mm\'-
ONZE
iilll*
G E H E1L IG D.
OPGEDRAGEN
AAN DE LIJDENDE KINDEREN
VAN
O. L. Vr. van het H. Hart,
]-[OOP DER HOPELOOZEN.
ROERMOND,
J. J. ROMEN amp; ZONEN,
It
Drukkers van Z. II. den Paus en van liet Bisdom.
Hl;-
11
GEHEILIGD.
OPGEDRAGEN
AAN DE LIJDENDE KINDEREN
VAJf
O. L. Vr. van het H. Hart,
j-loop DER HOPELOOZEN.
ROERMOND,
J. J. ROMEN amp; ZONEN,
Drukkers van Z. H. den Paus en van hel Kisdom.
R1 \' - C O NV.
* ï e i ■ a
*V l«J O !\'• jj 3^2, i \\j 3
Imprimatur.
RfitAMUNn/E, 22 Junii 1888.
P. RUSSEL, Can. et Prof., Librorum Censor.
Een blik op het tegenwoordige leven.
I. Ons lot in deze wereld.
an de wieg tot het graf is alles lijden, omdat de vloek over onze eerste ouders uitgesproken ons overal treft in het lichaam zoowel als in de ziel. Het is onmogelijk het lijden te ontgaan.
Dat men het wille of niet, hierbeneden moet men werken, lijden en sterven. De wet is onherroepelijk.
Het eerste levensteeken van het kind is een kreet van smart, veroorzaakt door de lucht, de koude, de duizend zorgen, die men het bewijst. Het eerste gevoelen is reeds pijn; het is het noviciaat des levens.
In alle klassen der samenleving hoort men alom en overal de kreet, de klacht des lijdens. Ieder immers ontmoet op zijne beurt de beproeving in hart, in geest of lichaam of inbeel-
_ 4 —
ding. En als wilden wij ouzen lijdensbeker onuitputbaar maken, zouden wij nog gaarne de smart lijden van degenen die ons dierbaar zijn, om ze hun te sparen.
Troost u over deze kortstondige beproeving door uw werk en uwe smart verdienstelijk te maken. „Eene eeuwige rust,quot; zegt de H. Augustinus, „zou door een eeuwigen arbeid moeten gekocht worden, maar zoo groot is de goedheid Gods, dat Hij niet zegt: Arbeid een millioen, ja duizend jaren, zelfs geene vijftig jaren wellicht. Hij zegt: werk en lijd gedurende den korten tijd, dien gij op deze wereld verwijlt en gij zult eene eindelooze rust verwerven.quot;
Herinner u reeds des morgens, dat gij in de wereld zijt om te lijden en zeg met den eerbied-waardigen Pastoor van Ars: „Welaan, mijne ziel, gij gaat dezen dag met God spreken door vurige gebeden, met Hem werken, met Hem wandelen, met Hem strijden en lijden. Gij zult arbeiden. Hij zal uw arbeid zegenen; gij zult wandelen, Hij zal uwe schreden zegenen; gij zult lijden, Hij zal uwe smarten zegenen quot;
Hoe gelukkig zijt gij, kind der ware Katholieke Kerk, in een godsdienst te zijn geboren,
— 5 —
waarin men, als men lijdt, zijn hart kan leggen op het goddelijk Hart van Jezus, God kan loven, Zijne hulp kan inroepen en aldus zijne ziel kan zalig maken.
Ons leven is slechts een lijden voor ons lichaam, een voortdurende doodsangst voor onze ziel.
Het lijden van ons lichaam wordt veroorzaakt door moeielijke plichten en allerlei soort van lichamelijk lijden.
De smart onzer ziel komt voort uit vrees, walging en droefheid door smart en plicht veroorzaakt.
De vrees omhelst al onze inwendige smart voor de toekomst.
De verveling en de walging omvatten onze smarten voor het tegenwoordig oogenblik.
Berouw en wroeging, ziedaar ons lijden omtrent het verleden.
Jezus, die onze zwakheid kent, geeft ons minder inwendig, dan lichamelijk lijden. Door Zijne genade matigt Hij onze droefheid, onze, verveling, onze vrees, opdat onze natuur onder dezen doodstrijd niet hezwijke.
Het geheim om het lichamelijk lijden tegelijk met den hiwendigen, voortdurenden strijd groot-
— 6 —
\\
moedig te verdragen, wordt slechts door waarlijk godvruclitige zielen gekend. Zij leeren het bij Jezus Christus zeiven, aan den voet van het kruis, of bij het heilig Sacrificie der Mis. Zijne voorbeelden bevatten de bewonderenswaardige les, die men dagelijks moet bestudeeren, omdat men die onder den druk des lijdens geheel vergeet.
De gewichtigste les, die Jezus ons in Zijnen doodstrijd geeft is het gebed. Het Evangelie zegt ons: „In doodsangst gevallen zijnde, bad Hij nog meer.quot; Bid dan in uwe smartvolle lijdensuren, opdat uw wil niet wankele. Maar herinner u ook dat gij alle lijden voordeelig kunt maken ter zaligheid, zelfs naberouw en wroeging. De goddelijke barmhartigheid leert ons het bewonderenswaardig geheim om de rampen en smarten door onze zonden veroorzaakt, te gebruiken om ze te boeten. Hierdoor wordt het hervallen in de zonde belet, de duivel beschaamd, ons verlies hersteld en vloeit de genade over in de ziel, waarin de boosheid overgevloeid heeft.
Onze Lieve Vrouw van het H. Hart is natuurlijk de patrones der lijdenden; haar oor luistert met medelijden naar onze klaagtonen; want
was er één leven smartvoller dan dat van Maria ? Zeg dan als gij lijdt: O Moeder van Smarten, zegen mijne lijdensuren, gelief ze uwen Zoon aan te bieden en leer mij liet lijden te beminnen gelijk Gij.
II. Het dal van tranen.
iet zonder reden noemt men deze aarde een dal van tranen. Het kruis en de ^ opoffering zijn planten, die onder alle hemelstreken welig tieren. Het leven is voor alle menschen somber en moeielijk. God laat dit toe om ons te verplichten onze oogen hemelwaarts te slaan. Elke leeftijd heeft deszelfs beproevingen; de jeugd heeft de hare, welke betrekkelijk licht zijn in tegenstelling met die der rijpere jaren, want dan ziet men de ledige plaatsen dergenen, die ons ontvallen en weldra stelt de ouderdom ons zeiven tegen over den dood. Dat gedurig lijden werkt, op het gevoel, op het karakter, en men lijdt veelal zonder zijne lijdensuren te heiligen. Koevele tranen hebt gij gestort over uw eigen lijden, hoe weinige, wellicht geen enkele liefde-traan over het lijden van Jezus Christus? Welaan, droog door eene edelmoedige poging
— 8 —
al die trauen van smart, en werp u geheel in het goddelijk Hart van Jezns, door eene liefdevolle overgeving aan Maria, Koningin van Jezus\' Hart. God, die de oorzaak van uwe tranen toelaat, wil dat zij nuttig, in plaats van schadelijk zijn voor uwe ziel.
Tracht ook uw gevoel te bestrijden. Zeg reeds des morgens: Met Gods genade begin ik dezen dag, die mij slechts lijden en beproeving voorspelt, doch als ik ook heden tranen zaaien moet, geduld! het zijn zoovele paarlen voor de eeuwigheid! Al het aardsche zal weldra een einde nemen, en al leefdet gij eene volle eeuw.
zou deze u slechts één oogenblik schijnen.....
De tijd vliegt voorbij en wordt gevolgd door eene gelukzalige eeuwigheid, waar geene tranen meer zullen vloeien.
III. De Voorzienigheid waakt over ons.
Jwen rieten korfje, waarin een ter dood veroordeeld kind rustig sluimerde, dreef aan de oevers van den Nijl. Juist kwam daar de dochter des konings, zag het korfje en liet het zich brengen. Was het toeval? O neen, de Voorzienigheid sluimert nooit; Zij waakte over
dat wiegje en redde hem, die bestemd was om Israël te verlossen.
De Voorzienigheid heeft ons laten geboren worden in armoede of rijkdom; Zij beschikt ons goede of kwade dagen, ziekte of gezondheid, een lang of een kort leven, doch de Heer zorgt voor ons even vaderlijk als voor Mozes. Ons leven wordt beproefd door verschillende wederwaardigheden, waarvan de oorzaak buiten ons begrip ligt, maar die ons behoeden voor zware bekoringen en gevaarlijke gelegenheden tot zondigen. Beschouw de Voorzienigheid in de beproeving, die u thans drukt, gij zult daarin eene wijze les of een behoedmiddel voor de toekomst lezen.
Kende de Voorzienigheid den stand niet van het zwaluwnest, welks val Tobias blind maakte\'? Hij, die over de zijnen waakte, zorgde dat zijn dienaar zich juist daaronder nederlegde, ten einde hem aldus door de beproeving te heiligen. Zoo bereiden ook duizenden smartelijke omstandigheden onze heiligmaking en loopen samen tot een doel, Gods glorie overwaardig. Beschouw dus in alles den vinger Gods en gij zult gaarne datgene lijden wat Zijne hand u bereidt. Beschouw derhalve ook uwe tegenwoordige be-
1
— 10 —
proeving als eene vingerwijzing der Voorzienigheid om bijzonder te letten op dit of dat punt dat gij misschien tot dusverre hebt veronachtzaamd, of u te doen vorderen in deze of gene deugd. God is onze goede Vader. Hij gebruikt alle middelen om ons wel te doen en ons dicht lt;r bij Zijn Hart te kunnen plaatsen.
IV. H.et lijden ons door omen evennaasten
aangedaan. --
^ij het veelvuldig lijden, dat ons hier op aarde treft, staan op eene der eerste plaatsen de onaangenaamheden ons voortdurend berokkend 4 door de gebreken, de hartstochten, die elkander in onze omgeving kruisen en opvolgen. Door deze gedurige wrijving ontstaan koelheid, onverschilligheid, vijandschap, soms wraakzucht,
en zoo de goddelijke goedheid ons niet ondersteunde, zouden wij onder het lijden ons daardoor aangedaan, vaak bezwijken. Doch hoe gelukkig is het de moeielijkheden van eiken dag tot onze zaligheid te kunnen benuttigen, ja daarmede te kunnen woekeren in onze verschillende betrekkingen. Maak dan eene machtzaal in uw hart voor die onvermijdelijke
— 11 —
moeielijkheden. Dat men u beschimpe of be-leedige, .... zwijg. — Mor niet inwendig; daardoor zoudt gij den vrede verliezen, doch tracht door minzame woorden den vrede rondom u te herstellen, nooit een woord op te halen noch te herhalen, dat anderen kan wonden, nooit u te beklagen over degenen, die n be-leedigden. Hij, die aldus lijdt, verrijkt zich in plaats van te verliezen, verheft zich in plaats van verlaagd te worden, en heeft eigenlijk meer reden zich te verblijden, dan zich te bedroeven om de geleden beleediging, want zij deed ons rijke verdiensten vergaderen en eene vermindering van straf in Gods oordeel hopen.
V. Men moet zich aan het lijden gewoon maken.
Jklles ontstelt, alles bedroefd iemand, die niet gewoon is te lijden, nochtans is er niets noodzakelijker dan zich aan het lijden gewoon te maken, want het is... ons dagelijksch brood! Het behaagt God u daarmede te voeden, omdat Hij u sterk genoeg kent om het te verteren. Hoe vele personen, die veel te worstelen hadden met rampen van allerlei soort, verheugen
— 12 -
zich, dat zij zich daaraan gewoon gemaakt hebben. Trek uw voordeel uit de ervaring, die gij reeds hebt opgedaan omtrent de ellenden dezes levens ten einde ze zonder nedergedrukt-heid te lijden.
Denk eiken morgen: 1quot;. Deze dag kan mij veel lijden aanbrengen. Wat men voorziet, ontstelt minder. 2 . Het gedurig lijden is eene gedurige boetvaardigheid, en wat kan men beter doen om zijne zondige gewoonten tegen te gaan en te boeten.
De rechtvaardige is nooit zonder lijden. Voor eene oprecht christelijke ziel verkort het lijden alleen den duur onzer ballingschap. Indien gij al uwe moeiten en rampen plotseling zaagt verdwijnen, zoudt gij moeten vreezen de liefde Gods verloren te hebben. God plaatst u in de wereld niet om te genieten, doch om te lijden. Hij vraagt u, dat gij u ter zijner liefde eenig geweld zoudt aandoen om heilig te worden.
Houd dan moed! als gij de punt van het zwaard in uw hart voelt dringen, sla dan het oog ten hemel of op uw beeld van 0. L. Vr. van het H. Hart en zeg: Ik lijd voor de eer van Jezus en Maria! dat deze heilige namen immer gezegend zijn!
— 13 —
lit VI. Rampen en tegenspoed.
.ie flS
en Begenspoed! Ziedaar een woord dat den wereld-
t. ling zeer verschrikt. De christen hoort het
zonder te sidderen, omdat hij weet hoe vele jjj genaden hieraan zijn verbonden en hij heeft
gelijk. De goddelijke barmhartigheid bedient ig zich van den tegenspoed om onze zielen te
jm versieren, te verrijken, er hare meesterstukken
en van te maken. Bedroeven wij ons derhalve
niet en ontvangen wij allen rampspoed, zoo or niet blijmoedig, dan toch met kalmte, omdat
en wij door het lijden van één dag (want wat is
ffij het leven meer?) eene schoonheid verkrijgen,
gt die ons aangenaam maakt in Gods oog, benevens
\'de een schat van verdiensten voor alle eeuwigheid,
(je De heiligen zijn zoodanig overtuigd dat de
in. rampspoed eene bron is van bovennatuurlijke
ig rijkdom en zaligheid, dat zij verklaren, dat wij
in den dag des oordeels gelukkig zullen zijn [et door onze ongelukken, rijk door onze offers,
iet trotsch op onze vernederingen.
7r.
ier en
Vil. Het verlies onzer dierbaarste bloedverwanten en vrienden.
Onder alle beproevingen des levens is er gewis geene, die het gevoelig hart inniger treft dan het afsterven van dierbare vrienden en bloedverwanten. Aan hun ziekbed gezeten, is het ons te moede als waren wij gebonden aan een paal, terwijl de panter, die ons hart moet vaneen rijten, stap voor stap nadert.
God, in zijne goedheid, laat soms toe, dat wij het lijden niet langer kunnende aanzien, ten laatste smeeken om uitkomst, en eene zekere verlichting vinden als wij het brekend oog ten laatste mogen toedrukken en ons als het ware verheugen, dat die dierbaren niet meer lijden. In de eerste dagen na een smartelijk verlies, houden ons nog duizend zorgen bezig; men betoont ons deelneming, — doch als de groeve gesloten is dan eerst breekt de smart der scheiding ten volle los. O zoek dan toch uw troost bij God alleen; de menscben kunnen u niet helpen. Zij, die trachten n op te beuren weten niets beter dan u te wijzen op hun eigen leed! Eu weldra verveelt het hun zelfs u te zien treuren, te hooren klagen, ja
— 15 —
zelfs de stille zucht viudt geen weerklank meer. Ga dan tot. God, kniel voor het tabernakel, hid voor hen die u voorgingen, zie hen de kroon vlechten, die uw hoofd zal siereri en bedenk dat elke traan in stille onderwerping in het H. Hart van Jezus, voor den troon van O. L. Vr. van het H. Hart gestort, een parel wordt aan uwe hemelsche kroon.
VIII. De grootste smart!
Het is droevig voor het onderhart een kind te verliezen en den hemel den engel te moeten terugschenken, waarover men zich zoo innig verheugd had. Het is droevig den besten vriend onzes levens naar het graf te dragen. Het valt hard dengenen te verliezen, die onze steun, onze leidsman, ons eenig geluk op aarde uitmaakte, doch het is de grootste smart niet! Zoolang wij hen gerust na mogen staren in het eeuwig rijk, waaruit niemand wederkeert, is het wel eene groote, doch geene ontroostbare droefheid. Immers de hoop zegt ons: wij zullen hen terugzien. Doch, als de godsdienst haren troost weigert, als de innigste genegenheid
zich niet durft afvragen: „Wat is er van die ziel geworden?quot; Ja, dan is het lijden, voor het hart, dan ondergaat het een waren doodstrijd en wie vermag het te troosten? O gij zwaarbeproefde ziel, het oog omhoog! Oordeel niet, bet oordeel behoort aan God alleen en God is de Vader aller barmhartigheid.
Gedenk deze woorden: Ieder mensch ontvangt de noodige genade om zalig te kunnen worden. Wanneer? Dit is het geheim van God. Wat weet gij omtrent hetgeen er in de ziel omging in het laatste oogenblik, toen gij, kortzichtige, alles verloren waandet. Oordeel niet. God weegt in de schaal zijner barmhartigheid. Bedenk ook dit woord: Niemand gaat verloren dan door eigen schuld. God alleen kent de omstandigheden, de kracht der verleiding en der hartstochten. Oordeel dus niet, doch bid. Bid zonder ophouden, bid meer dan ooit. Wellicht heeft God bij het voorzien van het gebed en de goede werken, die voor deze ziel gedaan zouden worden, haar bij voorbaat daarvoor de zoo noodige genade van een oprecht berouw geschonken.
Breng edelmoedig het offer uwer groote en rechtmatige droefheid. Wellicht hebt gij jaren
— 17 —
lang gebeden om de bekeering dier ziel te verwerven. God verhoorde u niet op zichtbare wijze, doch zou hij niet juist om u in nederigheid te willen vestigen, u willen verbergen dat Hij uw gebed verhoord heeft. Wanhoop niet, wellicht zal de ziel, die gij verloren waant, de eerste zijn, die u in den hemel verwelkomt, en u dankt voor de gebeden tot hare eeuwige rust gestort.
Onze lijdensuren geheiligd.
I. Troost in ziekte.
us lichaam is een werktuig van boetvaardigheid.
Ieder Christen moet zijne zinnen bedwingen of doen lijden, wil hij ze beletten hem te doen toestemmen :.u de zonde. Maar wie vast? Wie mengt, gelijk de heiligen, asch onder zijn voedsel? Wie bewaart van den morgen tot den avond zijne oogen en ooren voor nieuwsgierigheid, zijne handen voor luiheid? Zoo God alleen rekende op onzen goeden wil, hoezeer zou zijue barmhartigheid bedrogen worden? Daarom zendt Hij lijden over aan het lichaam, dat de mensch niet genoeg voor zijne zonden kastijdt, en straft Hij door de pijnen de overdreven kieschheid waarmede wij dat lichaam behandelen. Het is zeker dat er veel minder ziekten heerschen in
de dorpen, waar de inwoners matig leven en hunne spijzen weinig veranderen, dan in de steden waar men zich vaak aan overdaad schuldig maakt, en daar de zinnelijkheid aan de tafel der dorpelingen niet aanzit, eerbiedigt de ziekte ook meer hunne door het werk en de matigheid verharde lichamen. Is dat niet billijk? De gelukzalige Maria der Engelen, karmelites te Turin, werd gedurende haar noviciaat door eene kwaadwillige koorts aangetast en ontving dit als straf voor eenige zinnelijkheden. Derhalve schreef zij aan haar zielbestierder; „Onze Heer heeft groot, gelijk dat Hij mij deze ziekte overzendt; daar ik mijn lichaam gaarne vlei, heeft Hij in zijne rechtvaardigheid toegelaten dat ik gedwongen werd om dit te doen.quot;
Moet gij, meer in waarheid dan de gelukzalige, niet erkennen dat gij het dierbaar omhulsel uwer ziel te zacht behandelt, en dat gij uwe ziel minder verzorgt dan haar dienaar uw lichaam ? Ligt de oorzaak uwer kwalen en pijnen niet dikwijls in de zinnelijkheid, die voorzit aan uwen disch ? Hebt gij den moed niet om daar eenvoud en soberheid te doen heerschen, verneder u ten minste over deze
— 20 —
zinnelijkheid met meer rede dan de heiligen. lii
Een honderdjarig kluizenaar, had bij zijn maal- 01
tijd zijne kruiden met een weinig olie bereid gj
en een teug wijn gedronken. Hij verontwaar- bl
digde zich tegen zich-zelven en noemde zich Ze
een oude gulzigaard! Welken naam moeten d(
wij ons-zelven geveu na elk onzer maaltijden? f af
Ui
II. Het ziekbed en de wil Gods. lij
Do;o;
e ziekte heeft u overvallen, uw geneesheer quot; to
zegt dat zij van langen duur zal zijn en gij h(
zegt: „Nooit zal ik gewoon worden te bed te ni
liggen.quot; Bemerk echter dat ziekelijke personen vt
langzamerhand aan het lijden gewoon worden. ^ h(
Ten laatste komen zij met Gods hulp zoo ver, d(
dat zij aan hun dagelijksch lijden niet denken. ih
Wilt gij gedurende eenigen tijd niet doen wat di
zij geheel hun leven doen\'? G
Gebruik uwe ziekte om ixwen wil te gelijk w
met uw lichaam af te matten. De pijn werkt u
mede in alles wat ons van den hemel komt. si
Het leven van alle menschen is een voortdu- G
rend kruis, wat maakt het dan of wij lijden li
op een donzen bed of te midden onzer bezig- le
heden ? God werkt op alle wijzen om ons naar sl
I
lichaam en ziel te redden. Ziedaar waarom hij ons op het ziekbed nederwerpt. En al zoudt gij voor jaren daaraan gekluisterd zijn, hoe blijde zoudt gij nog moeten wezen van u verzekerd te kunnen houden dat ge voortdurend den wil Gods vervult, en niets u daarvan aftrekt\'? Ik raad u aan partij te trekken van uw ziekbed, en u wel te doordringen dat uw lijden u door de goddelijke goedheid wordt overgezonden tot boete van het verleden en tot uw geluk in de eeuwigheid. Elke zaak heeft hare goede zijde, maar deze is op aarde niet altijd zichtbaar. Het geloof met de hoop vereenigd, verlicht de smarten. Wanneer gij het oog vestigt op uw bed, dat voor u het rad der martelie geworden is, dan zeg; Hier moet ik lijden, doch hier bemin ik, hier zal ik altijd den wil Gods beminnen. De gelukzalige Broeder Gerard Majella had op de deur zijner cel deze woorden doen plaatsen: „Hier doet men den wil Gods.quot; Hij zegde glimlachende: „Ik beschouw mijn bed als het werktuig van den wil Gods.quot; Zijn geneesheer vraagde hem of hij liever wilde leven of sterven ? „Ik wil noch leven, noch sterven,quot; antwoordde hij, „ik wil slechts wat God wil!quot; Eene volmaakte onder-
— 22 —
werping aan Gods wil scheen hem de beste deugd, die hij den zieken kon aanraden. Deze heilige broeder schreef aan personen, die de hulp zijner gebeden inriepen: „Geeft u geheel over aan den Heer, opdat Hij volgens zijn welbehagen over u beschikke. Hebt geduld, de tijd vervliegt, de verdiensten op uw ziekbed vergaderd zullen u volgen in de eeuwigheid.quot;
Vraag dikwijls de liefde tot den goddelijken wil; God zal u die verleenen met vele andere genaden, noodzakelijk voor uwen tegenwoordi-gen toestand. Eeue enkele zaak is u slechts noodig: Lijden met liefde ! God vindt behagen in eene volmaakte onderwerping aan zijne inzichten, maar de liefde tot zijnen heiligen wil behaagt Hem het meest. Maak u gewoon aan het denkbeeld, dat gij lang zult moeten lijden en aan het verwekken van veelvuldige akten van liefde.
III. De slapeloosheid.
eze beproeving zoo veelvuldig gevonden bij bedroefde of zieke personen, schijnt altijd nieuw en altijd even pijnlijk. Men schrikt bij het vooruitzicht van een slapeloozen nacht. Maar
— 23 —
het is tevens de beproeving, die de meeste middelen aanbiedt om haar moedig, ja godvruchtig te omhelzen. Gij telt alle uren, gij hebt geen oogenblik rust, gij durft u nauwelijks bewegen om den slaap niet te storen van degenen, die ii oppassen. Maar Jezus waakt met u. Hij wendt het oog niet van u af. Hij luistert naar eiken zucht, zijn oor vangt de minste klacht op. Hij telt uwe smarten en op zijn bevel schrijft uw engelbewaarder ze alle in het boek der eeuwige vergelding. Geen enkel dier oogenblikken, die u zoo lang vallen is voor u verloren. Hoe genadig worden de verheffingen uwer ziel om kracht en geduld ontvangen! Hoe vele verdiensten vergadert gij gedurende die zeven of acht lijdensuren, waaraan de dageraad een einde maakt!
Maar denkt gij ook aan Jezus, gedurende dien tijd dat Jezus zich zoo bestendig en tee-derlijk met u bezig houdt ? Luistert gij ook naar zijne klacht in de eenzaamheid van het tabernakel? Terwijl Hij naar u ziet, naar u luistert, voor u zorgt, voor u bidt en zich opoffert, hoe vele personen die slechts waken om Hem te beleedigen. Van hoe vele woningen keert zich zijn blik met afschuw! Hoevele misdaden
— 24 —
ziet Hij bedrijven onder den slnier der duisternis ?
En naarmate dat de zonden ziek opéénsta-pelen offert Hij zioli voortdurend op één of ander altaar van het wereldrond; zijn Bloed vloeit vóór zijnen Vader voor hen, die Hem op nieuw kruisigden. Vereenig dan uwe lijdensuren niet die van Jezus, offer ze op met het goddelijk Bloed. Gedurende die zelfde uren heeft Jezus gewaakt, gebeden, bloed gezweet in den hof van Olijven, Hij is met boeien en kluisters beladen, in een somber hok opgesloten, door zijne bewaarders gehoond en geslagen! Aan wie kan Jezus eene eerboete vragen voor zijn nachtelijk lijden dan aan de godvruchtige zielen? Vereenig dan uwe slapeloosheid met de nachtwake van Jezus, gevangen en mishandeld na zijnen vreeselijkea doodstrijd. Is uw lot, dat n zoo zwaar valt, wel bij het zijne te vergelijken. Al dacht gij slechts vier of vijf malen gedurende den nacht er aan om uw waken met dat van Jezus te vereenigen, zou dit reeds een troost zijn voor zijn Hart en voor u eene zeer nuttige oefening van godsvrucht.
— 25 —
i- IV. -De aanhoudende pijnen.
l. ICeu voegt zich naar eene voorbijgaande fol-
jf tering, doch men vreest het aanhouden van
;tquot;l ongeneesbare kwalen. Indien men niet zorgt
jp dikwijls zijne gevoelens van onderwerping op
in te wekken en te vernieuwen, komt men weldra
e. tot een toestand van wrevel, van ongeduld, van
.ft opstand. Overgeleverd aan eene reeks van droe-
en vige dagen, door dezelfde pijnen gekenmerkt, niets
!ïs meer verwachtende van de toekomst, slaken som-
ior mige personen, soms ondanks zich-zelven, de
an smartkreet „och, kon ik maur sterven.quot; — Deze
ijn mismoedigheid doet vele verdiensten verliezen.
;n? i Wanneer de heiligen door ongeneesbare kwalen
ht- worden aangetast, bidden zij veel en verkrijgen
na daardoor de genade, die moedig te verdragen,
t u De gelukzalige Margaretha van Savoije was
en. reeds lang aangetast door de jicht; toen zij
du- eens bad om verlichting verscheen de H. Maagd
dat haar, en zegde: „Mijn goddelijke Zoon wil dat
een Gij aldus zult lijden tot het einde van uw
jeer leven.quot; Onmiddellijk vraagde de heilige hertogin aan Maria de genade eener oprechte gelatenheid en nooit ontsnapte eene enkele klacht meer aan hare lippen. Als meu haar vraagde hoe zij
— 26 —
zich lievoud, antwoordde zij altijd: „Zeer wel, want ik vervul den wil van God.quot;
Volg dit voorbeeld. Gij hebt geene openbaringen noch verschijningen noodig om te weten dat gij levenslang moet lijden. Het verleden borgt ons voor de toekomst. Laat u niet ontmoedigen, zelfs zeg ik u met Fenelon. „Bedank God, die in uw gestel een schat gelegd heeft door de kiem der ziekte, waardoor gij langzaam alle uren van den dag kunt sterven.quot; Die voortdurende staat van lijden heeft ontegensprekelijk in de plannen Gods, het edelst doel. Vraag uwe genezing niet met te veel aandrang, want, om uwe begeerte te vervullen, zou God wellicht toestaan dat een ander voor u leed. En als dit offer ouder de uwen gekozen werd, wat zoudt gij dan uw gebed betreuren! Vergeet nooit dat gij in de wereld zijt om te lijden. Lijd dus gelijk iemand, die zich tehuis gevoelt in zijne roeping. Niets gebeurt zonder de goddelijke toelating en alles geschiedt tot ons welzijn; daarom moeten wij troost en lijden even gewillig aannemen. Al vreest gij dat het lang zal duren, moet gij u toch gedragen al waart gij aan de betere haud, dan zult gij blijmoedig tot degenen, die u komen bezoeken
— 27 —
Keggen: God zij geloofd, ik bevind mij nn zeer wel!quot; Zeg ten allen tijde. „Het gaat mij goed, want ik vervul den wil van God.quot; Ach hoezeer bemint God eene ziel, die altijd tevreden is in den staat, waarin Hij haar plaatst! Tracht u door Jezus te doeu beminnen, en gij zult het voorwerp zijn van het welbehagen zijns Vaders!
V. Bij zivare hoofdpijnen.
ïedert eenigen tijd vermeerderen uwe pijnen en vermeerdert mijn medelijden met u.quot; Intus-scheu moet gij u niet verwonderen,quot; zegde de H. Agapitus, „als het hoofd, dat in den hemel met glorie gekroond moet worden, op aarde lijdt.quot; — Ik dank God, die u met welbehagen beschouwt onder dien diadeem van doornen. Als gij de pijn voelt opstijgen, verbeeld u dan dat Jezus eene bloedige doorn uit zijn voorhoofd trekt en ze u aanbiedt om ze in het uwe te drukken. Zult gij ze weigeren, als zoo velen die met verrukking zouden aannemen? Zeg, even als de gelukzalige Margaretha Maria, eens toen zij hevige hoofdpijn leed. „Ik ben mijnen Zaligmaker grootere dankbaarheid schuldig voor deze kostbare kroon, die mij
i
niemand ontnemen kan, dan als gave Hij mij al de diademen dezer aarde, want deze kroon stelt mij in de gelukkige noodzakelijkheid mijne nachten slapeloos door te brengen, en aldus meer aan mijnen Zaligmaker te denken.quot;
Laat gedurende deze verschrikkelijke pijn een deel van uw werk en uwer gebeden. Span u minder in met het overdenken der smarten van uwen goddelijken Meester, en verwek liever inwendig akten van onderwerping en van liefde tot deu heiligen wil Gods; nooit zal die liefde oprechter zijn dan te midden van het lijden. Verhef dikwijls door eene enkele beweging des harten, uwe ziel tot God. Roep gedurende sla-pelooze nachten Jezus aan, die den laatsten nacht zijns levens doorbracht in een duister hol, en op het kruis geen oogenblik zijn dooide doornenkroon verscheurd hoofd kon laten rusten.
Uwe pijnen zijn zeer voordeelig voor uwe zaligheid. Gij hebt slechts te rekenen met de goedheid, de barmhartigheid van God en een weinig ook met zijne rechtvaardigheid, die er tusschen komt in zooverre het noodig is om u te sparen in het toekomstig loven. Bid dan nie* dat God u hier uwe pijnen ontneme, want gij
— 29 —
zoudt u daardoor vreeselijke smarten bereiden in eene toekomst, die met snelle schreden nadert. Neem de pijnen aan uit Jezus eigene handen. Hoe gelukkig zult gij zijn onderworpen en tevreden te leven in Gods Hart. Houd goeden moed! Alles gaat voorbij! Snel verloopt het leven en de hemel, die ons met zijne vreugde en zaligheid wacht, zal nooit voorbij gaan!
VI. Bij hevige tandpijn.
it lijden is onverdragelijk, omdat het u dag noch nacht rust laat. Gij deelt, hoewel door eene andere oorzaak, eenigszins het lot der H. Apollonia, wier tanden met gloeiende tangen werden uitgetrokken, omdat zij den naam van Christus had beleden. Welk eene vreeselijke marteling! En gij zoudt durven klagen als men u één tand moet uittrekken?
Als de pijn u een oogenblik rust laat, denk dan dat gij wordt gestraft door het werktuig der zonde! Heeft uw mond u nooit door zinnelijkheid doen zondigen? Hebt gij aan tafel nooit eenige wet der Kerk overtreden? Welnu, ziedaar een uitmuntend middel om boetvaar-heid te doen voor fouten, die gij wellicht te
ras vergeten hebt. Misschien meent gij dat dit alles door een vluchtige akte van berouw goed gemaakt is. Wij weten nooit hoeveel malen wij gezondigd hebben noch of onze boetvaardigheid voldoende geweest is. Als men zoo terugdeinst voor het lijden, is het wel te vreezen, dat men zijne schulden niet volkomen uitgewischt heeft. Zijn zij het, des te beter. God zal ons dan wellicht laten voldoen voor eene ziel, die Hij in zijn paradijs wenscht op te nemen. In elk geval bestaan er voor ons lijden duizenden redenen, de eene al wettiger dan de andere. Wees daarvan verzekerd.
Wat moet gij doen bij deze levendige pijnen? Uwe smart annnemen met onderwerping, verdragen met geduld, met liefde opofferen ter verkrijging van deze of gene reeds zoo lang vruchteloos afgebeden genade.
Beschouw Jezus aan het kruis. Welke vree-selijke foltering veroorzaakte Hem de doornenkroon, zoo gruwelijk op zijn goddelijk hoofd gedrukt.- Beschouw den hemel. Eens zult gij beloond worden ver boven datgene wat gij thans lijdt. Trek door uw ongeduld en uw morren geene andere straffen over uw hoofd, doch zorg zelfs het minste greintje uwer ver-
— 31 —
t diensten niet te verliezen. Als uwe akten van
1 onderwerping de woedende pijn niet kunnen
i bedaren, zullen zij die toch zeker heiligen.
0 VII. Het ondergaan eener smartelijke operatie.
3 F!
1 Meg niet; liever sterven dan deze operatie •t ondergaan. Gij zoudt spreken als waart gij r meester van uw leven, terwijl God alleen als p meester van ons bestaan, naar zijn goedvinden s f dit kan verkorten of verlengen. Wanneer ons x leven noodig is voor ons gezin, bestaan er nog
meer reden om alle middelen te gebruiken, ? die ons zoo lang, als het God belieft in deze
wereld kunnen houden. Verscheidene heiligen ;r hebben zich aan operatiën onderworpen, alleen uit
amp; liefde tot God, die hen op die wijze wilde heiligen.
De H. Josephns van Leonissa, een Kapucijn, zag op het oogenblik dat hij eens smartelijke operatie moest ondergaan, dat de chirurgien d hem met koorden wilde vastbinden en riep uit:
ij „Hoe banden en koorden! Zie hier mijn Zalig-
ij maker, met nagelen doorboord, ter mijner
iv liefde, die mij bindt en mij dwingt uit liefde
1, tot Hem onbewegelijk te blijven.quot; Aldus onder-
■_ ging hij zonder eene enkele klacht, de smart-
volle operatie en een blik op zijn kruis was genoeg om elke smartkreet te doen verstommen.
In dagen van vurigheid zegdet gij: „Waarom werd ik niet geboren tijdens de vervolging, dan hadde ik den palm van den marteldood kunnen behalen! God heeft dat woord aange-teekend, en ziedaar de martelie, niet om u te doen sterven, maar om uw leven te heiligen, uwe kroon te versieren. Laat u dan zoo noodig binden, bedwelmen, onderwerp u aan alle noodzakelijke maatregelen, alsof men u voor den naam van Jezus naar den brandstapel voerde. Door uw geduld zult gij den heiligen Naam verheerlijken, in wiens kracht, al wat God wil, ons mogelijk wordt. Plaats vooral door eene vurige Communie Jezus in het midden van uw hart en zeg eenvoudig met den H. Johannes van Sahagun, alvorens eene zeer gevaarlijke en moeielijke operatie te ondergaan: „Heer ik heb geene andere hoop dan in U, geef mij de kracht de pijnen, die mij wachten te verduren.quot; Eens zult gij God loven dat Hij u zooveel gevraagd heeft, als gij zult zien, dat uwe belooning uwe liefde jegens Hem evenaart, ja zelfs ^er overtreft.
— 33 —
VIII. Troost bij hevige smart.
\'^ele pijnen overvallen n te gelijk en slaan n ais geeselroeden. Denk dan dat Jezus u een der nagelen aanbiedt, waarmede Hij werd vastgeklonken.
Kan Hij u iets kostbaarders geven dan een deel van wat Hij voor zich-zelven koos? Gij meent dat Hij n den diksten en sclierpsten nagel heeft uitgekozen. Dit moge waar zijn, maar Hij heeft zich voor n laten kruisigen, en zoo gij al meer dan anderen moet lijden, zoo vermeerdert de genade in evenredigheid uwer smart.
Deze zelfde gedachte trachtte de H. Fran-ciacns van Sales in te boezemen aan iemand, die een gevaarlijk abces had. ,.Als de heelmeester u met zijn lancet nadert,quot; zegt hij. „denk dan dat hij zich bedient van een der nagels, die de voeten van onzen beminnelijken Zaligmaker doorboord hebben. Welk eene groote eer bewijst Hij u door ter uwer heiliging een werktuig te gebruiken, waardoor de zaligmaking der menschen bewerkt is. Het is voor u dat zijne ledematen geheel doorboord zijn. Zou dan eene wonde u mishagen als gij denkt dat uw Zaligmaker van hst hoofd tot de voeten
— 34 —
slechts ééne wonde was? En deze wouden x
waren Hem zoo dierbaar, dat Hij zelfs in deu 01
hemel die wil behouden. Ouk de uwe zullen j)
eenmaal glorierijk zijn. w
Gij meent dat het onmogelijk is God op uw
ziekbed te dienen en gij zucht aldus uwe i1(
oefeningen van godsvrucht, te moeten achter- d,
wege laten. Zeg mij eens waar heeft Jezus h(
Zijn goddelijken Vader het meest verheerlijkt, G dan wel aan het kruis genageld? Toen kon ^ y Hij Zijnen goddelijken Vader niet anders dienen j ]j
dan door het lijden! Zoo staat het thans eenigs- ^
zins met u. ... Breng dan uit goeder harte z, thans het offer uwer smarten aan Hem, die
t\'
leed om ons eeuwige pijnen te sparen.
Toen de groote apostel van Beieren, Sebas- ^ tiaan Winkelhofer, door ziekte verplicht werd
zijne prediking te staken, waardoor hij zoo e
vele zielen bekeerde, zegde hij: „de Heer heeft g
het gedaan.quot; — Deze woorden behooren steeds j,
op uwe lippen te rusten, als het, kruis u drukt; v
de Heer Jezus doet alles ter iiwer zaligheid. cquot;i
Gaarne nemen wij die woorden „De Heer heeft i
het gedaanquot; tot onze leus als ons alles toelacht d
en wel gaat, om ons niet te verheffen en ons niets j
toe te eigenen van de gaven Gods. Dit is billijk. z
— 35 —
Alle natuurlijk en bovennatuurlijk goed, dat uit onze handen komt, is het werk van Gods genade. Doch wanneer Hij in Zijne barmhartigheid onze werken gezegend heeft en ons beloont door het lijden, zeggen wij dan ook altijd: „De Heer heeft het gedaan en wel gedaan.quot; Deze woorden zullen de klachten en het gemor terughouden, dat somtijds onzen lippen wil ontsnappen. Geven wij ons liever over aan vreugde en ^ vertrouwen in de rampen, die onze natuur kruisigen en heihalen wij steeds: „De Heer heeft het gedaan, bijgevolg is dat voor mij zeer goed.quot;
IX. Nut eener smartelijke werkeloosheid.
lechts met moeite begrijpen wij het nut van een toestand, waarin de gedrukte geest geene gedachte kan voortbrengen en de smart onze ledematen tot werkeloosheid dwingt. Het is wellicht dan, volgens de meening der heiligen, dat wij het meeste doen voor onze heiliging. De menschen, die druk voor hunne zaken in de weer zijn, leven in voortdurende werkeloosheid voor God, zoo zij Hem hun arbeid en hun zwoegen niet opdragen, maar de zieke, of lij-
dende, al schijnt hij werkeloos, leidt voor God een zeer verdieustvol, werkzaam leven als hij lijdt voor God. Men betuigde aan iemand, die door verlamming aan zijn leunstoel gekluisterd was, groote deelneming, omdat hij een leven moest opgeven dat geheel aan goede werken was toegewijd. „Wat maakt mij, antwoordde hij, de toestand, waarin God mij plaatst! Liever wil ik van den morgen tot den avond in mijn leunstoel zitten door den wil van God, dan uit eigene beweging vele goede werken verrichten. Het werk des mensohen is niets, zijne onderwerping is aUes. Mijne tegenwoordige werkeloosheid is nuttiger voor mijne zaligheid, dan al mijne vorige werken.quot;
Herinner u dit antwoord zoo dikwijls als uw kruis zwaarder drukt en u tot werkeloosheid veroordeelt en zeg dan : „Mijn lijden belet mij te werken, doch bevordert de werking der genade. God, die inij in een oogwenk mijn lijden kan ontnemen, laat het langer duren, opdat het Zijn werk in mij moge volbrengen. Anderen zien het einde hunner ziekten en beproevingen, de mijne houden steeds aan, omdat het goed voor mij is te lijden. Wel kost het mij moeite mij daarvan te overtuigen, wel zou ik het anders
— 37 —
verkiezen, maar God weet beter dan ik wat nuttig is voor mijne ziel, en zoo Hij mij doet lijden zoo komt dit omdat het noodzakelijk is voor mijne heiliging of die van anderen.quot; Doordring n van deze en dergelijke gevoelens zoo lang uwe beproeving duurt en wacht geduldig het uur af, waarop het G-od zal behagen u er van te verlossen.
X. Voordeelen der blindheid.
Tf
isn het jaar 384 der christelijke jaartelling werd een priester, Andreas genaamd, veroordeeld om onthoofd te worden. Pusicus, opzichter der openbare werken, hem ziende beven in afwachting van het oogenblik der gerechtstelling, riep hem toe: „Mijn vader, sluit een oogenblik het oog, weldra zult gij het licht van Jezus Christus zien!quot; Wat Ananias deed ingevolge een wijzen raad, hebt gij gedaan door den wil Gods. Hij, die jaloersch was op de blikken, die gij op de schepselen sloegt, heeft u het middel verschaft om de oogen uwer ziel steeds op Hem gevestigd te houden. Deze beproeving • is zoo groot en pijnlijk aan onze natuur, dat God meestal daaraan groote genaden verbindt. De heiligen
beschouwen de genezing niet als de grootste genade. Houd u aan hunne meening.
Op het gebed van den gelukzaligen TJbaldus, genas God eens een groot getal zieken, behalve een blinde, die zich nochtans niet groot vertrouwen tot den heilige had gewend. Om hem te troosten, zegde de bisschop hem: „Zoo God u het licht der oogen hadde teruggegeven, zon het licht uwer ziel zeker minder helder geweest zijn. Is het dan niet beter dat het onsterfelijk deel van uw wezen verlicht zij dan het sterfelijke? Verdraag geduldig uw lijden eu keer onophoudelijk uw inwendigen blik tot God, die door uwe getrouwheid getroffen, u zal beloonen, door u bij uw verscheiden uit deze wereld, het licht der glorie in ruimer mate te scheuken.quot; De blinde werd door deze woorden volkomen getroost; zullen zij voor u van minder kracht zijn?
Sedert lang vraagt gij God de genezing uwer oogen, maar zou dat gebed u voordeelig zijn ter zaligheid? Uw beste gebed is aan Jezus Christus te betuigen, dat gij, geheel aan uwen eigen wil verzakende, u geheel aan Zijnen wil onderwerpt.
— 39 —
XI. Ons lijden is het langdurigst en het zwaarste lijden niet.
O
«*111 uwe smarten boter te verdragen, moet gij ze vergelijken met die. van anderen. Eene menigte mensolien lijden even veel, ja veel meer dan gij. Doorloop de zalen der hospitalen, treed in die vochtige woningen, in die schamele hutten, waar armoede en smart heerschen en beklaag u dan als gij durft. Is uw toestand erger dan die dezer zieken, dier hehoeftigen en zij doorstaan nochtans hun lijden met een heldhaftig geduld.
Gij klaagt over de langdurigheid uwer smarten, maar heht gij aoht-en-dertig jaren op uw bed doorgebracht en even als Ludwina voor geheel uw leven van het gebruik uwer ledematen beroofd geweest? Beschouw het lijden van den Zaligmaker; Hij leed van Zijne geboorte tot aan Zijnen dood; och! laat het u niet vermoeien te lijden!
Eene religieuze, Madeleine Orsini genaamd, werd sedert geruim en tijd door allerlei kwellingen als overladen Jezus verscheen haar aan zijn kruis gehecht en vermaande haar geduldig te lijden. De dienstmaagd des Heeren durfde
Hem antwoorden: „Heer slechts drie uren hebt Gij aan het kruis gehangen en ik lijd reeds sedert zoovele jaren! — O gij dwaze, antwoordde haar de Zaligmaker, van het eerste oogenhlik mijns levens, leed ik in mijn hart al de pijnen, die ik later op het kruis leed.quot; — Gij kunt niet zeggen, dat gij nooit een enkel oogenhlik rust vindt; uwe pijnen houden somtijds op. En als gij onzen Heer oprecht bemint, zullen uwe smarten u minder hevig, uw verdriet minder bitter schijnen. Vraagt gij den martelaren, den belijders, hoelang en hoeveel zij geleden hebben, dan zullen zij u antwoorden; „Onze beproevingen, onze lijdensuren hebben slechts een oogenhlik geduurd, de genade verlichtte ze, en onze belooning is eeuwig/\' — De tegenwoordige kwalen, zegt de H. Bernardus, zijn niets in vergelijking met de zonden, die God ons heeft vergeven, en de glorie, die wij eenmaal verwachten! Houd u vast aan Gods hand, hetzij Hij uwe kwellingen verkorte of verlecge en houd u verzekerd, dat een volmaakt betrouwen op Hem het middel zal zijn om uit uw toestand uitmuntend partij te trekken voor tijd en eeuwigheid.
XII. Het gebed van den zieke.
^aulus op den weg van Damascus door de machtige hand des Heeren nedergeworpen, mocht Hem vragen; „Heer! wat wilt Gij dat ik doe?quot; De zieke behoeft op zijne üjdensspoude dit niet te vragen, want hij volbrengt Gods wil reeds, en moet slechts begeeren om dien steeds beter en beter te vervullen, meer en meer gelijkvormig te worden aan den lijdenden Jezus.
Een geneesheer zegde tot een jonge vrouw: „Mevrouw, ik zal al het mogelijke doen om u zoodra mogelijk van al uw lijden te genezen.quot; — „Dat is te veel. Dokter,quot; zegde zij glimlachend, „neem mij alleen datgene af wat mij belet mijne plichten te vervullen; indien ik niets meer te lijden had, hoe zou de lijdende Jezus dan bij mijnen dood zijn beeld in mij erkennen?quot;
Terwijl het lijden u dag en nacht wakker houdt, zegt dan bij het slaan der klok: Mijn God, geef mij de genade heden wel te lijden.quot; Is het volbrengen van den wil Gods uw laatste einde niet? God wil, dat gij veel en lang lijdt. Moet gij u daarom bedroeven? Neen, wa.nt niets
beters kan u overkomen! Hoor wat de heilige Magdalena van Pazzi n daaromtrent zegt: „Mij dunkt, dat ik geene enkele foltering nooli smart zou kunnen weigeren als God mij vraagde dit ter zijner liefde te verduren.quot; Zij gevoelde zoo wel dat geheel ons geluk bestaat in voor God te mogen lijden, dat men te midden der hevigste pijnen, die haar folterden, haar slechts behoefde te zeggen: „Het is de wil Gods, dat gij lijdt.quot; Dit was genoeg om haar het lijden te doen omhelzen en haar geloof deed haar een grooten troost vinden hij de gedachte, dat de wil Gods door haar volbracht werd. Denk gelijk deze heldhaftige ziel, dat gij bestemd zijt om Gods wil te volbrengen en herhaal dikwijls: „Heer, geef mij de genade om wel te lijden uit liefde tot u, uit liefde tot Maria, de Koningin van uw lijdend Hart.
XIII. Liefdeverzuchtingeii in ziekte.
Set Hart van Jezus ontvangt zoo gaarne betuigingen van liefde en vertrouwen, vooral wanneer Hem die gegeven worden te midden der hevigste pijnen en diepste smart. Zend Hem in die oogenblikken, waarin gij zoo hevig lijdt,
— 43 —
door uw engelbewaarder, als bewijs uwer berusting op zijne goedheid, eene boodschap, gelijk die van Martha en Maria, toen zij haren broeder met den dood zagen worstelen: „Heer, hij dien Gij lief hebt is ziek!quot; of wel: „hij dien Gij lief hebt, is tot de uiterste droefheid gebracht.quot; Is dit niet zwijgend gezegd: „Ik houd mij verzekerd dat het genoeg is U mijn treurigen toestand bloot te leggen om door U geholpen te worden.quot; De ware vriend verlaat ons niet in het uur der beproeving. Hoe zou Jezus u verlaten, u die Hem bemint, terwijl hij de zondaars helpt bij hunne eerste bede? Hernieuw uwe verzuchtingen dikwijls door den dag en wat er ook gébeure, volhard in het uitdrukken van gevoelens van ootmoed en vertrouwen. Zoo Jezus uitstelt u ter hulp te komen en te troosten, herdenk dan hoe dikwijls Hij u reeds verhoord heeft, en hoe dikwijls gij zijne goede inspraken verzuimd hebt. Hond u verzekerd, dat Hij uw vertrouwen niet zal beschamen al stelt Hij eenigen tijd uit. Hij zal u verhooren, wellicht niet volgens uwe menschelijke, maar volgens zijne goddelijke inzichten. Helpt Hij u niet voor den tijd, dan helpt Hij u voor de eeuwigheid. Offer somtijds uw lijden op tot bekeering der
zondaars. „Hij, die voor anderen bidt,quot; zegt de H. Alphonsus, „zal spoedig verhoord worden als hij voor zich-zelven vraagt.quot; Verzucht dikwijls inet de heilige Magdalena van Pazzi: „Heer! laat mij zoo dikwijls sterven en herleven, tot ik de schulden van alle zondaars bij uwe rechtvaardigheid uitgewischt heb.quot;
XIV. Begeerte te genezen.
O\'ij moogt zeker de gezondheid vragen aan onzen Heer, doch zou Hij tot u niet even als tot de heiligen mogen zeggen: „Wees tevreden zoo ik u de gezondheid geve of neme.quot; De gelukzalige Margaretha-Maria, hare stem verloren hebbende, bad Onzen Heer haar die terug te scheuken. Jezus antwoordde; „Uwe stem behoort niet aan u, doch aan mij. Wees evenzeer tevreden volgens mijnen wil te spreken of te moeten zwijgen.quot; De gelukzalige door die les getroffen, zegde zacht: „Niets behaagt Jezus meer, niets is nuttiger voor de ziel dan eene volkomen overgeving aan den hemelschen Vader.quot; Verlang derhalve niet te sterk naar uwe genezing; dring bij God niet te zeer hierop aau en bereid u zelfs om ziek te willen blijven, zoo Hij dit verlangt.
— 45 —
„Leef,quot; zegt de gelukzalige Margaretha-Maria, „leef eiken dag en elk uur gelijk het der Voorzienigheid behaagt, en neem gaarne alles aan wat zij overzendt, vreugde of kwelling, vrede of onrust, gezondheid of ziekte. Vertrouw op God, Hij zal u niet verlaten. „Hoe meer gij u zeiven verlaat, hoe dichter God bij u zal wezen.quot;
Tracht nut te trekken uit deze woorden van den Zaligmaker en die zijner getrouwe dienstmaagd. Zeg ook: Wat maakt het mij of ik mijne stem verloren heb, als mijn hart God maar kan aanroepen! Wat maakt het mij of ik het kruis moet dragen, als ik maar voortga op den weg des hemels. Mijn leven behoort mij niet toe. Ik verlaat mij op God. Alles wat volgens Zijnen wil geschiedt is welgedaan.
XV. Zich verlaten op den goddelijken geneesheer.
Tijdens de beproeving is de christen in Gods hand als de zieke in de hand van een bekwaam geneesheer, wiens voorschriften hij moet volgen van uur tot uur, hoezeer deze hem soms tegenstaan. De dokter, die den smaak van zijn zieke
— 46 —
zou raadplegen, zou hem doodeu. Hij moet of zijnen raad doen volgen of zijn afscheid nemen. Schrijft hij niets meer voor, zoo is dit omdat hij weet dat niets meer kan haten. Als God eene ziel overlaat aan hare begeerten is dit een bewijs, dat God aan hare genezing wanhoopt. Geloof niet dat de hevigheid uwer kwalen de wetenschap van uwen hemelschen geneesheer heeft uitgeput. Hij evenredigt de middelen naar de kwaal. Gij stelt uw vertrouwen in de aard-sche geneesheeren, gij volgt hunne voorschriften en gij zoudt Hem, die alle wetenschap bezit, mistrouwen! Het Hart van Jezus wordt verheerlijkt als gij te midden der hevigste smarten en wreedste kwellingen blindelings op Hem vertrouwt en veel liever op Hem steunt dan op de hulp der schepselen.
XVI. Het goddelijk geneesmiddel.
0
nze Verlosser heeft het II. Sacrament des Altaars en het lijden door de nauwste banden vereenigd. Zij leenen elkander wederzijdsche hulp. Als wij lijden, communiceeren wij beter en de Communie helpt ons oin beter te lijden.quot; Dikwijls verlicht zij onze smarten, gelijk wij
— 47 —
lezen in het leven der heilige Barbara. Na vreeselijk gepijuigd te zijn geworden, wierp men haar in een afschuwelijken kerker, waaide H. Communie haar op geheime wijze gebracht werd. Terwijl zij Jezus bad. haar in haren laatsten strijd te willen versterken, verscheen de Heer haar onder Zijne mensche-lijke gedaante en zette haar aan met geloof en liefde in den strijd te volharden. Op hetzelfde oogenblik gevoelde Barbara zich bekleed met eene bovennatuurlijke kracht, en zoo volkomen genezen, dat er zelfs geen spoor van de strafoefening en foltering overbleef.
Hevige smarten overweldigen u geheel.... Eoep Jezus ter hulp en smeek Hem u door de heilige Communie te komen bezoeken. Hij zal u versterken, u troostende gedachten inboezemen, indien het Hem behaagt uwe pijnen te verlengen.
Ga zoo dikwijls ter heilige Communie als het u mogelijk is, maar zoek geene lange voorbereiding, vermoei uw geest niet door uuttelooze pogingen. Gij lijdt, dit is genoeg. Juist omdat gij ziek zijt, komt Jezus gaarne tot u. De pijnen, die gij lijdt trekken Zijn Hart tot u. Het lijden is geene akte van eigen wil, het is
— 48 —
als de indruk van den goddelijken wil op ons. Draag dan den last, dien God u oplegt, lijd met gelatenheid, en als gij Jezus onder den schijn van hrood bij u ziet hinnentredeu, dan kunt gij zonder vrees zeggen: „Mijn hart is bereid, Heer, mijn hart is bereid. Kom, Heere Jezus!quot;
XVII. Ons lijden vereenigt ons met het voortdurend offer van Jezus-Christus.
De smart vereenigt ons geheel met Jezus gekruist. Deze vereeniging stemt ons tot eene bijzondere deelneming aan al de HH. Missen, welke voortdurend over de geheele wereld opgedragen worden. Het valt u zeer hard, belet te zijn de H. Mis bij te wonen. Gij blijft in het verdriet gedompeld en vergeet het voordeel, dat gij nu trekken kunt uit eene grootere gelijkvormigheid met het goddelijk slachtoffer, dan wel als gij gezond zijt. Gij kunt in uw smartvollen toestand een onmiddellijk deel nemen aan het lijden van Jezus-Christus, en op het altaar des lijdens, dat God u doet beklimmen, knnt gij, in vereeniging met al de Missen, die heden gedaan worden, een ofter
- 49 —
opdragen dat zeer nuttig zal zijn voor uwe ziel, bekwaam om God te verheerlijken eu op de lijdende en strijdende Kerk een overvloed van zegen af te trekken.
Wacht u dus wel te denken dat de H. Mis u onnuttig is, omdat gij ze niet kunt bijwonen. Als de klok u zegt dat het heilig offer hegint, vereenig dan uw lijden met het lijden van Je/.us-Christus en verheug u over het voordeel dat gij zelf gaat trekken uit deze groote oefening van godsvrucht. Verzoek uw engelbewaarder uw hart op het altaar te gaan neerleggen. Bid Jezus Christus het te vereenigen met Zijn Hart door eene vurige geestelijke Communie. Als gij op die wijze uwe lijdensuren van den dag\' aan Jezus-Chiistus zult hebben opgeofferd, zullen zij u minder smartelijk vallen; gij zult ze naar het voorbeeld der heiligen moediger doorstaan. Keer u ook dikwijls tot 0. L. Vr. van het H. Hart en zeg Haar: O Maria, in mijne altijddurende smarten reken ik op uwe altijddurenden bijstand. Gij kunt, indien gij wilt, mijne volgens de natuur ongeneesbare kwalen doen verdwijnen. Maar indien mijn lijden moet toenemen, indien uw Hart genoodzaakt zij, volgens de plannen van God, mijne
3
— 50 —
genezing nit te stellen, laat mij dan die plannen g(
der goddelijke liefde, die slechts mijne heiliging g(
ten doel hebben, beminnen en aanbidden. di
jj df
XVIII. De. onontbeerlijke deugd der zieken. G
I gi
«J be
wTij houdt u met alle recht verzekerd, dat gij 01
geeue groots edelmoedigheid hebt in uw lijden. be
Onthoud die bekentenis wel, want daardoor bl
komt men tot de gevolgtrekking: „Kan ik niet \' Is
edelmoedig zijn in het offer, dan zal ik trachten te
door het geduld in het lijden te voldoen voor de
hetgeen ik bij God te kort schiet in het offer de
van mij-zelven. Het geduld beheerscht het hart, - te
waarin de liefde tot God woont. Daarom ver- n;
elraagt de Christen met kalmte de wisselvalligheid g(
dezes levens. Men kan het gevoel der smart g( niet verstikken, doch men kan zijne gedachten en zijne tong altijd onderwerpen aan den wil Gods. Uit vreeze van de natuur te zeer in te
volgen, moet men zeer weinig spreken over m
zijne kwalen met onverschilligen, die er geen y
belang in stellen, met zijne vrienden, die ze u
niet kunnen genezen, maar spreken wij er van de
met onzen Heer, met de H. Maagd, die zoo df
— 51 —
goed en medelijdend voor ons zijn. Het gebed geeft ons kracht om elke zaak, die ons bedroeft, geduldig te verdragen. Stel u voor dagelijks drie oefeningen van geduld te doen. Gij neemt bijv. een lauwen drank, dien gij gaarne warm zoudt hebben; gij wacht om uw bediende te bellen, die u laat wachten; gij ontvangt vriendelijk uw geneesheer, die zijn bezoek een vol uur heeft laten wachten; gij blijft liggen in een slecht geschud bed enz. Is het geen dwaasheid minachtend den prijs te verwerpen, beloofd aan het geduldig lijden der rampen dezes levens. O hoevele verdiensten doet het geduld ons vergaderen voor dien groo-ten dag der vergelding. Ontvang dan in Jezus naam die kwalen, waarvoor menschelijker wijze gesproken geene genezing bestaat en lijd ze geduldig uit liefde tot Hem.
XIX. De boetvaardigheid en versterving der zieken.
B,
Boi bemint u genoeg om u in staat te stellen u te versterven, zelfs in zaken die niet verboden zijn, ten einde uwe verdiensten, en de daaraan verbonden belooning te verdubbelen.
\\
Versterf u g-aarue ter zijner eer en voor uwe eeuwige zaligheid. Laat de gelegenheid niet voorbijgaan om u kleine verzachtingen, die u niet noodzakelijk of misschien uadeelig voor uwe gezondheid zijn, te ontzeggen. Gij zijt bijv. zeer moede van het leggen en zoudt gaarne opstaan of van plaats veranderen, de geneesheer verbiedt het! Gij verlangt naar een kouden, frissohen drank, hij beveelt u een zoeten en warmen. Gij snakt naar lucht en men houdt uwe vensters gesloten. Gij zoudt eenige vrienden willen ontvangen, men veroordeelt u tot stilte en eenzaamheid. Onderwerp u aan dit alles. Ziedaar uitmuntende boetplegingen, die uwe genezing gewis zullen bevorderen. En gij zult eene den Heer zeer aangename zaak doen, zoo gij nog vrijwillig hier iets bijvoegt. Dit immers is Hem zeggen: Mijn God, ik ben zo3 ver verwijderd van mijn lijden te groot t3 vinden, dat ik in vereeniging met den gal en edik, die Gij bij uwen kruisdood hebt gevoegd, nog deze of gene zaak bij mijn lijden wil voegen om u des te beter te gelijken. Tracht ook het ongeduld te onderdrukken en vooral te verbergen bij het ondervinden van eene onhandigheid, een vergeten bevel, eene traagheid om
— 53 —
aan uwen wil te gehoorzamen? Verdraag kalm de duizend kleine wederwaardigheden van uw ziekelijken toestand; gij zult vele fouten vermijden en groote verdiensten voor den hemel vergaderen.
XX. Het lijden helpt ons ter zaligheid.
ellioht heht gij dikwijls de woorden gehoord: „Stel uwe bekeering niet uit tot morgen,quot; — hetzij van den stoel der waarheid of der boetvaardigheid, zonder dat zij bijzonderen invloed op u te weeg brachten. GHj waart toen niet geschikt tot eene volkomen verandering van leven, maar nu de ziekte u op eene lijdenssponde kluistert, u veroordeelt tot eenzaamheid, tot slapelooze nachten en vervelende dagen, nu nemen die beproevingen eene stem aan en roepen ons toe: „Gevangene der goddelijke barmhartigheid, bekeer u tot don Heer uwen (rod.quot; Wacht niet tot het laatste oogenblik om de inspraak der genade te volgen, — dan zou het te laat zijn —- en gij zondt gevaar loopen uw lijden in de eeuwigheid te zien vermeerderen. Wat houdt n terug? De zorg voor uw bestaan, voor uwe
fortuin? Naar de audere wereld neemt men niets mede? Helaas, zij die gij bet teederst bemint zullen, zoodra gij bet oog gesloten bebt, wellicht de eersten zijn om u uit uw buis te zetten. Gij bebt niets zekers dan bet graf, dat uw licbaam tot bet laatste oordeel zal bewaren. Bid dan en zorg voor uwe ziel, ten einde in de eeuwigheid gelukkig te zijn. O hoe kostbaar zijn deze oogenblikken u door God verleend om bet verleden te boeten. Begin eiken dag als ware bet de laatste. Gij kunt reeds nu uwe eeuwige woning bouwen. Gelijk gij baar maakt door uw geduld en goede werken, zal zij eeuwig zijn.
XXI. De ziekte is eene leerschool van ootmoed.
m
■ ijdens de ziekte leert men zich-zelven kennen. De lijdende, als hij ten minste niet zeer deugdzaam is, verliest zijne macht over zich-zelven en toont onwillekeurig wat hij is. De lichamelijke zwakte en de opgewektheid van bet zenuwgestel, door de pijn geprikkeld, laten de natuurlijke gebreken uitkomen. De lichtgeraaktheid, de teergevoeligheid, het ongeduld maken
den zieke soms onuitstaanbaar voor zijne omgeving en voor zich-zelven. Voeg bij deze vernedering de vrees niet van door anderen veracht te worden. De lijder verdient onzen eerbied, omdat de christen Jezns ziet lijden in zijn evennaasten. „Het is een groot voordeel,quot; zegt de H. Franciscus van Sales, „zijne nietigheid te kennen.quot; Gij zult sterk zijn tegen de smart, het pijnigt u telkens te vallen. De natuur zucht eu schreit, maar om de morrende klacht terug te houden, moet gij uwe lippen drukken op het beeld van onzen aanbiddelijken Meester aan het kruis en dan eerst zult gij smaken hoe zoet de Heer is voor degenen, die Hem dienen en lief hebben.
XXII. De ziekte des lichaams geneest de ziekten der ziel.
Gl\'ij zijt ziek, niets natuurlijker; ons lichaam is tot lijden geschapen. God bedient zich van de ziekte tot verschillende uitmuntende doeleinden, en daar Hij onze behoeften kent, kiest Hij het geneesmiddel dat ons dienstig is.
Al geneest de koorts onze geestelijke kwalen niet, zoo vult zij zekere leemten aan in ons
christelijk leven en komt altijd van pas. Een kloosterling\', die zeer veel ondervinding had in het bestier der zielen, zegde tot iemand die uit luiheid zich niet kon schikken naar zekere oefening: „Pas op, God zelf zal u weldra eene waarschuwing zenden ter verbetering uwer traagheid.quot; Zij beterde zich niet en viel in eene zware ziekte. Zoek niet angstig naar de oorzaak van de uwe, doch geloof eenvoudig dat öod u bemint en uw welzijn ter harte neemt. Terwijl de koorts uw lichaam verteert, moet gij denken dat uw hart niet altijd gebrand heeft uit liefde tot Grod, en bidden dat uw lijden hiervoor moge voldoen. Terwijl gij imtteloos zijt en onbekwaam de plichten van uwen staat te vervullen, moet gij denken dat gij die dikwijls verzuimd hebt om uw vermaak na te jagen, en uwe smarten aannemen als eene les om voortaan getrouw te zijn. Zeker wil God dat gij al het mogelijke aanwendt om te genezen, doch wees overtuigd dat deze staat van lijden eene weldaad is voor uwe ziel. De heiligen waren hiervan zoo wel overtuigd, dat zij verklaarden zich nooit bgter te gevoelen, dan wanneer zij ziek waren. De gelukzalige Petrus Caraffa lag in eene hevige koorts en als zijne
— 57 —
broeders met belangstelling naar zijnen toestand vraagden, antwoordde hij; „Ik bevind mij zeer teel, want ik bevind mij in den staat, waarin God mij hebben wil.quot; Onthoud dit krachtig woord, en zoek uwe beterschap zoo angstig niet. Wij bevinden ons zeer rvel als het lijden des lichaams de kwalen der ziel geneest.
XXIII. Geestelijk voordeel aan het lijden verbonden.
TP
«r is niets zoo rein op aarde of er valt een stofje op; niets noodzakelijker dus dan zich daarvan te zuiveren. De ziekte biedt hiertoe het middel aan; zij scheidt ons af van de wereld en hare vermaken; zij onderdrukt het lichaam, dat gewone werktuig onzer ongeregeldheden; zij werpt, door ons van de schepselen te verwijderen, de hinderpalen omver, die de uitgestortheid plaatst tusschen God en de ziel; zij wekt de gedachte aan de eeuwigheid op. Deze eerste en reeds groote genaden bereiden den-gene, die er getrouw gebruik van weet te maken, tot het ontvangen van grootere. De H. Pran-ciscus van Assisië wel verre van zich over zijn lijden te beklagen, dankte God steeds dat Hij
— 58 —
liem reeds in dit leven zuiverde, ten einde hem voor de eeuwige straffen te bewaren.
Wees wijzer dan de wijzen dezer wereld, verdraag geduldig en Wijraoedig al uwe lichamelijke en inwendige smarten, want zij bestrijden in u duizend onvolmaaktheden, die gij niet bemerkt ten tijde der welvaart en die gij niet tracht te verbeteren, hoewel zij uwe ziel veel nadeel toebrengen. De druifluis is verborgen aan het oog, doch doet den wijnstok sterven. De kleine onvolmaaktheden vinden een geneesmiddel in de ziekte, die haar alle voedsel ontneemt. Daarenboven dient de smart niet slechts om de ziel te zuiveren, maar ook om haar recht te geven op eene rijke belooning in den hemel.
XXIV. De ziekte verhort het vagevuur.
Een mensch zonder schuld, zegt men, is gelukkig, omdat hij vrij is van de noodzakelijkheid schulden te maken, en van de schande die niet te kunnen voldoen. Wij allen zijn schuldenaars van God, en verplicht onze zondeschuld te betalen. Het lijden is hiertoe eene kostbare munt. Gij hebt het slijk dezer aarde niet kunnen betreden zonder u daarmede te bezoedelen, het
— 59 —
is ii derhalve dienstig op eeue of andere wijze u daarvan te ontdoen. „De zieken,quot; zegt de H. Catharina van Q-enna. „vinden een vagevuur in linn eigen lichaam.quot; De H. Eustaohius, aht van Luxeuil, door eene hevige ziekte aangetast, gevoelde eene groote vrees voor het oordeel Gods. Terwijl hij nadacht over de groote schulden, die hij te voldoen had, hoorde hij eene stem, die hem vraagde: „Wilt gij den hemel ingaan na veertig dagen van lichte kwelling, of spoedig door een hevig vuur gezuiverd worden?quot; — De heilige antwoordde, dat hij het liefst door een hevig, maar kort lijden, spoedig tot God wilde gaan. Stel u in dezelfde gevoelens. Wensch hierbeneden te zijn in den staat die uw intreden in den hemel verhaast. De ziekte is zulk een heilige staat, dat zij alleen ons tot de hoogste heiligheid kan geleiden. Maak dan een getrouw gebruik uwer lijdensuren, en klaag niet over hare langdurigheid. Beschouw ze als middel om uw vagevuur te verkorten, want men boet niet tweemaal voor dezelfde fouten. Wat gij hier beneden uitboet is daarboven uitgewischt. Lijd dan een weinig met verdienste, in plaats van later veel te lijden zonder verdienste.
— 60 —
XXV. -De langdurigheid omer pijnen in g
vergelijking met de eeutcigheid. ii
Dv
e eentonigheid vau uwen ziekte-toestand, die (1
niet erger noch heter wordt, doet u uw lijden \'v
zeer vervelend en langdurig vinden. Wat is het . I
in vergelijking met de eeuwigheid? Elke smart v d zoowel als elke verloopen minuut, brengt u
nader tot de genezing of tot den dood.. . doch v
in de uitgestrekte loopbaan der eeuwigheid gaat 1
men niet vooruit maar blijft altijd op hetzelfde punt, want de eeuwigheid is altijd even geheel als op het oogenblik dat men haar intreedt.
Deze gedachte ondersteunde de martelaren in 5
hunne folteringen en wekte hunnen moed op »
tegen de natuurlijke vrees voor den dood. g
„Gedenk,quot; sprak eene heilige moeder tot haar d
zoon, „dat de eenige pijn, die ons moet doen h sidderen, die is welke nooit zal eindigen.\'1
Door deze woorden gesterkt, onderging het g
kind de hevigste marteling en ruilde weldra (1 dit vergankelijk leven tegen de eeuwige glorie!
Achten wij ons dan gelukkig in de tegen- z
woordige wisselvalligheden des levens, in z
afwachting der onveranderlijkheid onzer toe;- t
komst; achten wij ons gelukkig door voorbij- i
— 61 —
gaande kwellingen de hoop te mogen voeden in den hemel eeuwig te genieten en aan de vreeselijke pijnen der hel te ontsnappen. Elke e dag brengt ons nader tot deze twee uitersten,
u waarvan één noodzakelijk ons deel zal wezen,
t . Bedank God dat Hij u hier plaatst in een toestand, ■t ^ die u aan het eeuwig ongeluk zal onttrekken, u O mijn God, geef mij geloof en moed om een
h weinig boete te doen alvorens de eeuwigheid
,t t binnen te treden.
e
^ XXVI. De zachtmoedigheid in het lijden.
11 Tl
p mie zachtmoedigheid is onontbeerlijk om met
1. geduld en liefde tot God de beproevingen
r des levens te verdragen. Deze deugd doet ons
ii heldhaftige oefeningen verrichten, die volkomen beveiligd zijn tegen de bekoringen van ijdele
it glorie. Besluiten wij met het voorbeeld van
a den H. Franciscus van Sales.
i! Deze heilige onderstond lange en smartelijke
i- ziekten met ongeloofelijke zachtmoedigheid,
n zonder zijne kwalen door overdreven klachten te vergrooten noch door geveinsdheid te verklei-
j- nen. Minzaam voor iedereen, bleef hij kalm en
— 62 —
blijmoedig eu was zeer tevreden door zijne groote smart, zijne liefde tot God te betuigen. Hij antwoordde aan den geneeslieer als deze lieai eenig onaangenaam geneesmiddel voorschreef: „Doe met den zieke wat gij wilt. De Heer heeft mij ter beschikking van den geneesheer gesteld om hem te gehoorzamen als aan God-zelven.quot; Deze onverstoorbare zachtmoedigheid kwam voort uit den geest van g-eloof, die hem bezielde. Eens dat de koorts hem belette te prediken, zegde hij glimlachend: „Daar God niet wil dat ik Hem vereere door te prediken, zal ik Hem vereeren door te lijden.\' Hij ontving met dezelfde kalmte van geest hef, bericht van den dood zijner moeder en zegde: „ Heer, ik zwijg, omdat Gij het zijt, die dit offer gevraagd hebt.quot;
Ons inwendig lijden.
I. In Gethsemani.
eder Cliristen treedt op zijn beurt in dien hof van lijden om er den doodstrijd te ondergaan. Tot de smarten, die ons daar wachten, hehooren op de eerste plaats alle ziele-smart en gewetensangst; vervolgens alle harte-leed als: beleediging, laster, ondank, verraad, trouweloosheid, in één woord al wat men, in den geest kan lijden door de menschelijke bedorvenheid. Dit lijden, dat voor een ieder van vorm en graad verschilt, overtreft het lichamelijk lijden even zoo ver als de ziel verheven is boven het lichaam; men heeft oneindig meer kracht, meer moed noodig om het inwendig lijden van geest en hart te doorstaan, dan men behoeft voor welke ziekte het ook zij. Die kracht verkrijgen wij door het gebed. Gedurende Zijnen vreeselijken doodstrijd
in den Olijf hof bad Jezus aldus: „Vader, als het mogelijk is, neem dezen kelk van mij weg.quot; Jezus begint in het hevigste van zijnen zielsangst met te willen wat God mogelijk oordeelt. Vervolgens drukt Hij zijn verlangen uit van het lijden verlost te worden. Leeren wij uit Zijn voorbeeld hoe wij in onze beproevingen tot God moeten spreken. Het goddelijk antwoord was de verschijning des engels, die den Zaligmaker een bitteren kelk aanbood!
Zie, heden zendt God u een kelk, die inderdaad zeer bitter is, maar in plaats van u dien te reiken door uw engelbewaarder, doet Hij u dien aanbieden door deze persoon, die gezorgd heeft er een poeder van onuitstaanbaren geur in te werpen, en bij het zien van dien bitteren kelk is uw eerste woord: „Mijn God, keer dezen kelk van mij,quot; doch gij vergeet gelijk Jezus-Christus er bij te voegen „indien het mogelijk is.quot; Uwe bede is onvoorwaardelijk. Bloost gij dan niet zoo dikwijls aan Jezus\' liefdedisch den liefdekelk te drinken en den bitteren kelk van ziels- of lichaamslijden van u af te stooten? Die kelk, zoo bitter voor uwe lippen, zal door de kracht van Jezus lijden zoet worden voor uw hart. Zoodra gij Haar aanroept zal Maria
— 65 —
tot n komen en u zeggen; „Mijn kind, neem dit weldadig geneesmiddel ter liefde mijns Zoons voor n op het kruis met gal gelaafd.quot;
Zeg dan: „Heer, mijne natuur kan zicli niet overwinnen, doch mijn wil kan alles met uwe genade. Uw wil geschied^ niet de mijne.quot; En sluit dan het oog en driak in eenen teug dien kelk tot den droesem, en uw engelbewaarder neemt hem uit uwe hand aan, om u dien Tol genaden terug te brengen in afwachting dat hij weder vol geschonken worde, want aldus verloopt ons leven.....
II. De beleediging.
T5
©eschouw hem niet als uw vijand, hem, die n beleedigt. Zeg nooit: ik kan niet duiden aldus behandeld te worden door iemand, wien ik slechts, goed gedaan heb.quot; Beschouw als winst al wat gij lijdt, door wien ook. Eene zeer kleine beleediging, waarover gij noch geraaktheid, noch lastigheid zult, toonen zal zeer verdienstvol zijn. Sluit uw hart voor alle verbittering en wraakzucht. Een groot hart is boven eene beleediging verheven. Nooit staat het hooger en vaster, dan terwijl het buigt
onder herhaalde slagen. „Zich niet over eene heleediging zoeken te wreken,quot; zegt de H. Joh. Cbrys., „is het gedrag van een wijze; maar gaat gij zoo ver van goed te zeggen van degenen, die u vervolgen, zoo is uw gedrag dat van een engel en hewijst eene groote liefde tot Jezus-Christus.quot;
Het gebeurde eens te Alexandrië dat eene bende ongeloovigen, na een grijsaard met hoon en beschimping overladen te hebben, hem spottend vraagden: „Welk mirakel doet de Christus, dien gij aanbidt?quot; Deze ware Christen antwoordde: „Hij heeft het mirakel gedaan van mij geheel ongevoelig te laten hij uwe belee-digingen en bij nog veel grootere. zoo gij mij die wilt aandoen.quot;
Vergeef dan gaarne, want God kan altijd tot u zeggen; „Ik heb u iets te verwijten.quot; Het beste middel om te zorgen dat Hij op den jougsten dag ons niets te verwijten hebbe, is de menschen hier op aarde vrij spel te geven, ons zelfs te laten steenigen, doch hun te gelijkertijd alle mogelijk goed te bewijzen, dan wordt de onrechtvaardigheid der schepselen een nieuwe band, die u aan den Schepper verbindt.
— 67 —
III. De ondankbaarheid en trouweloosheid.
io
Ifod, die ous geschapen heeft om zijne weldaden over ons uit te storten, heeft ons hart tot dankbaarheid gevormd. Helaas! waarom hrengt de zoo gewone ondankbaarheid zooveel lijden in deze wereld! iSTooit wordt men gewoon zijne weldaden met onverschilligheid, zonder : een woord van dank, ja zelfs met ondank vergolden te zien. De heiligen zelfs waren hieraan gevoelig. De H. Johannes van het Kruis beklaagde zich eens bij God over de ondankbaarheid van eenige inwoners van Xeres, die hij met weldaden had overladen, doch de Heer antwoordde hem: „Ik werd aan het kruis genageld door degenen, die ik vrijkocht door mijn Bloed, en gij ontstelt u zulke kleine vervolgingen te moeten uitstaan van degenen, die u vreemd zijn.quot;
Doordringen wij ons wel van de gedachte, | dat wij zeer ondankbaar zijn jegens God, en wij zullen met meer kalmte den ondank verduren, die vooral zoo hard valt als hij ons komt van degenen, die ons dierbaar zijn. God straft ous over onze ondankbaarheid jegens
— 68 —
Hem, door die der menschen jegens ons. Ziedaar de gedachte, die ous hart liet beste zal wapenen. Waarom laat God toe dat de wereld boosaardig, lichtzinnig, trouweloos zij, dan opdat wij een meester zouden zoeken, die goed en getrouw, nooit verandert, nooit verlaat? Hecht u dan aan dien goeden Vriend, die alles ziet en oordeelt. Hij zal recht doen voor engelen en menschen. Wacht zijn uur af, eu vertraag het niet door uw ongeduld.
IV. Hoon en laster.
s
e Christen heeft niets dierbaarder dan zijn goeden naam, die als het hulsel is van zijn geweten. De wonde aan zijne waardigheid, zijne eer toegebracht is de gevoeligste. Daarom zegt de wereldling dat deze aanranding bloed vraagt. Dit is zoo moeielijk te verdragen, dat de heiligen zelfs ons het middel, door eigen ervaring heilzaam bevonden, aanraden; het gebed, het stilzivijgen, het geduld. Wees niet te gevoelig op her, punt van eer, want dit bereidt u zware bekoringen. Gij hebt eene bloedige beleedigiug ontvangen, ontstel u niet. Eoep uw geloof ter hulp, en neem ze aan uit goeder harte in ver-
— 69 —
eeniging met de beschimping\' en versmading door Jezus ondergaan. Beken dat gij nog- veel meer verdient en bid voor dengene, die liet u aandoet. Indien gij spreken moet, dan bid eerst inwendig. Houd u in eene gesteltenis van liefde voor al degenen, die u beleedigen en lasteren, ten eiude even edelmoedig te kunnen zijn als de H. Franciscus van Sales, die na te vergeefs getraclit te hebben een man, die hem zwaar beleedigde tot zwijgen te brengen, hem ten laatste bedaarde door deze woorden, den leerling van Calvarië zoo over waardig; „Mijnheer, ik verzeker u, dat als gij mij één oog zoudt uitrukken , ik u met het andere nog als mijn besten vriend minzaam zou beschouwen.quot;
De laster doorboort u het hart en bedroeft u dieper dan alle ander leed. Vraag aan God dit hart met zijne liefde zoodanig te vervullen dat het ongevoelig worde voor dit scherpe zwaard. Vraag niet waarom God toelaat dat men u zoo valschelijk beschuldigt. Houd u aan deze oefening van geloof: „God laat het toe voor mijn welzijn. Mij geschiede naar Zijnen wil.quot; Houd u vast aan de hand Gods en wees verzekerd dat Hij u niet zal loslaten. Tot wien zoudt gij beter gaan dan tot Hem, die
u altijd heeft geholpen? tot Hem die reeds de dageraad doet schijnen in den duisteren nacht, die ii omhult. Verlaat God niet en behoud den geest van liefde. Bid daartoe dikwijls voor dengene, die u lastert, vraag zegen voor hem en de zijnen, bewijs hem dienst als de gelegenheid zich aanbiedt. Aldus zult gij vurige kolen op zijn hoofd verzamelen, maar vurige kolen, die de liefde tot God ontstoken heeft.
V. Zielsangst. ■—• Spanning. — Harteleed.
Dikwijls verontrust men zich omtrent de. toekomst zoo voor het tijdelijke als het eeuwige. Dit is nutteloos, want men kan de omstandigheden niet voorzien, waardoor God de toekomst kan wijzigen en wat u thans onmogelijk schijnt, zal door Zijne genade mogelijk worden. Als de beproeving ons overvalt gaat zij altijd buiten onze verwachting; dikwijls houdt zij op of verandert op even plotselinge wijze, onverklaarbaar voor ons en voor ieder, behalve voor God.
Waartoe die voortdurende angst\'? Al vreezen en beven wij tot het einde van ons leven, doet dit niets anders dan ons de zoo noodzakelijke berusting en gelatenheid ontnemen. Uw over-
— 71 —
dreven angst voor een raogelijken, doch twijfel-achtigen rampspoed is een teeken van gebrek aan geloof. Hebben vroegere rampen u vernietigd? Neen — waarom zondt gij nu minder kracht en genade verkrijgen om de toekomende tegenspoeden te trotseeren. Het gebed en het vertrouwen op God beschermen ons tegen „■winden en zeequot;. Kwel u ook niet door de gedachte dat uwe kleine wederwaardigheden slechts de voorboden zijn van grootere, want deze berusten alleen in uwe angstige verbeelding. Zou zelfs eene onverwachte ramp u treffen, dan zult gij bij het tabernakel een heilig toevluchtsoord vinden en zal God op uw smeeken het verdwenen geluk naar uwen haard terugvoeren. God is niet kortzichtig gelijk wij. Voor Hem bestaat geen verleden, noch morgen, maar een eeuwig heden. Wees verzekerd dat als er een morgen voor u daagt, God uwe kracht zal meten naar de beproeving. Wees dus gerust omtrent de toekomst. De beste toekomst is voor ons langs den kortsten weg naar den hemel te gaan.
De spanning is voor den geest wat de wroeging is voor het geweten, eene knagende gedachte.... Gij verliest veel tijd in onzeker-
— 72 —
heid, in ongerustheid en deze zou uw vertrouwen op God moeten oefenen, maar mag\' u niet werpen in eene werkeloosheid, die op uwe omgeving drukt.
Er zijn oogenblikkeu waarop men moet handelen, tegen zijne heslniteloosheid in. God heeft genade in voorbehoud om ons omtrent Zijnen wil te verlichten. Er zijn middelen om dien te kennen. Bid en vraag raad. Heeft men eenmaal de zedelijke overtuiging, dat men handelt volgens Gods wil dan moet men zich geheel aan Hem overlaten. Hij zelf zal over Zijne belangen waken.
*
* *
De onverschilligheid van degenen, die men lief heeft is eene zware beproeving. Hoevele personen zuchten eu lijden hieronder. Hare oprechte bewijzen van toegenegenheid worden ontvangen met tegenzin of met koelheid. Zij durven geene vraag doen, zij durven zich niet mengen in het gesprek, daar het plotseling stilzwijgen haar genoeg zegt dat zij te veel zijn. Zij gevoelen dat, als zij zijn heengegaan, men vrij zal ademen. Dit is voor het hart als even zoo vele dolksteken en
nooit zal het daaraan gewoon raken, want ons hart is geschapen om te beminnen en bemind te worden. De liefde is eene voortdurende behoefte voor dat hart, dat God voor zich geschapen heeft. Doch God stelt ons schadeloos voor alles, wat het schepsel ons onttrekt. Nog meer: God vervult dat hart naar mate de schepselen het verlaten. Zoek dan in het gebed een toevlucht tegen uwe droevige gewaarwordingen en vraag aan Jezus, verlaten door de Zijnen, de genade van uwe beproevingen te doen strekkeu tot het geluk der uwen en tot vermeerdering uwer deugd.
VI. Inwendige duisternis en droefheid des geestes.
Üod laat dikwijls de ziel in onwetendheid omtrent hare deugden en gebreken, ten einde haar noch te verheffen noch te ontmoedigen. Ik heb iemand gekend, wier ziel verkeerde in zulk eene diepe duisternis, dat zij geen goed vau kwaad kou onderscheiden. Zij leefde in voortdurende vrees van in Gods ongenade te ziju en er niet uit te kunnen konen. De duivel maakte gebruik van dezen toestand om haar
4
meer en meer te verwarren en te doen vreezen. Niet wetende of die toestand eene straf of eene beproeving was, weigerde zij gedurende twintig jaren alle bemoediging. Doch eens, bij gelegenheid van een bezoek aan een Karthuizers-klooster, deelde zij haren toestand mede aan den overste. Na een. oogenblik gebeden en nagedacht te hebben, zegde deze haar: „Zoo dikwijls als deze sombere gedachten u voor den geest komen, moet gij den wil van God over u eerbiedig aanbidden. Hem zeggende: „Mijn God, ik aanbid uwe raadsbesluiten in mij en ik doe het offer van ooit uit mijnen zielsangst getrokken te worden, ja, ik wil in dien staat sterven zoo dit uw welbehagen is.quot; Zij doet dagelijks deze oefening. Zij wordt er niet door getroost, doch zij is gerust. De gehoorzaamheid is beter dan de troost.
De droefheid des geestes is ijdel, wanneer zij voortkomt uit een neerslachtig gestel, uit eene bekoring van walging, van vertwijfeling, enz. Zij is niet aangenaam aan God, niet verdienstelijk ter zaligheid, en stelt de ziel bloot aan vele fouten.
De H. Bernardus noemt haar „een beletsel tot alle goedquot;, en de H. Ambrosius „een nagel
— 75 —
die ons hecht aan ile aardequot;. Zoodra de ijdele droefheid zich van u zoekt meester te maken, volg dan deu raad van den H. Jacobus: „Bid en roep de goddelijke hulp in. Neemt zij toe, dan volhard in uw gebed. Het kleinste gebed heeft groote macht op Gods Hart. Werp u neer voor het tabernakel en vertrouw Jezus uw verdriet, daar stroomen de tranen zonder bitterheid en gij zult daar kalmte vinden om te lijden en te hopen. Beproef de goedheid van Jezus; gij zult ondervinden dat er geen betere vriend is dan Hij; blijf steeds kloppen aan de deur van Zijn Hart, Hij zal u openen en gij zult plotseling den troost of de genade ontvangen, die Hij u zoo lang heeft laten wachten.
VII. De stormen der ziel.
6ij weet maar al te wel hoezeer het scheepje onzer ziel op de zee dezer wereld geteisterd wordt. Dan eens zijn het bekoringen ea twijfeling, die het heen en weder slingeren, dait weder kookt alles in- en rondom ons; dondershtgeii en bliksemschichten omringen onze ziel»-.. Houd moed en verberg u in liet tabernakel van uw s hart. Zoolang deszelfs kolommen niet bezwijken
%
V *4
y
J
— 76 —
hebt gij niets te vreezen. Vindt gij daar in het tabernakel niet de oplossing van al uwe twijfelachtigheden? Beschouw uw kruisbeeld: Hoeveel stroomen bloetls heeft Jezus voor ons vergoten. Gij treft ziju Hart smartelijk door te twijfelen aau zijne goedheid eu vaderlijke zorg voor uwe ziel.
Somtijds als uwe hartstochten zich verheffen hoort gij als het loeien vau den storm in uwe ziel. Bid en kus uw kruis, als waart gij in gevaar van schipbreuk te lijden. Laat den storm voorbijtrekken, doch neem moedig uw deel aan den arbeid om hem te bestrijden. Koep Jezus steeds ter hulp en Hij zal ter bekwamer uur den storm bedaren. Offer u in de H. Communie met Jezus aan den eeuwigen Vader. Vrees niet deze zoo geringe offerande te vereenigen met die van uw Zaligmaker en mocht dit uw lijden niet verminderen, zoo denk dat de Heer zijne wijze reden heeft om u niet onmiddellijk te troosten. Hij helpt u nochtans, niet door u datgene te geven wat gij verlangt, maar iets dat ver boven uwe begeerten verheven en oneindig beter is. Als gij het onweder voelt opstijgen in uwe ziel, roep dan vertrouwvol den Heer ter hulp. Tracht zooveel
mogelijk te vergeten wat u ontstelt. Er is eene genade, die de Heer gaarne schenkt en die de H. Maagd vraagt voor de lijdenden, de blijdschap van den geeH en de vrede der ziel. Vraag die zonder ophouden en verder.... moed en vertrouwen. De hemel is de helooning der getrouwe ziel. Eeeds hier beneden bezit zij het begin der gelukzaligheid door hare getrouwe onderwerping aan den aanbiddelijken wil des Heeren.
VIII. De inwendige verlatenheid.
O\'ij meent dat de Heer u heeft verlaten, o neen! Hij is bij u, hoe zoudt gij anders dezen harden strijd kunnen doorstaan? Deze beproeving komt en gaat, daalt en stijgt, doch hoe heviger zij is, des te korter zal zij duren. Vooral moet gij u wel overtuigen dat God deze beproeving, die u het verste van Hem schijnt te verwijderen, gebruikt om u dicht bij Hem te plaatsen. Vele heiligen werden even als gij tot vertwijfeling gebracht. Eadde de H. Fran-ciscus van Sales het niet ondervonden, zoo hadde hij nooit dit verheven gebed uitgesproken: „O mijn God, als ik U dan in alle eeuwigheid
moet haten, laat mij U dan hier op aarde volmaaktelijk beminnen.quot; Doch in plaats van het gebed te bezigen, als krachtig wapen in dezen strijd, doen wij duizend nnttelooze pogingen om ons te verlossen van het lijden, dat wij niet kunnen verwijderen. Onze krachten bezwijken er onder en als wij nedergedrubt zijn, is de wanhoop niet ver! Dan verlaten wij het gebed en de versterving en de bekoring neemt toe. Waarom niet liever wei GW strijden tegen den duivel, tegen de bekoring, zonder ons over ons lijden te beklagen ?
Iemand die sedert lange jaren tot wanhoop werd bekoord, zegde eens tot Onzen Heer Jezus-Christus: „Mijn God, mijne zonden verdienen de hel, doch de herinnering aan zoovele Communiën, die ik het geluk had te ontvangen, noopt inij u altijd te beminnen. En als ik U hier op aarde bemin, hoop ik dat Gij mij de genade zult bewijzen u eeuwig in den hemel te beminnen.quot; — Zoo dikwijls de bekoring haar aanviel, herhaalde zij dit gebed en vond daarin de noodige kalmte.
Volhard in een nederig en geduldig gebed. Vraag dikwijls aan O. L. Vr. v. h. H. Hart, dat zij uwen wil boude in eene voortdurende
— 79 —
onderwerping en gij zult zegevieren door het geduld en de volharding in het gehed.
IX. Dorheid en ongevoeligheid in het gebed.
jf|
„yfod laat dikwijls,quot; zegt de H. Theresia, „de ziel in zulk een staat van dorheid, dat alle deugd verdwenen schijnt.quot; Zij zelve bracht ongeveer achttien jaren door in dien staat, de woestijn van het inwendig leven doorkruisende zonder eene enkele bloem te ontmoeten; en deze beproeving is zeer dikwijls het deel van heilige. God zeer aangename zielen. Het is droevig zijne godsdienstplichten te vervullen met een koud en gevoelloos hart, met een verstrooiden geest, zijn hart als het ware tot God te moeten slepen, te biechten zonder eenig gevoel van leedwezen, te communiceeren zonder begeerte. „Deze dorheid,quot; zegt de II. Alphonsus, „is niet altijd eene straf, doch eene beproeving die God toelaat, om ons in de nederigheid te vestigen.quot; De H. Rosa van Lima, reeds ver gevorderd op den weg der volmaakte liefde, ondervond gedurende vijftien jaren, eene voortdurende dorheid in het gebed.
De gevoelige vurigheid kan God alleen geven.
Als zij ons ontbreekt sckijnen de godvruclitige oefeningen aan menige lirave ziel een stuk drong brood. Maar als haar dit droog brood ontnomen werd, hoe zou zij wegkwijnen, hoe vele genaden zou zij verliezen? Daatom wordt vooral aanbevolen in dien staat zijne gebeden en godvruchtige oefeningen niet te verkorten; de H. Ignatius raadt zelfs aan ze vijf minuten te verlengen. Wees tevreden met hetgeen God u geeft, daar Hij zich wel wil tevreden stellen met hetgeen gij Hem aanbiedt.
X. Ongeduld en moedeloosheid.
n
JiTr komen dagen in het leven waarop ons alles ontbreekt, waarop alles ons verschrikt, het verleden, de toekomst, het tegenwoordig uur! God, die wil dat wij ons blindelings en geheel in zijne armen werpen, geleidt ons in dien staat, waarin onderwerping, gelatenheid niets vermogen; men moet zich-zelven geheel verlaten en zich aan God overgegeven. Zelden komen wij tot dezen staat in ons leven. Wij hopen altijd eenigen troost, het einde of de vermindering van ons lijden, en vaak roept men uit: „Ach wist ik maar wanneer deze beproeving
— 81 —
zal eindigen!quot; Uw toestand heeft wellicht geen ander doel dan u te geleiden tot die volkomen overgeving in Gods hand.
Gij zijt nedergedrukt, moedeloos, maar uw ongeduld en uwe bovenmatige begeerte om verlicht te worden, stellen u bloot aan veelvuldige bekoringen. God is niet verplicht bij onze eerste bede, ons als door mirakel van ons kruis te verlossen. Zoo Hij ons niet dadelijk troost, geven wij toe aan droefheid, aan moedeloosheid en Satan maakt hiervan gebruik om ons vertrouwen te doen wankelen.
De Heilige Margaretha-Maria schijnt tot u te spreken in de volgende regelen: „Als God u geleidt op een weg met distels en doornen bezaaid, keer dan het hoofd niet, om te zien of er niemand is die u kan helpen. Het is nutteloos. Niemand op aarde kan dengene troosten, dien God wil hedroeven. Als alle troost u mocht ontbreken, laat u dan aan God over en hoop tegen alle hoop in. Als gij meent dat alles verloren is, is de hulp des Heeren nabij. Beschouw veel meer den hemel dan de aardsche zaken; daar moet gij eene eeuwigheid doorbrengen.
De grootste rampen kunnen eene ziel van
groot geloof niet ontmoedigen, omdat in den laatsten dag de langste dagen nog zeer kort zullen schijnen. God stelt den sleutel zijner genaden in uwe hand, -verlies dien niet uit onachtzaamheid, Iaat hem niet vallen door moedeloosheid, doch bewaar hem, dankbaar dat gij elk uur van den dag in de schatten van den goddelijken rijkdom kunt puttem.
XI. De vrees voor den dood.
7
aalij, die zich roemen zonder vrees den dood onder de oogen te durven zien, beven ten minste onvrijwillig bij deszelfs nadering. De heiligen alleen beschouwen hem met heilige onverschilligheid, eenigen zelfs met blijde verwachting. Zij willen zelfs uit volkomen onderwerping f-a* Gods wil, den dood aannemen onder welken vorm ook, dien het God belieft hun te bestemmen. Een vurig christen, veroordeeld om zoolang dooide straten gesleept te worden tot de dood hem verloste, riep uit: „Elke dood is mij dierbaar omdat hij mij geleidt tot God.:\'
Houd u in dezelfde gesteltenis, hetzij dood of leven uw lijden volge. Vertrouw dat God li zooveel genade zal geven als uwe laatste
ziekte zal eischen en zeg dikwijls met ver-trouweu: Alle lijden, elke dood zijn mij dierbaar omdat zij mij tot U, o God, en tot den hemel geleiden, tot dat leven, waar geene zonde en geene smart meer zal zijn, tot dat leven van volmaakte liefde, dat nimmer zal eindigen. Wanneer de vrees zich van n meester maakt, zeg dan met de H. Clara; „Vertrek, mijne ziel, want gij wordt geleid door eenen trouwen gids; vertrek, want Hij die u geroepen heeft, bemint u met de teederste liefde.quot;
XII. Onzekerheid voor de toekomst
1 iemand weet of hij haat of liefde waardig is.quot; Heeft God mij mijne zonden vergeven? Ben ik in staat van genade? En zoo ja, zal ik dan volharden tot mijnen dood? — Ziedaar vragen die niemand kan oplossen. De Navolging van Christus geeft ons een wijzen raad: „Leef, zegt zij, als waart gij zeker dat ge tot de uitverkoornen behoort en doe wat gij doen zoudt om dit groote geluk niet te verliezen. Vraagt gij of er geen teeken bestaat dat men behoort tot de uitverkoornen? O gewis, het zekerste teeken is de gelijkvormigh«id met
Jezus gekruist. Wordt dan uw lichaam door smart gekweld gelijk Jezus gekruist, wordt uw geest bedroefd gelijk Jezus in den Olijfhof, of draagt gij uw kruis in vereeuiging met Jezus, zoo is deze gelijkvormigheid uwe beste geruststelling. Doeh zoo de Heer u alle lijden spaart, zoo gij u zeiven alle boetvaardigheid spaart, dan hebt gij rede te beven.
Arm van geest, ootmoedig en zaehtmoedig levende, al weldoende rondgaan, lijdende naar lichaam of geest zult gij een levend afbeeldsel zijn van Jezus. Dan zult gij uwe vrees voelen bedaren, want gij kunt zeggen: „Ik draag in mij de heilige keuteekenen van mijn lijdenden en stervenden Meester.quot; Zal Hij Zijnen toorn uitstorten op een ander zioh-zelven\'? Maar mag onder een met doornen gekroond hoofd, het lidmaat zich kronen met rozen?
Gij kunt, zegt gij, zonder sidderen niet denken aan die vreeselijke ontmoeting, die u wacht na uwen dood, aan die plotselinge tegenwoordigheid van uw rechter, wiens opperste majesteit u zal omringen op het oogenblik dat gij den geest zult geven. En heeft zoo dikwijls gij communiceert die zelfde ontmoeting niet plaats? Doordringt Jezus dan niet de geheimste
— 85 —
r plooien van uw geweten? Waarom zoudt gij
t meer vreezen clan alles voor Hem bloot te
F, leggen, zoowel als nu. Communiceert gij zonder
i. van harte uwe zonden betreurd, verfoeid, be
leden te hebben, zonder het voornemen te ;, vormen de minste zoude te vermijden? Geeft
i gij dan aan Jezus niet al wat gij zijt, wat gij bezit, ja uw hart en leven? Wat wilt gij r meer gedaan hebben in uw laatste uur? Kunt
f gij niets meer doen, —- waarom dan vreezen?
1 Jezus is even goed als rechtvaardig. En is
i Zijne Moeder onze machtige middelares niet?
i Men vraagde aan den H. Ambrosius op zijn
i sterfbed of hij het oordeel Gods vreesde; hij
i antwoordde op vertrouwvollen toon; „Wij
r hebben een goeden Meester.quot;
, Ziedaar wat gij moet antwoorden als de vrees u het hart beklemt. Bid onze Heer Jezus
t Christus, dat de liefde in uw hart steeds grooter
i moge zijn dan de vrees, en dat Hij u grootere begeerte schenke om Hem te zien, dan angst
3 voor zijn oordeel.
t Eene redelijke vrees voor de hel is nuttig
s om ons te behoeden voor de zonde. De over-
fc tuiging dat gij door uwe zonden hebt verdiend
i geworpen te worden in de eeuwige vlammen,
— 86 —
door de wraak des Almaolitigen ontstoken, doet u sidderen van angst en vrees en vernietigt in uwen geest de herinnering aan de goedheid, de weldaden, de barmhartigheid Gods ten uwen opzichte. Ware het zeker dat op dit oogenblik gij nog de hel verdient, dat uwe zonden niet vergeven zijn, dan zijn de bronnen van Jezus Bloed nog niet uitgedroogd. Opent God dan zijne vaderarmen niet voor den zondaar zoodra hij berouwvol tot Hem wederkeert. Al waren uwe vorige biechten altijd slecht, zoo kan de eerste die gij doet goed zijn en al het vorige herstellen. Uwe vrees doodt in u de liefde tot God en ziedaar wat de duivel zoekt. Hij houdt u gedurig bezig met uw vorig leven, keert uw oog af van de ontvangen genaden, opdat gij God daarvoor niet zondt danken en geene nieuwe zondt ontvangen om u te ondersteunen in dezen toestand van zielsangst en lijden. Waartoe dienen uwe lange beschouwingen van hel en oordeel ? Ware het niet veel beter aan den voet van het kruis op den Kal-varieberg te gaan leeren hoe Jezus ons bemint? Kus de wonden van den Zaligmaker, bied ze aan als uw eigendom aan den hemelschen Vader tot herstelling uwer zonden en die welke
— 87 -
gij liefet doen begaan en blijf dan vertrouwvol met Magdalena aan Zijne voeten.
XIII. Een looord ter bemoediging.
Onze Heer verscheen eens aan de H. Gertrndis en deelde haar mede, dat zij gedurende eenigen tijd door inwendig lijden zou beproefd worden. Dit veroorzaakte in het begin groote droefheid aan de heilige dienstmaagd Gods. Dit was eene bekoring en eene zwakheid, want elk lijden brengt ons voordeel aan. en wie niet winnen wil, verliest. Om Gertrndis te troosten, zegdo de lieer haar zich in de armen der H. Onbevlekte Maagd te werpen zoodra de voorzegde beproeving haar zou overvallen. Volg hierin haar voorbeeld. Beveel u aan O. L. Vrouw van het Hart in elke zielsmart en bid; „Machtige Maagd, help mij.quot; Zoo Zij u al niet geheel van uw kruis verlost, zal zij u verlichten en u althans de genade verkrijgen te lijden met moed en met geduld.
Het is gemakkelijker over het lijden te spreken dan het te verdragen, doch als de ware dienaar Gods niets te lijden heeft, vreest hij dat God Hem vergeet. En hij bidt met de stoutmoedigheid der liefde: „Heer, vergeet mij niet.quot;
De kruisen des levens.
I. Het kruis.
1
tJjPnder de algemeene benaming van kruis verstaat men alle soort van lijden en tegen-
siioed.
Deze benaming is ontleend aan bet Christendom. Het is eene treffende herinnering aan het kruis des Zaligmakers en leert ons dat wij in ons het verlossingswerk moeten voltrekken, waarvan de verdiensten ons niet zonder onxe medewerking kunnen toegepast worden.
Beschouw deze wereld als een uitgestrekte Calvarieberg, alwaar voor ieder onzer een kruis staat opgericht. Daar ontmoeten en verdringen weelde en armoede, voor- en tegenspoed elkander, want alle menschen lijden op deze wereld. Ieder beklimt op zijne beurt den Calvarieberg, en het lijden maakt alle klassen der samenleving gelijk. Zoudt c/ij dan alleen uitzondering willen maken V
— 89 —
De Heer zendt liet kruis om volgens zijnen wil in ons Zijn werk van zaligheid te voltrekken. Een heilige zegt dat het een minder kwaad is door den duivel te worden aangevallen dan geen kruis te hebben. „De wereld-ling,quot; zegt de eerbiedw. pastoor van Ars, „treurt als hij kruisen heeft, en de goede Christen als hij er geen heeft. De Christen leeft in het lijden als de visch in het water. Het kruis zuivert, hem, onthecht hem van de wereld, het rukt uit zijn hart alle hinderpalen ter zaligheid, en helpt hem om dit leven te doorkruisen, zooals eene brug helpt om over het water te gaan.quot; Daarom moeten zij die lijden het kruis ontvangen met geloof, hoop, liefde, eerbied en vertrouwen, het nederig en moedig dragen, want een kalm berusten in het kruis is de toetssteen der deugd.
II. De waarde van het kruis.
Het kruis heeft voor ons oneindig meer waarde dan alle goederen der aarde, ja zelfs meer dan allen hemelschen troost. Als een engel u een geschenk bracht, zoudt gij dit beschouwen als eene zaak van de hoogste waarde. Als God het
— 90 —
u zelf bracht zoudt gij het nog hooger schatten. Welnu, gij hebt uw kruis niet uit de hand eens engels, maar van God zeiven ontvangen, en door die goddelijke gift verdient gij den prijs van Jezus Bloed! En men vreest die gift veel meer dan men haar verlangt, terwijl wij toch de waarde er van kennen!
Ontvang dan eerbiedig elk kruis, zij het groot of klein, en acht het hooger dan het rijkste geschenk, want men is inderdaad rijk als men den stempel der gelukzaligheid draagt, het middel bezit om zijne zonden hier op aarde te boeten, de bekeering te verwerven voor degenen in wie wij belang stellen, en de zielen uit het vagevuur te verlossen. Dit kruis zal u in den hemel meer glorie, dan hier op aarde lijden bezorgen. Het kruis is nog een schild tegen de bekoring, een wapen tegen den duivel. Elke ziel met het kruis geteekend, beschouwt hij als zijne vijandin. Bedank dus God als Hij uw bestaan of uw leven met zijn kruis teekent en geloof vast dat Hij u een kostbaar geschenk heeft gegeven. Hoevele genaden toch hebt gij reeds aan het kruis te danken? De vergiffenis uwer zonden, de kracht tot strijden en de bekoring te overwinnen, en hoevele andere zal het
— 91 —
u nog verkrijgen! ten laatste zal het u den hemel openen! Dagelijks vermeerdert, verdub-helt, bevestigt zich uw titel op dit hemelsch verblijf! De Heer kon aan zijne apostelen, die Hij had uitverkozen en bemind, die Hij aan zich had gehecht tot het laatste oogenhlik zijns levens, zijne beste gaven niet weigeren. En wat liet Hij hun in deze wereld? Wat anders dan grooten strijd, rustelooze vermoeienis, de laagste verachting en verguizing. Nu geeft Hij u deel aan de voorrechten zijner vrienden om ii ook deel te kunnen geven aan het goed dat er uit voortvloeit. Eerst in de eeuwigheid kent men die ten volle, maar hij den dood geniet men den voorsmaak. Bedenk dat de heiligheid van dengene, die God looft ten tijde der beproeving, gelijk staat met de heiligheid eens martelaars. De belooning zal niet veel minder zijn. Er is een groote gelijkvormigheid tusschen den palm der liefde en den palm der smart!
ITI. De afmetingen van ons kruis.
• et kruis van Jezus, hoog en breed, strekte zich uit naar alle deelen der wereld; is het nu te verwonderen dat de schaduw ook op ons
leven vnlle? üw kruis is afgemeten naar uwe kracht en lt;le u toegevoegde genade. Eu al zegt gij met schijnbaar recht: „mijn kruis is te zwaar, ik kan het niet dragen,quot; dan moet gij toch bekennen, dat God u behandelt volgens uwe verdiensten en u geen onrecht aandoet. Vele menschen zoeken hun kruis wat af te korten en te schaven.... Zoudt gij dan met een zeer klein kruisje den Zaligmaker durven volgen, die zulk een groot kruis droeg, dat Hij zich moest laten helpen. Zou Jezus geen blik van verwijt werpen op uwe lafhartige ziel? Zoudt gij uwe hemelsche kroon ook daarmede niet afschaven en verkleinen?
Neem uw kruis op in geheel deszelfs breedte, die alle zaken en gelegenheden omhelst, waardoor gij kunt lijden. Het is geen kleine troost te weten dat Jezus in dat kruis al het lijden van ons leven heeft gesloten om het te heiligen.
Neem uw kruis op in geheel deszelfs lenfite, dat wil zeggen zoo lang het duurt. Gij moet het willen dragen zoo lang God wil, ja tot uwen dood, als dit Zijn welbehagen is.
Neem uw kruis op in geheel deszelfs hoogte, dat is in al het smartelijkst dat het u doet lijden. De maat onzer gelukzaligheid wordt
genomen volgens de maat van ons kruis. Gelukkig hij die lijdt door zijn kruis, nog gelukkiger hij die veel lijdt, hoogst gelukkig hij die gebukt gaat onder het gewicht van talrijke en zware kruisen, en wiens leven met Jezus-Christus een voortdurend lijden is.
Vergeet niet dat God weet hoe groot onze zwakheid is en daarmede rekening houdt. Zijne hand schijnt op ons verzwaard en ondersteunt ons intusschen op onzichtbare wijze. Als gij den moed voelt zinken dan bid, bid zonder ophouden en gij zult uw kruis dragen zoo groot, zoo lang, zoo breed, zoo hoog de Heer het u in zijne liefde toereikt!
VI. Kleine en groote kruisen.
|
■u zijne barmhartigheid bereidt God kruisjes van allen vorm, voor alle kracht. Ieder is niet in staat levenslang een zwaar kruis te dragen. Elke last, zij bij licht of zwaar, drukt ten laatste en eene menigte kleine kruisjes vallen dikwijls zwaarder dan een groot kruis. Doch wij moeten bekennen dat, hadden wij minder eigenliefde, wij ook minder te lijden zouden hebben. In onze oogenblikken van vurigheid
vragen wij dikwijls aan God om veel voor Hem te mogen lijden. Dan raakt de Heer ons soms even aan met een zeer licht kruisje en reeds buigen wij onder den last en roepen om hulp! Begeer dus niets, stoot niets van u af, doch neem uwe beproevingen aan gelijk God ze u zendt; gij hebt het nog niet tot den heldenmoed gebracht! Beklaag u dan niet heden over dit, morgen over dat, immers uwe klachten verbeteren uwen toestand niet. Jezus zal u helpen om het leed van dit uur te dragen en Hij zal u versterken tegen het leed van morgen. Gij pinkt uur per uur de bloemen uwer heineisclie kroon. Weldra komt het uur dat de krans voltooid is en dan zult gij zien dat al uw lijden een zegen voor tijd en eeuwigheid geweest is. Traag dan immer de groote genade om uwe kleine kruisjes getrouw te dragen.
God bemint al wat groot is en daarom overlaadt Hij sommige zielen met groote kruisen. Gelukkig zij, die Hij hiertoe verkiest, want groote genaden zijn haar weggelegd om ze wel te dragen.
De heiligen gingen uit liefde tot God zoo ver, dat zij groote kruisen vraagden om in zijne liefde toe te nemen. De H. Ignatius zegt:
— 95 —
„Als de Heer eene ziel groote kruisen overzendt, zoo is dit een bewijs dat Hij groote inzichten omtrent haar heeft. Edelmoedige zielen omhelzen die blijmoedig, wel overtuigd dat Jezus haar niet zal verlaten.
V. Kruis voor kruis.
e
V»ij kent het Evangelie en weet op welke
I wijze Jezus aan het kruis werd geklonken en uit liefde tot u daaraan stierf. Welnu, vraagt de liefde wederliefde, dan moet men ook het kruis te zamen deelen. Het ligt zoodanig in de natuur der liefde, dat men het lijden van I zijn vriend wil deelen, dat de Zaligmaker , dikwijls zijne meest bevoorrechte heiligen be-{ rispt heeft, als zij eenige verlichting zochten { in de smarten die Hij hun overzond. Gedurende eene lievige ziekte van de gelukzalige Maria der Engelen verzochten de religieuzen van haar klooster haar dringend eene matras op haar stroozak te mogen leggen. Hare smarten waren zoo hevig, dat zij een oogenblik aarzelde, doch de Heer verscheen haar met het kruis op de schouders en zegde haar: „Ziehier mijn rustbed.quot; Door deze woorden werd de dienstmaagd wijze Jezus aan het kruis werd geklonken en uit liefde tot u daaraan stierf. Welnu, vraagt de liefde wederliefde, dan moet men ook het kruis te zamen deelen. Het ligt zoodanig in de natuur der liefde, dat men het lijden van I zijn vriend wil deelen, dat de Zaligmaker , dikwijls zijne meest bevoorrechte heiligen be-{ rispt heeft, als zij eenige verlichting zochten { in de smarten die Hij hun overzond. Gedurende eene lievige ziekte van de gelukzalige Maria der Engelen verzochten de religieuzen van haar klooster haar dringend eene matras op haar stroozak te mogen leggen. Hare smarten waren zoo hevig, dat zij een oogenblik aarzelde, doch de Heer verscheen haar met het kruis op de schouders en zegde haar: „Ziehier mijn rustbed.quot; Door deze woorden werd de dienstmaagd
— 96 —
des Heereu beschaamd en bemoedigd om zonder verzachting hare smarten te doorstaan.
Zeker was het de vrees van Jezns liefde niet genoeg te erkennen, die de H. Elisabeth van Thuriugeu aanzette Hem „kruis voor kruisquot; te vragen. Het antwoord van den Zaligmaker op die echt koninklijke bede was; „Liefde voor liefde.quot;
Hebt gij den moed niet zulk een edel gebed aan den gekruisten Zaligmaker op te. dragen, zeg Hem dan ten minste dat gij gaarne uit zijne hand wilt aannemen wat zijne liefde u beschikt. Welk een geluk hier beueden met Jezus het kruis te deelen, waarvan men bij zijn dood slechts afdaalt om in den hemel eene eeuwige liefde te gaan deelen.
VI. De kruisweg des levens.
De Christen bewandelt werkelijk den kruisweg van het begin tot het einde zijns levens. De rampen, die u treffen, leeren u welke struikelblokken gij kunt ontmoeten, doch het zijn slechts de eerste schreden op dezen weg, die zwaar vallen. Het is u voordeelig den moeie-lijken weg, die naar het hemelsch vaderland
— 97 —
geleidt te bewandelen. Tracht door afkeer der doornen op dezen weg gezaaid, niet te zondigen, opdat hij u geen weg des verderfs worde. Terwijl gij het bloedig voetspoor van Jezus-Christus volgt, hebt gij nog geen enkelen droppel van uw bloed gestort. Zoudt gij dan zelfs de kleinste wonde vreezeu? Zeg mij, waar zoudt gij liefst door den dood verrast worden ? Op den weg met de rozen van het geluk bezaaid, of op den doornigen weg van Calvarie? Is het niet verkieselijk door h»t lijden tot de kruin van Golgotha op te klimmen en daar met uw Heer en Meester testerven? Kies voor u zeiven. 0, waart gij ernstig ziek dan zoudt gij u niet zoolang bedenken. Jezus is u voorgegaan op dezen weg. Zie wie van u beiden het meeste lijdt en uwe beproeving zal u licht voorkomen. Ga zoo lang en zoo ver den kruisweg op als God het zal willen en gij zult zoo hoog komen dat gij uwe kroon kunt bereiken. Zeg dan tot onzen Heer: 0 mijn opperste Meester, (lie alles beschikt met wijsheid en liefde, help mij den weg bewandelen, die ten hemel leidt, !gt;pdat ik niet bezwijke en u getrouw moge polgen.
usweg is. De strui et zijn ig, die moeie ierlaud
7
VII. Het kruis uit christelijk oogpunt beschouwd.
erp eiken morgen een blik vol geloof en liefde op het kruis, waarop Jezus voor ons gestorven is; deze blik zal u bezielen met gedachten, die zalig zijn voor uwe ziel. De H. Elisabeth van Thuringen beschouwde eens haar kruis en schaamde zich prachtige kleederen en edelgesteenten te dragen. Zij wierp haar diadeem af en riep uit; O aanbiddelijke Zaligmaker, voortaan armoede voor armoede, vernedering voor vernedering! De liefde boezemde haar dezen kreet in, ciie uw hart niet durft herhalen, daar het, kond en ongevoelig voor Jezus-Christus, de goederen dezer aarde begeert. En toch, hoeveel reden hebben wij niet om voor het kruis dit nederig gebed te herhalen: „Heer! armoede voor armoede, vernedering voor vernedering.quot; Dan helaas! de edelmoedigheid der heilige Vorstin ontbreekt ons. Zeggen wij ten minste als wij ziek zijn: „Ja, mijn God, lijden voor lijden!quot; Als gij voor uw kruisbeeld knielt, vooral als gij eenige font bedreven hebt, dan zeg: Heer, gij hebt geleden ter nitwissching der zonde, die ik bedreven
99
heb, der onreohtvaardiglieitl, waaraan ik mij \' heb schuldig gemaakt; ik kom die betreuren en U vergiffenis en eene boete vragen. En als f en u in den loop van den dag eeuig lijden over-ons komt, dan zeg: Mijn God, ik dank IJ dat ik met door deze kleine boete mag voldoen voor mijne De zonden. Ik vereeuig die met de verdiensten eens van uwen Zoon!
VIII. Wij moeten het kruis begeeren en omhelzen.
ede-ierp lijke \' ede.
1
boe\'
it onze natuur kunnen wij het kruis niet
niet begeeren, doch wij kunnen datgene zoeken wat uilig quot; ons meer direkt naar den hemel geleidt. Elke
xrde zieke in een vreemd land haakt naar zijn
niet geboortegrond. Moeten wij dan niet evenzeer
lier- verlangen naar ons hemelsch vaderland? De
sde- heiligen verlangen naar het kruis en ontvangen
del- daardoor eene genade, waardoor zij bekwaam
ons. worden de natuur te beheerschen. De H. Ger-
„Ja, trudis bad den Heer veel voor Hem te mogen
uw lijden; haar edelmoedig hart week voor geen
fout kruis, hoe zwaar ook, terug.
iden Om de heiligen althans van verre na te
ven volgen moeten wij bij God niet te zeer aau-
i
dringen om van liet kruis verlost te worden. Weinige heiligen hebben de begeerte om te lijden zoo ver gedreven als de H. Andreas. Bij het zien van het werktuig zijner straf riep hij uit: „O dierbaar kruis, dat ik zoo zeer begeerd, zoo bemind, zoo gezocht heb, nu zijt gij gereed mij te ontvangen. Trek mij van de aarde om mij op te voeren tot mijnen Meester, opdat ik door u zijne glorie moge binnentreden.quot; Daarop kuste hij het kruis en leed en stierf ^ voor Jezus-Christus.
De Christen onderwerpt zich gaarne aan iet omhelzen vun zijn kruis waarop Jezus zich met ons laat nagelen. Er is geene smart, lie bij dien goddelijken Meester niet bedaart, er valt geen last te zwaar als de goddelijke Cyreneër ons dien helpt dragen. Doch als Hij ons het gevoel zijner tegenwoordigheid onttrekt, dan zijn wij op het punt te bezwijken. O druk dan uwe lippen op de voeten van uwen ge-kruisten Zaligmaker en zoo die godvruchtige kus ii geene gevoelige kracht mededeelt, zal hij ten minste de hoop verlevendigen, die de kracht vermeerdert. Kus eiken morgen uw kruis en omhels daardoor alle groote en kleine smarten en wederwaardigheden, die u in den loop
- 101 —
lcn. yan dra dag, door uweu lienielschen Vader te zullen overgezonden worden.
IX. Wij moeten het kruis opnemen en dragen.
J
ezus heeft gezegd: „Neem uw kruis op en volg mij.quot; Let hier wel op liet goddelijk woord. Neem het op, dat wil zeggen neem het in bezit. Het kruis opnemen is het ons toeëigenen en niet zoeken ons daarvan te ontmaken. De katholieke volken hebben elkander het hout van het ware kruis betwist. Alen heeft een bloedigen strijd geleverd om het meester te worden, en zoudt gij, die het na in handen hebt, het verre van u willen werpen\'?
Neem het kruis dat Jezus u geeft. Zoek niet het te ruilen tegen dp.t van anderen. Neem blijmoedig uw deel der wederwaardigheden en beproevingen, en volg aldus beladen uw Zaligmaker op den koninklijken weg van het heilig kruis. Beoordeel vooral uwe moeielijkheden niet uit menschelijk oogpunt. Dit zou aan uwen geest eiken draad zelfs van edelmoedigheid en belangeloosheid ontnemen. Plaats liever de goddelijke liefde in uw hart; zij aal u het
— 102 —
kruis leeren beminnen onder welken vorm God het u aanbiede!
Gij moet het kruis dragen. Denk terwijl het op uwe schouderen, op uw hart drukt, dat het u geluk aanbrengt niet voor den tijd waarop het slechts voorbijgaand is, maar voor de eeuwigheid, waar alles onvergankelijk is. Eene zeer troostende gedachte is deze: als men het kruis draagt, staat men op de plaats van Jezus, gedurende zijn lijden.
Ja terwijl het kruis uwe schouderen of uw hart drukt, staat gij voor de engelen als eene herinnering aan het Verlossingswerk, en op aarde hernieuwt gij het beeld van den lijdenden Jezus. Is het geene grootsche zaak hier op aarde de plaats van Jezus te vervullen, deel te hebben aan zijne zending en aldus te verdienen eens zijne glorie te mogen deelen?
Zeg nooit: Ik kan dat kruis niet dragen____
het is te zwaar! God wil niet dat wij dergelijke opschriften op ons kruis zetten. Hij wil geen ander dan dat zijner goddelijke hand. In Cruce salus est. In het Icruis ligt uwe zaligheid!
Aanbid eiken morgen den oneindig liefderijken wil van Hem die U het kruis op de schouders heeft gelegd, die\'? alleen het U kau ontneraen
— 106 —
en werp het nimmer uit weerstand aan de genade, moedwillig op den grond.
X. Wij moeten op het kruis sterven.
I
»ezus heeft u tot lieden het leven gespaard, opdat gij met Hem op het kruis zoudt leven en sterven. Bid, opdat zijne genade, die u altijd geholpen heeft zonder dat gij dit willicht duidelijk bemerkte, u ten einde toe ondersteune. Eu kuut gij op uw kruis niet met vreugde lijden, zoo blijf er teu minste met geduld en onderwerping tot het einde toe. Een blik op Jezus den gekruiste zal u moed en vertrouwen geven om in vereeniging met uwen Schepper te sterven.
De hulpmiddelen der menschelijke wetenschap zijn krachteloos tegenover sommige smarten, want zoodra de levenswerktuigen in verval zijn, doen de geneesheeren eigenlijk niets anders dan ons komen zien sterven. Is het niet veel beter onze pijnen aan te zien als middelen, waarvan God zich bedient om onze zielen te genezen of onze heiliging te bespoedigen? Uwe laatste ziekte nagelt u vaster dan ooit aan het kruis. Maar nadat gij evenals Jezus-Christus
— 104 —
bijna geheel uw leveu iu een aanhoudenden doodstrijd hebt doorgebracht, behoeft gij slechts uw laatsten doodstrijd met den zijnen te ver-eenigen en evenals Hij uwe ziel in de handen van den hemelschen Vader aan te bevelen. Dan hebt gij slechts een voet meer te verzetten om het Paradijs binnen te treden.
Leef en sterf op het kruis, gelijk Jezus uit liefde voor u op het kruis geleefd heeft en gestorven is.
XI. De dagelijksche kruisverheffing.
a kruisvinding, zegt eene heilige, is een zeer gewoon feest voor den Christen, daar hij dagelijks eenig kruis vindt.
De kruisverheffing daarentegen is een zeer huitengewoon feest, want zeer weinigen vér-heffen en zegenen het kruis dat God hun oplegt om in hen de kracht zijner macht en glorie te openbaren. Onze Heer bemint dit feest echter zoo zeer dat Hij dit op het einde der eeuwen zal bevestigen. Dan zal in den hemel het teeken van den Godmensch verschijnen in groote glorie en majesteit. Indien dit eene onfeilbare waarheid is, hoe hoog zullen zij tronen in den
— 105 —
hemel, die op aarde het kruis der kivelling in hun hart verheven hebben.
Gij vereert met recht, gij aanbidt geknield het ware kruis, omdat dit heilig hout eenige uren in aanraking geweest is met het lichaam van het menschgeworden Woord, maar evenzeer moet gij het kruis eerbiedigen dat God u overzendt.
Beschouw uwe moeielijkheden, uw lijden als deeltjes van het heilig hout der verlossing. Eerbiedig ze, waardeer ze als haddet gij die rechtstreeks ontvangen uit de hand Gods.
Voor dat het kruis op zijne schouderen gedrukt en zijn hart verscheurd had, was het een voorwerp van schande. Jezus heeft het geheiligd en verheerlijkt! Het kruis is voor zijne heilige menschheid de oorzaak eener eeuwige glorie, die glorie zal haar glans op u afwerpen, naarmate gij het kruis meer of minder zult vereeren. Naarmate gij het hier beneden zult verheffen in uw hart, zal het u verheffen in den hemel.
Eerbiedig ook al degenen die gij met dit teeken gestempeld ziet. De lijdende Christen is het beeld van Christus. Treed met eerbied het verblijf binnen, waar de lijdenskreet uw
— 106 —
welkomstgroet is. Deze gedachte heeft zoo terecht den naam van Gods huizen doen geven aan de toevluchtsoorden der smart. De wereld-ling ontvliedt ze, maar gij zult de woning der lijdenden groeten, want het is die van den lijdenden Jezus.
XII. Het kruis maakt ons leven vruchtbaar voor den hemel.
„Ik heb een dag verloren,quot; zegde keizer Titus tot zijne vrienden als hij een dag had doorgebracht zonder eenig goed te verrichten. Beschouwen wij ook onzen dag als verloren, zoo vaak wij een dag hebben doorgebracht zonder iets voor God te hebben gedaan of geleden.
Het kruis belet onze dagen onvruchtbaar te zijn voor de eeuwigheid; daarom moeten wij vreezen dat de dagen waarop wij niets geleden hebben nutteloos zijn voor den hemel. God geeft ons geen gebrek aan lijden, omdat ons dit nuttig is.
De H. Joannes van het kruis leert ons; Gij die hier beneden wenscht te genieten zoudt nergens anders genot zoeken dan in het kruis, indien gij wist hoe\'glörievoJ het is voor God
— 107 —
en hoe verdienstelijk voor u-zelven. Hoevele zielen, die plotseling: in hare dierbaarste genegenheden getroffen werden of haar vermogen verloren, hebben, door het kruis verlicht, de nietigheid aller aardsche zaken begrepen en zijn daardoor tot de deugd, het geloof teruggebracht! Misschien hebt gij zelve door treurige ervaring het nut van het lijden begrepen?
Wanneer de avond valt en de moeielijkheden van den dag voor u voorbij zijn, verheug u dan in de overtuiging uwen dag niet te hebben verloren, en zeg dan: Mijn God ik dank II dat gij mij meer lijden dan aardsche goederen toezendt, want de laatste kunnen mij bij mijnen dood niet meer dienen en het kruis zal mij eeuwige vruchten afwerpen.
^/1961/^
Zinnebeelden.
I. De twee ringen.
e H. Gertrudis liood den Heer eens al haar lichamelijk ea inwendig lijden aan met deszelfs onvermijdelijke gevolgen : het ontberen van den geestelijken troost en het lichamelijk genot. De Heer verscheen haar en gaf haar twee kostbare ringen, als belooning voor de tweevoudige offerande, die zij Hem gebracht had. Volg deze heilige na en stel n niet tevreden met God het verdragen van uw lijden op te offeren, maar ook het gemis van den troost of het genot, dat daarvan het gevolg is. Aldus zult gij eenen dubbelen oogst verzamelen, en onthoud wel dat beide ringen met een kostbaren steen versierd waren.
Beschouw uw lijden ook als een verbond met Jezus-Christus gesloten. „Het lijden,quot; zegt
— 109 —
Blosius, „is een kostbare ring, dien Jezus schenkt aan de ziel, waarmede Hij zich wil vereenigen.quot; Wees dankbaar dat gij het onderpand eener zoo schoone vereeaiging moogt dragen. Loof God te midden van uw lijden; de dankbaarheid in onze uren van beproeving, is God zoo aangenaam, dat wij daardoor eene schitterende kroon in den hemel verdienen. Hij alleen denkt er aan ons dubbel te beloonen voor datgene wat slechts ééne beproeving schijnt.
II. De lofzang der liefde.
Tf
•vteen, weerhoud uwe klachten, uwe tranen niet, noch voor het kruis, noch voor het tabernakel. Eene enkele zucht uit een onderworpen hart klinkt in het oor van Jezus als een aangenaam gezang, als eene welluidende muziek. Wij behoeven ons niet in te spannen om ons te doen hooren, „want,quot; zegt de profeet, „de Heer is bij dengene die lijdt.quot; Eene godvruchtige ziel wel doordrongen van deze waarheid, was gewoon een lied te zingen, als zij, door lichamelijk lijden of duizenden kleine beproevingen vreesde zich over te geven aan ongeduld of moedeloosheid. „Ik heb hierbij nog een ander
doel,quot; legde zij, „dit is om God te toonen dat ik mijn lijden vroolijk draag, want de zang is de uitdrukking der vreugde van een hart, dat volkomen tevreden is. Ik ben ook volkomen tevreden, want de wil Gods is alles voor mij. Ik bezing mijne liefde om mijne smarten te bedaren en te vergeten.quot; Wees dan ook opgeruimd, al moet gij zeggen: „Heere Jezus, ik heb geene kracht, geeue stem meer om U te loven, doch ik heb altijd een hart om II tot het einde toe te beminnen!quot; Een kalm gelaat bekoort de menschen, hoe zou het dan het Hart van Jezus niet bekoren?
III. Een stuiver op interest.
erbeeld u dat Jezus zich, gedurende uw morgengebed, aan u vertoont en u zegt: „Mijn kind, gij geeft dikwijls een stuiver aan een arme, dien ik vermenigvuldig naarmate uwe meening zuiverder is, en ik doe dit met elk offer uit tiwe hand. Plaats dan alles wat u leed doet, u verveelt, bedroeft of doet lijden als zoovele stuivers in mijne hand en ik zal ze in waarde doen stijgen naarmate uwe edelmoedigheid grooter zal zijn.quot; Hoe gaarne zoudt gij
— Ill —
dit voordeelig aanbod aannemen ? Welnu dit zegt ii zijn Hart dagelijks. Leg dan in zijne hand die duizenden namelooze zaken, die uwe dagen benevelen, en zoodanig van gedaante zullen veranderen in Jezus hand, dat gij, als de avond valt, Hem eene rijke aalmoes zult hebben aangeboden. Al die stuivertjes edelmoedig gegeven en met liefde ontvangen, worden u bij uw sterven, met woeker uitbetaald.
IV. l-gt;e hcsle spijs.
H
■ee H. Angela de Foligno vergeleek de rijkdommen, het geluk en vermaak dezer wereld bij kruimelen, die vallen van \'s Heeren disch: de kwellingen en het lijden bij de beste spijs, die de Heer zijnen dierbaarsten vrienden voorzet. In deze overtuiging ondernam de heilige eene lange bedevaart om God kruisen en tegenspoed te vragen. Ook de H. Franciscus van Assisië en vele andere heiligen beschouwden deze als de beste spijs der ziel.
En gij, die de Heer uitnoodigt om het krachtvol brood der smart te eten, gij toont een bepaalden tegenzin voor de spijs door zijn Hart gekozen. Gij bidt, gij doet bedevaarten om
— 112 —
toch zoo dikwijls niet uitgenoocligd te worden tot dat geheimzinnig gastmaal der uitverkoor-nen. „Een welopgevoed menscli eet van alles,quot; zegt de H. Philippus Nerius, „en laat niemand zien dat de voorgestelde schotel hem mishaagt.quot;
Vraag dan dagelijks aan Jezus de kracht om getroost het bitter brood des lijdens te eten en smeek uwen hemelsohen Vader u een stuk te geven, al zoudt gij het gisteren verworpen of met lange tanden geproefd hebben. Vraag God ook om dankbaar alle smarten te omhelzen als de beste schotels voor de ziel, en allen rampspoed kalm en onderworpen uit liefde tot Hem te dragen.
V. Het Dehet en Credit.
W ij allen zijn bankiers en God heeft onze schatkist rijkelijk voorzien met de schatten zijner genade. Wij hebben dus een kapitaal in handen, waarvan wij het cijfer niet kennen, maar dat ontwijfelbaar verbazend groot is.
Wij mogen het noch verkwisten, noch renteloos laten. God verplicht ons het te doen gedijen; onze werken beschikken er over ten onzen bate of ten onzen nadeele. En hoe
— 113 —
groot ons kapitaal ook zij, staan wij immer als schuldenaars voor God. Maken wij dan, even als de bankiers, eiken avond onze balans, vergelijken wij winst en verlies. Erkennen wij liet goed of slecht gebruik van deze genade, dezen tegenspoed, deze beproeving. En als wij voor God ons debit en credit oprecht erkend hebben, vragen wij ons dan; „Als ik dezen nacht stierf, zou dan mijne winst of mijn verlies de schaal der goddelijke gerechtigheid doen overslaan?quot; Zeker zou het debet overslaan zoo God in zijne vaderlijke goedheid mij niet ter hulp kwam? Waar zou ik zijn als Hij door het lijden dat ik door zijne goedheid met een welgemeend „Fiatquot; omhelsd heb, het evenwicht der schaal niet eenigszins hersteld hadde?
VI. Het krachtig tegengif.
„Hfiemand,quot; zegt de H. Augustinus, „is zoo dwaas om vrijwillig vergif te gebruiken en te zeggen: „Mogelijk doet het mij geen kwaad.quot; Intusschen ziet men eene menigte menschen gretig den zoeten, doch vergiftigden drank der zinnelijke vermaken grijpen, waarin zij den dood vinden voor tijd en eeuwigheid.
Wellicht hebt gij ook in volle teugen dit vergif uit gouden bekers gedronken, zonder te denken aan het venijn, dat het in uwe aderen stortte. Doch plotseling heeft God in zijne onuitsprekelijke barmhartigheid in uw hart, in uwen geest, en al uwe ledematen het krachtig tegengif des lijdens gestort, waardoor de uitwerkselen der zonde belet zijn en uwe ziel door eene gedwongen boetvaardigheid hare kracht terug heeft bekomen. Is het niet beter een bitteren drank in te nemen dan te sterven? Walgt hij u, dan bid en zet hem zonder morren, zonder klagen aan uwe lippen.
Indien uw Engel-Bewaarder u kwam zeggen dat gij slechts één dag meer te leven hadt, hoe zoudt gij dien gebruiken om boetvaardigheid te doen en aldus de straf te ontgaan, die u voor \'s Heeren rechterstoel morgen zou opgelegd worden ? En inderdaad hebt gij slechts den dag van heden tot boeting uwer zonden, want de dag van morgen is aan niemand beloofd. Hoe velen zullen dien niet beleven? Minstens 80,000. Wellicht behoort gij onder dit getal.....
Ledig dan moedig den bitteren lijdenskelk, die de zonde bestrijdt en bid God dat gij geen
enkelen droppel moogt verliezen van het zalig tegengif, dat zijne barmhartigheid u voor uwen dood wil scheuken.
VII. De hittere pillen.
Öm de aanvallen der koorts tegen te werken, schrijft de geneesheer den zieke de hittere quinine voor in den vorm van pillen, in suikerpoeder gerold. Om ons van de koorts van onzen eigen wil te genezen, ziet onze goddelijke geneesheer zich ook genoodzaakt ons zalige, doch zeer hittere pillen te doen slikken. Ziekte, laster, verachting, ziedaar pillen die onze natuur zeer tegenstaan.
Dan eens zijn zij dik en moeielijk te slikken, dan weder is de suikerpoeder vergeten. Slik ze. zonder ze te bezien, noch te rieken. Wikkel ze in de gedachtenis aan het lijden des Zaligmakers, doop ze in zijn kostbaar Bloed, en ze zullen hare bitterheid grootendeels verliezen! Luister naar de woorden van den H. Bernardus:
„De soldaat bekommert zich niet over zijne wonden, als hij zijn koning dood voor zijne voeten ziet vallen. Zal God u dan de bitterheid moeten verbergen der geneesmiddelen u ter
zaligheid noodwendig, als gij Jezus-Christus met gal gelaafd de vreeselijkate pijnen ter uwer liefde ziet verdragen ?quot;
Koevele pillen hebt gij uwen naasten niet doen slikken zonder te vragen of zij hem heilzaam waren. Jezus handelt niet aldus ten uwen opzichte en geeft u slechts wat u heilzaam is. Neem dan met vertrouwen alle geneesmiddelen, die zijne hand u toereikt.
VIII. Ons klein geld.
Sfij hebt vijanden, groote vijanden.... wie heeft ze niet! dit schijnt ons lot in deze wereld. Zij maken onze dagen rijk in het klein geld, dat wij noodig hebben om de goddelijke rechtvaardigheid te betalen naarmate wij grootere of kleinere schulden tegenover Hem aangaan. Dit klein geld is ook bestemd om geduld, ootmoed en gelatenheid te koopen. Wat zou er van ons worden in ons laatste uur als God ons door het lijden de middelen niet gaf onze schulden te betalen en deugden te verkrijgen. In het uur des lijdens denkt men wel meer aan het verdriet daardoor veroorzaakt dan wel aan de zalige gevolgen, doch dit komt door onze schuld, niet
— 117 —
door die van God. Hij ziet niet gaarne dat wij deze kostbare munt verliezen, Hij werpt vele stukken op onzen weg om te zien of wij die zorgvuldig zullen oprapen en ze sluiten in dien portemonnaie, dien men niet op aarde achterlaat, en niet in de aarde begraaft, doch dien wij ten onzen hate medenemen naar den god-delijken rechterstoel. Indien wij in plaats van bij den minsten tegenspoed uit te roepen. „Ach Heer, hoe vervelend,quot; eenvoudig zegden. „Ik dank U Heer! zouden onze handen gevuld worden met die hemelsche munt, besproeid door het goddelijk Bloed en des avonds zouden wij God een aardig sommetje kunnen aanbieden op afrekening onzer groote schuld, eene afrekening, die ons zoo krachtig zou helpen als wij later al onze schulden tot den laatsten penning zullen moeten afbetalen.quot;
IX. De toetssteen.
Jwet geduld in de beproeving doet ons den geest der beproefden kennen, even als de toetssteen ons het koper van het goud doet onderscheiden. Hij, die bij de minste beproeving klaagt over den geneesheer, en zijne oppassers
— 118 —
beschuldigt van nalatigheid is niet geduldig; het koper vertoont zich in plaats van het goud. „Maar,quot; zegt gij, ,.ik lijd zoo veel, mag ik niet klagen?quot; Hoor wat de H. Alphonsus zegt: „Beklaag u zoo gij wilt over uwe hevige smarten, doch zoo gij u over het minste lijden beklaagt, dan zijt gij werkelijk te beklagen, niet om uw lijden, maar om uw ongeduld dat u ziek maakt naar lichaam en geest.quot;
Een eerbiedwaardig schrijver zegt dat verscheidene personen niet zalig zouden worden, indien zij gezond waren. Vele heiligen werden met langdurige ziekten bezocht. De H. Theresia was gedurende veertig jaren geen enkelen dag zonder lijden. Als men zich dus niet voortdurend oefent in het geduld, gaat het leven voorbij in klagen, morren en ongeduld en men bemerkt niet dat men in plaats van Gods wil te volbrengen in gedurigeu opstand tegen Hem leeft. Hoe vele menschen zullen bij hun sterven ter hunner beschaming zien, dat God slechts geduld in het lijden van hen vraagde en dat hunne smarten slechts verlengd werden om hun die deugd te doen verkrijgen. Wees dan tevreden als gij ziek zijt; op uw ziekbed vervult gij den wil des Heeren. Hij wil zien of gij
— 119 —
koper of goud zijt. Verbeeld u flat God u des morgens zegt: „Ziehier hoe ik vandaag door u gediend wil worden.quot; Indien Hij u deze woorden werkelijk toevoegde, zoudt gij zeer gaarne den geheel en dag in uw hed, of uwen leuningstoel blijven. Wel nu, zijn wil is u even duidelijk. Een dag\' is niet heel lang, breng hem voor God door. Morgen kunt gij het weder zoo maken. Maar ondersteun u zelven door het gebed; hierdoor alleen kunt gij het noodige geduld en de heilige volharding bekomen.
X. De bloempjes van Kalvari\'è.
0
ver het algemeen zijn onze dagelijksche kruisjes aan de wereld verborgen, doch voor God zijn het liefelijks bloemen ontsproten aan den voet van het kruis, die onze zielen met eene eeuwige schoonheid zullen versieren. Als God weet dat eene ziel te zwak is om sieraden van massief goud, dat is, zware rampen te dragen, bedekt Hij haar met bloemen, te weten met duizend kleine kruisjes. Deze bloemen zoo verscheiden iu vorm, zoo gezocht en gewaardeerd door de heiligen ontbreken u niet. Hoofdpijn, maagdpijn, tandpijn, rhumatisme of zware
vermoeienis, in de ziel eene teleurstelling, een kleine tegenspoed, tegenspraak, miskenning, o hoevele kruisjes, of liever lioevele bloemen! Eiken avond hebt gij een beerlijken krans in banden !
Nog kunt gij den Heer andere bloemen aanbieden, die God u vrijlaat te plukken of te laten staan, docb die vele brave zielen zoo gaarne aan bet Heilig Hart van Jezus aanbieden. Bijv.: bij zomerliitte tusschen de maaltijden niet drinken, — als gij zeer bongerig zijt een oogenblik wachten alvorens te eten, — niet eten tusschen de maaltijden, — geen onderscheid maken tusschen de spijzen, die u worden voorgezet, — datgene kiezen wat u minder toelacht, — niet klagen als iets uwen wil weder-streeft, enz. enz. Al deze kleine, met zorg verborgen verstervingen zijn zoovele bloemen, waarvan God alleen den geur inademt. Verzamel met zorg al de kleine beproevingen op uw levenspad gezaaid, als zoo vele passie-bloemen, doch doe bet niet liefde en blijmoedigheid. Deze bloemen verwelken nooit, want besproeid door het dierbaar Bloed en de liefde van Jezus, worden zij zoo vele immortellen, die onze Engelbewaarder in onze eeuwige kroon vlecht.
— 121 —
XI. üe sleutel der heide werelden.
B,
(e zaolitmoedigen zullen liet aardrijk bezitten,quot; zegt de Heer, want deze deugd heeft den sleutel der harten. Een zachtmoedige ziel, die zich zelve bezit, beheerscht anderen, want de zachtmoedigheid bezit groote kracht. Men heeft groote kracht noodig om te lijden, en deze kracht vindt men in de smart met zachtmoe-dlghoid te omhelzen.
Hij die niet op zich zeiven let, laat in zijne lijdensuren van zijne lippen druppelen azijn vloeien die de harten sluiten, terwijl de zachtmoedigheid die wijd voor ons opent. Men gaat gaarne tot dengene die lijdt, doch anderen niet doet lijden, en God stort zijnen zegen uit op het hart dat geen gal uitwerpt.
De zachtmoedigheid is de sleutel eener wetenschap, die zeer belangrijk is, „want,quot; zegt David; „De Heer zal zijne wegen leeren aan de zachtmoedigen.quot; Een dezer wegen loopt uit in de eenzaamheid, de andere doorloopt de wereld, doch beide loepen door het pad des lijdens naar den hemel. Welnu hoeveel kracht heeft niet de zachtmoedigheid op het hart der
G
— 122 —
menschen eu het Hart van God. Deze sleutel opent al de hemelsche sloten, God weigert niets aan dengeue, die Hem nooit weerstaat. Door het gebed verkrijgt men de zachtmoedigheid, en door deze deugd bezit gij den sleutel van Gods Hart.
XII. Gulden Woorden.
Is gij ziek zijt, dan verheug u, want de Heer denkt aan u. Elke zieke gelooft zich het ziekste, elke arme gelooft zich het armste en geen van heiden denkt dat hij met volle hand put uit de schatkist der genade.
Als het lijden ons niet smartelijk aantastte, zou het geen lijden meer mogen heeten, doch de Christen beheerscht de smart. De groote kunst van den zieke bestaat hierin dat hij zich geheel onderwerpe en geduldig hulp afwachte van den hemel.
Het lijden is de zaligste oefening, die God aan ons lichaam of onze ziel kan opleggen. Wees dan tevreden uwe ■ kracht daartoe te mogen leenen.
Het is moeielijker geduldig eu stilzwijgend te lijden dan mirakelen te doen, ja zelfs dooden
— 123 —
op te wekken. Als Jezus u zonder troost laat lijden, gelijk Hij zelf deed in den hof van Olijven, zoek dan geen troost buiten zijn bedroefd Hart. Zoudt gij troost willen smaken terwijl Jezus water en bloed zweet om uwe schuldige vermaken te boeten\'!
Het zekerst bewijs, dat God groote inzichten heeft met eene ziol is wanneer Hij haar kwelling op kwelling, lijden op lijden zendt en haar niet uit dezen staat trekt.
Neem het kruis uit de hand des Zaligmakers en niet uit de handen der schepselen. Zeg nooit: „Deze of gene heeft mij dit lijden berokkend. dit onrecht aangedaan.quot;
Ge ziet niet hoog genoeg, daarom veroorzaakt uwe beproeving u meer lijden en eene zekere verontwaardiging. Beschouw Jezus-Christus, die u een der doornen zijner kroon tot onderpand zijner liefde aanbiedt en gij zult uw kruis gemakkelijker dragen.
XIII. Het heste geschenk.
Se tegenspoed is een der beste geschenken, die God ons kan aanbieden. Die wie onzer zou bij deszelfs ontvangst het niet liefst uit het
venster werpen of de deur sluiten? Wij zouden ons echter zoo lichtzinnig niet durven ontmaken van eene gift, ons door eene vriendenhand aangeboden. Als men u iets aanbiedt dat niet volgens uwen smaak is, toont ge u, welleveiulheidshalve toch tevreden en dankbaar. Waarom dan bedankt gij God niet voor eene smart, een kruis, eene doornenkroon zelfs, daar deze dingen hoe weinig zij u ook behagen, meer waarde hebben dan de kostbaarste diamanten. Neem ze ten minste gewillig aan ter liefde van Hem die ze u zendt met het edelmoedig plan u daardoor te verrijken.
Gebruik de opvoeding u door God gegeven om zeer beleefd, ja zelfs dankbaar de gift te ontvangen die zijne goddelijke hand u toereikt. Deins niet terug, toon geen weerzin voor dit hemelsch geschenk. Dank God dat Hij u aldus de kostbaarheden laat ophoopen, klaag niet over haar gewicht. Behoud gedurende uw lijdensuren het kalme gelaat, dat betaamt aan iemand, die tevreden is met hetgeen hij bezit. Bewaar dan met zorg het goddelijk geschenk, dat God u op deze aarde gegeven heeft om daarmede eens den hemel te kunnen koopen.
— 125 —
XIV. De. doornstruik.
wJe jeugd plukt even als de honigbij die sleolits de suiker der planten zoekt, de bloem dezer wereld en denkt niet dat zij later de doorn zal vinden, doch reeds bij het intreden der loopbaan, die men met bloemen bezaaid meende, verscheurt men handen en voeten aan de doornstruik der tegenspraak, der verveling, der opoffering ! Zij groeit welig in alle hemelstreken, ja in de huizen, in den schoot der familiën zelfs steken de doornen het scherpst. Zij dringen in het geheugen, zij dringen zich in het hart en doen het bloeden, zij hernieuwen de wonden en dringen zoo diep in het vleesch, dat men na langen tijd ze nog in do wonde terugvindt.
De boetvaardigheid en de tegenspoed zijn als de doornen die de bloemen der Kerk, dat is de zuivere en boetvaardige zielen, omgeven. Rozen toch groeien steeds op doornige takken. De bloemen, die ontluiken op de paden dezer wereld zijn meer schitterend dan welriekend en verbergen ook scherpe doornen, die veelal geen troost, geen heeling brengen noch in deze, noch in de andere wereld. Hierbeneden verwelkt de roos en overleven de doornen, in den hemel
outhiikt de roos en laat hare doornen op aarde. In dit dal van smart verheft de ziel, de bloem door Jezus hemind, zich op den doornigen stam van het kruis, maar in den hemel zal de roos, van doornen bevrijd, eeuwig bloeien.
Maar hoe zal men zooveel lijden omhelzen? Het groote middel om de doornen te trotseeren is Jezus veel te beminnen en veel te bidden. De beminnende ziel alleen is moedig. De moed is noodzakelijk, de liefde nog meer. Zeg dikwijls: „Heer, voor TJ lijd ik. vermeerder in mij uwe liefde.quot; Bid aldus alle dagen, wat zeg ik — alle uren van den dag, want de natuur heeft steun uoodig, omdat het lijden haar weldra uitput. Vraag God de liefde nooit te scheiden van het lijden. Ze zal u gegeven worden door de tusschenkomst van O. L. Vr. van het H. Hart, aan wie gij u voortdurend moet aanbevelen.
XV. De beitel van den goddelijken beeldhouwer.
„■Oe wereld, zegt de H. Franciscus van Sales, is eene steengroef, waar de steenen, bestemd tot den bouw van het hemelsch Jerusalem, worden gehouwen en gebeiteld.quot;
— 127 —
Uwe ziel is een dier koude, harde steeuen die de goddelijke werkman, uaar zijn goedvinden bewerkt, volgens de plaats die Hij daarvoor in zijne ondoorgrondelijke besluiten heeft bestemd. Hij bewerkt in ons met de grootste zorg, wat wij niet hadden kunnen doen. Duld dan dat zijn beitel afscheide, houwe, kerve en polijste al wat den kostbaren steen uwer ziel zou beletten met de andere overeen te komen. God snijdt in het binnenste van uw hart, uwen geest, uwe ingeworteldste genegenheden, al datgene af wat zijn gebouw zou ontsieren, maar zoodra de beitel ons treft verbeelden wij ons dat God de zaak niet verstaat en dat Hij veel gemakkelijker tot zijn doel zou komen door eene bewerking die minder pijnlijk voor ons ware. Zoodra Hij ons raakt roepen wij om hulp... Wij slaken luide kreten als de beitel diepe groeven slaat of lompen onzer eigenliefde medesleurt.
Verduur de goddelijke bewerking zonder ontsteltenis, zonder morren, zonder inwendigen opstand. Behoud de zoo noodzakelijke kalmte, stel uw vertrouwen op God en geef u over aan de pijnlijke bewerking zijner genade.
Als gij den goddelijken werkman vrij laat
\'
---------------a
■
,---
— 128 —
en rustig blijft onder zijne hand zal Hij van u een meesterstuk zijner waardig maken. Wees dan nederig, onderworpen aan de verstandige bewerking van den goddelijken Meester, totdat Hij u genoeg bewerkt en gepolijst vinde om u te plaatsen in het schitterend paleis van het hemelsch Jeruzalem.
XVI. Do gloeiende \'kolen.
m
yjyl ij lezen in de H. Schrift dat een Serafijn met een vurige kool de lippen kwam zuiveren van den profeet Isaias. Op sommige uren onzes levens zendt God de ziekte om onze zinnen te zuiveren en het licht te verspreiden in ons verstand. Het geloof alleen leert ons de waarde kennen van het werktuig door God gebezigd. Een arme koortslijder gevoelt zich alsof hij op gloeiende kolen ligt, en als hij zijn geloof raadpleegt begrijpt hij dat zijne smarten kostbare kleinodiën zijn. uit het Hart van Jezus getrokken. . Als lichamelijk of inwendig lijden u van buiten of van binnen als op gloeiende kolen nederleggen, branden zij dan ook in uw hart de banden niet af van uw aardsche genegenheden? Laat u dan branden zooveel God wil
— 129 —
en bij liet licht van uw eigen brandoffer zult gij de waarde erkennen van uw offer, gebracht in vereeniging met Jezus. Vrees liet vuur der smart evenmin als de heiligen de vlammen van den brandstapel vreesden en bid den H. Geest het vuur der liefde in uw hart te ontsteken.
XVII. De pleizierreis.
Bij de eerste schoone lentedagen, als de aarde haar bloemtapijt uitspreidt voor ons oog, snakt men naar eene uitvlucht naar buiten. Men onderneemt blijmoedig een reisje om de schoone natuur te beschouwen, en de reis naar de eeuwigheid zou men willen uitstellen, die ons oneindige heerlijkheden zal ontdekken! Hadde de H. Augustinus geleefd in onze eeuw dan zou hij in plaats van te schrijven; „Hij die oogen heeft om te zien, beschouwe de ziekte als eene reis per }gt;ost om tot God te gaan,quot; gezegd hebben: „De ziekte is de exprestrein om tot God te gaan.quot; Het lijden doet ons werkelijk per sneltrein reizen, zeker niet gemakkelijk, doch om ons naar den hemel te brengen doet het lijden den dienst eener fel snuivende locomotief.
6*
— 1«0 —
De beproeving heeft u inderdaad in den exprestrein des hemels geplaatst. Voor de natuur is dit eene treurige reis beginnen en voortzetten, die eerst in de eeuwige lente zal eindigen. Men kan zeggen dat ons intreden in de wereld het begin van onzen levenslangen pelgrimstocht is. Gij kunt den wagon, waarin het leven en het lijden u geplaatst hebben, niet meer verlaten. Vroeger of later, doch weldra, zal uw trein stilstaan, en gij zult de eeuwige \\eute genieten. De dag uwer aankomst in de henelsche woningen zal de schoonste zijn van uw bestaan. Ja, gij die zooveel lijdt en met zooveel liefde tot God lijdt, zult dan verzekerd zijn dat gij werkelijk eene pleizierreis gemaakt hebt. De schoone dagen hier beneden worden door zware stormen opgevolgd; zoo gaat het ook in het geestelijk leven met hen die waarlijk God beminnen en voor zijne glorie willen lijden. Gij hebt het geluk gehad veel te mogen lijden. Uwe dagen door stormen geteisterd zijn des te schooner, zoo gij als een waar leerling van Christus hebt geleefd.
Het einde zal nu de pleizierreis zijn. Houd u niet meer vast aan deze aarde. Pak dagelijks uw koffer, en op den laatsten dag kan men u
— 131 —
toeroepen: Goede reis! De aankomst zal gelukkig zijn. Jezus, Maria en Jozef wachten en zegenen u.
XVIII. De laatste sport.
w
■«wiet leven gelijkt eene ladder, die van de aarde tot den hemel reikt. Elk verloopen jaar is een sport hooger die de afstand vermindert, welke ons nog van de eeuwigheid scheidt. In onze uren van lijden en tranen moeten wij de sporten tellen, die ons nog scheiden van het hemelsch vaderland, waar geene zuchten noch tranen meer zijn. De hemel is niet ver meer verwijderd. Daarboven zullen de kruisen, de beproevingen, de ziekten voor altijd verdwijnen. Hier beneden zijn onze beproevingen even zoo vele sporten, waarop wij moedig ten hemel moeten klimmen. Er bestaat (jeen andere weef.
Toen de beulen de H. Felicitas één voor één hare zonen ontrukten om ze te vermoorden, zegde zij onversaagd: „Gaat naar den hemel, mijne kinderen, ziet daarboven verwacht Jezus-Christus, uw goddelijke Meester u met de andere martelaren, die u zijn voorgegaan. Lijdt moedig voor het geloof en volhardt in de liefde van den God, die voor u op het kruis gestorven
T
1
— 132 —
is.quot; Welken heldenmoed geeft het geloof! Maar Felicitas zag hare kinderen op den hoogsten sport der ladder en hare stem en haar moederhart drong hen den hemel in.
Volgen wij deze heilige na, offeren wij volstrekt alles aan de liefde des Heereu, houden wij niets terug; familie, rang, aanzien, fortuin, gezondheid, leven, geven wij alles edelmoedig als de eer van God het vraagt. Zeg dikwijls te midden uwer tranen: „Ik hen vandaag dichter bij den hemel dan gisteren. Dezen avond hen ik er dichter bij dan nu. Klimmen wij moedig de ladder op, Jezus-Christus wacht ons op den hoogsten sport.quot;
XIX. De twee kronen.
0e Heer bood eene doornen en eene gouden kroon aan de H. Catharina van Seuen en zegde haar: „Kies, mijne dochter, eene dezer kronen.quot; De heilige koos onmiddellijk de doornenkroon en drukte ze diep in haar hoofd. Van dit oogenblik af was haar leven slechts tegenspoed en smart. Zij \'gevoelde veel inwendig lijden, eene groote verlatenheid en het was a\'.s overweldigde de ziekte geheel haar lichaam. Als
— 133 —
het lijden haar meer dan gewoonlijk kwelde, plaatste zij tegenover de herinnering aan de gouden kroon, die zij had kunnen dragen deze woorden: „Ik heb mijne hoop in mijn Jezus geplaatst en ik zal niet beschaamd worden. In den hemel zal ik den tijd hebben te genieten.quot;
De gouden kroon, het zinnebeeld van voorspoed en genot lacht ons toe, maar is het wel verkieselijk nooit tot God te kunnen zeggen: „Zie, Heer, dit lijd ik voor uwe eer.quot; Kan de ziel, die immer geniet God veel liefde bewijzen ? God laat u de keuze niet tusschen de beide kronen, Hij deelt met u zijne doornenkroon. Beklaag u niet over uw lot alsof gij de gouden kroon betreurdet; men kan die niet hier en hiernamaals dragen. Wil dan liever hier de scherpe doornen gevoelen om hiernamaals de heerlijkheid der goddelijke liefde te smaken. God bemint u. Bene gouden kroon is u in den hemel voorbehouden.
XX. Interest op Interest.
HLt lot der rijken schijnt vaak de volheid van het geluk en men meent valschelijk, dat zij voor alle lijden en verdriet gevrijwaard zijn.
Doch als men alles wel beschouwt, zijn de heiligen alleen renteniers en genieten zij wat zij verzameld hebben zonder vrees het te verliezen. Maar zij kunnen ook niets meer verkrijgen. En wij, hoe arm en behoeftig ook, wij kunnen dagelijks door het gebed, door oefeningen van deugd, doch vooral door het lijden, uns onvergankelijke goederen en eeuwigen interest verzamelen. Elke kleine of groote boetvaai -digheid, hetzij vrijwillig of gedwongen, elke zaak met eens g\'oede meening voor God verricht, vermeerdert ons kapitaal.
De H. Franciscus van Assisië zegde schert-serd dat hij uit den graanzolder zijner armoede de middelen trok om de uitgehongerde scharen te voeden. Wat zoudt gij dan niet kunnen trekken uit den graanzolder uwer smarten, waar al de verdiensten van Jezus-Christus ter uwer beschikking opgehoopt liggen ? Denk dan veel meer aan het benuttigen uwer rijkdommen ten voordeele der zondaars, der lijdende zielen, dan om u beklagen, omdat God u het middel geeft u te verrijken. Gij gelooft dat God u niet bemint omdat Hij u vele rampspoeden overzendt, doch dit is juist het tegendeel. De beproeving is veel meer eene genade dan eene
— 135 —
straf. Beschouw niet het pijnlijke van uw toestand, maar de gevolgen. De koopman, die een voordeeligen koop sluit, ziet niet op zijne moeite, maar op de waarschijnlijke winst. Uw lijtien geeft u her, recht eene zekere winst te verwachten en wordt een voortdurende interest. Beklaag u dan niet terwijl gij te midden der goddelijke schatten zit en in deze jaren van schaarschheid den noodigen rijkdom vergadert om de eeuwigheid gelukkig door te brengen.
O hoe ongelukkig zoudt gij zijn zoo gij te laat begrijpt dat gij rijk hadt kunnen worden voor God en den hemel en u door eigen schuld verarmd hebt.
Woorden ter herinnering.
I. Alles tot meerdere eer van God.
it woord was de leus van een dapper edelman, later een groot heilige. Naar het voorbeeld van Christus, zijn Heer en Meester, die zijne glorie stelde iu op het kruis te lijden en te sterven, zocht hij ook zijne eer in zijn Meester te volgen te midden van arheid, lijden en vervolging.
Het lijden, ziedaar de glorie, die de eerzucht van een God waardig was. Deze glorie vergaat niet met de wereld, zij wordt grooter naarmate onze kruisen toenemen. Om deze glorie te bevorderen moet men altijd gereed zijn alles te lijden, alles te verliezen.
Draag dan des morgens al uw lijden van den dag op tot meerdere glorie van God. Als het, zich meer dan gewoonlijk doet gevoelen, zeg dan: Heer ontvang dit lijden tot uwe meerdere
— 137 -
glorie. Stel u voor alles te tloen en te lijden om deze glorie te bevorderen in gebeden, woorden en daden en om mede te werken om die glorie in de wereld te verspreiden door uwe gebeden en uwe gesprekken. Hierdoor zult gij van nabij Jezns-Christus volgen, die, gedurende zijn gelieele leven geen ander doel bad. Bestaat er wel iets verdienstelijker dan op alle wijzen te werken aan Gods glorie ?
Op deze wijxe zult gij God verheerlijken met en door Jezus-Christus en zeer vele en zeer groote verdiensten verzamelen.
II. Alleluia.
I
od loven is eene groote akte van geloof en liefde. In onze lijdensuren is dit eene groote akte van rechtvaardigheid en edelmoedigheid, vooral als men dit doet met oprechte onderwerping aan Gods wil. Er zijn vele oprechte Christenen, die het kruis weten te waardeeren. Eene godvruchtige vrouw door eene smartelijke ziekte uitgeput, schreef: „Mijne kwaal duurt reeds sedert twaalf jaren en neemt. God zij dank, dagelijks toe. God bemint mij, daar Hij mij pijnen overzendt, gelijk aan die welke zijn
goddelijke Zoou in zijne kruisiging doorstond.quot; Eene andere, die niet minder zwaar bezocht werd, schreef aan eene vriendin; „De Kruisweg dien ik bewandel, bewijst mij duidelijk dat God plannen van barmhartigheid over mij heeft, daarom zal ik Hein altijd loven, mij zoovele kruisen en zoovele genaden toegedeeld te hebben.quot; Nooit zal ik dankbaar genoeg het „Alleluiaquot; kunnen uitspreken, wijl de Heer mij waardig geacht heeft op aarde zooveel te lijden. Z ander deze gunst zou ik vreezen zijn rijk niet binnen te treden.quot;
Zoo heeft Jezus nog getrouwe leerlingen, die voor het lijden niet sidderen en niet terugdeinzen voor het brandoffer van zich-zelven. Bemoedig u dan om God te loven in alle omstandigheden en bedenk dat uit uwe beklemde borst waaruit nu de zucht der ballingschap ontsnapt eens het eeuwig Alleluia zal weergalmen dat de Engelen sedert hunne schepping herhalen! Zeg om u van verre met hunne gevoelens te vereenigen ten minste eenmaal daags; „Mijn God ik loof TJ voor al het goede en het kwade dat ik gevoel en voor alles wat Gij in en voor mij doet.quot;
— 139 —
III. Deo Gr atlas.
aarom zoudt gij God niet bedanken voor uwe veelvuldige kruisjes, daar bet geloof ons verzekert dat zij kostbaar zijn in zijne oogen\'? Als men ziet dat God ons met voorliefde de gelegenheid tot lijden aanbiedt, moet men zich dan niet verheugen zich te bevinden in een toestand, die in den hemel zoo hooggeschat wordt ?
Een vurig Christen liet eene H. Mis tot dankzegging opdragen daags nadat hij door een proces zijn vermogen verloren had. Hij zegde dat zoo men God bedankt na het herstel ven. van eene ziekte, men Hem veel meer moet om- bedanken voor eene tijdelijke beproeving, die ude de dankbaarheid in eene eeuwige weldaad ver-hap andert. Als wij ondankbaar zijn voor de gave ier- van bet kruis, kon God ons er van berooven, ing- en een vreeselijk ongeluk ware het voor ons ge- als God ons aan de vermaken der aarde overliet, gs: gelijk Hij er soms zijne vijanden aan overlaat, iet Het eerste woord dat gij nu moet zeggen
in is: Heer ik dank U, het tweede moet eene bede zijn om een goed gebruik te maken van het lijden, het derde eene akte van hoop om-
tond.quot;
izocht
isweg
t God
heeft,
ovele
ben.quot;
uiaquot;
irdig
nder
[inen
, die rng-
— 140 —
trent de goede gevolgen, die de beproeving voor U zal hebben. De hoop brengt vreugde mede. Wij staan altijd op den vooravond der vergelding. Verheng u diis geleden te hebben, van nog te lijden, want naarmate uwe smarten zult gij hiernamaals genieten. Indien God onze dankzegging voor de gewone weldaden van dit leven met welbehagen aanneemt, zoo zijn die van een bedroefd hart hem nog veel aangenamer. Ben enkel Deo Gratias tijdens onze lijdensuren is beter dan dezelfde woorden duizendmaal uitgesproken te midden van geluk en voorspoed.
IV. Fiat.
siiedaar het woord van Jezus-Christus bij het omhelzen van zijn lijden, het woord der H. Maagd, toen Haar het goddelijk Moederschap werd aangeboden; het moet het onze zijn bij alle beschikkingen der Voorzienigheid ten onzen opzichte. Dit woordje zoo gemakkelijk om uit te spreken, wordt dikwijls met moeite uit het hart gerukt. Doch hoe billijk is het en hoe vele reden heeft het Christelijk gemoed om het te zeggen! Uw tegenwoordig lijden h of beschikt of toegelaten door den zelfden wil, die
Jezus-Christus voor onze zaligheid aan den dood overleverde, die het H. Sacrament des Altaars instelde! Die goddelijke wil, die ons op denzelfdeu dag op het altaar het goddelijk Bloed van onzen Heer Jezus-Christus en de heilige Hostie geeft voegt het lijden bij zijne gaven. Hij wil ons redden door deze beproeving even als door de verlossing. Gelukkig in het uur des lijdens de Christen, die met gelijke liefde al de werken van den goddelijken wil bemint en zijne ziel daarmede voedt.
Dat het woordje „fiatquot; immer op uwe lippen zij, vooral in die zich zoo vaak vernieuwende zielsmart, veroorzaakt door het gevoel onzer onmacht om te beletten dat God in onze onmiddellijke nabijheid beleedigd worde. Jezus-Christus onderwierp zich ook toen Hij zijn lijden zoo onnuttig zag voor een ontelbaar getal zielen, voor wie Hij zijn leven ten beste gaf.
Onderwerp gij u ook als gij uw pogen om diegenen die gij meer dan u zelve bemint tot God te brengen, vruchteloos ziet. Zeg „fiatquot; bij al wat u verveelt, u bedroeft, u beangstigt, in één woord bij al wat u doet lijden. Bemin Jezus en zelfs te midden uwer tranen zal uw hart het kruis edelmoedig omhelzen.
— 142 —
V. Al naar God wil.
B
\'e H. Ignatius beveelt aan den lijdende zich door het herhaaldelijk inroepen van Gods hulp in eene volkomen onverschilligheid te houden voor al wat Hij over ons beschikt, hetzij ziekte of gezondheid, droefheid of troost, rust of tegenspraak. fortuin of rampspoed, voor- of tegenspoed, alles in één woord mits het geschiede zooals God het wil. Zeg dus omtrent den nog onzekeren uitslag van eenige zaak met geloof en vertrouwen in de goedheid Gods: er zal geschieden wat God zal willen, ik vertrouw op zijne Voorzienigheid.
Ziehier een brief van den H. Franciscus van Sales, aan uw adres, hoewel gericht tot de H. Joanna van Chantal.
„Als gij God troost gevraagd hebt en het Hem niet behaagt u dien te geven, denk dan dat Hij uwe liefde wil zuiveren en u wil behandelen als moest gij op het kruis blijven en nimmer eene zuivere en gezonde lucht inademen. Onderwerp u tot Gods eer en glorie aan zijnen heiligen wil en bedenk dat dir. de beste wijze is om Hem uwe liefde te bewijzen. Men dient
143
God nooit beter dan wanneer men Hem dient zooals Hij het wil.quot;
Zie derhalve met welke vaardigheid gij u des morgens voor den geheelen dag moet plaatsen in eene heilige onverschilligheid bij het voorzien der blijde of droevige zaken, die u kunnen overkomen, verhef u door die onverschilligheid zoo hoog boven de aardsche zaken dat zij n zoo klein toeschijnen dat zij nauwelijks uwe aandacht verdienen. Gods wil moet den onzen geheel in zich omsluiten. Hij alleen verdient onze liefde.
VI. Als het God belieft.
. - ij sluiten met het leven een verbond voor onbepaalden tijd, doch dat zich steeds laat vernieuwen volgens het welbehagen van God. Over den tijd als eigendom beschikken, op het leven rekenen, zou eene onvoorzichtigheid, eene ermetelheid, ja eene onbeleefdheid zijn gelijk lie van iemand die in een anders woning doet s ware hij tehuis. God alleen is tehuis in tijd n eeuwigheid, en ik noch in deze wereld noch de andere, evenmin als mijn buurman baas ia mijne kamer. Het staat ons niet toe over
— 144 —
eene week, een dag te \'bescMkkeii zonder er Mj te voegen: Als het God belieft. Deze woor-i den drukken onze afhankelijkheid, onze onmacht uit omtrent al de voorvallen van ons leven. Gehruik die woorden volgens uw toestand, en zeg: „Ik lijd, en als het God belieft zal ik genezen.quot; Als het God belieft zal deze zaak, deze onderneming, deze beproeving ten beste
uitvallen____ Na deze uren van lijden zal ik
eenigen troost vinden, als het God belieft. Deze woorden in volle overgeving des harten uitgesproken, overtreffen alle andere in krasht èu op de gebeurtenis en op ons zeiven. Zij maken ons moedig te midden van rampspoed en onheil. Door deze akte van geloof versterken wij onzeu wil, verbergen wij onze twijfelachtigheden en angst in eene vaste hoop, plaatsen wij ons hart in een onwankelbaar vertrouwen op God, zoodat wij in leven en dood in volle gerustheid durven zeggen: Ik zal zalig worden door de voorspraak van Maria, als het God belieft.
VII. Geloofd zij Jezus-Christus.
De heilige Johannes Chrysostomus begroette al de gebeurtenissen zijns levens met de woor-
— 145 —
den; Geloofd zij Jezus-Christus. En in onze dagen hoorden wij een ander Chrysostomus, de godvreezende bisschop van Keulen Clemens Auguste, toen de gewapende macht hem van zijnen zetel, in ballingschap verdreef, deze woorden herhalen: Geloofd zij Jezus-Christus! Dit woord bevat de kracht en de hoop eener ziel van geloof! Bid uw engelbewaarder u die woorden in het geheugen te roepen als ziels-smart of harteleed u overvallen of de duisternis uwen geest benevelt. Maak de meening altijd onzen Heer te willen loven over de middelen om heilig te worden, welke Hij u geeft door droefheid of ziekte, want gij weet dat wij de glorie der verrijzenis niet kunnen deelen voordat wij het lijden van Kalvarië hebben gedeeld. Alvorens de zoetheid der zegevierende liefde te smaken moet men de bitterheid der kruisigende liefde proeven, maar in welken toestand ook, altijd: Geloofd zij Jezus-Christus!
Dit gedrag zal u vele verdiensten verwerven, omdat het u niet alleen houdt in een God aan-genamen toestand, maar omdat het u belet aan anderen uwe droefheid, uwe neerslachtigheid te toonen. Twijfel dnn nooit aan Jezus liefde, wees sterk in het vertrouwen en volhard in het gebed.
7
— 146 —
VIII. Alles in den naam van Jezus!
Ti
** e H. Franciscus Xaverius raadde eens een hardnekkig zondaar, aan wiens bekeering liij werkte, dikwijls den aanbiddelijken naam van Jezus aan te roepen. Zon u deze oefening ook niet nnttig zijn ten tijde der beproeving? Jezus heeft nooit over zijn lijden geklaagd, noch in de kribbe, noch in Gethsemani, noch op Kalvarië zelfs! omdat zijn lijden ons moest redden. Hij lijdt in stilte, omdat dit de wil is zijns Vaders. Te midden der smarten denkt Hij aan ons, en lijdt om ons den hemel te winnen. En gij, die zoovele zouden hebt bedreven, die Jezus ziet te midden van zoovele kwellingen, wat doet gij om Hem uwe liefde te toonen? Gij kunt zelfs geene kleine, kortstondige pijn verdragen! Hoe dikwijls zijt gij lauw en traag en weigert Hem het kleinste offer. En gevoelt gij nu na deze overweging de begeerte niet om den heiligen naam van uwen Verlosser te eeren en alles te doen tot zijne grootere glorie\'?
Indien gij bij uw sterven al uwe handelingen als gedaan, •—• al uw lijden als verdragen in den naam van Jezus moogt beschouwen, —•
— 147 —
indien gij gekruisigd blijft tot liet einde van uw leveu, dan moogt gij met vertrouwen met uw kruis kloppen aan de deur des hemels, — men zal n openen, — want wees wel overtuigd dat niets verloren gaat van al wat door dezen heiligen naam ten hemel stijgt!
IX. Alles voor Jezus.
I
ezus wil voor ons het begin, het middelpunt, het einde aller zaken zijn. Dit is billijk, want, zegt Pater Faber, „er was in zijne ziel niet ééne macht, die niet medewerkte voor onze zaligheid, in zijn heilig lichaam geen enkel lid, dat voor ons niet leed, in zijn Hart geene enkele klopping, die niet voor ons was. Voor ons stortte Hij tot den laatsten druppel van zijn dierbaar Bloed, voor ons dronk Hij den bitteren kelk zijns lijdeus tot den droesem.quot;
Gij zijt zwak, arm, tot alles onbekwaam, God zij geloofd, dit is een beletsel voor de ijdelheid, die ons zoovele verdiensten ontrooft. Zeg dan met eene godvruchtige ziel, die door eene ongeneesbare kwaal was aangetast: „Ik wil alles lijden, alles verdragen voor de eer van Jezus.quot;
Dergelijke woorden troosten en sterken de
— 148 —
ziel, die God in de smeltkroes der beproeving znivert. O hadden wij een levendig geloof, eene vaste hoop, hoezeer zouden die dengden ons opwekken tot de liefde, tot het lijden. Het geloof is immers het hemelsch licht dat ons elke kwelling doet zien als komende uit het Hart, uit de liefde van Jezus. Roep dan uw geloof ter hulp en zeg: Alles voor Jezus, ten allen tijde, op alle plaatsen, in gezondheid, ziekte, vreugde, droefheid, troost, verlatenheid; alles offer ik aan zijn Hart, aan zijne liefde! De ziel, die slechts wil wat Jezus wil, is de welbeminde dochter van God!
X. Het is goed hier te zijn!
elk woord kan aangenamer klinken in het goddelijk oor, dan dit woord, uitgesproken te midden der rampspoeden des levens. Welke schoonere akte van liefde en vertrouwen kan men doen dan door tot God te zeggen: Het is hier qoed te midden van allerlei kwelling.
Het is goed hier te zijn ter prooi aan duizend moeielijkheden, daar dit uw verlangen is, mijn God!
Het is goed overgeleverd te zijn aan de smart.
— 149 —
daar dit het middel is om mij de eeuwige pijneu te doen vermijden.
Het is mij goed den wil uwer barjnhartigheid te vervullen, omdat deze mij nu slechts slaat om mij te sparen voor de slagen uwer rechtvaardigheid.
liet is goed hier op het hed van smarten uitgestrekt te liggen, omdat uwe H. Schrift mij verklaart dat uw blik met medelijden rust op de lijdenden; — omdat Gij uwe hand plaatst ouder hun hoofdkussen om hun een weinig rust te verschaffen. Welke vriend is immer hiertoe bereid? Zoudt gij te midden der vermaken dezer wereld ook kunnen uitroepen: Het is mij goed hier te zijn ? zonder menig verwijt van uw geweten te moeten aanhooren? Rijkdom en aardsch genot geven geen waren troost, want geheel ons geluk op aarde en in den hemel is slechts bij Jezus te vinden. En bij het zien onzer smart dringt zijn Hart Hem tot ons. In geen anderen toestand kunnen wij met meer waarheid uitroepen: „Heer, het is mij goed hier te zijn, wijl Gij hij mij zijt.quot;
XI. Vrees niet.
erban uit uwe ziel alle onrust en verwijder van li die slaafsche vrees, die in u de werking
— 150 —
vail den geest Gods belemmert. Stel uwe hoop op Jezus, al meent gij ook dat het zwakke vaartuig van uw hart door den storm geslingerd en door de golven gebeukt wordt, vrees niet, de Heer, dien Gij ver van u verwijderd meent te zijn is dicht bij n. Doch laat Hem alles geleiden, alles besturen gelijk Hij wil en stel u tevreden met voor zijne glorie te ge hoorzamen en te lijden.
Gij siddert bij het naderen van het lijden; het komt u voor als een dreigend schrikbeeld en gij hoort den Zaligmaker niet, die u deze troostende woorden toefluistert. Vrees niet. Hij laat aan den storm en de golven toe uw scheepje te teisteren, maar Hij komt u ter hulp en zal u blijven helpen.
Al wat God u vraagt is de vaste wil liever duizendmaal te sterven, dan eene vrijwillige dagelijksche zonde te bedrijven. Als de gedachte uwer zonden u beangstigt, werp ze dan alle in den afgrond der goddelijke barmhartigheid.
Xll. Zalig de armen. Zalig zij die weenen.
B
W e voorzienigheid meet hare gaven nf.ar onze behoefte. De rijke, die al den troost dezer aarde
— 151 —
geniet, ontvangt minder geestelijken troost. De arme, die vaak geen anderen vriend vindt dan God, heeft recht op de voorliefde van Hem, die tei onzer liefde arm werd. De smart vernietigt vele aardsche hoop; zij graaft in ons hart een afgrond, die de genade alleen kan vullen. Nooit waart gij arm van geest geworden in het oog van God en zijne engelen, als de fortuin u steeds hadde toegelachen. Het is aan u, die aardsohen rampspoed te verduren hebt, dat Jezus deze onsterfelijke woorden toeroept: „Zalig de armen, hun behoort het rijk der hemelen.quot;
Zalig zij die weenen! Welk een troost te weten dat ons geluk het gevolg zal zijn van onze droefheid zelve! In het jaar 1830 zeide Mgr. de Bbnald tot eene dame die zwaar beproefd was bij de revolutie van 93, het keizerrijk en de Juli-revolntie: „Ik bid God uwe tranen te drogen. — Neen, zegde zij, vraag Hem alleen dat Hij mij den troost schenke, dien Hij belooft aan hen die weenen.quot;
Wanneer wij aan den voet van het kruis tranen storten die niet voortkomen uit verbittering, uit eigenliefde, noch uit eenige andere ongeregelde beweging der ziel, doch uit het overvolle van een bedroefd hart, tranen uit
— 152 —
een onderworpen en gelaten hart, dan stroomen zij niet te vergeefs. God telt ze, verzamelt ze, en vergeldt ze ons eenmaal. Geene tranen zi/n kostbaarder dan die welke de voeten van Jesus besproeien, en zich vermengen met de zijne.
De Heer vraagt n kalm en gelaten te lijden en te weenen, en uw tegenwoordigen toestand, hoe pijnlijk die ook zij geduldig te verdragen en daarin tevreden te zijn uit liefde tot zijaeu wil.
XIII. Houd moed!
e
Öedert lang wordt gij zwaar beproefd, houd moed, getrouwe Christen! Betreur noch uw werk, noch uwe vrije beweging! Hoicd moed in de werkeloosheid, want God uw vader, uw vriend ziet uwen strijd, telt uwe pogingen, richt ze alle tot de eer van zijnen naam en uwe eigene heiliging. Wanneer gij na eenen langen dag doorgebracht in heilige verlangens en gedurige opoffering des avonds uwe ziel beveelt in de handen van God, moogt gij vertrouwen door uw geduld, het recht verkregen te hebben om het nederig woord der ware werklieden te herhalen: „Heer, wij hebben gedaan wat
— 153 —
wij konden, doch wij zijn slechts onnuttige dienaars.quot;
Wie gij ook zijn moogt die uwe kracht daarheen ziet kwijnen. Houd moed! Denk niet dat God u verwerpt omdat Hij u geen uitwendige taak oplegt. Zeg dikwijls tot u zeiven dat God ons niet noodig heeft, en dat de onrustige bezorgdheid van Jlartha Hem minder glorie geeft dan het bedaard gebed van Jlaria. Vervul dan gedurende uw lijden de taak van te bidden en naar den Heer te luisteren als Hij tot u spreekt. En, slechts onnutte dienaar in eigen oog, zult gij in geduld en nederigheid het werk van Christus voltooien.
XIV. Hoop tegen alle hoop in.
we hoop, schrijft de gelukzalige Margaretha Maria, moet aangroeien naar gelang uwer kwellingen.
Pater Grasset trachtte in de hem toevertrouwde zielen steeds dit woord zoo vol waarheid te prenten: „Nooit moeten wij vaster hopen, dan wanneer alles verloren schijnt. Nooit moeten wij minder vreezen dan wanneer het ons toeschijnt alles te vreezen te hebben. Weer-
7*
— 154 —
streef niet in liet lijden noch in woorden, noeli in daden en laat vooral liet gebed niet na, Jezus, van iedereen, ja zelfs van zijnen hemel-sclien Vader verlaten, Jezus met doornagelde handen en voeten bad voor u. En is ons Hoofd door het kruis den hemel binnengegaan, zoo is dit de koninklijke weg voor zijne onderdanen. Als de rampspoed u treft, zoo bedenk aat uw lijden een liefdeblijk is van God, waarop gij trotsch moogt zijn. De heiligen steunen op de goedheid van Hem, zonder wiens toelaten geen haar van ons hoofd valt. De vaste overtuiging dat gij door uw gebed. Hem als verplichten kunt zijne genaden over u uit te storten moet uw vertrouwen onoverwinbaar maken.quot;
XV. Ik lijd veel, des te heter.
Beze woorden drukken eene gesteltenis dei-ziel uit die hoogst noodzakelijk is. Als gij bij het naderen eener beproeving niet zegt; „Daar komt een kruisje, des te heter,quot; dan zijt gij nog niet genoegzaam voorbereid om het te omhelzen en wellicht zult gij later morren! Het middel u door God tot uwe beiiiging aangeboden wordt een beletsel door uwen eigen wil.
— 156 —
Hoe smartelijk uw toestand ook zij, zeg: „lies te heter, Gods wil geschiede in mij!quot; Bedenk dat de Heer nooit dichter bij ons is dan in onzo lijdensuren. Dan komt hij tot ons op het juiste oogenblik en doet ons zijne tegenwoordigheid gevoelen.
De gravin G. herhaalde in de smartelijkste aanvallen harer tweejarige ziekte immer: „Ik lijd veel, des te heter! als ik hierdoor de zaligheid mijner kinderen kan verkrijgen.quot; Nooit wilde zij dat men voor hare genezing had, zoo overtuigd was zij dat het lijden des liohaams buitengewoon voedsel aanbrengt aan de ziel. De smart trekt den liefdevollen blik van onzen Zaligmaker op ons. Onze tranen zijn stille gebeden, die in den Hemel verhooriug vinden.
XVI. Nog meer Heer, nog meer!
\'oor deze woorden vraagde de H. Franciscus Xaverius niet om meer geestelijken troost, meer zegen over zijn zwaren arbeid voor de zaligheid der zielen, neen, hij vraagde slechts vermeerdering van lijden, van vermoeienis, van ontbering. En ziedaar waardoor deze heilige zulk een overvloedigen zegen over zijne apostolische werken aftrok.
— 156 —
De gelukzalige Alphonsus Eodriguez noemde zijne smarten goddelijke weldaden en deze overtuiging eener ziel vol geloof zoo overwaardig zette hem aan uit te roepen: „Heer nog meer lijden, maar ook meer gelatenheid, meer liefde om het te verdragen.quot;
Zulk een gebed is zeker ten tijde van het lijden nooit van onze lippen gevloeid, doch zouden wij echter, tegenover ons kruisbeeld aldus niet moeten bidden om ons meer gelijk te maken aan ons goddelijk voorbeeld?
Een ander religieus van de Societeit van Jezus bad gedurende zijne H. Mis: „Mijn God geef mij nog meer lijden, maar ook meer zielen om voor uwe glorie te bekeeren.quot; De Heer vraagt van onze zwakheid dit gebed niet, Hij wil slechts dat wij met onderwerping aannemen wat Hij ons overzendt. Zeggen wij derhalve ten minste: „Heer geef ons nog meer onderwerping aan uwen wil, nog meer liefde tot U.quot;
XVII. Nu en dan !
lu hebt gij een grooten geest van geloof, een onoverwinbaar geduld, een onwankelbaar vertrouwen, eene volkomen overgeving aan Gods
— 157 -
wil, een grooten geest van gelied en altijd meer en meer liefde voor het kruis noodig. Dit laatste vooral ontbreekt u sedert gij veel moet lijden: Nochtans hebt gij, zonder uog te spreken van de martelaars, gelijk de H. Paulus niet vijfmaal veertig geeselslagen gehad, noch een dag en een nacht door de zee verzwolgen geweest, gij hebt niet tot den bloede gearbeid en geleden.... Nooit zult gij uw lijden naast dat der heiligen durven leggen. Nu slaat voor u gelijk voor hen het lijdensuur, maar de uren verloopen en de smart vergaat met hen. Niemand kan pijnen tot morgeu uitstellen, noch die van gisteren herroepen.
Weldra schijnt de groote dag, waarop voor ii geen andere volgt, en dan zullen uwe kwellingen van een oogenblik tegen een gewicht van oneindige glorie worden opgewogen. Voor die smart die u thans drop voor drop wordt toegemeten zal u dan een vloed van oneindige vreugde overstroomen, en gij zult overvloeien van vrede en geluk; — zult gij dan zoo als mc lust hebben tot klagen eu morren? Zult gij dan uw lijden ondragelijk en heven uwe kracht oordeelen? Hef dan het hoofd op, de verlossing is nabij. Het nu is de voorzang van het dan.
— 158 —
XVIII. A Itijcl, two it.
IPater Avila bekeerde eene dame door haar voor te schrijven deze twee woorden; Altijd, nooit te overwegen. Deze twee woorden, zoo kort en zoo krachtig zullen n ook helpen om uwe lichaamskwalen, uwe zielssmart en harteleed geduldig te verdragen. Zeg dan dikwijls:
Mijne smarten zijn diep, levendig, maar voorbijgaand .... bij mijn dood eindigen zij voor altijd. Nooit zullen zij wederkeeren...
Als ik geduldig lijd zal ik eene belooning erlangen, die mij nooit zal ontnomen worden.
Alles staat mij tegen en verveelt mij, maar ieder oogenblik kan de deur der eeuwigheid voor mij open gaan... dan zal ik mij altijd verheugen hier beneden veel geleden te hebben.
Nu is mijn leven eene aanéénschakeling van pijn en lijden, maar bij mijnen dood zal ik een oneindig geluk vinden dat altijd duren zal. Nooit zal het bezit van God mij ontnomen worden.
Helaas hoe ongelukkig zouden wij zijn, zoo wij bij zulke gelegenheid om groote verdiensten te verzamelen, die verloren lieten gaan, en het uur van onzen dood afwachtten alvorens die woorden: Altijd, nooit wel te verstaan!
Beweegreden tot hoop en vertrouwen.
I. Het lijden van Jezus.
overdenken van Jezus lijden is eene bron van eindeloozen troost. De gedachte dat Onze Heer aan het kruis is gestorven tot boeting onzer zonden is wel in staat om ai de kwellingen van ons leven en van onzen laatsten strijd te verzachten. De beste bemoediging bij vervolging, bij laster, bij tegenspoed, is een blik op Jezus, die daar van alles ontbloot, van allen verlaten, aan het kruis hangt. De zieke vindt troost aan den voet van het kruis, doch vergeten wij niet dat terwijl onze zieke ledematen op een zacht bed rusten, Jezus zijn verscheurd lichaam slechts kon doen rusten op liet harde kruishout en dat Hij geen ander hoofdkussen had dan eene doornenkroon!
— 160 —
Kus dikwijls uw kruis. Vraag van alle aard-sche zaken niets anders meer dan Jezus als hostie en Jezus aan het kruis, en roep, in het uur dat smart of lijden u het hevigst aanvallen: „Jezus, mijn Zaligmaker, Gij zijt mijne eenige liefde, mijne eeuig\'ste hoop. Ik stel al mijn vertrouwen in de kracht van uw goddelijk Bloed.quot;
II. Het goddelijk Hart van Jezus.
Til
We godsvrucht tot het Heilig Hart van Jezus moet den lijdenden Christus zeer ter harte liggen, omdat wij alles aan dat Goddelijk Hart verschuldigd zijn en daarin viuden al wat wij behoeven.
Op zekeren dag dat de H. Margaretha Maria, aan het hevigst lijden ter prooi, om zich tot onderwerping en gelatenheid op te wekken de smarten van Jezus Hart overwoog, verscheen haar die goddelijke Meester en haar zijn Hart toonende, zegde Hij haar: „Daarin heb ik gedurende mijn lijden het meest geleden!quot; Is het nu te verwonderen dat zoo Jezus Hart aldus door het hevigst lijden verscheurd is geworden, ook uwe grootste beproevingen zich in uw hart samentrekken - Omhels dan ook dier, levens-
langen doodstrijd, en wees ook gij martelaar uit liefde voor dat Hart, dat ter uwer liefde zulk een langen, vreeselijken doodstrijd heeft ondergaan. Zal het u niet zoet zijn bij uwen dood ook tot God te mogen zeggen in alle gelijkvormigheid met uwen lieven Zaligmaker. Zie, Heer, in mijn hart heb ik het meeste voor u geleden! Eene godvruchtige ziel zegde bij haar naderend einde: „Ik heb een driedubbel lijden onderstaan; door de scheiding en het verlies der mijnen, door het bijzijn van degenen die mij kwelden en door de overtuiging dat mijn lijden en mijne beproevingen steeds zullen vermeerderen tot aan mijn laatste uur. O als ik niet dikwijls den doodstrijd van Jezus overwogen hadde, ware het leven mij ondragelijk geweest.quot;
Verdraag dan uw lijden met Jezus; bied naar zijn voorbeeld aan God, voor hen die u doen lijden, het gebed van uw zwaarbeproefd hart. Deze verheven akte van liefde is de eenige troost, die onze Zaligmaker wilde smaken, de eenige, welken diegenen moeten begee-ren, die voor Hem willen leven, lijden en sterven.
162 —
IIT. De godsvrucht tot de II. Maagd.
yiJ ij zouden ons niet schikken naar den geest der ïï. Kerk als onze godsyruoht jegens de EL Moeder Gods niet toenam in teederheid, in vertrouwen, naarmate de jaren en het lijden ons nader brengen tot het einde van ons leven. Geene godsvrucht biedt meer troost in de dage-lijksehe moeielijkheden, in de vrees voor den dood en deszelfs onvermijdelijke gevolgen. „Geene godsvrucht,quot; zegt de eerbiedwaardige pastoor van Ars, „is krachtiger voor de ziel dan de godsvrucht tot de H. Moeder Gods.quot;
Een godvruchtig schrijver legt de H. Maagd deze woorden, in den mond: „Komt tot mij, wie gij ook zijt, armen of rijken, kleinen of grooten, zieken of gezonden, gij zult hulp en troost vinden.quot; En mogelijk denkt gij: „De H. Maagd is de hulp der kranken, en ik blijf ziek. Zij is de troost der bedroefden, en ik ontvang noch hulp noch troost! Zij toont zich nog mijne moeder niet!quot; O verwerp voor immer dergelijke gedachten, het Hart van Maria is het liefderijkst aller moederharten. Maar onze verplichting tot lijden houdt hare tusschenkomst en hare medelijdende hand terug, omdat zij ons
— 163 —
niet wil beronven van de genaden van het lijden. Zij is niet koTtzichtig\' gelijk wij, en zij wil ons vooral de bemelsolie goederen bezorgen. En zoo gij een waar kind van Maria zijt, zult gij zeker behooren tot bet getal der uitver-koornen. Zij zal u beschermen in dit leven, zij zal u bijstaan in uw laatste imr, zij zal uwe ziel aan uwen rechter aanbieden en voor u ten beste spreken. Gedenk echter in uwe lijdensuren waartoe uw titel van kind van Maria u verplicht.
Het kind der Moeder van Smaiten moet niet alleen met geduld allen rampspoed ondergaan, dit geduld moet nog gioot, edel, heldhaftig zijn gelijk het hare.
Ga dan in al uw uitwendig en inwendig lijden tot uwe goede Moeder. Als zij u ziet lijden biedt zij uwe tranen aan God en verkrijgt voor u de genade van op eene voor den hemel ver-dienstvolle wijze te lijden. Zij verlaat u nooit. Volg dus den raad van den H. Bernardus, en roep Haar dikwijls aan in het uur van kwelling, angst en leed. Gij weet, O. L. Vr. van het H. Hart is de Hoop der hopeloozen, waar niemand helpen kan helpt Zij; als het water aan de lippen komt is hare hulp nabij. Vereenig vooral uw lijden met de smarten uwer Jloeder.
— 164 —
Houd haar gezelschap aan den voet van Jezus kruis. Bied uwe schouders aan om den last van Jezus te dragen, uw hart om door de zeven zwaarden doorboord te worden, die Maria\'s Hart doorploegden. De Heer zal uwen last verlichten, Maria zal uwe wonden helen. Vergeet nooit dat de grootste troost van den Christen bestaat in te lijden in vereeniging met Jezus en Maria. De aldus gedragen beproeving zuivert ons van onze fouten, behoedt ous voor bekoringen, volmaakt ons in de liefde en drukt in ons eene groote gelijkvormigheid met de Koningin van Jezus Hart.
Kniel dan neder voor het beeld van 0. L. Yr. van het H. Hart, beschouw haar Hart door zulk een scherp zwaard doorboord en vraag: O Maria, geef mij den moed, die u staande hield onder het kruis, verheven boven de smart en maak mij gelijk gij kalm en onwrikbaar bij al het lijden dat mij zal overkomen.
IV. De eeuwige liefde van God.
TH1
(w-\'oordring u van de volgende bemerkingen, die u de eeuwige liefde van God in het geheugen brengende, uw vertrouwen in Hera zullen
— 165 —
vermeerderen. Mijn hart, gij gevoelt de behoefte om bemind te worden, gij lijdt als men u de verschuldigde liefde weigert. Leer hierdoor de behoefte voldoen van het Hart van God, dat u altijd wil beminnen en het voorwerp uwer genegenheid wil zijn. Mijn hart, al zou uw lijden zeer lang moeten duren, zoo houd u verzekerd dat de zorg van uwen hemelschen Vader zich veel verder uitstrekt.
Door een oneindig goeden, oneindig barmhar-tigen God beschermd, wat hebt gij te vreezen? Mijne ziel, al zou uw lijden vermeerderen, zal de liefde van God nooit verminderen, want zij is onuitputtelijk, oneindig en volmaakt. Gij staat onder zijne bescherming, vrees dus niets.
Al zouden mijne smarten mij geleiden tot de poorten der eeuwigheid, zal de dood tot mij komen als afgezant van den besten aller Vaders, die dag en uur bepaald heeft, welke voor mijne vereeniging met Hem het gunstigst waren. Aan zijne vaderzorg overgegeven vrees ik niets.
Al zou bij mijne uitwendige pijnen zich nog de grootste verlatenheid des geestes voegen, al zouden zij altijd vermeerderen, zoo\' zal God niet ophouden mij te beminnen en in het bezit van Gods liefde vrees ik niets.
- 166 —
Al zon ik bezwijken onder het lichamelijk en inwendig lijden, al zon God mij voor een tijd zijn aangezicht verbergen, zal ik het oog sluiten en overtuigd dat ik geleid word door eene oneindige liefde, za\' ik niets vreezen.
Eindelijk, al zou de eeuwige afgrond zich voor mijne voeten openen, al zou ik door de herinnering aan mijne zonden overtuigd zijn dat ik ten volle verdien daarin geworpen te worden, zal ik vluchten in de wonden mijns Zaligmakers. Ik zal Hem herinneren dar, zijne liefde Hem aan het kruis heeft genageld om mij van de hel te verlossen; ik zal Hem een toevlucht vragen in zijn Hart; ik zal mij verbergen onder den mantel van de H. Maagd en sterk op, haren bijstand zal ik niets meer vreezen noch van mijne bedrevene zonden, noch van de hel.
V. De lieer nadert!
—et leven van den Christen is eene toenadering tot het tabernakel en den hemel, dikwijls, helaas, onderbroken door menigen val. Het geluk van dit leven zoowel als het geluk der eeuwigheid, bestaat in het naderen tot God. Dagelijks bidden wij: „Uw rijk toekomequot; en
1
— 167 —
zou dan de dag waarop dit rijk in ons gevestigd wordt ons geene vreugde aanbrengen. Alles wat den Christelijken zieke omgeeft trilt door de uaderiug Gods: de aarde vlucht weg onder zijnen voet, de wereld verdwijnt uit zijne oogeu, de adem der eeuwigheid schijnt hem alleen te bezielen. Eene bovennatuurlijke vreugde zweeft boven het sterfbed van den rechtvaardige; zij omvat tijd eu eeuwigheid, zij wordt verwekt door de onmiddellijke nadering G-ods. Nog korten tijd en God zal zijne liefde, zijn eenig leven uitmaken. Immers het is onmogelijk zoo dikwijls te hebben gecommuniceerd, zoo dikwijls Jezus in zijn heilig tabernakel te hebben bezocht en niet van vreugde te trillen bij de gedachte van Hem nu voor eeuwig te gaan bezitten. Dan betreurt men zijne goedheid, zijne teederheid niet genoeg gekend te hebben. Het overdenken zijner schoonheid, zijner volmaaktheid en een blik op ons kruisbeeld dat ons beter dan alle boeken zijne liefde leert kennen, vestigen in ons eene vaste hoop, een kinderlijk vertrouwen, dat bijna eene verzekering der zaligheid wordt als de verdiensten «les Verlossers ons door de H. Absolutie worden toegevoegd.
— 168 —
Zie dan in den dood slechts de hand die Jezus uw Bruidegom en beste vriend zich beijvert om u toe te reiken ten einde uw lijden te verkorten, uwe tranen te drogen, uwe ellende te verrijken, uwe deugden te bekronen, u, armen banneling, het vaderlijk huis te openen. De duivel alleen vindt belang in u van deze troostende gedachten af te keeren en hij zal hierin niet in gebreke blijven. Doch overtref hem in list. Houd u vast aan het kruis, werp u in het H. Hart van Jezus, roep Maria de Koningin van Jezus Hart ter uwer hulp en hij zal beschaamd de vlucht nemen. Omdat „de Heer nadert,quot;
VI. De Heer is getrouw!
Cod is getrouw in zijne liefde tot ons. Was er in uw leven een oogenblik waarop Hij ophield u te beminnen en u zijne liefde te toonen? God is getrouw in het geven van alle tijdelijke en geestelijke hulp, die gij behoeft. Wat heeft u ontbroken sedert uwe geboorte? God is getrouw in de zorg om het kruis niet te zwaar op uwe schouders te doen drukken, opdat het u niet verplette. Hij vraagt niets onmogelijks.
— 169 —
zijne genade is altijd bereid om uwe kracht te ondersteunen, opdat hetgene u ondragelijk schijnt, dragelijk worde. God is getrouw in zijne beloften. Is er eene enkele, die Hij niet heeft vervuld? Is er dan eene die Hij niet zal nakomen, Hij die u schiep om eeuwig gelukkig te zijn. Het is niet te vergeefs dat de Heer ons beloofd heeft ons bij te staan in de dagen van verdrukking en beproeving. Waarom zou Hij juist voor u aan die plechtige belofte te kort schieten. Hij zegt tot de smarten, die Hij ons overzendt even als tot de wateren der zee: „Tot hier en niet verder!quot; Zijne genade is altijd dicht bij ons om ons te troosten in onze lijdensuren. Verwacht dan zijne hulp en bijstand met het grootste vertrouwen. Hoevele duizenden hebben vóór u zijne getrouwheid ondervonden. Bid dan vurig en vertrouw op den goeden Vader, en Hij zal u getrouw blijven tot uw laatsten snik.
Vil. De beste gesteltenis om wel te sterven.
Men vraagde eens aan den H. Franciscus welke de beste gesteltenis was om heilig te sterven. Hij gaf ten antwoord; Een goed sterf-
bed moet de liefde hebben tot matras; de nederigheid en het vertrouwen tot hoofdkussens ten einde aldus in dit nederig vertrouwen op de goddelijke barmhartigheid te sterven. De nederigheid, het eerste hoofdkussen, leert ons onze ellende kennen en bezielt ons met eene liefdevolle vrees; eene moedige en heldhaftige nederigheid, die, terwijl zij ons wijst op eigen ellende, ons doet steunen op God alleen. Van dit eerste hoofdkussen komt men licht tot het tweede, het vertrouwen op God. Eu wat is dit vertrouwen anders dan eene vaste hoop, gegrond op de oneindige liefde van onzen hemel-schen Vader, die ons welzijn vuriger verlangt dan wij zeiven?
De genade van een zaligen dood moet het doel wezen van onze bijzondere gebeden. Vraag dagelijks de genade van te mogen sterven in het geloof en de vreeze Gods. Daar de volharding eene genade is, die wij niet kunnen verdienen, moeten wij die dagelijks vragen. En wijl het noodzakelijk is bij ons afsterven de deugden van geloof, hoop en liefde te bezitten, moeten wij dikwijls die oefeningen herhalen en trachten ons daar wel mede te doordringen. Keer u dikwijls tot de H. Maagd: de genade van een
— 171 —
goeden dood behoort tot haar gebied. Vergeten wij ook haren maagdelijken Bruidegom den H. Jozef niet, noch gedurende ons leven, noch bij het naderen van ons einde, en herdenken wij het woord der H. Theresia, die zegt: „dat zij zich niet herinnert den H. Jozef ooit iets gevraagd te hebben dat zij niet verkregen heeft.quot;
Ook uw H. Engelbewaarder waakt aan uwe lijdenssponde. Laat hij uw trouwe afgezant zijn bij het hemelsch hof. Belaad dagelijks zijne hand met een rijken schat van bloemen aan den voet van het kruis geplukt en bid hem die te gaan vlechten tot een krans rond Jezus Heilig Hart en rond den troon van O. L. Vr. van het H. Hart.
Smeek hem u bij te staan in uw laatste uur, u bij de hand te geleiden tot den rechterstoel van uwen Zaligmaker en voor u ten beste te spreken. Aldus uitgerust en begeleid, hebt gij niets te vreezen!
0«^—-
OEFENINGEN
OM ZICH TE BEREIDEM TOT DEN BOOD.
eu engel openbaarde aan de H. Ludwiua dat hare verdiensten slechts door de laatste smarten haars levens zouden vervuld worden. Hij vermaande haar te lijden met vreugde en liefde. Tracht u te hoiiden in eene voortdurende gesteltenis van vertrouwen en liefde en bid daartoe somtijds de volgende verzuchtingen.
Mijn God, ik stel mijn leven in uwe handen en offer TJ gaarne al wat mij dierbaar is in deze wereld.
Mijn God, indien het U behaagt mijn leven te verlengen, geef dan dat ik al deszelfs oogen-blikken gebruike om U te dienen en te beminnen. Wilt Gij het mij ontnemen, zoo geschiede uw wil! Ik omhels den dood met al de pijnen, die hem zullen voorafgaan. Gelief mij slechts de hulp der heilige Maagd Maria te verkenen.
— 173 —
Mijn God, indien het oogenblik van mijnen dood nabij is, onderwerp ik mij aan viwen wil, dien ik aanbid en loof in het diepste mijns harten. Ik neem den dood aan met al den angst, het lijden, den doodstrijd en kwellingen die hem zullen vergezellen, ten einde daardoor te voldoen aan de goddelijke rechtvaardigheid.
Mijn God, ik verlang naar den dood om de macht te verliezen van te knimen zondigen en U te kunnen mishagen.
Mijn God, ik verlang naar den dood om U onophoudelijk mijn danklied te kunnen zingen, voor al de weldaden, die Gij niet opgehouden hebt mij te bewijzen.
Mijn God, ik begeer den dood om U eindelijk het bewijs te geven dat ik uwen wil meer bemin dan het leven, en om de zekerheid te bezitten dat ik TI eeuwig zal beminnen.
O mijn gekruiste Jezus, mijn borg bij de goddelijke rechtvaardigheid, ik smeek U door uw bitteren dood en heilige Wonden mij de volharding tot het einde en eene groote liefde voor uwen heiligen wil te schenken.
O mijn gekruiste Zaligmaker, met den H. Franciscns vereenig ik mijnen dood met den uwe. Eed mij, o Heer, die ter mijner liefde
- 174 —
hebt willen sterven. Heer, mijn God, die mij geschapen hebt in uwe liefde, verwerp mij niet van voor uw aanschijn, als ik in uwe tegenwoordigheid zal verschijnen en doe mij eeuwig uwe oneindige barmhartigheid gevoelen. O Heere Jezus, wees mij genadig, verwerp mijne ziel niet voor eeuwig.
Heilige Maagd Maria, lieve Moeder van Jezus H. Hart, bid voor mij, nu en in het uur van mijnen dood. Sta mij zichtbaar bij in mijn laatste oogenblik en bescherm mijne ziel als zij voor Gods rechterstoel zal verschijnen. Deze gunst vraag ik U door het goddelijk Hart van Jezus, waaraan Gij niets kunt weigeren, ik vraag het door de bemiddeling van den H. Jozef, wien ik al mijne tijdelijke en eeuwige belangen aanbeveel.
BLADWIJZER
Een blik op het tegenwoordig leven.
I. Ons lot in deze wereld.......3
II. Het dal van tranen........7
III. De Voorzienigheid waakt over ons ... 8
IV. Het lijden ons door onzen ovennaasten aangedaan...........10
V. Men moet zich aan het lijden gewoon maken. 11
VI. Rampen en tegenspoed.......13
Vil. Het verlies onzer dierbaarste bloedverwanten en vrienden.........14
VIII. De grootste smart........15
Onze lijdensuren geheiligd.
I. Troost in ziekte.........18
II. Het ziekbed en de wil Gods.....20
III. De slapeloosheid.........22
IV. De aanhoudende pijnen.......23
V. Bij zware hoofdpijnen.......27
VI. Bij hevige tandpijn........29
VII. Het ondergaan een smartelijke operatie . 31
VIII. Troost bij hevige smart......33
IX. Nut eener smartelijke werkeloosheid . . 33
X. Voordeelen der blindheid......37
BLADWIJZER.
XI. Ons lijden is het langdurigst en het zwaarste lijden niet...........
XII. Het geW van den zieke......
XIII. Liefdeverzuchtingen in ziekte.....
XIV. Begeerte te genezen........
XV. Zich verlaten op den goddelijken geneesheer.
XVI. Het goddelijk geneesmiddel.....
XVII. Ons lijden vereenigt ons met het voortdurend offer van Jezus-Christus.....
XVIII. De onontbeerlijke deugd der zieken . . .
XIX. De boetvaardigheid on versterving der zieken
XX. Het lijden helpt ons ter zaligheid . . .
XXI. De ziekte is eene leerschool van ootmoed.
XXII. De ziekte des lichaams geneest de ziekte der ziel............
XXIII. Geestelijk voordeel aan het lijden verbonden
XXIV. De ziekte verkort het vagevuur . . . .
XXV. De langdurigheid onzer pijnen in vergelijking met de eeuwigheid........
XXVI. De zachtmoedigheid in het lijden. . . .
Ons inwendig lijden.
I. In Gethsemani.........
II. De beleediging.........
III. De ondankbaarheid en trouweloosheid . .
IV. Hoon en laster.........
V. Zielsangst. — Spanning. — Harteleed . .
VI. Inwendige duisternis en droefheid des geestes
BLADWIJZER.
VII. Du stormen der ziel.......75
VIII. De inwendige verlatenheid......77
IX. Dorheid en ongevoeligheid in het gebed . 79
X. Ongeduld en moedeloosheid.....80
XI. De vrees voor den dood......82
XII. Onzekerheid voor de toekomst .... 83
XIII. Een woord ter bemoediging.....87
De kruisen des levens.
I. Het kruis...........88
II. De waarde van het kruis......89
III. De afmetingen van ons kruis.....91
IV. Kleine en groote kruisen......93
V. Kruis voor kruis.........95
VI. De kruisweg des levens......96
VII. Het kruis uit christelijk oogpunt beschouwd. 98
VIII. Wij moeten het kruis begeeren en omhelzen. 99
IX. Wij moeten het kruis opnemen en dragen. 101
X. Wij moeten op het kruis sterven . . . 103
XI. De dagelijksche kruisverhefling .... 104
XII. Het kruis maakt ons leven vruchtbaar voor
den hemel...........106
Zinnebeelden.
I. De twee ringen.........108
II. De lofzang der liefde.......109
III. Een stuiver op interest......110
IV. De beste spijs.........111
bladwijzer.
V. Het Debet en Credit.......H2
VI. Het krachtig tegengif.......H3
VII. De bittere pillen.........Ha
VIII. Ons klein geld.........H6
IX. De toetssteen..........117
X. De bloempjes van Kalvarië......119
XI. De sleutel der beide werelden . . . .121
XII. Gulden Woorden.........122
XIII. Het beste geschenk........123
XIV. De doornstruik.........125
XV. De beitel van den goddelijken beeldhouwer. 126
XVI. De gloeiende kolen........128
XVII. De pleizierreis.........129
XVIII. De laatste sport.........131
XIX. De Iwee kronen.........132
XX. Interest op interest........133
Woorden ter herinnering.
I. Alles tot meerdere eer van God .... 136
II. Alleluia............137
III. Deo Gratias..........139
IV. Fiat.............140
V. Al naar God wil.........142
VI. Als het God belieft........143
VII. Geloofd zij Jezus-Christus......144
VIII. Alles in den naam van Jezus.....146
IX. Alles voor Jezus.........147
X. Het is goed hier te zijn......148
BLADWIJZER.
XI. Vrees niet...........149
XII. Zalig de armen. Zalig zij die weenen . . ISO
XIII. Houd moed..........152
XIV. Hoop tegen alle hoop in......133
XV. Ik lijd veel, des te beter......154
XVI. Nog meer, Heer, nog meer.....155
XVII. Nu en dan...........156
XVIII. Altijd, nooit..........158
Beweegreden tot hooi» en vektrouwen.
I. Het lijden van Jezus.......159
Het goddelijk Hart van Jezus.....160
III. De godsvrucht tot de H. Maagd. . . .162
IV. De eeuwige liefde van God.....164
V. De Heer nadert.........166
VI. De Heer is getrouw........168
VII. De beste gesteltenis om wel te sterven . 169
Oefeningen om zich te bereiden tot den dood. 172