-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

Vak 29

t IIB E S lü

IJ ÜET FEEST

der

n:

lutl\'stc

cr

li UT

* x u ^r^-

van den WelEerw. Heer

C. J. B. OLiriEES,

M

GOUDA, 18 Augustus 1885.

gt;■ lt;\' - - lt;• :•«!----

M

P

Druk van I?. A. Verzijl3 Korte Ticndcweg, Gouda.

w«.- r;..------rv r.

IP

j

-ocr page 4-
-ocr page 5-

1.

18 Augustus 18 8 gt;

/ Vak 29

H U L Ü E ^ J(P\'

gebracht aan den

WelEerw. Heer C. J. B. OLIFIERS,

NA HET OPDRAGEN VAN ZIJNE

iiüii üiütiii i, m.

Wijze : Oostenrijksch Volkslied.

I.

Alleluja! Heil U Feest\'ling

Heil U, Priester van den Heer!

De Englenkoren zien met ootmoed

Op uw majesteit ter neer!

Hoe ook boven alle schepsel

God aan ons Zijn weldaan spreidt,

Klein is \'t, nietig bij de grootheid,

Die Hij u thans heeft bereid !

II.

Jeugdig Priester, zie de beden Van het vaderhart vervuld;

O! hij ziot zijn liev\'ling heden

Met den Priesterglans omhuld.

Met van vreugde stralende oogen

Ziet hij op uw Priesterkroon,

En zijn hart juicht opgetogen:

„God, ik dank U voor mijn Zoon!quot;

III.

Laat ons lied dan luid weerklinken:

wAlleluja! Looft den Heer!

»Hem den God der Englenkoren,

«Hein zij dank en eeuwige eer!

slleil\'ge Priester van Gods Kerke,

))U zij macht en majesteit!

»Alleluja, Alleluja!

^Priester zijt Ge in Eeuwigheid!quot;

ê

-ocr page 6-

2.

ïant-ym

--«o ^ c»-

Wijze: Al is ons Prinsje.

Komt vrienden! trekt, hier aan gezeten — van leer, Gij krijgt misschien zoo lekker eten — niet meer, Het vasten zou nu leelijk staan En 0|i den duur niet wel vergaan,

Valt aan, valt aan, valt aan. (bis.)

Wat rei pistolen, volle flesschen — bij een,

Niet enkel om den dorst te lesschen — o neen.

Een glaasje wijn, zoo \'t spreekwoord zeit. Geeft eerst de rechte vrolijkheid,

Gezeid, gedaan, gezeid. (bis.)

Waar zal het met die spijzen heen — o spijt.

Als we ons hier niet te zaam vereen — ten strijd. Komt slaan wij alle schotels dood,

Al was \'t getal nog eens zoo groot,

■ Slaat dood, slaat dood, slaat dood. (bis.)

Begint gij voor uw kruid te vreezen —• geduld, De llesch wordt, eer zij leeg kan wezen, — gevuld. Komt vat dan vork en lepel aan,

Wij zullen \'t gansche heir verslaan.

Valt aai», valt aan, valt aan. (bis.)

-ocr page 7-

a la

FOrP-FOJJRT^l.

Wijze : Op de kermis moeten ivij wezen.

Feestelingen, fliscbgenöot,en ,

Sluit een poos de magen dicht En de longen uitgegoten,

Wat hun op het harte licht. Allemaaal liedekens, allemaal liedekens, Liedekens a la pot-pourri.

Maar wier fantasie Gaat gepaai\'d met harmonie.

Wijze; Zoek uit maar, zoek uit maar, enz,

Wien zou dit heuglijk feest.

Niet stemmen tot een dankbaar lied , Voor zeker dit getuigde niet Van ware vriendengeest.

Vooruit maar!

Vooruit maar!

Er is voor valsch-doen geen gevaar In het hart trilt slechts één snaar Voor den go wijden Heer.

Wijze: Trein, Trein, zotte Trein.

Nieuw gewijde Heer Wij zingen allen U ter eer,

Nieuw gewijde Heer Gods geest kwam op U neèr.

Wijze: Schep vreugde in \'t leven.

God zij geprezen,

Het is van daag een blijde dag!

God zij geprezen,

Het is een blijde dag!

Want \'t eerste oller God bereid,

Is voor deez\' jongeling Hem gewijd. Een dag van vreugd zoo lang verbeid, De schoonste van al zijn wenschen, God zij geprezen, enz.

3.

-ocr page 8-

Wijze: A, b, c, d, e.

A, b, c, (1, e, f, g,

Klink on drink dan met ons meè,

H , i, j, k , 1, m , ii, o , p ,

Zingen wij een luid hoezee,

Q, r, s, t, x, y, z,

Hem ter eer die geeft deez\' pret

Wijze: Jij moet zoo niet draaien, cle.

Onze hartewensehen Zijn U, beste Vriend, gebracht :

God zeegne uw loopbaan Schenke U moed en kracht.

Roepen wij dan allen een van zin,

Gelukkig leve Hij!

Wijze: O mijn lieve Augustijn.

O , onze beste wensch ,

Beste wensch, beste wensch,

O, onze beste wensch U op dit feest!

Mooi gefêteerd Flink getracteerd Best klaar gemaakt Lekker gesmaakt O , onze beste wensch ,

U op dit feest!

Wijze: Al de eendjes zwemmen in \'t water.

Alle spijzen smaken naar \'t tongetje

Falderalderiere, Falderalderiere,

En de wijn deed goed aan \'t longetje Falderaldera.

Wijze: En \'t is nog niet gedaan.

En \'t is nog niet gedaan Nog lange niet, nog lange niet,

En \'t is nog niet gedaan \'t Beste komt nu eerst aan.

Wijze: Jij kunt wel mooie mutsjes dragen als jij etc.

Komt laat ons dan recht vroolijk wezen Genoten wat zijn goedheid gaf en schenkt Maar nu en immer geprezen Die ons zoo heerlijk spijst en drenkt.

En \'t is nog niet gedaan enz.

-ocr page 9-

Wijze: Strijd broeden voor t laatste.

Komt, o broeders, voor het laatste Nog een dankbre wensch geuit! Komt, o broeders, voor het laatste Nog een dankbre wensch geuit 1 Tot besluit.

Wijze • Waar is Keesje.

Hier op aarde O Eerwaarde!

Daal Gods zegen op U neer, Genade sterke Al uw werken Voor Gods kerk en Godes eer. Bid en strijd,

In den tijd!

God zal eens uw deugd beloonen, In don Hemel U bekroonen.

Priester Gods en middelaar, Leeraar, Koning, offeraar.

-ocr page 10-

4.

Wijze : Marchande de Maree.

Kon straks ons oog bekoren,

Wat ons de tafel boodt?

Was bij het heerlijk eten

\'t Genot voor allen groot?

Met dank voor al het goede

Dat daar genoten werd,

Klinkt nu bij \'t noderzitten liet Welkom aan \'t Dessert!

REFREIN.

**

Driewerf welkom roept men allen

Daarom toe en welgemeend,

Doen wij \'t luide in \'t ronde klinken Waar de Vriendschap ons vereend!

Komt brengen wij \'t Dessert nu

Den welverdienden tol.

Doet eer aan al het lekkers.

Doch eerst de glazen vol; i\'

Geklonken en gedronken,

Dat past bij \'t vrolijk lied ;

Dat allen hier vereenigd,

Op nieuw dat welkom biedt.

REFREIN.

Welkom allen hier verschenen, i

Aan t Desso\'t dat ons verheugd, f En waar toost en lied moet schallen /

Ter verhooging van de vreugd! ] r

-ocr page 11-

5.

81*01* neon

na liet uitspreken van een Toast, die lieel erg mooi is.

Am: lü Vivat!

I.

Wel flat was moot, ó, ó, zoo mooi!

Jandorie, dat was mooi!!!

Jij roei t een menscli van kop tot teen!

Jij voert ons door de wolken heen!

Wat was dat mooi, ó, ó, hoe mooi!!!

Jandorie, \'t was zoo mooi!!!

II.

Wel man, hoe mooi, hoe ijss\'iijk mooi!

Jandorie, \'t was zoo mooi,

Zoo\'n reed\'naar — neen, dat \'s ongehoord! Eilieve vriend, vraag dikwijls \'t woord.

Want dat was mooi, verschrikk\'iijk mooi,

Jandorie razend mooi!

III.

Am: De wereld is in rep en roer.

Jandorie, dat was ongemeen

Dat roert een mensch van kop tot teen,

Hoe keurig, geestig, aardig, (bis.)

Geen spreker beter van allooi

Geen speech zóó aller vrees\'lijkst mooi.

Die man is \'t loven waardig, (bis.)

IV.

Am: Mijn lieve krulle Mie.

Wie hoorde ooit zoo\'n taal Wie hoorde ooit zoo spreken Al had m\' een hart van staal Wel mensch lief dat moest breken.

O ja, o ja, o ja,

\'t Is zonder wederga.

-ocr page 12-

6.

48 M3GÜSTÜS 4885.

FEESTLIED.

Wijzk : li) vivat!

lö vivat! lü vivat!

De Feestling leve lang!

Zingt, vrienden! allen ineé dien groet, Zingt uit een blij en wel gemoed, lö vivat! lii vivat! enz.

Gegroet, o stond!

Uit aller mond,

Vloeije onze lof U toe!

Gij doet ons \'t hart van vreugde slaan. Omlokt ons oog een dankb\'ren traan. Gegroet, o stond! enz.

Gezegend zij,

Zoo zingen wij,

Deez\' dag in eeuwigheid!

Hij stort in ons verwijd gemoed Den hoorn uit van overvloed.

Gezegend zij, enz.

Verheven is Deez\' dag gewis Voor onzen dierb\'ren IsHng. Het Eng\'lenkoor juicht voor Gods troon, Bij \'t heerlijk feesttij ons geboón, Verheven is enz.

-ocr page 13-

Bevrijd van smart,

O! rust aan \'t hart Ihvs lieven Meesters steeds; O, Priester! aan die reine borst Verzaad uw heil\'gen liefde-dorst.

Bevrijd van smart, enz.

Een Llij verscliiet Wenscht U ons lied,

O jeugdig Feest\'ling, leev\'!

Uw zorg aan d\'akker Gods betoond Zie ge eens met \'t Zilv\'ren Feest beloond. Een blij verschiet, enz.

lö vivat! Iö vivat!

Deez\' jeugdig Priester leev\'

Tot eer van God en zijn altaar Vooreerst nog vijf en twintig jaar! Iö vivat! lo vivat! enz.

-ocr page 14-

7.

Lied aan den Vader

VAN DE.V

EERWAARDEN FEESTELING.

Wijze: Dc koning leev\'.

Een beê nis lied — een lied als beè,

Voor den zoo diet b\'ren Vader;

Zijn Zoon, — wij weten, hij bidt mee,

Met allen hier te gader:

Dat God Hem nog veel jaren spaart. Den Vader, hem zoo lief en waard.

Dat Hij hem sterkt, — nog lang bewaart.

Die hem van kind af leidde.

En mot zijn moeder hem op aarde.

De schoonste taak bereidde :

Hem wijdde aan den Priesterstand, Als leidsman naar ons Vaderland!

Eer zij aan hnn — die dierbre twee,

Kn stierf de brave Moeder, —

De dood, \'t is onze hoop en beê ,

Bragt haar tot de Albehoeder,

In \'t rijk dat nimmermeer vergaat.

Waar onvergank\'lijk heil bestaat!

En is do strijd Ijler eens volbracht. Het afscheidsuur ereslatren,

_ o c \'

Dat Zoon en Vader \'t uitzicht wacht,

Den morgen te zien dugen,

Dat men de moeder wedervindt En allen leer door hen bemind.

Maar vóór dien tijd , dit geve God ,

Blijf lang den wijngaard sieien.

Hij schenk als Priester U \'t genot.

Uw Zilveren (\'eest te vieren;

Dat ge eens hier van uw werk voldaan Dan tot zijn rijk moogt overgaan.

-ocr page 15-

8.

ïerMen, Heflen, Toekomst.

Wijze: Die in Januari gchoien is.

Wie trenrt bij onze Jubilaar? ik niet!

Wie vindt de feestvi\'eugd bang en naar? ik niet! Wie blijft liot liefst maar in zijn liuis? Of kwam een dag te laat, abuis!

Ik niet, ik niet, ik niet! bis.

Komt, zingen wij nu vroolijk blij, o ja! Oj) \'s Priesters lieug\'lijk feestgetij, o ja!

Nu toch na zooveel zorg en vlijt.

Met glans zijn studie is voleind.

Hoezee! hoezee! hoezee! bis.

\'t Studeeren dat heeft toch wat in, dat \'s waar, Mensa, mensae, mensae, mensam ; hoe naar. Maar zie, dit is nog pas \'t begin,

O]) zich beschouwd, zit daar niets in.

Dat\'s waar, dat\'s waar, dat\'s waar. bis.

Poësis en Rhetorica, o wat,

Philosophie en Algebra, o wat.

Moraal en jus en dogmatiek Wie wordt van zoo veel werk niet ziek. O wat, o wat 1 o wat. bis.

De banken wordt men eind\'lijk moe, gewis! Graag sluit m\' een tijd de boeken toe, gewis! Na elf jaar op de school te gaan.

Wilt ge ook na *t eind eens ergens staan. Gewis, gewis, gewis, bis.

Thans ah Kap\'laan \'t eens geprobeerd! hoezee. Ras tot Pastoor gepromoveerd, hoezee.

En sturen rustig en tevrêen Zijn bootjen langs de klippen heen.

Hoezee! hoezee! hoezee! bis.

Dan ziet hij met voldoening neer, o ja,

Op blijde dagen van weleer, o ja.

En krijgt het hemelrijk ten loon Voor Godsdienst, liefde en hulpbetoon. Hoezee! hoezee! hoezee! bis.

-ocr page 16-

lt;).

rï\'.ESTLÏEÏ).

Wijze: Oostenrijksch Volkslied.

Nogmaals, vrienden, aangeheven Luid en blij het jub\'lend lied, Dat op \'t feest, ons thans gegeven,

\'t Zalig kloppend hart ontschiet; \'t Is de schoonste dag van \'t leven, I . Schooner feest neen, rijst er niet. 1

Priester, \'t altaar opgetreden

Tot den God van uwe jeugd,

O wat bron van zaligheden!

O wat hemel van geneugt\'!

Want verhoord zijn thans uw beden,) . Nu Ge Ü baadt in hemelvreugd. S

Onder bloem van korenaren

Mogt Gij, vol van liefdegloed.

Uwen God in \'t aanschijn staren

Hebt Ge U zelfs met Hem gevoed; Heerlijk, God! zijn uw altaren, I O wat is uw woontent zoet. ) quot;\'s\'

En der Eng\'len breede rijen Zagen U aan God gewijd,

En, vol Hemelzoet verblijen,

U omgord voor \'s Heeren strijd, Ja, der Heem\'len heerschappijen j j. Hebben toon uw magt benijd. ) \' 6quot;

Ga dan Priester, alle dagen

Door Gods liefde weer gedrenkt. Ga, trotseer des vijands slagen

Waar Gods vinger U ook wenkt, Moog\' hij ook uw voet belagen, I \'t Is de Heer die zege schenkt. S

Lam, geslacht voor onze zonden, Zeet\'lend op den altaar troon,

O, bij \'t bloed van uwe wonden,

Geef, dat eens als liefdeloon.

Hij uw luister mag doorgronden, ( Sier\' Hem eens uw gloriekroon, j

-ocr page 17-

10.

VIIEIR, I ID IE .A. L IE N.

Yragen, Antwoorden en Wensclien.

(Wi.ize: Pennelikkerslied of Wicn Neerlandsch Bloed.)

1. Wat is een Student?

Een jongen met zijn hersentjes

Vol Grieksch en vol Latijn,

Op \'t rocken allem\'achtig dol,

Niet bang voor \'n glas wijn.

Een eerste speler in zijn hart,

Een lam bij den Regent,

Maar bij de zijnen praats voor tien, } ^.

Dat noemt men een Student. j \' \'

2. Wat is een Theologant?

Theologie, hè wat een woord,

\'k Ben ademloos er van,

\'k Zie in den geest een korten broek Met zilv\'ren gesp er an.

Een breeden sjerp, een zijden kol.

Een kapje en een toog.

Een zwarten rok en statie-jas;

Daar heb je een Theoloog.

his.

3. Wat is een Kapelaan?

Een eerste baas op \'t preekgestoelt. De schrik der Catechis,

Maar tevens ook een kindervriend.

Het zont van menig disch,

De Koning van zijn lange pijp,

Maar Pastoors onderdaan.

Bediende en patroon gelijk ; j , .

Dat is een Kapelaan. i \'\'

-ocr page 18-

4. Wat is een Pastoor?

De president van \'t keil;bestuur, De vriend van arm en rijk, Beheerscher van een pastorie En van een kerk gelijk;

liet opperhoofd der Kapelaans, De baas van \'t zangers koor, Kon deftig lieer met dikken buik Dat heet ik een Pastoor.

5.

Hebt gij aan \'t Ideaal voldaan Bij 1 en 2 vermeld,

Wij wenschen dat ge, eens kapelaan. Als nummer 3 het stelt.

En dat ook nog eens, jubilaar!

Komt slechts Uw naam te voor. Met liefde en eerbied elk U noemt Den dikken heer Pastoor.

-ocr page 19-