-ocr page 1-
-ocr page 2-

j / ^ B. oct

3139

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

3/3^

TTOOmiEIDE.

Een kort woord vooraf over de inrichting van onze raakkunsi.

Wij mogen gerust zeggen, dat allen, die in Nederland liet taliaansch hestudeeren, reeds ééne of meer vreemdé talen nen, dus eenige taalkennis hehhen opgedaan. Wij hebben,, arom in ons werk de analytische méthode gevolgd, dat zeggen: ivij hehhen eerst de voorheelden en daarna de re-Is gegeven. Dit heeft, meenen zvij, het voordeel, dat men voorheelden aandachtiger zal beschouwen en met het Neder-ndsch of een andere taal zal vergelijken, loaardoor men et zelden den regel, in een voorbeeld nedergelegd, zelf zal nden, hetgeen steeds eert aangename en opwekkende gewaar-rding is. Echter zal men niet altijd den regel ontdekken, moge dan in zulk een geval onze toelichting duidelijk en kelijk bevonden worden/ Van de eerste les af hebben wij, owel in onze voorheelden ah in de oefeningen ter vertaling, ar dit eenigszins mogelijk was, zinnen en geen woorden even. Om de vertaling dier zinnen mogelijk te maken, bben wij terstond na iedere les — indien deze niet te uit-reid icas — achtereenvolgens een tijd van de hulpwerk-orden avere en essere gegeven. Dit heeft daarenboven nog

BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT U T R E C H T.

-ocr page 6-

VOOREBDE.

het voordeel, dat vim die luerhwoorden ongevoelig leert kennen en ze onder de knie heeft, rcanneer men tot de eigenlijke studie der werkwoorden — in iedere taal het moeilijkste gedeelte — genaderd is, waardoor een groot deel dier moeielijk-heid opgeheven wordt.

Wij hebben verder in ons werk de gesloten e en o met een accent aigu (\') en de open, amp; en o met een accent circonflexe C) geteekend, hetgeen zooivcl voor hen die een meester als voor hen die er geen hebben een groot bezwaar wegneemt. Bij herhaaldelijk voorkomende woorden, hebben ivij dit echter niet altijd gedaan. Eveneens hebben wij den klemtoon door een accent aign aemgegeven. Men heeft in het Italiaansch slechts \'e\'en orthographisch accent, het accent grave (v), en dit plaatst men op de laatste lettergreep van een tooord, indien deze den klemtoon heeft. Die woorden zijn echter niet talrijk. Het zijn afgeknotte woorden (parole tronche) zooals virtü, bonta enz. Van deze woorden is de laatste lettergreep de 0/ tg weggevallen; vroeger schreef men bontade of bontate, virtude of virtute. Een groot bezrvaar leveren echter alle andere woorden op voor hem die geen oude talen kent, en van hoeveel belang het is den klemtoon juist te plaatsen, hebben wij reeds aangetoond in onze „Alcune Difficolta della Lingua Italianaquot; m 1887 bij den heer W. Cremer te \'sHage uitgegeven, door te doen zien hoe hetzelfde woord verschillende beteekenissen krijgt, naarmate de klemtoon op de eene of de andere lettergreep valt.

Verreweg de meeste woorden hebben het accmt op de voor

IV

-ocr page 7-

VOORREDE.

■laatste lettergreep (parole piane); doch hij een zeer groot aan-\\tal is dit niet het geval, en bij al deze hebben ivij in 07is \\werk den klemtoon door het accent aigu aangegeven. Mm \\ bedenke echten* steeds, dat alleen het accent grave tot de orthographic behoort.

Door ondervinding toeten wij, dat er velen in ons land Italiacinsch bestudeeren, zonder in de gelegenheid te zijn les te kunnen krijgen. Dit is te betreuren, omdat het levend woord van den meester — vooral voor de uitspraak — eene voorname zaak is. Wij hebben, bij het schrijven van ons werk, het oog op hen gehouden en getracht zoo duidelijk mogelijk te zijn, en om hun den moeielijken arbeid: van zonder hulp eene vreemde taal te bestudeeren eenigszins te vergemakkelijken, hebben tvij bij den uitgever dezer Spraakkunst, een „Sleutel1\' verkrijgbaar gesteld, waarin wij al de oefeningen in het Italiaansch vertaald hebben, zoodat zij hunne vertalingen daarmede kunnen vergelijken.

Wij hebben aan het einde van ons boek eene verzameling van stukken gegeven in verschillenden stijl van beroemde schrijvers, die voor hen, welke de Spraakkunst doorgewerkt hebben, niet te moeielijk zullen bevonden worden, en die kunnen dienen als inleiding tot het lezen van iedefr Italiaansch prozawerk. Dindelijk hebben wij ons bock besloten met een alphabe-tische woordenlijst ter raadpleging bij de vertaling der opstellen.

Nu rest ons niets meer dan ons werk eene goede ontvangst toe te wenschen en te hopen, dat het even gunstig zal beoordeeld worden als onze in den loop van het vorige

V

-ocr page 8-

VI

VOORREDE.

jaar verschenen .Alm» Difficote della Lingua Italian.quot; Wij hebben UI zoo goed gemmU ah lt;m ■mogehjk was. Hoe gaarM Wm wi, iel* volnaakts gewerd Men / Maar dat kunnen we « emmxal «iei, m hiervan mertv.Vd. ver™ m mj beleefd allen deskuadigen «« hunne op- oj aan^rhngm

viel te willen, ontKouden, »» - ^ ^

voordeel mede te kunnen dom.

H. J. WANSINK.

\'s Gravcnhage, Augustus 1888.

-ocr page 9-

Vooraf verbetere men de volgende

ERRATA:

lz. 15

regel 3

v. o. staat

pi-

lees

: pia-

anure,

nure.

27

„ 4

„ b.

en a le,

It

en in den 3en n;iamv. a le.

38

„ 5

„ 0.

»

assiómo.

assióma.

55

„ 11

„ b.

capolavóre,

»

capolavóro.

73

6

„ 0.

Jilglia,

))

figlia.

91

2

„ 0.

n

agreabile,

aggradévole.

93

„ 16

b.

f)

ottantótta,

))

ottantótto.

93

„ 4

„ 0.

))

mihone,

»

milióne.

100

„ 8

„ 0. 2e

kol. staat: dél

V

dar.

118

„ 5

„ o. staat

: procurer 6,

))

procarerd.

149

14

„ b,

))

ave,

óve.

216

4

,, o. 2e

kol. staat: statesiimaii,lees: statdstimati.

249

„ 1

„ o. staat

speler,

lees:

spelen.

251

„ 6

„ b.

1)

lager.

M

lagen.

275

„ 14

b.

H

anterior e.

antcriöre.

275

„ 7

„ 0.

Karei XII,

))

Gustaaf Adolf.

314

„ 1

„ b.

))

hannire.

)1

handire.

317

„ 14

„ 0.

))

morrirémo.

ft

morirémo.

329

» 6

„ b.

))

compiërano,

tt

Gompihrono.

-ocr page 10-

Vm RRIlArrA-

Bl.z. 371 regel 13 v.o. staat: ripüutamente, lees: ripehtamcnte.

400 „ 9 „ b. „ zestien, » zes-

dai ócchi, „ da9li 6gc1ix-

] g 1;,^ ^ rimèttersi a, „ rirnéüersi a stu

diare.

16 ^b. „ Amstellodamo,,, Amstclodamo.

pollzia, „ polizia.

„ etd.

diocêsi, ii diócesi.

arr olato, n arrotato.

404 „ 2 „ o. 446

455

456 „ 5 „ o.

466 „ 14 „ o. „ eta

468 „ U „ o.

486 „ 20 „ o.

-ocr page 11-

OVER DE UITSPRAAK.

§ 1. Het Italiaanse li alphabet heeft de volgende 21 letters: , b, c, d, e, f, g, h, 1, m, n, o, p, a, bi, tsji, di, e, èffe, elzji, acca,t èlle, èmme, énne, o, pi, q, r, s, t, u, v, z.

koe, èrre, èsse, ti, oe, voe, dzéta.

De j, die aan het einde van een woord voor twee i\'s quot;staat, wordt tegenwoordig weinig meer gebezigd.

De k, w, x en y, benevens de letterverbindingen ph, th, bs, ps, pt en et worden in het Italiaansch niet gebruikt.

§ 2. De a klinkt evenals in het Nederlandsch, lang op het einde van een woord of lettergreep, kort in alle overige gevallen. Zij is lang in padre (vader), kort in ar co (boog) en ook aan het einde van die woorden, waar zij met een accent grave (N) geteekend is, b.\'v. : bontd (goedheid).

§ 3. De b klinkt als in het Nederlandsch.

§ 4. De c voor a, o, u of een medeklinker, klinkt als de Nederlandsche k, b. v.: caro (dierbaar), coda (staart), cura (zorg), credo (ik geloof). Voor e of i klinkt zij als de c h

ITAUAANSCHE TAAL. 1

-ocr page 12-

2 Over de Gesloten en Open e.

in het Engelsche woord chin of als het Nederlandsche tsj, zooals dit gehoord wordt in het woord koetsje, b. v. cedro (ceder) lees: tsjêdro, cibo (voedsel) lees: tsjibo.

§ 5. Oh luidt als de Nederlandsche k, b. v. chi, che, lees: ki, ké.

§ 6. D luidt evenals in het Nederlandsch.

§ 7. De e heeft twee klanken: een p-esloten (e chiusa) als de Fransche é in het woord été, of als de e in het Holland-sche woord leven; een open (e aperta) als de Fransche ê in het woord fête, of als de e in het woord wereld, zooals velen dit woord uitspreken. Zij is lang aan het einde van een woord of lettergreep, en heeft dan een der twee genoemde klanken; kort in alle overige gevallen, en heeft dan

Ci 1 quot;

den gesloten klank als onze i in dit, licht, of den _open als in het Fransche woord dette, of het Hollandsche woord bed. Dat het van belang is liet onderscheid tusschen den gesloten en open klank van de e steeds in acht te nemen, kan blijken uit de volgende twee woorden. Spreekt men het woord mele uit met den gesloten klank als in ons woord leven, dan beteekent het appels; geeft men echter aan de e den open klank als in het Fransche woord féte, dan beteekent het h o n i g. Zoo beteekent pesca (lees : piska) met de gesloten korte e: vischvangst, en met de open e als in het Hollandsche bed (lees: peska): perzik.

De e is gesloten in de uitgangen: eggio, egno, mente, esco,

-ocr page 13-

Over de Gesloten en Open e. 3

etio, evole en ezzo, natuurlijk ook, wanneer in die uitgangen de mannelijke uitgang o door den vrouwelijken a vervangen wordt, zooals eggia enz.

Zij is alzoo gesloten in corteggio (stoet), lees: kortidzjo, sostegno (steun), lees: sostinjo, amaramente (bitter), lees: amaraminte, romanesco (roraaanscli), lees: romanisko, cassetta (kistje), lees: kassitta, colpevole (schuldig), lees: kolpévole, fermezza (vastheid), lees: fermitsa.

De e is open in de uitgangen: ello, ente, ere, ero, esso, enso en enzo, ook wanneer die uitgangen een a in plaats van een o aan het einde hebben. Zij is dus open in coltello (mes), lees: koltello, derde (tand), lees: den te, ma-riniere of marinier o (matroos), lees: mariniêre (fête), con-fesso (ik belijd), lees: konfesso, condenso (verdikt), lees: konden so, conosQenza (kennis), lees: konosjentsa. Behoort de e tot den stam van een woord, dan heeft men weinig stellige regels om te bepalen of de e gesloten of open is, en die weinige, die er zijn, liggen boven het bereik van de meeste beoefenaars. | Wij zullen daarom in ons werk de gesloten e teekenen met het Fransehe accent aigu (é), de open met het Fransehe accent circonflexe (ê); maar men bedenke wel, dat deze accenten niet tot de Italiaansche taal, niet tot de spelling van het woord behooren, en zij- door ons alleen ter aanwijzing van de uitspraak gebruikt worden. Wij zullen hier enkele alledaagsche woorden geven, die in betee-kenis verschillen, naarmate de e gesloten of open uitgesproken wordt.

Gesloten e. Open c.

Cera — was. Céra — gelaat, uitzicht.

-ocr page 14-

4 Lijst van Woorden in

Gesloten e.

Collétto — heuveltje.

Créta — k r ij t.

Dèi — van de (mann.

meerv.)

Détti — gezegden.

Léga — liij bindt.

Lègge — wet.

Léüo — bed.

Mcle — appel s.

Mésse — missen.

Mezzo — zeer rijp. Néi — in de (mann.

meerv.)

Péra — peer.

Pésca — vise h vangst. — u (2cle pers. enkel v.)

Tér na — vrees.

Véna — a d e r.

Vtnti — twintig.

Gesloten en Open e. Open c.

Collétto — verzameld.

Oréta — Creta (eiland).

T)n — goden.

Détti — ik gaf.

Léga — m ij 1.

Lég ge — li ij 1 e e s t.

Létto —• gelezen.

Méle — honig.

Mésse — oogst.

Mezzo — midden.

Néi — sproeten.

Péra, — dat hij omkome

Pésca — p e r z i k.

— thee.

Téma — thema, opstel.

Véna — haver.

Vémti — winde n.


§ 8. De f klinkt als in het Nederlandsch.

§ 9. De g heeft twee klanken : een harden voor a, o, u of voor een medeklinker; een zachten voor e en i. De harde klank komt overeen met dien van de Fransche g voor dezelfde letters. In het Hollandsch heeft men dien klank niet,

-ocr page 15-

Over de g, gh, gn, gli en h. 5

hij ligt tusschen k en g, b. v. gamba (been), gala (keel), gufo (uil), grande (grool;), in alle welke woorden de g uitgesproken wordt als in de Fransche woorden garde, grand.

De zachte klank voor e of i is die van de Engelsche g voor dezelfde letters, dus als de Fransche g voor e of i met den klank van d er voor, als het Hollandsche dzj, b. v. gêmma (edelgesteente), lees: dzjemma, giro (omtrek), lees: dzj iero.

Gh klinkt evenals de g voor a, o, u en een medeklinker, b. v. ghetto (jodenwijk), ghirlanda (guirlande), in welke woorden gh klinkt als de Fransche g in gargon. Gh kan alleen voor e of i voorkomen, omdat voor deze letters de g alleen als dzj klinken zou ; de h dient dus om aan de g den harden klank te geven.

Gn luidt als de Fransche gn in agneau of als de Hollandsche\'nj in franje, b. v. agnêllo (lam), lees: anjello.

Gli luidt, alleen of voor een klinker staande, als de Fransche 1 mouillée in fi 11e of als de Hollandsche Ij. Gli wordt dus uitgesproken Iji, ciglio (ooghaar) als tsjieljo. Volgt echter op gli een medeklinker, dan heeft de g den gewonen harden klank ; b. v. nealiaênza (verwaarloozing), lees: neglidzj entsa.

1§ 10. De h komt in het Italiaansch alleen voor in de rie personen enkelvoud en den derden persoon meervoud van den Tegenwoordigen Tijd der Aantoonende wijs van het werkwoord§ 10. De h komt in het Italiaansch alleen voor in de rie personen enkelvoud en den derden persoon meervoud van den Tegenwoordigen Tijd der Aantoonende wijs van het werkwoord avére (hebben), b. v.: (ik heb), hoi (gij hebt, enkelv.), ha. (hij heeft), lumno (zij hebben). De h wordt in deze woor-ien niet uitgesproken en dient alleen, om ten minste in het

I

|

-ocr page 16-

6 Over de i, j, k, 1, m en n.

schrijven een onderscheid te hebben tusschen hó (ik heb) en o (o ! een tusschenwerpsel), hai (gij hebt) en ai (aan de, mann. meerv.), (hij heeft) en a (aan, voorzetsel), hanno (zij hebben) en anno (jaar).

§ 11. De i klinkt steeds zooals de naam der letter is. Zij kan lang of kort zijn, naarmate zij aan het einde van een woord of lettergreep of tusschen twee of meer medeklinkers, tot dezelfde lettergreep behoorende, staat. In ieder geval echter klinkt zij óf als ie in het Hollandsche woord dier, öf als de i in het Duitsche woord Sinn, maar nooit als de i in het Hollandsche woord licht. Zij is lang in mira (doel), kort in mirio (mirt).

§ 12. De j wordt, zooals reeds gezegd werd, weinig meer gebruikt. Komt ze voor aan het begin van een woord, dan luidt ze als i; aan het einde van een woord, dan klinkt ze als ii of als twee i\'s.

§ 13. De k komt alleen in vreemde woorden voor en wordt dan evenals in het Nederlandse)i uitgesproken. De 1, m en n luiden ook evenals bij ons.

§ 14. De o heeft evenals de e twee klanken: men heeft namelijk de gesloten o (o chiuso) en de open o (o aperto). De gesloten o luidt, lang zijnde, alzoo aan het einde van een woord of lettergreep, als onze o in komen, eenigszins naaiden Hollandschen tweeklank oe zwemende, b. v. Horna, lees:

-ocr page 17-

Over de Gesloten en Open o.

rooma, eenigszins met een oe-klank, en kort, als onze o in kom, b. v. co/pa (schuld), lees: kolpa met de o als in kom. De open o (o aperto), lang zijnde, luidt als de Engelse!ie au in cause, of kort zijnde, als de o in het woord kop, b. v. popoio (volk), lees: pop oio met de eerste o als de verlengde o in kop of vork, sorte (lot) met de o als in dezelfde woorden.

De o is gesloten, in de uitgangen oio, one, ione, onte, ore en oso, b. v. rasoio (scheermes), mentone (kin), nazione (volk), orrizzonte (horizon), colore (kleur), ontoso (schandelijk).

Zij is open, in de uitgangen uolo, oio, olto, orio en or to, b. v.: oriuolo (horloge), fruüaiolo (fruitverkooper), giravolta (kringloop), oratoria (bidkamer), sconforto (moedeloosheid).

Behoort de o tot den stam eens woords, dan zijn er, evenals bi) de e opgemerkt werd, weinig vaste regels te geven, en die weinige vallen buiten het bereik van de meesten. Wij zullen daarom in dit werk ook de gesloten o teekenen met het Fransche accent aigu (ó) en de open o met het Fran-Iche accent circonflexe (6); doch men zij ook hier indachtig, dat beide accenten geene orthographische accenten zijn door ons alleen gebruikt worden om de uitspraak aan te wi; zen, en het van het hoogste belang is het onderscheid tui schen beide o s goed in acht te nemen, daar een woord, c; dezelfde wijze geschreven, vérschillende beteekenissen kan he ben, naarmate de o gesloten of open uitgesproken wordt, zo als uit het volgende lijstje van eenige dikwijls voorkomen woorden kan blijken.

Gesloten o. Open o.

Bótte — ton, vat. Bótte — slagen.

7

-ocr page 18-

.....

Lijst van Woorden met Gesloten en Open o.

8

- uur.

- spinrokken.

- struik.

- alleen.

- dwaas.

- gevoel; klok

slag.

- toren.

■ taart,

toscaansch. gemeen.

aangezicht, gelofte.

Gresloten o.

Cöllo — met de, den of Góllo het (mann. en-kelv.)

Cölto — beschaafd.

Corso — loop.

Gbsta — het kost.

Fóro — gat.

Löto — slijk.

Nóce — noot.

/

Ora Rócca

lil KJ o

iïólo

Stólto

Tócco

Tórre Tórta ■ Tósco -Vuig o -Vólto -Vóto -

Open o.

heuvel; hals.

geplukt. Corsikaan.

kust balie.

lotus (plant), (voor nuóce) hij benadeelt.

goud.

vesting, brandstapel, grond, afgekeerd.

stuk.

wegnemen.

gedraaid.

vergif.

ik draai.

gekeerd.

ledig.

Cólto — Córso — Cósta — FóroLóto — Nóce

Oro

Rócca

Itógo

/Sólo

Stólto

Tócco

Tórre ■ Tórta -

rjiA

1 osco -Vólg o -Vólto -Vóto


§15. De p luidt als in het Nederlandsch. § 16. De q komt alleen in verbinding met de u

voor en

-ocr page 19-

Over de p, q, r, s, sc, sch en t. 9

luidt dan als in het Nederlandsch kw, b. v. quattro (vier), quotidiano (dagelijks), qui (hier), lees: kwattro, kwoti-diano en kwi.

§ 17. De r klinkt als in het Nederlandsch.

§ 18. De s wordt als de Nederlandsche s uitgesproken. Staat zij echter tusschen twee klinkers, dan klinkt zij evenals de Fransche s in hetzelfde geval, zacht als de Nederlandsche z, b. v.: casa (huis), rósa (roos). Staat echter de s in eefi samengesteld woord tusschen twee klinkers, en is zij de beginletter van het tweede lid der samenstelling, dan blijft zij den scherpen klank behouden, b. v, risejitire (gevoelen), diségno (teekening), samengesteld uit de prefixen ri en di en de woorden sentire en segno. Ook in de woorden cósa (zaak) en cosl (aldus) klinkt de s bij uitzondering scherp.

Sc voor e of i klinkt als sj in het Nederlandsch, b. v. scélta (keus), lees: sjélta, sciórre (ontbinden), lees: sjórre; voor a, o, u en een medeklinker luidt sc als sk, b. v. scala (ladder), lees: skala, scoprire (ontdekken), lees: skopriere.

Sch klinkt altijd als sk in het Nederlandsch, b. v. schiavo (slaaf), lees: skiavo, schèrzd (scherts), lees: skértso.

§ 19. De t klinkt als in het Nederlandsch.

§ 20. De u klinkt steeds volop en sterk als de Neder-

-ocr page 20-

10 Over de u, v, w, x, y en z.

landsclie tweeklank oe, lang of kort, b. v. cura (zorg), lees: koera, husta (borstbeeld), lees: boe sta.

§ 21. De v luidt als in het Nederlandscb.

§ 22. De w, x en y komen alleen in vreemde woorden voor en luiden als in bet Nederlandsch; de y echter steeds met den i-klank, zooals die in § 11 aangegeven is.

§ 23. De z luidt bard als ts en zacht als dz. Stellige regels voor de uitspraak van deze letter kan men niet altijd geven; zeker is het echter dat de z hard klinkt:

1°. Na de letters 1, n of r, b. v. calza (kous), lees: kalt sa, stanza (kamer), lees: stantsa, marzo (Maart), lees: martso.

2°. In de woorden, die eindigen op zia, zio, zióne, b. v. grazia (genade), lees: graatsia, ózio (ledige tijd), lees: ootsio, nazióne (volk), lees: n a a t s i o n e.

3°. In de uitgangen azzo, Jjzzg, uzzo, ózzolo en uzzolo, b. v. hrunazzo (bruinachtig), lees: broenatso, foresózzo (stevige boerenjongen), lees: foresotso, hozzolo (buil), lees. bótso.o, odorüzzo (zwakke reuk), lees: odoroetso, uninuzzolo (klein stukje), lees: minoétsolo.

Merk wel op het onderscheid tusschen razza (ratsa) ras en razza (radza) = rogge (visch), (mitso) — overryji

en mezzo (mêdzo) =■ midden.

-ocr page 21-

Over de Twee- en Drieklanken.

TWEE- EN DRIEKLANKEN.

§ 1. Bij de tweeklanken wordt iedere klinker afzonderlijk itgesproken, en nu eens valt de klemtoon op den eersten, an weder op den tweeden klinker, b v. aere (lucht), lees: •ere, causa (oorzaak), lees: ka-oeza, paura (vrees), lees: a-óera, mai (ooit of nooit), lees: ma-i. Dij de tweeklan-511 ie en uo valt de klemtoon steeds op den tweeden klin-sr, b. v. ciêlo (hemel), lees: tsji-êlo, huóno (goed), lees: )e-óno. Somtijds hebben zij het accent niet en valt dit op ii andere lettergreep, b v ministêrio (ministerie), lees: mi-stê-rio. Bij de drie- en vierklanken, die slechts zelden orkomen, heeft gewoonlijk de tweede klinker den klemtoon, y. guai (wee), lees: goed-i, ghiaia (gruis, keizand), lees: ó-ia. Tn het woord oriuólo (horloge) valt de klemtoon op i derden klinker, dit wordt gelezen: o-ri-oe-ólo. De iker of klinkers in twee-, drie- en vierklanken, die niet klemtoon hebben, worden wel afzonderlijk, maar zoo vlug \'ehjk uitgesproken, zoodat zij als het ware met den hoofd-i tot ééne lettergreep samensmelten.

OVER DEN KLEMTOON.

1- Bij meerlettergrepige woorden kan de klemtoon val-op de laatste lettergreep. In dit geval wordt hij door het )graphisch accent grave aangewezen en heet het woord paróla trónca (afgeknot woord), b. v. hontd (goedheid), (deugd).

11

-ocr page 22-

Over den Klemtoon.

12

Hij kan vallen op de tweede lettergreep van achteren, en dan heet het woord eene paróla piana (effen woord), b. v. amdro (bitter); op de derde lettergreep van achteren, en dan heet het woord eene paróla sdriicdola (glijdend woord), b. v. timido (beschroomd), en op de vierde lettergreep van „aditereti, en dan heet het woord eene paróla hisdrüeeiola (dubbel glijdend woord), b. v. prédicano (zij preeken). Wanneer de klemtoon niet op de laatste lettergreep valt, wordt hij door geen accent aangewezen en alleen door de etymologie van het woord bepaald, en daar deze buiten het bereik van verreweg de meesten ligt, is het plaatsen van den klemtoon eene der grootste moeielijkheden, die de Italiaansche uitspraak aanbiedt. Om in deze moeielijkheid te gemoet te komen, zullen wij alle woorden, waarin de klemtoon niet op de tweede lettergreep van achteren valt, met een accent aigu (O teekenen. Wij, zullen derhalve schrijven fdcile (gemakkelijk), lürido (vaal, bleek). Evenals bij de gesloten en open e en o opgemerkt werd, zij men echter indachtig dat dit accent niet tot de spelling behoort en bij het schrijven van Ita-liaansch niet gebruikt mag worden. De woorden, waar het accent op de tweede lettergreep van achteren valt, de paróle piane, die verreweg de talrijkste zijn, zullen wij, om noode-looze accenten te vermijden, niet teekenen, tenzij dit geschiedt om de verscllillende e\'s en o\'s aan te duiden. Wij zullen dus schrijven campagna. (veld), ignudo (naakt), zonder den klemtoon aan te wijzen, omdat deze op de tweede lettergreep van achteren valt, maar wel zullen wij in accénto die letteigieep teekenen om aan te duiden, dat de e open is. De geteekende e of o hebben steeds den klemtoon; waar zij met geteekend

-ocr page 23-

Over het Afbreken der Woorden.

zijn, hebben zij dien niet en worden dan gesloten uitgesproken.

OVER HET AFBREKEN DER WOORDEN.

§ 1. Dubbele medeklinkers worden bij het afbreken gescheiden, b. v.: fatto (feit) wordt fat-to, hêllo (\'schoon) wordt bêl-lo. Wanneer van meer medeklinkers de eerste een f, 1, m, n of r is, dan behoort die tot de vorige en de andere medeklinker of medeklinkers tot de volgende lettergreep, b. v. alio (hoog) wordt afgebroken al-to, covipra (hij koopt) com-pra, enz.

Is de eerste der medeklinkers een s, dan behoort hij mede tot de volgende lettergreep, b. v. bmtóne (stok) wordt afgebroken ba-sto-ne.

Indien er elisie plaats heeft, dan breekt men af, als ware dit niet het geval, b. v. quêsto (deze of dit) wordt afgebroken quê-sto, dus quest\' op dezelfde manier quest\'.

WENKEN BIJ HET LEZEN. VAN ITALIAANSCH.

§ 1. Alle letters worden uitgesproken of doen ten minste dienst. Vindt men een dubbelen medeklinker in een woord, dan moet wel degelijk iedere gehoord worden. Lees men de woorden bêllo (schoon), tórre (toren), dan ruste men eenigs-zins op de eerste lettergreep, om de beide I\'s en r\'s duidelijk te kunnen laten hooren, b. v.: béd. . . lo, tor. . . re. Men moet sigenlijk deze woorden hooren uitspreken, om het juist te

13

-ocr page 24-

14 Wenken bij het Lezen van Italiaansch.

kunnen doen. In de verbindingen gua, gue, gul, qua, que en qui is de u niet als in het Fransch stom, raaar wordt ze uitgesproken en wel zoo vlug, dat die verbindingen alle gehoord worden als giua, give, giui, kwa, hiue en laui.

De woorden guêrra (oorlog), guida (gids), quattro (vier), worden dus gelezen g w ê r r a, g w i d a, k w a 11 r o en niet als de Fransche woorden guerre, guide, quatre. In de verbindingen cia, oio, ciu, gia, gio en gin wordt de i niet gehoord; toch doet ze dienst, want zonder de i zouden de c en g voor a, o en u den harden klank hebben. Zij dient derhalve om aan de beide letters den zachten klank te geven, en die verbindingen worden dus gelezen; tsja, tsjo, tsjoe, dzja, dzjo, dzjoe, b. v. acciaio (staal), lees: atsjaio, chiócdola (slak), lees: kiótsjola, acciuga (ansjovis), lees: atsjoega, giallo (geel), lees: dzjal...lo, gióvine (jeugdig), lees: dzjóvine, giusto (rechtvaardig)r lees: dzjoesto.

Wij zijn nu aan het einde van onze uitspraakleer gekomen, en hebben hiervan meer werk gemaakt dan gewoonlijk in andere spraakkunsten het geval is, en wel met het oog op diegenen, die niet in de gelegenheid zijn veel les in het Italiaansch te nemen. Het levend woord van een goed meester is en blijft altijd de beste gids; want er zijn klanken, die men hooren moet, die men niet juist omschrijven, niet nauwkeurig zichtbaar voorstellen kan. Diegenen, die een uitvoeriger behandeling van de uitspraak, welke in iedere taal, maar vooral in de welluidende Italiaansche van zooveel gewicht is, wenschen, kunnen wij verwijzen naar ons werk: Alcune ddfft-coltd della Lingua Italiana, in den loop van 1887 bij don Uitgever W. Gremee te \'s Ha,o-e. verschenen. Wij zullen ein-

-ocr page 25-

Leesoefening.

15

a.

;en met een oefening, die wij den leerling aanraden zoolang t te lezen, tot hij ze nauwkeurig en vlug lezen kan.

LEESOEFENING.

L\' Itali

Qual havvi têrra chè il söle ilMmini cón luce piü seréna ó chè riscaldi cón piü dölce tepóref Dóve un piü viviclo, un piü puro, un piü spirdbil dere si espandef Dóve sórgono mine piü famóse e piü atte a congiüngere, ad ornare, a rin-forzare la presênte hellézza cólle immdgini délla passaia po-enza, di un antica maestti, di un téwpo glonóso, mvano dai ósteri ai lóro padri invidiatof A qual parte dél rnóndo fu mceduta una maggiór cópia d ingégni, \'ed a quêsti una mag-ióv attitüdine al vagionare, projóndo é al delicato sentive? Dóve si paria una lingua dié. sia piü ricca di chiare paróle cH^fnódi elettissimi, e che sia cóvie la nóstra ló è, mirabil-nénte idónea ad esprimere i piü sublimi pensiêri é gli affêtti ml iÈwri, arrendévole a piegarsi ad ógni desidêrio, ad ógni •isógno, ad ógni volontd, dócile a trascórrere pêr una scala Tnfoiiii gradi, dalle armonïe piü tênui alle piü gravi é so-ïX ker^quot;\' dóhi suóni ai piü eondtati e veemènti, ünico

gint, \'^tavia congiunge lé nóstre membra divise, ultima s dan Wt frcdella7iza temuta e spent a. Qual mai havvi een ^^dica, bagnata da due marl, incoronata dalle woorca m^e fre(luênte di cittd magnifieke

oomlme v^e\' óra stésa in vêrdi, fecónde, immênse piéL liamp;\\mry\'\'nfe^ ridênti pêr ógni vaghêzza, dra zij int\'\'6 ca^ne di mónti, che nèl lóro istésso selvaggio

ITA.1

den

spie-spie-

f aan

nsch.

n het •e lid-eklin-s be-welke , voor )r een i; de in het 5, die ersten

-ocr page 26-

18 Over het Bepalend Lidwoord.

van den vierden naamval onderscheiden. De Italiaansche constructie komt in hoofdzaak met de Pransche overeen. Eerst komt het onderwerp met zijne bepalingen, dan het werkwoord, vervolgens het voorwerp en daarna de bepaling. Evenals men den volzin; de vader heeft het boek aan den zoon gegeven vertaalt door: le père a donnk le livre au fils, zegt men ook in het Italiaansch: il padre ha dato il libro al fi-glio. Door de plaats en den samenhang ziet men dat il padre de lst;e en il libro de 4cle naamval is.

De 2de naamval wordt in het Italiaansch door di (van), de 3de door a (aan) omschreven. Men zegt echter niet di il, di ló, di 1\', a il, a ló, a V, maar men trekt, zooals uit de voorbeelden blijkt, het lidwoord met het voorzetsel samen en zegt dél, déllo, déll\', al, allo, all\'.

§ 2. nel libro — in het boek.

néllo studio — in het studeervertrek.

nèlV anno — in het jaar.

cöl fratêllo — met den broeder.

cóllo scópo — met het doel.

cóll\' alliêvo- — met den leerling.

sul banco — op de bank.

sullo stagno — op den vij ver.

suil\' onöre — op de eer.

dal cappêllo — van den hoed.

dallo scolare — van den scholier.

dall\' arco — van den boog.

nél is eene samentrekking van né il — in il;

-ocr page 27-

Ov-I het Bepalend Lidwoord. 19

nèllo of voo\'- of V er rélV van ne lo = in lo ;

cöl van cón li,

cöllo of voor een klinkiT cóü\' van cón lo ;

sul van su il;

sullo of voor een kin suil\' van su lo;

dal van da il;

dallo of voor een klinker dull\' van da lo.

Pér is door en voor pér il kan men ook pél of pér ló schrijven. De samentrekking pél wordt echter weinig, als niet welluidend, gebruikt. Ook wanneer het mannelijk woord nifit met een s impura begint, kan men na pér het lidwoordgebruiken, b. v. pêr ló cuóre, voor het hart. In tót spreken doet men dit echter weinig. In de uitdrukkingen pêr ló piü (meestendeels) en pér ló méno (voor het minst) moet men echter bezigen.

§ 3. Avére — hebben.

lo hó — ik heb.

Tu hai — gij hebt.

Egli, élla ha — h ij, z ij heeft.

Nói ahhiamo — wij hebben.

Vói avéte — gij hebt.

^qlino, élleno hanno zij (mann.), zij (vrouw.) hebben.

Ella ha (beleefdheidsvorm enkelv.) — gij hebt.

Elleno hanno (beleefdheidsvorm meerv.) — gij hebt.

Avuto — gehad.

1. Hó il libro déllo scolare — ik heb het boek van

den leerling.

-ocr page 28-

20

nt

.vere.

Korte zinnen met den P

2. Nón abbiamo il tempe- —

rino dél maèstro.

3. Avète ló sc/nóppo dèl —

giardiniêre ?

4. Hanno il cane dèl vicino? — hebben z,ij aen hond van

den buurman?

5. /Si Signóre, hanno il cane.— ja, mijnheer, zij hebben

den hond.

heeft de kleermaker het

laken gehad?

hebt gij den stok van

het p e n n e-len meester

1

geweer van ui nan?

de lie

do

Ivo

I

me lan sch sta: is. doo nen va: ziji

Fra

(

en nin^ r zien

6. Ha avuto il sartóre il panno?

7. Ha Élla il bastóne délT

amico ?

8. Si Signóre hó ricevuto il bastóne dall amico.

9. Hanno Élleno frëddo f 10. Nó, nón abbiamo fréddo,

ma abbiamo caldo

den vriend? ja, mijnheer, ik heb den stok van den vriend gekregen.

zijt gij (lieden) koud? neen, wij zijn niet koud,.

maar wij zijn warm.

Zooals men uit deze voorbeelden ziet, gebruikt men de persoonlijke voornaamwoorden als onderwerp niet. De gevallen \' waarin zij gebezigd moeten worden, zullen wij later aangeven: vooreerst zullen wij het noodzakelijk gebruik in de oefeningen\' ] ter vertaling aanduiden. Zooals uit het 7de voorbeeld blijkt wordt de 2de persoon enkelvoud in den beleefds vorm door det - ^ 3den persoon vrouwelijk enkelvoud Élla, en de 2de persoon ||}ie(. meerv., zooals het 9de voorbeeld aantoont, door den 3den pers !|me8 vrouwel. meerv. Élleno vertaald, wel1- \' ien in dit gevai lgeW(

met eene hoofdletter geschreven, en j , niet, zooals m«t van

__iü

-ocr page 29-

lste Oefening. 21

de andere voornaamwoorden geschiedt, uitgelaten worden. Élla heeft betrekking op Vossignoria (uw heerschap) en Élleno op Vossignorie (uwe heerschappen). De ontkenning niet wordt door nón voor het werkw. uitgedrukt, zooals uit het 2de voorbeeld volgt. Het 6de en 7de voorbeeld toonen aan dat men, om eene vraag uit te drukken, evenals in het Neder-landsch het onderwerp achter het werkwoord plaatst, onverschillig of dat onderwerp zooals in het 6de voorbeeld een zelfstandig naamwoord, of zooals in het 7de een voornaamwoord is. Uit het 8ste voorbeeld blijkt dat van vertaald wordt door da, wanneer het eene verwijdering of afkomst te kennen geeft, zooals ricevuto dall\' amico, van den vriend ontvangen. Uit het 9de en 10de volgt dat koud \'en warm zijn vertaald worden door avére fréddo, caldo, zooals in het Fransch door avoir froid, chaud.

(Men vertale in de opstellen den 2den persoon enkelvoud en meervoud door den beleefdheidsvorm. Waar wij ter oefening den 2den pers. enkelv. of meerv. wenschen gebruikt te zien, zullen wij dit aanduiden).

Thema 1.

1. De eer van den mensch. 2. Op de bank van den tuin. 3. Wij hebben het boek van den vriend gehad. 4. Ik heb het pennemes van den leerling gezien. 5. De scholier heeft het boek van den meester gekregen. 6. Hebt gij het pennemes van den vader gezien? 7. Neen, mijnheer, ik heb het geweer van den tuinman gezien. 8. Hij is met den broeder van den meester uitgegaan. 9. Hij heeft den hond met den

-ocr page 30-

22 Voortzetting van het Bepalend Lidwoord.

stok geslagen. 10. Wij hebben in den spiegel des buurmans gezien. 11. De hoed drijft op den vijver. 12. Hebt gij het laken van (da) den kleermaker gekocht? 13. De broeder is in het studeervertrek van den buurman. 14. Zijt gij (2de pers. meerv.) koud? 15. Neen, wij ^ijn niet koud, maar wij zijn warm. 16. Hij heeft den boog van den scholier^ 17. Ik begrijp het doel van den meester niet. 18. Het jaar is verstreken. 19. Hebt gij het geweer des vaders? 20. Neen, mijnheer, wij hebben het geweer des vaders niet, maar wij hebben het boek des broeders.

bank — banco, m. tuin — giardino, m.

gezien — veduto. uitgegaan — usdto. geslagen — hattuto. drijft — flótta.

gekocht — comprato. is — è.

ik begrijp — compréndo. verstreken — passato.

TWEEDE LES.

Voortzetting van het Bepalend Lidwoord en het Niet Bepalend Lidwoord.

Vrouwelijk Enkelvoud.

4CVU- . 1 • 1

§1. lste en 4de Nv. .La scttóamp;x Lémma — de ziel. — de school.

2de Nv. Delia scuóla — DèU\' Anima — der of vai

der of van de school.

3de Nv. Alla scuól der of aan de sc

-ocr page 31-

Niet Bepalend Lidwoord.

23

Evenals bij het mannelijk enkelvoudig lidwoord, heeft men ook bij het vrouwelijk enkelvoudig voor den 151611 en 4den naamval denzelfden vorm. Uit het tweede voorbeeld blijkt, dat de a van la voor een klinker geëlideerd wordt. De tweede naamval di la of di 1\' wordt tot délla en déll\', de derde a la of a I\' tot alia of alT samengetrokken. Voorts heeft men de samentrekkingen cólla, nélla, sulla en dalla, evenals bij het mannelijk enkelv. lidwoord.

l5te en 4de Nv. Un fióre —

eene bloem.

2de Nv. D\'un fióre — eener

of van eene bloem. 3de Adunfióre — eener of aan eene bloem.

D\'uno stivale — eener of

r

van eene laars. Ad uno stivale — eener of aan eene laars.

§ 2. Het Niet Bepalend Lidwoord.

Uno stivale — eene laars.


lste en 4de Nv. Una sêdia — een of eenen stoel.

2ie Nv. D\'una sêdia — eens stoels of van eenen stoel.

3de Nv. Ad una sêdia— eenen of aan eenen stoel.

Un amica — eene vriendin.

D\'un amica — eener of van eene vriendin.

Ad un amica — eener of aan eene vriendin.


Uit de gegevene voorbeelden blijkt, dat men bij het niet bepalende lidwoord voor het mannelijk twee vormen heeft, namelijk un, lste en 4de nv. voor een medeklinker; uno, lste en 4de nv. voor een a impura. Voor het vrouwelijk insge-

-ocr page 32-

24 De Imperfetto en Preterito Perfetto van Avére,

lijks twee vormen; una lste en 4de nv. voor een medeklinker en nri lste en 4de nv. voor een klinker. De 2de en 3de nv. worden gevormd door di en a. Van di kan men voor het niet bepalend lidwoord de i elideeren en d\' schrijven, en voor a kan men welluidendheidshalve ad gebruiken.

Imperfetto

lo avéva

Tu avévi

Egli, èlla avéva

Nöi avevamo

Vói avevate

Eg lino, JÉlleno avévano

Élla avéva (beleefde

vorm enkelv.) Élleno avévano (beleefde vorm meerv.)

Preterito Perfetto

lo ébbi Tu avésti

Égli, élla éhhe

Nöi avérnmo

Vói avéste

§ 3.

Onvolmaakt Verleden Tijd.

Ik had.

Gij hadt.

Hij had.

Wij hadden.

Gij hadt.

Zij hadden.

Gij hadt.

Gij hadt.

Volmaakt Verleden Tijd.

Ik had, of ik heb gehad.

Gij hadt, of gij hebt gehad.

Hij had, of hij heeft gehad.

Wij hadden, of wij hebben gehad.

Gij hadt, of gij hebt gehad.


-ocr page 33-

1

Over de Ontkenning.

Églino, élleno éhhero — Zij hadden, of zij hebben gehad.

éèèe(beleefde vorm— Gij hadt, of hebt gehad, enkel v.)

Élleno ébhero (beleefde — Gij hadt, of hebt gehad, vorm meerv.)

Uit deze twee voorbeelden blijkt, dat ik had, gij hadt. enz, op tweeërlei wijze in het Italiaansch kan vertaald worden, door den Imperfêtto: io avéva, tu avévi etc. of door den Pretêrito Pertêtto: io ébhi, tu avésti etc. Tusschen deze twee vormen is een groot verschil, dat wij later bij de werkwoorden zullen behandelen. Vooreerst zal in \' de oefeningen ter vertaling het gebruik van den Pretêrito Perfêtto door p. p. aangeduid worden.

25

1. Nón avevamo cmcóra ve-

duto la cittd

2. Parliamo délla chiêsa dél

villaggio

Wij hadden de stad nog

niet gezien. Wij spreken van de kerk van het dorp.


3. II maéstro è seduto sul — De meester zit op de

banco nélla scuóla bank in de school.

4. La têrra è fertile — De aarde is vruchtbaar.

5. Avtvano dato il libra alia — Zij hadden het boek aan

sorêlla délla contêssa de zuster der gravin

gegeven.

6. JVón avé\'ixi nulla of niénte — Hij had niets.

7. Nulla o%iiênte abbiamo — Wij hebben niets.

Uit 6 volgt, dat men de ontkenning, als zij achter het werkwoord staat, evenals in het Fransch door twee woorden

ook nog nón vóór het werkwoord te

-ocr page 34-

26 Meervoud van het Bepalend Lidwoord.

plaatsen, uit 7 blijkt dat n6n wegblijft, wanneer de ontkenning vóór het werkwoord staat.

§ 4. Het Bepalend Lidwoord.

M a n n e 1 ij k Meervoud.

lste en 4de Nv. I padri — GR soultóri — de beeldde vaders. houwers.

2de Nv. Dei padri — der Dégli soultóri — der of van

of van de vaders. de beeldhouwers.

3de Nv. Ai padri — den of Ag li soultóri — den of aan aan de vaders. de beeldhouwers.

quot;[stc eil 4de Nv. OU anêlli — 2de Nv. Dégli anêlli — 3de Nv. Agli anêlli —

de ringen. quot;

der of van de ringen.

den of aan de ringen.


Vrouwelijk Meervoud.

lste en 4de Nv. ié sorêlle — de zusters.

Dèlle sorêlle — der of van de zusters.

Alle sorêlle — den of aan de zusters.

Uit het eerste voorbeeld ziet men, dat men i gebruikt voor een mannelijk meervoudig woord, dat met een medeklinker, en uit het 2de en 3de voorbeeld, dat men gli bezigt voor een mannelijk meervoudig woord, dat met een s impura of klinker begint; dat men di i in déi, di gli in dégli, a i in ai en a gli in agli samentrekt. De i van gli, dégli en agli wordt alleen geëlideerd, wanneer het volgende woord met een i aanvangt, b. v. gl\' ingegnêri, de ingenieurs.

-ocr page 35-

2de Oefening. 27

Uit het 4dc voorbeeld blijkt, dat het bepalend lidwoord voor iet vrouwelijk meervoud in den lsten en 4den naamval slechts -énen vorm heeft, namelijk lé; dat men in den 2den naamval ï lé samentrekt in délle en a le in alle. De e van le, délle n alle wordt alleen geëlideerd voor een woord, dö,t met een begint, b. v. T êrhe, de kruiden.

Voorts heeft men bij het meervoudig lidwoord als bij het nkelvoudig de samentrekkingen: QÖi, cógli, cólle (met de); éi, négli, nèlle (in de); sui, mg li, sulle (op de), en dai, da-li, dalle (van de).

§ 5. II padre — de vader.

I padri — de vaders.

L\' anno — het jaar.

OU anni — de jaren.

La scuóla — de school.

Lé scuóle — de scholen.

Uit de gegeven voorbeelden volgt, dat de woorden die op en e eindigen, hun meervoud vormen door o en e in i, en vrouwelijke woorden, die op a uitgaan, door a in e te verderen.

Thema 2.

1. Ik ben in de school van het dorp geweest. 2, De zus-van de gravin heeft de bloem aan de vriendin gegeven. De vrede is nuttig voor (a) den landbouw. 4. Ik ben in kamer des apothekers geweest. 5. Hendrik spreekt van oorlog, en Jan denkt aan de les van den meester. 6.

-ocr page 36-

28 2de Oefening.

Het dienstmeisje gaat naar (a) de keuken. 7. De zon is het licht van den dag, zooals de maan het licht van den nacht is. 8 De leerlingen van de school spelen in den tuin des meesters. 9. Wij hadden den brief der tante niet gelezen. 10. De ziel des menschen is onsterfelijk. 11. Hij gaf eenen stoel aan de vriendin des huizes. 12. De stem des volks is de stem van God. 13. De trotschheid is de dochter der onwetendheid. 14. Hij heeft een huis op (a) den hoek der straat gehuurd. 15. Één dag verloren is een onherstelbaar verlies (vertaal: verlies onherstelbaar). 16. De soldaten hadden de geweren op de schouders. 17. Een van de vrienden des tuinmans heeft een zalm gevangen. 18. De laarzen der jongens zijn bij (da) den schoenmaker. 19. De bakker heeft het brood in den oven gezet. 20. De pennemessen der meesters liggen op de tafel en de boeken der leerlingen in den

lessenaar.

ik ben geweest—söno stato.

gegeven

— dato.

vrede

— pace f.

nuttig

— ütile.

landbouw

— agricoltura f.

kamer

apotheker

— speziale m.

Hendrik

— JBaf i ;o.

spreekt

— paria.

oorloge

— guèrrix f.

J an

— Giovanni.

denkt

— pênsa.

les

— lezióne (f.) /

dienstmeisje

— sêrva f.

gaat

— va.

keuken

— meina f.

zon

— sóle m.

licht

— lume m.

to..

— giómo m.

zooals

— cóme.

maan

— luna f.

nacht

— nótte f.

zij spelen

— giuócano.

brief

— lêttera f.

tante

— zia f.

gelezen

— létto.

-ocr page 37-

Gebruik van het Lidwoord.

29

onsterfelijk

huis

volk

trotschheid onwetendheid straat verloren onherstelbaar soldaat

gevangen schoenmaker brood gezet tafr1 imrnortale. casa i

- strada f.

■ per duto.

■ irrepardbile.

■ soldata m.

■ preso.

■ calzoldio m.

■ pane m.

■ mèsso.

\'\' nola f.

■pópoio m. God - supêrbia f. dochter • ignordneia f. hoek

hij gaf stem

gehuurd

verlies

schouder

zalm

jongen bakker

oven

liggen

lessenaar

- diêde.

- vóce f.

- Dio m.

- ftglia f.

- capo, cantóne

ra.

- nolegyiato.

- pêrdita f.

- spalla f.

- salamóne ra.,

sërmóne ra.

- ragazzo ra.

- forndio ra.

- fórno ra.

- sóno.

- lêggio ra


DERDE LES.

■\'M h it Oehruik van het Lidwoord.

§ 1. 1. Audacia, fortuna e virtü ló fécero potente.

2. Z/ audacia, la fortuna e la virtü lo fécero potênte.

Stoutmoedigheid, geluk en deugd maakten hem machtig.

Zijne stoutmoedigheid, zijn geluk en zijne deugd maakten hem machtig.


-ocr page 38-

Gebruik van het Lidwoord.

In 1 gebruikt men geen lidwoord, omdat men alleen de aandacht wil vestigen op de krachten, die werkzaam waren om hem gelukkig te maken. In 2 bezigt men het lidwoord, waardoor men wil te kennen geven, dat de stoutmoedigheid die hem eigen was, het geluk dat hem steeds begunstigde en de deugd, die hij altijd en overal ten toon spreidde, hem machtig maakten.

§ 2. 1. Datemi dèl vino é — Geeft mij wijn en water. déll\' acqua.

2. DAtemi vino é nóu — Geef mij wijn en geen acqua. water,

In 1 wordt evenals in het Fransch het lidwoord gebruikt om een gedeelte aan te duiden. Het lidwoord heet dan ar-ticolo partitivo. Kan men in het Nederlandsch, waar men in dit geval geen lidwoord gebruikt, voor het zelfstandig naamwoord^, watquot;of ^e en wei nigquot; plaatsen, dan is dit eene aanwijzing om in het Italiaansch het articolo partit^ [dél, déll\', déllo, délla, dei, dégli, délle) te gebruiken. I 2 blijkt dat men het lidwoord niet bezigt, wanneer het zeh iandig^ naamwoord niet in een deelenden zin genomen is, z- als hier duidelijk is. Immers geef mij wijn en geen s\\yater, zegt, dat ik wijn wil en geen water, zonder dat ik hierbij op de hoeveelheid let. Ook na een voorzetsel blijft het lidwoord weg, b. v. cón denaro (met geld), in bêi giardini (in schoone tuinen).

§ 3. 1. Ló studióso Enrico. — De leergierige Hendrik.

30

-ocr page 39-

Gebruik van het Lidwoord.

2. II Cicerone dëlla nós- — De Cicero onzer stad.

tra cittd.

3. II Dante, il Tasso, il — Dante, Tasso, P( trarca.

Petrarca.

Uit 1 blijkt dat een eigennaam, door een bijvoeglijk naamvoord voorafgegaan, het lidwoord aanneemt als in het Neder-.andsch.

Uit 2, dat bij den eigennaam, als gemeen zelfstandig naamwoord gebruikt, om een persoon aan te duiden, gelijkende op dien, wiens naam is gebezigd, het bepalend lidwoord gebruikt wordt. De Cicero onzer stad, is de groote redenaar onzer stad, zooals Cicero die der Romeinen was. Dit stemt met het Nederlandsch overeen.

Uit 3 volgt, dat voor de namen van beroemde personen het lidwoord gebruikt wordt.

§ 4. 1. L\' Europa è mólto — Europa is zeer bevolkt.

popolata.

2. L\' Ito \\il giardino — Italië is de tuin van

déll! Europa. Europa.

3. Im Corsica appartiêne — Corsica behoort aan

alia, \'^rancia. Frankrijk.

4.\' II Hé.\'.u \'è un hél Jiume. — De Rijn is eene schoone

rivier.

5. II Vesuvio èun volcano. — De Vesuvius is een

vuurspuwende berg.

Uit deze vijf voorbeelden blijkt, dat de namen van we-relddeelen, landen, eilanden, rivieren en bergen in het Italiaansch het bepalend lidwoord hebben.

31

-ocr page 40-

Gebruik van het Lidwoord.

1. Vengo di Fraricia. — Ik kom uit Frankrijk.

2. Vado o vó in Inghil- — Ik ga naar Engeland.

terra.

Wordt het land niet als een geheel genoemd, dan gebruikt men, zooals uit 1 blijkt, het lidwoord niet. Geeft men eene beweging naar het land te kennen, dan bezigt men, zooals uit 2 blijkt, het voorzetsel in zonder lidwoord. Heeft de naam van het land eene gelijknamige hoofdstad, dan blijft het lidwoord weg, b. v. Ndpoli (Napels), Venêzia (Venetië).

Ook de volgende eilanden worden zonder lidwoord gebruikt:

Cipro —Cyprus. Malta —Malta.

Corfu —Corfu. Ischid —Ischia.

Crêta o Can--Creta of Prócida — Procida.

dia C a n d i a.

Cerigo —Cerigo. lApari —Lipari.

Maiórca —Majorca. Ródi —Rhodes.

Minórca — Minorca. Soio — S c y o s en

eenige andere.

§ 5. II signór baróne. — Mijnheer de baron.

La signóra contéssa. — Mevrouw de gravin. Uit deze twee voorbeelden blijkt, dat men in het Itali-aansch evenals in het Hoogduitsch het lidwoord vóór den titel plaatst.

32

§ 6. Andare a létto „ in casa „ in cdmera

naar bed gaan. naar huis gaan. in de kamer gaan.


-ocr page 41-

Over het Gebruik van het Lidwoord. 33

Andare in cucina — naar de keuken gaan „ in c/iiêsa — naar de kerk gaan. „ in istrada — op straat gaan. „ a tdvola — aan tafel gaan. „ in teatro — naar den schouwburg

gaan.

8tare a pranzo cön uno — bij iemand ten eten zijn. „ a céna — aan het avondmaal zijn.

Uit de gegeven voorbeelden blijkt, dat men sommige zelfstandige naamwoorden zonder lidwoord gebruikt. quot;Worden zij echter in een bepaalden zin genomen, dan bezigt men het lid-| woord. Zoo zal men zeggen :

Vado tiélla chiêsa di San — Ik ga naar de St. Pe-Piêtro. truskerk.

Va nélla scuóladél signör — Hij gaat bij mijnheer A. A. ter school.

Vanno nélla camera di lóro — Zij gaan in de kamer van padre. hunnen vader.

Ook gebruikt men het lidwoord, wanneer men slechts het gebouw bedoelt. Zoo zegt men: vêngo dalla chiêsa, ik kom uit de kerk (het gebouw), maar: yêngo di chiêsa, ik kom uit de kerk (van de godsdienstoefening).

§7. 1. Vondel, poêta olan- ■— dése, ha scritto mólti hel-lissimi poêmi.

H dbl \'medico è —

mercante.

italiaansche taal

Vondel, een Hol landsch dichter, heeft vele zeer schoone gedichten geschreven.

De zoon des geneesheers is een koopman.


3

-ocr page 42-

34 3de Oefening.

3. II Petrarcaêra Italiano. — Petrarca was een Italiaan.

In het lstc voorbeeld is het niet bepalend lidwoord weggelaten bij een verklarend bijvoegsel (appositie); in het 2de om beroep of stand, in het 3cle om volk of geboorte aan te duiden.

§ 8. Una madre ed una fi- — Eene moeder en eene glia. dochter.

11 padre ed il figlio. — De vader en zoon.

Parlo dei fratêlli, délle — Ik spreek van de br oe-sorélle, e dégli amid ders, zusters en vrien-dél maestro. den des meesters.

Uit deze voorbeelden blijkt, dat zoowel het bepalend als niet bepalend lidwoord, verschillend of niet verschillend geschreven, voor ieder zelfstandig naamwoord herhaald wordt.

Thema 3.

1. Rijkdom en eer maken den mensch niet altijd gelukkig. 2. Ik geef hem geld om een boek te koopen. 3. Hij vraagt geld, maar geen raad. 4. De zoon van den geneesheer is een advocaat, en de broeder van den timmerman is een schoenmaker. 5. De leergierige Willem heeft den eersten prijs van de school behaald. 6. Die beroemde wetgever was de Solon van zijn land. 7. Italië is een schoon land en wordt de tuin van Europa genoemd. 8. Zijt gij in Frankrijk geweest? Neen, maar wij zullen er het volgende jaar heen gaan. 9. De Rijn is eene der schoonste rivieren van Europa. 10. Zijn de broe-

-ocr page 43-

3de Oefening.

35

om

ders van den timmerman gisteren naar de kerk geweest ? 11. Neen, zij zijn bij hunnen oom ten eten geweest. 12. Ts de meid in de keuken? Neen, zij is de kamer van mijn vader. 13. De Alpen scheiden Italië van Frankrijk. 14. IJsland ligt in de IJszee en Malta in de Middellandsche Zee. 15. Racine, een beroemd Fransch dichter (vertaal: dichter Fransch), heeft vele schoone treurspelen geschreven. 16. De leerlingen zijn liiet te huis, zij zijn in de school. 17. Mevrouw de barones lieeft aan den zoon van den bedelaar eene aalmoes gegeven. 18. De neef van den apotheker is een schilder en dichter, en djn broeder is een toonkunstenaar. 19. Wij hebben van den tuinman des geneesheers appels en peren gekregen. 2.0. De neef van den meester is ziek, hij is naar bed gegaan.

ricchézza f.

gelukkig — felice. lik geef hem — gli dó.

geld —denaro m.

raad — comiglio m.

/ timmerman — carpentiêrera. behaald — riportato.

die — quél.

wetgever —legislatöre m. wordt ge- — è chiamato. n o e m d wij zullen —vi andrémo. er heen gaan

r ij k d o m

maken niet — nón sêmpre

altijd fanno.

mensch —uómo m.

om te k o o--pêr comprare.

pen

hij vraagt —domanda. advocaat avvocato m. Willem — Ougliêhno. den eersten—il primo pré-

prijs mio.

beroemd — cêlebre. schoon land — bêl paése.

^ e

z ij t g ij ge- — è Ella stata!

we est volgend — seguênte.

?


I

r--.

^

-ocr page 44-

36 Het Geslacht der Zelfstandige Naamwoorden.

schoonste gisteren

m ij n

scheiden IJ s ze e

vele schoo-ii e t r e ii r-spelen barones schilder toonkunstenaar peren ziek

m.

mólte hélle tragédie.

baronèssa ï.

■ pittóre m.

■ müsico m.

■ pêre f.

■ ammalafo.

— piil bêi. zijn geweest — sóno stati.

— iêri. b ij h u n n e n — cón lóro zio.

oom

— mio. Alpen —Alpi f.

— sepdrano. IJsland —Islanda f.

— Mare Glaciale Middelland--Mare Medische Zee tcrrAneo.

zijn (werkw.) — sóno.

aalmoes

dichter

appels

gekregen

— limósina f.

— poéta m.

— pómi m.

— ricevuto.

— è andafo.


VIERDE LES.

Over het Geslacht der Zelfstandige Naamwoorden.

§ 1. II piatto Tl Sdbato II lume II jióre II dênte

— het bord, de schotel.

— de Zaterdag.

— het licht.

— de bloem.

— de tand.


Mannelijk zijn 1° de woorden op o, zooals il piatto, il sdbato/ 2° die op me, als il lume; 3° die op re, zooals il fibre, en 4° die op nte, als il dénte.

-ocr page 45-

Het Geslacht der Zelfstandige Naamwoorden.

Uitzonderingen op o :

La mano — de hand.

La éco — de echo.

Jj\' imago f. (verkort van immdgine) — het beeld.

Car tag o f. (verkort van Gartdgine) — Karthago.

Uitzonderingen op om:

La fame — de honger.

La spême — de hoop.

Uitzonderingen op re:

La cóltre — de deken.

La fêbhre — de koorts.

Lia pólvere — het stof of het kruit.

La scure — de bijl.

La tórre — de toren.

Uitzonderingen op nte:

La corrênte — de stroom, loop.

La gênte — de lieden.

La ménte — de geest.

La fiorgênte — de bron.

§2. II rète - — het net (Fransch: le filet).

La siêpe — de haag ( „ la haie).

II canale — de gracht ( „ le canal).

II miêle — de honig ( „ le miel). De woorden op e, behalve de genoemde uitgangen me, re en nte, hebben hetzelfde geslacht als de Fransche woorden,

37

-ocr page 46-

38 Het Geslacht der Zelfstandige Naamwoorden.

aan welke zij beantwoorden, gelijk uit de vier voorbeelden blijkt:

Uitzonderingen ;

La nave — het schip (Fransch: le navire).

le sort). 1\' étè m.) le salut). le renard). la recompense), la foudre).

La sórte, ook sórta — het lot ( L/a state — dezomer ( La salute — het heil (

La vólpe — de vos (

LI guiderdóne — de belooning ( II fülmine — de bliksem (

§ 3. La tdvola — de tafel.

La dorntnica — de Zondag.

La têsi — de stelling.

Lm virtü — de deugd.

De woorden op a, i en ü zijn vrouwelijk.

Uitzonderingen op a:

1° De woorden, die eene mannelijke bediening aanduiden, zooals il papa — de paus.

2° De volgende mannelijke, aan het Grieksch ontleende woorden:

Anagramma — anagram.

Andtema — banvloek.

AssiómtiL — axioma.

Clima — klimaat.

Diadêma — diadeem.

Dilemma — keus tusschen twee dingen; netelig vraagstuk.

-ocr page 47-

Het Geslacht der Zelfstandige Naamwoorden

Dvplóma — diploma, rechtgevend getuigschrift.

Dogma — leerstelling.

Dramma — drama; drachme.

Emhlêma — zinnebeeld.

Enigma — raadsel.

Epigramma — epigram, puntdicht, kort hekeldicht.

Fantasma — spopk.

Idióma — idioom, taaleigen.

Pianéta — planeet.

Poëma — gedicht.

Prisma — prisma.

Problêma — raadsel; opgaaf.

Programma — programma.

Scisma — scheuring.

8istêma — stelsel.

Sojlsma — drogrede.

8têmma — stamboom, geslachtstafel.

Stmtagêmma — krijgslist.

Têma — opstel.

Teorêma — leerstelling.

Uitzonderingen op i:

II cavadênti — de tandmeester.

II lavacéd — de onnoozele.

II Tamigi — de Theems.

II hrlndisi — de toast, heildronk.

II dl — de dag en alle met di samengestelde woorden, zooals:

II lunedï — de Maandag,

39

-ocr page 48-

Ket Geslacht der Zelfstandige Naamwoorden.

40

II martedi — de Dinsdag.

II mercoledl — de Woensdag.

II giovedi — de Donderdag. II venerdï — de Vrijdag.

Uitzonderingen op ii.

II Peru — Peru.

Corfil (ra.) — Corfu.

§ 4. IJ Arbore (m. e f.) — de boom.

Ij Acre (m. e f.) II o la cArcere II o la ccnerc

II o la fine

II o la fólgore

II o la fónte

II o la frónte

11 o la fune II o la grêgge II o la lépre II o la mArgine

II 6ste (m. e f.) II o la palude

— de lucht.

— de gevangenis.

— de asch (het meervoud Ie, céneri is

altijd vrouwelijk).

— het einde.

— de bliksem.

— de bron; de fontein.

— het voorhoofd (la frónte is meer

gebruikelijk).

— het touw.

— de kudde.

— de haas.

— de rand, de zoom.

het leger.

het moeras.


II o la sêrpe — de slang.

II o la tigre — de tijger.

II o la trave — de balk.

De in deze paragraaf genoemde woorden kunnen, zooals

blijkt, beide geslachten hebben.

-ocr page 49-

Het Geslacht der Zelfstandige Naamwoorden. 41

§ 5. II casato, la casata — de geslachtsnaam. II canéstro, la canêstra — de korf.

II cioccolato, la cioccolata — de chocolade.

II cèsto, la eest,a — de mand

II frutto, la frutta — de vrucht {la frutta is het

nagerecht).

II Icgno, la légna — het hout (7a légna is brand

hout).

II mattino, la maftina — de morgen.

II nüvolo, la nüvola — de wolk.

Ij omhrêllo m., V ombrêlla f. — het regenscherm.

L oréó^hio m., /\' orccchia f. — het oor.

II puzzo, la puzza — de stank.

II ranÓGchio, la ranóochia — de kikvorsch.

Lö scritto, la scritta — het geschrift {la scritta

is het contract).

II ■sof/itio, la sojfitta — het plafond.

De hierhoven genoemde woorden zijn, met dezelfde of met eene gering gewijzigde beteekenis, mannelijk of vrouwelijk, naarmate zij den uitgang o of a hebben.

Fn het vervolg zullen wij het geslacht der Italiaansche woorden niet meer aangeven. Ter oefening bepale men het geslacht der volgende woorden door er het mannelijk of vrouwelijk lidwoord voor te plaatsen:

Thema 4.

Patio — lout. tSóglia — drempel.

Cornice — 1 ij s t. Poëma — gedicht.

-ocr page 50-

44 Meervoudsvorming der Zelfst. en Bijv. Naamwoorden.

Enkelvoud. Meervoud

II dênh —de tand. I dêtiü —de tanden.

Ló schióppo —het geweer. G/i schióppi —de geweren.

II buóno — het goede I buónx — de goede

schióppo geweer. schióppi geweren.

II poêta. cêle- —de beroemde / poêfi cêle- —de beroemde

hrv dichter. hr\\ dichters.

Algemeene regel: Alle mannelijke zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, onverschillig op welken klinker zij eindigen, vormen hun meervoud door de laatste letter, zooals uit de gegevene voorbeelden blijkt, in i te veranderen.

Enkelvou d. §2. ImHcarpft—de schoen. La madre — de moeder. La mano —de hand. Labuóm ma--de goede

dre La dnnm\\ amdbih

moeder, de beminnelijke vrouw\'.

Meervoud. Le scarpe —de schoenen. Le madri —de moeders. Le mani — de handen.

Le buóm ma--de goede

dri moeders.

Le d/mm — de bemin-amdbili n e 1 ij k e

vrouwen.


Algemeene regel: Zooals men uit de voorbeelden ziet, worden de vrouwelijke zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden meervoud gemaakt door de laatste letter a in e en e in i te veranderen. Het vrouwelijke woord op o, mano, is in het meervoud mani.

-ocr page 51-

Meervoudsvorming der Zelfst. en Bijv. Naamwoorden 45

Enkelvoud. Meervoud.

§3, 1,77 ré — dekoning. I ré —de koningen.

2. II piè —de vöet. T piè —de voeten.

3. La cittd —de htad. Le cittd —de steden.

4. Ilbrmdisi—de toast. I brlndisi —de toasten.

5. La sjjêcie —de soort. Le specie —de soorten.

6. LI lapis —het potlood. L lapis —de potloo-

den.

Uitzondering: Onveranderlijk blijven in het meervoud 1°, zooals uit 1 blijkt, de zelfstandige naamwoorden, die éénlettergrepig zijn; 2°, zooals men uit 2 en 3 ziet, die welke den klemtoon op de laatste lettergreep hebben; 3°, zooals.,uit het 4de, 5de en 6de voorbeeld blijkt, die, welke op i, ie of een medeklinker eindigen. De laatste soort van woorden komen in \'t Italiaansch niet voor. Lapis is zoo in vorm als afkomst geheel Latijn. Ook de woorden addfio (vaarwel) en loro (hun of haar) blijven in \'tmeervoed onveran

Bijzondere regels voor de meervoudsvorming, die men euphonische regels kan noemen.

Enkelvoud. Meervoud.

§ 1. LI /co — de vijg. / /chi —de vijgen.

LI hio%» — de plaats. L Zwóg\'hi —de plaatsen. Tweelettergrepige woorden op co en go veranderen in het meervoud co en go in chi en ghi. Uitgezonderd zijn; öréco (Griek), poj-co (zwijn) en mago (wijze), die in het meervoud zijn Qréiti, jnrn-X en 7/iagi.

-ocr page 52-

46 Meervoudsvorming der Zelfst. en Bijv. Naamwoorden.

Enkelvoud. Meervoud.

§ 2. IJ alhcrga — de herberg. Gli alhêr%\\\\{ —de berber-\'

gen.

11 Tedèsca — de Duit- I TedéstM — de Duit-

s c h e r. schors.

Drie- en meerlettergrepige woorden, die voor de uitgangen co en go een medeklinker bebben, nemen insgelijks in het meervoud een k aan, zooals uit de voorbeelden blijkt.

Antim Aprieo Beccajiw

Bifóho

Cadvxa

Cdnco

Castigo

Enkelvoud. Meervoud.

§ 3. IImêdim — de genees- I mèdicS. — de geneesheer. heer en. La sjodrogo — de asper- Gli spAra%\\ — de asper-s i e. 3 i e s.

Drie- en meerlettergrepige woorden, die voor de uitgangen co en go een klinker hebben, veranderen, zooals blijkt, co en go in ei en gi. Uitgezonderd zijn de volgende woorden: Enkelvoud. Meervoud.

Andlogo — g e 1 ij k v o r m i g, overeen- Andloghx, stemmend.

— oud. AnticXü,

— aan de zon blootgesteld. Aprixhi.

— v ij gen eter (vogel). BecoafifM,

— landbouwe r.

BifóhM,

Cadvx\'M,

Cdnchi.

CastigXA,

Deodloghï,

— bouwvallig.

— last.

— kastij ding.

Decdloigo —de tien geboden.

-ocr page 53-

Meervoudsvorming der Zelfst. en Bijv.

— demagoog (volksleider).

— samenspraak.

— tweeklank.

— dronken.

— slotrede.

— slokdarm, spijsbuis.

Ybndmo — lakenmagazijn.

tmpiêgo —ambt, betrekking.

Impudiw — onbeschaamd.

tncdrivo —last.

s- mndam —indigo.

Intri^o —verwikkeling.

Intr\'msiw — innerlijk.

ïntónam —bepleisterd.

tidstrico — plaveisel.

jombrico — aardworm.

flfdmco —steel.

V

%bligo —verplichting.

hnbêlieo —navel.

Jpmo — donker.

(-^P(WToco — pastoor.

^edagóvü — opvoedkundige. — perzikboom.

VPizzitH —vink.

iPmago — voorteeken.

iPródi^a — verkwister.

Prólofü —voorrede.

Naam, woorden. 47

Inkelvoud. )enag6^ — tó/og-o Móngo Vbhriac,»

\\pilo%o p/ögo

Meervoud.

Demagóghi.

Didloghi,

TXtf/mgM,

SJbbriachi,

Epl/otrhi,

PJsófaghi.

Fóiidachi.

Impiêghi,

Impudichi.

Incdrichi,

Indaehi.

Intrighi,

IntrinsieM,

Intónachi,

LastrivM.

Jjombrwin,

Mdnichi,

OhhligM,

Ombêliehi,

Opachi,

Pdrrochl

Pedagóghi.

Pêrsichi,

Pizzichi,

Presaghi,

Prudighi,

Pruloghi,

Pudichi,

Pudico — eerbaar.

M

-ocr page 54-

48 Meervoudsvorming der Zelfst. en Bijv.

Naamwoorden.

Enkelvou

d.

Meervoud.

Rammdrieo

— verdriet.

Rammdrichi.

Ripiêgo

— uitvlucht.

RipiêgM,

Risico

— gevaar.

Risichi.

Bacrilega

— heiligschenner.

Saorlleghi,

/Sambuci)

— vlierboom.

/Sambuchi,

/Scdrico

— ontlasting.

Scdriclii,

Sollêtico

— kitteling.

/Sollêtiehi.

Stdtico

— gij zei aar.

Stdtü\'hi,

StómatQ

— maag.

fStómachi,

Strdseico

— sleep (aan een japon).

Strdscichi.

übbriaco

— dronken.

Ubbriachi,

EnkeW0 II c«ólo

De volgende vormen hun meerv Enkelvoud.

Astrólo^o — sterrewic heiaar. Equivova — dubbelzinnigheid. Filólogo —taalgeleerde. Pr dtim —practicus.

Jiedprov» — wederzij dsch. Hüstico — landelijk.

/Salvdtico — wild.

/StUico —verstoppend; hard-

• üjvig.

Trüffico — handel.

oud met en Me Astrólogi Equivoci Mlólogi Pr aim Recfcproci Rustin SalvAtm Süitk\'i

Traffm en Trdjfivhi.

zonder li: ervo u d. en Astr6lo%\\\\\\, en EqufivotM, en FilologYA, en PratUM, en RedprotM, en RustidA, en 8alvamp;tia\\\\\\, en /S\'/tóchi.


§4. Enkelvoud. Meervoud.

II lihram — de boekverkooper. 1 lihrcd.

-ocr page 55-

Meervoudsvorming der Zelfst. en Bijv. Naamwoorden. 49

Meervoud.

1 cuói — de soorten van leder.

] vêcchi,

I bad,

GR artigli,

I mascki.

I raggi,

1 fasci,

Gli astucci.

De zelfstandige naamwoorden, die den uitgang io hebben, voorafgegaan door een klinker, of door een of meer medeklinkers, die met io slechts éene lettergreep uitmaken, veranderen in het meervoud io in i.

§5. Enkelvoud. Meervoud.

Jl pio — de vrome. J p\\\\.

II of lo zio — de oom. Gli zii.

II (feio — de begeerte. I desxi,

II momono— het gemurmel. I mormorn,

natw — geboortig. nain.

Zooals uit de gegevene voorbeelden blijkt, veranderen de zelfstandige naamwoorden op io, met den klemtoon op de i, den uitgang io voor het meervoud in ii. Hetzelfde geschiedt met die woorden op io, zonder klemtoon op de i, welke, door io in i te veranderen, verward zouden kunnen worden met andere woorden, die denzelfden vorm, doch een andere betee-kenis hebben. Zoo heeft men;

ITALIAANSCHE TAAI.. 4

Enkelvoud.

lü cuóio —het leder.

II véccAio —de grijsaard. It hado — de kus. L\' artiglio — de klauw. M masohio — de jongen. M raggio —de straal. ]t fascio — de bundel. j|\'astecio — de koker.

-ocr page 56-

50 Meervoudsvorming der Zelfst. en Bijv. Naamwoorden.

Enkelvoud. Meervoud

II principe — de vorst. I principi,

II prindpio — het beginsel. / princijAL

II têmpo — de tijd. / tempi.

II témp\'u) — de tempel. I têmpn.

atra — somber, duister, atrï,

IJ atr\'w — het v o o r h o f. GR atrrn.

Ij drbitro — de scheidsrechter. Gli drbitri.

Ij arbitrio — de uitspraak des scheids- Gli arhitrü, rechters.

Zoo is ook het meervoud van cérchio (cirkel) cérckii, o het te onderscheiden van cêrchi (gij zoekt). Overigens he ben de woorden op io in het algemeen in het meervoud i, gt; de j, die men vroeger bij sommige dier woorden op het ei: vond, is bij de nieuwere schrijvers, zooals vroeger reeds geze. werd, uit het Italiaansch alphabet verdwenen, en wordt dc twee i\'s en soms door een enkele i vervangen. Het me voud der eigennamen op io, zooals Dario, Tibêrio, is stee op ii, dus: Darii, Tibérn. 1)

§6. Enkelvoud. Meervoud,

II monarcu — de monarch. I monarchi.

i) Vroeger maakte men het meervoud der woorden op io, wanneer uitgang door een enkelen medeklinker was voorafgegaan, of wel door medeklinkers, die niet tot dezelfde lettergreep behoorden, steeds door i j te veranderen. Het meervoud van orológio was dan orológj, van prové, provêrbj. Velen doen dit nog zoo, doch de nieuweren laten deze wooi behalve wanneer het volgens deze § ter onderscheiding noodig is, steed i uitgaan.

-ocr page 57-

Meervoudsvorming der Zelfst. en Bijv. Naamwoorden. 51

\'Enkelvoud. Meervoud.

I La mdniesL — de mouw. Le mdnifhe.

La spig\'a — de korenaar. Le spighe.

Alle mannelijke en vrouwelijke woorden, die uitgaan op ca en ga, krijgen in het meervoud, om den harden klank van de c en (7 te behouden, een h voor de i of e.

1. La lanvm

2. La bólgvA

3. La órigia

4. La /armacia

— de lans.

— het valies.

— de leugen.

— de apotheek.

§7. Enkelvoud.

Meervoud. Le

Le óó/ge.

Lje

Le /armacie.


De vrouwelijke woorden op da en gia veranderen in het meervoud deze uitgangen in ce en ge. Valt echter de klemtoon op de i, dan blijft, zooals uit het 3de en 4de voorbeeld blijkt, de i in het meervoud behouden. De woorden provin-cia (provincie), einêgia (kers), franchigia (vrijheid) en sommige andere behouden de i in het meervoud ook.

§ 8. Enkelvoud.

(h migliaio — een duizendtal. Un miglio — eene mijl. ün móggUt — een mud. Un centinaio — een honderdtal. Un uóvo — een ei.

Un paio — een paar. Una stain — een schepel.

Meervoud. Ljc migliam, .Le migli», Le móggm. Lje centinain, lje uóvvl, Lje pam, Lje stem.

-ocr page 58-

§ 9. Enk el v

Ij anêllo —

II bracdo —

II budéllo —

II calcagna —

II castêllo —

II ciglio —

II coltêllo —

II córna —

II dito — II filo

II fondaménto —

II frutto —

II fuso —

II gêsia —

II ginócchio -

II gómitu -

II griAo -

II labbro -11 légno

II lenzuólo -oud.

52 Meervoudsvorming der Zelfst. en Bijv. Naamwoorden.

Genoemde woorden hebben een onregelmatig meervoud op a, en zijn in het enkelvoud mannelijk, in het meervoud vrouwelijk.

-de ring.

- de arm. -de darm. -de hiel.

- het kasteel, -de wenkbrauw.

-het mes. -de hoorn, -de vinger.

- de draad, -de grondslag.

-de vrucht, -de spil. -het gebaar, -de knie. -de elleboog, -de kreet, -de lip. -het hout. -het bedde-laken.

I bracd

I budêüi

I calcagni

I castêlh

T cigli

I coltêlli

I córni

I diti

1 fih

I frutti 1 fusi 1 gêsü ] ginócchi 1 gömiti 1 gridi I lahbn I légm 1 lenzuólx

en le braccin,

en le budêlh.

en le calcagn»,

en le castêll»,

en le ciglm.

en le coltêlh,

en le córna,

en le d,itn,

en le fih.

I Jondmnènü en le fondament^.

en le frutfa.

en le fum,

en le gêstamp;y

en le ginócohm,

en le gómifa.

en le grid»,,

en le l(dgt;hm,

en le féc/na.

en le lenzuóh.

Meervoud. Gli anêlli en le anêlh.

Eukelv

jl mèmh

Jl mur» jr; ósso bi pövv Jl qu®


-ocr page 59-

Meervoudsvorming der Zelfst. en Bijv. Naamwoorden. 53

Enkelvoud.

Meervoud.

ƒ/ mêmbro —

het lid.

J mêmbri

en

le mêmbri.

Jl nuro —

de muur.

I viuri

en

le mum.

XI ósso -

het been.

GR ossi

en

le óssa.

Jl wmo —

de appel.

1 pómi

en

le pónm.

Ctö. 1

de werp

I quadrêlh

en

le (juadré\'JJ\'a,

spies.

Jl riso —

de lach.

J ml

en

le risa.

Jl sacco —

de zak.

/ saccAi

en

le sacca.

Jjo strido —

■ de gil.

Gli stridi

en

le strid».

Jl vestigia —

-het spoor.

J vestigi

en

le vestigm.

Jl vestiménto —

-de klee-

] vesiiménti

en

le vestiménta.

ding.

De in deze paragraaf genoemde woorden hebben, zooals men ziet, een dubbelen meervoudsvorm: een mannelijken op i en een vrouwelijken op a. Bij eenige hebben de beide vormen eene verschillende beteekenis. Zoo zijn:

— de horens (mu- en le córna —de horens der ziekinstrumenten), dieren.

— de vruchten, en lefrutta —het nagerecht.

en le gêsta \'

brandhout.

I légni I mêmbri

de heldendaden, de ellebogen.

de gebaren.

en le gómita

de vadems (eene maat),

- de soorten van en le lègna

timmerhout,

- de leden eener en mémèm — de ledematen

vergadering, van t lichaam.

1 córni I frutti I gêsti

-ocr page 60-

54 Meervoudsvorming der Zelfst. en Bijv. Naamwoorden.

7 muri — de m u r e n (wan- en le rnura —muren of w a 1-denvan een gebouw), len een er stad.

Bij de overige is de beteekenis van beide vormen dezelfde, en die op a de gebruikelijkste. Moet men vertalen: een der vingers, dan zegt men niet, omdat dito in het enkelvoud steeds mannelijk is, un», maar ?ma delle d.ita.

§ 10. Enkelvoud. Meervoud.

L uóinu —de mensch. Gli ?/oninii.

it bue —de os. J /;uói.

La móglic —de vrouw. Le viögli,

Mihi\' — duizend. Mi\\n.

-Cio, IddXo God. Gh dè\\ — de goden.

De vijf genoemde woorden hebben een geheel en al onregelmatig meervoud. Merk wel op, dat het meervoudige dèi het lidwoord gli en niet i heeft.

§ 11. Eenige zelfstandige naamwoorden, zooals: la mane (de morgen), la próle (het kroost), la progénie (de nakomelingschap), la stirpe (het geslacht of de afstamming) worden alleen in het enkelvoud gebruikt; andere, zooals: i calzóni (de broek), le esêquie (de begrafenis), le fauci (de strot), le forbid (de schaar), gli occhiali (de bril), le mólle (de tang), le nózze (de bruiloft), i en le rèni (de nieren), gli sponsali (de verloving), i vanni (de slagvederen), le viscere (de ingewanden), i trdmpoli (de stelten), le tênehre (de duisternis), vooral de benamingen van voorwerpen, die de natuur of de kunst dubbel

-ocr page 61-

5(le Oefening. 55

gemaakt heeft, worden alleen in het meervoud gebruikt. Wederom andere zijn er, die in het enkelvoud en meervoud eene verschillende heteekenis hebben, zooals:

Jl costume —de gewoonte. 7 costumi —de zeden. II fêrro —het ijzer. 1 fêrri —de boeien.

La gênte —de lieden. Le gênti —de volkeren.

Lavacanza — de vacature. Ijc vacanze — de vacantie.

§ 12. Bij samengestelde zelfstandige naamwoorden neemt dat lid der samenstelling, hetwelk het hoofdbegrip uitdrukt, het teeken van het meervoud aan: zoo is het meervoud van capolavóre (meesterstuk), capolavöri. De meeste onzer samengestelde zelfstandige naamwoorden worden echter in het Itali-aansch door middel van een voorzetsel omschreven, en dan wordt het eerste woord meervoud gemaakt, b. v.: un capo d\' ópera (een meesterstuk) wordt capi d\' opera. Un gelsomino di nótte (eene nachtjasmijn), gelsoviinx di nótte.

Thema 5.

1. De tuiniers verkoopen de vruchten der tuinen. 2. Ik spreek van de boeken, schrijfboeken, griffels, inktkokers en pennen van de scholieren der scholen. 3. Wij hebben appels en peren. 4. Zij hebben de paarden, ossen, koeien, schapen en zwijnen van den boer gezien. 5. De kinderen moeten ge-lioorzamen aan de ouders, de leerlingen aan de meesters, de burgers aan de wetten, en de vrouwen aan hare mannen.

6. De vrouwen zijn geschapen om de gezellinnen, en niet de

\'/

ff\'

-ocr page 62-

5de Oefening.

slavinnen der mannen te zijn. 7. De oogen, de neus, het voorhoofd, de lippen en de wangen maken een deel uit var het gezicht. 8. De oude Grieken hadden vele geleerde mannen. 9. Zij spreken van de dekens der bedden. 10. De torens der kerken in de dorpen zijn dikwijls niet zeer hoog. 11. De koningen moeten de onderdanen beminnen. 12. Geel de boeken aan de meesters, de hamers aan de timmerlieden, de nijptangen aan de zonen der smeden, de messen aan de slagers en de schoenen aan de schoenmakers.

verkoopen — vêndono. ik spreek —parlo.

56

s c h r ij f b o e k — quadêrno.

inktkoker — calamdio.

paard — cavallo.

boer — contadino.

moeten ge--débbono ubbe- ouders

hoorzamen dire.

burger — cittadino.

— marito.

tegge-

z ij n g e s c h a— sóno fatte. pen

gezellin — compagna. oog —ócchio.

maken een — fanno parte. deel uit

wet

— pêr êssere.

— schiava.

— guancia.

— vólto,

vele geleerde — mólti dótti. dorp —villaggio.

zeer hoog —mólto olie (f. pl.)

man

om te zijn

slavin

wang

gezicht

zij spreken bed

zijn dikwijls

niet moeten be--minnen

griffel pen schaap kind

- pdrlano.

■ létto.

■ nón sóno

spèsso.

débbono aware.

— stile.

— pênna.

— pêcora.

— fandullo.

— genitóri.

-ocr page 63-

•lt;

6de Oefening ter Herhaling.

57

onderdaan —süddito. hamer —martéllo.

smid — fabbro. slager — macellaio.

Geef -den, de

Herhalingsoefening over het Lidwoord, de geslachtsbepaling

en meervoudsvorming der Zelfstandige Naamwoorden. Thema 6.

1. Wij spreken van de goden der Ouden. 2. Wij denken aan de kamers der vrienden, aan de boeken der taalgeleerden, aan de uitvaart der gravin, aan de steden der provincie, aan de dagen der week, en aan de monarchen der landen. j 3. Wij hebben boeken ontvangen van de zonen, dochters en vrienden van den geneesheer des dorps. 4. Wij zijn met de broeders der schoenmakers, met de zusters der timmerlieden en met de vrienden der bakkers uitgegaan. 5. Wij zijn in de scholen, schouwburgen en kerken der steden geweest. 6. De kooplieden waren in de herbergen van het dorp. 7. De vriend van den timmerman heeft kippen, eenden en ganzen gehad. 8. Zij hadden de inktkokers, pennen en boeken der vrienden gehad. 9. De geschiedkundigen spreken van de moeielijkhe-den van de beginselen der geschiedenis. 10. Zij hebben het trappelen (meerv.) der paarden in de straten gehoord. 11. De echtgenooten der officieren hebben voor de kinderen appels, peren en pruimen gekocht. 12. De oude soldaat heeft eenen arm en een been in den slag van Sadowa verloren. 13. In de oude tijden aten de menschen met de vingers. 14. Zij hebben van de kooplieden twee centenaars koffie (vertaal: van koffie), drie schepels tarwe en tweeduizend eieren ontvangen.

-ocr page 64-

6de Oefening ter Herhaling.

15. De zonen van den buurman komen van de bruiloft des geneesheers. 16. Deze pennen zijn voor de scholieren dei-school, en deze boeken voor de zonen en dochters van den meester. 17. Ik heb den bril van den meester op de bank in de school gelegd. 18. De lepels, vorken en messen liggen op de tafel in de keuken. 19. De mensch heeft twee armen, twee handen, twee beenen, twee voeten, twee ooren, eenen neus en eenen mond. 20. De grondslagen der gebouwen. 21. Met de leden der vergadering. 22. Met de ossen in de weide. 23. De kreten der stervenden. 24. De eieren der hoenders. 25. De klauwen der arenden. 26. In de studeerkamers der taalgeleerden. 27. De dubbelzinnigheden van deze uitdrukkingen. 28. Aan de steelen der bijlen. 29. In de stralen der zon. 30. De vlierboomen in de tuinen der geneesheeren. wij spreken—parlictma.

wij zijn uit--siamo usciti.

gegaan

kip gans

spreken

geschiedenis • officier heeft verloren aten tarwe lepel

58

• provmcia. siavio stati.

provincie w ij z ij n g e-

weest eend — anitra.

geschied- — istórioo.

kundige m o e i e 1 ij k- — difficoltd. h e i d

het trappelen —calpesüo.

- gallina.

■ óca.

■ pdrlano.

- istória.

■ ufficiale. ha perduto.

■ mangiAvano.

■ for men. t.o.

- cucchiaio.

gekocht

— comprato.

— battaglia.

— caffè.

— mésso.

— forchêtta.

slag

koffie gelegd vork

-ocr page 65-

Over het Bijvoeglijk Naamwoord. 59

iggen —sÓTio. mond —bócca.

ebouw —edifizio. vergadering — assemblêa.

vgide —prato. stervende —moribundo.

ire n d — dquila. uitdrukking — espressióne.

— due.

ZESDE LES.

Over het Bijvoeglijk Naamwoord.

§ 1. 1. Un uómo dótta — een geleerde man.

2. Una dónna dótta — eene geleerde vrouw.

3. Uómini dó Ui — geleerde mannen.

4. Bónne dóite — geleerde vrouwen.

5. Un arnico independente — een o n a f li a n k e 1 ij k e

v riend.

6. Una nazióne independent?, — een onafhankelijk volk.

7. Amici independênü — onafhankelijke vrienden.

8. Nazióni independênü — onafhankelijke volken.

De Bijvoeglijke Naamwoorden hebben in het Italiaansch slechts twee uitgangen o en e. Zij kómen met het zelfstandig naamwoord overeen in geslacht en getal. Die, welke uitgaan op o, veranderen zooals uit 2, 3 en 4 blijkt, de o voor het vrouwelijk enkelvoud in a, voor het mannelijk meervoud in i en voor het vrouwelijk meervoud in e. De bijv. naamw. 0P e hebben, zooals uit 5, 6, 7 en 8 blijkt, slechts éénen uitgang voor beide geslachten; in het enkelvoud namelijk e, ln het meervoud i.

-ocr page 66-

A

60 Over het Bijvoeglijk Naamwoord.

§ 2. 1. II giardino è bêlhi — de tuin is schoon. Zoo

2. La cam è alhi — het huis is hoog. uitgaa

3. I giardini sóno bêlli — de tuinen zij n schoon. te v(

4. Le case sóno alM — de huizen zijn hoog. wijl8

5. Le matite ed i temperini — depotloodenenpenne- D

sóno buóni messen zijn goed. i lijk

Niet alleen komt het bijvoeglijk naamwoord in geslacht en naan

getal met het zelfstandig naamwoord, waarop het betrekking ff00

heeft, overeen, wanneer het zooals in de voorbeelden van § 1, naal

attributief gebruikt wordt, maar ook, in strijd met het van

, Nederlandsch, wanneer het, zooals uit de voorbeelden van § 2 m

blijkt, predicatief gebezigd wordt, dat is wanneer het van II

zijn zelfstandig naamwoord door het werkwoord z ij n geschei- 11

den is. Heeft een bijv. naamw. op meer dan een zelfstandig Jl

naamwoord van verschillend geslacht betrekking, dan moet Ti

het, zooals uit 5 blijkt, in het mannelijk meervoud staan, en 1

in dit geval plaatst men welluidendheidshalve het mannelijk zelfst. naamw. het laatst. Dit alles stemt geheel en al met liet Fransch overeen.

De bijv. naamwoorden pari (gelijk) imparl of dispari (ongelijk) zijn de eenige, die op i uitgaan, en blijven in geslacht en getal onveranderlijk. Pari wordt vaak als zelfstandig naamwoord gebruikt en met de bijvoeglijk bezittelijke voornfuunwoorden mio (mijn), tuo (uw) sua (zijn) enz. verbonden, b.v.: un pari mio, tuo, suo (een man van mijns, uws, zijns gelijke).

§3. 1. Un uamp;rno ingamiaibrt — een bedrieglijk man. 2. Una donna ingannatriw — eene bedrieglijke vrouw.

-ocr page 67-

Over het Bijvoeglijk Naamwoord. 61

Zooals uit 2 blijkt, worden de bijv. naamw., die op tore uitgaan, vrouwelijk gemaakt door den uitgang tore in trice te veranderen. Deze bijvoeglijke naamwoorden worden dikwijls als zelfst. naamw. gebruikt.

Doftóre (doctor) en /aftóre (makelaar) zijn in het vrouwelijk cfoftoréssa en /aftoréssa. Nog vele andere als zelfstandige naamwoorden gebruikte bijvoeglijke naamwoorden, die men gewoonlijk aggetfivi sostantivi noemt, omdat zij, ofschoon zelfst. naamw., tevens eene eigenschap of hoedanigheid uitdrukken van den persoon, dien zij aanduiden, worden vrouwelijk ge-

maakt door den

uitgang éssa.

Zoo heeft men

II dma —

de

hertog.

la rfwchéssa —

de hertogin.

II cónte —

de

graaf.

la contéssa —

de gravin.

II baróne —

de

baron.

la baromssn —

de barones.

II principe —

de

p r i ii s.

la prmci\'pésün —

de prinses.

II poêta —

de

dichter.

la poetéssa —

de dichte

II podesfk —-

de

burge-

la podestésm —

res, de burge-

meester. meesters-

v rouw.

Ilprofêta —de profeet, la profetésm —de profetes.

§ 4. Mólto, póca, tante, altrettanto, quanto, tróppo, dlquanto valóre.

Mólti, póchi, tanti lihri

— veel, weinig, zooveel,

— evenzooveel, hoeveel,

— te veel. eenige dapperheid.

— veel, weinig, zooveel boeken.


-ocr page 68-

62 Over het Bijvoeglijk Naamwoord.

Altrettanta, quanta, trópfni — evenzooveel, hoeveel paziênza,. — te veel geduld.

Alquante dónne. — eenige vrouwen.

Uit deze voorbeelden blijkt dat de woorden mólto, póco. tanto, altrettanto, quanto, tróppo, alquanto, die in het Fransch als bijwoorden en met het voorzetsel de gebruikt worden, zooals heaucouj) de, peu de, tant de, autant de, combien de, trop de, un peu de, in het Italiaansch bijvoeglijke naamwoorden zijn, zonder di gebezigd worden, en met het zelfstandig naamwoord in geslacht en getal overeenkomen. Alquanto beteekent in het enkelvoud: een weinig, in het meervoud: eenige. In de uitdrukking un póco di is póco een zelfstandig naamwoord en blijft onveranderlijk, b.v.: un póco di paziênza, een weinig geduld. Tanto of cotanto wordt ook wei eens gebruikt in den zin van zoo groot b.v.:

Nón avèva aspettato la riu- — Ik had het welslagen van scita, duna ianta imprésa. — zulk eene groote onderneming niet verwacht.

Mëno (minder), piü (meer) en abbastanza (genoeg) zijn altijd onveranderlijk.

§ 5. 1. Védo parécchi uccêlli — Ik zie verscheidene vo-nél giardino. gel8 in den tuin.

2. Conósco parécchw dónne — Ik ken verscheidene be-cêlebri. roemde vrouwen.

3. Guarddtevi da sl o cosi — Wacht u voor dergelijke fatti uóniini. mannen.

-ocr page 69-

Over het Bijvoeglijk Naamwoord. 63

Uit 1 ziet men dat verscheidene voor het mannelijk Ineervoud vertaald wordt door parècchi, en uit 2 in het vrou-Isvelijk meervoud door parécchiv. Het enkelvoud parécahio ibeteekent: dergelijk, maar wordt in deze beteekenis ge-[woonlijk door pari of slviile vervangen. Si of cosi fatto (woordelijk: zóo of aldus gemaakt), wordt, zooals uit 3 blijkt ook gebruikt in den zm van zoodanig of dergelijk.

§ 6. 1. Un buón hhro — een goed boek.

2. II hél cavallo — het mooie paard.

3. San Piêtro \' — St. Pie ter.

4. Quel giardino — die tuin.

5. Gran coraggio — groote moed.

6. Una gran sala — eene groote zaal,

7. Gran birbóni — groote schurken.

Uit 1 blijkt, dat buóno voor een mannelijk woord, dat met een medeklinker begint, de laatste letter, de o verliest. Uit 2, 3 en 4 volgt dat de bijv. naamw héllo, santo en het bijvoeglijk aanwijzend voornaamwoord quèllo, voor een mannelijk woord, dat met een medeklinker begint, de laatste lettergreep verliezen, en uit 5, 6 en 7 blijkt dat grande de laatste lettergreep verliest voor een mannelijk, vrouwelijk en meervoudig woord dat met een medeklinker begint. Voor een mannelijk woord, dat met een klinker begint, verliezen al die bijv. naamwoorden, alleen de laatste letter. Men schrijft dus Sant\' António, un hell\' dlbero etc. Worden zij predicatief gebruikt, of staan zij voor een mannelijk woord dat met $ impura begint, dan moeten zij voluit geschreven worden.

-ocr page 70-

64 Over de Plaats van het Bijvoeglijk Naamwoord.

Zoo zegt men: qucsto giardino è bêllo e grande, deze tuin is schoon en groot, quèüo stivale, die laars; Santo Btéfano etc. Ook in het meervoud worden zij — behalve grande — voluit geschreven; in het enkelvoud alleen, wanneer op die woorden een bijzondere nadruk moet gelegd worden. Quéllo en héllo worden voor een mannel. meerv. woord, dat met een medeklinker begint: quèi en hêi, voor een dat met een klinker of iS impura begint: quégli en bêgli, b.v. quèi hêi lihri (die schoone boeken) quégli amid, (die vrienden), hêgli spiriti (schoone geesten).

§ 7. Una rnézzn hottiglia — eene halve flesch. Una hottiglia e mêzzo — anderhalve flesch.

Uit de twee voorbeelden blijkt, dat bij mêzzo juist het tegenovergestelde plaats vindt, als bij het Fransche demi — Mêzzo is namelijk veranderlijk, wanneer het vóór, en onveranderlijk wanneer het achter het zelfstandig naamwoord ge-plaatst is.

Een half uur heet una mêzz bra.

Over de Plaats van het Bijvoeglijk Naamwoord.

§1.1. Una giusta mimra — eene juiste maat.

2. Cón vergógna etêrna

o — met eeuwige schande. Cón etêrna vergógna

3. Una tdvola oblónga — eene langwerpige tafel.

4. Dél panno néro — zwart laken.

-ocr page 71-

Over de Plaats van het Bijvoeglijk Naamwoord. 65

1

5. Acqua inzuccherata — suikerwater.

6. Un libro francèse — een Franse li boek.

7. II comigliêre dulico — de hofraad.

8. Un uómo henêfico — een weldadig man.

9. II sóle hrillante — de schitterende zon.

10. L\'anno passato — verleden jaar.

11. Un libro tróppo grósso — een te dik boek.

12. Un candelière d\'argênto — een zilveren kandelaar.

13. Un dbito di séta — een zijden kleed.

14. Una strada lunga, larga — eene lange, breede en

e bêlla schoone straat.

Korte bijvoeglijke naamwoorden plaatst men, zooals uit 1 blijkt, vóór het zelfstandig naamwoord. Zijn het bijv. en het zelfst. naamwoord even lang, dan kan men het bijv. naamw., zooals uit 2 volgt, vóór of na het zelfst. naamw. plaatsen. De welluidendheid moet dan beslissen.

Men plaatst het bijv. naamw. na het zelfstandig: 1°. wanneer het, zooals in 3, 4, 5, 6 en 7, eene gedaante, eene kleur, een smaak, een volk of eene waardigheid aanduidt;

2°. wanneer het, zooals uit 8 blijkt, uit meer lettergrepen dan het zelfst. naamw. bestaat;

3°. wanneer het, als in 9 en 10, een tegenwoordig of verleden deelwoord is, en

4°. wanneer het, zooals uit 11 blijkt, nog eene bepaling bij zich heeft, zooals hier tróppo. Merk wel op, dat tróppo m dit voorbeeld een bijwoord en dus onveranderlijk is.

De stoffelijke bijv. naamw. worden op de Fransche wijze, •taluansciie taal. 5

-ocr page 72-

66 Over de Plaats van het Bijvoeglijk Naamwoord

zooals uit 12 en 13 blijkt, vertaald door een zelfstandig naamwoord en het voorzetsel di; een zilveren kandelaar heet alzoo: un candeliêre d\'argênto (een kandelaar van zilver) enz.

Twee of meer bijv. naamw., op hetzelfde zelfstandig naamwoord betrekking hebbende, staan er achter, zooals uit 14 blijkt.

De plaats van liet bijvoeglijk naamwoord vóór of achter het zelfstandig naamwoord, verandert de beteekenis niet, zooals dit in het Fransch dikwijls het geval is.

Toch heeft men ook in het Italiaansch eenige aan het Fransch ontleende uitdrukkingen, waarin de plaats van het bijvoeglijk naamwoord de beteekenis wijzigt. Zoo heeft men;

Un galant\' uamp;mo — een edeldenkend, rechtschapen

man.

Un uómo galante — een man, die zich bij de vrouwen aangenaam tracht te maken.

Un gentiluómo — een edelman.

Un uómo gentile — een beminnelijk man.

II póver uómo — de arme drommel, sukkel. JJ uómo póvcfo — de arme (van lortuin beroofde) man. Una cêrta notizia — een zeker (onbepaald, vaag) bericht. Una notizia cêrta. — een zeker (stellig) bericht.

Thema 7.

1. De rijke koopheden hebben aan de armen van liet dorp vele aalmoezen gegeven. 2. De witte huizen maken een aangenaam contrast met de groene weiden. 3. De goederen van deze wereld zijn onzeker en vergankelijk. 4. Er zijn

-ocr page 73-

7de Oefening. 67

vele hooge vruchtboomen in de schoone tuinen van de rijke barones 5. Europa heeft vele bergachtige landen. 6. In de kleine keuken van het nederige huis des armen landmans stond eene vierkante tafel. 7. Hebt gij vele Italiaansche en Fransche boeken gelezen? 8. Neen ik heb meer Engelsche en Duitsche gelezen. 9. Wij hebben niet veel van den zuren wijn des herbergiers gedronken, lü. De zonen van den bekwamen geneesheer zijn lui en achteloos; zij luisteren niet naar den goeden raad van de verstandige en vlijtige meesters. 11. Wij hebben bij (da) den winkelier zwart laken, blauwe zijde en wit katoen gekocht. 12. De boekverkooper heeft aan de leerlingen der school een half dozijn (di) schrijfboeken, en twee en een half dozijn (di) griffels verkocht. 13. Deze i meisjes zijn vlijtig en gehoorzaam, zij hebben de moeilijke zonder grove fouten gemaakt. 14. Hebt gij de schoone )hanuskerk te Weenen gezien? Ja, maar de beroemde ;ter te Rome heb ik niet gezien. 15. Wanneer men ie groene velden wandelt, moet men de scheppende der schoone natuur bewonderen. 16. De onverstan-uigc hinderen van den tuinman zijn zeer (molto) ziek, zij hebben te veel onrijpe vruchten gegeten. 17. Wij zijn naar (a) het prachtige slot van den rijken edelman geweest; hij is een beminnelijk man en heeft ons vele schoone schilderijen van verscheidene groote meesters laten zien. 18. De zuster van Hendrik heeft weinig goede vriendinnen, omdat zij grillig en twistziek is. 19. Een dweepziek, onwetend en bijgeloovig volk is in de handen van een despoot een verschrikkelijk wapen. 20. Voor vele menschen is vermoeienis (vertaal: de vermoeienis) niet zeer heilzaam.

-ocr page 74-

68 wit

contrast

^gro en onzeker vruchtboom

maken

weide

goed

— bianco.

— contrasto.

— vér de.

— incêrto.

nederig —ümile. gelezen latto.

Duitsch — Tedésco. gedronken —bevido. bekwaam —dbile. achteloos — disattênto. verstandig — ragionévole.

vlijtig -blauw

gekocht

d o z ij n

gehoorzaam

grof

W e e n e n beroemd

wanneer veld

— cotóne.

— lihrdic.

— dozzina,

— ubhidiênte.

— grave. —■ Viênna.

— famóso.

— quando.

— campo.

hoppend — creatóre.

se

— assiduo, dili- winkelier -hottegdw.

gênte.

— turchino. katoen

— comprato. boekver

koop e r

verkocht —-venduto. moeielijk —difficile.

fout ~ err óre.

gezien veduto.

men wan--si passéggia.

del t.

door —Pér-

men moet — ^ déve am-bewonderen. mirare. natuur — natura.

iïlhero frutti- hoog fen-o.

bergachtig — viontag7ióso vierkant —quadrato. Engelsch — Inglbse.

zuur — agro.

herbergier —óste. lui —Tpigro.

zij luisteren — ascóltano.

naar

7de Oefening.

— fanno.

— prcdo,

— béne.

vergankelijk — instdbile.

— alto.

-ocr page 75-

1A W ^lt;x t -.r* ^ M^fls

Over de Trappen

— fórza.

— vér de.

siamo stati. ai hamostrato.

wil zijn geweest heeft ons laten zien v r i e n d i n — amica. ■*r twistziek —rissóso. onwetend — ignorante.

in de han--in mano.

den

verschrik--terrihile.

kelij k vermoeienis— fatica.

kracht

l\\

V ..

o n r ij p

onverstandig gegeten prachtig

grillig dweepziek bijgeloovig despoot

wapen

C *. c.^ ft \'-f rC-. ^Vt-iTf

p jx^ Cf\'\\.pc^ \'-quot;VCa^C-C--

van Vergelijking. 69

■ sciócco.

mangiato.

■ magmfico.

s c h i 1 d e r ij — quadro.

— capnceióso.

— fandtico.

— superstizióso.

— dêspoto.

heilzaam —mno.

arme.


ZEVENDE LES.

Over de Trappen van Vergelijking.

§ 1. Er zijn drie trappen van vergelijking; de stellende [il positivo), de vergelijkende (il comparativo) en de overtreffende trap {il supêrlativo).

Ijü casa déll\' avvocato è — Het huis van den a d v o-alta. — caat is hoog.

De stellende trap {positivo) duidt eenvoudig eene hoedanig-lieid aan, zonder uitgedrukte vergelijking, als in het gegeven voorbeeld.

-ocr page 76-

70 Over de Trappen van Vergelijking.

§ 2. II figlio déllo speziale è cosi • De zoon van den grande cóme quèl dël notdio. (apotheker is zoo

IIfiglio déllo speziale è tanto grande groot als die van quaiito quèl dél notdio. I den notaris.

2. L\'ócchio dél servitóre nóu véde rnai Het oog van den cosi hêne cóme quèl dèl padróne. knecht ziet nooit

L\'ócchio dèl servitóre nónvèdemai jzoo goed als dat tanto béne quanto quèl dèl padróne. jvan den meester.

3. Ég li ha tanto coraggio — hij heeft evenveel voor-qnanta prudênza zichtigheid als moed.

4. lo l\'amo tanto, quanto — ik bemin hem evenzeer l\'amate vói\' als gij hem bemint.

5. Élla è huóna cóme o quanto — zij is zoo goed als hare sua sorêlla zuster.

6. Botterdamo nón ha tanta — Rotterdam heeft niet populazióne quanta né ha zulk eene groote bevol-Amstelodamo. ^ing als Amsterdam.

Men heeft drie soorten van vergelijkende trappen: de vergelijkende trap van gelijkheid {comparativo d\'eguahtd), de vergelijkende trap van meerderheid (comparativo di superioritd) en de vergelijkende trap van minderheid {comparativo d\' inferioritd).

De vergelijkende trap van gelijkheid {d\'eguahtd) wordt gevormd voor bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden door cosi en cóme/ men kan echter ook tanto en quanto gebruiken zooals men uit 1 en 2 ziet.

Voor een zelfstandig naamwoord en bij een werkwoord moet men tanto en quanto gebruiken, zooals uit 3 en 4

-ocr page 77-

Over de Trappen van Vergelijking. 71

blijkt, waarbij in 3 valt op te merken, dat voor een zelfstandig naamwoord tanto en quanto bijv. naamwoorden zijn en in geslacht en getal met het zelfstandig naamwoord moeten overeenkomen. Uit 5 blijkt dat men cosi en tanto kan weglaten, hetgeen dikwijls in bevestigende maar zelden in ontkennende zinnen geschiedt. De uitdrukking is daardoor korter maar niet zoo krachtig. Uit 6 volgt dat in het Ita-liaansch de elliptische zin, die in het Nederlandsch door als aangeduid wordt, dikwijls door het werkwoord aangevuld wordt.

§ 3. 1. Égli è plii riooo di mé — Hij is rijker dan ik.

2. Lóndra è piü grande di — Londen is grooter dan Parigi Parijs.

3. La figlia è piü fclice délla — De moeder is gelukki-madre o ché la madre ger dan de dochter.

4. Ló stómaco digerisce piü — De maag verteert ge-facilménte l\'acqua ché il makkelijker water dan vino. wijn.

5. Quést\' uórno è piü dótto — Deze man is meerge-ché ricco leerd dan rijk.

6. È méglio tarde ché mai — Het is beter laat dan

nooit.

7. Spênde piü ché non gua- — Hij verteert meer dan dagna. iSpênde piü di quël hij verdient.

ché guadagna

De vergelijkende trap van meerderheid [compara-Hvo di superiority) wordt in het Italiaansch niet als in het

Hollandsch door buiging van het bijvoeglijk naamwoord, maar \\

-ocr page 78-

72 Over de Trappen van Vergelijking.

door pill = meer gevormd: rijker = meer rijk — piü ricco.

Het Nederlandsche dan wordt voor een persoonlijk voornaamwoord of voor een eigennaam door di vertaald zooals uit 1 en 2 blijkt. Dit di wordt verklaard als bepaling van een uitgelaten zelfstandig naamwoord, hier: in comparazióne (in vergelijking), zoodat men in het Italiaansch leest in het eerste voorbeeld: hij is rijker in vergelijking van mij, en in het tweede: Londen is grooter in vergelijking van Parijs.

Het 3de voorbeeld bewijst dat, wanneer op het Nederlandsch dan een zelfstandig naamwoord met het lidwoord volgt, het vertaald kan worden door di of chè. Men kan dan op twee wijzen redeneeren: men kan zeggen; de dochter is gelukkiger in vergelijking van de moeder, en men vertaalt dan door di; men kan echter ook den door dan aan-geduiden elliptischen zin aanvullen en zeggen: de dochter is gelukkiger dan de moeder is, en men vertaalt dan door chè. Het gehoor moet hier veelal beslissen.

Uit het 4de voorbeeld blijkt dat, wanneer de beide vergeleken zelfstandige naamwoorden alleen door het voegwoord dan gescheiden zijn, men dit vertaalt door ché.

Het 5de en 6dc voorbeeld toonen aan, dat men, twee bijvoeglijke naamwoorden of bijwoorden vergelijkende, dan vertaalt door chè.

Het 7de voorbeeld doet zien dat, wanneer twee werkwooi-den vergeleken worden, dan vertaald wordt door chc of dooi di quèl ché. De laatste manier, die in het Spaansch en Portugeesch de eenige gebruikelijke is, wordt in het Italiaansch slechts sierlijkheidshalve gebezigd. Tevens valt in dit vooi-

-ocr page 79-

Over de Trappen van Vergelijking.

beeld op te merken dat, wanneer bij eene vergelijking van rneerderbeid of minderheid het eerste lid bevestigend is, bij het tweede evenals in het Fiansch, de ontkenning nón gebezigd wordt.

In het Fransch: il dépense plus qu\'il ne gagne. Dit nón valt natuurlijk weg, wanneer men dan op de tweede manier • vertaalt, hetgeen uit de logische analyse vanzelf moet blijken.

§ 4. 1. Égli è méno o — Hij is minder rijk dan ik manco ricco di mé of niet zoo rijk als ik.

De vergelijkende trap van minderheid (comparativo..d\\nfe-rioritd) wordt gevormd door méno of manco; het eerste is het gebruikelijkste. Verder geldt voor de vertaling van dan hetzelfde wat in de vorige § gezegd is, zoodat men, in al de daar gegeven voorbeelden pul door méno vervangende, zou krijgen :

2. Parigi è méno grande di — Parijs is minder groot Lóndra. dan (niet zoo groot als)

73

3, La filglia è méno fehce délla madre.

Londen.

De dochter is minder gelukkig dan (niet zoo


gelukkig als) de moeder. 4. Ló siómaco digerisce móno — De maag verteert min-

fadlménte il vino ché l\'acqua

der gemakkei ij k (niet zoo gemakkelijk) w ij n dan (als) water.

5. Quést\' uómo è méno dótto ché ricco

Deze man is minder geleerd dan rijk.


-ocr page 80-

74 Over de Trappen van Vergelijking.

6. È méno huóno mal ché — Nooit is minder goed dan tarde (niet zoo goed als) laat.

7. Spênde méno ché nón — Hij verteert minder dan guadagna. Bpénde méno di hij verdient.

quél ché guadagna.

meno e

§ 5. 1. Mio fratêllo è assai — Mijn broeder is veel ge-piü, mólto piil, \\icpiüdótto le er der dan ik.

di mé.

2. La sorêlla è assai méno, — De zuster is veel min-mólto méno, vie méno con- der tevreden dan (lang

tênta dél fratêllo niet zoo tevreden als) de

broeder.

Uit 1 en 2 blijkt dat de bijwoorden pm en méno versterkt kunnen worden door assdi, mólto en vie zooals in het Hollandsch door veel.

§ 6. Quanto piü uno èricco, — Hoe rijker men is, hoe tanto piü égli déve dare ai meer men aan de ar-póveri men moet geven.

Quaiito piü uno sa, tanto — Hoe meer men weet, égli pénsa sapére hoe minder men denkt

te weten.

Hoe hoe wordt vertaald door quanta tanto; zoo heeft men: quanto piü, tanto piü; quanto méno, tanto méno; quanta piü, tanto mhio; quanta méno, tanto piü. Hoe langer hoe rijker enz., wordt vertaald door piü e piü ricco etc.

-ocr page 81-

Over de Trappen van Vergelijking. 75

§ 7. Magfióre prudênm, mi- — Meer voorzichtigheid, «óre pericolo minder gevaar.

Hebben meer en minder de beteekenis van grooter en kleiner, dan vertaalt men het eerste door maggióre, het laatste door minóre.

| 8. Piü di cênto jiorini — Meer dan honderd gulden. Méno di trênta cavalli — Minder dan dertig paarden.

Meer. dan en minder dan, door een telwoord gevolgd, wordt, zooals uit de voorbeelden blijkt, vertaald door piü di, iti\'eno di.

§ 9. La vêra filosofia con- — De ware wijsbegeerte têmpla le cóse tali ((iiali sóno beschouwt de zaken,

zooals ze zijn.

Fu tale Cicerone in Hóma — Wat Demosthenes in quale Dermóstene in Atêne Athene was, was Cicero

in Rome.

In zinnen, als de beide voorafgaande, wordt zooals of het hoedanigheid uitdrukkende wat vertaald door tale quale. Tal é, qual è, beteekent: het eene is net als het an-jdere; è méglio tale e quale che sênza nulla stare-, het is beter wat dan niets.

§ 10. De overtreffende trap (supêrlativo) is tweeërlei; de volstrekt overtreffende (supêrlativo assolutó) en de betrekkelijk overtreffende trap (supêrlativo relativo).

-ocr page 82-

Over de Trappen van Vergelijking.

— Een zeer geleerd man.

— Eene zeer geleerde vrouw.

— Een zeer slecht boek.

— Eene zeer hevige koude.

— Een zeer vroom priester.

— Een zeer frisch weder.

— Een zeer lang opstel.

De volstrekt overtreffende trap {supêrlativo assolutó)

wordt gevormd, door, zooals uit 1 en 2 blijkt, voor het bijv. naamw. de bijwoorden mólto of assdi te plaatsen. Dit assdi moet niet met het Fransche assez (genoeg) verward worden;\' het heeft deze beteekenis alleen voor het bijwoord béne (wel), zoodat assdi béne dezelfde beteekenis heeft als het Prai^che assez bien (vrij wel).

Uit 3, 4, 5, 6 en 7 blijkt, dat men den supêrlativo asso-luto ook vormt, door de laatste letter e of o van het bijvoeglijk naamwoord in ïssimo te veranderen. Zoo krijgt men van cattivo, ca^-imsimo; van violêntv, violentiisimo \\ van pin, jcmssimo. Gaat echter het bijvoeglijk naamwoord op io zonder den klemtoon op de i uit, zooals sdvio (wijs), dan verandert men io, in tssimo: b.v. mvi» wordt scmssimo. Eindigt een bijvoeglijk naamwoord op co of go zooals frésao en lungo, dan voegt men er een h tusschen om den harden klank der c en g te behouden. Zoo krijgt men van frésw, /reschissimo, van lungo, Zwi^lussimo. Hiervan zijn uitgezonderd amico (bevriend) en nemico (vijandig) van welke de supêrlativo asso-luto is: am\'idssimo en «emicissimo.

Onregelmatig zijn :

76

dehrv. ntegro

\'Tiisero

ïalubre

difficile

iimile

stmile

1. TJn uómo mólto dótto

2. Una donna assai hèlla

3. Un libra ca^wissimo

4. Un fréddo violmüssima

5. Un préte piissimo

6. Un têmpo /reschissimo

7. Un têma /wri^hissiiiio

acro

acerruno

wrang.

zeer wrang.

-ocr page 83-

Over de Trappen van Vergelijking. 77

iéfeère —beroemd. celehèTt\'ima —zeer beroemd.

ntegro —onbespro- integèvrinw —zeer onbesproken, ken.

nisero —ellendig. misèrrinio —zeer ellendig.

alubre —heilzaam. sa/ïi6èrrimo —zeer heilzaam.

iifu-Alt —moei el ijk. c^cilllino —zeer moeielijk.

/mile — nederig. w?nüIii»o — zeer nederig,

nmile — g e 1 ij k. swmllimo — zeer g e 1 ij k.

De drie laatste difficile, ümile en simile hebben in plaats van den onregelmatigen, Latijnschen vorm, vaker en beter den regelmatigen diffidlhHimo, w/m/issimo en simiSssimo.

De volgende bijv. naamwoorden zijn reeds op zich zeiven

mpêrlativi assoluti :

Egrêgio, insigne — uitmuntend.

Estrêmo — uiterst.

Magnïfico, magnificénte — prachtig.

Stupêndo — verbazend.

Infimo — zeer laag.

Van magnïfico, magnificénte vindt mén als sup. ass. ook: magnificenüssimo.

Van de deelwoorden mag de vorm op tesimo niet gebruikt worden, tenzij men ze als bijvoeglijke naamwoorden bezigt b.v.;

Quêsto signóre è mólto o assai — Deze heer is zeer ge-

stimato acht.

Stimaüssimo signór mio — Zeer geachte heer.

-ocr page 84-

78 Over de Trappen van Vergelijking.

§ 11. Una dónna ntcibêlla — eene zeer schoone vrouw. Un uómo strancco — een zeer rijk man.

Una cdmera luiiga, lun^a — eene zeer lange kamer.

Uit deze voorbeelden blijkt dat men den supérlativo asso-luto ook vormen kan door voor het bijv. naamw. de voorvoegsels ard (van het Grieksch archè: ons aarts), sira (het Latijnsche extra) te plaatsen of door het bijv. naamw., zooals uit het laatste voorbeeld blijkt, te herhalen. Het voorvoegsel arci kan men zelfs voor een sup. ass. op issimo plaatsen b.v. arcilunghissimo ~ buitengewoon lang.

§ 12. II piü eloquênte dtgli — De welsprekendste der

oratóri redenaars.

La inéno alta délle case — Het minst hooge dei-

huizen.

1 piü póveri délla cittd — De armsten der stad.

Le méno felici délle dónne — De minst gelukkige der

vrouwen.

De betrekkelijk overtreffende trap (supérlativo relativo) wordt gevormd door voor het bijvoeglijk naamwoord piü (meest) of méno (minst) met het lidwoord te plaatsen.

Komt het bijv. naamw. achter het zelfstandig naamwoord te staan, dan moet niet als in het Fransch het lidwoord herhaald worden. Wil men vertalen: Cicero was de welsprekendste redenaar der Romeinen, dan zegt men niet als in het Fransch : Cicéron fut Vorateur le plus éloquent des Homains, maar Cicerone fu ï oratore piü eloquênte déi iRornani. Wil men het bijvoeglijk naamwoord sterk doen uit-

-ocr page 85-

8ste Oefening.

komen, dan plaatst men het vóor het zelfstandig naamwoord en zegt: Cicerone fu il piü eloquênte oratóre dei liomani.

Onregelmatige Trappen van Vergelijking.

Positivo. Comparativo. Supêrlativo Assoluto.

Buóno —goed. miglióre —beter. óttivw —uitmuntend.

Cattivo — slecht, peggióre —slechter, pêssimo —zeer slecht.

Grande — groot, maggióre — g r o o t e r, mdssimo — zeer groot.

piccolo — klein, minöre —kleiner, minimo —zeer klein.

Alto —hoog. superióre — hooger. sómmo —voortreffelijk.

Als supêrlativi relativi gebruikt men : il of la miglióre, il of la peggióre, il of la maggióre, il of la minóre, il of la suprêmo, suprêma.

De supêrlativi assoluti: mdssimo en \'mfimo (in § 10 vermeld) kunnen ook als supêrlativi relativi gebruikt worden, b.v. L\'hó veduto cól mdssimo piacére, ik heb het met het grootste genoegen gezien.

Thema 8.

1. De armste menschen zijn niet altijd de ongelukkigste. 2. Dit huis is niet zoo hoog als dat van den notaris, maar het is veel mooier. 3. De zoon van den burgemeester is zeer leergierig en zeer gehoorzaam. 4. De bekwaamste officieren zijn naar de vesting gezonden. 5. Bernard en Antoon zijn veel vlijtiger en oplettender dan de zonen van den koffiehuishouder. 6. De meester prees den neef van den metselaar evenzeer als den kleinzoon van den kleermaker. 7. Zijne broeders zijn zeer geacht en geëerd, omdat zij de mildste inwoners

79

-ocr page 86-

80 8ste Oefening.

der stad zijn. 8. De horlogemaker, die op den hoek van de straat woont, verkoopt de mooiste horloges voor (een) minderen prijs dan al de andere horlogemakers. 9. De zoon van den kunstdraaier verteert meer geld dan hij verdient, maar hij verteert niet zoo veel als de broeder van den goudsmid. 10. Cicero en Demosthenes waren zeer welsprekende redenaars, zij waren de welsprekendste van al hunne landgenoo-ten. 11. De ware zedigheid is zeer zeldzaam. 12. De gevaarlijkste vijanden van het leven zijn de onmatigheid en de lediggang. 13. Lodewijk is zeer lui, maar de vriend van den kastenmaker is veel luier. 14. De buitenlucht is zeer heilzaam. 15. De arme messenmaker is gelukkiger dan een vorst, want zijne kinderen zijn zeer vlijtig en hij is zeer tevreden. 16. Hij is rijker dan ik, maar hij is niet zoo tevreden. 17. Die man is meer rijk dan geleerd, en zijne zuster is meer goed dan schoon. 18. De haren van dien grijsaard zijn zoo wit als (de) sneeuw. 19. De taalstudie (lees : studie der talen) is zeer nuttig en zeer aangenaam, maar zij is ook zeer moeielijk. 20. De landlieden zijn gewoonlijk de sterkste menschen; zij zijn veel gezonder en sterker dan de bewoners der steden. 21. Ik heb meer dan dertig gulden bij (lees: aan) het spel verloren, maar mijn (mio) broeder heeft het meest van allen verloren. 22. De arend vliegt zeer hoog, hij vliegt hooger dan alle andere vogels.

ongelukkig — infelice. notaris —notdio.

gehoorzaam — ubhidiênte. bekwaam —dbile. vesting — fortézza. gezonden — mandato.

Bernard —Bernardo. koffiehuis- —cafettiêre.

houder

-ocr page 87-

Over de Vergrootings- en Verkleiningswoorden. fel

prees —

kleinzoon — mild —

liorlogemaker woont —

kunstdraaier — landgenoot —

zeldzaam — lui —

buitenlucht —

haar —

wit —

aangenaam —

landman —

dertig —

spel —

al —

hoog — metselaar —

lodd.

nipóte.

generóso.

— oriuoldio, dimóra.

- tornitóre. compatriótto, concittadino. raro.

pigro.

aria di cam-pagna. capèllo. bianco, piacévole. contadino.

■ trênta. giuóco.

■ tutto.

geëerd -

inwoner —

horloge —

ander —

goudsmid —

waar -

zedigheid -

Lode wijk — kastenmaker

messenma- -

ker

grijsaard -

sneeuw -

maar -muratóre.

gewoonlijk — or dinar iaménte. gulden — Jtorino. verloren —perduto. arend — dquila.

alto (ook als omdat, want — perchè. bijwoord).

- onorato.

■ abitante.

■ oriuólo.

altro.

■ orèfice, órafo.

■ vér o.

■ modêstia.

■ Luigi.

- stipettdio.

■ coltellAio.

- vêcchio.

■ nève.

- ma.


ACHTSTE LES.

Over de Vergrootings- en Verkleiningsiuoorden. {Auvientativi e Diminutivi.) A. Vergrootings woorden.

§1. 1. II libra — het boek. II lihrinw — hetgroote boek. 2. La sa/a — de zaal. II saZóne — de groote zaal. italiaansche taai,. quot;

-ocr page 88-

82 Over de Vergrooti11gswoorden.

3. La dónnb, — de vrouw. Ildonninw—de groote vrouw.

4. La sciocca — de zottin. Xa scioccóna — de groote zottin. One duidt grootheid en omvang aan. Uit 2 en 3 blijkt,

dat de uitgang óne vrouwelijke woorden zooals sala en donna mannelijk maakt, zoodat zelfs donnóne mannelijk is. Uit 4 volgt, dat men, wanneer geslachtsonderscheiding noodig is en dit geslacht uit het woord niet zou kunnen blijken, men vrouwelijken woorden ook den uitgang óna kan toevoegen. Uno scioccóne zou een groot en zot aanduiden.

§ 2. 1. LI cappêlh) — de II cappelhww — de groote

hoed. 1 eelijke hoed.

2. La scarps — de schoen. La scowpaccia — de oude slof.

3. LI poêtvi —de dichter. 77 jooetostro —de slechte

dichter, rijmelaar.

4. LI pópoio —het volk. II popolmm — het geringe

volk.

Accio. \\ Deze uitgangen duiden iets verachtelijks, iets lee-lijks aan. Bij mannelijke woorden voegt men de uitgangen accio, astro, bij vrouwelijke accia en as tra. Azzo. \' De uitgang azzo wordt weinig gebruikt.

Astro.

§3. II cappêllo— de hoed. II c/rppeJImvAw\'xa o cappel-

laccióne — de groote, lee-lijke hoed.

Deze uitgangen zijn de samenvoeging van de twee Onaccio. I u^gangen ó?ie en accio en drukken met het denk-Accióne. ( beeld van grootheid en omvang ook dat van ! verachting en leelijkheid uit.

-ocr page 89-

Over de Vergrootingswoorden.

§ 4. II paése — het dorp. II paesotto —Het vrij

groote dorp.

Jjci ccm —het huis. La msótta —Hetgroote,

schoone huis.

ia contadinamp;—de boerin. La Gontadvmthy — De jeugdige, flinke boerin.

* . • 1 • T

Otto, geeft omvang met stevigheid, kracht en jeugd

,e kennen. .............

5. II légno — het hout. II legrmm

uccêllo l vêrdv l cêspo

l ccme

ja plêbe l mónda

-de menigte h o u t.

— de vogel. L\'uccelhmv — het gevogelte.

— het groen. Ilverdvam — het vele groen.

— de struik. II ces^nglio — het struikgewas.

— de hond, ook La comag-lia j het grauw, slecht mensch.

— het volk. La pleb^\\m \'het gepeupel.

— de wereld. La mond\\%\\\\amp; — de vuilnis, verdrachtelijk ook menigte.

Deze uitgangen duiden eene verzameling, een verwarden hoop aan, soms ook, zooals in de drie laatste voorbeelden, met een denkbeeld van verachting.

me. Urne. ?lio, Ag-lia. flia.

I t.

6. 1. II gremhiah — de La grembialata — de voor-voorschoot. schot vol.

2. La spada —de degen. La spadata — de degenstoot.

3. II bastóne —de stok. La bastonwisi — de slag met

den stok.

83

-ocr page 90-

84 Over de Vergrootingswoorden.

4. 11 fucih —liet geweer. La fucihtb —het geweerschot.

Ata. Deze uitgang kan, zooals uit 1 blijkt, eene volheid uitdrukken, en kan, gelijk uit 2, 3 en 4 af te leiden valt, ook een stoot, slag of schot te kennen geven.

§ 7. De genoemde vergrootingsuitgangen kunnen ook bij bijvoeglijke naamwoorden gevoegd worden b.v. :

Ignorante — onwetend. Ignorantinw —erg dom.

Ignorantmno — ellendige domkop. Duro — hard. ZWótto —vrij hard.

.Bianco — wit. Biancamp;stro — vuil wit.

Verder heeft men vier bijvoegl. naamwoorden, die den uitgang occio aannemen:

Itêllo —schoon. Belloccio —vrij schoon.

Frêsco —frisch. Frescbccio—vrij frisch.

Grasso —vet. Grassóccio — vrij vet.

jSanto —heilig, vroom. /Sa^óccio —vrij vroom.

§ 8. Barhei —baard. Barbwio —gebaard.

Carm — vleesch. Carnuto — vleezig.

Capéllo —haar. Capelhito —harig.

De uitgang uto, aan een zelfst. naamwoord gevoegd, maakt er een bijvoeglijk naamwoord van dat overvloed aanduidt, zooals uit de drie voorbeelden blijkt.

B. Verkleiningswoorden. § 9. 1. Fanciullo — kind. Fanciulliwo — klein, lief kind, 2. Póvero —arme. PoverèWo —kleine, arme man

of jongen.

-ocr page 91-

Over de Verkleiningswoorden

85

3.

Cosa

— zaak.

Coserèlla

— kleine zaak.

4.

Vano

— ijdel. •

Fanarèllo

— fat, kwast.

5,

Riso

— lach.

iïisolino

— zachte glimlach.

6.

Libro

—■ boek.

LihrU\'mo

— klein, lief boek.

7.

Örto

— moestuin.

Or/icèllo

— kleine moestuin.

8.

Bastónv

— stok.

BasiomèWo ■

— stokj e.

9.

Padrónv

1

Albero

— meester.

Padroncim ■

— jonge meester.

10.

— boom.

Alberctto

— kleine boom.

11.

Cavallo

— paard.

Cavallnccio

— paardj e.

12.

Mercantt

— koopman.

Mercantnuo

— kleine koopman, rondventer.

13.

Figlia

— zoon.

Figlimlo

— zoontje.

14.

Libra

— boek.

Jjibrictuuthi

— prulboek.

15.

Vm

— weg, straat.

Fióttolo

— straatj e.

16.

Uómo

— mensch.

Omicciattolo

1 laag, verachte-

Omicclatto \' lijk mensch. ^ De liiernevenstaande uitgangen, zooals ze in de ■ gegeven voorbeelden voorkomen, drukken alle het denkbeeld van kleinheid uit. Welken van deze uitgangen men gebruiken moet, wordt door het gehoor en den smaak bepaald. Een woord I laat dikwijls den eenen uitgang beter toe dan den 5. Lino. ) anderen. Doch niet alleen het gehoor, ook de rede moet beslissen welke uitgang van de vele, die geen van alle hetzelfde zijn, het best de uit te drukken gedachte wedergeeft. De uitgangen van 1 tot en met 9 zijn welluidend, harmonisch; zij worden daarom in een goeden zin genomen. Vooral ino drukt, behalve eene kleinheid, eene

1. Iiio.

2. Êllo,

3. Erêllo.

4. Arêllo.

6. Icino.

7. Icêllo.

8. Cello.

9. Cino.

-ocr page 92-

Over de Verkleiningswoorden.

86

10. 11. 12.

13.

14.

15.

16.

Etto.

Uccio.

Uzzo.

lólo.

Icciuólo.

Ottolo.

Iccii\'ittolo,

Icciatto.

genegenheid uit, zooals uit het ]ste voorbeeld blijkt. De uitgang 4 kan echter ook in een ongunstigen zin genomen worden, zooals het voorbeeld vanarêllo doet zien. De uitgang 10, étto, kan hetzelfde als ino uitdrukken, doch kan ook verachting te kennen geven. De uitgangen 8 en 9 cêllo en eino worden gewoonlijk bij zelfstandige naamwoorden op óne gevoegd, zooals uit de voorbeelden bastóne, hastoncêllo, padróne, padroncino blijkt. De uitgangen 11, 12, I 13 en 14 kunnen insgelijks het bijbegrip van het kleine in een verachtelijken zin hebben. De uitgang 13. uólo heeft dit , dikwijls niet, want men noemt Christus: ü jigliuólo di Uio (den zoon Gods). De uitgang 15, óttolo drukt het denkbeeld van gering uit, en de uitgangen 16, iccidttolo en icciatto geven de grootst mogelijke verachting te kennen. Wanneer een Italiaan de woorden omicdatto en omiccidttolo uitspreekt, dan ziet men aan de beweging van zijnen mond, aan zijne gebaren, dat de grootste verontwaardiging zich van hem heeft meester gemaakt.

§ 10. 1. Un Jióre — eene Un j^orellino — eene zeer

bloem. kleine bloem.

-ocr page 93-

Over de Verkleiningswoorden. 87

2. Una cossa —eene kist. ün cassettino— een zeer

klein kistje.

3. Un fórno —een oven. Unfornellétto— een zeer

kleine oven, een komfoor.

4. Una bêstm —een beest, Un ies/iolino — een zeer

een dier. klein diertje.

5. Un fig Ha —een zoon, Un figliolétto— een heel

een kind. klein kind.

6. Unghiótto —een gulzig- Un gfAio^oncêllo— een vrij

aard. groote gulzigaard.

7.

Un ócchio

— een oog.

Un occ/iiatina — een knip

oogje.

\\

Uit de gegeven voorbeelden

blijkt, dat men een woord zelfs

twee verkleiningsuitgangen, tot één

1.

Ellino =

èllo -

h ino.

vereenigd, kan toevoegen. De hier-

2.

Ettino =

O

h ino.

nevenstaande zijn de gebruikelijk

3.

Ellétto =

èllo -

h étto.

ste. Wanneer van den uitgang

4.

Oliuo =

uólo -

ino.

uólo, de klemtoon naar de vol

5.

Olétto =

nolo -

- étto.

gende lettergreep verplaatst wordt.

6.

Oncêllo =

one -

h cêllo.

verliest hij- de u, zooals uit 4 en 5

7.

Atina =

ata -

- ina.

blijkt 1). In 6 en 7 ziet men dat

een woord een vergrootings- en een verkleiningsuitgang kan hebben.

§ 11. De verkleiningsuitgangen kunnen, evenals die van vergrooting (zie § 7), ook bij bijvoeglijke naamwooiden ge-

i) Dit heeft overal plaats waar de klemtoon van de lettergreep uo op een andere overgaat; b.v. uómo, omit to. De overtreffende trap van buono, buonissimo maakt hierop een uitzondering.

-ocr page 94-

88 Over de Verkleiningswoorden.

voegd worden; zij verhoogen dan echter de beteekenis van het bijv. naamw. veeleer dan dat zij die verkleinen. Zoo heeft men:

GtcliicI?, groot. ÖVcmoScêlIo — v r ij gr o o t.

Lungo —lang. Lunghttta —wel wat lang. C«ro dierbaar. Carina — erg lief, bekoorlijk.

LeggicidTü schoon. Leggictdvktto — bevallig.

Woorden die op co en go uitgaan, nemen, zooals uit het 2de voorbeeld lungo blijkt, ter bescherming van de harde c of g een h aan, wanneer de verkleiningsuitgang met e of i begint.

§ 12. 1. Inférvia — ziek. InferrnXwm — zieke 1 ijk.

2. Néro —zwart. iVericcio —zwartachtig.

3. Vêrde —groen. Verd\\g\\w —groenachtig.

4. Sórda —doof. iS\'orc/astro —halfdoof, hardhoorig.

5. Amaru —bitter. AmarbgnoXo —ietwat bitter.

De uitgangen iccio in 1 en 2, igno in 3, astro in 4. en ógnolo in 5, geven eene strekking, een overhelling te kennen tot de door het bijvoeglijk naamwoord uitgedrukte eigenschap en komen dikwijls met onzen Hollandschen uitgang ach tig overeen.

§ 13. Wij hebben de vergrootings- en verkleiningsuitgangen tamelijk uitvoerig behandeld, om den beoefenaar der Italiaansche taal bij voorkomende gelegenheid, bij het lezen van Italiaansche schrijvers in staat te stellen ze te begrijpen, niet echter opdat hij ze bij het spreken of schrijven van Italiaansch zou aanwenden. Men zij integendeel met de toepassing uiterst voorzichtig. Alleen de geboren, beschaafde

-ocr page 95-

Over de Verkleiningswoorden. 89

Italiaan is in staat de fijne schakeeringen tusschen de verschillende uitgangen te voelen en te onderscheiden. Voor den vreemdeling is dit onmogelijk, al ware hij jarenlang in Italië geweest. Wil hij geen gevaar loopen iets anders te zeggen en schrijven dan hij meent, dan omschrijve hij liever het zelfstandig naamwoord door een bijvoeglijk, en het bijvoeglijk naamwoord door een bijwoord. Alleen de uitgangen óne (vergrooting) en ino (verkleining) zouden zonder gevaar kunnen gebruikt worden. Doch sommige woorden laten de toevoeging ook van deze uitgangen niet toe, b.v. de zee is il mare, maar de groote zee heet il gr an mare en kan niet vertaald worden door il mar óne. De hoogte is T altézza, maar de kleine hoogte heet la ptccola altézza en niet /\' altezzina of 1\' altezzétta. Ook denke men niet dat al de woorden, wier laatste letters een van de in deze les genoemde uitgangen zijn, vergrootings- of verkleiningswoorden zijn. Het is gemakkelijk te zien of men met een uitgang te doen heeft, of met een tot den stam des woords behoorend deel. Zoo is bastóne (stok) geen vergrootingswoord, en drukt faccia (gelaat) geen minachting uit, evenmin als bêllo (schoon) een verkleiningswoord is.

§ 14. Piü ché Perfêfto — Meer dan volmaakt verleden tijd.

Io avéva avuto etc. — Ik had gehad enz.

Pretêrito anteriore — Voorgaand verleden tijd.

Io ébbi avuto etc. — Ik had gehad enz.

Futuro Assoluto — Toekomende tijd.

Io avrö — Ik zal hebben.

-ocr page 96-

9de Oefening.

Tu avrai — Gij zult hebben.

Ég li, élla avrd — Hij, zij zal hebben.

JVói avrèmo — Wij zullen hebben.

Vói avréte — Gij zult hebben.

Églino, clleno avranno — Zij (mannen, vrouwen) zullen

hebben.

Élla avrd (beleefde vorm. — Gij zult hebben.

enkelvoud).

Élleno avranno (beleefde — Gij zult hebben.

vorm meerv.)

Futuro Emtio — Bepaald toekomende tijd.

lo avrd avuto etc. — Ik zal gehad hebben enz.

Thema 9.

1. Het dochtertje (étta) van den koopman is een aardig jong meisje (étta) van zestien jaren. 2. In den tuin van den meester zijn vele hooge boomen en vele kleine, lieve bloempjes (ellino). 3. De broeder van den smid had een grooten leelij-ken hoed op het hoofd. 4. Wij zullen vele kleine, lieve boekjes hebben, indien wij gehoorzaam zijn. 5. Wij zullen van den tuinman des apothekers twee lieve kleine hondjes [cagnolini] hebben. 6. Wie heeft Willem dat mandje {êllo) vol lieve bloempjes gegeven. 7. De kleur dezer stof is geelachtig {iccio). 8. De zieke heeft een teugje {bocchino) wijn gedronken. 9. Wij hebben slechts eene kleine kamer (étta) en een enkel klein bed (icêllo) en kunnen onzen neef niet logeeren. 10. Ik zal een groot boek van mijnen vader krijgen (vert.; hebben) als een prijs voor mijn {dêlla mia) goed

90

-ocr page 97-

9de Oefening.

91

5(lrag. 11. Die slechte dichter {.astro) zal niet veel lezers ebben. 12. Ik heb op de weide eenige lieve lammetjes (mo) ezien met belletjes {êtta) aan de halzen. 13. De tuinman an den graaf is een goed mannetje (icduólo), hij heeft ns vele lekkere appels en peren gegeven. 14. Dit straatje óltolo) leidt naar het lieve huisje van mijnen (dél mio) lesten vriend. 15. De rede van den advocaat was wel wat ang (étto). 16. De dochter van den bakker is ziekelijk mo), maar zijne (ma) zuster is eene jonge, stevige boerin Ma). 17. De groenachtige kleur van de zee is aangenaam foor (a) de oogen. 18. De verschrikkelijke, groote brand (one), die in de stad woedde, kleurde den hemel met (dl) een rossen (iccio) gloed. 19. Deze peer is eenigszins bitter (iccio), zij is nog niet rijp. 20. In den kleinen moestuin (icêllo) staan (lees: zijn) ook eenige kleine boompjes (étto.)

indien

kleur

geel

slechts

logeeren

gedrag

lam

hals

rede

jong meisje-— giovane.

— se.

— colóre.

— giallo.

— non . . . cAé.

— alloggiare.

— condótta.

— agnêllo.

— collo.

— discórso.

op het hoofd — in têsta.

verschrikkelijk — terr\'ibile.

prijs lezer bel

lekker

aangenaam

brand di etd di sé-dici anni. siamo.

van zestien

j aren wij zijn wie heeft gegeven stof , —stóffa.

gedronken — bevuto. wij kunnen —possiamo.

■ cki ha dato a.

— premio.

— lettor e.

— campana.

— gustoso.

— agredbile.

— incêndio.


1

-ocr page 98-

Over de Telwoorden.

die -woedde — chéinfuriava. kleurde gloed —ardóre. rood

rijp —maturo.

NEGENDE LES.

Over ae Telwoorden.

92

— colorava.

— rósso.

Hoofdtelwoorden. Rangschikkende Telwoorden.

§ 1. 2. Uno, Una

le Primo.

2. Due

2e /Secóndo.

3. Trè

3e Têrzo.

4. Quattro

4e Quarto.

5. Cinque

5e Quinto.

6. Sêi

6e Sêsto.

7. Sêtte

7e Sêttimo.

8. Otto.

8e Ottdvo.

9. Nóve

9e Nóno.

10. TJièci

10e Dêdmo.

11. Undid

11e Undêdmo o Dêdmo primo.

12. Dódici

12e Duodecimo o Dêdmo secóndo.

13. Trèdici

13e Tredêdmo o Dêdmo têrzo.

14. Quattórdici

14e Dêdmo quarto.

15. Qüindici

15e Dêdmo quinto.

16. iSédid

16e Dêdmo sêsto.

17. Didassêtte

I7e Dêdmo sêttimo.

18. Didótto.

18e Dêdmo ottdvo.

19. Didannóve

19c Dêdmo nóno.

20. Vénti

20e Ventêsimo o Vigêsimo.

21. Ventüno, vent1 uno

21e Ventêsimo primo.

-ocr page 99-

Over de Telwoorden. 93

loofdbelwoorden. Rang

schikkende Telwoorden.

22. Ventidüe

22e Ventêsirno secóndo.

30. Trêiüa

30e Trêntêsimo.

31. Trentuno, trent\'uno

31e Trêntêsimo primo.

33. Trentatrè

33e Trêntêsimo têrzo.

40. Quaranta

40e Quarantêsimo.

41 Quarantuno, quarant\' uno

41e Quarantêsimo primo.

44. Quarantaquattro

44e Quarantêsimo quarto.

50. Cinquanta

50e Cinquantêsimo.

55. Cinqucmtaeinque

55e Cinquantêsimo quinto.

60. iSessanta.

60e Sessantêsimo.

66. Sessantasêi

66e Sessantêsimo sêsto.

70. Settanta

70e Settantêsimo.

77. /Settantasêtte

77e Settantêsimo sêttimo.

80. Ottanta

80e Ottantêsimo.

88. Ottantótta

88e Ottantêsimo ottavo.

90. Novanta o nonanta

90e Novantêsirno.

99. Novantanóve

99e Novantêsirno nóno.

100. Cênto

100° Centêsimo.

140. Cênto quaranta

140e Centêsimo quarantêsimo.

200. Due cênto, ducênto o

200e Ducentêsimo o dugen-

dugênto

têsimo.

300. Tré cênto

300e Trecentêsimo.

1000. Mille

l000e Mülêsimo.

2000. Due mila

2000e Due millêsimo.

ün milione — een mil-

Milionêsimo — mil-

lioen.

lioenste.

Un migliAio di milióni —

Un millêsimo dun mi-

een milliard.

lióne — milliardste.

\\

-ocr page 100-

Over de Telwoorden.

94

§ 1. Un libro

2. Un amico

3. Uno spêcchio

4. Una tdvola

5. Un\' amica

6. Due viila soldati

7. I primi passi nèlla via

dëlla sciênza sóno assdi

— éen boek.

— éen vriend.

— éen spiegel.

— éene tafel.

— éene vriendin.

— twee duizend soldaten.

De eerste schreden op den weg der wetenschap zijn zeer raoeielijk.


8. La quintn lezióne di qucsto — De vijfde les van dit boek

libro nón è fdcile is niet gemakkelijk.

Van de hoofdtelwoorden veranderen alleen uno en mille; uno, zooals uit de eerste 5 voorbeelden blijkt, evenals het niet bepalend lidwoord; mille wordt, door een ander getal vermenigvuldigd, zooals het 6de voorbeeld aantoont, mila. De rangschikkende telwoorden komen, zooals uit 7 en 8 blijkt, evenals de bijvoeglijke naamwoorden, in geslacht en getal met het zelfstandig naamwoord overeen.

§ 3. 1. Gugliêhno ièrzo — Willem de derde.

2. Partirêmo il, al i, ai, li of — Wij zullen den 26sten alli ventisêi di Maggio Mei vertrekken.

3. II primo, l\' idlvmo — Den eersten, laatsten

d\' Agósio Augustus.

Bij de namen van vorsten of souvereinen gebruikt men evenals in het Nederlandsch het rangschikkend telwoord; doch om den datum uit te drukken, bezigt men, zooals uit 2 blijkt, evenals in het Fransch, het hoofdtelwoord, dat voorafgegaan wordt door het enkelvoudige il of al, maar beter door het

-ocr page 101-

Over de Telwoorden. 95

meervoudige i of ai, li of alli. Het in de praktijk en door de beste schrijvers meest gebruikte is li. Het voorzetsel di kan voor den naam der maand ook weggelaten worden. Voor den eersten en iaat sten bezigt men, zooals men in 3 ziet, iiet rangschikkend telwoord.

§4. 1. Hó pagato quésti libri \\ Ik heb een en dertig gul-trênt\' un Jiorino o fiorini j den voor deze boeken trênt\' uno I betaald.

2. Quattro vólte clue fcmno ótto i

Quattro via due fanno ótto 1 Viermaal twee is aQ.ht.

3. Quattro via o vólte due ótto *

Uit 1 blijkt dat, wanneer de tientallen of ook honderd- en duizendtallen met ééne eenheid overtroffen worden, het zelfstandig naamwoord in het enkelvoud staat, als het na het telwoord geplaatst is, doch in het meervoud, wanneer het het telwoord voorafgaat. Uit 2 volgt, dat men bij de vermenigvuldiging van een getal met een ander het werkwoord z ij n ia het Italiaansch door maken {fare) vertaalt, dat dit werkwoord in het meervoud staat en ook als in 3 geheel kan veggelaten worden.

5. Anddrono a tr\'e a — Zij gingen met hen

\'■móla drieën naar school.

li órfani passeggidrono a — De weezen wandelden

\'ue a due, a tré a tr\'e a twee aan twee, drie aan

uattro a quattro drie, vier aan vier.

- \'M Élla uno di quésti libri f — Wilt gij een dezer boe-

Ji vóglio tutti e due, tutti ken hebben? Ik wil ze

-ocr page 102-

Over de Telwoorden.

e tre o tutti due, tutti a due, allebei, alle drie hebben. tutti tre, tutti a tré Tutti e tr\'e i fratêlli, tutte e — Alle drie broeders, alle quattro le sorêlle uscirono vier zusters gingen uit.

Men behoeft slechts de beide talen in de gegevene voorbeelden te vergelijken, om het verschil in uitdrukking te zien, dat door een regel moeilijk te bepalen is.

§ 6. 1. Amha o amhi i piédi —Beide voeten.

2. Ambto o ambe le gambe —Beide beenen.

Ambedüe,ambedüi,ambediio, — Beide broeders, beide ambidüi, ambodüo, ambodüe zusters.

amendue i fratêlli, le sorèlle

4. Ha Élla veduio i fratêlli — Hebt gij de broeders van del mercante? OU hó veduti den koopman gezien? Ik entrambi heb ze beiden gezien.

5. Quèsti due cavalli —Deze beide paarden.

Uit 1 en 2 blijkt dat avibo öf onveranderlijk blijkt, öf voor het mannelijk meervoud ambi en voor het vrouwelijk meervoud ambe wordt. Uit 3 ziet men dat beide nog door verschillende andere woorden kan vertaald worden, waarvan de beide eerste ambedüe en ambedüi de gebruikelijkste zijn. Al deze woorden worden voor personen en zaken gebruikt,! terwijl entrambi in 4 alleen voor personen geldt. Beide,\' voorafgegaan door een aanwijzend of bezittelijk voornaamwoord wordt beter, zooals in 5, door due vertaald.

§7. I. L\'anno mille óttocênto — Het jaar achttien hoi ottantasêtte derd zeven en tachtit

96

-ocr page 103-

Over de Telwoorden.

2. Nél 1900 — In 1900.

3. II dêcimo têrzo sêcolo I De dertiende eeuw. II duecênto )

4. II dêcimo nóno sêcolo i De negentiende eeuw. Ij ottocênto \'

5. Un trecentista, un quaüro- — Een schrijver uit de 14de centista, un sêicentista 15de, 17de eeuw.

Zooals men uit 1 ziet, mag men achttienhonderd enz. niet vertalen door diciotto cento, maar moet men zeggen: mille ótto cênto (duizend, acht honderd).

In onze zegswijze: in 1900 enz. wordt zooals, uit 2 blijkt, in vertaald door het uit het lidwoord en voorzetsel saamgetrokken 7ièl — në il =■ m il. De dertiende, veertiende, enz. eeuw kan woordelijk vertaald worden. Om Italiaansche schrijvers te kunnen verstaan, is het echter van belang in 3 en 4 op te merken, dat de vertaling ook anders kan geschieden, door namelijk de eeuwen te benoemen naar de cijfers die de honderdtallen uitdrukken. Men noemt, zooals in 3, de dertiende eeuw, il duecênto of il 200, en in 4 de negentiende eeuw, ï ottocênto of il 800, omdat zij loopt van 1200 tot 1299 of van 1800 tot 1899. Van déze wijze van benoeming der eeuw heeft men de in 5 gegeven woorden afgeleid, en heet een schrijver van de 13de eeuw un duecentista, van de 14de un trecentista en van de 19de un ottocentista enz. § 8. II presénte dél — De tegenwoordige tijd der condizionale voorwaardelijke wijs.

lo avréi — Ik zou hebben.

Til avrésti — Gii zoudt hebben.

Ugli, ella avréhhe - ). zij zou hebben.

ITALIAANSCHE TAAL. 7

97

-ocr page 104-

1

98 10de Oefening.

Nói avrémmo — Wij zouden hebben.

Vói carrés te — Gij zou cl t hebben.

Eg lino, élleno avrébbero — Zij (mannen, vrouwen) zou

den hebben.

Élla avrébhe (beleefde vorm — Gij zoudt hebben, enkelvoud)

Élleno avrébbero (beleefde vorm — G ij zoudt hebben, meervoud)

Pretêrito dél condizionale — Verleden t ij d der v o o r-

waardelijke wijs. Ia avréi avuto etc. — Ik zou gehad hebben enz.

Fremite o futuro délT impe- — Tegenwoordige of toe-rativo komende tijd der ge

biedende w ij s.

Abbi — Heb.

Abbiate — Hebt.

Abbiamo — Laat ons hebben.

Abbia (beleefde vorm enkelv.) — Heb.

Ahbiano (beleefde vorm meerv.) — Hebt.

10 (Al de getallen in woorden vertalen). 1. Ik heb den slager vijf en twintig gulden geleend. 2. De bevolking van Nederland bedraagt nog geen vier millioen inwoners. 3. Den lsten Juiii zullen wij naar Parijs vertrekken en den 20sten Juli zullen wij terugkeeren. 4. Willem de derde, heeft geregeerd van het jaar 1849. 5. De stad New-York telde in 1731 4622, in 1756 10381, in 1790 33131, in 1800 96372, in 1823 123706, in 1840 312710 en in I ~ mn- 4,C \' ~~nrr^ ■ WAr^--y.ii er meer dan

\' ,!i 3r-

i.

\' JV)

r\'li)

u-

-ocr page 105-

10de Oefening.

99

lingen en zijne (ma) zuster Maria is de tweede in eene van 15 leerlingen. 7. Wij zouden en gij (2de pers. meerv.) zoudt meer dan 15 thema\'s in het net geschreven hebben, indien wij goed gewerkt hadden. 8. De soldaten marcheerden vier aan vier naar (a) de exerceerplaats. 9. Een schrikkeljaar heeft driehonderd zes en zestig dagen. 10. De groote hoed van Hendrik kost zes gulden en vijf en zeventig centen. 11. Dante is een schrijver van de dertiende eeuw, hij heeft zich door zijn zeer schoon gedicht: la Divina Comêdia de onsterfelijkheid verworven. 12. In deze kamer zijn twee tafels, negen stoelen, éen leuningstoel, twee spiegels en vier schilderijen. 13. Januari is de eerste. Februari de tweede, Maart de derde. April de vierde. Mei de vijfde. Juni de zesde, Juli de zevende. Augustus de achtste. September de negende, October de tiende, November de elfde en December de twaalfde maand des jaars. 14. Het jaar heeft twaalf maanden of twee en vijftig weken, of driehonderd vijf en zestig dagen, vijf uren, acht en veertig minuten en vijf en veertig seconden. 15. De beide broeders zijn ziekelijk; de oudste is (lees: heeft) een en dertig jaren, de jongste is eenige jaren jonger (vertaal: heeft eenige jaren minder). 16. Alle. vijf broeders hebben eene fatsoenlijke betrekking in de maatschappij. 17. Tweemaal achttien is viermaal negen, driemaal twaalf, zesmaal zes, zes en dertig. 17. Ik zou meer dan honderd vijf en twintig gulden verdiend hebben, indien ik tegenwoordig geweest ware. 18. De groote dichter Vondel werd geboren den 17den November 1587 te Keulen en stierf te Amsterdam den 5den Februari 1679. 19. In de zeventiende eeuw had Nederland verscheidene zeer beroemde mannen. 20. Ik ben den 15den

-ocr page 106-

-Log 10de Oefening.

Mei 1885 uit Indië vertrokken en kwam den 5den Juli van

dat jaar in het vaderland aan.

geleend —prestato. bevolking

Nederland —iFaésiBassi. bedraagt

nog geen

- popolazióne.

- nón viónta a.

— Genndio.

— Marzo.

— Maggio.

— Luglio.

— Settêmbre.

■ Novêmbre. Parigi.

■ ritornerêmo.

w ij zullen

terugkeereu geregeerd — regnato. zij telt — cónta.

in li e t net — smtto in netto. geschreven

marcheerden — marcidrono.

schrikkeljaar cent

■ anno bisestile. - centêsimo.

onsterfelijk--immortalitd.

heid

schilderij — quadro.

Januari Maart Mei Juli

September November

Parij s

Februari — April

Juni —

Augustus — October — December — wij zullen — vertrekken telde -

tegenwoordig — al presente. klas —classe.

indien w ij — se civéssi\'ino ben goed ge- lavorato.

werkthadden ^

exerceer- —piazza déU

plaats eserdzio.

kost — eosta.

heeft zich —s\' è acquistato. verworven

leuningstoel — seggiolóne,

sêdia a bracciuóh. maand —mése.

Febhrdio.

Aprile.

Giugno.

- Ag ós to.

- Ottóbre.

- Dicêmbre.

- partirèmo.

- contd.


-ocr page 107-

Uitdrukkingen over Leeftijd, Datum en Tijd. 101

uur —bra.

seconde — secóndo. maatschappij —soeietd.

tegen woo r--presênte.

dig

werd geboren — nacque.

stierf I n d i ë

mon. Ie Indie.

vaderland — pdtria.

minuut — minuto. fatsoenlijk — onêsto. betrekking — condizióne. verdiend —guadagnato.

indien ik —se fóssi stato.

geweest ware Keulen —Colónia.

ik ben ver--partii.

trokken kwam aan —arrivdi.


TIENDE LES.

Voortzetting van het Telwoord.

§ 1. Uitdrukkingen over leeftijd, datum en tijd.

CAé etd ha Éllaf i tt i , •• 0

Hoe oud z ij tg ij?

Quanti anni ha Élla f j

Hó quasi o prêsso a póco — Ik ben bijna 25 jaren. venticinque anni

M Élla maggióre dél di Lêi — Zijt gij ouder dan uw fratêllo f broeder?

Nó; sóno minóre o piü — Neen ik ben jonger dan gióvane di lui b ij.

Quanti anni ha Élla méno — Hoeveel jaren zijt gij di lui j o n g e r d a n b ij ?

Hó quattro anni méno di — Ik ben vier jaren jon-^ g e r d a n b ij ?

II di Lêi padre è gid attem--Is uw vader al bejaard?

pato ?

-ocr page 108-

102 Uitdrukkingen over Leeftijd, Datum en Tijd.

/Si, è gid avanzato in et A; — Ja hij is al op leeftijd, 8% avvicina ai settanta li ij loopt naar de ze

ventig.

Mio padre è piil vêcchio dl — Mijn vader is ouder dan lui; ha circa settantasêi hij; li ij is ongeveer zes anni en zeventig jaren.

O hé etd ha suo fratêllo? — Hoe oud is zijn broeder? Nón ha tuit\' affatto, o M — Hij is nog geen zestig tutto o intieraménte sessanta jaren voluit.

anni

E sua sorêlla nón ha ancóra — En zijne zuster heeft haar compito il cmquantêsimo vijftigste jaar nog niet

anno voleindigd.

Ché bra èf — Hoe laat is het?

È un óra o il tócco — Het is éen uur.

86no le sêi — Het is zes uren.

iSóno le ótto niéno un quarto — Het is kwart voor achten È un quarto dópo mezzodl fSóno le dódici e un quarto È mézza nótte — Het is middernacht. ^

A chè óra ritórna suo fratêllo — Hoe laat komt uw broe-

da Pariqi? dervanParijsteiug?

Nón ritórna óggi, ma domani — Hij komt van daag niet alle nóve antimeridiane o alle terug, maar m o r g e n o m tré pomeridiane 9 uren voormiddag o 1

om 3 uren namiddag. Ché óra fa il di Lêi orológio — Hoe laat is het op uw

horloge?

Fa le due mhio cinque minuti — Vijf minuten voor tweeën.

Het is kwart over twaalven (middag).

-ocr page 109-

Uitdrukkingen over Lee

Crèdo chè il di Lei orológio — si sia fermato, è rnólto piü tardi

Böno le quattro a momtnti o Soneranno prêsto le quattro Sóno le sêtte passate —

iSóno le due e mêzzo —

8óno appéna sonate o hattute — le due

Sóno le nóve sonate o — hattute

Sóno gid le nóve e diêci — minuti

Vóglio caricare il mio orológio —

e rcgolarlo

Ma crédo ché ha bisógno —

d\'êssere accornodato l

Ora córre, óra ntarda e — quale he vólta si fêrma dèl tutto

Quanti né abbiamo dël mése o ( A quanti siamo dél mése I JE il primo j .

Siamo al primo |

Nè abbiamo uno Né abbiamo diêci o Siamo ai diêci

Né abbiamo V ultimo o | Siamo all\' ültimo )

tijd, Datum en Tijd. 103

Ik geloof dat uw horloge stil stasit, het is veel later.

Het is op slag van vieren.

Het is over zeven.

Het is half drie.

Het is zoo even twee uren geslagen.

Het is negen uur geslagen.

Het is al tien minuten over negen.

Ik wi 1 mij n horloge op-winden en gelijk zetten.

Maar ik geloof dat het hersteld moet worden.

Nu loopt het voor, dan achter, en soms staat het geheel en al stil.

Den h o e v e e 1 s t e n h e b-b e n w ij ?

Het is de eerste.

Het is de tiende.

Het is de laatste.


-ocr page 110-

m

104 Breuk- en Verzamelgetallen. \\

Wij hebben het niet ondienstig geacht bij de behandeling ;j Una

der telwoorden eenige zegswijzen te geven over ouderdom Una

tijd en datum. Een oplettende vergelijking zal het verschil | jjna

in uitdrukking tusschen de Nederlandsche en Italiaansche ta- i JJna

len terstond doen inzien. Wij raden den leerling aan deze | [Jna

uitdrukking goed in het geheugen te prenten, daar zij van mlln •

eene dagelijksche behoefte zijn. Ten opzichte van het tellen Mjjn ■

der uren valt nog iets bijzonders op te merken. De Italianen \'mUna

verdoelen den dag en nacht niet als wij in twee maal twaalf mlha

uren, maar in vier en twintig uren, en tellen hunne uren, mJna zooals de oude Atheners, van den eenen zonsondergang tot den anderen. Wanneer bij hen b.v. de zon \'s avonds om 7

uren ondergaat, dan is wat voor ons \'s avonds 8 uren zou lltfémj

zijn, voor hen 1 uur; des morgens 9 uren is voor hen 14 mDó/j

uren en 12 uren middag is voor hen 17 uren. Wanneer de «Tnj

zon bij hen ondergaat is het 24 uren enz. M^w/i

§ 2. Breukgetallen. Bs^j;

Un mêzzo = Va Cinque sêttimi — 5/7 mlétt

Due têrzi — Vs Otto nóni — 8/9 mDth

Un quarto = V4 Due e cmque ottavi — 25/8 Wó?

De noemers der breuken zijn, zooals men uit de voorbeel- 1m)êc

den ziet, niets anders dan de ranggetallen. ï/yj,

§ 3. Verzamelgetallen. 1 /

Un pdio — Een paar. ||eb Una cóppia — Een paar, een koppel. Una decina — Een tiental.

Una dozzina — Een dozijn. |fV\'

1.

-ocr page 111-

Vermenigvuldiggetallen en Bijwoordelijke Telwoorden. 105

1 Una quindicina jj Una ventina | Una trenüna ;| Una quarantina | Una sessantina Un centindio Un miglidio j Una gróssa Una mêzza gróssa Una gróssa e mêzzo

— Een vijftiental.

— Een twintigtal,

— Een dertigtal.

— Een veertigtal.

— Een zestigtal.

— Een honderdtal.

— Een duizendtal.

— Een gros, twaalf dozijn.

— Een half gros.

— Anderhalf g r o s.


§ 4. Vermenigvuldiggetallen.

— Enkelvoudig, enkel.

— Dubbel.

— Drievoudig.

— Viervoudig.

— V ij f v o u d i g.

— Zesvoudig.

— Zevenvoudig.

— Ach.tvoudig.

— Negenvoudig.

Tienvoudis:. quot;wen-, twee-, drie-

vier-.

npl

Jna, due, tré, qv$ftro, cinque völtlt;L etc. — v ij f m a a 1 enz.

fSêstuplo, sêttuplo, óttuplo, nónuplo, worden zelden of nooit pbruikt; men zegt liever sêi, sêtte, ótto, nóve vólte.

§ 5. Bijwoordelijke telwoorden van orde. frimieraTnénte o in primo luógo — Ten eerste.

Sémplice gt;io

I Quddruplo J ^uïntuplo i yêstuplo | ^êttuplo I Ittuplo Yónuplo ^êmvlo

-ocr page 112-

106 Eigenaardige Uitdrukkingen van Tijd.

Secondariamènte o in secöndo luógo ien tweede.

In têrzo luógo Ten derde.

In quarto luógo etc. — Ten vierde enz.

In secöndo luógo wordt meer gebruikt dan sccondariaraénte. Verderop bezigt men: in têrzo, quarto, quinto etc. luógo.

§ 6. Eigenaardige uitdrukkingen van tijd.

Öggi a ótto — Heden over acht dagen.

Quindici giórni — Veertien dagen.

Domani a quindici — Morgen over veertien dagen. Un triduo - Een tijdsverloop van drie dagen.

Una novèna — Eene godsdienstoefening van

negen dagen.

Un hirnêstre — Twee maanden.

Un trimêstre o tré mési — Drie maanden.

Un seméstre o sêi mési — Zes maanden.

Un hiénnio — Een tijdsverloop van twee jaren.

Un triênnio — Een tijdsverloop van drie jaren.

Un quinquènnio, un — Een tijdsverloop Aan \\ijf jaren. lustro

Un decênnio — Een tijdsverloop van tien jaren.

Un quadragenario — Een veertiger.

Un quinquagenario — Een vijftiger.

Un sêssagenario — Een zestiger.

Un sêttuagenario — Een zeventiger.

Un ottuagenario — Een tachtiger.

Un nónagenario — Een negentiger.

Un centenario — Een honderdjarige.

-ocr page 113-

Vervolg van liet Werkwoord Ave re.

107

§ 7. Fresênte clél Con-Ijiuntivo Vié io abbia hé tu abbia \\é cgli, élla abbia Vié nói abhiamo \\iè vói abbiate lié ég lino, élleno dbbiano

— Tegenwoordige tijd dei-

aanvoegende wijs.

— Dat ik hebbe.

— Dat gij heb bet.

— Dat hij, zij hebbe.

— Dat wij hebben.

— Dat gij hebbet.

Dat zij (m. en vr.) hebben.


I hè Élla abbia (beleefde vorm — Dat gij hebbet. mkelvoud)

hé Elleno dbbiano (beleefde — | rorm meervoud)

\'retêrito dél congiuntivo —

I/ié io abbia avuto etc. —

wnrperfêtto dkl congiuntivo —

l/ié io avéssi —

\\Jé tu avéssi —

fAé ég li, élla avésse —

|/té nói avéssimo —

|/jé vói avèste —

f/té éxjlino, élleno avéssero —

\\hé Ella avésse (bel. v. enk.) —

\\hé Élleno avéssero (bel. v.m.) —

N (\'hé perfêtto dél con- — igiuntivo leden

Qhé io avéssi avuto etc. —

Dat gij hebbet.

Verleden t ij d der aanvoegende w ij s.

Dat ik gehad hebbe enz. Onvolmaakt verleden tijd der aanvoegende wijs. Dat ik hadde.

Dat g ij h a d d e t.

Dat h ij hadde.

Dat \'wij hadden.

D;at gij haddet.

Dat zij (m. en vr.) hadden. Dat gij haddet.

Dat gij haddet.

Meer clan volmaakt ver-tijd der aanvoegende wijs. Dat ik gehad hadde enz.


-ocr page 114-

11 Oefening.

Thema 11.

1. Sophocles, een zeer beroemd treurspeldichter bij de Grieken, werd geboren in het vierde jaar van de zeventigste Olympiade. 2. Den hoeveelsten hebben wij van daag? 3. Wij hebben den 29sten Mei. 4. Hoe laat is het? Het is vijf minuten over tweeën. 5. Uw (il di Lêi) horloge loopt voor; het is niet zoo laat, het is tien minuten voor tweeën. 6. De broeder van den geneesheer is gisteren ten zes uur na den middag van Parijs teruggekeerd. 7. Ik wil mijn (il mió) horloge opwinden en gelijk zetten, het staat stil; hoe laat is het? 8. Het is op slag van drieën, het is later dan ik gedacht had. 9. Hoe oud zou die man zijn? Het schijnt een zeventiger. 10. Neen, hij is niet zoo oud, zijn [mo) broeder heeft zijn acht en zestigste jaar nog niet voltooid, en hij is jonger dan zijn broeder. 11. Hij is bijna een en zestig jaren. 12. Twintig minuten over drieën komt mijn {mió) vader terug uit Londen. 13. Ik spreek van eene tijdruimte van twee jaren en niet van eene van vijf jaren en nog minder van eene van tien jaren. 14. Mijn {il mió) klein broertje (mo) is reeds vier en een half jaar oud, en mijn (la mid) klein zusje (ma) wordt spoedig twee jaar. 15. Zijn (suo) oom is een vijftiger en zijn vader zal bijna zijn acht en veertigste jaar voltooid hebben. 16. Heb een weinig geduld, het is bijna twee uur en dan kunnen wij uitgaan. 17. Ik wenschte (vorréi), dat wij meer geld gehad hadden, en dat zij meer liefde voor (di) de studie gehad hadden. 18. Ik wensch dat gij (vói) hebbet en dat zij hebben meer moed om aan de stormen des levens het hoofd te bieden. 19. Morgen over

108

-ocr page 115-

Het Persoonlijk Voornaamwoord. J09

.eertien dagen zal ik naar {pér) Petersburg vertrekken om :laar drie maanden te blijven. 20. Ik zal morgen de twintigste thema, gij zult de vijftiende en zij zullen de een en dertigste te maken hebben.

Sophacles — Sófode. jolympiade — olimpiade. gedacht —pensato. Londen —Lóndra. ireeds — gid.

wij kunnen — possiamo uitgaan uscire.

liefde — amóre.

om het hoofd — pêr fare têsta. te bieden

ik zal ver--partirö.

trekken t e maken — avère da fare. hebben

treurspeldichter — tragêdo. gisteren —iêri. het schijnt —pare. tijdruimte — spazio. geduld —paziênza. a 11 — allóra.

storm — tempêsta.

Petersb urg — Pietroburgo.

om daar te — per starvi. b 1 ij v e n

ik wensch — desidero, vóglio.


ELFDE LE8.

Over het Persoonlijk Voornaamwoord.

[Pronóme Personate).

§ 1. lsle persoon voor beide geslachten.

Enkelvoud. i\\r „ i

gt;T Meervoud. Nom, 1) _iki

Gen. •• -W1J-_-mijner dx nöi -onzer.

naamval de Lar^h hhebbCn W1J ter aanduiding van den iquot;, 2-, 3quot; en 4quot; Dat. Jd t- ^ NOm\' = N-i-tivus, Gen. = Genitivus,

ivus en Acc. — Accusativus gebruikt.

-ocr page 116-

110 Het Persoonlijk Voornaamwoord.

Dat. mi, mé, a mé — mij (aan mij), ai, cé, a nói (né) — ons

(aan ons).

Acc. mi, mé —mij. d, cé, noi (né) — ons.

2de Persoon voor beide geslachten.

Enkelvoud. Meervoud.

Nom. tu —gij- vói —gij- m

Gen. di ié —uwe r. di vói — uwe r.

Dat. ti, té, a té —n (aan u). vi, vé, a vói — u (aan u).

Acc. ti, té — u. vi, vé, vói — u.

3(ie Persoon Mannelijk.

Enkelvoud. Meervoud.

Nom. égli. — li ij. églino — zij-

Gen. di lui —zijner. di lóro —hunner.

Dat. gli, a lui (li)— hem lóro, a lóro — hun (aan hen).

|k

(aan hem). (gli, li)

Acc. lo, lui (il) —hem. li, gli, lóro —hen.

3de Persoon Vrouwelijk.

Enkelvoud. Meervoud.

Nom. élla —zij. élleno —zij.

Gen. di lêi —harer. di lóro —harer.

Dat. Ié, a lêi — haar (aan lóro, a lóro — haar (aan ,

haar). (gli, li) haar).

Acc. la, lêi —haar. Ié, lóro —haar.

Wederkeerig Voornaamwoord si voor beide geslachten en getallen.

Nom. ontbreekt.

Gen. di sé — v a n z i c h.

Dat. si, sé, a sé — zich (aan zich).

Acc. si, sé — zich.

-ocr page 117-

Het Persoonlijk Voornaamwoord. 111

De tusschen haakjes geplaatste vormen zijn oud en worden tegenwoordig weinig meer en dan nog door dichters of welluidendheidshalve gebruikt; wij hebben ze gegeven om het verstaan der oude schrijvers en dichters gemakkelijk te maken. De persoonlijke voornaamwoorden worden, zooals wij vroeger reeds opgemerkt hebben, als onderwerp voor het werkwoord gewoonlijk weggelaten, omdat het onderscheid van persoon door de uitgangen van het werkwoord duidelijk genoeg is. Men moet ze echter gebruiken:

1°. wanneer de persoonsuitgangen niet onderscheiden zijn en dubbelzinnigheid zou kunnen ontstaan, hetgeen het geval kan zijn, zooals men uit het werkwoord avére, dat wij in de verschillende lessen vervoegd hebben, reeds heeft kunnen zien, met den len en 3en pers. enkelv. van den Imperfêtto van den Indicative b.v. Ia avéva, égli avéva; met de drie personen enkelvoud van den Presênte van den Congiuntivo, b.v. lo abbia, tu abbia, égli abbia en met den len en 2en pers. enkelv. van den Imperfêtto van den Congiuntivo, b.v. lo avéssi, tu avéssi.

2°. bij tegenstellingen, b.v. : /Sé nón voléte parlare vói, parlerd io, als gij niet wilt spreken, dan zal ik het doen;

3°. wanneer men met nadruk spreekt, b.v.: È égli ché ló fard, hij zal het doen, en

4°. in den beleefdheidsvorm bij het gebruik van Èlla en Élleno. (Zie lste les § 3.)

Verder ziet men uit de voorbeelden, dat de 2cle naamval in het Italiaansch uitgedrukt wordt door het voorzetsel di met den 4en naamval. Deze omschreven 2en naamval staat steeds achter het werkwoord.

-ocr page 118-

112

Het Persoonlijk Voornaamwoord.

§ 2.

1. mi véde

li ij ziet mij.

2.

mi prest a

hij leent mij.

3.

ti vède

hij ziet u (enkelv.)

4.

ti présta

hij leent u (enkelv.)

5.

ci véde

hij ziet ons.

6.

ci prêsta

hij leent ons.

7.

vi véde

hij ziet u (meerv.)

8.

vi prêsta

hij leent u (meerv.)

9.

si vêste

hij kleedt zich.

10.

si dd

hij geeft zich.

11.

si vêstono

zij kleed en zich.

12.

si danno

zij geven zich.

13.

ló védo

ik zie hem.

14.

gli dó

ik geef hem.

15.

li védo

ik zie hen.

16.

gli stimo e gli onóro

ik acht en eer hen.

17.

dó luro

ik geef hun.

18.

la védo

ik zie haar.

19.

le dó

ik geef haar.

20.

le védo

ik zie haar (meerv.)

21.

dó lóro

ik geef haar (meerv.)

22.

vedérmi

mij zien.

23.

stimdndovi

u achtende.

24.

prestdtogli voor avên-

hem geleend hebbende.

dogli prêstato

Wanneer de voornaamwoorden in den datief en accusatief voor het werkwoord staan of, zooals in 22, 23 en 24, aan een vorm van het werkwoord gehecht worden en daarmede slechts éen woord uitmaken, in welk geval zij enchtici ge-

-ocr page 119-

Het Persoonlijk Voornaamwoord.

113

noemd worden, dan gebruikt men den eersten der in § 1 opgegeven vormen. Men ziet dan uit 1 en 2, dat men voor den len pers. mann. en vrouw, enkelv. in den dat. en acc. slechts éenen vorm heeft: mi; uit 3 en 4 voor den 2en pers. mann. en vrouw, enkelv. voor dat. en acc. slechts eenen vorm: ti; uit 5 en 6, voor den len pers. mann. en vrouw, meerv. voor dat. en acc. slechts eenen vorm: ci; uit 7 en 8 voor den 2en pers. mann. en vrouw, meerv. voor dat. en acc. slechts éenen vorm: vi. Uit 9, 10, 11 en 12 volgt dat men voor het wederkeerig voornaamwoord voor het mann. en vrouw, voor dat. en acc. enkelv. en meerv. slechts éenen vorm heeft: si. Uit 13 blijkt dat men voor den 3en pers. mann. enkelv. voor den acc. lo, en uit 14 dat men voor dienzelfden persoon in den datief gli gebruikt, dus twee vormen heeft. Uit 15 blijkt dat men voor den 3en pers. mann. meerv. in den accusatief li gebruikt, dat, zooals men uit 16 ziet, voor een s impura of voor een klinker in gli veranderd wordt. Uit 17 en 21 blijkt dat men voor den 3en persoon, mann. en vrouw, meerv. in den datief lóro bezigt, dat achter het werkwoord staat. Tevens ziet men uit al de voorbeelden, dat in het Italiaansch, evenals in het Fransch, de voornaamwoorden als régime vóór het werkwoord geplaatst worden, behoudens de in eene volgende les te melden uitzonderingen, waartoe de voorbeelden 17, 21, 22, 23 en 24 behooren, en dat alleen de 3de pers. enkel- en meervoud geslachtsonderschei-jmg heeft.

^3. Mé ló o mélo dé (il libro) —Hij geeft het mij

(het boek).

8

-ocr page 120-

114 Het Persoonlijk Voornaamwoord.

Té la o téla manda (la lêttera) Hij zendt hem u

(den brief).

Sè li o fiéli procura (i libri) Hij verschaft ze zich

(de boeken).

Se gli o scgli apprópria (i privilêgi) — Hij eigent ze zich

toe (de voorrechten).

Gé Ie o céle procuriamo (le pénne) — Wij verschaffen ze ons

(de pennen).

Vé né o véné darö (dei fióri) —Ik zal er u geven

(bloemen).

Intêndo di manddrvelo (il danaro) — ik ben van plan het

u te zenden (het geld).

Heeft een werkwoord twee voornaamwoorden als régime, het eene in den datief, het andere in den accusatief, dan staan ze er beide vóór en de datief vóór den accusatief.

Voor mi, ti, si, d en m, gevolgd door Zo, la, li, gk, lé of né, gebruikt men dan de vormen in § 1 in de tweede plaats opgegeven, dus, zooals men uit de voorbeelden ziet: mé, té, sé, cé en vé, die men dan met genoemde woorden tot éen woord vereenigd of gescheiden kan schrijven Komen zij echter achter het werkwoord te staan, dan moeten zij, zooals uit het laatste voorbeeld blijkt, tot éen woord als enclitic o aan het werkwoord gehecht worden. Voor mélo, télo, silo, célo en vélo kan men ook, indien de welluidendheid dit vordert, mél, tél, sél, cél en vél schrijven, zooals men voor nón ló ook nól gebruiken kan.

§ 4, M ha veduto Nón l\' amo _ Hij heeft — Ik bemin mij gezien, hem niet.


-ocr page 121-

Het Persoonlijk Voornaamwoord.

In deze twee voorbeelden zijn voor de stomme h en voor een klinker de i van mi en de o van geëlideerd. Dit kan insgelijks met de voornaamwoorden ti, vi, si, en la geschieden. Van ci elideert men alleen voor e of i de i, van gli alleen voor i en van de e gewoonlijk slechts voor e. Die elisie heeft slechts welluidendheidshalve plaats en is niet verplichtend.

§5. Ci o vi pênso — Ik denk er aan.

M parlo — Ik spreek er van.

Uit deze voorbeelden blijkt dat d, vi en ook bijwoordelijke voornaamwoorden kunnen zijn. Ci = hieraan, dus dichtbij, vi = daaraan, dus veraf. JVé beteekent hiervan of daarvan.

§ 6. Ghelo pres ter o (U libro) — Ik zal het hem of haar

115

leen en (het boek).

— Ik zal ze hem of haar

leenen (de boeken).

— Ik zal ze hem of haa\'r

geven (de pen).

— Ik zal ze hem of haar

geven (de pennen).

— Ik zal er hem of haar

zenden (bloemen).

Glieli presterö (i libri)

Glxela darö (la pénna)

Glïele daröi ^ pénne)

Gliene manderu{ déi fióri)

Zooals men in § 1 gezien heeft, is gli de datiei mann. enkelv. en de datief vrouwl. enkelv. Wordt gli echter gevolgd door de voornaamwoorden ló, li, la, lé en né, dan wordt het met tusschenschuiving van een e met die woorden

-ocr page 122-

j [6 Het Persoonlijk Voornaamwoord.

tot éen woord verbonden, en wordt gli, zooals uit de voorbeelden blijkt, evengoed voor den datief vrouwl. enkelv. als voor den datief mann. enkelv. gebruikt. De tusschenschuiving van de e geschiedt, om van de gl den klank van de 1 mouilleé te behouden.

r

§ 7. Êssere — zyn-

UsHêndo — zijnde.

Stato — geweest.

Presente déll\' Indicativo — tegenwoordige tijd de

aantoonende wijs. — ik ben.

lo sóno

Tu séi — gij zijt-

Égli, èlla è _ hij is.

JVói siamo wij zijn-

Vól siéte gij z\\)^

Églino, élleno sóno z ij z y u-

Élla è (bel. vorm enkelv.) — gij zijt-Élleno sóno (bel. vorm meerv.) — gij zijt.

Pretêrito indefinih — onbepaald verleden tijd.

Ia sóno stato o stah — ik ben geweest.

Mi siamo stati o state — wij zijn geweest.

Het werkwoord êssere wordt, evenals in het Nederlandseh, met êssere (zijn) en niet zooals in het Fransch met avére (hebben) vervoegd. Zooals men uit de twee laatste voorbeelden ziet, moet het verleden deelwoord stato in geslacht en getal met het onderwerp overeenkomen. Een man zal dus zeggen; io sóno stato; eene vrouw; io sóno stat»; mannen zullen zeggen; nói siamo, stati en vrouwen: nói siamo state.

-ocr page 123-

12de Oefening.

In liet Fransch daarentegen blijft été (geweest) altijd onveranderlijk.

Thema 12.

1. Ik ben in den tuin van den brouwer geweest, en ik heb hem zeer schoon gevonden. 2. Ik ken dien (quell\') man, maar ik acht hem niet. 3. Ik heb hem gesproken, en ik heb hem gezegd, dat gij hier geweest zijt. 4. Hij heeft mij niet gezien, dus heeft hij mij niet gesproken. 5. Ik zal het ii (2de pers. enkelv.) zeggen, als gij het weten wilt. 6. Ik heb u (2de pers, meerv.) het boek geleend, maar ik heb het ii niet gegeven. 7. Wij hebben hun veroorloofd uit te gaan, maar wij hebben hun bevolen voor vijf uren terug te komen. 8. Kent gij zijne (le sue) beide zusters? Neen ik ken haar niet. 9. Indien gij geen geld hebt, zal ik u (2de pers. meerv.) wat (lees: er van) geven. 10. Mijne {la mm) vriendin woont in Parijs, ik heb haar gisteren eenen brief geschreven. 11. Ik kan den sleutel van mijnen {il mio) lessenaar niet vinden, ik zie hem nergens. 12. Wij hebben hem beloofd boeken te zenden, maar wij hebben het nog niet gedaan. 13. Uwe (tua) dochter is zeer vlijtig, haar (il suo) meester prijst haar altijd en acht haar zeer. 14. Hebt gij uwen (il di Lêi) broeder gezegd, dat wij daar (ld) geweest zijn? Neen, wij hebben het hem niet gezegd. 15. Hebt gij hem het boek teruggezonden, dat (c/ié) hij u geleend heeft? Neen, maar ik zal het hem terugzenden. 16. Heeft uw broeder zijn (il suo) vriend reeds bezocht, die van Londen teruggekeerd is.? 17. Neen, hij heeft dit genoegen nog niet gehad, maar hij zal het zich weldra verschaffen. 18. Wij hebben hem gezien, maar wij heb-

117

-ocr page 124-

12de Oefening.

118

ben hem nog niet gesproken. 19. Ziet gij mijne (i miêi) vrienden nog wel eens? Wij zien hen dikwijls, maar spreken hun zelden. 20. Uwe {lé di Lêï) tantes hebben ons een bezoek beloofd, maar wij hebben haar nog niet gezien (vedute).

brouwer — birrdio. ik ken —conósco. gesproken —parlato. gezien — veduto.

gevonden — trovato. ik acht —stimo. gezegd —déüo. ik zal zeggen — dirö.


gij wilt weten — volétesoupére. geleend

■ prestato.

— dato.

—- ordinato.

— di rHornare.

— conósce Ella.

jio.

— i7i nessim

luógo.

— fatto.

— lóda.

h ij woont — dimóra. sleutel —chiave. lessenaar nergens

gedaan hij prijst

teruggezon- — rimandato. den

bezocht — visitato.

hij zal ver--procurerdf.

schaffen z i e t g ij — véde Ella. wij zien —vediamo. zelden — raraménte.

gegeven bevolen terug te

komen kent gij

veroorloofd —permésso. uit te gaan — d\'uscire. ik zal geven — dard. geschreven — scritto.

ik kan vin--pósso trovare.

den

ik zie —védo.

beloofd te — promésso di

zenden mandare.

h ij a c h t — stima.

ik zal terug--rimanderd.

zenden teruggekeerd — ritornato.

weldra nog wel

- prónto. qualche vólta.

eens

wij spreken—parliamo. bezoek — visita.


-ocr page 125-

Vervolg van het Persoonlijk Voornaamwoord. 119

TWAALFDE LES.

Vervolg van het Persoonlijk Voornaamwoord.

§8. 1. Procurerd di trovarlo — Ik zal trachten hem te

vinden.

2. Abbia Élla la bonid di Heb de goedheid mij te conditrmi geleiden.

3. Vedêndotï, ci salutó — Ons ziende, groette hij

ons.

4. Pallegrdtosi dèlla sua — Zich verheugd hebbende fortuna over zijn geluk.

5. Ama\\\\ — Bemin hen.

6. Fal\\ü — Doe het.

7. Rispettlt;ïte\\9. — Eerbiedigt, ha ar.

8. Nón la rispettate — Eerbiedigt haar niet.

9. Nón /arlo — Doe het niet. 10. Nón amarli — Bemin hen niet.

Men plaatst de voornaamwoorden achter het werkwoord, en vereenigt ze als enclitici daarmede tot éen woord, dezelfde vormen gebruikende als in § 2 van de llde les:

1°. wanneer, als in 1, het werkwoord in de onbepaalde wijs staat; de e van de onbepaalde wijs valt dan uit, dus: trovarlo en niet trovarelo. Is die onbepaalde wijs, zooals in 2, een samengetrokken vorm: condurre voor condücere, dan valt de laatste lettergreep re uit.

2°. Wanneer het werkwoord in den vorm van het gerundia {ons tegenwoordig deelwoord) staat, zooals uit 3 blijkt.

3°. Wanneer het in den vorm van het verleden deelwoord staat zooals in 4.

-ocr page 126-

120 Vervolg van het Persoonlijk Voornaamwoord.

4°. Wanneer het in de gebiedende wijs staat, zooals uit 5 6 en 7 blijkt. Is de 2de pers. enkelv. van de gebiedende wijs éénlettergrepig, zooals in 6, dan wordt de beginletter van het voornaamwoord verdubbeld, b.v. fa — doe, maar doe het is niet falo maar /allo. Is de 2de pers. meerv. van de gebiedende wijs door een ontkenning vergezeld, dan plaatst men het voornaamwoord voor het werkwoord, zooals 8 doet zien. De 2de pers. enkelv. van de gebiedende wijs mag niet ontkennend gebruikt worden, dan bezigt men daarvoor, gelijk men uit 9 en 10 ziet, de onbepaalde wijs.

§ 9. 1. Aspétta mé e nessun — Hij verwacht mij en nie-altro mand anders.

2. lo amo lui, cóme égli — Ik bemin hem, zooals hij ama mé mij bemint.

3. Hispétta 7iói, madisprézza — Hij eerbiedigt ons, maar lóro veracht hen.

4. Ha vèduto mé e mio — Hij heeft mij en mijn fratêllo broeder gezien.

5. Hó prestato danaro a lui — Ik heb geld aan hem en ed a lêi haar geleend.

6. JVón ti dó, ma ti presto — Ik geef u dit boek niet, quésto libro maar leen .het u.

7. Ti védo e t\' ascólto — Ik zie en hoor u.

De voornaamwoorden als régime worden ook achter het werkwoord geplaatst:

1°. wanneer men, zooals in 1, met nadruk spreekt. 2°. bij vergelijkingen, als in 2, of bij tegenstellingen, als in 3.

-ocr page 127-

Vervolg van het Persoonlijk Voornaamwoord 121

3°. wanneer het werkwoord meer dan éen accusatief als in 4, of meer dan een datief, als in 5, van verschillenden persoon heeft. De datief wordt in dit geval door het voorzetsel a uitgedrukt. Zijn echter, zooals in 6 en 7, de accusatieven en datieven van denzelfden persoon, dan komen de voornaamwoorden weder vóór het werkwoord te staan. Bij al de volgens de in deze § na de werkwoorden geplaatste voornaamwoorden, gebruikt men de laatste der in § 1 van de llde les opgegeven vormen, die men ook bezigt, wanneer het voornaamwoord als régime van een voorzetsel staat, b.v. : pér mé, pér té, pér sé, da lui, da Ui, cón nói, can vói, cón lóro. In plaats van cón mé, cón té,, cón sé, zegt men méco, téco en séco. Bij dichters vindt men ook nósco en vósco voor cón nói, cón vói.

§ 10. 1. II mcéstro lo lodó mólto j De meester prees quot;2. II maéstro lodóllo mólto ) hem zeer.

Uit het 2de dezer voorbeelden ziet men, dat de regel, in § 2 van de llde les gegeven, niet zoo gestreng is als in het Fransch, en men daarvan kan afwijken, indien de welluidendheid het vordert. In het lste voorbeeld is die regel toegepast, en is dit grammaticaal juist; doch wegens de herhaling van den klank lo, is het op verre na niet zoo welluidend als het 2de, hetwelk daarom te verkiezen is.

Hierbij valt op te merken dat men, het voornaamwoord als enclitico aan het werkwoord hechtende, de beginletter daarvan verdubbelt, wanneer de vorm van het werkwoord, zooals in 2, op eene geaccentueerde lettergreep eindigt, of éénlettergrepig is. Het orthographisch accent valt bij die verdubbeling weg.

-ocr page 128-

122 Vervolg van het Persoonlijk Voornaamwoord.

§11. 1. Églimi vuólepresiare ü libro o 1 Hij wil mij het

2. Égli vuóle prestarmi il libro 1 boek leenen.

3. Cilielo vóglio domandare o

4. Vóglio domanddrg\\ie\\o Wordt de een of andere tijd van een werkwoord door een

onbepaalde wijs gevolgd, dan kan men het van die onbepaalde wijs afhankelijke voornaamwoord, zooals in 1 en 3, vóór het lste werkwoord plaatsen, mits het geen onpersoonlijk werkwoord zij, of men kan het, zooals in 2 en 4, als enclltico aan de onbepaalde wijs hechten. Het gehoor moet beslissen. Is het eerste werkwoord echter onpersoonlijk, dan moet steeds het laatste geschieden, b.v. : bisógna dirgli (men moet hem zeggen) en niet gli bisógna dire.

§ 12. Conviêne pregdnwXo — Het betaamt hem daarom

te verzoeken.

Wanneer de accusatieven ló, la, li, gli en lè mvt né voorkomen, moet dit laatste als in ons voorbeeld steeds voorafgaan.

§ 13. Égli stèssa o medésimo — Hij zelf heeft het ge-

l\' ha détto zegd.

Ella stéssa o medésivm è — Zij zelve is gekomen. venuta

Kg lino stèssi o medésimx — Z ij z e 1 v e n hebben het

l\' hanno fatto gedaan.

Élleno stésse o medémm fü- — Zij (vrouw.) zeiv en werden rono vedute gezien.

Zooals in het Nederlandsch met zelf, wordt in het Itali-aansch het voornaamwoord versterkt met stësso of medésimo.

Ik wil het hem vragen.

-ocr page 129-

Vervolg van het Persoonlijk Voornaamwoord. 123

welke woorden, gelijk uit de voorbeelden blijkt, in geslacht : en getal met het voornaamwoord moeten overeenstemmen.

§ 14. Ésso è ritornato — Hij is teruggekeerd.

Éssa è ritornata — Zij is teruggekeerd.

Éssi son amati — Zij (mannen) zijn bemind.

Essv me l\' hanno détto — Z ij (vrouwen) hebben het

mij gezegd.

In plaats van égli, élla, églino, éllmo kan men de in de voorbeelden opgegeven woorden bezigen, met dien verstande echter, dat ésso, éssa, éssi, ésse van personen en zaken, égli, élla, églino, élleno alleen van personen gebruikt worden. quot;

§ 15. È déssü, déssvi — Hij, zij is het zelf, zelve.

Mi paiono déssi, déssa — Zij (mann.), zij (vr.) schij

nen het zeiven te zijn. Wil men den persoon met nadruk aanwijzen, dan kan men in plaats van het met stêsso of medésimo versterkte voornaamwoord, ook de woorden désso, déssa, déssi, désse gebruiken, doch alleen met de werkwoorden mere en parére (schijnen).

§ 16. Anch\' io, ancór ia, — Ik ook.

io pure

Anch\' églino, ancór églino, — Zij ook enz.

églino pure etc.

Ik ook, gij ook enz. kan op diie verschillende manieren vertaald worden, waarvan de twee laatste de beste zijn.

-ocr page 130-

124 Vervolg van het Persoonlijk Voornaamwoord.

§ 17. O beato — O, wat ben ik gelukkig!

Ah lui póvero — Ach, wat is hij onge

lukkig!

Merk wel op, dat bij deze en dergelijke uitroepen, het voornaamwoord in den accusatief staat, en de laatste der in § 1 van de llde les gegeven vormen gebruikt worden, zooals uit de voorbeelden blijkt.

§ 18. 1. Ha Élla portato — Hebt gij uw boek mede-séco il suo lihro gebracht?

2. Non La vicli nël teairo — Ik heb u in den schouw

burg niet gezien.

3. E Élla ncca Signóre — Zijt gij rijk Mijnheer? In § 3 van de lste les is reeds gezegd, dat men, in den

beleefdheidsvorm sprekende, tot één persoon in den nominatief het vrouw, enk, voornaamwoord en tot meer personen het vrouw, meerv. voornaamwoord van den 3en persoon gebruikt; ter onderscheiding schrijft men dan Ella en Elleno met een hoofdletter. Het spreekt van zelf dat men in dien vorm ook de gebogen naamvallen van Ella en Elleno gebruikt, en deze insgelijks met een hoofdletter geschreven worden, indien zij niet als enclitici aan het werkwoord gehecht worden. Hebt gij uw boek medegebracht wordt dus, zooals uit 1 blijkt, vertaald, alsof men vroeg; heeft zij haar boek met zich gebracht, en ik heb u in den schouwburg niet gezien, zooals men in 2 ziet, als zeide men: ik heb haar in den schouwburg niet gezien, terwijl uit 3 volgt dat, ook als men tot een mannelijk persoon spreekt, het bijvoeglijk naamwoord of met êssere gebruikte verleden deelwoord

-ocr page 131-

13de Oefening. 125

In geslacht en getal met Élla en Élleno moet overeea-fetemmen.

Thema 13.

1. Geeft (2de pers. meerv.) hem nuttige boeken, maar geeft hem geen (lees: niet) geld, 2. Hij zal u beminnen en ach-en, wanneer hij ziet, dat gij zijn {la ma) welzijn bevordert. 3, Hem ziende, verheugde ik mij over {di) zijne {la sua) goede bezondheid. 4. Hij acht ons zooals wij hem achten. 5. Wij feelven hebben hem en haar gezien, toen zij uit den Franschen tchouwburg kwamen. 6. Ach! ik ongelukkige, riep hij uit, oen hij haar met den dood zag worstelen. 7. Hebt gij mijne \\la mia) jongste zuster gezien, en hebt gij haar gezegd dat ik bpoedig thuis zal komen? 8. Ja ik heb haar gezien (veduta), naar ik heb het haar niet gezegd, ik heb er niet aan gedacht. ). Mijne {i miêi) beide broeders zijn in Parijs, ik heb hun brieden maand drie lange brieven geschreven. 10. Hebt gij Be Engelsche boeken reeds ontvangen? 11. Neen Mijnheer, vij hebben ze nog niet, maar zoodra wij ze hebben, zullen vij ze u zenden. 12. Kunt gij mij zeggen, of uw {il di Lêi) leader morgen thuis is? 13. Ik wenschte hem over mijnen {il nio) besten vriend te spreken. 14. Laat (2de pers. enkelv.) hem reten, dat ik hem binnen weinige dagen schrijven zal. 15. ■ anneer hij zich goed gedraagt,- zal de meester hem prijzen. |6. Deze (quésti) groote appels zijn voor (pér) u (2de pers. aeerv.), en die (quélli) rijpe peren zijn voor hem, voor haar voor mij. 17. Ik kan u niet zeggen, hoezeer het mij pijt, dat ik u niet gezien heb. 18. Hebt gij den notaris lerzocht u dat {quél) genoegen te doen? 19. Neen, Mijn-

-ocr page 132-

126 13de Oefening.

heer, ik heb het niet gedaan, maar ik zal het doen, het is noodig hem er om te verzoeken. 20. Mij schamende over mijn (la mia) gedrag, besloot ik het voor de toekomst te verbeteren. geeft —date. hij zal beminnen — amerd.

hij zal achten — stimerd. wanneer —quando. hij ziet —vède. welzijn —felicifd.

g ij b e v o r--Élla secónda. ziende — vedêndo.

d e r t

ik verheugde -

— rallegrdi.

gezondheid —

mlxde.

hij acht —

stima.

wij achten —

stimiarno.

toen zij kwa- -

— quando ve-

schouwburg —

teatro.

men

nivano.

hij riep uit —

esclamd.

hij zag wor--

vide lottare.

stelen

dood —

mor te.

ik zal komen

— verrö.

gedacht —

pensato.

verleden —

■ passato.

ontvangen —

ricevuto. ■

z o o d r a —

■ tóstochè.

wij zullen —

mander êmo.

ik wenschte -

— vorréi par-

zenden

te spreken

lare.

g ij kunt —

Élla pud dire.

ik zal schrij--

— scriverd.

zeggen

ven

-/ra.

laat weten —

■fa sapére.

binnen —

hij gedraagt —

-procédé hêne.

hij zal prij- —

■ lader d.

zich goed.

zen

ik kan zeg--

■ pósso dire.

het spijt —

rincrésce.

gen

verzocht te —

- pregato di

gedaan —

- fatto.

doen

fare.

ik zal doen —

-faro.

gedrag

- condótta.

-ocr page 133-

Het Bezittelijk Voornaamwoord. 127

ich scha--vergogndndosi. ik besloot —risolvéi.

mende

oe komst — avvenire. ver be teren — migliorare.

DERTIENDE LES.

Over de Bezittelijke Voornaamwoorden.

(Pronómi Possessivi.)

A. Bijvoeglijk bezittelijke voornaamwoorden. [Prönomi possessivi congiunti.) § 1. Mannelijk.

Enkelvoud. Meervoud.

t U raio —mijn. I miêi —mijne.

Tl tuo —uw. I tuói —uwe.

II mo —zijn of haar. I suói —zijne of hare. 11 mo, il di — uw (bel. vorm I siiói, i di —uwe (bel. vorm Lêi tot éen pers.) Léi tot éen pers.)

II nóstro —ons. I nóstri —onze.

II vóstro —uw. I vós tri —uwe.

II lóro —hun of haar. I lóro — hunne of hare. II lóro, il di — uw (bel. vorm I lóro, i di — uwe (bel. vorm Lóro tot meer pers.) Lóro tot meer pers.)

Vrouwelij k.

Enkelvoud. Meervoud.

La rnia —mijne. Le mie —mijne.

La tua —uwe. Le tue —uwe.

La ma —zijne of hare. Le sue —zijne of hare.

rM ma, ladi — uwe (bel. vorm Le sue, le di — uwe (bel. vorm

Lêi tot éen pers.) Lêi tot éen pers.)

-ocr page 134-

Het Bezittelijk Voornaamwoord.

128

La nóstra —onze. La vóstra — uwe. La lóro — hunne of hare.

Le nóstre — onze. Le vóstre — uwe.

Le lóro —hunne of hare.


La lóro, la—uwe (bel. vorm Le lóro, ledi ■ di Lóro tot meer pers.) Lóro

•uwe(bel. vorm tot meer pers.)

1. II mio libro

2. La sua \'penna

3. II nóstro amico

4. I snói calamai

5. Mia madre

6. II lóro padre

7. Sua Maestd

— mijn boek.

— zijne pen.

— onze vriend.

— zijne inktkokers.

— m ij n e moeder.

— hun vader.

— Zijne Majesteit.


De bijvoeglijk bezittelijke voornaamwoorden, worden, zooals men uit 1—4 ziet, steeds door het bepalend lidwoord voorafgegaan. Dit lidwoord blijft voor een naam van bloedverwantschap of waardigheid, zooals uit 5 en 7 blijkt, weg. Uit 6 volgt dat lóro steeds het bepalend lidwoord voor zich heeft, ook wanneer het door een naam van bloedverwantschap gevolgd wordt. Verder ziet men dat lóro steeds onveranderlijk blijft.

§ 1. I miêi fratélli

2. Le vóstre Maestd

3. La mia sorellina

4. La sua huóna zia

5. II padre mio

6. 8ia prudente, amico

7. A hhi paziênza, amico mio

mijne broeders. Uwe Majesteiten.

mijn zusje.

zijne of hare goede tante, m ij n vader.

wees voorzichtig, vriend, heb geduld, vriendlief.


-ocr page 135-

Het Bezittelijk Voornaamwoord.

Staat de naam van bloedverwantschap of waardigheid in het meervoud, dan gebruikt men, zooals uit 1 en 2 blijkt, het lidwoord. Is de naam van bloedverwantschap een verkleiningswoord als in 3 of een vergrootingswoord; wordt hij, als in 4, door een bijvoeglijk naamwoord voorafgegaan, of staat, als in 5, het bijv. bez. voornaamw. achter het zelfstandig naamwoord, dan bezigt men insgelijks het lidwoord. Gebruikt men een naam om iemand aan te spreken, zooals in 6, dan geschiedt dit zonder lidwoord of bezittelijk voornaamwoord. Wil men dan het bezittelijk voornaamwoord gebruiken, om aan de uitdrukking iets hartelijks te geven, dan staat, dit, als in 7, welluidendheidshalve achter het zelfstandig naamwoord.

§ 3. 1. Ha Ella véduto la — Hebt gij mijne vriendin

mia amica gezien?

2. JVó, hó véduto i suói — Neen, ik heb hare broe-

129

3. Hanno Ellmo parlato alle mie sorêlle ders gezien.

Hebt gij mijne zusters gesproken?


4. /Si, ed abhiamo anche — Ja, en wij hebben ook parlato alle lóro amiche hare vriendinnen gesproken.

Het bez. voornaamwoord haar wordt, zooals uit 2 blijkt, vertaald alsof er zijn stond, dus door suo, sua, suói, sue, wanneer de bezitster enkelvoud is; door lóro, als in 4, wanneer zij meervoud is. Dit stemt geheel met het Fransch overeen.

9

ITAUAANSCIIE TAAI,.

-ocr page 136-

Het Bezittelijk Voornaamwoord.

§ 4. II suo iSignór padre — Mijnheer zijn vader.

La lóro Signóra rnadre — Mevrouw hunne moeder. II Signór podestd — Mijnheer de burgemeester.

In het Nederlandsch plaatst men het lidwoord of bezittelijk j voornaamwoord na het woord M ij n h e e r; in het Itahaansch I zet men het vóór Signóre; dit stemt geheel met het Hoog-duitsch overeen.

§ 5. Qicésto Ubro è mio — Dit boek is van mij.

Quèste ptrmc sóno sue — Deze pennen zijn van hem.!

Men gebruikt in het Italiaansch geen persoonlijk voornaamwoord met di, zooals in het Nederlandsch met van, om eenel bezitting aan te duiden, men bezigt dan, zooals uit de voorbeelden blijkt, het bezittelijk voornaamwoord predicatief zonder lidwoord.

Het is een neef van mij.

§ 6. 1. È un mio mgino

2. È uno dêi rniêi cugini \'

3. /Só7io due suói servitóri i Het zijn twee bedienden

4. /Só7io due déi suói servitóri j van hem.

Tusschen 1 en 2, 3 en 4 is dit verschil, dat 1 en 3 in het midden laten of de bezitter meer dan één neef of meer dan twee bedienden heeft, terwijl door 2 en 4 stellig wordt te kennen gegeven, dat hij meer dan één neef, meer dan twee bedienden heeft.

130

§ 7. 1. Si lavava le mam

2. Mi pósi il cappêllo é mé n anddi

3. /S\' è rótto la, gamba

Hij waschte zijne handen. Ik zette mijne hoed op en

ging heen.

Hij h eeft zijn been gebroken.


-ocr page 137-

Het Zelfstandig Bezittelijk Voornaamwoord. 131

Wanneer de bezitter uit den samenhang genoegzaam blijkt, gebruikt men, zooals men uit de voorbeelden ziet, niet het bez. voor naai nw. maar het bepalend lidwoord; tevens ziet men uit 3, dat liet wederkeerig werkwoord in het Italiaansch vervoegd wordt met èssere. (zijn). Het bep. lidwoord gebruikt men ook in de beschrijving van iemands lichaamsdeelen in zinnen als de volgende, waarin men in het Nederl. het niet bepalend lidwoord of in het geheel geen lidwoord gebruikt: Av\'eva i capèlli néri, il naso — Hij had zwart haar, een lungo, lé lahhra grósse, la langen neus, dikke lip-

frónte larga, e lé gambe pen een breed voorhoofd

curve en kromme been en.

§ 8. II mio amico è venuto — Mijn vriend is gekomen cón suo Jiglio et cólla di met zijnen zoon en diens

lui móglie vrouw.

Waar het gebruik van suo of lóro dubbelzinnigheid zou teweegbrengen, bezigt men di lui, di lêi of di lóro. Cón. sua móglie zou hier aanleiding geven tot de vraag; wiens vrouw? van den vriend of van zijnen zoon? Ofschoon sua móglie natuurlijk eerder aan de vrouw van den vriend, dan aan die van den zoon doet denken, is liet toch beter di lui te bezigen, omdat dit, volgens het gebruik, niet op het onderwerp ziet.

B. Zelfstandig Bezittelijke Voornaamwoorden.

[Pronómi possessivi assoluti.)

§ 9. Mannelijk.

Enkelvoud. Meervoud.

U mio —de of het mijne. I miêi —de mijnen.

-ocr page 138-

T

132 Het Zelfstandig Bezittelijk Voornaamwoord.

Enkelvoud.

II tuo —de of het uwe. 1 tuói II suo —de of het zijne I mói of hare.

Meervoud.

— de uwen.

— de zijnen of

haren.


II suo, il—de of het uwe 7 suói,idi — de uwen (bel.

di Lêi (bel. v. tot éen pers.)

II nóstro —de of het onze.

II vóstro — de of het uwe.

II lóro —de of het hunne of hare

II lóro, il — de of het uwe di Lóro (bel. v. tot meer pers.)

V r o u w e 1 ij k

En kelvoud.

La niia —de of het mijne.

La tua — de of het uwe.

La ma — de of het zijne, of hare.

Lama, la— de of het uwe di Lêi (bel. v. tot éen pers.)

La nostra — de of het onze.

La vostra — de of het uwe.

La lóro — de of het hunne of hare.

La lóro, la — de of het uwe di Ljóro (bel. v. tot meer pers.)

Mio fratêllo è minóre dél — suo, ma sua sorêlla è viag-gióre délla mia

Lêi 1 nóstri I vóstri I lóro

vorm tot éen pers.) |

— de onzen.

— de uwen.

— de hunnen of

haren.

I lóro, idi de uwen (bel. Lóro vorm tot meer pers.)

Meervoud.

— de mijnen.

— de uwen.

— de zijnen of

haren de uwen (bel.

Le mie Le tue Le sue

Le sue, le di

Lêi Le nóstre Le vóstre Le lóro

vorm tot éen pers.)

— de onzen.

— de uwen.

— de hunnen of

haren.

Le lóro, le — de uwen (bel.

di Lóro v. tot meer pers.) Mijn broeder is jonger dan de zijne, maar zijne zuster is ouder dan de mijne.

-ocr page 139-

Italianismen met het Bezittelijk Voornaamwoord. 13

yóstro padre è usdto, ma — Onze vader is uitgegaan, il vóstro è ancóra in casa maar de uwe is nog thuis.

Vergelijkt men deze § met § 1, dan ziet men volstrekt geen verschil van vorm tusschen de bijvoeglijk en zelfstandig bezittelijke voornaamwoorden. Laatstgenoemde staan in de plaats van het zelfstandig naamwoord en hebben steeds het lidwoord; eerstgenoemde vergezellen het zelfstandig naamwoord.

§10. 1. Ha mangiato — Hij heeft al het zijne ver-il suo teerd.

2. Domani in quindici — Morgen over veertien dagé\'n rivedrö i miêi zal ik de mij nen (mijne bloedverwanten) wederzien.

3. 11 generale si ritirö — De veldheer trok met zijne cöi suói soldaten terug (met de zijnen).

Zooals men uit deze voorbeelden ziet, kan men, evenals in het Nederlandsch, het zelfst. bez. voornaamw. gebruiken zonder dat het op een voorafgaand zelfst. naamwoord betrekking heeft, hetgeen in het Fransch en Engelsch niet mag. Al deze zinnen zijn elliptisch. In 1 is uitgelaten het woord avére (goed) ; in 2 parênti (bloedverwanten) en in 3 soldah (soldaten).

§ 11. Italianismen met het bezittelijk voornaamwoord.

È\' mio parére — Het is mijne meening.

.4 mio sénno — Naar mijn zin.

Di ma têsta — Naar zijn goeddunken.

Pér cdusa mia, tua, — Mijnent-, uwent-, zij nen t-, sua, nostra, lóro onzent-, hunnentwege.

-ocr page 140-

134 Italianismen met het Bezittelijk Voornaamwoord.

Mio, tuo, suo, vóstro, — Mijns-, uws-, zijns-, uws-, huns-lóro malgrado o mal- ondanks.

gr ado mio, tuo etc.

Mio, tuo, suo danno — Zooveel te erger voor mij, u

hem.

Het een of ander boek van hem. De een of andere onzer zaken, welke ook.

Iedere gedachte van mij.

Zijn deel reeds hebben. Een goed pak ransel krijgen. Naar zijn goedvinden handelen; ook met zijne gewone onbezonnenheid handelen. Zijn recht handhaven.

Zijne meening volhouden; Op zijne hoede zijn.

Iedereen tot zijne partij overhalen.

Vuóle sêmpre v\'mcere la sua — Hij wil altijd de baas zijn.

Qualche suo libra Quahmque nostra aff are

Ogni mio pensier o Avére, toccare la sua ■ le sue -

J?ar délle sue

Star sulla sua „ su lie sue o in sulle siie Tirare ognuno dalla sua

§ 12. Tmperfetfo Ia era Tu êri

Ég li, èlla êra Nói eravamo Vói eravate Eglino, \'elleno êrano — Onvolmaakt verleden tijd.

— Ik was.

— Gij waart.

— Hij, zij was.

— Wij waren.

— Gij waart.

— Zij, (mann.) zij, (vr.) waren.


Élla êra (bel. vorm enkelv.) — Gij waart.

-ocr page 141-

Imperfetto en Pretorito Perfetto van Essere. 135

EUeno èrano (bel. v. meerv.) — Gij waart.

Fiü ch\'e perfêtto — Meer dan volmaakt ver

leden tijd.

lo êra stato o stata etc. — Ik was geweest, enz.

Pretêrito perfêtto — Volmaakt verleden tijd.

lo fui — Ik was.

Tu fósti — Gij waart.

Egli, élla fu — Hij, zij was.

JVói fummo — Wij waren.

Vói fóste — Gij waart.

Eglino, èlleao fürono — Zij, (mann.), zij (vr.) waren.

Élla fu (bel. vorm. enkelv.) — Gij waart.

Élleno fürono (bel. v. meerv.) — Gij waart.

Pretêrito anterióre — Voorgaand verleden tijd.

lo fui stato o stata etc. — Ik was geweest enz.

Zooals men ziet, kan ik was op twee wijzen vertaald worden. Het verschil zal bij de opzettelijke behandeling dei-werkwoorden aangegeven worden. Wanneer, vóór wij zoover zijn, de pretêrito perfêtto en de pretêrito anterióre gebruikt moeten worden, zullen wij dit melden.

Opmerking: De regels, die wij in deze les over het gebruik van het lidwoord bij de bijv. bez. voornaamw. gegeven hebben, zijn niet zoo gestreng, of men kan er voor de welluidendheid van afwijken. Dikwijls vindt men bij Italiaansche schrijvers het lidwoord weggelaten, waar het volgens de grammatica gebruikt moet worden. Men houde zich echter, om geene fouten te maken, in de vertalingen stipt aan de regels; want over de welluidendheid kan dikwijls alleen een Itali-aansch oor beslissen.

-ocr page 142-

14dc Oefening.

Thema 14.

1. Mijn broeder en mijne zuster zijn uitgegaan, zij waren de geheele week te huis geweest. 2. Indien de beste mensch zijne gebreken op zijn voorhoofd geschreven moest dragen, zou hij nooit zijnen hoed durven afzetten. 3. Uw huis is veel mooier dan het mijne, maar liet is niet zoo groot als het mijne. 4. Zijt gij in den tuin geweest, en hebt gij mijne bloemen gegoten ? 5. Wij hebben aan ons vaderland, maar niet aan het uwe gedacht. 6. Hij had zijne beurs verloren en beklaagde zich over (di) zijn verlies. 7. Mijn neef was ongesteld geweest, anders (se nó) zou hij met zijnen vader naar Duitsehland gegaan zijn. 8. Ik heb twee brieven van mijne beide broeders in Londen ontvangen, zij zijn altijd goed gezond geweest. 9. Mijne zusters spreken van hare vriendinnen, en de uwe spreken van de hare. 10. Uw broertje (ino) is reeds naar school geweest, maar mijn zusje zal gaan, als zij een jaar ouder is (lees: zal zijn). 11. Mijn goede oom heeft zijn eenigen zoon verloren. 12. De dood heeft hem van zijn grootsten schat beroofd. 13. Om hunnentwil heb ik mijn vertrek uitgesteld, maar morgen over acht dagen zal ik zeker mijne reis aanvaarden. 14. Mijnsondanks heeft mijn vriend zijn huis verkocht, en wil hij ook zijnen tuin verkoo-pen. 15. Uw ondeugende neef wil altijd de baaa zijn, hij loopt gevaar van een pak ransel te krijgen, indien hij altijd zijn zin wil hebben. 16. Een neef van mij zal naar Amerika vertrekken, gisteren heeft hij van al zijne vrienden afscheid genomen. 17. Twee bedienden van hem zijn weggezonden (vertaal: weggezonden geworden), omdat zij hunne plichten

136

-ocr page 143-

14de Oefening.

137

niet deden. 18. Heb (2cle pers. enkelv.) geduld, mijn vriend, ik zal al mijne schulden betalen. 19. Hij nam afscheid van de zijnen en vertrok met een vriend van hem naar Engeland. 20. Hunne Majesteiten de Keizer en de Keizerin van Duitsch-land zijn zeer oud: Zijne Majesteit de Keizer heeft onlangs, den 22sten Maart 1887, zijn negentigste jaar voleindigd.

uitgegaan — uscito.

indien h ij — se dovésse por-moest dragen tare. gegoten — adacquato. gedacht — penmto. verloren —perduto. ongesteld — indispósto. Duitschland — Allemagna. goed ge- —in buóna sa-

zond lute.

hij zal gaan — andrd. beroofd van —privato dl. uitgesteld — differ ito.

ik zal aan--intrapreriderd.

vaarden verkocht — venduto. ondeugend — sgarhato. afscheid —jpréso eongêdo. genomen plicht —dovere.

ik zal be--pagherd.

talen gebrek — difêtto.

hij zou nooit — non ardirébbe durven af- rnai levare. zetten beurs — bórsa. hij beklaagde — si lagnd. zich

gegaan — andato. ontvangen — ricevuto. z ij spreken — pdrlano.

schat — tcsóro.

vertrek — partênza. zeker — certaménte.

reis —viaggio.

hij wil ver--vuól vêndere.

k o o p e n

hij zal ver--partird.

trekken weggezon- — mandato via. den

zij deden — facèvano. schuld —dêtta.


-ocr page 144-

Het Aanwijzend Voornaamwoord.

hij nam af- — disse addïo a. hij vertrok—parti.

scheid van onlangs —póco fa.

Engeland —Inghiltêrra. hij loopt gevaar — córre

pmcolo.

VEERTIENDE LES.

Overr de Aanwijzende Voornaamwoorden.

[Pronómi Dimostrativi).

A. Bijvoeglijk aanwijzende voornaamwoorden. {Pronómi dimostrativi congiunti).

§ 1. Mann. enkel v. Quésto Vrouw. „ Quêsta Mann. meerv. Quésti Vrouw. „ Quéste

Deze of dit.

Deze.

Die of dat.

Die.

Die of dat, gene of gindsch.

Die, gene of gindsche.

Mann. enkelv. Cotésto Vrouw. „ Cotésta Mann. meerv. Cotésti Vrouw. „ Cotéste Mann. enkelv. Quéllo Vrouw. „ Quélla Mann. meerv. Quélli Vrouw. „ Quélle 1. Lé dard quésto libro

— Zal ik u dit boek ihet boek dat hier bij mij ligt) geven?

2. Mi dia Élla cotéstapénna — Geef mij die pen (die daar

bij u ligt).

3. Nóu oonósco quélfandullo — Ik ken dat kind niet

(gindsch kind van spreker en aangesprokene, beiden, verwijderd).

138

-ocr page 145-

Het Aanwijzend Voornaamwoord. 139

1, QutU uómo è mólto pru- — Die man is zeer voor-

dênte zichtig.

5. Quéllo spêcckio è bellissimo — Die spiegel is zeer mooi. 5. Quéi fanciulli sóno nhbi- — Die kinderen zijn gehoor-

cliênti zaam.

. Quégli uómini sóno imiêi — Die mannen zijn mijne amici \' vrienden.

8. Qaëgli speccld fürono ven- — Die spiegels werden ver-duti v e r k o c h t.

Men heeft in het Italiaansch drie aanwijzende voornaamwoorden om de verschillende plaatsen aan te wijzen: quésto in 1 wijst het voorwerp aan in de nabijheid van den spreker; cotésto in 2 dat in de nabijheid van den aangesproken persoon, en quéllo in 3 dat, hetwelk van beiden verwijderd is. Voor een mannelijk woord dat met een medeklinker — s impura uitgezonderd — begint, schrijft men, als in 3, quél. voor een dat met een klinkletter begint, als in 4, queU en voor een dat met s impura aanvangt, als in 5, quéllo. Voor een mannelijk, meervoudig woord dat met een medeklinker — geen s impura — begint, schrijft men, als in 6, quéi, en voor een dat met een klinker of s impura aanvangt, als in 7 en 8, schrijft men quégli, terwijl men quélli schrijft, wanneer het predicatief staat of het zelfstandig naamwoord uitgelaten is, b.v. : 1 di Lêi libri e quélli déi miêi aviici.

§2. In quéll\' anno accdddero — In dat jaar hadden er mólti naufragi vele schipbreuken plaats.

Quésfa prwuavéra ha fatto — In deze lente is het zeer gran fréddo koud geweest.

-ocr page 146-

Het Aanwijzend Voornaamwoord.

Ten opzichte van den tijd geldt van deze woorden hetzelfde als van de plaats; quésto heeft betrekking op het tegenwoordige, quéllo op het verledene. dus het verwijderde.

§ 3. La pigrizia e la dili- — Luiheid en vlijt zijn twee gênza sóno due qualitcl mólto zeer verschillende h o e-

differênti: quésta è lodévole, danigheden: deze is prij-

quélla assai disprezzdbile ■ zenswaardig, gene zeer

verachtelij k.

In eene rede valt hetzelfde op te merken; quésto heeft namelijk betrekking op hetgeen het laatst genoemd is, dus het dichtstbij staat, quéllo op hetgeen het eerst genoemd is, dus het verstaf is.

§ 4. Sfamane o stamattina — heden morgen.

Staséra — heden avond.

Stanótte — heden nacht.

In de gegeven voorbeelden wordt quésta gewoonlijk verkort tot sta: alzoo stamattina in plaats van quésta mattina enz.

§ 5. Faccia Élla oio chè — Doe wat u bevalt.

o quel ché Lé piace

Wat of hetgeen wordt vertaald door ciö ché of quél ché.

§ 6. JIT ha scritto tutto quél — Hij heeft mij alles wat ché o tutto ciö ché o quanto hij wist geschrev.en.

sapéva

Al wat, al hetgeen wordt vertaald door tutto ciö ché, hit to quél ché of alleen door quanto.

140

I E _

idko, il ivréi penz

Wanneei ieft, won lö ché 1

8. Con. sua avvic lui, e

nconosceri Quésto loor tale jeen vooi

9. Q

ruig Hór e Evena voord d iet ove et Nee ederlar eer af eenen [vorden; inogen :

-ocr page 147-

Het Aanwijzend Voornaamwoord.

17. È par Ufo sênza dir — Hij i-s vertrokken, zon-Lldho, il oké o ló chc nón der afscheid te nemen,

[vrèi pensato wat ik niet zou ge

dacht hebben.

Wanneer wat of hetgeen op een geheelen zin betrekking ^eft, wordt het, zooals uit het voorbeeld blijkt, door il ché ló ché vertaald.

8. Considerava quanta il — Hij overwoog al wat zijn \\mo avvico avéva fatto pér vriend voor hem gedaan lui, e tale comiderazióyie had, en deze overweging dispose il suo Animo alia stemde zijn gemoed tot

[ riconoscênza dankbaarheid.

Quésto of quèllo kan soms, gelijk in het gegeven voorbeeld, loor tale vervangen worden, wanneer de aanwijzing door hetgeen voorafgaat duidelijk genoeg is.

9. Quésta nvia penna è — Deze, mijne pen is beter miglióre délla di Lêi dan de uwe.

Evenals in het Nederlandsch kan het aanwijzend voornaamvoord door een bezittelijk gevolgd worden. Wij hebben het liet overbodig geacht, ofschoon het Italiaansch hier niet van iet Nederlandsch verschilt, dit voorbeeld te geven, omdat de Nederlander, bij het beoefenen van het Italiaansch, allicht neer aan het Fransch dan aan het Nederlandsch denkt en neenen zou, dat men, omdat in het Fransch niet mag gezegd ivorden: cette ma plume, dit in het Italiaansch ook niet zou nogen zeggen;

141

tzelfde 3gen-3 r d e.

twee hoe-Pr ij-ze er

t na-het dus

sort z.

\'/ié.

at

-ocr page 148-

142 Het Zelfstandig Aanwijzend Voornaamwoord.

§ 10. 1. In quésto, miopadre — In dit oogenblik verscheen sopravcnne plotseling m ij n vader.

2. In quésta, conóbbi il mio — Bij die gelegenheid kende ctmico ik mijnen vriend.

3. Lo vidi, in quclla, darla —Op hetzelfde oogenblik zag a gambe ik hem het hazenpad kiezen.

Al deze zinnen zijn elliptisch. In 1 is uitgelaten het woord moménto (oogenblik); in 2 het woord occasióne (gelegenheid), en in 3 het woord óra (uur).

B. Zelfstandig aanwijzende voornaamwoorden. [Pronömi dimostrativi assoluti),

§ 11. Mann. enkelv. Costüi —Deze. Colüi —Die,.

Vrouw. „ Costêi —Deze. Colêi —Die. Mann. en Vrouw, meerv. Costóro — Deze. Coloro —Die.

Deze voornaamwoorden worden in alle naamvallen slechtn zelfstandig van personen gebruikt; de genitief en datief wor -den door de voorzetsels di en a aangeduid.

§ 12. Pél confiiglio di costüi — Door den raad van dezen söno pervenuto a far do o man ben ik er toe ge-Pêr lo costüi consiglio etc. komen dit te doen. Pér T ignoranza di colüi la — Door de onwetendheicl cósa nón è riuscita o van dien man is do

Pêr la colüi ignoranza etc. zaak niet gelukt.

Sierlijkheidshalve laat men bij costüi en colüi dikwijls he\'t voorzetsel di weg, en plaatst men deze woorden, gelijk uit df ^ voorbeelden blijkt, voor het zeTfstandig naamwoord, waarvar i

-ocr page 149-

Futuro Assoluto van Essere.

143

■ling zijn. Costüi, cosiêi, wordt ook in een vervoor quèsto of quésta gebruikt.

s io. xjutsutè ignorante, — Deze (hier) is dom, die (daar.

cotésti dótto, e quègli o quèi il piü dótto délla nóstra cittd bij u) is geleerd, en gene (van beiden verwijderd) is de geleerdste man van onze stad.


Quésti, cotésti en quêgli of quéi worden sierlijk gebruikt, wanneer men slechts van éen persoon spreekt. Deze woorden kunnen nooit anders dan in het enkelvoud gebruikt worden; men moet oppassen ze niet te verwarren met de biivoeglijk aanwijzende voornaamwoorden quésti, cotésti en quèlli of quèi, die met denzelfden vorm mannelijk meervoud zijn. Door quègli ché, colui c/ié (enkelv.), en colóro dié (meerv.), worden ook de Nederl. bepaling aankondigende voorn.w. hij die (enkelv.) en zij die (meerv.) vertaald.

§ 14. Futuro assoluto — Toekomende tijd.

Io sarö _ ik zai zijn,

Tu sarai _ Gij zult zijn.

flgli, élla sard Nói sartrno Vói saréte

Kglino, élleno sar anno Élla sard (quot;bel. v. enkelv). Elleno saranno (bel. v. m.v.) Futuro esatto Hard stato o stata etc.

— Hij zal zijn.

— Wij zullen zijn.

— Gij zult zijn.

— Zij zullen zijn.

— Gij zult zijn.

— Gij zult zijn.

— Bepaald toekomende tijd.

— Ik zal geweest zijn.


-ocr page 150-

15cle Oefening.

Thema 15.

1. Ik geloof niet alles wat mij deze man gezegd heeft. 2. Wij zullen geprezen worden (lees; zijn), indien wij alles doen wat de meester ons voorschrijft. 3. Deze man en die vrouw zijn zeer geacht, beide zijn rechtschapen menschen. 4. Deze kerseboomen zijn hoog, maar die pruimeboomen zijn nog hooger. 5. Waar zijn uwe boeken en die van uwen broeder? 6. Die kinderen zullen gelukkig zijn, indien zij altijd den wijzen raad hunner goede ouders volgen. 7. Uw opstel is béter dan dat van uwen vriend; in het zijne zijn vele fouten; het uwe is zeer goed. 8. Trek die kleêren uit, zij zijn nat. 9. Ik ging met mijnen oudsten broeder naar Rome om al die beroemde oudheden te zien. 10. Ik ontving (lees: had, pret. perf.) uwen tweeden brief op het oogenblik toen ik gereed stond om uit te gaan. 11. Ik ken dien heer en ook zijn broeder; deze is advokaat, gene is notaris. 12. Wij bedoelen niet denzelfden persoon; ik spreek van dezen en gij denkt aan genen. 13. Ik zal van avond om negen uren in dat koffiehuis zijn, zult gij (2de pers. meerv.) en uw vriend er ook zijn? 14. Dit (lees: deze) zijn uwe boeken niet, het zijn die van uwen goeden vriend. 15, Jan en Piet zijn van een zeer verschillenden aard; deze is vlijtig, gene is zeer lui. 16. Is dit (lees: deze) de zoon niet van uwen besten vriend? Zeker hij is het zelf. 17. Deze metselaar en die timmerman zijn zeer ongelukkig: deze heeft zijne vrouw, en gene heeft zijnen eenigen zoon verloren. 18. Komt gij van uwe vrienden die hier in de stad wonen, of van die welke te Amsterdam wonen? 19. Ik kom van dezen en n

144

-ocr page 151-

Het Betrekkelijk Voornaamwoord.

genen. 20. Dit boek (bij mij), dat woordenboek (bij u) en die spraakkunst (ginds) bebooren alle drie aan mijn oudsten broeder.

ik geloof —crèdo.

w ij doen — facciamo.

rechtschapen — onêsto.

p r u i m e- — prugno, susino.

boom raad trek uit nat

beroemd

VIJFTIENDE LES.

Over de Betrekkelijke Voornammooorden.

[Pronómi relativi).

Mannelijk.

§ 1. Enkelvoud. Meervoud.

145

geprezen — lodato. b ij sebrijft — prescrive.

voor kerseboom —

\'igxo, cinegio. z ij volgen — siêguono.

fout — erróre.

kleêren — panni. ik ging — anddi. oudheid — antic kitd. ik stond gereed — stava pér om uit te gaan vsoire. g ij denkt — Élla pénsa. Piet — Piêtro.

lui — pigro.

komt g ij — viénc Élla. ik kom —vêngo. spraakkunst — grammdtica.

— coTisiglio.

— si cavi Élla

— ümido.

— famóso.

om te zien — pér vedëre. wij bedoelen — miriamo. ik spreek —parlo. koffiehuis — café.

aard —\'mdole.

verloren —perduto.

die wonen — chk dvmörano. woordenboek — dizionario. bebooren — appartêngono.

Nom. 11 quale — die of welke. I quali — die of welke.

10

itai.iaansciie taal.

-ocr page 152-

Het Betrekkelijk Voornaamwoord.

146

van wien of welken.

Dat. Al quale — wien of Ai quali welken,

aan wien

ker,

van wie of welke.

wien of welken,

aan wie of

Enkelvoud. Meervoud.

Gen. Btl —wiens of Bki quali — wier of wel welks,


of welken. welke.

Acc. II qxiale — dien of welken. 1 quali — die of welke.

V rouwelijk.

Enkelvoud. Meervoud.

Nom. La quale — die of welke. Lé quali — die of welke. Gen. Delia quale — wier of Belle quali — wier of wei-we Ik er, ker,

van wie van wie of

of welke. welke.

Dat. Alia quale — wie of Alle quali — wien of wei-welke, ken,

aan wie aan wie of

of welke. welke.

Acc. La quale — die of welke. Lé quali — die of welke.

Voor beide geslachten en getallen.

Nom. Ché — Die of welke.

Gen. Bi cüi — Wiens of welks, van wien of welken wier of welker, van wie of welke. Dat. A cüi — Wien of welken, aan wien of welken

wie of welke, aan wie of welke. Acc. Chè, cüi — Dien of welken, die of welke.

-ocr page 153-

Het Betrekkelijk Voornaamwoord. 147

1. 11 lihro ché o il quale è — Het boek dat op de ta-sulla tAvola fel ligt.

2. La donna ché va nélla — De vrouw, die in de ka-stanza mer gaat.

3. La donna cól lihro la — De vrouw met het boek quale conósco die ik ken.

4. Li\' uómo ché vedkte è mio — De man, dien gij ziet, is fratêllo m ij n broeder.

5. Li uómo, cüi v\'ede mio — De man, dien mijn neef cugino, è il mio giardiniêróziet, is mijn tuinman.

6. La signóra cól ragazzo, — De vrouw met den knaap, la quale conósco, è la sorêlla die ik ken, is de zus-déllo speziale ter van den apotheker.

7. LI muro cüi nascónde il — De muur dien het dorp villaggio verbergt.

De in deze § genoemde betrekkelijke voornaamwoorden kunnen van personen en zaken gebruikt worden. Il quale la quale enz. bezigt men liefst van zaken; zou echter, zooals in 3, ché dubbelzinnigheid kunnen veroorzaken — immers ché zou

evengoed op libra als op dónna en op beide kunnen zien _

dan gebruikt men quale met het lidwoord, waardoor men ge-slachtsonderscheid heeft en de dubbelzinnigheid verdwijnt. La quale toont hier duidelijk aan, dat ik la dónna ken. De accusatief van ché is ché en cüi, zooals uit 4 en 5 blijkt; zou echter het gebruik van ché onduidelijkheid veroorzaken, hetgeen het geval zou zijn in 5, waar ché evengoed zou willen zeggen dat de man mijnen neef ziet, als dat mijn neef den man ziet, dan moet men cüi bezigen. In 6 duidt ook la quale aan dat ik la signóra alleen ken; ché zou te kennen geven dat ik

-ocr page 154-

148 Het Betrekkelijk Voornaamwoord.

il ragazzo ken, of wel il ragazzo en la signóra. De gebogen naamvallen van ché worden liefst van personen gebruikt. Zou echter il quale tusschen twee mannelijke woorden, zooals in 7, of la quale tusschen twee vrouwelijke het onderwerp van het voorwerp niet doen onderscheiden, dan gebruikt men ook van zaken, als in het genoemde voorbeeld, cm. Cüi wordt natuurlijk ook met ieder ander voorzetsel gebezigd als; cón cüi, da cüi etc.

§2. 1. L\' uórao, V attivitd di cüi è \\ De man, wiens conosciuta generalménte, è mórto o 1 werkzaamheid

2. U uómo, la cüi attivitd è conosciuta gt; algemeen be-generahnénte, è mórto | kendis, isge-

\' s tor ven.

3. IJ eróe, le gésta di cüi hanno fatto \\De held, wiens maravigHare il nxóndo, è de Ruyter o I daden de we-

4. L\' eróe, le cüi gésta hanno fatto \\ reld verbaasd mar avig Hare il móndo, è de Ruyter l deden staan, is

\' \' de Ruyter.

Zooals men uit 2 en 4 ziet, kan men in plaats van di cüi. dat als bepaling van een zelfstandig naamwoord in 1 en 3 daarachter staat, cüi zonder het voorzetsel di gebruiken, dat dan vóór het zelfstandig naamw. komt te staan, waarvan het eene bepaling is. Deze vrijheid maakt den volzin vloeiender, en geeft meer snelheid aan de uitdrukking dei\' gedachte.

§ 3. La dónna cui parlo — De vrouw, tot wie ik spreek.

Men kan ook voor cüi, zooals uit dit voorbeeld blijkt, het voorzetsel a weglaten, mits het een werkelijke datief zij.

-ocr page 155-

Het Betrekkelijk Voornaamwoord.

§ 4. La memo, önde ti scrivo — De hand, waarmede ik u quésta létter a, sard prêsto dezen brief schrijf, zal drida spoedig verdord zijn.

In plaats van cól quale, cólla quale, cói quali, cólle quali, kan men dichterlijk en in verheven stijl ook önde gebruiken.

§ 5. / tempi in cüi o néi — De tijden, waarin wij

quali viviamo leven.

La casa dalla quale o da — Het huis, vanwaar ik ctd véngo kom.

Wanneer waarin, vanwaar op een voorafgaand zelfst. naamw. betrekking hebben, dus als betrekkelijke voornaamwoorden gebruikt worden, en men ze bijwoordelijke betrekkelijke voornaamwoorden zou kunnen noemen, mogen ze niet in het Italiaansch door de bijwoorden óve of dóve (waar) en dönde (vanwaar), maar door een betrekkelijk voornaamwoord Tiiet het vereischte voorzetsel vertaald worden.

149

§ 6. II presênte del con-

dizionale lo sarei Tu sarésti L\'gli, \'dia sarébbe Mi sarévimo Vói saréste

Kg lino, élleno sarébbero

— De tegenwoordige tijd dei-

voorwaardelijke wijs.

— Ik zou zijn.

— Gij zoudt zijn.

— Hij zou zijn.

— Wij zouden zijn.

— Gij zoudt zijn.

— Zij (mannen), zij (vrouwen)


zouden zijn. Ella sarébbe (bel. v. enkelv.) — Gij zoudt zijn. Élleno sarébbero (bel. vorm — Gij zoudt zijn. meervoud).

-ocr page 156-

150 16de Oefening.

II prefer ito del eondizionale — De verleden tijd der voorwaardelijke wijs. lo sarei staio o stata etc. — Ik zou geweest zijn enz.

Thema 16.

1. De geneesheer, met wiens zoon wij uitgegaan waren, is zeer bekwaam. 2. De huizen, waarin onze huurlieden wonen, zijn zeer bouwvallig. 3. Een oom van u, dezelfde van wien wij onlangs gesproken hebben, is met zijn zoon en diens vrouw bij {da) mijn vader geweest. 4. De man, wien gij uw vertrouwen geschonken hebt, zegt niet altijd de waarheid. 5. De vader, dien de zoon ondersteunt, is reeds {gia) zeer bejaard, hij zal weldra zijn vier en tachtigste jaar voleindigd hebben. 6. Hij, die dit gezegd heeft, is een leugenaar; geloof hem niet. 7. De muur, die den tuin mijns vaders omringt, is twee jaren geleden gebouwd (lees: gebouwd geworden). 8. Wij zouden zeer tevreden zijn, indien gij ons de boeken terugzendt, die wij u geleend (prestati) hebben. 9. De moeder van den jongen, dien gij kent, is zeer ongelukkig; zij heeft haren man verloren. 10. De kinderen, wier ouders gestorven zijn, zijn in het weeshuis opgenomen (lees: opgenomen geworden. 11. De modemaakster, die de japon voor mijne moeder gemaakt heelt, heeft zwarte oogen en zwart haar. 12. De broeder van mijne vriendin, dien gij wel kent, heeft zijn been gebroken. 13. De man, door wiens tusschen-komst uw broeder den post verkregen heeft, is mijn oom. 14. De kooplieden, wien ik brieven geschreven heb, wonen in Amsterdam. 15. Mijne moeder is zeer ziek, hetgeen mij

-ocr page 157-

16de Oefening. 151

verplicht mijne reis naar Engeland uit te stellen. 16. De kamer, waarin ik woon, is zeer schoon en heelt een mooi uitzicht op de tuinen van het paleis. 17. Zij, die hunne plichten doen, zullen geacht worden (lees; zijn). 18. Hij, die dit gezegd heeft, is een man, dien men niet altijd moet gelooven. 19. Hij zou niet zoo onwetend zijn, als hij den tijd beter gebruikt had (aanv. wijs), dien hij op (lees: in) school doorgebracht heeft. 20. Mijn vriend zou daar geweest zijn, indien hij niet onverwacht een bezoek ontvangen had (aanv. wijs) van zijn oom, die uit Engeland teruggekeerd is.

uitgegaan —

- uscito.

bekwaam —

- dbile.

buur man —

■ vicino.

zij wonen —

- dimórano.

bouwvallig —

■ , / - rovinoso. .■■■ -

onlangs —

■ póco fa.

vertrouwen -

— conjidénza.

waarheid —

- veritd.

hij ondersteunt — sorvêgge.

leugenaar —

■ bugiardo.

geloof —

■ créda Êlla.

hij omringt-

— circónda.

twee jaren —

- due anni fa.

gebouwd —

■ fahbricato.

geleden

indien gij —

së Élla riman-

jongen

- ragazzo.

terugzendt

dasse.

gij kent —

Élla conósce.

gestorven —

mórto.

weeshuis — casa dcgli órfani.

opgenomen -

— accólto.

Ó1

\'•fanotroféo.

modemaakster — crestdia.

japon —

vêste.

gemaakt —

fatto.

t u s s c h e n- —

interveniménto.

post —

impiêgo.

k o m s t

verkregen —

acqimtato.

hij verplicht-

— óbbliga di

ik woon —

dimóro.

uit te stellen

dijferire.

uitzicht op —

vista di.

geacht —

stimato.

-ocr page 158-

152 Het Vragend Voornaamwoord.

men moet — si dée crédere. gebruikt —irapiegato. g e 1 o o v e n

beter —méglio. doorgebracht—passato.

onverwacht — inaspettata- teruggekeerd — ri tomato. mènte.

ZESTIENDE LES.

Over het Vragend Voornaamwoord.

(Pronóme interrogativo).

§1. Enkel- en Meervoud. Enkel- en Meervoud.

Mann. en Vrouw. Mann. en Vrouw.

Nom. Chi —wie. Chè — wat, wat voor.

Gen. Di chi — wiens, van Di ché— van wat, waarwie n, wier, van wie. van.

Dat. A chi — wien, aan A ché — aan wat, waar-wien, wie, aan wie. aan, waartoe.

Acc. Chi —wien, wie. Ché — wat, wat voor.

Enkelvoud voor beide Meervoud voor beide geslachten. geslachten.

Nom. Quale —welke, wat Quali —welke, wat voor. voor een.

Gen. Bi quale — van wel- Di quali — van welke.

ken, welke of welk.

Dat. A quale —aan wel- A quali —aan welke.

ken, welke of welk.

Acc. Quale — welken, Quali — welke.

welke, welk.

-ocr page 159-

Het Vragend Voornaamwoord. 15S

Chi è quell\' uório — Wie is die man?

Chi è quélla donna — Wie is die vrouw?

Chi mw quésli fanciulli — Wie zijn deze kinderen?

Di chi paria Élla — Van wien spreekt gij?

A chi pmsa Ella — Aan wien denkt g ij ?

Da chi ha Élla ricevuto — Van wien hebt gij dat hor-cotést oriuólo loge gekregen?

Ght ^ ) Wat hebt gij? Wat scheelt

Ché cósa avéte } o

u r

Cósa avéte ]

Di chc puvla AHu — Waar spreekt gij van?

A ché ha Élla pmsato — Waar hebt gij aan gedacht?

C/té sono co test i — Wat zijn dat voor boeken?

Chc dónne sóno (pièlle — Wat zijn dat voor vrouwen?

De vragende voornaamwoorden chi, wie? en ché, wat? zijn steeds onveranderlijk. Chi wordt altijd zelfstandig gebruikt en vraagt onbepaald naar personen. Ché vraagt onbepaald naar zaken; beide worden met alle voorzetsels gebezigd. Zooals uit de twee laatste voorbeelden blijkt, wordt ché ook bijvoeglijk gebruikt voor personen en zaken.

§ 1. Chi è l uómo ché — Wie is de man, die voor-/,assa bij gaat?

2. L un 7/iio amico — Het is een vriend van mij.

3. Quale _ Welke?

4. II mio migliór amico, il — Mijn beste vriend, de jicjlio dél notdio zoon van den notaris.

5. Ché hhri sóno quélli — Wat voor boeken zijn dat?

-ocr page 160-

154 Het Vragend Voornaamwoord.

6. Bóno lihri italiani — Het zijn Italiaansche

boeken.

7. Quali — Welke?

8. La mia grammatica ed il — Mijne spraakkunst en mio dizionario mijn woordenboek.

Vragen chi en ché, zooals men uit de vorige § gezien heeft, onbepaald naar personen en zaken, quale, dat geen geslacbts-maar wel getalsonderscbeid heeft, vraagt bepaald naar personen en zaken. Op de vraag quale moet een bepaald en duidelijk antwoord gegeven worden.

§ 3. 1. Chi cêrca a nuóeere ai suói aviici è cattivo

2. JVél móndo chi è ricco, chi è póvero

3. Ché disgrazia! Ché bel-lézze/ Quai hélle case!

— Hij, die zijnen vrienden zoekt te schaden, is slecht.

— In de wereld zijn eenigen

rijk, anderen arm.

— Welk een ongeluk! Welke

schoonheden! Welke mooie huizen!


Chi, ché en quale zijn niet altijd vragende voornaamwoorden. Zooals men uit 1 ziet, wordt chi ook gebruikt in de beteekenis van colüi ché of coloro ché (hij die, zij die); of zooals uit 2 blijkt, in de beteekenis van de eene, de andere eenigen, of sommigen en anderen. Uit 3 volgt, dat ché en quale gebruikt worden bij uitroepen, en het hangt dan van het gehoor af, of men ché of quali [quai) bezigen moet.

-ocr page 161-

Imperativo e Congiuntivo van Essere. 155

§ 4. Fresênte 0 futuro délï — Tegenwoordige of toe-Lnpcrativo __ komende tijd der ge

biedende w ij s.

Sii O sta _ \\yeesgt;

\'Siate ~ We est.

iïiamo T o o ■

— Jjaat ons zi|n.

Sia Ella (bel. vorm enkelv.) — Wees.

$kmo Élleno (bel. v. meerv.) — Weest.

Fresênte del congiuntivo _ Tegenwoordige tijd dei-

aanvoegende wijs. C,lè 10 sia — Dat ik zij.

Oké tu sia o sii _ Dat gij zijt.

Ghé égli, élla sia __ Dat hij zij.

Ohé nói siamo __ Dat wij zijn.

Ohé vói siate — Dat gij zijt.

Ohé èglino, élleno siano — Dat zij zijn.

Ché Élla sia (bel. v. enkelv.) — Dat gij zijt.

Ohé Élleno siano (bel. vorm — Dat gij zijt.

meervoud).

ïretérito dél congiuntivo —Verleden tijd der aanvoegende w ij s.

Cfe io da stalo 0 Ma etc, - Dat ik geweeBt dj, enZ, Imperfêtto dél eomfmntivo — Onvolmaakt verleden tijd

der aanvoegende wijs. Ché io fósd __ Dat ik ware_

Ché tu fóssi ~ Dat gij waret.

Ché égli, élla fósse _ Dat hij ware.

Ché nói fóssimo — Dat wij waren.

Ché vóifóste __ ])at gij waret

-ocr page 162-

17dc Oefening.

156

CAé ég lino, élleno fóssero Chê Éllafósse (bel. v. enkelv.) — Ché Élleno fóssero (beleefde —

vorm meervoud.)

Pin chè perfêtto dél congiun- — tivo

Chè io fóssi stato o stata etc. —

Dat zij waren.

Dat gij war et.

Dat gij waret.

Meer dan volmaakt verleden tijd der aanvoegende wijs.

Dat ik geweest ware enz.


Thema 17.

1. Wie klopt aan de deur? Mijn vriend, die mij komt bezoeken. 2. Wat voor boek hebt gij daar? Een Engelscben roman. 3. Wat voor roman? Een roman van Dickens: Pickwick Papers. 4. Hij die van hoop leeft, zal van honger sterven. 5. Ik heb gehoord dat een uwer kinderen ongesteld is, welk? 6. Welk eene dwaasheid is het altijd te denken dat anderen gelukkiger zijn dan wij. 7. Van welken koopman hebt gij dat zwarte laken gekocht en voor welken prijs? 8. Wie zijn die menschen (vertaal: costóro) ? Het zijn vrienden van den geneesheer van ons dorp. 9. In de wereld zijn eenigen rijk, anderen arm; doch de rijken zijn niet altijd gelukkiger dan de armen. 10. Ik heb eene stalen pen aan een van deze leerlingen gegeven. 11. Aan welken? Aan hem die de zijne vergeten had en vreesde door {da) zijnen meester gestraft te worden (lees: zijn). 12. Van wien heeft uw broeder dien leeuwerik en dien nachtegaal gekocht .\'\' 13. Ik geloof dat hij ze beide gekocht heeft van den koopman, die iedere (ógni) week op de markt komt. 14. Wat voor vruchten liggen daar in die mand? Het zijn perziken en abriko-

-ocr page 163-

17de Oefening.

zen. 15. Wie zingt daar zoo goed? Mijn broeder. Welke? Mijn broeder Jan, die twee jaar ouder is dan ik. 16. Waar spreekt gij van? Wij spreken van den vreeselijken brand, die in Parijs de opéra comique in de ascb heeft gelegd. 17. Van wien zijn die messen? Zij zijn van onzen slager; zij moeten geslepen worden (lees: zijn). 18. Van welken horlogemaker hebt gij uw gouden horloge gekocht? Van den horlogemaker, die kort geleden hier {qui) is komen wonen. 19. Van wien is die kleine jongen (étto) een zoon? Het is de oudste zoon van onzen schoenmaker. 20. Wien zoekt gij? Ik zoek mijn broertje (ino), dat nog niet van school teruggekeerd is. h ij klopt — picchia.

hij komt be--viêne a visi-

zoeken tare.

hoop — speranza.

hij zal sterven — morircL.

dwaasheid — sciocehèzza.

— panno.

— prézzo.

— dimenficaio.

— lódola.

— credo.

— sóno.

— alhicócca.

— béne (bijwoord).

— incêndio. opéra co mi- — opera cómica.

que

ij moeten — déhbono.

157

deur —pórta.

r o m an — rotnanzo.

hij leeft gehoord an dei-gekocht stalen pen -gestraft nachtegaal m a r k t perzik —pêsca. hij zingt —canta. g ij spreekt — Élla paria. in de ascb — incenerito. gelegd geslepen —afflato, arro-tato.

— vwe.

— sentito dire.

— altro.

— comprato.

— pemna d\' accidio. — punito.

• usignuólo. mercatb.

laken prijs

vergeten leeuwerik ik geloof liggen abrikoos goed -b rand

-ocr page 164-

158 Het Onbepaald Voornaamwoord.

ik ben ko--sóno venuto a goud —óm.

men wonen dimorare.

ZEVENTIENDE LES.

Over de Onbepaalde Voornaamwoorden.

[Pronómi indefiniti).

§ 1. A. Die alleen zelfstandig gebruikt worden. Altri — een ander.

Altrui — een ander, anderen.

IJ un V altro — elkander.

JViénte Nulla

1. Altri mè V ha déüo — Een ander heeft het mij

gezegd.

2. Nóu parlo d\' altri — Ik spreek van geen ander.

3. Nón dire male d! altrui — Spreek geen kwaad van

anderen.

4. Nón fare ad altrui cid — Doe niet aan anderen, wat ché nón vuói ché si faccia gij niet wilt dat u ge-a té schi ede.

5. Ama altrui come t! ami — Bemin anderen, zooals gij té stésso u zei ven bemint.

6. .Reato V uómo ché im- — Gelukkig de mensch, die para a spése altrui door de schade van anderen wijs wordt.

7. Nóndohhiamorallegrarci — Men moet zich over de on-délle disgrazie altrui o gelukken van anderen délle altrui disgrazie niet verheugen.

niets.

-ocr page 165-

Het Onbepaald Voornaamwoord. 159

8. È illécito l\' usurpare — Het is ongeoorloofd zich l altrui van het goed van anderen meester te maken.

9, ftón vëdo nulla o niênte ze ue Nullo o niênte vêdo

1,i Quésti due uómini si — Deze twee mannen ach-

Imano V un l\' altro ten elkander.

1. Quelle due dónne s dmano — Die twee vrouwen b e-

rma T altra minnen elkander.

Qli uómini débbono — De menschen moeten ir arsi gli uni gli altri elkander beminnen.

1

1:.

all

Quelle ragazze si conós- — Die meisjes kennen elk-oi ,o le une le altre a n d e r.

Itri is steeds enkelvoud en wordt slechts van personen in naamvallen gebruikt.

Itrüi is ook altijd enkelvoud, en mag nooit als onderwerp gelmikt worden. Altrui wordt dikwijls zonder de voorzetsels di én a gebruikt. In 6 is di weggelaten, en uit 7 blijkt, dat altrui, wanneer dit geschiedt, ook vóór het zelfstandig naamwoord kan geplaatst worden. Zoo kan men in 7 zeggen cfólk disgrazie d\' altrui of altrui of délle altrui disgrazie. Het woord béne (goed) wordt bij altrui gewoonlijk weggelaten, zoodat in 8 Z\' altrui beteekent l\' altrui béne of il béne altrui of d\' altrui. Uit 9 ziet men dat bij mdla of niênte de ontkenning nóu alleen gebruikt wordt, wanneer het achter het werkwoord staat. Dikwijls worden ook beide woorden in een bevestigenden zin gebruikt en beteekenen iets b.v. ; se védo niêf)ite, me la cólgo, als ik het geringste zie, pak ik de biezen. IJ un T altro, of vrouwelijk V una V altra heb-

-ocr page 166-

Het Onbepaald Voornaamwoord.

ben, zooals uit 10 en 11 blijkt, op twee, gli uni gli altri (mann. meerv.) of le une le altre (vrouw, meerv.), zooals uit 12 en 13 volgt, op meer dan twee of op een onbepaald getal betrekking. In deze vier voorbeelden, die wij gegeven hebben, om de veranderlijkheid van V un V altro te doen zien, blijft overal beter dit voornaamwoord weg. Het weder-keerige si is geheel voldoende.

§ 2. B. Die zelfstandig en bijvoeglijk gebruikt worden.

Alcuno

Nessuno, niuno, veruno Cimcuno of ciascheduno Parécchi mann. meerv.

Parécchie vrouw, meerv.

Tutto

J] uno e l\' altro L\' una e ï altra OU uni e gli altri Le une e le altre Ambedue, amendue, entrambi, tutti e due — beiden.

Ambo, ambi, arnbe — beiden.

1. Alcuno in\' ha scritto aid — Iemand heeft mij dat

geschreven.

2. Védi alcuni uómini nel — Ziet gij eenige menschen giardino in den tuin?

3. Nón né v\'edo alcuni — Ik zie er ge ene.

160

— iemand; eeuig.

— niemand; geen.

— ieder, elk,

e enig en.

alles, al. beiden.

allen.

-ocr page 167-

Het Onbepaald Voornaamwoord. 161

4. Nessuno, veruno, niuno — Geen kwade boom brengt dlbero cattivo fa rnai buór ooit goede vruchten frutto voort.

5. JVón v\' insurperbite di — Ver boo vaardigt u op nessuna, niuna, veruna cósa niets.

6. Ciascuno o dascheduno o — Iedereen of ieder mensch eiascun uómo ha i suói heeft z ij n e gebreken.

difêtti

7. Conósce Élla tutti quéjfifi — Kent gij al die heer en signori e tutte quelle signóref en al die dames?

8. N\'e conósco parècchi si- — Ik ken er verscheidene gnöri e parécchie signóre heer en en verscheidene

dames van.

9. Tutto è vanitd — Alles is ij delheid.

!0. Tutto il móndo; tutta — De geheele wereld; de

la cittd geheele stad.

LI. Rispétti quéi due uómini, — Eerbiedigt gij die twee quelle due dónne? mannen, die twee vrou

wen?

js. Rispètto l\' uno eV altro — Ik eerbiedig ze beiden. I\' una e T altra.

Alcuno als onderwerp, gelijk in 1, wordt nooit in ontken-lenden maar steeds in bevestigenden zin gebruikt. Als régime eeft het zonder nón, als in 2, een bevestigenden, met nóu, Is in 3, een ontkennenden zin.

Nessuno, niuno en veruno hebben altijd een ontkennenden ■in en worden, als ze vóór het werkwoord staan, zonder nón, 4s in 4, en achter het werkwoord met nón. als in 5, gebruikt. Ciascuno of dascheduno wordt van personen en zaken met

ITM.IAANSCHE TAAI.. ii

i

-ocr page 168-

Het Onbepaald Voornaamwoord.

of zonder zelfstandig naamwoord alleen in het enkelvoud gebruikt.

Parècchi wordt bijvoeglijk en zelfstandig gebruikt en wordt voor een vrouwelijk woord, zooals uit 8 blijkt, parécchie. Het enkelvoud parécchio beteekent dergelijk, komt als zoodanig weinig meer voor en wordt gewoonlijk vervangen door simile.

Tutto, zelfstandig gebruikt als in 9, is onveranderlijk; bijvoeglijk gebezigd, komt het in geslacht en getal, zooals uit 7 en 10 blijkt, met het zelfstandig naamwoord overeen.

77 un e V altro, dat voor het vrouwelijk V una e l\' altra wordt, zooals men uit 12 ziet, beteekent beiden. Zijn meervoud gil uni e gli altri beteekent allen. Dit voornaamwoord moet wel onderscheiden worden van I\' un V altro in i § 1. Dit laatste drukt met het denkbeeld van meervoud ook dat van wederkeerigheid uit, terwijl T un e l altro alleen het denkbeeld van meervoud uitdrukt.

Over amhedue, amendue, entramhi, ambo etc. Zie les IX, § 6 pag. 96.

162

0. Die welke een verschillenden vorm hebben, naarmate zij zelfstandig of bijvoeglijk gebruikt worden.

— iedereen.

— ieder.

— iemand.

§ 3.

*A*gt;

Ognuno — ógni uno (zelfst.) /

Ogni (bijv.)

Qualcheduno (zelfst.)

— de een of andere.

— menigeen.

— menig, zulk een.

Quale]ie Qualcuno Taluno (zelfst.) Tale, cotale (bijv.)

(bi,)v-)

-ocr page 169-

Het Onbepaald Voornaamwoord.

Oertuno (zelfst.)

Oêrto (bijv.)

öhiunque

Chicchessta, chi ché sia O hi ché, chiunque sia Qualunque (bijv.) — de een of de andere, welke ook. OheGchessia (zelfst.) — wat bet ook zij.

Qualsisia, qualsivóglia (bijv.) — wat bet ook zij.

163

f

een zeker iemand, zeker.

wie ook, alwie, wie het ook zij.

(zelfst.)

1. Ognuno ha i suói difêtti

2. La fortuna govérna ógni cósa

3. Viêne ógni due giörni, ógni sêi mèsi

4. QuaJcheduno ai ha veduti

5. Ha Ella qualche cósa pér mé ?

6. Taluno nón è cosl felio cmne nói

7. Nón hó mai veduto tale o co tale space, \'hza.

8. Oertuno m\' ha cu.certaio dèlla veritd

9. Vi sór jóse, chi nón si lt; lt; lire.

10. Chiunqi\' c. -d, sard il hénveim to

amp;

Iedereen beeft zijn gebreken.

De fortuin regeert alles.

Hij komt alle twee dagen, allo zes maanden.

len nnd beeft ons gezien.

Tl bt gij ifts voor mij?

Menigeen is niet zoo gelukkig als wij.

Tk beb nooit zulk een

onbescbaamdbeid gezien.

Zeker iemand beeft mij van de waarheid verzekerd.

Er zijn zekere zaken, die men niet zeggen moet.

Al wie komt, zal welkom zijn.


-ocr page 170-

164 Het Onbepaald Voornaamwoord.

11. Nón fate ingiürie a — Doet niemand onrecht, cMcchessïa. dm ché sia, o wie het ook zij.

chiunque sia

12. Qualunque slano le vósfre — Welke uwe redenen ook ragióni mogen zijn.

13. Mettétemi a qualunque — Stelt mij op welke proef próva, io fard tutto per vói gij wilt, ik zal alles

voor u doen.

\' \' 1 \' quot;cchessia ché tu faccia, — Wat gij ook doet, doe •lt;? het goed.

qualsivóglia la \\

^ o (Welke ook u w e v o o r-

• \' \'% vostra i zichtigheid zij. pi ■ ■ /

16. Qu (I ; \'•)- \\

no le r W e 1 k o ook u w e v o o r-

Qualunqv nemens zijn.

intenzióni

Ognuno (zelf.st.) e. \'«n alleen in het^enkel

voud gebruikt; ógni ka k ■ S uit 3 blijkt, voor

een collectief meervoud sta

Qualdieduno (zelfst.) en ^ len alleen in

het enkelvoud gebruikt.

Taluno (zelfst.) wordt slechts in k cot,ale

(bijv.) kan in het enkel- en meervoud ■ in

dien het zoodanig beteekent.

Cer tuna (zelfst.) komt alleen in het enkel vo1 in het enkel- en meervoud voor.

Chiunque. chicchessia. dat ook gescheiden kü \'i .qn

-ocr page 171-

18de Oefening.

worden, chiunque da (zelfst.) komen slechts in het enkelvoud voor en vereischen het werkwoord in de aanvoegende wijs. Beteekent echter chiunque al wie, dan volgt het werkwoord, als in 10, in de aantoonende wijs.

Qualunque (bijv.) wordt van personen en zaken gezegd, in het enkel- en meervoud, en blijft steeds onveranderlijk.

Checchessia (zelfst.) is steeds enkelvoud.

Qualsisia en qualsivóglia hebben, zooals uit 16 blijkt, in het meervoud qitalsiMano en qualsivógliono. Zij kunnen steeds vervangen worden door het onveranderlijke qualunque met het werkwoord êssere, zooals men uit 15 en 16 ziet.

Thema 18.

1. Gebruik uwen tijd voor {in) het een of ander nuttig werk 2. Wij hebben dezen ruiker gegeven aan iemand dien gij kent. 3. De voornaamste {primo\') grondslag van het maatschappelijke leven, is de eerbied voor {di) een andermans goed. 4. Al wie zich met {in) de zaken van anderen bezig-houdt, is dikwijls genoodzaakt zijne (lees : de) eigene te ver-waarloozen. 5. Ik wil het tot welken prijs ook weten. 6. Hij die zijne geheimen openbaart, wordt {si fa) de slaaf van anderen. 7. Menigeen weet niet, dat uw broeder werkelijk een bekwaam man is. 8. Kent gij eenige dezer heeren? Neen ik ken niemand hunner. 9. Alles is ijdelheid, zegt men, en toch is het gemakkelijk veel geld te hebben. 10. Hebt gij mijne beide vriendinnen gezien ? Ja ik heb ze beiden in den tuin uws ooms gezien {vediite). 11. Doe (2de pers. enkelv.) anderen, zelfs {neppure) uwen vijanden geen

165

-ocr page 172-

18de Oefening.

(lees: niet) kwaad. 12. Welke redenen men ook mag hebben om (di) van zijn vaderland afwezig te zijn, er is er geen sterk genoeg om het te doen vergeten. 13. Dezelfde zon verlicht alle volken der aarde, en verwarmt ieder met hare stralen. 14. De meester heeft een prijs gegeven aan ieder zijner leerlingen, die zich goed gedragen had. 15. Vertrouw geen (lees; niet) leugenaar wie hij ook zij; hij zal altijd trachten u te bedriegen. 16. Leen mij een paar boeken van u, welke gij wilt; ik zal ze u de volgende week terugzenden. 17. Geen profeet wordt in zijn land geëerd (vertaal: niemand is profeet in zijn land). 18. Zeg mij (2(ie pers. enkelv.) of ik iets voor u doen kan. 19. Die molenaar heeft al zijne huizen verkocht; hij heeft er (né) geen een meer. 20. Wat het ook zij, dat gij (2de pers. enkelv.) doet, doe het goed, en tracht u zeiven en anderen nuttig te zijn.

gebruik —spênda Ella, werk —lavóro.

166

ruiker — mazzétto.

grondslag — fondamènto. eerbied — rispêtto. hij houdt zich — si mêtte. bezig

genoodzaakt—costrètto di te verzuimen traso,urare. prijs — cósto.

werkelijk —davvëro.

toch — tuttavïa.

men ook mag — si pósssano

hebben avére.

er is er geen — nón vériè.

gij kent — Êlla conósce. maatschappelijk — sociale. goed —róha.

zaken —aff ari.

ik wil we--vóglio sapére.

ten

h ij openbaart — rivéla.

— secréto.

— si dice.

— male.

— absênte.

geheim men zegt kwaad afwezig


-ocr page 173-

Vervoeging van het Hulpwerkwoord Avere. 167 rlicht- rkchiara. doen ver- - ƒ«« dimmticare.

straal —raggw. goten

rarmt — nsccilciti.

vertrouw — si fidi Èlla d%. zij verws

leen — prêsti Élla. gedragen — condótto.

ik zal terug--rimanderd. Inj zal tvach-— poourerA.

j ten zenden

te bedriegen — d\' ingannare.

pror— ......—

di. mulinaro.

)feet — profêta.

ik kan doen —póssa fare volgend -prósnrm. (aanv. wijs), zeg

tracht te — procura d\'êssere. - molenaar zijn

ACHTTIENDE LES.

Vervoeging van het Hulpwerkwoord:

Avère — Hebben. 1)

Infinitivo.

Presênte ; Avère — Hebben.

Pretêrito : Avère avuto — Gehad he en.

Participio Presênte ; Avênte — Hebbende. Participio Passato o Passive : Avuto - Gehad. Gerundio ; Avêndo — Hebbende.

Indlcatlvo.

Presênte.

Ik heb enz. Wij hebhen eiB.

Sing /o h6. Hnr. Nói ahhiamo,

Ta /mi, ni

Ègli ha, p. Imve. ^

-ocr page 174-

Vervoeging van het Hulpwerkwoord Ave re.

Imperfêtto.

Ik had enz. \' Wij hadden enz.

bing. Io a/veva o avéci, Plur. JYói ccvevatno,

T\\i- avhii, y(yi avevate,

Kgli avèvcc o avécc, Églino ctvévcmo o (ivécino.

Preterite Perfêtto.

Ik had enz. Wij hadden enz.

Sing. Io éhhi, Phn\'. Nói avémmo,

Til avésti, [/ói avèste,

Égli ëbbe, Églino chhern, -[• èbbono.

Pretêrito Indefinite.

Ik heb gehad enz. Wij hebben gehad enz.

Sing. Jo hó j Plur. JVói abbiamo 1

Tu hai avuto. Vói avéte I avuto.

Égli ha ) Églino hanno /

Piü ché Perfêtto.

Ik had gehad enz. Wij hadden gehad enz.

Sing. Io avèva i Plur. Nói avevamo I

Tu avévi avuto. Pói avevate I avuto.

Éjgli avèva I Églino avévano I

Pretêrito Anterióre.

Ik had gehad enz. Wij hadden gehad enz.

Sing. Io ébbi i piur, ]Yói

avémmo 1

Tu avésti | avuto.^ Vói avéste ! avuto.

Égli ébbe ) Églino ébbero )

-ocr page 175-

Vervoeging van bet Hulpwerkwoord Avere. 169

Future Assoluto.

Tk zal hebben enz. Wij zullen hebben enz.

Sing. Io avrd, avrém0\'

Tu avrai, ^ avr\'^J^

Égli avrd, Écjlino avranno.

Future Esatto.

Ik zal gehad hebben enz. Wij zullen gehad hebben enz.

Sing. Io avrd | P^- Nói qvrèmo

Tu avrai avuto. Vói avrête

Égli avrd I Églinoavranno]

Condizionale.

Presênte.

Tk zou hebben enz. Wij zouden hebben enz.

Sing. Io avréi, p. avrla, Plur. JVoi avrémmo,

Tu ~avrésii, Vói avréste,

Égli avréhhe. p. avrla, Églino avrébbero,

p. avriano, avrèbhono.

Pretêrito.

Ik zou gehad hebben enz. Wij zouden gehad hebben enz.

Sing. Io avréi j Plur. JVói avrémmo

Tu avrésti | avuto. Vói avréste

Égli avréhhe ) Églino avrébbero

Imperativo.

Presênte o Futuro.

Sing. Abbi — Heb.

Plur. Abbiate — Hebt.

Plur. Abbiamo — Laat ons hebben

avuto.

avuto.

-ocr page 176-

(V

170 Vervoeging van het Hulpwerkwoord Ave re.

Ik hebbe enz.

Sing. lo abbia,

Tu abbia o abbi, Ji\'c/li abbia,

Ik hadde enz. Sing. lo avéssi, Tu avéssi, Egli avésse.

Congiuiitivo.

Presênte.

Wij hebben enz. Plur. JYói abbiamo, Vói abbiate, Ég lino dbb iano.

Imperfêtto.

Wij hadden enz. Plur. JVói avéssimo, Vói avéste, Eglino avèssero.


Pretêrito Perfêtto.

Ik hebbe gehad enz. Wij hebben gehad enz.

Sing. To abbia \\ Plur. JVói abbiamo |

Tu abbia | avuto. Vói abbiate gt; avuio.

Êgli abbia ) Ég lino dbbiano \'

Piü ché Perfêtto.

Ik hadde gehad enz. Wij hadden gehad enz.

Sing. Ia avéssi Tu avéssi Big li avésse

Plur. JVói avéssimo avuto. Vói avéste I avuto.

Kglino avéssero


Opmerking 1: Het Particvpio Presênte van ieder werkwoord heeft in het Italiaansch zijne beteekenis als deel van het werkwoord geheel verloren. Het komt alleen voor als bijvoeglijk, soms als zelfstandig naamwoord. Waar eene handeling en geen eigenschap uitgedrukt moet worden, bezigt men het Gerundio.

-ocr page 177-

Gebruik van Avere. Italianisrnen met Avere. 171

Opmerking 2: De Toscaners laten den lsten persoon enkelvoud van den Imperfètto dell Indicativo van iedei werkwoord op o uitgaan. Zij zeggen dus: lo avévo en niet lo avèva. Het is wel jammer, dat dit voorbeeld slechts door eenige schrijvers en niet algemeen gevolgd wordt. Men zou daardoor een gewenscht onderscheid hebben, zoowel in het spreken als schrijven, tusschen den lsten pers. enkelv. en den 3den pers. enkelv. van dien tijd, die nu steeds op a uitgaat.

§ 2. Over het gebruik van Avére.

Het werkwoord Avére wordt gebruikt om alle overgankelijke en vele onovergankelijke en onpersoonlijke werkwoorden te vervoegen. Men gebruikt het met de voorzetsels cc of (la en de onbepaalde wijs van een ander werkwoord, om eenen plicht of eene noodzakelijkheid uit te drukken b.v.: Hó ancöra due Uitere a of da scr\'mere, ik moet nog twee brieven schrijven. Met da en een onbepaalde wijs kan het nog een andere beteekenis hebben. Zoo kan ha ancöra da man-giare evengoed beteekenen, hij moet nog eten, als hij heeft nog wat te eten. Daarom zegt men in de laatste beteekenis, om deze dubbelzinnigheid weg te nemen, ook: Ha ancöra ciié mangiare.

§ 3. Eenige Italianisrnen met Avére.

Avére agio „ Animo „ böce o vóce di „ cara di „ caldo

— ledigen tijd hebben.

— van plan zijn.

— den naam hebben van.

— blijde zijn over. _

— warm zijn.


-ocr page 178-

Italianismen met

Av\'ere fréddo „ la ciêra

„ faccia

„ frétta

„ grado o in grado

„ gusto o piaccre

„ male

„ pêr male

„ a viano

„ in mano

„ « \'ïïiénte, a memória

„ a pétto

„ m prónto

172

Ave re 19^e Oefening.

— koud zijn.

den schijn hebben. quot;

— haast hebben.

— aangenaam vinden. «

— behagen scheppen.

— ongesteld zijn.

— kwalijk nemen.

— bij de hand hebben.

— in zijne macht hebben.

— zich herinneren.

— in den zin hebben.

— bij de hand hebben.


Thema 19.

(Waar in de vertaling de 2de pers. enkelvoud moet gebruikt worden, zal dit door (enkelv.), en de 2de pers. meervoud door (meerv.) aangeduid worden. Overal elders gebruike men den beleefdheidsvorm, in welken vorm men den 2den pers. enkelv. van de gebiedende wijs door den S^611 pers. enkelv. van den Presênte del Congiuntivo, en den 2dcn pers. meerv. door den 3den pers. meerv. van den Presênte del Congiuntivo vertalen moet. Waar de Pretêrito Perfêtto moet gebruikt worden, zal dit door (p. p.), en waar men den Pretêrito Anterióre moet bezigen door (p. a.) aangegeven worden; overigens gebruike men, waar het voorkomt, den Imperfêtto en den Piü ché Perfêtto. Het gebruik van den Congiuntivo zal aangeduid worden door (cong.)

1. Ik heb het boek van mijnen broeder en hij heeft de

-ocr page 179-

19de Oefening. 173

pen van mijnen vriend. 2. Zij hebben den inktkoker van den meester, en wij hebben de schrijfboeken van onze medeleerlingen. 3. Wij hadden de dagbladen van den 20sten dezer maand en gij hebt die van den eersten. 4. Ik had een bord, eene vork en een mes, maar ik had niets te eten. 5. Zij hebben ons een stoel aangeboden, maar wij hadden geen tijd. 6. Hij had een mooien spiegel in zijne kamer. 7. Zij hadden een leuningstoel in den tuin. 8. Gij hebt lepels, vorken en messen, gij zult ook drinkglazen hebben. 9. Wij hebben vele huizen gehad, doch thans hebben wij er geen (né) meer. 10. Wij hadden de boeken van onzen vriend gehad, maar gij (meerv.) hadt ze niet gehad (avuti). 11. Heb (enkelv.) geduld mijn vriend, en gij zult hebben wat gij verlangt. 12. Laat ons. moed hebben en wij zullen spoedig hebben wat zij hebben. 13. Zoodra wij onzen vriend gezien hadden (p. a.) en gij (meerv.) uwen vriend gezien hadt, gingen wij heen. 14. Ik kreeg (lees: ik had p.p.) eenen brief van mijnen vriend te Parijs, op het oogenblik dat ik hem wilde schrijven. 15. Wij zouden veel genoegen gehad hebben, indien gij het niet verhinderd hadt (cong.)

schrijfboek — quadêrno. medeleerling — condiscépolo.

dagblad —giornale. bord — tóndo.

vork —forchétta. aangeboden — offh\'to.

leuningstoel — seggiolóne. lepel —cucchidio.

drinkglas —bicchiêre. gij vërlangt — tu demderi.

wij gingen — cè ii andammo. oogenblik —infante.

heen

ik wilde — vól li. v e r h i n d e r d — impediio.

-ocr page 180-

174 20ste Oefening.

Thema 20.

1. Ik zou de schoone Italiaansche taal beoefend hebben, indien ik daartoe (wé) de gelegenheid gehad hadde (cong.) 2. Ik geloof niet dat hij veel geld heeft (cong.), anders zou hij het paard gekocht hebben. 3. Ik heb mijnen zakdoek en gij hebt uwe beurs verloren. 4. Als de schoenmaker mijne pantoffels niet heeft (cong.), wie heeft ze dan? 5. Wij zouden aardbeien gekocht hebben, indien wij geld gehad hadden (cong.) 6. Laat hem die kersen hebben (lees: dat hij hebbe cong.), geef mij deze frambozen. 7. Mijn buurman heeft twee honden, en wij hebben twee katten. 8. Wij hadden een nieuwen mantel en gij hadt een nieuw vest laten maken. 9. Ik wenschte dat ik een nieuwen hoed hadde (cong.), de oude is versleten. 10. Laat hen dat genoegen hebben (lees: dat zij hebben, cong.), zij zullen er dankbaar voor zijn. 11. Mijn vader verlangt dat ik meer ijver hebbe (cong.) en dat gij meer volharding in uwe studiën hebbet (cong.) 12. Het speet mij dat gij zulk een hoofdpijn hadt (cong.), anders zouden wij meer genoegen gehad hebben. 13. Ik zou wenschen dat deze aardige jongen eene betere opvoeding hadde (cong.), dan zou hij een nuttig lid der maatschappij kunnen worden. 14. Ik geloof niet dat deze man eene goede gezondheid heeft (cong.) 15. Den 20sten van deze maand zal ik een brief hebben van mijnen vriend, en zult gij er (onvertaald) een hebben van uwen broeder.

beoefend — studiato. gelegenheid — occasióne.

zakdoek —fazzolétto da pantoffel —pantófola, nam. pantufola.

dan — dunque. kers — ciliêgia.

-ocr page 181-

Vervoeging van het Hulpwerkwoord Esse re. 175

aardbei — frlt;\'i(J0

f r a m boos — lampóne.

mantel — mantêllo.

laten maken — fatto fare versleten —usato, lógoro dankbaar —grato.

volharding — perseveranza.

hoofdpijn —dolór di capo, anders

ik zou wen--vorréi. aardig

s c h e n

opvoeding — educazióne.

hij zou kun--potrébhe dvve-

nen worden nire.

gatto.

sottovêste.

nuóvo.

nè.

■ vuóle.

mi rinerébbe.

sênza di ché. gentile.

■ mêmhro. credo.

kat vest nieuw er voor hij verlangt het speet mij

lid

ik geloof

NEGENTIENDE LES.

Vervoeging van het Hulpicerkiuoord. Essere — Z ij n.

Iiifinitivo.

Pres. ; Essere — /j ij u.

Pret. : Essere stato — Geweest zijn.

Part. Pres. : f Essênte — Zijnde.

Part. Pass. : Stato — Geweest.

Ger. : Essêndo — Zijnde.

Ik ben enz. Sing. lo sóno, Tu séi, Ég li è,

Indicativo.

Present e;

Wij zijn enz.

Plur. JVói siamo quot;1quot; sèmo, Vói siète,

Ég lino sóno.

-ocr page 182-

176 Vervoeging van het Hulpwerkwoord Ess ere.

Imperfêtto.

Wij waren enz.

Plur. Nói eravamo,

Vól eravate,

Kg lino êrano.

Pretérito Perfêtto.

Wij waren enz.

Plur. Nói fummo,

Vói fóste,

Ég lino fürono p. fur on furo. furno. fóro.

Pretérito Indefiuito.

Ik ben geweest enz. Wij zijn geweest enz.

Sing. Io sótio | state Plur. Nói simno \\ stat%

Tu séi [ 0 { Ö1 Slète [ 0

Êgli, élla è i stata. Éghno, élleno l stafe

sóno )

Piü ché Perfêtto.

Ik geweest enz. Wij waren geweest en.

stato Plur. Nói eravamo j Hfaf{

0 Vói eravate I 0

stata. Ég lino. élleno i s(afe,

êrano

Pretérito Anterióre.

Ik was geweest enz. Wij waren geweest enz.

Sing. Io fui | stato Plur. Nói fummo stah

■ Tu fósti 0 [Ó1 /0SÜ\' ! 0

Égli, dia fa 1 stata. ^glino. élleno state_

fOrono i

Ik was enz. Sing, lo êra, Tu êr i, êra,

Ik was enz. Sing. Io fui, Tu

Sing Io êra

Tu êr i

li, élla êra

-ocr page 183-

Vervoeging van het Hulpwerkwoord Essere. 177

Futuro Assoluto.

Ik zal zijn enz. Wij zullen zijn enz.

Sing. lo sard, ■* Plur. Nöi sarémo,

Tu sar Ai, Vói saréte,

Ég li sard. p. fla, Ég lino, sar anno, p. fiano.

Futuro Esatto.

Ik zal geweest zijn enz. Wij zullen geweest zijn enz.

Sing. lo sard 1 stato Plur. Nöi sarémo \\

Tu sardi o Vói saréte ( 0

Ég li, èlla sard stata. Êglino, élleno | s^e

saranno ]

Condizionale.

Presênte.

Ik zou zijn enz. Wij zouden zijn enz.

Sing. lo saréi p. /dra, saria, Plur. Nöi sarémmo, Tu sarésti, Vói sar és te,

Égli sarébhe, p. fóra, Eglino sarébbero, p sari

saria, ano, fórano, mrébbono.

Pre têrito.

Ik zou geweest zijn enz. W!ij zouden geweest zijn enz.

Sing, lo saréi \\ stato Plur. Nöi sarémmo \\ stati Tu sarésti I o Vói sar és te I o

Égli, élla sa- | stata. Églino, élleno (stefe.

rébbe / sarébbero ]

Imperative.

Presente o Futuro.

Sing. /Sii o sia — Wees.

Plur. /Siate — Weest.

Plur. jSiamo — Laat ons zijn.

ITALIAANSCHE TAAL. 12

-ocr page 184-

21ste Oefening.

Congiuntivo.

Preaênte.

Ik zij enz. Wij zijn enz.

Sing. lo sia, Plur. JVói siamo,

Tu sia o sii, Vói date,

Égli sia, Êglino slano.

Imperfêtto.

Ik ware enz. Wij waren enz.

Sing. lo fóssi, Plur. JVói fóssimo,

Tu fóssi, Vói fóste,

Égli fósse, Êglino fóssero,

Pretêrito Perfêtto.

Ik zij geweest enz. Wij zijn geweest enz.

Sing. lo sia j stato Plur. JVói siamo j s^a^

Tu sia : o Vói siate I 0

Égli, élla sia stata. Êglino, élleno l

.siano ]

Piü chó Perfêtto.

Ik ware geweest enz. Wij waren geweest enz.

Sing. lo fóssi j stato Plur. Nói fóssimo \'\\

Tu fóssi / o Vói fóste I 0

Égli, élla fósse ] stata. Êglino, élleno I

fóssero /

Thema 21.

1. Ik was niet moede, toen ik van de wandeling terugkwam. 2. Wij zijn Hollanders, maar die heeren zijn Italianen. 3. Ik was (p. p.) gisteren ongesteld, daarom waart gij

17,8

-ocr page 185-

21ste Oefening. 179

uitgegaan zonder mij. 4. De dochter van den molenaar is altijd lui geweest, maar de nichten van den metselaar waren altijd vlijtig. 5, Is de zuster van den predikant geen (lees: niet een) beminnelijk meisje? 6. Gij (enkelv.) en uw broeder waart reeds op de tentoonstelling geweest, toen wij er kwamen. 7. Mijn vader ziek en mijn oudste broeder niet te huis zijnde, is het mij onmogelijk uit te gaan. 8. Hij is een wakkere jongen, ik ben zeker dat hij eens een moedig officier zal zijn. 9. Zij zullen eens bekwame toonkunstenaars zijn, wanneer zij altijd zoo vlijtig zijn, als zij tot dusverre geweest zijn. 10. Zijt gij (meerv.) niet dankbaar geweest? Neen wij zijn zeer ondankbaar geweest. 11. Mijne vriendin is nog zeer zwak, want zij is lang ziek geweest. 12. Om gezond te zijn, moeten wij steeds in alles matig zijn. 13. Wij zijn zeer belachelijk, indien wij altijd alles beter willen weten dan anderen. 14. Deze mannen waren niet rijk, en toch zijn zij altijd tevreden geweest. 15. Uw vader en uwe moeder waren welwillend genoeg, mijn verzoek in te willigen.

moede — stanco. ik kwam terug — ritornai.

daarom —per quésto. zonder —.sénza di. predikant —- predicante, beminnelijk — arndbile. pdrroco.

tentoonstel--esposizióne. wij kwa--nói vi venimmo.

ling m e n e r

onmogelijk — impostfibile. wakker — dés to. toonkunstenaar — müsico. tot dusverre—fin qui. dankbaar —riconoscênte. ondankbaar — ingrato. zwak —dchole. want — perchè.

matig — frugale. gezond — sano.

-ocr page 186-

22ste Oefening.

ridicolo. wij willen — vógliamc

weten pére.

benèvolo. een verzoek — acconsenk

inwilligen unapreg/.

Thema 22.

1. Ik zou niet zoo onwetend zijn, indien ik mijner beter besteed had (cong.) 2. Gij (meerv.) zoudt niet zoo ( vig zijn, indien gij niet zoo ongelukkig geweest waart (cgt;

3. Wees (enkelv.) vlijtig en gij zult geacht worden (lees:

4. Laat hem standvastig zijn (vertaal; dat hij zij), anden hij zijn doel niet bereiken. 5. Ik hoop dat hij en zijne 1 der zuinig zullen zijn (cong.), anders zullen zij geen geld noeg hebben. 6. Wij zouden wenschen dat gij, heeren, zoo nieuwsgierig waret (cong.) 7. De vader is kolone; hoop dat de zoon het ook eens zal zijn (cong.) 8. Zijn jagers op jacht geweest? Ja zij hebben drie patrijzen en hazen geschoten. 9. Wij hopen dat zij gerust zullen (cong.); hunne zaken zijn niet wanhopig. 10. Menigeen veel gelukkiger zijn, indien hij in zijne wenschen mal ware (cong.) 11. Die handwerkslieden zouden niet zoo zijn, indien zij niet zoo lui geweest waren. 12. Mijn oor in Indië geweest, en is rijk en tevreden in het vaderl teruggekeerd. 13. Hij zou niet zoo gelukkig in zijne on nemingen geweest zijn, indien hij geen (lees: niet een) kwaam en volhardend man ware (cong.) 14. Laat ons verkwistend zijn, er zijn armen die hulp noodig hebben. Ik geloof niet dat zij daar geweest zijn (cong.), ik heb niet gezien (veduti).

180

belachelijk — welwillend —

-ocr page 187-

Over het Gebruik van Ess ere.

181

económico, ecónomo. - curióso. jager — cacdatóre.

haas — lépre.

geschoten —ucciso.

zaken —afari.

wensch — desidêrio.

handwerksman — artigiano. onderneming — imprèsa. verkwistend —pródigo. hulp —soccórso.-wij zouden-

zuinig nieuwsgierig

wenschen k o 1 o n el op de jacht -patrijs -gerust

wanhopig —

matig, gematigd Indië

volhardend -noodig hebben

besteed —impiegato. droevig

geacht —stimcdo. \' standvastig

zijn doel be--pervenire al anders

reiken suo intento, scópo.

- tristo.

- contante.

- sènza di chê.

- vorrèmmo.

- colonnêllo.

- a caccia.

- pernice.

- tranquillo. disperato, peri-

colóso.

- moderato.

- India.

- perseverante.

- avér bisógno

di.


TWINTIGSTE LES.

Over het Gebruik van Essere.

§ 1. Het werkwoord Essere wordt in zijne samengestelde tijden met êssere vervoegd, evenals in het Nederlandsch zijn met zijn, en niet als in het Fransch être met avoir. Het verleden deelwoord stato moet dan, zooals uit de vervoeging blijkt en zooals reeds vroeger opgemerkt werd, met het onderwerp in geslacht en getal overeenkomen. Een man zal derhalve zeggen: io sóno stato, eene vrouw: io sóno stat»,;

-ocr page 188-

Over het Gebruik van Es se re.

mannen zullen zeggen: nói siamo stafi en vrouwen : nói siamo state. Het werkwoord êsserrc wordt gebruikt, om de overgankelijke werkwoorden in den lijdenden vorm, waar wij worden gebruiken, en vele onovergankelijke en onpersoonlijke werkwoorden te vervoegen.

§ 2. De Nederlandsche uitdrukkingen: er is, er zijn, er was, er waren enz. worden in het Italiaansch vertaald door ei of vi è, lt;yi of vi sóno, ei of vi éra, ci of vi êrano etc. Ci gebruikt men voor de plaats, waar men is, vi voor die, waar men niet is; b.v.: ei sóno hêi giardini in quèsta eittd, er zijn schoone tuinen hier in de stad; vi sóno mólte mine in Bélgica, er zijn veel mijnen in België.

Van een tijdsverloop sprekende, of wanneer een ander bijwoord de plaats genoeg bepaalt, laat men ci en vi weg; b.v. ; sóno quindici giórni, ché nón è stato qui, hij is sedert veertien dagen niet hier geweest: qui sóno parécchie hélle case. hier zijn verscheidene mooie huizen.

§ 3. Men gebruikt êssere, zooals men reeds in les X § 1 heeft kunnen zien, om den tijd uit te drukken, b.v. : è una dra of beter è il tócco, het is één uur; sóno le cinque, het is vijf uren, Èssere is, zooals uit de twee voorbeelden blijkt, dan geen onpersoonlijk werkwoord, zooals in het Nederlandsch, maar komt in getal met het daarop volgende zelfstandig naamwoord overeen.

§ 4. De uitdrukkingen: ik ben het, hij is het, wij zijn het enz., worden vertaald door: són io, è ég li. siamo

182

-ocr page 189-

Italianismen met Esse re.

nbi etc. Veelal gebruikt men echter een anderen vorm, b.v.; ik ben het, die het u zeg, kan, in plaats van te zeggen són io ché te lo dico, even krachtig uitgedrukt worden door in den gewonen vorm het persoonlijk voornaamwoord als onderwerp te gebruiken, dat anders gewoonlijk weggelaten wordt, b.v. door te zeggen: io te lo dico.

§ 5. Èssere wordt ook gebruikt om eene bezitting uit te drukken, doch niet verbonden met een door het voorzetsel di voorafgegaan persoonlijk voornaamwoord, b.v. ; Di chi è quésto libro? È di mio fratêllo, maar niet è di me; dan moet men zeggen: ë mio.

§ 6. In zinnen als: het is niet te doen enz. gebruikt men ook het werkwoord êssere met het voorzetsel da, b.v.; nón è da fare etc.

§ 7. De uitdrukking: het is aan mij te spreken wordt vertaald door; tócca a parlare of sta of spêtta a di of il parlare.

§ 8. Het werkwoord êssere, met pèr en de onbepaalde ■■vijg van een ander werkwoord gebruikt, duidt eene handeling iian die terstond plaats zal vinden; b.v., sóno of ook stö per uscire, ik sta op het punt uit te gaan.

§ 9. Eenige Italianismen met Êssere.

Kssere a la candéla. — Op het uiterste liggen.

„ in cAusa. — In hetzelfde geval zijn.

183

-ocr page 190-

184 23ste Oefening.

Essere una cima d\' uómo. — Een uitstekend man zijn. „ in buón, in cattivo — Een goeden, een kwaden

concétto. naam hebben.

„ tutto suo Jrcdêllo. — Op en top zijn broeder zijn. „ in fibre o ml fórte — In zijn bloei, zijne kracht

di fare. zijn.

„ nèlle grazie d\' uno. — In iemands gunst staan. ii pêr morire. — Op sterven Uggen.

„ óltre. — Oud, over de jaren zijn.

„ in órdine o all órdine. — Geheel gereed zijn.

scarso di róba o di — Slecht bij kas zijn. danari.

„ a mal Urmine. — In slechten toestand zijn.

„ pér uno. — Op iemands hand zijn.

Thema 23.

i9j.

1. Hoe laat is het? Het is éen uur geslagen. (Zie les •, f § 1). 2. Is het al zoo laat? Neen ik vergis mij ; hetr,.d reeds twee uren. 3. Dan hebben wij niet veel tijd meer, wij moeten om half vier vertrekken. 4. Er zijn vele mooie vruchtboomen in dezen tuin. 5. Het is niet te denken, dat hij dat doen zal. 6. Hij is een vlijtige jongen en staat ^pr in de gunst van zijnen meester. 7. De tijding, dat mijn vriend op sterven ligt, bedroeft mij zeer. 8. Hier zijn verscheidene menschen, die veel gereisd hebben. 9. Uwen vader komt het toe in deze zaak te spreken; want hij is een uitstekend man. 10. Van wien zijn deze handschoenen? Zij zijn niet van mij, maar zij zijn van mijnen broeder. 11. Ik

-ocr page 191-

Over de Regelmatige Werkwoorden. 185

sta op het punt naar huis te gaan, wilt gij (enz.) mij een eind vergezellen? 12. Zij zijn het die het zeggen, maar ik geloof hun niet. 13. Het is niet te zeggen, hoe bedroefd die brave menschen zijn over {dï) het verlies van hunnen eenigen zoon. 14. Het is drie maanden geleden, dat ik mijn vriend den laatsten keer gezien heb. 15. Zijn broeder heeft een goeden naam, en hij gelijkt op en top op zijn broeder. 16. Die man kan niet meer werken, hij is over de jaren. 17. Ik ben slecht bij kas, daarom kan ik niet uitgaan. 18. De geachte geneesheer van ons dorp ligt op het uiterste, ofschoon quot;r ij nog in den bloei zijner jaren is (cong.)

ik vergis — sóno ingannato, dan —allóra.

mij m\' inganno. ._r

* V Tl

vruchtboom — (dhero frutti- vertrekken—parfore. i faro.

ijding — notizia, avviso. hij zal doen — faccia (cong.)

p reisd — viaggiato. hij bedroeft — affiigge.

quot;\\ ilt gij —vuói. handschoen—guanto.

eea eind —un tratto di uitgeleide — accompagnare.

strada. doen

hoe be- —quanio ajfjlitto. zij zeggen — dïcono.

droefd keer —volta.

werken —lavorare. ofschoon — henchè.

EEN EN TWINTIGSTE LES.

Over de Regelmatige Werkwoorden. § 1. De regelmatige werkwoorden hebben in het Itali-aansch drie vervoegingen. De lste bevat de werkwoorden op

-ocr page 192-

186 Vervoeging van Regelmatige, Overgankelijke Werkw.

are als cantare: de 2de die op de lange en korte lettergreep ere, zooals temére en crédere, en de 3de die op ire, zooals sentire. Wij zullen van iedere vervoeging een voorbeeld geven en deze voorbeelden neven elkander plaatsen, opdat de verschillen in de uitgangen terstond in het oog vallen. De voornaamwoorden, als onderwerp, zullen wij kortheidshalve weglaten ; het verplichtend gebruik daarvan is in Les XT § 1 pag. 111 verklaard. Van de samengestelde tijden, die met avtre vervoegd worden, zullen wij alleen den lsten persoon enkelvoud aangeven; daar dit werkwoord reeds in de voorgaande lessen gedeeltelijk en op bl. 167 enz. geheel vervoegd is, kan men de overige personen gemakkelijk zelf aanvullen.

§ 2. Voorbeelden van Vervoeging van Regelmatige Overgankelijke Werkwoorden.

1ste Vervoeging. 2de Vervoeging. 3de Vervoeging. Cantare. Temer e. /Servire.

Zingen. Vreezen. Dienen.

Iniinitivo.

Presente.

Ccm^-are. Tern-ére. iServ-ire.

Zingen. Vreezen. Dienen.

Pretêrito.

Avére Cant-ato. Avère Tem-uto, Avére 6\'crv-ito. Gezongen hebben. Gevreesd hebben. Gediend hebben.

-ocr page 193-

Vervoeging van Regelmatige, Overgankelijke Werkw. 187

Gezongen.

(7a?i/-audo. Zingende.

Ik zing enz. Sing. Cant-o, Cant-i, Cant-a,

Plur. CanMamo, Cani-ate, Cd7it-a.no.

Ik zong enz. Sing. Canta-\\a, Oanta-\\i, Cania-\\», Plur. Ccmfet-vamo, Ca7ita-\\nte, Cantd-\\mi),

Gerundio.

Tem-êndo, V reezende.

Indicativo.

Presênte. Ik vrees enz. 7\'ém-o, Têm-i,

Tém-e, Tém-iamo, Tem-éte, Tém-om,

Imperfêtto. Ik vreesde enz. Tmé-va, 1) Temé-\\i, Temè-ya, Teme-\\mio, Teme-vate, Zismé-vano.

Participio Presênte.

Can^-ante. Tm-ênte. 8erv-ênte.

Zingende. Vreezende. Dienende.

Participio Passato o Passive.

Cant-ato. Tem-nto. Serv-ito.

Gevreesd.

Gediend.

/SVc-èndo. Dienende.

Ik dien enz. Sêrv-o, /Sêrv-i, Sérv-t, gt;S\'m\'-ianio, Serv-ite, /SVVv-ono.

Ik diende enz.

. /SVm\'-va. 1) Servi-\\i, Servi-ya, /3ervi-\\amo, fServi-\\\'a.te, /Servt-Mino.


-ocr page 194-

188 Vervoeging van Regelmatige, Overgankelijke Werkwoorden.

Ik zong enz. Sing. Cant-ü, Ccm^-asti, Cant-b,

Plur. Cant-ammo, Oant-aste, Cani-hrono, p. Canidron, Cantdro, Cantar.

Pretêrito Perfêtto. Ik vreesde enz. Tem-éi o étti, Tem-ésti,

Têm-b o étte p. éo,

Tem-énimo,

Tem-éste,

Tfem-érono o éttero,

p. Tertiéron, Temêro, Temér.

Ik diende enz. Serv-ii,

Serv-Mi,

8erv-i p. io, /5erw-immo, /S\'erv-iste, /S\'erv-irono, p. Serviron, Serv\'vro, Servïr.


Pretêrito Indefinito.

Ik heb gezongen enz. Ik heb gevreesd enz. Ik heb gediend enz. Sing. mwi-ato etc. Hó tem-nta etc. sery-ito etc.

Piü che Perfêtto.

Ik had gezongen enz. Ik had gevreesd enz. Ik had gediend enz. Sing. Avéva ccmZ-ato etc. Avtva fem-uto etc. Avéva serv-ito etc.

Pretêrito Anterióre.

Ik had gezongen enz. Ik had gevreesd enz. Ik had gediend enz. Sing. É\'hbi cant-ato etc. É\'óbi tem-uto etc. fiJbbi serv-ito etc.

Ik zal zingen enz. Sing. Oante-rö, Cante-mi, Cante-rk,

Plur. Oanie-rémo, Cante-réte, Oanle-ranno.

Puturo Assoluto. Ik zal vreezen enz. Teme-rö, Teme-mi, Teme-rk, Teme-rémo, Teme-réte, Teme-ranm.

Ik zal dienen enz. /Servi-rö, $ervi-ra,i, /Servi-rü, /Servi-rémo, /Serm-réte, Servi-rmno.


-ocr page 195-

Vervoeging van Regelmatige, Overgankelijke Werkwoorden. 189

Futuro Esatto.

Ik zal gezongen Ik zal gevreesd Ik zal gediend

hebben enz. hebben enz. hebben enz.

Sing. Avrd cant-ato etc. Avró tem-uto etc. Avrd seru-ito etc.

Ik zou zingen enz. 3ing. Cante-réi o ria, Canie-résü, Cante-réhhe o ria, Plur. CW^e-rémmo, Oante-réste, Canie-réhbero, „ p. Canteriano, •}• Canteréhbono.

Ik zou gezongen

hebben enz. ing. Avréi cant-Viin etc.

!ing, Cant-amp; — Zing. ■\'lur. Cantate — Zingt, \'lur. Cant-iamp;mo — Laat ons zingen.

Condizionale.

Presente. Ik zou vreezen enz. Terne-réi o ria, Teroe-résti, Jeme-rébbe o ria, Teme-rémmo, Jeme-réste, Teme-rébbero. p. Temer\'iano, •(quot; Temerébhono.

Pretêrito. Ik zou gevreesd

hebben enz. Avréi tem-uto etc.

Imperativo.

Presênte o Futuro. Tem-i — Vrees. Tem-èta —Vreest. Tem-iamo — Laat ons vreezen.

Ik zou dienen enz. iServi-réi o ria, /Servi-résti, /Servi-rèhhe o ria, $erm-rémino, iServi-réste, Servi-Tèhhero. p. Servinano, f Servirébbono.

Ik zou gediend hebben enz.

Avréi serv-ito etc. ,

/Serv-i —Dien, iServ-ite —Dient. /S\'eru-ianio — Laat ons dienen.


-ocr page 196-

190 Vervoeging van Regelmatige, Overgankelijke Werkwoorden.

€onj£iuutivo,

Presente.

Ik

zin ge enz.

Ik vree ze enz.

Ik diene enz.

Sing.

Cant-i,

Tém-a,

8êrv-%

Cant-i,

Tém-n,

Sêrv-Si,

Cani-i,

Téni-Vi,

Sêrv-n,

V

Plur.

Cant-imno,

Tem-imio,

iServ-iamo,

Cfmt-mte,

Tem-mte,

SWv-mte,

Cd7it-im,

Tém-ano,

8êrv-ano,

Imperfêtto.

Ik

zon ge enz.

Ik vreesde enz.

Ik diende enz.

Sing.

Canfa-ssi,

Temé-ssi,

iServi-ssi,

Canta-ssi,

Temé-ssi,

Servi-SHi,

Canta-sse,

Temésse,

Servi-sse,

ft

Plur.

CantA-ssimo,

Temé-ssimo,

Servi-ssimo,

Ccmta-ste,

Temé-ste,

Servi-ste,

Cantd-ssero,

Temé-ssero,

Scrvi-ssero,

f ssono.

f ssono.

f ssono.

Pretêrito.

Ik he

bbe gezongen

Ik hebbe gevreesd

Ik hebbe gediend

enz.

enz.

enz.

»

Sing. Ahhia cant-txto etc.

Abbia lem-utu etc.

Ahhia .smMto etc.

f

Piü che Perfêtto.

Ik ha

dde gezongen

Ik hadde gevreesd

Ik hadde gediend

enz.

enz.

enz.

* 1

Sing. Avéssi c\'an/-ato etc.

Avésd tem-xito etc.

Avéssi .s(TW-ito etc.

*

i

-ocr page 197-

24ste Oefening. Over de Vorming der Tijden. 191

Thema 24.

Vervoeg de volgende werkwoorden naar de gegeven voorbeelden :

Amare — beminnen.

Bdttere — slaan.

Partire — vertrekken.

Chiamare — roepen.

Orèderc — gelooven.

Vestire — k i e e d e n.

Riposare — rusten.

Qêmere — zuchten. -

8entire — voelen.

Oenare — het avondeten gebruiken.

Pêrderc — verliezen.

Dormire — slapen.

TWEE EN TWINTIGSTE LES.

Over de Vorming der Tijden.

§ 1. lste vervoeging cant-^re : c;cm/,-aiite.

2de „ /em-ére ; lt;em-êiite.

3de „ sery-ire : -serü-ênte.

Het Participio Presente, dat, zooals reeds opgemerkt werd, als deel van het werkwoord, niet meer in aanmerking komt, en vervangen wordt door het Gerundio, wordt gevormd door bij de lste vervoeging den uitgang van den Infinitive, are te veranderen in ante en bij de 2de en 3de de uitgangen ere en ire in ènte.

-ocr page 198-

192 Over de Vorming der Tijden.

§ 2. lste vervoeging can/-are : ccmlt;-ato. 2de „ lt;em-ére : tem-nio.

3de

„ serv-ire : serv-ito. Het Participio Passato o Passivo wordt gevormd, door bij de lste vervoeging den uitgang are te veranderen in ato, bij de 2de ere in uto en bij de 3de ire in ito.

§ 3. lste vervoeging cowii-are : cawi-ando. 2de „ /e??i-ére : /,em-êndo.

3de „ serw-ire : sew-êndo. Het Gerundio wordt gevormd, door bij de lste vervoeging den uitgang are te veranderen in ando, en bij de 2de en 3de de uitgangen ere en ire in êndo.

§4. lste vervoeging can^-are : cant-o, cant-i, cant-a,

lt;:ani-\\mw, cantate, cAnt-vno, 2de tem-kre ; fém-o, tém-i, tém-e,

fem-lamo, tem-ete, tém-om, 3de „ serv-ire : sêrv-o, sêrv-i, sêrv-e,

serv-iamo, serv-ite, sêrv-ono. Den Presênte van den Indicativo vormt men, door bij de lste vervoeging te veranderen den uitgang are in o, i, a, iamo, ate, ano; bij de 2de den uitgang ere in o, i, e, %amo, éte, ono, en bij de 3de den uitgang ire in o, i, e. iamo, ite, ono.

§ 5. lste verv. canta-re : canta-m, canta-\\i, cant-ma,

canta-ynmo, canta-\\amp;te, cantd-\\ano, 2de temé-re : temé-x», temé-\\i, /emé-va,

terne-\\ amo, feme-vate, /emé-vano.

-ocr page 199-

Over de Vorming der Tijden. 193

3dc verv. servi-re : sera-va, sem-vi, servi-\\n,

serm-vamo, serw-vate, .smu-viuio. De Imperfêtto van den Indicative wordt gevormd, door bij alle drie vervoegingen de letters re van de uitgangen are, ere en ire te veranderen in va, vi, va, vamo, vale, vano.

§ 6. lste verv. ccmZ-arc : ccm/-ai, cant-usü, cant-o,

can^-amino, canvaste, caw^-arono. 2clc „ tem-ére : tem-éi, tem-ésti, tem-b,

tem-vmmo, tem-éste, tem-érono. 3de „ sm\'-ire ; serv-ii, serv-isti, serv-\\,

smMinmo, serv-iste, seri»-irouo. Den Pretêrito Perfêtto van den Indicative vormt men, door bij de lste vervoeging den uitgang are te veranderen in ai, as li, u, ammo, aste, drono; Ij ij de 2cle den uitgang ere in ét, csti, è, émmo, éste, crono, en bij de 3do den uitgang ire in ii, isfi, i irmno, iste, irono.

1 sic verv. canto-re Fut. ass. ; cante-rh, can^e-rai, ccm/e-ra,

ea?ï/e-réino, can/e-réte, ca?i/e-raiino. Pres. Cond. : ccmte-réi, eaji/c-résti, cante-rébbe.

ccm/e-rémino, ccr/i^\'-réste, ca9i/e-rébbero. 2de verv. ierné-n\', Fut. ass. : ierne-v», teme-VAi, /e»ie-ra,

^eme-rémo, terne-ritte, feme-raimo. Pres. Cond. : /eme-réi, /eme-résti, tome-rébbe, /eme-réinmo, ifeme-réste, ^eme-rébbero. 3de verv. sem-re, Fut. ass. : servi-vb, servi-wA, servi-ra,

servi-rkim, servi-vH», sem-raniio, Pres. Cond. : sem-rél, serv\'i-réstl, servi-rébbe,

sert\'i-réiuino, servi-vhte, «ervi-rébbero,

\'■\'AAXSCIIE TAAI,. 13

-ocr page 200-

194 Over de Vorming der Tijden.

De Futuro Assoluto van den Indicativo en de Pre-sênte van den Condizionale worden bij alle drie vervoegingen gevormd, door voor eerstgenoemden tijd de letters re van de uitgangen are, ere en ire te veranderen in rd, rai, rd, rémo, réte, ranno en voor laatstgenoemden tijd in réi, rêsti, rebbe, rémmo, réde, rèbbero, terwijl men daarenboven bij de lste vervoeging, bij twee- of meerlettergrepige werkwoorden, de kenletter a van den uitgang des Infinitivo m e verandert.

^ g [ ste vervoeging cant-ixre : cant-», cant-ate, cawMaino. 2de n tem-ére : tem-i, tem-He, tem-VAUU).

Pjde \' )) serv-ire : serv-i, sery-ite, serv-iamo. Den Presênte of Futuro van den Imperativo vormt men, door voor den 2en pers. enkelv. bij de lste vervoeging den uitgang are te veranderen in a, en bij de 2de en 3de de

uitgangen ere en ire in i.

Den 2en pers. meerv. verkrijgt men, door bij de drie vervoegingen de uitgangen are, ere en ire te veranderen m ate, ete en ite. Den len pers. meerv. vormt men, door bij alle drie vervoegingen de uitgangen are, ere en ire te veranderen

in iarno.

lste yerv.

carii-are ;

: cant-\\,

cant-i,

cant-i,

cani-iamo,

canMate,

cdnt-ino.

2dc

tem-ére

: tém-a,

fém-a,

fém-a.

feni-iamo,

tcrn-wU\',

tévi-am.

3de

serv-ivfi

: sêrv-a,

sêrv-a,

sêrv-a,

smi-iamo,

sm)-iate,

sêrv-am

-ocr page 201-

Over de Vorming der Tijden. 25ste Oefening. 195

Den Presênte van den Congiuntivo vormt men, door bij de lste vervoeging den uitgang are te veranderen in i, i, i, iarno, ia te, ino en bij de 2dc en 3de de uitgangen ere en ire in a, a, a, iamo, iate, ano.

§ 10. lste verv. canta-ve : ccm/a-ssi, canto-ssi, cawte-sse,

cantó-ssimo, ccmto-ste, cawtó-ssero.

2de temé-re : temé-nsi, temé-ssi, temé-sse,

^emé-ssimo, fernc-sU, temé-ssaro.

3de servi-re : servi-ssi, servi-ssi, servi-sse, sertó-ssiiiio, serviste, senA-ssero,

De Imperfêtto van den Congiuntivo wordt gevormd, door bij alle drie vervoegingen de letters re van den Infini-quot; tivo te veranderen in ssi, ssi, sse, ssimo, ste, ssero.

De samengestelde tijden worden bij alle overgankelijke en vele onovergankelijke werkwoorden gevormd met behulp van het werkwoord avêre en het Participio Passive of Passato, en bij vele onovergankelijke en bij alle wederkeerige werkwoorden, door middel van het werkwoord êssere met hetzelfde Participio, waarbij men in het oog houde, dat dit bij de niet overgankelijke werkwoorden, met êssere vervoegd, met het onderwerp in geslacht en getal overeenkomt.

Thema 25.

1. Wij zullen dat huis koopen, wanneer onze schuldenaars ons betaald hebben (lees: zullen hebben). 2. Gij hebt die nngen verkocht, omdat gij geld noodig hadt. 3. Ik hoorde gisteren een man om hulp roepen, die in het water gevallen

-ocr page 202-

j gg 25ste Oefening.

was. 4. Rookt gij veel? Ja, maar ik rook meer tabak dan sigaren. 5. Mijne neven winnen altijd bij (a) liet spel, maar ik verlies altijd. 6. Slaapt uw broeder nog? Het is reeds kwart over negen, wek hem. 7. Hij vreesde de bedreigingen van dien man, maar gij stoordet u met daaraan. 8. Aan wien schrijft gij dien brief? Ik schrijf hem aan een mijner vrienden. 9. Heb gij gehoord dat hij mij riep? Neen ik heb het niet gehoord, maar ik ben nog niet lang hier geweest. 10. Hij kocht een zilveren horloge van dien horlogemaker en gaf het aan zijnen zoon. 11. Wij zouden die huizen verkoopen, indien wij koopers vonden (cong.) 12. Het water kookt reeds, de thee zal spoedig gereed zijn. 13. Wij zullen vertrekken, zoodra wij daartoe {nè) de gelegenheid hebben (lees: zullen hebben). 14. Wij hebben hen altijd bemind (amati), wij beminnen hen nog en wij zullen hen altijd beminnen. 15. Hij zat aan het middagmaal, toen ik de kamer binnentrad (p.p.). 16. Wij dachten altijd aan u, toen wij in Parijs waren, en wij verlangden zeer dat gij bij ons waret (cong.). 17. Zij namen steeds hunne plichten waar, maar gij (meerv.) verzuimdet ze dikwijls. 18. Hij sloeg den hond met een stok op den kop, en het arme dier liep jankend weg. 19 Hij besloot (p.p.) zich te wreken, maar later vergal hij zijnen vijand edelmoedig. 20. Zij dienen den koning en het

vaderland, en gij dient alleen uw eigenbelang.

koopen _ comprare. noodig heb- - avére bvsógno

schuldenaar — debitóre. ben

om hulp roe--gridar aiuto, hooien udne.

vallen tabak

pen r o o k e n

■ cadére.

■ tobacco.

furnare.

-ocr page 203-

26ste Oefening.

197

sigaar —

spel —

slapen — bedreiging —

s c li r ij v e n —

gaf -

vinden —

thee —

gereed —

binnentreden verlangen — verzuimen — stok —

janken — wreken -edelmoedig —

- sigarro.

- giuóco.

■ dormire.

- minacda.

■ scnvere

■ diêde.

■ trovare.

- tè.

- prónto.

- entrare.

- desiclerare.

- traseurare.

- bastóne.

- urlare.

- vendicare. generosamènte.

winnen — guadagnare. verliezen — pér der e. wekken — des tare.

zich aan iets — curare

qualchc cósa.

- compratóre.

- bollire.

■ fra póco.

■ pranzare.

storen kooper koken spoedig aan het middagmaal zitten.

denken — pensare. ■ waarnemen — osservare. wegloopen — fuggire. besluiten — risólvere. vergeven — perdonare a. koning — rè.

eigen belang —próprio van-tag gio.


Thema 26.

1. Ik geloofde niet dat gij aangekomen waart (cong), maar nu zie ik dat het zoo is. 2. Hij soupeerde nooit, omdat bij altijd laat zijn middagmaal gebruikte. 3. Hij riep (p. p.) mij, maar ik hoorde (p. p.) het niet. 4. Wij hebben lang gewandeld, daarna hebben wij gerust in de schaduw van een groo-ten boom. 5. Hij zuchtte (p. p.), toen hij hoorde dat zijn vriend ongelukkig was geweest. 6. Wij zullen u roepen, wanneer wij gereed zijn (lees: zullen zijn) om te vertrekken. 7. Hij zal bij {da) ons het avondeten gebruiken, wanneer wij

-ocr page 204-

26ste Oefening.

samen naar den schouwburg geweest zijn. 8. Wij begaan dikwijls fouten, zonder er aan te denken. 9. Zij zullen vermoeden dat wij de zaak weten, omdat zij algemeen bekend is. 10. Hij heeft vergeten zijne boeken mede te brengen, daarom zal hij door den meester gestraft worden (lees: zijn). 11. Zij loopen hard om niet te laat te komen. 12. Wij beminnen degenen die ons bewonderen, maar wij eerbiedigen niet altijd degenen, die ons onze gebreken toonen. 13. Zij

schreven niet, omdat zij geen papier, geene pennen en geen inkt hadden. 14. Wie opent de deur? Het is mijn vader, die binnenkomt om te eten. 15. De dieven zullen niet ontsnappen, zij zullen goed bewaakt worden (lees: zijn). 16. Waarom lachen deze kinderen? Zij lachen omdat zij het genoegen zullen hebben met hunnen vader uit te gaan. 17. Wij zullen paard rijden, wanneer wij ons werk geëindigd hebben (lees: zullen hebben). 18. Wij laken degenen die lui zijn en hunne plichten altijd verzuimen. 19. Wij openen iederen morgen het venster, opdat de frissche lucht in onze kamer kome (lees: trede cong.). 20. De roovers vielen (p. p.) hen aan, maar zij verdedigden zich dapper en redden zich. soupee ren — cenare. aankomen — arrivare.

wandelen —passeggiare. daarna —

198

vermoeden

algemeen

vergeten

straffe n

kome n

eerbiedigen

schrijven

— sospettare.

— rjencrahntnte.

— dimenticare.

— punire.

— venire.

— rispettare.

— scrwere.

— ómbra.

— comméttere.

— mpére.

— conosciuto.

— portare.

— córrere.

schaduw begaan weten bekend brengen loopen b e w o n deren — am/mirare.


-ocr page 205-

27ste Oefening.

■ontsnappen —scappare. toon en —mostrare.

lachen —rïderc. openen —aprire.

mostrare.

eindigen —jinire. bewaken —guardare.

opdat —qpaard rijden — cavalcare.

r cover — brig ante. laken — hiasimare.

199

verdedigen — difêndere. venster —jinêsira.

redden —salvare. aanvallen —attaccare.

d ap per — valorosaménte.

Thema 27.

1. Zij zouden veel geld A\'erliezen, indien zij niet zoo voorzichtig waren. 2. Eer (enkelv.) uwe ouders en meesters, luister naar hen, want zij wenschen slechts uw geluk. 3. Ik wil niet dat gij zooveel rookt, het te veel rocken benadeelt de gezondheid. 4. Zou die hond u bijten, indien gij hem niet plaagdet (cong.). 5. Schrijf dit gedicht over en leer het van buiten, het is zeer schoon. 6. Gave God, dat gij (meerv.) steeds vlijtig waret, dat gij altijd uwe lessen leerdet, en dat gij steeds diegenen eerbiedigdet die eerbiedwaardig zijn. 7. Ik wenschte dat ik heden of morgen eenen brief van mijnen vader ontvinge. 8. De visscher zou die palingen en zalmen gaarne verkoopen, indien hij slechts keepers vond (cong.). 9. Spreek (enkelv.) niet van dezen jongen, ik houd niet veel van hem, hij is lui en luistert niet naar zijne ouders en meesters. 10. Laat den tuinman nog . meer hoornen in den tuin planten (vertaal: dat de tuinman plante, cong.) en laat hem de bloemen gieten. 11. Laat uw vader mijn huis koopen (vertaal; dat uw vader koope (cong.), dan zal hij er (nc) een hebben, dat hem in alles bevallen zal. 12. Laat ons altijd

-ocr page 206-

27ste Oefening.

bedenken, dat ons eigen belang eischt, dat wij steeds onze plichten waarnemen. 13. Laten wij den moed niet verliezen, maar laten wij gelooven, dat betere dagen zullen aanbreken (aankomen). 14. Ik twijfel of (se) deze leerlingen hunne lessen geleerd hebben, ik zou niet twijfelen, indien ik niet wist dat zij lui zijn. 15. Laat ons op (a) de brieven onzer vrienden antwoorden, want, indien wij verzuimden (cong.) te antwoorden, zouden zij denken dat wij ons niet over hen bekommeren, 16. Bedrieg (enkelv.) mij niet, indien gij mij bedriegt (cong.), zal ik u straffen. 17. Het water zou reeds lang koken, indien het vuur beter onderhouden ware. 18. Laat ons hopen dat hij spoedig zal besluiten (cong.) ons te bezoeken. 19. Die man meent alles op zijn duimpje te kennen, maar er zijn nog veel dingen, waarvan hij niets weet. 20. Ik wenschte dat zij hunne opstellen eindigden (cong.), dat zij hunne lessen bestudeerden, dat zij den tijd niet verloren en dat zij hunne ouders en meesters eerbiedigden, voorzichtig — prudênte. e e r e n — onorare.

luisteren — ciscoltare. benadeelen — nuócere.

naar ^.plagen — tormentare. bijten —mórdere. van buiten — imparare a

oversell rij--trascrivere. Ie eren memória.

ontvangen — ricévere. paling — anguilla. planten — piantare. bevallen — piacére.

ven

gave God —volésse Icldio. ik wenschte — vorréi. visscher — pescatóre. zalm — sermóne.

200

gieten — adacquare,

inaffiare.

-ocr page 207-

Wijz. in de Sp. van sommige Regelm. Werkw. op are. 201

bedenken —consider are. zich bekom--curarsi di.

meren

t w ij f e 1 e n — duhitare. onderhouden — entretenére.

antwoorden—risp ónder e. besluiten —risólvere.

bedriegen —ingannare. op zijn duimpje — sapére

hopen —sper are. kennen su pér le dita.

bezoeken — visitare. best u dee ren — studiare. hij weet —sa.

DRIE EN TWINTIGSTE LES.

Over de Wijzigingen in de Spelling van sommige Regelmatige Werkwoorden op are.

§ 1. Cer care — Zoeken. Negate — Ontkennen.

Indicative.

Presente.

Ik zoek enz. Ik ontken enz.

Sing. Gêrc-o, Nty-o,

Cêrc\\\\-\\, Nég\\\\-i,

öêrc-a, Nég-a,

Plur. Cerc\\\\-iamo, Neg\\v-iamo,

Cerc-ate, Neg-ate,

Cêrc-ano, Nèg-ano.

Puturo As so lu to.

Ik zal zoeken enz. Ik zal ontkennen enz.

Sing. Cerche-rö, Neg\\w-rö,

Cerchz-rai, Neg\\\\Q-rai,

CVche-rd, NegXie-rd,

-ocr page 208-

Wijzigingen in de Spelling van sommige

202

Plur. GercXw-rtmo, Gerc\\w-r!\'te, Cerc\\w.-ranno.

Neg\\\\t-r(\'ino,

Neg\\w-réte,

Neghv-ranno.

Coiidi/jonale.

Pres ê n t e.

Ik zou zoeken enz. Sing. CercXie-rti, CercAw-rèsü, OercXw-rèhhe,

Plur. Cerciw-rénivio, öerc\\w-réste, Oerciie-rèhhero.

Ik zou ontkennen enz. Ne(j\\w-réi, l\\feg\\yv-résti, Neg\\i?-rébhc, NegXvv-rtinmo, Neg\\të-réste, NegXw-réhhero.


Sing, öêrc-a Plur. Cerc-atc Plur. Cerdi-xamo

Imperativo.

Presênte o Futuro.

— Zoek. Ncg-a

— Zoekt. Neg-ate

— Laat ons Neg\\\\-\\amo

zoeken.

O ntken. Ontkent. Laat ons ontken nen.


Ik zoeke enz. Sing. CércXx-i, Cerch-i, Cêrc\\\\-i, Plur. Cerch-iamo, Cerdivïate, Gérc\\i-hio.

Congiuiitivo.

Presente.

Ik ontkenne enz. Nég\\v-i.

Ntg\\v-\\,

Nég\\\\-i, Neg\\\\-iamo, Neg\\i-\\ate, Négh-hxo.


-ocr page 209-

Regelmatige Werkwoorden op a re.

203

Zooals men uit deze twee voorbeelden ziet, nemen de werkoorden op care en gare een A na de c en g aan in al die ersonen en tijden, waarin de vervoegingsuitgang met een e f i begint. Dit is het geval in den 2clen pers. enkelv. en en lsten meerv. van den Presênte van den Indicative; ii al de personen enkel- en meerv. van den Futuro Asso-uto van den Indicative en van den Presênte van den üondizionale; in den l sten pers. meerv. van den Presênte Putnro van den Imperative, en in al de personen enkelen meervoud van den Presênte van den Oongiuntivo.

§ 2. Cacciare — Jagen. Mangiarc —Eten.

Iiidicativo.

Presênte.

Ik eet enz Mangi-o, Man%-\\, Mangi-a,

Mang-iamo,

Ik jaag enz. Sing. Cacci-o,

Cace-i, Gacci-a,

Plur. Cacc-iamo,

Cacei-ate, Cdcei-ano.

Mangi-ate,

Mdngi-ano.

Futuro Assoluto.

Ik zal jagen enz. Sing. Caccegt;-rO,

Ik zal eten enz.

Mange-rö.

Mangv-rai,

Hfange-rd,

Mange-rémo

Mangt-rHe,

Mangt-ranno.

Cacce-rai, Caece-rd,

Plur. Cacce-rèmo, Cacce-réte, Cacce-ranno.

-ocr page 210-

204 Wijzigingen in de Spelling van sommige

toiidizionale.

Presênte.

Ik zou jagen enz. Bing. Cacce-rêi, Cacce-résti, Cacce-rébbe, Plur. Cacce-rémmo, Cacee-rèste, Cacee-rébbero.

Ik zou eten enz. Manga-réi. Mange-résti, Man^-rébbe, Mangv-rémmo, Mange-réste, Mangv-rébbero.


Imperativo.

Ding. Cacci-a Cacci-ate Cacc-iamo

Presênte o Futuro. -Jaag. Mangi-a -Jaagt. Mangi-ate -Laat ons Mcmg-iamo jagen.

C\'ongUuitivo.

Eet.

-Eet.

- Laat ons eten.


Presênte.

Ik jage enz. Hing. CacvA, CVtcc-i, Cacc-i, Plur. Cacc-iamo, Cacc-iate, Cacc-ino.

Ik ete enz. Man%-i, Mang-i, Mang-i, Mang-iamo, Man%-\\ate, Mang-ino.

Do, werkwoorden op «a« en gmre verUezen lt;le i voov den vervoegingsuitgang die met een t o{ « begint in iml personen en tijden, die in de vorige § genoemd .,n, .ooals uit de voorbeelden duidelijk blijkt.

-ocr page 211-

Regelmatige Werkwoorden op are. 205

j 3. Pig Hare — Nemen. Invecehiare — Verouderen.

Inrticativo.

Presente.

Ik neem enz. ■ïing, Pigli-o, P%g\\-i, Pig li-a,

Plur. Pig\\-iamo, Pigli-ate, Pigli-ano.

Tk verouder enz. Invêcchi-o. Invccdv-i, Invêcchi-a, Invecdi-iamo, Invecchi-ate, Invécchi-ano.


Imperativo.

Presênte o Futuro. 3ing. Pig li-a —Neem. Invêcchi-a Plur. Pigli-ate —Neemt. Invecchi-ate Plur. PigVXamo —Laat ons Tnvecx\'h-iamo ■ nemen.

-Verouder. ■ V eroudert. Laat ons verouderen.

Cong\'iuiitivo.

Presênte.

Ik ver oude re enz, Invêcc\\\\-i, Invêcc\\\\-i, Invêcdv-i, Invecch-iamo, . Invecc\\\\-\\ate, luvêcdi-ino.

Ik neme enz.

Sing. Pig\\-i,

Pig\\-i,

Pig\\-\\,

Plur. PigViamo,

PigX-mte,

PigX-ino.

De werkwoorden op gliare en chiare verliezen de i van dien uitgang alleen, wanneer de vervoegingsuitgang met een i begint. Lit is, zooals uit de voorbeelden blijkt, het geval.

-ocr page 212-

206 Wijzigingen in de Spelling van sommige

1°. in den 2den pers. onkelv. en den Isten pei.g meerv. van den Presente van den Indicative en 2°. in alle personen enkel- en meervoud van den Presênte van den Congiun-tivo, en bijgevolg ook in den [sten perS- meerv. van den Presênte of Future van den Imperative.

§ 4. Odiare — Haten.

Indicativo.

Pres ê n t e.

Ik haat enz. Wij haten enz.

A

Sing. Odi-o, Plur. Od-iamo,

A

Odi-i, OdiVate,

A A

Odi-a, Odi-ano.

Imperativo.

Presênte o Future.

A

Sing. Odi-a — Haat.

Plur. Odi-ate — Haat.

Plur. OA-iamo — Laat ons haten.

Coiigiuiitivu.

P r e s ê n t e.

Ik hate enz. Wij haten enz.

A

Sing. Odi-i, Plur. Od-iamo,

A

Odi-i, OA-iate,

A A

Odi-i, OA-\\no.

De overige werkwoorden op iare verliezen alleen dan de i van dien uitgang voor den vervoegingsuitgang die met een i begint, wanneer deze, zooals in den lsten pers. meerv. van den Presênte van den Indicativo, den lsten pers. meerv.

-ocr page 213-

Regelmatige Werkwoorden op are. 207

m den Presente of Futuro van den Imperativo en in ; drie personen meerv. van den Presente van den Con-iuntivo, niet de eenige letter van dien vervoegingsuitgang i, gelijk uit het voorbeeld blijkt.

Valt echter bij de werkwoorden op iare in den 3den pers. leerv. van den Presênte van den Oongiuntivo de klem-oon op de i, dan moet de i behouden blijven. Zoo schrijft nen travi-ino (dat zij verdwalen) en niet trci\\-ino. Betei is iet echter dien persoon welluidendheidshalve te vermijden.

§ 5. Arrolare — Aanwerven.

Indicativo.

Presênte.

Ik werf aan enz. Wij werven aan enz.

Sing. Arrnólo, Plur. AttoHcitho ,

Arrwóli, Arrolate,

Arruola, Armólano.

Imperativo,

Presênte o Futuro.

Arrnóla — Werf aan.

Arrolate — Werft aan.

Arroliamo — Laat ons aanwerven.

Oongiuntivo.

Presênte.

Ik werve aan enz. Wij werven aan enz.

Sing. Arrwóli, Phir. Arroliamo,

Arrwóli, Arroliate,

Arrwóli, Arrwólino.

-ocr page 214-

208 28ste Oefening.

Het werkwoord Arrolare neemt, zooals uit het gegeven voorbeeld blijkt, een u voor de o aan, overal waar op de o de klemtoon valt, hetgeen geschiedt in de drie personen enkelvoud en den 3den pers. meerv. van den Presênte van den Indicativo en den Congiuntivo en in den 2den pers. enkelv. van den Presênte of Puturo van den Imperative. Hetzelfde heeft plaats met de werkwoorden infocare (aansteken), giocare (spelen), notare (zwemmen), rinnovare (hernieuwen), rotare (wentelen), sonare (klinken), tonare (donderen), en hunne samenstellingen arrotare (slijpen), risonare (weerklinken) enz.

Thema 28.

1. Laat ons niet vergeten, dat wij altijd onze plichten moeten vervullen. 2. Onze soldaten zullen den vijand aanvallen, zoodra de gelegenheid gunstig daartoe is (vertaal: zal zijn).

3. Gij snijdt (enkelv.) het brood en wij snijden het vleesch.

4. Wij oordeelen anders over de zaak, en gij (meerv.) zult oordeelen als wij. 5. Gij eet (enkelv.) hij eet, wij eten en zij allen eten om half zes na den middag. 6. Hij zou eten, indien hij iets te eten h (cong.). 7. Wij zoeken onzen vriend en zullen hem zoeken, totdat wij hem gevonden hebben (cong). 8. Ik zal u betalen, zoodra ik geld heb (lees: zal hebben). 9. Hij zal het niet laten, tenzij gij het hem verbiedt (conp;.)JDGij (enkelv.) veroudert mijn vriend, en toch zijt gij nog niet oud genoeg om te verouderen. 11. Dat ik veroudere (cong.), de eene veroudert vroeg, de andere laat; ik heb mij niet te beklagen, ik ben nog even sterk als tien jaren geleden. 12. Zult gij dit jaar op de jacht gaan? Neen

-ocr page 215-

209

28ste Oefening.

ü zal dezen herfst niet jagen. 13. Die mannen haten ons, .naar dat zij ons haten, zij zijn onmachtig en kunnen ons niet schaden. 14. Onze vrienden zijn naar {pér) Naaldwijk vertrokken ; ik hoop niet dat zij zullen verdwalen (cong); wij hebben hun den weg duidelijk genoeg gewezen. 15. Laat ons dat kind bij ipêr) de hand nemen, anders zal het vallen. 16. Waarom haat gij (enkelv.) dien man? Heeft hij u kwaad gedaan ? Laat ons niemand haten, maar laat ons anderen beminnen als ons zeiven. 17. De vader zal zijn zoon kastijden, omdat hij niet gehoorzaamd heeft. 18. Gedurende de vacantie zullen wij iederen dag paard rijden. 19. Ontkent gij .(enkelv.) dit gedaan te hebben, en zult gij het ontkennen, wanneer de meester het vraagt (lees: zal vragen). 20. Ik zwem, gij (enkelv.) zwemt en hij zwemt, maar wij zwemmen niet zoo goed als de zoon van den geneesheer, die allen overtreft.

wij moeten —dobbiamo.

— tag Hare.

— giudicare.

— lasciare.

— difêndere.

— autunno. onmachtig — impotênte. w ij zen . — mostrare. gedaan — fatto. gehoorzamen — ubbidire. vacantie —vacanze f. pl. overtreffen — sorpassare.

z ij n e plichten — soddisfare vervullen ai suói dovéri. s n ij d e n oordeelen

daartoe gunstig vleesch betalen ten zij

— ne.

— favorévole.

— carne.

k en

•jjf

verbieden herfst

— pagare.

— sè nón ché. zich beklagen — lagnarsi. gij zult gaan — .Ella andrd. schaden — nuócere.

d u i cl e 1 ij k — chiaramènte.

kast ij den — castigare.

gedurende — durante.

vragen — domandare. italuansche taai,.

-ocr page 216-

I

210 Over de Onovergankelijke Werkwoorden.

VIER EN TWINTIGSTE LES. 1

Over de Onovergankelijke Werkwoorden.

§ 1. De onovergankelijke werkwoorden worden liet Italiaansch in de samengestelde tijden öf met avére df n êssere vervoegd. Is het eerste het geval, dan verschilt vervoeging van een onovergankelijk werkwoord in niets \\ die van een overgankelijk, op bl. 186 en volg. Worden zij n êssere in de samengestelde tijden vervoegd, dan valt alleen te merken, dat het verleden deelwoord met het onderwerp geslacht en getal moet overeenkomen, terwijl het verled \'deelwoord dezer met avére vervoegde werkwoorden steeds ( veranderlijk blijft b.v.: Hó dorrnifo, abbiamo dormito, élk hanno dormito; sono arrivato o arrivahx, naarmate een m of eene vrouw het zegt, siamo arrivati o arrivals, naarnru mannen of vrouwen het zeggen. Wij achten het daarom { heel overbodig een voorbeeld van vervoeging te geven, zullen het kortheidshalve weglaten.

§ 2. Abbisognare of bisognare —

Andare —

Arrivare —

^ Arrossire —

Cadère. —

Gomparire —

Costare —

Decadére —

Dimorare —

Noodig zijn. Gaan.

Aankomen. Blozen. Vallen.

V erschij nen. Kosten.

V ervallen. W o nen.

-ocr page 217-

Over de Onovergankelijke Werkwoorden.

211

Divenire Diventare Entrare Intervenire Invecchiare Morire Trapassare Ndscere Parère Par ti/re Per ire Pervenire Rirnantre Rinvenire Ritornare Riuscire Sembrare Sopraggiügnere iSparire Uscire Venire \\ Vivere

1. È arrossito, quando gli fu rimproverato, die non avéva fatto il mo dov\'cre.

2. Quéda easa m lt;gt; costata vênti 7nila fiorini.

j Worden.

— Binnentreden.

— Tusschenbeide komen.

— Verouderen.

Sterven.

— Geboren worden.

— Toeschijnen, blijken.

— Vertrekken.

— Omkomen.

— Geraken; bereiken.

— Blijven.

( Terugkomen.

)

— Slagen, gelukken.

— Schijnen.

— Gebeuren.

— Verdwijnen.

— Uitgaan.

— Komen.

— Leven.

— Hij heeft gebloosd, toen

men hem verweet, dat hij zijnen plicht niet gedaan had.

— Dit huis heeft mij twin

tig duizend gulden gekost.


-ocr page 218-

212 Over de Onovergankelijke Werkwoorden.

3. Sóuo dimorato diêci mini —• Ik heb tien jaren in dat in quèl villaggio. dorp gewoond.

4. Sóno vissuti e mórti, sénza — Zij hebben geleefd en zijn lasciare fracce délla lóro gestorven, zonder spo-esistênza. ren van hun bestaan

achter te laten.

5. Abbiamo vivuto giórni — Wij hebben gelukkige felici. dagen beleefd.

Bovenstaande lijst bevat de voornaamste onovergankelijke werkwoorden, die met êssere vervoegd worden. Uit de voorbeelden, die wij gegeven hebben, blijkt dat de werkwoorden arrossire, costare, dimorare en v\'ivere in het Italiaansch met êssere vervoegd worden, terwijl de overeenkomstige Neder-landsche werkwoorden blozen, kosten, wonen en leven met hebben gebruikt worden. Uit het 5de voorbeeld volgt, dat vivere, wanneer het beleven beteekent, dus een overgankelijk werkwoord is, ook in het Italiaansch met avére vervoegd wordt.

§ 3 1. Hó dovuto fare dó.— Ik heb dit moeten doen.

2. Sóno dovuto venire. — Ik heb moeten komen,

3. Hó potuto scrlvere guésta — Ik heb dien brief kun-lêttera. nen schrijven.

4. Siamo potuti uscire. — Wij AeWen kunnen uitgaan.

5. Abbiamo saputo agire. — Wij hebben weten te han

delen.

6. JVón siete saputi uscire — Grij hebt u niet uit de d\'impaccio. verlegenheid weten te

redden.

-ocr page 219-

29ste Oefening.

7. Abhiamo voluto fare cid. — Wij hebben dit willen

doen.

8. Nón siamo voluti rimanère.— Wij hebben niet willen

blijven.

Uit 2, 4, 6 en 8, blijkt dat de werkwoorden: dovere, ■potére, napert en volére, die in het Italiaansch met avére, zooals in het Nederlandsch moeten, kunnen weten en willen met hebben gebruikt worden, met êssere vervoegd worden, wanneer de onbepaalde wij8 daarop volgt van een werkwoord, dat met êssere vervoegd wordt.

en doen. | omen.

Thema 29.

1. Gij hebt van morgen lang geslapen, zeker zijt gij gisteren avond laat naar bed gegaan. 2. Uwe vrienden zijn van morgen om half tien van hunne reis teruggekeerd. 3. Duizenden soldaten zijn in den oorlog van 1870 omgekomen. 4. Mijn neef is heden morgen om half tien vertrokken, en zal morgen over acht dagen terugkeeren. 5. De zonen van den notaris zijn met hunnen vader uitgegaan. 6. Ik ben gekomen om [pér) u te vragen, of gij pleizier vindt met ons naar Amsterdam te gaan. 7. Ik heb dien brief niet kunnen schrijven, ik had geen tijd. 8. Zijne moeder heeft niet kunnen uitgaan, omdat zij ziek was. 9. Wij hebben den geheelen dag moeten werken, omdat wij veel te doen hadden, lü. Zij hebben gisteren avond niet kunnen terugkeeren, omdat zij te laat aan den trein kwamen (p.p.). H. Zij hadden tien jaren in dat huis gewoond, toen zij naar Amerika vertrokken (p. p.). 12. Het beroemde werk van Dan te heeft mij veertig gulden

213

dat

-ocr page 220-

Over de Lijdende Werkwoorden.

gekost. 13. Wij hebben over (di) ons gedrag niet gebloosd, omdat wij wisten, dat wij goed gehandeld hadden. 14. Zij hadden vijf jaren in onmin geleefd, toen zij vergaten wat er gebeurd was en zich verzoenden. 15. Hij heeft dien brief op (di) zulk eene wijze weten te schrijven, dat zijn vriend tevreden was. 16. Hij heeft, ofschoon met moeite, zijn doel weten te bereiken. 17. Uwe broeders hebben moeten blijven, dewijl het te laat was om te (pér) vertrekken. 18. De timmerman heeft den knecht, die hem beleedigd had, niet willen vergeven. 19. Uwe vrienden hebben niet willen komen, ofschoon zij uitgenoodigd waren (cong.). 20. Uwe vriendin is in de laatste jaren zeer verouderd.

gisteren avond — iêrséra. ik vind pleizier — viipiace. \\ omdat —perchè. den gehee--tutta la gior- \'

214

Pass.

w e r k e n

— lavorare.

len dag

nata.

gt;i

beroemd

— famóso.

trein

— trtao.

; eii

handelen

— procêdere.

gedrag

— condótta.

zich verzoe

— riconoiliarsi.

o n m i n

— disarmonia.

nen tevreden moeite uitnoodigen

— Gontênto.

— phia.

— invitare.

w ij z e

ofschoon

beleedigd

— maniêra.

— sebhéne.

— offèso.

k we fui lt; 1 fódi ii, kilo.

VIJF EN TWINTIGSTE LES.

Over de Lijdende Werkwoorden. § 1. Vervoeging van het Werkwoord: Kssere stimato — Geacht worden. Iiifinitivo.

JEssere o venire stimato — Geacht worden.

Pres. ;

-ocr page 221-

Vervoeging van het Werkwoord: Esse re st

imato.

215

iissere stato stimato —Geacht geworden zijn. Essêndo o venêndo stimato — Geacht wordende. Stato stimato

Geacht geworden.

Indicativo.

Presente.

ord geacht enz. o o vêngo \\ stimato

o vicni f o

gt;

élla è o viêne | stimata.

k werd geaclit enz.

êra o veniva

Wij worden geacht enz. Plur. JVói siamo o veniamo . stimati Vói siéte o venite f o Églino, èlleno sóno o j stimate. vêngono \'

Imperfêtto.

Wij werden geaclit enz. stimato PI. Nói eravamo o venivamo j stimati \'Sn o venivi ( o Vói eravate o venivate f o

élla êra o veniva | stimata. Églino, élleno êrano o [stimate.

venïvano I

Pretêrito Perfêtto.

k werd geacht enz. Wij werden geacht enz.

/ui o vênni \\ stimato PI, JVói fummo o venimmo \\ stimati . fósti o ve)iisti j o l ót fóste o venistc f o

\'li, élla fu o vênne | stimata. Églino, élleno furono o| stimate.

vênnero \'

Pretêrito Indefinite.

eacht geworden enz. Wij zijn geacht geworden enz.

gebloosd,

14. Zij

n wat er brief op nd tevre-Del weten ■n, dewijl nmerman 3n verge-ofschoon is in de

vii piace. t la gior-a.

o.

lötta.

rnionia.

\',%êra.

éne.

so.

. Pass.

stati stimati o

Églino, élleno sóno ] state stimate.

j stato stimato Plur. Nói siamo ^ Vói siéte

mo

ièi \\ o

, élla è ] stata stimata.

n.

-ocr page 222-

216 Vervoeging van het Werkwoord; Essere stimato.

Piü che Perfêtto.

Ik was geacht geworden enz. Wij waren geacht geworden en Sing. lo era \\ stato stimato Plur. JVói eravamo \\ stati stimai

Tu fri ( o Vói eravate ( o

Égli, èlla êra | data stimata. Ég lino, élleno j| state stimaü

\' êrano i

Pretêrito Anterióre.

Ik was geacht geworden enz. Wij waren geacht geworden en Sing. lo fui \\ stato stimato Plur. Nói funvmo

Tu fósti I o Vói fóste

Égli, èlla fu | stata stimata. Églino, èlleno | state stimai

■ furono

Ik zo iing. Ia .

Tut Égl vlt;

Ik zou

stati stim o

sing. lo • Tu Égl

Future Assoluto.

Ik zal geacht worden enz. Wij zullen geacht worden Sing. lo sard o verrö

hing. Six Églino, élleno sar anno 1 sfe)»pi:ur_

o verranno ] ipiur. tfia

Futuro Esatto.

Ik zal geacht geworden zijn Wij zullen geacht geworJ

enz. zijn enz. B Ik

Sing, lo sard | stato stimato Plur. Nói sarémo \\ state s/iBbing. Ia t

Tu sarai o Vói saréte ( o ■ Tu

Égli, èlla sard ( stata stimata. Églino, èlleno || state sti ^ Égli

\' saranno

Tu sarai o verrai Égli, èlla sard o | stimata. verrd

-ocr page 223-

Vervoeging van het Werkwoord: Essere stimato. 217

Coiidisiouale.

Presente.

Ik zou geacht worden enz. Wij zouden geacht worden enz. iing. Io saréi o verrei \\ Plur. Mi sarémmo o ver- \\

I stimato rémmo I stirnati

Tusaréstio verrésti gt; o Vói saréste o verrèste o

Ég li, \'dia sarëhhe o I sfimata. Églino, élleno saréb- stimate.

verrchbe \' hero o verrébbero

Pretêrito.

Ik zou geacht geworden zijn Wij zouden geacht geworden

enz. zijn enz.

;ing. Io saréi \'■ stato stimato Plur. No% sarem/mo 1 stati stimati ^

Tu sarésti j o Vói saréste o

Égli, ella sarebbe | stata stimata. Églino, élleno ( state stimate.

sarébbero I

linperativo.

;r Presênte o Futuro.

iing. /Sii o sia o viêni stimato o stimata — Word geacht.

\'Plur. Biate o venite stimati o stimate — Wordt geacht.

Plur. iSiamo o veniamo stimati o stimate— Laat ons geacht worden.

Conginntivo.

Presênte.

Ik worde geacht enz. Wij worden geacht enz.

6ing. Io sia o vénga 1 stimato Plur. Nói siavw o veniamo \\ stimati Tu sia o vénga ( o Vói siate o veniate j o

Égli, élla sia o vénga l stimata. Églino, élleno siano o | stimate.

i véngano

orden eni»

\\ati stimol o

tate stimatc

vorden en;

üati stim o

date stima

vorden jmo \\ sti. réte

nno l stu

t gewon \\ state si»

I o

i state stif

-ocr page 224-

218 Vervoeging van het Werkwoord: Ess ere stimato.

Imperfêtto.

Ik werde geacht enz. Wij werden geacht enz.

Sing. lo fóssi o venissi • stimato Plur. Noi fóssimo o venissimo \\ stiviat Tu fóssi o venissi I o Vói fóste o veniste I o

Égli, élla fósse o I stimata. Ég lino, élleno fóssero o j stimaü

vmisse / vmïssero j

Pretêrito Perfêtto.

Ik zij geacht geworden enz. Wij zijn geacht geworden enz Sing. lo sia j stato stimato Plur. Nói siamo \\ stati stimat

Tu sia | o Vói sia te f o

Égli, élla sia 1 stata stimata. Églino, élleno 1 state stimaü

I siano )

Piü ché Perfêtto.

Ik ware geacht geworden enz. Wij waren geacht geworden en Sing. Ia fóssi \\ stato stimato Plur. Nói fóssimo i stati stima

Tu fóssi f o Vói fóste f o

Égli, élla fósse | stata stimata. Églino, élleno | state stimat

fóssero i

Zooals men uit liet gegeven voorbeeld ziet, wordt in het Italiaansch de lijdende vorm gemaakt met behulp van het werkwoord èssere en het velleden deelwoord van een overgankelijk werkwoord. In zijne enkelvoudige tijden kan êssere ook door venire vervangen worden. Het verleden deelwoord moet steeds in geslacht en getal met het onderwerp overeenkomen. Om nadrukkelijker en sierlijker het voortduren der handeling aan te duiden, kan men in plaats van êssere en venire ook een der werkwoorden andare (gaan), restare, rimanére en stare (blijven) bezigen: quésta vóce va pósta prima, dit woord wordt voorop geplaatst.

1.

wacht mind. Gij w De gc dra d heid moeite digd (cong, niet zi boekei 1! 11. I goedge gen \\ wenscl den. die la dreven waren meeste

17. JV

oogent gevreei sen mi Die it broedei

-ocr page 225-

30ste Oefening.

THEMA 30.

1. Zij wordt met haren broeder in den schouwburg verwacht. 2. Goede vorsten worden door hunne onderdanen bemind. 3. Die steden werden stormenderhand ingenomen 4. Gij werdt door iedereen wegens (pê)-) uw gedrag gelaakt. 5. De goeden worden gewoonlijk door de boozen gehaat. 6. Zoodra de beschuldigde gehoord was geworden, werd hij in vrijheid gesteld. 7. Ik verlang dat uwe broeders voor hunne moeite beloond worden. 8. De waarheid zou meer geëerbiedigd worden, indien de ijdelheid de wereld niet bestuurde (cong.). 9. Uwe zuster zou bemind zijn geworden, indien zij niet zoo ijdel geweest ware (cong.). 10. Ik wenschte dat die a boeken aan mijnen broeder waren gezonden geworden (cong). 11. Eene bittere kritiek zal nooit (mai) door (da) iemand goedgekeurd worden. 12. Uwe nichten zullen goed ontvan-\' gen worden, omdat zij zeer bemind zijn. 13. Ik zou wel wenschen dat wij van dien moeielijken arbeid ontslagen werden. 14. Duizenden soldaten werden in dat gevecht gewond, die later overleden zijn. 15. Vele misdaden zouden niet bedreven zijn geworden, indien de bedrijvers beter opgevoed waren geworden (cong.). 16. De leerlingen zullen door den meester gestraft worden, indien zij hunne lessen niet leeren. 17. Mijne moeder werd van die tijding onderricht, op het oogenblik dat zij wilde uitgaan. 18. Word door de boozen gevreesd en door de goeden bemind en geacht. 19. Die lessen moeten bestudeerd worden, want zij zijn zeer nuttig. 20. Die meisjes werden steeds, wanneer zij uitgingen, door hare broeders vergezeld.

219

it enz. o \\ stimat o

o l stimat/

gt;rden enz ati stimat o

ate stimat*

orden en:

ati stima o

ate stimat

n het ,n het srgan-

êssere woord ereen-m der rre en zstare, pósta

-ocr page 226-

Over de Wederkeerige Werkwoorden.

220

ij del —vano.

bitter —amaro.

goedkeuren — approvare. wonden — ferire. overleden — mórto. bedrijver — commettitóre. onderrichten — informare. vergezellen — accompagnare.

verwachten — aspettare. onderdaan — süddito.

stormenderhand — d\'assalto. ingenomen -—préso.

gewoonlijk — ordinariamente. b o o z e — malvagio.

beschuldigen — accusare. in vrijheid — assólto. beloonen — ricompmsare ij delheid — vanitd.

— incómodo.

— govvernare.

— mandare.

— critica.

— esonerare.

— combattiménto.

— commèsso.

gesteld moeite besturen zenden kritiek ontslaan gevecht bedreven opvoeden — educare. zij wilde — vólle.


ZES EN TWINTIGSTE LES.

Over de Wederkeerige Werkwoorden. § 1. Vervoeging van het Wederkeerig Werkwoord:

iServirsi — Zich bedienen.

Intiiiitivo.

Pres. : Servirsi — Zich bedienen.

Pret. : Essersi servito o servita — Zich bediend hebben. Ger. ; Servêndosi — Zich bedienende. \'

Part. Pass. : Servïtosi o servitasi — (Niet gebruikelijk in het

Neder landsch).

-ocr page 227-

Vervoeging van het Werkwoord: Servirsi. 221

Indicativo.

Presênte.

Ik bedien mij enz. Wij bedienen ons enz.

üng. lo mi sêrvo, Plur. iVó\'i ci serviamo,

Tu ti sêrvi, Vói vi servite,

Ég li, élla si sêrve, Kg lino, élleno si sêrvono.

Imperfêtto.

Ik bediende mij enz. Wij bedienden ons enz. Sing. lo mi serviva, Plur. JYói ci servivarno,

Tu ti servivi, Vói vi servivate.

Égli, élla si serviva, Églino, élleno si servivano.

Pretêrito Perfêtto.

Ik bediende mij enz. Wij bedienden ons enz. Sing. lo mi servii, Plur. Nói ci servimmo,

o \'

Tu ti servisti, Vói vi serviste,

Égli, élla si servi, Églino, élleno si servirono.

Pretêrito Indefinite.

Ik heb mij bediend enz. Wij hebben ons bediend enz.

servito o

Sing. lo mi sóno Tu ti séi

Égli, élla si è | servita.

Plur. JVói ci siamo \\ serviti Vói vi siéte I o

Églino, élleno si l servite. I sóno \' J

Piü che Perfêtto.

Ik had mij bediend enz. Wij hadden ons bediend enz. Sing. lo mi êra \\ servito Plur. Nói ci eravamo \\ serviti Tu ti êri I o Vói vi eravate o

Égli, élla si êra j servita. Églino, élleno si 1 servite.

êrano 1

-ocr page 228-

1

222 Vervoeging van het Werkwoord: Servirsi.

Pretêrito An te ri óre.

Ik had mij bediend enz. Wij hadden ons bediend enz Sing, lo mi fui | servito Plur. Nói ci fummo \\ serviti Tu ti fósii | o Vói vi fóste j o èlla si fu 1 s er vita. Églino, élleno si j servite.

Ik zo Sing. 1

A

J

I

1 fürono ]

Puturo Assoluto.

Ik zal mij bedienen enz. Wij zullen ons bedienen enz Sing. lo mi servird, Plur. Nói ci samp;i-virémo,

Tu ti servirai, Vói vi serviréte,

iLgli, élla si servird, Églino, élleno si serviranno.

e ]

i

Puturo Esatto.

ii

i

Ik zal mij bediend heb- Wij zullen ons bediend

ben enz. hebben enz.

Sing. lo mi sard j servito Plur. Noi ci sarémo \\ serviti Tu ti sar ai 1 o Vói vi saréte 1 o Ég li, élla si sard servita. Églino, élleno si ( servite

Sing. Ik

1 saranno

Sing.

Comli/Jonale.

Presênte.

1

1 1

Ik zou mij bedienen Wij zouden ons bedienen enz. enz.

Sing. lo mi serviréi, Plur. JYoi ci servirémmo,

Tu ti servirésti, Vói vi serviréste,

Ngli, élla si servirébbe, Églino, élleno si servirébhero.

Ik h Sing.

-ocr page 229-

rsi.

ediend enz no j serviti

I o

si | servite. I

hen enz. Sing. Jo mi sarei Tu ti sarésti Eg li, élla si sarébbe

\\ servito o

servita.

Vervoeging van het Werkwoord: Servirsi. 223 Pretêrito.

Ik zou mij bediend heb- Wij zouden ons bediend

hebben enz.

Plur. Nöi ci sarêmmo \\ serviti Vói vi sarêste f o Ég lino, élleno si ( servite. sarébbero

Imperativo.

Presênte o Puturo.

Sing. Sêrviti — Bedien u.

Plur. Servüevi — Bedient n.

Plur. iServidmoci — Laten wij ons bedienen.

Coiigiiintivo.

Pres ê n t e.

Ik bediene mij enz. Wij bedienen ons enz.

Sing. lo mi sêrva, Plur. JVói ci serviamo,

Tu ti sêrva, Vói vi serviate,

Egli, élla si sêrva, Eglino élleno si sêrvano.

Imperfêtto.

Ik bediende mij enz. Wij bedienden ons enz.

Sing. lo mi servissi, Plur. JVói ci servissimo,

Tu ti servissi, Vói vi serviste,

Egli, élla si servisse, Eglino élleno \'si ser visser o.

Per fêtto.

Ik hebbe mij bediend enz. Wij hebben ons bediend enz.

lie

nen enz

serviranno

bediend iz,

\\ serviti

. \' 0

i 1 servite

e d i e n e n

Sing. lo mi sia \'j servito Tu ti sia | o Egli, élla si sia servita.

virébbero.

Plur. Nói ci siamo | serviti Vói vi siate | o Eglino, élleno si servite. siano


-ocr page 230-

224 Over de Wederkeerige Werkwoorden.

Piü che Perfêtto.

Ik liadde mij bediend enz. Wij hadden ons bediend enz. Sing. lo mi fóssi | servito Plur. Nói ci fóssimo \\ serviti Tu ti fóssi [ o Vói vi fóste | o

Égli, élla si fosse | servita. Kg lino,, élleno | servife.

si fóssero J

Zooals men uit het gegeven voorbeeld ziet, worden de wederkeerige werkwoorden met êssere evenals in het Fransch met êire vervoegd. Het verleden deelwoord komt dan niet, zooals in sommige leerboeken beweerd wordt, met het onderwerp overeen in geslacht en getal, maar gewoonlijk met het voorwerp, vooral indien dit door een der voornaamwoorden mi, ti, si, ci en vi uitgedrukt wordt, zooals in ons voorbeeld. Over de afwijkingen zal later bij het Participio Passato o Passiva gehandeld worden.

§ 2. Addormentarsi — Inslapen.

Arrestarsi 1 ■ i ••

Blijven staan, verwijlen.

Permarsi )

Arrampicarsi — Klauteren, klimmen.

Accórgersi i

\' . Bemerken, bespeuren.

Avvedérsi I

Aspeitarsi — Toekomen; betreffen; passen.

Anddrsme — Heengaan.

Alzarsi — Opstaan.

Compiacèrsi a — Behagen scheppen in.

Confessarsi — Biechten.

Chiamarsi — Heeten, genoemd worden.

Coricarsi — Naar bed gaan.

-ocr page 231-

31ste Oefening.

225

Ardire Osare Convcrsare iïbaaliare

Zich vermeten.

— Zich onderhouden.

— Zich vergissen,

— Zich bevinden.

— Zich ophouden (verblijven).

— Zich onrechtmatig toeëigenen. Iden blijkt, dat het omgekeerde ook

Dileguarsi — Wegsmelten; snel verdwijnen.

Fuggirsene — Ontvluchten.

Levarsi — Opstaan.

Pentirsi — Berouw li ebben.

Hiposarsi — Rusten.

/Scordarsi di — Vergeten.

Bveg Har si — Ontwaken.

bovenstaande lijst ziet men, dat sommige werkwoorden Nederlandsch niet in het Italiaansch wel wederkee-

Uit

in liet rig zijn

:§ 3.


Thema 31.

1. Wij hebben ons in onze berekening vergist. 2. Wij aadden ons in den weg vergist; daarom kwamen (p.p.) wij een uur te laat. 3. Zij herinnerden zich de geschiedenis niet meer, en konden mij .niet zeggen wat voorgevallen was. 4. Wij hebben ons zeer vjerveekl in hun gezelschap, daarom gingen (p. p.) wij spoedig heen. 5;- Toen mijne zusters te huis kwamen, gingen (p. p.) zij spoedig naar bed, want zij waren

1TALIAANSCHE TAAI,.

15

-ocr page 232-

226 31ste Oefening.

zeer vermoeid. 6. Morgen zal ik om vijf uren opstaan, om met den eersten trein naar Amsterdam te vertrekken. 7. Wij hadden geen dessert; onze tuinman had vergeten fruit te plukken. 8. Die heer verlangt, dat wij ons met onbepaalde beloften zullen tevreden stellen (cong.). 9. Herinner u hetgeen gij ons gezegd hebt, wij verlaten er ons op. 10. Die mannen hebben zich vermeten te (di) doen, wat hun verboden was; nu hebben zij berouw over hunne handeling. 11. Nadat zij zich gewasschen en gekleed hadden (p. a.), gingen mijne neven met hunne vrienden uit. 12. Ik wenschte dat gij u met dat werk gehaast haddet (cong.), dan zou het nu gereed zijn. 13. De erfgenamen vreesden, dat een neef van hen zich van de geheele erfenis zoude meester maken en hun niets zou overlaten (beide werkwoorden in de Imp. van den Cong.) 14. Sta op van uwen stoel en laat ons heengaan, het is ree^ui kwart over vijven. 15. Die rijke man heeft zich veVj goede-ij ren onrechtmatig toegeëigend, daarom wordt hij c1 J0J n3e\'uand geacht. 16. De dooi is sterk, het ijs smelt weg tn -ïentej\' zal spoedig aanbreken. 17. De misdadigers zijn uit de gevangenis ontsnapt, maar zij zullen spoedig achterhaald worden. 18. Mijn oom verlangt, dat wij onder de vacantie bij hem zullen uitrusten (pres. del cong.) van onze studiën. 19. Rust (meerv.) eenige oogenblikken uit, dames, het is hier een allerverrukke-lijkst plekje. 20. Wij hadden eenige jongens bemerkt, die in (SM) de boomen klommen.

berekening —cdlcolo. in den weg — di strada. geschiedenis —stória. voorvallen — accadére.

zich vervelen — annoiarsi. gezelschap — societd. zij kwamen —vénnero. vermoeid —stanco.

d( zi

c g(

v« n£ er zii t do le mi

ac )pl(

§ 1

2.

3.

4. i v I

lijk woo

-ocr page 233-

Over de Vertaling van het Nederlandsche „Menquot;. 227

— frutta (f. pl.)

— contentarsi di.

— détto.

— proibire.

— dópo ehé. erêda, er éde [m.)

— impadronirsi

di.

— dimoiare.

om

Wij

uk-be-;eerL lan-iden idat ape ij u reed zich liets

ng-)

eedui

overlaten

ijs

pngióne. — incantévole.

dessert zich tevre- -den stellen gezegd verbieden -nadat

erfgenaam —

zich mees- -

ter maken dooi

lente —primavêra.

misdadiger — delinquênte, malfattóre. achterhaald —raggiunto. i\\plekj e — sito.

^edeJl

plukken —cógliere, córre. onbepaald — vago.

zich veria--fidarsi di.

ten op handeling — azióne. nu — óra.

erfenis — ereditd.

zal aanbre--verrd.

ken, komen

gevangenis — verrukkelij k

— lasciare.

— ghiaccio.

ZEVEN EN TWINTIGSTE LES.

Over het Gebruik van den Lijdenden en Wederheerigen Vorm ter Vertaling van het Nederlandsch Onbepaald Voornaamwoord „Menquot;.

§ 1. 1. Nón pud far uno ciö chè vuóle.

2. Món possiamo far do chè vogliamo.

3. L\' uóuio nón puu fare ciö chè vuóle.

4. Gli uóniiiii nón póssono fare ciö ché vógliono.

De Italiaansche taal heeft, als zoovele andere talen, eigenlijk geen woord voor het Nederlandsche „menquot;. Heeft dit woord eene algemeene beteekenis, dan kan men het, zooals

land] ente

van-18. illen erv.) kke-e in

Men kan niet doen wat men wil.

-ocr page 234-

228 Over de Vertaling van het Nederlandsche „Menquot;.

uit 1 blijkt, door uno (een, iemand) vertalen, of, zooals het 2de) 3de en 4de voorbeeld doen zien, door den lsten pers. meervoud nói, dat in ons voorbeeld uitgelaten is, door l\'uómo (de mensch) of gli uómini (de menschen) vertalen. Dit stemt geheel met het Engelsch overeen.

§ 2. 1. Quélla canzóne si — Men zingt dat lied goed.

canta hêne.

2. Quéste rnerGanzïe si vêndono— Men verkoopt deze wa-caro. ren duur.

3. Sé né paria. — Men spreekt er van.

4. Si sóno vendute caro quélle — Men heeft die waren mercanzie. duur verkocht.

Heeft „menquot; geen algemeene beteekenis, dan vertaalt men het door den wederkeerigen vorm. Dus wordt het voorbeeld ^en in 1, men zingt dat lied goed, vertaald, alsof men zeide: dat lied zingt zich goed; in 2, men verkoopt die waren duur, door: die waren verkoopen zich duur; in 3, men spreekt er van, door: het spreekt zich er van. Tevens ziet men uit dit voorbeeld dat het wederkeerig voornaamwoord si vóór komt te staan; si verandert dan volgens Les XI, § 3, bl. 114 in se. Uit 4 ziet men, dat de wederkeerige vorm het werkwoord êssere vordert, terwijl men in het Nederlandsch hebben bezigt: dus, men heeft die waren duur verkocht, wordt vertaald: die waren hebben zich (zijn zich) duur verkocht.

§ 3. 1. 8i canta béne. — Men zingt goed.

2. Ci o vi si canta béne. — Men zingt er goed.

■7

I

-ocr page 235-

Over de Vertaling van het Nederlandsche „Menquot;. 229

Komt bij den wederkeerigen vorm een der bijwoorden van )laats ei (hier, dichtbij) of vi (daar, verwijderd), dan plaatst _ en die woorden, zooals uit 2 blijkt, vóór het wederkeerig 3mt [voornaamwoord si.

§ 4. 1. /Si è détto. — Men heeft gezegd.

2. Siamaun uómo henévole. — Men bemint een welwillend mensch.

3. Quégli uómini sóno lodati. — Men prijst die menschen.

4. /S\'óno chiamato. — Men roept mij. 6. -È\' chicmata. — Men roept haar.

In 1 en 2 is het altijd nog de wederkeerige vorm. In 1 ; men heeft gezegd — het of dat heeft zich (is zich) ge-egd; in 2: men bemint een welwillend mensch — een welwillend mensch bemint zich. Zou echter door ien wederkeerigen vorm dubbelzinnigheid kunnen ontstaan, ooals in 3, waar men door te vertalen: quégli uómini si ódano, evengoed zou kunnen te verstaan geven, dat die menschen zich zeiven prijzen, als dat men hen prijst, dan gebruikt men den lijdenden vorm, en zegt men als in 3; die menschen worden geprezen. Insgelijks gebruikt men den lijdenden vorm, wanneer, als in 4 en 5, de wederkeerige vorm een der accusatieven mi, ti, ló, la, ei, vi, li, gli of bij zich zou hebben. Zoo vertaalt men, in 4, men roept mij, alsof men zeide: ik word geroepen, en in 5, men roept haar, als: zij wordt geroepen.

j 5. 1. Mi, ti, vi, ei si — Men schrijft mij, u, ons scrive una létter a. eenen brief.

2. /Sidissero lóro délle villanie. — Men zeide hun grofheden.

het ers. \'mo

ed.

va-

en

len eld le: lie ir; er rig ian lat /ijl )ft en

-ocr page 236-

230 32ste Oefening.

Komt bij den wederkeerigen vorm een der datieven mi, ti vi, ei, dan plaatst men dien vóór het wederkeerige si. Lórc komt, zooals uit 2 blijkt, steeds achter het werkwoord. In tusschen doet men ook hier beter den lijdenden vorm te ge bruiken en te zeggen, in plaats van mi si scrive una létter a mi è o vién scritta una lêttera.

§6. 1. Ü710 si lusinga in vano. 1

n sy- . 7 • ■ Men vleit zich te ver

Z. Ui Lusinghiamo m vano.

o cv 7 ■ geefs.

o. ioi iusingano m vano. )

Aan volzinnen, waarin „menquot; met het wederkeerige voor naamwoord zich in den 4den naamval voorkomt, wordt eei andere wending gegeven. Zoo wordt in ons voorbeeld „menquot; I vertaald in 1 door uno (een of iemand), in 2 door den lsten pers. meerv. : wij vleien ons en in 3 door den 3den p s. meerv. : zij vleien zich.

Thema 32.

1. Door zoo te doen, kan men slechts verliezen. 2. Men heeft ons eene schilderij gezonden, die den slag van Waterloo voorstelt. 3. In zijn geheel leven moet men leeren leven en sterven. 4. Men heeft zooveel van u gesproken, dat men u verlangde te zien. 5. Men leert moeilijk af, wat men op (lees: in den) jeugdigen leeftijd geleerd heeft. 6. Men werkt er dag en nacht, om spoedig gereed te zijn. 7. Wat zou men van u zeggen, indien gij het deedt? 8. Men ziet die twee mannen altijd samen, zij schijnen goede vrienden te zijn. 9. Men heeft zich met een ij dele hoop gevleid, de zaak heeft

-ocr page 237-

32ste Oefening,

niet aan de verwachting beantwoord. 10. Men riep hem, maar hij hoorde (p.p.) het niet; ten minste hij kwam niet,

11. Men kan u niets weigeren, gij vraagt altijd zoo beleefd.

12. Wanneer men vermoeid is, vindt men overal het bed goed. 13. Er is geene misdaad zoo verborgen, die men niet ontdekt (cong.) en niet te weten komt (cong.). 14. Men heeft mij eenen brief geschreven, waarin (lees: in welken) men mij meldt, dat mijn vriend ziek is. 15. Men acht dien man, maar men bemint hem niet. 16. Men heeft die waren duur verkocht, duurder dan men gedacht had. 17. Wanneer men niet kan zooals men wil, moet men willen zooals men kan. 18. Men prijst uwe vrienden te veel. 19. Ik wil gaan zien wat men daar doet. 20. Daar hoort men de vogels zingen, en ziet men de weiden groenen en de boomen bloeien.

231

hij kan —puö.

slag — hattaglia.

1 e e r e n — imparare. afleeren — düimparare. werken — lavorare. gij deedt —facèste {coxvg.) zij schijnen — pdiono. beantwoord — corrispósto. weigeren — rifusare. misdaad —reitd. ontdekken — scoprire. melden — avvisare. hij moet —débbe, déve o dée.

hij doet — fa.

voorstellen — rappresentare. sterven — morire.

zien — vedcre.

jeugdige leef--tënera etd.

tijd

dag en nacht — di e nótte. samen — insiême. verwachting — aspettazióne. h ij kwam — vênne. beleefd — cortesamén te. verborgen —nascósto.

te weten ko--sapére, pres.

men cong. sappia.

hij wil —vuóle.

gaan zien — andare a vedere.


-ocr page 238-

232 Vervoeging van het Onpersoonlijk werkwoord Tonare.

weide —prato. zij hooren —ódono.

bloeien Jionre. groenen —verdeggiare.

ACHT EN TWINTIGSTE LES.

Over de Onpersoonlijke Werlmoordm. § 1. Vervoeging van het Onpersoonlijk Werkwoord: Tonare — Donderen.

Infinitivo.

Pres. : Tonare — Donderen.

Pret. : Êssere o avère tonato — Gedonderd hebben. Ger. : Tonando — Donderende.

Part. Pass. : Tonato — Gedonderd.

Indicativo.

Presênte.

Tuóna 1) — Het dondert.

Imperfêtto.

Tonava -— Het donderde.

Pretêrito Perfêtto.

Tonö — Het donderde.

Pretêrito Indefinite.

È o ha tonato — Het heeft gedonderd.

Piü che Perfêtto.

Era o avéva tonato — Het had gedonderd.

Pretêrito Anterióre.

Fu o ébbe tonato — Het had gedonderd.

i) Zie les XXIII, § 5 bl. 207 en 208.

-ocr page 239-

Noodwendig Onpersoonlijke Werkwoorden. 233

Puturo Assoluto.

Tonerd — Het zal donderen.

Puturo Essatto.

Sard o avrd tonato — Het zal gedonderd hebben.

Coiidkioiiale.

Presênte.

Tonerëhbe — Het zou donderen.

Pretêrito.

iSarébbe o avrébbe tonato — Het zou gedonderd hebben.

Coiig-iiintivo.

Presente.

Tuóni 1) — Het dondere.

Imperfêtto.

Tonasse — Het donderde.

Pretêrito Perfêtto.

Bia o abbia tonato — Het hebbe gedonderd.

Piü che Perfêtto.

Fösse o avésse tonato — Het hadde gedonderd.

Zooals men uit het voorbeeld ziet, worden de onpersoonlijke werkwoorden, die een natuurverschijnsel aanduiden, in het Italiaansch met êssere en met avére vervoegd; bij voorkeur met êssere, omdat de Italianen, met ons in beschouwing verschillende, meer aan een toestand dan aan eene werking

denken.

Aanbreken van den dag.

§ 2.

Albeggiare Raggiomare

i) Zie noot op de vorige bladzijde.

-ocr page 240-

234 Toevallig Onpersoonlijke Werkwoorden.

Annoüare — Vallen van den avond.

Balenare |

Weerlichten.

Lampeggtare \'

Gelare — Vriezen.

Grandinare — Hagelen.

Nevicare — Sneeuwen.

Pióvere — Regenen.

Piovigginare i

Lamicare lt; Motregenen,

/Spruzzolare Tonare —■ Donderen.

Ventare — Waaien.

Bovenstaande werkwoorden drukken alle een natuurverschijnsel uit, kunnen slechts in den 3dcn persoon enkelvoud gebruikt worden en heeten daarom noodwendig onpersoonlijk. Alleen in dichterlijken en figuurlijken zin kunnen zij ook persoonlijk gebezigd worden b.v. : Le Idgrime gli pióvono dag li ócchi, de tranen stroonien hem uit de oogen.

§3. Constare — in den zin van duidelijk zijn.

Convenire — „ „ „ „ noodig zijn of betamen.

Disdirsi — „ „ „ „ niet voegen, niet passen.

Importare — „ „ „ „ zich aan gelegen laten zijn.

Occórrere \\

Accadére

Avvenire

iSuccêdere

Parére

iSernbrare

gebeuren.

den schijn hebben.

» }) V

-ocr page 241-

33ste Oefening. 235

Fa buón têmpo. — Het is goed weer.

Fa caldo. — Het is warm.

Fa fréddo. — Het is koud.

F necessario, \'utile, tardi. — Het is noodig, nuttig, laat. Accddono strane cóse. — Er gebeuren vreemde dingen. Gli bisógnano millefiorini.— Hij heeft duizend gulden

noodig.

Gli affari mi pdiono — Het schijnt mij toe, dat de mutati. zaken veranderd zijn.

Genoemde werkwoorden, waarbij men nog voegen kan het werkwoord fare, van het weder sprekende, en het werkwoord imre met een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord van tijd verbonden, komen slechts in de aangegeven beteekenis als onpersoonlijk voor. en omdat zij niet altijd onpersoonlijk zijn, noemt men ze toevallig onpersoonlijk. Zij kunnen, zooals uit de drie laatste voorbeelden blijkt, ook in den 3den oers. meerv. gebruikt worden.

Thema 33.

1. Het regent op den akker van den rechtvaardige, even-Is het regent op dien van den zondaar. 2. Het heeft heden og gesneeuwd maar niet lang. 3. Als het zoo warm is, ondert het dikwijls in den avond. 4. Het hagelde van aorgen zeer hard, de hagel heeft veel schade gedaan. 5. De ag begint aan te, breken en ik heb nog niet geslapen. 6. Ik ;eloof dat het van nacht gevroren heeft, het is koud. 7. Het legint reeds avond te worden, het is tijd om naar huis te ;aan. 8. Het motregent en wil niet goed doorregenen. 9.

-ocr page 242-

33ste Oefening.

Hebt gij gezien dat het weerlichtte? 10. Er gebeuren vele vreemde dingen, die men niet begrijpen kan. 11. Ik heb drieduizend gulden noodig; als ik ze niet heb, kan ik mijne zaken niet voortzetten. 12. Het ia nuttig dat het dondert (cong.) ; het onweder zuivert de lucht. 13. Het is duidelijk dat gij ongelijk hebt, al beweert gij gelijk te hebben. 14. Het schijnt mij toe dat die menschen rijk zijn, anders zouden zij zich zoovele uitgaven niet veroorloven. 15. Het is noodig dat gij vlijtig zijt (cong.), indien gij vorderingen wilt maken. 16. Rijkdommen en eerbewijzen regenden op hem neder. 17. Of het regent of waait (vertaal: het regene of waaie cong.) men ziet hem altijd buiten. 18. Het heeft den geheelen nacht gewaaid, en wanneer de wind gaat liggen, zal het regenen. 19. Het heeft geregend, maar nu is het droog en kunnen wij uitgaan. 20. Het is nu goed weêr, laat ons gaan. akker —cavipo. rechtvaardige — giusto.

zondaar —peccatóre. lang — lungo têmpo.

hard —fórte. hagel —grdndine.

schade —danno. gedaan —fatto.

slapen —dormire. doorregenen—pióvere hêne.

zij kunnen —póssono. begrijpen — comprêndere.

voortzetten — continuare onweder —tempêsta. zuiveren —purgare. lucht —dria.

ongelijk —tórto. gelijk —ragióne.

beweren — preténdere. veroorloven — permëttere. uitgaaf —spésa. vordering —progrêsso.

r ij k d o m — ricchèzza. eerbewijs — onóre.

buiten —fuór di casa. gaan liggen — calmarsi. droog —sécco.

236

-ocr page 243-

Over de Onregelmatige Werkwoorden.

NEGEN EN TWINTIGSTE LES.

Over de Onregelmatige Werkwoorden.

§ 1. Onregelmatige werkwoorden zijn die, welke in een of ander opzicht van de gewone regels der vervoeging afwijken. Deze afwijkingen kunnen plaats hebben:

1°. in den Presênte van den Indicativo;

2°. in den Pretêrito Perfêtto van den Indicativo, doch alleen, met uitzondering van het werkwoord êssere, in den Isten eil 3den pers. enkelv. en den 3den pers. meervoud;

3°. in den Futuro van den Indicativo en den Presênte van den Condizionale;

4°. in den Presênte of Futuro van den Imperative;

5°. in den Presênte van den Oongiuntivo;

6°. in den Imperfêtto van den Oongiuntivo, doch slechts bij een paar werkwoorden.

7°. in het Participio Passato of Passivo.

Zij komen niet voor :

1°. in het G erundio en in het Participio Presênte;

2°. in den Imperfêtto van den Indicativo, met uitzondering van het werkwoord êssere/

3°. In den 2den pers. enkelv., en in den lst;en en 2den meervoud van den Pretêrito Perfêtto van den Indicativo, met uitzondering van de werkwoorden êssere, dare en stare;

4°. in den 2den pers. meerv. van den Presênte of Futuro van den Imperativo, met uitzondering van de werkwoorden avêre, êssere en sapére;

5°. in den 2den pers. meerv. van den Imperfêtto van den Oongiuntivo, die altijd aan den 2den meerv. van den

237

-ocr page 244-

238 Over de Onregelmatige Werkwoorden.

Pretèrito Perfêtto van den Indicativo gelijk is, ook zelfs bij de werkwoorden êssere, dare en stare, waar deze persoon onregelmatig is;

60. in den Infinitive; want de saamgetrokken vorm op rre, dien sommige werkwoorden hebben, kan niet als een onregelmatigheid beschouwd worden.

Wij zullen nu tot de vervoeging der onregelmatige werkwoorden overgaan, en de drie vervoegingen na elkander behandelen. Wij zullen alleen de tijden opgeven, waarin onregelmatigheden voorkomen. De onregelmatige vormen zullen met eene cursieve letter, de regelmatige gespatieerd gedrukt worden. In de tijden, die niet vermeld worden, komen dus in het geheel geene onregelmatigheden voor. Evenals bij de regelmatige werkwoorden, zullen de verouderde vormen door f en de dichterlijke door p. vóór den vorm aangeduid worden. De samengestelde werkwoorden worden vervoegd als de enkelvoudige; waar dit niet het geval is, zullen wij het aangeven.

§ 2. De lste vervoeging heeft slechts vier onregelmatige werkwoorden namelijk: ♦quot;

andare — gaan.

dare — geven.

fare 1) — doen.

stare — staan, blijven enz.

1) Alleen om den uitgang hebben wij dit werkwoord hier bij de l!,e vervoeging gerekend. Het behoort echter werkelijk tot de 2\'\'c op ere-, want /are is een saamgetrokken vorm van fdcere, en van dezen laatsten Latijn-schen vorm leidt men alles af wat er regelmatigs in de vervoeging van fare voorkomt. Den Futuro Assoluto en den Presênte van den Condizio-nale vormt men echter van den saamgetrokken vorm.

-ocr page 245-

Vervoeging van het Onregelm. Werkw. An dare. 239

§ 3. Vervoeging van het Onregelmatig Werkwoord:

Andare — Gaan.

Indicativo.

P r e s ê n t e.

Wij gaan enz.

Plur. Andiamo,

Andate,

Vanno.

Puturo Assoluto.

Wij zullen gaan enz.

Plur. Andrémo,

Andréte,

Andranno.

Ik ga enz. Sing. Vado o vó, Vai,

Va,

Ik zal gaan enz. Sing. Andrd, Andrai, Andrd,

Condizionale.

Presente.

Wij zouden gaan enz. Plur. Andrémmo, Andrèste, Andrèbbero. Imperativo.

Presente o F.uturo.

Sing. Va — Ga.

Plur. Andate — Gaat.

Plur. Andiamo — Laat ons gaan. Coiigiuntivo.

Presênte.

Wij gaan enz.

Plur. Andiamo, Andiate,

Vddano.

Ik zou gaan enz. Sing. Andréi, Andrésti, Andrèbbe,

Ik ga enz Sing. Vada, Vada, Vada,

-ocr page 246-

Italianismen met An da re.

Riandare = voor een tweeden keer gaan en trasan-dare — overschrijden worden vervoegd als andare, maar riandare — onderzoeken en trasandare = verwaarloo-zen, zijn regelmatig.

§ 4. Italianismen met Andare.

Andare a hêne — goed van de hand gaan.

„ a buón fine — tot een goed einde komen.

„ adósso — te lijf gaan, aanvallen.

„ affilato — rechtuit gaan.

„ a filo — achter elkander gaan.

„ o vivere alia carlóna— als vroolijk Fransje leven. „ a próda — aan land gaan.

„ a rincóntro — te gemoet gaan.

„ a tastóne, tentóne o — op den tast gaan.

tentóni 4

„ a tAvola rotónda — aan eene table d\'hóte eten. „ a una — samengaan.

„ di girl e di sil 0 — heen en weder loop en.

di qud e di ld „ in ld cógli anni — op jaren komen. „ in punto de piêdi — op de teenen loopen. „ a vólo — zich haasten, vliegen.

„ carpóni — op handen en voeten kruipen.

„ a galla — drijven (van vloeistoffen).

„ pazzo d\'una cósa — op iets verzot zijn.

Lasciar andare una cósa — van iets zwijgen.

240

-ocr page 247-

34ste Oefening.

Thema 34.

1. Ik zal naar (da) mijn vriend gaan, om te zien of hij dat boek heeft (cong.). 2. Ga (enkelv.) naar uwen neef en vraag hem of hij mij zijn paard wil leenen. 3. Die waren gaan goed van de hand, zij zijn ook zeer goed. 4. Ik geloof zeker dat die zaak tot een goed einde zal komen; het vooruitzicht is ten minste goed. 5. Die kinderen gaan allen achter elkander naar school. 6. Mijn -vader komt met den trein van half negen aan, zullen Avij hem te gemoet gaan? 7. Indien uwe beide knechten vertrekken willen, laat hen dan gaan (vertaal: dat zij dan gaan, cong.). 8. Die blinde kan niets zien, hij gaat altijd op den tast. 9. Uw vader komt op jaren, hij zal weldra zijn zeventigste jaar bereikt hebben. 10. Zij loepen steeds heen en weer, wat ik erg vervelend vind. 11. Kleine kinderen kruipen dikwijls op handen en voeten, zelfs dan nog wanneer zij goed kunnen gaan. 12. De weezen gingen (p. p.) twee aan twee naar de kerk. 13. Ik wensch dat gij (enkelv.) gaat, gij hebt nu lang genoeg gewacht. 14. Ga (enkelv.) zien of mijne pijp op (vertaal: in) mijne kamer is, maar loop op de teenen, uw broertje slaapt. 15. Er is een kind in liet water gevallen, laat ons toesnellen om (pa-) het te redden.

of hij wil —se vóglia. • leenen —presiare. vooruitzicht — aspettazióne. ten minste —cdméno. hij komt —viêne. vertrekken -— anddrsene.

blind —ciéco. hij kan —pud.

vervelend — fastidioso, zelfs dan nog — persino. importuno.

wachten — aspettare. p ij p — pipa.

ITAMAASSCHK TAAI..

241

-ocr page 248-

242 Vervoeging van het Onregelm. Werkw. Dare.

DERTIGSTE LES.

§ 1. Vervoeging van het Onregelmatig Werkwoord;

Dare — Geven.

Indicativo.

Presênte.

Ik geef enz. Wij geven enz.

Sing. Dó, Plur. Diamo,

Dai, Date,

D a, Danno.

Pretêrito Perfêtto.

Ik gaf enz. Wij gaven enz.

Sing. Diêdi o détti, Plur. IJémrno,

Désti, Déste.

Diêde, dètte o diè, Diklero, déttero, diêrono

o diêdono,

p. diêr, diêro o diênno.

Imperativo.

Presênte o Futuro.

Sing. Dd — Geef.

Plur. Date — Geeft.

Plur. Diamo — Laat ons geven.

Coiig\'iuiitivo.

Présente.

\'Ik geve enz. Wij geven enz.

Sing. Dia, Plur. Diamo,

Dia, Diate,

J)iai Dïano, o diêno p. déano.

-ocr page 249-

Italianismen met Dare. 243

Imperfêt to.

Ik gave enz. Wij gaven enz.

Sing. Déssi, Plur. Déssimo,

Déssi, Dés te,

Désse, Déssero.

Addarsi — zich toeleggen, zich wijden en ridare = opnieuw geven worden vervoegd als dare; maar drcondare — omringen en ridondare = overvloedig zijn, zijn regelmatig.

§ 2. Italianismen met Dare.

Dare a here —te drinken geven; iemand

wat wijs maken. » a cumbio —geld 0p wigsel geven.

„ addósso ad alamo —op iemand los gaan, iemand

aanvallen.

.. ddito ai pemiêri —zijnen gedachten den vrijen

loop laten.

„ a gambe o darla a —zijne biezen pakken.

gambe

„ agio —tyd geven.

quot; a ta9^0 —stukswijze verkoopen.

„ hriga te doen geven, moeite

veroorzaken.

„ dél capo réi muro —met het hoofd tegen den

muur 1 o open.

„ al o nél capo —naar het hoofd stijgen.

,, ad una una casa ad — iemand een huis verhuren. affitto

-ocr page 250-

Italianismen met Dare.

244

dare il huón capo d\' anno — „ dance, parole „ d;i herrétta —

„ di bócca a checchessia -

„ di naso vn ógni cósa -„ fóndo —

„ grido

„ il hentornato, il hen- -

venulo „ huón pró

„ il gambétto ad uno

„ il piatto

„ il tratto alia hilancia -

^ „ in fallo

„ dél signóre , -

^ „ dél tu

„ le spalle „ a scdpito

„ in luce, a luce, alia luce,

fuóra un opera „ le hpése ad uno

^ „ nègli^ócchi

„ la pólvere négli ócchi

nieuwjaar wenschen. met ijdele praatjes paaien. ■ den hoed afnemen.

-alles zeggen, wat voor

den mond komt.

-overal den neus insteken.

gt; ^ CstS-\'-r- ...

-het anker uitwe-Fpen; zijn have en goed verkwisten, -beroemd, bekend maken.

— verwelkomen.

-smakelijk eten of gezondheid wenschen.

-iemand een beentje lichten, -den kost geven, -den doorslag geven.

— het doel missen.

-iemand als een heer behandelen.

-iemand met jij en jouw aanspreken.

— vluchten.

— met verlies verkoopen.

— een werk uitgeven.

— in iemands levensonder

houd voorzien.

— iu het oog vallen.

— zand in de oogen strooien.


-ocr page 251-

35ste Oefening 245

dare la bdia ad uno —- iemand be .spotten.

dar si pensier o d una cosa. —zich om iets bekommeren.

„ huón têmpo — het zich aangenaam maken.

„ pace —-zich gerust stellen.

Thema 35.

1. Hij zocht de eenzaamheid en gaf zijnen gedachten den vrijen loop. 2. Die kleur bevalt mij niet, zij valt te zeer in het oog. 3. Ik zou u wel geld geven, indien ik het (ne) had (cong.). 4. Hij voorzag in liet levensonderhoud van zijnen broeder, die wegens een lichaamsgebrek niet kon werken. 5. De , \' vijand vluchtte (p. p.), toen onze dappere troepen hem aanvielen (p. p.). 6. Gij zult het doel missen, indien gij geene andere middelen aanwendt (cong.j. 7. Hij heeft die waren niet verlies verkocht, omdat zij door (da) den brand geleden hadden. 8. Ik wenschte dat gij dien armen man geld gavet (cong.) om brood te koopen 9. Mijn vriend verwelkomde (p. p.) zijnen oom die van de reis teruggekeerd was. 10. Gij (enkelv.) zijt zeer nieuwsgierig, gij steekt den neus overal in. 11. Wie spoedig geeft, geeft tweemaal. 12. Mijne kamer ziet op de markt uit, waarom zij bijzonder vroolijk is. 13. Ik verlang dat gij de meid eene fooi gevet (cong.) voor de moeite, die uw logies haar veroorzaakt (vertaal: gegeven) heeft. 14. Het zal nuttig zijn, dat gij over de zaak spreekt (cong.); uw woord zal den doorslag geven. 15. Die jongelieden strooien hunnen ouders zand in de oogen ; hun gedrag is onverantwoordelijk.

-ocr page 252-

246 Vervoeging van het Onregelm. Werkw. Fare.

eenzaamheid — solitüdine. kleur —colore.

wegens —pêr. lichaamsge--difêtto cor-

troep — truppa. brek porale.

dapper —valoróso. middel —mêzzo.

aanwenden — adoperare. 1 ij d e n — patire.

nieuwsgierig — curioso. uitzien op —dare su.

markt —piazza dël vroolijk —liêto.

mercato. logies — alloggiaménto.

f00i —mancia. onverant- — inescusdbile.

jongiïiensch — gióvine. woordelijk

EEN EN DERTIGSTE LES. ^ 1. Vervoeging van het Onregelmatig Werkwoord ;

Fare 1) — Doen.

Infinitivo.

Pres. : Fare (facere) — Doen.

Pret. : Avére fatto — Gedaan hebben.

Part. pres. : Facênte — Doende.

Part. pass. ; Fatto — Gedaan.

Ger. : Facêndo — Doende.

Indicativo.

Presênte.

Ik doe enz. Wij doen enz.

Sing. F 6 p. faccio, Plur. Facdamo,

Fai, Fate,

Fa p. face, Fanno.

l) Dewijl de regelmatige vormen van het werkwoord Fare van den niet meer in het Italiaansch in gebruik zijnden Latijnschen vorm facere gemaakt worden, zullen wij dit werkwoord geheel vervoegen.

-ocr page 253-

Vervoeging van het Onregelm. Werkw. Fare. 24

Imperfêtto.

Ik deed enz. Wij deden enz.

Sing. Facéva, p./éa, Plur. Facevamo,

Facévi, Facevate,

Facéva, p. fea, Facévano p. féano.

Pretêrito Perfêtto.

Ik deed enz. Wij deden enz.

Bing. Féoi, p. fél, Plur. Facémmo, p. fémmo,

Facésti, p. fésti, Facéste, p. féste,

Xèce, p. o féo, Fécero, p. ftrono, féro

ftrino o jtrno. Pretêrito Indefinite.

Ik heb gedaan enz. Wij hebben gedaan enz.

Sing. Hó fatto etc. Plur.Abbiamo jatto etc.

Piü che Perfêtto.

Ik had gedaan enz. Wij hadden gedaan enz.

Smg. Avé va fatto etc. Plur. Ave vamo fatto etc.

Pretêrito Anterióre.

Ik had gedaan enz. Wij hadden gedaan enz.

Sing. Ébbi fatto etc. Plur. Avémmo fatto etc.

Future Assoluto.

Ik zal doen enz. Wij zullen doen enz.

Sing-Farö\' Plur. Farémo,

Farai\' Faréte,

Far anno.

Future Esatto.

Ik zal gedaan hebben enz. Wij zullen gedaan hebben enz. Smg. Avrö fatto etc. Plur. Avrémo fatto etc.

-ocr page 254-

246 Vervoeging van het Onregelm. Werkw. Fare.

eenzaamheid — sohtüdine. wegens —pèr.

troep dapper aanwenden — adoperare. nieuwsgierig — curioso. markt —piazza dél

mercato. fooi — mancia.

jongmensch — gióvine.

— truppa.

— valor óso.

kleur —

lichaamsge- -

brek middel — 1 ij d e n —

uitzien op — v r o o 1 ij k — logies — o n v e r a n t-woordelijk

colóre.

- difêtto cor

porale.

■ mêzzo.

■ patire.

■ dare su.

■ liêto.

alloggiamérito.

— inescusdbile.


EEN EN DERTIGSTE LES.

Vervoeging van liet Onregelmatig Werkwoord; Fare 1) — Doen.

Infinitivo.

Pres. : Fare (facere) — Doen.

Pret. : Avére fatto — Gedaan hebben.

Part. pres. : Facênte Part. pass. ; Fatto Ger. : Facéndo

Indicativo.

Presênte.

— Doende.

— Gedaan.

— Doende.

Wij doen enz. Plur. Facciamo, Fate, F anno.

Ik doe enz. Sing. F o p. faccio, F ai,

Fa p. face,

ï) Dewijl de regelmatige vormen van het werkwoord Fare van meer in het Italiaansch in gebruik zijnden Latijnschen vorm facere worden, zullen wij dit werkwoord geheel vervoegen.

-ocr page 255-

Vervoeging van het Onregelm. Werkw. Pare. 247

Imperfêtto.

Ik deed enz. Wij deden enz.

feing. Facéva, p. féa, Plur. Facevamo,

Pacévi, Pacevate,

Pacéva, p. fea, Pacévano p. féano.

Pretêrito Perfêtto.

Ik deed enz. Wij deden enZi

8ing. Féd, p./éi, Plur. Pacémmo, p. fémmo,

Pacésti, 23. fésti, Pacéste, p. féste,

Fèce, p. o féo, F teer o, p. férono, féro,

fénno o férno.

Pretêrito Indefinite.

Ik heb gedaan enz. Wij hebben gedaan enz.

Sing. Ho fatto etc. Plur. Abbiamo fatto etc.

Piü che Perfêtto.

Ik had gedaan enz. Wij hadden gedaan enz.

Sing. Avé va fatto etc. Plur. Ave vamo /a«o etc.

Pretêrito Anterióre.

Ik had gedaan enz. Wij hadden gedaan enz.

Sing. Ébbi fatto etc. Plur. Avémmo fatto etc.

Puturo Assoluto.

Ik zal doen enz. Wij zullen doen enz.

8ing-Farógt; Plur. Parémo,

Farai\' Paréte,

Fai^\' Paranno.

Puturo Esatto.

Ik »1 gedaan hebben enz. Wij zullen gedaan hebben enz. Sing. Avrö fatto etc. piur, Avrémo fatto etc.

-ocr page 256-

m

246 Vervoeging van het Onregelm. Werkw. Fare.

eenzaamheid — solitüdine. wegens —pêr.

troep —truppa.

dapper — valoróso. aanwenden — adoperare. nieuwsgierig — curioso. markt —piazza M

mercato. fooi — mancia.

jongmensch — gióvine.

kleur —colore.

1 i c h a a m s g e--difêtto cor-

brek por ale.

middel — mêzzo.

lijden —patire.

uitzien op — dare su. vr ooi ijk —liêto.

logies — alloggiaméfnto.

o n v e r a n t- — tnescusdbile. woordelij k


EEN EN DERTIGSTE LES.

§ 1. Vervoeging van het Onregelmatig Werkwoord: Fare 1) — Doen.

Infinitivo.

Pres. ; Fare (facere) — Doen.

Pret. : Avére fatto — Gedaan hebben.

Part. pres. : Facênte — Doende.

Part. pass. ; Fatto Ger. ; Facêndo

Ik doe enz. Sing. Fop. faccio, Fai,

Fa p. face,

Indicativo.

Presênte.

Wij doen enz. Plur. Facciamo, Fate, F anno.

- Gedaan.

- Doende.

i) Dewijl de regelmatige vormen van het werkwoord Fare van den niet meer in het Italiaansch in gebruik zijnden Latijnschen vorm facere gemaakt worden, zullen wij dit werkwoord geheel vervoegen.

|

-ocr page 257-

Vervoeging van het Onregelm. Werkw. Pare. 247

Imperfêtto.

Ik deed enz. Wij deden enz,

feing. Pacéva, p. fèa, Plur. Facevamo,

Pacévi, Facevate,

Pacéva, p. fea, Pacévano p. /écmo.

Pretêrito Perfêtto.

Ik deed enz. Wij deden enz.

Sing. Féci, p. féi, Plur. Pacémmo, p. fémvio,

Pacésti, p. fésti, Pacéste, p. féste,

Féce, p. fe o féo, Fécero, p. férono, féro,

fénno o férno. Pretêrito Indefinito.

Ik heb gedaan enz. Wij hebben gedaan enz.

feing. Hó fatto etc. Plur. Abbiamo fatto etc.

Piü che Perfêtto.

Ik had gedaan enz. Wij hadden gedaan enz.

feing. Avé va fatto etc. Plur. Avevamo fatto etc.

Pretêrito Anterióre.

Ik had gedaan enz. Wij hadden gedaan enz.

feing. Ébbi fatto etc. Plur. Avémjno fatto etc.

Puturo Assoluto.

Ik za^ ^0611 enz- Wij zullen doen enz.

8ing-Farö\' Plur. Parémo,

Parai, Paréte,

Paranno.

Puturo Esatto.

Ik zal gedaan hebben enz. Wij zullen gedaan hebben enz. feing. A vi ö /a/fo etc. Plur. Avrémo/ato etc.

-ocr page 258-

248 Vervoeging van het Ouregelm. Werkw. Fare.

Ik zou doen enz. Sing. F ar éi, p. faria, Farésti, Farébbe,

Coiulizioiiale.

Presênte.

Wij zouden doen enz. Plur. Parémmo, F aréste, Farébbero.


Pretêrito.

Ik zou gedaan hebben enz. Wij zouden gedaan hebben enz. Sing. Avréi fatto etc. Plur. Avrémmo fatto etc.

Imperativo.

Presênte o Futuro.

Sing. Fa — Doe.

Plur. Fate — Doet.

Plur. Facciamo — Laat ons doen.

Cong\'iniitivo.

Presênte.

Wij doen enz.

Plur. Facciamo,

Facciate,

Fdcciano.

Imperfêtto.

Ik dede enz. Wij deden enz.

Sing. Facéssi, p. féssi. Plur. Facéssimo, p. féssimo,

Facéssi, p. féssi, Facéste, p. féste,

Facésse p. fésse, Facéssero, p. féssero.

Pretêrito Perfêtto.

Ik hebbe gedaan enz. Wij hebben gedaan enz.

Sing. Abbia fatto etc. Plur. Abbiamo fatto etc.

Ik doe enz. Sing. Face ia, Faccia, Faccia,

-ocr page 259-

Italianismen met Ft

249

are.

Pin che Perfêtto.

Ik hackle gedaan enz. Wij hadden gedaan enz.

Sing. Avéssi fatto etc. Phir. Avéssimo/a/fo etc.

De van Fare samengestelde werkwoorden worden alle op dezelfde wijs vervoegd.

Italianismen met Fare.

zoo slecht mogelijk maken.

— wedijveren.

nu dit, dan dat bevelen.

— zich dwaas aanstellen. ammênda, l\'ammênda — boete doen, de schade herstellen.

iemand moed inspreken.

— overleggen, besparen.

— scheren.

— op de gezondheid drinken, iemand een vriendelijk, een

leelijk gezicht zetten, een goed leven er van nemen, warm, koud weder zijn. opnieuw beginnen.

naar zijn zin handelen, de kaarten doorschudden, luchtkasteelen bouwen.

— borg stellen.

— het gevolg uitmaken.

geraas maken.

den s c h ij n h e i 1 i g e s p e 1 e b.

§ 2.

Fare a far pêggio „ a gara „ alto e basso „ alia carlóna

o emênda animo ad uno avanzo la barba br\'mdisi altrui buona,

céra buóna vita caldo, fréddo da capo di suo capo le carte

castêlli in aria

cauto

coda

chiasso

il collo tórto

mala

-ocr page 260-

Italianismen met Fare.

250

Fare da burla

„ daddovéro

„ délla necessitd virtü -

„ del magno

„ mestiêri

„ un gran dire d\'alcuna

cósa

„ feck

„ /oce

„ Jmito

„ grèiüe

„ grmro

„ del grande

„ la luna

„ Zima /ima

„ colazióne o colezióne

„ Z\' Indiana

„ lume

„ maZ giuóco ad una

„ %óia ad uno

„ quattro parole

„ orécchie di mercante

„ présa

„ pübblico

„ c/c/ résfo

store

■ schertsenderwijze doen.

iets ernstig doen.

van den nood e e n e deugd maken.

- een hooge borst opzetten.

■ noodig zijn.

-een groot lawaai van iets maken.

- getuigenis afleggen.

- uitmonden (van rivieren), -goede gevolgen hebben,

baten.

-troepen aanwerven.

- een eed afleggen.

-den grooten heer spelen, -nieuwe maan zijn.

- uitsliepen.

- ontbijten.

- zich dom houden.

- bijlichten.

- iemand eene poets bakken, -iemand vervelen.

- een paar woorden zeggen.

- oostindisch doof zijn.

- wortel vatten.

- uitgeven (van boeken), -het laatste op het spel

zetten.

- tot rede brengen.


-ocr page 261-

36ste

Oefening.

251

Fare stivia

- achten.

„ la stivia

-schatten, taxeeren.

„ la sfrada d\'alcun luógo —

-den weg over eene

plaats

nemen.

„ suo

zich toeëigenen.

„ h\'óppole

strikken spannen.

lagen

leggen.

„ un viaggio e

due —

twee vliegen in een klap

servizi

slaan.

„ vólta

om keer en.

„ da uómo

als een man handele

n.

„ uópo o duópo

noodig zijn.

„ vóto

een gelofte afleggen,

Fard faccênde _ zich veel te doen maken.

présso ad uno —iemand naderen. „ innanzi, mdiêtro, —vooruittreden, teruggaan. Ohi fa per sé, fa per trè — waar iemand zelf komt, wordt

hem het hoofd gewasschen.

Thema 36.

1. Doe (enkelv.) uwen plicht en gij zult door iedereen geacht worden. 2. Doe (enkelv.) niet aan anderen wat gij niet wilt dat u geschiede (vertaal: zich doe (cong.). 3. Wanneer men hem een verzoek doet. is hij oostindisch doof. 4. Gij hebt mij eene poets gebakken, maar ik zal het u betaald zetten (vertaal; betalen). 5. Ik zal mij een nieuwe overjas en een nieuwe broek laten maken, want ik heb ze noodig (vertaal: zij zijn mij noodig). 6. Ik zal dadelijk ontbijten;

-ocr page 262-

252 36ste Oefening.

wacht een oogenblik, ik zal spoedig bij {con) u zijn. 7. Wat doen die jongens? Ik geloof dat zij hunne vertalingen voor morgen maken. 8. AVilt gij dat ik dat voor u doen zal (pres. cong.), dan moet gij mij tijd geven. 9. Hij wenschte, dat wij den dokter lieten (vertaal: deden (cong.) komen, hij voelde zich ongesteld. 10. Wij spraken (p. p.) hem moed in, maar hij hoorde (p. p.) ons niet aan. 11. Uw neef is een verstandige jongen, hij doet niets zonder voorkennis van zijn vader. 12. Wees niet kleinmoedig als een kind, maar handel als een man. 13. Hij stelde zich woest en onbeschaamd aan, maar wij brachten hem spoedig tot rede. 14. Gij (enk.) verveelt mij, ga maar heen en kom niet gauw terug. 15. Mijn broeder schoor zich, terwijl ik mij kleedde. 16. Die leerling zette geen vriendelijk gezicht, toen de meester hem voor idi) zijne luiheid bestrafte. 17. Ik zou eene wandeling doen, als ik er den tijd toe had (cong.). 18. Onze schipper zou zich eene zwart lakensche jas (vertaal: van zwart laken) laten maken, als zij niet te duur was (cong.). 19. Ik wilde uw broeder spreken, maar ik wilde eerst mijn vriend bezoeken, en toen ik bij {da) mijn vriend kwam, ontmoette ik ook uw broeder en sloeg zoo twee vliegen in één klap. 20. Gij wenschtet dat wij dat deden (cong.), maar wij zullen het niet doen, omdat wij andere zaken te doen hebben.

gij wilt —tu vuói (enk.), overjas —soprdbito. broek —calzoni (plur.). dadelijk — sübito, incon-v er taling — traslazióne, hnênte.

traduzióne. gij moet — Ella débhe. aanhoor en —- ascoltare. verstandig —■ ragionevole.

voorkennis —- saputa. kleinmoedig — pusilldnimo.

-ocr page 263-

Vervoeging van het Onregelm. Werkw. Stare. 253

n be - — impudenteménte, zich aanstel- — comportarsi. scha a m d sfacciataménte. 1 e n

uiheid . pigrizia. woest — sgarbatamènte.

chipper —barcamólo. wandeling ~passeggiata

k wilde -vólli. jas __AbitcK

k kwam —vênni. eerst —prima.

;ij wensch- ~ Élla vorrébbe. ontmoeten — rincontrare tet

TWEE EN DERTIGSTE LES. § 2. Vervoeging van het Onregelmatig Werkwoord;

Stare — Blijven; staan; zich bevinden. Iiidicativo.

Pr e s ê n t e.

Ik bliJf enz- Wij blijven enz.

5ing- Stó- Plur. Stiamo,

8tai\' State,

Stanno.

Pretêrito Perfêtto.

Ik bleef enz- Wij bleven enz.

3ing. mti, p. stèi, Plur. stémmo,-

Stésti\' Stëste,

\'Sfètte, p. dé\', 8lettero.

Coiigiuntivo.

Presênte.

Ik blijve enz. Wij blijven enz.

3ing\' 8ixagt; Plur. Stiamo,

Stlt; Stiate,

Süano.

-ocr page 264-

Italianismen met Stare.

Imperfêtto.

Ik bleve enz. Wij bleven enz.

Sing. Stéssi, Plur. Stéssimo,

Stéssi, Stéste,

Stésse, iStéssero.

Restare (blijven) en distare (verwijderd zijn) worden vervoegd als stare; contrastare (tegenoverstaan), soprastare en sovrastare (talmen, dralen) worden ook vervoegd als stare, maar contrastare in den zin van tegenspreken, zich verzetten en soprastare of sovrastare in de beteekenis van besturen, overbeerscben zijn regelmatig.

§ 2. Italianismen met Stare.

Stare pér —op bet punt zijn van.

pêr tór móglie —op bet punt zijn te huwen.

a capëllo —juist passen.

a casa —te buis zijn ; zorgeloos leven.

accórto —op zijn hoede zijn.

a cónto — rekenschap geven.

adondolarsioadóndolo — lanterfanten, luieren. aU acqua — doornat z ij n.

a propósito —van pas zijn.

pensóso, in pensiêro —in gedachten staan, bezorgd zijn.

aW êrta o in sulle sue — op zijn hoede zijn. a soprattiêni —op wachtgeld staan.

a tagliêre cön uno —met iemand samenwonen. a terrèno —gelijkvloers wonen.

254

-ocr page 265-

Italiarismen met Stare.

255

Stare a ünêllo

„ a tócca e non tócca „ a véglia

„ chëto

„ colle rnani in rnano

„ da capo

„ allegro, di buóna vóxjlia

„ dclla dêtta o nialle-

v ad,óre

„ di mêzzo

„ sójrra sé „ in fórse, in dühio „ infra due o fra \'l si -

e 7 nó „ in apolline

„ in sulla negativa -

„ in trattato „ Undo e pindo _

a in tuóno cön uno —

ii pér la piana ~

ii suir ale o in mil! ale —

,, suil\' avviso _

— bij de menschen, bij wie men inwoont, aan tafel eten. zeer dichtbij zijn (rakelings).

— de wacht hebben.

— stil zijn, zwijgen.

lee^: staan, niets uitvoeren, aan het hoofd staan, de voornaamste zijn.

— goed geluimd zijn.

— borg zijn.

in het midden staan ; onpar-tijdigzijn; bemiddelaar zijn.

— in zich zeiven gekeerd zijn.

— in twijfel staan.

— in onzekerheid verkeeren,

aarzelen.

— lekker eten en drinken,

een lekker leven leiden, -ontkennen; bij de leugen

volharden, -in onderhandeling zijn. -fatterig gekleed zijn. -met iemand op. goeden

voet zijn.

-eenvoudig, matig leven, •op sprong staan, op \'t

punt staan.

op den loer staan.


-ocr page 266-

Italianismen met Stare.

254

Ik bleve enz. Sing. Stéssi, jStéssi, Stésse,

Imperfêtto.

Wij bleven enz. Plur. Stéssimo, S léste, Süssero.


Restore (blijven) en distare (verwijderd zijn) worden vervoegd als stare; contrastare (tegenoverstaan), soprastare en sovrastare (talmen, dralen) worden ook vervoegd als stare, maar controAtare in den zin van tegenspreken, zich verzetten en soprastare of sovrastare in de beteekenis van besturen, ov erheerschen zijn regelmatig.

§ 2. Italianismen met Stare.

— op het punt zijn van.

— op het punt zijn te huwen. —-juist passen.

— te huis zijn; zorgeloos leven.

— op zijn hoede zijn.

— rekenschap geven.

— lanterfanten, luieren. alT acqua —doornat zijn.

a propósito —van pas zijn.

pensóso, in pensiêro —in gedachten staan; bezorgd zijn.

all\' êrta o in sulle sue — op zijn hoede zijn. a soprattiêni — op wachtgeld staan.

Stare pêr

„ pêr tór móglie

„ a capéllo

„ a casa

„ aceórto

„ a cónto

„ a dondo larsi o a dóndo lo

a tagliére cón uno —met iemand samenwonen. a terréno —gelijkvloers wonen.

UÊÊÊÊ

-ocr page 267-

Italianismen met Stare.

255

Stare a tinêllo

„ a tócca e mrn tócca „ a vêglia

„ chéto

„ colle mani in numo

„ da capo

„ allègro, di huóna vóglia

„ délla dêtta o vialle-

vadóre

„ di mêzzo

„ sópra sé „ in fórse, in dübio „ infra due o fra \'l si-

e \'l nó „ in apollme

„ in sulla negativa

„ in trattato „ Undo e pindo ~

„ in tm\'rno cón uno —

» pér la piana ~

ii suil ale o in suil\' ale —

gt;i suil\' avviso _

bij de menschen, bij wie men inwoont, aan tafel eten. zeer dichtbij zijn (rakelings).

— de wacht hebben.

— stil zijn, zwijgen.

lee^ staan, niets uitvoeren, aan het hoofd staan, de voornaamste zijn.

— goed geluimd zijn.

— borg zijn.

in het midden staan ; onpar-tijdigzijn; bemiddelaar zijn.

— in zich zeiven gekeerd zijn.

— in twijfel staan.

-in onzekerheid verkeeren, aarzelen.

— lekker eten en drinken,

een lekker leven leiden, -ontkennen; bij de leugen

volharden, -in onderhandeling zijn. -fatterig gekleed zijn. -met iemand op. goeden

voet zijn.

-eenvoudig, matig leven, ■op sprong staan, op \'t

punt staan.

op den loer staan.


-ocr page 268-

37ste Oefening.

Thema 37.

1. Hoe bevindt gij u? Ik bevind mij Goddank uitstekend. 2. Zijn uwe ouders ook wel? Ja, hunne gezondheid laat niets te wenschen over. 3. Waarom staat gij (enkelv.), waarom neemt gij geen stoel? 4. Ik stond op het punt uit te gaan, toen de slotenmaker kwam om een nieuw slot aan mijnen lessenaar te maken. 5. Die jongen kon duidelijk merken, dat wij alles wisten, en toch bleef hij bij de leugen volharden. 6. Wij zijn in onderhandeling over die zaak, ik hoop dat zij tot een goed einde zal komen (cong.). 7. Mijn oom, die officier is, staat op wachtgeld; ik denk wel dat hij zijn pensioen zal vragen. 8. Wij wonen gelijkvloers, maar de klerk van den notaris woont op de tweede verdieping. 9. Wees stil, mijn vriend, maak geen geraas, de zieke is zoo even ingeslapen. 10. Wij zullen morgen te huis blijven, omdat wij een oom van ons wachten uit Arnhem. 11. Mijn vriend, die geneesheer is, woont in bij den notaris, en eet ook bij deze familie aan tafel. 12. Ik zou wel wenschen dat die jonge lui meer op hunne hoede waren (cong.) en niet luisterden (cong.) naar de vleiers, die hen omgeven. 13. „Wat staat gij (meerv.) daar leeg en voert niets uit,quot; zeide de behanger tot zijne knechts; „om niet te werken, heb ik u niet gehuurdquot; (prêsi a servizio). 14. Laat uw vader bemiddelaar zijn (vertaal: dat uw vader zij) in het verschil tusschen die twee handwerkslieden; hij is een rechtschapen man en zal ieder recht doen. 15. Wij hopen dat gij goed geluimd zijt (cong.), zooals wij het ook zijn, dan kunnen wij veel genoegen hebben.

256

-ocr page 269-

Over de Onregelmatige Werkwoorden op ere. 257

grazie a JJio. slotenmaker — magnano.

- ssTvcctuTci. merken — uccdvgarsi.

\'.7 ito, pensioen —quot;pamp;w^xöiiG,

- scnvano. verdieping —picino. ovoTctfi7i(jucsto Arnhem — /1 t/i^iu.?//

punto. behanger — tapezziêre.

■ adulator e. verschil —Ute.

een knecht huren

een huis huren

■ piglare a pigióne una cam. „ a nolo „ „

nolegglare n

pig Hare a servigio iemand recht — raider e. un sérvo. doen —giustizia aduno.

w ij k u n n e n — possiamo.

Adémpiere Assistere

DRIE EN DERTIGSTE LES.

Over de Onregelmatige Werkwoorden op ere. § 1. Verreweg de meeste werkwoorden op ere zijn onregelmatig; de weinige regelmatige zijn vervat in de volgende lijst:

— Vervullen.

Bijstaan. Dit werkwoord heeft, evenals alle samengestelde van het in het Italiaansch met in gebruik zijnde sister e, in het verleden deelwoord assistito.

goddank slot

duidelij k klerk zoo even

vleier

— Slaan.

— Drinken.

— Afstaan; wijken.

v.

\'dttere Jévere ^êdere

ITAUAANSCIiF, TAAI,.

n

-ocr page 270-

7

258 Lijst van Regelmatige Werkwoorden op ere.

GérncTG — Uitkiezen 5 onderscheiden.

Crèdere — Gelooven.

Compêtere — Strijden; bestrijden, wedijveren. *jConcép6T6 — Ontvangen. De Pret. perf. van dit weik-

woord komt zelden voor. DirtvieTe — Scheiden; beslechten. Het Part. pass.

niet gebruikt.

EfAgevs — Eischen. Het Part. pass. is escitto. ^Esimere — Bevrijden. Het Part. pass. is esênto, als

bijv. naamwoord esênte. Ééndere — Klieven. In den Pret. perf. ook fêsd en in

het Part. pass. bij dichters : fêsso. Fctvctg — Zieden, koken. Part. pass. niet gebruikelijk. Fiêdere — Slaan, wonden. „ „ „ „ Frêmere — Sidderen.

Oértnere — Zuchten.

GodPre — Smaken, genieten.

InGÓmhere — Behooren.

Imcere — Glinsteren. Geen Part. pass.

Méscere — Mengen.

Miêtere — Maaien.

Mólcere — Doen bedaren. Part. pass. niet gebruikt Pdscere — Weiden.

Péndere — Hangen.

Pèrdere — Verliezen.

Prémere — Drukken. Part. pass. bij dichters: \'prêaso Prescrndere — Scheiden.

Presiêdere — Voorzitten.

Ricèvere — Ontvangen.

-ocr page 271-

Lijst van Regelmatige Werkwoorden op ere. 259

liiflétterc — Nadenken ; weerkaatsen. In laatstgenoemde

beteekenis in het Part. pass. riflésso.

— Herhalen.

— Besluiten. In den Pret. perf. ook risolsi en in het Part. pass. risólto.

— Onderscheiden. Inden Pret. perf. en het Part. pass. ook : scérni en scérto.

— Ivronkelen. In den Pret. perf. en het Part. pass. niet gebruikelijk.

— Ontbinden. In het Part. pass., dat ook sólto is, weinig gebruikt.

Verspreiden. Part. pass.: spanto of spaso Voor dit Part. pass. gebruikt men gewoonlijk sparso van spdrgere. —- Schitteren.

— Schreeuwen. Weinig gebruikt in het Part.

pass.

Bezwijken. Part. pass. niet gebruikelijk. Zuigen. Als Part. pass. gebruikt men

succhiato van succhiare.

— Vreezen.

— Weven.

— Scheren.

— Verkoopen.

Deze werkwoorden hebben alle voor den 1 sten en 3den perg enkelv. en den 3clen meerv. van den Pretêrito Perfêtto ^an den Indicative, zooals men reeds uit de vervoeging van het werkwoord Temêre heeft kunnen zien, een dubbelen vorm : éénen op ei, è en érono en een anderen op étti, étte,

iipétere Risólvere

Scêrnere

Sérpere

Hólvere

Spdndere

Bplènderc Strïdere

Succómhera Sugg ere

Tamere Têssere Tónder e Véndere

-ocr page 272-

260 Over de Onregelmatige Werkwoorden op gliere.

ettero. De werkwoorden, die voor den uitgang ere een t of tt hebben, zooals ripêtere en bdttere, verkiezen de uitgangen: éi, è en érono, evenals de volgende :

Esigere Fêndere

Fonder e dat in den Pret. perf. en het Part. pass. ook fusi en juso heeft.

Méscere,

Fdscere,

Prescindere,

8trider e,

Succómhere,

Süggere,

Têssere en Tónder e.

Pres

Pres

M

gden

Hcegl

D

WOOl

E

§ 2. Van de onregelmatige werkwoorden dezer vervoeging, zijn bijna alle alleen onregelmatig in den Pretêrito Perfètto en het Participio Passato o Passivo. Slechts 17 werkwoorden met hunne samengestelde zijn ook nog in andere tijden onregelmatig. Wij willen daarom deze werkwoorden in twee klassen verdoelen; de eerste klas bevat de werkwoorden met een onregelmatigen Pretêrito perfètto, en een onregelmatig Participio Passivo; de tweede alle overige. Tot de eerste klas rekenen wij ook de werkwoorden op gliere, ofschoon deze ook in den Presente van den Indicative en Congiuntivo van de gewone regels afwijken b.v. : cógliere (plukken) en soégliere (kiezen) hebben in den

Bimg

waai h /orrr kok ils i

-ocr page 273-

Onregelm. Werkw. op uocere, uotere en uovere. 261

Presênte van den Indicative: cólgo, cógli, cóglie, cogliamo,

cogliète, cólgono.

scélgo, scégli, scéglie, scegliamo, scegliéte, scélgono.

en in den

Presênte van den Oongiuntivo ; cólga, cólga, cólga, cogliamo,

cogliate, cólgcmo.

scelga, scélga, scélga, scegliamo, seégliate, scélgano.

Men kan echter ook in den lsten pers. enkelv. en den |3quot; Pers- meerv, van den Pres. van den Ind. cóglio en I ïceglio, cógliono en scéglwno zeggen.

Deze onregelmatigheid hebben wij, omdat ze bij al de werkwoorden op gliere dezelfde is, niet in rekening gebracht.

Evenmin brengen wij het als een onregelmatigheid in reke-laing, dat de werkwoorden op uócere, uótere en uóvere overal, iwaar zij in de regelmatige vormen den klemtoon niet op de r llebben- de U voor de o uitwerpen. In de onregelmatige \\ I normen werpen zij de u steeds uit. Zoo worden cuóccre ■koken), scuótere (schokken) en muóvere (bewegen) vervoegd | ds volgt:

Iiifiiritivo.

of tt

i; éi,

ook

mg,

itto irk-tij-in )or-een

ge. | Cuóeerc Scuótere Muóvere

re, | Koken. Schokken,

vo

ere

Participio Presênte.

G^cénte Scotênte Movênte

Kokende. Schokkende. Bewee-ende.

Bewegen.

-ocr page 274-

262 Vervoeging van de Werkwoorden Cuocere,

Participio Passato o Passivo.

C»tto (onregelm). Scitsso (onregelm.) Mbsso (onregelm.)

Bewogen.

Movéndo Bewegende.

Plu

Gekookt.

Cacéndo Kokende.

Sin

Plu

Sin

Ik kook enz. Sing. Guóco, Cuóci, Cuóce,

Plur. Cociamo, Gocéte, Cuócono.

Geschokt.

Gerundio. iScotêndo Schokkende.

Indicativo.

P r e s ê n t e.

Ik schok enz. /Scuóto,

Scuóti,

Scuóte, /Scotiamo, Scotéte, Scuótono.

Ik beweeg enz. Muóvo,

Muóvi,

Muóve, Mmiamo, Ahwéte, Muóvono.

Imperfêtto.

Ik schokte enz. Ik bewoog enz.

Ik kookte enz. Sing. Cacèva, Cacévi, Cocéva, Plur. Cocevamo, Cocevate, Cocévano.

Ph

Sir Pli

Pli

Li

iScotiiva, Movéva,

Scotévi, Movévi,

Scotéva, Movéva,

/Scotevamo, Movevamo,

jScotevate, Movevate,

/Scotévano. Movèvano.

Pretêrito Perfêtto. ^

Ik kookte enz. Ik schokte enz. Ik bewoog enz.

Sing. Cossi,(onregelm.) /S\'có.s.si, (onregelm.) Jllossi, (onregelm.)

Cocteti, Scotésti, Movésti,

Cósse, (onregelm.)/S\'cosse, (onregelm.) Jlfösse, (onregelm.)

-ocr page 275-

Seuotere en Muovere.

Plur. CoGémmo, /Scotémmo, Movémmo,

Cocéste, jSco téste, JlTovéste,

Cóssero (onregelm.) /Scussero (onregelm.) Afóssero (onregelm.)

Futuro Assoluto.

Ik zal koken Ik zal schokken Ik zal bewegen

enz.

Sing. Coccrd, Cocerai, Cocerd, Plur. Cocerémo, Coceréte, Coceramw.

enz. enz.

/Scoterd, Hf over d,

/Scoter ai, Mover ai,

/Scoterd, Moverd,

/Scoterèmo, Mover émo,

Scoteréte, Moveréie,

Scoter anno. Moveranno. Condizionale.

P r e s ê n t e.

Ik zou koken Ik zou schokken Ik zou bewegen

263

enz.

Sing. Coceréi, Cocerésti, Coceréhhe, Plur. Cocerèmmo, Coceréste, Cocerëhhero.

Sing. Cuóci, Kook. Plur. Oocéte, Kookt. Plur. Cociamo.

enz.

8 co ter éi,

iScoterèsti, Scoterchbe, Scoterèmmo, Hcoteréde, Hcoter(gt;hJ)ero. Imperativo.

Presênte o Futuro. Scuóti,

Schok.

Scotéte, Schokt. /Scotiamo,

enz. Moveréi, Moverésii, Moverébbe, Moverémmo, Mover êste. Mover ébbero.

Muóvi, Beweeg. Movéte, Beweegt. Moviamo,


Laat ons koken. Laat ons schokken. Laat ons bewegen.

.1

-ocr page 276-

264 Onregelmatigheden in den Preterite Perfetto.

Coiig\'inntivo.

P r e s ê n t e.

Ik koke enz.

Ik schokke enz.

Ik bewege

Sing. Cuóca,

Scuóta,

Muóva,

Cuóca,

Scuóta,

Muóva,

Cuóca,

Scuóta,

Muóva,

Plur. Cociamo,

iScotiamo,

Maviamo,

Cociate,

/Scotiate,

Moviate,

Cuócano.

iScuótano.

Muóvano.

I mperfêtto.

Ik kookte enz.

Ik schokte enz.

Ik bewoge

Sing. Cocéssi,

/Scotéssi,

Movèssi,

Cocéssi,

/Scotéssi,

Movéssi,

Cocésse,

/Scotésse,

Mavésse,

Plur. Cocèssimo,

/Scotéssimo,

Movtssimo,

Cocéste,

Scotéste,

Movèste,

Cocêssero.

/Scotéssero.

Mavéssero.

§ 3. De onregelmatigheden in den Pretêrito Perfêtto van den Indicativo betreffen alleen den lsten en 3den persoon enkelv. en den 3dcn pers. meerv. De lst;e pers. enkelv. eindigt steeds op i; de 3de pers. enkelv. wordt dan verkregen, door die i in e te veranderen, en de 3de pers. meerv., door bij den 3den pers. enkelv. de lettergreep ro te voegen. De 2de pers. enkel- en meervoud, en de lste persoon meerv., zijn altijd regelmatig. Nemen wij b.v. den Pret. Perf. van den Ind. van het werkwoord mêttere (stellen), dan hebben wij :

-ocr page 277-

Werkwoorden op ucere, gliere, nere en aere. 265

Misi, — ik stelde enz.

Mettésti,

Mise,

Mettémmo,

Mettéste,

M\'tsero.

§ 4. De werkwoorden op y^vre, \'gliere, nere en aere hebben in den Infinitivo twee vormen; den Latijnschen en den saamgetrokken vorm. Zoo heeft men van condücere (geleiden) den saamgetrokken vorm eondurre, van c6gliere (plukken) córrc, van pónere (stellen) pórre en van trderê (trekken) trarre. Van dezen saamgetrokken vorm leidt men regelmatig den Futuro Assoluto van den Indicative en den Présente van den Condizionale af. Zoo Vormt men van eondurre.\\ condurrd en condurrèi enz. Met uitzondering van de werkwoorden op gliere, van welke de saamgetrokken vorm meer tot de poëzie behoort, gebruikt men van de overige in het gewone proza de saamgetrokken vormen, zoowel van den Infinitivo als van den Futuro Assoluto en den Presente van den Condizionale, meer dan de niet samen-getrokkene. Ook de werkwoorden op ngere hebben in den Infinitivo een vorm op gnere, zoodat men evengoed kan schrijven pidngere (weenen) als piAgnere.

Thema 38.

(Herhalingsoefening over de Werkwoorden Andare,

Dare, Fare en /Stare).

Wij gaan iederen dag aan eene table d\' hóte eten. 2. Die man is verzot op het kaartspel, en toch verliest hij er

-ocr page 278-

266 Herh.oefening over Andare, Dare, Pare en Stare.

veel geld bij. 3. Geef (enkelv.) dien hond te drinken, het arme dier heeft dorst. 4. Die menschen willen met geweld onmogelijke zaken doordrijven; van hen kan men zeggen: zij loopen met het hoofd tegen den muur, 5. Wij zullen uwen vrienden wijs maken, dat gij uw mooiste paard verkocht hebt. 6. Wanneer men plannen maakt, die niet verwezenlijkt kunnen worden, bouwt men kasteelen in de lucht. 7. Die man speelt den grooten heer; hij doet alsof hij een millionnair was (cong.) 8. Wij maken ons veel te doen over niets, hetgeen waarlijk eene groote dwaasheid is. 9. Ik zal geen ander zenden om die zaak te regelen, maar ik zal zelf gaan; het spreekwoord zegt: waar iemand zelf komt, wordt hem het hoofd gewasschen. 10. Die speler heeft het laatstè op het spel gezet; indien hij dat verliest, is hij voor altijd ten gronde gericht. 11. Ik zal een paar woorden zeggen, en dan kunt gij weten, hoe ik er over denk. 12. Wie van den Haag naar Parijs wil en den weg over Weenen neemt, kiest zeker niet den kortsten weg. 13. Het is van avond koud, ik geloof zeker dat het van nacht vriezen zal. 14. Uw neef bekommerde zich zeer over de reis van zijnen broeder, maar deze heeft ze gelukkig ten einde gebracht. 15. Daar komt uw (meerv.) meester aan ; jongens, neemt den hoed af. 16. Onze troepen gingen (p. p.) op den vijand los en dreven hem op de vlucht. 17. Die winkelier leeft als vroolijk Pranaje, hij zal weldra al zijn geld verkwist hebben. 18. Die bankier heeft mij geld op wissel gegeven, en zoo ben ik voor het oogenblik geholpen. 19. Gij bespot dien eenvoudigen man; dat is niet goed van u gehandeld (vertaal: gedaan). 20. Gij (enk.) hebt die vertaling zoo slecht mogelijk gemaakt, maak ze over.

-ocr page 279-

Vervolg van de Onregelm. Werkw. op ere. 267

kaartspel —giuóco di carte, het kan —pud. met geweld — venir a capo^ plan —progetto.

iets door- di qualche cósa verwezenlijken — effettuare.

| drijven di viva fórza. millionnair — milionario.

waarlijk —davvéro. dwaasheid —folia.

regelen — regolare, ar dinar e. spreekwoord — provêrbio.

speler —giocatóre. ten gronde — rovinare.

den Haag —l\' Aia. richten

hij kiest —scêglie. Weenen — Viênna.

ten einde —terminare. kort —córto.

brengen gelukkig — for tuna tamén ie.

hij kornt — viêne. op de vlucht — mêttere

winkelier —bottegaio. drijven in fuga.

verkwisten — dissipare, bankier — banchiêre,

scialacquare. banchiêro.

eenvoudig — schiétto, sémplice. helpen — aiutare.

I

JÜL

VIER EN DERTIGSTE LES.

Voortzetting van de Onregelmatige Werkwoorden op ere.

§ 1. Na de in Les XXXIII voorafgaande bemerkingen, willen wij thans tot de vervoeging overgaan.1 Wij zullen de talrijke werkwoorden der lst;e klasse, die alleen een onregelmatigen Pretêrito Perfêtto en een onregelmatig Participio Pas-sato hebben, rangschikken naar de laatste lettergrepen, en de werkwoorden der 2de klas in alphabetische orde vervoegen. De samengestelde werkwoorden worden natuurlijk vervoegd als de enkelvoudige. Waar afwijking plaats vindt,

-ocr page 280-

268 Onregelm. Werkw. op ere naar de Laatste Lettergr.

zullen wij die aangeven. Mochten sommige werkwoorden dei-eerste klas nog eene andere geringe onregelmatigheid hebben dan in de genoemde vormen, dan is die onregelmatigheid, zooals wij in § 2 van de vorige les opgemerkt hebben, aan alle van dezelfde soort gemeen, waarom wij die werkwoorden dan ook tot de lste klas gebracht hebben. Die onregelmatigheid zal dan aan den voet der bladzijde in eene noot vermeld worden.

§ 2. Onregelmatige Werkwoorden op ere gerangschikt naar de laatste lettergrepen.

Laatste Infinitive. Lettergrepen.

Pret. Perf. Part. Pass,

— pi-acqui — pi-aciuto.

— persu-asi — persu-aso.

— pi-ami — pi-anto.

acére,

adére

s\'uig\'cre

ardere

argere

ascerc

êdere

t\'dere

êdere

cg\'g\'ere

n-arsi

— n-arso.

— sp-arso.

— n-ato.

— l-éso.

— chi-êsto.

— conc-êsso.

— prot-êtio.

— pi-acére 1) behagen

— persu-adère, overtuigen

— pi-dngere, schreien

— ri-Ardere. weder branden

— sp-drgere, verspreiden — sp-arsi

— n-óscere, geboren worden — n-acqui

— l-édere, kwetsen — l-êsi

— chi-êdere, 2) v ragen — chi-ési

— conc-èdere, toestaan — conc-èssi

— prot-êggere, beschermen — prot-êssi

1) De werkwoorden op nci\'re verdubbelen de ( waar zij voor de tweeklanken ia of io komt. Derhalve is de i!,cpcrs. enkel v. van den Presönte van den Indicative; piaccio, de i!tc en s11\' pers. meerv. piavciamo en pidcciono; de iste pers. mcerv. van den Impera-tivo: piaaiiia}}io, en de Presênte van den Congiuntivo; piacaia, piaccia, piaecidt piacciamo, piaaciate, pidcciano. Van tacére (zwijgen) verdubbelen sommige taalkundigen de c niet.

2) Chi êdere heeft in den Pres. van den Ind. chicdo en chiêggo p. chiêggio en in den Pres. van den Cong, chiêda en chiêgga p. chicggia.

-ocr page 281-

Onregelm. Werkw. op ere naar de Laatste Lettergrepen. 269

Pret. Perf. Part. Pass.

— rep-ulsi

— pr-êssi

— sp-é.si

— f-êssi

— sp-énsi

— p-êrsi

— sp-êrsi

— se-êrsi

— rep-ulso.

— pr-êsso.

— sp-éso.

— f-êsso.

— sp-énto.

— p-êrso.

— sp-érso.

— sc-êrto.

erg-ere

érnere

értere

éscere

èttcre

éttere

fliere

8:liere

idere

ijere

ifg-ere

ifg-ere

verstrooien

onderscheidei

bekeeren

— conv-êrsi — conv-êrso. cr-ébhi — cr-esüuto. tn-isi — m-ésso.

samenvoegen — conn-êssi — conn-êsso.

— se-êlsi — sc-élto.

— Gó-lsi _ có-lto.

— UGc-isi ucG-iso.

— dir-êssi — dir-êtto.

— affl-issi — affll-itto. aff-issi — aff-isso.

groeien

steil

en

offl-tygcre, bedroeven

aff\'ty9ere, aanhechten

imere4) oppr-imere, onderdrukken _ oppr-égt;si ~

mm - „-We, overwinnen - v-imi -v-into.

\'I\'quot;\'quot; - scheiden -K-üd - K-mo

quot;Sm -P V- schilderen _ p-ivd - p4nto.

dringere. drukken - str-md -

r/.quot;\' ™ ^ werkwoorden Le.

1f^^Zkquot;PCn, M den Pret- \'» he, P„,,

jaatste Infinitivo.

:tergrepen.

éllere - rep-êllere, terugdrijven èmere — pr-êmere, 1) drukken èiiilere _ sp-êndere, verteren êndere _ f-êndere, s p 1 ij t e n éng-ere — sp-ëngere, uitblazen érdere — p-êrdere 2) verliezen

— sp-ergere,

— sc-êrnere

— conv-êrtere,

— cr-èscere,

— m-êüere,

— conn-êttere,

— scë-gliere, 3) kiezen

— có-gliere, 3) plukken ucc-idere, d o o d e n

— dir-ïgere besturen

-ocr page 282-

270 Onregelm. Werkw. op ere naar de Laatste Letter

Pret. Perf.

— est-insi

— scr-issi

— v-issi

Laatste Infinitive.

Lettergrepen.

ingnere — est-inguere, blusschen ivere, — scr-ïvere, s c h r ij v e n ivere _ v-tvere, leven

grepen. Part. Pass.

— est-into.

— scr-itto.

— v-issuto en v-ivuto.

— r-óso.

— v-6lto.

— ass-ólto.

— ris-oluto.

— r-ótto. _nasc-ósto.

— conf-uso.

— ass-órto.

— t-órto.

— m-órso.

— s-órto.

— c-órso.

— con-osciv.k

— pi-ovuto,

— rid-ótto.

— chi-uso.

— affl-usso.

— str-utto.

— ontbreeki\' __ass-unto.

— gi-unto.

— c-ótto.

— n-ociuto.

ódere

r-ódere,

knagen

r-ósi

ól^ere

v-ólgere,

wenden

v-óhi

ólvere

ass-ólvere,

vrijspreken

cm-ólsi

ólvere

-

ris-ólvere,

besluiten

ris-ólsi

ómpere

-

r-ómpere,

breken

r-uppi

óudere

-

nasc-óndere,

verbergen

nasG-ósi

óndere

-

con f-óndere,

verwarren

conf-usi

«rbere

-

ass-órhere,

opslurpen

ass-órsi

órcere

-

t-órcere,

draaien

t-órsi

órdere

m-órdere.

bij ten

m-órsi

órgere

s-órgere,

o p r ij z e n

s-órsi

órrere

-

c-órrefre,

1 o o p e n

c-órsi

éscere

-

con-óscere,

kennen

-

con-óbhi

óvere

-

pi-óvere

regenen

pi-6vve

ücere

-

rid-vcere.

herleiden

rid-ussi

iidere

-

chi-üdere,

sluiten

chi-usi

üere

-

affl-uere,

toevloeien

ajfl-ussi

iiirgere

-

str-üggere.

verwoesten

str-ussi

iilgere

■ rif-ülgere,

schitteren

rif-ulsi

umere

- ass-ïimere,

ondernemen

- ass-unsi

iingere

- gi-üngere.

aankomen

■ gi-unsi

uöcere

. c-uócere,

k o k e n

- G-óssi

uócere

- n-uócere.

schaden

- n-ócqui

-ocr page 283-

39ste Oefening. 271

Laatste Infinitivo. Pret. Pert. Part. Pass. ttergrepen.

uótere — perc-uótere, schokken — perc-óssi —perc-ósso.

uóvere 1) — m-uóvere, bewegen _ m-óssi — m-ósso.

ürgere — s-ürgere, oprijzen — s-ursi —s-urto.

utere disc-ütere, twisten —- disc-ussi —disc-usso.

Thema 39.

(Over de werkwoorden op acére, adére, dngere, Ar dere,

Argere, Ascere, êdere, éggere, êllere, èmere, éngere,

êndere, ér der e, érgere en érnere).

1. De ledevoenng van dien advocaat beviel (p. p.) mij en velen anderen niet, en wij gingen heen (p. p.) alvorens hij geëindigd had (cong.). 2. Vele standbeelden lagen (p. p.) in het stof, waar zij reeds lang gelegen hadden. 3. De dief ontsnapte (p. p.) uit de gevangenis, maar werd spoedig weder gevangen. 4. De schoenmaker heeft mij afgeraden mijne schoenen te laten herstellen, omdat zij te oud zijn. 5. Over wien beklaagde (p.p.) zich die man? Hij beklaagde (p.p.)

zich over den knecht, die het licht uitgeblazen had. 6. De vreemdelingen brandden (p. p.) van verlangen om de stad met hare merkwaardigheden te bezichtigen. 7. De couranten hadden het bericht verspreid, dat de Koning ongesteld was. 8. De beroemde dichter Torquato Tasso werd geboren (p. p.) in 1544 en stierf (p.p.) in 1595. 9. Hebt gij mij iets gevraagd? Neen ik vroeg (p.p.) uw broeder iets. 10. Die man werd (p. p.) veroordeeld als schuldig aan de misdaad van gekwetste majesteit. 11. Eindelijk trok de vijand terug

i) Zie omtrent de werkwoorden op uócere, uótere, uóvere Les XXXIII, § 2, bl. 261 en volg.

-ocr page 284-

39ste Oefening.

(p. p.) en nam (p. p.) de vlucht. 12. Onze troepen trokken voorwaarts (p. p.) en namen de stad in. 13. Ik ben dien man dankbaarheid schuldig, hij heeft mij dikwijls beschermd. 14. Onze vrienden hebben ons aangezet (p. p.) om de reis te ondernemen. 15. Die losbandige jongelingen persten (p. p.quot;) hunnen ouders veel geld af. 16. Die laarzen hebben mij altijd gekneld, ik heb ze weggegeven. 17. Dat gezelschap verteerde (p. p.) dien avond veel geld, en heeft bij andere gelegenheden ook veel verteerd. 18. Het arme meisje besproeide (p. p.) den brief met hare tranen, toen zij hare vriendin den dood baars beminden vaders berichtte. 19. De duiker dook (p. p.) tot op den bodem der zee, maar vond (p. p.) den schat niet. 20. Zij onderscheidden (p. p.) het goede van (da) het kwade niet, toen zij dat deden.

niet bevallen — dispiacére. heengaan —anddrsene. al v o r e n s — avantichè. standbeeld — stdtua. liggen —giacére. ontsnappen — evddere.

gevangen —prêndere. afraden —dissuadére.

272

nemen herstellen — rimendare. uitblazen —spèngere,

spégnere.

branden van — Ar der e di. verspreiden — spdrgere. terugtrekken — rêtrocêdere. vlucht — fu9a-ik ben schuldig — débbo. o n d er n e m e n — intraprêndere. afpersen — sprêmere.

zich bekla--compidngersi.

gen

vreemdeling — forestiêre.

m e r k w a a r--curiositd.

d i g h e i d kwetsen — Iédere. voorwaarts — procêdere.

trekken aanzetten tot — impêllere a. losbandig — libertino. knellen —prêmere.


-ocr page 285-

40ste Oefening.

273

e gge v e ii — dar via. esproeien — aspérgere. u i k e r — marangóne. ot op —sin a. nderscheiden — discêrnere.

gelegenheid — occasióne. berichten —participare. duiken — immêrgere. bodem —fóndo.


Thema 40.

(Over de werkwoorden op éscere, êttere, glxen\'e, \'uiere \\gere,

iggere, tmere, mcere en indtre). 1. De menigte, die aanvankelijk slechts uit eenige honderden bestond, groeide (p. p.) spoedig aan tot duizenden. 2. De boekverkooper en de vergulder erkenden (p. p.) spoedig hun ongelijk. 3. Wij miskenden (p. p.) uwe goede bedoelingen niet, en hebben ze nooit miskend (vrouw, rneerv.). 4. De brouwer trok (p. p.) zijne beste kleederen aan en ging (p. p.) met zijne beide kinderen uit. 5. Die volzinnen zijn niet goed verbonden, tracht het •beter te doen. 6. Kij knoopte (p. p.) de beide touwen samen, en toen was het ééne touw lang genoeg om het den drenkeling toe te werpen. 7. Wat (loet gij in den tuin? Ik pluk bloemen voor een ruiker. 8. De rijke brouwer ontving (p. p.) mij vriendelijk, toen ik kwam (p. p.) om hem over de zaak te spreken. 9. Uit de verschillende boeken, die ik hun zond (p. p.), kozen (p. p.) zij een paar werken van Salvatore Farina. 10. Ik zou de werken van Arnicis gekozen hebben, indien ik in hunne plaats geweest ware (cong.). 11. Nadat de jury de ingezonden voorwerpen nauwkeurig bezichtigd had (p. a.), besliste (p. p.) zij in mijn voordeel. 12. Zij lachten (p.p.) ons vriendelijk toe

ITAMAANSdlE TAAL. IS

-ocr page 286-

40ste Oefening.

274

toen wij binnentraden (p. p.). 13. Die wagens waren in het «lijk vastgeraakt, en het was niet gemakkelijk ze er uit te trekken. 14. De zoon van den bontwerker werd (p. p.) in den slag van Sédan door een vijandelijken kogel gedood. 15. Die kinderen lieten (p. p.) niet na hunne ouders voor de mooie geschenken te bedanken. 16. De beide zonen van den hoedenmaker bedroefden hunnen vader zeer door hun slecht gedrag. 17. Die heer werd met veel geld uit de handen der Italiaansche roovers vrijgekocht. 18. Die man was door Al-gerijnsche zeeroovers gevangen genomen, maar zijne bloedverwanten kochten (p.p.) hem vrij. 19. De Duitschers overwonnen (p.p.) de Franschen in den oorlog van 1870; doch in vroegere oorlogen zijn gene dikwijls door deze overwonnen geworden. 20. De metselaar en de timmerman verbraken (p.p.) de overeenkomst, die zij samen gesloten (lees: gemaakt) hadden.

herkennen

bedoeling

aantrekken

trachten

touw

toewerpen -ontvangen -

ik kwam

j nconoscere.

■ intenzióne.

- mêttere.

- procurare.

- fune.

- gettare a.

■ accógliere,

accórre.

■ vênni.

menigte — multitudine. bestaan — consist ere. boekverkooper— librdio. erkennen i

aangroeien — accréscere. aanvankelijk — cd principio.

indoratóre. tório.

sconóscere.

birrdio.

frase.

vergulder o n g e 1 ij k miskennen b r o u w e r volzin

samenknoopen — annêttere. drenkeling — uórno che ê prêsso d\'an-negarsi. verschillend — vario. de jury —i giurati (pl.)


-ocr page 287-

4:lstc Oefening.

275

nadat — dópochè.

bezichtigen — esaminare.

voorwerp — ogg\'etto.

vri e nd e 1 ij k — amichevolmènte vastraken |

vastmaken )

bontwerker nalaten geschen k

roever

zeeroover —

vroeger — anterwe. overeenkomst — contralto.

figgere.

icicao.

— ométtere.

— regalo, dona-

tivo.

— hrigante.

nauwkeurig — esattaménte.

in mijn voor--cdmio favóre.

deel

wagen —carrétto.

slijk —fang o.

er uit trek--tirar fuóri.

ken

kogel —palla.

bedanken — ringraziare di. v ooi-

hoe den mak er — cappellAio. Algerijnsch — algerino. bloedverwanten —parênti. verbreken — resdindere.


Thema 41.

(Over de werkwoorden op \'vagere, inguere, ivere, ódere, ólgere, ólvere, ómpere en önderé).

1. Mijne neven en hunne vrienden stieten (p.p.) dien onruststoker uit hun gezelschap; hij had hen lang genoeg gehinderd (m. ph). 2. Koning Gustaaf Adolf van Zweden onderscheidde zich in den dertigjarigen oorlog. 3. Napoleon I had zich reeds door zijne dapperheid onderscheiden, voordat hij tot keizer uitgeroepen werd (p. p.) 4. Wij zijn genoodzaakt u onze hulp te ontzeggen, omdat gij zeiven niet werkt. 5. Mijn vader schreef (p. p.) eenen brief aan den koopman, en wij schreven (p. p.) brieven aan onze vrienden. 6. De groote

-ocr page 288-

41ste Oefening,

dichter Dante Alighiêri leefde (p. p.) in de dertiende eeuw. 7. „Ik heb lang genoeg geleefd, mijne geliefde kinderen,quot; zei de stervende vader, „nu ik u allen gelukkig zie. 8. Het verdriet, dat hem door zijnen zoon werd (p. p.) aangedaan, knaagde (p. p.) aan het hart van den ongelukkigen vader. 9. De rat heeft wel aan het spek geknabbeld, dat wij in de val gelegd hadden, maar zij is niet gevangen. 10. Zij wikkelden (p. p.) het kluwen af, om te zien hoeveel meters er aan waren. 11. De dief werd (p.p.) vrijgesproken, omdat het bewijs zijner schuld niet geleverd kon worden. 12. De reizigers hebben besloten morgen over acht dagen terug te keeren. 13. Ik bracht (p. p.) het garen zoo in de war, dat het niet te ontwarren was, zonder het stuk te snijden. 14. Zij hebben de glazen gebroken en moeten ze ook betalen. 15. Ik heb mijn voerman geschreven (p. p.), dat hij mij morgen om tien uren zou komen halen. 16. Ik verborg (p. p.) mij en zij verborgen zich ook, maar men vond (p. p.) ons spoedig. 17. Ik beperkte (p. p.) mijne uitgaven, toen ik zag (p. p.) dat zij mijne inkomsten overtroffen. 18. De rechter bracht (p. p.) den meineedige in verwarring, toen hij hem op het tegenstrijdige in zijn verhaal wees (p. p.). 19. Mijn vriend schilderde (p. p.) u mij af, als een man op wien ik mij altijd zou kunnen verlaten. 20. Die schilders schilderden (p. p.) die geschiedenis, ieder op zijne manier.

stooten uit — spingere da. onruststoker — bcccalitc. hinderen —importunare. Gustaaf —Gustavo Adólfo. Zweden —tSvêzia. Adolf

uitroepen —proclamare. dapperheid — va lór c, bravura. ontzeggen —disdire. noodzaken —costringere.

276

-ocr page 289-

42ste Oefening

277

geliefd — verdriet —■ spek

afwikkelen — ontwarren — jiief schuld

reiziger — glas

iemand af- —

halen beperken — overtreffen — rechter iemand wij—

zen op verhaal afschilderen -hulp zien rat val

car o.

rammdrico. lardo.

■ disvólgere. districare.

ladro.

■ cölpa. viaggiatóre.

- hicchiêre.

■ venire per

uno.

- resir\'ignere.

- sorpassare.

- gi üdice. \' c

- far vedére ad.

uno.

- narrazióne.

- dip\'mc/ere.

kluwen stuk snijden b e w ij s leveren in de war

brengen v o e r m a n hij zou komen — verrébbe. uitgaaf — spésa. inkomsten —rêndite. meineedig — spergiuro. tegenstrijdig — contrario. zich verlaten op — fidarsidi. manier —módo.

— aiuto.

— vedére.

— ratio.

— trdppola.

— govütolo.

— tag Hare in

pêzzi.

— próva.

— fornire.

— sconvólgere.

— vetturino.


Thema 42.

(Over de werkwoorden op órbere, órcere, órdere, órgere, órrere, óscere, óvere, ücere, üdere, üere, uggere en ülgeré). 1. De geleerde was geheel en al in zijne gedachten verdiept, toen ik de kamer binnentrad (p. p.) 2 De dronkaard slurpte (p. p.) het groote glas jenever in éene teug op. 3. De jongen . verstuikte (p. p.) zich den voet, toen hij op den hoogen stoep wilde springen. 4. De leerlingen verdraaiden

-ocr page 290-

42ste Oefening.

278

(p. p.) den zin van die plaats, en toonden duidelijk dat zij hem niet begrepen. 5. Die honden zijn gevaarlijk, zij hebben reeds verscheidene kinderen gebeten, en gisteren beet (p. p.) die groote zwarte hond mijnen broeder in het been. 6. Al de heeren stonden op, (p. p.) toen het volkslied aangeheven werd (p. p.). 7. Wij bemerkten (p. p.) dat die heeren hunne blikken van ons op die dames wendden (p. p.). 8. Toen men ons in gevaar zag, snelden (p. p.) velen toe om ons te helpen. 9. Toen ik hem na vele jaren wederzag (p.p.) herkende (p.p.) ik hem dadelijk, en wij verhaalden (p. p.) elkander onze lotgevallen. 10. Toen wij gisteren morgen wilden (p. p.) uitgaan, regende (p. p.) het hard, en wij besloten (p. p.) te huis te blijven. 11. Die man heeft veel boeken uit {da) het Ita-liaansch in het Nederlandsch vertaald. 12. Gisteren vertaalden (p. p.) die jongens voor hunnen vader, die geen Engelsch kent, eenen Engelschen blief. 13. Wij geleidden (p. p.) gisteren onze vrienden tot aan den trein en namen (p. p.) toen afscheid van hen. 14. Op zijn zeventigste jaar, stroomden fp.p.) den ouden dokter vele gelukwenschen toe van zijne talrijke vrienden. 15. Het vuur heeft reeds veel vernield; meer dan twintig jaren geleden, vernielde het in korten tijd het geheele stadje Enschede. 16. Uit hetgeen hun van de zaak verteld was, besloten (p. p.) zij dat gij ongelijk hadt. 17. De sterren schitterden (p. p.) aan den hemel en de nacht was koud. 18. Wij misleidden (p. p.) u niet, toen wij u vertelden (p. p.), dat onze neef reeds vertrokken was. 19. Plotseling rees hij op (p. p.) van zijnen stoel, en daagde op een woedenden toon zijnen tegenstander uit. 20. Zij redeneerden (p. p.1) lang, maar konden het niet eens worden, eindelijk werd een hunner drif-

-ocr page 291-

42ste Oefening.

279

tig en nam (p. p.) zijne toevlucht tot scheldwoorden, en nu was alle hoop verloren.

z i n —

t o o n e n — gevaarlijk — aan heffen —

heme r ken —

helpen —

verhalen —

willen — vertalen

geleiden — gelukwensch •

vernielen misleiden uitdagen tegenstander eens worden

inzwelgen

saltare, salire.

- sênso.

■ mostrare

- pericolóso.

■ intonare.

■ accórcjersi.

■ aiutare. narrare, volére.

■ tradücere. condücere.

- congratula-

zióne.

- destrüggere.

- sedücere.

- sfidare.

- avversario.

- convenire,

accordarsi.

opslurpen, — assórbere.

d r o n k a a r d — ubhr iacóne. jenever — g inêpro. verdraaien, — tórcersi.

verstuiken springen

plaats begr ij p e n volkslied — blik

toesnellen — ik zag weder lotgeval — te huis blij--

ven hij kent afscheid n\'e-m e n

t a h\' ij k besluiten plotseling -woedend redeneeren -

- accorrere.

- rividi.

- avventura. rimanére da sé.

- sa.

- prêndere

comiato.

- numeróso.

- Gonchiüdere.

- sübito.

- furihóndo.

- discórrere.

verdiept — vertaal door het ver 1. deelw. van assorbwe. teug — tiro, bevuta, sórso. stoep —scalinata, scalêa. verdraaien —contórcere.

— passo.

— comprêndere.

■ canzónenazionale.

— sguardo.


-ocr page 292-

43ste Oefening.

toevlucht ne--ricórrere. driftig wor--andare in

men den cóllera.

sc li el d woord — invettiva. hoop — speranza.

Thema 43.

(Over de werkwoorden op ürnere, üngere, uócere, uótere, uóvere, ürgere en üteré).

1. Gij naamt (p. p.) eene groote verplichting op u, toen g:j die belofte deedt (p. p.). 2. Die heeren kwamen (p. p.) gisteren avond te half elf aan, wij kwamen (p. p.) met denzelfden trein aan. 3. Gij hadt niet vermoed dat ik komen zou, maar ik doe steeds wat ik zeg. 4. De meid kookte (p. p.) gisteren de eieren in de kokende soep, nadat zij ze eerst goed gewasschen had (p. a.). 5. De vorige week stieten (p. p.) twee treinen op elkaar; het is wel een wonder dat er geen menschenlevens te betreuren zijn. 6. Na vijf jaren aan de hoogeschool gestudeerd te hebben, werd (p. p.) hij tot doctor bevorderd. 7. De meid molk (\'p. p.) gisteren morgen de koe om vijf uren, nu is het half zeven, en zij heeft ze nog niet gemolken (vrouw, enkelv.). 8. De men-schen trokken (p. p.) uit deze omstandigheid het gevolg, dat men geene voldoende maatregelen genomen had. 9. De meester joeg (p. p.) den jongen vrees aan, hem met straf dreigende, als hij zijn werk niet geëindigd had (cong.V 10. Onze vrienden ruimden (p. p.) die zwarigheid uit den weg, zoodat wij konden (p. p.) voortgaan. 11. Ons klein broertje heeft zich niet bewogen, toen zijn portret gemaakt werd (p. p.), daarom {per quésto) is het zoo goed gelukt. 12. Mijne zus-

280

-ocr page 293-

43ste Oefening.

ter is zeer bedroefd over het verlies van haar jongste kind. 13. Gisteren stak (p.p.) mij eene wesp in de hand, ze is thans zeer gezwollen. 14. Wij verheugen ons, voegden zij er bij (p. p.), dat onze vriend de studiën uws broeders zeer bevorderde (p. p.). 15. Om eene kleinigheid zijn die twee mannen onvrienden geworden. 16. Kort geleden voegden (p. p.) wij ons bij het getal der vrienden van den advocaat, en wij hebben er tot dusverre geen berouw van gehad. 17. De kampvechters der ouden zalfden zich het lichaam met olie, om hunnen tegenstanders minder vat te geven. 18. Wij hebben de wonde gezalfd, wij hopen dat ze spoedig genezen zat\' (cong.). 19. Ik ontroerde (p. p.), toen zijn lijden mij verhaald werd. 20. De Vereenigde Staten van Noord Amerika hebben in 1784 het juk van Engeland afgeschud.

op zich nemen — (xssümexe. verplichting — óhbligo. aankomen —giüngere of vermoeden -—■\'presmiere.

281

giügnere.

— ÏIÓVO.

ei

ik zou komen — verréi. kokende soep — suppa

hollênte.

w onder — maraviglia. betreuren — deplorare.

op elkander —percuótersi. stoot en

geen menschen--nulla vita

levens humana (sing.) m eiken — müngere.


gevolg trekken — desümere. maatregel — misura.

hoogeschool — unwersitd.

koe

vacca.

■misura.

voldoende — sufficiënte. vrees a a n j a--incutére

dreigen met —minacciare

cli.

timure.

gen

uit den weg —- rimuóvere. ruimen

voortgaan — procédere, continuare.


-ocr page 294-

282 Vervoeging van het Werkw. Bere o Bevere.

portret —ritratto. bedroeven — compüngere. wesp —vêspa.

bij voegen — soggiungere. om eene — a motivo d\'una

kleinigheid bagatêlla. zich voegen — congiüngersi

b ij in.

berouw hebben — pmtirsi. zalven met — ugnere, wig ere di.

olie —ólio.

wonde —ferita. ontroeren — comrnuóversi. 1 ij d e n — patiménto.

Noord A m e--l\' Amênca

r i k a settentrioncde.

j uk —9^90-steken zwellen bevorderen onvrienden worden

getal

tot dusverre — fin qui kampvechter — atléto. de ouden —gli antichi. vat geven —dar préso. genezen — guarire, cong. :

guarisca. Vereenigde — iStati Uniti.

Staten

afschudden — scuótere.

- pungere.

- gonfiare.

- promuóvere.

- disgiüngersi.

numero.


VIJF ENquot; DERTIGSTE LES.

Over de Onregelmatige Werkwoorden op ere van de 2de klas, die nog andere onregelmatigheden hebben dan in den Pretérito Perfêtto en het Participio Passato, en die een afzonderlijke vervoeging-vorderen.

§ 1. Bcre o Bévere — Drinken.

Pret. Perf. : Bèvvi, bevéi o bevétti — Ik dronk 1).

i) Aan het hoofd van ieder werkwoord zullen wij den rKquot; pers. enkelv. van den Pret. Perf. en het Part. Pass. geven, indien deze onregelmatig zijn.

-ocr page 295-

Vervoeging van het Werkw. Dire o Dice re. 283

ludicativo.

Presênte.

Ik drink enz. Wij drinken enz.

Sing. Bévo o 6éo, Plur. Beviamo,

Bévi o béi, Bevéte o beéte,

Béve o hée, Bévo no o bèono.

Inilierativo.

Presênte o Futuro.

Sing. Bévi o béi — Drink.

Plur. Bevéte o beéte— Drinkt.

Plur. Beviamo — Laat ons drinken.

Coiig-inntivo.

Presente.

Tk drinke enz. Wij drinken enz.

Sing. Bé va o bca, Plur. Beviamo,

Béva o béa, Beviate,

Bé va o béa, Bévano o béano.

§ 2. Dire o Dïcere 1) — Zeggen. Pret. Perf. : Dissi — Ik zeide. Part. Pass. : Détto — Gezegd.

De a11» pers. enkelv. en de 3^ pers. meerv. worden hiervan dan gemakkelijk afgeleid. De 2\',c pers. enkelv. en de i,K en 2(lc meerv. zijn altijd regelmatig en worden van den niet samengetrokken vorm gemaakt. De Futuro Asso-luto van den Ind en de Pres. van den Cond. worden van den samengetrokken vorm, indien het werkwoord er een heeft, regelmatig gevormd. Zie les XXXIII, §§ 3 en 4, bl. 264 en 265.

i ) De vorm dicere wordt alleen dichterlijk gebruikt, hij dient echter ter vorming van alle regelmatige tijden en personen; met uitzondering van den Futuro Assoluto van den Ind. en den Presente van den Cond., die regelmatig van den saamgetrokken vorm dire gemaakt worden.

-ocr page 296-

Vervoeging van het Werkw. Dolersi.

284

Ik zeg enz. Sing. Dico,

Dici o di Dice,

Indicative.

Presênte.

Wij zeggen enz, Plur. Dici am o, Dite,

Dl co no.


Iniperativo.

Presênte o Futuro.

Sing. Di\' — Zeg.

Plur. Dite — Zegt.

Plur. Dici am o — Laat ons zeggen.

Van liet samengestelde werkwoord inter dire (verbieden) is liet Part. Pass. : interdétto en inter ditto.

§ 3. Doler si — Zich beklagen.

Pret. Perf. : Mi dólsi — Ik beklaagde mij.

Indicativo.

Presênte.

Ik beklaag mij enz. Wij beklagen ons enz.

Sing. Mi dólgo p. doglio, Plur. Ci dogliamo,

Ti duóli, Vi doléte,

/Si duóle, Si dólgono, p. dógliono.

Future Assoluto.

Ik zal mij beklagen enz. Wij zullen\' ons beklagen enz. Sing. Mi dorrd, Plur. Ci dorrémo,

Ti dorr ai, Vi dorréte,

/Si dorrd, /Si dorr anno.

-ocr page 297-

Vervoeging vau het Werkw. Dovere.

Condiziouale.

Pre sên te.

Ik zou mij beklagen enz. Wij zouden ons beklagen enz.

Sing. Mi dorrki, Plur. Ci dorrémrno,

Ti dorr éMi, Vi dorren te,

Si dorréhbe, iSi dorrébbero.

Imperativo.

Presente o Futuro.

Sing. Duóliti — Beklaag u.

Plur. 1)o 1 étevi — Beklaagt u.

Plur. Doglidmoci — Laten wij ons beklagen. Coiigiuiitivo,

Presênte.

Ik beklage mij enz. Wij beklagen ons enz.

Sing. Mi dólga, p. doglia, Plur. Ci dogliamo,

Ti dólga. Vi dogliate,

Si dólga, Si dólgano p. dógliano.

Opmerking: Be Nederl. uitdrukkingen: ik beb pijn in het hoofd, in de armen, worden in t Italiaansch vertaald door: mi duóle il capo, mi dólgano i hracci.

§ 4. Dovére — Moeteii^schuldig zijn. liKlicatiro.

Presênte.

Ik moet enz. Wij moeten enz.

Sing. Débo, déhbo o déo, Plur. Dobhiamo, p. deggiamo, p. déggio, Dovéte,

Dèvi o déi, Devono o débbono,

Dève. dèbbe o dée, p, déggiono, dênno, déono.

285

-ocr page 298-

286 Vervoeging van het Werkw. Parere.

Futuro Assoluto.

Ik zal moeten enz. Wij zullen moeten enz.

Sing. Dovrd, Plur. Dovrèmo,

Dovrai, Dovréte,

Dovrd, Dovranno.

Coiulizioiiale.

Presênte.

Ik zou moeten enz. Wij zouden moeten enz.

Sing. Dovréi, Plur. Domkmmo,

Dovrésti, Dovréste,

Dovrébhe, Dovrébbero.

Iinpei\'iitivo (ontbreekt).

Cong\'iuutivo,

Presênte.

Ik moete enz. Wij moeten enz.

Sing. Débba o déggia, Plur. Dobbiamo,

Débba, Dobbiate,

Débba, Débbano o déggiano

§ 5. Parere — Schijnen.

Pret. Perf. : F ar si — Ik scheen.

Part. Pass.: Paruto o Par so — Geschenen.

Iiidicativo.

Présente.

Ik schijn enz. Wij schijnen enz.

Sing. Palo, Plur. Pariamo o paiamo,

Pari, Paréte,

Pare, Pdiana.

-ocr page 299-

Vervoeging van het Werkw. Porre o Ponere. 287

Puturo Assoluto.

Wij zullen schijnen enz. Plur. Parrémo,

Parréte,

Parranno.

Coiuliziouale.

P resênte.

Wij zouden schijnen enz. Plur. Par réramo,

Parréste,

Parrébbero,

Cougiuiitivo.

Presênte.

Wij schijnen enz.

Plur. Pariamo,

Pariate,

Paiano.

De samengestelde werkwoorden van Parëre, zooals Apparére Oomparére (verschijnen) enz., hebben liever den uitgang ire en behooren dan tot de 3de vervoeging.

§ 6. Pórre, Pónere — Stellen,

Pret. Perf. : Pósi — Ik stelde.

Part. Pass.: Pósto — Gesteld.

ludicativo,

Presênte.

Ik stel enz. Wij stellen enz.

Sing. Póngo, piur. Poniamo,

^ Ponéte,

quot; (\'i Póngono.

Ik zal schijnen enz. Sing. Parrö,

Parrai,

Parrd,

Ik zou schijnen enz. Sing. Par réi,

Parrêsti, Parrêbbe,

Ik schijne enz. Sing. Paia,

Paia,

Paia,

-ocr page 300-

288 Vervoeging van het Werkw. Po tere.

(\'oiigiimtivo.

P r e s ê n t e.

Tk stelle enz. Wij stellen enz.

Sing. Pónga, Plur. Poniamo,

Pónga, Poniate,

Pónga, Póngano.

De Futuro Assoluto en de Presênte van den Condi zi on ale worden regelmatig van den saamgetrokken vorm Pórre afgeleid.

§ 7. Poter e — Kunnen.

Indicativo.

Presênte.

Ik kan enz. Wij kunnen enz.

Sing. Pósso, Plur. Possiavw,

Puói, Potéte,

Pud, •• Póssono, p. pónno.

vt

Futuro Assoluto.

Ik zal kunnen enz. Wij zullen kunnen enz.

Sing. Potrd, Plur. Potrèmo,

Potrai, Potréte,

Potrd, Potranno.

Condizionulc.

Presênte.

Ik zou kunnen enz. Wij zouden kunnen enz.

Sing. Potrèi, Plur. Potrémmo,

Potrésti, Po trés te.

Potrebbe, Potrébbero.

-ocr page 301-

Vervoeging van het Werkw. Rimanere.

Imperativo (ontbreekt).

Congiuntivo.

Presênte.

Wij kunnen enz. Plur. Possiamo, Possiate, Póssano,

289

Ik kunne enz. ■ling. Póssa, Póssa, Póssa,

/on-orm

§ 8. Rimanére — Blijven.

Pret. Perf. ; Pimasi _ i]c yee£

Part. Pass.: Pimaso o rimasto — Gebleven.

Indicativo.

Presênte.

Wij blijven enz.

Plur. Rimaniamo, Rimanéte,

*

Pimdngono. Futuro Assoluto.

Wij zullen blijven enz. Plur. Pimarrémo, Pimarréte, Pimaranno.

Condizionale.

Presênte.

Wij zouden blijven enz. Plur. Pimarrémmo, Pimarréste, Pimarrébbero.

Ik blijf enz.

quot;Sing. Pimango, Rimani, Rimane,

Ik zal blijven enz 5ing. Pimarrd, Pimarrai, Pimarrd,

Ik zou blijven enz \'ing. Pimarrèi, Pimarrésti, Pimarrébbe,

itamaaxsciii; taai..

19

-ocr page 302-

Vervoeging van het Werkw. Sap ere.

290

Ik Ijlijve enz. Sing. Rimanga, Uimanga, Uimanga,

Coiigiuntivo.

Presênte,

Wij blijven enz. Plur. Rimaniamo, Rimaniate, Mimdngano.


§ 9. Sapére — Weten.

Pret. Perf. ; /Séppi — Ik weet.

Indicativo,

Presênte.

Ik weet enz. Wij weten enz.

Sing. Só, Plur. Sappiamo,

8ai, Sapéte,

Sa, p. sape, Sanno.

Future Assoluto.

Ik zal weten enz. Wij zullen weten

Sing. iSaprd, Plur. Saprémo,

iSaprai, Sapréte,

iSaprd, Bapranno.

CondiKionale.

Presênte.

Ik zou weten enz. Wij zouden weten

Sing. Sapréi, Plur. Saprémmo,

Saprêsti, Saprèste,

iSaprébbe, Saprébhero.

-ocr page 303-

Vervoeging van het Werkw. Sedere. 291

Imperativo.

Presente o Futuro.

Sing. Sappi _ Weet.

Plur. Sappiate — Weet.

Plur, Sappiamo — Laat ons weten.

Coiig-iiintivo.

Presente.

:k wete enz- Wij weten enz.

\' SaPPia\' Plur. Sappiamo,

fSaPPia\' Sappiate,

SaPPia\' _ Sdppiano.

§ 10. Sedére — Zitten.

Indicativo,

Presente.

Ik zit enz- Wij zitten enz.

g. Biêdo, sêggo o sêggio, Plur. Sediarao o seggiamo, ^iedl\' Sedéte,

tSiêdc

\' A icdono, seggono o sêggiono.

Imperativo.

Presente o Futuro.

Sing. Siêdi _ yAt

Plur. Sedéte __2it

Plur. Sediamo o seggiamo — Laat ons zitten.

Cong\'iuiitivo.

Presente.

k zitte enz- Wij zitten enz.

Siêda o sêgga p. sêggia, Plur. Sediamo o seggiamo,

Siêda o sêgga, Sediate o seggiate,

Stêda o sêgga, Siêdano o sêggano,

p. sêggiano.

-ocr page 304-

292 Verv. van het Werkw. Spegnere of 8 pen ge re.

De Futuro Assoluto en de Presênte van den Con dizionale, die in gewoon proza regelmatig zijn, dus: sederö es sederéi enz. zijn bij de dichters sedró en sedrèi enz.

Asamp;idersi (gaan zitten) heeft in den Pret. Perf. masm en in het Part. Pass.: assiso.

§ 11. /Spègnere o spéngere — Blusschen.

Pret. Perf. : Spénsi — Ik bluschte.

Part. Pass. : Spénto — Gebluscht.

Indicative.

Presênte.

Ik blusch enz. Wij blusschen enz.

Sing. Spéngo, p. spégno, Plur. Spegniamo,

tSpégni, Spegnéte,

Spégne, Spéngono, p. spégnom

Iniperativo.

Presênte o Futuro.

Sing. Spègni — Blusch.

Plur. Spegnéte — Bluscht.

Plur. Spegniamo — Laat ons blusschen.

Congiuntivo.

Presênte.

Ik blussche enz. Wij blusschen enz.

Sing. Spénga, p. spégna, Plur. Spegniamo,

Spénga, Spegniate,

Spénga, Spéngano.

-ocr page 305-

Verv. van de Werkw. Svellere en Tenere. 293

§ 12. Svellere, svêrre o svêgliere — Uitrukken. Pret. Perf. : Svêlsi — Ik rukte uit.

Part. Pass. : /Svêllo — Uitgerukt.

Imlicativo.

Presênte.

Wij rukken uit enz.

Plur. Svelliamo,

S velléte,

Svêlgono, svêllono o svêgliono.

Cong\'iniitivo.

Presênte.

Ik rukke uit enz. Wij rukken uit enz.

Sing. iSvêlga o s vél la, Plur. Svelliamo,

Svêlga osvêlla, Svelliate,

Svêlga o svêlla, /Svêlgano o svèllano.

Van de samengestelde werkwoorden van svêllere is revêllere (afleiden van kwade vochten of sappen) een medische terra, en wordt alleen in den Infinitivo en den Pres. van den Ind. gebruikt.

Ik houd enz Sing. Tbngo, Tiêni, Tiéne,

§ 13. Tenére — Houden. Pret. Perf.: Tènni — Ik hield. Indicativo.

Presênte.

Wij houden enz. Plur. Teniamo, Tenéte, Ttngono.

Ik ruk uit enz.

[Sing. Svêlgo o svêllo, Svêlli,

Svêlle,

-ocr page 306-

294 Vervoeging van het Werkw. Trarre.

Puturo Assoluto.

Ik zal houden enz. Wij zullen houden enz.

Sing. Terrd, Plur. Terrémo,

Terr ai, Terrèic,

Terrd, Terr anno.

(oiulizioiiüle.

Presênte.

Ik zou houden enz. Wij zouden houden enz.

Sing. Terréi, Plur. Terrcmrtio,

Terr Mi, Terrede,

Terr ebbe, Terréhbero.

Iin|ierativo,

Presênte o Puturo.

Sing. Tiêni — Houd.

Plur. Tenéte — Houdt.

Plur. Ten iamo — Laat ons houden.

Congiuntivo.

Presênte.

Ik houde enz. Wij houden enz.

Sing. Ténga, Plur. Ten iamo,

Ténga, Teniate,

Ténga, Téngano.

§ 14. Trarre, saam getrokken vorm van Tedere — Trekk Pret. Perf. ; Trassi — Ik trok.

Part. Pass. : Tratto — Getrokken.

-ocr page 307-

Vervoeging van het Werkw. Valere. 295

Indicativo.

Présente.

Tk trek enz. quot;Wij trekken enz.

Sing. Traggo, Plur. Traiamo o traggiamo,

Trai, p. traggi, Traéte,

Trae, p. tragge, Trdggono, p. tranno.

Imperativo.

Presênte o Puturo.

Sing. Trai _ Trek.

Plur. Traéte _ Trekt.

Plur. Traiamo o traggiamo — Laat ons trekken. Coiig\'iuntivo.

P r e s é n t e.

Ik trekke enz. Wij trekken enz.

Sing. Tragga, Plur. Traiamo o traggiamo,

Tragga, Trai ate o traggiate,

Tragga, Trdggano.

Pe Puturo Assoluto en de Presênte van den Condi zi on ale worden regelmatig van den saamgetrokken vorm trarre afgeleid.

§ 15. Valëre — Gelden, waard zijn.

Pret. Perf. : Valsi _ Ik gold.

Part. Pass. : Valuto, p. val$o — Gegolden. Indicativo.

Presênte.

Ik geld enz. Wij gelden enz.

Sing. Valgo, p. vaglio, Plur. Valiamo o vagliamo,

Valéte,

e\' Vdlgono, p. vdgliono.

-ocr page 308-

Vervoeging van het Werkw. Vedere.

Futuro Assoluto.

Ik zal gelden enz. Wij zullen gelden enz.

296

Sing. Varrd, Far mi, Varrd,

Ik zou gelden enz. Sing. Varréi,

Varrésti, Varrèbhe,

Plur. Varrémo,

Varréte,

Varranno,

Condizionale.

Presênte.

Wij zouden gelden enz. Plur. Varrévimo,

Varréste,

Varrébbero.


Iniperativo.

Presente o Futuro.

Sing. Vali — Geld.

Plur. Valéte — Geldt.

Plur. Vali am o o vagliamo — Laat ons gelden.

Ik gelde enz.

Sing. Valga o vaglia, Valga o vaglia, Valga o vaglia,

C\'ongiuiitivo.

Presênte.

Wij gelden enz.

Plur. Vali am o o vagliamo. Vallate o vagliate, Vdlgano o vdgliano.


§ 16. Vedère — Zien.

Pret. Perf. : Vidi — Ik zag.

Part. Pass. : Veduto, p. visto — Gezien.

-ocr page 309-

Vervoeging van het Werkw. V ede re. 297

Indicative.

P r e s ê n t e.

Ik zie enz- Wij zien enz.

Sing. Védo, vêggo o vêggio, Plur. Vediamo o veggiamo,

Védi, Véde,

Ik zal zien enz. Sing. Vedrö, Vedrai, Vedrd,

Ik zou zien enz. Sing. Vcdréi, Vedrésti, Vedrébbe,

Ve déte,

Védo no, vêggono o vêggiono.

Future Assoluto,

Wij zullen zien enz.

Plur. Velt;h \'énio,

Vedréte,

Vedranno.

C\'oiidizionale.

Presênte.

Wij zouden zien enz.

Plur. Vedrémmo,

Vedréste,

Vedrébbero.

Inil»erativo.

Presênte.

Sing. Védi __ Zie.

Plur. Vedéte __ 2iet.

Plur. Vediamo o veggiamo — Laat ons zien. Cong\'iuntivo.

Presênte.

( Tk zie enz- Wij zien enz.

Sing. Véda, vêgga ovêggia, Plur. Vediamo o veggiamo,

quot; quot; Vediate o veggiate,

i\' » Védano, vêggano o

vêggiano.

-ocr page 310-

Vervoeging van het Werkw. Vole re.

Van de samenstellingen van vedere wordt divedére (onderscheiden) alleen in den Infinitivo met het werkwoord dare gebruikt, b.v. : dar a divedére, bewijzen, te verstaan geven : Lé darö a divedére, ik zal u doen zien, ik zal u bewijzen.

§ 17. Volére — Willen.

Pret. Perf. : Vólli — Ik wilde.

Indicativo.

Presênte.

Wij willen enz.

Plur. Vogliamo,

V oléte,

Vógliono.

Futuro Assoluto.

298

Ik wil enz.

Sing. Vóglio o vó\' Vuói o vuóli Vuóle,

Wij zullen willen enz. Plur. Vorrèmo,

Vorréte,

Vorranno.

CoiidiKionale.

Presênte.

Wij zouden willen enz. Plur. Vorrémmo,

Vorréste, Vorréhhfjero. Imperativo (ontbreekt).

Cong\'huitivo.

Presênte.

Wij willen enz.

Plur. Vogliamo,

Vogliate,

Vógliano.

Ik zal willen enz.

Vorrö,

Vorrai,

Vorrd,

Sing.

Ik zou willen enz. Sing. Vorréi,

Vorrésti, Vorréhbe,

Ik wille enz. Sing. Vóglia, Vóglia, Vóglia,

-ocr page 311-

Werkw. met verschillende vormen in den Pret. Perf. 299

§ 18. De volgende werkwoorden op ere kunnen in deu

Pretêrito Perfêtto drie vormen hebben: de twee re^el-

O

matige op éi en ètti en een onregelmatigen; sommige

hebben ook twee vormen in het Part. Pass., den re gel-

matigen en een onregelmatigen vorm.

Tnf. Pret. Perf. Part. Pass.

Assólvere —vrijspreken as so Iv éi, assolvétti, assoluto,

assólsi, assólto.

Risólvere —besluiten risolvéi, risolvétti, risoluto.

risólsi,

Ckindere —sluiten chiudéi, chiudétti, chiuso.

chiusi,

Cêdere —wijken cedéi, cedétti, ceduto,

cêssi, cêsso.

Jjücamp;re —schijnen lucéi, lucétti, ontbreekt.

lussi,

Fêrdere —verliezen perdéi, perdétti, perduto,

pér si, pér so.

Permaclire overtuigen persuadéi, persuadétti, permaso.

persuasi,

Fresümere — vermoeden presuméi, presumétti, presunto.

presunsi,

Ééndere —teruggeven rendéi, rendétti, renduto.

reni, rèso.

Spendere verteren spend éi, spendétti, spéso.

spési,

Bévere j drinken bevéi, bevétti, bevuto.

-Bére ) bévvi,

Cadére —vallen cadéi, cadétti, caddi, caduto.

-ocr page 312-

44ste Oefening.

Thema 44.

(Over de Werkwoorden Bére, Dire, .Dolersi en Dovere).

1. Ik drink water, hij drinkt wijn en onze vrienden drinken bier. 2. Ik zeg u (enkelv.), mijn vriend, dat gij ongelijk hebt, en mijne broeders zeggen het ook. 3. De knie doet mij zeer, ik hen gisteren van de trap gevallen. 4. Indien gij heden avond nog thuis wenscht te zijn, dan moet gij vertrekken, want om 7 uren gaat de laatste trein. 5. Mijn broeder dronk (p. p.) gisteren te veel wijn, daarom is hij thans een weinig ongesteld, hij heeft hoofdpijn. 6. Ik weet niet of hij te veel gedronken heeft (cong.), mijne vrienden zijn in hetzelfde gezelschap geweest, dronken niet te veel, en hebben ook hoofdpijn; de wijn kan wel slecht geweest zijn. 7. Gisteren had (p. p.) ik pijn in de beenen, ik geloof dat ik te veel gewandeld héb. 8. Wij zullen moeten eindigen, het is tijd om heen te gaan, men wacht ons. 9. De rechter moest (p. p.) den getuige verwijderen; hij antwoordde (p. p.) niet op de vragen, die hem gedaan werden (p. p.), en zeide (p. p.) niets dan grofheden. 10. Wie heeft u gezegd, dat ik mij beklaag (cong.) over het onrecht, dat men mij aangedaan heeft? 11. Ik zal het u niet zeggen; want hij, die het mij verteld heeft, heeft opzettelijk onwaarheid gezegd. 12. De dames dronken (p. p.) chocolade, en wij dronken een glas punch. 13. Mijne laarzen zijn te nauw, zij knellen mij, de voeten doen mij zeer. 14. Waarover beklaagden zich (p. p.) die handwerkslieden? Zij zeiden dat zij geen geld genoeg verdienden. 15. Zult gij u beklagen over uwe onderwijzers, wanneer zij u berispen, omdat gij uwe plichten niet gedaan

300

-ocr page 313-

44ste Oefening. 301

»bt? 16. Ik zal hem „iet v01,eggeni quot; kent; wmt de m6ester heeft ^ verbode/ 6 68

ir r^aden\' \'1»:

(p. p.) en de last werd lichter 1 ^ ïf j quot;ponsen beladen, ging hi; J \'T .

fn W / J Water; de sPonsen zogen

IP- p.) het water in en de ]ast 1vo„j , : 0

ut .ast werd zwaarder. 19 U-

-en» het v I P Mm Zijquot; quot;quot;beklag we-

Dens het verlies van zijnen eenigen zoon

ülrp j. quot; ö \' aan een ongenees-

iJKe ziekte gestorven is. ëfuees

bier

slecht

verwijderen

grofheid

beladen

last

spons

zwaar __ ongeneeslijk

onwaar hei d—falsézzajaldtd,

mcnzógna. punch —punce, punchio. eilg — strétto.

berispen — riprêndere. verbieden inter dire, intradire.

- caricare.

- cdrica, soma.

- spugna.

grave, pesante. ~ incurdbile,

insandbile. ctttid, infermitd.

■ birr a.

■ cattivo.

- allontanare. villania.

trap getuige

vraag opzettelijk chocolade laars

verdienen

zout

smelten licht inzuigen z ij n r o u w- -beklag betuigen

— scala, testimónio,

testimóne. ■— quéstióne.

— a pósta. ~ cioccolatte. ~ stivale.

.guadagnare.

y o o ]• z e g g e ii — predire.

- sale.

- sdógliersi.

- leggiéro, liêve.

- inhere, condolére.


-ocr page 314-

45ste Oefening.

Thema 45.

(Over de werkwoorden F ar ere, Pórre, Poter e en Rimanéré).

1, Ik schijn mij over uw lot niet te bekommeren, zegt gij, maar gij weet niet wat ik voor u doe. 2. Ik kan u met zeggen, hoezeer ik mij over uw geluk verheug. 3. Onze vrienden kunnen om zes uren hier zijn, indien zij om half vijf vertrokken zijn. 4. Ik zal deze advertentie nog eens plaatsen, omdat zij verkeerd geplaatst was. 5. Wij zullen thuis blijven, omdat wij een oom van ons verwachten. 6. Ik blijf niet thuis; ik moet om half zes aan het station zijn om mijn vriend af te halen. 7. De opzichter bleef op het werk, toen het werkvolk vertrokken was, om te zien wat zij gedaan hadden. 8. Wij zullen morgen niet kunnen komen, omdat wij andere bezoeken te maken hebben. 9. Ik kan niet van zoover onderscheiden, maar zij schijnen het zeiven te zijn (zie Les XII § 15, bl. 123.). 10. Ik heb iets te veranderen aan mijn huis; ik heb den timmerman en den metselaar ontboden, zij kunnen binnen een half uur hier zijn. 11. Ik hoop dat gij dien armen man uwe hulp verleenen kunt, hij is die ten volle waardig. 12. Ik veronderstel dat gij gelijk hebt, want indien gij ongelijk hadt (cong.\\ zoudt gij niet aldus gehandeld hebben. 13. Wij hebben in deze vertaling een ge-heelen zin uitgelaten, wij zullen hem nog inlasschen. 14. Zet deze boeken weder op hunne plaats, anders kan men ze niet vinden, wanneer men ze noodig heeft. 15. Deze geleerde heeft een werk samengesteld, hetwelk de goedkeuring van alle deskundigen zal verdienen. 16. Laat ons het nut boven het vermaak stellen, indien beide niet gepaard kunnen gaan

302

-ocr page 315-

45ste Oefening.

303

(lees: niet vereenigd kunnen zijn). 17. Laat liem ruw schijnen (vertaal: dat hij, met cong.); ik verzeker u dat hij onder die ruwe schors een edel hart verbergt. 18. Hij zal blijven wat hij is, misschien zal hij zelfs teruggaan, indien hij niet meer zijn best doet (cong). 19. Zij bleven (p. p.) van dat gezelschap uitgesloten, omdat men vreesde dat zij zich niet goed zouden gedragen (cong.). 20. Wij zouden ons op reis begeven, indien wij niet zoo moede waren ; onze vrienden begaven (p. p.) zich verleden week reeds op reis.

zich bekom--curarsi di.

rallegrarsi.

■ avviso, notificaziöne. stazióne. ispettóre. — i lavoranti.

gen advertentie

station —

opzichter — het werkvolk veranderen — cangiare. verleenen — accordare. uitlaten — ométtere. inlasschen — interpórre,

intrapörre. n o o d i g hebben — hisognaTe. deskundige —perito,prdtico. goedkeuring — appro hazióne. ruw — rózzo.

verbergen — nascöndere.

meren om zich verben

lot

nog eens plaatsen verkeerd

scorrettaviénte

afhalen — prêndere. werk — lavóro.

vanzoover — da oosl lontano. ontbieden — mandare pér. ten volle —pienaménte,

appiêno, dél tutto. weder zetten — ripórre.

sórte, destino.

rvpórre.

samenstellen — compórre. wegdragen —portar via, guadagnare, acquis tare.

scorza.

schors


-ocr page 316-

46ste Oefening.

boven stellen,—prepórre. verzekeren — assicurare. verkiezen

zijn best —far il suo teruggaan —retrocêdere. doen possibile.

zich ge dra--compor tarsi. uitsluiten —esdüdere.

gen zich op reis — pórsi in

moede —stanco. begeven viaggio.

Thema 46.

(Over de werkwoorden Sapêre, Sedére, Spègnere, iSvêllere en Tenéré).

1. Wij weten bij ondervinding, dat men op uwe beloften niet kar. vertrouwen. 2. Deze kooplieden bezitten vele rijkdommen, en doen veel goed aan de armen der stad. 3. Gij (enk.) zit niet op uwe plaats, waarom hebt gij u daar nedergezet? 4. Zet u (enkelv.) bij mij op de sofa neder, dan kunnen wij samen praten. 5. Toen ik zag (p. p.) dat het zoo laat was, blies ik het licht uit en ging naar bed. 6. De reiziger trad (p. p.) de herberg binnen, vroeg een glas bier, leschte zijnen dorst en vervolgde zijnen weg. 7. Na veel moeite hebben de soldaten den brand gebluscht, die verschrikkelijk dreigde te worden. 8. Die vrouw rukte (p. p.) zich van wanhoop de haren uit het hoofd, toen men haar die noodlottige tijding bracht (p. p.). 9. Wij hebben den boom voor ons huis uitgeroeid, omdat hij het vertrek te donker maakte. 10. Wij houden dit bericht niet voor waar, liet schijnt ons ongeloofelijk toe. 11. Mijn zwager heeft een goeden post verkregen, ik verheug er mij hartelijk over. 12. Deze jongen zal alleen onthouden wat hij geleerd heeft, als

304

-ocr page 317-

46ste Oefening.

305

bij het gedurig herhaalt (cong.). 13. Wij zullen de boeken, die men ons gezonden heeft, houden, indien zij ons bevallen, 14. Weet (enk.) mijn vriend, dat men het kwade niet ongestraft doet. 15. Geene achting wordt zonder deugd verworven, en niemand zal welvaart verkrijgen zonder vlijt. 16. Laat uw broeder gerust dat boek houden (lees: dat uw broeder houde enz. cong.), indien het hem bevalt; ik heb twee exemplaren. 17. Wien behoort deze hoed, en wien behooren die handschoenen? 18. Gisteren wisten (p. p.) zij niet, dat gij aangekomen waart, maar ik heb het hun heden gezegd. 19. Ik wenschte dat ik wist (cong.) wat gij weet, dan zou ik mij gelukkig achten. 20. Wij zullen dien man voor een eerlijk man houden, zoolang hij ons niet van het tegendeel overtuigd heeft (cong.).

vinding plaats herberg —

vervolgen wanhoop noodlottig vertrek zwager verkrij gen onthouden ongestraft — impuneménte. welvaart — prosperitd. exemplaar — esemp lare ,cópia. zoolang —/i7ic hè.

1TALIAANSCHE TAAL.

bij onder- —per esperiênza. bezitten

— pósto.

osterïa, alhêrgo.

— continuare.

— disper azióne.

— fatale.

— stanza.

— cognato.

— ottenkre.

— tenére a viénte.

post

h a r t e 1 ij k

herhalen

achting

vlijt

gerust

— possedére.

— söfa.

— ivipiêgo.

— di tuito cuóre.

— ripètere.

— stima.

— indüstria.

— alia libera.

sofa

dorst —séte.

worden — divenire. bericht, tijding — notizia. d o n k e r — oscuro. ongeloofelijk — incredihile.


20

-ocr page 318-

F

47ste Oefening.

Thema 47.

(Over de werkwoorden Trarre, Valere, Vedtire en Volère.)

1. Als gij (enkelv.) niet kunt wat gij wilt, dan moet gij willen wat gij kunt. 2. Wij zullen zien of wij iets voor u kunnen (cong.) doen; wij willen gaarne. 3. Wij zullen hem op onze hand brengen, want hij telt (lees: geldt) voor drie. 4. Uw vader is een zeer vernuftig man, hij trekt uit de kleinste dingen nut. 5. Laat ons geene klachten aanheffen, omdat wij niet geslaagd zijn; men kan niet altijd gelukkig zijn. 6. Mijn vriend hielp uwen broeder uit de dwaling; deze had zich zeer vergist. 7. Deze jongens trokken er om, wie het eerst spelen zou. 8. Laat hem dat werk ten einde brengen (lees; dat hij brenge enz. cong.); hij zal er groote voldoening van hebben. 9. Hoeveel kost dat blauwe laken? Ik wenschte er drie meter van te hebben. 10. Het zal beter zijn dat wij te huis blijven (cong.); want ik geloof dat het regenen zal. 11. Wij gelden gewoonlijk zooveel als wij ons doen gelden. 12. Noch tranen noch gebeden hielpen (p. p.) hem (lees: golden hem); hij moest (p. p.) zijn lot ondergaan. 13. Verklaar mij eens wat deze woorden beteekenen, ik begrijp ze niet. 14. De meeste stemmen zullen gelden, en dan moet ieder tevreden zijn. 15. Menschelijke krachten alleer zullen niet toereikend zijn (lees: zullen niet gelden) om dier. ommekeer teweeg te brengen. 16. Wij zien dikwijls dinger die wij niet willen zien, en die wij gaarne anders zouder wenschen. 17. Ik zag (p.p.) nooit zulk een schoonen regen boog als gisteren, zaagt gij hem ook? Neen wij zagen hen

306

-ocr page 319-

47ste Oefening.

307

niet. 18. Wij zouden wenschen, dat gij de vorderingen zaget (cong.), die deze leerlingen in weinig maanden gemaakt (mann. meerv.) hebben. 19. Wij wilden (p. p.) gisteren niet naaiden schouwburg gaan; het; stuk, dat gespeeld werd, beviel ons niet. 20. Laat ons zien of onze vriend reeds van zijne reis teruggekeerd is; hij zou gisteren terugkeeren. 21. De daglooner heeft niet willen werken, ofschoon er werk genoeg was (cong.); nu heeft hij niet te eten.

ten einde brengen

trarre a capo.

vernuftig — intelligénte.

voldoening — soddisfazióne. blauw

azzurro.

bet

valere méglio.

er zijn

iemand op — trarre uno a z ij n hand sé.

k r ij g e n

uit het klein--trarre il

ste nut trek- sottile dél ken sottile

klachten aan--trarre guai.

heffen

iemand uit de — trarre uno dwaling helpen ding anno.

er om trek--trarre a sórte.

ken

traan

ondergaan beteekenen menschel ij k teweegbrengen stuk

dagloon er

— Idgrima. —• subire.

— valére.

— umano.

— effettuare.

— dramma.

— operdio.

- pr eg o.

- spiegare.

- i vóti mag-gióri.

- rivolgimênto. genboog — areohalèno,

area celèste.

gebed verklaren de meeste stemmen ommekeer r


-ocr page 320-

308 Werkwoorden die vervoegd worden als Servire.

ZES EN DERTIGSTE LES.

Over de Onregelmatige Werkwoorden der 3de Vervoeging op ire.

§ 1. Evenals bij de 2de vervoeging zijn ook bij de 3de maar zeer weinig regelmatige werkwoorden, die als servire vervoegd worden. Het zijn slechts de volgende:

Bollire — Koken.

Cucire — Naaien.

Dormire — Slapen.

Fuggire — Vluchten.

Fartire 1) — Vertrekken.

Pentirsi — Berouw hebben.

Seguire — Volgen.

Sentire — Voelen.

Servire — Dienen.

Vestire — KI eed en.

Aprire — Openen.

Coprire — Bedekken.

Ofrire — Aanbieden.

Mo ffr ire — Lijden.

De vier laatste werkwoorden aprire, coprire, ofrire en soffrire hebben in den Pret. Perf., behalve den regelraati-gen vorm, ook apêrsi, copêrsi, offêrsi en sojfersi. In het Part. Pass. hebben zij apêrto, copêrto, offèrto en soffêrto; dit laatste kan ook soffrito zijn.

i) Alleen in den zin van vertrekken is dit werkwoord regelmatig, in dien van verdeden is het onregelmatig.

-ocr page 321-

I

Werkw. op ire die regelm. en onregelm. kunnen zijn. 309

§ 2. Nog heeft men eenige andere, die regelmatig als servire en onregelmatig kunnen vervoegd worden ; het zijn de volgende:

Abborrire — Verfoeien.

Applaudire — Toejuichen.

Assorbire — Opslurpen.

Avvertire — Waarschuwen.

Gonver tire — Bekeeren.

Diver tire — Vermaken.

Inghiottire — In zwelgen.

AM entire — Liegen.

j Nutrire — Voeden.

Offerire — Aanbieden.

Perire — Omkomen.

Rinverdire — Weder groen worden.

Sortire \\) — Uitgaan; loten.

Spartire — Scheiden; verdoelen.

Tossire — Hoesten.

§ 3. Wederom andere onregelmatige werkwoorden op ire kunnen in de onbepaalde wijs ook op are uitgaan, en gaan dan regelmatig naar de lste vervoeging; andere kunnen ook den uitgang ere hebben.

a. met ire en are:

Ahhellire en Abbellare — Verfraaien.

Ammollire „ Ammollare — Ver weeken.

Annicchilire „ Annicchilare — Vernietigen.

Appassire „ Appassare — Verwelken.

i) Het werkwoord sortire is alleen regelmatig als servire in den zin van uitgaan; in dien van loten is het onregelmatig.

-ocr page 322-

310 Werkwoorden op ire en are en op ire en ere.

Arrossire

en

^4rrossare

— Blozen

Amrrdire

1)

Assordare

— Verdooven.

Ghiarire

gt;)

Chiarare

— Verhelderen.

Colorire

)gt;

Colorare

— Kleuren.

Imbianchire

Imbiancare

— Wit worden.

Invpaurire

Impaurare 1)

— Bang worden; bangmaken.

Impazzire

Impazzare

— Gek worden.

Impietrire

»

hnpietrare

— V er s teene n.

Inasprire

Inasprare

— Verbitteren.

Incenerire

Incenerare

— In de asch leggen.

Incorraggire

»

Incorraggiare

— Aanmoedigen.

Ingiallire

Ingiallare 1)

— Geel worden; geel maken.

Insuperbire

Imupwbare

— Zich verhoovaardigen.

Intirizzire

Intirizzare

— Verstijven.

Marcire

M

Marciare

— Verrotten.

iSchermire

))

/Schermare

— Afweren.

8colorire

Scalar are

— Verschieten.

Starnutire

Starnutare

— Niezen.

b. op ire en ere.

Assorbire

en

Assörhere

— Opslurpen.

Compire

n

Gómpiere

— Vervullen.

Concepire

Ooncêpere

— Ontvangen.

Oostruire

gt;gt;

Costrüere

— Bouwen.

Apparire

gt;gt;

Appar\'ere

Verschij nen.

Comparire

»

Comparére

i) Van sommige dezer werkwoorden, die een overgankelijke en onovergankelijke beteekenis hebben, wordt de vorm op are in de i!quot;, die op ire in de 2tle gebezigd. Zoo beteekent impaurare — vrees aanjagen, impaurire — bevreesd worden; ingiallare — geel maken, ingiallire — geel worden.

-ocr page 323-

Onregelmatigheid van de Werkwoorden op ire. 311

en verder alle samengestelde werkwoorden van parére, dat zelf ook wel eens, maar steeds foutief, onder den vorm van pur ire voorkomt.

§ 4. De groote menigte werkwoorden op ire zijn alleen onregelmatig in den lstenj 2en, 3en pers. enkelv. en in den 3en pers. meerv. van den Presênte van den Indicativo en den Congiuntivo en in den 2en pers. enkelv. van den Presênte of Puturo van den Imperative, en die onregelmatigheid bestaat alleen daarin, dat zij in genoemde tijden en personen vóór den vervoegingsuitgang de letters isc aannemen, zoodat de lste pers. enkelv. van den Pres. van Ind. op isco in plaats van op o uitgaat, waarom die werkwoorden ook wel de werkwoorden op isco genoemd worden. Er zijn slechts elf werkwoorden met hunne samengestelde, die andere onregelmatigheden hebben. Wij zullen de werkwoorden op ire daarom ook in twee klassen verdeelen. De eerste klas, waarvan alle op dezelfde wijs vervoegd worden, is dus de klas op isco; de 2de klas, die slechts elf werkwoorden bevat, is onder geen vasten regel te brengen; ieder werkwoord dier klas zal afzonderlijk vervoegd worden. Alle werkwoorden op ire, die niet tot de weinige, in § § 1 en 2 genoemd, of tot de elf der 2de klas behooren, zijn dus onregelmatig en behooren tot de klas op isco, waarvan wij thans een voorbeeld zullen geven. De niet genoemde tijden zijn regelmatig en worden vervoegd als die van het werkwoord servire.

-ocr page 324-

312 Vervoeging van het Werkwoord Impedire.*

§ 5. Vervoeging van het Werkwoord: Impedire — Verhinderen. Indicativo,

Presênte.

Ik verhinder enz. Sing. Impediseo, Irnpediwi, Invpediwe,

Wij verhinderen enz. Plur. Tmpediamo, Impedite, Impediscono.


Imperativo.

Presênte o Futuro.

Sing. Impedxwi — Verhinder.

Plur. Impedite — Verhindert.

Plur. Impediamo — Laat ons verhinderen. Coug\'iiuitivo.

Presênte.

Wij verhinderen enz. Plur. Impediamo, lm pediate, Impedismno.

Thema 48.

(Over- de werkwoorden op iscó).

1. Verban (enkelv.) van u alle vrees; hier zijn wij veilig. 2. Zij vergrooten hun huis, maar daardoor verkleinen zij hunnen tuin. 3. Wij begrijpen dien man niet altijd; hij is dikwijls niet helder in zijne voordracht. 4. Laat hem voorzichtig zijn, en laat hem het geheim, dat hem toevertrouwd is, niet verraden (lees: dat hij zij, dat hij niet verrade cong.)

Ik verhindere enz Sing. Impediamp;m, Impedhm, Impediaaa,

-ocr page 325-

48ste Oefening, 313

5, Uwe zuster bloosde, toen men haar vraagde of zij dien heer ook kende. 6. Laat hen het goed van anderen niet hegeeren, maar laat hen trachten op een eerlijke wijze in hun onderhoud te voorzien (lees: dat zij niet hegeeren, dat zij trachten cong.). 7. Die drank maakt mij slaperig, ik wil niet meer drinken, want ik heb van avond nog wat te doen. 8. Die schurken gehoorzamen niet aan de wetten des lands, zij handelen alsof die wetten niet bestonden (cong.). 9. Die bloemen verwelken ; zij hebben in de laatste weken te weinig regen gehad. 10. Dat de boozen in hunne goddeloosheid omkomen, is de wensch van ieder rechtschapen burger. 11. Diequot; pronker kleedt zich op eene bespottelijke manier; hij bemerkt niet dat iedereen hem uitlacht. 12. Wanneer handel en nijverheid bloeien, verrijken zij een land. 13. De wijze verkiest het nuttige boven het aangename, en begrijpt niet dat sommige menschen dit niet doen. 14. De wormen en rupsen komen in een kouden winter om, daarom is een koude winter niet schadelijk. 15. Onze appel- en pereboomen bloeien mooi; als er geene nachtvorsten komen, kunnen wij hopen, dat zij vele vruchten zullen opleveren (cong.). 16. De doodgravers begraven met een koud hart de doodcn, van welke de bloedverwanten en vrienden met een bloedend hart scheiden. 17. Evenals de schoonheid het lichaam verfraait, zoo versiert eene goede opvoedig de ziel. 18. Onze vrienden boden ons de heerlijkste peren aan, die zij in hunnen tuin hadden (cong.). 19. Laat ons geene kleine kinderen bevreesd maken; wie hen bevreesd maakt, begrijpt niet wat eene goede opvoeding is. 20. De lente is aangekomen, de boomen worden groen en sommige abrikozeboomen bloeien reeds.

-ocr page 326-

48ste Oefening.

314

verbannen ■ vergrooten -begrijpen verraden b e g e e r e n drank

slaperig ma- -

ken bestaan verwelken -goddelooze -pronker bespottelijk-handel nijverheid verrijken worm schadelijk pereboom nachtvorst -

begraven scheiden

h e e r 1 ij k groen worden

— banjir e.

— aggrandire.

— capire.

— tradire.

— appetire.

— bevanda.

— assopire.

— estetere.

— appassire.

— impio.

— zerbinétto.

— ridïculo.

— commêrcio.

— industria.

— arricchire.

— vér me.

— nocévole.

— pér o.

— gêlo notturno,

brinata.

— seppellire.

— par tire,

separarsi.

— delicióso.

— rinverdire.

veilig verkleinen voordracht blozen

in zijn onder---guadagnarsi

houd voor- la sua sus-zien sistênza.

gehoorzamen — obbedire. schurk — furfante, birbóne. omkomen — perire. burger —cittadino.

zich kleeden — vestirsi. uitlachen — derïdere,

r\'idersi di. —fiorire.

— preferire.

— bruco. appelboom —pömo. opleveren — fornire. doodgraver — beccamórti. bloedend —cuóre spezzato.

hart

verfraaien — abbellire. bevreesd — intimidire.

maken abrikozeboom— albicócco.

■ sec wo.

• impiccolire.

■ pórgere.

- arrossire.

bloeien

verkiezen

rups


-ocr page 327-

Vervoeging van het Werkwoord Apparire. 315

ZEVEN EN DERTIGSTE LES.

Over de Onregelmatige Werkwoorden op ire, die nog andere onregelmatigheden dan de in § 4 van de vorige les genoemde hebben.

§ 1. Apparire — Verschijnen.

Pret. Perf. : Apparvi o Apparii, p. Apparsi — Ik verscheen. Part. Pass.: Apparso o Apparito —Verschenen.

Indicativo.

Presênte.

Ik verschijn enz. Wij verschijnen enz.

Sing, Apparisco, Plur. Appariamo,

Apparisci, Ap pari te,

Apparisce o appare, Apparïscono o cuppdiono.

Imperativo.

Presênte o Futuro.

Sing. Apparisd — Verschijn.

Plur. Apparite — Verschijnt.

Plur. Appariamo — Laat ons-verschijnen.

Cong\'iiuitivo.

Presênte.

Ik verschijne enz. Wij verschijnen enz.

üng. Apparisca o appaia, Plur. Appariamo,

Apparisca o „ Appariate,

Apparisca o „ Appariscano o appdiano.

-ocr page 328-

316 Verv. van de Werkw. Aprire, Oucire en Empire.

§ 2. Aprire — Openen.

Pret. Perf. : Apêrsi o Aprii — Ik opende.

Part. Pass. : Apêrto — Geopend.

Dit werkwoord heeft verder dezelfde onregelmatigheden als het werkwoord impedire. Behalve de samengestelde werkwoorden van aprire, zooals coprire (dekken) scoprire (ontdekken), worden ook als aprire vervoegd de beide werkwoorden offenre (aanbieden) en sofferire (lijden), die geene samenstellingen van dit werkwoord zijn.

§ 3. Cucire o Cuscire — Naaien.

Bij dit werkwoord valt alleen op te merken, dat het in de vervoeging de i van de onbepaalde wijs behoudt, wanneer er een o of a op volgt, dus: cucio, cucia enz. Overigens wordt het geheel regelmatig als servire vervoegd,

§ 4. Empire — Vullen.

Indicative,

Presente.

Ik vul enz. Wij vullen enz.

Sing. Empio, Plur. Empiamo,

Êmpi, Empite,

Empie, Empiono.

Congiuntivo.

Presente.

Ik vuile enz. Wij vullen enz.

Sing. Empia, Plur. Empiamo,

Empia, Empiate,

Êmpia, Èmpiano.

Zie verder de gebrekkige werkwoorden in de volgende les.

-ocr page 329-

Verv. van de Werkw. Instruire en Morire. 317

§ 5. Instruire o Istruire — Onderwijzen.

Pret. Perf. : Instrussi — Ik onderwees.

Instrutto o Instruito — Onderwezen. Overigens dezelfde onregelmatigheden als impedire.

§ 6. Morire — Sterven.

Part. Pass. : Mórto — Gestorven.

Indicativo.

Presénte.

Ik sterf enz. Wij sterven enz.

?ing. Muóro o vmóio, Plur. Moriamo,

Muóri, Morite,

Muóre, Muóiono o muórono.

Puturo Assoluto.

Ik zal sterven enz. Wij zullen sterven enz.

3ing. Morrd o morirö, Plur. Morrèmo o mo/rirémo, Morrai o morirai, Morrëte o moriréte,

Morrd o morira, Morranno o moriranno.

Condizionale.

Presénte.

Ik zou sterven enz. Wij zouden sterven enz.

Sing. Morrèi o moriréi, PI. Morrémmo o Morirémmo. Morrésti o morirésti, Morréste o moriréste, Morrébbe o morirébbe, Morrébbcro o morirébbero. Imperativo,

Presénte o Futuro.

Sing. Muóri — Sterf.

Plur. Morite — Sterft.

Plur. Moriamo — Laat ons sterven.

-ocr page 330-

318 Vervoeging van het Werkwoord Salire.

Ik sterve enz.

Sing. Muóia o muóra, Muóia o „ Muóia o

(oiigiuntivo.

Presênte.

Wij sterven enz.

Plur. Moriamo,

Moriate,

Muóiano o muórano.


§ 7. Salire

K1 i nun e n.

Ik klim enz. Sing. /Salgo, Sali, Sale,

Indicativo.

Presênte.

Wij klimmen enz.

Plur. Saliamo o sagliamo, Salite,

/Sdlgono, p. sdgliono..


Imperativo.

Presênte o Futuro.

Sing. Sali — Klim.

Plur. Salite — Klimt.

Plur. Sagliamo o saliamo — Laat ons klimmen.

Cong\'inntivo.

Present e.

Ik klimme enz. Wij klimmen enz.

Sing. Saiga, p. saglia, Plur. Sagliamo,

Salga, Sagliate,

Salga, Sdlgano o sdgliano.

-ocr page 331-

Vervoeging van de Werkw. Seguire en Udire, 319

§ 8. Seguire — Volgen.

Indicative.

Presente.

Ik volg enz. Wij volgen enz.

Sing. Siêguo, Plur. Seguiamo,

Siêgui, Seguite,

Siêgue, /Siêguono.

Imiterativo.

Presênte o Futuro.

Sing. Siêgui — Volg.

Plur. Seguite — Volgt.

Plur. Seguiamo — Laat ons volgen.

Cong\'iuiitivo.

Presênte.

Ik volge enz. Wij volgen enz.

Sing. Siêgua, Plur. Seguiamo,

Siêgua, Seguiate,

Siêgua, /Siêguano,

§ 9. Udire — Hoor en.

Indicative.

Presênte.

Ik hoor enz. Wij liooren enz.

A

Sing. Odo, Plur. Udiamo,

Ódi, Udite,

A A

Ode, Odono.

-ocr page 332-

320 Vervoeging van het Werkwoord Uscire.

Imperativo.

Presente o Futuro.

A

Sing. Odi — Hoor.

Plur. Udite — Hoort.

Plur. Udiamo — Laat ons hoeren. Cong\'iniitivo.

Presênte.

Ik hoore enz. Wij hooren enz.

Sing. Oda, Plur. Udiamo,

Oda, U dia te,

amp; A

Oda, Odano.

§ 10. Uscire — Uitgaan.

Indicativo.

Presênte.

Ik ga uit enz. Wij gaan uit enz.

Sing. Esco, Plur. Usciamo,

Esd, Uscite,

Èsce, Escono.

Imperativo.

Presênte o Futuro.

Sing. Êsd — Ga uit.

Plur. Uscite — Gaat uit.

Plur. Usciamo — Laat ons uitgaan. Con^iuiitivo,

Presênte.

Ik ga uit enz. Wij gaan uit enz.

Sing. Esca, Plur. Usciamo,

Esca, Usciate,

Esca, Escano.

-ocr page 333-

Vervoeging van het Werkwoord Venire. 321

Als uscire vervoegt men ook riuscire (gelukken). De an-ere van ire quot;samengestelde werkwoorden worden vervoegd als onregelmatige der lste klasse.

§ 11. Venire — Komen.

Pret. Perf. : Vênni — Ik kwam.

Part. Pass. : Venuto — Gekomen.

Indicativo.

Presênte.

Wij komen enz.

Plur. Veniamo,

Veni te,

Vêngono.

Futuro Assoluto.

Wij zullen komen enz. Plur. Verrèmo,

Verrète,

Verranno.

Coudizionale.

Presênte.

AVij zouden komen enz. Plur. Verrémmo,

Verrëste,

Verrèhhero.

Iniperativo.

Presênte o Futuro.

Sing. Viêni — Kom.

Plur. V e n i t e — Komt,

Plur. Veniamo — Laat ons komen.

ITAUaANSCHE TAAL. 21

Ik kom enz.

iing. Vêngo,

Viêni,

Viêne,

Ik zal komen enz. ping. Verrd,

Verrai,

Verrd,

Ik zou komen enz. Sing. Verréi,

Verrêsti, Verrébbe,

-ocr page 334-

49ste Oefening.

Congluntivo. Izeide

Presênte. llast.

Ik kome enz. Wij komen enz. Iliceh

Sing. Yénga, Plur. Veniamo, iliij

Vtnrja, V e n i a t e, I denc

Vènga, Vêngano. I dooc

werkwoord kan tot Participio Presênte, als bijl k naamwoord gebruikt, ook vegnênte of veniênte hebben,! zl,)n

16. Wi

Thema 49. 1 wa

3ver de werkwoorden Apparire, Apr ire, Cucire, I nie ^Empire, Instruire en Morire). I ri-v

i. Men klopte (p.p.) aan de deur; ik opende (p.p.)\'

mijn beste vriend verscheen (p. p.) in de kamer. 2. Wat doet gij daar?,vroeg de vrouw des huizes aan de dienstbode? Ik naai de franjes aan het gordijn, was het antwoord. 3.

Mijn vriend komt voor zijn broeder, en maakt aldus het getal vol. 4. Die jongeling is slecht onderwezen, misschien heeft hij in zijne jeugd zijne plichten verzuimd. 5. Ik gaf (p. p.) hem den raad ronduit te zeggen wat geschied was en niet te liegen. 6. Hebt gij het venster geopend? Neen, maar ik zal het aanstonds openen. 7. Ik vul mijn gebrek aan bekwaamheid aan door den goeden wil te doen wat ik kan. 8. Wij hebben den geneesheer onderricht van den toestand des zieken in den afgeloopen nacht. 9. De naaister heeft den geheelen dag genaaid, maar heeft de japon mijner zuster niet af kunnen krijgen. 10. De veldheer is niet op het slagveld gestorven maar in de armen der zijnen. 11. Ik sterf gaarne.

322

dii

-ocr page 335-

49st;e Oefening.

323

zeide de grijsaard ; wanneer men oud wordt, is het leven een last. Mijne tante is nooit gehuwd geweest; zij is als jonge dochter gestorven. 12. Hij zal nog van honger sterven, als hij zoo lui blijft als hij tot dusverre was. 13. Zij die, strijdende voor vorst en vaderland, sterven, sterven den heldendood. 14. Hij zou bersten van het lachen, als hij bij ons was (cong.). 15. Wij willen dien hond niet dooden; laat hem zijn natuurlijken dood sterven (lees: dat hij sterve cong.). 16. Ons leven is kort, wij verschijnen en verdwijnen. 17. Wij openden het venster, om te zien wat er op straat te doen was. 18. Hij onderrichtte mij van het gebeurde, waarvan ik-niets gehoord had. Die ingenieurs bouwen bruggen over de rivieren. 20. Wij hebben tot nog toe de fout niet ontdekt, die wij gemaakt hebben.

raad geven te zeggen

gebrek —

toestand — japon —

in de armen —

der z ij n e n last -dire.

mancanza,

difêtto. stato.

■ róba.

in hraccio a mói.

■ péso.

kloppen — piochiare. i\\ J e — frangia.

antwoord — rispósta. i e m a n d d e n —■ instrnire uno

a

vrouw g o r d ij n vólmaken -ronduit

bekwaam- -

heid afgeloopen-

naaister afkrijgen o ud w orde n•

g e h u w d • padróna.

■ cortina.

■ empire.

- francaménte.

- abilitd.

- scorso.

- cucitrice.

- jinire.

- invecchiare.

- maritato.


-ocr page 336-

50ste Oefening.

324

a 1 s j o n g e dochter sterven heldendood

van lachen -

bersten verdwijnen -gebeuren brag b o a w e n ontdekken -

- morire cólla

ghirlanda.

- mórte derde, mórte eróica.

- morire dalle

risa.

- sparire.

- aceadére.

■ pónte.

■ costruire.

- sooprire.

tot dusverre —

s t r ij d e n — combdttere.

eennatuur--morire di

lijken dood mor te naturale. sterven

— nélla strada.

— ingegnêre, ingegnêro.

—fiume. lt;gt;

— sópra.

:n ora.

op straat ingenieur

rivier over


Thema 50.

(Over de werkwoorden iSalire, Seguire (/scire en Venire).

1. Ga die trap op (lees; beklim) daar vc de eerste deur rechts, daar zult gij Mijnheer vmeten. 2. ik dank u, Mijnheer, ik zal uwen raad volgen. 3. Ik beklim dikwijls den toren van ons dorp, vanwaar men een overheer-lijk gezicht op de zee geniet. 4. Het zal u wel wat moeilijk vallen, maar laat uw zoon dien ook eens beklimmen, en hij zal zien dat ik de waarheid zeg. 5. Die waren stijgen in prijs, omdat zij zeldzamer worden. 6. Hij volgt den raad niet, welken de dokter hem geeft, anders zou hij reeds genezen zijn. 7. Volg (enkelv.) mijn voorbeeld en gij zult er u wel bij bevinden. 8. Ik hoor een rijtuig; misschien is het de voorzitter der kamer van koophandel, dien ik verwacht

-ocr page 337-

50ste Oefening.

en die mij wenscht te spreken. 9. Hooren die jongens niet, dat men hen roept? 10. Ik wil heden middag eene wandeling naar Scheveningen doen; het is mooi weêr, gaat gij mede? 11. Ik zou gaarne uitgaan, maar ik heb geen tijd; ik heb dringende zaken. 12. Ik ga zelden uit; het zou beter zijn dat ik wat meer uitging (cong.); ik geloof niet dat ik lichaamsbeweging genoeg heb (cong.). 13. Laat uwe kinderen uitgaan ; het is goed dat zij de frissche lucht genieten. 14. Morgen avond zal ik u komen afhalen, en dan zullen wij samen uitgaan. 15. Ik slaag niet in deze onderneming; er zijn omstandigheden tusschenbeide gekomen, waarop ik niet gerekend had. 16. Kom (enkelv.) bij mij, beste vriend, en laat uw broeder ook komen (lees: dat mv broeder enz. cong.), wij zullen ons zeer goed vermaken. 17. Laat ons naar zijnen raad hooren, en laten uwe broeders er ook naar luisteren; ik ü\'zeker u, dat hij ons welzijn wenscht. 18. De professor komt niet, ten minste ik geloof niet meer dat hij komt (cong.), het is reeds over den tijd. 19. Indien wij tijd hadden en uitgingen (cong.), zouden wij zeker komen. 20. Metselaars, timmerlieden, loodgieters en leidekkers beklimmen dikwijls hooge en gevaarlijke plaatsen. 21. Mijne zuster heeft mij verzocht uwen zusters te zeggen, dat zij morgen bij haar komen (cong.) en met haar uitgaan (cong.). 22. Wacht een oogenblik hier; over een paar minuten kom ik terug, en luister dan met genoegen naar hetge.en gij mij te zeggen hebt.

voor —dinanzi a, innanzi a, rechts —a dêstra.

davanti a.

van waar —dal quale. gezicht op —veduta di.

325

-ocr page 338-

326

godbre di. zeldzaam — raro. voorbeeld — esêmpio. voorzitter — presidênte. dringend — urgênte. lichaams- —movimênto, beweging esercizio del córpo.

tusschen- — sopravvenire. beide komen

op iets re--prevedére

kenen qualche cósa.

naar iets —udire qualche hoor en of cósa. luisteren o v e r d e n t i j d — óltre lêmpo. loodgieter —fonditóre di

\' J t ! \' — qode.

piómbo. plaats — luógo, pósto.

genieten

in prijs stijgen worden — divenire.

r ij t u i g — vettura. I n V\' kamer van — cdmera di koophandel commêraio.

iemand ko--venire pêr

men afhalen uno.

omstandigheid zich vermaken welzij n

leidekker

— circonstanza.

— divertirsi.

— salute,

prosperitd.

— conciatétto.

Over de Gebrekkige Werkwoorden.

— satire in \'prézzo


ACHT EN DERTIGSTE LES.

Over de Gebrekkige Werkwoorden.

§ 1. Gebrekkige werkwoorden zijn die, welke sommige wijzen, tijden of personen missen. Behalve de onpersoonlijke werkwoorden, die men er gewoonlijk niet bij rekent, en die wij in les XXVIII behandeld hebben, zijn de volgende de voornaamste.

-ocr page 339-

Over de Gebrekkige Werkwoorden. 327

/

§ 2. Algere — Tot ijs worden, koud worden,

vers tij ven.

Dit werkwoord wordt alleen door dichters in den Pret. Perf. gebruikt, b.v. :

Alsi, algésti, alse, algémvio, algéste, dlsero.

§ 3. Angere — Bedroeven; beangstigen. Dit werkwoord bezigen de dichters enkel in den 3en pers. enkelv. van den Pres. van den Ind. b.v.:

Ange — h ij bedroeft.

§ 4. Arrógere — Toevoegen; vereenigen. Dit werkwoord wordt gebruikt:

1°. in den 3en pers. enk. van den Pres. van den Ind. b.v.:

Arróge — hij voegt toe:

2°. in den 3en pers. enk. van den Pret. Perf. van den Ind. b.v.:

Arróse — hij voegde toe;

3°. in het Gerundio b.v.:

Arrogêndo — toevoegende, en 4°. in het Part. Pass. b.v.:

Arróto o Arróso — toegevoegd.

§ 5. Avêllere — Uitroeien.

Dit werkwoord wordt alleen in den Pret. Perf. en in het Part. Pass. gebruikt b.v.:

Pret. Perf.: Avêlsi, avellcsti, avêlse, avellémrno, avelléste, avêhero.

-ocr page 340-

r--

328 Over de Gebrekkige Werkwoorden.

Part. Pass.: Avêlto — uitgeroeid.

Men vervangt dit werkwoord door svéllere. (Zie les XXXV § 12, bl. 293). ___

§ 6. Calfre — Zich bekommeren, gelegen laten zijn Dit werkwoord wordt enkel in den 3en pers. enkelv. mei de voornaamwoorden mi, ti, si, ci en vi als régime en alleei in de volgende tijden gebruikt;

1°. in den Pres. Ind. : mi cale — ik bekommer mij. 2°. in den Imperf. Ind.; ti caléva — gij bekommerdet u 3°. in den Pret. Perf. Ind. : si calse — bij bekommerde zich 4°. in den Pres. Cong.: d caglia — dat wij ons bekom

meren.

5°. in den Imp. Cong.: vicalèsse—dat gij u bekom

merdet en

6°. in al de samengestelde tijden van Ind. en Cong. b.v.: Pret. Indef. Ind.: ci è caluto — wij hebben ons

bekommerd.

Piü che Perf. Cong. : mi fósse caluto — d a t i k m ij bekommerd had de.

§ 7. Cólere — Eeren, vereeren. Dit dichterlijke werkwoord heeft slechts den len en 3en pers. enkelv. van den Pres. Ind. b.v.:

Oólo — ik vereer; cóle hij vereert.

§ 8. Cómpiere — Vervullen.

Dit werkwoord kan, evenals adêmpiere, êmpiere, en riênvpiere, in den Inf. ook uitgaan op ire, en wordt dan vervoegd als empire in Les XXXVII, § 4. öovvpire en adempvre kunnen echter in den Pres. van den Ind. hebben: cómpio en adémpio

*

-ocr page 341-

Over de Gebrekkige Werkwoorden.

en ook compisco en adempisco. Deze werkwoorden worden in de volgende tijden en personen gebruikt:

Pres. Ind. : Cómpio, cómpie, compianw, cómpiono.

I m p e r f. Ind.: Compievamo, compicvate, compiévano. Pret. Perf. Ind.: Compiéi, compiésti, compiè, compiémmo,

compiéste, comjyiérpio.

Put. A s s. Ind.: Üompierd, compter ai, compierd, compierémo,

compieréte, compieranno.

Pres. Cond.: Compierèi, Gompierésti. compierèbbe,

compierèmvw, compierèste, compierébhero. Pres. o Put. Imp. : Compiarno.

Pres. Gong.: Oórnpia, cómpia, cómpia, compiarno,

compiate, cómpiano.

Gerundio : Gompiêndo.

Part. Pass. : Compiuto.

§ 9. Earner e — Bevrijden.

Omtrent dit werkwoord en dirimere (scheiden) heeft het gebruik nog niet beslist, of zij in alle personen en tijden, of slechts in enkele mogen gebezigd worden. Eshmere kan vervangen worden door esentare, en dirimere door separare of dividere. Redimere wordt in alle wijzen, tijden en personen gebruikt en vervoegd, zooals op bl. 269 is aangegeven,

§ 10. Espêllere — Uitdrijven. Dit werkwoord wordt slechts door de dichters alleen in den 3en pers. enkel- en meerv. van den Pret. Perf. van den I n d. gebruikt: espulse, espulsero — h ij dreef, z ij d r e-ven uit. Het Part. Pres., als bijv. naamw. gebruikt, is een medische term b.v.: un rimêdio espellênte, een uitdrijvend geneesmiddel.

329

-ocr page 342-

330 Over de Gebrekkige Werkwoorden.

§ 11. Estóllere — Verheffen.

Dit dichterlijk werkwoord wordt slechts in den Infinitive en in den 3en pers. enkelv. van den Pres. van den Ind. gebruikt b.v. : estólle — hij verheft.

§ 12. Fiêdere — Wonden; slaan. Dit werkwoord, dat ook meer in poëzie dan in proza voorkomt, heeft de volgende tijden en personen;

Pres. Ind. : Fiêdo, Jiédi, fêde, fiêdono.

Imp. Ind. ; Fiedéva, fiedbvi, fiedfiva, fiedevamo,

fiedevate, fiedévano.

Pret. Perf. Ind.; Fiedèi, jiedèsti, fiedè, fiedérmno, jiedéste,

fiedérono.

Pres. Gong. : lo fiêda, ég li fiêda, fiêdano.

Imperf. Gong. : Fiedéssi, fiedéssi, fiedèsse, fiedéssimo,

Jiedéste, fiedéssero.

Gerundio: Fiedêndo.

§ 13. Gire — Gaan.

Alleen de volgende tijden en personen zijn gebruikelijk: Pres. Ind.: Giamo — wij gaan; gite — gij gaat.

Imperf. Ind.: Oiva —ik ging.

Fut. Ass. Ind. : Giro, girai, gird, girémo, giréte, giranno. Pres. Cond. : Giréi, girésti, girébbe, girémmo, giréste,

girébbero.

Pres. o Put. Imp. : Gite — gaat; giamo — laat ons gaan. Pres. Cong.: Giamo, giate — dat wij gaan, dat

gij gaat.

Imp. Gong. : Gissi, gissi, gisse, gïssimo, giste, gissero.

Part. Pass.: Gito — gegaan.

-ocr page 343-

Over de Gebrekkige Werkwoorden. 331

§ 14. Ire — Gaan.

Dit werkwoord wordt alleen gebruikt in de volgende tij-:len en personen :

[mperf. Ind. : Ivo, — hij ging; ivano — zij gingen. Fut. Ass. Ind. : Irèmo, iréte, iranno.

Pres. o Fut. Imp. : Ite — gaat.

Part. Pass.: Ito — gegaan.

§ 15. Licére en Lecére — Geoorloofd zijn.

Beide werkwoorden hebben slechts den 3en pers. enkelv. van den Pres. van den Indic., b.v.; lice en lèce, het is geoorloofd. De Infinitivo wordt niet meer gebruikt.

§ 16. Mólcere—Bevredigen, tot bedaren brengen. Dit werkwoord wordt alleen dichterlijk gebruikt in den Pres. Ind. : mólci — gij bevredigt; mólce — hij bevredigt. Imp. Ind ; mo/cém — ik bevredig-mofcéw — gij bevredigde ; det.

§ 17. Olire — Goed, aangenaam ruiken. Dit werkwoord wordt alleen in den Isten \' 2enj 3en pers enkelv. en in den 3en pers. meerv. van den Imp. van den Ind. gebruikt b.v. : Oliva, olivi, oliva, olivano.

§ 18. liiêdere — Terugkeeren. Dit werkwoord heeft slechts de volgende tijden en personen: res. Ind. : Riêdo, riêdi, riêde, riêdono.

j^mp. Ind.: Hiedéva, riedévi, riedéva, riedévano.

Pres. Gong. : liiêda, riêda, riêda, riêdano.

I

-ocr page 344-

Over de Gebrekkige Werkwoorden.

Van dit werkwoord komt ook de Latijnsche vorm redire voor, waarvan Buttura en Renzi, in hunnen „Diction-naire gén ér al Italien-Frangaisquot;, den Fut. Ass. Hiederd etc. en den Pres. Cond. riederéi etc. geven, welke beide tijden echter eerder tot het werkwoord riêdere schijnen te behooren. Zij geven verder van redire den geheelen Presênte van den Oongiuntivo: riêda ëtc. en den 3en pers. meerv. van den Pretérito Perfêtto van den In-dicativo: redirono. Het Part. Pass. is: redito. Beide werkwoorden worden in gewoon proza vervangen door ritornare.

§ 19. Soffólcere — Ondersteunen.

Omtrent het gebruik van dit werkwoord is men onzeker. Eenige taalkundigen bezigen slechts den 3en pers. enkelv van den Presênte en den Pretérito Perfêtto van den Indicativo; soffóhe en soffólse; andere gebruiken die tijden in alle personen en vervoegen;

Pres. Ind. : Soffólco, soffólci, soffólce, soffolciamo,

soffolcéte, soffólcono.

Pret. Perf. Ind.: Soffólsi, soffolcésti, soffólse, soffolcémmo,

soffolcèste, soffólsero.

Part. Pass. : Soffólto.

Dit werkwoord wordt beter vervangen door appoggiare.

§ 20. Solère — G e wo on zijn, plegen. Dit werkwoord wordt gebruikt in de volgende tijden : I Pres. Ind. : iSóglio, suóli, móle, sogliamo, soléte, sógliovJ.

Imp. Ind.: iSolèva, solévi, soléva, solevamo, solevate, solévano.

\\.

332

-ocr page 345-

5Isie Oefening. 333

Pres. Cong. : Sóglia, sóglia, sóglia, sogliamo, sogliate, sógliano. Grerundio: Solêndo.

Part. Pass. : Sólito.

De ontbrekende tijden worden aangevuld door het werkwoord êssere met het Part. Pass. b.v. : ik zal gewoon zijn ; sard sólito.

§ 21. ürgere — Dringen, zeer noodig zijn.

Dit werkwoord wordt alleen gebruikt als volgt:

Pres. Ind. : Urge — het is dringend noodzakelijk. Imperf. Ind.: Urgtva — het was dringend noodzakelijk ; wgtvano, zij (de zaken) waren dringend noodzakelijk.

§ 22. Tdngere — Raken.

Dit werkwoord heeft alleen den 3eri pers. enkelv. van den Pres. van den Ind.: tange — hij, zij, het raakt.

Thema 51.

1. Toen ik te Parijs woonde, placht ik iedere week naar den schouwburg te gaan. 2. De Minister van Binnenlandsche Zaken pleegt iederen Zaterdag audientie te geven. 3. Hij zal misschien gewoon zijn iederen avond uit te gaan, en waarschijnlijk zullen wij hem dus niet thuis-vinden. 4. Ik ben overtuigd goed gehandeld te hebben, en daarom bekommer ik mij niet om hetgeen anderen zeggen. 5. Laat u er niet aan gelegen zijn te weten wie dit gezegd heeft. 6. Mag ik hopen die betrekking te krijgen (vertaal: is het mij geoorloofd enz.) ? 7. Ik ging igire) gewoonlijk met mijnen broeder naar het koffiehuis, en keerde (riêderé) ook met hem terug. 8. Zij

-ocr page 346-

5Isle Oefening.

dreven {espêllere p. p.) den vijand uit het land en versterkten de grenzen. 9. Hij stoorde (p. p.) er zich niet aan, dat men hem zijne verkeerdheid onder het oog bracht. 10. Twee quot;werklieden roeiden {avêllere p. p.) de hoornen uit, die voor ons huis stonden. 11. Die zaken drongen (ürgere) op dat oogenhlik zóózeer, dat zij geen uitstel gedoogden. 12. Niet gewoon zijnde \'s avonds te eten, bekwam (p. p.) mij die maaltijd slecht. 13. Wij zijn gewoon onze vrienden af te halen, wanneer wij gaan wandelen. 14. Wij hebben ons niet bekommerd om die omstandigheid, wij hebben ons plan uitgevoerd. 15. Wij zullen gaan (gvre) en zij zullen ook gaan, wanneer onze zaken het ons veroorloven (cong.). 16. Laat hen gewoon zijn dit te doen, zij zullen het nu toch moeten laten. 17. Al waren (cong.) zij gewoon dit werk te verrichten, zij slaagden dezen keer niet. 18. Zij gedroegen (p. p.) zich naar de wet, die hun voorgeschreven was. 19. Zij bekommerden (p. p.) zich niet om hun leven, en redden (p. p.) twee kinderen uit het brandende huis. 20. Ik hoop dat uw vriend doen zal (cong.) wat hij gewoon is te doen, dan zullen wij ons niet over hem te beklagen hebben.

minister van — ministro audientie —dare binnenland- dèghintêrm. geven udiênzct.

sche zaken. versterken —fortificare.

waarschijn--probabilménte. grenzen eonfini,

Hjk frontiêre.

verkeerdheid — perversitd. werkman —operdio. iemand iets — mêtter sót- goed, slecht fccr huón, onder het t\'ócchio qualche bekomen mal pró.

oog brengen cósaaduno.

334

-ocr page 347-

Over het Gebruik van den Infinitive. 335

uitstelge--soffrireindugio, gaan wan- — andare a

cl o ogen ritardo. delen spasso.

m a a 11 ij d — \'pranzo (des mid- v o o r s c h r ij - — prescrwere.

dags) ven

céna (des avonds).

zich naar de — cómpiere ebranden —brulare.

wet gedragen rêgola.

zich beklagen — lagnarsi.

NEGEN EN DERTIGSTE LES.

Over het Gebruik van den Injinitivo.

§ 1. 1. E têmpo di partire. — Het is tij d om te vertrekken.

2. Vóglio nscire óggi. —Ik wil vandaag uitgaan.

3. L\' hó veduto partire. —Ik heb hem zien vertrekken.

4. Ahbiamopmsato far dd. — Wij hebben gedacht dit

te doen.

5. Vu u. cercarc il mio l\'ibro.—Ik ga mijn boek halen.

6. Ti prégo di dirmelo. — Ik verzoek u het mij te

zeggen.

De Infinitivo wordt gebruikt, 1°, zooals uit 1 blijkt, als bepaling van een zelfstandig naamwoord, en wordt in dit geval voorafgegaan door het voorzetsel di, en 2°, zooals men uit 2, 3, 4, 5 en 6 ziet, om de beteekenis van een ander werkwoord te voltooien, In het laatste geval wordt hij zonder voorzetsel gebruikt:

1°. als in 2, na een modaal werkwoord of hulpwerkwoord van wijze, als: potére, dovére, volére, osare en sapére.

-ocr page 348-

336 Over het Gebruik van den Infinitive.

2°. als in 3, na een werkwoord, dat eene gewaarwording der zintuigen aanduidt, als; vedére, senüre enz. en 3°. als in 4, na sommige andere werkwoorden als:

Bisognare —

n o o d i g z ij n.

Galcolare —

r e k e n e n.

Credere —

meen en.

Degnare o degnarsi —

zich verwaardigen

Fare —

doen.

Iniêndere —

voornemens z ij n.

Lasciare —

laten.

Negare —

ontkenne n.

Parère —

s c h ij n e n.

Pensare —

denken.

Pretêndere —

beweren.

Sembrare —

s c h ij n e n.

Solére —

gewoon z ij n.

Sostenère —

staande houden.

Vedére —

zien; trachten.

De Infinitivo wordt als in 5, met liet voorzetsel a gebruikt, na een werkwoord van beweging, en met di, als in 6, na verschillende andere werkwoorden, die gewoonlijk door een omschrijving met een zelfstandig naamwoord kunnen vervangen worden. Zoo kan men in plaats van ti prego di dirmelo zeggen : ti fó la preghiêra di dirmelo.

§2. 1. Primad\'uscire,scriverd — Alvorens uit te gaan, zal una léttera. ik een brief schrijven.

2. II suo fare nón mi piace. — Zijne manier van handelen bevalt mij niet.

-ocr page 349-

Over het Gebruik van den Infinitivo.

. Nónappróvoilsuoscrivere. — Ik keur zijn schrijven

niet goed.

• Nel cavalcare sorpassa —In het paard rijden over-tutti gli alfri. treft hij alle anderen,

p. IJer avér saputo la sua —Omdat hij zijne lea ge-lezióne è stato ■premiato. kend heeft, is hij be

loond geworden. De Infinitivo wordt gebruikt na een voorzetsel, zooals in 1, evenals dit geschiedt in andere talen behalve het Engelsch. Men bezigt den Infinitivo ook, zooals men uit 2, 3 en 4 piet, als zelfstandig naamwoord, en wel als onderwerp in 2, [als voorwerp in 3, als bepaling in 4. Ook gebruikt men den Infinitivo, als in 5, waar wij in het Nederlandsch het voegwoord omdat met een tijd van een werkwoord gebruiken.

337

dins;

O

§ 3. 1. /Sappiamo che quèlï

uómo è viólto ricco.

[2. /Sappiamo quèll\' uómo êsser

mólto ricco.

[3. Credéva cli ég li fósse il di

Lêi aniico.

|4. Credéva lui êsser il di Lêi amico.

W ij weten dat die man zeer rij k is.

Ik meende dat hij u w v r i e n d w a s.

Wanneer een hoofdzin, zooals in 1, wij weten en in 3, ik meende, door een voorwerpszin gevolgd wordt, waarin het onderwerp in den 3en persoon staat, dan kan men bij de vertaling in het Italiaansch dat onderwerp in den 4en naamval en het werkwoord in de onbepaalde wijs plaatsen, en beide zinnen, den hoofdzin en den afhankelijken voorwerpszin,

22

tTAUAANSCHE TAAL.

-ocr page 350-

338 52ste Oefening.

door de uitlating van dat tot éénen zin samensmelten. Zoo worden de beide zinnen in 1: wij weten dat die man zeer rijk is in 2, vertaald: wij weten dien man zeer rijk te zijn, en de beide zinnen in 3: ik meende dat hij uw vriend was, in 4: ik meende hem uw vriend te zijn. Deze sierlijke constructie, die eene navolging van de Latijnen is, wordt genoemd Vaccusativo cóll\' Tnfinitivo.

Thema 52.

1. Zonder eene vreemde taal te spreken, leert men ze niet spreken. 2. Omdat hij gestolen had, werd de dief in de gevangenis gezet. 3. In het schrijven overtreft uw broeder al zijne medeleerlingen, in het rekenen is hij niet zoover gevorderd. 4. Wij begrijpen zijne manier van doen (vertaal: zijn doen) niet, en gelooven dat hij soms zeer gedachtenloos is. 5. Ga eene flesch wijn uit den kelder halen, en breng die hier. 6. De veldheer beval zijnen troepen op te rukken en de stad stormenderhand in te nemen. 7. Het is noodig daarheen te gaan, anders zal de zaak niet goed afloopen. 8. Wij denken hier tot morgen over veertien dagen te blijven, en dan zullen wij naar Madrid vertrekken. 9. AVij beweren geen gelijk te hebben, maar wij twijfelen ook zeer of de zaak wel zoo is (cong.) als gij zegt. 10. Mijn vriend was zoo beleedigd over het gezegde van dien man, dat hij zich niet verwaardigde hem te antwoorden. 11. Wij ontkennen dit gedaan te hebben, en weten zeer goed wie het gedaan heeft. 12. Wij verzoeken u morgen bij ons te komen eten,

-ocr page 351-

52ste Oefening.

339

wij hebben een heerlijken zalm gekocht. 13. Men zegt, dat de tijd de vader van alle waarheid is. 14. Wij weten, dat Cicero en Demosthenes groote redenaars geweest zijn. 15. Ik geloof dat Karei dezen brief geschreven heeft, ik meen zijne hand te herkennen. 16. Zonder die woorden te herhalen, kan men ze niet onthouden. 17. In plaats van altijd uit te gaan, zoudt gij beter doen u meer op uwe studiën toe te leggen. 18. Het is eene groote dwaasheid arm te leven om rijk te sterven. 19. Het is nuttig van tijd tot tijd te gaan wandelen, want te veel zitten is nadeelig voor de gezondheid. 20. Wij willen heden niet werken, het is een feestdag voor ons; de geboortedag van onzen geachten vader.

vreemd — stranièro.

in de gevan--incarcerare.

genis zetten vorderen — avanzare. k e 1 d e i\' — cantina. wij nk e 1 d e r — celliêre,

cdnova.

zalm —salamöne,

sermóne. Demosthenes — Demóstene. herhalen — ripêtere. in plaats van— in vëcc di, in luógo di. nadeelig — nocévole.

geboorte--giórno natalizio,

dag giórno di ndsoita.

stelen

rekenen

gedachten-

loos oprukken Madri d

Ci

d w a a s h e i d — pazzia.

f e e s t d a g — giórno di fêsta.

giórno f estiva.

c e r o

redenaar zich toe-

— rubare.

— calcolare.

— spensierato.

— avanzare.

— Madrid, Madridde.

— Cicerone.

— oratóre.

— applicarsi.


-ocr page 352-

340 Over het Gebruik van het Part. Prss.

VEERTIGSTE LES.

Over het Gebruik van het Participio Presênte en het Gerundio.

§ 1. Nón ascoltava le sue — Ik luisterde niet nat paróle seducênti. zijne vleiende woorden.

2. Gli antropófagi sim — Demenscheneterszijnmei uómini vivênti di came schen die van menschel umana. vleesch leven.

3. Incontrai un v/rmo, che — Ik ontmoette eenen mai passeggiando legg\'eva una die wandelende eene lêttera. brief las.

Zooals reeds vroeger opgemerkt werd, heeft het Participi Presênte als deel van het werkwoord zijne beteekenis gt heel verloren. Het wordt steeds gebruikt als bijvoeglijk, som ook als zelfstandig naamwoord, is altijd veranderlijk en kom in geslacht en getal overeen met het zelfstandig naamwoort waarop het betrekking heeft, of dat het vertegenwoordigt. Ii het Eransch geldt de vraag of het qualificatif op am een adjectif verbal of een participe présent is. Bij de Italianen, voor welke het Participio Presênte zijm actieve eigenschap geheel verloren heeft, om zich slechte in eenen pas si even zin te vertoonen, geldt deze vraag niet Zoo is in 1 het Part. Pres. veranderlijk, doch ook in 2, waar het in het Eransch onveranderlijk zou zijn, en waar men zou zeggen : Les anthropophages sont des hommes vlvant etc.

Hebben er als in 3 twee handelingen plaats, dan kan men geene van beide als passief beschouwen, en dan moet ook noodzakelijk het Gerundio gebruikt worden, en niet het

-ocr page 353-

Over het Gebruik van het Gerundio. 341

Participio Presênte. Als deel van het werkwoord ge-bruike men dus in het Italiaansch steeds het Gerundio.

Door spinnen en weven voorziet zij in haar onderhoud.

Terwijl hij de rivier overstak, is hij verdronken.

Toen ik hem zag, oordeelde ik, dat hij niet gelukkig was.

Omdat hij te laat gekomen was, vond hij geene plaats meer.

Jtiet u-erundio gebruikt men sierlijkheids- en kortheidshalve, waar men in het Nederlandsch door met een onbepaalde wijs, of de voegwoorden terwijl, toen, omdat met een tijd van een werkwoord bezigt. Zoo wordt in 1, door spinnen en weven vertaald door Jilando e tessêndo. Het kan dan, zooals uit 2 blijkt, ook vervangen worden door het voorzetsel cón of door het samengetrokken voorzetsel en lidwoord cól met de onbepaalde wijs; in 3, terwijl hij overstak door trapassando, dat, zooals uit 4 blijkt, vervangen kan worden door het voorzetsel in of door het saam-

§2. 1. Filando e tessêndo èlla si guadagna la vita o

2. Cón o cól filare e cón o cól têssere si guadagna la vita.

3. Trapassando il si è annegato o

i. In o nel trapassare il fiame si è annegato.

5. Vedêndolo, argornentai che nón êra contênto o

6. Al o a vedérlo, argornentai che nón êra contênto.

7. Essêndo venuto tardi, non trovd pül pósto o

8. Per êsser venuto tardi nón trovd piil pósto.

-ocr page 354-

342 Over liet Gebruik van het Gerundio.

getrokken voorzetsel en lidwoord nel met de onbepaalde wijs in 5, toen ik zag door vedmdo, dat, zooals in 6, vervanger kan worden door het voorzetsel a of door het saamgetrokkei voorzetsel en lidwoord al met de onbepaalde wijs; in 7 omdat hij gekomen was door essêndo venuto, dat, alf in 8, vervangen kan worden door pér met de onbepaalde wijs. De onbepaalde wijze met het saamgetrokken voorzetse en lidwoord is sterker dan die met het voorzetsel alleen.

§3. 1. Incontrai ilmio amico,— Ik ontmoette mijnen quando andava a chiêsa. vriend, toen hij naai

de kerk ging.

2. /Stó studiando la mia — Ik zit mijne les te lee-lezióne. ren.

3. Vó cogliêndo fióri nêlviio — Ik ben in mijnen tuin giardino. aan het bloemen plukken.

4. II suo tróppo lavorare lo — Zijn overmatig werken va dehilitando. verzwakt hem allengskens.

5. Venivano cantando pér la— Zij kwamen langs de strada. straat zingen.

Het Gerundio heeft steeds betrekking op het onderwerp ; wanneer men in 1, in plaats van quando andava zou zeggen andando, dan zou het beteekenen: toen ik ging en niet: toen hij ging. Het Gerundio, met de werkwoorden stare, andare en venire gebruikt, geeft eene progressieve handeling te kennen, eene die voortgezet wordt, waarbij valt op te merken dat stare, zooals in 2, eene rust, andare en venire, zooals in 3, 4 en 5, eene beweging aanduiden.

-ocr page 355-

53ste Oefening.

Thema 53.

1. Door te spreken leert men spreken. 2. Door welke zaak ook te doen, leert men ze doen. 3. De man, die nog kort geleden eene bloeiende gezondheid genoot, is lieden reeds begraven. 4. Ik zag hem, toen hij den heer P. ging bezoeken. 5. Mijne kinderen zijn aan liet bloemen plakken in de weide. 6. Zij kwamen langzaam den berg afdalen. 7. Terwijl ik mijn middagmaal gebruikte, herinnerde ik mij eensklaps dat ik eene dringende zaak vergeten had. 8. Toen hij mij ontmoette, sprak hij mij aan en vroeg naar mijne gezondheid. 9. Door hard te werken, voorziet hij in het. onderhoud van zijn talrijk gezin. 10. Niemand is in het geven van aalmoezen edelmoediger dan hij. 11. Wat zijt gij (enk.) aan het zoeken, gij doet niets dan heen en weer loopen 12. Terwijl die dwaas zoo sprak, werd hij door allen voor den gek gehouden. 13. Terwijl wij onze vrienden zochten, ontmoetten wij toevallig uwen broeder. 14. Door mijne moeder te verliezen, heb ik alles verloren. 15. Ik vertrek den twintigsten van deze maand; al. de overigen van mijne familie zullen den tienden van de volgende maand vertrekken. 16. Terwijl hij voorgaf u te beminnen, spande hij u duizend strikken om u te verderven. 17. De schreiende moeder zat wanhopig bij het bed van haar stervend kind. 18. Omdat hij zijn werk niet geëindigd had, werd hij door den meester gestraft. 19. Omdat gij op den tocht gezeten hebt, hebt gij kou gevat en moet gij hoesten. 20. Nadat hij zich gehouden had, alsof hij wat anders te doen had, verliet de kapitein het gezelschap.

343

-ocr page 356-

zich herinneren

vragen naar — informarsi di. edelmoedig — largo.

heen en weer — qua e ld. voor den gek — uccellare.

houden al de ove- —tutto il

rigen rimanênte.

de volgende — il próssimo

maand mése.

strikken — téndere

spannen lacciuóli.

schreien —pidngere. tocht — riscóntro d\' aria. een kou — prêndersi un vatten imbeccata, un accatarraménto, un infreddatura.

afdalen — scêndere.

iemand aan--indirizzare

spreken la paróla

ad una. aalmoes — elemósina. dwaas —pazzo. toevallig — a caso, pêr accidênte, casualmênte voorgeven —mostrare.

verderven — ruinare.

wanhopig —pnduto.

hoesten — tossire.

zich hou- — far sembiante

den di.

wat anders — altro da fare.

te doen

verlaten —partirsi.

344 Over het Participio Passato o Passive. ■ rammentarsi.


EEN EN VEERTIGSTE LES.

Over het Participio Passato o Passivo. § 1. 1. II mio amico è —Mijn vriend is terugge-ritornato. keerd.

2. Sua rnadre êra morta. —Zijne moeder was gestorven.

3. I miêi libri sóno perduü. — Mijne boeken zijn verloren.

4. Le nóstre case són vendute. — Onze huizen zijn verkocht.

5. Abbiamo passeggiato dalle — Wij hebben van twee tot due alle quattro. vier uur gewandeld.

-ocr page 357-

Over het Participio Passato o Passive. 345

Zooals uit 1, 2, 3 en 4 blijkt en vroeger reeds opgemerkt werd, is het Part. Pass., met éssere vervoegd, indien dit werkwoord niet voor avere gebruikt wordt, veranderlijk en komt met het onderwerp altijd in geslacht en getal overeen. Het Part. Pass. van een intransitief of onovergankelijk werkwoord, dat met avere vervoegd wordt, is, zooals uit 5 blijkt, onveranderlijk.

§2. 1. Hó avvezzata la mia \\ Ik heb mijne ziel aan dnima alle péne o moeielijkheden of on-

2. Hó la mia dnima avvezzato | aangenaamheden ge-alle jpGftiG. j wend.

3. Hó la mia dnima avvezzahi \\ Ik heb eene ziel, die alle péne o I aan moeielijkheden of

4• -Hó avvezzafn la viici dnima | onaangenaamheden ge-alle péne. J wend is.

In de voorbeelden 1 en 2 is het Part. Pass., met avére vervoegd, onveranderlijk, omdat het voorwerp la mia dnima niet het voorwerp van het werkwoord avére, maar dat van den Pretêrito Indefinito van het werkwoord avezzare is. Hier geldt de vraag: wat heb ik gedaan? en het ant-rd is; ik heb gewend, en wel mijne ziel gewend moeielijkheden. In 3 en 4 is hetzelfde Part. Pass., met avére vervoegd, veranderlijk en komt met het voorwerp la mia dnima jn geslacht en getal overeen, omdat dit voorwerp behoort aan het werkwoord avére. Hier geldt de vraag: wat heb ik? en het antwoord is: ik heb eene ziel, en wel eene ziel, die gewend is aan moeielijkheden. Het Part. Pass. krijgt hierdoor het karakter van een bijvoeglijk

woor aan

-ocr page 358-

346 Over het Participio Passato o Passivo.

naamwoord, en vandaar de veranderlijkheid. De regel der Fransche taal, dat het Participe passé, met avoir vervoegd, met het voorwerp overeenkomt, wanneer het door zijn voorwerp wordt voorafgegaan, gaat dus in het Italiaansch niet altijd door. Het hangt er slechts van af, hoe men het voorwerp beschouwen moet, ofschoon ook de welluidendheid hier heel wat te zeggen heeft. Het verschil van plaats van het Part. Pass. in 1 en 2, alsook in 3 en 4, verandert wel de harmonie van den volzin maar niet de gedachte.

§ 3. 1. Êglimhaveduh. — Hij heeft mij (vr.) gezien.

2. lo t\'hó ohiamain. —Ik heb u (vr.) geroepen.

3. Ég lino ei hanno invitati. — Zij hebben ons (mann.) uit-

genoodigd.

4. Vi ahhiamo pregate cli — Wij hebben u (vr. meerv.) Jave cid. verzocht dit te doen.

5. Ij ahhiamo veduü). —Wij hebben hem gezien.

6. Ij ahhiamo cercahx. — Wij hebben haar (enk), gezocht.

7. Li avevamo veduü. —Wij hadden hen gezien.

8. Le avevamo cercatv. — Wij hadden haar (meerv.) gezocht.

9. Li hó fatti hallare. — Ik heb ze (m. meerv.) laten dansen. Als algemeenen regel kan men stellen, dat, wanneer het

O o

Part. Pass. tot voorwerp heeft een der persoonlijke voornaamwoorden mi, ti, ei, vi, ló, la, li. Ik, het met dat voorwerp overeenkomt in geslacht en getal, zooals in de voorbeelden 1—8 is duidelijk gemaakt. Dit is ook het geval, zooals uit 9 blijkt, wanneer op het Part. Pass. een Infinitivo volgt. In het Fransch blijft daarentegen het Part. Pass. van faire, door een onbepaalde wijs gevolgd, altijd onveranderlijk.

-ocr page 359-

Over het Participio Passato o Passive. 347

§4. 1. Êssi si sóno clêtte

délle villanïe.

2. Elleno si sono fath aspettare.

— Zij hebben elkander grof

heden gezegd.

— Zij hebben zich laten

wachten.


3. lo mi sóno tag Ka fa i — Ik heb mij de haren af-

capélli.

4. ll\'lla s\'é róUw la gamba.

5. Élleno si sóno róttv la gamba.

geknipt.

— Zij heeft liet been ge

broken.

— Zij hebben het been ge

breke n.


Wordt het werkwoord êssere, als bij de wederkeerige ^werkwoorden, voor avére gebruikt, dan komt het Part. Pass. niet altijd, als in § 1, met het onderwerp overeen; evenmin altijd, zooals dit in het Fransch geschiedt, met zijn voorwerp indien het daardoor voorafgegaan, of onveranderlijk blijft, indien het daardoor gevolgd wordt. Men heeft slechts, om dit in te zien, de gegeven voorbeelden met het Fransch te vergelijken, dan komt alleen 3 met het Fransch overeen; 1, 2, 4 en 5 verschillen, want het Part. Pass., dat in deze voorbeelden in liet Italiaansch veranderlijk is, zou in het Fransch onveranderlijk moeten blijven. De welluidendheid speelt hier, zooals overal in het Italiaansch, eene groote rol. Tn het algemeen kan men als euphonise he regels stellen, dat het Participio Passive evereenstemt:

1°. als in 1 met zijn voorafgaand of volgend voorwerp, wanneer dit evenals het onderwerp in het meervoud staat;

2°. als in 2 met het onderwerp, wanneer het door een Infinitive gevolgd wordt;

-ocr page 360-

348 Over het Participio Passato o Passive.

3°. als in 3 onveranderd blijft, of als in 4, met het voorwerp overeenstemt, naarmate de welluidendheid het vordert, wanneer het onderwerp in het enkelvoud staat. Het zou toch in 4 met de welluidendheid strijden, indien men den mannelijken uitgang o van het Part. Pass. roüo gebruikte tusschen een vrouwelijk onderwerp en een vrouwelijk voorwerp.

4°. als in 5 met het onderwerp overeenstemt, wanneer het onderwerp in het meervoud en het voorwerp in het enkelvoud staat.

In al de hier gegeven voorbeelden kan men, ofschoon minder gebruikelijk, het werkwoord éssere door avére vervangen.

§5. 1. Voltatici sühito, vecUmnio * Nadat wij ons plotseling che si rise di nói o I omgekeerd hadden, za-

2. Essêndoci voliati sübito, l gen wij, dat hij ons uit-

vedémmo che si rise di nói. I lachte.

S. La létter a che g li hó mandata, \\ j) 0 clien ik hem

è pervenuta nélle sue mani o f gezonden heb is hem

4. La lêttera mandatwgli è in handen gekomen. pervenuta nélle sue mani. /

5. Ci raccontd l\'accaduto. — Hij verhaalde ons het

gebeurde.

Uit 1 blijkt dat het Gerundio van avére en éssere bij het Part. Pass. kan uitgelaten worden; want voltatici be-teekent, zooals men in 2 ziet, essêndoci voltaü. Heeft die uitlating plaats, dan komt het Part. Pass., indien de welluidendheid het niet verbiedt, overeen met het woord, waarop het betrekking heeft.

-ocr page 361-

54ste Oefening. 349

In het voorbeeld in 3 kan la lêttera che gli hó mandatw ook, en zelfs sierlijker, vervangen worden, door als in 4 te zeggen: la lêttera mandatagli. In het laatste geval wordt dooide uitlating van het werkwoord avére het Part. Pass. een bijvoeglijk naamwoord, en komt in geslacht en getal met het zelfstandig naamwoord, waarop het betrekking heeft, overeen.

In 5 ziet men dat het Part. Pass. ook zelfstandig kan gebezigd worden. Dit stemt overeen met het Nederlandsch en Hoogduitsch, maar niet met het Fransch en Engelsch, waar het niet mag geschieden.

Het Partidpio Passato o Passivo biedt eene der grootste moeielijkheden der Italiaansche syntaxis aan ; daarom hebben wij het met eenige uitvoerigheid behandeld; toch zal men, na het voorafgaande goed begrepen en bestudeerd te hebben, bij het lezen van Italiaansche schrijvers, nog dikwijls stilstaan bij de vraag: waarom is hier het Part. Pass. veranderlijk, en ginds onveranderlijk? Niet altijd zal dan het gezonde verstand die vraag kunnen oplossen ; maar zal de reden van het al of niet veranderlijke te zoeken zijn in de welluidendheid. Bij het schrijven van. of het vertalen in het Italiaansch boude men zich aan de door ons gegeven regels.

Thema 54.

1. Mijne zusters zijn gisteren van Amsterdam teruggekeerd, waar zij eenige weken geweest zijn. 2. Onze vrienden hebben ondervonden, dat wij hen weten te waardeeren. 3. Hebt gij de boeken gezien, die wij gekocht hebben? 4. Neen wij hebben ze nog niet gezien, maar wij wenschen^ ze gaarne te

-ocr page 362-

54stc Oefening.

350

zien. 5. Mijne vriendin heeft haren voet gebrand; zij zal verplicht zijn geruimen tijd thuis te blijven. 6. Wij hebben ons de haren laten snijden ; indien wij geweten hadden, dat het zoo koud zou worden, zouden wij het niet gedaan hebben. 7. De brief, dien de advocaat hem geschreven heeft, is hem niet ter hand gekomen. 8. Die werklieden hebben zich gewond, toen zij dat werktuig wilden herstellen. 9. De dochters van mijn buurman hebben te lang gewandeld; de voeten doen haar zeer, en zij blijven vandaag en morgen thuis. 10. Nadat wij zijne bevordering gelezen hadden, gingen wij hem gelukwenschen. 11. Die twistende mannen hebben elkander veel grofheden gezegd, en hebben zich op geene voordeelige manier doen kennen. 12. Die heeren hebben zich drie maanden in Italië opgehouden, en hebben zich aldaar het leven recht aangenaam gemaakt. 13. Is Louise reeds hier? Neen Papa, ik heb haar geroepen en haar gezegd dat gij naar haar gevraagd hebt. 14. Onze ouders hebben ons naar het station gezonden, om te zien of onze neven met den trein van half twaalf aangekomen waren. 15. Zijn uwe zusters thuis? Neen dames, onze ouders hebben haar uitgezonden om eene boodschap voor hen te doen. 16. Ik heb uwe beide vrienden gezien ; ik heb ze ontmoet op den weg naar Loosduinen. 17. Uwe tante heeft lang op zich laten wachten, maar eindelijk hebben wij toch een bezoek van haar gehad. 18. Wij hebben ons veel nadeel toegebracht, door anders te handelen dan men ons had voorgeschreven. 19. Mijn klein zusje (ma) heeft zich den voet verstuikt door van den stoel te springen. 20. Ik heb mijnen ouders geschreven en hun verzocht mij geld te zenden.

-ocr page 363-

Over het Gebruik van den Inclicativo.

351

ondervinden — provare,

sperimentare. branden — bruciare,

ahbrueiare. zich wonden — ferirsi. herstellen — riparare. bevordering — promozióne. voordeelige — maniêra

manie]1 favorévo le.

zich het leven — godérsela. recht aangenaam maken.

naar iemand— doriandare vragen uno.

(om hem te zien te spreken)

e i n d e 1 ij k — al fine.

zich t o e b r e n--recarsi,

gen appor tarsi.

waardeeren — apprezzare, stimare, valutare.

werktuig — mdcchina,

ordigno, ingégno. twisten — altercare,

contendere.

zich o p h o u--dirnorare.

den

Louise — Luigia. p a p a — papd, (in Toscane)

hahho. quot;

eene bood- — far una schap doen commissióne, un messaggio.

nadeel —- danno.

verstuiken — tórcere.


TWEE EN VEERTIGSTE LES.

Over den Indicativo, Imperativo en Oondizionale.

§ 1. A. De Indicativo.

Deze wijs is de wijs van zekerheid, die men gebruikt, wanneer alle twijfel buitengesloten is. Daar het gebruik van den Indicativo in het Italiaansch, behoudens enkele afwijkingen die wij bij den Congiuntivo zullen behandelen, geheel en al met het Nederlandsch en andere talen overeen-

-ocr page 364-

352 Over het Gebruik van den Imperativo.

stemt, zullen wij deze wijs stilzwijgend voorbijgaan en overgaan tot

§ 2. B. den Imperativo.

1. Dimmi. — Zeg mij.

2. Amalo. — Bemin hem.

3. Non dirmi. — Zeg mij niet.

4. Non amarlo. — Bemin hem niet.

Uit de voorbeelden 3 en 4 ziet men, wat reeds vroeger opgemerkt werd, dat de 2de persoon enkelv. van den Imperativo niet met een ontkenning gebruikt wordt; men bezigt dan den Infinitivo.

§ 3. 1. Nón mi dite. — Zegt mij niet.

2. Nón l\' amate. — Bemint hem niet.

3. Mi dica Élla cid che pêma.— Zeg mij, wat gij denkt.

4. Mi dicano Kllerio cid che— Zegt mij, wat gij denkt. pénscmo.

Uit de voorbeelden 1 en 2 blijkt, dat de 2de pers. meerv. ook met een ontkenning gebruikt wordt. Gewoonlijk gebruikt men echter in het spreken en schrijven den beleefdheidsvorm, en bezigt men dan, zooals uit 3 blijkt, tot éen persoon sprekende, den 3en persoon enkelvoud van den Bres. van den Gong. en, tot meer sprekende, zooals men uit 4 ziet, den 3en pers. meervoud. Wordt in den beleefdheidsvorm de Congiuntivo in plaats van den Imperativo gebruikt, dan worden natuurlijk de persoonlijke voornaamwoorden als régime vóór het werkwoord geplaatst, indien de welluidendheid het niet anders vordert.

-ocr page 365-

Goud. Overeenst. van het Werkw. met liet Onderw. 353

§ 4. De Condizionale.

1. Lö Jaréi j

Ik zou het doen.

2. Ló facéssi. \'

3. L\'avrèi fatto j

Ik zou het gedaan hebben.

4. L avèssi fatto. 1

Omtrent het gebiuik van den Condizionale merken wij alleen op, dat men in het Italiaansch doen kan wat men ook in andere talen doet, dat men namelijk voor den Presênte van den Condizionale in 1 ook kan gebruiken, als in 2, den Imperfêtto van den Congiuntivo, en voor den Pretêrito van den Condizionale in 3 den Pin che Perfêtto van den Congiuntivo, als in 4. In het Neder-landsch zegt men insgelijks in plaats van: ik zou het doen, ik dede het, en voor; ik zou het gedaan hebben, ik hadde het gedaan.

§ 5. 1. To hó mólti libri. — Ik heb veel boeken.

2. Nói ahbiamo fjóco denaro. — Wij hebben weinig geld.

3. II di Lêl fratêllo e il suo — Uw broeder en zijn vriend amico sóno staii al concerto. z ij n naar het concert

g-eweest.

4. Vói ed égli (vói) rnié Tavéte — Gij en hij hebt het mij promésso. beloofd.

5. Tu, iuo fratêllo ed io {nói) — Gij, uw broeder en ik andrémo insxême. zullen samen gaan.

Omtrent de overeenstemming van het werkwoord met het onderwerp gelden in het Italiaansch de regels, die alle talen gemeen hebben. Is het onderwerp enkelvoud als in 1, dan moet het werkwoord natuurlijk in het enkelvoud zijn; is het

ITAUAANSCHE TAAL. 23

-ocr page 366-

55ste Oefening.

meervoud als in 2, dan staat het werkwoord ook in hetl meervoud. Is er meer dan één onderwerp als in 3, danl staat het werkwoord in het meervoud. Zijn de onderwerpen! van verschillenden persoon, dan staat het werkwoord in hetl meervoud, en heeft, als in 4, de 2^e persoon den voorrang! boven den 3en, en, als in 5, de lste persoon de voorkeur ho-l ven den 2en en 3en. Men kan in dit geval een voornaamwoord (vói in 4 of nói in 5) gebruiken, dat de verschillende! personen in zich vereenigt.

Thema 55.

1. Hij en ik zijn gisteren in den schouwburg geweest, maar wij hebben ons niet erg vermaakt. 2. De zoon en del dochter van den smid zijn beiden meerderjarig. 3. Zeg (enk.)| hem niet dat ik hier geweest ben, anders zou hij kunnenl denken dat ik u over de zaak gesproken heb. 4. Doe (enk.) het niet, alvorens gij weet (cong.) dat gij slagen zult. 5. Wij zouden geschreven hebben, maar wij hadden geen tijd. 6. Die mannen worden door iedereen geacht, omdat zij eerlijk zijn. 7. Jan, zijn broeder en ik hebben eene lange wandeling gedaan; wij waren moede, toen wij thuis kwamen. 8. Gij en hij zijt niet voorzichtig geweest, en zijt zeiven ae schuld van het ongeluk. 9. Doe mij dit genoegen, bid ik u; ik ben tot wederdienst bereid. 10. Zegt mij, mijne heeren, waarom gij denkt, dat ik geen woord zou houden. 11. Vergeet (enk.) niet hem te zeggen, dat ik hem binnen twee ol drie uren verwacht. 12. Neemt u in acht, want in dat gezelschap zijn slechts verraders. 13. Wij hebben hem met onze eigen oogen

354

) (

-ocr page 367-

Over het Gebruik van den Congiuntivo. 355

boven aan de trap zien zitten. 14. Doe (enk.) uw plicht en denk niet verder. 15. Hij en zijn vriend zijn ontsnapt dooide deur, die in den tuin uitkomt.

Iraeerderja--maggiore, in

rig etd.

| schu 1 d — cagione. tot weder- —prönto a dar dienst be- contraccambio. | reid

gezelschap — brigata. met onze — cón quèsti

eigen oogen ócchi. verder — ld. uitkomen in — riusdre in.

nemen

verrader b ovenaan

weder thuis

k o m e n ongeluk

cervêlla.

— traditore.

— in capo di.

nentrare in cam. — disgrazia. zich in acht — star in

ontsnappen — scappare.


DRIE EN VEERTIGSTE LES.

Over den Congiuntivo.

§ 1. De Oongiunti vo is de wijs van twijfel en onzekerheid, die slechts gebruikt wordt in afhankelijke aan- of bijgevoegde zinnen. Iedere handeling, aan twijfel of onzekerheid onderhevig, zou in alle talen in den Congiuntivo moeten uitgedrukt worden. In de Germaansche talen — met uitzondering van de Hoogduitsche — met name in de Nquot;eder-landsche wordt tegenwoordig de aanvoegende wijs zeer veronachtzaamd ; wij kunnen dus moeielijk bij het behandelen van deze wijs in vergelijkingen met het Nederlandsch treden, en zullen eenvoudig door voorbeelden ophelderen, waar men in het Italiaansch den Congiuntivo moet gebcuiken.

-ocr page 368-

356 Over liet Gebruik van den Congiuntivo.

§2. 1. Detidero, vóglio, — Ik wensch, wil, beveel dat órdino che mi scriva dópo hij mij over veertien da-

qulndici giórni. gen schrijft (schrijve).

2. Sperava, temèva che nón — Ik hoopte, vreesde dat ritornasse. ^ij niet zou terugkomen.

3. Consênto, viêto che lo — Ik stem toe, verbied dat

faccia. hij het cloet\'

4. Vi prégo che mi prestiate — Ikverzoek u m ij d a t b o e k

cotêsto lihro. te leenen.

5. Bisógna che tu ritórni — Het is no o dig dat gij vóór avanti le cinque. v ij f u u r terugkeert.

6. Dübito, mi maraviglio — Ik twijfel, ik verwonde V abbia fatto. der mij, dat hij het ge-

daan heeft.

Men gebruikt den Congiuntivo na alle werkwoorden, die, zooals in 1, een wensch, een wil, een bevel, als m 2. een hoop, een vrees, als in 3, eene toestemming, een verbod, als in 4, een verzoek, als in 5, een noodzakelijkheid en, als in 6, een twijfel of eene verwondering

te kennen geven.

§3. 1. Cipréga o süpplica che — Hij verzoekt ons hem

gli scriviamo o di scrlvergli. te schrijven.

2. Gli hó détto che venisse o — Ik heb hem gezegd mor-

di venire domani.

gen te komen.

3. II generale comandd o ordinö che le truppe attaccassero il nemico o

alle truppe d\'attaceare il nemic,o.

De veldheer beval den troepen den v ij a n d a a n te vallen.


-ocr page 369-

Over het Gebruik van den Congiuntivo. 357

De werkwoorden \'pregare, supplicare, dire (in den zin van bevelen of herinneren) cornandare, or dinar e, die wij gewoonlijk met de onbepaalde wijs gebruiken, zooals men uit de Nederlandsehe voorbeelden ziet, hebben in het Italiaansch, zooals uit 1, 2 en 3 blijkt, liefst den Congiuntivo. Zooals men ziet is echter de Infinitivo ook gebruikelijk.

§ 4. Crédo, mi pare, sêmbra — Ik geloof, mij dunkt, het che Élla singaiun. schijnt dat gij u vergist.

Zooals uit dit voorbeeld volgt, eischen de werkwoorden credere, par ere, sembrare en dergelijke werkwoorden, wanneer zij slechts een gevoelen of eene meening te kennen geven, den Congiuntivo. Geven deze werkwoorden echter i eene stellige verzekering te kennen, dan gebruikt men den Indicativo b.v. : Mi pare eoidentemènte che Ella lm ragióne, mij blijkt duidelijk dat gij gelijk hebt; Crédo positiva-mente che T ha fatto, ik geloof stellig dat hij het gedaan heeft.

§ 5. Saréi (■oniénto, sé, avéssi un amico /iö

Ik zou gelukkig zijn, indien ik een getrouw vriend had. Wanneer de onvolmaakt verleden tijd, voorafgegaan door indien of wanneer, in verband staat met de voorwaardelijke wijs, moet eerstgenoemde, zooals uit het voorbeeld blijkt, dooiden Imperfêtto van den Congiuntivo vertaald worden.

§6. 1. 8é avéssi quella for tuna.— Als ik dat geluk had. 2. Sè in quél têmpo avéva — Indien ik in dien tijd libri italiani, nón êrano miêi. Italiaansche boeken had,

dan waren jïij niet van mij.

-ocr page 370-

358 Over het Gebruik van den Gongiuntivo.

Over het algemeen gebruikt men na het voorwaardelijke sé, uitgedrukt of verzwegen, den Gongiuntivo als in 1. Drukt echter geen voorwaarde uit, als in 2, dan gebruikt men den Indicative. Ik wil in dit voorbeeld te kennen geven dat ik werkelijk Italiaansche boeken had, maar dat ze niet van mij waren.

§ 7. Quando o óve lo vogliate. — Indien gij het wilt.

Staan quando en óve nadrukshalve in plaats van sé, dan eischen zij den Gongiuntivo.

§ 8. 1. Quést\' è il piü hél — Dit is de mooiste schil-quadro chc abbia mai veduto. d e r ij die ik ooit gezien

heb.

2. È\' la piü bassa délle due — Het is het laagste der case che m\' avpartiéne. twee huizen dat mij be

hoort.

!

Wanneer het betrekkelijk voornaamwoord chè voorafgegaan wordt door een betrekkelijk overtreffenden trap, die alleen in een hyperbolischen zin genomen wordt, dan bezigt men, zooals uit I blijkt, evenals in het Fransch den Gongiuntivo. Spreekt men echter, als in 2, op eene stellige wijze, dan gebruikt men den Indicative. Men heeft in het laatste voorbeeld alleen met een inversie (omzetting) te doen. Neemt men de natuurlijke woordschikking, dan zou het eenvoudig zijn: het laagste der twee huizen behoort mij.

-ocr page 371-

Over het Gebruik van den Oongiuntivo. 359

§ 9. 1. Hó bisögno dun libro— Ik heb een boek noodig, c/ié o il quale sia piü claro dat duidelijker is dan di quèsto. dit.

2. Nón troveréte chi ló faccia. — Gij zult niemand vinden

die het doet.

3. Cérco qualcheduno di cui — Ik zoek iemand op wien possa fdarmi. ik vertrouwen kan.

4. Desidero un giardino, dóve — Ik wensch een tuin, siano pm dlberi fruttiferi. waarin meer vrucht-

boomen staan.

Na de betrekkelijke voornaamwoorden chè, il quale, als in 1, chi, als in 2, cui, als in 3, en na het bijwoord van plaats/ dóve, als in 4, gebruikt men den Oongiuntivo, wanneer het door het volgende werkwoord uitgedrukte onzeker is, hetgeen gewoonlijk het geval is, wanneer het op de toekomst ziet. Immers in 1 is het onzeker of het boek duidelijker zal zijn, ik moet dit nog ondervinden; in 2 wordt het vermoeden uitgesproken, dat gij niemand zult vinden die het doen zal, men twijfelt; in 3 is de vraag of de te vertrouwen persoon zal te vinden zijn, en in 4 weet ik ook niet of er een tuin met meer vruchtboomen te mijner beschikking zal zijn. Spreekt men op eene stellige wijze, dan houdt het gebruik van den Oongiuntivo op, en treedt de Indicative in de plaats. Deze regel stemt. geheel met het Pransch overeen. Is dit begrepen dan zal men ook de volgende voorbeelden met Oongiuntivo en Indicative begrijpen:

Rtcami un libro che mi — Breng mij een boek dat mij

piaccia. bevalt.

liécami il libro che mi — Breng mij het boek dat mij place. bevalt.

-ocr page 372-

360 Over het Gebruik van den Congiuntivo.

§ 10. Pér quanto ricco égli — Hoe rijk hij ook zij, hij sia,, o pér ricco cKégli sia, is niet tevreden.

nón è conténto.

Pér quanti libri abbiano, nón — Hoeveel boeken zij ook nu hanno abbastanza. mogen hebben, zij heb-

v ben er niet genoeg.

Pér quanto (onveranderlijk) zonder c/té, en pér met cht (hoe ook) vóór een bijvoeglijk naamwoord, en pér quanto (hoeveel ook), vóór een zelfstandig naamwoord (veranderlijk) eischen, zooals men uit de voorbeelden ziet, den Congiuntivo.

§11. Chi ché sia o chicchess\'ia — Wie het ook z ij, die het

chë l\' abbla déüo. gezegd heeft.

Dite ché nón sóno a cccsa a — Zegt dat ik niet thuis ben

chiunque vènga. aan wie er ook komt.

Qualunque siaiio le vóstre — Welke uwe bedoelingen intenzióni. ook zijn.

Chi ché sia of chicchess\'ia, chiunque (wie ook) en qualunque (welke ook) eischen den Congiuntivo.

§ 12.

i acciocchè j

t tu sappia __ Studeer opdat gij otuam gt;.ajjinché 7 7

qualche cósa. iets wetet.

Iperchè

QuancT anche sia il vóstro — Al is hij uw vriend ook, amico, nón ló risparmierd. ik zal hem niet sparen. Purchè tuo fratello si sia — Vermits uw broeder zich esprêsso chiaramênte. duidelijk uitgedrukt

hebbe.

-ocr page 373-

Over het Gebruik van den Congiuntivo. 361

Benehè Ancorchè Avvégnachè Quantunque Finchè Fintantochè Fine a tanto ché

Lo dirö purchè ancJi ég li — Ik zal het zeggen mits

dica. hij het ook zegge.

Avantiché l ritórni, abbiamo — Alvorens hij terugkomt, Primachè ) finito. hebben wij gedaan.

IJ aio ché Pósto ché |

In caso ché

Benehè o quantunque m avéte

détto ché nón V avevate fatto, óra è provato ché vói sólo siéte il colpévole.

Ofschoon gij mij gezegd hebt dat gij het niet gedaan hadt, is nu bewezen dat gij alleen de schuldige zijt.

Na al de in deze § genoemde voegwoorden, gebruikt men, zooals men ziet, den Congiuntivo. Na benehè of quantunque gebruikt men, wanneer ze in een stelligen zin gebezigd worden, zooals men uit het laatste voorbeeld ziet, ook den I ndicati vo.

Thema 56.

1. Ik verlang niet dat gij u met een ijdele belofte tevreden stelt. 2. In geval mijn vriend komt, zal hij niet komen voor half tien. 3. Wij hopen dat onze bekwame geneesheer

Ofschoon hij gezworen heeft, geloof ik het niet.

Totdat hij teruggekeerd is, zal ik wachten.

abbia giurato, nón ló credo.

sia tomato, aspetterö.

êsca, nói pure — In geval hij uitgaat, zul

len wij ook uitgaan.

usGiremo.

-ocr page 374-

56ste Oefening.

362

ons niet verlaten zal, om zich elders te vestigen. 4. Ik verzoek u geen kwaad te spreken van de afwezigen, want zij kunnen zich niet verdedigen. 5. Wanneer er kwestie is van iets dat in mijne macht is, beschik dan vrij over mij. 6. Het is de grootste dwaasheid, die ik ooit heb zien begaan; ik meende niet dat gij u daaraan kondet schuldig maken. 7. Wie het ook zij die om mij komt vragen, zeg maar dat ik uitgegaan ben en niet vóór heden avond terugkeer. 8. Verander van kleeding, opdat gij niet ziek wordet; want gij zijt doornat. 9. Alvorens hij mij het geld teruggeeft, dat hij mij schuldig is, zal ik hem geen geld meer leenen. 10. Ofschoon mijn vader mij tegen zijn zin verlof gegeven had dit te doen, had hij er later geen berouw van. 11. In geval wij den kortsten weg gaan, hoeveel tijd hebben wij dan noo-dig om er te komen? 12. Ik zoek iemand die mij dezen dienst kan bewijzen; of ik slagen zal weet ik niet. 13. Hoe geleerd hij ook is, er zijn nog vele dingen die hij niet weet. 14. Hoeveel vrienden wij ook hebben, wanneer de nood aan den man komt, kunnen wij misschien op geen hunner vertrouwen. 15. Ik twijfel niet of hij verlangt een spoedig antwoord; maar het is eene zaak, die men maar zoo dadelijk niet beslissen kan. 16. Zeg aan den knecht dat hij spoedig terugkomt; want ik heb hem voor een andere boodschap noodig. 17. Wij stemmen gaarne toe dat gij voor eenigen tijd naar het Zuiden van Frankrijk gaat, te meer omdat het voor uwe gezondheid bevorderlijk zal zijn. 18. Hj is een man van gewicht, ik zou gaarne wenschen dat gij kennis met hem maaktet. 19. Indien gij (enkelv.) wist, mijn zoon, hoe zeer ik u bemin en uw welzijn wensch, zoudt gij mij niet zoo

-ocr page 375-

56ste Oefening.

363

)eclroeven. 20. Ik geloof dat uw neef zich door dien schurk leeft laten bedriegen, ofschoon ik hem nog gewaarschuwd leb. 21. Ofschoon gij mij gezegd hebt dat gij thuis zoudt )lijven, vind ik u nu hier. 22. Mij dunkt dat ik mij in die mstandigheid goed gedragen heb; ik zou moeielijk anders lebben kunnen handelen. 23. De jongste van die twee offi-ïieren, dien ik ken, is de broeder van mijn timmerman. 24. Ik heb een boek noodig dat duidelijk is, en waaruit ik gemakkelijk de Italiaansche taal kan leeren.

altróve. i lontani.

— alia libera.

— hagnato dalla

pióggia. tegen zijn —dimalavóglia. zin

ik heb noo--mi bisógna.

dig

zoo d a d e 1 ij k — su due piêdi. b e v o r d e r 1 ij k — conducévole, favorévole. van gewicht — d\'alto cónto. bedroeven — attristare. schurk —ribaldo.

waarschuwen — avvertire.

elders de afwezigen vrij

doornat

weg gaan wanneer de nood aan den man komt

kennis met iemand m a-ken

bedriegen —v.

necessitd, a un bnón bisógno.

— far la co-noscênza d\'uno. mgannare.

zich vestigen — stabilirsi. kwestie van — trdttarsi iets zij n di q. c.

van k 1 e e d i n g — mu tarsi i

veranderen panni. den kortsten — andare pér la piü córta . — in caso di


-ocr page 376-

364 Over den Imperfetto van den Indicativo.

VIER EN VEERTIGSTE LES.

Over het Gebruik, der Tijden.

§ 1. De tijden, die in het Italiaansch voor den Nederlander moeielijkheden opleveren, zijn: de Imperfêtto, de Preterite Perfêtto, de Pretêrito Indefinite, de Pin che Perfêtto en de Pretêrito Anterióre van den Indicativo. Ook het gebruik van den Puturo Assoluto wijkt in een enkel opzicht van het Nederlandsch af. Al de overige tijden, zoowel van den Indicativo als van de andere wijzen, bieden geene zwarigheden aan, zoodat wij die stilzwijgend zullen voorbijgaan.

§ 2. De Imperfêtto van den Indicativo.

1. Facéva colezióne, quando — Ik was aan het ontbijt, toen il mio amico entró. mijn vriend binnentrad.

2. Quando dimoniva a — Toen ik te Parijs woonde, Parigi, andava ógni sera ging ik ie deren avond al teatro. naar den schouwburg.

3. II nuóvo mio allóggio — Mijn nieuw verblijf was era tristissima. Êra una allertreurigst. Het was stanzaccia oscura, lürida, een donker, vuil, ellendig cón par ét\'l contamincdt da vertrek, met wanden, die góffe pituracce di colóre, ik weet niet met welk een n6n óso dir quale; e ne kleur van verf grof be-luóghi nón dipinti, êrano klad waren; en op de niet iscrizióni. Mólte portnvano geverfde plaatsen ston-sempliceménte nóme, cog- den opschriften. Vele nóme e pdtria di qucdche vermeldden alleen den

-ocr page 377-

Over den Pref. Perf. van den Indicativo. 365

infelice, cólla data del giörno funêsto délla sua cattura. Altre iig-giuii-«■évaiio esclamazioni cóntro falsi amid, cóntrostlisso, cóntro una dónna, il gmdice ec. Altre érano compêndii d\' autohiogra-fia. Altre contenévaiio sentênze morali.

naam, voornaam en het vaderland van den een of anderen ongelukkige en den datum van zijne kerkering. Andere voegden er verwen-sc hingen bij tegen valse he vrienden, zichzelven, eene vrouw, den rechter enz. Andere bevatten eene korte autobiographie. Nog weer andere zedespreuken.


Men gebruikt den Imperfêtto:

1°, als in 1, om eene handeling aan te duiden, die men ezig was te verrichten, en die voortduurde toen sn andere plaats greep: ik was aan liet ontbijt, ik was ezig te ontbijten toen enz.

2°. om, als in 2, eene gewoonte uit te drukken, in welk Bval men in het Nederlandsch van het werkwoord plegen an gebruik maken: toen ik in Parijs woonde (bij voort-aring), placht ik iederen avond naar den schouw-urg te gaan, en

3°. als in 3, in beschrijvingen van personen of zaken, om lijvende toestanden of eigenschappen aan te duiden.

§ 3. De Pretêrito Perfètto.

. lêri ricevéi unavisita — Gisteren heb ik een bezoek ial mio amico. van mijn vriend ontvangen.

-ocr page 378-

366 Vergelijking van den Imperf. met den Pret. Perf.

2. Oarlo Martêllo g-overnè — Karei Martel b e li eer sc li tol

il regno piu che il ré; póco perd s\' iminiceiö nélle cóse déüa Germania. Egli divise morêndo il mag-giordomato fra due de suói figli, come avrébhe fatto d\'un património, ed asseg-no all\' una I\' Au-strasia, o ilr\'egno orientale, all\' altro l\' occidentale.

het rijk meer dan de koning; weinig liet hij zicli 1 echter met de zaken van] Duitschland in. Bij zijn] dood verdeelde hij het hofmeierschap onder twee zijner zonen, zoo als hij meteen erfgoed zou gedaan hebben, en wees den eenen Austra-sië ofhetoostelijkerijk, den


anderen het westelijke toe.

De Pre tér ito Perfêtto wordt gebruikt om, evenals in 1, eene handeling aan te duiden, die geheel voltooid is in een tijd die geheel verloopen is. Daarom wordt die tijd vooral gebruikt, als in 2, voor historische verhalen, en ook têmpo \'stórico genoemd.

§ 4. Vergelijking van den Imperfêtto met den Pr eter ito Perfêtto.

A sera vèime il soprin-tendênte, accompagnato da Schillen\', da un altro caporcde e da due soldati, per fare unaperquisizióne. Tré perquisiziöni quoti-diane èrano prescritte : una a mattina, una a séra, una a mezzanótte.

- \'s Avonds kwam de hoofdopzichter, door Schiller, een ander korporaal en twee sol daten vergezeld, om een onderzoek in te stellen. Drie dagelijksche onderzoeken waren voorgeschreven: éen \'s morgens, éen \'s avonds, éen te middernacht. Zij


asÊtm

-ocr page 379-

Vergelijking van den Imp erf. met den Pret. Perf. 367

lisiti\'iviiuo ógni Angolo dclla pgióne, ógni minuzia ; indi gl inferióri uscivano t il soprintendente, chë imttina e sera non maiicava mi, si fermava a converge alquanto cón mé. La prima vólta chè virti qiLèl drappêllo, uno strano pensiêro mi vènue. Ignaro ancóra di quèi molêsti usi, e delirante dalla fébhre, iiiiiiisi»\'iiiiii che mi movèssero cóntro per trucidarmi, e afferrai la henga caténa, chë mi sta va vioino, pér rómpere la faccia al primo c/ié mi s appressasse. Che fa Ella? (lisse il soprin-tmdênte. Nón vmiamo pei\' farle alcan male. Quésta è una v\'mta di forrnalitd a tutte le cdrceri, a fine di assimraroi ché mdla sïavi d\'irregolare. lo esi-tava; ma quando vidi Schiller avanzarsi vêrso me e têndermi la mano, il sua aspétto patêrno m\' onderzochten iederen hoek der gevangenis, iedere kleinigheid; vervolgens gingen de minderen heen, en de hoofdopzichter, die \'s morgens en \'s avonds nooit ontbrak, bleef om een oogenhlik m e t m ij te praten. Den e e r-sten keer, toen ik dat troepje zag naderen, kwam er eene vreemde gedachte in mij op. Met die lastige gebruiken nog onbekend e n ij 1 e n d e v a n de koorts, verbeeldde ik mij, dat zij op mij toekwamen om mij te dooden, en ik greep de lange keten, die bij mij lag, om den eersten den besten, die mij naderde, de hersens in te slaan. Wat doet gij? vroeg de hoofdopzichter. Wij komen niet om u eenig kwaad te doen. Dit is een dienstbezoek aan alle gevangenissen, om ons te verzekeren dat er niets onbehoorlijks is. Ik aarzelde, maar toen ik Schiller op mij zag toetreden om mij de hand


-ocr page 380-

368 Vergelijking van den Imp erf. met den Pret. Perf.

fiducia: lasciai andar la te reiken, boezemde zijn va-caténa, e prési quëlla mano d er 1 ij k gezicht mij ver tr o u-

fra le mie.

wen in; ik liet de keten vallen, en nam zijne hand tusschen de mijne.

(Silvio Pellico, Le mie prigióni).

Ten einde liet verschil tusschen den Imperfêtto en den Pretêrito Perfêtto behoorlijk te doen inzien, willen wij de in ons voorbeeld onderschrapte vormen aan een analyse onderwerpen. Vooraf willen wij opmerken dat de Imperfêtto antwoordt op de vragen: Wat was en wat bleef? Wat was men gewoon? W at was m e n doende? W aar mede was men bezig? de Pretêrito Perfêtto op de vragen: Wat gebeurde? Wat werd? Wat was voor een oogenblik?

véime il soprinten- AVat gebeurde des avonds? De hoofdop-

dénte. zichter kwam: vèime il soprintendênte.

êraiio. Wat was of waren? De onderzoeken waren

visitftvaiio.

non inaiicava.

si fenuava.

vidi.

voorgeschreven : êrano prescritte le ptrqui-sizióni.

Wat waren zij gewoon ? Zij waren gewoon te onderzoeken: visitavano ögni dngolo,

Wat was gewoonlijk ? Dat de hoofdopzichter nooit ontbrak: nón nianoavsi raai.

Wat was hij gewoon te doen? Dat hij bleef enz.: si fenuava a conversare.

Wat gebeurde den eersten keer? Ik zag voor den eersten keer: vidi pér la prima volta.

-ocr page 381-

Vergelijking van den Imperf. met den Pret. Perf. 369

Wat geschiedde? Eene zonderlinge gedachte kwam bij mij op: uno strano pensiêoro mi vêmie.

Wat was voor een oogenblik het geval?

Ik verbeeldde mij : iiunra^iiiiii. Wat geschiedde? Ik greep de ketting:

alfernii la catena.

Wat gebeurde ? Het gebeurde dat de hoofdopzichter zeide: rtisse il soprin-tendênte.

In welken toestand was ik? Ik was in een toestand van onzekerheid, ik aarzelde; esitava.

Maar wat gebeurde? Ik zag toen enz.;

quando vidi etc.

Wat geschiedde? Zijn vaderlijk gezicht boezemde mij in ; il suo aspétto patêrno m\' i.s|iii\'6.

laschii e iirési. Wat deed ik? Wat werd gedaan door mij?

Ik liet de ketting vallen en nam die hand; lasciai andare la catena e prési quélla rnano.

Thema 57.

1. In mijne jeugd hield ik mij veel met de gymnastiek bezig ; ik vond ze en vind ze nog eene nuttige en aangename oefening. 2. Ik zag gisteren eenen man om een aalmoes vragen, die betere dagen gekend had. 3. Ik schreef mijne ver-

ITALIAANSCHE TAAL. * 24

tfiine.

imina^iiiai. ifTerrai.

disse.

esitava. vidi.

nr ispiró.

-ocr page 382-

57ste Oefening.

370

felling over, toen mijn vader mij riep om hem te helpen. Tk heb uwen oom gekend; hij was van een hooge gestalti 1 had eenen zwaren baard, en was steeds vriendelijk jegenl iedereen. 5. In den oorlog van 1870 wonnen de Duitscherl den slag bij (di) Sedan. 6. Prins Maurits verraste Breda i.l 1590 dooi\' middel van een turfschip. 7. Christophorus Col lumbus werd geboren in 1436 of 1441 en stierf in 1506 8. Toen ik in Madrid woonde, ging ik dikwijls naar de stie-| rengevechten. 9. Toen ik ze voor den eersten keer zag, huiverde ik, en maakte ik het voornemen er niet meer heenl te gaan. 10. De nieuwsgierigheid dreef mij echter aan, ikl ging er weer heen en herhaalde malen, en eindelijk was ik er aan gewoon en deden zij mij niet meer aan. 11. Beschouwt men echter de zaak goed, dan moet men zeggen dat i het een barbaarsch vermaak is dieren te zien kwellen, paar- j den te zien döoden en menschenlevens te zien opofferen (lees: dieren gekweld, paarden gedood en menschenlevens opgeofferd). 12. Onder de vacantie ging ik altijd mijnen oom bezoeken, die op een buiten bij Arnhem woonde ; ik bleef dan eenige weken bij hem, genoot de buitenlucht en keerde versterkt naar Amsterdam terug om mijne studiën te hervatten. 13. Hij speelde piano en zijne zuster zong, toen ik de kamer binnentrad. 14. Toen ik gisteren kwam, zag ik hem achter eene tafel neergehurkt zitten. 15. De zonen van Cornelia, de vrouw van Scipio den Afrikaner, hebben van hunne moeder de zuiverheid van het Latijn spreken geleerd. 16. De zielenherder der gemeente was zulk een goed en vredelievend man, dat zelfs zij, die zijne hardnekkigste vijanden waren, zich schaamden en beefden wanneer zij hem zagen.

-ocr page 383-

371

statura. affdbile, amiohévole, benigno. vascêllo da tórba.

\'oro.

57ste Oefening.

n. ^

stalt(

córsa d.éi

tóri. propórsi.

- spingere.

■ scuóiere.

■ avvézzo.

■ passatêmpo.

■ tonnentare.

■ villa.

- rinforzare.

— sonare il

pianoforte.

— pastore, ïfico.

hervatten — riprêndere.

- quatto. candidézza. parrócchia.

beid

zuiver

— per tinace.

— eziandio.

lymnastiek hvare baard egens len slag jwi nnen loor mi ddel ■ jvan

Columbus lui veren

rig beid lierliaalde —

m alen Ibeschouwen Ibarbaarsch [opofferen bij

gemeente (kerkelijk) zelfs

| neergehurkt

— ginndstica.

— bar ba fólta.

— vérso.

— vincere la

battaglia.

— per mêzzo di,

mediante.

— Colombo.

— ribrezzare,

tremare,

— curiosiid.

— ripitataniénte, replieataménte.

— contemplare.

— bdrbaro.

— sacrificare.

■ nclla vicinanza di.

turfscbip —

Cbristopbo--

rus

stierenge- — vecbt

bet voorne--

men maken aandrijven —

aandoen — gewoon — vermaak — kwellen — buiten ■—

versterken —

piano spelen -

zielenherder-vredelievend

gestalte vriendelijk

hardnekkig

-ocr page 384-

Vervolg over het Gebruik der Tijden.

VIJF EN VEERTIGSTE LES.

Vervolg over het Gebruik der Tijden. § 1. De Pretêrito Indefinite.

1. QuJisto viëse hó avuto mólü — Deze maand heb ik vele affari, di módo chè non lió zaken gehad, zoo dat ik potuto visitare i miêi amici. mijne vrienden niet heli

kunnen bezoeken.

2. Hó fatto un viaggio pér — Ik heb eene reis door CItalia, visitato Móma e Italië gemaakt, Rome vi li« vedufo viólte cóse bezocht en aldaar vele importanti. belangrijke zaken gezien.

De Pretêrito Indefinite wordt gebruikt om een handeling aan te duiden, die plaats gehad he?ft in een tijd, die als in 1, niet geheel verloopen is, of die, als in 2. niet bepaald wordt aangegeven, en de persoon, die de handeling verricht heeft, nog in leven is en ze weder zou kunnen uitvoeren.

§ 2. Vergelijking van den Pretêrito Perfêtto met den Pretêrito Indefinito.

lêri vidi, tuo padre ed —Gisteren heb ik uwen vader óggi hó rincoiitrato tuo gezien en heden heb ik fratéllo. uwen broeder ontmoet.

Ik zeg villi, omdat de dag van gisteren geheel tot het verleden behoort; maar hó rincontrato, omdat de dag van heden nog niet geheel verloopen is.

372

-ocr page 385-

Vervolg over het Gebruik der Tijden. 373

1. Nel 1880 ftii a Madridde, — 111 1 8 80 ben ik te Madrid e visitai i varii musêi die geweest, en bezocht de vi si tróvano. verschillende musea die

daar zijn.

2. Hó fatto un viaggio pér — Ik heb eene reis door de la provincia renana, e vi Rijnprovincie gemaakt hó veduto mólti hellissimi en daar vele zeer schoone siti. punten gezien.

In 1 gebruik ik den Pret. Perf. ftii en visitiii, omdat het jaar 1880 geheel tot het verleden behoort;

in 2 bezig ik den Pret. Indef., omdat ik den tijd niet aangeef waarin ik de reis gemaakt heb, en ik daarenboven nog leef, om de reis door de Rijnprovincie te kunnen lier-vatten, en deze dus niet gezegd kan worden geheel tot het verleden te behooren.

1. /Spésse volte ü rnio amico j

i Dikwijls heelt mij mijn \'nu imiiö di mo Jratêllo. f

, , I vriend over zijnen broe-

2. Spésse volte il mio amico l

1 der gesproken.

m ha psiiiiito ai suo fratello.

Uit den Pret. Perf. in 1 volgt, dat mijn vriend, die mij dikwijls over zijnen broeder sprak, of den omgang met mij heeft afgebroken, öf niet meer in leven is : dat spreken over zijn broeder heeft dus opgehouden. Uit den Pret. Indef. in 2 volgt, dat die vriend en ik nog omgaan, dat hij nog in leven is, mij dus nog altijd over zijnen broeder spreken kan, en dat spreken dus niet kan beschouwd worden als geheel tot het verleden te behooren.

-ocr page 386-

374 Vervolg over het Gebruik der Tijden.

1. Nét sêcolo XVII la — In de I 7de eeuw heeft tSpagna ébbe mólti buóni Spanje vele goede dich-poêti. ters gehad.

2. La 8\'pagna lia avuto mólti — Spanje h e e f t vele goede buóni poêti. dichters gehad.

Tn het lste voorbeeld gebruik ik den Pret. Perf. ébbe, omdat de 17de eeuw een geheel afgesloten tijdperk is, en Spanje voor die eeuw geen enkel dichter er meer bij kan krijgen. In het 2de voorbeeld bezig ik den Pret. Indef.. omdat hier geen bepaalde tijd wordt aangegeven, en Spanje altijd nog zijne goede dichters heeft, ten minste hebben kan.

§ 3. De Piü che Perfêtto en de Pretêrito

A uteri óre.

1. Avevaiiio gid iiraiizato, — Wij hadden reeds gege-quanda nóstro zio vènne ten, toen onze oom ou-inaspettataménte. verwacht kwam.

2. Tósto che avénuiio pran- — Zoodra wij gegeten had-zato, uscimmo. den, gingen wij uit.

3. Dópn che ei ébbe ofFcsi, — Nadat hij ons beleedigd cé né andamvio sübito. had, gingen wij terstond

heen.

De Piü che Perfêtto en de Pretêrito Anterióre dienen beide om een handeling aan te duiden die geheel voltooid was, alvorens een andere plaats had. In het gebruik dier beide tijden ligt echter een groot verschil. Eerstgenoemde doet alleen aan een eerderen tijd denken; laatstgenoemde, die gewoonlijk in verband staat met den

-ocr page 387-

Vervolg over het Gebruik der Tijden.

Preterite Perfètto, doet niet slechts aan een eerderen tijd denken, maar geeft ook te kennen, dat de handeling, door den Pret. Perf. uitgedrukt, onmiddellijk plaats had na die, of een noodzakelijk gevolg was van die, welke dooi\' den Pret. Ant. wordt aangeduid. Zoo willen wij in 1 alleen te kennen geven, dat onze maaltijd plaats had vóór de aankomst van onzen oom; de beide handelingen staan in geen het minste verband met elkander. In 2 echter volgde het uitgaan terstond op het eindigen van den maaltijd; de handelingen staan met elkander in verband: het vroegere of latere uitgaan hing van het vroegere of latere eten af. In 3 wordt door het gebruik van den Pret. Ant. aangeduid, dat ons heengaan een gevolg was van de ondervonden beleediging; had hij ons niet beleedigd, dan zouden wij niet heengegaan zijn.

ehe ébbi linito il— Zoo dra ik mijn werk mio lavóro, used. geëindigd had, ging

2. Quando j avéniino cantatu,

Allorchè fumvio applauditi. Córne

3. JVón tósto 1 fiuiinio g\'iunti, che

Apphia ) anche suo pad/re giunse.

4. Dópo che Gugliehno I — Nadat Willem I koning era divennto ré d Olanda, van Holland, geworden Napoleóne I rnori. was, stierf Napoleon I.

375

§ 4. 1. Tósto Snhito

O

ik uit.

- Zoodra wij gezongen hadden, werden wij toegej uicht.

Nauwelijks waren wij aangekomen, of zijn vader kwam ook aan.

-ocr page 388-

Vervolg over het Gebruik der Tijden.

5. Dlt;ypo ché Napoleóne I — Nadat Napoleon I den

slag van Waterloo verloren had, zag Parij s voor de tweede maal de bondgenoot e n binnen z ij n e muren.

Na de genoemde voegwoorden gebruikt men, zooals uit de voorbeelden blijkt, den Pretêrito Anterióre, omdat uit de be teekenis dier voegwoorden — met uitzondering van dópo che — reeds volgt, dat de handeling, door den Pret. Perf. uitgedrukt, onmiddellijk volgde op, of een gevolg was van die, welke door eeratgenoemden tijd wordt aangeduid. Met dópo che is dit niet het geval. In 4, is de Piü che Perfêtto gebruikt na dópo ché, omdat de beide feiten volstrekt niet met elkander in verband staan; men wil hier alleen te kennen geven, dat het beklimmen van den troon door Willem\'! eerder plaats had dan de dood van Napoleon. In 5 echter is de Pretêrito Anterióre gebruikt, omdat de feiten in verband staan, het eene een gevolg was van het andere. Had Napoleon den slag van Waterloo niet verloren maar gewonnen, dan zouden de bondgenooten niet binnen de muren verschenen zijn; zij zouden zich wel gewacht hebben een kijkje in Parijs te nemen.

§ 5. De Futuro Assoluto.

1. Andrö a vedérlo, quando — Ik zal hem gaan opzoe-iivró il têmpo. ken, indien ik tijd heb.

2. Andrö domani, quando — Ik zal morgen gaan, wan-potrè o pösso. neer ik kan.

376

ébbe |i«t tinto la battaglia di Waterloo, Par \'tgi vide per la secónda volta gli alleati fra le sue mura.

-ocr page 389-

58ste Oefening.

In het gebruik van dezen tijd bestaat in hoofdzaak, tusschen het Italiaansch en andere talen geen verschil. Gebruiken wij in liet Nederlandsch echter met als, indien, wanneer den tegenwoordigen tijd om eene toekomstige handeling uit te drukken; doen de Franschen dit met si en quand insgelijks, in het Italiaansch moet men, zooals uit 1 blijkt, den Futuro gebruiken. Is echter die toekomst niet ver verwijderd, of wenscht men die reeds aangebroken te zien, dan kan men, zooals men uit 2 ziet, ook in het Italiaansch den Presênte gebruiken.

Thema 58.

1. Ik heb van morgen lang geslapen, omdat ik gisteren avond laat naar bed ben gegaan. 2. Beide partijen hebben de vredesvoorwaarden getrouw in acht genomen. 3. Indien ik het deed, zou er eene groote ergernis uit ontstaan, en zou ik mijne bloedverwanten en vrienden zeer bedroeven. 4. Wie meent dat de Italiaansche taal niet moeilijk is, heeft ze nooit goed bestudeerd. 5. Nadat de redenaar zijne rede geëindigd had, ging hij terstond heen. 6. Indien ik naar Parijs ga, zal ik aldaar mijnen vriend bezoeken, indien ik kan. 7. Waarom zijt gij (enkelv.) gisteren buiten weten van uw vader uitgegaan ; hij was er niet over tevreden. 8. Hij is een groote gulzigaard (one), die alles door het keelgat jaagt; hij heeft veel geld gehad, maar hij heeft bijna alles verkwist. 9. Ik ontmoette hem gisteren in het koffiehuis van den heer A., waar hij veel verteerd had. 10. Toen het echter op betalen aankwam, had hij geen geld en liet zijn horloge tot onder-

377

-ocr page 390-

58ste Oefening.

378

pand achter. 11. Zoodra liij zijnen vriend herkend had, die na jarenlange afwezigheid teruggekeerd was, omhelsde hij hem hartelijk. 12. Nauwelijks had hij het geringste geraas vernomen, of hij kwam er mij terstond van verwittigen. 13. Ik ben tweemaal in Londen geweest, en heb daar vele verzamelingen van zeer kostbare dingen gezien. 14. Twee maanden geleden werd mijn broeder ernstig ongesteld, tegenwoordig is hij volmaakt gezond. 15. In 1886 ben ik te Berlijn geweest en heb daar de verschillende galerijen van schilder- en beeldhouwkunst en van oudheden bezocht. 16. Deze week heb ik verscheidene vrienden ontmoet, die ik sedert (da) langen tijd id et gezien had. 17. In 1878 ben ik naar Parijs gegaan om de tentoonstelling te zien. 18. Pepijn de Korte nam den titel van koning der Pranschen aan en sloot den onnoozelen of ongelukkigen Childerik III in een klooster op. 19. Terstond nadat ik. opgestaan was, kleedde ik mij en ontbeet ik. 20. Ik had mijne taak reeds afgewerkt, toen mijn broeder de zijne nog beginnen moest.

v redesvoo r-

waarde n getrou w buiten w e-

ten gulzigaard verkwisten

tot onder-p a n d

— conclizióni

délla pace.

— fedelménte.

— sénza saputa.

— ghiótto.

— scialacquare,

dissipare.

— in pégno.

in acht ne- —

m e n ontstaan — ergernis — door het — keelgat jagen

er op aan- —

k o m e n jarenlang — osservare.

nAscere. scdndalo. cacciarsi gul per ia góla.

trattarsi.

di rnólti anni.


-ocr page 391-

Over de Bijwoorden. 379

i r t e 1 ij k — cordialmènte,

affe ttuosamtnte.

-rwittigen — avvimre.

igesteld, — cadbre dek worden amvialato.

olmaakt —in perfêtta e z o n d salute.

e e 1 dh o u w--scultura.

k u n s t

a 1 e r ij — g aller ta.

a n n e m en — asmmere.

r a n ken — Franchi.

; 1 o o s t e r — monastêrio.

n g e 1 u k k i g — sventurato.

ZES EN VEERTIGSTE LES.

Over de Bijwoorden. [Avvêrhi.) § 1. De Bijwoorden zijn in liet Italiaansch óf oorspronkelijk 6f afgeleid. A. De Oorspronkelijke Bijwoorden z ij n :

a. van T i j d.

adem), bra — nu.

óggi — heden.

iêri — gisteren.

domani — morgen.

allóra — toen.

pói, pósda — vervolgens, naderhand. gid, dig id — reeds.

buzzichio alcuno. -raccólta.

■ gravaménte. piitura.

antichitd.

■ Pipino il

piccolo.

het gering--

ste geraas verzameli ng -ernstig schilde r-

k n n s t oudheden P e p ij n d e

K o r t e opsluiten onno oz el t a a k

■ niegare. imbecille.A, cómpito.

-ocr page 392-

380

tardi

subito

fjuando

sêmpre

raai

i spésso, sovênte prima presto, tósto

qui, qud quel

Id, cold qud e Id costi, costd Id, quivi

ci vi

óve, dóve ónde, dónde su, sópra, sóvra giit, sótto \' davanti avanti altróve dappertutto diêtro dêntro

Over de Bijwoorden.

— laat.

— terstond.

— w a n nee r.

— altijd.

— ooit, nooit.

— dik w ij 1 s.

— voorheen.

— spoedig, weldra.

b. van Plaats.

— hier (bij den sprekenden persoon).

— herwaarts.

— daar, derwaarts.

— heen en weer, her- en derwaarts.

— daar (bij den aangesproken persoon\'..

— daar (van spreker en aangesprokene

verwijderd).

— er (hier, bij den spreker).

— er (daar, verwijderd),

— waar.

— vanwaar.

— boven.

onder, beneden.

voor.

vooraan.

elders.

overal.

achter.

binnen.


-ocr page 393-

Over de Bijwoorden.

fuóri — buiten.

indiêfro — terug.

c. van Hoeveelheid.

quanto — hoeveel.

tanto — zooveel.

tanto quanto — zooveel als. mólio — veel.

póco — weinig.

• tróppo — te veel.

altretlanto — evenzoo veel.

d. van Wijze.

béne — goed.

cóme — hoe.

fórse — misschien.

s gid — wel, ja.

male — slecht.

perchè — waarom.

pure — toch.

/ mólto, dssai — zeer. •

volentiêri — gaarne.

si, cod -— zoo, evenzoo. quasi — misschien.

van Bevestiging en Ontkennin si — ja.

si fatto — jawel. nó — neen.

-ocr page 394-

Over de Bijwoorden.

nón

nón....mai nón....gicl nón... .punto nón... .mica nón sólo nón solaménte nón chè nè

nemméno, neppure

B. de Afgeleide Bijwoorden

die, van bijvoeglijke naamwoorden afgeleid, bijwoorden van hoedanigheid genoemd worden en antwoorden op de vraag: op welke, op hoedanige wijze?

1. dotto —cZottaméiite —op eene geleerde wijze.

2. prudente —frudentemmia— op eene voorzichtige wijze.

3. /dale — facilmimte — op eene gemakkelijke wijze.

4. maggióvv — unaggiormknte — veeleer; h o o f d z a k e 1 ij k.

Zij worden van de bijv. naamw. gevormd door, zooals uit 1 blijkt, achter den vrouwelijken uitgang van het bijv. naamw. den uitgang ménte te voegen. Ménte is de ablativus van het Latijnsch vrouwelijk zelfst. naamw. mens, en daarom wordt het mannelijk bijv. naamw. op o vrouwelijk gemaakt, alvorens men er den uitgang ménte bijvoegt. Gaat het bijv. naamw. op e uit, en is het er derhalve een met éenen uitgang voor de beide geslachten, dan voegt men, als in 2, er slechts den uitgang ménte bij. Gaat het, gelijk in 3, op le

382

— met.

— nooit.

| geenszins.

J

| niet alleen.

— noch.

— ook niet.

-ocr page 395-

Bijwoordelijke Uitdrukkingen.

of, als in 4, op re uit, dan valt, zooals uit de voorbeelden 3 en 4 blijkt, de e voor de toevoeging van ménte uit.

§ 2. De trappen van vergelijking worden bij de bijwoorden gevormd als bij de bijvoeglijke naamwoorden. De volgende zijn onregelmatig:

ie —goed. méglio — beter. il méglio —het beste.

henissimo ottimaménie

peggia — slechter, il pêggio —het slechtst. pessimaménte malissimo

Ito — veel, zeer. piü —meer. il piü —het meest.

moltissimo — zeer veel. rnikno —minder, il mcno —het minst.

poch\'mimo — zeer weinig.

§ 3. Bijwoordelijke uitdrukkingen.

« caso — bij toeval; zonder nadenken.

a bócca j

i mondeling.

a viva vóce \'

a huón öra, — vroeg, te goeder ure.

presto, pér tempo a gara — om s

al contrario aW oppósto ami

ad ógni rnódo — in ieder geval.

383

zeer goed.

de — slecht.

zeer slecht.

—weinig.

daarentegen.

-ocr page 396-

Uitdrukkingen.

Bijwoordelijke

384

a sórte pér caso pér avventura

alia rinfusa confusamènte ad un tratto in un sühito di repênte

.^quand\' êcco

a momênti fra póco ór óra adêsso adêsso di qui a non niblto

a bêlla pósta a bêllo studio

a mala pèna a propósito all\' improvviso a memória a ménte a schiêra ad alta vóce a dêstra a diritta a sinistra a nianca

bij toeval.

door elkaar.

| eensklaps.

- toen eensklaps.

| straks, in een oogenblik.

opzette! ijk.

ternauwernood.

van pas.

onvoorziens, onverwachts.

uit liet hoofd, van buiten.

in menigte.

luidkeels.

rechts, te rechter hand. links, t^ linker zijde.


é

-ocr page 397-

Bijwoordelijke Uitdrukkingen.

385

di mala vóglia a malincóre mal volentiêri

con rmcrescirnénto di béne in mèglio diseguito, successivaménte di quando in quando di tempo in tèmpo di tanto in tanto di buón grado di buóna vóglia di giórno di nétte

mnanzi

di nascósto di soppiatto tacitamènte da allóra in pói da quéll\' óra in pói da quel punto in pói da banda da parte da póco in quel da quando in qud da sólo a solo a quattr\' ócchi del tutto, affatto cón córnodo *

a hèlT agio

ÏTAI.1AANSCHE TAAL. -•

tegen zijn zin, met leedwezen.

hoe langer zoo beter, achtereenvolgens.

van tijd tot tijd.

gaarne, goedwillig.

bij den dag.

des nachts.

van lieden af.

in het verborgen, heimelijk.

van toen af, van dat oogenblik af.

ter zijde.

sedert kort.

sedert w a n n e e r.

onder vier oogen.

— geheel en al. | op zijn gemak.


25

-ocr page 398-

Bijwoordelijke Uitdrukkingen.

386

un tantino, un tantinétto— een klein beetje.

a minuto (vêndere) pér acqua pér têrra ; alméno pér ischêrzo iêri l\'altro T aliro iêri a póco a póco , a huón mercato dapprima in disparte ,in hrêve pér l\'appunto in piên giórno in iscritto in persona pér V addiétro pér lo passato móltre a vicênda a lungo andare mile prime, a prima giunta in un hdtter d\'ócchio in un dttimo indarno, invano dirottamcnte, a dirótte

Idgrirne amaraménte

— in het klein (verkoopen). —i te water.

— te land.

— ten minste.

— uit scherts, voor de grap.

eergisteren.

— allengskens.

— goedkoop.

— in het begin.

— ter zijde.

— binnen kort.

— juist.

— op klaar lichten dag.

— schriftelijk.

— persoonlijk.

| eertijds, voorheen.

— daarenboven.

— beurtelings.

— op den duur.

op het eerste gezicht.

in een oogwenk.

te vergeefs.

met heete tranen.

-ocr page 399-

Opmerkingen omtrent sommige Bijwoorden. 387

al co\'pêrto, a copêrto, in salvo — beschut voor.

sènza mia, tua sapida — buiten mijn, uw weten.

cïöra in pói

da qui innanzi |

. gt; voortaan.

per l mnanzi 1

d\'óggi in pói ]

d!altronde, daltra parte — van elders.

in haha, a discrezióne — ten buit, ten prooi.

da véro, davvéro, da sènno — waarlijk; ernstig.

sübito, quanto prima, ratto,— terstond.

ripènte

su due piêdi — op staanden voet.

§ 4. Opmerkingen omtrent sommige bij woorden.

1. Ij\' hó gia fatto. —Ik heb het reeds gedaan.

2. Jjo riscontrai giil in—Ik heb hem vroeger in Am-A\'instellodamo. sterdam ontmoet.

3. To nol crédo g\'iii. — Ik geloof het geenszins.

4. Hik nón si cUwe a té— Daarenboven is men u noch dóglia nè pianto. beklag noch tranen schuldig.

Gid kan in verschillende beteekenissen voorkomen. In 1

heeft het de beteekenis van het Nederlandsche reeds; in 2

die van het iSTederl. vroeger of weleer; in 3 dient het

i

om de ontkenning te versterken en beantwoordt aan het Neder!. geenszins, en in 4, aan het begin van den zin geplaatst in een vers van Tasso, beteekent het ons daarenboven.

-ocr page 400-

388 Opmerkingen over sommige Bijwoorden.

§ 5. 1. 8t6 in forse se lo fard. — Ik sta in twijfel of ik h«

doen zal.

2. È forse arrivato? —Zou hij aangekomen zijn,

zooals men zegt?

3. Chi dübita, che ógni —Wie twijfelt er aan of alle tristézza nón mabbia a droefheid zal mij over-sopravvenire, la quale förse vallen, die mij zeker e séiiza forse m\' ucciderd. dooden zal.

Fórse (misschien) heeft in stare in forse, zooals in 1, de beteekenis van in twijfel staan; in 2 is het gebruikt, om een twijfel uit te drukken van een loopend gerucht, dat door ons Nederlandsch naar men zegt wordt aangeduid, en in 3 heeft fórse e sénza forse de beteekenis van ons Nederlandsch zeker.

§ 6. 1. II piH grand\' v/nno — De grootste man dien Tta-ehé mai avêsse ï Italia. lie ooit had.

2. Non lo faro mai piu. ■ j Ik zal het nimmermeer

3. Mai piH lo farö. ) doen.

4. Gli giuró di mai non dirlo. — Hij zwoer hem liet nim

mer te zullen zeggen.

5. Fa s^mpre mai piü pro--Hij maakt voortdurend

grêssi. meer vorderingen.

6. Quando mai sard quél — Wanneer zal toch de dag giórno f aanbreken?

7. Sarëbhe ég li mai tanto — Zou hij wel zulk een pazzo? dwaas zijn?

Mai zonder nón heeft, als in 1, de beteekenis van ooit; in 2 heeft het, door nón voor het werkwoord te plaatsen, de

-ocr page 401-

Opmerkingen over sommige Bijwoorden. 389

beteekenis van ons Nederlandscli nooit of\' nimmer. Staat raai aan het begin van den zin, als in 3, dan heeft het ook zonder nón een ontkennende beteekenis. Staat raai als in 4 bij een Infinitivo, dan moet liet de ontkenning nón voorafgaan. Sêmpre mai, als in 5, beantwoordt aan ons Hollandsch voortdurend, altijd door. In 6 en 7 dient het slechts tot versterking, en komt overeen met ons Hollandsch toch, wel of dan.

§7. 1. JVón lófaro uemiiiéu\'io. — Ik zal het ook niet doen. 2. Egli nón ha \\vi\\\\\\mYVpar--Hij heeft niet-eens hier-

lato di aid. van gesproken.

Ons Nederlandscli ook niet, wordt, zooals in I, vertaald door nemméno. Het kan ook door neppure teruggegeven worden, dat ook, als in 2, de beteekenis van niet eens, zelfs niet heeft.

§ 8. 1. jVóh sólo o nöii sola--Hij kende niet alleen de

méntc le cóse presênti, ma tegenwoordige maar ook eziandio le future conoscèva. ■ de toekomstige dingen. 2. Spéro trovar pietd nón — Ik hoop niet alleen ver-clie perdóno. giffenis, maar zelfs me

delijden te vinden.

Niet alleen wordt, als in 1, vertaald door nón solo of 7ion solamtnte, ook, als in 2, door nón ché, maar in het laatste geval merke men op, dat de term, die in het Nederlandscli het eerst wordt genoemd, in het Italiaansch het laatst komt te staan, zooals uit het voorbeeld met pietd en perdóno blijkt.

-ocr page 402-

390 59ste Oefening.

§9. 1. Nón credo gia o iniuto — Ik geloof volstrekt niet o mica che l\'abhia fatto. dat hij het gedaan heeft. 2. JVón hó studiato pcko, ma — Ik heb niet weinig bestu-nón tsnito i|iiinito vói o deerd, maar niet zooveel mio cugino, che ha studiato als gij of mijn neef, die tró|)|i(). te veel bestudeerd heeft.

Uit 1 ziet men, dat gid, puuto en mica gebruikt worden om de ontkenning 7ión te versterken; deze woorden hebben dan de beteekenis van ons Neder 1. volstrekt niet, geenszins. Uit 2 blijkt, dat de woorden póco, tróppo, tanto, quanto, die wij vroeger als veranderlijke bijvoeglijke naamwoorden voor zelfstandige hebben leeren kennen, bijwoorden zijn, wanneer zij de beteekenis van een werkwoord of bijvoeglijk naamwoord wijzigen en dan onveranderlijk zijn.

§ 10. Dife forte, chinro ed—Spreek luid, duidelijk en iiihig\'io affincli io intênda langzaam, opdat ik bead che dite. gr ij pe wat gij zegt.

Uit het gegeven voorbeeld blijkt, dat sommige bijwoorden als fórte, chiaro, adagio enz. in den vorm van bijvoeglijke naamwoorden gebruikt worden. Het woord módo moet er dan onder verstaan worden, zoodat dite chiaro beteekent; dite in chiaro módo.

(In deze oefening is hel liyvoegiyk naamwoord aangegeven, waarvan volgens tien regel in i I liet hij woord gevormd word!).

Thema 59.

1. Mijn vriend weende heete tranen, toen hij zoo onverwacht den dood van zijnen broeder vernam. 2. Wij zijn ten

-ocr page 403-

59ste Oefening. 391

volle overtuigd van de onschuld van dien man, die valsch beschuldigd is geworden. 3. Uw vader maakt zich nooit aan overijling schuldig, hij handelt altijd voorzichtig. 4. De landverhuizers zijn gelukkig in Amerika aangekomen; ik hoop dat het hun goed zal gaan. 5. Hij studeert voornamelijk \'s avonds tot laat in den nacht; het zou beter zijn, als hij \'s morgens vroeg opstond. 6. De minister van buitenlandsche zaken geeft gewoonlijk audientie des Zaterdags om 12 uren. 7. Wie mag het wel zijn, die nog zoo laat in den avond daar belt? 8. Wanneer men oud is, leert men niet zoo gemakkelijk meer van buiten, als wanneer men jong is. 9. Ik ga heden niet uit; ik ben gisteren en eergisteren ook niet uit geweest, omdat ik zeer veel te doen heb. 10. Hij kwam van boven en ik van beneden, en zoo ontmoetten wij elkander op de trap. 11. De ministers van oorlog, van marine en financiën zullen morgen over acht dagen bij de opening-der tentoonstelling tegenwoordig zijn. 12. Men zegt dat gij het opzettelijk verzuimd hebt; indien dit zoo is, vraag dan beleefd om verschooning, en zeg dat gij niet ernstig over de gevolgen hebt nagedacht. 13. Van tijd tot tijd maakt hij een uitstapje naar zijne vele - bloedverwanten in Amsterdam, en bezoekt dan geregeld den eenen na den anderen. 14. Die man keert onverstandig de gewone orde om; bij dag slaapt en des nachts werkt hij. 15. Van heden af zal ik mij niet meer zoo lichtzinnig gedragen als ik tot dusverre gedaan heb. 16. Bij toeval heb ik vernomen, dat uw broeder binnen kort zijne studiën staken en een andere loopbaan kiezen zal. 17. Out naar het museum te gaan, moeten wij deze straat afloo-pen, vervolgens rechtsaf slaan, dan vinden wij aan het einde

t

-ocr page 404-

59ste Oefening.

van die straat het museum links. 18. Deze jongens studee-ren vlijtig; zij werken om het hardst, wie hunner den eersten prijs zal behalen. 19. Men kan beter schriftelijk dan mondeling vertalen, omdat men, schriftelijk vertalende, aandachtiger nadenken kan. 20. Jongen, neem (enkelv.) niet heimelijk weg wat uw vader u geweigerd heeft; want wannneer hij heden of morgen uwe ongehoorzaamheid mocht merken, zult gij streng gestraft worden.

onverwacht — inaspettato (agg-)

onschuld — imiocênza.

o v e r ij 1 i n g — precipitazióne, sconsideratézza.

minister van — ministro buitenland- clégli affari bellen sche zaken êsteri.

minister — ministro dèlla

van oorlog guêrra.

392

vol —piêno (agg.)

valseh — falso (agg.) 1 a n d v e r- — emigrante.

h u i z e r

voornaam —principale (agg.) gewoon —ordinario (agg.)

— sonareil campa-néllo.

opening — apertura.

te gen wo or--assistere.

dig zijn b ij — a.

minister — ministro délla van marine marina.

minister —ministro dêlle ernstig —senóso (agg.)

van financiën finanze. gevolg

om verschoo--chiêdere geregeld

ning vragen scusa. orde

nadenken —rijlêttere su. staken over

uitstapje —scórsa, gita. afslaan onverstandig — stölto (agg.) (wenden)

lichtzinnig — leggiêro (agg.) einde

— consequenza.

— regolare (agg.)

— órdine.

cessare.

— voltare.

— estremitd.


-ocr page 405-

393

- riportare.

- accórgersi di. strada,

diligênte^gg,) ongehoor--dimbhidiênza r

attênto. (agg.) zaamheid sevêro (agg.)

Over de Voorzetsels.

carriêra. behalen

seguire una merken

loopbaan eene straat — afloopen vlijtig

aandachtig — streng —

ZEVEN EN VEERTIGSTE LES.

Over de Voorzetsels. (Preposizióni). § 1. Voorzetsels met den 4en naamval zo„nder

eenig ander voorzetsel.

avanti

cón

contra

di

ia

diêtro

dinanzi

davanti

dópo

durante

eecêito

salvo

Jra o infra tra o intra

■ aan.

- voor.

■met.

tegen.

• van.

van.

achter.

■ voor.

voo r.

na.

gedurende, behalve.

t u s s c h e n.

m

lung o

malgrado

mediante

öltre

pér

prêsso

sénza

secóndo

sópra

sóvra

sit

sótto vêrso

- i n.

- langs.

-ondanks.

- door middel van.

- behalve.

• voor, door.

nabij.

■zonder.

■ volgens.

op, over, boven, é

o n d e r.

jegens.


-ocr page 406-

Over de Voorzetsels.

§ 2. Voorzetsels met den 4en naamval door middel van liet voorzetsel di.

appiè di —aan den voet. ad ónta di j in weerwil,

a dispétto di ) ten spijte van.

— buiten.

in vèce di 1 in plaats ten gunste in luógo di ; van. van. al di qud di — aan deze zijde

a fórza di —uit kracht van.

van. pér mêzzo di \\ door middel

al di ld di —aan gene cól mêzzo di \' van.

394

a causa di a rnoiivo di a ragióne di a favóre di

wegens, ter ,

juon ai

oorzake van.

zijde van.

S 3. Voorzetsels met den 4en naamval door middel

accanto a accósto a allato a addósso a attórno a

circa a

in faccia a dirempétto a rasênte a

op, bij. rondom.

van het voorzetsel a.

diêtro a —achter, ter zijde van, Jino a sino a

conforme a —overeenkomstig. déntro di, a — binnen.

omtrent, ongeveer.

tegenover.

rakelings.

m a a

mêzzo a prêsso a 1 apprêsso a I quanto a rispétto a riguardo a vidno a -te midden van.

nabij.

wat betreft, wat aangaat, ten opzichte van. nabij.

tot.

incóntro a — tegemoet.


-ocr page 407-

§ 4.

Over de Voorzetsels.

Voorzetsels cl ie zonder en met di of a kunnen gebruikt worden.

— cóntro tua sorèlla

quot;zöntvo iiêtro iópo linanzi

iv an f i ■

— tegen uwe zuster.

— tegen mij.

— achter de deur.

— achter u.

— na vieren.

— na hen.

— voor het huis.

— voor de oogen.

— voor mij.

— vóór alle dingen.

— voor de oogen.

— eerder dan ik.

— voor den rechter.

— nabij de kerk.

— bij de Romeinen.

— \'Jij u-

— zonder het boek.

— zonder h a a r. -—op de tafel.

\'resso

mza

ypra

cóntro di

- diêtro la pórta diêtro a o di té

- dópo le quaüro dópo di lóro

■ dinanzi la cam dinanzi agli ócchi dinanzi a mé

■ avanti ógni cóm avanti gli ócchi avanti di mé avanti al giüdice

- prêsso la c/dêsa prêsso cd Romani prêsso di vói

■ sénza il libro sénza di Ui

■ sópra la tdvola supra ad un (.libero —op een boom (beweging).

395

sópra di nói gt;tto — sótto la sêdia \'

sótto al chirurg o

sótto di mé rso — vêrso oriênte

verso tuo benefattóre vêrso di mé

— over, boven ons.

— on dei\' den stoel.

— onder handen van den

i

w ondheele r.

— onder mij (mijne bevelen).

— naar het oosten.

— j e g e n s u w w e 1 d o e n e r.

— naar mij toe.


-ocr page 408-

Over het Gebruik der Voorzetsels.

Gebruik der Voorzetsels. § 5. A — aan.

1. Vó a Fiorênza. — Ik ga naar Florence.

2. Nón avvicinarti a mé. — Nader mij niet.

3. Prêsso al fuóco. — Bij het vuur.

A wordt gebruikt, zooals uit 1 en 2 blijkt, om eene beweging of richting, en, zooals uit 3 volgt, om de nabijheid van een persoon of eene zaak uit te drukken. Verder bezigt men dit voorzetsel in vele andere uitdrukkingen, waarin óf genoemd beginsel ligt, öf waarin het gebruik dit voorzetsel eischt, als :

Tag Hare a fétte —aan platen snijden (brood,

vleesch enz.).

Mor ire a centinaia —bij honderden sterven.

/Stare all\' êrta —op zijne hoede zijn.

Andare all\' oscuro, al buio —in het duister gaan. Imparare a memória, a ménte — van buiten leeren. A quattr\' ócclvi, a têsta a têsta — onder vier oogen.

A bócca —mondeling.

A capo chino —met neêrgebogen hoofd.

A bócca apêrta, chiusa —met open, gesloten mond. Al bêl dilétto —opzettelijk.

Un midino a vênto —een windmolen.

Una scala a chiócciola —eene wenteltrap.

Una nave a vapöre —eene stoomboot.

Una carrétta a mano — een handkar.

Al sólito — naar gewoonte.

A chióme sciólte —met loshangende haren.

396

-ocr page 409-

Over het Gebruik der Voorzetsels.

— met lossen teugel.

— teugelloos; losbandig.

— op Fransche manier.

— de handen voor zich houden.

— zoo slecht mogelijk.

§ 6 Di — Van.

\'t mia sorêlla —het boek mijner zuster.

j d\'alto cónto —een man van gewicht.

jzzina di camice —een dozijn hemden.

quaniitd d\'uómini — e e n e menigte m e n s c h e n.

. o,. cappêllo di féltro —een vilten hoed.

. II régno d\' Italia —het koninkrijk Italië.

. La cittd di Parigi —de stad Parijs.

. Un maestro di ballo —een dansmeester.

Het voorzetsel di wordt gebruikt, als in 1, om een bezit, is in 2, om eene hoedanigheid uit te drukken. Men )ezigt het, als in 3, na een woord van hoeveelheid, onverschillig of die hoeveelheid, als in 3, bepaald of, als in 4, )nbepaald is. Uit 5 volgt, dat men het ook bezigt om mze stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden te vertalen, loor namelijk den naam der stof met di er voor te gebruiken. Uit 6 en 7 blijkt, dat een aardrijkskundige naam di aa zich neemt, wanneer de eigennaam er op volgt, en uit 8 blijkt, dat di dient om in vele gevallen onze samengestelde zelfstandige naamwoorden te omschrijven. Di dient verder in vele elliptische zinnen, waar het gebruik van dit

397

h. i jlia sdólta lla scapeatrata Ha franc,(m \'enére le mani a sê

lla pêggia

-ocr page 410-

398 Over het Gebruik der Voorzetsels.

voorzetsel in strijd schijnt met gevestigde regels, maar waar

het werkelijk als bepaling van het uitgelaten woord staat, en verder in vele andere bijwoordelijke en andere uitdrukkingen , als:

Vicino di Hotterdamo —bij Rotterdam.

(alia citta di Rotterdamo)

Ferito di quêsta lanoia —door deze lans gewond.

(cón un cólpo di quésta lancia)

Fartird di nótte —hij zal des nachts ver-

(in têmpo di nótte) trekken.

Fomandare di uno —om iemand vragen.

(la presênza di uno)

Fare d\' ócchio —een wenk geven.

(un cênno d\' ócchio)

A me tócca di parlare — mij komt het toe te spre-

(il diritto di parlare) ken.

Funire di mor te —met den dood straffen.

(cólla péna di mórte)

Fare di cappéllo — den hoed afnemen.

(un saluto di cappéllo)

Mi piace di par tire — het behaagt m ij te ver

(la risoluzióne di partire) trekken.

Accmare di fur to —van diefstal beschuldi

(per delitto di furto) gen.

Fidarsi d\'uno —op iemand vertrouwen.

(nélla probita d\'uno)

Dare did birhante — als een schurk behande

(il néme di birhante) len.

Êssere di guar dia —op wacht zijn.

(in istato di guardia)

-ocr page 411-

Over het Gebruik der Voorzetsels.

399

TJi ra,do

— zeldzaam.

Di presente

— tegenwoordig.

Di travêrso

— dwars.

Di sovêrchio

— overvloedig.

Di hando

— tevergeefs.

Di nuóvo

— opnieuw.

Di grazia

— uit genade; ik verzoek u.

Di corso

— in den loop.

Di salto

— in den sprong.

Di vólo

— in de vlucht, in den loop.

Di quésto pnnio

— zooeven.

Del tutto

— geheel en al.

Di sübito

— snel, spoedig.

Di balzo

— bij weerkaatsing; van

den weerstuit.

§ 7. Da — Van.

1 Vêngo da Madridde. —-Ik kom van Madrid.

2. QuélV uómo dipênde (bil —Die man hangt van zijnen suo amico. \' vriend af.

3. I piacéri ndscono rtui —De ver mak en ontstaan uit

de behoeften.

-Eene wijnflesch.

Eene flesch wijn.

-Eene vraag voor u. -Ik zal b ij u (ten uwen huize)

komen.

Ik bemin u als een vader.

hisógni.

4. Una boüiglia «la vino.

5. Una hottiglia rti vino.

6. Una questióne da vói.

7. Verrd da vói.

8. Vi amo du padre

-ocr page 412-

Over het Gebruik der Voorzetsels.

Ik zweer u op mijn woord

van fatsoenlijk man. Een man die voor vele zaken geschikt is.

Italië zal door eigen kracht handelen.

12. Ij hó veduto passare da, — Ik heb hem bij u zienvoor-casa vostra. bijkomen (bij uw huis).

■ ! ( J iTVt

13. Fu tenuto in prigiöne — Hij werd ongeveer zest-i-eiv da sêi mési. maanden in de gevangenis gehouden.

Ik heb nog veel te doen. 15 Vi è póco da copiare. — Daar is weinig af te schrij-

v e n.

16. II di Lêi amico è stimato — Uw vriend wordt geacht da tutti ohè ló conóscono. door allen die hem kennen.

17. Ij uómo dai hwndicapélli. — De man met het blonde

haar.

Zooals men uit de voorbeelden ziet, is het voorzetsel da van een veelvuldig gebruik. Men gebruikt het:

1°. om als in 1, eene verwijdering te kennen te geven: 2°. als in 2, om een afhankelijkheid uit te drukken; 3°. als in 3, om een oorsprong aan te geven;

4°. als in 4, om het gebruik van iets aan te duiden; zoo beteekent hottiglia da vino eene flesch die gebruikt wordt om er wijn in te doen, terwijl eene hottiglia di vino, als in 5, beteekent eene flesch die met wijn gevuld is;

400

9. Ti giuro da galant! uómo.

10. Un uómo da mólto.

11. L\' Italia fard da sé.

v ■ ^ f gt;\'

14. JTó ancóra mólto da fare.

5°. als in 6, om eene vatbaarheid, eene soort van passieve geschiktheid aan te duiden. Het voorbeeld in

IL\'ZSJmZZLS

-ocr page 413-

Over het Gebruik der Voorzetsels. 401

6, wil te kennen geven, dat de vraag door vói, door u, kan behandeld, juist geschikt is door u opgelost te worden.

6°. om, als in 7, eene beweging naar het huis van een ander aan te duiden. Wij zeggen naar het huis van een ander; want men mag niet zeggen: vó rt« mé — ik ga naar huis, maar vó a casa mia of alleen vó a casa.

7°. om te vertalen, als in 8, de Nederlandsche uitdrukking in hoedanigheid van, of: als ware ik;

8°. om, als in 9, weêr te geven het Nederl. op mijn woord van;

9°. om, als in 10, eene geschiktheid tot of voor aan te duiden:

10°. om, als in 11, een eigen kracht aan te duiden. Vergelijk dit met het voorbeeld in 3, waar van een oorsprong sprake is;

11°. om, als in 12, het Nederl. voorbij te vertalen; 12°. om, als in 13, het Nederl. ongeveer uit te drukken; 13°. na de werkwoorden avére en êssere, wanneer door den volgenden Infinitive, als in 14 en 15, het doel van dat avére en êssere aangegeven wordt;

14°. om, als in 16, het Nederl. door bij lijdende werkwoorden te vertalen, en

15°. om, als in 17, eene kenmerkende eigenschap aan te duiden.

i

§ 8. 1. L hó veduto uscire — Ik heb hem van huis zien rti casa. gaan.

2. Mio fratéllo è venuto «li — Mij n broeder is van school scuóla. gekomen.

ITAl.IAANSCIIE TAAI.. -C

-ocr page 414-

Over het Gebruik der Voorzetsels.

Zij zijn nog niet van tafellj, il/êi opgestaan. ió. Mé.

Dit woord is mij uit den mond gevallen.

t

laan

|bew( ook, jeene \\ver( woor Inen volg\' |te v

Cas

Mêi

Sp\' lii

Gr Pc

In

A

— een huwbaar meisje.

— een heilig leven leiden.

— op iemands hand zijn.

vanwege.

uit kortswijl.

- van voren af, opnieuw.

In — in.

— Buiten wonen.

— Gaat naar huis en blijft

thuis.

He

De werkwoorden uscire, venire, levarsi, cadére en enkele! andere hebben, in strijd met het lste voorbeeld der vorige dikwijls di in plaats van da, doch alleen dan, wanneer het zelfstandig naamwoord zonder lidwoord staat. Zoo kan men zeer goed zeggen: Égli viêne di chiêsa, maar niet égli viêni\\ délla chiêsa di /San Fiêtro, dan moet het wel degelijk zijn viêne dalla chiêsa; ook in het meervoud mag men di nietl gebruiken. Zoo kan men wel zeggen; il libro m\' è cadutoI di mano; maar neemt men het woord mano in het meervoud, | dan moet het zijn: il libro m è caduto dalle mam. Da wordt ook nog gebruikt in vele uitdrukkingen, waarin het in ilquot; § 7 genoemde beginsel ligt, b.v. :

Una ragazza da marito Menare una vita da santo Tmère da alcuno Da banda Da bur la, da bêffe Da capo

§ 9-

1. Star in campagna.

402

3. Nón si sóno ancóra levati • di tdvola.

4. Quésta paróla ni è caduta di bócca.

2. Andate a casa e rimané-tevi in casa.

3. Mio fratêllo va in Russia, — Mijn broeder gaat naar in Amêrica. Rusland, naar Amerika.

-ocr page 415-

Over het Gebruik der Voorzetsels. 403

4. Mêtti le rnani in tasca. —Steek de handen in den zak.

5. Ména il cavallo in istalla. —Breng het paard naar den

stal.

n.

ift

ar a.

Het voorzetsel in wordt, als in 1, gebruikt om eene rust aan te duiden, terwijl a, zooals in 2, gebezigd wordt om eene beweging, eene richting aan te geven. In kan echter ook, als in 3, gebezigd worden om eene richting naar eene plaats aan te duiden, mits die plaats een land of werelddeel zij; ook wordt in nog gebruikt bij alle werk-|woorden, die, als in 4 en 5, eene beweging naar,, het binnenste van eene plaats te kennen geven, en verder in de volgende uitdrukkingen, die men slechts met het Nederlandsch te vergelijken heeft, om het verschil op te merken :

|Cascare in têrra —ter aarde, op den grond

vallen.

IMêttere in tévola —op tafel zetten (een gerecht

om het te gebruiken).

| Mêttere sulla tdvola —op de tafel leggen (een

boek enz.)

\\8perare in Dia —op God hopen.

In una doménica —op een Zondag.

Guar dare in uno —op iemand zien.

Por tare searpe in piêdi — s c h o e n e n aan de voeten

dragen.

In un luógo amêno -— op een lieve plaats, in

een aanvallig oord.

Abhdttersi in vmo —iemand ontmoeten.

tafe den

-ocr page 416-

Over het Gebruik der Voorzetsels.

Distêndere qualche cósa in — iets op papier brengen. carta

Dare qualche cósa in döno — iemand iets tm geschenke

ad uno Dire in sua scusa

geven.

— tot zijne

zeggen.

— scheep gaan.

— inderdaad.

— metterhaast.

— in ieder geval.

— in het gezicht.

z1) n.

- met.

zich door zij ne verdiensten

beroemd maken.

door zijnen moed aanvullen, iets door inspanning, door zorgen, door gebeden ver-kr ij gen.

■op een zachten toon zeggen.

-de wijze, waarop bij handelt.

-op iemand kwaad zijn. -op iemand gebeten zijn. -met blond haar, met zwarte oogen.

verschooni 112

Andare in barca In fatti In frètta In ógni conto In faccia

Êssere in pensiêri — bezor,

§ 10. Cón ■

Illustvarsi cól suo mêrito

tSupplire cól suo coraggio Ottenère una cósa cói suói -sfórzi, cólle sue cure, cólle sue preghiêre.

Dire cón vóce bassa

II módo cón cui tratta

Èssere disgustato cón uno Averla cón uno Dui bióndi capélli, tU4 ócc/d néri Jdfu

404

-ocr page 417-

Over het Gebruik der Voorzetsels.

Men heeft in deze voorbeelden slechts beide talen te vergelijken om het verschil in te zien. Omtrent het laatste voorbeeld vergelijke men het 17cle voorbeeld van § 7 met de verklaring. Verder stemt cbn met ons Nederlandsch met of mede overeen.

§ 11. Pér — door.

1. Passure pèr la Francia — P)oor Frankrij k, door de stad, pêr la cittd, pér la cdmera. door de kamer gaan. 3. Ha studiato la lingua — Hij heeft de taal gedu-pêr trè cvnni. rende drie jaren bestu-

,r deerd.

3. Travaglio pêr la mia — Ik werk voor mijn gezin. famiglia.

4. Studio pèr sapère qualche — Ik studeer om iets te ave-cósa. ten.

5. Verrd pêr mio fratêllo. ■— Ik zal voor (in plaats van)

mijnen broeder komen.

6. 8tó pêr uscire. —Ik sta op het punt uit te

gaan.

7. Quésta sala è lunga pêr —Deze zaal is vijftien me-quindici mêtri e larga pêr ter lang en acht meter ótto mêtri. breed.

In 1 komt pér geheel met het Nederlandsche door overeen en beteekent een doorgang door;

In 2 wordt het gebruikt voor ons gedurende;

In 3 staat het voor ons voor en beteekent ten gunste van ;

405

-ocr page 418-

Over liet Gebruik der Voorzetsels.

In 4 wordt het gebruikt voor ons om, en dient om he; doel aan te geven, waartoe iets geschiedt;

In 5 staat het voor in de plaats van, waar wij ooivoor gebruiken;

In 6 staat het vóór een Infinitive na het werkwoorc stare, om aan te duiden dat de handeling, door den Infinitive uitgedrukt, op het punt staat van te geschieden;

In 7 wordt het gebruikt vóór de hoeveelheid na de bij voeglijke naamwoorden, die een afmeting te kennen geven In dit geval is het gebruik van \'pèr niet noodzakelijk. Ver der wordt dit voorzetsel nog in eene menigte uitdrukkingei gebruikt, van welke wij eenige veel voorkomende zullen ge ven, en die men slechts met het Nederlandsch te vergelijkei heeft, om het verschil terstond in te zien;

l»êr timóre, jiér paura, pér — uit vrees, uit liefde.

amóre

l»èr vergógna, pér rahbia, — van schaamte, van woede

406

pér dolóre pêzzo pèr pêzzo pèr mare, pèr terra aver una pèr móglie mandare pèr uno andare pèr pane, pér vino pèr esénipio gettare pèr têrra pèr órdine

prêndere pèr la rnano

van smart.

— stuk voor stuk.

— ter zee, te land.

— iemand tot vrouw hebben

— om iemand zenden.

— brood, wijn gaan koopen

— hij voorbeeld.

— op den grond werpen.

— op bevel.

— hij de hand nemen. ckiamare uno pèr il sua nóme—-iemand hij zijn naam noe

men.


É

-ocr page 419-

Over het Gebruik der Voorzetsels.

407

\'partire i»êr un luógo

pér padre, pér madre jièr accidênte jiêr addiêtro pér altro

Iter conseguênte o conseguènza

l»èr da öra

per frétta

pêr ücritto

pér ló méno

pêr l\'ordinario

per lung o andare

per lungo e pêr lato

pêr mio avviso

pêr natura

pêr permêro

pêr transito o di trdnsito

pêr ternpïssirno

pêr têsta o pêr uómo

pêr udita

pêr ventura

pêr veritd

pêr via di dire

pêr vicênda

■ naar eene plaats vertrekken.

-van vaders, moeders zijde, -bij toeval.

— vóór deze, vroeger.

— overigens.

— hij gevolg.

— van heden af.

— in de haast.

— schriftelijk.

— op zijn minst. „

— gewoonlijk.

— op den duur.

— in de lengte en breedte.

— mijns inziens.

— van nature.

— in gedachte.

— in het voorbijgaan, ter loop

— zeer vroeg.

— p)er hoofd.

— van hooren zeggen.

— bij toeval.

— in waarheid.

— hij wijze van zeggen.

— ovi de beurt.


§ 12. Sópra (sóvra) su —

1. Sópra la tdvola, sulfa tdvola. —

2. Sópra il lètto, sul létio. — op, boven, over Op de tafel. Op het bed.


-ocr page 420-

Over het Gebruik der Voorzetsels.

3. Sur i mónti, sur i lag hi. — Op de bergen, op de meren.

4. Sópin il fuóco. —Boven het vuur.

5. Sópra (li mé, di nói. —Boven mij, ons.

6. 11 suo sangue vênga sójira — Zijn bloed kome over ons. di nói.

7. Andavimo sn pel mónte, —Wij gingen den berg op.

8. Vênne su per la scala. —Hij kwam de trap op.

9. Sm\' andd cón un pho — Hij ging heen met een last in snlle spalle. op zijne schouders.

In al deze voorbeelden komt het Italiaansch met het Ne-derlandsch in het gebruik van het voorzetsel overeen. In 3 ziet men, dat su voor de welluidendheid voor het meervoudig lidwoord i een r aanneemt. Uit 5 en 6 blijkt, dat sópra vóór een pers. voornaamwoord door het voorzetsel di gevolgd wordt, wat echter niet volstrekt noodzakelijk is. Uit 7 en 8 blijkt, dat su, wanneer men, bij het denkbeeld van hooger stand of ligging, eene beweging of richting naar dien stand of die ligging wil te kennen geven, door per gevolgd wordt, en uit 9 ziet men, dat, om met meer \'nadruk de plaats aan te duiden, sic door in wordt voorafgegaan. Verder lette men op het gebruik dezer voorzetsels in de volgende uitdrukkingen :

Sul far o in sul far dél giórno — hij het aanbreken van

den dag.

Sul far o in sul far délla nótte — bij het aanbreken van

den nacht.

Sul levar o in sul levar dél sóle — bij zonsopgang.

Sul tramontar o in sul tra--hij zonsondergang.

montar dél sóle

408

-ocr page 421-

Over het Gebruik der Voorzetsels. 409

Golle Idgrime in mg li ócchi — met de tranen in de oogen. Notare sul lihro — te boek stellen.

Sulle nóve (óre) — tegen negen uren.

Una cittd situata sul Rêno, —eene stad aan den Rijn, sulla marina aan zee gelegen.

Sópra séra —tegen den avond.

!Sói»rn \'parto o partorire —hij de geboorte, kort na

de geboorte.

Èsser sópra a cadére —bijna vallen.

Stare sópra di sè —in gedachten staan.

Verder wordt su, met eenige werkwoorden verbonden, als bijwoord gebruikt, bv. :

Andare sn — naar boven gaan.

Por tare su —naar boven brengen.

Guar dare in su — naar boven kijken.

Het tegenovergestelde van m is dan gin, bv. : andare giil (naar beneden gaan), portare gul (naar beneden brengen) enz.

§ 13. JVa, Tra [Infra, Intra) — tusschen; binnen.

1. Fra o tra lé paréti. —-Tusschen de wanden.

2. Si mise a sedére fra o — Hij ging tusschen twee tra due persóne. personen in zitten.

3. Fra l\'un e Valtro pópoio. —Tusschen beide volken.

4. Vidi il di hêi fratêllo fra — Ik zag uw broeder onder, o tra mölti altri uómini. tusschen vele andere

menschen.

In al deze voorbeelden stemt het gebruik van dit voorzetsel in het Nederlandsch en Italiaansch overeen. Uit 3 en 4

-ocr page 422-

410 Over het Gebruik der Voorzetsels.

blijkt, dat het onderscheid, dat men in het Fransch heeft tusschen entre (van twee) en parrai (van meer dan twee), in het Italiaansch niet bestaat. In plaats van fra en tra gebruikt men in dichterlijken en verheven stijl ook infra en intra. Merk het gebruik van tra of fra nog op in de volgende uitdrukkingen :

Êssere tra \'l si e \'l nó —in onzekerheid, in twijfel

staan.

Tra U7ia vólta e l\'altra —bij verscheidene malen

(niet in eens).

Tra una cósa e 1\'altra sborsai — alles gerekend, heb ik piü di vtiiticinque jiorini meer dan vijf en twintig

gulden uitgegeven. Tra die il tempo êra piovóso, — deels omdat her, regenach-e tra cJi égli d trovava tig weêr was, deels omdat alquanio indispósto, restö hij zich e enigs zins onge-di TcniTc • steld gevoelde, kwam hij

niet.

Fra uóinini e dónne vi êvano — m a n n e n e n v r ouwen s a-sêi cênto persóne men waren er zeshon-

derd personen.

Égli posdêde fra róba e danari—deels aan goederen, deels ottanta mila Jiorini aan geld bezit hij 80000

gulden.

Gli \'paghexö fra un mèse —ik zal hem over eene

maand betalen.

Dire, pensare fra o tra sé — bij zich zei ven zeggen,

stésso denken.

Fra via —onder weg.

-ocr page 423-

60ste Oefening. 411

§ 14. Fino a, sino a ■—-tot aan.

Injino a, insino a

1. Andrd fino o sino aParigi. —-Ik zal tot Par ij s gaan.

2. È stato il mio compagno — Hij is mijn metgezel ge-sin da Rövm. weest van. Rome af.

3. L\' hó fatto sin o fin da—Ik heb het van mijne ragazzo. kindsheid af gedaan.

In het gebruik van dit voorzetsel is alleen dit verschil tusschen de beide talen, dat tot of tot aan in liet Neder-landsch eene beweging of richting vooruit, in het Italiaansch echter, zooals uit 2 en 3 blijkt, sino of fino met da ook eene richting achteruit naar het verleden kan hebben. Het gebruik der overige voorzetsels levert geene moeielijkheden op. Alleen zij dit nog opgemerkt, dat de voorzetsels die, met a verbonden, voor een persoonlijk voornaamwoord staan, dikwijls geheel aan het einde van den volzin geplaatst worden, en het voornaamwoord in den 3cn naamval vóór het werkwoord komt te staan. Men kan dus zeggen in plaats van: Kgli comparve dinanzi a mé — hij verscheen voor mij. Ég li mi comparve dinanzi.

en in de plaats van ;

lo mé levai da canto a lêi — ik verwijderde mij van lo levai da canto. haai-.

Thema 60.

Over de Voorzetsels a, di en da (§ 5- § 9). 1. Ik ga morgen om half elf naar Amsterdam en kom met den laatsten trein terug. 2. Die advokaat is een man

-ocr page 424-

412 60ste, Oefening.

van groote bekwaamheden, hij is voor vele dingen geschikt. 3. Zijn vriend is gisteren uit Frankrijk teruggekeerd, waar hij ongeveer zes weken geweest is. 4. Toen ik hem ontmoette, kwam hij juist bij uw oom uit. 5. Ik vond zooveel schoonheden in dat gedicht van Victor Hugo, dat ik het van buiten geleerd heb. 6. Toen wij binnen traden, vonden wij de geheele familie bij het vuur zitten. 7. Weest (2e pers. meerv.) op uwe hoede, opdat gij niet door dien man bedrogen wordet. 8. Ik zal u de zaak onder vier oogen vertellen, en dan zult gij bevinden dat zij van zeer veel gewicht is. 9. Nadat zijn vader hem berispt had, ging hij met neergebogen hoofd troost zoeken bij zijnen vriend. 10. De vreemdeling droeg eenen ronden vilten hoed, en was op de Pransche manier gekleed. 11. Gij eischt het onmogelijke van mij, indien gij wilt dat ik dat doen zal. 12. Verwijdert u (meerv.) van dat slechte gezelschap, en bedenkt dat slechte gezelschappen de goede zeden bederven. 13. Ik heb hem uw huis voorbij zien komen, daarna rechtsaf zien slaan, en toen verloor ik hem uit het gezicht. 14. De oude man beminde zijn jeugdigen neef als een vader, en spoorde hem steeds aan zijne plichten te vervullen. 15. Ik heb dorst, hebt gij eene flesch bier voor mij ? Ik heb wel eene bierflesch, maar er is geen bier meer in. 16. Ik kwam uit de kerk, toen uw broeder er heen ging. 17. Kwaamt gij uit de St. Stefanuskerk? Neen ik kwam uit de St. Antoniuskerk. 18. Dat woord is hem uit den mond gevallen, en zoo is het geheim onwillekeurig door hem verraden. 19. Wat mijn vriend uit kortswijl zeide, werd door hem ernstig opgenomen, en zoo ontstond het ongenoegen. 20. Het eiland Elba is de plaats waar Napoleon I gevangen

-ocr page 425-

Giste Oefening.

413

bederven —

uit het ge--

zicht verliezen g e h e i m —

weest, en vanwaar hij ontsnapte om opnieuw zijn geluk te beproeven.

bekwaamheid — capacitd. juist troost —consolazióne. vreemdeling

verwijderen — allontanare. bede n k e n

guastare.

■ pêrdere di

vista.

■ segréto.

ongenoegen — differ ênza,

- appunto.

- foresüêre.

- consider are. zeden — costumi. aanzetten — eccitare,

incitare. on wille keu- —mvolontario rig (agg.)


dissensióne,

discórdia.

— pigliare sul zij n geluk be-■—■ tentare la

sêrio. proeven sua for tuna.

Thema 61.

Over de Voorzetsels in, cón en pér en de vorige. (§ 9— § 12 en § 5-§ 9).

1. Hij gaat met zijnen broeder naar Engeland om daar eenige maanden te blijven. 2. Zij werden in de gevangenis gezet, omdat zij schuldig waren aan de misdaad van gekwetste majesteit. 3. Wij zijn bezorgd, omdat wij sede maanden geene berichten van onzen broeder in Oos\'

i

ontvangen hebben. 4. De reizigers zijn geheel Rusland getrokken en vonden overal blijken van ontevredenhei Ik sta op het punt naar Petersburg te vertrekken;

eerst met mijnen vriend gaan, maar deze is ziek gew en nu ga ik alleen. 6. Mijnheer, hier is een brief v

ernstig op-n e m e n

-ocr page 426-

414 61ste Oefening.

Goddank ! het zal er een van mijn zoon te Weenen zijn, van wien ik sedert twee maanden niets gehoord heb. 7. Deze kamer heeft een mooien vorm ; zij is acht meter lang en zes meter breed. 8. Ik riep hem bij zijn naam, maar hij was zoo verdiept in gedachten, dat hij mij niet antwoordde; hij hoorde mij niet. 9. Mijns inziens hebt gij die zaak niet goed behandeld ; indien gij naar den raad uws vriends geluisterd hadt, zoudt gij thans niet door iedereen uitgelachen worden. 10. Wij waren met een talrijk gezelschap, en ieder onzer had per hoofd vijf gulden verteerd; bij gevolg had de kastelein eenen goeden dag gehad. 11. Deze boeken zijn voor mij; zij zijn mij door den boekhandelaar gezonden geworden. 12. Loopt niet zoo heen en weêr door de kamer, ik kan geen oogenblik ernstig denken. 13. Gedurende twee uren hebben mijne zuster en ik op u gewacht, en toen gij niet kwaamt, zijn wij. heengegaan. 14. Jan, breng (meerv.) het paard naar den stal en geef het meer haver dan naar gewoonte, want het is van een moeielijken tocht gekomen. 15. Johanna, zet het olie- en azijnstel op tafel, gij hebt het vergeten. 16. Verleden jaar gingen wij op een Zondag naar Amsterdam en ontmoetten daar toevallig eenen vriend, dien wij sedert vele jaren niet meer gezien hadden. 17. Hij verhaalde mij op een zachten toon wat er gebeurd was, en verwijderde zich daarna van het gezelschap. 18. Die heer met het breede voorhoofd, zwarte oogen en den langen grijzen baard is de gezant van Frankrijk; zijn voorkomen boezemt eerbied in. 19. Uw broeder is kwaad op mij, omdat ik niet mede wilde gaan; hij wilde niet gelooven dat ik zooveel te doen had. 20. Ik weet van hooren zeggen, dat gij morgen

-ocr page 427-

62ste Oefening.

415

over acht dagen naar Berlijn gaat; ofschoon ik uw vriend ben, hebt gij zelf het mij niet gezegd.

schuldig b 1 ij k verdiept kastelein

— reo.

— próva.

— immêrso.

— ostiêre, 6ste, aïbergatóre.

— biada.

— tratto.

— utêllo.

haver tocht olie- en

a z ij n s t e 1 voorkomen — aspètto.

gekwetste — lésa maestd. majesteit

ontevreden--scontênto.

h e i d

uitlachen —beffare, sbef-fare, uccellare. o p i e m and — aspettare, stare wachten aspettando uno. Johanna — Giovamïa.

grijs —canuto.


Thema 62.

Over de Voorzetsels sópra, sic, /ra, tra, fino a, sino a (van § 12— § 14) en de vorige.

1. Hij kwam de kamer binnen, leunende op den arm van zijnen zoon. 2. De dief trachtte zich nog te verontschuldigen, toen hij op de daad betrapt werd. 3. Ik zweer u als fatsoenlijk man, dat ik u over eene maand betalen zal. 4. Onder al uwe vrienden is er geen een die zou handelen zooals gij gehandeld hebt. 5. Tot Parijs zijn wij samen gegaan ; vandaar ging hij naar Marseille om met de boot naar Oost-Indië te vertrekken, en ik ging na een verblijf van een paar dagen naar Italië. 6. Van mijne kindsheid af heb ik veel van hem gehouden; onder al mijne vrienden is hij mij het dierbaarst. 7. Van Berlijn af hebben wij samen gereisd tot Leipzig; ik heb mijne reis voortgezet, hij is daar gebleven.

-ocr page 428-

416 62ste Oefening.

8. Knapen en meisjes samen, waren er ongeveer tweehonderd kinderen. 9. Terwijl hij zoo stond te redeneeren, dacht ik bij mij zeiven: die man is een fat. 10. Over eene maand zal ik weer hier zijn, indien ik ten minste niet door zaken opgehouden word. 11. „Zijn bloed kome over ons en onze kinderen,quot; was het antwoord der barbaarsche joden op het „ziet den menschquot; van Pilatus. 12. Ik zal in plaats van mijnen broeder komen, die ernstig ongesteld is. 13. Ik heb de Italiaansche taal gedurende vele jaren bestudeerd, en vind dat het eene zeer moeielijke taal is. 14. Die jongeling studeert vlijtig, om later een nuttig lid van de maatschappij te kunnen zijn. 15. Wij gingen den berg op, en hadden vandaar een zeer schoon gezicht op het omliggende landschap. 16. Mijne zuster heeft den parasol op het bed gelegd, om hem later op zijne plaats te zetten. 17. Bij het aanbreken van den dag ging de koopman op reis, om niet te laat op de plaats zijner bestemming te zijn. 18. Hij viel ter aarde als van zijn verstand beroofd, zóó was hij geschokt door het onverwachte treurige bericht. 19. Op eenige schreden af-stands kan ik de voorwerpen niet zoo goed meer onderscheiden als vijf en twintig jaren geleden. 20. Hij heeft dat paard voor zeshonderd gulden van een Engelschman gekocht, die geregeld elk jaar met paarden op de markt kom?, leunen —appoggiarsi. trachten —sforzarsi. op de daad —cógliere sul Marseille —Marsiglia.

betrappen fatto.

Oost-Indië — le Indie Leipzig —Llpsia.

• orientali.

fat —vaneréllo. redeneeren —ragionare.

-ocr page 429-

63ste Oefening,

417

ophouden — trattenère. maatschap- —societd

pij umana.

parasol -—• parasóle,

ombrêlla. plaats van — destinazióne, bestem mi n g luógo destinato. geregeld — regolare (agg.)

Pilatus — Pilato.

omliggend — contrada

O o

landschap d\' intórno.

van z ij n v e r- — privo déi stand beroofd sênsi.


Thema 63.

Gemengde oefening over alle Voorzetsels.

(Zie §§ 1, 2, 3, 4 en volgende).

1. Zelden ga ik vóór twee uren \'s nachts naar bed. 2. De mensch slingert altijd tusschen (de) hoop en (de) vrees. 3. Er is niets nieuws onder de zon, 4. Parijs is gelegen aan de Seine, Londen aan de Theems, Weenen aan den Donau, en Berlijn aan de Spree. 5. De redenaar bleef eenigen tijd in gedachten staan, zette daarna zijne rede voort en overtuigde iedereen door zijne welsprekendheid. 6. Uit de oogen (lees; ver van de oogen), uit het hart, zegt .het spreekwoord, dat zich al zoo dikwijls bewaarheid heeft. 7. Ik verwacht u zonder fout, ik kan niets zonder u beginnen. 8. Alvorens te \' spreken moet men denken ; want een onbedacht woord heeft reeds menigeen in ongelegenheid gebracht. 9. Tot heden heb ik nog weinig gedaan; maar ik zal mij- haasten om op tijd klaar te zijn. 10. Ondanks de vermaningen die hem

ITAI.IAANSCHE TAAI,. \'27

-ocr page 430-

418 63ste Oefening.

gegeven zijn (lees: hem gegeven), heeft hij zijn gedrag niet verbeterd. 11. Hij zat (lees: was gezeten) naast (ter zijde van) zijne zuster tegenover mij, nabij den. redenaar. 12. Het boek lag (was) onder den stoel, die voor den lessenaar geplaatst was. 13. Kom (enkelv.) mij niet onder (lees: voor) de oogen ; want gij hebt u jegens mij niet gedragen zooals het behoort. 14. Wij moeten hen, die boven ons geplaatst zijn, eerbiedigen en hen, die onder ons zijn, vriendelijk bejegenen. 15. Aan deze zijde van de rivier zijn schoone weilanden, en aan gene zijde list de stad Arnhem met hare schoone omstreken. 1r\' Aa,n

o

den voet van den berg was eene hei-berg, waar zich zigers konden versterken, alvorens hem te bestijgen.

halve mijnen vader waren alle leden der vergader!i woordig. 18. Door middel van zijne hulp zal hij v gevoelen van allen die zwarigheid overwinnen. 1\' het slechte weder hebben wij onze reis eenige dagen mtgv. steld; in plaats van overmorgen zullen wij nu niet vóór den 25sten dezer maand vertrekken. 20. Wij zullen onzen vriend te gemoet gaan, die ons heden zal komen bezoeken.

slingeren — ondeggiare. Seine — Sênna.

Donau — Danubio.

zich be- — verificarsi.

waarheiden ongelegen- — imbroglio. beid

in ongele--comprométtere.

genheid brengen

vrees — timóre.

Theems — Tamigi. Spree — S\'prêa. onbedacht ■—- irreflêsso,

sconsiderato. vermaning — ammonizióne.

omstreken — coniórni.


-ocr page 431-

1

Over de Voegwoorden,

vriendelijk — a\'inichtvole^igg.) vergadering — assemblêa, best ij gen — salire. adunanza.

uitstellen — differire, overmorgen — posdomane,

indugiare, posdumani,

419

rimèttere. dópo doviani.

ACHT EN VEERTIGSTE LES. Over de Voegwoorden. {Congmnziuni).

§ 1. A fine di, pér, ónde

-Affinchè, perchè, acciocchè (Cgng.)

Attêso ché, stante ché

Ahhenchè, ancorchè, avvegnachè henehè, cóme ché, coniuttochè quaniunque, sebbêne (niet Ind. en Gong.

Cioè, vcde a dire

Cóme

Cóme sé, quasi (Gong.)

Cóme pure

Caso ché, in easo ché, pósto ché dato ché (Gong.)

Ami

Dópo ché , ,.

Dacchè

Fine hé, sine hè, finattantochè, sino a tanto ché (Ind. en Gong.)

Eccêtto ché, fuorchè, salvo ché,

se nón ché (Ind. en Gong.)

— ten ein.de.

— opdat.

— aangezien dat.

ofschoon.

I

— dat is.

— zooals.

— alsof.

— alsook.

— in geval dat,

gesteld dat.

— veeleer, zelfs.

— n a d a t.

— dewijl, daar.

— totdat.

— behalve dat.


.

-ocr page 432-

420 Over de Voegwoorden.

Eccêtto, salvo, fuorchè, tóltone, trdttone, —uitgezonderd. tranne

Qiacchè, perchè, poichè, posciachè da, —dewijl, omdat

oké o dacchè daar.

^ (ed) — en.

E—e — zoowel alsook.

Inde (Latijn ook in het Ital. gebruikt) — vandaar. Ma — maar.

Ma beiisl — maar wel.

Ma anche, via eziand\'io —maar ook.

I)i o in rnódo ché, di maniêra ché, in guisa — zoo dat.

ché, cost ché, sicchè (Ind. en Gong.) O — of.

Ovvéro, oppure, ossia, veraménte —of wel.

Ferd, ciö nón ostante, pure per altro —toch, evenwel. PeroccJiï, percioechè, imperocchè — want.

Cón patto ché, a condizióne ché (Gong.) —op voorwaarde

dat.

Prima ché, anzi ché (Gong.) —alvorens.

Purchè, solo ché, solaviénte ché (Gong.) —vermits.

Per ciö — daarom, des

wege.

Quando — w a n n e e r.

Quand\' anche, sé anche (Gong.) — wanneer ook

zelfs dan als

Quand! êcco — toen eensklaps

Per quanta....ché, pér mas....ché —hoe.. .ook.

pér....ché (Gong.)

Bé (Ind. en Gong.) —indien.

-ocr page 433-

Over de Voegwoorden.

Se nón ché —zoo niet, ten zij.

Suppósto ché (Cong.) —veronderstel

dat.

Sübito ché, tósto ché —zoodra als.

\'Méntre ché, intaniochè, stante ché — terwijl.

Secöndo ché, a misura ché — naarmate.

Nónostante ché —niettegenstaande dat.

Sénza ché (Gong.) —zonder dat.

Nemméno, neppure, nè anche —ook niet, niet eens.

Alï incbntro, al contrario — daarentegen.

Anzipure —ja zelfs.

Tuttavia, tutiavólta — toch, nochtans.

Ciö nón di méno, niêntc di méno — niettemin, desniette-nulla di méno genstaande, evenwel.

Pur tróppo —maar al te zeer.

De voegwoorden bieden weinig zwarigheden aan. Diegenen, welke den Pretêrito Anterióre eischen, hebben wij aangegeven in Les XLV § 4, en die, welke den Oongiuntivo regeeren, zijn behandeld in Les XLIIl § 12. Toch hebben wij, om liet geheugen te helpen, in de voorafgaande lijst aangegeven, die welke alleen den Cong, eischen, en die welke, al naar den zin waarin zij voorkomen, door den Indicativo of den Congiuntivo gevolgd worden. De voegwoorden pure, perchè en anzi eischen echter eene bijzondere aandacht; * men lette derhalve op de volgende voorbeelden.

421

-ocr page 434-

Over de Voegwoorden.

422

§2. 1. Parlate imre. —Spreekt toch.

2. Gid pure pmsdndovi —Wanneer ik er slechts aan

trémo.

3. Nè avvênne jmre una vólta -ma dièci.

4. Ma itiirc, seniêndosioffèso, -nÓ7i vólle parlare.

denk, beef ik. Het gebeurde niet slechts

eens, maar tienmaal. Maar toch wilde hij niet spreken, omdat hij zich beleedigd gevoelde. 5. Ed è piir véro, ché non —En is het viel waar, dat

lb dica da burla f

6. Perchè ridcte f

7. Perchè vóglio r\'ida-e.

8. S\'tudia perchè stippia

qualche cósa.

9. Ella mi sconsig Ha d\' uscire, iin/.i vóglio uscire.

10. Ij hó veduto, anzi gli hó parlato.

11. Quéll\' uómo è dótto suizi ché nó.

12. Anzi la mia partênza.

gij het niet schertsenderwijze zegt?

— Waarom lacht gij?

— Omdat ik lachen wil.

— Studeer, opda,i gij wat

wetet.

— Gij raadt mij af uit te

gaan, ik daarentegen wil uitgaan.

-—Ik heb hem gezien, en ik heb hem zelfs gesproken.

— Die man is eerder geleerd

dan niet geleerd.

— Vóór mijn vertrek.


In 1 dient pure slechts tot versterking der uitdrukking en komt overeen met ons toch;

in 2 en 3 beantwoordt het aan ons alleen, slechts; in 4 drukt het een verzet uit en beantwoordt aan ons evenwel of toch;

in 5 is het slechts een aanvullingswoord, dat dient

-ocr page 435-

64ste Oefening. 423

om den zin wat af te ronden en komt overeen met ons wel;

in 6 is pcrchè een bijwoord, duidt eene vraag aan en beantwoordt aan ons waarom?

in 7 is het een redengevend voegwoord, en stemt overeen met ons dewijl, omdat;

in 8 is liet een oogmerk aanduidend voegwoord, en beantwoordt aan ons opdat. In deze beteekenis eischt het steeds den Congiuntivo;

in 9 drukt anzi eene tegenstelling uit, en komt overeen met ons daarentegen;

in 10 geeft het eene nadrukkelijke vermqerdering te kennen en beantwoordt aan ons daarenboven, wat meer is;

in 11 drukt het eene voorkeur uit en beantwoordt aan ons eerder, veeleer, en

in 12 is het een voorzetsel, drukt een eer der en tijd uit en beantwoordt aan ons vóór en het Fransche avant.

Thema 64.

1. Ofschoon hij rijk is, zooals iedereen weet, is hij niet trotsch. 2. Wij noemen eene handeling goed of slecht, naarmate zij met de wetten der deugd overeenkomt, of zich er van verwijdert. 3. Ofschoon hij werkelijk vele kundigheden bezit, is hij de bescheidenheid zelve. 4. Ik heb hem verze-\' kerd, dat ik u over hem gesproken had, en toch wilde hij mij niet gelooven, omdat gij hem niets gezegd hadt. 5. Ofschoon wij niet rijk zijn, zullen wij tevreden wezen, mits wij onze plichten doen. 6. Hoe groot de talenten ook zijn die

-ocr page 436-

64stc Oefening.

zij bezitten, zij verhoovaardigen zich er niet op. 7. Gij hebt sedert acht dagen mijnen vriend niet gezien, zegt gij, ik heb hem ook niet gezien. 8. Deze partij is de beste, ja zelfs de eenige, aan welke ik mij moet houden. 9. Spreek (2e pers. enk.) toch en laat mij niet langer op uw antwoord wachten. 10. Vespasianus liep gevaar ter dood veroordeeld te worden, omdat hij in den schouwburg gegeeuwd had, terwijl de dwaze Nero zong. 11. Veronderstel dat hij komt, dan zullen wij hem toch moeten zeggen wat er gebeurd is. 12. Wanneer hij mij ook uitnoodigde te komen, zou ik niet gaan, omdat ik hem niet vertrouw. 13. Zoodra hij mij gezien had, herkende hij mij en Avas zeer verheugd. 14. Zonder dat ik het u zeg, moet gij het niet doen; ik zal u waarschuwen wanneer het tijd is. 15. Die soldaat heeft zich zóó gedragen, dat hij voor zijne dapperheid beloond werd. 16. Omdat mijn kleermaker mij bedrogen heeft, zal hij niets meer voor mij doen; ik zal mij van een ander bedienen. 17. Alle leden van den gemeenteraad waren tegenwoordig, behalve mijnheer B. die op reis is. 18. Wacht totdat ik terugkom, ik zal spoedig weer bij u zijn. 19. Ofschoon zij mij beloofd hebben het geleende geld op den bepaalden tijd terug te geven, heb ik tot nog toe niets ontvangen. 20. Zet de tering naar de nering, dat is: regel uwe uitgaven naar uwe inkomsten, opdat gij geene schulden maket.

overeen- —conformarsi a. kundigheid — cognizióne. komen met

beschei- —discrezióne. zich ver- —inorgoglirsi. denheid hoovaardigen

424

-ocr page 437-

de dwaze Nero

gemeenteraad op reis o p d e n b e- -paalde n tijd inkomsten schulden maken

Over de Tusschenwerpsels.

tarsi a. gevaar loopen

- partito.

- sbadigliare,

sbavigliart. ■ ilpazzo Neróne.

— niunicipalitd.

— in viaggio.

— al tempo fissato,

prefisso, conve-nuto, appuntato.

— rêndite, entrate.

— fare, contrarre

dcbiti.

zich hou- — den aan partij geeuwen

verheugd

de tering ■ naar de nering zetten

425

- córrere rischio,

pericolo.

- liêto, contcnto, gaio. giocóndo.

- fare il passu

secóndo la gamba.


NEGEN EN VEERTIGSTE LES.

Over de Tusschenwerpsels. (Interiezióni). § 1. Addio! evviva ! — Vaarwel!

Affè! in féde mia! Ah ! ahi! ahimè ! oh ! ohi! o imè!

/

Animo!

Aiuto!

)er i!

Cdpf

Op mijn woord.

Helaas! ach! och! wee mij !

— Moed!

— Hulp!

— Ho! ho!


rl r» n TTÏ m P I

W o f A

-ocr page 438-

Over de Tusschenwerpsels.

426

Da galantuamp;mo!

Ché ti vénga il béne! .Eh! ehi!

Largo! largo!

Dêh!

Córpo cli Bacco! Cospéüo

di Bacco !

A dagio ! adagio !

Basta! basta!

Ma, bravo!

Eh giusto!

Gid ! gid!

Guai a té!

Guarded!

Oiübbilo!

Hu i!

Indiêtro! indiêtro! Bagatêlla!

Orazie! grazie!

Mille grazie! tante grazie!

grazie infinite!

Oh Dio ! oh ciêlo !

Hu, su ! su via! Bén venuto !

Bên tomato \\

Per Dio!

Oibd!

•Op mijn woord van fat-i so en lijk manl

- God zegene u!

-He! ei!

■Plaats! maak plaats!

- Och!

Verduiveld! drommels!

•Zachtjes aan! langzaam! Genoeg! Houd op! Vooruit maar! Goed!

- Bah!

■Goed zoo!

Wee u!

Uit den weg! op zij wat! Hoezee!

Ach!

Achteruit!

Wissewasjes! het is ook wat!

Ik dank u hartelijk! Duizendmaal dank!

Mijn God! mijn heme 1! Kom! op!

W e 1 k o m !

Wel thuis!

Bij God!

God beware ons! och foei!


-ocr page 439-

427

Wee u!

Die arme drommel of d r o m m els!

(uitdrukkingen van medelijden en belangstelling). ;8êi pwr buónol — Wat zijt gij toch goed! ook

wat zijt gij toch naief, onuoozel !

Dcdlil dallil o dag lil dag li \\ — Ga op hem los! pak hem

aan!

Pian, piano! — Zacht wat! zachtjes aan!

Cheseccatural chesecc.Aggine\\ — Hoe vervelend! \'tis naar! E curiosa (cósa curiosa). —Plet is zonderling!

Orsü! — Welaan d a n!

Mi maraviglio ! — Wel, heb ik van mijn leven !

8t6 frésGo\\ stiamo fréschi! —Nu, daar zijn we mooi mede!

dat z a 1 o n s o m den d o o d niet meevallen!

— Dat valt meê! dat knapt \'ons op!

— Dat is ook wat moois! (ironisch om aan te duiden dat het erg leelijk is).

— Wat ben ik gelukkig! -

— Hoe jammer!

— Welnu!

— Loop heen!

— Stil! St!

Over de Tusschenwerpsels.

— Om Godswil!

ér l\' amór di Dio ! pér grazia di Dio!

óvero vói!

overino! poverina! poverinil

Oh, dié gusto! Oh, questa è gróssa!

Mé felice! Peccato! Ebhêne ! Via! via! Zitto!

-ocr page 440-

428 65ste Oefening.

In deze lijst hebben wij niet alleen de eenvoudige tusschen-werpsels gegeven, maar ook sommige zinnen, uitdrukkingen, die als tusschenwerpsels dienst doen, omdat zij de geijkte uitdrukking eener gevoelvolle gedachte zijn.

Thema 65.

1. Ach! wat ben ik ongelukkig! 2. Nu, wij zijn goed af! ik denk dat we alles opnieuw kunnen doen. 3. Houd op! ge verveelt mij, door altijd dezelfde dingen te herhalen. 4. Plaats! Plaats! daar is de stoet! Mijn God! wat een massa menschen! 5. Hulp! hulp! dat was de kreet, dien wij in het midden van den nacht hoorden. 6. Op mijn woord van fatsoenlijk man, verzeker ik u, dat ik het niet gezegd heb. 7. Hoe is het mogelijk, dat gij zoo iets hebt kunnen doen! 8. Wat drommel! wat scheelt u? hebt ge iets tegen mij ? 9. Moed! laat ons voortgaan, en wij zullen slagen. 10. Hartelijk dank, mijn vriend, ik zal u tot wederdienst bereid zijn, zoodra de gelegenheid zich daartoe aanbiedt. 1 1. Pak hem aan! pak hem aan! hij is de dief, die het horloge gestolen heeft, en niemand anders. 12. Hoe vervelend! die man praat altijd van zich zet ven! 13. Hoe jammer! uw broeder was niet tegenwoordig; hij zou zicli vermaakt hebben, indien hij bij ons geweest ware. 14. Achteruit ! achteruit! hier is de grens, die niet overschreden mag worden. 15. Welkom thuis, mijn vriend! ik verheug mij dat gij weêr bij ons zijt. 16. Het is zonderling! ik had mij de zaak geheel anders voorgesteld. 17. Helaas, het is maar

-ocr page 441-

Over de Protesi.

429

al te waar! dat nuttige lid der maatschappij is dood; aanvankelijk wilde ik het niet gelooven. 18. Wel, heb ik van mijn leven! ik had zoo iets niet verwacht. 19. Om Gods wil! geloof hem niet, hij wil u bedriegen. 20. Wee u! indien gij niet naar den raad uwer ouders luistert, want zij willen uw welzijn.

vervelen massa wederdienst verleenen aanvanke-1 ij k

annoxare. ■ quantitci. rêndere il cambio. in \'prima, da \'prima, alia prima.

stoet

de grens overschrijden

tréno,

proc.emione. oltrepassare il. lAmito.


VIJFTIGSTE LES.

Over de Próiesi, Sïncopa en Apóe.opa.

§ 1. Prófesi (voorklamping).

De Prófesi bestaat in het vóór een woord welluidendheidshalve plaatsen van eene letter of letters, die niet tot het woord behooren en de beteekenis van het woord ook niet wijzigen. Gewoonlijk geschiedt dit om de opeenhooping van medeklinkers te voorkomen, die men in het Italiaansch, de welluidende taal bij uitnemendheid, steeds zoekt te vermijden, vooral voor s impura. Zoo schrijft en zegt men niet in scuóla, maar in iscuóla, niet per strada maar pér istrada. Soms vindt men prótesi, waar het het niet-Italiaansche oor de reden

-ocr page 442-

Over de /Sincopa en Apocopa.

niet in de welluidendheid, maar het gezonde verstand ze in de spraakkunst, in de woordformatie zal zoeken, — zoo zegt men voor hoekig liever mcantonato dan cantonato.

§ 2. De Sincopa of syncope (samentrekking) bestaat in het uitlaten van één of meer letters in het midden van een woord. Deze heeft vooral plaats bij de vormen der werkwoorden en wel:

1°. in den lsten en 3en pers. enkelv. en in den 3en pers. meerv. van den Imperfêtto dé 11\' Indicative bij de werkwoorden op ere en ire b.v. : credèa, dorm\'ia, credèano, dormfiano voor credcva, dormiva, credtvano, dormivano.

2°. in het Participio Passato o Passive van de werkwoorden der eerste vervoeging zooals: cóhxo voor colmato domo voor domato enz.

Verder vindt men in de poëzie féro voor fècero en fèrno voor férono, welke laatste vorm ook de, dichterlijke voor fécero is.

§ 3. De Apócopa of apocope (afsnijding) bestaat in het weglaten van een of meer letters aan het einde van een woord. In onze les over de bijvoeglijke naamwoorden, hebben wij hiervan reeds ten opzichte van de woorden quél, quéll\' voor (juéllo, bêl en bêll\' voor bêllo, gran en grand\' voor grande gewag gemaakt. Bij alle rededeelen kan men apócopa aantreffen ; zoo schrijft men é\' voor ègli, dé\' voor dei, ne voor néi, bén voor béne, doch vooral vindt men ze weder bij de vormeii der werkwoorden en wel :

1°. bij de Infinitivo door weglating van de e b.v.: far

430

-ocr page 443-

Over de Smcopa en Apocopa. 431

n plaats van fare, créder in plaats van crédere, dortnir in plaats van dormire. Deze euphonische regel is zelfs verplichtend, wanneer een voornaamwoord als enclïtico aan den In-finitivo gehecht wordt. Zooals amarlo voor amarelo, dor-inirvi voor dormirevi. De apocopa mag geene plaats vinden, wanneer er opeenhooping van medeklinkers dooi1 ontstaan zou, en vooral niet wanneer er een woord met s impura op volgt, dus niet far stima maar fare stima;

2°. vóór een medeklinker bij alle personen der werkwoorden die op mo uitgaan, en den klemtoon op de voorlaatste lettergreep hebben b.v. : siam póveri (wij zijn arm) sarém puniti (wij zullen gestraft worden); maar niet siam stanchi (wij zijn moede), niet che fóssim lodati (dat wij geprezen werden) maar siamo stancki en ché fóssimo lodati, omdat in het voorlaatste voorbeeld een woord met s impura volgt, en in het laatste de klemtoon niet op de voorlaatste lettergreep valt.

3°. bij al de 3dc personen meervoud die op no of ro uitgaan, b.v. dman in plaats van dmano, potrébber in plaats van potréhbero, maar niet potréhber scusarci, maar potrébbero scusarci wegens de s i m p u r a die volgt.

4°. bij den 3en pers. meerv. van den Pret. Perf. del-1\' Indicative, bij welken de apóeopM op verschillende wijzen kan plaats vinden b.v. : amdron, a/raüro, amdr voor amdrono, udtron, udiro, udtr voor udirono, en

5°. bij den 3en pers. enkelv. van den Presênte dél-1 Indicative, waar de e wegblijft, indien zij door een der liquidae l, r of n wordt voorafgegaan b.v. : suól voor suóle, \'nên voor viêne, par voor pare.

-ocr page 444-

Over de Sincopa en Apooopa.

432

Al deze regels zijn euphonische regels, die wij alleen gegf ven hebben, opdat men zich rekenschap kunne geven, wan neer men die vormen ontmoet; niet opdat men ze bij he schrijven van Italiaansch zou gebruiken. Men zij daarentegei voorzichtig in het bezigen dier vormen, en bedenke dat te beslissing een Italiaansch oor dikwijls volstrekt noodzakelij! is. Men schrijve liever, zooals de grammatica leert; dat ka; nimmer iemand euvel duiden.

-ocr page 445-

AANHANGSEL

italiaakschk taai.

8

-ocr page 446-
-ocr page 447-

L IT S T

der gebruikelijkste Bijvoeglijke Naamwoorden en Deelwoorden, niet de Voorzetsels die zij regeeren.

hh on dunte di

f(

bile a hituato a ddétto a

domo di liéno da lion/an at o da mmalato di rdénte di spérso di spro a

ssénte da ssiduo in tténto a tto a var o di vézzo a vido di

agnato di (Ho di

eneniérito di

A.

— overvloedig

aan, in.

— bekwaam tot.

— gewoon aan, te.

— toegedaan, ver

plicht aan.

— versierd met.

— afkeerig van.

— verwijderd van.

— ziek aan.

— brandend van.

— besproeid met.

— wrang, scherp

voor.

— afwezig van.

— vlijtig in.

— aandachtig op. ■— geschikt tot.

— gierig op.

— gewend aan.

— gretig, begee-

rig naar.

— bevochtigd met.

— schoon van.

— verdienstel ij k

jegens.

Biasimévole in

Bisógno di Br am ós o di Bruto di Buóno da, a

Ca pace di Car o a Ccrton di C/uaro a Cólmo di Colpévole di Complice di

Com post o di Confórme a

Consapévole di Cónscio di Conténto di

Contrarie a Convenévole a Costrétto a Cupido di Cnrante di

— b e r i s p e n s w a a r-

dig wegens.

— n o o d i g.

— b e g ee r i g naar.

— 1 e e 1 ij k van.

— goed om te, voor.

— bekwaam tot.

— dierbaar aan.

— zeker van.

— d u i d e 1 ij k voor.

— overladen met.

— schuldig aan.

— medeplichtig

aan.

— samengesteld uit.

— overeenkom

stig met.

{ bewust van.

— tevreden met,

over.

— s t r ij d i g met.

— dienstig tot.

— gedwongen tot.

— gretig 7iaar.

— bezorgd voor.


-ocr page 448-

436 Gebruikelijkste Bijv.

Naamw. en Deelw.

DaiiTióso a Débole di Decaduto da Dédito a

Dégno di Desideróso di Destinato a Dé stro in Difettóso di Dilettévole a Dipendénte da Discósto da Dispósto a Disponibile pêr

Distante da Divérso da Diviso da Domiciliante in Dót to in

Ébbro di Erudito in Esatto a Esénte da Es er citato in Es pér to in

Espósto a Ésule da

Evidénte a

— sc h adel ij k voor.

— zwak van.

— vervallen van.

— toegedaan (met

den datief).

— waardig om.

— verlangend naar.

— bestemd voor.

— bedreven in.

— gebrekkig aa7i.

— aangenaam aan.

— afhankelijk 7\'««.

— verwijderd van.

— bereid tot.

— beschikbaar

voor.

— v e r w ij d e r d van.

— verschillend van.

— gescheiden van.

— woonachtig te,in.

— geleerd in.

E.

— d r o n k e li van.

— ervaren in.

— nauwkeurig in.

— v r ij van.

— geoefend in.

— bedreven, erva

ren in. —blootgestelddww.

— verbannen nit,

van.

— d u i d e 1 ij k aan.

Curióso di —nieuwsgierig naar, om te.

Fdcile a Famóso pêr Favorévole a Fedéle a Fiéro di For uit o di Franco di Funésto a

Tdóneo a

Ignóto a I gnu do di Imbrattato di Insucidato di Immune da Imp er ito in Ignorante di Inear kat o di Incérto di Inclinato a In dégno di Independénte da

Infante pêr In fedéle a Inferióre di Inférnw di Innocénte di Insensibile a Int én to a Invidióso di

■gemakkelijk w ■beroemd wegem ■gunstig voor. ■getrouw aan. -1 r o t s c h op. -voorzien van. - v r ij van. -noodlottig voor

I.

geschikt, ge])a|

voor.

■onbekend aan. -ontbloot van.

bezoedeld met.

- v r ij van. onervaren, onw|

tend in. -beladen met. -onzeker van. -genegen tot. -onwaardig om -onafhankelijk vi

-berucht wegens. -ontrouw aan,jege\\ -minder in. -zwak, ziek van.\\ -onschuldig aai\\ -ongevoelig voo\\ -naarstig in.

- n ij d i g op.

Gelóso di —jaloersch op. Gónfio di — opgeblazen^iam Grato a —aangenaam aarM


-ocr page 449-

met de Voorzetsels die zij regeeren.

437

L.

j mild in.

— moede van.

v e r w ij d e r d, ver van.

P.

PA

aan

epa

m.

cl.

M.

\'ancante di —gebrek hebbende aan. ,

\'eritório di — waardig.

Hrdbile a —bewonderenswaardig, verbazend voor.

N.

Ja to a —geboren voor, om te. Todvo a — n a d e e 1 i g voor. Tocévole a —schadelijk voor. Tóto a —bekend aan, bij.

O.

dióso a — h a t e 1 ij k voor.

rnato di —versierd met.

ago di cillido di ar co di

er ito in iacévole i da

iccolo di Taio di óvero di

P.

-tevreden over. -bleek van. -spaarzaam in, zuinig op. artécipe di — deelnemend in, aan.

-ervaren in. -dienstvaardig, beleefd jegens, aangenaam om te. -klein van. - v o 1 van.

-arm aan, in.

jk vt

vegeth

nr.

m,

an.

voor

\'befdit di xrgo di is so da vitano da migo da

Prdtico di Pregidbile pêr

Preparato a Présto a Pr ivo di Prónto a Propénso a Proporzto-

nato a Próprio di Provvisto di Pnro da

Rco di Ricco di Riempito di Riputato pêr

Scar so di See/no di Scévro di Scevrato di Sensibile a Sfuggito a -Sicuro da Salvo da Soave a, da -

Soddisfatto di • Sollécito di Sórdo a Spedito in Stanco da

-bedreven in. •waardeerbaar

wegens,

-bereid tot, te. -bereid tot, te. -beroofd van. -gereed tot, om te. -genegen tot. -geëvenredigd aan.

T-

Tratto di —getrokken uit.

-voorzien van. zuiver van.

R.

■ schuldig aan.

- r ij k aan, in. -gevuld met. -beroemd wegens.

S

-schaarsch aan. -beroofd van.

vrij van.

-gevoelig voor. -ontkomen aan.

veilig voor.

-aangenaam voor,

om te.

-voldaan over.

i

-bezorgd voor. -doof 7wr. -bedreven in. -vermoeid 7\'an.


-ocr page 450-

438 Gebr. Bijv. Naamw. en Deelw. met hunne Voorzetsels.

Tralto di — uit de verbanning

bando b e v r ij d.

Tratto — uit de dwaling ge-

d\' inganno helpen.

lurpe, a, da — leelijk om te.

U-

I

Utile a — nuttig voor.

V.

Vago di —b e g e e r i g naar, om te.

Valcnte in —knap, bekwaam i? Vantaggiósoa — voordeelig voor. Vano di —ij del op.

Vest ito di —bekleed met, gekleed in. Vicino a, di —kortbij, dichtg(

legen hij.

Vicino — dicht b ij A m s t e i

d\' Amstellodamo dam.

(alia cittA di A.)

Vuóto, véto di — ledig aan.


-ocr page 451-

Xj 10quot; S T

gebruikelijkste Werkwoorden met de Voorzetsels die zij regeereu.

van de

Abbadare a j Atténdere a |

Abbaiare a Abb dtter si in -

Abbisognare di -Abboccarsi cón -Abbondare di

A bit are a, in -Abituarsi a

Accambiare a -Ac cat tare da -Accertare di -Ac cons entire a -

Accontarsi cón -Ac cor ar si di -

Accórgersi di -Accórrere a

Accostarsi a -Accostn/narsidi-

Ac cud ire a Adat tar si a

een waakzaam oog houden over, acht geven op.

— schimpen op.

— toevallig ont

moeten.

— noodig hebben.

— spreken met.

— overvloed heb

ben aan.

— wonen te, in.

— zich gewennen

aan.

— verwisselen tegen.

— leenen van.

— verzekeren van. -inwilligen, toestemmen.

— afspreken met. -zich bekommeren over.

— gewaar worden, -toeloopen, tot,

naar.

-naderen tot. -zich gewennen aan.

— bedacht z ij n op.

— zich toeleggen op.

Addimesticarsi— vertrouwd w o r-

cón den met.

Adulare a — vleien.

Affacciarsi a —zich laten zien,

verscliijnen. Affannarsi di — zich bekommeren om.

A ff er rare a — aanlanden te. Affcrrarsi cón—zich vastklemmen aan. Afficcarsi in —zich dringen in. Affidarsi di, in — zich verlaten^. Affliggersi di —zich bedroeven over.

AJ/ratcllarsid\\ — zich verbroederen met. Aggiüngere a — voegen bij. Aggradire a —behagen aan. Alloggiare in,—wonen in, inwo-

prêsso n e n bij.

Allontanarsi —zich verwijderen

da van.

Allude re a — zinspelen op. Alter nare cón — afwisselen met. Ammogliarsi — huwen met.

a, cón

Amor evoleg- —zich liefderijk giare cón gedragen jegens.

Annidarsi in — zich nestelen in.


-ocr page 452-

440 Gebruikelijkste Werkw.

met hunne Voorzetsels.

Appartenére a -Appigliarsi a -Applandire a -Applicarsi a -Apr ire a Appro dare a -Appropin-quarsi a Approssimar- -si a

/

Ardere di Arrendirsi a -

Arridere a -

Arrivare in -ArrSgere a -Ascenderc a -

Aspamp;gere di -Aspettare pêr-Aspirare a -Assentarsi da -

Ass entire a -Assicurare di -As sist ere a -Associarsi a, -con

As solvere da -AssomigliarsiA Assuefarsi a -

A sten ér si da -

Astrarsi da --evenaren, nabijkomen, -branden van. -zich overgeven aan.

-toelachen (met den

datief), -aankomen in, te. -voegen bij. -komen op, b e 1 o o-pen.

-besproeien met. -wachten op. -dingen naar.

-zich verwijderen van.

-bewilligen in. -verzekeren van.

- bij won en.

-zich verbinden met.

-vr ij spreken van.

— g e 1 ij k e n op.

-zich gewennen

aan.

-zich onthouden van.

-zich onttrekken aan.

Appagarsi di — zich tevredenstellen met. behooren aan. zich houden aan. toej uichen.

zich toeleggen op. openen voor. aanlanden te. naderen tot.

Attaccarla cón-uno

Avvedérsi di -Avvertire di -Avvezzare a -Awiarsi a Avvicinarsi a -Avvisare di -

Badare a Bagnare di -Beffarsi di Bistkciare cón -Braviare Burlarsi di -

-een twist met iemand beginnen, -bespeuren, -verwittigen van. -gewennen aan. -op weg gaan naar. -naderen tot.

- bericht geven van.

B.

-acht geven op. -besproeien met. -spotten met. -twisten met. -reikhalzen naar. -den gek scheren mei.

C.

•vallen van. ■afslaan (van prijs), ■verwisselen met.

-in kunnen (bevat

worden), -belasten met. -omvallen van. -trekken uit. ■wijken voor; afstaan aan. zoeken in. -ophouden met. -noemen bij. -verzoeken (met den datief).

- roepen, klagen tot. -samenwonen met. ■overladen met. ■bevelen aan.

Cadére da Calare di Cambiare cón, -di

Cdp ere in —

Caricare di —

Cas care di —

Cavare da —

Cédere a —

Cer care in — Cessare di — Chiamare pêr — Ch iédere a —

Clan tare a Coabitare cón -Colmare di Comandare a -


-ocr page 453-

Gebruikelijkste Werkw. met hunne Voorzetsels. 441

- s t r ij d e ii met. ■beginnen aan, van.

wedijveren met. behagen scheppen in. •mededeelen aan. omgang hebben met.

afspreken met. veroordeelen/W. afdalen tot. ■inleggen, inmaken met. beraadslagen met.

vertrouwen op. zich schikken

naar. verkwikken met. vergelij ken met. gelukwenschen met.

samenvoegen

met.

trouwen met. te danken hebben aan een kenner zijn

van.

klimmen op. beraadslagen

over.

bestaan in. troosten met. vergenoegen met

i e m a n d b e t w i s-ten.

\'ombdttere cón -\'ontinciare a, da-

^■ompétere cón -lompiacérsi di -

lomunicare a \'loinunicare cón -

Zoncertare cón -londannarc a -quot;ondescéndere a-Condire cón —

Conferire cón —

Confuiarsi in, di — Conformarsi a, —

Confortare cón — Confrontare cón — Congratulare di —

Congiüitgere a —

Congilhigersi cón — Conóscere da —

Conóscersi di —

Conscéndere a — Consigliare di —

Con sis tere in — Con solar e di — Content are di —

Conténdcrc ad — nno

Contendere cón Conténdersi a

Contrastare a Convenire di

Conversare cón

Convert ire in

Cooperare a Córrere a Costringere a Credere a, in Cticire cón Cur ar si di

Dare a, pêr Decidere di Dedurre da Degenerare da Derivare da Derogare a

Descendere di

Deviare da Desiderare Dilettarsi di

Dipéndere da Dipingere a

Dire a

Dirigere vêrso Discéndere di

— twisten met.

— zich verzetten

tegen.

— tegens]) reken.

— eens worden

over.

— omgaan, zich ond er houden met.

— doen verande

ren in

— medewerken tot.

— 1 o o p e n naar.

— dwingen tot.

— gelooven aan, in.

— naaien met.

— zich bemoeien

met.

— geven aan, voor.

— beslissen over.

— aftrekken van.

— verbasteren van.

— afleiden van.

— afbreuk doen

aan.

— afklimmen, af

stammen vati.

— a f w ij k e n van.

— verlangen naar. ■—\'behagen scheppen in.

— afhangen van.

— afschilderen

voor.

— zeggen aan, tot.

— richten naar.

— afstijgen, af

stammen van.


-ocr page 454-

442 Gebruikelijkste Werkw. met hunne Voorzetsels.

niet overeenstemmen met.

— nietpassen voor

— niet overeen

stemmen met

— redeneeren over.

— zich v e r \\v ij d e-

ren van.

— z ij n e dwaling

omtrent iets in zien.

— afbrengen van.

— ontslaan van.

— wanhope n aan.

— mishagen aan.

— berooven van.

— overhalen tot.

— beschikken over.

— v e r w ij d e r d z ij n

van

— onderscheiden

van.

— terughouden

van.

— aftrekken van.

— u i t d e e 1 e n aan.

— zich losmaken

van.

— ongehoorzaam

z ij n aan.

— scheiden van.

— leed, pijn doen

aan.

— klagen over.

— t w ij fe 1 e n aan.

E.

Ecccdere in Eléggere di

— overtreffen i?i.

— kiezen uit.

Bisconsentirc da

Disconvenire a Dis cor dare da

Discórrere dj Discostar si da

Discrédersi d\' una cósa

Dismuóvere da Disobbligare da Disper are dl Dispiacére a Dispogliare di Dispónere a Dis pór re di Dis tare da

Distinguere da

Distórre da

Distrarre da Distribuire a Distrigarsi da

Disubbidire a

Dividerc da Dolere a

Doler si di Dubitare di

Empiere di —vullen met. Emulare cón, di — wedijveren nut, in.

Entrare in —binnentreden/». Equivalére a —dezelfdewaarde

hebben als. Espórre a —blootstellens. Êssere di, da —zijn van, te. Estrarre da —trekken uit.

F.

Fare cón —maken met. Eer ire cón, di —wonden met. Eer ito di quélla

lancia Eer ito (cón un cólpd) d i quélla lancia

Etdarsi di, in —vértrouwen op. FormalizzarsiA\\ — zich ergeren aan, over.

Gettare a Gioire di

Giovare a

Giudicare di, da -

Giuocare a ,, a carte

„ bgli scacchi— „ ü interesse — ,, ftunjiorino—

Godére di —

-werpen naar. -zich verheugen over.

-dienen tot, nuttig z ij n voor. -oordeelen over,

volgens. -spelen met. -kaart spelen (met de kaart), -schaak spelen. -om iets spelen. -om een gulden spelen, genieten.

met die lans e e w o n d.


-ocr page 455-

Gebruikelijkste Werkw. met hunne Voorzetsels, 443

Qraziare di Guadagnarsi di Guar dar si da

Immérgere in rmmérgersi in

Tmpadronirsi di

[mpar arc a

„ a léggere Imprest are a Imputare a Incagliare in

Incantminarsi a

/near kar si di

Inearnare in Inchiédere di

Fnciampare in [licitarc a Incontrarsi cón

„ d\' erróri

■ begunstigen met.

■zich verrijken met.

-zich hoeden voor.

Imbéversi di —

Imbrigarsi di —

I.

doortrokken worden met (water enz.)

met vele dwalingen behept geraken.

zich vele moeite geven tot.

— dompelen in.

— baden, zich

dompelen in.

— zich meester

maken van.

— 1 e e r e n (met Inf.)

— lezen leeren.

— 1 e e n e n aan.

— toerekenen aan.

— ophouden,

stremmen; stranden.

— op weg gaan

naar.

— zich belasten

met.

— vleesch worden.

— onderzoek

doen naar.

— struikelen over.

— opwekken tot.

— samenkomen

met.

Incórre in Indispettirsi di

Indurre a Tnfastidirsi di

Ivflüere in

Infonnare di

In for mar si di Ingolfarsi in

Innamorarsi di

Insegnare a Insidiare a Insist ere in, a Insuperbirsi di

beter: Inorgoglirsi di Inténdersi di

Interrómpere a

Intervenire a

Intopparsi in

Intrare in, a Introdurre in

Invest ire di Invitare a

Lagnarsi di

— betrappen op.

— zich verbitte

ren over.

— verleiden tot.

— moede worden

van.

— invloed heb

ben op.

— bericht geven

van.

— vernemen naar.

— zichverdiepen

in.

— verliefd wor

den op.

— onder w\'ij zen aan.

— lagen \\eggenaan.

— aandringen op.

zich v e r h o o-vaardigen op.

— kennis van iets

hebben.

— in de rede val

len.

■— tusschen beide komen in.

— aantreffen; op

iets stooten, stuiten.

— binnengaa n.

— inleiden /«/voor

stellen aan.

— bekleeden met. —uitnoodigen om

te, ten.

— zich beklagen

over.


-ocr page 456-

444 Gebruikelijkste Werkw. met hunne Voorzetsels.

— treuren, jam

meren over.

— werken voor.

— geoorloofd zijn

aan.

— binden in.

— opheffen van,uit.

— zich verheffen

tot.

— zich bevrijden

van.

— p r ij z e n om, over.

Man dare a, pêr Maritarsi a Maravigliarsi d i

Meseolare cón Metter e a, SU Mét tere in Minaeciare di Mis dire di

beter: Dir male di Misfare a

Mor der e in Mor ire di Muóvere a

M.

— gebrek hebben

aan.

— te kort schie

ten aan.

— zenden aan, om.

— huwen met.

— zichver won de

ren over.

— vermengen met.

— leggen op.

— leggen,zetten in.

— bedreigen met.

(kwaad spreken kwaad spreken van.

— onrecht doen

aan.

— b ij t e n in.

— sterven aan.

— bewegen tot.

Nas cere di, da Navigare cón

N.

— geboren w o r-den, ontstaan uit.

— zeilen met.

Lam ent are di

Lavorarc pêr Lecére a

Legare in Levare da Levarsi a

Lib er ar si da

Lodare di

Mancare di

Nuóeere a Nutrirsi di

Obbedire a Uhbidire a Obbligare a Occórrere a

O ecu par si di

— schadelijk zijn voor, benadeelen.

— zich voeden

met.

O.

j gehoorzamen J aan.

— verplichten tot.

— overkomen,

gebeuren.

— zich onledig

houden met.

P.

— betalen aan.

— vergelijken met.

— s c h ij n e n aan,

toeschijnen.

— spreken tot, over.

— scheiden van.

— vertrekken van,

naar. —-voorbijgaan.

— missen, ontbe

ren.

— wandelen iiaar.

— denken aan.

— berouw hebben

over.

— v e r i e z e n uit.

— uit het gezicht

verliezen.

— den moed ver

liezen.

— in h e t s p r e k e n

blijven steken.

— smoorlijk op iemand verlieven.

Pagare a Paragonare cón Parére a

Parlare a, di Par tire da Par tire da, a, pêr

Passare a, pêr Pas sar si di

Passeggiare a Pensare a Pentirsi di

Pér der e di Pér der e di vista

Pér der si di

animo Pérdersi nél

parlare Pérdersi in una


-ocr page 457-

Gebruikelijkste Werkw. met hunne Voorzetsels. 445

{ zijnfpffniéttere di eelen.i

\'e c\'6n\\}gt;ernoMare in \'cr sever arc in \\per sis tere in \\Pes care in XPiacérsi di — i tot. [

i, |Pidngere di Piccarsi di

\'g

quot;t. | Pigliare a

Pigliare a fare -

Pigliare pensiéro-di quale he cósa | Pigliare in o nélle parole Pigliarsi ai capélli

Pigliare quale he -cósa sópra di

Pigliarla o piglidrsela cón uno

Pigliarla pêr uno

Por tare a, in

Pregare di, a

Préndere pêr

Prepararsi a

Presentarsi a

veroorloven

om te. overnachten in. volharden in. volharden bij,in. v i s s c h e n in. vermaak scheppen in.

ween en over. zich beroemen op.

beginnen te. beginnen te

doen. ■aan iets denken.

hij het woord

h o u d e n.

zich bij de haren k r ij g e n, handgemeen worde n.

iets op zich nemen.

het met i e rn a n d te kwaad krijgen.

het met iemand houden, -brengen ««;/, in. ■bidden, verzoeken om.

nemen voor.

■ zich gereed ma

ken tot.

■ zich vertoonen,

zich voorstel-1 e n aan.

Prevenire di

Proccnrare a Proihire a, di

Promét tere di Pr oven ire da

Provvedére di

— verwittigen, be

richten van.

— verschaffen aan.

— verbieden aan,

om te.

— beloven te, om te.

— voortkomen van,

uit.

— voorzien van.

Raccommendare a Rallegrarsi di •

Rassomigliare a -Recarsi a

Réggere a

Réggersi in Réndere a Réndersi a

Resistere a

Res tare cón Ricercare uno di

qualche cósa Ricévere da Ricominciare da

R ie or dar si dl Ricórrere a

Ricusare di, a

Rider e di Ridondare di, da

aanbevelen^?//.

— zich verheugen

over.

— g e 1 ij k e n aan, op.

— zich begeven

naar.

— weêrstand bie

den aan.

— blijven staan in.

— teruggeven aan.

— zich overgeven

aan.

— weêrstand bie

den aan.

— b 1 ij v e n bij.

— iemand om iets

vragen.

— ontvangen van.

— weder begin-

n e n met.

— zich herinneren.

— z ij n e toevlucht

nemen tot.

— weigeren om te,

aan.

— lachen om, over.

— o v e r v 1 o e d h e b-

ben aan.


-ocr page 458-

446 Gebruikelijkste Werkw. met hunne Voorzetsels,

Riméttere a Rim etter si in

Riméitcrsi in cammino Riméttersi a

cite, \'tr Riméttersi di qualche cósa Riméttersi ad uno Rhnontare a Rimuóvere da

Rincréscere a Ringraziare di Rinunziare a

Riparare a

Ripugnare a

Riscmbrare a

beter : Rasscmbrare a Ris entirsi dl

-onaangenaam gestemd zijn over.

Risomigliare a —gelijken op.

-strekken tot. - terugbre ngen, herleiden tot. -nadenken over -vluchten vaar. -aanzien voor.

— middelen ver

schaffen tot; verhelpen.

— uitstellen tot.

— genoegen n e-

ni e n in, zich neerleggen bij.

— weer op weg

gaan.

— z ij n e studiën

weêr opvatten.

— van iets afzi en.

— zich aan iemand

overgeven

— o p 1 o o p e n tot.

— afhouden van;

ontstaan uit.

— mishagen.

— bedanken voor.

— ontzeggen «««/

afzien van

— verhel pen, voor

komen.

— wederstreven

Ridondare a Ridurre a

Rifléttere su, di Rifuggire a Riguardare pêr Rimediare a

Sap ére di Sbagliare di

Sbrigarsi di

Sbucare di Scacciare di Scarseggiare di

Scemare di Scot/venire a Scoppiare di Scoppiare délle risa

Scostarsi da

Scrivere a Sembrare a I Sep ar ar si da

Servire a Sforzare a Sim igHare a Soddisfare a Soggiacére a Sort ire di Sottométtersi a

Sovvenire a

Sowenirsi di Spiacére a Spie care da Spedirsi a | Spogliare di Staccarsi da

aan.

g e 1 ij k e n op.

S.

— ervaren z ij n in

— zich vergissen

in, met.

— zich losmaken

van.

— kruipen uit.

— verjagen uit.

— gebrek 1 ij den

aan.

— afnemen in.

— niet passen aan. \'—bersten imi.

— van lachen ber

sten.

— zich v e r w ij d e-

ren van.

— schrijven aan.

— gelijken op.

— zich scheiden

van.

— dienen tot.

— noodzaken tot.

— g e 1 ij k e n op.

— voldoen aan.

— bezwijken voor.

— gaan uit.

— zich onderwer

pen aan.

— te hulp komen

(met datief).

— zich herinneren.

— mishagen aan.

— afsteken bij.

— zich reppen met.

— berooven van.

— zich losmaken

van.


-ocr page 459-

met hunne Voorzetsels. 447

Gebruikelijkste Werkw.

Stringerc in — ineendrukken.

Studiare in, di — studeeren in.

Stupire d i — verbazen over.

Succédere a —opvolgen.

Succómbere a — bezwijken voor.

Sviluppare da —los wikkel en van.

Svólgere da — afwikkelen van.

T.

Tacciarc di — berispen over. Temére di — vreezen voor, om te.

Tenére acéna, a — ten avondmaal, de sin are, a cole- ten eten, ten o n t-zióne bijt houden.

Tenére uno a —iemand aan de paróle praat houden.

Tenére in pri- —gevangen hou-gióne den.

Tenére in sé —bij zich houden

(onder zich). Tignere di nero, — zwart, groen vér de verven.

Tirare a —schieten op.

Toccare a, CÓn —betreffen ; aanraken met. Tornare a, in —terugkeeren naar.

Trattare da —behandelen als.

U.

übbidire a — gehoorzamen aan.

Uscire di, da —verlaten, gaan uit.

V.

Valer si dl —zich bedienen van, ten nutte maken.

Vegltare a — waken over.

Véndere a, pêr — verkoop en aan, voor.

Venire a, da — k o m e n naar, van.

Ver sure da — schenken uit.

Vestirsi oWb. —zich naar de

francése Franse he mode

k le eden.

Viaggiare a —reizen naar.

Viet are d i — ve rbieden om te.

Vincere uno di, — iemand o verin treffen in

Vivere di, a —leven van, voor.

Volére béne a —genegen zijn (met datief).

Vólger si a —zich keeren tot.


-ocr page 460-

ESERCIZI Dl LETTURA E Dl TRADUZIONE.

A. Sentênze.

La giustizia è la base di tutte le virtü. Ai consigli celêsti nóu si puö reslstere. La fama è maggióre délla verita. Niuna cósa è piü brêve, niuna ha vita minóre che la memória déi benefici. La natura déi pópoli è desiderósa di cóse nuóve. Nón hanno gli uómini maggiór nemico ché la tróppa prospe-rita. E poco costante la prosperity délla fortuna. II piü délle vólte le avversitè, nón vanno sóle. I tempi antichi êran dispósti, mólto piü ché i presênti, agli atti virtuósi e generósi. Da pïccoli accidênti dipêndono spésso le cóse di grandïssimo moménto. Nón è cósa alcuna piü difficile a schifar ché il fato; nessun rimêdio è cóntro i mali determi-nati. Prestaménte si raffi-éddano gl\' ïmpeti primi. Gli uómini nón sóno tutti savi, anzi sóno pochissimi i savi. Niuna cósa è piü incêrta ché il numero déi mórti nélle battaglie. Sóno incertissimi, piü ché tutte le altre azióni dégli uómini, gli evênti délle battaglie. È vano sperar nél sêcolo nóstro la magnónima restituzióne d\'un régno. Nón bóstano i consigli uraani a reslstere alia fortuna. Stimar piü i perkoli piccoli ché i grandlssimi, è imprudênza. Spésso sóno cosi nocivi i timóri vani, cóme sia nociva la tróppa confidênza. Puó óggi comuneménte piü la fórza déll\' óro ché il rispétto déll\' onesta. La cosciênza è potentissimo e certlssimo flagêllo di chi fa

-ocr page 461-

Anneddoti.

male. Nélle antichi e gravi inimicizie è difficile stabilir fedêle riconciliazióne. Niuna cósa è piu necessaria nélle deliberazióni ardue, niuna dall\' altra parte piü pericolósa clié il domandar consiglio. Sóno inutili i consigli diligênti e prudênti, quando 1\' esecuzióne procédé cón negligénza e imprudénza. Non si póssono in alcuna maniêra chiamar prudênti o savi colóro ché témono dél futuro piü ché non si déve. Nélle cóse bélliche póssono nascere di di in di mólte ed inopinate difficolta e pericoli. Niuna vittória è piü utile, piü preclara, pin glo-riósa di quélia ché s\'acquista sénza danno e sénza sangue déi suói soldati. Le cóse, ché néi principii si rappresêntano mólto spaventóse, si vanno di giórno in giórno diminuèndo. E próprio ufficio délla prudénza, moderare lo sdégno giusto cólla maturita dél giudizio e cón la considerazióne déll\' utilita ed interesse pübblico. Chi lascia il béne presênte pér timóre | • dél pericolo futuro, quando nón sia perfcolo mólto cérto e propinquo, si tróva spésso cón dispiacére e infamia sua avér perdute occasióni piêne d\'utilita è di gloria, pér paüra di quéi pericoli ché pói divéntano vani,

Francésco Guicciardiui.

B, Anêddoti.

Tl Ladro Scaltro.

Un ladro essêndo entrato un giórno in una pensióne, rubö( tré mantélli. Uscêndo, fu incontrato da un pensionario ché avéva un hél mantéllo gallonato. Vedêndo tanti mantélli, domandó a quést\' uómo, dóve li avésse prési. II ladro rispóse freddaménte, ché appartenévano a tré signóri délla casa, ché

ITALIAANSCHE TAAI,. 20

449

-ocr page 462-

Anedcloti.

glieli avévano dati da pulire. „Pulite dunque anche il mio, perchè né ha gran bisógno,quot; disse il pensionario; „ma,quot; soggiunse „bisógna rêndermelo alle tré.quot; „Nóu mancherö signóre,\' rispóse il ladro, portando via i quattro mantêlli ché non hlt; ancóra riportati.

L\' Imperatóre Carlo quinto alla Caccia.

L\' imperatóre Carlo quinto, essêndo un giórno alla caccia, si perdétte nél bósco ed, essêndo arrivato ad una casa, v: entrö pér rinfrescarsi. Vi si trovdvano quattro uómini ch fingévano di dormire. L\'uno di lóro si levó, ed avvicinandosi all\' imperatóre, gli disse avér sognato ché gli prenderébbe il suo oriuólo e lo prése. In seguito un altro si levö è gli disse avér sognato ché la sua zimarra l\'accomodava a maraviglia e la prése. II têrzo gli tólse la sua bórsa. Finalménte il quarto si féce innanzi, dicêndogli: „Spéro ché nón Le sara discaro, se La frugo,quot; e ciö facêndo, scórse al collo déll\' imperatóre una catenêlla d\'óro, alia quale êra attaccato un fischio, ch\' égli vólle rubargli. Ma 1\'imperatóre: „Amico mioquot;, gli disse, „prima di spogliarmi di quésto gioiêllo, bisógna ch\' io ve ne inségni la virtü. Ciö dicêndo, fischió. I suói uffiziali, ché io cercavano, accórsero vêrso la casa, e furono soprafFatti dallo stupóre, nél vedére sua maesta in simile stato. Ma l\'imperatóre, vedêndosi fuór di perlcolo, li prevênne dicêndo: „Écco dégli uómini ché hanno sognato tutto ciö ché volévano. Ora töcca a mé pure di sognare, e, rimasto pensieróso alcuni moménti. soggiunse; „Ho sognato ché tutti e quattro meri-tavate d\'êssere appiccati.quot; Tl ché fu tósto détto ed eseguito la casa stéssa.

450

-ocr page 463-

Aneddoti.

La Móglie Pedéle.

Un vecchierêllo gravaménte ammalato féce venire sua móglie ancóra giovanissima e le disse: „ Mia cara, vói vedéte clie la mia ultima óra s\'avvicina e che sóno costrétto di abban-donarvi, e percio, se voléte ch\'io muóia in pace, bisógna che mi accordiate una grazia. Vói siéte ancór gióvane, e sénza dubbio vi rimariteréte, ló só; ma vi prégo di non prêndere il signór Luigi: perchè vi confêsso, clie sóno sêmpre stato gelosissimo di lui e lo sóno ancóra. Morréi dunque disparate, se nón me lo promettéste.quot; La móglie rispóse : „Mio caro marito, vi süpplico clie ciö no vi impedisca di morire in pace, perchè vi assicuro, che quand\' anche io voléssi sposarlo, nón lo potréi, êssendo gia proméssa ad un altro.

La verita Pinta.

Un pittóre un giórno intraprése di dipïngere clue uómini che tra lóro avévano una lite, 1 uno che 1\' avéva perduta, e 1\' altro che 1\' avéva vinta. Egli si risolvétte a dipïngere 1\' imo tutto ignudo e 1\' altro in camicia.

Giuseppe Tavèrn a.

Una F r ó v a.

Un Tedésco, venuto a Róma pér conóscer personalménte il cêlebre cardinale Bellarmino, condusse séco un notaio nélla casa, dove dimorava il dótto religióso, e quivi stando finchè gli riuscisse di vedérlo uscire di camera, féce distêndere da quél notóio atto autêntico, cón cui, tornato in patria, potésse far féde d\' avér veduto il grand\' uómo.

Lo stésso.

451

-ocr page 464-

i

Aneddoti.

452

Griu sêppe Giusti e sua Mad re.

Giusêppe Giusti e sua madre êrano giunti a sant\' Agata.l villaggio fra Capua e Móla di Gaéta, allorcliè si trovdronol in una locanda, seduti a tavola cón altri viaggiatori, fra l| quali una signóra mólto bêlla. Èrano quésti di módi cortésil e gentili, talchè una cêrta simpatia si sveglió fra tutti. Lal letizia che il viaggio fa nóscere, il bisógno di comunicarsi lel recênti impressióni, diè luógo ad una conversazióne piacévole. II Giusti e sua madre, essêndo riconoscuti dalla pronunzia pêr Toscani, fürono ricliiêsti se êrano tali veraménte. „Siamo di I Pêscia,quot; rispósero. „Dól paése dél Giusti?quot; replicö uno di éssi. „Di quél famóso poêta?quot; aggiunse un altro. E qui un lungo elógio. Pói un têrzo domandö: „Lo conóscono?quot; Tutti zitti. La mamma sorride, guarda il figliuólo, arrossisce, pói diviên sêria. 11 Giusti rispónde; „Si.quot; „Ed è gióvine, vêcchio . . . .?quot; „O, gióvine, gióvine!quot; rispónde sübito la madre. „Ed è böllo?quot; domanda la bêlla signóra. Qui un nuóvo silênzio. La madre guarda il suo Bêppe, che nón sa dóve guardare; pói tórna ad arrossire e a sorrïdere. Ma in quél silênzio, in quéll\' imbarazzo, in quél sorriso pudico, matêrno êra scritto: 11 Giusti è qui ed è mio figliuólo. Uno déi viaggiatóri vi sêppe lêggere, e allóra fu giuócofórza seoprire il véro. La sorprésa déi viaggiatóri fu grande quasi quanto la gioia dél Giusti.

Demóstene, passeggiando pêr le vie d\' Atêne, senti dire da una dónna, che lo mostrava a dito, cón riverênza: „Védi tu quéll\' uómo? È Demóstene!quot;

-ocr page 465-

Lettere.

Dante, passando in Veróna prêsso un crócchio di fanciulle, [cli una di quéste che dicéva; „Êcco li quéllo che, a sua l-óglia, raanda all\' infêrno i nemici délla patria. E Demóstene |a ricompensato déi lunghi suói studi, e Dante dimenticó un aomé»tö il suo esiglio. Ma la lóro gióia non êra compiuta: Jssi nón avévano accanto — una madre.

Giovanni Frassi.

0. Léttere.

Vigliétto d\' Invito.

Mio caro Signer M.,

Fateci la summa gentilézza di venirci a trovaré dbmani séra. IVedréte il signór F. ed alcune altre persóne, die avranno a |caro di fare la vóstra conoscênza. Sarémo in famiglia. Pre-sentate, vi prégo, i nóstri piü sincêri convenévoli alla signóra IM., ed abbraceiate bêu teneraménte pêr nói la vóstra cara e vezzósa (iglia.

II vóstro devotlssimo amico.

Lét te ra di Ringraziaménto.

Signóre,

II liêve servigio, che mi fu dato di rênderle, nón meritava il módo grazióso, cón cui Ella mi pró va d\' avérlo ricevuto, ed Ella dovéva lasciarmi la soddisfazióne d\' avér fatto cósa che le fósse grata, sénza aggiüngervi un compliménto ch\' io nón m\' aspettava. Sia sicuro, Signóre, dél piacére che proveró sêmpre m dimostrarle cói raiêi servigi, che io sóno veraménte qual mi profêsso,

Suo devotlssimo servitóre.

453

e.

-ocr page 466-

Lettere.

Lêttera di Congratulazióne, al Capo d\'anno.

Signor Baróne,

Só ehe le léttere di quést\' êpoca ,sóno riputate noióse, ma crédomi obbligato ad annoiarla, e non dorrammi giammai d seguire un uso, ehe mi dia diritto all\' onóre d\' assicurarla un altra vólta délla mia riconoscênza. Ella sa ció che Le débbo; ma Ella ignóra cón quanto piacére me ne ricórdi; mi perdóni adunque di approfittare di tutte le occasióni che si presêntano pêr offrirle i miêi vóti e gli atti déi sênsi rispettósi, cói quali hó 1\' onóre di sottoscrfvermi,

Suo obbedientlgsimo sêrvo.

Lêttera di Condoglianza.

Signóre,

Sêppi cón véra afflizióne, mi créda, la pêrdita ch\' Ella féce délla sua signóra sorêlla. Era una gióvane di spirito, che tutti stimdvano e ricercdvano pel suo piacévole consórzio: tócca alia di Lêi piëta ad accógliere in quésta dolorósa circo-stanza tutti i confórti, che 1\' amicizia e sópra tutto la religióne óffrono agli uómini, in quésti evênti crudêli, e sebbéne mi sia duro il rinnovare i di Lêi dolóri, stammi tróppo a cuóre di provarle che partecipo di tutto ciö che Ij\' interêssa, pêr serbare in quésta circostanza un silênzio ch\' Ella potrébbe avér in cónto d\' indifferênza.

Hó 1\' onóre d\' êssere cólla piü profónda stima,

Suo afflittïssimo sêrvo.

454

-ocr page 467-

Lettere.

Lêttera di Raccomandazióne.

Signóre stimatissimo,

II signór L. mi scrive, perehè ve lo raccomandi; égli pretênde ch\' io góda di mólta influênza prêsso di vói. Nóu só se s\'inganni. Ad ógni módo, faccio quél ch\' égli desidera da mé, e vi prégo caldaménte di êssergli favorévole in tutto ciö che puö tornargli ad utile. Egli lia ingégno e talênto pér mólte cóse ; né hó fatto speriênza ad Arnêmia, dóve fu méco pér un têmpo sufficiënte da potérlo giudicare. Vi saró tenuto déll\' impégno che graziosaménte vi assumeréte pér ottenérgli qualche impiêgo, che lo métta un pó\' piü a sue agio. Sóno persuaso ch\' égli si disimpegnera a dovére di quanto vi pia-cerè incumbenzarlo. Sóno

il vóstro devotissimo servitóre.

Lêttera di Cambio.

Amsteljodamo li 10 Luglio 18 . .

Buóno pêr 400 fiorini.

Signóre,

A qulndici giórni vista compiacétevi di pagare pêr quésta prima di cambio all\' órdine dél signór D. la sómma di

quattro cênto fiorini valuta ricevuta in mercanzie, che segneréte in cónto dél vóstro sêrvo. N.

Lêttera per entrar in Relazióni Commerciali. ,

Bordè, li 4 Giugno 18 . .

Ai Signóri T. e C. a Lione.

Abbiamo ricevuto in piêna règola la vostra circolare dél lino di Giugno. Abbiamo favorevolménte préso nota délla

455

-ocr page 468-

Prosa Narrativa.

vostra firma, pér approflttare all\' occorrênza déll\' offêrta déi vóstri servigi. Siamo bên contênti, o Signóri, d\' entrare in relazióne d\' affari cólla vostra casa: la nostra piazza offre, cóme sapéte, imo spaccio considerévole e vantaggióso di tutti i prodótti dél vóstro paóse, e segnataménte dégli óli che qui sono ricercatissimi e che salgono a prêzzi elevati. Sarémmo quasi cêrti di collocarne una ventina di bótti al prêzzo di . . . che è quéllo corrênte al moménto. Orediamo che quésto prêzzo vi off\'rira un vantaggio sufficiënte, perchè abbiate a mandórcene una bêlla partita; affine di darvi un\' idêa approssimativa délle spése, vi compieghiamo un cónto di vêndita fittizia, aggiugnên-tlovi il prêzzo corrênte délle nóstre mercanzie. Desiderianio che quésta proposizióne vi sêmbri un\' occasióne favorévole pér incominciare le nóstre relazióni; ne sarémo lietissimi, e non trascurerémo cósa alcuna pêr vie méglio proseguirle.

Abbiamo 1\' onóre di salutarvi.

I). Prósa Narrativa.

Silvio Pêllico tróva un amico nélla prigióne.

In prigióne io avéva acquistato un amico. Non êra il custóde, nóu alcuno déi secondini, nón alcuno déi signóri processanti. Parlo pêr altro d\' una creatura umana. Ghi êra? Un fanciullo sórdo e muto di cinque o sêi anni. II padre e la madre êrano ladróni, e la légge li avéva colpiti, II misero orfanêllo veniva mantenuto dalla pollzia cón parécchi altri fanciulli délla stéssa condizióne. Abitóvano tutti in una stanza in faccia alia mia, ed a cêrte óre aprivasi lóro la porta, affin-chè usdssero a prênder aria nél cortile.

II sórdo e muto veniva sótto la mia finêstra, e mi sorridéva

456

-ocr page 469-

Proca Nar rati va.

e gesticolava. To gli gettava un bêl pêzzo di pane: éi lo prendéva, facêndo un salto di gióia, corréva a\' suói compagni, ne dava a tutti e pói veniva a mangiare la sua porzioncêlla prêsso la mia finêstra, esprimêndo la sua gratitüdine cól sorriso dé\' suói bêgli ócchi.

Gli altri fanciulli mi guardavano da lontano, ma nóu ardiano avvicinarsi: il sórdo-muto avéva una gran simpatia pêr me, nè gia pêr sóla cagióne d\' interêsse. Alcune volte éi nón sa-péa che fare dél pane, ch\' io gli gettava e mi facéa ségni ch\' égli e i suói compagni avéano inangiato béne e nón potévano prêndere maggiór cibo. 8\' éi vedéa venire un secondino nélla mia stanza, éi gli dava il pane, perchè me lo restituisse. Benchè nulla aspettasse allóra da mé, éi continuava a ruzzare innanzi alla finêstra cón una grazia amabillssima, godêndo ch\' io lo vedéssi. Una vólta un secondino permise al fanciullo d\' entrare nélla mia prigióne: quésti, appéna entrato, córse ad abbracciarmi ie gambe, mettêndo un grido di gióia. Lo prési fra le braccia, ed è indicibile il traspórto, cón cui mi colmava di carézze. Quanto amóre in quélla cara animétta! Cóme avréi voluto potérlo far educare e salvarlo dall\' abbiezióne in ché si trovava!

Nón hó mai saputo il sue nóme. Egli stésso nón sapéva di avérne uno. Éra sêmpre liêto è nón lo vidi raai piangere se nón una vólta che fu battuto, nón só perchè dal carceriêre. Cósa strana! vlvere in luóghi simili sêmbra il cólmo dél-l\'infortunio; eppure quél fanciullo avéa certaménte tanta felicita, quanta póssa avérne a quéll\' eta il figlio d\'un principe. Nélla mia sventura són pur fortunato, dicéva io, che m\' abbiano dato una prigióne a pian terréno su quésto cortile, óve a

457

-ocr page 470-

Prosa Narrativa.

quattro passi da mé viêne quél caro fanciullo, cóu cui convêrso alla muta si dolceménte! Miróbile intelligênza umana! quante cóse ci diciamo, égli ed io cólle infinite espressióni dégli sguardi e délla fisionomla! Cóme compóne i suói móti cón grazia, quando gli .soi\'rido! Cóme li corrêgge, quando véde che mi spiacciono! Cóme capisce che lo amo, quando accarézza o regala alcuno de\' suói compagni! Nessuno al móndo se lo immagina, eppure io, stando alla finêstra, pósso êssere una spêcie d\' educatóre pér quélla póvera creaturina. A fórza di ripêtere un mutuo esercizio de\' ségni, perfezionerémo la co-municazióne délle nóstre idêe. Piü sentirè. d\' istruirsi e d\' iu-gentilirsi cón me, piü mi s\' affezionera.

Io sarö pér lui il génio délla ragióne e délla bonté,; égli imparera a confidarmi i suói dolóri, i suói piacéri, lé sue brame ; io a consolarlo, a nobilitarlo, a dirlggerlo in tutta la sua condótta. Chi sa clié, tenêndosi indecisa la mia sórte di mése in mése, non mi lascino invecchiar qui? Chi sa che quél fanciullo nón crésca sótto a\' miêi ócchi, e nón sia adoprato a qualche servizio in quésta casa? Cón tanto ingégno quanto móstra d\'avére, che potra égli riuscire? Ahimé! niênte di piü che un óttimo secondino o qualch\' altra cósa di simile. Ebbêne, nón avró io fatto buón opera, sé avrd contribuito ad inspirargli il desidêrio di piacére alla gênte onésta ed a sé stésso, a dargli 1\' abitüdine de\' sentiménti amorévoli?

Quésto solilóquio èra naturaliasimo. Ebbi sêmpre mólta inclinazióne pé\' fanciulli, e 1\' ufficio d\' educatóre mi paréa sublfme. Io adempiva simile ufficio da qualche anno vêrso Giacómo e Giulio Pórro, due giovanétti di bélle speranze, ch\' io amava cóme figli miêi e cóme tali ameró sêmpre. Dio

458

-ocr page 471-

Prosa Narrativa.

sa quante volte in córcere io pensassi a lóro! Quanto m\' affliggéssi di nóu potér cómpiere la lóro educazióne! Quanti ardênti vóti formassi perchè incontrassero un nuóvo maéstro, clie mi fósse eguale néll\' amarli! Talvolta esclamava da me: che brutta parodia è quésta! Invéce di Giacómo e Giulio. fanciulli ornati dé\' piü splêndidi incanti, che natura e fortuna póssano dare, mi tócca pêr discépolo un poverétto sórdo, muto stracciato, figlio d\' un ladróne! . . . ché al piü al piü diverra secondino, il che in têrmine un pó\' méno garbato si dirébbe sbirro. Quéste riflessióni mi confondéano, mi sconfortóvano. Ma appéna sentiva io lo strillo dél mio mutolino che mi si rimescolava il sangue, cóme ad un padre che sênte la vóce dél figlio. E quéllo strillo e la sua vista dissipóvano in me ógni idêa di bassézza a suo riguardo. E che cólpa ha égli, s\'è stracciato e difettóso e di razza di ladri? Un\' Anima umana, néll\' eta déll\' innocênza, è sêmpre rispettulnle. Cos! dicéva io e lo guardava ógni giórno piü cón amóre, e mi paréa che crescésse in intelligênza, e confermóvami nél dólce divisaménto d\' applicarmi ad ingentilirlo; e fantasticando su tutte le possibility, pensava che fórse saréi un giórno uscito di cércere ed avréi avuto mêzzo di far méttere quél fanciullo nél collêgio de\' sórdi e muti, e d\' aprirgli cosi la via ad una fortuna piü bêlla che d\' êssere sbirro. Méntre io m\' occupava cosi deliciosaménte dél suo béne, un giórno due secondini vén-gono a prêndermi. „Si cangia allóggio, Signóre.quot; „Che intendéte dire?quot; „C è comandato di trasportarla in un\' ultra camera.quot; „Perchè?quot; „Qualch\' altro grósso uccêllo è stato préso, e quésta essêndo la migliór camera. . . capisce béne . .

„Capisco: è la prima pósa de\' nuóvi arrivati.quot; E mi

459

-ocr page 472-

Prosa Narrative.

trasportarono alia parte dél oortile oppósta, ma, ohimè! non I piü a pian terréno, non piü atta al conversare cól mutolino. I Traversando quél cortile, vidi quél care ragazzo seduto a têrra, I attênito, mêsto: capi ch\' éi mi perdéva. Dope un istante I s\' alzó, mi córse incóntro; i secondini voléano cacciarlo, io lo I prósi fra le braccia e, sudiciétto cóm\' égli êra, lo baciai e I ribaciai cón tenerézza e mi staccai da lui — débbo dirlo ? — I cógli ócchi grondanti di lagnme.

Silvio PèlliGo, le mie Prigióni.

Cóme Piêtro Micca si sacrificó per salvare Torino, néll\' anuo 1 706.

I francési, che vivaménte oppugndvono Torino, avévano 1 ordinate un nuóvo assalto péi trênta d\' agósto; ai ventinóve I póco manco che pêr sorprésa non conseguissero ciö che cón 1\' armi procurare agogndvano. Un\' azióne, rara fra le piü rare, virtuósa fra lé piü virtuóse, meritória fra le piü meritórie e dégna d\' essere cón ógni onóre pêr tutti i sêcoli celebrata, fu délla lóro ingannata speranza bêlla ed alta cagióne. Uómo plebêo la féce; perciè nón fu stimata nè premiata cóme e quanto valse. Essêndo le mura tócere péi passati assalti, gli assediati temévano di qualche sorprésa notturna; ónde grandi h fuóchi la nótte nél fósso ed innanzi alle brêcce accendévano, il che serviva eziandlo ad impedire in quéi luóghi 1\' ópere déi minatóri nemici sótto terréni da tanti incêndi affocati. Ma tale cautelarsi non giovö tan to, che la nótte dél 29 agósto (forse Iddio vólle pêr speciale decréto, che in quél moménto il coraggio francése e la virtü piemontése maravigliosaménte spiccAssero) cênto granatiêri francési nón riuscissero nél fósso

460

-ocr page 473-

Prosa Narrativa.

élla piazza, sénza êssere veduti uè sentiti dalle guardie délla luraglia, e non si accostdssero alla porticciuóla délla cortina, !.r opprimervi la guardia estêrna ed occuparne 1\' entrata. II ógo êra state minato pél caso di un assalto generale, ma la ina, benchè camp;rica, non êra ancór munita dél necessario rtifizio, ónde 1\' accenditóre avésse têmpo di salvarsi. II perlcolo ra grave ed imminênte.

Un ufficiale ed un soldato minatóre, pér nóme Piêtro Micca, élla têrra d\' Andórno nél Biellése, intênti all\' ópere stavano lélla gallerla délla mina, néll\' atto stésso che i Franeési minacciavano la pórta. Credéttero perduta la piazza, se i nemici s\' impadronivano di quéll\' entrata; perciocchè veraménte pêr léi néll\' intêrno dél recinto s\' apriva 1\' ddito. Gia la guardia, sorprésa e dal numero soprafatta, êra andata dispêrsa, e gia i granatiêri di Francia, cresciuti d\' ardire e di numero, rótta la prima porta o cancêllo di quélla sotterénea via, cóntro la secónda, ultimo e sólo ostócolo che restava, si travagliavano, e la scotévano e cón le scuri e cón le léve e cói cónii di schiantare s\' argomentavano; ma non Piêtra Micca si stétte. In quéll\' estrêmo moménto: „Salvétevi,quot; all\' ufficiale che gli êra vicino disse: „salvatevi e me sólo qui lasciate, chè quésta mia vita alla patria consacro; sólo vi prégo di pregare il governatóre, perchè abbia pêr raccomandati i miêi figliuóli e la mia móglie, i quali, non saranno póchi minuti scórsi, piü padre nè marito avranno. „L\' ufficiale, 1\' eróica risoluzióne* ammirando, si allontanö. Poichè il devóto minatóre in sicuro il vide, diêde fuóco alla mina, ed in aria mandö il terréno soprappósto e sé stésso e parécchie centinaia di granatiêri franeési che gia 1\' avéano occupato. Micca fu trovato mórto

461

-ocr page 474-

462 Prosa Storica.

sótto le rovine clélla mina ed in póca distanza dal fornêllo Micca, felice pér avér salvato la patria, piü felice ancóra s piü libera e piü riconoscênte patria trovato avésse!

Carlo Bótta, stória d\' Italia.

E. Prósa Stórica.

Mórte dél Duca di Borbóne.

Borbóne, saputo che a Rónia non ci êrano piü soklati, spinse 1\' esêrcito sno alla vólta di quésta citta. Pêr Cjuésta occasióne tutta Róma prése 1\' arme, il perchè essêndo io mólto amico dél figliuólo di Piêró dél Béne, chiaraato Alessandro, e perchè a têmpo che i Colonnési vênnero a Róma, mi richiêse, ch\' io gli guardassi la casa sua, a quésta maggióre occasióne mi pregó, ch\' io facéssi cinquanta compagni pêr guardia di détta casa, e ch\' io fóssi lór guida, siccóme avéva fatto a têmpo de\' Colonnési.

Onde io féci cinquanta valorosissimi gióvani, ed entrammo in casa sua bén pagati e bén trattati. Comparso di gii\\ 1 esêrcito di Borbóne alle mura di Róma, il détto Alessandro mi pregö ch\' io andassi séco a fargli compagnïa; cost andammo, nn di que\' miglióri compagni ed io, e pêr la via ci accompaguö un cêrto giovanétto addimandato Cêcco délla Casa. Giugnémmo alle mura di Campo Santo, e quivi vedémmo quél maraviglióso esêrcito, che gia facéva ógni suo sfórzo, pêr entrare a quél luógo délle mura, dóve nói ci accostammo. V\' êra di rnólti gióvani mórti da quéi di fuóri; quivi si combattéva a pui potére, ed êra una nébbia fólta, quanto immaginarsi póssa. Io mi vólsi ad Alessandro e dissi: „ Ritirtómoci a casa il piü prêsto che sia possibile, perchè qui non è un rimêdio al móndo;

-ocr page 475-

Prosa Storica.

e: quégli rnóntano e quésti függono.quot; Alessandro :M.ii■ i rispóse: „Gosi volésse Iddio che venuti non ci — è cost voltossi cón grandissima furia pér andar-i quale io riprési, dicêndogli: „ Dappói che vói mi ato qui, égli è fórza far qualche atto da uómoquot; — vólto il mio archibuso, dóve io vedéva in un gruppo di glia piü fólta, pósi la mira nél mêzzo appunto ad uno io vedéva sollevato dagli altri: ma la nébbia nón mi ava discêrnere, se quésto era a cavallo o a piè. Völtomi ito ad Alessandro ed a Cêcco, dissi lóro che sparassero

}ro archibusi, ed insegnai lóro il módo, acciocchè nón tocamp;s-

•*gt;

■o un\' archibusata da quéi di fuóri. Cosi fatto due vól te r una, io m\' affacciai alle mura destraménte, e veduto infra \',ro un tumulto straordinario fu che da quésti nóstri cólpi ammazzó — il Duca di Borbóne: e fu quél primo, ch\' io edéva elevato dagli altri, pêr quanto dópo s\' intése.

lienvenuto Cellini.

La tremênda Carestfa a Milano, 162 9. Troviamo nélle relazióni di piü d\' uno stórico il ritratto dél paése, e délla citta principalménte, néll\' invêrno avanzato e nélla primavéra, quando la cagióne véra délla carestïa, o pêr dir méglio, la carestïa stéssa operava sénza ritégno e cón tutta la sua fórza. Ed êcco la cópia di quél ritratto doloróso.

A ógni passo bottéghe chiuse; le fabbriche in gran piwte desêrte ; le strade, un indieibile spettócolo, un córso incessante i misérie, un soggiórno perpêtuo di patiménti. Gli accattóni li mestiêre, diventati óra il minór numero, confusi e perduti n una nuóva moltitüdine, ridótti a htigar 1\' elemósina cón

463

-ocr page 476-

Prosa Stoiica.

464

izióne

lêr k itri c ér la lón ] izarr\' ten1asole

Ms Ira aril

lei

an; ra nén vi(

1)ÓC

.ar( mi

iOC

Irei

\\si

;li al] ur

tê cc

quélli talvolta, da cui in altri giórni 1\' avévano ricevuta Garzóni e fattóri mandati via da bottegéi e da mercanti eb, scemato o mancato affatto il guadagno giornaliêro, vivévam stentataménte dégli avanzi e dél capitale; bottegdi e mercant stéssi, pêr cui il cessar délle faccênde era stato falliménto-rovina; operai d\'ógni manifattura, d\'ógni arte, délle piü comuii cóme délle piü raffinate, délle piü bisognévoli cóme dél! piü voluttuarie, vaganti di porta in porta, di via in vii appoggiati ai canti, accovacciati in sulle lastre, lungo le cas e le chiêse; limosinando lamentabilménte, o esitanti tra bisógno e una vergógna non ancóra domata, sparuti, spossat rabbrividanti pel digiuno néi panni lógori e scarsi, ma clie mólti serbdvano ancóra ségno d\' un\' antica agiatézza: cói nélla scioperéggine e néll\' avviliraénto, compariva nón só qui indizio di abitüdini operóse e franclie. Rimescolati né deplordbile turba, e nón picciola parte di éssa, sêrvi licenzia\' da padróni caduti allóra dalla mediocrity nélla strettézza, pur da facoltósi e da grandi divenuti indbili, in un tal anno a trattenére quélla sólita pómpa di seguito. E pêr ognuno, lt;1 cost dire, di quésti divêrsi indigênti, un numero di altri, avézzil in parte a vivere dél guadagno di éssi: figliuóli, dónne, vêccbi, parénti, aggruppati cói lóro anticln sostenitóri, o dispêrsi in altre parti all\' accatto.

V\' èrano pure, e si discernévano ai ciuffi scarmigliati, ai| brani di vêsti sfarzóse, o anclie a un cêrto che nél portaméntoj e nél gêsto, a quél marebio che le consuetüdini stómpano sui vólti, tanto piü rivelato e distinto, quanto piü sóno strane. mólti di quélla gênia déi Bravi 1) che, perduto, pêr la con-

1

Humllti ilói grandi slgnóri.

-ocr page 477-

Prosa Storica. 465

[izióne comune, quél lóro pane scelerato, ne andavano cercando

êr misericórdia. Domati dalla fame, non gareggiando cógli

Itri che di supplicazióni, ristrétti nélla persóna, si strascindvano

ér la citt!\\, che avévano tante tempo passeggiata, a capo alto,

ión piglio sospettóso e feróce, rivestiti di assise sfaggiate e

izarre, guarniti di ricche armi, piumati, accónci, profumati;

tendévano umilménte la mano, che tante volte avévan levata

iisolênte a minacciare, o traditrice a ferire.

Ma il piü spésso, il piü lürido, il pin sformato brulicame

|ra de\' contadini, scompagnati, a cóppie, a famiglie intêre;

(lariti, mógli, cón bambini tra le braccia o affardellati in su

spalle, cón ragazzi tratti pêr mano, cón vêcchi diêtro.

leuni che, invase e spogliate le case lóro dalla soldatésca,

Itanziata o di passaggio, ne êrano fuggiti desperataménte; e

a quésti ve ne avéva che mostrAvano, a maggióre incita-

lénto di compassióne, e cóme pêr distinzióne di misêria, i

vidi e gli sfrêgi déi cólpi toccati, difendêndo quélle lóro

)óche ültime provvisióni, scappando pure da una sfrenatézza

I \'iéca e brutale. Altri, andati esênti da quél flagêllo partico-

are, ma cacciati da quéi due da cui nessun angolo êra stato

mmune, la sterilita e le gravézze piü esorbitanti che mai, per

5oddisfare a cid clie si chiamava i bisógni délla guêrra, êrano

renuti e venivano alia citta, cóme a sêde antica e ad ultimo

^silo di dovizia e di pia munificênza. Hi potévano distmguere

fcli arrivati di frésco, piü ancóra che all\' andare dubitóso\' e

jall aria nuóva, a una ciêra di stupóre iracóndo del trovare

lun tal cólmo, un tal ribócco, una tanta rivalita di misêria, al

Itêrmine dóve avévan creduto di comparire oggêtti singolari di

jcompassióne e di attrarre a sé gli sguardi e i soccórsi. Gli 1 itai.iaansohe taal. 30

cevuta iti cli, vévij ercam énto iomui dé

i vi 3 cai tra Dssat he cón qui nél nzia ia, iiino 10

s^ézz: 3chi

ii in

, ai

into

sui

-ne.

on-

-ocr page 478-

Prosa Storica.

altri che da piü o mén têmpo giravano le vie della citta, stiracchiando la vita cói sussidi conseguiti o toccati cóme in sorte, in una tanta disparity tra il sussidio e il bisógno, portóvano esprêssa néi sembianti e négli atti una piü cupa e tórbida costernazióne. Varii d\' dbiti o di cênci e pur d\' a-spétto in mezzo al comune stravolgiménto; facce scialbe del basso paése, abbronzate del piano di mêzzo e delle colline, sanguigne di montanari, tutte scarne e consunte cón óccbi incavati, cón un affisare tra il tórvo e l\'insensato, rabbaruffate le cbióme, lunghe le barbe e órride; córpi cresciuti e induriti alia fatica, esausti óra dal disagio; raggrinzata la pêlle sulle braccia aduste e sugli stinchi e sui pêtti ossuti, che apparlvano dallo stracciume scompósto. E diversaménte, ma non méno doloróso di quésto aspétto di vigóre abbattuto, l\'aspétto d\'una natura piü prêsto conquisa d\'un languóre e d\'uno sfiniménto piü abbandonato, nél sêsso e néll\' eta piü déboü.

Qua e la per le vie e péi crocicchi, rasênte i muri, sótto le grónde, qualche strato di paglia e di stóppie pêste e trite, miste d\' immóndo ciarpame, e una tale schifézza êra pur dóno e studio di carita, êrano giacigli apprestati a qualcheduno di quéi tapini, per posarvi il capo la nótte. Tratto tratto vi si vedéva, anche di giórno, giacére o sdraiarsi taluno a cui la stracchézza o l\'inêdia avévan vinta la léna e trónche le gambe: talvólta quél tristo létto portava un cadavere: talvólta 1\' esinanito stramazzava al-1\' improvviso e rimanéva caddvere in sul selciato della via.

466

Prêsso a qualcheduno di quéi prostrati si vedéva pure curvato qualche passeggiêro o vicino attirato da una sübita compassióne. In qualche luógo appariva un soccórso ordinate cón piü lontana previdénza, mósso da una mano ricca di mêzzi ed esercitata a

UMMUISUWS

-ocr page 479-

Prosa Storica.

beneficare in grande; ed êra la mano del buón Pederigo. Avéva égli fatto scélta di sêi prêti, néi quali una carita vo-lonterósa e tenace fósse accompagnata e servita da una com-plessióne robusta; gli avéva divisi in cóppie, e ad ognuna assegnato una têrza parte della citta da percórrere cón diêtro facchini ciiriclii di varii cibi, di altri piü sottili e piü prónti ristorativi e di vestiménti. Ogni mattina le tré cóppie si mettévano pér le vie da divêrse bande, si accostavano a quéi che incontréssero abbandonati pêr terra, e ddvano a ciascuno quéll\' aiuto di che fósse capace. Taluno gii\\ agonizzante e non piü atto a ricévere aliménto, ricevéva gli ültimi «occórsi e le consolazióni della religióne. A cui il oibo potésse ancóra êsser rimêdio, dispensavano minêstre, uóva, pane, vino; ad altri estenuati da piü antico digiuno porgévano consumati, stillati, vino piü generóso, riavêndoli prima, se facésse bisógno, cón cordiali e cón acéto potênte. Insiême scompartivano vestiménti alle nudita piü scónce e piü doloróse.

Nè qui finiva la lóro assistênza: il buón pastóre avéva voluto, che, alméno dóv\' élla potéva arrivare, recasse un solliêvo efficace e non momentaneo. I poverétti, a cui quél primo nstóro avésse renduto fórze bastanti pêr rêggersi e per camminare, venivano dai ministri medésimi sovvenuti di qual-che danaro, affinchè il. bisógno rinascênte e la mancanza d\' altro soccórso nón li ritornasse bén tösto néllo stato di prima; agli altri cercévano ricóvero e manteniménto in qual-che casa delle piü vicine. Se ve n\' êra alcuna di benestanti, ivi 1\' ospizio pêr lo piü veniva accordato per carita e alle raccomandazióni del cardinale; in altre, dóve al buón volére mancassero i mêzzi, richiedévano cjuéi prêti che il poverétto

467

-ocr page 480-

Prosa Storica.

fósse ricevuto a dozzina, pattulvano il prêzzo, e ne sborsdvauo tósto una parte a cónto. Davano pói di quésti, cosi albergati, nota ai pdrrochi che li visitAssero, e tornavano éssi medésimi a visitarli.

Nón occórre pur dire che Federigo non ristringéva le sue cure a quésta estremitil di patiménti, nè 1\' ave va aspettata pêr commuóversi. Quélla carita arden te e versatile dovéva tutto sentire, in tutto adoperarsi, accórrere dóve nón avé va potuto anti venire, prevedére, per dir cost, tante fórme, in quante si diversificava il bisógno. In fatti, radunando tutti i suói mêzzi, rendêndo piü rigoróso il risparmio, mettêndo mano a risparmi, destinati ad altre liberality divenute óra d\' una importanza tróppo secondaria, avéva égli cercato ógni via di far danari, pêr impiegarli tutti in alleggiaménto della penuria. Avéva fatte grandi cómpre di grani, e quésti spediti una buóna parte ai luóghi piü penuriósi della diöcSsi; e cóme il soccórso êra lungi da pareggiare il bisógno, vi spedi pure cópia di sale, cón che 1\' êrbe del prato e le cortêcce dégli alberi si convêrtono in vitto umano. Grani pure e danari avéva scompartiti ai parrochi della cittè; égli stésso la per-corréva per quartiêre, dispensando elemósine; sovveniva in segréto mólte famiglie indigênti; nél palazzo arcivescovile si cocéva giornalménte una gran quantita di riso; e due mila scodêlle n\' êra no quivi distribuite ógni mattina.

Ma quésti effètti di carita, che possiamo certaménte chiamare grandiósi, quando si consideri che venïvano da un sól uómo e dai sóli suói mêzzi — giacchè Federigo ricusava pêr costume di farsi dispensatóre delle liberality altrui; — quésti insiême cólle liberality di altre mani private, se non cosi fecónde, pur

468

-ocr page 481-

Prosa Storica.

numeróse; insiême cólle sovvenzióni che il Consiglio déi Decurióni 1) avéva assegnate a quólla derelizióne, commettên-done la dispénsa al tribunale di provvisióne, riuscivano, rispétto al bisógno, scarsi e inadeguati. Méntre ad alcuni montanari e valligiani, vicini a morir di fame, veniva, cói soccórsi del cardinale, prolungata la vita, al tri giungévano all\' estrêmo têrmine dell\' inópia; i primi, consunto il misurato soccórso, vi ritorn4vano; in altre parti, nón dimenticate ma pospóste cóme raéno angustiate da una carita costrétta a scégliere, le angustie divenivano mortali; pêr ógni dóve si periva, da ógni .dóve si accorréva alla citta. Qui, due migliaia, poniamo, di affamati piü vAlidi ed espérti a superare la concorrênza e a farsi largo, avévano acquistata una minestra, tanto da nón morire in quél giórno ; ma piü altre migliaia rimanévano indiêtro, invidiando quéi, dirémo nói, piü fortunati, quando, tra i rimasti addiêtro, vi êrano sovênte le mógli, i figli, i padri lóro ! E frattanto che, in tré punti della citta, alcuni di quéi piü derelitti a fine, venlvano levati di têrra, rianimati, ricoverati, e provve-duti pêr qualche tempo, in cênto altre parti, al tri cadévano, languivano o anclae spirdvano sénza provvedirnénto, sénza refrigêrio.

Tutto il giórno si udiva pêr le vie un ronzfo confuse d\' implorazióni lamentóse, la nótte un susurro di gêmiti, rótto di quando in quando da üluli scoppiati all\' improvviso, d\'alte e lunghe vóci di gêmito, d\'accênti profóndi d\'invocazióne,» che terminavano in istrida acute.

469

„Vidi ioquot; scrive il Ripamónti, „nélla strada d\' intórno alle mura il caddvere giacênte d\' una donna ... Lé usciva di

1) Consiglio apparlenènte alla magistratura di Milano.

-ocr page 482-

Prosa Descrittiva.

bócca dell\' êrba mêzzo rosicc]iiata, e ]e labbra contaminatel facóvano ancóra quasi un atto di sfórzo rabbióso .... Avéval un fardellétto in ispalla, e appéso colle fasce al petto un| bambino, che eól vagi to cbiedéva la póppa .... Ed êranol sopravvenute persóne compassionévoli, le quali, raccólto il mes-chinêllo di têrra, ne lo portóvano, adempiêndo cosi iutanto il primo ufficio matêrno.quot;

Chi avéva di che soccórrere, doveva peró fare un tristo discerniménto tra fame e fame, tra estremita e estremita, e appéna si vedéva una mano pietósa scêndere nélla mano d\'un infelice, nascéva all\' intórno una gara d\' altri infelici; colóro a cui rimanéva piü di vigóre, si facévano innanzi a cbiêdere cón piü istanza; gli estenuati, i vêccbi, i fanciulli levavano le palme scarne; le madri alzavano da lontano e protendévano i bambini piangênti, mal ravvólti nélle fasce cencióse, e ripiegati per languóre nélle lóro mani.

Finalménte perö comincidvano quéi benedétti campi a imbion-dire. T pezzênti del contado uscïrono e se ne andarono, ognuno dalla sua parte, a quélla tanto sospirata segatura. II buón Federigo gli accomiató cón un ultimo sfórzo, e cón un nuóvo ritrovato di carita: ad ógni contadino, che si presentasse al-1\' Arcivescovado, féce dare un Giulio 1) e una falce da mietere.

Manzoni. I promèssi Spósi.

F. Frósa Descrittiva.

II Cimitêro di Barcellóna.

Fuór della citta di Barcellóna, una delle cóse piü notévoli è il cimitêro, ad una raêzz\' óra di carrózza dalle pór te, in mêzzo a una vasta pianura. Visto di fuóri dalla parte del-

ij Spèclc di monéta.

470

-ocr page 483-

Prosa Descrittiva.

1\' entrata, pare un giardino; e fa sollecitare il passo cón un fsentiménto di curiosita quasi allégra. Oltrepassata appéna la sóglia, si è dinanzi a uno spettacolo nuóvo, indescrivibile, afFatto divêrso da quéllo a cui si êra preparati. Si è in mêzzo a una citta silenziósa, attraversata da lunghe strade desêrte, fiancheggiate da muri di uguale altézza, diritte, chiuse in fóndo da altri muri. Si va óltre, si arriva a un crocicchio, e di la si védono altre strade, altri muri in fóndo, altri crocicchi lontani. Par di êssere a Pompéi. I mórti son méssi dêntro ai muri, per lungo, e dispósti in varii órdini, cóme i libri nélle bibliotêche.

A ógni cassa corrispónde sul muro una spêcie di nicchiétta, nélla quale è scritto il nóme del sepólto; dóve nón c\' è sepólto alcuno, la niccbia porta scritta la paróla: propie-dad, che vuól dire che il pósto è stato comprato. La maggiói\' parte delle nicchie sóno chiuse da un vétro, altre da inferriate, altre da una réte sottilissima di fil di fêrro, e contêngono una varieta grande di oggêtti póstivi dalle famiglie in omaggio déi mórti: cóme ritratti in fotograf la, altarini, quadri, ricami, fióri finti, e sovênte anco nümoli che lóro fürono cari in vita, nastri, moïiili di dónne, giocattóli di ragazzi, libri, spille, quadrétti ; mille cóse che rammêntan la casa e la famiglia, e indïcano la professióne di colóro cui appartenévano; e nón si póssono guardare sénza tenerézza. Di tratto in tratto si véde una di codéste nicchie sfondate, e dêntro buio: ségno che ci si ha da mêttere una cassa nélla giornata. La famiglia del raórto déve pagare un tanto all\' anno pér quéllo spazio: quando céssa di pagare, la cassa viên tólta di la e portata nélla fóssa comune del campo santo dei póveri, a cui si giunge

471

-ocr page 484-

Prosa Descrittiva.

bocca dell\' êrba mêzzo rosicchiata, e le labbra contaminate facévano ancóra quasi un atto di sfórzo rabbióso .... Avéva un fardellétto in ispalla, e appéso colie fasce al pêtto un bambino, die cól vagito chiedéva la póppa .... Ed êrano sopravvenute persóne compassionévoli, le quali, raccólto il mes-cbinêllo di têrra, ne lo portavano, adempiêndo cost intanto il primo ufficio matêrno.quot;

Chi avéva di che soccórrere, doveva perö fare un tristo discerniménto tra fame e fame, tra estremita e estremita, e appéna si vedéva una mano pietósa scêndere nélla mano d\'un infelice, nascéva all\' intórno una gara d\' altri infelici; colóro a cui rimanéva piü di vigóre, .si facévano innanzi a chiêdere cón piü istanza; gli estenuati, i vêcchi, i fanciulli levavano le palme scarne; le madri alzévano da lontano e protendévano i bambini piangênti, mal ravvólti nélle fasce cencióse, e ripiegati per languóre nélle lóro mani.

Fmalménte perö cominciavano quéi benedétti campi a imbion-dire. I pezzênti del contado usdrono e se ne andarono, ognuno dalla sua parte, a quélla tanto sospirata segatura. II buón Federigo gli accomiatö cón un ultimo sfórzo, e cón un nuóvo ritrovato di carita; ad ógni contadino, che si presentasse al-1\' Arcivescovado, féce dare un Giulio 1) e una falce da mietere.

Manzoni. I promèssi Spósi.

P. Prósa Descrittiva.

II Cimitêro di Barcellóna.

Fuór della citta di Barcellóna, una delle cóse piü notévoli è il cimitêro, ad una mêzz\' óra di carrózza dalle pórte, in mêzzo a una vasta pianura. Visto di fuóri dalla parte del-

1) Spêcle di monóta.

470

-ocr page 485-

Prosa Descrittiva-

1\' entrata, pare un giardiuo; e fa s^ecitare il passo cón un sentiménto di curiosita quasi allégra* Oltrepassata appéna la sóglia, si è dinanzi a uno spettar0^0 nuóv0\' indescrivibile, affatto divêrso da quéllo a cui si êif preparati. Si è .vn mêzzo

a una citta silenziósa, attraversata da lunghe strade desêrte\' fiancheggiate da muri di uguale alté^a\' chiuse in fóndo

da altri muri. Si va óltre, si arrivé a un crocK\'c^0\' e ^ ^ si védono altre strade, altri muri \'n ^ndo\' a^ri crocicchi lontani. Par di êssere a Pompéi. 1 mórti son méssi dêntro ai muri, per lungo, e dispósti in vani órdim\' cóme 1 libri nélle bibliotêche.

A ógni cassa corrispónde sul mui\'0 una sP^(^e d^ niccbiétta, nélla quale è scritto il nóme del sePólto: dóve nón c\' è sepólto alcuno, la nicchia porta saquot;^a Par6^a \' Pv 0 P iequot; dad, che vuól dire che il pósto è s\':a^() comprato. La maggiói parte delle nicchie sóno clnuse da u\'1 ^étro, altre da inferriate, altre da una réte sottilissima di fil férro, e contêngono una varieta grande di oggêtti pósti\\u dal\'6 famiglie in omaggio déi mórti: cóme ritratti in fotografïa, a^arai^\' q^adri, ricami, fióri tinti, e sovénte anco ninnoli che ^10 ^l\'uquot;ono car^ v^a\' nastri, monili di dónne, giocattóli dj ragazzii hbri, spille, quadrétti; mille cóse che rammêntai1 ^a casa e ^a ^am^ë^a\' e indicano la professióne di colóro cui appartenévano, e nón si póssono guardare sénza tenerézza. ^ratto in tratto si véde una di codéste nicchie sfondate, e dêntro buio: ségno ehe ci si ha da mêttere una cassa nélla giornata. La famiglia del mórto déve pagare un tanto all\' anno1\' quéllo spazio. quando cèssa di pagare, la cassa tólta di la e portata nélla fóssa comune del campo santö de^ póveri, a cui si giunge

471

-ocr page 486-

Prosa Descrittiva.

pêr una di quélle strade. Méntre êro la, fu fatta una sepol-tura: vidi in lontananza mêttere la scala, e sollevar su la cassa, e tirai via.

Una nótte, un pazzo si cacció in uno di quéi fóri vuóti: passö un guardiano del cimitêro cón una lantêrna, il pazzo mandö un grido per fargli paüra, e il pover\' uómo cadde a têrra cóme fulminato, e féce una malattia mortale, In una nicchia vidi una bêlla trêccia di capélli bióndi, che êrano appartenuti a una ragazza di quindici anni, mörta annegata, e c\'êra cucita una cartolina cón su scritto: „Querida!quot; (cara). A ógni passo, si véde qualcósa che colpisce la niénte ed il cuóre; tutti quégli oggêtti fanno 1\' effêtto d\' un mormorïo confuse di vóci di madri, di spóse, di bambini, di vêcchi, che di\'cono sommessaménte a chi passa: Són io! Guarda! Ad ógni crocicchio sórgono stótue, tempiétti, obelischi, cón iscrizióni in onóre déi cittadini di Barcellóna che fécero ópere di carita durante 1\' infierire délla fébbre gialla nél 1821, e nél 1870.

Quésta parte del cimitêro, fabbricata, se cosi puö dirsi, a cittó, appartiêne alia classe media délla popolazióne; e confina, cón due vasti recinti, uno destinato ai póven, nudo, piantato di grandi cróci nére; 1\' altro, destinato ai ricchi, piü vasto anche del primo, coltivato a giardino, circondato di cappêlle, vario, ricco, stupêndo. In mêzzo a una forêsta di sólici e di ciprêssi, s\' indlzano da ógni parte colonne, cippi, tómbe enórmi, cappêlle marmóree, sopraccariche, di sculture, sormontate da ardite figure d\' arcdngelo, che lévan le braccia al ciêlo; pird-midi, gruppi di statue, monuménti vasti cóme case, che sovni-stano agli\' alberi piü alti; e fra monuménto e monuménto cespugli, cancellate. aiuóle fiorite; e néll\' entrata, tra quésto

472

-ocr page 487-

Prosa Descrittiva.

e 1\' altvo campo santo una stupênda chiesuóla di marmo, cinta di colonne, mêzzo nascósta dagli Alberi, che prepara nobilménte 1\' Animo al magnifico spettdcolo del di dêntro. AH\' uscire da quésto giardino si riattravêrsano le strade deaêrte délla necró-poli, che paiono anche piü silenzióse e piü triste che ai primo entrare. Varcata la sóglia, si risaluta cón piacére le case variopinte déi sobbórghi di Rarcellóna, sparse per la campagna, cóme avantiguardie mésse la ad annunziare che la popolósa cittA si dilata e si avanza.

Edmondo de Amicis, S p a g n a.

La Cattedrale di Siviglia.

Pér descrlvere aramódo codésto smisurato edifizio, bisogne-rébbe aver aótto mano una raccólta di tutti gli aggettivi piü sperticati e di tutte le piü strampalate similitüdini che usdrono dalla pénna degli iperboleggiatóri di tutti i paési, ógni vólta che ébbero a dipingére qualcósa di prodigiosaménte alto, di mostruosaménte largo, di spaventosaménte profóndo, d\' incre-dibilménte grandióso. Quando ne parlo cógli amici sénza accórgermene, faccio anch\' io, cóme il Mirabeau di Vittóre Hugo, un colossal mouvem\'ent d\' épaules, e góniio le góte e ingrósso a grado a grado la vóce a somiglianza di Tommaso Salvini nélla tragêdia Sansóne, quando cón un accênto che fa frêmer la platêa, dice che si sênte ricréscer ne\' nêrvi il vigóre. Parlar della cattedrale di Siviglia stanca cóme suonaré un grósso struménto a fiato, o sostenére una conversazióne da una spónda all\' altra d\' un torrênte rumoróso.

La cattedrale di Siviglia è isolata in mêzzo ad una vastls-sima piazza, e peró se ne puó misurar la grandézza cón un

473.

-ocr page 488-

Prosa Descrittiva.

cólpo d\' occhio. Sul primo moménto peusai al motto famóso. che proferi il Capltolo délla Cliiêsa primitiva, decretaudo li 8 Luglio del 1401, la costruzióne della nuóva cattedrale: — Inalziamo un siffatto monuménto die faecia dire ai pósteri, che nói eravamo pazzi. — Quéi reverêndi canónici nón hanno fallito al lói-o iutênto. Ma pêr accertórsene, bisógna entrare.

L\' aspétto estêrno della cattedrale e grandióso e magnlfico; ma sénza paragóne méno che 1\' intêrno. Manca la facciata; un al to muro circónda tutto 1\' edifizio a módo d\' una fortézza. Pêr quanto si giri e si guardi, nón si riêsce a fissar nélla ménte un contórno ünico che, al pari déll\' eplgrafe d\' un libro, pórga un chiaro concétto del diségno dell\' opera; si ammira e si prorómpe piü d\' una volta nell\' isclamazióne: — E immênso! — ma nón ci si appaga; e s\'êntra nélla cliiêsa fret-tolosaménte, desdderósi di pro vare un sentiménto di maraviglia piü intêro. Al primo entrare si rimane sbalorditi, ci si sênte smafriti cóme in un abisso; e pêr qualche moménto nón si fa che descrlvere cóllo sguardo immense curve pêr quél-1\' immênso spazio, quasi pêr accertarsi che la vista nón c\' in-ganna e la fantasia nón c\' illude. Pói ci si avvicina a uno déi pilastri, si misura, e si guardano gli altri lontani: són gróssi cóme tórri, e pdion sottili da far frêmere al pensiêro che 1\' edifizio vi póggia su. Si percórrono ad uno ad uno, cón uno sguardo rópido dal paviménto alla volta, e par di potér contare i moménti che lo sguardo impiêga a salire. Són cinque navate, che formerébbero ciascuna una grande cliiêsa. In quélla di mezzo potrébbe passeggiare a têsta alta un\' altra cattedrale cólla sua cüpola e il suo campanile.

Tutte insiême fórmano sessant\' ótto volte ardimentóse, che.

474

-ocr page 489-

Prosa Descrittiva.

a guardarle, par che lentaménte si allarghino e si sollévino. Tutto è enorme in quésta cattedrale. La cappêlla maggióre, pósta nél mêzzo della navata principale, e alta fin quasi a toccar la volta, pare una cappêlla, costrutta pêr de\' sacerdóti giganti a\' quali gli altari comuni nóu arrivano sine al ginóc-chio; il céro pasquale sêmbro un albero di bastiménto; il candelabro di brónzo che lo soppórta un pilastro d\'una chiêsa; gli órgani, case; il córo è un musêo di scultura e di cesella-tura, da meritare éi sólo una vlsita d\'una giornata. Le cap-pêlle sóno dégne délla chiêsa: vi sóno profusi i capolavóri di sessantasêtte scultóri e di trentótto pittóri. •■II Montanes, il Zurbaran, il Murillo, il Valdes, 1\'Herréra, il\'Boldan, il Roëlas, il Campana v\' hanno lasciato mille tracce immortali délla lóro mano. La cappêlla di San Ferdinando, che racchiude i sepólcri di quésto re, della sua spósa Beatrice, di Alfonso il Saggio, del cêlebre ministro Florida Blanca e d\'altri personaggi illustri, è una delle piü bêlle e piu ricche.

II córpo del^ ré Ferdinando, che redênse Siviglia dalla signoria dégli Arabi, vestito della sua assisa guerriêra, cólla corona e cól man to, ripósa in una cassa di cristallo, copêrta d\'un véle. Da un lato è la spada che portava il giórno délla sua entrata in Siviglia; dall\' altro la canna, emblema del comando. In quélla, stéssa cappêlla si consêrva una pïccola vêrgine d\' avório, che il santo ré portava séco in guêrra, e

4

altre relïquie di gran val óre. Nélle restanti cappêlle sóno grandi altari di marmo, tómbe di stile gótico, statue di piêtra, di légno, d\' argênto, chiuse in ampie casse di cristallo, cól pêtto e le mani copêrte di diamanti e di rubini; e stupêndi quadri, che, sgraziataménte, la scarsa luce, che scênde dalle

475

-ocr page 490-

Prosa Descrittiva.

alte fiuêstre, non rischiara tan to die si póssano ammirare in tutta la lóro bellézza.

Ma dalla considerazióne delle cappêlle, dei quadri, delle sculture si ritórna sénza pósa ad ammirare la cattedrale nél suo grfindióso e, se si potésse dire, fonnidabile aspétto. Dópo êssersi slanciati su fino a quélle altézze vertiginóse, lo sguardo e la ménte ricAdono a têrra, quasi stanchi dello sfórzo, cóme pér ripigliar nuóva léna a salire. E le ivnmagini, che vi pnllülano nél capo, rispóndono alia vastita della basilica: angeli sraisurati, têste di cherubini mostruóse, ali grandi cóme véle di naviglio, e svolazzi di manti camp;ndidi immênsi. L\'impressióne che vi produce\' codésta cattedrale è tutta religiósa, ma non mêsta; è quél sentiménto, che traspórta il pensiêro négli spazi interminati e néi tremêndi silénzi, néi quali s\' annegava il pensiêro di Leopardi; è un sentiménto piéno di desidêrio e di ardire; il brlvido voluttuóso, che si pró va suil\' órlo d\'un abisso; il turbaménto e la confusióne delle grandi idêe; il di-vino terróre dell\' infinite.

Cóme è la cattedrale piü varia della Spagna (chè 1\' achi-tettura gótica, la germdnica, la grêco-romana, l\'araba, e quélla nominata volgarménte platarésca vi lasciarono ciascheduna una imprónta), élla è pure la piü ricca e la piü privilegiata. Néi têmpi della maggiór potênza del clêro, vi si bruciavano ógni anno vénti mila libbre di céra; vi si celebróvano ógni giórno, su ottanta altari, cinquecênto mésse; il vino, che si consumava nél sacrifizio, ascendéva all\' incredibile quantita di diciottomila sêttecênto cinquanta litri. T canónici avévano un servidorame da monarchi, si recamp;vano alla chiêsa in splêndide carrozze, tirate da supêrbi cavalli, si facévano sventolare dai

476

-ocr page 491-

Prosa Descrittiva.

chiêrici, méntre celebravan la méssa, cón enórmi ventagli, ornati di piume e di pêrle; diritto coneêsso lóro dal Papa, del quale aleuni approfittano ancóra óggigiórno. Nóu occórre par-lare delle fêste della settimana santa, che sóno ancóra adêsso famóse nél móndo, e alle quali accórre gênte da tutte le parti d\' Europa. Ma il privilêgio piü curióso della cattedrale di Siviglia è la cosi détta danza de los seises, die ha luógo ógni séra, suil\' imbrunire, pêr ótto giórni consecutivi, dópo la fêsta del Corpus Domini. Poichè fui in Siviglia in quéi giórni, 1\' andai a vedére, e mi parve cósa dégna di êsser de-scritta. Da quanto me n\' êra stato détto prima, mi paréva che la dovésse êssere una pagliacciata scandalósa, ed entrai nélla chiêsa coll\' animo preparate a un sentiménto di sdégno pêr la profanazióne del luógo sacro. La chiêsa êra büia; la sóla cappêlla maggióre illuminata; una fólla di clónne ginoc-chióni ingombrava lo spazio fra la cappêlla e il córo.

Alcuni prêti stavan seduti a dêstra e sinistra dell\' altare; davanti alla gradinata êra distéso un ampio tappéto; due file di ragazzi dagli ótto ai dódici anni, vestiti da cavaliêri spa-gnuóli dél mèdio êvo, cón cappêllo piumato e calze bianche, êran schierati gli uni di frónte agli altri, in faccia all\' altare. A un cênno dato da un sacerdóte, una soave inüsica di violini ruppe il silênzio profóndo della chiêsa, e le due schiêre di ragazzi si móssero cón un passo di contraddanza, e comincidpno a dividers!, a intrecciarsi, a sciógliersi, a riannodarsi cón mille graziosissimi giri; e poi prorüppero tutti insiême in un canto aimonióso e gentile, che echeggió néll\' oscurita della vasta cattedrale cóme la vóce d\' un córo d\' dngeli; e un moménto dópo si mfsero ad aecompagnare la danza ed il canto cólle

477

\'l

-ocr page 492-

Prosa Descrittiva.

mk\'chere. Nessuiia cerimónia religiósa mi commósse mai cóme quésta. E impossibile esprïmere 1 effêtto che producévano quélle vocine sótto quélle immênse volte; quélle creaturine ai piêdi di quéll\' al tare enórme; quélla danza compósta, quasi ümile; quél costume antico, quélla fólla prostrata, e intórno intóruo quélle tênebre. Uscii dalla chiêsa coll\' Anima seréna cóme sé avéssi pregato.

Méntre stavo pêr uscir dalla chiêsa, uu sacrestano mi féce uu cênno, mi coudusse diêtro al córo e m\' indicö una lastra del paviménto, sulla quale lêssi una iscrizióne che mi féce battere il cuóre. Sótto quélla piêtra sóno sepólte le óssa di Ferdinando Colómbo, figlio di Cristoforo, nato a Cordova, mórto a Seviglia il 12 Luglio del 1536, néll\' eta di cinquan-t\' anni. Sótto l\'iscrizióne si lêggono alcuni dlstici dél seguênte significato: „Che vale ch\'io abbia bagnato déi miêi sudóri 1\' intêro univêrso, ch\' io abbia percórso tré volte il nuóvo móndo scopêrto da mio padre, ch\' io abbia abbellito le rive del tranquillo Bêti e preferito i miéi gusti sémplici alle ric-chézze, pêr riunire intórno a te le divinita della sorgènte di Castalia, e offrirti i tesóri raccólti gia da Tolomêo, se tu, passando in silênzio su quésta piêtra, nóu rivólgi nemméno un saluto a mio padre e a me un liêve ricórdo?quot;

II sacrestano, che ne sapéva piü di me, mi spiegö quésta iscrizióne. Ferdinando Colombo fü, giovanïssimo, paggio di Isabella la Cattólica e del principe Dón Giovanni; viaggió nélle Indie cón suo padre e suo fratêllo, 1\' ammiraglio Dón Diêgo, segui 1\' imperatóre Carlo V nélle sue guêrre, féce altri viaggi in Asia, in Affrica e néll\' Amêrica, e pêr tutto raccólse cón infinite cure e ingênti spése libri prezioslssimi, déi quali

478

-ocr page 493-

Prosa Descrittiva.

479

I compóse una bibliotêca, clie dópo la sua mórte passö nélle | mani del capltolo della cattedrale, e rimane tuttóra cól tltolo | famóso di Bibliotêca Colombina. Prima di morire scrisse égli | stésso i distici latini, che si lêggono sulla piêtra della sua I tómba, e manifestö il desidêrio di êssere sepólto nélla cattedrale. Négli ültimi moménti della sua vita si féce portare un vassóio piêno di cénere, se ne aspêrse il viso, pronunziando le paróle della Sacra Scrittura: memento homo quia pulvis es 1), intonö il Te Deum, sorrise e spiró cólla serenita d\' un santo. Sübito mi prése il desidêrio di visitar la bibliotêca e uscii dalla chiêsa.

Ijó stésso.

t) Bedenk, u mensch, dat gy stof zijl.

-ocr page 494-

VOCABOLARIO.

De met een * geteekende Werkwoorden zijn onregelmatig.

Aalmoes Aanbieden Aandachtig Aandoen,

schokken Aandrijven Aangenaam

Aanheffen

Aanhooren

Aankomen

(er op)-Aan nemen Aanspreken

Aanstellen (zich)-

Aantrekken

Aanvaarden

Aanvallen

A a n v a n k e 1 ij k -

Aanwenden Aanzetten

Aar Aard Aarde Aardig

- limósina. ■ offrire. *

- attento.

- scuótere. *

- spingere. *

- piacévole, aggra-

dévole.

- intonare.

- ascoltare.

- arrivare.

- trattarsi.

- asstimcre. *

- indirizzarc la

paróla a.

- comportarsi.

- métter e. *

- intrapréndere. *

- attaccare.

- al principiOy in,

da, alla prima.

- adopcrarc.

- eccitare, ine it are,

impéllere.

/

- spiga.

- indole.

- terra.

-gentile.

Aardworm Abrikoos Abrikozeboom-A c h t nemen

(zich in) Achten Achting Advertentie

Advokaat Afdalen Afgeloopen A fh alen

Afkrijgen

Afloeren

Afpersen

Afraden

Afscheid

Afschilderen ■

Afschudden

Afwezigen

Afwikkelen

Afzetten (hoed)

Akker

Al

Algemeen Alpen

— lómbrico.

— albicócca.

— albicóeco.

— stare * in eer-

véllo.

— sthnare.

— stima.

— avviso, notijica-

zióne.

— avvocato.

— scéndere. *

— scórso.

— venire * per,

préndere. * —Jinire,

— desimparare.

— sprémere. *

— dissuadére. *

— addio, congjdo,

comiato.

— dipingere. *

— scuótere. *

— lontani.

— disvólger e. *

— levare.

— campo.

— tutto. —generale.

— Alpi.


-ocr page 495-

Vocabolario.

481

IA1 g e r ij n s c h

IA 11 ij d lAl vorens IA m h t

[Amsterdam lAnder lAnders jAntwoorden Apotheker Appel

(Appelboom | A r e n d IA r m A r m

IA r n h e m | A s c h

Usch leggen

(in de)

| A s p e r s i e [Audiëntie Avond [Avondmaal „ gebruiken■

B.

[Baard

„ (zware) [Balk [Bank Bankier

Barbaarseh

Baron

Barones

Beantwoorden-Bed

Bedanken voor-Be d d e 1 a k e n -ITAUAANSCHE TAAI.

- algerino.

- sémpre.

- avaniichè.

- impiégo.

- Amstelodamo.

- altro.

- sénza di che.

- rispónder e. *

- speziale.

-pómo, niéla.

- póf no, mélo.

- dquila.

- braccio.

- pói\'ero.

- Arnania.

- cétiere.

- incenerire.

- spdrago.

- uddiénza. • sêra.

- céna.

- cenare.

- bar ba.

- ba r ba fólta.

- trave.

- scanno, banco.

- banquiéro, ban-

quiérc.

- bar bar o.

- baróne.

- baronéssa.

- corrispóndere * a.

- létto.

- ringraziarc di.

- Icnzuólo.

Bedenken

Bediende

Bedoelen

Bedoeling

Bedreiging

B e d r i e g 1 ij k

Bedriegen

Bedroeven

B e d r ij v e n Beeld

Beeldhouwer Beeldhouwkunst Been

Been (beenderen)

Beest B e g e e r e n Begeerte Begrafenis Begraven B e g r ij p e n

B e h a 1 e n

Behanger

Behooren

B e h o o r 1 ij k

Bekend

Beklagen

Bekommeren

o m (z i c h) Bekome n (goed) Bekomen (a 1 e c h t)

— consider are.

— ser vit óre.

— mirare.

— intenzióne.

— minaccia.

— ingannatóre.

— ingannare.

— affliggere, * com-

pdgnere. *

— comméttcre. *

— imago (poet.), i/n-

mdgine.

— scultóre.

— scultura.

— gamba.

— ósso.

■— bést ia.

— appetire. *

— desio, desidério. ■—- eséqh ie.

— seppcllire. *

— compréndere, *

cap ire. *

— riportare.

— tapezziére.

— appartcnére. *

— convenévole.

— conosciuto,

— lagnarsi, compid-

gnersi. *

— curarsi di.

—far * Intón pró. —far * mal pró.


31

-ocr page 496-

482

Vocabolario.

Bespottelijk — ridicolo.

Besproeien — aspérgere.

Best doen (z ij n) —far 5110 possibile.

p i n n« innc itte lau\\ lik liks line loei loe loe iloz Blijk Bode loei ek )ei )n

30

Bestaan Besteden Besturen Bestij gen Betalen Beteekenen

Beter Beter zijn Betrappen

„ (op de d a a d)

Betrekking — condizióne. Betreuren — dip lor are. Betuigen —condolére.*

r o vi w

beklag)

oo co !oo (or ou

o u ov ra ra

Beurs Bevelen Bevolken Bevolking

Bevorderen

Bereiken Berekening Bericht Berichten Berispen Bernard Beroemd Beroofd van Bescheidenheid Beschouwen Beschuld i-

gen Besluiten

promozióne. ■ intbnidire. *

— guar dare. —preténdere. * —• ammirare. próva.

ra re re

i

— esaminarc. liquot;1 —possedérc. * F(

— visita. k\'

— hirra. ^\'

Bekwaam -

Bekwaamheid-

Bel -

Belachelijk -Beladen -Beleedigen -Beleefd Bellen

Beloonen Belooning -Belooven Bemerken B e m i n n e 1 ij k ■ Beminnen Benadeelen B eoefenen Bepaald

Beperken B epleisterd

campana.

ridicolo.

car kar e.

offenderc. *

• cortése.

sonar e il camp a ncllo.

— ricompensare.

— guiderdóne.

— pro mét tere. *

— accórgersi*

— amdbile.

— amare. i

— nuóccre. (

— studiare.

— fissato, prefisso,

convenuto, appun-

tato.

— restringere. *

— intóuaco, intonico,

intonicaio. —pervenire * a.

— cdlcolo.

— notizia.

—partecipare.

— riprc/idere. *

— Bernardo.

— célebrc, famóso. —privato di.

— discrezióne.

— contemplare.

— accusare.

— risélvere ; * con-

cludere. *

dbile-

- ahilitci, capacita.

Bevordering Bevreesd

maken Bewaarheiden— verificarst

(z i c h)

Bewaken Beweren Bewonderen B e w ij s Bezichtigen Bezitten Bezoek Bier

— consistere.

— impiegare.

— governare.

— salire. * —pagare.

— valére. *

— méglio.

— valére mégk

— cógliere* cón

— cógliere sulfi.

— hór sa.

— or dinar e. —popolare. —popolazióne —promuóvere;

secondare.

-ocr page 497-

Binnen innentreclen itter 1 a u w [lik

Bliksem Blind

jloedverwant

floeien j

i^loem ïlozen Blijk Bp fl e m Bpek

mo He. \'e. re.

néglh * cón sul/«I

8pekverkooper Hoer )ntwerker )0(lschap

e.

, louwen

bouwvallig o v e n a a n r and r a n d e n

re.

rst.

?r o e k r on

randen van

—fra.

— entrare.

— amaro.

— azzurro.

— sguar do.

—fülmine,fólgore.

— cicco.

—- parente. —Jiorire. *

—Jlóre.

— arrossire. * —próva.

■— fóndo.

— libra.

— librdio.

— contadino. —pelliccidio.

— commissióne,

messaggio.

— ar co.

— arbore, dlborc.

— malvagio.

— tóndo, piatto. —fabbricare,

costruire. *

— rovinato. caduco.

— in capo di.

— incéndio.

— brularc,

abbruciare.

— drdcre * di.

— largo.

—portare.

— letter a.

— occhiali (pi.)

— fratello.

— calzóni (pi.)

— sorgénte, fóntc.

Brood

Brouwer

Brug

Bruiloft

Buitenlucht -

Buiten

Buitenplaats-

Bundel

Burgemeester -

Burger

Buurman

Bij

B ij

Bijl B ij t e n Bij voegen

Cent

Chocolade

Cicero

Contract

Crisis

Daad D a d el ij k Dag

Dag en nacht-D a g b 1 a d Daglooner -Damp Dan

Dankbaar Dapper

Vocabolario.

483

- pane.

- birr aio.

- ponte.

- nózze.

- aria di cam po. -fuóri di Lisa.

- villa.

- fascio.

-podesta.

— cittadino.

— vicino.

— ape.

— da, nclle vicinanza

di.

— scure.

— tnordere. *

— sopraggiilgnere. *

C.

— centésimo.

— cioccolatte.

— Cicerone.

—patto, con traf to, scritto.

— crisi.

D.

- géstO) azióne.

- siib it o, incontinente, -giórno, di.

- di e /lotte.

- giornale.

- op er aio.

- vapóre.

- allóra.

- grato, riconoscénte.

- valoróso.


li

-ocr page 498-

? O

Vocabolano.

484

Dapperheid -

Daarna Daarom Deel Degen Demagoog Demosthenes Denken Dertig Deskundig Dessert —

Deugd —

Deur —

Dichter — Dief

Dienstmeisje-Dier

Dierbaar -Dik

D i k w ij 1 s -

D i n e e r e n -

Dochter

Dokter

Doel

Doen

D o n a u

Donker

Dood

Dood sterven -(natuurlijken)

Dood D o o d e n Doodgraver Doof Dooi

Doorbrengen

Door d r ij v e n (met geweld)

valóre, bravura, pose ia. per qnésto. ■parte.

\' /

• spada.

— demagógo.

— Demóstene.

— pensarc.

— trénta.

-perito, prdtico. -frntta (pl.)

— virtu.

— porta.

-poeta.

— ladro.

— sérva.

— h ést ia, animale.

— car o.

— gr ós so.

— spésso.

— pransare.

Doornat —

Dorp —

Dorst —

Draad —

Dreigen met — Drempel — Drenkeling —

D r i nk g1a s -Droevig Dronken Droog D r i j v e n Dubbelzin- -

n i g h e i d D u i d e 1 ij k D u i k e n Duiker Duimpje (op-z ij n w e t e n) Duisternis -Duitscher Duitschlan d Duizend Duizendtal Dwaas Dwaasheid

■ figlia.

- dottóre.

- inténto, scópo.

- fare. *

- Dannbio.

- oscuro, opaco, atro.

- tnórte.

-morire* di tnórte

natnrale.

-mórto (agg.)

- nc cider e. *

- heecamórti.

- sórdo.

- dimoiare.

—pass are.

- venir * a capo di

qualcósa di vtva fórza.

D waling „ (uit de - helpen)

Echo E d e 1 m a n Edelmoedig E e n d bagnato dal/a pió\\

gia.

villaggio.

séte.

■ Jilo.

- miiiacciare di.

- söglia.

■ iiómo c/ie è prcs\\

d\' annegarsi.

- bicchiére.

- tristo, triste.

- nbbriaeo.

- sécco.

-flottare.

- equivoco.

- chiaro.

- immérgersi.

- marangóne.

- sapére a men adit

El

t E1 1 E E E E E E I

I ]

— ténebre (pl.)

— Tedésco.

— Allemagna.

— mille.

— miglidio. —• sciócco,pazzo, stólt

— sciocchézza, pazzil

folia.

— err óre.

— trarre* d ingann

E.

— d\'co.

— gcntihiómo.

— getieróso, largo.

— dnitra.

lens 1 w o r cl ien v

Lenz£ B\'-er

lerb lEerb Ie e r b Ie e r l ]e e r 1 lEerl dig lEer jEer IE er Eei Ei Eif E i i Eii Ei Ei


-ocr page 499-

Vocabolario.

485

\'la //(■Eens (het---convenire.

w orde n)

ienvoudig Eenzaamheid

Exemplaar Excerceer-plaats

schiétto, sémplice. solitüdine.

- csemplare, cópia. -piazza déW eser-cizio.


\'^er

di. HE e r b a a r

E e r b e \\v ij s //-«■Eerbied \'■si. (Eerbiedig

Eerbiedigen-Eerbiedwaar--dig Eer en Eerst Eerzucht Eeuwig E i

Eigenbei an g-E inde

^///■E\'ndeliJk Eindigen Einde (ten -— brengen) El

E1 d e r s Elleboog Uólt^ Ellendig Eng

Engelaird Erfenis Erfgenaam -Ergernis E r k e n n e n Ernstig

,, o p n e- -m e n Eten

Even (zoo) -

- onore.

- pudico.

- onóre.

- rispétto.

- rispettévole.

- rispettare.

■ démo d\' onóre.

- onorare.

- prima.

- ambizióne.

- etérno.

- uóvo.

- propria vantaggio.

- cstrem itii; fine.

- alfmc.

- finirc, * terminare.

- trarrc * a eapo.

- braccio.

- altróve.

-gómil o.

- misera.

- strétto.

- Tnghilterra.

- credita. Scamp;tetiiV*) -eréde, kréda.

- sedndalo.

- riconóseere. * -grave, seriósa. -pigliare sul sério.

mangiare.

- ór óra, in quésto

pnnto.

F a t

Fatsoenlijk Feestdag

F1 e s c h Fontei n Fooi Fout

Framboos Franje F r a n k r ij k Franseh F r i s c h

G a a n

G a 1 e r ij

Gans

Gebaar

Gebed

Gebeuren

Geboden

(de i o) Geboortedag-

Geboortig Gebouw Gebrek Gedachte- -

loos G e d e n k t e e-k e n

vanerello.

onésto.

—giórna di fésta, giórno festiva.

— battiglia.

■— fóntc.

— eaparra.

—fallo, erróre.

— lampóne.

— frangia.

— Francia.

■—• francése.

■—-frésco.

c.

— andare. * —galleria.

— óea.

■—ges to.

—prego, preghiéra.

— accadére. *

— decdloga.

-giórno di ndscita, „ natalizio.

- nat ivo. \'

- edijizia.

- difétto, mancanza.

- spensierato.

- monuménto.


-ocr page 500-

Vocabolano.

486

Gedicht

Gedoogen

Gedrag

Gedragen

Geduld

Gedurende -

Geel

Geest

Geeuwen -

Geheim -Gehoorzaam-Gehoorzamen-Gek (voor den-— houden) Gelaat -

Geld

Geleden -Gelegenheid -Geleiden — Geliefd — G e 1 o o v e n — Geluk

„ (zijn —be--proeven) Gelukken — Gelukkig —

Gelukwensch —

G e 1 u k w e n- —

s c h e n G e 1 ij k

G e 1 ij k —

Gemeente- —

raad

Gemurmel —

Gemeente — (kerkelijk)

- poema.

- soffrire.

- condótta. —procédere. —pazienza.

- durante.

- giallo.

- mênte.

- sbadigliare, sbavi-

gliare.

- segréto.

- ubbidiénte.

- ubbidire, obbedire.

- uccellarc.

- faccia.

- da/iaro, denaro.

- fa (van fare).

- occasiónc.

- condurre. *

- car o.

- credere.

- for tuna.

- tentarc la sua for-

tuna.

- rinse ire. *

- felice, fortunate,

beato.

- congratulazmie.

- congratulare.

- ragióne (sost.)

- simile (agg.)

- municipalita.

- mormorio.

- parrócchia.

— medico.

—guar ire. *

—go dér e di.

— buzzicchio.

— prónto.

— stare pér.

— tranquillo.

— alia libera.

— regale, donativo.

— is tor ia, s tor ia.

— istórico, stórico.

— lite.

— scritto, scritta.

— stirpe.

— casato, casata.

— affilato, arrotato.

— statura.

— mimero.

— calpestio.

—fedéle.

— testimónio, testimóne. —préso.

—prigióne.

— incarcerarc.

—pericolo, risico.

— córrere * pericolo,

risico. —pericolóso.

— combattiménto.

— dare. *

— consequénza.

— schióppo, fncile.

— d\' alt o cónto.

— avvézzo, avvezzato.

Geneesheer

Genezen

Genieten

Geraas

Gereed

,, staan Gerust Ger ust (bijw.) Geschenk Geschiedenis Geschiedkundig Geschil Gesch ri ft Geslacht Geslachtsnaam Geslepen Gestalte Getal G e t r a p p e Getrouw Getuige Gevangen Gevangenis -„ in de -— zetten Gevaar

,, loopen -

G e v a a r 1 ij k -

Gevecht

Geven

Gevolg

Geweer

Gewicht (van) •

Gewoon

te wo ewo eze rezee wo ewo eze reze

Gezi


-ocr page 501-

Vocabolario.

487

i e w o o n ewoonte ezellin rezelschap -\' e z i c h t „ (uit het -verliezen) jezicht op -Gezond

,, (goed) -Gezondheid-Gids Gieten Gil

Gisteren Gisteren

avond Glas Gloed God

Goddank

Goddeloos -

Goed

Goed

Goedheid

Goedkeuren-

Goedkeuring -

Gord ij n

Goudsmid

Graaf

Graan

Gracht

Gravin

Grens

„ de — over-schrijden Griffel

- or dinar io.

- costume.

- compagna.

- societa ; brigata.

- vólto.

- pér der e di vista.

- veduta di.

- sano.

- in buóna salute.

- salute.

- guida.

- adacquare, inaffiare.

- stride.

- iér i.

- iér séra.

- bicjehiére.

- ar dure.

- Dio, Iddio.

- Grazie a Dio.

- impio.

- buóno (agg.)

- béne (avv.)

- bonta.

- approvare.

- approvazióne.

- cortina.

- oréfice, órafo.

- cónte.

- biada.

- canale.

- contés sa.

- limit e, confine,

front iér a.

- oltrepassare il

limit e.

- stile.

Groen

— vér de.

Groeten

— salutare.

Groenen

— verdeggiarc, rin-

verdire.

Grofheid

— villania.

Grond

— térra.

„ ten — rich

— rovinare.

ten

Grondslag

— fondaménto.

Groot

— grande.

Grijs

— canuto, vécchio.

Grijsaard

— vécchio.

Gulden

—fiorino.

Gulzigaard

— ghiótto,

Gunstig

—favorévole.

Gymnastiek

— ginndstica.

H.

Haag

— siépe.

den Haag

— V Aia.

Haar

— capéllo.

Haas

— lépre.

Hagel

— grdndine.

Half

— mézzo.

Hals

— collo.

Hamer

— martéllo.

H a n d

— mano.

„ iemand-

— trarre * una a se.

op zij n —

k r ij g e n

Handel

— commércio, trdjjico.

Handelen

— procéder e. •

Handeling

— azióne.

Handschoen

—guanto.

Hard

— duro, forte.

H a r d 1 ij v i g

— stitico.

Hardnekkig

—pertinace.


-ocr page 502-

Vocabolario.

488

Hart (bloe- —cuore spezzato. d e n d)

H a r t e 1 ij k — di tut to cuore.

cordialménte, affet-tuosaménte.

Heen en wéér — qua e la.

H e e r 1 ij k — delicióso.

Heil — salute.

Heilig — santo.

H e i 1 i g s c h e n— sacrilego.

ner

Heilzaam — salubre.

Held — cróe.

Heldendood — mórte cT eroe,

mor te eróica. Helpen — aiutare.

Herberg — albdrgo, o ster ia. H e r h a a 1 d e 1 ij k — ripetitaménte,

repücatamónte. Herhalen — ripétere. Herinneren — rammeutarsi.

(zich)

Herkennen — riconóscere. * Herstellen — riparare, riniendare. Hertog — duca.

Heuvel — collina.

Hevig — violente.

Hiel — calcagno.

Hinderen —impedire, * impor-

tunare.

Hoed — cappello.

Hoedenma- — cappelldio.

ker

Hoek (straat) —capo; cantóne. Hoesten — tossire.

Hoeveel — quanta.

Hofraad — consigliére dulico. Hond — cane.

Honderdtal — centindio.

Honger — fame.

Honing — miéle.

Hoofd — tésta.

„ (het— —far tésta. bieden)

Hoofdpijn —dolór di capo. Hoog — alto.

Hoogeschool — universita. Hoogte — altézza.

Hooi — ficno.

Hoop — speranza, spéme

(poet.)

H o o r e n — ascoltare, sentire udire.

Hoorn — córno.

Hoorn (van) — córneo.

Horloge — oriuólo, orológio. Horloge- — oriuoldio.

maker

H o u d e n (z i\' c h — far sembiante di.

— alsof)

Houden (zich — appigliarsi a.

— aan)

Hout — légno.

Huis — casa.

,, (te-—• b 1 ij--rimanére * in casa.

ven)

Huiveren — ribrezzare.

Hulp —soccórso, aiuto.

,, roepen —gridar aiuto. H u ren — noleggiare, pig Hare

a pigióne, pigliare a nólo.

(een — pigliare a servizio. knecht)

I.

Indië —le Indie.

Oost-Indie —le Indie Orientali.


-ocr page 503-

Vocabolario.

489

Indien Indigo Ingenieur

Ingewanden-Inhalen Inkomsten ■ Inktkoker Inlasschen -

I n n e r 1 ij k

Inwilligen

Inwoner

Inzuigen

Inz weigen

Italië

J a a r J acht

.. (op)

Jager J a n

J anken Januari J a pon Jarenlang Jas

Jegens

Jenever

Jeugd

Jeugdig

J o h a n n a

Jongen

J o n g m e n s c h -

Juist

Juk

Jury

- se.

- indaco.

- ingegndro, ingc-

gnérc.

- viseer e.

- ragghignere. *

- réndite, entrate.

- calamdio.

- interpórre, * intra-

pórre. *

- intrinsico.

- acconsentire a.

- abitante.

- imbére.

- assórbere. *

- Italia.

J.

- anno.

- caccia.

- a caccia.

- cacciatóre.

- Giovanni.

- nrlarc.

- Genu aio.

- véste, róba.

- di mólti anni.

- dbito.

- vér so.

- ginépro.

- gioveniu. yu^r

- lener o.

- Giovanna.

- ragazzo, viaschio.

- gióvine.

- appunto, giuslo. -giógo.

- i gin rati.

Kaartspel Kamer ,, van koop-li a n d e 1 Kandelaar Karei Kasteel Kastelein

Kastenmaker-Ka s t ij d i ii g -Kat Keel

,, door de -— jagen Keer Kelder Kelk K e n n e n Kennis ma- -ken met Kerk Kerker Kers

Kerseboom -Keuken Keulen Kiezen Kikvorsch -

Kip Kist

Kitteling -Klachten -aanheffen Klas Klauw

K.

—giuóco di carte.

- cdmera, stanza.

- cdmera di co mme r-

cio.

- candeliére.

- Carlo.

- castéHo.

- os Here, dste, alber-

galóre.

- stipetldio.

- castigo.

- gatto.

- góla.

- cacciarsi gin pdr la

gó la.

- volta, via.

- c antina.

- cdlice.

- conóscere. *

-far * la conoscéma di.

- chie sa.

- cdrcere.

- ciliégia.

- ciliégio.

- cucina.

- Colónia.

- scégliere. *

- ranócehio, ranóc-

chia, ra na. -gallina. \'

- cassa.

- sollético.

- trarre * guai.

- classe.

- artiglio.


-ocr page 504-

Vocabolario.

490

Kleed

Kleeden (zich) Kleeding K1 e e r e n Kleermaker Klein

Kleinmoedig Klerk Kleur Klooster Kloppen Kluwen Knecht Knellen Knie Koe Koets K o ffi e Koffiehuishouder Kogel Koken Koker Kolonel Komen „ (tusschen-beide) Koning K o o p e n Koopman Koorts Koper Korf Kort Koude „ vatten

— véstc, dbito.

— vest ir si.

— vestiménto. —paiini.

— sar tore.

—piccolo.

—pusilldnimo.

— scrivano.

—■ colóre.

— nio7iast(!rio. —picchiare.

— gomitolo.

— s err it óre. —prémere. * —ginócchio.

— vacca.

— carrózza.

— caffè.

— caffettiére.

■—■ palla.

— bollire.

— astuccio.

—colonéllo.

— venire. *

— sopravvenire. *

— re.

— comprare.

— mercante.

—féhbre.

— rame.

— canéstro.

— córto —fréddo.

— préndersi * nn im-

beccata, un acca-tarraménto, nn infreddatura.

— aver * f réddo. —gru, grne, gr na. —grido.

— critica.

— próle.

—pólvere.

— r kever e.

— creta.

-grégge.

— cognizióne.

— poter e. *

— tornitóre.

— hacio.

— tormentare.

— trattarsi di qualchc

cósa.

— Iédere. *

L.

— infimo.

— stivale.

— tardi.

— ridere. *

— riso.

—pa?ino.

— biasimare.

— fóndaco.

— agnéllo,

— pacse.

— agricoltura.

— bifólco.

— rüstico.

— compatrióta,

concittadino.

— contadino.

— contrada.

— emigrante.

K o u d z ij n

Kraanvogel -

Kreet

Kritiek

Kroost

Kruit

K r ij g e n

Krijt

Kudde

Kundigheid -Kunnen Kunstdraaier-Kus

Kwellen Kwestie vaniets z ij n Kwetsen

Laag

Laars

Laat

Lachen

Lach

Laken

Laken (werkw) L a k e n m a g a- ■

zij n Lam Land

Landbpuw -Landbouwer-Landelijk Landgenoot-

L a n d m a n Landschap L a n d v e r h u i-


-ocr page 505-

Vocabolario.

491

^ang — [Langwerpig — L a n s

Last —

■Laten —

Leder —

Leeftijd —

L e e n e n —

Le e r e n —

„ (van bui--

! ten

Ij eergierig —

Leerling —

Leeuwerik —

Leger —

Leggen —

Leidekker —

Leiden —

Leipzig —

| Lekker —

| Lente —

E L e p e 1 —

[Les — _J

| Lessenaar —

|Leugen —

I Leugenaar —

■Leunen — , Leuningstoel —

I L e v e n | L e v e n

„ (zich het-— recht aangenaam maken | Leveren Lezen

I

Ij e z e r Lichaam

- lungo.

- oblóngo.

- lancia.

■ cdrico, incdrico,péso.

- lasciare.

■ en oio.

■ et cl.

pres/are.

imparare.

■ imparare a meute,

a memória.

■ studióso.

■allidvo, scalar e.

■ lódola.

■ ós te ; arm at a. mamp;tere. *

■ conciatétto. condurre. *

Lips ia.

gustóso.

primavér a. cucchidio.

lezióne.

léggio.

bug ia.

bugiardo. appoggiare.

sedia a bracciuóli, seggiolóne.

■ vivere. *

■vita (sost.)

■ go dér sela.

-fornire. *

- léggere. *

- lettor e.

- córpo.

Maag Maal M a a 11 ij d

- vwviménto, esercizio

di córpo.

- difétto corporale.

- leggiéro. liéve (agg.) -lume (sost.)

- mémbro.

- la gcntc.

- leggiéro.

- amóre.

- giacére ; * éssere. *

- labbro.

- Luigi.

- lodévole.

- alloggiare.

- alloggiaménto.

- Ion dra.

- piómbo.

- fonditóre di piómbo.

— carriéra.

■— córrere. *

— libertino.

— sórte, destino.

— avventura.

— Luigia.

—- dere, aria.

— pigro.

— pigrizia,

— ascoltare, udire. *

—pat ire. * —patiménto (sost.)

— cornice ; catalogo.

M.

— stómaco.

— volta, via.

—pranzo (\'s middags) cé/ia (\'s avonds).

Lichaamsbeweging Lichaam s-gebrek Licht Licht Lid

Lieden

Lichtzinnig-

Liefde

Liggen

Lip

L o d e w ij k Lofwaardig -Logeeren Logies o n d e n o od

o o d g i e t e r -,oopbaan L o o p e n Losbandig -Lot

Lotgeval Louise Lucht Lui

Luiheid Luisteren naar L ij d e n L ij d e n L ij s t


-ocr page 506-

Vocabolario.

492

M aan Maand Maandag M aar M a a t

Maatschappij -Machtig Madrid Majesteit „ (gekwet--ste) Makelaar Maken M a n M a n d Manier Mantel Markt

Meineedige Melden Melken Menigte M e n s c h Menschelijk Merken Merkwaardigheid Metaal

• luna.

■ mcse.

■ Lunedi.

■ ma.

- misura.

- soc id a vmana.

- potente.

- Madrid, Madridde.

- Ma est a.

- lésa viae sta.

- fattóre.

■fare. *

- mar ito.

- cdsto.

- módo.

- mantdlo.

- {piazza del) iner-

cato.

- Marsiglia.

- quautitd.

- moderato, frugale.

- condiscópolo.

■ maestro, padróne.

■ impadronirsi.

■ capolavóro, capo

if opera, spergiuro.

■ avvisare.

■ müngere. *

■ moltitüdine.

■ uomo.

■ umano.

- accórgersi di. * • curiosita.

■ met allo.

Marseille M a s s a Matig

Medeleerling Meerderjarig — maggióre, in etd. Meester zich meester

maken M eesterstuk

oorlog Ten minste M i n u u t M i s d a a d Misdadiger

Mishagen Miskennen Misleiden M o d e m a a k-

s t e r Moed Moede M o e i e 1 ij k

Moeite

Moeras

Moestuin

Moeten

Monarch

M o n d

Morgen

Metropool — metropoli.

Middel — mézzo.

„ (door —mediante, per mézzo \\ \\ — van) di.

Middelland- — mare mediterrdneo. sche zee

Mild —getieróso, largo.

M i 11 i o n n a i r — milionario.

Mi n i s t e r van — ministro dégli Binnenl.zaken intérni.

Ministervan — ministro dégli Buiten 1. zaken affari ést er i.

Ministervan — ministro délle financien Jinanze.

Ministervan — ministro délla marine marina.

M i n i s t e r v a n — ministro délla

guérra.

— alméno.

— minuto.

— reitd, crime.

— delinquénte, mal-

fattóre.

— dispiacére. *

— sconóscere. *

— sedücere, * sedurre. *

— crest dia.

— coraggio.

— stanco, lasso.

— difficile.

M o e i e 1 ij k h e i d — difficolta.

— péna, incómodo. —palude.

— órto.

— dovére. *

— monarca.

— Iwcca. {inane.

— mattino, mattina,


_im

-ocr page 507-

Vocabolario.

493

— domani (avv.)

— móggio.

— imtro.

N.

— cucitricc.

— nótte.

— nsignuólo.

- gelsomino di nótte.

- dópo chc.

- damw.

- nocévole.

- rifléttere su. *

- omêttere. *

- thnido.

- esatto.

- ombilico, ombellico,

ombelico.

■ ümile.

■ i Paési Bassi.

- qvatto.

—prénderc. *

— assümere. *

— in ncssun luógo.

— Neróne.

— nétto.

— scrivere * in netto.

— rétc (sost.)

— réno.

— nóu.

— nulla.

— nuóvo.

— cnrióso.

— curiosita.

— chiamare.

— necessita.

Morgen

Mud

Muur

Naaister Nacht

Nachtegaal -Nachtj asmijn -Nadat Nadeel N a d e e 1 i g Nadenken over Nalaten Nat

Nauwkeurig -Navel

Nederig Nederland -Neergehurkt-Nemen

„ (op zich)-Nergens Nero Net

„ (in het -Net Nier Niet Niets Nieuw

Ni e u wsgie rig Nieuwsgierigheid Noemen Nood

Nood (als de — aan den man komt) N o o d i g N o o d i g hebben

Noodlottig

Noodzaken

Noot

Noord

Notaris

Nu

Nut

Nuttig

Officier

Ofschoon

Olie

Olie- en azij n-

stel Olympiade Omdat Omkomen Ommekeer Omringen Omstreken O n a f h a n k e-lijk Onbedacht

Onbepaald

On beschaam d

Onbesproken

Ondankbaar

Onderdaan

Ondergaan

Onderhoud

— a ca so di necessita,

a 7111 buón hisógno.

— tiecessario.

— hisognare.

—fatale.

— costringere. *

— nóce.

— settentrionale.

— notdio.

— óra.

— iltile, iitilita.

— litile.

- ujjficiale.

- benchè, sebbéne.

- ólio.

- utéllo.

- olimpiade.

- perchè.

- per ire. *

- rivolgiménto.

■ circondare.

- contórni.

■ independénte.

- irreflésso, sconside-

rato.

■ indefinito.

- iinpudénte.

- integro.

■ ingrato.

- süddito.

- subirc.

sussistcnza.


\\

-ocr page 508-

Vocabolario.

494

Onderhouden Ondernemen Onderneming Onderpand Onderrichten Onderscheiden Ondersteunen Ondervinden

Ondervinding Ondeugend Ongehoorzaamheid Ongelegenheid „ (in — brengen)

Ongeloofelijk

Ongeluk

Ongelukkig

Ongelijk

Ongeneeslijk

Ongenoegen

Ongesteld

Onherstelbaar

Onlangs

Onmachtig

Onmin

Onmogelijk -Onnoozele Onruststoker -Onschuld Onsterfelijk -O n s t e r fe 1 ij k- -

h e i d Ontbieden

— sostenére. *

— intrapréndere. *

— imprcsa.

— pégno.

— inform are.

— discérnere. *

- sorrèggere. *

- provare, speri-

mentare.

- esperiénza.

— sgar bato.

— disubbidiénza.

— imbróglio.

— comprométtere. *

— incredibile.

— disgrazia, ventura.

— sventurato.

— !drto.

- insandbile, incu-

rdhile.

- discord ia, differén-

za, dissenzióne.

- indispósto.

- irrepardbile.

-póco fa.

- impotente.

- disarmonia.

- impossibile.

- imbecile, lavacéci.

- beccalite.

\'/n

171710 ccnza.

- imtnortale.

- immortalita.

- mandare pér.

- scoprire. *

- sconténto.

■ tencre * a ménti.

■ scdrico.

- rincontrare.

- esonerare.

- scappare, evddere. *

- ndscere. *

- districare.

- dis dire. *

- inescusdbile.

- stólto.

— inaspettato.

— disgiügnersi. *

—falsézza, falsita, menzógna.

— tempésta.

— ignorante.

— ignoranza.

— involontario.

— ócchio.

— mét tere * sót-

f ócchio.

— cón questi ócchi.

— is tante.

— zio.

— orécchio, orécchia.

— giudicare.

— guérra.

— origine.

— affinchè.

— aprire. *

— apertura.

Ontdekken Ontevreden- -

heid Onthouden -Ontlasting Ontmoeten Ontslaan Ontsnappen -Ontstaan Ontwarren Ontzeggen O n v e r a n t-

w o o r d e 1 ij k Onverstandig -Onverwachts -Onvrienden ■

worden Onwaarheid

O n w e d e r Onwetend O n w e t e n d-

heid Onwillekeurig Oog „ onder het — brengen ,, met eigen o o g e n O o gen b1 i k Oom Oor

Oordeelen

Oorlog

Oorsprong

O p d a t

Openen

Opening


-ocr page 509-

Vocabolario.

495

— dimorare.

- trattenére. * -fornire. *

- accógliere, *

accórre. *

- sacrijicare. • avanzare.

- rilegare.

- assórbere. *

- educare.

- cducazióne. -pedagógo.

- a pósta.

- ispettóre.

- órdine.

- bue.

-antico, vécchio.

- gcnitóri.

- antichita.

- invecchiare. -fórno.

- sópra.

- óltre tónpo.

- conformarsi a,

- rimanénte.

- soprdbito.

- lasciare.

- posdomane, posdo-mafii, dópo domani.

- trascrivere. *

— sorpassare.

— vincere. *

— precipitazióne,

sconsideratézza.

Ophouden (z i c h) Ophouden Opleveren Opnemen

Opofferen Oprukken Opsluiten Opslurpen Opvoeden Opvoeding -Opvoed kun- -dige Opzettelijk Opzichter |-Orde Os Oud Ouders Oudheid Oud worden -Oven Over Over den tijd

Overeen ko- -

men met Overig Overjas Overlaten Overmorgen -

Overschrijven Overtreffen -Overwinnen O v e r ij 1 i n g

Paar Paard

Paard rij den

Paling

Pantoffel

Papa

P a r a p 1 u i e Parasol Part ij P a r ij s Pastoor P a t r ij s Paus Peer Pen

Pennemes

Pensioen

P e r e b o o m

Perzik

Pest

Peter

Perzikboom Piano

,, spelen

P i 1 a t u s Plaats

,, (in — van) Plaats (in een

boek)

Plaats (post) Plaats van

bestemming Plaatsen Plafond

P.

—pdio.

— cavallo.

— cavalcare.

— anguilla.

—pantófola, pan-

tüfola.

—papa, babbo (toscaansch).

— ombréllo, ombrélla. —parasóle, ombréllo. —partita.

— Parigi. —pdrroco. —pernice.

— papa.

—péra.

— penna.

— temperino. —pensióne.

—péro.

— pésca.

—péste.

— Pictro.

— pcsco, pérsico.

— piano fórte.

— suonare il piano

fór te.

— Pilato.

— luógo.

— in vcce di, in luógo di.

i

— passo.

— pos to.

— destinazióne, luógo

— destinato.

— pórre. *

— soffit to, soffitta.


-ocr page 510-

m

Vocabolario.

disprezzare. disprezzdbilc. disprézzo.

cangiarc, mutare. handire. *

■ stupéndo.

■ nascóndere. *

— migliorare.

— diféndere, * prol-hire,* inter dire,* intradirc. *

— rómpere, * fran

ger e. *

— diféndere. *

— rovinare.

— merit are, gnada-

o nare.

—piano.

— immérso in.

drido.

— tórcere. *

— rammdrieo.

— eclisse, eclissi.

— spar ire. *

— abbellire. *

— assembléa,

adunanza.

— dimenticare.

— perdonare.

— accompagnare.

— ingannarsi.

— aggrandire. *

— indoratóre.

— narrazióne.

— narrare.

— rallegrarsi.

— accompagnare.

— riuscire * in.

-deridere* rider si* di, beffare,sbeffare, nccellare.

— omettere. *

— egrégio.

— invitare.

— esclamare.

— proclaniare.

— scórsa, git ei

— ritardo, indugio.

— differ ire, * ritar-

dare, indugiare riméttere. *

— cavarsi.

— rip ié go.

— vista.

— óra.

V-

— vacanze (pl.) —padre.

— patria.

— tr dp po la.

— bólgia.

— cadére. *

—falso. —prénderc. * —figere. *

— dar * presa.

— mólto.

— tróppo.

— sicuro. —finéstra.

— lontanoj

Vacantie

Vader

Vaderland

Val Valies Vallen V a 1 s c h Vangen

Vastmaken

Vat geven

Veel

Veel (te)

Veilig

Venster

Ver

Uitlaten Uitmuntend -Uitnoodigen-Uitroepen Uitroepen tot-Uitstapje Uitstel Uitstellen

500

Uitgeleide

doen Uitkomen

op, in Uitlachen

Uittrekken Uitvlucht Uitzicht Uur

-ocr page 511-

Vocabolario.

501

Verheugd

Verhinderen-Verhoovaar- -

d i g e n Verhoovaar- -

digen (zich) Verkeerd Verkeerdheid-Verkiezen

Verklaren —

rare.

- rimpiccolire. *

- véndere.

- acquistare,

ottenére. *

- dissipare,

scialacquare.

- pródigo.

- pródigo.

- desiderare. desio, desidério.

Verkleinen Verkoopen Verkrijgen

Verkwisten

- partirsi.

- fidarsi di.

- passato.

■ accordare. ■pérdit a. pér der e. sponsali (pl.) passatémpo.

■ divertir si.

ammonizióne. awisare. presi\'mere, * sospettare.

Verkwistend — Verkwister — Verlangen — Verlangen — (zelfst. naamvv.) Vertrekken — Verlaten op —

(zich) Verleden — Verleenen ■— Verlies — Verliezen —

Verloving _

Vermaak _

Vermaken _

(zich)

Vermaning _

Vermelden — Vermoeden

- liéto, conténto,

gdio, giocóndo.

- imp e dire *

- insuperbire. *

■ hwrgoglirsi. *

~ pervér so.

- pervcrsita.

- prcpórre, *

preferirc. * . spiegare, dichia-

- stanco.

- destrüggere. *

- intelligénte. * —perméitere. *

- obbligare.

- obbliganza, beter:

obbligazióne.

- tradire. *

- traditóre.

- incantévole.

- arricchire. * -frésco.

—procurare.

- parécchi, varii.

- difjerirc. *

- varia.

- chiédere * scusa.

- te rr ibilc.

- comparire, *

comparére. *

- sopravvenire. *

- spdrgerc. *

- sénso.

- privo déi sénsi.

- ragionévole.

- for tijicare.

- passare.

- tor cere. *

- tradurre. *

- traduzióne,

traslazióne. ■ parténza. confidénza.

conjidare; Jidar-si di.

Vermoeid Vernielen Vernuftig Veroorloven-Ver])lichten -Verplichting -

Verraden Verrader Verrukkelijk-Verrij ken Versch Verschaffen -V erscheideae-Verschillen -Verschillen d-Verschooning-

vragen Ver sc h rik ke--lij k

Versch ij nen -

„ (plotseling)-Verspreiden -Verstand ,, (beroofd-v a n z ij n) Verstandig — Versterken — Verstrijken -Verstuiken — Vertalen -Vertaling —

Vertrek — Vertrouwen — (zelfst. naamvv.) Vertrouwen —


-ocr page 512-

Vocabolario.

502

Vervelen —

(zich) Vervelend -

Vervullen -Verwachten -Verwachting-Verwelken Verwezenlij- -ken

V erwikkeling-Verwittigen -Verwonderen -Verwijderen -Verzameling-Verzekeren Verzoek Verzoenen

(zich) Verzuimen Vest

Vestigen (zich) Vesting Vesuvius Vet

Vinden

Vinger

Vingerhoed

Vink

Visscher

V1 e e s c h

Vleier

Vlierboom

Vlucht

„ (op de — jagen) Vlijt Vlijtig

— annoiarsi.

-fastidióso, impor-tuno.

— soddisfare a.

— aspettare.

— aspettazióne.

— appassire. *

— effettuare, rcaliz

zarc.

— intrigo.

— avvisare.

— maravigliare.

— allontanare.

— raccolta.

— assicnrare. —preghiéra.

— riconciliarsi.

— trascurare.

— sottovésta. —■ stabilirsi. * —■ fortczza.

— Vesnvio.

— grasso. —• trovare.

— dito.

—■ ditale.

— pizzico.

—pes cat óre.

— came.

— adulator e.

— sambuco.

—fuga.

Voegen (zich — bij) Voelen Voerman Voet Vol

Voldoende

Volharden

Volharding

Volgen

Volgend

Volk

Volkslied Volle (ten)

Volzin Voo r

Voorbeeld Voordeel (in mijn) Voordeelig Voordracht V oorgeven Voorhof Voorhoofd Voorkennis Voorkomen Voornaam Voornemen

— mettere in fuga.

-industria,diligénza - diligénte.

- congiüngersi in.

- sent ire.

- vetturino, cocchiére. ■ piede.

- piéno. _

- sufficient e.

- perseverare.

- perseveranza.

- segnire. *

- segudnte.

—pópoio, nazióne,

plébe.

- canzone nazionale. —picnaménte, a

piéno. dél tulto. —frase.

—anzi, avanti, innan-zi, davanti a.

- escmpio.

- a favóre mio.

—favorévole. —pórgere.

- mostrare.

- dtrio.

—frónte.

- saputa.

- aspétto. —principale.

- propórsi. *

(zich) Voorrecht — Voorrede — Voorschoot — Voorschrij ven-Voorstellen — Voortbrengsel-Voorteeken -

- prólogo.

- grembiale.

- prescrivere. *

- rappresentare. —prodótto. -presago.


-ocr page 513-

Vocabolano.

503

— continuare.

— aspettazióne.

— accadére. *

— procéder e. *

— oggétto. —predire. * —prudénte.

— prudénza.

—presidente.

— avanzarc.

— prcgrésso. —forchctta. —principe.

— vólpe.

— quest ióne.

— domandare.

— informarsl di. —pace.

—pacijico.

— condizióni dclla

pace.

— straniïroSf-i —forestiére.

— timóre.

— indücere timóre

Vruchtboom Vrij (bijv. nw.) Vrij (bijw.)

V r ij h e i d

„ (in — stellen)

Vrij spreken Vulkaan

Vijg

V ij g e n e t e r

V ij v e r

Waar

W a a r d e e r e n -

Waarheid W a a r 1 ij k W a a r n e m e n -Waarschuwen-W a a r s c h ij n- -lijk Wachten

(zich) Wachten op -

Wage n Wakker W a n d e 1 e n

„ gaan W a n d e 1 i n g Wang Wanhoop Wanhopig Wanneer Want

War (in de -— brengen)

- amico.

- amichévole,

bile, benigno\'.

- amica.

- anterióre.

- liét o.

- donna, padróna

móglie.

- frutto.

- fertile.

affd-

Voortzetten Vooruitzicht Voorvallen Voorwaarts

trekken Voorwerp Voorzeggen Voorzichtig Voorzichtigheid Voorzitter Vorderen \' Vordering Vork Vorst Vos Vraag Vragen Vragen naar Vrede

Vredelievend Vredesvoorwaarden Vree m d Vreemdeling Vrees Vrees aanjagen Vriend

V r i e n d e 1 ij k

Vriendin Vroeger

V r o o 1 ij k Vrouw

Vrucht Vruchtbaar -

- véro.

- apprezzare, sti-

mare, valutare.

- verita.

- davvéro.

- osservare.

- avvertire.

- probabilménte.

- guar dar si.

- aspettare, stare

aspcttando.

- carrctto.

- désto.

- pass egg iare.

- andare a spasso. -passéggio.

- guancia.

- desperaziótie.

- desperato, per dut o.

- qnando.

- p ere hè.

■ sconvól^ere. *

—• dlbero fruttifero.

— libero.

— alia libera.

— lib er t a.

— assólvere. *

—- assólvere. *

— volcano.

— fico.

— beccafico.

— stagna.

W.

-ocr page 514-

Vocabolario.

504

Warm —

Warm zijn — Water —

Wederdienst — „ verlee— nen

Wederdienst — (tot — bereid)

Wederüijdsch —

Week —

W e e n e n —

W e e n e n —

Weeshuis —

Weg

„ (in, aan -den weg) Weg (uit den-

— ruimen) Weegs (een

eind) Wegdragen

W e g 1 o o p e n W egzenden Weide Weigeren W einig Wekken Weldaad Weldra Welsprekend Welvaart Welwillend Welwillendheid W e 1 z ij n Wenden Wenkbrauw

caldo.

avér caldo.

acqua.

contraccambio. réndere il cambio.

-prónto a contraccambio. ■ reciproco.

- scttimaua.

- Viénna.

-pidngere. *

-casa dégli órfani,

orfanotrófio.

- via, strada. -di strada.

- rimuóvere. *

- nn tratte di via

—portar via; gua-

Willen

— volére. *

dagnare, acquistare.

Winnen

— guadagnare.

—• córrer via.

„ den slaj

— vincere * la batta-

— tnandar via.

glia.

—prato.

Wit

— bianco.

— ricusare.

Woede

—furore.

—póco.

Woedend

—furibóndo.

— destare.

Woest

— sgar bat o.

— bencfatto.

Wolk

— mivolo, mivola.

—prónto.

W o n d e

— fcrita.

— cloquénte.

Wonden

—f er ire. *

—prospcrita.

Wonder

— miricolo.

— beticvolénte.

Wonen

— dimorare, vivere.

— bcncvolénza.

Worden

— divenire. *

Worm

— vérnte.

— f elk it a.

Worstelen

— lottare.

— voltare.

Wrang

— aspro.

— ciglio.

Wreken

— vendicare.

W e n s c h Werk Werken Werktuig

Werkvolk -Werkzaam- -

he id Werpspies Wesp Wet

Wet (zich naar-de — gedragen) Weten

„ (buiten) Wetenschap Wetgever Wild Willem

■ desidirio.

■ lavóro.

- lav or are.

- istruménto, mdc-

china, or dig no, ingégno.

- i lavoranti.

- attivita.

- quadréllo.

- véspa.

- légge.

- cómpiere la régola.

■ sapcre.

- senza saputa.

- sciénza.

- legislator e.

- selvdtico.

- Gugliérmo.


-ocr page 515-

Vocabolario.

Zondaar

— peccatóre.

Z.

Zondag

— doménica.

Zaak

— cósa, affare.

Zonder

— senza.

Zaal

— sala.

Zoo

— cosl.

Zak

— sacco.

Zooals

— cóme.

Zakdoek

—fazzolétto da naso.

Z o o d r a

— tósto che.

Zalm

— salmóne, sermóne.

Zoolang

—fine hè.

Zaterdag

— sdbato.

Zoom

— mdrgine.

Zeden

— costumi.

Zoon

—figlio.

Zedig

— modésto.

Zooveel

— tante.

Zedigheid

— modéstia.

Zout

— sale.

Zeep

— sapóne.

Zuchten

— gé mere.

Zeeroo ver

—pirato.

Zuinig

1 1

Zeggen

— dire. *

Zuiveren

\'— purgare.

Zeker

— cérto.

Zuiverheid

— candidézza.

Zeldzaam

— rara.

Zuster

— sorélla.

Zelden

— raraménte.

Zwaar

— grave, pesante.

Zelfs

— eziandio.

Zwager

— cognato.

Zelfs dan nog

—persino.

Zwak

— débole.

Zenden

— mandare.

Zwart

— nero, atro.

Zetten

— méttcre. *

Zweden

— Svézia.

Zetten (de te

—fare il passo

Zwellen

— gonfiare.

ring naar

secóndo la gamba.

Zij de

— séta.

de nering —

)

Zij n

— éssere.

— vtno.

— cdiiova, cdliére.

— vite.

—JHosofia.

— maniéra, módo.

— mostrare.

—far vedére quakhe cósa.

IJ.

— vano.

— vanita.

—ghiaccio.

— Islanda.

— mare glaciale. - fc\'rro.

505

W ij n

W ij n k e 1 d e r W ij n s t o k Wijsbegeerte W ij z e W ij z e ii Wijzen op

Ziek

Ziek worden-Ziel

Zielzorger Zien Zilver Zin

„ (wil) „ (tegen zij inzingen Zoeken Zomer Zon „ blootgesteld aan de

- ammalato, inférmo.

■ cadére * ammalato.

■ anima.

- pastore.

- vedére. *

- argénto.

- sótso.

■ vóglia.

■ a mala vóglia. cantare.

- eer care.

■ state.

- sóle.

■ dprico.

IJdel

IJ d e 1 h e i d Ijs

IJ s 1 a n d

IJ s z e e Ijzer

-ocr page 516-

INHOUDSREGISTER.

liladz.

Over de Uitspraak.....1

„ de Gesloten en Open e . 2

„ de f, g, gh, gn, gli en h . 4

„ de i, j, k, 1, m en n . . 6

„ de Gesloten en Open o . 6

„ de p, q, r, s, sc, sch en t. 8

„ de .........9

„ de v, w, x, y en z . . . 10

,, de Twee- en Drieklanken. 11

„ den Klemtoon.....11

„ het af breken der Woorden. 13

Wenken bij het Lezen van Ital. 13

Leesoefening.......I5

Eerste Les.

Het Bepalend Lidwoord ... 17 i!re Oefening.......21

Tweede Les.

Voortzetting van het Bepalend Lidwoord en het Niet-bepalend

Lidwoord.......22

2ie Oefening.......2 7

Derde Les.

Over het Gebruik van het Lidw. 29

3dc Oefening.......34

Vierde Les.

Over het Geslacht der Zelfstandige Naamwoorden . . . • 3^ 4Jc Oefening.......41

Vijfde Les.

1 Bladz.

Over de Meervoudsvorming der Zelfstandige en Bijv. Naamw. 43

5dt Oefening.......55

6^ Oefening ter herhaling over het Lidwoord, de Geslachtsbepaling en Meervoudsvorming der Zelfstandige Naamwoorden. 5 7

Zesde Les.

Over het Bijvoegl. Naamwoord. 59 Over de Plaats van het Bijvoeglijk Naamwoord.....64

7\'lc Oefening.......66

Zevende Les.

Over de Trappen van Vergelijking .........

Onregelmatige Trappen van Vergelijking ........79

8!tc Oefening.......79

Achtste Les.

Over de Vergrootings- en Verkleiningswoorden .....

A. Vergrootingswoorden . . .

B. Verkleiningswoorden . . . 9J,; Oefening.......

Negende Les.

Over de Telwoorden .... Over het Gebruik der Telw. . ioquot;1quot; Oefening.......


-ocr page 517-

Inhoudsregister.

507

Tiende Les.

Bladz.

Voortzetting van het Telwoord. 101 Uitdrukkingen van Leeftijd, Datum en Tijd......101

Breuk- en Verzamelgetallen. . 104 Vermenigvuldiggetallen . . . 105 Bijwoordelijke Telw. van Orde. 105 Eigenaardige Uitdrukkingen van Tijd........

106 108

Oefening.

Elfde Les.

Over het Persoonl. Voornaamw. 109

12^e Oefening.......117

Twaalfde Les.

Vervolg van het Persoonlijk

Voornaamwoord.....ng

13quot;\' Oefening.......125

Dertiende Les.

Over de Bezittelijke Voornaamw. 127

A. Bijv. Bezittel. Voornaamw. 127

B. Zelfst. Bezittel. Voornaamw. 131 Italianismen met het Bezittelijk

Voornaamwoord.....133

i4jc Oefening.......136

Veertiende Les.

Over de Aanwijzende Voorn.w. 138

A. Bijv. Aanwijz. Voornaamw. 138

B. Zelfst. Aanwijz. Voornaamw. 142 iS\'1quot; Oefening.......144

Vijftiende Les.

Over de Betrekkei. Voornaamw. 145

ió\'1quot; Oefening.......tjo

Zestiende Les.

Bladz.

Over het Vragend Voornaamw. 152

i-jic Oefening.......156

Zeventiende Les.

Over de Onbep. Voornaamw. 158

A. Die alleen Zelfstandig gebruikt worden......158

B. Die Zelfstandig en Bijvoegl. gebruikt worden.....160

C. Die, welke eenen verschillenden vorm hebben, naarmate zij Zelfstandig of Bijvoeglijk gebruikt worden.....162

i8J,: Oefening.......165

Achttiende Les.

Verv. van het Hulpwerkw. Avert-. 167

Over het Gebruik van Avere. 171

Eenige Italianismen met Avere. 171 .....172

i9llc Oefening......

20™ Oefening.......174

Negentiende Les.

Vervoeging van het Hulpwerkwoord Esscrc......175

21\'quot; Oefening.......178

22\'quot; Oefening.......180

Twintigste Les.

Over het Gebruik van Essere. 181 Eenige Italianismen met Essere. 183 \' 23quot;° Oefening.......184

Een en twintigste Les.

Over de Regelmatige Werkwoor

den

185


\\ i

.J

-ocr page 518-

Inhoudsregister.

508

Bladz.

Voorbeelden van Vervoeging van de Regel m. Overgankelijke Werkw. Cantare, Temere en

Servire........

24!,c Oefening.......I9I

Twee en twintigste Les.

Over de Vorming der Tijden. 191

25quot;° Oefening.......^5

26quot;° Oefening.......*97

275,5 Oefening.......I99

Drie en twintigste Les.

Over de Wijzigingen in de Spelling van sommige Werkw. op are\\ op care en gare.. . . 201 Werkwoorden op ciarc en giare. 203 „ op gliare en chiare. 205 Overige Werkwoorden op iarc. 206 Over de Werkwoorden Arrolare, Infocare, Giocare, Not are, Rinnovare, Rotare, Sonare, Tonare en hunne samenstellingen ........207

28!,^ Oefening.......20^

Vier en twintigste Les.

Over de Onovergankel. Werkw. 210 Onovergankelijke AVerkw., die

met Essere vervoegd worden. 210 Over de Werkwoorden Dovere,

Potere, Sapere en Volere. . 212

29squot;: Oefening.......213

Vijf en twintigste Les.

Over de Lijdende Werkwoorden. 214

Bladz.

Vervoeging van het Werkw.:

Essere stimato.....2I4

30!\'c Oefening.......219

Zes en twintigste Les.

Over de Wederkeerige Werkw. 220 Vervoeging van het Wederkee-

rig Werkwoord Servirsi . . 220 Wederkeerige Werkw., die in het

Nederlandsch intransitief zijn. 224 Werkw. die in het Nederlandsch wederkeerig en in het Ita-liaansch intransitief zijn . . ■ 225 31«= Oefening.......225

Zeven en twintigste Les.

Over het Gebruik van den Lijdenden en Wederk. vorm ter Vertaling van het Nederl. Onbep. Voornaamw. „Menquot;. 227 32su\' Oefening.......230

Acht en twintigste Les.

Over de Onpersoonlijke Werkw. 232 Vervoeging van het Onpersoonlijk Werkwoord Tonare . . 232 Noodwendig Onpers. Werkw. 233 Toevallig Onpersoon!. Werkw. 234 33stc Oefening.......235

Negen en twintigste Les.

Over de Onregelmatige Werkw. 237 Tijden waarin de Onregelmatigheden kunnen voorkomen . 237 Vervoeging van het Onregelmatig Werkwoord Andare . 239 Italianismen met Andare. . . 240 1 34stc Oefening.......241


-ocr page 519-

Inhoudsregister.

509

Dertigste Les.

ÜImIZ.

Vervoeging van het Onregelmatig Werkwoord Dare . . . 242 Italianismen met Dare . . . 243 35quot;^ Oefening.......245

Een en dertigste Les.

Vervoeging van het Onregelmatig Werkwoord Fare . . . 246 Italianismen met Fare . . . 249 36quot;\' Oefening.......251

Twee en dertigste Les.

Vervoeging van het Onregelmatig Werkwoord Stare . . . 253 Italianismen met Stare . . . 254 37!tt Oefening.......256

Drie en dertigste Les.

Over de Onregelm. Werkw. op ere.

Lijst van Regelm. Werkw. op ere. 257 Over de Werkw. op gliere . . 260 „ „ „ op uocere,

not ere en uovere.....261

Vervoeg, van Cuocere, Saw tere

en Muovere......261

Over de Onregelmatigheden in den Preterito Perfetto van den Indicativo. . . 264 Over de Werkw. op ucere,

gliere, nere en aere. . . . 265 38quot;« Oefening over de Werkw. Andare, Dare, Fare en Stare. 265

Vier en dertigste Les.

Voortzetting van de Onregelm. Werkwoorden op ere .. . 267

Bladz,

Onregelm. Werkw. op ere, gerangschikt naar de Laatste

Lettergrepen.....268

39!t\': Oefening over de Werkw. op acere, adere, anger e, ar der e, argere, ascere, edere, eggere.

ellere, emere, engere, endere, erdere, ergere en ernere . . 4oquot;c Oefening over de Werkw. op escere, ettere, gliere, idere,

igere, iggere, imere, incere en

indere........

4iquot;c Oefening over de Werkw. O]) ingere, ingnere, ivere, odere, 0 Igere, olvere, ompere en onder e. 275 42quot;« Oefening over de Werkw. op orbere, or cere, or der e, org ere, orrere, oscere, overe, ucere,

udere, nere, uggere en ulgere. 43quot;c Oefening over de Werkw. op untere, nngere, uocere, uotere, uovere. urgere en utere .

277

280

Vijf en dertigste Les.

Over de Onregelmatige Werkw. op ere die een afzonderlijke ■vervoeging vorderen . . .

271

2 73

282

Bere of

Bevere.

282

Dire of

Dicere.

283

Doler si .

284^

Dovere .

285

Parere .

286

Porre of

Po nere.

287

Potere .

288

Rimanere.

289


-ocr page 520-

Inhoudsregister.

Bladz,

Lijst van Werkw., die in de Onbepaalde wijs op ire en ere

kunnen uitgaan.....310

Over de Werkwoorden op is co. 311 Verv. van het Werkw. Impedire. 312 48\'quot; Oefening over de Werkw. op isco........312

Zeven en dertigste Les.

Over de Onregelmatige Werkw. op ire, die een afzonderlijke

vervoeging eischen . . . . 315

Verv. van het Werkw. Apparire. 315

„ „ ,, „ Aprire . 316 „ „ „ Cucire o

Cv scire. 316

Empire . 316 Instruire. 317

317

318

3^

319

32° 321

Over de Onregelmatige Werkw.

op ire........308

Lijst van Regelmatige Werkw. op ire, die vervoegd worden

als Servire.......308

Lijst van Werkw. op ire, die regelmatig en onregelmatig kunnen vervoegd worden. . 309 Lijst van Werkw. die in de Onbepaalde wijs op ire en are kunnen uitgaan. . . . 309

Zes en dertigste Les.

510

Bladz

290

291

Verv. van het Werkw. Sapcre „ Se derc

Spegnere o

J 5

Spengere. , Svellcre . , Tettere . , Trarre o

Traere. 294 „ „ „ ,, Valere . „ „ „ „ Vedere . „ „ ,, Volere . Werkwoorden met verschillende vormen in den Pret. Perf. 44!K Oefening over de Werkw.

Bere, Dire, Doler si en Dovere. 300 45™ Oefening over de Werkw. Parere, Porre, Potere en

Rimanere.......

46squot;: Oefening over de Werkw. Sapere, Seder e, Spegnere, Svellcre eii Tencre .... 47quot;= Oefening over de Werkw. Trarre, Valere, Vedere en Volere........

292

293 293

11 u ï? quot; ï» »gt;

295

296

298

299

302

„ „ „ „ Morire . „ „ ,, Salire. . „ „ „ „ Seguire . „ „ „ „ Udire . . „ „ „ „ ü scire. . „ „ „ ,, Venire. . 49\'quot;: Oefening over de Werkw. Apparire, Aprire, Cucire, Empire, Instruire en Morire. 322 50\'quot; Oefening over de Werkw. Salire, Seguire, Udire, Uscire en Venire.....

304

306

324

Acht en dertigste Les.

Over de Gebrekkige Werkw. Over de Werkw. Algere, Anger e,

Arrogere en Avellere .

Over de Werkwoorden Calere, Colere en Compiere. . . ■ Over de Werkw. Esimere en Espellere.......

327

328

329

-ocr page 521-

Inhoudsregister.

511

Bhidz,

Over de Werkw. Estollcre, Fiedere

en Gire........330

Over de Werkw. Ire, Licere o Lecere, Molcere, Olire en

R iedere........331

Over de Werkw. Soffolcere en

Sokre........332

Over de Werkw. Urgere en

Tangere........333

Siquot;\' Oefening.......333

Negen en dertigste Les.

Over het Gebruik van den In-

finitivo.......335

S2s,e Oefening...... • • 338

Veertigste Les.

Over het Gebruik van het Par-ticipio Presente en het

Gerundio......340

53!\'c Oefening.......343

Een en veertigste Les.

Over het Participio Pas-

sato 0 Passivo . , , , 344 54quot;° Oefening.......34^

Twee en veertigste Les.

Over het Gebruik van den Ind. 351 quot; » » » ), Imp. 352

Over den C o n d i z i o n a 1 e. Overeenstemming van het Werkw. met het Onderwerp. . . . -jt;? SSquot;C Oefening,.......354

ï)rie en veertigste Les.

Ovei den Congiuntivo . . 355 56quot;quot; Oefening.......^61

Vier en veertigste Les.

Bladz,

Over het Gebruik der Tijden. Over den Imperfetto van

den Indicativo . . . Over den Pret, Perf. . . Vergelijking van den Imperf

met den Pret. Perf. . 57\'tc Oefening......

Vijf en veertigste Les. Verv. over het Gebruik der Tijden. Over den Pret. Indefinite. 372 Vergelijking van den Pret.

Perf. met den Pret. Indef. 372 De Piü che Perfetto en de

Preterito Anteriore. . 374 De Futuro Assoluto. . . 376 58quot;° Oefening.......377

Zes en veertigste Les.

Over de Bijwoorden .... 379 Bijwoorden van Tijd. . . . 379 „ van Plaats . . 380

,, van Hoeveelheid,

W ij z e, Bevestiging en

Ontkenning.....381

Afgeleide Bijwoorden .... 382 Bijwoordelijke Uitdrukkingen . 383 Opmerkingen omtrent sommige

Bijwoorden.......387

59quot;° Oefening.......350

Zeven en veertigste Les.

Over de Voorzetsels .... 393

Voorzetsels met di.....394

„ met a.....394

,, met en zonder di of a. 395

Gebruik van het Voorzetsel a. . 396

364

365

366

369


-ocr page 522-

Inhoudsregister.

512

Gebruik van het Voorzetsel di .

Ï) ï? »J gt;» ^

gt;gt; gt;1 » gt;gt; )gt; )I )gt; !) *

)) ») )) 1) . „ „ de Voorzetsels sopra

en w........

Gebruik van de Voorzetsels fra en tra (infra, ititrd) . . . Gebruik van het Voorzetselfino

a of sim a......411

60quot;« Oefening over a, di, en da. 61\'quot; Oefening over in, con, per

en de vorige......

62squot; Oefening over sopra,su, fra, tra, fino a, sim a en de vorige. 63quot;\' Oefening over alle Voorz.

Acht en Veertigste Les. Over de Voegwoorden . . . 419 Over de Voegwoorden, Pure,

Pere hè en Anzi.....422

64quot;e Oefening.......423

Negen en veertigste Les.

Over de Tusschenwerpsels . . 425 65!t(: Oefening.......428

Vijftigste Les.

Over de Protesi......429

„ „ Sincopa of Sincope. . 430 „ Apocopa of Apocope . 430 Lijst der gebruikelijkste Bijvoeglijke Naamw. en Deelw. met de Voorz. die zij regeeren . 435 Lijst van de gebruikelijkste Werkwoorden met de Voorzetsels die zij regeeren. . . 439

Bladz.

397 399 402

404

405

407

409

411

413

41S 417

Esercizi di Lettura e di Traduzione.

Blad

44

441

45\' 45 45 45 45i

451 451

45)

451 45) 45!

45!

A. Senten ze......

B. Aneddoti.

II Ladro Scaltro.....

L\' Imperatore Carlo quinto alia

Caccia.......

La Moglie Fedele ....

La Veritó, Pinta.....

Una Prova ......

Giuseppe Giusti e sua Madre

C. Lettere. Viglietto d\' Invito .... Lettera di Ringraziamento . „ di Congratulazione a Capo d\'anno „ di Cordoglianza . . ,, di Raccomandazione „ di Cambio .... ,, per entrare in Relazion Commerciali . .

D. Prosa Narrativa. Silvio Pellico trova un amico

nella prigione......45\'

Come Pietro Micca si sacrificó per salvare Torino, nell\' anno 1706.........

E. Prosa Storica.

Morte del Duca di Borbone . 4fe La tremenda Carestia a T no

1629.........4^3

F. Prosa Descrittiva. II Cimitero di Barcellona . . 41° La Cattedrale di Siviglia . . 413 Vocabolario.......


erf1

-ocr page 523-
-ocr page 524-
-ocr page 525-