Vak 61
\'i\' wal een
lijden kan
.T.
(oen verhaal door
Louié YetüUot.
A
Vak 61 i
v3^ a^y
f fat een Priester \\
lijden kan.
Y
amp;/z verhaal door i
JJ $
j!Wn den zomer van 1846 bracht ik mijne vacantia vv5 op twintig mijlen van Parijs door; daar hoorde ik met bewondering spreken over den pastoor van M., een dorp nabij het kasteel, waar ik tijdelijk verbleef. Zonder persoonlijk fortuin had die pastoor zijne kerk herbouwd en onderscheidene liefdadige instellingen gesticht. Men verhaalde duizend staaltjes van zijne volharding en zijn vertrouwen op God. Ik zal- ze niet op mijne beurt verhalen; er is geen diocees, waar men niet iets dergelijks aantreft. Welk Katholiek kent ten minste niet één pastoor, die een kerk heeft gebouwd, een ziekenhuis of scholen heeft gesticht, de schulden zijner werklieden of armen betaald, een pastoor, die 50, 60, 80000 gulden te betalen en geen anderen kassier had dan de Voorzienigheid ! Niettemin was mijne nieuwsgierigheid opgewekt door hetgeen mij betreffende den pastoor van M. verhaald was. Reeds dacht ik er aan hem een bezoek te brengen, toen zekere bijzonderheden mij reden gaven te vermoeden, dat hij met mij dezelfde geboorteplaats had, en ik in hem wellicht een vriend uit mijne jeugd kon terugvinden, dien ik tot mijn leedwezen geheel uit het oog verloren had.
Ik vertrok dan op zekeren schoonen morgen, het geweer onder den arm, en wandelde door de weiden naar M., welks nieuwen toren ik na ongeveer drie kwartier uurs zich statig boven het geboomte verheffen zag. De streek
was alleraangenaamst; om het genot daarvan te smaken, zette ik mij neder op een heuvel met noteboornen beplant. Maar mijne ritst duurde niet lang 5 een geschreeuw en tegelijk het geblaf van honden verstoorde de diepe stilte van het landschap. Ik stond op en ontdekte in een hollen weg een in het zwart gekleeden man, die zich trachtte te verdedigen tegen twee honden, die hem aanvielen. Iets verder zag ik eenige kwajongens, die het geschreeuw aanhieven, dat ik had gehoord, en de honden op den man aanhitsten. Tevens wierpen zij hem met steenen. Ik snelde hem ter hulp en bemerkte weldra, dat het een priester was.
Ik kwam te juister tijd; van alle kanten vlogen de steenen naar den priester, en de honden hadden reeds een stuk van zijn toog afgescheurd. Buiten mij zeiven van verontwaardiging, richtte ik mijn geweer op de eerlooze bende. Ik geloof dat ik vuur zou gegeven hebben, ten minste op de honden. Maar de priester, die mij zoo krachtig voor zich zag optreden, klemde mij in zijne armen en was nog meer ontsteld dan zijne aanvallers. Deze echter hadden weinig lust een gevecht aan te gaan tegen mijn vuurwapen, en zij verdwenen als een vlucht spreeuwen.
Nu volkomen gerustgesteld, bood de priester mij de hand met een glimlach vol goedheid.
s Benedict us qui venit in nomine Dominiquot; zeide hij. »Ik kreeg waarlijk behoefte aan uwe hulp, mijnheer, maar gij maakt u wel wat te driftig.quot;
Ik antwoordde niet dadelijk, want ik zag dat zijn gelaat bebloed was. In mijn toorn riep ik: sHebben de ellendelingen u gewond ?quot;
iNeen, neenquot;, [antwoordde hij, »de arme jongens hebben mij geen kwaad gedaan. Vermoedelijk heb ik in mijne onhandigheid aan een heg het vel opengescheurd.\'^ sLaat ons gaan, mijnheer de pastoor,quot; hernam ik, sgij moet u niet laten beleedigen. Ik zal den burgemeester gaan spreken en de kwajongens doen straffen. Verschei-
denen zijn er bij, oud genoeg om verantwoordelijk gesteld te worden voor hunne daden.*\'
»Gij doet mij een voorstel, dat ik niet kan aannemen. Als wij ergens heen gaan, moeten wij er barmhartigheid, geen straf brengen. Gij zoudt overigens niets winnen met een klacht; niemand in het dorp zou het afkeurenswaardig vinden dat een priester mishandeld wordt, vooral wanneer het mij betreft.quot;
Ik beschouwde nogmaals den pastoor. Hij was lang van gestalte, nog al mager en scheen vermoeid. Op zijn gelaat waren ernst en eenvoud zoozeer dooreengemengd, en er waren zooveel rimpels op zijn voorhoofd en daarbij was er zooveel onschuld in zijne oogen en in zijn glimlach, dat het mij niet mogelijk was met juistheid zijn ouderdom te bepalen. Ik vermoedde, dat hij naar de vijftig ging. Dat zoo\'n man gehaat werd, zelfs als hij het priesterkleed droeg, was onmogelijk te begrijpen. Ik vroeg hem wat hij gedaan had om aldus de woede der boeren op te wekken.
sNiet veel bijzonders,quot; antwoordde hij mij steeds glimlachend, quot;want ik ben hun pastoor niet. Zij zijn nijdig tegen mijne parochie en gelooven, dat ik hen godsdienstig wil maken; hierin bedriegen zij zich niet. Zij gelooven ook dat ik hen nu en dan vervloek om mij te wreken over den tegenstand, .dien zij aan mijne wenschen bieden. Als zij een schaap of koe verliezen, of hagel of vorst hen benadeelt, is het mijn schuld; dan beweren zij dat zij mij op mijn toren gezien hebben, onweer en storm van den hemel voor hen afbiddende.quot;
jMaar dan zijn het wilden.quot;
slnderdaad, anders zouden zij niet slecht zijn. Deze parochie is bedorven door de revolutie. De eene priester na den andere werd weggejaagd; het kwaad sloop in de gemeente, werd niet meer bestreden, won veld, en zelfs bij de grootste misdaden vernam men niet meer den luiden kreet van vermaning en berisping. Geen pastoor
kon het hier uithouden. Er heerschte nu rust, maar het was de rust des doods. Welke vruchten mag men echter van die rust hopen? Non mort ui laiidaMint Domine
ïSed. nos qui viv/musquot; voegde ik er bij, de hand des pastoors warm drukkende.
Hij wierp een blik vol verrukking op mij.
„Spreek ik tot een waar Christen ? Behoort mijn dappere verdediger onder hen, die leven?
,Ja, mijnheer de pastoor, het was een kind der Kerk, die u uit de handen der goddeloozen redde.quot;
Bij deze woorden barstte hij opnieuw in vreugde uit. jZeker,quot; riep hij. sGij, mijnheer, die Christen zijt, zult begrijpen waarom die arme lieden mij verfoeien. Op hun manier doen zij mij den oorlog aan, dien men tegen ons, priesters, schier overal aangevangen heeft. Ik heb tegen de herbergen, tegen den Zondagsarbeid, tegen de slechte boeken, tegen de gierigheid, ja tegen schier alles wat zij beminnen, gesproken, en zij hebben een afkeer tegen mij opgevat.
sZij dragen hiervan niet alleen de schuld. Aan zich zeiven overgelaten, zouden zij mij misschien dulden, maar de burgemeester woekert gaarne, de wethouder houdt een herberg en de schoolmeester verkoopt slechte almanakken ; zij hebben grooten invloed op het dorp en vormen de publieke opinie. Daarenboven heb ik eenige meisjes mijner parochie een huwelijk met lichtzinnige vrijdenkers uit deze plaats ontraden. Ik kon niet anders doen, omdat zij mijn raad vroegen, maar ongelukkig luisterden zij er niet naar. Nu hebben allen zich tegen mij vereenigd, zoodat ik mij nooit in deze streek kan wagen, zonder met steenen begroet te worden. Ik verzeker u, dat er zeer ernstige redenen zouden moeten zijn, alvorens ik er in toestemde des nachts hier heen te gaan.quot;
2 Maar, mijnheer de pastoor, waarom begeeft gij u dan zelfs des daags onder hen?quot;
i-Wat zal ik u zeggen ? Zij moeten er toch aan gewend
worden mij te zien. Overigens hebben zij mij ditmaal weder erg bedrogen. Er woont onder hen een brave oude vrouw, die mij haar vertrouwen heeft geschonken. Zij hebben mij doen weten, dat zij ziek was en innig mijne hulp verlangde. Ik vertrouwde de zaak maar ten halve, maar misschien kon het verhaal waar zijn, en ik zeide tot mij zeiven : mijne poging zal hun ten minste toonen, dat een priester niet aarzelt zijn plicht te doen, en als zij mij in een strik vangen, zullen zij misschien begrijpen, dat ik geen toovenaar ben. Zij zullen mij, maar ik zal den duivel vangen. En zoo ben ik dan op weg gegaan. Ik ontmoette op den weg onderscheidene jongelieden en werd niet beleedigd; dat was een slecht teeken. Toen ik voorbij de school kwam, bemerkte ik dat ik bespied werd; dat was voor mij het bewijs, dat ik gevangen was. Ik was overtuigd mijne zieke niet te zullen vinden en ver-nam\'dan ook dat zij naar het veld was gegaan. Ik trad de kerk binnen, om de bescherming der H. Maagd te vragen. Deze werd mij verleend. Een meisje kwam behoedzaam tot mij en vermaande mij zeer zacht mijn terugweg door de wijngaarden te nemen. Zie, zelfs in die ongelukkige plaats woont nog liefde. Maar ik, de leiding der aanbiddelijke Voorzienigheid overwegende, die zich overal harten bewaart, om daarin hare zoete heerschappij te vestigen, vergat de waarschuwing, opende mijn brevier en nam al biddende den gewonen weg. Daar wachtten mij schoolkinderen in hinderlaag om mij voor mijne dwaasheid te straffen. Eensklaps omringden zij mij, hitsten hunne honden tegen mij aan en wierpen mij met steenen. Gelukkig heeft de H. Maagd, die mij slechts een geheugenoefening wilde geven, u als schildwacht aangewezen, opdat zij niet te ver zouden gaan. Met een kleinen schrik en een schram in het gelaat bekom ik al zeer goedkoop het genoegen een goed Christen op dezen ongeloovigen grond te ontmoeten.quot;
ïlk bewonder uwe liefde, mijnheer de pastoor; toch had ik wel graag de ooren van een of meer dier bengels wat
langer gemaakt. Ook zou ik gaarne den schoolmeester ontmoeten, om in zijn persoon al zijne leerlingen tegelijk te straffen.quot;
sKora, kom, zij weten niet wat zij doen. Maar wilt gij volstrekt, dat ik wraak neme ? Welnu, verlies dan alle hoop niet. Ik zal ten slotte wel het middel vinden om den groo-ten vijand, welken ik onder die lieden heb, en die niemand anders is dan de vorst dezer wereld, te vernietigen. Zij hebben hun pastoor de vorige maand gedwongen te vertrekken. een ziekelijk man, die vreesde vermoord te zullen worden, en dien zij als een melaatsche in zijn pastorie opgesloten hebben. Ik zal hun een anderen geven; ik heb hen bestudeerd en weet wien zij noodig hebben: een waren heilige, een apostel, aan wien de H. Maagd alles toestaat wat hij vraagt. Hij zal hen zoodanig beminnen, dat hij mirakelen zal doen, of hij zal sterven; en dan zal zijne nagedachtenis wonderen wrochten, en zij zullen zich op zijn graf bekeeren, want ook het graf is welsprekend en verricht het werk van God. Het Evangelie bedwingt de men-scheneters uit Australië, en deze wilden, die ten minste gedoopt zijn, zullen de liefde van een priester niet kunnen wederstaan. Er is onder hen reeds een brave vrouw, die God bemint en dient; zij is alleen of heeft hoogstens eenige kleine meisjes bij zich. Gij gelooft dat dit niets is? Ik zeg u dat het alles is wat wij noodig hebben. Eer wij 15 jaar verder zijn, zullen zij een school van Broeders, een andere van Zusters, een Congregatie hebben; zij zullen bijna allen de H. Mis bijwonen in hunne herbouwde kerk en een kapelaan vragen, omdat de pastoor niet in staat zal zijn alleen dien rijken oogst in te zamelen. Ziedaar wat ik u, wraakzuchtige, beloof.quot;
ï God verhoore u, mijnheer de pastoor. Uwe wenschen zijn Christelijker dan mijn toorn, en gij zijt een beter profeet dan ik,quot;
i Mijn waarde heer, de gave der profetie, welke de H. Geest
eertijds over de geloovigen uitstortte, is thans slechts het deel der Heiligen; mij ontbreekt alles om daarmede bevoorrecht te worden. Maar moet hij, die een appelboom, welke langen tijd onvruchtbaar was, eindelijk in de lente ziet bloeien, een profeet zijn, als hij beweert dat de boom niet dood is en weldra vruchten zal geven? Het volk, waarvan wij spreken, is die boom; een arme oude tak er van heeft groen gekregen; eenige bloempjes zijn er aan ontloken, ziedaar het teeken. Ik ken het, \'t is niet de eerste maal, dat ik het waarneem, en ik wacht met vertrouwen het bezoek af van Hem, die aan de Zondares verscheen in de gedaante van een tuinman.quot;
Wij hadden een goed eind weegs afgelegd; de pastoor bemerkte het.
sik houd u misschien op,quot; zeide hij. »Indien uw weg niet hetzelfde doel heeft, dank ik u voor de bescherming, die gij mij verleend hebt. Ik ben thans buiten gevaar. Gij ziet dit nieuwe huis; hier begint mijne parochie, en daar ontbreekt het mij niet aan vrienden.quot;
»Ik geloof, mijnheer de pastoor, dat wij nog verder samen kunnen gaan; ik ga naar M.quot;
jGod zij geloofd!quot; riep hij, sHij overlaadt mij heden met gunsten; ik ben de pastoor van M.quot;
sik vermoedde het.quot;
s Zonder onbescheiden te zijn, mag ik u vragen, wien gij te M. gaat bezoeken ?quot;
»Den pastoor.quot;
»Wees duizendmaal welkom, mijn waarde beschermer. De pastoor van M. is niet rijk en zijn pastorie niet groot, maar men kan er toch de heilige gastvrijheid uitoefenen.quot;
sik \'zal er gebruik van maken, mijnheer de pastoor. Gedoog dat ik mij aan u voorstelle.quot;
Ik noemde mij op de wijze der helden van Homerus: die, zoon van die. Toen hij den naam hoorde van mijn grootvader van moederszijde, zette hij groote oogen op en
sloot mij uit naam van mijn dorp in zijne armen.
3Maar dan zijn wij uit dezelfde plaats, en zelfs hebben wij recht in elkander bloedverwanten te zien. Ik ben ook uit Gatin; mijne moeder is als de uwe uit Boynes, waar alle nienschen eéne familie uitmaken.quot;
»Ik bezit, geloof ik, nog een anderen titel op uwe welwillendheid. Ik was langen tijd tijd de zeer intieme vriend van een uitmuntend jongmensch, die, naar ik geloof, uw neef is.quot;
De pastoor greep mijne beide handen, drukte ze en beschouwde mij eenige oogenblikken zwijgend met een uitdrukking van teederheid en smart, die mij in verwarring bracht. »Helaas,quot; zeide hij eindelijk, «k heb geen anderen neef dan Laurens. Spreekt gij van hem? De arme jongen is dood. Hij is hier droevig, ongelukkig gestorven. Maar neen, dat was zijn dood niet, want zij is Christelijk geweest. Ach, mijn vriend, welke herinnering wekt gij in mijn geest op! Gij hebt hem dus gekend en bemind, dien goeden Laurens ?
»\'t Was een man geworden vol goedheid en medelijden . . . ja, zij hebben hem doen sterven . . . om mijnentwil. Doch spreken wij thans niet over hem. Dezen avond of morgen na de H.Mis willen wij gaan bidden op zijn graf. Misschien zullen wij er iets vinden van dien onuitroeibaren vrede, welken hij eeuwig zal genieten, zooals ik hoop en geloof, in den schoot van den God van barmhartigheid.quot;
De stem van den goeden pastoor trilde; zijne oogen werden met tranen gevuld 5 zijn gelaat was bleek geworden. Ik durfde hem niet ondervragen over den tijd en de omstandigheden van den dood zijns neefs, waarover hij sprak met een aandoening, welke zoozeer verschilde van zijne gewone kalmte. Ik wachtte tot hij het gesprek weder opvatte., en, vermoedende dat hij bad, sprak ik ook eenige gebeden voor de rust van de ziel mijns vriends.
Wij naderden M., dat mij toescheen een aanzienlijk dorp
II
te zijn en beter onderhouden dan de meeste in die streek. Op een geweerschot afstand van de eerste huizen verhief zich een fraai steenen kruis; een religieus met een twintigtal kinderen lag er om nedergeknield. Zij zongen met groote juistheid en gevoel het O crux ave. De pastoor groette het kruis, de religieus en de kinderen.
»Dat is onze bewaarschool,quot; zeide hij, »de kinderen zijn op de wandeling. Waren wij het dorp van de andere zijde binnengekomen, wij zouden een Broeder met zijne jongens ontmoet hebben. Alvorens de wandeling te beginnen, zingen zij het Ave maris stella voor een beeld der H. Maagd.quot;
»Ik geloof dat zij hun pastoor niet met steenen zullen werpen.quot;
»Dat doen zij. Goddank, niet meer, maar niet zonder veel moeite hebben zij het afgeleerd. Zij deden het even graag als onze gindsche vrienden, en te hunner eer moet ik zeggen dat zij veel juister mikten.quot;
»Dus zijt gij, mijnheer de pastoor, wel eens gesteenigd?quot;
»Niet eens, maar herhaalde malen, docli helaas altijd als iemand, die het martelaarschap niet waardig is. Toch heb ik den H. Stephanus tot een onzer patroons gekozen. Weldra zullen wij de kerk bezoeken; eenigen der steenen, welke naar mij geworpen zijn, hebben hunne plaats in den muur gekregen en zijn er in gemetseld door hen, die ze mij naar het hoofd hadden geworpen. Gij ziet dat ik geloof verdien, als ik zeg dat de bloemen de vruchten aankondigen. Ik heb hier drie lange, zeer lange jaren doorgebracht, alvorens ik hier niét een bloem zag ontluiken maar slechts een bloemknop verschijnen aan den boom, dien ik met mijn zweet en mijn tranen beproeide. Deze parochie was nog vijandiger, nog bedorvener dan die, welke wij verlaten hebben. Ach wat is God machtig, wat is H:j goed, wat is Zijne barmhartigheid groot!quot;
Wij waren in de voornaamste straat d 1 \'quot;gekomen. De bewoners groetten den pastoor op de ■ste. wij^é;
v
x
de kinderen liepen op hem toe om een liefkozing te ontvangen. Wij kwamen voorbij de dorpsherberg, waarvan het uithangbord, nieuw geschilderd, de Drie Koningen voorstelde, de oude patroons der reizigers, die den nieuwen mensch en de nieuwe wereld ontdekt hebben. De kastelein, voor de deur zijner woning gezeten, stond op en ontblootte het hoofd. De gewichtige positie van den dorpsherbergier kennende, wenschte ik er den pastoor geluk mede, dat hij met zulk een machtig persoon op goeden voet stond.
sHij was langen tijd mijn verwoedste vijand. Hij sprak nog tegen mij in den Raad, toen ik er niets meer had dan vrienden. Ik heb hem tot burgemeester doen benoemen, en thans is hij mijn krachtigste beschermer. Wij wisselen zelfs geschenken; ik heb zijn uithangbord doen schilderen, en hij heeft mij een zilveren ciborie geschonken. Sedert hij burgemeester is, sluit hij op Zon- en feestdagen onder de godsdienstoefeningen zijne herberg.quot;
gt;Ik begin te gelooven, dat gij inderdaad mirakelen doet, mijnheer de pastoor.quot;
sNeen, maar Hij, die ze wrocht, weigert ze niet aan de zwakheid Zijns dienaars. Zijne liefde vult aan wat mijne machteloosheid doet te kort schieten. Soms geeft Hij mij in, welke daden ik verrichten, welke woorden ik spreker, moet; bijna altijd werkt Hij door zich zeiven; ik ga soms nog eens beproeven een hinderpaal weg te nemen, die voor al mijne pogingen niet wijken of wankelen wilde, en als ik kom, bestaat zij niet meer.
sik werd met de zorg over deze parochie na de Julire-volutie belast,quot; dus vervolgde hij, »Mijn voorganger was uitgeplunderd en smadelijk weggejaagd. Het was een mijner vrienden. Hij kwam mij op het groot seminarie bezoeken, waar ik de philosophic onderwees. Na mij verhaald te hebben van zijnen arbeid, zijne vermoeienissen en zijne smarten, deelde hij mij mede, dat hij, daar hij naar zijne parochie niet kon terugkeeren, naar de missiën vertrok.
Toen ik dat hoorde, kwam het verlangen in mij op hem daarheen te volgen. Maar onze bisschop verklaarde ons, dat hij mij bepaaldelijk wenschte te behouden. Wat u betreft, zeide hij tot den oud-pastoor van M., ik geef u het exeat niet voor ik een opvolger in uwe parochie heb benoemd. Maar wien zal ik zulk een kruis opleggen? Kent gij iemand, die het dragen kan ? Ja, Monseigneur, antwoordde mijn vriend, hij, die evenals ik den last van het apostolaat wil dragen. Hoe denkt gij er over, mijn waarde professor? vroeg de goede bisschop mij. Deze missie zal u ongetwijfeld evenveel verdienste opleveren als een andere.
jlk antwoordde Monseigneur, dat ik de belofte van gehoorzaamheid hernieuwde, die ik bij mijne H. Priesterwijding had uitgesproken. Hij zegende mij onder het storten van tranen. Ziedaar hoe ik pastoor te M. werd. Ik sloot mijne boeken, verliet mijne kamer op het seminarie en kwam hier aan, het hart vol hoop en ... . angst.
»Men ontving mij zeer slecht, en er was zelfs sprake van geweest mij in het geheel niet te ontvangen. Echter kon ik de pastorie betrekken, behoudens dat ik mij een ketelmuziek moest laten welgevallen, die met verlof der overheid een maand lang iederen avond herhaald werd. Een der ijverigste rumoermakers was de eenige man der parochie, die met mij wilde spreken, nl. mijn koster, een vat vol geleerdheid en sterken drank, \'t Zou evenzeer vergeefsche mceite zijn geweest hem te straffen als een poging te doen om hem te bekeeren. Had ik hem weggejaagd, niemand zou hem hebben willen vervangen, en op zijne beurt zou hij mij den volgenden dag weggejaagd hebben. Verscheidene malen wilde ik den burgemeester een bezoek brengen, maar deze hield zijne deur voor mij gesloten. Ik laat u denken wat de onderwijzer deed. Het overige der bevolking, door die voorbeelden aangemoedigd, bejegende mij op het smadelijkst. De kleine kinderen liepen mij schreeuwend na; de groote wierpen mij met steenen; de armen zelfs dankten mij niet
eens voor de aalmoezen, die ik hun gaf. Nauwelijks gewaar-digden zij zich naar mij te luisteren, als ik mijn brood onder hen ronddeelde. Wanneer ik genoodzaakt was voorbij de herberg te gaan, zag ik altijd den een of anderen arme onder hen, die de liedjes zong, welke door de dichters van het dorp tegen den pastoor gemaakt waren.
»Van mijne predikatiën mocht ik geen heil verwachten; er kwam niemand in de kerk. Des Zondags even als op de andere dagen, droeg ik de H. Mis in de diepste eenzaamheid op. \'t Was smartelijk de arme kerk aan te zien; het water droop door het gescheurde dak: de vochtigheid deed muren en banken beschimmelen; het geheele gebouw dreigde in te storten, en niet ten onrechte zeide de koster, dat ik het gewelf nog eens op mijn hoofd zou krijgen. Ik had eenig geld bespaard; daarmede liet ik sommige herstellingen doen aan het voornaamste venster van het priesterkoor. Daags voor Allerheiligen was die kostbare arbeid voltooid. Ik wist dat bijna alle bewoners op dien dag en den volgende, meer uit bijgeloovigheid dan uit godsdienstzin, den H. Dienst zouden bijwonen en geloofde dat men eenigen prijs op mijn geschenk zou stellen. Toen ik de kerk binnentrad, lagen de stukken van mijn schoon venster in het koor, en de steenen, waarmede men het vernield had, overdekten het altaar. Dit schouwspel verpletterde mij. Ik viel op de knieën en weende; spotgelach was het antwoord op mijne zuchten. Niettemin, na hersteld te hebben wat hersteld kon worden, liet ik de klok luiden. Men kwam in menigte op óm genot te smaken in mijne smart en mij eene nieuwe beleediging aan te doen. Zoodra ik den preekstoel beklom, stond ieder op en ging heen, op een teeken van den burgemeester en den onderwijzer. sBlijft,quot; riep ik hun toe, medegesleept door een beweging, welke ik niet kon bedwingen en die hen stil deed staan. »Verscheidenen uwer hebben,quot; zoo ging ik voort, sdezen nacht de kerk beschadigd, die het huis Gods is. God heeft ze gezien, Hij kent ze; dat zij boetvaardigheid doen,
want God maakt zich gereed hen te straffen.quot; Zij trokken de schouders op en verlieten de H. Plaats, mij bijna alleen achterlatende, na mij zoo smartelijk te hebben doen gevoelen, dat zij niet naar mij wilden luisteren.
»Toen bleef mij niets over dan God te vragen zelf Zijne zaak ter hand te nemen. Dit gebed werd op verschrikkelijke wijze verhoord. Nog dezelfde week brachten twee der hoofdaanleiders elkander bijna om het leven. Men herinnerde zich mijne bedreigingen, werd bang en verminderde de beleedigingen; maar ik begon nu voor een too-venaar door te gaan en werd niet minder gehaat. De straf dier twee ongelukkigen, die misvormd bleven en hardnekkig weigerden troost van mij te ontvangen, bedroefde mij niet minder dan henzelven. Ik begreep, dat God mij niet gezonden had om die straf over hen af te bidden.
sik maakte mijn bisschop deelgenoot van mijne smart. Hij troostte en sterkte mij. «Wanhoop nooit,quot; zeide hij, »aan Gods barmhartigheid. Wanneer gij op missie waart, gelooft gij dat gij niets voor de zaligheid der wilden zoudt gedaan hebben gedurende den tijd, dat gij op zee zwalktet? Zouden de uren, gebruikt om hunne taal te leeren, verloren tijd zijn geweest ? Geloof mij, al uwe smarten, al uwe tranen, al de smarten en tranen van uwe voorgangers zijn kostbare graankorrels in dien grond nedergelegd, en zullen niet verstikken.quot;
sHij zegende mij en ik voelde mijne hoop herleven, maar de aangekondigde kiemen vertoonden zich niet. Door allen als een melaatsche ontvlucht, beproefde ik niets of het mislukte en keerde zich zelfs tegen mij.
sik wilde eenige zorgen wijden, eenige geneesmiddelen schenken aan arme zieken, zoo door iedereen verlaten dat zij er in toestemden mij te ontvangen; de geneesheer en apotheker bedreigden mij met een proces. Ik gaf een klein getal vlugge jongens eenig wetenschappelijk onderwijs, een
inspecteur deed mij tot boete veroordeelen; mijne leerlingen bespotten mij, opdat men het hun niet euvel zou duiden, dat zij eenigen tijd mijne vrienden geweest waren. Men klaagde mij bij den prefect aan als een heerschzuchtig priester; men klaagde over mij bij den bisschop, en van den procureur-generaal kreeg ik aanschrijving, dat ik beter de wetten van den Staat te eerbiedigen had.
sWat zal ik u zeggen! Dat duurde drie jaren. O mijn God, welke jaren! In mijne verlaten kerk nedergeknield, smeekte ik God, dat Hij zich zou laten verteederen. God scheen even ongevoelig voor mijne tranen als de steenen, waarop zij nedervielen. Toch luisterde Hij naar mij, want Hij werkte in de harten, maar ik zag er niets van.
sOp dien tijd werd ik dooreen groot ongeluk getroffen; mijn eenige zuster overleed. Zij liet twee weezen achter: Laurens uw vriend en een meisje van 16 jaren, Edmunda geheeten. Deze lieve kleine wilde zich aan God geven, maar hare zwakke gezondheid noodzaakte haar nog eenigen tijd te wachten. Zij had geen steun op aarde. Zij kwam hier bij mij wonen, of liever bij mij sterven.
sin de eerste tijden scheen hare tegenwoordigheid eenigen gunstigen invloed op de wilde gemoederen uit te oefenen. Zij was zachtaardig, voorkomend, dienstwillig; spoedig had zij zich de vriendschap van eenige meisjes verworven, en weldra begon ik te hopen, dat door haar een zwakke straal der genade op mijne arme parochie zou nedervallen. Dat gebeurde inderdaad, maar o God, tot welken prijs!quot;
De pastoor zweeg, even bewogen als hij het eenige oo-genblikken geleden was bij de herinnering aan mijn vriend. Wij kwamen aan de kerk, voor welke zich een ruim plein uitsterkte, beplant met jonge boomen en omringd door een aantal huizen. Het gebouw was geheel nieuw. Ik was verwonderd over zijne groote afmetingen en wenschte den pastoor oprecht geluk wegens den bevalligen stijl van den
bouw. Toen wij binnentraden, nam mijne verwondering nog toe. Het altaar was door een prachtige versiering opgeluisterd; alles was even zindelijk als net. Een koster, ongetwijfeld niet hij, over wien de pastoor mij gesproken had, vervulde zijne functiën met gepasten eerbied. Maar wat mij een buitengewoon genoegen verschafte, ik zag verscheidene vrouwen in diepe overweging in de kapel der H. Maagd voor den biechtstoel, waarin de kapelaan zich bevond.
Mijne gedachte radende, drukte de pastoor mij de hand en fluisterde mij toe; s \'t Is morgen de eerste Vrijdag der maand; dien wijden wij aan het H. Hart. Dezen avond komen de mannen te biecht. Laat ons God danken.quot;
Hieraan had mijne ziel op dit oogenblik behoefte. Ik knielde naast dien waren dienaar van Christus en bemerkte niet dat hij langen tijd bad, want ik bad in volle overgeving des harten, zooals ik altijd zou willen bidden.
De pastoor stond op, en wij verlieten de kerk.
«Ziedaar,quot; zeide hij mij op den toon der levendigste dankbaarheid, «ziedaar wat God weet te verrichten. Hij heeft de steenen bewogen, zoowel de steenen der kerk als die van de harten der dorpelingen. Zeker, als ik mag spreken volgens de H. Schrift, die de steenen zelfs doet spreken, mag ik zeggen, dat die steenen gearbeid hebben. Mijne quot;kerk is gebouwd zonder plan, zonder bouwmeester, zonder geld; om er Christenen in te krijgen, behoefde ik slechts de deuren te openen. Welk machtig woord heb ik tot de eersten gericht, die hier zijn komen bidden? Waar heb ik de 100.000 gulden gevonden, die deze bouw ons gekost heeft:quot;
«Honderdduizend gulden!quot; riep ik.
»Dat verbaast u? Welnu, weet dat die som niet de helft bedraagt van onze uitgaven. Ik zal u ons gasthuis en onze uitgaven. Ik zal u ons gasthuis en onze scholen laten zien die meer gekost hebben.quot;
2
jMaar, mijnheer de pastoor, hoe hebt hij zulke kostbare zaken durven ondernemen ?quot;
»Dat weet ik niet; ik ben er verantwoordelijk voor, noch heb er de verdienste van. Ik heb gehandeld als de machines, die door een onzichtbare hand bewogen worden en niet weten wat zij doen. Mijne dierbare kleine Edmunda is de ware stichter der kerk; het gasthuis is in zekeren zin gebouwd op liet graf van mijn armen Laurens. — Doch laat ons de pastorie binnentreden.quot;
De tegenzin, dien de pastoor had om over zijne nicht en en zijn neef te spreken, was al te zichtbaar, dan dat die had kunnen verborgen blijven, en ik had niet den minsten lust om met zijne droefheid te spelen. Maar het werk der bekeering of liever der verrijzenis der geheele parochie scheen zoo innig verbonden met die beide personen, dat ik vurig wenschte te weten wat hij niet zeide. Ik besloot hem een weinig aan te sporen, als wij op dat onderwerp terugkwamen, waarvan zijn wil hem onophoudelijk verdreef, maar waarheen zijn hart hem zonder ophouden lokte.
Wij waren de pastorie binnengetreden. Had de pastoor veel steenen bewogen, het was niet om er zich een fraaie woning van te bouwen. Het kleine donkere huis scheen slechts te blijven staan krachtens eene overeenkomst met de winden. Het had drie vertrekken op de eerste verdieping; het eene diende voor keuken, het tweede voor eet- en spreekkamer, het derde voor bibliotheek. Deze laatste doorgaande zag ik er onderscheidene schoone werken staan. De pastoor zeide mij dut hij er veel meer had gehad, daar hij in zijn jeugd veel boeken kocht, maar op zekeren dag waren de dorpelingen zijne woning binnengedrongen, en, hem verwijtende, dat de hagel een gedeelte van hun oogt verwoestte, hadden zij in zijne biblioheek deerlijk huis gehouden.
Op de tweede verdieping bevonden zich eenige kleine vertrekjes. Een daarvan was voor een vrouw gemeubeld. Men zag er tusschen heiligenbeeldjes een werktafeltje, eenig
borduurwerk en een ledikant, met witte gordijnen behangen. Maar \'t was er donker, tengevolge van een scherm, dat boven het eenige venster geplaatst was.
5 Waarom laat gij dat scherm niet wegnemen, mijnheer de pastoor?quot; vroeg ik, »de kamer zou beter verlicht zijn.quot;
«Deze kamer wordt niet bewoond,quot; antwoorde hij, »\'t is die van Edmunda. De arme kleine heeft dat scherm laten plaatsen, opdat de armen niet verplicht zouden zijn in den regen te wachten, als er niemand in de pastorie mocht zijn om hen te ontvangen. Dat was van hare zijde een groot offer, want zij verlangde niets liever dan helder daglicht.quot;
sWat heeft het u moeten smarten,quot; sprak ik met bewogen stem, »toen God u van zulk zoet gezelschap beroofde en zelfs, als ik mij herinner wat gij mij gezegd hebt, van zulke kostbare hulp.quot;
sik zie,quot; hernam de pastoor, »dat gij de geheele geschiedenis mijner ongelukken wenscht te leeren kennen. Ik zal ze u verhalen, op deze plaats zelve, want nergens buiten de kerk zou ik met meer troost en onderwerping u dit verhaal kunnen doen. Maar gij, mijn vriend, zet een wachter aan uw hart en word niet toornig tegen hen, die mij dikwerf zoo smartelijke slagen hebben toegebracht. Beschuldig slechts de zwakheid der menschelijke natuur, die overal dezelfde is, als zij het goddelijk juk afschudt. Denk dat ik hier de plaats inneem van den vervolgden, gegeeselden, ge-kruisten Christus; bedenk dat de schuldige dienaar niet beter is dan zijn onschuldige Meester, en eindelijk herinner u, dat thans zoowel als vóór 18 eeuwen, over de geheele aarcle zoowel als op den Calvarieberg, de vrucht der zaligheid alleen groeit aan den boom des kruises. Geen eeuw is er verloopen of de wereld heeft mannen gezien, machtig door kracht of genie, zich tot een groote hoogte onder hunne tijdgenooten verheffende, hen beheerschende, hun wetten gevende of hun een leer verkondigende. Maar in de glorie, in het purper of in het wereldbestuur, al die mannen zijn
20
mannen gebleven; de wereld, die zij aan zich onderworpen hadden, heeft hen geoordeeld; en hunne glorie altijd verkondigende, heeft zij hen door een rechtvaardig vonnis verlaagd beneden het niveau der menschelijke natuur. In de vernedering, in het lijden en het kruis heeft de wereld haren God erkend. Maar ik vrees niet het te zeggen; die God zelf zou vergeten zijn, het eenvaardig kruis zou zich niet verheven hebben boven de grootheden, die op aarde hebben geschitterd en die men niet meer bezit, en het werk der zaligheid zou volmaakt zijn, indien de Allerheiligste Drievuldigheid, in de raadsbesluiten harer oneindige barmhartigheid, niet altijd getrouwe navolgers van Christus aan de aarde geschonken had. Zij koos menschen van goeden wil ■— ja mijn God, van een weinig goeden wil! — en hunne zwakheid steunende, hunne fouten herstellende en hunne misslagen hun vergevende, gaf zij hun den kelk te drinken en den Calvarieberg te bestijgen. De beleediging moet hen op hun tocht volgen, het bloedig zweet hun langs het aangezicht vloeien, zij moeten aan het kruis genageld worden en water en bloed moet uit hunne geopende zijde vloeien. Dan vernieuwen zij het werk des kruises, openen den hemel voor den moordenaar en den beul, en zij, die hen gefolterd hebben, zeggen: waarlijk zij beminde ons; waarlijk zij hebben onder ons de wet beoefend van God, die stierf om de wereld vrij te koopen.
s Geloof mij, dierbare vriend van mijn armen Laurens, aan wien ik niet vreezen zal mijne wonden te toonen, geloof mij, mijn hart, al te zeer aan zich zeiven gehecht, heeft ongetwijfeld niet in die mate als God het zou hebben toegestaan, zoetigheid der offers gesmaakt, maar ik heb haar voldoende gekend, om te kunnen zeggen, dat zij gelukkig en zalig zijn, die het kruis dragen. Zij beminnen! Alvorens de roeping tot het offer te verkrijgen, hebben zij reeds de liefde, die gave Gods, ontvangen, de onverwinlijke liefde, die over den dood zegepraalt. Met de liefde hebben
zij het geloof, met het geloof de hoop; het beste deel van hen zelve is reeds niet meer op aarde. Wat bekommert de reiziger, die het doel ziet en zeker is het te bereiken, zich om den weg, waarop hij nog wandelt? Iedere stap, dien hij doet, is een stap minder te doen en brengt hem nader tot de eeuwige rust. Zeer zeker is hij gewond en vloeit zelfs zijn bloed, maar hij gelooft, hoopt, bemint en wordt verzadigd door een geluk, dat al de ondankbaarheid der men-schen hem niet kan ontnemen: het geluk van hen te beminnen en voor hen te lijden.
»Mijne nicht Edmunda had van den hemel de onwaardeerbare genade der liefde bekomen. Zij kende de waarde der zielen; om een enkele te redden, zou zij gaarne haar leven gegeven hebben. Bewonderenswaardige woorden ontsnapten aan haar hart, als wij des avonds in onze eenzaamheid over den goeden God spraken. Ik priester, theologant, docter in de godgeleerdheid, leerde van haar dingen, die ik niet kende. Vooral had zij een volmaakte devotie tot de H. Moeder Gods; hare woorden waren slechts een commentaar op het woord van den H. Bernardus: Omnia per Mariam.
sZoo als gezegd, had Edmunda zich de vriendschap van een zeker aantal vrouwen weten te verwerven; zij beproefde haar tot een kleine congregatie te vormen, en weldra had ik het geluk zeven of acht menschen in de H. Mis te zien. Met welke vreugde vreugde begroette ik die lang verwachte eerstelingen! Edmunda vormde duizend schoone plannen. Reeds zag zij deze vrouwen mij hare kinderen brengen, de meisjes huwen en hare echtgenooten bekeeren. Zij wilde dat wij de kapel der H. Maagd herstelden en vergrootten. In afwachting werkte zij dag en nacht om door eenige versierselen den toestand dier dierbare kapel te verbeteren.
»Hare aangename droomen duurden niet lang; de vruchten waren nog niet rijp; mijne arme Edmunda mocht de dagen van den oogst niet beleven.
sHare vriendinnen, door hare vermaningen getroffen,
brachten die over in hare familien en bezochten de ruwe feesten niet meer, welke zij tot dan toe hadden bijgewoond. Men maakte liedjes op haar, doch daar bekommerden zij zich niet om: de woede nam toe en zond en vond eindelijk het middel haar te overwinnen. Niettemin stond ik opnieuw ten prooi aan beleedigingen, maar wat men nog niet had gedaan, men belasterde mij, en wat ik nooit had kunnen gelooven, men deed het ook Edmunda, dat zoete en maagdelijke wezen, wier aanblik alleen reeds aan de deugd denken deed. Men zong een liedje van Beranger tegen mij, dat door een bekwamer hand dan die mijner boeren tegen mij en mijne nicht was omgewerkt. Ik vermoedde, dat de afschuwelijke refreinen weldra overal zouden gehoord worden, en dat zelfs de kinderen ze zingen zouden. Mijne eerste gedachte was Edmunda te verwijderen, die overigens reeds sedert eenigen tijd lijdende was, maar het kwaad was reeds gedaan; het was te laat, Edmunda wist reeds wat ik gehoord had. Alvorens met haar te breken en haar als een eerlooze te verlaten, had een harer vrienden, door ongerijmde ijverzucht opgewekt, zich gehaast haar te verhalen wat men zong en zeide. De slag was gevallen en had een doodelijke wond toegebracht; de ontschuldige maagd leefde nog slechts door een poging van haren moed en hare liefde jegens mij. Ten einde mij niet te bedroeven en ik haar niet noodzaken zou deze vergiftigde lucht te verlaten, waar men hare eer vernietigde, zweeg zij en stierf weg.
»Het moordend refrein vervolgde haar overal. Ging zij uit, zij hoorde het aan hare zijden of in de huizen weerklinken. Des daags als ik buiten was, des nachts als ik sliep, kwamen mannen, vrouwen en kinderen het zingen onder haar venster, onder het scherm, dat zij had laten maken om de armen te beschutten. Onophoudelijk stoorde de punt van dien helschen dolk hare overwegingen en haren slaap. Zij zagen haar sterven en bleven zingen. Kunt gij het gelooven, dat, toen zij op zekeren dag alleen in de kerk bad, een
man, dien zij erkend maar niet genoemd heeft, zich achter haar plaatste en zonder eerbied voor de heilige plaats, zonder medelijden met hare zwakheid, haar die vuile en heilig-schennende liederen deed hooren, tot zij eindelijk bezwijmd nederviel? Ach, wat moeten wij bidden voor den dichter, die dat goddelooze lied gemaakt heeft. Want hij weet ongetwijfeld niet welk scherp wapen hij dien lompen vijanden van den godsdienst in de handen heeft gegeven. Ben ik de eenige pastoor, wiens arbeid hij belemmerd heeft? Is mijne arme Edmunda het eenige slachtoffer zijner poesie, die venijniger is dan de adder?
®Toen ik eindelijk tot mijne nicht zeide, dat de toestand harer gezondheid mij dwong haar van luchtstreek te doen veranderen, antwoordde zij mij: j Dierbare oom, ik weet wat u aanleiding tot dit denkbeeld geeft. Gij moest begrijpen dat ik de kwaal zal medevoeren, waaraan ik hier lijd. Veroordeel mij niet om ver van u te sterven, en denk ook dat mijn vertrek aanleiding zou geven tot nieuwe lasteringen. Mijn goede naam eischt dat ik niet vluchte, al kon ik door de vlucht mijne genezing verzekeren, want men randt de eer van God zeiven aan, door de mijne aan te vallen. Laat ons met edelmoedigheid ons offer brengen; levend of dood zullen wij zegepralen over deze laatste poging der hel.quot;
Ik stemde met die redenen niet in, maar toen ik in der haast de noodzakelijke beschikkingen had gemaakt, om haar een geschikt verblijf te bezorgen, had de ziekte reeds onherstelbare vorderingen gemaakt, en was de reis niet meer mogelijk. Ik had mij dus te onderwerpen.
»Edmunda deed hare oude vriendinnen weten, dat zij ging sterven, en smeekte haar laatst vaarwel te komen ontvangen. Zij kwamen bijna allen. Zij, die haar den eersten slag had toegebracht, verscheen het eerst en was de teederste van allen. Hierdoor getroost, verzekerde Edmunda mij, dat dit meisje het voorbeeld der parochie zou worden, een
voorspelling, die weldra vervuld worden zou als zoovele andere, want het schijnt dat God om hare laatste oogen-blikken te verzachten, haar toestond de toekomst in te zien. Zonder morren, zonder klagen, zonder iemand te beschuldigen, vertrouwde zij de eer harer nagedachtenis aan de smart en vriendschap dier vrouwen. Vervolgens sprak zij haar met zooveel welsprekendheid over den godsdienst, dat allen haar beloofden weder naar de kerk te gaan en den weg daarheen niet meer te vergeten. Zij hebben hare belofte gehouden.
»Ik heb zoolang ik priester ben vele stervende bijgestaan en ik weet hoe schoon de Christelijke dood is, maar ik heb nooit heerlijker sterfbed gezien dan van dat arme kind; \'t was waarlijk een slachtoffer van goeden geur, dat zich met vreugde en in vrede aan God overgaf. sDierbare oom,quot; zeide zij, »ik laat u mijn klein vermogen na om de kapel der H. Maagd te herstellen. Houd moed, nog een weinig tijds en gij zult overwinnen. Ik geloof dat ik u spreek uit naam van God. Uwe vijanden zijn talrijk, maar zij zullen ten slotte bezwijken. Doe hun goed,quot;
«Terwijl zij stierf, herhaalde zij de woorden: Doe hun goed! Wie had haar die geleerd? Wie had haar leeren spreken als de H. Paulus ? Doe hun goed, dat is in drie woorden de geheele wetenschap der heiligen, al de volmaaktheid van het Evangelie, het geheele geheim van God om de woede en de list der hel te overwinnen. De mensch wederstaat alles, de rede, het geweld, de wetenschap, de straf, maar voor het goed dat men hem doet, bezwijkt hij. Dan openen zijne oogen zich; zijn hart komt tot betere gevoelens; zijn toornv ergaat. Te vergeefs beproeft hij zich te verzetten; te vergeefs weerstaan hij het zoet geweld der liefde. De wapenen, waarmede hij zich versterkt tegen het recht, vermogen niets tegen de liefde; deze dringt tot het gewetendoor; men moet zich overgeven, zich onderwerpen; dat is het besluit Gods; En daarom, mijn vriend, spannen
de vijanden der Kerk zich, zooveel zij kunnen, in, om haar te beletten goed te doen.
ïEdmunda ging van dit leven tot de eeuwige glorie over. De geheime kracht, die uit haar doodkist voortkwam, was er mij het bewijs van. Ik bracht den laatsten nacht, dien zij onder mijn dak doorbracht, biddende op deze plaats door. ik leed een onbeschrijfelijke smart, maar in dat leed smaakte ik een oneindige vreugde en troost. Nooit heb ik mij zoo sterk gevoeld onder den last, dien God op mijne schouders heeft gelegd; nooit was de gedachte aan morren of de schaduw van wraak verder van mijn hart verwijderd. O kracht van dat maagdelijk overschot! O kracht van die vergiffenis, zoo dikwerf in hare ziel uitgesproken en thans voor God vernieuwd. Mijn gebed, voor haar begonnen, eindigde voor mijne vervolgers.
»Een nieuw uitwerksel van hare tusschenkomst bij God zag ik in het feit, dat een groote menigte hare uitvaart bijwoonde. Ik sprak en men luisterde naar mij; ik zag er zelfs tranen storten en hoorde snikken; de laster was bezweken bij den dood van zijn slachtoffer; ik geloofde dat het ijs eindelijk gebroken was, en de schapen tot hunnen herder kwamen. Maar God kwam nog een tweede offer vragen, en dit bracht ik met minder onderwerping.
üEdmunda\'s broeder, uw vriend Laurens, was in den militairen dienst getreden, om zijn klein erfdeel niet te moeten aanspreken en het in zijn geheel aan zijn zuster te kunnen laten. De brave, goed onderwezen jongen meende carrière in den krijgsdienst te kunnen maken. Edmunda\'s dood liet ons beiden alleen op aarde. Onze wederzijdsche gehechtheid werd er te levendiger door; ieder onzer beminde in den ander wat hij verloren had. Zonder mij te raadplegen, luisterde Laurens alleen naar zijn goed hart en vroeg verlof om mij te komen bezoeken. Helaas, hij verkreeg het om zijn uitmuntend gedrag, en hij vertrok als een jong mensch
en als soldaat, met den ransel op den rug. \'t Was inden winter, en hij had een lange reis te doen.
»Ter\\vijl hij mij deze vreugde bereidde, werd mijn toestand hier al erger en erger. Wel volhardden Edmunda\'s vriendinnen en gelukte het haar de harten van eenige anderen te vermurwen, maar juist hierdoor werden oude hartstochten weder opgewekt, die ik dacht voor goed bedwongen. De voornaamsten des dorps en de jongelieden waren mijne verklaarde tegenstanders; zij bespotten mij nog voortdurend op straat; mijn naam alleen was genoeg om hun toorn op te wekken. Ik moet u gaan verhalen tot welke buitensporigheden de toorn kan gaan.
j Na een langen tocht door een vreeselijk weder kwam Laurens doodelijk vermoeid en uitgeput hier aan. Uren lang was hij door een sneeuwjacht vervolgd, en, op onze slechte wegen herhaaldelijk vallende, had hij zich vrij ernstig gewond. De Voorzienigheid liet toe, dat hij, naar mijne woonplaats onderzoekende, het eerst bij twee dorpelingen aankwam, die mij het meest haatten. De eerste sloot zijn deur zonder een woord te spreken; de tweede overlaadde hem met scheldwoorden. Ongelukkig had hij hun gezegd, dat hij mijn neef was. Een derde weigerde buiten te komen. Eindelijk ontmoette de arme jongen een bedelaar, die er toekwam hem mijne woning aan te wijzen. Helaas, ik was niet thuis en zou dien nacht niet in de pastorie terugkeeren. Genoodzaakt naar een pastoor te gaan, die op drie uren ifstands woonde, had ik gezegd, dat ik bij hem den nacht :ou doorbrengen. Mijne oude dienstbode, die niet slechts loof maar ook bijna kindsch was, hoorde het kloppen niet, )f vreesde dat men weder voornemens was een vijandig lachtelijk bezoek aan de pastorie te brengen, gelijk dit zoo likwerf geschiedde. Laurens klopte te vergeefs; niemand tntwoordde hem. Hij geloofde, dat men hem een valsche anwijzing had gedaan en het huis onbewoond was. Door ;oude en honger uitgeput, sleepte hij zich weder naar het
dorp voort en zocht een herberg op.Hier was het hoofdkwartier mijner vijanden. Hij ondervond een nieuwe weigering en werd met beleedigingen overladen. Verwondert gij tl\' daarover? Ik heb vergeten u te zeggen, dat hij onderweg zijn beurs met geld verloren had. Reeds stond de dood op zijn gelaat geteekend, toch werd men er niet door getroffen; een hond zou men opgenomen hebben, de neef des pastoors werd weggejaagd. Mijn God, wees hun barmhartig! Niet den armen jongen maar mij wilden zij treffen. Zij zagen hem uitgeput nedervallen en richtten hem niet op. Nadat hij een uur op den kouden grond, in sneeuw en hagel, gelegen had, veroorloofden zij een dienstbode, wier medelijden hunnen spotlust opwekte, hem een weinig wijn te brengen. Terwijl zij, in het slijk geknield, aan Laurens\' lippen den drank bracht, die hem niet meer kon redden, zonden de barbaren haar nog hunne schandelijke spotwoorden na. Vol angst schreeuwde zij hun toe, dat de ongelukkige scheen te sterven. De toon van haar stem deed hen gelooven, dat zij de waarheid zeide, en nu, verschrikt over hetgeen zij gedaan hadden, verwijderden zij zich in allerijl, ja, zonder de minste hulp aan te brengen, alsof zij, het slachtoffer verlatende, ook de misdaad, die zij gepleegd hadden, konden ontvluchten.
»Te vergeefs riep de dienstbode om hulp. Üe beschonken en half ingeslapen kastelein antwoordde slechts met godslasteringen op hare smeekingen. Het meisje moest Laurens zelf wegdragen, en zij legde hem schijnbaar ontzield, op stroo en bedekte hem met haren omslagdoek, geduldig het aanbreken van den dag en mijne aankomst afwachtende.
»God, die altijd als vader kastijdt, bewees mij bij deze groote ramp een gunst, waarvoor ik Hem zegenen zal, zoolang de wreede herinnering aan dien verschrikkelijken nach-bij mij zal voortleven; hij zond mij een engel om mij spoet diger bij Laurens te doen zijn. Tegen het midden van den nacht, toen de ongelukkige voor de deur der herberg ne-
derviel, deed een ijselijke droom mij ontwaken. Ik opende de oogen en meende Edmunda te zien. De schitterende vrede haars gelaats was vermengd met de treurigheid, welke zelfs de zaligen nog schijnt te kunnen bereiken, en die geen uitwerksel van lijden is, maar een bewijs van hun teeder medelijden met ons. Zij sprak niet; ik begreep echter, dat zij mij aanspoorde om naar huis terug te keeren. Zonder nadenken of er over te redeneeren, mij alleen herinnerende dat mijne plaats te midden mijner kudde was, stond ik op en vertrok. De regen had nog niet opgehouden; het was donker, en ik kende slecht den weg. Niettemin bereikte ik mijn dorp gezond en wel, zelfs sneller dan ik des daags zou gedaan hebben.
Ik trad haastig de pastorie binnen, maar alles was rustig behalve mijn hart, dat door vreeselijke voorgevoelens gekweld werd. Ik legde vuur aan en nam mij voor den nacht in gebed door te brengen. Edmunda verscheen mij opnieuw, nog treuriger dan de vorige maal. ^Mijn kind,quot; zeide ik haar, swat wilt gij? Betreft het uw broeder?quot; Het; visioen verdween, en werktuigelijk verliet ik mijne woning. Ik wilde in de kerk gaan bidden, maar een geheime aandrift voerde mijne schreden naar de herberg; klagende stemmen schenen mij naar dien kant te roepen. Ik bemerkte in den hof een zwak licht en\' hoorde weldra duidelijk te midden der stilte een gezucht, gelijk aan dat van den doodstrijd. Ware ik eenige uren later gekomen, ik zou slechts een lijk gevonden hebben.
ïMijn God, mijn God, welk schouwspel! En hoe moet ik mij, zelfs nu nog, herinneren, dat Uwe Moeder U, vlekkeloos offer, voor onze zonden aan het kruis zag hangen. Edmunda\'s broeder, de eenige zoon mijner overledene zuster, mijn neef, mijn aangenomen zoon, den laatste mijner bloedverwanten, zag ik daar bleek, besmeurd, bezwijmd onkenbaar voor elk ander oog dan het mijne op het stroo liggen! Als waanzinnig sloot ik hem in mijne armen en
richtte woorden tot hem, welke hij niet verstond. Ik legde hem op het bed zijner zuster en beweende beiden met eene onuitsprekelijke droefheid; haar die ik verloren had, en hem, alsof hij reeds niet meer was.
sDe dienstbode uit de herberg was mij gevolgd. Toen zij mij eenige bijzonderheden mededeelde van hetgeen ik u verhaald heb, leerde zij mij niets wat ik niet vermoedde; het was mij genoeg Laurens in een beestenstal te hebben gevonden. Hieraan erkende ik de moordenaars van Edmunda, en mijn afkeer tegen hen, die zoo goed onderdrukte, zoo geheel vernietigde afkeer herleefde in mijne ziel met een geweld, gelijk aan de dubbele misdaad, die hem opwekte. Ik stond zonder kracht tegenover dien plotselingen slag; mijn misdadige toorn keerde zich tegen God zeiven. Mijn God, riep ik, waarom hebt Gij mij onder die booswichten gebracht! Als zij mijn bloed wilden, konden zij het dan niet uit mijne aderen nemen ? Staat Gij toe dat hunne woede het geheim vinde om mij voortdurend te doen sterven?
sVerfoeielijk gemor, waarover ik mij voor U beschuldig en dat ik niet wil dat gij in mij verontschuldigt, want gij zult hier eenig goed zien, dat volgens den schijn door mij gedaan is, maar dat inderdaad en alleen Gods werk was. Hem dus alle dankbaarheid en alle eer! Ik ben in Zijne handen slechts een ellendig en vaak weerspannig werktuig geweest; ik heb dikwijls geweigerd Zijne aanbiddelijke wegen te volgen; Hij riep mij tot den arbeid, en een lafaard als ik was, ik verlangde naar rust.
- Dat gemor was, helaas, niet de onwillekeurige uitbarsting van de eerste vervoering mijner droefheid; ik volhardde er in. Te vergeefs gaf Laurens, nadat hij tot bewustzijn gekomen was, mij het voorbeeld eener onderwerping, die vergeleken mocht worden met de zachtmoedigheid zijner zuster; ik verzette mij tegen het lot, dat ik hem geduldig zag verduren. Hij wilde gaarne sterven, en ik wilde niet dat hij stierf. Alles wat ik doen kon, was zijne laatste oogenblikken niet
- 3° —
bedroeven door mijne oproerige smart en door verwenschingen tegen zijne beulen. Afschuwelijk, terwijl ik dat dierbaar kind in den doodstrijd bijstond, zijne biecht hoorde, hem de laatste HH. Sacramenten toediende en mij gereedmaakte om hem de oogen toe te drukken, hoorde ik zonder ophouden, alsof men het aan mijne ooren zong, het eerlooze refrein, door hetwelk Edmunda gedood was. Bewegingen als die eener woedende zee, gedachten van haat, onbedwingbare begeerten naar wraak beheerschten geheel mijne ongelukkige ziel.
»Later heeft het geweld dier hartstochten, zoo verschillend van de kalmte, waarin Edmunda\'s dood mij gelaten had, mij doen begrijpen, dat ik toen misschien trotsch op mijn zegepraal was geweest. God wil dat wij in alles en overal nederig zijn, zelfs te midden der overwinning, opdat wij slechts de smart ontkomen, zooals Hij het wil en als Hij het toelaat. »Ja,quot; had ik tot mijzei ven gezegd, ïikben meester óver mijn hart; God vraagt mij een groot offer en ik breng het edelmoedig: Hij vindt in mij een getrouw dienaar.quot; O diepte en dwaasheid van onzen hoogmoed! Met de oogen gericht op de hand, die mij uit den afgrond trok, verheerlijkte ik mij niet over zijne hulp, maar over mijne kracht, terwijl ik God luide voor Zijne barmhartigheid dankte. Om mij eindelijk mijne zwakheid te doen kennen, gaf God mij over aan de stormen der wanhoop.
jLaurens beleefde dien dag niet meer geheel; hij stierf tegen den avond. Zonder twijfel had ik het aan mijn spoe-digen terugkeer te danken, dat ik hem nog levend had kunnen omhelzen; want mijne zorgen en de vreugde van mij weder te zien verlengden het zoo snel en zoo droevig afgebroken leven. Ik begroef hem met eigen handen. Ik mag zeggen, dat ik, alvorens hem in het lijkkleed te wikkelen, hem met mijne tranen gewasschen heb. Hij was alles wat ik op de wereld bezat. Nu hij dood was, bleef mrj niemand meer over van hen, die mij hadden liefgehad. Ik stond alleen, alleen op de wereld. Dat wildet Gij, o mijn
God! Al die banden moesten verbroken worden, want mijne familie was mijne familie niet meer, en Gij hadt nieuwe banden voor mij gevormd, heiliger dan die van vleesch en bloed. Maar toen begreep ik dat niet.
sik had een buitensporig, gevaarlijk, mijn priesterschap onwaardig plan opgevat. Ik wilde in de kerk gebruik maken van den toeloop, welke ongetwijfeld door de uitvaart van Laurens zou uitgelokt worden, en voor zijn doodkist staande, eindelijk mijn hart verlichten, mij wreken over de driejarige strafoefening, mijne parochianen over hunne wreedheid doen blozen, in hunne herinnering al het kwaad, dat zij mij hadden aangedaan, terugroepen, hen verpletteren met den dood van Edmunda, den moord van Laurens, mijn voor altijd door hen vergiftigd leven, en •— na aldus hun te hebben toegesproken, de parochie voor altijd verlaten. De verontwaardiging, de verachting, de bittere woorden, de vinnige aanspraken, bewogen zich in mijn geest als de lava in den krater van een vulkaan.
gt;Ik beklom den predikstoel. Het gehoor was zeertalrijk; ik zag opnieuw de goede aandoening van medelijden en bijna van berouw, die hen naar de uitvaart van Edmunda gevoerd had. Deze waarneming trof mij, alvorens ik den mond geopend had. Ik herinnerde mij mijne arme nicht; ik herinnerde mij haar laatste woord: doe hun goed. Ik vroeg mij af hoe ik mij zou kunnen verwijderen van die twee zoo heilige en zuivere graven. God ook gewaardigde zich in het diepste mijns harten zich te doen hooren. Het vers van den Psalmist, dat ik denzelfden ochtend had gelezen, zonder er ernstig acht op te slaan, kwam mij weder voor den geest: In Domino confido quomodo dicitis animes mece: Transmigra in mout on sicut passer? O mijn ziel, waarom raadt gij mij te vluchten? Hebt gij geen vertrouwen meer in den Heer?
»Mijn besluit veranderde; plotseling verlicht, gaf mijn hart mij geheel andere woorden in dan die ik mij voorge-
nomen had te spreken. Ik bepaalde mij tot de mededeeling, dat Laurens het weinige, dat hij bezat, had nagelaten, om in de parochie eene inrichting te stichten, waarin men arme reizigers zou opnemen. Ik voegde er slechts bij, dat ik nu alleen en zonder familie, hen nog meer zou beminnen, als het mogelijk was, en hen zoozeer van dienst zijn, dat ik eenmaal in hen de bloedverwanten zou terugvinden, die ik verloren had. Dat was al wat ik zeide; mijne tranen beletten mij voort te gaan. Hadde ik meer gesproken, hun gesnik zou hun hebben belet mij te verstaan.
j Sedert dien dag is het grootste gedeelte mijner parochianen mij niet alleen gaan verdragen maar zelfs als vriend gaan behandelen. Eenigen hunner, die Edmunda gelasterd en aan Laurens hulp geweigerd hadden, kwamen mij vergiffenis vragen. De schoolmeester verloor zijn gezag; de burgemeester koos mijne zijde; het was mij eindelijk mogelijk het Woord Gods te verkondingen en den strijd aan te vangen tegen de ondeugden en dwalingen, die dit ongelukkige volk beheerschten. En zoo ontkiemde het Christendom in de parochie op de graven van Edmunda en Laurens. O verborgene wegen der Goddelijke Voorzienigheid!
jDe dierbare kinderen hadden mij een dubbele taak achtergelaten : om aan Edmunda\'s verlangen te voldoen, moest ik de kapel der H. Maagd herstellen, en de laatste wil van Laurens eischte van mij de stichting van een hospitaal.
jgt;Maar het geheele fortuin der beide erflaters bedroeg nauwelijks 10,000 guld. wat zeer weinig was. Ik begon niettemin, en mijne populariteit leed niet onder dezen arbeid. Een treurige gebeurtenis deed haar niet weinig toenemen; het vuur verwoestte vijf of zes huizen van het dorp, onder anderen dat van den man, die het eerst mijn neef van zijne deur gewezen had. Mij het bevel van Edmunda herinnerende, onderbrak ik onmiddellijk den arbeid en gaf het geld, dat mij overbleef, aan hen, die door den brand in vreeselijke armoede gedompeld waren.
»Toen gaf God, die alles doet leiden tot bereiking van zijne doeleinden, mij de gedachte in om een inschrijving te openen om mijne ledige kas te vullen. De eerste resultaten overtroffen mijne verwachtingen en dreven mij verder dan ik had willen gaan. Door den steun van mijn bisschop, door vrijwillige giften en door geschenken, die blijkbaar uit den hemel kwamen vallen, bezat ik weldra 30,000 gulden. Toen ik zoo rijk werd, werd ik onvoorzichtig; ik bepaalde mij nu niet meer tot het herstel der kapel van O. L. Vrouw, maar wilde ook de kerk herbouwen, die zeer bouwvallig was.
»Gij kent waarschijnlijk al te goed de geschiedenis der pastoors, die kerken bouwen en giften verzamelen. Ik zal u de mijne niet verhalen, omdat zij op alle andere gelijkt. Vijf a zes jaren lang leidde ik een leven, dat met al mijne gewoonten streed. Ik was metselaar, timmerman, architect, reiziger, enz. enz. Ik onderging vernederende weigeringen, vond troost en tegenspoed in allen vorm; des morgens zuchtte ik onder een schuld, die ik niet kon betalen, en des avonds was zij betaald, en maakte ik nieuwe plannen, maar deze noodzaakten mij tot nieuwe reizen en brachten mij tot nieuwe verleidingen en uitgaven. Ik zou van vermoeienis gestorven zijn, zoo God, onophoudelijk mijn moed aanwakkerende, mijne dwaasheden herstellende en mijn vertrouwen zegenende, mij niet in betrekking had gebracht met eenige brave zielen, wier ijver en edelmoedigheid mij honderdmaal uit moeielijkheden redden. Eene dame te Parijs, even arm als ik, bracht bijna de helft van al de kosten voor mijne kerk bijeen. Gij begrijpt, dat ik mijne vermoeienissen niet voelde bij zulke offervaardigheid.
s God overlaadde mij inderdaad met Zijne gunsten. De vreugde van hier in prachtige vormen een kerk, ginds het gasthuis te zien verrijzen, was niets vergeleken bij die, welke mijne parochianen mij opleverden: zij noemden mij hun vader, en de godsvrucht nam gevoelig onder hen toe.
sik had mijn maatregelen zoodanig genomen, dat de
werken, die ik uitvoerde, tot hun stoffelijk voordeel strekten. Ik gebruikte bijna alle dorpelingen onder de leiding van eenige Christelijke werklieden, die met zorg gekozen waren, en waarvan onderscheidenen zich onder ons gevestigd hebben. Hunne huizen, die gij op het kerkplein hebt gezien, vormen een geheel nieuwe wijk. In het dorp werden een aantal woningen herbouwd en met betrekking tot de gezondheid in gunstiger toestand gebracht. Ik had nu invloed genoeg, om oude vooroordeelen te overwinnen. De landbouw is verbeterd; men heeft terreinen ontgind, die sedert lang braak lagen. Een moeras, dat verpestende dampen verspreidde, is in een vruchtbare weide veranderd; het getal der runderen is verdubbeld, en door dat alles is de welvaart in ons dorp niet weinig toegenomen.
sOm den pastoor gedurende zijne lange en veelvuldige reizen te vervangen, had ik een kapelaan noodig; ik verkreeg van den bisschop een jong geestelijke vol liefde en ijver, die de grondslagen legde voor eene school, waarin de kinderen God leerden kennen. Men was nu niet meer in staat ons tegen te werken. De onderwijzer en de inspecteurs der regeering deden vergeefsche moeite; mijn kapelaan had de noodige acten. De onderwijzer verliet de plaats, en wij kregen Broeders, die door de gemeente betaald werden, \'t Was mij gelukt de medewerking te verkrijgen van eenige invloedrijke personen in de hoofdplaats van het arrondissement en te Parijs, door welke ik eenige gunsten wist te bekomen^
»Zoo werden mijne werklieden gebruikt bij het leggen eener brug over de rivier, en deze brug heeft tot den bloei der gemeente bijgedragen, want van daar werd eer. weg herwaarts aangelegd, die het dorp verbindt met den grooten weg, waardoor wij een gemakkelijk vervoer hebben verkregen, voor onze producten. Vroeger waren wij slechts landbouwers, thans zijn wij ook pannen- en steenbakkers, houtzagers, enz. Ik geloof dat wij zelfs eenmaal zijdefabrikanten zullen worden,
want wij hebben overal moerbezieboomen geplant, die uitstekend gelukken.quot;
Hier onderbrak ik den pastoor, zeggende: sGelooft gij niet, dat gij ten slotte te rijk zult worden, en deze rijkdom de slechte zeden zal terugvoeren?quot;
sNeen,quot; antwoordde hij, sdat alles brengt geen groote fortuinen voort. Bijna alles geschiedt door middel van ver-eenigingen, wier voornaamste kapitaal de Christelijke eerlijkheid is. \'t Zijn zelfs eer broederschappen dan vereenigingen. Iedereen verdient er wat bij. Men gebruikt de armen en zondert ook een gedeelte voor de zieken af; de liefde doet het overige. De grootste eigenaar is het gasthuis, dat, zooals ieder begrijpen kan, moeilijk zou kunnen bestaan zonder de zelfopoffering der Zusters.
j Ziehier wat voor ons het gevolg is geweest van grootere en algemeene welvaart; zij heeft krachtig de gierigheid bestreden, welke een der hoofdondeugden der landstreek was; en naarmate de gierigheid verminderde is de onderlinge liefde toegenomen. Het was vroeger geen zeldzaamheid lieden te vinden, wier gierigheid hun hart zoo versteende, dat zij letterlijk hunne arme bloedverwanten van honger lieten omkomen en zelfs de eenvoudigste en noodzakelijkste plichten jegens hunne kinderen weigerden te vervullen. Ik heb daarvan verschrikkelijke, ongeloofelijke, voorbeelden gezien. De gierigheid bracht hier — en in sommige omliggende gemeenten doet zij het nog — die inderdaad barbaarsche zeden voort, welke tot een andere eeuw en een ander volk behooren. Zij is de eenige god dezer ongelukkige streken. Men offert haar, als aan alle valsche goden, menschenofïers. Afgezien van den haat, welken men mij toedroeg, was die gierigheid voldoende, om verscheidene dorpelingen, en zelfs de rijksten, te doen besluiten den armen reiziger, die gastvrijheid vroeg, van de deur te wijzen. Ik heb een 7ojarigen, lammen grijsaard gekend, wien zijne kinderen, welgestelde landbouwers, slechts de ellendige overblijfselen hunner tafel gaven. Ik heb anderen
zien sterven bij gebrek van een geneesmiddel, dat maar weinig geld kostte. In den familieraad had men uitgemaakt, dat hun leven zooveel niet waard was. Gelijk men met de ouden van dagen deed, zoo deed men ook met de kinderen. Weinigen leerden lezen en schrijven ; hiermede won men het schoolgeld uit; een eerste H. Communie werd niet gedaan, omdat men behoorlijke kleederen zou moeten koopen; men sloeg geen acht op de zieken, omdat men vreesde den geneesheer te moeten halen. Gij kunt u niet voorstellen welke verwoestingen die monsterachtige ondeugd aanrichtte; hij ontbond liet familieleven geheel en al. In ieder huis werd elk improductief wezen, een kind, grijsaard of zieke, gehaat en behandeld met eene hardvochtigheid, waarover deze zich slechts troostte door eveneens te haten. Gierige vaders brachten verkwistende kinderen voort. De jongelieden, onder een ijzeren juk gehouden en nooit een woord of bewijs van liefde ontvangen hebbende, verkochten hun erfdeel aan woekeraars, om het in woeste genietingen te verkwisten; daarna door de heerschende ondeugd aangegrepen, en van de verkwisting tot de gierigheid overgaande, gaven zij zich, even als hunne vaders en tegen hunne vaders en hunne kinderen, aan dien verfoeilijken hartstocht over, die hen tot menige nieuwe misdaad bracht. Hoeveel malen heb ik, hunne fouten ziende en de rampen welke deze over hen trokken, de zondaars erkend, waarvan de H. Schrift spreekt, die hinderlagen opwerpen tegen hun eigen bloed cn zich in hinderlaag stellen om hunne eigene zielen ten ondergang te brengen.
sDe haat heerschte overal, van buur tot buur, \\an echtgenoot tot echtgenoote, van vader tot kind. Toen ik ophield een voorwerp van afschuw voor de parochie te zijn en ik eindelijk met alle inwoners kon spreken, stond ik verstomd over hunne verdeeldheden, hunne twisten, meer nog over hunne diepe onwetendheid. Ik vroeg mij af of het ooit mogelijk zou zijn hen te brengen tot de beoefening der Christelijke liefde. Maar, alles is mogelijk bij God! De
schepping der wereld is daarvan voor mij geen duidelijker bewijs dan de veranderingen, welke Hij in die zielen bewerkt heeft. Zoodra zij er in hadden toegestemd om in de kerk naar mijn onderrichtingen te komen luisteren en de raadgevingen te ontvangen, die ik in hunne woningen zou brengen, werd alles gemakkelijk. Om de bijgeloovigheden werd gelachen ; de groote geesten van het dorp hadden zich nauwelijks door mijne redeneeringen laten verslaan, of zij verloren alle achting. Wat de gierigheid betreft, wij gebruikten haar zelve om onze gierigaards te overwinnen. Wij deden hen begrijpen dat zij slecht rekenden, en dat zij meer zouden verdienen, indien zij meer uitgaven. Op den predikstoel waren mijn kapelaan en ik priesters; buiten de kerk waren wij leeraars in politieke economie, natuurkunde, sterrekunde, enz. De opzichter van de gebouwen, een man vol geloof en geest, een van de kostbaarste geschenken, welke ik van God ontvangen heb, werd bankier om den woeker te bestrijden. Een zeer eenvoudige finantiëele operatie stelde hem in staat de meeste landerijen, voor het hospitaal gekocht, van schuld te ontdoen, door den schuldenaars vrijheid te geven hun schuld af te doen door leveringen of arbeid, en iedereen won er bij, behalve natuurlijk de woekeraars; maar naar hunne klachten werd niet geluisterd.
^Eindelijk, mijn vriend, is het land niet meer \'te herkennen, en de vorderingen ten goede nemen met iederen dag toe. Ja iederen dag legt een hardnekkig tegenstander, een oud vijand, de wapens neder. Zij bezwijken voor het goed, dat de godsdienst hun heeft bewezen, en geven ware voorbeelden van edelmoedigheid. Een onzer woekeraars heeft, alvorens te sterven, aan zijne slachtoffers de helft zijner slecht verkregen rijkdommen en de andere helft aan de armen afgestaan; dit deed hij bij testament, dat hij tot meerdere glorie van God wilde openbaar gemaakt hebben. Er zijn bijna geen vijanden meer, die zich niet met elkander hebben verzoend. Men verkort niet meer door slechte behandeling
het leven der grijsaards; de armen worden odersteund, de kinderen in de vreeze Gods opgevoed. In ieder huis vindt men het kruisbeeld, voorzien van den gewijden palmtak, op de eereplaats. De kerk is des Zondags bij alle godsdienstoefeningen goed gevuld. Als de pastoor den predikstoel beklimt, verlaat nu niemand de kerk en de weinige stiji-hoofdigen, die er nog weigeren te komen, hebben er toch reeds de plaatsen, welke zij eenmaal zullen innemen, want het gebruik wil thans dat ieder huisgezin zijne bank in de kerk hebbe. Niemand sterft meer, zonder de laatste H. H. Sacramenten te hebben ontvangen.
«Het opkomend geslacht zal nog beter zijn. Wij hebben twee scholen: eene van Broeders en eene van Zusters; er is geen jongen of meisje in het dorp, die niet ter school gaat. Indien een huisvader weigerde zijne kinderen daarheen te zenden, hij zou met den vinger nagewezen worden. Onder onze kinderen zult gij geen enkel vinden, dat tot de jaren van verstand is gekomen en u niet juist weet te zeggen wat de schilderijen onzer kerk voorstellen. Als een arme voorbijgaat, zie ik den kinderen hem een aalmoes geven en zich in zijne gebeden aanbevelen. Drie onzer jonge boeren zijn dit jaar het seminarie ingetreden; het zijn de eerste sedert 60 jaar, maar anderen zullen hen volgen. Gij zult het gasthuis zien; liet wordt bediend door een kleide congregatie, die zich hier gevormd en reeds takken afgeworpen heeft op andere plaatsen van het diocees. De meisjes beoefenen, allerlei liefdewerken; zij bewaren de zeer jonge kinderen, houden bewaarschool, verzorgen de zieken, begraven de dooden en bidden voor de levenden; ze zijn navolgers van Martha en Maria. Hun huis is te klein voor al de postulanten, welke zich aanbieden. Groote God, wie zou mij gezegd hebben, dat ik al deze dingen zien zou! En ik ben laf geweest om te morren tegen de offers, waarvan zij de vrucht zijn zouden......quot;
De pastoor zweeg. Ik drukte hem zwijgend de hand, en na nog een blik in de kamer van Edmunda geworpen te hebben, gingen wij de scholen en het gasthuis bezoeken. De bijzonderheden dezer bezoeken, hoe schoon ook, zouden al te zeer dit verhaal verlengen. Zij konden mijne genegenheid jegens den eerbiedwaardigen pastoor niet vermeerderen, maar deden mij hem destemeer bewonderen. Zijne liefde, die in alles wist te voorzien, scheen de grenzen van het mogelijke bereikt te hebben; hij alleen was niet voldaan. Hij droomde van nieuwe veroveringen en deelde mij zijne plannen mede omtrent de naburige parochiën. Hij wilde dat zijn gasthuis een centrum zou worden, waarin alle arme zieken van tien mijlen in het rond zouden opgenomen worden.
»Ja, ja,quot; zeide hij, iik zal onzen boeren al die zoogenaamde non-valeurs ontnemen en hun in de plaats daarvan religieusen zenden, die hen leeren zullen zulke schatten niet te versmaden. Zij zijn er beter voor geschikt dan zij denken. Aan de zijde des dorps, waar gij mij dezen morgen hebt ontmoet, hoont rnen mij nog; maar aan den anderen kant heb ik reeds vrienden. Ik wil overal bemind worden, opdat men Hem beminne, die mij gezonden heeft.quot;
Ik verzocht den goeden pastoor mij naar het graf te leiden. Hij voldeed gaarne aan mijn verzoek, sja,quot; zeide hij, s kom bidden op het graf mijner kinderen. Kom God danken, dat Hij mijn hart geslagen heeft als de dorschvlegel de halmen slaat, om er het koren uit te doen voortkomen.quot;
De beide graven lagen naast elkander; niets onderscheidde hen van de andere; op ieder stond een eenvoudig kruis, zonder naam, zonder dagteekening. De pastoor wilde de herinnering aan de dierbare wezens alleen in zijn hart bewaren.
■■