vak 71_ompas
VOOR
JEUGDIGE WERKLIEDEN
Uit iet Duitscli omgewerkt
DOOR
Mquot;. ALPHONS VAN RIJCKEVORSEL,
Secr. v. d. Bij:. Rand der VincenLins-Vereenujhig,
TE
\'s BOSCH.
|
■; ■ . gt;. \'.\'-••• \' v ~ •- - quot; ■ , •\' ■vgt;- J - • \' \' -, C:\'« - ■ \'V \' ^ • - r p •■ - ■:. ^ : ik- |
wamp;
|
KOMPAS
Uit het Duitscli omgewerkt
DOOR
Mquot;. ALPHONS VANJIJCKEVORSEL
Seer. v. (I. Uijz, Raad der Pvnccntau-Vvreeniginy,
TE
\'s B O S C H.
TWEEDE DKTJIC.
AMSTERDAM, L. KERVEL amp; 0°,. 1887.
Omgewerkt uit het duitsch en uitgegeven met toestemming der Vereeniging:
ArbeiterwoM, verband Katliolisclier Indostrieller und Arbeiterfreunde.
IMPRIMATUR.
Amstelobami, F. T. H. VAN OGTROP,
26 Febr. 1887. Lib. Censor.
VOORWOORD.
Geriiunen tijd reeds zocht ik — en hoevelen met mij? — naar een klein werkje, dat in een-voudigen, populairen vorm de werklieden eens recht duidelijk over hun maa\'schappelijken toestand onderhield.
Dit boekje nu, oorspronkelijk in het Duitsch door de vereeniging ArheiterwoJd uitgegeven, vol-dted, naar mijn bescheiden meening, volkomen aan dit doel. Het zal den jeugdigen man in vele levensomstandigheden voorlichten, ja hem wellicht van veel kwaad terug houden.
Vandaar dat ik niet aarzelde het te vertalen en den tekst, waar zulks wegens andere toestanden mij noodig voorkwam, wat om te werken.
Moge dit weinige onzen vaderlandschen werkman ten goede komen, dan acht ik mijn arbeid ruim beloond I
\'s Hertogenbosch, 2 Februari 1887.
M\' ALPHONS VAN RIJCKEVORSEL.
INLEIDING.
Door Kompas verstaat men een werktuig, dat, ingevolge de eigenschap der magneetnaald om zich steeds naar het noorden te wenden, gebruikt ■wordt ter verkenning der hemelstreken.
Terwij l vele andere hulpmiddelen in deze, zooals onder meer het op- en ondergaan der zon, de morgen- en avondster somtijds hun diensten weigeren, kan men op het kompas altijd en vast rekenen. Vandaar dan ook het veelvuldig gebruik dat van dit instrument wordt gemaakt. Zoo, bijvoorbeeld, doet het den landmeter dienst om een ieders grondgebied te bepalen, den mijnwerker om de schatten der aarde te delven, terwijl het van niet minder nut is voor den zeeman, wanneer hij onder het brullen der stormen zijn koers naar veilige haven tracht te richten.
Maar, zoo hoor ik u zeggen, ik heb met die mannen niets gemeen. Mijn ambacht toch is heel iets anders dan landmeter. En daarenboven wat aangaat het streepje grond van mijn vader, dat kan ik best op eigen manier gemeten krijgen en
mijn huisje, och Heer! dat is ook niet zóó groot of ik pas het gemakkelijk in eenige schreden af.
Ook het mijnwerken is mijn ambacht niet en meer nog, \'t is duidelijk dat men niet aanstonds aan jonge gezellen, als wij zijn, een zóó kostbaar werktuig in handen geeft.
En wat nu de zee betreft, ja ik zag haar wel menig maal, doch ik gevoelde tot heden nog niet veel zin om de ouderlijke woning en het rustig vaderland tegen het bruischend water te verruilen.
Welnu, waarde vriend, al zijt gij derhalve noch landmeter, noch mijnwerker, noch zeeman, zoo willen wij desniettemin eens beproeven u in deze drie ambachten goed op de hoogte te brengen.
Gij moet landmeter worden, dat is te zeggen, gij moet in \'t vervolg nauwkeurig afmeten wat uwe plichten zijn ten opzichte van uwen evennaaste; gij moet mijnwerker worden, wat voor u beteekent de schatten in het hart verborgen naar best weten daaruit op te delven; gij moet zeeman worden en zoodoende de kunst leeren om het brooze vaartuig uws levens uit de vele stormen, die het overal dreigen, te redden en het veilig langs de gevaarlijke klippen heen te sturen.
Laat dit boekje u dan in de toekomst tot kompas dienen en gebruik het als:
I Landmeters kompas.
II Mijnwerkers kompas.
III Scheeps kompas.
Lees het en gij zult zien, hoe het u leert het
6
stil geluk in de ouderlijke woning te waardeeren en -waar genoegen te vinden bij uw vrienden. Breng het in toepassing en gij bereidt u schatten, die vrij wat beter zijn dan zilver en goud. Vergeet eindelijk de goede raadgevingen niet en gij zult zoodoende uw kostbare ziel in de haven des hemels binnen voeren en dit laatste is toch maar het beste.
EERSTE BEEL.
HET LANDMETERS-KOMPAS.
§ 2.
Bet gebied der naastenliefde.
„Een ieder het zijne.quot;
Het is u wel eens overkomen, dat gij door het veld gaande eenige heeren zaagt die op den hoek van een akker of van eene weide met iets bezig waren. Onwillekeurig bleeft gij staan kijken. Het waren geen jagers, dat was duidelijk, daar zij geen geweer of honden bij zich hadden. Een paar dier heeren droegen een langen stok, terwijl een van hen aanhoudend stond te turen over en langs een instrument wat op een drievoet rustte.
Die menschen nu, gij hebt het reeds geraden, waren gewone landmeters. In dat toestel op dien drievoet zit een kompas, waardoor zij met behulp van eenige gegevens de akkers met al hun hoogten en laagten, in hun breedte en lengte, scherpe en stompe hoeken nauwkeurig meten. Van hun bevinding nemen zij aanstonds aanteekening in hun zakboekje en maken dan daarnaar in verkleinde schaal een kaart van een ieders eigendom.
Ik begrijp best, dat gij dat ziende, toen wel eens gedacht hebt: jongens, dat wilde ik ook wel kennen I En waaiiyk, die gedachte was niet kwaad; maar.... dat gaat niet zóó. Daartoe behoort aanhoudende en ernstige studie, en dientengevolge veel geld en tijd en aan die twee dingen hebt gij waarschijnlijk nu juist geen overvloed.
Dat wetende zullen wij nu trachten u voor niets en zonder tijdverlies eene meetkunde te leeren, waarbij gij u als grondbezitter best bevinden zult. Met ons kompas gaan wij u een kaart maken van uw rijkdom en daarna de grenzen afpalen van uw rechten en van uw plichten.
§ 3.
He plichten jegens de ouders.
„Eert uwen Vader en uwe moeder opdat het u welga en opdat gij lang leven moogt op aarde.quot;
Eigenlijk gezegd is het toch voor ons menschen een ware schande dat de goede God een zoo duidelijk te begiijpen plicht als deze nog met zóóveel woorden heeft moeten vaststellen.
Bij niemand zal het ooit opkomen om deze verplichting te betwijfelen en desniettemin wordt dit gebod dagelijks met voeten getreden. O! hoe menigeen moet het op later en leeftijd berouwen de oorzaak geweest te zijn van den vroegen dood
y
zijner moeder of het vóór den tijd grijs worden van zijn vader.
Laat ons derhalve onze ouders eeren naar best vermogen.
Wat beweegt ons dezen plioht jegens onze ouders te vervullen?
§ 4.
De stem der Natuur.
Na Gode, zijt gij aan uw ouders het meeste verschuldigd; wat gij zijt en wat gij hebt, dankt gy aan hun liefde en aan hun goedheid. Immers niets onder de schepselen komt zóó hulpeloos ter wereld als juist de mensch. Het staat dan ook vast, dat gij zonder de liefderijke zorg uwer ouders onfeilbaar gestorven waart.
Ga maar eens bij u zelf na wat uw goede moeder al niet voor u heeft moeten opofferen, wat een nachtwaken, wat een werk, wat een moeielijkheden I Uw tranen scheurden haar het hart en nooit was haar geluk zoo groot als wanneer ze u lachend in het wiegje zag.
Ook uw vader nam innig deel aan al de zorgen en lasten uwer moeder. Gedurende den dag had hij te werken in het zweet zijns aanschijns en dikwerf ontzegde hij zich vele geoorloofde genoegens om u en uw broertjes en zusjes brood en kleeding te verschaffen. En dan, vraag hem
1U
eens hoeveel nachten hij om uwentwille geen oog heeft gesloten ? Wij zullen nu nog niet eens spreken over de dagen van ziekte, toen immers waren de zorgen uwer ouders verdubbeld en als vastgebonden aan uw bed, luisterden zij naar eiken ademstocht en trokken u, om zoo te zeggen, met kracht terug uit de koude hand des doods.
En later, toen gij grooter werdt. Ja, met het klimmen uwer jaren klommen ook de zorgen uw ouders. Immers het zegt iets, eene dochter op te voeden, een zoon groot te brengen. Kortweg, gerust moogt gij bekennen, dat uw ouders altijd en overal \'t eerste dachten aan u, hun kind, en dat zij dat zullen blijven doen tot hun laatsten snik.
Zijn wellicht uw vader en moeder bereids gestorven, o! dan behoeven wij niets te zeggen, want dan hebt gij zelf aan dat sterfbed ondervonden, wat zware zorgen die brave ouders om uwentwille in hun graf met \'/ich namen.
Blijft bij dit alles uw hart koud en versteend ? Is dan de laatste vonk der dankbaarheid in uw binnenste uitgedoofd 1 \'t Is treurig voorwaar 1 en niets rest u dan schande, eeuwige schande 1 § 5.
Be hoop op iclooning.
Al zijt gij nog jong en derhalve niet rijk aan ondervinding, zóóveel weet gij toch alreeds van
14
de wereld, dat bij velen het eigenbelang, het unslig antwoord op de vraag: »wat zal ik dan rijgen?quot; een groote drijfveer is voor hun doen en laten. Toen gij uw eerste loon medebracht, toen gingt gij den volgenden dag met veel meer genoegen dan ooit te voren naar uw werk. Vandaar dan ook dat God, menschelijkerwijze gesproken, ook dit middel niet onbeproefd laat om ons de plichten jegens onze ouders te doen nakomen Klinkt het bij de andere geboden »Gij zultquot; of wel j) Gij zult nietquot;, bij dit gebod wordt daarenboven een loon toegezegd: een lang en gelukkig leven.
Maar waarom belooft het gehad een lang leven?
4° Omdat het leven is het hoogste goed, dat wij op aarde bezitten, de hoofdvoorwaarde van al het andere.
2° Omdat hij, die zich voor een weldaad dankbaar toont, als van zelf van deze ook later genieten moet. Zijt gij nu als een brave zoon erkentelijk jegens uw ouders voor het leven, dat zij u schonken, en richt gij uw handel en wandel derhalve op die wijze in, dat die erkentelijkheid daarin is te aanschouwen, zoo verdient gij een lang leven en zult ongetwijfeld het geluk der weldaad aan uw ouders bewezen, ook eens op uw beurt smaken.
Daarbij komt nog de toezegging van een gelukkig leven.
Braven kinderen gaat het, volgens de ondervinding, ook in dit leven meestal goed. Het
■l\'i
riikste loon wacht hen in een gelukkig familielever, in hun eigen kinderen, want goede kinderen brengen doorgaans even goede voort.
Wees dus een brave zoon, dan zal Uou u zegenen in dit en in het volgende leven!
§ 6.
De vrees voor straf.
Gü zult u uit de Bijbelsche geschiedenis-wellicht
nog herinneren, hoe God zelf de ongehoorzame zonen van Heli, Charo, Absolon en zooveel anderen strafte. Deze straffende arm is nog volstrekt niet teruggetrokken. Immers hoevele menschen vindt menCniet, die, al doen zij ook hun best, toch in armoede en ellende leven moeten en telkens op-nieuw door den Heer worden bezocht, zonder dat men recht begrijpen kan hoedat zoo iets kan geschieden, Gaat men echter in die gevallen eens eenige jaren terug, hoe dikwerf bespeurt men dan, dat juist die menschen in hun jeugd ondankbaar en slecht waren voor hun ouders en dat zij zoodoende nu de vruchten plukken van het door hen gezaaide zaad. Weet wel wat het oude spreekwoord zegt: Men zal u toemeten met dezelfde maat waarmede gij hebt uitgemeten. Zoo ergens dan geldt dit hier. Vergrijpen de kinderen zich aan hunne ouders, dan zullen later de eigen kinderen zich aan hen vergrijpen. _
Toen eens een ontaarde zoon zijn grijzen vader met de haren naar de voordeur sleepte, nep deze
18
al kermend hen toe: »Houd op, niet verder, want verder sleepte ik ook mijnen vader nietquot;.
En wordt de gerechte straf niet op deze wereld voltrokken, o! vrees dan dubbel voor hiernamaals.
Laat ons hopen, waarde vriend, dat gij u zelf aan uw brave ouders niet bezondigd hebt, maar is het geschied — schep dan moed en tracht in \'t vervolg jegens uw vader en moeder uw liefde en zorg te verdubbelen.
Hoe wordt deze kinderlijke plieh.t vervuld?
§ 7.
Gij moet uw ouders eeren.
Uw ouders zijn de plaatsvervangers van God. Even gelijk een koning hier op de wereld verlangt, dat men een zekeren eerbied betuigt aan de ministers, die zijne plaats innemen, zoo ook wil God, Die de Koning der koningen is, dat de kinderen aan de ouders, die Hij hun gesteld heeft, de passende eer bewijzen. Daarom zegt het vierde gebod niet »gij zult uw ouders beminnen,quot; maar «vader en moeder zult gij eeben.quot; Liefde toch is men aan een ieder verschuldigd, dus van zelf aan zijn ouders.
Het gebod staat vast, of men ziek is of in zonde leeft, het blijft hetzelfde. Immers al haat God de zonde zelf, den zondigen mensch blijft Hij als Zijn evenbeeld beminnen. Nu kan het voor een zoon wel erg zijn om zijn vader te eeren, wanneer deze alle dagen dronken is of slecht oppast, liet zij zoo maar
u
z\'yn vader blijft zijn vader en de plicht blijft dezelfde.
De kinderen moeten zich van dezen plicht goed overtuigen, dan zullen zij van zelf jegens hun ouders bescheiden z\'yn en beleefd; zij zullen hun wenschen voorkomen en hun altijd gehoorzamen, vooral zullen zy zich dan wachten van een hoogen toon tegen hen aan te slaan, hen uit te schelden of tegen hen te vloeken. Driewerf wee ! over den zoon, die zich zóó durft gedragen tegen zijn oude moeder of zwakken vader!
Worden de ouders ziek of oud of vervallen zij in armoede, dan moeten de kinderen hun zorg verdubbelen. Deze gebreken des lichaams toch z\'yn geen schande, maar wilt gij weten wat schande is, weet dan dat er geen grootere bestaat dan zich voor zijn ouders te schamen. Immers, als gij het verder hebt gebracht dan z\'y, dan hebben zij daartoe zeker het hunne ruim bijgedragen door u een goede opvoeding te geven; zijt daarvoor dankbaar! Als rijke vaders van hun zonen iets byzonders maken dan is dit niets om over te roepen, maar als arme ouders hun kinderen eene betere plaats in de maatschappij weten te bezorgen, dan moet men voor zulke lied n eerbied hebben.
§ 8.
Gij moet Uw ouders beminnen.
Hij, die een ander bemint, heeft met dezen zuo mogelijk alles gemeen. Wees er daarom op uit, al uw vreugde eu verdriet, geluk en ongeluk
15
met uw onders te dealen. Gij moet door uw vlijt en arbeidzaamheid, door uw doen en laten hun levensdagen aangenaam maken en hun bij buitengewone gelegenheden, zooals bijvoorbeeld hun verjaardag, van de liefde, die gij hun toedraagt, op een bijzondere manier het bewijs geven. quot;Wij begrijpen best, dat gij hun niet telkens bij die feesten een geschenk kunt geven, zooals dit bij de groote lui in gebruik is; dit is ook volstrekt niet noodig; gij doet hun zeker evenveel genoegen met u op die dagen meer dan anders vriendelijk en liefdevol te betoonen.
Niets mag u zoo aangenaam zijn, dan hun zorgen en hun last op u te nemen, en waar gij dat niet ten volle kunt, moet gij toch steeds blijk geven van uw goeden wil.
Vrienden! zorgt toch vooral voor uw ouders, als zij ziek zijn of oud worden. Zijt dan het licht hunner oogen, de staf hunner handen, de troost huns levens. Vergeet in ziekte niet in tijds den geneesheer te roepen, want hoe dikwerf wacht man hiermede totdat het te laat is?
Wij zullen hier niet spreken over die ontaarde zonen, welke hun ouders voortdurend sarren, hen vervloeken, of, ja laten wij het maar zeggen, somtijds de hand aan hen slaan. Daar zijn waarlijk geen woorden genoeg om die misdaad te omschrijven. En toch, hoevele moeders worden vele jaren te vroeg uaar het graf gedragen, enkel en alleen om zulke wandaden van hun eigen kind.
16
De ware liefde wordt verder nog bewezen door liet mededeelen der tijdelijke goederen. Zoo behoort gij het loon wat gij verdient, aan uw ouciers af te dragen, en u daarmede tevreden te stellen, wat u als zakgeld ter bestrijding van eemge onkosten gegeven wordt.
Laat ons nu eens nagaan hoe dit gewoonlijk gaat. Teruauwernood is de knaap in de fabriek aangenomen en heeft hij de eerste week eemge centen verdiend of zie! al dadelijk meent hij zoo maar recht te hebben op eenig geld, voor ik weet niet welke denkbeeldige behoeften. Hij ontvangt van zijne ouders wekelijks eenige speelcenten, maar
het duurt niet lang, dat hij zich daarmede tevreden
stelt. Hij vraagt meer zakgeld.....en begint met
telkens iets van zijn weekloon achter te houden,
(te Tilburg noemt men dat «morera) nu eens weinig dan wat meer naar gelang der behoeften. Zoo iets komt veelvuldig voor en wij moeten het een ongeluk noemen voor de kinderen, die deze gewoonte van smoren hebben. Na\'um lijk hebben ze steeds meer weid dan de ouders weten. Dit nu moet s Zondags, op wat wijze dan ook, worden opgemaakt en zoo leeren ze als van zelf van af hun kinderjaren vei -kuisten. Jammer derhalve, dat de ouders niet weten, hoeveel aan hun kinderen \'s Saterdags wordt uitbetaald, dan toch zoude dat fatale smoren van zeil
ophouden. , . .
Het spreekt van zelf, dat het er met de jaren
niet beter op wordt.
17
De jeugdige werkman heeft zooveel noodig, dat smoren niet meer helpt, want de ouders zouden het merken wanneer hij van het verdiende loon dat nam wat hij nu eens moet verkwisten. — Hij vraagt derhalve meer zakgeld, de ouders zijn niet erg roijaal en oordeelen te recht dat het genoeg is .... en zoo waagt hij het eindelijk hun kortweg .....kostgeld aan te bieden, onder de uitdrukkelijke bedreiging anders het huis te verlaten!
De eene verdienste gaat na de andere in de herberg door de keel, men loopt naar danshuizen, enz. en dan is het te laat.
Want nu volgt natuurlijk de eene lichtzinnigheid de andere. Daar is nog geen haar om de kin en toch men wil trouwen. De ouders worden dan nog eens goed uitgekleed en zijn zij zwak genoeg om zich dat door zulk een jongen te laten doen, dan zijn ze hem in \'t vervolg van geen nut meer. Hij wijst hen de deur, indien ze later op hun beurt eens bij hem aankloppen; hij laat hen bedelen of stuurt hen naar het armbestuur.
Maar genoeg, want het is, Gode zij dank! in onze christelijke maatschappij nog beter gesteld. Daar zijn nog zonen en dochters, die niets liever wenschen dan hun brave ouders op hun ouden dag tot steun te zijn en tot hulp.
Eindelijk nog behooren de kinderen in tijds voor het zielenheil hunner ouders te zorgen. Zoo bijvoorbeeld kunnen zij er veel toe bijdragen, dat hun stervende vader of moeder in tyds de noodige
2
It!
geestelijke zorg aan hun ziekbed hebben. Zij •weten misschien, dat hun vader eenig onieclit-vaardig goed in zijn bezit heeft, welnu! de brave zoon zie toe dat dit worde teruggegeven. Vooral evenwel zij hier herhaald, dat op de kinderen de plicht rust intijds voor de laatste hulpmiddelen van den heiligen godsdienst te zorgen. 01 hoe groot zal uwe vreugde wezen, wanneer gij aan het graf uwer lieve ouders verklaren kunt in al de dagen der laatste ziekte uwe beste krachten te hebben ingespannen. Ja, grooter troost dan deze verklaring, zal u in geheel uw leven niet geschonken worden.
§9.
Cf-y moet uw ouders gehoorzamen.
Gij zljt verplicht uwe ouders te gehoorzamen zoolang zij leven. Men begrljpe wel, dat deze gehoorzaamheid zich alleen uitstrekt tot al wat niet zondig is, want zoodra uwe ouders u slechte, gemeene en zondige zaken gebieden, dan staat het vast, dat gij veeleer aan den goeden God dan aan hen gehoorzaamheid verschuldigd zijt.
Maar helaas! hoe staat het met dezen plicht geschapen I De jongens van de bewaarschool denken zich dikwerf reeds heer en meester ! bn nu zullen wij nog maar zwijgen over die andere knapen 1 Nauwelijks op de fabriek of in de werkplaats ziet men mijnheer reeds met een pijp in
19
den mond ; daarbij hoort dan nog wat zakgeld, dat staat deftig; en dan nog een borreltje klare of brandewijn, en dan, ja dan is men een groot mensch!
Zwakke ouders zijn menigmaal goed genoeg om dat alles maar kalm aan te zien, enkel en alleen omdat «anderenquot; liet ook toelaten!
En dan \'s avonds? Men zit bij elkaar, men blijft laat in de herberg, daar wordt bier ot brandewijn gedronken, vroolijk gelachen en gespeeld en . .., slaat de oude lui maar brommen, als wij maar jool hebben!quot;
Laat, diep in den nacht soms, komt het heerschap thuis. De ouders gelooven het hun plicht, den jongen op dergelijke buitensporigheden te wijzen, maar jawel, Jan, Piet of Klaas acht zich oud en wijs genoeg en gelooft zich zelf voldoende op leeftijd om te weten wat hij doen moet en laten.
Deze fiere ongehoorzaamheid draagt welige vruchten. Helaas! dat de brave ouders zóó dikwerf verplicht worden dat alles maar geduldig aati te zien, enkel en eenig om den lieven vrede in huis te bewaren 1
Maar Goddank! alle zonen zijn niet zóó slecht Hoe velen toch doen hun uiterste best om het hun ouders aangenaam te maken, ja hoeveel voorbeelden treft men niet van werkmans kinderen, die zelfs de minste wenschen van hun vader en moeder trachten te voorkomen.
20
Een kapitteltje voor de soldaten.
§ 10.
Hel Loten en Opkomen,
„Op \'t commando der trompetten,
„Die weerklinken overluid,
„Gaan wij in \'t gelid ons zetten, „Tot wc hooren: marsch, vooruit 1quot;
Loten! Hemel nog toe! Dat is eerst een pretje! Met geheele benden trekt men naar de stad, zingend en juichend, \'tls alsof men den keizer te rijk is. Men gaat loten! Dat wil zeggen, men is man, men mag den geheelen morgen en middag in de herberg doorbrengen. De herbergiers hebben feest. Er wordt gedanst, gezongen, gedronken.
Opkomen! Maar, beste jongens, waarom toch al die drukte? Weet gij dan niet hoezeer uw brave ouders tegen dezen dag hebben opgezien? Denkt er toch eens eene minuut over na, wat een offers dat optrekken uw lieve ouders kost. O! zij denken slechts aan het afscheid, aan de gevaren die u dreigen, aan oorlog en dood, en gij, gij gaat u bedrinken, terwijl uw moedernog zit te treuren en uw vader te klagen.
Zijt toch wat meer ernstig op zulke dagen. De lijden immers, die komen, zullen u misschien voor al die vreugde genoegzaam het verledene doen terugwenschen. Gedenkt, het is een stap in uw leven!
21
§11. •
Het afscheid van huis.
„Broeders, blijven wij standvastig „Luistren lioe dc trommel slaat, „Dan is quot;t reizen minder lastig „Als wij blijven in de maat!quot;
Komaan! laat ons daar nog eens over spreken.
üij zijt alzoo infanterist, huzaar of artillerist en droomt reeds van dat mooie pakje. Nu ja, het is best mogelijk dat gij er trotsch op zijt in \'skonings dienst te zijn en -waarlijk! gij moogt er gerust op roemen dat het een edel en verheven beroep is koning en vaderland met goed en bloed te verdedigen.
Doch de dienst-tijd heeft nog meer goeds, dat alles daargelaten. Zoo wordt menigeen eens cp nieuw herinnerd aan de verplichting om te gehoorzamen, om ordelijk te zijn en op alles nauwkeurig te letten. Elke dag geeft u nieuwe gelegenheid om wat gij op school zoo al hoordet weêr eens op te halen en daarenboven om heel veel nieuws te leeren. Doch waar licht is daar is ook schaduw en daarom raden wij u aan eens even te lui-teren.
Laat ons dan eerst uw pakje met goed eens nazien. Zegt gij; »Ik heb niet meer noodig dan een oud hemd en een paar sokken \', dan gelooven wij dat gij het dit keer mis hebt. quot;Vraagt gij ons goeden raad, zorgt dan vooral voor Hink onder-
22
goed. Gij weet nog niet half van wat nut dit u zyn zal bij de groote exercitien en bij de manoeuvres. Zindelijkheid is een der beste middelen om frisch en gezond te blijven.
En het geld, hoe staat het daarmede? Wat komt u nu het beste voor: of alles tot een dubbeltje toe in de laatste dagen met uw vrienden te verdrinken, of vooral dan zuinig te zijn en het beetje geld wat gij gespaard hebt, voor den diensttijd te bewaren? Ons dunkt, dat dit laatste u naderhand het beste zal uitkomen, want gij zult in de kazerne wel veel kennissen vinden die gaarne met u zullen deelen maar waarschijnlijk niemand die u in tijd van nood wat leenen wil.
Doch behalve dit pakje, moet gij nog een ander met u nemen. Vreest evenwel niet dat gij onder dezen last bezwijken zult.
Tot hier toe dan hebben uw ouders voor u gedaan wat zij konden. Uw bloedverwanten en uw geestelijken hebben zich bij uw vei trek beijverd, even gelijk zij, om u nog eens voor \'t laatst hun raad en goede lef sen te geven. 01 als wij u iets vragen mogen uit hun naam, vergeet dan vooral dat pakje niet en het zal u in het leger zonder twijfel goed gaan.
23
§ 12.
Het soldaten leven.
„Trouw aan God cn Vaderland,
Dit is uw krijsjsmanslcuie; \'t Meest zijt gij aan God Terpand, Dit was uw eerste keuze!quot;
De Romeinsche keizer Diocletiaan liet, in zijn haat tegen het geloof, een bevel uitvaardigen, waarbij hij alle soldaten, ■welke aan de heidensche goden weigerden te offeren, eenvoudig ter dood verklaarde. Toen dit schrijven in Gallie by den veldheer Constantius Chlorus aankwam, had deze juist al zijn officieren bij zich. Hij las hun het besluit voor en zeide: ïlk geloo idat er velen onder u don christelijken godsdienst hebben aangenomen; zij weten dus waar het op staat.quot;
Bleven, gelijk gewoonlijk, de meesten aan hun geloof getrouw, eenogen evenwel voldeden aan den wil des keizers. Tot deze laatsten nu sprak Constantius: »Hoe, ommij welgevallig te zijn, hebt gij uw geloof verzaakt, gaat! ik heb uw dienst niet meer noodig! Hoe toch zal een mensch, die zijn God verloochent, in staat blijven zijn vorst getrouw te dienen, daar hij om het minste eigenbelang meineedig wordt?quot;
Dit schoone woord van dezen heidenschen veldheer is ook heden nog ten volle waar. Een soldaat, die getrouw is aan zijn God, zal ook den trouw, aan zijn vaandel gezworen, niet schenden.
24
Hij zal de moeielijkheden van zijn stand dragen overtuigd van zijn plicht, en komt hij tot een gevecht dan zal hij niet terugdeinzen voor het heetste vuur. Immers hij weet, dat sterft hij als goede christen, in de vervulling van zijn plicht, het loon des hemels zijn deel zal worden.
Hoe geheel anders staat het met die soldaten •welke den godsdienst verlaten en aan God niet meer denken ! Zij morren en klagen bij het nakomen van hun dienst; zij hebben den mond vol wanneer er vrede is, maar zoodra het op oorlog aankomt dan zijn zij zoo stil als een muis of deserteeren waar zij kunnen.
Nu weten wij zeer goed, dat uw oversten u. niet vragen zullen uw geloof te verloochenen, o neen I maai- dat uw makkers er u toe zullen brengen, als gij niet oppast, ja! daar bestaat veel kans toe. In de kazerne toch moet gij omgaan met allerlei menschen. üij zult er beste, brave jongens vinden, die oprecht godsdienstig zijn, daarnaast echter ook veel van een heel ander soort. Zal men u plagen omdat gij naar de kerk gaat en u wegens uw vroomheid bespotten, laat deze mannen dan maar lachen en doet bedaard weg uw plicht.
Velen zullen het toeleggen op uwe onschuld; gij zult voortdurend vloeken hooren en slechte taal; het gemeenste zal men u voorhouden in gesprekken en in de meest zedelooze gezangen; — dan vooral opgepast, want doet gij eens mede, gij gaat van zelfs verder en komt tot handelingen en daden.
25
Herdenkt dat uw moeder u leerde: sen leid ons niet in bekoring.quot; —
„ „God en den Koning getrouw tot den dood!quot;quot; „Broeders, die leus maakt ons moedig en groot.quot;
En als gij eindelijk afgeëxcerceerd thuiskomt, zorgt dan, dat gij met al uw stadsche manieren den heer niet uithangt. Zoo liet bijvoorbeeld een boerenjongen het voorkomen alsof hij in diensttijd geheel en al de namen der eenvoudigste landbouwgereedschappen vergeten had. Hij ging met zijn broêrs het weiland in en wist zich maar volstrekt niet te hei inneren, hoe het werktuig heette waarmede men gras maait. Toevallig trapt hij op dit gevaarlijk instrument en bezeerde zich den voet. »Veivl. ... zeis!\'\' bromde hij voor zich heèn. In een oogenblik hadden zijn domme hersens het ware woord gevonden.
Vermijdt dus alles wat u belachelijk kan maken \'■).
Iets over verkeering en trouwen.
§ 13.
De jongeling.
Wil iemand deze of gene kunst of ambacht gaan leeren, dan wordt er eerst gepraat over zijn
1) Het is overbodig hier te herinneren aan de „Militniie Vereenigingquot; zooals die in de meeste garnizoensplaatsen bestaat. Deze vereeniging werkt zoo nuttig, dat elk rechtgeaard soldaat niet aarzelen mag zich daarbij aan te sluiten.
26 .
aanleg en wel behoorlijk gewaagd of het zijn roeping is. Hoe geheel anders, wanneer er aan trouwen gedacht wordt! Dan spreekt men niet eens van roeping en toch hoe menig getrouwd man moet later bekennen, dat hij voor het huwelijk niet geroepen was. Wie trouwen wil moet zijn:
io een man. Een jongen van achttien jaar, die nog geen hasr om de kin heeft, is niet rijp om te trouwen. Men denke niet aan het huwelijk voordat de militaire diensttijd voorbij is; Het is een ware ramp voor onze maatschappij, dat er tegenwoordig onder het werkvolk zóóvelen huwen, die de zoogenaamde vlegeljaren nog niet achter den rug hebben, en die lichtzinnig genoeg, maar niet wülen begrijpen, dat met het trouwen de tijd van spel en dans voorbij is. Dwaze streken, slechte opvoeding der kinderen, armoede en ellende, ziedaar de gevolgen van zulk een vroegtijdig huwelijk.
2° geheel en cd man. Hieronder verstaan wij vooreerst een echt gezonde man, en geen zwakkeling, die zijn vrouw na vier weken dwingt ziekenzuster te worden en haar na weinige jaren als weduwe achterlaat. Wie geheel en al man wil zijn, moet karakter hebben. Hoevelen zijn met hun dertigste jaar nog kind, en dat gaat niet aan, waar van ernstig trouwen sprake is. Die trouwen wil, moet verder vrouw en hinderen iclgens zijn staat kunnen onderhouden. De vrouw toch behoort thuis te blijven; zij is in de fabriek niet
op haar plaats. De man, die te voren reeds rekent op wat zijn vrouw zal verdienen, is in den waren zin een suffert.
En daarenboven, zulke rekeningen komen gewoonlijk niet uit, daar ze buiten den waard worden opgemaakt.
De jonge man zorge zóóveel te hebben opgespaai d, dat hij zich daarmede het noodige voor de huishouding kan aanschaffen.
Zien we nu eens hoe het gewoonlijk gaat. Jongens die ter nauwernood voor zich zelf den kost verdienen, denken reeds aan trouwen. Met tweeën, zoo hoort men hen zeggen, is het beter honger lijden dan alleen. Somtijds gelukt dat kunstje, want het blijft een raadsel hoe dat volkje zich helpen kan; meestal echter is het eerste en het laatste stuk in het huishouden niets anders dan de bedelstaf. De jonge vrouw kent dat ambacht van huis uit, de kinderen leeren het van hun moeder, en zoo trekt de troep langs stad en land en \'t is en \'t blijft landloopen van vader op zoon.
3°. een plichtmatig man. Er komen gevallen voor waar hooger plichten het trouwen ontraden. Zoo heeft menig jonge man voor zijn verweduwde moeder of kleine broers en zusters te zorgen; zijn huwelijk zou voorzeker het geheele gezin in armoede storten Hij wete derhalve te wachten, en zijn tijd zal wel van zelf komen.
Wil een jongeling trouwen, dan moet hij daar eerst eens met zijn ouders over spreken, opdat hun
28
zegen op zijn voornemen ruste. Stellen de ouders evenwel onbillijke voorwaarden, dan vrage hij raad aan zijn zielzorger, die hem ongetwijfeld uit
de moeielijkheid zal trachten te redden.
§ 14-
De jonge dochter.
Hier is het wachtwoord oppassen ! en geen kat in den zak koopen ! Hij, die zich enkel door zijn hartstocht laat leiden, is als een schip zonder mast en zonder stuur aan de golven der zee prijs gegeven. De hartstocht is van oudsher de slechtste raadgever.
Hij, die zich aan \'t eerste \'t beste knappe vrijsiertje gevangen geeft, loopt een zeepbel na, welke elk oogenblik kan uiteen spatten. Dat lief gezicht is niet uit eikenhout g sneden en er zitten geen ijzeren banden om; weet wel dat ook de schoonste oud wordt en mettertijd komen de rimpels, daar is geen kruid voor gewassen.
Meer nog; gelijk menigmaal de slang zich achter de bloemen schuilhoudt, zoo ook vele dochters van Eva; het schoonste uiterlijk verbergt dikwerf een arglistig, valsch gemoed.
Wilt gij trouwen, welaan laat ons dan eens in goeden zin het signalement uwer vrouw opmaken :
1°. De naam. Dochter van goede ouders. Staan vader en moeder niet al te best bekend, dan
29
moet gij meestal ook voor de dochter oppassen, want de kinderen erven zoo gemakkelijk de gebreken hunner ouders, hoewel dit geen regel is zonder uitzondering.
Brengt zij wat ten huwelijk mede, des te beter; dit is evenwel niet half zoo noodzakelijk, als een groote mate van goede hoedanigheden
Immers, indien gij uwe vrouw van harte lief hebt, dan zal niets u meer ter harte gaan dan met flink te werken voor haar den kost te verdienen.
Maar voor alles trouwt niet onder de familie, want huwelijken tusschen bloedverwanten geven geen zegen, \'t Is meer dan genoegzaam bewezen, dat al geeft zulke verbintenis soms nog kinderen, deze meestal toch aan vele gebreken onderhevig zijn; zij worden blind, doofstom, idioot en zoo meer.
2°. De stand Eene prinses zal \'t wel niet zijn, haar past geen eeltige hand; veeleer zal een dienst- of fabrieksmeisje uw uitverkorene wezen. Best, van wat stand zij is, ziet voor alles of zij in staat zal zijn uw huishouding naar behooren te voeren.
3°. De leejlijd Geen bakvisch van 16 jaar, ook geen oude matrone, maar vooral geen weduwe met een half dozijn kinderen!
4°. De godsdienst. Gemengde huwelijken zijn altijd verboden. De opvoeding der kinderen stuit op allerlei bezwaren en \'t verschil van geloof is voortdurend de twistappel.
5°, Bijzondere kenteekmen.
3Ü
a) Godsdienst. Zonder dat geen goede vrouw, geen goede moeder.
b) Eerbaar. De eerbaarheid is de roem der vrouwen.
c) Een zacht bescheiden karakter. Wat toch te zeggen van een vrouw, die altijd het laatste woord wil hebben? Die opvliegt als een kalkoensche haan? Ze maakt van het huwlijksleven een hel op aarde I
d) Gezond. Met zieke vrouwen te tobben, daartoe heeft de werkman waarlijk geen tijd.
é) Eenvoudig in de kleeding, vooral in onze dagen van weelde. Die dames met hoed en mantel hebben dikwerf niet eens een hemd aan het lijf en daarenboven zijn ze in haar huishouden meestal alles behalve netjes en ordelijk. Men kleede zich naar zijn stand, zonder opschik en altijd eenvoudig, dat toch is de ware mode.
/) Bekend met de huishouding.
»Hrit oog des meesters maakt de paarden vet. En \'t oog der huisvrouw houdt de kamers net!quot;
En hiermeê machtigen wij u zulk een meisje als gij het tegenkomt, te veroveren en niet meer los te laten.
§ 15.
Be verkeering.
Hebben twee harten het eindelijk zoover gebracht dai alles goed is, dan moeten zij trachten zoodra
31
mogelijk in het huwelijk te treden, want dat eeuwige gevrij is niets waard Een steeds gemeenzamer omgang leidt zoolicht tot velerlei dingen waarover men later berouw heeft. De verkeering blijve zóó zuiver en rein, dat bruid en bruidegom aan den voet des altaars het kleed der onschuld als het schoonste bruiloftssieraad dragen mogen.
Geschiedt het anders, het zal dan meestal aan het geheim te samen komen en uitgaan geweten moeten worden; men zal het danken aan dat verkeer des avonds aan de deur of dat geloop naar de jaarmarklen en danshuizen. De gelegenheid maakt den dief en de onschuld is weg! Die stoffen, welke gemakkelijk vuur vatten, houdt men gewoonlijk zoover mogelijk van de kachel of den haard verwijderd; zoo gaat het ook met ons, laat men den hartstocht begaan, hij vat aanstonds vlam en \'t is te laat om nog op blusschen te denken.
Brave jongelui ontmoeten zich niet dan in gezelschap hunner ouders of in \'t bijzijn van broers, zusters of bloedverwanten.
Zij, die het met hun verkeering wel meenen, moeten voor elkaar openhartig zijn, elkander niets verzwijgen, niets ovei drijven maar vooral ook geen beloften doen welke men toch niet kan houden. Al die praatjes dragen veel bij tot die huwelijken, waarin men slechts twee gelukkige dagen telt: de dag van het trouwen en die van het sterven!
Heeft men elkander eens het woord gegeven,
32
dan blijve men aan het woord ook getrouw; schande over hem die alsdan nog naar anderen omziet, of zijn meisje laat zitten. Neen, dat is geen man!
§ 16.
Be Bruiloft.
Ten lange laatste is liet huwelijk voltrokken. De plechtigheden zijn afgeloopen en allen spoeden zich naar \'thuis der Bruid. Daar is het feest; de broers en zusters zijn vroolijk te moe; een der kleintjes heeft een ruiker van bloemen of zegt een vers op voor de jonggetrouwden. De jonge man ziet met blijden zin de wereld in, terwijl aan het oog der Bruid nog een traan ontrold als afscheid aan het ouderlijk huis
De moeder heeft gezorgd dat de tafel wat meer schaft dan anders, zoodat het oprecht feest is.
Welnu dat mag dan ook best; te meer daar er reeds lang voor dezen dag gespaard is, want zulke dagen heeft men niet altijd. Jammermaar, dat zij zoo dikwerf tot dronkemanspartijen aanleiding geven
Gelukkig die gezinnen waar nog met echt huise-lijken geest een gezellig vroolijk feest gevierd\'Kan worden, dan vooral ziet de werkman hoe hij door goed oppassen, zijn eigen geluk en dat der zijnen bevorderen kan.
Welaan! viert vroolijk feest en moge het den
33
jonggetrouwden gegeven zijn over \'iö jaar met evenveel vreugde te zien op \'t verleden als thans in de toekomst.
Leve Bruid en Bruidegom!
De maatschappelijke omgaug.
§ 17.
Beleefdheid kost niets!
\'s Is wonder dat er altijd nog zoovelen onder de jonge werklieden gevonden worden, die stellig in de meening verkeeren, dat alleen deftige heeren en groote lui zich netjes en beleefd gedragen moeten. Hoe is het toch mogelijk? Moet dan niet een elk, zoowel de fabriekant als de werkman beleefd zijn? Beleefdheid toch kost niets. Een arbeider behoeft nu wol niet zulke fijne manieren te hebben als zijn heer, maar volgens zijn stand moet hij zich even welopgevoed en goedgema-nierd voordoen.
Gelijk men een stuk ruw ijzer door voortdurend vijlen glad maakt, zoo kan en zal ook de werkman de ruwe zijde van zijn karakter en van zijn gewoonten trachten te brengen tot een vriendelijken en voorkomenden vorm. Daarom zullen wij eenige regels geven, die vooral op het werkvolk betrekking hebben. Zij zijn niets overdreven en met eenigen goeden wil kan een ieder zich deze gemakkelijk eigen maken.
34
§ 48.
Beleefdheklsrerjelen.
4. Men zal des morgens niet ongewasschen en ongekamd rondloopen, en evenmia aldus aan tafel verschijnen.
2. Men late kam en borstel niet op stoelen, tafels of vensterbanken slingeren.
3. Men wachte zich als er andere menschen bij zijn de nagels te poetsen of te knippen.
4. Bij het snuiten der neus gebruike men een zakdoek, en men houde deze voor den mond, •wanneer men erg hoesten moet of niezen.
5. Aan tafel zit men behoorlijk en hange niet met het geheele bovenlijf op de tafel.
6. Beentjes, vischgraten, pitten en dergelijke dingen behooren op den rand van het bord en niet daarnaast.
7. Men ete noch drinke met vollen mond; men slurpe niet zooals de varkens en houde den mond bij \'t kauwen niet open.
8. Men ete niet met zijn vingers, en neme zout en peper met den punt van het mes.
9. Men steke geen heelen aardappel of stuk vleesch aan zijn vork om daar dan zoo \\an te bijten.
10. Het past niet vork en lepel af te likken of aan het tafellaken te reinigen.
11. Men late het bord op de tafel staan en houde het niet in de hand.
12. Men zoeke aan tafel niet uit wat het beste
35
is, maar nemo wat voor u ligt en iegge dan niet weder op den schotel wat men eens op zijn bord heeft gehad.
13. Men houde bij het loopen bet lichaam recht, drage niet altijd de handen in den zak, en zwaaie niet met de armen
44. Wandelt men met hooger geplaatste of andere personen, dan laat men deze rechts gaan. Is men met meerderen dan geve men aan den oudsten en deftigsten persoon de middelplaats, en late dezen bij het uit- of binnengaan voorop.
15. Bij het tegen komen groete men zijn meerdere het eerst door het afnemen van hoed of pet.
16. Treedt een hooger geplaatste binnen in een werkplaats, woonhuis of keuken, dan moet men opslaan.
17. Brengt men bij hooger geplaatsten een bezoek, dan Iegge men de pijp ter zijde, vege de voeten op de mat af. kloppe aan de deur en trede niet binnen voordat er ygt;jaquot; of ^binnenquot; wordt geroepen.
18. Bij het spreken zie men hem, tot wien men spreekt, recht in het gezicht. Men trede niet te dicht bij én vooral valle men niemand in de rede of keere hem den rug. Men lette er vooral op, geene onfatsoenlijke woorden of uitdrukkingen over de lippen te laten komen.
19. Zit recht op uw stoel. Deze toch is geen bed.
20. Spreekt men van achtenswaardige personen, dan voege men daaibij smijnheer of mevrouwquot;.
21. Zijn eigen persoon stelle men steeds achteraan. Zoo zegge men niet sik en de meesterknechtquot; maar sde meesterknecht en ik,quot; — evenmin »ik en nquot; maar »u en ikquot;.
22. Men wachtte zich steeds vf.-n afgestorvenen of afwezige personen, eenig kwaad te zeggen Het eerste is schandelijk daar zij zich niet verdedigen kunnen, en het tweede wordt zoo licht overgebracht. Daarenboven strijdt het altijd tegen de liefde z^lfs dikwijls tegen de rechtvaardigheid ; en is meermalen ook de oorzaak van hevigen twist en oneenigheid.
23. Tegen zijn meerderen zegt men behoorlijk m en niet jij en jou.
24. Schrijft gij een brief, neemt dan een schoon velletje postpapier, en legt dat zoo dat de open zijde rechts valt Kunt pij niet recht schrijven dan is er wel een lineaal om u te helpen. Boven aan zette men »WelEd. Heerquot; of sMevrouwquot; en beginne dan iets lager met wat men te zeggen heeft.
Let vooral op nette brieven, want indien gij ergens uw dienst aanbiedt met een slordigen brief, zijt er zeker van dat men u daarop alleen reeds bedanken zal. Zorgt ook uw brieven behoorlijk te onderteekenen. Schrijft gij aan personen die boven u staan, eindigt dan met
UEd Dienstw. Dienaar. N. N.
O /
Indien deze vi niet kennen zet dan hieronder
duidelijk uw adres; bijv,:
UEd. Dienstw. Dienaar H. V.
Boschstraat. 16. Maastricht. 26. Men doe don brief in een enveloppe en frankeere deze. De postzegel wordt geplakt bovenaan, rechts in den hoek. Voor een gewonen brief volstaat een postzegel van 5 centen. Het adres moet duidelijk zijn. De werkman zal volstaan met te schrijven
Den WelEd. Heer Jansen,
Handelaar in Hout
Amsterdam.
Keizersgracht N0. 701.
Voor geestelijke personen schrijve hij Den WelEerw. Heer Bos.,.
te
Almelo.
Als het opschrift niet helder is dan kan do posterij den brief onmogelijk bezorgen, en daartoe
hebt gij hem niet geschreven.
§ 19-
De Kemphaan.
Wanneer twee hanen elkander ontmoeten, dan kan men er zeker van zijn dat zij in een wip en een zucht strijdvaardig zijn. Ja, dan gaat het er eens recht op los, zij springen en slaan, de yeèren vliegen in \'t rond, de karn is rood van
38
\'t bloed, en het duurt zoo lang tot een dor vechters doodmoê het heter vindt er maar van door te gaan.
Juist zoo gaat het met vele jonge werklieden ! Daar zijn er onder hen die zonder vechten niet leven kunnen. Zij grijpen daas toe de eerste de heste gelegenheid aan. Bij kermis of feestdagen moeten hun kleeren aan flarden en een Hink gat in het hoofd!
Dergelijke vertooningen nu zijn van christelijk standpunt ten zeerste veroordeeld.
Laatst nog spraken wij een ouden arbeider die ons verhaalde hoe hij in zijn jeugd veel klajipen had uitgedeeld, maar er ook even veel had terug gekregen! Hij vocht niet met kwade bedoeling, maar enkel en alleen om zijn kracht te toonen! Dergelijke aardigheden worden gewoonlijk in het politie-bureau duur betaald, om rog niet eens te spreken van de gevangenis die later volgt,
Hoe dikwerf daarenboven hoort men dat bij dergelijke gelegenheid zware worden worden toegebracht of zelfs manslag volgt. Helaas! Denkt toch een oogenblik na over de noodlottige gevolgen die daaruit voortspruiten; over het ongeluk der ouders, en de ellende waarin aldus vrouw en kinderen van den verwonde of ver-slagene geworpen worden In één oogenblik wordt een geheel gezin voor altijd ongelukkig, en dat door uwe scliuld, enkel en alleen omdat gij eens gaarne wilt toonen hoe sterk gij zijt!
Dan worden er daarenboven nog jongelingen
39
gevonden, die in koelen bloede hen, met wien zij in oneenigheid leven, achter een heg of muur afwachten met het mes in de hand. Zoo iets gaat alle beschrijving te boven en toch het gebeurt.
Draagt daarom, als gij het niet noodig hebt, geen groot mes bij u; het dient tot niets en brengt u bij twist of ongenoegen zoo licht in de gelegenheid.
Ook raden wij u niet met geweer of pistool om te gaan, tenzij gij het gebruik er van kent. Aanhoudend leest men in de couranten van ongelukken door onvoorzichtigheid veroorzaakt. Zijt behoedzaam derhalve en weet wel dat in de meeste gevallen de oorzaak van dat snijden en vechten eenig ligt in het te veel drinken. Gaat gij \'s avonds uit: zijt matig en wacht u vooral voor vechten. Die grap kan tien keer goed gaan maar het kost u den elfden keer het leven.
TWEEDE DEEL.
HET MIJNWERKERS-KOMPAS.
§ 20-
De mensch aid mijnwerker.
Zijt gij ooit in eene mijn geweest? Voorzeker neen. —
Welnu, wilt ons dan op de vlengelen uwer verbeelding eens volgen naar eene der zoutmijnen in Zuid Beijeren. Gij behoeft geene overgroote vermoeienis te duchten, daar gij niet zooals elders langs ladders hebt af te dalen. Ook bestaat er geen vrees voor zwart te worden als Pietje Roet in de kolenmijnen, neen! gij moogt uw Zondagspak gerust aanhouden. Het is evenwel geraden, volgens gebruik, een mijnwerkersbuis en lederenbroek over de uwe aan te trekken, en een vilten-hoed op te zetten. Nu de lamp nog en dan voorwaarts! door de in steen gehouwen gangen.
Spoedig reeds wacht u eene verrassing; want wilt gij lager, dan moet gij u langs gladde dennenstammen laten afglijden. Al aanstonds begrijpt gij nu het nut der lederen broek, en ziet l;oe zij b\'y dit werk tot meer dient dan tot sieraad. Met de rechter hand, evenzoo in een lederen handschoen gestoken, houdt gij u vast aan een touw dat voor
41
leuning dient en dan wêer: vooruit! De stoutsten gaan voorop, die bang zijn volgen en in twee drie tellen zijt gij beneden; past op dat gij uw voet niet stoot bij \'t ophouden.
Heeft dat glijden u reeds vroolijk gemaakt, een nieuw tooneel wacht u. Gij ziet voor u eene groote hooggewelfde ruimte, met een meer in \'t midden; aan alle zijde flikkeren de fakkels u tegen, terwijl een schipper u noodigt in zijn bootje te stappen en een tochtje te maken op het stille, donkere water. Dat geheimzinnig kletsen der roeiriemen, die deftige stille, dat gefonkel der toortsen, die bleeke gezichten der meevarende knapen — dat alles herroept u een dier schilderachtige gezichten uit de Duizend en ééne Nacht. Op onzen verderen tocht komen wij nu aan de verschillende zoutlagen, waar zóóveel leven heerscht als ware het een mierenhoop. Deze hameren, gene boren, anderen brengen het zout weg om in te laden, een vierde groep duwt de karren voort, allen zijn bezig. Nergens vindt men tafereelen als in zulke mijn, waar \'t alles ijvert in glans en gloed en als zilver u tegenstraalt.
De terugtocht is gemakkelijker nog dan het afdalen.
Gij stijgt in een daartoe gemaakt wagentje en dan past op! Houdt vooral uw hoofd recht, en uw armen langs het lichaam om nergens tegen te stooten. En nu voort! Snel als de wind en
42
in een paar seconden zijt gij weder onder Gods vrijen hemel.
Zuik een tocht zou u gewis wel tegenlachen. Nu, wie weet wat nog ooit gebeuren kan, in elk geval wij zullen u ten minste eens wijzen op al het nuttige en leerrijke van zulk een bezoek.
Gij weet reeds dat de mijnwerkers zich van het kompas als richtsnoer bedienen om de onder-aardsche gangen te graven en de schatten der aarde te delven.
Welnu, ook gij hebt in u zelf zulk eene mijn en staat in zooverre boven de gewone mijnwerkers, dat die mijn uw eigendom is en dat gij de schatten, daarin verborgen, delven kunt voor uw eigen nut.
Laat ons nu het kompas richten, en u behulpzaam zijn in het opgraven dier schatten.
Deze zijn 1°. een gezonde geest;
2°. een vroom gemoed.
Past op ! Houdt het hoofd recht, en ziet rechts noch links, opdat geen ongeluk u treffe.
Een gezonde geest.
§ ^
De arbeid van Christelijk standpunt beschouwd.
Is de arbeid de straf voor de zonde, hij is daarvoor tevens het genees- en behoedmiddel; de lediggang toch is het begin van alle kwaad, het oorkussen des duivels. Wilt gij hiervan het be-
43
wijs, dan hebt gij slechts een bezoek te brengen aan de verschillende strafinrichtingen.
Zelfs voor rechtvaardige menschen is het gevaarlijk ledig te gaan. Herinnert u maar David, die door lediggang tot echtbreuk kwam en van daar tot moord werd verleid.
In de heidensche tijden was de arbeid eene schande. De werklieden stonden op den laagsten trap der maatschappij; zij waren slaaf, hadden geen rechten en werden diep veracht, ja hun levenslot was nog harder dan dat der dieren. Gevoelt immers het dier geen smaad en schande, geheel anders is het gesteld met den mensch, die met rede en verstand begaafd is
liet Christendom daarentegen heeft den arbeid geadeld.
Christus zdf kwam ter wereld als de zoon van een timmerman, en werkte in de werkplaats van Zijn pleegvader. Tot Zijn Apostelen koos Hij Zich armen handwerkslieden, zoodat de arbeiders in den volle zin des woords de ware navolgers van Christus zijn.
Het Christendom weegt niet na of iemand arm is of rijk, zooals de wereld dat doet, maar het trekt zelfs de armen voor. Christus toch is, gelijk Hij zelf zegt, in de wereld gekomen om den armen het evangelie te verkondigen. Zoo is in Christus en door Christus de armoede geen schande meer. Koningen en Vorsten hebben zich niet ontzien om te werken.
u
Het Christendom heeft de scheiding, welke het heidendom stelde tusschen armoede en rijkdom weggenomen. Hooggeplaatste mannen maken er hun levenstaak van den arbeider met raad en daad ter zijde te staan en z\'yn toesland naar best vermogen te verbeteren. Zelfs de mannen der wetenschap schamen zich niet in gezelligen kring de eeltige werkmanshand te drukken.
Daarenboven wordt den arbeider door het Christendom nog een geheel bijzondere troost geboden van hooger waarde dan eenige menschelijke hulp; Het vast vertrouwen namelijk dat eens de dag der vreugde komen zal, waarop God den werkman het gerechte loon zal geven. De geloovige christen weet dat, wanneer hij den kommer van den arbeid geduldig aan God opoffert, dit hem een middel is om de straffen zijner zonden te boeten en zoodoende tot een beter leven te komen. —
Een koning liet eens twee zijner onderdanen, die hem beide een groote som gelds ver schuldigd waren, in de gevangenis werpen. Toen hij eindelijk zeker was dat zij de schuld niet betalen konden, daar zij niets moer bezaten, daalde hij af in den kerker en wierp beiden eene volle beurs met geld naar het hoofd. Dit nu deed hen natuurlijk pijn; vandaar dat de eene zelfs boos werd en het geld met den voet van zich af slootte, terwijl daarentegen de ander het opraapte, er zijn schuld mede betaalde en diensvolgens uit de gevangenis werd bevrijd.
45
Ziedaar het beeld van twee, zeer verschillende werklieden; de eerste klaagt voortdurend over zijn ongeluk, hij kan zijn lot niet verbeteren en ontneemt zich dan daarenboven nog de gelegenheid om door geduldige opoffering van zijn moeite en zorgen zijn schuld bij God uit te wisschen.
De andere daarentegen erkent in zijn zwaren arbeid de toegeworpen geldbeurs, en daarom let hij niet op de smart, waarmede God hem tijdelijk bezoekt. Hij weet toch dat hij zich deze kan benuttigen ter betaling zijner schuld en dat hem bovendien later nog een heerlijk leven in den hemel bereid wordt.
§ 22.
Een goed voorbeeld.
Zekere graaf N. N. leefde op zijn kasteel te X., hij was pas dertig jaar en schatrijk. Vroegtijdig reeds had hij den stroom der wereld gevolgd en wel zóó. dat hij nu gebroken naar ziel en lichaam als een oud mannetje op zijn sofa zat. »0! Zoo ontviel hem van tijd tot tijd, wat is het leven toch vervelend; men wordt er grijs van vóór de jaren quot;
Hij richt zich op en proeft van de vele fijne spijzen hem voorgezet, maar niets wil hem smaken, zoodat hij mismoedig de schotels ter zijde schuift, sliet zal,quot; zoo zegt hij, »myn dikken Jan van daag beter smaken, hij toch kan er best mede klaar
komen, ik gaf twee duizend gulden voor zijn maag.quot;
Hij legt zich weder op de sofa en het is op nieuw: ))ol hoe vervelend is toch dat leven!quot;
Maar zie, h\'y springt op, neemt zijn horloge, stampt op den grond, dat de kamer er van dreunt en met klinkt het: ))waar blijft de dokter! \'t Is reeds twee minuten over tijd! Hij schijnt mij reeds als verloren onder de dooden te tellen.quot;
Driftig belt hij en fluks komt de dikke Jan binnen: »Wat is er van uw order, heer Graaf?quot; — »Loop eens vlug naar den dokter en vraag eens of hij mij vergeten heeft? — O! neen, daar komt hij juistquot; en meteen treedt de arts binnen.
»Hoe gaat het, heer Graaf ? \' — sSlecht,quot; luidt het antwoord — »En de eetlust?quot;—«Armzalig, zie zelf, hoe ik al die schotels, waar ik vroeger zooveel van hield, onaangeioerd heb laten staan,, Ik verteer niets. Gelieve de slaappillen te versterken en mij een krachtig maagmiddel toe te dienen.quot; --
»Neem mij niet kwalijk, heer Graaf, maar ik kan uwen wensch niet opvolgen, dat is tegen mijn geweten. Zoo slaap- als maagmiddel, beide zouden in sterker mate toegediend, u eer bena-deelen dan goed doen \' — »Zoo, riep de Graaf, dat wil dus zeggen, dat ik veroordeeld ben en vrij mijn testament kan maken.quot; — Neen, hernam de dokter, dat niet; Gij zijt nog in die jaren, waarin de natuur de beste medicijn is, en daarom
•47
moeten wij trachten deze zooveel mogelijk ter liulp te roopen.quot;
»Welnu, laat dan eens hooren, wat middel gij ontdekt hebt?quot;
»Gij moet dan, heer Graaf, telken dage naar uwe houtbergplaats gaan en daar een half uur lang hout zagen; later zal ik daar nog een half uur aan toevoegen.quot;
»Wat, dokter, hout zagen ? Wel, hemel nog toe, vertel nog zoo wat, waarlijk het lachen doet mij goed.quot;
»Neen, \'t is ernst; volg mijn raad en gij zult zelf ondervinden of hij goed is. Hoor eens, graaf:
1° Lichaamsbeweging maalt gezond. Stilstaand water stinkt, en de ploeg, welke ongebruikt blijft staan, verroest. Zoo ook gaat het den mensch, wanneer hij zijn krachten werkeloos laat. Het bloed staat stil, als het niet bestendig door den arbeid in beweging wordt gehouden. Vandaar dat wij, dokters, het minst te doen hebben bij hen die flink werken; zij weten van geen ziek zijn en hebben geen slaapmiddeltjes noodig. Aan tafel kost het hun niets geen moeite om tot de ontdekking te komen of het al of niet smaken zal; eindelijk bereiken zij doorgaans een hoogen ouderdom
2° De arbeid geeft lust en leven / De mensch heeft toch niet voor niets zijn lichaamskracht van zijn Schepper gekregen. Wie zijn talenten
-IS
niet gebruikt, is een slecht lid dei\' menschelijke maatschappij.
Verveling. Ziedaar het loon van wie den arbeid schuwt! Geen lust! Geen geluk!
Wie werkt is daarentegen altijd wel te raoê en gaarne zingt hij een vroolijk lied onder den arbeid; zijn de zorgen verdubbeld, dan hamert hij er maar dubbel op los. Zoodra de soldaat het kruid ruikt, vergeet hij bij \'t klinken der muziek, lief en leed en stort zich moedig in den strijd op leven en dood, zoo ook de werkman — draagt hij kordaat zijn levensdeel, dan is de arbeid zijn troost, en verdrijft hem de zorgen.
sik bid u, heer Graaf, volg mijn raad; en mochten uw handen soms wat eeltig worden, dan zal ik u daarvoor wel een middel ge«en.quot; —
Wat zegt gij nu van deze geschiedenis? Komt het u al wat zonderling voor dat aan een zoo voornaam heer het werken als medicijn werd voorgeschreven, toch zult gij moeten bekennen dat de dokter volkomen gelijk had.
Hierbij kunnen wij voor u nog een derde punt aanstippen;
3° De arbeid heschermt tegen de armoede.
Waar arbeidzaamheid het huis bewaakt,
Komt de armoe nimmer binnen!
Deze deugd is de sleutel van de beste broodkast. Werpt gij dien sleutel weg, dan is liet uw eigen schuld indien gij ten onder gaat.
49
Nu gebeurt het wel ooit dat zelfs de ijverigste werkman zonder zijn schuld in nood geraakt: maar in zulk een geval zal hem toch veeleer voor eenigen tijd onderstand geboden worden dan aan dien luien ledigganger, die altijd op een andermans beurs speculeert.
§ 23.
Halfwerk geen loerk.
„Twee lialvon maken e\'e\'n geheel, doch merk,
„Bat half en half gedaan niet geldt voor \'t heele werk 1\'
God de Ueer heeft voor den arbeid zes dagen vastgesteld en geen vijf. Houdt gij derhalve Maandag dan strijdt dit uitdrukkelijk tegen Zijn gebod.
Daarhij komt nog dat gij dien dag liefst van de eene herberg naar de andere loopt en natuur-lijk uw dagloon niet verdient, dus dubbele schade.
Tot het hier bedoelde ludf «\'j ,W/dragen vooral zij veel bij, die even als de muizen over stoelen en banken springen als de kat weg is. Heeft de werkman geweten, hij werke dan regelmatig door of de meester er bij is of niet. Tijd is geld. leert het spreekwoord. Het is derhalve even onrechtvaardig zijn tyd moedwillig te verknoeien als die som gelds te stelen, welke men voor zijn werk in dat uur ontvangt.
Daar is evenwel een middelweg tusschen wer-
50
ken en werken. Al te haastig deugt niet. Immers de werkman moet eens adem halen; jammer maar dat zulks zoo dikwerf overdreven wordt.
Men verhaalt van een metselaar, dat hij zijn pijp nu eens geregeld met een lucifer aanstak en dan weder een tijd lang met de tondeldoos. Toen men hem hiervan naar de rede vroeg, was zijn antwoord: »zie, datquot; hangt er van af, of ik op aanneming of op dagloon werk. In het eerste geval heb ik mijn tijd noodig en gebruik dus een lucifer, terwijl in \'t laatste geval het gebruik van zwam en vuurslag mij een aangename verpoozing geeft.quot;
Weinig zaken verdienen meer afkeuring dan dat voortdurend gepraat onder den arbeid: daardoor maakt men zelf slecht werk en stoort daarenboven anderen om nog maar niets te zeggen van de vele ongelukken daardoor veroorzaakt.
Eindelijk zij nog gewezen op dat werken zonder te denken. Dit toch is zeer te betreuren, want na verloop van eenigen tijd wordt men aldus niet beter dan de machine, welke men bedient.
))Flink begonnen half gewonnen.quot; Gij hebt bijvoorbeeld een plank noodig van zekere lengte. Gij meet oppervlakkig, en ... zaagt haar te lang. Gij meet opnieuw, maar jawel, nu is ze te kort. Eindelijk neemt gij uw maatstok, trekt de behoorlijke lengte en de plank is goed, juist zooals zij wezen moest. Waart gij nu met dit laatste begonnen en hadt gij derhalve even nagedacht, dan zoudt gij èn tijd èn hout gespaard hebben.
§ 24.
5i
De wereld zien.
Hebben zelfs dichters aan den lust tot reizen en trekken hun zangen gewijd, geen wonder der-halve dat ook de jeugdige werkman er eens op uit wil om de wereld te zien. Het is vooi zeker een schoone zaak uit eigen ondervinding te weten, dat er op deze aarde nog meer dan zeven dorpen zijn, doch deze wetenschap wordt dikwerf gevaarlijk, wijl men daardoor ziel en lichaam menigmaal voor tijd en eeuwigheid ten onder brengt.
Het reizen en trekken is nu eens een tweede naUun geworden, en daarom kan men er zich niet altijd tegen verzetten; te meer daar de werkman in het buitenland, vooral bij onze Duitsche naburen, bijna overal Gezellenvereenujinyen aantreft. Is hij eens lid dezer vereeniging dan zal hij altijd een tweede te huis vinden; daarenboven een zindelijk bed, goe ie verzorging voor weinig geld, wat reisgeld als de nood nijpt, maar bovenal ontmoet hij een liefdevol vader in den president der Vereeniging, wien niets te veel zal zijn, om hem met raad en daad bij te staan.
Dit is echter niet altijd hot geval. Meestal tocli moet de reiziger zijn intrek nemen in een armzalige herberg, want voor een behoorlijk logement ontbreekt het hem aan geld. Wat hij daar vindt is niet veel bijzonders; \'tzijn lieden van allerlei slag, zooals vagebonden, verloopen werklui, orgel-
draaiers, liedjeszangers en zoo meer! Het gaat ei-natuurlijk vroolijk toe, maar elk vogeltje zingt zooals het gebekt is.
Onnoodig te zeggen, dat onze jeugdige vriend zich den eersten avond in dat gezelschap niet al te best thuis gevoelt! Den volgenden dag evenwel is hij al meer op zijn gemak, hij ontmoet bekenden, en sluit zich bij hen aan of liever zij sluiten zich aan bij hem. Zoo is het sneeuwvlokje reeds aan het rollen, en de witte kleur der onschuld door het vuil van den weg besmeurd.
Weken gaan voorbij; onze vriend ging van huis om te werken, maar tot heden zag hij nog niet naar werk om. En waartoe zou dat dienen? Vechten is een goed ambacht, en spelen niet minder. Het eene gaat na het andere door de keel, de kleederen hangen aan flarden en de schoenen zijn gescheurd.
Maar genoeg ; hij herdenkt het verleden, zoo te leven bevalt hem niet langer; hij wil werken. Helaas ! zijn uiterlijk is middelerwijl zóó geworden, dat dit alleen een ieder reeds genoegzaam reden geeft om hem af te wijzen. Niets rest hem dan zijn vrienden weêr op te zoeken en hij zinkt al lager en lager.
De rollende sneeuwbal is eene lawine geworden en stort zich in den afgrond neder. De vagabond komt achter slot en grendel, en het einde zijner reis is geen ander dan het tuchthuis.
53
De uitspanning.
§ 25.
Over de eigenschappen der uitspanning.
De H. Johannes schepte er vermaak in aan de uitspanning zijner leerlingen deel te nemen, ja hij deed dikwerf zelfs mede in hun eenvoudigste spelen. Op een goeden dag werd hij door een ja^er gestoord. sHoe kunt gij oude manquot; zoo sprak de gestrenge Nimrod, »u met zulk gebeuzel bezig houden, ik had van uw grijze haren meer ernst verwacht.quot;
De heilige antwoordde al lachend; «Wel, goede viiend, wil uw boog eens spannen.quot; Toen de jager aan dit verzoek voldeed, vervolgde de heilige: »Goed zoo, maar houd hem nu ook altijd gespannen.quot;
»Altijd gespannen! Maar. vriend, dan zal de pees haar kracht verliezenquot; — sZeer juist, z^ide Johannes, evenzoo is het met den menschelijken geest, ook deze moet na ernstig denken ontspannen worden, om aldus nieuwe krachten op te doen.quot; \'t Is duidelijk dat de werkman zijn vrije avonden en vooral de Zon- en Feestdagen niet louter met niets-doen kan doorbrengen; hij trachte veeleer geest en lichaam door aangenome ontspanning te verfrisschen.
Wil nu deze uitspanning aan haar doel beantwoorden, dan moet zij eenige, haar passende eigen-
54
schappen liebben. Zoo behoort de nitspanning te zijn:
1° Onschuldig en zedelijk. Ruwheid en bandeloosheid, wat gemeen is en uitbundig past den christen werkman niet. Alle zondig vermaak is als een stortvloed, die spoedig uitdroogt en niets dan slijk achterlaat.
2° Zedelijk in maat en doel Wilt gij bijvoorbeeld den geheelen Zondag dansen en springen, ïoo •wordt door die onredelijke, overdreven vreugde liet doel van den rustdag verijdeld. Uitspanning blyve uitspanning en ontaarde niet in een zoo-danigen arbeid, dat deze hot lichaam veeleer afmat dan het nieuwe krachten bijzet.
3° Niet eentooniy. De geest des menschen behoeft afwisseling.
4° Nuttig en tevens aangenaam. »Bezig te zijn, zegt een dichter, is de eerste bestemming van den mensch. Alle vrije oogenblikken, die hij tot ui rusten noodig heeft, moet hij besteden om zich een goed begrip van al die zaken te vormen, welke in \'t vervolg zijn arbeid kunnen verlichten.quot;
5° Bijzaak en geen Itvemdoel. Dit geldt vooral voor de jongens, die dikwerf een geheele week onder hun werk zitten te denken, hoe zij des Zondags dit of dat zullen uitvoei en Alles op zijn tijd!
6° Het spreekt van zelf dat eene uitspanning welke zwaren arbeid vereischt op den rustdag niet past.
55
§ 20.
Waarom juist dé zevende dag tot rustdag is ingesteld.
Reeds het feit der goddelijke instelling zelf is ons de beste borg, waarom God in Zijne wijsheid den zevenden dag heeft erkend als zijnde het meest geschikt en overeenkomstig den natuur des menschen om tot rustdag te dienen. Hebben de volkeren der oudheid den eenig, waren God al verlaten, zij behielden toch den zevenden dag als rustdag; een bewijs en nog wel van zes duizend jaar, getuigend voor de doelmatigheid van onzen Zondag.
Ook de geneeskunde heeft zich beslist voor den zevenden dag verklaard, en constateert dit door het feit, dat de schommelingen der lichaamstemperatuur, waarvan ons lichaamlijke wel en onwel afhangt, in een tijdsruimte van zeven dagen verloopen.
Ter verklaring hiervan vonden wij in een boek het volgende voorbeeld:
/f
56
De Z. beteekent den Zondag, de m. den morgen en de a. den avond van den werkdag. De eerste kronkel-lijn toont het voortdurend afnemen der kracht, indien er geen Zondagsrust ware. Telken morgen is men boven, dat is opnieuw gesterkt; telken avond onder, dat is moei en afgewerkt. Dit gaat zoo zes dagen op en af tot aan den Zondag, die de kracht weder tot de eerste hoogte terugbrengt.
Gaan wij nu met dit voorbeeld eens na bet Decade-stelsel, door de fransche Revolutie in 1793 ingevoerd, welk systeem den door God gestelden rustdag wilde afschaffen en daarvoor in de plaats den 40lll!quot; dag stellen.
Men ziet duidelijk, hoe het volgens dit stelsel onmogelyk is de leemte aan te vullen door den negendaagschen arbeid veroorzaakt, en hoe vervolgens de menschelijke kracht altijd meer en meer afneemt. Het duurde dan ook niet lang of ook de revolutie-mannen moesten het onhoudbare
57
van hun stelsel toegeven en de wijsheid Gods erkennen.
Men leest zelfs in de geschiedenis derfransche Revolutie van een os, die zich steeds onwillig toonde wanneer men hem des Zondags wilde inspannen; — Van een hond die te Straatsburg bij een smid in het rad loopen moest, hoe deze den tienden dag van zelf aan het werk ging maar ook des Zondags er met geen stok toe te krijgen was om den rustdag te schenden.
§ 27.
Misbruik ven den Zondag.
Toen koning Antiochus zijn veldheer Apollonius en diens leger tegen Jerusalem had opgezonden met het uitdrukkelijk bevel allen en alles te dooden en te vernielen, verschoof deze de uitvoering van zijn plan tot den Sabbath, daar op dien dag de geheele omgeving naar Jerusalem opkwam.
Bij het aanbreken van den Sabbath, overviel Apollonius de stad, en richtte er zulk een bloedbad aan, dat schier alles ten gronde ging.
Zoo nu handelt ook de vorst der hel met de slechte Christenen; des Zondags maakt hij den grootsten buit.
Het vuur der hartstochten, gedurende de week door den aanhoudenden arbeid uitgedoofd, ontvlamt des Zondags weer op nieuw, Is de werkman
56
De Z. beteekent den Zondag, de m. den morgen en de a. den avond van den werkdag. De eerste kronkel-lijn toont het voortdurend afnemen der kracht, indien er geen Zondagsrust ware. Telken morgen is men boven, dat is opnieuw gesterkt; telken avond onder, dat is moei en afgewerkt. Dit gaat zoo zes dagen op en af tot aan den Zondag, die de kracht weder tot de eerste hoogte terugbrengt.
Gaan wij nu met dit voorbeeld eens na het Decade-stelsel, door de fransche Revolutie in 1793 ingevoerd, welk systeem den door God gestelden rustdag wilde afschaften en daarvoor in de plaats den 10de» dag stellen.
Men ziet duidelijk, hoe het volgens dit stelsel onmogelijk is de leemte aan te vullen door den negendaagschen arbeid veroorzaakt, en hoe vervolgens de menschelijke kracht altijd meer en meer afneemt. Het duurde dan ook niet lang of ook de revolutie-mannen moesten het onhoudbare
57
van hun stelsel toegeven en de -wijsheid Gods erkennen.
Men leest zelfs in de geschiedenis derfcansche Revolutie van een os, die zich steeds onwillig toonde wanneer men hem des Zondags wilde inspannen; — Van een hond die te Straatsburg bij een smid in het rad loopen moest, hoe deze den tienden dag van zelf aan het werk ging maar ook des Zondags er met geen stok toe te krijgen was om den rustdag te schenden.
§ 27.
Mishruih van den Zondag,
Toen koning Antiochus zijn veldheer Apollonius en diens leger tegen Jerusalem had opgezonden met het uitdrukkelijk bevel allen en alles te dooden en te vernielen, verschoof deze de uitvoering van zijn plan tot den Sabbalh, daar op dien dag de geheele omgeving naar Jerusalem opkwam.
Bij het aanbreken van den Sabbath, overviel Apollonius de stad, en richtte er zulk een bloedbad aan, dat schier alles ten gronde ging.
Zoo nu handelt ook de vorst der hel met de slechte Christenen; des Zondags maakt hij den grootsten buit.
Het vuur der hartstochten, gedurende de week door den aanhoudenden arbeid uitgedoofd, ontvlamt des Zondags weer op nieuw, Is de werkman
58
de geheele week door nuchter, des Zondags geeft hij vrij aan zijn lusten en is dan soms ook reeds in den vroegen ochtend brooddronken.
\'s Avonds gaat men uit en de onschuld is naar de maan!
O! tot wat een uitspatting en misdrijven heeft het misbruik van den Zondag al niet uitgeleid ! Zoo waren er in 1876 in 40 Duitsche strafinrichtingen 10823 gevangenen, waaronder 963 als schuldig aan mishandeling en doodslag. Van deze laatsten nu hadden er 380 des Zondags hun misdaad gepleegd.
Van de misdrijven tegen de zeden valt ongeveer een vierde des Zondags voor. Deze statistiek zoude, een tiental jaren later opgemaakt, gewis nog ongunstiger uitslag opleveren, wegens de steeds toenemende goddeloosheid en schending der Zondagswet.
En dan zullen wij nog maar zwijgen over de vele zonden, welke niet bij den wereldschen rechter thuis behooren!
§ 28.
Het ivandelen.
)
Wanneer gij in uwen vrijen tijd uitgaat, dan (
kunt gij of wel doelloos en zonder nadenken 1
rondloopen, of wel doen wat wij hier wandelen j
noemen; het eerst is misschien goed voor \'t (
lichaam, terwijl het laatste zoo voor dit als voor 1
59
den geest hoogst nuttig is. Wat toch kan u aangenamer zijn dan de schoone bloemen, booinen en planten op het land of in de parken eens op uw gemak te bezien; de ■vele vogeltjes zingen u hun vroolijk liedje; de vlindertjes fladderen om u heen, waarlijk! gij wist niet dat de natuur zóó schoon was!
En toch die frissche bloemen, dat gezang van den nachtegaal, die duizende insekten, \'t zijn allemaal zaken die wij rechtstreeks voor ons leven niet behoefden, \'t Is alles louter de goedheid van God, die ze voor ons heeft geschapen.
Indien gij, zóó in het veld zijnde, die verschillende dingen eens kalm bekijkt, dan zult gij onwillekeurig heel veel leeren wat u van nut kan zijn; gij zult dubbel ook genieten van hetgeen u omringt; bovenal echter zal uw hart zich tot God verheffen vol bewondering en vol dankbaarheid.
Wij moeten een ieder aanraden zooveel mogelijk van de frissche buitenlucht te genieten, vooral hen die in de steden moeten leven en werken; lucht maakt gezond en houdt den geest helder.
Ten slotte moeten wij hier nog wijzen op het jammerlijk gedrag van sommige jongens, die zich niet schamen er des Zondags eens op hun wijze i op uit te gaan Geen bloem of ze wordt afgeplukt, l het koren ligt vertrapt, jonge boomen beschadigd, i janiets wordt met rust gelaten Daarbij komt dan ; de liefhebberij van vogelnestjes uit te halen, de honden op de boerderijen te plagen; vuurtjes te
00
stoken en zoo meer, vooral echter wordt nooit vergeten in dikke boomen letters te snijden en op muren en vensters den naam te schrijven.
Het ware te wenschen dat de ouders dezer knapen hun het onzedelijke van zulk een handelwijze eens onder het oog brachten, en hen, wat het gekerf en geschrijf betreft herinnerden aan het aloude versje:
De namen van gekken en dwazen
Vindt men op vensters en glazen! ^
§ j
Thuis. (
Gelukkig de jonge werkman, die zich nergens 1 prettiger gevoelt dan bij zijn ouders, broers en 5 zusters tehuis! want al dat uitloopen met zoogenaamde vrienden eindigt gewoonlijk slecht. Tracht daarom vooral des Zondags bij uw familie | te blijven, daar toch moet ge uw vermaak en ontspanning vinden. Hiermede bedoelen wij niet 1 dat gij geen vrienden moet hebben, o neen ! het is integendeel zeer goed wanneer gij een vriend hebt en dien thuis bij uw ouders brengt of met hem bij de zijnen gaat, zoo iels is goud waard maar... moet daarbij het ouderlijk huis achter staan?
Hoe aangenamer uw tehuis, hoe liever gij er zijn zult. Tot dat aangename nu kunt gij zelf, zooveel \' gij maar wilt, bijdragen. \\
1° Zoo heeft men bijvoorbeeld de liefhebberij in
61
bloemen. Wanneer men in het huis van den werkman eenige potten bloemen vindt, dan kan men er gerust op zijn dat het gezia tevreden is en gelukkig. Het kost wel wat moeite, de planten goed te verzorgen, maar hoe aangenaam is het wanneer gij terugkeerend van uw werk in de verte reeds de vroolijke bloemen voor het raam ziet, u als het ware een welkom toeroepend.
2° quot;Wat brengt een vogeltje al geen vreugde in huisl Hetzelfde geldt van andere huisdieren. Zoo kennen wij een gezin van vader, moeder en negen jongens, waar de oudsten elk geregeld eenige centen in de week betalen voor het onderhoud van den hond. Alhoewel dit dier niet zeldzaam schoon is of door ras uitmunt, zouden zijn eigenaars hem toch voor geen geld willen missen.
3° Voor lange winteravonden bevelen wij het figuurzagen ten zeerste aan. Een fijne zaag met toebehooren is voldoende en dit gereedschap kost maar weinig. Men vindt bij de boekhandelaars gemakkelijk een teekening voor hoekkastjes, vogelkooien, lessenaars, sigaren- en horlogestandaarts, lijsten en zoo meer. Ook legkaarten zijn gemakkelijk te vervaardigen. Men plakt een prent op een dun plankje en zaagt deze dan in verschillende kleine stukjes.
Niet alleen versiert gij aldus uw eigen woonvertrek, maar \'t geeft u tevens gelegenheid passende geschenken te vervaardigen voor uw ouders, vrienden en bloedverwanten.
60
stoken en zoo meer, vooral echter wordt nooit vergeten in dikke boomen letters te snijden en op muren en vensters den naam te schrijven.
Het ware te wenschen dat de ouders dezer knapen hun het onzedelijke van zulk een handelwijze eens onder het oog brachten, en hen, wat het gekerf en geschrijf betreft herinnerden aan het aloude versje:
De namen van gekken en dwazen Vindt men op vensters en glazen!
§ 29.
Thuis.
Gelukkig de jonge werkman, die zich nergens prettiger gevoelt dan bij zijn ouders, broers en zusters tehuis! want al dat uitloopen met zoogenaamde vrienden eindigt gewoonlijk slecht. Tracht daarom vooral des Zondags bij uw familie te blijven, daar toch moet ge uw vermaak en ontspanning vinden. Hiermede bedoelen wij niet dat gij geen vrienden moet hebben, o neen I het is integendeel zeer goed wanneer gij een vriend hebt en dien thuis bij uw ouders brengt of met hem bij de zijnen gaat, zoo iets is goud waard maar. .. moet daarbij het ouderlijk huis achter staan ?
Hoe aangenamer uw tehuis, hoe liever gij er zijn zult. Tot dat aangename nu kunt gij zelf, zooveel gij maar wilt, bijdragen,
1° Zoo heeft men bijvoorbeeld de liefhebberij in
61
bloemen. Wanneer men in het huis van den werkman eenige potten bloemen vindt, dan kan men er gerust op zijn dat het gezin tevreden is en gelukkig. Het kost wel wat moeite, de planten goed te verzorgen, maar hoe aangenaam is het wanneer gij terugkeerend van uw werk in de verte reeds de vroolijke bloemen voor het raam ziet, u als het ware een welkom toeroepend.
2° Wat brengt een vocjeltje al geen vreugde in huis! Hetzelfde geldt van andere huisdieren. Zoo kennen wij een gezin van vader, moeder en negen jongens, waar de oudsten elk geregeld eenige centen in de week betalen voor het onderhoud van den hond. Alhoewel dit dier niet zeldzaam schoon is of door ras uitmunt, zouden zijn eigenaars hem toch voor geen geld willen missen.
3° Voor lange winteravonden bevelen wij het figuurzagen ten zeerste aan. Een fijne zaag met toebehooren is voldoende en dit gereedschap kost maar weinig. Men vindt bij de boekhandelaars gemakkelijk een teekening voor hoekkastjes, vogelkooien, lessenaars, sigaren- en horlogestandaarts, lijsten en zoo meer. Ook leijkaarten zijn gemakkelijk te vervaardigen. Men plakt een prent op een dun plankje en zaagt deze dan in verschillende kleine stukjes.
Niet alleen versiert gij aldus uw eigen woonvertrek, maar \'t geeft u tevens gelegenheid passende geschenken te vervaardigen voor uw ouders, vrienden en bloedverwanten.
U2
4° Hoevelen houden zich in hun vrijen tijd bezig met het inzamelen van munten, postzegels enz. Hierbij vergete men niet liet opzetten van vlinders, torren en zoo meer; alle zaken die de geografische en natuurkundige kennis, op school opgedaan, kunnen ontwikkelen.
5o Het timmeren te leeren is voor de jongens hoogst nuttig. Niet slechts dat ze dan \'s avonds bezig zijn maar zij komen er zoodoende van zelf toe om later hun huisraad zelf te herstellen, of \'t een of ander voorwerp te vervaardigen, wat zij in den gewonen doen nooit zouden konpen. Op het platteland, houdt men zich \'s avonds veel bezig met hei mandenmahen, een gemakkelijk werk hetgeen daarenboven nog een goeden stuiver geeft in den spaarpot; zoo ook het knoopen of nettenbreien,
6° Houdt ge van lezen, weet dan wel dat gij moet lezen en niet uw boek verslinden. Daarom is het goed \'s avonds voor te lezen, daardoor toch wordt het geheele gezin bezig gehouden. Een schrijver zeide: lezen is nog niets; lezen en denken iets; lezen, denken en begrijpen is alles. Men wachte zich wel boeken te lezen die slecht zijn, zedeloos of tegen den godsdienst. De werkman zij in deze zeer omzichtig, daar men hem tegenwoordig allerlei boeken en geschriften in do hand stopt, waarvan de meeste slecht zij\'i en gemeen.
7» Muziek en zang. Wij durven u veilig aanraden, indien gij er toe in staat zij t, een instrument
63
te leeren bespelen, bijv. de fluit, clarinet, hoorn of de harmonica. Is het laatste instrument tegenwoordig weinig meer in zwang, dan is dit vooral daaraan toe te schrijven, dat bijna niemand het meer bespelen kan naar beho ren. Kunt gij zingen, welaan oefent u, wam van weinig zaken zult gij bij den arbeid meer pleizier hebben dan van uw eigen stem.
8° Op veel plaatsen zijn de geburen gewoon \'s winters bij elkaar aan \'t vuur te komen zitten en \'s zomers voor de deur. Dat men dan onder elkaar genoegen heeft en gekheid maakt, daar is bepaald niets tegen, mits men zich niet wage op het geliefde doch zeer gladde terrein der dubbelzinnigheid en mits ook de naastenliefde ongeschonden blijve Komt vrij bijeen, en vertelt onderling, wat gij wetenswaardig gehoord, gelezen of gezien hebt, plaagt elkander in passenden vorm, geeft raadsels op, haalt oude anecdoten voor den dag, quot;t is el te gader goed en \'t zal u ontspanning geven. Onthoudt evenwel, dat er veel zaken zijn waarover men niet moet spreken; dat de ouderen hier de jongeren voorgaan en zich tegen alle gemeene taal en onbehoorlijkheden in tijds verzetten.
§ 30.
De Ilerbenj.
„Straat, maar wat kom je mij wonderlijk voor 1quot; Het is bepaald merkwaardig om eens een ver-
64
gelijk te maken tusschen de herbergen nu en een dertig jaar terug. Waar vroeger in een dorp van 1000 zielen ëi\'ne herberg was daar heeft men er tegenwoordig een half dozijn. De kroegen komen uit den grond als paddestoelen, en wanneer men niet meer weet hoe aan den kost te komen, \'t is honderd tegen één dat men dan maar tapper wordt. Zoo is de herberg voor de maatschappij een ontzachlijk kwaad geworden. Daarbij komt dat het bier, hoe goedkoop dikwerf ook aangeboden, den jongen werkman niet meer bevalt. Neen, een borrel brandewijn of klare jenever past hem veel beter!
Laat ons nu eens vragen hoe oud men zijn moet, wil men naar de herberg. Wij herinneren ons een brave tapper, die gewoon was aan knapen van 15 jaar, wanneer zij om jenever vroegen, eenvoudig ean glas melk te geven. Die man had het waarlijk zoo mis niet, want jeugdige werklieden behooren toch niet in de herberg te huis; voor de achttien jaar is het bezoeken der kroeg niets gedaan.
Vraagt gij: waar moet ik mijn glas bier drinken? dan antwoorden wij u: niet in donkere hokken, nooit achter de toonbank, in geen danshuizen, maar alleen daar, waar fatsoenlijke men-schen komen en geen dronkelappen.
Wanneer? Wel dat is heel eenvoudig. Een werkman mag des Zondags na kerktijd een borrel hebben, en brave flinke jongens van een jaar of
65
negentien een glas lekker bier, maar — die werklieden, welke in de week geregeld een borrel gaan drinken, op een vast uur en in dezelfde kroeg, benadeelen hun huishouden en worden op hun ouden dag drinkebroers of slepen zich vroeg naar het graf.
Boe lang men in de herberg blijven mag is lastig te zeggen, doch het is zeker hoogst verkeerd er laat te blijven zitten, want wat, vooral op het land, des avonds in de kroeg gebeurt is meestal niet veel goeds.
Het blijft in ons land zeer moeielijk aan den werkman den borrel te verbieden, alhoewel dit wenschelijk zou zijn, maar wat wel kan is matig te zijn en niet ie veel te drinken. Ziet zelf rondom u, hoevelen er zijn die een stevigen borrel drinken en met wien gij niet gaarne zoudt ruilen; mannetjes van veertig jaar, juist zoo afgeleefd en versleten als menschen van honderd. Hebt gij pleizier om ook zóó te worden, welaan, drinkt naar hartelust, dan kunt gij telken avond wanneer gij naar huis gaat met gebroken stem zingen:
„\'k bracht in deez\' herberg mijn avondje door,
Straat, maar wat kom jij mij wonderlijk voor,
Hechter en linker geruild met elkaar.
Straat je bent dronken, zeg op is quot;t niet waar?quot;
§ 31.
Over spel en vermakelijkheden!
1°. Het Kaartspel. Ofschoon het kaartspel den
6
m
jeugdigen werklui nu juist niet hard is aan te raden, ■willen w\'y er toch ook niet heel en al den staf oveibreken. Dikwerf toch heeft men niets te praten; men vervalt eerst onwillekeurig lot verkeerde lichtzinnige opmerkingen en eindigt met slechte gesprekken. Vandaar dat het in zulk een geval veel beter is wat te kaarten, maar blyft dan kalm en speelt niet hoog. Dikwerf heeft men evenveel genoegen wanneer men speelt om dts keizers baard als tegen geld.
Wij zijn des Zond at s wel eens langs een herberg gekomen waar een leven was, dat hoeren en zien verging; men sloeg met den vuist op de tafel, smeet met glazen en stoelen, eerst werd er geduwd en geTOchten en toen.... ja laat het ons maar zeggen, om het va\'sch spelen is menigeen diep ongelukkig geworden en d ar zijn in de samenleving weinig dingen zóó gemeen als dat opzettelijk valsch spelen.
2°. Om geld te dobbe\'en is flauw en onzinnig; geschiedt het met hartstocht dan is het gemeen bovendien.
3°. Waarom speelt het werkvolk niet meer domino en dammen? Dat zijn aangename spelen, waarbij gedacht moet worden.
4*. Het billart en de schuiftafel geven een gezonde beweging.
5°. Evenzoo het kegelen, kolven, en beugelen.
Wij moeten hier in \'t voorbijgaan waarschuwen tegen het wedden om geld of drank, welke
67
liefhebberij wy met het dobbelen gelijkstellen.
6°. Het theater. Wij haten niet het theater op zichzelf, maar zeggen dat een slecht theater het ellendigste ding is, niet slechts onder de zon maar ook onder de sterren. Het is maar goed voor het werkvolk, dat het op de meeste plaatsen geen geld genoeg heeft om naar de comedie te gaan, want er is tegenwoordig in de groote steden toch reeds al te veel goedkoope gelegenheid. De man trekt er dan met vrouw en kinderen op uit, voor een paar dubbeltjes heeft men plaats; ja de poësie werkt zoo dat wij onlangs een weikman tegen een ander hoorden zeggen: Wel, ben jij daar nog niet geweest, kom I \'t is waarachtig een pandje waard!
Edel vermaak, \\oorzeker!
Het gevaarlijkste van alles zijn die comedie-troepen met de kermis. Zoodra men het volkje in hun vreemdsoortig en meestal nog al luchtig pak zoo buiten op de estrade of den trap ziet staan, zegt dan maar gerust bij u zelf: neen, bij zulk een goed hoor ik nog niet thuis.
Geldt het komedie stukken door goede ver-eenigingen voor den werkman pegeven, dan wordt de zaak geheel andeis; hier zal meestal niets tegen zijn wanneer men dit dan ook maar weer niet overdrijft.
7®, Het dansen. Een mar, die het wel wist, heeft in zijn tijd de dansen vergeleken met de Champignons en gezegd: dat zelts de beste niet
68
■deugen! Zóó streng zijn wij niet en wij zien er ook geen kwaad in dat, waar het niet om deze ■of gene redenen verboden is, de ouders bij kermis •of groote feesten aan hun kinderen verlof geven •om eens te dansen, maar dan zij gezorgd dat de aiel er niet onder lijde.
Waar wij evenwel tegen waarschuwen, is dat Zondags-dansen in slechte lokalen, waar een ieder vrij kan inloopen, en zulks liefst tot laat in den nacht! Tegen dat geloop van de eene kermis naar de andere! teg^n dat elkaar \'s avonds thuis brengen!
8° Lid zijn van Vereenigingen, welke tegen Kerk en Staat samenspannen, mag nooit of nimmer, vooral niet van de sociaal-democratische, welke zich ten doel stelt troon en altaar omver te stooten. Daarnaast zijn nog zeer veel vereenigingen, waarin «en ongodsdienstige toon voorzit; ook van dezulke worde de werkman derhalve geen lid.
Lid te worden daarentegen van christelijke vereenigingen kunnen wij hem niet genoeg aanraden ; daar immers worden godsdienst en goede zeden gesteund, de vaderlandsliefde aangewakkerd en het vermaak zooveel mogelijk den vrijen teugel gelaten.
Tegen ééne zaak zy ten slotte gewaarschuwd: wordt niet lid van te veel vereenigingen. Daardoor ■zal u de lust tot werken ontnomen worden en -awe kracht verbroken; het bevordert het leven in de herberg en stoort derhalve het huisiyke,
69
daarenboven loopt men veel gevaar van een looper en dronkaard te worden.
De leerzaamheid.
§ 32.
Ook de werkman moet leerzaam zijn.
Zegt ons eens oprecht, waarde vrienden, hoe staat het toch met al wat gij op school geleerd hebt? Wat is u nog bijgebleven van het lezen en schrijven? Kunt gij nog rekenen? Weet gij nog iets van de vaderlandsche en algemeene geschiedenis ?
»Ja, zoo hooren wij u zeggen, mijn naam zetten dat kan nog, maar een brief te schrijven, waarlijk dat zou wat kosten!quot; Met andere woorden: de vruchten van het onderwijs zijn verdwenen, al dat werken der jeugdige jaren is voor niets geweest; denkt gij er eens over na, gij zult dan zelf de eerste zijn om uw eigen schande te bekennen.
Daarom, moed gevat! al hebt gij ook eenige jaren niets aan het leeren gedaan, gij zijt nog jong genoeg om in uw vrije uren de pen weêr eens op te vatten en u in het schrijven te oefenen. Dat zal in \'t begin nu wel niet zoo gemakkelijk zijn daar uw vingers al wat st;jf zijn geworden, doch, houdt moed! Pater Abraham a Santa Clara zeide over de Ark van Noë sprekende: »Deezel, dien men er in bracht, kwam er weêr als ezel uit.quot; Al willen wij den werkman nu niet met een e^el
70
ver?eUjken, zoo zyn er toch sommigen die er erg veel van hebben! De jongen komt in de fabriek, ■wordt aan zekeren mechanischen arbeid geplaatst, doet dat werk, en denkt geheel zijn leven aan niets anders. Wordt hij nu om deze of gene reden ontslagen dan is hij wel verplicht bij een ander juist dezelfde plaats aan dezelfde machine te krügen, wil hij niet broodeloos worden.
Zeker duitsch spreekwoord zegt: »de stand is een band *. Gij moet in uw vak trachten alles te leeren. Houdt uw oogen en ooren dus open. zoodra gij maar denkt misschien iets nieuws te kunnen leeren. Een goed bedreven werkman heeft nooit te vreezen buiten werk te komen, want een ieder is caarne van hem gediend daar hij zijn werk verstaat.
Waarom nu zijn er zoovele menschen die in het leven maar niet kunnen slagen? Meestal is het, omdat hun hoofd niet zit op de rechte plaats en zij nooit iets hebben geleerd, en nooit iels vergeten. Versmaadt zelfs niet ook dat u eigen te rnaken wat gij ook buiten uw vak nog kunt leeren. Zoo had de H. Paulus alhoewel een zeer geleerd man, toch den tijd gevonden om tenten te leeren maken — hetgeen hem later, toen hij Apostel was geworden, goed te stade kwam. Immers hierdoor wist hij zich na afloop van zyn dagelijksch apostolisch werk, den kost te verdienen.
Misschien hebt gij ook gelegenheid u hier of dafir in eenig ander handwerk te bekwamen,
71
welnu, laat die kans nooit voorbijgaan. Die kennis kan u thuis van pas zijn of anders voorzeker in de fabriek, waar men gewis van uw handigheid gaarne zal gediend zijn.
Laat nimmer achter ook de kennis van uw geest te vermeerderen. Zoo is er in uw stad of dorp wellicht eene Zondags- of avondschool, men geeft misschien les in teekenen of vreemde talen, — alle gelegenheden welke gij bezoeken kunt en er nw nut mede doen. Dat zal voor \'t minst zeker vrij wat beter zijn dan uw vrije uren met niets doen te slijien.
Weet evenwel dat gij geen scholen bezoeken moet waar ongodsdienstige meesters onderwijs geven. Zegt men u, »de godsdienst heeft niets te maken met lezen, schrijven en rekenen,quot; zijtdan vooral voorzichtig want de ongeloovigen verstaan het meestei lijk zelfs in de eenvoudigste dingende kiem te leggen van hun ongeloof of godsdienst-haat.
Waar echter dit gevaar niet bestaat, leert daar wat eij kunt en houdt u veilig overtuigd datdi« kennis u vroeg of laat van nut zal zijn. Nimmer nog heeft iemand berouw gehad te veel te weten, terwijl gij dagelijks hoort klagen: ))jammer, dat ik dit of dat toen niet heb geleerd, want nu is mijn tijd voorbij.quot;
Denkt derhalve iets verder dan uw neus lang is. Streeft in deze zaken s eeds naar hooger! Want al hebt gij ook weinig kans om fabrikant te worden, goed oppassen brengt n allicht tot
72
betere betrekkingen als die van meesterknecht, opzichter of dergelijke.
Hij die op het doel schiet moet iets hooger mikkenquot; wil hij de roos treffen.
Ordelievendh.ei d.
§ 33.
Alles op zijn plaats en alles op zijn tijd.
Het is een feit, dat de dieren voor alles den juisten tijd kiezen. Zoo voert hun instinkt hen regelmatig van de eene wereldstreek naar de andere. Met zekerheid kan rnen den dag bepalen, ■waarop de zwaluw herwaarts komt en wanneer zij weder naar andere gewesten aftrekt. De dieren weten vast wanneer ze ter ruste gaan en op wat uur hun nieuwe dag begint. De haan heeft geen wekker en toch kraait hij ten gestelden tijde voor den eersten keer. De dieren eten totdat zij genoeg hebben en zullen dan ook niets meer aanroeren. \'tls verwonderlijk wat heerlijke kunstwerken de vogeltjes zonder nadenken maken, alle dingen die de mensch niet vervaardigen kan. En dan het werk der bijen en der mieren, waarvoor het menschelijke verstand stil staat!
Het is instinkt! o ja, de dieren zijn ordelievend zonder hel te weten. Maar de met verstand begaafde mensch? Hij ziet dit alles, en ziet het gaarne, alhoewel hij zelf dikwerf het levend voorbeeld is van wanorde! Vrienden, wanneer gij u
73
niet langer schamen wilt over uw weinig besef van regel en orde, houdt dan vast aan het bekende, alledaagsche woord: Alles op zijn plaats! alles op zijn tijd!
1° Alles op zijn plaats. Het is noodzakelijk bij het gebruik van uw gereedschap strenge orde te bewaren. Hoe veel tijd wordt niet verloren louter met het zoeken naar hamer, tang en beitel, omdat men ze zoo maar hier of daar heeft neergelegd. Dat hoort niet, het is geen orde; geeft elk instrument eene vaste plaats, zoodat gij het in het donker vinden kunt.
Kleedt gij u \'s avonds uit, laat uw kleederen dan niet slingeren op dezen en genen stoel, doch legt ze liever op een vaste plaats of hangt ze in de kast.
Zijt gij ordelievend, dan zult gij geen gescheurde jas of broek aantrekken. Het is beter deze te doen herstellen en er de vermiste knoopen te laten aanzetten; eene kleine scheur wordt den volgenden dag eene groote.
2° Alles op zijn tijd. Neemt als hoofdregels; telken dage eerst dat te doen wat noodzakelijk is; — en voorts: stelt nooit tot morgen uit wat gij heden doen kunt.
Voor het overige zijt gij aan de orde uwer fabriek of werkplaats gehouden, welke als van zelf eene tijdsindeeling medebrengt; zoodat wij hier alleen hebben te letten op de uren buiten werktijd.
De morgenstond heeft goud in den mond!
74
Moet gij om zeven uur op uw werk ztjn, dan dient pij zeker toch om zes uur op te staan, of vindt gij het ordelijk wanneer gij dan eerst om half zeven uit het bed springt, u aankleedt, ontbijt en naar uw werk loopt ? In dit geval schiet het morgengebed — liet begin van den dag — er natuurlijk bij in en \'tis honderd tegen één dat gij den heelen dag slechten zin hebt!
Neen, dat gaat niet, want die s\'morgens niet op wil kan \'s avonds niet naar bed; en toch gij weet hoe de oude gezondheidsregf l leert, dat de li; en voor middernacht dubbel tellen. Tien uur is een goed burgerklokje.
Zoo ooit dan kunnen wij u aanraden vooral den Zondag — uw vrijen dag — goed in te deelen. Bepaalt te voren hoe laat gij opstaat, wanneer gij ter kerke gaat, wanneer dit on wanneer dat zal geschieden. Immers vooral des Zondags blijft men zoo gaarne wat langer in de herberg zitten en vergeet zoo licht het etensuur Hiertegen nu willen wij de ouders een goed middeltje aan de hand doen: zijn de jongens niet op tijd thuis, dan moet gij maar eenvoudig beginnen en de heeren vinden dan bij hun komst den hond in den pot. Wij durven veilig voorspellen, dat zij den volgenden keer op tijd zullen thuis zi;n.
Laat de huisvaders vooral zorgen dat de huisklok en het horloge goed gei egeld zijn ; zij toch geven aan veel zakrn den toon aan. Di« is eene kleine moeite, het eerste begin voor hem die ordelievend
75
wil worden, \'tis daarenboven altijd raadzaam den huisklok eenige minuten vóór te zetten, voor \'t minst dit is zeker beter dan achter.
Een vroom gemoed.
§ 34.
liet Hart.
Gij hebt voorzeker nog nooit iemand ontmoet die bepaald niet gelukkig wilde zijn. God immers lieeft nu eens in elk menschelijk hart dit verlangen gelegd. Maar, waar dan zal deze wensch bevredigd vinden ? In de rijkdommen en in het eerebetoon der wereld? — Gij weet zelf veel te goed dat dit u niet gelukkig kan maken, want dan zou voor u en voor millioenen anderen de poort van het Paradijs voor altijd gesloten zijn. Het geluk, waansaar wij streven, moet in het bereik liggen van allen, van ryk en arm.
Weet gij wat Salomon van de goederen der aarde getuigde? Hij, de rijke koning, noemt ze kortweg: ijdelheid der ijdelhedenl
Wat blijft u ten slotte over van al dat jagen naar geld en eer, wat anders dan.,, een doodshemd en een zestal planken!
Misschien ligt de voldoening van dezen wensch in de bevrediging der zinnelijke lusten! — Tot heden toe heeft de zonde het Paradijs wel gesloten, maar het nog voor niemand opengesteld. Wel
76
is deze weg in het begin breed, en schijnbaar vol genot, doch zoodra gij hem verder opgaat, ■wordt alles rondom u nevel, nacht en ontzetting.
Wel geeft hij u veel vreugde en biedt u ruime genietingen, misschien reeds plukt gij op uw pad heerlijk riekende rozen, maar daartusschen daar groeien ook doornen welke vroeg of laat te voorschijn komen. Eenmaal zult gij in den ernst des levens moeten getuigen, dat men niet ten onrechte deze aarde een dal van tranen heeft genoemd.
Het menschelijh hart vindt geen rust, tenzij het op God vertrouwt. Waarschijnlijk draagt gij geen ring met een kostbaren edelsteen, maar zeker toch is het dat gij in het winkelraam van den een of anderen goudsmid wel eens een zoo-danigen gezien hebt. Neemt gij nu in uw verbeelding den steen uit zijn plaats, dan zal daarin niets passen, wat gij er ook zoudt willen inzetten ; alleen de steen, dien gij er uit naamt, past volmaakt in die monteering. Evenzoo is ook onze ziel gesloten in eene monteering, alleen voor God van pas gemaakt; vandaar dat ons hart geen rust kent totdat het rust in God. Kunt gij geen volkomen rust en volmaakt geluk genieten alvorens gij in de eeuwigheid zijt aangeland, toch tan het morgenrood van een gelukkigen dag u reeds hier tegenlachen, wanneer gij in zorg en smart steeds bouwt op God, die troost schenkt en kracht en zelfs sterkte geeft om het zwaarste kruis met gelatenheid te dragen.
77
§ 35.
Het geloof onze magneet.
Is de kompasnaald magnetisch, dan wendt zij zich naar het Noorden; ja zij wordt zóó sterk tot den Noordpool aangetrokken, dat hoe gij haar ook keert, zij toch altijd weer in dezelfde richting terugslaat.
Waar nu is de magneet te vinden die ons onrustig hart opvoert tot God? Vooreerst in het geloof, u leerende God te kennen, Hem te beminnen en te dienen.
Voorts kunnen wij nog op andere wijze tot de kennis van God komen, namelijk door de zichtbare schepping. Vertelde u iemand van deze of gene schilderij, dat zij door louter toeval was ontstaan, doordat de verschillende kleuren toevallig in die orde door elkander waren geloopen;— gij zoudt hem zeggen: Loop heen, maak dat anderen wijs! Grooter onzin nog is het te durven beweren, dat de zoo heerlijke aarde bij toeval zou zijn ontstaan.
Vroeger reeds hebben wij er uwe aandacht op gevestigd, hoe de geheele schepping naar den al-machtigen, alwijzen, algoeden Schepper heenwijst.
Ook de stem des gewetens legt luide getuigenis voor God af. Zij wekt bij u het bewustzijn op van een hoogeren wil en een heiligen, rechtvaardigen God, Wiens wetten wij hebben te volgen om te komen tot ware rust en zalige vrede.
Deze natuurlijke kennis Gods is middelerwijl
78
zeer onvolmaakt, en niet voldoende om Hem te kunnen beminnen, gelijk Hij van Zijne schepselen wil bemind worden.
Halve kennis brengt noodwendig slechts halve liefde voort. Immers, wien ik slechts half ken, kan ik niet heel en al beminnen; naarmate ik met zulk een persoon meer vertrouwd word, klimt ook mijn genegenheid.
Evenzoo staat het met den dienst van God ; des te beter ik den wil des Ileeren ken, des te meer zal ik Hem dienen.
Heb ik Hem niet goed gediend en Hem be-leedigd, dan moet ik leeren op wat manier ik mijn fouten zal herstellen.
Deze meef juiste en betere bovennatuurlijke kennis van Gods wezen en Zijn heiligen wil, danken wij aan de goddelijke Openbaring Deze, begonnen in het Paradijs, door de Patriarchen en Profeten in het Oude Verbond voortgezet, vond haar einde in Jesus Christus, het ware licht in deze wereld gekomen.
§ 36.
Het Geloof ook een tijdelijke zegei.
„Draag vooral «org, dat het volt godsdienstig blijve.quot;
Belooft de Christelijke godsdienst naar den schyn niets dan wat ons wacht aan gene zijde van het graf, in waarheid schaft hij ook aan deze zijde, ui het leven oprecht geluk.
79
Een mensch zonder geloof tan niet gelukkig zijn. Een zoodanigö tocli verbittert zicii Let leven wijl liij niet putten kan aan de bronnen der ware vreugde. Wat een genot brengt de godsdienst den Christen ai niet in de gedachte aan Gods vaderlijke liefde, in de leidende zot g der Engelen, in de godsdienstoefeningen en goede werken. Het koud ongeloof weet niets van dat alles; in stede van echte vriendschap geeft het meestal n ets dan naakte berekening, eigenliefde, huichelary en egoïsme.
Zoekt de ongeloovigen eens op in hun familieleven en faj zult ondervinden hoe zij bijna altijd zijn slechte huisvaders, tyrannen voor vrouw en kinderen en ijverige kroegloopers.
Waar, zoo vragen wij, zullen deze ongelukkigen troost vinden, wanneer hun welvaart geknakt is, hun gewondheid verwoest of hun eer geroofd? üe Christen hoopt dan op beter, op \'t eeuwige leven, terwijl daarentegen den ongelovige niets rest dan de twijfelgedachte, dat met den dood alles uit is, — dat hij met andere woorden eens vernietigd zal worden Is dat een troost ? Daarby komt dan nog die verschrikkelijke twijfel, of er misschien toch niet een wrekende God zou kunnen bestaan, en dus een eeuwige vergelding, een hemel en... een hel. Wat (en VOO\' beelden in de geschiedenis van de eerste en de voornaamste vijanden des geloofs, die op hun sterf bed der vertwijfeling en razernij geheel ten prooi zijn geworden!
80
Een volk zonder geloof zweeft, om zoo te zeggen, boven een vulkaan, die vroeg of laat zijn vurige lava over de ongelukkigen zal uitstorten. Koning Frederik II placht te zeggen; »Wanneer ik een gewest eens recht straffen wil, dan zal ik er een paar jaren de ongeloovige philosofen vrij veld laten.quot; En de grijze Keizer Wilhelm? Hij was het die zeide: »Draag vooral zorg, dat mijn volk godsdienstig blijve.quot;
Wilt gij de geschiedenis kennen van een volk zonder üod, leest dan maar eens al de gruwelen der Commune in 1871 te Parijs. Zulke feiten spreken luide genoeg.
Gelukkig daarentegen het volk wat den godsdienst lief heeft.
Vóór Christus heerschte, volgens de tijdge-nooten, misdrijf en zonde alom. En reeds aanstonds na Zijn Verrijzenis kunnen de Apostelen verklaren: sdat de geloovigen waren één hart en ééne ziel en dat zij alles onder zich gemeen hadden.quot; Zelfs de heidenen konden den Christenen hun bewondering hierover nietgenoeg doen blijken, vandaar dat zij zeiden: »Ziet, hoe zij elkander lief hebben.quot;
Gaat verder eens bij u zelf na, wat al nieuwe toestanden het Christendom in \'t leven heeft geroepen, zoodra het den heidensche volkeren is verkondigd, getuigen uw eigen voorouders. Voor bar baarschheid trad beschaving, voor ruwheid de kunst en wetenschap. In die werelddeelen daar-
81
tegen waar de zon des Christendoms is ondergestaan, bijv. in Klein. Azië en Afrika, onder de Halve Maan der Mohammedanen, is alles opnieuw in volle barbaarschheid verzonken.
§ 37.
Komt rond voor uw godsdienst uit!
Gij hebt gewis nooit gehoord dat, iemand zijnde recht van lijf en leden, zich deswege verontschuldigde voor een ander die een bult had I Schaamt een christen zich voor zijn geloof, dan is dit nog dwazer. * Voor slechte dingen moet men niet uitkomen, doch het christendom is goed, en daarom is het u geen schande het te belijden. Geraakt gij in gezelschap met menschen, die het er op gezet hebben uwen godsdienst te verachten of te bespotten en zwijgt gij uit menschelijk opzicht of uit valsche schaamte, dan zijt gij niet meer of minder dan een groote lafaard.
Dit zegt nu nog niet dat gij met andersdenkende altijd twisten moet en redeneeren, o neen! dat zal u niets baten, daar zulke gesprekken gewoonlijk den eene niet bekeeren en den andere niets baten. Maakt veel liever een korte bemerking zooals gij doen zoudt, indien men den naam uwer goede moeder misbruikte.
Neemt dezen raad van ons aan, om wel te zorgen dat iemand, die 24 uur met u in gezelschap is, niet meer naar uw godsdienst behoeft
6
8-2
te vragen. Bekent voor of na tafel of waar het pas heeft eenvomlig kleur, dat is voldoende. Vreest niet dat men u daarom zal minachten; men kan vroolijk zijn en godsdienstig terzelfder tijd.
Zijt vooral verdraagzaam jegens andersdenkenden. Eerbiedigt hun overtuiging doch bedelt niet om hunne achting voor de uwe; immers gij kunt dezen eerbied als een recht vorderen.
Weet uwe omgeving eens dat uw godsdienst is duw kruidje roer mij nietquot; dan zal men u niet lastig vallen, en u veeleer prijzen om de moedige belijdenis van wat u is uw beste, uw heiligste goed.
§ 38.
Godsdienstigheid,
De fabel verhaalt ons, hoe een snoek in het net eens visschers gevangen door dezen ter dood veroordeeld werd. De snoek hierop niet gesteld, bad en smeekte om barmhartigheid: »Laat mij los, zoo klaagde hij, want ik draag de lijdenswerktuigen van uwen Verlosser, het kruis en de ladder, de spons en de lans in mijn kopquot; l).
De visscher evenwel, wist hoe de snoek, niettegenstaande dit alles, in het water toch steeds onbarmhartig was voor de andere visschen en hen liefst tot middagmaal gebruikte. Vandaar dat hij
1) Het is bekend dat deze in den kop van den snoek te vinden zijn.
83
hem hierop toevoegde: »Ja, gij draagt den godsdienst wel in het hoofd, maar niet in het hart.quot; — Deze fabel leert, dat het niet voldoende is Christen te zijn met den mond, maar dat de godsdienst wortelen moet in het diepst van het hart, -wil hij eenige vruchten voortbrengen.
Christus zelf heeft ons zijn leer niet alleen gepredikt, maar oolc Zich zelf tot voorbeeld gesteld. Laat ons derhalve ook dat doen wat Christus deed; de naam van Christen zegt genoeg reeds dat de drager van dien naam aan Christus gelijkvormig moet worden.
Als werkman hebt gij daarenboven nog het bijzonder voorrecht dat Christus aan u gelijk is geworden op deze wereld. Volgt Hem derhalve na in zijne werkplaats te Nazareth, en gij zult den godsdienst niet slechts in het hoofd maar ook in het hart met u diagen.
Zijt zachtmoedig, eenvoudig, vredelievend, liefdevol voor uw naaste, vlijtig in uw werk, ijverig in de vervulling uwer godsdienstige plichten even gelijk Jesus, die twaalf jaar oud reeds naar Jerusalem opging om in den tempel te bidden.
Zoekt Hem na te volgen en gij zult gelukkig zijn, gaarne uw dagelijkscli werk verrichten en waar de smart u treft, goeden troost steeds vinden.
DEEBB DEEL.
HET SCHEEPS-KOMPAS.
§ 39.
De klippen op de levenszee.
Vroolijk en vol moed neemt de matroos van de zijnen afscheid en spoedt zich naar zijn schip. Weldra doorklieft de fiere driemaster, trotsch op zyn zwaren last, de blauwe baren; het strand is uit het gezicht en werwaarts- het oog zicli wendt, \'t speurt water slechts en lucht. De hemel is helder, en alles voorspelt een gelukkige vaart Wel teekent zich een wolkje in \'t verschiet, doch \'t is klein, \'t zal overtrekken. Maar ziet het toont zich sterker, \'t groeit aan, het is een wolk, een donkere, een onweerswolk. De matrozen hangen zwijgend aan de lippen van den kapitein, die voor hen staat roerloos als een beeld, starend, kort en bondig zijn bevelen gevend. De zeilen zyn getrokken en woest giert de wind door het getouw.
Arm schip, arme matrozen! Straks onmachtig den golven tot speelbal, den klippen ten prijs. Reddeloos verloren! Maar neen, het kompas zal redding bieden. De kapitein houdt stand, \'t kompas geeft hem de richting, hoe de zeekolos geslingerd worde, hij houdt hooge zee en straks
zijn storm en gevaar voorbij en worden de zeilen dankend weer geheschen.
Veilig kan men den jongelingsleeftijd met zulk eene zeevaart vergelijken. De dagen der kindsheid vlieden stil heen, als een beekje, doch naarmate de jaren groeien wordt de mensch meer en meer in de stormachtige levenszee geworpen. De hartstochten bruisen, de stormen der verzoeking komen op, en van alle zijden moet men zich voor de ge-vaarlyke klippen wachten. Deze klippen nu zijn vooral in zeven groepen te verdeelen, namelijk de zeven hoofdzonden, bron en begin der meeste andere. Onder deze zijn onkuischheid en onmatigheid in drank voor den jeugdigen werkman de gevaarlijkste onder allen. Richt dus het kompas, op dat uw schip geen letsel bekome en in den orkaan geen schipbreuk lijde.
Schending van het schaamtegevoel.
§ 40.
Gevaar voor allen.
De Apostel zegt, dat deze zonde onder christenen zelfs niet genoemd moet worden. Wij zullen daarom in dezen zondenpoel niet afdalen, en den sluier van het. zoo schandelijk beeld niet lichten.
Gelijk evenwel een verstandig dokter zijn zieke na onderzoek eenige mededeelingen doet over het gevaarlijke karakter der ziekte, om hem daardoor
86
tot wijze voorzichtigheid en goede voorzorgen te brengen, zoo willen ook wij hier niet zwijgen over die ondeugd, welke geheele klassen diep ongelukkig maakt en steeds meer en raeer onheil der wereld berokkent.
De kiem dezer ziekte ligt in den menschzelf; de begeerlijkheid desvleesches toch is een erfdeel door liet voorgeslacht ons gelaten. Zelden immers zullen wij stelen of moorden, maar vraagt eens hoe het met deze ondeugd staat geschapen. Wij moeten erkennen dat ze zelden slechts den mensch rust gunnen zal. Zijt zoo heilig als gij wilt, denkt u niet voor overrompeling gevrijwaard, getuigen David, Salomon en hoevelen met hen? Onk de hooge jaren worden niet gespaard. De grijzaard toch is als een hoog geladen schip, dat wel veel klippen op de levenszee vermeden heeft, doch nog altijd niet in veilige reede is binnengeloopen. Lijdt gij aan een uwer lichaamsdeelen, dan worden alle gevaarlijke invloeden met bijzondere zorg geweerd; hebt gij tandpijn of jicht, gij wacht u voor tocht en natte voeten. Wacht u evenzoo voor wat in deze zaak u schade kun brengen; waakt voor uw oogen en ooren opdat de tocht er niet doordrirjge, een slechte oogopslag, een slecht woord uw ziel niet krenke. \'t Hnrt vat aanstonds vlam en tusschen willen en doen ligt zoo weinig.
87
§ 41.
Het schandelijk karakter dezer ondeugd.
Men verliaalt dat de gioote schilder Leonardo da Vinci in zijne jeugd eens een stuk heeft geschilderd met padden, slangen, \\ledermuizen en meer van dat goed, zóó afgrijselijk leelijk dat zijn vader lut ziende terugsprong van schrik. Dat beeld ware gewis nog veel te schoon, moest het de onkuischheid in haar volle schande weergeven.
Deze zonde toch is eene dierlijke ondeugd, want die onkuisch is volgt zijn onreine begeerte even als de beesten; zijn lichaam heerscht over de ziel. Hebt gij ooit gezien dat een beer rondging met een mensch aar. één touw? Voorzeker neen; welnu, iijdien gij uw onsterfelijke ziel door uw dierlijken lusi beheerschen laat, dan geeft gij dat tooneel te aanschouwen. Ja, de onkuische vernedert zich meer nog dan het dier, daar hij niet handelt volgens instinkt, maar geheel vrijwillig, volgens eigen keuze.
§ 42.
De gevolgen der onhüsMeid,
1°. De onkuischheid verpest den mensch naar lichaam en ziel.
Wij zullen hierover zeer beknopt zijn. Die jongelingen met matten, onzekeren rogopslag, diepliggende, blauw gerande oogen, doorknikkende
88
knieën, hongerig en vervelend, lusteloos en verstrooid, zij zijn u ten voorbeeld om nimmer toch de eenzaamheid tot zonde te misbruiken.
Wenscht gij meer nog te weten, bezoekt dan de gasthuizen in de groote steden, waar gij ge-heele zalen vinden zult met zieken, verschrikkelijk lijdende aan de afgrijselijkste kwalen, het gevolg hunner zonden.
2°. De onkuischheid leidt tot vele andere zonden.
Juist om deze reden wordt zij onder de hoofdzonden geteld. De statistieken van het gevangeniswezen bewijzen de waarheid van dit feit. Tal van zelfmoorden staan op rekening dezer ondeugd.
3°. De onkuischheid bereidt den mensch de eeuwige verwerping.
Dit kwaad weet den mensch zóózeer aan zich te onderwerpen, hem zoo spoedig tot slaaf te maken, dat hij op het laatst niet meer weet wat hem wacht, ziekte, dood of verdoemenis.
§ 43.
Middelen tegen deze ondeugd.
Staan hier voorop de genademiddelen door God geschonken, de mensch wete wel dat God slechts dan helpt, wanneer de mensch zelf datgene doet wat in zijn natuurlijk vermogen is. Intusschen:
1°. Zijt waalczaaml Wanneer een voorzichtig man gaan moet langs een glibberig bergpad, waarnaast een diepe afgrond, dan zal hij nauwkeurig
80
letten waar hij den voet zet. Gij nu weet zeer goed hoe broos het vat is, waarin gij uwe onschuld draagt, hoe glad de baan, welke gij bewandelt, hoe vele roovers belust zijn op uwen schat — daarom zijt waakzaam!
2°. Vermijdt de gevaarlijke gelegenheid I
Wie de gelegenheid bemint zal er in vergaan.
De deensche koning Hadding belegerde maanden lang eene sterke vesting; doch al zij n moeite om de stad te nemen, bleef vruchteloos, tot hij eindelijk het volgende middel uitdacht. Hij liet namelijk alle duiven, welke uit de sterkte naar de zaad-velden in het rond vlogen, opvangen, bond ze een met solfer bestreken snoer onder aan de vleugels, slak des avonds de draden aan het uiteinde in brand en liet toen de gevangenen weder los. In eenige uren sloeg de vlam uit alle hoeken der stad op en zoo was zij der verwoesting prijs gegeven.
Op dezelfde arglistige wijze bedient de booze vijand zich van de slechte verkeeringen. Hij bestrijkt de zachte banden der liefde, welke de jonge harten omwinden, met den zwavel eener onreine liefde, en al mogen zij in het begin al op de duivenvleugelen der onschuld opvliegen, het minste is genoeg om den rampzaligsten brand in de harten te ontsteken.
Wacht u vooral de danshuizen te bezoeken. Zijt zeer voorzichtig ook in de keus van uw kosthuis, immers wanneer gij ver van de uwen
90
verwijderd leeft, is uw thuis voor u de gewichtigste vraag in elk opzicht.
Wij mogen niet nalaten nogmaals te waarschuwen tegen de slechte hoeken. Die werklieden welke uit de volksbibliotheken slechte romans halen, toonen reeds voldoende hoever zij gezonken zijn. Men zal u boeken en allerlei lectuur aan huis bezorgen om u te verleiden ; men zal zeggen dat er geen kwaad in staat, gelooft die colporteurs niet. Vergewist u eerst bij u bekende personen alvorens gij u door zulk een lezen ongelukkig maakt.
3°. Zijt gestreng voor u zelf.
De bekende koning van Jerusalem, Godfried van Bouillon, had tot spreuk: »ik ben sterk omdat ik kuisch ben\'; zoo voegen wij u toe: »Zijt sterk en streng voor u zelf om kuisch te zijn.quot; De geest moet heerschen en niet het vleesch.
Wacht u dus voor alle verwijfdheid, slaapt niet meer dan u noodig is, eet niet meer lt;ian u volstaat en vooral gaat niet ledig, want het onkruid groeit nergens weliger dan op den akker die onbebouwd blijft liggen.
De dronkenscliap.
§ 44.
De weg tot dit kwaad.
Men treft hier en daar langs den oever der zee zandplaten aan, die nog gevaarlijker zijn dan
91
de zee zelve. Is de wandelaar onvoorzichtig genoeg deze by eb te betreden, dan gevoelt hij alras hoe het water eiken indruk van zijn voet aanstonds opvult. Van geen gevaar zich bewust, tracht hij een meer vasten bodem te bereiken, maar bij elke schrede zinkt hij dieper. Haastig wil hij voort, doch \'t is te laat, hij staat reeds tot knieën in het weeke zand. Nu vat hij al zijn krachten samen, maar te vergeefs, want telkens zakt hij verder. Hij roept om hulp, niemand hoort hem; hij slaat de handen vertwijfelend ten hemel, het zand dringt hem reeds om den schouder; hij is der wanhoop nabij, nog ééne minuut en hij is levend bedolven.
Ziedaar het verschrikkelijk beeld der ellende, waarin de dronkenschap al haar offers een voor een stort.
Niet in éénen wordt de drinker dronkaard. Geen hartstocht immers woekert zoo langzaam voort als deze Eerst gebruikt men één glas, dan twee, drie en.....\'t is te laat.
Deze drinkt om de zorg te dooden, gene om zich op te wekken tot den arbeid, een derde omdat hy anders niet slapen kan, een vierde om tanden hoofdpijn te verdrijven, een vijfde omdat bij het een of ander feest de gelegenheid den dief maakt en zoovoorts. Intusschen vindt men het lekker, \'t wordt gewoonte én de passie volgt van zelf.
Menigmaal is men den afgrond nader dan men zelf weet. Zy t gij wellicht gewoon op zeker uur een of twee borrels to drinken beproeft dan eens zulks
92
eën dag over te slaan en gij zult weten uit eigen ondervinding wat moeite u dat kosten zal.
Het is voor de mannen een treurig voorrecht dat vooral zij aan deze ondeugd zóóveel offeren, terwijl daarentegen de vrouwen zich Velerlei ontbering moeten getroosten om hetgeen de man verdrinkt op andere wijze weder in te halen.
Waarlijk op dit punt is de vrouw sterk en behoort de man tot het zwakke geslacht, \'t Is wonder I doch bij velen schijnt het drinken in den aard te liggen. Kinderen van dronkaards hebben gewoonlijk sterke neiging tot drinken, welke neiging door het slechte voorbeeld van den vader meestal nog meer geprikkeld wordt.
Lie slechtste aller volksdranken is de jenever, te meer daar deze veelal niet best is.
§ 45.
De dronkaard.
De dronkaard staat lager dan de waanzinnige, ja zijn toestand is ellendiger dan die van een bezetene; met dezen heeft een ieder medelijden, gene wordt door allen verafschuwd. Hij is zijn vijanden een walg, en de bespotting zijner vrienden. Drinkt een beest zoolang het dorst heeft, de dronkaard overschrijdt alle maat en is dus nog onverstandiger dan het redelooze dier.
Ziet hem daar rnet zijn opgezwollen gezicht, zïjn rood geaderde neus, zijn blauwkleurige lippen!
90
Stelt liem u voor in \'t gezelschap zijner hem gelijkvormige vrienden, wedijverend wie van hen het meeste drinken zall Als een bezetene loopt hij rond, valt, draait met zijn oogen, slaat met handen en voeten; hoort eens wat een taal, wat een vloeken hij uitbraakt!
En dat monster is geschapen naar Gods evenbeeld, in het doopsel rein gewaschen, tot den eeuwigen hemel geroepen I
o Mensch! koning der Schepping, hoe diep zijt gij gevallen!
§ 46,
De dronkenschap en haar gevolgen voor het lichaam.
Men verhaalt hoe een alleenheerscher op de muur zijner kamer had laten schrijven: »Mensch wat gij ook doet, gedenk het eindequot; en hoe daarop iemand die een moord wilde plegen bij het lezen dezer woorden was teruggeschrokken en het moordend staal had weggeworpen.
Vrienden! Indien het mogelijk was zouden ook wij deze spreuk willen schrijven op al de muren uwer fabriek, in uw huis, in uw herberg, vooral om u op de ellende te wijzen welke die vervloekte dronkenschap aanricht.
De sterke drank brengt der wereld meer onheil dan pest, hongersnood en oorlog.
Bezoeken wij eens een hospitaal. Ziet dien man daar met een doek om het hoofd. In zijn dron-
94
kenschap was hij zich niet meer meester, hij begon te vechten, werd zwaar gewond en ligt nu in ijlende koorts.
Gaat gij verder, gij ziet er die hun arm of been gebroken hebben, en hun geheele leven kreupel zjjn en ongelukkig.
Gij ontmoet er menschen van dertig jaar, bleek en opgeteerd. De sterke bouw hunner beenderen verraadt u dat zij destijds krachtig waren en forsch, en voor niemand in gezondheid onder deden. Wie heeft die eiken geveld? AUeen de dronkenschap.
Komt gij na maanden terug in hetzelfde gasthuis, gij zult er anderen vinden maar weder evenveel lijders, aan den jenever hun kwalen dankend.
Niet alle dronkaards evenwel mogen op een ziekbed sterven. Dagelijks toch melden u de couranten hoevelen van steigerwerk storten, verdrinken, overreden worden en zoovoorts, ja hoevelen weten geen beter einde dan de zelfmoord.
§ 47.
De dronkenschap in haar gevolgen voor den geest.
Neemt het beste klavier wat gij wilt, is het niet goed in orde dan zal zelfs de grootste kunstenaar niet in staat zijn het harmonisch te bespelen. Zoo ook het menschelijk lichaam. Is het door den drank langzamerhand meer en meer ondermijnd, dan wordt het ook den heldersten geest
donker voor de oogcn. Daar zijn voorbeelden van knappe, hoogst wetenschappelijke mannen die, tengevolge van het drinken, eindelijk zoover kwamen dat zij tot elk verstandig nadenken geheel en al ongeschikt werden.
Bekwame artsen verklaren dat een der hoofdoorzaken der verstandsverbijstering ligt in de dronkenschap en \'t is, zoo zeggen zij, om gek te worden reeds genoeg talken dage zóóveel te drinken dat men voor zijn werk niet meer in staat is.
Bezoekt eens de verschillende straf-in richtingen, waar het uitschot der maatschappij gekerkerd zit. Wie heeft die dieven, die wellustelingen, die moordenaars daar gebracht? Grootendeels enkel en alleen de jenever. Een der nieuwste tabels in het Duilsche rijk toont aan, dat onder de 16855 misdadigers in de gevangenissen 4606 gelegenheidsdrinkers waren tegen 4211 drinkers van beroep, te s-amen 8817, de helft derhalve.
In de gevangenissen voor mannen komen er op de 7392 misdrijven 2465 voor, begaan door gelegenheidsdrinkers en S7Ö door drinkers uit gewoonte, te samen 3344. Deze staten bewijzen dat de dronkaard van een zekere neiging tot mis-dryf niet best valt vry te spreken.
Werpt men een blik in den zieletoestand van den dronkaard, dan is het erg treurig met hem gesteld; alle levenslust, alle levenskracht is hem vreemd geworden en tot alles onmachtig, is het hem niet meer mogelijk de ketenen der dronkenschap
96
at te werpen. Zelden dan ook hoort men dat een dronkaard zich bekeerd heeft. Het is gebeurd dat de dokters aan een zieke, die tengevolge van het drinken aan waterzucht leed, verklaarden dat hij gemakkelijk zou beter worden en nog wel zestig jaar leven kon, mits hij niet meer dronk, doch dat hij daarentegen, indien hij doorging zich te bedrinken, binnen twee maanden sterven zoude.
De zieke was zoo aan zijn gewoonte verslaafd dat hij antwoordde, liever nog eenige weken naar hartelust te drinken dan tot zijn zestigste jaar nuchter te blijven.
Sterven, ja dat is verschrikkelijk vooral echter voor den dronkaard. fiWee u, zoo roept de profeet Isaias, gij die \'s morgens vroeg op staat om u aan dronkenschap over te geven, en die tot laat
in den avond drinkt..... daarom zal de hel haar
keel wijd opensperren en haar muil bovenmate openen. 1)
Er zijn gevallen dat dronkaards nog op hun sterfbed al ijlende gebaren maakten, alsof zij een glas ledigden! \'tls verschrikkelijk er aan te denken hoevelen in hun roes plotseling sterven!
Men begrijpe wel dat er zoolang er leven is ook hoop is en dat Gods goedheid nog in het laatste uur een straaltje zijner genade schenken kan om het hart van den dronkaard weder tot
1) Isaias C, V. v. 11—11.
97
zich terug te voeren, maar zulke wonderen zijn en blijven zeldzaamheden.
§ 4\'8 Slot,
Zoo is dan dit Kompas gericht Zijn er eenigen onder de jeugdige werklieden die dit boekje tot hun vriend aangenomen en hel tot hiertoe met genoegen hebben gelezen, zoo vragen wij hen dringend het nogmaals ter hand te nemen en op nieuw in te zien. tiet is immer niet gemakkelijk zich in cénen dag naar dezen leefregel te gedragen, ja daartoe is zelfs veel tijd en zorg noodig.
Werd u, vrienden, werkelijk eens een Kompas gegeven en breedvoerig u daarbij verklaard, hoe gij het gebruiken moet bij het landmeten, in de mijnen, op zee, aanstonds zoudt gij ondervinden wat oefening u dat zou kosten, liet goed gebruik van dit geestelijk Kompas, is zonder twijfel nog veel lastiger Oefent u derhalve ijverig om het mijn en dijn uwer plichten af te meten, delft nauwkeurig de schatten in uw binnenste verborgen, stuurt met zeemanshand uw scheepje langs de vele klippen die het van alle zijde dreigen.
Laten wij, waarde vriend, onzen gedachtenloop ten slotte in twee woorden samenvatten : Wees mensch. Men verhaalt dat de bekende heidensche wijsgeer Diogenes eens op klaarlichten dag met
7
98
een lantaarn over de markt ging en op de vraag wat hij zocht, niets anders antwoordde dan: »Ik zoek een mensch.quot; De omstanders wezen hem op de volksmenigte, daar verzameld, »Neen, zoo sprak hij, dat zijn geen menschen, dat zijn dieren die zich leiden laten door hun wulpsche lustenquot;.
Wij hebben in dit boekje veel opmerkingen gemaakt. Leert daaruit zóó te handelen, dat gij u nooit behoeft te schamen Heil u, wanneer gij met een der beroemdste veldheeren uit den dertig jarigen oorlog kunt zeggen: «nimmer heb ik mij aan eenige onkuischheid schuldig gemaakt.quot; Hoe schoon zoo gij daarbij voegen kunt: snimmer heb ik mij aan dronkenschap overgegeven.quot; Bezin eer gij begint
Wees Christen! Een ander heidensch wijsgeer achtte eiken dag verloren welke hij zonder wel doen liet voorbij gaan. Dat deze heiden u niet beschame! Gij wordt oud zonder het te weten. Tracht derhalve in tijds te zorgen dat al worden uw haren grijs, uw doen en laten toch jeugdig blijven.
Wees Christen in den waren zin, in woord en daad ; Christen in het leven en Christen in den dood
INHOUD.
Vooi woord.............. l)lz. 3
§ 1. Inleiding.............. 4
EEISSTE iïEEI.,
HET LAHDMETEBS-KOMPAS.
§ 2. Het gebied der naastenliefde......Clz. 7
§ 3. De plicliten jegens de ouders...... „8
quot;Wat beweegt ons dezen pliclit jegens onze ouders te vervullen?
§ 4. Be stem der Natuur.........Blz. 9
§ 5. I)c hoop op belooning..........
§ G. De vrees voor straf.........«12
Hoe wordt deze kinderlijke plicht vervuld?
§ 7. Gij moet uw ouders eeren......Blz. 13
§ 8. Gij moet uw ouders beminnen..... «14
§ 9. Gij moet uw ouders gehoorzamen .... „18
Een kapitteltje voor de soldaten.
§ 10. Het loten en opkomen.......Blz. 20
§ 11. Het afscheid van huis........«21
§ 12. Het soldaten leven.........«23
Iets over verkeering en trouwen.
§ 13. De jongeling...........Blz. 25
§ 14. De jonge dochter.........«28
§ lü. De verkeering...........«30
§ 16. De bruiloft............«32
100
De maatschappelijke omgang.
|
§ § |
17. |
Beleefdheid kost niets........ |
Blz. |
33 |
|
18. |
« |
34 | ||
|
§ |
19. |
37 | ||
|
TWEEDE DEE Si. | ||||
|
HET MIJNWBaKEBS-KOMPAS |
, | |||
|
§ |
20. |
40 | ||
|
Een gezonde geest. | ||||
|
§ |
21. |
De arbeid van christelijk standpunt be | ||
|
schouwd ............. |
Blz. |
42 | ||
|
§ |
22. |
Een goed voorbeeld........ |
45 | |
|
§ |
23. |
Halfwerk geen werk........ |
49 | |
|
§ |
24. |
De wereld zien.......... |
51 | |
|
De uitspanning. | ||||
|
§ |
25. |
Over de eigenschappen der uitspanning . |
Blz. |
53 |
|
§ |
28. |
Waarom juist de zevende dag tot rustdag | ||
|
is ingesteld............ |
» |
55 | ||
|
§ |
27. |
Misbruik van den Zondag...... |
n |
57 |
|
§ |
28. |
Het wandelen........... |
« |
58 |
|
§ |
29. |
Thuis............. |
60 | |
|
§ |
30. |
De Herberg........... |
ii |
63 |
|
§ |
31. |
Over spel en vermakelijkheden .... |
ii |
65 |
|
De leerzaamheid. | ||||
|
§ |
32. |
Ook de werkman moet leerzaam zijn . . |
Blz. |
69 |
|
Ordelievendheid. | ||||
|
§ |
33. |
Alles op zijn plaats en alles op zijn tijd . |
Blz. |
72 |
|
Een vroom gemoed. | ||||
|
§ |
34. |
Het Hart............ |
Blz. |
75 |
|
§ |
35. |
Het geloof onze magneet....... |
ii |
77 |
|
§ |
36. |
Het geloof ook een t\'jdelijke zegen . . . |
ii |
78 |
101
§ 37. Komt rond voor uw godsdienst uit . . . Blz. § 38. Godsdienstigheid..........„
DERDE: ÖEESi.
HET SCHEEPS-KOMPAS.
§ 39. De klippen op de levenszee......Blz.
Schending van het schaamtegevoel.
§ 40. Gevaar voor allen.........Blz.
§ 41. Het schijndelijk karakter dezer ondeugd . „
§ 42. De gevolgen der onkuiscliheid.....„
§ 43. Middel tegen deze ondeugd......„
De dronkenschap.
§ 44. De weg tot dit kwaad....... . „
§ 45. De dronkaard...........„
§ 46. De dronkenschap en haar gevolgen voor het
lichaam.............
§ 47. De dronkenschap en haar gevolgen voor
oen geest............
§ 48. Slot..............„
100
De maatsehappelijke omgang.
§ 17. Beleefdheid kost niets........Blz. 33
§ IP. Beleefdheidsregelen........„ 34
§ 19. De kemphaan...........«37
TWEEDE ÖEESL.
HET MIJNWBÏIKEaS-KOMPAS.
§ 20. De raensch als mijnwerker......Blz. 40
Een gezonde geest. § 21. De arbeid van christelijk standpunt beschouwd .............Blz. 42
§ 22. Een goed voorbeeld........,, 45
§ 23. Halfwerk geen werk........,, 49
§ 24. De wereld zien..........„ 51
De uitspanning.
§ 25. Over de eigenschappen der uitspanning . Blz. 53 § 26. quot;Waarom juist de zevende dag tot rustdag
is ingesteld............«55
§ 27. Misbruik van den Zondag........ 57
§ 28. Het wandelen...........«58
§ 29. Thuis.............„60
§ 30. De Herberg...........«63
§ 31. Over spel en vermakelijkheden .... «65
De leerzaamheid.
§ 32. Ook de werkman moet leerzaam zijn . . Blz. 69
Ordelievendheid.
§ 33. Alles op zijn plaats en alles op zijn tijd . Blz. 72 Een vroom gemoed.
§ 34. Het Hart............Blz. 75
§ 35. Het geloof onze magneet.......„ 77
§ 36. Het geloof ook een tijdelijke zegen ... «78
101
§ 37. Komt rond voor uw godsdienst uit . . . Blz. 81
§ 38. Godsdienstigheid........... 82
JDEKME DËEEi.
HET SCHEEPS-KOMPAS.
§ 39. De klippen op de levenszee......Blz. 84
Scliending van het aehaamtegevoel.
§ 40. Gevaar voor allen.........Blz. 85
§ 41. Het schandelijk karakter dezer ondeugd . „ 87
§ 42. De gevolgen der onkuiscliheid.....»87
§ 43. Middel tegen deze ondeugd......»88
De dronkenachap.
§ 44. De weg tot dit kwaad....... . „90
§ 45. De dronkaard...........»92
§ 4G. De dronkenschap en haar gevolgen voor het
lichaam.............»93
§ 47. De dronkenschap en haar gevolgen voor
den geest............»94