-ocr page 1-

Vak 71

\' TTj\'ifcl

-

Ilumiles spiritu KH Z v^*quot; . salvubit. rJ - ^K*—

-J - ^K^.—

- Dc nederiircn van i\'eest k; _ . ■ ,

(y^

- komt Hij te hulp. p] quot; ^k— quot; Ps. XXXIII: IS. H |

-W - amp;«lt;-

■quot;.............r^i^\'Z

gt; ~ ü *

ö:

i ^

►H - ,;K\'_ tH ■

llcdcriglicid^r

^ H quot; oK*

-»g: -3: Ka

—gt;4! . -gt;*1 - ^

\':4\'-é

-gt;*s ■ H

y -4 , jj-K»—

MigK-

H : sx-

M quot; u^quot;quot; gt;■lt;: (j*lt;-y ■ g-K—

B - quot;•lt;--i I örlt;— H - ^lt;-

H *

hH:glt;-

z. H. Paus lEÓ Xlii,

met toestem mi Hg- yno Z. II. uit bi-t Itiliaansch

VKKTAAM) DOOR

1^5 r1 EES\' ,K. K. PKIESTEB,

^ .......;.....................................................

quot; ,:quot; . v...............................................üm;

1S3S- m:%*-

\'■ • i\' lt;• gt; \'

J;-

/ 1 i i 1 1 • 1 1 1 i 1 I 1 I I T 1 1 1 T t i ï I I ^

-ocr page 2-
-ocr page 3-

Pe ^Beoefening

DER

NEDERIGHEID.

-ocr page 4-

Maarsev, 10 Februari 1S8S.

J. G. H. C. ESSINK,

lihr. censor.

IMPRIMATUR


-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-

\'\' k

-ocr page 8-
-ocr page 9-

Disciti; a me quia mitissum ct bumilis corde.

Leert van mij, dat ik zachtmoedig en nederig van harte ben.

Math. XI : 29.

Humilibus dat gratiam.

Den nederigen geeft Hij Zijne genade.

1 Petrus V 5.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

Een Woord van den Vertaler.

^yVinderen, wieu het voorreclit- te beurt valt, liet goudeu bruiloftsfeest hunner ouders te vieren, stollen er prijs\'op een aandenken aan die heugelijke gebeurtenis te bewaren. Zouden wij dan niet gaarne een gedachtenis bezitten aan het gouden priesterfeest van onzen geestelijken Vader in J. Clir., den Vader aller geioo-vigeu, den roemrijk regeerenden Paus Leo XIII? Dit verlangen werd door eenige hooggeplaatste personen den jubileerenden Opperpriester kenbaar gemaakt en zij vroegen nederig dat het Z. H. raoeht behagen zijn Verhandeling over de Nederigheid algemeen verkrijgbaar te stellen, als een sahoon eu tevens geschikt aandenken voor allen; want, al werd hot door Z. H.

1

-ocr page 12-

2

uitsluitend voor zijne seminaristen te Perugia gesolireven, zij meenden, dat liet niet alleen voor geestelijken en kloosterlingen maar ook voor wereldlijke personen een schat van heilzame lessen bevat; immers, elke christen, van welken rang, stand of leeftijd ook, moet do Nederigheid bcoefetien.

Ka liet wilwillend toegestaan verzoek werd dit werkje niet alleen door geheel Italië verspreid, maar ook in vele Eurpeesche talen overgezet. Ik vroeg mij zeiven af: zon Nederland, dat den Paus zoo liefheeft en met zooveel heilige, hooggestemde geestdrift mede jubelt, verstoken blijven van dit sehoone aandenken, hetwelk de H. Vader in handen wenscht van al zijn geestelijke kinderen?

Ik waagde mijn zwakke krachten aan de Hol-landsehe vertaling, die ik mijn katholieken land-genooten aanbied als een kleine gedachtenis aan het blijde jubelfeest van onzen Heiligen Vader.

Moge de beoefening van hetgeen Z. H. de Paus in dit boekje leert, ons allen brengen tot de hooge glorie, bereid voor die waarlijk nederig zijn!

-ocr page 13-

3

Eon woord van dank bon ik verschuldigd aan den eerw. zeergel. lieer I)r. G. Buom alhier, door wiens welwillende tnssehenkomst ik het verlof voor de vertaling van Z. H hel) ontvangen.

Home , 31 Deo. 18S7.

A. F. KUIPERS, pr.

50™ gedenkdag van de H. Priesterwijdinf; van Z. H. Paus LEO XIII.

-ocr page 14-

JOACHIM KARDINAAL PECCI,

Bisschop van Perugia.

Aan zijne geliefde zonen, kweekelingen van het Seminarie.

olgeus hot algcmccne gevoelen der Heilige Vaders is de Nederigheid de grondslag der Christelijke volmaaktheid. „Zoo gij groot wilt worden, moet gij beginnen met klein en gering te worden,quot; zegt de H. Angustinns. „Gij wensclit hot gebouw der christelijke deugden hoog op te trokkeu, doch besef wel, dat hot cene verbazende hoogte moet bereiken, beijver n derhalve spoedig zeer diep de grondslagen op de Nederigheid te leggen; hij toeh, die een hoog gebouw wil doen verrijzen, graaft vóór

-ocr page 15-

9

alles gi\'oiidsliigcu, wier diepte iu verhouding staat tot deu omvang en de hoogte, die hij het wil geven.quot; (Serm. )C. de Ver. Dom.).

Dit werkje nu, dat AVij u, zeer geliefdon zonen, toewijden, leert u de Nederigheid in heocfemug brengen, d. w. z, leert u de grondslagen leggen der Christelijke Volmaaktheid, (ieeft dan toeh acht op het hooge belang, dat die deugd voor u heeft, wijl gij op bijzondere wijze gehouden zijt het gebod van J. C. op te volgen: Woest volmaakt, gelijk uw Hemelsche Vader volmaakt is. Daarom ziju Wij er ook zeker van, dat gij het geschenk, hetwelk Wij u geven, met vreugde zult ontvangen; immers, het is niet alleen eeu nieuw onderpand der liefde, die Wij u toedragen, maar daarenboven is het eeu allerkrachtigst middel om uwe ziel zalig te maken; en de arbeid aan het heil uwer ziel is wel de gewichtigste dien gij kunt ondernemen.

Een tweede reden die Ons bewoog dit werkje tot u te richten, is gelegen in het doel, dat gij u voor oogen stolt: de omhelzing van don priesterlijken staat. Dit doel is niet

-ocr page 16-

6

sloclits uwe eigen heiliging, maar bovendien de arbeid aan de zaligheid van anderen, de uitbreiding van het rijk van Jezus-Christus door die middelen, waarvan Hij Zeil\' in Zijn sterfelijk leven zieh heeft bediend; en de Nederigheid des harten is Zijn onderseheidend kenmerk geweest. .Met deze deugd toegerust zult gij in staat zijn deu hoogmoed der wereld te overwinnen en in aller hart de versterving en de Nederigheid dos kruisos te planten. En dewijl J. Clir. aan Zijne onderrichting de daad liet voorafgaan (wat Hij predikte eerst Zelf beoefende) moet gij ook hierin Zijn voorbeeld volgen, en als gij de heilige bediening zult aanvaarden, moet gij reeds gevormd zijn in het beoefenen der Nederigheid; dan zullen uit die inwendige en onuitputtelijke bron aller deugden woorden van versterking, bemoediging en opwekking voortvloeien, die de rechtvaardigen iu de heiligheid versterken, en de afgc-doolden van don weg der ondeugd en des verderfs zullen terugroepen naar do wegen der deugd en des heils.

Eij het lezen van dit werkje, dat Wij u

-ocr page 17-

7

toewijdeu, moot oen ieder uwer zieli voorstellen, alsof hij uitsluiteud voor zieh zeiveu vau oou geestelijken Meester de lessen ontvangt in de beoefening dor Nederigheid. Herinnert u altijd, geliefde Zonen, dat gij Ons nimmer grooter troost kunt scheuk en, dan wanneer Wij u nederig, zachtmoedig en gehoorzaam zien.

lu hot vertrouwen, dat Wij u immer zóó mogen zien, en in het levendig verlangen, dat gij ook werkelijk zóó zult zijn, schenken Wij u allen Onzen zegen in den Heer. Niet genoeg kunnen Wij u op nieuw aanbevolen, al uwen ijver aan te wenden om nauwkeurig te volbrengen, wat dit werkje u ter beoefening voorhoudt.

-ocr page 18-

De Beoefening der Nederigheid.

«et is con onbetwistbare waarheid, dat er voor do lioovaardigeu geen barmhartigheid zal zijn, dat voor hen de deuren vau liet Hemelrijk zullen gesloten blijven, dat de Heer ze alleen zal openen voor de waarlijk nederigen. Om hiervan overtuigd te worden is het voldoende de H. Sehrift te opeuen, die ons op onderscheidene plaatsen leert, dat God den hoovaar-digen wederstaat, dat Hij vernedert, die zich verheffen, dat men om Zijne glorie binnen te gaan, gelijk moet worden aan kleine kindereu; dal,, wie zulk ecne gelijkvormigheid niet bezit zal worden buitengesloten; in een woord, dat God Zijne genade slechts uitstort over die waarlijk nederig zijn.

-ocr page 19-

9

Derhalve zulluu wij ous uinimer genoeg kun-ueu overtuigen van liet grootc belang, dat elke Christen cn voornamelijk de aanstaande priester er bij heeft zich voortdurend in do Nederigheid te oefenen eu elke verwaandheid, ijdelheid en hoog gevoelen van zich zelveu uit den geest te verbannen. Om in ccne zoo heilige onderneming te slagen moet men geen inspanning of moeite te groot achten en daar men niets tot een goed einde kan brengen zonder Gods genade, moet mcu deze reeds aanstonds eu voortdurend afsmeeken.

In het H. Doopsel heeft ieder Christen de verplichting aangegaan om in de voetstappen van Jezus Christus te treden. Hij toch is liet goddelijk toonbeeld, naar hetwelk wij ons leven moeten inrichten. Onze Goddelijke Verlosser nu heeft dc Nederigheid in zulk een verheven graad bezeten, dat Hij dc smaad der wereld is geworden. En waarom? ten einde den hoogmoed omver te werpen cn do wond van ooze hoovaardij te genezen. Door Zijn voorbeeld heeft Hij ons den cenigen weg getoond, die ton Hemel geleidt. Deze is in den volstcn zin

-ocr page 20-

10

clcs woords de belangrijkste les des Verlossers: „Lcerl van mij, Discite a me.quot;

Wensclit gij alzuo, leerliug vau deu Gudde-lijkon Moester, in liet bezit te komen van dezen kostbaren parel, die bet zekerst onderpand der heiligheid en liet veiligst kenteeken voor de uitverkiezing is, ontvang dan met een leerzaam hart de raadgevingen, die ik n schenk en wil zo vooral getrouw in beoefening brengen.

I.

Open de oogen uwer ziel en overweeg, dat gij van u zeiven niet een enkel goed bezit, waaruit gij met grond kunt besluiten iets aan u zeiven te mogen toekennen. Van n zeiven hebt gij alleen de zonde, de zwakheid en de ellende, en wat uwe natuurlijke en bovennatuurlijke gaven betreft, gij hebt ze van (lod, het beginsel van uw bestaan, ontvangen ; alzoo komt aan Hem alleen de glorie er van toe.

H,

Doordring u daarom met een diep gevoelen uwer nietigheid; laat dit bestendig in uw hart

-ocr page 21-

11

tocueinon Icjl spijt cu tur bescliamiug vau clou hoogmoed, die in U heerschappij voert. Wees iuuig overtuigd, dat er in de wereld uiets ijdeler en holaehelijker is dan geacht tc willen worden om eenige gaven, die gij van de onverdiende vrijgevigheid des Scheppers ter leen hebt ontvangen; van daar zegt de Apostel: „\'/i00 ff ij ze hehl outmngen, wal beroemt gij u dan, alsof c/ij ze niel out vangen hadt.quot; Cl ad Cor. IV—7).

111.

Denk dikwerf aau uwe zwakheid, aan uwe verblinding, aan uwe geringheid, aan de verstoktheid iiws harten, aan uwe onstandvastigheid aan uwe zinnelijkheid, aan uwe ongevoeligheid, jegens God, aan uwe gehechtheid aan de schepselen, cu aan zoovele verkeerde neigingen, die uit uwe bedorven uatuur voortspruiten. Moge de overweging er van u een krachtige beweegreden zijn om voortdurend in uwe nietigheid weg tc zinken en immer in uwe eigen oogeu klein cn gering to ziju.

-ocr page 22-

12

IV.

Do lioriuucriug aan do zoudcu van uw vroeger leven blijvc immer in uwen geest geprent. Vóór alles moet gij u overtuigen, dat de zonde van hoogmoed oen afselmwelijk kwaad is, dat er, zoowel op do aarde als in do hol, geen andore mode kan vergeleken worden. Hoogmoed was do zoude, die de engelen in don hemel ontrouw deed worden en hen in den afgrond nederstortte; hoogmoed bedierf geheel het nien-sohelijk geslacht en bracht over de aarde de tallooze rampen, die, zoolang de wereld staat of, boter gezegd, in eeuwigheid, zullen voortduren. Voor het overige is een ziel, door de zoude besmeurd, slechts haat, verachting en bestrafflug waardig; oordeel derhalve of gij na zoovele zonden, waaraan gij schuldig zijt, nog eonige achting voor u zeiven kunt vorwachtou.

V.

Overweeg bovendien, dat er geen misdaad is, hoe groot cn verfoeielijk ook, waartoe uwe booze natuur niet is geneigd en waaraan gij u

-ocr page 23-

13

niot kunt schuldig maken; en zoo gij tot lieden er voor bewaard zijt gebleven, gij dit alleen dankt aan de barmhartigheid Gods en aan de hulp Zijner genade, volgons het woord van den H. Augustinus: „Geen zonde in de wereld is er door een mensch bedreven, die ook niet door een ander Icon gepleegd zijn, zoo de hand, die den mensch maalde, had ontbroken om hem staande te houden.quot; (Solil. C. 15).

Treur inwendig over zulk een beklagcns-waardigen toestand en maak het ernstige besluit u zolven onder de meest onwaardige zondaren te rekenen.

VI.

Denk ei dikwerf aan, dat gij vroeg of laat moet sterven en dat uw lichaam in hot graf tot ontbinding moet overgaan; laat do onomkoopbare rechterstoel van Jezus Christus, voor welken wij allen noodzakelijk moeten verschijnen, u altijd voor den geest staan. Overweeg de eeuwige pijnen dor hel voor do boosdoeners bereid en bijzonder voor de aanhangers en

-ocr page 24-

14

navolgers van Satan, namelijk, voor de lioog-inoedigen. Wijl cle sluier, die de goddelijke raadsbesluiten voor het sterfelijk oog verbergt, ondoordringbaar is, zoo moet gij ernstig bedenken, dat het n volstrekt onbekend is, of gij tot de uitverkorenen zult behopren of tot het getal der verworpelingen, die in het gezelschap der duivelen voor eenwig in die plaats van jammer gestort en gestraft zullen worden in liet vuur, door den adem der goddelijke wraak ontstoken.

VII.

Vlei u nooit, dat gij de Nederigheid zult verwerven zonder de bijzondere oefeningen, die er in nauw verband mede staan, zooals: oefeuingen van zachtmoedigheid, geduld, gehoorzaamheid, versterving, verzaking aan uwe eigen meeningen, berouw over uwe zonden en andere dengdsoefeningen, wijl gij door deze middelen alleen het rijk dor eigenliefde in u kunt verwoesten en dien ongelukkigen bodem zuiveren, waarin nl uwe oudeuarden ontkiemen.

-ocr page 25-

uw hoogmoed en laatdunkendheid wortel schieten en welig opgroeien.

VIII.

Houd u zooveel mogelijk in stilzwijgen en afzondering, zonder daardoor evenwel een ander last of ongelegenheid te veroorzaken; en wanneer gij genoodzaakt zijt te spreken, doe het immer met omzichtigheid, zedigheid en eenvoud. Luistert men wellicht niet naar u, heizij uit minachting of door een andere oorzaak, welke dan ook, toon u daarover niet gevoelig en verdraag het met onderwerping en gelatenheid.

IX.

Met allen ijver en oplettendheid zult gij er u voor wachten op hoogmoedigen toon te spreken of uitdrukkingen te hezigen, waardoor gij don schijn aanneemt u boven anderen te stellen; wacht u evenzeer voor elke gemaakte manier van spreken en vermijd vóór alles, wat naar

-ocr page 26-

If)

bouzelaclitige scherts zweemt;, verzwijg immer alles, waardoor men u voor geestig zou kunucn houden of waarom men n dc achting van anderen waardig zon keuren. Kortom, spreek zonder voldoende roden nimmer over u zclvon en zeg niets, wat tot strekking, heeft, u eer en lof to verschaffen.

X.

In den omgang moet gij u onthouden anderen te plagen en met bittere woorden en ongepaste scherts to grieven; vermijd bovendien alles, wat don geest der wereld verraadt. Over geestelijke onderwerpen zult gij nooit op hoogen of waarschuwenden toon spreken, indien ton minste uw ambt of de liefde soms niet het tegendeel vordert. Beijver u om over hetgeen gij niet verstaat op vragenden toon te spreken tot hem, dien gij weet, dat u geschikte onderrichtingen kan geven. Zonder noodzakelijkheid op hoogen, meesteraohtigen toon over geestelijke zaken willen spreken, staat gelijk met hout op oen brandend vuur te werpen d. w. z.

-ocr page 27-

onze ziel geheel in rook van hoogmoed te doen opgaan.

XI.

Onderdruk met alle kracht do ijdele en nuttelooze nieuwsgierigheid; wees daarom niet al te begeerig om iets te zien van hetgeen de wereldlingen schoon, zeldzaam on prachtig noemen; beijver ii daarentegen om te leeren kennen, wat uw plicht is en wat tot uwe volmaking en tot uwe zaligheid kan bijdragen.

XII.

Gij zult u immer zoo nauwgezet en nanw-lottead mogelijk vol eerbied en hoogaehting toonou jegens uwo overheden; uwe gelijken met achting en vriendelijkheid behandelen cn liefderijk zijn jegens uwe minderen; avccs overtuigd, dat een tegenovergesteld gedrag slechts oen uitvloeisel kan zijn van een geest door den hoogmoed geleid.

-ocr page 28-

18

XIII.

Volgens den grondregel van het H. Evangelie moet gij voor u zeiven altijd de laagste plaats kiezen, in de oprechte overtuiging, dat deze u ook werkelijk toekomt. Wil ook uwe wenschen en behoeften niet buitensporig uitbreiden eu al te hoog opvoeren, stel u daarentegen tevreden met eenvoudige en bescheiden zaken, als beter niet uw nooddruft overeenkomend.

XIV.

Indien de tijdelijke vertroostingen minder worden en God u de geestelijke zoetheid onttrekt, denk, dat gij ze tot heden overvloediger, dan gij verdiendet, hebt genoten cn stel u tevreden niet de wijze, waarop de Heer u behandelt.

XV.

Oefen u voortdurend iu de heilige gewoonte van u zelven te besehuldigen, te berispeu en te veroordeelen Wees een gestreng rechter over

-ocr page 29-

19

al uwe daden, die bijna altijd met ontelbare gebreken en onvolmaakthedcii vergezeld gaan en door de aanmatigingen der eigenliefde gestadig worden bezoedeld. Beschouw in al uwe daden uw gebrek aan voorziehtigheid, aan eenvoud en reiulieid des harten, en gij zult daardoor een rechtmatige minachting voor u zelven opvatten.

XV T.

Wil u voor het veroordeelen dor daden van anderen wachten als voor hot grootste kwaad; geef aan elk gezegde en aan elke daad eene welwillende uitlegging, terwijl gij met belange-looze liefde naar redenen zoekt ter versehooning en verdediging. Bijaldien de verdediging u onmogelijk is, omdat de bedreven fout al te duidelijk in het oog springt, tracht dan toch zooveel gij kunt de zwaarte er van te verminderen door haar aan onachtzaamheid of aan andere oorzaken overeenkomstig de omstandigheden toe te schrijven; houd er u overigens niet verder mede bezig, denk er niet meer

-ocr page 30-

20

aan, indien uw ambt niet vordert, dat gij liet geneesmiddel moet versehaffen.

XVII.

Wanneer in den omgang somtijds twijfel-achtige zaken worden besproken, die voor liet vuur en liet tegen evenveel grond scliijnon te hebben, zult gij nooit iemand tegenspreken. In twistgedingen moet gij n niet opwinden, maar als uwe meening wellielit valseh of minder goed wordt bevonden, trek u dan zedig terug-en houd u nederig stil. Gedraag u evenzoo als het zaken van weinig of geen aanbelang betreft, zelfs wanneer gij zeker zijt, dat hetgeen door een ander bevestigd wordt, volkomen onwaar is. In elke andere gelegenheid moet gij het u tot plicht stollen de waarheid te verdedigen en wel mot vrijmoedigheid, maar zonder tegen uwe tegenpartij te toornen, ol haar ie beleedigen; wees overtuigd, dat gij haar eerder met zachtheid zult overreden, dan met onstuimigheid en verontwaardiging.

-ocr page 31-

21

XVIII.

Neem u wol in aelit iemaud, die beneden u staat, door woorden of daden of door uwe wijze van doon ongenoegen te veroorzaken, tenzij uw plicht, de gehoorzaamheid of de liefde u daartoe noodzaken.

XIX.

Indien er in uwe omgeving iemand voortdurend op uit moeht zijn, u verdriet aan te doen eu er zich op toelegt u bij elke gelegenheid door bcleodigingen en onreehtmatige behandelingen tc vernederen, word dan niet boos, maar beschouw hem als een werktuig, waarvan Gods barmhartigheid zicii bedient tot uw geestelijk voordeel, om namelijk de verouderde wond van uwen hoogmoed te genezen.

XX.

De gramschap is zulk een hatelijke ondeugd, dat zij in niemand, maar het minst in geestelijke persoueu kau geduld worden, wijl bare

-ocr page 32-

22

onbesuisdlicid eigenlijk uit den hoogmoed voortkomt, daarin heeft zij haren wortel; gij moet u derhalve beijveren een grooten voorraad zaeht-inoedigheid te verkrijgen; wanneer dan een ander n heeft beleedigd eu u door zijne belee-diging inwendig heeft gekwetst, zult gij de kracht hebben u binnen de perken der bedaardheid en kalmte te houden. Tn dergelijke omstandigheden moet gij wel op uwe hoede zijn, om geen gevoelens van afkeer of wraak in uw hart te voeden en te behouden jegens uwe beleedigers, doch vergeef hun veeleer van ganseher harte in de overtuiging, dat dit do beste gesteltenis is om van God vergiffenis te verwerven voor de belecdigingen, die gij een ander mocht hebben aangedaan. Wees er zeker van, dat deze ootmoedige lijdzaamheid u groote verdiensten voor den Hemel zal opleveren.

XXI.

Wees altijd geduldig in het verdragen der belecdigingen eu zwakheden van anderen; heb altijd uw eigen ellende voor oogen, waardoor

-ocr page 33-

23

gij noodig liebt, door anderen verdragen en verontschuldigd te worden.

XXII.

Kortom, toon u in den omgang nederig en zachtmoedig jegens allen, maar bijzonder jegens hen, voor wie gij een zekeren tegenzin gevoelt of van wie gij eenigen afkeer hebt; zeg niet gelijk sommigen; „God beware mij tegen dezen persoon haat te koestoren, maar ik kan hom niet in mijne nabijheid zien; ook wil ik volstrekt niet met hom te doen bobben.quot; Deze afkoer, wees er zeker van, komt voort uit trotsehheid. Hij behoudt in u do overhand, omdat gij nwo hoogmoedige natuur en uwe eigeuliefdo niet met do wapenen dor genade hebt overwonnen. Bijaldien gij u waarlijk aan de ingevingen der genade hadt overgegeven, zondt gij spoedig al do mooielijkheden, door hoogmoed on eigenliefde opgeworpen, door eon ware ootmoedigheid overwonnen zieu. Ook die van aard ongemakkelijk en ruw zijn, zondt gij met geduld verdragen.

-ocr page 34-

XXIII.

Indien soms angst u komt kwellen, loof den Heer, dio het aldus tot uw welzijn heeft beschikt, donk, dat gij dit hebt verdiend en zelfs nog meer; dat gij elke vertroosting onwaardig zijt. Mol allen eenvoud kunt gij den. Heer vragen, dat Hij n van die kwelling bevrijde, indien het Hom behaagt; zoo niut, bid Hem, dat Hij u kraeht verleene om tot grootero verdiensten voor den Hemel de beproeving Ie verduren. Zoek niet voor uwe kruisen n twen-dige vertroostingen, inzonderheid, wanneer gij kunt onderkennen, dat God zo u overzendt om u te verootmoedigen, om uwen hoogmoed te breken en uwe vermetelheid te verminderen, dan vooral moet gij met den koninklijken profeet zeggen; Het was rjoetl voor mij. o Heer, dut gij mij vernederdet, opdat ik uwe fjerechtiffheid zou leercu. (I\'s. VIII—71).

XXIV.

Om dezelfde beweegredenen moet gij u bij uwe maaltijden niet aan ontevredenheid of weerzin

-ocr page 35-

25

overgeven, omdat u spijzen, weinig met n\\v smaak overeenkomende, worden voorgediend; doch alsdan zult gij handelen gelijk de armen van Jezns, die met graagte aten, wat hun werd voorgezet en de Voorzienigheid voor het ge-notene bedankten.

XXV.

Indien een ander ten onrechte u berispt of u een kwaad woord geeft, indien gij uw gedrag onverdiend hoort veroordeelen door iemand, die of beneden u staat, öf veeleer berisping verdient dan gij, moet gij hem aan zichzelven overlaten; ik zou niet willen, dat gij u daardoor tot toorn liet vervoeren, de raadgevingen, die ik n gaf, vergeten en weigeren zoudt, met kalmte en onder Gods verlichting uw gedrag te. onderzoeken; gij moet immers innig overtuigd zijn, dat gij bij elke schrede kunt struikelen, indien de genade des Heeren u ei- niet voor helmed t.

2

-ocr page 36-

26

XXVI.

Verlang nooit op bijzondere wijze bemind te worden. De liefde hangt af van den wil en daar de wil van natnre tot het goede geneigd is, volgt hieruit, dat bemind te worden en voor goed gehouden te worden, hetzelfde is; het verlangen nn om op bijzondere wijze en bij voorkeur geacht te worden kan niet samengaan met eene oprechte nederigheid- O, hoe groote vruchten kunt gij u hierdoor verwerven! Als uwe ziel niet meer haakt naar de liefde der scliepselen, zal zij zich verbergen in de heilige wonden des Verlossers; in liet aanbiddelijk Hart van haren Jezus zal zij onuitsprekelijke zoetheid smaken. Omdat zij uit liefde tot Hem grootmoedig aan de liefde der men-sehen heeft verzaakt, zal zij overvloedig den honing zijner vertroostingen proeven. Dit zou haar echter onthouden zijn, indien zij zich dooide aanlokkelijke, valsche zoetheden der aard-sche vertroostingen had laten vangen. Daarenboven zijn de goddelijke vertroostingen zoo zuiver en oprecht, dat zij niet vergeleken

-ocr page 37-

27

kuiinou worden met die van hier beneden; en naarmate wij van deze meer walging hebben, zullen wij met gene meer vervuld worden. Voorts zal uwe ziel vrij tot God kunnen opstijgen en door de gedachte aan Zijne tegenwoordigheid en oneindige volmaaktheid rust vinden in Hem te genieten. Ten laatste: Er is niets zoeter dan te beminnen en bemind te worden; indien gij u van dit genoegen uit liefde tot God berooft en God aldns geheel uw hart — niet verdeeld door een andere liefde tot het schepsel — bezit, zult gij een offer aanbieden, dat God hoogst welgevallig en voor n zeiven allerverdienstelijkst is. En vrees niet, dat daardoor de liefde tot den naaste verkoeld wordt; veeleer zult gij hem met een zuiverder eu volmaakter liefde beminnen, omdat gij hem niet uit eigenbelang, niet om daardoor uwe neiging te volgen, lief hebt, maar om aan God te behagen en te doen, wat gij weet dat Hem welgevallig is.

XX VIT.

Verricht al uwe handelingen, hoe gering ook

-ocr page 38-

28

met groote aandacht, met de uiterste nauwgezetheid en met veel ijver, want de lichtzinnigheid en overhaasting in onze verrichtingen komen voort uit laatdunkendheid; de waarlijk nederige staat altijd onder de oogen Gods en vreest dan ook in het geringste te kort te komen. Om dezelfde reden zult gij steeds de yeicone oefeningen van godsvrucht verrichten, en over het algemeen zult gij het buitengewone, waartoe gij u geneigd gevoelt, zorgvuldig vermijden, want daar de hoogmoedige altijd iets bijzonders wil doen, moet dc nederige in de gewone en niet in hot oogloopcnde oefeningen zijn geluk en genoegen vinden.

XXVIII.

Wees overtuigd, dat gij geen goede raadgever voor u zeiven zijt en daarom moet gij uwe meeuingen en oordeelvellingen wantrouwen, evenals alles wat uit een onreinen en bedorven bodem komt. Zijt gij hiervan overtuigd, gij zult immer bij een verlicht en rechtschapen man te rade gaan en veel liever door een deugd-

-ocr page 39-

29

zanier en wijzerou mau (dan gij zijl.) oudemcht worden, dan uw eigen opvattingen te volgen,

XXIX.

Ai liebt gij een lioogen graad vau deugd bereikt, al heeft God u de genade des gebeds verleend, zoo uitstekend als gij kunt verlangen, al hebt gij ontelbare jaren in onsehuid en innige godsvrucht doorgebraeht; toch moet gij in heilige vreeze wandelen en u zeiven mistrouwen, voornamelijk omtrent de deugd der zuiverheid. Herinner u, dat gij in uw binnenste een onuitbluschbaro vlam, een ondemp-bare bron van zonden draagt en bedenk wel, dat gij zwak, ongetrouw, onstandvastig zijt. Geef dus voortdurend acht op u zeiven, sluit de oogen om nimmer iets te aanschouwen, wat uwe ziel zou kunnen bezoedelen; vlucht steeds do gevaarlijke gelegenheden; geheel onnoodigc en nuttelooze gesprekken met het andere geslacht zult gij zorgvuldig vermijden, en zoo ze noodzakelijk zijn, zult gij eene angstvallige zedigheid iu acht nemen. Eindelijk

-ocr page 40-

30

daar gij zonder do (loddclijkc genade tot niets goeds in staat zijt, moet gij aanhoudend bidden ora barmhartigheid, dat gij geen enkel oogen-blik aan uwe eigen krachten wordet overgelaten.

XXX, \'

Hebt gij wellicht grootc talenten van God ontvangen ? Of zijt gij in dc wereld om iets groots tot stand te brengen? Dan vooral moet gij u beijveren u zeiven te loeren kennen, zooals gij in werkelijkheid zijt. Tracht door deugdelijke beproeving u te overtuigen van uwe zwakheid, uwe onbekwaamheid en geringheid; gij moot n kleiner maken dan een kloiu kind. üok moet gij geen genoegen vinden in do lofprijzingen der menschon, neem u in acht voor do zucht naar eerbewijzingon; veeleer moet gij beide beslist afwijzen.

XXXI.

Indien u oen groot onrecht is aangedaan of een grievend verdriet is berokkend, keer u

-ocr page 41-

31

dan niet tcgeu uwen beleediger, maar hef de oogen ten Hemel om den Heer te beschouwen, die in Zijne oneindige en beminnelijke Voorzienigheid het aldus heeft beschikt bf tot uitdelging uwer zonden bf ter onderdrukking van den geest van hoovaardij, en u langs dien weg tot geduld eu nederigheid wil brengen.

XXXII.

Wanneer u de gunstige gelegenheid wordt aangeboden om uwen naaste een geringen en eenigszins terugstootenden dienst te bewijzen, doe het met vreugde en in dien geest van ootmoedigheid, welken gij zoudt moeten bezitten, zoo gij de dienaar waart van allen. Uit deze oefening zult gij onmetelijke schatten van deugd en genade bekomen.

XXXIII.

Bekommer u volstrekt niet om datgene, wat geenszins aan uwe zorg is toevertrouwd en waarvan gij noch aan dc mensehen noch aan

-ocr page 42-

33

God i-okcnsclicip zult moetcu geven, want do bemoeizuclit komt uit gelieimc Irotschbeid voort en is een teeken, dat men veel op ziclizelven laat voorstaan, daarenboven voedt zij de ijdel-beid en brengt zeer veel krakeel, onrust en verwijdering voort. Daarentegen vindt bij, die alleen op ziobzclvcu en op zijne eigen pliebteu let, eene bron van rust en vrede, volgons de schoone uitspraak van bet boek der Navolging van Jesus Christus (3 i!. 25 H.) : Meug a niet in zaken die u niet zijn opgedragen, dan alleen zult gij weinig of zelden verontrust worden.

XXXIV.

Uooefent gij eonige buitengewone verstervingen, boed u dan tegen bet vergift der ijdele glorie, die dikwerf al de verdiensten van uw goed werk vernietigt; let er wel op, of gij alleen uit zuelit naar ijdelen roem ze beoefent; immers een zondaar, gelijk gij zijt, past liet niet, naar eigen lust en luim te leven, en gij hebt zooveel gebreken te verbeteren, zooveel scliulden te voldoen aau de

-ocr page 43-

33

goddelijke rechtvaardigheid. Overweeg, dat ter beteugeling uwer lievige hartstochten en om u binnen do perken uwer verplichtingen te houden, de werken van boetvaardigheid u even noodzakelijk zijn als de teugel en het gebit om een wild paard te bedwingen.

XXXV.

Mocht gij tot ongeduld geprikkeld en in uwe kwellingen door droefheid overvallen worden, wedorsta krachtig zulk eono bekoring, en herinner u uwe veelvuldige zouden, waardoor gij veel zwaardore kastijding hebt verdiend, dan gij nu lijdt. Aanbid Gods oneindige rechtvaardigheid eu ontvang met eerbied Zijue slagen, die Hij door u wil beschouwd zien als springbronnen van barmhartigheid en genade. O, indien gij kondet begrijpen, hoe heilzaam het voor u is in dit leven getroffen te worden door een Vaderhand, zoo zacht als die van üod, gij zoudt u voorzeker geheel aan Hem overgeven. Herhaal dikwerf het woord van den H. Augustinus: „Brand en kerf mij in dit

-ocr page 44-

34

leven, o IIeer, zooveel ff ij wilt, spaar mij hier niet, vermits (jij mij spaart en mij vergeeft in de eeiucigheidquot; I)c beproevingen weigeren is zich. verzetten tegen de zoo heilzame gereclitigheid van God, is dcu kelk afwijzen, dien Hij in Zijne barmhartigheid ons toereikt en dien Jesus Christus zelf, ofschoon onschuldig, het eerst heeft willen drinken.

XXXVI.

Mocht gij uene fout hebben bedreven, waaruit hij, die er getuige van was, aanleiding neemt om u tc minachten, verwek dan een levendig berouw, dat gij God belecdigd en een sleeht voorbeeld aan uw naaste hebt gegeven. Wat echter de verachting en oneer betreft, die gij door uwe fout hebt beloopen, neem ze als middel aan, door God uitgekozen tot booting uwer zonden, als hulpmiddel om u nederiger en deugdzamer te maken. Indien gij u echter toornig en verdrietig maakt, wijl gij u omeerd ziet, geloof mij, gij hebt nog den waren ootmoed niet, gij zijt nog door den hoogmoed

-ocr page 45-

vergiftigd. Smook alsdan den Hoer zoo spoedig mogelijk, dat Hij u geueze ctt redde, want, als God zich niet over n ontfermt, zult gij zeker in een anderen afgrond iiederstortcn.

XXXVII.

Zoo er onder uwe gezellen iemand mocht zijn, die in uw oog niet de minste aeliting verdient, zult gij als een wijs en voorzichtig man, iu plaats van zijne gebreken bekend te maken of te gispen, n beijveren de gelukkige gaveu der natuur en der genaden, waarmede Goct hem toerustte, en waardoor hij eerbied cn achting waardig blijkt, met aandacht beschouwen. En voor het minst zult gij toch altijd in hem een schepsel Gods zien, gevormd naar Zijn beeld, vrijgekocht door het kostbaar bloed van Jesus Christus; een Christen, geteekend met den glans van het goddelijk aangezicht, eene ziel, geschapen om Hem in eeuwigheid te aanschouwen en te bezitten, wellicht een uitverkorene in de geheime raadsbesluiten Zijner aanbiddelijke Voorzienigheid. Of kent gij de

-ocr page 46-

36

genaden, die de Hoer in ssiju hart heeft uitgestort, of nog zal uitstorten? Doch zonder u in al deze beschouwingen te verdiepen, zal het beter zijn, terstond die gedachten van minachting te verdrijven, als giftige inblazingen van den bokoorder.

xxx vin.

Hoort gij u prijzen, verheug u daarover niet, maar vrees veeleer, dat die lof de uii-sluitende belooning zij voor het weinige goeds, dat gij verricht hebt. Erken inwendig uwe ellende, waardoor gij de verachting van andoren hebt verdiend; zoek het gesprek af te leiden, niet om nog ineor lof in te oogsten, gelijk de liooginoedigon, die den sehijn aannemen nederig te zijn, maar mot heilige oprechtheid en ongekunsteldheid, zoodat men niet moer aan uwe daden denkt. Mocht u dit niet gelukkeu, rieht dan in hetzelfde oogonblik al de eer en glorie tot üod alleen, met het woord van -Baruch en Daniël op de lippen: „Am U, o Heer, zij de glorie van elke gerechtiyleid en

-ocr page 47-

37

voor ons de sclunvle en de hesclaming van ons aanschijn.quot; (Bar. I. 15).

XXXIX.

Zooveel verdriet het u moot doen, uwe daden te liooren prijzen, zooveel vreugde moet gij er in vinden aan anderen lof en eerbewijzen te zien brengen; zelfs moet gij van nwen kant, in zooverre oprechtheid en deugd het gedoogen er toe bijdragen om hen te doen eeren. De afgunstigen kunnen den lof en den roem van den naaste niet dulden, wijl zij daarin vermindering van hun eigen lof en roem zien. Daarom weten zij zeer behendig eenige losse uitdrukkingen en dubbelzinnige gezegden in de gesprekken te mengen, ten einde den lof, dien zij anderen liooren toebrengen .of te vermindoren bf verdacht te maken. Zoo moet gij niet doen, maar prijs uwen naaste en daardoor zult gij den Heer loven en Hem danken voor de gaven, die Hij aan hem heeft geschonken en voor de diensten, die Hij er uittrekt.

-ocr page 48-

38

XL.

Wanneer gij in den omgang den goeden naam uws naasten hoort benadeelen of belasteren, wees daar innig bedroefd over; tracht in u zeiven de zwakheid van den kwaadspreker of lasteraar to verontsehuldigen, maar daarenboven moet gij de oer van den verongelijkte verdedigen en wel met zooveel wijs beleid eu voorzichtigheid, dat uwe verdediging niet eene tweede beschuldiging nitlokke. Zoo kunt gij h. v. zijne aanbevelenswaardige hoedanigheden in herinnering bremgen, of wol de achting, die anderen hem toedragen en die gij zelf voor hem koestert, in helderder licht stellen, ook kunt gij aan het gesprek een andere wending geven, of op een andere wijze het ongenoegen, dat gij iu zulk een gesprek vindt, laten doorschemeren. Hierdoor zult gij aan u zei ven, den kwaadspreker of lasteraar, den aanwezigen en hem, over wien wordt gesproken, een groot voordeel verschaffen. Doch indien gij zonder den minsten tegenstand te bieden , er behagen in neemt, dat uw naaste wordt

-ocr page 49-

39

vernederd, indien gij misnoegen gevoelt, wanneer hij wordt geprezen en verheven, o, hoeveel moet gij dan nog doen om in het bezit te komen van den onvergelijkelijken schat dei-Nederigheid.

XLI.

Wijl voor den geestelijken voornitgang niets voordeeliger is dan opmerkzaam gemaakt te worden op eigen fouten, is het zeer passend, zelfs noodzakelijk hen, die ons dezen liefdedienst bewezen hebben, aan te moedigen om hiermede bij elke gelegenheid voort te gaan. Om hunne terechtwijzingen met blijdschap en met dankbaar gemoed te ontvangen, moet gij het u tot plicht maken ze stipt in acht te nemen, niet alleen om het voordeel, dat; de terechtwijzing met zich brengt, maar vooral om dien trouwen vrienden te toonen, dat hunne belangstelling voor u niet vcrgeefsch was, dat hunne welwillendheid u zeer aangenaam is. Nooit wil de trotsche, zelfs wanneer hij zieh betert, den schijn slechts aannemen,

-ocr page 50-

40

dat Irij heilzame raadgevingen opvolgt; gewoonlijk toont hij daarvoor slechts minachting. Maar do waarlijk nederige rekent het zich tot een eer, uit liefde tot God, aan allen onderworpen te zijn en hij beschouwt de wijze raadgevingen, die hij ontvangt, alsof ze van God zelven komen, zonder er op te letten van welk werktuig Hij zich heeft willen bedienen.

XLI1.

Geef n geheel \'aan God over om dc beschikkingen Zijner liefdevolle Voorzienigheid te volgen, gelijk oen goedgeaarde zoon zich in de armen zijns vaders werpt. Laat Hij alles met u doen, wat Hem behaagt, zonder dat gij u, door hetgeen u overkomt, laat ontstellen en in verwarring brengen. Ontvang met blijdschap , met vertrouwen en eerbied alles wat uit Zijne hand tot u komt. Zoo gij anders handelt, zijt gij ondankbaar jegens zijn liefdevol Hart en toont gij geen vertrouwen op Hem te bezitten. De ootmoedige buigt zich diep voor het oneindig Goddelijk Wezen en belijdt daardoor, dat

-ocr page 51-

41

al onze kracht, al onze vertroosting ïn God alleen is te vinden.

XLIII.

Daar liet duidelijk is, dat gij zonder God nooit iets goeds kunt verrieliten, dat- gij zonder zijne hulp bij elke schrede struikelt en do geringste bekoring u overwint, moot gij voortdurend erkennen hoe zwak en onmachtig gij zijt om het goede te doen. en gij zult u herinneren , dat voor elk uwer daden de goddelijke bijstand noodzakelijk is. Door deze gedachten zult gij u onafscheidbaar met Hem verceuigd houden, gelijk een kind, dat nog geen anderen veiligeu steun kennende, zich aan den schoot zijner moeder vastklampt. Herhaal met den koninklijken Profeet; „Ware de Heer mij niet ter hnlp gekomen, wellicht woonde ik reeds in hel yrafquot; (Psalm XCIII; 17). „Zie neer op mij en ontferm w mijner, want ik hen alleen en in verdrukkingquot; (Ps. XXIV: 1G). O God kom mij ter hulp. Heer, haast U mij te helpen (Ps. LXIX: 1). Eindelijk, houd niet op met al de krachten

-ocr page 52-

42

uwer ziel den Heer dank te brengen, inzon-derlieid voor de beseherming, waarmede Hij u voortdurend omgeeft, bid Hem onafgebroken, dat Hij n die bijzondere liulp verleene, welke gij noodig hebt en die Hij alleen n kan schenken.

XLTV.

Voornamelijk in uwe geboden racet gij groote besebaming over u zeiven gevoelen, n diep vernederen, een heiJig ontzag tooueu voor de tegenwoordigheid der Opperste Majesteit, tot welke gij durft naderen: „Zal ik spreken tot mijn Heer; ik die slechts stof en asch hen?quot; (Gen. XVIII ; 27). Zoo gij een buitengewone gunst mocht ontvangen, zult gij aanstonds u deze onwaardig rekenen; erken, dat God, zonder eenige verdienste van uwen kant, uit loutere barmhartigheid, n die gunst heeft geschonken. quot;Wacht u wel te deuken, dat het uw eigendom is en wil er geen ijdel behagen in scheppen. Doch zoo gij geen enkele onderscheidende gunst ontvangt, wees daarover uiet ontevreden, maar denk, dat gij nog veel

-ocr page 53-

43

moet doen om haar te verdienen, dat God al zeer goed en barmhartig is met n aan Zijne voeten te dulden gelijk een arme, die geheele uren aan de deur van den rijke blijft staan om eene geringe aalmoes en verlichting in zijne ellende te verwerven.

XLV.

Geef met alle bereidvaardigheid aan God de glorie, wanneer uwe ondernemingen met een goeden uitslag worden bekroond en schrijf u zeiven niets toe dan de onvolmaaktheden en gebreken, die er in worden gevonden; want deze laatste zijn uitsluitend uw eigendom; alle goed is van God en aan Hem alleen komt de glorie en de dank toe. Prent deze waarheid zoo die]) in uwen geest, dat gij haar nooit vergeet, en houd u overtuigd, dat elk ander, die evenals gij door de goddelijke genade ware geholpen geworden, nog beter zou geslaagd zijn dan gij en niet zoovele onvolmaaktheden zou hebben bedreven. Betreur het, als men u wegens den gelukkigen uitslag wil prijzen, wijl

-ocr page 54-

44

dit aan een gering werktuig gelijk gij zijt volstrekt niet toekomt, maar uitsluitend aan den groeten, verheven en eeuwigen kunstenaar, die, als het Hem behaagt, zich vaneen roede bedient om het water uit eene rots te doen ontspringen of van een weinig aarde om aan blinden het gezicht terug te geven en eene menigte wonderen te wrochten.

XL VI.

Indien daarentegen de zaken aan uwe zorg toevertrouwd ccn slechten afloop hebben, is het zeer te vrcezen, dat de ongelukkige uitslag aan uwe ongeschiktheid of nalatigheid moet worden toegeschreven. Uwe eigenliefde en uwe trotschheid, die elke vernedering schuwen, zouden wel de schuld op anderen willen werpen, zelfs al kon een ander niets worden verweten. Doch gij moet dezen verkeerden neigingen geen voedsel geven; onderzoek nauwgezet uw gedrag en hebt gij grond om te vreezen, dat gij gefaald hebt, erken u voor God schuldig en aanvaard de vernedering als

-ocr page 55-

45

een welverdiende straf. Moeht echter uw geweten u niet de minste selm]d verwijten, aanbid ook dan nog Gods besoliikkingen en bedenk, dat wellielit uwe vroegere zonden en uw al te groot vertrouwen op u zeiven de zegeningen des Hemels van uwen arbeid hebben verwijderd.

XL VII.

Al nadert gij met eeu hart geheel vlammend van Goddelijke liefde tot de H. Communie, gij moet toeh uwe ziel met gevoelens van ware ootmoedigheid doordringen. En inderdaad, staat gij niet verbaasd bij de overweging, dat een oneindig reine, een oneindig heilige God zulk een groot bewijs Zijner liefde aan een schepsel als gij zijt wil schenken, door zichzelven als spijs aan u te geven? Zink dan zooveel mogelijk in de diepte uwer onwaardigheid terug; nader slechts met den grootsten eerbied tot dezen aanbiddelijken en heiligen disch. Eu wanneer het dien beminnelijken Zaligmaker, die in dit Sacrament geheel liefde is, zal behagen u de volheid\'Zijner onuitsprekelijke

-ocr page 56-

40

zoetheid mede te deelen, wacht u dan wel den eerbied voor Zijne Oneindige Majesteit te verminderen, houd n altijd op uwe plaats d. w. z. blijf in diepe onderwerping en heilige vreeze om in het besef uwer nietigheid te volharden. Evenwel moet dit gevoel uwer armoede en ellende uw hart niet sluiten en de vertrouwelijkheid wegnemen, die gij bij dezen hemelschen maaltijd moet bezitten, veeleer moet uwe liefde jegens uw Goddelijken Gastheer toenemen, die zich zoo vernedert, dat Hij zelfs de spijs uwer ziel wordt.

XTiVTlT.

Jegens uwen naaste moet gij eene hartelijke liefde koesteren en deze voortdurend toonen door uwe spraakzaamheid en vriendelijke voorkomendheid. Zoek met oprecht verlangen hem bij elke gelegenheid iu alles behulpzaam te zijn. Doe dit echter altijd om den Heer te behagen. Stel daarom een deugdelijk onderzoek in naar de beweegredenen, die u aansporen aldus te handelen, zoo zult gij alle hinderlagen

-ocr page 57-

47

der ijdelhcid en eigenliefde ontdekken en aan God alleen het goede door u verricht toeschrijven. Weet wel, dat indien een goed werk zoo verborgen eu geheim gehouden wordt, dat God alleen het weet, gij er een onschatbaar voordeel uit zult trekken. quot;Doch indien het door uwe onachtzaamheid aan de inensehen bekend wordt, verliest het\'veel van zijne waarde, evenals eene schoone vrucht, waarin de vogels begonnen zijn te pikken.

XLIX.

Wijl gij steeds met het gevaar bedreigd wordt van in zonden te vallen, moet gij in u voortdurend de vrees levendig honden om den Heer te mishagen. Laat deze heilzame vrees immer met inwendige verzuchtingen gepaard gaan, dat Hij in Zijne oneindige barmhartigheid zoo groot een ongeluk van u afweude. Deze ontboezemingen des_harten door de Heiligen bijzonder aanbevolen, maken ons op ons zelveu en op onze handelingen opmerkzaam, leeren ons de eeuwige waarheden overwegen,

-ocr page 58-

48

I

do tijdelijke zaken verachten, het inwendige gebed beoefenen en houden ons verre van alles wat niet van God is, kortom, zij zijn de bron der ware Nederigheid en der armoede des geestes. Maak er een voortdurend gebruik van en mogen zij zooveel mogelijk uw aanhoudend gebed zijn.

L.

Een zieke, die vurig naar zijne genezing verlangt, gevoelt den sterksten aandrang om alles van zieh te verwijderen, wat zijn herstel kan vertragen; matig gebruikt hij zelfs de gezondste spijzen en bij elke bete geeft hij acht of daarin iets schadelijks voor hem kan zijn. Zoo moet ook gij, wanneer gij oprecht verlangt van nw zielekrankheid — den hoogmoed — te worden genezen, indien gij waarlijk verzucht naar het kostbaar bezit der Nederigheid, voort- , durend acht geven om niets te zeggen of te doen wat haar in den weg staat. Hst zal u nuttig zijn immer toe te zien, of hetgeen gij gaat verrichten, u nederiger zal maken of niet.

-ocr page 59-

49

LI.

Een andere krachtige beweegreden om u tot, de beoefening der sehoone deugd van Nederigheid aan te sporen, is het voorbeeld van onzen Goddelijken Verlosser, Hij heeft ons in het Evangelie gezegd; Leeri van mij, dat ik zachtmoedig en ooimoedig van harte hen (Math. XI; 29). En inderdaad, „tcelken hoogmoed kan, naar het woord van den II. Bernardus, niet door de nederigheid van den Goddelijlccn Meester worden uitgedoofd?\'quot; In volle waarheid kan men zeggen, dat Hij alleen werkelijk zich vernederd, zich vernietigd heeft, terwijl wij, al schijnen we ons te vernederen, ons volstrekt niet verootmoedigen, maar dan juist de plaats innemen, L die ons toekomt. Immers wij zijn geringe schepselen, wellicht schuldig aan. ontelbare misdaden; kunnen wij op andere rechten aan-spraak maken dan op straffen en vernederin-\' gen? Doch Jesus Christus heeft zich oneindig dieper vernederd; Hij de Almachtige God, het i oneindig, onsterfelijk Wezen, de Opperste Rechter over allen, heeft de menschelijke

3

-ocr page 60-

50

natuuv aangenomen en is gehoorzaam geworden tot den dood. Hij, die in den Hemel de vreugde en zaligheid is dor engelen en heiligen, heeft niet alleen arm willen zijn aan de goederen der wereld, maar ook d-e man van smarten door alle denkbare ellende der mensehheid op zich te nemen. De Ongeschapen Wijsheid heeft al den smaad, alle onteeringen verduurd van een dwais, van een zinnelooze. De Heilige der Heiligen duldt, dat Hij voor een misdadiger wordt gehonden. Die in den Hemel door ontelbare scharen van gelukzaligen en heiligen wordt aangebeden, heeft den smaadvollen dood dos kruises willen sterven. Hij, van nature het Hoogste Goed, hoeft allo menschelijke ellende geleden. Wat nu zullen wij, die stof en asch zijn, na znlk een voorbeeld van ootmoed moeten doen? En welke vernedering zal ons ooit hard mogen voorkomen, ons, die niet slechts verachtelijke aardwormen zijn, maar wat veel erger is, allerellendigste zondaren?

LH.

(Verweeg vervolgens de voorbeelden door de

-ocr page 61-

51

heiligen vau het Oude en Nieuwe verbond nagelaten. De deugdzame en ijverige Profeet Isaias achtte zich onrein voor God en bekende, dat al zijne gerechtigheid, zoowel als zijne goede werken, gelijk waren aan een laken vol onreinheid (Is. LXIV: 6) Daniël, door God zeiven een heilig man genoemd, op wiens boden de goddelijke toorn bedaarde, sprak tot God met de gevoelens van een zondaar, volkomen gelijk aan iemand die met schaamte moet overdekt zijn. De H. Dominicus, een wonder van onschuld en heiligheid, was zoodanig met verachting voor zichzelven vervuld, dat liij vreesde den vloek des hemels te doen nederdalen over die steden, welke hij moest doortrekken. Alvorens daar binnen te gaan, viel bij met het aangezicht ter aarde en riep schreiend uit; „Om moe allerheminnelijkste barmhartigheid, bezweer ik U, o Heer, geen acht te geven op mijne zonden, teil deze stad, omdat zij mij binnen hare muren zal opnemen, toch niet de uitwerking meer gerechte wraak doen ondervinden\'\'\' De H. Pran-eiscus verdiende om de reinheid zijns levens het wederbeeld te worden van den gekmisten .Tesns

-ocr page 62-

52

en toch was hij vast overtuigd de grootste zondaar op aarde te zijn; deze gedaehte was zoo diep in zijne ziel gedrongen, dat niemand in staat was hem er van te bevrijden. En welke reden voerde hij hiervoor aan? „Indien God, zoo sprak hij, al die overvloedige genaden niet aan mij maar aan den geringste der mensehen had geschonken, zon deze er een veel beter gebruik van gemaakt hebben en zeker den goeden God niet met zooveel ondank hebben terugbetaald.quot; Andere heiligen achtten zich de spijs onwaardig, die zij namen, de lucht, die zij inademden, de klcederen, waarmede zij zich dokten. Sommigen beschouwden het als een groot wonder der Goddelijke barmhartigheid, dat zij op aarde mochten lijden, als zij maar niet in de hel werden gestort. Anderen wederom verwonderden er zich over, dat de mensehen hen konden verdragen en dat allo schepselen zich niet vereenigden om hen uit te roeien en te vernietigen. In een woord, al de heiligen hebben de waardigheden, lofprijzingen er. vereering geschuwd en daardoor weten wij dat zij niets anders dan verachting en vernedering

-ocr page 63-

53

vci\'laugdcu. Zijt gij wcllicht heiliger ou meer verliclit dau zij? Waarom wordt gij dau uiet, overeenkomstig hun voorbeeld, verachtelijk in uw eigen oogen? Waarom stelt ook gij, even als de heiligen, al uw geluk en vreugde niet in do heilige Nederigheid?

LUI.

Door ons dikwerf de beleedigingen voor den geest te stollen, die ous kunnen worden aangedaan, zulleu wij in de deugd van Nederigheid zulk oen voortgang maken, dat de vernederingen ons aangenaam worden. Beijver u alzoo tot beschaming uwer weerspannige natuur ze inwendig te aanvaarden als zekere onderpanden der liefde, die God jegens u koestert en als krachtige middelen ter uwer heiliging, üm hiertoe te geraken, zult gij zeer veel strijd te voeren hebben, doeli houd moed, wees onverschrokken, totdat gij het vaste besluit hebt gemaakt 0111 alles met vreugde te lijden uit liefde tot Jesus Christus.

-ocr page 64-

54

LIV.

Geen dag ga er voorbij, waarop gij u zelvcn uiot die vernederingen laat ondergaan, welks uwe vijanden u zouden kunnen aandoen, niet zoozeer om ze bij voorbaat minder bitter voor u te maken, dan wel om in u de Nederigheid en. veraeliting voor u zeiven levendig te houden. Indien gij soms gedurende een hevige bekoring een opwelling tot ongeduld gevoelt of wel een klaeht zoudt willen uiten over de wijze, waarop God u behandelt, moet gij deze beweging terstond onderdrukken en tot u zeiven zeggen; „zal dan oen nietig en ellendig zondaar, gelijk ik ben, zich over deze kwelling durven beklagen? Heb ik niet oen oneindig veel zwaardere kastijding verdiend? Weet gij dan niet, mijna ziel, dat de vernedering en het lijden eigenlijk uwe spijs is, door den Heer u ala aalmoes toegereikt, omdat Hij u ten eenenmale uit de ellende en de behoefte wil opheffen? o, indien gij deze afwijst, zijt gij Zijner niet waardig en gij zult een rijken schat te betreuren hebben, die u wellicht is ontnomen om te worden

-ocr page 65-

55

gegeven aan oen ander, die er beter gebruik van zal maken dan gij. De Heer wil u onder liet getal zijner vrienden, zijner ware leerlingen opnemen, en gij znlt uit lafheid weigeren den strijd te aanvaarden? Maar wilt gij dan gekroond worden zonder te hebben gestreden? Hoe kunt gij hot loon ontvangen, als gij niet eerst den last van den dag en de hitte hebt gedragen?quot; Deze en dergelijke beschouwingen zullen uwen ijver op nieuw ontsteken en tevens in u het verlangen opwekken oin het leven in lijden en vernedering door te brengen ter navol-giag van onzen Verlosser Jesus Christus.

LY.

Al moogt gij u te midden van verachting cn tegenspraak over eene grootc kalmte eu vreugde verheugen, waan u daarom niet in het zeker en veilig bezit van eene over alles zegevierende Nederigheid. Meermalen toch is de hoogmoed slechts schijnbaar tot rust gekomen en begint op nieuw zijne verwoestingen en rooftochten in de ziel. De beoefening der

-ocr page 66-

zelt\'kcuuis, hol vluclitcii der eerbewijzen en de liefde tot dc vernedering moeten de wapenen zijn, waarvan ge u geen oogenblik moogt ontdoen. Eu zoo zult ge niet behoeven te vree-zeu, dat gij dc eenmaal verworven rijke erfenis ooit zult verliezen, want om de kostbare gave van deu ootmoed te bewaren, moet men zich voortdurend iu de vernedering oefenen,

LVI.

Opdat God des te eerder zieli gewaardige u eene zoo groote gunst te schenken, zult gij dc Allerheiligste Maagd tot uwe voorspreekster en beschermster kiezen. De H. üernardus zegt, „dat Maria meer dan cenig ander schepsel zich heeft vernederd cn dat zij, hoewel dc verhe-vcuste aller schepselen, zich tot de geringste heeft gemaakt door haren onbegrijpelijk diepen ootmoed.quot; Üoor deze deugd vooral heeft Maria de volheid der genade ontvangen eu is zij waardig bevonden Moeder Gods te worden. Te gelijker tijd is Maria eene Moeder van barmhartigheid en teedere liefde, tot wie men

-ocr page 67-

nimmer lc vergeefs zijn toevlucht neemt. Werp u dan vol betrouwen in haren moederlijken schoot, smeek haar, dut zij u die deugd ver-werve, welke haar zoo dierbaar was. Vrees niet, dat zij niet alle zorg voor u op zich zal willen nemen, immers Maria zal die deugd voor u vragen aan God, die de nedcrigen verheft en de trotsclien vernietigt. En dewijl Maria bij haren Zoou alvermogend is, zal zij zeker door Hem verhoord worden. Bij al uwe kruisen, voor al uwe behoeften, in al uwe bekoringen zult gij tot haar snellen: Maria zij uw steun, Maria zij uw troost; maar de voornaamste genade, die gij haar moot vragen is de Nederigheid. Gij moet niet ophouden met smeeken, voor dat gij die deugd hebt verworven. \'Vrees niet, dat gij haar te lastig zult vallen; o, hoe aangenaam is aan Maria die overlast voor liet heil uwer ziel! Hoeveel behagen schept zij er in, u aangenamer cn welgc-valliger te maken aan haren Goddelijkcn Zoon! ïcr wille harer Nederigheid, de bron harer verheffing tot do waardigheid van Moeder Gods, cu om haar goddelijk Moederschap, de vrucht

-ocr page 68-

58

liarer Kedcriglieid, zult gij haar vragen, dat zij u immer meer genadig gelieve te zijn.

LVII.

Voor hetzelfde doel zult gij u tot die heiligen wenden, in wie deze uitstekende deugd het meest hoeft geschitterd. Zoo b. v. tot den H. Michael, Aartsengel, die de eerste nederige is gewpest, gelijk Lucifer de eerste hoogmoedige was; tot den H. Joannes den Dooper, die, hoewel hij een zoo hoogen graad van lieilighcid had bereikt, dat men hem voor den Messias hield, toch zulk ecu gering gevoelen van zich zei ven had, dat hij zich onwaardig achtte de schocurieraen van den Messias te ontbinden; tot den H. Paulus, den bevoorrechten Apostel, die tot in den derden hemel werd opgenomen, naar de geheimen der Godheid moeht luisteren en toch zich den minsten der Apostelen noemde, zich zelfs onwaardig verklaarde Apostel te worden genoemd (11 Cor. XII: 11); tot den H. Paus Gregorins, die meer moeite aanwendde om van het Opperherderschap der

-ocr page 69-

59

Kerk bevrijd te blijven, dau de ijverzuchtigen om de hoogste ambten te verkrijgen; tot den H. Augustinus, die bij de hoogste glorie, welke hem als heiligen bisschop en seherp-zinnigen leeraar der Kerk van zijne tijdgenooten ten deel viel, door zijn merkwaardig boek der I Belijdenissen en dat der Herroepingen aan de geheele wereld een onsterfelijk gedenkteeken zijner Nederigheid achterliet; tot den H. Alexis, die binnen de muren van het ouderlijk huis aan de verachting en de belecdigingcn zijner eigen dienaren de voorkeur gaf boven al de eerbewijzingen en waardigheden, die hij zich zoo gemakkelijk had kunnen verschaffen; tot den H. Aloysius van Gonzaga, die, ofschoon bezitter van een rijk Markiezaat, dit met blijdschap afstond en een nederig en verstorven leven verkoos boven de grootheid der wereld. In een woord, gij zult tot zoovele andere heiligen, die in de jaarboeken der Kerk door hunne Nederigheid als sterren schitteren, uwe toevlucht nemen. Zijt overtuigd dat deze nederige dienaren Gods in den Hemel voor \'sHeeren troon voor U bidden, opdat gij tot het getal

-

-ocr page 70-

GO

viiu de ware navolgers huimcr deugdcu moogt beliooreu.

LV11I.

Het, veelvuldig naderen lot de lieilige Saera-menteu der Biecht eu Communie zal u de overvloodigste hulp geven om u te steunen in de beoefening der Nederigheid. De Biecht, waarin wij aan een onzer gelijken, de verbor-genste en meest beschamende ellende onzer ziel gaan ontsluieren, is het beste middel ter verootmoediging, dat J. Chr. Zijnen leerlingen heeft aanbovoleu. Do H. Communie, waardoor wij den Zoon Gods menseh geworden en als vernietigd uit liefde tot ons in ons hart ontvangen, is een wonderbare school van nederigheid en een krachtig middel om die deugd te verkrijgen. En hoe zoudt gij er aan kunnen twijfelen, dat de liefdevolle Jesus haar aan u wil mededeelen, als Zijn heilig Hart, dat zachtmoedige cn nederige Hart, bron van alle liefde en medelijden, komt rusten in uw hart, twelk Hij met al het vuur Zijner genegenheid van u

-ocr page 71-

r.i

vraagt? Nador zoo dikwerf gij kunt tot dit aanbiddelijk Sacrament en zoo gij liet in de vereischte gesteltenis ontvangt, zult gij immer dit verborgen Manna smaken, eene gunst slechts voorbehouden aan hen, die het met graagte on grooten ijver zoeken.

LIX.

Beziel u altijd met moed tegen de moeielijk-heden, die gij in de beoefening dezer onderrichtingen zult oudervinden. Wacht u wel te zeggen, gelijk de vreesachtige en flauwhartige leerlingen; „Deze leer is hard, wie lean daarnaar luisteren, wie haar in heoefening brengen?\'\' (Joan. YI: 61). Want waarlijk, ik verzeker het u, al de bitterheden, die gij in den beginne proeft, zullen spoedig in onuitsprekelijke zoetheden veranderd -worden. Een heilig volharden in deze oefeningen zal u van ontelbare geesteskwellingen bevrijden, en zoo grooten vrede, zooveel kalmte in uwe ziel verspreiden, dat gij een voorsmaak zult genieten van de eeuwige vreugde, die God voor Zijne getrouwe dienaren

-ocr page 72-

02

in don hemel liceft bereid. Indien gij uit traagheid of lafheid de noodzakelijke middelen om waarlijk nederig te worden, zondt verwaar-loozen, zult gij u immer bezwaard, ongerust, ontevreden gevoelen; voor u zeiven en wellieht ook voor anderen zult gij ondragelijk zijn, en wat hot ergste is, gij loopt groot gevaar u voor eeuwig in het verderf te storten; het is althans zeker, dat de deur tot do volmaaktheid voor u zal worden gesloten, wijl er buiten de Nederigheid geen andere deur is, docr welke men er kan binnengaan. Wapen u dus met een heilig verlangen, en wol zoo kraohtig, dat niets in staat is u ter neder te slaan; hef de oogen omhoog en zie daarboven Jesus Christus, die mot Ziju kruis beladen u don weg van nederigheid en geduld aanwijst, den weg reeds afgelegd door zoovele heiligen, die thans mot Hem in den hemel heersohen. Hoor, hoe Hij u uitnoodigt om Zijnen weg en dien van de ware navolgers Zijnor deugden op te gaan, zie, hoe de heilige engelen eenparig uwe zaligheid wensehen, hoe zij n als het ware s.meeken, toch deu engen weg te betreden, dio alleen

-ocr page 73-

63

veilig is en uitsluitend ten hemel geleidt, die naar de zetels der eeuwige glorie voert dooiden hoogmoed der engelen ledig geworden. En lioort gij uiet, hoe de zaligen door geheel het hemelseh Paradijs luide verkondigen, dat zij langs den weg dor vernedering en des lijdens tot deze onhesehrijfelijke glorie zijn gekomen? Hoor, hoe zij juichen en zich met u verheugen over do eerste verlangens, die gij koestert om hen na to volgen! hoor, hoe zij u aansporen toeh den moed niet te verliezen! Herinner u de heilige eeden in het H. Doopsel afgelegd en sidder bij de gedaehte alleen aan de sehending dier heilige geloften. Bedenk daarenboven, dat op elk heilig werk de uitspraak van Jesus Christus toepasselijk is: het rijk der hemelen lijdt geweld (Math. XI; 12). O, duizendwerf gelukkig zijt gij, indien gij u van deze waarheid zoo hebt overtuigd, dat uw eerste gedaehte is: ik zal de Nederigheid beoefenen om do eeuwige verheffing van liet Paradijs te winnen.

LX.

Vestig ten slotte uwe aandacht op de aanbe-

-ocr page 74-

fié

veling van ouzeu Goddolijken Meester tot Zijiio leerlingen, dat zij zich voor onnutte knec-liteu moeten erkennen, ook na aan elk gebod te hebben voldaan (Lnc. XVII: 10). Zoo ook zult gij u, na deze raadgevingen met de grootste nauwgezetheid te hebben beoefend, voor een onnutten knecht verklaren. Wees innig overtuigd, dat gij dit alles verschuldigd zijt, niet aan uwe eigen krachten en verdiensten, maar alleen aan Gods onverdiende goedheid en oneindige barmhartigheid. Met alle vurigheid des harten moet gij Hem voor zulk eene groote weldaad danken. Bid Hem iederen dag, dat Hij u dezen kostbaren schat wil laten bewaren tot uw laatste oogenblik, wanneer uw ziel, ontdaan van eiken band, die haar aan het schepsel gebonden hield, vrij zal kunnen opvliegen tot haren Schepper om voor eeuwig de glorie te genieten, voor do nederigen bereid.

-ocr page 75-

J^EERREDE

VAN DES

n. ^vxjGXJSTinsrxjs

over de Vreeze Gods en de ware Nederigheid.

(De tempore Sermo CCXIII).

e profeet eu psalmist David, die, naar de 11. Schrift ons verzekert, gekozen volgens Gods hart, immer Zijn heiligen wil volbraeht, heeft zelf, geliefde zonen, ons in een zijner psalmen aangetoond, hoezeer hij naar God haakte en God beminde, met deze woorden: „ IFie is gelijk den Heer onzen Ood, die zetelt in den hooge en neerziet op het geringe in den hemel en op aarde?quot; (Ps. CXI1 : 5). Indien dus de Allerhoogste, de Heer van oneindige grootheid, in al Zijne schepselen — zoowel in die van hoogero als lagere orde, d. w. z. in de engelen

-ocr page 76-

CO

en iu de meusclieii — do Nederigheid aanschouwt en haar verheft, hoezeer moeten wij dan niet voortdurend op de\'Nederigheid acht geven en haar in alles bewaren om zóó aan onzen Schepper te behagen? Hoe verheven die deugd is, wordt ons vervolgens geleerd uit. het woord des Hecren, waarmede Hij den hoogmoed der Fariseeën veroordeelde; „Al wie zich verhejl, zal vernederd at wie zich vernedert zal verheven wordenquot; (Luc. XIV; 11). Door de Nederigheid stijgt men op tot de hoogte der hemelen; want met den Allerhoogste wordt men niet vereenigd door den hoogmoed, maar alleen door de Nederigheid; van Hem toch staat geschreven : „ God wederstaat den hoog moedigen , aan de nederiyen geeft Hij Zijne genadequot; (Jacobus IV : 0) en in het boek der Psalmen wordt gezegd; „De Heer is hoog verheven. Hij ziet op hetgeen gering is en wat hoog is., kent Hij van verrequot; Door het „huogequot; doelt de psalmist op de trotschen; Hij ziet op de nede-rigen om ze Ie verheffen, en Hij keut van verre, wat „hoogquot; is, d. w. z. de trotsehaards om ze te vernederen. Beoefenen wij de Nede-

-ocr page 77-

07

righeid om tot God te kuuneu naderen gelijk Hij Zelf in het Evangelie zegt; „Leert van mij dat ik zachtmoedig en nederig van harte hen en gij zult rust vinden voor uwe delen.quot; (Math. XI: 29). Door den hoogmoed is het wondersohoonc schepsel uit den hemel gestort en door de Nederigheid Gods de brooze mensehelijke natuur daarin opgeklommen. — Zelfs onder de men-sehen is do beoefening der Nederigheid sehoon, gelijk Salomon zegt; „ Waar de hoogmoed heerscht, daar zal verachting, waar de Nederigheid wordt gevonden, daar zal de wijsheid zijn (Prov. XI; 2); bovendien zegt een andere Wijze; „Hoe grooter en verhevener gij zijl, des te meer moet gij u in alles verootmoedigen en gij zult voor God genade vindenquot; (Ecel. III; 20) ; eu dezelfde God zegt door den profeet; „Tot wien zal Ik mijn gelaat keeren, ten zij tot den nederige en vreedzame en tot hem, die mijne woorden vreest?quot; (Isaias LXVI; 2). De genade van den H. Geest kan nimmer wonen in hem, die niet nederig en vreedzaam is. God is gering geworden om ons te redden, de menseh derhalve moet zieli schamen trotsch te ziju. Hoe dieper het hart zich verootmoe-

-ocr page 78-

68

digt, zooveel te meer lieft liet zich op tot de volmaaktheid; waut die nederig is zal iu de glorie verheven worden. De eerste graad dei-Nederigheid bestaat in ootmoedig te luisteren naar de woorden der waarheid, deze iu het gehougeu te bewaren cn met ijver iu beoefening te brengen. Het is onbetwistbaar zeker, dat de waarheid vlucht uit de geesten, die zij niet nederig vindt. Hoe nederiger iemand is iu ziju eigen oogen, des te grooter zal hij zijn voor het aangezicht van God. l)ie allo overige deiigdcn verzamelt zonder de Nederigheid is gelijk aan dengene, die stof draagt in deu wind. Meer nog — de H. Schrift zegt: „ W\'larop zijt yij trotsch, o dof en asch, terwijl de wind der hootaardij wegvoert en verstrooit, al wat gij meendet met vasten en aalmoezen verzameld te hebben?\'quot; Wacht u wel, o mensch, u op uwe deugden te beroemen, wijl gij u zelveu niet tot rechter moogt hebben, maar Hem, voor wien gij u in uw hart moet trachten te vernederen, opdat Hij u verheffe ten tijde Zijner vergelding. Daal neder om op te stijgen, verneder u, opdat gij verheven wordet

-ocr page 79-

GO

en zijt gij vci\'lieven, mogct gij uiet vernederd worden; want wie voor zicli zeiven gering is, is sehoon voor God, en die zicli zelven mishagen, behagen aan God. — Wees derhalve klein in uwe oigen oogen, opdat gij groot raoogt zijn voor God; want, naarmate gij in uwe eigen oogen verachtelijker zult wezen, des te kostbaarder zult gij voor God zijn. Laat de Nederigheid bij u de hoogste eereplaats innemen. Be lof der eer is de deugd der Nederigheid.

Maar de deugd der Nederigheid kan niemand bezitten zonder die der vreeze Gods; de eene kan zonder de andere uiet bestaan. Luistert, mijue broeders, ik zal u zeggen, welke de uitwerkselen zijn der vreeze Gods; „Het begimel der wijsheid is de vreeze Godsquot; (Ps. CX : 10.) De vrees voor Gods tegenwoordigheid is een beletsel tegen het bedrijven van zonden; „die God vreest zal het goed hebben op den laatsten day zijns levensquot; (Eeel. 1 : 13) en zijn loon duurt eeuwig. Als men zich schaamt voor het oog der menschen te zondigen, hoeveel billijker en waardiger is het dan uiet zich te schamen de ongerechtigheid te «drijven in de tegenwoor-

-ocr page 80-

70

diglicid van God, die niot sleclits do vvorkeu ziet maar ook do karton doorsckouwt? Die mot keiligo vroeze voor God is vervuld, zoekt Zijn welbehagen in alles te volbrengen. i)c vreos der zonen is anders dan die der dienaren, dozen duchten uit vrees voor straf, do zonen echter uit liefde tot don Vader. Indien wij zonen van God zijn, vreezeu wij Hein dan door de zoetheid der liefde en niet door de bitterheid der vreeze. De wijze menseh vreest (iod in al zijne daden, wijl hij weet onmogBlijk Zijue tegenwoordigheid te kunnen ontvluchten, gelijk de psalmist zegt; „Waar zou ik henen yuan voor meen yeesf (d. i. om aan uwen geest te ontkomen) en waar zal ik vluchten voor uw aanschijn?quot; (Ps. CXXXVIII: 7) en op een andere plaats voegt hij er bij: „Noch in het Oosten, noch in het Westen, is een schuilhoek voor hen, die den Heer ontvluchten.quot; (Ps. LXX1V; (i). Die den Heer vreest, zal Zijne leer ontvangen, en die acht geeft op de onderhouding Zijner geboden, de eeuwige zegeningen verwerven. Gelukkig de ziel van dengene, die God vreest en bevrijd blijft van de dnivelsche bekoring.

-ocr page 81-

71

„Zalig de mensch, die altijd in vreeze is.quot; (Prov. XXVIII; 14) en wieu liet gegeveu is, de vreeze des Heereu gestadig voor oogeu te hebben. Die den Heer vreest keert terug van den slechten weg en zet zijne schreden op het pad der deugd. Ue vreeze Gods maakt den menscli voorzichtig en bezorgd om niet to zondigen. Waar geen vrees voor Mod is, daar heerseht de losbandigheid. Die God niet vreest in den voorspoed, hij vreeze Hem ton minste in den tegenspoed en neme zijn toevlucht tot Hem, die kastijdt en geneest. „Zaliy de man, die den Heer vreest en yrooten lust heeft in Zijne l/ehodenquot; (Ps. CXI; 1.) He vreeze Gods ver jaagt de vrees voor de hel, deze toch doet den mensch de zonde vermijden en de werken der gerechtigheid vermenigvuldigen. Vervolgens zal zij ons tot die vreeze brengen, die heilig wordt genoemd en iu de eeuwen der eeuwen voortduurt, wijl zij in de liefde is gegrondvest.

Zóó, mijne broeders, zoo moeten wij God vreezeu om Hem te kunnen beminnen, want de volmaakte liefde verbant de slaal\'sche vrees en op deze wijze kunnen wij den overvloed en

-ocr page 82-

72

de zekerheid vau alle goed — met andere woorden — kunnen wij alle goederen in overvloed en veiligheid bezitten, vandaar zegt de profeet: - „Vreest den Heer, gij allen zijn Heiligen des Hemels, want die Hem vreezen, lijden tjeen yehrek; de rijken zijn arm ge/oorden en hebben gebrek geleden, maar die den Heer vreezen, knn zal niets ontbreken (Ps. XXXIII; 9 en 10). Daarom smeek ik u, geliefden, de vreaze des Heeren altijd voor den geest te hebben, nimmer Zijne voorschriften te vergeten en ernstig te overwegen, dat hij, die God vreest en Zijne wetten opvolgt, het eeuwige leven zal ingaan; die echter Zijne geboden versmaadt en weigert ze te onderhouden, zal verwezeu worden tot de eeuwige pijnen; bovendien smeek ik n toch in uw hart de ware Nederigheid te bewaren en haar met oprechtheid bij uwe naasten ingang te doen vinden, opdat zij, door uwe voorbeelden gesticht, glorie geven aan God en zich beijveren om eenmaal met n in den hemel de eeuwige vergelding te ontvangen door de hulp der genade van onzen Heer Jesus Christus dio leeft en regeert iu de eeuwen der eeuwen. Amen.

-ocr page 83-

Onderscheidene gedachten over de Nederigheid.

T.

ogen de uederigeu toeli wel begrijpen, dat onze Verlosser zichzelven heeft vernietigd, daar Hij zijn Vader gehoorzaam was tot den dood. (Phil. II: 8); mogen dc hoovaardigen zieh er diep van doordringen, dat van hun aanvoerder geschreven staat: „TJij is de koning over al de zonen van den hoogmoed, (Job. XLI : 25). Uo hoogmoed des duivels is alzoo de oorzaak onzer ellende, terwijl de Nederigheid van den Zoon Gods do losprijs was van onze vrijkooping. Wijl de vijand van het mensehelijk geslaeht, ofschoon een schepsel gelijk al het overige,

4

-ocr page 84-

74

toch boven alles wilde verlieven zijn, heeft onze. Verlosser, Hij, de oneindig Verhevene boven alles, zich gewaardigd de geringste onder allen te worden. Den - nederigcn worde der-halve geleerd, dat zij door zieii te verootmoedigen opstijgen tot navolging vau God zeiven; den hoogmoedigen worde onder het oog gebracht, dat zij, door zich te willen verheffen, afdalen tot do navolging van den gevallen engel. Is er dus wel iets verachtelijker dan do hocgmoed, die in plaats van ons te verheffen, ons zooverre van de ware grootheid verwijdert ? Is er wel iets glorievoller dan de Nederigheid, die, terwijl ze ons als in het niet stort, den Allerhoogsten Schepper gelijk maakt?

H. Gregomus DE Groote.

(Past. par. Ill Adm. XVIII).

ii.

Nimmer mogen deze twee deugden — de Nederigheid en de L/iefde — worden gescheiden. Zoo onafscheidelijk zijn zij met elkaar ver-bonden, dat hij, die zich in de eene oefent,

-ocr page 85-

75

zeker is ook de andere te zulleii verwerven; want, gelijk de Nederigheid een deel der Liefde is, zoo is ook do Liefde een deel der Nederigheid. Indien wij nagaan, welke werken de Apostel als onvruchtbaar aanduidt zonder de Liefde (Cor. XIII; zullen wij bevinden, dat doze eveneens onvruchtbaar zijn, als dc ware Nederigheid hun ontbreekt. En inderdaad , welke vrucht zal do wetenschap kunnen voortbrengen, indien zij gepaard gaat met hoogmoed, of het geloof, zoo hot vergezeld is van ijdele glorie, of de aalmoes, die wordt uitgereikt uit ijdel vertoon of het martelaarschap, dat wordt ondergaan uit trotschheid? Omdat dc Nederigheid en de Liofdc gelijkelijk sl reven naar de omverwerping en de uitroeiing van den hoogmoed, is hetgeen omtrent de een wordt gezegd, ook op de andere toepasselijk.

H. Ambrosius.

(Kpist. Lib. X ad Demetnaden).

in.

Die erkent, dat hij stof en aseh is en zeer spoedig tot stof moot overgaan, zal zich nimmer

-ocr page 86-

76-

aan hoogmoed overgeven; en die na de overweging van de eeuwigheid Gods zijne aandacht vestigt op den korten duur van het mensehe-lijk leven, zal immer den dood voor oogen en een gering gevoelen van zichzelven hebben, want dit bederfelijk lichaam drukt de. ziel ter neder en ons oordeel, door vele zaken beneveld , wordt door die aardsche woning geheel verduisterd. Zeggen wij daarom met alle nederigheid: „Heer, mijn hart verhief zich niet, noch mijne /dikken waren trotsch; en naar dingen voor mij te groot en te verheven trachtte ik nietquot; (Ps. CXXX : 1). Do ootmoed bestaat niet zoozeer in woorden als wel in gevoelens des harten; daarom moeten wij ons door de inwendige stem des gewetens voor niets erkennen en nimmer ons inbeelden iets te welen, te begrijpen of te zijn.

H. Hieronymus.

(In exposit. Epist ad Ephes. cap. IV).

TV.

Mijn zoon, geef voor alles acht op de Nederigheid, zij toch is de verhevenste deugd en de

-ocr page 87-

77

trap om tot do hoogste volmaaktheid op te klimmeii. Ook worden de ernstige voornemons slechts door de Nederigheid ten uitvoer gebracht, terwijl de inspanningen van vele jaren door don hoogmoed vruchteloos worden gemaakt. ])o nederige mensch is aan God gelijk en draagt Hem in den tempel zijns harten, doch de hoovaardige maakt zich hatelijk aan God en gelijkt den duivel. Ofschoon de nederige voor het uiterlijk gering en verachtelijk schijnt, is hij niettemin inwendig vol glorie; de trotschaard daarentegen, hoewel hij zich aan ieders blikken als zeer voornaam vertoont, wordt door zijne werken spoedig als een onboteekenend mensch gekend. Uit zijn gang en al zijn bewegingen leert men zijn hoogmoed kennen; ziju lichtzinnigheid blijkt uit elk zijner woorden. Hij brandt steeds van verlangen door de menschen te worden geprezen en arm als hij is aan deugd, stelt hij zich als zeer godvruchtig aan. Aan oen ander onderworpen te moeten zijn, kan hij niet dulden; immer streeft hij naar den voorrang en doet al wat hij kan om een hooge plaats in te

-ocr page 88-

78\'

ucmen; wat hij niet kan hereiken door verdiensten, matigt hij zich aan door eerzucht. Hij gaat altijd opgeblazen als ecu otter, die vol wind is. In elk zijrar handelingen toont hij zich zoo onstandvastig, dat gij hem oen schip zoudt noemen, hetwelk door den stuurman verlaten, ecu speelbal der golvec is geworden. Daarentegen hoedt de nederige zich voor elke eerbewijzing, gedraagt zich ais ware hij de geringste der meuschen en ofschoon hij in ieders oog zeer gering is, voor God is hij ecliter zeer verheven. En wanneer hij alles heeft gedaan, wat hem door zijn Heer is bevolen, verzekert hij niets gedaan te hebben, en is zooveel mogelijk bezorgd al de deugden zijner ziel te verbergen. Maar de Heer openbaart al zijne werken, maakt zijn wonderbare daden aan allen bekend, terwijl Hij hem zeiven zal verheffen, hem verheerlijken en ten tijde zijner gebeden hem alles zal toestaan, wat hij vraagt.

H. Basilius de Geootb.

(Admon. ad. Fil. sp:r.).

-ocr page 89-

79

V.

Dc avine van geest is nederig van hart. Arm van geest wordt hij genoemd, die een gering gevoelen van zich zei ven heeft; rijk van geest daarentegen hij, die hoogmoedig is, een hoo-gen dnnk van zich zeiven koestert en het gebod van Christus niet vervult, dat luidt; „Indien gij niet wordt yelijk dezen kinderen, zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan.quot; (Math. XVIII; 3). Hij derhalve die geworden is als een kiud, hij is arm van geest en die arm van geest is, is gelijk een kind geworden . En hoewel naar de getuigenis van Jesus Christus (Math. XXII: 39) en van den Apostel (ad Hom. XIII: 10) de vervulling der wet de Liefde is, is de Nederigheid niettemin de voedster der Liefde en de hoovaardij de moeder van den haat. Dus is de ootmoed het beginsel van alle goed, de hoogmoed het beginsel van alle kwaad.

H. Joannes Chrysostomus.

(Hom, X in Evang. sec. Math.).

-ocr page 90-

so -VI.

Dit is de grondslag der Nederigheid: zicli een zondaar tc achten en te niecnen voor God niets goeds tc verrichten. Zie hier, hoc die deugd in beoefening wordt gebracht. Zij hoeft liefde voor de stilzwijgendheid, vergelijkt zich met niemand, toont zich steeds onderworpen en spreekt nooit tegen; zij houdt dc oogen ter neer geslagen, stelt zich dikwerf den dood voor den geest, heeft een afschuw van de leugen, vermijdt overtollige en ijdele gesprekken, verzet zich niet tegen dc overheid, houdt niet hardnekkig vast aan eigen meeningen, verdraagt beleedigingen, haat de ledigheid, is altijd bezig cn geeft op alles nauwkeurig acht. Mijn broeder, beijver u om deze voorschriften stipt te onderhouden, opdat uw ziel niet een verblijf worde van elke slechte neiging; span al nw krachten in om elk dier voorschriften met bereidvaardigheid op te volgen, opdat uw korte levensloop niet nutteloos en onvruchtbaar voor u zij.

H. J CANNES DAMASCENUS.

(Parall. Lib. Ill Cap. LXXXV).

■■ p

-ocr page 91-

81

quot;VII.

Dit is hot eigcmlijk kenmerk van de ware Nederigheid der gcloovigen. Zij verhoovaar-digcn zich op niets, morren nimmer, zijn niet ondankbaar, klagen noeli twisten, doch bij al wat liun overkomt, danken en loven zij God eu prijzen Zijn werken als rechtvaardig en liefdevol. Wees gij alzoo den Heer immer dankbaar voor alles wat Zijn goedheid u overzendt.

H. Anselmus.

(Comm. in 1 ad Thess. Cap. V).

vin.

,, Ik ben de bloem des velds en de lelie der valleienquot; (Hoogl. II: 1). „Be rechtvaardige zal ontluiken gelijk de leliequot; (Os. XIV : ü). Wie is rechtvaardig, tenzij de nederige? Vervolgens, toen de Hoor zich nederboog onder de handen van zijn dienaar, den Dooper, en deze aarzelde, huiverig voor do Majesteit, sprak Hij: „Laat dit toe, want zoo betaamt het alle gerec/tfigheid te vervullenquot; toen toonde Hij ten duidelijkste, dat de vervulling dor gerechtigheid in de Nede-

-ocr page 92-

82

riglieid is gelegea. L)e rechtvaardige is alzoo nederig, de rechtvaardige is de vallei. Indien wij nederig worden bevonden, zullen ook wij als leliën ontluiken en in eeuwigheid bloeion voor den Heer. En zal Jesus zicli dan vooral niet in waarheid de lelie der valleien toonen, wanneer quot;ij het lichaam onzer vernedering hervormen cn gelijkvormig maken zal aan het lichaam Zijner heerlijkheid? De Apostel zegt niet: ons lichaam, maar het lichaam onzer verne-dering om te kennen te geven, dat alleen do nederigen schitteren en omgeven zullen worden met de wonderbare en onvergankelijke blankheid dezer lelie. En dit zij gezegd over de openlijke betuiging door den Bruidegom van het Hooglied afgelegd, dat Hij de lloem des velds, de lelie der valleien is.

H. Beenakdus.

(Super Cantica Sermo XLVII).

IX.

I)e ware Nederigheid maakt er geen werk van zich als zoodanig te vertoonen en spreekt er niet veel over; daarom verlangt zij niet

-ocr page 93-

83

alleen de overige deugden, maar voornamelijk ziehzelve te verbergen; en indien het haar geoorloofd ware leugens en kunstgrepen te gebruiken om den naaste te ergeren, zou zij daden van aanmatiging en hoogmoed bedrijven om zich daarachter te verbergen en waarlijk onbekend eu veilig te leven. Ziehier derhalve mijn gevoelen; laten wij niet over do Nederigheid spreken dan met een oprecht inwendig gevoel volkomen overeenstemmend met hetgeen wij aan den dag leggen; wij moeten nimmer de oogen nederslaan zonder ons hart te verootmoedigen; wij moeten nooit tooncn onder de nederigen te willen gerekend worden zonder inderdaad nederig te willen zijn.

De waarlijk nederige zou willen, dat anderen van hem zeiden, dat hij ellendig is, dat hij niets beteekent, niets waard is, veel liever dan dit tot ziehzelven te zeggen; minstens spreekt hij dit volstrekt niet tegen, maar stemt er gaarne mede in; wanneer hij dit vastelijk gelooft, verheugt hij zich, dat zijn meening gedeeld wordt.

H. Fkanciscus v. Sales.

(Philothea Pars. Ill cap. V).

-ocr page 94-

84

X.

Wordt gij bèleedigd, verdraag dit mot geduld oti laat uw liefde jegens uw beleediger steeds toouemeu. Ziedaar deu toetsteen om te ouderkenueu ol\' iemand nederig eu heilig is. Zoo iemand zieh over eene ontvangen belecdiging gekreukt toont, gij kunt hem, al deed iiij ook wonderen, een slingerend riet noemen. Pater BaJjïassab Avauez was gewoon te zeggen, dat de tijd dor vernederingen de tijd is om sehatten van verdiensten te winnen. Veel meer toch zult gij voor den hemel verdienen door rustig eene beleediging te ondergaan dan door een tiendaagsche vasten op water en brood. Is het goed ons zeiven vernederingen op te leggen ten opzichte van anderen, van veel liooger waarde is het beleedigingen te oudergaan, die anderen ons aandoen; want wijl in deze minder van ons zeiven en meer van God komt, is er veel grooter voordeel in gelegen, als we ze weten te verduren. Maar wat vermag een christen, die geen beleediging kan verduren uit liefde tot God? Hoevele belee-

-ocr page 95-

85

dig-ingen, hoe groote vcrsinadiug lieeft Jesns Christus niet voor ons geledon! Kaakslagen, bespotting, geeselslagen, bespuwing van Zijn aanbiddelijk gelaat! Indien wij Jesns Christus warme liefde toedragen, zullen wij ons niet gekrenkt toonen. bij het ontvangen der belee-digingcn; integendeel, wij zullen ons verheugen, indien wij versmaad worden, gelijk Jesus Christus werd versmaad.

H. Alphonsüs de Lig.

(Oper. Spirit.)

XI.

Om ons des te beter in de Nederigheid te bewaren is het dikwerf zeer voordeelig, dat anderen onze gebreken kennen en berispen. Als de mensch zich wegens zijn gebreken vernedert, brengt hij gemakkelijk anderen tot eensgezindheid en bevredigt hen. die tegen hem vertoornd waren of hem veraciitten. God beschermt en behoudt den nederige; Hij bemint en vertroost hem, Hij neigt zich tot den nederigen mensch, schenkt hem groote genade

-ocr page 96-

86

en na de vernedering voert Hij hem tot do glorie. Aan den nederige openbaart Hij zijne geheimen, trekt hem liefderijk tot Zich en noodigt hem vriendelijk uit. Als de nederige beschaamd en beleedigd wordt, behoudt hij zijn vrede, wijl hij steunt op God en niet op de wereld. Meen niet, dat gij eenigen voortgang hebt gemaakt, zoo gij u zelvcn niet den geringste acht van allen.

Thomas Kempis.

(■Navolging v. Clir. 2c boek 2o HooMst.)

XII.

Het is een algemeen gevoelen der godgeleerden , dat hoe grooter Liefde iemand heeft, hij zieh ook in hooger glorie zal verheugen. Deze glorie zal echter uitsluitend aan de ncde-rigen van harte geschonken worden, omdat de ware Liefde zich aan geringe zaken gewent om tot hoogcre te kunnen opklimmen. Maar waarop zijt gij trotsch te midden cener ijdele wereld, o stof en ascli, voorwerp van bederf, voedsel der wormen? Leer u zeiven volkomen kennen

-ocr page 97-

87

en gij zult over u zeiven beseliaaind staan. De hoogmoed is de wortel van alle kwaad, de Liefde de wortel van alle goed, doch deze kan in u niet ontkiemen, tenzij gij den eerste volkomen hebt uitgeroeid. Ue Liefde nu, die alleen aan den geest van hoovaardij weerstand weet te bieden, zal u dr uitroeiing van die ondeugd leeren. Door uw deugden te verbergen en voor uw gebreken do oogen te openen, zult gij den geest van hoogmoed weder-staan. Op dit punt moet gij bijzonder uwe aandaeht vestigen, wijl gij juist door de ondeugd van hoovaardij niet kunt dulden, dat een ander u zegt, wat gij niet gaarne omtrent u zeiven bekent.

Kardinaal Bona.

(De Art. div. Am. cap. XIX).

XIII.

„ Indien iemand meent iets te zijn, ofschoon hij niets is, die misleidt zichzelveuquot; (ad Gal. VI: 3). Zoo dit gezegde, u hier door den Apostel ter overweging voorgesteld, goed werd begrepen, zou do ijdele glorie uit de wereld verdwijnen.

-ocr page 98-

88

„Van waar komt het toch, dat zoovelen met den dag trotseher worden? Snrperbia eoruri qui te odenmt ascendit semper?quot; (Ps. LXX111: 24). Zij meenen uit ziohzelveu iets te zijn, terwijl zij in werkelijkheid niets zijn. Haat derhalve algemeen bekend te worden, waarnaar allen streven. Indien iemand, wie het ook zij, meent iets te zijn, de Apostel zegt niet: die meent iets yroots te zijn, maar hij zegt, die meent iets te zijn ofschoon hij niets is, hij misleidt ziehzelven. Het is dus een onbetwistbare waarheid, dat gij u moet overtuigen uit u zei ven niets te zijn: nihil es. Eu waarom ? Omdat gij van u zeiven niets hebt dan de zonde, welke het uiterste is van het niet. Al wat gij, behalve de zonde, bezit, komt van God. De ware Nederigheid wordt verkregen, door in deze waarheid diep door te dringen; want, hoewel het wezen der Nederigheid in den wil is gelegen, die zich gaarne onderwerpt, toch ontvangt de wil slechts van het verstand de voorlichting en den regel tot hoever men zich moet vernederen.

P. Paulus Segneri.

(Mann, dell. An. XI Agost.).

-ocr page 99-

89

XIV.

Wanneer ^men u lof on eer wil brengen, vcroenig u dan met do verachting, do bespotting en de beleedigingen, dio de Zoon Gods beeft verduurd. Wees or zeker van, dai, eon waarlijk nederige ziel, hetzij ze geëerd of ver-aelit wordt, zich even diep verootmoedigt. Doe dan gelijk de bij, die den honing verzamelt niet slechts uit den dauw, die op den alsem, maar ook uit dien, welke op do roos is gevallen.

H. Vincenttos a Paulo.

XV.

Mijn zonen, zijt nederig, hebt ecu gering gevoelen vau u zeiven.

II. Phixippus Neri.

-ocr page 100-

86

en na de vernedering voert Hij hem tot de glorie. Aan den nederige openbaart Hij zijne geheimen, trekt hem liefderijk tot Zioli en noodigt hem vriendelijk uit. Als de nederige beschaamd en beleedigd wordt, behoudt hij zijn vrede, wijl hij steunt op God en niet op de wereld. Meen niet, dat gij eenigen voortgang hebt gemaakt, zoo gij u zelven niet den geringste acht van allen.

Thomas a Kempis.

CNavolging v. Chr. 2e boek 2e Ilooldst.)

XII.

Het is een algemeen gevoelen der godgeleerden , dat hoe grooter Liefde iemand heeft, hij zich ook in hoogcr glorie zal verheugen. Deze glorie zal echter uitsluitend aan do nsdc-rigen van harte geschonken worden, omdat de ware Liefde zich aan geringe zaken gewent om tot hoogere te kunnen opklimmen. Maar waarop zijt gij trotseh te midden eener ijdele wereld, o stof en asch, voorwerp van bederf, voedsel dor wormen? Leer u zelven volkomen kannen

-ocr page 101-

87

en gij zult over u zelven beschaamd staan. De hoogmoed is de wortel van alle kwaad, de Liefde de wortel van alle goed, doch deze kan in u niet ontkiemen, tenzij gij den eerste volkomen hebt uitgeroeid. Ue Liefde nu, die alleen aan den geest van hoovaardij weerstand weet te bieden, zal u de uitroeiing van die ondeugd leereu. Door uw deugden te verbergen en voor uw gebreken de oogcn te openen, zult gij den geest van hoogmoed weder-staan. Op dit punt moet gij bijzonder uwe aandacht vestigen, wijl gij juist door de ondeugd van hoovaardij niet kunt dulden, dat, een ander u zegt, wat gij niet gaarne omtrent u zelven bekent.

KATtnixAAL BONA.

(De Art. div. Am. cap. XIX).

XIII.

„Indien iemand meent iets te zijn, ofschoon hij niets is, die misleidt zichzelvenquot; (ad Gal. VI: 3). Zoo dit gezegde, u hier door den Apostel ter overweging voorgesteld, goed word begrepen, zou de ijdele glorie uit de wereld verdwijnen.

-ocr page 102-

88

„Van waar komt het toch, dat zoovelen met den dag trot schier worden? Sitrperhia eorum qui te oderunt ascendit Kemper?quot; (Ps. LXXIII: 24). Zij meenen uit zichzelven iets te zijn, terwijl zij iu werkelijkheid niets\' zijn. Haat derhalve algemeen bekend te worden, waarnaar allen streven. Indien iemand, wie het ook zij, meeut iets te zijn, do Apostel zegt niet: die meent iets groots te zijn, maar hij zegt, die meent iets te zijn ofsehoon hij niets is, hij ir.isleidt zichzelven. Het is dus een onbetwistbare waarheid, dat gij u moet overtuigen uit n zeiven niets te zijn: nihil es. En waarom ? Omdat gij van u zeiven niets hebt dan de zonde, welke het uiterste is van het niet. Al wat gij, behalve de zonde, bezit, komt van God. De ware Nederigheid wordt verkregen, door in deze waarheid diep door te dringen; want, hoewel het wezen der Nederigheid in den wil is gelegen, die zieh gaarne onderwerpt, toch ontvangt de wil slechts van het verstand de voorlichting en den regel tot hoever men zich moet vernederen.

P. Paulu.s Segneri.

(Mann. dell. An. XI Af.ost.).

-ocr page 103-

89

XIV.

Wanneer [men u lof en eer wil brengen, vereenig u dan met de verachting, de bespotting en de beleedigingen, die de Zoon Gods lieel\'t verduurd. Wees er zeker van, dat een waarlijk nederige ziel, hetzij ze geëerd of veracht wordt, zich even die]) verootmoedigt. Doe dan gelijk do bij, die den honing verzamelt niet slechts uit den dauw, die op den alsem, maar ook uit dien, welke op de roos is gevallen.

H. VlNCENTTUS a PAULO.

XV.

Mijn zonen, zijt nederig, hebt een gering gevoelen van n zeiven.

M. PiriT.iPPiis Neut.

-ocr page 104-

90

GEBED

om de genade van Godsvrucht en Nederigheid te verwerven.

Mijn Hoer en mijn God, Gij zijt ai mijn goed; en wie ben ik, die tot U durf spreken ? Ik ben uw bclioel\'tigste dienaar en een verachtelijke aardworm; behoeftiger en veraehtelijker dan ik weet en vermag uit te spreken. Herinner u echter, o Heer, dat ik niets ben, niets heb, niets vermag. Gij alleen zijt goed, Gij alleen rechtvaardig, Gij alleen heilig. Gij vermoogt alles. Gij geeft alles, Gij vervult alles; den zondaar alleen laat gij ijdel achter. Wees uwe barmhartigheden indachtig, o Heer, en vervul mijn hart met uw genade, Gij die niet wilt, dat uw werken ijdel zijn. Hoe kan ik\' mij in dit ellendig leven staande houden, zoo uwe barmhartigheid en uwe genade mij niec steunen? Wil me aanschijn van mij niet afwenden (Ps. XXIV ; 14), stel uw bezoek niet uit, wil mij uwe vertroosting niet onttrekken, opdat mijne

-ocr page 105-

!)1

ziel voor U niet worde cjelijk een aarde zonder water (Ps. CXLII: 6). Leer mij uw wil, o Heer; leer mij waardig en nederig in uwe tegenwoordigheid vorkeeren, omdat Gij mijn wijsheid zijt, üij, die mij naar waarheid kent en mij kendet, voordat de wereld werd en ik in de wereld was.

Thomas van Kempen. i .N\'av. v. Chr. Ill D. ;!e Hoofdstuk).

-ocr page 106-
-ocr page 107-

Uitgave van DEKKER en VAN DE VEGT.

Een versche Meikrans neêrgelegd aan de voeten van Maria, door .1. G. H. C. Essink, R. K. Priester, Deken en Pastoor te Maarssen. 2e druh.

f 0,90.

klem in linnen prachlband. . . - t ,40.

Door de nette uitvoering it ilil werkje zeer geschikt ah geschenk hij rle Eerste IT Communie.

Het goddelijk Hart van Jesus, in

een en dertig Overwegingen, voor de maanden Juni en December, en Gebeden voor bet. Veertigurengebed, bet Lof, de H. Mis en de II. Communie, benevens de gewone Lilaniën, door ,1. G. II. C. Essink , R. K. Priester, Deken en Pastoor te Maarssen. 2« druh.

f 1,25.

Idem gebonden in linnen band. - 1,65.

-ocr page 108-

Overwegingen over het bitter lijden onzes Heeren voor eiken dag der Vasten, door J. G. II. C. Essink, R. K. Priester, Deken en Pastoor te Maarssen. 2e druk. . ■ . . f 1,—.

Idem gebonden in linnen band. - 1.40.

Een zevental Kruisweg-oefeningen,

vermeerderd met vier nieuwe oefeningen door J. G. II. C. Essink, R. K. Priester, Deken en Pastoor te Maarssen. 4-e druk......../\' 0,35.

Idem in linnenband .... - 0,4-0.

Lijdens-Overwegingen, door J. W. D. Peelen, R. K. Priester en Pastoor te Brenkelen.......f 5.—.

Idem in linnen band. ... - 5,75.

-ocr page 109-

Het Guldenboekje van Dom Sans Sainte-Catherine of de nederigheid in beoefening gebracht. Uit

het Fransch vertaald en vermeerderd door F. W. ïSCHIERSCIIKE, R. K. Priester. uitgave, gebonden in linnen band.

f 0,75.

Negendaagsche Oefening ter eere van het Allerheiligst Hart van Jesus, door A. Hogenboom, Priester. amp; druk......./\' 0,20.

Door Maria tot het Hart van Je sus.

Negendaagsche Oefening ter eer van Onze Lieve Vrouw van \'t II. Hart, door A. Hogenboom , Priester, / 0,20.

-ocr page 110-
-ocr page 111-