geheel geordend waren, wilde God ook den mensch
1
Dit blijkt uit de geschiedenis van Job en het voorbeeld van vele menschen, die zelfs, gelijk de H. Schrift getuigt, door den duivel bezeten werden.
so
scheppen. Om ons diens verhevenheid en grootheid voor te stellen, sprak God : „Laat Ons den mensch maken naar ons heeld en gelijkenis\'\' (Gren, 1, 26).
Eenige oogeloovige natuurkundigen van den lateren tijd, wier zwak en ziekelijk brein niet meer het geloof aan het bestaan van een persoonlijken, 1) over de wereld met onbeperkte macht heerschenden God wilde verdragen, hebben de bewering opgesteld, dat de mensch door geleidelijke ontwikkeling uit een kikvorsch of een aap is voortgekomen.
Deze leer is:
1°. oniveienschappelijk^ wijl de natuurkunde, die beweert hare leerstel lingen uit de ervaring te putten, geen enkel bepaald en feitelijk bewijs voor hare bewering kan aanhalen,
2°. Zij is strijdig met de rede. Want, indien die natuurlijke ontwikkeling ooit heeft plaats gehad, waarom wordt ze thans niet meer waargenomen ; waarom bestaan de zoogenaamde tiisschenvormen niet meer r Sedert wanneer heefr de natuur dan hare kracht verloren, om dieren tot menschen te maken ?
3°. De ziel, een onstoffelijk en vrij handelend wezen, kan onmogelijk door een wezen, dat in zijn leven en werken volkomen aan de stof gebonden is, voortgebracht worden.
4°. De ongeloovigen spreken bij hunne hypothesen van 7iattiurkeuze^ waardoor zij willen aanduiden, dat de natuur uit hare eigen kracht de noodzakelijke elementen weet uit te kiezen, om steeds meer volmaakte wezens te vormen. Die natuurjieiis is iets of niets. Is zij iets, dan is zij een denkend wezen — God : is zij niets, dan kan ze ook niets voortbrengen
5°. Eindelijk leert de ondervinding, uit de vergelijking der ontdekte fossiele overblijfselen, dat, in den loop der eeuwen, altijd hetzelfde onderscheid bestaan heeft, ook in den uiterlijken vorm des lichaams van den menseh en welk dier men ook neme.
Geen wonder, dat tegenwoordig de meeste, zelfs ongeloovige natuur-vorschers met deze dwaze en goddelooze leer van Darwin c. s. den spot drijven. 2)
Keiaas ! tot zulke ongerijmdheden vervalt de mensch, als hij voor het licht der Openbaring de oogen sluit!
II. Gelijk wij int de Bijbelsche geschiedenis weten, werd bet licliaatn van den eersten mensch, Adam, door God uit aarde gevormd; vervolgens blies God hem den adem des levens in, d. w. z. Hij schiep de ziel en vereenigde die met het lichaam.
1) C. Vogt zegt, dat hij het systeem van Darwin heeft omhelsd, omdat het nu met den Schepper voor goed uit is.
2) Toen Darwin in 1872 als correspondeerend lid van de Fransche Academie werd voorgedragen, is hij om zijn volslagen gebrek aan wetenschappelijke methode met groote meerderheid van stemmen afgewezen.
81
Daarna vormde de Heer het liebaara der eerste vrouw uit een ribbe van Adam, en stortte ook haar eene onsterfelijke ziel in. God had zeker liet lichaam van E%\'a uit niets kunnen scheppen of uit eene andere stof kunnen maken; doch Hij deed het op bovengemelde wijze om verschillende redenen, o- a. om de innige vereeniging van getrouwheid en liefde aan te duiden, welke tusschen man en vrouw bestaan moet.
Ill De eerste menschen, door God geschapen, bestonden dus uit ziel en lichaam Alle menschen, die ooit op aarde geweest zijn of zijn zullen, bestaan ook, gelijk Adam en Eva, uit ziel en lichaam, en stammen van hen af.
Deze waarheid kennen wij door het geloof; zij wordt bevestigd door de natuurkunde, welke ons bewijst, dat alle menschenrassen tot ééne soort behooren
Dat in ieder mensch eene onsterfelijke ziel woont, d. i. een geest, die aan het lichaam leven en beweging geeft, doch niet gelijk het lichaam sterft, is eene hoofdwaarheid des geloofs.
1°. Zij wordt ons op ontelbare plaatsen der H. Schrift geleerd ; zij ia de grondslag van het Christendom ; zij werd door alle christenvolken, zelfs door vele heidenen, erkend.
2\'. Dat de ziel een geest is, leert ons zelfs de rede: immers de werkende kracht van een wezen kan niet volmaakter zijn, dan dat wezen zelf. Onze ziel nu verricht geestelijke, boven de kracht der stof verheden handelingen, zooals het bestaan Gods erkennen, redeneeren, willen, enz. Dat alles valt buiten het bereik der zinnelijke organen. Dus is in ons een geest, die deze handelingen verricht.
Zoo zegt o. a. Buffon, dat alles samenstemt om de éénheid van het menschelijk geslacht te bewijzen; dat er oorspronkelijk geen verschil van rassen bestond, maar dat deze later, toen de menschen zich over de geheele wereld verspreid hadden, door den invloed des klimaats, door het verschil in voeding en levenswijze, en door andere oorzaken ontstaan zijn.
6
82
3\'. Wanneer wij bij ons zeiven nadenken en redeneeren , dan zegt ons eene innige overtuiging, dat dit het werk onzer ziel is.
4°. Ook moeten zij, die de onsterfelijkheid der ziel ontkennen, noodzakelijkerwijze allen godsdienst, alle zedelijkheid, alle verantwoordelijkheid voor onze daden tegenover God loochenen, en geheel de zedelijke orde omverwerpen.
Eindelijk zij hier nog opgmerkt, dat degenen die meenen, of liever voorgevexi overtuigd te zijn, dat wij geene onsterfelijke ziel hebben, in den regel men-schen zijn die een slecht en schandelijk leven leiden en daarom verlangen, dat met dit leven alles zal eindigen.
IV. De Algoede heeft dus den mensch geschapen, en wèl naar zijn beeld en gelijkenis.
Daardoor moeten wij verstaan, dat de mensch, vooral naar zijne ziel, het evenbeeld van God is :
1°. door de natuurlijke gaven, welke God hem heelt geschonken ; door die gaven namelijk, welke tot het wezen of de natuur van den mensch behooren- Die gelijkenis met God komt vooral hierin uit:
a dat \'s menschen ziel een geest is, d. i. een onstoffelijk, met verstand begaafd wezen, hetwelk het ware en het goede kennen kan ;
6 dat zij vrij is in hare handelingen, d. i, kan kiezen tusschen doen en laten;
c dat zij onsterfelijk is en, nadat het lichaam vergaan is, eeuwig blijft leven.
Door deze drie eigenschappen der ziel, welke als eene afspiegeling zijn van drie volmaaktheden van God, is de mensch verre boven alle zichtbare schepselen verheven.
2° De eerste mensch was, voor den zondeval, het evenbeeld Gods, vooral door de bovennatuurlijke gaven, welke hij van den Schepper ontvangen had. Hierover thans iets breedvoeriger.
V. Bovennatuurlijke gaven noemen wij die gaven, welke niet noodzakelijk tot het wezen van den mensch
beliooren, maai\' door Gods goedheid aan zijne natuur zijn toegevoegd en kern in eene hoogere orde verplaatsen.
VI. Welke bovennatuurlijke gaven heeft God aan Adam en Eva geschonken ?
De heiligmakende genade en bizondere voorrechten naar ziel eu naar lichaam.
God gaf kim 1° de heiligmakende genade, d. w, z. die bovennatuurlijke gave Gods,, waardoor de mensch rechtvaardig, heilig eu op bizondere wijze Gode aangenaam is en in staat gesteld wordt hot geluk des hemels te bereiken.
Met deze genade waren tegelijk de drie goddelijke deugden van geloof, hoop en liefde verbonden.
Dat de eerste menschen. vóórdat zij gezondigd hadden, in staat van rechtvaardigheid en heiligheid waren, leeren ons ontelbare plaatsen der H. Schrift. Ook wordt Christus ons overal voorgesteld als de Verlosser, die aan het menschdom de genade, welke door de schuld der eerste ouders was verloren gegaan, heeft teruggegeven.
Met de genade waren 2° de volgende voorrechten naar de ziel verbonden :
a. Het verstand der eerste menschen was met groote en uitgebreide kennis verrijkt.
h. Hun wil was sterk en machtig en beheerschte de zinnelijke lusten, zóó zelfs dat geen ongeregelde drift in hen opkwam.
Eindelijk 3u naar het lichaam zouden zij nimmer sterven en niet aan de smarten en kwellingen des levens onderworpen zijn.
Ziedaar hoe de Schepper, in zijne oneindige goedheid den mensck hoven zijn natuurlijken toestand verheven en hem, met de heiligmakende genade, ook de andere even vermelde gaven geschonken heeft. Daarenboven zouden al deze gaven ook overgaan op geheel het menschelijk geslacht, en eindelijk zou eene bovennatuurlijke en eeuwige zaligheid het loon zijn voor het getrouw medewerken met de goddelijke genade.
84
§
A. Zondeval der eerste rnenschen.
I. Gelijk God den Engelen een proeftijd gesteld had, zóó wilde Hij ook, dat de mensch bewijzen zijner getrouwheid geven zou. De Heer had aan het eerste menschenpaar al die buitengewone gunsten uit louter goedheid geschonken; Hij stelde hun nu ook de voorwaarde, welke vervuld moest worden om die gaven te bewaren en aan hunne nakomelingen te kunnen overgeven 1). Die voorwaarde was, dat zij niet zouden eten van de vrucht van éénen boom in het paradijs, waarin God hen geplaatst had 2).
II. Adam en Eva, door den duivel misleid, overtraden Gods gebod en maakten zich aan eene zware zonde schuldig. Daardoor verloren zij :
a_ De bovennatuurlijke gaven, namelijk :
1quot;. de heïlinmakende genade, en derhalve de vriendschap van God, het bovennatuurlijke leven der ziel en het recht op den hemel;
2° door die zonde verloor de wil de heerschappij over de zinnen, zoodat hij nu met de booze neigingen des vleesches te kampen had; en
3° het lichaam verloor de onsterfelijkheid. Voortaan zou het aan den dood onderworpen zijn.
b. Ook werden de natuurlijke krachten hunner ziel verzwakt. — Duisternis kwam over hun verstand, en hun wil werd tot kwaad geneigd.
1
Indien Adam de heiligniakende genade bewaard en aan ons overgeleverd had, dan zouden daarom toch niet alle menschen zalig geworden zijn. Ieder mensch had dan voor zich die genade door ongetrouwheid kunnen verliezen. Nochtans zou de strijd veel gemakkelijker geweest zijn dan nu het geval is. S. Thomas; De malo C. 5 IV ad 8.
2
God had als Schepper en grootste Weldoener des menschen het volste recht van hem eene onbeperkte gehoorzaamheid te vorderen en hem de voorwaarden te stellen, waaronder de mensch, voor zich en zijne nakomelingen, de hem geschonken gaven zou bewaren en zijn eeuwig geluk bereiken. God gaf den eersten menschen dan een gebod, dat zij gemakkelijk konden onderhouden, doch dat zeker onder zware zonde verplichtte, wijl Hij hen met zeer strenge straffen bedreigde, indien zij dat gebod zouden overtreden.
85
Uit het paradijs verdreven, waren zij thans onderworpen aan alle ongemakken des levens, aan den dood. en ten laatste
c. hadden zij voor de toekomst verdiend, van Gods aanschijn voor eeuwig verstooten te worden en met de duivelen de straf der hel te deelen.
B. De erfzonde.
I. Onze stamouders zouden, indien zij gehoorzaam gebleven waren, de heiligmakende genade met alle bovennatuurlijke gaven aan hunne nakomelingen overgeleverd hebben ; doch door hunne zonde hebben zij die verloren, niet alleen voor zich zeiven, maar ook voor geheel het menschelijk geslacht.
Ziehier eene gelijkenis, welke ons dit punt eenigszins zal ophelderen. Een man bekomt van zijnen koning een landgoed , dat hij niet alleen zelf mag bezitten , maar ook na zijn dood aan zijne kinderen overgeven. De vorst heeft zijne gunst afhankelijk gemaakt van het nakomen dezer enkele voorwaarde , dat aan zijn gezworen vijand geen verblijf op het erfgoed zal gegeven worden. — Wordt deze voorwaarde niet vervuld, dan zal de gunsteling oogenblikkelijk alle rechten verliezen. De man herbergt evenwel dien vijand en komt alzoo in verzet tegen zijnen vorst. Nu wordt hij uit het laud-goed verdreven, en alle recht en aanspraak daarop is verbeurd. Die schoone bezitting is dus verloren voor hemen ook voor zijne kinderen , aan wie hij niets van dit koninklijk geschenk kan nalaten ; ook op hen gaat des vorsten gramschap over.
II. Zóó ging het ook met het menschelijk geslacht; Adam, ons aller stamvader , zondigde en verloor de hei ligmakende genade en de andere bovennatuurlijke gaven ; alle menschen . die van hem afstammen , worden geboren heroofd van de heiligmakende genade, ice/ke zij, volgens t?e ordening der goddelijke Voorzienigheid,, moesten bezitten; dour die berooving in een toestand van tegenstrijdigheid met Gods ivil gekomen, zijn zij kinderen van gram-
86
schap en onbekwaam om de glorie des hemels te genieten.
Met één woord : de zonde onzer eerste ouders is met al hare kwade gevolgen op alle menschen overgegaan , zoodat allen, met de erfzonde besmet, geboren worden.
III. Dit voor \'s menschen verstand onbegrijpelijk geheim wordt ons in verschillende plaatsen der H. Schrift duidelijk geleerd, o. a. door deze woorden van den H. Panlus (Rom V, l\'2envlg): „Gelijk door éénen mensch de zonde in de wereld gekomen is en door de zonde de dood, en alzoo is de dood op alle menschen overgegaan, omdat allen in hem (Adam) gezondigd hehhen.quot;—Die woorden zijn duidelijk : alle menschen, zonder uitzondering , sterven, omdat allen in dien éénen mensch Adam gezondigd hebben.
Ook leert ons de H. Schrift, dat Christus voor alle menschen gestorven is (2 Cor. V, 15); daaruit volgt, dat allen gezondigd hebben. Velen echter hebben geene persoonlijke zonde begaan ; dus zijn allen met de erfzonde besmet.
h. Dusdanig was altijd de leer der Kerk; ten allen tijde werd liet Doopsel, ook voor de kleine kinderen. als een noodzakelijk middel ter zaligheid beschouwd , en de Kerkvaders en Conciliën der eerste en aller volgende eeuwen leggen getuigenis af van het voortdurend geloof der Kerk aan de erfzonde.
c. Bij de heiddenen vint men de overlevering dezer waarheid, alhoewel met dwalingen doorvlochten , duidelijk terug.
IV. Vóórdat wij de jfeuoZ^-eJi der erfzonde aangeven, moeten wij eerst deze opmerking maken : dat de erfzonde hierin van de persoonlijke zonde verschilt, dat aan deze laatste eene handeling van den wil moet voorafgaan, terwijl de erfzonde daarentegen een zondige toestand is, welke met de menschelijke natuur, zonder medewerking van onzen wil, op ons overgaat.
V. Welke zijn de gevolgen der erfzonde ?
1°. Wij hebben daardoor, met de heiligmakende genade, het kindschap Gods en het recht op den hemel verloren.
87
2°. Voor het gansche menschdom werd de onwetendheid des geestes grooter, de ongeregelde begeerlijkheid des vleesches deed zich gevoelea en de wil werd tot kwaad geneigd.
3°. I)e mensch werd onderworpen aan de wederwaardigheden des levens en aan den dood.
Ten slótte kunnen wij nog, a,ls een gevolg van den zondeval der eerste menschen, beschouwen : den vloek Gods, welke over de aarde kwam. Vóór den val leefde de mensch onbeschrijfelijk gelukkig : de dieren waren hem onderdanig en de aarde bood hem van zelf bloemen , kruiden en vruchten tot zijn onderhoud aan. Doch nadat God gesproken had; »Om uwe zonde zij de aarde gevloekt; uit haar zult gij\\ onder zware/i arbeid^ voedsel trekken^ alle de dagen uws levens ; distelen en doornen zal zij u voortbrengenquot;\'\'\' (Gen. III, 17 en 18), toen veranderde alles: in de dieren ontwaakten wildheid en wreedheid, en de mensch moest voortaan, in het zweet zijns aanschijns zijn onderhoud vinden.
Ofschoon \'s menschen verstand door den val der eerste ouders verduisterd werd, heeft het toch niet al zijne krachten verloren, zelfs niet met betrekking tot de godsdienstige waarheden. Want alleen door zijne natuurlijke kracht kan het b. v. het bestaan van God kennen. — Ook de wil, ofschoon verzwakt, is daarom niet geheel krachteloos \\ hij heeft nog altijd de vrijheid behouden.
§ 5.
De onbevlekte Ontvangenis.
De afstammelingen van Adam en Eva worden, zooals wij boven gezien hebben, in zonde ontvangen.
Er is slechts ééne lützoiulering op dien regel: de allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria. Zij alleen was in het eerste oogenblik van haar ontstaan vrij van alle smet der erfzonde en versierd met de heilig-makende genade.
Deze waarheid wordt ons door de H. Schrift geleerd. Toen God, na den zondeval van het eerste menschen-paar, den vloek uitsprak over den duivel, die zich onder de gedaante van eene slang verborgen had, voegde Hij er bij : „ik sa? vijandschap stellen tusschen u en de vrouw, tusschen uw zaad en haar zaad ; zij zal u den kop verpletteren.quot;
Deze vrouw, die door haar zaad, dat wil zeggen.
88
door haren Zoon, den kop van den duivel verpletteren zou, is de H. Maagd Maria. De vijandschap, de strijd tusschen haar en den duivel, die, verre van te overwinnen, door haar overwonnen en verpletterd is, — dat is haar zegepraal op de zonde, hare onbevlekte ontvangenis.
Ook de woorden, die God door den mond van den Engel Grabriel tot Maria richtte; „Gij zijt vol van genade,quot; doelen op het zelfde voorrecht. Want die woorden zouden niet ten volle waar zijn, als Maria gedurende een enkel oogenblik van haar bestaan, van de heiligmakende genade ware beroofd geweest.
Deze leer der onbevlekte ontvangenis van Maria is door Paus Pius IX z. g. op den 8sten December 1854 tot een dogma verheven, met deze woorden ; „Krachtens het gezag van onzen Heer Jesus Christus, van de HU. Apostelen Petrus en Paulus en het onzi, verklaren, verkondigen en bepalen wij: de leer welke inhoudt, dat de allerheiligste Maagd- Maria van het eerste oogenblik harer ontvangenis, door eene bizondere genade en voorrecht van den almachtig en God, ziende op de verdiensten van Jesus Christus, den Verlosser der menschheid, van alle vlek der erfzondi is vrij bewaard, — is door God geopenbaard en moet derhalve door alle geloouigen vast en onwrikbaar geloofd worden.quot;
Door de H. Maagd Maria vrij te bewaren van de erfzonde, bereidde God in zijne barmhartigheid de verlossing der wereld, de komst van den Verlosser vooi.
§ 6-
Gods barmhartigheid na den zondeval.
I. Na den val onzer stamouders kon het mensche-lijk geslacht zich zeiven niet redden, noch zich tot den vorigen toestand weder opheffen. De mensch kon noch uit eigen krachten de beleediging, den Allerhoogste aangedaan, herstellen, noch voor zich zeiven de heiligmakende genade terugbekomen. God had nu,
89
in zijne oneindige rechtvaardigheid, het menschdom aan zijn ongelukkig lot kunnen overlaten, gelijk Hij de gevallen Engelen voor eeuwig van zijn aanschijn verworpen heett.
II. Doch ziet, Gods oneindige barmhartigheid had medelijden met het gevallen menschdom en wilde het weder van den val opheften, het de heiligmakende genade en het recht op den hemel teruggeven. Daartoe stonden G-od verscheidene middelen ten dienste; de menschwording van den Zoon Gods was daartoe niet volstrekt noodzakelijk.
III. Maar dewijl God van alle eeuwigheid besloten had , bij het werk der verlossing eene volkomen voldoening te vorderen, kon het menschdom niet anders gered worden dan door eene voldoening, door God zeiven gegeven, Immers de beleediging , den Allerhooogste aangedaan, bevatte eene oneindige boosheid , dewijl zij tegen het oneindig groot en volmaakt Wezen gericht was; daarvoor konden alle schepselen te zamen geen volmaakte voldoening brengen ; alleen een oneindig volmaakt wezen, God zelf, wiens werken van oneindige waarde zijn, kon de aan God aangedane beleediging op volmaakte ivijze herstellen.
Dewijl het menschdom in zijn stamvader den Schepper beleedig l had , zoo wilde God , dat ook door de menschelijke natuur het offer der verzoening gebracht zou worden.
En hier nu moeten wij de oneindige liefde en barmhartigheid van den tweeden Persoon der H. Drievuldigheid loven en prijzen : Hij toch bood zich den eeuwigen Vader aan, om de menschelijke natuur aan te nemen, te lijden en te sterven, teneinde \'t gevallen menschdom te redden en aan de goddelijke Rechtvaardigheid eene volkomen voldoening te geven. Door vrijwillig de straf der zonden te dragen moest die voldoening gegeven worden.
IV. God beloofde reeds aan onze eerste ouders, vóórdat zij uit het paradijs verdreven werden, den Verlosser der wereld, toen Hij sprak tot de slang (en in haar tot
90
den duivel): „Ik zal vijandschap stellen tusschen u en de vromu, tusschen uw zaad en haar zaad; zij zal u den kop verpletteren\'quot; (Gen. III. 15).
Die belofte echter zou niet terstond vervuld worden , maar eerst omstreeks 4000 jaren na de schepping van den mensch. Dit besluit was zeker geheel met G-ods oneindige wijsheid in overeenstemming.
V. Ofschoon wij dit raadsbesluit van Gods wijsheid niet kunnen doorgronden, mogen wij toch de volgende redenen, waarom de komst des Heiland zoo lang uitgesteld werd, aangeven :
1°. Door hoogmoed vooral was het menschdom ten val gekomen; door nederigheid en erkenning der diepe ellende : waarin het zich bevond en waaruit niemand dan God alleen het redden kon, moest het menschdom tot de overtuiging komen van het onbeschrijfelijke onheil, door de zonde gesticht.
2°. Door het uitstellen der verlossing moesten de menschen voorbereid worden om de kostbare goederen , welke de Heiland hun zou aanbrengen, naar waarde te schatten.
S1\'. Ook was het met de hooge waardigheid des Verlossers zeiven overeenkomstig, dat eerst het menschdom tot zijne komst voorbereid, en zijne verschijning vurig verlangd en afgebeden werd.
VI. De Bijbelsche geschiedenis leert ons , dat velen onder de nakomelingen van Adam God verlieten en tot allerlei ondeugden vervielen. De zondvloed verdelgde geheel het menscbelijk geslacht, behalve Noë en zijn gezin. De goddelijke openbavingen, aan de eerste menschen gedaan , en de hoop op een toekomstigen Verlosser, welke i^oë van zijne voorouders ontvangen had , gaf hij weder aan zijne nakomelingen over. De meesten van hen verlieten weldra den dienst van den waren God en gingen tot afgoderij over. Opdat echter het ware geloof op aarde zou behouden blijven , verkoos God Abraham en zijn nageslacht tot zijn eigen volk. Hij beschermde en geleidde steeds op wonderbare wijze dit uitverkoren volk, en gaf het later, op den berg Sinaï,
91
zijne geboden. Aan zijn volk openbaarde de Heer, in den loop der tijden, door den mond zijner Profeten, nog na der de komst en het leven des Verlossers. Ofschoon het Israëlietische volk meermalen, in de eeuwen , die de komst van Christus voorafgingen, den dienst van God verlaten had , was echter bij hen de ware godsdienst algemeen heerschend , toen de tijden vervuld waren , dat de Heiland der wereld verschijnen zou. Doch ook onder het Joodsche volk bestond er groote verdeeldheid en heerschten huichelarij en zedenbederf. Over de geheel e wereld werd, gelijk wij uit de Kerkelijke geschiedenis weten, de schandelijkste afgoderij gepleegd, en alom verregaande zedeloosheid en de grootste zedelijke ellende gevonden.
Het Joodsche volk, hetwelk door de voorzeggingen wist, dat thans de tijd der komst van den Messias aangebroken was, verlangde vurig Hem te zien verschijnen. Zelfs bij de heidenen, die van de oorspronkelijke Openbaring nog iets bewaard hadden, deden zich stemmen hooren, die verlangend om den Redder en Verlosser riepen.
VII. Ten slotte moeten wij nog deze opmerking maken: dat de rechtvaardigen in het O. V. hunne zaligheid konden bewerken met de hulp der genade, welke God hun om de toekomstige verdiensten des Verlossers gaf. Zij konden echter eerst door Hem en met Hem het hemelrijk ingaan; hunne zielen moesten in het Voorgehorgte der hel 1) de komst des Heilands afwachten.
Zelfs de heidenen waren niet verlaten; ook hun schonk God menigvuldige genaden tot heil hunner zielen, door de stem huns gewetens, door weldaden in de orde der natuur, door buitengewone mannen, die onder hen den waren God erkenden, en eveneens door het Israëlietische volk, dat te midden der heidensche natiën leefde en ook onder hen verspreid werd.
3) Dit was eene plaats, waarin de zielen der rechtvaardigen, die vóór Christus gestorven waren, in de zoete hoop op hare verlossing verbleven .
92
DERDE AFDEELING.
HET WEEK DEE TEELOSSINCt.
I n 1 e i tl i n
In het vorige hoofdstiik hebben wij God in zijn wezen en in zijne oneindige volmaaktheden beschouw] ; vervolgens hebben wij gezien, hoe Hij de wereld schiep en voortdurend bestuurt; hoe Hij den mensch. den koning der schepping niet alleen met natuurlijke gaven, maar ook met bovennatuurlijke voorrechten begiftigde. De mensch, door zijne schuld uit dien boven-natuurlijken staat gevallen, kon zich zeiven niet redden; daarom kwam de eeuwige Zoon des Vaders op aarde, om het gevallen menschdom te verlossen. Deze waarheid belijden wij in het tweede artikel des ge-loofs, wanneer wij zeggen: „En in Jesus Christus, zijn eeniggehoren Zoon, onzen Heer.quot;
Vooraleer wij overgaan tot de bewijsvoering, dat Christus de beloofde Messias, dat Hij waarachtig God is, zal het dienstig zijn, eene korte uitlegging van den zin en de woorden van het boven aangehaalde geloofsartikel te geven.
I. Het tweede artikel der Apostolische geloofsbelijdenis leert ons, dat de Verlosser, ons door God beloofd en gezonden, de eeniggeboren Zoon Gods Jesus Christus, onze Heer is.
II. De naam van Jesus beteekent : Heiland, Verlosser ; „Gijzult zijnen naam Jesus noemen ; loant Hij zal zijn volk van hunne zonden verlossenquot; (Matth. I, 21). Christus. in het Hebreeuwsch Messias, beteekent: Gezalfde. — Hij wordt Gezalfde genoemd, omdat in het O. V. de Profeten, de Hoogepriesters en de Koningen gezalfd werden, en Jesus de groote Pro/ee^, onze Hoogepriester en opperste Koning is.
Hij is waarlijk de Profeet bij uitnemendheid, omdat Hij ons alles geopenbaard heeft, wat wij gelooven, hopen en doen moeten om zalig te worden.
Hij is onze Hoogepriester, dewijl Hij zich zeiven aan het kruis voor ons
93
geslachtofferd heeft, zich nog dagelijks op onbloedige wijze in het Misoffer opoffert, en in eeuwigheid onze Middelaar en Voorspreker in den hemel is.
Hij is onze Koning, dewijl Hij het Opperhoofd is van het geestelijke rijk der Kerk, wier ledematen wij zijn, en ook der zegevierende Kerk in den hemel, alwaar Hij ons eene plaats bereid heeft 5 Hij heerschr ook als rechtvaardig Koning over hen, die voor eenigen tijd of voor eeuwig van zijn aanschijn verworpen zijn.
III. Jesus wordt de eeniggehoren Zoon Gods genoemd, omdat Hij de tweede Persoon der H. Drievuldigheid is, de eenige, waarachtige Zoon Gods, van alle eeuwigheid bestaande en één van natiiur en wezen met God den Vader.
IV. Jesus wordt eindelijk onze Heer geheeten, omdat Hij God is en, gelijk de Vader, Schepper en Heer van hemel en aarde; ook omdat hij als God-Mensch, ons heeft verlost en eens onze Rechter en in eeuwigheid onze opperste Koning zijn zal.
§ I-
Jesus Christus, de beloofde Verlosser.
I. Reeds in het aardsche paradijs beloofde God den menschen een Redder te zenden, die de heerschappij des helschen vijands zou vernietigen. Die belofte herhaalde Hij aan de Aartsvaders, vooral aan Abraham, wien hij openbaarde, dat de Verlosser uitzijn geslacht zoii geboren worden.
Later zond God Profeten, d. w. z. heilige en door Gods ingeving verlichte mannen, die de komst en het leven des Heilands met de grootste nauwkeurigheid beschreven en voorspeld hebben.
Deze Profeten, wier voorzeggingen wij in de H. Schrift opgeteekend vinden, bewezen hunne goddelijke zending door de heiligheid huns levens en door mirakelen. Ook werden zij ten allen tijde door de Joden en ook door de katholieke Kerk beschouwd als mannen, die spraken op bevel en door bizondere ingeving Gods. | Dewijl de uitkomst volkomen aan hunne voorspellingen
94
beantwoord heeft, wordt ook daardoor hunne goddelijke zending bevestigd
Wanneer wij nu aantoonen, dat alles, wat de Pro feten van den Verlosser voorzegd hebben, in Jesus Christus is vervuld geworden, dan volgt daaruit, dat Hij de beloofde Messias, de Heiland der wereld is.
II. Door verscheidene kenteekenen hadden de Profeten den Verlosser aangeduid. Vooral hadden zij van Hem voorspeld ; 1quot; het tijdstip zijner komst; 2° verscheidene omstandigheden zijner geboorte; 3° de voornaamste gebeurtenissen van zijn openbaar leven, zijn lijden en sterven; 4quot; zijne verrijzenis en hemelvaart; 5» de verwoestina; van Jerusalem en de verwerping van het Joodsche volk, omdat het den Heiland niet erkende en eindelijk de roeping en de bekeering der heidenen.
Dat alles werd letterlijk in en door Christus vervuld, gelijk wij aanstonds gaan bewijzen ; Hij is dus de door God beloofde en gezonden Verlosser der wereld.
1quot;. a. De Aartsvader Jacob voorspelde (Gen, XLIX), dat de Messias, de verwachte der volkeren, komen zou wanneer de sehepter van Juda zou weggenomen zijn, d. i. wanneer de Israëlieten niet meer een zelfstandig volk zouden wezen, en de stam van uda geen konink ■ lijk gezag meer zou bezitten.
Ten tijde van Christus, geboorte vond dit het eerst plaats, zóó zelfs dat de Joden zeiven, eenige jaren latei\', erkenden : „ Wij hebben geen anderen Koning dan den Keizerquot; (Joan. XlX, 15).
h. De Profeet Daniël bepaalde duidelijk den tijd van het openbaar optreden en van den dood des Verlossers. Hij voorzeide namelijk, dat van den tijd, waarop het hevel zou gegeven worden om Jerusalem weder op te bouwen; tot aan de verschijning van den Christus 69 jaarwe-ken zouden voorbijgaan; dat de Heiland in het midden der zeventigste jaarweekzou ter dood gebracht worden. — Inderdaad, in\'t 20ste jaar der regeering van Artax-erxes-Longimanus werd het bevel gegeven om Jerusalem
1) Over liet gezag der H. Schrift en het bestaan der Openbaring zie men Hoofdstuk I; § 2 en 3.
95
weer op te houwen 1) ; dit was in het iaar 299 na de stichting van Rome. Christus nu trad als leeraar op in\'t jaar 782 na Rome\'s stichting; dus waren er 483 jaren verloopen sinds het bevel, waarvan Daniël spreekt, gegeven was; dus juist 7 maal 69 jaarweken. Drie jaren later, omstreeks de helft der zeventigste jaarweek, werd Christus gekruisigd.
c. Eindelijk voorspelde de Profeet Aggeiis aan de uit de Babylonische gevangenschap teruggekeerde Joden. dat de Messias zou komen, terwijl de tweede tempel nog bestond. En Malachias (III, 1) voegde daarbij : „ Weldra zal de Heerscher. dien gij zoekt, en de Engel des Testaments, naar tuien gij verlangt, tot zijnen tempel komen.,, — En werkelijk verscheen de Heiland, terwijl de tweede tempel nog bestond, en bezocht dien herhaal de malen.
Aldus werden de voorzeggingen nopens het tijdstip, waarop de Messias zou konen, letterlijk in Christus vervuld.
2°. Aangaande de geboorte des Verlossers voorspelden de Profeten Isaïas, Micheas en David : dat Hij te Bethlehem, uit eene Maagd, van den stam van Juda en uit het geslacht van David, zou geboren worden; dat koningen uit verafgelegen landen Hem zouden komen aanbidden; dit alles wederom werd in Christus vervuld (Zie Schusters Bijb. gesch. I. bl. S3. 112 ; II. bl. 11).
3°. Van het openhaar leven des Heilands werd door Isaïas voorspeld, dat Hij ontelbare wonderen zou verrichten, dat Hij den blinden het gezicht, den dooven liet gehoor zou wedergeven, dat Hij de kreupelen en stommen genezen zou — Van zijn lijden en sterven werden, vooral door de Profeten David, Isaias en Zacharias, de kleinste bizonderheden beschreven, o. a. dat Hij voor 30 zilverlingen zou verkocht worden; dat Hij geslagen, in \'t aangezicht gespuwd, met edik
1
Vroeger was den Joden slechts verlof gegeven om naar hun land
96
en gal gelaafd zou worden; dat zijne handen en voeten doorboord zonden worden, en men om zijn bovenkleed het lot zou werpen 1).
Dit alles nu is volmaakt in Christus bewaarheid geworden.
4°. Ook werden door David de verrijzenis en de hemelvaart des Heilands voorspeld, en de zending des H. Geestes door den Profeet Joel (Zie psalm 15 en 67 ; Joel II, 28). Door de Apostelen werd, na \'s Hee-ren hemelvaart, het Joodsche volk er op gewezen, hoe deze voorzeggingen in Christus vervuld zijn (Zie Bijbelsche geschied. I 83; II blz. 110).
5°. Eindelijk werd nog, vooral door Isaias, Malaehi-as, en Daniël, voorspeld ; dat, na den dood des Verlossers, een vreemd volk met üijnen aanvoerder komen en Jerusalem met den tempel verwoesten ?ou; dat deze verwoesting tot aan het einde der tijden zou blijven voortbestaan; — dat het Joodsche volk den Heiland niet zou erkennen en daarom, tot straf, door God verstooten zou worden; dat het geene offers en geen tempel meer zou hebben, en dat dit volk over de aarde zou verspreid worden. — Over de roeping der heidenen werd voorzegd : dat de Messias den heidenen een licht zou wezen en alle volkeren in Hem gezegend zouden worden; dat Hij een nieuw priesterdom zon stichten en zijn rijk (de Kerk) zich over de gansche aarde uitbreiden en geen einde hebben zou.
Al deze voorzeggingen der Profeten, honderden jaren te voren gedaan 2) en opgeteekend in de HH. Boeken, wier historisch en goddelijk gezag wij vroeger bewezen hebben, werden letterlijk in Christus vervuld. Hij is dus de door God beloofde Verlosser.
Christus zelf en de Apostelen bewezen den Joden, ^uit de Schriften der Profeten, dat de Messias gekomen,
I *=-lt; / pui ./r/ciltL. t t- • li i\'U dij l-tf.\'-\' ■ -\' ,
1) Zie Bijb. gesch. Ijpl. ê3, 112. 11/78, 86, 103, 117.
.3) Malac/tias, de laatste der Profeten, leefde 450 jaren vóór Christus.
3 t ï Sr- /Vl- t.ƒ(V^ , . , ƒ gt; 1 /, \' / , .
WA/*- Ap™-** lt;■gt;\'!, ï*quot;*» fCtyJ* .fr. c
. : %-i£y.*U—
ftt** /Cl Or\' f ». -Kr \\ •
i /■* •** *lt;\' •••■• - . • ,
97
§ 2.
Jesus Christus waarlijk God.
I. Hier zullen wij, kort en duidelijk, de hooid-bewijzen leveren tot staving dezer geloofswaarheid: „Jesus is waarlijk God, de tweede Persoon der H. Drievuldigheid,quot;
Die waarheid kan bewezen worden :
1°. Door de voorzeggingen der Profeten;
2°. Door de mirakelen en profetieën van Christus zeiven ;
3°. Door de leer der Apostelen;
4°. Door het gezag der katholieke Kerk.
I. De voorzeggingen der Profeten.
In de voorgaande paragraaf hebben wij bewezen, dat ■Jesus Christus de Messias, de Verlosser, is, die door de Profeten voorspeld was; Hij bezit dus alle hoedanigheden, welke Hem door de Profeten toegeschreven worden.
Weina, zij noemen den toekomstigen Heiland ; God, God met ons, den Allerheiligste , den Wonderbare , den Vader der toekomstige eeuwen.
Van Hem zegt o. a. Isaias (XXXV, 6): „Deze is de naam, waarmede men Hem noemen zal: de Heer (Jehova), onze Rechtvaardige!\'
Op het gezag der Profeten, die gesproken hebben in naam en op last des Allerhcogsten, moeten wij bijgevolg Christus als onzen God erkennen.
II. De wonderen en voorzeggingen van Christus zeiven 1).
Christus heeft openlijk verklaard, dat Hij de Zoon Grods is, God van alle eeuwigheid gelijk de Vader.— Die verklaring, die uitspraak heeft Hij bewezen door ontelbare mirakelen , vooral door zijne verrijzenis en
1
Zie over de bewijskracht der mirakelen en profetieën, blz. 24 en 26,
/ /-\'.:jt ti-vuA f ^ A*
lt;rf gt; ■*- e: . M.\' ■
f Ajl-1 Xh ^vw(o \' lt;JL
98
hemelvaart, alsook door vele voorzeggingev, welke alle vervuld zijn geworden. Hij is dus waarlijk de Zoon Gods, de tweede Persoon der H. Drievuldigheid.
Laat ons dit nader aantoonen.
1°. Christus heeft herhaaldelijk en met duidelijke woorden verklaard, dat Hij de Zoon Gods is , volgens de goddelijke natuur aan zijnen Vader gelijk. „Ik en
de Vader zijn één (d. i. van wezen, van natuur)......
Gelooft, dat de Vader in Mij is en Ik in den Vader ben\' (Joan X,30 eu 38), „Die Mij ziet, ziet ook den Vader1\' (Joan XIV, 9). Toen de Hoogepriester Hem vroeg; Ik bezweer U hij den levenden God , dat Gij ons zegt, of Gij de Christus, de Zoon Godszijt V\' toen antwoordde hem Jesus: „Ik ben het! En gij zult den Zoon des menschen zien , zittende aan de rechterhand der kracht Gods en komende op de wolken des hemels (Matth. XXVI, 63. Marc. XIV , 62).
Toen Petrus de belijdenis aflegde : CTuv\'sfes,
de Zoon van den levenden Godu , en toen Thomas tot Hem sprak : „Mijn Heer en mijn God.!quot; bevestigde Jesus hen in hun geloof en bekrachtigde hun getuigenis.
Aldus zien wij duidelijk, dat Jesus Christus van zich zeiven getuigt, dat Hij de Zoon Gods is.
2°. Deze verklaring is eene ontegensprekelijke waarheid, want:
A. Christus heeft ter bevestiging van de waarheid zijner leer mirakelen gewrocht: met vijf brooden spijzigde Hij duizenden menschen; met één woord, met één teeken genas Hij de zieken, dreef Hij de duivelen uit, wekte Hij de dooden ten leven op; drie dagen na zijnen dood verrees Hij levend uit het graf en, ten aanschouwe van honderden getuigen, klom Hij ten hemel op. — Deze mirakelen zijn feiten, welke in \'t openbaar geschied zijn , aan het gansche Joodsche volk bekend waren, endoor niemand zijn ontkend geworden, toen de Apostelen ze verkondigden. Zelf Jesus, vijanden erkenden die, zeggende : „ Wat zullen wij doen ; zoant deze mensch doet vele ivonderen ?quot; (Joan. XI, 47).
a. Die wonderen, welke de krachten der natuur te boven gaan en alleen door Gods almacht kunnen ver-
99
richt worden, heeft de Verlosser gedaan om de waarheid zijner leer te bevestigen, om te bewijzen dat Hij waarlijk God is. Dit verklaart Hij zelf, wanneer Hij zegt: „Indien gij Mij, (d. i. aau mijne woorden) niet wilt ge-looven, zoo gelooft aan mijne werken, opdat gij eeken-
kex en amp;eloove2c m00g-t, dat de Vadeh ix Mij is ejf Ik
ik dek Yadee bekquot; (Joan. X, 38).
God nu kan niets anders dan de toaarheid door mirakelen bevestigen; onmogelijk kan Hij de leugen door wonderen bekrachtigen. Dus heeft God de waarheid van Jesus\' verklaring bevestigd; dus is Jesus waarachtig God.
b. Ook bewijzen die mirakelen rechtstreeks , dat Christus goddelijke macht bezit, en bijgevolg God is , omdat Hij die wonderen niet verrichtte gelijk de Profeten of de Apostelen, die altijd in den naam en door de macht van God handelden, maar uit eigen naam en uit eigen macht, gelijk wij dat weten uit de Bijbelsche geschiedenis. Dus heeft Hij metterdaad getoond, dat Hij waarlijk God is.
B. Eindelijk door zijne voorzeggingen leverde Hij het bewijs, dat Hij waarachtig God is.
Christus heeft vele gebeurtenissen voorspeld , o. a.dat Judas Hem zou verraden , dat Petrus Hem zou verloochenen ; Hij voorzegde de omstandigheden van zijn lijden, alsook dat Hij ten derden dage zou verrijzen en vervolgens ten hemel opklimmen; dat Jerusalem verwoest en van de stad en den tempel de eene steen niet op den anderen zou blijven ; dat zijn rijk (zijne Kerk) zich over de ganscha aarde uitbreiden en nimmer vergaan zou.
Hier zouden wij nog kunnen bijvoegen, dat Christus de meest verwijderde en verborgenste zaken kende, alsook alles, wat in de harten der menschen omging ; daarvan toch gaf Hij ontelbare bewijzen.
Welnu: al deze gebeurtenissen , welke letterlijk volgens \'s Heeren voorzegging hebben plaats gehad , konden alleen door de goddelijke Alwetendheid gekend worden. Zij zijn derhalve, gelijk de mirakelen , onomstootelijke bewijzen van Christus\' Godheid.
100
III. Het getuigenis der Apostelen.
De Apostelen verklaren, in de door lien geschreven Evangeliën en Brieven, herhaaldelijk en met de duidelijkste woorden, dat Jesus Christus waarachtig God is , van alle eeuwigheid, oneindig groot en machtig gelijk de Vader. Om zich daarvan te overtuigen behoeft men slechts hunne geschriften in te zien.
De Apostelen bewezen de waarheid hunner leer a) door ontelbare mirakelen, welke zij in den naam van Jesus verrichtten, en waardoor God hunne zendingen hunne leer bevestigde; i) doordat zij zeiven den marteldood ondergaan wilden voor het geloof aan Chrisüas\' Godheid c) eindelijk werd de waarheid hunner leer bewezen door de wondervolle bekeering der wereld.
IV. Het getuigenis der katholieke Kerk.
De Apostelen verkondigden niet alleen door hunne geschriften de Godheid van Christus, maar vooral leerden zij die waarheid aan de eerste Christenen door mondelinge prediking.
Zóó werd van toen af, door alle eeuwen heen , in de katholieke Kerk de Godheid van Christus , als geloofspunt, ja als fundamenteel dogma des Christendoms beschouwd.
Bewijzen daarvan behoeven wij niet aan te halen — zij staan op elke bladzijde der Kerkelijke geschiedenis opgeteekend.
Afgezien van het goddelijk gezag der Kerk, waarover wij later spreken zullen, heeft alleen het feit, dat de Kerk altijd de Godheid van Christus geloofde , groote waarde. Immers de opkomst en het voortdurend bestaan der Kerk is een bewijs van haren goddelijken oorsprong en van de waarheid harer leer. Ook het getuigenis van millioenen Martelaren, die voor deze waar-
1) »Ik geloof gaar/ie getuigen (zegt Pascal), die hun leven opofferen voo?\' hetgeen zij bevestigenquot;
lui
heid sterven wilden, en het onveranderlijke geloof van alle Christenen moeten ons zeker in ons geloof bevestigen.
§3.
Jesus Christus waarlijk God en mensch te zamen in één Persoon.
Christus, de beloofde Verlosser, de eeuwige Zoon des Vaders, de tweede Persoon der H Drievuldigheid, is, gelijk wij bewezen hebben, waarachtig God. Hij heeft de menschelijke natuur, dat is, eene ziel en een lichaam aangenomen; Hij is derhalve God en mensch te zamen. Deze waarheid belijden wij in het derde artikel des geloofs: „Die ontvangen is van den 11. Geest, geboren uit de Maagd Maria.quot;
Dit geloofspunt zullen wij thans nader beschouwen. Vooraf echter moeten wij de opmerking maken, dat de menschwording van God den Zoon een geheim is en dus door ons verstand niet kan doorgrond en begrepen worden; wij moeten het met kinderlijk geloof aannemen, omdat het ons door God zeiven is geopenbaard en door de H. Kerk te gelooven voorgesteld.
I, De tweede Persoon der H. Drievuldigheid heeft een menschelijk lichaam en eene ziel aangenomen. Hij bleef God, gelijk Hij van alle eeuwigheid was. Hij heeft alleen de menschelijke natuur met de goddelijke natuur vereenigd iu den éénen goddelijken Persoon.
Zijne geboorte was bovennatuurlijk: door de almachtige en wondervolle werking des H. Geestes nam Hij eene ziel en een lichaam aan in den zuiveren schoot der H. Maagd Maria en werd te Bethlehem in een stal geboren. ^
II. Jesus Christus is de tweede Persoon der H. Drievuldigheid, waarlijk God van eeuwigheid, en
\\) Het verhaal van de geboorte ea het leven van Christus kennen wij uit de Bijbelsche geschiedenis.
102
mensch geworden in den tijd: Hij is dus tegelijk God en mensch. Wij gelooven alzoo, dat er in Christus twee naturen zijn, vereenigd in den éénen goddelijken persoon»
TIL Zijn lichaam was, door de vrije beschikking van zijn goddelijken wil, gedurende zijn sterfelijk leven onderworpen aan vele smarten en aan den dood, doch niet aan ziekte of aan de kwade neigingen onzer bedorven natuur. Zijne ziel bezat, van \'t eeiste oogenblik van haar bestaan, het volmaakt gebraik van al hare vermogens, van het verstand en den vrijen wil; zij was vatbaar voor vreugde en droefheid, maar niet onderworpen aan onwetendheid of zonde. Zij was, van den beginne af, verrijkt met alle schatten van kennis en wetenschap, van genade en heiligheid, vervuld met alle gaven des H. Greestes.
IV. De vereeniging der beide naturen, in den éénen Persoon, is zóó innig en onoplosbaar, dat zij, zelfs bij den dood van Christus, niet gebroken werd. Immers , ook toen bleef én het H. Lichaam, dat in het graf, én de Ziel, die in het voorgeborgte der helle nederdaalde, met den goddelijken Persoon vereenigd.
De twee naturen in Christus zijn echter niet aldus vereenigd, dat de menschelijke natuur in de goddelijke opgelost of met haar vermengd of door haar vernietigd is geworden: zij zijn van elkander onderscheiden, d. w. z. de eigenaardigheid der beide naturen is behouden gebleven; zij zijn echter niet gescheiden, maar onoplosbaar in Christus vereenigd.
V. Welke gevolgtrekkingen moeten wij uit het voorgaande maken ?
1°. Dat er in Christus twee, van elkander onder-seheiden willes zijn, de goddelijke en de menschelijke , doch dat de menschelijke wil geheel aan den goddelijken onderworpen is.
Het wilsvermogen , dat zich in werken openbaart, behoort tot de volmaaktheid der menschelijke natuur; Christus nu bezit de menschelijke natuur in hare ge-heele volkomenheid ; dus heeft Hij ook een menschelij-ken wil. Van dezen wil spreekt de Heiland, wanneer Hij
103
z gt : x Mijn Vader, indien het mogelijk is, dat deze kelk van Mij voorbijga ; doch niet gelijk Ik avil, maar gelijk Gij wilt\' (Luc. XXII, 42).
Als God, heeft Christus een goddelijken wil, waaraan de menschelijke wil niet tegenstrijdig, maar vol komen onderworpen is.
2°. Ook onderscheiden wij, als gevolg der beide naturen, twee onderscheidene werkingen iu Christus. Zoo kunnen wij in Hem als zuiver menschelijke handelingen beschouwen : zijne rondreizen, zijne rust of het nemen van voedsel; als goddelijke werken : het vergeven der zonden en het verrichten van mirakelen. Bij deze laatsten echter deed Hij dikwijls tegelijk menschelijke werken, zooals b. v. den zieken de handen opleggen, enz.
VI. Jesus Christus komt, naar zijne goddelijke natuur, van alle eeuwigheid uit God den Vader voort. Hij is waarlijk de Zoon Gods. De menschelijke natuur heeft Hij aangenomen in den zuiveren schoot van Maria; de H. Maagd bracht Hem ter wereld in den stal van Bethlehem. Jesus is dus waarlijk de Zoon van Maria; haar noemen wij met recht de Moeder van God, dewijl Degene, dien zij ter wereld bracht, waarachtig God en mensch te zamen is.
VII Hierbij moeten wij nog opmerken, dat Maria altijd rein en onbevlekt, altijd maagd gebleven is; dat Christus, naar zijne menschelijke natuur, geen vader gehad heeft: de H. Jozef was alleen zijn pleeg-ot voedstervader. God wilde dat Maria en het goddelijk Kind in den H. Jozef een trouwen leidsman, verzorger en beschermer vinden zouden.
Vin. Wij aanbidden niet uitsluitend de Godheid van Christus , maar ook zijne menschheid als onafscheidelijk met zijne Godheid vereenigd ; met andere woorden : wij aanbidden, met dezelfde akte, den gan-schen Christus, den God-Mensch, die de beide naturen in zich vereenigt. ^
1) Bij de godsvrucht tot het H. Hart van Jesus vereeren en aanbidden wij dat H. Hart, omdat het allerinnigst en onafscheidelijk vereenigd
104
Alles , wat Christus bezit of\' doet, moet aan den goddelijken Persoon toegeschreven worden; derhalve zeggen we terecht: Jesus\' goddelijk bloed, zijn goddelijk lijden, enz. — Dat alles dus is van oneindige waarde ; het geringste werk, de kleinste smart des Verlossers bezitten eene oneindige verdienste en zouden voldoende geweest zijn om het menschdom te verlossen en volkomen te voldoen voor den smaad, aan God door alle zonden der menschen aangedaai..
§ 4.
Doel der Menschwording.
Het werk, dat Christus op aarde kwam verrichten, het doel zijner menschwording was:
1°. het menschdom te verlossen en met Grod. die door de zonde beleedigd was, te verzoenen;
2°. door zijne leer en zijn voorbeeld ons den weg ter zaligheid aan te wijzen.
1°. Om het verlossingswerk te voltrekken, nam Christus onze zonden op zich en bracht aan God het zoenofier, dat daarvoor door de eeuwige Rechtvaardigheid gevorderd werd, namelijk; zijn lijden en dood. Om te kunnen lijden en sterven, moest Hij eene natuur aannemen, die aan smarten en aan den dood onderworpen is; want als God is Hij onlijdelijk en onsterfelijk. Daarom nam Hij de menschelijke natuur aan, om daarin aan Gods rechtvaardigheid ie voldoen en de raenschen met den beleedigden Schepper te verzoenen.
is met den goddelijken Persoon. Wanneer wij Christus in dit bizonder deel van zijn H. Lichaam aanbidden, dan sluiten wij hierdoor niet de aanbidding der gansche Menschheid van den Heiland, en evenmin die zijner Godheid, uit.
De voornaamste beweeggronden tot deze devotie zijn:
lo. Dat Christus zelf ons zijn Hart als den zetel zijner deugden en volmaaktheden heeft aangewezen: »Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig en nederig van harte ben.\'\'\'\'
2o. Het H. Hart is een treffend zinnebeeld van Jesus\'barmhartigheid en liefde, waardoor wij tot dankbaarheid en wederliefde aangespoord worden.
105
2°. Christus wilde niet alleen de volkomen voldoening onzer zonden brengen, maar ook als Profeet en Leeraar de menschen onderwijzen in hetgeen zij moeten gelooven en doen, om aan de verlossing deelachtig te worden en de eeuwige zaligheid te erlangen. Daarom zegt Hij van zich zeiven: „Ik hen de weg, de ivaarheid en het leven. Daartoe hen Ik in de wereld gekomen, om der waarheid getuigenis te qeveri\' (Joan, XVIII. 37).
Niet alleen door zijn woord, maar ook door zijn voorbeeld toonde Hij ons den weg der heiligheid en volmaaktheid, die ten hemel voert. Hij gaf ons immer het voortreffelijkste voorbeeld van nederigheid, zachtmoedigheid, gehoorzaamheid, geduld, barmhartigheid — met één woord, van alle deugden, opdat wij door zijn voorbeeld zouden voorgelicht en aangemoedigd worden, om naar de volmaaktheid te streven,
§ 5.
Voltrekking van liet Verlossingswerk.
I, Nadat de goddelijke Heiland gedurende dertig jaren een armoedig, verborgen en werkzaam leven geleid had, besteedde Hij de drie jaren van zijn o-penbaar leven, om den menschen zijne goddelijke leer te verkondigen. Hij verkoos zijne Apostelen en stelde hen aan, onder het opperbestuur van Petrus, tot herders, leeraars en wetgevers zijner Kerk. Eindelijk was de tijd gekomen, dat Hij zichzelven als zoenoffer voor het zondige menschdom aan de goddelijke Rechtvaardigheid zou aanbieden.
II. Hij leverde zich vrijwillig in de handen zijner vijanden over; Hij leed, met het grootste geduld, de onbeschrijfelijkste smarten en stierf aan het kruis 1).
1
De lijdensgeschiedenis des Verlossers kennen wij in bizonderhc-den uit de Bijbl. gesch. Zie Schuster II, 84 en vlg.
106
Nadat de ziel van Christus van zijn lichaam gescheiden was, bleef toch de Godheid met zijn lichaam in het graf vereenigd. Aldus kon en moest het heilig lichaam in het graf, als onafscheidelijk met den goddelijken Persoon vereenigd, aanbeden worden.
Het lijden en den dood des Verlossers belijden wij in \'t vierde artikel des geloofs: „Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruist, gestorven en hegraven.\'quot;
III. De naam van den Romeinschen landvoogd Pontius Pilatus wordt in dit artikel uitdrukkelijk genoemd, om ons daardoor het tijdstip van Christus\' dood nauwkeurig aan te geven. Ook wordt daardoor aangetoond, dat de profetie van Jacob vervuld was (de schepter was thans van Juda weggenomen) ; alsook de voorzegging des Verlossers, dat Hij aan de heidenen overgeleverd en door hen gekruisigd zou worden.
IV. Christus heeft geheel vrijwillig, alleen uit liefde tot ons, willen lijden en sterven. „Hij is opgeofferd geworden, omdat Hij het zelf wilde\'1 (Iscüas L1I1, 7).
Hij heeft al zijne smarten en den dood ondergaan als mensch, dat is : in zijne menschelijke natuur; als God immers is Hij onlijdelijk en onsterfelijk.
V. De goddelijke Heiland had de zonden van het gevallen menschdom op zich genomen, om daarvoor te voldoen; Hij was in zijn lijden en sterven onze plaatsbekleeder en bracht aan de goddelijke Majesteit, door onze ongehoorzaamheid beleedigd, eene genoegzame, ja, overvloedige voldoening. Hij heeft voldaan voor de zonden van alle menschen, voor de persoonlijke zonden, zoowel als voor de erfzonde. „Jesus Christus heeft zich als losprijs voor allen gegeven\'\'\' (1 Tim. II, 6).
Wanneer wij dan in het H. Doopsel of daarna, door eene rouwmoedige Biecht, vergiffenis van de zonden bekomen, geschiedt dit alleen door de oneindige verdiensten van Christus. Wij kunnen dus zeggen : De Zaligmaker heeft ons verlost:
1° van de zonden;
107
2° van de slavernij des duivels, waarin wij door de zonde gevallen waren ;
3° van de eeuwige verdoemenis, welke wij door de zonde verdiend hadden.
Hij Leeft ons door zijn lijden en dood verworven
1° onze verzoening met God;
2° de herstelling van ons kindschap Gods en van ons recht op den hemel;
3° overvloedige genadm, om heilig te kunnen leven en zalig te sterven.
VI. Indien Christus, gelijk hier boven gezegd is, voor alle menschen, zonder uitzondering, is gestorven, dan volgt daaruit, dat Hij voor alle menschen, zonder onderscheid, de genade en de eeuwige zaligheid verdiend heeft. Daarom wordt Hij, in de H. Schrift, de Zaligmaker der wereld (d. i. van alle menschen), het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, genoemd.
Hoe komt het dan, dat vele ongeloovigen en zelfs vele Christenen verloren gaan \'?
Omdat zij niet alles doen, wat noodig is, om aan de vruchten van Jesus\' lijden deelachtig te worden en aizoo hunne zaligheid te verzekeren. Want gelijk een geneesmiddel alleen aan hom, die het neemt, de gezondheid terugschenkt, zoo ook worden de verdiensten van Christus ons slechts dan medegedeeld, wanneer wij datgene doen, wat Hij daartoe van ons vordert. „ Voor allen, die Hem gehoorzaam zijn, is Hij (Christus) de oorzaak der eeuwige zaligheid gewordenquot; (Hebr. V, 9). De H. Angustinus verklaart dit met deze woorden : „God heej\'t u wel geschapen zonder u, maar Hij wilu niet zalig maken zonder uquot; d, w. z. zonder uwe medewerking zult gij niet zalig worden.
VIL Uit de H. Schrift en uit de leer der Kerk blijkt, dat de medewerking, waardoor wij ons de verdiensten van Jesus\' lijden toeëigenen, voor hen, die tot de jaren van verstand gekomen zijn 1), hierin bestaat :
1
Wat noodig is voor hen, die \'t gebruik der rede nooit gehad hebben, zal later aaneetoond worden.
108
1° dat wij zijne goddelijke leer gelooven;
2° dat wij God beminnen, en die liefde toonen door \'t onderhouden der geboden ;
3° dat wij de door Christus ingestelde genademiddelen gebruiken !).
VIII. Gelijk vroeger reeds gezegd is, was het geringste lijden van het menschgeworden Woord van oneindige verdiensten en bijgevolg voldoende, om het gansche menschdom te verlossen.
Waarom dan heeft Christus zooveel vernedering en smart willen verdragen ?
Aroornamelijk om de volgende redenen :
1° opdat wij de grootheid zijner liefde des te beter zouden erkennen en Hem ook onze wedei\'liefde schenken;
2° opdat wij de vreeselijke boosheid der zonden duidelijk zouden inzien en het kwaad verfoeien en vluchten ;
3° opdat wij zouden leeren de wederwaardigheden dezer wereld, de rampen en het lijden dezes levens, naar zijn voorbeeld, met geduld en onderwerping aan zijn heiligen wil te dragen.
Toepassing. Overwegen wij toch dikwijls de oneindige liefde, met welke, de Heiland ons bemind, en de onbegrijpelijke smarten, welke Hij voor ons verdragen heeft! Moge die beschouwing onze godsvrucht jegens zijn H. lijden ontvlammen^ en ons aansporen, om dikwijls den H. Kruisweg met aandacht te bidden ; moge zij vooral ons opwekken tot vurige wederliefde voor den Heiland en ons in het voornemen, om Hem nimmer meer door zonden te beleedigen, versterken en bevestigen !
§ 6.
De Nederdaling ter helle en de Verrijzenis.
1. Door het lijden en den dood van Christus was het offer der verzoening gebracht, het werk der verlossing van \'t menschdom werkelijk voltrokken. Doch ook zijne nederdaling ter helle, zijne verrijzenis en hemel-
1) De noodzakelijkheid van deze drievoudige medewerking wordt in dit handboek, ter zijner plaatse, nader verklaard en bewezen.
109
vaart staan met het verlossingswerk in nauwe betrekking. Immers:
1° Bij zijne nederdaling ter helle bracht Christus den rechtvaardigen, die aldaar verbleven, de blijde boodschap der verlossing, en openbaarde hun zijne heerlijkheid.
2° De verrijzenis van Christus is; a. de oorzaak der opstanding van alle menschen.
i. Zij is ook de voorafbeelding van de glorievolle verrijzenis der gelukzaligen, ten jongsten dage.
3°. \'s Heeren hemelvaart staat in dezen zin met het werk onzes heils in verband, dat Hij ons den H. Geest heeft gezonden, en ons in den hemel eene plaats heeft bereid; dat Hij, in zijne Menschheid, voor ons bidt en voortdurend den hemelschen Vader zijne verdiensten aanbiedt.
II. Laat ons thans overgaan tot de nadere uitlegging van het vijfde geloofsartikel: Die nedergedaald is ter helle, den derden dage verrezen van de doodeng
Nadat Christus gestorven was, daalde zijne ziel, met de Godheid vereenigd, in het voorgebergte der helle neder, en bleef daar tot den dag der verrijzenis.
III. Ofschoon de zielen, die aldaar vertoefden, door de verdiensten van Christus gerechtvaardigd, in de liefde Gods de wereld verlaten hadden , konden zij toch den hemel, die door de zonde van Adam gesloten was, niet binnengaan. Eerst moest de Heidand, door zijn dood, den hemel openen en zelf, als ons opperhoofd en koning, het verloste menschdom daarin voorgaan.
IV. Christus daalde in de verblijfplaats der rechtvaardigen neder :
1°. Om hen aan de vruchten van zijn lijden deelachtig te maken. Hij bracht hun troost en verlossing, en schonk bun het hoogste geluk der zaligheid, namelijk : de aanschouwing en \'t bezit van God 1).
2°. Om, als koning en overwinnaar van doodenkel, ook in de onderwereld zijne macht en beerlijkheid te toonen,
1
In den hemel, het verblijf der zaligen, waar dezen niet alleen God bezitten, maar ook de verheerlijkte Menschheid van Christus aanschouwen, werden zij eerst bij de hemelvaart des Heeren opgenomen.
110
V. De goddelijke Heiland had, gedurende zijn leven, herhaalde malen voorzegd, dat Hij na drie dagen uit het graf zou opstaan. De Schriftgeleerden en Phari-seen, die deze voorzegging kenden, plaatsten, met verlof van Pilatus, eene wacht bij het graf en verzegelden den steen, die den ingang afsloot. In den vroegen morgen van den derden dag ontstond er eene hevige aardbeving bij het graf; een engel des Heeren daalde uit den hemel neder en wentelde den steen van den ingang des grafs af. Reeds was de ziel des Verlossers in zijn heilig lichaam teruggekeerd en had Hij, door zijne eigen macht, met majesteit en heerlijkheid het gesloten graf verlaten
Het verheerlijkte lichaam van Christus was, van dit oogenblik af, deelachtig aan de voorrechten der geestelijke natuur : het was onlijdelijk, onsterfelijk, snel in zijne bewegingen als de gedachte, en alles doordringend als de geest.
VI. De Heiland heeft, na zijne verrijzenis en ook in den hemel, de heilige wonden in zijne handen en voeten en in zijne zijde behouden ;
1° als bewijzen zijner zegepraal over dood en hel;
2° ten bewijze, dat Hij met hetzelfde lichaam, waarin Hij geleden had, van den dood verrezen is ;
3° om die litteekens zijns lijdens in den dag des oordeels aan de rechtvaardigen ter vertroosting en aan de verdoemden ter beschaming te toonen.
VII. Reeds vroeger hebben wij het historisch gezag der boeken van het N. T. aangetoond. Wij zullen echter, wegens het groote gewicht van het feit, kort bewijzen, dat Christus waarlijk verrezen is. Indien de Apostelen en de leerlingen des Heeren, die allen eenstemmig getuigen, dat Christus waarlijk verrezen is :
1° zich zeiven niet bedrogen hebben ;
2° anderen niet wilden — en
1) De verschillende omstandighedeii der verrijzenis en der verschijningen des Heeren vindt men verhaald in de Bijbl. Gesch. van Schuster, IT, biz. 101 en vlg.
Ill
3° nietquot;, konden bedriegen, dan heeft het feit der verrijzenis ontwijfelbaar zeker plaats gehad.
Deze drie punten zullen wij beknopt toelichten : 1° Zij hebben zich zeiven niet bedrogen. a. De Apostelen waren niet lichtgeloovig. Toen de vrouwen hun de boodschap der verrijzenis brachten, geloofden zij haar niet; Thomas bleef, bij het getuigenis der overige Apostelen, ongeloovig. Zelfs toen Jesus hun gezamenlijk verscheen, meenden zij een geest te zien.
h. Vervolgens sprak Christus met hen, toonde hun zijne wondei] , at en dronk in hunne tegenwoordigheid, verklaarde hun de H. Schrift, en overtuigde hen. dat Hij waarlijk verrezen was. — Het zou dus dwaas zijn te veronderstellen, dat zij zich bedrogen hadden.
2°. Zij wilden niet bedriegen. Een bedrieger zoekt immer voordeel uit zijn bedrog te trekken, en tracht in \'t geheim en met bedekte middelen tot zijn doel te komen. De leerlingen van Christus echter voorzagen zeer duidelijk, dat zij, door de .verkondiging van de verrijzenis, zich haat, vervolging en wellicht den dood op den hals zouden halen. En toch lieten zij niet na, in \'t openbaar de waarheid der verrijzenis te prediken. Zelfs toen de Hoogeraad hen met straf en kerker bedreigde, hielden zij niet op, die waarheid te bevestigen, en tot getuigenis er van ondergingen zij den marteldood. — Zóó handelt alleen iemand, die van eene waarheid diep overtuigd is, die anderen niet bedriegen maar hun zijne vaste overtuiging mede-deelen wil.
3°. Zij konden niet bedriegen, al hadden zij \'t ook gewild.
a. Het lichaam van Christus lag in het graf, hetwelk zoodanig gesloten en bewaakt was, dat niemand daarin kon binnendringen, om het, weg te nemen. Van waar zouden de Apostelen, die toen nog zoo vreesachtig waren, den moed gehad hebben, om het graf te naderen ? En hoe zou het hun mogelijk geweest zijn, den verzegelden steen af te wentelen en het H. Lichaam weg te dragen zonder opgemerkt te worden ?
112
h. Op de dwaze uitvlucht van de oversten der Joden, dat de wachten zouden geslapen hebben, kan men antwoorden : dat het onbegrijpelijk is, hoe zij allen bleven slapen, terwijl de voorgegeven wegvoering niet daj met veel gedruisch geschieden kon; dat zij zeker gestraft zouden zijn, indien zij werkelijk zóó him plicht verzuimd hadden; dat slapende getuigen niets bewijzen. Eindelijk de Evangelisten, wier waarheidsliefde wij elders aangetoond hebben, verzekeren, dat de wachten waren omgekocht, om eene valsche verklaring af te leggen.
De verrijzenis, alleen als historisch feit beschouwd, kan en mag derhalve door geen redelijk mensch betwijfeld worden.
Besluit\'. 1° Het wonder der verrijzenis moet ons versterken en bevestigen in het geloof aan Jesus\' leer 5 het moet onze hoop op de toekomende opstanding der dooden, in den jongsten dag, verlevendigen.
2°. De beschouwing der verrijzenis van Christus moet ons aansporen, om ook zeiven geestelijkerwijze te verrijzen, d. w. z. dat zij, die \'t ongeluk mochten hebben in \'t duistere graf der zonde opgesloten te liggen , door eene oprechte bekeering moeten opstaan, een nieuw en christelijk leven beginnen en den schat der genade voortaan zorgvuldig bewaren * dan zullen wij ook eens aan Jesus\' heerlijkheid in den hemel deelnemen.
/V
/
De Hemelvaart des Heeren.
I. De goddelijke Heiland bleef, na zijne verrijzenis , nog veertig dagen op deze aarde. Gedurende dien tijd verscheen Hij herhaalde malen ^ aan zijne Apostelen, en onderwees hen verder in het geloof en in alles, wat tot het bestuur en de inrichting der Kerk noodzakelijk was.
Op den veertigsten dag beloofde Hij hun nogmaals, dat weldra de H. Geest over hen zou nederdalen, en geleidde hen naar den Olijfberg. In den hof, aan den
1) De H. Schrift, verhaalt ons slechtsverschijniugen des Heeren ; doch met recht kunnen wij veronderstellen, dat er nog meer hebben plaatsgehad. — Zie Schuster II, blz. 102 en vgl.
//lt;- séy ■
• *26
113
voet van dien berg gelegen , was het lijden van Christus begonnen ; op de kruin van denzelfden berg zou zijne verheerlijking voltrokken worden.
Nadat Hij van zijne H. Moeder en van de leerlingen afscheid genomen had, verhief hij zijne handen en zegende hen. Terwijl de Heiland dit deed, werd Hij voor hunne oogen opgenomen, en Hij voer ten hemel op. Daar is Hij nu ter rechterhand zijns hemelschen Vaders gezeten. — Daarom belijden wij in bet zesde artikel des geloofs : 2 Die, opgeklommen is ten hemel, zit ter rechterhand Gods zijns Vaders almachtig
Thans zullen wij de beteekenis van dit artikel nader aangeven.
II. Christus is ten hemel opgeklommen beteekent:
1°. Dat het lichaam en de ziel des Heilands deze
aarde verlieten, dat Hij als mensch ten hemel opvoer; als God toch is hij overal tegenwoordig.
2°. Jesus\' hemelvaart is eene daad van zijne goddelijke almacht. Het onderscheid tusschen de tenhemelopneming van de H. Maagd Maria en de hemelvaart van Christus bestaat hierin, dat Christus door zijn eigen macht opsteeg, terwijl Maria alleen door de hulp van God ten hemel werd opgenomen.
III. Christus klom niet alleen ten hemel op; Hij voerde ook de jubelende schaar der rechtvaardige zielen, die Hij uit het voorgebergte der hel verlost had, met zich mede.
IV. Christus\' H. Menschheid is dan in glorie en heerlijkheid verheven in den hemel; op deze aarde is zij nog, door een wonder zijner almacht en liefde, waarlijk in het H. Sacrament des Altaars tegenwoordig.
V. Waarom is Christus ten hemel opgevaren?
1° Om, als overwinnaar van dood en hel, bezit te gaan nemen van het rijk zijner heerlijkheid.
2°. Om onze middelaar en voorspreker bij den hemelschen Vader te zijn.
3°. Om aan zijne leerlingen den H. Geest te zenden ; want het lag in de plannen der Voorzienigheid, dat de zending des H. Geestes eerst zou plaats hebben.
114
nadat de Zoon G-ods het verlossingswerk voltooid en den hemel voor het menschdom geopend had.
4°. Verder klom Christus ten hemel op, om dien voor ons te openen en ons daar eene plaats te bereiden. 1) en eindelijk
5°. Öm onze gedachten en neigingen hemelwaarts te trekken.
VI. Wat beteekenen de woorden ; „ter rechterhand zijns Vaders almachtig ?quot;
Deze woorden beteekenen, dat Christus, die als God aan den Vader gelijk is, ook als mensch boven alle schepselen verheven is en meer dan eenig schepsel aan de heerlijkheid en macht der goddelijke Majesteit deelneemt. Christus bezit ook als mensch eene macht, welke aan geen geschapen wezen toekomt, en is de Heer van hemel en aarde.
De woorden „zit ter rechterhandquot; moeten niet in den letterlijken zin opgenomen worden; want God, die een zuivere geest is, heeft geene rechter- of linkerhand. Die uitdrukking heeft dus de zinnebeeldige beteekenis, welke wij boven aangegeven hebben.
Toepassing. Laten wij dikwijls denken aan de heerlijkheid des hemels, waar wij in eeuwigheid een onbegrijpelijk groot geluk genieten zullen. Overwegen wij, dat deze aarde niets anders is dan een oord van ballingschap, eene plaats van voorbijgaande beproeving * terwijl de hemel ons vaderland i^ waar Christus ook voor ons eene plaats bereid heeft. Doch, om Christus in het rijk zi :ier glorie te kunnen volgen, moeten wij in deze wereld zijne gebodi a onderhouden, in zijne voetstappen wandelen, alle zorg besteden, om aan dat goddelijk toonbeeld meer en meer gelijkvormig te worden door nederigheid, zachtmoedigheid, naastenliefde, zuiverheid, geduld — met één woord, door een christelijk en heilig leven.
/ § 8-Over het algemeen en het bizonder oordeel.
1. Christus, die ten hemel opgeklommen is, zal eens van daar met groote macht en heerlijkheid we-
1
Zie Schuster, II, blz. 86, 2e alinea.
115
derbomen om alle inenschen te oordeelen en aan ieder, naar hij verdiend heeft, loon of straf te geven.
Deze waarheid van ons geloof belijden wij in het zevende artikel : „ Van daar zal Hij komen oordeelen de levenden en doodenquot;.
II. In teoenstelling met het oordeel, dat ieder menscli in \'t bizonder, voor God alleen , terstond na zijnen dood ondergaat, wordt liet oordeel, waarvan wij hier spreken, genoemd : lquot;. algemeen, omdat dan alle men-scken gezamenlijk, en dus ieder in tegenwoordigheid van allen, zullen geoordeeld worden; 2°. laatste oordeel, omdat daarna geen ander meer zal plaats hebben.
III. De levenden, van wie in het 7« artikel gesproken wordt, zijn diegenen, die bij \'t einde der wereld leven zullen. Nochtans zivllen ook zij, gelijk alle andere menschen, eerst sterven, vervolgens verrijzen en ten oordeel geroepen worden. Eveneens kan men onder de levenden verstaan de rechtvaardigen, en onder de dooden de zondaars, of ook degenen, die. terwijl men de Geloofsbelijdenis bidt. leven of reeds gestorven zijn.
IV. De goddelijke Heiland beschrijft ons 1) de teekenen, welke het einde der wereld en het oordeel zullen voorafgaan komen :
1°. Verleiding en vervolging, door valsche profeten en vooral door den Antichrist verwekt;
2°. Oorlogen, hongersnood en andere plagen;
3°. Een alles verslindend vuur, waardoor de aarde, met al hare pracht en heerlijkheid , zal verbrand, maar niet vernietigd worden.
V. De waarheid, dat er een algemeen oordeel zal plaats hebben, leert Christus ons herhaaldelijk en met duidelijke woorden ; „De Zoon des menschen zal, in de heerlijkheid zijns Vaders , met zijne engelen komen; en dan zal Hij ieder, volgens zijne werken, vergelden11 (Matth. XXVI, 44). „Dan zal Hij op den troon zijner heerlijkheid zitten en alle volkeren zullen vóór Hem verga -derd worden en Hij zal hen van elkander scheidenquot; (Matth.
1
Zie Schuster 11, blz. 78.
116
XXV, 31—32). Tot de rechtvaardigen zal Hij zeggen : „Komt, gezegenden mijns Vaderstot de zondaars : „Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eemoige vuur !quot;
Ook werd dit geloofspunt altijd in de Kerk gehouden en geleerd, gelijk duidelijk blijkt uit de geloofsbelijdenis der Apostelen, uit de liturgische boeken en de schriften der HH. Vaders.
Ook de rede zelve getuigt ons, gelijk wij later zullen aantoonen, dat het algemeen oordeel geheel overeenkomstig Gods wijsheid en rechtvaardigheid is.
VI. De tijd, wanneer het laatste oordeel zal plaats vinden, is ons door Grod niet geopenbaard. „Dien dag en dat uur kent niemand, zelfs niet de engelen des hemels1,1
(Matth. XXIV, 36).
Op welke wijze zal het oordeel gehouden worden ?
Zoodra dat schrikwekkend uur gekomen is, zal God zijne engelen uitzenden, die onder bazuingeschal den dooden zullen toeroepen: „Staat op en komt ten oordeel!quot; Dan zullen de lichamen van alle menschen, die van het begin tot het einde der wereld geleefd hebben, uit het stof des grafs opstaan en wederom met hunne ziel vereenigd worden. Nadat alle menschen vergaderd zijn, zal de goddelijke Heiland met het kruis, het teeken der verlossing, en omringd van duizenden engelen, met majesteit en glorie op de wolken verschijnen. Dan zal Hij de rechtvaardigen van de zondaars afscheiden; de eersten aan zijne rechter- de laatsten aan zijne linkerhand plaatsen {Zie Schuster II, blz. 78, 82;.
Alle goed of kwaad, woorden, werken ofverzuime-nissen, ja ieders geheimste gedachten zullen alsdan door den oppersten Rechter, voor alle menschen, geopenbaard worden. Een bovennatuurlijk licht zal het geweten van ieder mensch bestralen ; daarin zal hij zelf en zullen ook alle andere menschen, als in een helderen spiegel, de deugden, welke hij beoefend, maar ook de zonden, welke hij bedreven heeft, aanschouwen. !
VII. Nadat aldus de openbaring des gewetens heeft plaats gehad, zal Christus het onherroepelijk vonnis
117
uitspreken. Tot de rechtvaardigen zal Hij zeggen: ,,Komt, gelagenden mijns Vaders ! bezit het rijk dat van de grondlegging der ivereld voor u bereid is.quot; — Den zondaars zal Hij toevoegen: ,.Gaat weg van mij, gij vervloekten! in het eeuwige vuur. dat voor den duivel en zijne eiyefew Zwei\'cZ ts.\'(Matth. XXV, 32 en vlg.)\'Op hetzelfde oogenblik, waarop het vonnis uitgesproken is, wordt het ook voltrokken. De gelukzaligen, die met blijdschap de uitspraak vernomen hebben, trekken met den goddelijken Heiland in triomf de heerlijkheid des hemels binnen. Uok opent de hel dan haren afgrond, en de verdoemden , die met schaamte, en in wanhoop, bet vonnis aangehoord hebben, worden neergeworpen in den kerker van eeuwigdurende folteringen en pijnen.
VIII. Zoodra de ziel van den mensch dit leven verlaat. verschijnt zij voor Gods rechterstoel, om rekenschap af te leggen van haar gansche leven. In dat bizonder oordeel (aldus genoemd, omdat het tusschen God en de ziel in\'t bizonder, zonder getuigen, plaats heeft) wordt de beslissende uitspraak gedaan over \'s men-schen eeuwig geluk of ongeluk. Daarom zegt de H. Schrift, dat God „op den dag des doods een ieder vergelden zal naar zijne iverkenquot; (Eccli. XI, 28).
Het algemeen oordeel is dus eene vernieuwing, eene openbaarmaking van het bizonder oordeel.
IX. Indien \'s menschen lot reeds bij zijn dood onherroepelijk beslist is, waarom zal er dan nog een algemeen oordeel plaats hebben ?
quot;Wij kunnen daarvoor de volgende redenen aangeven :
1°. Opdat Gods wijsheid voor de gansche wereld schittere en door allen erkend loorde. Alsdan zal het blijken, dat de goddelijke Voorzienigheid, in het bestuur der wereld, alles tot heil der schepselen en tot verheerlijking van den Schepper heeft doen strekken. Dan zal men Gods wijsheid erkennen in \'t toezenden van tijdelijke rampen en in het toelaten der zonde.
2°. Opdat Gods rechtvaardigheid aan allen getoond worde. Dan zal men zien. waarom menigmaal in dit leven de
118
ïechtvaardige tegenspoed ondervindt en de booze dikwijls in voorspoed leeft; dan zal liet duidelijk blijken, dat Grod niets, zelfs niet het geringste goede werk, onbeloond, en ook niets, zelfs niet eene zondige gedachte, ongestraft laat.
3°. Het laatste oordeel zal op plechtige wijze door Christus gehouden en voltrokken worden, opdat Hij voor de gansche wereld verheerlijkt worde. Christus immers werd, gedurende zijn sterfelijk leven, versmaad en gelasterd, valschelijk beschuldigd en veroordeeld; ook werd Hij in latere tijden door ongeloovigen en slechte Christenen bespot en gehoond ; het is dus rechtmatig, dat Hij, de Heer der heirscharen, opdien groo ten dag, al zijne vijanden beschaamt en vernedert.
4°. Eindelijk zal dat oordeel plaats hebben, opdat ieder mensch, naar verdiensten, geëerd* of vernederd worde. Allen, die in Jesus\' liefde gestorven zijn, zullen in tegenwoordigheid van alle menschen verheerlijkt, de zondaars daarentegen beschaamd en vernederd worden.
5°. Ook zal dan ons lichaam, dat deelgenoot in de beoefening der deugd of in het plegen der zonde geweest is, deelen in de verheerlijking of in de schande.
Toepassing. Overwegen wij dikwijls bij ons zeiven, dat eens de schrikwekkende dag des laatsten oordeels komen zal. Aan welke zijde zouden wij dan geplaatst willen worden en welk oordeel zouden wij wenschen te hooren ? Indien wij op dit oogenblik geoordeeld moesten worden, waar zou onze plaats zijn ? — Laten wij zóó leven, dat wij altijd bereid zijn, om voor Gods oordeel te verschijnen.
VIERDE AFDEELING.
HET WERK ONZER HEILIGMAKING.
Inleiding.
I. üe goddelijke Heiland heeft alzoo, gelijk in de voorgaande afdeelingen is aangetoond, het menschdom door zijn lijden en zijnen dood heil en verlossing aangebracht. Ieder mensch in het bizonder wordt nochtans
119
eerst dan aan de vruchten van het verlossingswerk deelachtig, wanneer die vruchten hem medegedeeld worden.
II. Derhalve moeten wij hier de vraag beantwoorden : Door wien en hoe wordt ons vooral de vrucht of de genade der verlossing medegedeeld ?
De goddelijke genade, welke Christus ons verdiend heeft en waardoor onze heiliging en zaligmaking bewerkt worden, ontvangen loij door den H. Geest. Daarom zal in het eerste deel dezer af deeling de verklaring gegeven worden van het Se artikel des geloofs : „Ik geloof in den H. Geest.quot;
Ofschoon ook zij, die niet tot de katholieke Kerk be-hooren, van de mededeeling der genade Gods niet verstoken zijn, zoo geschiedt die mededeeling toch vooral in en door de Kerk, aan welke alléén Christus den H. Geest, den Uitdeeler aller genaden, beloofd heeft. Derhalve zal in het tweede gedeelte gehandeld worden over de Kerk, hare inrichting, haar gezag, enz., en eindelijk, in het derde, over de voltrekking van het werk onzer heiligmaking.
A. Ovee God ben H. Geest.
§ 1-
Natuur des H. Geestes.
I. De II. Geest is waarachtig God, gelijk de Vader en de Zoon, en de derde Persoon der H. Drievuldigheid.
1°. De Godheid des H. Geestes wordt duidelijk in de H. Schrift verkondigd.
a. Zij noemt den H. Geest God, één in wezen met den Vader en den Zoon. Waarom heeft de Satan uw
hart hekoord, om den H, Geest te heliegen ?....... Gij
hebt niet menschen heiogen, maar Godquot; (Hand. d. Ap. V, 3 en 4). 1) „De Vader, het Woord en de H. Geest, en deze drie zijn éénquot; (1 Joan. V, 7).
1) Zie Schuster II, 112.
120
h. Op andere plaatsen der H. Schrift worden aan den H. Geest goddelijke volmaaktheden toegekend, en iver-ken, welke God alleen verrichten kan, toegeschreven.
c. Dit geloofspunt werd ten allen tijde in de Kerk geleerd, en in hare geloofsbelijdenissen, in haai\' doops-formulier en in verscheidene Conciliën duidelijk uitgesproken.
2°. De H. Geest is de derde Persoon der H. Drievuldigheid, en als Persoon van den Vader en den Zoon onderscheiden.
Deze waarheid wordt ons duidelijk geleerd in de H. Schrift. Zoo b. v. zegt de goddelijke Heiland ; „Ik zal den Vader hidden, en Hij zal u een anderen Vertrooster geven .. den Geest der waarheid\'\'1 (Joan. XIV, 16). In deze woorden wordt de H. Geest voorgesteld als een van den Vader en den Zoon onderscheiden Persoon, die, op het gebed van den Zoon, door den Vader gezonden wordt. Diezelfde waarheid blijkt ook uit deze andere woorden van Christus : „Leert alle volkeren, hen doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes\'\' (Matth. XXVIII, 19).
II. Wij noemen den H. Geest den derden Persoon der H. Drieëenheid, omdat Hij van den Vader en den Zoon te zamen, als van één beginsel, voortkomt. Daardoor willen wij niet zeggen, dat de H. Geest aan de beide andere Personen ondergeschikt is : Hij bezit immers van eeuwigheid, gelijk de Vader en de Zoon, alle goddelijke volmaaktheden.
1°. Het voortkomen des H. Geestes van den Vader en den Zoon, ons geleerd in de H. Schrift, is door de Kerk altijd geloofd, en vooral in het eerste algemeene Concilie van Nicea 1) nader bepaald.
2°. Ofschoon de H. Geest van de beide andere Personen voortkomt, heeft Hij niet twee beginsels, maar slechts een, omdat Hij door den Vader en den Zoon te zamen. door ééne en dezelfde kracht, van alle eeu-
1
Zie : Kerkcl. Geschiedenis, door P. Timmermans, en J. H. Wijnen, blz. 43.
121
wigheid wordt voortgebi-acht. Dit leerstuk is pleelitig uitgesproken in het 2e algemeene Concilie van Lyon (1274), tegenover de Grieksche scheuring, en in dat van Morence (1439), toen de gemeenschap tusschen de Roomsche en Oostersche Kerk hersteld werd.
III. Wij kunnen onmogelijk begrijpen, hoe en op welke wijze de H. Geest van den Vader en den Zoon voortkomt; Gods wezen en natuur gaan het mensche-lijk verstand oneindig ver te boven.
De HH. Vaders trachten het ons op de volgende wijze te verklaren : de Vader en de Zoon beminnen elkander van alle eeuwigheid; door deze wederkeerige liefde wordt, van eeuwiaiheid, de Geest der liefde, de derde Persoon van de H. Drievuldigheid voortgebracht. Deze is dus eeuwig, evenals de beide andere Personen.
IV. De derde Persoon wordt bij voorkeur heilige Geest genoemd :
1°, Omdat Hem in de H. Schrift die naam gewoonlijk gegeven wordt.
2°. Dewijl Hem het werk onzer heiligmaking bizonder wordt toegeschreven.
Hij wordt bij voorkeur Geest genoemd wegens de eigenaardige en geheimvolle wijze, waarop Hij van de beide andere Personen voortkomt.
§ 2.
Over de werking des H. Geestes.
I. Naar zijn ivezen is de H. Geest overal tegenwoordig, omdat Hij God is. Zijne werking echter openbaart Hij vooral in de katholieke Kerk (welke de bewaarster is der goddelijke leer en de uitdeelster der HH. Sacramenten) ; en daar, bij uitstek , in de zielen der rechtvaardigen, die Hij op den weg der zaligheid voorlicht, geleidt en versterkt.
II. Het werk onzer heiliging is aan de drie goddelijke Personen gemeen. Christus heeft ons de genade der heiliging door zijn lijden verdiend; doch aan den
122
H. Greest wordt (gelijk wij vroeger reeds zeiden) der mededeeling der genade, onze rechtvaardigmaking, bizonder toegeschreven. Waarom geschiedt dit?
Omdat onze heiliging vooral een werk der lielde is? en de derde Persoon van de H. Drievuldigheid de Geest van liefde, ja de persoonlijke liefde des Vaders en des Zoo us is.
III. Op het Pinksterfeest 1) daalde de H. Geest, onder de gedaante van vurige tongen, zichtbaar over de Apostelen neder, en vervulde hen met bovennatuurlijke kracht en genade.
Deze nederdaling geschiedde onder de gedaante van vurige tongen, om aan te duiden, dat de H. Geest:
1». de Apostelen met de ware kennis des heils kwam verlichten;
2° verwarmen door vurige liefde tot God en den naaste;
3° zuiveren van zonden en booze neigingen;
4° ontvlammen in ijver en heldenmoed.
Ook werd daardoor aangeduid, dat de Apostelen, op hunne beurt, door hunne prediking, aan het mensch-dom het ware licht en de reine liefde zouden mede-deelen.
IV. Gelijk de H. Geest over de opkomende Kerk, te Jerusalem vergaderd, nederdaalde, zoo wordt Hij ook, door alle eeuwen, tot aan \'t einde der wereld, aan de geloovigen medegedeeld, doch thans alleen op onzichtbare wijze -).
De mededeeling der genade door den H. Geest kan ouder een tweevoudig oogpunt beschouwd worden, namelijk ; aan de Kerk in \'t algemeen, m aan de geloovigen in \'t bizonder.
1
Zie Schuster II, blz. 109.
123
V. Welken invloed oefent de H. Geest uit op de katholieke Kerk in \'t algemeen ?
1°. Hij onderwijst de Kerk, door diegenen te verlichten, wier plicht het is, de Openbaring onvervalscht te bewaren en in de harten der geloovigen den godsdienstzin te onderhouden en te verlevendigen. Chris-tiis heeft dit duidelijk aan zijne Apostelen beloofd, toen Hij zeide, dat Hij den Vader zou bidden, hun den Geest der waarheid, die hun alle waarheid leeren zou, te zenden (Joan XiV en XVI).
2°. De H. Geest heiligt de Kerk, doordat Hij alle bovennatuurlijke genaden en gaven aan de zielen der geloovigen of rechtstreeks of door de genademiddelen mededeelt.
3°. De H. Geest bestuurt de Kerk, d. w. z. Christus, het onzichtbare Opperhoofd der Kerk, regeert haar op onzichtbare wijze door den H. (-leest. Onder deze goddelijke leiding kan de Kerk nooit dwalen in het geloof, gaat zij rustig voort, te midden van alle vervolgingen, en toont aan het menschdom den weg des eeuwigen heils.
VI. Hoedanig is de werking des H. Geestes in de zielen der geloovigen in \'t bizonder V
1°. Hij deelt haar, vooral in de HH. Sacramenten, de heiligmakende genade mede , waardoor zij voor God gerechtvaardigd worden.
2°. Zoolang de ziel die genade bewaart, woont de H. Geest zelf op eene bizondere wijze in haar. Daarom zegt de H. Paulus ; „ Weet gij niet, dat.... de Geest Gods in u woontquot;\'} (I Cor. III. 16). — Zoodra echter de mensch , door de doodzonde , de heiligmakende genade verliest, ontheiligt hij den tempel Gods, en de H. Geest blijft niet meer op bizondere wijze in hem.
3°. De H. Geest verlicht het verstand der geloovigen, opdat zij de waarheid en het goede erkennen ; Hij versterkt hunnen wil tegen de bekoringen en verleent hun kracht, om ter liefde Gods alle smart en lijden geduldig te verduren; ja, Hij schenkt hun boven-
124
natuurlijke vreugde te midden van de wederwaardigheden des levens.
VII. Aan de ziel worden , op het oogenblik harer rechtvaardiging, buiten de heiligmakende genade, nog andere gaven geschonken , de zeven gaven des H. Grees-tes genaamd, waardoor zij in staat wordt gesteld, buitengewone daden van verheven deugd te verrichten. Het zijn de volgende : wijsheid, verstand, raad . sterkte , tvetenschap, godsvrucht en vrees des Iheren.
De wijsheid is een bovennatuurlijk en blijvend vermogen om God te kennen en boven alles en in alles te beminnen.
De gave van verstand, schenkt ons eene diepere kennis van de waarheden des geloofs , opdat wij God des te ijveriger zouden dienen.
Door de gave van raad leeren wij kennen , wat in de verschillende omstandigheden van ons leven aan God het meest aangenaam is, en de middelen om tot onze bestemming te komen.
De sterkte schenkt den Christen de kracht , om niet alleen de gewone beletselen der zaligheid te overwinnen, maar ook, uit liefde tot God en den evenmensch, de zwaarste offers te brengen.
Door de gave van wetenschap worden wij verlicht op den weg des heils , om beter te kennen , wat wij geloo-ven en doen moeten ter zaligheid.
De godsvrucht beweegt ons, God en alles, wat met Hem in betrekking staat, te beminnen , en zijn H. wil in alles en altijd met blijdschap te vervullen.
De vrees des Heeren spoort ons aan. om altijd beducht te zijn, God te vergrammen. — Wanneer men het kwaad vlucht alleen uit vrees voor straf, dan bezit men eene slaafsche vrees ; vermijdt men de zonde, ook zelfs de kleinste, uit vrees van aan God te mishagen , dan bezit mende foWeHyfce vrees, waarvan hier spraak is.
VIII. Eindelijk zijn er nog andere gaven , welke de H. Geest aan de ziel, waarin Hij woont, mededeelt. Zij worden vruchten des H. Geestes genoemd, omdat zij in de harten der geloovigen worden voortgebracht door
125
de innige en bovennatumiijke vereeniging der ziel met den H. Geest. De voornaamste zijn deze twaalf: liefde, blijdschap, vrede, verduldigheid, goedei tierenheid, goedheid, lankmoedigheid, zachtmoedigheid,, getromvheid, zedigheid, eerbaarheid, en reinheid.
Besluit. 1°. Laten wij zorgvuldig de zonde, vooral de doodzonde, vluchten ; daardoor toch zou de H. Geest gedwongen worden , met zijne gaven en genaden onze ziel te verlaten.
2° Trachten wij, door een zuiver en godvruchtig leven , ons hart tot eene den H. Geest aangename woonstede te bewaren.
3°. Bidden wij Hem dagelijks, dat Hij ons voortdurend verlichte , versterke en vertrooste ; smeeken wij vooral zijne hulp en bijstand af in moeielijke ondernemingen en bij het kiezen van een levensstaat.
B. OVER DE H. KERK.
De ééne ware Kerk.
I. Gelijk vroeger werd aangetoond , is Jesus Christus waarachtig God en de tweede Persoon der H. Drievuldigheid; Hij is op deze wereld gekomen , om door zijne leer en zijn voorbeeld ons den weg ter zaligheid te toonen en door zijnen dood het mensch-dom te verlossen. De goddelijke leer nu , welke Hij verkondigd heeft, moet tot aan het einde der wereld voortbestaan: „ Gaat en onderwijst alle volkeven .... en ziet, Ik den met u tot aan \'t einde der eeuicen.^ Dat onfeilbaar woord, die goddelijke belofte moet ongetwijfeld vervuld worden; ook erkennen allen, die nog in Christus gelooven, dat de door Hem verkondigde waarheid, de christelijke godsdienst, steeds op aarde voortbestaat.
II. Ter bewaring zijner goddelijke leer heeft Christus eene Kerk 1) gesticht, dat is eene zichtbare en volmaakte maatschappij, gelijk wij later bewijzenzullen.
Er kan slechts ééne ware Kerk van Christus be-
l) Het woord Kerk (van het Grieksche ixx/.yjaia uitkiezing) beteekent in \'t algemeen : vereeniging^ vergadering, maatschappij.
Vandaar wordt, in overdrachtelijken zin, ook de plaats, waar de ge-loovigen hnnne godsdienstige vergaderingen houden, Kerk genoemd.
126
staan, zooals duidelijk blijkt uit het volgende: le. Er kan maar één waar geloot zijn, gelijk wij vroeger bewezen hebben; dus kan er ook maar eene ware Kerk zijn. namelijk die, welke bet ééne geloof in zijn geheel en onvermengd bezit. 2°. Christus heeft uitdruk-delijk verklaard, dat zijne. Kerk slechts één onverdeeld gebeel zou uitmaken, zooals wij later zullen aantoonen.
III. Kunnen wij deze Kerk van Christus, aan welke de schat der Openbaring werd toevertrouwd, als zoodanig kennen?
Hierop antwoorden wij; God wil, gelijk wij vroeger bewezen hebben, dat de menschen zijne Openbaring aannemen en Hem dienen, zooals Hij het verlangt. Aan dat gebod zou de mensch niet kunnen voldoen, indien hem geene middelen aan de hand gegeven waren, waardoor liij met zekerheid de waarheid van de dwaling onderscheiden kan. Bijgevolg is het zeker, dat God die niets gebiedt, zonder ook de middelen te schenken om het te volbrengen, ons in staat gesteld heeft de ware Kerk, waarin de goddelijke Openbaring bewaard wordt, te kennen.
Daarom zegt het Vatikaansche Concilie 1): „Opdat loij aan den \'plicht van het ware geloof te omhelzen en daarin standvastig te volharden zouden kunnen voldoen, daarom heeft God, door zijn eenigen Zoon, eene Kerk gesticht en van klaarblijkelijke kenteekenen zijner instelling voorzien, opdat zij door allen zou kunnen erkend worden als de bewaarster en leermeesteresse van het goddelijk woord.\'
IV. Thans volgt de vraag: Waar vinden wij, te midden der vele belijdenissen van hen, die zich Christenen noemen, het christelijk geloof onveranderd en ongeschonden bewaard?
Het antwoord luidt: in die Kerk, welke Christus zelf gesticht heeft en voortdurend, door den H. Geest, bestuurt en regeert.
Die Kerk kan aldus bepaald worden: de vereeniging van alle geloovige Christenen, die, onder de gehoorzaam-
1
Coustit. Dei Films, 3e Hooldst.
127
held van het door Christus aangestelde Opperhoofd, de ware leer van Christus belijden.
V. Om nu, in de beschouwingen over de ware Kerk, ordelijk voort te gaan, zullen wij achtereenvolgens doen zien;
1°. Welke de ware Kerk van Christus is;
2°. Haar doel en hare bestemming:
3°. Haar wezen en hare inrichting;
4°. Hare hoofdeigenschappen;
5°. Haar gezag en hare macht.
§ 1-
De ware Kerk van Christus is de katholieke Kerk.
I. Dewijl de goddelijke Verlosser de mensehen in de mogelijkheid gesteld heeft, om zijne Kerk met zekerheid te kennen en van alle valsche sekten te onderscheiden, zoo moeten wij thans aantoonen;
] o. Dat Christus haar zichtbare en duidelijke ken-teekenen geschonken heeft, en wel deze vier; de eenheid, de heiligheid, de katholiciteit {of algemeenheid) en de apostoliciteit.
2o. Dat de katholieke of roomsche Kerk, en zij alleen, die kenteekenen werkelijk bezit.
quot;Wanneer wij deze punten bewezen hebben, dan kunnen wij met recht besluiten : dat de katholieke Kerk de ware Kerk van Christus is.
II. Vooraf dient hier opgemerkt te worden, dat deze kenteekenen de volgende hoedanigheden moeten bezitten :
1°. Zij moeten der Kerk noodzakelijk eigen zijn: d. w. z. dat zij haar niet willekeurig door de menschen, maar door Christus zeiven zijn ingedrukt, dewijl zij dienen moeten, om den goddelijken oorsprong der Kerk te bewijzen.
2°. Zij moeten gemakkelijk kunnen gekend worden ; want Christus wil (gelijk wij vroeger gezien hebben).
128
dat allen zijne Kerk binnentreden; dus moeten ook allen in staat zijn, haar gemakkelijk te kennen.
3°. Daaruit volgt ook, dat al deze kenteekenen uitwendig en zichtbaar wezen moeten.
4°. Eindelijk moeten zij uitsluitend, der ware Kerk eigen zijn. en aan geene andere sekte toegekend kunnen worden ; anders toch zouden zij de waarheid niet van de dwaling doen onderscheiden.
eerste stelling :
De Kerk van Christus moet één, heilig, algemeen en apostolisch zijn.
1», Christus\' Kerk moet één zijn.
a. Zij moet zich zichtbaar als eene vereeniging ver-toonen, wier ledematen onderling door zedelijke banden verbonden zijn. Uit leert ons Christus, als Hij de Kerk vergelijkt met een gebouw, met een rijk, en ons dan verder verklaart, dat een rijk, tegen zich zeiven verdeeld, zal verwoest worden en het eene huis op het andere zal vallen. Dewijl Hij nu wil, dat de Kerk bestaan biijve, zoo wil Hij noodzakelijk, dat zij één zal zijn.
b De Kerk moet één zijn in de verkondiging der geloofsleer, dewijl al de waarheden der Goddelijke Openbaring één geheel uitmaken ; want zij zijn onderling innig verbonden en rusten op denzelfden grondslag, namelijk : op Gods onfeilbaar icoord. Daarom zegt de H. Paulus : „één Heer, één geloof, (Ephes. IV, 13).
c. Zij moet één zijn in de uitdeeling der zelfde Sacra-menten, dewijl Christus voor alle menschen dezelfde genademiddelen heeft ingesteld ; ,.één Heer, één geloof één Doopselquot; zegt de Apostel.
d. Eindelijk moet de Kerk één wezen door de gehoorzaamheid aan hetzelfde, door Christus aangestelde, opperhoofd. Christus immers heeft Petrus als den eeni-
grondslag gesteld, waarop Hij zijne Kerk gebouwd heeft, als den eenigen herder, die zijne lammeren en schapen moet hoeden. — Ook zou, zonder deze eenheid van gezag (gelijk wij later zullen zien), de ware een-
129\'
heid in de leer en in de uitdeeling der HU. Sacramenten niet kunnen bestaan.
2°. De Kerk moet heilig zijn, en die heiligheid uitwendig toonen in hare leer, in hare genademiddelen en in de vruchten van buitengewone deugden, goede werken en mirakelen, welke zij voortdurend in hare ledematen voortbrengt. Dit volgt;
a uit het doel der Keik, dat niets anders is dan de voortzetting van het verlossingswerk, de heiliging van het menschdom ;
h. uit de nadrukkelijke verklaring der H. Schritt. „Hij (Christus) heeft zijne. Kerk bemind cn zich vóórhaar overgeleverd . . . opdat zij heilig en vlekkeloos wezen zouquot; (Ephes. V, 25). „Wie in Mij blijft en Ik in hem, zal overvloedige vruchten voortbrengenquot; (Joan. XV, 5).
„Die in Mij gelooft, zal de werken doen, die Ik doe, ja, nog grootere verrichtenquot; (Joan. XIV, 12).
o». De Kerk van Christus moet algemeen of katholiek zijn, d. w. z. : zij moet uit haren aard overal verspreid kunnen worden, geschikt zijn voor alle landen en volken, uit hare natuur naar algemeene uitbreiding streven, en ook haar licht werkelijk over de gansche wereld doen schijnen, gelijk de stralen der zon de ge-heele aarde verlichten.
Dat de Kerk in dien zin algemeen moet zijn, blijkt uit het volgende :
a. Zij werd gesticht om aan alle volkeren de waarheid te verkondigen; „Gaat en onderwijst alte volkeren; gaat in de gansche wereld en predikt allen schepselen het Evangeliequot;.
b. Ook hadden de Profeten reeds voorspeld, dat de Verlosser in en door zijne Kerk zou regeeren van zee tot zee, en dat alle volkeren zich tot Hem zouden heenspoeden (Is. XI).
4°. De ware Kerk moet apostolisch zijn, dat is : zij moet de leer, door de Apostelen verkondigd, ongeschonden bewaren; de goddelijke zending der Apostelen moet in haar. door eene nimmer onderbroken opvolging van opperhoofd en herders, van de eerste tijden der Kerk tot aan het einde der wereld voort bestaan. Immers: 9
130
a. Indien zij eene andere leer verkondigde dan die, welke de Apostelen van Christus ontvingen, zou zij ophouden de ivare Kerk te zijn.
h. Christus heeft in zijne Kei\'k, aan de Apostelen alleen, gezag en macht gegeven ; ben alleen heeft Hij uitgezonden, om alle volkeren te onderwijzen, tevens belovende, dat Hij met hen blijven zou tot aan het einde der eeuwen.
De ware Kerk is dus die, welke de door den Heiland geschonken volmacht, in de opvolgers der Apostelen, bezit.
TWEEDE STELLING.
„De roomsch-katholieke Kerk hezit die vier kenfeekens; hij geene der sekten van hen, die zich Christenen noemen, zijn ze te vindend
1°. A. De eenheid der Kerk.
a. Wanneer wij de katholieke Kerk beschouwen, dan valt aanstonds in het oog, dat zij een aaneengesloten geheel vormt, eene groote familie, die over de gansche wereld verspreid is.
h. Zij bezit de eenheid des geloofs. dewijl overal en altijd 1) dezelfde leer verkondigd wordt en al hare kinderen dezelfde geloofspunten belijden.
c In alle landen en in alle eeuwen worden dezelfde HR. Sacramenten toegediend en hetzelfde Offer opgedragen.
d. Hare ledematen erkennen allen hetzelfde geestelijk gezag, waaraan zij zich onderwerpen, namelijk; den Paus, als Petrus\' opvolger, en de met hem vereenigde Bisschoppen, als de opvolgers der Apostelen.
1
Wel heeft de Kerk, in den loop der eeuwen, sommige geloofspunten duidelijker verklaard en 7iader bepaald; nooit echter heeft zij eene nieuwe waarheid geleerd of een geloofsartikel, dat vroeger beleden werd , verworpen. Wanneer de Kerk eene dogjuatische verklaring geeft (b. v. die over de Onbevlekte Ontvangenis der H. Maagd), dan doet zij niets anders dan eene door God geopenbaarde waarheid plechtig voorstellen, en verklaren, dat ieder Christen die als geloofspunt moet aanemen.
131
B. Die eenheid bezitten de protestanlsche sekten niet.
a. Reeds bij zijn ontstaan verdeelde bet Protestantisme zich in verschillende sekten, en in onze dagen kunnen de protestantsche sekten bij bonderden geteld worden ; ook in elke sekte afzonderlijk werd onophoudelijk de geloofsleer veranderd; heden nam men aan, wat men gisteren verwierp, en omgekeerd ; zelfs bij de ledematen derzelfde sekte bestaat geene eenheid van geloof.
h. Datzelfde geldt van de HH. Sacramenten, over welker aard. getal en werking de Protestanten het onderling zeer oneens zijn.
c. Eenheid van yezag is hun geheel onbekend.
d. Ook moet hun hoofdbeginsel van vrij onderzoek noodzakelijk de geloofseenheid verbreken, en tot gevolg hebben — gelijk de ondervinding leert — dat er zooveel hoofden zoovetl zinnen zijn.
2°. A. De heiligheid der katholieke Kerk blijkt duidelijk hieruit:
a. Dat zij, door het wettige gezag, hetwelk haar goddelijke Stichter heeft ingesteld, met Christus — den oneindig Heilige — als haar Opperhoofd vereenigd blij ft.
b. Hare leer, hare wetten, hare Sacramenten, met één woord, alles in de Kerk heeft ten doel de heiliging barer ledematen.
c Ook vertoont zij uitwendig de vruchten van het leven der heiligheid, dat haar bezielt. Inderdaad :
a. Ontelbare kinderen der Kerk hebben door hunne buitengewone deugden en om de wonderen, in hun leven gewrocht, of na hunnen dood, bij hunne vereering, geschied, met recht den naam van Heiligen verworven.
In haar bloeit de beoefening der verhevenste deugden en der Evangelische raden ; en ten allen tijde bezat zij in eenigen harer kinderen de gaven der voorzegging en der mirakelen.
B. Deze heiligheid vinden wij nergens hij hen, die zich van de katholieke Kerk hebben afgescheiden.
132
a. Zij hebben het recht niet Christus hun Opperhoofd te noemen ; want zij hebben de Kerk. hunne Moeder, verlaten, aan welke de Heiland gezegd heeft: „Die u versmaadt, versmaadt Mij.quot; — Ook waren hunne opperhoofden en stichters verre van de heiligheid verwijderd en leidden veelal een schandelijk en zondig leven, gelijk wij uit de Kerkelijke geschiedenis weten.
h. De leer der sekten bevat hoofdbeginselen, welke van de deugd en heiligheid aftrekken en aan de menschelijke hartstochten den vrijen teugel geven. B. v, de leer der Lutheranen, dat het geloof alleen zalig maakt; dat de goede werken nutteloos zijn; dat de menschelijke vrijheid vernietigd is; het geloof der Calvinisten aan de onvoorwaardelijke voorbestemming, zonder dat de verdiensten des menschen in aanmerking komen.
c. Eindelijk ontbreken hun de uitwendige teekeneu van het bovennatuurlijke leven der heiligheid ; wanU a. zij zijn onvruchtbaar in het bekeeringswerk der volkeren ; zij kunnen zich zelfs niet staande houden, dan door de ondersteuning der Staatsmacht.
p. Zij bezitten wel in sommigen harer ledematen rechtschapen en eerlijke menschen, maar icare Heiligen hebben zij nimmer voortgebracht.
y. Bij haar vinden wij noch de beoefening der christelijke deugden in verheven graad, noch de gaven van voorzegging en mirakelen.
8°. A. De algemeenheid der katholieke Kerk wordt reeds door haren naam aangeduid.
De Kerk is algemeen in den boven aangeduiden zin : a. dewijl hare leer en hare inrichting voor alle tijden en voor alle volkeren geschikt zijn, en zij, steeds ijverig werkzaam voor het zielenheil van alle menschen, — gelijk zoo vele honderden Missionarissen bewijzen — zich steeds meer en meer zoekt uit te breiden. — Zij doet dit, volgens het voorschrift van Christus, door de prediking aan heidenen en ongeloovigen. h. Feitelijk is zij, zonder de eenheid te verliezenr
133
over alie landen der aarde verspreid, en het getal harer kinderen overtreft verre dat van elke sekte in \'t bizonder, ja zelfs dat van alle afgescheidene Christenen te zamen 1).
c. Hare algemeenheid schittert zóó duidelijk voor aller oogen, dat zij overal de katholieke of algemeene Kerk genoemd wordt; dat zelfs de ketters (gelijk de H. Augustinus te zijnen tijde, in de 5e eeuw, reeds opmerkte), als zij door anderen willen verstaan worden. genoodzaakt zijn, haar den naam van katholieke Kerk te geven
B. Geene der afgescheidene sekten hezit de algemeenheid.
а. Zij kunnen niet algemeen zijn ; want
«. zij zijn ontstaan, niet cp de door Christus ge-■wenschte wijze, door de bekeering der ongeloovigen, maar door scheuring en afval van de Kerk.
,3. Ware zelf-opoffering bij het bekeeringswerk dei-heidenen is bij de sekten onbekend ; haar voornaamste arbeid bestaat gewoonlijk in \'t uitdealen van bijbels en andere boeken.
?\'• Het vrije onderzoek, dat het hoofdbeginsel der meeste sekten is, belet eene algemeene verspreiding, dewijl een zeer groot getal ongeletterde menschen daarvan geen gebruik kunnen maken.
б. Ook feitelijk is er niet ééne sekte, die in alle landen der aarde aanhangers telt; de meesten zijn tusschen de enge grenzen van een of meer rijken ingesloten.
Al ware zelfs eene dier sekten over de meeste landen der aarde verspreid, dan nog zou men die niet de ééne algemeene Kerk kunnen noemen, dewijl bij alle sekten de eenheid van leer en gezag ontbreekt, en overal verscheidenheid van meening aangaande de hoofdwaarheden bestaat.
1
Er zijn meer dan 200 millioen Katholieken, tegenover 75 millioen •afgescheiden Grieken, welke in 8 sekten verdeeld worden, en 80 millioen Protestanten, die in 40 grootere en ontelbare kleinere sekten gesplitst zijn.
134
4°. A. Da katholieke Kerk is apostolisch. a. De Kerkelijke geschiedenis toont ons duidelijk aan, dat de Paus van Rome, het opperhoofd der Kerk,, de wettige opvolger van den H. Petrus is; dat er van den Prins der Apostelen tot Leo XIII eene nooit onderbroken rij vau Pausen geweest is. Ook bestaan er vele bisschoppelijke zetels, welke, door de Apostelen gesticht, eene voortdurende opvolging tot op onze dagen kunnen aanwijzen. Daaraan hebben de nieuwe, in den loop der tijden opgerichte bisdommen zich, onder het oppergezag van den Paus, altijd aangesloten. — Het leerend en besturend gezag in de katholieke Kerk stamt dus in rechte lijn van de Apostelen af. Daar nu de geloovigen alleen dan tot de Kerk behooren, wanneer zij met het door Christus aangestelde gezag vereenigd zijn, zoo volgt hieruit, dat wij met recht de Kerk apostolisch noemen.
b- Dewijl het leerend gezag in de Kerk apostolisch is bezit het ook de gave dei\' onfeilbaarheid in alles, wat tot de geloofs-en zedenleer behoort. Derhalve moest ook immer de ware, door de Apostelen verkondigde leer ongeschonden bewaard worden en dit is,, gelijk later blijken zal, werkelijk zoo geschied.
Bijgevolg, zoo besluiten wij, is de katholieke Kerk apostolisch in hare herders en in hare leer.
B. Geene der sekten hezit de apostoliciteit.
a. Van elke thans bestaande sekte kan men den oorsprong aanwijzen vele eeuwen na de Apostelen\', zij dragen nog immer den naam van hunnen stichter.
h. Zij zijn ontstaan door opstand tegen- en losscheuring van het apostolisch gezag; daarmede werd tegelijk de band verbroken, waardoor hare ledematen met de Apostelen verbonden waren.
c. Ook hare geloofsleer en bediening der HH. Sacramenten is in vele punten van die der Apostelen afgeweken.
De gevolgtrekking der tweevoudige stelling, welke-
135
wij bewezen hebben, is deze: Christus heeft aan zijne Kerk vier zichtbare en zekere kenteekenen gegeven. Die kenteekenen worden alleen in de katholieke Kerk teruggevonden. Derhalve moeten wij deze als de icare Kerk van Christus erkennen.
Daarenboven zijn er nog vele andere bewijzen voor den goddelijken oorsprong der Kerk. We zullen er slechts eenige, met weinig woorden, aanstippen.
lo. Het feit zelj van haar bestaan. Tweehonderd millioen Katholieken, over de gansche wereld verspreid in de vereeniging met hunne 33isschoppen en Priesters, onder het oppergezag des Pausen, belijden allen hetzelfde geloot \\ allen verkondigen het luide, dat de Kerk door God zeiven ingesteld is en van Hem Kaar gezag ontleent. — Zóó was het gedurende alle christen-eeuwen, en millioenen Katholieken bezegelden met hun bloed hunne innige overtuiging en belijdenis van de goddelijkheid der Kerk. — Hoe zou zulk eene algemeene erkenning en zulk eene diep gevestigde overtuiging mogelijk wezen, indien God zelf niet de Kerk gesticht had ?
2o. Hare wondervolle opkomst en haar nooit onderbroken bestaan.
a. Christus zond twaalf arme visschers uit, niet om een land, maar om de ga?isc1ie wereld^ die door zedenbederf verkankerd en aan den afgodendienst vers\'aafd was, te bekeeren. — Zij hadden noch rijkdommen, noch machtige legers ter hunner beschikking; geene menschelijke kennis of wetenschap stond hun tea dienste. — Duizenden hinderpalen stonden hun in den weg : eene strenge zedenleer tegenover een diep bedorven volk, de ijverzucht der heidensche priesters, de achterdocht en heerschzucht der keizers.
Xiettegens\'.annde dat alles zien wij de Kerk in korten tijd alom verbreid. Xa eene bloedige vervolging van drie eeuwen had zij, ofschoon klein als het mosterdzaad, tusschen het onkruid opgeschoten, zich tot een breedgetakfen boom ontwikkeld.
b. Gedurende den loop der eeuwen werd de Kerk met hevigheid aangevallen en bestormd door de Mahomedanen, door de noordsche barbaren, door keizers en koningen, door het waanzinnig volk in tijden van omwenteling. Ook werd zij fel bestreden door ketters en scheurmakers, en in onze dagen vooral door het ongeloof. Maar ziet, door iederen storm werd de Kerk gezuiverd, en. terwijl de verdorde bladeren naar alle zijden verstrooid werden, bleef zij zelve frisch en krachtig als te voren.
Wanneer wij de opkomst, de uitbreiding en het wondervolle voortbestaan der Kerk gadeslaan, terwijl alle menschelijke instellingen om haar heen ineenstorten, dan moeten wij mei dankbaarheid erkennen, dat zij het zuerk van God is en nimmer zal vergaan.
% 2.
Bestemming dei\' Kerk.
I. Nadat wij aangetoond hebben, dat de katholieke
136
Kerk, en zij alleen, de ware Kerk van Christus is, moeten wij thans overgaan tot de beschouwing van het doel harer instelling. — Dat doel is tweevoudig : hare eindbestemming is: alle menschen ter eeuwige zaligheid te geleiden; haar naaste doel: den menschen de leer van Christus te verkondigen en zijne genademiddelen uit te deelen.
II. Het naaste doel der Kerk kennen wij : a. uit de zending, welke Christus aan zijne Apostelen opdroeg, om aan alle volken zijne leer te verkondigen en hun de door Hem ingestelde Sacramenten toe te dienen, aldus aan allen de kennis der waarheid mede te deelen en het verlossingswerk, tot het einde der wereld, voort te zetten. Daarom beloofde Hij hun, dat hij met hen zou zijn tot het einde der eeuwen, h. Uit de woorden van den Heiland tot Petrus: „ Weid mijnt lammeren; toeid mijne schapenquot; (Joan. XXI, 15). Hij, tot vvien deze woorden gesproken werden, moet dus de menschen weiden en besturen, in zooverre zij tot de kudde van Christus behooren. Met die kudde nu zijn zij vereenigd door het geloof aan Jesus\' leer en het volbrengen zijner geboden. Petrus en degenen, die met hem deel hebben in de leiding van Christus\' kudde moeten dus de geloovigen bestieren in alles, wat tot de uitoefening van den godsdienst behoort.
III. De eindbestemming der Kerk is: het menschdom tot de eeuwige zaligheid te brengen.
Deze waarheid wordt aldus bewezen ;
a. De menscli moet, als hij zijn einddoel, de eeuwige zaligheid, wil bereiken, de goddelijke Openbaring aannemen, zijn leven daarnaar inrichten, en de middelen, welke God hem tot bereiking van dat doelge-steld heeft, gebruiken. A.an de Kerk nu werd de bewaring der goddelijke leer en der genademiddelen toevertrouwd. Hare eindbestemming dus is; den menschen den weg der zaligheid te toonen en hen op dien weg steeds te geleiden.
b. Duidelijk wordt het doel der Kerk aangewezen door de woorden van Christus: „Verkondigt allen schep-
137
sden het Evangelie. Die gelooft, en gedoopt ivordt, zal zalig wordenquot; (Marc, XVI, 15). De aanneming en beoefening van den door de Apostelen — en na hen door de Kerk — verkondigden godsdienst leidt ter zaligheid.
c. Datzelfde blijkt ook uit andere plaatsen der H. Schrift, waar Christus het geloof, het Doopsel en de onderhouding zijner geboden, met één woord, de beoefening van den christelijken godsdienst, noodzakelijk ter zaligheid verklaart. De Kerk nu is niets anders dan de uitwendige en zichtbare openbaring van den christelijken godsdienst; zij dus moet de menschen ter zaligheid voeren — dat is haar einddoel.
§ 3.
Over het wezen en de inrichting der Kerk,
I. De ware Kerk van Christus is de katholieke; zij heeft ten doel: den schat der goddelijke Openbaring te bewaren en het menschdom op den weg der zaligheid te geleiden. Thans rijst de vraag: heeft de goddelijke Stichter der Kerk haar zóó ingericht, dat alle ledematen door zedelijke banden aan elkander verbonden zijn of niet; vormt zij een zelfstandig genootschap ; zijn al hare ledematen al dan niet gelijk in macht en gezag? enz.
II. Alvorens deze punten te behandelen, moeten wij de volgende opmerking maken : wanneer wij spreken van maatschappij, dan verstaan wij daardoor: eene vereeniging van personen, die met gemeenschappelijke krachten naar een zdfde doel streven, zooals b. v. een welgeordende Staat is, waarin overheid en onderdanen het welzijn van alle burgers trachten te bevorderen.
III. De natuur en de inrichting der Kerk kunnen aldus aangegeven worden : De Kerk is eene toliiaakte en zichtbare maatschappij; alle menschen zijn verplicht tot haar toe te treden; zij wordt bestuurd door een quot;wettig gezag ; zij is van elke andere maatschappij onafhankelijk.
13S
Wij zullen tot grootere duidelijkheid deze stelling in eenige punten verdeelen en achtereenvolgens, in afzonderlijke paragrafen, bewijzen.
De Kerk is ;
A. eene volmaakte en zichtbare maatschappij ;
B. alle menschen zijn verplicht hare ledematen te worden, of m. a. w., buiten haar is de zaligheid onmogelijk ;
C. zij is eene ongelijke maatschappij, d- i, bestuurd door een wettig gezag;
I). zij is onafhankelijk van elke andere macht.
Daarna zal gesproken worden over de onvergankelijkheid en onveranderlijkheid der Kerk.
A. De Kerk is eene volmaakte en ziclitbare maatschappij.
I. Tot het wezen eener volmaakte maatschappij zijn noodig ; een stichter, die het recht en de macht bezit, om haar in te stellen; een aantal leden; een bepaald en onveranderlijk doel, en de noodzakelijke middelen tot bereiking van dat doel.
Dat alles vinden wij in de katholieke Kerk, gelijk bewezen wordt:
A. Uit haren oorsprong.
1°, Christus, de Grod-mensch, de Heer van hemel en aarde, had toch zeker het recht en de macht, om als stichter eener maatschappij, geheel naar zijn godde lijken wil ingericht, op te treden. Dit heeft Hij werkelijk gedaan bij de instelling der Kerk.
2°. De Heiland heeft de ledematen der Kerk aangewezen, toen Hij aan zijne Apostelen den last gaf. om allen schepselen het Evangelie te verkondigen ; toen Hij hen vermaande, allen, die de Kerk niet zouden hooren, als heidenen te beschouwen, en eindelijk, toen hij beloofde, dat die Kerk, aan wier hoofd Hij Petrus gesteld had, tot het einde der wereld zou bestaan.
139
3°. Aan deze maatschappij stelde Christus tot doel, geJijk wij vroeger gezien hcliben, gt; het bewaren zijner leer,\'2 de uitdeeling der genademiddelen, en het hereiken der eeuwige zaligheid.
4°. Als middelen, om hare bestemming te bereiken, schonk Hij der Kerk zijn goddelijken bijstand, quot;de HH. Sacramenten, en een leerend en besturend gezag.
De Kerk dus bezit alles, wat tot het wezen eener volmaakte maatschappij behoort; zij moet derhalve ook als zoodanig erkend worden.
B. Datzelfde wordt ons door de geschiedenis der Kerk aangetoond. Terstond na het Pinksterfeest vereenigen zich do Christenen tot een genootschap ; aan het hoofd staan de Apostelen, onder het opperbe-stuur en de leiding van Petrus ; zij ouderwijzen, geven voorschriften en deelen de genademiddelen uit.
Alle afzonderlijke kerken waren, reeds in de eerste tijden des Christendoms, innig samen verbonden door hetzelfde geloof, dezelfde Sacramenten, en één en hetzelfde opperhoofd ; zij vormden aldus één genootschap, de ééne katholieke Kerk, welke door alle eeuwen, tot op onzen tijd bleef voortbestaan.
11. De Kerk is niet eene onzichtbare vereeniging van zielen, maar eene werkèlijk zichtbare en uitwendige maatschappij. Dat volgt:
а. uit de kenteekenen der Kerk (welke wij vroeger aangegeven hebben), die alle zichtbaar zijn. Dus moet ook de Kerk zelve gezien kunnen worden.
б, Zij bestaat, gelijk wij later bewijzen zullen, uit overheden en onderdanen ; de eersten geven wetten, de laatsten gehoorzamen. Dus is zij uit hare natuur zichtbaar.
c. Christus zelf heeft haar tot bereiking van haar doel zichtbare middelen voorgeschreven, zooals de openbare verkondiging des geloofs, de uitdeeling der HH. Sacramenten. Ook de openbare belijdenis des geloofs en het ontvangen der genademiddelen kunnen niet zonder uitwendige handelingen geschieden, Dus
140
blijkt het duidelijk, dat de Kerk eene zichtbare maatschappij is.
Over de ziel en het lichaam der Kerk.
I. Ofschoon de Keik eene zichtbare maatschappij is, bevat zij toch ook een onzichtbaar bestanddeel. Zij heeft, in dit opzicht, eenige gelijkenis met den goddelijken Heiland, die naar zijne menschelijke natuur door de menschen gezien werd, terwijl zijne Godheid voor hunne oogen verborgen bleef. Het uitwendige en zichtbare deel der Kerk noemen wij het lichaam , het onzichtbare — de ziel.
Onder ziel der Kerk verstaan wij ; alle inwendige , bovennatuurlijke genaden . waardoor zij de Kerk van Christus is en in staat gesteld wordt hare bestemming te bereiken.
Ziel en lichaam staan hier echter niet tegenover elkander als twee Kerken; zij maken slechts ééne Kerk uit, gelijk in den mensch het lichaam en de ziel slechts éénen persoon vormen.
II. Wie zijn deelgenooten aan de ziel der Kerk ?
Alle rechtvaardigen, maar ook zij alleen.
Wij zeggen : a. alle rechtvaardigen , dus ook zij , die niet uitwendig tot de Kerk behooren, doch de hei-ligmakende genade bezitten en Gode aangenaam zijn, zooals bijv. Protestanten, die te goeder trouw dwalen en in staat van genade leven.
h. De rechtvaardigen alleen behooren tot de ziel der Kerk, zoodat allen, die in staat van doodzonde zijn , al belijden zij ook het ware geloof, van de ziel der Kerk zijn gescheiden.
Voor hen, die nog het geloof en de hoop bewaard hebben en dus nog eemg\'szms met de ziel der Kerk verbonden blijven, is de terugkeer gemakkelijker dan voor hen, die deze deugden niet meer bezitten,
III. Dat alle rechtvaardigen en zij alleen tot de ziel der Kerk behooren, is duidelijk, dewijl zij alleen het bovennatuurlijke leven der genade bezitten , waar-
141
door zij himne bestemming , de eeuwige zaligheid, bereiken kunnen.
IV. Grelijk de mensch niet uitsluitend bestaat uit de ziel, maar ook het lichaam tot zijn wezen behoort, zoo is tot het wezen der Kerk een uitwendig , een zichtbaar lichaam noodzakelijk.
Dat lichaam bestaat uit alle geloovigen , zondaren en rechtvaardigen, die onder de gehoorzaamheid aan het door Christus ingestelde gezag, het ware geloof belijden.
Die waarheid blijkt duidelijk :
a. Uit de H. Schrift. Christus vergelijkt de Kerk bijeen net, dat, in zee geworpen, visschen van verscheidene soort verzamelt; bij eene bruiloft, waarop goeden en kwaden verschijnen; bij tien maagden , waarvan vijf dwazen. Aldus bevat de Kerk èn rechtvaardigen èn zondaars. — Een openbaar zondaar, in de Kerk van Corinthe, werd door den H. Paulas van de gemeenschap uitgesloten ; dus behoorde hij tot dat oogenblik nog tot het lichaam der Kerk.
b. Deze waarheid wordt ons door de voortdurende leer en overlevering der Kerk verkondigd. Dit blijkt uit de schriften der HH. Vaders en de veroordeeling tegen sommige ketters, b. v. de Novatianen , uitgesproken.
c. De Kerk is eene zichtbare maatschappij; het is echter onmogelijk onder de ledematen der Kerk de rechtvaardigen van de zondaars te onderscheiden — dus behooren allen tot het lichaam der Kerk.
d. De HH. Sacramenten mogen alleen ontvangen worden door hen, die tot de Kerk behooren; in de Biecht worden de zondaars met God verzoend : dus behooren zij tot de Kerk.
Wie is van de Kerk uitgesloten ?
Nadat wij gezien hebben Avie tot de ziel of tot het lichaam der Kerk behooren, moeten wij nog deze vraag beantwoorden : wie is van de Kerk uitgesloten ?
1°. Van dezieZder Kerk zijn uitgesloten allen, die
142
beroofd zijn van de heiligraakende genade. Dit blijkt duidelijk uit het vroeger behandelde.
2°. Behooren niet tot het lichaam dor Kerk :
a. Allen, die niet gedoopt zijn.
h. Zij, die tot eene sekte van ketters ol scheurmakers behooren.
c. Die door de kerkelijke Overheid in den ban geslagen of geëxcommuniceerd , d. w. z. van de gemeenschap der Kerk uitgesloten zijn.
Ziehier de bewijzen dezer waarheid.
A. Uit de H. Schrift: „ Tenzij iemand wedergeboren loorde uit water en den H. Geest, lean hij het rijk Gods niet ingaanquot; (Joan. Ill, 5), d. i. niet in den hemel komen, en bijgevolg ook niet tot de Kerk behooren, die bestemd is de menschen ten hemel te voeren.
Christus zegt tot zijne Apostelen, dat zij iemand, die naar de Kerk niet hoort, moeten houden als een heiden en een openbaar zondaar (Matth. XVIII. 17). Degene die, zooals de bovengenoemden, het gezag der Kerk versmaadt, is dus gelijk een heiden, die zich geheel buiten de Kerk bevindt.
B. Uit de natuur der Kerk zelve. Deze toch is eene door Christus ingestelde en volmaakte maatschappij, waarin de onderdanen moeten geleid en bestuurd worden door het wettig gezag; zij dus, die zich aan de leiding, aan dat bestuur onttrekken, verwijderen zich van de Kerk en behooren niet meer tot hare kinderen. — Zij, die geëxcommuniceerd zijn, bevinden zich buiten de Kerk, dewijl het wettig gezag hen van de gemeenschap heeft uitgesloten. Gelijk de Staat het recht heeft openbare vijanden uit het rijk te verwijderen, zoo ook de Kerk.
C. De Kerkelijke geschiedenis leert ons, dat ten allen tijde de bovengemelde personen, als buiten de Kerk en hare gemeenschap staande, beschouwd werden.
B. Buiten de Kerk is de zaligheid onmogelijk.
I. Op tweevoudige wijze kan iets ter zaligheid noodzakelijk zijn, namelijk alleen tengevolge van het ge-
143
hod van God, gelijk b. v. het onderhouden der goddelijke geboden ; of wel als een noodzakelijk middel daartoe, zooals het Doopsel.
De toetreding nu tot de Kerk is voor ieder mensch verplichtend èn uit de noodzakelijkheid des gebods én uit de noodzakelijkheid des middels. — Ziedaar hetgeen wij thans nader zullen verklaren en bewijzen.
A. Door het goddelijk gebod zijn alle menschen, die zedig vnllen worden, verplicht zich bij de Kerk aan te sluiten.
1°. Christus heeft zijne goddelijke Openbaring en de uitdeeling zijner Sacramenten aan de Kerk toevertrouwd. Dewijl Hij nu, op straf van eeuwige verdoeming, geboden heeft (gelijk elders bewezen is), zijne gansche leer te omhelzen en de Sacramenten te ontvangen, welke alleen in de Kerk, volgens zijnen wil, bewaard en uitgedeeld worden; zoo volgt daaruit, dat Christus wil en gebiedt, dat ieder mensch tot de Kerk zal behooren. Hij dus, die vrijwillig dit gebod overtreedt, begaat eene doodzonde en kan in dien toestand niet zalig worden.
2°. Christus beveelt zijnen Apostelen het Evangelie aan alle sohepselen te prediken en diegenen, die de Kerk niet hooren, als heidenen en openbare zondaars te beschouwen. Dus is ieder mensch, die niet als kind der Kerk naar hare stem luistert, gelijk aan een heiden of zondaar, voor wien als zoodanig de zaligheid onmogelijk is.
3°. De goddelijke Insteller der Kerk heeft haar tot einddoel gesteld, alle menschen tot de eeuwige zaligheid te brengen ; dus gebiedt Hij ook de toetreding van allen tot de Kerk.
Hieruit kunnen wij besluiten :
a. Dewijl alle menschen verplicht zijn tot de Kerk toe te treden, zijn zij ook verplicht met haar vereenigdte blijven; wie door zijne schuld hare gemeenschap verlaat, zondigt tegen het gebod des Heeren, verliest de genade en het recht op den hemel.
b. Dwaas en goddeloos is het beginsel: alk godsdiensten zijn even goed.
c. Gelijk men van de vervulling van een gebod kan verontschuldigd worden door onvrijwillige ofiwetendheid^ zoo kan iemand, die zich zonder schuld buiten de Kerk bevindt, in dit opzicht van zonde vrij zijn, en indien hij geene andere schuld heeft, zal bij daarom alleen niet verloren gaan.
144
B. In zeker opzicht is het, uit noodzakelijkheid des middexSj noodig tot de Kerk te hehooren. Deze stelling moet aldus verstaan worden :
1°. ïïzt gewone en geschikte middel ter zaligheid is: de aansluiting bij het lichaam der Kerk.
2°. Het volstrekt noodzakelijke middel is ; de inwendige vereeniging met de Kerk door den wil ; hierdoor behoort men tot hare ziel.
Ten bewijze van \'t eerste punt diene :
Als een gewoon en geschikt middel ter zaligheid moeten wij datgene beschouwen, waardoor den mensch, volgens de plannen der Voorzienigheid, de heiligmakende genade, zonder welke men niet in den hemel kan komen, wordt medegedeeld.
Dit nu geschiedt in de Kerk.
a. Op de eerste plaats, door het H. Doopsel, dat, volgens den wil van Christus, aan de Kerk ter uitdeeling is toevertrouwd, en waardoor de mensch de heiligmakende genade ontvangt en als lidmaat der Kerk wordt aangenomen.
h. Voor hen, die na het Doopsel in doodzonde zijn gevallen, is de Biecht het gewone middel om zich met God te verzoenen en de genade terug te bekomen. De katholieke Kerk alleen bezit dit Sacrament. De gewone en meest geschikte weg ter zaligheid is dus bij haar alleen te vinden.
Om het tweede punt te bewijzen zeggen wij : a. Het is volstrekt onmogelijk, zonder de heiligmakende genade zalig te worden. Om die genade te verkrijgen en te bewaren is het noodig, dat men den vasten en oprechten wil hebbe, alles te doen, wat door God, onder zware verplichting, is voorgeschreven. In dien wil nu is opgesloten het verlangen om tot de Kerk te be-hooren, dewijl dit door God streng is bevolen.
h. Voor hen, die het H. Sacrament des Doopsels niet kunnen ontvangen, is het Doopsel van hegeerte volstrekt noodzakelijk ter zaligheid; insgelijks het volmaakt berouw voor hen, die na \'t Doopsel eene zware zonde bedreven hebben en in de onmogelijkheid zijn vantebiech-
145
ten. In beide echter is het verlangen en de wil opgesloten, alles te doen, wat God ons tot eeuwig heil heeft voorgeschreven ; en dus ook de aansluiting bij de Kerk. .Dit alles zal later verklaard worden.
Aldus 1°. hij, die te goeder trovw buiten de gemeenschap der Kerk, in dwaling leeft, kan inwendig, door den wil, met hare ziel verbonden zijn en dus zalig worden.
2°. Hij, die vrijwillig, door zijne schuld, in dwaling blijft en niet tot de Kerk toetreedt, kan niet inwendig tot hare ziel behooren; hij kan dus niet de heiligma-kende genade bezitten. Voor hem is derhalve, in dien toestand, de zaligheid onmogelijk.
De katholieke Kerk is bijgevolg de alleen zaligmakende, dewijl men ten minste tot hare ziel moet behooren om in den hemel te komen.
3°. Hieruit blijkt ook duidelijk de zin der stelling ; huiten de katholieke Kerk is de zaligheid onmogelijk. Dit wil dus niet zeggen, dat ieder onkatholiek zal verloren gaan. De beteekenis dier stelling is : ieder mensch is verplicht zich bij de Kerk van Christus aan te sluiten, ten minste den wil en het verlangen daartoe te hebben. Hij, die den katholieken godsdienst opzettelijk niet wil leeren kennen, of, dien kennende, niet wil omhelzen, maakt zich aan een zwaar verzet tegen God plichtig en kan dus niet zalig worden. Wie zóó gestemd is, behoort noch tot de ziel noch tot het lichaam der Kerk.
4°. Uit het voorgaande blijkt ook, in welken zin wij Katholieken onverdraagzaam zijn en het inderdaad moeten zijn, namelijk ten opzichte der geloofsleer.
Wij belijden, dat alle menschen waarlijk verplicht zijn, den éénen waren, door God geopenbaarden godsdienst te omhelzen, die, gelijk wij bewezen hebben, alleen in de katholieke Kerk gevonden wordt.
Wij verwerpen, en met recht, de zoogenaamde cZojf-raatische verdraagzaamheid, waardoor men alle godsdiensten op ééne lijn stelt en als even goed beschouwt, en aan ieder mensch het recht toekent, God te dienen naar zijn eigen goeddunken. Dat is dwaasheid en
10
146
dwaling; zulk een recht bestaat niet; integendeel is ieder mensch verplicht, de waarheden te gelooven, welke God zelf hem te gelooven heeft voorgesteld, en zijnen Heer en Schepper op die wijze te dienen, welke Deze hem heeft voorgeschreven.
Iets anders is de burgerlijke otpractische verdraagzaamheid. Deze mogen, ja moeten wij jegens hen, die in dwaling verkeeren, betoonen. Zij bestaat hierin, dat wij niemand door geweld willen dwingen het ware geloof te omhelzen; dat wij alle menschen, zonder onderscheid, als onze evennaasten, beminnen, en met hen in vrede willen leven, terwijl wij overigens hunne dwaling van harte betreuren en voor hunne bekeering bidden.
5°, Ten slotte één enkel woord over de Inquisitie 1), welke door de vijanden der Kerk als een bewijs barer onverdraagzaamheid wordt aangevoerd.
In de Middeleeuwen bestond eene tweevoudige Inquisitie — de kerkelijke en de Spaansche, Deze laatste was eene Staatsinstelling. Vele haar toegeschreven wreedheden zijn overdreven geworden ; andere werkelijk bestaande mogen niet der Kerk, maar moeten aan \'t misbruik der Staatsmacht worden toegerekend, want de Kerk heeft menigmaal hare stem daartegen verheven.
De kerkelijke Inquisitie was eene kerkelijke rechtbank, die ten doel had de ketterij to ontdekken en hen, die daaraan schuldig waren, te veroordeelen of de onschuldig aangeklaagden vrij te spreken . Den schuldigen werden kerkelijke straffen (b. v. de excommunicatie) opgelegd, iets waartoe de Kerk klaarblijkelijk volkomen recht heeft. Zij, die hardnekkig in de dwaling bleven volharden, werden aan den wereldlijken rechter overgeleverd. Deze veroordeelde hen dan, naar de toenmalige Staatswetten, tot burgerlijke straffen, dewijl de ketters in den regel ook zeer gevaarlijk waren voor de rust en het behoud van den Staat.
1
Zie de meer uitgebreide behandeling van dit punt, alsook van den Bartholomeïisnacht, in onze Schets der Kerk, Geschiedenis, bl. 137.
147
C. De Kerk is eene ongelijke maatschappij.
I. Gelijk in een welgeordenden Staat twee onderscheiden klassen van burgers zijn — overheden en onderdanen — zoo bestaan ook in de Kerk twee verschillende orden : zij, die met kerkelijke macht hekleed zijn, en de eenvoudige geJoovigen.
II. Dat onderscheid tusschen de ledematen dei-Kerk — van geestelijken en geloovigen — is van goddelijken oorsprong; het werd door Christus zeiven ingesteld. Die waarheid zullen wij thans bewijzen.
A. Uit de H. Schrift.
a Christus heeft uit zijne leerlingen een twaalftal mannen uitgekozen, die Hij Apostelen noemde. Aan deze Apostelen gaf Hij rechtstreeks en uitsluitend den last en dus ook het gezag, om
1° alle volkeren te onderwijzen ;
2° tot hen alleen zeide Hij bij het laatste Avondmaal, na de instelling van het Allerh. Sacrament des Altaars ; „Doet dit ter mijner gedachtenisquot; — zij alleen dus bezitten de macht het H. Sacrificie der Mis op te dragen, — en hun alleen schonk Hij de macht, om de zonden te vergeven;
3° hun alleen verleende Hij het gezag, om, onder het opperbestuur van Petrus, de Kerk te besturen en te regeeren, gelijk wij later uitvoerig zullen bewijzen.
6, Ook zien wij in de H. Schrift, dat uitsluitend de Apostelen en de door hen aangestelde Bisschoppen en Priesters als geestelijke leeraars optreden, de HH, Sacramenten toedienen, geestelijk gezag en macht uitoefenen.
B. Uit de geschiedenis en de overlevering. Van het begin der Kerk tot op onze dagen werd altijd de kerkelijke Hiërarchie 1), in hare verschillende graden, als zijnde van goddelijken oorsprong erkend, en van het geloovige volk onderscheiden.
1
Later worden de kerkelijke Hiërarchie en hare macht nader besproken.
148
Besluit, lo. Dewijl deze inrichting der Kerk van goddelijken oorsprong is, zoo volgt daaruit, dat de Herders der Kerk hun gezag en hunne macht van God zeiven en niet van het geloovige volk ontvangen,.
-2o. De regeeringsvorm, door Christus aan zijne Kerk geschonken, is dus niet democratisch» Zij is eene monarchie^ geregeerd door één l hoofd — den Paus, — met de hulp van de vorsten der Kerk, de Bisschoppen.
3o. Dewijl de Herders der Kerk, vooral de Opperherder, gezag en macht bezitten om te besturen, zoo moeien wij daaruit besluiten, dat de onderhoorige geloovigen zijn te volgen en te gehoorzamen.
D. De Kerk is eene van elke andere macht onafhankelijke maatschappij. — Verhouding tusschen Kerk en Staat 1).
I. Eene laatste eigenschap der Kerk, als openbare vereeniying, moeten wij thans nog bespreken, namelijk: h-are onafhankelijkheid van elke menschelijke macht en bijgevolg ook van den Staat.
lo De Kerk is onafhankelijk en vrij in de verkondiging des geloofs, in hare uitspraken of voorschriften over de zedenleer, in de bediening der HH. Sacramenten, in de uitoefening van het kerkelijk gezag.
Ook is zij onafhankelijk;
2°. In die tijdelijke zaken, welke tot bereiking van haar doel noodzakelijk zijn, b, v. het bezit van kerken en alles, wat tot den eeredienst noodig is.
Dat de Kerk hierin onafhankelijk is, zullen wij in \'t kort bewijzen.
1°. Christus heeft aan zijne Kerk al datgene gegeven, wat noodzakelijk is om haar doel te bereiken; ande is toch zoii Hij een onvolmaakt werk tot stand gebracht en onredelijk gehandeld hebben.
Indien eenige macht ter wereld bet recht had, de Kerk te beletten, het geloof te verkondigen, de HH. Sacramenten toe te dienen of haar te berooven van die zaken, welke zij tot de volbrenging barer goddelijke zending noodig heeft, dan zou Christus haar een
1
Zie Schtiding van Kerk en Staai^ door J. H. Wijnen, blz. 57 vlg., alwaar dit punt breedvoerig behandeld wordt.
149
last opgedragen hebben zonder haar de noodige middelen, om dien last te volbrengen, te geven.
Dit echter mag niet aangenomen worden; dus heeft de goddelijke Stichter der Kerk haar de genoemde vrijheid en onafhankelijkheid geschonken.
2°. Christus heeft aan zijne Kerk de macht en het gezag geven om alle menschen te onderwijzen en hen op den weg der zaligheid te geleiden en te besturen. Niemand dus heeft het recht die macbt te beperken, dat gezag te verkorten, tenzij hem van Christus zeiven daartoe de macht geschonken werd. Die macht echter heeft Christus aan niemand, zelfs niet aan vorsten of koningen verleend. Immers: a. alleen aan zijne Apostelen droeg Hij het gezag op om zijne Kerk te besturen.
h. Zonder de vorsten te raadplegen, ja zelfs tegen hunnen zin, stichtte Hij zijne Kerk.
c, Aan zijne Apostelen voorspelde Hij vervolging van den kant der wereldlijke macht.
3°, Zóó begrepen het de Apostelen, die met volkomen onafhankelijkheid, ja niettegenstaande geweld en vervolging, het geloof predikten en de Kerk bestuurden. Zoo geloofden het alle christen-eeuwen.
4°. Dit volgt ook uit de natuur der Kerk zelve. Zij toch is eene maatschappij van geheel anderen aard dan de Staat. Zij heeft aan dezen haar bestaan niet te danken ; haar doel is geestelijk en bovennatuurlijk. De Staat, die onmiddellijk alleen den vrede en het tijdelijk geluk der onderdanen beoogt, heeft dus niet het recht op een hem vreemd gebied te treden en de Kerk in haren werkkring, Laar door God aangewezen, te belemmeren.
Bijgevolg is het duidelijk, dat de Kerk geheel onafhankelijk is in de boven aangehaalde punten, gelijk ook de Staat in zuiver stoffelijke zaken, welke uitsluitend de tijdelijke welvaart ten doel hebben, onafhankelijk blijft.
II. Ingeval nu de Kerk en de Staat — gelijk dit soms gebeurt — elkander op een gemengd terrein ont-
loO
moeten, waar geestelijke en stoffelijke belangen samen verbonden zijn, b. v. bij het buwelijk, welke zijn dan ieders rechten\'?
lo. Dan behoort het godsdienstige geheel aan de Kerk, het burgerlijke aan den Staat. Zoo komt het huwelijk, als Sacrament en onoplosbare verbintenis, geheel aan de Kerk toe. De Staat regelt de Zwï-gwZyAie rechten, en bepaald wat noodig is, om die rechten te verkrijgen.
23. Wanneer er moeielijkheden over het bepalen der wederzijdsche rechten ontstaan, dan
a. is de Kerk, altijd vredelievend en toegevend, tot onderhandeling bereid, gelijk de ontelbare Concordaten, tusschen den Paus en de Regeeringen gesloten, getuigen.
h. Kan het geschil aldus niet opgelost worden, dan komt aan de Kerk het recht der eindbeslissing toe — en waarom ? Omdat het doel der Kerk verhevener is dan dat van den Staat; omdat zij alleen met onfeilbaar gezag kan oordeelen over de zedelijkheid en de rechtvaardigheid van in- en uitwendige handelingen, omdat de belangen der Kerk nimmer strijdig kunnen zijn met het wél begrepen belang van den Staat.
III. Wordt daardoor aan de rechten van den Staat niet te kort gedaan ?
Hierop antwoorden wij met Kardinaal Antonelli ^ : „De Kerk heeft nooit gevorderd en verlangt ook thans niet, eene rechtstreeksche en absolute macht over de politieke rechten van den Staat uit te oefenen.... Zij heeft het recht en ook den plicht, om over de zedelijkheid en de rechtvaardigheid van alle in- en uitwendige daden te oordeelen, in verband met de natuurlijke en goddelijke wetten (d. w. z. uitspraak te doen of eene zaak rechtvaardigen goed is of niet). Dit oordeel der Kerk valt rechtstreeks op de moraliteit dier handelingen, doch slaat indirekt terug op de zaken zelve, waaraan de moraliteit verbonden is (d. w. z. wanneer de Kerk verklaart, dat deze of die daad strijdig is met de natuur-
(1 Antwoord aan den franschen Minister Daru^ 19 Maart 1870.
151
lijke of goddelijke wet, dan is die daad zelve daardoor als kwaad en onrechtvaardig veroordeeld). Dit echter is geene inmenging in politieke zaken, welke tot het gebied der burgerlijke macht behooren, zonder eenige afhankelijkheid van eene andere macht.quot;
IV. Ten slotte willen wij in enkele punten aanstippen hoedanig de verhouding tusschen Kerk en Staat wezen moet.
P. Om de plichten van den Staat goed te omschrijven, moeten wij dit beginsel vooropstellen , dat God, de Heer en de Meester van het heelal, niet slechts door elk individu, maar ook door den Staat moet erkend worden. De Staat toch is niets anders, dan de vereeni-ging van vele menschen tot een gemeenschappelijk doel. Grelijk nu ieder mensch in\'t bizonder, zoo zijn ook alle gezamenlijk aan God onderworpen en verplicht zijn wil en zijne geboden na te leven. Hieruit volgt dus, dat de Staat, die God niet als het hoogste gezag erkent, misdadig is. De Staat moet het gezag van God erkennen, van wien alleen hij zijne macht ontvangen heeft; hij moet dus ook zijne wetten en besluiten naaide goddelijke geboden inrichten. „Hierin dienen de honingen, als koningen, den Heer, als zij, om God te eer en, datgene doen, icat hij alleen kan doen die koning isquot; (H. Augustinus Ad Bonif. Ep. 185).
2°. De Kerk is eene door God ingestelde maatschappij ; zij ontving van haren Stichter die rechten en vrijheden, welke wij boven omschreven hebben. De Staat mag dns die rechten niet ontnemen of verkorten, hij moet integendeel haar in het volkomen bezit daarvan handhaven.
3°. De Staat heeft ten doel het heil en het welzijn zijner onderdanen te bevorderen. De Kerk, de onfeilbare leermeesteres der waarheid, toont den volkeren den rechten weg aan, om volgens Gods wil te leven; zij leert allen gehoorzaamheid aan het wettig gezag ; zij richt scholen op tot veredeling van geest en hart; zij bouwt gestichten voor armen en lijdenden; zij moedigt kunsten, wetenschappen en nijverheid aan en
152
spreekt daarover haren zegen uit. — Haar invloed op de tijdelijke welvaart eens volks is, gelijk de geschiedenis bewijst, hoogst weldadig. — Indien nu de Staat het heil des volks waarlijk wil behartigen, dan moet hij met de Kerk in vrede en vriendschap leven, en haar col-: bijstand en bescherming verleenen.
V. Verlangen wij dan vermenging der beide machten, of overheersching van de Kerk over den Staat\'?
Keen, Kerk en Staat moeten volkomen onderscheiden blijven : de Staat onafhankelijk in alle zuiver burgerlijke en politieke aangelegenheden, en de Kerk vrij op haar eigen gebied. Doch zij moeten niet vijandig tegenover elkander staan, ook niet als twee vreemdelingen geheel gescheiden zijn, maar in vriendschap en eendracht tot het tijdelijk en eeuwig geluk van het menschdom samenwerken.
Ziedaar wat zeker het Leste, het wenschelijkste is. Docli wat kunnen wij verlangen in de omstandigheden, waarin wij leven in Nederland, in eene maatschappij, samengesteld uit Katholieken en andersdenkenden, geregeerd door eene Grondwet, welke aan cdle gezindten gelijke rechten toekent ?
Ofschoon wij, als Katholieken, zulke toestanden volstrekt niet als het hoogste goed beschouwen, nemen wij met die burgerlijke godsdienstvrijheid genoegen, mits men de vrijheid der Kerk niet belemmere en aan geen Kerkgenootschap eenige voorkeur of voorrechten verleene ; wij willen onze Grondwet getrouw naleven, maar eischen ook, dat ze voor allen eerlijk toegepast worde.
VI. Uit het voorgaande blijkt, dat de Kerk met recht het Liberalisme namelijk: de leee, het beg-ixsel als valseh en verderfelijk veroordeeld heeft, waardoor beweerd wordt: dat de Staat met God en godsdienst geen rekening behoeft te houden en van de Kerk geheel gescheiden behoort te zijn. 1)
1
Die scheiding met hare noodzakelijke gevolgen in onze heden-daagsche maatschappij niet goedkeuren^ maar eenvoudig dulden — is niet liet liberaal systeem.
153
Het gaat niet aan Let Liberalisme een zuiver/Siaa^-kundig stelsel te noemen, wijl geheel bet wezen van dit stelsel daarin bestaat, dat het den Staat scbeidt van den godsdienst, en bijgevolg de regeering, als zoodanig, atheist maakt, hetzij dan op stellige, hetzij op bloot ontkennende wijze.
Een Katholiek kan en mag dus niet liberaal zijn.
Mgr. Gaume stelt in zijne : „Beknopte Verhandeling over den Syllabusquot; omtrent de zoogenaamde liberaalkatholieken, twee vragen :
a. Zijn zij zeer gevaarlijk ?
Zij zijn zeer gevaarlijk ; 1° als wolven, onder de schaapsvacht verborgen, misleiden zij eene menigte personen; 2° hitsen zij het volk tot verachting en haat op tegen de ware Katholieken, die zij Ultra-montanen noemen; 3° door de inschikkelijkheid, aan de dwaling bewezen, zetten zij de gewichtigste belangen van de Kerk en de maatschappij op het spel.
b. Zijn zij zeer schuldig ?
Zij zijn zeer schuldig om de redenen, die wij zooeven hebben aangehaald ; 2° omdat zij openlijk den H. Vader weerstaan ; en men kan hen evenmin vrijspreken als men de pest kan vrijspreken van de verwoesting. die zij veroorzaakt.
§ 4.
Over andere eigenschappen der Kerk.
A. Zij is onvergankelijk en onveranderlijk.
I. Behalve de vier kent eekenen, waardoor de ware Kerk van de dwalende sekten onderscheiden wordt (zie § 2), bezit zij nog andere eigenschappen. Het zijn namelijk die voorrechten, welke haar door Christus geschonken zijn, om het doel van haar bestaan te bereiken . namelijk : alle menschen op den weg der
15-i
zaligheid te geleiden. Om deze haar opgelegde taakte vervullen en dat doel te bereiken, moet de Kerk voortdurend bestaan, onderwijzen en besturen. Daarom heeft Christus gewild, dat zij zijn zoude :
1°. Onvergankelijk en onveranderlijk in haar bestaan; 2°. Onfeilbaar in hare leer;
3°. Met goddelijke macht en gezag bekleed om te besturen en te regeer en.
Deze drie voorrechten der Kerk zullen wij thans afzonderlijk bespreken.
II. De onvergankelijkheid der Kerk bestaat hierin, dat zij tot aan \'t einde der wereld voortdurend bestaan zal, en in haar wezen en hare eigenschappen onveranderlijk blijft.
Deze eigenschap der Kerk wordt aldus bewezen. 1°. Dat de Kerk altijd zal blijven bestaan, volgt: a- uit het doel haver instelling. Zij werd immers gesticht, om aan alle menschen, tot aan het einde der wereld, de middelen ter zaligheid aan te bieden. Dus heeft Christus gewild , dat zij in alle eeuwen zou voortbestaan.
b. Dit blijkt ook uit de uitdrukkelijke beloften des goddelijken Verlossers. Aan de Kerk, in den persoon der Apostelen, heeft Christus gezegd: „Zie, Ik hen met u alle de dagen, tot aan de voleinding der eeuwenquot; (Matth. XXVIII, 20). „ Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal Ik mijne Kerk b ome en en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen,\' (Math. XVI, 18). De Kerk dus kan niet vergaan ; want anders zou Christus niet met haar blijven tot aan \'t einde der eeuwen; indien zij te niet ging, dan zouden de poorten der hel over haar zegepralen, en alzoo zou de belofte des Heeren niet vervuld worden.
2°. Dat de Kerk immer en altijd in haar wezen onveranderd blijft, wordt bewezen :
a. uit de natuur der zaak zelve. Immers, indien de Kerk van Christus veranderde, en niet meer die eigenschappen bewaarde, welke haar goddelijke Stichter haar geschonken heeft, dan zou zij eene andere.
loó
eene nieuwe vereeniging worden; zij zou niet meer de Kerk van Christus zijn en deze zou dan ophouden te bestaan. Dit laatste echter kan niet gebeuren, gelijk wij boven aantoonden. Bij gevolg zal ze altijd onveranderd blijven.
i. Uit den aard harer eigenschappen. Christus wil, dat alle menschen tot zijne Kerk toetreden en door haar hunne zaligheid bewerken; dus heeft Hij ook gezorgd, dat de Kerk die eigenschappen, welke Hij haar tot bereiking van haar doel verleende, altijd behoudt; dat zij die kenteekenen, waardoor zij van de dwaling onderscheiden wordt, immer bewaart, met één woord, dat zij nooit verandert.
Eindelijk geeft ons het voortdurend en onveranderd bestaan der Kerk, gedurende meer dan 18 eeuwen, de gegronde verwachting, dat zij ook onveranderd den iaatsten dag der wereld aanschouwen zal.
B. Over de onfeilbaarheid der Kerk.
I. Christus stichtte zijne Kerk, opdat in en door haar de geopenbaarde waarheden, tot aan het einde der eeuwen, onvervalscht zouden bewaard blijven. Tot dat einde schonk Hij haar het voorrecht der onfeilbaarheid.
Deze onfeilbaarheid is een voorrecht, dat toekomt aan de leerende Kerk , namelijk aan den Paus en de met hem vereenigde Bisschoppen. Alle geloovigen — of de hoorende kerk — deelen in dat voorrecht in dien zin, dat zij niet in dwaling kunnen vallen, zoolang zij naar de stem van het kerkelijk leergezag luisteren en deszelfs uitspraken aannemen.
II. Waarin bestaat de onfeilbaarheid van het katholieke leerambt?
Hierin, dat de leerende Kerk , door den bijstand des H. Geestes, in hare leer of voorschriften over zaken van geloofs- en zedenleer niet dwalen kan.
Dat wil zeggen: 1° de Kerk kan nimmer eene dwaling als een geloofspunt voorstellen, nooit iets leeren dat met de goddelijke Openbaring strijdt.
156
2°. Zij kan nooit een zedenleer verkondigen in strijd met de wetten der natuur , met de goddelijke geboden of de zedelijke grondstellingen^ door Christus gepredikt.
3°, Wanneer de Kerk eene leer als strijdig met liet geloof of de christelijke zeden veroordeelt, of als daarmede overeenkomstig dan kan zij in die uitspraak niet dwalen.
Met één woord : door haar onfeilbaar leerambt moet de Kerk de gansche leer van Christus , welke over geloof en zeden handelt, onvervalscht bewaren, met gezag verkondigen en uitleggen, de gerezen twijfelingen heslissen en de dwalingen veroordeelen.
SXEI,Liyamp;.
De leerende Kerk is. in hovengemelden zin, onfeilbaar in zaken van geloof en zed.en.
Deze geloofswaarheid zullen wij in \'t kort bewijzen.
1°. Uit de II. Schrift.
a. Christus zegt tot de Apostelen: „Gaat dierhalve en leert alle volkeren .... En ziet, Ik ben met u alle de dagen, tot de voleinding der eeinoen\'\' (Matth. XXVIII, 19 en 20).
Terwijl Christus aan zijne Apostelen het leerambt opdraagt, belooft Hij met hen te zullen zijn tot het einde der tijden; bijgevolg blijft Hij met hunne wettige opvolgers gedurende alle eeuwen. Christiis echter zou niet met hen kunnen blijven , indien zij dwaalden en eene andere leer dan zijn Evangelie verkondigden.
Dewijl nu de belofte van Christus zeker vervuld wordt, en Hij altijd met de leeraars de Kerk blijft, kunnen zij in de geloofs-en zedenleer niet dwalen.
b. Op den vooravond van zijnen dood sprak de Ver-\' losser tot de Apostelen, de toekomstige herders der
Kerk : „Ik zal den Vader bidden en Hij zal u een anderen Vertrooster geven, opdat Hij met u blijve in eeuwigheid, den Geest der ivaarheidquot; (Joau. XIV 16). Op Christus\' bede, die zeker verhoord wordt, blijft de H. Geest, de eeuwige Waarheid, met de Leeraars der Kerk; zij kunnen dus niet in dwaling vallen,
c. „ Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal Ik mijne Kerk bouiven en de poorten der hel zullen haar niet ovenoel-digenquot; (Math. XVI. 18). Indien \'t mogelijk ware , dat de leerende Kerk dwalingen over geloofs- en zedenleer verkondigde, dan zou de gansche Kerk in dwaling vervallen, daar alle geloovigen verplicht zijn hare leer aan te nemen en te volgen. Dan ook zouden Aüpoorten der hel, dat is, de leugen, de dwaling en de vorst der duisternis over de Kerk zegevieren. Dewijl dit echter , volgens Christus\' belofte, niet geschieden kan , zoo volgt duidelijk, dat de leerende Kerk onfeilbaar is.
2°. De getuigenissen der HH, Vaders , de uitspraken der Conciliën en de standvastige leer der Kerk; zijn over dit punt zoo klaar en duidelijk , • dat de ketters zeiven ze niet kunnen loochenen.
3°. Wordt deze waarheid bewezen uit de natuur en het doel der Kerk zelve.
a, De Kerk is onvergankelijk en onveranderlijk (blz. 154). Indien zij echter door hare herders in dwaling gevoerd werd, dan zou zijniet mezvdeware Kerk zijn en als zoodanig ophouden te bestaan. Dus moet zij onfeilbaar wezen.
i. De geloovigen zijn, gelijk vroeger werd aangetoond. verplicht aan het kerkelijk gezag te gehoorzamen ; die verplichting kon Christus, de eeuwige Waarheid en Heiligheid, niet opleggen, indien gemeld gezag eene met de geloofs- of zedenleer strijdige uitspraak geven kon. Dewijl dus de leerende Kerk dat niet kan, is zij onfeilbaar.
c. Der Kerk werd door haren Stichter tot doel gesteld (gelijk vroeger aangetoond is), de goddelijke openbaring en de eenheid des geloofs ongeschonden te be waren. Indien Christus haar het voorrecht der onfeilbaarheid niet geschonken had, zou de Kerk aan haar doel niet kunnen beantwoorden. Daar wij echter niet mogen veronderstellen, dat Christus onredelijk gehandeld zou hebben, moeten wij ook aannemen, dat Hij haar het tot haar doel noodzakelijk middel geschonken heeft, nl. de onfeilbaarheid.
158
III. Wanneer geeft het kerkelijk leergezag zijne onfeü-bare uitspraken, loelke door alle geloovigen moeten aangenomen ivorden f Dat geschiedt;
1°. In de algemeene Conciliën. Daardoor verstaan wij die vergaderingen, waartoe a. aïZe Bisschoppen der wereld door het opperhoofd der Kerk opgeroepen worden;
waarbij de Paus of zijn gemachtigde voorzit; c. wier besluiten door den Paus zijn goedgekeurd
Dat eene algemeene Kerkvergadering in hare uitspraken over geloofs- en zedenleer onfeilbaar is, blijkt duidelijk, dewijl zij het geheele leergezag der Kerk vertegenwoordigt. Ook leert ons de geschiedenis, dat de dogmatische uitspraken der algemeene Kerkvergaderingen altijd als onfeilbaar erkend en aangenomen zijn.
2° Onfeilbare verklaringen kiinnen eveneens gegeven worden door de gezamenlijke over de wereld verspreide Bisschoppen, in vereeniging met den Paus.
Dan immers is ook de geheele leerende Kerk vertegenwoordigd.
3°. Als onfeilbare leer der Kerk moet aangenomen worden, wat overal en gelijkluidend als geloofswaarheid verkondigd wordt; anders toch zou de geheele Kerk in dwaling verkeeren.
4°. Onfeilbare uitspraken kunnen ook door den Paus alleen, als opperhoofd der Kerk, gedaan worden. Dit punt zullen wij thans meer uitvoerig verklaren.
G. Over de Pauselijke onfeilbaarheid. ~)
I, Ziehier de uitspraak van het Vatikaansche Concilie, waardoor het geloofspunt der pauselijke onfeilbaarheid bepaald wordt:
„Getrouw dan vasthoudende aan de overlevering van het begin des christelijken geloofs af ontvangen, leeren
1) Er werden, gedurende den loop der eeuwen, 20 algemeene Conciliën gehouden (Zie Kerk. Geschiedenis^)
•i) Noor eene meer uitvoerige behandeling, zie : De Pansel. onfeilbaarh. door J. H. Wijnen, \'s Bosch—Mosmans, of: Over de onfeilb. v. d. Paus, door B. Dankelman. Leiden bij J. \\V. v. Leeuwen.
159
en verklaren wij, tot glorie van God, onzen Zaligmaker, tot verheffing van den katholieken godsdienst, tot heii der christen volkeren, onder goedkeuring der H. Kerkvergadering, dat het een door God geopenbaard leerstuk is : dat de lioomsche Opperpriester , icmineer hij spreekt ex cathedra, dat is : als hij, het amht van Herder en Leeruur aller Christenen vermalend, met zijn hoogst, apostolisch gezag, eene leer over geloof en zeden, door de geheele Kerk te houden, bepaalt: door den goddelijken hijstand, hem in den gelukzaligen Petrus beloofd, die onfeilbaarheid bezit, waarmede de goddelijke Verlosser gewild heeft, dat zijne Kerk in het bepalen der leer over geloof en zeden zou voorzien zijn en dat dusdanige verklaringen des Roomschen Opperpriesters uit zich zelve, niet echter door de toestemming der Kerk onveranderlijk zijn.
Indien dus iemand zich mocht vermeten, hetgeen God verhoede, deze onze bepaling tegen te spreken, hij zij in den ban.\'0
Ziedaar de leer van het laatste algemeene Concilie, welke wij thans nader zullen verklaren.
II. Waarin is de Paus onfeilbaar ?
Alleen in de bepaling eener leer over geloof en zeden, welke door de gansche Kerk moet gehouden worden. — Wat wij onder geloofs- en zedenleer verstaan. is vroeger verklaard geworden.
Hieruit volgt dus; 1° dat de onfeilbaarheid niet betrekking heeft op het zedelijk gedrag van den Paus1); hij kan persoonlijke misslagen begaan, in zonde vallen, ja zelfs verloren gaan. Dan bedrijft hij per-
li) Op de tegenwerping, dat er slechte Pausen geweest zijn, antwoorden wij :
1«. Onder de 260 Pausen zijn er slechts 4 of S geweest, wier zedelijk gedrag niet geheel en in alles met hunne waardigheid overeenstemde. Squot;. Vele misslagen, aan deze weinigen toegeschreven, zijn, zooals een onpartijdig onderzoek der geleerden bewezen heeft, verdicht of overdreven. 3quot;quot;. Zij zondigden gelijk ook Petrus gevallen is ; zij hebben echter nooit een dogmatisch decreet uitgevaardigd, dat met de geloofs- of zedenleer strijdig was. 4°. Hunne misslagen worden door de Kerk, meer dan door de beschuldigers der Pausen veroordeeld en diep betreurd. — Gemeld feit dus bewijst niets tegen de onfeilbaarheid noch tegen de zuivere zedenleer der Kerk.
160
soonlijk zonde; doch hij geeft niet eene voor de Kerk verplichtende dogmatische uitspraak. Op deze laatste alleen heeft de onfeilbaarheid betrekking. Christus immers heeft aan Petrus niet beloofd: gij zult nimmer kunnen zondigen, maar wel: gij zult, als hoofd der Kerk, haar niet in dwaling kunnen voeren.
2°. Dat de Paus geene onfeilbare uitspraak doen kan over bloot historische feiten, die alleen op mensche-lijke getuigenis steunen, b. v. de Punische oorlogen ; noch over natuur- en scheikunde, staatkunde of andere wetenschappen , zoolang zij op zuiver stoffelijk of natuurlijk gebied blijven, b. v. over de waarde van telegraaftoestellen, stoomwerktuigen, enz.
Doch, wanneer deze wetenschappen, buiten haar eigen Jiring, op godsdienstig gebied treden, stellingen verdedigen, die rechtstreeks of zijdelings strijden met de christelijke geloofs- of zedenleer, dan kan de Paus, als opperhoofd der Kerk, verklaren, dat die beginselen valsch zijn en moeten verworpen worden, als strijdig met de geopenbaarde waarheden of met de zedenleer. B. v. wanneer men, in naam der moderne loetenschap, de voorzeggingen en mirakelen, welke in de H. Schrift aangehaald worden, loochent, dan kan de Paus over de dwalingen, in die wetenschap vervat, een onfeilbaar oordeel uitspreken.
3C. De Paus kan nimmer, evenmin als de Kerk (gelijk vroeger is aangetoond,) een nieuw geloof verkondigen : hij toch is slechts de onfeilbare verkondiger dei-door God reeds geopenbaarde waarheden.
III. Wanneer doet de Paus eene onfeilbare uitspraak?
Daartoe wordt vereischt: 1°. Dat hij spreke van zijn leerstoel af (ex cathedra) d. w. z. als opperste herder en leeraar der Kerk, als opvolger van den H. Petrus, dus niet als bizonder persoon.
2\'. Dat het voorwerp der uitspraak eene leer zij betreffende het geloof of de zeden.
o». Dat hij daarover eene eindbeslissing, eene leerstellige uitspraak geve.
4». Dat hij aan de geheele Kerk de verplichting oplegge, die uitspraak aan te nemen.
161
Hieruit volgt dus, dat de Paus niet onfeilbaar is in private gesprekken, in brieven aan hizondere personen, in eene toespraak tot een bepaald getal men-schen, enz.
IV. Waardoor is de Paus onfeilbaar ?
Hij is onfeilbaar door den goddelijkeu hijstand.
V. Op welke wijze is hij onfeilbaar ?
1°. Zijne dogmatische uitspraken zijn op zich zelve onfeilbaar, huiten en zonder de toestemming der Kerk.
2°. Dergelijke eindbeslissingen zijn onveranderlijk, dat is, zij kunnen door niemand veranderd worden.
VI. Nadat wij het leerstuk der pauselijke onfeilbaarheid verklaard hebben blijft ons nog over de bewijzen aan te geven der volgende
STELLING .quot;
De Paus van Rome is onfeilbaar en vrij van dwaling, wanneer hij, als opperhoofd der Kerk, in zaken van geloofs-en zedenleer, eene plechtige en voor alle geloovigen verplichtende, leerstellige uitspraak doet. In die uitspraak is hij van de toestemming der Kerk onafhankelijk.
A. Bewijzen uit de 11. Schrift.
1°. Bij den H. Mattheüs (XVI, 17—19) lezen wij: „En Ik zeg u: gij zijt Petrus 1) en op deze steenrots zal Ik mijne Kerk houwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldig en,
Volgens deze belofte van Christus kan de Kerk nimmer in dwaling vervallen (zooals vroeger blz. 154 aangetoond werd). Waarom na kan zij niet in dwaling gebracht of vernietigd worden? Juist daarom, gelijk Christus verklaart, dewijl de Kerk op Petrus, do steenrots, gebouwd is. Grelijk het fundament aan een gebouw, zóó geeft dus Petrus vastheid aan de Kerk. Derhalve : a. Indien Petrus kon dwalen in geloofs- en zedenleer , dan zou ook de Kerk in dwaling vallen ,
11
1
Tn de Syro-Chaldeeuvvsche taal, waarin Christus sprak, wordt Petrus en steenrots door hetzelfde woord uitgedrukt.
162
dewijl zij op hem rust en steunt, en aan hem hare kracht ontleent; dat echter is onmogelijk.
h. Daaruit volgt dus ook, dat Petrus de toestemming der Kerk niet behoeft, maar deze integendeel haar gezag ontleent aan de rots, waarop zij gebouwd is.
2°. In het Evangelie van deu H. Lucas (XXII, 31 en vlg.) zegt de Heiland tot Petrus : „Simon , Simon ! zie, Satan heeft vurig begeerd ulieden (de Apostelen) te ziften als tarwe; maar Ik heb voor u (Simon) gebeden , opdat low geloof niet bezwijke. En gij eens u bekeerd hebbende, versterk uwe broedersquot; 1).
a. Datgene, waarom Christus bidt, zal zeker geschieden. Hij heeft gebeden, dat het geloof van Petrus niet zou bezwijken, dat hij van het ware geloof niet zou afdwalen. Petrus kan dus zelf niet dwalen en ook anderen geene enkele dwaling leeren,
b. Petrus moet zijne broeders, de Apostelen, in \'t geloof bevestigen, hen versterken in de waarheid; dus is hij de onfeilbare leermeester, die verplicht is, de anderen te onderwijzen, en van niemand toestemming of goedkeuring noodig heeft,
3°. Na zijne verrijzenis droeg Christus aan Petrus den last op, zijne lammeren en schapen te roeiden (Zie Joan. XXI, 15 en vlg Bijb. Gesch. II, blz. 108). Petrus moet dus, op bevel van Christus, de lammeren en de schapen, namelijk de geloovigen, de Priesters en Bisschoppen, als herder geleiden en besturen. Allen, die tot de Kerk behooren, zijn derhalve verplicht naar hem te luisteren en zijne leering aan te nemen.
a. Indien Petrus niet onfeilbaar was, zou hij de Kerk welke hem volgen moet, in dwaling kunnen brengen; de Kerk echter kan niet in dwaling gebracht worden; bijgevolg is Petrus onfeilbaar,
b. Dewijl Petrus, als herder, allen moet leiden en
1
Tot grootere duidelijkheid dezer Schriftuurplaats geven wij de Fran-sche vertaling van den tekst: «Simon, Simon ! voici Satan a demandé instamment a vous cribler comme le from ent ; mais j\'ai prié pour toi. que ta foi ne dëfaille ; toi, done , quand tu seras un jour converti, con-firme tcs fréres.
163
den rechten weg aantoonen, en dus niet door hen moet geleid worden ; zoo volgt daaruit ook , dat hij bij zijne uitspraken geene goedkeuring noodig heeft.
VI. Duidelijk alzoo blijkt uit de H. Schrift, dat Petrus van den goddelijken Heiland het voorrecht der onfeilbaarheid ontvangen heeft. Is dit voorrecht nu op zijne opvolgers overgegaan, zijn ook dezen onfeilbaar? Ja, zonder twijfel. Ziehier, iu \'t kort, het bewijs daarvan :
1°. Christus heeft zijne Kerk gesticht voor het heil van alle menschen, en het is zijn wil, dat zij tot aan het einde der eeuwen onveranderd zal blijven bestaan, zooals Hij zelf haar heeft ingericht. Hij schonk haar een Opperherder, die met onfeilbaar gezag zou leeraren. Dat onfeilbaar leergezag, aan Petrus geschonken, moet dus altijd in de Kerk blijven voortbestaan — in zijne wettige opvolgers, de Pausen van Rome.
2°. De Kerk bezit de onfeilbaarheid, omdat zij gebouwd is op Petrus, die haar bevestigt in \'t geloof. Dat voorrecht der Kerk zal tot aan het einde der wereld voortbestaan; dus ook de onwankelbare steenrots, de herder en geleider, die niet dwalen kan, — in de opvolgers van Petrus.
3°. Op bevel van Christus moet Petrus de yansche kudde des Heeren bestieren en geleiden; tot die kudde behooren de geloovigen van alle tijden; dus moet Petrus, wel is waar niüt persooiilijk, maar in en door zijne opvolgers, dien last vervullen.
Aldus : er moet altijd, tot aan \'t einde der eeuwen, een opvolger van Petrus zijn, die het voorrecht der onfeilbaarheid bezit, en deze kan niemand anders wezen dan de Roomsche Paus. — In Rome toch vestigde Petrus bepaaldelijk en voor goed zijnen zetel; daar stierf hij, als Bisschop van Rome, den marteldood. Op hem volgde Linus ; deze werd door Cletus, en deze door Clemens opgevolgd, deze weder door een ander, en zoo vervolgens tot aan Leo XIII, die de tweehonderd zestigste is in de onafgebroken rij der Pausen.
B. Een tweede hoofdbewijs voor bovengemelde stelling levert de kerkelijke Overlevering,
164
Indien de Overlevering, gedurende alle eeuwen, deze waarheid bevestigt; indien de handehcijze der Kerk altijd zoodanig was, dat zij de onteilbaarheid des Pausen als een zeA:er e/i erkent; dan moeten wij dat voorrecht van den Opperherder aannemen, of met de ketters verklaren, dat de Kerk altijd gedwaald heeft.
1°. üat de kerkelijke Overlevering ons van die waarheid algemeen getuigenis geeft, blijkt hieruit ;
a. Heilige en geleerde mannen uit de eerste eeuwen der Kerk, de Kerkvaders, hebben in hunne schriften de leer der Kerk opgeteekend en leggen de duidelijkste verklaringen af. Ons bestek laat niet toe, vele getuigenissen aan te halen. Een en ander, uit de allereerste tijden, zullen wij geven. De H Ireneüs, Bisschop van Lyon, leerling van den H. Polycarpus, die zelf door den H. Apostel Joannes onderwezen was, schrijft aldus : Met deze Kerk (van Rome) moet, uithoofde van haren meer verheven voorrang, de gansche Kerk, dat is, moeten de overal verspreide geloovigen, zich noodzakelijk vereenigen-, in haar bleef altijd de apostolische overlevering he ivaard\'\' (Adv. Hferes. L. III c. 3). Het woord van den H. Augustinus (5e eeuw) is overbekend : „Rome heep gesproken; de zaak is heslist!quot;
b. Do Kerkvergaderingen van alle eeuwen leveren de schitterendste bewijzen voor de onfeilbaarheid des Pausen. Nadat in het Concilie vsl\\i Chalcedon {-iöV) een dogmatisch schrijven over de katholieke leer van den H. Paus Leo voorgelezen was, riepen allo Vaders uit: „Dat is het geloof der vaderen; dat is het geloof der Apostelen. Aldus gelooven wij allen . . . Petrus heeft door Leo gesproken^ Dusdanige getuigenissen geven vele andere Conciliën, o. a. het algemeene te Constantinopel gehouden (680), alsook dat van Florence in het jaar 1439.
Eindelijk is de leer der pauselijke onfeilbaarheid plechtig tot geloofspant verklaard door de laatste algemeene Kerkvergadering in het Vatikaan te Rome, den 8sten December 1869 geopend. (Dit Concilie moest in het volgend jaar, wegens de droevige tijdsomstandigheden, geschorst worden.)
16B
Door die uitspraak werd niet eene nieuwe waarheid verkondigd, maar eene door God geopenbaarde en door de Kerk steeds erkende waarheid plechtig tot dogma verklaard , gelijk dit immer in de Kerk geschiedde, wanneer door dwalingen of openbare tegenspraak daartoe aanleiding gegeven werd.
2°. Dat do onfeilbaarheid des Pausen altijd in de Kerk als een openhaar en erkend feit beschouwd werd, ; zien wij uit het volgende :
a. Wanneer de Paus eene ketterij ot dwaling veroordeelde, werd deze uitspraak terstond, zonder dat de gansche Kerk daarover haar oordeel uitgesproken had, door alle Katholieken aangenomen.
h. Ten alle tijde, gelijk de Kerkelijke geschiedenis leert, wendden zich de Bisschoppen tot den Paus van Rome, stelden hem de moeielijkheden of twijfelingen, welke over de geloofs- en zedenleer ontstaan waren, voor, en verzochten hem de zaak te beslissen. \'J. Als een laatste argument vermelden wij nog het 1 volgende. Gedurende den loop der eeuwen hebben de Pausen ontelbare dogmatische uitspraken gedaan, welke voor de gansche Kerk verplichtend waren. Wanneer wij nu de menschelijke zwakheid en de moeielijk-heid der ingewikkelde vraagstukken, welke door de Pausen beslist werden, in het oog houden, en tevens weten, dat nimmer eene hunner uitspraken in strijd met de Openbaring bevonden werd, dan moeten wij erken-nen, dat het voor de Pausen menschelijkerwijze onmogelijk zou geweest zijn, zoovele uitspraken te doen, zonder ooit met de Openbaring in strijd te komen ; dat de Paus dus een voorrecht bezit, waardoor hij in zijn leerambt, door een bizonderen bijstand Gods, voor alle dwaling l bewaard wordt.
VII. Uit hetgeen over de inrichting en de eigen-j schappen der Kerk is gezegd geworden, blijkt duide-: lijk, dat Christus haar eene drievoudige macht geschonken heeft . namelijk : de priesterlijke macht, het onfeilbaar leergezag en de wetgevende macht.
Allen, die door de H. Wijding tot de kerkelijke Hiërarchie behooren, zijn meer of minder deelachtig aan
166
de priesterlijke macht, welke Christus aan de Apostelen heeft geschonken. De Bisschoppen bezitten de volheid der priesterlijke macht, en de overigen die in de HH. Orden opgenomen zijn, hebben krachtens hunne wijding de macht om het H. Misoffer op te dragen, de HH. Sacramenten toe te dienen, of ten minste andere geestelijke bedieningen te vervullen.
Vroeger hebben wij reeds aangetoond, dat het onderscheid tusschen geestelijken en geloovigen van goddelijken oorsprong is, en bij de verhandeling over het zesde der Sacramenten zal de natuur en de macht van het Priesterschap nader omschreven worden.
Over het kerkelijk leergezag is genoeg gesproken , zoodat ons thans enkel overblijft, iets te zeggen over de besturende en loetgevende macht.
§ 5.
De besturende en wetgevende macht der Kerk.
I. Gelijk in eiken welingerichten Staat een gezag bestaan moet, dat de orde handhaaft, wetten maakt en uitvoert; zóó bezit ook de Kerk eene besturende en wetgevende macht. Tot het gebied dezer macht behoort alles, wat dienstig is tot het bewaren en verdedigen des geloofs en tot bevordering der goede zeden, zooals : de uitwendige eeredienst, de toediening der HH. Sacramenten, het gedrag der Christenen jegens hunne naasten, enz.
De Kerk is in dit opzicht 1° onafhankelijk van elk wereldlijk gezag, gelijk vroeger werd aangetoond ;
2°, zij bezit het recht toetten te geven en de overtreders te straffen.
II. Ziedaar wat wij thans in \'t kort gaan bewijzen.
1°. Uit de natuur der Kerk.
Zij is door Christus als eene volmaakte maatschappij ingesteld, gelijk vroeger bewezen is. Zonder eene hoogste wetgevende en straffende macht kan eene welgeordende maatschappij niet in stand blijven, ja zij is zelfs
167
zonder deze geheel ondenkbaar. Dus beett Christus ook die macht aan zijne Kerk gegeven.
2° Uit de H. Schrift,
De Heiland zegt tot zijne Apostelen ; „4Wes , ïferf op aarde zult gehouden hebben, zal in den hemel gebonden zijnquot; (Math. XVIII, 18). Dat wil zeggen: alle voorschriften en wetten , welke gij op aarde tot heil der zielen zult uitvaardigen, zullen in den hemel door God als verplichtend en wettig erkend worden.
Elders zegt Christus tot hen; „Die u hoort, hoort Mij; die u versmaadt, versmaadt Mij.quot; Door deze woorden legt Hij aan al zijne volgelingen op, om aan de Apostelen te gehoorzamen; daaruit dus volgt voor dezen het recht, om wetten te maken. Aan Petrus gaf Hij het oppergezag en de hoogste macht in de Kerk, gelijk wij later zien zullen.
h. De Apostelen maakten van deze hun geschonken macht gebruik door voorschriften te geven en straffen toe te passen ; dat geschiedde b. v. in het Concilie van Jerusalem en toen de H. Paulus den ontuch-tigcn Corinthiër in den ban sloeg.
3°, Uit de voortdurende handeltuijze der Kerk.
Ten allen tijde hebben de Paus en de Bisschoppen , voor hunne bisdommen, wetten gegeven en hunne on-derhoorigen tot de naleving daarvan door kerkelijke straffen gedwongen.
Besluit, 1° Aan Petrus en do Apostelen schonk Christus de macht om de Kerk te besturen en te regeeren. Volgens den wil van haren goddelijken Stichter, moet de Kerk onveranderd en met de macht, welke haar tot het heil der zielen geschonken is, tot aan \'t einde der wereld blijven voortbestaan. Dus moet ook bet wetgevend gezag altoos in de Kerk aanwezig zijn.
2°. Dit volgt eveneens uit de nadrukkelijke belofte des Heilands. Immers, nadat Hij zijnen Apostelen het leerambt en het wetgevend gezag opgedragen had, beloofde Hij hun: *Ziet, Ik ben met u alle de dagen tot aan \'t einde der eeuicenquot;1 (Matth. XXVIII, 20), De Apostelen echter zijn gestorven; dus moest hunne
168
macht op anderen, namelijk op hiinr,e wettige opvolgers, overgaan
III. Hier moet nog eene andere vraag gesteld worden, namelijk : werd aan alle Apostelen en hunne opvolgers eene even uitgebreide macht geschonken, of werd aan een van hen een grooter gezag gegeven, ten einde, als opperhoofd van allen, de gansche Kerk te regeeren?
Dit laatste is inderdaad geschied. Christus toch schonk aan Petrus en zijne loettige opvolgers het primaat over de geheele Kerk d. w. z. niet alleen den eerevoor\' rang, maar ook het geestelijk oppergezag om de geheele Kerk — Bisschoppen en geloovigen — te besturen en te regeeren.
.Die waarheid zullen wij nader verklaren, en aan-toonen;
A. Het bestaan van het Primaat.
B. Deszelfs natuur en voorrechten.
A. Over het Primaat.
I. Christus heeft aan Petrus het oppergezag over de geheele Kerk opgedragen.
Dit leerstuk des geloofs bewijzen wij:
1°. Uit de H. Schrift, a. De Heiland beloofde aan Petrus dat oppergezag, toen Hij zeide: „Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal ik mijne Kerk houwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigenquot; (Matth. XVI, 18). Christus heeft zeker die belofte vervuld; Hij wilde dus, dat Petrus voor zijne Kerk zou wezen, wat het fundament voor een gebouw is. Alle deelen en het gansche gebouw steunen op den grondslag; wordt deze weggenomen, dan stort alles ineen. De geheele Kerk dus rust op Petrus, en ontvangt van hem hare kracht en hechtheid; scheidt een deel van hem af, dan behoort het niet meer tot Christus\'Kerk. Dus is Petrus het opperhoofd der gansche Kerk, met wien allen moeten overeenstemmen , aan wien allen zich moeten onderwerpen.
169
b. Bij dezelfde gelegenheid 1) sprak Christus tot Petrus „Ik zal u de sleutels van het hemelrijk geven En al ie at gij op de aarde zult ontbinden, zal ook in den hemel ontbonden zijnquot; (Matth. XVIII. 19), De overgave van de sleutelen beteekent; het overdragen van de macht en het gezag over eene zaak b. v. een huis of eene stad. — Binden heeft in de H. Schrift de be-teekenis van; bevelen, strajfen — en ontbinden wil zeggen van verplichtingen of straf ontslaan.
Aan Petrus is de sleutelmacht en de macht van te hinden en te ontbinden opgedragen; dus bezit hij het hoogste gezag in de Kerk, en kan hij aan allen bevelen geven en allen van verplichtingen ontslaan
c. Hetgeen de Heiland aan Petrus beloofd had, namelijk het oppergezag in de Kerk, scbonk Hij hem met uitdrukkelijke woorden. Na zijne verrijzenis vroeg Christus tot driemaal toe aan dezen Apostel: * Simon, zoon van Joannes, bemint gij Mij?quot; 2). Ka het telkens bevestigd antwoord sprak de Heer tot hem : „ Weid mijne lammeren, weid mijne schapenquot; Joan, XXI, 15 en v.). — Het is duidelijk, dat weiden hier regeeren en besturen beteekent. Christus stelde dus, met duidelijke woorden. Petrus aan als den herder en bestuurder zijner gansche kudde, de geheele Kerk; niet slechts boven ieder der Apostelen afzonderlijk, maar evenzeer boven allen gezamenlijk,
d. Het Primaat van Petrus boven alle Apostelen blijkt ook uit den voorrang, welke hem overal in de 11. Schrift woidt toegekend. Christus betaalt voor zich en voor Petrus alleen den cijnspenning ; hem verschijnt de Heer na zijne verrijzenis in \'t bizonder; voor hem alleen bidt Hij, opdat zijn geloof niet wankele. — Dat alles kan alleen verklaard worden door het feit, dat Christus hem met het oppergezag bekleed heeft.
2°. a. Na Christus\' Hemelvaart, treedt Petrus inder-
1
Zie Schuster II; blz. 54.
2
Schuster II, 108-
170
daad overal als opperhoofd der Kerk op : hij is de voorzitter in de vergadering der Apostelen , hij stelt de keus van een nieuwen Apostel voor; hij predikt het eerst het Evangelie, doet het eerste \'wonder ; in de Kerkvergadering van Jerusalem spreekt hij zijn oordeel uit, en allen stemmen met hem in.
b. .De Apostelen en de geloovigen erkennen Petrus als het opperhoofd der gansche kudde van Christus : de Evangelisten plaatsen hem altijd het eerst, wanneer zij de namen van eenige of van alle Apostelen aangeven; zij noemen hem den eerste ; de H. Paulus reist naar Jerusalem, om Petrus te zien, en blijft vijftien dagen bij hem.
.3°. De kerkelijke overlevering van do eerste eeuwen tot op onze dagen getuigt ons, dat Petrus het hoogste en opperste gezag in de Kerk van Christus ontvangen heeft. Het Vatikaansche Concilie heelt deze waarheid duidelijk bepaald en over allen, die ze loochenen, den kerkelijken ban uitgesproken (Zitt. IV, hfdst. 1).
4°. Een laatste bewijs voor deze waarheid kunnen wij trekken uit de noodzakelijkheid van het Primaat.
Christus heeft gewild, dat zijne Kerk als ecne zicht-bare maatschappij, met eene voortdurende en volmaakte eenheid, zou blijven bestaan. Daartoe echter is hat voor haar noodig, een eenig en zichtbaar opperhoofd te bezitten. De banden der eenheid tusschen alle ledematen der Kerk zijn dan in één punt vereenigd ; de leiding en het bestuur zijn regelmatig ; verdeeldheid en scheuring worden vermeden. Dus heeft de Heiland, die aan zijne Kerk alle middelen om haar doel te bereiken geschonken heeft, haar ook één eenig opperhoofd gegeven, dat niemand anders dan de opvolger van Petrus wezen kan.
II. Het Primaat van Petrus moet in de Kerk tot aan \'t einde der wereld blijven voortbestaan.
1°. Dat is noodzakelijk, dewijl het primaat een wezenlijk en noodzakelijk bestanddeel der Kerk is. Immers; Christus heeft gewild, dat zijne Kerk één zal zijn,
171
gelijk een huis, een schaapstal, een koninkrijk; derhalve moet zij, volgons den wil des ïleeren, één fundament, één herder, één koning bezitten. De Kerk nu moet, tot het einde der tijden, onveranderd, bijgevolg onder één opperhoofd, blijven voortbestaan.
2°. De Heiland heeft op Petrus zijne Kerk gebouwd. Indien nu die steenrots vergaan kon, dan zou de Kerk ineenstorten. Dewijl dit geheel onmogelijk is, zoo volgt daaruit, dat Petrus als zichtbare grondslag der Kerk moet blijven voortbestaan. Petrus echter is gestorven ; derhalve moet zijn gezag en zijne macht bij zijne wettige opvolgers gevonden worden, m, a. w. Petrus moet voortleven in zijne opvolgers.
3°. Was het Primaat, als zichtbaar middelpunt der eenheid in de Kerk (gelijk wij boven zeiden), van den beginne af noodzakelijk ; des te meer was het noodig in latere tijden, toen de Kerk zich over de geheele aarde uitbreidde en vele dwalingen en scheuringen ontstonden.
4°. In de verkondiging dezer leer zijn de HH. Vaders en de Conciliën van alle tijden eenstemmig.
III. De Paus is de ivettige opvolger van Petrus in het oppergezag en de hoogste macht in de Kerk.
1°. Dat Petrus zijn bisschoppelijken zetel bepaald te Rome gevestigd en dien tot aan zijnen dood behouden heeft, is een onloochenbaar feit. Het wordt door de geheele christelijke oudheid bevestigd, en vele protes-tantsche schrijvers getuigen met Plugo de Groot-, „dat Petrus in Rome geweest is, zal geen oprecht Christen loochenen.quot; Ook Herder (Ideën zur Phil, der Greschichte) schrijft: „Het zou eene groote dwaasheid zijn, te loochenen, dat Petrus de Kerk in Rome gevestigd en met zijn bloed verheerlijkt heeft.quot;
2°. a. Gelijk nu, in een koninkrijk, de nieuwe wettige koning zijnen voorganger in al diens rechten opvolgt, zoo worden ook de wettige opvolgers van Petrus op den stoel van Rome, de Pausen, met damp; hoogste waardigheid en het oppergezag, dat Petrus gevoerd had, bekleed. Elke wettige Paus is dus het
172
zichtbaar opperhoofd der Kerk en drager der hoogste macht.
h. Ten allen tijde bestond in de Kerk de levendige overtuiging, dat de Eoomsclie Pausen, op Petrus\' stoel gezeten, diens opvolgers zijn in het Primaat. Dit blijkt duidelijk uit de schriften der HH. Vaders van de eerste eeuwen af; uit de handelingen der algemeene Congiliën, welke steeds door den Paus werden samengeroepen, door hem zeiven of zijnen legaat voorgezeten en ook goedgekeurd. Wanneer er moeielijkheden ontstonden, werd de zaak ter beslissing aan den Paus voorgelegd ; zelfs de ketters beriepen zich menigmaal, althans bij het begin van hunnen afval, op de uitspraak van den Paus.
Dus blijkt, uit den aard der zaak en uit de voort-dm-ende overlevering der Kerk, dat de Paus werkelijk het Primaat, het geestelijk opperzag in de Kerk bezit.
Ten slotte zullen wij, zonder uitgebreide bewijsvoering, beknopt aangeven:
B. De natuur en de voorrechten van het Primaat.
I. Het pauselijk Primaat omvat niet slechts een gezag van toezicht, maar de macht om te regeer en, te oordeelen en te straffen, dewijl Petrus (gelijk wij vroe ger zagen) de macht der sleutelen en het gezag om lammeren en schapen te weiden, d. i. te besturen en te regeeren, ontvangen heeft.
II. Petrus ontving rechtstreeks van Christus zijne macht en zijn gezag, niet van de Apostelen of van de geloovigen. Datzelfde Primaat ging op de Pausen, met alle daaraan verbonden eigenschappen, over; dus ontvangt de Paus rechtstreeks zijn gezag van God zeiven, niet van de Bisschoppen, noch van de hoorende Kerk.— Deze waarheid is duidelijk bepaald en uitgesproken in de Vatikaansche Kerkvergadering.
III. De Paus bezit de yamche volheid van het oppergezag in de Kerk, zoodat dit geene aanvulling
173
nooclig heeft door de macht, welke aan de Bisschoppen vei\'leend is. Petrus immers werd gesteld tot grondslag van liet geheele gebouw; hij ontving de sleutelmacht over de gansche Kerk ; hij werd tot eenig opperhoofd over de geheele kudde aangesteld.
IV. Uit de natuur van het Primaat kunnen wij zijne vooi-rechten afleiden.
a. Do Paus bezit uit kracht van het Primaat het oppergezag o/er de Bisschoppen, ook zelfs dan, wanneer zij in een algemeen Concilie vergaderd zijn.
h. Hem alleen komt het recht toe algemeene Kerkvergaderingen samen te roepen, vóór te zitten en de besluiten goed te keuren.
c. „Eene uitspraak des Apostolischen Stoels (zegt het Vatikaansch Concilie), boven wiens gezag geen hooger bestaat, mag door niemand verworpen worden, en niemand s bevoegd daarover te oordeelen.quot;
d. De Paus kan zoetten uitvaardigen, welke de gansche Kerk verplichten, en straffen tegen de overtreders bepalen.
V. Ten laatste een enkel woord over de wereldlijke macht van den Paus. Deze is van zijn geestelijk gezag onderscheiden; en dit laatste kan,, gelijk in de eerste tijden het geval was, zonder de wereldlijke macht bestaan. Deze macht echter, ofschoon van menschelijken oorsprong, werd den Paus, onder de geheel bizondere leiding der Voorzienigheid geschonken, omdat hij het opperhoofd der Christenheid is.
Alhoewel dit onderwerp meer bepaaldelijk tot het gebied der Kerkelijke geschiedenis behoort1), is het toch dienstig, daarover de volgende opmerkingen te maken.
1°. De geschiedenis leerl: ons, dat de tijdelijke macht op volmaakt rechtvaardige wijze ontstaan is, en dat de Pausen in die macht, door een duizendjarig bezif, bevestigd zijn geworden.
2°. Zij is niet volstrekt noodzakelijk, zij behoort niet
1
Zie Schets der Kerk. gesch. blz. 123.
174
tot het wezen van het Pausschap ; al gaat zij ook te niet, het geestelijk gezag blijft bestaan.
2°. De tijdelijke macht is echter zeer ivenschelijk en nuttig en kan daarom, in zekeren zin, noodzakelijk genoemd worden, dewijl zij de onafhankelijkheid van bet hoogste gezag in de Kerk verzekert. Indien de Paus onderdaan is van een vorst, dan kan deze bom de vrije gemeenschap met Bisschoppen en geloovigen belemmeren \') ; dan kan de Paus niet meer met volle vrijheid als verdediger van recht en waarheid optreden ; dan verminderen, ten minste bij afgedwaalden en bij zwakke geloovigen, de eerbied en het vertrouwen.
Pius IX heeft derhalve de volgende stelling veroordeeld: „De afschaffing van het burgerlijk bewind, hetwelk de Apostolische Stoel bezit, zou hoogst voor-deelig zijn voor de vrijheid en het geluk der Kerkquot; (Syll. 76).
C. Het Episcopaat.
I. Christus schonk aan Petrus het oppergezag over de gansche Kerk; aan de Apostelen gaf Hij het drievoudige ambt van priester, leeraar en bestuurder, onder de hoogste leiding en het opperbestuur van het al-gemeene Hoofd.
Dat het priesterambt van goddelijken oorsprong is en altijd moet voortbestaan, hebben wij vroeger bewezen ; later zullen wij aantoonen, dat de Bisschoppen de volheid des priesterschaps bezitten,
Over het leerambt hebben wij elders genoeg gezegd. Thans moet nog met een enkel woord gesproken worden over de macht en het gezag der Bisschoppen, als bestuurders van het geloovige volk.
II. Wettige opvolgers der Apostelen zijn de Bisschoppen, die op geldige wijze de bisschoppelijke
1) Immers, vóór weinige jaren hebben wij gezien, hoe een machtig potentaat het Italiaansche gouvernement wilde dwingen, den Paus geheel van zijne vrijheid te berooven.
17B
wijding ontvangen hebben en met den Paus in gemeenschap blijven. — Deze laatste voorwaarde is noodzakelijk , dewijl iemand, die niet met den Paus ver-eenigd is, zich buiten de gemeenschap der Kerk bevindt: „Waar Petrus is, daar is de Kerk.quot;
Als opvolgers der Apostelen, moeten de Bisschoppen, volgens de goddelijke instelling, de Kerk bestieren , doch alleen met en onder hun opperhoofd, den Paus. De H. Paulus immers zegt van hen, dat zij door den H. Geest gesteld zijn, om de Kerk Gods te regeeren (Hand. XX. 28). Krachtens hunne goddelijke macht dealen zij in \'t bestuur dor Kerk, doch slechts in gemeenschap en onder de leiding van den Paus, die de volheid des gezags bezit.
III. De Bisschoppen nemen deel aan \'t bestuur der Kerk in dien zin :
1\'. dat ieder van hen in zijn Bisdom, namelijk dat deel van Christus\' kudde, hetwelk hem door den Paus werd aangewezen, do hem opgedragen macht uitoefent. — Reeds in de Apostolische tijden werden aan de Bisschoppen afzonderlijke gemeenten ter bestiering toevertrouwd.
2°. De Bisschoppen worden door den Paus, bij buitengewone omstandigheden, tot eene algemeens Kerkvergadering opgeroepen. Daar beraadslagen zij, onder voorzitter-schap van hun opperhoofd of van zijn legaat, over de aangelegenheden der Kerk; in overeenstemming met den Paus, veroordeelen zij dan plechtig de opkomende dwalingen, nemen zij maatregelen tegen misbruiken, en maken verordeningen voor de geheele Kerk.
In nationale of provinciale Conciliën vergaderen de Bisschoppen van één rijk of ééne kerkelijke provincie; in de Synoden komt de Bisschop met een deel der geestelijkheid van zijn diocees te zamen ; daar worden besluiten genomen of voorschriften gegeven voor het geestelijk welzijn der onderhoorigen.
3°. Eindelijk oefenen de Bisschoppen, in de afzonderlijke parochiën van hun diocees, hun ambt uit door
■
I \'■
rlBI\'
1
fs
ii
■■ 9 li
;s
*
i
176
de Pastoors en de overige Priesters, die zij met do zielzorg belast hebben. De Pastoors en Priesters zijn dus de medehelpers van den Bisschop ; van deze ontvangen zij hunne zending, en onder ^ijn toezicht ver kondigen zij het woord Grods cn dienen de HH. Sacramenten toe. Zij worden opvolgers der 72 leerlingen genoemd, doch slechts in dien zin , dat zij de Bisschoppen in de bediening van hun ambt behulpzaam zijn, gelijk de leerlingen den Apostelen in de heilige bediening de behulpzame hand boden. Zij ontvangen hunne macht niet van hunne voorgangers, maar van het Episcopaat.
Thans zijn wij tot het einde der verhandeling ouer cZe Kerk genaderd. Wij hebben gezien, dat de katholieke Kerk de ware, de alléén zaligmakende Kork van Christus is ; dat zij eene onafhankelijke, zichtbare maatschappij is, die tot het einde der wereld moet blijven voortbestaan ; dat zij bezit het priesterambt, een onfeilbaar leergezag, en de loetgeuende en besturende macht.
Toepassing. Toen men eens aan den H. Stanislaus de Kostka vroeg, of hij Maria, de Moeder des Heeren, beminde, schitterde zijn gelaat, tranen van aandoening stroomden uit zijne oogen, en hij antwoordde : «Zon ik Maria niet beminnen ? Zij is immers mijne Moeder /quot;
Wanneer iemand u de vraag stelt : «Bemint gij de katholieke Kerk .•3quot;— geef dan ook met dankbare geestdrift ten antwoord: «Zou ik de Kerk niet innig liefhebben; zij is immers mijne moeder /\'\'
Inderdaad: de Kerk is eene zorgvuldige en teedere moeder J zij schonk ons, in het H. Doopsel, een nieuw en bovennatuurlijk leven en tegelijk de hooge waardigheid van kinderen Gods \\ zij voedt ons met het woord van hare onfeilbare leer en, in de H. Communie, met het Brood der Engelen \\ zij schenkt ons, in de Biecht, de genade Gods terug, als wij \'t ongeluk hadden die te verliezen ; zij staat ons liefdevol bij met gebeden, vertroostingen en geestelijke hulpmiddelen in het leven, in \'t uur des doods en zelfs nog in de eeuwigheid.
Laten wij dan de Kerk, als onze moeder, hoog vereeren en innig beminnen ; belijden wij altijd moedig haar heilig geloof; koesteren wij immer eene oprechte hoogachting voor hare bedienaren ; nemen wij met kinderlijke eenvoudigheid hare leerstellingen aan, en onderwerpen wij ons bereidvaardig aan hare geboden. Bidden wij vurig om de genade van te leven cn te sterven in haren schoot; want, gelijk deH. Cyprianus zegt: «Die de Kerk niet tot moeder heeft^ zal ook God niet tot Vader hebben.\'\'\'\'
177
DERDE AFDEELING,
VOLTREKKING VAN HET WERK ONZER HEILIGMAKING.
§ I.
Over de gemesnschap der Heiligen.
I. In de voorgaande afdeeling hebben wij gezien, hoe de katholieke Kerk, onder de leiding van denH. Geest, ons op den weg der zaligheid geleidt; thans zullen wij zien, hoe het werk onzer heiligmaking volmaakt en voleindigd wordt. Die waarheden worden ons geleerd in de laatste artikelen van de Apostolische geloofsbelijdenis, over welke wij thans gaan spreken.
Het tweede gedeelte van het 9e geloofsartikel luidt: (ik geloof) de gemeenschap der Heiligen.
II. Om den zin van dit geloofspunt goed te begrijpen, moeten wij ons herinneren, dat de Christenen, die in staat van genade dit leven verlaten, ledematen blijven van het geestelijke koninkrijk, waarvan Christus het Hoofd is. Waren die zielen, bij hare intrede in de eeuwigheid, geheel rein en zuiver, dan zijn zij in den hemel, de zegepralende Kerk, opgenomen; hadden zij nog niet geheel aan de goddelijke rechtvaardigheid voldaan, dan werden zij naar het vagevuur verwezen. De zielen in het vagevuur noemen wij de lijdende Kerk, dewijl zij door lijden en smarten moeten gezuiverd worden. De geloovigen hier op aarde, die tot aan \'t einde van hun leven moeten strijden, om de eeuwige kroon te verdienen, worden de strijdende Kerk geheeten.
III. De ledematen dezer drievoudige Kerk zijn onderling verbonden door een geestelijken band van gemeenschap, welke hierin bestaat, dat allen tot hetzelfde geestelijke lichaam, waarvan Christus het hoofd is, behooren, en dat ieder lid deel heeft in de geestelijke goederen van de gansche Kerk.
Christus is het Hoofd van alle ledematen der drievoudige Kerk, dewijl Hem het oppergezag over al
12
178
zijne schepselen toekomt; omdat zij alle nauw met Hem vereenigd zijn, en eindelijk, wijl Hij aan allen zijne genademiddelen mededeelt.
Gelijk in bet menschelijke lichaam de werking van elk lid ten dienste staat van het geheele lichaam, zóó bestaal er ook eene gemeenschap van verdiensten en goede werken tusschen alle ledematen der drie bovengenoemde Kerken, welke te zamen slechts één geheel tiitmaken.
IV. Waarom noemen wij die vereeniging — gemeenschap der Heiligen ?
Dit geschiedt, dewijl die gemeenschap bestaat uit de zaligen des hemels, de zielen in het vagevuur, die de volmaakte heiligheid meer en meer nabij komen, en de geloovigen op aarde, die allen tot de heiligheid geroepen zijn.
V. De vruchten dezer gemeenschap zijn overvloedig.
1°. Dewijl wij vereenigd zijn met de zaligen in den
hemel, worden wij geholpen door de gebeden, welke zij voor ons aan God opdragen, alsook door de rijke verdiensten, welke zij in de wereld verworven hebben en die hunne voorbede bij God aangenaam maken. Ook put de H. Kerk, bij het verleenen van aflaten, uit de overvloedige verdiensten der Heiligen \').
2°. De zielen in het vagevuur kunnen, niet alleen door de gebeden der zaligen in den hemel, maar ook door onze goede werken en gebeden, doch vooral door het H. Olier der Mis en het toevoegen van aflaten geholpen worden.
Dat wij aldus de smarten onzer lijdende broeders kunnen verkorten, is een geloofspunt, door het Concilie van Trente uitgesproken. In de H. Schrift (II Mach. V, 46) wordt duidelijk gezegd; dat het eene heilige en zalige gedachte is voor de overledenen te hidden, opdat zij van hunne zonden verlost ivordm.—Altijd werd die waarheid in de Kerk geloofd, en werden er voor de afgestorvenen gebeden gedaan en heilige Missen opgedragen.
1) Deze punten zullen later uitvoerig besproken worden.
179
4°. De gemeenschap tusschen de geJoovigen op aarde bestaat hierin , dat zij deel hebben ;
a. aan alle heilige Missen, openbare gebeden en goede werken, welke door de ledematen der Kerk gedaan worden ;
h. aan den schat van alle geestelijke goederen der Kerk.
Door dezen schat verstaat men de verzameling van de oneindige verdiensten van Christus en de overvloedige voldoeningen der Heiligen.
VI. Hier kan men de vraag stellen : hebben de ge-loovigen, die in staat van doodzonde zijn, ook nog deel aan deze gemeenschap ?
Dewijl zij de heiligmakende genade verloren hebben, mogen zij, in dien toestand, niet naderen tot de Sacramenten der levenden. Zij hebben ook geen deel aan den schat der Kerk.
Doch, zoolang de zondaar nog tot het lichaam der Kerk behoort, kan hij de openbare godsdienst-oefeningen met vrucht bijwonen en zoo door zijne eigen gebeden, alsook door die van andere geloovigen, de genade eener oprechte bekeering verkrijgen.
Besluit. Beijveren wij ons, om, door het bewaren der heiligmakende genade, steeds een overvloedig deel van de gemeenschap der Heiligen te genieten 5 bevelen wij ons dagelijks in de gebeden van de Heiligen des hemels aan 5 bidden wij voor elkander, vooral voor onze ouders en bloedverwanten , en vergeten wij onze lijdende broeders in het vagevuur niet.
De vergiffenis der zonden.
§ 2.
I. In het tiende geloofsartikel belijden wij te geloo-ven in de vergiffenis der zonden.
De voornaamste voordeden, welke wij uit onze gemeenschap met de Kerk trekken , en waardoor het werk onzer heiligmaking voltooid wordt, zijn : de vergiffenis der zonden, de opstanding onzer lichamen en het eeuwige leven.
180
In en door de Kerk kan ieder vergiffenis zijner zonden bekomen. Haar schonk Christus de macht, niet alleen om te verklaren, dat de zonden vergeven zijn, maar om die werkelijk, in Gods plaats, te vergeven.
Deze macht strekt zich uit tot aWe zonden, hoe menigvuldig en zwaar zij ook zijn mogen. De erftonde wordt door \'het Doopsel vergeven; de doodzonde dooide priesterlijke macht in de Biecht of door een volmaakt berouw, waarin de wil om te biechten is opgeslo-ten.(Hierover zal later in \'t bizonder gesproken worden). De dagelijksche zonden worden vergeven door de Biecht, of door gebeden en goede werken, welke men met een rouwmoedig hart verricht.
De verrijzenis des vleesches.
I. De verrijzenis des vleesches, welke wij belijden in het elfde artikel des Symbolums, was steeds de hoop der Christenen en moedigde de Heiligen aan, om den strijd des levens met vertrouwen en volharding te strijden.
Wanneer de mensch sterft, dan scheidt zijne ziel van zijn lichaam; de ziel gaat de eeuwigheid in, om loon of straf\', volgens hare werken, te ontvangen; het lichaam keert terug tot de aarde en vergaat in stof en asch.
Dat alle menschen zullen sterven, is eene waarheid, welke door niemand ontkend wordt. Uit zijne natuur, als stoffelijk wezen, is het lichaam aan den dood onderworpen ; doch door een bizonder voorrecht, aan het eerste menschenpaar geschonken, zouden deze niet gestorven zijn, indien zij niet gezondigd hadden.
Alle menschen moeten dus sterven, dewijl allen in Adam gezondigd hebben. Dit leert ons de H. Paulus met de woorden. „Door de zonde is de dood in de wereld gekomenquot; (Rom. V, 12).
II. Waarom heeft God ons het uur van onzen dood verborgen gehouden ?
181
Opdat wij :
1°. Hem des te meer als den oppersten Meester over leven en dood zouden erkennen en vreezen. en
2°. elk oogenblik tot den dood bereid zijn ; anders toch zouden zeer velen kanne bekeering tot het laatste oogenblik uitstellen. Eindelijk
3°. om ons de voortdurende foltering, welke wij in de zekere kennis van ons stervensuur zouden vinden, te besparen.
Dewijl het oogenblik van onzen dood onbekend en onzeker is, moeten wij ons door een oprecht christelijk leven eiken dag tot den dood voorbereiden; want het is eene waarheid, door de H. Schrift verkondigd en door de ondervinding gestaafd, dat de mensch gewoonlijk sterft gelijk hij geleefd heeft.
Zoodra de ziel van Let lichaam gescheiden is, wordt zij geoordeeld en beloond of gestraft naar verdiensten, gelijk wij vroeger aangetoond hebben.
\'s Menschen lichaam blijft, tot den jongsten dag, in de aarde rnsten. Dan zal God het weder opwekken eu voor altijd met de ziel vereenigen. Dan zal de geheele mensch, ziel en lichaam, voor eeuwig in den hemel gelukkig of in de bel voor altijd ongelukkig wezen.
III. Deze geloofswaarheid, dat alle menschen in hetzelfde lichaam, hetwelk zij thans hebhen, zulhn verrijzen, wordt duidelijk bewezen :
1° Uit de H. Schrift: „De Koning der icereld zcd ons, die voer zijve icet sterven, hij de verrijzenis oinctkken tot het eeuwige leven,\' (2 VII). Christus verzekert ons, dat
„zij, die het goede gedaan hebben, zullen uitgaan tot de opstanding des levens ; maar die het kioade gedaan hebben, tot de opstanding van het oordeer\'(Joan. V, 29 ^.DeH.Pau-lus verklaart uitdrukkelijk ; „ Wanneer de dooden niet verrijzen, dan is ook Christus niet verrezen (1 Cor. XV, 16). \' 2° Uit de voortdurende leer en overlevering der Kerk. Het geloof in de verrijzenis was immer levendig in de Kerk, gelijk blijkt uit de Apostolische en Atbanasiaan-
1) Oordeel beteekect hier veroordeeling of eeuwige straf.
sche geloofsbelijdenis, uit de handelingen der Martelaren en de levens der Heiligen.
IV. Dit geloofspunt is volstrekt ?uelt; in strijd met de rede. Immers
1° God, die onze lichamen schiep, toen ze niet bestonden, kan zeker, door zijne almacht, die lichamen weder tot het leven terugroepen, nadat zij tot stof ontbonden of in eene andere zelfstandigheid overgegaan zijn.
2° Christus, en ook sommige Heiligen, hebben doo- ; den opgewekt. Die feiten bewijzen ontegensprekelijk de mogelijkheid der verrijzenis en bijgevolg, dat deze niet strijdig is met de rede.
V. Dit leerstuk is zelfs geheel in overeenstemming met ons verstand: want
1°. het lichaam is het werktuig der ziel, het deelt in het verrichten van goede werken en ook in het bedrijven van zonden. Derhalve is het billijk, dat het ook deel hebbe aan het loon of de straf, welke de mensch verdiend heeft.
2°. Ook betaamt het, dat onze lichamen, die tempels zijn van den H. Geest en ledematen van Christus, aan den dood ontrukt worden, en aldus de overwinning des Heilands over den dood volkomen zij.
VI. Ieder mensch zal in zijn eigen en natuurlijk lichaam verrijzen, hoewel het lichaam in een anderen toestand zal zijn dan thans ; de lichamen zullen ook onderling zeer verschillend in hoedanigheid wezen. Die der rechtvaardigen zullen geheel klaar, licht, onlijdelijk en aan het verheerlijkte lichaam van Christus gelijkvormig zijn; die der verdoemden zullen afgrijselijk zijn en geheel gesteld om te lijden. — „De rechtvaardigen zullen, in het rijk huns Vaders, schitteren gelijk de zonquot; (Matth. XIII). „ Wij zullen allen verrijzen, doch niet allen vernieuwd wordenquot; (Cor, XV, 15). De Kerk, die altoos deze leer verkondigde, heeft daarom steeds een grooten eerbied betoond voor de lichamen harer overleden kinderen. Zij begraaft die met groote plechtigheid in de geioijde aarde, dewijl zij verwacht, dat zij eens verheerlijkt zullen verrijzen.
183
Toepassing. Uit deze beschouwingen moeten wij het besluit maken :
lo ons lichaam te eerbiedigen en het nimmer tot de zonde te misbruiken :
2o met geduld alle lijden op deze wereld te verdragen ; en
3o bij den dood onzer dierbaren opbeuring en troost te zoeken in het geloof.
§ 4.
Over het eeuwig leven.
Uit de voorafgaande beschouwingen is duidelijk gebleken, dat \'s menschen ziel onsterfelijk is en eeuwig zal leven; dat ons lichaam, bij \'t einde der wereld, zal verrijzen en voor altijd met de ziel vereenigd worden. Thans stellen wij de vraag : waarheen gaat de ziel des menschen als hij sterft]
Het geloof leert ons, dat zij gaat of naar den of naar de hel, of naar het vagevuur. Over dit geloofspunt moeten wij nu spreken.
T.
De hemel.
I. Het twaalfde artikel des geloofs : (ik geloof) het eeuwig leven, doelt vooral op de eeuwige zaligheid. Daardoor belijden wij dus, dat de rechtvaardigen in eeuwigheid gelukkig zullen wezen.
Die zielen dan, welke in de liefde Gods dit leven verlaten en aan Gods rechtvaardigheid niets meer te voldoen hebben, zullen terstond in een toestand van eeuwig geluk, in den hemel, opgenomen worden.
„De rechtvaardigen zullen in alle eeuwigheid heerschenquot; (Openb. XXII, 5). Dat dit terstond na den dood geschiedt, blijkt daaruit, dat de H. Paulus het sterven en het vereenigd zijn met Christus op ééne lijn stelt; ditzelfde bewijzen ons ontelbare plaatsen der H. Schrift, alsook de voortdurende leer der Kerk.
II. De zaligheid des hemels bestaat:
1°. in de klare en duidelijke aanschouwing van God.
184
Daar zien de zaligen, door een bovennatuurlijk licht geholpen, hunnen God van aanscbijn tot aanschijn (gelijk de Apostel zegt), d. i. zij aanschouwen het goddelijk Wezen zelf, zij kennen God, niet meer door de schepselen, gelijk hier op aarde, maar onmiddellijk, in zóóver als het aan \'t menschelijk verstand mogelijk is Hem te kennen.
2°. Met die kennis en aanschouwing is de innigste en vurigste liefde tot God verbonden, dewijl God zicb daar in zijne oneindige schoonheid en goedheid vertoont en den mensch met onweerstaanbaren aandrang tot zich trekt.
3°. Daaruit volgt noodzakelijk eene onuitsprekelijke vreugde en een volmaakt geluk, dewijl de zaligen, zoo volkomen mogelijk, de opperste Schoonheid aanschouwen en het hoogste Goed bezitten.
Aldus; in de aanschouwing, het bezit en de liefde. God ■ met de daaruit voortvloeiende vreugde, bestaat het hoogste geluk des hemels.
Aan dat geluk zijn voor de zaligen nog ontelbare bijkomende voorrechten verhonden, zooals: het genot van het gezelschap der Engelen en Heiligen ; het wederzien van bloedverwanten en vrienden, van wie zij niet meer gescheiden worden ; de onsterfelijkheid en de verheerlijking des lichaams ; vooral echter het bewustzijn, dat dit volmaakte geluk eeuwig duren zal.
III. Doch, zoolang wij op aarde zijn, kunnen wij het geluk des hemels niet begrijpen en veel minder nog in w oorden uitdrukken. Daarom zegt de H. Paulus : „Geen oog heeft het gezien, geen oor heeft het gehoord en in geen menschen hart is het opgekomen, hetgeen God bereid heeft voor hen, die Hem beminnen \' (I Cor. II, 19). En ook de H. Augustinus zegt zeer schoon: „Het is gemakkelijker te zeggen, loat in den hemel niet is, dan rvat daar wel is.quot;
IV. De trap van glorie en de maat des geluks is verschillend volgens ieders verdiensten, dewijl de hemel een loon is, dat aan ieders verdiensten beantwoordt. De H. Paulus verklaart ons die waarheid,
185
wanneer hij zegt: „ Wie spaarzaam zaait, zal ook spaarzaam maaien, en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaienquot; (II. Cor. JX. 6)-
Nochtans zijn de zaligen, die op een lageren trap van heerlijkheid staan, volmaakt gelukkig en volkomen tevreden, zoodat zij niets meer wenschen of verlangen.
Ook kan de glorie der zaligen niet veranderd of vermeerderd worden, dewijl zij in de eeuwigheid niet meer kunnen verdienen, noch voor hunne zaligheid iverken.
Besluit. Daar het geluk des hemels onuitsprekelijk groot is en eeuwig duurt, moeten wij ons, om het te erlangen, alle moeite en opofteringen getroosten en ons de woorden des Heeren dikwijls herinneren ; »Het rijk \'der hemelen lijdt geweld* en die geweld doeti^ nemen het /V/quot; (Matth. XI12).
II.
De hel,
I. Zij die in staat van vijandschap met God, d. i. in doodzonde sterven, worden tot de straf der hel veroordeeld, dewijl zij vrijwillig, door hunne schuld, zich van God, hun laatste einde, losgescheurd hebben, en, van kinderen Gods, slaven des diiivels geworden zijn.
De ziel des zondaars wordt terstond na zijn dood ter helle verwezen, en eens, na de algemeene verrijzenis, zal ook zijn lichaam, met zijne ziel vereenigd. indien poel van smarten worden neergeworpen.
Gelijk de glorie der zaligen verscheiden is volgens hunne verdiensten, zóó zal ook de straf verschillend wezen, naar de hoeveelheid en de boosheid der zonden.
II. De hel is, volgens de uitspraak van Christus ; eene plaats van onbegrijpelijke smarten, ivaar de duivelen en de verdoemden eeuwig gestraft worden. De verdoemden lijden aldaar deze tweevoudige straf:
1°. de straf der schade d. w. z. zij zijn beroofd van de aanschouwing van God, hun laatste einde. Dewijl zij thans begrijpen en gevoelen, dat het bezit van God hun hoogste geluk moest uitmaken en zij onwillekeurig alt alle krachten naar het opperste Goed verlangen;
186
daar zij na inzien dat zij dit, door hunne eigen schuld, voor eeuwig verloren hebben, is deze straf voor hen zóó groot (gelijk de H. Augustinus zegt), dat geene andere daarmede kan vergeleken worden.
2°. De straf van gevoel d. i. zij lijden daar onuitsprekelijke smarten:
a. dewijl zij, levende in gezelschap der duivelen en andere verdoemden, gekweld worden door het helsche vuur, dat hen foltert, zonder hen te verteren.
Dat de verdoemden door het vuur gekweld worden, is eene waarheid, welke de H. Schrift op ontelbare plaatsen verkondigt. Christus verzekert ons, dat de opperste Rechter op den jongstendag tot de -/erdoemden zeggen zal: „Gaat van Mij inliet eeuwige vuurquot; En de H. Joannes (Apoc. XXJ.) zegt: „Hun deel zal zijn een van vuur en zwavel gloeiende poel.quot;
Dat vuur der hel zal, gelijk de H. Augustinus zegt, niet slechts de lichamen, maar ook de zielen der verdoemden , evenals de duivelen , op eene wonderbare, doei gevoelige wijze folteren.
b. Zij worden gekweld door de knaging des gewetens. Onophoudelijk verwijt het geweten hun de misdaden huns levens ; het stelt hun voor oogen , hoe zij door eigen schuld ongelukkig zijn ; het herinnert hen, dat zij, met Gods genade hadden zalig kunnen worden en dat zij, voor een kortstondig vermaak, eeuwig moeten lijden. Ja, de gedachte aan de eeuwigheid staat hun elk oogenblik levendig voor den geest en vervult hunne ziel met onbeschrijfelijke droefheid en troosteloosheid, met vertwijfeling en wanhoop.
III. De geloofswaarheid, dat de straffen der hel eeuwig duren zullen, wordt ontegensprekelijk verkondigd :
a. In de H. Schrift. Slechts enkele, maar duidelijke uitspraken des Verlossers zullen wij aanhalen :„ 6raalt; van Mij vervloekten m het eeuwige vuur. . . En zij zul-ingaan in de eeuwige pijnquot; (Matth. XXV, 41 en 46). Bij den H. Marcus (IX, 42 en v.) noemt Christus de hel : „het oncitbluschbaee vuur, waar de worm (de knaging des gewetens) niet sterft en het vuur niet wordt uitgedoofd.\'\'
187
h. Deze waarheid blijkt ook uit de voortdurende leer en de onfeilbare uitspraken der Kerk.
Ten allen tijde geloofden de Christenen aan de eeuwigheid der helsche straffen; de HH. Vaders zijn eenstemmig in dit punt; de geschiedenis der Martelaren en de geloofsbelijdenis van den H. Athanasius leveren ons daarvan duidelijke bewijzen. In meer dan één algemeen Concilie werd deze waarheid als geloofspunt uitgesproken ; dus mag geen Katholiek haar verwerpen of in twijfel trekken.
IV. Ofschoon wij niet rechtstreeks en absoluut door de rede kunnen bewijzen , dat de straf der hel eenwig moet duren, geeft ons toch het natuurlijk verstand veel bewijsgronden aan, waarom de strat zonder einde wezen zal, namelijk: omdat God onemamp;ig rechtvaardig, heilig, wijs en barmhartig is.
1°. a. Gods rechtvaardigheid straft de zonde naar verdienste. Door de doodzonde versmaadt de mensch zijnen God, zijn hoogste Goed ; die zonde bevat dus in zekeren zin eene oneindige boosheid ; zij verdient bijgevolg eene oneindige straf. Den mensch echter, als beperkt wezen, kan slechts eene in hevigheid begrensde straf opgelegd worden : dus moet de straf oneindig van duur, dat is eeuwig zijn.
h. De ziel, die met eene doodzonde beladen dit leven verlaat, is een voorwerp van Gods rechtvaardige straf: zoolang die ziel met doodzonde besmet blijft, moelt; God haar van zich verstooten en straffen. Eens het andere leven ingegaan, blijft de ziel eeuwig en altijd in dien ongelukkigen toestand, dewijl haar proeftijd dan voorbij is en zij onmogelijk de vergiffenis der zonde verwerven kan.
2°. Gelijk God , omdat Hij heilig is, de deugd bemint, zoo verfoeit Hij evenzeer de zonde. Zijne liefde voor het goede noopt Hem dit eeuwig te beloonen; zóó zal ook zijn afkeer van het kwaad, van de doodzonde, eene eindelooze straf eischen.
3°. Bij het vaststellen eener eeuwige straf voor de doodzonde, toonde God ons zijne ivijsheid en harmhar-
188
tigheid. Daardoor immers werd de onderhouding zijner wetten krachtdadig bevorderd.
Voor duizenden menschen is die bepaling eene onschatbare weldaad, dewijl velen, door de eeuwigheid der straf afgeschrikt, hunne zaligheid bewerken, die anders (indien de zondaar slechts eene tijdelijke straf moest ondergaan en dan vernietigd zou worden), door hunne lichtzinnigheid meegesleept, den hemel zouden vorloren hebben.
Eindelijk moeten wij altijd voor oogen houden, dat God de zaligheid van alle menschen verlangt; dat Hij hun daartoe voldoende genaden geeft en vooral ons, Katholieken, menigvuldige en overvloedige hulpmiddelen aanbiedt, waardoor wij gemakkelijk ons eeuwig geluk kunnen verzekeren ; dat men dus enkel en alleen door eigen schuld verloren gaat.
Besluit. »Iu al iciue werken denk aan hiüc uitersten, en gij zult in eeuwigheid niet zondigen\'\'\'\' (Eccli. VII, 40). Denken wij dikwijls aan het uur onzes doods, waarmede alles voor ons op aarde eindigt ; aan Gods rechtvaardig en onherroepelijk oordeel *, aan de onbeschrijfelijke heerlijkheid des hemels. Overwegen wij menigmaal, vooral in \'t oogenblik der bekoring, deze schrikwekkende waarheid: eens verloren, eeuwig ver lore??-! korte vreugde, eeuwige smart!
In die overweging zullen wij kracht en moed putten, om de ijdel-heid der wereld te verachten, onze driften te overwinnen, en dus onze ziel voor eeuwig te redden.
in.
Het vagevuur.
I, Wat geschiedt er met die zielen, welke in de liefde Gods, zuiver van doodzonde, deze aarde verlaten, maar nog met dagelijksche zonden besmet zijn of nog niet geheel voor hare zonden voldaan hebben ? 1)
Deze zielen worden, gelijk het geloof ons leert , naar eene plaats van zuivering, het vagevuur, gezonden. Hierdoor verstaan wij ; eene plaats, waar de zielen
1
Over de zielen dergenen, die zonder Doopsel in onschuld sterven, zal later gesproken worden.
189
der rechtvanrdigen, door tijdelijk lijden, voor de haar nog acxnklevende schulden en straffen voldoen.
II. Twee hoofdwaarheden moeten wij als geloofspunten aannemen:
lo. Er bestaat een vagevuur;
2°. De zielen, die zich daar bevinden, kunnen door ons geholpen worden.
Dit laatste punt werd in § 1 dezer afdeeling behandeld. Derhalve ztdlen wij hier slechts in Jt kort bewijzen, dat er een vagevuur bestaat.
1°. Uit de H. Schrift:
a. In het tweede Boek der Machaheeën (XII, 43) lezen wij, dat Judas de Machabeeër twaalfduizend drachmen zilver naar Jerusalem zond, om offeranden voor de zonden van ben, die in den strijd gevallen waren, te doen opdragen. De H. Schrift keurt deze handelwijze goed en noemt het eene heilige en zalige gedachte, te hidden voor de overledenen, opdat zij van hunne zonden ontslagen worden.
De Heiligen in den hemel behoeven geene oiferan-den of gebeden, om van hunne zonden bevrijd te worden ; de verdoemden in de bel kunnen niet verlost worden, voor hen is alles nutteloos. Dus bestaat er eene plaats, welke wij vagevuur noemen, waarin zieb die zielen bevinden, welke door onze gebeden kunnen verlost worden.
h. Christus vermaant ons tot welgezindheid en liefde jegens onze vijanden; Hij dreigt hen. die daaraan te kort blijven, met een kerker, en voegt daarbij : „ Voorwaar, Ik zeg u: gij zult van daar niet uitgaan, tot dat gij den laatsten penning zidt betaald hebbenquot; (Matt. V, 26). Hieruit volgt, dat er in het andere leven eens plaats is, waar men aan Gods rechtvaardigheid voldoen kan en vervolgens verlost wordt; die plaats kan diis geene andere zijn dan het vagevuur.
2°. Deze waarheid wordt ook uit de voortdurende leer en overlevering der Kerk bewezen. Daarvan getuigen ons de HH. Vaders, onderscheidene Conciliën, alsmede de voortdurende handelwijze der Kerk, die voor de overledenen gebeden en de H. Mis opdraagt.
190
3°. Dit geloofspunt, eindelijk, volgt uit andere waarheden van den godsdienst.
a. Velen, die in staat van genade sterven, zijn besmet met dagelijksche zonden; zij kunnen niet in den hemel worden opgenomen, omdat daar niets wat besmet is binnengaat; ook kunnen zij niet ter helle veroordeeld worden;— dus is er eene andere plaats, eene zuiveringsplaats, waarheen zij verwezen worden.
b Dezelfde gevolgtrekking kunnen wij maken uit deze andere waarheid: dat dikwijls, wanneer de schuld der doodzonde vergeven is, niet de tijdelijke straf geheel kwijtgescholden wordt, terwijl er vele menschen zijn, die in hun leven niet genoeg goede werken verrichten, om voor de verschuldigde tijdelijke straffen te voldoen.
III. Welke straffen lijden de zielen in het vagevuur ? Eene tweevoudige straf: van schade en van gevoel. Zij zijn beroofd van de aanschouwing en het bezit van God ; en deze straf is voor de zielen, die God beminnen en zoo vurig naar Hem verlangen, zeker de zwaarste. Daarenboven worden zij nog ge folterd door een hevig vuur, dat haar onuitstaanbare smarten veroorzaakt.
IV. Hoelang blijven de zielen in het vagevuur V Elke ziel blijft daar totdat zij door hare smarten
aan Gods rechtvaardigheid voldaan heeft, ofwel door de hub der Heiligen of der geloovigen op aarde, verlost wordt.
De zielen in het vagevuur kunnen, dewijl zij het andere leven ingegaan zijn, voor zich zelve geene verdiensten meer verkrijgen en, indien anderen haar niet ter hulp komen, alleen door lijden voldoen voor hetgeen zij nog te boeten hebben.
Hier zijn wij aan het einde onzer beschouwingen over de Apostolische geloofsbelijdenis gekomen.
Slechts eene enkele opmerking moeten wij nog maken. Wij zeggen bij het einde des Symbolums het
191
woord amen, dat uit de hebreeuwsche taal is overgenomen en eene tweevoudige beteekenis heeft. Op de eerste plaats drukt het eene bevestiging uit : het is zoo, en dan beteekent het hier : dit is ons geloof en geen ander. De tweede beteekenis is: zoo geschiede het\'. d. w. z. alles, wat in de 12 artikelen des geloois van mij verlangd of aan mij beloofd wordt, geschiede. Daardoor moeten wij dus te kennen geven, dat wij aan de goddelijke Openbaring gelooven, en zullen trachten in de katholieke Kerk volgens Grods wil te leven. Dan voorzeker zullen wij ook eens deel hebben aan de glorievolle verrijzenis en aan het eeuwig leven in den hemel.
TWEEDE DEEL.
De Zedenleer.
1ste HOOFDSTUK.
OVER DE GEBODEN.
Inleiding.
T. De goddelijke Verlosser ontmoette eens een rijken jongeling, die voor Hem nederknielde en de vraag stelde ; „Meester, icat moet ik doen, om het eeuwig leven te hekomen T\' — De Heiland, antwoordde : „Indien gij ten leven wilt ingaan, onderhoud de geboden.quot;
Dat woord moet ieder Christen op zich zeiven toe passen: indien ik mijne bestemming, de eeuwige zaligheid, bereiken wil, moet ik volgens den wil van God leven en zijne geboden onderhouden.
Dat ieder verplicht is, Gods geboden te onderhouden, blijkt terstond. God is het beminnelijkste en allerhoogste Wezen, dus al onze liefde en onze volkomen gehoorzaamheid overwaardig. Hij is onze Schepper en opperste Heer; Hij heeft derhalve het volkomenste recht, onze onderwerping en gehoorzaamheid te vorderen. Aan zijn goddelijken wil moeten alle schepselen onderworpen zijn. Daarenboven kan God van den mensch, die ontelbare weldaden naar lichaam en ziel van Hem ontvangen heeft, die door Hem met verstand en vrijen wil begaafd en tot een bovennatuurlijk en eeuwig geluk bestemd is, met des te meer recht die onderdanigheid vorderen. Ook moet
193
de vrees voor de eeuwige straffen en de hoop op den hemel ons aansporen, om Gods geboden trouw te onderhouden.
II. Daaruit volgt, dat het geloof alleen niet voldoende is om zalig te worden. Deze waarheid hebben wij vroeger besproken ; derhalve willen wij hier slechts herinneren aan het woord van den H. Jacobus (II. 19) : „ook de duivels gelooven en sidderen1\'; — hun geloof vermeerdert nog hun ongeluk.
III. Dat het den mensch mogelijk is Gods geboden te onderhouden, volgt hieruit: God is oneindig goed en wijs; Hij kan ons dus geene verplichtingen opleggen, welke onze krachten te boven gaan; Hij is oneindig rechtvaardig; Hij zou derhalve de overtreders van zijne geboden niet kunnen straffen, als het onmogelijk was, ze te onderhouden. Daarom zegt het Concilie van Trente : „God heveelt het onmogelijke niet; indien Hij heveelt, vermaant Hij te doen wat wij kunnen, te hidden om hetgeen wij niet kunnen, en Hij helpt ons opdat wij kunnen.\'quot; Met behulp dus der goddelijke genade, welke God geeft aan allen, die daarom bidden, kunnen wij de goddelijke geboden onderhouden, gelijk duizenden door hun voorbeeld bewezen hebben.
IV. Hoe heeft God den mensch zijnen wil bekend gemaakt ?
Op tweevoudige wijze :
1°. door de wet der nafewr, welke door den Schepper in \'s menschen hart gegrift is en gekend wordt door het licht der rede. Deze wet der natuur leert, wat overeenkomstig of\' strijdig met Gods wil en derhalve goed of kwaad is. Het bestaan der natuurwet blijkt hieruit, dat sommige zedelijke beginselen overal en altijd erkend en aangenomen zijn geworden. Daarop doelt de H. Paulus (Rom. Il, 15), als hij zegt, dat de wet in het hart der heidenen geschreven is.
2°. Door de goddelijke wet. Door de geboden zijner openbaring maakte God ons, op meer bepaalde en stellige wijze, zijnen wil bekend. Sommige der geboden, welke aan het Israëlietische volk op Sinaï door
13
194
God gegeven, of door Christus in het N. T. verkondigd zijn, waren eene omschrijving en nadere bepaling van de natuurwet. In andere werden voorschriften gegeven, welke alleen van den wil Gods afhankelijk zijn en door de rede niet kunnen gekend worden, b. v. de verplichting om den Sabbat of den Zondag aan God toe te wijden.
V. Behalve de goddelijke geboden, moeten wij ook nog de kerkelijke geboden en de rechtvaardige Staatswetten onderhouden; over de eersten zal later afzonderlijk gesproken worden; de wetten van den Staat zullen wij bij het 4e gebod behandelen.
Thans gaan wij over tot de nadere beschouwing der geboden Gods.
§ I-
Over het gebod der liefde.
I. Eens kwam een Schriftgeleerde tot den goddelijken Heiland en vroeg; «Meester , welk is het grootste gebod in de wet?quot; De Verlosser sprak tot hem; »Gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart, met geheel uwe ziel, en met\'geheel uw verstand. Dit is het grootste en het eerste gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: gij zult uwen naaste beminnen gelijk u zeivenquot; |Matth. XXII, 37 en 38],
II. Alvorens wij de geboden Gods afzonderlijk behandelen, zullen wij het gebod der liefde bespreken, dewijl dit het eerste en voornaamste is en ook alle andere geboden in zich bevat.
De ouderhouding van het gebod der liefde is zóó noodzakelijk, dat wij zonder haar onmogelijk zalig kunnen worden, al zouden wij ook het geloof en de hoop of andere deugden bezitten.
Dit gebod omvat alle andere geboden, dewijl hij, die het getrouw naleeft, al zijne verplichtingen jegens God, jegens zichzelven en ook ten opzichte van den naaste vervult. Hij, die de liefde bezit, bezit tegelijk ook de deugd van geloof, waardoor hij God als zijn laatste einde kent, en de deugd van hoop, waardoor hij naar hei
195
aanschouwen van God verlangt en dit van Gods goedheid ver macht.
III. De liefde wordt eene goddelijke d.eugd, genoemd, omdat zij ons door God, in het H. Doopsel, wordt ingestort, en ook wijl Grod liaar eerste en voornaamste voorwerp is. — Haar tweede voorwerp is de naaste.
De liefde kan op de volgende wijze bepaald worden : Zij is eene door God ingestorte deugd, waardoor wij God hoven alles beminnen, en onzen naaste, om God, gelijk ons zeiven.
§ 2.
Over de liefde tot God.
I. Iemand beminnen is: hem genegen zijn en goed willen. God be-minnen is dus: Hem van harte toegenegen zijn, zich verheugen over zijne volmaaktheden, en wenschen dat Hij door allen gekend en verheerlijkt worde.
De goddelijke deugd der liefde is derhalve; eene c^oor God ingestorte deugd, iv aar door wij ons aan Hem, als het hoogste Goed, van harte toeivijden.
II. Welke hoedanigheden moet onze liefde tot God hebben ?
Zij moet bovennatuurlijk, boven alles groot en tverkda-dig zijn.
Bovennatuurlijk is onze liefde, wanneer wij, met de hulp der genade, God, zooals wij Hem door het^eZoo/ kennen, ook liefhebben. Dusdanig moet onze liefde wezen, daar zij zonder de genade niet verdienstelijk is ter zaligheid en omdat wij God niet op bovennatuurlijke wijze kunnen beminnen, indien wij Hem niet op bovennatuurlijke wijze, d. i. door \'t geloof kennen.
Zij is hoven alles groot, wanneer wij God meer dan al het andere liefhebben en liever alles willen verliezen, dan door de doodzonde van Hem gescheiden te worden.—
Aldus moet onze liefde zijn, dewijl God, als het op-
196
perste en oneindige Goed, met alle recht de hoogste liefde van de redelijke schepselen vordert 1).
Onze liefde moet werkdadig zijn, d. i. wij moeten alles doen wat God aangenaam is, vooral zijne geboden onderhouden. „Dia mijae geboden heeftquot; zegt Christus, „en ze onderhoudt, hij is het, die Mij bemintquot; Joan. XIV, 21).
Degene, die een onder zware zonde verplichtend gebod overtreedt, verbreekt daardoor den band van liefde, welke hem met God vereenigde.
IIL Om welke beweegredenen moeten wij God aldus beminnen?
1°. Dewijl Hij het hoogste en vo\'.maaktste Goed is. — Inderdaad : indien wij, door het licht des geloofs, God als het oneindig beminnenswaardige Goed kennen, dan mogen wij Hem zulk eene liefde niet weigeren.
2°. Omdat Hij ons eerst bemind en ons ontelbare weldaden bewezen heeft. — Van eeuwigheid heeft God ons liefgehad; Hij schonk ons het leven en alles wat wij bezitten; de Zoon Gods wilde, uit liefde tot ons, om ons te redden en ons het recht op den hemel terug te geven, lijden en sterven; in het H. Doopsel nam God ons tot zijne kinderen aan; en toen wij Hem later be-leedigd hadden, verleende Hij ons menigmaal vergiffenis, en maakte ons in de H. Communie aan een on-bescbrijfelijk geluk deelachtig
3°. Bij deze beweegredenen komen nog het uitdrukkelijk gebod van God, de belofte eener eeuwige zaligheid voor hen, die dat gebod onderhouden, en de bedreiging met de eeuwige straf voor de overtreders. Dat alles moet ons krachtig aansporen, om God van ganscher harte te beminnen.
IV. Onze liefde tot God kan volmaakt en onvolmaakt zijn. Zij is volmaakt als de beweegreden onzer liefde
1
Daartoe is het echter niet noodig, dat wij de gevoelige en teerhartige liefde, welke b. v. een kind jegens zijne ouders gevoelt, bezitten ; het is voldoende, als wij aan God boven alle schepselen de voorkeur geven, en liever alles zouden verliezen, dan God door eene doodzonde te vergrammen.
197
volmaakt is, als wij namelijk God boven alles beminnen om Hem zeiven, dat is, omdat Hij oneindig volmaakt, goed, barmhartig is. — Zij is onvolmaakt, wanneer wij God beminnen om het goede, wat wij van Hem hopen, te verkrijgen ; b. v. als men God bemint om de weldaden, die wij van Hem ontvingen, of omdat wij hopen, dat Hij ons den hemel geven zal. Hier is de heiveeggrond onzer liefde onvolmaakt, namelijk ons eigen welzijn.
Gewoonlijk echter is met deze onvolmaakte liefde eenige genegenheid en liefde tot God, om Hein zelven^ vereenigd, dewijl bij de beschouwing van zijne goedheid jegens ons, vanzelf de gedachte, dat Hij in zich zeiven oneindig goed is, bij ons opkomt.
V. De liefde Gods wordt in ons vermeerderd en volmaakt :
1°. Door het waardig en veelvuldig ontvangen van de HH. Sacramenten, vooral van de H. Communie.
2°. Door godvruchtige overwegingen, voornamelijk van Gods volmaaktheden, van de weldaden, welke Hij ons geschonken heeft, van de bewijzen der oneindige liefde van Christus, ons in zijn H. lijden en in het H. Sacrament des Altaars gegeven.
3°. Door de beoefening der christelijke deugden, zooals de nederigheid, de zelfverloochening, de zuiverheid ; en eindelijk
4°. door het gebed.
VI, De liefde Gods wordt verbeurd door de doodzonde, dewijl de ziel daardoor in staat van vijandschap met God komt.
Door de dagelijksche zonde wordt de liefde Gods niet weggenomen , maar hare kracht en vurigheid verzwakt.— Derhalve is de gehechtheid aan kleine fouten, of het vrijwillig en menigvuldig bedrijven van dagelijksche zonden, zeer gevaarlijk, en baant dikwijls den weg tot de doodzonde.
Welke zonden rechtstreeks tegen de liefde Gods strijden, zullen wij aantoonen bij de behandeling van het eerste gebod.
198
Besluit. Laten wij dikwijls, vooral des morgens en des avonds, oprecht en hartelijk, eene akte van liefde verwekken jegens den oneindig be-minnenswaardigen God 5 herdenken wij menigmaal met dankbaarheid zijne opperste volmaaktheid en zijne onschatbare weldaden ; volbrengen wij zijnen wil in alles, en vreezen wij niets zoozeer als zijne liefde door de zonde te verliezen.
Over do liefde tot den naaste.
I. De naastenliefde, als christelijke deiigd beschouwd, is eene geneyenheid des harten, icaardoor wij den even-mensch uit bovennatuurlijke liefde, om God beminnen ; b v. omdat hij het evenbeeld Gods is , omdat God het gebiedt, omdat de evenmensch een kind Gods is, vrijgekocht door het dierbaar bloed des Verlossers en bestemd, om met ons de eeuwige zaligheid te genieten, enz,
II. De plicht der naastenliefde wordt ons, met duidelijke woorden, door den Heiland opgelegd, als Hij zegt: „Het tweede (gebod,), aan dit (der liefde Gods) gelijk, is: gij zult uwen naaste beminnen als u zdveri\' (Mare XII, 31). „Ik geef u een nieuw gebod, dat gij elkander bemint, gelijk Ik u heb liefgehad\'\' (Joan. XIII, 43).
Ook is deze verplichting een noodzakelijk gevolg van onzen plicht om God te beminnen : „Indien iemand zegt; ik bemin God, en zijn broeder haat, die is een leugenaar11 (1 Joan. IV, 20).
III. Uit de boven gegeven bepaling der naastenliefde volgen vanzelf de hoedanigheden, welke zij hebben moet, namelijk: zij moet oprecht, onbaatzuchtig en algemeen wezen.
Zij is oprecht, wanneer men den naaste zóó behandelt , gelijk men zelf wenscht behandeld te worden. „Al ie at gij wilt, dat de menschen u doen, dat moet gij ook hun doen1 (Matth. VII, 12). Derhalve moet de oprechte liefde xoerkdadig zijn , en niet alleen in ijdele woorden of vertooning bestaan, maar in den naaste goed toe te wenschen, geen leed te veroorzaken, hem zijn tijdelijken en geestelijken nood behulpzaam te zijn.
199
Oaze naastenliefde is onbaatzuchtig, wanneer wij den evenmenscb beminnen en hem goed doen, niet met het inzicht, om wederkeerig door hem geholpen, of om door de menschen geprezen te worden, maar om God, die ons honderdvoudig vergelden zal en wien wij bovenal beminnen.
Zij is algemeen, wanneer wij niemand, hetzij vriend of vijand, van onze liefde uitsluiten, als wij voor aPen bidden en iedereen goed toewenschen.
Nochtans moeten wij sommige personen, b. v. onze ouders en bloedverwanten, op eene bizondere wijze en meer beminnen dan andere menschen. Ook is onze verplichting, om den naaste te helpen, als hij zich in uitersten of in zeer groofen nood bevindt, zwaarder , dan wanneer hij slechts in een toestand van gewone behoefte verkeert.
IV. Wij mogen, gelijk gezegd is, ook onze vijanden niet van onze liefde uitsluiten ; integendeel wij moeten hen waarlijk beminnen.
Die plicht blijkt hieruit:
a. het goddelijk gebod der naastenliefde is en wordt door de beleedigingen , welke de naaste ons aandoet, niet opgeheven;
h. Christus heeft uitdrukkelijk geboden : „Bemint, uwe vijanden , doet goed aan hen , die u haten , en bidt voor hen , die u vervolgen en lasteren\'\'\' (Matth. V. 44).
c. Hetzelfde heeft Hij ons geleerd door zijn voorbeeld, als Hij , stervend aan het kruis , voor zijne moordenaars bad.
Daaruit volgtsr V0 dat wij verplicht zijn onze vijanden niet van ons gebed uit te sluiten en hun alle goed toe te wenschen , vooral de eeuwige zaligheid.
2U. Moeten wij hun ten minste die algemeene bewijzen van liefde geven, welke met hunne betrekking tot ons, hunnen stand, enz. overeenkomstig zijn, bijv. hen in hunnen nood bijstaan.
Opmerking, a. Men is echter gewoonlijk niet verplicht zijnen vijanden bizondere en uitstekende liefdebewijzen te geven, gelijk b. v, aan zijne ouders of vrienden.
200
l). Men mag het herstel van veroorzaakte scU.ie, ook door een vonnis der rechtbank, vorderen : maar nimmer met het inzicht om zijn vijand te benadeelen. Hierbij moet men evenzeer alle afgekeerdheid vermijden.
c. Wanneer men denkt, dat een vijand door liefdebewijzen nog meer verbitterd en in zijne vijandschap verhard zal worden, dan late men die liefdeblijken achterwege,
V. Wat moeten wij doen , indien wii iemand beiee-digd hebben ?
Dan moeten wij, op de best mogelijke wijze , zonder dat er groote verbittering veroorzaakt wordt, ons met den beleedigde verzoenen en hem rechtmatige voldoening geven.
VI. Indien een ander ons eene beleediging aangedaan heeft, dan moeten wij :
1° de beleediging geduldig verdragen en geen kwaad met kwaad , maar , volgens de vermaning van Christus , kwaad met goed vergelden ;
_ 2° de hand der verzoening, welke hij ons aanbiedt, van harte aannemen ;
3° hem goedwillig vergiffenis schenken.
VII. In \'t bizonder verplicht ons de naastenliefde:
1°. Te zorgen voor het lichamelijke leven des naasten en hem, wanneer het in gevaar verkeert, te redden, indien wij daarhoe in staat zijn. Met dezen plicht strijden ; moord , tweegevecht en benadeeling van den naaste in zijn lichaam. — Hierover zullen wij breedvoerig spreken bij het 5e gebod.
2^. Bechtvaardig te zijn met betrekking tot de tijdelijke goederen van den naaste. — Dit zullen wij zien bij het 7e gebod.
3°. Den evenmensch bij te staan in anderen tijde-Hjken nood. — Daarover wordt gehandeld bij de christelijke deugden.
4°. Te zorgen , dat de evenmensch niet , door onze schuld, zijne geestelijke goederen, zijne eer en zijn goeden naam verlieze. — Daarover handelt de uitlegging van het 8e gebod.
5°. Eindelijk moeten wij ook voor het zieleheil des naasten zorg dragen. Dat geldt vooral voor ouders en
201
•oversten, wier verplichtingen wij later zullen aan-toonen. — Met dezen plicht is inzonderheid strijdig het geven van ergenis, waarover bij het 5e gebod gesproken wordt. — Hier echter moeten wij spreken over een plicht, welken ieder Christen , ten opzichte van het zieleheiPdes naasten, te vervullen heeft, namelijk : de ■broederlijke berisping of vermaning.
VIII. Door broederlijke berisping verstaan wij : eene vermaning , onzen evenmensch uit naastenliefde gegeven ,
ï*, om hem van het kwaad af te houden of tot het goed te-\'rug te brengen.
De plicht van broederlijke vermaning volgt:
1° nit de natuurwet, welke ons verplicht den naaste in zijnen nood te helpen — dus ook in geestelijken nood bij te staan.
2°. Dit het gebod Gods : „Berisp den evenmensch . . . opdat hij niet verloren gaquot; (Eccli. XIX, 14). „Als uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga, en berisp hein tusschen u en hem alleen. Indien hij naar u hoort, zult gij uwen iroeder gewonnen hebbenquot; (Matth. XVIII. 15).
IX. Xiet altijd is men streng verplicht te berispen, maar alleen dan, wanneer de volgende voorwaarden aanwezig zijn :
1° Men moet zeker zijn, dat de evenmensch eene zonde gedaan heeft of zich in een naaste gevaar van zondigen bevindt;
2°. er moet gegronde hoop bestaan, dat de berisping een goed gevolg hebben zal;
3°. de berisping moet noodig zijn tot verbetering des naasten;
4°. zonder al te grooten last of moeielijkheid kunnen gegeven worden, en
5°. er moet niemand anders zijn, die den naaste berispen zal.
Ter opheldering diene het volgende ; 1°. Zeer zelden ismen verplicht iemand over dagelijksche zonden te berispen, vooral wanneer men tegenover zijns gelijke staat.
2°. Indien men oordeelt, dat de vermaning niets zal uitwerken en integendeel den naaste aanleiding zal ge-
202
ven tot andere zonden, dan moet in den regel de berisping achterwege gelaten, of ten minste tot een geschikter oogenblik uitgesteld worden.
3°, Als men met grond veronderstellen kan, dat de naaste zijnen misslag genoegzaam inziet en onze vermaning dus niet noodig heeft, dan wordt deze nutteloos,
4°. Indien men voorziet, men zich door de berisping groote onaangenaamheden of beleedigingen op den hals zal halen, dan is men niet verplicht die te doen.
X, Hieruit blijkt dus, dat de plicht der vermaning vooral op ouders en oversten berust; dat, personen met gelijk gezag en van gelijke waardigheid zelden onder zware zonde verplicht zijn den naaste te berispen.
Eindelijk moeten zij, die zich tot de broederlijke vermaning verplicht achten, deze met eene ware en oprechte naastenliefde doen : de meest gepaste woorden en ook de best geschikte tijd en plaats daartoe moeten door hen gekozen worden, om den evenmensch zoo min mogelijk te grieven en de zaak tot eene goede uitkomst te brengen.
§ ■
De liefde tot ons zeiven.
I. God heeft geen bizonder gebod van liefde tot ons zeiven gegeven, wijl ieder mensch, uit kracht der zoo diep in ons hart ingeprente natuurwet, zich zeiven bemint.
Hoedanig nu moet de christelijke liefde tot ons zeiven geregeld zijn ?
Overeenkomstig de grondbeginselen des geloofs, welke ons leeren, dat wij voor alles onze ziel moeten beminnen, daar zij naar\'t evenbeeld Gods geschapen en door Jesus\' bloed vrijgekocht is, en omdat van de liefde en de zorg voor het heil onzer ziel ons eeuwig geluk afhangt.
II. De liefde tot ons zeiven is dan inderdaad christelijk : 1°. Wanneer wijde zonde en hare gevaren zorg-
203
vuldig vluchten en liever alles opofferen, dan het heil onzer eenige en onsterfelijke ziel in gevaar te brengen ; want het zal ons niets baten de geheele wereld te winnen, indien onze ziel schade lijdt en verloren gaat.
2°. Indien men, na het ongeluk gehad te hebben van te zondigen, zijne bekeering niet uitstelt, maar terstond rouwmoedig tot God terugkeert: want „gelijk een dief in den nacht, zoo zal de dag des Heeren komenquot; (1 Thess, V. 2).
3°. Als wij ons ijverig op de beoefening van deugden en goede werken toeleggen, dewijl wij aldus onze ziel verrijken en volmaken.
III. Wij mogen ook ons lichaam en de tijdelijke goederen beminnen, in zooverre dit met de rede en het geloof overeenkomt.
Wij mogen dus ons lichaam beminnen, a. als de woning onzer ziel en het werktuig, waarvan deze zich bedient om God te dienen; J). als tempel van den H. Geest, gewijd in het H. Doopsel; c. als geestelijk lidmaat van Christus, ter eeuwige verheerlijking bestemd. Derhalve moeten wij ons lichaam altijd aan den geest onderworpen houden, zijne zondige lusten bedwingen, en door versterving en boetvaardigheid ons de eeuwige vreugde des hemels verzekeren.
De tijdelijke goederen mogen wij beminnen als gaven van God, welke ons dienen tot eere des Aller-hoogsten, tot ons eigen onderhoud, tot luister van den godsdienst en ondersteuning des naasten, of tot andere goede werken.
IV. Tegen deze wèlgeregelde liefde strijdt:
1° die verkeerde eigenliefde, waardoor men zijn eigen wil en eer stelt boven den wil en de glorie Gods;
2° die ongeregelde eigenliefde, waardoor de mensch voor het tijdelijke en voor zijn lichaam meer bezorgd is dan voor zijne ziel en zijn eeuwig geluk, of
3° alleen zich zeiven bemint, met uitsluiting van zijne naasten.
De:ie zondige eigenliefde verwijdert den mensch
204
van Grod. het hoogste Groed en zijn laatste doeleinde ; zij is eene bron van tallooze misdrijven, en voert tot het eeuwig ongeluk.
TWEEDE AFDEELING.
OVER DE TIEN GEBODEN GODS.
§ I-
Over het eerste gebod.
„Ik hen de Heer, uw God. Gij zult geene vreemde goden voor mijne oogen hebben ; gij zidt u geen gesneden beeld of gelijkenis maken, gij zult die niet aanbidden of godsd.ienst aandoen.\'\'\'\'
Art. I.
In- en uitwendige vereering Gods,
I. In dit eerste der tien geboden, door God op Si-naï gegeven en door Christus in het N. T. bekrachtigd en nader verklaard, wordt ons voorgeschreven, aan God de Hem verschuldigde eer te geven. Hem als den éénen waren God te erkennen, te aanbidden en te dienen.
De plicht om God, en Hem alleen, te aanbidden volgt hieruit: d.it Hij onze Schepper en opperste Heer, het eenig volmaakte Opperwezen is. — Ook werd ons deze plicht door de goddelijke Openbaring ixitdrukkelijk opgelegd. Aan dien plicht der aanbidding kunnen wij voldoen door ons geheel aan Gods opperheerschappij te onderwerpen en Hem inwendige en uitwendige vereering te bewijzen.
IL De inwendige vereering Gods bestaat in de onderwerping en oefeningen van het verstand en van den wil; uitwendige in zichtbare en uiterlijke tan-delingen of teekenen van eerbied.
Ook de uitwendige vereering zijn wij Gode verschuldigd :
1° omdat wij van Hem, niet alleen naar de zieL
205
maar ook naar het lichaam, geheel afhankelijk zijn, en het dus billijk is, dat wij Hem de schatting onzer onderwerping, zoowel door lichamelijke handelingen als door oefeningen des geestes, geven.
2°. De uitwendige vereering is noodzakelijk met de inwendige verbonden, omdat de menseh gewoon is de gewaarwordingen zijns harten uiterlijk te openbaren, en ook dewijl hij behoefte heeft aan uitwendige middelen, om zich tot innerlijke gevoelens op te wekken en daarin te volharden.
3°. De uitwendige godsvereering of eeredienst wordt van den mensch gevorderd, omdat hij lidmaat is der menschelijke samenleving. Als zoodanig toch moet hij anderen door zijn voorbeeld stichten en tot den dienst van God opwekken
4°. Ook de maatschappij, als zoodanig, heeft van God haar bestaan ontvangen, en ontleent van Hem haar gezag en hare macht: zij moet dus ook als maatschappij God als haren Opperheer erkennen en aanbidden, wat niet anders dan door uiterlijke handelingen geschieden kan.
Hieruit blijkt, hoe noodig en redelijk de uiterlijke eeredienst is, hoe dienstig de plechtigheden van den katholieken godsdienst zijn.
III, Wij vereeren God inwendig door de oefening dei-deugden van geloof, hoop en liefde : door eerbied en aanbidding; door dankzegging voor zijne weldaden ; door ijver voor zijne eer en onderwerping aan zijn wil; door het vertrouwen op Gods voorzienigheid.
Wij kunnen op eene gemakkelijke en zeer verdienste ■ lijke wijze God vereeren, wanneer wij dagelijks, in ons morgen- en avondgebed, ons zeiven en al onze werken van den dag aan Hem opdragen en dikwijls de akten van geloof, hoop en liefde verwekken. Men behoort deze akten vooral te verwekken : 1° als men tot de jaren van verstand gekomen is ; 2° als men in gevaar van sterven verkeert; 3° als men tegen een dezer deugden bekoord wordt , 4° als men de HH. Sacramenten gaat ontvangen ; en
206
5° raadzaam is het die akten dagelijks te verwekken.
IV. Tot de ware godsvereering behoort op de tweede plaats de beoefening der christelijke hoop.
Hopen, in algemeenen zin genomen, is; een goed, waarnaar men verlangt, doch dat moeielijk te hereiken is, ver-luachten.
De christelijke hoop is : eene bovennatuurlijke deugd en gave Gods, waardoor tvij, met een vast vertrouwen, van God het eeuwige leven en alles, wat ons daartoe helpen kan, verwachten.
Zij wordt eene deugd genoemd, omdat zij bestaat, niet in eene voorbijgaande handeling, maar in eene voortdurende genegenheid der ziel; zij wordt genoemd eene bovennatuurlijke deugd, omdat zij ons de bovennatuurlijke goederen, die wij alleen door de Openbaring kennen, doet verwachten; zij haet eene gave Gods, dewijl zij een genadegeschenk des Heeren is.
Het voorwerp dezer deugd is dus : de eeuwige zaligheid en alles, wat ons daartoe noodzakelijk of nuttig is, zooals de vergiffenis der zonden, de goddelijke gaven en genaden.
Tijdelijke zaken, zooals gezondheid, voorspoed, enz. kunnen alleen in zooverre het voorwerp zijn der christelijke hoop als zij nuttig zijn ter bereiking van ons eeuwig heil.
God heeft ons de zaligheid en alles, wat daartoe dienstig is, beloofd, niet om onze verdiensten, maar ter wille van de oneindige verdiensten van Christus, die door zijn lijden en dood, overvloedig voor onze zonden voldaan en voor ons het recht op den hemel weer verworven heeft.
Daarenboven weten wij door het geloof, dat God almachtig is en ons dus alle ter zaligheid noodzakelijke genaden geven kan; dat Hij oneindig goed en barmhartig is en ons met eene eeuwige en onbegrensde liefde bemint, en bijgevolg ons gaarne ter zaligheid helpen wil; dat God in het vervullen zijner beloften getrouw is en ons dus tot de zaligheid helpen zal.
Hieruit dan besluiten wij, dat de grondslag, de be-
207
weegreden der christelijke hoop is ; de almacht, de barmhartigheid en de getrouwheid van God, die ons de zaligheid belooft heeft, ter wille van de oneindige verdiensten S\'an Christus.
Art. II. Over de zonden tegen het ie gebod..
I. Aan het einde onzer beschouwing over het eerste gebod, moeten wij spreken over de zonden, welke tegen dit gebod geschieden.
Men zondigt tegen de inwendige vereering van God ; door vrijwillige God onteerende gedachten, door het verzuim van het gebed, lauwheid in den godsdienst, en eindelijk door de zonden, welke rechtstreeks tegen eene der goddelijke deugden strijden.
A. Hoe zondigt men tegen het geloof?
1°. In \'t algemeen door ongeloof, waartoe ketterij en twijfeling aangaande het geloof behoorjn.
Door ongeloof zondigt ieder, die het bestaan dei-Openbaring kent, doch naar de daarin vervatte waarheden niet wil onderzoeken ; die deze waarheden kent, maar ze niet aanneemt.
De ketterij bestaat hierin, dat iemand, die het geloof ontvangen heeft, door zijne schuld ééne of verscheidene^ waarheden des geloofs hardnekkig verwerpt.
Ongeloof alsmede ketterij en vrijwillige twijfel over waarheden, van welke men weet dat zij tot de goddelijke Openharing behooren, zijn zware zonden tegen God, de opperste en onfeilbare Waarheid, aan wien wij de volkomen onderwerping van ons verstand schuldig zijn.
2°. Men zondigt tegen het geloof, als men het door woorden of daden verloochent; bijv. wanneer men daartegen spreekt, of vrijwillig en met genoegen gesprekken tegen het geloof aanhoort; eveneens door het lezen of verspreiden van ongodsdienstige boeken of geschriften.
Tot de zonden van ongeloof kan ook teruggebracht worden de onverschilligheid omüent het geloof. Deze
208
bestaat bijv. hierin: iemand draagt den naam van Katholiek, doch hij stelt den godsdienst met elke andere meening gelijk; hij beweert, dat het Gode onverschillig is, op welke wijze wij Hem dienen ; dat elkeen dus, volgens de overtuiging, welke hij zich zeiven vormt, kan gelooven wat hem goeddunkt en ook naar eigen zienswijze zijn leven mag inrichten.— Zulke naam-Katholieken zondigen zwaar tegen bet geloof, omdat zij het bestaan van het ééne ware geloof, van de éène ware zedenleer, die op de Openbaring gegrond is, loochenen.
/Tegen bet eerste gebod zondigt men ook :
1°. door het verzuim der oefeningen van geloof, hoop en liefde ;
2°. door verwaarloozing van- en vrijwillige verstrooidheid in het gebed :
3°. door ontevredenheid over de beschikkingen Gods, door morren en klagen tegen zijn H. wil;
4°. door verwaarloozing der uiterlijke godsdienstoefeningen en door oneerbiedigheid bij den eeredienst, b. v. door onbehoorlijke houding, gesprekken, enz.
5°. door afgoderij, bijgeloof, to over ij, heiligschennis, en simonie.
1°, Afgoderij is de misdaad van hen, die aan beelden of andere schepselen goddelijke eer bewijzen. Hoe groot en afschuwelijk deze zonde is. zullen wij gemakkelijk begrijpen, wanneer wij overdenken, dat daardoor Gods opperste heerschappij feitelijk ontkend wordt, en dat God die zonde bij de Israëlieten op schrikwekkende wijze strafte vj,
2°. Men zondigt door bijgeloof, als men, om iets te weten of te bewerken, woorden, zaken of teekenen gebruikt, welke tot dat einde geene kracht hebben, noch uit hunne eigen natuur, noch van God, noch door de instelling der H. Kerk.
Enkele voorbeelden zullen dit punt ophelderen, Het is bijgeloof zoogenaamde waarzeggers (die bij-
1) Zie Schuster I. bl. 55^ 72, 117. 140.
209
•
na altijd bedriegers zijn) te raadplegen, om te weten, hoe oud men zal worden, enz.; door middel van kaarten, spiegels enz. te voorspellen, dat iemand een geluk of ongeluk overkomen zal.
Het is bijgeloof, wanneer men aan sommige woorden. spreuken of andere teekenen, tot bevrijding van ongelukken, tot genezing van menscben of dieren, eene wonderbare en onfeilbaar werkende kracht toeschrijft. Soms zelfs misbruikt men tot bijgeloof gebeden of andere zaken, welke in zich zelveu goed zijn, wanneer men b. v. daaraan de onfeilbare kracht toeschrijft, dat hij, die dat gebed bij zich draagt of leest, gevrijwaard is tegen alle gevaren, dat hij zeker zalig zal sterven, enz. :) — Eveneens is het bijgeloof, in sommige niets beduidende zaken (b. v. het aanzitten van 13 personen aan ééne tafel) een zeker voorteeken van eenig ongeluk te zien.
Het is bijgeloof en dwaasheid, te meenen, dat het goede geesten zijn, die door schrijvende of sprekende tafels ons de toekomst en gebeurtenissen, van \'s men-schen vrijen wil afhankelijk, openbaren zullen.
Al deze dingen hebben, noch uit hunne natuur, noch van God, noch door de instelling der Kerk, de macht en de kracht, welke men daaraan toeschrijft: dus verwacht men de tusschenkomst des duivels of vestigt men zijn betrouwen , dat men op God alleen stellen moest, op nietige dingen en op bedriegerij. Men maakt zich derhalve schuldig aan eene beleediging jegens God en doet dikwerf eene zeer groote zonde. Wij zeggen: dikwerf, dewijl soms door onwetendheid, eenvoudigheid of onbedachtzaamheid de grootheid der zonde veel verminderd wordt.1).
14
1
Iemand hoorde een ander beweren, dat er geen kwaad instak bij
210
3° Door tooverij zondigt men, als men tracht, met behulp des duivels wonderbare dingen te verrichten, bijv. schatten te ontdekken, iemand op geheel buitengewone wijze schade toe te brengen. — Dat er in vroegere tijden menschen, die zich aan deze afschuwelijke misdaad schuldig maakten, bestaan hebben en dus ook bestaan kunnen , blijkt duidelijk uit de H. Schrift en uit de geschiedenis. Gewoonlijk echter zijn zij, die zich voor toovenaars of waarzeggers uitgeven,, of daarvoor gehouden worden, niets anders dan laaghartige bedriegers, die het op de beurs der lichtge-loovigen gemunt hebben.
4°. Heilig schennis wordt bedreven door onteering of mishandeling van Gode toegewijde personen, plaatsen of zaken
Ter opheldering een paar vooi\'beelden : deze zonde geschiedt door boosaardige mishandeling van geestelijken of kloosterlingen; door het rooven, verkoopen of koopen van geroofde kerkelijke goederen of eigendommen ; door gewelddadig inbreken, vechten en kwaadwillig bloedvergieten in kerken en gewijde plaatsen; door vrijwillig op ongeldige of onwaardige wijze een H. Sacrament te ontvangen; beelden of relikwieën van Heiligen smadelijk te behandelen of te verminken.
In al deze en soortgelijke gevallen slaat de versmading en onteering, den schepselen aangedaan, zijdelings op God zeiven terug^ dewijl zij aan Hem toegewijd zijn. Deze zonde is derhalve gewoonlijk doodzonde en wordt, dikwijls reeds in dit leven, door God op schrikwekkende wijze gestraft, gelijk wij in menigvuldige voorbeelden, door de H. Schrift verhaald, zien kunnen. Deze zonde is des te grooter, naarmate het voorwerp
waarzeggers, spiritisten, enz. te rade te gaan ter onthulling van geheimen of van de toekomst. Hij antwoordde zeer snedig met het volgend dilemma: de waarzeggers, spiritisten, enz. bedriegen of bedriegen niet.
Indien zij bedriegers zijn, zoo laat ik mij door hen niet bedriegen.
Indien zij niet bedriegen, dan weten zij het van den duivel ; ook met dezen wensch ik niet in aanraking te komen.
211
heiliger (b. v. liet H. Sacrament des Altaars), de handeling onteerender en het onerleg of het boo ze opzet grooter is.
Soms eehter kan de heiligschennis eene dagelijksche zonde zijn, b. v. als men eenige centen of iets dergelijks, aan eene kerk toebehoorende, zou ontvreemden.
5°. Simonie wordt bedreven, als men iets ?uiver geestelijks, of iets anders voor zooverre het geestelijk is, voor geld of geldswaarde koopt of verkoopt Zuiver geestelijk noemen wij alles, wat rechtstreeks op het heil der zielen betrekking heeft, b. v. de HH. Sacramenten, relikwieën, enz.
Somtijds is aan stoffelijke zaken iets geestelijks verbonden b. v. aan rozenkransen of andere voorwerpen, waaraan door de wijding aflaten verbonden zijn. Deze voorwerpen mag men dan wel verkoopen tegen de waarde der stoffelijke zaak, doch om de wijding mag de prijs niet verhoogd worden.
Indien men zulke rozenkransen of medailles verkoopt tegen de waarde der stoffelijke zaak, zonder den prijs om de wijding te verhoogen, bedrijft men wel niet de zonde van simonie, maar men zondigt tegen de stellige bepaling der Kerk, en men maakt, dat het verdienen der aflaten voor den kooper en voor anderen zeer twijfelachtig wordt.
Het is echter, gelijk uit het voorgaande duidelijk volgt, geene simonie, wanneer men geestelijke zaken tegen elkander verwisselt (b. v. relikwieën) \\ wanneer men eenen arme eene aalmoes geeft, opdat hij voor ons bidde ; dewijl in dit geval het lijdelijke niet beschouwd wordt als de prijs van geestelijke handelingen.
Tot deze soort van zonde behoort ook het koopen of verkoopen van geestelijke bedieningen, gelijk in vroegere tijden wel eens plaats vond (Zie Schets d. Kerkelijke geschiedenis blz. 64).
II. Welke zonden geschieden tegen de christelijke hoop V
De wanhoop en het vermetel vertrouwen: de eerste door gebrek, het andere door overdi-ijving. Welk eene vreeselijke boosheid deze zonden bevatten en hoe zij den mensch in \'t eeuwig verderf storten, zullen wij later zien, in het 4e Hoofdstuk van het IIe Deel.
1) Deze zonde wordt simonie genoemd naar Simon den Toovenaat, die den Apostelen geld aanbood, opdat zij hem de macht zouden schenken, om door het opleggen der handen den H. Geest mede te deelen.
212
Besluit. Vervullen wij getrouw onzen plicht der in- en uitwendige gods-vereering, door onze morgen-en avondgebeden geregeld en godvruchtig te verrichten; door dagelijks de akten van geloof, hoop en liefde te verwekken ; door getrouw met ingetogenheid en godsvrucht de godsdienstoefeningen bij te wonen. Offeren wij eiken morgen al onze werken, woorden en gedachten van den dag aan God op, en vernieuwen wij de goede meening dikwijls gedurende den dag, om zóó al onze handelingen te heiligen.
Art. III. Ooer de vereering en aanroeping der Heiligen.
I. De Kerkvergadering van Trente leert ons ; dat het goed en heilzaam is de Heiligen te vereeren en aan te roepen.
De eer, welke wij aan de Heiligen geven, bestaat hierin, dat wij hoogachting, eerbied en liefde jegens hen koesteren, om de bovennatuurlijke gaven en voorrechten, welke zij van God ontvangen hebben. Deze vereering is dus geheel verschillend van die, welke wij aan God geven; want 1°. God aanbidden wij, d. w, z. wij schenken Hem de hoogste en opperste eer. welke den Schepper en Heer van het heelal toekomt ; de Heiligen vereeren wij, d. i. wij dragen hun hoogachting en eerbied toe, als de getrouwe vrienden van God, maar wij beschouwen hen toch altijd als schepselen, en geven hun dus ook geene goddelijke eer. — 2. God aanbidden wij om Hem zeiven, om zijne oneindige volmaaktheden ; de Heiligen vereeren wij alleen wegens de voorrechten en gaven, welke zij van God ontvan-hebben. Bijgevolg verschilt de vereering der Heiligen én door hare natuur én door hare heireegredenen van de aanbidding Gods.
II. De veree.ring der Heiligen, volgens den zin der katholieke Kerk, is geoorloofd en niet strijdig met de aan God verschuldigde vereering.
Deze waarheid wordt bewezen ;
1°, Door de H. Schrift. Deze getuigt ons, dat de Aartsvaders, de Profeten en andere heilige mannen Engelen en zelfs menschen, die om hunne deugd bekend waren, vereerd hebben , niet om hunne natuurlijke, maar om hunne bovennatuurlijke verhevenheid. Zij, die
213
dat deden , worden door de H. Schrift niet gelaakt, maar integendeel ons ook hierin als deugdzame mannen voorgesteld.
2°. Uit de voortdurende leer en overlevering der Kerk.
а. Sinds de eerste tijden heeft die vereering plaats gehad. Dit getuigen de HH. Vaders in hunne geschriften en de Conciliën der eerste eeuwen in hunne xütspra-ken. Ook leert ons de Kerkelijke geschiedenis, dat reeds in de tweede eeuw de sterfdagen der Martelaren gevierd, en altaren boven hunne graven opgericht werden.
б. De Kerk is in het bepalen der geloofsleer onfeilbaar. Daar nu het Concilie van Trente duidelijk verklaard heeft, dat de vereering der Heiligen nuttig en goed is, kan men niet zonder dwaling beweren, dat zij ongeoorloofd is.
3°. Ook de rede bevestigt deze waarheid.
a. De rede zegt ons, dat het geenszins berispelijk is, zijnen ouders of vrienden eerbied te bewijzen, aan groote en beroemde mannen achting toe te dragen, en feesten ter hunner eer te geven. Deze waarheid ligt zóu diep in \'s menschen hart, dat men iemand, die dit zou afkeuren , als een dwaas zou aanzien. Zelfs de Protestanten vinden daarin niets afkeuringswaardigs. quot;Welnu, indien het redelijk en goed is, menschen om hunne na-fMurlijke gaven en voorrechten te eerbiedigen ; waarom zou het dan niet prijzenswaardig zijn de Heiligen te vereeren om hunne bovennatuurlijke verhevenheid ? Zij toch schitterden op aarde door hunne heldhaftige deugden en thans zijn zij in den hemel als overwinnaars gekroond.
h. Wanneer wij iemand vereeren, omdat hij gezant, minister of vriend des Konings is, dan zal noch de vorst, noch een ander, dit als een beleediging des Konings beschouwen; integendeel zal men die vereering aanzien als op den hoofdpersoon terugvallende.
Zóó is ook de vereering der Heiligen niet strijdig met-, maar bevorderlijk aan Gods verheerlijking. Immers de beweegreden dier vereering is gelegen in de
214
erkenning en hoogschatting van de gaven, ivelke de Heiligen van God ontvingen ; zij heeft tot doel God te verheerlijken in zijne Heiligen.
Uit het voorgaande blijkt, dat de vereering der Heiligen, gelijk zij in de katholieke Kerk geschiedt, niet strijdt met de in- en uitwendige eer, welke wij aan God verschuldigd zijn, maar dat zij integendeel middellijk de vermeerdering van Gods eer bevordert.
III. De aanroeping der Heiligen bestaat hierin, dat wij hen verzoeken en smeeken, dat zij. steunende op de oneindige verdiensten van Christus, door hunne voorspraak bij God, ons de zegeningen des hemels verkrijgen. Hieruit blijkt dus ;
1°. dat wij alle genaden en gunsten van God. den Gever van alle goed, verwachten, ofschoon wij de Heiligen verzoeken onze voorsprekers bij den Aller-hoo.c-te te zijn.
2°. Dat het gebed der Heiligen steunt op de verdiensten van Christus, die onze eenige Verlosser en van nature onze hoogste en eimcige Middelaar is : de Heiligen zijn slechts oneigenlijk en alleen door Christus middelaars bij God, door wier voorspraak wij zekerder en gemakkelijker verhoord worden.
3°. Daaruit volgt ook het verschil tusschen het gebed tot God, (dan zeggen wij ; ontferm U onzer, geef ons) en ons gebed tot de Heiligen, waarbij wij zeggen : hid voor ons, verkrijg ons van God.
Indien wij de Heiligen op een andere wijze om hunnen bijstand verzoeken, dan bedoelen wij steeds, dat zij ons door middel van hunne voorbede en geenszins door hunne eigen krachten zullen bijstaan.
IV. De aanroeping der Heiligen in dien zin verstaan, is, ofschoon niet volstrekt noodzakelijk ter zaligheid, toch zeker heilzaam en goed.
Ten bewijze dezer waarheid het volgende :
l1\'. De H. Schrift leert, dat het nuttig is de voorbede van de levenden in te roepen. „Ik hid u, broeders, dat gij mijner in moe gebeden tot God indachtig zijt.quot; Aldus schrijft de H. Paulus aan de Romeinen (XV, 30).
215
Daaruit volgt, dat bet ook heilzaam is, de Heiligen, die met Christus in den hemel heerschen, aan te roepen.
Ook verklaart de H. Schrift, dat de Engelen en Heiligen voor ons bij God bidden en vele gunsten verkrijgen. Ziehier eenige voorbeelden. De Profeet Zacharias verhaalt (I. 12), dat een Engel des Heeren voor de Joden bad en van God verkreeg hetgeen hij vraagde. De H. Joannes (Apoc, V. 8) zegt, dat de grijsaards, die voor den troon van het Lam neerknielden, gouden vaten droegen, gevuld met reukwev\' ken. die de gebeden zijn der Heiligen, d. i. der rechtvaardigen, die op aarde leven. — Indien de Engelen en Heiligen voor ons bidden en veel voor ons verkrijgen, dan is het zeker ook nuttig hunne voorspraak in te roepen.
2°. Ten allen tijde werd in de Kerk die voorbede ingeroepen, gelijk de akten der Martelaren, de geschriften der HH. Vaders, de besluiten der oudste Conciliën en de liturgische boeken der eerste eenwen getuigen. Door de Kerkvergadering van Trente eindelijk werd duidelijk bepaald, dat de aanroeping der Heiligen goed en nuttig is. Aan deze on feilbare verklaring moeten wij ons gaarne onderwerpen.
8°. Deze waarheid volgt ook iiit het leerstuk van de gemeenschap der Heiligen. Immer.s, gelijk wij vroeger zagen, blijft er tusschen ons en de zaligen des hemels een band van geestelijke verwantschap bestaan; zij beminnen ons en verlangen ons gelukkig te zien. Dus kunnen wij met recht besluiten, dat zij ook voor ons bidden, en wij bijgevolg hunne voorbede mogen inroepen.
4°. Eindelijk leert zelfs onze rede, dat iemand, die, om van zijn vorst iets te verkrijgen, de tusschenkomst van een hoveling of vriend des konings inroept, aan den eerbied zijnen koning verschuldigd, niet te kort doet, maar zelfs zijn verzoek eer ziet ingewilligd. Zóó is ook de aanroeping der Heiligen geenszins strijdig met den eerbied en het vertrouwen, welke wij in God moeten stellen, daar wij hen slechts als voorsprekers en medehelpers bij den Koning der Ko-
216
ningen beschouwen, en hunne voorbede maakt, dat wij des te meer boop kunnen hebben op de verhooring onzer gebeden.
Aldus besluiten wij —tegen de bewering der Protestanten, — dat de vereering en aanroeping der Heiligen, gelijk die in de katholieke Kerk geschiedt, niet in strijd kan wezen met de eer, welke wij aan God verschuldigd zijn, maar integendeel goed en heilzaam is. S V. Op eenige vragen moeten wij hier een kort antwoord geven.
A. Waarom bouwen de Katholieken kerken en altaren ter eere der Heiligen en dragen zij de H. Mis ter hunner eer op ?
1°. quot;Wij bouwen kerken, enz. ter eere van de Heiligen, d. w. z. onder aanroeping der Heiligen, om hen daar op eene bizondere wijze te vereeren. Wij richten echter geene altaren, enz. op voor de Heiligen, alsof wij hen als godheden wilden aanbidden; in dezen zin bouwen wij alleen den Allerhoogste altaren en kerken.
2°. Het gebruik, om boven de graven der Martelaren kerken of altaren te bouwen, bestaat sedert de eerste eeuwen der Kerk. Kon dit in die tijden niet gebeuren, dan werden de relikwieën van een Heilige naar de kerkgebouwen gebracht, en deze droegen alsdan (gelijk ook thans nog geschiedt) den naam van dien Heilige.
3°. De H. Mis wordt insgelijks aan God alleen opgedragen, niet aan de Heiligen; men zegt echter, dat zij ter hixnner eer wordt opgedragen, wanneer dit geschiedt om God te bedanken voor de glorie, welke Hij aan de Heiligen geschonken heeft, om van God te verzoeken, dat hunne voorspraak door Hem worde aangenomen, enz.
B- Weten de Engelen en Heiligen wat wij ter hunner eer doen ?
Ja, dat is ontwijfelbaar. In de H. Schrift wordt ons dit aangetoond. Zoo b. v. wordt daar gezegd, dat de Engelen onze gebeden aan God opdragen (Zie de geschiedenis van Tobias). Ook blijkt dit uit de ontel-
bare gebeden tot de Heiligen, die, soms op wondervolle wijze, verhoord werden. — Op welke wijze zij dit weten, behoeven wij niet te onderzoeken, dewijl God menigvuldige middelen daartoe ter zijner beschikking heeft.
C. De H, Schrift zegt, dat wij éénen Middelaar hebben bij God, namelijk Christus; waarom roepen wij dan de Heiligen aan ?
1°. Christus is de ééne Middelaar, die ons verlost heeft; daaruit volgt geenszins, dat anderen niet voor ons hidden kunnen.
2°. Ook bidden de Heiligen niet anders dan in den naam van Christus voor ons, en alleen uit kracht van zijne verdiensten worden zij verhoord. De inroeping dier voorspraak is dus geen blijk van mistrouwen jegens den Zaligmaker, maar eene Gode aangename daad, gelijk wij bewezen hebben,
D. Hoe weten wij mei; zekerheid, dat deze of gene werkelijk heilig is ?
1°. Over hen, die in de H. Schrift Heiligen genoemd worden, kan geen twijfel bestaan.
•2°. De Martelaren, die voor Christus hun leven hebben opgeofferd, bezitten volgens de belofte des Heilands (Matth. XVI, 25) het eeuwige leven.
3°. Zij, die door de Kerk zalig verklaard zijn, mogen gewoonlijk slechts op bepaalde plaatsen in het openbaar vereerd worden ; de heilig verklaarden worden aan de gansche Kerk teropenbare vereering voorgesteld. — De zalig- en heiligverklaringen geschieden thans alleen door den Paus, die, na rijp overleg en nauwkeurig onderzoek en bijgestaan door de verlichting des H. Geestes, de uitspraak doet. Vooraf echter moet met volkomen zekerheid bewezen zijn, a. dat iemand de christelijke volmaaktheid in verheven graad beoefend heeft; h. dat God zijne heiligheid door mirakelen heeft bevestigd.
Ook van hen dus, die ons door de Kerk ter vereering voorgesteld worden, weten wij met zekerheid, dat zij in den hemel zijn opgenomen.
218
VI. Wie moeten wij meer dau alle Engelen en Heiligen vereeren ?
De allerzaligste en onbevlekte Maagd en Moeder Gods, Maria. a. Zij immers is de heiligste van alle schepselen ; zij werd zonder zonde, geheel onbevlekt ontvangen en was bovendien, van het eerste oogen-blik van haar bestaan, met den overvloed van Gods genade vervuld ; zij, de gezegende boven alle vrouwen, werd gekozen om de Moeder te worden van God den Zoon, Jesus Christus. Thans is zij in den hemel boven alle Engelen en Heiligen verheven, en bezit daar de grootste heerlijkheid, welke het een schepsel mogelijk is te bereiken. — Met recht vereeren en beminnen wij derhalve Maria meer dan alle andere Heiligen, en vieren wij met groote plechtigheid hare feesten.
h. Maria, de Koningin des hemels, vermag boven alle andere Heiligen het meest bij God. Van haar zeggen de HH. Vaders, dat zij, door hare voorspraak, alles bij God verkrijgen kan, en de uitdeelster is der goddelijke genadeschatten.
c. Maria, eindelijk, wier hart van de vurigste liefde tot God ontstoken is, bemint ons om God met de innigste teederheid als hare kinderen, die, door het dierbaar bloed van haren goddelijken Zoon verlost, door Jesus zeiven aan haar toevertrouwd en bestemd zijn, om den Allerhoogste in eeuwigheid te loven.
Met recht dan stellen wij het grootste vertrouwen op hare voorspraak en nemen wij in al onzen nood tot haar onze toevlucht.
Art. IV. Vereering der heelden en relikwieën.
I. Is de vereering der heelden van Christus of van de Heiligen niet in strijd met het eerste gebod ?
Als wij deden gelijk de heidenen en de beelden^ aanbaden als godheden, of indien wij aan die beelden zeiven eene goddelijke kracht toekenden en meenden, dat wij daarvan iets verwachten konden, — dan zou-
219
■den wij de zonde van afgoderij begaan, welke door het eerste gebod verboden is.
II., De vereering, welke wij, onder goedkeuring der Kerk. aan de beelden bewijzen is niet in strijd met da^fflbi (l, zij is integendeel goed en nuttig.
Dat zij geoorloofd is volgt:
1° uit den aard der zaak zelve; want de eer, welke wty aan de beelden bewijzen, heeft niet rechtstreeks tót voOjfwerp de van hout of steen vervaardigde beelden. ina4i\' den persoon, die daardoor voorgesteld wordt. Wij (Xanhidden dus die beelden niet, maar brengen alle eer, welke wij daaraan geven, terug op Christies en de Heiligen, die ons voorgesteld worden — en dit is zeker geoorloofd. Daarin is bijgevolg niets strijdigs met het eerste gebod, dat zegt: gij zult u geen gesneden heeld of gelijkenis maken ; want op die woorden volgt als uitlegging, gelijk de HH. Vaders ons leeren: gij zult die niet aanbidden of godsdienst aandoen. Alleen dus dit laatste — de afgoderij — is verboden.
2°. De H. Schrift verhaalt ons, dat God zelf bevel gaf twee beelden van Cherubijnen aan elke zijde van de ark te plaatsen ; een koperen slang op te richten, waardoor zij, die haar aanzagen, de gezondheid terugbekwamen. — Mocht deze slang, eene voorafbeelding des Verlossers (Joan. Ill, 14), vereerd worden, dan mogen ook wij aan de beelden der Heiligen eer bewijzen.
3°. Deze vereering heeft ten allen tijde in de Kerk plaats gehad, en mag dus niet afgekeurd worden, Dit feit getuigen ons alle HH. Vaders, de oudste gedenkteekenen der eerste eeuw in de katakom-ben, en de geschiedenis der Iconoclasten; zelfs de h^idensche schrijvers bewijzen hef, daar zij den (Thristenen daarvan een verwijt maken.
4°. Ook de rede leert ons, dat die vereering geoorloofd is. Immers, indien men voor de beeltenis van zijnen koning of van andere groote mannen eerbied mag hebben ; indien een kind het afbeeldsel zijner ouders
220
in hooge eere mag houden, en onze rede dat volkomen goedkeurt — dan moet ook de vereering der beelden,, gelijk die in de katholieke Kerk geschiedt, goedgekeurd en aanbevolen worden.
III. Waarom is de vereering der heelden nuttig sv\\voor-deelig ?
1°, Omdat die beelden de geschiedenis van de geheimen onzer Verlossing voorstellen, ons aan de weldaden, welke wij van Grod ontvangen hebben, herinneren, en bijgevolg dienen, om ons in het geloof te onderrichten en te versterken, alsook om ons tot dankbaarheid en tot een deugdzaam leven aan te sporen.
2° Omdat zij de deugden en het leven der Heiligen, alsook hunne heerlijkheid in den hemel ons voor oo-gen stellen, waardoor wij worden opgewekt, om hun voorbeeld na te volgen en G-od getrouw te dienen.
3°. Omdat door die aanschouwelijke voorstellingen onze geest wordt geholpen, om met meer aandacht en godsvrucht te bidden.
IV. Relikwieën der Heiligen noemen wij vooral hunne lichamen en beenderen, doch ook hunne kleederen en andere voorwerpen, welke hun hebben toebehoord of door hunne aanraking geheiligd zijn (gelijk b. v. de martelwerktuigen).
Dat het geoorloofd en nuttig is de relikwieën to vereeren, leeiquot;t ons :
lu. de H. Schrift. Zij verhaalt, dat dit gebruik bij de Israëlieten bestond en nergens keurt zij dit af; integendeel getuigt zij, dat God door middel van relikwieën mirakelen deed of deze vereering met wondervolle genezingen beloonde. Zoo werd een overledene, bij de aanraking van het lichaam van den profeet Eliseüs, ten leven opgewekt; eene zieke vrouw genas bij de aanraking van het kleed des Verlossers ; door de oplegging der zweetdoeken van den H. Paulus werden kranken gezond en duivelen uitgedreven.
2°. Sinds de Apostolische tijden werden de overblijfselen der Heiligen in hooge eer gehouden. De Kerkelijke geschiedenis verhaalt ons, dat de eerste Christenen
quot; 221
zich de grootste moeite getroostten, zelfs huu leven in gevaar stelden, om de lichamen der Martelaren te redden ; dat zij doeken in het bloed dergenen, die voor Christus gestorven waren, doopten en met eerbied bewaarden,; dat de heidenen, die dat alles wisten, de lichamen der Martelaren in rivieren of iu de zee lieten neerzinken, om ze aan de vereering der Christenen te onttrekken.
3°. Eindelijk zegt ons de rede, dat deze vereering geheel natuurlijk en redelijk is, gelijk het billijk en prijzenswaardig is, dat men geschenken of gedenkstukken van overleden ouders of vrienden bewaart en in eere houdt. — De Protestanten zeiven bewaren eerbiedig sommige voorwerpen, welke aan de eerste hervormers toebehoord hebben.
V. Waarom worden de relikwieën vereerd?
1°. Omdat zij overblijfselen en gedenkteekenen zijn van hen, die eens onze broeders in het geloof waren en thans, in de heerlijkheid des hemels, onze vrienden en beschermers zijn.
2°. Omdat de lichamen der Heiligen, volgens het getuigenis van den H. Paulus, ledematen van Christus en tempels van den H. Geest geweest zijn.
3°. Omdat zij eens, in den jongsten dag, bij God ver-heerlijkt en met onsterfelijkheid zullen gekroond worden
Besluit. Laten wij de Heiligen getrouw vereeren, vooral de H. Maagd Maria, den H. Jozef, onzen Engelbewaarder en onzen H. Patroon. Bevelen wij ons dikwijls in hunne voorspraak aan, vooral in het uur der bekoring.
Houden wij hunne beelden en relikwieën in hooge eer. Dat de beeltenis van O. L. V. en van andere Heiligen elke huiskamer versieren, en boven alles bekleede het kruisbeeld in elke woning eene eereplaats !
In de lezing van de levens der Heiligen zullen wij eene aangename en voor geest en hart nuttige uitspanning vinden.
1) Om de echtheid der relikwieën, welke ter openbare vereering voorgesteld worden, te verzekeren, heeft de H. Kerk alle mogelijke voorzorgen genomen en vele strenge bepalingen en voorschriften gegeven.
222
§ 2.
Over het tweede Gebod.
„ Gij zult den naam van den Heer uwen God,
niet ijdel gebruiken.quot;
Art. I. IJdel gehruih van Gods naam.
I. Door dit gebod wilde Grod ons bizonder waarschuwen tegen alle onteering van zijnen naam.
Onder den naam Gods wordt hier verstaan elke benaming, welke het Opperwezen toekomt.
Door het tweede gebod is dus verboden elk misbruik of onteering van den naam des Allerhoogsten, namelijk:
1° door dien naam oneerbiedig uit te spreken ;
2° door godslastering en spotternij met den godsdienst;
3° door zondig zweren of vloeken ;
4° door het breken van belofte.
II. „Dat de naam Gods niet voortdurend in uwen mond zij, en meng ook niet de namen der Heiligen in uwe gesprekken ; want gij zoudt hierdoor niet zonder zonde blijvenquot;
(Eccli. XXIII, 10).
Uit deze woorden der H. Schrift zien wij, dat het zondig is den naam van God, van Jesus, van Maria of andere Heiligen op lichtzinnige of oneerbiedige wijze uit te spreken. Insgelijks is het berispelijk, de namen van het H. Kruis, de HH. Sacramenten, enz. zonder eerbied te noemen, alsook de woorden of spreuken der II. Schrift tot scherts te misbruiken. — In den regel is dit alles alleen dagelijksche zonde, indien daarmede geene verachting of\' groote ergernis gepaard gaat.
Art. II. Godslastering. — Spotternij met godsdienstige zaken.
I. Men maakt zich aan godslastering schuldig, als men aan God, aan de Heiligen of aan heilige zaken iets toeschrijft, dat tegen hunne eer is, of iets loochent
223
dat hun toekomt of spotsgewijze van hen spreekt.
Het is dus eene godslastering, als men met opzet zegt of vrijwillig denkt; God is niet barmhartig. niet rechtvaardig. Insgelijks , als men tracht met woorden of daden het geloof, de Kerk, de godsdienstige plechtigheden, enz. belachelijk en verachtelijk te maken.— Al wordt dit laatste niet bedoeld, dan is zulke scherts toch altijd zeer onbetamelijk.
II. De godslastering is, wanneer zij vrijwillig geschiedt, eene zeer zware doodzonde. Immers :
a. Daardoor beleedigt men rechtstreeks de goddelijke Majesteit in hare oneindige volmaaktheden, of men hoont en versmaadt God in zijne Heiligen.
„Een godslasteraar is slechter dan een verdoemde; deze lastert God, deioijl hij door Hem gestraft wordt; gene echter terwijl God hem goed doet,quot; z.Qgt H. Alphonsus.
5. Hoe vreeselijk deze zonde is, blijkt ook uit de schrikwekkende straffen, welke God in het O. V. tegen de godslasteraars bepaald heeft. „Wie den naam Gods lastert, zal den dood sterven; de gansche menigte .....zal hem steenigenquot; (Levit. XXIV, 16).
c. Eindelijk strekt deze zoude menigmaal aan anderen, in wier tegenwoordigheid zij geschiedt, tot groo-te ergernis.
Art. III. Eed doen of zweren.
I. Wat is zweren of eed doen ?
God of iets, wat God bizonder aangaat, tot getuige nemen der ivaarheid van hetgeen men zegt.
Tot het wezen van een eed behoort dus :
1° dat men de vieening hebbe God zeiven, rechtstreeks of middellijk , tot getuige voor de waarheid van een gezegde in te roepen ;
2°. dat die aanroeping, hetzij door woorden of door teekenen, werkelijk geschiede.
De aanroeping van het getuigenis Gods geschiedt onmiddellijk als men b. v. zegt : God is mij getuige, dat ik de waarheid spreek; God zal mij straffen, verdoemen, als het niet waar is.
224
Zij geschiedt middellijk als men zweert bij den hemel, het H. Kruis, het Evangelie, de eeuwige zaligheil. euz.
IL De spreekwijzen: waarachtig, zoo tv aar als ik hier sta, zoo waar als ik leef, op mijn eerewoord, enz. zijn geene eeden, dewijl God niet rechtstreeks en ook niet zijdelings tot getuige opgeroepen wordt. Het is echter niet betamelijk, zonder goede reden die woorden uit te spreken.
III. Wanneer is het geoorloofd te zweren?
Als de eed gedaan wordt 1° met goed oordeel; 2° met rechtvaardigheid en 3° met ivaarheid.
Men zweert 1° met goed oordeel, als men het alleen doet uit noodzakelijkheid of om gewichtige redenen, b. v, als men voor de rechtbank een eed moet afleggen, of om langdurige twisten te beslechten.
Men zweert 2° met rechtvaardigheid, als datgene, wat men onder eede belooft of waarop men zweert, goed of ten minste niet kwaad is.
De eed geschiedt 3° met waarheid, als men zedelij-kerwijze zeker is van de waarheid van hetgeen men bevestigt, of van den wil of de meening om de belofte, die men onder eede doet, uit te voeren.
IV. Wanneer zondigt men door zweren?
1° Als men zonder noodzakelijkheid of gewichtige reden zweert of anderen daartoe aanzet, daar deze handeling eene oneerbiedigheid jegens den naam Gods bevat. Doch wanneer dit geschiedt met waarheid en zonder groote ergernis voor anderen, is het slechts eene dagelijksche zonde.
2°. Als men onder eede belooft iets kwaads te doen of iets goeds te laten b. v. zich te wreken op zijnen vijand, zijne kinderen in het Protestantisme op te voeden, enz. Hij, die een zoodanigen eed doet, begaat gewoonlijk doodzonde, ten minste als de beloofde zaak eene zware zonde in zich bevat; hij blijft zelfs voordurend in die zonde, zoolang hij dien eed wil houden. — Daaruit volgt dus, dat men zulk een eed niet houden mag, en zelfs verplicht is terstond van voornemen te veranderen.
3«. Als men een valschen eed doet, begaat meu altijd eene doodzonde, dewijl men ddardoor God be-schimpi, wiens getuigenis men ter bevestiging der leugen inroept.
Een valsche eed wordt gedaan:
a. wanneer men onder eede iets verzekert, dat men weetniet waar te zijn, of belooft, wat men niet houden wil;
b. als men onder eede iets verzekert, terwijl men inderdaad twijfelt of niet zeker weet, dat het gezegde op waarheid berast.
4°. Eindelijk zondigt men door het niet houden van hetgeen men onder eede beloofd heeft, tenzij de vervulling dier belofte, door bijkomende omstandigheden, geheel of bijna onmogelijk geworden is. Somtijds mag men hier iets voor onmogelijk houden, wat buitengemeen bezwaarlijk geworden is.
Art. IV. Vloeken.
I. Vloeken, in algemeenen zin genomen, beteekent; kwaad toewenschen. Dit kan geschieden aan de schepselen geheel op zich zeiven beschouwd, en dan is het eene verwensching strijdig met het vijfde gebod. Het kan ook geschieden rechtstreeks tegen God of middellijk, namelijk door de schepselen in hunne betrekking tot God te vloeken. — In deze beteekenis wordt vloeken gewoonlijk verstaan, en is dan eene zonde tegen het tweede gebod.
Aan deze zonde van vloeken maken zij zich schuldig, die woorden uitspreken, ivelke, volgens de algemeene opvatting der menschen, of door andere omstandigheden, eene verwensching van God of van de schepselen, in hunne betrekking tot God, bevatten.
II. Als werkelijke vloeken moeten dus beschouwd worden de Nederlandsche woorden: G. v. d. en de Fransche mort D.; S Nom de D.; insgelijks de verwensching en vervloeking van regen of droogte, als van God gezonden, vooral wanneer dit geschiedt met bijvoeging van den H. Naam Gods.
15
2-26
Derhalve zijn de overigens zeer onbetamelijke, woorden : verdoemd , nom de Dieu, sacré nom. op zich zeiven beschouwd, geen eigenlijke vloeken.
III. Vloeken is, evenals godlasteren. eene zware zonde, dewijl het eene groote beleediging jegens God bevat. Derhalve noemt de Apostel Paulus de vloekers onder degenen, die van het rijk der hemelen zullen uitgesloten worden. En de H. Thomas van Aquine zegt: „Elke zonde, bij het vloeken en godlasteren vergeleken, is van geringer boosheid.^
Het vloeken ban echter eene cZa^eK/foc/ie zonde worden , namelijk als het geschiedt 1° zonder volkomen vrijen wil of volmaakte toestemming; of 2° uit eene vroegere gewoonte , welke men, in zoover zij vrijwillig ivas, heeft afgelegd door de middelen, welke de biechtvader heeft voorgeschreven, te gebruiken. Zelfs kan in dit geval het uitspreken van een vloek, als het geheel onvrijwillig geschiedt, zonder eenige zonde gebeuren.
Men merke echter wèl op, dat iemand, die de gewoonte van vloeken heeft, zoolang hij deze gewoonte niet verfoeit en zich. niet beijvert ze af te leggen, in staat van doodzonde voortleeft.
Art. V. Over de belofte.
I. Men kan ook , gelijk vroeger gezegd is, tegen het tweede gebo i zondigen door hGtbreken van belofte.
Wat is eene belofte ?
Eene toezegging, vrijwillig aan God gedaan, waardoor men zich verplicht, om iets, wat Hem aangenaam is en vmt men volbrengen kan, te verrichten.
Tot het wezen eeuer werkelijke belofte is dixs noodzakelijk :
1°. dat het eene ware toezegging zij, waardoor men zich in geweten wil verplichten. — Men doet alzoo geene belofte, wanneer men slechts het voornemen maakt een of ander goed werk te verrichten.
2°. De toezegging moet vrijwillig geschieden, d. w. z.
227
men moet de verplichting, welke meu op zicli neemt, kennen, en die ook ivillen aanvaarden.
3°. Zij moet aan God gedaan worden. — Een toezegging aan een Heilige gedaan, is alleen dan, in den eigenlijken zin, eene belofte, als men zich daardoor tegelijkertijd jegens God wil verbinden.
4°. Wordt vereischt, dat hetgeen men belooft, beter is te doen dan niet te doen. — De toezegging van iets kwaads of ijdels, of van iets, dat in de gegeven omstandigheden voor den belovende niet heter is, moet als ongeldig beschouwd worden.
5°. Men moet bij machte zijn, de belofte te volbrengen.
II. De eigenlijke belofte is aangenaam aan God, en maakt het beloofde werk verdienstelijker. De H. Schrift verhaalt ons ontelbare voorbeelden van beloften, welke door God met welgevallen zijn aangenomen ; zij noodigt er ons zelfs toe uit: „Doet leloften en vervult ze voor den Heer\'1 (Ps LXXIV, 12).
De belofte is eene daad van godsvereering, eene vrijwillige offerande, niet alleen van een goed werk, maar ook van den vrijen wil : znlk offer is dus zeker aangenaam aan God en zal de verdienste der handeling vermeerderen.
III. Men is in geweten verplicht de gedane belofte te volbrengen; want ontrouw en woordverbreking jegens den evenmensch wordt door iedereen voor schandelijk gehouden; dus is zulke ontrouw, jegens God gepleegd, veel schandelijker en zondiger. Derhalve zegt de H. Schrift: „Als gij eene belofte doet aan den Heer, uwen God, laat dan niet na, ze te vervullen; want de Heer eischt ze van u op, en zoo gij het niet doet, zal het u tot zonde gerekend wordenquot; (Deuteron. XXIII. 21).
Wie eene belofte doet is derhalve onder zzwtJ-e zowcle verplicht die te houden, tenzij de beloofde zaak van weinig belang zij , of als men bij het beloven eener gewichtige zaak zich uitdrukkelijk alleen onder dage-lijksche zonde heeft willen verplichten.
IV. Bij het doen van beloften moet het volgende wél in acht genomen worden :
228
1°. wij moeten nimmer eene belofte atieggen met overhaasting of in oogenblikken van verwarriiig ; maar alleen na rijp beraad en overleg.
2°. Overwegen wij vooraf, of onze krachten en de middelen, die ons ten dienste staan , ter vervulling der belofte toereikend zijn, en of wij daardoor niet aan de rechten van anderen te kort doen.
3°. Vragen wij eerst Gods bijstand , en raadplegen wij onzen biechtvader, vooral als wij eene belofte voor een langen tijd, of eene belofte , die om andere redenen van bizonder gewicht is, willen afleggen.
V. De verplichting der belofte houdt op :
1°. als de vervulling daarvan volstrekt of zedelijker-wijze onmogelijk geworden is. — Hij echter, die vrijwillig een beletsel stelt, maakt zich voor God schuldig.
2°. Wanneer door de kerkelijke Overheid of door een Priester, die daartoe de macht bezit. de belofte ontbonden of in een ander goed werk veranderd wordt.
3°. Die verplichting houdt ook op, als de voorwaarde, onder welke men de belofte gedaan heeft, niet vervuld wordt; een vader, die b. v. eene bedevaart belooft, indien zijn kind gezond wordt, is tot niets gehouden als het kind sterft.
4°. Eene belofte , welke niet volbracht kan worden zonder zonde of zonder schending van het recht eens derden, is van den beginne af ongeldig en zonder verbindende kracht.
VI. Tot hiertoe spraken wij over de belofte in het algemeen ; thans nog een enkel woord over de plechtige beloften. Daardoor verstaan wij die beloften^ n\'elke op plechtige wijze gedaan en door de Kerk als zoodanig aangenomen worden, gelijk b. v. de belofte van vrijwillige armoede, eeuwige zuiverheid en volkomen gehoorzaamheid, welke door de leden van de geestelijke Orden afgelegd worden. Deze beloften mag men niet afkeuren : integendeel moet men hen, die ze afleggen, bewonderen en hoogschatten. Inderdaad, deze doen niets anders, dan de Evangelische raden, door Christus zeiven gegeven, in beoefening brengen ; zij verbinden zich tot het streven naar de christelijke volmaaktheid. Ook werd ten allen tijde het afleggen der plechtige beloften, alsook het kloosterleven in \'t algemeen, door de Kerk goedgekeurd en in bescherming genomen 1).
1) Over het recht van bestaan en het nut der religieuse Orden zal later meer gezegd worden.
229
p VII. Aan het einde dezer paragraaf moeten wij nog een kort antwoord geven op de vraag : is het voldoende , als wij den naam Gods niet onteeren ?
Dat is niet genoeg; wij behooreu ook Gods heiligen naam te vereeren :
1° door den Heer te loven en te danken voor zijne weldaden;
2° door den naam Gods en den zoeten naam van Jesus met vertrouwen en godsvrucht aan te roepen in allen nood, en vooral in de bekoring,
3°, Ook moeten wij voor Gods heiligen naam ijveren , door onteeringen , in zoover wij kunnen . te belettenen door al onze werken ter eere Gods te verrichten.
Besluit. Maken wij het voornemen altijd een grooten afkeer te hebben van het vloeken en lichtvaardig zweren : nooit den naam Gods ijdel uit te spreken : maar in droefheid en leed, en vooral in \'t oogenblik der bekoring, met godsvrucht de HIT. namen van Jesusen Maria aan te roepen.
§ 3.
Over het derde gebod.
„Wees gedachtig dat gij den sabbatdag heiligtquot;
I. Het derde gebod behoort in zooverre tot de natuurwet, als het ons verplicht een zekeren tijdaeuiie vereering van God te besteden. Dat immers wordt ons door de rede geleerd. Het voorschrift van den sabbat of zevenden dag der week aan God op bizondere wijze toe te wijden, is een goddelijk gehoA , in het O. V. gegeven, ter gedachtenis aan den dag, waarop de Schepper als het ware rustte, dewijl het scheppingswerk voltrokken was. — Onder het N. T. hebben de Apostelen, daartoe door den Verlosser gemachtigd, den Zondag, den eersten dag der week, in plaats van den sabbat, tot bizondere godsvereering aangewezen. Deze verandering wordt in eenige plaatsen der H. Schrift!) aangeduid , en door de Overlevering met volle zeker-
1) Zie Schuster II 134.
230
heid bevestigd. De reden dezer verandering is : omdat op den Zondag liet werk onzer Verlossing, dat eene nieuwe geestelijke schepping is, voltrokken werd. Op dien dag immers is Christus, als overwinnaar van dood en hel, uit het graf opgestaan , en is de H. Geest over de Apostelen nedergedaald.
II. Deze bepaling der Apostelen , die later door de kerkelijke geboden nader omschreven en verklaard werd , verplicht ons den Zondag te heiligen : 1° door werken van godsdienstigheid — en 2° door onthouding van slaafschen arbeid i.)
Om den Zondag te heiligen, zijn wij onder doodzonde verplicht het H. Misoffer bij te wonen. Hoe wij dezen plicht vervullen moeten, en om welke redenen wij daarvan kunnen ontheven zijn , zal later, bij het 2e gebod der Kerk, verklaard worden.
Hier worde echter het volgende opgemerkt: dat wij, al bestaat daartoe geene uitdrukkelijke verplichting, den Zondag behooren te heiligen, door daarenboven zooveel mogelijk ook de overige godsdienstoefeningen, zooals vespers, lot, onderrichting en predikatie, bij te wonen.
Het aanhooren van Gods woord is voor wlen een noodzakelijk middel, om de kennis van de geloofswaarheden en van hunne christelijke plichten te verkrijgen of te behouden. Voor allmi, zonder uitzondering, is dat zeer nuttig, wijl de mensch daarin hoo-gere kracht, troost en opbeuring vindt, om , van de zonde afgeschrikt, op den weg der deugd voort te gaan.
III. Welke werken zijn voornamelijk op den Zondag verboden ?
Alle slaafsche werken en ambachten, koophandel en processen, tenzij eene wettige reden het anders vereische.
a. Door slaafsche iverken 1) worden aangeduid die
1
In tegenstelling van slaafsche werken, noemt men vrije werken (d. w. z. die den vrijen man passen) die, waarbij vooral de geest werkzaam is en een geestelijk doel beoogd wordt, zooals: lezen, schrijven, muziek maken, onderricht in wetenschap geven. Deze werken zijn op Zondag niet verboden.
werken, welke vooral door het lichaam voltrokken worden en hoofdzakelijk voor het lichaam nuttig zijn, namelijk die werken, welke gewoonlijk door dienstboden , daglooners, enz. verricht worden, zooals huis-, veld- en tuinarbeid.
h. Tot de ambachten, wier uitoefening op den Zondag verboden is, behooren die van kleermakers , schoenmakers, wevers, smeden , timmerlieden, bakkers, enz.
c. Koophandel is streng verboden, wanneer deze in !t openbaar en met gedruisch (b. v. op markten en pleinen) geschiedt. — Ook is het over \'t algemeen niet geoorloofd in winkels te koopen en te verkoopen. Eene uitzondering maakt het verkoopen van geneesmiddelen en eenige voor het dagelijksch gebruik benoodig-de levensmiddelen.
Evenwel kan in sommige plaatsen , waar dit gebruikelijk is, het koopen en verkoopen in winkels geoorloofd zijn. Het is echter zeer wenschelijk, dat dit niet geschiede gedurende de godsdienstoefeningen, en ook , dat de winkelkasten op Zondag gesloten blijven.
d. Onder processen wordt verstaan datgene, wat tot de rechtsgedingen behoort, zooals : het oproepen der partijen, het getuigenverhoor, het pleidooi, enz.
Opmerking. Sommige werken, ofschoon uit hunnen aard lichamelijk, worden , wegens een wettig gebruik, als geoorloofd beschouwd, zooals : jagen zonder veel gedruisch, visschen met angels, te voet of per rijtuig reizen, feestelijke maaltijden bereiden, enz.
IV. Eene geoorloofde uitspanning, welke men buiten den tijd der godsdienstoefeningen neemt, is niet verboden. Slechte vermaken en losbandige spelen zijn altijd en overal ongeoorloofd, maar op den Zondag nog grootere zonden dan op andere dagen, omdat degenen, die zich\'s Zondags daaraan overgeven, den dag des Heeren ontheiligen.
Degelijke Christenen zijn ook niet gewoon , op den Zondag publieke vermakelijkheden bij te wonen.
V. Door te arbeiden of zijne onderhoorigen te laten werken op Zondagen geboden Heiligedagen, kan
232
doodzonde bedreven worden ; namelijk, als men, hetzij in eens of in herhaalde malen, gedurende een geruimen tijd b. v. gedurende twee a drie uren, zonder wettige reden, een zwaar werk verricht of laat verrichten.— Hierbij dient nog opgemerkt te worden, dat bij een lichten arbeid een langere tijd noodig is, eer men doodzonde bedrijft, dan bij een zwaar en moeielijk werk.
VI. De verachting en zware overtreding van het gebod der Zondagviering is eene zeer groote zonde, waardoor de Zondagschenner niet alleen de eeuwige straf verdient, maar reeds in dit leven Gods straffen over zich afroept.
a. De Zondagschenner versmaadt in zekeren zin den godsdienst, dien hij verwaarloost, en geeft dikwijls aan anderen groote ergernis.
h. De boosheid dezer zonde blijkt ook hieruit, dat zij ( ene onvergeeflijke dwaasheid in zich bevat, dewijl de mensch van de zeven dagen der week niet één enkelen dag geheel toewijdt aan de zorg voor zijne onsterfelijke ziel en aan den dienst van God.
c. In het Onde Verbond was tegen de sabbatschen-ners de doodstraf bepaald. Ook leert de geschiedenis dat God, in het Nieuwe Verbond, de Zondagschennis dikwerf op zichtbare wijze straft met ziekten en tijdelijke rampen.
VII. Wanneer is het geoorloofd op Zondag slaaf-schen arbeid te verrichten ?
1°. Als daartoe door de kerkelijke Overheid satie verleend is;
2°. Als de eer van God, het welzijn des haasten of de noodzakelijkheid dit vorderen.
Hieruit volgt dus, dat men op Zondag werken mag: a. Wanneer die arbeid rechtstreeks in verband staat met de uitoefening van den godsdienst of met kerkelijke plechtigheden, b. v. het luiden met de klokken, het versieren van een altaar, enz.
h. Het welzijn des naasten verontschuldigt den arbeid, welke noodzakelijk is tot verzorging van zieken
233
of het begraven van dooden; ook is het geoorloofd voor een bepaalden arme te werken of hem in zijn arbeid te helpen, wanneer die arme in zoo grooten nood verkeert, dat hij zelf slaafschen arbeid op Zondag mag verrichten.
c. De arbeid op Zondag is geoorloofd, als eene dringende noodzakelijkheid, hetzij voor het tijdelijke of het geestelijke, voor ons zeiven of anderen, dat vordert. Door noodzakelijkheid zijn verontschuldigd : armen of dienstboden, die niet anders dan \'s Zondags hunne kleederen kunnen reinigen of herstellen ; landbouwers, die, bij dreigend onweer, graan, hooi, enz. inzamelen. Om dezelfi\'e reden is noodzakelijke huisarbeid geoorloofd; ingelijks alles, wat noodig is bij openbare rampen van brand, overstrooming, enz. Ook mogen in fabrieken die werkzaamheden voortgezet worden, welke zonder aanmerkelijke schade niet onderbroken kunnen worden. — Dit mag echter niet geschieden met het inzicht, om doorloopend grootere winsten te maken.
Ten slotte moet nog opgemerkt worden ;
1° dat hij, die eene gegronde reden heeft om op Zondag te werken, daarbij zooveel mogelijk alle ergernis moet vermijden;
2° dat men, in huijfel of de reden tot werken voldoende is, dispensatie moet vragen. Dit is zelfs dan, als men eene wettige reden tot verschooning heeft, aan te raden, vooral wanneer men in \'t openbaar moet werken, of als de zaak geen spoed vereischt en men zich gemakkelijk tot de geestelijke Overheid wenden kan.
§ 4.
Over het vierde gebod.
„Eer uwen vader en uwe moeder, opdat gij lang moogt leven op aarde.quot;
I, In de drie eerste geboden worden ons de plich-
234
ten voorgeschreven, welke wij jegens God te vervullen hebben.
Deze geboden stonden geschreven op de eerste der twee steenen tafels, welke de Heer aan Mozes gaf. De
! tweede tafel bevatte de andere geboden, welke ons zedelijk gedrag jegens den evennaaste regelen. Onder alle medemenschen nu zijn zeker onze ouders ons het naaste, en wij zijn hun, meer dan iemand anders,
(dankbaarheid en liefde schuldig. Daarom was het vierde gebod : eer uwen vader en moe moeder, opdat gij lang moogt leven op aarde — op de tweede tafel bovenaan geplaatst.
II. Onder de uitdrukking ; vader en moeder moeten niet alleen onze ouders, maar ook alle oversten, zoo geestelijke als wereldlijke, verstaan worden.
Derhalve zullen wij afzonderlijk de plichten der kinderen en onderdanen jegens ouders en oversten bespreken, en tevens ook de wederkeerige verplichtingen, welke de overheden jegens hunne onderhoori-gen te vervullen hebben, behandelen.
Art. 1. Plichten der kinderen jegens hunne ouders.
I. De kinderen zijn aan hunne ouders verschuldigd : eerbied en gehoorzaamheid, liefde en hehulpzaamheid.
Zij zijn hun eerbied verschuldigd, omdat de ouders tegenover de kinderen Gods plaatsbekleeders zijn; gelijk de koning in zijn rijk, zoo zijn de ouders in het huisgezin met hooger gezag en macht bekleed. „Die den Heer vreest, eert zijne oudersquot; (Eccli. lil, 8).
Deze eerbied moet inwendig zijn, d. w. z. de kinderen moeten in hun hart altijd jegens hunne ouders eerbied en hoogachting koesteren, ook dan zelfs, wanneer hunne ouders gebreken hebben of een misslag begaan.
Dien eerbied moeten zij ook uitwendig in hunne woorden en handelingen toonen. „Eer meen vader met icoord en daad, en in alle gedtddquot; (Eccli. III, 9). Zij moeten derhalve in hunne woorden altijd beleefd en
■é.
bescheiden, in himnen omgang altoos voorkomend, dienstvaardig en vriendelijk wezen.
II. Het is eene zware zonde, als men zijne ouders mishandelt, hen uit verachting of in gramschap dreigt te slaan, hun lage scheldwoorden loevoegt of hen schandelijk bespot en beschimpt. Eveneens maken zich aan groote zonde schuldig de kinderen, die zich over hunne ouders, uit minachting en trotschheid, schamen, geen omgang met hen willen hebben, of groot kwaad van hen spreken. ■
Ook is het strijdig met den eerbied, aan de ouders verschuldigd, hen onbetamelijk toe te spreken, hen norsch te behandelen, hen uit lichtzinnigheid te be-leedigen en hun daardoor droefheid te veroorzaken.
III. Dat de kinderen hunns ouders gehoorzaamheid verschuldigd zijn, leert ons de natuurwet, welke in \'t hart van iederen mensch is ingegrift; datzelfde verklaart ons ook de H. Schrift. Zoo schrijft de H. Pau-!us (Eph. VI, 1) : ^Kinderen, gehoorzaamt aan uwe ouders in den Heer; want dit is billijk.quot;
Om dien plicht te vervullen, moeten de kinderen gewillig en zonder tegenspraak alles doen, wat hunne ouders gebieden, en laten, wat zij verbieden, in zooverre de ouders niet iets kwaads bevelen. De kinderen moeten hierbij altijd indachtig zijn, dat hunne ouders de plaats van God bekleeden. Daarop wijst de H. Paulus, als hij schrijft : „Kinderen, gehoorzaamt uwen ouders in alles; loant dit is den Heer aangenaamquot; (Col. III. 20). Ook moeten de kinderen den raad en de vermaningen hunner ouders aannemen pquot; volgen.
IV. Wanneer het mocht gebeuren, dat de ouders iets zondigs zouden gebieden, of de vervulling van een strengen plicht zouden verbieden, dan mag het kind niet gehoorzamen, dewijl zulk bevel of verbod strijdig is met eene hoogere wet, namelijk van God of van de
Kerk.
Ofschoon de kinderen in gewichtige aangelegenheden, b. v. bij het verkiezen van een levensstaat.
J -
236
huHiie ouders behooren te raadplegen, zijn zij echter niet verplicht den raad of het bevel der onders te volgen, om tegen hunnen zin of roeping een levensstaat aan te gaan.
Zij zonden echter van een voorgenomen huwelijk moeten afzien, als hunne ouders daartegen groote en gewichtige bezwaren inbrachten.
V. Tegen de ^e/ioo)\'2«a7n/ieic? begaan de kinderen eene zware zonde, als zij in eene, voor het zielenheil, de zedelijke opvoeding of de huiselijke orde, gewichtige zaak, opzettelijk niet gehoorzamen ; als zij hunne ouders, door vrijwillige ongehoorzaamheid entegenspraak, tot hevige gramschap of vloeken aanzetten.
Wanneer echter slechts eene geringe zaak bevolen of verboden wordt; of als de ouders niet streng willen verplichten, maar alleen verzoeken ; dan is de overtreding van hun bevel eene dagelijksche zonde. Ook kan soms in gewichtige zaken, wegens lichtzinnigheid of onbedachtzaamheid, een kind van zware zonde verontschuldigd worden.
VI. De kinderen zijn hunnen ouders liefde verschuldigd, dewijl zij hun, naast God, het leven, hunne opvoeding, verpleging en verzorging, ja alles te danken hebben.
Die liefde moet inwendig zijn, d. w. z. de kinderen moeten hunne ouders van harte en oprecht liefhebben, ook zelfs dan, wanneer vader en moeder gebreken hebben en ten opzichte hunner kinderen misslagen begaan.
Die liefde moeten zij ook uitwendig door daden too-nen. Derhalve behooren de kinderen, naar de maat hunner krachten, hunne ouders te beschermen, hun uiterlijke blijken van liefde te geven, voor hen te bidden, hen door een goed gedrag te verheugen, en hunne gebreken en zwakheden geduldig te verdragen.
VII. Tegen de verschuldigde liefde bedrijven de kinderen eene zware zonde, als zij hunne ouders haten, hun groot kwaad toewenschen, hunne eer door kwaadspreken ontnemen, hun door een slecht gedrag groote
237
droefheid veroorzaken, of hen tot hevige gramschap opwekken.
Ook is het strijdig met de verschuldigde liefde, wanneer men zijnen ouders eene geringe droefheid veroorzaakt, hunne gebreken niet geduldig verdraagt, als men, bij hun leven of na hunnen dood, zelden of weinig voor hen bidt.
VIII. Met den plicht der liefde is een andere nauw verbonden, namelijk die der behulpzaamheid. De kinderen moeten hunne ouders helpen en ondersteunen in hun geestelijkenen tijdelijken nood. Zij moeten derhalve voor het tijdelijk en bizonder voor het eeuwig heil hunner ouders bidden; zorg dragen, dat hun in ziekte de HH. Sacramenten tijdig toegediend worden. Zij zijn verplicht, zooveel zij kunnen, in den lichame-lijken nood hunner ouders te voorzien, hen in ziekte en lijden te bezoeken en te troosten.
IK. Wat moet ons aansporen om onze plichten jegens onze ouders getrouw te vervullen ?
1°. De overtuiging, dat men in zijne ouders God zeiven, wiens plaats zij bekleed en, vereert en gehoorzaamt;
2°. de overweging, dat God aan de onderhouding van dit gebod vele gunsten en zegeningen beloofd heeft. Immers, Hij belooft aan hen, die dit gebod getrouw volbrengen, niet alleen de eeuwige zaligheid, maar reeds voor dit leven zijne bizondere bescherming en zegen. Ook leert ons de geschiedenis en de ondervinding, dat deugdzame kinderen door de menschen geacht en geëerd, en menigmaal, op zichtbare wijze, door God beschermd en bevoorrecht worden.-quot;c? HZ
3°. De zekerheid, dat zij, die dit gebod niet onderhouden, zich den vloek Gods in dit — en de eeuwige verdoemenis in het andere leven op den hals halen. „ Vervloekt zij hij, die zijnen vader en zijne moeder niet eert ; en al het volk zal zeggen : Amenquot; (Deuter. XXVII, 16). De H. Schrift verhaalt ons vele schrikwekkende voorbeelden van ontaarde kinderen, die door den vloek Gods, reeds in deze wereld, getroffen werden. Men herin-nere zich slechts Cham, Absalon en de zonen van Heli,.
238
Art. II. Plichten der onderdanen jegens hunne overheid.
I. Er bestaat, behalve de betrekking tusschen ouders en kinderen, in het huisgezin en in de maatschappij, op geestelijk en wereldlijk gebied, eene groote versohei-denheid van verhouding tusschen overheden en onder danen. Die verschillende betrekkingen zullen hier kort behandeld worden.
Aan de stiefouders komt het ouderlijk gezag toe : hun moet derhalve eerbied, liefde e i gehoorzaamheid bewezen worden.
Aan pleegouders en voogden, die de zorg voor de opvoeding der kinderen op zich genomen hebben en de plaats der ouders innemen, is men, alhoewel niet in dezelfde maat, alles verschuldigd, waai\'toe men jegens zijne ouders verplicht is.
Aan de onderwijzers, die met de wetenschappelijke vorming en zedelijke opvoeding door de ouders belast zijn, zijn de kinderen eerbied en hoogachting, dankbaarheid en liefde, voorkomendheid en gehoorzaamheid verschuldigd,
II. Dienstboden moeten hunnen meesters hoogachting, trouw, liefde en vaardige gehoorzaamheid bewijzen.
„ Gij dienstknechten, zijt aan uwe meesters met allen eerbied onderdanig, (I,Petr. II, 18). „ Vermaan de dienstknechten, dat zij hunnen heeren onderdanig, in alles tvelgeval-lig zijn, niet tegenspreken, niets verhelen, maar- zich in alles getrouw toonenquot; (Tit. 11, 9),
Deze plichten moeten de dienstboden vervullen, niet slechts om het tijdelijke loon. msar yoovhI ter wille van God., die hen in dien stand geplaatst heeft.
III. De geestelijke overheid, den Paus, de Bisschoppen en de Priesters, met de zorg der zielen belast, moet men als Gods plaatsbekleeders en als geestelijke vaders en leidsmannen eeren en beminnen. „Vrees d.en Heer uit geheel uwe ziel en houd zijne Priesters in eerequot; (Eccl. VII, 31). „ Weest gehoorzaam aan uwe oversten;.. , • wa.nt zij te aken, als zullende rekenschap afleggen voor uwe zielen\'\' (Hebr. XIII, 17). Ook moeten wij voor hen hidden
239
en aan onze zielzorgers tijdelijke hulp verleenen, omdat deze dagelijks voor hunne onhoorigen bidden en jegens hen talrijke en zware plicliten te vervullen hebben. Zoo leert uitdrukkelijk de H. Paulus (1 Cor. IX, 4—14 en Tim. V, 17).
Tegen den eerbied, aan de geestelijke oversten verschuldigd , zondigt men : als men hen door daden of woorden beleedigt, hunne eer en aanzien door kwaadspreken verzwakt; als men zich tegen hunne rechtmatige verorderingen verzet en anderen tot verzet en opstand aanmoedigt.
IV. Dewijl de burgerlijke maatschappij overeenkomstig de verordeningen Gods bestaat, zoo bekleeden de wereldlijke overheden, in hetgeen tot het welzijn van den Staat behoort, de plaats van God. De onderdanen zijn dus aan de wettige regeering eerbied, trouw en gehoorzaamheid verschuldigd. „ Vreest God, eert den Koningquot; (I Petr. II, 17). „Een ieder zij aan de gezay-hebhenden onderworpen; want er is (jeene macht dan van God\'\' (Rom. XIII, 1).
Ook zijn de onderdanen in geweten verplicht te voorzien in datgene, wat tot instandhouding van den Staat noodzakelijk is. „Geef aan allen het verschiddig■ de ; ... schatting, aan tuien schatting toekomtquot; (Rom. XIII, 7). Als Staatsburgers zijn wij dus verplicht, alle rechtmatige belastingen te betalen. Ook moeten de onderdanen bereid zijn, in dreigende gevaren, voor het algemeen welzijn van den Staat goederen, bloed en leven veil te hebben.
V. Wij zijn echter der wereldlijke\' overheid alleen gehoorzaamheid verschuldigd in zooverre zij Gods plaats bekleedt. Daaruit volgt dus. dat wij in zaken, welke met de wet en den wil Gods m strijd zijn, niet mogen gehoorzamen. Immers:
a. de burgerlijke wetgeving verplicht in geweten slechts in zoover, als zij een uitvloeisel van den god-delijken wil en met dezen gelijkvormig is. Is zij daarmede in strijd, dan verliest zij hare verbindende kracht.
h. Aan den wil van God zijn allen, zoowel de Staat
- 240
als ieder onderdaan, onderworpen, omdat die wil de hoogste loet is, waaraan het gansche menschdom zich behoort te onderwerpen, treeft nu de Staat eene wet, in strijd met Gods wil of met de inrichting en het doel der Kerk, door Christus haar aangewezen, dan vervalt daardoor van zelf de verplichting om die wet te onderhouden.
c. Dit leert ons de H. Schrift. Christus zelf zegt: „ Geeft den Keizer, wat des Keizers is, en Gade, wat van God isquot; (Matth. XXII, 21). Aan God dus moeten wij boven en vóór alles gehoorzamen ; den Keizer, in zoo • ver zijn gebod niet met Gods wil strijdt. — De Apostelen leeren ons hetzelfde door woord en voorbeeld. Petrus en Joannes, wien de Hoogeraad verboden had te prediken, antwoordden : „ Oordeelt zeiven of het hil-lijk is eerder u dan Gode te gehoorzamen\' (Hand. IV, 10). In weerwil van het verbod en de bedreiging van de Staatsmacht, in het vooruitzicht van kerker en dood, verkondigden de Apostelen openlijk en moedig de leer des Verlossers.
Art. III, Over de plichten van ouders en oversten.
I. Hebben ouders en oversten rechten, zij hebben ook jegens hunne kinderen en onderdanen zware verplichtingen te vervullen, waarover zij eens aan God eene strenge rekenschap moeten geven.
De ouders zijn verplicht hunne kinderen te hernin-nen en voor hun eeuwig en tijdelijk welzijn te zorgen,
a. Zij moeten, na God en na de liefde, welke zij elkander als echtgenooten verscbiüdigd zijn, hunne kinderen het meest beminnen en hun alle goed toe-wenschen. Derhalve zondigen zij, wanneer zij hunne kinderen haten, hun werkelijk kwaad toewenschen, hen zonder reden tot gramschap opwekken of hunne geheime misslagen openbaar maken.
h. De ouders moeten zorgen voor het zielenheil hunner kinderen, hen van jongs af in het geloof onderrichten en naar de christelijke leering in de kerk zenden. Zij zijn ook, zooals de Hoogw, Bisschoppen
241 quot;
van Nederland uitdrukkelijk geleerd hebben, verplicht, als de gelegenheid daartoe bestaat, hen te laten onderwijzen in godsdienstige, in katholieke scholen, en alleen in geval van hooge noodzakelijkheid mogen zij van de godsdienstlooze school gebruik maken. Alsdan nog zijn de ouders streng verplicht een waakzaam oog op het onderwijs te houden. Zij moeten door woord en voorbeeld hen lot een christelijk leven aanzetten, van alle gevaren en naaste gelegenheden der zonde verwijderd houden en, eindelijk, hen, zoo noodig, met gestrengheid en tevens met liefde bestrafien. — Zij begaan eene zware zonde, wanneer zij dien plicht in gewichtige pnnten verwaarloozen, vooral als zij, door hunne schuld, oorzaak zijn, dat het eeuwig heil hunner kinderen in groot gevaar gebracht wordt.
c Zij moeten ook, volgens hunne krachten het tijdelijk geluk der kinderen bevorderen. Derhalve zondigen de ouders, die hun vexmiogen verkwisten of voor het leven, het onderhoud en de gezondheid der kinderen niet zorgen.
Tl. De meesters moeten hunne onderdanen niet hard, maar liefderijk behandelen, en hun het verdiende loon en het passend onderhoud geven. Ook moeten zij het woord van den H. Paulus gedenken : „Als iemand voor d.e zijnen en vooral voor zijne huisgenooten geen zorg draagt, dan heeft hij het geloof verloochend en is erger dan een on-geloovigequot; (I Tim. V, 8). Zij moeten dus zorg dragen voor het zielenheil hunner onderhoorigen, hun tijd geven tot het vervullen hunner christelijke plichten, hen door woord en voorbeeld tot godsdienst en deugd aansporen en van het kwaad en van alle naaste gelegenheden tot zonde verwijderd houden.
Een overste, die deze plichten geheel verwaarloost of door zijne schuld aan zijne dienstboden gelegenheid geeft tot zware zonde, maakt zich zeker grootelijks voor God schuldig.
III. Eindelijk moeten alle oversten, met wereldlijk gezag bekleed, hunnen plicht nauwgezet en rechtvaardig vervullen, het welzijn hunner onderhoorigen bevor-
16
242
deren, volgens geweten het kwaad bestraffen, en allen een goed voorbeeld geven.
§ 5-
Over het vijfde gebod Gods.
„Gij zult niet doodslaan.\'\'1
Nadat in het vierde gebod de bizondere plichten jegens ouders en overheden zijn aangewezen, volgt nu, in de zes overige geboden, de uiteenzetting der verplichtingen, welke wij jegens ons zeiven en jegens alle menschen, zonder ouderscheid, te vervullen hebben.
Het vijfde gebod bevat in \'t bizonder die plichten, welke op het kostbaarste van alle goederen, op het leven, betrekking hebben.
Art. I. Over de zonden, ie aar do or men den evennaaste of zich zeiven schade toebrengt naar het lichaam.
1
A. Men zondigt tegen het vijfde gebod : 1° wanneer men den naaste zonder wettige macht en reden doodt, slaat of verwondt;
2° wanneer men door krenking of harde behandeling zijn leven verbittert of verkort.
De opzettelijke, onwettige doodslag is eene ontzettende misdaad. Immers:
a. de moordenaar mo.tigt zich het recht van God aan, die alleen het recht bezit over leven en dood te beschikken;
i. hij ondermijnt de veiligheid der maatschappij, welke steunt op het vertrouwen, dat hare leden niet alleen de tijdelijke goederen van anderen, maar ook al hunne rechten, en vooral het recht dat iedereen heeft om niet gedood te worden, zullen eerbiedigen.
c. Hij berooft den naaste van het kostbaarste aller aardsche goederen, ontrukt hem voor altijd aan zijne
243
bloedverwanten, en stort hem, als hij zich in staat van doodzonde bevindt, in het eeuwig verderf, daar de tijd tot boetvaardiglieid hem meestal ontnomen wordt.
II. Verwonding, verminldng, verkorting van het leven des naasten door eene liefdelooze behandeling, zijn eveneens zonden tegen het vijfde gebod. Genoemde handelingen zijn meer of minder zware zonden, naarmate zij meer of minder er toe bijdragen, om de gezondheid van het lichaam te verstoren en den dood te veroorzaken of te verhaasten ; verder, naarmate de gevolgen meer of minder duidelijk voorzien zijn, en de bedoeling daarbij meer of minder boos is.
III. Wij hebben boven gezegd, dat men tegen dit gebod zondigt, als men zonder wettige, macht en reden den naaste doodt, enz , want het kan somtijds geoorloofd zijn, iemand te dooden.
1°. De Staatsmacht bezit het recht om misdadigers ter dood te brengen. Immers :
a. Niemand zal loochenen, dat God zijn recht over het leven van den mensch aan de overheid kan afstaan. Uit de geschiedenis van het O. V. weten wij, dat God inderdaad aan de oversten van het uitverkoren volk bevolen heeft, over sommige misdrijven de doodstraf uit te spreken.
Ook in het N. V. bezit de wereldlijke overheid hetzelfde recht. „Niet te vergeefs draagt zij het zwaard 1); want zij is de dienares van God, wreekster tot gramschap hem, die het kwaad doetquot; (Rom. XIII, 4).
b. Een Staat is als een lichaam, waarvan de gewone burgers de afzonderlijke leden zijn. Gelijk het nu, volgens de wet der natuur geoorloofd, ja somtijds plicht is, een schadelijk lid van het lichaam af te snijden, opdat niet het geheele lichaam aangestoken worde en starve, zoo is het ook aan de overheid geoorloofd, tot heil van den Staat, enkele bedorven
1
*Het zwaard dragenquot; beteekeat volgens bijbelsch spraakgebruik: de macht hebben over leven en dood.
244
leden door het zwaard der gerechtigheid af te snijden en onschadelijk te maken.
De overheden, die naar recht en billijkheid over groote misdadigers de doodstraf uitspreken, zondigen dus geenszins tegen het vijfde gebod. Integendeel bevorderen zij de onderboudiDg van dit gebod, dewijl de vrees voor de doodstraf velen van het plegen der misdaad terughoudt.
2°. Aan anderen, die niet ambtshalve daartoe gerechtigd zijn, is het slechts ter verdediging van hun leven of van het vaderland geoorloofd, den naaste te dooden.
Als iemand door een moordenaar wordt aangevallen, en hem geen ander middel overblijft om zijn leven te redden, dan den onrechtvaardigen aanvaller te dooden, dan maakt bij, met dit te doen, gebruik van zijn recht van zelfverdediging en is niet schuldig. — Men is verplicht den naaste te beminnen, doch niet meer dan zich zeiven, — Iets anders zou het zijn, als men zijn leven door andere middelen kon redden, bijv. door het roepen om hulp. In dat geval zou de doodslag bijna gelijk staan met moord.
3o Ook ter verdediging van het vaderland mag men de bevelen der overheid volgen en in een wettigen oorlog den vijand verwonden en dooden.
God zelf gaf meermalen aan het volk van Israël , bevel tegen den vijand op te trekken en geheel het vijandelijk leger te vernietigen.
IV. Tegen dit gebod bedrijft men zware zonde door het duel of tweegevecht. Gaat het duel op leven en dood, dan maakt zich de duellist aan eene dubbele zware zonde schuldig, daar hij de bedoeling heeft om zijn vijand te dooden, en tevens zich zeiven blootstelt aan het gevaar door hem gedood te worden, üie bedoeling maakt hem tot moordenaar van zijn naaste, deze vermetelheid tot zelfmoordenaar.
Wanneer men in het duel alleen eene wonde wil slaan, zondigt men insgelijks tegen het 5e gebod, hetwelk ook de verminking van het lichaam verbiedt.
245
Het duel strijdt eveneens tegen de kerkelijke wet, welke het duel meermalen, als een overblijfsel van de bar-baarschheid van vroegere eeuwen, heeft veroordeeld, en tevens met de icereldlijke wet, die strenge straffen bepaald heeft voor degenen, die zich van hare rechten willen meester maken en hare zorg voor het leven en welzijn der onderdanen door het tweegevecht verijdelen.
V. Het vijfde gebod verbiedt niet alleen den werke-lijken aanslag op het leven van den evennaaste, maar ook alles, wat tot die booze daad voeren of verleiden kan, als: gramschap, haat, nijd, twist, vervloeking of beschimping.
„Ieder, die zijnen broeder (naaste) haat. is (gelijk) een rrioordenaarquot; zegt de H. Joannes. Ditzelfde geldt van nijd en gramschap. Christus leert: „Gij helt gehoord, dat tot de ouden is gezegd : gij zult niet doodslaan ; . maar Ik zeg u, dat al ivie tegen zijnen broeder (op onbillijke wijze) vergramd icordt, strafbaar zal zijn voor het gerechtquot; (Matth. V, 21).
Meer nog dan deze inwendige zonden strijden, in en op zich zeiven beschouwd, tegen het 5e gebod de gevolgen, de uitbarstingen van genoemde hartstochten. De Heiland leert dit duidelijk : „ Wie tot zijn broeder zegt: raka, zal strafbaar zijn voor den Raad, en die zegt: gij dwaas, zal schuldig zijn aan het helsche vuurquot; 1).
B. Hoe bezondigt men zich tegen zijn eigen lichaam en leven ?
1°. als men zich zeiven het leven ontneemt.
De zelfmoordenaar begaat eene vreeselijke misdaad ;
a. tegen de goddelijke Majesteit, aan wie alleen de macht over leven en dood toekomt;
b. tegen zich zeiven, want hij stort zich moedwillig in het eeuwig verderf, in den afgrond der hel;
c. tegen de maatschappij en vooral tegen zijne bloedverwanten en betrekkingen, aan wie hij eene diepe droefheid en grooten kommer veroorzaakt.
1
Het Gencht besliste bij de Joden over kleinere, fa Raad daaren tegen over grootere misdrijven.
246
Daarom treft de Kerk den zelfmoordenaar met hare gestrengste straf, en zij verlangt, als de misdaad met vol bewustzijn gepleegd is, dat aan het lijk van den moordenaar de kerkelijke begrafenis geweigerd worde.
2°. Men zondigt tegen zijn eigen lichaam en leven als men zijne gezondheid verzwakt, of zijn leven verkort door onmatigheid in spijs en drank, door hevi-gen toorn, enz.
Tot deze soort van zelfmoordenaars behooren ; a. zij, die zich, buiten noodzakelijkheid blootstellen aan het gevaar van hun leven of hunne gezonde ledematen te verliezen.
Gebeurt dit echter om verhevene plichten te vervullen, bijv. om het geestelijk of lichamelijk leven van den naaste te redden, dan is het geenszins ongeoor-lootd, maar in menig geval zelfs geboden.
h. Tot degenen, die schuldig hun leven verkorten, behooren ook zij, die zich aan onmatigheid en dronkenschap, aan hevige en veelvuldige gramschap, aan wraakgierigheid, afgunst, nijd, haat, buitenmatige droefheid en andere ongeregelde hartstochten overgeven; eindelijk c. degenen, die door het gebruik van schadelijke vruchten, spijzen of drank hunne gezondheid in gevaar brengen; zij, die uit gierigheid of eigenzinnigheid in gevaarlijke ziekten den geneesheer niet roepen of zijne voorschriften niet nakomen ; enz
Dit alles wordt bevestigd door de uitspraak van de H. Schrift en door de ondervinding.
Tegen het vijfde gebod zondigen ook zij, die uit ongeregelde droefheid, uit gebrek aan geduld en overgeving aan Gods heiligen wil of uit wanhoop zich zeiven den dood toewenschen.
Art. II. Over het nadeel, dat men den naaste naar de ziel toebrengt.
I. Men benadeelt den naaste naar de ziel, als men hem ergernis geeft, d. i. als men door gebaren, woorden,
247
werken of verzuimenissen hem verleidt of aanleiding geeft tot zoude.
II. Men kan den naaste ergernis geven met of zonder opzet.
a. Met opzet geeft men ergernis, als men iets zegt of doet met de bedoeling, om hem daardoor tot kwaad te verleiden.
Dit is altijd eene zonde, en wel eene doodzonde, als het kwaad, waartoe men den naaste wil verleiden, eene doodzonde is.
h. Zonder opzet geeft men ergernis, als men door woorden of daden, welke ten minste in schijn niet goed zijn, den naaste aanleiding of gelegenheid tot zondigen geeft, zonder hem echter opzettelijk tot zonde te willen verleiden.
In dit geval zondigt men altijd, als men ten minste eenigermate voorziet, dat hetgeen men spreekt of doet in zich zeiven of in de gegeven omstandigheden geschikt is, den naaste gelegenheid of aanleiding tot zonde te geven en men toch daartoe overgaat.
Indien de kwade gevolgen van een woord, werk of verzuim in \'t geheel niet voorzien worden, maakt men zich niet aan de zonde van ergernis schuldig.
Ook hij is vrij van schuld, die iets , wat op zich zelf goed of onverschillig is, spreekt of doet, hoewel hij voorziet, dat een ander daaraan alleen uit eigen hoosheid ergernis zal nemen, wanneer hij namelijk eene gewichtige reden heeft om aldus te spreken of te handelen.
III. Aan de zonde van ergernis maken zich in \'t algemeen allen schuldig, die op eenigerlei wijze den naaste tot de zonde aansporen, opwekken, helpen, het kwaad gebieden of goedkeuren; in \'t bizonder echter zij:
a. die goddelooze of onzedige gesprekken voeren of zich oneerbaar kleeden ;
h. die slechte boeken en \'dagbladen schrijven of verspreiden ; onzedige platen en beelden ten toon stellen ;
c. die voor dronkaards, spelers, dieven en zede-
-
248
looze menscheu hun huis openstellen tot ongeoorloofde bijeenkomsten ;
d. de overheden, die een slecht voorbeeld geven. IV. Degene, die den naaste naar lichaam of ziel benadeeld heeft, is niet alleen verplicht zijne schuld
rouwmoedig tebelijden, maar ook het veroorzaakte kwaad,
de toegebrachte schade zooveel mogelijk te herstellen.
_Wie een ander vrijwillig en op onwettige wijze verminkt of verwond heeft, moet derhalve de tijdelijke schade, welke daaruit ontstaat, alsmede de kosten der geneeskundige behandeling voldoen. Volgt de dood op den onrechtvaardigen aanval, dan rust op den moordenaar de verplichting, aan de naastbestaanden van den ^vermoorde schadevergoeding te geven.
V^ie een ander het kwaad geleerd of tot zonde verleid heeft, moet trachten, zoo goed hij kan, dezen tot bekeering te brengen.
Art. III. Wat gebiedt het vijfde gebod ?
I. Het gebiedt ons, 1° in vrede en eendracht met onzen naaste te leven. Christus zelf leert dit. als Hij de verzoening, den vrede en de broederlijke eendracht aanbeveelt (Matth. V, 23).
Het is echter niet altijd in onze macht, met alle menschen in vrede te leven; wunt menigmaal kan men, zooals de H. Thomas opmerkt, met zekere lieden niet anders vrede houden, dan door in hunne boosheid te deelen, wat zeker een ongeoorloofde vrede is. Men moet evenwel zorgen, aan niemand aanleiding tot twist of tvvei dracht te geven en zooveel mogelijk de onderlinge liefde en eensgezindheid bevorderen.
Het vijfde gebod gebiedt 2° zoowel het geestelijk als lichamelijk welzijn van den naaste te bevorderen, in zooverre men daartoe in staat is en geleeenheid vindt;
en 3° voor ons eigen leven en onze gezondheid behoorlijk zorg te dragen,
249
Besluit. Laat het onze aanhoudende zorg zijn, alle opwellingen van gramschap, haat en afgekeerdheid in ons te onderdrukken en, naar het voorbeeld van onzen goddelijken Meester, vreedzaam, vriendelijk en zachtmoedig met onzen naaste te verkeeren.
Maken wij het voornemen, immer zóó te spreken en te handelen, dat geheel onze levenswijze voor den evenmensch eene aansporing zij, om Gods wil te volbrengen en de deugd te beoefenen.
§ 6.
Over het zesde gebod.
Art. I. Over de zonden tegen het zesde yebod.
I. In het zesde gebod wordt eerst en vooral ver-bod-n overspel, doch tevens alle andere zonden tegen de kuischheid, als : oneerbare oogslagen, gesprekken, liederen, het gebruik van onzedige boeken en afbeeldingen , onzedige aanrakingen, en alles wat de zedelijkheid kwetst.
Tegen het zesde gebod zondigt men derhalve ;
1° door overspel;
2° door onkuische oogslagen, als men naar voorwerpen ziet, welke geschikt zijn, onzuivere gedachten, voorstellingen en begeerten op te wekken ;
3° door onkuische gesprekken en liederen, namelijk als men over onzuivere dingen spreekt, zich onzedige gesclnedenissen laat verbalen of aan anderen mededeelt , als men liederen zingt, waarin de eerbaarheid gekwetst wnrdt.
Hier moeten wij ons het woord van den H. Paulus herinneren : ^On-zniverheid moet 07ider u zelfs niet genoemd wordenquot;. Groot inderdaad is de verwoesting, welke in menige ziel wordt aangericht door dusdanige gesprekken en gezangen ; vreeselijk is het bederf, dat daardoor zoo dikwijls ontstaat.
Verder zondigt men
4° door onzedige aanrakingen, gebaren en spelen , en eindelijk door alles, wat de zedelijkheid kwetst.
II. Het zesde gebod verbiedt eveneens alles, wat tot onkuischheid voert en verleidt. Derhalve
250
а. het onvoorzichtig vestigen der oogeo op anderen, vooral op personen van het andere geslacht. (Een onbewaakte oogslag maakte David, den man naar Gods hart, tot overspeler en moordenaar);
б. oneerbare kleederdracht;
c. het lezen van slechte boeken en dagbladen ;
d. het zien naar schandelijke platen en beelden f het bijwonen van onzedige tooneelspelen en dansen;
e. gevaarlijke vriendschapsbetrekkingen en bijeenkomsten ;
g. dronkenschap , lediggang en eene weekelijke levenswijze.
III. Elk Christen moet zich vooral voor deze zonde wachten , omdat 1° geene zonde schandelijker is dan de onkuischheid.
Door de onkuischheid toch maakt zich de mensch, meer dan door eenig ander kwaad, gelijk aan het dier. De mensch, geschapen en bestemd om zooveel mogelijk aan God gelijk te worden, geeft zich, als hij onzuiverheid pleegt, alle moeite om zich zoo diep mogelijk te verlagen en gelijk te stellen met het redelooze wezen. Hij verwoest i n zijne ziel het bovennatuurlijke evenbeeld van God, en verontreinigt het natuurlijke ; hij onteert zijn lichaam, dat een tempel van den Geest is, en maakt zijn hart tot een altaar, waarop hij aan den kwaden geest zijne onschuld, zijn gewetensrust, zijne eer en zaligheid ten offer brengt.
Met buitengewone zorg moet de Christen zich voor dit kwaad wachten, omdat 2° geen zonde zoo verschrikkelijk is in hare gevolgen.
a. Deze zonde toch berooft den mensch van de onschuld en verontreinigt, ja bederft hem naar ziel en lichaam.
Alle reine, heilige gedachten en gevoelens wijken uit een onrein hart; de vreugde des H. Geestes is verdwenen, zoodra de geest van onzuiverheid in de ziel zijn intrek neemt; onzuiver zijn dan hare gedachten en voorstellingen, afschuwelijk have begeerten, ja, zulk eene ziel is een gruwel in Gods oog.
Die misdaad werkt ook op het lichaam van den mensch. Gelijk de onschuld op het gelaat van den reine te lezen staat, zoo drukt ook de onzuiverheid haren stempel op het aangezicht.
251
b. De onkuischbeid verleidt haren slaaf tot vele andere zonden en misdrijven, tot eene veelvuldige overtreding van alle geboden van God en van de Kerk, niet zelden tot vertwijfeling en moord. De Kerkelijke geschiedenis levert ons daarvan de sprekendste bewijzen.
c. De onzuiverheid brengt den mensch in ellende, onteering en schande, eindelijk in de eeuwige verdoemenis.
Christus zelf stelt ons dit in de gelijkenis van den verloren zoon duidelijk voor oogen.
Zeer dikwijls vindt deze zonde reeds op aarde hare bestraffing. Het leven van den onkuische is niet zelden een langdurig en vreeselijk lijden door eigen schuld, en de dood, wel verre van hem uit zijne kwelling te verlossen, stort hem in die eeuwigheid, „waar het deel der ontuchtigen zal zijn in den poel, die met vuur en zwavel brandtquot; (Openb. XXI, 8).
Dr. Curtis^ een Engelsch geneesheer, zegt: »de onkuisehheid is..., cene wreedheid^ welke de mensch tegen zich zeiven pleegt, tegen zijn tijdelijk en eeuwig geluk ; zij is de oorzaak van ziekten^ welke duizenden vroegtijdig ten grave\' voeren.quot;quot;
IV. Elke zonde van onkuischheid, door gedachte, begeerte, woord of handeling, die men voorbedachte-lijk en met volkomen vrijen wil, alleen of met anderen, bedrijft, is eene doodzonde.
De Apostel schrijft; „Bedriegt tc niet! noch ontuchtigen, noch over spelers zullen het rijk Gods beërvenquot; (Eph. V, 5). Niemand nu wordt buiten den hemel gesloten, tenzij hij, die zich aan eene zware zonde heeft schuldig gemaakt,
Bij opkomenden twijfel, of iets tegen de kuischheid strijdt, mag men zich niet gerust stellen met de gedachte, dat anderen hetzelfde doen en het niet als zonde beschouwen. In dat geval ondervrage men zijnen biechtvader en vermijde men al datgene, waarover twijfel bestaat.
252
Art, 2. Wat gebiedt het zesde gebod ?
I. Het zesde gebod gebiedt ons in al onze gedachten, begeerten, woorden en handelingen eerbaar en zedig te zijn, de onschuld onzer ziel, als het hoogste goed en sieraad van den mensch, met groote zorg te bewaren, en alle middelen daartoe te gebruiken,
II. De middelen om de engelachtige deugd te be waren, zijn vooral:
a. het vluchten van slechte vrienden , gezelschap pen en gelegenheden tot zonde.
De H. Geest vermaant ons in het boek der Spreuken ; „Mijn zoon, wanneer de zondaars u lokken, volg hen niet. Als zij vragen : kom met ons, ga niet met hen.\'\' Alleen degene, die het gevaar vermijdt en, als hij in gevaar mocht komen, terstond de vlucht neemt, zal vrij van deze zonde blijven.
b. het bewaken der zintuigen, vooral der oogen ;
c. het dikwerf ontvangen der HH. Sacramenten. In het Sacrament der Biecht wordt niet alleen eene bizon-dere genade geschonken om de zonde te vermijden, maar leert men ook, op wat wijze de bekoringen het krachtigst kunnen bestreden worden. Zelfs de gedachte, dat men zijne zonde aan den Priester moet belijden, is een der geschiktste middelen, om er zich tegen te vrijwaren. In het H. Sacrament des Altaars ontvangt de Christen het Brood der sterken, het voedsel der uitverkorenen, en den Wijn, die maagden voortbrengt;
d. het veelvuldig gebed tot God, de H. Maagd en den H. Josef, vooral tijdens de bekoring;
e. de gedachte aan Gods alomtegenwoordigheid, aan den dood en het oordeel;
/. de naarstige beoefening der deugden van ootmoed, versterving en zelfverloochening.
„Gaat voort, lievelingen Gods/\' —zegt de H. Au-gustinus — „gaat voort, kuische jongelingen en maagden, bewaart den schat der kuischheid ten einde toe. Gij zult bij het bruiloftsfeest van het Lam een nieuw lied zingen . , , . gelijk gij alleen het zingen kunt. Gij
253
zult vreugde genieten, niet wereldsche, ijdele, onzinnige, bedriegelijke vreugde.... maar eene geheel eigenaardige, ware vreugde.quot;
Die hemelsche vreugde moeten we ons waardig maken, door de liefde tot de heilige deugd van zuiverheid meer en meer in ons op te wekken en te versterken.
§ 7.
Over het zevende gebod.
„Gij zult niet stelen.quot;
Art. 1. Over de zonden tegen het zevende gebod.
I. Het zevende gebod heeft ten doel, bet eigendom van den naaste tegen eiken onrechtvaardigen aanval te beveiligen.
II. Het verbiedt 1° den naaste te benadeelen in zijne tijdelijke goederen door roof, diefstal, bedrog, woeker of op elke andere wijze.
a. Men zondigt door roof, als men den naaste zijn eigendom tegen zijn redelijken wil met geweld ontneemt; door diefstal, als men het, tegen zijn redelijken wil, heimelijk ontvreemdt.
Tegen dit gebod zondigt men ook door roof of diefstal aan te raden of daartoe hulp te verleenen, en des te meer door het bevel te geven tot stelen of rooven; door gestolen goed te koofenjdoor datgene, wat men vindt niet aan den bekenden eigenaar terug te geven ; door het onbetaald laten van zijne schulden, ofschoon men in staat is om te betalen, en door schulden te maken, die men waarschijnlijk niet zal kunnen voldoen.
h. Aan hedrog maakt zich schuldig :
1° een ieder, die den naaste in den handel bedriegt, b. v. met valsche maten, gewichten, geld of slechte koopwaren;
2° degene, die voor zijn arbeid of zijne waren te veel vordert.
254
Als de prijs van koopwaren door de overheid bepaald is, dan mag men dien niet te bovengaan. Is de prijs niet vastgesteld, dan moet deze naar de waarde der zaak berekend worden.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussclien den laagsten prijs, onder welken eene zaak gewoonlijk niet geschat wordt, den hoogsten prijs, boven welken zij niet geschat wordt, en den middelharen prijs.
Wie binnen de grenzen van deze drievoudige prijsbepaling blijft, kan niet van onrechtvaardigheid beschuldigd worden, maar wel degene, die boven den hoogsten prijs verkoopt of beneden den laagsten koopt.
Aan bedrog maakt men zicb 3° schuldig, als men valsche kwitantiën of bewijsstukken maakt, onrechtvaardige processen voert, rechters of getuigen omkoopt, enz.
Een proces is onrechtvaardig, als voor het recht alleen schijngronden bestaan, waarvan men zelf de nietigheid inziet.
c. Men zondigt ook tegen het zevende gebod door woeker.
Onder ivoeker wordt verstaan de winst, welke men zich alleen voor de dienstbetooning van het leenen laat betalen.
De woeker is ongeoorloofd als een vergrijp tegen de liefde, welke men den naaste verschuldigd is, daar de woekeraar partij trekt van den nood van zijnen evenmenscb, om zich op onbillijke wijze te verrijken.
De goddelijke Heiland leert ons: „Geeft te leen, zonder iets daarvan te hopenquot; (Luc. VI. 35).
Evenwel zijn er soms redenen, welke het geoorloofd maken — mits men hier niet verplicht zij tot het geven van een aalmoes — voor geleend geld eene billijke winst of rente te vorderen. Dusdanige redenen zijn ;
1° het verlies dat uit het leenen ontstaat voor den leener ;
2° de ophoudende winst voor hem ;
3° het gevaar van het geleende geld kwijt te raken.
Wie echter rente vraagt, waar geene wettige reden aanwezig is, of meer vraagt dan mag gevraagd wor-
255
den, drijft woeker en handelt tegen bet gebod des Heeren, die zegt: „ Uw geld zult gij uwen hroeder niet op woeker gevenquot; (Levit XXV, 32).
d. Het zevende gebod verbiedt verder elke onrechtvaardige schending en beschadiging van de tijdelijke goederen of het eigendom des naasten.
Aan deze zonde maakt men zich vooral schuldig :
1° als men eens anders huizen, tuinen, weilanden, korenlanden of boomen bederft;
2° als men zijn vee wondt of doodt;
3° als men door spel of verkwisting zijn eigen gezin te kort doet;
4° Als men den verplichten arbeid nalaat:
5° Als men handwerkslieden of kooplieden in kwaden naam brengt, om hun het werk of de nering te ontnemen; en in \'t algemeen, zoo dikwijls men den naaste aan zijn eigendom op onrechtvaardige wijze scbade toebrengt.
III. In den naam van God spreekt de Apostel Pau-lus het oordeel uit over hen, die het zevende gebod op wat wijze ook overtreden.
„Weet gij niet, dat onrechtvaardigen het rijk Gods niet zullen bezitten ? Bedriegt u niet! ... . Noch dieven, noch roovers zullen het rijk Gods bezittenquot; ([ Cor. VI, 9, 10).
IV. Niet elke onrechtvaardigheid evenwel, jegens den naaste gepleegd, is d!oocZzo?icZe. Het is hoogst moeie-lijk , nauwkeurig en voor alle gevallen te bepalen , hoe groot de ontvreemde of door bedrog verkregen som, hoe groot de onrechtvaardig toegebrachte schade moet zijn, om als aanmerkelijk, als doodzonde te moeten beschouwd worden. De omstandigheden van den benadeelden persoon komen hierbij vooral in aanmerking. In den regel maakt men zich aan eene doodzonde schuldig, als het nadeel, hetwelk men den (niet zeer rijken) naaste toebrengt, gelijk staat met het gewone dagloon van een handwerksman.
Men kan echter ook grootelijks zondigen met eene zaak van kleine waarde te ontstelen, namelijk;
1° als men daardoor eene aanmerkelijke schade veroorzaakt;
256
2° als men door verschillende, op elkander volgende kleine diefstallen eindelijk tot eeue groote waarde gekomen is, en
3° als men den wil heeft, zich door kleine ontvreemdingen van eene groote som meester te maken.
Art, II. Over de restitutie.
I. Door restitutie verstaat men de teruggave van het ontvreemde goed , de herstelling der toegebrachte schade.
II. De verplichting van restitutie volgt uit de wet der natuur, welke ons leert, aan anderen niet te doen. wat wij niet willen , dat ons door anderen geschiede. Zeker nu wil niemand, dat anderen het hem ontvreem de goed behouden, maar wel, dat zij het zoodra mogelijk teruggeven. — Hetzelfde leert ook Christus (Matth. VII. 12).
De vervulling van deze verplichting is eene noodzakelijke voorwaarde, om van God de vergeving der zonde te verkrijgen, tenzij de ontvreemding en beschadiging onbeduidend moet genoemd worden.
III. Wie is verplicht tot restitutie ?
1° Hij, die zelf of door anderen het goed van den naaste ontvreemd heeft en dat goed of de waarde daarvan bezit, alsmede hij, die den naaste onrechtvaardig schade heeft veroorzaakt.
2°. Als deze geen restitutie geeft, dan zijn zij daartoe verplicht, die aan de zonde door raad of daad hebben deelgenomen, of die haar niet verhinderden , ofschoon zij dit vermochten en door verdrag of ambts halve daartoe verplicht waren.
3°. Als verschillende personen met elkander, na eene gemaakte overeenkomst, iets gestolen of eenige schade aangericht hebben, dan is ieder verplicht, zijn aandeel in den geheelen diefstal terug te geven, en zijn deel in de gezamenlijk toegebrachte schade te herstellen. Indien bijv. drie personen zich aan eene ontvreemding of beschadiging hebben schuldig gemaakt en twee
257
van hen weigeren restitutie te geven, dan moet de derde de geheels som der ontvreemding of benadeeling vergoeden, behoudens het recht om van de beide andere medeplichtigen hun aandeel te vorderen.
4°. Het is echter niet noodig , dat men persoonlijk het ontvreemde teruggeve, of zich bekend make aan den eigenaar. Dit kan op eene bedekte wijze geschieden, bijv. door den Biechtvader.
IV. Hoeveel moet teruggegeven of vergoed worden
1°. Degene , die het goed van den naaste met opzet en omoettig tot zich genomen, achtergehouden of beschadigd heeft, is verplicht den eigenaar volkomen schadeloos te stellen.
Het is dus niet genoeg, dat hij het ontstolen goed of de waarde daarvan, en de aanvankelijk geleden schade vergoede, maar hij moet daarenboven datgene teruggeven, wat het gestolene reeds heeft opgebracht of het beschadigde zou opgebracht hebben, als het niet beschadigd was; m. a. w. er moet aan den eige- , naar vergoed worden alle winst, van welke men hem beroofd , en alle schade, welke men hem veroorzaakt heeft.
2°. a. Als iemand huiten weten en willen het goed van een ander in bezit heeft, dat moet hij, zoodra hij weet, dat het eens anders goed is, alles wat nog voorhanden is, teruggeven en daarenboven zooveel als hij daardoor rijker geworden is.
h. Als men den naaste onwetend, zonder schuld, schade berokkend heeft, zonder daarvan eenig voordeel te trekken, dan is men in geweten niet tot schadevergoeding verplicht, tenzij men door eene rechterlijke uitspraak daartoe veroordeeld worde.
NB. Degene die uit groote onachtzaamheid of nalatigheid tegen zijn wil schade veroorzaakt, kan niet onschvildig genoemd worden.
V. Aan wien moet men restitutie of schadevergoeding geven ?
a. Men is verplicht, het ontvreemde terug te geven en de veroorzaakte schade te vergoeden aan den eige-
17
258
naar of. na diens dood. aan zijne rechtverkrijgenden, namelijk aan zijne wettige erfgenamen.
h Het is niet geoorloofd, het onrechtvaardig goed aan de armen te geven, tenzij het onmogelijk is. den wettigen eigenaar te vinden, of als de restitutie met huitengewone moeielijkheden zou gepaard gaan.
VI. Wanneer moet de restitutie of schadevergoeding plaats hebben ?
_ Men moet den oprechten wil hebben, het zoo spoedig mogelijk te doen, en men mag niets verzuimen, om zich in staat te stellen, deze verplichting te vervullen.
Art. III. Wat gebiedt het zevende gebod ?
Het gebiedt 1quot; aan ieder het zijne te geven, namelijk rechtvaardig te zijn in het aangaan van overeenkomsten, in het naleven der aangegane verbintenissen, in de aflossing van schulden, in de uitbetaling van het Idbn aan arbeiders en dienstboden, ook rechtvaardig te zijn in het spel.
Zonder deze zedelijke deugd kan de vrede en de welvaart der maatschappij niet bestaan „Neem de rechtvaardigheid wegquot;, zegt de H. Augustinus, „en de Staten zijn niets anders dan openbare roovemholen^
Het gebiedt 2° weldadig jegens den naaste te zijn.
De H. Basilius zegt zeer schoon : „Waarom zijt gij rijk en een ander arm, zoo niet opd it gij u door milddadigheid en uitdeeling uwer goederen verdiensten moogt verwerven, deze echter, tot belooning van zijn geduld, gekroond worde ?quot; Ook de H. Paulus schrijft; „Gebied aan de rijken dezer wereld. . . , niet te vertrouwen
op den onzeker en rijkdom ,. . . goed te doen.....gaarne
te geven en mede te deelenquot; (I Tim. VI, 17—18).
Besluit. Herinneren wij ons steeds;
1° dat, volgens de uitspraak van de H. Schrift, het goed van een an-der-nimmer geluk en zegen aanbrengt, maar onheil, angst en een rampzalig einde ;
2quot; dat de dood ons eenmaal, misschien weldra, alles, ook het onrechtvaardige goed, ontnemen zal, en
3° dat het de grootste dwaasheid is , ter wille van eenige vergankelijke goederen, den hemel prijs te geven en onze ziel voor eeuwig ongelukkig te maken.
259
§ 3.
Over het achtste gebod.
„Gijzult tegen uwen naaste geen valschegetuigenisyeven.\'
Art. I. Over de zonden tegen dit gebod.
I. Men zondigt tegen het achtste gebod, 1° door valsche getuigenis, welke men voor het gerecht tegen den naaste atiegt, d. i. door iets te zeggen wat niet waar is, ol te ontkennen wat waar is, onverschillig of men als aanklager of getuige, of als beide tegelijk optreedt.
De H. Schrift noemt hen, die zich aan deze zonde schuldig maken, „kinderen van den duivel.quot;
Hoewel elke valsche getuigenis, zoowel ten voordeele als ten nadeele van den naaste verboden is, is de laatste toch eens veel grootere zonde.
II. Men zondigt tegen dit gebod 2° door leugentaal. Aan leugentaal maakt men zich schuldig, als men??i«lt; opzet onwaarheid spreekt. Elke leugen is op zichzelve, d. i. uit haren aard, eene dagelijksche zonde. Daarom mag men nooit liegen, noch tot nut van zich zeiven, noch tot voordeel van anderen, zelfs niet uit nood of scherts; het doel heiligt het middel niet.
De leugen strijdt;
a. tegen de waarachtigheid van God, en is derhalve een misdrijf in zijn oog (Spr. VI, ÏG);
h. zij onteert den mensch en geeft hem eene gelijkenis met den vader der leugentaal, den duivel; zij schaadt dikwijls den naaste en soms de geheele maatschappij, dewijl daardoor het onderlinge vertrouwen weggenomen wordt.
III. De leugen is eene doodzonde :
1° wanneer daardoor de eer van God aannèrkelijk gekrenkt wordt, bijv. als men liegt tot groot nadeel van den godsdienst, de EL Kerk of het heil van onze ziel ;
2° Als door de leugen den naaste in zijne eer, in
260
zijn goeden naam of eenig ander goed eene belangrijke schade toegebracht of hem eene zware beleediging aangedaan wordt. Eindelijk
3° wordt eene op zich zelve kleine leugen groote zonde, indien zij eene groote ergernis ten gevolge heeft, wat soms gebeurt, als men uit scherts geestelijke of wereldlijke overheden door leugentaal bespottelijk maakt.
In alle andere gevallen is de leugen eene clagelijk-sche zonde.
Hoewel het nooit geoorloofd is, eene oniuaurheid te zeggen, is men toch niet altijd verplicht, de waarheid in al hare uitgestrektheid, gelijk wij ze ^ kennen, bekend te maken. Er komen zelfs gevallen voor, dat men, uit naastenliefde of om zijn ambt, verplicht is de waarheid te verzwijgen en op de gestelde vragen een ontwijkend antwoord te geven.
IV. Men zondigt tegen dit gebod :
3° amp;oor kicaadspreken, namelijk als men, buiten noodzakelijkheid of zonder eene gewichtige reden, de gebreken of fouten van den evenmensch openbaart, waardoor zijn goede naam gekrenkt of verminderd wordt.
Soms is het geoorloofd, ja zelfs plicht, de geheime fouten van den naaste bekend te maken, namelijk als dit noodzakelijk is :
a. ten beste van den zondaar zeiven, of
h. ter verhoeding van grooter onheil.
Daarbij moet men wel in acht nemen :
1 0 dat men de fouten van den naaste met eene goede meening moet bekend maken, en alleen aan hen, die het kwaad kunnen verhelpen:
2° dat men de fouten niet mag vergrooten, en de onzekere niet als zeker mag aangeven. Alles toch, wat bezijden de waarheid gezegd wordt, is zonde:
3° dat het mededeelen van algemeen bekende of van gerechtelijk gestaafde vergrijpen of gebreken geene zonde is, zoo die mededeelin g niet uit afkeerigheid voortkomt of daarmede gepaard gaat.
V. Men zondigt verder 4° dooWasto-, namelijk wan-neer men den naaste fouten toedicht, of zijne werkelijke fouten vergroot.
261
Is lasteren \'en kwaadspreken groote zonde ?
1°. Beide kunnen zware zonden zijn, wijl zij den goeden naam, die meer waard is dan goud en goed, krenken of ontnemen. Daarom waarschuwt de H. Geest met den meesten nadruk voor de lastertaal: „Meng u niet onder le lasteraars, icant \'plotseling ontstaat hun verderfquot; (Spr. XXIV 22). Zelfs met tijdelijke straffen worden de lasteraars en eerroovers door God bedreigd (Ps. CXXXIX, 12), Denk hier aan Aman, den gunsteling van koning Assueras.
2°. Evenwel kan niet elke zonde van kwaadsprekendheid of laster doodzonde genoemd worden. Als men slechts kleine fouten uit onachtzaamheid openbaart, of slechts algemeene, weinig onteerende uitdrukkingen gebruikt, maakt men zich in den regel alleen aan eene dagelijksche zonde schuldig.
3°. In \'t algemeen kan gezegd worden, dat deze zonden grooter zijn, naarmate :
1° de fouten,- welke men bekend maakt, aanmerkelijke!\' zijn, en de persoon, wiens gebreken bekend gemaakt worden, of die het kwaad openbaart, aanzienlijker is ;
2° naarmate de schade en het nadeel, hetwelk daaruit voortkomt, grooter is ;
3° naarmate meer personen dat kwaadspreken of lasteren hooren, en
4° naarmate de bedoeling, welke men daarbij heeft, slechter is.
VI. Men zondigt ook tegen dit gebod:
1° wanneer men met welgevallen naar het kwaadspreken of lasteren luistert;
2° als men het niet verhindert, wanneer men daartoe in staat is. — Indien men soms vreezen moet, dat men door tegenspraak het kwaad zal verergeren, dan is het genoeg, zoo spoedig mogelijk eene andere wending aan het gesprek te geven of op eenigerlei wijze te toonen, dat de liefdelooze taal ons mishaagt.
3°. Het is ook zonde, door vragen of aanmoediging anderen aanleiding te geven tot kwaadspreken of tot voortzetting van dusdanige gesprekken.
262
VII. Degene, die de eer van den naaste gekrenkt heeft, is verplicht:
1° de geroofde eer te herstellen.
Heeft hij die eer geheel of gedeeltelijk ontnomen door kwaadspreken, dan moet hij zoo goed mogelijk den kwaden indruk zijner woorden wegnemen, bijv. door te herinneren aan de goede eigenschappen van den besproken persoon, door hem bizondere bewijzen van achting te geven, enz. Vooral moet hij zorgen, dat het geopenbaarde kwaad niet verder bekend gemaakt worde.
quot;Wie zijnen evennaaste door laster in een kwaad daglicht gesteld heeft, is verplicht tot herroeping zijner woorden , en wel tot eene openlijke herroeping, als de laster openlijk, bijv. in eene openbare vergadering of in een geschritt, heeft plaats gehad, tenzij de belasterde afstand doen wil van zijn recht, of de herroeping niet ten voordeele van den belasterden persoon zou strekken, of wel door de omstandigheden onmogelijk gemaakt wordt.
Hij is verplicht:
2° alle schade te vergoeden, welke hij eenigermate voorzien heeft. Deze verplichting gaat zelfs op zijne erfgenamen over, wat niet het geval is met den plicht van herroeping , welke met den dood des kwaadsprekers eindigt,
VIII. Hoe zondigt men door kwaad vermoeden en vermetel oordeel ?
Men zondigt 1° door kwaad vermoeden als men vrijwillig zonder voldoende reden iets kwaads van den evenmensch veronderstelt. \\
„Niemand denke in zijn hart kwaad van den evenmensch .. . want dit haat Ik, zegt de Heer\'1 (Zach. VIII, 17).
Hiermede wordt echter de voorzichtigheid, welke ons aanmaant, niet ieder zonder onderscheid en in alle omstandigheden onbepaald te vertrouwen, noen veroordeeld, noch uitgesloten.
Men zondigt 2° door vermetel oordeel, als men voorbe-dachtelijk en zonder voldoende reden het kwaad, dat men van den naaste denkt, voor waar en zeker houdt.
263
De Heiland zelf vermaant: „Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld ivordet\'\' (Matth. quot;VII, 1); „vegt;,oord,eelt niet, en qij zidt met veroordeeld loordenquot; (Luc. VI, 37).
Wie een vermetel oordeel uitspreekt en daardoor schade berokkent, is, gelijk de lasteraar, niet alleen tot eerherstel, maar ook tot schadevergoeding verplicht.
Art. II. Wat gebiedt het achtste gebod ?
Het gebiedt 1° altijd de waarheid te spreken.
„leder spreke de ivaarheid met zijnen evenmensch ; want wij zijn leden van elkander,quot; zegt de Apostel (Eph. IV, 2o).
2° Voor de eer en den goeden naam des naasten behoorlijk zorg te dragen, zooals vroeger is aangetoond.
3°. Onze tong altijd in bedwang te houden. Dit zullen wij gemakkelijk doen, als wij niet spreken zonder te bedenken, dat de mensch van elk woord rekenschap moet geven (Matth. XII, 36), en als wij ons hart zuiver bewaren van eerzucht, nijd, haat en wraakzucht.
§ 9-
Over liet negende en tiende Gebod.
De menschelijke wetgever, die slechts acht geeft op datgene, wat zich door woord of daad uiterlijk openbaart, regelt alleen de handelingen en woorden zijner onderdanen. De goddelijke Wetgever ziet daarenboven op het hart, en voegt derhalve bij de geboden, welke op \'s menschen woorden en handelingen betrekking hebben, twee andere geboden, opdat ook de inwendige zonde^ door gedachten en begeerten, vermeden, de inwendige heiligheid bereikt worde.
Art. I. Over de zonden tegen het negende gebod,
I. Het negende gebod verbiedt 1° de begeerte naar de echtgenoote van een ander, en
2° in \'t algemeen alle onzuivere gedachten en begeerten.
a. „Slechte gedachten zijn een gruwel voor den Heerquot;
(Spr. XV, 26).
264
i. Christus leert: ,, Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is : gij zult geen overspel bedrijven. Doch Ik zeg u, dat wie eene vrouw aanziet, om haar te hegeeren, alreeds overspel in zijn hart met haar gedaan heeftquot; (Matt. V, 29, 28).
II. Men heeft onzuivere gedachten, als men zich in den geest handelingen of voorwerpen voorstelt, welte gewoonlijk de kwade lusten opwekken. Meu heeft on-kuische begeerten, als men verlangt dusdanige voorwerpen of handelingen te zien._ daarover te lezen of te hoo-ren spreken,_ of zelfs dergelijke werken te volbrengen.
III. Onzuivere gedachten en begeerten zijn doodzonden, als men er geheel vrijwillig behagen in neemt, zelfs al duurt dit maar eén oogenblik. Zij zijn echter niet zondig, wanneer zij buiten onze schuld en geheel buiten onzen wil ontstaan, en wij ons terstond beijveren, ze te verdrijven.
In de volgende gevallen maakt men zich door onzuivere gedachten en begeerten alleen aan eene rW-lijksche zonde schuldig :
^1° als men die gedachten en begeerten niet opzettelijk wil, maar slechts eene verwijderde gelegenheid daartoe geeft;
2° als men zich niet met genoegen, maaralleen uit nieuwsgierigheid een weinig daarmede bezighoudt;
3° als men bij een plotselingen aanval der bekoring of in halfwakenden toestand toestemt of behagen heeft, zonder zich goed van het kwaad bewust te zijn en bijgevolg zonder het met volle kennis te willen, en
4° als men aan het erkende kwaad zijne volle toestemming niet geeft, maar tegen den hartstocht strijdt, ofschoon minder krachtig dan gevorderd wordt.
IV. Teneinde altijd de bekoringen tegen de heilige deugd te overwinnen, moeten wij :
1° terstond aan de bekoring ernstig wederstaan, en de goddelijke hulp inroepen ;
2° als de bekoring aanhoudt, moeten wij niet kleinmoedig worden, maar volharden in den strijd.
„Zalig is de mensch, die de bekoring doorstaat; ivant als
265
hij beproefd zal zijn, zal hij de kroon des levens ontvangenquot; (jac. I, 12).
V. Met negende gebod gebiedt, alleen naar datgene te streven, wat eerbaar en heilig is.
God wil niet alleen den oorsprong der onreine zonden, de sleclite gedachten en begeerten, uit den bodem van ons hart wegnemen ; Hij wil ook, dat reine gedachten, zuivere begeerten, kuische gevoelens daarin ontkiemen, bloemen en vruchten van zuivere, heilige liefde voortbrengen. Derhalve roept Hij ons toe : „ Wandelt in d.en (?ees^,quot; d. i volgt de ingeving van den Greest der zuivere liefde, dien gij in het H. Doopsel hebt ontvangen.
Art. II. Over de zonden tegen het tiende gebod.
I. Het tiende gebod verbiedt alle vrijwillige onge-regelde begeerten naar het goed des naasten, van welken aard en van welke waarde dit ook moge zijn.
II. Hieruit blijkt, dat het verlangen naar eenig goed vaneen ander niet altijd zoude is. maar alleen dan, als men dit op ongeregelde wijze begeert, of zóó zoekt te verkrijgen, dat daaruit voor den evennaaste werkelijk nadeel ontstaat.
III. Tegen dit gebod zondigen derhalve vooral kinderen en bloedverwanten, die naar den dood hunner ouders of betrekkingen verlangen, om in \'t bezit dei-nalatenschap te komen ; kooplieden, die duurte eu gebrek wenschen, om des te duurder te kuunen verkoo-pen ; geneesheeren, die ziekten wenschen, enz.
Men kan bovendien tegen dit gebod zondigen door een al te groot, hartstochtelijk verlangen naar tijdelijke goederen in \'t algemeen, d. i. dooi hebzucht. Uit de ondeugd toch komen niet alleen ongeoorloofde verlangens voort naar het goed van den naaste, maar zelfs besluiten en maatregelen, om zich daarvan meester te maken.
IV. Gelijk men zondigt door de onrechtvaardige begeerte naar eens anders goed, zoo misdoet men ook tegen het tiende gebod, als men genoegen heeft in het
266
nadeel, het ongeluk of den dood van anderen, omdat men daaruit voordeel zal trekken. — Die baatzuchtige vreugde is niets anders dan eene vrucht van de kwade begeerte, die zelve eene dochter der hebzucht is.
Onder de overtreders van dit gebod behooren ook zij, die, ontevreden met hunnen staat, zich boven hun stand kleeden, vertering maken, uitgaan, enz.
Art. III. Wat wordt ons in het tiende gebod geboden ?
Het gebiedt:
1° aan iedsr het zijne te gunnen, d i. van harte te wenschen, dat ieder hebbe en behoude, wat God hem geschonken heeft;
2° met het onze tevreden te zijn.
De goddelijke quot;Wetgever verlangt, dat wij aan niemand iets van het zijne misgunnen, maar tevreden zijn met datgene, wat Hij ons geschonken heeft; dat wij zijne gaven met zorg bewaren, en die door spaarzaamheid, werkzaamheid en vlijt, met een vast vertrouwen op zijnen zegen, zoeken te vermeerderen.
Besluit. Laten wij ons dikwijls het woord van den H. Apostel herinneren,. die zegt: »Een groot gewin is godzaligheid en gcjioegzaamheid; want wij hebben mets in de wereld ingebracht^ en wij kunnen ook niets medenoncn. Als wij voedsel en kleeding hebben, laten wij daarmede tevreden zijn.\'\'\'\'
Tevredenheid verzoet het leven op aarde en verrijkt ons voor den hemel ; ontevredenheid daarentegen maakt dit leven bitter, en belet ons, schatten voor de eeuwigheid te vergaderen.
Hle HOOFDSTUK.
OVER DE VIJF GEBODEN DEE H. KERK.
Inleiding.
I. Om zalig te worden is het niet voldoende de geboden te onderhouden , welke God zelf onmiddellijk ons heeft gegeven ; als Christenen moeten wij ook die geboden naleven, welke Hij door de Kerk ons heeft voorgeschreven.
267
Jesus Christus , de Zoon Gods , die aan zijne Kerk de macht verleend heeft, om geboden te geven (zooala vroeger bewezen is), verlangt, dat men ook de geboden der Kerk onderhoude, als waren zij door Hem zeiven gegeven, wijl zij ingevolge de door Hem verleende wetgevende macht en in zijnen naam zijn uitgevaardigd. Uitdrukkelijk toch heeft Hij tot de Apostelen gesproken : „ Wie u hoort, hoort mij; wie u versmaadt, versmaadt viijquot; (Luc, X, 11).
XL Eenige geboden der H. Kerk zijn verplichtend voor alle Christenen, en worden daarom algemeene of hoofdgehode.n genoemd ; terwijl andere kerkelijke voorschriften alleen een bepaalden staat, eene bepaalde klasse van geloovigen verbinden , of wel tot allen , doch sleehts in zekere omstandigheden , gericht zijn-
De algemeene geboden der Kerk zijn de volgende vijf:
1. De geboden Heiligedagen zult gij vieren;
2. Dan ook Mis hooren met goede manieren;
o. Geen geboden vastendagen zult gij breken ;
4. Gij zult ten minste eenmaal \'s jaars aan den Priester uwe Biecht spreken ;
5. En nuttigen, omtrent Paschen, het Lichaam des He eren.
III. Het is geenszins de bedoeling der Kerk ons door hare geboden een nieuwen last op te leggen en het jiik des Heeren te verzwaren. Als eene zorgvuldige moeder
wil zij slechts door hare geboden den zin en den geest van de geboden Gods verklaren , alsook den tijd en de wijze , waarop wij \'s Heeren wetten moeten naleven , nader bepalen.
Tot welk doel heeft de Kerk ons hare geboden gegeven )
1° om de goddelijke geboden te verklaren , en nader aan te wijzen, hoe deze moeten onderhouden worden ;
2° om ons tot een godvruchtig en boetvaardig leven aan te sporen, en alzoo ons eeuwig geluk te bevorderen,
IV. De kerkelijke geboden verplichten, evenals de goddelijke, onder doodzonde. Immers :
1° Dat de Kerk het recht heeft, ons eene zoo zware verplichting op te leggen, blijkt uit de woorden des
868
Heeren . „Die de Kerh niet hoort, zij u als een heiden en tol-lenaar (Matth. XVIII, 17). Wie zal, na deze zoo strenge aanbeveling der gehoorzaamheid aan de Kerk , de^ zonde van groote en moedwillige ongehoorzaamheid klein en gering durven noemen ?
Ook kan de Kerk met hetzelfde recht als de H. Paul us zeggen : „ Gij weet, welke voorschriften ik n gegeven heb . . . Wie dit veracht, veracht niet een meiisch; maar God (I Thess. IV, 2 en 8). God verachten is toch zeker eene doodzonde.
2u Dat de Kerk ons onder doodzonde wil verplichten is eveneens duidelijk.
De Godgeleerden van alle eeuwen hebben dit eenparig geleerd , en nooit heeft de Kerk hunne leer afgekeurd, wel de tegenovergestelde meening veroordeeld. Ook de zware straffen , waarmede de Kerk de schenners harer wetten bedreigt en treft, geven insgelijks getuigenis van haren wil, om ons ouder zware zonde te verbinden
Er kunnen echter ten aanzien van de kerkelijke , zoowel als van de goddelijke geboden , vele gevallen ■v oorkomen, waarin de overtreding geene groote, maai wel eene dagelijksche zonde is.
§ 1.
Over het eerste gebod der Kerk.
„De geboden Heiligedagen zult gij vieren.quot;
I. Reeds in het Oude Verbond vierde men, behalve den Sabbat, verscheidene feesten, om de voornaamste weldaden Gods met een dankbaar hart te herdenken, en de gedachtenis dier gunstbewijzen onder het volk te bewaren.
De meeste dier feestdagen waren door den Allerhoogste zeiven voorgeschreven, doch later voegde ook de Synagoog, naar aanleiding van gewichtige gebeurtenissen, er eenige bij. Zoo werd bijv. de gedenkdag
269
der overwinning, door de Joden op Holofernes en de Assyriërs behaald, onder het getal der Heiligedagen opgenomen en tot heden toe door hen gevierd.
II. Eveneens heeft de H. Kerk, op verschillende tijden, onderscheidene feesten of gedenkdagen ter eere van onzen Heiland, zijne glorievolle Moeder en zijne verheerlijkte vrienden, de Heiligen, ingesteld en voorgeschreven.
De viering van deze feesten was altijd aan die van den Zondag gelijk, en bestond dus in de onthouding van slaafsche — en in de beoefening van godvruchtige werken, vooral in het bijwonen van de H. Mis en andere kerkelijke diensten.
III. De Kerk, die het recht heeft, dusdanige feesten in te stellen, kan ook de ingestelde feestdagen weder afschaffen, verplaatsen en beperken, wanneer tijd en omstandigheden dit vorderen of wenschelijk maken.
Zoo zijn in sommige landen en bisdommenl), vooral waar de Katholieken onder ongeloovigen of afge-gedwaalden wonen, enkele feestdagen afgeschaft, of op de Zondagen verplaatst, of worden met minder plechtigheid gevierd.
Daardoor wordt echter aan de eenheid der Kerk, noch ten opzichte van haar geloof, noch van hare zedenleer, tekortgedaan ; veeleer vertoont zich de Kerk daardoor als ee.ne wijze wetgeefster, die het heil van allen beoogt en de gestrengheid harer geboden naar de krachten en behoeften harer kinderen weet af te meten.
Ieder is verplicht zich aan de wetten van zijn Bisdom te houden. — Ofschoon wij ;//lt;?/ verplicht zijn de afgeschafte feesten te vieren, ziet toch de H. Kerk gaarne, dat wij die blijven onderhouden als voorheen. In die plaatsen, waar het Mishooren op gemelde dagen verplichtend gebleven jS, is men gehouden dien plicht te vervullen.
IV. De feestdagen des Heeven zijn ingesteld ;
1° opdat wij de geheimen onzer verlossing zouden herdenken en hierdoor ons geloof, onze hoop, onze liefde en -
1) Zoo b. v. zijn er in het Bisdom Roermond en in die plaatsen, welke tot het grondgebied behoorden, waarover het Concordaat van 1802 zich uitstrekte, slechts vier feesten, welke gelijk de Zondag moeten gevierd worden, namelijk: O. H. Hemelvaart, O. L. V. Ten-hemel-op ■ neming, Allerheiligen en Kerstmis.
270
dankbaarheid jegens God. opwekken en vermeerderen. Hadden de Joden alle reden, om den gedenkdag van hunne redding uit Egypte\'s slavernij in eere te houden. wij, Christenen, mogen ons over eene veel groo-tere weldaad verheugen ; over de bevrijding van het juk der zonde, over de verlossing door onzen Heer Jesas Christus, die ons niet van een tijdelijk, maar van het eeuwig ongeluk gered heeft, en ons niet naar het beloofde land op aarde, maar naar den hemel voert. Wij moeten derhalve de geheimen van het verlossingswerk — van Christusquot; geboorte af tot aan de zending des H. Geestes — met een dankbaar hart overwegen, en de gedenkdagen dier geheimen godvruchtig vieren.
2° Oin onzen ijver in den dienst van God te vernieuwen. „Onze godvruchtige oefeningenquot;, zegt Thomas van Kempen, „moeten op de voornaamste feestdagen een nieuw leven ontvangen; van het eene feest tot het andere moeten wij goede voornemens maken, alsof wij het eerstvolgende feest niet meer op aarde, maar in den hemel zouden bijwonen.quot;
V. De feestdagen der Heiligen zijn ingesteld ;
O. om God te bedanken voor de genade, ivelke Hij hun verleend heeft.
Door de kracht der goddelijke genade en door hunne medewerking met die hulp des Heeren, zijn de Heiligen, na een deugdzaam leven, in het rijk der zaligheid opgenomen. Daarover moeten wij ons verheugen ; want de Heiligen zijn met ons door de innigste gemeenschap verbonden ; zij zijn werkelijk door de genade onze broeders, en wij zullen eens door eeuwige liefde met hen vereenigd worden. Als broeders moeten wij derhalve deelnemen in hun geluk, en God danken voor de gunsten, welke Hij hun verleend heeft.
b. Om ons aan te sporen tot navolging hunner deugden.
Het heerlijk loon, den Heiligen geschonken, moedigt ons aan, hun voorbeeld te volgen. Het leven der Heiligen is een spiegel, waarin wij ons leven moeten beschouwen, om te zien, wat ons nog ontbreekt; het toont ons den veiligen en zekeren weg, dien wij moeten bewandelen, om tot dezelfde hemelsche heerlijkheid te komen.
c. Om hunne voorspraak bij God in te roepen.
De Heiligen vermogen door hun gebed veel bij God. Daarom moeten
271
wij hen dikwerf aanroepen . vooral op hunne feestdagen, dewijl wij dan beter en zekerder verhoord worden. Op die dagen toch staan wij niet alleen, maar roepen wij met duizenden Christenen, over den gan-schen aardbodem verspreid, hunne voorbede in, en zoo zal zeker ons gebed aangenamer aan God en zijne Heiligen wezen.
Over hel tweede gebod der Kerk.
„Dan ook Mis hooren met goede raarderen,quot;
I. Tn het tweede gebod beveelt de H. Kerk, op alle Zon- en feestdagen het H Misoffer bij te wonen, met behoorlijke aandacht, met eerbied en godsvrucht. Krachtens dit gebod rust op alle Christenen, die tot de jaren van onderscheid zijn gekomen, (ten minste als zij den leeftijd van 7 jaren bereikt hebben) de verplichting, om :
1° op de Zondagen en de geboden Heiligedagen de geheele H. Mis te hooren.
De Zondag, de dag des Heeren, is vooral bestemd voor den dienst van God, Grod kan niet waardiger gediend en verheerlijkt worden dan door offerande.i. Tot de Godsvereering behoort dus vooral het offer. Daarom moeten wij op den Zondag het offer komen opdragen, d, i, Mishooren,
Van oudsher werd de H, Mis als het gewichtigste deel der Godsdienstige viering van Zon- en feestdagen beschouwd, en men achtte zich streng verplicht het H. Offer bij te wonen. Reeds de Handelingen der Apostelen (b. v. XX, 7) bevatten eene ondubbelzinnige aanduiding, dat de eerste Christenen gewoon waren, op de Zondagen bijeen te komen en de H. Mis te hooren (Schuster II, 132).
De H. Kerk volgt dus ook hier de Overlevering der Apostelen.
II. Tegen deze verplichting zondigen allen, die door eigen schidd de H. Mis geheel of gedeeltelijk verzuimen.
172
Hij, die zonder icettige reden van verontschuldiging op Zondagen of Heiligedagen de H. Mis niet bijwoont of een aanmerkelijk gedeelte er van verzuimt, maakt zich schuldig aan eene doodzonde, terwijl hij, die door eigen schuld bij een klein en minder aanmerkelijk gedeelte der H. Mis niet tegenwoordig is, eene dage-lijksche zonde bedrijft.
Er bestaat voldoende reden tot verontschuldiging, wanneer men zelf of de naaste, ten gevolge van het bijwonen der H, Mis, eene belangrijke schade naar ziel of lichaam ondergaan zou, b. v. zieken of pas herstellenden, wier gezondheid door het ter kerk gaan, groot nadeel zou lijden: eveneens de ziekenoppassers , die niet door anderen kunnen vervangen worden, enz.
Als men de H. Mis niet kan bijwonen, behoort men toch in den geest, zooveel mogelijk, bij de H. Offerande tegenwoordig te zijn en in huis eenigen tijd te bidden, alhoewel men daartoe niet streng verplicht is.
III. Het tweede kerkelijke gebod verplicht ons ;
2° het H. Misoffer bij te wonen met goede manieren, namelijk met behoorlijke aandacht, met eerbied en godsvrucht.
Dit vordert de verhevenheid van het goddelijk Offer, dat wordt opgedragen.
Tegen deze verplichting, door de H. Kerk haren kinderen opgelegd, zondigen zij:
a. die de H. Mis bijwonen zonder eenige aandacht te vestigen op de H. Offerande, welke op het altaar voltrokken wordt, en met andere, wereldsche dingen bezig zijn;
b. die zich daarbij oneerbiedig gedragen, door b. v. te spreken, te lachen, te slapen, enz. ;
c. die in de kerk verschijnen niet uit eene godsdienstige beweegreden, niet om God te vereeren, maar met geheel andere en tegenstrijdige bedoelingen.
Over het derde gebod der Kerk.
„Geen geboden vastendagen zult gij breken.quot;
I. De H. Kerk beveelt haren kinderen te vasten, omdat zij weet;
a. dat het vasten aangenaam is aan God. Het vasten toch wordt in de H, Schrift meermalen aanbevolen (zie b. v. Matth. XVII, 20); het werd door Christus zeiven en door de Apostelen beoefend (Schuster II, 16 en 126).
De Kerk is overtuigd :
h. dat het vasten voor ons heilzaam is.
Vooral door het vasten verkrijgen wij de noodige kracht ter bestrijding van onze kwade driften en hartstochten ; wij verzoenen daardoor Gods gramschap, — zooals blijkt uit de geschiedenis van Ninivé, enz. — en wij voldoen door die versterving voor onze zonden.
II. Het vasten, in den vollen zin van het kerkelijk gebod, bevat eene tweevoudige verplichting;
1° zich te onthouden van verboden spijs, en
2° slechts eenmaal daags een vollen maaltijd te nemen.
De verboden spijzen zijn : vleesch en vet; op enkele vastendagen ook zuivel en eieren.
In de eerste eeuwen der Kerk was men gewoon veel strenger te vasten. Toen was het volstrekt geene zeldzaamheid, dat men zich gedurende twee dagen van alle voedsel onthield. Zeer lang werd het gebod, om vóór den avond niets te gebruiken, onderhouden. Later heeft de Kerk het middagmaal toegestaan, en eindelijk heeft zij, als eene goede en bezorgde moeder, wegens de zwakheid barer kinderen vergund, des avonds nog eene kleine versterking {collatie) te nemen.
Ook is het geoorloofd, mits daarvoor eene billijke reden besta, de collatie in den voormiddag, en het middagmaal tegen den avond te gebruiken.
18
274
Wie bij vergissing \'s morgens het ontbijt genomen heeit, is verplicht des avonds de collatie achter te laten.
III. De geboden vastendagen zijn de volgende :
1° de veertig daag sche vatten, namelijk alle dagen vau Asch-Woensdag tot Paschen. uitgenomen de Zondagen.
Deze vasten werd sinds de oudste christelijke tijden onderhouden, en is allerwaarschijnlijkst door de Apostelen ingesteld. » JV?j vasten veertig dagefiquot; — schrijft de H. Hieronymns (br. 54.) »volgens de apostolische Over Zevering.^
Het bepaald getal van veertig dagen is door de Kerk gekozen, omdat in het Oude Verbond Mozes en Elias, en in het Nieuwe Jesus Christus zelf veertig dagen door streng vasten geheiligd hebben.
Het doel van deze vasten wordt aldus door den H. Leo aangegeven: s Het Faaschfeest is nabij. Laten wij ons door de gebruikelijke veertigdaagsche vaste?i^ waardoor de heiliging van ons lichaam en van onze ziel bevorderd wordt, daartoe voorbereidenquot;
20, De Quaterteinperdagen, namelijk; de Woensdag, Vrijdag en Zaterdag
a. na den derden Zondag in den Advent;
h. na den eersten Zondag in de vasten ;
c. na het Pinksterfeest;
d. na het feest van Kruisverheffing (14 Sept.).
Deze dagen worden aldus genoemd (naar de latijnsche benaming Quatuor tempora = vier getijden) , omdat de geloovigen gewoon zijn met vasten elk der vier jaargetijden te beginnen en te hlt; üigen.
Ook deze vasten is, volgens de meening van vele kerkelijke schrijvers, door de Apostelen ingesteld. Zij dient:
a. om God te danken voor de weldaden , welke men in het vorige jaargetijde ontvangen heeft \\
b. om Gods zegen over het pas begonnen jaargei jde af te smeeken, en
c. vooral rm God te bidden, dat Hij zich gewaardige, aan zijne Kerk waardige herders te verleenen.
3°. De Vigiliedagen (van vigilare waken). Deze vastendagen worden daags vóór enkele hooge feesten gehouden, in navolging van de eerste Christenen, die den nacht voor de plechtige feestdagen wakende, vastende en biddende doorbrachten.
De vigiliedagen zijn voor elk Bisdom nader bepaald.
In vele plaatsen zijn deze vastendagen opgeheven en in de plaats daarvan de Woensdagen en Vrijdagen van elke week in den Advent aangewezen, of wel, als die feestdagen op Zondag verplaatst zijn , de Zaterdag te voren.
275
IV. Wie zijn verplicht het kerkelijk gebod van vasten in zijn geheel te onderbcmden\'?
Alle Christenen, die den leeftijd van 21 jaren bereikt hebben en niet door eene wettige reden verontschuldigd zijn.
Wettig verschoond zijn ;
1° zieken, en in \'t algemeen allen, die niet kunnen vasten, zonder hunne gezondheid aanmerkelijk te be-nadeelen;
2°, armen, die niet bij machte zijn een genoegzamen maaltijd te nemen;
3°. degenen, die zwaren arbeid moeten verrichten, waartoe zij niet in staat zouden zijn. als zij de vasten onderhielden ,
4°. allen, voor wie het vasten een icerkelijli beletsel zou wezen, om de plichten van hunnen staat naar behooren te vervullen ;
5°. Zij, die dispensatie gevraagd en verkregen hebben.
In twijfel, of men de vastenwet kan onderhouden, behoort de Biechtvader en de geneesheer geraadpleegd, of dispensatie aan de kerkelijke Overheid gevraagd të worden.
V. Behalve de genoemde vastendagen heeft de Kerk nog andere dagen aangewezen, op welke het gebruik van vet- en vleeschspijzen verboden is.
Deze dagen — onthoudingsdagen genaamd — zijn ;
alle Vrijdagen en Zaterdagen1) van het jaar (behalve wanneer de 1ste Kerstdag op die dagen valt), het feest van den H. Marcus en de Kruisdagen.
De Kruisdagen zijn ingesteld, om Gods zegen over de vruchten der aarde af te vragen.
Op het feest van den H. Marcus (als het niet in de Paaschweek of op Zondag valt) en op de Kruisdagen is men ook verplicht te vasten tot aan den middag 2).
1
In het Bisdom Roermond is het, door bizondere dispensatie, geoorloofd vleesch te eten op alle Zaterdagen, welke geen vastendagen zijn.
2
In het Bisdom Roermond bestaat geene verplichting tot vasten op St. Marcusdag en de Kruisdagen. Zelfs is het gebruik van vleesch geoorloofd.
276
Gedurende de vasten is het, ook op de Zondagen, verboden, vleesch en visch bij denzelfden maaltijd te gebruiken.
VI. Aan de wet der onthouding moeten allen zich onderwerpen, die tot de jaren van verstand gekomen en niet wettig verschoond zijn.
VIL quot;Wie de vasten- of onthoudingswet vrijwillig en aanmerkelijk overtreedt, maakt zich schuldig aan eene doodzonde \').
Niet in alle landen^ zelfs niet in alle Bisdommen van één rijk, wordt altijd dezelfde dispensatie in de vastenwet door de kerkelijke Overheid verleend. Dit hangt vooral af van plaatselijke omstandigheden. Vandaar dat degenen, die in België wonen, op Zaterdag altijd vleesch mogen eten, enz.
Hierbij moeten wij opmerken, 1° dat hier geen spraak is van een punt van geloofs- en] zedenleer — welke overal dezelfde is, — maar alleen van kerkelijke tucht) welke door de geestelijke Overheid naar omstandigheden van tijd en plaats kan veranderd worden.
2° Het kerkelijke gebod der vasten verplicht alle Christenen; die verplichting blijft bestaan, totdat de geestelijke Overheid goedvindt daarin te dispenseeren. Als goede en gehoorzame kinderen der Kerk moeten wij aan haar oordeel de beslissing over de noodzakelijkheid der dispensatie overlaten.
§ 4.
Over het vierde gebod der Kerk.
„ Gij zult ten minste eenmaal \'sjaars aan den Priester mee Biecht spreken\'\'1
I. De verplichting, om ten minste eenmaal in het jaar te biechten, begint als men tot de jaren van verstand gekomen is, in den regel omstreeks den leeftijd van zeven jaren.
1
Men durft soms misbruik maken van de H. Schrift, om de over ■ tredingen der vasten- en onthoudingswet te verontschuldigen, zeggende : » Wai den mond ingaat, besmet het hart niet.\'quot; Het is zeker waar, dat niet de spijs op zich zelve de ziel onrein maakt, maar wel de ongehoorzaamheid aan het gebod der Kerk. Wie weigert aan de Kerk te gehoorzamen, is ongehoorzaam aan Christus zeiven.
Ook de vrucht van den verboden boom in het paradijs was in zich zelve niet slecht, en toch was het eene zware zonde er van te eten.
277
Het vierde Concilie van Laterane (j. 1215) bepaalde als volgt;
„Alle geloovigen van beiderlei geslacht moeten, nadat zij tot de jaren van onderscheid zijn gekomen, al hunne zonden in ,t geheim, ten minste eenmaal \'s jaars, aan hunnen eigen Priester oprecht biechten, en ten minste, omstreeks Paschen, het Sacrament der Eucharistie met eerbied. ontvangen; bij verzuim hiervan zal hun hij hun leven de toegang tot de Kerk en na hunnen dood de christelijke begrafenis geweigerd worden.\'1
II. Alleen door eene geldige Biecht wordt voldaan aan liet gebod der Iierk, zooals blijkt uit de veroordeeling van de volgende stelling: „wie vrijwillig eene ongeldige Biecht aflegt, voldoet aan het kerkelijk gebod.quot;
III. Bij eiken Priester, die tot het bieehthooren de noodige macht van zijnen Bisschop heeft ontvangen, kan men. ook in den Paaschtijd, zijne Biecht spreken. In zooverre wordt deze, volgens de tegenwoordige tucht der Kerk, beschouwd als onze eigen Priester te zijn.
§ 5.
Over het vijfde gebod der Kerk.
„En nuttigen omtrent Paschen het Lichaam des Heer en.quot;
I. Alle geloovigen, die voldoende onderwezen en voorbereid zijn, om het allerheiligste Sacrament des Altaars tot hun voordeel te ontvangen, worden door dit gebod verplicht, omstreeks Paschen tot de H. Communie te naderen.
De Kerk bepaalde den Paaschtijd dewijl deze tijd bizonder geschikt is. om ons te herinneren aan de instelling van dit H. Sacrament, alsmede aan den dood en de verrijzenis des Heeren. Daarom verlangt de Kerk, dat ook wij, door eene oprecbte Biecht, geestelijkerwijze aan de zonde afsterven en, door het
1
Van Palmzondag tot Zondag na Paschen. Voor groote gemeenten wordt die tijd soms verlengd.
278
ontvangen van het H. Lichaam en Bloed van Christus, de kiem en het onderpand van een nieuw, onsterfelijk leven in ons havt leggen.
Hoewel de Kerk ons alleen streng verplicht omstreeks Paschen het H. Sacrament des Altaars te ontvangen, verwacht en wenscht 55ij toch, dat hare kinderen mjermalen in het jaar tot de H, Tafel zullen naderen,
II. De Paasch Communie moet men out v\'angen in zijne parochiekerk, zooals het algemeen gebruik en de verklaringen der Pausen 0115 leeren. De onmogelijkheid of een bizonder verlof van den Pastoor ontheffen van die verplichting.
Het is immers billijk, dat alle leden van het eene huisgezin, de parochie, ten minste eenmaal in het jaar, aan do gemeenschappelijke tafel komen aanzitten. Ook heeft dit voorschritt ten doel, den Pastoor de gelegenheid te geven, om zich te overtuigen, of degenen, die aan zijne zorg zijn toevertrouwd, hunnen plicht vervullen.
III. Hij, die eene onwaardige Paasch-Communie ge daan heeft, moet, zoodra hij kan, eene goede Biecht spreken en, door eene waardige Commuuie, aan het gebod der Kerk voldoen.
IVe HOOFDSTUK.
DE OYEETREDINamp; DEK OEBODEJf OEDEZOSDE
§ I-
Over de zonde in het algsmeen.
I. De zonde is eene vrijwillige ajwijking van den god delijken wil.
a. Men zondigt derhalve als men doet, wat Gods wet verbiedt, of nalaat, wat zij gebiedt.
Onder goddelijke wet wordt hier verstaan : de gebiedende of verbiedende wil van God, op welke wijze of door wien ook aan ons geopenbaard.
279
Zij omvat dus niet alleen de 10 geboden, maar ook de geheels natuurwet, welke Grod in het hart van iede-ren raensch heeft geschreven en ons door de rede openbaart, alsmede de geboden, welke van memchen, als plaatsbekleeders vaa God, uitgaan, zooals de geboden van geestelijke en wereldlijke overheden, van de Kerk, van den Staat, van ouders en andere oversten, volgens het woord van den H. Paulus; ,,Wie der (gezag-hebbende) macht ivederstaat, wederstaat Gods verordeningquot; (Rom XII, I, 2).
b. Die overtreding is vrijwillig, als zij wetens en willens, d. i.
1° met kennis en voorbedachtz.iamheid, en
2° met vrije toestemming van den wil geschiedt.
Kennis en voorbedachtzaamheid bestaan hierin, dat men bij de overtreding der wet wete of ten minste eenigs-zins inzie, dat men iets ongeoorloofds doet, dat men tegen de wet handelt.
Iemand dus, die handelt legen een der geboden zonder te weien of zonder er aan te denken , dat zijne handeling tegen de wet strijdt of ongeoorloofd is, maakt zich niet aan zonde plichtig, tenzij zijne onwetendheid en onbedachtzaamheid schuldig is.
Schuldig is de onwetendheid als men de wet niet kent, omdat men it haar opzettelijk niet kennen 7c//, ofschoon men verplicht was haar te kennen.
Evenzoo is de onbedachtzaamheid schuldig, als men b. v. zich door een boozen hartstocht vrijwillig laat verblinden en tot onbedachte handelingen laat medesleepen, of als men, onverschillig voor het kwaad en zonder zich te bekommeren ot iets verboden dan wel geoorloofd zij, zijne lusten opvolgt.
Yrije, toestemming van den wil heeft plaats, als de wil, die de keuze heeft tusschen goed en kwaad, het gekende kwaad kiest, in het gekende kwaad toestemt.
Men zondigt ook als men ten onrechte meent, dat iets kwaad en zondig is, en het toch doet; want wie tegen de uitspraak van zijn geweten handelt, maakt zich schuldig aan zonde.
Hij, die een gebod van God niet onderhouden wil, hoewel hij daartoe in staat is, begaat dus eene zonde. omdat zijn wil dan in opstand komt tegen den goddelijken wil. Daarin juist is de boosheid der zonde gelegen.
ü \' l
280
NB. Opdat iets als zonde worde aangerekend, is het niet noodig, dat men het kwaad als kwaad wille ; men kan ook zondigen door iets te willen, wat oor-zaak van het kwaad is, mits men dit op eenige wijze heeft voorzien. Een voorbeeld zal dit duidelijk maken. Iemand, die zich vrijwillig aan dronkenschap overgeeft en bij ondervinding weet, dat hij, zoo dikwerf hij zich aan dezen hartstocht overgeeft, in godslasteringen en onzuiverheid vervalt, maakt zich inderdaad ook aan die zonden schuldig, ofschoon hij in zijne dronkenschap niet weet wat hij doet en nuchter niet tot die zonden zou gekomen zijn. — Die de oorzaak wil, wil ook hare gevolgen in zooverre hij ze voorzien beeft.
II. De zonde kan geschieden :
1° door hef, kwaad te doen, en dit heeft plaats met kwade gedachten, begeerten, woorden en werken.
Door gedachten zondigt men, als men zich vrijwillig gedachten voor den geest haalt, welke met eenig goddelijk gebod in strijd zijn, of aan dusdanige gedachten, wanneer zij onwillekeurig opkomen, toegeeft en ze met welbehagen koestert; of ook als men, ze bemerkende, er zich niet tegen verzet.
Zulke gedachten kunnen zelfs zware zonden zijn; want de H. Schrift leert : „ Verkeerde gedachten scheiden van Godquot; (Wijsh. I. 3).
Door begeerten zondigt men, als men het kwaad, waaraan gedacht wordt, ook wenscht te volbrengen; dus vooral, als men middelen aanwendt, om tot dat kwaad metterdaad te komen
In xooorden zondigt men, als men iets zegt, wat tegen een der geboden strijdt. Zoo zondigen degenen, die gesprekken voeren tegen den godsdienst, tegen het geloof, tegen de goede zeden, tegen de christelijke liefde.
Door werken wordt gezondigd, zoo dikwijls men iets verricht, wat door den goddelijken wil verboden is.
De zonde kan geschieden :
2° door verzuim van het goed, wat men verplicht is te doen.
Als een Katholiek op een gewonen werkdag de H.
281
Mis niet bijwoont, verzuimt hij wel een goed werk, maar doet geene zonde, wijl men op die dagen niet verplicht is de H. Mis te hooren. Wie daarentegen op een Zon- of feestdag moedwillig de H. Offerande niet bijwoont, zondigt, daar hij een goed werk, dat hij verplicht was te doen, door eigen schuld nalaat.
III. Zijn cdle zonden even groot ?
Neen, er zijn groote zonden, welke men doodzonden noemt, en er zijn kleinere, welke dagelijksche zonden genoemd worden.
Ten allen tijde heeft de Kerk geleerd, dat er een onderscheid bestaat tusschen de verschillende zonden : dat eenige zonden groot en andere klein zijn ; dat eenige zonden eene eeuwige straf, en andere zonden alleen eene tijdelijke straf na zich sleepen. Deze leer steunt niet alleen op het gezond verstand, maar ook op de duidelijkste getuigenissen van de H. Schrift. In het Evangelie van den H. Mattheus (Vil, 3) vergelijkt de Heiland zelf eenige zonden met splinters, en andere met balken. Verder lezen wij van zonden, welke den menseh in het vuur der hel brengen (b. v. 1 Cor. VI, 9-10), en op andere plaatsen van zonden, welke ook de rechtvaardige begaat, zonder daarom op te houden, rechtvaardig te zijn (b. v. Eccl. VII, 21, Spreuken XXI\\ , 16).
De groote zonden worden doodzonden genoemd, omdat de ziel daardoor het bovennatuurlijke leven (d. i. de heiligmakende genade) verliest en zich den eeuwigen dood, de verdoemenis, op den hals haalt 1). Van hem, die eene zware zonde op zijn geweten heeft, zegt de H. Schrift; „Gij hebt den naam dat gij leeft, en gij zijt doodquot; (Openb. Ill, 1).
De kleinere zonden worden dagelijksche zonden genoemd, omdat men gemakkelijker daarin kan vallen, en omdat de vergeving dier zonden gemakkelijker, en zelfs zonder ze te biechten, kan verkregen worden, b. v. door aalmoezen, het bijwonen van de H. Mis, het bezoek van zieken, enz. mits men tegelijk over die zonden eenig leedwezen hebbe.
1
Onze ziel heeft een tweevoudig leven. Het eene is natuurlijk en bestaat in het denken en willen ; het andere is bovennatuurlijk^ en bestaat in de vereeniging met God door de heil\'gmakende genade. De doodzonde neemt het natuurlijke leven der ziel niet weg, maar berooft haar van het bovennatuurlijke, zij ontneemt haar de genade en bijgevolg het recht op het eeuwige leven.
282
IV. Wanneer maakt men zich aan eene doodzonde, wanneer aan eene dagelijksche zonde schuldig ?
a. Men begaat eene doodzonde, als men de goddelijke wet in eene aanmerkelijke zaak geheel vrijwillig overtreedt.
Opdat eene zonde als doodzonde te bescliouwen zij, wordt dus gevorderd ; 1° eene aanmerkelijke zaak ; 2° volle kennis van het kwaad, en 8° volle toestemming van den wil.
Aanmerkelijk kan eene zaak zijn of in zich zelve, b. v. de doodslag, of in hare omstandigheden b. v. door het te weeg brengen van een groot nadeel.
Alles, wat aanmerkelijk strijdt met Grods eer, het welzijn des naasten\'of de plichten jegens ons zeiven; ook datgene, wat Grod onder bedreiging van de eeuwige straffen gebiedt of verbiedt, moet ongetwijfeld als eene aanmerkelijke zaak beschouwd worden. Overigens is het dikweif zeer moeielijk te bepalen, welke zonden, als overtredingen in eene aanmerkelijke zaak, doodzonden zijn. De H. Augustinus zegt: „Wellicht zijn wij hierover in het duister, opdat wij met des te meer zorg alle zonden zouden vermijden.\'\'\'
Eene zaak, eene daad, die op zich zelve niet aanmerkelijk, derhalve dagelijksche zonde is, kan om bijkomende omstandigheden doodzonde worden. Dit heeft plaats :
1°. als men, door een dwalend geweten misleid, oordeelt, dat zekere dagelijksche zonde doodzonde is, en toch daartoe overgaat.
2°. Als men, eene dagelijksche zonde doet, om daardoor tot groot kwaad te komen, b. v. wanneer men iemand vleit, om hem tot onzuiverheid te verleiden ; als men dikwijls eene kleinigheid steelt, om langzamerhand eene groote som machtig te worden.
3°. Wanneer men eene kleine zonde doet uit verachting van den wetgever als zoodanig, ot van de wet, als gegeven door de wetgevende macht.
4°. Als met de dagelijksche zonde eene groote ergernis oi groote schade gepaard gaat, welk men voorzien heeft.
283
5». Als man zich daardoor blootstelt aan het «aaste ; gevaar van doodelijk te zondigen.
h. Men maakt zich schuldig aan eene dagelijkscke : zonde, als men de goddelijke wet in eene geringe zaak, of wel in eene gewichtio-e zaak, maar zonder volle kennis, of zonder volle toestemming overtreedt.
Eene zaak kan gering zijn lüt zich zelve, b.v. eene leugen, ot wel omdat de stof der overtreding klein is, b. v. het stelen van eenige centen.
V. a De hoosheid der doodzonde bestaat vooral \' hierin, dat zij :
1°. eene zware beleediging is van God, onzen Opperheer ;
2°. eene schandelijke ondankbaarheid jegens onzen liefdevollen Verlosser.
b. Die boosheid blijkt vooral uit de zware straffen, waarmede God dit kwaad heeft getrotfen in de afgevallen Engelen en in onze stamouders, alsmede uit het bittere lijden en sterven van onzen goddelijken Heiland tot ultwissching van de schuld der wereld.
VI. Welke zijn de gevolgen van de doodzonde ?
1°. De doodzonde scheidt ons van God, en beroott ons van zijne liefde en vriendschap. De H. Schrift zegt : „Een voorwerp van haat hij God is degoddelooze en zijne goddeloosheid!1 (Wijsh. XVI, 9).
2°. Zij ontneemt ons het vermogen om nieuwe verdiensten voor den hemel te vergaderen, berooft ons van alle reeds verworven verdiensten en van het recht op den hemel: „Als de rechtvaardige zich van zijne gerechtigheid afkeert en kwaad doei, .., zullen al zijne gerechtigheden .. . niet meer in herinnering komen\' (Ezech, XV11I, 24).
3°. Zij haalt ons Gods straiïen en ten laatste de eeuwige verdoemenis op den hals. „Ik waarschuw u, dat degenen, die zidke dingen doen, het rijk Gods niet zullen bezitten\'\' (Gal. V, 5).
VII. Wij moeten ons niet alleen met de meeste zorg van de doodzonde vrijhouden, maar ook met zorg de dagelijksche zonde vluchten, want ook de dagelijk-sche zonde is :
284
1°. eene beleediging van God. Hij, die eene dage-lijksche zonde bedrijft, beleedigt God, zijn besten Vader, wel niet zóózeer, dat bij zich van God, als zijn laatste doel, afscheidt, maar hij keert zich toch op onredelijke wijze tot de schepselen.
20. De dagelijksche zonde heeft vele (wel niet eeuwige, maar tijdelijke) straffen ten gevolge.
Dikwerf straft God deze zonde in dit leven. — Zoo mocht Mozes liet land der belofte niet binnengaan, omdat hij zich aan een klein wantrouwen jegens den Allerhoogste had schuldig gemaakt. — Vooral echter vindt de dagelijksche zonde hare straf in de pijnen van het vagevuur.
3°. De dagelijksche zonde leidt langzamerhand tot zware zonden. Zij verzwakt de ziel, en maakt haar trager in den strijd tegen de bekoringen , zij voedt en ontwikkelt de booze neigingen, en bereidt alzoo den diepen val in het kwaad. Derhalve zegt de H. Schrift : „ Wie het kleine niet acht, qaat allengs ten gronde (Eccli XIX).
Het is dus noodig, dat wij met zorg waken, om ook alle dagelijksche zonden te vermijden. Wie zorgvuldig de dagelijksche zonden vermijdt, zal niet tot groote zonden overgaan, maar zijne ziel ia den vrede Gods bewaren.
§
Over de verschillende soorten van zonde.
Alle zonden komen daarin met elkander overeen, dat zij eene overtreding zijn van de goddelijke wet. Toch wordt terecht een onderscheid in de verschillende zonden aangewezen.
Immers, eenige zonden zijn de bron van vele andere overtredingen; andere zonden bevatten eene eigenaardige boosheid en afschuwelijkheid; eindelijk, er zijn zonden, die wel niet persoonlijk door ons bedreven, maar ons nochtans worden toegerekend, als hadden wij zeiven ze begaan, omdat wij op eenige wijze tot die zonden hebben medegewerkt.
285
Die verschillende soorten van zonden worden genoemd ; de zeven hoofdzonden; de zes zonden tegen den H. Geest ; de vier wraakroepende zonden ; de negen vreemde zonden.
Art. I. Over de Hoofdzonden,
Deze zonden dragen den naam van Hoofdzonden, uiet omdat zij de zwaarste zijn van alle zonden, maar dewijl uit haar, als uit zoovele hoofdbronnen, de andere zonden voortkomen.
De hoofdzonden zijn niet altijd, maar alleen dan DOODZOXDEN, wanneer men daardoor aan eene zware verplichting, hetzij jegens God, hetzij jegens den naaste of zich zeiven, aanmerkelijk tekort blijft.
Zeer dikwijls zijn zij slechts dagelijksche zonden, wanneer namelijk de ongeregeldheid slechts gering is, b. v. eene kleine hoovaardigheid, eene geringe afgunst of overdaad, enz.
Over elke hoofdzonde in \'t bizonder thans eene korte verklaring.
Hoovaardigheid. y„gt;. ~jj.
I. Hoovaardigheid is de ongeregelde zucht naar eigen grootheid. Aan deze zonde maakt men zich schuldig, wanneer men:
a. datgene, wat men is of heeft, aan zich zeiven toeschrijft;
h. als men wel erkent het goede, dat men bezit, van Grod ontvangen te hebben, maar toch te veel aan eigen verdiensten toekent;
c. als men zich laat voorstaan op goede hoedanigheden, welke men niet heeft; ^
d. als men, met versmading of minachting van anderen, geëerd wil worden om zijn vermogen of zijne goede eigenschappen.
Aan deze zonde kan men zich schuldig maken in gedachten, begeerten, woorden en werken.
II. Hoovaardigheid was de zonde van den duivel, die het waagde tegen God op te staan, Andere
286
schrikwekkende voorbeelden van de hoovaardigheid leveren ons Kabuchodonosor, Holofernes, en de Pha-riseër in den tempel (Zie Scliuster I. 131, II. 69),
III. Hoovaardigheid is de oorsprong en de bron van eerzucht, ongehoorzaamheid, heerschzucht, twist en tweedracht, ondankbaarheid, afgunst, wreedheid, ongeloot en ketterij, haat jegens God; ja, zij is, zooals de H. Schrift getuigt, het begin van alle zonden (Eccli. X, 15).
Vandaar deze uitspraak van den H, (reest: „ Wie in de hoovaardigheid verblijft, wordt met vloek beladen, en ten laatste in het verderf gestort.quot;
Middelen tegen deze zonde zijn : de overweging van onze eigen zwakheden en van het voorbeeld en de leer van Christus.
Gierigheid. .W.- •. ,
I. Gierigheid is eene ongeregelde of onmatige zucht naar tijdelijk goed.
II. Gierigheid wordt in de H. Schrift als eene allerverachtelijkste zoude voorgesteld. De gierigaard — zoo leert zij — verlaat en vergeet zijnen God : hij is gelijk aan den afgodendienaar, omdat hij geheel zijn hart hecht aan tijdelijk bezit; hij maakt zich tot slaaf van zijne schatten, voor welke hij zijne rust, zijne genoegens, ja dikwerf zelfs zijne ziel veil heeft; hij is een bedrieger zijns naasten, en haalt zich de welverdiende verachting van God en de menschen op den hals (Matth. VI, 21, 24; Eph. V, 5).
III. De gevolgen der gierigheid zijn vooral: onbarmhartigheid jegens de armen, bedrog, valschheid, meineed, verraad, woeker en andere.
IV. Hoezeer deze zonde door God wordt gehaat en gestraft, leert ons de geschiedenis van Achan, die op \'s Heeren bevel door het volk werd gesteenigd; van Gïézi, den ontrouwen dienaar van Elizeüs, die met me-laatschheid werd geslagen ; en vooral van den rampzaligen Apostel Judas, die uit geldzucht zijn Meester verried en als zelfmoordenaar stierf.
On kuischheid. ^ \'
Over deze zonde en hare verschrikkelijke gevolgen is reeds gesproken bij het zesde en het negende gebod van God.
287
Aijd, .U- ■
I. Nijd is verdriet over het geluk van den naaste, dat wij als vermindering van ons eigen geluk opvatten.
De eeuwige zaligheid, welke Lucifer en zijn aanhang, door hunnen opstand tegen God, verbeurd hebben, kan de mensch eenmaal genieten. Dit bedroeft den duivel, omdat de mensch, die van nature minder is dan de Engelen, hooger gesteld wordt dan hij. Zijn verlangen is, dat allen in zijn ongeluk zullen deelen. Dit is het hoogste toppunt van nijd.
David had den reus Groliath gedood. Al het volk juichte hem toe. Salil alleen was verstoord. Het verdroot hem, dan men David meer eerde dan hem. Dit is nijd.
De Phariseën haatten den Verlosser, omdat Hij door het volk meer bemind en geëerd werd dan zij. Daarom waren zij verheugd, toen Christus in hunne macht was en tot den kruisdood werd veroordeeld. Ziedaar den nijd.
II. Nijd verleidt den mensch tot kwaadsprekendheid, laster, wraakzucht, soms zelfs tot moord. Uit nijd heeft Caïn zijn broeder Abel gedood ; uit nijd hebben de zonen van Jacob hunnen broeder Jozef verkocht, en Saül stond David naar het leven, omdat hij zich door nijd liet overmeesteren.
III. De nijdigaard bewerkt ook zijn eigen tijdelijk en eeuwig ongeluk.
De H. Basilius zegt: «De nijd knaagt aan het hart van den nijdige, gelijk de roest aan het ijzer, gelijk de worm aan het hout, gelijk de adder aan de ingewandenquot;\', en de li. Chrysostomus leert: «.onmogelijk kan men het vuur, hetwelh voor den duivel bereid is, ontkomen, als men zich vati dezen hartstocht ?iiet losscheurtquot; (Hom. 7. Over den brief a. d. Rom).
De overweging dezer gevolgen en vurige gebeden zullen ons tegen den nijd vrijwaren.
Gulzigheid,
1. Gidzigheid is de ongeregelde zucht naar spijs en drank.
Men maakt zich aan deze zonde schuldig:
288
lquot; als men te veel d, i. meer dan tot onderhoud zijner gezondheid dienstig is, eet of drinkt;
2° als men ontijdig d. i. tusschentijds en zonder reden, spijs of drank neemt;
3° als men hoven zijn staat al te kostbare spijzen of dranken gebruikt;
4°. als men spijs of drank met te qroote beqeerliil:-heid nuttigt.
II. Uit deze bron komt voort de snoeplust, welke dikwijls tot leugentaal en diefstal voert, alsmede de zucht tot verkwisting, welke niet zelden armoede en ellende ten gevolge heeft; vooral echter de dronkenschap , die den mensch berooft van het gebruik der kostbare gave van zijn verstand, hem gelijk maakt aan het dier, Gods gramschap opwekt, tijdelijk en eeuwig ongeluk na zich sleept.
De H. Schrift wijst ons op de gevolgen der gulzigheid onder anderen in de geschiedenis van Baltassar, koning van Babylon, (Schuster 1.140) en van den rijken vrek (Aldaar II. 65).
In de overweging van het voorbeeld van Christus en van de Heiligen en vooral in het vluchten der gevaren zal men een krachtig middel tegen deze zonde vinden.
Gramschap. gt;•
I. Gramschap is de ongeregelde zucht naar wraakneming, Geheel onderscheiden van deze zondige gramschap is de rechtvaardige afkeer of de toorn, welke, bij het zien van een misdrijf, uit liefde voor de zedelijke orde, de rechtvaardigheid of den godsdienst, voortkomt. Eene dusdanige gramschap kan niet ongeregeld genoemd worden, als zij binnen de perken der gezonde rede blijft; zij kan bijdragen tot verhindering van het kwaad en tot bevordering van het goed. Van deze gramschap spreekt de Psalmist, als hij zegt: „ Wordt gram, maar zondigt nietquot; (IV, 5).
Een voorbeeld daarvan gaf ons de goddelijke Verlosser, toen Hij de koopers en verkoopers uit den tempel dreef.
289
II. De gramschap is zondig, wanneer zij ongeregeld of zeer hevig is ; zij kan zelfs doodzonde zijn, b. v. als men uit gramschap vloekt, of den naaste groot kwaad toewenscht.
III. Uit de sclnddige gramschap komen vele andere zonden voort, zooals; haat, vijandschap, twist, ver-wenschingen, beschimpingen, verwonding, doodslag.
De H. Schrift levert de bewijzen, dat de gramstorige zelfs niet voor den moord der zijnen terugdeinst. Zoo wilde Ezau, in zijne gramschap, zijnen broeder Jakob ombrengen, en Absalon doodde, door dezen hartstocht verblind, zijn broeder Amnon.
Traagheid, ^ v
1. Traagheid kan bestaan ten opzichte van en van geestelijke zaken.
a. De eerste soort van traagheid bestaat in een afkeer van den arbeid en de moeite , welke met de vervulling van onze plichten verbonden is, en voert tot lediggang.
Deze traagheid is in strijd met het bevel van God : „In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten, (Grenes. III, 19), en kan terecht de oorzaak van veel kwaad genoemd worden (Eccli XXXIII, 29).
b. De andere traagheid, geestelijke traagheid oi lauwheid genoemd, is eene onverschilligheid jegens God, een tegenzin in alles, wat den dienst van God betreft, om de moeite, welke daarmede gepaard gaat.
11. «Het begin des verderfsquot; zegt de H. Ephraïm, «is de lainuheidquot;
Daarom zegt God in het boek der Openbaring (III, 16) : «O! dat gij kond waart of warm ! Maar omdat gij lauw zijt, en noch kond noch warm^ zal Ik n uit mijnen mond uitspuwenquot;
Ook het treurige lot van den tragen knecht, die aan handen en voeten gebonden, in de uiterste duisternis geworpen werd, en dat van de dwaze maagden, die de bruiloftszaal niet mochten binnengaan, leeren ons hoe de weg der tragen eindigt.
Besluit. Daar wij nu gezien hebben, dat de hoofdzonden de oorsprong en de bron zijn van vele andere euveldaden en den mensch diep ongelukkig maken, zoo moeten wij hier het vaste besluit vormen, met alle kracht en aanhoudend te strijden tegen deze zonden, zoodra wij ons daartoe bekoord gevoelen. Het beste middel, om immer de overwinning te behalen, is zeker de beoefening der tegenovergestelde deugden, zooals later zal worden aangetoond.
IS
290
Art. II. Over de zonden tegen den H. Geest.
I. Zonden tegen den H. Greest zijn de volgende zes ;
a. Aan Gods genade wanhopen. — Aan deze zonde maakt zich schuldig degene, die alle hoop op de vergeving zijner zonden verwerpt en met Caïn uitroept ;
„Mijne misdaad is te groot, dan dat ik vergeving zou kunnen verkrijgen.quot;
Lijnrecht strijdt de wanhoop tegen de goddelijke goedheid en barmhartigheid, welke de grootste zondaars tot boetvaardigheid roept en hun vergeving aanbiedt, als zij zich willen bekeeren.
b. Vermetel, dat is zonder deugd, op Gods barmhartig ■ heid betrouwen. Ziedaar de zonde van hen, die gerust in hunne boosheid voortleven, omdat zij weten , dat God barmhartig is; die meenen, dat Hij altijd bereid zal zijn hun vergeving te schenken , al zouden zij hunne bekeering uitstellen tot het uur van hun sterven.
Aldus verwerpen zij de goddelijke genade, om in de zonden te volharden, en misbruiken de goddelijke goedheid, welke bizonder aan den H. Geest wordt toegeschreven, om God te beleedigen.
c. Eene bekende waarheid des geloofs bestrijden. Aan deze zonde tegen den H. Geest maken zij zich schuldig, die eene waarheid des geloofs , door de a H. Geest geopenbaard en als zoodanig voorgesteld, hardnekkig bestrijden. — Zoo deden de Joden, die, als getuigen van Christus\' wonderen, zeker konden en moesten zijn van de goddelijkheid zijner leer, maar toch Hem en zijne leer bestreden en verwierpen (Joan. XV, 22—24).
d. De broederlijke liefde benijden, d. i. den evennaaste om zijne liefde tot God benijden; afgunstig zijn , omdat hij God bemint en dient, en daardoor vele he-melsche gunsten ontvangt, welke de zondaar zich onwaardig maakt. Zoo benijdde Caïn zijnen broeder, omdat hij zag, dat de offerande van Abel aangenaam was aan God.
j e. Halsstarrig zijn in de boosheid. God laat niets onbeproefd om den afgedwaalden zondaar op te zoeken
291
en weder aan zijn dienst te verbinden. Als nu de zondaar de goddelijke roepstem wederstaat en veracht, en in het kwaad voortleeft ^ dan heeft hij een verstokt hart en zondigt tegen den H. Geest; dan handelt hij als de Joden, tot wie de H. Stephanus sprak ; „Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oor en , gij icederstaat altijd den II. Geest (Hand. VII, 51). / ƒ. Het berouw of de boetvaardigheid verachten. Deze zonde wordt bedreven door hem, die niet alleen het oor sluit voor de stem van Gods genade en zonden op zonden stapelt, maar daarenboven het rampzalig besluit maakt, om nimmer boetvaardigheid te doen.
II. Deze zonden worden genoemd zonden tegen den H. Geest, omdat zij :
a. op bizondere wijze strijden tegen de oneindige goedheid en liefde van den H. Geest, en
b. omdat degene die ze bedrijft, de goddelijke genade, waarvan de H. Geest de uitdeeler is, versmaadt en van zich afstoot.
III. Aangaande de zonden tegen den H, Geest zegt Christus, dat zij noch in deze, noch in de toekomstige wereld vergeven worden.
De zin dezer woorden is niet, dat de vergifienis onmogelijk, maar alleen , dat zij zeer moeielijk kan verkregen worden. Inderdaad, zij die zich aan de zonden tegen den H. Geest schuldig maken , verwerpen het middel ter bekeering, namelijk de genade Gods, rechtstreeks en uit boosheid.
Art. III. Over de ivraakroepende zonden.
I. Wraakroepende zonden zijn die zonden , waarvan de H. Schrift getuigt, dat zij , meer dan elk ander kwaad, de wraak Gods afroepen, en dikwerf reeds in dit leven streng gestraft worden.
II. Wraakroepende zonden zijn de volgende :
a. Vrijwillige doodslag.
Caïn was de eerste, die dit kwaad pleegde. Toen sprak de Heer : «De stem van het bloed uws broeders roept van de aarde tot Mij... Gij zult vervloekt zijn op aardequot; (Gen. IV).
292-
h, Onkuischheid tegen de natuur.
De inwoners van Sodoma en Gomorrha gaven zich aan deze allerschandelijkste zonde over. Daarom vernietigde God beide steden door zwavel en vuur (Gen. XVIII, 30).
c. Verdrukking van armen, van weduwen en weezen.
God vraagt het meedoogen van zijn volk voor de armen, weduwen en weezen, en Hij zegt: «Als gij hen beleedigt, zullen zij tot Mij roepen, en Ik zal hun gekerm hoor en. Mijne gramschap zal ontstokeji ivordcn : Ik zal ii door het zwaard vernielen, uwe vrouwen zulle?i weduwen en uwe kinderen weezen worden\'\'\' (Exod. XXII, 22).
d. Onthouding van het loon der werklieden.
De H. Apostel Jacobus noemt deze zonde met duidelijke woorden eene wraakroepende zonde. „.Ziequot;, zegt hij (V, 4), „het loon der werklieden, hetwelk door u achtergehouden is, roept, en dat geroep is tot de ooren van den Heer der heirscharen gekomen.quot;
Art. IV. Over de vreemde zonden.
I. Vreemde zonden worden die zonden genoemd , welke wel door anderen bedreven zijn , maar ons mede toegerekend worden, omdat wij op eenige wijze daartoe hebben bijgedragen , schuld of oorzaak dier zonden geweest zijn.
De Apostel waarschuwt ons voor deze zonden in zijn brief aan Timotheüs; „Maak u niet aan vreemde zonden schuldig,\'1\'
II. De vreemde zonden geschieden door :
1°. raadgeven, namelijk als men een ander aanraadt iets te doen, wat kwaad of verboden is. Zoo deed de moeder van Herodias; zoo handelde Caïphas in den Hoogeraad der Joden.
«De kwade raadquot;, leert de H. Schrift, *zal vallen op dengene, die hem gegeven heeft., en hij zal niet weten vanwaar het ongehik hem overkomt\'quot; (Eccli. XXVII, 30).
2o. Beschermen. Wie door woord , geschrift of daad de ongeoorloofde woorden of handelwijze van den naas-
293
te in bescherming neemt, maakt zich aan deze vreemde zonde schuldig, zooals b. v. een advokaat, die voor onrechtvaardige zaken pleit. enz.
„ }Vee u, die het kivaad goed en het goed kwaad noemt, van de duisternis licht en van het licht duisternis maaktquot; (Is. V, 21).
3°. Gebieden, als men zijne macht en zijn invloed misbruikt, om een ander tot kwaad te brengen. Zoo beval David, dat Urias. wiens dood hij wenschte, op de gevaarlijkste plaats in het leger gesteld werd. Daarom sprak God door den Profeet Nathan tot den Koning; „Urias hebt gij vermoord, en verslagen met het zxoaard der zonen van Aramoii\' (\'II Kon. XII, 9).
4°. Prijzen, als men door iemand te prijzen over het kwaad, dat hij bedreven heeft, of door hem te vleien, oorzaak is, dat hij opnieuw zondigt. „De tong van den vleier,quot; zegt de H. Ilieronimus, „doet meer kicaad dan het zwaard van den vervolger; het zwaard kwetst alleen het lichaam, maar de vleierij doodt de ziel.quot;
5°. Deelnemen, d. i. vrijwillig medewerken tot de zonden van anderen door feitelijk deel te nemen in hun kwaad, of door aanleiding te geven, dat de zondige lusten bij anderen kunnen ontwaken of werkelijk ontstoken worden, b. v. door het schrijven of uitleenen van slechte boeken en dagbladen, door onzedige pla ten ten toon te stellen, enz.
6°. Behagen nemen in het kwaad, hetwelk de naaste bedrijft. Zoo had, volgens het getuigenis der H. Schritt, Saulus genoegen in het leed, dat Stephanus bij zijne steeniging door de Joden werd aangedaan.
7°. Niet bestraffen. Ouders en overheden mogen niet onverschillig toezien, als hunne kinderen en onderhoo-rigen zich aan het kwaad overgeven. Zij zijn streng verplicht hen te bestraffen, en maken zich, als zij dezen plicht verzuimen, deelgenooten van de zonden hunner kinderen en onderdanen. Zoo maakte Heli zich medeplichtig aan de boosheid zijner zonen, „loijl hij wist, dat zij iets schandelijks deden, en hen niet bestrafte\'\'1 (1 Kon. III, 13).
294
8°. Niet heletten. Degenen, die uithoofde van hunnen staat of uit christelijke liefde verplicht en bij machte zijn de zonde van den evennaaste te voorkomen ofte verhinderen, maar moedwillig hunne verplichting ver-waarloozen, zijn schuldig aan deze vreemde zonde.
9°. Niet overdragen, namelijk aanmerkelijke foutsn van een ander niet bekend maken aan degenen, die verplicht en in staat zijn, het kwaad tegen te houden, zooals ouders, overheden, biechtvaders, enz.
Besluit. Dragen wij alle zorg, nooit oorzaak of aanleiding te wezen van het eeuwig ongeluk van den naaste 5 ontrukken wij hem het zedelijk moordstaal, waarmede hij de ziel van anderen den doodsteek wil geven 5 verhinderen wij hem, zooveel in ons vermogen is, de zonde te bedrijven, en wekken wij, door ons goed voorbeeld, velen op, om eere te geven aan God, wien alle eer toekomt nu en in eeuwigheid.
Ve HOOFDSTUK.
OVER DE DEUGDEN EN DE VOLMAAKTHEID.
§ 1-
Over de christelijke deugden.
I. „ Wijk af van het kwaad en doe het goedequot; (Ps.
XXXVI, 27).
Volgens dit woord van de H. Schrift moet de Christen niet alleen met groote zorg het kwaad vermijden, maar is hij ook verplicht het goede te beoefenen, zich altijd op de deugd toe te leggen.
„ Wie rechtvaardig is, loorde nog rechtvaardiger, en wie „heilig is, worde nog heiliger\'\'\'\' (Openb. XXII, 11).
II. De christelijke deugd bestaat over \'t algemeen in de voortdurende genegenheid om te doen wat aan God loel-gevallig is.
a. De deugd bestaat dus niet in eene vluchtige neiging van den wil tot het ^oede, ook niet in «ewe enkele handeling, waardoor de mensch het goede wil en poogt te doen of werkelijk doet, maar in eene blijvende stemmina. welke
295
hem bereid en geneigd maakt om het goede, zoo dikwerf de gelegenheid daartoe voorkomt, te beoefenen.
h. De wil van den mensch kan op het natuurlijke of op het hovennatuurlijke goed gericht zijn, d. i. de mensch kan alleen naar datgene streven\', wat met zijne redelijke natuur overeenstemt, zonder zich daarbij een hooger doel voor te stellen (b. v. de matigheid beoefenen om gezond te blijven); of bij kan zijn doelwit op het bovennatuurlijke, de eeuwige zaligheid, richten en ter bereiking daarvan zich beijveren om alles te doen, xoat Gode ivelgevallig is. Alleen deze laatste bezit de christelijke of bovennatuurlijke deugd, terwijl de eerste slechts eene natuurlijke deugd beoefent, waartoe ook de heidenen in staat zijn.
III. De christelijke deugden worden vooral onderscheiden in goddelijke en zedelijke deugden.
Goddelijke deugden worden die deugden genoemd, welke onmiddellijk van God voortkomen en onmiddellijk op Grod betrekking hebben.
Deze deugden zijn : het geloof, de hoop, en de liefde (Cone. v. Trente. Zitt. 6 hfdst. 7).
De goddelijke deugden kunnen onmogelijk door den mensch verdiend of door eia:en kracht verworven worden.
a. Zij komen onmiddellijk mort uit God, die in zijne goedheid ze ons meedeelt en tegelijk met de heiligma-kende genade bij het H. Doopsel, in onze ziel stort. „De liefde is in ons hart uitgestort door den H. Geest, die ons gegeven is,quot; zegt de H. Schrift, en ditzelfde geldt — zooals het Concilie van Trente leert — van het geloof en de hoop.
Daarom worden deze drie deugden ook ingestorte deugden genoemd.
De goddelijke deugden komen niet alleen onmiddellijk van God, maar hebben
h. eveneens onmiddellijk ietrekking op God, want God zelf is het voorwerp en de eenige beweegreden van deze drie deugden.
Immers wij gelooven aan God, op God hopen wij. Hem beminnen wij. Wij gelooven, omdat God de eeuwi-
296
ge, onfeilbare Waarheid is; wij hopen, o?ntó God on eindig machtig, barmhartig en getrouw iti zijne beloften is; wij beminnen, omdat God het hoogste en in zichzelven het oneindig beminnenswaardige Goed is.
IV. Het geloof is de grondslag der twee andere goddelijke deugden. Zonder het geloof kan onmogelijk de hoop en evenmin de liefde bestaan ■ wèl het geloof en de Loop zonder de liefde, maar slechts onvolmaakt.
De Christen, tot de jaren van onderscheid gekomen, is verplicht meermalen in zijn leven de akten van geloof, hoop eu liefde te verwekken. Hij moet dit vooral doen :
a in zware bekoringen tegen die deugden ,
h. bij het ontvangen der HH. Sacramenten, en
c. in gevaar van sterven.
Het is echter voldoende, zoodanige godsdienstige handelingen te verrichten, waarin eene akte van geloof, hoop en liefde is opgesloten, bijv. door het Onze Vader godvruchtig te bidden.
V. Zedelijke deugden worden die deugden genoemd, welke ons zedelijk gedrag zoo regelen, gelijk het Gode behagelijk is.
Het onmiddellijk voorwerp dezer deugden is dus niet, gelijk bij de goddelijke, God zelf, maar onze zedelijke verplichting, die op God, op ons zeiven en op den naaste betrekking kan hebben.
Ook is bij de zedelijke deugden de onmiddellijke beweegreden niet noodzakelijk God zelf, maar nu eens de achting voor de wet, dan weer de schoonheid en voortreffelijkheid der beoefende deugd, of wel de hatelijkheid der tegenovergestelde ondeugd.
VI. Onder het groot aantal zedelijke deugden zijn er eenige, die den grondslag van het zedelijk leven vormen, die als \'t ware de grondsteenen zijn, waarop de overige deugden steunen, en alzoo het geheele gebouw des zedelijken levens rust.
Deze zedelijke deugden — hoofd- of kardinale deugden genoemd — zijn de vier volgende : voorzichtigheid, rechtvaardigheid, matigheid, sterkte.
297
a. De christelijke voorzichtigheid bestaat in de kennis van hetgeen de Christen te doen of te vermijden heeft om in iedere omstandigheid op eene God behagelijke wijze te handelen. „Neem de voorzichtigheid iceg, en de deugd is geene deugd meer.\'\' zegt de H. Bernardus.
De goddelijke Heiland leert ons «voorzichtig te zij71 als de shmge?^ (Mattb. X, 16.), en wijst op het voorbeeld der wijze maagden, die hare intrede in de bruiloftszaal aan de voorzichtigheid te danken hadden TZie Schuster II, 79).
h. De rechtvaardigheid bestaat hierin, dat wij altijd bereid zijn, aan een ieder te geven, wat wij hem schuldig zijn, overeenkomstig de leer van Christus GW/i den keizer, ivat den keizer, en God, loat Gode toekomt.quot;
Van deze rechtvaardigheid zegt de Apostel: «Geeft aan alleti het verschuldigde: schatting aan vien schatting; tol aan tuien tol; vreeze aan unen vreeze; eere aan ivien eere (toekomt) (Rom. XIII, 7, 8).
c. De matigheid bestaat hierin, dat wij die zinnelijke neigingen en begeerten, welke ons van het goede aftrekken, bedwingen.
Tot deze zoo gewichtige en voor het christelijk leven zoo noodzakelijke deugd wekt de H. Petrus ons op met de woorden »Onthoud u van de vleeschelijke lusten, welke tegen de ziel strijde?iquot; (I Br. II, II). Onder bescherming en invloed van de deugd van matigheid groeit en bloeit de deugd van ingetogenheid, welke het gebruik der zintuigen regelt, en de deugd van zachtmoedigheid, welke de gevoelens en opwellingen van toorn en wraakzucht onderdrukt.
d. De sterkte bestaat hierin, dat men zich door geene moeielijkheden en gevaren van de beoefening der deugd en van het verrichten van goede werken laat afschrikken.
Een heerlijk voorbeeld van sterkte gaven, reeds vóór de komst des Verlossers, dezeven Machabeesche broeders en hunne moeder, van wie de H. Geest getuigt, dat zij, om de goddelijke wet na te komen, *de smarten als niets achttenquot; (2 Mach. VII, 12). Door deze deugd hebben zich ook onderscheiden de Apostelen, vooral de H. Paulus (2 Cor. II, 23—35) ; alsmede de HH. Martelaren.
Waarlijk deugdzaam kan slechts hij genoemd worden, die de goddelijke deugden bezit, en zich met ernst op de beoefening der zedelijke
298
deugden toelegt. Daartoe wordt gevorderd een aanhoudende en krachtige strijd tegen de booze lusten en neigingen. Tot dien strijd wekt God ons op, als Hij zegt: » Wees getrouw tot in den dood, dan zal ik u de kroon des eeuwigen levens gevenquot; (Openb. II, 11).
Maken wij dan het besluit, naar het voorbeeld der Heiligen, moedig te strijden, in het vertrouwen op de hulp des Allerhoogsten en in de verwachting van het hemelsche loon, dat ons zal geschonken worden.
Over de volmaaktheid.
I. Be volmaaktheid van den Christen bestaat hierin, dat hij, vrij van alle ongeregelde liefde voor zichzel-ven en voor de wereld, Grod boven alles en alles in en om Grod bemint. „De liefde is de band dei- volmaaktheidquot; leert de Apostel (Col. III, 14).
Tot de christelijke volmaaktheid wordt dus gevorderd, dat men a. God hoven aües liefhebbe, d. i. dat men geen schepsel meer dan God of zelfs maar evenveel als God beminne, en b. dat men alles, wat men bemint, in en om God, d. i. uit liefde tot God, beminne.
II. Alle menschen zonder onderscheid worden dringend uitgenoodigd naar de volmaaktheid te streven. „ Weest volmaaktquot;, zegt Christus, „gelijk ook uw hemelsche Vader volmaakt isquot; (Matth. V, 48). Naar het voorbeeld van den Meester vermaanden ook de leerlingen : „ Weest gelijk de Heilige, die u geroepen heeft, ook zeiven heilig in geheel uwen wandelquot;, zoo de H. Petrus. De H. Jacobus en vooral de H. Paulus wekten herhaaldelijk de Christenen op, „volmaakt, vlekkeloos, onberispelijkquot; te leven.
De dankbaarheid, welke wij aan God verschuldigd zijn voor de ontelbare weldaden, waarmede Hij ons voortdnrend overlaadt, moet ons-krachtig aansporen, den wil van God te volbrengen, niet alleen, als Hij ons onder zonde iets gebiedt, maar ook dan, wanneer Hij ons tot het goede uitnoodigt, ons vermaant naar een hoogeren graad van volmaaktheid te streven en zelfs die verheven deugd te beoefenen, waartoe wij in den eigenlijken zin niet verplicht zijn.
Ook ons eigenbelang vraagt hetzelfde. Wie zich niet op de volmaaktheid toelegt, verkeert werkelijk in gevaar van spoedig in dagelijksche.
299
en vervolgens in doodelijke zonden te vallen, derhalve den hemel te verliezen. Van den anderen kant is het zeker, dat, hoe volmaakter wij de liefde beoefenen en hoe meer wij strijden om de volmaaktheid te bereiken, ook des te grooter ons loon zal wezen in den hemel.
III. Het groote middel om tot de volmaaktheid te komen is, in \'t algemeen, de navolging van Christus. Christus immers wilde niet alleen onze Leeraar zijn, maar ook voor allen het voorbeeld van een, in den hoogsten graad, godgevallig leven. Vandaar de vermaning: *Kom^ volg mij naquot; (Matth. XIX, 21).
VI. Als bizondere middelen ter volmaaktheid worden door den godde-lijken Heiland aanbevolen de evangelische raden !) namelijk de vrijwil\' lige armoede^ de eeuwige zuiverheid en de volkomen gehoorzaamheid om wille van God.
a. Door vrijwillige armoede wordt afstand gedaan van het eigendomsrecht, of althans van het onafhankelijk recht van eigendom en het onafhankelijk gebruik der tijdelijke goederen, om al het aardsche als een offerande Gode aan te bieden, en des te ongestoorder naar de eeuwige goederen te kunnen streven.
Dezen raad gaf Christus aan den rijken jongeling met de woorden : ygt; Wilt gij volmaakt zijn^ ga, verkoop wat gij hebt, en geef het den arme?!^ en gij zult een schat in den hemel hebben. En kom en volg Mijquot;, d. i. wees vrijwillig arm gelijk Ik, uw Heer en Meester (Matth. XIX, 21).
b. De eeuwige zuiverheid is de vrijwillige, levenslange onthouding niet alleen van alle onzuivere lusten, maar ook van het huwelijk, om God onverdeeld te kunnen dienen.
Dezen raad gaf Christus zelf, toen Hij zijne leerlingen onderwees aangaande de onoplosbaarheid van het huwelijk (Matth. XIX 10).
Ook de H. Paulus schrijft: »Aangaande de maagden, heb ik geen hevel des Heer en, maar ik geef eenen raad. . .. wie zijne maagd uithuwelijkt, doet wel, en die ze niet uithuwelijkt, doet beterquot; (1 Cor. VIII, 25. 38).
De Apostel geeft de reden aan, waarom zij die ongetrouwd blijven, beter doen dan anderen, die huwen, namelijk de meer volmaakte, onverdeelde dienst van God (v. 32).
En gelijk Christus en de Apostelen leerden, zoo leerde ook altijd onze H. Kerk.
Door het maagdelijke leven wordt het lichaam den Heer toegewijd,, gelijk door de vrijwillige armoede het gebruik der tijdelijke goederen.
c. De volkomen gehoorzaamheid bestaat hierin, dat de Christen, ook in die zaken, welke door geene goddelijke of kerkelijke wet geboden worden, zijn eigen wil verzaakt, om onder de leiding eens oversten,,, die bij hem de plaats van God bekleedt, des te zekerder den godde-lijken wil te volbrengen.
Ook deze raad wordt in het H. Evangelie gegeven. Christus toch noodigt ons uit tot eene algeheele verloochening van ons zeiven, als
1
Zij worden raden genoemd ter onderscheiding van de geboden.. Christus zelf wijst op dit onderscheid (Cf. Matth. XIX, 17, 21). Zij heeten evangelisch, omdat Christus ze allereerst in zijn Evangelie geleerd, heeft. In het O. V. waren deze raden onbekend.
300
Hij zegt: » Wie na Mij komen zvil^ verlooche?ie zich zeiven, neme dagelijks zijn kruis op en volge Mij naquot; (Lucas IX, Matth. XVI, 24). »Zich zeiven verloochenen is niets anders dan zijn -eigen wil verzaken^ om den godde-lijken wil te vervullen\'\'\'\' (H. Greg, de Gr.).
Zeker is het iets groots, uit liefde tot God, afstand te doen van alle aaidsche bezittingen of wel zijn lichaam den Heer toe te wijden : maar niet minder edel is het, zijn eigen wil af te leggen, om altijd den wil der overheid, als den wil van God, te volgen.
V. Daar de evangelische raden geen geboden zijn, is men niet onder zonde verplicht ze te onderhouden. Zij nochtans, die zich vrijwillig door eene gelofte daartoe verbonden hebben, kunnen onder zware zonde verplicht zijn, ze te onderhouden, zooals b. v. die in eene kerkelijk goedgekeurde geestelijke orde zijn getreden, of als leden van een geestelijk genootschap de drievoudige gelofte hebben afgelegd.
VI Met een enkel woord moet hier worden aangetoond, dat de vereenigingen van personen, die zich onder gelofte tot de onderhouding der evangelische raden verbonden hebben, m. a. w. de religieuse Orden en Congregatiën, het recht van bestaan hebben en derhalve ook het recht om alles te bezitten, wat tot haar bestaan noodig is. Dit volgt:
a. uit het natuurrecht.
Elke vereeniging toch, welke geen gevaar oplevert voor de openbare orde in de Kerk of in den Staat, heeft recht van bestaan. Derhalve ook de geestelijke Orden.
h. Uit het goddelijk recht.
De naleving der evangelische raden, het doel dier vereenigingen, is door Christus zeiven aanbevolen als het groote middel ter volmaaktheid, en de gelofte van hen, die zich daartoe verplichten, is den Heer welgevallig. Wat God goedkeurt en aanbeveelt kan door geen menschelijk gezag verboden of veroordeeld worden, c. Tlit het kerkelijk recht.
De Kerk, die het recht heeft, onafhankelijk van elke andere macht, hare eigen aangelegenheden te regelen en allen den weg ter zaligheid aan te wijzen, heeft ten allen tijde die vereenigingen bevorderd en goedgekeurd.
De Staat heeft derhalve het recht niet, de geestelijke Orden op te heffen, omdat hij daardoor in strijd
zou komen met hoogere rechten. _
301
VII. Niet alleen hebben de klooster-orden recht van bestaan; zij zijn daarenboven zeer nuttig. „Niemand ban het loochenen, dat de religieuse Orden zich sedert het eerste oogenblik barer stichting beroemd gemaakt hebben door talrijke leden, die, uitstekend door de verscheidenheid hunner wetenschappen en de diepte hunner geleerdheid, schitterend in den glans van alle deugden .... voor Engelen en menschen een schouwspel zijn geworden .... Ook nu zijn zij hoogst nuttig, want zij verzorgen, bewaren en voeden wetenschap en kunsten : zij vormen zorgvuldig de teedere, buigzame ziel van het kind tot godsvrucht en goede zeden, vervullen het met gezonde leerj zij brengen de afgedwaalden op den weg des heils terug. Dat is nog niet alles ; de barmhartigheid van Christus aantrekkende, is er niet ééne akte van heldhaftige liefde, welke zij niet, zelfs ten koste van hun leven, beoefenen, om aan de slaven, aan de gevangenen, aan de zieken en stervenden, aan alle ongelukkigen, armen en bedrukten alle hulp te betoonen, hunne smarten te lenigen, hunne tranen af te drogen, kortom, hen op elke wijze te verzorgen en te helpenquot; (Paus Pius IX). Hieruit blijkt, dat de religieuse Orden zeer nuttig zijn. En in den tegenwoordigen toestand der maatschappij zijn zij zelfs noodzakelijk.
Ook die Orden, welke het beschouwende leven leiden, zijn van groot nut voor de wereld, daar zij door gebed en goede werken de rijkste genaden en zegeningen des hemels voor anderen afsmeeken en verwerven en door de voorbeelden van verheven deugd, die zij geven, alle Christenen tot de beoefening der volmaaktheid aanzetten.
VIII. Ofschoon de evangelische raden een voortreffelijk en door Christus bizonder aanbevolen middel ter volmaaktheid zijn, kunnen zij toch niet het eenige middel daartoe genoemd worden: in eiken stand kan men, door verschillende en algemeen toegankelijke middelen, naar de volmaaktheid streven. Immers, als alle menschen worden uitgenoodigd, om een volmaakt leven te leiden, en Christus een voorbeeld voor allen is, dan volgt daaruit, dat allen, wier levensstaat met de opvolging der
302
evangelische raden onvereenigbaar is, andere middelen ter bereiking van de volmaaktheid bezitten.
De voornaamste algtmeene middelen, om tot de volmaaktheid te komen, zij n:
a. het vluchten van elke zonde, ook van de kleinste; het vlijtig aanhoor en van Gods woord^ de geestelijke lezing en overweging, maar vooral het dikwijls gebruik maken van de genademiddelen^ namelijk het gebed en de HH. Sacramenten.
b. De grootmoedige verloochening van zich zelven^ welke met de overwinning zijner lusten onafscheidelijk vereenigd is. Wie aan zijne natuurlijke neigingen herhaaldelijk het geoorloofde genot weigert en zich in de versterving oefent, zal zich gemakkelijk het ongeoorloofde ontzeggen.
c. Het verrichten van onze daqelijksche bezigheden^ de plichten van staat of beroep, in de heiligmakende genade en met eene goede meening^ namelijk om God. »Hetzij gij eet of drinkt^ of iets anders doet^ doet alles ter eere Godsquot;1\'\' (1 Cor. X, 31).
Herinneren wij ons hier aan het woord, waarmede Koning David zijnen zoon Salomon aanspoorde, een volmaakt leven te leiden. »Dien God, mijn zoon /quot; zoo sprak hij, »inet een volmaakt hart en met een bereidvaardig gemoed; want alle harten doorgrondt de Heer en alle gedachten der ziel kent Hijquot;
»!k zelf zegt de Heer, »Ik ben uw beschermer en uw overgroot loonquot; (Gen. XV, 1).
DERDE DEEL.
De genademiddelen.
Ie HOOFDSTUK.
OVER DE GENADE.
§ i-
Over de genade in \'t algemeen.
I. Het woord genade heeft eene dubbele beteekenis. Het kan beteekeuen :
a. de welwillendheid van een voornaam persoon jegens zijnen mindere, en ooW-y^/quot;
h. het bewijs van die welwillende gezindheid, In dezen laatsten zin zijn alle weldaden van Grod genaden, ei*™*--}*.
Naar den verschillenden aard dier weldaden Gods worden ze onderscheiden in natuurlijke en bovennatuurlijke gaven of genaden.
a. Natuurlijke gaven of genaden noemt men die, welke ons vooral tot ons tijdelijk leven en welzijn door God gegeven worden, zooals de vermogens onzer ziel, de vijf zintuigen, de kracht en gezondheid des lichaams, voedsel, kleeding, tijdelijke zegen en ontelbare andere gunsten en gaven.
b. Bovennatuurlijke gaven of genaden zijn die, welke God ons vooral verleent tot ons eeuwig geluk. Zij zijn of wel noodzakelijk, óf ten minste dienstig, om onze eeuwige bestemming te bereiken.
De genade nu, waarover hier gesproken wordt, is de bove?i7iatuurHjke hulp of gave Gods.
II. De bovennatuurlijke gaven Gods worden weder onderscheiden in idtivendige gaven, d. w. z. die buiten den mensch liggen, zooals de menschwording van Christus, de instelling der HH. Sacramenten, enz. en in inwendige, die door den H. Geest onmiddellijk aan de
304
ziel worden medegedeeld, als Hij haar verlicht, sterkt en heiligt.
Niet de ^^itvvendige , maar de inwendige gaven worden in den meest eigenlijken zin genade genoemd.
In dezen zin genomen , verstaan wij door genade : die inwendige, bovennatuurlijke hulp of gave, welke God ons, om de verdiensten van Christus, tot ons eeuwig heil verleent.
III. De genade , in dezen eigenlijken en strengsten zin genomen, wordt verdeeld :
a, in dadelijke of voorbijgaande genade , ook genade van bijstand genoemd, en h. in blijvende of heiligmakende genade, welke ook genade der rechtvaardiging genoemd wordt.
De dadelijke genade bestaat hierin, dat God (op bovennatuurlijke wijze) ons verstand verlicht en onzen wil beweegt, om het kwaad te vermijden en het goed te willen en te volbrengen, Dadelijk of voorbijgaand wordt zij genoemd, wijl zij niet eene blijvende, maar eene oogenblikkelijke inwerking van God op de ziel is.
De blijvende of heiligmakende genade is eene onverdiende en bovennatuurlijke gave, door God ons ingestort , waardoor wij van zondaars rechtvaardigen worden, kinderen Gods en erfgenamen des hemels.
Beide deze genaden worden ons geschonken om de verdiensten van Christus ; maar uit kracht der belofte van Christiis kunnen wij, na de heiligmakende genade ontvangen te hebben, hare vermeerdering door onze goede werken verdienen.
§ 2.
Over de dadelijke genade.
I. De dadelijke genade is voor ons zóó noodzakelijk , dat wij zonder die genade niet het minste ter zaligheid l) kunnen beginnen, voortzetten of voltooien.
]) Hiermede wordt niet gezegd, dat wij zonder de genade volstrekt geen goed kunnen doen. Wij hebben immers door de erfzonde nietö//^ kracht, om goed te doen, verloren. Al het goede evenwel, dat wij doen met onze natuurlijke krachten, kan niet bovennatuurlijk, maar slechts natiutrlijk zijn, en derhalve niet bijdragen tot ons bovennatuurlijk, eeuwig geluk.
305
Deze waarheid, bestreden in de 5e eeuw door Pelagius en zijn aanhang, wordt aldus bewezen :
a. Volgens de leer der H. Schrift zijn wij niet door ons zei ven , maar alleen door een hoogeren, bovennatuurlijken invloed van God, bij machte, iets ter zaligheid te denken, te willen of te volbrengen. In zijn brief, aan de Philippensers leert de H. Paulus (II, IS\'): ^ God is hct^ die in \'! •wirkt èfl het wUltn rn hef, wprhci/ om n\'ille van.zijux^dhchogsiL.\'\'\'\' Christus zelf verzekert: ygt;Zojidcr Mij hint gij niets d^jjj\'\' /quot;Toann. XV, 5).
b. De eeuwige zaligheid is een goed van de bovennatuurlijke orde ; bijgevolg moeten ook de middelen, waardoor wij die zaligheid verwerven , d. z. onze handelingen , bovennatuurlijk zijn \\ want middel en doel moeten altijd met elkander overeenkomen. Doeh , dien bovenna -tuurlijken aard krijgt ons werk eerst door den invloed der genade.
II. „God toil dat alle menschen zalig worden en tot de kennis der waarheid komen\'quot; (1 Tim. II, 4) ; derhalve zal Hij ook aan allen de genade , die daartoe noodig is, mededeelen.
Duidelijk leert dit de H. Schrift en de Kerk.
a. God verleent aan alle rechtvaardigen voldoende genade om hunne verplichtingen te volbrengen en de bekoringen te overwinnen.
* Getrouw is God, die niet zal toelaten, dat gij bekoord wordt boven hetgeen gij kunt; maar Hij zal* met de bekoring, ook de uitkomst geven, om haar te kunnen verdragenquot; (I Cor X, 13).
liet Concilie van Trente leert: »God gebiedt het onmogelijke niet; 7?iaar als Hij beveelt, vermaant Hij ons te doen wat wij kunnen, te bidden om hetgeen wij niet kunnen, en Hij helpt ons, opdat wij kunnen\'\'\'\' (Zitt. 6 hfdst. 2).
b. God schenkt ook den zondaar voldoende genade om zich te be-keeren en zalig te worden. »De Heer heeft geduld met u en wil niet, dat iemand verloren ga, maar dat allen zich tot boetvaardigheid bekeerenquot; (2 Petr. Ill, 9). De Kerkvergadering van Trente leert zonder eenige beperking, dat »degenen, die de verkregen genade der rechtvaardigmaking verloren hebben, weder gerechtvaardigd kunnen wordenquot;. God verlaat derhalve den zondaar nooit in dien zin, dat Hij hem de dadelijke genade geheel onthoudt.
c. Zelfs aan de ongeloovigen, zoowel aan degenen, die de prediking van het Evangelie gehoord, maar verworpen hebben , als aan hen , die nimmer de leer des heils hebben vernomen , verleent God naar tijd en omstandigheden de genade, waardoor zij tot het geloof en de zaligheid kunnen komen.
Volgens de woorden van Christus is het groote zonde het Evangelie te verwerpenquot; (Joann.XVI, 18 en 19). Dit zou het geval niet zijn, als zij, aan wie het gepredikt werd, de genade, die noodig is om te kunnen gelooven, niet ontvangen hadden.
Het bovennatuurlijk geloof is ter zaligheid even noodzakelijk als de vervulling der geboden. Daar God wil, dat alle menschen zalig worden en tot de kennis der waarheid komen, zoo moet ieder die kennis van het geloof kunnen verkrijgen, welke ter zaligheid noodig is. Dit nu is slechts mogelijk, als aan allen de genade daartoe geschonken wordt.
20
306
De H. Schrift getuigt dan ook, dat de heidensche volkeren van Ka-naiin de werking van Christu\'s genade gevoelden. De heidensche hoofdman Cornelius b. v. vernam van een Engel, wat hij doen moest, om zijne zaligheid te bewerken. God heeft velerlei middelen, om die genade mede te deelen , tot zijne beschikking.
III. Cornelius Jansenius (geb. in 1585 te Leerdam) leerde, dat wij in onzen tegenwoordigen toestand, na den zondeval, nooit aan de inwendige genade kunnen wederstaan, dat derhalve nimmer eene op zich zelve voor een goed werk voldoende genade, met welke de mensch kon medewerken, maar die hij versmaadt, door God verleend wordt.
Dat God dikwijls genaden geeft, welke voldoende zijn; doch waaraan de mensch weerstaat, blijkt a. uit de H. Schrift. Christus zegt: »Jerusalem ! Jerusalem ! dat de Profeten doodt, en steenigt degenen, die tot u gezonden zij7i : hoe dikwijls heb Ik uwe kinderen willen vergaderen .... ?naar gij hebt niet gewildquot;\'\'\' (Matth. XXIII, 37). Jerusalem werd streng gestraft, omdat het de aangeboden genade verwierp (Matth. XI, 21. Hand. VII 51).
bm De rechtvaardigen verkrijgen voldoende genade om alle geboden te onderhouden en de bekoringen te overwinnen (zie boven). Toch vallen ook de rechtvaardigen in vele zonden. Derhalve is het zeker, dat de genade dikwijls, door de schuld der menschen, zonder uitwerking blijft, dat men aan de genade kan wederstaan.
De leer van Jansenius is daarom door den H. Stoel veroordeeld.
IV. Uit het voorgaande blijkt dus :
1°. dat de dadelijke genade voor alle menschen volstrekt noodzakelijk is, om iets verdienstelijks voor den hemel te doen;
2° dat God aan alh menschen voldoende genade ter zaligheid verleent;
3° dat die genade \'s menschen vrijheid niet wegneemt, wijl hij de genade kan verwerpen;
4° dat het voor ons allen noodzake! jk is, de aangeboden genade met een dankbaar hurt aan te nemen, en met die genade zóó mede te werken, dat wij inderdaad onze heerlijke bestemming bereiken. „ Wij vermanen uquot; schrijft de Apostel aan die van Corin-the (2 br. VI, 1), „dat gij de genade Gods niet te vergeefs ontvangt.\'quot;
§ 3.
Over de heiligmakende genade.
I. De heiligmakende genade is, zooals we reeds zeiden, eene onverdiende bovennatuurlijke gave, door God
307
ons ingestort, waardoor icij van zondaars rechtvaardigen, kinderen Gods en erfgenamen des hemels worden.
1°. Luther en zijne aanhangers leerden, dat door de heiligmakende genade de zonde niet weggenomen, maar om de verdiensten van Christus, alleen bedekt en slechts niet meer toegerekend wordt.
Die leer is in lijnrechte tegenspraak met het woord der H. Schrift. In den Bijbel is geen spraak van bedekken of niet toerekenen der zonde, maar uitdrukkelijk van zonden, die worden uitgeroeid (Is XLIII. 25), weggenomen, in de diepte der zee verzwolgen (Mich. VII, 19). God doet ze verdwijnen als een wolk, als een nevel (Is. XLIV. 22). De zondaar wordt afgewasschen (1 Cor. VI, 11), gereinigd (1 Joan. I, 7), wit als sneeuw (Fs. L, 9), zoodat niets veroordeelingswaardigs in hem overblijft (Rom. VIII, 1).
Vandaar dat het Concilie van Trente leert: „Indien iemand loochent, dat door de, genade \'van Jesus Christus, welke in het Doopsel tuordt medegedeeld, de erfzonde vergeven \'wordt; of beweert, dat al datgene, iaat het wezen der zonde uitmaakt, niet uitgedelgd, maar slechts hedekt of niet toegerekend wordt, hij zij in den banquot; (5e zitt. can. 5).
Wat het Concilie hier zegt over de erfzonde, geldt evenzeer van alle andere zonden (Zie 6e zitt. can. 11).
2°. Volgens de katholieke leer wordt de menscli door de heiligmakende genade niet alleen gezuiverd van zijne zonden, maar, overeenkomstig de belofte des Heeren, geestelijker wijze vernieuwd en ook waarlijk geheiligd. Hij verkrijgt een nieuw, een hemelsch leven ; hij is in staat gesteld om werken te verrichten, die Gode aangenaam zijn; hij is verrijkt met de kostbaarste gaven des H. Geestes, ja in zekeren zin, aan de goddelijke natuur deelachtig geworden.
De Apostel toch zegt van de gerechtvaardigden, dat zij niet slechts afgewasschen, maar ook »geheiligd zijn in den Geest van o?2ze?i God\'\'\'\' (1 Cor. VI, 11) : dat «de H. Geest overvloedig in hen is uitgestort\'\' (Tit. Ill, 5) * dat zij »de volheid der gaven en der rechtvaardigheid ontva7igen hebbenquot; (Rom. V, 17) ; en de H. Petrus (2 br. I, 4), dat zij »aan de goddelijke natuur deelachtig wordenquot;
III. Kinderen, die de jaren van verstand niet bereikt hebben, komen, zonder eenige medewerking van hunnen kant, alleen door het H. Doopsel, in het bezit der heiligmakende genade.
308
Zij daarentegen, die het gebruik hunner rede hebben, zijn verplicht zich voor te bereiden tot het ontvangen der heiligmakende genade, door mede te werken met de voorkomende genade Gods,1) welke zooals wij gezien hebben, aan den zondaar niet onthouden wordt, en ook noodzakelijk is tot zijne bekeering.
De zondaar, die gerechtvaardigd wil worden, moet zich daartoe voorbereiden en wel :
1° door het geloof.
* Zonder Jut geloof is het onmogelijk^ aan God te behagenquot; (Hebr. XI. 6) 5 derhalve ook onmogelijk door de rechtvaardigmaking welgevallig aan God, kind van God te worden. Het geloof is »hct begin des hei Is ^ grondslag en luortel van alle rechtvaardigingquot; zegt het Concilie van Trente.
2°. De zondaar moet van de goddelijke barmhartigheid vergiffenis hopen, hij moet beginnen God lief te hebben, berouw hebben over zijne zonden en het voornemen maken om een nieuw en beter leven te leiden.
Dit leert de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 6. can. 9 en hoofdst. 6), en de H. Schrift zegt; vDoet boete en bekeert u, of dat uwe zonden gedelgd wordêti.quot; (Boetvaardigheid veronderstelt de hoop, een begin van liefde, berouw en een goed voornemen).
3°. D 3 zondaar moet het H. Sacrament des Doopsels of der- Biecht ontvangen, of, als daartoe de mogelijkheid niet bestaat, met het verlangen naar die Sacramenten een volmaakt berouw verwekken. Door de genade van deze HH. Sacramenten worden terstond de zonden weggenomen en de inwendige vernieuwing en heiliging van den mensch voltrokken.
IV. De heiligmakende genade kan verloren worden, en zij wordt inderdaad verloren door de doodzonde. De HL Schrift leert ons dit, als zij de rechtvaardigen vermaant zich te hoeden voor den eeuwigen dood (Matth. X, 28), of voor den val in de zonde (1 Cor. X, 12), en als zij spreekt van hen, die door zware zonden van vrienden Gods zijne vijanden geworden zijn.
Dr bewering, dat hij, die eens gerechtvaardigd is, de genade niet
1
Meer hierover bij het H. Doopsel en de Biecht.
309
meer kan verliezen, is derhalve in strijd met de Openbaring, en werd door het Concilie van Trente veroordeeld (3e Zitt, can. 23). Valsch is eveneens de leer, dat de heiligmakende genade alleen door de zonde van ongeloof kan verloren worden. Niet enkel de ongeloovigen, maar ook ygt;de ontuchtigefi, de dieven, de rooversquot;, zullen van het hemelrijk uitgesloten worden, zegt de H. Schrift (1 Cor. VI, 9).
V. De heiligmakende genade wordt bewaard en vermeerderd door goede iverhen,
leder, die zich beijvert, naar vermogen het goede te doen, zal daardoor van zelf verwijderd blijven van het kwaad, en niet licht in doodzonde vallen. Werd de heiligmakende genade door de goede werken niet vermeerderd, dan zouden de woorden der H. Schrift:
»Wie rechtvaardig is, worde nog rechtvaardiger, e?i wie heilig is, worde nog heiligerquot; (Openb. XXII, 11), zonder zin en beteekenis zijn.
§ 4.
Over de vruchten der heiligmakende genade en over de verdienstelijkheid der goede werken.
I. De vruchten der heiligmakende genade zijn de goede xverken, d. w. z. werken, die verdienstelijk zijn ter zaligheid. Immers de heiligmakende genade is onafscheidelijk met de liefde vereenigd, en deze drijft ons aan tot werken van liefde. De rechtvaardige, met de goddelijke liefde bezield, brengt verdienstelijke werken voort, gelijk een goede boom goede vruchten draagt.
Dat de goede werken ter zaligheid noodzakelijk zijn, werd vroeger aangetoond.
II. De goede werken van den rechtvaardige bezitten eene ware verdienstelijkheid bij God.
a. In de H. Schrift wordt gesproken van een loon, dat overeenkomstig den arbeid is. «Verheugt en verblijdt u, want uw loon is groot in den hemelquot; (Matth* V, 12). «Een ieder zal zijn loon naar zijnen arbeid ontvangenquot; (I Cor. UI, 8).
b. Hetzelfde leert de Kerk in verscheidene Conciliën, voornamelijk in dat van Trente (Zitt. 6. Can. 32).
III. Tot de verdienstelijkheid van een goed werk wordt gevorderd ;
310
a. van den kant van God: de helofte van een loon : want eene in strengen zin verdienstelijke handeling is slechts die, welke aan hem, voor wien zij geschiedt, eene verplichting om het loon te geven oplegt. God nu kan alleen dan in zekeren zin tot iets verplicht zijn, als Hij zelf zich door belofte daartoe wil verbinden.
h. Van den kant van den mensch wordt gevorderd : 1°. dat hij zich nog in den proeftijd dezes levens bevinde; want bij den dood begint „de nacht, waarin niemand werken kan\'\' (Juan IX, 4) ;
2° dat hij de heiligmakende genade hezitte. „Gelijk de wijnrank geene vruchten kan voortbrengen, tenzij zij aan den icijnstok vastblijve, zoo ook gij niet, als gij met Mij niet vereenigd blij ft.\'1
c. Van den kant van het icerk wordt gevorderd : 1° dat het met vrijheid (zonder uitwendigen dwang of innerlijke noodzakelijkheid) verricht worde (Eccli. XXXI, 10).
2°. Dat onze handeling in haar voorwerp, haar doel en hare omstandigheden zedelijk goed zij ; want op loon kan slechts aanspraak maken, wat aangenaam is aan God. Dusdanig is alleen die handeling, welke in geheel haar wezen goed is; als zij onder één opzicht fewaad is, kan zij Gode niet aangenaam zijn.
3° Het werk moet bovennatuurlijk zijn, d. i. uit de genade en eene door het geloof gekende beweegreden voortkomen; want enkel eene bovennatuurlijke hande ling staat in verhouding tot een bovennatuurlijk loon.
NB. Zijn de genoemde voorwaarden alle aanwezig, dan is het werk verdienstelijk in den eigenlijken en strengen zin. Ontbreekt de goddelijke belofte of eene der voorwaarden van den kant van den handelenden persoon, dan kan slechts spraak zijn van verdienste in een ruimeren zin, uit eene zekere billijkheid.
IV. Wat verdient men door de goede werken, welke men in staat van genade verricht?
1°. De vermeerdering der heiligmakende genade ;
2°. de eeuwige zaligheid ;
3°. de vermeerdering van glorie in den hemel.
311
Toch blijft het waar, dat de zaligheid tegelijk een geschenk der vrije goedheid Gods en een er/cfceZ is. Zij is een geschenk, wijl Gods liefde oes eene bovennatuurlijke zaligheid bereid heeft, en de genade, met wier hulp wij de goede werken verrichten, een geschenk Gods is. Zij is een erfdeel, wijl Christus de zaligheid voor ons door zijn kruisdood verworven heeft.
Wij hebben nu geleerd, dat de genade Gods voor alle menschen noodzakelijk is om zalig te worden, alsmede, dat God in zijne liefde bereid is, aan allen en een ieder de noodige genade te verleenen. Daar God de eenige bron van alle genade is, staat het Hem vrij ze ons mede te deelen op die wijze en onder die voorwaarden, welke Hem behagen. Werkelijk zien wij dan ook, dat God vele genaden geeft, zonder dat de mensch van zijnen kant daartoe iets bijdraagt, zooals de voorkomende genade tot het gebed, het geloof en de bekeering, enz. Andere genaden wil Hij ons alleen schenken onder voorwaarde, dat wij er Hem om hidden; weder andere genaden heeft Hij aan het gebruik der HH. Sacramenten verbonden.
Over deze beide genademiddelen zal thans gesproken worden.
IIde HOOFDSTUK.
over de hh. sacramenten.
§ 1-
Over de TT FT. Sacramenten in \'t algemeen.
1. Een Sacrament is een uitwendig teek en, door Christus ingesteld, waardoor eene hizondere genade aangeduid en gegeven wordt.
Tot het wezen van een Sacrament behoort dus ;
1°. een uitwendig teeken van eene inwendige heiliging ;
2«. dat teeken moet de kracht hebben, de inwendige heiliging, welke het aanduidt, ook inderdaad te bewerken, en ^ fO u» gt;: /OJ , amp;x. fruwh*.
8°. het moet door Christus zijn ingesteld.
312
Het eerste vereischte van een Sacrament is een uitwendig teehen.
Een teeken is eene j;aak, welke onder het bereik der zintuigen valt, door welke iets anders wordt aangeduid, waaraan men iets anders erkent. De rook b. v. is een teeken of eene aanduiding van vuur; onze woorden zijn teekenen van onze gedachten, enz. Ook de HH. Sacramenten zijn uitwendige teekenen, d. w. z. teekenen, welke door eenig zintuig, als gezicht, gehoor, gevoel, kunnen waargenomen worden, en die de genade, welke wordt medegedeeld, uitwendig voorstellen en aanwijzen.
Bij alle HH. Sacramenten bestaat het uitwendig zichtbare teeken uit de stof of materie, d. i. uit de zaak of handeling, welke onder het bereik der zintuigen valt (b. v. bij het Doopsel de afwassching met water), en uit den vorm, d. i., (ten minste in den regel) uit de voorgeschreven en hoorbare woorden, welke bij de toepassing der stof gesproken worden. Deze twee bestanddeelen, materie en vorvi, maken samen het uitwendige, zichtbare teeken uit, en zijn beide even noodzakelijk tot het wezen van een Sacrament. „Neem het woord wegquot; zegt de H. Augnstinus aangaande het Doopsel, „wat is het water anders dan water ? Het woord komt hij het element (bij het water), en het wordt een Sacrament.quot;
2°. Het tweede vereischte van een Sacrament is, dat aan het uitwendige teeken die inwendige genade, welke door dat teeken wordt aangeduid, zoo nauw verbon-den zij, dat op het oogenblik zelf der toepassing van het uitwendig teeken , ook de ziel geheiligd en met genaden verrijkt wordt1).
3o. Wordt tot een Sacrament vereischt de instelling
1
Dewijl de uitwendige teekenen de aangeduide genade inderdaad uitwerken, mits geen enkel beletsel voor de werking der genade gesteld worde, dragen zij ook den naam van krachtdadige of werkda-digc teekenen. Hieruit blijkt eveneens, waarom de zoogenaamde Sacramenten van het Oude Verbond geen eigenlijke Sacramenten waren. Zij konden de genade niet uitwerken.
313
door Christus. Uit zich zeiven hebben de zichtbare teekenen, b. v. de afwassching, enz., volstrekt geene kracht, om de ziel van zonden te zuiveren of heilig te maken. Die kracht kan door niemand ter wereld, zelfs door de Kerk niet. verleend worden. God alleen is bij machte aan het uitwendige teeken de inwendige genade te verbinden, Hij alleen kan Sacramenten instellen.
II. Waarom heett Christus tot mededeeling zijner genade uitwendige teekenen ingesteld ?
1°. Vooral opdat wij een zichtbaar onderpand dei-inwendige, onzichtbare genade zouden hebben:
2°. opdat wij door de deelneming aan dezelfde genademiddelen onze gemeenschap met de ééne Kerk van Christus zouden toonen.
III. Welke genaden werken de HH. Sacramenten uit ?
a. Het antwoord op deze vraag geeft het Concilie van Trente, als het leert, dat door de HH. Sacramenten alle gerechtigheid óf begint, óf de bestaande vermeerderd, of de verlorene teruggegeven ivordt.
b. Behalve de heiligmakende genade of de vermeerdering dier genade, geeft elk Sacrament nog eene bi-zondere genade overeenkomstig het bizonder doel, waartoe het is ingesteld. Zoo verkrijgen wij b. v. door het H. Oliesel niet alleen de vermeerdering der heiligmakende genade, maar ook kracht voor den laatsten strijd tegen den vijand onzer zaligheid.
Deze aan elk Sacrament eigen genade, welke ook sacramenteele genade genoemd wordt, strekt zich derhalve niet enkel uit tot het oogenblik, waarop men dat Sacrament oiatvangt, maar tevens tot een lateien tijd, wanneer men die genade vooral zal behoeven.
IV. De HH. Sacramenten brengen geene genade voort, als zij ongeldig of omoaardig ontvangen worden.
A. Een Sacrament kan ongeldig zijn, van den kant van den persoon, die het ontvangt of die het toedient, en ook wel door gebrek in de stof of den vorm.
a. Van den kant van dengene, die een Sacrament ontvangt, is het ongeldig :
314
1° als hij, die eenig Sacrament, uitgenomen het H. Doopsel, ontvangen wil, nog niet gedoopt is ;
2» als hem, zoo hij tot de jaren van verstand is gekomen, de ernstige wil ontbreekt om het Sacrament, dat hem wordt toegediend, werkelijk te ontvangen ;
8° als hij de vereischten mist, die voor de geldigheid van een of ander Sacrament in \'t bizonder noodig zijn; b. v. wie niet gevaarlijk ziek is, kan het H. Oliesel niet geldig ontvangen.
h. Van den kant van hem. die een Sacrament toedient, is het ongeldig ;
1D als hij niet de noodige meening heeft om een Sacrament toe te dienen, namelijk om datgene te doen, wat de Kerk doet;
2° als hij de macht, welke ter toediening van zekere Sacramenten noodzakelijk is, niet verkregen of verloren heeft.
c. Door gebrek in de stof oi in den vorm zijn de Sacramenten ongeldig en diis van geene waarde , als niet de stof, die Christus heeft voorgeschreven , wordt gebruikt (b. v. als men met wijn zou doopen) , of als de voorgeschreven vorm weggelaten of wezenlijk veranderd wordt.
B. De HH. Sacramenten, ofschoon geldig toegediend, brengen geene genade voort in degenen , die ze onwaardig ontvangen
Onwaardig wordt b. v. het Doopsel ontvangen , wanneer bij volwassenen de noodzakelijke voorbereiding ontbreekt, hoewel de wil om het geldig te ontvangen aanwezig is.
Het H. Sacrament des Altaars wordt onwaardig ontvangen door hen, die in staat van doodzonde tot de H. Tafel naderen.
N. B. 1°. Eenige Sacramenten, geldig, maar onwaardig ontvangen , blijven niet zonder uitwerking. Het Doopsel namelijk , het Vormsel en het H. Priesterschap drukken in de ziel altijd een onuitwischbaar merkteeken; en het H. Sacrament des Huwelijks verbindt ook hen, die het geldig , doch onwaardig ont-
315
vangen, tot aan den dood van één der gehuwden, met een onverbreekbaren band.
De drie genoemde Sacramenten, welke een onuit-wischbaar merkteeken in de ziel drukken en derhalve niet herhaald mogen worden , kunnen als zij geldig, doch onwaardig ontvangen zijn, later herleven , d. i. hunne volle werking der genade voortbrengen. Dit geschiedt, zoodra het beletsel, hetwelk oorzaak was, dat zij vruchteloos ontvangen werden, wordt weggenomen. Hetzelfde mogen wij aannemen omtrent het H. Oliesel j en het Huwelijk.
Wie met kennis en vrijen wil een H. Sacrament ongeldig of onwaardig ontvangt, maakt zich schuldig aan eene zeer groote zonde van heiligschennis.
2°. De werking der HH. Sacramenten hangt niet af van de waardigheid of onwaardigheid der bedienaren; want de HH. Sacramenten ontleenen hunne kracht niet aan hem, die ze toedient, maar alleen aan Christus, die daaraan de genade onafscheidelijk verbonden heeft. Zoo leert het Concilie van Trente, in de 7de zitting , canon 12.
V. Onze goddelijke Heiland heeft zeuerc HH. Sacramenten ingesteld, namelijk : Het Doopsel, het Vormsel, het FJ. Sacrament des Altaars , de Biecht, het H. Oliesel, het Priesterschap en het Huwelijk.
Dat er niet meer of niet minder dan deze zeven Sacramenten door Christus zijn ingesteld, leert de Kerk in het Concilie van Trente (7de zitting, canon 1), en dit wordt door de H. Schrift en door de Overlevering bevestigd.
Indien iemand wilde beweren , dat er in den loop der eeuwen eenige Sacramenten zijn ingevoerd en andere afgeschaft, dan zou op hem voorzeker de verplichting rusten, om aan te toonen, wanneer, door wien en hoe deze nieuwe leer in de Kerk is gekomen.
Dat zal echter altijd onmogelijk blijven.
VI. Door dit zevental Sacramenten wordt in alle geestelijke behoeften van den mensch voorzien.
In zonde geboren, heeft hij noodig, dat hij op eene geestelijke wijze
316
herboren worde, en aldus het bovennatuurlijke leven ontvange. Hiertoe dient het H. Doopsel.
Later heeft hij kracht noodig, om dat leven zijner ziel te bewaren ; hij moet gesterkt worden in den strijd tegen de vijanden of de gevaren des geloofs. Hiertoe ontvangt hij het H. Vormsel.
Ook heeft hij behoefte aan een geestelijk voedsel, dat zijne krachten bewaart, vernieuwt en vermeerdert: het H. Sacrament des Altaars.
Het leven der ziel kan verloren worden. Bij dat ongeluk heeft de Christen behoefte aan een middel, waardoor het verloren leven hem wordt teruggeschonken : de Biecht.
Als het lichaam gevaarlijk ziek is, zal de ziel, meer dan in gezonde dagen, aan vele gevaren blootgesteld zijn. Dan vooral heeft de mensch een steun noodig in den laatsten en gevaarlijksten strijd tegen den boozen geest, en dien steun vindt hij in het H. Oliesel.
De Kerk moet leden hebben, die de macht bezitten om aan de andere ledematen de HH. Sacramenten toe te dienen, hen te beschermen en te geleiden op den weg ter zaligheid. Die macht wordt verleend door het Priesterschap.
Het Sacrament des Huwelijks stort zegen en genade uit over de echtvereeniging, opdat de gehuwden in staat zijn, hunne verplichtingen behoorlijk te vervullen, en hunnen kinderen eene christelijke opvoeding te geven.
VII. De HH. Sacramenten worden ondersclieiden :
1« in Sacramenten der levenden en Sacramenten der dooden.
Levend noemt men deugene, die het leven der genade bezit, die in staat van genade is ; dood daarentegen hem, die nooit de heiligmakende genade bezeten heeft, zooals de ongedoopte, of die genade door eene doodzonde heeft verloren.
Sacramenten der levenden zijn dus die Sacramenten, welke de Christen alleen dan ontvangen mag, als hij naar de ziel levend is, d. i. zich in staat van genade bevindt.
Deze Sacramenten zijn : het Vormsel, het H. Sacrament des Altaars, het H. Oliesel, het Priesterschap en het Huwelijk,
Sacramenten der dooden zijn die, welke men. zonder het leven der ziel te bezitten, in staat van doodzonde mag ontvangen, namelijk het Doopsel en Hlq Biecht1).
1
Die het H. Sacrament der Biecht in staat van genade ontvangen, verkrijgen eene vermeerdering der heiligmakende genade.
317
2«. In Sacramenten , welke men maar eens in zijn leven mag ontvangen ; het Doopsel, het Vormsel en het Priesterschap, en in Sacramenten, die men meermalen ontvangen mag, namelijk de vier overigen.
De eerst genoemde Sacramenten kunnen slechts eenmaal ontvangen worden, omdat zij, zooais het Concilie van Trente (zitt. 1. Can. 9) leert, in de ziel van den mensch een blijvend en onuitwischbaar rnerktee-ken drukken, waardoor hij onderscheiden is en blijft van hem, die deze HH. Sacramenten niet heeft ontvangen.
Door het Doopsel verkrijgt men de waardigheid van kind van Grod en de H. Kerk ; door het Vormsel de waardigheid van strijder van Jesus Christus, en door het Priesterschap de verheven waardigheid van dienaar der Kerk en leidsman der strijdenden.
VIII. Dewijl de mensch zich zonder uitwendige hulpmiddelen niet gemakkelijk geestelijke uitwerkingen kan voorstellen, heeft onze Moeder de H. Kerk, sinds den tijd der Apostelen , bij de toediening der HH. Sacramenten zekere plechtigheden gebruikt en ook voorgeschreven.
Die ceremoniën dienen alzoo, om onzen eerbied voor de Sacramenten te verhoogen en ons de kracht dier genademiddelen duidelijker voor oogen te stellen.
Het Concilie van Trente spreekt de veroordeeling uit over hen, die beweren, dat de bepaalde ceremoniën willekeurig kunnen weggelaten of veranderd worden.
Gewis zijn wij aaa onzea Verlosser eeuwige dankbaarheid verschuldigd J voor de instelling der HH. Sacramenten. Die dankbaarheid moeten wij vooral toonen, door alle Sacramenten naar waarde hoog te schatten, door : ze steeds met de vereischte voorbereiding en godsvrucht te ontvangen, i Ook moeten wij trachten de heiligmakende genade, die ons werd me-i degedeeld ot in ons vermeerderd, als den kostbaarsten schat te bewaren en de verkregen bizondere genade getrouw te gebruiken.
318
OVER ELK SACRAMENT IN \'T BIZONDER.
§ i-
Over het H. Doopsel.
Het Doopsel is het eerste en noodzakelijkste Sacrament, in hetivelk de mensch, door de uitwendige afwassching en de aanroeping der heilige Drievuldigheid, van de erfzonde en van alle andere zonden en schulden gezuiverd xoordt.
I. Het Doopsel is eeu Sacrament\', want hetbezit de drie vereischten van een Sacrament, namelijk :/ielt; mi-zoendig teeken, de mededeeling der genade, en de instelling van Christus.
1° Het uitwendig teeken van het Doopsel bestaat in de afwassching met water en de woorden ; „Ik doop u in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes^ (Matth. XXVIII, 19).
Tot de geldigheid van het Doopsel is gewoon, natuurlijk water voldoende ; maar de Priester moet, als het kan, doopwater gebruiken, namelijk water, dat op Zaterdag voor Paschen of Pinksteren gewijd is en in de doopvont bewaard wordt.
Bij den nooddoop in huis behoort men, als dit zonder vertraging geschieden kan, gewijd water te gebruiken.
Men moet bij het doop en zooveel water gebruiken, dat er inderdaad eene afwassching plaats heeft, en wèl, als dit maar eenigszins kan geschieden , van het hoofd van den doopeling!).
Aangaande de ivoorden dient opgemerkt te worden, Heit dezelfde persoon, die de afwassching doet, de woorden: „Ik doop uin den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestesquot;, zonder eenige verandering en gelijktijdig moet uitspreken.
2°. De inwendige genade , welke het Doopsel mede-
1) Alleen liet Doopsel, waarbij het hoofd afgewasschen is, kan als zeker geldig gehouden worden.
319
deelt, bevat, behalve de indrukking van het onuit-wischbaar merkteeken :
a. de vergeving van alle zonden en van alle straften ;
h. de geestelijke vernieuwing en heiliging der ziel;
c. de vereeniging met Christus en zijne Kerk;
d. de noodige sterkte om christelijk te leven.
«, Door het H. Doopsel wordt niet alleen de erfzonde, maar worden ook alle andere zonden, vóór het Doopsel bedreven, kwijtgescholden.
«Doet boetvaardigheid en ecu ieder van n late zich doopen ter vergiffenis uwer zonden\'11 (Hand. II, 38).
Aan de kinderen, die de jaren van onderscheid niet bereikt hebben, wordt de genade des Doopsels altijd in al hare volheid medegedeeld j aan hen, die het gebruik van hun verstand hebben, alleen, als zij het Sacrament ontvangen na de vereischte voorbereiding, d. i. als zij behoorlijk onderwezen zijn in het geloof, en berouw hebben over hunne zonden. Elke vrijwillige gehechtheid aan de zonde is een beletsel voor de werking der genade.
Wanneer iemand aan eene doodzonde gehecht blijft, kan hij onmogelijk vergeving van de erfzonde en andere zonden verkrijgen: zoo ook kan degene, die voor de dagclijksche zonden, welke hij bedreven heeft, vrijwillig genegenheid bewaart, geene vergeving erlangen van die zonden en van de straffen, welke hij daardoor verdiend heeft.
h. Het tweede uitwerksel van het Doopel is:
de geestelijke vernieuwing en heiliging van den mensch.
Naar de leer van den H. Paulus is het Doopsel niet alleen de dood, het graf der zonde, maar tevens het begin van een nieuw leven, de opstanding van den nieuwen mensch (Rom. VI). Daarom wordt dit Sacrament ook het bad der wedergeboorte genoemd.
De Kerkvergadering van Trente leert eveneens, »dat dc rechtvaardig-making Cdoor het H. Doopsel) niet alleen vergiffenis der zonde is, maar ook de heiliging en vernieuwing van den inwendigen menschquot; C6e zitt. 7e hoofdst), en voegt er verder bij : »de mensch o?itvangt in de rechtvaar digmaking door Jesits Christus, tegelijk met de vergiffenis der zonde het geloof, de hoop en de liefdequot;.
c. Het derde uitwerksel van het Doopsel is : de vereeniging met Christus en zijne Kerk.
De H. Paulus schrijft aan de Galaten: Gij allen die in Christus gedoopt zijt^ zijt één in Christus jestis\'\' (III, 37). Christus wordt in de H. Schrift het hoofd der Kerk, en de Kerk zijn lichaam genoemd; dewijl nu de ledematen van een lichaam allen onder elkander in liet nauwste verband staan, zoo worden ook wij door het H. Doopsel met alle ware leden der Kerk in de innigste vereeniging opgenomen, welke de gemeenschap der Heiligen genoemd wordt.
320
De Kerk bestaat, zooals wij vroeger gezien hebben, uit lichaam en ziel. Het Doopsel bewerkt de volkomen vereeniging met de Kerk van Christus mits er aan de volle werking van het H. Sacrament geen beletsel gesteld worde. Daarom zegt de H. Schrift (Hand, II, 41) van hen, die het woord van Petrus geloovig aannamen, dat zij met de Kerk verbonden werden.
Deze vereeniging met Christus, die opneming in het Godsrijk verleent aan de ziel een ofiiiitwischbaar merkteeken of karakter
d. Behalve deze genaden, verkrijgen wij door het Doopsel nog de sacrmnenteele genade, welke gegeven wordt om een christelijken levenswandel te leiden.
De gedoopte heeft ook de bevoegdheid om deel te nemen aan de overige Sacramenten, alsmede het recht op de gemeenschappelijke goederen der Kerk en op de de bovennatuurlijke zaligheid.
3°. Het Doopsel is door Christus ingesteld.
Het juiste tijdstip der instelling kan niet met zekerheid worden aangegeven ; naar de meening der HH. Vaders vond zij plaats, toen Christus zelf in de Jor-daan gedoopt werd.
De verplichting, om dit Sacrament te ontvangen , begon eerst, toen Christus bij zijne hemelvaart aan de Apostelen het bevel gaf: „Gaat en leert alle volkeren en doopt hen in den naam des Vaders , en des Zoons , en des H. Geestesquot; (Math. XXVIII, 19).
II. Het Doopsel wordt genoemd het eerste Sacrament, omdat men vóór het Doopsel geen ander Sacrament geldig ontvangen kan.
Het Concilie van Florence noemt het Doopsel .,de deur van het geestelijk leven.quot; Alle andere Sacramenten zijn ingesteld, om dat leven te vermeerderen of, als het verloren is, terug te geven. Noch het een , noch het ander kan gebeuren , als niet eerst door het Doopsel het bovennatuurlijke leven aan de ziel geschonken is.
III. Het Doopsel is bet noodzakelijkste Sacrament, omdat niemand zonder Doopsel zalig kan worden.
a. Duidelijk leerde dit de goddelijke Heiland Foo?--xoaar, vooncaar, Ik zeg u, zoo iemand niet herhoren ivordt uit het water en den H. Geest, kan hij het rijk Gods niet hinnengaanquot; (Joan. III).
h. Ook de H. Kerk heeft altijd geleerd , dat het
321
Doopsel des waters voor allen, ivia ook voor de pas geboren kinderen, noodzakelijk is ter zaligheid, en zij heeft in het Concilie van Trente (5e zitt. can. 4) de veroordeeling uitgesproken over hen, die beweerden , dat de kinderen niet moeten gedoopt worden, vóórdat zij tot de jaren des onderscheids zijn gekomen.
Aangaande het lot der kleine kinderen^ die zo?ider Doopselsteiutfi^ heeft God ons niets geopenbaard. De H. Kerk leert alleen, dat zij niet tot de aanschouwing van God kunnen komen, maar ook niet deelen in het lot van degenen, die persoonlijk gezondigd hebben. Met den H. Thomas van Aquine mogen wij aannemen, dat zij niet enkel vrij zijn van de pijnen der hel, maar ook, dat hun toestand zoodanig is-, dat zij op natuurlijke wijze gelukkig zijn, zich verheugen in het leven^ hun door God geschonken en Hem eeuwig daarvoor danken zullen.
IV. Hoe algemeen de uitspraak des Heeren over de noodzakelijkheid van het Doopsel des waters ter za-ligkeid ook zij, moet deze toch met eene tweevoudige beperking, op de H. Schrift en de Overlevering gegrond, worden opgenomen.
Als het geheel onmogelijk is, het Doopsel des waters te ontvangen, dan kan de menscb gerechtvaardigd en dus zalig worden door het Doopsel van begeerte en door het Doopsel des bloeds.
1°. Door het Doopsel van begeerte verstaat men de volmaakte liefde tot God en het volmaakte berouw over de bedreven zonden met het besluit, alles te doen, wat God bevolen heeft om zalig te worden. Daarin nu is de wil opgesloten, om het H. Sacrament des Doopsels te ontvangen , zoodra de mogelijkheid daartoe bestaat.
Christus heeft aan de volmaakte liefde de rechtvaardiging, derhalve ook de kwijtschelding der eeuwige straf, toegezegd; »Wie Mij bemint, zal door mijn Vader bemind worden, en Ik zal hem beminnen. Als iemand Mij lief heeft, dan zal hij mijn -woord onderhouden, en mijn Vader zal hem beminnen en Wij zullen tot hem komen en onze woning bij hem nemenquot; (Joan. XIV, 21, 23.). Waar de liefde is, daar zal ook haat en afschuw zijn van datgene, waardoor de beminde beleedigd wordt, bijgevolg berouw, zonder hetwelk de persoonlijke zonde nooit vergeven wordt. — Ook het Concilie van Trente leert in denzelfden zin, dat, na de verkondiging van het Evangelie, de rechtvaardigmaking niet anders dan door het Doopsel of het verlangen daarnaar plaats heeft. Het is evenwel niet noodig, dat men een uitdrukkelijk verlangen heeft om gedoopt te worden; het verlangen om alles te doen, wat God vraagt,
21
322
is voldoende. Zoo kan een heiden, die nimmer van het Doopsel hoorde, de zaligheid verwerven.
2°. Het Doopsel des hloeds is de marteldood ter wille van Christus. Dit Doopsel veronderstelt dus , dat de ongedoopte den dood sterve of eene doodelijke marteling onderga om het geloof aan Christus of om eene andere christelijke deugd.
Het Doopsel des hloeds schenkt kwijtschelding van de zonden en van alle straffen.
a. Christus belooft het eeuwige leven als prijs van den marteldood: » Wie zijne ziel (zijn leven) om mijnentwil verliest, die zal haar (het) vinden\'\'\'\' (Matth. X, 39). Dit woord des Heeren geldt van volwassenen en kinderen.
b. De H. Kerk spreekt, door hare wijze van handelen, de overtuiging uit, dat allen, die het Doopsel des bloeds ontvangen, gerechtvaardigd worden, ja zelfs de kwijtschelding der tijdelijke straffen verwerven. Zij vereerde steeds als Heiligen de onschuldige kinderen, die door Herodes vermoord zijn, en zij achtte het, met den H, Augusti-nus, eene beleediging voor de Martelaars te bidden.
N.B. Uit het gezegde blijkt, dat het Doopsel van begeerte en des bloeds geen Sacramenten zijn, en bijgevolg geen merkteeken in de ziel drukken.
V. a. De gewone bedienaar van dit Sacrament is op de eerste plaats de Bisschop. Immers aan de Apostelen en aan hunne opvolgers, de Bisschoppen, gaf Christus het bevel, alle volkeren te leeren en te doopen,
b. De gewone bedienaar is op de tweede plaats de Priester.
De buitengewone bedienaar is de Diaken, die echter om plechtig te doopen volmacht noodig heeft (Hand. VIII, 38).
c. Voorts kan ieder mensch, man of vrouw, katho-liet, protestant of ongeloovig, geldig doopen. De uitspraken der Kerk laten hieromtrent niet den minsten twijfel.
In tijd van nood, als er gevaar bestaat, dat iemand zonder Doopsel zal sterven, is de leek, bij afwezigheid van den Priester of den Diaken, niet alleen bevoegd, maar zelfs verplicht, het Doopsel toe te dienen.
In dit geval moet echter aan den gewijde boven den leek, aan den Katholiek boven den onkatholiek, aan den man boven de vrouw de
O.) O
O Jo
voorrang worden gegeven, tenzij de laatste beter in staat zij naar behooren te doopen, of de omstandigheden het vorderen, dat niet de man, maar de vrouw den nooddoop toedient. Vader en moeder komen op de laatste plaats, zij mogen alleen doopen, als er niemand anders bijtijds aanwezig is.
Duidelijk leert het Concilie van Trente, dat ook het Doopsel, door een ketter behoorlijk toegediend, geldigis.
Vandaar dat het Doopsel, door een Protestant toe gediend, niet herhaald wordt, tenzij er reden besta, om aan de geldigheid te twijfelen, wat vooral in onzen tijd niet zelden voorkomt. In dat geval doet de Bisschop uitspraak.
Wanneer een kind in huis gedoopt is, worden later, als het gevaar geweken is, in de kerk alleen de ce-remonïén vemcht. Als men in dat geval aan de geldigheid des Doopsels twijfelt, dan wordt dit op nieuw onder voorwaarde toegediend.
VI. a. Groote genaden worden in het H. Doopsel geschon-ken,.maar ook zware verplichtingen opgenomen. Gelijk God ons bij den Doop tot zijne kinderen en erfgenamen aanneemt, zoo beloven wij van onzen kant, dat wij Hem, gedurende geheel ons leven, als onzen Opperheer zullen erkennen en als Vader bovenal beminnen, en wij beloven plechtig, den duivel en al zijne werken te verzaken. En. gelijk wij door het Doopsel als leden der Kerk en deelgenooten harer genademiddelen worden opgenomen, zoo leggen wij de belofte af, levende ledematen dier Kerk te zijn.
b. Degenen, die door het Doopsel herboren zijn, hebben behoefte aan de hulp van anderen, om de voorschriften van den godsdienst te leeren kennen en daarnaar te leven. Daarom worden bij den plechtig en Doop in de kerk doopborgen gevraagd, die de taak op zich nemen, de ouders in de geestelijke opvoeding van den doopeling bij te staan, wanneer dit noodig mocht wezen.
Hieruit blijkt, dat ongeloovigen, onkatholieken of zij, die hunne godsdienstige verplichtingen verwaarloozen, nimmer als doopborgen mogen aangenomen worden.
Eindelijk moet opgemerkt worden, dat de doopborgen noch met degenen, die zij ten doop gehouden hebben, noch met de ouders van dezen, een huwelijk mogen aangaan. Daarom mag men, volgens het Concilie van Trente, niet meer dan één peter en ééne meter hebben.
c. Ook wordt aan den doopeling de naam van eenen Heilige gegeven, opdat hij diens deugden navolge en zich steeds in zijne bescherming moge verheugen.
324
§ 2.
Over het Vormsel.
ï. Het Vormsel is een Sacrament, dat door den Bisschop aan de gedoopten ivordt toegediend, in hetwelk dooide handoplegging, de zalving en heilige woorden genade en sterkte wordt gegeven , om het geloof standvastig te belijden.
Het Vormsel is een Sacrament, want het heeft alles, wat tot het wezen van een H. Sacrament noodig is.
a. Het uitwendig teeken bestaat in de oplegging der handen en de zalving van het voorhoofd des vormelings met chrisma onder het uitspreken der woorden: //■ teeken u met het teeke/i des kruises, en bevestig ti met het chrisma des heils, in den naam des Vaders, en des Zoons, en des //. Geestes.
b. Door dit uitwendig teeken wordt de H. Geest met zijne genaden en gaven medegedeeld ;
c. bijgevolg moet het door Christus zeiven zijn ingesteld.
Dit alles leert ons de H. Schrift. »Toen de Apostelen hoorden, dat Samaria het woord Gods had aangenomen, zonden zij tot hen Petrus en Joannes. Zij aldaar aangekomen zijnde, baden voor hen, dat zij den H. Geest mochten ontvangen; want Hij was nog over geen van hen gekomen, maar zij waren alleen gedoopt. .. Toen legden zij hun de handen op, en zij ontvingen den H. Geestquot; (Hand. VIII, 14—17), die zichtbaar in hen begon te werken.
De geloovigen van Samaria ontvingen dus door de oplegging der handen 1) eene nieuwe genade, onderscheiden van die des Doopsels, een nieuw Sacrament. Als Christus dit H. Sacrament niet had ingesteld, zouden de Apostelen, die alleen »tiitdeel:rs (niet de instellers) der geheimenissen Gods\'\'\'\' waren, niet bij machte geweest zijn, den H. Geest en zijne gaven mede te deelen.
Het Vormsel werd dan ook immer als een waarachtig Sacrament beschouwd en geëerbiedigd. In de geschriften der oudste Kerkvaders wordt het onder verschillende benamingen^ als: bevestiging, bezegeling, zalving, geheimenis van den //. Geest, vermeld, en het Concilie van Florence noemt het onder de zeven HH. Sacramenten.
II. Uit het voorgaande kennen wij reeds de voornaamste uitwerkselen van het H. Vormsel.
1) Uit de overlevering blijkt, dat met de oplegging der handen ook de zalving gepaard ging. De H. Paulus spreekt van deze zalving in den 2den brief aan de Corinthiërs: »God is het^ die ons met u in Christus bevestigd e?i ons gezalfd heeft, die ons ook bezegeld en het onderpand des Geestes gegeven heeft in onze hartenquot; (I, 21—33).
325
Door dit Sacrament namelijk wordt ons 1° de H. Geest medegedeeld, die de heüigmakende genade in ons vermeerdert en bizonder die gaven schenkt, welke wij noodig hebben, om altijd aan de aanvallen der vijanden van onze zaligheid te weerstaan en immer ons heilig geloot door woord en daad, zelfs, mocht het noodig zijn, met opoffering van ons leven, te belijden.
Vooral in de Apostelen zien wij duidelijk, welke kracht door den H. Geest in dit Sacrament wordt medegedeeld.
Vóór het Pinksterfeest waren zij zoo kleinmoedig, dat zij hunnen Meester in zijne vernedering verlieten, maar daarna zóó manhaftig, dat zij den dood niet telden en gaarne hun leven voor Hem gaven.
2°. Door het Vormsel wordt in de ziel des strijders van Christus een onuitwischbaar merkteeken gedrukt, zoodat dit H. Sacrament niet herhaald mag worden.
TIL De gewone bedienaar van het Vormsel is de Bisschop. Alleen de Apostelen, wier opvolgers de Bisschoppen zijn, zien wij in de H. Schrift aan de ge-doopten het Vormsel toedienen. Dit is ook de leer van het Concilie van Florence en van Trente (7eZitt. Can. 3).
Buitengewone bedienaar is de Priester, die de macht daartoe van den Paus heeft verkregen. Daar de Priester niet de volle macht om te vormen bezit, heeft hij de vergunning noodig van hem, wien de volheid der Geestelijke macht is geschonken.
VI. Ieder, die gedoopt is, kan het Vormsel geldig ontvangen; dus ook degenen, die niet tot de jaren van onderscheid zijn gekomen. In den regel echter wordt dit fl. Sacrament slechts toegediend aan hen , die in staat zijn, zich behoorlijk tot de komst van den H. Greest voor te bereiden, i).
Waardig wordt het H. Vormsel door degenen, die tot de jaren van verstand gekomen zijn , alleen dan ontvangen, als zij zich in staat van genade bevinden, goed onderwezen zijn in de hoofdwaarheden van het geloof en vooral aangaande dit Sacrament, en, evenals de Apostelen, een vurig verlangen hebben naar den H. Geest en zijne gaven.
1) Syn. Prov. Ultraject. Pag. 139.
326
Zij. die moedwillig verzuimen dit H. Sacrament te ontvangen, beleedigen God, en stellen zich in het gevaar van verloren te gaan, daar zij zich van vele en groote genaden berooven.
V. Ook bij het H. Vormsel wordt, evenals bij bet IT. Doopsel, een peter of eene meter gegeven, om den gevormde in den geestelijken krijgsdienst, waarin hij door dit Sacrament is opgenomen , met raad en daad hulp te verleenen, voor zooverre dit noodig mocht wezen. — De peter en de meter mogen noch met den gevormde, noch met diens ouders een huwelijk aangaan.
VI. Aangaande de wijze, waarop het H, Vormsel wordt toegediend, het volgende :
De Bisschop plaatst zich midden voor het altaar en strekt, biddende, zijne handen over de vormelingen uit.
Wie niet tegenwoordig is bij deze eerste oplegging der handen mag het H. Vormsel niet ontvangen.
Daarna legt de Bisschop zijne rechterhand op het hoofd van elk dei-vormelingen afzonderlijk, en zalft met den duim het voorhoofd zeggeu-
»de : N........ ik teeken 21 met het te eken des H. kruis es en bevestig it
»met het chrisma des hei Is in den naam des Vaders, en des Zoons, en »des H. Geestesquot;. Daarna geeft hij hem een zachten kaakslag en zegt : » Vrede zij
Eindelijk ontvangen al degenen, die gevormd zijn, den zegen des Bisschops.
De oplegging der handen is een teeken, dat de bedienaar van ditH. Sacrament den H. Geest met de volheid zijner gaven wil mededeelen. . De zalving met het chrisma beteekent de geheimvolle uitstorting van den H. Geest in het hart des vormelings, alsmede de inwendige sterkte, welke de ziel ontvangt in den strijd tegen hare vijanden. Het chrisma namelijk bestaat uit olijfolie en balsem, door den Bisschop op witten Donderdag gewijd. Gelijk olie de eigenschap heeft om de ledematen lenig en krachtig te maken, zoo maakt de genade ons krachtig en vaardig in den strijd tegen de vijanden onzer zaligheid. De welriekende balsem is het zinnebeeld van den plicht der gevormden, om door goede werken bij God en bij de menschen een aangenamen geuite verspreiden.
Het kruisteeken, hetwelk de Bisschop op het voorhoofd van den vormeling maakt, duidt aan, dat de Christen zich nooit over zijn geloof mag schamen, maar telkens, als de eer van God, zijn eigen heil of de zaligheid des naasten dit vordert, zonder vrees zijn geloof moet belijden.
Door den kaakslag wordt de vormeling herinnerd aan zijne verplichting, om smaad en vervolging uit liefde tot Jesus geduldig te verdragen.
Aan de vormelingen wordt de naam van een Heilige gegeven, opdat zij de deugden van dezen navolgen, en door zijne voorbede geholpen worden.
Niemand der gevormden mag de Kerk verlaten,
327
voordat de laatste het H Sacrament ontvangen heeft en de slotgebeden door den Bisschop zijn nitgesproken.
Besluit. Zeker zijn wij verplicht aan God, die in dit H. Sacrament ons zoo groote genade schenkt, geheel ons leven onze dankbaarheid te betuigen, en deze door onze daden te toonen.
De gevormde namelijk is verplicht :
a. De genaden en gaven van den H. Geest met groote zorg te bewaren
b. zijn lichaam als den tempel van den H. Geest te beschouwen en in eere te houden 5
c. standvastig te ijveren voor de eer van God en het heil der zielen.
Over liet H. Sacrament des Altaars.
Inleiding.
I. Alle HH. Sacramenten verdienen den grootsten eerbied, want zij zijn gedenkteekenen van \'s Heeren liefde en de bronnen van velerlei genaden. Boven alles echter vraagt dit H. Sacrament onzen hoogsten eerbied en onze innigste hoogschatting, omdat Christus ons in dit geheim niet alleen zijne genade schenkt, maar zelf, met Godheid en Menschheid, daarin altijd tegenwoordig is en, zoo dikwerf wij dit H. Sacrament ontvangen, tot ons komt.
II. Dit geheim van Christus\' liefde heeft deze eigenaardigheid, dat het tegelijk Sacrament en offer is. Het is Sacrament, in zooverre het, gelijk de overige HH. Sacramenten, vooral en onmiddellijk de heiliging onzer zielen beoogt; offer, in zooverre het, door de opoffering eener gave, strekt tot verheerlijking van God.
III. Als Sacrament is het Altaargeheimenis daardoor van de andere Sacramenten onderscheiden , dat het niet enkel uit eene (voorbijgaande) handeling bestaat, maar iets hlijvends is
Als iets blijvends^ of in zijne voltooiing beschouwd, is het H. Sacrament het waarachtig lichaam en bloed van onzen Heer Jesus Christus, die onder de gedaanten van brood en wijn tot voedsel onzer ziel werkelijk en wezenlijk tegenwoordig is.
Als handeling beschouwd is het de verandering van het brood en den wijn in het lichaam en bloed van Jesus Christus tot voedsel van
328
onze ziel, terwijl de gedaanten van brood en wijn blijven. — Die verandering sluit tevens een offer in, wijl Christus zich daarbij aan zijnen hemelschen Vader opoffert.
IV. Dit Sacrament wordt bij uitnemendheid het heilig Sacrament en het H. Sacrament des Altaars genoemd. Ook draagt het den naam van Eucharistie (goeds gave of dankzegging)^ omdat de Verlosser bij de instelling van dit geheim den Vader dankte, en wij in dit Sacrament een middel hebben om God naar behooren te danken voor de weldaad der verlossing. Ook wordt het soms genoemd ; Hostie, d. i. offer en Communie (gemeenschap), omdat het ons zoo innig met Christus yzx-eenigt ; het H. Avondmaal, naar den tijd der instelling ; de Tafel des He er en, omdat het een geestelijke maaltijd is, waar Christus zelf gastheer is en spijs. Eindelijk heeft dit H. Sacrament den naam van H. Teerspijze, als het aan de zieken gebracht wordt, ter versterking in den laatsten strijd, bij de groote reis naar de eeuwigheid.
V. De voornaamste voorafbeeldingen van de H. Eucharistie zijn:
1° de boom des levens in het paradijs, welks vruchten de onsterfelijkheid gaven ;
2° het brood en de wijn, als offer aangeboden door Melchisedech, den priester-koning 5
3° het Paaschlam. welks bloed de eerstgeborenen der Israëlieten in Egypte redde van den dood, en welks vleesch moest gegeten worden met ongedeesemd brood ;
4° het manna 5
5° de Toonbrooden, die door de priesters in den tabernakel geplaatst werden en slechts door de gezuiverden mochten genuttigd worden 5
6° het brood onder de asch gebakken, dat Elias uit de hand eens-Engels ontving, en hem zooveel kracht schonk, dat hij 40 dagen en 40 nachten kon doorreizen tot aan den berg Horeb;
7° het door den Zaligmaker vermenigvuldigde brood, om het volk in de woestijn te verzadigen.
EERSTE AFDEELING.
DE EUCHARISTIE ALS SACRAMENT.
I. Het H. Sacrament des Altaars is een Sacrament, in hetwelk het waarachtig lichaam en hloed van onzen Heer Jesus Christus, onder de gedaanten van brood en wijn , tegenwoordig is.
In de eerste plaats moet hier het bewijs geleverd worden van de ware en werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie.
Art. 1. Over de waarachtige tegenwoordigheid van Christus onder de gedaanten van brood en wijn,
II. Bij verschillende gelegenheden heeft de Kerk
329
met de duidelijkste woorden dit leerstuk uitgesproken, namelijk in het Concilie van Nicea, het 4e van La-terane, en eindelijk in de Kerkvergadering van Trente met de woorden: „Indien iemand loochent, dat in het Sacrament der Eucharistie het lichaam , het bloed , met de ziel en de godheid van onzen Heer Jesus Christus, en hijgevolg de geheele Christus, waarlijk en wezenlijk en zelfstandig tegenwoordig is, en beweert dat Hij daarin alleen als in een teeken of eene figuur, of alleen met zijne kracht is; hij zij in den banquot; (13 zitt. can. I).
Deze waarheid steunt zoowel op de H. Schrift als op de onafgebroken mondelinge Overlevering.
A. Bewijzen uit de H. Schrift zijn: de woorden der belotte en de woorden der instelling, alsmede de woorden van den H. Paulus aangaande dit groot geheim. a. De woorden der belofte.
In het zesde hoofdstuk van zijn Evangelie verhaalt de H. Joannes, dat de goddelijke Verlosser de menigte volks, welke daags na de wonderbare broodvermenigvuldiging Hem weder opzocht, heenwees naar eene onvergankelijke, hoogere spijs, en dat Hij hen opwekte, in Hem te gelooven. Die spijs konden zij toen reeds genieten, zij konden in Hem als den Zoon Gods gelooven. In vers 52 van hetzelfde hoofdstuk spreekt Christus van eene andere bovennatuurlijke spijs, welke Hij hun eerst in de toekomst wilde geven, zeggende: „Het brood, dat ik u geven zal, is mijn vleesch voor het leven der wereld.quot;
De Joden namen deze woorden in den letterlijken zin op. „Zij begonnen (v. 53) onder elkander te twisten, en spraken: hoe kan deze ons zijn vleesch te eten geven V\' quot;Wat doet nu de Verlosser? Neemt hij de oorzaak hunner ontevredenheid weg door de verklaring, dat zijne woorden verkeerd begrepen zijn, dat zij niet in den eigenlijken en letterlijken, maar in een figuurlijken zin moeten opgenomen worden ? Neen, Hij zegt integendeel hetzelfde in nog sterkere en meer bepaalde uitdrukkingen; „ Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vleesch van den Zoon des memchen eet en zijn
330
hloed drinktl zult gij het leven in u niet hebben. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven, €7i Ik zal hem ten jong sten dage opioekken. Want mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn hloed is waarlijk drank. Die mijn vleesch eet en mijn hloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Gelijk de levende Vader mij gezonden heeft, en Ik door den Vader leef, zoo zal ook hij, die Mij eet, door Mij levenquot; (Joan. Vf, 54 — 58).
Indien de Joden ziek vergist hadden, toen zij de woorden des Heeren in den letterlijken zin opnamen, zou Christus hen zeker, gelijk bij vele andere gelegenheden, terecht gewezen, en geenszins in hunne dwaling bevestigd en versterkt hebben. Maar neen ! Zelfs toen de leerlingen des fïeeren over die woorden morden en tot elkander spraken : „Deze rede is hard, en wie kan haar aanhooren V1 toen velen van hen niet wilden gelooven aan de belofte van Christus en Hem verlieten, werd geen enkel woord teruggeroepen, maar aan het uitverkoren twaalftal de vraag gesteld: „ Wilt ook gij^ weggaanquot; ? Petras antwoordde nu: „Heer ! tot wien zullen wij gaan ? Gij hebt de woorden des eeuwigen levensquot; (Joan. VI, 69).
b. De woorden der instelling.
De belofte, door Christus in de woestijn gedaan, werd door Hem vervuld op den vooravond van zijn lijden. „Jesus nam het brood in zijne heilige handen, zegende het, brak het. gaf het aan zijne leerlingen en sprak:
neemt en eet , want dit is mijn lichaam, dat voor u
.zal overgeleverd worden. D aam a nam Hij den kelk , dankte , gaf dien aan zijne leerlingen en sprak ; drinkt
allen hieruit, want dit is mijn bloed des nieuwen
verbonds, hetwelk toor u en voor velen zal vergoten
worden tot vergeving der zonden. doet dit tot mijne gedachtenis.quot;
Deze handeling des Heeren is ontegensprekelijk de vervulling van zijne belofte ; Ik zal u ihijn vleesch te eten geven, derhalve moeten ook de woorden : dil is mijn lichaam, dit is mijn bloed, in den letterlijken zin opgenomen worden.
Christus gebruikt het woord is. Zoolang nu het taalgebruik, de samenhang van het gezegde, de omstandigheden, onder welke het wordt
331 ■;
(
voorgedragen, of eene bijgevoegde verklaring van den spreker niet dwingen om van den letterlijken zin der woorden af te wijken, moet men den letterlijken zin houden.
Er bestaat echter geene enkele gegronde reden, om hier van den letterlijken zin van Christus\' woorden af te wijken. Integendeel zijn er zeer gewichtige redenen, welke iedereen, die niet verblind is, moeten bewegen, zich aan de letterlijke beteekenis te houden.
Christus toch wilde in dit plechtig uur eene laatste beschikking, een testament maken, een verbond sluiten, eene wet afkondigen, een Sacrament instellen. Christus, de Zoon Gods, voor Wien niets verborgen kon zijn, voorzag, dat niet alleen zijne Apostelen, maar millioenen en mil-lioenen Christenen in alle volgende eeuwen zijn woord in den letterlijken zin opnemen en het H Sacrament aanbidden zouden.
Moet men uit dit alles niet besluiten, dat \'s Heeren woorden onmogelijk anders dan in den letterlijken zin kunnen verstaan worden r De omstandigheden, in welke Christus sprak, lieten geene figuurlijke spreekwijze toe, en de alwetende en liefderijke Leeraar zelf zou, als zijne ieeiiingen zijn woord verkeerd hadden begrepen, oorzaak van hunne dwaling moeten genoemd worden.
Sommige vijanden der Kerk beweren, dat in de Syro-chaldeeuwsche taal, welke Christus toen gebruikte, geen enkel woord gevonden wordt, om beteekent uit te drukken, dat men derhalve gewoon was, zich van het woordje is te bedienen, en ook de Zaligmaker aldus zou gedaan hebben.
De geleerde Kardinaal Wiseman bewijst in zijn uitstekend werk: Horae Syriacae, dat de Syrische taal niet één, maar meer dan veertig woorden heeft, om het begrip van beteekent weer te geven. Ook toont hij door vele voorbeelden aan, dat in de Syrische taal veel minder dan in elke andere taal het woordje is zijne gewone beteekenis verliest 1).
Hiermede vervalt de opwerping der Protestanten. Zoo is het gegaan met alle bedenkingen, welke ooit tegen de Katholieke leer zijn gemaakt. Noch aan de woorden, door Christus gesproken, noch aan het verband, hebben zij eenig redelijk bewijs kunnen onüeenen, waardoor die leer van hare kracht werd beroofd ; daarentegen dienden al hunne opwerpingen alleen, om den zin, dien de Kerk aan \'s Heeren woorden hecht, in een helderder licht te doen uitkomen.
c. De woorden van den H. Apostel Paulus in zijn \\sten brief aan de Corinihiérs:
„Is niet de kelk der zegening, welken wij zegenen, de gemeenschap van het bloed van Christus ? En het brood, dat wij breken 1), niet de gemeenschap van het lichaam des Heeren ?quot; (X, 16).
1) De H. Marcus en Lucas, die in het Grieksch geschreven hebben, gebruiken ook het woord strr: (is). De Grieksche taal heeft zeker woorden in overvloed om beteekent uit te drukken. Ook de H. Paulus, die getuigt, dat hij zijne leer aangaande dit H. Sacrament van den Heer ontvangen heeft, gebruikt het woord sVr.\' (1 Cor. XI, 25).
332
Al loie onwaardig dit brood zal gegeten of den kelk des Heeren zal gedronken hebben, die zal schuldig zijn aan het lichaam e?i het bloed des Heeren. De mensch heproeve dan zich zeiven, en aldus ete hij van dit brood en drinke van dezen kelk; want wie, onwaardig eet en drinkt, hij eet en drinkt zich het oordcl, omdat hij het lichaam des Heeren niet onderscheidtquot; (XII, 27—29).
B. De Overlevering spreekt in hare onderscheidene gedenkteebenen hetzelfde geloof uit.
a. Indien men uit de H. Schrift niet met zekerheid kon weten, of de woorden van Jesus in den eigenlijken of oneigenlijken zin moeten verstaan worden, dan zouden de leer en de handelwijze der leerlingen en opvolgers van de Apostelen, die uit hunnen mond de leeringen en verordeningen van Christus, en derhalve ook den waren zin van de H. Schrift; vernomen hadden, de waarachtige tegenwoordigheid van het lichaam en bloed van Christus in het H. Sacrament buiten allen twijfel stellen. Zij spreken namelijk allen zonder uitzondering evenals wij, die gelooven, dat Christus daar tegenwoordig is; zij spreken allen, zelfs als zij het woord tot de ongeloovigen richten, op eene wijze, waarop zij onmogelijk konden spreken, als niet de werkelijke tegenwoordigheid door alle Christen geloovigen werd aangenomen.
Het bestek van ons boek laat slechts toe, enkele getuigenissen aan te halen.
De H. Ignatius, Martelaar en leerling der Apostelen (t omstreeks 107), schrijft in zijn brief aan de geloovigen van Smyrna ; ygt;Zij (de »ketters) onthouden zich van de Eucharistie, dewijl zij niet met ons bellij den, dat de Eucharistie het v\'.eesch is van onzen Heiland Jesus Chris-*tus, hetwelk voor onze zonden geleden heeftquot; (c. 7). Nauwelijks 50 jaren later schreef de Martelaar Justinus: » Wij nuttigen dit (de H. Eucharistie) niet als een gewoon brood en als een gewonen dratik. maar gelijk J. C. onze Zaligmaher, die door het woord Gods is mensch geworden, om wille van onze zaligheid vleesch en bloed heeft gehad; zoo
1) Het H. Sacrament, wordt hier, evenals op andere plaatsen van de H. Schrift, brood genoemd, omdat wij de gedaante van brood zien, smaken en voelen.
333
hebben wij geleerd, dat ook deze spijs^ quot;waarover de dankzegging met het van Hem zeiven afkomstig gebed is uitgesproken^ het vleesch en het bloed van dien menschgeworden Je sus is.quot;1
h. Grelijk de Kerkvaders zoo leeren ook de Conciliën, en eveneens de oudste liturgische hoeken 1j.
Zoo lezen wij in de Liturgie van Jerusalem : »Al het aardsche verdwijnt uit de gedachten; want de Koning aller Koningen^ de Heer va/i alle Heeren , Christus onze God komt tot ons^ opdat Hij geofferd en tot spijs aan de geloovigen gegeven worde.quot;
c. Alle sekten van het Oosten, die in de eerste eeuwen zijn afgevallen, hebben het geloof aan de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie bewaard; bijgevolg bestond het in de Kerk, toen zij zich van haar afscheidden.
d. Onmogelijk zou het geloof aan dit geheim ingang gevonden hebben, als het niet met het Christendom zelf gepredikt was. Had de Kerk later dit leerstuk verkondigd, dan zou er gewis eene groote verwarring in veler gemoederen ontstaan zijn. De geschiedenis vermeldt echter alleen, dat Bermgarius van Tours, die het eerst, in de elfde eeuw, de wezenlijke tegenwoordigheid loochende en bestreed, eene algemee-ne verontwaardiging bij de Christenen heeft opgewekt, en dat zijne leer alom en eenparig veroordeeld werd.
Art. 2. Over de verandering van zelfstandigheid (Transsubstantiatie\').
I. De Kerk leert, dat het heilig lichaam en bloed van Christus tegenwoordig is door de overgang van de eene zelfstandigheid in de andere, namelijk door de verandering der geheele zelfstandigheid van het brood in het lichaam, en der geheele zelfstandigheid
1
In deze boeken worden gevonden de voorgeschreven gebeden en plechtigheden bij het H. Misoffer, de toediening der HH. Sacramenten, enz. Zij zijn de uitdrukking van het geloof, niet van enkele Bisschoppen, maar van alle kerken, waar zij in gebruik waren.
334
van den wijn in het bloed van Christus, terwijl alleen de gedaanten van brood en wijn blijven, welke verandering van de eene zelfstandigheid (substantia) in de andere zeer gepast transsuhstanliatio (verandering van zeltstandigheid) genoemd wordt. Deze waarheid werd in bet 4e Concilie van Laterane, te Lyon, te Constanz en in het Concilie van Trente (13e zitting, hfdst. 2) uitgesproken.
jl. Dit leerstuk der Kerk steunt 1° op het woord van de H. Schrift.
Christus zegt niet: dit (wat gij hier ziet) amp;«««lt; mij a lichaam; in dit, met dit, nevens dit, is mijn lichaam tegenwoordig; maar: dit is mijn lichaam. Daar nu, zooals bewezen werd, het woordje is noodzakelijk in den letterlijken zin moet genomen worden, zoo volgt hieruit even noodzakelijk, dat het wezen of de zelfstandigheid van het eene (van het brood) in het wezen van het andere (het lichaam van Christus) overgegaan of veranderd is.
2°. Ook de Overlevering geeft ons voor de katholieke leer de sterkste bewijzen. De HfL Vaders namelijk spreken altijd van een werkelijk veranderd worden.
De transsubstantiatie of de overgang van de eene zelfstandigheid in de andere is inderdaad een verheven, een goddelijk geheim. Daarom leeren de HH. Vaders ons, dat wij niet uit nieuwsgierigheid mogen onderzoeken, op welke wijze die verandering plaats heeft. Wij moeten geloovig aannemen, dat zij geschiedt; volkomen te begrijpen, hoe zij geschiedt, is onmogelijk. Evenwel is het niet verboden, zich eenig denkbeeld dezer geloofsleer te vormen door deze of gene aan de H. Schrift ontleende gelijkenis, welke echter altoos onvolledig zal blijven.
In \'t kort zullen wij thans eenige opwerpingen der afgedwaalden beantwoorden. Zij zeggen :
lo met onze zintuigen nemen we brood en wijn waar 5 derhalve is de bewering, dat daar geen brood en wijn tegenwoordig zijn, ongerijmd.
De Kerk leert (zie boven), dat na de consecratie de zelfstandigheid van brood en wijn niet aanwezig is, maar dat alleen de gedaante (de kleur, de smaak, enz.,) namelijk de accidenten of toevalligheden van brood en wijn, blijven bestaan. Welnu, de grootste geleerden nemen aan, dat de substantie onderscheiden is van de accidenten ; dat de substantie iets is, wat niet onder het bereik der zintuigen valt, terwijl datgene wat wij met onze zintuigen waarnemen, slechts de accidenten zijn. Terecht zegt dus de H. Thomas, dat in dit aanbiddelijk geheim onze zintuigen ons eigenlijk niet bedriegen 5 want met onze zinnen ne-
335
men we alleen dc accidenten waar van brood en wijn, en deze zijn daar werkelijk aanwezig. Door een wonder echter van Gods almacht bestaan hier de accidenten van brood en wijn zonder de substantie. Dit is zeker boven de rede, maar niet tegen de rede 5 want niemand kan aan God de macht betwisten, om twee onderscheidene zaken, gelijk substantie en accidenten, werkelijk van elkander te scheiden.
2o. De afgedwaalden noemen het ook eene ongerijmdheid, dat de eene zelfstandigheid in de andere zou overgaan. Als antwoord op deze moeielijkheid geven wij de woorden van den Romeinschen Katech: »Daar ivij ontwaren, dat Jut brood en de wijn^ krachtens de natuur, dagelijks in menschelijk vleesch en bloed worden veranderd^ zoo kunnen wij door die gelijkenis gemakkelijker er toe gebracht worden om tegeloo-ven^ dat de substantie van het brood en den wijn, door de hemelse he ze-gening, in het waarachtig vleesch van Christus en in zijn waarachtig bloed overgaat.quot;
Art. 3. Hoe lang blijjt Christus onder de gedaanten tegenwoordig ?
I. De Kerkvergadering van Trente leert, dat, na de verandering van liet brood en den wijn in het lichaam en bloed van Christus, zoowel het lichaam als het bloed des Heeren tegenwoordig blijven, zoolang als de gedaanten van brood en wijn voortduren.
Hetzij dus de HH. Hostiën zich onder de H. Mis of daarna op het altaar bevinden, of wel naar de zieken in plechtige processie gedragen worden : in elk geval is Christus daar tegenwoordig (Zitt. 13. can 4, 6, 7). Dus niet alleen onder het nuttigen, gelijk Luther leerde. Zoodra echter de gedaanten van brood en wijn ophouden te bestaan, houdt ook Christus op sacramenteel tegenwoordig te zijn.
II. Deze leer der Kerk steunt zoowel op de H. Schrift als op de Overlevering.
a. Christus zegt niet: neemt en eet, dit zal mijn lichaam zijn, maar : »dit is mijn lichaam op hetzelfde oogenblik, dat Christus zijn god-delijken wil uitsprak, had de verandering plaats.
b. Sinds de eerste eeuwen des Christendoms bestond de gewoonte, om de H. Eucharistie in de kerk en, tijdens de vervolging, ook in de huizen te bewaren, aan de zieken te brengen, op reis mede te nemen, enz. Duidelijk getuigt dit van het geloof der Kerk, dat Christus onder de gedaanten tegenwoordig blijft.
Art. 4. Over de tegenwoordigheid van den geheelen Christus onder elke gedaante en in elk deel der gedaanten.
I. De Kerkvergadering van Trente zegt: „Het is
336
zeker waar, dat onder ééne dezer heide gedaanten even zooveel vervat is, als onder heide; want de geheele en onverdeelde Christus is onder de gedaante van hrood en onder elk deel van dezelfde gedaante, en ook geheel onder de gedaante van ivijn en onder deszelfs deelen tegenwoordigquot; (Zitt. 10, hfdst. 3).
a. Dagelijks wordt door de Consecratie het brood veranderd in hetzelfde lichaam van Christus, dat in den hemel troont : want het woord: *ditis mijn lichaamquot; is alleen dan waar, als het brood veranderd wordt in het lichaam van Christus, zooals het in werkelijkheid is. Christus\' lichaam en bloed zijn thans, na zijne verrijzenis, onafscheidelijk veree-nigd, omdat zijne H. Menschheid onlijdelijk is. Waar het lichaam van Christus is, daar is dus ook zijn heilig bloed.
Het leven bestaat niet zonder de ziel. Dewijl dan onder elke gedaante het lichaam en bloed van Christus tegenwoordig zijn, zoo is ook de ziel, welke onafscheidelijk met beide vereenigd is , onder beide gedaanten tegenwoordig. Ook is de menschelijke natuur van Christus met zijnen goddelijken Persoon onafscheidelijk vereenigd, en ten gevolge dezer vereeniging is dus ook de Godheid van Christus in de Eucharistie tegenwoordig.
b. Christus is onder elk deel van elke gedaante (namelijk zoolang de gedaante van brood of wijn inderdaad blijft) tegenwoordig, zoodat men den geheelen Christus ontvangt, als men een gedeelte der H. Hostie nuttigt. Ongetwijfeld toch ontving ieder der Apostelen, die allen uit éénen kelk dronken, den geheelen Christus.
Deze waarheid is voor ons verstand onbegrijpelijk 5 want om haar volkomen te vatten zou het noodig zijn, een volledig en duidelijk begrip te hebben van hetgeen wij zelfstandigheid en van hetgeen wij toe-valligheid of accide?it noemen. Geen van beide echter kennen wij volkomen. Laten wij dan aan het onfeilbaar woord van God, door de Kerk ons voorgesteld, ons zwak verstand onderwerpen, en met eenvoud des harten gelooven wat wy niet in staat zijn te begrijpen.
II. Uit deze leer der Kerk volgt, dat de leek, die de H. Communie slechts onder ééne gedaante mag ontvangen, evenveel ontvangt als de Priester, die in de H. Mis onder beide gedaanten communiceert.
Reeds de Christenen der eerste eeuwen ontvingen dikwijls, vooral ten tijde der vervolgingen en in ziekten, het H. Sacrament onder ééne gedaante. Ook in de H. Schrift wordt deze waarheid aangeduid. In de woorden der belofte zegt Christus: „ Wie van dit hrood eet, zal leven in eeuwigheid; en het hrood, dat Ik geven zal, is mijn vleesch voor het leven der ivereld.quot; Ook
337
bij den H, Lukas XXIV, 30 en Hand. II, 46 wordt enkel het breken des broods vermeld. De woorden der instelling: „drinkt allen hieruitquot; waren als gebod slechts gericht tot de Apostelen en hunne opvolgers, namelijk als zij het Misoffer zouden opdragen.
III. Daar Christus met Godheid en Menschheid voortdurend in het H. Sacrament tegenwoordig is, mogen en moeten wij Hem in dit H. Geheim de hulde onzer aanbidding brengen.
Art. 5. Dn H. Eucharistie is waarlijk een Sacrament.
I. Na het voorgaande is het zeer gemakkelijk, het bewijs te geven, dat de H. Eucharistie inderdaad een Sacrament is, zooals de H. Kerk altijd heett geleerd.
De drie vereischten van een Sacrament zijn aanwezig.
a. Brood (ongedeesemd tarwebrood) en wijn van den wijnstok zijn de materie en het zichtbaar teeken. Na de Consecratie echter zijn de uiterlijke gedaanten van brood en wijn de materie en het zichtbare teeken van dit H. Sacrament, en stellen ons de inwendige genade zeer aanschouwelijk voor.
De vorm bestaat in de woorden, welke Christus gesproken heeft: „Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed.quot;
b. De inwendige genade, welke dit H. Sacrament ons mededeelt, is Jesus Christus zelf, met ziel en lichaam, met Godheid en Menschheid, gelijk Hij verheerlijkt in den hemel is.
c. Het is ingesteld door den goddelijken Heiland, toen Hij voor \'t laatst met zijne leerlingen het Paaschlam had gegeten, zooals boven vermeld is.
II. a. Alleen de Bisschoppen en de Priesters kunnen dit Sacrament voltrekken. Immers enkel aan de Apostelen en hunne opvolgers in de priesterlijke waardigheid heeft Christus die macht medegedeeld. Dezelfde Overlevering, welke leert, dat ook een leek geldig doopt, getuigt, dat alleen Bisschoppen en Priesters dit Sacrament kunnen voltrekken.
b. De Diaken heeft slechts de macht, om het vol-
338
trokken Saerameut toe te dienen, namelijk de H. Communie uit te reiken.
Art. 6. Ouer de H. Communie.
I. Welk zijn de vruchten eener waardige Communie ?
» Wie mijn vleesch eet en mijn bloed drinktquot; zegt de Heer, »die. heeft het eeuwige leven en Ik zal hem ten jongsten dage opwekken ; hij blijft in Mij e?i Jk in hem ; hij zal door Mij leven, gelijk Ik door den Vader leef.quot;
Eene waardige Communie brengt dus vooral de volgende vruchten voort:
1°. Zij vereenigt ons ten nauwste met den godde-lijken Verlosser;
2° zij vermeerdert in ons de heiligmakende genade en schenkt ons sacramenteele genaden, d. w. z. hemel-sche sterkte in den strijd tegen de vijanden onzer zaligheid, en kracht tot beoefening der christelijke deugden;
3° zij onderdrukt de booze begeerlijkheid, die in onsis;
4° zij zuivert ocs van de dagelijksche zonden ;
5° zij is een onderpand onzer toekomstige opstanding en onzer eeuwige zaligheid ;
6° zij neemt, naar de mate onzer voorbereiding, de tijdelijke straffen der zonden weg.
II. Wat wordt vereischt om waai dig te commuui-ceeren ?
1°. Dat men tot de jaren gekomen zij, dat men de H. Communie van andere spijs kan onderscheiden;
2° dat men zuiver zij van doodzonde ;
3° dat men nuchter zij van \'s nachts 12 ure.
Een enkel woord ter opheldering. 1°. De jaren van onderscheiding zijn noodzakelijk, omdat, volgens de thans bestaande kerkelijke wetten, de H. Communie niet aan de kinderen beneden de jaren des verstands gegeven wordt.
In den regel mogen de kinderen niet tot de H. Communie worden toegelaten, voordat zij hun elfde jaar ingetreden zijn.
339
2°. Zij, die naderen tot dit Sacrament, moeten, zooals de Apostel vermaant, eerst zich zeiven beproeven; want wie onwaardiglijk van dit brood eet en van dezen kelk drinkt, maakt zich schuldig aan het lichaam en bloed des Heeren, hij eet en drinkt zich het oordeel.
Aan deze allermisdadigste heiligschennis maakt zich schuldig degene, die weei, dat hij in staat van doodzonde is , en, zonder zich door eene goede Biecht te zuiveren, tot de H. Tafel durft naderen
Dit misdrijf voert tot onboetvaardigheid en verstoktheid, en daardoor tot de eeuwige verdoemenis ; het wordt, dikwerf reeds op aarde, door verschillende rampen en ziekten gestraft (Cor. XI, 29, 30).
Hij, die, na eene goede Biecht gedaan te hebben , eene doodzonde indachtig wordt, welke hij onvrijwillig niet beleden, maar vergeten heeft, kan gerust communiceeren en die zonde den volgenden keer biechten. Kan hij echter vóór zijne H. Communie gemakkelijk tot den biechtvader terugkeeren, dan is het zeer raadzaam dit te doen.
3°. Volgens het kerkelijk gebod, dat onder doodzonde verplicht, moet men nuchter zijn, d. w. z. dat men, van \'s nachts 12 ure niets bij wijze van spijs of drank genomen heeft. Indien men iets genuttigd heeft, al is \'t ook onvrijwillig, dan mag men niet communiceeren. In geval van twijfel moet men zijnen Biechtvader raadplegen.
Van deze wet zijn alleen uitgezonderd zij, die het H, Sacrament als Teerspijze ontvangen en zoolang zij na de bediening gevaarlijk ziek blijven.
Eindelijk moeten wij nog opmerken, dat ons in de H. Communie, naarmate wij beter gesteld zijn, ook des te meer genaden geschonken worden. Het is dus zeer raadzaam zijne ziel te zuiveren van de dage-lijksche zonde en zich tot deze H. handeling voor te bereiden door oefeningen van geloof en aanbidding, van nederigheid en berouw, van hoop, liefde en vurig verlangen. Na de H. Communie behoort men ten minste een kwartier uurs in gebed en dankzegging door te brengen.
III. Volgens het gebod des Heeren moet men de H. Communie ontvangen om het leven der heiligmaken-de genade te bewaren.
« Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij gij het vleesch van den Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebbenquot;.
340
Christus heeft niet bepaald, hoe dikwijls de H. Communie moet ontvangen worden,maar Hij heeft deze bepaling aan de H. Kerk overgelaten. Volgens kerkelijk voorschrift nu zijn wij verplicht ten minste eenmaal\'s jaars, omstreeks Paschen, tot de H. Tafel te naderen. De Kerk wenscht echter, dat hare kinderen meermalen in het jaar de H. Communie zullen ontvangen (Zie het 5de gebod der H. Kerk).
Indien iemand in den loop des jaars in waarschijnlijk of zeker gevaar van sterven zou komen, dan is hij ook, krachtens het gebod van Christus zeiven, in dat geval gehouden, de H. Communie als Teerspijs te ontvangen.
TWEEDE AFDEELING.
De Eucharistie als Offer.
I. Gewoonlijk wordt door offer verstaan ; de opdracht aan God van eene zichtbare gave, die aan Hem ivordt op ■ gedragen door een wettigen bedienaar, om Hem als Opperheer te erkennen en te aanbidden, met vernietiging of verandering van het geofferde.
II. Van het begin der wereld af heeft er een ofïer bestaan, en in het Oude Verbond waren de offers door God zeiven voorgeschreven.
a\' Volgens het algemeen gevoelen der Godgeleerden hebben onze stamouders uit den mond van God vernomen, dat zij, om wille van den toekomstigen Verlosser, barmhartigheid zouden erlangen ; dat zij, in dat geloof en in die hoop, aan hunnen Schepper offeranden konden opdragen, die Hem aangenaam zouden zijn. God wilde, dat zij Hem vooral dieren ten offer zouden aanbieden, ten einde daardoor zich te herinneren, dat zij zeiven den dood verdiend hadden en dat deze offers als in hunne plaats gesteld waren.
b. Op bevel van God, schreef Mozes aan het uitverkoren volk van Israël de opdracht van verschillende offers voor. Met betrekking tot hunne bizondere godsdienstige bestemming, werden die offers genoemd;
1°. bi andoffer3^ ook lof- en huideoffers genaamd 5 deze dienden vooral om God als Opperheer te aanbidden ;
2°. zoenoffers^ welke ook zonde- of schuldoffers werden geheeten 1) 5
1) De offers van het O. V. waren uit zich zeiven onvermogend, om den measch de rechtvaardiging te geven. Als zij hem tot heil verstrekten, dan geschiedde dit om zijn levend geloof aan den beloofden Verlosser en om wille der vooruitgeziene en op hem toegepaste verdiensten van Christus.
34 L
lij werden opgedragen om vergeving van zonden en schulden te vei werven ;
30 vredeoffers, aldus genoemd, omdat hij, die ze opdroeg, in staat van vrede met God moest zijn. Zij dienden om God voor zijne weldaden te danken en nieuwe gunsten van Hem af te smeeken ; ook om zich van gedane geloften te kwijten, en soms werden zij alleen uit godsvrucht vrijwillig opgedragen. Vandaar heetten zij ook datih-, gelofte- en vrij\' ■willige offers.
III. De offers vau het 0. V. zijn later afgeschaft, omdat zij slechts voorafbeeldingen waren van het Offer des N. V. en dus niet langer dan hetO.V. mochten voortbestaan.
Dit was reeds voorspeld door Daniël: „Na die zeven en die twee-en-zestig jaartoeken zal de Christus gedood worden . . . slacht- en spijsoffer zullen ophoudenquot; (IX, 2(5 en 27. Zie ook Hebr. X, 4—9).
IV. Jesus Christus kwam op deze wereld, om door zijn offer aan het kruis te voldoen voor de schuld van alle menschea. „ Christus heeft ons bemind en Ziek zeiven voor ons overgeleverd tot ofteeande en slacuxoffee (Eph.
5, 2).
De Zoon Gods is dus door zijne, bij de menschwor-ding begonnen en aan het kruis voor ons voltooide, opoffering aan zijn hemelschen Vader, onze offeraar en tevens onze offerande geworden.
V Ook in het N. V. moest er een blijvend offer zijn. Dit eischte de volmaaktheid van onzen godsdienst, die tot het einde der tijden moet voortduren.
Het offer immers is de voornaamste daad van Godsvereering; door het offer belijden wij het meest onze volkomen onderworpenheid aan Gods onbeperkte heerschappij. Dit werd ten allen tijde erkend. Vandaar dan ook, dat zelfs bij de heidensche volken der oudheid het gebruik bestond, om aan hunne afgoden offers op te dragen. Men vond evenmin een godsdienst zonder offer, als een volk zonder godsdienst.
Als nu in het N. V. juist dit hoofddeel der openbare Godsvereering niet gevonden werd, dan zou het, in dit opzicht, bij het O. V. achter staan; want in Jerusalems tempel werden dagelijks aan God offers gebracht. En toch was het O. V. slechts een schaduw van het Nieuwe. Ook in het N. V. moest derhalve een dagelijkse/^ een blijvend, en een veel volmaakter offer zijn, dan de offeranden van het O. \\ . Een zoodanig offer was dan ook door God beloofd en voorspeld.
u. In Ps. 109 wordt den Messias de belofte van een eeuwig Priesterschap gedaan ■ «De Meer heeft gezivoreu, eti het zal he/u met berouwen, Gij zijl Pr ies ter hl eeuwigheid, volgens de orde van Melehisedeehquot;. Het Priesterschap van Melchisedech was dus de voorafbeelding van het eeu-
3i2
wig Priesterschap ^van Christus. Gelijk nu Melchisedech als Priester brood eQ^ wijn offerde (Gen. XIV. 18), zou ook Christus zich van brood en wijn bedienen, om een offer op te dragen, en dat niet slechts eenmaal, maar tot het einde der tijden.
I). De vervulling dezer belofte is nader aangekondigd door den Profeet Malachias:« Ik heb geen behagen meer in u, zegt de Heer der heir-scharen^ en Ik neem geene offers meer van u aan. Want van de opkomst tot den ondergang der zon zal mijn Naam verheerlijkt worden onder de volkeren^ en op alle plaatsen zal mijnen Naam geofferd en een zuiver (spijs-) offer worden opgedragenquot; (1, 10 en 11).
Gemakkelijk is het nu, een antwoord te geven op de vraag ; welk is dat offer, door Melchisedec/C s offerande voor afgebeeld en door Malachias voorspeld? Het KruisaSzx kan hier niet bedoeld zijn, want dit is slechts éénmaal eu op ééne plaats den Vader aangeboden. Duidelijk wordt hier het H. Misoffer aangekondigd, namelijk het onbloedig offer des Nieuwen V\'.rbonds, in hetwelk het lichaam en bloed van Christus, onder de gedaanten van brood en wijn, aan God wordt opgedragen.
Dit leert ook de Kerkvergadering van Trente. (22e zitt. 1 hfdst).
VI. Wie heeft het li. Misoffer ingesteld ?
Jesus Christus heeft het H. Misoffer ingesteld, toen Hij bij het laatste Avondmaal Zich zeiven onder de gedaanten van brood en wijn aan zijn hemelschen Vader opofferde, en ook aan zijne Apostelen de macht en het bevel gaf, voortaan hetzelfde te doen fConc. v. Trente, zitt. 22, hfdst. I).
Christus (de eeuwige Priester naar de orde van Melchisedech) bracht zijn lichaam, hetwelk aan het kruis voor ons zou gegeven worden, en zijn bloed, dat voor ons en voor allen zou vergoten worden, reeds hier, met volkomen gehoorzaamheid, aan den hemelschen Vader ten offer.
VII. Het H. Misoffer is inderdaad een loctar offe)\\ en wel hetzelfde offer als dat des kruises.
In het eene zoowel als in het an dere wordt dezelfde gave, C7imf({s,geofferd; in beide offert dezelfde Priester,Christus.
Christus toch, die in eigen persoon het offer aan het kruis voltrok, voltrekt het offer der Mis door den Priester als zijn plaatsbekleeder, niet als zijn opvolger in het Priesterschap (1 Cor. IV, 1). Daarom gebruikt de Priester bij de Consecratie dezelfde woorden,\' welke Christus in het laatste Avondmaal gesproken heeft.
VIII. Alleen de wyze van offeren en het doel is verschillend.
«. Aan het kruis offerde Christus zich op eene Moedige ivijze; in de H. Mis offert Hij zich op een onbloedige wijze.
343
Aan het krais is Christus\' lichaam en bloed werkelijk van elkander gescheiden. In de H. Mis ge.-chiedt dit niet werkelijk, maar slechts op geheimzinnige en onbloedige wijze, d. i. door de kracht der woorden van de Consecratie (Zie het Conc. v. Trente, zitt. 22. hfdst. 2).
h. Het dod van het Kruisoffer was de verlossing der wereld, door voldoening te brengen voor de zonden van allen. Dat doel is volkomen bereikt (Hebr. X, 10).
De H. Mis werd door Christus ingesteld, zooals de Kerkvergadering van Trente leert ;
1° opdat door dat Offer het bloedig offer des krui-ses onder ons vertegenwoordigd zou worden,_ en de gedachtenis daaraan zou voortduren tot het einde der tijden;
2° om, door het Misoffer, op ons de vruchten van zijn bloedig kruisoffer in rijke mate toe te passen.
De H.Mis is derhalve eene onuitputtelijke bron van he melsche genaden en zegeningen voor het heil der wereld.
IX. Met de woorden: „Doet dit tot mijne, gedachtunis\'\' d. w. z. hetgeen Ik nu gedaan heb, doet gij dat insgelijks, gaf Christus aan zijne Apostelen de macht en het bevel, om het H. Misoffer op te dragen.
Dat zij en hunne opvolgers inderdaad \'s Heeren bevel hebben opgevolgd, kunnen wij bewijzen door het volgende;
1°. Door de woorden van den H. Paulus : » IVtj (Christenen) /teiien een altacir^ hukwvüh zij nictviogen ct/n, die het tabernakel dienen^ (Hebr XIII, 10). De Christenen hadden dus reeds bij het leven des Apostels een altaar, bijgevolg ook een offer, en wel een zichtbaar, een spijsoffer, waarvan de Joden niet mochten eten. Waarin dat spijsoffer bestond leert Paulus in zijn brief aan de Corinthiërs ; »Gij kimt niet uit den kelk des Heeren drinken en tevens nit dien der duivelen (afgoden); gij kimt geen deelgenoot wezen van de tafel des Heeren en van de tafel der duivelenquot; Even tevoren had hij gezegd : »Dt kelk der zegening .... is hij^ niet de gemeenschap vut Christus\' bloed ? En het broody dat ivij breken^ is het niet de gemeenschap niet het lichaam des Heamp;ren (X, 16).
Het spijsoffer der eerste Christenen, door de Apostelen opgedragen, was alzoo het H. Misoffer.
2quot;. Uit de bepalingen der Conc Uien van Nicea (in het jaar 325), Ancyra, Laodicea, enz.
3°. Uit de getuigenissen der Kerkvaders. Zoo schrijft in het begin der Se eeuw Hyppolitus: ^Dagelijks wordt het kostbare en onbevlekte bloed van J. C. op de geheimvolle en goddelijke tafel gewijd en geofferd:\'\'
4\'. Behalve de oudste Liturgieën zijn er vele andere gedenkteekenen, welke bewijzen, dat het H. Misoffer, reeds tijdens de vervolging der
344
Christenen, in de katacomben, werd opgedragen. Hét altaar van den H. Apostel Petrus wordt nog bewaard in de kerk van de H. Pudentiana te Rome.
X. Volgens de leer der Kerk wordt het H. Misoffer aan den hemelsclien Vader opgedragen:
1°. Als offer van aanhidding. Door dit H. Offer vau het onbevlekte Lam Gods, bewijzen wij aan de goddelijke Majesteit eene eer, welke alle Engelen en Heiligen te zamen niet kunnen brengen.
2°. Als dankoffer voor alle ontvangen genaden en weldaden.
3°. Als zoenoffer voor de vele beleedigingen, welke wij God hebben aangedaan,
De H. Mis als zoenoffer heeft eene tweevoudige uitwerking, namelijk zij verwerft ons vergeving van de dagelijksche zonden en van de tijdelijke straffen, welke wij door onze overtredingen verdiend hebben. En zij, die in doodzonde zijn, kunnen door het godvruchtig bijwonen der II. Mis de genade eener ware bekeering erlangen.
4°. Als smeekoffer, om van God voor ons zeiven en voor anderen hulp te vragen in alle behoeften, zoowel naar lichaam als naar ziel, en verlossing van de zielen uit het vagevuur.
XI. Welke is de waarde van het H. Misoffer?
Het H. Misoffer is in zich van oneindige waarde,
evenals het offer des krnises ; doch in de fl. Mis worden de voldoening en de verdiensten van Christus slechts in eindige en bepaalde mate op ons toegepast. Daarom ook wordt de H. Mis meermalen opgedragen. Ds mate der genaden, welke ons geschonken worden, hangt vooral van den wil Gods af, maar ook van het geloof en de godsvrucht, waarmede wij het H. Offer opdragen.
XII. Welke zijn de vruchten van het H. Misoffer, en wie ontvangt ze ?
Vruchten van de H. Mis noemt men alle geestelijke voordeden, genaden en zegeningen, ook tijdelijke gaven en weldaden, welke God door dit H. Offer verleenen wil.
Men onderscheidt deze vruchten in algemeene en hi-zondere.
De algemeene vruchten worden het eigendom der
345
geheele Kerk, zoowel der overledene als levende ledematen. Dit blijkt uit onderscheidene gebeden van den offerenden Priester.
De hizondere vruchten ontvangen ;
1° de Priester, die het H. Offer opdraagt;
2° de persoon, voor wien de Priester in \'t bizonder de H. Mis opdraagt;
3° allen, die bij het H. Offer tegenwoordig zijn.
XIII. Welke zijn de voornaamste deelen der H. Mis ?
Deze zijn : de offerande, de consecratie en de nutti-ging of de Communie des Priesters.
1°. De offerande bestaat in de opdracht der gaven, die voor het offer bestemd zijn, namelijk brood en wijn.
Deze opoffering, waardoor brood en wijn tot het goddelijk offer uitgekozen en afgezonderd worden, is een zoo gewichtig deel van de H. Mis, dat degenen, die volgens het gebod der Kerk verplicht zijn de H. Mis te hooren, deze offerande niet zonder zonde vrijwillig kunnen verzuimen.
2°. Het tweede voorname deel der H. Mis is de consecratie.
Bij dit deel des offers heeft de geheimvolle verandering plaats van brood ea wijn in \'s Heeren lichaam en bloed, welke verandering, zooals boven verklaard werd, de eigenlijke offerdaad is, dewijl alsdan het on-bevlekteLam op geheimvolle wijze geslachtofferd wordt. De consecratie is derhalve het gewichtigste deel der H. Mis ; ja, zonder consecratie is er geen Misoffer.
Op goeden Vrijdag wordt geen H. Misoffer opgedragen, wijl dan alleen de H. Hostie, die op witten Donderdag geconsacreerd is, genuttigd wordt. De Kerk houdt dien dag op het bloedige offer alleen al hare aandacht gevestigd.
3°. Het derde der voornaamste deelen van de H. Mis is de Communie des Priesters , die , ofschoon zij niet, zooals de consecratie, tot het wezen, toch tot de voltooiing en voltrekking van het H. Offer behoort.
XIV. De ceremoniën, welke gedeeltelijk door Christus zeiven en zijne Apostelen, gedeeltelijk later door de H. Kerk zijn ingesteld, moeten, zooals het Concilie van Trente (22ste zitt. hfdst. 4 en 5) leert, voornamelijk dienen :
346
1° om ons aan het lijden en sterven van Christus indachtig te maken;
2° om ons de verhevenheid en heiligheid van de H. Offerande voor oogen te stellen ;
3° om eerbied en godsvrucht in onze harten op te wekken. 1)
XV. l)e H. Mis wordt, in de meeste landen der wereld, gelezen in de Latijnscht taal. De H. Kerk verlangt dit:
10 omdat het de taal is van Rome, de hoofdstad der Christenheid ;
2° omda.t deze taal niet, zooals elke levende taal, met den tijd verandert;
3° omdat da.irdoor, ook in den eeredienst, de eenheid der Kerk over geheel de aarde voorgesteld en bevorderd wordt.
Dat de Latijnsche laai voor de meeste geloovigen onverstaanbaar is geworden, is volstrekt geene voldoende reden om de H. Mis in de volkstaal te lezen. Immers, de H. Mis is niet eene onderrichting, maar eene daad van Godsvereering; haar doel is niet, gelijk bij den protestantschen eeredienst, om te onderwijzen. Daarenboven kan de Katholiek gemakkelijk den zin der gebeden en de beteekenis der ceremoniën kennen, als hij slechts een goed gebedenboek wil inzien, en vooral als hij aandachtig luistert naar de verklaringen, welke in de christelijke leering en op den predikstoel zoo dikwijls gegeven worden.
_ XVI. De H. Kerk heeft voor hare Priesters eene bizondere kleeding voorgeschreven, opdat wij ons zouden herinneren, dat de Priester aan het altaar niet in eigen persoon handelt, maar de plaatsbekleeder is van Jesas Christus, en een heilig, goddelijk Offer opdraagt.
XVII. Met innige godsvrucht en den diepsten eerbied moet de Christen het H, Misoffer bijwonen.
Ofschoon men zich daarbij van verschillende gebeden kan bedienen, is het^toch raadzaam, zooveel mogelijk den Priester bij de H. Handeling; te volgen, levens moeten wij zorg dragen bezield te zijn:
1° met een levendig geloof aan de bloedige en onbloedige Offerande van onzen Zaligmaker ;
2° met eene hartelijke dankbaarheid voor de groote liefde en barmhartigheid, welke Christus ons door zijn bloedig Kruisoffer en door de instelling van het onbloedig offer betoond heeft;
1
Zie over deze ceremoniën Deharbe\'s verklaring der geloofs- en zedenleer, deel IV, bladz. 296—309.
347
3° met een waar berouw over onze zonden, de oorzaak van ^sHeereo lijden, en eindelijk
4° met een ootmoedig en vast vertrouwen op de verdiensten van Christus, en een oprecht verlangen om door de H. Communie met Hem ver-eenigd te worden.
Als men, na het berouw over zijne zonden en de liefde tot Christus opgewekt te hebben, hartelijk naar de vereeniging met Hem verlangt, en zich zooveel mogelijk in den geest met Christus vereenigt, dan doet men eene geestelijke Communie, Het is zeer raadzaam, als men niet werkelijk tot de H. Tafel kan naderen, onder de H. Mis geestelijker wij ze te communiceeren.
§ 4.
Over het H. Sacrament der Biecht.
Art. I. Oozr de instelling van de Biecht.
I. De Biecht is een Sacrament, in hetwelk de zonden, die na het Doopsel bedreven zijn, door de priesterlijke macht vergeven worden.
De drie vereischten voor elk Sacrament worden ook hier gevonden.
a. Het uitwendig teeken bestaat, van den kant des zondaars, in de belijdenis zijner zonden, verbonden met een oprecht berouw en den ernstigen wil, om zijn leven te beteren en voor zijne zouden te voldoen ; van den kant des priesters, in de woorden van de absolutie ; „Ik ontbind u van uwe zonden, in den naam des Vaders, en des Zoons, en des li. Geestes.quot;
h. De inwendige genade bestaat in de vergeving der zonden, welke na het Doopsel bedreven zijn,, en in vele andere genaden, zooals wij later zullen aantoonen.
c. Dit Sacrament is door Christus ingesteld. Dit zullen wij thans bewijzen.
II. Onze goddelijke Verlosser heeft aan zijne Apostelen de geheel bizondere volmacht verleend, om de zonden van hen, die, na gedoopt te zijn, het ongeluk hadden, God te beleedigen, waarlijk te vergeven.
1°. Christus verleende die macht, toen Hij, na zijne verrijzenis, tot zijne Apostelen kwam, over hen blies en tot hen sprak: „Gelijk de Vader Mij gezonden heeft,.
348
zoo zend Ik u , , . Ontvangt den II. Geest: wier zonden gij zult vergeven hebben, dien zijn zij vergeven, en wier zonden gij zidt gehouden hebben, dien zijn zij gehoudenquot; (Joan. 20)
ci. Duidelijk is hier spraak van eene werkelijke vêvgcving der zonden, niet van eene verklaring^ dat zij kwijtgescholden zijn. Want:
lo de Heiland bedient zich hier van dezelfde uitdrukking, welke Hij elders gebruikte, om aan te duiden, dat Hij in werkelijkheid de zonden kwijtschold^ en niet enkel de verklaring gaf, dat ze reeds waren uit-gewischt, 1 ot den lamme sprak Hij 1 » Uwe zonden worden ii vergeven^ en Hij verzekerde bij die gelegenheid, dat »de Zoon des intnschen op aarde de macht heeft om zonden te vergeve?iquot; (Luc. V, 24).
2o. De Verlosser zendt zijne leerlingen gelijk de Vader Hem gezonden heeft, d. i. met dezelfde volmacht. Daar nu Christus ongetwijfeld de macht bezat om de zonden kwijt te schelden, zoo wordt die macht ook aan de Apostelen medegedeeld.
b. Zeker is het, dat hier niet die vergeving van zonden bedoeld wordt^ welke in het Doopsel geschiedt. Immers;
In andere uitdrukkingen en bij eene andere gelegenheid spreekt Christus van het Doopsel (Matth. XXVIII, 19). De macht om te doo-pen hadden de Apostelen reeds tel voren ontvangen.
2°. Van oudsher heeft de Kerk geleerd , dat Christus aan zijne Apostelen de macht der zondenvergeving heeft medegedeeld.
Reeds in de 2e eeuw werden de Monta?nsten^ omdat zij niet aannamen, dat deze macht zich tot de -zware zonden uitstrekte, en in de 3e eeuw de Novatzanen, die niet geloofden, dat zij zich tot alle zware zonden uitstrekte, buiten de gemeenschap der Kerk gesloten.
Ook de HH. Vaders en Kerkleeraars zijn eenparig in hunne getuigenissen aangaande deze waarheid.
III. De macht om de zonden te vergeven bezitten ook de opvolgers van de Apostelen in het Priesterschap, namelijk de Bisschoppen en Priesters -)
Deze macht toch moest niet alleen ten tijde der Apostelen, maar voortdurend in de Kerk blijven en uitgeoefend worden. Want:
1) Te voren had Christus deze macht reeds beloofd, toen Hij tot Petrus sprak ; »Ik zal u de sleutelen van het rijk der hemelen geven. Alles, ivat gij op aarde gebonden zult hebben, zal ook in deti hemel gebonden zijn, en wat gij op aarde zult ontbonden hebben, zal ook in den hemel ontbonden zijn\'\'\' (Matth. XVI, 19).
2) Men hoort wel eens opwerpen, dat er in de H. Schrift staat «wie kan zonden vergeven behalve God alleen ?quot; Zeker, God alleen kan uit eigen macht de zonde vergeven; doch Hij kan die macht ook aan anderen medeelen, gelijk gebeurd is.
349
1°. Christus heeft zijne genademiddelen ingesteld voor alle tijden .en voor alle menschen, die er behoefte aan zouden hebben;
2» zij was vervat in de zending, welke de Apostelen ontvingen : „Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zoo zend Ik u.quot; Die zending nu duurt voort tot aan het einde der tijden. Bijgevolg ook de macht om de zonden te vergeven.
Om geldig van deze macht gebruik te maken wordt, behalve de priesterlijke waardigheid, ook jurisdictie gevorderd, d. i. de Priester kan alleen diegenen absolveeren,die hem dooi de kerkelijke Overheid zijn aangewezen . Dit Sacrament is namelijk ingesteld, bij wijze van geestelijke rechtbank. Een rechter nu kan enkel in een bepaalden kring en over bepaalde personen een vonnis vellen.
De Bisschoppen zijn in de uitoefening hunner rechterlijke macht afhankelijk van den Paus, die hun een rechtsgebied aanwijst. De Paus kan, als opperste rechter, en ook elk Bisschop (voor zijne onderhooiige geestelijkheid) de vergeving van zekere zware zonden aan zich alleen voorbehouden.
In doodsgevaar kan echter elk Priester en in elke plaats alle zonden vergeven, als er geen gevolmachtigde Priester aanwezig is.
3°. Alleen de Bisschoppen en de Priesters bezitten de macht om de zonden te vergeven, want^ alleen tot de Apostelen en hunne opvolgers in het priesterambt richtte Christus het woord, toen Hij deze macht verleende, en zij alleen zijn de door Christus aangestelde „uitdeelers der geheimenissen Gods\' (1 Cor. IV, 1).
IV. Is de Biecht ter zaligheid noodzakelijk ?
1°. Dit H Sacrament is noodzakelijk ter zaligheid voor allen, die na het Doopsel eene zware zonde hebben bedreven. Zoo leert de Kerkvergadering van Trente (14 zitt. hfdst. 2).
2°. Het Sacrament der Biecht is echter niet zóó noodzakelijk ter zaligheid, dat een zondaar, die niet in staat is het luerkelijk te ontvangen, eeuwig verloren zou moeten gaan. Indien iemand dit Sacrament niet kan ontvangen, dan kan hij door een volmaakt berouw met het vaste voornemen, om zijne zonden te belijden, wanneer Lij daartoe de gelegenheid zal hebben, vergiffenis verwerven.
V. Wat verkrijgt men door het H. Sacrament der
Biecht ?
350
1°. Vergiffenis van alle zonden, die na het Doopsel bedreven zijn, hoe groot en talrijk zij ook mogen wezen;
2° de verloren heiligmakende genade of de vermeerdering van deze, als men dit Sacrament in staat van genade ontvangt; kwijtschelding van de eeuwige en ten minste van een gedeelte der tijdelijke straffen ;
3° bizondere genaden om te voldoen voor de zonden en het kwaad te vermijden.
Afgezien van de vruchten, welke de Biecht als Scicrameiit oplevert is zij op ztch zelve reeds eene zeer heilzame instelling en eene onschatbare weldaad voor den raensch en voor geheel de maatschappij. De Biecht namelijk is :
lo eene oefening om tot de ware kennis van zich zeiven te komen, eene daad van ootmoed en boetvaardigheid, die bij uitnemendheid geschikt is om Gods genade en barmhartigheid te venverven.
Zij is 2o een voortreffelijk middel tot verbetering des levens en tot vooruitgang in het goede. Dit moest zelfs de geleerde Protestant Leibmtz erkennen, en de ougeloovige J. J. Rousseau schrijft: *Tot hoeveel herstelling, tot hoeveel schadevergoeding worden niet de Katholie-ken gebracht door de Biecht! Hoezeer zijn, bij het naderen van den Communie tijd, allen bereid, zich met elkander te verzoenen! Hoeveel aal-moezen worden bij deze gelegenheid niet gegeven /quot;
_ Biecht strekt nist alleen tot welzijn van iederen Christen in \'t
bizonder, maar bevordert ook de welvaart van huisgezin en Staat.
^ eel toch kan de Biechtvader door zijne vermaningen en raadgevingen bijdragen, om het gezin waarlijk christelijk te maken en de onderlinge goede verstandhouding te bevorderen. Wat het heil van den Staat betieft, dit wordt door middel van de Biecht in zooverre bevor* deid, dat zij het zedelijk gedrag der burgers, dien onontbeerlijken grondslag voor het geluk van den Staat, meer bevestigt dan andere middelen, welke de wereldlijke macht daartoe aanwendt.
Art. 2. Over de vereischten tot het zoaardig ontvangen van dit H. Sacrament.
Tot^ het waardig ontvangen van het H. Sacrament der Biecht wordt vereischt: 1° het gewetensonderzoek, 2° het herouw, 3°het voornemen omniet meer te zondigen, 4° de belijdenis der zonden, 5° de voldoening.
Over het onderzoek des gewetens.
!• Zijn geweten onderzoeken wil zeggen : ernstig na-denhen aan welke zonden men zich plichtig heeft gemaakt.
Dit onderzoek wordt door het Concilie van Trente
351
gerekend onder de noodzakelijke vereischten bij de voorbereiding tot de Biecbt (zitt. 14 can. 7).
II. Omtrent de wijze, waarop dit onderzoek moet geschieden, het volgende :
1°. Gelijk bij elk belangrijk werk, moet men vooral bier beginnen met de aanroeping van den H. Oeest.
2°. Vervolgens denke men na, wanneer men het laatst icaardig gebiecht, en of men de opgelegde penitentie volbracht heeft.
3°. Daarna behoort men de geboden van God en van de 11 Kerk te doorloopen, de plichten van zijnen staat en de verschillende soorten van zonden na te gaan, en zich telkens af te vragen, hoe men met gedachten, begeerten, woorden, werken en door verzuim daartegen gezondigd heeft,
Ook moet men, ten minste bij de doodzonden, onderzoeken naar het getal en die omstandigheden, welke, zooals later zal gezegd worden, in de Biecht verklaard moeten worden.
III. Bij bet onderzoek des gewetens moet men zorg dragen :
1° dat dit onderzoek niet vluchtig eti oppervlakkig geschiede. Volgens het Concilie van Trente wordt gevorderd »een vlijtig onderzoeken en doorschouwen van alle plooien en schuilhoeken des gewetensquot; Men behoort derhalve een genoegzamen tijd en behoorlijken ijver daartoe te gebiui-ken. Hoe lang dit onderzoek duren moet, kan niet in \'t algemeen bepaald worden. Dit hangt vooral af van de levenswijze des boetelings, en eveneens van den langeren of korteren tijd, dat men \'t laatst gebiecht heeft. Zoo b. v. kan iemand, die alle maanden biecht, zeker volstaan met een onderzoek van een kwartier uurs ; terwijl iemand, die slechts eens of tweemaal in \'t jaar biecht, daaraan langeren tijd besteden moet, vooral, als hij zich aan vele zonden heeft schuldig gemaakt.
2°. Men moet zorgen, dat men voor zich zeiven zijne lievelingszonde niet verhele. De grootste vijand bij het gewetensonderzoek is gewis de verkeerde eigenliefde, waardoor men groote zonden slechts als onvolmaaktheden beschouwt.
Evenwel mag men 3° niet al te angstig zijn.
Sommigen meenen, dat zij zich nooit genoeg onderzocht hebben ; zij brengen uren in onderzoek door, en kwellen zich op eene verschrikkelijke wijze, met alle plooien van hun geweten telkens opnieuw te doorschouwen. Voor deze angstvallige zielen is het vooral noodig, dat zij zich geheel onderwerpen aan het oordeel van den Biechtvader, die door Gods genade wordt verlicht en weet wat voor hen, die aan zijne zorg zijn toevertrouwd, noodig of voordeelig is.
Art. 3. Over het berouw.
I. Het berouw is een leedwezen des harten, loaardoor men zijne hedreven zonden verfoeit, met het voornemen, om niet loeder te zondigen.
II. Zelfs het gezond verstand zegt ons, dat het berouw noodzakelijk is voor den zondaar, als hij vergiffenis wil erlangen. Immers, als do zondaar tot God wil teragkeeren, dan moet hij zich afwenden van de zonde , welke hem van God gescheiden heeft. Ook de H. Schrift leert dit op vele plaatsen. „Doet derhalve hoete, en bekeert u. opdat uwe zonden uitaedelad wordenquot; (Hand. III, 19).
III. Het berouw moet de volgende eigenschappen hebben. Het moet zijn 1° inwendig, 2° boven alles groot, 3° algemeen en 4° bovennatuurlijk.
1°. Het berouw moet inwendig zijn, d. i. men moet zijne zonden niet enkel met den mond verfoeien, maar vooral in het hart betreuren.
„Bekeert u tot Mijr\' zegt de Heer, „met geheel uw hart.... scheurt uwe harten en niet uwe Ideederenquot; (Joel II, 12, 13).
2°. Het is echter niet genoeg, de doodzonden inwendig te betreuren; de zondaar moet ze ook als het grootste kwaad verfoeien, en derhalve bereid zijn, liever alle rampen te ondergaan, dan ze op nieuw te bedrijven. In dezen zin wordt gezegd, dat het berouw hoven alles groot moet wezen.
3°. Het berouw moet algemeen zijn, d. w. z. het moet zich uitstrekken minstens tot alle doodzonden, welke men te biechten heeft. Hoewel het zeer aan te prijzen is, is het echter niet noodig, berouw en voornemen omtrent elke zonde in \'t bizonder te verwekken ; maar zeker is het noodzakelijk, dat men over alle doodzonden gezamenlijk een gosd berouw hebbe.
Degenen, die zich alleen van dagelijksche zonden hebben aan te klagen, moeten ten minste over ééne van deze zonden een goed berouw verwekken. Raadzaam is het, in dusdanige Biechten eene doodzonde, welke men vroeger bedreven en gebiecht heeft, te herhalen
353
4=. Het berouw moet bovennatuurlijk zijn, d. w. z. het moet voortkomen uit de goddelijke genade en uit heiveegredenen aan het geloof outleend, b. v. omdat wij God beleedigd, zijne liefde verloren, den hemel verbeurd, de straffen van hel of vagevuur verdiend hebben, enz.
Een natuurlijk berouw, dat namelijk wordt opgewekt alleen door natuurlijke beweegredenen, d. w. z. die wij enkel door ons natuurlijk verstand kennen, b. v. alleen om tijdelijke straf, door ouders of oversten opgelegd, is dus niet voldoende om vergeving te verwerven.
IV. Het berouw wordt onderscheiden in volmaakt of onvolmaakt berouw.
1». Volmaakt is dat berouw, hetwelk voortkomt uit eene volmaakte liefde tot God, d. i. als wij een oprecht leedwezen hebben over onze zonden, omdat wij God, het hoogste Goed, door die zonden beleedigd hebben.
Dit volmaakt berouw, hetwelk den wil om te biechten in zich sluit, heeft de kracht om den zondaar te rechtvaardigen vóór het ontvangen der H. Absolutie. Het volmaakt berouw neemt echter de verplichting niet weg, om later de doodzonden te belijden. — Zulk een volmaakt berouw had b. v. Maria Mag dale na en ook de H. Petrus. — Men is verplicht een volmaakt berouw te verwekken, als men, in gevaar van sterven verkeerende, zijne gepleegde doodzonden niet kan biechten.
Ook is het zeker zeer heilzaam, dit dikwijls in het leven te doen, maar vooral zoodra men in doodzonde gevallen is.
2°. Het berouw is onvolmaakt als het voortkomt uit vrees voor de hel en de goddelijke straffen met eene beginnende liefde tot God, dien wij door onze zonden beleedigd hebben. — Dat berouw wordt ons voorgesteld in de gelijkenis van den verloren zoon.
V. Hoewel ieder zondaar zijn best moet doen, om met de genade Gods, een volmaakt berouw te verwekken, wordt toch tot eene waardige Biecht het volmaakte berouw niet vereischt, maar is ook het onvolmaakte berouw daarvoor voldoende.
VI. Ten slotte de volgende opmerkingen;
lo. Men moet zorgen een goed berouw te verwekken, vóórdat men in den biechtstoel zijne zonden gaat belijden. Noodzakelijk is het, dit te doen vóór het ontvangen van de H. Absolutie.
2o. Het berouw is zóó noodzakelijk, dat het in geen enkel geval door iets anders kan vervangen worden (Zie het Cone, van Trente, 14de zitt.
23
354
4de hfdst.) Een stervende, die zijne zonden niet kan belijden, kan toch de vergiffenis verkrijgen, indien hij Inwendig berouw heeft: maar als het berouw ontbreekt, Is dit geheel onmogelijk.
Art. 4. Over het voornemen.
I. Met het berouw moet gepaard gaan :
1° de hoop op vergeving;
2° het goede voornemen om niet meer te zondigen.
1° Als een zondaar vergeving wil verwerven, dan moet hij vertrouwen, dat hij door oprechte boetvaardigheid, om de verdiensten van Christus, vergiffenis van al zijne zonden kan verkrijgen. Vervolgens moet hij vertrouwen, dat het hem mogelijk zal wezen, met den bijstand der genade, zich te verbeteren en zoo tot de zaligheid te komen.
Judas beleed zijne schuld en het loon zijner misdaad wierp hij weg. Toch ging hij als *zoon des ver derfs\'\'\' verloren, omdat hem de hoop op vergeving ontbrak.
2o. De ernstige wil, om zijn leven te verbeteren en niet meer te zondigen, is evenzeer noodzakelijk als het berouw. Daarom moet het goede voornemen reeds vóór de H. Absolutie gemaakt zijn.
II. Hoedanig moet het voornemen zijn ?
Evenals het berouw moet het zijn 1Q inwendig of ernstig gemeend, 2° bovennatuurlijk, 3° algemeen, en vooral 4° het moet vast zijn.
De twee eerste eigenschappen van het voornemen hebben, na hetgeen wij over het berouw gezegd hebben, geene nadere verklaring meer noodig. Aangaande de derde en vierde eigenschap stellen wij thans de vraag :
III. Waartoe moet degene, die een goed voornemen heelt, vast besloten zijn ?
1° zijn voornemen moet ten minste in zooverre algemeen zijn, dat hij het vaste besluit gemaakt hebbe om alle doodzonden te vermijden;
2° hij moet vast besloten zijn, \'het gevaar en vooral de naaste gelegenheid der zonde te vluchten ;
3° de noodzakelijke middelen ter verbetering te gebruiken ;
4° de penitentie, welke de Priester zal opleggen, te volbrengen.
Onder gelegenheid tot zonde verstaat men personen, voorwerpen, betrekkingen, plaatsen, in één woord alles, wat ons van buiten tot zon-
355
de aanspoort of verleidt en aldus aan het gevaar van te zondigen blootstelt. Is het gevaar slechts gering^ dan noemt men de gelegenheid eene verwijderde gelegenheid ; is het daarentegen groot, namelijk zoodanig, dat het zeker of waarschijnlijk den val in de zonde veroorzaakt, dan noemt men de oorzaak van dat gevaar eene naaste gelegenheid.
Zóó streng is de verplichting om de naaste gelegenheid te vermijden, dat geen Priester geldig de H. Absolutie kan geven aan hem, die zich in eene naaste gelegenheid bevindt, welke hij kan, maar niet wil vermijden.
Er bestaat evenwel geene verplichting om alle, ook de incest verwijderde gelegenheden te ontvluchten, daar men anders, zooals de H. Pau-lus zegt, de wereld zou moeten verlaten.
IV. Wat moet men dan doen, als men de naaste gelegenheid, waarin men zich bevindt, niet zonder groote moeielijkheid of niet dan met aanmerkelijke schade kan verlaten? — Dit kan b. v. gebenren met dienstboden, die door hunne overheden tot zonde verleid worden en door terstond hunnen dienst te verlaten, niet alleen schade zouden lijden, maar ook kwaad vermoeden opwekken en tweedracht in het huisgezin brengen.
In deze en dergelijke gevallen moet men zich houden aan den raad van zijnen Biechtvader, die geschikte middelen zal aanwijzen om minstens de naaste gelegenheid tot eene verwijderde te maken.
Indien men, ondanks de voorgeschreven maatregelen, telkens hervalt, dan zal men eindelijk het laatste en afdoende middel moeten aanwenden, en, hoeveel het ook koste, de gelegenheid moeten verlaten, gedachtig aan het woord des Heeren; „Als uwe hand of uw voet u ergert, hak ze af en werp ze van u ; het is heter verminkt of kreupel het leven in te gaan, dan met twee handen of twee voeten in het eeuwig vuur geworpen te loordenquot; (Matth.
XVIII, 8).
Art. 5. Over de belijdenis.
I. Om de vergiffenis der zonden te verkrijgen, is het noodzakelijk, dat wij onze zonden belijden.
De noodzakelijkheid dezer belijdenis wordt aldus bewezen:
1°. Christus heeft voorgeschreven, zooals het Con-
356
cilie van Trente (14e Zitt. Can. 6) leert, dat een ieder, die van de doodzonden, na het Doopsel, door hem bedreven, vergiffenis wil erlangen, die zonden moet belijden. Dit voorschrift heeft de Zaligmaker gegeven, toen Hij tot zijne leerlingen sprak: „Ontvangt den H. Geest, tuier zonden gij zult vergeven, dien ^oorden zij vergeven,\'\'\'\' enz, (Joann. XX).
Met deze woorden gaf Christus aan zijne Apostelen niet alleen de macht van te ontbinden, maar ook die van de zonden te houden. Hij stelde hen derhalve aan als rechters. Een rechter, wie hij ook zij, kan zonder kennis van de zaak geen rechtvaardig oordeel vellen. Daar nu de Priesters onmogelijk kunnen weten, aan wie zij de zonden al of niet moeten vergeven, tenzij degenen, die vergiffenis willen verwerven, den staat van hun geweten openbaren, is het duidelijk, dat Christus de belijdenis der zonde heeft voorgeschreven.
2°. Hetzelfde blijkt uit de handelingen en woorden der Apostelen. Inderdaad lezen wij. dat vele Christenen tot Paulus kwamen om hunne zonden te belijden. De H. Joannes leert, dat, „als wij onze zondm belijden, God ... ze vergeven en ons van alle ongerechtigheid zuiveren zaV\' (I Joan. I, 9).
3°. Eveneens leeren de Kerkvaders. Zoo zegt o. a. de H. Clemens, die met de Apostelen geleefd heeft ; „Bekeert u, , ., want als icij uit dit leven gescheiden zijn, zullen wij niet meer kunnen biechten.quot;
4°. Onmogelijk is het, een tijdpunt aan te geven, waarop het gebruik van de zonden te belijden, in de Kerk niet bestond en eerst door kerkelijk voorschrift ingevoerd zou wezen. De Kerkvergadering van Late-rane, onder Innocentius III, heeft, zooals de Kerkelijke geschiedenis leert, de Biecht niet ingesteld, maar alleen de jaa.rlijksche Biecht voorgeschreven.
II. De belijdenis moet zijn volledig, oprecht, duidelijk.
a. Volledig is de belijdenis als men ten minste alle doodzonden, welke men zich herinnert en waarvan men nog niet eene geldige H- Absolutie ontvangen heeft, met het getal en de noodige omstandigheden aan den Priester openbaart.
357
De zondaar moet zich dus beschuldigen: 1° van alle doodzonden, welke hij na het Doopsel heeft bedreven en waarvan hij nog niet eene geldige H. Absolutie ontvangen heeft, b. v. omdat hij ze in \'t geheel nog niet of niet met genoegzaam berouw gebiecht heeft. Goed en heilzaam is het, ook de dagelijksche zonden te belijden, doch noodzakelijk is het niet.
2°. Moet het getal der doodzonden worden aangegeven. Indien men, na een nauwkeurig onderzoek, het juiste getal niet bepalen kan, is het genoeg, dit ten-naastebij aan te geven of ten minste te zeggen, hoe dikwijls men gewoon was eiken dag, elke week of maand die zonde te bedrijven.
Men moet vooral die ovistandigheden openbaren ; 1° welke de soort der zonde veranderen (b. v. kerkelijk goed stelen);
2° welke eene dagelijksche zonde tot eene doodzonde maken (b, v. als men voorziet, dat men door eene leugen den naaste groot nadeel zal toebrengen);
3° waardoor eene doodzonde slechts dagelijksche zonde wordt (b. v. als men door eene geringe onvoorzichtigheid oorzaak is van een groot ongeluk).
Dat alles is zeker noodzakelijk, opdat de Biechtvader als rechter in staat zij, een goed oordeel te vellen.
h. Oprecht is de belijdenis, wanneer men zich zoo aanklaagt, als men meent voor God schuldig te wezen, zonder iets te verzwijgen, wat beleden moet worden, of zijne zonden te verkleinen of te vergrooten.
c. Duidelijk is de belijdenis, als men zich zoo uitdrukt, dat de Biechtvader alles verstaat en den toestand van onze ziel kan kennen.
III. Wat moet men doen, als er in de Biecht iets is achtergelaten, wat men verplicht was te belijden ?
1°. Wanneer dit buiten schuld gebeurd is, dan is het zeer raadzaam vóór de H. Communie, als het zonder bezwaar geschieden kan, tot den Biechtvader terug te keeren. Bestaat daartoe geene gelegenheid, dan verwekke men vóór de H. Communie eene akte van berouw, doch in de volgende Biecht is men ver-
358
plicht de vergeten zonde te belijden, zooals vroeger reeds gezegd is.
2°. Als dit door eigen en zware schuld geschied is, b. v. uit schaamte of door nalatigheid bij het onderzoek des gewetens, dan moet eerst de geheele belijdenis herhaald worden, nadat men den Priester gezegd heeft, hoe dikwijls men de zonde door eigen schuld niet beleden heeft.
IV. Door eene generale Biecht verstaat men eene belijdenis, waarbij men al zijne vorige Biechten of ee-nige daarvan herhaalt, de zonden belijdt van het geheele leven of van eenige jaren.
De generale Biecht ia 1° noodzakelijk, zoo dikwijls de vorige Biechten ongeldig waren, hetzij uit gebrek aan oprechtheid, aan berouw en voornemen, of wegens schuldige nalatigheid in het gewetensonderzoek.
Zij is 2° nuttig en raadzaam:
a. bij de voorbereiding tot de eerste HL. Communie;
h. bij het aanvaarden van een levensstaat;
c. in eene gevaarlijke ziekte;
d. ten tijde van een Jubilé of Missie.
De generale Biecht kan echter ook 3° nadeeüg zijn, namelijk voor angstvallige personen, die telkens, zonder reden, aan de geldigheid van hunne vroegere Biechten twijfelen. Voor hen is de gehoorzaamheid aan den Biechtvader veel beter dan eene generale Biecht.
Art. 6. Over de voldoening,
I. Door de H. Absolutie verkrijgt de zondaar niet alleen vergeving van al zijne zonden, maar ook van de eeuwige straf, welke hij door de zonde verdiend heeft. In den regel wordt echter de tijdelijke straf niet geheel kwijtgescholden, zoodat deze hier op aarde of in het vagevuur moet afgeboet worden. Zoo leert het Cone, van Trente.
II. God scheldt niet altijd met de eeuwige straf der zonde ook de tijdelijke geheel kwijt, l0 opdat wij door het lijden der straf eenige voldoening zouden ge-
359
ven voor de beleediging, Hem door de zonden aangedaan, en 2° opdat wij, uit vrees voor de straf ons voor het hervallen in de zonden hoeden.
III. De voldoening, welke de Priester den boeteling oplegt, dient tot voltooiing van het Sacrament der Biecht, en daarom is de Biechtvader verplicht, eene boete op te leggen, welke de zondaar moet volbrengen. Alle kerkelijke overleveringen leeren dan ook ontegensprekelijk, dat altijd, sinds de eerste eeuwen der Kerk, de Absolutie gepaard ging met de oplegging eener boetedoening, en wel:
1° tot afboeting der tijdelijke straffen van de zonden, en
2° als een middel tot verbetering des levens,
IV. Als men na de Biecht de opgelegde boete niet volbrengt, maar toch in de Biecht daartoe den wil had, dan is de Biecht niet ongeldig, doch men begaat eene zonde en berooft zich van vele genaden.
Die nalatigheid in het volbrengen van de penitentie of van een voornaam gedeelte daarvan is doodzonde, als zij tot voldoening voor groote zonden of als noodzakelijk behoedmiddel tegen de doodzonde is opgelegd. In de overige gevallen is dit verzuim eene dagelijksche zonde.
Als de Biechtvader den tijd wanneer, en de wijze waarop de boete volbracht moet worden, bepaald heeft, is men verplicht zich aan die bepaling te houden. Indien de tijd niet bepaald is, moet men de penitentie terstond na de Biecht of korten tijd daarna volbrengen.
Heeft men verzuimd, op den aangewezen tijd de boete te volbrengen, dan houdt de verplichting geenszins op; zij moet dan zoo spoedig de gelegenheid daartoe bestaat, vervuld worden.
Indien de Biechtvader eene boete oplegt, welke men niet of zeer moeielijk kan volbrengen, dan moet men dit bezwaar terstond bekend maken.
Het staat den biechteling nimmer vrij, de opgelegde boete in eene andere, zelfs niet in eene zwaardere, te veranderen. Dit kan slechts geschieden om eene wettige reden door den Priester, bij wien men gebiecht
360
heeft, of door een anderen Priester, mits deze eerst den gewetensstoestand kenne van dergene, die verandering wenscht.
Als men zich niet herinnert, welke boete is opgelegd, moet men den Biechtvader ondervragen, zoodra dit gevoegelijk kan geschieden.
V. Om de mensehelijke zwakheid is de Biechtvader gewoon, slechts eene geringe boele op te leggen. Wij moeten ons daarmede niet tevreden stellen, manr trachten, door andere vrijwillige boetplegingen en door geduld in lijden, aan Gods rechtvaardigheid voldoening te geven. »Als gij niet wilt^ dat God n straffen zal, straf dan n zelve??\'*^ zegt de H. August in us.
Bij de afboeting der tijdelijke straf voor onze zonden komt de H. Kerk ons te hulp door bet verleenen van aflaten, waarover wij nu moeten spreken.
\\ _
§ 6.
Over de aflaten.
I. Een aflaat is eene, door de Kerk, buiten de Biecht, verleende kwijtschelding van Aïz tijdelijke straffen,-wbl-ke wij, na de vergeving onzer zonden, bier of in het vagevuur moesten lijden.
Hieruit volgt:
1° dat een aflaat niet enkel kwijtschelding is der voormalige strenge kerkelijke boetplegingen ;
2° dat een aflaat kwijtschelding is van tijdelijke straffen, nadut de zonde reeds vergeven is. De zo?ide^ de zondeschuld w ordt dus door de atlaten volstrekt niet weggenomen ;
3° de aflaten worden verleend door de oversten \'der Kerk 1), en
4° buiten de Biecht gegeven.
Bijgevolg kan de Biechtvader, als zoodanig, geene aflaten verleenen.
II. Wat moeten wij aangaande de aflaten gelooven?
1°. Dat de katholieke Kerk de macht heeft om aflaten te verleenen;
2°. dat het gebruik daarvan voor het geloovige volk zeer heilzaam is (Conc, v. Trente, 25ste zift).
1) De Paus kan aflaten geven voor de geheele Kerk; de Bisschop alleen voor zijn bisdom. De Paus geeft volle, de Bisschop gedeeltelijke aflaten. Zie No. IV. J
361
1°. Christus heeft aan zijne Kerk de uitgestrektste macht gegeven, om den hemel te ontsluiten en alle handen te ontbinden, die ons den toegang tot de eeuwige zaligheid kunnen verhinderen. De tijdelijke straf nu der zonde is een band, die ons een tijd lang belet, den hemel binnen te gaan; bijgevolg kan de Kerk ook dezen band wegnemen door de aflaten.
Zoo werd die macht reeds door de Apostelen begrepen en uitgeoefend.
Paulus toch schold den rouwmoedigen ontuchtige een gedeelte der straf kwijt, welke over hem was uitgesproken (2 Cor. II, 10).
2°. Zeer heilzaavi noemt de Kerk het gebruik der aflaten, omdat daardoor:
a. de tijdelijke straffen der zonden gedelgd, en
h. de geloovigen aangespoord worden tot eene ware boetvaardigheid eu verbetering des levens, daar zonder de vervulling dezer voorwaarden de aflaten niet verdiend kunnen worden.
III. Op welke ivijze geschiedt de kwijtschelding der tijdelijke straffen ?
De Kerk geeft aan de goddelijke Rechtvaardigheid voor ons voldoening uit den onuitputtelijken schat der oneindige verdiensten van Christus en der overvloedige voldoeningen van de Heiligen.
Uit dien onuitputtelijken schat neemt de Kerk, als eene liefderijke moeder, hetgeen noodig is, om hare kinderen te helpen in het voldoen van hunne schulden. Uit kracht van de gemeenschap der Heiligen, hebben wij deel aan dien schat, en dat aandeel wordt ons toegevoegd door de aflaten. Daarom schreef de H. Paulus, toen hij de Corinthiërs opwekte tot ondersteuning der arme bekeerde Joden : «In den iegenwoordigen tijd moet uw overvloed (van tijdelijke goederen) in hun gebrek voorzien, opdat ook hun overvloed (aan geestelijke goederen) uw gebrek verhelpequot;\'\'\' (2 Cor. V1TI, 14).
IV. De aflaten worden onderscheiden in volle en gedeeltelijke aflaten.
1°. Door den vollen aflaat worden alle straffen der zonden kwijtgescholden.
Onder de volle aflaten , welke de Kerk gewoon is te verleenen, is vooral merkwaardig de aflaat van het Jubilé, dewijl deze met buitengewone plechtigheid uitgeschreven en afgekondigd wordt en de
362
Biechtvaders daarbij eene zeer uitgestrekte volmacht verkrijgen, vooral om de voorbehouden zonden te vergeven en geloften te veranderen of geheel op te heffen.
2°. Gedeeltelijke aflaten noemt men die, waardoor slechts een gedeelte der tijdelijke straffen wordt kwijtgescholden.
De gedeeltelijke aflaten worden afgemeten naar de vroegere kerkelijke boeten. Zoo beteekent b. v. een aflaat van 7 jaren en 7 quadragenen (7 maal 40 dagen) de kwijtschelding van zooveel tijdelijke straf, als men zou kunnen afdoen, wanneer men gedurende 7 jaren en 7 maal 40 dagen volgens de oude kerkelijke tuchtregela boete gedaan had.
V. De vereischten tot het verdienen van een aflaat zijn :
1° dat men in staat van genade verkeere, en
2° nauwkeurig alle voorwaarden volbrenge, welke door hem, die den aflaat verleent, gesteld worden.
Voor den gedeeltelijken aflaat is die voorwaarde gewoonlijk het verrichten van een goed werk, of van een gebed.
Voor den vollen aflaat wordt gevorderd — behalve het verrichten van het goede werk, waaraan de aflaat verbonden is — niet alleen dat men in staat van genade, maar ook dat men gezuiverd zij van alle dagelijksche zonden, zonder eenige gehechtheid aan welke zonde ook te behouden, alsmede, in den regel, het gebed tot intentie van den Paus, het kerkbezoek, het ontvangen van het H. Sacrament der Biecht en van de H. Communie.
Het laatste der voorgeschreven goede werken moet voor \'t minst in staat van genade verricht worden.
Om de voorwaarde te vervullen van te bidden tot intentie van Z. H. den Paus, is vijfmaal het Onze Vader en Wees gegroet voldoende.
Degenen, die de loffelijke gewoonte hebben, wekelijks te biechten, kunnen met deze eene Biecht alle, voor den loop der week verleende aflaten verdienen, mits zij de overige voorwaarden nakomen.
Eene uitzondering echter maken die aflaten, welke gegeven worden in den vorm van Jubilé.
Om de aflaten, aan het godvruchtig bidden van den Kruisweg verbonden, te verdienen, is het niet noodig te biechten of te communi-ceeren, mits men in staat van genade zij.
363
Dezelfde Communie is genoeg, om op één dag meev dan één vollen aflaat te verdienen ; de voorgeschreven gebeden moeten dan tweemaal of meermalen verricht worden.
In het jaar 1862 heeft Z. H. Pius IX, z. g. alle Biechtvaders gemachtigd, om voor hen, die aan eene langdurige ziekte lijden, zoowel de Communie als het kerkbezoek, in andere godvruchtige werken te veranderen. Deze vergunning geldt evenwel niet voor personen, die in eene communiteit leven.
VI. Kunnen de aflaten ook aan de zielen in het vagevuur voordeelig zijn?
Ja, want het tegenovergestelde gevoelen is herhaaldelijk door den H. Stoel veroordeeld.
Hierbij moeten wij het volgende opmerken;
1quot; dat niet alle aflaten, zonder onderscheid, op de geloovige zielen kunnen toegepast worden, maar alleen die aflaten, waarvan dit door den Paus uitdrukkelijk verklaard isj
2n dat de aflaten op de geloovige zielen slechts bij wijze van voorlede kunnen toegepast worden, d. w. z. in zooverre het aan God behaagt die aflaten aan te nemen en op de geloovige zielen toe te passen. Deze zielen toch zijn niet meer aan do rechtspraak der Kerk onderworpen, en kunnen derhalve niet door de Kerk van de verdiende zondestraf ontheven worden. De Kerk houdt zich evenwel verzekerd, dat God den losprijs, welken zij uit den schat, haar toevertrouwd, voor die zielen aanbiedt, goedgunstig zal aannemen.
§ 7-
Over het H. Oliesel.
I. Het H. Oliesel is een Sacrament, in hetwelk de zieken door de heilige zalving en het gebed des Priestersin hunne ziekte en hunnen uitersten nood verlicht en geholpen worden.
De drie vereischten tot een Sacrament zijn ook hier aanwezig: _ _
1°. Het uitwendig teeken is de zalving met olijfolie en het gebed van den Priester.
364
2\'. Door dat teeken wordt de aangeduide genade medegedeeld tot heil van ziel en lichaam.
3«. Het is door Christus ingesteld. Dit weten wij uit de H, Schrift. De H. Jacobus schrijft: „Is er iemand onder u ziek, dat hij de Priesters der Kerk hij zich roepe, en deze zullen over hem hidden en hem met olie zalven in den naam des Heeren ; en het gehed des geloofs zal den zieke tot heil verstrekken, en de Heer zal hem verlichten; en zoo hij in zonden mocht zijn, zullen ze hem vergeven wordenquot; (V. 14, 15).
God alleen is bij machte, aan een zichtbaar teeken onzichtbare genade te verbinden. Het H. Oliesel is derhalve door Christus ingesteld, en de H. Apostel Jacobus heeft het, gelijk de Kerkvergf^dering van Tren-te leert, slechts verkondigd.
Hetzelfde leeren de HH. Vaders en vroegere Conciliën.
II. Groot zijn de voordeden, welke dit H. Sacrament den zieke verleent.
Het geeft 1° de vermeerdering der heiligmakende genade; 2quot; vergeving van de dagelijksche zonden.
De woorden van den H. Jacobus : »Zoo hij in zondeji mocht zijn, zullen zij hem vergeven wordenquot; moeten op de eerste plaats verstaan worden van de dagelijksche zonden. Toch worden ook soms de doodzonden door dit Sacrament vergeven, namelijk als de rouwmoedige zondaarniet in staat is, ze aan den Priester te openbaren of die doodzonden niet meer indachtig is.
3°. Vermindering of wegneming van de overblijfselen of gevolgen der zonden, zooals de tijdelijke straffen, de zwakheid van den wil, kwade neigingen, enz.
4°. Sterkte in het lijden en in de bekoringen, vooral in den doodstrijd.
5°. Zelfs de gezondheid des lichaams wordt door het H. Oliesel den zieke geschonken, als dit, gelijk het Cone, van Trente zich uitdrukt, tot heil der ziel voor-deelig is,1\'
f III. Ieder Katholiek, die het gebruik zijner rede \'heeft of althans gehad heeft en gevaarlijk ziek is, kan •en moet het H. Oliesel ontvangen.
Het is evenwel niet noodig, dat het naaste gevaar van sterven aanwezig is.
365
De zieke behoort het H. Oliesel te ontvangen, terwijl hij nog het gebruik van zijn veratand heeft en-na de H. Teerspijze. Toch mogen zij, die eenig teekea van berouw gegeven hebben, het ook in bewusteloo-zen toestand ontvangen.
De verachting van een zoo verheven Sacrament kan niet zonder groote zonden geschieden (Con^. vanTrente).
IV. Hoe moet men het fl. Oliesel ontvangen?
1°. In staat van genade. Degene, die zich in staat van doodzonde bevindt, moet derhalve te voren biechten of, als dit onmogelijk is, trachten zooveel mogelijk een volmaakt of ten minste een goed berouw te verwekken.
2o. De zieke moet zich verder voorbereiden door de oefeningen van geloof, hoop, liefde en overgeving aan Gods wil.
V. In elke gevaarlijke ziekte mag men eenmaal dit H. Sacrament ontvangen. Het kan echter, als het doodsgevaar voorbij is gegaan en zich opnieuw voordoet, in dezelfde ziekte herhaald worden.
VI. Over de toediening van het H. Oliesel het volgende. De bedienaar van dit Sacrament, de Priester, doet de zalving, in den vorm van een kruis, met olijfolie, door den Bisschop op witten Donderdag gewijd. Deze zalving heeft plaats op de oogen, ooren, neus, mond, handen en voeten van den zieke, onder het uitspreken der woorden: »Door deze heilige zalving en zijne aller genadigs te barmhartigheid vergeve u God, wat gij door het gezicht {gehoor, enz.) misdaan hebt.quot;1\'1
Bij de toediening van dit H. Sacrament behooren in de kamer van den zieke gereed tc staan eene met helder lijnwaad gedekte tafel en daarop een kruisbeeld, twee brandende kaarsen, wijwater en gewoon water. Ook zorge men dat het vertrek zorgvuldig gereinigd zij. — Ditzelfde wordt vereischt als een zieke de H. Communie ontvangt.
Is er iemand van de onzen eenigszins ernstig ziekr laten wij dan terstond den Priester roepen, opdat deze den zieke opmerkzaam make op het gevaar, waarin hij wellicht komen kan, en hem voorbereide tot het waardig ontvangen van dit H. Sacrament. Een grooteren liefdedienst kunnen wij hem niet bewijzen.
Bidden wij dagelijks, dat wij niet sterven zonder dit H. Sacrament ontvangen te hebben.
366
§ 8.
Over het H. Priesterschap.
I. Het Priesterscliap is een Sacrament, waardoor de bedienaars der Kerk macht en genade ontvangen, om hun ambt behoorlijk waar te nemen.
II. Het Priesterschap heeft al de vereischten van een Sacrament.
1°. Het uitwendig teeken bestaat in de oplegging der handen en de woorden van den Bisschop, alsmede in het overreiken van de pateen met hostie en van den kelk met wijn.
2°. Door dit uitwendig teeken wordt de inwendige genade medegedeeld. Dit blijkt uit de woorden van den H. Paulus aan Timotheiis : „Ik vermaan u, dat gij de „genade Gods opwekt, welke in u is door de oplenqinq mijner handenquot; (II, 1, 6).
3°. Het moet door Christus zijn ingesteld, wijl God alleen in staat is, aan een uitwendig teeken de genade te verbinden.
De goddelijke Verlosser heeft dit gedaan, toen Hij in het laatste Avondmaal, na de instelling van het H. Sacrament des Altaars, sprak : „doet dit tot mijne gedachtenisT Met deze woorden verleende Hij aan zijne Apostelen de priesterlijke macht, gelijk wij reeds gezien hebben. Daar nu deze waardigheid, volgens den wil des Heeren, weder op anderen moest overgedragen worden, zoo moest er ook een zichtbaar teeken bestaan, waardoor de onzichtbare priesterlijke macht zou worden medegedeeld ; anders toch zou men niet kunnen weten, op wien de priesterlijke waardigheid is overgedragen. Dit zichtbaar teeken der onzichtbare genade is het H. Sacrament des Priesterschaps. Zoo leeren de HH. Vaders en de Conciliën.
III. De priesterlijke macht bestaat voornamelijk, zooals de Kerkvergadering van Trente leert, in de macht:
1°. om brood en wijn in het lichaam en bloed des Heeren te veranderen of het H. Offer des N. Verbonds op te dragen, en
■\' /-■■/■■ ..■1 ■ ,• C\' . ; //i / / fquot;/1 / i. * ,
■- .■ •- ^ uy éi Ia
367
2°. om de zonden te vergeven.
IV. De bedienaar van dit H. Sacrament is alleen de Bisschop.
De Bisschoppen bezitten de volheid van het Priesterschap, d. i. zij hebben niet enkel de macht en het recht, om alles te doen, wat een Priester doen kan, maar aan hunne waardigheid zijn ook eenige bedieningen en rechten verbonden, welke de gewone Priesters niet kunnen uitoefenen. De Bisschoppen hebben uitsluitend de macht, het Priesterschap toe te dienen, zooals de H. Schrift aanduidt en de Overlevering ons leert. Aldus het Conc. v. Trente, zitt. 33, hfdst. 1. De Bisschoppen zijn, in den volsten zin van het woord, de opvolgers van de Apostelen. Zij hebben het recht om tot de algemeene Kerkvergaderingen geroepen te worden, aldaar omtrent de overleveringen der Apostelen getuigenis af te leggen en alzoo werktuigen te zijn van de onfeilbaarheid, welke Christus aan zijne Kerk beloofd heeft. Zij hebben bovendien gezag over-en den voorrang boven de Priesters en andere bedienaars der Kerk, die zieh bereidvaardig aan hunne voorschriften moeten onderwerpen ; kortom de Bisschoppen zijn, onder den Paus, de hoofden der Kerkelijke Hiërarchie.
V. De Priesterwijding wordt door eenige andere wijdingen voorafgegaan, van welke 4, mindere wijdingen genaamd, de macht verleenen om verschillende godsdienstige handelingen te verrichten, namelijk de wijding tot deurwachter^ lezer, bezweerder en lichtdrager. Twee andere wijdingen geven liet recht, den Priester meer van nabij aan het altaar bij te staan en worden hoogere wijdingen genoemd; het subdiakonaat 1) en het diako7iaat.
De tonsuur of kruinschering is slechts eene kerkelijke plechtigheid, waardoor men tot het ontvangen der wijdingen wordt voorbereid en den geestelijken staat aanvaardt.
Ofschoon in de H. Schrift van het subdiakonaat en de mindere wijdingen niet gesproken wordt, kan men toch op genoegzame gronden aannemen, dat zij door de Apostelen op last van Christus zijn ingesteld, daar zij reeds in de eerste eeuwen genoemd en nergens als eene nieuwe instelling aangeduid worden.
VI. Het Priesterschap kan evenmin verloren worden als het Doopsel en het Vormsel, dewijl het in de ziel een onuitwischbaar merkteeken indrukt (Conc. v. Trente 23ste zitt. can. 4).
Hij, die geldig dit H. Sacrament ontvangen heeft, kan derhalve die wijding en de daarmede verbonden macht niet verliezen; zij kan hem ook niet ontnomen worden; hij blijft Priester in eeuwigheid.
NB. Om geldig het H. Sacrament der Biecht toe te
1) Door het ontvangen van de wijding tot subdiaken wordt de verplichting opgenomen, in eeuwige zuiverheid te leven en dagelijks de kerkelijke getijden te bidden.
2Ü- ■■ //
iUr\' r\\rïCt
368
dienen heeft de Priester, zooals boven is aangetoond, zending of machtiging van zijne geestelijke overheid noodig. Deze nu kan hem geheel onthouden of ontnomen worden.
VII. Niet ieder mag dit H. Sacrament ontvangen, maar alleen degene, die zich tot dien verheven staat door God geroepen acht (Hebr. V, 4), zijn 25ste levensjaar is ingetreden, en volgens het oordeel der geestelijke Overheid genoegzame kennis en deugd verworven heeft, om behoorlijk dit ambt te bekleeden.
Besluit. De Priester is de plaatsbekleeder van Jesus Christus bij het geloovige volk. Aan het altaar, op den kansel, in den biechtstoel is hij de vertegenwoordiger van onzen Heiland. Hij wil alles voor allen zijn, om allen voor zijn goddelijken Meester te winnen en allen waarlijk gelukkig te maken. Eert derhalve den Priester, luistert naar zijn woord, volgt zijne vermaningen ; „loantquot;, zegt de H. Chrysostomus, „als gijl den Priester veracht dan, veracht gij niet alleen hem, maar\' God zelven, die hem tot het Priesterschap geroepen heeft.n
Oyer het Huwelijk.
I. Het Huwelijk is eene goddelijke instelling. Het eerste menschenpaar is door Grod zelven als het eerste echtpaar vereenigd; zoo leert de H. Schrift.
Volgens Gods beschikking was het Huwelijk oorspronkelijk eene onontbindbare vereeniging van éénen man met ééne vrouw (Matth. XIX, 7)
Toch werden er in het O. V. al spoedig afwijkingen gevonden. In de wet van Mozes werd, om de versteendheid der Joden, door God verlof gegeven tot echtscheiding.
Onze goddelijke Verlosser heeft het Huwelijk tot den oorspronkelijken staat teruggebracht en de natuurlijke verbintenis daarenboven verheven tot de waardigheid van een Sacrament.
II. Het Huwelijk der Christenen is een Sacrament,
3G9
11. Het Huwelijk dei- Christenen is een Sacrament , waardoor man en vrouw loettig verhanden worden en genade ontvangen, om de plichten van dm huwelijken en ouderlijken staat wel te vervullen.
De drie vereischten van een Sacrament worden in het Huwelijk gevonden.
1°. Het uitwendige teeken is de duidelijke, door woorden of teekenen gegeven verklaring van bruidegom en bruid, dat zij de echtverbintenis met elkander aangaan.
2°. De bizondere genade, aan dit uitwendig teeken verbonden, bestaat hierin, dat de echtgenooten in stiat gesteld worden, de verschillende plichten, welke zij op zich nemen, naar behooren te vervullen.
De Apostel noemt het Huwelijk een afbeeldsel der vereeniging van Christus met zijne Kerk. Die vereeniging is eene bovennatuurlijke, genadevolle tpreeniging, welke ten doel heeft »de Kerk tc heiligen en te reinigen, opdat m zuiver zij en onbevlekf\'\' (Eph. V. 35—27). Zoo moet dan ook aan het v TOristelijk Huwelijk eene bovennatuurlijke genade verbonden zijn, waar-(TOor de echtgenooten elkander beminnen en helpen tot wederzijdsche Jfeiliging. Daarom besluit de H. Paulus met de woorden : »Dit Sacra-yfient is groot, doch ik zeg in betrekki?ig tot Christus en tot de Kerkquot; (V. 32).
, 3°. Het moet door Christus zijn ingesteld, daar God ^alleen aan een uitwendig teeken zijne genade ver-*binden kan. Daarom dan ook heeft het Concilie van ITrente de tegenovergestelde dwaalleer veroordeeld. . III. Toen Christus het Huwelijk verhief tot de waar-Viigheid van Sacrament, beeft Hij het tot den oor-spronkelijken toestand teruggebracht: het zou wederom slechts tusschen één man en ééne vrouw bestaan, en alleen door den dood ontbonden worden (Marc. X, 11 en 12; I Cor. VII, 10).
Daarom heeft Z. H. Pius IX de volgende stelling veroordeeld : »Door het natuurrecht is de band des huwelijks niet onverbreekbaar, en in verschillende gevallen kan de eigenlijke echtscheiding door het burgerlijk gezag verordend wordenquot;.
Opmerkingen: 1°. Dewijl de natuurlijke verbintenis door Christus tot Sacrament verheven werd, zoo zijn huwelijks-contract en Sacrament bij de Christenen onafscheidbaar. Waar het contract tusschen Christenen geldig wordt aangegaan, ontvangen zij tevens het Sacrament, en waar het Sacrament niet geldig wordt ontvangen, daar bestaat ook geene ware echtverbintenis,
24
370
S0. Het natuurlijk contract is diensvolgens voor de Christenen eene heilige zaak geworden, over welke de Kerk alleen kan ooideelen en wetten vaststellen. De Staat heeft geen gezag en geene macht over heilige zaken, over Sacramenten; deze behooren niet tot zijn gebied: hij heeft dus geen recht het christelijk huwelijk te ontbinden, ongeldig te verklaren of het ontvangen daarvan te beletten.
S0, De Staat echter kan wèl, tot handhaving der burgerlijke orde, aan hen, die verlangen de burgerlijke rechten van een wettig huwelijk te genieten, het nakomen van zekere wettelijke bepalingen en formaliteiten voorschrijven 5 en als men het burgerlijk huwelijk, waarvan onze Nederlandsche wetgeving spreekt, op die wijze beschouwt, is het geoorloofd het burgerlijk huwelijk aan te gaan. Overigens heeft dit geene beteekenis ; het is geenszins een wezenlijk huwelijk 5 de Christenen, die het aangaan, zonder tegelijk het H. Sacrament des Huwelijks te ontvangen, zijn voor God niet gehuwd, en door de burgerlijke echtscheiding worden de gehuwden volstrekt niet van den huwelijksband voor God ontslagen.
IV. Ofschoon de eigenlijke echtscheiding van een geldig en voltrokken Huwelijk tusschen de Christenen nooit mogelijk is, kunnen er toch soms redenen bestaan, die de gehuwden voor korteren of langeren tijd ontslaan van de verplichting om samen te wonen.
Die redenen moeten echter zeer gewichtig en in den regel als zoodanig door de kerkelijke Overheid erkend zijn.
Ook deze leer is gegrond op het woord van Christus (Matth. V, 32).
V. De Kerk heelt het recht en de macht, om al datgene te verordenen, wat tot het waardig ontvangen van dit H. Sacrament en tot het welzijn harer kinderen noodzakelijk of voordeelig is. Zij heeft derhalve het recht, het geldig aangaan van een Huwelijk afhankelijk te maken van de vervulling van zekere voorwaarden, en eveneens, aan zekere personen de bevoegdheid te ontnemen, zonder hare toestemming, op geoorloofde- of zelfs op geldige wijze een Huwelijk te sluiten (Aldus het Concilie van Trente in de 24ste zitting, can. 4).
VI. Sinds de eerste tijden heeft de Kerk van die macht gebruik gemaakt, en in den loop der eeuwen heeft zij, naar behoefte van tijd en omstandigheden, bepaald, welke personen niet met elkander kunnen of mogen trouwen. Zij heeft sommige oorzaken aange-geven, waardoor een Huwelijk tusschen zekere personen óf voor altijd óf zonder verkregen verlof (dispensatie) ongeldig is. Zij heeft andere beletselen aangewezen, welke het Huwelijk alleen ongeoorloofd ma-
371
ken, zoodat zij, die zulk een Huwelijk aangaan, wel geldig trouwen, maar eene zonde bedrijven.
VII. De voornaamste wetten der H. Kerk over dit punt zijn de volgende :
A. Men kan geen geldig Huwelijk aangaan :
1° met zijne bloedverwanten in den eersten, tweeden, derden of vierden graad ;
2° met de bloedverwanten van den eersten man of vrouw tot in den vierden graad 5
3° met degenen, van wie men in het Doopsel of Vormsel peter of meter geweest is, en evenmin met hunne ouders 5
4^ met bloedverwanten in den eersten graad van een persoon, aan wien men geldige en onvoorwaardelijke trouwbeloften heeft gedaan, al zijn deze ook wettig verbroken 5
5° een Christen kan niet trouwen met iemand, die niet gedoopt is ;
6° Katholieken kunnen geen huwelijk aangaan dan voor hun eigen Pastoor (of met verlof van den Pastoor voor een anderen Priester) en twee getuigen.
Zoo iemand met een dezer beletselen en zonder dispensatie toch een huwelijk aangaat, dan is dit zoogenaamd huwelijk onwettig en nietig.
B Volgens de bepalingen der Kerk mag men niet huwen :
1 met hen, die wel gedoopt, maar niet Katholiek zijn \\
2° als men aan een ander geldige trouwbeloften gedaan heeft, zoolang deze niet door den dood of door wederzijdsch goedvinden wettig verbroken zijn ;
3° als men gelofte van zuiverheid gedaan heeft, zoolang de tijd der gelofte niet verstreken is;
4y men mag niet trouwen, tenzij het huwelijk te voren op drie Zon-of feestdagen in de kerk is afgekondigd ;
5° men mag niet trouwen met al de plechtigheden, welke de H. Kerk anders voorschrijft of toestaat, in den besloten tijd, d. i. van den eersten Zondag in den Advent tot het feest der H. Driekoningen, en van den Isten Zondag in de vasten tot beloken Paschen ingesloten.
Katholieken, die een Huwelijk aangaan tegen eene van deze bepalingen doen eene groote zonde, maar hun Huwelijk is geldig.
VIII. De Kerk heeft de macht, om in bizondere gevallen voor bepaalde personen die wetten en bepalingen op te heffen, m.a. w. dispensatie te geven.
Ter verkrijging van deze dispensatie moet er eene gewichtige reden bestaan. Die reden moet geheel naar waarheid aan de kerkelijke Overheid worden opgegeven.
Het gemengde Huwelijk,
De Kerk heeft altijd de gemengde Huwelijken afgekeurd, en ze nooit dan onder zekere voorwaarden en om zeer gewichtige redenen toegestaan.
De gemengde Huwelijken zijn vooral verboden :
1° omdat daardoor de Katholiek is blootgesteld aan groot gevaar van zijn geloof te verliezen of althans onverschillig voor den godsdienst te worden ;
2° omdat de katholieke opvoeding der kinderen gewoonlijk gebrekkig en niet zelden onmogelijk is 5
372
3° omdat de onkatholiek het Huwelijk noch als Sacrament, noch als onontbindbaar erkent, en daarom soms zal willen scheiden en op nieuw trouwen 5
4° omdat zulk een Huwelijk nooit kan zijn wat het zijn moet, namelijk : eene trouwe afbeelding van de innigste, onverbreekbare ver-eeniging van Christus met zijne Kerk.
Slechts ongaarne, en om zeer gewichtige redenen, verleent soms de Paus dispensatie, doch nooit dan onder de voorwaarden :
1° dat de Katholiek ongehinderd zijn godsdienst kan waarnemen ^
2° dat hij zich beijvere den onkatholiek, op den weg der overtuiging, tot de ware Kerk terug te brengen 5
3° dat alle kinderen in den katholieken godsdienst worden opgevoed.
De trouwbelofte,
A. Tot eene geldige huwelijksbelofte wordt gevorderd :
1° dat zij - ernstig gemeend, door beiden duidelijk en bepaald uitgedrukt en van beide kanten aangenomen is ;
2f dat de belofte met voldoende kennis, vrij van alle dwaling omtrent eenig hoofdpunt, vrij van onbillijke en zware bedreiging of geweld gegeven wordt ;
3° dat het Huwelijk, hetwelk men wil sluiten, geldig en geoorloofd zij.
B. Eene geldige trouwbelofte verplicht, het gegeven woord te houden, en wel onder zware zonde.
C. De trouwbelofte kan opgeheven worden zoowel door de vrije toestemming van beide partijen, als door andere voorkomende omstandigheden, welke aan een van beiden of aan beiden tegelijk recht geven om terug te treden, b. v. de ontdekking van een huwelijksbeletsel, waarin de Kerk niet dispenseert.
In twijfelachtige gevallen moet de geestelijke Overheid uitspraak doen.
Het is niet geoorloofd zonder medeweten en toestemming zijner ouders trouwbeloften aan te gaan. Men ga ze ook nimmer aan dan schriftelijk en in tegenwoordigheid van getuigen. Anders stelt men zich gemakkelijk bloot aan zeer groote bezwaren en aan het gevaar van zware zonden te bedrijven.
Het bestek van ons Handboek laat niet toe, over de voorbereiding tot het waardig ontvangen van dit H. Sacrament en over de plichten van den huwelijken staat te spreken.
Eene breedvoerige verklaring van alles, wat het Huwelijk betreft, wordt gevonden in het uitmuntende werk van wijlen den Zeer-Eerw. Pastoor W. J. van Campen (Amsterdam. J. Beerendonk. 1878).
DERDE HOOFDSTUK.
OYER DE SACBAMEKTALIEjSquot;.
I. Behalve de door Christus ingestelde Sacramenten, zijn er nog andere uitwendige teekenen, Sacra-
vientah\'ën genaamd, welke de Kerk heeft ingesteld. Door de Sacramentaliën wordt aan de geloovigen wel niet de heiligmakende genade medegedeeld, maar worden toch veelvuldige andere hulpmiddelen tot heil van ziel en lichaam geschonken.
II. Men onderscheidt twee soorten van Sacramentaliën, namelijk hlijvende en voorhij gaande Sacramentaliën.
1°. Blijvende Sacramentaliën ziju gewijde zaken, als : wijwater, gewijde olie, zout, brood, wijn, palmen; voorbijgaande daarentegen zijn ; de heilige handelingen of zegeningen, waardoor dusdanige voorwerpen voorden eeredienst of het godvruchtig gebruik der geloovigen gewijd worden, en in \'t algemeen alle bezweringen en zegeningen der Kerk, als zij niet geschieden n et de bedoeling om aan eenig voorwerp eene blijvende wijding te geven.
III. Uit het gezegde blijkt reeds, welk onderscheid er bestaat tusschen de HH. Sacramenten en de Sacra mentaliën.
1°. De Sacramenten zijn door Christus ingesteld, de Sacramentaliën door de Kerk;
2° de Sacramenten werken door de hun van God verleende kracht, de Sacramentaliën alleen krachtens de voorbede en zegeningen der Kerk;
3° de Sacramenten bewerken onmiddellijk onze innerlijke heiliging, de Sacramentaliën dragen hiertoe slechts bij door het verleenen van ondergeschikte genaden ;
4° De HH. Sacramenten zijn. in \'t algemeen, noodzakelijk en door God geboden, de Sacramentaliën zijn enkel door de Kerk als nuttig en heilzaam haren kinderen aanbevolen.
IV. Waarom wijdt de Kerk alles, wat tot den eeredienst behoort ?
lquot;. Om het te heiligen en bizonder aan den dienst des Heeren toe te wijden.
Reeds in het O. V. beval God aan Mozes, den tabernakel, het altaar, de vaten, bij den eeredienst in gebruik, de gewaden van den Hoogepiiester en diens zonen te wijden (Exod. XII, 9—11 en Levit. VIII, 30).
374
2°. Om het voor ons meer eerbiedwaardig en nuttiger te maken.
NB. Eenige hoogere wijdingen zijn aan den Bisschop voorbehouden, zooals b. v. de wijding van kerken, altaren, kelken en patenen.
V. De Kerk wijdt niet alleen alles, wat tot den eeredienst behoort of daarmede in betrekking staat, ook niet alleen zulke voorwerpen, die ons tot godvruchtig gebruik moeten dienen, als rozenkransen, medaljes, kruisbeelden, enz. maar zij zegent ook voorwerpen, welke tot de lichamelijke voeding bestemd zijn, als brood, vruchten, enz.
Zij doet dit 1° naar het voorbeeld van haren Stichter, sinds de eerste tijden. Hierop doelt het gezegde van den Apostel, dat „alles (alle spijzen der Christenen) door het woord Gods en het gebed geheiligd loordt.quot;
2°. Opdat alle dingen ons ten beste mogen verstrekken;
3°. Opdat gelijk de vloek Gods zich door de zonde van Adam tot alle schepselen uitstrekte, zoo ook nu over alles Gods zegen zich moge uitstorten.
Daarom stelt de Kerk zich niet tevreden met de wijding van de vruchten der aarde, maar spreekt ook haren zegen uit over velden, akkers, wijnbergen, huizen, enz.
VI. Veelvuldig zijn de genaden en weldaden, welke de Sacramentaliën , krachtens het gebed der Kerk , voortbrengen. De Kerk bidt namelijk bij de wijding of zegening om afwending van onderscheidene lichamelijke en geestelijke rampen , b. v. om afwending van Gods straffen , van ziekten, bliksem en onweder, om bescherming tegen den duivel en zijne bekoringen, en ook om verkrijging van lichamelijke en geestelijke weldaden, naar gelang het voorwerp tot het een of ander doel gewijd wordt.
Die gebeden der H. Kerk zijn a .ngenaam aan God en worden door Hem verhoord. De Kerk toch is de bruid van Christus, die haar door zijn kostbaar bloed verworven heeft, in eeuwigheid met haar door eene
375
onbegrijpelijk groote liefde verbonden blijft, en den hemel is binnengegaan, om altijd voor en met haar te smeeken.
Met ijver en groot vertrouwen moeten wij derhalve gebruik maken van de Sacramentaliën, vooral van die, waaraan door de Kerk aflaten zijn verbonden.
Een goed Christen zal ook niet nalaten zich/s morgens bij het opstaan en \'s avonds, als hij zich ter ruste begeeft, naar een zeer oud gebruik, met wijwater te besproeien,
VII. Bij het gebruik van gewijde zaken of Sacramentaliën moet men vooral twee uitersten vermijden : dat van een al te groot of onbehoorlijk, en dat van een al te gering vertrouwen op de kracht der gewijde zaken.
^L. Een te groot en onbehoorlijk vertrouwen heeft hij, die 1° van het gebruik van een of ander der Sacramentaliën een uitwerksel verwacht, dat door de Kerk bij de instelling daarvan niet bedoeld is en door haar bij de wijding niet van God gevraagd wordt, b. v. een medailje dragen om, in weerwil van een zondig leven , zalig te sterven ;
2° die aan de Sacramentaliën wel een door de Kerk bedoeld uitwerksel toeschrijft, maar meent, dat dit noodzakelijk altijd volgen moet. Zoo denkt en leert de Kerk niet. Zij verwacht de verhooring van haar gebed slechts in zooverre deze strekt ter verheerlijking van God en tot waarachtig geluk van hen, die de Sacramentaliën gebruiken.
3°. Als men meent, bij dreigende gevaren de gewone maatregelen van voorzichtigheid om het gebruik der Sacramentaliën te mogen achterlaten, b. v. in ziekte de geneesmiddelen te mogen weigeren. De Kerk wil slechts door haar gebed medehelpen en, waar de natuurlijke middelen niet voldoende zijn, de alles vermogende hulp des hemels ten gunste van hare kinderen vragen.
B. Een te klein vertrouwen op de kracht der Sacramentaliën hebben zij :
376
1° die er volstrekt geene hoogere, bovennatuurlijke kracht aan toekennen en bijgevolg niet alleen er zeiven geen gebruik van maken, maar ook anderen, die het wei doen, bespotten en van bijgeloovigheid beschuldigen ;
2° die aan de Sacramentaliën slecbts eene zeer geringe kracht toeschrijven, en derhalve weinig, en met groote onverschilligheid, daarvan gebruik maken.
Deze beide klippen zal de geloovige gemakkelijk en zeker ontwijken, als hij de Sacramentaliën volgens den geest der Kerk opvat en gebruikt. Dan zal hij ^ich niet schamen, gebruik te maken van wijwater; gezegende voorwerpen , als medaljes, rozenkrans en scapulier te dragen ; zijn hoofd met gewijde asch te laten bestrooien, flij kent de kracht van het gebed der Kerk, en zijn kinderlijk vertrouwen op de voorbede van Christus\' bruid, zijne fl. Moeder, zal voor hem eene bron worden van rijken hemelschen zegen.
VIERDEquot; HOOFDSTUK.
OVER HET GEBED.
Het gebed is eene samenspraak met God, waarin wij aan Hem de gevoelens en begeerten van ons hart te kennen geven. Ook kun men zeggen: het gebed is eene verheffing van het gemoed tol God, om Hem te loven, te danken, of eene gunst te vragen.
In deze verhandeling moet onder gebed vooral het smeekgebed verstaan worden.
I
377
§ 3.
Noodzakelijkheid van het gebed.
Voor allen, die genoegzaam liet gebruik hunner rede hebben om te kunnen bidden, is het gebed noodzakelijk ter zaligheid.
Een mensch, die niet bidt, is een lamp zonder olie, een lichaam zonder voedsel, eene plant zonder vochtigheid, een soldaat zonder wapen. Zonder het gebed wordt geene ware deugd gevonden, geene sterkte tegen het kwaad. Van de reuzen, die in den zondvloed omkwamen , zegt de H. Schrift, dat zij vertrouwden op eigen kracht en niet baden. Daarom werden zij verdelgd (Eccli. XV f, 8).
Noodzakelijk is het gebed :
1° omdat wij van God geheel afhankelijk zijn.
Al had God ods niet uitdrukkelijk tot het gebed verplicht, dan zouden-wij toch moeten bidden. God is immers onze Schepper en Heer; moeten wij hem dan niet aanbidden r God is onze grootste Weldoener. wat is billijker dan dat wij Hem danken ? God is onze hulp, de bron van alle goed : wij moeten bijgevolg in onzen nood Hem aanroepen en Hem om zijne gaven, vooral om onze eeuwige zaligheid, smeeken.
2t\'. Omdat wij alleen door het gebed de noodzakelijke genaden, om in het goede ten einde toe te volharden, verkrijgen.
Om in den dienst des Heeren le volharden , hebben wij de goddelijke genade noodig. Zonder die genade kunnen wij immers niet het minste goed, verdienstelijk ter zaligheid verrichten, veel minder altijd in het goede volharden. Die genade verleent God ons slechts onder voorwaarde , dat wij Hem daar om bidden, en derhalve is het gebed voor hen, die kunnen bidden, evenals de genade zelve, volstrekt noodzakelijk ter zaligheid. Dit is de leer der HH. Vaders, welke steunt op de uitspraak van den goddelijken Heiland : »Bidt^ eii u zal gegeven worden; zoekt, en gij ztilt vinden ; klopt^ en u zal worden opengedaan.\'1\'\'
Men moet dit echter niet zoo verstaan, alsof God ons volstrekt geene genade geeft om goed te doen, als wij Hem daarcm niet bidden. Grod voorkomt den mensch met zijne genade, opdat hij in staat zij, goed te bidden. Die genaden echter, welke hij noodig heeft,
378
om standvastig alle bekoringen te overwinnen, alle geboden te onderhouden en den dood des rechtvaardigen te sterven , zullen hem niet gegeven worden, tenzij hij daar om bidt. Wordt deze voorwaarde niet vervuld, dan hebben wij geene aanspraak op die genaden.
3°. Bestond er reeds in het Oude Verbond een bepaald gebod om te bidden, in het Nieuwe verbond bestaat er geene verplichting, welke Christus zijnen leerlingen meer uitdrukkelijk heeft ingeprent dan die van het gebed.
Hij leerde hun, met de aanwijziging; «aldus zult gij biddenquot;^ het Onze Vader (Matth. VI. 9—13), en zeide hun, «dat men altijd moet bidden en niet ophoudenquot; (Luc. XVIII, 1). Hij herinnerde hen dikwerf aan de onschatbare goederen en genaden, welke God aan hun gebed zou verlee-nen, en wees hen op het gevaar, waaraan zij zich zouden blootstellen door verzuim van het gebed \\ eindelijk wekte Hij hen op tot bidden door zijn eigen voorbeeld.
Voorzeker weet Grod wat wij noodig bebben, maar Hij wil, dat wij Hem als den Gever van alle goede gaven erkennen, en ons daardoor zijne genade waardig maken. In het gebed geeft Hij ons den sleutel zijner genade in handen.
Zoowel het goddelijk gebod als onze eigen behoeften
moeten ons derhalve dringend tot het gebed aansporen.
§ *■
Over de voornaamste vruchten van net gebed.
1°. Het gebed vereenigt ons met God.
Zoo dikwijls wij bidden, keeren wij ons van de schepselen tot God en treden wij met Hem in een vertrouwelijk onderhoud.
2°. Het gebed geeft ons eene hemelsche gezindheid.
Wie goed en aandachtig bidt, verkrijgt van God de genade van wijs-heid, het licht eener hoogere kennis, waardoor hij, veel duidelijker dan gewoonlijk het geval is. de ij delheid van al het aardsche inziet en God als het eenige en volmaakte Goed erkent, aan wien men zich onverdeeld moet geven.
379
o0. Het gebed sterkt ons tegen het kwaad.
«Het zal ons gemakkelijk valleiiquot; zegt de H. Chrysostomus, «den Satan te overwinnen, als wij dikwerf bidden \\ maar als wij daarin traag zijn^ dan maken wij onzen vijand de overwinning op ons gemakkelijkquot;
4°. Het geeft kracht en lust tot het goede.
Door het gebed werden de Martelaren zoozeer versterkt, dat zij zich konden verheugen bij al hun lijden en om Christus bereidvaardig den dood ondergingen. In het gebed vonden alle Heiligen de kracht ter beoefening van de heldhaftigste deugd.
ö3- Het gebed geeft troost in droefenis.
«Is iemand van u treurig, dat hij biddequot;, zegt de H. Jacobus. Christus zelf nam in zijn lijden tot het gebed zijne toevlucht en wilde door een Engel vertroost worden, om ons te leeren, bij alle droefheid in het gebed troost te zoeken.
6°. Het geheel verwerft hulp in allen nood en de genade der volharding iu de deugd.
God heelt aan zijne belofte, dat hij ons gebed in alles, wat tot ons geluk kan strekken, verhooren zal, geene grenzen gesteld. Derhalve zal ons gebed ook onfeilbaar in eiken nood die hulp van God verwerven, welke voor ons het meest dienstig is. Dit leert ons de geschiedenis zoowel van het Oude als van het Nieuwe Testament in de heerlijkste voorbeelden, zooals dat van de drie jongelingen in den brandenden vuuroven \\ van Daniël in den leeuwenkuil; van Susanna, enz. Wie kwam biddend tot Jesus zonder verhoord te worden ? Niemand.
Ook de genade der volharding tot het einde toe zal ons gegeven worden, als wij daar om bidden en voortdurend blijven bidden. Immers alles, wat wij biddende vragen, zullen wij verkrijgen, zegt de almogende Heer.
§ 3.
Hoedanig moet ons gebed zijn ?
Wij moeten bidden 1° met aandacht.
Wie zich, gedurende het gebed, vrijwillig met andere gedachten be* zig houdt en derhalve schuld draagt van zijne verstrooiingen, begaat eene zondige oneerbiedigheid jegens God. Daarom moeten wij vóór het gebed alle wereldsche gedachten zooveel mogelijk verbannen.
Wie zich behoorlijk tot het gebed voorbereidt en onder het bidden zooveel mogelijk alle vreemde gedachten van zich verwijder l houdt,
380
heeft zich niet ongerust te maken over de verstrooiingen, welke hem tegen zijn wil bij het gebed overvallen. Door zijn strijd tegen die opkomende gedachten vermeerdert hij zelfs zijne verdiensten. God toch ziet alleen op onze bedoeling en op onzen goeden wil.
Wij moeten 2° ootmoedig bidden , namelijk met het levendig bewustzijn van onze zwakheid en onwaardigheid.
«Het gebed van den ootmoedige dringt door de wolken heenquot; (Eccli. XXXV, 21). De bede van den trotschen Phariseër verwekte Gods gramschap, terwijl die van den nederigen Tollenaar genade vond , en ter stond verhoord werd (Luc. XVIII).
3°. Wij moeten met vertrouwen bidden, d. i. vast hopen, dat Grod ons gebed zal verhooren, als het tot zijne eer en ons geluk dienstig is.
«Ontbreekt het iema?id aan wijsheidquot; schrijft de H. Jacobus I. 5—7), «hij vr age deze van God, die aa?i allen rijkelijk geeften zij zal Juni gegc-ven worden. Hij bidde echter met geloof, zonder te twijfelenquot; Christus zelf verklaarde meermalen, dat het vertrouwen noodzakelijk is, om verhoord te worden, en altijd verleende Hij de gevraagde gunst, als de bede uit dat vaste vertrouwen voortkwam.
Niet alleen de rechtvaardigen, maar ook de zondaars moeten met vertrouwen bidden. Zoo deed Maria Magdalena, zoo deed de moordenaar aan het kruis, en zij werden door den Heer verhoord. De goddelijke \\ erlosser verzekert zelf, dat wij nimmer te vergeefs iets in zijnen naam zullen vragen.
4°. Wij moeten bidden met overgeving aan Gods wil, d. i, wij moeten het aan God overlaten, loanneer en hoe Hij goedvindt ons te verhooren.
De godvreezende yudithgQQÏt ons, zooals de Bijbelsche geschiedenis 1) getuigt, in dit opzicht eene schoone en heilzame les, en hetzelfde leert ons het voorbeeld van Christus.
Eindelijk 5° wij moeten bidden met volharding, d. i. niet ophouden met bidden^ zelfs al ondervinden wij niet, dat God ons verhoort.
Een treffend bewijs, hoeveel het volhardend gebed bij God vermag, levert het voorbeeld van de Chananeesche vrouw 2). Eerst nadat zij aanhoudend had gebeden, werd haar verlangen door den Heer vervuld.
1) Zie Schuster, I. 131. k) Zie Schuster, II. 53.
38]
Wordt soms ons gebed niet verhoord, dan is daarvan de reden, of wel 1quot; dat wij niet bidden, niet bidden gelijk het behoort;
óf 2quot; dat de gunst, welke wij vragen, voor ons niet dienstig is ;
óf 3« dat wij niet volharden in het gebed.
Als wij goed bidden en volhardend vragen om iets, wat waarlijk tot eer v^an God en tot ons geluk dienstig is, dan wordt ons gebed altijd verhoord.
§ 4-
Over het inwendige gebed.
I. Bidden is spreken met God. Wij kunnen echter ook alleen met ons hart tot God spreken ; want hij Hem, zijn niet, als bij den mensch, woorden noodig, om de gevoelens van ons hart kenbaar te maken. Zulk een gebed wordt genoemd inwendig gebed of meditatie.
II. Het gebed van meditatie of overweging bestaat hierin, dat men het leven en lijden van Christus, de goddelijke volmaaktheden of andere geloofswaarheden bij zichzelven overdenkt, om in het hart vrome gevoelens, maar vooral goede voornemens en besluiten te verwekken.
Volgens deze verklaring alzoo is het overwegende gebed eene oefening van de vermogens der ziel : geheugen, verstand en wil.
Het geheugen stelt het voorwerp der overweging, b. v. deze of gene waarheid des geloofs, voor den geest; het verstand zoekt naar de beweegredenen, welke ons moeten aansporen, overeenkomstig de erkende waarheid te leven, en in ons een berouw op te wekken, als wij dit tot dusverre niet gedaan hebben. Bij deze gevoelens van berouw, van ootmoed, van verlangen naar de deugd en liefde jegens God vertoeft dan de wil, maakt goede besluiten en voornemens, en eindelijk wordt de hulp des Allerhoogsten ingeroepen, ten einde die besluiten getrouw te volbrengen.
III. Het overwegende gebed is hoogst nuttig. De koninklijke Profeet zegt: «Zalig de man, die de wet des Heer en dag en nacht overweegt! Hij is a/r een boom, geplant aan waterbeken, die zijne vruchten geeft te tij-7ien tijdequot;
382
IV. Iedereen kan in het gebed overwegen of de meditatie in beoefening brengen. Als het er op aankomt, deze of gene tijdelijke zaak tot stand te brengen, dan worde men niet moede zich daarmede bezig te houden, en telkens er aan te denken, do\'jr welke middelen men zijn doel zal bereiken. Hetzelfde moet men doen met betrekking tot de gewichtigste van al onze aangelegenheden, de eeuwige zaligheid.
De meditatie kan op elk uur van den dag gehouden worden, maar de geschiktste tijd daartoe is de ochtend. Van Christus zeiven verhaalt de Evangelist, dat «Hij zeer vroeg des morgens opstond^ naar eene eenzame plaats ging en daar badquot; Marc. I, 32).
§ 5.
Wanneer en voor wie moeten wij bidden?
I. Christus zegt, dat men altijd moet bidden en nooit ophouden (Luc. XVIII, 1). Dit gebod moet niet in den streng letterlijken zin opgenomen worden.
Jïet beteekent 1° dat wij nooit uit lichtzinnigheid of kleinmoedigheid of geestelijke traagheid het gebed mogen achterlaten;
2° dat wij veel of dikwijls moeten bidden. Niets belet ons gedurende onze bezigheden ons hart tot God te verheffen en een klein gebed te doen;
3° dat wij al ons doen en laten^ onze genoegens en ook onze wederwaardigheden aan God moeten opofferen, ten einde van Hem de zaligheid te verkrijgen, m. a. w. alles te doen met de goede meening om, door het volbrengen van Gods wil, Hem te behagen en den hemel te winnen.
II. Dikwijls moet de Christen bidden, vooral echter
1° bij bekoringen, bij gewichtige ondernemingen, bij
\'t ontvangen der HH. Sacramenten, bij huiselijke en openbare rampen en gevaren;
2° \'s morgens en \'s avonds, vóór en na het eten, als de bedeklok luidt en als wij in de kerk zijn.
Het was voorheen een algemeen gebruik, en in echt christelijke huisgezinnen bestaat ook nu nog de gewoonte^ om het morgen- en avondgebed gezamenlijk te verrichten. O 1 hoeveel draagt die gewoonte er toe hij, om geloof, godsvrucht en deugd te bewaren! Hoe
krachtig, hoe aangenaam is zulk een gebed aan God.
___
383
Waar er twee of drie in mijnen naam vergaderd zijn,quot; zegt Christus, „daar hen Ik in him midden, en wat zij ook vragen, het zal hun door den Vader in den hemel gegeven vjordenquot; (Mattli. XVIII, 19, 20).
III. Voor wie moeten wij bidden ?
Wij moeten bidden voor alle menschen: voor levenden en afgestorvenen, vrienden en vijanden, bizonder voor onze ouders, broeders en zusters, bloedverwanten en weldoeners, geestelijke en wereldlijke overheden, ook voor de zondaars, de afgedwaalden en de onge-loovigen.
Gelijk wij alle menschen moeten beminnen, zoo moeten wij ook voor allen zonder uitzondering, bidden, voor allen, die met ons aan de eeuwige\' zaligheid deelachtig kunnen worden, namelijk, die nog op deze wereld zijn of in het vagevuur lijden. Daartoe vermaant de Apostel Jacobus met de woorden : Bidt voor elkander, opdat gij zalig moogl wordenquot; (V, 16) ; en de Apostel Paulus; «ik vermaan u, dat er vóór alles gebeden, \'\'voorbeden, dankzeggingen geschieden voor alle menschen, voor koningen en alle overheden.... want dit is goed en welgevallig aan God, o?izen Heiland, die wil, dat alle menschen zalig worden.\'quot;
Hoe nauwer de band is, welke ons met den naaste vereenigt, des te dringender wordt ook de verplichting, hem in ons gebed te gedenken.
Vandaar dat wij op de eerste plaats dagelijks voor onze levende of reeds gestorven ouders moeten bidden, opdat wij hen eens in den hemel mogen wedervinden. — Zoo zij het!
EIND E.
INHOUDSTAFEL.
BI a dz
Voorrede.................
Inleiding . . . ,.............1
EERSTE DEEL.
DE GEI.OOFSLEEK.
Ie H O O F D S T U K.
Over het geloof in \'t algemeen....., . 8
§ 1. Begrip en voorwerp des geloofs......—
§ 2. Over het bestaan der goddelijke Openbaring . . 11
De Boeken van het Nieuwe Testament. . . , 14
De Boeken van het Oude Testament .... 17 § 3. De voor christelijke en de christelijke Openbaring
door mirakelen en profetieën bewezen .... 21
§ 4. Grondslag en bronnen des geloofs. Geheimen. . 25
§ 5. De H. Schrift als het woord Gods beschouwd . 27
§ 6. De Overlerering. Haar gezag.......32
§ 7. Over de noodzakelijkheid des geloofs — Moderne
onverschilligheid............35
§ 8. Over de eigenschappen des geloofs.....38
§ 9. Verhouding tusschen rede en geloof.....44
§ 10. Belijdenis des geloofs. — Kruisteeken .... 46
He HOOFDSTUK.
Over de Apostolische Geloofsbelijdenis. Inleiding. 49
Eerste Af deeling. — Over God en zijne eigenschappen in \'t algemeen.
§ 1. Bronnen onzer kennis van God. Gods bestaan . 50
385
Elach.
Eenheid van God ............53
Over Gods wezen............54
Over Gods volmaaktheden in \'t bizonder ... 57 Over de H. Drievuldigheid . . . . . . 66
Tweede Afdeeling. — De H. Drievuldigheid in hare werkingen naar buiten.
Over Gods werken...........68
Over de schepping en het bestuur der wereld. . 70
A. Over de schepping in \'t algemeen.
B. Over de schepping der wereld in den tijd.
C. Over het bestuur der wereld en de goddelijke Voorzienigheid.
Over de schepping in \'t bizonder......76
A. der Engelen.
B. der menschen. — Darwinisme. Onsterfelijkheid der ziel.
Zondeval der eerste menschen. — Erfzonde. . . 8-i
De Onbevlekte Ontvangenis........87
Gods barmhartigheid na den zondeval .... 88
Derde Afdeeling. — Het iverh der verlossing.
Inleiding...............02
Jesus Christus, de beloofde Verlosser.....93
J. C. waarlijk God...........97
J. C. waarachtig God en mensch te zamen in één
persoon...............101
Doel der menschwording.........104
Voltrekking van het Verlossingswerk.....105
De nederdaling ter helle. De verrijzenis bewezen. 108
De hemelvaart des Heeren........112
Over het algemeen en het bizonder oordeel. . . 114
Vierde Afdeeling. — Het icerk onzer heiligmaking.
Inleiding...............118
A. Over God den H. Geest.
Natuur des H. Geestes..........119
Over de werkingen des H. Geestes.....121
386
B. Over de H. Kerk.
Bladz.
De ééne ware Kerk......... • 125
§ 1. De ware Kerk van J. C. is de Katholieke Kerk.
Kenteekeuen. — Algeraeene bewijzen .... 127
§ 2. Bestemming der Kerk......\' quot;
§ 3. Over het wezen en de inrichting der Kerk in \'t
algemeen..............137
A. De Kerk is eene zichtbare en volmaakte maatschappij ...............13®
Over de ziel en het lichaam der Kerk .... 140 Wie is van de Kerk uitgesloten ?...... 141
B. Buiten de Kerk is de zaligheid onmogelijk.
— Onverdraagzaamheid. — Inquisitie .... 142
C. De Kerk is eene ongelijke maatschappij . . 147
D. De Kerk is van elke andere macht onafhankelijk.
Verhouding tusschen Kerk en Staat.....148
§ 4. Over andere eigenschappen der Kerk. A. Onvergankelijkheid. — Onveranderlijkheid.....153
B. Over de onfeilbaarheid der Kerk.....155
C. Over de onfeilbaarheid des Pausen .... 158 § 5. De besturende en wetgevende macht in de Kerk 166
A. Over het Primaat..........168
B. Natuur en voorrechten van het Primaat . . 172
C. Het Episcopaat...........1^^
Vijfde ajdeeling. — Voltrekking van het werk onzer heiligmaking.
§ 1. Over de gemeenschap der Heiligen.....177
§ 2. Over de vergiffenis der zonden.......1^9
§ 3. De verrijzenis des vleesches........1^0
§ 4. Over het eeuwig leven.........1^°
I. De hemel.
II. De hel. Eeuwigheid der straf.
III. Het vagevuur.
387
TWEEDE DEEL.
DE ZEDEXLEEH.
Ie HOOFDSTUK.
Over de geboden in \'t algemeen.
liladz
IKLEIDING..............192
Over liet hoofdgebod der liefde......194
De liefde tot God...........195
De liefde tot den naaste. Broederlijke berisping 198 De liefde tot ons zeiven.........202
He HOOFDSTUK.
Art. II.
Art. III. Art. IV.
Art. II. Art. III. Art. IV. Art. V. Het
Art.
Art. Over
Over de 10 geboden Gods.
Het eerste gebod...........204
Art. I. In- en uitwendige vereering Gods. Geloof en hoop........204
Zonden tegen dit gebod. Ongeloof en
bijgeloof..........207
Vereering en aanroeping der Heiligen 212
Vereering der beelden en relikwieën. 218
Over het 2e gebod...........222
Art. I. IJdel gebruik van Gods Naam. . . 222
Godslastering. — Spotternij. . . . 222
Eed doen of zweren......223
Vloeken...........225
Belofte...........226
3e gebod. — Viering van den Zondag. —
Slaafsche werken . . . ........229
Het 4e gebod............233
Art. I. Plichten der kinderen jegens de ouders 234 II. Plichten der onderdanen jegens overheden ..........238
III. Plichten van ouders en oversten . . 240 het 5e gebod. — Moord. Duel. Zelfmoord.
Ergernis..............242
Over het 6e gebod...........219
Over het 7e gebod. — Restitutie......253
38S
Blsdz.
§ 8. Ovei- het 8e gebod. — Laster en kwaadspreken. 259 § 9. Over het 9e eu 10e gebod........263
Ille HOOFDSTUK.
Over de vijf rjeboden der H. Kerh.
§ 1. Over het le gebod der Kerk. — Viering dei-
Heiligedagen .............268
§ 2. Over het 2e gebod. — Het Mishooren . . . . 271
§ 3. Het 3e gebod — Onthoudings- en vastendagen . 273
§ 4. Het 4e gebod.............276
§ 5. Over het 5e gebod. — Do Paaschplicht . . . 277
IVe HOOFDSTUK.
Over de overtreding der geboden of over de zonden.
§ 1. Over de zonden in \'t algemeen.......278
§ 2. Over de verschillende soorten van zonden. . . 284
Art. I. De hoofdzonden........285
Art. II. De zonden tegen den H. Geest. . . 290
Art. III. De wraakroepende zonden .... 291
Art. IV. De vreemde zonden.......292
Ve HOOFDSTUK.
Over de deugden en de volmaaktheid.
§ 1. Over de christelijke deugden.......294
§ 2. Over de volmaaktheid. Evangelische raden. Kloosters ................298
DERDE DEEL.
DE GENADEMIDDELEN.
Ie H O O F D S T U K.
Over de genade.
§ 1. Over de genade in \'t algemeen. .......303
389
ElaiU.
§ 2. Over de dadelijke genade.........304
§ 3. Over de heiligmakende genade.......306
§ 4. Over de vruchten der heiligmakende genade en
de verdienstelijkheid der goede werken. . . . 30i)
He H O O F D S T U K.
Over de HII. Sacramenten.
Over de Sacramenten in \'t algemeen. .... 311
§ 1. Over het Doopsel.—Noodzakelijkheid des Doopsels 318
§ 2. Over het Vormsel...........324
§ 3. Over het H. Sacrament des Altaars — Inleiding. 327 Eerste Afd. -De Eucharistie als Sacrament.
Art. I. Over de waarachtige tegenwoordigheid
van Christus..........328
Art. II. Over de Transsubstantiatie ...... 333
Art. III. Hoelang blijft Christus in het H. Sacrament tegenwoordig ?.......335
Art. IV. Hoe is Hij daar tegenwoordig ? . . . 336
Art. V. De H. Euchaiüstie een waar Sacrament 337
Art. VI. De H. Communie........338
Tweede Afd. Het H. Misoffer.......340
§ 4. Over de Biecht.
Art. I. Instelling en noodzakelijkheid der Biecht. 347 Art. II. Vereischten tot het waardig ontvangen van dit Sacrament. — Gewetensonderzoek ....... , ... . 350
Art. HL Het berouw..........3r)2
Art. IV. Het voornemen.........354
Art. V. De belijdenis..........355
Art. VI. De voldoening.........358
§ 6. Over de aflaten...............360
§ 7. Over het H. Oliesel..........363
§ 8. Over het Priesterschap.........366
§ 9. Over het Huwelijk. Beletselen. Gemengd huwelijk
Trouwbelofte.............368
390
p Ille HOOFDSTUK.
Bladza
Over dé Sacramentaliën.....372
IVe HOOFDSTUK.
Over het Gebed.
§ 1. Noodzakelijkheid des gebeds.........377
§ 2. Voornaamste vruchten des gebeds......378
§ 8. Hoedanig het gebed moet zijn.......379
§ 4. Inwendig gebed............381
§ 5 Wanneer en voor wie wij bidden moeten . . . 382
k