-ocr page 1-

, rT\'-^z-firr-r-;

®JP»

f-v

4.gt;i\'

•ST \\ A X DEN \\0,M)i.:f

!: \' | \'f: i\' ■ ■ - . ■|

A;ni - :\' .r ■ :■ ..M:

vcindfl liegi

ï ï \'

l

li

■r\' iï

r.ri ■:

I

quot;■quot;ly

:er

7

\'v\',

) ji\'

r fi

: /■\'

ïsj ■\'■■■■•: ; ;■ 1 quot;t i quot;

... ■ ,:, ,,,. v, . , / ■ |

■ .■ . ,■ - ;i.vi WU

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

!

-ocr page 5-

1- t\'Z,\'*-\'\'* 3 A

Rederijkerskamer

imsT YAK Bm fcamx.

AMSTERDAM.

*

quot;Wquot;»\'-■ ............. » ■■■n-i ....... .................................. ...............

VONDELFEEST

1887.

--- ■ 101 . \'■---

-ocr page 6-

WÊmm________hms

:::

I \' li®

aammsmm

s, h ; \'m 9 1 mm

lv,r. \' . V.

S ■ É\' i - :\\|

•••gt;•

. 4 ti ^m\\JÊÊm W\\M d Mjwl

v ■\'■ ■ :. ;4E :i.=:lquot;^ \';. \'v^\' • - » h

iifa t.,

-

Ilillii 1 1111 i in — .-

I n ■■ * !

1

méd \'\'d^ tquot;W ■»\'gt;\' quot;■.»•^SHHRMRHB

. •: . ,

- ;.....:......■■ \'■■ • : quot;\' • \' •■■ ■ ■■■

|p ■\'• .■ •r:: - \':. quot;^. .• -ï\' \'■rv :\' ; \' \'•

Mr-i - w v -^v,....... --

,

I

..

f/H;ï

w

■ ■ . ..

m

ma

■ ■ ■ \' • • :■ ■ .....

\'

;quot;

m

• gt;

h O 8 i

\'Hïmm Wm-gt; ■\'■

,

tWBHwwii iHBH^nTffl^Maiijiuiiii] j]

-ocr page 7-

jpyn van e/c/ wev/ff.e Je jfamen -46 one/er^ee/enc/e exenj/uaren u(Vye*ee/j aan; fvct atckicj Set efcmecnte £litv»terrain ctv Sat dct êCatnez; dt (eSiin dct ecie-comf»vi»6w; de yenoodieficw, cn Sc (eden det cWamct, die een iv^tfu-aam aentdeef aan 3e ^cesivxctintf c^efxad fteüen; de $c$tnutA(eden det efemtet,

dcit C^CcCCj LpUtxAnv

$*£amp; ksmjL*, t wufc

ufore/J e/i/ exeni/i/aa^j a/d devehnertny aan (/en //c/en ^Aovem/e»\' aanae/oe/enj e/aof

^!ET ^esïuur DER

^(lt;((lt;rijl\\lt;r$l|iintlt;« Mtt lt;(lt;« ^onrfdquot;,

®fr (iriiitrljtcnid

-ocr page 8-
-ocr page 9-

Verkorte inhoud der voorzijde van de inteekenlijst.

„Joost van den A^ondelquot;.

Opgericht 1865. Als rechtspersoon erkend bij Kon. besluit van 3 April 1881 Nr. 15.

Viering der 300ste Verjaring

van

\'s DICHTERS GrEBOCXRTE. 1Ö87\'-1887\'.

De Rederijkerskamer „JOOST VAN DEN VONDELquot; stelt zich voor den llden NOVEMBER a.s. in den Stadsschouwburg het BERDE EEUWFEEST van Neêrlands XVIIe-eeuwschen Hoofddichter op waardige wijze te vieren. Op dit Avondfeest zullen ten gehoore worden gebracht:

VOORDRACHTEM-,

a. door leden der Kamer, van werken van VONDEL, of van gedichten op hem vervaardigd (gecostumeerd en te zamen of wel ongecostumeerd en afzonderlijk).

b. door artisten, als voren.

c. VOCALE VOORDRACHTEN, door artisten, als voren.

Kenc korte Feestrede zal worden uitsesproken door Igt;r. JAHT TE WlNlUSli.

In het TWEEDE GEDEELTE zal worden uitgevoerd, door Leden der Kamer met welwillende medewerking van enkele genoodigden, het-Blijspel van Prof. J. A. ALBERBINGK THIJM:

Jlc Jfpiiraal bcr 3\'cl)iionljfi5.

Het Orchest samengesteld uit dat van de IIoll. Opera onder direotie van den Heer COENEN.

DE PRIJZEN DER PLAATSEN ZIJN VASTGESTELD ALS VOLGT:

Stalles en Loges......./ 3.—

ie Amphitheatre.......„ 2.—

Parterre........... 1.50 2«? Amphitheatre......./1.25

\\e Gaanderij.......... 1.—

T,e Amphitheatre........ 0.75


De zuivere opbrengst zal worden aangewend tot den bouw van een MONUMENTALE BANK, gewijd aan de nagedachtenis van den Dichter, en te plaatsen in het Rij- en Wandelpark, bij Vondel\'s Standbeeld.

Namens het Bestuur der Rederijkerskamer „JOOST VAN DEN VONDELquot;, AMSTERDAM, October 1887. W. P. VAN WAGENINGEN Jr.,

Tooneel- Commissaris.

JlERE-pOMMISSIE.

Mr. G. VAN TIENHOVEN, Burgemeester van Amsterdam, Voorzitter.

H. Th. BOELEN,.....

Prof. Dr. J. TEN BRINK, . . Dr. L. A. J. BURGERSDIJK, . Prof. Dr. A. G. VAN HAMEL,

W. J. HOFDIJK,.....

Prof. Dr. H. E. MOLTZER, . M. A. PERK, ......

Prof. Dr. J. A. ALBERDINGK THIJM,te Amsterdam.

idem. Leiden. Deventer. Groningen. Amsterdam. Utrecht. Amsterdam

Prof. Mr. H. P. G. QUACK, . te Amsterdam.

Dr. H. J. A. M. SCHAEPMAN, „ V Hage.

Prof. Dr. B. J. STOKVIS, . . „ Amsterdam.

Prof. Dr. J. VERDAM, . . . „ idem.

Prof. Dr. M. DE VRIES, . . . „ Leiden.

A. C. WERTHEIM...... Amsterdam.

Dr. J. TE WINKEL, . . . . „ Groningen.


-ocr page 10-

NIEUWE AMSTEBDAMSCHE COUHAKT. ALGEMEEN HANDELSBLAD, van Vrijdag 4 November 1887.

VONDELFEESTEN.

De openbare uitvoering ter herdenking der ^oosü verjaring van Vonders geboorte door de Rederijkerskamer „Joost van den Vonder, waarvan wij reeds melding maakten, zal op 11 Nov. a. s. in den Stadsschouwburg plaats hebben. Alhoewel de gedenkdag feitelijk 17 Nov. is, heeft de Kamer gemeend zich niet aan den datum zei ven te moeten houden, daar andere feestelijkheden voor hetzelfde doel, eveneens vóór dien dag plaats vinden, doch een datum uit te kiezen, waardoor zij, die den naam van den dichter voert, de rij der feestelijkheden aan hem gewijd opent.

Het volledige programma is thans samengesteld als volgt: ten eerste een feestrede, te houden door den heer dr. Jan te Winkel te Groningen, verder voordrachten; a. door de leden der Kamer, van werken van Vondel of van gedichten op hem vervaardigd (gecostumeerd en te zamen of wel ongecostumeerd en afzonderlijk); h. door artisten van Nederl. tooneelgezelschappen en door eene kweekelinge der Tooneelschool, als voren: en c. vocale voordrachten, door artisten van het Holl. Opera-gezelschap, als voren. Deze artisten hebben zich allen tot belanglooze medewerking, onder goedkeuring der directien en besturen, welwillend bereid verklaard.

Ten slotte opvoering door leden der Kamer, met welwillende medewerking van enkele genoodigden, van het blijspel De Zegepraal der Schoonheid van prof. J. A. Alberdingk Thijm. Het in dit tooneelstuk voorkomende borstbeeld der dame die Baertje Hooft zal voorstellen wordt geheel belangeloos vervaardigd door den beeldhouwer Van den Bossche.

Het orkest zal zijn samengesteld uit dat van de Hollandsche Opera, onder directie van den Heer Coenen.

De zuivere opbrengst van het avondfeest zal worden aangewend tot den Louw van een monumentale bank, gewijd aan de nagedachtenis van den dichter en te plaatsen in het Rij- en Wandelpark bij Vondel\'s standbeeld, met welk plan het bestuur van het park zijne volkomen instemming heeft betuigd.

Het is te wenschen, dat het publiek van zijne zijde door het nemen van plaatsen bovenbedoeld plan zal steunen, hetgeen trouwens geen opoffering zal zijn, daar deze feestavond een groot kunstgenot beloofd te verschaffen. Deze uitvoering zal volstrekt nationaal wezen, daar al hetgeen ten gehoore wordt gebracht, van Nederlandsche schrijvers en toonkunstenaars is.

De eere-commissie, onder wier patronaat dit avondfeest zal worden gegeven, bestaat uit de heeren:

Mr. G. van Tienhoven, burgem. van Amsterdam, Voorzitter; prof. dr. J. A. Alberdingk Thijm te Amsterdam; H. Th. Boelen, idem; prof. dr. J. ten Brink te Leiden; dr. L. A. J. Bur-gersdijk te Deventer; prof. dr. A. G. van Hamel te Groningen; W. J. Hofdijk te Amsterdam; Prof. dr. H. E. Moltzer te Utrecht; M. A. Perk te Amsterdam; prof. mr. H. P. G. Quack, id.; dr. H. J. A. M. Schaepman te\'s-Gravenhage; prof. dr. B. J. Stokvis te Amsterdam; prof. dr. J. Verdam, id.; prof. dr. M. de Vries te Leiden; A. C. Wertheim te Amsterdam; dr. J. te Winkel te Groningen.

-ocr page 11-

Jïmiöt wan Jitn Uonirl1® dflioortr,

op VRIJDAG 11 NOVEMBER 1S87, des avonds te half acht uur,

la

met Gefancjefoo^e mcdiwtiAincfr -oait di fvietonSet (jctvoemSc arUitciv •oatv SUcSctf. clfHHitliVMcfvtmgcH, tvle-t {isjtuwu Saattoe wtiw\'Mtnd -fvuiuvc toestemming. uetfeenO fveGGciv, afsoofj. van 3e 11 Ituz J(. ^i\'aijetvaat, ö^cj-ombt, tei -Ge^eteiSltvg. Sa. «aivcj-nummet». 3Cet -fiatinonium van Scf-ue9m.aij.ez, wit fiet ma.jaamp;iiH ■wan Sen JCeez (B. SCcituci, -ie» eueueeiii Gefan^efooj ajgestaatu

(De costumes zijn van A. Serné amp; Zoon, de pruiken van E. J. Tartaud.)

PROGRAMMA.

ICeftsto Deel.

1. Orchcst, Ouverture.

2. Feestrede, te houden door........... den Heer Dr. Jan te Winkel.

3. Or chest, Fantaisie.

4. Voordrachten, door Leden der Kamer:

a. De Bhijnstroom, van Joost van den Vondel, door den Heer . H......

b. Vondel, van Dr. II. J. A. AI. Schacpman, door Mej. ... 13......

c. Fragment uit: Vondel gekroond, van IV. J. Hofdijk,

door den Heer . Marie M. Kreukniet.

5. Voordrachten, door artisten:

a. Wiltzangh, woorden van Joost van den Vondel, muziek van Joh. J. H. Verhuist.

Quartet voor mannenstemmen, door de H.H. Jahn-Desfossez, v. d. Kerckhoven, Orelio, en Schmier, van het Holl. Opera-Gezelschap.

b. Fragment uit het se bedrijf (het verhaal van den bode) van Gijsbrecht van Aemstel,

van Joost van den Vondel, door den Heer..........L. B. J. Moor.

jP A U z E.

„Joffst «iin tl^n ^nistqilam.

Opgericht 1865. Als rechtspersoon erkend bij Kon, besluit van 3 April 1881 No. 15.

-ocr page 12-

TweedLe Igt;eel.

1. Orchest, Ouverture.

2. Voordrachten, door artisten :

a. Fragment uit het 4e bedrijf (Zwarte Rey) van Gijsbreclit van Aemstel, van Joost van den Vondel door Mevr. Ellenberger van het gezelschap der heeren A. v. Lier.

b. 1. Vertroostinge, aen Geeraerd Vossius, Kanonik te 1

Kantelburg, over sijn soon Dlonijs \' , , ,

gt; van Joost van den ■ Vondel.

2. Uitvaert van mijn dochterken. ^

3. De Zeeleeu op den Teems. \'

door Mej. A. Roelofsen, Kweekqlinge der Tooneelschool.

c. 1. Fragment uit het ie bedrijf (Rey van Engelen) van Lucifer van Joost van den Vondel,

door Mej. Juliette Roos en Augustina Poolman van het

gezelschap der heeren Kreukniet, Mutters amp; Co.

2. Fragment uit het 4e bedrijf (Witte Rey) van Gijsbrecht van Aemstel van Joost van den Vondel door..........Mej. Julette Roos.

3. Princeliod van Joost van den Vondel door.......„ Aug. Poolman.

3. Orchest, Fantaisie.

Blijspel in één bedrijf, door J. A. ALBERDINGK THIJM,

Hoogleeraar aan de Rijks-akademie van beeldende kunsten.

Joost van den Vondel. Baertjen Hooft.

Justus, zijn zoon. Rutger van Cootbergen.

Anna zijne dochter. Brechie, meid bij Vondel.

Maria TesselschadeVisscher, Weduwe Crombalchs. Jasper, winkelknecht bij Vondel.

Het in dit blijspel voorkomende borstbeeld der dame die Baertjen Hooft zal voorstellen is geheel belangeloos vervaardigd door den beeldhouwer, den Heer E. v. d. Bossche, en gekleurd door den Heer P. Delin, leeraar aan de Quellinus-school.

Van het gedicht van Joost van den Vondel „Op een Wassenbeeltquot;, hetwelk in dit blijspel is ingevlochten, zal gedurende de pauze in de boven-foyer een origineele afdruk in plano ter bezichtiging zijn.

5. „O Poëziequot;. Woorden van prof./. A. Alberdingk Thijm. Muziek van Joh. J. H. Ver hulst.

door Mevr. Louise Culp-Kiehl van het Holl, Opera-Gezelschap.

Prijs IO cents.

Typ. Ban amp; Co., Amsterdam.

-ocr page 13-

BEDEBIJKEBSKAMER

„Joost van den Yondelquot; ^lmsterda/w.

Opgericht 1S65. Als rechtspersoon erkend bij Kon. besluit van 3 April 1881 JVr. 15.

Viering der 300sle Verjaring

van

Joost van den Vondel\'s Geboorte,

op VRIJDAG 11 NOVEMBER 1887, des avonds te half acht uur, IN DEN STADSSCHOUWBURG.

Tekst der Zaivgstukkeiv.

„O I3 o ë z i equot;.

Woorden van Prof. J. A. Alberdingk Thijji. Muziek van Joh. J, H. Verhulst.

O Poözie, „hoe lieflijk is uw tredt!

Waer gy de voeten zet,

Daer wassen leliën en geuren;

Een regenboogh van schoone kleuren, En hartverquickend kruit!quot;

Zoo treedt gij voor de Schoonheid uit, Die, rijk gedost in teedre stralen.

Op alle macht komt zegepralen. En d\'ademzucht op onze lippen stuit,

Terwijl wij huivrend om haar schreden dwalen.

Zoo zijt gij, Schoonheid! Als de citherslag Van Vondel rondklinkt over veld en steden, Dan wijkt de nacht; dan is het klare dag; Herwonnen schijnt het lang bejammerd Eden.

Van wien die tooverkracht?

Van Hem, Den Vader, die „zo hoogh gezetenquot;

Het vuur der Liefde, \'t licht van \'t Weteh, Doet stroomen in des Dichters stem.

Doet spatten van des Kunstnaars vingren, En over \'t hoofd des Volks doet slingren, Dat, diepgeroerd, zijn Ideaal Herkent in vorm, in verf, en taal,

En juicht in Schoonheids zegepraal.

O Poözie, gezegend Englenbeeld,

Zoo lang gij leeft, is d\'aarde niet misdeeld!

--lOfr.-

■ t

-ocr page 14-

WILTZANGH.

OP DE ZELVE HOFSTEDE.

Woorden van Joost van den Vondkl. Muziek van Joh. J. H. Verhulst.

Wat zongh het vrolijck vogelkijn,

Dat in den boomgaert zat! Hoe heerlijck blinckt de zonneschijn

Van rijckdom en van schat! Hoe ruischt de koelte in \'t eicken hout,

En versch gesproten lof!

Hoe straelt de boterbloem als gout! Wat heeft de wiltzangh stof!

Wat is een dier zijn vryheit waert!

Wat mist het aen zijn\' wensch; Terwijl de vreck zijn potgelt spaert!

O slaef! o arme mensch!

Waer groeien eicken t\'Amsterdam?

O kommerziecke Beurs,

Daer noit genoegen binnen quam! Wat mist die plaets al geurs!

Wy vogels vliegen, warm gedost.

Gerust van tack in tack.

De hemel schaft ons dranck en kost.

De hemel is ons dack.

Wy zaeien noch wy maeien niet:

Wy teeren op den boer.

Als \'t koren in zijn airen schiet Bestelt al \'t land ons voér.

Wy minnen zonder haet en nijt.

En danssen om de bruit: Ons bruiloft bint zich aen geen tijt,

Zy duurt ons leven uit.

Wie nu een vogel worden wil.

Die trecke pluimen aen,

Vermy de stadt, en straetgeschil,

En kieze een ruimer baen.

lO cents.

Typ. Biitt amp; Co., Amsterdam.

-ocr page 15-

REOENSIEN van Dag- en W^eekbladen,

verschijnende 4e AWSTKRIIAW, BOTTERDAM en \'m «RAVKAHAUK.

----—--

DE AMSTERDAMMER, WEEEBLAD VOOR NEDERLAND, van Zondag 30 November 1887,

VONDEL-FEESTAVOND.

Den belangrijksten Vondelavond hebben wij nog te goed. Het zal ongetwijfeld die der voorstelling van een der minderbekende tooneelwerken van den dichter zijn: den „Joseph in Dothanquot;. \'t Is wel jammer, dat de Raad van Beheer der Koninklijke Vereeniging, met de voortreffelijke middelen, waarover zij beschikt, geene gelegenheid gevonden heeft het Derde Eeuwfeest meer indrukwekkend te vieren dan gebeuren kan door eene voorstelling van den jaarlijks na Kersttijd gespeelden „Gijsbreghtquot; Nu wordt Amsterdam door Keulen, met haar „Jepthaquot;, overvleugeld. Toch mogen er woorden van lof en dank gesproken worden, ter eere van de Rederijkkamer „Joost van den Vondelquot;, van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, van de „Maatschappij voor den werkenden Standquot;, van de „Vereeniging van gepensioneerde Onderofficierenquot;, door wie of met wier medewerking in deze week feestavonden gegeven zijn, opgeluisterd door de offerwillige talenten van sprekers, tooneelspelers, beeldende en muzikale kunstenaars.

Er was niet minder noodig dan Vondels veelzijdigheid, om den Heeren Te Winkel, Ten Brink, Hofdijk en Brouwers gelegenheid te geven, ied^r op zijn wijze, eene bizondere, aan Vondel ontleende, stof boeyend te behandelen.

Voor zoo ver deze Vondeloffers werkelijk ten tooneelc gebracht zijn, wi! ik er hier een woord aan wijden. Het was in den grooten schouwburg op het Leidscheplein, binnen die wanden, waar, jaar op jaar, voortgaat diepen indruk te maken, hoe „het hemelsche Gerecht zich heeft ten langen leste ontferremt overquot; Gijsbreght en zijn „benaeude vestequot;. Ik begin met hulde te brengen aan de muzici, die op nieuw hebben willen bewijzen, dat de Kunsten zusters zijn. Met veel succes is Vondels Wiltzangh van Verhuist, door de Heeren Jahn-Desfossez, Van den Kerckhoven, Orelio en Schmier voorgedragen. Eere zij tevens den Direkteur J. G. de Groot gegeven, die door zijn stoute opera-onderneming deze kunstenaars herwaarts gelokt en hun, zoowel als Mevr. Culp-Kiehl veroorloofd heeft ter viering van Vondel werkzaam te zijn. Met warmte en groote klankschittering heeft Mevr. Culp-Kiehl de kompozitie „O Poëziequot; tot besluit van den avond voorgedragen.

Opmerking en waardeering verdient ook de goede keuze der uitgevoerde orcheststukken: de deftige „Ouverturequot;, het verbinden van de „Loreleyquot; aan Vondels „Rhijnstroomquot; enz.

Dankbaar zij erkend, dat de organist, de Heer Hagenaar, belangeloos zijn accompagnement en de Heer Kettner het harmonium verstrekt heeft.

De voornaamste gedeelten uit Schaepraans „Vondelquot; en een fragment uit Hofdijks „Vondel gekroondquot; werden door leden der Kamer hoogst verdienstelijk voorgedragen. In zonderheid de jonge Dame, die als tolk van Dr. Schaepman optrad, deed meer recht aan zijn vaerzen dan de dichter het zoü vermocht hebben; terwijl een der Kamerleden, de Heer M. M. Kreukniet, als tooneel-directeur de Dames Aug. Poolman en Jul. Roos veroorloof^ hebbende met lyrische stukken van Vondel op te treden, ook persoonlijk het zijne heeft toegebracht tot verrijking van het Programma. Dat Mej. Roos het aanzienlijk publiek ter elfder ure heeft teleur-gesteld, is allerminst aan den directeur te wijten.

Mevr. Ellenberger gaf ons, met onverzwakte kracht „Waer wert oprechter trouquot; en de Heer Moor, in den ouden kleurrijken trant, den „Bodequot; uit den „Gijsbreghtquot; te genieten.

Zoowel in de beKoorlijke vervulling der rol van Baertgen Hooft in den „Zegepraal der schoonheidquot; als in de voordracht van de „Vertroostingquot; aan Vossius, de „Uitvaert van mijn doch-terkequot; en den „Zeeleeuquot;, door de jonge Daraes Roelofsen en J. S., hadden de feestgenoten gelegen-

-ocr page 16-

heid over de vruchten te oordeelen van het onderwijs aan onze Tooneelschool; terwijl de geheele uitvoering van het blijspelletjen bewees hoe allengs onze rederijkers zich tot kunstenaars ontwikkelen en hoe onze kunstenaars in beeldhouwerij en schilderwerk zich gaarne bij de dramatische oefeningen aansluiten; daar de Heer E. van den Bossche een voortreffelijke buste heeft gemaakt van Baertgen Hooft en de Heer leeraar Delin het zich geene te geringe taak gerekend heeft door kleuring het pleisterbeeld nader te brengen aan het wasboetseersel, dat Vondel in zijn onsterfelijk gedicht bezongen heeft.

De Heer van den Bossche heeft allergelukkigst de middenevenredige gevonden tusschen „Cyprus\' Koninginquot; Baertgen Hooft en de lieve fyzionomie van Mej. J. S. Had de kunstenaar een weinig meer tijd ter zijner beschikking gehad, dan ware deze bevallige dekoratieve buste tot een sprekend gelijkend portret ontwikkeld.

En de inleiding tot zoo veel goeds en schoons werd uitgesproken door Dr. Jan te Winkel uit Groningen, die in beknopten vorm uit Vondels leven aantoonde, wat een krachtig en liefdevol Amsterdammer deze in Keulen uit Brabantsche ouders geboren dichter zich betoond had.

Onder alle meévverkers mag de rederijkkamer „Joost van den Vondelquot; prijs stellen op haar Bestuurslid, den Heer W. P. van Wageningen Jr., die met zoo veel veerkracht, beleid en smaak, geprikkeld door allerlei te-leur-stelling, den feestavond van n November heeft in elkadr gezet en tot een goed einde gebracht.

15 N. \'87. ____AlB- ^h-

DE PORTEPETJrLLE, Kunst- en Letterbode.

REDERIJKERSKAMER „JOOST VAN DEN VONDELquot; AMSTERDAM.

De viering van de 300ste verjaring van Joost van den Vondel\'s geboorte had plaats op Vrijdag 11 Nov. 1887, des avonds te half acht uur, in den Stadsschouwburg, en het programma en de uitvoering hadden het groote voordeel van een rijkdom van lessen te geven, voor volgende „vieringenquot;; wat men hier te zien en te hooren kreeg deed ons begrijpen, wat men moest vermijden en wat men moest bewerken.

De viering werd geopend met eene ouverture. Nu trad een „Lid der Kamerquot; op, die op hoog pathetische wijze dank en hulde bracht aan de niet te talrijk saamgekomenen. Daarop volgde de feestrede van den heer Dr. Jan te Winkel, waarin kort en degelijk en door aanhalingen uit des dichters werken gestaafd, de beteekenis van Vondel\'s kunst in het helderste licht werd gesteld. Na eene F a n t a i s i e door het orchest, volgden de voordrachten, door leden der Kamer. De Rhijnstroom zou, om ten volle genoten te worden, moeten ingekort zijn en in allen gevalle zijn voorgedragen zonder die draaiinge des lichaams en rollinge der oogen en zwaaiinge der armen, waarin hier de voordracht kracht wilden zoeken. De Vondel, van Dr. H. J. A. M. Schaepman, werd in den beginne goddelijk schoon voorgedragen, zoo waar, zoo zeker, zoo welbegrepen ; maar \'t kan niemand verwonderen, dat dit eindelooze gedicht ten laatste de kracht van de voordraagster uitput en dat, waar de geestdrift van den dichter vermindert, ook de bezieling van de deklamatrice afneemt. Nu volgde de voordracht van een fragment uit; Vondel gekroond, van W. J. Hofdijk door den heer Marie M. Kreukniet, die zich verdienstelijk van zijne taak kweet, maar voor den ernstigen hoorder een verkeerd effect bereikte door bij de woorden: „op uw witbesneeuwde harenquot; een lauwerkrans te leggen op den goed gemodelleerden pleister-kop van Vondel, die o. a. ook heel kalm in de Burchtzaal van Gijsbrecht stond te luisteren naar de voordracht van het verhaal van den bode.

De eerste van de voordrachten, door artisten was zeker het glanspunt van den avond, namelijk: Wiltzangh, woorden van Joost van den Vondel, muziek van Joh. J. H. Verhulst. Quartet voor mannenstemmen, door de H.H. Jahn-Desfossez, v. d. Kerckhoven, Orelio en Schmier van het Holl. Opera-gezelschap.\' Daar was eene heerlijke volheid van klank en eene bewonderenswaardige kracht van dictie in de voordracht. Dat herhalingen van woorden of lettergrepen, dat canon-

-ocr page 17-

partijen eene parodie vormen op deze eenvoudige taal van Vondel, is den componist niet kwalijk te nemen. Zelden is de tekst zoo belangrijk, dat het onverstaanbaar maken schaadt; hier is dit evenwel zeker \'t geval.

Een fragment uit het vijfde bedrijf (het verhaal van den bode) van Gijsbrecht van Aem-stel, werd daarop door den heer L. B. J. Moor voorgedragen op een wijze, waarmede wij ons onmogelijk kunnen vereenigen. Het dramatische effect van een verhaal wordt verkregen door te verhalen, niet door imitatieve gestes, niet door kunstmatige stemverandering, het minst van alle door dramatiseering gelijk de heer Moor volgens de oude school doet. Prof. van Hamel heeft in zijne rede in Odéon duidelijk uiteengezet, op welk standpunt men zich bij de voordracht van dergelijke stukken behoort te plaatsen.

Na de pauze kwamen de wijzigingen, waarvan voor den aanvang der voorstelling sprake was, door een heer met rok en witte das, die met het oog op de leege beneden- en bovenloges, dankte voor de groote belangstelling enz. enz. Het heette dat JufT. Juliette Roos ongesteld was en dat de artisten der Kon. Vereen, plotseling verhinderd waren mede te spelen.

Eiiieve, wie zond dan daags te voren berichten van geheel tegenovergestelden aard aan de dagbladen?

Zijn de programma\'s, die daarvan geen woord vermelden, dan cene week te voren gedrukt ?

Waarom niet openlijk vermeld, dat jufï. Roos weigerde op te treden omdat het haar voorkwam, dat men niet officieel genoeg om hare medewerking had verzocht?

En hoe dan onze beroemdste mannen op allerlei gebied, die op een kort briefje, desnoods op een briefkaart of op eene ontmoeting op straa,t zich bereid verklaren en dan niet „door ongesteldheid verhinderdquot; worden, om te doen, wat ze beloofden ?

Ook ware er wat op tequot; vinden geweest, dat de Kon. Ver. öf een ander stuk öf met eene andere bezetting naar \'s-Gravenhage ging. Er waren onder de machthebbers, welgezinden, maar er waren ook anderen. Dergelijke zaken moeten door de pers beschreven worden.

Gebrs. Van Lier, en Kreukniet, Mutters en Co. hebben hier aanmerkelijk wat voor boven de Koninklijke Vereeniging „Het Nederlandsch Tooneel.quot;

Na het Orchest, Ouverture, volgden voordrachten:

Eerste fragment uit het 4e bedrijf (Zwarte Rey) van Gijsbrecht van Aemstel, van Joost van den Vondel door Mevr. Ellenberger van het gezelschap A. v. Lier, met al de juistheid en de zekerheid, die we van haar gewend zijn en met alle volmaaktheid van haar (thans wat verouderde) school. Daar was stand en gevoel op te merken, maar de stem was niet in overeenstemming met het onderwerp.

De Vertroostinge, aen Geeraerd Vossius, Kanonik te Kantelburg, over sijn soon Dionijs, de Uitvaert van mijn dochterken, de Zeeleeu op den Teems door Mej. A. Roelofsen, kweekelinge der Tooneelschool, was een triomf voor de Tooneelschool, dat was schoon, juist, echt! Maar schooner nog was haar v oordracht in het fragment uit het ie bedrijf (Rey van Engelen) van Lucifer, dat zij voordroeg met Augustina Poolman van het gezelschap der heeren Kreukniet, Mutters en Co. en niet minder verdienstelijk het fragment uit het 4e bedrijf (Witte Rey) van Gijsbrecht van Amstel door Aleida Roelofsen en het Princelied door mejuffrouw Aug. Poolman, Daarop gaf liet orchest eene Fantaisie als voorbereiding van De Zegepraal der Schoonheid, Blijspel in één bedrijf, door prof. J. A. Alberdingk Thijm, vertoond door dilettanten, die hun beist deden, maar ons den indruk niet kunnen uitwisschen van de vertooning indertijd door de artisten met groote toewijding ondernomen, een indruk te dieper, omdat het stuk zoo duidelijk toont, hoezeer de schrijver doordrong in den geest dier tijden en hoe de figuren van den tijd, zijne tijdgenooten, zijne langdurige bekenden zijn geworden.

Het in dit blijspel voorkomende borstbeeld der dame die Baertjen Hooft voorstelde, was geheel belangeloos vervaardigd door den heer E. v. d. Bossche, en gekleurd door den heer P. Delin, leeraar aan de Quellinus-school.

Van het gedicht van Joost van den Vondel „Op een Wassenbeelt,quot; hetwelk in dit blijspel

-ocr page 18-

is ingevlochten, was gedurende de pauze in de boven-foyer een origineele afdruk in plano ter bezichtiging.

Het geheel werd op waardige wijze door een zangnummer besloten, nl. „O Poëzie.quot; Woorden van prof. J. A. Alberdingk Thijm. Muziek van Joh. J. H. Verhulst, door Mevr. Louise Culp-Kiehl van het Holl. Opera-Gezelschap. Een gedicht, waarvan we den tekst hieronder laten afdrukken. We zouden meenen te kort te doen aan den eisch onzer lezers, als we het weglieten. •(FLct gedicht hetwelk thans volgde is reeds opgenomen in dit werkje; zie pag. 9.)

Naar aanleiding van het vorenstaande is het volgende schrijven verzonden;

Amsterdam, 23 November 1887.

Aan de Redactie van „De Portefeuillequot;, Kunst- en Letterbode, alhier.

In het verslag van den Vondel-feestavond, door de Rederijkerskamer „Joost van den Vondelquot;, op 11 dezer gegeven, komen enkele onjuistheden voor en zijn verder eenige vragen gesteld, die ik als bestuurslid dier Kamer en leider van den feestavond, wensch te behandelen.

Het door U bedoelde „Lid der Kamerquot; heeft alleen medegedeeld zonder opgave van redenen, dat mejuffr. J. Roos en de artisten van de Koninkl. Vereen. Het Nederl. Tooneel, verhinderd waren op te treden, laatstgenoemde dankzeggende voor hunne bereidwilligheid, terwijl hij verder allen die door (zedelijke of feitelijke) medewerking de feestviering hebben gesteund, dankte „voor de groote belangstellingquot;.

Hetgeen uw verslaggever verder omtrent mej. Roos en de Kon. Vereen, zegt, is volkomen juist, doch achtte de spreker de mededeeling daarvan van onzentwege minder gepast.

Door mij zijn „daags te vorenquot; berichten aan de dagbladen gezonden, doch niet „van geheel tegenovergestelden aard.quot;

De namen der artisten van de Kon. Vereen., die zich bij de ontwerping van de feestviering tot belanglooze medewerking bereid verklaard hebben, kwamen voor op de Inteekenlijsten, welke reeds in het einde Tan October in omloop waren, en het definitieve antwoord van den Raad van Beheer van genoemde Vereen., waarbij onze aanvrage om medewerking van artisten werd gewezen van de hand om principieele redenen, vernam ik in den avond van 7 November. De namen dier artisten kwamen niet voor op het programma en zijn evenmin aan de dagbladen medegedeeld.

Het eerste bericht, dat mej. Roos niet zou optreden gewerd mij Woensdagavond (9 Nov.) nadat de achterzijde van het programma was afgedrukt, doch eerst op den dag der uitvoering des ochtends, tijdens de generale repetitie, toen de programma\'s reeds gereed waren, vernam ik van den heer Kreukniet het definitieve besluit van mej. Roos om haar eens gegeven woord niet gestand te doen.

Met de opname dezer regelen in uw eerstverschijnend blad zult U verplichten

Uw Dienstw. Dien.

W. P. VAN WAGENINGEN Jr.

Tooneel-Commissaris.

P.S. De witte Rey uit Gijsbrecht is niet gezegd door mej. Roelofeen, doch geheel van het programma vervallen, tengevolge van de afwezigheid van mej. Roos.

NIEUWE AMSTEBDAMSCHE COTJBANT. ALGEMEEN HANDELSBLAD, van Zaterdag 12 November 1887. (Ochtendblad.)

VONDELFEEST.

De Vondelfeesten ter viering der 300ste verjaring van den geboortedag des dichters, werd gisterenavond in den Stadsschouwburg geopend door de Voorstelling, waartoe de rederijkerskamer „Joost van den Vondelquot; het initiatief nam.

Wij komen nader terug op dezen feestavond, welke veel verdienstelijks te genieten gaf. Alleen zij reeds nu gemeld, dat de voorstelling werd bijgewoond door een publiek dat meer uitmuntte door qualiteit dan quantiteit, en dat de Burgemeester een deel der voorstelling bijwoonde.

-ocr page 19-

JUKUW-K AMSTEBDAMSCHE COUBANT. ALGEMEEN HANDELSBLAD, van Zondag 13 November 1887. (Eerste blad.)

VONDELFEEST.

De Rederijkerskamer , Joost van den Vonder, Amsterdam (opgericht 1865) vierde gisteravond in den Stadsschouwburg de 300ste verjaring van Joost vandenVondel\'s geboorte, met belanglooze medewerking van de artisten van Nederl. kunstinrichtingen, waartoe de verschillende besturen welwillend hunne toestemming hadden verleend.

Het programma bevatte o. a.:

Feestrede, door den heer dr. Jan te Winkel.

Voordrachten, door leden der Kamer:

a. Dc Rhijnstroom, van Joost van den Vondel, door dtn heer H.....

b. Vondel, van dr. H. J. A. M. Schaepman, door mej. v. d. B.....

c. Fragment uit: Vondel gekroond, van W. J, Hofdijk, door den heer Marie M. Kreukniet.

Voordrachten door artisten:

Wiltzangh, woorden van Joost van den Vondel, muziek van Joh, J. H. Verhulst. Quartet voor mannenstemmen, door de heeren Jahn-Desfossez, v. d. Kerckhoven, Orelio en Schmier, van het Holl. Opera-gezelschap,

Vertroostinge, aen Geeraerd Vossius, kanonik te Kantelburg, ever sijn soon Dionys.

Uitvaert vcm mijn dochterken.

De Zeeleen op den Teems, van J, v. d. Vondel, door mej. A, Roeiofsen, kweekelinge der Tooneelschool.

Fragment uit het 4e bedrijf (Zwarte Rey) van Gijsbrec/it van Aemsiel, van J. v, d. Vondel, door mevr. Ellenberger, van het gezelschap der hoeren A. van Lier.

Fragment uit het 5e bedrijf (het verhaal van den bode) van Gijshrecht van Aemstel, van J. v. d. Vondel, door den heer L. B, J, Moor.

Fragment uit het ie bedrijf (Rey van Engelen) van Lucifer, van J. v. d. Vondel, door mej. Juliette Roos en Augustina Poolman, van het gezelschap der heeren Kreukniet, Mutters amp; Co.

Fragment uit het 4e bedrijf (Witte Rey) van Gijsbrecht van Aemsiel, van J, v, d. Vondel door mej. Juliette Roos.

Princelied, van J. v. d. Vondel, door mej. Aug. Poolman.

De Zegepraal der Schoonheid,

blijspel in één bedrijf door prof, J, A, Alberdingk Thijm, vertoond door leden der Kamer,

Het in dit blijspel voorkomende borstbeeld der dame, die Baertjen Hooft voorstelde, was geheel belangloos vervaardigd door den beeldhouwer E. v. d. Bossche, en gekleurd door den heer P. Delin, leeraar aan de Quellinus-school.

Van het gedicht van Joost van den Vondel: „Op een Wassenbeeltquot;, hetwelk in dit blijspel is ingevlochten, was gedurende de pauze in den boven-foyer een origineele afdruk in plano ter bezichtiging.

Ten slotte. Tusschenzang, woorden van prof, J. A. Alberdingk Thijm. Muziek van J. H. Verhulst, door mevr. Louise Culp-Kiehl, van het Holl. Operagezelschap.

De heer dr. Te Winkel schetste in zijne smaakvolle causerie Vondel als mensch en dichter. Hij deed uitkomen dat Vondel bovenal Nederlander en Amsterdammer was en geen hartelijker wensch koesterde, dan dat het land zijner liefde en de stad zijner inwoning door den vrede tot bloei en grootheid mocht komen. Daarbij versierde de spr. zijne rede door tal van aanhalingen uit Vondel\'s gedichten, waarvan enkele ook voor onzen tijd eene verrassende toepasselijkheid bezitten, als deze bijvoorbeeld;

„De beurs valt veel te nauwquot; bij de aanhaling van welken versregel velen een glimlach niet konden onderdrukken.

-ocr page 20-

De voordrachten door de leder der Kamer getuigden van studie en eerbied voor den groeten dichter, wiens borstbeeld op het tooneel door den heer Kreukniet met een frisschen lauwerkrans werd gekroond. Mej. v. d. B., die Schaepman\'s gedicht Vondel voordroeg, deed dat met veel gevoel en zeggingskracht.

Schoon klonk het kwartet van V e r h u 1 s t: Wiltzangh door de vier artisten van het Hollandsch operagezelschap, terwijl het verhaal van den Bode uit de Gijsbrechl, door den heer L. B. J. Moor voorgedragen, een diepen indruk maakte door de schilderachtige wijze, waarop deze kunstenaar het verhaal tot zijn recht deed komen.

De dames Ellenberger, A. Roelofsen enA. Poolman (mej. Jetje Roos was verhinderd en daardoor kwam een kleine wijziging in den gang der voorstelling) vertolkten V o n d e i \' s schoone verzen zóó, dat de dichter, had hij in persoon de voorstelling bijgewoond, ongetwijfeld tevreden zou zijn geweest.

De zegepraal der schoonheid, het aardig gelegenheidsstuk van prof. J. A. Alberdingk Thijm, werd vlug en levendig gespeeld en toen Joost van den Vondel zelf ten tooneele verscheen werd hij, zooals vanzelf spreekt, levendig toegejuicht, hoewel de gelijkenis nog iets beter had kunnen zijn. Het tooneelstuk bleek onder bekwame leiding ingestudeerd te zijn.

Aan Het slot dezer voorstelling zong mevr. C u 1 p - K i e h 1 een lied van V e r h u 1 s t O Poëzie, dat luide werd toegejuicht.

Het was in één woord een genotrijke avond. Jammer dat van de zijde van het publiek zoo weinig belangstelling was betoond en de schouwburg slechts matig bezet was.

DE TIJD, van Maandag 14 November 1887.

Het Vondelfeest in den Stadsschouwburg. Gisteren-avond werd de rij der feesten, die dit jaar ter herdenking van Vondel\'s geboortedag zullen gevierd worden, geopend met den Vondel-feestavond, uitgaande van de Rederijkerskamer Joost van den Vondel, in den Stads-Schouwburg.

Prof. dr. Jan te Winkel opende het feest mét een rede, waarin hij Vondel schetste als Nederlander en vooral als Amsterdammer. Daarna werden door de leden der Rederijkerskamer en door artisten, die geheel belangloos hun medewerking daartoe verleenden, verscheiden voordrachten gehouden van Vondels werken, als: De Rijnstroom, Prince lied, Vertroostinge aan G. Vossius, Uitvaert van mijn Dochterken, De Zeeleeuw op den Teems enz. De laatste drie gedichten vooral werden op uitstekende wijze vertolkt door mej. J. Roos. Verder werden ten gehoore gebracht De zwarte Re ij, alsmede De witte Reij uit Gijsbrechl van A ems tel. De heer Moor gaf op schoone wijze het verhaal van den Bode uit het 5e bedrijf van den Gijsbrechl. De Wiltzangh van Vondel (muziek van Verhulst) werd gezongen door vier leden van het Hollandsche Opera-Gezelschap.

Eindelijk werd nog opgevoerd het blijspel De zegepraal der Schoonheid, door J. A. Alberdingk Thym, waarbij bleek dat de Rederijkerskamer Joost van den Vondel over zeer goede . krachten beschikt. Aan \'t einde van het feest werd door mevr. Louise Culp-Kiehl, van het Holl. Opera-Gezelschap, gezongen het lied O Poëzie, van prof. J. A. Alberdingk Thym (muziek van Verhulst), hetwelk den avond op waardige wijze besloot.

Ieder voorzeker van de tegenwoordigen zal dien avond met genoegen hebben doorgebracht, daar onzen grooten dichter op zoo verdienstelijke wijze hulde werd gebracht.

Dinsdag 15 November 1887.

In ons verslag van de viering van den 300quot; geboortedag van Joost Van den Vondel «taat vermeld dat mej. Roos medegewerkt heeft op dien feestavond.

Zooals echter door den voorzitter bij de opening der bijeenkomst werd gezegd, heeft mej. Roos, die aanvankelijk geaccepteerd had na het afdrukken van het programma geweigerd op te treden, waardoor de „Witte Reyquot; uit Gijsbrechl moest vervallen, terwijl in de „Rey van Engelenquot; uit Lucifer mej. Roelofsen, hoewel onvoorbereid, haar plaats heeft vervuld.

Ten slotte mogen wij niet verzwijgen, dat de burgemeester na den afloop zijn tevredenheid te kennen gaf en het bestuur met den zóó wel geslaagden feestavond gelukwenschte.

-ocr page 21-

AMSTERDAMSCHE COURANT van Maandag 14 November 1887. (Eerste blad.)

DE VONDELFEESTEN.

Amsterdam heeft zich opgemaakt ter viering der 300ste verjaring van Joost van den Vondel\'s geboorte.

De Rederijkerskamer, naar den grooten dichter genoemd, behield zich de eer voor, de reeks van feesten te openen op gisteravond in den Stadsschouwburg, met medewerking van vele artisten. De eerevoorzitter der Kamer opende den feestavond, begroette de aanwezigen, bracht hulde aan hen, die welwillend hunne medewerking hadden verleend en gaf, ter herdenking van Vondel, het woord aan dr. Jan te Winkel, van Groningen.

Deze trad als feestredenaar op en herdacht Vondel als burger van Nederland en Amsterdam, en als den grootsten dichter van Nederland.

De heer Tc Winkel eindigde zijn rede, na gewezen te hebben op verschillende gedichten, waarin Vondel zijn geliefd Amsterdam bezong, met een aanhaling uit het gedicht van prof. J. A. Alberdingk Thijm, „O Poëziequot;, dat eindigt:

O Poëzie, gezegend Englenbeeld,

Zoolang gij leeft, is dquot;aarde niet misdeeld!

Nadat het Parkschouwburg-orchest, onder leiding van den concertmeester Coenen, een nummer ten beste had gegeven, vingen de voordrachten aan van leden der Kamer.

De heer H .... droeg met veel zeggingskracht en in den echten rederijkersstijl „De Rhijnstroomquot;, van Vondel, voor; mej. B. zei met veel schakeering en geve;! de verzen van dr. Schaepman, aan Vondel gewijd, terwijl de heer M. Kreukniet een fragment uit Hofdijk\'s „Vondel gekroondquot;, declameerde en de buste van den dichter met een lauwerkrans sierde, wat met fanfares en toejuiching werd bekroond. Het kwartet „de Wiltzanghquot;, van Vondel, muziek van Verhulst, werd prachtvol gezongen door de heeren Jahn Desfossez, v. d. Kerckhoven, Orclio en Schmier van den Parkschouwburg en wekte veel geestdrift.

De heer Moor vermocht in het verbaal van den bode uit de „Gijsbrechtquot; weder eens te woekeren met zijn schoon orgaan. Zijn verhaal boeide van begin tot eind, zijn grime was uitstekend.

De zwarte Rey van mevrouw Ellenberger vond eveneens bijval.

Het glanspunt van den avond was, o. i., echter de wijze, waarop mej. Roelofsen van de Tooneelschool Vondel\'s verzen weet te zeggen en daarin kleur en gloed weet te leggen. Zoowel in de „Vertroostingequot;, de „Uitvaert van mijn dochterkenquot; als de „Zeeleeu op den Teemsquot; wist zij in de breede verzen de zoo gewenschte verscheidenheid te brengen en, zooals mevrouw Kleine dat noemde, ze te breken.

Mejuffrouw Aug. Poolman verdient niet minder lof voor haar aandeel in de Rey van Engelen uit „Luciferquot; met mej. Roelofsen gezegd en voor de voordracht van het „Princeliedquot;. De „Zegepraal der Schoonheidquot;, het blijspel van Alberdingk Thijm, dat de groote verdienste heeft tal van historische bijzonderheden te bevatten, werd over \'t algemeen met veel verve gespeeld.

Aan costumes, decoratief en tooneelschikking was bijzonder veel zorg besteed, terwijl de heer van den Bossche welwillend de buste van Baertjen Hooft had vervaardigd, door Prosper Delin gepolychromeerd.

Ten slotte zong mevrouw Culp-Kiehl met vol geluid het door Verhulst op muziek gebrachte vers van Thijm, „O Poëziequot;, waarmede te half een deze Vondelavond eindigde.

De Kamer „Joost van den Vondelquot; en allen die haar steunen verdienen zeer zeker lof voor hetgeen zij ter eere van Vondel hebben geschonken. Treurig is het feit te moeten consta-teeren, dat de schouwburg slechts voor een klein gedeelte bezet was.

Als men die opkomst van het publiek, waaronder wij slechts enkele letterkundigen van naam en den burgemeester opmerkten, zag, zou men Busken Huet bijna gelijk geven als hij zegt: „Vondel heeft nooit geleefd. Vondel leeft althans op dit oogenblik niet in het hart der Neder-landsche natie.quot;

-ocr page 22-

Dit was in 1867. Zijn we twintig jaren later wel een schrede geklommen op de trap onzer bewondering voor Vondel?

Was het impopulariteit van Vondel of waren het de ledige stoelen die de geestdrift, die bij dergelijke voorstelling behoort, schenen verjaagd te hebben?

Wij hopen voor de nog te geven feesten dat dit laatste het geval zij.

HET NIEUWS VAN DEN DAG, van Maandag 14 November 1887 (Vierde Blad).

De Rederijkerskamer Joost van den Vondel heeft gisteravond in den Stads-Schouwburg de feest-uitvoering gegeven, waarvan wij in een vorig nummer het programma reeds in eenige bijzonderheden hebben medegedeeld. Aan verscheidenheid ontbrak het niet; er was zelfs eerder te veel dan te weinig, want hoewel een der nummers door ongesteldheid van Mejuffrouw Roos moest wegblijven, duurde het tot bij half-een voordat alles was afgeloopen.

De geheele avond droeg bepaaldelijk het karakter eener hulde aan Vondel als lyrisch dichter, al werd alles op het tooneel voorgedragen. Het zou te veel ruimte eischen wanneer wij al die voordrachten in bijzonderheden wilden bespreken, en het zou zelfs tot onbescheidenheid kunnen verlokken tegenover de heeren en dames, die zich bescheidenlijk zonder naam voor het voetlicht vertoonden. Een eigenaardig genoegen was het van den Heer Moor het verhaal van den Bode uit Gijsbrechi te hooren; niet dat wij het gaarne altijd op deze wijze zouden zien en hooren, doch de zeer uitvoerig schilderende voordracht van dezen kunstenaar heeft ontegenzeggelijk het voordeel, dat men vele bijzonderheden nauwkeuriger opmerkt en waardeert dan bij de meer moderne wijze van voordragen het geval is. Mevr. Ellenberger oogstte veel toejuiching met de rei „Waar werdt opreghter trouquot;.

Met ingenomenheid hoorden wij van Mejuffrouw A. Roclofsen (leerlinge der tooneelschool) hare twee eerste voordrachten, de „Vertroostinge aen Geraerd Vossiusquot; en de „Uitvaert van mijn dochterkenquot;, welke beide door deze jongedame met grooten ernst en innigheid werden weêrgegeven. Inzonderheid het tweede maakte veel indruk. Zoowel stem als houding waren hier te prijzen.

De Feestrede van Dr. J. te Winkel heeft ons slechts matigjes in verrukking kunnen brengen, niettegenstaande de spreker ongetwijfeld geheel doordrongen was van het gewicht van zijn onderwerp en hij door het aanhalen van eene menigte schoone en karakteristieke plaatsen uit Vondel zijne hoorders tot bewondering wilde opwekken. Zijne redevoering behandelde hoofdzakelijk Vondel als vaderlander, gelijk hij zich doet kennen in de vele gedichten, door hem aan vaderlandsche onderwerpen gewijd. Nieuwe en verrassende gezichtspunten hebben wij echter in deze rede niet kunnen ontdekken; wellicht is dit dus de verklaring onzer teleurstelling.

De avond werd besloten met de vertooning van Alberdingk Thijm\'s De Zegepraal der Schoonheid. Velen zullen zich waarschijnlijk nog wel de eerste voorstellingen daarvan herinneren, toen in Februari 1879 Van Ollefen als Vondel, Mevr. De Vries als Tesselschade, Mevr. Albregt als de oude Brechie, Mej. C. Poolman als Baertjen Hooft, Albregt als Cootbergen optraden. Dat deze herinneringen door de ijverige dilettanten, die gisteravond het stukje met veel opgewektheid speelden, niet zouden weggedrongen worden, was eigenlijk wel vooruit te voorspellen, toch verdient b.v. het natuurlijke spel van degenen die als de jonge Joost, als Brechie en als Baertjen optraden, wel eenigen lof en aanmoediging. In het algemeen was de voorstelling van het blijspel verdienstelijk genoeg, om de aangename teekening van bekende karakters en toestanden nog eens rustig te genieten. In elk geval mag men het waardeeren, dat de Rederijkerskamer deze gelegenheid heeft aangegrepen, om nog eens de kennismaking te doen hernieuwen met een gelegenheidsstukje, dat een langer bestaan verdient dan vele andere van dien aard.

-ocr page 23-

SE AMSTERDAMMER, DAGBLAD VOOR NEDERLAND,

van Zondag 13 en Maandag 14 November 1887 (Bladz. 11).

Joost van den Vondel. Ter viering van den 300 en verjaardag van Vondel\'s geboortedag werd gister door de Rederijkers-kamer, die zijn naam draagt, in den Stadsschouwburg, met medewerking van vele artisten, een feestavond gegeven.

Dr. Jan te Winkel van Groningen herdacht bij de opening Vondel als burger en als den grootsten dichter van Nederland. Hoewel vreemdeling van afkomst, was hij bij uitnemendheid Nederlander, hetgeen steeds in zijn werk doorstraalt.

De belangstelling van Vondel in de publieke zaak was groot, dit blijkt uit zijn talrijke gedichten. Bijzonder groot was zijn ingenomenheid met prins Frederik Hendrick, terwijl de gewelddadige dood van Oldenbarneveldt steeds zijn grootsten grief was tegen prins Maurits.

Aan het slot van zijn rede wees de spreker op de vele gedichten, waarin Vondel zijn geliefd Amsterdam heeft bezongen, en hij eindigde met eenige regels uit het gedicht „O Poëziequot; van prof. J. A. Alberdingk Thijm, waarvan de laatste zijn :

„O Poëzie, gezegend Engelenbeeld,

„Zoolang gij leeft, is d\'aarde niet misdeeld!quot;

Nadat het parkorkest een Fantaisie had gespeeld, droegen de heeren H..., mej. B... en Marie M. Kreukniet successievelijk „De Rhijnstroomquot; van Vondel, „Vondelquot; van dr. Schaepman, en een fragment uit „Vondel gekroondquot; van W. J. Hofdijk voor. Laatstgenoemde dame sierde de buste van Vondel met een lauwerkrans, onder de fanfares van het orkest.

De heeren Jahn-Defossez, v. d. Kerckh.oven, Orelio en Schmier van het Holl. Opera-Gezelschap, zongen prachtig het quartet voor mannenstemmen „Wiltzanghquot;, woorden van Joost van Vondel, muziek van Joh. J. H. Verhulst.

Het verhaal van de bode uit Gijsbrecht van Aemstel werd door den heer L. B.J. Moor met zijn eigenaardig talent voorgedragen, terwijl mevr. Ellen berger met het reciet van de Zwarte Rey uit Gijsbrecht mede zeer veel succes verwierf.

Een schitterend pleidooi voor het goede onderwijs aan de Tooneelschool hield mej. A. Roelofsen toen zij de Vertroostinge, „uitvaert van mijn dochterkenquot; en De Zeeleeuw op den Teems van Vondel voordroeg. Er was gloed en leven in haar voordracht.

Mej. Juliette Roos en Augustina Poolman waren zeer verdienstelijk in haar voordracht van de „Reij van Engelenquot;, van de „Witte Reijquot;, beide uit „Gijsbrechtquot;, en van het bekende „Princeliedquot; van Vondel.

Eindelijk werd opgevoerd en wel met veel succes „De zegepraal der Schoonheidquot; blijspel in één bedrijf door J. A. Alberdingk Thijm. Decoratief, costumes en tooneelschikking waren met zeer veel zorg gekozen.

Ten slotte bracht mevrouw Culp-Kiehl „O Poëziequot; ten gehoore, waarvan de muziek door Verhulst is gecomponeerd. Ook zij werd luide toegejuicht.

Wat de opvoering betreft had deze avond dus wel succes. Jammer was het echter dat het publiek zoo slecht was opgekomen. De burgemeester woonde een gedeelte van de voorstelling bij.

Dinsdag 16 November 1887. (Bladz. 3.)

In ons verslag van den Vondelavond door de Rederijkerskamer Joost van den Vondel georganiseerd, leest men, dat eene dame het borstbeeld van den dichter met een krans gesierd heeft. Dit deed er de heer Marie M. Kreukniet.

Ook heeft Mej. Roos de Witte Rey uit Gijsbreght niet voorgedragen, en trad in de Rey van Engelen uit de Lucifer Mej. Roelofsen, hoewel onvoorbereid, op.

De burgemeester wenschte aan het einde van het feest het Bestuur der Rederijkerskamer geluk met den welgeslaagden avond.

-ocr page 24-

MXEUWE ROTTEBDAMSCHB COURANT, van Zaterdag 12 Kovember 1887. (Derde blad.)

LETTEREN EN KUNST.

Men meldt ons uit Amsterdam;

Heden avond werd ter viering van de 300ste verjaring van Joost van den Vondel\'s geboorte, in den stadsschouwburg eene feestvoorstelling gegeven. De opbrengst dient als eerste bijdrage in het benoodigde voor den bouw van eene monumentale bank, gewijd aan de nagedachtenis van den dichter, en te plaatsen in het Vondelpark bij zijn standbeeld. De voorstelling, die onder het patronaat staat van een eere-comité met mr. G. van Tienhoven als voorzitter, was ingericht door de rederijkerskamer Joost van den Vondel, wier werkende leden dan ook de uitvoering, van verscheidene op het programma voorkomende nommers op zich hadden genomen. Verder werkten welwillend mede de heer Moor, artisten van het Salan des Variétés, van de Hollandsche Opera, van het Grand Théamp;tre van Lier, kweekelingen der Tooneelschool, en/,.

Het programma van den feestavond kenmerkte zich door groote verscheidenheid. Door verschillende artisten, o. a. mevr. Ellenberger, mej. Roos, mej. A. Poolman, mej. Roelofsen (leerlinge der Tooneelschool) en door eenige leden der Kamer zelve werden voorgedragen: Dc Rhijn-stroom, Vertroostinge aan Gerard Vossius, Uitvaert van mijn dochter ken. De Zeeleeuw op den Teems, t Prince-lied, alsmede twee reien uit den Gijsbrecht en de rei uit het ie bedrijf van Lucifer, ter

wijl de heer Moor het Verhaal van den bode uit Gijsbrecht ten gehoore bracht. Voorts kwamen op het programma voor: het gedicht Vondel van Schaepman, en een gedeelte uit Vondel gekroond van Hofdijk.

Voor het muzikale gedeelte was gekozen Wiltzangh, van Vondel, quartet voor mannenstemmen, uitgevoerd door de heeren Jalm-Desfosez, Van de Kerckhoven, Orelio en Schmier, en een lied van Alberdingk Thijm, eveneens muziek van Verhulst, voor te dragen door mevr. Culp-Kiehl.

De avond werd besloten met de voorstelling van het tooneelspel De Zegepraal der Schoonheid, in 1879 door prof. Alberdingk Thijm geschreven ter gelegenheid van de Vondelherdenking in Februari van dat jaar. In de pauze was in den foyer een afdruk te zien van Vondel\'s gedicht Op een gekleurd wassen beeld, hetwelk het hoofdmoment vormt van het hiergenoemde tooneelstuk. De opvoering geschiedde door leden der Kamer Joost van den Vondel.

Na eene ouverture van het orkest, rees ten kwart voor achten het doek en trad de heer dr. Jan te Wi nkel uit Groningen naar voren, om ter inleiding van den avond eene feestrede te houden.

Hij ving aan met de verklaring, dat, wie Vondel verheerlijken wil, zich wel door den rijkdom der stof in verlegenheid moet gebracht zien. Slechts een enkel onderdeel van het rijke onderwerp zou hij behandelen, namelijk het nationaal karakter van Vondel\'s poëzie.

Antwerpenaar van afkomst, Keulenaar van geboorte, en steeds vervuld van liefde voor het land zijner vaderen en de plaats waar hij het levenslicht zag, was Vondel toch in merg en been Nederlander. Dat blijkt vooreerst uit zijne karaktertrekken, stoerheid en onverzettelijkheid, werklust, vrijheidsliefde en belangstelling in de openbare zaken. Dat blijkt ook uit zijne vereering van de klassieke oudheid, die hem opvoedde voor dat edel en gezond realisme, dat langs de ladder der werkelijkheid langzaam, maar veilig opstijgt tot de hoogste sferen: een realisme dat de Neder-landsche letterkunde ook over het algemeen kenmerkt. Dat blijkt ook uit zijn dorst naar kennis, en zijne overtuiging, dat in de poëzie de schoone vorm niets beteekent zonder belangwekkende gedachte. Vondel\'s liefde tot zijn land komt ook vooral uit in de belangstelling waarmede hij alles gadesloeg, en bezong wat er in het land voorviel, als het ook maar. van eenige beteekenis was. Zijne gedichten, in chronologische volgorde geplaatst, leveren eene dichterlijke geschiedenis van ons land gedurende zestig jaren van roem en welvaart.

Hij verheerlijkte den vrijheidskamp tegen Spanje in zijn eerste treurspel, en waarschuwde ook daar reeds tegen verdeeldheid, die gedurende het Bestand de republiek zoo jammerlijk zou verscheuren. Op den dood van Oldenbarnevelt heeft hij zoovele hatelijke, maar ook vele harte-

-ocr page 25-

lijke gedichten geschreven, omdat hij in dien grij/en staatsman de vrijheid en de welvaart van zijn land vermoord achtte.

Door Frederik Hendrik in tal van lofdichten te bezingen, waarin hij dien krijgsman van stap tot stap bij zijne overwinningen volgde, toonde hij zich echter een hartelijk vriend van het doorluchtig stamhuis, onder welks Oranjeboom hij het zalig vond te schuilen.

Terwijl Vondel met geestdrift de krijgsdaden bezong, jubelde hij echter nog luider bij het sluiten van den Munsterschen vrede, en ofschoon hij ook later aan iederen grooten zeeslag, aan iederen wakkeren zeeheld een loflied wijdde, toch beschouwde hij het krijgsgeluk alleen als middel om vrede, en daarmee rust en welvaart te verwerven. Zoo vooral toonde hij zich een waar vriend van zijn vaderland. Naast kunsten en wetenschappen stonden handel en scheepvaart hoog bij hem aangeschreven. Geen onzer dichters, die zoo met hart en ziel den lof der zeevaart zong.

Daarom was hij ook zoo door en door Amsterdammer. Dat komt op menige bladzijde zijner dichtwerken uit, hetzij hij aan de ontdekkingstochten der Amsterdammers herinnerde, hetzij hij den luister der Amsterdamsche grachten prees als de vrucht van handel en scheepvaart.

Vooral bij den bouw van het nieuwe stadhuis raakte hij in verrukking, en levendig is de schildering die hij van het beursgewoel gaf.

Ook als beschermster van kunsten en wetenschappen, als patrones der vrijheid en steun-pilaar van den Staat achtte hij Amsterdam hoog, en tot liefde voor die stad wekte hij door zijne gedichten op.

Amsterdam heeft hem die liefde vergolden, vooral ook in onze eeuw door herhaalde huldebetooningen. Twintig jaar geleden was geheel Amsterdam in feesttooi bij de onthulling van Vondel\'s standbeeld, en ook weer ditmaal, bij de herdenking van den driehonderdsten verjaardag zijner geboorte, wordt er feest voor hem gevierd; wel niet zoo openlijk als toen, maar toch met niet minder toewijding.

Die toewijding, zoo eindigde spreker, toonde hoe hoog men te Amsterdam nog steeds Vondel vereert, en in Vondel de Nederlandsche dichtkunst!

De rede, waarvan de indruk door verschillende gelukkig gekozen proeven van Vondel\'s dichttalent werd verlevendigd, vond een zeer belangstellend gehoor.

Daar mej. Roos verhinderd was op te treden, vielen hare nummers weg. Men zou wèl gehandeld hebben door in het programma buitendien nog te bekorten, met name in het reciet van den Rijnstroom en Schaepman\'s Vondel. Met dit voorbehoud, dat de voorstelling te lang duurde, mag getuigd worden, dat zij behoorlijk van stapel liep.

Of de bijdrage voor de Vondelbank bijster groot zal zijn, valt te betwijfelen. De zaal was slechts matig bezet.

DE MAASBODE, van Zondag 13 November 1887.

VIERING VAN DEN joosten VERJAARDAG VAN JOOST VAN DEN VONDEL\'S

GEBOORTE TE AMSTERDAM,

Waarschijnlijk was het aan den ontwikkelden Amsterdammer onbekend, dat op Vrijdag ii November des avonds te half acht uur in den Stadsschouwburg de inleiding der Vondelsfeesten zou plaats hebben.

Waarschijnlijk,... want in schreeuwende kleuren verkondigden de kennisgevingen op de hoeken der straten reeds sedert een aantal dagen, dat de rederijkerskamer „Joost van den Vondelquot; dien avond had uitgekozen, om den liefhebbers van kunst en letteren een feest te bereiden.

De verwachting van de leden dier kamer, die geen moeite noch kosten ontzien hadden, is bitter, is beleedigend teleurgesteld. Een programma met de meeste zorg samengesteld, en dat veel en waar genoegen beloofde, was niet in staat (zelfs niet toen de pers bereidvaardig ter

-ocr page 26-

verspreiding meehielp), om op dezen avond de immer over kunst krakeelende hoofdstadbewoners naar het Leidscheplein te lokken.

Nu — de afwezigen hadden ongelijk. Ongelijk, omdat zij door zulke onverschilligheid den niet-Amsterdammers het volste recht gegeven hebben hun met een ergje te hooren toevoegen, wat Beets voor jaren reeds deed, over Vondel sprekende:

Zijn hooggevierden naam naar namen te vernoemen.

Die de oudheid grootst en roemrijkst had,

Gebuur en vreemdling met zijn lofspraak doof te roemen.

Ja, alle dagen hoort men dat! —

Maar hem te lezen, hem te kennen, hem te smaken.

Ziedaar wat schaars is.---

Beets had toen reeds gelijk en heeft het nog, want de schouwburg was bijna ledig op het derde eeuwfeest van Joost van den Vondel\'s geboorte.

Toch sprak daar niemand minder dan dr. Jan Te Winkel de feestrede uit, en had de hooggel. heer Alberdingk Thijm het eere-voorzitterschap der Kamer aanvaard. Misschien dacht de kunstminnende Amsterdammer, dat dit hem niet voldoen zou; maar. het programma wees toch de beste krachten aan van het Hollandsch tooneel en van de Hollandsche opera.

Enfin, de winter is nog lang, en als men uitgerust is van de vermoeienis der Mikadooperette, moet men zich voorbereiden tot de verheven genoegens van Carré.

In een beknopte rede schetste de feestredenaar Vondel hoofdzakelijk als Nederlander en Amsterdammer, wiens gedichten immer getuigenis afleggen, dat hem het wel en wee van ons Gemeenebest zoo innig ter harte ging. Klaar en vloeiend sprak dr. Te Winkel en sleepte zijn gehoor in die voordracht mede, die van sprekers innige liefde voor den dichtervorst getuigde, en menig brokstuk uit Vondel\'s gedichten kreeg in dat schoon stuk proza eene plaats.

De voordrachten uit en over Vondel door de leden der kamer kenmerkten zich door zuiverheid van uitspraak en juiste dictie.

Het kwartet „Wiltzangquot; zong de muziek van Verhulst onberispelijk zuiver; de vier heeren van het opera-gezelschap genoten den grootsten bijval.

Natuurlijk voldeden de artisten in de reien uit „Luciferquot; en „Gijsbrecht van Amstelquot; •uitmuntend, en toonden de leerlingen van de tooneelschool, dat in deze inrichting, ondanks de lauwheid der Amsterdammers voor de historie hunner stad en voor zijn grootsten zoon, nog met ijver gewerkt wordt om de oude schoone taal te leeren liefhebben.

Het blijspel van prof. Alberdingk: „De zegepraal der schoonheidquot;, besloot als een waardig slot dezen genotvollen avond, waarvoor hem, den vurigen bewonderaar van Vondel, en den leden der rederijkerskamer een woord van hartelijken dank ten volle toekomt.

Het moet voor de heeren, die dit feest hebben aangericht, ondanks de afwezigheid van zoovelen, die zij daar met recht durfden verwachten, aangenaam geweest zijn het hoofd dezer gemeente in zijne loge te hebben opgemerkt, en ook de tegenwoordigheid van de heeren Boelen en Hofdijk zal hun niet ontgaan zijn.

Donderdag 17 November 1887.

In ons verslag over de feestviering van de rederijkerskamer „Joost Van den Vondelquot; te Amsterdam, stond dat de heer Alberdingk Thijm het eere-voorzitterschap dier Kamer had aanvaard. Dit was niet juist. De heer Thijm was lid der eere-commissie, terwijl de heer burgemeester Van Tienhoven voorzitter dier commissie was. V/ij kunnen hier nog bijvoegen, dat de laatste na den afloop zijne tevredenheid aan het bestuur te kennen gaf en het gelukwenschte met den zoo goed geslaagden feestavond.

-ocr page 27-

HET VADERLAND, van Dinsdag 15 November 1887 (Eerste Blad).

VONDELFEESTEN TE AMSTERDAM.

(Van onzen particulieren correspondent^)

„Zoo zijt gij, Schoonheid! Als de citherslag Van Vondel rondklinkt over veld en steden,

Dan wijkt de nacht.quot; —

Deze woorden uit Alberdingk Thym\'s gedicht: „O Poëziequot;! — bij de viering van Joost Van den Vondels geboortefeest \'door de rederijkerskamer die zijn naam draagt, tot tweemalen toe (in den aanvang door den feestredenaar, aan \'t slot door mevr. Culp—Kiehl) gezegd en gezongen, deze woorden hebben zeker ook tot lens gestrekt aan den samensteller van \'t programma dezer feestviering. Althans hij zag er geen bezwaar in \'t programma zoo te overladen, dat de uitvoering ons bezighield tot half één, wat zelfs bij ons, laat-opblijvende Amsterdammers, een nachtlijk uur is 1 Toch is die nacht gekomen. Is het misschien omdat wij Vondels citherslag wezenlijk niet gehoord hebben? Ik zou het bijna willen beweren, als ik niet vreesde onbillijk te worden jegens de dames en heeren, die het onmiskenbaar goed meenen! Maar o die onhandige vrienden! Een dichter te willen eeren door verzen van hem te gaan voordragen, die — hoe dichterlijk ook — zich echter voor de voordracht volstrekt niet leenen! Wat men voor een publiek wil komen zeggen, moet zeer zeker aanstonds verstaanbaar zijn; meet dus ingekleed wezen, dat door den vorm heen de gedachte gemakkelijk doordringt tot den toehoorder. Maar lees Vondels Rijnstroom —- een zijner voortreffelijkste gedichten zeker; — zijn Zeeleeuw op den Theems — Schaepman\'s Vondel — en vraag u af of deze gedichten, onverkort voorgedragen, zelfs vlekkeloos, zelfs zonder eenige tekortkomingen, bij de voordracht k u n n e n genoten worden. Na de proeven van hedenavond zeg ik onbewimpeld; neen! \'t Is jammer dat men dit niet gevoeld heeft, en, zoo men al deze gedichten wilde doen voordragen, vooral de twee eerste niet bekort heeft. Men had er zich zelf, den toehoorder en vooral den dichter, die men wilde huldigen, mede gebaat. En ik geloof ook niet dat de heer Hofdijk het kwalijk genomen zou hebben, als men \'t fragment uit zijn Vondel gekroond had weg gelaten. Daar is een soort van hoogdravende poëzie qui ne passé pas la r a m p e, gelijk Sarcey zou zeggen.

Doch ik moet, om te beginnen met het begin, u eerst nog mededeelen, dat dr. Jan Te Winkel de Feestrede uitsprak. Er was in zijn schildering van Vondels deelneming in het lot van \'t Vaderland en van Amsterdam veel wat ons de rustelooze werkzaamheid en open gemeenschapszin des dichters deed kennen, en \'t eenige, wat ik aan te merken heb, is dat \'t meer een lezing dan een feestrede was, bruischend als champagne, opwekkend als deze, in staat den toehoorder te doordringen van de bewondering ,en liefde welke de spreker zelf voor den held van \'t feest gevoelt. Een taak zeker niet gemakkelijk en waartoe slechts weinigen bekwaam zijn.

Doch ik ben mooi op weg, te gaan zondigen tegen het beginsel, door denzelfden spreker in zijn congresrede over de critiek verkondigd, nl. dat zij vooral het schoone moet aanwijzen. Ik ga dus aan het zoeken, en vind het quartet door vier leden van ons Hollandsch Opera-gezelschap: de heeren Jahn-Desfossez, v. d. Kerckhoven, Orelio en Schmier met veel schakeering en gevoel gezongen. \'Alleen kon ik mij er maar niet mee vereenigen, dat de heer Verhulst in deze toonzetting van Vondel\'s Wiltzang zoo weinig recht heeft gedaan aan den eenvoud, de naïeveteit, de zangerigheid van dit gedicht. Onwillekeurig herinnerde ik mij onzen jongsten congresavond, met de voordracht van den heer Paul Fredericq, die ons toen de oude naive volksdeuntjes zoo eenvoudig en losjes voorkweelde. Me dunkt, die eerste regels:

Wat zong het vrolijck vogelkijn,

Dat in den boomgaert zat!

Hoe heerlijck blinckt de zonneschijn Van rijekdom en van schat!

-ocr page 28-

Hoe ruischt de koelte in \'t eicken hout,

En versch gesproten lof!

Hoe straelt de boterbloem als gout!

Wat heeft die wiltzangh stof!

ze klinken geheel als een volksliedje. Ze orgelen zich als van zelf, frisch en levendig, uit de keel eener jonge dame! Maar laat ze zingen door vier mannenstemmen, gecomponeerd volgens onze nieuwere muziekopvatting, en ge drukt den tekst dood door uwe muziek. Ik voor mij althans heb in deze voordracht al \'t geestige en tintelende gemist, \'twelk me in \'t gedicht aantrekt en \'twelk ik door de muziek versterkt had willen zien.

Ten deele is mij dit verlies vergoed door de gewone voordracht van de „Uitvaert van mijn Dochterkenquot; door mej. A. Roelofsen, kweekelinge der Toonelschool. Er lag hier, waar ze ons het spelen en stoeien van \'t kind beschreef, een goed gevoelde eenvoud in haar dictie, die ons deed hooren, dat zij \'t kind voor zich zag spelen. Dat zijn van die momenten, die men niet genoeg waardeeren kan, vooral waar de voordracht derzelfde jonge dame anders licht iets sleepends krijgt, gelijk in de bekende rei uit de Lucifer, door haar met.mej. Aug. Poolman gezegd. Maar ik mag niet vergeten, dat zij die taak eerst hedenavond, dus onvoorbereid, overnam van mej. Jul. Roos, die verhinderd was te komen. We hebben hierdoor de Witte R e y uit de Gijsbrecht gemist, die naast de Zwarte Rey had moeten volgen, welke mevr. Ellenberger zoo welwillend was te komen voordragen. Want dit ook was wel een weinig onoordeelkundig, dat men de hulp van te veel personen had ingeroepen en daardoor elk te weinig en te veel toch nog iets te doen kregen.

Doch de lengte van \'t programma zou ook mijn bericht schier te veel doen uitdijen en ik moet ioch nog een paar woorden zeggen over de vertooning van „De zegepraal der schoonheidquot;, \'t gelegenheidsstukje, in 1879 door prof. Thijm vervaardigd. Zij was verdienstelijk, vooral wat betreft de bijpersonen, nl. die Justus en Anna, den zoon en de dochter van Joost v. d. Vondel, alsmede Baertjen Hooft voorstelden. Gedachtig aan de vermaning van dr. J. Te Winkel, verzwijg ik, wat ik op anderen of op \'t stukje zou willen aanmerken, \'t Laatste zou zeker beter zijn geworden, als de schrijver \'t komen en gaan zijner personen meer gemotiveerd had. Als après-propos heeft \'t intusschen zijn bepaalde verdiensten, vooral in de teekening der personen, die met eenige trekken zijn aangegeven.

\'t Publiek, om hiermede onpartijdigheidshalve te besluiten, betoonde zich zeer dankbaar en juichte eiken optredende toe. Jammer slechts, dat \'t niet talrijker was; ook al kan ik in ge-moede niet verklaren, dat de afwezigen geheel en al ongelijk hadden, \'t Is te hopen, dat de les van dezen avond voor de heeren van „Joost v. d. Vondelquot; en hun mede-rederijkers niet onvruchtbaar zal blijken, en men voortaan wat korter zal pogen te wezen dan v ij f uur! Zulk een duur is doodend, ook voor \'t beste. En men moet van \'t goede zeker niet te veel geven.

Tïp. BAR amp; Go., Aksukdax.

■ry. S O 0 _

/

-ocr page 29-
-ocr page 30-
-ocr page 31-