-ocr page 1-
-ocr page 2-

J. ROEFFS, HERNEN bii Wijchen.

-ocr page 3-
-ocr page 4-

\' »

!

v

f.s

•gt;

-ocr page 5-

Wlf

ÜRGEN DE SPOTVOPJE.,

V E R ZAMELING

ii MONDERD LIIC1EKKEN0E AilECDOTEN,

- GRAPPIGE KLUCHTEN. SN AAK SC HE GUITEEIJEN GEESTIGE GEZEGDEN, KODDIGE INVALLEN ENZ.

BIJEENGEZOCHT

DOOR

\' EEN I.TEFHEBIIEI! VAN PRET, BOERT EN VERMAAK.

I

ïy

2e VEEL VERBETERDE DEUK.

.......................... /

efey—S-fH

NIJMEGEN —ARNHEM,

GE BP. E. amp; M. COHEN. 1885.

1 »

-ocr page 6-
-ocr page 7-

-

I

I

1. Geregeld debiet.

Twee arme jongens, die op eeue openbare markt met houten lepels te koop stonden, kwamen elkander eens tegen.

»Wel,quot; zei de een, »hoe gaat liet met de negotie?quot; »Net als in mijne laatste ziekte,quot; was het antwoord, \\ »om de twee uren een lepel.quot;

\'2. Onmog-clijke plaatsverwisseling\'.

Bij de aankomst eener diligence bemerkte de conducteur, dat de eenige daarin aanwezige passagier vrij ongesteld was, en wel, gelijk deze hem te kennen gaf, tengevolge van het achteruit rijden.

»Ja, iedereen kan daar niet tegen,quot; zei de conducteur, »maar dan hadt gij liever eens van plaats moeten verwisselen.quot;

»Domkop!quot; was het antwoord: »met wien kon ik nu van plaats verwisselen ? Er was immers niemand bjj mij in den wagen, met wien ik dit doen kou Vquot;

3. Twee ezels.

»Domkop! gij hebt uwe boodschap weêr verkeerd gedaan!\'\' zei een heer tegen zijn bediende, »laat dat 1 nu niet meer gebeuren; want anders heb ik u niet langer noodig. Gij begrijpt, als ik er een ezel op uit i moet sturen, dan kan ik beter zelf gaan.quot;

-ocr page 8-

4

4. Mimiek.

Een boer huurde eens een knecht en zei tegen hem: »Zeg eens Jan, ik ben niet gewoon veel te spreken. Zie je, als ik bij voorbeeld zóó met den vinger wijs, dan beteekent dat eenvoudig; ga aan jo werk.quot;

»Dan komen we goed bij mekaêr baas,quot; was het antwoord, »want kijk, als ik bij voorbeeld zoo maar even met het hoofd schud, dan beteekent dat eenvoudig : ik wil niet.quot;

5. /uinig\'lieid.

Een student, die bij zijn vertrok naar de akademie, de vaderlijke vermaning had mede gekregen van voorai zuinig te zijn en zich steeds met het goedkoopste te behelpen, ging in eene restauratie en vroeg aan den kellner naar den prijs van een hoentje en van eene patrijs.

»Zie zoo!\'\' sprak hij, »een hoen een gulden en eene patrijs zestien stuivers ; dan zal ik, om papa zijn zin te geven, mij van middag met patrijzen moeten behelpen.quot;

0. Dus dom!

Een heer vond zijn bediende op eene canapé in slaap liggen en maakte hem vrij onzacht wakker, met de opmerking :

»Gij verbeeldt u zeker, dat gij hier de heer des huizes zijt; althans gij schijnt daar dom genoeg toe.quot;

-ocr page 9-

I

5

7. Natuurstudie.

I Een beoefenaar der natu-irlijke historie, die uu en

dan eene openbare voordracht hield, was gewoon zich bij die gelegenheid, ter opheldering van het gesprokene, ( van afbeeldingen te bedienen, die hij naast den katheder liet ophangen. Toen hij nu weer eeus eene zoölogische lezing zou houden, begon hij aldus: gt;;Mijne heeren! ik J iioodig u uit, uwe aandacht te vestigen op den ezel, dieu gij hier vóór u ziet.quot;

8. Snuggere opvatting:-

Meester. Ik heb u nu verteld, hoe Petrus zijn Heer verloochende, nadat de haan driemaal had gekraaid: wat ziet gij daar uu uit?

Leerliwj. Dat Petrus er kippen op na hield, meester.

i). Bewijs van personaliteit.

Een Engelsche lord weuschte eeus kennis te maken met den beroemden Johnson en verzocht hem daartoe ten eten. Ue dichter zag er evenwel zoo armoedig uit, dat hij aan de deur door den bediende werd afgewezen. Op het krakeel, dat hieruit ontstond, kwam de lord zelf voor den dag en zei;

»Gij, de dichter Johnson\'? Maak dat een ander wijs; pij ziet er te dom uit om tegen eeu schaap behoorlijk mac! te zeggen.quot;

Johnson gaf geen antwoord, maar keek hem slechts i even aan, met deu uitroep mae l!!

-ocr page 10-

6

10. Dure brandstof.

Eeu muzikant had liet ongeluk zijne viool te breken en was daarover zoo mistroostig, dat hij de stukken in de kachel wierp. Nauwelijks was dit gedaan, of hij ontving bezoek van een zijner vrienden, die ter loops de opmerking maakte, dat hij zeker niet genoeg stookte, daar het vertrek niet te best verwarmd was.

»Wacht maar een oogenblik!quot; sprak hij, »het zal wel beter gaan, want ik heb er zoo even nog voor veertig gulden hout in gedaan.quot;

11. Mogelijke ouderdom.

In een gezelschap werd eens gesproken over den hoogen ouderdom, waarin zich de leden van de familie der gastvrouw mochten verheugen, daar eenigen hunner reeds hun tachtigsten en enkelen zelfs reeds hun iiegen-tigsten verjaardag hadden gevierd.

»0, dat is geene zeldzaamheid!quot; sprak een der dames, »wanneer mijn papa nog leefde, dan was hij reeds ver over de honderd.quot;

13. Ecu stevig ontbijt.

»Hier Hannes!quot; zei eene boerin tegen haar nieuwen knecht, terwijl zij hem eene halve Leidsche kaas voorzette, »het brood ligt daar bij je. Ik heb het een beetje druk, en daarom moet gij je nu zeiven n:aar eens bedienen.quot;

-ocr page 11-

7

»Maar hoe is het, Hauueg?\'\' vroeg zij een half uurtje later, »ben je uog niet klaar Vquot;

gt;Ja vrouw!quot; was het antwoord, »zoo meteen. Je begrijpt toch wel, zoo\'u halve kaas naar binnen te slaan, dat doet een mensch zoo maar niet in een minuut of vijf.quot;

13. Een mal a propos.

In zeker dorp werd een nieuwe burgemeester plechtstatig ingehaald. De onderwijzer der plaats, die bij deze gelegenheid eene aanspraak zou houden, had aan de dorpelingen en schoolkinderen gezegd, dat hij die zou besluiten met de woorden: «Zegen bekrone de gemeente !quot; en dat zij dan dadelijk allen te gelijk moesten invallen met den uitroep : »En onzen nieuwen burgemeester ook !\'\' Om alle vergissing te voorkomen, werd daarbij de afspraak gemaakt, dat die kreet terstond moest worden aangeheven als de meester daartoe het teeken gaf met eens even om te zien.

Maar wat gebeurt er ? Midden in de aanspraak komt er een hond tegen den redenaar opspringen. Deze over die stoornis in drift ontstoken, schopt het dier van zich af, en terwijl hij met den uitroep: »Haal je de duivel!quot; bij ongeluk omziet, klonk het op eens van alle kanten : »En onzen nieuwen burgemeester ook ! En onzen nieuwen burgemeester ook !quot;

14. Een onverklaarbaar NJ».

lu een advertentieblad las men eens deze annonce: »De ondergeteekende neemt alle antieke voorwerpen

-ocr page 12-

8

in goud en zilver tot den hoogst mogelijken prijs over.

»NB. Voor stukkeu van buitengewone waurde wordt een nog hoogeren prijs besteed.quot;

15. Table d\'liöle.

»VVat is dat (och voor eene drukte daar ginds bjj dat koffiehuis ?quot; vroeg een vreemdeling aan een wegwijzer.

vlk weet het niet, mijulieur,quot; was het antwoord, »maar ik hoorde verleden zeggen, dat daar tabel (i o od was en uu denk ik, dat die van daag begraven zal worden.quot;

l(i. Incognito.

Zeker prins uit het huis van liousz ging eeus op reis in gezelschap van een zijner hofbeambten, den graaf von Stain. Onderweg eene grenslijn passeerende, kwam een tolkommies naar hen toe, om bun naam op te schrijven,

»Ik ben graaf von Slain,quot; zei de prins.

»Eu ilc de prins van Keusz,quot; zei de ander, waarop beide met de noodige beleefdheid werden verzocht te passeeren.

»Hoe kwaamt gij er toch toe,quot; vroeg de prins naderhand, »0111 u voor mijn persoon uit te geven

»Och, uwe Hoogheid,quot; was het antwoord, »gij wilt op reis incognito zijn, welnu, dat is met mij ook het geval,quot;

-ocr page 13-

9

17. Eeu gocdo weusch.

Eea onzer vader!audsehe dagbladen bevatte eens de navolgende advertentie, waarmede de inzender onge-twiifeld eene geheel andere bedoeling had dan er uit opgemaakt werd.

»Een candidaat in de letteren wenschte grondig onderwijs te kunnen geven in het Latijn en grieksch. Adres enz.quot;

IS. Twee aangiften.

Een ambtenaar van den burgerlijken stand moest op zijn register een kind inschrijven, hetwelk men bij de geboorte vergeten had aan te geven, en dat reeds drie jaren oud was. De man vond daar evenwel geen bezwaar ia en schreef: »Geboren den 8 April 1850, een kind van 3 jaren, zoon van, enz.quot;

Dezelfde kreeg eens eene aangifte van overlijden, terwijl een paar dagen later bleek, dat de daarin genoemde persoon slechts schijndood was. Om die reden meende hij dit te moeten verhelpen, door bijvoeging van een paar woorden, waardoor er in het register kwam te staan: Bij vergissing gestorven.

li). Er was nog\' voorraad.

»Ach hemel!quot; riep eene dame, terwijl de bediende haar bij ongeluk eeu bord met soep over het lijf liet vallen, »al de soep over mijn nieuw zijden kleedje!quot; »Mevrouw, het spijt mij,quot; sprak de ander, ernaar

-ocr page 14-

10

gelukkig hebben we in de keuken iio»; eeue heele terrine vol.quot;

20- Vragen tol zekerheid.

»Jou gen, kom eens hier ! Hou jij me paard eens vaa6!\'\'

»Ja maar .... zeg eeus .... slaat hij wel eens ?quot;

»Och heere, nee! \'t is de goedheid zelf.quot;

»Maar hij kijkt me toch een beetje schuin, hij kon me wel eens een knauw geven.quot;

» Toe, ben je mal! Kom maar hier !quot;

»Maar heelt hij dan twee man noodig om hem vast te houden.quot;

»WeI waarachtig niet. Een kleine jongen kan hem wel regeeren.quot;

»VVel, wat weerga! dan kan je\'m ook wel alleen vastbonden. Ik groet je.quot;

21. Twee gekken-

Een prins, die aan een zijner hovelingen geld telleen had gegeven, zag eens, dat zijn hofnar iets in een zakboekje noteerde.

»Wiens naam schrijft gij daar in een gekken-register op ?quot; vroeg hij.

»Dien van Uwe Hoogheid,quot; zei de nar, »en wel omdat gij aan zulk een schavuit geld leent.quot;

»Maar als hij het nu eens eerlijk teruggeeft?quot;

»l)au schrap ik den naam van Uwe Hoogheiduiten ik zet den zijnen er voor in de plaats,quot; was het antwoord.

-ocr page 15-

11

22. Ecu treurig vooruitzicht.

Iemand werd des nachts op zijn bed gewaarschuwd, dat een zijner beste vrienden, met wien hij den avond tevoren op een partijtje had doorgebracht, plotseling overleden was.

»Zoo !... wat zeg je?...quot; sprak hij half en half voort-duttende, »dat geeft morgenochtend voor mij een treurig ontwaken.quot;

En meteen sliep hij weer in.

23. Een onbegrijpelijke slag-.

Eeu jonker kwam te paard de laan van zijn landhuis oprijden, gevolgd door zijn bediende, die hem bij het hek had opgewacht, üeze laatste zich niet genoeg op eeu afstand houdende, kreeg daardoor een slaaf van het paard. Stampvoetende van pijn, raapte hij een steen op om Bruintje op zijne beurt gevoelig te raken, doch trof bij ongeluk zijn meester midden in den rug. Verschrikt zag de jonker om en vroeg: »t[oe staat gij daar zoo ? Scheelt er wat aan ?quot;

»Ja, mijnheer,quot; zei de ander, »het paard heeft mij geslagen.\'\'

»Te weerga!quot; sprak de jonker, gt;nu begrijp ik het : dan heeft hij mij zoo even een slag in den rug gegeven.quot;

24. Een zeer natuurlijk gevolg.

»Zeg eens, jongentje, hoe komt gij zoo Iaat in de school ?quot;

-ocr page 16-

12

»Ja, meester, het was zoo glad,.dat ik bij iederen stap dien ik deed, wel twee stappen achteruit ging.quot;

»Wel knaap, dan hadt gij hier immers ouuiogelyk kunnen komen ?quot;

gt;gt;Ja, meester, dat begreep ik ook; daarom heb ik mi] omgekeerd om «eer naar huis te gaan en juist daardoor ben ik hier gekomen.quot;

23. Eene ruime mcdicijukas.

Een scheepsheelmeester, die alles zooveel mogelijk met koud water wilde genezen, had eens het ongeluk van in zee te vallen. Toen dit aan boord onder het scheepsvolk eeuige drukte teweegbracht, riep een matroos: »Wel verdord! wat een lawaai! Eu dat alleen omdat de doctor in zijne medicijnkast is gevallen !quot;

2(J. (ïeeii vau beiden.

«Jongens ! zei een Ier, wat heb ik me daar een vreemd geval gehad. Begrijp, ik kom in \'t donker over de Doweybrug eu daar meen ik een van mijne kennissen te zien aankomen. Goeden avond, Paddy! zeg ik. Goeden avond. Trim, zegt hij. Ik ben Trim niet, zeg ik. Eu ik ben Paddy niet, zei hij. En toen we nu mekaar aankeken, waarachtig het was zoo ; toen zagen we \'t, wij waren \'t geen van beiden.quot;

-ocr page 17-

13

27. Ieder zoekt zijn voordeel.

»Mijuheer!quot; zei iemand, die nog al op de kleintjes paste, tegen een apotheker, »ik weet niet wat mij scheelt; maar \'t is me van binnen niet zooals \'t behoort. Me dunkt, ik moest maar wat maagdroppels van u hebben.quot;

»Komaan!quot; zei de ander, »daar kan ik u wel aan helpen. Ziedaar, die zijn nog al vrij sterk.quot;

»Nu, dan zal ik het er eens meê probeeren. Hoeveel is het ?quot;

»Twee dubbeltjes.\'\'

»Wat? Twee dubbeltjes, voor zoo\'n lorrig fleschje? Neen, dat\'s me te kras. Maar hebt ge misschien niet een beetje gebruikte of afgedankte maagdroppels? Dan wil ik n voor zoo\'n fleschje wel vijf centen geven.quot;

28. Afgeluisterd gesprek.

»Jongen, Sam, wat hebt je veel verzuimd, dat je Rosa de Vries niet hebt gehoord. Nee, daar most ik bij wezen, al had ik er een pandje voor motten maken. Ik zat dan ook al om 5 ure in den engelenbak om een goeije plaats te hebben en ik heb er geen berouw van gehad, want dat komt nooit weerom. Verbeeld je Sam, een stem zoo fijn en zoo zuiver, kijk, ik wou dat m\'en bedstee zoo zuiver was.

29. Echt Eng-elscli.

De concierge van het Prins Maurits-huis te \'s-Graven-hage zeide eens tegen een Engelschman, dien hij in de lokalen van dat gebouw rondleidde;

-ocr page 18-

14

»Ziet u, meneer! dat\'s nou \'tpistool, waar Balthazar Gerards prins Willem den Eersten mee heeft doodgeschoten.quot;

_»Very well,quot; zei de Brit, swat kost een schot in mijn borst met dat pistool?quot;

30. Post-script um.

Zeker Engelsch heer, woonachtig in de nabijheid van Pucklechurch, schreef eens eene hartstochtelijke liefdesverklaring aan een meisje in de nabuurschap en zette er het volgende Fost-scriptum onder: »Verzoeke spoedig antwoord, want ik beb nog eene andere dame op het oog \'\'

31. Zccmauspreck.

Onder dezen titel verhaalt een Engelsch blad de volgende anecdote: De heer Whitfuld hield eens voor de matrozen te York eene preek, die naar gewoonte vol was van zinspelingen op de zee en het zeewezen. »Mijne kinderen,\'\' zeide hij, »de zee is schoon eu de wind gunstig; wij varen snel en weldra zullen wij het land uit het gezicht verloren hebben; maar, wat zie ik aan den horizon? Daar komt een dikke wolk opzetten, de bliksems flitsen, de storm loeit! Matrozen, elk op zijn post! de golven zweepen woedend de dobberende kiel; de ontboeide winden doen onze masten kraken, wij gaan zinken, geen uitkomst meer! Wat gedaan ?quot; roept de predikant. En de matrozen geven hem als uit één

-ocr page 19-

15

mond luidkeels ten antwoord: »De booten over boord, domenee! de booten over boord!quot; — »Ge hebt gelijk, mijne kinderen,quot; hernam de redenaar: »ik dacht niet meer aan dit redmiddel.quot; En hij zette zijne preek voort.

32, Hot verkeerde l»oek.

_ Een bediende, die voor zijn heer dikwijls een boek uit eene leesbibliotheek moest halen, verzocht dat men hem dan toch eindelijk eens het rechte boek zou geven, »Hebt gij dan een verkeerd boek ontvangen ?quot; vroeo-de boekhandelaar.

»Mij dunkt, dat kunt gij wel begrijpen,quot; gaf hij ten antwoord, »waarom zou mijn goede, geduldige heer mij anders telkens om een ander boek hier naar toe sturen

Exjierieiiliu docol.

«Vrienden ! gelooft m\'n woorden : die in zijn jonge jaren een loinpert is, blijft het ook nog in later jaren; ik spreek uit ondervinding!quot;

34. Inklceding van een excuus.

Een paar jonge officieren hadden zich op een avond-partijtje vroolijk gemaakt over hun chef. Deze, dit vernomen hebbende, ontbood hen bij zich en vroeg kortaf of dit waar was.

-ocr page 20-

16

»Ja, kolonel!quot; zei de een, sen wij zouden misschien nog vrij wat meer over n gezegd hebben .... als wij nog meer wijn gedronken hebben.quot;

35. Ieder in zijn vak.

Een rijmelaar had eens de pasteitjes van zijn overbuurman den banketbakker bezongen en deze eene copie van het versje gezonden. Als een bewijs van erkentelijkheid zond de confiseur hem eenige dezer gebakjes ten geschenke, netjes geschikt op hetzelfde papier, waarop de ander zijne rijmelarij had uitgekraamd. Toen deze zijne verontwaardiging hierover te kennen gal\', zei de vroolijke buurman:

»Met uwe permissie, mijnheer! ieder in zijn vak:Gij maakt verzen op mijne pasteitjes en dus maak ik pas- \' teitjes op uwe verzen.quot; 1 ooi

------zeg

de

:}(i. Te gelijk vader en moeder. ys

Toen de graaf de Bonueval, maire te Bourges, tot pair van Frankrijk werd benoemd, verzocht hij deze beide betrekkingen te gelijk te mogen waarnemen.

»Neen, graaf,quot; gaf de minister hem daarop ten ant- hei woord, »pair en maire {pcre en mèré) in één persoon j]ez vereenigd, dat hel) ik nog nooit gehoord !quot; :

jletl i ji

da kw

Wil

eei zit ma

os

IK

,fai

D gt;0«

-ocr page 21-

17

:J7. Een familiekwaal.

Op een dameskransje werd eens de opmerking gemaakt, ilat mevrouw A. in kinderloozen eclit leefde.

»Ja,\'\' zeide eene bejaarde dame, »dat is eene familiekwaal, want ik weet nog zeer goed, met hare moeder was het ook zoo.quot;

38. Goed gevat.

By eene godsdienstige vergadering te Glasgow ging ieene dame op een bank staan, zoodat de achter haar jzittenden den leeraar niet konden zien ; herhaalde vermaningen hielpen niets. Eindelijk stond een oud heer •p eu zeide: »Ue dame zou zeker niet blijven staan, tidien ze wist dat in elk van haar kousen een groot i\'gt;, ,fat is.quot; Dit had de gewenschte uitwerking; in een o logwenk stapte zij van de bank. Een jong geestelijke, ) die de aanmerking had gehoord, bloosde tot over de ;00ren, en sprak: »Broeder, hoe kunt gij zoo iets zeggen als het niet waar is?quot; — »Niet waar ?quot; hernam de oude heer, »en hoe zou ze haar kousen aantrekken, als er geen gat in was ?quot;

39. Met verstand lezen.

Een handwerkman zei eens tegen zijn leerknaap, die hem \'s avonds een hoofdstuk uit den bjjbel moest voorlezen :

«Jongen, lees toch niet zoo dreunend en naar de letter ; want dat is mij onuitstaanbaar. Lees met oordeel, | juroen. 2

-ocr page 22-

18

zoo als uw eigen verstand zegt, dat er eigenlijk staan moet.quot;

Den volgenden avond, terwijl de knaap weer zijne taak van voorlezer waarnam, zat de baas met zijne vrouw als naar gewoonte, eene boterham te eten ; maar hetzij dat beiden in het gelezene verdiept of anders een weinig afgetrokken waren, althans de jongen werd, wat het J avondeten betrof, totaal vergeten. Hierop las hij : .

»Ende siet, s}\' aten ende sy dronken, maar die bun f uit de schrifture voorlas, dien en gaven sy niets.quot; i

»Djit staat er niet!quot; nep de man, driftig opvliegende.

»Naar de letter niet, baas!quot; zei de jongen; »maar ( naar mijn verstand moest er dat staan.quot;

40. IJedelforiuulier.

»Och, meneertje! heb medelijden met een armen wees, die niemand meer op de wereld heeft! — Een vader heb ik nooit gehad eu mijn moeder is als klein kind gestorven... Geef me toch een paar centjes, meneertje! want als ik zonder iets t\'hnis kom, krijg ik slaag van mijn vader en van mijn moeder allebei!quot;

41. !)e tiende rekel.

»Rekels van jongens!quot; riep een secondant wrevelig op eene wandeling met de kostleerlingen, »waarom loopt ■, gij niet fatsoenlijk twee aan twee !quot;

Dadelijk liepen acht hunner in de aangewezen orde.

«Monsieur!quot; zei de negende pseudo-rekel, »nu zal ik maar naast u loopen.quot; |

-ocr page 23-

19

42- Jgt;e een wel, maar lt;lc auder niet.

In eeu Drentsch plaatsje -wercl eens iemand voor de politie gebracht, ouder beschuldiging van oplichterij, en wel omdat hij aan sommige onnoozele landlieden een toovermiddel tegen de veeziekte had verkocht.

»Ha! zijt gij die beruchte heksenmeester?1\' vroeg hem de commissaris bij het binnentreden.

»Om u te dienen, mijnheer 1quot; was het antwoord, »dat wil zeggen, ik heb er den naam van.quot;

»Ja maar er wordt nooit iets bij gerucht gezegd, of er is altoos wel iets van aan.quot;

»Dan zult gij wel nooit van zulke gekheden beschuldigd worden, mijnheer de commissaris,\'\' zei de ander, »want het heet hier overal, dat gij althans cjeen heksenmeester zijt.quot;

43. Kinderlijke opvatting.

»Och, kind! praat me toch niet meer van een liob-belpaard. Denk liever aan je lessen. Als je nu vlijtig leert, kan je \'t nog zoover brengen, dat je eens een degelijk paard koopt.quot;

»0, pa! wat hebt u dan weinig geleerd!quot;

44. (iiille bekentenis.

sMeester, het complement van me moeder, en daar hebt uwe een paar proefles van der eige slagt; me moeder heit et varken zelf gemest.quot;

-ocr page 24-

20

»Wel Tenuis, Tenuis, ik beu er warempel verlegen meê; het is wezenlijk te veel.quot;

»Ja meester, dat zei me moeder ook, maar vader zei, geef het den jougeu maar gerust mee, want men kan dien vreetzak toch nooit van z\'en leven genoeg zeudeu.quot;

15. Keu slimme stroojier.

Een boer had de gewoonte, om in zijn land en tuinen \'s winters strikken te zetten, waarin bi] menig haasje ving. De jachtopziener had reeds dikwijls op hem geloerd; eindelijk ziet hij uit zijn schuilhoek den boer een haas uit een strik halen. Terstond springt onze boschwachter, die den man op heeterdaad denkt te Ve trap pen, te voorschijn, en roept: »Wat voer je daar uit, vriend?quot; — »Dat zei je gewaar worden, als je maar een aasje geduld hebt,quot; antwoordt de boer, eu hij haalt een eind touw uit zijn zak, geeft den haas daarmee een goed pak slagen, en laat hem loopen, met den uitroep: »L)ie duivelsche hazen eten je al je kool op, maar die sinjeur zei er nou niet weer ankommen, begrijp-ie! want die heit er nou secuur van gelust.quot;

4C Uolvenvisseliiig\'.

Patroon: Drie maanden lang ben je op reis geweest en je hebt niet eens zooveel verdiend om je reiskosten goed te maken; hoe moet ik daar nu meê uitkomen?

-ocr page 25-

21

Reiziger: Ja, meneer Goudvink! ik kan hel niet helpen; ze hebben ine allemaal de deur voor mijn neus dichtgegooid.

Patroon : Och, dat komt omdat je er geen slag van hebt. Ik zal het je eens voordoen hoe je handelen moet: verbeeld je nu eens dat1 gij een van onze klanten zijt. Let nu op: Heb ik de eer meneer van der Vliet te zien ?

Reiziger: Jawel, die ben ik.

Patroon : \'t Is mij zeer aangenaam u te mogen ontmoeten! Ik reis voor het huis Goudvink en Comp. in ....

Reiziger: Zoo! reis je voor die bedriegers?! — Wil je dan wel eens een - twee - drie maken, dat je m n deur uitkomt.

4:7- Ecne nieuwe zilversoort.

Ken juffrouw, die zich bijzonder veel liet voorstaan op haar rijken schoonzoon, zeide eens: »Ja, niijne dochter heeft in hem eene zeer goede partij getroffen. Alles bij haar aan huis is even kostbaar. En dan moet ge hare keuken zien! Daar is alles louter zilver, tot zelfs de koperen doofpot toe.quot;

48. Zuur bier.

»Mijnheer!quot; zei een kastelein, »mag ik u wel eens herinneren, dat er van u nog zestien glazen bier staan van verleden jaar?quot;

»Nn, die mag je voor mijn part houden,quot; zei de

-ocr page 26-

22

ander, »want je begrijpt, die zijn me in dien tijd al mooi zuur geworden.quot;

4!). Mode.

Patiënt: \'t Spijt me, dat Professor niet thuis is; ik zou hem gaarne over de keuze van een bad geraadpleegd hebben.

Bediende: O, anders niet! Van \'t jaar sturen we alles naar Zandvoort.

óO- Verbeelding.

Leeruur : Het geheele uur door hoor ik zoo\'a knis-terend geluid daar in jou buurt, van Peuteren; wat is dat ?

v. P. (op ziju bovenlip wijzende): Dat is mijn knevel, die door komt breken!

51. Een goed zwemmer.

»Je moet veranderen. Trek den ouden mensch uiten gooi hem over boord!quot;

ȟat heb ik al dikwijls gedaan; maar de oude mensch kan te goed zwemmen.quot;

52. Voor de roclitbank.

^Getuige, gij hebt uwe rekening bij dezen mijnheer ingediend, niet waar?quot;

-ocr page 27-

23

»0m u te dienen, mijnheer de voorzitter.quot;

»En wat zeide hij toen?quot;

?Jiij zeide Lrutaal weg, uii:in]ieer, dat ik naar den duivel kon loopi-n.quot;

»En wat deedt gij toen ?quot;

ȕoen ging ik maar naar u toe, mijnheer.quot;

53. (xedésillusioueerd.

Eene jonge coquette zei op een bal vertrouwelijk tegen een ritmeester: «Mijnheer, wanneer gij ons huis voorbij rijdt, zie dan als \'t u belieft niet zoo bepaald naar het bovenraam. Ik heb daar mijne kamer en \'t is waar, ik vind het zeer galant van u, maar pa en ma zouden er misschien aanmerking op maken.\'\'

»lk beloof u, mejuffrouw, dat het niet meer zal gebeuren,quot; was het antwoord, »inaar wilt gij mij nu in staat stellen, die belofte te houden, wees dan zoo goed mij uw adres te geven.quot;

54. SoMaten-exameii in Pruisen.

Vraag. Als je eens verlof wilt hebben, wat doe je dan?

Antw. Mijn Sergeant eene vette worst geven.

Vraag. Wat is een geweer?

Antw. Een lang gat, waaromheen men ijzer heeft gegoten.

Uitslag. Bestig! Goed voor den dienst 1

-ocr page 28-

24

55. Iemand te luiis treffen.

»1]ü, amice ! waar kom je zoo van daan ? Alweer met de portefeuille aan den sjouw ? Zeker weer uit portretteeren geweest ?quot;

»Wel zeker, Mijnheer van Olken had mij zijn portret besteld, en omdat het licht in mijn atelier niet best is uitgevallen, heb ik het maar bij hem aan huis gedaan.quot;

ï-Zoo, en heb je hem daar goed getroffen ?quot;

»Jawel, prefect.\'\'

»Nu, dan ben je gelukkiger dan ik ; want ik ben al wel vijftigmaal met eene kwitantie naar hem toe gegaan, maar ik heb hem nog nooit te huis kunnen treffen.quot;

5(gt;. Daar hebben we \'t!

«Kapitein,quot; zei een klein, driftig, rusteloos mannetje, die van de stoomboot Potomac te Natchez aan wal was gestapt; «kapitein ! hoor dan eens kapitein, dat is al mijn goed nog niet. 1\'aar moet nog wat aan boord wezen, stellig daar moet nog wat aan boord zijn.quot;

«Kom, kom, mannetje, dat zijn al de prullen, die gij bij u hadt,quot; was het antwoord vau den kapitein.quot;

»Ik moet zoggen kapitein,quot; hernam de kleine man na een poos zwijgend overlegd, «het komt met de lijst uit: vier koffers, drie kisten, twee hoedendoozen, twee hammen, een aangesneden, drie risten uien, een zak en een theeketel, maar (heen en weerstappende) zie kapitein, ik beu toch met iets in de war, er moet toch nog wat wezen, ik heb alles wel negenmaal geteld, en ik heb er

-ocr page 29-

25

liet oog niet af gehad zoo lang de vaart duurt, en toeli, zoo waar als ik hier sta kapitein, er moet nog wat wezen.\'\' »Maar wat dan kerel, zeg op wat dan, en maak een eind aan uw praatjes.\'\'

»Ik weet het niet kapitein, zoo waar als ik leef, ik weet het niet.quot;

»Nu scheer je dan maar weg, ge houdt me maar op en haal je wijf en je vijf schreeuwleelijkers uit de kajuit.quot;

ȟaar hebben we \'t. A\'erd......daar hebben we \'t

kapitein ; ik wist toch wel, dat ik alles nog niet had. Daar hebben we \'t Goddank!quot;

57. Dat liieli» niet veel.

Een koffiehuishouder gaf zijn bediende order, om een der bezoekers, die reels lang bij hem in het krijt had gestaan, op eene beleefde manier de bediening te weigeren. Toen deze laatste nu des avonds als naar gewoonte in het lokaal verscheen en eene halve flesch wijn eischte, zei de knecht, dat er op dat oogenblik geene halfjes voorhanden waren.

»l)at spijt me.quot; zei de ander, »maar het is niets; geef mij dan maar eene heele.quot;

38. Een vaderland der koffie.

»Zeg jij eens. Jan Scharrel,quot; zei meester tot een zijner leerlingen, »zeg jij mij eens waar Java ligt.quot;

»,k Weet het niet, meester.quot;

-ocr page 30-

26

»Wat, weet je dat niet! Zeg me dau maar eens waar de koffie van daan komt.quot;

»VVij leeneu gewoonlijk onze koffie bij de buren, meester!quot;

51). Twee geholpen.

»Waar moet dat zoo haastig naar toe?quot;

»Naar den doctor.quot;

«Scheelt er te hais wat aan?quot;

«Ja, \'t is met mijne vrouw niet pluis; althans,... het bevalt mij niet recht.quot;

»Wacht, dan ga ik meê; want de mijne bevalt mij ook niet.quot;

00. Vreemd hulpmiddel.

Een soldaat zag. dat zijn kameraad de sokken binnenste buiten keerde, eer hij die aantrok, en vroes\', waarom hij dit deed.

»Stil ?quot; zei de ander, »ik zie daar dat er aan den buitenkant gaten in zijn, en daarom zal ik ze maar omkeeren.quot;

01. Xog; niet, maar toch al heel spoedig-.

Een advokaat, op een konden dag uit de pleitzaal komende, kon er maar niet spoedig in slagen om zijn jas aau te trekken, doordien deze blijkbaar veel te nauw was.

»Hoe zit dat toch ?quot; vroeg hij driftig aan den bediende, die hem behulpzaam was, »steekt de duivel dan in de jas ?quot;

-ocr page 31-

27

»Nog niet, mijnheer!quot; zei de bediende, »maar zoo dadelijk.,quot;

02. \'t Kwam van iels amlers.

»Als ik Beiersch bier heb gedronken, dan slaap ik als een os,quot; zei eens iemand.

»Nu ja,quot; kreeg hij ten antwoord, »maar dat ligt niet aan \'t bier hoor, dat zit iu je aard!quot;

(gt;:}. A\'eel uoodig1.

Een bedelaar meldde zich eens bij een burgerhuis aan, met het verzoek : sücli, vrijster, vraag toch eens aan je heer of aan je juffrouw, of je mij wat te drinken moogt geven, want ik heb zoo\'n honger dat ik niet eens weet, waar ik van nacht slapen zal.quot;

lt;gt;4. In de school.

«Kinderen, laat nu eens hooren, of gij hot onthouden hebt: hoeveel ureu zijn er in een dag ?quot;

»Vijf en twintig, meester.quot;

»Wat? vijf en twintig? Welke ezel heeft je dat geleerd?quot;

»Meeamp;ter, u zei gisteren, dat de dagen alweer een uurtje langer waren geworden.quot;

-ocr page 32-

28

05. Wie was lt;le gevangene ?

»Hei ! liei!quot; riep een lersch soldaat zijn krijgsmakker toe, die hem in het donker eenige schreden vooruit was geloopen, «wacht eens even; daar heb ik een gevangene opgedaan.quot;

»Te weerga!quot; zei de ander, »dat is een buitenkansje ! Breng den snoeshaan maar gauw hier.quot;

»Ja!quot; riep de Ier; »maar dat gaat niet, want de rekel wil niet meê.\'\'

»Laat hem dan maar loopen en kom maar meê!\'\' »Dat kan ook niet, want de vent wil me niet loslaten!quot;

CO. In een paleis.

De Concierge: üit, heeren en dames, is de kamer, waarin de oude koning overleden is.

Een lieer: He, vrind, dat\'s wonderlijk! Toen ik hier voor twee jaren nog eens ben geweest, hebben ze mij een heel ander vertrek aangewezen, waarin dat zou zijn voorgevallen.

De Concierge: Vóór twee jaren, meneer? ü heeft gelijk : toen hadden we hier eene groote reparatie, weet u, en toen hebben we er zoolang eene andere kamer voor laten kijken.

07. Tot den jongsten dag\'.

Op zeker kantoor waren twee broeders, Franciscus en \\\\ outer Dag, als klerken werkzaam. Op zekeren

-ocr page 33-

29

liLjd, Jat de laatstgeuoenule, zijnde de jongste, met eeue commissie was uitgezonden, waarover juist iemand den patroon kwam spreken, zei deze: «Mijnheer, doe niij het genoegen van slechts zoolang te wacliteu, tot de jongste Dag gekomen is.quot;

6S. IMc «ist wel waarom.

»Zeg eens, vriend!quot; zei een rechter tegen een boer, die bij het verhoor allerlei ounoodige uitweidingen maakte: »zeg eens, vriend, wij hebben met uwe langwijlige praatjes hier niets te maken. Begrijpt gij waarvoor wij hier eigenlijk zitten?quot;

»Jawel, iieeren 1quot; zei de boer, »voor een paar duizend gulden in het jaar.quot;

(gt;!). Ecu g\'edeiikteeken.

»Zeg eens, vriend, wat beduidt die zwarte streep met dat jaartal daar boven tusschen de tweede en derde verdieping?quot;

»Dat zal ik u zeggen, mijnheer. In dat jaar is hier zulk een overstrooming geweest, dat het water ruim drie voet hoog tegen den gevel van dat huis stond. Tot gedachtenis daarvan heeft de eigenaar toen op die hoogte een merk op zijn muur gezet; maar onidat de straatjongens dat gedurig bekrasten of uitveegden, heelt hij het zoo hoog laten plaatsen, dat ze er nu met hunne handen wel af zullen blijveu.quot;

-ocr page 34-

30

70. Fatsoenlijke Itesclirijviniy.

Een laud verhuizer wiens broeder in Amerika was opgehangen, schreef aan zijne familie: »Het gaat ons allen wel; alleen met Jonas is het ongelukkig afgeloopen. Hij had het hier al zoover gebracht, dat hij voor eene zeer talrijke volksvergadering optrad. Toen hij zich evenwel tot de menigte wilde wenden, om het\'woord te voeren, wilde het ongeluk, dat de stellage, die daartoe opzettelijk voor hem was opgericht, onder hem wegzonk, tengevolge waarvan hij in een strik beklemd raakte en den hals brak.quot;

VI. Dat moet dus van zelf\'.

Luitenant: Dragonder! loop je nou waarachtig nog met je baard ! Heb je gisteren \'t nieuwe reglement dan niet hooren voorlezen, en opgelet dat daarin woordelijk staat: »Bakkebaarden mogen niet meer gedragen worden. — De baarden om de kin vallen dan natuurlijk van zelf weg.quot;

Dvcujonder: Ja luitenant, ik heb m\'n bakkebaarden van morgen netjes afgeschoren, en nou wacht ik maar tot dat de sik van zelf afvalt.

72. Zoo groot als een emmer.

»Kerel! ik had gezegd het tuinhek te repareeren, en in plaats van aan je werk te gaan, zit je alweer in de kroeg! Dat drinken, dat drinken! Ik wou dat een gtas jenever drie gulden kostte !quot;

-ocr page 35-

31

»Ik ook, meneer, maar dan most liet ook zoo groot zijn als een emmer.quot;

73. Xaïf.

Een heer ontmoette op straat eeno dame, die hij op eene soiree bad gezien. De dame had twee jongetjes bij zicb, die volmaakt op elkander geleken, en die precies gelijk gekleed waren. — »Wel, mevrouw,quot; vroeg hij, »wat hebt gij daar een paar allerliefste kindertjes. Zeker tweelingen ?quot;

»Juist, mijnheer,quot; antwoordt de dame, »dat hebt gij geraden.quot;

sgt;En,\'\' hernam hij, »zijn ze heide van u?quot;

74. Perfecte acteurs.

Op een heeten zomerdag werd er een spiegelgevecht gehouden. Het gevecht of liever het spel had geen uur geduurd of de manschappen waren doodmoede van het marcheeren, manoeuvreeren, laden en vuren in de brandende zou. Twee tirailleurs hadden in een aanvallende beweging eene kleine verhevenheid bereikt, waarop een boom een verkwikkende schaduw verspreidde. De beide soldaten konden de verleiding geen weerstand bieden en strekten zich op den grond in het lommer uit. Geen tien minuten lagen zij daar, toen de bevelvoerende generaal hem toevallig ontdekte en hun toeriep:

»A1 je kameraden \'/.iju aan \'t vechten, wat voer jullie daar uit, luie rekels !quot;

-ocr page 36-

32

»Wij, geueraal!quot; luidde het antwoord, »wij stellen de gesneuvelden voor, generaal!quot;

75. Ecu verkeerde tekst.

Jllt;en voornaam hof-titularis gaf aan een predikant het verlangen te kennen, dat deze, bij gelegenheid, dat de koning voor het eerst na zijne inhuldiging de godsdienstoefening zou bijwonen, tot tekst zou nemen Ps. XXI: 8: »I)e koning hoopt op den Fleer en zal door de goedertierenheid des Heeren groot worden.quot; üe geestelijke, die dit verzoek niet durfde weigeren, had evenwel bij ongeluk den tekst verkeerd verstaan en daardoor Psalm XXII in plaats van XXI tot onderwerp genomen. Men stelle zicli dus de algemeene verbazing voor, bij hst oplezen der woorden: »Allen die mij zien, bespotten mij; zij steken de tong uit en schudden het hoofd.quot;

lt;(!. Tweeledig: zinnebeeld.

»l)eze ring,quot; zei een galant jonkman legen een meisje, »is het zinnebeeld mijner liefde voor u. Even als die ring is toch mijne liefde zonder einde.quot;

»Ook voor mij ligt er in dat opzicht iets zinnebeeldigs in!quot; sprak de jeugdige schoone, »ik kan er namelijk geen begin aan vinden.quot;

r

-ocr page 37-

77. lu de restauratie.

»Wat ben \'k je schuldig, meisje?quot;

»Wel, meneer! u heeft gehad biefstuk, dat \'s twaalf, en aardappelen dat \'s veertien, en appeltjes, dat \'s twintig, en een glas Beiersch, dat \'s vijf en twintig — en dan heeft u nog geen brood gehad, dus dat\'s zamen zes en twintig stuivers.quot;

78. Bij de arm voogdij.

Keesje: Heeren voogden ! moeder vraagt om wat bedeeling ; wat brood, wat geld, wat soep, wat turf. wat aardappelen, wat....

Een dor armvoogden: Wou Keesje ook alles hebben?

Keesje: As je blieft, heeren!

79. Een goed exeuus.

Een plattelandsschoolmeester had twee leerlingen van welke hij de een zeer toegevend en den ander zeer streng behandelde. Op zekeren morgen gebeurde liet, dat beiden te laat kwamen, en zich deswege moesten verantwoorden. »Gij moet de bel gehoord hebben, jongens ; waarom zijt gij niet gekomen ?quot; vroeg hij.

»Wel mijnheer,quot; zei de gunsteling, »ik droomde dat ik naar Californie ging, en dacht, dat de schoolbel het klokje van de stoomboot was.quot;

»Heel goed,\'\' zei de meester, blyde een voorwendsel te hebben om hem niet te straften.

3

JURGEN.

-ocr page 38-

34

»Eu nu,quot; ging hij voort, zich tot den under wendende, »wat hebt gij te zeggen?quot;

»Ik mijnheer,quot; antwoordde deze bedremmeld, »ik — ik — wachtte om Hendrik te zien afvaren.quot;

80. Eene mislukte prise.

»Dat fregat wil ik eens aan boord klampen en prijs maken,quot; zei een adelborst al schertsende op een bal, terwijl hij zijn attentie op eene bevallige dame vestigde.

Ongelukkig voor hem, werd dit gezegde aan de schoone danseres overgebracht, en toen hij haar nu in de meest galante bewoordingen te kennen gaf, dat hij het zich tot eene bijzondere eer zou rekenen, haar voor een volgenden dans te mogen engageeren, kreeg hij eenvoudig ten antwoord :

»Zeer verplicht, mijnheer ! Maar wie een fregat wil prijs maken, die mag wel eerst wat meer zijn dan adelborst.\'\'

81. Snugger.

»Haal me een pond tabak,quot; zei een Hongaarseh luitenant tegen een zijner manschappen.

»Ja, luitenant,quot; zei deze, »gaarne; maar binnen vijf minuten moet ik de wacht betrekken.quot;

Welnu,quot; zei de luitenant, »haal maar een ons dan kunt gij nog bij tijds terug zijn.quot;

-ocr page 39-

35

82. Probatum.

Sin een badhotel bevonden zich eens twee badgasten, |b beiden aan een ongemak in den voet laboreerden, jjjuu\'tegeu zij, op raad van den geneesheer, een zalfje feesten aanwenden, hetwelk goed ingewreven moest torden. Dat inwrijven, hetwelk door een der bedienden Ischiedde, veroorzaakte veel pijn; doch de een stond et door, terwijl de ander het telkens uitschreeuwde ï ,n akeligheid.

»Dat komt eenvoudig,quot; zei de eerste, somdat ik dat j ivoel aan mijn zieken voet niet kan uitstaan en daarom Ikens mijn gezonden voet laat inwrijven.quot;

83. Mirtdel tot stevigheid.

Henri: \'t Is toch zonderling, dat ik niets meer schijn i; kunnen verdragen ! Ik drink één glas Beiersch, en : rink er nog twee en dan drie, en als ik dan naar huis ja, draait het me in m\'n kop als in een molen.

(Piet:Piet: Ja, dan leg je het ook heelemaal verkeerd aan. )oe zooals ik: drink eerst drie glazen, dan twee en op\'t uitst één glas, dan is de pyramide in orde en je staat vast.

84. Hooge afkomst.

Een fat, wiens vader logementhouder was geweest, pochte in een gezelschap op de «gesoigneerde educatiequot; }ie hjj in het ouderlijk huis genoten had.

«Mijnheer 1quot; zei een der aanwezigen, »dat is zeer

-ocr page 40-

natuurlijk. Ik heb uw oudeu heer zeer goed gekend eJ ik luoet zeggen, \'t, was een vriendelijk, gastvrij man. lil heb zelf wel met personen van den eersten rang tetfte tl zijnen huize gedineerd.quot; 1,^,

üe ander voelde den kneep en zweeg. IL y

E

en

85. Weg\' met die vrees!

Iemand gaf eens te kennen, dat hij niet weinig in di verlegenheid zat, doordien hij zijne schulden niet koi betalen.

gt;lvom, kom !quot; zei een ander, »ma.al daar niet om. Laat gee die vrees maar gerust over aan uwe schuldeischers.quot; ter\' --afsl

8G. Dat lag1 goed bewaard.

jzeK

Terwijl een student in den voormiddag nog te bed j lag, kreeg hij bezoek van zijn kleermaker. uie

»Goeden morgen, mijnheer Schaar van Lakenburg!quot; sprak hij, »waaraan heb ik de eer van uw vroegtijdig bezoek te danken ?quot; ^

»Ja, mijnheer,quot; was het antwoord, »ik hoop, dat gij het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik zoo vrij ben u ici mijne rekening te presenteeren. Het gaat tegenwoordig go niet druk en, zoo als gij begrijpt, ik zit op zware lasten ....quot; he »Ha zoo!\'\' zei de ander, »ja wel, wees zoo goed, va die secretaire maar eens open te maken, de sleutel steektbe

er in .... Zie zoo, nu het laadje aan uwe rechterhand____i

neen, het andere daar onder.... juist, trek dat als \'t1 pl belieft maar eens open .... Wat ziet gij daar?quot; sc

-ocr page 41-

37

eil »Niets dau papieren,quot; zei de kleermaker.

quot;i »Goed!quot; zei de student, »dat zjin rekeningen. Leg ^■e uwe daar nu maar bij en doe de secretaire dan maar jjvecr dicht,.... klaar ? ... . Nu mijnbeer Schaar, ik dank Jje voor uwe moeite . ..

\' Eu hiermede dook hij weer in de kussens.

87. Een lief complimentje.

11 Een fat, die op een concert achter eene dame zat en haar gaarne eens in het gezicht wilde zien, en daartoe at geene gelegenheid kon vinden, tikte haar op den schouder, terwijl hij zich hield alsof hij eene spin van hare mantille afsloeg.

»Gij hebt daar een leelijk dier achter u, mejuffrouw,quot; izeide hij, toen zij omkeek.

J »0 zoo, mijnheer,quot; gaf zij ten antwoord, »ik wist niet, dat gij achter mij waart.quot;

1/

88. Uit de nagelaten stukken.

) »\'t Kan toch vreemd met een mensch afloopea,quot; zei 1 iemand : »Dat heb ik gezien aan mijn vriend L. Die f goede vent droomt op zekeren nacht, dat zijne beminde hem ontrouw is geworden en daar schrikte hij zoo erg gt;! van, dat men hem den volgenden morgen dood in zijn bed heeft gevonden.quot;

«Maar hoe weet gij nu,quot; vroeg een ander, »dat die i plotselinge dood aan dien noodlottigen droom is toe te schrijven ?quot;

-ocr page 42-

as

»Wel!quot; zeide hij, »dat bleek naderhand uit zijn nagelaten papieren.quot;

89. Grooter of kleiner.

»Hebt gij Henriette Sontag al gezien?\'\' vroeg ee Parijzenaar in een café aan een zijner bekenden.

»Jawel,quot; zei de ander, »Zij ziet er niet onaardig ni niet waar? Maar hebt gij wel opgemerkt, dat het tor:.; waar is, dat haar eene oog kleiner is dan het ander?1

»13en je mal?\'\' was het antwoord, »ik heb daar dadelijt naar gekeken en ik vond dat het juist het omgekeerd was; haar eene oog is niet kleiner, maar veel groote dan het andere.quot;

90. Doorgegaan.

»Zijt gij van daag ook bij den bankier Santers ge weest ?quot; gt;

»Ja, maar ik kon hem niet spreken, want de mai was vreeselijk opgewonden.\'\'

»0 zoo, dan is zeker zijn voorstel bij de Tweedf i Kamer doorgegaan.quot;

«Integendeel, het is gevallen, maar daarentegen i er toch iets van hem doorgegaan, namelijk zijn eersti boekhouder.quot;

-ocr page 43-

39

w

91. Kwade streken. Jp

»Ik kan mij niet begrijpen,quot; zei een vader, waar mijn jongen die kwade streken beeft opgedaan. Bij mij v.eker niet.quot; v||l

»0 neen!quot; sprak zijne vrouw, »van u heeft bij ze niet; want gij bebt al de uwe tot nu toe behouden.quot;

i)2. Spoedige keuze.

Rechter. De beschuldigde schijnt de rechtstermen niet te verstaan. Ik zal hem dus het vonnis in de volkstaal duidelijk maken. — Baas Meijer! volgens de bestaande verordening kunnen wij u geene mindere straf opleggen dan twee dagen gevangenis of de som van vijf gulden.

Delinquent.

maar.

1

93. Niemv telegraafstelsel.

In zeker telegraafbureau bood iemand onlangs eene zoo onduidelijk geschreven dépêche aan, dat de telegrafist hem verzocht, die eerst in meer leesbaar schrift te copiëeren.

I

1 •»\' V

en gevangenis or ae som van vi]i guiaen. Geef me dan, als je blieft, de vijf gulden

»Och neen, mijnheer,quot; zei de afzender, »Gij kunt het gerust zoo overzenden. Mijn vriend kent mijn scbrift wel.quot;

91. Zonderlinge woning.

»Waar woont gii ?quot; vroeg een politiedienaar aan een

paar bedelaars, die hij opbracht.

-ocr page 44-

40

»Ik woon eigenlijk nergens,quot; zei de een.

sEn ik woon naast mijn kameraad,quot; zei de ander.

{gt;5. Wedinvscliaji.

Iemand zei eens op een bruiloft in vervoering: »God spare mij en hoop ik zoolang in\'t leven te blijven, dat ik nooit het verdriet heb van in mijne dierbare ega eene treurende weduwe te zien.quot;

WO, Aan liet diner.

De Engelsche «Punchquot; verhaalt het volgende tableau vivant:

Bruidegom, tot Julie, het jongste zusje van zijne bruid: »Wel Julie, wat zeg je nu; je hebt nu een nieuwen broeder gekregen?quot;

Julie — een recht enfant terrible — »Ja, en mama zei gisteren nog tot pa, dat zij niet geloofde, dat hij veel beteekende, maar \'t was Anne\'s laatste kans.quot;

(Groot gedruisch van messen, vorken en lepels.)

tt7. Echt patriotiscli.

Op eene volksmeeting in Amerika, riep eens een spreker in het vuur zijner rede: »Ja, een echt patriot zal gaarne voor het vaderland sterven, zelf al zou hem dit, het leven kosten!\'\'

-ocr page 45-

41

98. Duisternis.

Papa: Ja, mijn Frits, dat \'s een weêrgasche vlugge jongen ; die heeft een kop, hoor! Doe hem maar eens een ruoeielijke vraag.

Papa\'s Vriend: Wsl, jongen, wat versta je wel ouder duisternis?

Papa\'s Zoon: Duisternis? — Dat is — ja, dat is als een blinde neger \'s nachts in een donkeren kelder eene zwarte kat zoekt, die hij niet kan vinden.

9i). Flegma.

Een Engelschman werd op reis in zijn logement des nachts wakker gemaakt, en wel niet de boodschap dat er in huis brand was ontstaan op de kamer No. 3.

»God4^f!quot; riep hij, »ik ben hier immers op No. 12? Roep me dus nu niet voordat No. 11 in lichte laaie vlam staat.\'\' Met deze woorden legde hij zich gerust-te slapen.

100. Beleefde lierinuering-.

Een loopjongen, die voor zijn meester bij iemand een haas ten geschenke had gebracht, bleef na het verrichten van zijne boodschap nog een oogenblik verlegen staan.

»Nu,quot; zei de bediende, «mijnheer zegt immers, dat gij uw meester vriendelijk moet bedunken voor zijne attentie!quot;

-ocr page 46-

42

3gt;Ja wel,quot; was het fintwoord, »iuaar wees zoo goed vau eens even aan mijnheer te vragen, wat ik moet zeggen, als inijii meester vraagt, wat ik tot eene fooi heb gekregen.quot;

101. Eugelscli.

Bij gelegenheid van een spoorwegongeluk vernam een lord, die in den trein zat, dat zijn bediende verpletterd, of eigenlijk zooals de conducteur het uitdrukte, «letterlijk in stukken gescheurd was.quot;

»Zoo!quot; zei de Engelschman, »wees dan zoo goed en geet mij dat stuk, waaraan zich liet vest bevindt, want hij had het sleuteltje van mijn koffer in zijn vestzak gestoken en dat moet ik strakjes gebruiken quot;

102. Mannelijke teederheid.

»Hier mot je voorzichtig zijn met afgaan, rneueer ! menigeen heeft hier z\'n hals gebroken,quot; zei een berggids tegen een heer, die zijne cgn geleidde.

»Augusta, ga jij dan maar voor!quot; zei mijnheer.

103. Nieuwe pliotographie.

»Meneer wees zoo goed en maak een photografisch portret vau mijn papa voor me.quot;

»Met genoegen, als ik maar weet wanneer het uw ouden heer gelegen komt.quot;

-ocr page 47-

43

»\'t Kan hem niet gelegen komen, want hij is drie maanden geleden al gestorven.quot;

»0, dat is ongelukkig.... maar dan zal u zeker wel een buste of ten minste een portret van hem bezitten ?quot;

»Als ik dat had, zou \'k niet hier komen om een photografie te laten maken; \'kheb niets van dat alles, maar hier heb ik den pas, waarmee m\'n zalige vader zijn laatste buitenlandsche reis heeft gedaan en daar staat zijn signalement op.

104. Ecu galante slachter.

»Dat kalfsvleesch ziet er mij niet zoo blank uit als gewoonliik,quot; zei eeu jonge dame tegen een slachter, terwijl zij hare bloote hand op het vleesch legde.

»ïrek uwe handschoen aan, jonge dame,quot; gaf hij ten antwoord, »dan zult gij er anders over oordeelen.quot;

De handschoen werd aangetrokken en .... het vleesch goedgekeurd.

105. Looiers nota.

Een jager, die eeu hert had geschoten, bracht de huid van dit dier bij een looier om die te laten bereiden en ontving ze terug met een nota, luidende: ȟen heer P . . .. de huid gelooid 2.quot;

-ocr page 48-

44

IOC. Enkel daaraan 2

Passagier. Hé voerman, wat een ellendig rijtuig! Het schokt en rammelt, dat men langs den geheelen weg geen verstandig woord met elkander konde spreken.

Voerman. Zou dat nu enkel aan liet rijtuig liggen, mijnheer ?

107. Zuivere waarheid.

In een gezelschap werd gesproken over de meerdere of mindere zwartheid van de huid der negers. »Nu,quot; zei er een, die pas uit de West was gekomen, »ik heb dan een neger gehad, die zoo donker was, dat ik hem op klaarlichten dag niet zien kon.quot;

108. Dat maakte een verschil.

In den goeden ouden tijd, toen de openbare werken nog niet werden uitbesteed, kreeg een voornaam timmerman last tot de leverantie van een schavot met eene galg. De eerzame burger weigerde ronduit aan die commissie te voldoen, op grond dat hij nog steeds op betaling wachtte van hetgeen hij vroeger voor het stedelijk bestuur gedaan had. Nauwlijks was dit antwoord op het stadhuis ontvangen, of de schout begaf zich oogenblikkelijk naar den timmerman en zei op een barschen toon: »Nu, als gij aan de stad geen galgenhout wilt leveren, maak het dan maar voor mijne rekening.quot;

-ocr page 49-

45

»0, luijtilieer,quot; zei de ander, »eeue gulg voor u, did is een finder geval. Had ik dat geweten, dan liad ik het u al sedert laDg bezorgd.quot;

109. lgt;e doove meneer.

Men vroeg eens aan een meneer, die nog al doof was en daarenboven nog al veel aan jicht leed, hoe zijne echtgenoote het maakte ? De meneer verstond de vraag niet goed en meende dat men naar zijne kwaal vroeg.

»Ach ! wat zal ik u zeggen,quot; zeide hij, »al wat ik er aan doe is te vergeefs ; ik kan er maar niet van afkomen, die plaag vergalt mijn leven eu zal mij naar \'t graf slepen ; nu ontrooft zij mij reeds den slaap, want \'s nachts kwelt ze mij het meest.quot;

110. Oi» \'1 bal masqué.

»0ch lieve engel, waarom wilt ge u dau toch niet demasqueren ?quot;

»Ik mag niet!quot;

»Laat ik dan ten miuste uwe schooiie haud zien!quot;

»lk trek mijn handschoenen niet uit.quot;

»En als ik er nu om bid ?quot;

»Neen meneer, foei, ik mag niet!quot;

ïKent ge mij dau inderdaad!quot;

»Maar al te wel.quot;

»Maar wie zijt ge dan toch — waar woont ge ?quot;

-ocr page 50-

46

» Bij u iu huis, meueer!quot;

»Bij mij iu huis? !quot;

»Ja meueer, sedert Mei, als kiudermeid.quot;

111. Voerdeclig-e kooi).

ȟic laarzen bevallen me heel goed!quot;

»Nou, meneer! ze kosten maar zeven gulden, tegen contante betalinc;.quot;

»Zoo, dau zal ik een wissel op me geven van tien gulden, dan hou ik de laarzen en dau krijg ik nog drie gulden van je terug.quot;

113. Overal In fiiiiclic.

Advokaat: Wat moetje hebben om me naar Bloemend aal te brengen ?

Koetsier: Een gulden.

»Dat \'s veel te duur.quot;

»\'t Is de vaste prijs, meneer !quot;

»Durf je daar een eed op doen ?quot;

»Ja!quot;

»Nu, dan zal ik je den eed afnemen ; ik ben de advokaat van Dorp, plaatsvervangend kantonrechter, en ik zal je den eed voorzeggen : Ik.quot;

»Ik.quot;

»Koetsier te Haarlem.quot;

«Koetsier te Haarlem.quot;

»Zweer enz. enz....quot;

-ocr page 51-

47

»Zweer enz. euz ...

»Hier heb je twee kwartjes. Ik moet vijftig cents hebben voor het afnemen van den eed. Rijd nu maar op!quot;

113. Gevallen.

Een bankier deed zijn middagdutje; plotseling hoort hij voor de kamerdeur de stem van zijn knecht, dien hij naar de beurs had gezonden om nieuwtjes in te winnen, en die nu roept: »Gevallen! gevallen!quot;

Verschrikt springt hij op, opent de deur, en: »VVie zijn er gevallen? — de 5 percents Russen?quot;

»Neen! antwoordt Johan, »n)aar mevrouw valt daar net den trap af.quot;

«Goddank, — maar hoe staan de Russen?quot;

111. De oudheidkeuner.

»0, dat \'s een heerlijk monument uit de middeneeuwen! Dat rad daar boven op het dak is zeker een teeken van vroeger halsrecht; het bewijs van de cri-mineele jurisdictie, uitgeoefend door den slotheer. Weet je ook, vriend! of daar nog iets van voortleeft in den mond van het volk, of daar nog legenden of verhalen van bestaan?quot;

»Ja, meneer! dat rad staat daar al siuds meer dan twee jaren boven op, maar \'t heeft nog niet willen lukken om er een ooievaarsnest op te krijgen; zo

schijnen er daar niet aan te willen,quot;

--

-ocr page 52-

48

115. Nauwgezctlieid.

Bij den ingang van een gebouw, waarin een publiek bal zou gegeven worden, had men eeu schildwacht geplaatst, met het consigne om geen burger toe te laten, die zijn stok of parapluie niet wilde afgeven. Onder de bezoekers bevond zich ook een heer, die geen van beide bij zich had. De schildwacht houdt hem tegen met de woorden:

»Meneer! u moet uw stok afgeven.quot;

»Ik heb geen stok bij me!quot; luidt het antwoord. » k Kan niet helpen, herneemt de schildwacht, )gt;dan moet je er eerst een gaan halen.quot;

ll(i. Niets gratis.

De meneer. Zeg er eens, jongen, kunt ge me ook een goede herberg wijzen?

De jongen. Ja wel. — Eerst slaat uwe de tweede straat daar uwe ankomt, links in ; dan ziet uwe een uithangbord met een roeden os er op en dan komt uwe voorbij het huis van den burgemeester. Den os laat uwe links liggen en den burgemeester rechts, en dan . .. .

De meneer. Nu, ventje ! en dan ?

De jongen. Dan geeft uwe me een kwartje en ik zeg uwe de rest.

117- Een eerekruis.

Prins Menschikoff voerde vroeger het bevel over een oorlogsschip, op hetwelk zijne krijgstucht spreekwoor-

-ocr page 53-

49

delijk was geworden. Op zekeren dag werd het teeken tot een voorgewenden strijd gegeven, leder was op zijn post, de kanonniers waren bij de stukken, en de genees -heeren stonden reeds met hunne instrumenten in gereedheid. Vóór den strijd voorzag zich prins Menschikoft\' van een groot stuk krijt, begaf zich naar al de deelen van het schip, koos hier en daar eenige mannen uit, en wees hun de plaats aan, waar zij op een bepaald oogenblik moesten veronderstellen gewond te zijn; zi] kregen tevens bevel dit zoo te vertoonen, alsof ze werkelijk gewond waren, terwijl de geneesheeren in last kregen, de wonden te verbinden, alsof ze werkelijk waren toegebracht, of eene amputatie na te bootsen. Een kanonnier kreeg in last zich te verbeelden, dat hij in den rechterarm gewond was ; maar in plaats van neer te vallen, toen het teeken gegeven was, bleef de man zijn stuk laden. De prins denkende, dat hij zich aan moedwillige ongehoorzaamheid schuldig maakte, vroeg toornig : » Weet gij niet, dat gij in den rechterarm gewond moet zijn!quot; — «Vergeving prins,quot; antwoordde de man, »maar ik heb nog den linkerarm overgehouden om te strijden!quot; De prins was verrukt over zulk een antwoord, en quot;het stuk krijt uit den zak halende, teekende hij den man een groot kruis op de borst, zeggende ; »Gij zijt dapper, en ik decoreer u.quot; Den geheelen tijd, dat de strijd op zee aanhield, moest de man het met krijt geteekende kruis op de borst houden.

a

#

m 1

n

1 i

Y

.1URGEX.

-ocr page 54-

50

118. Verrassing.

Echtgenoot. Wat nu, Louise ! alweêr eeu nieuwen hoed?

Gade. Ja, lieve man! Daar ge lieden uw geboortefeest viert, wilde ik u toch gaarne eene kleine verrassing bereiden en ik dacht, dat ik u geen grooter genoegen kou doen, dan door er eens lief uit te zien ; en daarom heb ik nu maar, ofschoon ik eigenlijk nog geen nieuwen noodig had, dit lieve hoedje genomen en het op de rekening laten zetten.

De man. Dank u, lieve schat!

119. In Nassau.

»U moet het hier eens goed opnemen, mylord ? \'t i., luer een zeer merkwaardig gezicht. Ziet u niet heel in de verte eeu donker punt ?quot;

»Neeii, ik zie niets.quot;

»En daar boven een licht punt?quot;

»Neen, ik zie er niets van.quot;

»Nu, ziet u, mylord, dat \'s de Montblanc, die ligt hier twee honderd uren van daan.quot;

120. Een pak van \'t hart.

»Perfect! nou heb ik al mijn rekeningen over \'t af-geloopen jaar bij mekaêr,quot; zei een student, »die van

den kleêrmaker. den schoenmaker, den huurkoetsier____

de nota van den kastelein uit de kroeg, die van den tabaksverkooper .... allemaal netjes in een pakje gedaan.

-ocr page 55-

51

een touwtje er om. Goed! (Hij werpt ze in de kachel.) Goddank, die zorg is van \'t hart, dit jaar is weer afgedaan !\'\'

121. Xiemve aamvonding van boeken.

»Wat kost die uitgave van het corpus juris?quot;

»Zes gulden, meneer.quot;

»Hm!.... ze voldoet niet geheel en al aan mijn oogmerk. Hebt ge niet een dunner formaat?quot;

»\'t Is maar een bloote afdruk van den tekst; u zoudt misschien juist een uitvoeriger uitgaaf kunnen verlangen.quot;

»Neen, dit is me nog te dik, want ik wil het boek op m\'n stoel leggen als ik piano speel. De stoel is te laag, weet u; maar dit corpus juris is te dik.quot;

122. Met voorkennis.

Na afloop eener voorstelling miste een regisseur onder zijne tooneelbehoeften een prachtigen beker. Woedend over dit verlies, zwoer hij bij kris en kras, dat het kostbaar voorwerp hem ontstolen was en maakte daarover zulk eene beweging, dat de directie, ten einde hem zooveel mogelijk tot bedaren te brengen, hem permissie gaf om de waarde op rekening der kas te stellen. Ten gevolge daarvan figureerde op de lijst der onvoorziene uitgaven een post, luidende: vEen beker gestolen, met voorkennis der directie.... ƒ 20.quot;

-ocr page 56-

52

123. De stamboom van Alexander Diiiiuis-

Een trotsch vreemdeling, jaloersch op A. Dumas liet zich bij hem introduceeren, met het tloel om hem te beleedigen, en begon met tie vraag;

»Gii zijt quadroon, mijnheer Dumas?quot;

»Zeer juist, want mijn vader was een mulat ?quot;

»Dus was uw vader werkelijk een mulat en uw grootvader bijgevolg een neger?quot;

»Een neger mijnheer, natuurlijk een neger.quot;

»En uw overgrootvader, als ik vragen mag?:\'

»VVa3 een aap, mijnheer. Mijn stamboom begint, waaide uwe eindigt, mijnheer!quot;

124. Kleingeestigheid.

»Wat ziet gij er melancholiek uit: Heeft een uwer confraters u weer iets in den weg gelegd?quot;

»Och neen, ik heb nu eigenlijk met mij zeiven te doen.quot;

»Kom, wees toch wijzer! Houd u toch met zulk een onbeduidend ding niet op.\'\'

125. Zuiver materieel.

»Gij hebt dus het linnen eigenlijk gestolen, vrouw!quot; »Als mijnheer het zoo verkiest te noemen, welnu ja.quot; »En uit uw spreken maak ik op, dat gij daarvan dan ook al geen gewetenszaak hebt gemaakt.quot;

»Oh neen, al wat ik er van gemaakt heb, is een

ilaai

kind

»]

dat

-ocr page 57-

53

slaaplaken voor mij en een paar zakdoeken voor me kinderen.quot;

ias »Nu dat neemt niet weg, dat het gestolen was, en era dat is dan toch wel wat te grof.quot;

»Grof, mijnheer? Nu dat is waar, anders had ik een paar fijne overhemdjes er van gemaakt.quot;

iw

126. Groot bij groot.

Een onderofficier werd eens ingekwartierd bij een boer, ai, waar hij een zeer goed onthaal vond. Desniettegenstaande was hij gestadig ontevreden en gaf hij zijn wrevelig gemoed eindelijk lucht in een hevigen uitval, waarbij hij zijn sabel met veel beweging op tafel smeet, in de gedachte van de huisgenooten daardoor schrik te zullen aanjagen. De boer liet zich evenwel daardoor niet van ir zijn stuk brengen, maar liep naar den stal, haalde een

hooivork en legde die insgelijks op tafel.

e » Wat beteekent dat, boer?quot; snauwde hem de militair toe.

1 »VVel,quot; zei de landman, »mij dunkt, bij zulk een groot 1 mes hebt gij toch ook een grooten vork noodig.quot;

127. Raad vragen.

Eene jonge weduwe deelde eene harer vriendinnen mede, dat zij aanzoek had gekregen van een schatrijk maar eenigszins bejaard man.

sgt;Een harde zaak om te beslissen,quot; voegde zij er bij. Wat zal ik doen, ja of neen zeggen? Raad gij mij

-ocr page 58-

54

eeus wat het beste is, maar raad het mij in \'s hemels naam uiet af,quot;

128. Anderhalf el verschil.

Een Amerikaansch dorpskastelein kreeg- eens een reiziger bij zich aan huis, die zich in het vreeiudeliugen-boek liet inschrijven onder den naam van Olay. De herbergier, eenvoudig op den naam afgaande, meende uiet anders, of hij had den beroemden secretaris der Unie voor zich en maakte hiervan zooveel ophef, dat er eindelijk een talrijke menigte bij hem in huis kwam om den hoogen gast te zien. Deze, wel merkende, dat er eene vergissing moest plaats hebben, vroeg aan een dier bezoekers, wie zij toch wel meenden dat hij was, eu nauwelijks had hij dit vernomen, of hij riep

»Goede menschen! ofschoon ik denze\'lfden naam draag als de staats-secretaris, bestaat er tasschen mijne talenten en de zijne een verschil van nog zoo wat anderhalf el; want hij heeft de zijne in het hoofd en ik heb de mijue in de voeten. Ik ben namelijk van beroep ... dansmeester.quot;

12{gt;. In alles concurrentie.

Bij gelegenheid, dat er een doodvonnis moest voltrokken worden, ontbrak het aan een scherprechter. Nergens was iemand te krijgen, die zich met deze functie wilde belasten en men was dus wel genoodzaakt daartoe een Hanoversch grasmaaier, die zich voor /25 aanbood, te

-ocr page 59-

55

engageeren. Na afloop der terechtstelling bemerkte deze, dat zijne kameraden hem wel niet; de taak, maar toch het daarmeê verdiende buitenkansje benijdden. Uit vrees dat de een of ander zich er nu wellicht op zon toeleggen, nm hem bij eene volgende gelegenheid dat voordeeltje voo: den neus weg te kapen, maakte hij bij aan plakking openlijk bekend, dat hij zich aanbood, om waar zulks noodig was, iedereen voor slechts tien gulden naar de andtre wereld te helpen verhuizen.

130. Nieuwe titel.

Een boer wilde wegens een proces een advocaat hebber, en informeerde derhalve in de stad naar een »knapp?n advokaat.\'\' Men noemde hem er een genaamd Kraai. Hij ging daarop naar de aangewezen straat en vroeg cf\' hier ergens de advokaat Haaf\' woonde. »Zoo een wocnt hier niet!quot; kreeg hij tot antwoord »wel de advokaat Kraai.1\' »üan zal die het zijn,\'\' meende de boer, »ik wist wel dat bet een roofvogel was.quot;

131. Wind genoeg.

Lodewijk XIV vroeg aan een zijner kamerheeren, op eene wandéing in de tuinen van Fontainebleau, met veel ophef, of lij zich nog wel herinnerde, dat vroeger op de plek, w.-ar zij zich nu bevonden, een windmolen had gestaan.

»0 ja, sin !quot; was het antwoord, »de molen is weg, maar wat winl betreft, die is hier nog genoeg.quot;

-ocr page 60-

56

132. In do Courant.

Een gierigaard, voor een geopend raam aan let ontbijt zittende, werd door een bedelaar om eene kbi-nigheid aangesproken, en schoof den man een droag stuk brood toe. De bedelaar nam het aan, maar greep te gelijk de courant weg, die in het kozijn lag en d\'.ed het stuk brood daar in.

»Hei wat!quot; riep de vrek, laat mijne courant liggei!quot;

»Och kom, mijnheer!quot; zei de ander, »als gij iets weggeeft, dan mag dat immers wel in de courant)quot;

133. Zes voor één.

Do bisschop van Oxford kwam bij gelegenheid zijner jaarlijksche kerkvisitatie in een landstadje, alwiar de geestelijke er, als naar gewoonte, op rekende lat hij, na afloop van het onderzoek, door Zijne Emineatie aan tafel zon worden yenoodigd. liet was voor den man dus geene geringe teleurstelling, van den prelaa; bij de sluiting der werkzaamheden te moeten hoorei : »Och, wees zoo goed voor mij eens iu het voornaanste logement een eenvoudig diner te laten bestellen.\'

De bisschop stond intusschen van zijn ka.it vreemd op te kijken, toen hij een paar uren la-er in het bedoelde logement voor zich eene tafel metres couverts gedekt vond.

»Wat moet dat beteekenen?quot; vroeg lij, »ik heb immers maar een couvert voor één perscon besteld?quot;

»Neeu, Uwe Eminentie,quot; was het antwoord »volgeus

-ocr page 61-

57

de schriftelijke aanzegging van den geestelijke moest ik op zes personen rekenen. Er staat duidelijk in het briefje: Een diner voor den bisschop van Oxford......quot;

»Nu goed, die ben ik; maar verder?quot;

»Ueu deken van Cher well.\'\'

»Ja, dat ben ik ook,quot; zei de Bisschop.

»Den aartsdiaken van Gloucester.quot;

-gt;0ok dat is een van mijne titels,quot; zuchtte de prelaat.

»L)en president van het collegie te Cambridge.quot;

»Nu ja,quot; was het antwoord, »daar kan niemand anders mede bedoeld zijn dan mijn persoon.quot;

»Den groot-prior bij het consistorie van Berkshire.quot;

»Mijn hemel! dat doelt ook op mij.quot;

»En den hofkapelaan.\'\'

»Wel man!quot; riep de bisschop, »dan hebt gij iederen titel voor een couvert gerekend. Maar wat zal ik ei-aan doen? \'t Is een misverstand en ik zal hetinvredes naam voor mijne rekening nemen. Maar weet gij wat gij doen moest, zend den geestelijke eene invitatie om met mij te dineeren. Waar zal ik anders met zulk eene tafel heen?quot;

De geestelijke kwam eu maakte de zaak weer in orde; door.... voor vijf personen te dineeren.

13-4. Vuur geven.

sHalt!quot; riep een soldaat, die vóór een kruithuis op post stond, terwijl iemand met een cigaar in den mond wilde passeeren, xhalt! eerst de cigaar weg!quot;

-ocr page 62-

58

«Ben je dol, kerel,quot; vei de voorbijgiinger; «mijne cigaar brandt immers niet!quot;

ȟat doet er niet toe! Je moet terug,quot; riep de krijgsman.

»Loop naar den duivel!quot; was het antwoord, »denk je dat ik een omweg wil maken. Ik wil voorbij hoor je.quot;

»Nu, in vredes naam!quot; zei de soldaat, »kom dan maar hier.\'\' En meteen haalde hij een lucifertje voor den dag en stak dit aan; doch juist terwijl hij hiermede bezig was, werd hij overvallen door een officier, die de ronde kwam doen,

»Hel en duivel!quot; snauwde deze hem toe, »wat doe je daar? Helpt gij de voorbijgangers aan vuur?quot;

»Wel zeker, luitenant,quot; sprak de schildwacht, «mijne consiirne luidt: wanneer een voorbijganger niet op de eerste aanmaning zijn pijp of cigaar weg doet of anders teruggaat, dan geeft gij dadelijk vuur.quot;

135. Een sentimenteel echtpaar.

Een Duitsch romanschrijver was de gevoeligheid en de weekhartigheid zelve Zijne geschriften getuigden allerwegen van de teedere aandoenlijkheid zijns gemoeds, en niet zelden weende hij onder het schrijven. Toen eens zijne vrouw hem dus schreiende voor zijne werktafel vond zitten, vroeg zij medelijdend naar de oorzaak zijner tranen. Hij schetste haar den roerenden toestand, waarin hij zoo even een minnend paar, den held en de heldin van zijn roman, had geplaatst. Ook de vrouw

-ocr page 63-

59

■; ■\'

werd aangedaan, zij borst in tranen uit en riep op smeekenden toon: »Lieve, beste man, laat ze toch trouwen!quot; — »Acli, miin schat, hernam hij snikkende, »ik wenschte \'b zelf; doch \'t kan onmogelijk : ik ben pas aan het eerste deel!quot;

136. Het verbeterd iiielodraina.

Een tooneeldirecteur gaf een Melodrama, waarin een afgehouwen hoofd moest worden geleverd aan een Tyran. Om de voorstelling zoo misleidend mogelijk te maken, besloot hij een wezenlijk menschenhoofd te vertoonen. Tot dat einde, liet hij eene opening maken in het midden van de tafel, zoo ook van het kleed, dat er overheen lag. Op de tafel stond een schotel, ingelijks met een gat, waar de tooneelspeler het hoofd moest doorsteken, hetwelk, dank zij de kunst, al het akelig aanzien van een doode had. De voorhang rees omhoog; de tyran trad op, en men toonde hem het bloedige, bleeke hoofd van den rebel. De toeschouwers huiverden. Doch wat wil\'t geval! Een baldadige spotvogel had op den schotel eenig nieskruid gestrooid, en nauwelijks had de tyran zijne eerste tirade geëindigd, ol de doode antwoordde met een geweldig en onophoudelijk niezen. Men kan nagaan, hoe \'t algemeen gelach der toeschouwers de verdere vertooning van het stuk belette.

-ocr page 64-

(30

137, Woekeraars-speculatie

Een bekend woekeraar verzocht eens een predikant om bij de eerste gelegenheid in zijn predicatie tegen de steeds toenemende zucht tot woeker te waarschuwen.

»Met alle genoegen,\'\' zei de geestelijke; » het verheugt mij, dat gij het zedelooze van die afpersingen eindelijk inziet.quot;

»Dat is te zeggen,quot; hernam de ander, »ik wou op die manier eigenlijk mijne concurrenten maar eens afschrikken, want nu iedereen tegen een lageren intrest terecht kan komen, begint het mij moeielijk te vallen om mijn geld geplaatst te krijgen.quot;

138. Ecne mooie dieverij.

Een dief, die tijdens de afwezigheid der klerken op het kantoor hunne jassen had gestolen, liep juist terwijl hij het huis verliet, den patroon tegen het lijf.

gt;Waar moet dat naar toe?\'\' vroeg deze.

»0 mijnheer !quot; zei de dief, »ik moet voor uwe bedienden even een paar vlekken in hunne jassen wegmaken.

»Te weerga, dat treft gelukkig,quot; zei de ander, »ik heb in de mijne ook een vlek gekregen, daar, neem die ook maar mee.

»Met genoegen!quot; sprak de dief en ging heen, om nooit terug te komen.

139. Gebraden op den koop toe. Een ambtenaar der stedelijke belastingen betrapte

-ocr page 65-

(31

een knaap op het smokkelen van nindvleesch en nam dit in beslag. De knaap, die een paar uren later ontdekte, dat de man der wet liet vleesch bij een bakker had gezonden om het te doen braden, begaf zich terstond naar laatstgenoemde, om namens den commies het gebraad af te halen. De bakker, geen kwaad vermoeden

hebbende, gaf het dan ook gewillig af en.....het

overige Iaat zich begrijpen.

140. De eerste gek.

»Jau, zijn de gekken al binnen ?quot; vroeg een schoolmeester aan een bediende, oer hij de zaal binnentrad, waar eene onderwijzersvergadering zou worden gehouden.

»Neen mijnheer, gij zijt de eerste,quot; was het antwoord.

141. Annonce.

De wed. Sukkel heeft de eer hare geachte clientèle te berichten, dat zij, wegens het treurig afsterven van haren echtgenoot, de zaak met de haren zal voortzetten.

142. Inliclitlng\'en.

In een onbewoonde streek bevond zich voor eenigen tijd een mijlpaal met het opschrift: Tot F. . . zes uren. Wie echter niet lezen kan, vervoege zich in het dorp, links af, waar nadere inlichtingen te bekomen zijn.

-ocr page 66-

62

143. Ter navolging.

»Uw reiziger heeft het mij vandaag zoo kstlg gemaakt, dat ik hem eindelijk eeue order gegeven heb,quot; schreef een Duitsch winkelier aan een fabrikant; »ii!nar aangezien ik het alleen gedaan heb om op eene fatsoenlijke manier en zoo spoedig mogelijk van hem af te komen, moet ik u verzoeken die order te schrappen.quot;

141:. Tentoonstellingswonderen.

Men sprak in een gezelschap over de Amslcrdamsche tentoonstelling.

«Ziet ge,quot; zei een oud heertje, »het mooiste vond ik de papiermachine; aan de eene zijde gingen de vodden in den ketel en aan den anderen kant kreeg men de enveloppen van \'t pas bereide papier te zien.quot;

«Allemaal niets!quot; antwoordde een jong bluffertje. »Te Philadelphia zag ik een machine, waarin aan den eenen kant druiven werden geworpen en aan de andere zijde de door den pas gemaakten wijn beschonken kerels uit het buffet werden gegooid.\'\'

1-15. Scherpzinnig\' antwoord.

Een hoogleeraar las zijn kweekelingen de lijkrede van den maarschalk Turenne voor, door Flechier; een scholier op wien de schoonheid van het stuk eenigen indruk gemaakt had, zeide schertsende tegen zijn makker:

»Wauneer zult gij in staat zijn, zoo iets te leversn ?quot;

»Als sjij Turenne zult zijn,quot; was het antwoord.

-ocr page 67-

146. Aan tafel.

De vader. Wie nu goed aardappelen eet, krijgt daarna een stuk vleesch.

De kinderen doen hun best en hebben spoedig de schaal geledigd.

De vader. Heb je nu allen je genoegen gegeten?

De kinderen als uit een mond: Ja vader!

De vader. Nu dan heb je ook geen vleesch meer noodig.

117. Onbillijk.

Eene vrouw uit een armbuis woonde met haars gelijken eene gratis-voorstelling in de opera bij. Toen het koor begon te zingen, riep zij: »Hoor me zulk tuig! Nu het maar voor ons is, zingen ze allemaal te gelijk, om zooveel te gauwer gedaan te hebben !quot;

148. (ioiui advies.

Een geneesheer, die wel eens te diep in het glaasje keek en bij een patiënt werd geroepen pakte in vergissing zijn eigen pols en zeide : — die heer is niet ziek maar slechts beschonken.

140. Waarsclnnving.

Student, met een blik op \'t glas bier, dat hij in de hand heeft;

Zie zoo, je bent de eerste; zoek je nu maar een goed plaatsje in mijn maag, je mocht anders straks een in \'t gedrang komen.

-ocr page 68-

« C4

150. Te veel ingenomen.

Een Duitsch handelsreiziger, die wat veel bier gebruikt had, blufte eens in een trein tegen zijn medereiziger over de roemrijke wapenfeiten, waaraan hij deelgenomen had. »Ik heb Sédan meê ingenomen, ik heb Met/, tneê ingenomen, blufte de man. Na eenige oogenblikken maakte de verorberde drank hem zoo onpasselijk, dat hij aan \'t overgeven geraakte. — Dat komt er van, als men zooveel ingenomen heeft,quot; voegde hem een medereiziger toe.

151. Gehoorzaamlieid.

Heer, die alleen in een waggon heeft gezeten, uitstappende, tot zijn knecht: »Jan, neem mijn bagage en laat niets liggen, hoor.\'\' — »Jan volgt zijn heer, zuchtende en steunende onder den last. — De Heer. »Wat heb je \'t benauwd Jan, is het zoo zwaar?quot; — »Neen, mijnheer, zwaar is het niet, maar dat lange ding is zoo gloeiend heet.quot; — Jan had niets laten liggen en dus ook de heetwaterstoof meegenomen.

152. (Seen wonder.

Dokter. En hoe is het met het slapen ? — Patiënt. Slecht, mijnheer, ik doe \'s nachts geen oog toe. — Dokter. Zoo, en waaraan schrijf je dat toe?—-Patiënt. Ja, ik denk dat het komt omdat ik nachtwaker ben.

-ocr page 69-

05

153. Even geduld.

Een handelsreiziger treedt binnen bij een winkelier, die juist bezig is zijn hond te ranselen. — Reiziger. Heb ik de eer mijnheer lionkel te spreken? —Ja, een oogenblik eerst den een en dan den andere.

154. Gevoelvol.

Iemand had zijn vrouw begraven en ouder het storten van heete tranen een prachtigen krans op haar graf gelegd. Toen hij met een vriend huiswaarts keerde, zeide hij, »hoe zullen wij verder den dag doorbrengen ?quot; — »Ik weet het waarlijk niet,quot; sprak de vriend. — »Kom, wij gaan naar het paardenspel, daar hield Louise zooveel van,quot; en opnieuw barstte hij in tranen uit.

155. Verontscliuldiging.

Hechter. »Gjj wordt beschuldigd op verregaande wijze uw kinderen te hebben mishandeld.quot; — Beschuldigde. »Ik heb mijn kinderen gestraft en dat kan niemand mij beletten.quot; — Eechter. »Ook jegens uw vrouw hebt gij u op een ergerlijke wijze gedragen.quot; — Beschuldigde. »Ik heb alleen haar mantel tegen den grond gesmeten.quot; »Ja, maar zijn vrouw had den mantel om,quot; merkte een agent op.

JÜRGEN.

-ocr page 70-

66

156. Berekening.

Jau, wil je een borrel. — Dank u, mijuheer, ik drink nooit. — Groed zoo, Jan; daar heb je een dubbeltje in plaats van een borrel. — Jan, naar buis gaande. Zoo, dat is beter; voor een dubbeltje beb ik bij Toon in het hennetje twee borrels.

157. Bezorgd.

Op een vroolijke partij stak een der bedienende knechts een gebraden hoen in den achterzak van zijn rok. De zoon van den gastheer had het echter gezien, nam ongemerkt een kom met saus en goot die ledig in den zak van den knecht, deze toefluisterende: »anders zou je \'t droog moeten opeten.quot;

158. (Jeen eigenwaan.

sMijne heeren,quot; zeide een koffiehuishoude tot een bij hem aanwezig gezelschap, »het is twee ure, mij dunkt het is hoog tijd voor fatsoenlijke menschen om naar huis te gaan . . .

»Dat gaat ons niet aan!quot; riep een uit het gezelschap. »Bier, Jau, Bier!quot;

159. Hoogere physica.

Leeraar aan de hoogere burgerschool. Wat heteekent het spreekwoord, Frans, er is nog geen geleerde van den hemel gevallen ? — Frans. Dat er geen geleerden in den hemel zijn, mijnheer.

-ocr page 71-

G7

160. Dames passie

Ella: Ach, Marie, hoe gelukkig ben je toch! Met eeu officier geëngageerd — en dan aan zijn arm in het bosch te wandelen... — Marie; Met waar — en dan wordt hij met militaire eer en met muziek begraven !

Vij

I

M |

in de kleinste

is

1C1. Op eeu lioogere burgerschool voor meisjes

Leerares .... Dus ruimte is... ?

Leerlinge, (verstrooid): Ruimte hut voor een teeder minnend paar De (jeheele vijfde klasse : Ja, ja !

1G2- Eeu uithaugbord.

Slager. Zoo, hier moest ge mijn naam plaatsen, Frederik Willem van Dompelen, en dan moet je daaronder een vet varken schilderen, dan weten de menschen dadelijk wat ik ben.

| 9-

1GS. Van pas-

Zij: Grut, manlief, waar heb je die jas gekocht ? Ilij: Nou, bij Linkhof, zooals altijd.

Zij: Maar dat is je oude overjas, die ik daar de vorige week verkocht heb.

Ilij: Zoo.... Linkhof zei ook al, dat de jas mij paste als of hij voor mij gemaakt ware.

-ocr page 72-

G8

164. Eene tombola-

Hij: Wel, wat heb je getrokken?

Zij: Eeu prul....... een hansworst.....ik ben

altjid ongelukkig! Je weet wel... \'t vorige jaar.. . toen we trouwden ... toen was \'t precies hetzelfde . .. en heb ik ook een hansworst getrokken!

165. Anatomische Les-

Een student at bij een gierigeu professor in de anatomie. Hij kreeg meer beenen dan vleesch. Nu nam hij een been en bezag het van alle kanten. » Wat doet gij ?quot; vraagde de professor, sik herinner mij uw lessen over de beenderen en zoek of ik niets aan dien knok vind op te merken,quot; antwoordde de student.

166. Bedrog\'.

Mijnheer. Met die tentoonstellingsloterij zal het ook lekker toegaan, vrouwlief. Ons arm geld !

Mevrouw. Hoe dat zoo ?

Mijnheer. Als je wat trekt, dan moet je bepaald van de vrinden zijn. Ze weten nu al — en ik heb het toevallig ook gehoord, — wie een van de rijtuigen zal trekken, die thans nog tentoongesteld zijn.

Mevrouw. Zoo .... en wie dan ?

Mijnheer.....Eeu span paarden ! !

-ocr page 73-

69

l(i7. Op \'t examen-

Professor. Wat houdt go voor liet beste middel om b. v. eeu in zwijm gevallen student weder spoedig tot zichzelven te brengen?

Candidaat. Hem iu \'t oor roepen, dat er een postwissel voor hem gekomen is.

168. Goed bedacht.

»Kerel, wat rook je toch voor stinkende sigaren!quot;

»Neen, luitenant, stinken doet hij niet, maar hij wou niet branden en toen heb \'k \'ui maar efl\'en in de olie geduwd.quot;

169- Verlljude veeziekte.

Eeue preutsche tante zegt tot haar nichtje, die met eeu heereboer geëngageerd is. »Je moet toch eens tegen Willem zeggen, lieve, dat hij, als hij met papa spreekt, niet zulke rare uitdrukkingen gebruikt!quot;

»lioe dat zoo tante?quot;

»Wel, van middag aan tafel, toen hij van die nieuwe koeien vertelde, sprak hij telkens van mond- en klauwzeer. Waarom zegt hij niet tandpijn eu eksteroogeii ?quot;

170- Uitgevers beeldspraak-

Jonge dichter. Nu, hoe bevallen u mijne gedichten ? Mag ik hopen ?

Uitgever. Eerlijk gezegd vind ik ze zóó uiterst teeder, dat ik een beetje bang ben, dat ze niet tegen drukken kunuen.

-ocr page 74-

70

171. Het lastige van de telefoon.

Jansen is, terwijl de patroon naar de beurs is, op liet kantoor alleen gelaten en heeft daarvan gebruik gemaakt om, eenigszins schielijk, er iu het oord der »vergunning,quot; aan de overzijde »een paar te nemen.quot;

Plotseling klinkt de telefoonbel. \'t Is de patroon, die van de beurs telefoneert:

» Jansen!quot;

De opgeroepene antwoordt haastig, maar weifelend : »VVa-wat!quot;

Patroon. Jansen, je hebt gedronken.

Jansen, (verbluft ter zijde.) Goeie genadigheid! Kan hij dat zoo ver ruiken? (Uoor de telefoon.) »Ja, mijnheer, één halfje!quot;

Patroon, die de zware tong hoort slaan, »neeu niet een halfje, meer dan één, ongeluk! Ik kom straks afrekenen.

Jansen. Hoe is \'t mogelijk! En nou had ik nog al een koffieboontje geknabbeld! Met die duivelsche dingen is eeu mensch zijn heele vrijigheid kwijt.

172. Bcnioeiziek.

A. (tot B. die onophoudelijk aan zijne nagels knabbelt.) Houdt toch op met dat knabbelen aan je nagels, \'t is niet uit te honden.

B. Ik weet waarlijk niet, waar jij je meê bemoeit, ik bijt toch niet op jou nagels.

-ocr page 75-

71

173. Slecht werk.

De Engelsche dokter Ivadcliff\'e had \'/ij11 binnenplaats laten 1)evloeren, maar weigerde de betaling. »Gij hebt,quot; zeioe hij, »uw werk slecht gemaakt, en het toen met wat aarcte bedekt.quot; » VVat zou dat,quot; antwoordde de werkman, sik ben toch de eenige niet, die zijn slecht werk met aarde bedekt.quot; De dokter begreep hem maar al te goed, zweeg en betaalde.

174. Moeilijke taak.

Onderwijzer. Ge ziet er waarlijk als een stekelvarken uit van Zwabberen, waarom hebt ge u niet behoorlijk gekaiid ? Ge hebt toch zeker wel een haarkam te huis ?

Var, Zwabberen, Jawel, meester, maar er benne geen tanden meer in.

175. Overdrijving\'.

Die?enbeschermster (tot den slager): Als je in \'t vervolg ideesch stuurt, doe er dan veel been bij, want ik heb een allerliefst hondjen present gekregen.

176, Brief eener niclit aan haren neef Imitcnslamls.

Lieve Henri!

Hieibij zend ik u voor uw verjaardag een sluimer-kusser; het overtrek heb ik in een winkel gekocht, doch de veeren zijn van me zelf.

Uw Louise.

-ocr page 76-

72

177. Zonder nadenken-

»En ik zeg dan maar: als jij niet begrijpen kunt, dat iemand als jonggezel meer geld noodig heeft dj,u als getrouwd man, dan . . . dan . . . ben jij nooit ongetrouwd geweest!quot;

178. Waarheid.

vlJaL is geen kunst.\'quot; bromde een wijufabrikant, toen i^ijn concurrent hem een flesch echten Lapitte schonk.

179. Duitsclie vleierij.

De Vorst (die een schietwedstrijd opent): Sappristie, daar schiet ik te veel links.

Een yeneraal: Volstrekt niet, Sire; maar de sthijfis toevallig te veel rechts geplaatst.

ISO. Een lesje.

In een kinderkamer zaten twee zusjes haar scbodwerk te maken. De jongste vroeg aan de oudste: »gt;Iarie, moet men zeggen: la coeur of le coeur?quot; »Le coeur,quot; luidde het antwoord, waarop de naaister aanmerkte; » Wy zeggen altijd likeur, jongejuffrouw!quot;

=

-ocr page 77-

73

181 ■ Wcersverandoring\'.

, alloc zou het toch komeu, chit we tegenwoordig zulk i afwisselend weer hebben

»Ja, zie je, ik geloof dat het komt, omdat ze iu den laatstcn tijd zoo vreeselijk aan do Pool liggen tc zaniken.quot;

18*2. Het orakel-

Mejuffrouw Louise is in twijfel, of zij het haar toegezonden huwelijksaanzoek toestemmend zal beautwoorden of niet, en wendt zich tot haar gewoon orakel, d. w. z. de knoopen van haar jaquet, om hierdoor den wil der goden te leeren kennen. Ja... neen... ja.... neen.... ja.... hier wordt Louise bleek, want er volgde nog een knoop, die dus een weigerend antwoord zoude bepalen; — doch zij weet raad : tiuks de schaar ter hand nemend, snijdt zij den noodlottigen knoop af. — Zie zoo nu blijft het »ja.quot;

183. Het onjuiste portret.

Een advokaat had zich laten photografeeren. Hij had zijn huisjas aan en de handen in zijne zakken. »ls dat portret niet duidelijk ?quot; vroeg de photograaf aan een zijner vrienden. »Sprekend wat \'t gedicht betreft, maar overigens is er toch iets verkeerd in!quot; »En dat is ?quot; vraagt de photograaf. — »Eeu advokaat steekt zijne handen nooit in zijne eigen zakken!quot;

-ocr page 78-

74

184. Waarsclunvina

lu eeue kleine stad in Duitschlaud werd onlangs bet volgende plakkaat aan liet raadhuis aangeplakt: »De burgerij wordt gewaarschuwd voorzichtig met bare houden te zijn. Gisteren is de secretaris en andere honden door een dollen poedel gebeten.quot;

185. Ongemakkelijke gast.

Gast (tot de juffrouw, waar hij eet): Maar kijk nu eens aan, juffrouw! Dat is toch al te erg! Een pikzwart haar in de soep!

Juffrouw. Zou u soms willen, dat ik voor uw een blonde keukenmeid huurde.

186. Vervlogen dagen.

Vrouw (nadat de man in woede een aarden schotel stukgesmeten heeft): Ach man! waar zijn de schoone dagen, toen we elkaar met porselein naar de ooren smeten!

187. Een galante schildwacht.

Bij den intocht van een vorstelijke bruid in zekere stad, schilderde een jong soldaat op eene pilaats alwaar de toevloed inzonderheid van voorname dames zeer groot was, zoodat hij eindelijk geen ruim baan meer kon houden. Op zijn herhaald »terug wat!quot; sloeg men geen

-ocr page 79-

75

acht en gebruik der kolf kwam hem te hard voor, bi] deze teedere halsstarrigeu. Hij nam derhalve een ander middel bi} de hand, hetwelk hielp. Hij zette namelijk zijn gesveer ai, omhelsde eene nabij hem staande zeer schoone vrouw en kuste haar eens hartelijk. De dame riep om hulp, allen lachten en stoven uit elkander en op de vraag van den officier die dit zag: — Kerel, zijt gij dol? antwoordde de soldaat lachende: — neen, heer luitenant, in het geheel niet, maar die uiet hooren wil, moet voelen.

188. Een mooie benaming.

Een stuurman schreef in zijn journaal: »toen de storm de hoogste graad van hevigheid had bereikt, legde zich het schip met eeu enkelen ruk op zijde, en de kapitein en nog een vat brandewijn sloegen over boord.\'\'

IS\'.I. Maanbrief.

»Lieve oom,\'\' schreef eeu student, »ik heb in zoo\'n langen tijd van u geen geld ontvangen, dat ik de hevigste hoofdpijn krijg, als ik mij tracht te herinneren hoe de laatste guldens er uitzagen, die n de goedheid hadt

mij te zenden.quot;

11IÜ. Ware godsdienst.

Twee aanzienlijke dames kwamen uit de predikatie van een beroemden redenaar en de eene zeide: »Ja,

-ocr page 80-

76

inderdaad, wij zijn groote zondaressen en boete is wel noodzakelijk. Maar wat zullen wij doen?quot; — » Wij moesten onze knechts en meiden een dag laten vasten,\'\' antwoordde de andere.

191. Prachtig- examen-

Examinator. Hoe heeten de beide stichters van Rome ? — üe hoogere burgerschool-bezoeker bedenkt zich. Examinator. Ik wil u op de hoogte helpen. Het woord Kome komt zelf gedeeltelijk in een der beide namen voor. — Komeo en Julia! roept de geëxamineerde triomfantelijk.

1!)\'2. Al te verdiept in de geleerdheid.

Eenige geleerden, van Londen naar eene nabijgelegen plaats rijdende, geraakten met elkander in een druk gesprek, doch merkten opeens, dat zij niet hard genoeg reden; waarop een van hen, zijn hoofd buiten het portier stekende, den voerman toeriep: Allons done! (Maak voort!) terwijl hierna bet gesprek weder werd voortgezet. De voerman meenende, dat men hem toeriep: A London! (Naar Londen!) keerde dadelijk om, hetwelk de geleerden niet eer bemerkten, dan toen zij de stad weder binnen waren gereden.

-ocr page 81-

77

193. Hodcudaagsclie zuurkool.

Keukenmeid. Twee pond zuurkool, asjeblieft. Winkelier. Het heet tegenwoordig kilo, beste meid. Keukenmeid. Zoo, kilo, beet bet dan geen zuurkool meer ?

194. Inlichting voor liet igt;ul)liek.

Een botelbouder wandelt met zijn zoontje buiten Plotseling scbiet uit een boscbje een bruin diertje te voorschijn en springt dwars over den weg.

»Vader,quot; vraagt de weetgierige zoon, »was dat eeu haas of een kat?\'\'

sDat hangt af,quot; luidt onmiddellijk het antwoord, »van de wijze waarop het beest wordt klaar gemaakt.quot;

195. In een niuseuni.

Mijnheer, het is verboden hier te rooken. Ik moet u beboeten voor vier gulden. — Engelscliman. Hier is een tienguldenstuk. — Wachter. Ik heb o-een g\'eld temer.

o ^ o o n

— Engelscliman, tot zijn knecht. Hier, John, heb je een sigaar, rook jij ook?

19(5. Soldaten-exanien.

Officier. Waarop heeft eeu soldaat te letten, die met een spoortrein door een tunnel rijdt? — Soldaat. Hij mag hoofd of armen niet uit den waggon steken. — Ofjïcier. Waarom niet? —Soldaat. Opdat hij den tunnel niet zou beschadigeu.

-ocr page 82-

78

197. Niet veel verschil.

Zeker vorst schonk, gelijktijdig, ziju kamerdieuaar

en ziju hofbaukier de orde van zijn stamhuis. Men li verwonderde zich daarover; een spotvogel zeide:

— De reden licht voor de hand, de eerste heeft de a orde bekomen, wijl hij hem aankleedt, de andere, wijl d

hij hem uitkleedt. n

1!)8. In een weldadiglieidsloterij.

Dame. Kom mijnheer, koop eens dat lieve bouquetje van mij. — Heer. Met j^leizier, dame; wat kost het ? — Dame Laten we \'t eens op twintig gulden stellen. — ^ Heer. Dat is zeer duur. — Dame, er een kus op 1 drukkende. En nu, mijnheer? — Heer. Nu is het 1 voor mij onbetaalbaar.quot;

199. Niet vernacht.

Iemand zeide in een gezelschap tot een heer, die een buitengewoon kleinen neus had: »waarop zult gij toch, als gij oud zijt, uw bril zetten?quot; — »Mijnheer,quot; antwoordde de andere, »heeft zulk een goed hart, dat ik er niet aan twijfel of hij zal mij dan een van de vele neuzen leenen, die hij reeds gehaald heeft.quot;

\'200. Grafschrift.

Hier rust Willem Peer, vader en metselaar van vierentwintig kinderen.

-ocr page 83-

79

201. Woonplaats.

Een dame vraagde eeu geleerde: »als zij naar de landen in de maan rees, die door hem waren ontdekt, waar zi] dan onderweg zou bunnen rusten?quot; — «Mevrouw, antwoordde de geleerde; »u hebt zooveel kasteelen in de lucht gebouwd dat het u aan plaatsen om te rusten niet ontbreken kan.quot;

202. Loon naar arbeid.

Een boer liet zich bij een tandmeester een kies trekken. Met een enkelen ruk was de kies eruit. — »Hoeveel?quot; vraagde de boer. — »Een gulden.quot; — »Wat, een gulden ; mijn barbier heeft mij een kies getrokken en daar heb ik maar een kwartje voor betaald ; en dat was heel wat anders; bij moest mij door zijn winkel slepen eer hij de kies er uit had.quot;

203. Vriendelijk aanbod.

»Als gij worst wilt maken, kunt gij een goede partij van mijn darmen krijgen,quot; schreef eeu spekslager aan zijn collega.

204. Vroolijke gewaarwording.

Een gezelschap reizigers besteeg een hoogen berg. Toen men reeds een uur geklommen had, riep een heer,

-ocr page 84-

80

die de anderen vooraifc was: »nopf 2000 voet dan zijn we in de wolken.quot; — »En wat zien we dan ?\'\'vroegen hijgend de achter hem komenden. — »Niets!quot;

iiO.1}. Een steek ouder water.

Kolonel. Ik begrijp niet mijnheer, dat gij nog lachen kunt, onderwijl ik u over nw afkeurenswaardig gedrag onderhond. — Luitenant. Ja, kolonel, als ik een ernstig gezicht zet dan bemerken mijn kameraden ginds wat er gaande is; maar kijk ik vergenoegd dan denken zjj dat u mij te soupeeren noodigt.

200. Een wautroinvige patient.

Patiënt. Dokter, trek mij asjeblieft die tand uit, de pijn is onuitstaanbaar. — Üohter. Wacht, ik zal n even chloroformeeren.quot; — De patiënt haalt ziju porte-monnaie voor den dag. —• Dokter. IJ behoeft niet vooruit te betalen. — Patiënt. Neen, maar als u mij chloroformeert, moet ik eerst zien wat ik in mijn porfcemonnaie heb.

\'207. Beleefd.

»IJ is dertig jaar, dame, niet waar?quot; — »Neen, mijnheer, vijfentwintig.quot; — «Maar wij zijn toch in hetzelfde jaar geboren?quot; — »Wel mogelijk,quot; hernam de dame snibbig, »dau heeft u zeker te hard geleefd.quot;

-ocr page 85-

81

\'208- Ook al trotscli.

lieer. Ik heb uog een goede oude jas voor je; kom morgen na twaalven bij me, in de Reestraat, No (3, derde verdieping. — Bedelaar. Derde verdieping. — dank je wel, dat is me te hoog.

209. Een compliment.

Iemand recommandeerde zijn vriend tegen slapeloosheid het drinken van Beiersch bier. »Als ik \'s avonds een glas of\' zes gedronken heb,quot; zeide hij om zijn bewering kracht bij te zetten, »slaap ik als een os.quot; — »Wel mogelijk,quot; merkte de andere op, »geloof echter niet, dat het van het Beiersch bier komt. Dat ligt dan in je natuur.quot;

quot;210. Eeu onversclirokkeu raadsheer.

De beroemde Grammont kwam eens in de kamer van Lodewijk XIV, terwijl de koning met een der heeren van het hof triktak speelde en daarover met hem in geschil was geraakt. Alle hovelingen hielden een diep stilzwijgen in acht. Doch, bij het binnenkomen van Grammont, riep de koning hem toe, dat hij de zaak beslissen moest. En nn zeide deze:

— Sire, gij hebt ongelijk 1

— Maar hoe kunt gij mij ongelijk geven, zonder dat gij weet, wat eigenlijk het punt van ons geschil is?

JCR6EN. 6

-ocr page 86-

—- feire, wanneer het recht maar eenigszins aan uwe zijde geweest ware, dan zouden deze heeren uwe majesteit reeds lang gelijk gegeven hebben.

211. Twee dengnieteu.

Een onderwijzer wilde een jongen, die het hem zeer lastig maakte, bijzonder in zijn eergevoel straffen, daarom zeide hij: »Je bent niet waardig, deugniet, dat je langer onder je medescholieren zit; voortaan zit je hier bij mij.\'-\'

212. In ecu hotel in een kleine stad.

Is de courant van vandaag er nog niet? Jan? — Neen, mijnheer, die komt morgen, ziet u als ze haar maar een dag vroeger drukten, dan zou zij er nu al kunnen zijn.

213. Een i»oëtisch galant.

Mijn geliefde, is het niet poëtisch in den herfst, als alle boomen en planten zich ontdoen van hun tooi en de droge bladeren zich verspreiden op het aardrijk !

■— O ! ja, ja, van droge bladeren gesproken ,. . . . waar ik toch mijne sigaren gestopt mag hebben.

-ocr page 87-

83

214- Welk een brutaliteit!

Een vrouw bad zich naar eene kerk begeven, waarin toen zeer veel toeloop was, zoodat zy bare plaats niet dan met moeite kon machtig worden. Doch nauwelijks was zij gezeten, of er kwam iemand, die baar waarschuwde :

— Juffrouw, weet je wel, dat je daar niet kunt blijven zitten?

— Wel zoo! dat wou ik wei eens zien, dat iemand me hier opjoeg! bezit ik dan mijne eigeu plaats niet, en moet ik er dan alle jaren geen geld voor betalen?

— Dat kan wel wezen, juffrouw, maar ais de kerk uit is, dan kunt ge er toch niet blijven zitten.

213. Drie koningen, drie talen.

Lodewijk XVI, koning van \'Frankrijk, vroeg eens den hoogbejaarden maarschalk De Richelieu:

— Gij hebt onder drie koningen geleefd, vindt gij niet, dat de taal ouder hen, van tijd tot tijd, groote veranderingen ondergaan heeft?

— Gewis, sire! antwoordde de maarschalk, onder Lodewijk XIV sprak men met de oogen; onder Lodewijk XV fluisterde men; doch onder uwe majesteit spreekt men ronduit.

216. Uit voorzorg-

Mijnheer, zeide een agent van politie tot iemand, schreeuw niet zoo, u maakt burengerucht.

-ocr page 88-

84

— Ik heb in \'t geheel uiet geschreeuwd, was het antwoord,

— Ja, maar ge hebt willen schreeuwen.

— Maar, op mijn woord.. .

— Kort en goed, je hebt fcioitten schreeuwen; daarom ga naar huis en wees stil.

217. Kwalijk genomen.

Dienstmeisje. Mijnheer, wel de groeten van mevrouw Telg en wat er van avoud gegeven wordt.

Bureaulist. Mensch erger je niet.

Dienstmeisje. Maar, meneer, ik heb me nog nooit geërgerd.

218. Vrije vertaling\'.

Vamour est un enfant trompeur, las een vertaler en schreef daarvoor eenvoudig: De liefde is een trompet-terskind.

219. Assurantie.

Ge zijt iemand, die nog al veel in huis heeft, dus moet ge uw huis verzekeren. Neen mijnheer, ik ben al tien jaren in de assurantie geweest, maar ben er toen weer uitgegaan. Zoo en waarom ? Omdat mijn boel toch niet afbranden wou.

-ocr page 89-

85

220- Onbegrijpelijk.

Arthur int heb je weer gelogen. Maar pa, u hebt zeker ook wel eens gejokt toen u zoo\'n klein jongentje was. Neen nooit! Ala ook niet? Mama nog minder. Waarom vraag je dat? Ziet u pa, omdat ik heusch niet kan begrijpen hoe twee menschen, die nooit gelogen hebben, een kind bezitten, dat zoo dikwijls liegt.

221. 0[t \'1 college

Het college van zekeren vervelenden professor werd doorgaans slecht bezocht. Toen hij, als naar gewoonte, verscheidene studenten miste, sj^rak hij: »Ik zie er weer velen, die niet tegenwoordig zijn.quot;

222. Volkstelling-.

»Mevrouw, mag ik zoo vrij zijn, u opgave te vragen van de leden uwer familie? Wij komen voor de volkstelling.\'\'

Wel, dan moet je hier niet wezen, man! We zijn van adel.

223. Nog\' eens vrije vertaling\'.

Leer aar: Jansen, wat beteekent in het Nederlandsch

de mortuis nihil nisi bene 9

Jansen: Dat beteekent zooveel als van den doode ligt hier niels dan de. heenen.

-ocr page 90-

80

224. Niet op gerekend.

Dame: Wat kost de meter van deze stof?

De zoon van den winkelier: Een zoen !

Dame: Dan neem ik drie meter — mijn grootmama zal wel komen betalen.

225. Zeer juiste aainvijziiig\'.

Meester; Toen versloeg Simson drieduizend Phili-stijnen met een ezelskinnebak!

Leerling: Wat is dat, een ezelskinnebak meester ? Meester (vertoornd op zijn kaak wijzende); Hierrr, dit lummel!!

22(gt;. Al te gedienstig.

»Waclit kerel! ik zal je helpen,quot; riep de cipier den gevangene dreigend achterna, die zich langs een tomy liet afglijden. »Zeer verjdicht,quot; was het beleefde antwoord, »ik beu der al!quot;

227. Waarsclmwing.

De meesier. Jantje, Jantje, doe nu zoo iets niet weer, anders kom ik eens bij je mama.

Jantje. Doe dat in \'s hemels naam niet meester, pa is vreeselijk jaloersch.

-ocr page 91-

87

228. Welk van beide?

Zekere boer, wiens vrouw en varken beiden ziek waren, werd door zijn zoontje van den akker naar huis geroepen. De boer, die met zijne vrouw steeds op voet van oorlog leefde, wierp baar in \'t bijzijn van hun kind nog al eens heel leelijke woorden toe. Daarom wist hij niet recht wie de knaap bedoelde, toen hij riep: »Vader, kom toch, het varken is dood!quot; »Welk?quot; riep de ruwe landman, »je moeder of \'t andere?quot;

229. Dure tijd.

Boer (aan \'t station.) Drie glazen bier heb ik al gedronken en eerst over een uur komt de trein, waar mijn vrouw mee terugkeert aan, dat zijn nog drie glazen ! Schrikkeli]k wat mij dat mensch een geld kost!

230. Kellnor limuor.

Jan. Daar heeft me de chef iets gezegd ... zie, als hij dat niet terugneemt, kan ik niet langer blijven ! Willem. Wat heeft hij dan gezegd !

Jan. Den dienst heeft hij me opgezegd !

231. Tegengift.

Ziekenoppasser: Ach hemel, dokter! daar heb ik den patiënt No. 11 in plaats van de voorgeschreven medicijn inkt gegeven !

-ocr page 92-

88

Dokter: Hm, Hm een leelijk geval, — geef hem dan maar gauw een boek vloeipapier in !

232. Een verstandige vrouw-

»Zeg mij eens, is \'t waar, dat nw vrouw een geleerde vrouw is?quot; — »Goddank, neen! Daarvoor is ze veel te verstandig!quot;

233. Instructie.

Luitenant : Hoe sehrijlt men Signaal ?

Rekruut: Signaal wordt niet geschreven, maar geblazen !

234. Te ver.

Galant: Ga je mee naar de komedie Sofie?

Sofio: Dank je wel; ik heb op \'t aanplakbiljet gelezen, dat het stuk »iu een dorp speeltquot; en da\'s me te ver.

235. \'t Is hard.

Een redenaar zei, dat de fortuin ééns in \'t leven bij ieder mensch aan de deur klopt.

Iemand van \'t publiek riep zuchtend : »Toen ze bij mij aanklopte, was ik dan zeker niet thuis.quot;

-ocr page 93-

89

23(). Gewoonte-Mama: Foei Marie, je hebt je les weer niet gekend wat zal pa toch wel zeggen, als hij om vijf uur thuis komt?

Marie: Pa zegt stellig: Is \'t eten nog niet klaar?

237. Onze

Soldaat: Nou bonswaar Mie: Neen jongen, dan mevrouw uitgaansdag!

dienstboden-

Mie, tot aanstaanden Zondag! kan \'k niet; dan heeft onze


238. Slim bedacht.

Karolientje: Mama, mag ik wat rozijnen?

Mama: Ja kind, neem maar een handvol. Karolientje: Toe mama, geef n ze mij; u hebt een veel grootere hand.

23!gt;. Een magniflque partij.

»Ik wist een magnifique partij voor je, een charmant

meisje, schoon, braaf, jong, rijk.....maar ongelukkig

al gehuwd!quot;

240- Uit een roman-

»Met de eene hand ondersteunde hij haar lieve hoofd, terwijl hij met de andere om hulp riepquot;

-ocr page 94-

00

\'241. Aiiistorilnmsclio drukte.

.fee)?, damn (ran buiten): Met welk eeu kracht stijgen die vuurpijlen omhoog; ze gaan veel hooger dan bij ons!

Amsterdammer: Ze hebben hier in de hoofstad ook zoo alle ruimte!

242. Hoe opvatten.

Redder: Hoe weet ge, dat dit uw zakdoek is? — Bestolene: Tk ken hem aan de kleur. — Rechter: Maar ik heb er eeu van dezelfde kleur! — Bestolene: Vroeger is er me net zoo een ontstolen.

24.\'{. 0|gt; school.

Kind: Juffrouw, is hier ook kerstmis op den2r»sten? — ■Tuffrouw; Jawel, en ook op den 26sten. Hoe )edoei je dat? hind: Ja ziet u, juffrouw, papa en mama wonen pas zoo kort hier in de stad.

244 Een moeilijk raadsel.

. »Mijue zeug heeft biggen gekregen!quot; riep eeu boer m de vreugde zijns harten. Als je raadt hoeveel, weef ik ze je alle dertien.quot;

245. Mode.

Patiënt: t Spijt me, dat Professor niet thuis is; ik

-ocr page 95-

91

zou hem gaarne over de keuze van een bad geraadpleegd hebben.

Bediende: O, anders niet! Van \'t jaar sturen we alles naar Zandvoort.

24C. De politie.

Agent: Wil je wel ordentelijk over den weg gaan, kerel ?

Dronken man : Een beetjen beleefder hoor ! IToe zou je aan den kost komen, als wij er niet waren ?

2i7. Moeielijk.

A. (die tot een duel is uitgedaagd): »Goed, ik zal vechten; maar omdat ik bijziende ben, staan de kansen eerst gelijk, als ik tien schreden nader bij mijn tegenpartij sta, dan hij bij mij.quot;

tilS. Hoogo pliysica.

Leer aar: Denkt je nu eeu draad jongelui, zoo dun als ge hem u denken kunt! Denkt hem vervolgens nog een weinig dunner, dan zult ge ongeveer den draad hebben, die we voor onze proef noodig hebben.

Een g-ood voorstel-Oom : Kinderen, weest niet verwonderd, dat ik alweer

-ocr page 96-

92

by je pa en ma kom eten; thuis smaakt me het eten niet, zoo alleen; ik moet gezelschap om me heen hebben. — Koor van kinderen: Lieve, goede Oom, voortaan zullen wij bij u komen eten.

250. Een onkundig rechter.

Rechter: (tot een veroordeelde:) Dit is nu al de zevende maal, dat ge veroordeeld wordt. In plaats van tot inkeer te komen en verbeterd de gevangenis te verlaten, blijft ge hardnekkig dezelfde.

Gevangene: Dat pleit niet voor uw methode, mijnheer !

251. Do beleedig-de acteur.

Kleermaker: Maar als mijnheer me nu nog niet betalen kau ; zou Mijnheer me dan niet kunnen zeggen, wanneer ik geld kan krijgen, ik ben er zoo erg om verlegen!

Acteur {in theatrale houding:) Man, denk je soms da\'k een profeet beu ?!

252. Een hoed voor eierbak.

Hij: Hoor eens vrouw, je moet mijn ronden hoogen hoed eens wat afborstelen; ik dien hem toch op te zetten als onze vriend Jansen wordt begraven.

Zij: Ja, maimetjen, ik zal er gauw de eieren even uitschudden.

-ocr page 97-

93

253- Kiudci\'praat.

Arthur: Als ik groot ben, geef ik pa een heel val champagne op zijn verjaardag.

Gouvernante: Een mand champagne wil je zeggen. Arthur: Onzin, daar loopt \'t immers uit!

\'254. Onze dienstboden.

Mevrouw: Hé, wat is dat lastig. Daar is dat strikje van achteren in den knoop geraakt, en nu kan ik het niet los krijgen.

Dienstmeisje: O mevrouw, mag ik u dan even belichten.

255. Vruchtbaar discours.

Hij: Kunt u piano spelen, juffrouw?

Zij: Neen, dat kan ik niet.

Hij: Nooit geprobeerd?

Zij: Neen.

Hij: Hoe weet u dan, dat u \'t niet kan?

250. Verkeerd verslaan.

Dokier: Was de man bij zich zelven toen hij viel? Buurvrouw: Neen, hij was bij ons.

-ocr page 98-

94

257- Een sliiiiiiie sergeant-Officier: Zeg me eens, sergeant Jansen, waarom moet _ een officier in \'t veld steeds van goede kaarten voorzien zijn?

Jansen: Omdat in het bivouac liet kaartspel gewoonlijk de eenige uitspanning is.

25S. (Jeeu verschil.

Jantje: Papa, waarom betalen de soldaten op \'t spoor de helft, net als de kinderen ?

Papa: Omdat ze beiden meest door kindermeisjes worden geleid.

259. Troost.

Kanonnier: Luitenant, daar heeft me een splinter van een granaat don neus weggenomen.

Luitenanl: Daarmee mot je voorloopig tevreden wezen; allemaal kan de kop toch niet afgeschoten worden.

^OO. Te veel in eens.

Vader: Betsy, leg je pop weg, ga netjes aan tafel zitten, doe uw servetje voor, eet je soep netjes op, praat niet en wees heel gehoorzaam.

Betsy: Hé pa, wat bent u veeleischend!

-ocr page 99-

95

Een verdediging.

»Hoe kunt u beweren, juffrouw, dat ik zou gezegd hebben, dat u een kat waart? Ik beu juist altijd de eenige geweest, die \'t niet gezegd heb.quot;

202. Hoog getaxeerd.

Een bedelaar telt \'s avonds zijn geld na en bevindt, dat hij maar drie gulden heeft ontvangen en roept vol verontwaardiging uit; »in ons vak is tegenwoordig ook al de klad; zooveel verdient ieder spoorweg-beambte tegenwoordig ook wel.quot;

263. Slimmerd.

De nieuwe knecht: Nu moet ik toch eens zien olquot; mijnheer eerlijk is. Bij \'t schooumakeu van zijn kleerou stop ik een tienstuiverstuk je iu zijn vestjeszak, \'t zal me verwonderen, of hij \'t ook teruggeeft.

2(i4. Aan \'t plaatsbureau.

»Kassier, het geld komt niet uit.quot;

»Ja, dat had je maar vroeger moeten zeggen: iedere gek kan wel met klachten achteraan komen!quot;

»Nu, die rijksdaalder, dien ge me te veel hebt gegeven, zal me niet ongelukkig maken.quot;

-ocr page 100-

Tweeërlei leven.

Bankier. Zoo als ik gezegd heb, mijulieer de luiteiiaut zie van niijn dochter af, ik ben uit beginsel een viiaml van al wat militair is.

Luitenant (wanhopig). Maar mijnheer, ik kan zonder uwe Amalia niet loven.

Bankier. Dat wil ik gaarne gelooven, een luitenants tractement is ook niet veel.

266. Ecu weddeuscliap.

De eigenaar eener menagerie loofde 100 gulden uit aan hem, die in de kooi der leeuwen zou gaan. Een boer nam de weddenschap aan, doch voegde er bij: teerst de leeuwen er uit,quot;

267. lu een iiinseuui.

»Hier hebt ge, mijne heeren, het hemd, waarin Karei de Groote is geboren.quot;

268. In de compagnie.

Kapitein: \'t Is meer dan erg; je heele blad strafregister is vol straffen. Ik weet niet wat ik doen moet! Soldaat: Een nieuw blaadje beginnen, kapitein.

-ocr page 101-

97

269. Omgekeerd.

Vraag: Waarom hebben, onze cavalerie-officierea zulke dunne beentjes?

Antwoord: Om makkelijker in hun nauwe pantalon te kunnen.

270. Welk beroep J

Dokter: (die geroepen is:) Wat scheelt u eigenlijk? Patiënt: Ik heb zulke zenuwtrekkingen in de voeten! Dokter: Zijt u soms kassier ?

271. Oe smaken verscliillen.

Hans: Piet, wat smaakt wel het lekkerst ?

Piel: Een zoen van mijn Grietje!

Hans: Dan heb je nooit groote boouen met spek gegeten!

272. Verdediging.

President: Je bekent dus, dat je uit den kelder

van het hotel vijf flesscheu wijn hebt gestolen; heb je ook iets tot je verontschuldiging in te brengen?

Beklaagde: Ja, dat hij niet te drinken was; ikjheb er vier dagen koppijn van gehad!

JUKGEN. 7

-ocr page 102-

98

273. Vergoeding:.

Gast: Maar, kellner, die vissclien zijn laug niet frisch hoor, daar is een luchtjen aan !

Kellner: Daarvoor krijgt ü er ook ces in plaats van drie.

274. Eerst uitgehoord.

»Zeg eens, goede vriend, ge moet het me niet kwalijk neinen, doch ge maakt op mij den indruk alsof ge in geldverlegenheid waart?!quot; — »Volstrekt niet; integendeel...!quot; — »Leen me dan een honderd pop!quot;

275. Een ware benaming.

Meester: (de gelijkenis van den goeden herder verklarende:) Als gij, lieve kinderen, eens allemaal schapen waart, wat was ik dan wel?

Een meisje: Een groot schaap meester!

270. (Jebrek aan discours.

Een jongmensch komt in een trein tegenover een heel mooi meisje te zitten, waarmee hij dolgaarne een gesprek zou willen voeren; daarom trekt hij de stoute schoenen aan en waagt bij \'t vertrek van den trein te vragen: »Gaat U ook mee, Juffrouw?quot;

-ocr page 103-

99

277. In drift.

Zoontje (uit de school komende): Zou \'t waar zijn, vader! wat de meester gezegd beeft, dat de mensch van den aap afstamt?

Vader (in drift): dat kan met jou wel \'t geval zijn domkop! Met mij niet!

278. Evenredigheid.

»De lengte eener ziekte is dikwijls evenredig met de diepte van \'s patiënten geldbeurs.quot;

279. Jfn waardeloos.

Een schilder, die het portret van een mannfacturier heeft geschilderd, brengt het hem te huis, deze biedt den schilder een rijksdaalder aan. — »Wat! een rijksdaalder en voor het doek alleen heb ik u drie gulden moeten betalen!quot; — »Ja, maar toen stond er ook nog niets op!quot;

280. De iiieiisclilievende restaurateur.

Gast: Maar wat een kleine worst heb je me daar gegeven!

Restaurateur: Ik geef zulke kleine worsten uit zuivere menschlievendheid: in kleine worsten zit toch lang zooveel knoeisel niet als in groote!

-ocr page 104-

100

281. Beleefd.

Dame: Iedereen zegt, dut het bad mij zeer iu mijn Voordeel deed veranderen.

Beleefd Heer: O! IJ kunt niet anders veranderen dan in uw voordeel.

282. Moderne kinderen.

Vader: Verheugt u kinderen, ge krijgt eon nieuwe matüa! Ik ga weer trouwen.

De kleine Karei: Hebt ge dien gewichtigen stap wel rijpelijk overwogen, papa?

283. Delluitie-

Scholier: Wat is dat, een fabel?

Meester: Een fabel is, wanneer b. v. de ezel met den vos spreekt, zooals ik met u.

284. Een vreemd verschijnsel.

Jan: Mijnheer de baron, er wachten in de voorkamer drie stommen op u, om u te spreken.

Baron: Maar Jan, zijn ze wezenlijk stom.

Jan: Ze zeggen het ten minste.

-ocr page 105-

101

283. Gelijke rechten.

Officier: De moderne verhoudingen excuseereu me zeker, wanneer ik het waag te vragen hoeveel go uw dochter mee ten huwelgk geeft!

Papa: Om dezelfde reden zult ü \'t mij niet kwalijk nemen, wanneer ik vraag, hoeveel schulden U wel hebt.

286. Niet veel eischen.

Gast: Wat hebt ge vandaag, gebraden kippetjes of haantjes ?

Waardin: Beiden.

Gast: Och, breng me dan een paar veertjes om de pijp schoon te maken.

287. Onverbeterlijk.

Rechter: Ter zake van hazardspel ben je tot vier weken gevangenisstraf veroordeeld.

Veroordeelde: (den rechter een spel kaarten voorhoudend): Neem af; acht weken of niets.

288. Zelfkritiek.

Hierbij heb ik de eer het publiek op mijn pas geopend magazijn opmerkzaam te maken. Tevens verzoek ik beleefd, hetzelve niet met andere dergelijke knoet-winkels te verwarren.

Jansen, Schoenmaker,

-ocr page 106-

102

289. Een kwajongensstreek.

Voorbijganger: Waarom huil je, ventje?

Hans: De bel is me te hoog; ik kan er niet bij. Voorbijganger: Ik zal je wel helpen. {Hij schelt). Hans; Nu aan \'t loopen, anders krijgen we allebei slaag.

290. Een nieuw fabrikaat-

Gasl: Uw papa is, naar ik meen, wijnhandelaar. Nufje: Wijnhandelaar?! Niet zoo weinig respect, mijnheer; Papa is v/güfabrikant.

291. Zeer beleefd.

President: Beklaagde, gij zijt thans vrijgesproken: pas op, dat ge in \'t vervolg niet weer in slecht gezelschap geraakt.

Beklaagde: Ik hoop niet weer met u in aanraking te komen.

292. Op een bal masqué.

Jonge dame: (gemaskerd :) Waarom ziet u mij zoo aanhoudend aan ?

Dandy: Omdat u er zoo lief uitziet. U moest altijd gemaskerd loopen.

-ocr page 107-

108

293. Ontevreden.

Dominé: In hoeveel dagen is de aarde geschapen V Ontevreden bedeelde: In zes, maar \'t is er ook naar!

294. Erg vleiend.

Vader: Toen ik van middag bij buurman Dirks was, riep de ekster telkens: Spitsboef, ga heen ! Spitsboef\', ga heen!

Marietje: En is u toen ook weggegaan ?

295. Een stomme vraag.

Professor: Hoeveel Egyptenaren zijn, naar de berekening der geleerden, met Pharao in de lloode Zee verdronken? — Student (mompelend:) Wat een stomme vraag! — Professor (aanmoedigend:) Nu, zeg het maar hardop, \'t zal wel zoo wezen.quot;

296. Hetzelfde.

Kellnerin (tot een binnentredenden bezoeker:) Wat wenscht n?

Bezoeker: Een kus van u, lief kind.

Kellnerin: Dien kunt n niet krijgen.

Bezoeker: Geef me dan maar een broodje met ham!

-ocr page 108-

104

2!)7. Modern engagement.

Emma (hare vrieudin met haar engagement felicitee-rend :) Is uwe verbintenis op overeenstemming des harten gegrond ?

Anna: O zeker, ik kan hem evenmin uitstaan als hij mij.

2!)S. Even wijs-

Eerste boer: Kun jij me ook zeggen, wat eigenlijk consequent is ?

Tweede hoer: Ja wel; consequent is: niet nu eens zoo en dan weer zoo, maar altijd zoo.

299. Op een jongejnffrouwscliool

Leer ar es: Wat is het /ïoo/H-voortbrengsel van Makassar ?

Leerlinge: Anti-Makassars!

300. Kleinstcedsch.

Berlijnsehe dame: Wat is deze stad Frankfort toch nog kleinsteedsch. Verbeeld u, toen ik gisteravond om 8 uur in den dierentuin kwam sliepen alle beesten al.

-ocr page 109-

105

301. Erg gulzig\'.

Mama: (haar kind een koekje gevend;) Wat zegt Mina, als Mina een koekje krijgt?

Mina: Nog een !

302. Dc jengdigc haiulelsinan.

Onderwijzer: Hoeveel paarden heeft uw vader op stal? Leerling: Gij koopt er toch geen, meester.

303. Voorbereiding.

Oiuleroffieici\' (die eeu gewoon soldaat vreeseiijk hoort vloeken): Waarom vloek je zoo, jij verd. . .. vent? Soldaat: Ik leer voor mijn onderofficiers-examen.

304. Een goede raad.

De eene vriend: Zeg me nu eens kort en goed, zou \'k het meisje trouwen ?

De andere vriend : Trouw haar ; erger clan zij er in loopt, kun jij er stellig uiet inloopen.

305. Teel haast.

Nieuwe huisknecht: Omdat meneer zoo\'n haast heeft breng ik maar vast de eene gepoetste laars. Straks breng ik de andere, want \'k moet even voor Mevrouw naar \'t spoor.

-ocr page 110-

106

30(gt;. Wederkeerig.

»Zulk een haast, dokter? Een gevaarlijke patiënt?\'\'

»L\'at juist niet... maar je moet weten, dat ik twee

soorten van patiënten heb. Voor de eene ben ik er_

en de andere is er voor mij... bij deze heb ik altijd haast!quot;

307. Raak!

Benedenbewoonster (tegen een heer, die boven woont);

Uw hond is onuitstaanbaar, die huilt den geheelen nacht!

De heer: Daarvoor speelt hij daags ook geen piano !

308. Niet alles.

Gommis Voijageur : Een nieuw soort lijm, mijnheer ; een wonder mijnheer; alles kun j\'er mee lijmen ; pooten van tafels, beelden, glaswerk en wat niet al!

Winkelier\'. Maar mij lijm je er niet meê!

30!). Dubbelzinnig-.

Muziekmeester: Als morgen de koning komt wordt er een hymne gezongen; de eerste strophe zino-t het choor, en dan valt de heele school in!

-ocr page 111-

107

310. Aangeiuime lijding\'.

Burgemeester (terwijl hij den minister in liet gemeente-

liuis rondleidt) :.......Dit is de eerezaal; daar wordt

Zijne Excellentie later ook opgehangen.

.\'511. ïfoodelooze bezorgdheid.

»Ga wat op zij!quot; sprak een commensaal tot liet dienstmeisje, dat haar van een hoogroode kleur had, »je zult me in brand steken.5\' — »Geeu nood !quot; antwoordde het meisje, »je bent nog te groen om te branden.quot;

312. Compliment.

»0 lieve Elize, hoe gelukkig ben ik, dat ik u eens onder vier oogen spreken mag. Reeds maanden lang zag ik naar deze gelegenheid uit en volgde ik u eiken Zondag op uw wandeling door de Diergaarde, wier grootste sieraad gij zijt.quot;

313. Verstrooidheid.

Muziekmeester : Alzoo nog eens, jongejuft\'rouw : noten met één streep zijn achtsten, en met twee strepen zes-tiendjes en met drie strepen twee-en-dertigsten. Wat zijn nu noten met één streep !

Zij (verstrooid :) Luitenant.

-ocr page 112-

108

314. Geestdrift.

Officier (op het vaandel wijzende, tot een joug soldaat:) Wat denk je we], wanneer je in het veld 7,00 die vaderlandsche driekleur ziet wapperen ?

Soldaat: Dat \'t stevig waait, luitenant.

315. Verkeerd begrepen.

Een luitenant wil een korporaal, die hem een rapport komt brengen een sigaar geven en maakt daartoe een kistje open.

De korporaal: O, doe geen moeite, luitenant, ik zal het kistje wel zelf\' thuis openmaken.

316- Practicus.

De officier van Justitie: Op dit vergrijp staat volgens artikel 14 van het wetboek (bladerende).... een straf van.....

De gauwdief: O doe geen moeite mijnheer! daar staat drie maand op.

317- üe andere.

Advokaat: Ziet u mevrouw, toen uw man en ik studenten waren, hielpen we elkaar trouw. Had de een geen geld, dan moest de ander bijspringen.

Dokter: En ik was altijd die andere!

-ocr page 113-

109

318. Vreemd.

Patroon : Eu lieb je ook broers? — Bediende: Eén, mijnheer! — Patroon: Dan vergis ik me zeker; ik sprak laatst uw zuster en ik meende, clat zi] zeide twee broers te hebben!

319. Aftrekken.

Jansje (die een ruit met een sneewbal heeft ingesmeten :) Och lieve papa, sla me niet, trek het liever van mijn huwelijksgoed af.

320. Verkeerd.

Graaf: Wat is uw oudste zoon ?

Baron: Geldschieter, en de jongste schrijver; maar ze ruilen helaas van vak om : de jongste sc/t/ei tegenwoordig en de oudste schrijft — ■—- wissels !

321. Modern.

lieer (in een borstelwinkel:) Maak U die borstels zelf, baas?

Baas: Dat kunt U begrijpen — niemand maakt tegenwoordig zelf iets meer.

322. Eon selioone praktijk.

Galant heer :... Ik wist niet, dat dokter van Sehlin-

-ocr page 114-

no

gen zulk een schoone praktijk had! — Dame: Wie heeft U dat dan ook gezegd? — Heer: Hij zal toch wel een schoone praktijk hebben, als hij ü behandelt!

323. Trekvogels-

Toen Napoleon I tijdens de annexatie een reis door Noord-Brabant maakte vond hij een burgemeester, die op alle vragen door dik en dun heen antwoordde. Eensklaps vraagt Napoleon: »Hoeveel trekvogels zijn hier?\'\' — »Een slechts Bire, maar da\'s ook een arend !quot;

324. Juist geoordeeld.

Onderwijzer: Nu heb ik jullie de verhouding tusschen schuldenaar en schuldeischer verklaard. Wat zou ik nu zijn, Willem Jansen, indien ik u honderd tnilden weleend had? 0 0

Willem: Een uil, volgens mijn vader, want die zegt, dat wie iemand in den tegenwoordigen tijd geld leent\' een uil is.

325. Vrij brutaal.

Mager heer: Maar, man, wat jas heb je me daar gemaakt! Üie zit me letterlijk als een zak om \'t lijf: veel te slecht gevoerd!

Kleermaker: Ik geloof, dat u zelf\' wat beter gevoerd diende te worden!

-ocr page 115-

Ill

326. Ainbtenaarsklacht.

»Dat men die beroerde laatste dertig dagen van de maand ook nooit geld meer heeft!quot;

327- Poëzie en proza-

Zij: Zie toch eens Eduard: hoe verrukkelijk alles is! Alles wordt groen, de Natuur heeft haar bruiloftsgewaad aangetogen, de vogelen zingen hun Lentelied! — Hij: Hoe kun je je daar zoo over opwinden? Dat is toch alle jaar precies \'t zelfde!

328. Altijd musicus-

Heer: (in de kamer van een musicus naar iemand vragende); Neem me niet kwalijk mijnheer: woont hier dokter Hummes?

Musicus: Die woont één octaaf hooier!

O

329. Een luitenantsui-

Dame: Zult u niet gaan zitten mijnheer?

Luitenant: Dank u, ik behoor tot het staande leger!

330- Dat is mets-

Een luitenant zoekt verschillende lorgnets uit, doch kan zijn nummer niet vinden. Eindelijk heeft hij er een

-ocr page 116-

112

gevonden, waardoor liij uitstekend zien kan. »Maar in dit garnituur zijn nog geen glazen!quot; merkt de winkelier op.

331. Mode.

Een jonge dame te New-York verloor op de wandeling een barer wenkbrauwen. De Heer, die haar vergezelde, zag het ding liggen en verbleekte, hij dacht dat het de helft van zijn knevel was.

332. Beleefd.

Poülieagenl (die een zakkenroller op heeterdaad betrapt): Je bent mijn arrestant! — Zakkenroller: Welnu, volg me dan maar!

333. Een lieve schoonzoon.

Booze schoonmoeder: Maar zoon, het staat je lang niet fraai, dat je in zoo langen tijd niet hier bent geweest? — Schoonzoon: Ja ziet u, ik had al dikwijls plan; maar zooals u weet, is de weg naar de hel met schoone voornemens bezaaid!

334 Uit vroeger dagen (0

Kastelein (in de keuken roepende): Gauw nog een emmer water bij de soep; de diligence heeft een bijwagen !

-ocr page 117-

113

3S5. De hoofdzaak.

Oom: .... Als het zoo doorgaat wordt Fmukrijk nog weer eeu keizerrijk. — Neefje; Hoera! dan krijgen we weer nieuwe postzegels.

336. Eeu lastige gast.

Gast: Dit stukje lak kan ik niet gebruiken, het is te kort!

Kellner; Hoe is dat nu mogelijk; drie heereu voor u hebben \'t van morgen nog gebruikt eu die hebben niets gezegd!

337. Versproken.

(Een kellner stort wijn) Gasl: O, dat is niemendal!

Restaurateur: Wat... is dat niemendal ? Zwavelzuur op mijn nieuwen vloer ?

338. Een geholpen.

Iemand, die door \'t verkoopen van middeltjes tegen de rheumatiek binnen korten tijd rijk was geworden, werd in vertrouwen gevraagd, ot\' het middel wezenlijk hielp. »Ja stellig !quot; was het antwoord, imij heelt het ten minste geholpen 1quot;

8

JUKGEN.

-ocr page 118-

114

339. Nief verwacht.

»Dat eeuwige opstaan is toch vervelend!quot; knorde eeu ongehuwde juffrouw, toen in de komedie eenige heeren haiir plaats moesten passeeren! — »Eeuwig te blijven zitten is toch nog vervelender,quot; antwoordde een hunner ondeugend.

340. Met succes.

Moeder: Js Fritsjen zoet geweest op school? — Frilsjen: Ja, moeder! — Wat heb je geleerd? — Fr.: Tellen. — En wat heb je geteld? — Fr.: Beklappen, die \'k gekregen heb!

341. Logisch.

Meester: Hoeveel is tien min tien....? als je bij voorbeeld eens tien centen iu je zak hadt en je verloor ze, wat hadt je dan in je zak?

Leerling: Een gat, meester!

342. In de couiié-

IJ ij: Het rooken hindert u toch niet?

Zij: Ja, het hindert me zeer.

, \'Jij: Hm! sommige menschen schijnen dat niet te kannen velen! (Kookt door tot het eindstation).

-ocr page 119-

115

343. Te beleefd 1

Gast: Pardon, mevrouw! dat ik zoo laai kom. Mevrouw: O, mijnheer! u kunt nooit te laat komen.

344. De schoolopziener in de school.

Schoolopziener: Waardoor is Brussel beroemd?

•longen (direct); Door zen spruitjes.

345. De bureaucraat.

»Moet je nu al naar \'t bureau, man? Lees ten minste de kranten thuis onder de thee.\'\'

»Maar vrouw ! als ik de kranten niet meenam, wat zou ik dan op \'t bureau uitvoeren ?quot;

34(5. Vervlogen geluk.

»Wanneer was Adams geluk in het paradijs uit V\'— »Toen bij een vrouw kreeg

347. In een restauratie.

»Neen maar, die is toch al te sterk; drie vliegen in de soep!1\' Bediende: »Maar drie? Toen ik ze uit de keuken haalde, waren er vijf in. Wie die twee andere er toch uitgehaald mag hebben !quot;

-ocr page 120-

116

348. Aardrijkskunde.

Meester : Wie kent nog een bewijs voor de rondheid der Aarde ?

Leerling: Dat de meeste menschen de schoenen naar den buitenkant zoo scheef loopen!

349. Een werkelijke historie.

Een welbekend geneeskundige, dokter V , — zoo leest men in het Kransche blad »Im Joiirnóe Pansienne\'\' — wilde een werkje uitgeven onder den titel : »Gezondheidsleer voor het huisgezin ; raadgevingen aan jonge moedersquot;, en zond zijn manuscript aan een boekdrukker in een provinciestad.

Tegelijkertijd bestelde een handelaar in zaden en bollen bij denzelfden drukker een zeker aantal catalogussen, die behalve de vermelding vau zijn voorraad verschillende zaadsoorten, ook nog eenige praktische wenken bevatten, boe de zaden en knolgewassen gezaaid en gekweekt moesten worden.

Het werkje over de gezondheidsleer en de catalogus werden tegelijk gedrukt en toen naar den innaaier gezonden. Ongelukkig waren beide in hetzelfde formaat en met dezelfde letter gedrukt, waarvan het gevolg was, dat de innaaier de bladen met elkander verwarde, zoodat er 10 pagina\'s vau het werkje van den dokter in den catalogus en 16 pagina\'s van den catalogus in de » Gezondheidsherquot; kwamen.

Noch de dokter, noch de zaadhandelaar bemerkte iets

-ocr page 121-

117

van deze vergissing, en beiden zonden hunne exemplaren de wereld in, zooals zij ze van den drukker ontvangen hadden.

Nu las men in de * Gezondheidsleer voor het huisgezin \' onderaan op Pag. 48 :

»Jeugdige echtgenooten, hoort naar den raad van een ervaren geneesheer. W ilt gij schoone, gezonde kinderen hebben, krachtig van gestel, en in staat om alle aanvallen van ziekte door te staan? Dan moeten zijquot;

En dan las men verder op Pag. 49:

»in Maart in den grond, die daartoe vooraf bereid moet worden. Dat wil zeggen: gij moet een kuil graven van 50 centimeter diep en ongeveer 70 centimeter breed, en op den bodem behoorlijk droog gemaakt. Deze voorafgaande werkzaamheden zijn noodzakelijk. Zoo schieten zij het best op, en zoo zullen zij verscheidene jaren bloeien en tieren. Zij moeten er echter maar niet zoo woest en wild in geworpen worden, maar met een voorzichtige en geoefende hand, anders gaan er te veel van verloren.quot;

Men kan zich voorstellen, hoe vreemd de jeugdige echtgenooten opkeken toen zij dezen raad van den dokter lazen!

Daarentegen las men in den catalogus van den zaadhandelaar onderaan op Pag. 48 :

»Deze soort van bloembollen zijn zeer gemakkelijk te kweeken. Zij gedijen op bijna eiken grond. Men kan ze in bedden verstrooien of ze in groepen of ook in bloemenmanden vereenigen. Men plant ze in Maart en April, maar wil men ze in Juli planten om ze in October in bloei te zien, dan is het onmisbaar dat zijquot;

En dan volgde er bovenaan op Pag. 49;

-ocr page 122-

118

sonmiddelUjk eene goede min hebben, die aan alle vereischten van het zoogen voldoet. Men moet daartoe eene jonge kiezen, bij voorkeur wat gebruind, kloek van gestalte, zonder juist dik te zijn. ..

350. Enfant terrible.

Mama: Zie zoo, nu heb je voor je verjaardag een mooie jurk gekregen, net als mama, en een hoed, en

een parasol, net als mama......

Klein meisje: Nu moet ik ook nog een paar heeren hebben, die me altijd naloopen net als mama.

351. Pikant.

Een jongmensch staat op en biedt eene dame zijne plaats aan. Zij maakt daar gebruik van, zonder in \'t minst hem voor zijn galanterie te bedanken.

— Tot uw dienst, mejuffrouw, zei \'t jonge mensch.

— Wat blief? vroeg zij.

— O, ik dacht, dat u mij bedankte.

352. Een geestenbezweerder.

»Gelooft gij, Joris, aan de mogelijkheid om door spiritisme geesten op te roepen?

»Of ik er aan geloof? Ik heb bet zelf houderden keeren gedaan!\'\'

«Geesten opgeroepen!\'\'

»Ja!..... . maar ze kwamen niet.\'\'

-ocr page 123-

110

353. Een friscli geueesuiiddeL

Een kranken boer werd een drank voorgeschreven. Den volgenden dag vraagde de dokter, hoe het drankje gewerkt had. »Ja, dokter, de medicijn mag goed y.iju; maar alle twee uur in water te zitten, dat houd ik niet uit.quot; Op de etiquette stond ; »Alle twee uur een poeder in water in te nemen.quot;

354. Praktisch-

Meester. Zeg eens, jongen, welk nut biedt ons de Natuurgeschiedenis ?

Koopmanszoon. Veertig cents.

— Hoe dat, jongelief?

— Wel, u koopt de Natuurgeschiedenis voor een gulden netto — en papa betaalt er /\'1.40 voor.

355. Bezorgdheid.

Herbergier : Daar gaat waratje Strooman voorbij /onder zijn morgenslokje te nemen......ik zal er maar

gauw een op de lei schrijven......anders vat ie met

dat vochtige weer nog een kou op de maag.

356. Hein de Kruier.

(Historisch).

Mevrouw: Heere! wat aeg je, Hein, is je vrouw dood ? Zoo\'n mooie, knappe vrouw !

-ocr page 124-

120

Hein: Ja, mevrouw! Mooi was ze en braaf ook; \'t is een bitter verlies, om niet te vergeten, en ze trok zoo knap en zoo goed voor den wagen ; nou zal ik er een paar honden voor in de plaats moeten nemen.

307. Alles met mate.

»Geloof mij. Clementine, ge doet wèl wanneer ge hnwt, maar ge doet nog beter, wanneer ge ongetrouwd blijft.quot;

»Lieve Mama, ik ben al tevreden wanneer ik wel doe, en laat liet aan anderen over, beter te doen.\'\'

358 In de restauratie.

Een Duitscher, (aan de tafel zittende), vraagt aan den Kellner om de spijskaart.

D. Kellner ?

K. Als je blieft Mijnheer !

D. Keef de Spijsekarte! Giebt es visch heute ? K. O ja. Mijnheer! Zalm, kabeljauw, waterbot en paling.

ƒ). Nou, keef me tan een waterpotje !

359. Snugger.

»Kom, Jantje, naar bed! \'t Is meer dan tijd ! Kijk eens, de kuikens gaan ook naar bed.quot;

Jantje: Ja! maar de hen gaat ook mee, en u blijft op, raai

-ocr page 125-

121

3G0. Een brutaal kereltje-

Een dorpsburgemeester vraagt aan een jongen of zijn vader weer wil gaan trouwen. Jongen: Dut moet hij weten. Bur gem.: Of heb je het niet graag ? Jonj/en: Dat moet ik weten. Burgem.: Jij bent een brutale jongen en ik moest je bij je ooren pakken. Jongen: Dat moet lij weten.

361. Recept om soldaten te maken.

Neem twee vette lokken; plak ze op een hoofd, dat gevuld is met gedachten aan politiekamer, keukenmeiden en gebakken visch; plaats dit hoofd op een torse, voorzien van een ketel ratatouille en een kwart flesch jenever, zet hem een vloek in den mond en zend hem naar het magazijn van kleeding.

362. \'t Is maar hoe meu liet uitlegt-

Eene arme vrouw vervoegde zich tot den burgemeester harei gemeente met verzoek, om uit onvermogen kosteloos te mogen trouwen. »Wat,quot; zeide de burgervader, »jij ook al Pro Deo trouwen. Non wordt het hoe langer hoe fraaier, en zeker met een koets, hé?quot; — »Neen, burgemeester, met een man,quot; antwoordde de vrouw.

363 Zonderlinge moed.

Een reiziger vroeg aan de open tafel: »Kelhier ! wut kost die halve flesch wijn die naast mijn bord staat ?quot; —

-ocr page 126-

122

»Viiftien stuivers, mijnheer !quot; — »üaar is een gulden!quot; — »Dan krijgt u een kwartje terug!quot; — »Neen, geef dat aan den man, die den moed heeft om dien wijn te drinken.quot;

•\'5C4. Een g-oede bekende.

»Zal je aan meneer zeggen, dat ik er geweest ben ?quot;

»Ja, mijnheer ! hoe is uw naam ?quot;

»Mijn naam? Dat hoeft niet! Meneer kent me wel.quot;

305. Reeci»t oia salade aan te maken.

Men heeft hiertoe, als het goed zal gaan, vier personen noodig: een gierigaard, een doordraaier, een verstandig mensch en een gek.

r\\ • •

De gierigaard geeft den azijn, de doordraaier zorgt voor de olie, de verstandige man verschaft het zont; men laat alles door den gek omroeren.

3(gt;(gt;. Onuoo/ele vraag\'.

Dominé: Hoe komt het toch, waarde vriend, dat ik je zoo zelden in de kerk zie ?

Officier: Hoe komt het, dominé, dat ik je zoo weinig in de kazerne zie ?

867. Insecten.

Meesier: Noem eens een insect. Jan! Jan : Een bij, meester !

Meester: Goed; nog een, Jan! Jan : Nog een bij, meester !

-ocr page 127-

123

3CS Stomme smart.

De rijke baron W*** verloor eeu aanzieulijke som aan de écarté-tafel met schijnbaar veel onverscliilliglieid. Na het einde van heb spel zeide hij met een zeker welgevallen: »Niet waar, bij al mijn ongelnk heb ik mij toch geen enkel woord van dépit laten ontvallen?quot;

»Dat geloof ik wel,quot; gat een ander ten antwoord, »de hevigste smart is — stom.quot;

369. Billijk verlangen.

Een klein meisje kwam met bare mama in een speelgoedwinkel. »Wat wilt n hebben, jongejuffrouw?quot; vroeg de winkelier schertsenderwijze aan het kind. — »Eeu mooie pop,\'\' zeide de moeder. — »Met haar?\'\' vroeg de winkelier. — »Ja,quot; antwoordde liet kleine nest, »maar met haar, dat er af kan, net als van mama.quot;

370. In de hondsdagen.

»Wat een hitte, hé?\'\'

»L)at zou \'k meenen. Ik stak van morgen een galden

OCT

in mijn zak, en hij is al tot eeu kwartje versmolten.quot;

37T. Vlekken.

»Wat heb jij daar onder je kin, een wrat?quot;

»Neen — dat is een moedervlek.quot;

»En die blauwe vlek achter je oor?\'\'

»Dat is een vadervlek — die heb ik gisteren pas gekregen.quot;

-ocr page 128-

124

372. De weekhartige matroos.

Afschaffer: Eu als je niet in een eeuwigen zwavelpoel wilt branden, zet clan geen glas lirandewiiu meer aan je lippen; die is en blijft je ergste vijand.

Matroos: Ze hebben me altijd verteld, dat ik mijne vijanden moest lief\' hebben.

373. Taalstudie.

Willem: Zeg, Betsy, ken jij al Fransch?

Betsy: Een beetje — jij ook?

Willem: O ja —• ik versta \'t heel goed; altijd als pa en ma Fransch spreken, weet ik, dat \'k eeu klap om m\'en oor zal krijgen.

374. Iets voor den Minister van Finantiëu.

Professor: »Zeg mij eens, mijnheer Poffel, als de schatkist overschot heeft, hoe gebruikt men dan dat het best?

Student (verrast): Ja...... mijnheer, vergeef mij......

dat gebeurt nooit!

375. Hoe langer hoe liever.

Een predikant liet zijn tuin aan een boer zien en zeide van zjjne bloemen; »De hoe—langer—hoe—liever is mijn lievelingsbloem.quot; — »Ja, dat merk ik wel aan uw preeken,quot; sprak de ander zonder erg.

-ocr page 129-

125

370. Heel onbeleefd.

»He, ma! Weet u wat ik de gouvemauto tegen pa heb hooren zeggen? Schei nu uit, meneer, je verveelt me, zei ze. Vindt n dat niet erg onbeleefd, maVquot;

377. Geen staatkundig burgervader.

Een vreemd vorst, die door een kleine stad reist, zegt met vleiend zelfbewustzijn: »Hoe komt het, burgemeester, dat er zooveel volk hier op de been is?1\'

Burgemeester : »Het is van daag beestenmarkt, Uwe Hoogheid.quot;

378. Logica.

Een jong mensch van aanzienlijke familie beklaagde zich, dat hij zoo weinig geld te verteren had. »Ja,quot; zeide hij, »mijn goede vader heeft er vroolijk op toe geleefd en ik ben overtuigd, dat, als hij nooit in onze familie was gekomen, ik een paar duizend gulden méér in het jaar zou hebben.quot;

379. Alles is mogelijk.

Een pastoor te St. Germain zou een huwelijk inzegenen. Hij begon zijne rede, in plaats van met: »Ge-liefde verloofde!quot; met de woorden: «Verliefde geloofde!quot; Oogenblikkeljjk zich herstellende, verbeterde hij: «Geloofde verliefde.quot;

-ocr page 130-

126

380- IJdele hooi».

Tooneel-dirccleur : Als acteur kan ik u uiet gebruiken; zoo gij echter de betrekking van tooneel-knecht vervullen ^Yllt.......

Sollicitant: Ook daarmee zou ik voor het oogenblik tevreden zijn.

Tooneel-directeur; Dan moet gij u tot iemand wenden, die u als zoodanig gebruiken kan.

381- Steeds waar.

.Kouteuelle bevond zich aan het hof van een Duitsch vorst, die tot hem zei: »]k moetje eerlijk bekennen, dat mijn vertrouwen in eerlijke menschen al zeer gering is.quot;

»Genadige heer,quot; antwoordde de dichter, »er zijn eerlijke menschen genoeg — maar zij zoeken de vorsten niet op.quot;

382. Een dilettant landbouwer.

»Zijt gij mijne modelhoeve geheel rond geweest, miju-heeren!quot;

»Ja, baron, — uitstekend fraai!quot;

»\\Vat mag ik de heereu aanbieden? Een glas melk, •een fiesch Champagne?quot;

»Pardon! Een glas melk zal voldoende zijn.quot;

»0, geneer u niet, mijnheeren! De melk kost me net zoo duur als de Champagne!quot;

-ocr page 131-

127

383. Nog al welwillend.

»Gi) ziet, waarde vriend, ik kau op uw boek niet inteekenen; mijne bibliotheek is vol, en wat nog erger is, de muizen eten al myne boeken op.quot;

»0, dat is niets; teeken er toch maar op in — ik zal me gaarne daarover heenzetten.quot;

384. De helft.

»Is \'t waar, mag ik je feliciteereu — »Waarmee V\'\' — »Nu, dat zou je niet weten; ik heb gehoord, datje vrouw van een tweeling is bevallen.quot; — »Hoe weet je dat?quot; — »E[et gerucht loojjt door de stad.quot;

»Hoor eens, beste vriend, van alle geruchten moet je maar altijd de helft gelooven.quot;

385. Een vleiend oordeel.

liossini woonde op zekeren dag de uitvoering bij eener symphonie, het eerste werk van een jong componist.

Deze verzocht, na de uitvoering, den grooten maestro, hem vrijmoedig zijn oordeel over het werk te zeggen.

»lk vind,quot; antwoordde Kossini, »dat het geen muziek is, en dat \'s gelukkig voor u, want als het muziek was, zou ze heel slecht wezen.quot;

386. Iii de bicrknei])

5gt;Ga toch zitten, Evert! Dat is reeds het vierde glas bier dat je staande uitdrinkt.quot;

-ocr page 132-

128

»Dat is een voorschrift van den dokter; ik lijd veel aan opstijging van bloed, en nu zei de dokter, dat dat van niets anders kwam dan van het vele zitten in de bierkroeg — zie je, en daarom blijf ik sedert maar liever staan.quot;

387- Leer om leer. j

Men verhaalt de volgende anecdote van Schiller. In rijk

zijne jeugd leerde hij harp spelen. Zijn buurman, die »Hi

hem niet mocht lijden, zeide tot hem : »Ei, ei, meneer mij

Schiller, jij speelt als David — maar niet zoo mooi.quot; rivi

Dadelijk liet Schiller er op volgen: »Ei, ei, jij spreekt als Salomo — maar niet zoo verstandig.quot;

388. Dronkemanspraat. A

De vrouw: Dronk-zwijn, kom je weer zoo laat in 111 ü

den nacht thuis! Het is de klokke drie uur ! zal

De man : Non, da\'s een mooie; het is pas twaalf uur ! ^

De vrouw: Wat wou je me zegge, twaalf uur! De vo.9

klapperman heeft daar net drie uur geroepen ! mö

De man: Kijk, zoo\'n vreemden vent gelooft ze nog eer dan der eigen sukkel van een man !

389. Een welvoorziene wijnkelder. » Ooerste: Mijne heeren, mij dunkt, wij moesten een tlesch champagne drinken. Johan, ga naar den kelder

en haal een flesch champagne! Die ligt naast den Ru- ^

desheimer. vrai

Johan: Zal ik ze allebei maar meebrengen. Overste ? y- \'

-ocr page 133-

1

129

»Wie is der dokter?quot;

ȟut, mensch, ze wil er geeu hebben !quot;

»Dan is \'t ook geeu mirakel.quot;

:!!)(). Hoog-ere aiirdrijksknnde.

Een onderwijzer, die gaarne zijn lessen door belangrijke opmerkingen ophelderde, zeide tot zijne leerlingen ; »Hoezeer moeten wij de Voorzienigheid bewonderen, mijne vriendjes, die zorg heeft gedragen, de groote rivieren langs aanzienlijke steden te voeren!\'\'

391. Ecu dierbiiar aaudeukeu.

Alfred: Mijne engelachtige Louise, ik bid u, sta mij één enkel lokje van dat verrukkelijke haar af; ik zal het tot mijn laatsten snik op mijn hart dragen !

Louise: Je zult toch, hoop ik, niet willen, dat ik voor zulk een bagatel mijn haar afsaijd ; daar heb je mijn chignon van verleden jaar ; wees nu maar tevreden!

392. Do kus.

»Och mijn lief buurvrouwtje, geef me één kusje, één enkel kleintje maar. \'t Is alleen uit nieuwsgierigheid, om te weten of een kusje van jou beter zou smaken dan die van mijn vrouw.quot;

»0, dat\'s onnoodig, dat moet je maar aan mijn man vragen, die heeft je vrouw zoo dikwijls gezoend, dat hij het heusch wel weten zal.quot;

9

-ocr page 134-

3!)3. Kinderlijke eenvoud.

Meesier: Wat knutselt gij daar, kinderen ?

De knaap: We maken een school, meester!

Meester: Zoo, zoo, en plaatst gij daar dan ook den meester in ?

De knaap: Ja, meester: als er nog een beetje vuil overblijft, dan zullen wij er ook een meester bij maken.

Die lieve onschuld!

»:k Weet niet wat mijn horloge mankeert, \'k zal \'t eens moeten laten schoonmaken.quot;

»Dat hoeft niet, pa! Ida en ik, we hebben het van morgen pas met zeep uitgewasschen.quot;

3i)5. In de kazerne.

»W ie weêrgalg heit er me nou dat brandend stuk zwam op me hand geleid, terwijl ik leg te slapen ? —

Wie heit het gedaan, hé?......Als jullie \'t niet zegt,

dan houw ik het waarachtig zoo op me hand liggen totdat de Korporaal komt, dan kan die \'t uitmaken!quot;

39(5. Aan het station.

Jongen. Meneer, den weg wijzen.

Mijnheer. Dank je.

Jongen. Och toe, meneertje.

-ocr page 135-

131

Mijnheer. Loop heen, ik weet den weg net zoo goed üls jij.

Jongen. 1 ilisiteer je; kar je bij gelegenheid ook nog eens een dubbeltje verdienen.

:}97. J)e ééuigc veilige plaats-

Een dorpspredikaut was een hartstochtelijk liefhebber van de jacht. Hij beroemde zich dikwijls op zijne bekwaamheid in \'t opjagen van hazen. »Als ik een haas was,quot; zeide een rentmeester, »dan zoudt ge mij, wed ik, niet vinden.quot; — »VVaarom niet?\'\' vroeg onze jager. — »lk zou me in uwe studeerkamer verbergen !quot;

398. JDe ooievaar.

»Zeg, pa, ma zeit, dat de ooievaar ons gauw weêr een zusje zal brengen. Weet u daar ook al vaa, papa ?quot;

399. Een ander meuscli.

»Beste vriend, ik bewonder je. Hoe kunt ge toch zooveel verdragen!quot;

»Dat zal ilï je zeggen. Zoodra ik een glas wijn gebruikt heb, word ik een geheel ander mensch; waarom zou nu een ander mensch niet weêr een glas wijn moo-en drinken?quot;

-ocr page 136-

132

400. Onredelijke vraag.

President: Wanneer ben je geboren ?

Beschuldigde: Ja, meneer de president, dat herinner ik me niet goed, ik was nog zoo jong!......

401. Feitelijk.

Leerling : Meester mag ik morgen thuis blijven?

Onderwijzer : (met staat ( ! in de hand). Waarom, Jau ?

Leerling: Ik zal morgen wel pijn in me lijf\' hebben, meester.

-102. 0|i een diner diplomathiue.

Een der aanwezigen fluisterend : «President, ik zal u straks om het woord vragen; ik ben voornemens een speech te houden.quot;

President: Als gij er op staat, welnu, met genoegen. Maar anders raad ik u, als gij toch iets wilt houden, houd dan liever den mond.

403. De matige luissaar.

Ritmeester : Ik zal je als oppasser nemen. Je bent toch geen dronkaard, hé?

Hussaar: Ik drink nooit een borrel.

Ritmeester: Je ziet er anders wel naar uit, dat jeer ééntje verdragen kunt.

Russaar: Verdragen ? ... Al was \'t een schilderhuis vol, ritmeester.

-ocr page 137-

133

■tOl. Droevig\', maar waar!

»Neen, dokter! ueeu, — ik laat je de kerk niet ingaan!\'\'

»Ben je gek, mensch, — waarom zou ik niet in de kerk gaan?quot;

»Oindat je daar bidt voor je daaglijksch. brood, en als die bede eens verhoord wordt, dan moeten wij allemaal ziek worden!quot;

-105. Gesprek tiissclien twee .jongens.

»Hoera, Piet, heb je \'t gehoord?quot;

»Wat?quot;

»De school is van nacht afgebrand.quot;

»Zoo. Dat is een goeje boel. Eu de meester?quot;

»Neen, die niet,quot;

»Nou, wat geeft \'t dan !quot;

to*!. Naïef.

Mevrouw: Wel, Kaatje! hoe kom je toch zóó verkouden ?

Kaatje: Wel, mevrouw! meneer is ook zóó verkouden.

-107. Rcchtscliapculieid.

Een woekeraar vroeg aan den bekenden tooneelspeler Garrick: »Zou er nog wel rechtschapenheid op deze wereld zijn?quot;

»Waarom vraag je dat?quot; zeide Garrick. »Bemoei je toch niet met zaken, die je niet aangaan!quot;

-ocr page 138-

408. Eene vocatie voor (leu koopiiiansstand.

lieer: Hé! Jij bent toch niet de jongen aan wien ik straks mijn paard te bewaren heb gegeven?

Jongen: Nee, meneer! maar ik heb dat baantje, uit spikkelatie, voor drie centen van kleine Kees gekocht.

409. Overdrijving-.

Man (met een volkomen kaal hoofd): Hoor eens, vrouw, \'k kan zulke praatjes niet velen! Je zegt altijd

dat ik overdrijf, maar men haren rijzen te berge, als ik......

Vrouiv : Zie je wel! Nu overdrijf je immers alweer!quot;

410. Aaug\'eliuwde familie.

Een jonge, overmoedige vrouw verkocht de oude aardigheid, om tot haar man te zeggen, toen er een ezel balkte: »Familie van je!quot;

«Aangetrouwd!quot; liet de ander er dadelijk opvolgen.

411. Een enfant terrible.

»Ma! hebt u ook zulke lekkere ulevelletjes als de gouvernante van pa heeft gekregen?quot;

412. Zeer waarschijnlijk.

Een bejaard man stootte eens op een bal een winderig heertje, dat zeer dunne beenen had, bij ongeluk tegen

-ocr page 139-

135

de voeten. Woedend zeide dit: — Denkt gij, dat ik mijn beeneu gestolen heb, mijnheer? — De Hemel bewaar me ! was het antwoord, dan hadt ge er wel een paar beteren uitgezocht!

41i}. Op een bruiloftspartij.

Bruidje\'. Lieve hemel, daar laat die domme meid de soep op mijn mooi satijnen kleed vallen.

Meid (goedhartig) : O, dat \'s niks, juffrouw! d\' er is nog meer in de keuken.

■114. Heel boosaiirdig\'.

»He, vriendje!\'\' riep een ruiter tegen een boer, »drijf dien ezel van den weg af!quot;

»De ezel ? waerom ?quot;

»Wel, omdat mijn paard er anders schichtig van wordt: hij kan geen ezels verdragen.quot;

»Da\'s jokkens! Waarom gooit ie jouw dan niet af?quot;

415. De l\'opper gefopt-

Om eeu mathematicus te foppen, vroeg hem iemand: »Als vier kalveren 360 pond wegen, hoeveel weegt dan een os ?quot;

»Als gij even op de schaal gaat staan, dan zal ik het u precies zeggen,quot; was het antwoord van den cijferaar.

-ocr page 140-

136

410. De drukfout.

»Op de ruïneu van liet Capitool.....quot;

«Gij leest uiet goed, Judith, er staat kapitaal!quot; »Er staat Capitool, Izak!quot;

»Zoo, dan is het een drukfout; tegenwoordig kan het kapitaal alleen nog geruïneerd worden.quot;

417. Uit het dorpsleven.

»Waarom roep je toch altijd, als je nachts laat uit de kroeg thuis komt, vlak voor je deur : »Goejen nacht, heer burgemeester!\'\'quot;

»Dat is hooge politiek, vriend ! Mijn vrouw denkt dan, dat ik in gezelschap met den burgemeester ben geweest en dan bromt ze een heele boel minder.quot;

418. Een dubbel ongeluk.

Litterator: Vindt ge dat niet veelbeteekenend, Henri! Op denzelfden dag, waarop Go^the stierf, werd ik geboren!

Henri: Ziedaar twee gebeurtenissen , waarover de litteratuur rouw te dragen heeft.

41!). Twee Ximrods.

»Kijk ! Die spreeuw, daar, op dien boom ! ,. . geheel onder schot!quot;

»Ja!.. . maar als j\'em schiet, dau kunnen we morgen

niet uit jagen gaan......\'t is al \'t wild wat bier tien

uren in den omtrek te vinden is!quot;

-ocr page 141-

137

420. Eenc mystificatie.

Iemand uit het raam liggende, tot een voorbijdr;i7enden barbier : »He, barbier ! heb je soms niet een oogenblilqe den tijd ?quot;

»Ja wel, meneer! Moet u geschoren worden ?quot;

»Neen, vrind ! Maar als je nog eenige oogenblikken den tijd hebt, dan behoef je zoo hard niet te loopen; je krijgt anders van het harddraven nog een ongeluk!quot;

421. Het wisselvallige van de mode.

»\\V at — jij hier in de stad ?quot;

»Neem me niet kwalijk; ik heb groote haast.quot;

»Hoe dat ?quot;

»Ik heb miju vrouw een nieuw hoedje gekocht en nu moet ik maken, dat ik thuis kom, voordat de mode weer veranderd is.quot;

422. Voor liet gerecht.

Rechter : Gij wordt beschuldigd uw vrouw geslagen te hebben.

Beschuldigde: Och, meneer, dat moet uwes me niet kwalijk nemen; \'tis het eenig oogenblikje pleizier, dat ik ooit aan haar beleefd heb.

428. Een ongelijke stemuiing.

»Hoe ben je hier toch gekomen?quot; vroeg iemand, die een krankzinnige bezocht, die nagenoeg weêr beter was en spoedig de inrichting verlaten zou.

-ocr page 142-

138

»Door een klein verschil van gevoelen.quot;

»Hoe dat zoo ?quot;

.!gt;Wel, de wereld zei, dat ik gek was; ik zei, dat L

de wereld gek was — en zij hebben mij overstemd.quot; k(

____________

424. Een slachtoffer van een slechte opvoeding. * (]

Jongens : Hoü je roer recht !... Dronkelap 1 .. Hou je roer recht!

Hij: Jongens, dat staat je gemeen om een fatsoen-delijkmans kind zoo uit te schelden, — jelui moet me dat zoo kwalijk niet nemen, dat ik dronken ben, dat mot je niet; — het is mijne schuld niet — niijn moeder heeft me met de flesch groot gebracht! 1

(

425. Een groot licht.

Vriend: Wel, amice, is je zuster al bevallen ?

Geëmploieerde bij de posterijen: Ne. .. ne ... neen.

Vriend: En wat zal je nou worden, oom of tante?

Geëmploieerde bij de posterijen : De ... de .. . de .. .

dat zal nog me ... me ... moeten blijken ... of. . . fe . .. Ie ... te ... te ... \'t een jongen of een meisje is,

42(i. Innige overtuiging.

»Zeg eens, lieve man, van wien zou ons Kareltje toch al die leelijke streken hebben ? Toch zeker niet van mij.quot;

^Dat geloof ik ook, beste Emilie, want je hebt er nog geen enkelen gedurende ons huwelijk verloren,quot; antwoordde vriendelijk de echtgenoot.

_

-ocr page 143-

Pil- Watervrees.

Melkvrouw: Hoe komt \'t, dat Azor zoo blaft ? \'t Lieve dier weet toch wel, dat ik alle dagen hier melk kom brengen.

Meid: Als \'t diertje maar geen watervrees onder de leden heeft; want \'t wil je melk al sedert een paar dagen niet meer drinken.

428. Gevolgtrekking.

Een edelman zeide tot Swift; »De ware edelman is hij, die nooit werkt.quot;

»Duivels !quot; antwoordde de schrijver van Gulliver; gt;gt;maar in Engeland werkt de mensch, het water werkt, het bier werkt — alleen het zwijn doet niets —dat is dan zeker de edelman in Engeland.quot;

42!). Xarrenkoiiing\'.

De koning van Polen vroeg Pfoecka, lid eener nar-ren-vereeniging :

»Heb je nu al een narren-koning ?quot;

»De Hemel beware ons, dat wij op den dood van Uwe Majesteit zouden rekenen!quot; zeide Pfoecka met een beleefde buiging.

a o

430. Vraag en antwoord.

Reiziger: Hé, conducteur ! waar komen al die koehuiden van daan ?

Conducteur: Van de koeien, heerschap.

-ocr page 144-

140

431. Een knapitc Iniishoudstcr.

Dienstmeid: Mevrouw, hoeveel eieren wil u in het gehakt hebben ?

Mevrouw : Vier; maar dan moetje van twee maar alleen het wit en van de twee andere alleen den dojer nemen.

432. J»c igt;ot en de ketel.

»\\Vat zoo\'n hengelaar toch een geduld heeft! \'t Is bespottelijk. Oj^ \'t horloge af, sta ik nu al drie lange uren naar hem te kijken, en nog altijd heeft hij niets gevangen.quot;

433. In \'f kofilehuis.

Agent van politie: Meneeren, \'tis tijd! Jullie motten

naar huis. \'t Heeft twaalf uur gesla......(Hij erkent onder

de aanwezigen den Commissaris van politie, die hem een gramstorigen blik toewerpt): Ekskeseer, meneer de Commissaris; \'t heeft nog niet heelemaal uitgeslagen.

434. Een bedsermoen.

Vrouw tot haar man. Eergisteren ben je eerst gisteren thuis gekomen, gisteren eerst heden, en van daag zou \'t weer morgen geworden zijn, als ik je niet wal komen halen.

-ocr page 145-

141

435. Uit Seêrlaudsch Indië.

Seryeant (van Duitsche origine): Heb je uuberal joet jeveegt ?

Soldaat (van Fransehe origine) : Ouia.

Sergeant: Oud iest uuberal joet jewasscheu?

Soldaat: Ouia.

Sergeant: Ouia, ouia! Immer ouia! Wirt er den nooit lernen Hollandisch toe schpreeken ?

4:}(gt;. Veranderde opinie.

Paulina leunt, met beide handen onder de kin en de beide ellebogen op tafel,

Cornells beschouwt haar met vervoering en zegt:

»Wat een gracieuse houding.quot;

Zes maanden later (getrouwd.)

Mevrouw (Jornelis staat weder in de bovengenoemde houding. Haar man ziet haar weder aan, haalt de schouders op en zegt:

»VVat sta je daar houterig!quot;

437. Oj» de jacht.

Dokter, \'t Is om gek te worden — niet één haas heb ik om bals kunnen brengen.

Patient. Dan zou \'k den haas wat voorschrijven, dokter!

-ocr page 146-

142

438. IHas\'iiosc.

»Wat zeg je er van, Mie, — daar is nou de man van Kee van Noot van de trappen gevallen en heit z\'n nek gebroken !quot;

»Jongens, jongens! wat je daar zegt... hij heit er ook al lang slecht uitgezien!quot;

4:}!). Zeer juist.

Gravin. Maar, zeg mij toch eens, hoe gij majoor Lammers kondt hutven; de man is van burgerafkomst ?

Barones. Ik dacht zoo : beter een man zonder naam, dan een naam zonder man.

440. Het eenig\'e nut der sleepjaponnen-

Vriend. Wel, professor, wat doet ge daar ?

Professor. Ik schud den sleep mijner vrouw uit, die zoo juist van een wandeling buiten de stad terugkeert, en dan vind ik steeds een rijken oogst voor mijn natuurkundige verzameling rupsen : kevers, torren, slakken enz.

441. Niet overdrijven.

Heer. Je moest je wat schamen. Daar ben je gisteren weêr om 12 uur smoordronken t\'huis gekomen! Johan, Johan, diep ben je gevallen.

-ocr page 147-

143

Johan. Nu ja, drouker. ben \'k geweest; maar ge-; valleu beu ik uiet. U moet niet altijd overdrijven.

442. Jammer!

Vrouw: Niet waar, lieve Henri, je zoudt me voor geen honderd duizend gulden willen missen, wel Kevert ?

Man: Ik moet je eerlijk verklaren -— zoo\'n verleidelijke propositie is me tot dusver nog niet gedaan.

443. Do verongelijkte tapper.

Een tapper werd veroordeeld, omdat hij zijn jenever had vervalscht, of verslapt liever ; een maand later strafte de kantonrechter hem wegens dronkenschap op den openbaren weg. Wanhopig riep de man uit:

-— Als ik water in den jenever doe, word ik veroordeeld, en als ik er geen water in doe en hem on-vervalscht drink, ook. Eu dat noemen ze nu rechtvaardic !

\' O

444. l it het soldatenlereu.

»In arrest? . . . maar Sursjant, \'t was heusch me schuld niet!... Stel je eens in mijn plaats..

»Twee dagen meerrr!... . van wegens an je sjuperieur een onbeschoft voorstel gedaan te hebben!quot;

-ocr page 148-

144

443. Een lioog\'st opmerkelijk verschil.

Hoveling (minacliteud tegen een Minister): Gij moest niet vergeten, dat gij eenmaal kantoorbediende geweest zijt.

Minister: Ziedaar ook juist het verschil tusschen ons beiden, Mijnheer de Baron. Waart gij ooit kantoorbediende geweest, ge zoudt het altijd gebleven zijn.

44(gt;. Kinderlijke gevolg-trekking.

Marie: Hoe komt uw haar al zoo grijs, mama ?

Mama: Dat komt omdat je soms zoo\'n stout kind bent.

Marie: Wat moet u dan een stout kind geweest zijn. Grootmoeders haar is al heelemaal wit!

447. Oj) de kermis.

Jongen (in den draaimolen): — » Vader! ... Ik wil er uit!... Ik word zoo draaierig.quot;

»Gekheid, jongen! Je moet je d\'er aan wennen ... zonder draaien kom je de wereld niet door!quot;

44.S. Wat men zicii tegenwoordig al niet veroorlooft.

Sergeant: Kapitein, de recruut Sassefras van de derde compagnie, is gisteren avond subiet gestorven.

Kapitein: Dood! wel alle d......hoe is dat mogelijk ;

de kerel was niet eens afgeëxerceerd !

-ocr page 149-
-ocr page 150-
-ocr page 151-