155
DEN SCHRIJVER DER „GOUDKORRELSquot;.
Me TerMii om W GeleJ,
GETROKKEN UIT HET
„Hanbboeli ber geprofeste Hetigietwcnquot;, en der Novicen aangeboden.
BREDA,
De Prins-Cardinaal, D, 64, EIDXTAHID quot;V-A-lSr quot;WEES, UITGEVER.
VOORREDE.
Uit het Handhoek der Geprofeste Religieuzen ontleenen wij deze korte verhandeling over het Gebed, en hieden die der novicen aan. Immers het is, vooral in de eerste dagen van het religieuze leven , en gedurende het novicaat dat men de noodzakelijkheid van het gehed moet begrijpen, dat men alle krachten moet inspannen om eene ziel van gebed te worden.
Eene Religieuze die geene ziel van gebed is, dat wil zeggen die niet leeft door het gebed als door de lucht die zij inademt, en door de spijze die haar voedt, is eene Religieuze aan wie iets ontbreekt. Zij leeft in haren roep, maar als in een kleed dat niet past, zij gevoelt zich niet op haar gemak. Daarom bieden wij U, jonge Religieuzen, deze bladzijden aan, opdat gij hij uwe H. Professie ten volle het geluk uwer heilige roeping zoudt gevoelen.
Het gebed toch overwint altijd. Het zegeviert over onze hartstochten, onze gewoonten, onze lichtzinnigheid, ons karakter,
VOORREDE.
onzen hoogmoed! het zegeviert over alles. Hemel en aarde zijn vervuld met de veroveringen door het gebed behaald.
Het gebed voert ons ten Hemel. — Het verkrijgt ons het berouw over onze zonden , den moed en de genade om onze misslagen te betreuren en te biechten, de kracht om onze gebreken te verbeteren.
O gij, die het religieuze leven gaat omhelzen, Novicen, leert bidden, bidt met kracht, vraagt God de genade van gaarne en goed te kunnen bidden. Al zoudt gij heel den tijd van uw noviciaat slechts besteden om wel te bidden, gelijk dit werkje het u lêert, zoo moogt gij op het uur uwer heilige Professie verzekerd zijn, dat gij wel bereid zijt tot die heilige vereeniging met rnven Bruidegom. Gij zult gehoorzaam , gij zult arm , gij zult zuiver, gij zult werkzaam zijn. Het nederig, vertrouwvol, volhardend gebed, in den naam van Jezus verricht, zal wonderen van verbetering in u uitgewerkt hebben.
BIIDID EUST.
Onder al de boeken die ik geschreven heb, zegt de H. Alphonsus, geloof ik geen nuttiger te hebben geschreven dan AaiOver het groote Middel van het gebed; en zoo ik kon, zou ik er zoovele exemplaren van willen doen drukken als er menschen op de wereld zijn, ten einde aan ieder een te kunnen geven, en hun aldus de noodzake-lykheid te doen begrijpen, waarin wij allen zijn van te moeten bidden om zalig te kunnen worden... Ik zeg dit, ik herhaal het en zal het mijn geheele leven herhalen: de zaak der zaligheid hangt van het gebed af; en ik verlang, dat alle schrijvers in hunne werken, alle predikers in hunne sermonen, alle biechtvaders in hunne biechtstoelen zullen drukken op de noodzakelijkheid van het gebed, en onophoudelijk zullen herhalen: » Bidt, bidt, bidt, houdt nooit op te bidden.quot;
NATUUR, VAN HET GEBED.
I. Het gebed is eene verheffing onzer ziel tot God Het voorname doel van het gebed, zegt de H. Thomas, is den mensch met God te vereenigen.
Om deze vereeniging te bewerken doet het gebed eeuigermate den oneindigen afstand verdwijnen, die den mensch af-
6
scheidt van God; het verheft den mensch tot God, opdat Lij met Hem zou kunnen spreken, niet door eene stoffelijke nadering , daar wij, in God zijn, ons bewegen en leven, maar door eene toenadering door den geest en het hart, door eene verheffing der ziel tot God, die zich ge-waardigt naar haar te luisteren.
11. Hoe zinrijk is dit woord: Het gebed is eene verheffing der ziel tot God! Het is de vlucht der ziel naar de bron des levens , het is dat streven van het hart dat, vermoeid van de schokken des aardschen levens, in hoogere luchtstreken eene rustplaats zoekt. —■ Het is die goddelijke honger van een wezen dat ojj aarde geen voedsel vindt. — Het is de terugkeer der duive, die niet weet waar zich neder te zetten en eene woning komt zoeken in de arke, die zij verlaten heeft. — Het is een gesprek der ziel, een innig onderhoud des harten met den besten der vaders, de teederste der moeders, den toegenegensten aller vrienden. — En aldus begrepen, wordt het de kracht, de steun, de balsem, het geluk van het leven; het is het lied des vaderlands dat men aanheft en waarvan men de eerste woorden op de aarde stamelt (Mgr Laudriot).
7
Het gebed is die goddelijke veerkracht, die de geheele aarde in beweging brengt en tot God voert. — Het is, voegt Mgr de Ségur er bij, de edelste bezigheid van den mensch hier op aarde, liet adelt, het verheft, het maakt al onze andere bezigheden een redelijk wezen waardig.— Het hart vereenigt zich met den God van eene oneindige goedheid, van eene oneindige volmaaktheid, van eene oneindige liefde, die het alleen voldoen kan. — Het gebed is het gesprek van het kind met zijnen vader, het vertrouwelijk onderhoud van den vriend met zijnen vriend, hetsmeeken van den zwakken, ellendigen zondaar om barmhartigheid, het danklied van den zondaar, wiens schuld vergeven is.
Hl. Een ander kenmerk van het gebed, dat uit het eerste voortvloeit, is dat men bidt, zoo dikwijls de ziel zich godvruchtig tot God verheft, door welke
O O 7
gedachte zij ook gedreven worde.
De ziel bidt, zoo dikwijls zij zich in aanbidding stelt, — zij bidt als zij eene verkeerde neiging of een ongeoorloofd
0 .. o
genoegen opoffert, — zij bidt als zij de goddelijke volmaaktheid bewondert, — zij bidt als zij God dankt, — zij bidt als zij zich aanbiedt om God te dienen, — zij
8
bidt vooral dan als zij hare ellende blootlegt en zich van deze ellende juist een titel maakt om van zijne Oppermajesteit medeleden en hulp af te smeeken.
Die ellende der ziel is zoo diep, de behoefte die wij aan God hebben, is zoo groot, zoo aanhoudend, zoo algemeen, dat bidden en vragen eene zelfde zaak scnynt te zijn.
Zoolang onze tong één woord tot God kan stamelen, of slechts den naam Jezus kan uitspreken, — zoolang onze oogen zich ten Hemel kunnen verheffen, — zoolang ons hart eene bede kan vormen, een zucht kan slaken, is dit woord, die zucht een gebed; als wij tot God opzien, is die blik een gebed; — als wy dien zucht, die klacht tot God opzenden, is het een gebed; — en wij zullen vertroost worden, . omdat God getroffen is, en God zal ons
antwoorden.
Door het gebed onderhouden wij dus met (xod een heilig verkeer van lof, van \' dank, van liefde, van offerande, van smee-king Het gebed is eene genade, waarvoor wij God nooit genoeg zullen kunnen bedanken, en tevens eene der rijkste bronnen van genade.
IV. Het gebed is of geheel imoendig,
9
als het hart alleen bidt zonder de hulp van woorden of gebare», of wel het is mond-gebed, wanneer het hart zich bedient van de woorden om het gebed uit te drukken ; de stem geeft alsdan de gevoelens van het hart terug. Onder welken vorm ook, maakt het gevoel des harten altijd het voorname deel van het gebed uit. Er bestaat geen gebed, als het hart er geen deel aan neemt.
I.
NOODZAKELIJKHEID VAN HET GEBED.
De noodzahelijhheid van het gebed is gegrond voor alle menschen in het algemeen en voor de christenen in het bijzonder op hunne hoedanigheid van schepsel.
Een schepsel is een wezen dat, uit zich zeiven niets zijnde en niets bezittende, alles van zijn Schepper heeft ontvangen , en van Hem afhangt in alles wat het bezit, voor alles wat het noodig kan hebben, en zelfs voor zijn bestaan; — de mensch nu is het schepsel van God, de mensch is alles aan God verschuldigd; hij hangt geheel vau God af voor het stoffelijk leven, voor het redelijk leven , en voor het leven der genade of bovennatuurlijk leven.
Het voedsel noodig om deze drie soorten van leven te onderhouden, kan de mensch
10
niet ia zich zeiven vinden. Hij moet dit zoeken daar waar God-het tot zijn gebruik heeft nedergelegd, te weten ia de wereld der lichaajea het voedsel vaa het stoffelijk leveu, — ia de wereld der kennissen liet voedsel van het redelijk leven, — in de bovennatuurlijke wereld het voedsel der genade. Maar dit voedsel komt zich niet vaa zelf aaabieden ea zich aaa hem geven ; hij moet dit zoeken, hij moet werken, hij moet vragen; in één woord, hij moet hidden om het te verkrijgen.
Het bovennatuurlijk voedsel, dat zijne ziel moet voedeu, het eenige waarvan hier sprake is, heeft God aan aiemand toevertrouwd , doch dit aan zich zelveu voorbe-houdea, het is slechts bij God te viaden ; ea zoo de measch dit begeert, is het noodzakelijk, dat hij door het verlangen zijner ziel tot God opstijge, om het te zoeken,...... dat hij bidde.
n.
De noodzakelijkheid van het gebed is gegrond, voor alle menschen in het algemeen op de onmogelijkheid waarin zij ver keer en, 1° van aan den duivel te iv eer staan, 2° van het minste goed te verrichten, 3° van in het goede te volharden tot het einde toe.
11
1°. Onmogelijkheid van zonder het ge-hed den duivel te weerstaan. — De ziel wordt onophoudelijk: door den duivel aangevallen; haatdragend uit zijne natuur en vooral afgunstig op het schepsel dat, beneden hem in de orde der schepping, door God bemind en tot het eeuwig geluk is voorbestemd, plaagt, kwelt, bekoort hij het onophoudelijk.
2quot;. Onmogelijkheid van iets goeds te doe7i zonder het gehed Zonder de genade kunnen wij geene enkele verdienstelijke gedachte voor den hemel, zelfs geene enkele bovennatuurlijke gedachte der deugd vormen: immers van ons zeiven zijn wij niet bekwaam iets te bedenken als uit ons zeioen (II Cor. III. 5).
Met nog meer reden kunnen wij dat goede niet verlangen, noch hegeeren, noch minder besluiten het om God te oefenen. Jezus-Christus zegt ons op uitdrukkelijke wijze: zonder mij kunt gij niets doen (Joa. XV. 5); zelfs om eene goede gedachte te vormen hebben wij zijne genade noodig. Het is God, die het willen en het volbrengen bewerkt (Philipp. II. 13); Hij geeft ons niet alleen het goede in, maar werkt het zelf in ons uit, door ons de noodige bovennatuurlijke kracht te geven om het in
12
oefening te brengen, die kracht, die ons bekwaam maakt aan ons zeiven te verzaken , onze driften te overwinnen, de deugd te beoefenen, die hemelsche kracht 1 gewoonlijk slechts gegeven aan de zielen die bidden. Dit is de eerste voorwaarde door den Zaligmaker gesteld, die ons volstrekt niets schuldig is. In zijne barmhartigheid ons zijne genade geven willende, was Hij vrij daarvoor elke voorwaarde te stellen die Hij zou willen; doch Hij wil slechts, dat wij Hem die zouden vragen; vraagt en gij zult verkrijgen (Joa.XVI. 24).
3°. Onmogelijkheid van zonder het gebed in het goede te volharden. God, zoo zegden wij, geeft de eerste genaden, zooals den roep tot het geloof, tot de boetvaardigheid , zelfs aan hen die niet bidden; maar de andere genaden die noodzakelijk zijn ter zaligheid en vooral de volharding tot het einde, zegt de H. Augustinus, worden slechts verleend aan de zielen die bidden.
Hoewel het bewezen is, zegt deze Kerkleeraar, dat God ons door Zijne barmhartigheid en genade heeft voorkomen, is het ook bewezen, dat Hij de groote genade der volharding tot het einde , slechts verleent aan degenen die daarom bidden; eu
13
ofschoon God ze niet verschuldigd is aan de verdiensten zijner heiligen, weigert Hij ze nooit aan de gebeden zijner dienaars. Waaruit de godgeleerden besluiten met den H. Basilius, den H. Joannes Chrysos-tomus en den H. Thomas, dat het gebed voor de volwassenen een noodzakelijk middel is. Hij dus die niet bidt, kan niet zalig worden, hij gaat verloren.
O , bidt, bidt, bidt; en gij zult aan den missionaris de welsprekendheid, aan de zuster van liefde, aan de onderwijzende zuster hare kracht, hare zachtmoedigheid, hare onwederstaanbare lieftalligheid verkrijgen, gij zult het zijn, die de zielen zult trefien en tot God geleiden.
Het nuttigste wezen op aarde is niet hij die door zijne fortuin, zijne krachten, z^ne talenten medewerkt aan het stoffelijk welzijn van eenige wezens gelijk hij; — maar hij die door het vuur zijner liefde den bliksem belet van, even als eertijds Sodoma en Gomorrha, geheele steden te verdelgen, vervuld met misdadigers, godslasteraars , losbandigen, heiligschenners, boosdoeners, wier zonden den Hemel tergen en zijne wraak uitdagen; — hij die pest, hongersnood, en al die vreeselijke rampen , die wij maar al te zeer verdiend
14
hebben, afleidt; — hij die aan de eeuwige verdoemenis eene menigte zielen ontrukt, die helaas, zoo ver yan God zijn afgedwaald; — hij die werkt aan de uitbreiding van het Rijk Gods op aarde, die de keizerrijken en hunne Cesars redt, die aan de volkeren den voorspoed van den tijd en de goederen der eeuwigheid verzekert.
Dit alles is de vrucht van het gebed, omdat het gebed de bescherming en den zegen van God aftrekt. Een wel verricht gebed doet oneindig meer voor den vrede en den voorspoed van een volk, dan het schoonste stelsel vau het finantiewezen en de schitterendste verovering.
0 , indien gij kunt bidden, religieuzen, indien gij kunt loven, danken, boeten, smeeken, welk een kostbare schat zijt gij dan voor eene stad, voor een rijk;
In het leven van zuster Maria van Valeria, die de H. Franciscus van Sales eene levende reliquie noemde, wordt verhaald, dat hare gebeden dagelijks eene oneindig getal zielen bekeerden. God zegdehaar dikwijls: » Om u, mijne dochter, zal ik zooveel zondaars den weg der boosheid doen verlaten in die stad, waar nu een retraite wordt gegeven. — Ik zal
15
zoo vele religieuzen in dat klooster op den weg der volmaaktheid brengen;quot; en in aller oogeu waren het de predikers en de zielbestierders, die de eer dezer bekee-ringen verdienden, terwijl men ze verschuldigd was aan die arme weduwe, die in haar kamertje onophoudelijk bad.
HET VOORSCHRIFT VAN HET GEBED.
Het gebed is niet eene oefening als raad of oververplichting aan de godvruchtige zielen aanbevolen; het is eene volstrekt noodzakelijke verplichting.
Elk schepsel dat een hart heeft dat kan beminnen, of een geest die kan bevatten, moet dat hart en dien geest verheffen tot zijnen Schepper om Hem te aanbidden, te danken, te beminnen, te verzoenen, te roepen, te vragen.
KRACHT EN VERMOGEN VAN HET GEBED,
Het gebed is de macht van God, gesteld in de handen van den mensrh.
Het is wellicht nog meer: Het gebed
O O
is een wapen, dat God den mensch in de hand geeft, opdat de mensch Hem over-ivinne. Herinner u de worsteling van Jacob tegen den eugel, of liever tegen God zelf, de zegepraal van Jacob en den naam dien hij na deze overwinning ontving: sterk
14
hebben, afleidt; — hij die aan de eeuwige verdoemenis eene menigte zielen ontrukt, die helaas, zoo ver yan God zijn afgedwaald; — hij die werkt aan de uitbreiding van het Rijk Gods op aarde, die de keizerrijken en hunne Cesars redt, die aan de volkeren den voorspoed van den tijd en de goederen der eeuwigheid verzekert.
Dit alles is de vrucht van het gebed, omdat het gebed de bescherming en den zegen van God aftrekt. Een wel verricht gebed doet oneindig meer voor den vrede en den voorspoed van een volk, dan het schoonste stelsel vau het finantiewezen en de schitterendste verovering.
0 , indien gij kunt bidden, religieuzen, indien gij kunt loven, danken, boeten, smeeken, welk een kostbare schat zijt gij dan voor eene stad, voor een rijk;
In het leven van zuster Maria van Valeria, die de H. Franciscus van Sales eene levende reliquie noemde, wordt verhaald, dat hare gebeden dagelijks eene oneindig getal zielen bekeerden. God zegdehaar dikwijls: » Om u, mijne dochter, zal ik zooveel zondaars den weg der boosheid doen verlaten in die stad, waar nu een retraite wordt gegeven. — Ik zal
15
zoo vele religieuzen in dat klooster op den weg der volmaaktheid brengen;quot; en in aller oogeu waren het de predikers en de zielbestierders, die de eer dezer bekee-ringen verdienden, terwijl men ze verschuldigd was aan die arme weduwe, die in haar kamertje onophoudelijk bad.
HET VOORSCHRIFT VAN HET GEBED.
Het gebed is niet eene oefening als raad of oververplichting aan de godvruchtige zielen aanbevolen; het is eene volstrekt noodzakelijke verplichting.
Elk schepsel dat een hart heeft dat kan beminnen, of een geest die kan bevatten, moet dat hart en dien geest verheffen tot zijnen Schepper om Hem te aanbidden, te danken, te beminnen, te verzoenen, te roepen, te vragen.
KRACHT EN VERMOGEN VAN HET GEBED,
Het gebed is de macht van God, gesteld in de handen van den mensrh.
Het is wellicht nog meer: Het gebed
O O
is een wapen, dat God den mensch in de hand geeft, opdat de mensch Hem over-ivinne. Herinner u de worsteling van Jacob tegen den eugel, of liever tegen God zelf, de zegepraal van Jacob en den naam dien hij na deze overwinning ontving: sterk
18
dat wil zeggen, indien zij dienstig zijn tot onze zaligheid, het eenig goed waarnaar alle andere goederen zich moeten meten, zal het gebed ze verwerven. Het gebed stort soms onschadelijke welvaart in zuivere handen; ondersteunt de deugdzame familiën, en behoudt ze in hunnen stand; plaatst onder de vorsten der volkeren mannen door geene eerzucht voortgestuwd ; siert de nederige kruin met de stralen der glorie en der algemeene hoogachting; brengt onverwachte hulp aan den arme, die grootmoedig genoeg was om de hulp der misdaad te verachten; — het is het gebed dat, door gelukkige wentelingen der fortuin, de tranen der onschuld droogt, en den voorspoed terug brengt te midden dergenen die deugdzaam genoeg waren om de ontberingen der armoede op christelijke wijze te verdragen.
Zou het hulp en troost zijn in lichamelijke kwalen, in de kwellingen des harten , xv aar om de bede tot God stijgt ? Die hulp, die troost zullen niet geweigerd worden, in zooverre die tot onze zaligheid kunnen dienen. O gij allen die in kwelling en droefheid verkeert, zegt ons de Heer, venite ad me otrines, komt allen tot mij;
19
deelt mij uwe smarten, uwe droefheid mede, vraagt my om hulp, en gij zult ze verkrijgen, et ego rejicia rn vos, en ik zal u verkwikken (Matith. XI. 28).
Ziet gij daar die troostelooze moeder op wier trekken het lijden en de ontbering hun stempel gedrukt hebben? Hare arme kinderen schreien tot haar om een stuk brood, dat zij hun niet geven kan. De droefheid doorboort haar hart, eene gedachte van wanwoop zweeft over hare ziel; maar zij is christen, zij werpt zich op de knieën, zij doet hare vaderlooze kinderen het gebed herhalen tot den Vader in den hemel. Met vereeiiigde stem vragen zij het dagelijksch brood, panem nostrum quotidianum^ da nobis hodie. Zij staat op met hoop in het hart, met troost op het gelaat; en met moed vervuld, begeeft zij zich aan het werk, dat God zal zegenen ; en het dagelijksch brood zal in dat zwaarbeproefde gezin niet meer ontbreken, God zal het blijven beschermen.
Wie is die vrouw die daar knielt op dat versch gedolven graf, dat zij met hare tranen besproeit? Het is eene moeder, die treurt op het graf van haren zoon, het eenig voorwerp harer liefde op deze aarde. Hare smart is onuitsprekelijk groot, zoo groot
20
als hare liefde! Doch zij staat op met schitterend gelaat, een straal van vreugde schittert op haar voorhoofd, in haar gebed zag zij den hemel als geopend; het beeld van haren zoon heeft zich aan haar vertoond met licht omstraald; zij zag hem in het gezelschap der engelen ; hij heeft een blik op haar geslagen, een blik vol liefde, die haar schijnt te zeggen, dat hij haar altijd zal beminnen en dat hij haar uitnoodigt om spoedig zijn geluk te komen deelen!....
Zouden het de goederen der genade zijn die uwe hp.de afsmeekt1? O dan vertoont hare kracht zich in vollen glans. Welke deugden volgen niet op haar spoor ? Welke bekoringen jaagt zy niet op de vlucht? Welke zonden, welke misdaden, welke driften weerstaan aan hare slagen? Zij verspreidt de begoocheling der hartstochten, zij verstompt de pijlen der wulpschheid zij verzacht de gestrengheid der boetvaardigheid. Dwaalt het verstand af, zij voert het terug; is het hart op het punt te bezwijken, zij ondersteunt het; verblindt de eigenliefde, zij rukt haar den blinddoek af. Geen struikelsteen op den weg der volmaaktheid, dien zij niet verwijdert, geen valstrik, dien zij niet ontdekt, geen
21
afgrond, dien zij niet vervult. Voor de oogen van eene ziel van gebed spreidt de misdaad slechts kraclitelooze begoochelingen ten toon, hare hand breekt den vergiftigden beker en laat het vergif ontsnappen; onder hare schreden voelt zij steeds vaster grond; en de wereld, die voor ieder ander slechts eene aanhoudende bekoring en eene oorzaak is tot voort-durenden val, wordt voor haar een tempel van vrede en een veld van overwinning en zegepraal.quot;
Verheugt u dan, gij vooral. Godgewijde zielen, en om die reden meer door God bemind. Vraagt, o vraagt, bidt, bidt! Als het gebed van den verloren zoon zoo krachtvol is, hoe alvermogend zal dan het gebed zijn van het kind des huizes, tot wien de Vader gezegd heeft: Ahvat ik heb, is het uwe.
HOEDANIGHEDEN VAN \'HET GEBED.
I. God kon niet zonder onderscheid aan allen de schatten zijner genade overgeven. Zijne goedheid mocht Hem zijne wijsheid niet doen verloochenen.
Als meester zijner gaven, opent Hij zijne schatten wor-/lt;«lt; gebed; doch zijne wijsheid eischt, dat het gebed zich bij
22
Hem aanbiede gelijk het schepsel dat zich zijner behoeften bewust is en tevens weet dat wat het vraagt, hem niet verschuldigd is; — het schepsel dat van de eene zijde aangemoedigd wordt door de goedheid van dengenen tot wien het zich richt, doch dat ook ge voelt dat het uit zich zeiven niets kan terug geven, niets dan zijn dankbaar hart!
II. Doch vrees niet, gij arme ziel, die bloost over uwe fouten en armoede; de voorwaarden, door de goddelijke wijsheid aan uw gebed gehecht, zijn, dank aan de oneindige barmhartigheid van den besten aller Vaders, zeer gemakkelijk, en liggen binnen ieders bereik. God vraagt, om u te verhooren, slechts datgene wat de menschen in hunne onderlinge betrekkingen vragen; en Hij vraagt nog minder, omdat Hij meer goedheid heeft.
Hl. Ons gebed moet, om verhoord te kunnen worden, geschieden met aandacht , — met nederigheid, — met volharding , — in naam van Jezus-Christus.
I.
Wij moeten met aandacht hidden.
De aandacht in het gebed bestaat hierin, dat onze geest en ons hart doordrongen
23
zijn, of door de gedachten en denkbeelden die loij door ome looorden uitdrahken, — of door de gedachte aan God tot wien iüij spreken.
Deze voorwaarde van het gebed vraagt
o O
zelfs het gewoon gezond verstand.
De aandacht valt dikwijls moeielijk wegens de onbestendigheid van onzen
~ O
geest. Men zou hierin kunnen voorzien:
1°. Door zich eenige oogen blikken te
O O
roren tot het gebed te bereiden. — Dezen vaad geeft de H. Geest: bereid uwe ziel alvorens te bidden. Door zich langzaam naar de bidplaats te begeven; — indien dit in de kerk is, godvruchtig gewijd water te nemen; zich bedaard en zedig naar zijne plaats te begeven. — Door langzaam het kruisteeken te maken , zich aldus als door een luchtkring van vrede omringende; en door elk woord met zekeren ernst uit te spreken.
2°. Door zich geen te lange gebeden op te leggen. — Als regel is het beter, als men bidt, den tijd dien men tot het gebed wil besteden, te bepalen, dan wel het getal gebeden, die men gedurende dezen tijd wil bidden.
3°. Door zich te doordringen van de beteekenis der woorden. — Gelukkig de
24
zielen die hare gebeden niet opzeggen , maar zeggen ! — De ziel die bemint en hare liefde wil betuigen , de ziel die behoeftig is en wil vragen, de ziel die bedroefd is en troost zoekt, de ziel die op hare beurt troosten wil, zegt geen gebed op; en dan zelfs als zij hare gebeden van buiten kent of deze gelezen worden, gevoelt zij dat zij bidt. — Niet de woorden maken het gebed, maar datgene wat het hart in de woorden legt.
4°. Door kalm, doch ernstig de verstrooiingen te verzetten, die gedurende het gebed onzen geest van God komen aftrekken. Deze kunnen volstrekt onvrijwillig zijn en geheel voortkomen uit de onbestendigheid van onzen geest; zij kunnen vrijwillig zijn in hare oorzaak en voortspruiten uit onze gewone uitgestortheid, uit onze groote bezorgdheid omtrent hetgeen ons overkomt of wat wij te doen hebben, doorliet gebrek aan onmiddelijke bereiding vóór het gebed. Welke ook der-zelver oorzaak zij, moeten wij ze zachtjes verwijderen, door ons meer te doordringen van den zin der woorden die wij uitspreken. Een gebed gedurende hetwelk de bekoringen, dieonskwellen, worden verdreven, en zoo dikwijls verdreven worden als zij
25
terngkeeren, kan een moeielijk gebed en een gebed zonder troost zijn; doch het is daarom geen gebed zonder verdiensten.
II
Wij\' moeten met ootmoedigheid hidden.
Deze voorwaarde ligt zoodanig opgesloten in de natuur van een biddend wezen, dat het nutteloos schijnt, daarop te drukken. Immers het is niet moeielijk, zich klein en gering te gevoelen, als men denkt aan hetgeen men bij God komt doen.
Men komt iets vragen; men is dus bedelaar.
Men komt zijne vergiffenis afsmeeken; men is dus zondaar.
Men komt de genezing vragen van ziel of lichaam; men is dus ziek.
Men komt bedanken; men is dus schuldenaar.
Men komt aanbidden; men is dus een wezen, oneindig beneden dengenen, dien men aanbidt, een wezen dat Hem alles verschuldigd is, dat Hij kan verpletteren zonder het minste onrecht.
Deze ootmoedigheid moet in den grond des harten liggen en de gedachten en woorden van het gebed inboezemen. De gelijkenis van den Fariseër en den Tolle-
2
26
naar geeft ons de duidelijkste les. Zij moet zich ook kenmerken door de uitwendige houding van dengenen, die bidt.
m.
Wij moeten met vertrouwen hielden.
Het vertrouwen is de vaste overtuiging, dat God, die oneindig goed is, ons de genaden zal toestaan die wij Hem zullen vragen. Dit gevoel maakt den sterksten indruk op het Hart van God; dit gevoel vraagt Jezus-Christus van al degenen in wier belang Hij een mirakel doet; want het geloof in zijne godheid veronderstelt het vertrouwen in zijne almacht.
Het vertrouwen is het gevoel van het beminnend kind ten opzichte zij us vaders, en God wordt gaarne als vader bemind. In het H. Evangelie leert Hij ons, Hem Vader te noemen; en op eene andere plaats zegt Hij: Kan eene moeder haar hind vergeten? en zoo zij het vergat, ik nochtans zal u niet vergeten (Is. XLIX. 15).
IV.
Wij moeten bidden met volharding.
De volharding is een gevolg van het vertrouwen. Als ik zeker ben, dat ik verhoord zal worden zet ik mijn gebed voort
27
dan zelfs als ik mij verbeeld vergeten of verstoeten te worden.— Als ik bemin, als ik geloof, als ik vertrouw, dan volhard ik, dan wacht ik af. — Word ik moede, houd ik op te bidden dan bemin ik niet meer, dan geloof ik niet meer, dan heb ik geen vertrouwen meer!
Herinner u die plaats van het Evangelie, waar Jezus spreekt van dengene, die des nachts drie brooden aan zijn vriend komt vragen, die reeds ter ruste was gegaan; deze weigert op te staan; de andere klopt en blijft kloppen, hij houdt aan, hij vraagt, en zijn vriend staat ten laatste op, om een einde aan zijne lastigheid te maken, en geeft hem brood. Die vriend is God. Vraagt, zegt Jezus- Christus, en gij zult verkrijgen ; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal geopend worden. Want al wie vraagt, verkrijgt; en wie zoekt, vind ; en hem die klopt, zal worden geopend (Lucse XI. 9, ] 0).
Herinner u nog die zoo treffende bladzijde der Chananeesche vrouw. Zij vraagt, zij smeekt, Jezus antwoordt niets. Zij vraagt nog eens. Jezus verstoot haar: Ik hen slechts tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden. Zij roept nog met meer vertrouwen en liefde: Heer, help mij! Eene nieuwe, nog pijnlijker, nog
28
vemederender weigering dan de eerste:
Het is niet goed, het brood der kinderen te nemen en het voor de honden te werpen ! Eene nieuwe akte van liefde, eene nog nederiger smeekbede, een nog grooter vertrouwen: Het is waar, Heer, maar de hondjes eten de kruimels, die van de tafel hunner meesters vallen ! — Nu is Jezus overwonnen ! Hij opent zijn Hart: O vrouw, groot is mv geloof; u geschiede gelijk gij wilt (Matth. XV). Ziedaar het gedrag dat wij te houden hebben. Houden wij nooit op met te bidden nooit, nooit!
V.
Wij moeten bidden in den naam van Jezus-Christus.
Deze voorwaarde wordt door Jezus-Christus zelf opgelegd: Al wat gij den Vader in mijnen naam zult gevraagd hebben, ik zal het volbrengen; en dit is de hechtste steun van ons vertrouwen.
In naam van Jezus-Christus bidden is met Hem en door Hem bidden.
1°. Ons gebed is, om zoo te zeggen, het onze niet meer: Jezus schijnt ons te zeggen: Ik zie uwe behoeften en uwe begeerten, arme ziel; laat mij begaan; blijf getrouw met mij vereenigd; ik weet,
29
hoe men moet vragen, en ik zal voor u vragen. — En Hij bidt in ons en voor ons, zijn geest zucht onophoudelijk ten onzen gunste; en moet Jezus niet altijd verhoord worden?
2°. Ons gebed is geen gebed zonder waarde meer. Wij komen niet met ledige handen tot God; als loon der genade, die wij Hem vragen, bieden wij Hem de verdiensten van zijnen goddelijken Zoon Jezus-Christus, zijn dood, zijn lijden, want dat alles behoort ons ; God kan dit offer niet weigeren en bijgevolg onze gebeden niet versmaden; zijne liefde voor Jezus-Christus en zijne rechtvaardigheid gedoogen dit niet; want wij geven Hem meer, oneindig meer dan wat wij vragen.
De H. Kerk begrijpt deze altijd werk-dadige macht van het gebed in den naam van Jezus gedaan; nooit richt zij een gebed tot God zonder te steunen op de verdiensten van Jezus Christus. Zij sluit hare gebeden door de woorden: Per Dorninum nostrum Jesvm Christum; Ik vraag ü in den naam en door de verdiensten van Jezus-Christus. Somtijds roept zij de voorspraak in der H. Maagd Maria en der Heiligen; zij weet dat Maria hare gebeden met de onze vereenigen zal;
30
zij weet dat Maria machtig is in den hemel; maar het is altijd op de verdiensten, op de macht, op de alvermogende bemiddeling van Jezus-Christus , dat zij hare hoop en de kracht harer gebeden steunt.
Bidden wij dan in, met, door Jezus-Christus. Vereenigen wij elk onzer gebeden met het zijne: Hij zal voor ons, in ons, met ons bidden. Hij zal voor ons bidden, omdat Hij onze Middelaar is; Hij zal in ons bidden, omdat Hij ons Hoofd is; Hij zal met ons bidden, omdat Hij onze Opperpriester is. — Elk gebed in den naam van Jezus-Christus gedaan is, volgens den H. Augustinus, een soort van schuldbrief, onderteekend met het bloed van Jesus-Christus, dien God, zijn Vader, niet weigeren kan.
UITWERKSELEN VAN HET GEBED.
Om zelfs maar in het algemeen de uitwerkselen van het gébed aan te toonen, zou men de ontelbare bladzijden moeten overschrijven, welke de Heiligen hebben gewijd aan deze genaden aller genaden gelijk zij die allen beschouwen.
I.
Algemeene Uitwerkselen.
Door het gebed, zeggen de Heiligen,
31
wordt de macht van God aan den mensch verleend; de uitwerkselen van het gebed, zijn de uitwerkselen van Gods macht.
Door het gebed wordt de zwakke, de nedergedrukte ziel opgebeurd, vertroost, versterkt: zij put nieuwe kracht om te strijden en zich niet te laten overwinnen.
Door het gebed wordt de geest opgewekt ; de moed keert weder; de kracht wordt vernieuwd.
Door het gebed behoudt het zuiver hart zijne reinheid; het schuldige hart leert blozen, berouw gevoelen, zijne vlekken uitwisschen.
Door het gebed vestigt de mensch zijn steunpunt in God zelf, en kan allen weerstand uittarten.
Door het gebed dwingt de mensch, dat zwakke en brooze wezen, den Hemel om zijne zaak te verdedigen; hij verdwijnt en stelt God in zijne plaats, God die zijne beden en verlangens moet verwezenlijken.
Door het gebed keert de mensch den goddelijken toorn af, en bevredigt zijne rechtvaardigheid; hij behoedt de wereld voor de verdelging; hij sluit de hel; hij opent den hemel....
32
II.
Bijzondere Uitwerkselen van het gebed.
1°. Het gehed vereert God.— Het gebed is eene oefening van godsvrucht, in de H. Schriftuur vergeleken bij den wierook. T)at mijn gehed tot U opstijge, zegt de Profeet, als een wierook. Als wij bidden, getuigen wij onze afhankelijkheid van God. — Wij erkennen Hem voor den Gever aller gaven, wij stellen in Hem alleen ons vertrouwen, wij beschouwen Hem als onze eenigste toevlucht, onze eenigste steun, de eenige bron van ons behoud en zaligheid.
2°. Het gehed vertroost. — Is iemand uwer droevig, zegt de H. Jacobus, dat hij hidde (Ep. V. 13). Het gebed is de vereeniging met Jezus, met Jezus ter dood bedroefd in den hof van Olijven, met Jezus die verraden, verlaten, bespot, gegeeseld, gekruisigd werd.— Het gebed is vooral Jezus die ons troost, Jezus die de tranen droogt, Jezus die met ons weent, Jezus die ons ten Hemel wijst....
3°. Het gehed verlicht.— Het verspreidt de duisternissen van den geest en geeft ons die kalmte en wijsheid, die onze ondernemingen onfeilbaar doen gelukken. Heer, zegde de Profeet, doe mij den weg
33
kennen, dien ik moet heivanclelen. Geheel liet geheim des levens ligt in dit gebed, zegt Mgr Landriot: zijn weg kennen is weten wat men hierbeneden moet ge-looven,wat men moet hopen enbetrachten, wat men moet doen, opdat dit leven werkelijk het voorportaal de hemels zij. Ziedaar wel de mensch en zijn geheele leven. Maar God alleen kan aldus het leven verlichten en het doordringen door die levendige klaarheid, die den waren weg aantoont, omdat God het zuivere licht is dat niets kan verduisteren. Bidden is God naderen, is zijn licht ontvangen, is in zijne stralen wandelen.
4°. Het gebed heeft eene bewonderenswaardige vruchtbaarheid.
»Ieder ivoord van mijn gebed langzaam en godvruchtig uitgesproken, vooral wanneer het een gebed is der H. Kerk, is een straal waarmede ik de uitwendige glorie van God vermeerder — en de engelen zien in den Hemel God als door eene verruk-rukkelijker schoonheid omgeven.
Ieder woorc? van mijn gebed, langzaam en godvruchtig uitgesproken, is eene eerboete waardoor ik eene godslastering herstel.
leder woord van mijn gebed houdt eene
34
straf des hemels terug, door zich tusschen Gods rechtvaardigheid en den zondaar te plaatsen.
Ieder woord trekt uit het Hart van Jezus eene bijzondere genade af over de ziel eener zieltogende of over eene ziel, die op het punt staat eene doodzonde te bedrijven.
Ieder woord verzacht het lijden eener ziel in het vagevuur.
Ieder woord doet het Hart der H. Maagd Maria met nieuwe vreugde trillen, want zij verheugt zich altijd wanneer Zij haren Zoon geloofd, geëerd bemind, verheerlijkt ziet.
Ieder woord van mijn gebed, langzaam en godvruchtig uitgesproken, is als een stalen schakel, dien ik rond mijne ziel vlecht, aldus een schild vormende dat haar omringt en behoedt, niet tegen de slagen en bekoringen, maartegen de wonden, die haar zouden verzwakken en doen sterven. Daarom gevoel ik mij daarna versterkt, en ga ik zonder vrees dien strijd te gemoet, dien ik alle uren te leveren heb tegen de traagheid, den hoogmoed, de begeerlijkheid, de zinnelijkheid, de baatzucht, het tegenspreken.
Ieder woord van mijn gebed , langzaam
35
en godvruchtig uitgesproken, is ook een beschermende schakel, waarmede ik de ziel kan omringen van degenen, die ik liefheb.
O welk eene vreugde te mogen denken dat, terwijl ik bid, ieder woord een schild gaat vormen rond mijn vader, mijne moeder, mijne vrienden, wier bekoringen en beproevingen daardoor minder wree-delijk zullen gevoeld worden.
Ieder woord is een druppel balsem, die ik laat vallen op een lijdend hart, op een hart dat ik misschien gewond heb en niet rechtstreeks vergeving durf vragen.
Hoe kalm en rustig kan ik hem glimlachend onder de oogen treden; ik heb immers de wonde, die ik geslagen had, weder genezen.
Ieder woord van mijn gebed is als eene gloeiende en weldadige vonk, die zoetjes het hart doordringt van dengenen met wien ik eene zaak te bespreken heb.
Daarna kan ik gerust tot hem naderen; onder den goddelijken invloed, die hem buiten zijn weten doordringt, zal hij rechtvaardig, goedhartig, toegevend zijn.
Ieder woord van mijn gebed, langzaam en godvruchtig uitgesproken , is een stuk geld, dat mijn engelbewaarder bij God brengt ter voldoening mijner talrijke
36
zonden; en hoe langer ik bid, hoe god-vruchtiger, hoe vuriger ik bid, hoe meer het mijne schuld bij God afkort... Eu na mijnen dood zal ik ze allen bij God zien, al die woorden van mijn gebed, als zoovele schitterende paarlen, die mijne onsterfelijke kroon zullen vormen.
Ieder woord van mijn gebed, langzaam en godvruchtig uitgesproken, is als een geheimzinnig weefsel, dat, ik weet ik niet hoe, doch ik weet het met zekerheid, datgene wat gisteren in mijn werk verkeerd was, gaat herstellen, — dat die uren bij elkander gaat brengen die ik door een schuldig tijdverlies gescheiden had, — dat die twee harten gaat hereenigen, die ik door een onvoorzichtig woord van elkander vervreemd had.
Ieder woord van mijn gebed, langzaam en godvruchtig uitgesproken, is eene uitboezeming van liefde, van hoop, van vreugde, van angst die ik ten hemel richt, waarop een ander woord een woord uwer liefde, o mijn God, zal antwoorden.
O gij, die uw hart getroffen gevoelt, wanneer gij een ziek of beangstigd kind het woord moeder hoort uitroepen , be-grijpt gij dan niet, wat er omgaat in het hart van uwen hemelschen Vader, als
37
eene bedroefde en liefdevolle aiel Hem toeroept; Mijn God!
5°. Het gehed maakt ons gelukkig. Wij zouden hier de Heiligen moeten laten spreken. Welke zalving bevatten die bladzijden, die zij geschreven hebben over die innige vereeniging, \'die het gebed tusschen God en hunne ziel gevestigd had!
TT • 1 • ••
Het is het kind met zijne moeder, de arme, doch beminnende en dankbare vriend met zijnen rijken en machtigen vriend, die hem met weldaden overlaadt, die nimmer moede wordt te geven, terwijl de arme nooit moede wordt te danken. — Het is de innigste, de vruchtbaarste, de nauwste vereeniging, die tusschen twee zielen bestaan kan. — Het is het vergeten der aarde, der wereld, des lichaams, der smart, het vergeten van al wat menschelijk is. — Het is de ontrukking aan al wat aardsch is. — Het is het zien van God, het gevoelen van God, de vrede van God, het genieten van God! Wij voegen hier niets meer bij. Het geluk van het gebed laat zich aantoonen, doch niet verhalen. Het wordt gevoelt door die zielen die zich als in het gebed hervormd hebben, die geheel gebed zijn! Gelukkig zij! In de kloosters zijn het geene zeldzaamheden; doch door
38
hoeveel beproevingen zijn zij geleid, alvorens zoover te komen!....
BIJZONDERE VOKMEN VAN HET GEBED.
I.
De heilige Mis.
Dit is het verhevenste aller gebeden, de zon der geestelijke oefeningen, gelijk de Heiligen dit noemen.
Het heiligdom waar de heilige Mis wordt opgedragen is het vereenigingspunt van al de zielen, die God komen loven, danken, aanbidden, om ontferming, en vergiffenis smeeken.
Hetatoïar is de plaats waar de engelen die smeekschriften, die dankbetuiging, die hulde nederlegojen. — Het uur der H. Mis
OO
is dat uur waarop Jezus nederdaalt, al die geschriften in handen neemt, met zijn bloed onderteekent en aan zijnen hemel-schen Vader aanbiedt.
Het bijwonen der heilige Mis is het grootste geluk des levens. Daar bidt Jezus; Hij vernedert zich voor zijnen Vader, Hij aanbidt Hem; en wij, met deze vernedering en aanbidding vereenigd, verschafEen aan God meer eer dan Hij in den Hemel ontvangt door al de engelen en heiligen te zatnen; want deze zijn slechts schepselen
39
en bijgevolg is hunne hulde begrensd, terwijl het in de H. Mis Jezus-Christus is die zich vernedert, Jezus wiens verdiensten oneindige waarde hebben. O hoe zwak en ellendig ik ook moge zijn, ben ik toch verzekerd, dat ik gedurende de H. Mis de glorie van God bevorder. Daar hidt Jezus; en zijn gebed voldoet de rechtvaardigheid zijns Vaders, door onze zonden vergramd; en wij, met dit zoenoffer ver-eenigd, geven aan God door eene enkele H. Mis meer voldoening dan al de martelaren door hun bloed en al de boet-vaardigen door hunne gestrengheden. — Na eene wel gehoorde Mis mag men gerust de H. Absolutie aan den priester gaan vrayen; de H. Mis heeft ons tot de ver-
O 7
giffenis bereid.
De H. Mis wischt onze zonden uit, niet gelijk het doopel en de Sacramenteele absolutie, die onmiddelijk aan wel bereide harten de genade teruggeven, doch door ons werkelijke genaden te verkrijgen, die ons bereiden tot een heilig gebruik der middelen van verzoening, ons door Gods barmhartigheid aangeboden. Dit deed eene ziel, die over hare zonden beangst was , deze woorden zeggen; Mijn God, heb geduld tot morgen; als ik de H. Mis
40
zal gehoord hebben, zal ik niet meer vreezen , dat Gij mij in moe gerechtigheid zidt treffen.
Daar bidt Jezus, en zijn gebed dankt God voor al liet goede, voor al de weldaden aan de wereld bewezen; wij vereenigen ons met die dankzegging, en zijn zoo gelukkig, aan God een offer te kunnen geven, dat oneindiglijk de waarde overtreft van al wat Hij ons gegeven heeft en nog zou kunnen geven. Na eene wel gehoorde Mis mag de ziel zeggen: Ik heb God alles afbetaald. En zij gevoelt zich gelukkig God te hebben kunnen danken; doch daar zij nog elk oogenblik ontvangt, tracht zij ook voortdurend te danken én zoekt zooveel mogelijk de H. Mis bij te wonen.
Daar bidt Jezus, en zijn gebed wordt altijd verhoord.
Jezus beveelt onze belangen aan zijnen Vader; Hij maakt zich onzen Middelaar; wij moeten ons slechts met Hem vereenigen , Hem al onze begeerten en verlangens, hoe groot zij ook zijn, toevertrouwen, en... in vrede afwachten. O indien wij wisten, dat de Heilige Maagd hare gebeden met de onze vereenigt, zouden wij dan de minste ongerustheid omtrent de verhoo-
41
ring onzer gebeden gevoelen ? Zoudeu wij ons niet verzekerd houden, dat wij zouden verhoord worden op dien tijd dat het nuttigst is voor onze ziel ? — Gedurende de H. Mis is het niet alleen Maria die bidt en voor ons ten beste spreekt, maar Jezus. Het gebed dat wij gedurende de H. Mis doen, is geen louter menschelijk gebed; het is geheel doordrongen, geheel vervuld met de heiligheid van Jezus; het wordt een goddelijk gebed; want het is een en hetzelfde gebed met dat van Jezus, den Zoon Gods.
O zalig Misoffer, roept de H. Leonardus van Porto Mauritio uit, o zalig Misoffer, bron van zooveel heil: hoe zouden wij niet vurig verlangen dagelijks daarbij tegenwoordig te zijn! — Als ik niet meer weet, hoe eene bedroefde ziel te troosten, zeg ik haar: » Ga naar de H. Mis.quot;
II.
De Kruisweg.
De Kruisweg is het gebed waaraan de meeste Aflaten gehecht zijn, en dat ons tevens het levendigste al de liefde en het lijdenvanhet Hart van Jezus doet gevoelen.
De Kruisweg is het gebed dat ons het beste kan troosten, dat ons het beste leert
42
de ondankbaarheid, de vergetelheid, de onrechtvaardigheid der menschen te verdragen; daarom wordt dit gebed zoo bemind door degenen die lijden, wier hart door droefheid verscheurd wordt!
De Kruisweg is het krachtigste gebed om de zondaars op het pad der deugd terug te brengen, de lauwe zielen op te wekken en aan te vuren, — de volmaakten tot de heiligheid te brengen. Uit de wonden van Jezus stroomt onophoudelijk eene kracht, die zich verspreidt over degenen die ze met de meeste godsvrucht vereeren. — De oefening van den Kruisweg, zegt de Gel. Leonardus a P. M., kan eene geheele gemeente of parochie heilig maken.
De Kruisweg is een treffend beeld van ons leven. Wij allen gaan naar een meer of minder verwijderd Calvarië. Bij de eerste Statie worden wij ter dood veroordeeld ; bij de laatste worden wij in het graf gelegd. Tusschen die beide uitersten, hoeveel lijden, hoeveel beproeving, hoeveel strijd, helaas! hoe menige val! Dit zijn de tusschenstatiën van onzen pelgrimstocht. De verschillende Statiën van onzen Verlosser leeren ons, hoe wij ons in de onze behooren te gedragen, hoe wij moeten verdragen, gehoorzamen, opstaan, als wij
43
vallen, zwijgen, als wij gehoond worden. Zijn stilzwijgen spreekt tot ons, zijne smarten verteederen ons, zijn geduld bedaart ons, zijne liefde overwint ons! De religieuze zal, als zij slechts wil, bij elke Statie lessen en aanmoediging vinden voor eiken toestand harer ziel. Gelukkig de zielen, die gaarne den Kruisweg volgen!
m.
Het Rozenhoedje.
Dit gebed is eene aaneenschakeling van oefeningen van lof, van vertrouwen, van liefde; eene aaneenschakeling van verzuchtingen tot Maria gericht, tot Maria, die glorierijke Moeder van God, die ons aller Moeder is, en door God gesteld is tot toevlucht der zondaars, tot bijzondere beschermster der religieuzen, tot patrones van een zaligen dood.
Het Rozenhoedje is het gebed boven alle gebeden bemind door alle religieuzen. Zij gevoelen als door een goddelijk instinkt, dat dit gebed, dat zich zoo gemakkelijk laat bidden in alle tijden, in alle omstandigheden , in eiken toestand, —- dat gebed dat men kan verlengen, verkorten, afbreken, — dat altijd, binnen haar bereik ligt, om al de minuten te vullen tusschen de
44
verandering der werkzaamheden, of der plaatsen, zij gevoelen dat dit gebed haar schild, haar toevlucht, haar geluk uitmaakt. Daarom is er geen enkele religieuze , die niet dagelijks haar Rozenhoedje bidt; velen zelfs bidden dagelijks een Rozenkrans.
De Rozenkrans herinnert door deszelfs uitwendigen vorm aan dien onzichtbaren keten, die ons aan Maria en door Maria aan Jezus hecht; de religieuze draagt haren Rozenkrans steeds zichtbaar voor aller oogen; zij wil hem zien, hem toonen aan iedereen; zij wil, dat de geheele wereld wete, dat zij Maria toebehoort.
Wij behoeven aan de religieuze geene liefde voor haren Rozenkrans in te boezemen ; zij bemint dien, zooals wij reeds zegden, meer dan elk ander mondgebed; haar Rozenkrans en haar kruisbeeld vergezellen haar altijd; zij wil die bij zich hebben des nachts, zij wil die bij zich hebben op haar sterfbed, zij wil die mede nemen in baar graf!
IV.
Het bezoek aan het Heilig Sacrament.
Is het noodig het bezoek aan het heilig Sacrament aan te bevelen?
45
Zijn ze dit dagelijksch bezoek niet ver-scliuldigd aan Jezus, die voor haar alles is: haar Bruidegom, haar Vader. haar Vriend, haar Middelaar bij God!
Tot wien zouden zij gaan in hare moeielijkheden, in haar lijden, haar gewetensangst, in den kommer door hare bediening veroorzaakt, ia de zielsangsten die zoo dikwijls haar leven komen bestormen? Tot wien zouden zij gaan dan tot Jezus? Wien kunnen zij haren nood klagen, zooals aan Jezus? Wie kan haar troosten, raden, verlichten, geleiden, versterken , beminnen als Hij ?
I. Het H. Sacrament is voor alle geloovigen, de bron van alle goed, van allen troost, van alle hoop!
Het H. Sacrament is Jezus met ons, bij ons, voor ons levende; Jezus even machtig, even goed, even barmhartig als in de dagen van zijn sterfelijk leven.
De Apostelen, de H. Maagd Maria zelfs hadden niets meer dan wij. Maria zag, zij bezat haren Jezus op eene onuitsprekelijke wijze; doch dezelfde Jezus die hare vreugde uitmaakte, is ook de onze ! Vragen wij Maria, dat zij ons, gelijk eenige bevoorrechte zielen, geheel doordringe door het heilig Sacrament van liefde! Wanneer
46
men, zegde eene dezer, Jezus waarlijk bij zich heeft, Jezus wien men alles kan toevertrouwen , alles vragen, dan kosten de deugd, de moeielijkste oefeningen, de hartverscheurendste opofferingen ons niets meer! Jezus is voor het hart een deelnemende Vriend, voor de ziel een Bruidegom, die zich met alles belast; het is God in ons levende, in ons werkende, alles voor ons doende.
Wij schrijven hier het het gebed van den H. Thomas van A guinea over, zoo vol kracht en zalving.
O Gij, die mij zooteeder bemint, Jezus hier waarachtig tegenwoordig, verborgen God, hoor mijn smeeken.
Dat uw wil de mijne, mijne vurigste begeerte, mijne liefde zij! Geef mij de genade, dien te zoeken te vinden en te vervullen. Toon mij uwe paden, geleid mij op uwe wegen. Gij hebt uwe plannen met mij, deel ze mij mede en geef mij de genade die te volgen tot mijn jongsten snik. Geef dat ik, onverschillig voor alles wat voorbij gaat, slechts U, U alleen zoekende, alles beminne wat U toebehoort, doch U vooral, o mijn God! Maak mij elke vreugde bitter buiten U, elke begeerte onmogelijk buiten U, elk werk voor
47
U zoet, elke rust buiten ü ondragelijk. Dat ieder oogenblik mijne ziel hare vlucht tot U neme; dat mijn leven slechts ééne akte van liefde zij! Doe mij gevoelen, dat ieder werk, dat U niet vereert, een dood werk is. Dat mijne godsvrucht geene gewoonte, maar een gedurig streven mijns harten zij!
O Jezus, mijne zoetheid en mijn leven, geef dat mijne nederigheid geene geveinsdheid, mijne vreugde geene uitgestortheid , mijne droefheid geene moedeloosheid, mijne gestrengheid geene hardvochtigheid zij! Geef dat ik spreke zonder omwegen, vreeze zonder wanhoop, hope zonder vermetelheid, leve zonder smet, berispe zonder drift, beminne zonder valschen schijn, stichte zonder praalvertoon, gehoorzame zonder tegenspraak , lijde zonder morren.
O Opperste Goedheid, o Jezus, ik vraag ü een hart dat zoodanig door U vervuld zij, dat geen oog noch oor het van U aftrekke; een getrouw en edel hart dat nooit wankele, zich nooit verlage; een onoverwinbaar hart, altijd gereed na eiken storm den strijd te hervatten; een hart dat, altijd vrij, zich nooit late verleiden, zich nooit verslave; een recht-
48
zinnig hart, dat nooit kromme wegen bewandele. En mijn geest, o Heer, dat mijn geest ü nimmer miskenne, ü met vurigheid zoeke, en U, de Opperste Wijsheid vinde; dat zijn onderhoud U niet mishage; dat hij in kalmte en vertrouwen uw antwoord afwachte en beruste op uw woord! Moge de boetvaardigheid mij de doornen uwer kroon doen gevoelen! Moge uwe genade hare gaven uitstorten op den weg van mijn ballingschap! Moge de glorie mij in het vaderland met uwe vreugde overstroomen. Amen.
II. Het H. Sacrament doet ons levendiger de liefde van het H. Hart van Jezus en den invloed, welke deze godsvrucht op het leven der religieuze-heeft, gevoelen.
Het is vooral in de tegenwoordigheid van Jezus, dat men de kracht gevoelt der beloften gedaan aan de zielen, die Jezus Heilig Hart zijn toegewijd.
Beloften gedurende het leven, die genade verzekeren voor de groote zaak der zaligheid en zelfs voor het welslagen der tijdelijke ondernemingen, — beloften van vrede, van vreugde, van kracht, van troost, — genaden van berouw en vergiffenis voor de zondaars, — genaden van
49
volmaaktheid en volharding voor de godvruchtige zielen.
Belojien in het uur des doods. Jezus-Christus zegde uitdrukkelijk, sprekende van de zielen aan zijn H. Hart toegewijd: Ik zal haar een veilige toevlucht zijn, vooral bij haren dood. Een toevlucht tegen den duivel, die krachtige pogingen zal inspannen om de ziel te verleiden en voor alle eeuwigheid in het verderf te storten; — een toevlucht tegen de vrees voor den dood en den angst voor de eeuwigheid, die het offer van het leven edelmoedig aan God gebracht zouden belemmeren, — een toevlucht tegen de gestrengheid van Gods oordeelen.
Beloften na den dood. Zij verzekeren ons den hemel. Zij die deze godsvrucht zullen heoejenen en verspreiden, zegt Jezus-Christus nog tot de zalige Margaretha Maria, zullen haar naam geschreven hehhen in mijn Hart, en hij zal er nooit uitgewischt worden.
Verlaat dus nooit het altaar waar Jezus-Christus rust, zonder het H. Hart van dien goeden en aanbiddelijken Zaligmaker te hebben aanbeden, geloofd, gezegend, gedankt en als eenig voorwerp uwer liefde te hebben verkozen.
3
50
V.
De gebeden tot den H. Jozef.
De godsvrucht tot den H. Jozef volgt altijd de godsvrucht der H. Maagd op den voet, gelijk deze altijd de godsvrucht tot Jezus-Christus volgt.
Iedere religieuze gevoelt voor den H. Jozef een bijzonder vertrouwen; zij begrijpt, en met goede rede, dat hij, die Jezus en Maria beschermde en met zooveel zorgvuldigheid voorzag in de behoeften der H. Familie, ook haar zal beschermen en in hare behoeften zal voorzien. Elke religieuze gemeente is immers eene Heilige Familie.
Het beeld van dien Heilige heeft voor haar iets zoo vaderlijk, zoo goed, zoo bemoedigend, dat zij tot hem gaat als tot een hooggeachten vader, en hem al hare behoeften, zelfs hare tijdelijke behoeften durft bloot te leggen. Gij zult dus ook den voedstervader van Jezus bidden, dien zoo liefdevollen beschermer der H. Maagd. Het grootste voordeel der godsvrucht tot den H. Jozef, zegt de H. Thomas, is dat zij de liefde voor Jezus en Maria in ons vermeerdert. Niemand heeft Hen meer bemind, niemand
51
verlangt vuriger aller harten aan liunne zoete heerschappy onderworpen te zien. Zoodra eene ziel zich aan den H. Jozef overgeeft, geleidt hij haar tot Jezus en Maria, en boezemt haar de gevoelens in, waarmede hij vervuld is.
VI.
De heilige Communie.
De heilige Communie, dat wil zeggen de — Commune Union — of verééniging tusschen Jezus en de ziel, is wel het grootste, het heiligste, het barmhartigste, het liefdevolste dat ooit bestaan kon, na de verééniging der Godheid met de menschheid in de Menschwording en na de Verlossing.
Het menschelijk verstand kan niets troostrijkers uitdenken voor den menseh hier op aarde; de goddelijke almacht kon niets liefdevollers daarstellen.
De H. Communie is de leerschool, de voorsmaak van den Hemel, van het geluk dat men daar geniet, van de vreugde, waarmede men daar overstroomd wordt.
De H. Communie trekt alles aan wat rein is en rein wil blijven, — wat liefderijk is en liefderijker wil worden, — alles wat gevoel heeft voor hetgeen schoon, goed,
52
edel, goddelijk is; en daarom gevoelen de religieuzen zich vooral tot de H. Communie getrokken; zij hadden in de wereld wellicht even dikwijls kunnen communi-ceeren, doch zij hadden daar niet, gelijk binnen die gewijde muren, die haar van de wereld scheiden, en onder de leiding van een regel, die haar van alle stoffelijke bekommering ontheft, alleen voor en door de li. Communie kunnen leven. Dit heeft haar getrokken, en zij richten tot de H. Communie, gelijk de H. Kerk dit trouwens ook doet, al hare gedachten en al hare daden, en vragen zich vóór elk dezer af: zal zij mij helpen om te communiceeren ? zal zij mij niet beletten te communiceeren^
Gelukkig de religieuzen die verdienen dikwijls te mogen communiceeren! Gelukkig zij die op haar sterfbed zich ten Hemel zien voorgaan door die talrijke levensdagen in de eenzaamheid doorgebracht, geheel doordrongen en geheiligd door de heilige Communie.
Zien wij dus:
1°. De liefde der religieuze voor de H. Communie.
2°. De noodzakelijke vergunning voor de II. Communie.
53
3°. Het veelvuldig ontvangen der
H. Communie,
4°. De akten vóór en na de heilige
Communie.
A.
De Liefde der Religieuze voor de H. Communie.
I. Moet iemand op aarde de heilige Communie beminnen, zoo is dit, na den priester, voorzeker de God toegewijde ziel, de religieuze.
Zij is slechts religieuze en kan slechts religieuze blijven door de H. Communie. »Ik begrijp niet, zegde in een hospitaal een luthersch vorst tot een katholiek, hoe het komt, dat uwe liefdezusters onze diakonessen zoo overtreffen; niettegenstaande alle aanmoedigingen , hebben zij noch die zelfopoffering, noch die moederlijke zorg, noch die liefde voor de zieken, noch dat vroolijk gelaat moer Zusters.quot;— »Dat komt, antwoordde de katholiek eenvoudig, omdat onze Zusters commu-niceeren; bijna iederen dag ontvangen zij Jezus-Christus, en Hij werkt in en voor haar.quot;
Elke religieuze in wie Jezus-Christus niet woont, niet werkt, — en dit kan de H. Communie slechts bewerken, —
54
sleept zich voort onder het gewicht harer Geloften, gelijk een galeislaaf zich voortsleept onder het gewicht zijner ketenen.
Eene religieuze, die niet naar de heilige Communie verlangt, die zich gemakkelijk van de heilige Communie berooft, die niet tracht dikwijls te mogen communiceeren, zal eene religieuze zijn aan wie alles in den levensstaat dien zij omhelsd heeft, weldra zal tegenstaan; eene religieuze die geene harer plichten getrouw zal volbrengen; zij kan niet heminnen, zij kan niet strijden, zij kan niet lijden, zij kan niet gehoorzamen, zij kan niet hidden.
Maar tegenwoordig is het getal klein dier arme religieuzen die zich door den geest van alle kwaad, door den schijnheiligen en leugenachtigen duivel laten beheerschen, die, wijl hij haar niet rechtstreeks in zonde kan doen vallen, haar onder voorwendsel van eerbied en overdreven volmaaktheid zoekt te verwijderen van die heilige Tafel, waar zij kracht, leven en vreugde zouden putten. Hoe treurig zien zij er gewoonlijk uit! altijd leest men iets ontevredens en gedwongens op haar gelaat. De religieuzen die zich uit eigen beweging van de heilige Tafel, verwijderen, zijn wellicht nauwgezet, maar
55
met zekeren dwang; zij zijn gehoorzaam, doch. slaafs gehoorzaam; zij zijn liefderijk, maar niet minzaam, niet zachtaardig, niet toegevend en vooral niet medelijdend; zij kunnen noch eenvoudig, noch voorkomend wezen; een vroolijk woord ontsticht haar, want.... Jezus, zachtmoedig en ootmoedig van harte, woont niet in haar.
II. De getrouwe religieuze bemiat de heilige Communie, omdat Jezus zelf haar uitnoodigt, haar zelfs dringt, tot Hem te komen.— Zij wordt getroffen, als zy bij het lezen van het Évangelie Jezus hoort bevelen, beloven, bedreigen; Jezus die, om ons tot de H. Communie te doen naderen, al de middelen gebruikt, die wij zeiven gebruiken, als wij iemand willen overreden om onzen wil te volbrengen. Zij wordt getroffen, ja diep ontroerd, als zij, door ziekte of lichaamsgebreken belet, in de kapel te komen, Jezus in hare kleine, armoedige cel ziet komen en wederkomen, zoo dikwijls zij het wenscht en het haar wordt toegestaan.
De getrouwe religieuze bemint de heilige Communie, omdat zij weet dat elke Communie haar tot God verheft, en dat de ware grootheid, waarnaar zij tracht, in God alleen te vinden is.— Ja, hoe nader
56
de ziel bij God komt, hoe hooger zij zich verheft; en wanneer is zij dichter bij God, dan na de H. Communie? i/y maakt slechts één met Hern; elke tusschen-ruimte tusschen Jezus en haar is verdwenen, en zij mag in alle waarheid zeggen: Jezus woont in mij en ik in Hem ; ik hen het niet meer die leeft, het is Jezus, die in mij leeft; Hij heeft mij deel gegeven aan zijne goddelijke natuur. En in de oogen der engelen en der heiligen wordt het kleinste, het geringste, het onbeduidendste schepsel der aarde door de H. Communie oneindig grooter dan al de grootste vernuften, dan al de helden, die de wereld toejuicht en bewondert!
De getrouwe religieuze bemint de heilige Communie, omdat zij hare ziel verrijkt metde kostbaarste genadegiften. — De H. Communie boezemt ootmoed in, beschermt de zuiverheid, vestigt de zachtmoedigheid; door haar wordt het geloof levendiger, de hoop sterker, de liefde vuriger en edelmoediger. Vraag aan eene ziel die gecommuniceerd heeft, een liefdewerk of een offer, en gij zult zien of zij zal aarzelen. — Als wij eene ziel konden zien na de H. Communie, welk een verrukkelijk schouwspel zou onze
57
blikken treffen! Wij zouden eene hruid zien met onschuld versierd en schitterend van schoonheid, —eene koningin, bekroond met deugden en omgeven door den glans der gaven van den H. Geest, — een kind in wiens hart niet alleen de deugden zouden schitteren, die de glorie der Heiligen uitmaken , maar ook die menschelijke deugden di e liefde en bewondering opwekken. De heilige Communie geeft ons Jezus; en is Jezus niet de genade, de schoonheid, de beminnelijkheid, de zoetaardigheid bij uitnemendheid?
De getrouwe religieuze bemint de heilige Communie, omdat zij haar al de schatten der wetenschap mededeelt, die de hemelsche zaken doet verstaan en beminnen, en die zelfs voor de aardsche zaken een bewonderenswaardig doorzicht, eene buitencrewone voorzichtigheid en
O O
vooral een praktisch verstand mededeelt, welke baar de misslagen doen vermijden, waarin de wijzen dezer aarde vallen. — De heilige Communie is dikwijls eene bron van licht; de ongeletterdsten hebben er vaak kennissen geput, ver verheven boven die aller geleerden der wereld, en de HH. Kerkleeraars hebben bekend, dat zij in de H. Communie, in dat innig ver-
58
keer van Jezus met hunne ziel, waarheden geleerd hebben, welke hunne boeken hun nimmer getoond hadden. — De H. Communie is eene hron van kracht, van zuivere gedachten, van ivijzen raad en godvruchtige gewoonten ; zij is vooral de groote troost in de uren van verlatenheid, van droefheid, van lijden , en bijzonder in de vreeselijke uren van zielsangst.
Het is bij de heilige Communie, dat men het verrukkelijk woord verstaat: Ik ben het; vrees niets! O, wie heeft den vrede niet voelen wederkeeren, wie heeft geene tranen van vreugde gestort, Jezus wedergevonden te hebben V
De getrouwe religieuze bemint de H. Communie, omdat zij door haar de bijzondere genade ontvangt, vastgehecht aan het Vleesch van Jezus-Christus, aan zijn Bloed, aan zijn Hart, aan zijn Geest, aan zij ne Ziel, aan zij ne Godheid; want dat alles ontvangt zij bij de H.Communie!— Communiceeren is in gemeenschappelijk bezit treden der goederen van twee personen die onderling vereenigd zijn door banden van vriendschap of belang en elkander bij plechtig contract alles geven wat zij bezitten ; en is de heilige Communie «reen contract tusschen Jezus en de ziel. ?
O
59
God geeft zich aan de ziel, de ziel geeft zich aan God; God geeft zich geheel, zich zei ven en al wat Hij bezit; de ziel geeft zich aan God met alwat zij bezit! O welke groote, welke verheven geheimen ver-toouen zich voor de oogen van ons geloof!
Het F/eesc/tvan Jezus-Christus, waaraan eene genade van zuiverheid, van reinheid en heiligheid gehecht is, vereenigt zich met het vleesch van degene die communiceert , zegt Pr Avrillon, en deelt het die genade van zuiverheid, van reinheid, van toewijding mede, die het heiligt, — het aan den geest onderwerpt, —• deszel fs natuurlijke neiging naar zinnelijke genoegens en natuurlijken afkeer van boete en versterving wederhoudt, — die het ondersteunt, behoudt en bewaart.
Het Bloed van Jezus-Christus, waaraan de genade van verzoening gehecht is, vereenigt zich met het hloed dergene die communiceert, voldoet voor haar aan de gestrenge rechtvaardigheid en vereenigt zijne verdiensten met de gebeden die zij, stort om vergiffenis harer zonden te verkrijgen. — Dit goddelijk Bloed ondersteunt haar in de taak, die zij te vervullen heeft, en geeft haar sterkte om haren vijanden moedig het hoofd te bieden.
60
Het Hart van Jezus, waaraan eene genade van zalving en liefde geheclit is, vereenigt zich met hart van degene die communiceert, en deelt haar een levendig en vurig geloof mede, alsook eene vermeerdering van liefde, welke haar eene goddelijke vreugde doet vinden in de moeielijkste zaken zelfs, die God van hare getrouwheid vraagt.
De Geest van Jezus-Christus, waaraan eene genade gehecht isvan bovennatuurlijk licht, om ons veilig op den weg der volmaaktheid te geleiden, vereenigt zich met den geest van degene die communiceert , deelt haar dit licht mede; dooide hulp dier stralen, verlicht hij hare verblindheid, onderricht hare onwetendheid, —■ lost hare twijfeling op, — voert haar van het dwaalspoor van haren eigenzin , hare vooroordeelen terug, — maakt haar meer onderworpen aan de stem en de bevelen harer Oversten, — geeft haar eindelijk eene volmaakte kennis van God en van zich zelve.
De heilige Ziel van Jezus, waaraan eene genade van verlossing gehecht is, vereenigt zich met de He/dergene die com-
O # o
municeert, en hernieuwt ten harer gunste, zoo dikwijls zij waardig de H. Communie
61
ontvangt, datgene wat slechts eenmaal op Calvarië geschied is, het offer dat de geheele wereld verlost heeft.
Het Leven van Jezus-Christus, waaraan de genade van het inwendig en bovennatuurlijk leven gehecht is, vereenigt zich met het leven dergene der communiceert, en deelt haar dat leven van genade en vereeniging mede, waar door hare ziel in Jezus leeft en Jezus in haar.
De Godheid van Jezus, waaraan eene genade van verheffing en gedaanteverandering gehecht is, vereenigt zich met de natuur dergene die communiceert, en trekt haar als uit haar eigen bestaan, om in Gods wezen over te gaan. Zij houdt op te zijn wat zij is, om eenigszins deel te krijgen aan de goddelijke natuur en gelukkig in God hervormd te worden.
Ziedaar de onuitsprekelijke mededee-lingen tussclien Jezus en de communi-ceerende ziel; ziedaar waarom de getrouwe ziel de heilige Communie zoo bemint.
Het veelvuldig ontvangen der H. Communie.
(a) Beweegreden lot het dikwijls ontvangen der H. Communie.
De religieuze moet streven om dikwijls, ja dagelijks, de H. Communie te mogen ontvangen. Zij die daarnaar niet zou
62
trachten, zou tooneii, dat zij Jezus-Christus niet genoeg bemint; en men zou van haar kunnen zeggen, dat zij God zou doen betreuren, haar tot het religieuze leven geroepen te hebben.
Naar het dagelijksch gébruik der heilige Communie verlangen is beantwoorden aan het verlangen van Jezus, die, zooals wij reeds gezegd hebben, ons uitnoodigt. dringt, vraagt, belooft, bedreigt; —het is gehoorzamen aan het uitdrukkelijk verlangen der H. Kerk; — het is de voorbeelden der Heiligen volgen; — het is voor zijne ziel het voedsel en het geneesmiddel betrachten dat zij noodig heeft;— het is de vurigste begeerte vervullen van een hart, dat voor God geschapen is, dat naar God dorst, daar het slechts in het klooster getreden is om geheel aan God te behooren; — het is God verheerlijken , zooveel als een schepsel Hem kan verheerlijken, door Hem tot tabernakel te dienen, en door, om zich daartoe waardig te maken , steeds zuiver, gehoorzaam , godvruchtig, liefderijk te leven.
Communiceer dan dikwijls, zegt de H. Franciscus van Sales , zoo dikwijls, als gij dit met de toestemming van uwen biechtvader doen moogt.
63
Communiceer dan dikwijls, om de krachten uwer ziel te herstellen, en haar dat voedsel te geven, dat zij behoeft om hare plichten op eene wijze te vervullen die verdienstelijk is voor den Hemel. Zonder de veelvuldige Communie wordt die plicht, die altijd eenigszins eentonig is, ten laatste zwaar en moeielijk; hij wordt zonder opgewektheid, zonder, vuur, zonder voordeel voor den Hemel volbracht.
Communiceer dikwijls, om door de kracht van het lichaam van Jezus-Christus uwe ellende, uwe geestelijke ziekten te herstellen en den waren levensgeest in u op te wekken.
Communiceer dikwijls, om u van uwe dagelijksche zonden te zuiveren. De heilige Communie , zegt het Concilie van Trente, is een tegengif om ons van onze dagelijksche zonden te verlossen,—om ons te versterken tegen het hervallen in de dagelijksche zonden. De zonde is onze wond, zegt de H. Ambrosius, het 11. Sacrament is ons geneesmiddel; gij zondigt dagelijks door kleine zonden; wilt gij niet meer zondigen, dan communiceer dagelijks. — Communiceer dikwijls, om in u de begeerlijkheid te matigen en u voor doodzonde te bewaren.
Communiceer dikwijls, 1° om uwe ver-
64
eeniging met Jezus-Cristus te onderhouden en te volmaken: Die mijn vleesch eet, woont in mij en ik in hem. Ons vleesch is met liet Vleesch van Jezus vereenigd, zegt de H. Cyrillus, als twee stukken gesmolten was. HetH. Sacrament ontwikkelt die vereeniging, gelijk het aardsche voedsel de krachten van ons lichaam ontwikkelt; 2o om de vereeniging uwer ziel met die uwer medezusters te onderhouden: de H. Communie vernietigt de begeerlijkheid, die de bron is onzer verdeeldheden, bezielt ons langzamerhand met den zelfden geest, hetzelfde hart, denzelfden wil, en verplicht ons om in vrede met elkander te leven, ten einde ons in staat te stellen van dikwijls te mogen communiceeren. De H. Communie vernietigt langzamerhand het eigenbelang , den afgunst, de eigenliefde, de lichtgeraaktheid en al die gevoelens die zoo lichtelijk de harten verdoelen.
Communiceer dikwijls, om licht te verkrijgen: Je zus-Christus is het licht, dat alle menschen verlicht, die in deze loereld zijn gekomen ; — om u te helpen in uwe moeielijkheden en opofferingen, — om u te troosten en aan te moedigen , om eindelijk de volmaaktheid te bereiken:
65
Jezus-Christus is de weg, de waarheid en het leven.
(b). Fereischten tot het dikwijls ontvangen der H. Communie,
I. Eiken zondag communiceeren maakt de veelvuldige communie niet uit. In de communauteiten waar de Regel twee communiën toelaat, kan men nog zeggen, dat dit voor eene religieuze de veelvuldige communie niet is; doch als er drie toegelaten worden, het hoogste getal dat de Regel mag toestaan, zou dit als veelvuldige Communie beschouwd worden, en men moet dan de vereischte gesteltenis daarvoor vragen, zegt P. Meijnard.
II. Om eene goede Communie te doen, en in algemeeneu zin de vruchten te verkrijgen, waarvoor zij door Jezus-Chris-tus is ingesteld, te weten om de ziel te voeden en te versterken, moet de ziel vrij zijn van doodzonde.
II. Zal de heilige Communie deze vruchten ten volle dragen, zooals de religieuzen dit vooral moeten verlangen, dan moet de ziel:
1°. Vrij zijn van dagelijksche zonde; — Het is haar gemakkelijk, zich vóór de communie te zuiveren van alle dagelijksche fouten, welke zij bedreven heeft. Zij kan
66
dit door eene akte van liefde of berouw,— door het teeken van het heilig Kruis godvruchtig met gewijd water te maken met de meening zich van hare zonden te zuiveren,—hetzij door zich met dezelfde meening te veréénigen met den priester die aan den voet des Altaars het Confiteor bidt, — hetzij door hare fouten te leggen bij de H. Hostie en Jezus te bidden, ze te willen vergeven en gedurende de H. Mis daarvoor te willen voldoen.
2°. Vrij van alle gehechtheid aan de dagelijksche zonde. Dit wil zeggen, dat zij elke vrijwillige fout moet vermijden; dat, indien zij in die soorten van fouten valt, dit meer door verrassing, dan vrijen wil voortkomt, en dat zij gewoonlijk werke om alles te vermijden, wat tot die zonden kan geleiden. Al zou zij dikwijls in dagelijksche zonden vallen, zoo moet haar dit niet van de heilige Communie verwijderen, als zij er zich over vernedert, ze betreurt, ze door meerdere getrouwheid zoekt te herstellen. De dagelijksche fouten, zegt Fénelon, moeten, loei verre van ons de Communie te doen achterlaten, ons aanzetten, om dikwijls dit groote geneesmiddel te zoeken. Het H. Sacrament des Altaars is niet ingesteld voor de engelen,
67
die niet kunnen zondigen, maar voor zondige, zwakke, onvolmaakte menschen;
en zij is het tegengif, dat ons zuivèrt van de dagelijksche zonden, en ons behoedt voor zioaren val (Cone. Trid. Sess. XIII; Cap. II. de Euch.
D.
Voor en na H, Communie.
Wij geven hier geene bijzondere methode voor de voorbereiding tot de heilige Communie, noch voor de dankzegging.
Het leven eener religieuze, dat geregeld, armoedig,liefdadig,werkzaam, opgeruimd, aan alles en aan allen onderworpen leven, is in zich zelve eene voortdurende voorbereiding , en wordt ook eene voortdurende dankzegging. De H. Gommunie vormt geene gebeurtenis in het leven der religieuze, het is slechts een half uur van dat zoowel besteedde leven; doch het is het half uur hij uitnemendheid, waarheen al de vorige uren zich richten, en dat zijn invloed zal doen gevoelen aan de uren die gaan volgen.
Daarom maakt dan ook naarmate het uur nadert, de gedachte: Ih ga communiceeren, ik ga God in mijn hart ontvangen, diepen indruk op de ziel;
68
en reeds bij het ontwaken, gedurende de meditatie en de H. Mis, vervullen de treffendste beelden de ziel.
Hij komt, mijn Meester, om te zien, of alles in zijn gebied in orde is, — of er geene wanorde, geene ontsteltenis heerscbt, — of niemand datgene wat Hij gisteren daar geplaatst beeft, omver beeft geworpen, of wel daar iets gebracht heeft dat Hem misbaagt....
Hij komt, mijn Vader, om mij een nieuw bewijs zijner toegenegenheid te geven, mij te vragen, of ik Hem altijd bemin, of ik steeds aan Hem denk, om mijne beden, mijne zuchten, mijne klachten aan te booren. —
Hij komt, mijn Geneesheer, om zijne zieke te bezoeken, de bekentenis harer onvoorzichtigheden, de middelen die zij heeft aangewend, de zwakheden waarin zjj gevallen is, aan te boorenom te zien, of Hij haar moet genezen of nog laten lijden....
Hij komt, mijn Middelaar, mijn Beschermer , mijn Raadsman, mijn Gids.
Jezus is voor de ziel alles wat zij behoeft, alles wat zij noodig heeft. Hoe zou men bij deze gedachte niet als van zelf akten van geloof, van hoop, van
69
eerbied, van ootmoed, van aanbidding , van vreugde, van verlangen in zich voelen opwellen en wanneer na de fl. Communie Jezus in u verblijft, o bid dan zachtjes uw heiligen Engelbewaarder, Jezus niet alleen te laten; bid Maria u ter hulp te komen en zie.... Ja, het is wel uw Meester, uw Vader, uw Geneesheer, uw Beschermer, mw Raadsman, uw Vriend;... aanbid Hem, bedank Hem, en offer n vooral aan Hem op. Het schoonste en godvruchtigste gebed is zeker dat van den H. Ignatius. Ontvang, Heer, mijne vrijheid, — mijn geheugen, mijn verstand, al de genegenheden mijns harten ; — al iaat ik heb, al wat ik bezit, heb ik van u ontvangen; ik geef het u weder, o Heer, en stel mij volkomen ter beschikking van Uwen roil. Geef mij Uwe lie fde, Uwe heilige genade, en ik hen rijk genoeg en vraag niets meer!
Ga zoetjes in vrede heen! zeg in uw hart: Ik ga te midden mijner zusters den vrede, de zachtmoe digheid, de minzaamheid, de liefde van Jezus brengen! En bepaal eenige oogenblikken van den dag, waarop gij tot n zeiven zegt: Dezen morgen heb ik Jezus in mijn hart ontvangen.
70
HET LEVEN VAN GEBED.
I. Het leven van gebed, dat leven in verééniging met God, is eigenlijk het leven der religieuze.
Yan gebed leven is onophoudelijk aan God denken volgens het voorschrift van Jezus-Christus: Bid zonder ophouden.
De ziel, die zich aan God heeft opgedragen door de religieuze Geloften, wilde niet alleen, gelijk alle schepselen, aan God toebehooren; maar zij wilde dichter bij God zijn, en het zich tot eene onmogelijkheid maken, zich van Hem te verwijderen; zij wilde op stoffelijke wijze met God vereenigd leven, door zijn kleed te dragen, zijn werk te doen, zijn huis te bewonen; maar bovenal wilde zij met Hem vereenigd leven met hart en ziel, en deze verééniging maakt haar hare religieuze plichten zoet en aangenaam.
Zij bemint God, en dien God, dien zij bemint, verlaat zij zelfs niet in gedachte. Aan Hem alleen wil zij behagen, voor Hem alleen wil zij werken, om Hem alleen wil zij alle schepselen beminnen.
Zij strijdt, doch alleen om zich niet te scheiden van haren God, van wien
71
de duivel haar zoekt af te trekken; eu koe hardnekkig, hoe langdurig die strijd ook moge wezen, altijd zal zij dien met dezelfde getrouwheid blijven voeren.
Zij lijdt, maar met vrede en vreugde onder het oog van den God, die haar zelf dat lijden overzendt; en zij omhelst haar kruis, omdat het haar meer gelijkvormig maakt aan den Meester, dien zij aanbidt.
Zij gehoorzaamt, en de gehoorzaamheid is haar een zoete plicht, omdat zij daardoor dichter bij God komt;het is God die haar roept, die haar zendt, die haar dit werk oplegt, en door de gehoorzaamheid blijft zij steeds met God veréénigd.
II. Het leven van gebed, dat leven van vereeniging met God, laat zich samenvatten in deze weinige woorden, welke trouwens geheel den inhoud van dit boek uitmaken: denken als Jezus,— oordeelen als Jezus,— beminnen als Jezus,—handelen als Jezus.
De gedachten van Jezus waren alle tot God gericht. De uitwendige zaken hielden Hem slechts bezig, voor zoo ver zij tot God geleidden. Daaruit vloeide die gedurige verééniging voort met God in de vermoeiendste werkzaamheden zijner loopbaan, alsmede de gemakkelijkheid om van het werk tot het gebed over
70
HET LEVEN VAN GEBED.
I. Het leven van gebed, dat leven in verééniging met God, is eigenlijk het leven der religieuze.
Yan gebed leven is onophoudelijk aan God denken volgens het voorschrift van Jezus-Christus: Bid zonder ophouden.
De ziel, die zich aan God heeft opgedragen door de religieuze Geloften, wilde niet alleen, gelijk alle schepselen, aan God toebehooren; maar zij wilde dichter bij God zijn, en het zich tot eene onmogelijkheid maken, zich van Hem te verwijderen; zij wilde op stoffelijke wijze met God vereenigd leven, door zijn kleed te dragen, zijn werk te doen, zijn huis te bewonen; maar bovenal wilde zij met Hem vereenigd leven met hart en ziel, en deze verééniging maakt haar hare religieuze plichten zoet en aangenaam.
Zij bemint God, en dien God, dien zij bemint, verlaat zij zelfs niet in gedachte. Aan Hem alleen wil zij behagen, voor Hem alleen wil zij werken, om Hem alleen wil zij alle schepselen beminnen.
Zij strijdt, doch alleen om zich niet te scheiden van haren God, van wien
71
de duivel haar zoekt af te trekken; eu koe hardnekkig, hoe langdurig die strijd ook moge wezen, altijd zal zij dien met dezelfde getrouwheid blijven voeren.
Zij lijdt, maar met vrede en vreugde onder het oog van den God, die haar zelf dat lijden overzendt; en zij omhelst haar kruis, omdat het haar meer gelijkvormig maakt aan den Meester, dien zij aanbidt.
Zij gehoorzaamt, en de gehoorzaamheid is haar een zoete plicht, omdat zij daardoor dichter bij God komt;het is God die haar roept, die haar zendt, die haar dit werk oplegt, en door de gehoorzaamheid blijft zij steeds met God veréénigd.
II. Het leven van gebed, dat leven van vereeniging met God, laat zich samenvatten in deze weinige woorden, welke trouwens geheel den inhoud van dit boek uitmaken: denken als Jezus,— oordeelen als Jezus,— beminnen als Jezus,—handelen als Jezus.
De gedachten van Jezus waren alle tot God gericht. De uitwendige zaken hielden Hem slechts bezig, voor zoo ver zij tot God geleidden. Daaruit vloeide die gedurige verééniging voort met God in de vermoeiendste werkzaamheden zijner loopbaan, alsmede de gemakkelijkheid om van het werk tot het gebed over
74
minuut van den tijd, dien ik in plichtsvervulling doorbreng, om mij voor elke minuut te beloonen.
Hij is mijn heschermer, Hij verwijdert den duivel, terwijl ik bid of werk, Hij verwijdert van mij de kwaadwilligen, of versterkt mij tegen hunne woorden, nooit toelatende dat ik boven mijne kracht beproefd worde.
O hoe teeder bemin ik Jezus!
In mijne recreatie denk ik aan zijne zachtmoedigheid, zijne goedheid, zijn bestendigen glimlach. Hij verstoot niemand, Hij veracht niemand. Hij is altijd dezelfde, vol voorkomendheid, vol minzaamheid , nimmer ongenegen tot dienst-betooning,— steeds verheugd zich voor anderen te kunnen opofferen.
In mijne gesprekken spreek ik somtijds van Hem; ik spreek ten minste in zijne tegenwoordigheid, opdat niets onbeleefds, niets onbetamelijks, niets onvoorzichtigs mij ontsnappe.— Ik gevoel mij gelukkig, als ik anderen kan aanzetten om Hem te beminnen; en word ik naar de spreekkamer gezonden, dan zij mijne eerste gedachte: Geef, o Heer, dat ik Umoge doen beminnen !
In mijne studiën denk ik aan de goedheid, waarmede Jezus zijne discipelen
75
onderwees, hun uitleggende wat zij niet begrepen; en ik stel mij voor, dat Hij tot mij spreekt door de boeken die ik lees, Hij, wien ik met eerbied en dankbaarheid aanhoor. Ik roep Hem aan in moeielijkheden; — ik onderwerp mij, als ik eenige vernedering onderga, of eenige zwarigheid ontmoet; ik bedank Hem, als ik in een of ander wel mag slagen; want het is Jezus, mijn Meester, die mijn verstand verlicht heeft.
Bij mijne maaltijden denk ik aan zijne matigheid, zijne soberheid, zijne versterving; met welke goedheid Hij zelf zijne apostelen bediende, met welke liefde Hij mirakelen deed om de armen te voeden. 0 hoe gelukkig gevoel ik mij, als ik, daar en altijd, de dienares mijner zusters mag zijn, wanneer ik mij iets kan onttrekken om het haar te geven!
In mijne gebeden stel ik mg -dicht bij Jezus, en hoor Hem tot mij zeggen: Al wat gij den Vader in mijnen naam zult vragen, zal Hij u geven ; en ingetogen gelijk Hij, herhaal ik gaarne eenige der woorden, die Jezus in zijn gebed uitsprak: Vader, uw wil geschiede, niet de mijne. Vader, geef ons heden ons dagelijksch brood. MijnVader, mogen allen U kennen
76
en U verheerlijken!... En ik beveel Hem mijne communauteit, mijne Overste, mijne medezusters, mijne familie, en al degenen die mij helpen om Hem te beminnen.
Bij mijn handioerk denk ik aan het werk dat Jezus verrichtte, wellicht hetzelfde als wat ik doe. Hij deed alles wat Hem opgelegd werd, en Hij deed het op volmaakte wijze. Hij verliet zijn werk, zoodra men Hem riep, hervatte het of liet het weder rusten; Hij beklaagde zich noch over den langen duur noch over de eentonigheid, noch over de moeielijkheid van zijn werk; Hij, de Alwetende, schaamde zich niet, aan Maria, aan Jozef te vragen: »hoe moet ik dit doen?quot; en Hij volgde getrouw hunnen raad.
In mijne moeielijkheden roep ik Hem , en wacht. Ik weet dat Hij bij mij is, en al zegt Hij niets, toch vrees ik niet; Hij zal wel beletten, dat ik te zeer gedrukt worde, dat de verveling te lang dure, dat de bekoring te hevig worde voor mijne zwakke kracht. Ik roep Hem aan, ik weet dat Hij zal komen , als zijn uur daar is; en hoewel misschien met de tranen in de oogen, met de zucht op de lippen, zet ik mijn arbeid, mijn gebed, mijne levenswijze voort.
77
In de beproevingen en kruisen, mij door de Voorzienigheid bescl ikt, stel ik mij dichter bij Jezus; en vind ik Hem niet aan mijne zijde, dan ga ik Hem zoeken.... Ik vind Hem in de armen der H. Maagd, die mij zeker haar Kindje geeft, als ik godvruchtig een tientje van mijn rozenkrans bid; — ik vind Hem te midden der armen, die ik ga bezoeken, der kinderen die ik moet onderrichten; ik vind Hem, als ik mij edelmoediger toeleg op den plicht, mij door de gehoorzaamheid opgelegd; — ik vind Hem in het huisje van Nazareth, aan zijn ruw kruis, en de kruisweg, dien ik in de kapel ga bidden, geeft mij Jezus terug met den vrede, de rust, de gelatenheid. Ik vind Hem eindelijk in de II. Communie, en dan zeg ik tot Hem: Heer, verlaat mij niet meer! verlaat mij niet meer!
In mijn slaap deuk ik aan Jezus en zie Hem rustig slapend, dan eens in de armen van Maria, dan in het scheepje door de golven geslingerd, dan weder in de kribbe te Bethlehem, en ik zeg tot Hem: 0 Jezus, ik wil ook met U in vrede rusten ; ik wil, dat mijn hart steeds wake; ik wil, dat gedurende mijnen slaap
t
78
elke mijner ademlialingen een zucht van liefde zij; ik wil, dat bij mijn ontwaken mijn eerste woord zij: »Mijn Jezus, ik bemin U !quot;
O lioe zalig is een dag aldus met Jezus vereenigd, doorgebracht!
Gebed om het leven van vereeniging met Jezus te vragen
Mijn Jezus, goddelijk voorbeeld, dat wij allen moeten volgen, Jezus die zoo dikwijls in ons komt door de H. Communie, Jezus zonder wiens hulp wij niets vermogen, met wien wij alles kunnen, leef in mij nu en altijd.
Leef in mij nu om mij uwen zegen te geven, maar een zegen, die de zonde van mij verwijderd houde, die mij tegen de bekoring versterke, mij in de genade be-houde, mij voor alle gevaar beware, mij in het goede doe volharden.
Wees met mij in mijne gebeden, om mij de verdiensten der uwe en de heilige gesteltenis, waarmede Gij gebeden hebt, mede te deelen ; dat ik in ü, door U en met U verhoord worde in mijne beden om alles wat mij nuttig en noodzakelijk is.
Wees met mij in de II. Mis, om mij al de vruchten daarvan voor mijne tijdelijke en geestelijke behoeften toe te passen i
79
om in mij het offer van mij zelve te bewerken, ten einde ik slechts één slachtoffer, een zuiver en smetteloos offer met u worde.
Wees met mij bij mijn werk en de uitoefening mijner bediening om dit alles te zegenen, ten einde ik mij voege naaiden goddelijken wil, die verlangt, dat ik mij volgens de gehoorzaamheidbezighoude.
Wees met mij in mijne twijfelingen om mij met voorzichtigheid en wijsheid datgene te doen kiezen wat het meeste uwe glorie kan bevorderen.
Wees met mij in mijne maaltijden om mij de matigheid en de versterving te doen oefenen.
Wees met mij in mijne uitspanningen om mij eene zoete, vreedzame, stichtende blijdschap mede te deelen.
Wees met mij in mijne gesprekken om mij op tijd te doen zwijgen, en leg op mijne lippen woorden van stichting, van goedheid, van kracht, van troost.
Wees met mij hij het lezen en studeer en om mij uw licht mede te deelen, opdat mijn geest zonder ijdelheid verlicht en mijn hart versterkt worde.
Wees met mij in mijn lijden, mijne droefheid, mijne vernederingen om mij
80
troost, geduld en onderwerping mede te deelen.
Wees met mij in voorspoed om mij dankbaarheid en ootmoed te leeren.
Wees met mij in alle gewone en buitengeivone omstandigheden, waarin gij ziet dat ik mij zou kunnen bevinden, om mij van bet kwade te verwijderen en mij bet goede te doen betrachten, waartoe de gelegenheid zich aanbiedt.
Wees met mij, als ik mij ter rust begeef, om mij in uw heilig Hart te verbergen en mij te zuiveren van al het kwade, dat ik in den loop van den dag bedreven heb; gedurende mijnen slaap om elke verbeelding, elk ongeval van mij te verwijderen, dat mij zou kunneu schaden; hij mijn ontwaken om heilige gedachten in mijnen geest, heilige begeerten in mijn hart te storten; hij mijn opstaan om mij het offer in te fluisteren, dat ik van mij zelve moet brengen, om mij den dag heilig te doen aanvangen en doorbrengen.
Wees in mijn inwendig om al deszelfs bewegingen te regelen, in mijn uitwendig, opdat het stichtend zij. Geef mij in alles en overal uwe hulp om uwe deugden na te volgen, opdat in mij de Hemelsclie
81
Vader door U, o Heere Jezus, moge verheerlijkt worden. O Jezus, gij zpt mijne eenige hoop; Jezus, voor wien ik alles verlaten heb, kom in mij, blijf in mij, leef in mij !
AMEN.
A.. ID- Q.
25 Maart 1885.
INHOUD.
BIDDEN.........
Naïuuii van het gebed . . . .
Noodzakelijkheid van het gebed .
I. De noodzakelijkheid van het gebed is gegrond voor alle menschen in het algemeen en voor de christenen in het bijzonder op hunne hoedanigheid van schepsel.
II. De noodzakelijkheid van het gebed is gegrond voor alle menschen in het algemeen op de onmogelijkheid waarin zij verkeeren. 1° van aan den duivel te weerstaan; 2° van het minste goed te verrichten : 3° van in het goede te volharden tot het einde toe
Het voorschrift van het gebed.
83
Bladz.
Kracht en vermogen van het gebed 15 1. Het gebed is alvermogend,
omdat God getrouw is . . 16 11. Het gebed is alvermogend,
omdat God goed is . . . 16 III. Het gebed is alvermogend,
omdat God almachtig is . 17 Hoedanigheid van het gebed . . 21 I. Wij moeten met aandacht
bidden.......22
H. Wij moeten met ootmoedigheid bidden......25
III. Wij moeten met vertrouwen
bidden.......26
IV. Wij moeten bidden met vol
harding .......26
V. Wij moeten bidden in den
naam van Jesus-Christus . 28 Uitwerkselen van het gebed . . 30
I. Algemeene uitwerkselen . . 30
II. Bijzondere uitwerkselen van
het gebed......32
Bijzondere vormen van het gebed 38 I. De heilige Mis.....38
1!
84
Bladz.
II. De Kruisweg.....41
III. Het Rozenhoedje .... 43
IV. Het bezoek aan het heilik
o
Sacrament.......44
V. De gebeden tot den H. Joseph 50
VI. De heilige Communie. . . 51
A. De liefde der Religiense voor
de H. Communie..............................53
Het veelvuldig ontvangen der
H. Communie......................................61
a. Beweegreden tot bet dikwijls
ontvangen der H. Communie 61 i. Vereischten tot het dikwijls
ontvangen der H. Communie 65
B. Voor en na de H. Communie... 67
Het leven van gebed.....70
Alles door Jesus, alles met Jesus. 73 Gebed om het leven van vereeniging
met Jesus te vragen .... 78
• ■ -T\' ♦
-y a
\\ • =
—
\\-W^.
c. • T - ■*. ■-•
O . \\%rS
\\
\'x \'K1?\'
■
^V