-ocr page 1-
-ocr page 2-

I

vf

i

W:- ■ v

v;

■ • - TT

-\'H ■ ■ :• gt; ■ :

- v gt; ■ • ■ ■ ;■;, gt; v: ^ ^ W

:■ • \'• ■ ■ ..v,.-.

; ff

i

■ : :

• r ^

: \'\' \' -

t .. •

;

-m.

, / lt;

L - , , , K \'

[. - V -•■ ,

A. . •gt; —X , • •

I

r

li- 1 : f

■lt;

p : \' \' -quot;i- 4 - \'

fx ■-■■■■(

\' ir: -\\

-f

IjV -. • •

vV • :• • VT \' • ■ •

■SJ/ \'

,.,ry 1 \'

■\'S-?

%

%•

m:

mf-\'Jr\' \' \'

i

k-

■: x

\'

K: / - - : - \\ . r

r;». .,

quot;

___

-ocr page 3-
-ocr page 4-

\'V\'-rV- i ^\'-v ■

■•\' , : ■ •/ ■ ;

^ ■ quot;■ quot;■ ■ ■ ■

IV-,;. ♦ - ■■; ■■ - \'

- ^ - \'S\', • • - v. ., -. •;: : : y. ■•V - - : ■ r •- , .

5^,^. ; ■ ,

\' - - ■ ■/. .. %V\' \' J,

mm;

y

;■ ■■ - ■ - ■

\' • ■ ij.\' ■ \'••• ,/

^-v.. ■ •

r- lt; . i

j,i, , , . ; ; : ._;-fc .

v s

:,f

i .i-.

Aquot;\'

-*■.■ i V : \'

f ■

ip. ï-i» liïiiii Ü

l M quot; \' quot;M m\' IB -•-■

\\

^1\' \\\'s:

\' ï V\' . , ,

^ quot; ■

■ ■ .v ^ , ,.7:- • quot;

: ■ \'

s--

/■,•/. v\' : ■ s-

y\':r\'

/ _ r; . ■

r

^V\' v- v

.\'.i-\'i\'Z

:P0\'-

. - ■ :r :-v \'■\'■ .\' - ••gt;■•.\'-\' ■ . \'.-I..\'

I - - \'\' •

-ocr page 5-

DE NAVOLGING VAN CHRISTtlS

DOOR

Thomas a Kempis;

ÜIT HET LATIJN DOOR

L. PETERS, Pr.

UTREC HT,

JAC. PHILIPPI EN C». 1887.

-ocr page 6-

TE LEIDEN TER BOEKDEUKKERIJ VAN GEBROEDERS MUBÉ.

-ocr page 7-

I

KERKELIJK GOEDGEKEURD.

Excudi et in luc\'em edi PERMITTITÜR.

RükaÈmundae , 8 Decembris 1883.

P. J. H. RUSSEL, Can. et Prof.

ad hoc delegatus.

REIMPRIMATUR.

Harlemi die 11 Junii 1887.

J. P. VREGT,

Vic. Gen. Episc. Harlemen.


-ocr page 8-
-ocr page 9-

INHOUD.

EERSTE BOEK.

Nuttige lessen voor het geestelijk leven. 1 Hoofdstuk. Over de navolging van Christus en de

verachting van alle wereldsche ijdelheden. BI

1

2

))

Over de geringachting van zichzelven . .

9

2

3

D

Over de leer der waarheid........

9

3

4

9

Over een voorzichtig gedrag........

9

b

5

)gt;

Over het lezen der Heilige Schrift ....

9

5

6

»

Over de ongeregelde hartstochten ....

9

6

7

))

Vlucht de ijdele hoop en den hoogmoed.

9

7

8

))

Over eene te groote gemeenzaamheid . .

»

7

9

»

Over de gehoorzaamheid en onderwerping

))

8

10

D

Over het vermijden van nuttelooze ge

sprekken ...................

9

8

11

)gt;

Over de middelen tot vrede en den ijver

tot voortgang ................

9

9

12

»

Over het nut der tegenspoeden......

9

10

13

»

Over het weerstaan der bekoringen . . .

9

11

14

»

Over de lichtvaardige oordeelvellingen . .

9

13

15

))

Over de werken uit liefde verricht . . .

9

14

16

»

Over het verdragen der gebreken van

anderen ....................

9

14

17

»

Over het kloosterleven............

9

15

18

»

Over het voorbeeld der heilige vaders . .

9

16

19

0

Over de oefeningen van den waren kloos

terling .....................

9

17

20

»

Over de liefde tot eenzaamheid en stil

zwijgendheid .................

9

19

-ocr page 10-

11 inhoud.

21 Hoofdstuk. Over de ingekeerdheid des harten .... BI, 22

22 » Beschouwingen der menschelijke ellende. » 23

23 « Overdenking dej^doods...........» 25

24 » Over het oordeel en de straffen der zonden. » 27 28 » Over de ijverige verbetering onzes levens. » 30

TWEEDE BOEK.

Vermaningen tot het inwendige leven.

1 Hoofdstuk. Over het inwendige leven.........BI. 34

2 » Over de nederige onderwerping......» 36

3 » De goede vreedzame mensch........» 37

4 i Over de reinheid des harten en eenvoudig

heid in bedoeling..............» 38

5 » Over de beschouwing van zichzelven ...» 39

6 » Over de vreugde van een goed geweten. » 39

7 » Over de alles overtreffende liefde tot

Jezus......................» 41

8 » Over den vertrouwelijken omgang met

Jezus......................» 42

9 » Over het missen van allen troost.....» 43

10 » Over de dankbaarheid voor de genade

Gods........................ 45

H » Over de weinige vrienden van Jezus\'

kruis......................» 47

12 » Over den koninklijken weg des heiligen

Kruisen..................... 48

DERDE BOEK.

Van den inwendig en troost.

1 Hoofdstuk. Over het inwendige onderhoud van

Christus met de ziel............BI. 53

2 » De waarheid spreekt in ons zonder ge-

druisch van woorden............» 53

3 » Het woord Gods moet met ootmoed gehoord

worden; velen nemen het niet ter harte. «gt; 54

4 » Men moet in waarheid en ootmoed voor

God wandelen................» 56

it

-ocr page 11-

inhoud. ui

5 Hoofdstdk. Over de wonderbare werking van Gods

liefde.....................BI. 57

6 » Over den toetssteen der ware liefde ...» 39

7 » Dat men de genade onder de hoede der

nederigheid moet verbergen........» 61

8 » Hoe goring men zich moet achten in het

oog van God.................» 63

9 » Dat men alles tot God, als het laatste einde

moet terugbrengen.............» 63

10 » Hoe genoeglijk het zij, met verachting

der wereld, God te dienen........» 64

11 » Dat men de begeerten zijns harten moet

toetsen en matigen.............» 66

» Over het oefenen der lijdzaamheid en het

bestrijden der kwade lusten........» 67

13 » Over de gehoorzaamheid van een nederig

onderhoorige, naar het voorbeeld van

Jezus Christus.................» 68

)gt; De overweging van de verborgen oordeelen

Gods, een middel tegen zelfverheffing . . » 69 1 ö » Hoe men zich bij al het wenschelijke moet gedragen, en hoe men moet

bidden...................... 70

16 » Dat men bij God alleen waren troost moet

zoeken...................... 71

\'7 » Dat men alle zorg op God moet werpen. » 72 IS » Dat men alle rampen des levens, naar

het. voorbeeld van Christus, met gelijk-

moedigheid moet dragen..........» 73

l\'J » Over het verdragen van smaad. De ware

geduldige.................... 74

20 » Over de bekentenis van eigene zwakheid

en over de rampen des levens.......» 75

21 » Dat men in God boven alle goederen en

gaven moet rusten.............. 76

22 » Over het herdenken van Gods menigvul

dige weldaden................. 73

23 » De vier dingen die den vrede grootelijks

bevorderen.................. „ 79

-ocr page 12-

JV INHOUD

24 Hoofdstok. Dat men moet vermijden naar eens anders gedrag nieuwsgierig le onderzoeken.....................BI. 81

23 » Waarin de duurzame vrede en de ware

voortgang bestaan..............» 82

20 » Over de hooge waarde van een vrij ge

moed, dat men eerder verkrijgt door nederig bidden dan door veel lezen ...» 83

27 » Dat de eigenliefde van het hoogste goed

ten sterkste aftrekt.............» 84

28 » Tegen kwaadsprekende tongen.......» 85

29 » Dat men in wederwaardigheden God moet

aanroepen en zegenen...........» 83

30 » Dat men Gods hulp moet afsmeken en op

de wederkomst der genade vertrouwen. » 86

31 » Om den Schepper te vinden moet men

alle schepsel laten varen..........» 88

32 igt; Over de zelfverloochening en verzaking

van alle begeerlijkheid...........» 89

33 » Over de onstandvastigheid des harten en

dat God onze laatste bedoeling zijn moet. » (.)0

34 » De ware minnaar vindt bij alles en boven

alles in God zijn genoegen.........» 91

35 » Dat men in dit leven niet veilig is voor

bekoringen..................» 92

36 » Tegen de ijdele beoordeelingen der

menschen ............\'.......» 93

37 » Over den zuiveren en geheelen afstand van

zichzclven om de vrijheid des harten te bekomen....................» 94

38 » Over een goed bestuur in het uitwendige

en hoe men in gevaren zich tot God moet begeven....................» \'Jo

39 » Dat men zich aan geene overdrevene be

zorgdheid raag overgeven.........» 96

40 » Dat de raensch uit zichzclven niets goeds

heeft en over niets kan roemen.....» 96

41 » Over de versmading van alle tijdelijke eer. » 98

42 » Dat raen zijnen vrede niet bij mensehen

-ocr page 13-

inhoud. , v

moet zoeken................BI. 98

43 Hoofdstuk. Tegen de ijdele wetenschap der wereld. » 99

44 « Dat men zich het uitwendige niet moet

aantrekken..................» 100

45 » Dat men niet aan allen geloof\' mag

geven, en over het licht struikelen in woorden...................» 101

46 » Dat men bij scherpe woorden op God

moet vertrouwen..............» 102

47 » Dat men alle lijden om het eeuwige leven

moet verdragen...............» 104

48 » Over den dag der eeuwigheid en de

ellenden van dit leven..........» 105

4\'J » Over het verlangen naar het eeuwige leven; en hoe groote goederen den strijders beloofd zijn............» 107

50 » Hoe in mistroostigheid de mensch zich

in Gods hand moet overgeven......» 109

51 » Dat men zich op geringer werken moet

toeleggen, als men in verhevener te

kort schiet.................» M2

52 » Men achte zich geen troost, maar eer

straf waardig................» 112

53 » Dat Gods genade niet bestaanbaar is met

aardschgezindheid..............» li 4

54 » Over de verschillende neigingen der

natuur en der genade...........» H5

55 » Over de verdorvenheid der natuur en de

kracht der goddelijke genade.......» 117

56 » Dat wij ons zeiven moeten verloochenen

en Christus op den weg des kruisen volgen....................i) 119

57 » De mensch zij niet te neerslachtig wan

neer hij in eenigen misslag valt.....» 120

58 » Men mag geene te verheven zaken noch

de verborgen raadsbesluiten Gods onderzoeken . . ;.................o 122

59 » Dat men alle hoop en vertrouwen op

God alleen moet stellen..........» 124

-rih

1

-ocr page 14-

INHOUD.

VIERDE BOEK.

Over het H. Sacrament des Altaars.

1 Hoofdstuk. Met hoeveel eerbied men Christus moet BI. 126

ontvangen..................» 126

^ » Over de goedheid en liefde, door God in het heilige Sacrament den niensch bewezen ....................» i2ü

3 » Hoe nuttig het is dikwijls te comrau-

niceeren...................» 131

4 » Over de groote voordeelen aan eene

godvruchtige Communie verbonden ...» 133

5 » Over de waardigheid van het Sacrament

en over den priesterlijken staat.....quot; 135

6 » Ondervraging naar eene oefening voor

de H. Communie..............» 130

7 » Over het onderzoek des gewetens en het

voornemen ter verbetering........» 136

8 » Over de opoffering van Christus aan het

kruis en de opoffering van zichzelven . » 138

9 » Hoe wij ons en het onze moeten op

offeren en voor allen bidden.......» 139

10 » Dat men de H. Communie niet licht

moet achterlaten..............» 140

11 » Dat het Lichaam van Christus en de H.

Schrift voor eene geloovige ziel hoogst noodzakelijk zijn..............» 142

12 » Dat degene die Coinmunieceren wil

zich met groote vlijt moei voorbereiden ....................» 145

13 » Dat eene godvruchtige ziel van gan-

scher harte moet verlangen naar de vereeniging met Christus in het Sacrament ...................» 146

14 » Over het vurig verlangen van sommige

godvruchtigcn naar het Lichaam van

Christus...................» 147

J5 » Dat de genade der godsvrucht door oot-

VI

-ocr page 15-

irchoüd.

moed en zelfverloochening verkregen

WOrdt ....................BI. ^ 48

16 Hoofdstuk. Üat wij onze behoeften aan Christus

moeten blootleggen en zijne genade af-srneeken.................... ]49

17 ° 0ver de gloeiende liefde en brandende

begeerte om Christus te ontvangen ...» 150

18 0 Dat de mensch aangaande het Sacrament

niet nieuwsgierig mag onderzoeken,

maar dat hij Christus nederig moet navolgen en zijne zinnen aan het heilig geloof onderwerpen............. jgj

VII

-ocr page 16-
-ocr page 17-

EERSTE BOEK.

NUTTIGE LESSEN VOOR HET GEESTELIJK LEVEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

Over de navolging van Christus en de verachting van alle wcreldsche ijdelheden.

Wie mij volgt, wandelt niet in de duisternis, zegt de Heer. (Joan. 8) Dit zijn de woorden van Christus, waardoor Hij ons vermaant zijn leven en gedrag na te volgen, willen wij waarlijk verlicht en van alle blindheid des harten verlost worden.

Onze voornaamste bezigheid zij dus overliet leven van Jezus Christus na te denken.

De leer van Christus overtreft al de leenngen der Heiligen, en wie zijn geest bezate, zou daarin een verborgen manna vinden.

Maar velen, na het Evangelie dikwijls gehoord te hebben, gevoelen er geen groot verlangen naar, omdat zij den geest van Christus niet bezitten.

Wie dan de woorden van Christus ten volle wil verstaan en smaken, trachte zijn geheel leven Hern gelijkvormig te maken.

Wat baat het u diepzinnig over de Drievuldigheid te twisten, zoo het u aan ootmoed ontbreekt, en gij dus der Drievuldigheid mishaagt?

Waarlijk, verheven woorden maken den iieilige en rechtvaardige niet; maar een deugdzaam leven maakt behaaglijk aan God.

Ik wensche liever de vermorzeling des harten te gevoelen, dan daarvan de beschrijving te kunnen geven.

Al wist gij den ganschen Bijbel van buiten, met al de gezegden der wijsgeeren, wat zou u dit alles baten zonder de liefde en genade Gods?

IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid, (Eccl. i) behalve God te beminnen en Hem alleen te dienen.

De hoogste wijsheid is deze: door de verachting der wereld naar het rijk des hemels te streven.

1

-ocr page 18-

I BOEK.

Het is dus ijdelheid verganklijke rijkdommen te zoeken en daarop te vertrouwen.

Ook is het ijdellieid eergierig te zijn en zich tot een hoogen slaat te verhelfen.

IJdelheid is het de lusten des vleesches te volgen en datgene te verlangen, wat eens zwaar moet worden gestraft.

Het is ijdelheid een lang leven te wenschen en zich weinig om een goed leven te bekommeren.

IJdelheid is het alleen te letten op het tegenwoordige leven en niet te voorzien wat er op volgen moet.

Het is ijdelheid zich le hechten aan hetgeen zoo haastig voorbijgaat, en zich niet derwaarts te spoeden, waar de vreugde eeuwig blijft.

Denk dikwijls aan deze spreuk: het oog wordt niet verzadigd van zien, noch hei oor van hooren. (Eccl. i)

Tracht dan uw hart van de liefde tot het zichtbare af te trekken, om het te keeren tot het onzichtbare.

Want die hunne zinlijkheid opvolgen, bevlekken hun geweten en verliezen de genade Gods.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Over de geringachling van zich zeiven.

leder mensch is van nature begeerig om veel te weten: maar wat baat de wetenschap zonder de vreeze Gods?

Beter voorwaar is een nederig landman die God dient, dan een hoogmoedig wijsgeer die, terwijl hij zichzelf vergeet, den loop der hemellichamen naspoort.

Wie zichzelven recht kent, wordt gering in zijn eigen oogen en vindt geen vermaak in den lof der mensehen.

Al wist ik alles wat er in de wereld is, en ik had de liefde niet; wat zou \'t mij baten voor God, die mij oordcelen zal naar mijne daden?

Ontdoe u van een te grooten weetlust: want daarin wordt groote verstrooiing en bedrog gevonden.

Die veel weet wil gaarne verstandig schijnen en heeten. Er is zooveel, waarvan de kennis weinig of geen nul aan de ziel toebrengt!

En hij is wel zeer onverstandig die zich op iets anders toelegt, dan op heigeen zijne zaligheid bevordert.

Vele woorden verzadigen de ziel niet; maar een goed leven verkwikt den geest, en een rein geweien geeft een groot vertrouwen op God

Hoe omvangrijker en volkomener uwe wetenschap is, hoe strenger gij er naar geoordeeld zult worden, zoo gij niet heiliger geleefd hebt.

Verhef u alzoo niet op eenige gave of Avetenschap; maar vrees liever wegens de u geschonken kennis.

y-f

2

-ocr page 19-

2 HOOFDSTUK.

Meent gij veel te weten en vrij wel te verstaan; denk dat er nog veel meer is, dat gij niet weet.

Heb derhalve geen hoog gevoelen van uwe wetenschap; maar erken liever uwe onwetendheid.

Waarom wilt gij u boven iemand verheffen, daar er velen gevonden worden geleerder en in Gods wet ervarener dan gij ?

Wilt gij iets nuttigs weten en leeren, begeer onbekend te zijn en voor niets geacht te worden.

De hoogste wetenschap en de nuttigste les is, zichzelven wel te kennen en niets te achten.

Van zichzelven niets te maken, en van anderen steeds wèl en gunstig te denken, is eene groote wijsheid en volmaaktheid.

Zoo gij iemand openlijk zaagt zondigen of zwaar misdoen, behoordet gij u daarom niet beter te achten: want gij weet niet, hoe lang gijzelf in het goede kunt staande blijven.

Wij allen zijn zwak; maar gij, houd niemand voor zwakker dan uzelf.

DERDE HOOFDSTUK.

Over de leer der waarheid.

Gelukkig hij, dien de waarheid door zichzelve onderwijst, niet door beelden noch voorbijvliegende woorden, maar zoo als zij is!

Onze meening en ons gevoelen bedriegen ons vaak; zij zien niet verre.

Wat baat veel twistens over verborgen en duistere zaken, welke niet geweten te hebben ons in het oordeel tot geen verwijt zal strekken?

\'tls eene groote dwaasheid het nuttige en noodige te verzuimen. om zich te meer met het nuttelooze en schadelijke op te houden. Wij hebben oogen, en zien niet!

Wat vermoeien wij ons met spitsvondige wijsgeerige vraagstukken?

Hij, tot wien het eeuwige Woord spreekt, bekommert zich niet meer met vele twistredenen.

Alles is uit dit éene Woord, alles spreekt daarvan. Het is het beginsel, dat lot ons spreekt; zonder dat verstaat niemand iels wèl of oordeelt juist.

Hij, voor wien dit éene alles is, die alles lot dit eene terugbrengt, en alles in dit eene ziet, die kan standvastig van harte zijn en in God bestendige rust genieten.

O God! Gij. die de waarheid zelve zijl! maak mij een met ü door eeuwige liefde!

Met verveelt mij dikwijls veel Ie lezen en te hooren; in U is alles wat ik wil en wensch.

3

-ocr page 20-

I BOEK.

Dat alle leeraars zwijgen, dat alle schepselen voor Uw aanschijn verstommen! spreek Gij alleen tot mij.

Hoe meer iemand ingetogen en eenvoudig van harte is, te meer en verhevener zaken zal hij zonder moeite verstaan: want van boven zal hij het licht des verstands ontvangen.

Eene zuivere, eenvoudige en standvastige ziel zal zelfs in veel arbcids niet verstrooid raken, omdat zij alles doet ter eere Gods en zich van alle zelfzucht tracht vrij te houden.

Wat hindert en bezwaart u meer dan de onbedwongen neigingen uws harten?

Een vroom en godvruchtig mensch ordent eerst bij zichzelf de werken, die hij uitwendig moet verrichten.

Hij laat zich bij zijne handelingen niet door de verlangens zijner bedorven neiging wegslecpen: maar hij schikt die naaide inspraak van de gezonde rede.

Wie heeft een harder strijd dan hij, die tracht zichzelven te overwinnen ?

En nochtans moest dit ons voornaamste werk zijn: onszelvcn te overwinnen, dagelijks in krachten over onszelven toe te nemen en in het goede eenigszins te vorderen.

Alle volmaaktheid in dit leven gaat van eenige onvolmaaktheid vergezeld, en geen onzer beschouwingen is van alle duisterheid vrij.

Eene nederige zelfkennis is een zekerder weg tot God, dan de diepste wetenschappelijke nasporing.

Wel is waar is niet de wetenschap, of elke eenvoudige kennis eener zaak te laken; zij is op ziehzelve beschouwd goed en door God verordend; maar een goed geweten en een deugdzame wandel zijn steeds daarboven te achten.

Wijl echter de meesten meer baken naar kennis dan naar een deugdzaam leven, daarom dwalen zij zoo dikwijls en brengen geene of weinige vruchten voort.

O, indien zij even grooten ijver hadden om gebreken uit te roeien en deugden aan te kweeken, als om twistvragen op te werpen, dan zou er niet zoo veel kwaads en aanslootelijks onder het volk, geene zoo groote losbandigheid in de kloosters zijn.

Waarlijk, wanneer de Oordeelsdag komt, zal men ons niet vragen, wat wij gelezen, maar wat wij gedaan, niet hoe wèl wij gesproken, maar hoe godvruchtig wij geleefd hebben.

Zeg mij: waar zijn nu al die heeren en meesters, die gij zoo goed hebt gekend, toen zij nog leefden en door hunne wetenschap beroemd waren?

Anderen genieten nu hunne inkomsten, en ik weet niet of deze wel eens aan hen denken. Bij hun leven schenen zij iels te zijn; en nu zwijgt men van hen.

Hoe ras gaat de heerlijkheid der wereld voorbij! Mocht hun

4

-ocr page 21-

3 HOOFDSTUK.

leven aan hunne kennis beantwoord hebben, dan zouden zij met vrucht gestudeerd en geleeraard hebben.

Hoe velen gaan in de wereld niet verloren door hunne ijdele wetenschap, dewijl zij zich weinig bekommeren om den dienst van God!

En omdat zij liever groot dan nederig willen zijn, daarom worden zij verijdeld ia hunne overleggingen.

Waarlijk groot is hij, die eene groote liefde bezit.

Waarlijk groot is hij, die klein is bij zichzelven en den hoog-sten trap van eer als niets acht.

Waarlijk wijs is hij, die al het aardsche acht als vuiligheid, om Cli rist us te winnen. (Philipp. 3)

En hij is waarlijk wèl geleerd, die Gods wil doet en zijn eigen wil verzaakt.

VIERDE HOOFDSTUK.

Over een voorzichtig gedrag.

Men mag niet alle woord noch alle ingeving gelooven; maar men moet eene zaak voorzichtig en bedaard volgens God overwegen.

Helaas! dikwijls gelooft en zegt men van een ander eer het kwade dan het goede; zoo zwak zijn wij!

Maar volmaakte menschen gelooven niet licht elk verbaal: want zij weten dat de menschelijke zwakheid ten kwade overhelt en licht in woorden zondigt.

Het is een groote wijsheid niet overijld te werk tc gaan en niet hardnekkig zijn eigen oordcel te volgen.

Hiertoe behoort ook, dat men niet al de gezegden der menschen geloof geeft, en hetgeen men hoort of gelooft, niet aanstonds aan het oor van anderen overbrengt.

Beraad u met een verstandig en nauwgezet man, en zoek liever door eenen betere onderricht te worden, dan uw eigen hoofd te volgen.

Een deugdzaam leven maakt den mensch wijs voor God en in vele opzichten ervaren.

Hoe nederiger iemand bij zichzelven is, en hoe meer onderworpen aan God, hoe verstandiger en rustiger hij in alles zal zijn.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Over het lezen der Heilige Schrift.

Waarheid, geen welsprekendheid moet men in de Heilige Schriften zoeken.

5

-ocr page 22-

I BOEK.

Men moet de geheele Heilige Schrift lezen met denzelfden geest, in welken zij gesteld is.

Wij moeten in de Heilige Schrift meer trachten naar geestelijk voordeel dan sierlijkheid van taal.

Wij moeten even gaarne stichtelijke en eenvoudige boeken lezen als verhevene en diepzinnige.

Houd u niet op bij het gezag van den schrijver, of hij van kleine of groote geleerdheid zij; maar liefde tot de zuivere waarheid zette u tot lezen aan.

Vraag niet wie dit gezegd hebbe; maar let op hetgeen gezegd wordt.

De menschen gaan voorbij; maar des Heeren waarheid blijft eeuwig.

Zonder aanzien van personen spreekt God tot ons op velerlei wijze.

Ifij het lezen der Schriften hindert ons dikwijls onze nieuwsgierigheid, daar wij bevatten en beredeneeren willen wat wij eenvoudig moesten voorbijgaan.

Wilt gij er voordeel uit trekken, lees nederig, eenvoudig en geloovig, en beoog nooit den naam van geleerde.

Ondervraag gaarne, en hoor stilzwijgend de woorden der Heiligen; en dat de spreuken der Ouderlingen u niet mishagen: niet zonder reden toch worden zij aangehaald.

ZESDE HOOFDSTUK.

Over de ongeregelde harlslochten.

Zoodra een mensch iets ongeregeld begeert, wordt hij aanstonds bij zichzelf onrustig.

De hoogmoedige en gierige rusten nooit, maar de arme en nederige van geest hebben overvloed van vrede.

De mensch die zichzelf nog niet volmaakt is afgestorven, wordt ras bekoord en door de kleinste, ja nietigste zaken overwonnen.

De zwakke naar den geest en die nog eenigermate vleesehe-lijk is en tot het zinlijke overhelt, kan zich moeilijk van de aardsche begeerlijkheden geheel losmaken.

Daarom heeft hij dikwijls droefheid, als hij zich daaraan onttrekt; ook wordt hij licht toornig, als iemand hem tegenstreeft.

En heeft hij verkregen wat hij begeert, terstond wordt hij bezwaard door het verwijt van zijn geweten, omdat hij zijne drift ingevolgd is, die niets toebrengt tot de bevrediging die hij zocht.

Door de driften alzoo te wederstaan wordt de ware vrede des harten gevonden, niet door ze in te volgen.

Er is dus geen vrede in het hart van den vleeschelijken

-ocr page 23-

6 HOOFDSTUK.

raensch, noch in dengene die aan het uiterlijke is overgegeven, maar bij den ijverige en geestelijk gezinde.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Vlucht da ijdele hoop en den hoogmoed.

IJdel is hij, die zijne hoop op raenschen of schepselen stelt.

Schaam u niet, uit liefde voor Jezus Christus, anderen te dienen en in deze wereld arm te schijnen.

Sta niet op uzelvcn, maar vestig uwe hoop op God.

Doe wat in u is, en God zal uw goeden wil ondersteunen.

Vertrouw niet op uwe wetenschap, noch op tie doorslepen-heid van eenig sterveling, maar liever op de genade van God, die de nederigen helpt en de vermetelen vernedert.

Roem niet op de rijkdommen, zoo gij ze bezit, noch op uw vrienden, omdat zij vermogend zijn; maar op God, die alles geeft en zichzelven boven alles wensebt te schenken.

Verhef u niet op de grootte of schoonheid des licliaams: want de geringste ongesteldheid kan die verminken of misvormen.

Heb geen zelfbehagen wegens uwe bekwaamheid of verstand, opdat gij niet mishaagt aan God, wien alles toebehoort wat gij van nature goeds bezit.

Acht u niet beter dan een ander, opdat gij niet slechter bevonden wordt voor God, die weet wat in den mensch is.

Verhef u niet op goede werken; want de oordeelen Gods zijn anders dan die der menschen. Hem mishaagt dikwijls, wat den menschen behaagt.

Hebt gij iets goeds, denk van anderen beter, 0111 den ootmoed te bewaren.

Het schaadt niet als gij u beneden allen stelt; maar zeer veel schaadt het, zoo gij u boven een enkelen stelt.

Bij den nederige is duurzame vrede, maar in het hart des hoogmoedigen dikwijls ijverzucht en toorn.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Over eene te groote gemeenzaamheid.

Leg uw hart niet voor iedereen bloot; maar spreek over uw zaken met den wijze en godvruchtige.

Verkeer zelden met jongelieden en vreemdelingen.

Vlei de rijken niet en verschijn niet gaarne voor de grooten.

Voeg u bij de nederigen en ecnvoudigen, bij de godvruch-tigen en vromen, en spreek over hetgeen stiehtelyk is.

7

-ocr page 24-

I BOEK.

Wees met geene vrouw gemeenzaam; maar beveel alle goede vrouwen in het algemeen aan God.

VVenseh met God alleen en zijne Engelen gemeenzaam om te gaan, en ontwijk de aandacht der mensehen.

Liefde moet men voor allen hebben; maar gemeenzaamheid doet geen nut.

Somtijds gebeurt het dat een onbekend persoon door zijn goeden naam schittert, wiens tegenwoordigheid nochtans de oogen der aanschouwers kwetst.

Wij denken somtijds anderen te behagen door onzen omgang, en \'wij beginnen eer te mishagen door de verkeerdheid van zeden, in ons opgemerkt.

NEGENDE HOOEDSTUK.

Over de qehoorzaamheid en onderwerping.

Het is een zeer groot iets onder gehoorzaamheid te staan, onder een overste te leven en niet zijn eigen meester te zijn.

Het is veel veiliger onderhoorige dan overste te zijn.

Velen zijn onder gehoorzaamheid meer uit dwang dan uit liefde; ook hebben zij moeilijkheid en morren licht.

Zij zullen de vrijheid des geesles niet verkrijgen, voor zij zich om Gods wille van ganscher harte onderwerpen.

Loop ginds en herwaarts, gij zult geen rust vinden, tenzij in een nederige onderwerping aan het bestuur van uw overste.

De verbeelding dat het hun door verandering van plaats beter zou gaan, heeft velen bedrogen.

Het is waar dat elk gaarne naar zijn eigen gevoelen handelt en diegenen meer genegen is, die van zijn gevoelen zijn.

Maar zal God in ons wonen, dan moeten wij ook somtijds om vredeswille ons gevoelen opgeven.

Wie is zoo wijs dat hij alles volkomen weet ?

Vertrouw dan niet te veel op uw eigen gevoelen; maar wil ook gaarne het gevoelen van anderen hooren.

Is uw gevoelen goed, en geeft gij het echter om Godswille op, om dat van een ander te volgen, gij zult daardoor te meer voortgang maken.

Want ik heb meermalen hooren zeggen, dat hel veiliger is raad te hooren en aan te nemen dan te geven.

Het kan zijn dat het gevoelen van ieder goed is; maar naar anderen niet te willen luisteren, als de rede of de zaak het vordert, is een teeken van hoogmoed en halstarrigheid.

TIENDE HOOFDSTUK.

Over hel vermijden van nutlelooze gesprekken.

Myd, zooveel gij kunt, het gewoel der menscheu: want

8

-ocr page 25-

JO HOOFDSTDK.

het behandelen van wereldsche zaken hindert grootelijks, al geschiedt het met een zuiver oogmerk.

Wij worden zoo ras door de ijdelheid besmet en gevangen!

Ik wenschte dat ik meer gezwegen en niet onder de menschen verkeerd hadde.

Maar waarom spreken wij en onderhouden wij elkander zoo gaarne, ofschoon wij zelden zonder kwetsing des gewetens tot het stilzwijgen wederkeeren ?

Daarom spreken wij zoo gaarne, omdat wij door onderlinge gesprekken troost bij elkander zoeken, en \'t door velerlei gedachten bezwaarde hart wenschen op te beuren.

Ook spreken en denken wij zeer gaarne over hetgeen wij zeer beminnen of begeeren, of over hetgeen ons tegenstaat.

Maar helaas! dikwijls zonder nut en te vergeefs: want die uitwendige troost doet niet weinig hinder aan den inwendigen en goddelijken troost.

Daarom waak en bid,.\'opdat de tijd niet ledig voorbijga.

Staat het vrij en komt het te pas te spreken, spreek over iets stichtelijks.

Een kwade gewoonte en veronachtzaming van onzen voortgang zijn veelal oorzaak, dat wij geen wacht houden over onzen mond.

Echter bevordert niet weinig onzen geestelijken voortgang een godvruchtig gesprek over geestelijke onderwerpen, vooral wanneer zich daartoe in God verecnigen personen, die éen van hart en ziel zijn.

ELFDE HOOFDSTUK.

Over de middelen tol vrede, en den ijver tot voortgang.

Veel rust en vrede konden wij hebben, wilden wij ons niet bemoeien met de woorden en daden van anderen, welke ons niet aangaan.

Hoe kan hij lang in vrede blijven, die zich met eens anders zaken bemoeit, die steeds buiten zichzelven gelegenheden tot bekommering zoekt, en weinig of zelden tot ziehzelven terugkeert?

Gelukzalig de eenvoudigen: want zij zullen overvloedigen vrede hebhen.

Waarom zijn sommige Heiligen tot zulk eene volmaaktheid en hooge bespiegeling gestegen?

Omdat zij getracht hebben alle aardsehe begeerlijkheden af te sterven. Daarom konden zij met geheel hun hart Gode aanhangen, en zich vrij met zichzelven ophouden.

Wij houden ons te zeer met onze eigene driften op, en ontrusten ons te veel over hetgeen voorbijsnelt.

Zelden ook overwinnen wij een eenig gebrek geheel, en wij

9

-ocr page 26-

I BOEK.

worden niet tot dagelijkschen voortgang aangevuurd: daarom blijven wij koud en lauw.

Waren wij onszelven volkomen afgestorven en van binnen niet in verwarring, dan konden wij ook het goddelijke smaken en iets van de hemelsehe bespiegeling ondervinden.

Het grootste, ja eenige beletsel is, dat wij niet vrij zijn van driften en begeerlijkheden, en dat wij niet trachten den volmaakten weg der Heiligen in te slaan.

Als ons ook de geringste tegenstand ontmoet, zijn wij aanstonds terneergeslagen en wenden wij ons tot den troost der menschen.

Deden wij ons best om als dappere mannen in den strijd te staan, voorwaar wij zouden des Heeren hulp van den hemel over ons zien neerkomen.

Hij toch is bereid die strijden en op zijne genade hopen te helpen. Hij geeft ons gelegenheid tot strijden, opdat wij overwinnen.

Stellen wij onzen voortgang in \'t goede alleen in uiterlijke oefeningen, onze godsvrucht zal dra een einde nemen.

Laat ons de bijl aan den wortel leggen en onze ongeregelde driften uitroeien, opdat wij een rustig gemoed mogen bezitten.

Mochten wij elk jaar éene ondeugd uitroeien, wij zouden spoedig volmaakte mannen zijn.

Maar nu ontwaren wij dikwijls het tegendeel en bevinden dat wij in het begin onzer bekeering beter en zuiverder waren, dan wij nu, na vele jaren zijn.

Dagelijks moesten onze ijver en voortgang toenemen, en nu schijnt het al veel, als iemand van zijn eersten ijver een gedeelte kan behouden.

Deden wij ons in den beginne slechts een weinig gewelds, wij zouden daarna alles met gemak en vreugde kunnen doen.

Zwaar valt het eene gewoonte af te leggen; maar het is nog zwaarder tegen zijn eigen wil te handelen.

Zoo gij nu het kleine en lichte niet overwint, hoe zult gij het zwaardere te boven komen?

Wedersta in den beginne uwe neiging en ontdoe u van eene slechte gewoonte, opdat zij u niet allengskens in grootere zwarigheid brenge.

O, zoo gij beseftet welke rust gij uzelven en welk genoegen gij anderen veroorzaakt door u wèl te gedragen 1 ik geloof dat gij voor uw geestelijken voortgang meer bezorgd zoudt zijn.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Over het nut der tegenspoeden.

Het is ons goed dat wij somtijds eenige moeielij.theden en tegenspoeden hebben, want dikwijls roepen zij den menseh in

10

-ocr page 27-

HOOFDSTUK.

zijn binnenste terug, inzooverre hij gevoelt dat hij in ballingschap is en zijne hoop op niets ter wereld stellen moet.

Het is goed dat somtijds tegenspraak ontmoeten, en dat men kwaad en ongunstig van ons denkt, zelfs als wij wel doen en wèl meenen; dit bevordert dikwijls den ootmoed en bewaart ons voor ijdele roemzucht.

Want dan, als wij van buiten door de mensehen veracht of niet goed beoordeeld worden, zoeken wij beter God als onzen inwen-digen getuige.

Daarom moest de mensch zich zoo geheel in God vestigen, dat hij niet noodig had veel menschelijkcn troost te zoeken.

Wordt een welgezind mensch bedrukt, bekoord of door kwade gedachten gekweld, dan gevoelt hij dat hij God \'t meest noodig heeft, zonder wien hij ziet dat hij niets goeds vermag.

Dan ook treurt hij, en zucht en bidt, over de rampen die hij lijdt.

Dan verdriet het hem langer te leven, en wenscht hij dat de dood korae, opdat hij moge ontbonden worden en met Christus zijn.

Dan ook ontwaart hij recht dat er op de wereld noch volkomen veiligheid, noch volle vrede kan bestaan.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Over het weer slaan der bekoringen.

Zoolang wij in de wereld leven, kunnen wij niet zonder kwelling en bekoring zijn.

Daarom staat er bij Job: \'s mensehen leven op aarde is een strijd. (Job 7)

Daarom moest ieder bij zijn bekoringen op zijn hoede zijn, waken en bidden, opdat de duivel geene gelegenheid vinde tot verleiding: want die slaapt nooit, maar gaat rond, zoekende wien hij kan verslinden. (Petr. 5)

Niemand is zoo volmaakt en heilig, dat hij niet somtijds bekoringen heeft; zelfs kunnen wij die niet geheel ontberen,

H o e lastig en moeilijk de bekoringen ook vallen, zij zijn dikwijls den mensch zeer nuttig, omdat hij daardoor vernederd, gereinigd en onderwezen wordt.

Alle Heiligen zijn vele verdrukkingen en bekoringen doorgegaan, en aldus volmaakt geworden.

Maar zij die de bekoringen niet konden doorstaan, zijn bezweken en verworpen geworden.

Geen stand is er zoo heilig, geen plaats zoo verborgen, waar geen bekoringen of wederwaardigheden zijn.

Zoolang de mensch leeft is hij niet geheel veilig tegen de bekoring: want dc bron der bekoring is in onszelven, daar wy met begeerlijkheden geboren worden.

11

-ocr page 28-

I BOEK.

Wijkt de eene bekoring of raoeielijkheid, de andere is daar; en altoos zullen wij iets moeten lijden, daar wij den schat van ons eerste geluk verloren hebben.

Velen trachten de bekoringen te ontvluchten en vallen daarin te dieper.

Door de vlucht alleen kunnen wij niet overwinnen, maar door geduld en waren ootmoed worden wij sterker dan al onze vijanden.

Wie slechts van buiten ontwijkt en niet den wortel uitrukt, zal weinig vorderen; ja te eer zullen de bekoringen tot hem wederkeeren, en zal hij zich te erger bevinden.

Allengskens en door geduld en lankmoedigheid zult gij ze met Gods hulp beter overwinnen, dan door een hardnekkig en lastig tegenstreven.

Zoek dikwijls raad bij de bekoring, en wil den bekoorde niet hard behandelen; maar bied hem troost, zooals gij wenschen zoudt dat men u deed.

Onbestendigheid van geest en gering vertrouwen op God zijn de bron van alle kwade bekoringen.

Want gelijk een schip zonder stuurman door de baren heen en weer geslingerd wordt, zoo wordt een kleinmoedig mensch, die van zijn voornemens afwijkt, op velerlei wijze bekoord.

Het vuur beproeft het ijzer, de bekoring den rechtvaardigen mensch.

Dikwijls weten wij niet wat wij kunnen; maar de bekoring toont wat wij zijn.

Nochtans moet men waken, vooral bij den aanvang eener bekoring; want lichter wordt de vijand overwonnen, als men duit dat hij de ziel binnentreedt, maar hem, zoodra hij aanklopt, aan den drempel weert.

Daarom heeft iemand gezegd; weersta in hel ber/in; als artsenij noodifj wordt, is \'t te laat.

Want eerst vertoont zich aan de ziel de enkele gedachte, dan eene sterke voorstelling, vervolgens het welbehagen, de kwade beweging en de toestemming.

Zoo treedt de booze vijand allengskens geheel binnen, als men hem niet in den beginne tegenstand biedt.

En hoe langer iemand wacht met weerstand bieden, hoe zwakker hij dagelijks in zichzelven wordt, en hoe sterker tegen hem de vijand.

Sommigen lijden zwaardere bekoringen in het begin hunner bekeering, anderen op het einde.

Sommigen worden gekweld schier hun leven lang, anderen slechts licht bekoord, volgens de wijze en billijke beschikkingen Gods, die den staat en de verdiensten der menschen weegt, en alles tot heil zijner uitverkorenen voorbeschikt.

Daarom moeten wij, wanneer wij bekoord worden, niet

42

-ocr page 29-

13 HOOFDSTUK.

wanhopen, maar te vuriger God bidden, dat Hij ons in alle wederwaardigheid gelieve bij te slaan: Hij toch zal, volgens het gezegde van Paul us, met de bekoring ook de uilkomst neven om ze te kunnen verdragen.

Buigen wij dan bij alle bekoring en wederwaardigheid ootmoedig onze zielen onder de hand van God: want Hij zal de nederigen van geest redden en vcrhelfen.

Welken voortgang de menseh gemaakt heeft, blijkt bij bekoringen en ongevallen. Ook dan neemt de verdienste toe en komt de deugd meer uit.

Het is niets groots dat een menseh godvruchtig en ijverig is, als hij geen zwarigheid gevoelt; maar wanneer hij ten tijde van tegenspoed het geduldig uithoudt, dan is er hoop op grooten voortgang.

Sommigen worden voor zware bekoringen bewaard en dikwijls in kleine, dagelijksche overwonnen; opdat zij, vernederd, in het groote nooit te veel op zichzelven mochten vertrouwen, daar zij zich in het kleine zoo zwak toonen.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Over de lichtvaardige oordeelvellingen.

Sla uw oogen op uzelvcn en wacht u de daden van anderen te beoordeelen.

Wie anderen beoordeelt doet verloren arbeid, dwaalt veel en zondigt licht.

Maar wie zichzelven beoordeelt en beproeft, handelt altoos met vrucht.

Zooals eenc zaak ons Ier harte gaat, oordeelen wij veeltijds daarover: want door onze eigenliefde wijkt ons oordeel licht van de waarheid af.

Ware God altoos het eenige doel onzer begeerten, wij zouden zoo licht niet ontroerd worden als men onzen zin weerstaat.

Maar dikwijls schuilt er van binnen iets of doet zich iets van huiten op, dat ons nog medesleept.

Velen zoeken in hetgeen zij doen heimelijk zichzelven, en weten het niet.

Ook schijnen zij in goeden vrede gevestigd, als de zaken naar hun wensch en zin gaan; maar valt iets tegen hun wensch uit, terstond zijn zij ontroerd en droevig.

Uit het verschil van meening en gevoelen ontstaat dikwijls genoeg tweedracht tusschen vrienden en medeburgers, lusschen geestelijke en godvruchtige personen.

Een oude gewoonte laat zich moeielijk afleggen; en niemand wordt gaarne van zijn eigen zienswijze afgebracht.

Indien gij meer steunt op eigen doorzicht of kloekheid, dan

13

-ocr page 30-

I BOEK.

op de kracht uwer onderwerping aan Jezus Christus, gij zult zelden en dan nog laat een verlicht man worden; want God wil dat wij ons volkomen aan Hem onderwerpen, en dat wij door eene brandende liefde alle eigen doorzicht te boven-stijgen.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Over de werken uit liefde verricht.

O m niets ter wereld en ter liefde van geen enkel raensch mag men iets kwaads doen.

Nochtans mag men vrij, ten nutte van hem die het noodig heeft, somtijds eenig goed werk uitstellen of liever door een beter vervangen.

Op deze wijze toch gaat het goede werk niet verloren, maar in een beter over.

Zonder liefde kan een uitwendig werk niets baten, maar alles wat uit liefde geschiedt, hoe gering en ongeacht het zij, wordt geheel vruchtbaar.

Want God weegt meer waarom iemand handelt, dan de daad die hij verricht.

Hij doet veel, die veel bemint. Ook doet hij veel, die iets wèl doet.

Hij doet wèl, die meer het algemeen belang dan zijn eigen wil dient.

Dikwijls schijnt iets liefde te zijn en is eerder zinlijkheid: want zelden laten natuurlijke neiging, eigen wil, hoop op vergelding, baatzucht zich buitensluiten.

Wie eene ware en volmaakte liefde bezit, zoekt in niets zichzelven, maar wenscht dat de eer van God alleen in alles bevorderd worde.

Ook benijdt hij niemand, omdat hij geen vreugd bemint die hij alleen geniet.

Niet in zichzelven wil hij zich verheugen, maar in God wenscht hij boven alle goederen zijn eenig geluk te vinden.

Aan niemand schrijft hij iels goeds toe, maar brengt het geheel terug tot God, uit wien als uit eene bron alles voortvloeit, en wien als hun laatste einde alle Heiligen zalig rusten.

O! wie een vonkje der ware liefde bezat, hij zou in waarheid gevoelen dat al het aardsche vol ijdelheid is.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Over het verdragen der gebreken van anderen.

Wat de menseh in zichzelven of in anderen niet kan verbeteren, dal moet hij geduldig verdragen, totdat God het anders beschikke.

14

-ocr page 31-

16 HOOFDSTDK.

Denk dal het zoo wellicht beter is om u te beproeven en in lijdzaamheid te oefenen, zonder welke al onze verdiensten niet veel te achten zijn.

Nochtans moet gij wegens zulke beletselen bidden dat God u te hulp kome, opdat gij ze goedwillig moogt verdragen.

Indien iemand, eens of tweemaal vermaand, niet luistert, wil niet met hem twisten; maar geef het alles aan God over, opdat zijn wil geschiede en hij in al zijn dienaren verheerlijkt worde: Hij toch weet wel het kwade ten goede te keeren.

Beijver u geduldig te zijn in het verdragen van de gebreken en allerlei zwakheden van anderen, daar ook gij veel hebt, dat anderen verdragen moeten.

Kunt gij uzelven niet zóo maken als gij wenscht, hoe kunt gij dan een ander naar uwen zin hebben?

W ij willen gaarne anderen volmaakt hebben, en wij verbeteren onze eigene gebreken niet.

Wij willen dat anderen streng bestraft worden, en wij willen. niet dat men ons bestraffe.

Veel toegevendheid voor anderen mishaagt ons, en nochtans willen wij niet dat men ons weigere hetgeen wij vragen.

Wij willen dat anderen door regels in toom gehouden worden, maar zeiyen willen wij in niets bedwongen zijn.

Dus blijkt het hoe zelden wij onzen naaste als onszelven achten.

Waren allen volmaakt, wat zouden wij dan van anderen om Godswil te verdragen hebben?

Maar nu heeft God het zóo geschikt, opdat wij leeren elkanders lasten te dragen.

Want er is niemand zonder gebrek, niemand zonder last, niemand zichzelven genoegzaam, niemand voor zichzelven wijs genoeg.

Daarom moeten wij elkander verdragen, elkander troosten, gelijk ook helpen, onderwijzen en vermanen.

Hoe groot dan de deugd van iemand zij, blijkt best ten tijde van tegenspoed.

Want niet niet de gelegenheden maken den mensch zwak, zij toonen wat hij is.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Over het klooslerleven.

Gij moet uzelven in vele opzichten leeren buigen, wilt gij vrede en eendracht met anderen behouden.

Het is geen kleinigheid in een klooster of in een vergadering te wonen, aldaar zonder klachte te verkeeren en getrouw te volharden tot aan den dood.

Gelukzalig hij, die een vroom leven gelukkig voltrokken heeft!

Wilt gij behoorlijk volharden en voortgang maken, beschouw u als een balling en vreemdeling op aarde.

15

-ocr page 32-

I BOEK.

Ora Christus\' wil moet gij als een dwaas willen beschouwd worden, zoo gij een godvruchtig leven wilt leiden.

Kap en kruin doen er weinig toe; maar verandering van zeden en volkomen versterving der driften maken den waren kloosterling.

Wie iets anders zoekt dan God alleen en het heil zijner ziele, zal niets dan kwelling en smart vinden.

Ook kan hij er niet lang in vrede blijven, die niet tracht de geringste te zijn en aan allen onderworpen.

Gij zijt gekomen om te dienen, niet om te hcerschen.

Weet dat gij geroepen zijt om te lijden en te werken, niet om ledig te loopen of Ie klappen.

Hier dus worden de menschen beproefd, gelijk het goud in den oven.

Hier kan niemand het uithouden, tenzij hij zich van ganscher harte ter liefde Gods wil vernederen.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Over het voorbeeld der heilige Vaders.

Vestig het oog op de levendige voorbeelden der heilige Vaders, die uitblonken in de ware volmaaktheid en godsvrucht, en gij zult zien hoe gering bet is, ja bijkans niets wat wij doen.

Ach! wat is ons leven bij het hunne vergeleken?

De Heiligen en vrienden van Christus hebben den Heere gediend in honger en dorst, in koude en naaktheid, in arbeid en vermoeienis, in waken en vasten, in gebeden en heilige overdenkingen, in velerlei smaad en vervolgingen.

Hoe vele en zware verdrukkingen hebben niet ondergaan de Apostelen, de Martelaars, de Belijders, de Maagden en al de overigen, die de voetstappen van Christus hebben willen volgen!

Want zij hebben in deze wereld hunne zielen gehaat, om die voor bet eeuwige leven te behouden.

Welk een streng en verstervend leven hebben de heilige vaders in de woestijn geleid! Wat langdurige en zware bekoringen hebben zij doorgestaan! Hoe menigmaal werden zij door den vijand gekweld! Wal menigvuldige en vurige iicbeden hebben zij Gode opgedragen, welke strenge onthoudingen uitgeoefend!

Hoe groot was hun ijver en vurigheid tot geestelijken voortgang! Welken harden strijd voerden zij bij het beteugelen hunner gebreken! Hoe zuiver en oprecht was hunne bedoeling lot God gericht!

Des daags arbeidden zij, en den nacht brachten zij met lange gebeden door, schoon zij onder den arbeid niet ophielden met den geest te bidden.

Al hun tijd besteedden zij nuttig. Elk uur scheen hun te kort, in den omgang met God doorgebracht.

16

-ocr page 33-

18 HOOFDSTUK.

Ja, liet lieflijke der bespiegeling deed hen do behoefte der lichamelijke verkwikking vergeten.

Van alle rijkdommen, waardigheden, eer, vrienden en bloedverwanten deden zij afstand; zij begeerden niets van de wereld te bezitten.

Nauwlijks namen zij \'s levens nooddruft; de verzorging des lichaams, zelfs in \'t ncodzakelijke, viel hun lastig.

Zij waren dus arm in aardsche goederen, maar zeer rijk in genade en deugden.

Vanbuiten hadden zij gebrek, maar vanbinnen werden zij door de genade en den goddelijken troost verkwikt.

Der wereld waren zij vreemd, maar Gode zeer nabij en vertrouwelijke vrienden.

In hun eigen oogen waren zij niets en bij de menschen veracht; maar in de oogen van God waren zij dierbaar en uitverkoren.

Zij volhardden in waren ootmoed; zij leefden in eenvoudige onderwerping; zij wandelden in liefde en lijdzaamheid.

En daarom vorderden zij dagelijks in het geestelijk leven en verkregen van God groote genade.

Zij zijn aan alle kloosterlingen tot voorbeeld gegeven, en zij moeten ons sterker aansporen tot gestadigen voortgang, dan de menigte lauwen tot verslapping. s

Hoe groot was de ijver aller kloosterlingen bij den aanvang hunner heilige instelling! Hoe groot hunne godsvrucht bij het gebed! Hoe groot hun naijver tot deugd! Welke strenge tuelit onderhielden zij! Hoe bloeiden, bij allen, eerbied voor en onderwerping aan de voorschriften huns Meesters!

Nog heden getuigen de nagelaten sporen, dat zij waarlijk heilige en volmaakte mannen geweest zijn, die zoo dapper strijdende de wereld onder den voet gebracht hebben.

En nu wordt hij groot geaeht die geen overtreder is, die hetgeen hij op zich genomen heeft, geduldig kan dragen.

o Lauwheid en nalatigheid van onzen stand! dat wij van den eersten ijver zoo spoedig afwijken, ja wegens vermoeiing en traagheid het leven moede worden!

O, dat toch de zucht tot geestelijken voortgang niet geheel in u mocht slapen, die dikwijls zoo vele voorbeelden van god-vruchtigen onder het oog gehad hebt!

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Over de oefeningen van den waren kloosterling.

H e t leven eens waren kloosterlings moet in allerlei deugden uitschitteren, opdat hij inwendig zij zooals hij uitwendig den menschen voortkomt.

17

-ocr page 34-

I BOEK.

Ja, inwendig moet hij veel meer zijn dan men uitwendig

aan hem bespeurt. ■-

Want die in ons binnenste ziet is God. dien wij, waar wij ons bevinden, ten hoogste moeten eerbiedigen, en voor wiens aangezicht wij zuiver als Engelen moeten wandelen.

Eiken dag moeten wij ons voornemen vernieuwen en ons tot iiver opwekken, als waren wij eerst heden lot bekeering gekomen.

Wii moeten zeggen: Help mij, Heere God! in mijn goed voornemen en in uw heiligen dienst. Geef dat ik heden eens recht beginne: want. wat ik tot nu toe deed is niets.

Gelijk ons voornemen, zoo is de gang onzer vordering, bm die wèl wil vorderen, moet groote vlijt aanwenden.

Want als hij die ernstig voorneemt dikwijls verflauwt, wat dan hij die zelden of min ernstig iets voorneemt?

Nochtans geschiedt het verlaten van ons voornemen op velerlei wijze, en ook het geringste verzuim in onze oefeningen heelt nauwelijks plaats zonder eenig nadeel.

Der rechtvaardigen voornemen hangt meer af van de genaüe Gods dan van eigen wijsheid; wat zij ook ondernemen, op Hem

vertrouwen zij steeds. ;

Want de mensch wikt, maar God beschikt, en s menschen

wea is niet in zijn eigen macht.

Indien uit voorkomendheid of om het nut eens broeders somtijds eene gewone oefening nagelaten wordt, zoo kan dit naderhand licht hersteld worden.

Maar indien men ze te licht uit tegenzin of onachtzaamheia verzuimt, zoo is dat zeer te berispen, en men zal het schadelijke

ervan ontwaren. .

Doen wij ons best, zooveel wij kunnen: nog in vele dingen

zullen wij licht te kort schieten.

Maar wij moeten altoos iets bepaald voornemen, vooral tegen hetgeen ons het meest hindert.

Wij moeten zoo wel het uitwendige als het inwendige onderzoeken en regelen; want beiden helpen tot voortgang.

Kunt gij niet aanhoudend tot uzelven terugkeeren, doe net evenwel somtijds, ten minste tweemaal daags, des morgens en

des avonds. , . i

\'s Morgens maak uw voornemen; s avonds onderzoek, uw

cedrag; hoe gij dien dag geweest zijt in gedachten woorden

en werken; want misschien hebt gij daardoor dikwijls God en

den naaste beleedigd. , • ,

Omn-ord u als een man tegen de listen des duivels.

Bed^ving de onmatigheid, en gij zult te lichter al de neigingen van het vleesch beteugelen.

Wees nooit geheel ledig, maar altoos bezig met lezen ol schrijven, of met bidden of overdenken, of met iets nuttigs voor het algemeen te doen.

18

-ocr page 35-

19 HOOFDSTUK.

Lichamelijke oefeningen nochtans moeten met omzichtigheid geschieden: zij zijn niet voor allen even dienstig.

Wat niet aan allen gemeen is, moet niet in het openbaar vertoond worden; want de bijzondere oefeningen geschieden veiligst verborgen.

Wacht u intusschen van traag voor het algemeene, en ijveriger voor het bijzondere te zijn.

Maar nadat gij het verschuldigde en opgelegde geheel en getrouw verricht hebt, en u nog tijd over blijft, geef u aan uzelven over volgens het verlangen uwer godsvrucht.

Niet allen kunnen dezelfde oefening hebben, maar den eene dient deze meer, genen eene andere.

Naar den eisch der tijden behaagt verschil van oefeningen; want deze zullen op de feest-, andere op de gewone dagen meer bevallen; sommige hebben wij noodig ten tijde der bekoring, andere ten tijde van rust en vrede. Deze gedachten behagen wanneer wij droevig zijn, gene als wij ons in den Heec, verheugen.

Tegen de voorname feestdagen moeten de vrome oefeningen vernieuwd en der Heiligen voorspraak te ijveriger afgesmeekt worden.

Van den eenen feestdag tot den anderen moeten wij ons voorstellen, alsof wij dan uit deze wereld verhuizen en tot het eeuwige feest zullen overgaan.

Daarom ook moeten wij ons op die tijden van godsvrucht zorgvuldig voorbereiden, godvruchtiger wandelen en te stipter al onze verplichtingen nakomen, alsof wij eerlang bet loon onzes arbeids van God stonden te ontvangen.

En wordt dit uitgesteld, denken wij dan dat wij nog niet genoeg zijn voorbereid, en nog niet waardig die groote heerlijkheid, welke ons ten bestemden tijde zal worden geopenbaard, en trachten wij ons beter tot dien overgang voor te bereiden.

Gelukkig de knecht, staat er bij den Evangelist Lucas, dien zijn Heer bij zijne komst wakend zal vinden! Ik zeg u voortvaar, Hij zal hem stellen over al zijne goederen.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de liefde tot eenzaamheid en stilzwijgendheid.

Kies een geschikten tijd uit om met uzelven bezig te zijn, en overdenk dikwijls de weldaden Gods.

Laat daar hetgeen voor de nieuwsgierigheid is; lees zulke stoffen welke meer bet hart roeren dan den geest bezighouden.

Zoo gij u onttrekt aan overtollige gesprekken en ledig rond-loopen, aan het hooren naar nieuwigheden en geruchten, gij zult genoeg en geschikten tijd vinden om u aan heilzame betrachtingen over te geven.

19

-ocr page 36-

I BOEK.

De grootste Heiligen, Eooveel zij konden, vermeden den omgang met menschen en verkozen liever God in de eenzaamheid te dienen.

Iemand heeft gezegd: »zoo dikwerf ik onder de menschen geweest ben, keerde ik minder mensch terug.quot; Uit ontwaren wij dikwijls, wanneer wij lang met elkander praten.

Het valt lichter in huis te blijven, dan zich buitenshuis genoeg in acht te nemen.

Wie alzoo tot het inwendige en geestelijke komen wil, moet zich met Jezus van de menigte afzonderen.

Niemand verschijnt veilig in het openbaar dan hjj, die zich gaarne verbergt.

Niemand spreekt veilig dan hij, die gaarne zwijgt.

Niemand is veilig overste dan hij, die gaarne onderdaan is.

Niemand gebiedt veilig dan hij, die wèl geleerd heeft te gehoorzamen.

Niemand verheugt zich veilig dan hij, die de getuigenis van een goed geweten in zich heeft.

Met dat al was der Heiligen gerustheid altoos gepaard met de vreeze Gods.

En zij waren daarom niet minder bezorgd en nederig, omdat zij in groote deugd en genade uitschitterden.

De gerustheid der boozen daarentegen ontspruit uit hoogmoed en vermetelheid, en gaat eindelijk in zelfbedrog over.

Beloof u nimmer volkomen veiligheid in dit leven, al schijnt gij een goed kloosterling of godvruchtig kluizenaar te zijn.

Zij die in het oog der menschen zeer heilig waren, liepen dikwijls te grooter gevaar wegens hun te groot vertrouwen.

Daarom is het velen nuttiger dat zij niet geheel zonder bekoringen blijven, maar dikwijls bevochten worden, opdat zij niet te gerust zijn, zich niet tot hoogmoed laten vervoeren, ook niet te licht tot uitwendigen troost hun toevlucht nemen.

Welk een goed geweien zoude hij hebben, die nooit naar eene voorbijgaande vreugde zocht, die zich nooit met de wereld ophield!

Welk een grooten vrede en rust zoude hij bezitten, die alle ijdele zorg afsneed, om slechts te denken aan God en zijne zaligheid, en zijne hoop te vestigen op God alleen.

Niemand is den hemelschen troost waardig, tenzij hij zich yverig geoefend hebbe in eene heilige ingetogenheid des harten.

Wilt gij hartelijk geroerd worden, treed in uwe kamer en sluit het gedruisch der wereld buiten, gelijk er geschreven staat: heb berouw op uwe legerstede. (Ps. 4)

In uwe cel zult gij vinden wat gij dikwijls daarbuiten zoudt verliezen.

Goed gehouden, wordt de cel steeds aangenaam, maar slecht bewaard, baart zij verveling.

20

-ocr page 37-

20 HOOFDSTDK.

Hebt gij ze in het begin uwer bekeering wèl bewoond en gehouden, zij zal u daarna eene geliefde vriendin en zeer dierbare troosteres worden.

In de stilte en rust maakt eene vrome ziel voortgang, en leert de geheimen der Schriften kennen.

Daar vindt zij stroomen van tranen, waarin zij zich alle nachten wascht en reinigt, opdat zij met haren Schepper te gemeenzamer worde, hoe meer zij zich van al het gewoel der wereld verwijdert.

Wie zich alzoo van zijn vrienden en bekenden afzondert, dien nadert God met zijne heilige Engelen.

Het is beter verborgen te blijven en voor zich te zorgen, dan wonderen te doen en zjch te verwaarloozen.

Het is loffelijk in een kloosterling dat hij zelden uitgaat, vermijdt gezien te worden, ja de mcnschen niet wil zien.

Waarom zoudt gij willen zien hetgeen gij niet moogt bezitten? De wereld gaal voorbij en hare begeerlijkheid. (Joan. 2)

De trek der zinnelijkheid lokt u tot uitgaan; maar wanneer ■ het uur voorbij is, wat anders brengt gij terug dan een bezwaard geweten en een verstrooid hart?

Een vroolijk uitgaan baart dikwijls een treurig thuiskomen. En een vroolijke late avond maakt een droeven morgen.

Zoo treedt alle zinnelijk vermaak aangenaam binnen, maar op het einde kwetst en doodt het.

Wat kunt gij elders zien dat gij hier niet ziet? Ziehier den hemel en de aarde en al de grondstoflen; daaruit is toch alles samengesteld.

Wat kunt gij ergens zien, dat onder de zon lang kan staande blijven ?

Gij denkt misschien u te kunnen verzadigen, maar daartoe kunt gij niet komen.

En al zaagt gij ook alles voor uw oogen, wat zoude het anders zijn dan een ijdel gezicht?

Verhef uw oogen lot God in den hemel, en bid voor uwe zonden en nalatigheden.

Laat den ijdele het ijdele en let gij slechts op hetgeen God u gebiedt.

Sluit uwe deur achter u roep tot u Jezus, uwen geliefde.

Blijft met Hem in uwe cel: want nergens zult gij zooveel rust vinden.

Waart gij niet uitgegaan, noch hadt gij naar geruchten geluisterd, gij ioudt beter in goede rust gebleven zijn.

Van het oogenblik dat gij vermaak hebt om somtijds iets nieuws te hooren, moet gij ook daarvan de kwelling des harten dragen.

21

-ocr page 38-

1 BOEK.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de ingekeerdheid des harten.

Wilt gij eenigen voortgang maken, bewaar u in de vrecze Gods. wees niet te vrij, maar houd al uwe zinnen onder tucht cn geeft u niet aan eene dwaze vreugde over; schik u tot de ingekeerdheid des harten, en gij zult de godsvrucht vinden.

De ingekeerdheid des harten geeft toegang tot veel goeds, dat door uitgelatenheid doorgaans dra verloren gaat.

Het is te verwonderen dat een mensch ooit in dit leven recht vroolijk kan zijn, als hij zijne ballingschap en zoo vele gevaren zijner ziele gedenkt en overweegt.

De lichtzinnigheid des harten cn de onoplettendheid op onze gebreken zijn oorzaak dat wij de smarten onzer ziel niet ontwaren; dikwijls lachen wij dwaselijk, daar wij met reden moesten weenen!

Er is geen ware vrijheid noch rechte vreugde, tenzij in de vreeze Gods en in een goed geweten.

Gelukkig hij, die alle verstrooiende hindernis afwerpen en de krachten zijner ziel tot eene heilige ingekeerdheid verzamelen kan!

Gelukkig hij, die alles wegwerpt wat zijn geweten kan bevlekken of bezwaren.

Strijd moedig! een gewoonte wordt door een gewoonte overwonnen.

Kunt gij de menschen laten begaan, ook zij zullen u werk laten doen.

Trek u de zaken van anderen niet aan, noch meng u inde aangelegenheden uwer meerderen.

Heb voor alles steeds het oog op uzelven, en vermaan uzelven bijzonder boven al uw geliefden.

Hebt gij de gunst der menschen niet, wees daarover niet bedroefd ; maar dit valle u zwaar, dat gij u zoo wèl en omzichtig niet gedraagt, als een dienaar Gods en vroom kloosterling betaamt.

Dikwijks is het nuttiger en veiliger dat de mensch in dit leven niet veel vertroostingen hebbe, vooral naar den vleesehe.

Nochtans dat wij geen goddelijken troost ontvangen of zelden dien ontwaren, is onze schuld; omdat wij de ingekeerdheid des harten niet zoeken en den ijdelen uiterlijken troost niet geheel verwerpen.

Erken dat gij den goddelijken troost onwaardig en eerder velerlei kwellingen waardig zijt.

Wanneer een mensch waarlijk ingekeerd is, dan valt hem de geheele wereld zwaar en bitter.

Een rechtschapen mensch vindt stofs genoeg om bedroefd te zijn en te weenen.

22

-ocr page 39-

21 HOOFDSTOK.

Want hetzij hij zichzelven beschouwt, hetzij over zijn naaste nadenkt, hij weet dat hier niemand leeft zonder smart, en hoe nauwkeuriger hij zichzelven gadeslaat, hoe bedroefder hij is.

Stoffen eener rechtmatige droefheid en van een innerlijk berouw zijn onze zonden en ondeugden, waarin wij zoo verstrikt liggen, dat wij zelden hemelscbe dingen kunnen beschouwen.

Indien gij meer aan uwen dood dan aan een lang leven dacht, ongetwijfeld zoudt gij met meer ijver u verbeteren.

Zoo gij ook de toekomende straffen der helle of van het vagevuur ernstig overwoogt, dan, geloof ik, zoudt gij arbeid en smart gewillig verdragen en geene gestrengheid vreezen.

Waar omdat dit niet tot het hart doordringt, en wij nog gehecht zijn aan hetgeen ons streelt, daarom blijven wij koud en zeer traag.

Het is dikwijls bij gebrek aan geesteskracht, dat het ellendige lichaam zoo lichtelijk klaagt.

Bid dan ootmoedig tot God dat Hij u den geest van ingekeerdheid geve en zeg met den Profeet: Spijs mij, o Heer! met tmnenbrood, en laat mij in overvloed tranen drinken. (Ps. 79)

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Beschouwing der menschelijke ellende.

Waar gij ook zijt en werwaarts gij u wendt, zoo gij u niet tot God keert, gij zult ellendig zijn.

Waarom wordt gij ontsteld, wanneer het u niet gaat naar

wil en wensch? ^

Wie is hij die alles naar zijnen wil heeft? Noch gij, noch ik, noch eenig mensch op aarde.

Er is niemand ter wereld zonder eenigen druk of kwelling, hij zij koning of Paus.

En wie is er bet beste aan? Voorzeker, die iets voor God

kan lijden. , ,. .

Vele onverstandigen en zwakken zeggen; wat lieelt die menseli een goed leven! hoe rijk is hij! boe groot! hoe machtig! boe

verheven! , • , i

Maar let op de goederen des hemels, en gij zult zien dat al deze tijdelijke niets zijn, maar zeer onzeker en eer tot last, omdat men die nimmer zonder zorg en vrees kan bezitten.

\'s Menschen geluk bestaat niet in overvloed van lijdelijke goederen te hebben: de middelmaat is hem genoeg.

In waarheid, het is eene ellende op aarde te leven.

Hoe meer de mensch naar het geestelijke tracht, hoe bitterder hem het tegenwoordige leven wordt: want te meer gevoelt hij en te klaarder ziet hij het gebrekkige zijner bedorven natuur.

23

-ocr page 40-

1. BOEK.

Want eten, drinken, waken, slapen, rusten, arbeiden, en aan al de andere behoeften der natuur onderhevig te zijn, is waarlijk eene groote ellende, droefheid voor den godvruchtigen mensch, die zoo gaarne van dat alles ontheven en vrij van alle zonde wezen zou.

Inderdaad de inwendige mensch wordt in deze wereld door de lichaamelijke behoeften zwaar gedrukt.

Daarom bidt de Profeet vurig om daarvan bevrijd te mogen worden, zeggende; Heer! red mij uit mijne nooden. (Ps. 24)

Maar wee hun, die hun ellende niet kennen 1 En nog meer wee hun, die dit ellendig en vergankelijk leven beminnen!

Want sommigen zijn daaraan zoo gehecht, schoon zij nauwelijks door arbeid of bedelen het noodige hebben, dat zij, mochten zij hier altoos leven, zich om het rijk van God niet zouden b ekommeren.

O dwazen en ongeloovigen van harte, die zoo diep in het aardsehe liggen, dat zij in niets dan in het vleeschelijke smaak hebben!

Maar die ongelukkigen zullen tot hunne smart op het einde ontwaren, hoe laag en nietig het was wat zij bemind hebben.

De Heiligen Gods daarentegen en alle getrouwe vrienden van Christus gaven geen acht op hetgeen het vleesch behaagde, noch op hetgeen in dezen vergankelijken tijd in aanzien was; maar al hun hopen en begeeren haakte naar de eeuwige goederen.

Al hun verlangen streefde naar boven, naar bet duurzame en onzichtbare, opdat zij niet door liefde tot het zichtbare naaide laagte mochten getrokken worden.

o Broeder! verlies toch nooit het vertrouwen op voortgang in het geestelijke: gij hebt nu nog tijd en gelegenheid.

Waarom wilt gij uw voornemen lot morgen uitstellen? Sta op, begin oogenblikkelijk en zeg; nu is het lijd om te werken, nu is het lijd om te strijden; nu is het de geschikte tijd om mij te verbeteren.

Wanneer gij het kwalijk hebt en gedrukt wordt, dan is het tijd om te verdienen.

Gij moet eerst door vuur en water gaan, voordat gij tot verkwikking komt.

Zoo gij u geen geweld aandoet, zult gij de ondeugd niet meester worden.

Zoolang wij dit broze liehaam omdragen, kunnen wij evenmin zonder zonde wezen, als leven zonder verdriet en smart.

Gaarne zouden wij van alle ellende bevrijd zijn, maar dewijl wij door de zonde de onschuld verloren hebben, is ook het ware geluk voor ons verbeurd.

Daarom moeten wij geduld hebben en Gods barmhartigheid afwachten, totdat de ongerechtigheid voorbijga en het sterflijke verslonden worde door het leven.

24

-ocr page 41-

22 HOOFDSTUK.

Ach! hoe groot is de menschelijke zwakheid, altoos overhellende tot ondeugd !

lieden belijdt gij uw zonden, en morgen doet gij opnieuw wat gij gebiecht hebt.

Nu neemt gij u voor u te wachten, en een uur daarna gedraagt gij u als hadt gij u niets voorgenomen.

Met recht dan kunnen wij ons verootmoedigen cn nooit ecnig hoog gevoelen van onszelven hebben, daar wij zoo broos en onstandvastig zijn.

Ook kan spoedig door onachtzaamheid verloren gaan, wat wij eindelijk na veel arbeids en door de genade nauwelijks cewon-nen hadden.

VV a t zal er nog op het einde van ons worden, die reeds zoo vroeg lauw zijn.

Wee ons. indien wij nu al zoeken te rusten, als ware er nu reeds vrede en veiligheid, daar er zich nog geen spoor van ware heiligheid in onzen wandel vertoont!

Het ware wel noodig dat wij ons, als goede beginners, van-nieuws tot betere zeden lieten opleiden, of er nog hoop mocht zijn op eenige toekomende verbetering en grooteren voortgang in de deugd.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Overdenking des doods.

Hier zal het weldra met u gedaan zijn; zie maar hoe het met u gesteld is: heden is de mensch, en morgen verschijnt hij niet meer. En is hij eens uit de oogen, dra is hjj ook uit de gedachte.

o Blindheid en versteendheid van het mcnsehelijk hart, dat men slechts aan het tegenwoordige denkt en het toekomende niet meer vooruitziet!

Gij moest u bij al uw doen en denken zóo gedragen, als moest gij beden sterven.

Hadt gij een goed geweten, gij zoudt don dood niet veel vreezen.

Het ware beter de zonden te vermijden dan den dood te ontvluchten.

Zijt gij heden niet bereid, hoe zult gij het morgen zijn? Morgen is een onzekere dag, en hoe weet gij of gij den dag van morgen hebben zult ?

Wat baat het lang te leven, als wij ons zoo weinig verbeteren.

Ach! een lang leven maakt niet altoos beter, maar vermeerdert dikwijls de schuld.

O, mochten wij ook maar éen dag in deze wereld wèl se-leefd hebben!

25

-ocr page 42-

1 BOEK.

Velen tellen de jaren sedert hunne bekeering; maar dikwijls is de vrucht van verbetering gering.

Is het verschrikkelijk te sterven, het zal wellicht gevaarlijker zijn langer te leven.

Gelukkig hij, die het uur zijns doods steeds voor oogen houdt en zich dagelijks tol sterven bereidt.

Zaagt gij ooit een mensch sterven, denk dat ook gij denzelfden weg zult opgaan.

Rijst de morgenstond, denk dat gij den avond niet halen zult; en is de avond daar, durf u den dag van morgen niet beloven.

Wees dus altoos gereed, en leef zóo dat de dood u nimmer onbereid vinde.

Velen sterven schielijk en onverwachts; want des menschen Zoon zal komen op een uur, als men het niet denkt. (Luc. 12)

En als dat laatste uur zal gekomen zijn, zult gij over geheel uw vorig leven heel anders beginnen te denken, en u zeer beklagen dat gij zoo traag en onachtzaam geweest zijt.

Hoe gelukkig en wijs is hij, die nu bij zijn leven zóo tracht te zijn, als hij bij zijnen dood wcnscht bevonden te worden!

Want een groot vertrouwen op eenen gelukkigen dood geven eene volkomene verachting der wereld, een brandende ijver om in de deugd voort te gaan, liefde tol tueht, strenge boele-doenins, vaardige gehoorzaamheid, zelfverloochening, en het geduldig dragen van allerlei rampspoed uit liefde tot Christus.

Veel goeds kunt gij doen terwijl gij gezond zijt; maar wat gij ziek zijnde zult kunnen, weel ik niet.

Weinigen worden door ziekte verbeterd, gelijk zij die veel bedevaarten doen, zelden heiliger worden.

Vertrouw niet op uw vrienden en bekenden, noch stel uw heil tol in de toekomst uit: want de menschen zullen u spoediger vergeten dan gij denkt.

Beter is het nu bijtijds te voorzien en eenig goeds vooruit te zenden, dan op de hulp van anderen te hopen.

Indien gij nu omtrent uzelven niet bezorgd zijt, wie zal in het vervolg voor u bezorgd zijn?

Nu is het een kostbare lijd, nu zijn het de dagen des heils, nu is het een aangename lijd.

Maar ach! dat gij dien niet heler besteedt, daar hij u toch gegeven is om een eeuwig leven te kunnen verdienen.

Eens zal de tijd komen, dal gij éen dag, ja éen uur ter verbetering zult terugwensehen, en ik weet niet ol gij het verwerven zult?

Ach, zeergeliefde! uit hoe groot gevaar kunt gij u redden en van hoe groole vrees u bevrijden, zoo gij nu altoos in vrees en op den dood bedacht zijt.

Tracht nu zóo te leven, dat gij in het uur des doods u meer verheugen dan ontrusten moogt.

26

-ocr page 43-

23 HOOFDSTUK.

Leer nu der wereld afsterven, opdat gij dan moogt beginnen met Christus te leven.

Leer nu alles versmaden, om dan vrij tot Christus te kunnen gaan.

Tuchtig nu uw lichaam door boetvaardigheid, opdat gij dan een vast vertrouwen moogt hebben.

0 Uwaas! waarom denkt gij lang te zullen leven, daar gii van niet éenen dag zeker zijt?

Hoe velen worden bedrogen en onverwachts uit hel lichaam gerukt!

Hoe dikwijls hebt gij niet hooren zeggen: »deze viel door »het zwaard, die is verdronken; deze viel van ecne hoogte en »brak den nek, gene stikte in het eten, deze vond zijn eind «onder het spel?quot;

De ecne kwam om door het vuur, een ander door het staal, een ander door de pest, een ander door struikroovers. En zoo is het einde van allen de dood, en \'s menschen leven gaat als een schaduw schielijk voorbij.

AVie zal uwer na uwen dood gedenken en wie zal voor u bidden ?

Doe dan, zecrgeliefde! doe nu al wat gij doen kunt; dewijl gij niet weet wanneer gij sterven zult, en evenmin wat er na den dood voor u volgen zal.

Terwijl gij nog tijd hebt, vergader u onvergankelijke schatten.

Denk aan niets dan aan uwe zaligheid; behartig slechts hetgeen Codes is.

Maak u nu vrienden door Cods Heiligen te vereeren en hun daden na te volgen, opdat zij u, wanneer gij uit dit leven scheiden zult, in de eeuwige woonsteden opnemen.

Houd u steeds als een reiziger en vreemdeling op aarde, wien de dingen dezer wereld niet aangaan.

Houd uw hart vrij en gericht naar hoven tot Cod; want gij hebt hier geen duurzaam verblijf. (Hebr. 13)

Richt daarhenen dagelijks uw gebeden, uw zuchten en tranen, opdat na uw dood uwe ziel waardig zij een gelukkigen overgang tot den Heer. Amen.

VIER EiN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over hel oordeel en de straffen der zonden.

1 n alle zaken zie op het einde en hoe gij voor den strengen Rechter verschijnen zult, wien niets verborgen is; die door geen geschenken bevredigd wordt, noch verontschuldigingen aanneemt, maar die oordeelt volgens hetgeen recht is.

O ellendige en dwaze zondaar! wat zult gij antwoorden aan een God, die al uwe verkeerdheden kent, gij die soms het aanschijn ducht van een toornig mensch ?

27

-ocr page 44-

I BOEK.

Waarom gebruikt gij geen voorzorg tegen den oordeelsdag, wanneer niemand door een ander ander zal kunnen verontschuldigd of verdedigd worden, maar eenieder zichzelven tot last genoeg zal wezen.

Nu kan uw werk nog vrucht dragen, uw geween aangenomen, uw zuchten verhoord worden, uw droefheid tot voldoening en reiniging strekken.

Een groot en heilzaam vagevuur heeft een geduldig mensch die, beleedigingen ontvangende, meer de verkeerdheid van een ander dan het hem aangedane ongelijk betreurt; die gaarne voor zijne wederstrevers bidt en van harte het leed vergeeft; die zelf niet aarzelt anderen vergiffenis te vragen; die lichter tot ontferming dan lot toorn overgaat; die zichzelven dikwijls geweld aandoet en het vleesch geheel aan den geest tracht te onderwerpen.

Het is beter zich nu te reinigen van de zonden en de ondeugden uit te roeien, dan ze voor de toekomstige reiniging te bewaren.

Waarlijk wij bedriegen onszelven door de ongeregelde liefde, welke wij tot het vleesch hebben.

Wat toch anders zal dat vuur verslinden dan uwe zonden?

Hoe meer gij nu uzelven spaart en uwe zinnelijke lusten opvolgt, hoe zwaarder gij hierna zult gestraft worden en hoe meer stof gij bewaart voor het vuur.

Waarin de mensch gezondigd heeft, daarin zal hij het zwaarst gestraft worden.

Daar zullen de tragen met gloeiende prikkels gestoken, en dc gulzigen met grooten honger cn dorst gekweld worden.

Daar zullen dc wellustigen en ontuehtigen met brandend pik cn stinkende zwavel overstort worden, terwijl de nijdigen als woedende honden zullen huilen van smart.

Ja geen ondeugd zal er zijn, die niet hare eigene foltering hebbe.

Daar zullen de hoogmoedigen met allerlei smaad overdekt, en de gierigaards door hel grootste gebrek benauwd worden.

Daar zal éen uur strafs zwaarder zijn dan hier honderd jaren in de strengste boetedoening.

Daar zal geen rust, geen troost voor dc veroordeelden zijn; terwijl men hier soms van zijnen arbeid uitrust en den troost van vrienden geniet.

Wees dan hier bekommerd en bedroefd over uwe zonden, opdat gij ten oordeelsdage met de gelukzaligen moogt veilig zijn.

Want dan zullen de rectilvaardiqen mei groole vrijmoedigheid optreden tegen degenen, die hen beangstigd en verdrukt hebben. (Sap. 5)

Dan zal hij die zich hier aan het oordeel der menschen nederig onderwierp, zelf opstaan om te oordeelen.

28

-ocr page 45-

124 HOOFDSTDK.

Dan zal de arme en nederige een groot vertrouwen hebben, terwijl de hoogmoedige van alle kant zal beven.

Dan zal het blijken dat hij in deze wereld wijs was, die geleerd heeft om Christus\' wil dwaas en veracht te zijn.

Dan zal elke geduldig verdragen wederwaardigheid vreugde geven, en alle boosheid de mond gestopt worden.

Dan zal elk godvruchtige juichen en elk ongodsdienstige treuren.

Dan zal het gekruisigde vleesch zich meer verheugen, dan wanneer het steeds in weelde ware gekoesterd geweest.

Dan zal het grove kleed schitteren, en het fijne gewaad zijn glans verliezen.

Dan zal de armoedige sluip boven het vergulde paleis geacht worden.

Dan zal standvastige lijdzaamheid meer baten dan alle aard-sche macht.

Dan zal de eenvoudige gehoorzaamheid verheven worden boven alle wereldsche sluwheid.

Dan zal een rein en goed geweten meer vreugde geven dan eene groote geleerdheid.

Dan zal de verachting van rijkdommen zwaarder wegen dan de schatten der menschen.

Dan zal een godvruchtig gebed u meer troost geven dan de smakelijkste maaltijd.

Dan zult gij u meer verheugen over het bewaarde stilzwijgen dan over een lang gesprek.

Dan zullen heilige werken meer gelden dan vele schoone woorden.

Dan zal een streng leven en zware boetpleging meer behagen dan alle aardsehe vermaken.

Leer derhalve nu een weinig verdragen om dan het zwaardere te kunnen ontgaan.

Beproef hier eerst wat gij naderhand zult kunnen.

Kunt gij nu zoo weinig verdragen, hoe zult gij dan de eeuwige pijnen kunnen doorstaan?

Indien een gering lijden u thans zoo ongeduldig maakt, wat zal dan de hel doen ?

Zie in waarheid, tweederlei vreugde kunt gij niet hebben: hier in de wereld u vermaken, en naderhand met Christus heerschen.

En hadt gij eens tot den huidigen dag steeds in aanzien en wellust geleefd, wat zoude u dat alles baten zoo gij op het oogenblik moest sterven?

Alles is dus ijdelheid, behalve God lief te hebben en Hem alleen te dienen.

Hij toeh, die God van ganscher harte liefheeft, vreest noch dood noch straf, noch oordeel noch hel, dewijl eene volmaakte liefde een veiligen toegang geeft tot God.

29

-ocr page 46-

I BOEK.

Maar die nog vermaak in de zonde vindt, wat wonder zoo hij den dood en het oordeel vreest ?

Intusschen is het goed dat, zoo de liefde u van het kwade nog niet terughoudt, ten minste de vrees voor de hel u be-teugcle.

Maar wie de vreeze Gods ter zijde stelt kan niet lang in het goede staande blijven, maar zal welhaast in dc strikken des duivels vallen.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTOK.

Over de ijverige verbetering onzes levens.

Wees waakzaam en vlijtig in den dienst van God en denk dikwijls; waartoe zijt gij hier gekomen, waarom hebt gij de wereld verlaten? Was het niet om voor God te leven en een geestelijk mensch te worden?

Wees dus vurig om voort te gaan; want spoedig zult gij het loon van uw arbeid ontvangen, en dan zullen vrees en smart u niet meer kunnen naderen.

Gij hebt nog een weinig te arbeiden, en zult eene groote rust, ja eeuwige blijdschap vinden.

Blijft gij getrouw en ijverig in wèl te doen, God zal ongetwijfeld getrouw en overvloedig in vergelding wezen.

Gij moet steeds de goede hoop koesteren dat gij de kroon verkrijgen zult; maar gij moogt u daarvan niet verzekerd houden om niet te verflauwen noch hoogmoedig te worden.

Iemand beangstigd en dikwerf tusschen vrees en hoop dobberende, op zekeren tijd door droefheid overmand, wierp zich in de kerk voor een altaar biddend neder, bij zichzelven denkende en zeggende: »o. mocht ik weten, dat ik zoude vol-quot;harden!quot; En terstond hoorde hij van binnen dit goddelijk antwoord: gt;izoo gij dit wist, wat zoudt gij willen doen? — Doe nnu hetgeen gij dan zoudt willen doen, en gij zult veilig ge-»noeg zijn.quot;

En aanstonds vertroost en versterkt, gaf hij zich aan den wil van God over, en — zijn angstig dobberen hield op.

En hij wilde niet meer nieuwsgierig onderzoeken om te weten, wat hem overkomen zoude; maar beijverde zich te meer om te weten, welke de welbehagelijke en volkomen wil van God zij, om alle goed werk te beginnen en te voleinden.

Vertrouw op den Heer, en doe het goede, zegt de Profeet, en gij zuil de aarde bewonen, en gevoed worden van haren rijkdom. (Ps. 36)

Iets is er dat velen terughoudt van voortgang en ijverige verbetering: de vrees voor moeilijkheid of de last van den strijd.

30

-ocr page 47-

25 HOOFDSTUK.

Inderdaad maken zij boven anderen in de deugd den meesten voortgang die, wat hun het zwaarste is en meest tegenstaat, te ijveriger pogen te overwinnen.

Want daar vordert de mensch meer en verdient hij overvloediger genade, waar hij zichzelven meer overwint en naar den geest afsterft.

Niet allen hebben evenveel te overwinnen en af te sterven.

Maar altoos zal een ijverig strever, al heeft hij ook meer driften, heter in staat zijn lot voortgang, dan een ander die, ofschoon van goede zeden, echter minder Ijver heeft voor de deugd.

Twee dingen vooral helpen zeer ter verbetering, te weten, zich met geweld aan datgene te onttrekken, waartoe de bedorven natuur overhelt, en ijverig te streven naar dat goede, wat ons het meest ontbreekt.

Zoek ook datgene het meest te vermijden en te overwinnen, wat u in anderen het meest mishaagt.

üeoog in alles uwen voortgang. Ziet of hoort gij goede voorbeelden, word ter navolging ontstoken.

Merkt gij daarentegen iets berispelijks op, wacht u hetzelfde te doen; of hebt gij het somtijds gedaan, tracht u ten spoedigste te verbeteren.

Gelijk uw oog anderen beschouwt, zoo wordt gij ook van anderen opgemerkt.

Hoe aangenaam en liefelijk is het broeders te zien, alle ijverig en godvruchtig, en even rein van zeden als gehoorzaam aan de tucht!

Hoe bedroevend en smartelijk er te zien van een ongeregel-den wandel, die niet volbrengen waartoe zij geroepen zijn!

Hoe schadelijk is \'t niet het oogmerk zijner roeping te ver-waarloozen, en de zinnen te stellen op datgene waarmede men niet belast is!

Wees uw genomen besluit steeds gedachtig en stel u het beeld van den Gekruiste voor.

Gij moet wel blozen, wanneer gij het leven van JezuS Christus overweegt, dewijl gij u nog niet meer beijverd hebt om Hera gelijkvormig te worden, ofschoon gij reeds lang op den weg van God geweest zijt.

De kloosterling, die zich aandachtig en godvruchtig met het allerheiligst leven en lijden des Heeren bezighoudt, zal daar alles wat hem noodig en nuttig is, in overvloed vinden, en behoeft buiten Jezus niets beters te zoeken.

O, mocht de gekruiste Jezus in ons hart komen, hoe spoedig en voldoende onderwezen zouden wij zijn!

Een ijverig kloosterling verdraagt en neemt alles goed aan wat hem opgelegd wordt.

Een nalatig en lauw kloosterling heeft kwelling op kwelling

31

-ocr page 48-

I BOEK.

en vindt zich van alle zijden benauwd, omdat hij den inwen-digen troost mist, terwijl hij belet wordt den uitwendigen te zoeken.

Een kloosterling die zich aan lucht onttrekt, stelt zich bloot aan zwaren val.

Wie een zacht en gemakkelijk leven zoekt zal altoos in het nauw zijn: want of het eene of het andere zal hem mishagen.

Hoe maken het zoo vele andere kloosterlingen, die onder de kloostertucht zeer streng gebonden zijn?

Zij gaan zelden uit, zij leven afgetrokken; zij eten zeer schraal, gaan grof gekleed; zij arbeiden veel, spreken weinig, waken lang, staan vroeg op, doen lange gebeden, lezen veel en onderhouden in alles eene goede orde.

Let op de Karthuizers, op de Bernardijnen, op de broeders en zusters van verscheiden orden, hoe zij alle nachten opstaan om den Heer te loven.

Het zoude dus wel schandelijk zijn, zoo gij zulk heilig werk traag verrichtet, als zulke groote menigte kloosterlingen Gods lof begint te zingen.

0, mocht gij niets anders te doen hebben dan onzen Heer en God met geheel uw hart en mond te loven!

0, dat gij niet behoefdet te eten, noch te drinken, noch te slapen; maar altoos God kondet loven, en u alleen met geestelijke oefeningen bezighouden! dan zoudt gij veel gelukkiger zijn dan thans, nu gij, uit welke noodzakelijkheid dan ook, quot;het lichaam dient.

Ach! bestonden die behoeften niet, maar slechts geestelijke verkwikkingen der ziele, welke wij helaas! zelden genoeg smaken.

Wanneer de mensch zoo ver gekomen is dat hij zijnen troost bij geenerlei schepsel meer zoekt, dan eerst begint hij God volkomen te smaken, en dan zal hij wèltevreden zijn met alles wat gebeurt.

Dan zal hij zich over het groote niet verblijden noch over het kleine bedroeven, maar hij zal zich geheel en met vertrouwen stellen in de hand van God, die hem alles in alles is; voor wien niets sterft of vergaat, maar voor wien alles leeft en aan wiens wenk alles onverwijld gehoorzaamt.

Denk altoos aan uw einde en dat de verloren tijd niet wederkeert.

Zonder zorg en vlijt zult gij nooit deugden verwerven.

Zoodra gij begint te verflauwen zult gij beginnen het kwalijk te hebben; maar geeft gij u aan uwen ijver over, gij zult grooten vrede vinden en den arbeid lichter gevoelen, wegens de genade Gods en de liefde tot de deugd.

Een ijverig en vlijtig mensch is tot alles gereed.

Het is grooter arbeid ondeugden en driften te wederstaan, dan onder lichamelijk werk te zweeten.

32

-ocr page 49-

25 HOOFDSTUK.

Wie kleine gebreken niet vermijdt, zal allengïkens tot grootere vervallen.

Gij zult u altoos des avonds verheugen, als gij den dag met vrucht besteedt hebt.

Waak over uzelven, spoor uzelven aan, vermaan uzelven, en wat er ook van anderen zij, verwaarloos gij uzelven niet.

33

Naarmate gij uzelven geweld aandoet, zal ook uw voortgang zijn.

EINDE VA-S IIET EERSTE BOEK.

3

-ocr page 50-

TWEEDE BOEK.

VERMANINGEN TOT HET INWENDIGE LEVEN.

o««o

EERSTE HOOFDSTUK.

Over het inwendige leven.

Het rijk Gods is binnen u, zegt de Heer. (Luc. 17) Wend u van ganscher harte tot den Heer, en laat deze ellendige wereld daar, en uwe ziel zal rust vinden.

Leer het uitwendige versmaden en u aan het inwendige overgeven, en gij zult het rijk Gods in u zien komen.

Want het rijk Gods is vrede en vreugde in den 11. Geest, (Rom. 14) en dat wordt den goddeloozen niet geschonken.

Christus zal tot u komen en u zijnen troost schenken, zoo gij Hem van binnen eene waardige woonplaats bereidt.

Al zijne heerlijkheid en schoonheid is van binnen en daar vindt Hij welbehagen.

Dikwijls bezoekt Hij den inwendigen mensch; liefelijk is zijn onderhoud, verkwikkend zijn troost, overvloedig zijn vrede en zijn gemeenzaamheid bij uitstek groot.

Welaan dan, getrouwe ziel! bereid uw hart voor dezen Druidegora, dewijl Hij zich verwaardigt tot u te komen en bij u te wonen.

Dus toch spreekt hij; zoo iemand mij liefheeft, hij zal mijn woord onderhouden; en mijn Vader zal hem liefhebben; en wij zullen tot hem komen en eene woning bij hem maken. (Joan. 44)

Maak dan plaats voor Christus, en weiger toegang aan al -het overige.

Wanneer gij Christus bezit, dan zijt gij rijk, en Hij is u genoeg.

Hij zal u voorzien en getrouw verzorgen in alles, zoodat gij niet noodig hebt op menschen te hopen.

Dra toch veranderen de menschen en ontvallen spoedig; maar Christus blijft in eeuwigheid en is een sterke steun ten einde toe.

Er is geen groot vertrouwen te stellen op een broos en sterfelijk mensch, al is hij nog zoo nuttig en geliefd.

-ocr page 51-

1 HOOFDSTUK.

Ook mag men zich niet te zeer bedroeven, zoo hij soms legen-werkt of tegenspreekt. Die heden met u zijn, kunnen morgen tegen u wezen, en omgekeerd; want dikwijls draaien zij als de wind.

Vestig uw geheel vertrouwen op God; Hij zij het voorwerp uwer vrees en liefde. Hij zal voor u verantwoorden en alles wel beschikken, zooals het best zal zijn.

Gij hebt hier geene blijvende slad; (Hebr. i.3) en waar gij zijn moogt, gij zijt een vreemdeling en pelgrim en zult nergens rust hebben, tenzij gij met Christus inniglijk vereenigd zijt.

Wat ziet gij hier in \'t ronde, daar hier toch de plaats uwer ruste niet is?

In den hemel moet uw woning zijn en al het aardsehe moet als in het voorbijgaan beschouwd worden.

Alles gaat voorbij, en gij tevens daarmede. Zorg dat gij u daaraan niet hecht, opdat gij niet gevangen wordt en u in het verderf stort.

Uw gedachte zy bij den Allerhoogste, en uw gebed onophoudelijk tot Christus gericht.

Kunt gij nog niet hooge en hemelsche dingen beschouwen, blijf bij het lijden van Christus, en houd u gaarne in zijne heilige wonden op.

Want zoo gij godvruchtig tot de wonden en kostbare littee-kenen van Jezus uw toevlucht neemt, zult gij eene groote kracht bij wederwaardigheid ontwaren, en u weinig aan de verachting der menschen storen, ja lasterende woorden licht verdragen.

Ook Christus werd op de wereld door de menschen veracht, en in den grootsten nood door bekenden en vrienden te midden der verguizing verlaten.

Christus heeft willen lijden en veracht worden, en gij durft over iets klagen?

Christus heeft vijanden en tegensprekers gehad, en gij wilt allen tot vrienden en weldoeners hebben?

Vanwaar zal uw geduld gekroond worden, zoo gij geen tegenspoed ontmoet?

En zoo gij geen tegenstand wilt lijden, hoe zult gij een vriend van Christus zijn?

Verdraag met Christus en voor Christus, zoo gij met Christus wilt heerschen.

Waart gij eens volkomen doorgedrongen tot het hart van Jezus en hadt gij een weinig van zijne brandende liefde geproefd, dan zoudt gij u over eigen voordeel noch nadeel bekommeren, maar veeleer u over den aangedanen smaad verblijden ; want de liefde tot J e z u s maakt dat de mensch zichzelven versmaadt.

Wie Jezus en de waarheid liefheeft, wie waarlijk inwendig en vrij van ongeregelde neigingen is, die kan zich vrij tot

35

-ocr page 52-

II BOEK.

God wenden, zich in den geest boven ziehzelven verheffen en genueglijk rusten.

Hij die alles waardeert naar \'tgeen het is, niet naar hetgeen men er van denkt of zegt, is waarlijk wijs en onderwezen meer door God dan door de inenschen.

Hij, die zijn inwendigen wandel weet te bewaren en \'tgeen buiten hem is gering te schatten, ziet niet om naar plaatsen noch wacht op tijden om met vrome oefeningen bezig te zijn.

Een inwendig mensch is ras tot ziehzelven teruggekeerd, dewijl hij zich nooit geheel naar buiten uitstort.

Geen uitwendige arbeid, noch van tijd tot tijd noodzakelijke bezigheid hindert hem; hij schikt zich naar alles, zooals het komt.

Wie inwendig wèl gesteld en geregeld is, stoort zich niet aan do wonderlijke en verkeerde handelingen der inenschen.

Iemand wordt gehinderd en verstrooid, naarmate hij zich de zaken aantrekt.

Waart gij goed gesteld en goed gereinigd, alles zou u ten goede en ter verbetering strekken.

Veel toch mishaagt u en ontroert u vaak, omdat gij uzelven nog niet volkomen afgestorven zijt en niet geheel onthecht aan al het aardschc.

Niets bevlekt en hindert \'s inenschen hart zoozeer, als eene onreine liefde tot de schepselen.

Ziet gij af van de uitwendige vertroostingen, dan kunt gij het hemelsebe beschouwen en dikwerf inwendig juichen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Over de nederige onderwerping.

Geef er weinig om wie voor n of tegen u zij; maar maak en zorg dat God met u zij in alles,wal gij doet.

Heb een goed geweien, en God zal u wel beschermen.

Want wien God wil bijstaan, dien kan nieinands boosheid schaden.

Weet gij te zwijgen en te lijden, dan zult gij ongetwijfeld \'s Heeren bijstand ontwaren.

Hij weet den tijd en de wijze om u te verlossen, en daarom moet gij u aan Hem overgeven.

Het komt God toe u te helpen en u van alle schande te bevrijden.

Dikwijls is het zeer nuttig, om ons in te grooter ootmoed te houden, dat anderen onze gebreken weten en bestraffen.

A1 s een mensch zich over zijn gebreken vernedert, dan bevredigt hij licht anderen en voldoet zonder moeite die op hem vertoornd waren.

God beschermt en bevrijdt den nederige; den nederige heeft

3 lt;•

-ocr page 53-

2 HOOFDSTUK.

[fij lief en vertroost Hij; tot den nederige buigt Hij zich neder; aan den nederige schenkt Hij groote genade en verheft hem na zijne verdrukking lot heerlijkheid.

Den nederige openbaart Hij zijne geheimen en trekt hem zachtelijk en noodigt hem tot zich.

De nederige, al wordt hij versmaad, blijft vast gevestigd in vrede; want l\'Ü steunt op God en niet op de wereld.

Denk niet dat gij iets gevorderd zijt, zoo gij u niet beneden allen acht.

DERDE HOOFDSTUK.

De goede vreedzame mensch.

Houd gij u eerst in vrede, en dan zult gij anderen kunnen bevredigen.

Een vreedzaam mensch is nuttiger dan een zeer geleerde.

Een hartstochtelijk mensch trekt zelfs het goede in het kwade en gelooft licht het kwade.

Een goed vreedzaam mensch keert alles ten goede.

Die in den vrede goed gevestigd is voedt van niemand argwaan; maar die onvergenoegd en licht geraakt is, wordt door allerlei argwaan rondgedreven; hij heeft zelf geen rust en laat anderen niet rusten.

Dikwijls zegt hij wat hij niet moest zeggen, cn doet hij niet wat hij liever behoorde te doen.

Hij gaat na wat anderen moeten doen, en verzuimt wat hij moest doen.

IJver dan eerst voor uzelven, en dan zult gij te recht ook voor uwen naaste kunnen ijveren.

Uw eigen daden weet gij wel te verontschuldigen en te verbloemen, cn de verontschuldigingen van anderen wilt gij niet aannemen.

Het ware billijker uzelven te beschuldigen en uw broeder te verschoonen.

Wilt gij dat men u vepdrage, verdraag ook een ander.

Zie, hoe verre gij nog verwijderd zijt van de ware liefde en van de nederigheid, die zich vertoornen of verontwaardigen kan over niemand dan over ziehzelve.

Het is niets groots met goede en zachtmoedige mensehen te verkeeren: want dit behaagt natuurlijk aan allen; ook leeft elk gaarne in vrede, en heeft hen het meest lief die van zijn gevoelen zijn.

Maar met stuursche en booze, met ongeregelde of ons weerstrevende menseben vreedzaam te kunnen leven, is eene groote genade, eene zeer roemwaardige, manhaftige zaak.

Daar zijn er die ziehzelven in vrede houden, en ook met anderen vrede hebben.

.17

-ocr page 54-

II BOEK.

Daar zijn er ook die noch vrede hebben, noch anderen met Trede laten; zij vallen anderen lastig, maar zichzelven altoos lastiger.

Eindelijk zijn er die zichzelven in vrede houden, en anderen tot vrede terugbrengen.

Nochtans is onze geheele vrede in dit ellendige leven eerder te stellen in een nederig verdragen, dan in \'t niet gevoelen van wederwaardigheden.

Wie \'t best weet te lijden zal den meesten vrede hebben. Hij is de overwinnaar van zichzelven en de heer der wereld, de vriend van Christus en de erfgenaam des hemels.

VIERDE HOOFDSTUK.

Over de reinheid des harten en eenvoudigheid in bedoeling.

Op twee wieken verheft zich de mensch boven het aardsche, te weten: eenvoudigheid en reinheid.

Eenvoudigheid moet in de bedoeling, reinheid in de neiging zijn. De eenvoudigheid zoekt God, de reinheid vindt en smaakt Hem.

Geen goede daad zal u hinderen, zoo gij inwendig van ongeregelde neiging vrij zijt.

En zoo gij niets anders bedoelt en zoekt dan Gods welbehagen en uws naasten voordeel, gij zult de innerlijke vrijheid genieten.

Ware uw hart oprecht, alle schepsel zoude u een levensspiegel zijn en een boek van heilige leering.

Geen schepsel is er zoo gering en ongeacht, dat Gods goedheid niet vertoont

Waart gij inwendig goed en rein, gij zoudt alles onbelemmerd zien en recht vatten.

Een rein hart dringt door hemel en hel.

Zooals eenieder inwendig is, zoo beoordeelt hij het uitwendige.

Is er vreugde in de wereld, haar bezit voorzeker de man van reinen harte.

En is er ergens smart en angst, een kwaad geweien kent ze het best.

Gelijk het ijzer in het vuur gelegd zijn roest verliest en gansch gloeiend wordt; dus wordt ook de mensch, die zich geheel tot God keert, van traagheid ontdaan en in een nieuwen mensch veranderd.

Wanneer de mensch begint te verflauwen, dan vreest hij den geringsten arbeid en ontvangt gaarne uitwendigen troost.

Maar heeft hij begonnen zichzelven volkomen te overwinnen en moedig op den weg Gods te wandelen, hij acht gering wat hij te voren bevond zwaar te zijn.

38

-ocr page 55-

S HOOFDSTÜh.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Over de beschouwing van zichzelvcn.

Wij mogen onszelven niet te veel vertrouwen, dewijl het ons dikwijls aan genade en verstand ontbreekt.

Een zwak lichtje is in ons, en dit verliezen wij spoedig door onachtzaamheid.

Ook merken wij veeltijds niet dat wij inwendig zoo blind zijn.

Dikwijls doen wij kwaad en maken het, door verschooning, nog erger.

Somtijds spoort de drift ons aan en wij nemen het voor ijver.

Het geringe berispen wij in anderen, en het grootere bij ons gaan wij voorbij.

Ras genoeg gevoelen en wegen wij hetgeen wij van anderen te verdragen hebben, doch wij letten niet hoeveel anderen van ons verdragen moeten.

Wie zijn eigen daden wèl en recht overweegt, zal geen reden hebben om over een ander streng te oordeelen.

Een inwendig mensch stelt de zorg over zichzelven boven alle andere zorgen, en die vlijtig op zichzelven let zwijgt licht van anderen.

Nooit zult gij inwendig en godvruchtig zijn, tenzij gij van anderen zwijgt en bijzonder op uzelven let.

Zoo gij u geheel met uzelven en met God bezighoudt, zal u weinig treffen hetgeen gij daarbuiten opmerkt.

Waar zijt gij, als gij niet bij uzelven zijt? En wanneer gij alles doorloopen, maar uzelven voorbijgezien hebt, wat hebt gij gewonnen?

Als gij waren vrede wilt hebben en met God vereenigd zijn, moet gij al het overige ter zijde stellen en uzelven alleen voor oogen houden.

Gij zult alzoo grooten voortgang maken als gij u vrijhoudt van alle tijdelijke zorg; maar gij zult zeer achteruitgaan, zoo gij iets tijdelijks acht.

Niets zij u groot, niets verheven, niets aangenaam, niets genoeglijk tenzij God alleen of wat God betreft.

Houd al hetgeen troostelijks van eenig schepsel komt voor enkele ijdelheid.

Eene ziel die God liefheeft, stelt alles beneden God.

God alleen, de eeuwige en oneindige, de alles vervullende is de troost der ziele en de ware vreugde des harten.

ZESDE HOOFDSTUK.

Over de vreugde van een goed geweien.

De roem van een goed mensch is de getuigenis van een goed geweten.

39

-ocr page 56-

40 II BOEK.

Heb een goed geweten en gij zult altoos vreugde hebben.

Een goed geweten kan zeer veel dragen en is zeer blijde in tegenspoed.

Een kwaad geweten is altoos vreesachtig en ongerust.

Liefelijk zal uwe rust zijn, zoo uw hart u niets verwijt.

Verheug u niet, tenzij wanneer gij wèl gedaan hebt.

De boozen hebben nooit ware vreugde, noch gevoelen den inwendigen vrede: want er is geen vrede voor de goddeloozen, zegt de Heer. (Is. 57)

En zeggen zij: wij zijn in vrede, geen kwaad zal ons treffen en wie zoude ons durven schaden ? geloof hun niet: want eensklaps zal Gods toorn zich verheffen, al hun daden zullen lot niets gebracht en hun gedachten verijdeld worden.

Die liefheeft, valt het niet zwaar te midden der wederwaardigheden te jubelen; want zoo te jubelen is jubelen in het Kruis des Heeren.

Kortstondig is de roem, die van mensehen gegeven en ontvangen wordt.

De roem der wereld is steeds van treurigheid vergezeld.

Der braven roem is in hun geweten en niet in den mond der mensehen.

De vreugde der rechtvaardigen is van God en in God, en hun vermaak in de waarheid.

Wie naar den waren en eeuwigen roem verlangt, acht den tijdelijken niet.

En wie naar tijdelijken roem verlangt of dien niet van harte versmaadt, bewijst dat hij den hcmelschen weinig bemint.

Hij bezit eene groote rust des harten, die zich om der mensehen lof noch blaam bekommert.

Licht zal hij tevreden en gerust zijn, wiens geweten rein is.

Gij zijt niet heiliger omdat men u roemt, noch slechter omdat men u laakt.

Wat gij zijt, zijt gij; en grooter moogt gij niet genoemd worden, dan gij zijt voor God.

Wanneer gij let op hetgeen gij inwendig bij uzelven zijt, dan zult gij u er niet aan storen wat de mensehen van u zeggen.

De mensch ziet hetgeen in hel oog valt, maar God ziet in hel hart. (1 Reg. 16) De mensch ziet op de daden, maar God weegt de bedoelingen.

Altoos wel te doen en zichzelven weinig le achten kenmerkt een nederig gemoed.

Geen troost van eenig schepsel te willen is het teeken van groote reinheid en inwendig vertrouwen.

Wie voor zich geen getuigenis van buiten zoekt, toont dat h\\j zich geheel aan God heeft overgegeven.

-ocr page 57-

6 HOOFDSTUK.

Want, gelijk de H. Paul us zegt, niet hij die zichselven aanprijst, maar dien de Heer aanprijst, is goedr/ekeurd. (2 Cor. 10)

Inwendig met God te verkeeren en uitwendig door geene geneigdheid gebonden te zijn, is de staat van den inwendigen menseh,

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Over de alles overtreffende liefde lol Jezus.

Gelukkig hij die weet wat het is Jezus te beminnen, en zichzelven te versmaden om Jezus\' wille.

Men moet al wat men bemint voor dezen Beminde verlaten: want Jezus wil alleen boven alles bemind worden.

De liefde eens schepsels is bedrieglijk en onbestendig; maar de liefde van Jezus getrouw en bestendig.

Wie zich aan het schepsel hecht valt met het zwakke schepsel; maar wie Jezus omhelst staat eeuwig onwankelbaar.

Bemin Hem en houd Hem tot uwen vriend die, als alles u begeeft, u niet zal verlaten, noch dulden dat gij op het einde verloren gaat.

Hetzij gij wilt of niet, gy moet eens van alles gescheiden worden.

Houd u aan Jezus bij leven en dood, en geef u over aan de trouw van Hem die, wanneer alles u verlaat, u alleen kan helpen.

Uw Beminde is van dien aard dat quot;Ü geen anderen naast zich duldt; maar Hij wil uw hart alleen bezitten en er zetelen als een koning op zijn eigen troon.

Wist gij u van alle schepscl recht te ontledigen, Jezus zou gaarne bij u willen wonen.

Gij zult alles bijkans geheel verloren bevinden, wat gij buiten Jezus bij de mensehen zoekt.

Vertrouw noch steun op een riet, dat door den wind bewogen wordt. Want alle vleesch is gras, en al zijne heerlijkheid valt af als de veldbloem. (Is. 40)

Dra zult gij bedrogen worden, zoo gij alleen het uitwendig voorkomen der menschen aanschouwt.

Want zoo gij uw troost en voordeel bij anderen zoekt, zult gij dikwerf schade vinden.

Zoekt gij in alles Jezus, gij zult Hem gewis vinden.

Maar zoekt gij uzelvcn, gij zult ook uzelven vinden, maar tot uw verderf.

De menseh toch die Jezus niet zoekt, schaadt zichzelven meer dan de geheele wereld en al zijne vijanden.

41

-ocr page 58-

II BOEK.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Over den ver Ir ouwelij ken omgang met Jezus.

Als Jezus tegenwoordig is, dan is alles goed en niets schijnt moeielijk; maar is Jezus niet tegenwoordig, dan valt alles zwaar.

Als Jezus van binnen niet spreekt, is alle troost niets; maar spreekt Jezus slechts een woord, men gevoelt een grooten troost.

Rees Maria niet aanstonds op van dc plaats, waar zij weende, toen Martha tot haar zeide; de Meester is daar, en 11 ij roept u ? (Joan. 11)

Gelukkige stond, wanneer Jezus van het weenen tot de vreugde des geestes roept.

Hoe dor en ongevoelig zijt gij zonder Jezus! Hoe dwaas en ijdel, zoo gij iets buiten Jezus verlangt!

Is dit geene grootere schade dan de geheele wereld te verliezen ?

Wat kan u de wereld geven zonder Jezus?

Zonder Jezus te zijn, is eene ondraaglijke hel; met Jezus te zijn, een genoeglijk paradijs.

Wanneer Jezus met u is, kan u geen vijand schaden.

Wie Jezus vindt, vindt een goeden schat, ja een goed boven alle goed.

Maar wie Jezus verliest, verliest bovenmate veel, ja meer dan de gansche wereld.

Wie zonder Jezus leeft is zeer arm; die wel met Jezus staat is zeer rijk.

Het is een groote kunst met Jezus weten om te gaan, en Jezus te kunnen bij zich houden een groóte wijsheid.

Wees nederig en vreedzaam, en Jezus zal met u zijn.

Wees godvruchtig en rustig, en Jezus zal bij u blijven.

Gij kunt Jezus ras verwijderen en zijn genade verliezen, zoo gij u tot het uitwendige wilt koeren.

lin hebt gij Hem verwijderd en verloren, tot wien zult gij uwe toevlucht nemen en wien tot vriend kiezen ?

Zonder vriend kunt gij niet goed leven, en als Jezus niet boven allen uw vriend is, hoe bedroefd en verlaten zult gij zijn!

Dwaas handelt gij dus, zoo gij in iemand anders vertrouwen of vreugde stelt.

Het ware verkieslijker de gansche wereld tegen te hebben dan Jezus te beleedigen.

Onder al uwe geliefden dan zij Jezus alleen uw bijzonder beminde.

Dat allen bemind worden om Jezus\' wil; maar Jezus om Hemzelven.

Jezus Christus alleen verdient bijzonder bemind te worden, omdat Hij alleen boven alle vrienden goed en getrouw bevonden wordt.

42

-ocr page 59-

8 HOOFDSTUK.

Om Hem en in Hem behooren, zoo vijanden als vrienden, u lief te zijn; en voor allen moet gij bidden, opdat allen Hem kennen en liefhebben.

Verlang nooit bij uitsluiting geprezen of bemind te worden: want dit komt Gode alleen toe die zjinsgelijke niet heeft.

Begeer ook niet dat iemand zijn hart met u vervulle, en gij, laat uw hart niet mei. liefde voor iemand vervuld worden; maar Jezus zij in u en in elk goed mensch.

Wees rein en vrij van binnen, zonder gehechtheid aan eenig schepsel.

Gij moet ontbloot zijn van alles en een rein hart tot God brengen, indien gij inwendig wilt rusten en zien hoe goed de Heer is.

Doch inderdaad zult gij niet daartoe geraken, tenzij gij door zijne genade wordt voorgekomen en getrokken, zoodat gij, met terzijdestelling en verwijdering van alles, met Hem alleen ver-eenigd wordt.

Want wanneer Gods genade tot den inensch korat, dan wordt hij tot alles bekwaam; maar wijkt die, hij is arm en zwak, en als alleen tot slagen overgelaten.

In deze moet hij niet moedeloos worden noch wanhopen, maar zich welgemoed naar den wille Gods schikken, en alles wat hem overkomt ter eere van Jezus Christus lijden; want op den winter volgt de zomer, op den nacht volgt de dag en op den storm groote kalmte.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Over het missen van allen troosU

Het valt niet zwaar menschelijken troost te versmaden, als de goddelijke daar is.

Maar het is groot en zeer groot zoowel den menschelijken als goddelijken troost te kunnen ontberen, en tot Gods eere de ballingschap des harten gewillig te verdragen, in niets zichzelven te zoeken, noch op eigen verdienste te zien.

«•Wat groots is erin gelegen opgeruimd en devoot te zijn, als de genade komt? Voor allen is die stond wenschelijk.

Hij rijdt zeer gemakkelijk, wien Gods genade draagt.

En wat wonder dat hij geen last gevoelt, die door den Almachtige gedragen en door den oppersten Leidsman geleid wordt ?

Gaarne hebben wij iets tot onzen troost, en bezwaarlijk ontdoet de mensch zich van zichzelven.

De heilige martelaar Laurentius nochtans heeft te zamen met zijnen herder de wereld overwonnen, wijl hij alles wat in de wereld genoeglijk scheen versmaadde en zelfs gaarne duldde, ter liefde van Christus, dat Gods Opperpriester Sixtus, dien hij hartelijk liefhad, van hem weggenomen wierd.j

43

-ocr page 60-

II BORK.

Door liefde tot den Schepper overwon hij de liefde tot den mensch, en verkoos Gods welbehagen boven den mensche-lijken troost.

Leer gij dus ook een noodzakelijken en geliefden vriend ter liefde Gods verlaten.

En laat het u ook niet te zeer treffen, als gij van een vriend verlaten wordt, wetende dat wij allen eens van elkander moeten scheiden.

Veel en lang moet de mensch in zichzelven strijden, eer hij lecre zichzelven volkomen te overwinnen en zijne geheelc liefde tot Gód over te brengen.

Zoolang de rnensch nog op zichzelven steunt, zal hij licht vervallen tot den troost der menschen.

Maar de ware vriend van Christus en ijverige deugdbe-traehter valt niet op vertroostingen, noch zoekt zinnelijke genoegens, maar veeleer moeielijke oefeningen en zware beproevingen om Christus\' wille door te staan.

Wordt u dan geesieiijke troost van God geschonken, neem dien met dankzegging aan; maar weet dat het een geschenk van God is, en niet uwe verdienste.

Wil u niet verheffen, wil a niet te veel verheugen noch iets ijdelijk laten voorstaan; maar wees wegens die gift te nederiger en te omzichtiger en behoedzamer in al uwe daden: want deze stond zal voorbijgaan en de bekoring volgen.

Als de troost ontnomen is, geef den moed niet aanstonds op; maar wacht met nederigheid en geduld het bezoek des Hemels af; want God is machtig om u een overvloediger troost terug te geven.

Dit is niet nieuw noch vreemd voor de in Cods wegen erva-renen: want ook de grootste Heiligen en aloude Profeten hebben dikwijls zulke afwisseling ondergaan.

Daarom sprak een hunner, als de genade bij hem was: Ui zeide in mijnen overvloed; in eeuwifiheid zal ik niet wankelen.

Maar als de genade week, voegde hij er bij wat hij ondervond, en zeide: Maar toen Gij mo aangezicht van mij afwenddet, werd ik ontroerd.

Intusschen verloor hij den moed niet, maar bad te vuriger tot den Heer en zeide; Tot U, o Heer! zal ik roepen, en mijnen God zal ik bidden.

Daarop verhaalt hij de vrucht van zijn gebed en getuigt dat hij verhoord werd, zeggende: De Heer heeft mij verhoord, en zich mijner ontfermd; de Heer is mijn helper geworden.

Maar waarin? Gij hebt, zegt iiij, mijne klachten veranderd in gejuich, en mij met vreugde omgeven. (Ps. 29)

Is aldus met groote Heiligen gehandeld, dan mogen wij, zwakken en ellendigen, niet wanhopen, als wij ons nu ijverig dan weder koud bevinden: want de Geest komt en vertrekt volgens zijn welbehagen. ,

44

-ocr page 61-

9 HOOFDSTUK.

Daarom zegt de heilige Job: Gij bezoekt den mensch in den morf/enslond; maar spoedig beproeft Gij hem weder. (Job 7)

Waarop kan ik dan hopen, waarop moet ik vertrouwen, tenzij op Gods groote barmhartigheid en op de hoop der hemelsehe genade alleen?

Want hetzij ik bij mij hebbe deugdzame menschcn of godvruchtige broeders, of getrouwe vrienden of heilige boeken, of schoone verhandelingen of liefelijke gezangen en liederen; dit alles baat weinig, smaakt weinig, als ik van de genade verlaten en aan eigene armoede overgelaten ben.

Dan is er geen beter middel dan geduld en zelfonderwerping aan den wil Gods.

Nooit vond ik iemand zoo vroom en godvruchtig, die niet nu en dan onttrekking der genade had of vermindering van ijver gevoelde.

Nooit was er een Heilige zoo hoog vervoerd en verlicht, die niet te voren of daarna werd beproefd.

Hij toch is de hooge aanschouwing van God niet waardig, die niet om Godswil door eenig leed geoefend werd.

Want eene voorafgaande beproeving is doorgaans het teeken eener volgende vertroosting.

Ook wordt aan die door de bekoring beproefd zijn de hemelsehe troost toegezegd; Wie overwint, zegt dc Heer, ik zal hem geven dat hij ete van den boom des levens. (Openb. 2)

üe Goddelijke troost nu wordt gegeven, opdat de mensch te^ sterker zij tot het doorstaan van tegenspoed.

Ook volgt de bekoring, opdat hij zich over hel goede niel verheffe.

De duivel slaapt niet, en het vleesch is nog niet dood. Daarom houd niel op u tot den strijd te bereiden: want aan uwe rechter-en linkerhand staan vijanden, die nimmer rusten.

TIENDE HOOFDSTUK.

Over de dankbaarheid voor dc genade Gods.

Waarom zoekt gij rust, daar gij geboren zijl om te arbeiden ?

Zet u meer lot geduld dan tol troost, en meer tol hel dragen van hel kruis dan tol blijdschap.

Welk wereldsch mensch toch zoude niet gaarne geestelijke troost en vreugde ontvangen, zoo hij die altoos kon hebben?

Want de geestelijke vertroostingen overtreffen alle wereldsche vermaken en wellusten des vleesehes.

Al de wereldsche vermaken toch zijn of .ijdel of schandelijk; de geestelijke genoegens alleen zijn aangenaam en eerlijk; zij vloeien voort uil de deugd en worden door God den reinen van harte ingestort.

45

-ocr page 62-

II BOEK.

Maar niemand kan deze goddelijke vertroostingen altijd naar zijn welgevallen genieten, omdat do lijd van bekoring niet lang uitblijft.

Hetgeen nu het hemelsche bezoek veel tegenwerkt is eene valsche vrijheid des geestes en een groot zelfvertrouwen.

God bewijst eene weldaad wanneer Hij de genade der vertroosting schenkt; maar de mensch handelt kwalijk, als hij niet alles tot God met dankzegging terugbrengt.

En daarom kunnen de genadegaven op ons niet vloeien, omdat wij jegens den Schenker ondankbaar zijn en niet alles tot de oorspronkelijke bron terugbrengen.

Want altoos wordt de genade geschonken aan hem die behoorlijk dankbaar is, en aan den trotsche wordt ontnomen hetgeen den nederige pleegt gegeven te worden.

Ik wil geen troost die mij de vermorzeling des harten ontneemt, noch zoek die hooge aanschouwing welke tot zelfverheffing voert.

Want niet al het verhevene is heilig, noch al het genoeglijke goed, noch al het wenschelijke rein, noch al het dierbare Gode aangenaam.

Gaarne ontvang ik eene genade, waardoor ik steeds nederiger en godvreezender en gereeder tot zelfverzaking worde.

Wie door de gave der genade geleerd en door den geesel harer onttrekking onderwezen is, die zal zichzelf niets goeds durven toeschrijven, maar liever bekennen dat hij arm is en ontbloot van alles.

Geef Gode wat Godes is, en schrijf u toe wat het uwe is; dat wil zeggen: dank God voor de genade, en erken dat u alleen toebehooren de zonde en de rechtvaardige straf der zonde.

Stel u altoos op de laagste plaats en men zal u de hoogste geven; want het hooge staat niet zonder het lage.

De grootste Heiligen bij God zijn bij zichzelven de geringsten, en hoe meer verheerlijkt hoe nederiger in zichzelven.

Vervuld van de waarheid en hemelsche heerlijkheid zijn zij niet begeerig naar ijdelen roem.

In God gegrond en gevestigd kunnen zij op geenerlei wijze hoogmoedig zijn.

En die Gode alles toeschrijven wat zij goeds ontvangen hebben, zoeken geen roem bij elkander, maar willen slechts den roem die van God komt, en wenscben dat God in hen en in alle Heiligen boven alles geprezen worde, en hierheen is voortdurend hun streven gericht.

Wees dankbaar voor het geringste en gij zult waardig zijn het grootere te ontvangen.

Het geringste zij u als het grootste, en het meest verachtelijke eene bijzondere gunst.

Als de waardigheid van den Gever overwogen wordt, zal geene gave gering noch te verachtelijk schijnen: want niets is gering wat van den allerhoogsten God gegeven wordt.

46

-ocr page 63-

10 HOOFDSTUK.

Ja al zond Hij kastijdingen en plagen, het zoude ons moeten aangenaam zijn: want Hij bedoelt altoos ons heil in alles wat Hij ons laat overkomen.

Wie Gods genade wenscht te behouden, zij dankbaar voor de ontvangen genade en geduldig bij de onttrekking; hij smeeke dat zij wederkome, en zij behoedzaam en nederig opdat hij ze niet verlieze.

ELFDE HOOFDSTUK.

Over de weinige vrienden van Jezus\' Kruis.

Jezus heeft thans wel vele beminnaars van zijn hemelsch rijk, maar weinige dragers van zijn kruis.

Velen heeft Hij die naar troost, maar weinigen die naar beproeving verlangen.

Velen vindt Hij die\'aan zijne tafel, maar weinigen die aanquot; zijn vasten deelnemen.

Allen willen zich met \'Hem verheugen, weinigen willen voor Hem iets lijden.

Velen volgen Jezus tot aan het breken des broods, maar weinigen tot aan het drinken van den lijdensbeker.

Velen vereeren zijne wonderdaden, weinigen volgen den smaad zijns kruisen.

Velen hebben Jezus lief, zoolang hun niets ongunstigs bejegent.

Velen loven en prijzen Hem, zoolang zij eenigen troost van Hem ontvangen; raaar verbergt zich Jezus en verlaat Hij hen een oogenblik, dan vervallen zij of tot geklag of tot groote moedeloosheid.

Zij die Jezus om Jezus liefhebben en niet om eenigen eigen troost, prijzen Hem in allerlei tegenspoed en zielsangst zoowel als bij den grootsten troost.

Ja, al wilde Hij hun nooit troost geven, evenwel zouden zij Hem altoos dank willen toebrengen.

O, hoeveel vermag eene reine liefde tot Jezus, met geen eigenbaat of eigenliefde vermengd!

Zijn zij niet allen huurlingen te noemen die (altijd troost zoeken?

Betoonen zij zich niet meer beminnaars van zichzelven dan van Christus, die altoos aan eigen gemak en voordeel denken?

Waar vindt men hera, die God om niet wil dienen?

Zelden vindt men een zoo geestelijk mensch dat hij ontbloot is van alles.

Waar toch vindt men den waren arme van geest en los van alle schepsel? Verre en op de uiterste grenzen is die schat te zoeken.

47

-ocr page 64-

11 BOEK.

Al gaf de raensch zijn geheel vermogen weg, hel is nog niets En al deed hij groote boetvaardigheid, het is nog weinig. En al verkreeg hij alle wetenschap, het is er nog verre af. En al bezat hij groote deugd en de brandendste godsvrucht, nog ontbreekt hem veel, te weten, het eenige wat hij het meest behoeft.

En dat is? Dat hij, alles verzaakt hebbende, ziehzelven verzake en geheel ziehzelven uitga, niets van zijn eigenliefde overhoude, en dat hij, alles gedaan hebbende wat bij meende te moeten doen, gevoele niets gedaan te hebben.

Dal hij het niet veel telle wat veel kondc geacht worden, maar zich in waarheid een onnutten knecht noeme, gelijk de Waarheid zegt; Wanneer gij zult rjedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zoo segt: wij zijn onnutle knechten, en hebben slechts gedaan wal wij schuldig waren te doen. (Luc. 17)

Alsdan zal hij waarlijk ontbloot van alles en arm van geest kunnen zijn en met den Profeet zeggen: ik ben eenzaam en behoeftig. (Ps. 24)

En nochtans is er niemand rijker, niemand machtiger, niemand vrijer dan hij, die ziehzelven en alles weet te verzaken en zich op de laagste plaats te stellen.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Over den koninklijken weg des heiligen Kruisen.

Hard schijnt velen het w^ord: Verloochen uzelven, neem uw kruis op en volg Jezus. (Mattb. 10)

Maar veel harder zal het zijn dit laatste woord te hooren; Gaat weg van mij, gij vervloekten! in hel eeuwige vuur. (Matth. 2b) Zij toch die thans gaarne het woord des kruisen hooren en volgen, zullen dan niet te vreezen hebben voor het woord der eeuwige verdoemenis.

Dit teeken van het kruis zal aan den hemel zijn, wanneer de Heer ten oordeele komt.

Dan zullen al de dienaren des kruisen, die zich in hun leven den Gekruiste hebben gelijkvormig gemaakt, lot Christus, den Rechter, met groot vertrouwen naderen.

Wat vreest gij dan hel kruis op le nemen, daar hel ten rijkszetel voert?

In het kruis is heil, in het kruis het leven, in bet kruis bescherming legen de vijanden, in het kruis overvloed van heinelschen troost, in het kruis zielskracht, in hel kruis geestes-vreugde, in het kruis hel toppunt der deugd, in bet kruis de volmaking der heiligheid.

Er is geen heil voor de ziel noch hoop op het eeuwige leven, dan in het kruis.

48

-ocr page 65-

12 HOOFDSTUK.

Neem dan uw kruis op en volg Jezus, en gij zult het eeuwige leven ingaan.

Hij ging voor, torsende zijn kruis, en is voor u aan het kruis gestorven, opdat ook gij uw kruis zoudt dragen en trachten aan het kruis te sterven.

Want zijt gij met Hem gestorven, gij zult ook met Hem leven, en zijt gij deelgenoot geweest van zijn lijden, gij zult het ook van -zijne heerlijkheid wezen.

Zie, alles is in het kruis opgesloten en in het sterven ligt het al.

Er is geen andere weg tot het leven en tot den waren in-wendigen vrede, dan de weg van het heilige kruis en eener dagelijksche versterving.

Ga werwaarts gij wilt, zoek wat gtj wilt, gij zult boven u geen hoogeren, noch beneden u een veiliger weg vinden, dan dien van bet heilige kruis.

Besebik en regel alles naar uw wil en goeddunken, en gij zult bevinden dat gij altoos willens of onwillens iets moet lijden, cn dus zult gij immer een kruis aantreffen.

Of gij zult in bet lichaam smart gevoelen, of naar de ziel geesteskwelling lijden.

Somtijds zult gij van God verlaten, somtijds door uwen naaste geplaagd worden, cn wat nog erger is, gij zult dikwijls uzelvcn tot last zijn.

Nochtans zult gij door gecncrlei middel noch troost kunnen verlost of verlicht worden, maar zoolang God het wil, zult gij het moeten dragen.

Want God wil dat gij smart zonder troost leert lijden, en dat gij u geheel aan Hem onderwerpt, en dat gij door lijden nederiger wordt.

Niemand gevoelt zoo hartelijk het lijden van Christus, als bij wien bet te beurt viel iets dergelijks te lijden.

Er is alzoo altoos een kruis gececd en het wacht u overal op.

Gij kunt het niet ontvluchten, werwaarts gij loopt; want waar gij komt, gij draagt uzelven mede cn vindt uzelvcn overal.

Wend u naar boven, wend u naar beneden, wend u naar buiten, wend u naar binnen, overal vindt gij bet kruis en overal moet gij geduld oefenen, wilt gij innerlijk vrede hebben cn de eeuwige kroon verdienen.

Zoo gij uw kruis gewillig draagt, zal het ook u dragen en ten gcwenschten einde brengen, waar namelijk bet lijden eindigen zal, ofschoon bet niet hier zal wezen.

Draagt gij het onwillig, gij maakt u een last en bezwaart uzelvcn te meer, en toch moet gij bet dragen.

Werpt gij éen kruis van u af, gij zult ongetwijfeld een ander en wellicht zwaarder vinden.

Denkt gij te ontwijken wat geen sterveling heeft kunnen ontgaan ?

49

4

-ocr page 66-

II BOEK.

Welk Heilige is op aarde zonder kruis en lijden geweest?

Zelfs immers is Jezus Christus, onze Heer, zoolang Hij leefde, geen uur zonder lijdenssmart geweest. De Christus moest lijden, zeide Hij, en van de doodcn opstaan en alzoo zijne heerlijkheid inqaan. (Luc. 24)

Hoe zoekt gij dan een anderen weg, dan dezen koninklijken weg, den weg des heilig.n kruisen?

Het geheele leven van Christus was kruis en marteling, en gij zoekt voor u rust en vreugde?

Gij dwaalt, gij dwaalt, zoo gij iets anders zoekt dan tegenspoed te lijden: want dit geheele sterfelijk leven is vol ellende en met kruisen omringd.

En hoe meer iemand in het geestelijk leven gevorderd is, hoe zwaarder kruisen hij dikwijls vindt; want de ellende zijner ballingschap neemt toe naar zijne liefde.

Nochtans is deze zoo veel geplaagde niet zonder opbeurenden troost: want naarmate hij zijn kruis draagt, gevoelt hij de heerlijkste vruchten ervan toenemen.

Want daar hij zich gewillig daaraan onderwerpt, gaat ook al de last des lijdens in vertrouwen op den goddelijken troost over.

En hoe meer het vleesch door het lijden verzwakt wordt, te meer wordt de geest door de inwendige genade versterkt.

Ja, somtijds wordt men door den lust tot ramp en tegenspoed, uit zucht naar gelijkvormigheid aan het kruis van Christus zoodanig versterkt, dat men niet zonder smart of lijden zou willen leven; daar men gelooft dat men zich zich te meer bij God aangenaam maakt, hoe raeerdei\' en zwaarder last men om zijnentwil kan dragen.

Dit is niet het werk des menschen maar der genade van Christus, die op het brooze vleesch zoo veel vermag en uitwerkt, dat het mei ijver des geestes aangrijpt en bemint hetgeen \'t van nature altoos haat en vlucht.

Het is den mensch niet eigen het kruis te dragen, het kruis te beminnen, het lichaam te tuchtigen en dienstbaar te maken, de eer te vlieden, den smaad gewillig te verdragen, zichzelven te verachten en gaarne veracht te willen worden, allerlei tcgen-heden en verliezen te lijden, en naar geenerlei voorspoed op deze wereld te verlangen.

Indien gij op uzelven ziet, zult gij niets van dat alles vermogen.

Maar vertrouwt gij op den Heer, dan zal u de sterkte van boven gegeven en wereld en vleesch aan uw gebied onderworpen worden.

Zelfs den vijand, den duivel, zult gij niet vreezen, zoo gij met het geloof gewapend en met het kruis van Christus ge-teekend zijt.

Bereid u dan, als een goed en getrouw dienaar van Christus,.

so

-ocr page 67-

12 HOOFDSTUK.

om het kruis uws Heeren, uit liefde voor u gekruist, moedig te draaren.

r» •

Bereid u om in dit ellendige leven velerlei tegenheden en allerhande ongemakken te verdragen: want waar gij ook zijt, dat zal uw lot wezen; en gij zult het dus in waarheid bevinden waar gij u ook verschuilt.

Het moet zoo zijn; en er is geen middel om den druk der rampen en smarten te ontgaan dan die te verdragen.

Drink met blijdschap den kelk des Heeren, indien gij zijn vriend wilt zijn en deel met Hem hebben.

Laat de beschikkingen van den troost aan God over; Hij doe daarmede zooals Hem behaagt.

Wat u betreft, zet u tot het verdragen van tegenheden en stel daarin uw groolsten troost; want hel lijden van dezen tijd is niH te achten om te verdienen de toekomende heerlijkheid, welke aan ons zal worden qeopenbaard, (2 Cor. 12) al kondet gij het ook alles alleen verdragen.

Wanneer gij zoo ver gekomen zijt dat de tegenspoed u zoet is en om Christus\' wil smaakt, denk dan dat het met u wèl is; want gij hebt een paradijs gevonden op aarde.

Zoolang het lijden u zwaar valt en gij het tracht te ontgaan, zoolang zal het met u kwalijk gesteld zijn, en het lijden dat gij vlucht zal u overal volgen.

Seh ik t gij u waartoe gij verplicht zijt, te weten, tot lijden en zelfversterving, zoo zal het ras beter worden en gij zult vrede vinden.

Al waart gij met Paul us tot in den derden hemel opgevoerd, gij zoudt daarom niet verzekerd zijn van niets tegenstrijdigs te lijden. Ik zal hem, zegt Jezus, toonen hoeveel hij om mijtien naam moet lijden. (Act. 9)

Lijden moet gij dus, zoo gij Jezus beminnen en Hem bestendig dienen wilt.

O, mocht gij waardig zijn iets voor den naam van Jezus te lijden! Welk eene groole glorie zoude u wachten, welke vreugde zoude het voor alle Gods Heiligen en welk eene stichting voor uw evenmcnsch zijn!

Maar allen prijzen de lijdzaamheid aan, ofschoon weinigen slechts willen lijden.

Terecht behoordet gij voor Christus een weinig te lijden, daar zoo velen voor de wereld wel meer verdragen.

Houd \'t voor zeker dat gij een stervend leven leiden moet; en hoe meer iemand zich afsterft te meer begint hij voor God te leven.

Niemand is bekwaam om het hemelsche te bevatten, tenzij hij zich onderwerpe aan het dragen van rampen om Christus\' wille.

Niets is aangenamer aan God, niets u heilzamer op deze wereld dan gewillig voor Christus te lijden.

Ja zoo gij te kiezen hadt, moest gij liever wenschen voor

SI

-ocr page 68-

II BOEK.

Christus tegenspoed te lijden, dan door velerlei troost verkwikt te worden: want zóo zoudt gij meer gelijk aan Christus en meer gelijkvormig aan al de Heiligen zijn.

Want onze verdienste en de voortgang van onzen staat zijn niet in veel genoegens en troost gelegen, maar eerder in het dragen van groote moeilijkheden en rampen.

Ware er iets beters en heilzamers voor den menseh dan te lijden, zeker zou Christus dat door leer en voorbeeld aangewezen hebben.

Maar Hij vermaant zijne leerlingen die Hem volgden, en allen die Hem willen volgen, uitdrukkelijk om hun kruis te dragen, zeggende: Zoo iemand achter Mij wil komen die verloochene zich-zeiven, neme zijn kruis op en volge Mij. (Matth. 16)

52

Na alles dan wèl doorlezen en onderzocht te hebben zij dit eindelijk hel besluit; Wij moeien door vele verdrukkingen ingaan in hel rijk Gods. (Act. 14)

EINDE VAN HET TWEEDE BOEK.

-ocr page 69-

DERDE BOEK.

VAN DEN INWENDIGEN TROOST.

EERSTE HOOFDSTUK.

Over hel inwendige onderhoud van Christus met de yeloovige ziel.

De geloovige ziel. Ik zal hoeren naar hetgeen de Heere God in mij spreken zal. (Ps. 84)

De Heer. Zalig de ziel die den Heere in zich hoort spreken en uit zijn mond het woord van troost ontvangt!

Zalig de ooren die het gefluister van het goddelijk woord opvangen en van de influistering dezer wereld niets vernemen!

Ja, wel zalig de ooren die niet luisteren naar de stem welke daarbuiten klinkt, maar naar de waarheid die van binnen leert!

Zalig de oogen die voor het uitwendige gesloten, maar op het inwendige gevestigd zijn!

Zalig zij die tot het binnenste doordringen en zich, door dagelijijsche oefeningen, meer en meer trachten bekwaam te maken tot het bevatten der hcmelsche verborgenheden!

Zalig zij die vurig verlangen met God om te gaan en zich van alle hindernis der wereld ontdoen!

Let hierop, mijne ziel! en sluit de deuren uwer zinnelijkheid, opdat gij hooren moogt naar hetgeen de Heer uw God in u spreekt.

Dit zegt uw Geliefde; Ik ben uw heil, uw vrede en uw leven.

Houd u aan Mij en gij zult vrede vinden.

Laat al het vergankelijke daar, zoek het eeuwige.

Wat is al het tijdelijke tenzij verleiding? En wat baten al de schepselen, zoo gij van den Schepper verlaten zijl?

Alles dan verlatende, maak u behaaglijk en getrouw aan uw Schepper, opdat gij het ware geluk moogt verwerven.

TWEEDE HOOFDSTUK.

De Waarheid spreekt in ons zonder gedruisch van woorden.

De geloovige ziel. Spreek, o Heer! want uw dienaar hoort.

-ocr page 70-

iii boek,

(1 Reg. 3) Ik ben uw dienaar; geef mij verstand, opdat ik uwe getuigenissen kenne. (Ps. 118)

Neig mijn hart lot de woorden mvs monds; (Ib.) dat uwe rede als de morgendauw vloeie.

Weleer zeiden Israels kinderen tot Mozes: Spreek gij tot ons cn wij zullen hoor en; maar dal God tol ons niet spreke, opdat wij niet sterven. (Exod. 20)

Niet alzoo, o Heer! niet alzoo bid ik; liever smeek ik met den Profeet Samuel ootmoedig en vurig: Spreek, o Heer! want uw dienaar hoort.

Dat niet Mozes noch een der Profeten tot mij spreke, maar spreek Gij liever, Heere God! ingever en verlich\'er van al de Profeten: want Gij alleen kunt mij zonder hen volkomen onder-riehten, terwijl zij zonder U niets vermogen.

Hun woorden kunnen wel klinken, maar den geest schenken zij niet.

Zij spreken voortreffelijk, maar zwijgt Gij, zij ontvlammen het hart niet.

Zij geven letters, maar Gij ontvouwt den zin.

Zij dragen geheimnissen voor, maar Gij doet de beteekenis van het beleekende vatten.

Zij maken de geboden bekend, maar Gij helpt die volbrengen.

Zij wijzen den weg, maar Gij sterkt om dien te bewandelen.

Zij werken sleebts van buiten, maar Gij onderricht en verlicht het hart.

Zij begieten uitwendig, maar Gij geeft de vruchtbaarheid.

Zij spreken luid door woorden, maar Gij geeft aan het gehoor het begrip.

Dat dan niet Mozes lot mij spreke, maar Gij, Heere mijn God! de eeuwige waarheid, opdat ik niet sterve en zonder vrucht blijve, als ik slechts uitwendig gewaarschuwd ben en niet inwendig ontvlamd.

Opdat het mij niet ten oordeel strekke het woord gehoord en niet bemind, geloofd en niet onderhouden te hebben.

Spreek Gij dan, o Heer! want uw dienaar hoort, en Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. (Joan. 6)

Spreek Gij lot mij lot eenigen troost mijner ziele en ter verbetering van mijnen geheelen wandel, U lot lof en roem en eeuwige eer.

DERDE HOOFDSTUK.

Het woord Gods moet met ootmoed gehoord worden; velen nemen het\' niet ter harte.

Christus. Mijn zoon! hoor naar mijne woorden, woorden voi lieflijkheid en verheven boven al de wetenschap der geleerden «n wijzen dezer wereld.

54

-ocr page 71-

3 HOOFDSTUK,

Mijne woorden zijn geest en leven, (Joan. 6) en mogen niet geschat worden naar het gevoelen der menschen.

Ook mag men daarin geen ijdel behagen zoeken, maar men moet ze in stilte aanhooren en met allen ootmoed en groote liefde opnemen.

Dis GELOOViGE ziel. Gelukkig is hij, o Heer! dien Gij onderricht en uwe wet leert om hem in bange dagen te verkwikken, (Ps. 93) en opdat hij niet op aarde verlaten zij.

CniiiSTDS. Ik heb van den beginne af de Profeten onderwezen en tot nu toe houd ik niet op tot allen te spreken, maar velen zijn doof voor mijne stem en verhard.

Velen hooren liever de wereld dan God, en. volgen liever de lusten huns vleesehes dan het welbehagen Gods.

l)e wereld belooft het lijdelijke en geringe en wordt met grooten ijver gediend; ik beloof het hoogste en eeuwige, en der stervelingen hart blijft koud!

Wie dient en gehoorzaamt Mij in alles met die zorg, waarmede\' men de wereld en hare heeren dient?

Bloos, o Sidon! zegt de see. (Is. 23) En vraagt gij de reden, hoor, zij is deze:

Om een gering inkomen legt men een grooten weg af; voor het eeuwige leven willen velen nauwlijks éen voet van den grond oplichten.

Men streeft naar een nietig gewin; om éen stuk gelds wordt somtijds schandelijk getwist; om een ijdel ding en ecne beuzelachtige belofte aarzelt men niet zich dag en nacht te vermoeien.

Maar, o schande! voor een onvergankelijk goed, vooreen onwaardeerbaren prijs, voor de hoogste eer en eindelooze heerlijkheid is men traag de minste moeite te doen!

Bloos dan, trage en klaagzicke dienstknecht! daar genen ijveriger lot liun verderf dat gij ten leven bevonden wordt.

Zij smaken meer vreugde bij de ijdelheid dan gij bij de waarheid.

En toch worden zij somtijds in hunne hoop bedrogen, terwijl mijne belofte niemand bedriegt, noch die op Mij vertrouwen ledig wegzendt.

Wat Ik beloofd heb zal Ik geven, wat Ik gezegd heb zal Ik nakomen, mits men in mijne liefde getrouw blijve ten einde toe.

Ik ben het die alle braven beloon, Ik, die de vromen sterk beproef.

Schrijf mijne woorden in uw hart en overweeg ze vlijtig; want ten tijde der bekoring zult gij ze zeer behoeven.

Wat gij bij het lezen niet verslaat, zult gij begrijpen ten ■dage van mijn bezoek.

Ik pleeg mijn uitverkorenen op tweederlei wijze te bezoeken, door beproeving namelijk en vertroosting.

Twee lessen ook lees ik hun dagelijks, de eene door hun ge-

-ocr page 72-

iii boek.

breken le berispen, de andere door hen op te wekken tot voortgang in de deugd.

Wie mijne woorden hoort en ze versmaadt, heeft een\' die hem vonnissen zal ten jongsten dage.

Gebed om de genade der devotie te verkrijgen.

Heere mijn God! al mijn goed zijt Gij. En wie ben ik dat ik tot U durf spreken? Ik ben uw armste dienstknecht en een nietig aardworm, veel armer en verachtelijker dan ik weet of zeggen durf.

Gedenk toch, o Heer! dat ik niets ben, niets heb en niets vermag.

Gij alleen zijt goed, rechtvaardig en heilig. Gij vermoogt alles. Gij geeft alles. Gij vervult alles, den zondaar alleen ledig latende.

Gedenk uwer ontfermingen en vervul mijn hart met uwe genade, Gij die uwe werken niet ledig wilt laten.

Hoe zal ik in dit ellendig leven den last van raijzelven dragen, als uwe ontferming en genade mij niet ondersteunen?

Wend uw aanschijn niet van mij af; wil uw bezoek niet uitstellen; wil mij uwen troost niet onltrekken, opdat mijne ziel voor U niet worde als een land zonder water. (Ps. 142)

Heer! leer mij uwen wil doen, (Ib.) leer mij voor ü waardig en in ootmoed wandelen.

Gij toch zijt mijne wijsheid, die mij in waarheid kent en reeds gekend hebt, voordat de wereld was en voordat ik in de wereld geboren werd.

VIERDE HOOFDSTUK.

Men moet in waarheid en ootmoed voor God wandelen.

De Heer. Zoon! wandel voor Mij in waarheid en zoek Mij altoos in de eenvoudigheid uws harten.

WTie voor Mij in waarheid wandelt zal tegen booze aanvallen beveiligd zijn, en de waarheid zal hem bevrijden van de verleiders en van den laster der kwaadwilligen.

Heeft de waarheid u bevrijd, dan zult gij waarlijk vrij zijn en op de ijdele woorden der menschen geen acht geven.

De Geloovige. Heer! het is gelijk Gij zegt; ik bidde dat aldus met mij geschiede; dat uwe waarheid mij leere, dat zij mij beware en tot een heilzaam einde behoude.

Dat zij mij vrij make van alle kwade neiging en ongeregelde verkleefdheid; dan zal ik met U in groote vrijheid des harten wandelen.

De Heer. Ik, zegt de Waarheid, zal u loeren wat recht en Mij behaaglijk is.

Overweeg met een groot mishagen en droefheid uwe zonden, en acht u nooit iets te zijn om uwe goede werken.

K6

-ocr page 73-

5 hoofdstuk.

Inderdaad, gij zijt een zondaar, aan vele driften onderworpen en daarin verward.

üit uzelven helt gij altoos over tot het niet; spoedig valt gij, spoedig wordt gij overwonnen, spoedig ontrust, spoedig ontmoedigd.

Niets hebt gij waarop gij kunt roemen, maar veel waarom gij u moet vernederen; want gij zijt veel zwakker dan gij bevatten kunt.

Van alles\' dan wat gij doet, schijne u niets groot; houd niets als groot, niets als kostbaar, bewonderens- of roemenswaardig: want niets is verheven, niets waarlijk prijzenswaardig en begeerlijk dan hetgeen eeuwig is.

Dat de eeuwige waarheid u boven alles behage, uwe over-groote onwaardigheid u steeds mishage.

Vrees, veracht en vlucht niets zoo zeer als uwe gebreken en zonden, die u meer moeten bedroeven dan alle tijdelijk verlies.

Sommigen wandelen voor Mij niet oprecht; maar, door zekere nieuwsgierigheid en vermetelheid gedreven, willen zij mijne verborgenheden kennen en de diepte Gods peilen, terwijl zij zichzelven en hun heil verwaarloozen.

Dezen, daar Ik Mij tegen hen stel, vallen dikwijls door hun hoogmoed en nieuwsgierigheid in groote bekoringen en zonden.

Gij, vrees Gods oordeelen, sidder voor den toorn des Al-raachtigen.

Wil niet de werken des Allerhoogslen beoordeelen; maar doorzoek uwe ongerechtigheden, in hoeveel gij misdaan en hoeveel goeds gij verzuimd hebt.

Sommigen stellen hunne godsvrucht alleen in boeken, sommigen in beelden, anderen in uitwendige teekenen en vormen.

Sommigen hebben Mij in den mond, maar weinig in het hart.

Er zijn anderen die, van verstand verlicht en van harte gereinigd, altoos naar het eeuwige hijgen; zij willen nauwelijks van het aardsche Iiooren en voldoen met weerzin aan de behoeften der natuur: en dezen verstaan wat de geest der waarheid in hen spreekt.

Want hij leert hen \'t aardsche versmaden en \'t hemclsche beminnen, de wereld vergeten en dag en nacht onophoudelijk naar den hemel verlangen.

VIJFDE HOOFDSTUK.,

Over dc wonderbare werking der goddelijke liefde.

De Geloovige. Ik zegen ü, o hemclsche Vader! Vader van mijnen Heer Jezus Christus! dat Gij ü verwaardigd hebt mij arme te gedenken.

. ■/

57

-ocr page 74-

III BOEK.

O Vader der barmhartigheid en God aller vertroosting! U zij dank dat Gij mij, allen troost onwaardige, nu en dan met uwen troost verkwikt.

U zegen ik en verheerlijk ik met uw eeniggeboren Zoon en den Heiligen Geest, den Trooster, in de eeuwen der eeuwen.

0 Heere God! mijn heilige minnaar! wanneer Gij komt in mijn hart, dan zal alles wat in mij is zich verheugen.

Gij zijt mijn roem en de vreugde mijns harten; Gij zijt mijn hoop en toevlucht ten tijde mijner benauwdheid.

Maar omdat ik in de liefde nog zwak ben en in de deugd onvolmaakt, daarom behoef ik volstrekt door ü versterkt en getroost te worden. Bezoek mij dan dikwijls en onderwijs mij in uwe heilige leeringen.

Bevrijd mij van kwade driften en genees mijn hart van alle ongeregelde neigingen; opdat ik, van binnen genezen en goed gereinigd, bekwaam worde om ü te beminnen, .sterk om te lijden en standvastig om te volharden.

De Heek. De liefde is iets groots, een zeer groot goed.

Zij alleen maakt licht al wat zwaar is, en draagt al het ongelijke gelijkelijk.

Want zij draagt den last zonder last, en maakt al het bittere zoet en smakelijk.

De liefde tot Jezus is edelmoedig, drijft tot groote daden aan en wekt steeds de begeerte tot het volmaaktere op.

De liefde streeft naar boven en laat zich door niets laags wederhouden.

De liefde wil vrij zijn en van alle wereldsche gehechtheid ontheven, opdat haar innerlijke blik niet verhinderd worde, opdat zij om gcenerlei lijdelijk belang in verlegenheid kome noch wegens ongeval bezwijke.

Er is niets zoeter dan de liefde, niets krachtiger, niets verhevener, niets uitgebreider, niets genoeglijker, niets vollediger, niets beter in hemel en op aarde.

Want de liefde is uit God geboren en kan niet dan in God boven al het geschapene rusten.

Wie bemint, loopt, vliegt en is verheugd; hij is vrij en wordt niet wederhouden.

Hij geeft alles voor alles en heeft alles in alles, dewijl hij boven alles in het eenige hoogste rust, uit hetwelk alle goed vloeit en voortkomt.

Hij ziet niet op giften, maar wendt zich, boven alle goederen, tot den gever.

De liefde kent dikwijls geene maat, maar is brandende boven alle male.

De liefde gevoelt geen last, zij acht geen arbeid; zij tracht naar meer dan hare kracht toelaat, zij wendt nooit onmogelijkheid voor, omdat zij meent dat zij alles kan en vermag.

38

-ocr page 75-

6 hoofdstuk.

Zij is dus tot alles in staat; zij volbrengt veel en voert uit, waar hij die niet bemint, to kort sehiet en bezwijkt.

De liefde waakt en slapende sluimert zij niet.

Vermoeid, is zij niet afgemat; geprangd, wordt zij niet ingedrukt; verschrikt, ontstelt zij zich niet; maar gelijk een levende •vlam en brandende Koorts breekt zij uit naar boven en dringt ongehinderd door.

Wie bemint weet wat deze slem roept. Ook is het een sterk geroep in hel oor van God, wanneer eene van liefde brandende ziel uitroept: Mijn God! mijne liefde! Gij geheel de mijne, ik geheelde uwe.

De Geloovige. Breid in mij dc liefde uil, opdat ik met den inwendigen mond des harten leere smaken, hoe zoet het zij te beminnen en in liefde te versmelten en te baden!

Mocht ik door liefde zoo bevangen worden, dat ik door haar gloed en overmaat boven mijzelven vervoerd wierd!

Mocht ik bel lied der liefde zingen en U, mijn Geliefde! in de hoogte volgen; mocht mijne van liefde juichende ziel ondér uwen lof bezwijken!

Mocht ik ü meer dan mijzelven beminnen en mijzelven alleen om U, en in U allen die ü waarlijk beminnen, gelijk de wet der liefde, van U afkomstig, gebiedt!

De Heer. De liefde is vlug, ongeveinsd, vroom, bevallig en aangenaam, sterk, geduldig, getrouw, voorzichtig, lankmoedig, manhaftig en nooit zichzelve zoekende: want waar iemand zichzelven zoekt daar valt de liefde weg.

He liefde is omzieluig, nederig en oprecht, niet lafhartig, niet lichtzinnig noch op ijdelheden bedacht, ingetogen, kuisch, bestendig, bedaard en wachthoudende over alle zinnen.

De liefde is onderworpen en gehoorzaam aan de oversten, in haar eigen oog gering en ongeacht, Gode gewijd en dankbaar, altoos hopende en vertrouwende op Hem, ook als zij voor God geen smaak gevoelt: want zonder smart leeft men in de liefde niet.

Wie niet gereed is om alles te lijden en zich naar den wil zijns geliefden te schikken, verdient den naam van minnaar niet.

De minnaar behoort zich gaarne om zijnen geliefde al bet harde en bittere te getroosten, en zich door geene tegenspoeden van hem te laten aftrekken.

ZESDE HOOFDSTUK*

Over den loetssteen der ware liefde.

De Heer. Mijn zoon! gij zijt nog geen sterk en welberaden minnaar.

De Geloovige. Waarom, Heer?

De Heer. Omdat gij wegens eene geringe tegenheid uw opzet laat varen en te gretig naar vertroosting omziet.

59

-ocr page 76-

III BOEK.

Een slerk minnaar staat pal bij de bekoringen en slaat geen geloof aan des vijands listige ingevingen. Gelijk Ik hem behaag in voorspoed, zoo mishaag Ik hem niet in tegenspoed.

Een welberaden minnaar ziet niet zoo zeer op des geliefden gifte als op des gevers liefde.

Hij heebt meer aan het hart dan aan het gesehenk, en hij stelt al de gaven beneden den beminde.

Een edelmoedig minnaar berust niet in het geschenk, maar in Mij boven alle gesehenken.

Daarom is alles niet verloren, al gevoelt gij u eens jegens Mij of mijne Heiligen minder welgezind dan gij wenschtet.

Die goede en liefelijke gesteldheid, welke gij somtijds ontwaart, is het uitwerksel der aanwezige genade en zekere voorsmaak van \'t hemelseh vaderland, doch waarop gij niet te veel moogt steunen: want zij gaat, en zij komt.

Maar te strijden tegen de invallende kwade bewegingen des harten, en de ingevingen des duivels te verachten, is een leeken van deugd en groote verdienste.

Laat u dan niet ontrusten door vreemde voorstellingen, omtrent welke zaak ook ontstaan.

Houd u standvastig bij uw voornemen en uw oogmerk tot God gericht.

Ook is het geen bedrog, als gij soms schielijk in verrukking wordt opgevoerd cn aanstonds lot de gewone beuzelarijen des harten wederkeert: want deze lijdt gij racer tegen uwen zin dan dat gij ze bewerkt. En zoolang zij u mishagen cn gij tegenstreeft, strekken ze u lot verdienste en niet tot schade.

Weet dat de oude vijand op allerlei wijze tracht uw verlangen ten goede te verhinderen en u van elke godvruchtige oefening af te trekken; namelijk van de verecring der Heiligen, van de zalige overweging mijns lijdens, van de zoo nuttige herinnering uwer zonden, van de waakzaamheid over uw eigen hart cn van het vast voornemen om in de deugd voort te gaan.

Daarom dringt hij u vele kwade gedachten op om u verdriet en afgrijzen te veroorzaken, ten einde u van het gebed en de geestelijke lezing af te trekken.

Ook mishaagt hem eene ootmoedige schuldbelijdenis. Ja indien hij konde, hij zoude u van \'s Heercn Tafel afhouden.

Geloof hem niet noch stoor u aan hem, hoe dikwijls ook hij u zijne bedrieglijke strikken spanne.

Werp ze hem niet verachting terug als hij u kwade cn onreine gedachten ingeeft, cn zeg tot hem: «Weg onreine geest! bloos, rampzalige! gij zijt wel zeer onrein, om mij zulke dingen in liet oor te blazen.quot;

«Wijk van mij, snoodste verleider! gij zult geen deel aan mij hebben; maar Jezus zal als een krachtig strijder met mij zijn, en gij zult beschaamd staan.quot;

60

-ocr page 77-

7 HOOFDSTUK.

«Liever wil ik sterven en alle smarl lijden dan met u instemmen.quot;

«Zwijg en verstom! Ik zal niet meer naar u hooren, hoeveel moeilijkheden ook gij mij aandoet. De lieer is mijn licht en mijn heil: wien zoude ik vreezen? De Heer is mijne levenskracht: voor wien zoude ik sidderen? Al stonden er ook legers teqen mij op, mijn hart zoude niet vreezen. De Heer is mijn helper en mijn verlosser. (Ps. 16)

Strijd dan als een goed krijgsknecht, en valt gij soms uit zwakheid, herneem den moed meer dan te voren en vertrouw op mijn overvloediger genade, maar wacht u zeer voor ijdel zelfbehagen en hoogmoed.

Daardoor toch worden velen in dwaling gebracht en vervallen somtijds tot eene ongeneeslijke blindheid.

Dat de val dier hoogmoedigen, die zich dwaselijk zooveel verbeelden, u leere behoedzaam en steeds ootmoedig te zijn.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Dal men de genade onder de hoede der nederigheid moei verbergen.

De Heer. Mijn zoon! het is voor u nuttiger en veiliger de genade der devotie te verbergen, u daarop niet te verheffen noch veel daarvan te spreken en daaraan niet te veel gewicht te hechten, maar eer uzelven te verachten en te vreezen dat zij eenen onwaardige gegeven is.

Men mag niet te veel staat maken op eene gesteltenis, welke zoo ras tot het tegendeel kan overslaan.

Bedenk bij het genot dezer genade hoe ellendig en beroofd gij zonder haar pleegt te zijn.

Nocli ligt de voortgang van het geestelijke leven alleen daarin, dat gij de genade der vertroosting bezit; maar daarin dat gij met ootmoedige zelfverzaking en geduld hare onthouding verdraagt; zoodat gij dan niet in het gebed vertraagt, en uwe overige gewone oefeningen in het minste niet verzuimt; maar dat gij volgens uw best vermogen en doorzicht gewillig doet wat gij kunt en u wegens de dorheid of benauwdheid, welke uwe ziel ontwaart, niet geheel verwaarloost.

Velen toch zijn er die, zoodra het hun niet naar wensch gaat, terstond ongeduldig en traag worden.

\'s Mensehen weg is immers niet altoos in zijne macht; maar het komt God toe te geven en te troosten, wanneer Hij wil en zooveel Hij wil en wien Hij wil, volgens zijn welbehagen, en niet meer.

Eenige onvoorzichtigen hebben zich om de genade der devotie te verkrijgen in het verderf gestort, omdat zij meer wilden doen dan zij vermochten; geen acht gevende op de mate hunner ge-

61

-ocr page 78-

III BOEK.

ringheid, maar liever de neiging des harten volgende dan het oordeel des verstands.

En daar zij meer ondernamen dan Gode behaaglijk was, daarom hebben zij de genade spoedig verloren.

Aldus werden zij die in den hemel wilden nestelen, beroofd en aan hunne nietigheid overgelaten, opdat zij, vernederd en verarmd, leeren mochten niet op eigen wieken te vliegen maar onder mijne vleugelen te schuilen.

Zij die in den weg des Hoeren nog nieuwelingen en oner-varenen zijn, kunnen licht bedrogen en teleurgesteld worden, tenzij zij zich door den raad van verstandigen laten leiden.

Of willen zij liever hun eigen zin volgen dan meer ervarenen geloof geven, dan zal hun einde gevaarlijk zijn, zoo zij namelijk van hun eigen begrip niet willen terugkomen.

Zij die zichzelven wijs genoeg zijit, laten zich zelden nederig door anderen geleiden.

Beter is weinig kennis en een gering verstand met ootmoed, dan groote schatten van geleerdheid met ijdel zelfbehagen.

Beter is weinig te hebben, dan veel waarover gij u kont verhoovaardigen.

, Hij handelt niet voorzichtig genoeg die zich geheel aan de vreugde overgeeft, vergelende zijne vorige armoede en de ingetogen vreeze des Heeren, welke steeds beducht is de aangeboden genade te verliezen.

En hij is ook niet sterk genoeg van geest die zich, ten lijde van tegenspoed en het geringste ongeval, te wanhopig gedraagt en zich aan gedachten en gevoelens overgeeft onwaardig het vertrouwen dat mij is verschuldigd.

Wie in vredestijd te gerust heeft willen zijn, zal dikwijls in oorlogstijd te neerslachtig en te vreesachtig bevonden worden.

Wist gij altoos nederig en bij uzelven klein te zijn, en uwen geest wèl te regelen en te besturen, gij zoudt u zoo licht niet aan gevaar blootstellen noch aansloot vinden.

Het is een goede raad: bevindt gij in u den geest van vurigheid, overweeg hoe het zal zijn als dat licht u verlaten heeft.

En gebeurt dit, bedenk dan dat \'llicht ook weer kan lerugkeeren, hetwelk ik u voor een lijd ontnomen heb tot uwe behoedzaamheid en mijne verheerlijking.

Een zoodanige beproeving is dikwijls nuttiger dan dat het u altoos wèl ga naar uwen wensch.

Want de verdiensten zijn niet daarnaar te meten, of iemand velerlei openbaringen en vertroostingen hebbe, noch of hij bedreven in de Schriften zij of in een hoogen rang geplaatst; maar of hij in waren ootmoed gevestigd zij en met de liefde Gods vervuld; of hij de eer van God altoos zuiver en volkomen beooge, of hij zichzelven niets achte en waarlijk versmade, en meer behagen vinde in van anderen veracht en vernederd dan geëerd te worden.

62

-ocr page 79-

8 hoofdstuk.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Hoe gering men zich moei achten in het oog van God.

D e Geloovige. Ik zal spreken tot mijnen Heere, hoewel ik stof en asch ben. (Gen. 18)

Indien ik mij meerder acht, zie, Gij slelt U tegen mij, en mijn overtredingen geven eene ware getuigenis die ik niet weerleggen kan.

Maar verneder ik mij en maak ik mij tot niets; leg ik allen eigendunk af en breng ik mij tot stof, gelijk ik ben, dan zal uwe genade mij gunstig en uw licht mijn hart nabij zijn.

Dan zal alle zelfverbeelding, hoe gering ook, in de diepte mijner nietigheid verzwolgen worden en voor eeuwig vergaan.

Daar vertoont Gij mij aan mijzelven, wat ik ben, wat ik was en waartoe ik gekomen ben: want ik ben niets en ik wist het niet!

Worde ik aan mijzelven overgelaten, zie, dan ben ik niets en geheel zwakheid; maar werpt Gij spoedig weder een blik op mij, dan word ik aanstonds sterk en met nieuwe vreugde vervuld.

En hoe wonderbaar dat ik zoo aanstonds weder worde opgebeurd en zoo vriendelijk door U ontvangen, ijt, die door eigene zwaarte steeds naar beneden hel.

Dit is het werk uwer liefde, die mij onverdiend voorkomt en in zoo vele noodwendigheden bijstand biedt, die mij ook voor groote gevaren behoedt, ja om de waarheid te zeggen, aan ontelbare rampen ontrukt.

Want door mijzelven verkeerdelijk te beminnen heb ik mijzelven verloren, maar door ü alleen te zoeken en oprecht te beminnen, heb ik mijzelven en tevens ü gevonden, en ben door liefde in mijne nietigheid nog dieper gezonken, omdat Gij, o Beminnenswaardigste! aan mij wèl doet boven alle verdienste, ja boven hetgeen ik zoude durven hopen of begeeren.

Wees dan gezegend, o mijn God! dat, hoezeer ik al uwe weldaden onwaardig ben, uwe edelmoedigheid en oneindige goedheid toch nimmer ophouden wèl te doen, zelfs aan ondankbaren en verre van ü afgewekenen.

Doe ons tot U wederkeeren, opdat wij dankbaar, nederig en U toegewijd mogen zijn: want Gij zijt ons heil, onze kracht en sterkte.

NEGENDE HOOFDSTUK*

Dal men alles tot God, als hel laatste einde, moet terugbrengen.

De Heer. Mijn zoon! Ik moet uw hoogste en laatste einde wezen, zoo gij waarlijk gelukkig wilt worden.

C3

-ocr page 80-

III DOEK.

Door deze bedoeling zullen uwe neigingen gezuiverd worden, die zich vaak verkeerd tot uzelven en de schepselen nedcr-buigen.

Want zoodra gij in iets uzelven zoekt verkwijnt gij en verdort.

Breng dus alles tot Mij als de bron terug: want Ik ben het die alles geef.

Beschouw alles als vloeiende uit het hoogste goed; waarom ook alles tot Mij, als tot zijnen oorsprong, moet worden teruggebracht.

ü i t Mij putten klein en groot, arm en rijk levendig water, als uit cene levende bron; terwijl zij die Mij vrij en gewillig dienen, liefde voor liefde zullen ontvangen.

Maar wie buiten Mij wil roemen of in eenig bijzonder goed zijn vermaak nemen, zal niet in de ware vreugde bevestigd worden noch opgeruimd van harte zijn; maar hij zal op velerlei wijze belemmerd en benauwd worden.

Gij moogt u dan van het goede niets toeschrijven; ken ook aan geen mensch de deugd loe, maar geef alles aan God, zonder wien de mensch niets heeft.

Ik heb alles gegeven. Ik wil alles terughebben en eisch ten strengste daarvoor dankzeggingen.

Dit is eene waarheid waardoor de ijdelheid der roemzucht verdreven wordt.

En zijn de hemelsche genade en ware liefde eens binnengegaan, dan zal geen nijd, noch kwelling des harten, noch eigenliefde plaats vinden.

Want de goddelijke liefde overwint alles en ontwikkelt al de krachten der ziele.

Zoo gij recht verstandig zijt zult gij u in Mij alleen verheugen, op Mij alleen hopen: want niemand is goed dan God alleen, (Matth. 1!)) die boven alles te loven en in alles te prijzen is.

TIENDE HOOFDSTUK.

Hoe genoeglijk het zij, mei verachting der wereld. God te dienen.

De Geloovige. Nu, Heer! zal ik andermaal spreken en niet zwijgen. Ik zal in de ooren van mijnen God, van mijnen Heer en Koning, die in de hoogte is, zeggen:

Hoe groot is het goed, o Heer! dal Gij hebt weggelegd voor hen die U vreezen. (Ps. 30)

Maar wat zijt Gij voor hen die ü beminnen, wat voor hen die U van ganseher harte dienen!

Waarlijk onuitsprekelijk is het genoegen uwer aanschouwing, hetwelk Gij verleent aan hen die ü beminnen

Daarin vooral hebt Gij mij het zoete uwer liefde getoond, dat

04

-ocr page 81-

10 HOOFDSTUK.

Gij mij het aanzijn gegeven hebt toen ik. nog niet was, en mij toen ik verre van ü afdwaalde tot uwen dienst teruggebracht hebt, en mij bevolen hebt ü te beminnen.

o Bron der eeuwige liefde! wat zal ik van U zeggen?

Hoe zoude ik U kunnen vergeten, die U verwaardigd hebt mijner te gedenken ook toen ik verdord en verloren was?

Gij hebt boven alle verwaehting uwen dienstknecht barmhartigheid bewezen, en hem, boven alle verdienste, genade en vriendschap beloond.

Hoe zal ik U die gunst vergelden ? Het is toch aan allen niet gegeven om met verzaking van alles der wereld vaarwel te zeggen cn hel klooslerleven te omhelzen.

Is hel dan iets groots dat ik ü diene, wien alle schepsel dienen moet?

Hel mag mij niet groot schijnen U te dienen; maar dit liever schijnl mij groot en bewonderenswaardig, dat Gij ü verwaardigt zulk een arme en onwaardige lot uwen dienstknecht op te nemen en onder uw geliefde dienslknechlen te plaatsen.

Zie, al wal ik heb en waarmede ik U dien is het uwe.

In waarheid, Gij dient mij omgekeerd meer dan ik U.

Zie! hemel en aarde welke Gij tot \'s menscben dienst geschapen hebt, staan gereed en doen dagelijks hetgeen Gij hun hebt opgelegd.

En dit is nog weinig. Ook de Engelen hebt Gij ten dienste des mcnschen bestemd.

Maar wat dit. aiies nog le boven gaat, Gij zelf hebt U verwaardigd den mensch te dienen en beloofd üzelven aan hem te zullen geven.

Wat zal ik ü voor al die ontelbare weldaden wedergeven?

Ach! dat ik U dienen mocht al dc dagen mijns levens! Ach! dal ik slechts êcn dag U waardig dienen konde!

Inderdaad Gij zijl allerlei dienst, allerlei eer en eeuwigen lof waardig.

Waarlijk Gij zijt mijn Heer en ik uw arme dienstknecht; ik ben verplicht ü uit alle krachten le dienen en mag nimmer in uwen lof verflauwen.

Dit wil ik, dit verlang ik; en wat mij mocht ontbreken, ver-waardig Gij dat aan te vullen.

Het is een groote eer, een grootc roem U te dienen en om uwentwille alles le versmaden.

Want zij die zicii gewillig aan mven allerheiligsten dienst onderwerpen, zullen groote genade verkrijgen.

Zij die om uwentwil alle vleeschelijke genoegens hebben verzaakt, zullen den aangenamen troost des II. Geesles vinden.

En zij zullen eene groote vrijheid des harten genieten, die om uwen naam den engen weg hebben ingeslagen en alle wc-reldsche zorgen versmaad.

5

-ocr page 82-

iii doek.

o Aangename en genoeglijke dienst van God, waardoor de mensch waarlijk vrij en heilig wordt!

o Heilige staat der kloosterlijke dienstbaarheid, die den mensch gelijk maakt aan de Engelen, behaaglijk aan God, geducht voor de duivelen en bij alle geloovigen achtenswaardig!

o Aannemens- en altoos wenschcnswaardige dienst, waardoor het hoogste goed verdiend en ccne eeuwigdurende vreugde verkregen wordt.

ELFDE HOOFDSTUK.

Dat men de begeerten zijns harten moet toetsen en matigen.

De Heer. Mijn zoon! gij hebt nog veel te leeren dat gij nog niet genoeg geleerd hebt.

De Geloovige. Wat is dat. Heer?

De Heer. Dat gij uwe begeerten geheel naar mijn welbehagen schikt en geen minnaar van uzelven zijt, maar een ijverig naslrever van mijnen wil.

üwe begeerten ontvlammen u dikwijls en drijven u geweldig voort; maar overweeg of gij meer te mijner eere dan te uwen voordecle aangedreven wordt.

Ben Ik uwe bedoeling, dan zult gij wel tevreden zijn, hoe Ik ook besehikke; maar schuilt er nog iets van eigenbelang onder, zie dat is bet wat u hindert en bezwaart.

AVacht u dan dat gij u te veel verlaat op eene begeerte, opgekomen zonder Mij raad te vragen, opdat u naderhand niet berouwe of misliage hetgeen u te voren beviel en waarvoor gij, als het beste, ijverdet.

Want niet elke neiging die goed schijnt, moet aanstonds gevolgd worden; maar ook elke opwelling van tegenzin moet ons niet aanstonds eenige zaak doen vermijden.

Het is nuttig zich somtijds ook bij goede oefeningen cn begeerten te beteugelen; opdat gij niet door ontijdigheid tot verstrooiing des geestes vervalt, of door tuchteloosheid anderen aanstoot geeft, of ook door den tegenstand van anderen onverwachts ontsteld en terneergeslagen wordt.

Somtijds zelfs moet men geweld gebruiken en der zinnelijke neiging kloeken wederstand bicden, zonder te letten op hetgeen \'t vlecsch al of niet wil, maar dit alleen behartigende, dat het vleeseh ook zijns ondanks den geest onderworpen zij

Ja, zoolang moet gij het tuchtigen en tot onderwerping dwingen, totdat het lot alles gereed zij en leere zich met weinig te vergenoegen, in het eenvoudige vermaak te vinden en over geenerlei ongeval te morren.

66

-ocr page 83-

12 hoofdstuk.

TWAALFDE HOOFDSTUK,

Over hot oefenen der lijdzaamheid en het bestrijden der kwade lusten.

De Geloovige. Mijn Heer cn mijn God! gelijk ik zie, is geduld mij zeer noodzakelijk; in dit leven toeh ontmoeten ons vele tegenheden, en hoe ik ook mijnen vrede zoeke te verzekeren, mijn leven kan zonder strijd en smart niet zijn.

De Heer. Zoo is het, mijn zoon! Ook wil Ik niet dat gij zulken vrede zoekt, die vrij van bekoring zij of geenen tegenspoed ontware; maar houd \'ter voor ook dan den vrede te hebben gevonden, als gij door velerlei kwellingen geoefend en door velerlei tegenheden beproefd wordt.

Zegt gij dat gij niet veel kunt verdragen, hoe zult gij dan het vagevuur doorstaan ?

Van tweederlei kwaad moet men altoos het minste kiezen.quot; Om dan de eeuwige pijnen der toekomst te ontgaan, traeht de tegenwoordige ongevallen om Gods wille geduldig te dragen.

Meent gij dat de lieden dezer wereld niets of weinig te lijden hebben? Dit zult gij niet bevinden, al zoekt gij de weelderigsten.

Maar, zult gij zeggen zij hebben toeh vele genoegens, zij volgen hun eigen zin en daarom achten zij weinig hunne kwellingen.

De Heer. Dit zij zoo. Zij hebben wat zij willen; maar hoe lang, meent gij, zal dat duren?

Zie, als rook zullen de rijken dezer eeuw verdwijnen, en van de vroegere vreugde zal geene herinnering overig zijn.

Maar zelfs terwijl zij nog leven, kunnen zij niet zonder bit-Ierheid, verdriet en kommer erbij berusten.

Want in dezelfde zaak waarin zij vermaak zoeken, vinden zij dikwijls eene gevoelige straf.

En hun geschiedt recht dat zij, daar zij ongeregeld vermaken zoeken en volgen, zich daaraan niet zonder schande en bitterheid overgeven.

O, hoe kortstondig, hoe bedrieglijk, hoe ongeregeld en schandelijk zijn alle die genoegens!

En nochtans zoo bedwelmd en verblind zijn zij dat zij \'t niet beseffen; maar, als stomme dieren, veroorzaken zij hunner zK;le den dood, en dat om een weinig genots in dit vergankelijk leven!

Gij dan, mijn zoon! willig uwe lusten niet in, maar beteugel uwe. begeerten. (Eccli. 18)

Verlustig u in den Heer, Hij zal u geven wat uw hart verlangt. (Ps 36)

Inderdaad, wilt gij waar genoegen smaken en overvloedig door Mij gestroost worden, zie, het verachten van al het wereldsehe

67

-ocr page 84-

iii boek.

cn het verwerpen vao alle lage genoegens zal u tot zegen zijn en overvloed van troost geven.

En hoe meer gij u aan der schepselen troost onttrekt, te genoeglijker en sterker troost zult gij bij Mij vinden.

Maar daartoe kunt gij zonder ecnige droefheid en een moeilijken strijd niet aanstonds geraken.

Eene ingewortelde gewoonte zal zich verzetten, doch deze zal door tene betere gewoonte overwonnen worden.

Het vleeseh zal daartegen morren, maar de ijver des geestes zal het beteugelen.

Ue oude slang zal u aanzetten en tergen; maar door het gebed zult gij haar verjagen, en daarenboven door nuttigen arbeid den hoofdingang afsluiten.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Over de gehoorzaamheid van een nederiy onderhoorige, naar het voorbeeld van Jezus Christus.

De Heer. Mijn zoon! wie zich aan dc gehoorzaamheid tracht te onttrekken, onttrekt zich aan de genade en die zijn bijzonder voordeel zoekt, zal het gemeenschappelijk verliezen.

Wie zich niet gewillig en vanzelf zijnen overste onderwerpt, toont dat zijn vloesch hem nog niet. volkomen gehoorzaamt, maar dikwijls mort en tegenstreeft.

Leer daarom ijverig u onderwerpen aan uwen overste zoo gij wensclit uw eigen vleeseh onder \'t juk te brengen.

Want eerder wordt de uitwendige vijand overwonnen, wanneer dc inwendige mensch niet in wanorde is.

Geen lastiger noch slimmer vijand is er voor de ziel dan gij uzelven zijt, als gij met den geest niet wol samenstemt.

Wilt gij over vleeseh en bloed zegevieren, gij moet inderdaad tegen uzelven eene ware minachting opvatten.

Want omdat gij uzelf nog te ongereld bemint, daarom aarzelt gij u volkomen te onderwerpen aan den wil van anderen.

Maar wat groots is \'t dat gij, die stof zijt en nietigheid, om Gods wil aan een mensch gehoorzaamt, daar ik, de Almachtige en Allerhoogste, die alles uit het niet geschapen heb. Mij ora uwentwil den mensch ootmoedig onderworpen heb?

Ik ben dc nederigste en geringste van allen geworden, opdat gij door mijnen ootmoed uwen hongmoed zoudt overwinnen.

Leer gehoorzamen, stof! Leer u vernederen, slijk en aarde! en u onder de voeten van allen buigen.

Leer uwen wil breken en u tot alle onderwerping schikken.

IJver tegen uzelven en laat geen hoogmoed in u leven; maar toon u zoo onderworpen en gering, dat allen over u kunnen heengaan en u als het slijk der straten vertreden.

68

-ocr page 85-

13 hoofdstuk.

Wat hebt gij te klagen, nietig raensch? Wat kunt gij, snoode zondaar! inbrengen tegen hen die u bestraffen, gij die God zoo vaak beleedigd en de hel zoo dikwijls verdiend hebt?

Omdat uwe ziel dierbaar was voor mijn aangezicht, daarom heeft mijn oog u gespaard, opdat gij mijne liefde zoudt erkennen, voor mijne weldaden steeds dankbaar zijn, en u altoos tot ware onderwerping en ootmoed schikken , en de verachting, u door anderen aangedaan, geduldig verdragen.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

De overweging van de verborgen oordeelen Gods, een middel tegen zelfverheffing.

Dr Geloovige. Met donderende stem spreekt Gij, o Heer over mij uwe oordeelvellingen uit en schokt al mijne beenderen van angst en schrik; mijne ziel is zeer ontsteld.

Ik sta verstomd, en overweeg dat ook de hemelen niet zuiver zijn in uw oog.

Hebt Gij in uwe Engelen boosheid gevonden en hen niet gespaard, wat zal er van mij worden?

Sterren zijn van den hemel gevallen, en ik, stof, wat vermeet ik mij ?

Menschen, wier werken lofwaardig schenen, zijn diep gevallen, en die het brood der Engelen aten zag ik lust vinden in zwijnendraf.

Er is dan geene heiligheid, zoo Gij o lieer! uwe hand onttrekt.

Geene wijsheid baat, zoo Gij nalaat haar te besturen.

Geene slrerkte is vermogend, zoo Gij ophoudt die te ondersteunen.

Geene kuischheid is veilig, zoo Gij haar niet beschermt.

Geene eigene behoedzaamheid baat, zoo uwe heilige hoede niet daarbij komt.

Want door ü verlaten, zinken wij en vergaan, maar door U geliolpen, richten wij ons op en leven.

Want wij zijn onstandvastig, maar worden door U versterkt; wij zijn lauw, maar worden door ü ontvlamd.

O, hoe nederig en slecht moet ik van mijzelven denken, hoe gering het achten, zoo ik iels goeds schijn te hebben.

O, hoe diep moet ik mij onder uwe ondoorgrondelijke oordeelen vernederen, o Heer! daar ik in mij niets anders vinde dan een niet, ja louter niet.

o Zware last! o grenzcnlooze zee! waarin ik van mij niets terugvinde dan een volstrekt niet.

Waar is dan eene schuilplaats voor zelfverheffing? Waar het betrouwen op eigene deugd?

In de diepte uwer oordeelen over mij is alle ijdcle roemzucht verzwolgen.

69

-ocr page 86-

III BOEK.

Wat is alle vleesch voor uw aangezicht ? zal het leem roemen tegen zijn formeerder? (Is. 29. Rom. 9)

Hoe kan hij, wiens hart waarlijk Gode onderworpen is, door vleitaal hoogmoedig worden?

Wien de waarheid zich onderworpen heeft, dien zal de gansche Avereld niet verhoovaardigen; en die op God zijne geheele hoop gevestigd heeft, zal door den lof ook van allen niet bewogen worden.

Want ook zij die spreken, zijn allen niets; zij gaan voorbij met den klank hunner woorden; maar des lleeren waarheid blij/i eeuwig. (Ps. 116)

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Hoe men zich bij al het wenschelijke moei gedragen,

en hoe men moei biddeti.

De Heer. Mijn zoon! bij alles moet gij zeggen: «Heer! als het ü behaaglijk is, dat het aldus geschiede!

«Heer! zoo dit strekt tot uwe eer, het geschiede in uwen naam!

»Heer! zoo het ü dunkt dat het mij voegt en Gij het nuttig oordeelt, geef dat ik hel tot uwe eer aanwende.

«Maar ziet Gij dat iets mij schadelijk en het heil mijner ziel niet bevorderlijk is, neem dan van mij zulke begeerte weg.

Want niet elke begeerte is van den H. Geest, al schijnt zij den menseh recht en goed.

Het is moeielijk naar waarheid te beoordeelen of een goede dan een kwade geest u aanzet om dit of dat te begeeren, alsmede of gij door uw eigen geest bewogen wordt.

Velen werden op het einde bedrogen, die in den beginne meenden door een goeden geest gedreven te zijn.

Wat zich dan ook aan uwen geest als wensebenswaardig ver-toone, gij moet het altoos in de vreeze Gods en in ootmoed des harten wensehen en vragen; vooral moet gij, met zelfverzaking, alles geheel aan Mij overlaten en zeggen:

«Heer! Gij weet wal het beste zij. Dat dit of dat geschiede naar uw welbehagen.

«Geef wat Gij wilt en zooveel Gij wilt, en wanneer Gij wih.

«Doe met mij volgens uwe inzichten, zoo als U liet meest behaagt en uwe eer het meest bevordert.

«Plaats mij waar Gij wilt, en beschik in alles vrij over mij.

«Ik ben in uwe hand; draai en wend mij om en om.

«Zie! ik ben uw dienstknecht, tol alles bereid; want niet voor mij, maar voor ü begeer ik te leven; mocht ik dat waardig en volmaakt doen!quot;

U e Geloovice. Goedertierenste Jezus! verleen mij uwe genade, opdat ze met mij zij en met mij werke en mij ten einde toe bij hl ij ve.

70

-ocr page 87-

16 HOOFDSTUK.

Geef dat ik altoos wensche en wille hetgeen ü het aangenaamst en meest behaaglijk is.

Uw wil zij de mijne, en mijn wil volgc altoos den uwen en strooke daarmede volkomen.

Laat mijn willen en niet willen met het uwe overeenstemmen; dat ik nooit iets anders kunne willen of niet willen dan hetgeen Gij wilt of niet wilt.

Geef mij af te sterven alles wat wereldseh is, en om uwentwil gaarne in deze wereld veracht en onbekend te zijn.

Geef dat ik, boven alles wat ik wenseh, in U ruste en mijn hart in U vrede vinde.

Gij zijt de ware vrede des harten. Gij de eenige rust. Buiten U is alles zwaar en onrustig.

In dezen vrede dan, dat is in U, het cenig hoogste en eeuwige goed, zal ik slapen en rusten. (Ps. 4) Amen»

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Dal men bij God alleen waren troost moet zoeken.

De Giïloovige. Alles wat ik lot mijnen troost verlangen of bedenken kan, verwacht ik niet hier maar in de toekomst.

Want al had ik alleen al de verkwikkingen der wereld en al kon ik alle genoegens genieten, zoo is \'t zeker dat zij van geen langen duur kunnen zijn.

Gij dan, mijne ziel! kunt geen volkomen troost, geen volmaakt genoegen vinden tenzij bij God, den trooster der armen, den beschermer der ootmoedigen.

Wacht, mijne ziel! een weinig, wacht op de beloften van God en gij zult in den hemel overvloed van alle goederen hebben.

Maar zoo gij de tegenwoordige le ongeregeld najaagt, zult gij de eeuwige en heinelsche verliezen.

Het tegenwoordige zij tot uw gebruik, het eeuwige trekke uw verlangen.

Geen tijdelijk goed kan verzadigen, dewijl gij niet geschapen zijt om dat te genieten.

Al bezaat gij ook alle geschapen goederen, zoo zoudt gij niet gelukkig noch zalig kunnen zijn; maar in God, die alles geschapen heeft, is uw volkomen zaligheid en uw geluk gelegen.

Niet zooals dat den dwazen minnaars der wereld toeschijnt en door hen wordt geroemd, maar zooals de goede geloovigen van Gh rist us verwachten, en waarvan de geestelijkgezinden en zuiveren van harte, wier omgang in den hemel is, somtijds een voorsmaak hebben.

IJdel en kortstondig is alle menschelijke troost; waar en zalig is die, welken men inwendig door de Waarheid ontvangt.

71

-ocr page 88-

iii doek.

Een godvruchtig rnensch draagt overal zijn trooster Jezus met zieh om, en zegt lot hem:

«Blijf mij bij, Ileere Jezus! in alle plaatsen en tijden.

«Dit zij mijn troost, allen menschelijken troost gaarne te willen ontberen!

uEn wordt ook uw troost onthouden, dat dan uw wil en rechtvaardige beproeving mijn grootsten troost uitmaken.

a Gij zult toch niet altoos vergramd zijn en niet eeuwig lijk bedreigen. (Ps. 102)

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Dat men allo zorg op God moet werpen.

De Heer. Mijn zoon! laat mij met u doen zooals Ik wil. Ik weet wat u dient.

Gij denkt als een rnensch, uw gevoelen is in vele dingen volgens hetgeen menschelijke aandoeningen ingeven.

De Geloovige. Heer! het is waar hetgeen Gij zegt. Uwe zorg voor mij is grooter dan alle zorg die ik voor mijzelven kan hebben.

Hij toch staat zeer waggelend, die niet al zijne zorgen op ü werpt.

Daarom, o Heer! als maar mijn wil oprecht en vast aan TJ gehecht blijft, doe dan met mij wat U behaagt.

Want wat Gij met mij doet, het kan niet anders dan goed zijn.

Wilt Gij dat ik nog in de duisternis blijve, wees gezegend, en wilt Gij dat ik in het licht zij, wees insgelijks gezegend.

Verwaardigt Gij ü mij te troosten, wees gezegend, en wilt Gij dat ik gekweld worde, wees altoos evenzeer gezegend.

De Heer. Mijn zoon! zoo moet gij gesteld zijn, verlangt gij met Mij te wandelen.

Gij moet even bereid zijn om te lijden als om u te verblijden; gij moet even gaarne in armoede en behoefte als in overvloed en rijkdom leven.

De Geloovige. Heer! wat U ook behage over mij tc laten komen, ik zal \'t voor U gewillig lijden.

Ik wil onverschillig het goede en het kwade, het zoete evi het bittere, het blijde en het droevige van uwe hand aannemen, en U danken voor alles wat mij overkomt.

Behoed mij voor alle zonde, en ik zal dood noch hel vreezen.

Verwerp mij slechts niet voor eeuwig en schrap mij niet uit het boek des levens, dan schaadt het mij niet, welke kwellingen ook over mij komen.

72

-ocr page 89-

« 18 hoofdstuk.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Dat men de rampen des levens, naar hel voorbeeld van Christus, met gclijkmoedig/icid moei dragen.

De Heer. Mijn zoon! om uwer zaligheids wille ben ik van den hemel nedergedaald; Ik heb uwe ellenden op Mij genomen niet uit dwang maar getrokken door liefde, opdat gij geduld zoudt leeren en de tijdelijke rampen gewillig dragen.

Want van het uur mijner geboorte lot mijn verscheiden aan het kruis, ontbrak bet Mij nooit aan lijdenssmart.

Ik heb groot gebrek aan tijdelijke goederen gehad en dikwijls velerlei klachten over Mij gehoord.

Met zachtmoedigheid verdroeg Ik beleedigingen en smaad; voor weldaden ontving Ik ondankbaarheid, voor wonderwerken laster, voor mijne leer beschimpingen.

De Geloovige. Heer! dewijl Gij in uw leven geduldig waart en daardoor vooral het bevel uws Vaders volbracht, zoo is het billijk dat ik, ellendige zondaar, naar uwen wil in geduld het uithoudc, en den last van dit verderfelijk leven om mijner zaligheids wille zoolang drage, als het U zal believen.

Hoe zwaar ook de last van het tegenwoordige leven drukke, het is toch nu door uwe genade zeer verdienstelijk gemaakt. Ook door uw voorbeeld en de voetstappen uwer Heiligen is het den zwakke draaglijker en helderder geworden.

En ook is daaraan meer troost verbonden dan voorheen onder de Oude Wel, toen de toegang ten hemel gesloten bleef, en ook de weg ten hemel scheen duisterder, loen zoo weinigen moeite deden om het hemelrijk te zoeken.

Zelfs ook zij. die loen rechtvaardig en ter zaligheid geroepen waren, konden vóór uw lijden en den zoenprijs van uwen heiligen dood het rijk der hemelen niet binnengaan.

o, Hoeveel dank moet ik U niet bewijzen, dat Gij U verwaardigd hebt mij en allen gcloovigen den rechten en zekeren weg naar liet eeuwig koninkrijk te toonen!

Want uw leven is onze weg en door heilige lijdzaamheid gaan wij tot U, die onze kroon zijl.

Waart Gij ons niet voorgegaan en hadt Gij ons niet onderwezen, wie zoude moeite doen om te volgen?

Helaas! hoevelen zouden niet verre achterblijven, zoo zij op uw heerlijk voorbeeld niet konden staren!

Zie! wij blijven nu nog lauw, nadat wij zoo vele wonderwerken en leeringen gehoord hebben; wat zoude het zijn, indien wij zulk een groot licht niet hadden om ü te volgen ?

73

-ocr page 90-

iii boek.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Over het verdragen van smaad. De ware geduldige.

üe heer. Wat zegt gij, mijn zoon? Houd op met klagen bij de overweging van mijn lijden en dat mijner Heiligen.

Gij hebt immers nog niet lot bloedvergielens toe gestreden. (Hebr. 12)

Wat gij lijdt is weinig in vergelijking met hen, die zooveel geleden hebben, die zoo hevig bekoord, zoo zwaar verdrukt en op zoo velerlei wijze beproefd en geoefend zijn.

Gij moet u dus het zwaardere van anderen voor den geest brengen, opdat gij het geringere te lichter moogt dragen.

En komt het u zoo gering niet voor, zie toe of uw ongeduld daarvan niet de oorzaak zij.

Doch het moge klein of groot zijn, beijver u om alles geduldig te dragen.

Hoe beter gij u tot lijden sehikt, zooveel te wijzer handelt gij en te meer verdient gij.

Ook zult gij alles lichter dragen, als gij u door moed en oefening daartoe voorbereidt.

Zeg niet: »dit kan ik van dien mensch niet verdragen, ook behoef ik zoo iets niet te lijden; want hij heeft mij groote schade gedaan en verwijt mij dingen, waaraan ik nooit gedacht heb. Van een ander zoude ik gaarne verdragen, wat ik zoude meenen te moeten verdragen.

Dwaas is dusdanige gedachte, welke de deugd des gedulds niet in aanmerking neemt, noch van wien zij bekroond zal worden, maar eer let op personen en aangedane beleedigingen.

Hij is de ware geduldige niet, die niet willijden dan zooveel hem goeddunkt en van wien hel hem belieft.

Maar de ware geduldige ziet er niet op door wien hij geoefend worde, of het zijn overste of zijnsgelijke of een mindere, of het een vroom en heilig dan een boos en nietswaardig mensch zij.

Maar hoeveel en van welk schepsel ook en boe dikwijls hem eenig kwaad overkome, alles neemt hij zonder onderscheid uit Gods hand met dankbaarheid aan en houdt het voor een groot gewin: want niets, hoe gering ook, indien men het slechts om Gods wil lijdt kan bij God onbeloond blijven.

Wees derhalve steeds bereid tot den strijd, zoo gij de zege wilt behalen.

Zonder strijd kunt gij de kroon des gedulds niet bekomen.

Wilt gij niet lijden, gij wilt niet gekroond worden; maar verlangt gij gekroond te worden, strijd dan kloekmoedig, verdraag met geduld.

Zonder arbeid komt men niet tof rust; zonder strijd behaalt men geenc overwinning.

74

-ocr page 91-

20 HOOFDSTUK.

De Geloovige. Dat mij, o Heer! door uwe genade Mogelijk worde, wat mij van nature onmogelijk schijnt.

Gij weet hoe weinig ik verdragen kan en hoe ras ik bij het opkomen van den geringstcn tegenspoed ternederligge.

Laat elke oefening van verdrukking mij om uwen naam behaaglijk en wenschelijk worden; want om uwentwil te lijden en gekweld te worden is allerheilzaamst voor mijne ziel.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Ooer de bekentenis van eigene zwakheid en over de , rampen des levens.

De Geloovige. Ik zal legen mij mijne ongerechligheid belijden; (Ps. 31) ik zal, o Heer! voor U mijne zwakheid bekennen.

Dikwijls is het eene geringe zaak, welke mij terneerslaat en bedroeft.

Ik neem voor mij kloekmoedig te gedragen; maar als eene geringe bekoring komt, overvalt mij groote angst.

Somtijds is het een allerellendigst ding, waaruit eene zware bekoring ontstaat.

lin wanneer ik mij, omdat ik niets gevoel, een weinig veilig acht, dan bevind ik mij somtijds door een klein windje bijna overwonnen.

Zie dan, o Heer! neder op mijne zwakheid en broosheid, ü door en door bekend.

Ontferm U mijner en trek mij uil hel slijk dat ik daarin niel blijve steken, (Ps. G8) opdat ik niet teenemaai neerslachtig blijve.

Hetgeen mij zoo vaak ternederslaat en voor U beschaamt is, dat ik zoo licht val en zoo zwak ben ter bestrijding van mijne driften.

En al komt het niet geheel tot toestemming, is mij echter hunne aanvechting lastig cn moeilijk, en het verdriet mij zeer alzoo dagelijks in strijd te leven.

Ook daaruit wordt mijne zwakheid mij bekend, dat de verfoeilijke voorstellingen altoos veel lichter opkomen dan vertrekken.

Ach! zeer vermogende God van Israël! — ij veraar der getrouwe zielen! zie op den arbeid en druk van uwen dienstknecht neder, en sta hem bij in alles wat hij onderneemt.

Versterk mij met hemelsche kracht, opdat de oude mensch, het ellendige vleesch, den geest nog niet geheel onderworpen, niet de overhand krijge; tegen hetwelk ik zoolang zal moeten strijden, als ik in dit zeer ellendige leven ademhale.

Ach! wat is dit leven, waar rampen en ellenden niet ontbreken en alles vol is van strikken cn vijanden.

Want de eene kwelling of bekoring wijkt niet, of de andere is daar; ja, terwijl een vorige strijd nog duurt, komen er onverwachts meer andere op.

7b

-ocr page 92-

III BOEK.

Hoe kan men clan een leven beminnen, dat zooveel bitterheids heeft en aan zoovele rampen en ellenden onderhevig is?

Hoe noemt men het nog een leven, dat zooveel dood en verderf teelt?

En nochtans bemint men het, en velen zoeken daarin hun genoegen.

Dikwijls verwijt men de wereld dat zij bedrieglijk en ijdel is; nochtans verlaat men haar niet licht, wijl de begeerlijkheden des vleesches te veel de overhand hebben.

Want iels anders trekt tot bet beminnen, iets anders tot het verachten der wereld.

Tot de liefde der wereld trekken de begeerlijkheid des vleesches, de begeerlijkheid der oogen en de hoovaardij des levens; maar de daarop billijk volgende straffen en ellenden verwekken haat der wereld en verdriet.

Doch helaas! de kwade begeerte sleept de wereldsehgezinde ziel mede, die het een wellust acht op doornen te lifjtjen, (Job 30) omdat zij de lieflijkheid van God ergt; de innerlijke genoegens der deugd noch gekend noch gesmaakt heeft.

Zij daarentegen die de wereld volkomen versmaden en voor God onder eenc heilige tucht zoeken te leven, zijn niet onbekend met de goddelijke lieflijkheid, toegezegd aan alle ware verzakers, en zien het duidelijker in hoezeer de wereld dwaalt en op hoe velerlei wijze zij bedrogen wordt.

EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men in God boven alle goederen en gaven moet rusten.

De Gf.loovige. Gij dan, mijne ziel! rust boven alles en in alles steeds in den lieer: want Hij is de rust der Heiligen.

Geef, o allerlieflijkste en beminnelijkste Jezus! dat ik in U boven alle schepsel ruste, boven alle gezondheid en schoonheid, boven allen roem en eer, boven alle macht en waardigheid, boven alle weienschap en vernuft, boven alle rijkdommen en kunsten, boven alle vreugde en blijdschap, boven alle faam en naam, boven alle genoegens en troost, boven alle hoop en belofte, boven alle verdienste en verlangen, boven alle giften en gaven welke Gij kunt geven en uitstorten, boven alle vroolijkheid en verrukking, welke de ziel vatten en voelen kan; eindelijk boven alle Engelen en Aartsengelen cn boven bet gansebe hemelseb heir; boven alle zichtbare en onzichtbare dingen en boven alles, wat Gij, mijn God! niet zijt.

Gij toch, Heere mijn God! zijt boven alles de beste; Gij alleen de allerhoogste. Gij alleen de machtigste; Gij alleen de allerge-noegzaamste en rijkste; Gij alleen de allerlieflijkste en tronst-rijkste; Gij alleen de allerschoonste en allerbeminnelijkste; Gij

76

-ocr page 93-

21 hoofdstuk.

alleen de alleredelsle en allerroemrijksle; in wien alle goed, Iegelijk en volkomen is, en altoos was en zijn zal.

Daarom is alles gering en ongenoegzaam, wat Gij mij buiten Uzelven schenkt, of van Uzelven openbaart, of belooft, zoolang ik U niet aanschouwen noch volkomen genieten raag.

Want mijn hart kan niet waarlijk rusten noch ten volle bevredigd worden, tenzij het in U ruste en zith boven alle gaven cn boven alle schepsel verheffe.

o Jezus Christus! dierbaarste bruidegom! zuiverste minnaar! Heer van al liet geschapene! wie zal mij vleugelen ecner ware vrijheid geven om tot U te vliegen cn in ü te rusten?

O, wanneer zal bet mij vergund worden, geheel vrij te zijn en te zien hoe lieflijk Gij zijt, liccre mijn God!

Wanneer zal ik mij volkomen met U vereenigen, zoodat ik door liefde tot U mijzelven niet gevocle, maar U alleen, boven alle besef en mate, op eenc wijze aan allen niet bekend.

Doch thans zucht ik dikwijls cn draag mijn ongeluk met smart; want in dit dal der ellende bejegent mij veel kwaads, dat ujij dikwijls ontsleli, bedroeft cn benevelt, dat mij dikwijls hinden cn aftrekt, aanlokt cn verstrikt, zoodat ik geen vrijen toegang tot ü hebbe cn die genoeglijke omhelzingen misse, welke de zalige geesten steeds genieten.

Mochten mijne verzuchtingen cn menigvuldige kwellingen hier op aarde, U bewegen!

o Jezus! glans der eeuwige heerlijkheid! troost der ziele in hare vreemdelingschap! voor ÏJ is mijn mond zonder spraak, maar mijn stilzwijgen spreekt tot U.

lloe lang toeft mijn Heer nog tot mij te komen?

Dat Jlij kome tot mij, zijn armen dienstknecht, en mij verblijde; dat Hij zijne band uitstrekke en een ellendige rukke uit allen angst!

O kom! kom! want zonder U heb ik geen blijden dag noch uur: Gij zijt mijne vreugde en zonder U is mijne tafel ledig.

Ik ben ellendig gekerkerd en met kluisters beladen, totdat Gij mij door het licht uws hijzijns verkwikt, mij de vrijheid wedergeeft en mij uw vriendelijk aanschijn laat aanschouwen.

üat anderen in plaats van U iets anders zoeken wat zij willen: mij behaagt intusschen niets en zal niets behagen, tenzij Gij mijn God! mijne hoop, mijn eeuwig heil.

Ik zal niet. zwijgen noch ophouden met bidden, totdat uwe genade tcrugkeere cn Gij inwendig lot mij spreekt.

D15 Heek. Zie, bier ben Ik. Zie Ik kom tot u, daar gij Mij hebt aangeroepen. Uwe tranen cn de begeerten uwer ziele, uwe vernedering en droefheid des harten hebben Mij bewogen en tot u gebracht.

De Geloovige. Ja Heer! ik heb U geroepen, en ik heb verlangd U te genieten, gereed om alles om uwentwille te versmaden.

77

-ocr page 94-

111 BOEK.

Gij toch hebt mij eerst opgewekt, dat ik U mocht zoeken.

Wees dan gezegend, o Heei\'! die uwen dienstknecht deze goedheid bewezen hebt naar de menigte uwer barmharligheden.

En wat heeft uw dienslknecht voor ü nog meer tc zeggen, dan dat hij zich voor ü diep vcrnedcre, steeds indachtig zijner ongerechtigheid en nietigheid.

Want onder al het wonderbare in hemel en op aarde is uws-gelijke niet.

Overgoed zijn uwe werken, billijk uwe oordeelen, en alles wordt door uwe voorzienigheid bestuurd.

Daarom, o Wijsheid des Vaders! zij U lof en heerlijkheid! Dat mijn mond, mijne ziel en al \'t geschapene te zatnen TJ loven en prijzen!

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over het (jedenhen van Gods menigvuldige weldaden.

De Geloovige. Heer! open mijn hart voor uwe wet cn leer mij naar uwe geboden wandelen.

Geef mij dat ik uwen wil versla en met grooten eerbied en eene ernstige overweging uwe weldaden, zoo in bet algemeen als in bet bijzonder, gedenke, opdat ik ü daarvoor waardig dank betuige.

Maar ik weet en beken dat ik ook voor de geringste zaak U de schuldige dankzegging niet kan brengen.

Ik ben verre beneden al de goederen mij geschonken, en als ik let op uwe verhevenheid, dan bezwijkt mijn geest voor die grootheid.

Alles wat wij hebben naar ziel cn lichaam, en alles wat wij uitwendig of inwendig op eene natuurlijke of bovennatuurlijke wijze bezilten, is uw geschenk en kondigt U aan als den liefderijke, weldadige en goede, van wien wij alle goed ontvangen hebben.

Al beeft de eene meer, de andere minder ontvangen, alles is toch het uwe, cn zonder U kan men niet bet minste bezitten.

Hij die meer ontvangen heeft, mag niet roemen op zijne verdienste noch zich hoven anderen verheffen, ook niet den mindere bespotten; want deze is de grootste en beste, die zich-zelven bel minste toeschrijft en in het bedanken het nederigst en ijverigst is.

En wie zich voor den geringste van allen houdt cn als den onwaardigste oordeelt, is het gcschiksl om groolere gaven te onlvangen.

Die nu minder ontvangen heeft mag zich niet bedroeven noch het kwalijk nemen, noch den meer bedeelde benijden: maar

78

-ocr page 95-

23 HOOFDSTUK.

liever moet hij op ü zien en uwe goedheid te meer prijzen, dat Gij uwe geschenken zoo mild, zoo om niet en zoo gewillig, zonder aanzien van personen, uitdeelt.

Alles is uit U en daarom zijt Gij in alles te loven.

Gij weet eenieder te geven wat nuttig is, en waarom deze minder en die meer liebbe staat niet aan ons te beslissen, maar aan U, bij wien de verdiensten van ieder zijn bepaald.

Daarom, Ueere God! aeht ik het ook eene groote weldaad niet veel te hebben, waaruit naar het uitwendige en volgens den mensch lof en roem voorkomt; zoodat iemand, bij de beschouwing van zijn eigen armoede en geringheid, deswegens niet alleen geen bezwaar of droefheid of misnoegdheid raag gevoelen, maar eer troost en groote vreugde, omdat Gij, o God! de armen en nederigen en bij de wereld verachten tot uwe vertrouwelingen en huisgenooten verkoren hebt.

Getuigen zijn uwe Apostelen zeiven, die Gij als vorsten over de geheele aarde hebt gesteld.

Echter verkeerden zij in de wereld zonder klagen, zoo nederig en eenvoudig en zoo vreemd van alle list en bedrog, dat zij zich zelfs verheugden om uws naams wille smaad te lijden en datgene wat de wereld schuwt, met grooten ijver omhelsden.

Niets derhalve moet hem, die ü bemint en uwe weldaden kent zoo verheugen, als uw wil over hem en het welbehagen uwer eeuwige beschikking.

Ja daarover moet hij zoo tevreden en getroost zijn, dat hij even gaarne de minste zoude willen blijven als een ander wenscht de grootste te zijn; en evenzoo vreedzaam en vergenoegd op de laagste plaatst als op de eerste; en even gaarne veracht en verworpen zelfs zonder naam en faam, als boven de overigen in de wereld geëerd en verheven,

Want uw wil en de ijver voor uwe eer moeten boven alles gaan, en hem meer troost cn genoegen geven dan al de weldaden, hem geschonken of nog te schenken.

DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De vier dingen die den vrede grootelijks bevorderen.

De Heer. Mijn zoon! nu zal ik u den weg des vredes en der ware vrijheid leeren.

De Geloovige. Doe, o Heer! wat Gij zegt: want dat hoor ik gaarne.

De IIeeh. Leg u toe, mijn zoon! om liever den wil van een ander dan den uwen te doen.

Verkies steeds liever te weinig dan te veel te hebben.

Zoek altoos de laagste plaats en aan allen onderworpen te zijn.

79

-ocr page 96-

iii boek.

Wcnsch steeds en bid dat de wil van God in u volkomen geschiede.

Zie, zulk een man treedt het gebied des vredes en der ruste binnen,

De Geloovige. Heer! deze uwe korte rede bevat in zich eene groote volmaaktheid. Klein is zij in woorden, maar vol van zin en overvloedig in vruchten.

Kon ik ze maar getrouw nakomen, dan zoude niet zoo licht ontroering in mij ontstaan.

Want zoo dikwijls ik mij onrustig en bezwaard gevoel, bevind ik dat ik van deze leer afgeweken ben.

Maar Gij, die alles vermoogt en wien de voortgang mijner ziele sleeds ter harte gaat, vermeerder uwe genade te meer, opdat ik uw voorschrift nakomen en mijne zaligheid bewerken moge.

Gchcd ierjen do kwade gedachtcn.

Heere mijn God! verwijder V niet van mij; o mijn God! zie rijt te mijner Itulpe: (Ps. 70) want zoo velerlei bedenkingen zijn bij mij opgekomen en groole angsten, welke mijne ziel benauwen,

Hoe zal ik er onbeschadigd doorkomen? hoe er doorbreken?

Ik, zegt Gij, zal u voorgaan en de trolschen der aarde vernederen. (Is. 43) Ik zal de deuren des kerkers openen en u vevborgen schallen openbaren. (Is. 45)

lieer! doe gelijk Gij zegt, en dat alle booze gedachten voor uw aanschijn vlieden.

Dit is mijne hoop en ecnige troost, in alle benauwdheid tot U mijne toevlucht tc nemen, op ü te vertrouwen, ü uil het binnenste des harten aan ie roepen en uwen troost geduldig af te wachten.

Gebed voor do verlichting des geestes.

Verlicht mij, goede Jezus! met de stralen van het inwendig licht, en verdrijf alle duisternis uit de woning mijns harten.

Beteugel de veelvuldige verstrooiingen, en verijdel dc bekoringen die mij geweld doen.

Strijd krachtig voor mij en overwin die booze dieren, ik bedoel de verlokkelijke begeerlijkheden, opdat er door uwe krach; vrede zij en uw heilige tempel, die van een zuiver geweten, van den overvloed uws lofs weergalme.

Gebied den winden en stormen; zeg tot de zee: wees stil, en tot den noordenwind: blaas niet meer, en er zal groote stilte zijn.

Zend mij uw licht en uwe waarheid: (Ps. 42) dat zij de aarde beschijnen: want ik ben eene ledige en woeste aarde, totdat Gij mij verlicht.

80

-ocr page 97-

24 hoofdstuk.

Stort van boven uwe genade uit en doortrek mijn hart met uwen hemelsehen dauw. Giet de wateren der godsvrueht om de oppervlakte der aarde te besproeien, opdat zij goede en zeer goede vruchten voortbrenge.

Ikur mijne door den last der zonden neergedrukte ziel op, en richt al mijn verlangen ten hemel, opdat het mij, het liefelijke cener hoogere zaligheid gesmaakt hebbende, verdriete aan het aardsche te denken.

Voer mij weg en ontruk mij aan allen vergankelijken troost der schepselen; want niets dal gesciiapen is kan mijn verlangen volkomen bevredigen noch vertroosten.

Hecht mij aan U door den onverbreekbaren band der liefde; want Gij alleen zijt den beminnende genoeg en buiten U is alles nietig.

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Dal men moet vermijden naar eens anders gedrag nieuws-gierig te onderzoeken.

De Heer. Mijn zoon! wees niet nieuwsgierig en voed geene ijdele zorgen

Wat raakt u dit of dat? Volg gij Mij.

Wat toch gaat bet u aan, of deze dus of zoo gesteld zij, of gene dus of zoo handele of spreke?

Gij behoeft voor anderen niet te verantwoorden, maar zult voor uzulven rekenschap geven. Waarmede laat gij u dan in?

Zie, Ik ken allen: Ik zie alles wat onder de zon geschiedt. Ik weet hoe het met eenieder gesteld is, wat hij wil en werwaarts zijne bedoeling gaat.

Aan Mij dus moet alles overgelaten worden. Gij dan, houd u in goeden vrede en laat den onrustige woelen zooveel hij wil.

Wat hij gedaan of gezegd zal hebben, zal op hem nederkomen : want Mij kan hij niet bedriegen.

Wees niet bezorgd om de schaduw van een grooten naam, om de gemeenzaamheid met velen, noch om de bijzondere genegenheid der menschen: want daaruit ontstaat verstrooiing en groote duisternis des harten.

Gaarne zoude ik mijn woord tot u richten en u geheimen openbaren, zoo gij zorgvuldig acht gaaft op mijne komst en Mij de deur uws harten opendet.

Wees omzichtig, waak in het gebed en verneder u in alles.

Si

6

-ocr page 98-

iii boek.

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin de duurzame vrede des harten en de ware voorU/ang bestaan.

De Heeu. Mijn zoon! ik heb gezegd: vrede laat ik u; mijnen vrede geef ih u, niet gelijk de wereld geeft, geef ik u dien. (Joan. 14)

Allen verlangen den vrede; maar niet allen zorgen voor hetgeen tot waren vrede dient.

Mijn vrede is met de nederigen en zachtinoedigen van harte; uw vrede zal zijn in groote lijdzaamheid.

Zoo gij naar Mij hoort en mijne stem volgt, zult gij grooten vrede kunnen genieten.

De Geloovige. Wat moet ik dan doen?

De Heeu. Let in alles op uzelven, wat gij doet en wat gij zegt; en richt al uw bedoelingen daarhenen om Mij alleen te behagen en buiten Mij niets te begeeren ol\' te zoeken.

Vel ook geen lichtvaardig oordeel over de woorden of daden van anderen, en wikkel u niet in zaken die u niet zijn toevertrouwd; zoo is het mogelijk dat gij weinig of zelden onrust ontwaart.

Maar nooit eenige onrust te ontwaren en nooit eenige ziels-of lichaamskwelling te lijden behoort niet tot dezen tijd, maar tot den staat der eeuwige ruste.

Denk derhalve niet den waren vrede gevonden te hebben, wanneer gij geenen druk gevoelt; ol\' dat dan alles goed is als niemand u tegenstreeft; of dat dit volmaaktheid is, wanneer alles naar uwen zin gelukt.

Denk ook niet dat gij dan iets groots zijt, noch houd u voor een bijzonder lieveling, als gij eene groote godsvrucht en vertroosting ontwaart; daaraan toch wordt de ware vriend der deugd niet gekend, en daarin bestaat niet \'s menschen voortgang en volmaaktheid.

De Geloovige, Waarin dan. Heer!

De Heer. In uzelven van ganscher harte aan den wil Gods over te geven, in niets het uwe te zoeken, noch in het kleine noch in het groote, noch in den lijd noch in de eeuwigheid. zoodat gij, met een gelijk gelaat alles in dezelfde.schaal afwegende, zoowel in tegenspoed als in voorspoed Mij blijft danken.

Wanneer gij zoo sterk en in de hoop volhardende zijt, dat gij bij de onthouding van inwendigen troost zelfs uw hart toerust om nog meer te verdragen, en gij uzelven niet rechtvaardigt als behoordet gij dit en zooveel niet te lijden, maar Mij in al mijne schikkingen recht geeft en als heilig prijst; dan bewandelt gij den waren en rechten weg des vredes, en er is ontwijfelbare hoop dat gij weder met vreugde mijn aanschijn zult aanschouwen.

82

-ocr page 99-

26 UOOFDSTDK.

En zijt gij tot eene volkomen zelfvcrsmading gekomen, weet dat gij alsdan zulk een overvloed van vrede zult genieten, als met uwe vreemdelingschap bestaanbaar is.

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de honrje waarde van een vrij qemoed, dat men eerder verkrijgt door nederig bidden dan door veel lezen.

De Geloovige. Heer! dit is \'t werk van een volmaakt rnenseh, zijn hart nooit af te trekken van het streven naar \'t hemelsche en tusschen de veelvuldige zorgen als zonder zorg door te gaan; niet uit traagheid, maar door een zeker voorrecht van eene vrije ziel, zich aan geen schepsel door een ongeregelde liefde hechtende.

Ik smeek IJ, mijn allergenadigste God! behoed mij voor de zorgen dezes levens, cpdat ik daarin niet te zeer verward worde; voor de veelvuldige lichamelijke behoeften, opdat de welliist mij niet overmeestere; voor al de hindernissen der ziele, opdat ik niet door kwellingen ontmoedigd bezwijke.

Niet slechts bedoel ik zulke dingen, welke de wereldsche ijdelheid met alle drift najaagt; maar ook die ellenden, welke als een gevolg van den vloek over alle stervelingen uitgesproken, de ziel van uwen dienstknecht zoozeer bezwaren en beletten tot de vrijheid des geestes te komen, zoo dikwijls zij wilde.

o Mijn God! onuitsprekelijke zoetigheid! verkeer voor mij in bitterheid allen zinnelijken troost, die mij van de liefde tot het eeuwige aftrekt en mij ongelukkig tot zich lokt door het lokaas van eenig tegenwoordig genot.

Dat toch, o mijn God! dat toch geen vleesch en bloed mij overwinnen; dat de wereld met hare kortstondige heerlijkheid mij niet misleide; dat de duivel met zijne listen mij niet ver-sehalke.

Geef mij kracht tot tegenstand, geduld ter verdraging, standvastigheid ter volhardinquot;

Geef mij voor ai den troost der wereld de allerlieflijkste zalving van uwen geest, en voor eene vleeschelijke liefde stort in mij de liefde tot uwen naam.

Zie spijs, drank, kleediny en de overige benoodigdheden, tot onderhoud des lichaams behoorende, zijn eene naar den hemel smachtende ziele lot last.

Geef dat ik mij van al zulke verkwikkingen matig bediene, zonder ze te vurig te begeeren.

Alle mag ik niet verwerpen, omdat de natuur ondersteund moet worden; maar het overtollige te zoeken en hetgeen \'t meest vermaakt, verbiedt uwe heilige wet: want anders zoude het vleesch over den geest de overhand krijgen.

83

-ocr page 100-

iii boek.

Dat dan, smeek ik U, uwe hand mij bij dat alles geleide en mij leere het overlollige te vermijden.

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat $0 eigenliefde van het hoogste goed ten sterkste aftrekt.

De Heer. Mijn zoon! gij moet alles voor alles geven, en in niets uws zelfs zijn.

Weet dat de liefde tot uzelven u meer schaadt dan\' eenige zaak ter wereld.

Naar de liefde en genegenheid die gij hebt, zal elke zaak u meer of min aankleven.

Is uwe liefde rein, eenvoudig en wel geregeld, gij zult aan niets verslaafd wezen.

Begeer niet wat gij niet moogt bezitten; wil niet bezitten wat u kan hinderen en van de inwendige vrijheid berooven.

Het is zonderling dat gij u niet van ganseher harte met alles wat Gij kunt wensehen of bezitten aan Mij toevertrouwt.

Waarom u door ijdelen kommer verteerd? Waarom door overtollige zorgen vermoeid?

Houd u aan mijn welbehagen en gij zult geen nadeel lijden.

Indien gij dit of dat zoekt en hier of daar wilt zijn om uw eigenbelang en om naar uwen eigen zin te leven, zoo zult gij nooit in rust noch vrij van kommer zijn: want in alles zal eenig gebrek gevonden worden en op elke plaats zal iemand zijn, die u tegenstreeft.

Het is dus dienstig niet allerlei tijdelijk goed te verkrijgen of te vermeerderen, maar liever het te versmaden en de begeerte daarnaar lot den wortel uit uw hart te roeien.

Dit moet gij niet alleen verstaan van het bezit van geld en rijkdommen, maar ook van de zucht naar ijdelen lof en roem, die alle met de wereld voorbijgaan.

De woonplaats geeft weinig veiligheid, zoo de geest des ijvers ontbreekt.

En de vrede, van buiten gezocht, zal niet lang bestaan, zoo de staat uws harten den waren grondslag mist, dat is: zoolang gij niet op Mij rust, kunt gij wel van plaats veranderen, maar u niet verbeteren. Want zoo ras de gelegenheid zich opdoet en gij u daarvan bedient, zult gij vinden hetgeen gij ontvlucht en nog meer.

Gebed om de zuiverheid des harten en de hemelsche wijsheid.

De Geloovige. Bevestig mij, o God! door de genade van den H. Geest.

Geef dat de kracht in den inwendigen mensch versterkt worde, en dat mijn hart zich van alle onnoodige zorg en angst

84

-ocr page 101-

28 hoofdstuk.

ontledige; dat ik niet door allerlei begeerten naar welke zaak •ok, gering of kostbaar, getrokken worde, maar alle dingen als voorbijgaande bescbouwe en mijzelven als voorbijgaande met hen.

Want er is niets bestendigs onder de zon; alles is ijdelheid en kwelling des rjeesles. (Eccli. 1)

De Heer. O, boe wijs is hij die dit aldus inziet!

De Geloovige. Geef mij, o Heer! de hemelscbe wijsheid, opdat ik lecre U boven alles te zoeken en te vinden, boven alles te smaken en te beminnen, en al bet overige zoo in te zien, als het naar de orde uwer wijsheid waarlijk is.

Geef dat ik den vleier voorzichtig verraijde en den tegenstrever geduldig verdrage.

Want dit is eene groote wijsheid, niet door allen wind van woorden bewogen te worden, noch bet oor te leenen aan het gevaarlijk gevlei van valsche vrienden; zóo toch zet men den ingeslagen weg veilig voort.

ACHT EX TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Terjen kwaadsprekende tongen.

De Heer. Mijn zoon! het verdriete u niet als sommigen van u kwaad denken en zeggen wat gij niet gaarne boort.

Gij moet nog erger van uzelven denken en niemand zwakker dan uzelven achten.

Verkeert gij inwendig met uzelven, gij zult weinig aan voorbijvliegende woorden hechten.

Het is geen kleine voorzichtigheid ten kwaden tijde te zwijgen en inwendig zich tot Mij te keeren en zich door geen menschelijk oordeel te laten ontrusten.

Dat uw vrede van der menschen mond niet afhange; want of ze iets goed of kwalijk uitleggen, gij zijt daarom geen ander mensch.

Waar is ware vrede en ware roem ? Is het niet bij Mij ?

Wie den menschen niet zoekt te behagen noch vreest te mishagen, za! veel vrede genieten.

Uit eene ongeregelde liefde en ijdele vrees ontstaan alle onrust des harten en verstrooiing des geestes.

NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Hoe men in wederwaardigheden God moet aanroepen en zegenen.

De Geloovige. Heer! eeuwig zij uw naam gezegend, die

gewild hebt dat deze bekoring en kwelling over mij zouden komen.

Ontvluchten kan ik ze niet; maar tot U moet ik mijne

85

-ocr page 102-

iii boek.

toevlucht nemen, opdat Gij mij moogt helpen en ze mij ten goede keeren.

Heer! thans ben ik in lijden; het is mijn liart niet wèl, maar ik word door het tegenwoordige lijden zeer gekweld.

En nu, geliefde Vader! wat zal ik zeggen? Ik ben omgeven van benauwdheden. Verlos mij uit dil uur.

Doch daarom ben ik in dit uur gekomen, opdat Gij zoudt verheerlijkt worden, nadat ik dieper vernederd en dan door ü verlost zal zijn.

Heer! dat hel U behar/e mij ie redden! (Ps. 39) want ik arme, wat kan ik doen en waarheen zal ik gaan zonder U?

Geef geduld, o Heer! ook ditmaal.

Help mij, mijn God! dan zal ik niet vreezen, hoezeer ook bezwaard.

Doch wat zal ik intusschen zeggen? — lieer mv wil geschiede! (Matth. 6)

ik heb wel verdiend gekweld en bezwaard te worden: ik moet dus wel verdragen; o, mocht het geduldig zijn, totdat het onweder voorbijga en het heter worde.

Overigens is uwe almogende band machtig genoeg om ook deze bekoring van mij weg te nemen of haren aandrang te matigen, zoodat ik niet geheel bezwijke; zooals Gij, mijn God! mijn onlfermer! te voren dikwijls met mij gedaan hebt.

En hoe zwaarder mij deze beproeving volle, des te lichter valt u zulk eene verandering van de rechterhand des Allerhoog-sten. (Ps. 76)

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men Gods hulp moet afsmeeken en op de wederkomst der genade vertrouwen.

De Heer. Mijn zoon! Ik ben de Heer, die sterkte geeft ten dage der verdrukking. (Nah. 1) Kom tot Mij, als het u niet •wèl gaat.

Wat wel liet meest den hemelsehen troost verhindert, is dat gij u zoo laat tot het gebed begeeft.

Want alvorens Mij vurig te bidden, ziet gij intusschen naai veel anderen troost om en zoekt verkwikking in het uitwendige.

En vandaar dat alles weinig baat, totdat gij opmerkt dat Ik de redder ben van die op Mij hopen. en dat er buiten Mij noch krachtige hulp, noch nuttige raad, nocli bestendig redmiddel is.

Doeh nu na den storm uw geest bekomen is, herstel u in het licht mijner ontfermingen: want Ik ben nabij, zegt de Heer, om alles niet slechts volkomen maar overvloedig en bovenmate te herstellen.

86

-ocr page 103-

30 HOOFDSTUK.

Of is Mij wel iets moeilijk? (Jer. 32) Of zoude Ik gelijk zijn aan hem die zegt en niet doet?

Waar is uw geloof? sta vast en volhard.

Wees lijdzaam en een dapper man; de troost zal u op zijn tijd toekomen.

Wacht op Mij, wacht; Ik zal komen en u genezen.

Het is eene bekoring die u kwelt, en eene ijdele vrees welke u verschrikt.

Waartoe dient die zorg over hetgeen in de toekomst gebeuren mag, dan om u droefheid op droefheid te baren? Elke daij heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. Matth. 6)

Het is ijdel en nutteloos zich te bedroeven of te verblijden over iels, dat nog komen moet en wellicht nooit komen zal.

Maar het is mensehelijk door zulke voorstellingen misleid te worden, en een bewijs van een nog zwakken geest zoo licht aan de ingevingen des vijands gehoor te geven.

Hem toch is \'t om \'teven of hij door \'t ware dan door\'t valsche begoochele en misleide; of hij door liefde tot \'t tegenwoordige dan door vrees voor \'t toekomende ten val brerige.

Dat dan uw hart niet ontroerd worde noch vreeze. Geloof in Mij en vertrouw op mijne barmhartigheid.

Dikwijls ais gij meent dat gij van Mij verwijderd zijt, ben Ik het dichtst bij u.

Ën wanneer gij bijna alles verloren acht, is cr dikwijls de meeste winst te doen.

Alles is nog niet verloren, als een zaak tegenvalt.

Gij nioogt niet oordeelen naar \'t eerste gevoel, noch ook zooveel hechten aan eenig bezwaar, vanwaar het kome, of het zoo opvatten, als ware alle hoop op uitkomst ontnomen.

Denk niet dat gij geheel verlaten zijt, als Ik u voor een tijd eenigen druk laat toekomen, of ook den gewenschten troost onttrek: want dus komt men lot het Hemelrijk.

Het is ongetwijfeld voor u en mijne overige dienstknechten heilzamer door tegenheden geoefend te worden dan wanneer gij alles naar wenseh hadt.

Ik ken de verborgen gedachten, en weet dat \'t voor uw heil zeer nuttig is dat gij somtijds zonder smaak gelalen wordt: opdat gij u niet bij voorspoed verheffen zoudt en zelfbehagen willen zoeken in hetgeen gij niet zijl.

Wal Ik gegeven heb, kan Ik afnemen en het teruggeven als \'t Mij believen zal

Als Ik het gegeven heb. is \'thet mijne; als Ik het terugneem, ontneem ik het uwe niet: want alle goede gave en alle volmaakte giflc is het mijne.

Indien Ik u eenig bezwaar of tegenspoed toezend, word daarover niet misnoegd en dat uw moed niet bczwijke: ras kan Ik helpen en alle smart in vreugde veranderen.

87

-ocr page 104-

iii boek.

Intusschen ben Ik rechtvaardig en verdien grooten lof als Ik zoo met u handel.

Indien gij recht wijszijtcn naar waarheid oordeelt, dan moet gij nooit over eenigen tegenspoed zoo moedeloos treuren, maar eer u verblijden en danken, ja dit als uwe cenigste vreugde achten, dat Ik u met smarten verdrukkende, n niet spaar. (Job C)

Gelijk de Vader mij heeft liefgehad, alzoo heb ik n ook lief, (Joan. 15) zeide Ik tot mijne geliefde leerlingen; die Ik evenwel niet tot tijdelijke vreugde maar tot zwaren strijd uitzond; niet om geëerd maar om veracht te worden; niet tot lediggang maar tot arbeid; niet om rust te hebben maar om veel vrucht te dragen in lijdzaamheid.

Wees, mijn zoon! deze woorden gedachtig.

EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Om den Schepper ie kunnen vinden moet men alle schepsel laten varen.

De geloovige. Heer! wel heb ik grootere genade noodig, om daar te komen waar mij geen raensch noch eenig ander schepsel meer kan hinderen.

Want zoolang mij nog iets wederhoudt, kan ik niet vrij tot U vliegen.

Vrij wenschte hij te vliegen die sprak: Ach, hadde ik toch vleugelen als eene duif, ik zou heenvliegen en gaan uitrusten. (Ps. 54) Wat is rustiger dan een eenvoudig oog en wat vrijer dan hij. die niets op aarde verlangt?

Men moet zich dan boven alle schepsel verhefTcn en zichzelven geheel verlaten, en in den geest opgetogen blijven om te zien dat Gij, de Schepper van alles, niets gemeens hebt met de schepselen.

En alwie nog niet van alle schepselen is losgemaakt, zal zich niet vrij op het goddelijke kunnen toeleggen.

Daarom, worden er weinigen geschikt gevonden voor het beschouwend leven, omdat weinigen zich van de vergankelijke schepselen geheel weten te ontdoen.

Daartoe wordt eene groote genade vcreischt, welke de zie! opbeurt en boven haarzclve vervoert.

En zoolang de mensch in den geest niet verheven is, los van al het geschapene en geheel met God vereenigd, is alles wat hij weet. ook alles wat hij heeft van weinig waarde.

Lang zal hij klein zijn en op den grond liggen, die nog iets hoogacht behalve het eenige, oneindige, eeuwige goed.

Want alles wat God zelf niet is, is niets en moet voor niets gehouden worden.

Er is een groot verschil tusschen de wijsheid van den ver-

88

-ocr page 105-

32 HOOFDSTDK.

lichten en godvruchtigen mensch, en de wetenschap van een geletterd en leergierig geestelijke.

Veel edeler is de kennis, welke van boven door goddelijke ingeving nederdaalt, dan die door menschelijk vernuft met moeite wordt verkregen.

Men vindt er velen die naar de beschouwing verlangen; maar zij trachten niet te doen wat daartoe gevorderd wordt.

Een grootc hinderpaal is dat men te veel blijft staan bij hel uiterlijke en zichtbare en weinig werks maakt van eene vol-komene versterving.

Ik weet niet wat het is noch door welken geest wij gedreven worden, en wat wij voorgeven, die voor geestelijke mensclien willen doorgaan, dat wij zoo veel arbeid en zoo groote zorg besteden aan voorbijgaande en nietige zaken, en zoo zelden met eene volkomen ingetogenheid van zinnen aan ons inwendig denken.

Helaas! na een weinig overwegens storten wij aanstonds weder naar buiten, zonder onze daden door een streng onderzoek te wegen.

Wij letten er niet op waaraan onze neigingen hechten, en wij betreuren niet dat alles zoo onrein is.

Toen alle vleesch zijnen wcff bedorven had, volcde de groote watervloed.

Daar nu onze inwendige neiging zeer bedorven is, moet ook de daaruit volgende daad, ten blijke van gebrek aan innerlijke gezondheid, bedorven zijn.

Uit een rein hart komen vruchten van een goed leven voort.

Men vraagt hoeveel iemand gedaan heeft, maar men onderzoekt zoo vlijtig niet met welk goed oogmerk hij handelt.

Men vorsclit na of iemand sterk, rijk, schoon, bekwaam is; of hij een goed schrijver, zanger of werkman is. maar hoe arm liij is van geest, hoe lijdzaam en zachtmoedig, hoe godvruchtig en inwendig, daarnaar wordt door velen niet gevraagd.

De natuur ziet op bet uitwendige des menschen; maar de genade keert zich tot het inwendige.

Gene wordt vaak bedrogen; deze vertrouwt op God om niet bedrogen tc worden.

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK*

Over de zelfverloochening en verzaking van alle begeerlijkheid.

De Heer. Mijn zoon! gij kunt geen volkomen vrijheid bezitten, tenzij gij uzelven geheel verzaakt.

Gekluisterd zijn alle cigenbaatzuchtigen en zelfminnaars; zij zijn begeerlijk, nieuwsgierig en ongestadig, zij zoeken steeds hun gemak en niet wat Mij behaagt; zij ontwerpen en onder-

80

-ocr page 106-

in BOEK.

nemen vaak dingen die geen stand houden; want alles wat van God niet komt, zal vergaan.

Onthoud dit korte en alles bevattende woord: verlaat alles en gij zult alles vinden; leg de begeerlijkheid af, zoo vindt gij rust.

Overweeg dit bij uzelven, en wanneer gij het zult volbracht hebben, zult gij alles verstaan.

Üe GELooviCE. lieer! dit is geen werk van een dag noch kinderspel: ja in dit weinige is alle volmaaktheid eens kloos-lerlings opgesloten.

Ue Heer. Mijn zoon! gij moet zoo aanstonds niet afkeerig noch moedeloos worden, zoodra gij van den weg der volmaaktheid hoort; maar le meer lot het hoogere aangezet worden of ten minste daarnaar vurig verlangen.

Och, of \'t zoo met u gesteld ware! of gij zoo verre gekomen waart dat gij uzelven niet meer bemindet, maar u volkomen naar den wenk van Mij en van uwen overste sehiktet! dan zoudt gij Mij zeer behagen en uw geheel leven slijten in vreugde en rust.

Nog veel hebt gij te verlaten; en tenzij gij Mij alles volkomen afstaat, zult gij niet verkrijgen wat gij vraagt.

Ik raad u dat (jij van Mij Iwopl goud, door het vuur beproefd, opdat gij rijk moogt worden, (Apoe. 3) te weten: de hemelsehe wijsheid, die al het aardsche onder de voeten treedt.

Geef baar de voorkeur boven de aardsche wijsheid, boven alle menschelijk en eigen welbehagen.

Aldus zeg Ik u: koop hetgeen gering is bij de mensehen voor hetgeen kostbaar en verheven is in hunne schatting.

Want zeer laag en gering en bijkans vergeten sehijnt de ware hemelsehe wijsheid, die van zichzelve niet hoog denkt noch op aarde zoekt verheven te worden, die velen prijzen met den mond, maar waarvan ze verre afwijken in hun gedrag: en toch is zij die kostbare parel, voor velen verborgen.

DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de oiislaiidvaslighcid des harten, en dat God onze laatste bedoeling moet zijn.

De Heek. Mijn zoon! vertrouw niet op uwe tegenwoordige gemoedsgesteltenis: want zij zal ras in eene andere overgaan.

Zoolang gij leeft, zijt gij ook uws ondanks der veranderlijkheid onderworpen; zoodat gij nu eens blijde, dan treurig; nu gerust, dan ongerust; nu godvruchtig, dan zonder godsvrucht; nu ijverig, dan traag; nu ernstig, dan lichtzinnig zult bevonden worden.

Doch de wijze en in den geest wèl onderwezene blijft, bij al deze afwisselingen, slaande.

90

-ocr page 107-

34 HOOFDSTUK.

quot;ij lel niet op hetgeen hij bij zich ontwaart noch vanwaar de wind der onbestendigheid blaast; maar hierop, dal de geheele bedoeling zijns geestes naar het behoorlijke en gewenschte einde strekke.

Want door dus het eenvondig oog zijner bedoeling bij zoo velerlei voorvallen, onafgewend op Mij te vestigen, zal hij een en dezelfde en onwrikbaar kunnen blijven.

Hoe reiner nu hel oog der bedoeling is, hoe standvastiger men tusschen velerlei stormen doorgaat.

Maar bij velen is hel oog eener reine bedoeling beneveld: want alras vestigt het zich op iets genoeglijks dat zich voordoet.

Daarom vindt men zeiden iemand geheel vrij van de vlek der zelfzucht.

Dus kwamen weleer de Joden naar Belhanië tot Martha en Maria, niet ojn Jezus alleen, maar ook om Lazarus te zien.

Men moet dus het oog der bedoeling reinigen, zoodat het eenvoudig en oprecht zij en het, boven al hetgeen slechts middel is, op Mij alleen richten.

VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

De ware minnaar vindt bij alles en boven alles in God zijn genoegen.

De Geloovige. Zie, God is mijn en mijn al! Wat wil ik meer en wat kan ik zaliger wenschen ?

o Zoet en liefelijk woord! doch voor hem, die het Woord des Vaders en niet de wereld noch hetgeen in de wereld is, bemint.

God is mijn en mijn al! genoeg gezegd voor hem die het verstaal; terwijl de veelvuldige herhaling ervan genoeglijk is voor hem die bemint

Want zijl Gij tegenwoordig, alles is genoeglijk; maar zijt Gij afwezig, alles mishaagt.

Gij geeft de rust des harten, een grooten vrede en eene feestelijke blijdschap.

Gij doet over alles wel denken en ü in alles loven.

Zonder U kan niets lang behagen; maar zal iets aangenaam zijn en goed smaken, zoo moet uwe genade daarbij zijn en de kruiderij uwer wijsheid dat toebereiden.

Wat zal hem niet smaken, die in U smaak vindt? En wat zal hem genoegen kunnen geven, die in Ü geen smaak vindt?

De wijsheid van de wereld en de genegenheid tot het vlcesch worden door uwe wijsheid te niet gedaan: want in die dwaze wijsheid is veel ijdelheid en in het vleeseh is de dood.

Maar zij, die U door de verachting der wereld en afsterving des vleesches navolgen, worden bevonden ware wijzen te zijn.

91

-ocr page 108-

iii boek.

omdat zij zich van de ijdclheid tot de waarheid en van het vleesch tot den geest laten overbrengen.

Dezen vinden smaak in God, en welk goed zij bij de schepselen vinden, zij brengen het geheel over tot lof van hunnen Schepper.

Intusschen is er een verschil en groot verschil tusschen den smaak voor den Schepper en het schepsel, voor de eeuwigheid en voor den tijd, voor \'t ongeschapen licht en \'t meegedeelde licht.

o Eeuwig Licht, al de geschapene lichten overtreffende! schiet uit de hoogte stralen, die tot geheel het binnenste mijns harten doordringen.

Reinig, verkwik, verlicht en verlevendig mijne ziel en hare vermogens, zoodat zij zich aan U in juichende verrukking vast-heehte.

O, wanneer zal dat zalige en gewenschte uur komen, dat Gij mij met uw bijzijn zult verzadigen en mij alles in alles zijn!

Zoolang mij dit niet wordt geschonken, zal mijn vreugde niet volkomen zijn.

Maar helaas! nog leeft de oude mensch in mij; hij is niet geheel gekruisigd, niet volkomen gestorven.

Nog altoos begeert hij sterk tegen den geest, verwekt in-wendigen oorlog en laat »an het rijk der ziel geene rust.

Maai- Gij, die heerscht over de woede der zee en hel geweld haver golven still [Ps. 88) sla op te mijner hulpe. (I\'s. 42) Verstrooi de volkeren die belust zijn op oorlog; (Ps. 67) verpletter se door uwe macht. (Ps. 38)

Toon, bid ik ü, uwe grootheid, en dat uwe rechterliand verheerlijkt worde: want geen andere hoop, geen andere toevlucht is mij over, dan bij U, o Heere mijn God!

VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men in dit leven niet veilig is voor bekoringen.

De Hef-ü. Mijn zoon! in dit leven zijt gij nooit veilig, maar hebt zoolang gij leeft altoos geestelijke wapenen noodig.

Gij verkeert onder vijanden en wordt rechts en links aangevallen.

Zoo gij dus niet van alle kanten het schild des geclulds gebruikt, zult gij niet lang ongewond blijven.

Daarenboven, houdt gij uw hart niet vast tot Mij gericht, met den zuiveren wil om alles voor Mij te lijden, dan kunt gij die hitte niet doorstaan, noch den palmtak der gelukzaligen bekomen.

Gij moet dus moedig door alles heengaan en een krachtigen arm gebruiken tegen hetgeen u wederstaat.

92

-ocr page 109-

3G hoofdstuk.

Want aan den overwinnaar wordt het manna gegeven, maar de lafhartige aan vele ellende overgelaten.

Zoo gij in dit leven rust zoekt, hoe zult gij dan lot de eeuwige rust komen?

Zet u hier niet tot veel rust, maar tot groote lijdzaamheid.

Zoek den waren vrede niet op aarde maar in den hemel; niet bij de menschen of öe overige schepselen, maar bij God alleen.

Orn Godswil moet gij alles gewillig ondergaan, tc weten: arbeid en smarten, bekoringen en kwellingen, benauwdheden en behoeften, krankheden en beleedigingen, tegenspraak en berispingen, vernederingen en beschamingen, bestraffingen en versmadingen.

Dit alles helpt tot deugd, stelt den Christen leerling op de proef en vlecht de hemelsche kroon.

Ik zal voor kortstondigen arbeid eeuwig loon, en voor eene voorbijgaande beschaming onvergankelijke heerlijkheid schenken.

Meent gij dat gij steeds de geestelijke vertroostingen naar wil en wensch zult genieten?

Mijne Heiligen hebben deze niet altoos gehad, maar vele bezwaren, velerlei bekoringen en groote moedeloosheden.

Doch in dat alles hebben zij zich geduldig gedragen en meer op God dan op zichzelven vertrouwd; wetende, dat al hel lijden van dezen tijd niel le achten is om de toekomende heerlijkheid te verdienen. (Rom. 8)

Wilt gij aanstonds hebben, wat zoo velen na vele tranen en zwaren arbeid nauwelijks hebben verkregen?

Wacht op den lieer, gedraag u mannelijk en houd moed. (Ps. 26)

Wantrouw niet, wijk niet; maar geef standvastig lichaam en ziel tot Gods eer ten beste.

Ik zal zeer rijkelijk vergelden; Ik zal met u zijn in allen nood.

ZES EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Tegen de ijdele beoordeelingen der menschen.

De Heer. Mijn zoon! vestig uw hart vast op den Heer en vrees des menschen oordeel niet, wanneer uw geweten u goed en onschuldig houdt.

Het is goed en heilzaam dus te \'lijden, en dit zal niet zwaar vallen voor een nederig hart, dat meer op God dan op zichzelf vertrouwt.

Velen spreken veel, en daarom moet men er weinig geloof aan hechten.

Ook is het niet mogelijk allen te voldoen.

Ofschoon Paul us zocht allen in den Heere te behagen en allen alles werd, achtte hij \'t toch niet \'t minste door een menschelijk gericht geoordeeld te worden.

Hij heeft genoeg gedaan, ja, zooveel hij mocht en kon,

93

-ocr page 110-

iii boek.

lot stichting en heil van anderen; maar hij kende niet beletten, dat hij somtijds van anderen geoordeeld ja, veracht werd.

Daarom galquot; hij alles aan God over die alles wist, en verdedigde zich door geduld en ootmoed tegen den mond dergenen, die kwaadspraken, of liet ijdele en valsche uitdachten en naar willekeur alles uitstrooiden.

Nochtans heeft hij somtijds geantwoord, opdat de zwakken niet door zijn stilzwijgen mochten geërgerd worden.

Wie zijt gij, dat gij een sterfelijk mensch vreest? Heden is hij, en morgen verschijnt hij niet meer.

Vrees God, en gij zult der menschen bedreigingen niet vreezen.

Wat vermag een mensch tegen u met woorden of lasteringen? (lij benadeelt zichzelvcn meer dan u, en, wie hij zij, Gods oordeel kan hij niet ontgaan.

Houd gij God voor oogen, en wil niet twisten noch klagen.

Al schijnt gij ook voor het tegenwoordige onder te liggen en onverdienden smaad te lijden, word daarom niet verstoord, noch verminder nwe kroon door ongeduld.

Maar zie liever hemelwaarts tot Mij, die machtig ben om u te redden uit allen smaad en beleediging en een ieder te ver gelden naar zijne werken.

ZEVËN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over den zuiveren en r/elieelcn afstand van zichzelven om de vrijheid des harten ie bekomen.

De Heer. Mijn zoon! verlaat u, en gij zult Mij vinden.

Doe afstand van allen eigen zin en eigen wil, en gij zult altoos winnen.

Want zoodra gij u zult overgegeven hebben zonder terugtrekking. zal u grootere genade worden toegevoegd.

De Geloovjoe. Heer! hoe dikwijls moet ik mij afstaan en waarin mij verlaten?

De Heer. Altoos en elk uur, in het groote zoowel als in het kleine. Ik zonder niets uit, maar wil u van alles ontbloot vinden.

Hoe anders kunt gij de mijne en Ik de uwe zijn, zoo gij niet inwendig en uitwendig allen eigen wil uitgeschud hebt.

Hoe eer gij dat doet, hoe beter gij het hebben zult, en hoe volkomener en oprechter, hoe meer gij Mij zult behagen en winst doen.

Sommigen staan zich al, doch met zeker voorbehoud: want zij vertrouwen Cod niet volkomen en trachten daarom zichzelvcn te verzorgen.

Sommigen ook geven zich aanstonds geheel aan Mij over: maar naderhand, als de bekoring hen overvalt, koeren zij tot

94

-ocr page 111-

38 HOOFDSTUK.

het eigene terug, waarom zij in de deugd het minst niet vorderen.

Dezulken zullen niet tot de ware vrijheid van een zuiver hart, noch tot de gunst mijner genoeglijke verkeering geraken, tenzij zij zich geheel hebben afgestaan en dagelijks aan Mij opofferen, zonder hetwelk geeue zalige vereeniging met Mij bestaat, noch kan beslaan.

Dikwijls heb Ik u gezegd en Ik herhaal het nogmaals: verlaat u, sta u af, en gij zult inwendig groolen vrede hebben.

Geef alles voor alles; zoek niets, vorder niets terug; boud u zuiver en zonder aarzeling aan Mij en gij zult Mij bezitten; gij zult vrij zijn van harte en de duisternis zal u niet overschaduwen.

Streef daarnaar, bid hierom en wenseh dit, dat gij u van al het eigene moogt ontdoen, en naakt den naakten Jezus volgen, uzelven afsterven en voor Mij eeuwig leven.

Dan zullen alle ijdele voorstellingen, slechte ontroeringen en overtollige zorgen verdwijnen.

Dan ook zal alle onmatige vrees wijken en de ongeregelde liefde sterven.

ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over een rjocd besluur in het uilwendifie, en hoe men in gevaren zich lot God moet begeven.

De IIkkr. Mijn zoon! vlijtig moet gij daarnaar trachten, dat gij overal en in alle handeling of uitwendige bezigheid inwendig vrij en uzelven meester blijft, dat alles aan u onderworpen zij, en gij aan niets.

Daardoor zult gij heer en bestuurder van uwe daden zijn, geen dienstknecht of slaaf; maar liever een vrij en waar Hebreër, tot het erfdeel en de vrijheid van Gods kinderen overgebracht.

Die zich verheffen boven bet tegenwoordige en op het eeuwige zien; die het voorbijgaande met het linker oog beschouwen, en het hemelsche met het rechter; die zich door het tijdelijke niet laten trekken, om daaraan te hechten; maar het veelmeer tot zich trekken, om bet goed te benuttigen, zooals het door God verordend is en bepaald door den oppersten werkmeester, die in zijne schepselen niets ongeregelds overliet.

Indien gij u ook bij alle gebeurtenis niet ophoudt bij den uiterlijken schijn, noch hetgeen gij ziet of boort met een vleeschelijk oog beschouwt; maar terstond bij iedere zaak met Mozes in den tabernakel treedt, om den Heer raad te vragen, dan zult gij somtijds een goddelijk antwoord vernemen en over vele tegenwoordige en toekomende zaken ingelicht terugkeeren.

Mozes immers nam altoos ter oplossing van twijfelachtige en ingewikkelde zaken tot den tabernakel zijne toevlucht en

95

-ocr page 112-

ui boek.

zocht hulp in het gebed, om uit de gevaren en de kwaadwilligheid der nienschen gered te worden.

Zoo ook moet gij uw toevlucht nemen tot de geheime kamer uws harten, om den goddelijken bijstand vurig af te smeeken.

Want wij lezen dat Jozuc en de kinderen Israels door de Gabaonietcn zijn misleid geworden, omdat zij niet te voren den mond des Heeren om raad hadden gevraagd, maar vleiende taal te licht gcloovendc, zich door valsch mededoogen lieten verleiden.

NEGEN EiN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men zich aan (jeene overdrcvcne bezorgdheid mar) overrjcven.

De Heer. Mijn zoon! vertrouw mij altoos uwe zaak toe; Ik zal op zijnen tijd wel alles beschikken.

Wacht mijne beschikking af, en gij zult daarbij voordeel vinden.

De Geloovige. Heer! gaarne genoeg vertrouw ik U alle zaken toe: want mijne overlegging kan weinig baten.

O, mocht ik aan toekomende gebeurtenissen niet veel hechten, maar mij bereidwillig aan uw welbehagen overgeven!

De Heer. Mijn zoon! dikwijls is de mensch zeer bekommerd over iets, dat hij verlangt; maar heeft hij het verkregen, hij begint er anders over te denken; want de neigingen blijven niet altoos bij hetzelfde, maar drijven eer van het cene tot het andere.

Het is dus niet gering, ook in het geringste zichzelven te verloochenen.

\'s Menschen ware voortgang bestaat in zelfverloochening, en een zichzelven verloochenend mensch is zeer vrij en veilig.

Maar de oude vijand, al bet goede wederstrevende, laat niet af te bekoren, maar legt dag en nacht gevaarlijke lagen, om den onbehoedzame in zijn bedrieglijk net te kunnen verstrikken.

Waakt en bidt, zegt de Heer, opdat (jij niet in behoring komi. (Matth. 26)

VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat de mensch uit zichzelven niets goeds heeft en over niets kan roemen.

De Geloovige. Heer! wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt? of des nienschen zoon, dal Gij hem bezoekt? (Ps. 8)

Welke verdienste heeft de mensch, dal Gij hem uwe genade bewijst?

Heer! hoe kan ik klagen, als Gij mij verlaat? of wat kan ik

96

-ocr page 113-

40 HOOFDSTUK.

billijk, inbrengen, wanneer Gij niet doet hetgeen ik verzoek?

Ja zeker, dit kan ik met waarheid denken en zeggen: Heer! ik ben niets, ik kan niets, ik heb niets goeds van mijzelven, maar schiet in alles te kort en streef altoos naar het niet. En zoo Gij mij niet helpt en inwendig versterkt, word ik geheel lauw en los.

Maar gij, o Heer! zijl altoos dezelfde, (Ps. 101) en blijft eeuwig, altoos goed, rechtvaardig en heilig, alles doende met goedheid, rechtvaardigheid en heiligheid, en alles met wijsheid beschikkende.

Maar ik, die meer overhel tot afwijking dan tot vordering, blijf niet lang in denzelfden staat volharden: want ik ben veelvuldige verandering onderhevig.

Nochtans wordt het ras beter, als het U behaagt en Gij de behulpzame hand biedt: want Gij alleen kunt zonder menschélijke hulp helpen en zóo versterken, dat mijn gelaat niet meer gedurig verandere, maar dat mijn hart tot U alleen zich wende en in ü alleen ruste.

Daarom, wist ik allen menschelijken troost te verwerpen, hetzij ter verkrijging van godsvrucht, hetzij uit noodzakelijkheid, die mij dwingt U te zoeken, daar geen menseh mij troosten kan; dan zoude ik terecht op uwe genade kunnen hopen en mij verblijden over het geschenk eener nieuwe vertroosting.

ü zij dank, van wien alles komt, zoo dikwijls het mij wèl gaat.

Ik immers ben voor uw aanschijn ijdelheid en niets, een onstandvastig en zwak menseh.

Waarop kan ik dan roemen? Of waarom wensch ik te worden geroemd? Om.een niet? dat ware de grootste ijdelheid.

Waarlijk, de ijdele roemzucht is eene erge pest, eene zeer groote dwaasheid: want zij trekt af van den waren roem en berooft van de hemelsche genade.

Want zoolang de menseh zichzelven behaagt, mishaagt hij ü, en zoolang hij jaagt naar menschenlof, is hij van ware deugd beroofd.

Maar de ware roem en heilige blijdschap is in ü te roemen en niet in zichzelven, zich te verheugen in uwen naam, niet in eigen deugd, en geen genoegen in eenig schepsel te nemen tenzij om U.

U\\v naam worde geloofd, niet de mijne; uw werk worde verheerlijkt, niet het mijne; uw heilige naam worde gezegend, maar mij worde van \'s menschen lof niets toegeëigend.

Gij zijt mijn roem, Gij de vreugde mijns harten. In U zal ik roemen en mij verblijden den gebeden dag; doch voor mij is geen mem dan in mijne zwakheden. (2 Cor. 12)

Dat de Joden roem van elkander zoeken; ik zal dien zoeken, welke alleen van God is.

97

7

-ocr page 114-

til BOEK.

Want alle menschelijke roem, alle lijdelijke eer, alle wereldsche grootheid, vergeleken bij uwe eeuwige heerlijkheid, is ijdelheid en dwaasheid.

o Mijne waarheid en barmhartigheid! mijn God! gelukzalige Drievuldigheid U alleen zij lol\', eer, kracht en heerlijkheid lot in de eindelooze eeuwen der eeuwen.

EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de versmadin;/ van alle lijdelijke eer.

De Heer. Mijn zoon! trek het u niet aan als gij anderen vereerd en verhoogd ziet, maar uzelvon veracht en vernederd.

Verhef uw hart hemelwaarts tol Mij, en het zal u niet bedroeven op aarde van de menschen veracht te worden.

De Geloovige. Heer! wij zijn verblind en worden ras door de ijdelheid verleid.

Wanneer ik mijzelven recht beschouw, dan is mij nog nooit door eenig schepsel onrecht gedaan; derhalve heb ik ook geen reden om mij voor U le beklagen.

Integendeel, omdat ik tegen U dikwijls en zwaar gezondigd heb, wapent zich met rcebt alle schepsel tegen mij.

Mij komt dus terecht smaad en verachting toe! maar U lof, eer en heerlijkheid.

En tenzij ik mij daartoe bereide om gaarne van alle schepsel veracht, verlaten en volstrekt voor niets gehouden le worden, kan ik niet inwendig bevredigd en bevestigd, noch naar den geest verlicht, noch volkomen met U vereenigd zijn.

TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men zijnen vrede niel bij de menschen moet zoeken.

De Heer. Mijn zoon! indien gij uwen vrede op eenig mensch bouwt, omdat hij met u van éen gevoelen is en met u wèl weet le leven, gij zult onbeslendig en onrustig zijn.

Maar neemt gij uwe toevlucht lot de steeds levende en bestendige waarheid, geene scheiding of dood van een vriend zal u bedroeven.

In Mij moet de liefde van eenen vriend gevestigd zijn, en om mijnentwil moet gij beminnen een ieder, die u als goed voorkomt en in dit leven bijzonder dierbaar is.

Zonder Mij is geene vriendschap goed noch duurzaam; en het is geene ware en reine liefde, waarvan Ik niet den band vorme.

Gij moet soortgelijke genegenheden voor geliefde personen zóo afgestorven zijn, dat gij, wat u aangaat, allen omgang met menschen zoudt willen derven.

98

-ocr page 115-

43 HOOFDSTDK.

Hoe verder een mensch zich van allen aardschen troost verwijdert, hoe meer hij God nadert.

Ook hoe dieper hij in zich nederdaalt en hoe geringer hij bij zichzelven wordt, hoe hooger hij tot God opklimt.

Maar wie zichzelven iets goeds toeschrijft, belet Gods genade tot hem te komen: want de genade des Heiligen Geestes zoekt altoos een nederig hart.

Wist gij u volkomen te vernietigen en van alle liefde tot het geschapene te ontledigen, Ik zoude in u met groote genade nederdalen.

Wanneer gij uw oog op de schepselen vestigt, wordt u de aanblik des Scheppers onttrokken.

Leer u in alles, om des Scheppers wil, overwinnen; dan zult gij tot de kennis van God kunnen komen.

Al wat ongeregeld bemind of begeerd wordt, hoe gering het ook zij, houdt van het hoogste goed af en besmet.

DRIE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Tegen de ijdele wetenschap der wereld^

De Heer. Mijn zoon! laat u niet vervoeren door de sehoone en spitsvondige redenen der menschen, want niet in woorden maar in kracht is hel Godsrijk. (I Cor. 4)

Let op mijne woorden, die het hart ontsteken en den geest verlichten; die het gemoed vermorzelen en velerhande troost verschaifen.

Lees nooit iets om geleerder en wijzer te kunnen schijnen, maar leg u toe om uwe gebreken te dooden. Uit zal u meer nut doen, dan de kennis van vele moeilijke vraagstukken.

Na veel gelezen en verstaan te hebben, moet gij altoos tot \'t eenige grondbeginsel terugkomen.

Ik ben \'t die den mensch welenschap leer, (Ps. 93) en aan de kleinen helderder doorzicht geef, dan men van menschen bekomen kan.

Hij, tot wien Ik spreek, zal ras wijs zijn en in den geest grooten voortgang maken.

Wee hun, die naar vele vreemde dingen onderzoek doen bij de menschen, en er zich weinig over bekommeren hoe zij Mij moeten dienen.

De tijd zal komen dat de Meester der meesters, Christus, de Heer der Engelen, verschijnen zal om allen de les te over-hooren, dat is, om elks geweten te onderzoeken.

En dan zal Jeruzalem met fakkelen worden doorzocht; (Soph. I) dan zal hetgene in de duisternis verborgen was, aan het licht komen, en de menschelijke redeneeringen zullen verstommen. (1 Cor. 4)

Ik ben \'t die den nederigen geest in een oogenblik zoo

99

-ocr page 116-

III BOEK.

verhef, dat hij van de eeuwige waarheid meer begrijpt, dan wanneer hij zich tien jaren lang in de scholen geoefend hadde.

Ik onderwijs zonder gedruisch van woorden, zonder verwarring van gevoelens, zonder eerzucht, zonder redetwist.

Ik ben \'t die leer het aardsche verachten, van \'t tegenwoordige walgen, naar \'t eeuwige zoeken, \'t eeuwige smaken, eerbetoon vluchten, ergernis dragen, alle hoop op Mij stellen, niets buiten Mij begeeren en Mij boven alles vurig beminnen.

Want door Mij innig te beminnen, leerde iemand het goddelijke kennen en daarover wonderlijk spreken.

Door alles te verlaten vorderde hij meer dan door zich op spitsvondigheden toe te leggen.

Maar sommigen nu zeg Ik gewone, sommigen buitengewone zaken; sommigen openbaar Ik Mij zachtelijk, door teekenen en beelden; aan anderen stel Ik de geheimen in een groot licht voor.

üe stem der boeken is wel dezelfde, maar zij onderwijst niet allen gelijkelijk: want Ik ben de inwendige leeraar der waarheid, de doorzoeker des harten, de kenner der gedachten, \' de bevorderaar der daden, een ieder gevende wat Ik billijk acht.

VIER EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men zich hel uitwendige niet moet aantrekken.

De Heer. Mijn zoon! omtrent vele dingen moet Gij onwetend blijven en u aanzien als een doode op aarde, voor wien de geheele wereld gekruisigd is.

Ook moet gij veel met doove ooren voorbijgaan, en liever denken aan hetgeen uwen vrede bevordert.

Het is nuttiger de oogen af te wenden van hetgeen mishaagt en een ieder zijn gevoelen te laten, dan zich met woordentwisten op te houden.

Zoo gij wel staat met God en op zijn oordeel ziet, zult gij te lichter verdragen overwonnen te zijn.

De Geloovige. Ach, Heer! waartoe zijn wij gekomen! Zie, om een tijdelijk verlies weent men; men arbeidt en draaft om eenc. geringe winst, en geestelijke schade vergeet men, en nauwelijks komt men laat daarop terug.

Men let op hetgeen weinig of in \'t geheel geen nut doet, en \'t hoogst noodzakelijke loopt men nalatig voorbij.

Want de mensch geeft zich geheel aan \'t uitwendige over, en tenzij hij zich ras bezinne, blijft hij gaarne in \'t uitwendige liggen.

100

-ocr page 117-

45 HOOFDSTDK.

VIJF EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Vat men niet aan allen geloof mag geven, en over het licht struikelen in woorden.

De Geloovige. Schenk Gij, o Heer! otIs redding uil den nood: want menschenhulp is ijdelheid. (Ps. 59)

Hoe dikwijls vond ik gecne trouw, waar ik ze dacht te vinden!

Hoe dikwijls vond ik ze ook, waar ik \'t niet vermoedde!

IJdel is dus de hoop op menschen: bij U, o God! is der rechtvaardigen heil.

Wees Gij dan, Hcere mijn God! gezegend in alles, wat ons overkomt. Wij zijn zwak cn onbestendig; licht worden wij bedrogen en veranderen wij.

Wie is de man, die zich in alles zoo omzichtig en behoedzaam weet te gedragen, dat hij niet somtijds tot ecnigc misleiding of verlegenheid vervalle?

Maar wie, o Heer! op U vertrouwt en U met een eenvoudig hart zoekt, valt zoo licht niet.

En al komt hij in eenig lijden, op welk eene wijze hij ook in verwikkelingen gerake, hij zal toch schielijk door ü gered of vertroost worden: want Gij verlaat dengene niet, die op U ten einde toe vertrouwt.

Zeldzaam is een trouwe vriend, die bij al de rampen zijns vriends standvastig blijft.

Gij, o Heer, Gij alleen zijt in alles de allergetrouwste en buiten U is er zoo geen. .

O, hoe recht wijs was die heilige ziel, welke zeide: mijn hart is bevestigd en in Christus gegrondvest! (S. Agatha)

Ware het zoo met mij gesteld, gecne menschenvrees zoude mij zoo licht kwellen en geenc bitse woorden mij ontroeren.

Wie kan alles voorzien? Wie de toekomende rampen voorkomen ?

Zoo ook hetgeen men voorzag dikwijls grieft, hoe zwaarder zal niet het onvoorziene treffen?

Maar waarom heb ik mij ellendige niet beter verzorgd? Waarom ook heb ik anderen zoo licht geloofd?

Maar wij zijn menselien en niets meer dan brooze mensehen, al worden wij ook door velen als Engelen aangezien en aldus genoemd.

Wien dan, o Heer, zal ik gelooven? Wien anders dan ü? Gij zijt de Waarheid die niet bedriegt, noch bedrogen kunt worden.

Daarentegen is alle mensch leugenachtig, (Ps. 115) zwak, onbestendig en licht struikelende, vooral in woorden, zoodat men zelfs nauwelijks aanstonds gelooven mag, hetgeen op het eerste oogenblik als klaarblijkelijk schijnt te klinken.

i01

-ocr page 118-

III BOEK.

Hoe wijselijk hebt Gij vermaand zich voor de menschen te wachten, en dat ook \'s menschen huisgenooten zijne vijanden zijn; (Matth. 40) en dat men niet gelooven moest zoo iemand zeide: Zie, hier of daar is hij! (Matth. 24)

Door mijne schade heb ik geleerd, en ach, mocht het mij zijn tot grootere voorzichtigheid en niet tot nieuwe dwaasheid.

»Wees omzichtig,quot; zegt iemand, «wees omzichtig; houd voor u wat ik u zeg.quot; En terwijl ik zwijg en het verborgen acht, kan hijzelf niet zwijgen hetgeen hij gebood te zwijgen; maar aanstonds verraadt hij mij en zichzelven en gaat henen.

Behoed mij, o Heer! voor zulke snapachtige en onvoorzichtige menschen; dat ik niet in hunne handen valle, of ooit zelf zoo handele.

Leg in mijnen mond ware en onveranderlijke woorden en geef mij een grooten afkeer van eene arglistige tong.

Wat ik zelfs niet wil dulden, moet ik alleszins vermijden.

o, Hoe goed en vredebevorderend is het van anderen te zwijgen en niet onverschillig alles te gelooven, noch te licht le verspreiden, zich bij weinigen uit te laten en steeds naar IJ, den kenner des harten, om le zien; zich niet door allen wind van woorden te laten omvoeren, maar te wenschen dal, al hetgeen in en buiten ons is naar \'t welbehagen van uwen wil geschiede !

Hoe veilig is het ter bewaring van de hemelsche genade de vertooning onder de menschen te ontwijken, niet te verlangen naar hetgeen van buiten bewondering schijnt te baren, maar met alle vlijt datgene na te jagen, wat verbetering van leven en ijver bevordert!

Hoevelen was het schadelijk dat hunne deugd bekend en te vroeg geprezen werd!

Hoe nuttig daarentegen de genade stilzwijgend te hebben bewaard in dit gebrekkige leven, dat geheel in bekoring en strijd wordt doorgebracht.

ZES EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dal men bij scherpe woorden op God moet vertrouwen.

De Hker. Mijn zoon! sta vast en hoop op Mij: wat toch zijn woorden dan woorden? Zij vliegen door de lucht, maar bewegen eenen steen niet.

Zijt gij schuldig, denk dat gij u gaarne beteren wilt.

Zijt gij u niets bewust, denk dat gij dit gaarne voor God wilt verdragen.

Het is weinig genoeg dat gij somtijds woorden verdraagt, gij, die nog geene zwaardere slagen kunt verduren.

102

-ocr page 119-

46 HOOFDSTUK.

En waarom treffen u zulke kleinigheden tot in het hart, tenzij omdat gij nog vleeschelijk zijt en meer let op de menschen dan behoort: want omdat gij vreest veracht te worden, wilt gij u niet over uwe verkeerdheden laten berispen, en zoekt gij de schaduw der verontschuldiging.

Maar beschouw uzelven beter, en gij zult erkennen dat de wereld nog in u leeft en de ijdele zucht om den menschen te behagen.

Want, dat gij niet wilt vernederd noch over uwe gebreken beschaamd worden, bewijst dat gij noch waarlijk nederig zijt, noch der wereld recht afgestorven, noch dat de wereld voor u gekruisigd is.

Maar hoor naar mijn woord, en gij zult u aan geen tienduizend woorden van menschen storen.

Zie, al wierd tegen u gezegd alles wat men boosaardigst verzinnen kan, wat nadeel zou \'t u doen, zoo gij \'t liet voorbijgaan en \'t niet meer dan een strootje teldet? Zoude het u ook éen haartje kunnen uittrekken?

Maar wie zijn hart niet ingekeerd noch God voor oogen heelt, wordt licht door een smaadwoord ontroerd.

Doch die op Mij vertrouwt en niet op zijn eigen gevoelen wil staan, zal zonder menschenvrees zijn.

Want Ik ben de rechter en kenner van alle geheimen. Jk weet hoe de zaak is geschied; Ik ken den beleediger en dien het verdraagt.

Van Mij is dat woord uitgegaan, door mijne toelating is dat geschied, opdal de gedachten van veter harten zouden geopenbaard worden. (Luc. 2)

Ik zal den schuldige en den onschuldige oordeelen; maar beiden wilde ik eerst door een heimelijk oordeel beproeven.

Der menschen getuigenis bedriegt dikwijls; mijn oordcel is waarachtig; hel zal standhouden en niet omvergeworpen worden.

Meestal is het verborgen en bij weinigen tot in het bijzondere gekend; het faalt nochtans nimmer en kan ook niet falen, al schijnt het in der dwazen oog niet billijk.

Bij alle oordeel dan moet men zijne toevlucht lot Mij nemen en nooit op eigen goeddunken steunen.

Want de rechtvaardifie zal niet gestoord worden, wat hem ook van Gods wege ouerkome. (Prov. 10)

En al wordt iels ten onrechte tegen hem ingebracht, hij zal zich dal niet veel aantrekken.

Maar ook zal hij zich niet ijdel verblijden, al wordt hij door anderen verschoond.

Want hij overweegt dal Ik, die harten en nieren doorzoek, (Apoc. 2) niet oordeel naar het uiterlijke van den mensche-lijken schijn.

Want vaak wordt in mijne oogen berispelijk bevonden, wat naar het oordeel der mensehen loffelijk gehouden wordt.

i03

-ocr page 120-

iii boek.

De Geloovige. Heeremijn God! rechtvaardige Rechter! machtige, lankmoedige! die der menschen broosheid en bedorvenheid kent, wees mijne sterkte, mijn gansch vertrouwen: want mijn geweten is mij niet genoeg.

Gij weet wat ik niet weet; en daarom moet ik mij bij alle berisping vernederen en ze zachtmoedig verdragen.

Vergeef het mij ook genadig, zoo dikwerf ik mij niet zoo gedragen heb, en geef mij weder de genade van een grooter geduld.

Want uwe overvloedige barmhartigheid baat mij meer ter verkrijging van vergiffenis, dan mijne ingebeelde gerechtigheid ter verdediging van een verborgen geweten.

En al ben ik mij niets bewust, toch zoude ik mij daarom niet kunnen rechtvaardigen; want buiten uwe barmhartigheid zal niemand die leeft voor uw aangezicht rechtvaardig zijn. (Ps. 142)

ZEVEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men alle lijden om het eeuwige leven moet verdragen.

De Heer. Mijn zoon! laat u niet ontmoedigen door den arbeid dien gij om mijnentwil op u genomen hebt, en dat geene kwellingen u ooit ternederslaan; maar dat mijne belofte bij alle voorvallen u troosle en versterke.

Ik ben genoegzaam om u te vergelden boven alle maat en grenzen.

Gij zult hier niet lang arbeiden, noch altoos door smart gedrukt worden.

Wacht een weinig, en dra zult gij het einde uwer kwalen zien.

Eens zal een tgd komen, dat alle arbeid en onrust zal ophouden.

Gering en kort is alles, wat voorbijgaat met den tijd.

Doe wèl hetgeen gij doet; arbeid getrouw in mijnen wijngaard: Ik zal uw loon zijn.

Schrijf, lees, zing, zucht, zwijg, bid en draag de tegenheden moedig: het eeuwige leven is dit alles en grooter strijd waardig.

Eens zal de vrede komen op een dag den Heere bekend, en het zal geen dag met een nacht zijn gelijk van dezen tijd, maar een eeuwig licht, eindelooze klaarheid, vaste vrede en verzekerde rust.

Dan zult gij niet zeggen; Wie zal mij verlossen uit dit lichaam des doods? (Rom. 7) noch roepen; Ach mij! dat mijne vreemdelingschap zoolang duurt. (Ps. 119)

Want de dood zal vernietigd worden en de zaligheid onafgebroken zijn; geenerlei angst doch volmaakt genoegen in een liefelijk en schitterend gezelschap.

o, Hadt gij de onverwelkbare kronen der Heiligen in den hemel

104

-ocr page 121-

48 HOOFDSTUK.

gezien, alsook in welke heerlijkheid zij nu juichen, die weleer in deze wereld versmaad, ja als het leven onwaardig geacht werden — waarlijk gij zoudt u terstond tot in het stof vernederen en liever trachten aan allen onderworpen te zijn, dan over een enkelen gesteld te wezen.

Ook zoudt gij in dit leven geene blijde dagen begeeren, maar liever u in lijden om Gods wil verblijden, ja het voor een zeer groot gewin houden bij de inenschen als niets geacht te worden.

o, M o c h t gij hierin smaak vinden en het diep tol in uw hart doordringen, hoe zoudt gij ook maar een enkele maal durven klagen?

Moet men niet om bet eeuwige leven allen arbeid verdragen?

Het is geen kleinigheid hel rijk Gods te verliezen of te winnen.

Hef dan uw aangezicht naar den hemel. Zie Mij daar en al mijne Heiligen met Mij, die in deze wereld een zwaren strijd gehad hebben. Thans verheugen zij zich, thans worden zij veilig, thans rusten zij en zullen zonder einde met Mij in het rjjk mjjns Vaders verblijven.

ACHT EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over den dag der eeuwigheid en de ellenden van dit leven, Q

1)e Geloovige. o Allerzaligst verblijf der hemelsche Stad! o allerhelderste dag der eeuwigheid, dien geen nacht verduistert, maar de opperste Waarheid steeds bestraalt; altoos blijde dag, altoos veilig en nooit van staat veranderende!

ü, ware die dag reeds aangebroken en hadde al hel tijdelijke een einde genomen!

Voor de Heiligen ja, schittert by met eeuwigen, luistervollen glans; maar niet dan van verre en door een spiegel voor ons reizigers op aarde.

üe burgers des hemels welen hoe zalig dal alles is; de zonen van Eva zuchten over het bittere en vervelende van hunne ballingschap.

De dagen dezes tijds zijn weinig en boos, vol van smart en kommer; als waarin de menscb door velerlei zonden besmet, door velerlei driften verstrikt, door velerlei vrees gejaagd, door velerlei zorgen gesprangd, door velerlei nieuwsgierigheid verstrooid, in velerlei ijdelbeden gewikkeld, door velerlei dwalingen omgeven, door velerlei arbeid afgemat, door bekoringen gedrukt, door wellust ontzenuwd, door gebrek gepijnigd wordt!

o, Wanneer zal het einde van deze rampen zijn? Wanneer zal ik van de ellendige slavernij der zonden verlost worden?

Wanneer, o lieer! zal ik alleen uwer gedenken, wanneer mij volkomen in U verblijden?

103

-ocr page 122-

III BOEE.

Wanrifeer zal ik zonder eenigen hinder in ware vrijheid zijn, vrij van alle bezwaar naar geest en lichaam?

Wanneer zal er vaste vrede zijn, een onverstoorbare en zekere vrede, vrede van binnen en van buiten, een van alle zijden gevestigde vrede ?

Goede Jezus! wanneer zal ik voor U slaan om U te zien? Wanneer zal ik de heerlijkheid van uw rijk aanschouwen? Wanneer zult Gij mij alles in alles zijn ?

o, Wanneer zal ik met U zijn in uw rijk, hetwelk üij voor uwe geliefden van eeuwigheid hebt bereid!

Ik ben arm gelaten en een balling in een vijandig land, waar dagelijksebe strijden en zeer groote rampspoeden zijn.

Vertroost mijne ballingschap, verzacht mijne smarten; want al mijn verlangen hijgt naar ü, omdat alles wat de wereld troostrijks aanbiedt, mij geheel tot last is.

Ik verlang ü inniglijk te genieten; maar ik kan er nie\'t toe komen!

Ik wensch mij aan het bemelsche te hechten; maar de tijdelijke zaken en onverstorven driften trekken mij terneder.

Met den geest wil ik over alles heerschen; maar door het vleesch word ik mijns ondanks tot onderwerping gedwongen.

Zoo ben ik, ongelukkig mensch! met mijzelven in strijd en ben mijzelven tot last geworden, daar de geest naar boven, en het vleesch naar beneden wil.

Ach! wat lijd ik inwendig, ais ik met den geest het hemelsehe overweeg, en ras een drom van vleesehelijke gedachten mij onder het bidden bestormt!

Mijn God! wees niet ver van mij (Ps. 70) en wijs uwen dienst-knecht niet af in uwen loom. (Ps. 20)

Schiet uwe bliksems, en verdrijf ze, zend uwe pijlen af (Ps. 143) en dat alle ingevingen des vijands verstrooid worden.

Vestig al mijn zinnen weer op U, doe mij al bet wereldsche vergeten; geef dat ik dadelijk de zondige voorstellingen afwijze en verachte.

Eeuwige Waarheid! help mij, opdat geene ijdelheid mij ontroere.

Kom neder, hemelsehe zoetheid! en dat alle onreinheid voor uw aanschijn vliede.

Vergeef mij ook en verschoon mij genadig zoo dikwijls ik in het gebed aan iets anders dan aan ü denke.

In waarheid, ik beken dal ik gewoonlijk zeer verstrooid ben.

Want veeltijds ben ik niet daar, waar ik lichamelijk sta of zit; maar veeleer ben ik daar werwaarts de gedaciiten mij voeren.

Ik ben daar, waar mijne gedaehte is; en mijne gedachte is doorgaans daar, waar is hetgeen ik bemin.

Datgene vertoont zich terstond aan mij, wat mij natuurlijk behaagt of door gewoonte bevalt.

106

-ocr page 123-

49 hoofdstuk.

Daarom hebt Gij, o Waarheid! duidelijk gezegd: Waar uw schat is, daar is ook uw hart. (Matth. 6)

Bemin ik den hemel, ik denk gaarne aan liet hemelsche; bemin ik de wereld, ik verblijd mij over haren voorspoed en bedroef mij over haren tegenspoed.

Bemin ik het vleeseb, ik denk dikwijls aan hetgeen des vleesehes is; bemin ik den geest,ik vind vermaak in geestelijke overdenkingen.

Want van hetgeen mij lief is, daarvan spreek ik en boor ik gaarne, en draag ervan de beelden met mij naar buis.

Maar gelukkig de mensch die om uwentwil o Heer! aan alle sebepselen vaarwelzegt, die der natuur geweld aandoet en door den ijver des geestes de lusten des vleesehes kruisigt; opdat hij met een kalm geweten U reine gebeden opdrage, en zoowel van binnen als van buiten al bet aardsche uitgesloten hebbende, waardig zij tot de reien der Engelen te worden toegelaten.

NEGEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Over het verlangen naar het eeuwige leven; en hoe groole\' goederen den strijders beloofd zijn.

Du Heer. Mijn zoon! wanneer gij u van boven het verlangen naar de eeuwige gelukzaligheid voelt ingestort en wenscht de tente des liehaams te verlaten, opdat gij mijnen glans zonder sehaduwe van verwisseling moogt aanschouwen, verwijd dan uw hart en neem deze heilige ingeving met alle begeerte op.

Betuig den ruimsten dank aan de hoogste goedheid, die dus genadig met u handelt, u zoo goedig bezoekt, zoo vurig opwekt, zoo krachtig ondersteunt, opdat gij niet door eigen zwaarte naar het aardsche moogt ncderzinken.

Want dit hebt gij niet aan eigen beleid of poging te danken, maar alleen aan de gunst der hemelsche genade en van den aanblik Gods; opdat gij in deugden en meerderen ootmoed zoudt vorderen, u tol toekomende strijd bereiden en u toeleggen om Mij uit al de neiging uws harten aan te hangen en met brandenden ijver te dienen.

Mijn zoon! veeltijds brandt het vuur, maar de vlam stijgt niet op zonder rook.

Zoo ook branden sommigen van verlangen naar het hemelsche, en nochtans zijn zij niet vrij van de bekoring eener vleescbelijke begeerlijkheid.

Daarom gaan zij niet geheel zuiver om Gods wil alleen te werk in hetgeen zij van Hem zoo vurig afsmeeken.

En dusdanig is ook dikwijls uw verlangen, hetwelk volgens uwe verklaring u zoozeer kwelt.

Want al wat met eigenbelang is besmet, is noch zuiver noch volmaakt.

107

-ocr page 124-

III BOEK,

Vraag dan niet hetgeen u genoeglijk en voordeelig is, maar wat Mij hehaagt en verheerlijkt.

Want zoo gij recht oordeelt, moet gij Mijne beschikking boven uw verlangen, ja boven al het verlangde, stellen en najagen.

Ik ken uw verlangen en Ik heb uwe menigvuldige verzuchtingen gehoord.

Gij zoudt reeds in het bezit der vrijheid, der heerlijkheid van Gods kinderen willen zijn; gij schept reeds behagen in het eeuwige huis, in het heinelsch vreugdevol vaderland.

Maar die uur is nog niet gekomen; thans is het een andere tijd, te weten, een tijd van strijd, een tijd van arbeid en beproeving.

Gij wenscht met het hoogste goed verzadigd te worden; maar daartoe kunt gij nog niet komen.

Ik ben dal goed. Wacht op Mij, zegt de Heer, totdat het Godsrijk koiue.

Gij moet nog op aarde beproefd en in vele dingen geoefend worden.

Nu en dan zal u troost gegeven, maar geene volkomen verzadiging vergund worden.

Versterk u clan en houd moed, (Jos. 1) zoo om te doen als om te lijden, hetgeen der natuur legenslaat.

Gij moei den nieuwen tnensch aandoen (Eph. 4) en in een ander man veranderd worden.

Dikwijls moet gij doen wat gij niet wilt, en laten wat gij wilt.

Wat anderen behaagt, zal wèl slagen; wat u behaagt, zal niet gelukken.

Wat anderen zeggen, zal gehoor vinden; wat gij zegt, als niets geacht worden.

Anderen zullen vragen en verkrijgen; gij zult vragen en niet bekomen.

Anderen zullen groot zijn in den mond der mensehen, maar van u zal men zwijgen.

Aan anderen zal dit of dat worden toevertrouwd, maar u zal men tot niets geschikt achten.

Daarover zal de natuur zich somtijds bedroeven, en het zal u groot voordeel doen, als gij het zwijgende verdraagt.

In dit en meer dergelijks wordt de getrouwe dienstknecht des Heeren doorgaans beproefd, hoeverre hij zich zal kunnen verzaken en in alles breken.

Er is nauwelijks iels, waarin gij u zoo moei afsterven, als in het zien en dulden van hetgeen mei uwen wil strijdt, vooral wanneer er dingen bevolen worden, die u onvoegzaam en min nuttig schijnen.

En daar gij, onder een ander slaande, geen hooger gezag durft wederstreven, daarom schijnt het u hard u naar den

108

-ocr page 125-

50 hoofdstuk.

wenk eens anderen te schikken en alle eigen gevoelen er aan te geven.

Maar, mijn zoon! overweeg de vrucht van dezen arbeid, het naderend einde ervan en de overgroole belooning, en gij zult geen last ontwaren, maar den allerkraclitigsten troost van uwe lijdzaamheid.

Want voor hel gewillig opgeven van uwen eigen wil in dit geringe, zult gij in den hemel altoos uwen wil hebben.

Daar toch zult gij alles vinden wat gij begeert, alles wat gij kunt verlangen.

Daar zult gij voorraad hebben van alle goed, zonder vrees van het te verliezen.

üaar zal uw wil, altoos met den Mijnen éen, niets vreemds noch bijzonders begeeren.

Üaar zal niemand zich tegen u verzetten, niemand over u klagen, niemand u hinderen, niets u in den weg staan; maar alles wat gij wenscht zal aanstonds daar zijn, en uwe geheele begeerte voldoen en op het volkomenst vervullen.

Daar zal Ik voor geleden smaad heerlijkheid, voor droefheid een eerekleed, voor dc laagste plaats eenen zetel in het eeuwige rijk wedergeven.

Daar zal dc vrucht der gehoorzaamheid blijken; daar zal dc smart der boetvaardigheid in vreugde veranderd en de nederige onderwerping heerlijk gekroond worden.

Buig u dan nu nederig onder de hand van allen, en let er niet op, wie dit gezegd of bevolen hebbe.

Maar zorg bijzonder daarvoor, dat gij, hetzij uw overste, hetzij uw mindere, hetzij uwsgelijke iels van u vraagt of verlangt, alles ten goede opneemt en het met oprechten wille tracht na te komen.

Dat de eene dit, de andere dat zoeke, de eene hierover en de andere daarover zich beroeme, en duizende en duizende malen worde geprezen, verheug gij u noch in het een noch in het ander, maar in de geringachting van uzelven en in het welbehagen en de verheerlijking van Mij alleen.

Dit moet gij wenschen, dat zoowel bij leven als bij sterven God altoos in u verheerlijkt worde.

VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Hoe in mistroostigheid de mensch zich in Gods hand moet overgeven.

De Geloovige. Heere God! Heilige Vader! wees nu en in eeuwigheid gezegend; want gelijk Gij wilt, dus is geschied, en wat Gij doet is goed.

Dat uw dienstknecht zich verheuge in U, niet in zichzelven

109

-ocr page 126-

III BOEK.

noch in iemand anders; want Gij alleen, o Heer! zijt de ware blijdschap, Gij mijne hoop en mijne kroon. Gij mijne vreugde en mijne eer.

Wat heeft uw dienstknecht, tenzij wat hij van U ontving, en wel zonder zijne verdienste?

Alles wat Gij gaaft, alles wat Gij deedt is het uwe.

Ik bm arm en in verdrukkingen van mijne jeugd af (Ps. 87) en mijne ziel bedroeft zich somtijds tot weenens toe; dikwijls ook wordt zij in zichzelve ontroerd wegens het lijden dat haar dreigt.

Ik verlang naar de vreugde des vredes; ik smeek om den vrede uwer kinderen, die door ü met het licht van uwen troost worden verkwikt.

Indien Gij den vrede schenkt, indien Gij mij de heilige vreugde instort, dan zal de ziel van uwen dienstknecht vol gejuich zijn en U vurig loven.

Maar onttrekt Gij ü, gelijk Gij zeer dikwijls gewoon zijt, dan kan hij in den weg uwer geboden niet wandelen; maar veeleer buigt hij de knieën om zich op dc borst te shan, omdat het met hem niet meer gesteld is gelijk gisteren en eergisteren, toen uw licht scheen over zijn hoofd, en hij onder dc schaduwe uwer vleugelen tegen de aanvallen der bekoringen gedekt was,

Rechtvaardige en altoos prijzenswaardige Vader! het uur is gekomen dat uw dienstknecht beproefd zal worden.

Uinnenswaardige Vader! het is billijk dat uw dienstknecht in dit uur voor U iets lijde.

Immer aanbiddelijke Vader! het uur is gekomen, door ü van eeuwigheid voorzien, dat uw dienstknecht naar het vleesch voor een weinig tijds bezwijke, maar naar den geest voortdurend bij U leve.

Hij moet een weinig bij de menschen gering geacht, vernederd en ontmoedigd, door lijden en smarten vermorzeld worden, opdat hij met Ü in den dageraad van een nieuw licht weder verrijze en in den hemel verheerlijkt worde.

Heilige Vader! Gij hebt het zoo beschikt en zoo gewild, en het is geschied wat Gijzelf bevolen hebt.

Dit is toch voor uw vriend eene genade, in de wereld om uwentwil te lijden en verdrukt te worden, zoo menigmaal en door wien Gij dat laat geschieden.

Zonder uw raad en voorzienigheid en zonder reden geschiedt er niets op aarde.

Het is mij goed, o Heer! dat Gij mij vernederd hebt, opdat ik uwe gerechtigheden leere. (Ps. 118)

Het is mij nuttig dat schande mijn aangezicht bedekte, opdat ik liever bij U dan bij de menschen mijn troost zoeke.

Ook heb ik daaruit geleerd uw ondoorgrondelijk oordeel te yreezen, daar Gij den rechtvaardige met den boosdoener bedroeft, doch niet zonder recht en billijkheid.

no

-ocr page 127-

50 HOOFDSTUK.

Ik dank U dat Gij mijne verkeerdheden niet verschoond maar mij met zware slagen vermorzeld hebt, door mij smarten aan te doen en mij uit- en inwendig benauwdheden toe te voegen.

Van allen die onder den hemel zijn is er niemand die mij troosten kan, tenzij Gij, Heere mijn God, hemelsche arts der zielen, die slaat en heelt, grafwaarts voert en terugbrengt.

üwe tucht over mij en uwe roede zelve zal mij tot leering zijrs.

Zie, geliefde Vader! ik ben in uwe hand; ik buig mij onder de roede uwer kastijding.

Sla mijnen rug en mijnen nek, opdat ik mijn onbuigzamen wil naar uwen wil buige.

Maak van mij een vroom en nederig leerling, gelijk Gij zoo wèl weet te doen, opdat ik naar al uwe wenken wandele.

Ik geef mij en al het mijne ter verbetering aan ü over: het is beter hier dan hierna gestraft te worden.

Gij weet alles in \'t gemeen en in \'t bijzonder en niets is voor ü in \'s mensehen geweten verborgen.

Gij weet het toekomende eer het geschiedt, en Gij hebt niet, noodig dat iemand U onderwijze of berichte aangaande hetgeen op aarde gebeurt.

Gij weet wal tot mijnen voortgang dient en hoeveel de kwelling bijdraagt om den roest der ondeugden af te schuren.

Doe met mij naar uw wil en welbehagen; versmaad mij niet om mijn zondig leven, aan niemand beter en vollediger bekend dan aan U alleen.

Geef mij, o Heer! dat ik wete wat ik moet weten, beminnc wat ik moet beminnen; dat ik prijze wat ü meest behaagt; dat ik achte wat voor U kostbaar, verachte wat in uwe oogen verachtelijk is.

Duld met dat ik naar den uiterlijken schijn der oogen oor-deele, noch naar het hooren zeggen van onverstandige menschen vonnis veile; maar dat ik volgens een juist oordeel het zinnelijke en geestelijke onderscheide, en boven alles altoos den wil uws welbehagens betrachte.

Vaak laten de mensehen zich bij hun oordeel door de zinnen misleiden.

Ook bedriegen zich de beminnaars der wereld door alleen het zichtbare aan te hangen.

Hoe! is daarom een mensch beter, omdat hij door een menseh voor groot gehouden wordt?

Üe bedrieger misleidt den bedrieger, de ijdele den ijdele, de blinde den blinde, de kranke den kranke, als hij hem dus verheft, en door hem ijdelijk te prijzen onteert hij hein inderdaad te meer.

Immers, wat een mensch in uwe oogen is, zooveel is hij en niets meer, zegt de ootmoedige II. Franeiscus.

Ill

-ocr page 128-

iii boek.

EEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dal men zich op geringer werken moet toeleggen als men in verhevener le kort schiet.

De Heer. Mijn zoon! gij kunt niet altoos in het vurigst verlangen naar deugd volharden, noch u op den hoogsten trap van beschouwing staande houden; maar, wegens uwe oorspronkelijke bedorvenheid, moet gij somtijds tot het lagere afdalen en den last van dit gebrekkige leven, ook uws ondanks en met verdriet, dragen.

Zoolang gij het sterfelijke lichaam omdraagt, zult gij onlust gevoelen en bezwaar des harten.

Dus moet gij in het vleesch onder den last des vleesches dikwijls zuchten, omdat gij u niet onophoudelijk met geestelijke oefeningen en hemelsche beschouwingen kunt bezighouden.

Alsdan is het u nuttig tot mindere en uitwendige oefeningen uwe toevlucht te nemen en u in goede werken te verlustigen, met een vast vertrouwen mijne komst en hemelseh bezoek al\' te wachten, en uwe ballingschap en dorheid des geestes geduldig te verdragen, totdat gij weder door Mij bezocht en van allen angst bevrijd wordt.

Want Ik zal u uwen arbeid doen vergeten en inwendige, rust doen smaken.

Ik zal voor u de weiden der Schriften ontsluiten, opdat gij met een verruimd hart op den weg mijner geboden moogt beginnen te loopen.

En dan zult gij zeggen; het lijden van dezen tijd is niet le achten bij de toekomende heerlijkheid, welke aan ons zal worden geopenbaard. (Rom. 8)

TWEE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Men achle zich geen troost, maar eer straf waardig^

De Geloovige. Heer! ik ben noch uw troost noch eenig geestelijk bezoek waardig: daarom handelt Gij naar recht met mij, wanneer Gij mij arm en hulpeloos laat.

Want a! konde ik als eene zee van tranen storten, nog zoude ik uwen troost niet waardig zijn.

Dus verdien ik niets dan getuchtigd en gestraft te worden, omdat ik ü zwaar en dikwijls beleedigd heb en in vele dingen zeer misdaan.

Zoodat ik, alles wèl overwogen, zelfs den geringsten troost niet verdien.

Maar Gij, o genadige en barmhartige God! die niet wilt dat uwe werken vergaan, opdat gij den rijkdom uwer goedheid in

112

-ocr page 129-

52 HOOFDSTDE.

de vaten uwer barmhartigheid zoudt tentoonstellen, Gij verwaardigt U uwen dienstknecht, zelfs zonder eenige verdienste en boven alle raenschelijke mate, te troosten: want uwe vertroostingen zijn niet gelijk de troostredenen der menschen.

Wat heb ik dan, o Heer! gedaan, dat Gij mij eenigen hemelschen troost zoudt schenken?

Ik herinner mij niets goeds gedaan te hebben; maar wel dat ik altoos tot het kwade genegen en traag ter verbetering was.

Dat is de waarheid, en ik kan het niet ontkennen. Sprak ik anders. Gij zondt togen mij opstaan, en niemand zoude mij verdedigen.

Wat heb ik voor mijne zonden verdiend, tenzij de hel en het eeuwige vuur?

Ik belijde het oprechtelijk dat ik allen smaad en spot waardig ben, en dat \'t mij niet voegt onder \'t aantal uwer dienaren genoemd te worden.

En hoe ongaarne ik dit hoore, zoo wil ik toch naar waarheid tegen mijzelven mijne zonden belijden, opdat ik te eer bij ü barmhartigheid moge vinden.

Wat zal ik zeggen, schuldige die ik ben en geheel van schaamte bedekt.

Ik heb geen mond om te spreken dan dit eenig woord: ik heb gezondigd, o Heer! ik heb gezondigd; ontferm ü mijner, vergeef mij.

Gun mij nog een ooqenhlik, opdat ik mijne ellende beweene, eer ik henenga naar dat duistere land, omhuld met de schaduwe des doods. (Job 10)

Wat eischt Gij van zulk een schuldig en ellendig zondaar, dan dat hij zich met een vermorzeld hart om zijne zonden vernedere ?

Door de ware vermorzeling en vernedering des harten wordt de hoop op vergeving geboren, het ontrust geweten bevredigd, de verloren genade herwonnen, de mensch tegen den toekomenden toorn gedekt, terwijl God en de boetvaardige ziel elkander met een heiligen kus ontmoeten.

Der zondaren nederige vermorzeling is ü, o Heer! een welgevallig offer, voor uw aangezicht veel lieflijker riekende dan brandende wierook.

Zij is ook de aangename balsem, dien Gij over uwe heilige voeten hebt laten storten: want het vermorzeld en verootmoedigd hart hebt Gij nooit versmaad.

Daar is eene schuilplaats tegen de woede des vijands; daar wordt alles verbeterd en afgewasschen wat misdreven was en besmet.

113

8

-ocr page 130-

III BOEK.

DRIE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat Gods genade niet bestaanhaar is met aardschgezmdheid.

De Heer. Mijn zoon! kostbaar is mijne genade; zij laat zich niet met uitwendige dingen noch aardsche genoegens vermengen.

Gij moet dus afwerpen alles wat der genade hinderlijk is, indien gij wenscht dat zij u ingestort worde.

Zoek de afzondering, verkeer gaarne met u alleen, tracht naar het onderhoud met niemand, maar stort liever voor God een vurig gebed, opdat gij een vermorzeld hart en een rein geweten moogt behouden.

Acht de geheele wereld als niets; stel den omgang met God boven al het uitwendige.

Want gij kunt u niet met Mij bezighouden en te gelijk u in het vergankelijke verlustigen.

Gij moet u van uwe bekenden en vrienden verwijderen en uwen geest van allen tijdelijken troost vrijhouden.

Zoo toch vermaant de Heilige Apostel Petrus de geloovigen van Christus, dat zij zich in deze wereld als reizigers en vreemdelingen onthouden [van de lusten des vleesches, die tegen de ziel strijden.) (1 Petr. 2)

o, Welk een vertrouwen zal een stervende hebben, die door geenerlei gehechtheid aan iets in de wereld teruggehouden wordt!

Doch dus het hart van alles los te houden, bevat een krank gemoed nog niet; evenmin als een zinnelijk menseh de vrijheid van den inwendigen mensch kent.

Nochtans wil hij waarlijk naar den geest leven, hij moet zoowel van het afgelegene als nabijzijnde afzien en zich voor niemand meer wachten dan voor zichzelven.

Hebt gij uzelven volkomen overwonnen, te lichter zult gij het overige tenonderbrengen.

Over zichzelven te zegevieren is de volkomenste zegepraal.

Wie nu zichzelven zóo onderworpen houdt, dat de zinlijkheid aan de rede en de rede in alles aan Mij gehoorzaamt, die is in waarheid overwinnaar van zichzelven en heer der wereld.

Wilt gij tot dat toppunt klimmen, gij moet met mannenkracht aan het werk gaan en de bijl aan den wortel zetten, om uit te roeien en te verdelgen alle verborgen ongeregelde neiging tot uzelven en tot alle bijzonder en stoffelijk goed.

Want aan dit gebrek, dat de mensch zichzelven te ongeregeld bemint, hangt bijna alles, wat hij tot den wortel toe heeft te overwinnen.

Heeft hij dat kwaad overwonnen en tenondergebracht, er zal aanstonds groote vrede en gerustheid zijn.

Maar omdat weinigen trachten zichzelven volkomen af te

114

-ocr page 131-

54 HOOFDSTUK.

sterven en teenemaal ziehzelven uitgaan, daarom blijven zij in zich gewikkeld en kunnen zich niet in den geest boven ziehzelven verheffen.

Wie dan met mij in vrijheid verlangt te wandelen, ■ moet noodzakelijk al zijne verkeerde en ongeregelde neigingen dooden, en aan geenerlei schepsel met eene bijzondere liefde hartstochtelijk gehecht zijn.

VIER EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Over de verschillende neigingen der natuur en der genade.

De Heer. Mijn zoon! geef vlijtig acht op de neigingen van de natuur en van de genade: want zij werken zeer tegenstrijdig, en dat zóo fijn, dat zij nauwelijks, tenzij door den geestelijken en innig verlichten mensch onderscheiden worden.

Alle menschen zoeken wel het goede en wenden bij hunne woorden en daden iets goeds voor; maar daarom worden velen door den schijn van het goede bedrogen.

De natuur is listig; zij trekt, verstrikt en misleidt er velen, en heeft altoos zichzelve ten doel.

Maar de genade wandelt in eenvoudigheid, mijdt allen schijn van kwaad, zoekt niet te bedriegen en doet alles zuiver om God, in wien zij ook, als haar doel, rust.

De natuur wil ongaarne zichzelve afsterven, noch gedrukt, noch bedwongen, noch onderworpen, noch onder het juk gebracht worden.

Maar de genade legt zich op zelfversterving toe, wederstaat de zinlijkheid, zoekt onderworpen te zijn, verlangt overwonnen te worden, wil geene eigene vrijheid genieten, maar gaarne onder tucht gehouden worden.

Zij begeert over niemand te heerschen, maar altoos onder God te staan, te leven en te zijn, en is steeds bereid om uit liefde tot God voor alle menschelijk schepsel nederig te bukken.

De natuur werkt om haar eigen voordeel, en let er op welke winst zij van een ander kan trekken.

Maar de genade ziet niet op hetgeen haar nuttig en voordeelig is, maar meer op hetgeen velen van nut kan zijn.

De natuur ontvang! gaarne eer en hulde.

Maar de genade wijst getrouw alle eer en roem Gode toe.

De natuur vreest schande en smaad.

Maar de genade verheugt zich om Jezus\' wil smaad te lijden.

De natuur bemint ledigheid en lichaamsrust.

Maar de genade kan niet ledig zijn; zij neemt gereedelijk den arbeid op zich.

De natuur tracht het zeldzame en fraaie te bezitten; zij heeft een afkeer van wat gering is en grof.

113

-ocr page 132-

III BOEK.

Maar de genade vindt vermaak in het eenvoudige en nederige; zij schuwt het ruwe niet, noch weigert een versleten kleed te dragen.

De natuur ziet op het tijdelijke, verblijdt zich over aardsche winst, is over verlies bedroeld en wordt toornig over een gering smaadwoord.

Maar de genade let op het eeuwige, hangt niet aan het tijdelijke; zij laat zich door geen verlies van zaken ontroeren, noch door harde woorden verbitteren, omdat zij haren schat en hare vreugde in den hemel plaatst, waar niets vergaat.

De natuur is inhalig en ontvangt liever dan zij geeft; zij wil gaarne iets alleen bezitten.

Maar de genade is liefdadig en mededeelzaam. Zij mijdt het bijzondere, is met weinig tevreden en oordeelt dat het zaliger is te geven dan te ontvangen. (Act. 20)

De natuur neigt tot het schepsel, tot het eigen vleesch, tot ijdelheden en rondloopen.

Maar de genade trekt tot God en tot de deugd, ziet af van de schepselen, vlucht de wereld, haal de lusten des vleesches, beperkt het rondzwerven en schroomt in het openbaar te verschijnen.

De natuur heeft gaarne eenig uitwendig genoegen, waarin de zinnen zich verlustigen.

Maar de genade zoekt haren troost in God alleen, en haren lust in het hoogste goed boven al het zichtbare.

De natuur doet alles om eigen winst en belang; zij kan niets doen om niet, maar hoopt altoos voor weldaden of iets evenredigs of beters, of lof of gunst te bekomen, en begeert dat men hare daden en giften hoogschatte.

Maar de genade zoekt niets tijdelijks, noch eischt ter belooning een anderen prijs dan God alleen, ja verlangt van de aardsche nooddruft niets meer, dan zooveel haar ter verkrijging van het eeuwige dienen kan.

De natuur verheugt zich in vele vrienden en nabestaanden, roemt wegens adel en hooge geboorte, is beleefd jegens de machtigen, vleit de rijken en juicht haarsgelijken toe.

Maar de genade bemint ook hare vijanden, en verheft zich niet op de menigte harer vrienden; zij let noch op rang noch op geboorte, tenzij daarmede eene grootere deugd gepaard ga.

Zij begunstigt meer den arme dan den rijke; zij neemt meer deel in het lijden van den onschuldige dan van den machtige; zij verheugt zich met den oprechte, niet met den onoprechte, en wekt steeds de goeden op om naar grootere gaven te streven en den Zoon van God in deugden gelijk te worden.

D e natuur klaagt licht over gebrek en ongemak.

De genade draagt de armoede geduldig.

De natuur brengt alles op zichzelve terug, strijdt en twist voor zichzelve.

116

-ocr page 133-

53 HOOFDSTUK.

Maar de genade brengt alles weder tot God, van wien het oorspronkelijk afdaalt; zij schrijft zich niets goeds toe, noch matigt zich vermetel iets aan; zij twist niet noch stelt haar gevoelen boven dat van anderen; maar bij al hare gevoelens en begrippen, onderwerpt zij zich aan de eeuwige wijsheid en het oordeel Gods.

De natuur zoekt geheimen te weten en nieuwigheden te hooren; zij wil uitwendig schitteren en veel door hare zinnen ondervinden; zij wenscht bekend te zijn en te doen wat lof en bewondering baart.

Maar de genade zoekt niets nieuws noch zeldzaams te vernemen; want dit alles komt voort van de oude verdorvenheid, daar er niets nieuws en duurzaams is op aarde.

Zij leert alzoo de zinnen beteugelen, ijdel zelfbehagen en vertooning vermijden, het roem- en bewonderenswaardige nederig verbergen, en bij al ons doen en weten nuttige vruchten en Gods lof en eer beoogen.

Zij wil zichzelve noch het hare geprezen hebben, maar wenscht dat God in zijne gaven geprezen worde, die alles uil loutere liefde schenkt.

Deze genade is een bovennatuurlijk licht en eene bijzondere gave Gods. Zij is eigenlijk het kenmerk der uitverkorenen en het onderpand der eeuwige zaligheid; zij, die den mensch van het aardsche tot de liefde voor het hemelsche verheft en van vleeschelijk geestelijk maakt.

Hoe meer dus de natuur wordt terneergedrukt en overwonnen, hoe overvloediger de genade wordt ingestort; terwijl de inwendige mensch door vernieuwden toevloed dagelijks naar het beeld van God hervormd wordt.

VIJF EN VIJFTIGSTE HOOFuSTÜK.

Over de verdorvenheid der natuur en de kracht der goddelijke genade.

De Geloovige. Heere mijn God! die mij naar uw beeld en gelijkenis geschapen hebt, schenk mij die genade, welke Gij mij getoond hebt zoo voortreffelijk en te mijner zaligheid zoo noodig te zijn, opdat ik mijne zeer booze natuur, die mij tot zonde en verderf wegsleept, overwinne.

Want ik gevoel in mijn vleesch de wet der zonde, die de wet mijns gemoeds wederstreeft, en mij gevangen wegvoert om aan de zinlijkheid in vele dingen te gehoorzamen; en deze hare aandrift kan ik niet weerstaan, tenzij uwe allerheiligste genade mijn hart vurig ingestort worde en mij te hulp kome.

Uwe genade, ja eene groote genade is er noodig om de natuur te overwinnen, die van der jeugd af altoos ten kwade geneigd is.

117

-ocr page 134-

m BOEK.

Want sedert zij door den eersten mensch Adam ten val gebracht en door de zonde verdorven is, gaat de straf dier vlek op alle menschen over; zoodat diezelfde natuur, welke door U goed en recht geschapen was, nu vervangen is door het gebrek en de zwakheid eener verdorven natuur, omdat hare neiging, aan zichzelve overgelaten, lot het kwade en aardsche trekt.

Immers de weinige kracht, welke haar is overgebleven, is als een vonkje onder de asch verborgen.

Dat vonkje is de natuurlijke rede, met dikke duisternis omhuld, het oordeel tusschen goed en kwaad en de onderscheiding tusschen waar en valsch nog overhoudende, ofschoon zij onmachtig is om al hetgeen zij goedkeurt te volbrengen, en niet meer het volle licht der waarheid noch de gezondheid barer neigingen geniet.

Vandaar, o mijn God! dat ik naar den intvendigen mensch vermaak vind in uwe wet, (Rom. 7) wetende dat uwe bevelen goed, rechtvaardig en heilig zijn, (Ib.) ook leerende dat men alle kwaad en zonde moet vluchten.

Maar naar het vlcesch dien ik de wet der zonde, (1b.) daar ik meer aan de zinlijkheid dan aan de rede gehoorzaam.

Vandaar dat wel het goede te willen bij mij is, maar het te-volbrengen, dat vind ik niet. (Ib.)

Vandaar dat ik mij dikwijls veel goeds voorneem, maar als mij de genade ter ondersteuning mijner zwakheid niet overvloedig toestroomt, wijk ik bij den geringsten tegenstand en bezwijk.

Vandaar dat ik wel den weg der volmaaktheid ken en klaar genoeg zie boe ik handelen raoet; maar neergedrukt door het gewicht mijner verdorvenheid, hef ik mij niet tot het volmaaktere op.

o, Hoe volstrekt noodig is mij dan uwe genade, o Heer! om het goede te beginnen, voort te zetten en te voleindigen!

Want zonder haar kan ik niets doen; maar door uwe genade versterkt kan ik alles in ü.

o Waarlijk hemelsche genade, zonder welke alle verdiensten, ook alle natuurlijke gaven niet te achten zijn!

Noch kunsten noch wetenschappen, noch rijkdom noch schoonheid, noch sterkte noch vernuft, noch welsprekendheid gelden bij ü, o Heer! iets zonder de genade.

Want de gaven der natuur zijn aan goeden en kwaden gemeer, maar de genade of de liefde is eene den uitverkorenen eigene gave; wie daarmede gekenmerkt zijn, worden het eeuwige leven waardig geacht.

Zoo voortreffelijk is die genade, dat zonder haar noch de gave van voorzegging, noch de kracht van wonderwerken, noch eenige beschouwing hoe verheven ook, iets te achten is.

Ja, zonder deze liefde en genade is noch geloof, noch hoop, noch eenige andere deugd ü behaaglijk.

us

-ocr page 135-

56 HOOFDSTUK.

o Zegenrijke genade, die den arme van geest in deugden rijk maakt, en den met velerlei gaven bedeelde nederig van harte doet zijn; kom, daal in mij neder en vervul mij vroeg met uwen troost, opdat mijne ziel niet van vermoeiing en dorheid des harten bezwijke.

Ik smeek u, o Heer! laat mij genade vinden in uwe oogen: want uwe genade is mij genoeg, al verkrijg ik ook al het overige niet, dat de natuur verlangt.

Al word ik dan bekoord en door vele tegenheden gekweld, zoolang uwe genade bij mij is, zal ik geen kwaad vreezen.

Zij is mijne kracht, zij geeft raad en hulp.

Zij is machtiger dan alle vijanden en wijzer dan alle wijzen.

Zij is de leermeesteres der waarheid, de leidster lot tucht, het licht des harten, een troost in druk; zij verbant de droefheid, verjaagt de vrees, voedt de godsvrucht en brengt tranen voort.

Wat ben ik zonder haar, tenzij een dor hout en een onnutte stam, die uitgeroeid moet worden?

Dat dan, o Heer! uwe genade mij altoos en voorkome èn volge. Zij doe mij steeds bedacht zijn op goede werken, door Jezus Christus uwen Zoon. Amen.

ZES EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dal wij onszelvcn moeten verloochenen en Christus op den weg des kruisen volgen.

De Heer. Mijn zoon! hoe meer gij uzelven kunt uitgaan, hoe meer gij tot Mij kunt ingaan.

Gelijk het den inwendigen vrede bevordert niets uitwendigs te begeeren, zoo vereenigt men zich met God door zich innerlijk te verlaten.

Ik wil dat gij leert u volkomen te verzaken geheel naar mijnen wil, zonder tegenspraak of klachte.

Volg Mij; (Matth. 9) Ik ben de weg, de waarheid en het leven. (Joan. 14)

Zonder weg gaat men niet, zonder waarheid kent men niet, zonder leven leeft men niet.

Ik ben de weg dien gij moet volgen, de waarheid die gij moet gelooven, het leven dat gij moet verhopen.

Ik ben de onbedrieglijke weg, de onfeilbare waarheid, het onvergankelijke leven.

Ik ben de rechtste weg, de opperste waarheid, het ware, zalige, ongeschapen leven.

Indien gij blijft op mijnen weg, gij zult de waarheid kennen en de waarheid zal u vrij maken, (Joan. 8) en gij zult het eeuwige leven verwerven.

Wilt gij tol het leven ingaan, onderhoud de geboden, (Matth. 19)

H9

-ocr page 136-

iii boek.

Wilt gij de waarheid kennen, geloof in Mij.

Wilt gij volmaakt zijn, verkoop alles. (Matlh. 19)

Wilt gij mijn leerling zijn, verloochen uzelven. (Luc. 9)

Wilt gij het zalige leven bezitten, veracht het tegenwoordige.

Wilt gij in den hemel verheven worden, verneder u op aarde.

Wilt gij met Mij heersehen, draag het kruis met Mij.

Want alleen de dienaars van het kruis vinden den weg der zaligheid en des waren lichts.

De Geloovige. Heere Jezus! daar uw weg eng is en door de wereld veracht, geef dat ik U ook met verachting der wereld volge.

Want de leerling is niet boven den meester, noch de dienslknecht hoven zijnen heer. (Matth. 10)

Dat dan de dienstknecht zich in de navolging van uw leven oefene: want daarin is mijn heil en ware heiligheid.

Wat ik leze of hoore buiten uw leven, verkwikt noch verlustigt mij geheel.

De Heer. Mijn zoon! daar gij dat alles weet en gelezen hebt, zult gij gelukkig zijn indien gij het nakomt.

Die mijne geboden heeft en ze onderhoudt, hij is het, die Mij liefheeft. Ook Ik zal hem liefhebben en Mijzelven aan hem openbaren, (Joan. )4) en zal hem met Mij doen aanzitten in het rijk mijns Vaders.

De Geloovige. Heere Jezus! het geschiede gelijk Gij gezegd en beloofd hebt en moge het mij gelukken zulks te verdienen.

Ik heb het kruis opgenomen; ik heb het uit uwe hand ontvangen. Ik zal het dragen, ja dragen tot aan mijn dood, zooals Gij het mij opgelegd hebt.

In waarheid het leven eens vromen kloosterlings is een kruis, maar een kruis dat ten hemel leidt

Ik ben begonnen; teruggaan mag ik niet, en stilstaan betaamt niet.

Welaan, broeders! laat ons te zamen voortgaan: Jezus zal met ons wezen.

Om Jezus namen wij dat kruis op: laat ons om Jezus bij het kruis volharden. Hij zal onze helper zijn, die onze aanvoerder en voorganger is.

Zie! onze Koning gaat ons voor; Hij zal voor ons strijden.

Laat ons moedig volgen; dat niemand iets verschrikkelijks duehte! Zijn wij bereid in den krijg heldhaftig te sterven; laten wij onzen roem de smet niet aandoen dat wij voor het kruis zouden vluchten.

ZEVEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

De mensch zij niet te neerslachtig, wanneer hij in eenigen misslag valt.

De Heer. Mijn zoon! geduld en nederigheid in tegenspoed behagen Mij meer, dan veel troost en ijver in voorspoed.

120

-ocr page 137-

57 HOOFDSTUK.

Waarom bedroeft u cene kleinigheid, die tegen u gezegd wordt?

Al ware het iets grooters geweest, het had u niet moeten ontroeren.

Laat het dan nu voorbijgaan; het is niet \'t eerste noch iets nieuws, het zal ook \'t laatste niet zijn, zoo gij lang leeft.

Zoolang u niets kwaads ontmoet, zijt gij moedig genoeg; ook geeft gij goeden raad en weet anderen door woorden te versterken; maar vertoont zich onverwachts eenig ongeval voor uwe deur. het ontbreekt u aan raad en sterkte.

Let op uwe groote broosheid, welke gij zoo dikwijls bij de geringste voorvallen ondervindt.

Stel dit leed naar uw best vermogen uit uw hart; en heeft het u geraakt, dat het u toch niet ternedersla noch lang hindere.

Kunt gij het niet blijmoedig dragen, draag het ten minste met geduld.

Ook zoo gij het ongaarne hoort en u verontwaardigd gevoelt, bedwing u en laat niets onbehoorlijks uwen mond ontvallen, dat den zwakke aanstoot geeft.

Spoedig zal de ontstane ontroering bedaren, en de inwendige smart door de terugkomende genade verzoet worden.

Want Ik leef nog, zegt de Heer, bereid om u te helpen en buitengewonen troost te schenken, zoo gij op Mij vertrouwt en vurig tot Mij roept.

Houd goeden moed en bereid u om nog meer te lijden.

Alles is niet verloren, al gevoelt gij u dikwijls gedrukt of zwaar bekoord.

Gij zijt een mensch, en geen God; gij zijt vleesch, geen Engel.

Hoe zoudt gij altoos in denzelfden staat van deugd kunnen volharden, daar dit den Engelen in den hemel en den eersten mensch in het Paradijs niet heeft mogen gebeuren.

Ik ben \'t die de bedrukten opbeur en red, en hen die hunne zwakheid erkennen tot mijne Godheid opvoer.

De Geloovige. Heer! gezegend zij uw woord, mij zoeter dan honiq en honigzeem in den mond. (Ps. 18)

Wat zoude ik onder zoo veie rampen en benauwdheden doen, indien Gij mij door uwe heilige woorden niet versterktet?

Als ik slechts ten laatste de haven der zaligheid mag binnenzeilen, wat is er aan gelegen wat en hoeveel ik geleden heb?

Geef een goed einde, geef een gelukkig verscheiden uit deze wereld.

Gedenk mijner, mijn God! en geleid mij langs den rechten weg naar uw rijk. Amen.

121

-ocr page 138-

iii boek.

ACHT EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Men mag geene te verheven zaken noch de verbonjen raadsbesluiten Gods onderzoeken.

De Heer. Mijn zoon! wacht u over te hooge zaken en de verborgen oordeelen Gods te redetwisten; waarom deze zoo verlaten, gene tot zulke groote genade opgevoerd worde ; waarom deze zoo bedroefd, gene zoo hoog verheven worde?

Dat gaat al \'s raensehen bereik te boven; en geen rede of onderzoek is vermogend om Gods oordeel te doorgronden.

Wanneer dan de vijand u zoo iets ingeeft, of wel sommige nieuwsgierige menschen daarnaar vragen, antwoord met den Profeet: rechtvaardig zijt Gij, o Heer! en billijk is uw oordeel; (Ps. 118) alsook: des Heer en oordeelen zijn waarachtig, rechtvaardig allemaal. (Ps. 18)

Mijne oordeelen moet men vreezen, niet onderzoeken, vermits zij ontoegankelijk zijn voor \'s menschen verstand.

Wil ook niet onderzoeken noch twisten over de verdiensten der Heiligen, wie hunner heiliger of grooter is in het hemelrijk.

Dit brengt dikwijls onnutte twisten en krakeelen voort, voedt ook den hoogmoed en ijdclen waan; waaruit nijd en tweedracht ontstaan, daar de eene dezen Heilige, gene een anderen trot-sehelijk tracht te verheffen.

Zulke dingen te willen weten en te onderzoeken doet geen vrucht en mishaagt eer den Heiligen, wijl Ik geen God ben van tweedracht, maar van vrede; welke vrede meer in waren ootmoed dan in zelfverheffing beslaat.

Sommigen worden meer tot dezen of genen getrokken, maar door eene voorliefde die meer menschelijk dan goddelijk is.

Ik ben degene, die alle Heiligen geschapen heb; Ik heb hun genade gegeven; Ik heb hun heerlijkheid geschonken.

Ik ken ieders verdiensten en heb hen met mijne heilzame zegeningen voorkomen.

Ik heb voor eeuwen mijne geliefden gekend; Ik heb hen uit de wereld verkozen, niet zij hebben eerst Mij verkozen.

Ik heb hen door genade geroepen, door barmhartigheid getrokken; Ik heb hen door velerlei bekoringen henengevoerd.

Ik heb hun groote vertroostingen ingestort; Ik heb hun volharding verleend; Ik heb hun geduld bekroond.

Ik ken zoowel den eerste als den laatste; Ik bemin ze allen met onschatbare liefde.

Ik moet in al mijne Heiligen geprezen worden; Ik moet boven alles gezegend en in elk hunner vereerd worden, die Ik zoo hoog verheerlijkt en daartoe voorbestemd heb, zonder eenige voorafgaande eigene verdiensten.

122

-ocr page 139-

58 HOOFDSTUK.

Wie dan écn mijner geringsten veracht, eert ook den grootste niet: want ik heb den geringste en den grootste geschapen.

En wie éen Heilige te kort doet, doet ook Mij en al den overigen in \'t hemelrijk te kort.

Want zij zijn allen éen door den hand der liefde; zij hebben éen gevoelen, éen wil, en beminnen elkander in éenen, in Mij.

Ja, wat veel meer is, zij beminnen Mij meer dan zichzelven en hunne verdiensten.

Want, boven zichzelven verrukt en aan alle eigenliefde onttrokken, gaan zij geheel in mijne liefde over, waarin zij ook genoeglijk rusten.

Niets is er dat hen kan aftrekken of nederdrukken, daar zij, met de eeuwige waarheid vervuld, door het vuur eener onuit-bluschbare liefde branden.

Dat dan vleeschelijke en zinnelijke menschen ophouden over den staat der Heiligen te twisten, daar zij niets dan hun bijzonder vermaak weten te beminnen.

Zij geven of ontnemen hun volgens hunne neiging, niet gelijk het der eeuwige Waarheid behaagt.

Bij velen is het onkunde, vooral bij hen die weinig verlicht, zelden iemand met eene volkomen geestelijke liefde weten te beminnen.

Zij worden nog te zeer door natuurlijke neiging en men-schelijke vriendschap tot dezen of genen getrokken; en gelijk zij zich in het aardsche gedragen, zoo denken zij ook over het hemelsehe.

Maar er is een oneindig verschil tussehen de gedachten van onvolmaakten en hetgeen verlichte mannen door eene hoogere openbaring zich voorstellen.

Wacht u dan, mijn zoon! u met zulke zaken, welke uw begrip te boven gaan, nieuwsgierig iti te laten; maar beijver u liever en leg u hierop toe, dat gij ook maar de minste in het rijk van God moogt bevonden worden.

En al wist iemand, wie boven anderen heilig en groot in het hemelrijk gehouden wordt, wat zoude hem die kennis baten, zoo hij daardoor voor Mij niet nederiger werd en opgewekt om mijnen naam te meer te loven?

Hij die over de grootheid zijner zonden en de geringheid zijner deugden nadenkt en hoever hij nog van de volmaaktheid der Heiligen af is, doet een Gode veel behaaglijker werk, dan hij die over hunne meerderheid of minderheid twist.

Het is beter de Heiligen met vurige gebeden en tranen aan te roepen en hunne heerlijke voorbidding nederig af te smeeken, dan door een ijdel onderzoek hunne geheimen uit te vorschen.

Zij zijn wel en zeer wél tevreden, wisten de menschen maar wèl tevreden te zijn en hun ijdel gepraat te bedwingen!

Zij roemen niet in hunne eigene verdiensten, daar zij zich-

123

-ocr page 140-

iii boek.

zeiven niets goeds toeschrijven, maar alles aan Mij, die hun alles uit onbegrensde liefde geschonken heb.

Zij zijn met zulke groote liefde tot de Godheid en met zoo eene overmaat van vreugde vervuld, dat er niets ontbreekt aan hunne heerlijkheid en niets aan hunne zaligheid ontbreken kan.

Alle Heiligen, hoe meer zij in heerlijkheid verheven zijn, des te nederiger zij in zichzelven en des te nader en geliefder zij Mij zijn.

Daarom vindt gij geschreven: zij wierpen hunne kronen neder voor God en vielen op hunne aamje-ichieri voor het Lam, en aanbaden Hem, die tot in de eeuwen der eeuwen leeft. (Apoc. 4 en 5)

Velen onderzoeken wie de grootste zij in het rijk van God, zij, die niet weten of zij waardig zullen zijn onder de geringsten gerekend te worden.

Het is groot ook de geringste in den hemel te zijn, alwaar allen groot zijn, omdat zij allen Gods kinderen genoemd worden en zijn zullen.

De geringste zal er tot duizend worden, terwijl ook de honderdjarige zondaar sterven zal. (Is. CO en 05)

Want toen mijn leerlingen Mij vroegen, wie de grootste is in het hemelrijk, vernamen zij dit antwoord: tenzij gij u bekeert en wordt als de kinderen, zult gij niet ingaan in het rijk der hemelen. Alwie zich derhalve zal vernederen, gelijk dit kind, die is de grootste in het rijk der hemelen. (Matth. 18)

Wee hun die weigeren zich gewillig met de kinderen t.3 vernederen: want de lage poort van het hemelrijk zal hen niet laten binnengaan.

Wee ook den rijken die hier hunnen troost weghebben: want terwijl de armen het rijk Gods zullen binnengaan, zullen zij builen staan en weenen.

Verblijdt u, gij nederigen! juicht, gij armen! want u is het rijk van God, mits gij in waarheid wandelt.

NEGEN EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dat men alle hoop en vertrouwen op God alleen moet stellen.

De Geloovige. O Heer! welk is in dit leven mijn vertrouwen? Of welk is mijn grootste troost te midden van alles wat onder de zon bestaat? Zijt Gij het niet, Heere mijn God! wiens barmhartigheid grenzenloos is?

Waar bevond ik mij ooit goed zonder U? Of wanneer konde het mij kwalijk gaan, als Gij bij mij waart?

Liever wil ik arm zijn om ü, dan rijk zonder U.

Liever verkies ik op aarde met U om te zwerven, dan zonder U den hemel te bezitten.

Waar Gij zijt, daar is de hemel, en waar Gij niet zijt, de dood en de hel.

124

-ocr page 141-

S9 HOOFDSTOK.

Gij zijt mijn verlangen: daarom moet ik tot ü zuchten, roepen en smeeken. gt;

Eindelijk, er is niemand op wien ik volkomen kan vertrouwen om mij in mijnen nood ter rechter tijd te helpen, dan op ü alleen, mijn God!

Ja Gij zijt mijne hoop. Gij mijn vertrouwen. Gij mijn trooster en in alles mijn getrouwste vriend.

Allen zoeken het hunne; Gij beoogt alleen mijn heil en mijnen voortgang en doet mij alles ten goede keeren.

Ook wanneer Gij mij aan velerlei bekoringen en wederwaardigheden blootstelt, dan beschikt Gij dat alles te mijnen beste. Gij die gewoon zijt uwe geliefden op allerlei wijze te beproeven.

Bij deze beproeving moet Gij niet minder bemind en geprezen worden, dan of Gij mij met uwe hemelsche vertroostingen ver-vuldet.

Op U dan, o Heere God! stel ik al mijne hoop en vertrouwen; op ü werp ik al mijn kommer en angsten, dewijl ik alles, wat ik buiten ü opmerk, als zwak en ongestadig bevinde.

Want noch vele vrienden kunnen baten, noch machtige, beschermers helpen, noch voorzichtige raadslieden goeden raad geven, noch de boeken der geleerden troosten, noch kostbaarheden van welken aard ook redden, noch eenige verborgen en aangename plaats beveiligen, zoo Gijzelf niet nabij zijt, helpt, versterkt, vertroost, onderricht en bewaart.

Want alles wat den vrede en het geluk schijnt te kunnen bevorderen, is zonder ü niets en brengt in waarheid geenerlei geluk aan.

Gij alzoo zijt de voltooiing van alle goed. Gij de volheid des levens, de bron der wijsheid, en op U boven alles te hopen is de krachtigste troost voor uwe dienaren.

Tol ü zijn mijne oogen gericht; op U vertrouw ik, mijn God, Vader der barmhartigheden!

Zegen en heilig mijne ziel met uwe hemelsche zegeningen, opdat zij U eene heilige woning en uwer eeuwige heerlijkheid een zetel worde; opdat cr in dezen tempel uwer opperwaardig-heid niets gevonden worde, dat het oog uwer Majesteit mishaagt.

Zie op mij naar de grootte uwer goedheid en de menigte uwer barmhartigheden en verhoor de bede van uwen armen dienstknecht, die verre van U, als balling in het land van de schaduw des doods omzwerft.

125

Bescherm en bewaar de ziel uws armen dienstknechts onder zoovele gevaren van het vergankelijk leven; dat uwe genade haar vergezelle en haar leide langs den weg des vredes naar het vaderland des eeuwigen lichts. Amen.

EINDE VAN HET DERDE BOEK.

-ocr page 142-

VIERDE BOEK.

OVER HET H. SACRAMENT DES ALTAARS.

gt;WKlt;

Vurige uitnoodiging tot de heilige Communie.

De Heer. Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijl, en Ik zal u verkwikken. (Matth. II)

Het brood dat Ik geven zal, is mijn vleesch voor het leven der wereld. (Joan. 6)

Neemt en eet; dit is mijn lichaam, dat voor u zal overgegeven worden. Doet dit tol mijne gedachtenis. (Matlh. 26. Luc. 22.1 Cor. 11) üie mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, blijft tn Mij, en ik in hem. (Joan. 6)

De woorden die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven. (Ib.)

EERSTE HOOFDSTUK.

Met hoeveel eerbied men Christus moet ontvangen.

De Geloovige. Dit zijn, o Jezus Christus! eeuwige Waarheid, uwe eigene woorden, ofschoon niet op éenen tijd gesproken, noch op eene plaats geschreven.

vDaar zij dan de uwe en waarachtig zijn, moet ik. ze alle dankbaar en geloovig aannemen.

Zij zijn de uwe, omdat Gij ze hebt voortgebracht; zij zijn ook de mijne, daar Gij ze tot mijn heil gesproken hebt.

Gewillig neem ik ze uit uwen mond aan, opdat zij te dieper in mijn hart geprent worden.

Woorden zoo teeder, zoo vol zoetigheid en liefde wekken mij op; maar mijne verkeerdheden schrikken mij af, en mijn onrein geweten houdt mij terug om tot zulke groote geheimen te naderen.

De liefelijkheid uwer woorden lokt mij, maar de menigte mijner gebreken hindert mij.

Gij beveelt mij met vertrouwen tot ü te naderen, zoo ik deel met ü wil hebben, en liet voedsel der onsterfelijkheid te nemen, zoo ik het eeuwige leven en de eeuwige heerlijkheid wil bekomen.

-ocr page 143-

1 HOOFDSTUK.

Koml, zegt Gij. allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u verkivikken.

o Liefelijk en vriendelijk woord in het oor des zondaars, dat Gij, Heere mijn God! eenen behoeftige en arme noodigt tot deelneming aan uw allerheiligst Lichaam!

Maar wie ben ik, o Heer! dat ik mij verstoute tot ü te naderen ?

Zie, de hemel der hemelen oravat ü niet, en Gij zegt: Komt allen tot Mij?

Wat wil die liefderijke toegevendheid en eene zoo vriendelijke uitnoodiging ?

Hoe zal ik durven komen, die mij niets goeds bewust ben, waarom ik het zoude mogen ondernemen?

Hoe zal ik ü in mijn huis binnenleiden, die zoo dikwijls uw goedertierenst aanschijn beleedigd heb?

De Engelen en Aartsengelen zijn vol eerbied; de Heiligen en rechtvaardigen vreezen. en Gij zegt: Komt allen tot Mij!

Zoo Gij, o Heer! het niet zeidel, wie zoude het voor waar houden? En zoo Gij het niet geboodt, wie zoude durven naderen ?

Zie Noë, een rechtvaardig man, werkte honderd jaren aan het maken der arke, om met weinigen gered te worden: en ik, hoe zoude ik mij in een uur kunnen voorbereiden om den Bouwheer der wereld eerbiedig te ontvangen?

Mo zes, uw voortrelTclijke dienstknecht en bijzondere vriend, maakte eene ark van onverderfelijk hout en overtrok ze met het zuiverste goud om de tafelen der wet er in te leggen: en ik, verdorven schepsel, zoude U, den Gever der wet, de bron des levens zoo licht durven opnemen?

Salomon, de vvijsle der koningen Israels, bouwde zeven jaren aan een prachligen tempel, ter verheerlijking van uwen naam. Acht dagen lang vierde hij het feest der inwijding ; tluizende dankoffers slachtte hij; onder irompetgeschal en gejuich bracht 1gt;Ü de arke des Verbonds plechtig ter plaatse, haar bereid.

En ik, ongelukkige en armste der mensehen, hoe zal ik ü in mijn huis binnenleiden, die nauwelijks een half uur godvruchtig weet door te brengen? En mochte het ook maar ééns een half uur waardig geschieden!

o Mijn God! hoeveel hebben deze niet getracht te doen om U te behagen! Ach! hoe weinig is het wat ik doe! Hoe weinig tijds besteed ik, als ik mij tot uwe li. Tafel voorbereid!

Zelden ben ik geheel in mijzelven gekeerd, zeer zelden vrij van alle verstrooiing.

En voorwaar, in uwer Godheids heilrijke tegenwoordigheid, moest geene onbetamelijke gedachte bij mij opkomen, ook geen schepsel mij bezighouden, vermits ik geen Engel maar den Heer der Engelen als gast moet ontvangen.

127

-ocr page 144-

IV BOER.

Intussclien is er een zeer groot verschil tussehen de arke des Verbonds met hetgeen zij bevatte en uw allerzuiverst Lichaam met zijne onuitsprekelijke krachten; tussehen die offers der wet, louter afbeeldsels van het toekomende, en het ware offer uws Lichaams, de vervulling van alle oude offers.

Waarom dan ben ik niet vuriger bij uwe aanbiddelijke tegenwoordigheid ?

Waarom bereid ik mij niet met meer zorg tot het ontvangen van uwe heilige geheimen, daar die oude heilige Aartsvaders en Profeten, zelfs Koningen en Vorsten, met al het volk, zooveel godvruchtigen ijver voor den dienst van God hebben getoond?

David, de allergodvruchtigstc koning, danste uit al zijne krachten voor de arke, zich de weldaden herinnerende, weleer den vaderen verleend. Hij deed velerlei speeltuig vervaardigen, dichtte liederen en liet die met vroolijkheid zingen; hijzelf, bezield door de genade van den Heiligen Geest, zong die dikwijls bij de harp; hij leerde Israels volk God van ganscber harte loven en dagelijks met eenstemmigen mond zegenen en verheerlijken.

Werd toen zooveel godsvrucht betoond en voor de srke des Verbonds de lof van God vermeld, welken eerbied en godsvrucht behoor ik en het gansche Christenvolk dan nu te hebben, in tegenwoordigheid van hel allerheiligste Sacrament, bij de nuttiging van het allerkostbaarst Lichaam van Christus!

Velen loopen naar verscheiden plaatsen om der Heiligen overblijfsels te bezoeken; na hunne daden aangehoord te hebben, bewonderen zij de groote tempelgebouwen; zij bezichtigen en kussen hunne heilige, in zijde en goud gewikkelde beenderen.

En zie! hier zijt Gij bij mij op het Altaar tegenwoordig, rnijn God! de Heilige der Heiligen, de Schepper der menschen, de Heer der Engelen!

Dikwijls is het de nieuwsgierigheid der menschen, en de nieuwheid van hetgeen zij niet gezien hebben, die hen tot die reizen uitlokken; ook wordt er weinige vrucht van verbetering weggedragen, vooral als die tochten zoo lichtzinnig, zonder ware ingetogenheid geschieden.

Maar hier in het Sacrament des Altaars zijt Gij, Christus Jezus! God en mensch, geheel tegenwoordig; daar ook oogst men een overvloed van vruchten des eeuwigen bails, zoo dikwerf men II waardig en godvruchtig ontvangt.

En hiertoe lokt geenerlei lichtzinnigheid, noch nieuwsgierigheid, noch zinlijkheid, maar een vast geloof, eene levendige hoop en eene oprechte liefde.

o God! onzichtbare Schepper der wereld! hoe wonderlijk handelt Gij met ons! Hoe minzaam en genadig gaat Gij met uwe uitverkorenen te werk, aan wie Gij üzelven in het Sacrament tot spijze voorstelt!

128

-ocr page 145-

2 hoofdstuk.

0, dit gaat alle verstand te boven; dit vooral trekt de harten der godvruchligen en ontvlamt hunne liefde.

Immers uwe ware geloovigen, die hun geheel leven tot verbetering besteden, ontvangen dikwijls in dit allerheiligst Sacrament eene groote genade van godsvrucht en liefde tot de deugd.

o Wonderbare en verborgen genade van dit Sacrament, alleen bekend aan de trouwe dienaars van Christus, en welke de ontrouwen en zondedienaars niet kunnen ondervinden.

Door dit Sacrament toch wordt de genade des H. Geestes geschonken, de verloreq zielskracht hersteld en de schoonheid, door de zonde misvormd, terugverkregen.

Zoo groot is wel eens deze genade dat, wegens de volheid der verkregen godsvrucht, niet slechts de geest, maar ook het zwakke lichaam, vermeerdering van krachten ontwaart.

Intusschen is zij zeer te betreuren en te bejammeren onze lauw- en onachtzaamheid, dat wij niet met sterkere drift getrokken worden om Christus te ontvangen, op wien alle hoop en verdienste dergenen, die zalig zullen worden, imst.

Hij toch is onze heiligmaking en verlossing; Hij de troost der reizigers en het eeuwige genot der Heiligen.

Het is dus zeer te betreuren dat velen zoo weinig acht geven op dit heilvol geheim, dat de vreugd is des hemels en het behoud der gansche wereld.

o blindheid en verhardheid des menschelijken harten, dat men zulk een onuitsprekelijk geschenk niet meer acht, en zelfs door dagelijkse!) gebruik lot onachtzaamheid vervalt!

Wierd toch dit allerheiligst Sacrament slechts op éene plaats gevierd en slechts door éenen Priester over de geheele wereld geconsacreerd, met welke geestdrift, meent gij, zouden niet de menschen naar die plaats en naar dien Priester Gods henensnellen, om de goddelijke geheimen te zien vieren!

Maar nu zijn er vele Priesters aangesteld en wordt Christus op vele plaatsen geofferd, opdat Gods genade en liefde tot den inenseh te meer uitblinken, naarmate de heilige Communie meer verspreid is over den aardbol.

Dank zij ü, o goede Jezus! eeuwige Herder! dat Gij ü verwaardigd hebt ons, arme ballingen, met uw kostbaar Lichaam en Bloed te verkwikken, en zelfs tol het ontvangen van deze geheimen met de woorden van uw eigen mond te noodigen, zeggende: A\'omJ allen lot Mij, die vermoeid en heiast zijl, en ik zal U verkwikken.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Over de groote goedheid en liefde, door God in het heilige Sacrament den mensclt bewezen.

De Geloovige. o Heer! vertrouwende op uwe goedheid en groote barmhartigheid, nader ik kranke tot mijnen redder,

129

9

-ocr page 146-

IV BOEK.

hongerige en dorstige tot de bron des levens, behoeftige tot den Koning des hemels, dienstknecht tot mijnen Heer, schepsel tot den Schepper, verlatene tot mijnen liefderijken trooster.

Maar vanwaar gebeurt mij dit, dat Gij tot mij komt? Wie ben ik, dat Gij Uzelven aan mij schenkt?

Hoe durft een zondaar voor U verschijnen? En Gij, hoe verwaardigt Gij U tot een zondaar te komen ?

Gij kent uw dienstknecht, en weet dat hij niets goeds aan zich heeft, waarom Gij hem deze gunst zoudt bewijzen.

Ik beken dan mijne onwaardigheid, ik erken uwe goedheid; ik prijs uwe barmhartigheid en dank U wegens uwe over-groote liefde.

Want Gij doet dus om uwszelfs wille, niet om mijne verdiensten, opdat uwe goedheid mij te meer kenbaar, ik in liefde te meer ontstoken, en de ootmoed te volkomener aangeprezen worde.

Daar dit dan IJ behaagt en Gij het dus verordend hebt, behaagt mij ook deze uwe goedgunstigheid. O, mocht mijne ongerechtigheid geen beletsel zijn!

o Allerminnelijkste en liefderijkste Jezus! hoeveel eerbied en dankzegging met ouophoudelijken lof is men U niet schuldig voor het ontvangen van uw heilig Lichaam, welks hooge waarde te verklaren geen raensch in slaat bevonden wordt.

Maar welke zullen mijn gedachten zijn bij deze Communie, bij het naderen lot mijnen Heer, dien ik niet naar waarde kan vereeren, en nochtans godvruchtig wensch te ontvangen?

Wat kan ik beter en heilzamer denken, dan mij geheel en al voor ü te vernederen en uwe oneindige goedheid jegens mij te verheffen ?

ü loof ik, mijn God! en verheerlijk ik in eeuwigheid. Ik veracht mijzelven en onderwerp mij aan ü in den afgrond mijner nietigheid.

Zie, Gij zijt de Heilige der Heiligen, en ik ben de slechtste der zondaren.

Zie, Gij buigt U tot mij neder, die niet waardig ben tot U op te zien.

Zie, Gij komt tot mij; Gij wilt met mij zijn; Gij noodigt mij aan uwe Tafel.

Gij wilt mij hemelsehe spijze, het Brood der Engelen, te eten geven, ja, geen ander dan Uzelven, het brood des levens, van den hemel nedergedaald, dat aan de wereld het leven geeft. (Joan. 6)

Ziedaar, vanwaar de liefde voortkomt en hoe zich de goedheid vertoont! Welken grooten dank eu lof zijn wij li niet daarvoor schuldig!

o, Hoe heilzaam en nuttig was uw besluit, toen Gij dit in-steldet! Hoe liefelijk en aangenaam het gastmaal, toen Gij Uzelven tot spijze gaaft!

130

-ocr page 147-

3 hoofdstdk.

o, Hoe wonderbaar is uwe werking, o Heer! hoe vermogend uwe kracht! boe onfeilbaar uwe waarheid!

Want Gij spraakt, en alles is geworden, en wat Gij geboodt is uitgevoerd.

Wonderlijke zaak en alle geloof waardig, maar \'s menschen verstand te boven gaande, dat Gij, Heere mijn God! waarachtig God en mensch, geheel onder de geringe gedaanten van brood en wijn bevat wordt, en van dengenen die U ontvangen genuttigd wordt, zonder verteerd te worden.

Gij, Heer van het heelal! die niemand behoeft, hebt nochtans door uw Sacrament in ons willen wonen; bewaar mijn hart en mijn lichaam onbevlekt, opdat ik, met een opgeruimd en rein geweien, dikwijls uwe geheimen moge vieren en tot mijn eeuwig heil ontvangen, hetwelk Gij bijzonder te uwer eere en eeuwige gedachtenis verordend en ingesteld hebt.

Verheug u, mijne ziel! en dank den Heer voor zulk een edel geschenk en zoo bijzonderen troost, u in dit tranendal nagelaten.

Want zoo dikwijls gij dit geheim viert en het Lichaam van Christus ontvangt, zoo dikwijls vernieuwt gij het werk uwer verlossing, en wordt gij al de verdiensten van Christus deelachtig.

üe liefde van Christus toch vermindert nooit, en de volheid zijner verzoening wordt nooit uitgeput.

Daarom moet gij u altoos met eene geheele vernieuwing des harten daartoe voorbereiden, en dat groote geheim des heils met eene groote opmerkzaamheid overwegen.

Ja, hetzij gij de H. Mis leest, hetzij gij ze hoort, zoo groot, nieuw en behaaglijk moet het u schijnen, alsof op dienzelfden dag Christus voor het eerst in den schoot der Heilige Maagd nederdalende mensch wierd, of aan het kruis hangende voor het heil der menschen leed en stierf.

DERDE HOOFDSTUK,

Hoe nuttig hel is dikwijls te communiceeren.

De Geloovige. Zie, ik kom tot ü, o Heer! opdat uw geschenk mij te nutte worde, en ik mij aan uwen heiligen Maaltijd ver-heuge, dien Gij, o God! door uwe rjoedheid voor den arme bereid hebt. (Ps. (57)

Zie, in ü is alles, wat ik kan en moet verlangen: Gij zijt mijn heil en verlossing, mijne hoop en sterkte, mijn eer en roem.

Verblijd dan heden de ziel van uwen dienstknecht: want tot U, o Hcere Jezus, verhef ik mijne ziel. (Ps. 85)

Thans verlang ik U godvruchtig cn eerbiedig te ontvangen;

131

-ocr page 148-

IV BOEK.

ik wensch U in mijn huis binnen te leiden, opdat ik met Zaccheus verdiene door U gezegend en onder de zonen van Abraham geteld te worden.

Mijne ziel haakt naar uw Lichaam, mijn hart verlangt met U vereenigd te worden.

Schenk ü aan mij, en het is genoeg; want buiten U geldt geen troost; zonder ü kan ik niet zijn, en zonder uw bezoek kan ik niet leven.

En daarom moet ik dikwijls tot ü naderen en ü als een middel mijner zaligheid ontvangen, opdat ik niet bij gebrek dier hemelsche spijze op den weg bezwijke.

Zoo toch hebt Gij, o allerbarmhartigste Jezus! toen Gij den volke predikte en verscheidene kwalen genaast, eens gezegd: Ik wil hen niet nuchter naar huis laten gaan, opdat zij ondenoeg niet bezwijken. (Matth. 15)

Handel dan ook zoo met mij, Gij, die U tot der geloovigen troost in het Sacrament nagelalen hebt.

Want Gij zijt eene liefelijke verkwikking der ziele, en wie D waardig eet, wordt deelgenoot en erfgenaam der eeuwige heerlijkheid.

Mij toch, die zoo dikwijls val en zondig, die zoo ras verflauwen te kort schiet, is het volstrekt noodig, dat ik mij door een veelvuldig bidden en biechten en door het ontvangen van uw heilig Lichaam hernieuwe, reinige en ontvlamme; anders mocht ik door een te lang verzuim van mijn heilig voornemen afwijken.

Want van der jeugd af zijn \'s memchen zinnen ten kwade geneigd, (Gen. 8) en tenzij dat goddelijk geneesmiddel te hulp korae, vervalt de menseh dra tot erger.

üus trekt de heilige Communie van het kwade en versterkt in het goede.

Indien ik toch nu reeds zoo dikwijls onachtzaam en lauw ben, als ik communiceer of de H. Mis lees, wat zoude bet zijn, als ik dat geneesmiddel niet gebruikte en eene zoo krachtige hulp niet zocht?

En al ben ik eiken dag niet bereid noch behoorlijk gestemd om het heilig Misoffer op te dragen, zal ik echter mijn best doen om op gepaste tijden de heilige geheimen\' te ontvangen en eener zoo groote genade deelachtig te worden.

Want de eenige voorname troost voor eene geloovige ziel, zoolang zij in dit sterfelijk lichaam verre van U omdwaalt, is dat zij dikwijls lieren God gedachtig zij en haren Geliefde met een godvruchtig hart ontvange.

o Wonderbare voorkomendheid van uwe goedheid tot ons, dat Gij, Heere God! Schepper en Levensbron van alle geesten! ü verwaardigt tot eene arme ziel te komen en haren honger met uwe geheele godheid en menschheid te verzaden!

o Gelukkig hart en zalige ziel! welke waardig is Ü, haren

132

-ocr page 149-

4 HOOFDSTUK.

lieer en God, godvruchtig te ontvangen en U ontvangende met geestelijke vreugde vervuld te worden!

o Welk een groot Heer ontvangt zij! welk een berainnelijken gastvriend neemt zij op! welk een aangenamen medegezel verkrijgt zij! welk een getrouwen vriend vindt zij! welk een schoonen en edelen, boven alle geliefden en boven al wat wenschelijk is beminnenswaardigen bruidegom omhelst zij!

Dat, o dierbaarste Beminde! hemel en aarde met a! hunne sehoonheden voor uw aanschijn zwijgen: want wat zij lofwaardigs en schoons hebben, is een geschenk uwer milddadigheid, en nimmer zullen zij de heerlijkheid uws naams nabijkomen, wiens wijsheid gecne palen heeft. (Ps. 146)

VIERDE HOOFDSTUK.

Over de groote vnordeelen aan eene godvruchtige Communie verbonden.

De Geloovige. Heere mijn God! voorkom uwen dienstknecht met de zegeningen uwer goedheid, opdat ik verdiene tot uw hoogwaardig Sacrament waardig en godvruchtig le naderen.

Wek mijn hart tot ü op en ontdoe mij van die groote loomheid. Bezoek mij met uwe heilrijke genade om in den geest uwe zoetheid te smaken, die in dit Sacrament, als in eene bron, overvloedig schuilt.

Verlicht ook mijne oogen om zulk een groot geheim te aanschouwen, en versterk mij om het met een onwankelbaar geloof te gelooven.

Immers is het uw werk, geen werk der menschen; uwe heilige instelling, geen instelling van den mensch.

Ook is niemand uit zichzclven bekwaam om dit te bevatten en te verstaan, dat zelfs het vernuft der Engelen te boven gaat.

Wat zoude ik dan, onwaardig zondaar, stof en asch. van zulk een hoog en heilig geheim, doorgronden of bevatten kunnen?

Heer! in de eenvoudigheid mijns harten, met een oprecht vast geloof, en op uw bevel nader ik tot ü met vertrouwen en eerbied, en geloof waarlijk dat Gij als God en mensch hier in het Sacrament tegenwoordig zijt.

Gij wilt alzoo dat ik U ontvange en mij in liefde met ü vereenige. Waarom ik uwe goedertierenheid bidde en ü smeeke mij deze bijzondere genade te geven, dat ik geheel in ü ver-smelte, mij in uwe liefde verlieze en mij in geen anderen troost meer inlate.

Want. dit verhevenste en hoogwaardigste Sacrament is een heilmiddel voor ziel en lichaam, eene artsenij voor allerlei geestelijke kwalen. Daardoor worden mijne gebreken genezen, de driften beteugeld, de bekoringen overwonnen of verzwakt, eene

133

-ocr page 150-

IT BOEK.

grootere genade ingestort, de ontlokene deugd vermeerderd, het geloof bevestigd, de hoop versterkt en de liefde ontvlamd en uitgebreid.

Want Gij, mijn God! steun mijner ziel! hersteller der men-schelijke zwakheid en schenker van allen inwendigen troost, hebt in dit Sacrament aan uwe geliefden, die er godvruchtig deel aan nemen, vele goederen geschonken en schenkt hun die nog dikwijls.

Gij toch schenkt hun velerlei troost tegen veelvuldige wederwaardigheden; Gij verheft hen uit de diepte hunner neerslachtigheid tot de hope op uwe bescherming; Gij verkwikt en verlicht hen inwendig door eene nieuwe genade, zoodat zij, die vóór de Communie zich eerst beangstigd en liefdeloos gevoelden, zich daarna, door die hemelsche spijs en drank verkwikt, in betere mensehen veranderd bevonden.

En Gij handelt zoo vrijgevig met uwe uitverkorenen, opdat zij in waarheid erkennen en ten volle ondervinden hoe zwak zij uit zichzelven zijn, en hoeveel goedheid en genade zij van ü ontvangen.

Want uit zichzelven koud, ongevoelig en ongodvruchtig, verdienen zij door U vurig, ijverig en godvruchtig te zijn.

Wie toch nadert ootmoedig tot de bron dor zoetigheid, en draagt niet daarvan eenige zoetigheid weg?

Of wie staat bij een groot vuur en krijgt er niet eenige warmte van ?

Gij nu zijt eene altoos volle en overvloeiende bron, een altoos gloeiend en nooit verflauwend vuur.

Daarom, is het mij niet geoorloofd uit de volheid dier bron te scheppen en tot verzadigens toe te drinken, zal ik toch mijnen mond aan de opening der hemelsche ader stellen, om er tenminste een drupje van op te vangen ter lessching van mijnen dorst, en opdat ik niet geheel verdorre.

En, kan ik nog niet geheel hemelsch, noch brandende zijn . zoo als de Cherubs en Serafs, zal ik toch trachten mij op godsvrucht toe te leggen, en mijn hart voor te bereiden, opdat ik dit levendmakend Sacrament ootmoedig ontvangende, ten minste een klein vonkje van dat goddelijk vuur verkrijgc.

Wat mij nog ontbreekt, vul Gij dat, goede Jezus! heiligste Verlosser! voor mij liefderijk en genadig aan, die ü verwaardigd hebt allen tot ü te roepen, zeggende: Komt allen lot Mij, die vermoeid en belast zijt: Ik zal V verkwikken.

Ik toch arbeid in het zweet mijns aanschijns; de smart mijns harten foltert mij; ik ben beladen met zonden; ik word door bekoringen ontrust, door vele kwade driften gekluisterd en gedrukt; en er is niemand die helpt, niemand die verlost en redt, dan Gij, Heere God, mijn Verlosser, wien ik mijzelven en al het mijne toevertrouw, opdat Gij mij moogt bewaren en tot het eeuwig leven brengen.

134

-ocr page 151-

5 HOOFDSTUK.

Neem mij aan tot lof en verheerlijking van uwen naam, die mij uw Lichaam en Bloed tot spijs en drank hereid hebt.

Geef, Heere God, mijn Heiland! dat, naarmate ik aan uw geheim deelneem, de gevoelens mijner godsvrucht toenemen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Over de waardigheid van hel Sacrament cm over den priesterlijken slaat.

De Heek. Al hadt gij de reinheid eens Engels en de heiligheid van den H. Joannes den Dooper, nog zoudt gij niet waardig zijn dit Sacrament te ontvangen of te behandelen.

Want aan der menschen verdiensten is men het niet verschuldigd, dat een mensch het Sacrament van Christus consacreert en behandelt en het Brood der Engelen tot spijs neemt.

Groot geheim! en groote waardigheid der Priesters, wien vergund is wat den Engelen niet wordt toegestaan.

Want alleen de Priesters, in de Kerk geldig gewijd; hebben macht om de H. Mis te lezen en het Lichaam van Christus te eonsacreeren.

De Priester is wel de dienaar van God, gebruikende het woord van God, volgens Gods bevel en instelling; maar God is aldaar de voorname persoon en onzichtbare bewerker, wien alles onderworpen is wat Hij wil, en alles gehoorzaamt als Hij beveelt.

Daarom moet gij bij dit hoogwaardigste Sacrament meer den almachtigen God dan uw eigen zinnen of eenig zichtbaar teeken geloovcn.

En daarom ook moet gij met vreeze en eerbied tot dat werk naderen.

Neem u dan in acht, en bedenk wiens bediening u door de oplegging van \'s bisschops handen is toevertrouwd.

Zie, gij zijt Priester geworden en gewijd om de H. Mis te doen; zorg dan dat gij God op zijnen tijd met geloof en godsvrucht het offer daarbrengt en uzelven onberispelijk gedraagt.

Gij iiebt uwen last niet verlicht, maar zijl aan een nauweren band van tucht gelegd en tot een hoogeren trap van heiligheid verplicht.

Een Priester moet met allerlei deugden versierd zijn en aan anderen een voorbeeld geven van een goed leven.

Zijn omgang zij niet met de wereldlingen noch met het gemeen der menschen, maar met de Engelen in den hemel of met volmaakte menschen op aarde.

Een Priester, met het heilige gewaad uitgedost, bekleedt de plaats van Christus, om God voor ziehzelven en voor al het volk eerbiedig en nederig te smeeken.

138

-ocr page 152-

IV BOEK.

Hij heeft voor en achter zich het teeken van \'s Heeren kruis, om zich het lijden van Christus steeds te herinneren.

Hij draagt van voren op de kazuifel het kruis, opdat hij de voetstappen van Christus vlijtig naga en die ijverig poge na te volgen.

Hij is van achter met het kruis geteekend, opdat hij allerlei tegenheden hem door anderen aangedaan om Gods wille geduldig verdragc.

Hij draagt het kruis van voren, opdat hij zijne eigen zonden betreure; van achteren, opdat hij ook die door anderen bedreven uit medelijden beweene, en wete dat hij als middelaar tus-schen God en den zondaar gesteld is, en dus in het gebed en heilige offer niet verflauwe, totdat hij waardig worde genade en barmhartigheid te verwerven.

Wanneer een Priester de H. Mis leest, dan eert hij God, verblijdt hij de Engelen, sticht de geloovigen, helpt de levenden, bezorgt den dooden rust en maakt zicbzelven aan allerlei goed deelachtig.

ZESüE HOOFDSTUK.

Ondervraging naar eene oe.jening vóór de II. Communie.

De Geloovige. Wanneer ik, o Heer! uwe waardigheid en mijne onwaardigheid overweeg, dan sidder ik zeer en sv.a over rnijzelven beschaamd.

Want treed ik niet toe, ik vlied het leven; dring ik mij onwaardig op, ik val in ongenade.

Wat zal ik dan doen, o mijn God! mijn helper en raadgever in den nood?

Leer Gij mij den rechten weg; schrijf mij cenigc korte oefening voor, op de heilige Gomraunie passende.

Want het is nuttig te weten, hoe ik namelijk godvruchtig en eerbiedig ü mijn hart zal voorbereiden, om uw Sacrament met vrucht te ontvangen, of ook om zulk een groot en goddelijk Offer op te dragen.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Over het onderzoek des gewetens en hel voornemen ter verbetering.

De Heer. Voor alles behoort Gods Priester om dit Sacrament te vieren, te behandelen en te ontvangen, zich met den gpootsten ootmoed des harten, met diepen eerbied, een vol geloof en met het zuivere oogmerk van Gods eer daartoe te begeven.

Onderzoek nauwkeurig uw geweten, naar uw vermogen reinig en zuiver het door een oprecht berouw en eene oot-

136

-ocr page 153-

7 HOOFDSTDK.

moedige biecht, zoodat gij niets bezwarends overhoudt, noch ontwaart dat u iets knage of den vrijen toegang verhindere.

Heb afkeer van al uwe zonden in het algemeen, en bedroef u en zucht meer in het bijzonder over uwe dagelijksche overtredingen.

En, laat de tijd het toe, belijd dan voor God, in bet binnenste uws harten, al de ellende uwer driften.

Zucht en betreur, dat gij nog zoo vleeschelijk en wcreldsch zijt, zoo weinig uwe driften afgestorven, zoo vol ongeregelde bewegingen.

Zoo weinig waakzaam over uwe uiterlijke zinnen, zoo vaak -ingewikkeld in allerlei ijdele voorstellingen; zoo overhellende tot het uiterlijke, zoo onachtzaam omtrent het innerlijke.

Zoo licht vervoerd tot lachen en ongebondenheid, zoo verhard tot weenen en berouw; zoo vaardig tot verslapping en vleeschelijk gemak, zoo traag tot strengheid en ijver.

Zoo driftig om iets nieuws te hooren en iels schoons te zien, zoo flauw om het lage en verachte tc omhelzen; zoo begeerig om veel te hebben, zoo karig in het geven, zoo taai in bet behouden.

Zoo onbedachtzaam in het spreken, zoo onwillig tot zwijgen; zoo ongeregeld van zeden, zoo ontijdig in uwe handelingen.

Zoo gulzig bij bet eten, zoo doof bij het woord Gods; zoo gretig naar rust, zoo traag tot den arbeid.

Zoo wakker bij beuzelachtige gesprekken, zoo slaperig bij het heilige nachtgebed, zoo hakende naar het einde, zoo onbestendig in aandacht.

Zoo onachtzaam bij het opzeggen der getijden, zoo lauw bij het Mislezen, zoo dor bij het communiceeren.

Zoo licht verstrooid, zoo zelden volkomen ingetogen; zoo ras in toorn ontstoken, zoo geneigd om anderen misnoegen te geven; zoo gereed tot oordeelcn, zoo streng in het berispen.

Zoo uitgelaten in voorspoed, zoo terneergeslagen in tegenspoed; zoo dikwijls veel goeds voornemende, en weinig ten uitvoer brengende.

Wanneer gij deze en andere gebreken met smart cn een groot mishagen in uwe zwakheid beleden en beweend hebt, maak dan een vast besluit om steeds uw leven te verbeteren en in het goede voort te gaan.

Offer vervolgens met een volkomen afstand en een oprechten wil uzelven ter eere mijns naams op het altaar van uw hart als een gedurig brandoffer door namelijk mij uw lichaam en ziel getrouwelijk over tc geven: opdat gij dus verdienen moogt waardig te naderen, om Gode het offer op tc dragen en het Sacrament van mijn Lichaam met vrucht te ontvangen.

Want er is geen waardiger offer noch grootere voldoening ter uitwissing der zonden, dan zichzelven zuiver en volkomen

«7

-ocr page 154-

iv boek.

met het offer van Christus\' Lichaam, onder de Mis en bij de Communie, Code op te dragen.

Heeft de mcnsch gedaan wat in hem is, en heeft hij een waar berouw, zoo dikwijls hij bij Mij om vergeving en genade komt, zoo waar ik leve, zegt de Heer, ik heb geen lust in den dood des zondaars, maar daarin, dat hij zich bekeere en leve: Ik zal zijner overtredingen niet meer gedenken; (Ezech. 22 en 23) alle zullen hem kwijtgescholden zijn.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Over de opoffering van Christus aan hel kruis en de opoffering van zichzelven.

De Heer. Gelijk ik Mijzelven naakt met uitgestrekte armen aan \'t kruis voor uw zonden vrijwillig aan mijn henielschen Vader heb opgedragen, zoodat in Mij niets overig bleef, dat niet geheel in een offer ter verzoening met God overving, zoo moet gij ook uzelven dagelijks, bij de H. Mis vrijwillig uit alle uwe kracht en neigingen, op hel innigst als gij kunt, tot een rein en heilig offer aan Mij opdragen.

Wat eisch ik meer van u, dan dat gij u toelegt om uzelven volkomen aan Mij af te staan.\'

Alles wat gij Mij buiten uzelven geeft, acht Ik niet; Ik toch zoek niet uwe gaven, maar u.

Gelijk het u niet genoeg zoude zijn alles te bezitten buiten Mij, zoo kan ook Mij niets van alles wat gij geeft behagen, zoo gij uzelven niet aanbiedt.

Offer u aan Mij op en geef uzelven geheel voor God: dan zal uw offer behagen.

Zie, Ik heb Mij geheel aan den Vader voor u opgeofferd; Ik heb u ook geheel mijn Lichaam en Bloed tot spijze gegeven, opdat Ik geheel de uwe zij, en gij de mijne moogt blijven.

Maar staat gij nog op uzelven en offert gij u niet gewillig aan mijn welbehagen op, uw offer zal onvolkomen en onder ons geen volmaakte vereeniging zijn.

Eene vrijwillige overgave van uzelven in de hand Gods moet dus al uwe werken voorafgaan, zoo gij vrijheid en genade wilt verwerven.

Want daarom worden zoo weinigen verlicht en innerlijk vrij, omdat zij zichzelven niet volkomen welen te verzaken.

Mijne uitspraak blijft vast; Wie niet alles verzaakt, kan mijn leerling niet zijn. (Luc. 14)

Wilt gij dan mijn leerling zijn, zoo offer uzelven aan Mij op met al uwe neigingen.

138

-ocr page 155-

9 HOOFDSTDE.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Dat wij ons en al hel onze moeien opofferen en voor allen bidden.

De Geloovige. Heer! alles wat in den hemel is en op de aarde, is het uwe.

Ik verlang mijzei ven aan U tot een vrijwillig offer op te dragen en eeuwig de uwe te blijven.

Heer! heden offer ik (J mijzei ven in eenvoudigheid des harten op, om voor altoos uw dienstknecht te zijn, U te gehoorzamen en een offer van eeuwigdurenden lof te worden.

Neem mij aan te gelijk met dit heilige offer van uw dierbaar. Lichaam, hetwelk ik U heden in het bijzijn der ons hier onzichtbaar omringende Engelen opdraag, opdat het mij en al den volke tot heil strekke.

Ook leg ik, o Heer! al mijne zonden en overtredingen, die ik voor U en voor uwe heilige Engelen heb begaan van den dag dat ik \'t eerst heb kunnen zondigen tot nu toe, op uw zoenaltaar neder; opdat Gij die alle in het vuur uwer liefde aansteken en verbranden moogt, al de vlekken mijner zonden uitwissehen, mijn geweten van alle misdrijf reinigen, mij uwe, door de zonden verbeurde, genade teruggeven, door mij alles volkomen kwijt te schelden en mij tot den kus van vrede barmhartig op te nemen.

Wat anders kan ik voor mijne zonden doen, dan ze nederig belijden, beweenen en onophoudelijk uwe barmhartigheid inroepen ?

Ik smeek ü dan, verhoor mij genadig nu ik voor ü sta, o mijn God!

AI mijne zonden mishagen mij zeer. Nimmer wil ik ze weder begaan. Ik betreur ze en zal ze betreuren zoolang ik leef, bereid om boete te doen en voldoening te geven naar mijn vermogen.

Vergeef mij, o God! vergeef mij mijne zonden om uws heiligen Naams wille; red mijne ziel, die Gij met uw dierbaar Bloed hebt vrijgekocht.

Zie, ik vertrouw mij aan uwe barmhartigheid en geef mij over in uwe handen. Handel met mij naar uwe goedheid, niet naar mijne boosheid en ongerechtighaid.

Ook offer ik (J op alles wat ik goeds heb, ofschoon het zeer gering en onvolkomen is, opdat Gij het moogt verbeteren en heiligen, het met welgevallen aannemen en ü behaaglijk maken; opdat Gij het steeds tot een hoogere volmaaktheid en mij tragen, onnutten, nietigen menseh tot een gelukkig en loffelijk einde brengen moogt.

Ook leg ik op uw outer neer al de vrome wenschen der godvruchtigen, de noodwendigheden van mijn ouders en vrienden, broeders en zusters en van allen die mij dierbaar zijn; ook

-ocr page 156-

iv boek.

van hen die mij of anderen uit liefde voor U eenig goed gedaan hebben; desgelijks ook van degenen, die verlangd en verzocht hebben dat ik gebeden en de II. Mis zoude opdragen voor hen of de hunnen, het zij dat ze nog leven of reeds gestorven zijn.

Ik bidde dat zy allen door deze II. Offerande mogen ondervinden de hulp uwer genade, den steun uwer vertroosting, de heseheriTiing in de gevaren en de bevrijding van hunne straffen, opdat zij. aan alle onheil ontrokken, ü blijmoedig den ruimsten dank toebrengen.

Nog draag ik U gebeden en zoenoffers op bijzonder voor hen, die mij in eenig opzicht beleedigd, bed.iocfd, gesmaad, of mij eenige schade of moeilijkheid toegebracht hebben; alsmede voor hen allen, die ik somtijds bedroefd, ontrust, bezwaard of geërgerd heb, door woorden of daden, wetende of onwetende; opdat Gij ons allen gezamenlijk onze zonden en we-derzijdsche beieedigingen moogt vergeven.

_ Neem, o Heer! uit onze harten weg allen argwaan, verbittering, toorn, twist, en alles wat de liefde kan kwetsen en de broederlijke genegenheden verminderen.

Ontferm ü, o Heer! ontferm ü over allen die uwe ontferming afsmeeken; schenk genade aan allen die ze behoeven, en doe ons zoodanig worden, dat wij waardig zijn uwe genade te ontvangen en voortgang maken ten eeuwigen leven. Amen.

TIENDE HOOFDSTUK.

Dat men de heilige Communie niet licht moet achtcrlaien.

De Heer. Dikwijls moet gij uwe toevlucht nemen tot de bron van genade en goddelijke ontferming, tot de bron van alle goed- en reinheid, opdat gij alzoo van uwe driften en gebreken moogt genezen worden en verdienen tegen alle bekoringen en listen des duivels sterker en waakzamer te zijn.

De vijand wetende welke vrucht en allerkrachtigst geneesmiddel in de heilige Communie gelegen is, tracht op allerlei wijze en bij alle gelegenheid, zooveel hij kan, de geloovigen en godvruchtigen af te trekken en te verhinderen.

Sommigen inderdaad, als zij zieh tot de heilige Communie trachten voor te bereiden, ontwaren dan de erlt;;stc inffcvin^en des Satans. 30

Want die kwade geest komt, gelijk er in het boek Job geschreven staat, midden onder de kinderen Gods, opdat hij ze door zijn gewone arglistigheid in verwarring brenge, of te zeer bevreesd en verlege make, om alzoo hunne liefde te verminderen, of door zijn aanvallen hun het geloof te ontnemen; of zij misschien de Communie geheel zullen achterlaten, of met lauwheid naderen.

140

-ocr page 157-

10 HOOFDSTUK.

Maar men moet zich aan zijn listen en voorstellingen, hoe schandelijk en afgrijslijk ook, hoegenaamd niet sloren, maar hem al die ingevingen in het aangezicht terugwerpen.

Veraehten moet men den ellendeling en bespotten, en om zijn aanvallen en de ontroeringen die hij verwekt, de heilige Communie geenszins nalaten.

Dikwijls ook wordt men verhinderd door eene te groote bezorgdheid om devotie te hebben, en door een zekeren angst omtrent de voorafgaande biecht.

Handel volgens den raad van verstandige rnenschen en leg uw angst en bezwaren af: want deze verhinderen de genade Gods en verstoren de godsvrucht des gemoeds.

Wil niet om eenige kleine entrusting of bezwaar de heilige Communie achterlaten, maar ga des te eerder te biechten en vergeef gaarne aan anderen al hun beleedigingen.

Of hebt gijzelf iemand beleedigd, vraag hem nederig om vergeving, en God zal u gaarne vergeven.

Welk nut doet het met biechten lang tc wachten of de heilige Communie uit te stellen?

Reinig u ten eerste, werp spoedig het vergift uit en haast u de artsenij in tc nemen: gij zult u daarbij beter bevinden dan met lang uit te stellen.

Indien gij het heden om deze reden uitstelt, morgen zal er zich wellicht iets gewiehtigers opdoen, en zoo kondet gij lang van de Communie afgehouden en te ongeschikter worden.

Ontdoe u, zoodra gij kunt, van de tegenwoordige bezwaren en loomheid: want het baat niets lang in angst en ongerustheid voort tc leven, en zich door dagelijksche beletsels van de goddelijke geheimen te laten afhouden.

Integendeel schaadt het zeer de Communie lang uit te stellen: want doorgaans brengt het groote lauwheid te weeg.

Helaas! sommige lauwen en ongebondenen stellen gaarne het biechten uil en wenschen daarom de heilige Communie te verschuiven, opdat zij niet verplicht worden strenger wacht over zichzelven te houden.

Ach! hoe weinige liefde cn zwakke godsvrucht hebben zij, die de heilige Communie zoo licht verschuiven!

Hoe gelukkig en Code behaaglijk is hij, die zóo leeft en zijn geweten zóo rein bewaart, dat bij bereid en wel genegen zoude zijn om zelfs eiken dag te communiceeren, wierd hem dat veroorloofd en kon hij \'t zonder opspraak doen.

Indien iemand somtijds uit ootmoed of om eenig wettig beletsel terugblijfl, hij is om zijnen eerbied te prijzen.

Maar loopt daaronder lauwheid, hij moet zichzelven opwekken en doen wat hij kan; en God zal zijn verlangen te gemoet komen om zijn goeden wil, waarop Hij inzonderheid ziet.

Wordt iemand wettig verhinderd, dat hij dan een goeden

141

-ocr page 158-

iv boek.

wil en godvruchtig voornemen hebbe om te communieeeren; en dus zal hij van de vrucht des Sacraments niet verstoken zijn.

Want ieder kloosterling kan eiken dag en elk uur met vrucht en ongehinderd, in den geest, tot den Maaltijd van Christus naderen.

Nochtans moet hij op zekere dagen en ten gestelden tijde, het Lichaam zijns Verlossers werkelijk met hartelgken eerbied ontvangen, en meer Gods lof en eer bcoogen dan zijn eigen troost zoeken.

Overigens men communiceert in den geest en wordt onzichtbaar verkwikt, zoo dikwijls men het geheim van de mensch-wording en het lijden van Christus godvruchtig overweegt en in liefde tot Hem ontstoken wordt.

Wie zich anders niet voorbereidt dan bij \'t naderen van een feest of door gewoonte gedwongen, zal dikwijls onbereid zijn.

Gelukkig hij, die zich den Heere ten brandoffer opdraagt, zoo dikwijls hij de H. Mis leest of communiceert!

Wees gij intusschen, bij het Mislezen, noch te langzaam noch te overhaastig; maar volg het gewone goede gebruik dergenen, onder welke gij leeft.

Gij moet anderen geen last noch verveling baren, maar den gewonen weg houden naar de instelling der voorvaderen, en meer het nut van anderen dan uw eigen godsvrucht of genegenheid beoogen.

ELFDE HOOFDSTUK.

Dat het Lichaam van Christus en de heiliqe Schrift voor eene geloovige ziel hoogst noodzakelijk zijn.

De Geloovige. o Beminnelijkste Heere Jezus! hoe groot is-het genoegen van eene godvruchtige ziel, die met ü eet aan uwen disch, waar haar geen andere spijs te eten wordt voorgesteld dan Gij, haar eenig Beminde, wenschelijk boven al de verlangens baars harten!

Gok mij zoude het genoeglijk zijn in uwe tegenwoordigheid uit het diepst mijns harten tranen te storten, en met de godvruchtige Magdalena uwe voeten met tranen te besproeien.

Doch waar is die godsvrucht? waar die overvloed van heilige tranen ?

Voorwaar mijn geheel hart moest voor uw aanschijn en dat uwer heilige Engelen gloeien en van vreugde weenen.

Want in het Sacrament zijt Gij waarlijk tegenwoordig, ofschoon onder eene vreemde gedaante verborgen.

Want ü in uwe eigene en goddelijke klaarheid te aanschouwen zouden mijne oogen niet kunnen uithouden, ja de gehecle wereld zoude tegen den schitterenden glans uwer Majesteit niet bestand zijn.

142

-ocr page 159-

11 HOOFDSTOK.

Hierin derhalve voegt Gij u naar mijne zwakheid, dat gij U in het Sacrament verbergt.

Ik bezit in waarheid en aanbid Hem, dien de Engelen in den hemel aanbidden; maar ik intusschen nog door het geloof, en zij van aanschijn en zonder sluier.

Ik moet mij met bet licht des waren geloofs vergenoegen en daarin wandelen, totdat de dag der eeuwige klaarheid aanbreke en de schaduwen der beeldnissen verdwijnen.

Maar is datgene gekomen, dat volmaakt is, dan zal het gebruik der Sacramenten ophouden; want de gelukzaligen in de hemelsche heerlijkheid behoeven niet meer het geneesmiddel der Sacramenten.

Zij toch verblijden zich onophoudelijk in de tegenwoordigheid Gods, daar zij zijne heerlijkheid van aanschijn tot aanschijn aanschouwen. En, van klaarheid tot klaarheid der oneindige Godheid overgaande, smaken zij het vleeschgewordcn Woord van God, gelijk het was van den beginne en in eeuwigheid blijft.

Als ik deze wonderen overdenk, dan wordt mij zelfs elke geestelijke troost een groot verdriet: want zoolang ik mijnen Heer in zijne heerlijkheid niet openlijk aanschouw, acht ik alles, wat ik op aarde zie of hoore, als niets.

Gij zijt mijn getuige, o God! dat niets mij vertroosten, noch eenig fchepsel mij bevredigen kan, tenzij Gij, mijn God! dien ik eeuwig wensch te aanschouwen.

Maar dit is niet mogelijk, zoolang dit sterfelijk leven duurt.

Daarom moet ik mij zetten tot groot geduld en mij met al mijn verlangens aan U onderwerpen

Want ook uwe Heiligen, o Heer! die nu reeds in het hemelrijk zich met ü verblijden, hebben gedurende hun leven de toekomst uwer heerlijkheid met geloof en groot geduld verbeid.

Wat zij geloofd hebben, geloof ik ook; wat zij gehoopt hebben, hoop ik ook; waar zij aangeland zijn, vertrouw ook ik door uwe genade te zullen komen.

Intusschen zal ik, door het voorbeeld der Heiligen versterkt, in het geloof voortwandelen.

Ook zal ik de heilige boeken tot troost en levensspiegel hebben, en boven dat alles uw allerheiligst Lichaam tot een bijzonder geneesmiddel en toevlucht.

Want twee dingen ontwaar ik in dit leven zeer te behoeven, zonder welke dit ellendige leven mij ondraaglijk zou wezen.

In den kerker dezes liehaams opgesloten, beken ik twee zaken noodig te hebben, voedsel en licht.

Derhalve hebt Gij mij zwakken uw heilig Lichaam gegeven ter verkwikking van ziel en lichaam, en mij uw woord tot eene fakkel voor mijn voeten gesteld.

Zonder deze beide dingen zoude ik niet wel kunnen leven: want het woord van God is het Hebt mijner ziel, en uw Sacrament het Brood des levens.

143

-ocr page 160-

IV BOEK.

Ook kunnen deze genoemd worden twee tafels in de schatkamer uwer heilige Kerk wederzijds geplaatst.

Ue eene tafel is die des heiligen altaars, waarop het heilige Brood, dat is het kostbaar Lichaam van Christus rust.

De andere is die der goddelijke wet; op deze ligt de heilige leer, die ons in het waar geloof onderricht, en met vasten tred tot binnen het voorhangsel, waar het Heilig der heiligen is, henenlcidt.

Dank zij U, Heere Jezus! Licht van het eeuwige Licht! voor de tafel der heilige leer, welke gij ons door uwe dienaren de Profeten, Apostelen en andere leeraren hebt aangericht!

Dank zij ü, Schepper en Verlosser der luenschen! die om der gansehe wereld uwe liefde te bewijzen, een groot Avondmaal hebt aangelegd, waar Gij ons geen zinnebeeldig Paaschlam, maar uw allerheiligst Lichaam en Bloed tot voedsel voorstelt, verblijdende door dat heilige gastmaal al uwe geloovigen, en hen verkwikkende uit den beker des heils, welke al de genoegens van het Paradijs bevat; terwijl ook de heilige Engelen met ons gastmaal houden, ofschoon met zaliger genoegen.

o, Hoe groot en waardig is het ambt der Priesters, wien het gegeven is den Heer der heerlijkheid door de heilige woorden te consacreeren, met hunne lippen te zegene.a, in hunne handen te houden, met hunnen mond te nemen en aan anderen toe te reiken!

o, Hoe rein moeten die handen, hoe rein de mond, hoe heilig het lichaam, hoe onbevlekt hel hart eens Priesters zijn, bij wien zoo dikwijls de bron van reinheid haren intrek neemt!

Uit den mond eens Priesters mag geen woord voortkomen, dat niet heilig, niet eerbaar en nuttig is, daar hij zoo dikwijls het Sacrament van Christus ontvangt.

Zijn oogen moeten eenvoudig en kuisch zijn, welke het Lichaam van Christus gedurig aanschouwen.

Zijne handen moeten zuiver en ten hemel geheven zijn, welke zoo dikwijls den Schepper van hemel en aarde aanraken.

Tot de Priesters vooral wordt in de Wet gezegd: Weest heilig; want Ik de Heere uiv God ben heilig. (Lev. 19)

Dat dan uwe genade ons helpe, almachtige God\' opdat wij die het Priestersambt op ons genomen hebben, ü waardig en godvruchtig, met alle reinheid en een goed geweien mogen dienen.

En kunnen wij ons leven in zoo eene onschuld niet doorbrengen als wij moeten, geef ons ten minste dat wij de misdrijven, die wij hebben begaan, behoorlijk beweenen en ü voortaan in den geest van ootmoed, alsmede met het voornemen om het goede te willen, ijveriger dienen.

144

-ocr page 161-

12 HOOFDSTÜK.

TWAALFDE HOOFDSTÜK.

Dat degene die communiceeren wil, zich met groote vlijt moet voorbereiden.

D e heer. Ik ben de minnaar der Euiverheid en de gever van alle heiligheid.

Ik zoek een rein hart: daar is de plaats mijner ruste.

Bereid mij eene groote welversierde eetzaal, en Ik zal met mijne leerlingen hij u \'iet paaschmaal houden. (Mare. 14. Lue. 22)

Wilt gij dat Ik tot u komc en bij u blijve, zuiver u dan van den ouden zuurdeesem en reinig de woning uws harten.

Sluit de geheele wereld en al het gewoel der ondeugden buiten.

Zit als eene eenzame musch op het dak en overdenk in de bitterheid uwer ziele uwe overtredingen.

Want alwie liefheeft, bereidt zijnen geliefden vriend de beste en schoonste plaats: daaraan toch wordt de genegenheid van hem die zijn vriend ontvangt gekend.

Weet nochtans dat gij door de verdienste uwer Werken niet aan deze voorbereiding voldoen kunt, al zoudt gij u een geheel jaar voorbereiden en op niets anders bedacht zijn.

Maar alleen door mijne goedheid en genade wordt u toegestaan tot mijne Tafel te naderen; evenals wierd een bedelaar aan de tafel eens rijken genoodigd, en hij niets anders had om diens weldaden te vergelden, dan ootmoedige dankzegging.

Doe wat gij kunt, en doe het vlijtig. Ontvang niet uit gewoonte, niet uit dwang, maar met vreeze, eerbied en liefde het Lichaam van uwen geliefden Heere God, die zich verwaardigt tot u te komen.

Ik ben \'t die genoodigd heb; Ik heb bevolen dat het geschieden zoude: Ik zal aanvullen wat u ontbreekt; kom en ontvang Mij.

Wanneer ik u de genade der godsvrucht schenk, dank dan uwen God: niet omdat gij ze waardig zijt, maar omdat ik Mij over u ontfermd heb.

Hebt gij die niet, maar gevoelt gij u veeleer dor, volhard in het gebed, zucht en klop, en laat niet af totdat gij verdient een kruimeltje of druppeltje der heilrijke genade te ontvangen.

Gij hebt Mij noodig. Ik heb u niet noodig. Ook komt gij niet om Mij te heiligen, maar Ik kom om u te heiligen en te verbeteren.

Gij komt om door Mij geheiligd en met Mij vereenigd te worden, om nieuwe genade te ontvangen en opnieuw ontstoken te worden ter verbetering.

Wil deze genade niet verzuimen; maar bereid uw hart met alle vlijt en leid uwen Geliefde b\\j u binnen.

145

10

-ocr page 162-

IT BOEK.

Overigens moet gij u niet slechts vóór de Communie tot godsvrucht voorbereiden, maar die ook zorgvuldig bewaren na \'t ontvangen van het Sacrament.

En geene mindere behoedzaamheid wordt daarna vcreischt, dan te voren godvruchtige voorbereiding.

Want eene goede behoedzaamheid daarna is weder de beste voorbereiding om grootere genade te bekomen.

Daardoor toch wordt iemand zeer ongeschikt, als hij zich aanstonds te veel aan uitwendige vertroostingen overgeeft,

\\ermijd het veelvuldig gepraat; blijf afgezonderd en geniet uwen God; want Hem bezit gij, dien de geheele wereld u niet kan ontnemen.

Ik ben t aan wien gij u geheel moet overgeven, zoodat gij voortaan niet meer in uzelven, maar in ffly zonder de minste bezorgdheid voortleeft.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Dat eene godvruchtige ziel van ganschcr harle moei verlangen naar de vereeniging mei Christus in hel Sacrament.

De Giïloovige. Wie, o Heer! geeft mij dat ik U alleen vinde, dat ik U mijn geheel hart opene en U geniete zooals mijne ziel begeert, zoodat niemand mij verachte, noch eenig schepsel mij bewege of op mij acht geve, maar Gij alleen tot mjj spreket en ik tot U, gelijk een geliefde gewoon is tot den geliefde te spreken, en de vriend met den vriend te verkecren.

Dit bid ik, dit verlang ik, dat ik geheel met ü vsreenigd worde en mijn hart van al het geschapene aftrekke, en dat ik door de heilige Communie en het menigvuldig Mislezen meer en meer leere het hemelsehe en eeuwige te smaken.

Ach, Heere God! wanneer zal ik geheel met U vereenigd en-in ü verslonden zijn en mijzelven geheel vergeten ?

Gij in mij, en ik in ü! vergun dat wij dus te zamen vereenigd blijven!

Gij zijl waarlijk mijn Geliefde, uil duizenden uitverkoren, (Cant. S) bij wien mijne ziel verlangt te wonen al de dagen haars levens.

Waarlijk Gij zijt mijn bevrediger, in wien de hoogste vrede en ware rust, buiten wien niets dan last, droefheid en ei.idelooze ellende gevonden worden.

Waarlijk Gij zijt een verborgen God. (Is, 45) Uw raad is niet met de goddeloozen; uw onderhoud is met ootmoedigen en eenvoudigen.

o, Hoe liefelijk, o Heer! is uw geest, die om uwen kinderen uwe teederheid te toonen, U verwaardigt hen te verkwikken met het smakelijkste brood van den hemel nedergedaald.

Waarlijk er is geen ander volk, hoe groot ook, hetwelk Goden

-ocr page 163-

14 HOOFDSTUK.

heeft, hun zoo nabij, gelijk Gij, onze God! nabij zijl (Deut. 4) al uw geloovigcn, aan welke Gij, ora hen dagelijks te troosten en hun hart hemelwaarts te heffen, üzelven te eten en te genieten geeft.

Want welk ander volk is zoo geacht als dal der Christenen? Of welk schepsel onder de zon is zoo geliefd als eene godvruchtige ziel, tot welke God zijnen intrek neemt om haar met zijn verheerlijkt Vleesch te voeden.

o Onuitsprekelijke genade! o wonderlijke goedheid! o onbegrensde liefde den racusch alleen betoond!

Maar wat zal ik den Heer voor die genade, en voor eene zoo uitnemende liefde wedergeven?

Niets aangenamers kan ik geven, dan dat ik aan mijn God mijn hart geheel schenke en met Hem op het nauwste vereenige.

Dan ook zal geheel mijn binnenste juichen, als mijne ziel volkomen met God zal vereenigd zijn.

Dan zal Hij lot mij zeggen: «wilt gij met Mij zijn, Ik wil met u zijn,quot; en ik zal Hem antwoorden: «Verwaardig U, o Heer, bij mij te blijven: ik wil gaarne bij ü zijn. Dit is al mijn vertangen dal mijn hart met U vereenigd zijquot;.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Over hel vurig verlangen van sommige godvruchligen naar het Lichaam van Christus.

De Guloovige, Hoe veelvuldig, o [leer! is hel goed dal Gij weggelegd hebt vour die U vreezen. (Ps. 30)

Als ik overweeg, o Heer! hoe sommige godvruchligen met de grootste godsvrucht en liefde tol uw Sacrament naderen, dan word ik dikwijls bij mijzelven beschaamd en bloos, dat ik zoo lauw en koud tot uw altaar en de tafel der heilige Communie toetrede; dat ik zoo dor en zonder aandoening des harten blijve.

Ik word verlegen dat ik voor ü, mijn God! niet geheel ontstoken ben, noch zoo sterk getrokken en aangedaan als vele godvruchligen waren, die wegens hun overgroot verlangen naaide Communie en. hevige liefde des harten hun tranen niet konden weerhouden; maar tegelijk met den mond des harten en des lichaams naar U, o God! de levensbron, innig haakten, hunnen honger niet anders kunnende stillen of verzadigen, dan nadat zij uw Lichaam met de hoogste verrukking en \'t vurigst zielsverlangen ontvangen hadden.

o. Hun waarlijk brandend geloof strekt tot een overtuigend bewijs van uwe heilige tegenwoordigheid!

Want zij erkennen waarlijk hunnen Heer bij het breken des broods, wier hart. zoozeer in hen brandt, als Jezus met] hen wandelt.

147

-ocr page 164-

IT BOEK.

Maar, ach! dikwijls zyn zulke aandoeningen en zulke godsvrucht, zulke sterke liefde en gloed verre van mij!

Wees mij genadig, goede, beminnelijke en goedertieren Jezus! en vergun aan uwen armen bedelaar bij de heilige Communie ten minste somtijds een weinig van dien liefdegloed jegens ü in zijn hart te ontwaren, opdat mijn geloof meer in kracht toeneme, mijne hoop op uwe goedheid vermeerdere, en mijne liefde eens goed ontstoken enquot; met dit hemelsch manna gevoed, nimmer bezwijke.

Uwe barmhartigheid immers is machtig om mij ook deze gewenschte genade te bewijzen, en mij, wanneer de dag uws welbehagens zal gekomen zijn, met den geest van vurigheid al-lergenadigst te bezoeken.

Want al brand ik niet van zulk een verlangen als uwe zoo bijzonder godvruchtigen, verlang ik echter door uwe genade zulk een brandend verlangen te hebben, wenschende en smee-kende dat ik van al deze uwe ijverige beminnaars deelgenoot en onder hun heilig gezelschap medegerekend worde.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Dat de genade der godsvrucht door ootmoed en zelfverloochening verkregen wordt.

D e Heer. Gij moet de genade der godsvrucht ernstig zoeken, vurig afsmeeken, geduldig en met vertrouwen afwachten, dankbaar aannemen, in ootmoed bewaren, vlijtig daarmede arbeiden, en aan God den tijd en de wijze van het hemelsche bezoek overlaten, totdat Hij kome.

Gij moet u vooral vernederen wanneer gij inwendig weinig of geene godsvrucht gevoelt, maar er niet te neerslachtig noch te zeer bedroefd om worden.

Dikwijls schenkt God in éen oogenblik wat Hij langen tijd weigerde. Somtijds geeft Hij op het einde wat Hij in den beginne uitstelde te geven.

Wierd de genade altoos onverwijld geschonken en ware zij naar wensch steeds daar, de zwakke mensch zoude zulks niet wèl dragen kunnen.

Daarom moet de genade der godsvrucht in goede hope en nederige verduldigheid worden afgewacht; nochtans wijt het uzelven en uwe zonden, wanneer zy u niet gegeven of ook heimelijk onttrokken wordt.

Het is somtijds iets gerings, dat de genade hindert en verbergt, zoo men het gering en niet eerder groot moet noemen, hetgeen een zoo groote weldaad onthoudt.

Maar hebt gij dat geringe of groote uit den weg geruimd en geheel overwonnen, dan zal uw wensch u geworden.

Want zoo ras gij u van ganscher harte aan God zult overgegeven hebben en niet meer dit of dat naar uwen eigen zin

148

-ocr page 165-

16 HOOFDSTUK.

of lust begeert, maar u geheel aan Hcjq overlaat, zult gij u vereenigd en bevredigd vinden; want niets zal u zoo wèl smaken of behagen, als het welbehagen van den goddolyken wil.

Wie dus zijne bedoeling in eenvoudigheid des harten omhoog tot God gericht en zich van alle ongeregelde liefde of misnoegen over eenig geschapen voorwerp zal ontdaan hebben, die zal het best geschikt wezen om de genade te ontvangen en de gave der godsvrucht waardig zijn.

Want God zendt zijnen zegen daar, waar hij ledige vaten vindt.

En hoe volkomener iemand van het aardsche afziet, hoe meer hij door zelfvcrstnading zichzelven afsterft, des te schielijker komt de genade, des te overvloediger dringt zij door en des te hooger verheft zij het vrije hart.

üan zal hij zien en overvloeien en verwonderd staan, zijn hart zich verwijden, omdat des Heeren hand met hem is, en hij zich geheel en voor eeuwig in zijne hand gesteld heeft.

Zie, zóo wordt de mensch gezegend die God van ganscher harte zoekt en zijne ziel niet zet op ijdelheid. (Ps. 23)

Zulk een verdient bij het ontvangen van het heilig Sacrament de groote genade der goddelijke vereeniging, omdat hij niet ziet op eigen godsvrucht of troost, maar boven alle godsvrucht en troost op Gods eer en verheerlijking.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Dat wij onze behoeften aan Christus moeten blootleggen en zijne genade afsmeeken.

De Geloovige. o Allerzoetste en beminnelijkste Heer! dien ik nu wensch godvruchtig te ontvangen. Gij kent mijne zwakheid en mijnen nood; Gij weet hoevele kwalen en gebreken ik onderworpen ben; mijne menigvuldige zwarigheden, bekoringen, ont-steltenissen en zónden zijn Li bekend.

Ik kom bij U om een hulpmiddel, ik smeek U om troost en verlichting.

Ik spreek tot den Alwetende, wien geheel mijn binnenste bekend is, en die alleen mij volkomen kan troosten en helpen.

Gij weet welk goed ik boven alles noodig heb en hoe arm ik ben aan deugden.

Zie, arm en naakt sta ik voor U, smeekende om genade en barmhartigheid inroepende.

Verkwik uwen hongerigen bedelaar, ontvonk mijne koudheid door het vuur uwer liefde, verlicht mijne blindheid door den glans uwer tegenwoordigheid.

Doe mij al het aardsche in bitterheid, alle bezwaar en tegenheid in geduld, al het lage en geschapene in verachting en vergetelheid overgaan.

Hef mijn hart tot U hemelwaarts op en laat mij niet op aarde rondzwerven.

149

-ocr page 166-

IV BOEK.

Wees Gij alleen van nu af tot in eeuwigheid mijn vermaak; want Gij alleen zijt mijn spijs en drank, mijne liefde en vreugde, mijn genoegen en eenigst goed.

Ach, mocht Gij mij door uwe tegenwoordigheid geheel ontgloeien, ontbranden en in U doen overgaan, zoodat ik een geest met U wierd door de genade eener innerlijke verceniging en de samensmelting eener vurige liefde!

Duld niet dat ik hongerig en dorstig van ü vertrekke; maar handel met -mij bannhartiglijk, gelijk Gij dikwijls met uwe Heiligen wonderlijk gehandeld hebt.

Wat wonder dat ik door ü geheel ontvlamme en in mijzelven vertere, daar Gij een vuur zijt dat altoos brandt en nimmer vergaat, eene liefde welke het hart reinigt en het verstand verlicht.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Over de gloeiende liefde en brandende begeerte om Christus te ontvangen.

De Geloovige. Heer! ik verlang [J met de meeste godsvrucht en eene vurige liefde, met al de genegenheid en den gloed des harten te ontvangen, zooals vele Heiligen en godvruchtige personen bij de Communie naar ü hebben verlangd, die ü door de heiligheid van hun leven zeer behaagd en in de brandendste godsvrucht verkeerd hebben.

o Mijn God! eeuwige liefde! mijn eenigst goed en eindclooze gelukzaligheid! ü begeer ik met het allervurigst verlangen en den diepstcn eerbied te ontvangen, als ooit eenig Heilise gehad heeft of gevoelen konde.

E n schoon ik onwaardig ben al die gevoelens van godsvrucht te hebben, draag ik ü echter geheel de aandoening mijns harten op, als bezate ik alleen al die vurige en ü behaaglijke verlangens.

Ook alles wat eene godvruchtige ziel bedenken en verlangen kan, bied ik U aan en draag ik ü op met den diepsten eerbied en den innigsten ijver.

Niets wil ik mij voorbehouden, maar mij en al het mijne ü gewillig en zeer gaarne opofferen.

Heere mijn God! mijn Schepper en mijn Verlosser! met zoodanig gevoel, eerbied, lof en eer, dankbaarheid, waardigheid en liefde, met zulk een geloof, honp en zuiverheid, verlang ik ü heden te ontvangen, als waarmede uwe allerheiligste Moeder, de veheerlijkte Maagd Maria, naar ü verlangd en ü ontvangen heeft, toen zij den Engel, die haar het geheim der inenseh-wording boodschapte, nederig en godvruchtig antwoordde: Zie des Heer en dienstmaagd\' mij geschiede naar uw woord! (Luc. I)

En gelijk uw gelukzalige voorlooper, de voortreffelijkste onder de Heiligen, Joannes de Dooper bij uwe tegenwoordigheid, in de vreugde des heiligen Geestes vroolijk opsprong, toen hy nog in \'s moeders lichaam opgesloten was, en Jezus ver-

150

-ocr page 167-

lt;8 HOOFDSTUK.

volgens onder de menschen ziende wandelen, zich diep vernederende, met teedere aandoening zeide: De vriend des bruidegoms, die staat en hem aanhoort, verblijdt zich zeer over des bruidegoms stemme, (Joan. 3) evenzoo wenseh ik in hevige en heilige verlangens ontstoken te worden en mij van ganscher harte aan ü voor te stellen.

Daarom draag ik U op en bied ü aan het gejuich, de vurige aandoeningen, zielsverrukkingen, bovenzinnelijke verlichtingen en hemelsche vizioenen van alle godvruchtige zielen, met al de deugden en lofzangen door al de schepselen in hemel en op aarde aangeheven en nog aan te heffen, voor mij en voor allen, die zich mijner voorbede hebben aanbevolen, opdat Gij door allen waardig moogt geloofd en eeuwig verheerlijkt worden.

Neem, Ileere mijn God! mijn wenschen aan, alsmede mijn verlangen om U in het oneindige te loven en bovenmate te zegenen, zooals U, wegens de grootheid uwer onuitsprekelijke waardigheid met recht toekomt.

Die bied ik U aan en verlang ik U aan te bieden eiken dag en elk oogenblik. Ook noodig ik uit en smeek ik door innige gebeden al de hemelsche geesten en al uwe geloovigen, om met mij ü lof en dank toe te brengen.

Dat alle volken, geslachten en tongen Uloven en uwen heiligen en liefelijken naam met vroolijk gejubel en vurige godsvrucht prijzen!

Dat ook allen, die eerbiedig en godvruchtig uw hoogwaardig Sacrament vieren en met een volkomen geloof ontvangen, genade en ontferming bij ü mogen vinden, en voor mij zondaar ootmoedig bidden

En, als zij de gewenschte godsvrucht en zalige vereeniging genoten hebben, en goed getroost en wonderbaar verkwikt van uwe heilige en hemelsche Tafel wederkeeren, dat zij dan zich verwaardigen mij behoeftigen te gedenken.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Dat de tnensch aangaande het Sacrament niet nieuwsgierig mag onderzoeken, maar dal hij C b r i s t-u s nederig moet navolgen en zijne zinnnen aan hel heilig geloof onderwerpen.

Df, Heer. Wacht u naar dit ondoorgrondelijke Sacrament nieuwsgierig en nutteloos te onderzoeken, wilt gij niet in eenen afgrond van twijfel storten

Hij die Gods Majesteit wil doorgronden, zal door den glans onderdrukt worden. (Prov. 25) God kan meer doen dan de mensch begrijpen kan.

Een nederig en godvruchtig onderzoek naar de waarheid is te gedoogen, mits het altoos bereid zij om zich te laten onderrichten en trachte volgens de gezonde leer der Vaderen voort te gaan.

-ocr page 168-

IV BOEK.

Gelukkige eenvoudigheid, welke de moeieljjke paden der vraagstukken verlaat en den effen en zekeren weg van Gods geboden bewandelt!

Velen hebben de godsvrucht verloren, terwijl zij verheven dingen wilden doorgronden.

Men eiseht van u geloof en oprechten wandel, geen diep doorzicht noch doorgronden van Gods verborgenheden.

Verstaat gij niet, noch bevat gij wat beneden u is, hoe zult gij begrijpen wat boven u is?

Onderwerp u aan God, en buig uwe zinnen onder het geloof; en u zal het licht der kennisse gegeven worden, zooveel u nuttig en noodig is.

Sommigen worden ten aanzien van het geloof en het Sacrament zwaar bekoord; maar dit moet men niet aan hen maar veelmeer aan den vijand wijten.

Stoor er u liever niet aan, noch twist met uwe bedenkingen en antwoord niet op de twijfelingen, door den vijand ingeblazen; maar geef geloof aan de woorden van God; geloof zijne Heiligen en Profeten, en de booze zal van u vluchten.

Dikwijls is het zeer voordeelig dat Gods dienstknecht op zulke wijze beproefd worde.

Want ongeloovigen en zondaren brengt hij niet in bekoring, als welke hij reeds zeker bezit; maar geloovigen en godvrueh-tigen bekoort en kwelt hij op verscheiden wijzen.

Ga dan voort met een eenvoudig en onwankelbaar geloof, en nader met diepen eerbied tot het Sacrament.

Wat gij niet begrijpen kunt, laat dat gerust aan den almach-tigen God over.

God bedriegt u niet; maar hij bedriegt zich, die ziehzelvcn te veel gelooft.

God wandelt met de eenvoudigen; Hij openbaart zich aan de nederigen; Hij geeft den kleinen verstand. Hij opent den geest aan reine zielen, maar verbergt zijne genade voor nieuwsgierigen en hoogmoedigen.

\'s Menschen rede is zwak en kan falen; maar het geloof is waarachtig en kan niet dwalen.

Alle rede en natuurlijk onderzoek moet het geloof volgen, niet voorafgaan noch bestrijden.

Want geloof en liefde heerschen hier bovenal en werken in dit allerheiligst en voortreffelijkst Sacrament op verborgen wijzen.

God, de eeuwige en onmeetbare en oneindig altnachtige, doet groote en ondoorgrondelijke dingen in hemel en op aarde, en er is geen onderzoeken aan zijne wonderbare werken.

Waren Gods werken zoodanig, dat zij van \'s menschen rede Hebt konden bevat worden, men zoude ze niet wonderbaar noch onuitsprekelijk mogen noemen.

EINDE VAN HET VltfRDE BOEK.

152

-ocr page 169-
-ocr page 170-
-ocr page 171-