lak 28
p | . OF :
\'\' i il- , ■
J| de Litargische Verklaring van alle Gebeden en\' Ceremoniën eener
Plechtige ÉL Mis, :v;
i DOOR
J. J. F. BROUWER
| priester der congr. des allerheiligsïes verlossers,
met eene Inleiding-
i- »a
van
Roermond,
M. quot;WATERREUS.
vt? -
W. E H. VAN EINDHOVEN, Z. G.
Priester dierzelfde Congregatie.
m
170
HET H. MISOFFER
OK
de Liturgische Verklaring van, alle Gebeden en Ceremoniën eener Plechtige K. lis.
- gt;
de Liturgische Verklaring van alle Gebeden en Ceremoniën eener Plechtige H. Mis,
door
J. J. F. BROUWER
priester der CONGR. des allereeiligsten verlossers,
met eene Inleiding
van
W. F. H. VAN EINDHOVEN. Z. G.
Priester dieezelfde Congregatie.
GOEDKEURING.
IMPRIMATUR.
P. J. H. Hussel,
Can. Poen. et Prof., ad id deputatus.
IU\'r.emlnd.k, 10 Decerabris 1881.
Door onzen Hoogwaardigen Pater Generaal, Nicolaus Mauron, daartoe gemachtigd , staan wij toe dat het werkje : quot;Het 11. Misoffer, of de liturgische Verklaring van alle Gebeden en Ceremoniën een er Plechtige H. Mis, door den eerw. Pater J. J. F. Brouwer,quot; enz. gedrukt worde.
Amsterdam 25 Nov. 1884.
P. OOMEN C. S. S. R. Sup. Prov. Holl.
Druk van J. J. Romen en Zonen te Roermond.
woord aan
Van véle zijden werd ik aangezocht mijne uitlegging der plechtige H. JMis, in onderscheidene artikelen in de „Volks-Missionarisquot; verschenen, ook afzonderlijk uit te geven. Lang heb ik geaarzeld, vooral omdat dit godsdienstig maandschrift zooveel lezers telt, doch het nut dat er voor vele anderen in zulk eene uitgave kon gelegen zijn, deed mvj er ten laatste toe overgaan.
En had ik daarenboven niet de gelegenheid een helaas, maar al te vroeg gestorven medebroeder en medewerker aan dit maandschrift (1) den Eerw. Eater W. F. H. van Eyndhoven, te doen herleven in de gedachtenis van zoovel en ? Ja, de heerlijk schoone en heldere verhandeling over de 11. Mis, mij op het laatst van zijn leven, door dien innemenden en goeden confrater geschonken , kon ik hierbij als inleiding gebruiken, en daardoor een waarlijk niet genoeg te prijzen stuk aan de vergetelheid ontrukken.
(1) Men zie over Hem zijne Necrologie in den 2\'lcquot; Jaargang van dit maandschrift. Bladz. 383 en vlg.
VI
Wel werd dit stuk juist niet als inleiding voor dit tverlcje geschreven, en het is dus niet eene inleiding in den eigenlijken zin des ivoords. Het Offer van God cn den mensch Icomf daarin echter in zulhc hcerlijhe en duidelijke trekken uit, de grootheid van dat oneindig heilig, oneindig volmaakt Offer straalt daarin zóó groeten luister, trekt ons dermate aan, om de algehecle volheid ervan op te vangen cn te genieten, dat het mij als inleiding zeer geëigend scheen, cn ik het dus gerust aldus meende te mogen noemen.
Moge verder Gods zegen op deze verklaring der H. Mis, die ik met zijne hulp tot zijne glorie ondernam, rusten , opdat mijne lezers met nog grootcr liefde, nog meer ijver voor dat goddelijk en ontzaglijk Geheim tvorden verviüd.
De Schrijver.
Kapel in \'t Zand Maria Presentatie 1884.
INHOUD.
liladz.
Inleiding..........1
EERSTE DEEL. De Yoorbereiding tot de Plechtige H. Mis.
üe vuokbereiding tot de plechtige h. mls .... 25
§ 1. Het Altaar.........26
§ 2. Het Misgewaad........50
§ 5. Wierook en Wierookvat......58
§ i. Het Urood en de Wijn voor hel H. Offer . . . iö
§ 3. De Taal der H. Kerk in de H. Mis . . . . 51
TWEEDE DEEL.
Liturgische Terklaring der Plechtige H. Mis.
Liturgische verklaring der Plechtige H. Mis ... 59
Eeisle [loofdsluk. De naaste Voorbereiding tot het H. Offer. 60
§ I. Aan den Voet des Altaars......60
§ 2. Bij het Komen aan het Altaar.....60
Tweede Hoofdstuk. De Mis der Catechumenen ... 73
77 79 85 88 92
95
96
97 104
§ !. Jntroilus .
§ 2. Kyrie eleison
§ 5. Gloria in excelsis
§ 4. De Collecte
§ 3. De Epistel.
§ 6. Het Graduale .
§ 7. Het Alleluja
§8. De Sequentia .
§ 9. Het Evangelie .
§ 10. Het Credo
VIII
Itl.ADZ.
. m
114
m
127 130 152 133
138
141
145 144
148 150 152 150 159 161 16i IG6 172
179
180 184 186 188
190
194
19t
195
197
198 201 204 207
§ 3. § i. § S.
§ i-
§ 2. § 3.
§ 4. § 5.
Zesde Hoofdstuk. § 1.
De Zuivering van don h De Communie De Post-Communie Het «Ite Missa esf\' Het Gebed «Placeatquot; Het laatste Evangelie
§ 5. § i. § s. § 6. Slot.
Derde Hoofdstuk. De Offerande en de Prefatie
§ 1. De Offerande .... § 2. De Handenwassching des Priesters Het Gebed uSuscipe Sancta Trinitas Orate Fratres ....
De stille Gebeden § 6. De Prsefatie ....
Vierde Hoofdstuk. De Canon en het Pater Noster
§ \\. Het Gebed «Te igiturquot;
§ 2. Gedachtenis der Levenden.
§ 5. Gedachtenis der Heiligen .
§ 4. Het Gebed »Hanc igiturquot; .
§ ö. Het Gebed nQuam oblationeraquot;
§ 6. De Consecratie .
§ 7. Het Gebed »Unde et meinoresquot;
§ 8. Het Gebed «Supra quaequot; .
§ 9. Het Gebed «Suplices te rogamus
§ 10. De Gedachtenis der Overledenen
§ tl. Het Gebed «Nobis quoque peccatoiibus
§ 12. Het Pater noster ....
Vijfde Hoofdstuk. De Voorbereiding lot de H. Communie en de Communie zelve .
Het Gebed «Libera nosquot; Het Agnus Dei .
Laatste Gebeden van Voorbereidin De Oommuniü van den Priester De Communie der Geloovigen
De Dankzegging .
elk en van de Handen des Priesters
en de Zegen
INLEIDING.
De mensch is een afhankelijk wezen, en als zoodanig moet hij zich opofferen aan dengenen, van wien hij afhangt, aan God. Hoe zuiverder nu de mensch is, hoe reiner zich Gods beeld in zijne ziel afspiegelt, des te grooter verheerlijking zal zijn offer Gode aanbrengen. Ziedaar het offer in den staat der zuivere natuur.
Maar de mensch viel, zijn leven werd schuldig, en de vloek voor die schuld viel op zijn bloed ; dewijl dit in zekeren zin het levensbeginsel of liever het leven zelf is. Anima enim otnnis carnis in sanguine est (1). Hij kon zich nu niet geheel en al meer toewijden, dan door dat stoffelijk leven te verzaken, hetwelk hij in de zonde gevonden had , dus door zijn bloed te vergieten. En nog, hadde hij dit gedaan, zijn offer zou niets aangenaams geweest zijn, wijl het geen getrouw beeld zijn Scheppers meer was. Het was derhalve noodzakelijk, zich door een onschuldig schepsel te doen vervangen , dat hem tevens diende tot onderhouding van het leven, hetwelk hij aan God verschuldigd was. Het was noo-dig, dat het onschuldig bloed van dit offer voor zijn schuldig vergoten werd. Ziedaar de bloedige offers der oude wereld. Men offerde het bloed der dieren; maar der dieren, welke het nuttigst, het onschuldigst waren, en het meest in betrekking stonden met den mensch, om zoodoende het karakter der offers zoo menschelijk mogelijk te maken. »En eene ondervinding van vier eeuwen heeft ons zelfs geleerd, zegt de Maistre, dat overal waar de ware God niet gekend en gediend werd, altijd het bloed van den eenen mensch voor de schuld van den anderen stroomde (2)quot;.
De oorsprong van een zoo buitengewoon en zonderling (1) Lev. XVII. 14. (2) Eclaircis. sur les sacrif. 1
geloof moet wel goddelijk zijn. Waarom anders zou God, die in alles de godsdienstplechtigheden der Joden zooveel mogelijk deed verschillen van die der heidenen, in de Mozaïsche wet deze ceremonie niet alleen bewaard, maar zelfs voorgeschreven hebben ? Anima carnis in sanguine est ; et ego dedi illum vobis, ut super allure in eo expietis pro ani-mabus vestris (2). Het leven des vleesches is in het bloed, daarom heb ik het u gegeven, opdat gij het op het altaar tot uitdelging uwer zonden uitstorttet. Waarom anders zou men overal en ten allen tijde om de godheid te eeren en hare wraak te stillen, het bloedvergieten gekozen hebben, waarvoor het gevoel een afgrijzen heeft ? Waar vinden we dan den oorsprong? — Een woord van den profeet Daniël ligt den sluier op, die het geheim bedekt... Occidetur Christus.... et depciet hostia et sacripcium (3) Christus zal gedood worden, en offer en slachtoffer zal verdwijnen.
Het was dus noodig, zegt Paulus, dat het afbeeldsel van het hemelsche daardoor (dat is door het bloed van dieren) gereinigd worde; maar het hemelsche zelf door betere offers dan deze, (A) door het offer namelijk van Christus. De offers waren derhalve slechts voorafbeeldingen van het groote offer, dat voor het heil der gansche wereld bestemd was. Alle offers der rechtvaardigen hadden hunne beteekenis en puiteden hunne kracht in dat offer van Christus. Door geloof (in hem) droeg Abel Gode een meerder offer op dan Kaïn, en door dit geloof verwierf hij de getuigenis, dat hij rechtvaardig was (5). Vervuld van dat zelfde geloof vroegen zoovele rechtvaardigen hunne kwijtschelding door het bloed, tol op het oogenblik, dat het Slachtlam bij uitnemendheid, de Verlangde der natiën op het kruishout uitgestrekt, zijn laatsten druppel bloed vergoot en met eene stervende stem uitriep: Consummatum est, alles is volbracht! Ziedaar het groote offer voleind, ziedaar de figuren werkelijkheid.
(1) Levit XVII. II. (2) Dan IX. 26. 27. (3)HabIX. 27. (4) Hab. XI. 4.
Zal nu de offerdienst een einde nemen ? Of ten minste zal het offer wederom tot zijne oorspronkelijkheid wederkeeren ? Helaas neen! want al is het handschrift des gebods, dat ons vijandig was, uitgewischt, al is het uit het midden weggedaan en aan het kruis genageld (1), al heeft een God ons met oneindige liefde bemind en zich voor ons geslachtofferd (2), nog is die liefde niet in staat \'s menschen hart te bekoren, te verrukken, weg te slepen in eene wederliefde, welke elke zonde onmogelijk maakt. Helaas! de mensch zal wederom zondigen, en om dit uit te boeten, — tot welk offer zal hij zijne toevlucht moeten nemen? Tot de offers der Oude Wet? Maar zij bestonden niet meer. Immers het priesterschap was veranderd, dus moest noodzakelijk ook de wet veranderen (3). Daarenboven waren ze afgeschaft om hunne zwakheid en nutteloosheid (4). Zullen wij dan geheiligd worden door geloof en vertrouwen op de verdiensten van den kruisdood ? Maar nog eens : Sine sanguinis e/fusions non fit remissie (5)! Waarheen dan onze toevlucht nemen? O! wij hebben een Priester, een Offer, maar een Priester en Offer in eeuwigheid. Wij hebben een Priester onschuldig, onbevlekt, afgezonderd van de zondaars, en hooger dan de hemelen
geworden, ...... wij hebben den eeuwig voltooiden Zoon (6).
Want daags voor zijn dood sprak Hij: Neemt en eet, dit is mijn lichaam, dat voor u geleverd zal worden. Doet dit ter mijner gedachtenis (7). Hij geeft ons voor zijnen dood zich zeiven, opdat wij Hem zouden opofferen en zoo doende de wraak des Vaders van ons afweren.
Ziedaar dan \'t sacrificie der Nieuwe Wet! Ziedaar dan ons offer, \'t Is het offer van God, \'t is hei offer der menschen. Ziedaar ook de twee punten, die ik in deze verhandeling wil uiteen zetten.
(1) Col. 11. U. (2) Ephes. V. 2. (3) Heb. Vil. jl. (4) 1b. 18. (5) Heb. IX. 22. (6) Heb. Vil. 26—28. (7) i Cor. XI. 24.
— 4 —
I.
HET HOOG HEILIG OFFER VAN GOD.
A. Gelukkig was de mensch, zooals hij door God zeiven als priester en koning met het oppergebied bekleed, in het aardsch paradijs geplaatst was. Alle zielelijden was hem onbekend. Genieten kon hij met volle teugen van alle wellusten, welke de maagdelijke natuur hem aanbood. Slechts moest hij zich onthouden, en dit wel op straf van verlaging van zich zeiven en zijn geheel geslacht, te eten van den boom der kennis van goed en kwaad. Dit was het offer, hetwelk hij te brengen had, het offer van gehoorzaamheid.
Dan helaas ! zooveel grootheid, zooveel geluk was een doorn in \'t oog des duivels, van hem, die — ook eens gelukzalig — gevallen was om zijne hoovaardigheid. Hij voer in de slang ten einde onze eerste ouders te bekoren, en God liet dit toe, om den mensch te beproeven, om hem gelegenheid tot verdiensten te geven. En Eva, meer geloof slaande aan de woorden der slang dan aan die van God, plukte de vrucht en at daarvan ; vervolgens gaf zij die aan Adam, en ook hij at (i). Mijn God, welke misdaad! Zij met zooveel licht, met zooveel kracht vervuld, overtreden een gemakkelijk en het eenigst gebod van hunnen God. Welk eene leegte ontstond er in het werk des Scheppers, toen Lucifer met zijne trawanten door den bliksem van dat woord; (Juk ut Deus ? in de hel neergedompeld werden ! Helaas Adam moest die leegte aanvullen, en ook Adam valt. Op het oogenblik van die misdaad brulde de hel van vreugde, de aarde beefde, de natuur slaakte bittere klachten, de hemel stortte tranen en kondigde aan, dat alles verloren was (2).
En inderdaad alles was verloren. De raensch, zondaar geworden, was opgestaan tegen een oneindig volmaakten God.
(1) Gen. III. 6. (2) Milton.
De rechtvaardigheid, welke beleedigd was, eischte, wilde zij waarlijk voldaan worden, een oneindig volmaakte boete. Immers de rechtvaardigheid was oneindig, de boete moest het eveneens zijn. Waar nu zou de mensch, eindig als hij was, waar zou hij onder die onmetelijke ellende, waarin hij gedompeld lag, iemand vinden, in staat hem te helpen? Geen engel, zelfs geen Cherubijn of Serafijn was waardig dat offer te brengen. Geen anderen Verlosser kon hij hebben dan God. En nog kon God hem niet volkomen verlossen door zijn wil alleenj; want dan had Hij de orde der rechtvaardigheid niet gevolgd, welke eene voldoening vroeg, geëvenredigd met de zonde. Daarenboven uitboeten veronderstelt onderdanigheid, dus kon God als God niet voldoen. En van den anderen kant, wie had gezondigd ? De mensch ; maar de mensch rnet verstand en wil, derhalve had God tegen de natuur der zaken in gehandeld, zoo Hij hem buiten zijn weten en zonder zijne deelneming verlost had. Daar ligt hij nu, de ongelukkige; hij, die gehoopt had gelijk te worden aan God, ligt daar hopeloos ten spot der hel. En toch zal hij gered worden; want op het oogenblik, dat God zijne rechtvaardige bliksems tegen den misdadige ging richten, om hem de aangekondigde straf te doen ondergaan, op het oogenblik, dat de hel reeds bij voorbaat feest vierde, en de engelen in angstig stilzwijgen dat tooneel aanschouwden, daalde de eeuwige Zoon des Vaders van zijnen troon en biedt zich voor de schuldigen aan. Hij de Eeuwige, de oneindig Heilige, de oneindig Gelukkige gevoelt medelijden met zijn arm schepsel. Hij weet het, Hij alleen is waardig om uit te boeten. Maar om uit te boeten moet Hij mensch worden, moet Hij lijden, moet Hij sterven, welnu, dat alles neemt Hij aan uit zuivere belangelooze liefde tot den nietigen ellendigen mensch. Hij zal dan mensch worden om te kunnen lijden, en de mensch zal God zijn, om door dat lijden te kunnen verdienen, dat is, daar zal tegelijkertijd een Godmensch zijn. »Mijn vader, zoo hoor ik hem spreken.
— 6 —
rechtvaardig is de straf, welke gij den mensch wilt doen ondergaan (1). De engelen vielen; maar zij hadden niemand, die hen tot den opstand aanzette. Beschouw evenwel, hoe hij viel niet zoozeer door eigene boosheid, dan wel verleid door de helsche slang (2). Sta op dan. Heer, en oordeel de aarde (3); maar laat uwe barmhartigheid, waarvan gansch het geschapene vervuld is, (4) bij die rechtspleging voorzitten (5). Ik weet het, hij kan u niets aanbieden (6), zijne offers zijn een walg in uwe oogen (7). Alles ontbreekt hem ! Ik alleen ben waardig U een offer voor zijne zonden aan te bieden (8). Welnu hier ben ik (9); ik offer mij voor hem op, ik geef mijn leven voor het zijne Wat ik niet geroofd heb, dat zal ik u
weder schenken (11). Laat op mij eene gerechte wraak rusten, neem mij tot slachtoffer aan. Ik zal mij van mijne glorie ontdoen, en met het zondige vleesch hekleeden (12). Dat de de dood zijne woede op mij koele, dan zal de mensch, het laatste en het dierbaarste uwer werken, gered (13), en uw vijand, die zich vorst der wereld waant, verslagen zijn (14), en zijne plannen zullen tot uwe grootere heerlijkheid strekken (15). Want dan, wanneer ik mij wederom aan uwe rechterhand zal stellen, zal de dood overwonnen zijn (16), en de gevangenen zullen ten spijt der hel mijnen triumphtocht opluisteren (17)! Spreek dan, mijn Vader, gebied; want aan het hoofd der boekrol zal van mij geschreven staan, dat ik altijd uwen wil volbreng! (18)quot;
De Vader sprak, stemde toe — en op hetzelfde oogenhlik daverden de hemelen van het gejuich der engelen: Juravit Dominus, et non posnitebit eum, tu es sacerdos in osternum secundum ordinem Melchisedech (19) en weerklonk in Eden
(1) Ps. LXVI. S. (2) Rom. VIII. 20. (5) Ps. LXXXI. 3. (4) Ps. CXV11I. 64. (5) Ps. XCV. 10. (6) 1 Cor. IV. 7. (7) Jerem. IV. 20. (8) Hymn. Gloria. (9) Heb. X. 5. (10) Joan. XI. 11. (H) Ps. LVIII. 8. (12) Rom. VIII. 3. (13) Heb. X. 10. (14) Joan. XII. 31. (lb) Rom. VIII. 28. (16) Osee XIII. 14. (17) Ephes. IV. 8. (18) Heb. X. 5—7. (19) Ps. CIX. 4.
— 7 —
de stemme Gods, welke de vreeselijke straf, maar ook tevens de nog grootere genade en barmhartigheid aankondigde.
B. Toen de volheid des tijds gekomen was, zond God zijnen Zoon, opdat Hij hen, die onder de wet waren, zoude vrij-koopen (1). En na een leven van opoffering, van ontbering en van lijden, vinden wij Hem eindelijk terug op Calvarië, om daar aan het schandhout des kruises tusschen twee moordenaars, als een misdadige te sterven. O liefde, o liefde, mogen wij hier wel met den H. Chrysostomus uitroepen ; »Medium in Sancta Triade, medium inter latrones!quot;
Uit zuivere en belangelooze liefde tot den nietigen raensch spaart de Vader zijnen Zoon, en deze zich zelven niet. De minste daad van den Godmensch ware immers genoeg geweest ter uitdelging van de zonden aller menschen, maar wat voldoende was ter verlossing, was niet genoeg ter bevrediging zijner liefde. Die liefde was het, die Hem met vreugde een offer doet kiezen, waarvoor ons menschelijk gevoel huivert.
En waarlijk een waarachtig offer heeft de Zoon Gods voor ons op Calvarië gebracht. Priester was Hij zelf, het altaar was het kruis, het slachtoffer was zijn vleesch en bloed, en de opoffering, o God ! die opoffering, wie kent ze niet, wie kan er zonder tranen van medelijden aan denken? — Geen wonder dan ook, dat toen het ontzaglijke ygt;Consummattm estquot; van de stervende lippen des goddelijken Lams vloeide, de vorst der duisternissen overwonnen en buiten geworpen, de wereld gered, het groote offer voltooid werd (2).
C. Was nu zijn werk voleind? O neen, nu eerst zou het beginnen ; want op het kruishout verheven, zou Hij allen tot zich trekken (3)! Zoo had Christus in zijn leven gesproken, en waarlijk deze profetie is vervuld. Door zijn kruisdood toch is de figuur werkelijkheid, de wet evangelie geworden, en voor de voorafbeeldende offers van Jerusalems tempel, wordt thans van zons opgang tot haren ondergang, Gode een
(1) Gal. IV. i. (2) Joan. XII. 51. (5) Ib., 32.
onbevlekt offer aangeboden (1), vernieuwt Jezus Christus zijn offer van Calvarië, en draagt zich weder aan zijnen hemelschen Vader op. En daar op die altaren verheven, trekt Hij allen, rechtvaardigen en zondaars, braven en boozen tot zich. Milli-oenen en millioenen snellen daar tot Hem, knielen ora zijn altaar neder, Hem lovend en dankend ora zijne oneindige liet-debewijzen; maar daar zijn er ook, en helaas 1 hun getal is niet gering in onze dagen, op wie de woorden der H. Schrift kunnen toegepast worden ; »Et erit vita tua quasi pendens ante
te.....et non credes vita; tua\' (2); die tot de altaren
naderen, maar met het ongeloof in het hart en den spotlach op de lippen !
Laten wij dan eenige oogenblikken tot onzen troost en tot hunne beschaming zien : dat ons geloof aan het offer van Christus op de hechtste gronden rust, dat het gebouwd is op het woord van God en de onfeilbare leer der heilige Kerk. Jezus Christus is in de H. Mis Offeraar en Offerande tevens.
Beschouwen wij eens, om ons hiervan te overtuigen, de woorden van den koninklijken Profeet, waarmede de H. Paulus hetzelfde bewijst; »Jezus naar de orde van Melchisedech, hoogepriester geworden in eeuwigheid !quot; (3) Wat beteekenen deze woorden ? Melchisedech, priester des allerhoogsten, offerde voor het aanschijn Gods brood op en wijn. Zij dus, die niet gelijk Aaron, bloed van dieren ; maar gelijk Melchisedech brood en wijn offeren, zullen priesters zijn volgens de orde van Melchisedech. Waar nu anders dan in het laatste avondmaal offerde Jezus brood en wijn? Waar derhalve anders dan in het laatste avondmaal kon Hij hooge opperpriester genoemd worden volgens de orde van Melchisedech ? Maar dat moest Hij in eeuwigheid, dat is tot het einde der tijden blijven. Derhalve moet ook dit offer tot het einde der tijden door Hem worden opgeofferd.
(1) Malac. I. 11. (2) Deut. XXVIII. 26. (5) Ps. CIX. 4. Heb. VI. 20.
— 9 —
Treden wij thans met deze weinige gedachten de zaal van het laatste avondmaal binnen. Beschouwen wij daar onzen liefdevollen Hoogepriester, letten wij op zijne woorden! Nog slechts weinige uren, en Hij zal zijn smartvol lijden beginnen, voor de laatste maal zit Hij met zijne geliefde leerlingen aan tafel. In deze plechtige stonde gaat hij ons het laatste en treffendste blijk geven zijner oneindige liefde. Hij neemt brood, zegent, breekt het, en geeft dit aan zijne leerlingen, zeggende: »Neemt en eet, dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt, doet dit ter mijner gedachtenis.quot; Vervolgens neemt Hij den kelk, reikt dien insgelijks over, terwijl Hij hun zegt; »Deze is de kelk, het nieuwe testament in mijn bloed, die voor u zal vergoten worden (4).quot; Ziedaar het eerste Sacrificie der Mis opgedragen, waarin Jesus, als offeraar, ons zijn eigen vleesch en bloed als offerande schonk.
Bestaat nu het wezen van het kruisoffer hierin, dat Jezus Christus daar zijn lichaam gegeven en zijn bloed vergoten heeft, en zien wij van den anderen kant in de H. Mis denzelfden Godmensch als offeraar en offerande, dan volgt hier rechtstreeks uit, dat de Mis een en hetzelfde offer is als dat van Calvarië.
Te vergeefs werpt men ons hier op, dat die woorden des goddelijken Zaligmakers moeten verstaan worden van datgene, wat Hij ging verrichten, te weten van zijn kruisdood!
IJdele uitvlucht! De H. Lucas sprak te duidelijk: sDeze is de kelk, het nieuwe Testament in mijn bloed, niet dat maar die voor u zal vergoten worden.quot;
Waar nu is er op Calvarië sprake van een Kelk? Geen twijfel derhalve! Jezus Christus verstond hier dien kelk, welken Hij op dit oogenblik in zijne gezegende handen hield, en waarin toen de wijn veranderd was in zijn aanbiddelijk bloed ?
(1) Lucas XXII. 19, 20.
— iO —
Onze goddelijke Zaligmaker, zeggen wij dan met het H. Concilie van Trente, die zich zeiven opofferde op het kruis, offert zich door de bediening des priesters ook op in de H. Mis. Hij, die offert en Hij, die geofferd wordt, is een en dezelfde als die offerde en geofferd werd op het kruis. Alleen de wijze van opoffering is verschillend: op het kruis was het eene bloedige, hier is het eene onbloedige.
Ziedaar de leer der geheele H. Kerk, ziedaar ons geloof, dat steunt op waarachtige en onfeilbare woorden der eeuwige Waarheid zelve!
Zoo overduidelijk en algemeen is in dit punt de leer aller Kerkvaders, dat Calvijn, de woedendste en hardnekkigste aanvaller der Heilige Mis, hier geen ander antwoord weet dan : »Zij bedriegen zich!quot;
Zij bedriegen zich ! ? Zij bedriegen zich dan de Apostelen, die zeiven de woorden uit Christus\' mond vernamen, ze boekstaafden en in vervulling brachten, — zij bedriegen zich dan die onafzienbare rijen van martelaren, die voor dit geloof hun bloed en leven gaven — zij bedriegen zich dan die eerbiedwaardige scharen van heiligen, waaronder genieën blonken, die thans nog de gansche wereld doen verbaasd staan! Zij bedriegen zich dan die millioenen en millioenen christenen, die 15 eeuwen lang eenparig hetzelfde geloof beleden; wij bedriegen ons, wanneer wij daar neêrknielen, om vereenigd met den priester Code het offer van oneindige waardigheid aan te bieden! Ja wat meer is, en hier stijgt onze verontwaardiging ten top, Christus, de God van oneindige waarheid bedriegt ons! en Calvijn alleen, die vroeger hetzelfde geloofde, bezit de waarheid, en heeft die gevonden na eerst zijn verstand in het slijk der gruwelen verstompt te hebben!
Maar is dat geen onzin, geen goddeloosheid ? Verdient zulk een gezegde in stede van eene wetenschappelijke weerlegging geen afschuw en verachting!
Dan waarom hier nog langer de koude rede geraadpleegd,
alsof ook wij twijfelden aan de almacht en liefde van onzen goeden Jezus, aan de waarheid van het troostvolste geheim van onzen heiligen godsdienst? Neen, neen, liever in stille bewondering en aanbidding neergeknield, om die oneindigheid van vernedering en liefde te beschouwen, liever ons hart opengesteld, om met volle teugen den machtigen adem der goddelijke liefde te ontvangen, die ons uit dit liefdegeheim tegenstroomt! Een God heeft ons lief gehad! Aanschouwt het altaar, aanschouwt die Hostie, hoort de stem van dat goddelijk Lam : Charitate perpetua dilexi te, ideo altraxi te miseram (1). Overweegt dat lijden, dien smartvollen kruisdood, die u hier voor den geest worden teruggeroepen, en blijft dan nog koud, hecht u dan nog aan het vergankelijke, zoo het mogelijk is! Roept dan met den H. Franciscus van Sales uit: »Mijn Jezus is geheel aan mij en ik aan Hem! Ik zal op zijne borst leven en sterven, noch de dood, noch het leven zal mij ooit meer van Hem scheiden !quot;
En wij in het bijzonder, Eerw. broeders, O wij, die het geluk zullen hebben, eenmaal het werk der Apostelen en van onze voorgangers in het geloof te verrichten, wij, die eenmaal de aanbiddelijke geheimen van Jezus\' lijden en dood znllen vieren, die eenmaal het altaar zullen beklimmen, om het goddelijk Lam te slachten, o ! zeggen wij met den koninklijken profeet, maar in nog veel verhevener zin: vLcetatus sum in his, qucB dicta sunt mihi, in domuni Domini ibimus (2)!quot; Nu toch,quot; broeders, om mij van de woorden van den H. Leo te bedienen, »nu toch is de orde der levieten verhevener, grooter de waardigheid der grijsaards, heiliger de zalving der priesters, nu Jezus\' Kruis de bron van alle zegening, de oorzaak aller genaden geworden isquot; (3). Juichen en jubelen wij om dat zoo zeldzame geluk ! Non fecit taliter omni nationi (4); en
(\') Deze verhandeling werd in den tijd door den Eerw. Schrijver gehouden in eene der letterkundige zittingen in het klooster te Wittem.
(1) .Ier. XXXI. 3. (2) Ps. CXX1. 1. (3) Sermo 8 de Pass. Dom. (i) Ps. CXXXVII. 20.
— 42 —
laat dat verhevene voorrecht, hetwelk wij boven zoovele anderen ontvangen hebben, een machtige prikkel voor ons zijn, om door grootere heiliging ons die zoo grootsche roeping waardig te maken. Dan zullen onze gebeden Gode welgevallig zijn en de rijkste zegeningen over ons aftrekken, dan zal het H. Sacrificie niet alleen een oneindig verdienstvol offer van God ; maar ook een alleraangenaamst offer zijn der men-schen. Hierover in ons tweede punt.
II.
HET OFFER DER MENSCHEN.
Viervoudig zijn \'s menschen verplichtingen jegens God. Als het schepsel zijner handen is hij Hem eer verschuldigd ; nietswaardig en tot niets goed in staat, moet hij kracht en bijstand afsmeeken; boeten, zoo dikwijls hij de oneindige Goedheid beleedigt door zijne zonden; en eindelijk dankbaar zijn voor al de weldaden, welke hij van Gods milde hand ontvangt.
Om aan die verplichtingen te voldoen, had de Heer in de Oude Wet vier verschillende offers ingesteld. Het offer van aanbidding (sacrificium latreuticum), het smeekoffer (impe-tratorium), het zoenoffer (propitiatorium) en het dankoffer (eucharisticum); en al deze (wij zeiden het u reeds in onze inleiding) waren als zoovele figuren, zoo vele zwakke schaduwen van het groote en heerlijke, van het ééne offer, dat eenmaal door onzen Heer Jezus Christus op Calvarië op eene bloedige wijze gebracht werd, en thans dagelijks onbloedig op onze altaren vernieuwd wordt.
Dit aanbiddelijk Slachtlam derhalve is het offer, waardoor de mensch zijne vier groote verplichtingen jegens God kan vervullen; maar op eene wijze oneindig verhevener, oneindig volmaakter dan in de wet der vreeze ! Was het daar het bloed van redelooze dieren , dat uit zich zeiven geen kracht
— 13 —
had, hier is het\'t allerzuiverste en allerheiligste bloed van een Godmensch, waarvan een enkel druppeltje genoeg is de gansche wereld te redden en zalig te maken. (S. Thora.)
A. En vooreerst brengt de raensch zijnen Schepper een oneindig offer van aanbidding. God is de opperste Majesteit, het hoogste Goed; om Hem naar waarde te eeren , moet Hem eene hulde bewezen worden, geëvenredigd met die oneindige Grootheid en Goedheid. Bijgevolg eene oneindige onderwerping, eene oneindige liefde. Waar vinden wij die ? Voorzeker groot is de lof, die Gode gebracht wordt door de diepe vernedering der hemelsche geesten, die met het aanschijn in het stof gebogen, Hem onophoudelijk het: »Tibi soli honor et gloria in swcula\' toezingen, groot de eer, die Hem toekomt door het levendig geloof der aartsvaders, den brandenden ijver en de heldhaftige zelfverloochening der apostelen, de vurige liefde der martelaren, de engelachtige reinheid der maagden en vooral door de onvergelijke heiligheid der allerreinste maagd Maria ! Maar wat is dit alles te zamen genomen, en eene gansche eeuwigheid voortgezet? Is en blijft het niet de lof van het schepsel ? — Majestueus is het, den profeet Jeremias de vernietiging van gansch het geschapene voor het aanschijn des Heeren te hooren beschrijven ; »Ik aanschouwde de aarde, (zoo zegt hij) en zie zij was ledig en woest, de hemelen, en zij waren zonder glans. Ik zag de bergen, en zie, zij sidderden en alle de heuvelen waren ontsteld. Ik sloeg mijne oogen op , en zij ontwaarden geen mensch, het gevogelte des hemels was weggevlucht, ik aanschouwde den Karmel, en zie, hij lag verlaten en al
zijne steden lagen in puin, wijl de Heer zich vertoond had (1).....
Heerlijke gedachte voorwaar, groote vernietiging, schitterend eerbetoon voorzeker; maar wat is het bij den oneindigen lof, die God toekomt ?
(1) Jerem. IV 23—26.
— u —
Doch op het altaar.... o! op het heilig altaar daar is het niet de vernietiging der natuur, neen, neen, daar vernietigt zich de God, de Schepper der natuur zelf. vSemetipsum exinanivit (1).quot; Daar vernietigt Hij zich en neemt er de gedaante van eenen dienstknecht, meer nog, de gedaante van brood en wijn aan! Daar gehoorzaamt Hij aan den minsten zijner schepselen!!
Doch is de vernedering oneindig : niet minder is het de liefde, die Gode door dit offer bewezen wordt.
Is niet de grootste uiting der liefde de geheele onderwerping , de volstrekte afhankelijkheid van zich zeiven aan het beminde voorwerp? Is het niet, den wil te volbrengen van den beminde? Welnu wat kwam J. G. anders doen op deze aarde? Hij ziet een afschuw in het hart zijns Vaders voor de offers der menschen, en Hij spreekt: «Hunne offers zijn een walg in uwe oogen, zie hier ben ik, om uwen wil te volbrengen (2).quot; Die wil zijns Vaders deed Hem uit zijne oneindige glorie nederdalen op het schandvolle kruis, en van daar op het altaar. En alvorens, al die smarten en vernederingen te beginnen , betuigt Hij het nogmaals plechtig : «Mijn Vader, niet mijn wil maar de uwe geschiede!quot;
Oneindige onderwerping, oneindige liefde, ziedaar het leven, het lijden, den kruisdood vooral van onzen goddelijken Verlosser, ziedaar ook de vernieuwing van dien kruisdood op onze altaren!
Wie zal ze dan beschrijven de glorie, wanneer de mensch dit offer den hemelschen Vader aanbiedt en Hem toeroept: »Wij offeren uwer Majesteit, het zuivere, het heilige, het vlekkelooze Offer op, hetwelk wij van u ontvangen hebben ! O ja! dan ziet de Vader met liefdevolle blikken op het menschdom neer, dat zijn Zoon zoozeer bemint, en waarvoor Hij zich geheel en al opoffert. Dan is hel Hem onmogelijk zijnen bijstand te weigeren aan hen, voor wien zijn Zoon ten beste spreekt.
(1) Philipp. II. 7. (2) Heb. X. 6.
— 15 —
En inderdaad, wij hebben de gebeden van Gods Zoon noodig, om van den hemel hulp te erlangen.
B. Wilt ge weten, wat wij zijn? Aanschouwt het kruis, aanschouwt het altaar. Het lijden en de dood van J. G. waren noodig, om ons uit onze ellenden op te beuren, waarin wij ons zeiven gestort hadden.
Wilt ge weten, wat wij kunnen? Hoort den apostel: »Niet dat wij van ons zeiven bekwaam zijn, iets te bedenken, als uit ons zeiven ; maar onze bekwaamheid is uit God(l)quot; en op eene andere plaats: «Niemand kan zeggen : Jezus is de Heer, tenzij in den H. Geest (2).
In onze hoovaardigheid hadden wij ons Gode gelijk gewaand, zijne genade veracht. Hem den rug toegekeerd en niets anders dan de vernederingen van een Godmensch konden ons weder in zijne genade doen aannemen. Op Cal-varië, waar Hij tusschen twee moordenaars aan het schandhout hing, door iedereen gehaat en verafschuwd, waar Hij in de grootste verlatenheid en de felste smarten zijn laatsten druppel bloed vergoot, bereikte die vernedering haar toppunt en deed ze eene bron van genade en weldaden voor ons ontspringen. Toen waren we gered ; maar helaas! de hoovaardigheid, die ons had doen vallen, was niet weggenomen, die wonde was niet genezen, en juist voor de hoovaardigen was de toegang tot die zegenrijke bron gesloten. vDeus superbis resistit (3).quot; Zij slechts mochten komen putten, die in diepe vernedering den Zaligmaker zouden weten na te volgen. sgt;HumiUbus autem dat graliamquot; (4). Zoo is er dan voor ons ellendigen geen enkel middel om onzen dorst aan die heilrijke wateren te lesschen, zoo moeten wij dan met het oog op Calvarië nog van gebrek omkomen ? O neen; want dat alles had de goddelijke Zaligmaker voorzien. Den nede-rigen schenkt Hij genade, dat wist Hij. Welnu zijne oneindige vernederingen wilde Hij tot het einde voortzetten om
(1) II. Cor. III. 3. (2) Cor. XII. 5. (3) 1 Petr. V. 5.
— 16 —
onze hoovaardigheid te verpletten, en ons den toegang tot de eeuwige goederen te verschaffen. Wij toonden u den goeden Jezus in zijne oneindige onderwerping eu liefde in de de H. Mis. En wanneer Hij in de dagen zijns vleesches in al zijne gebeden en smeekingen verhoord is geworden, om den eerbied , waarmede Hij ze verrichtte (1), zou Hij dan thans minder vermogen, nu die vernederingen, zoo mogelijk, nog dieper zijn ? Onmogelijk ! Als dan de priester diep over dat aanbiddelijk Slachtlam neêrgebogen, den hemelschen Vader het lijden en den dood van J. C. herinnert en Hem voor ons allen smeekt: »Omni henedictione codesli et gratia repleamur. Per Christum Dominum nostrumquot;. Dan vooral is het waar: ygt;Humilihus dat gratiamquot;. Dan stijgen die vernederingen door de hand des engels van hel altaar op tot voor den troon van genade, en God, alleen lettende op zijnen diep vernederden Zoon, ontsluit den toegang, de wateren der genade stroomen langs alle kanten door de kanalen der sakra-menten , en van het altaar klinkt ons de stem in de ooren: Si quis sitit, venint ad me el bibat (2).
Welk een heerlijk middel hebben wij dus in de H. Mis! Doch niet alleen in onze geestelijke zelfs in onze tijdelijke behoeften heeft J. C. door dit H. Sacrificie willen voorzien. Het bewijs is hier bijna overbodig. De ondervinding spreekt te luide, dan dat er ook iemand slechts een oogenblik aan zou kunnen twijfelen. Ten andere. Waarom anders zou de onfeilbare Kerk die vele gebeden om tijdelijke gunsten in haar Missaal opgenomen hebben, die gebeden ten tijde van pest, oorlog, hongersnood, droogte en zoo vele andere? En daarenboven hebben wij niet de getuigenis uit den mond dei-eeuwige Waarheid zelve: ygt;Al wat gij den Vader in mijnen naam zult vragen, zal Hij u geven?quot; (1) Geestelijke en tijdelijke gunsten beide evenzeer kunnen wij dus aan het H. altaar ontvangen. O! wat zijn wij dan te beklagen, zoo wij
(\\) Hebr. V. 7. (2) Joan. VII. 57. (3) Joan. XVI 23.
elders zoeken , wat Jezus alleen ons kan schenken ; maar van den anderen kant, hoe innig tevreden, hoe gelukkig zullen wij ons gevoelen, wanneer wij steeds tot dit heilig en aanbiddelijk offer onze toevlucht nemen! Nimmer toch behoeven wij te vreezen, al hebben wij zelfs God door de zwaarste en gruwelijkste zonden beleedigd. Want de H. Mis is op de derde plaats een zoenoffer , en de Heer , zegt het H. Concilie van Trente, zal daardoor verzoenen , de genade en gave van boetvaardigheid schenken en zelfs de grootste misdaden vergeven (1).
C. Helaas ja , wij zouden somtijds moeten vreezen; want wij zondigen nog! Het vreeselijk lijden en de smartvolle dood van een Godmensch, uit liefde tot ons, zijn niet in staat ons van die zonden af te houden. Helaas ja , wij keeren dien oneindig barmhartigen God nog den rug toe en schijnen met die liefde te spotten, of er op te vertrouwen ten einde met nog meer stoutheid te zondigen! Maar zal dan die barmhartigheid Gods nooit uitgeput zijn? Zullen dan nimmer de slagen zijner wrekende rechtvaardigheid ons treffen? O ja, en reeds lang zouden zij ons getroffen hebben, waren wij aan ons zeiven overgelaten geweest. Reeds lang, zegt de H. Alphonsus, zou de wereld vergaan zijn, bestond het H. Sacrificie der Mis niet !
Wie het lijden kent van den Zoon Gods, wie gezien heeft, dat God op Hem ons aller boosheid gelegd heeft, kent Gods rechtvaardigheid, en die rechtvaardigheid van een oneindig grooten God durft een nietswaardig schepsel, een aardworm trotseeren ! Niet eens, neen dagelijks, ja schier elk oogenblik !
De mensch zondigt nog! O welk een kreet van wraak boort de H. Gregorius uit de gansche natuur opgaan. Heer, zoo roept de zon, als ik met reuzenschreden gansch het geschapene doorloop, om uwen lof te verkondigen, zie ik den mensch uwe heilige wet met voeten treden ; spreek en (1) Sess. 22 c. 2. 2
— -18 —
ik zal hem verteeren door het vuur, waarmede ik hem verlicht. Heer, spreekt de aarde, terwijl ik getrouw aan uwe bevelen, mijnen boezem met rijkdommen bedek, bestemd voor den mensch, dien Gij mij tot koning hebt geschonken, heft die mensch zijne handen, beladen met de kostbaarste gaven tegen U op; beveel en ik verzwelg hem in mijne afgronden. Heer, is de kreet der zee, als ik uw bevel eerbiedig, en de woede mijner golven den zandkorrel niet overschrijdt, die gij mij tot grens gesteld hebt, veracht u de mensch; spreek, en ik voer hem mede in mijne eindelooze diepten. En een loeiend gebrul stijgt uit de kolken der ongelukkige eeuwigheid. God, de zondaars behooren mij toe , de mensch beleedigt u, duld dan ook, dat ik hem in mijn eeuwig vuur foltere.quot; — God hoort het geroep, Hij gaat de wraakkreten bevredigen, de straffende hand des Allerhoogsten is uitgestrekt, en zie — daar valt de mensch voor het altaar neder en roept uit : «Ontvang, o heilige Vader, almachtige eeuwige God, dit onbevlekt offer, hetwelk ik, uw onwaardige dienaar, U, mijn levende en ware God, voor mijne taliooze zonden en misdaden opdraagquot; (1), en de stem van Jezus verheft zich met de onze, en even als op het kruis klinkt zij ook op het altaar: »Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doenquot; (2). Universa delicta operit charitas (3). De liefde van zijn beminden Zoon, de bede, voor die Hem haten, zijn offerdood voor die Hem verguizen stilt Gods gramschap; Hij verandert de bliksems zijns rechtmatigen toorns in een zachten regen van heilaanbrengende genade (4). En de mensch, overwonnen door de liefde van Vader en Zoon, is geroerd ! De verloren zoon werpt zich in de armen van Gods barmhartigheid, en de tranen, die hij stort, zijn de trouwe tolken van het leedwezen zijner rouwmoedige ziel.
Ziedaar dan wat de heilige mis is voor de zondige aarde;
(I) Offertorium. (2) Luc. XXIII. 3i. (3) Prov. X. 12. (i) Jerem. X. 15.
— 19 —
maar er is nog eene andere plaats, waar zij, volgens het li. Concilie van Trente (1) hare vergevende weldaden verspreidt, \'t is het vagevuur. Daar lijden ze die zielen, welke nog niet ten volle gezuiverd zijn, en nog eenige kleine schulden moeten voldoen; maar ook daar kan haar de christen de behulpzame hand bieden. Welk is dat middel ? Het is het H. Misoffer; ook daar wischt dat bloed van Jezus de zon-den-schulden uit. »Gedenk mijner amp;an het altaar des Hee-renquot;, zoo sprak weleer de stervende Monica lot haar zoon Augustinus; maar dat woord van Monica was niets anders dan de echo van de stem der Kerk gedurende de vier eerste eeuwen van haar bestaan. En diezelfde Kerk gaat thans nog dagelijks voort hare overledene kinderen te gedenken; wanneer zij in hare heilige geheimen spreekt: «Gedenk ook uwe dienaren en dienaressen, die ons voorafgegaan zijn met het teeken des geloofs, en den zoeten slaap des vredes insluimeren f2)quot;. Wie zou aan de kracht van dit gebed kunnen twijfelen ? Zijn dan de blikken van Jezus niet zoeter dan die eener moeder? Is het Hem geen genoegen om overal onge-lukkigen te troosten en bij te staan? ü op het altaar, waar zijne liefde om zoo te spreken haar. toppunt bereikt heeft, hoort Hij onze smeekende klachten voor hen, die wij bewee-nen, en Hij zou ze niet verhoeren ?
Christenen ! wie ge ook zijn moogt, die daar treurt om het verlies van uwe dierbaren, o aanschouwt het altaar en troost u ! »Daar aanschouwt ge, zegt de H. Chrysostomus, den priester, die voor de gansche wereld bidt, en God smeekt aller zonden genadig te willen zijn !quot; Daar offert zich voor uw dierbaren vader, uwe brave moeder, uw goeden broeder, uwe teedere zuster een God op ! Een God, die zich onzen vader, onze moeder noemt! O dat bloed van een Godmensch zal uwe dierbaren rein wasschen en ze tot het land der eeuwige geneugten voeren ! Komt dan deel-
(1) Sess. 22 C. 2. (2) Canon. Missse.
— 20 —
nemen aan het H. Sacrificie, toont daardoor uwe liefde voor uwe overledenen.
D. Ziedaar dan den mensch door het hoogheilig offer der nieuwe wet in de vriendschap Gods hersteld en met allerlei genaden en weldaden overladen. Wie ziet dan niet in, dat er een dure plicht op hem rust, den Schenker van dat alles hiervoor zijn dank te betuigen ? De mensch staat daar tegenover zijn God, die hem uit loutere goedheid geschapen heeft, tegenover zijn Verlosser , die hem door zijn bloed heeft vrijgekocht, tegenover zijn Zaligmaker, die hem niet alleen de poorten des hemels ontsloten , maar nog daarenboven met tallooze genaden verrijkt heeft, om zijne krachten op den weg naar het hemelsch Vaderland te steunen!
Maar hoe,zal dan de mensch God ooit naar waarde kunnen danken? Wat zijn de aardsche schatten, wat is zijn gansch bestaan bij den oneindig Heilige? Moet hij dan niet uitroepen in bet bewustzijn zijner ongenoegzaamheid : ygt;Quid retrihuam Domino ?quot; Wat zal ik den Heer wedergeven ? Doch ook hier biedt hem de H. Mis weder de noodige hulp aan ; want ook als een dankoffer heeft Christus haar ingesteld. Of staat er niet geschreven, dat de goddelijke Zaligmaker in het laatste Avondmaal bij de instelling van het H. Sacrificie, na het brood en den wijn genomen te hebben, zijnen hemelscben Vader gedankt heeft : »Gratias egilquot; (l). «Dankzeggend heelt Christus dit offer ingesteld, zegt Innocentius III niet voor zich, maar voor ons (2). De priester herinnert er ons telkens aan; wanneer hij vóór de Consecratie de woorden spreekt »Tibi gratias agens;quot; u dankzeggende. De li. Mis is dus ook een dankoffer, en welk een dankoffer ! — Hij, door wien ons alle genaden en weldaden geschonken worden, Jezus Christus zelf dankt daar voor ons zijnen hemelscben Vader! O doordringen wij ons wel daarvan, vereenigen wij ons innig met den priester, wanneer hij ons uitnoodigt God te danken: »Gra-
(1) Luc. XXII. 19. Matth. XXVI. 27. (2) Dc Sacrif. Lib. IV. c. V.
— 2 f —
ygt;tias agamus Domino Deo nostro.quot; Danken wij Hem als God; want Hij heeft ons geschapen, danken wij Hem als Heer ; want wij behooren Hem toe, Hij heeft ons door zijn bloed gekocht, danken wij Hem als onzen Heer en God, als onzen Jesus ; want Hij onze Zaligmaker, Hij heeft ons de poorten des hemels ontsloten ! En antwoorden wij dan met volle borst, en een diep gevoelde overtuiging: ygt;Dig7iuin et justum est.\'\' Ja waarlijk, het is billijk en recht, plichtmatig en heilzaam, dat wij u, o heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige God ten allen tijde onzen dank brengen door Christus onzen Heer. Het is billijk, dignum est; want gij hebt ons uit loutere goedheid geschapen; het is recht, justum est; want uit zuivere barmhartigheid hebt gij ons verlost; het is plichtmatig, mquum est; zonder onze verdiensten toch,.hebtgij ons met tallooze weldaden zoo naar ziel als naar lichaam overladen; het is heilzaam, salutare est; want gij hebt ons voorbestemd tot eene eeuwige heerlijkheid ! —
O heilig Offer, wat zal ik nog meer zeggen , om u naar waarde te schetsen. O goede Jezus, waar zal ik woorden vinden, om u te loven en te danken voor dit oneindig heilig, oneindig volmaakt Offer, hetwelk gij in den tijd beloofd en door uwe profeten voorspeld, op Calvarië voltrokken hebt, en wat gij nog dagelijks op onze altaren voortzet, waar gij dus zelf offeraar en Offerande zijt : Offeraar en Offerande voor ons ! —
Wij moeten God eeren en beminnen; gij doet het voor ons op eene oneindige verhevene wijze : wij hebben genade noodig; en gij vraagt die voor ons op uw altaar met onuitsprekelijke verzuchtingen ; wij zondigen, en door uw H. Bloed wischt gij onze misdaden uit; wij moeten dankbaar zijn, en onophoudelijk zendt gij uwe dankzeggingen voor ons tot den hemel-schen Vader omhoog. Gij zijt dus waarlijk ons offer, ons offer van aanbidding, ons smeek-, ons zoen-, ons dankoffer!
En voor dit alles zijn wij u zoo weinig dankbaar, ja ver-
22
geten wij u. O hoevelen zijn er, die daar aan die hoogheilige geheimen geen deelnemen, of deelnemen zonder te weten wat zij doen! Ü Jezus, vermeerder onze dankbaarheid, vermeerder ons vertrouwen !
Wanneer de vijanden onzer zaligheid ons van alle kanten belagen, en overal hunne verleidende strikken spannen, geel\' dan, dat wij tot uw altaar onze toevlucht nemen, stort daar uwe genade in onze harten, ten einde hunne aanvallen te wederstaan.
Wanneer de hand Gods ons treft, en wij geteisterd worden door besmetting, hongersnood of oorlog, als de vijand ons land verwoest en zijne steden belegert, help ons dan op uw H. Altaar en wees onzer genadig.
Als wij tegen den Heer, onzen God, gezondigd hebben, en zijne straffende hand dreigend over ons is uitgestrekt, geef dan, dat wij niet verstokken in onze boosheid; maar in rouwmoedig vertrouwen voor uw H. Altaar ons nederwerpen, waar wij genade en barmhartigheid zullen erlangen.
Wanneer de dood ons onze dierbaren ontrukt, o laat ons dan niet onzen troost zoeken bij de wereld ; maar voor uw altaar onze van droefheid overstelpte harten uitstorten ; balsem dan die wonde en wees de zielen onzer dierbaren genadig
Eindelijk wanneer ook wij van deze aarde verscheiden, in de vlammen des vagevuurs onze schulden boeten en onze vrienden en magen voor ons zullen smeeken, o Jezus! laat dan dit offer, hetwelk gij den hemelschen Vader opdraagt, de prijs zijn voor onze zondenschulden, opdat wij uit die plaats van jammer verlost, in den schoonen hemel, ü eeuwig met de Engelen en Heiligen een offer van eer, een offer van dank kunnen opdragen, onze stemmen met de hunnen vereenigen en u onophoudelijk toezingen: Sanctns, sanctus, sanctus, Heilig, heilig, heilig zijt Gij, Heer God Sabaoth, Hosanna, Hosanna in den hooge !!!
AMEN.
EERSTE DEEL.
fotmuiiiBiii
TOT DE
EERÜTE DEEL,
Be voorbereiding tol ie PleeMige H. lis.
-lt;%m-
Voor wij den priester en zijne dienaren om zoo te zeggen voet voor voet aan het altaar volgen en van alle woordeü, die wij er hooren en van alle ceremoniën, die wij daar zien, rekenschap gaan geven, moeten wij eerst eenige noodzakelijke artikelen laten voorafgaan, over hetgeen bij dat H. Misoffer gebruikt wordt. Ander toch zullen zich vele ceremoniën moeielijk laten begrijpen, en het zou ons, zoo wij ze tusschen de verklaring van het H. Offer zelve moesten invoegen, alsdan te lang bezig houden. Daarenboven, welk een schoone beteekenis ligt er niet in vele zaken, die bij dat H. Offer gebruikt worden, opgesloten? Hoe leerrijk spreken tot ons altaar, priestergewaden, licht, wierook en andere liturgische voorwerpen ? Voorzeker niet slechts de ceremoniën en gebeden onder de H. Mis, maar ook dit alles, men zal er van overtuigd zijn, als men het leest, doet ons de grootheid van dit H. Offer kennen en voert tot de beschouwing der verheven geheimen op, welke in dit Offer verborgen zijn. Laat ons dan in het eerste deel van dit werkje, de voorbereiding tot de Plechtige H. Mis, deze verschillende liturgische voorwerpen bespreken.
§ 1. HET ALTAAR.
Treden wij, voordat we het H. Misoffer inel den Priester beginnen, het heiligdom in. Het eerste, wat ons daar in het oog valt, is het altaar, waarop straks het Offer der nieuwe wet zal gebracht worden. Zeker, het is wel de heiligste plaats der geheele kerk. Daar immers wordt Jezus Christus eiken morgen opnieuw als geboren, daar schenkt Hij zich aan hen, die hongeren en dorsten naar zijn goddelijk Vleesch en Bloed, daar oflert Hij zich, ofschoon op onbloedige wijze, telken dage aan zijnen hemelschen Vader op. Het altaar is dus als de kribbe van Bethlehem, de tafel van het laatste avondmaal, het kruis van Calvarië.
Onder het woord »Alt aarquot; verstaat men volgens zijn eigenlijken en strikten zin den vasten of draagbaren geconsacreerden steen, waarop het Misoffer wordt opgedragen (1). In meer algemeenen zin echter neemt men het ook voor al hetgeen dezen steen omgeeft of daarmede verbonden is (2). In dezen zin nemen ook wij dit woord, als wij van «het altaar\' spreken.
Het staat daar gewoonlijk voor u in den vorm van een vierkante tafel of in den vorm van een tombe. Het eerste doet u dan denken aan de tafel van het laatste avondmaal, waaraan Jezus met zijne leerlingen aanzat, toen Hij voor de eerste maal zich zeiven aan hen tot spijs en drank gaf. De tweede vorm herinnert aan dat tijdstip der Kerk, toen zij de felste vervolging moest verduren en verborgen in de catacomben, op de graven, waar de nog bloedige lichamen der martelaren rustten, het onbloedig Offer moest opdragen. Vandaar ook de wet der Kerk, die nog altijd voorschrijft, dat in elk altaar of ten minste in den geconsacreerden steen de reliquieën van H. Martelaren moeten rusten.
Wat echter vooral de heiligheid en den eerbied voor het altaar inboezemt, is de bijzondere wijding, welke het van den (1) Luc. Fer. »Altaicquot; 4, 5. (2) Missale pluries.
kant der Kerk ontvangen heeft. Dank deze wijding, zegt de H. Thomas van Aquine, verkrijgt dat altaar een zekere geestelijke kracht, waardoor het geschikt wordt voor de vereering van God, en den menschen een devotie inboezemt, die hen beter bereidt voor heilige zaken. Het altaar, zoo gaat die Engel der School voort, dat eenmaal geconsacreerd is, be-teekentons in geestelijken zin Jezus Christus, onzen goddelijken Zaligmaker zelf; en waarlijk, hij die wat dieper ziet, vindt er de schoonste vergelijkingen.
Dat woord steen, doet het ons niet denken aan het woord van denH. Paulus, dat Christus Ae geheimzinnige en geestelijke hoeksteen (1) is? Gelijk twee muren, wil de Apostel zeggen, door één hoeksteen verbonden worden, zoo werden door Christus jood en heiden, als zij zich bekeerden, vereenigd in zijn ééne, heilige katholieke Kerk. De olie, waarmede die steen gezalfd werd, herinnert zij ons niet aan den Gezalfde (Christus) bij uitnemendheid, aan zijne zoetheid, aan zijn balsemenden overvloed van genaden die, gelijk het water aan den steenrots in de woestijn, aan dat altaar ontvloeit? En de wierook, waarmede dat altaar zoo menigmaal welriekend werd gemaakt, hij duidt op de welriekende kruiden, waarmede het lichaam van Christus na zijn bloedig Offer gebalsemd werd. Ook zijne vijf H. wonden vindt men terug in die vijf kruisjes, welke, de één in het midden, de anderen in de hoeken van den steen gebeiteld zijn. Eindelijk die vereeniging van dat altaar met de reliquieën der Heiligen, zij doelt op de innige en onafscheidelijke vereeniging van Jezus Christus met de H. afgestorvenen, die in zijne genade en liefde van deze wereld gescheiden zijn.
Doch let ook eens op hetgeen, volgens de voorschriften der Kerk, dat altaar moet omgeven. Van voren is het behangen met een goud-, zilver- of veelkleurig voorhangsel, waarin de
(1) I. Cor. X.
— \'28 —
hoofdkleur die van het feest is, dat gevierd wordt (1). Drie linnen doeken bedekken het en hangen aan weerszijden tot aan den grond af (2). Dat voorhangsel en dat linnen, zegt ons het Romeinsch Pontificale (3), het zijn de geloovigen, door welke de Heer in den hemel als met kostbare kleederen omhangen wordt, zooals ons de psalmist zegt: »De Heer regeert, met luister is Hij omgeven.quot; De H. Joannes zag dan ook den Zoon des menschen omgeven met een gouden gordel, dat is: door een ontelbare menigte Heiligen.
En op het altaar prijkt een groot kruisbeeld, een kruis, dat door den Priester en het volk, door iedereen, overal in de kerk, gezien kan worden (4). Zou het anders mogen zijn? Neen, waar het onbloedig Offer wordt opgedragen, daar moet ook de welsprekende tolk zijn van het bloedige Calvarië-offer, waar de Koning der koningen heerscht, daar moet ook zijn veldteeken prijken, waar Christus wordt vertegenwoordigd, daar moet ook, ora volgens den profeet Isaïas te spieken, het werktuig zijner heerschappij op zijne schouders worden gelegd. Het kruisbeeld derhalve, en niet het beeld van een Heilige, moet op een altaar het voornaamste versiersel zijn en daar de voornaamste plaats innemen.
Dat kruisbeeld prijkt daar en breidt er zijn armen wijd uit te midden van zes kandelaars (5) met ontstoken kaarsen van zuiver was. Ja ook die kandelaars en dat licht hebben hunne beteekenis. Christus is de middelaar, de vereenigende hoeksteen van jood en heiden geworden door zijn kruisdood. Die kandelaars, zegt ons dan ook Paus Innocentius (6), be-teekenen de twee volkeren, die Hij vereenigde door zijn kruis, en voor wiea Hij het licht des geloofs deed opgaan. Tot het joodsche volk toch sprak de profeet: ))Sta op, word verlicht, Jerusalem, want uw licht is gekomen!quot; (7) en tot het
(1) Missale Rub. gen. XX. en Caer. Eprörum. L. I. e. 12. n. 16. (2) Missale. 1. c. (5) In Ordin. Sub. diac. (4) S. R. C. 17 Sept. 1822 ad 1. (5) Missale. Rit. Cel. IV. i. (6) De S. AU. Myst. L. II. c. XXI. (7) Isaïas. LX. 1.
— 29 -
heidendom de Apostel: »Gij waart vroeger duisternis, nu echter licht in den Heer.quot; (1)
En Christus zelf was dat licht, Hij de oneindig Heilige, gehoren uit eene Maagd. Het beeld daarvan vindt men zoo treffend in die brandende waskaarsen terug. Immers het was, dat maagdelijk kunstwerk der bijën, getrokken uit de fijnste sappen der bloemen, doelt het niet allerschoonst op Jezus Christus, die zijne menschheid aannam uit den maagdelijken schoot der allerheiligste maagd Maria? En de vlam, welke zich daar, terwijl zij de zuivere waskolom verleert, flikkerend verheft, zij is het beeld der Godheid, welke zich in zijn leer, in zijne schitterende wonderwerken, maar nog veel meer in het ofjer zijner heilige menschheid aan het kruis vertoonde.
Ja het altaar met zijn voorhangsel, zijn bekleeding, zijn kruis, zijn kandelaars en licht, beteekent ons in geestelijken zin zoo duidelijk mogelijk Jezus Christus den Verlosser. Het zegt ons zoo klaar, wat er op Calvarië gebeurde, het roept ons nog luider toe: hier wordt, ofschoon op onbloedige wijze, datzelfde offer opnieuw opgedragen, dat de wereld met den hemelschen Vader verzoende.
Maar in moreelen zin is het altaar nog oen ander zinnebeeld. Onder dit oogpunt vertegenwoordigt het, het hart van den mensch. Ons hart, dat middelpunt in ons zeiven, moet als een altaar zijn, waarop wij ons geheel en al offeren aan dien goddelijken Verlosser, die zich voor ons ten offer bracht; een brandende liefde moet het verteeren en er een geurig reukoffer van maken; tallooze deugden, ziedaar de geestelijke steenen, waarmede het moet versierd worden; omhangen moet het zijn met het glanzend kleed van goede voorbeelden, bedekt met het lijnwaad der sneeuwwitte onschuld en met het licht der deugden, dat moet schijnen aan de wereld. Eindelijk geheel ons hart moet beheerscht worden door het kruis, want dat is de oorzaak, dat wij verdiensten kunnen vergaderen, dat is de bron (l) Eph. v.
— 30 —
onzer vreugde. Door het kruis alleen, door met Christus mede te lijden, kunnen wij niet Hem verheerlijkt worden. Ja, ja, het kruis is de ladder des hemels.
Hoe liefelijk zijn uw tabernakelen. Heer der Heirkrachten, wat zijn ze schoon, wat zijn ze beminlijk voor mijn hart, dat juicht in den levenden God ! Terwijl de musch zich een huis, de tortel zich een nest vindt voor hare kleinen, verlang ik niets anders dan uwe altaren, o Heer der Heirkrachten, o mijn Koning en mijn God! (i) Zoo zong de koning David, als hij in den tempel van het oude Verbond vertoefde. Zoo ook moet de vreugdekreet van den Christen zijn bij het aanschouwen van het altaar des nieuwen Verbonds, waarop zich dagelijks dat ontzaglijk offer vernieuwt.
§ 2. HET MISGEWAAD.
»Gij en uw volk,quot; sprak God oudtijds tot zijn dienaar Mozes, szult heilige kleederen vervaardigen voor nw broeder Aiiron en zijne zonen, opdat zij voor mij hun priesterschap vervullen.quot; (2) En daarna bepaalde God zelf voor zijne priesters der Oude Wet tot in de kleinste bijzonderheden, het gewaad, dat de Hoogepriester en zijne levieten moesten dragen, als zij het Tabernakel des Verbonds zouden binnen gaan of het altaar naderen, om in het Heilige hunne offers op te dragen. (3)
Was dit noodig in de Oude Wet, hoeveel te meer moeten dan bijzondere kleederen verplichtend genoemd worden, in de Nieuwe, waar de schaduw voor de waarheid vervlogen is, waar geen offers van bokken of stieren maar het eenige en ware Offer van Jezus Christus zeiven, den Zoon Gods, van den opgang der zon tot haren ondergang immer wordt opgedragen! Ja, moet daar zijne Bruid, de H. Kerk, in
(1) Ps. 85. (-2) Exod. XXVIII. 2. i. (ö) 1. c. 45.
- 31 —
115 glanzend gewaad gekleed zijn, om deel te nemen aan de
n- Bruiloft des Lams (1) dan behooren ook op de allereerste
plaats, de ouderlingen, die zich rond den troon van het \'\' goddelijk Lam mogen scharen, en zoo nabij mogelijk aanzit-
^ ten om dat bruiloftsmaal mede te vieren, (2) die maagdelijke
3\' eerstelingen der menschen, welke het goddelijk Lam volgen
^ waar het gaat, (3) ja het zeiven mogen medeofferen aan den
0 hemelschen Vader, met veelkleurige kleederen omhangen, in
gt; bijzonder en rijk gewaad, als het mogelijk is, gekleed te
0 gaan. Dit was dan ook het gebruik van de eerste tijden der Kerk af, zooals ons door tallooze getuigenissen van Kerkva-
1 ders bevestigd is, dit moet ook nog immer in onze tijden bewaard blijven.
Wij willen daarom, na eerst de plaats des offers, het altaar, besproken te hebben, thans over het gewaad, dat bij het opdragen van dat offer gebruikt wordt, handelen en er den rijken zin van wedergeven. Want als eene ijvervolle en teedere moeder, wil de Kerk in alles, zelfs in die kleederen, de eer van haar Bruidegom bevorderen en hare kinderen stichten en leeren Dat priestergewaad heeft een dubbele be-teekenis, even a!s het altaar. Er ligt een beeld in, dat ons herinnert aan zeer vele omstandigheden van het Kruisoffer , waarvan het H. Misoffer de voortzetting is. Maar men vindt er ook een moreele beteekenis in, welke den Priester en de geloovigen uitnoodigt, met passende gevoelens bij het Misoffer tegenwoordig te zijn, om aldus aan de overvloedige vruchten der H. Mis deelachtig te worden.
Het eerste dier kleederen is het amict. Dit bestaat uit eene wit linnen doek, waaraan twee banden gehecht zijn, en wordt gebruikt om den hals en de schouders des priesters alsmede van den diaken en subdiaken te bedekken. Dat amict, zegt ons Kardinaal Bona, herinnert ons aan den doek, waarmede men het gelaat des Zaligmakers bedekte, toen men (1) Apoc. XIX. 7. 8. (2) Apoc. IV. i. (5) Apoc. XIV. i. 5. 6.
— 32 —
Hem sloeg en spottend zeide: ^Profeteer ons, wie u geslagen heeft In geestelijken zin echter beteekent het den helm (1) des heils, waarvan de H. Paulus spreekt, of de christelijke hoop, waarvan Priester en geloovigen vervuld moeten zijn, als zij dit H. Offer gaan opdragen. Vol vertrouwen n. 1. op Gods hulp tegen de vijanden hunner zaligheid moeten zij het altaar naderen. Vandaar dat oudtijds, zooals bij sommige Orden nog in gebruik is, dat amict ais een kap op het hoofd werd gezet, om deze neer te laten als men geheel gekleed was, of aan het altaar kwam; vandaar dat de Priester, diaken en subdiaken het nog immer, voordat zij hals en schouderen er mede bedekken, een oogenblik op het hoofd laten rusten (1) en de woorden er bij uitspreken : Stel, o Heer, den helm des heils op mijn hoofd om de aanvallen des duivels te kunnen weder staan. Doch daar het om den hals wordt gedaan , doet het ons tevens denken aan de beteugeling der stem, welke gedurende het Oli\'er niet dan tot dat heilig werk gebruikt moet worden. Daarom was in vroeger tijden een ander gebed, dat daarop doelde, in gebruik, en zegt de Bisschop nog, als hij bij de wijding van den subdiaken het amict omdoet: Ontvang het amict, waardoor de beteugeling der stem wordt aangeduid.
Daarna bekleeden zij zich met de albe, een lang wit linnen gewaad, dat tot de voeten toe afdaalt. Die albe is het symbool van een tweevoudig kleed. Het een was dat der verachting en vernedering, waarmede koning Herodes den Zaligmaker liet omhangen, toen hij Hem als een dwaas bespotte. Het ander is dat der verheerlijking en der vreugde, dat ons zal gegeven worden in den hemel, als wij daar het goddelijk Lam zullen volgen, nadat wij hier eerst door versterving en boete ons dit kleed verworven hebben. Daarom moet het wit en van linnen zijn. »Want, zegt Paus
(I) Eph. VI. 11. 19. (2) Missale Rit. Cel. 1. 3.
— 33 —
Innocentius, (1) gelijk linnen uit zich zelf niet wit is, maar het slechts wordt door veel bewerking, en veel bleeken, zoo ook verkrijgt de menschelijke natuur de zuiverheid, welke zij van natuur niet heeft, eerst door genade, als zij verstorven en ten onder gebracht wordt door veel kastijdingen.quot; Daarom bidden de bedienaren des heiligdoms, als zij zich met dat gewaad bekleeden: Heer, maak mij blank, en zuiver mijn hart, opdat ik, blank gemaakt in het bloed des Lams, de eemvige vreugde moge genieten. Daarom ook voegen zij er bij, als zij zich met het koord de lendenen omgorden en dat kleed samenbinden: Omgord mij, o Heer, met den cingel der zuiverheid, en doof in mijne lendenen alle wellust uit: opdat in mij de deugd der onthouding en der kuischheid blijve. Die Engelendeugd toch moet door gebed en versterving bewaard worden. Tevens herinnert ons de cingel aan de koorden, waarmede Jezus gedurende zijn lijden gebonden werd.
De manipel, het kleedingstuk, dat de gewijde bedienaren daarna aan hun linkerarm hangen , moet ons herinneren aan den doek, waarmede Veronica het zweet en de tranen van \'s Heeren gelaat afdroogde. Hoe, vraagt gij misschien verwonderd, kan ons dat kleine vreemde gewaad daaraan doen denken? Omdat het oudtijds niets anders was dan een kleine zweetdoek, dien men dubbel over den arm hing, en gedurende het H. Misoffer gebruikte om de tranen, welke vele H. priesters daarbij stortten, (2) of het zweet, veroorzaakt door groote hitte of door langdurige en moeielijke plechtigheden, af te drogen. De doek werd langzamerhand versierd met gouden franjes en galon, en zoo werd de manipel niets anders meer dan een sieraad. Paus Innocentius (3) doet ze ons
(1) Opus cit. p. l. c. LI.
(2) S. Alph. Oeuvr. Ascet. (5) Opus cit. P. I. C. LVIII.
— 34 —
ook kennen als een zinnebeeldigen zweetdoek, die ons herinnert aan het zweet, dat de arbeid medebrengt ais straf der zonden, die ons zegt, dat wij alle vermoeidheid uit onzen geest, alle verveling en lauwheid uit ons hart moeten verbannen, welke ons werken hier op aarde medebrengt. Ja, wij moeten er naar verzuchten, zegt ons de H. Kerk, in het gebed, dat zij hare dienaars doet uitspreken , hier het lijden en den arbeid bij droefheid en geween le dragen, om hierna met vreugde het loon van den arbeid te ontvangen. De manipel herinnert ons dus aan den moeitevollen arbeid, maar ook tevens aan de blijde vruchten der goede werken, die wij in den hemel zullen inoogsten.
Nu komt de sloof, een lange strook , die de priester om den hals hangt, en van voren kruiselings met den cingel vast maakt, zoodat de uiteinden tot op de knieën afhangen. De diaken echter, die zich ook met zulk een stool bekleedt ^ hangt ze over den linkerschouder schuin om , zoodat de uiteinden onder den rechterarm zijn vastgemaakt. Wij willen de gevoelens , die over den oorsprong dezer stolen bestaan, in het midden laten (1) en zeggen alleen, dat zij, volgens den geest der Kerk , kleederen van eer zijn; vandaar vragen beiden, priester en diaken, als zij die stool aandoen , om door God eens bekleed te worden met het kleed der onsterfelijkheid , dat de mensch in den beginne verloren had door de overtreding van Adam. vGeef mij, o Heer, bidden zij, hel kleed der onsterfelijkheid, dat ik door de zonde van mijn eersten vader verloren heb; en dat ik, ofschoon ik, omvaardige, tot uw heilig Geheim nader, toch de eeuwige vreugde verdiene moge.quot; — Dat kleed der eere is tevens een teeken der macht, welke hun geschonken is. De bisschop toch zegt, als hij haar bij de wijding den diaken omhangt: Ontvang deze vitte stool uit Gods hand, vervul
(1) Men kan hierover lezen Bona de Rebus Lilurg. Lib. I. C. XXIV,.
— 35 —
uw lediening ; God is machtig om over u zijne genaden te vermeerderen. En bij de priesterwijding, als hij de dracht der stool verandert, noemt hij dat teeken der macht tevens het juk des Heeren.
Doch is de stool in haar rnoreelen zin een teeken van waardigheid en macht, het brengt ons tevens in herinnering, hoe de mensch, die dat kleed verloren had, in zijn bespotting een soldatenmantel nam, om Hem, die uitwendig geheel en al aan ons wilde gelijk worden, ten einde ons te verlossen, om Jezus Christus daarmede te omhangen. Waarlijk , bij het: zie den mensch, paste ook , naast de doornen, de straf der zonde, die zijn hoofd omkroonden, naast het zweet en bloed van den arbeid en het lijden, zulk een spotmantel. De gevallen mensch gaf, zonder het te weten, het volkomen beeld van zich zeiven terug, in de bespotting van zijn Verlosser.
Als de Priester en diaken met de stool bekleed zijn, nemen vei volgens de drie gewijde dienaren ieder een verschillend gewaad aan, de subdiaken de tuniek , de diaken de dalma-fiek, de priester het kazuifel.
Tuniek en dalmatiek hebben beide denzelfden vorm. Het Coeremoniale der Bisschoppen (1) geeft slechts als verschil op, dat de mouwen der tuniek nauwer en langer behooren te zijn dan die der dalmatiek. Doch zijn zij bijna geheel en al aan elkander gelijk, zij hebben verschillende beteekenis. De tuniek, zegt ons Paus Innocentius, beteekent ons de volharding. Deze deugd alleen behaalt den prijs in den wedloop, omdat hij, die volhardt zal hebben tot het einde, zalig zal zijn. Vandaar zegt ons de H. Schrift; »Weest getrouw tot aan den dood, en ik zal u de kroon des levens schenken.quot; Als kleed der volharding raag het dan ook een kleed van vreugde genoemd worden, en kan de subdiaken bidden, als
(l) L. l. c. 10. n° l.
— 36 —
hij zich daarmede bekleedt: De Heer omhange mij met het opperkleed der vreugde en met den dekmantel der blijdschap.
De dalmatiek, zoo genoemd omdat zij in Dalmatië, een landstreek van Griekenland , werd uitgevonden , is bij een kleed van vreugde tevens het kleed der gerechtigheid (1), welke de diakenen vooral moesten uitoefenen jegens de armen, veriatenen, weduwen en weezen. Zij moesten hun het brood breken en liefdewerken bewijzen, zij werden door de Apostelen aangesteld , om aan tafel bij do liefdemalen te dienen, en voor ieder naar gerechtigheid liefdevol te zijn. Die wijde mouwen wezen hun tevens daarbij de gastvrijheid als hoofddeugd aan. (2)
Het gewaad eindelijk van den Priester, kazuifel, van het Latijnsche casula, kleine hut, afgeleid, had vroeger een anderen vorm dan thans. Het was een groote mantel, welke tot op de voeten nederhing, en waarin slechts één opening was n. 1. van boven om er het hoofd door te steker. Het was op die wijze , als het ware een hutje , waarin hij, die het droeg, woonde, en daar het aldus de armen des priesters ook bedekte, moest het telkens, als hij zijne armen en handen gebruikte , door de dienaren opgeheven worden. Hierdoor laten zich eenige gebruiken, die bij het H. Misoffer voorkomen, en vreemd schijnen, omdat zij niet meer noodzakelijk zijn, verklaren. Een voorbeeld is het ophouden van het kazuifel door de dienaren, als de Priester wierookt, of de H. Hostie en kelk opheft. Dit was toch in vroegere tijden noodzakelijk. In de 10de eeuw begon men echter deze kazuifels te veranderen, tot dat zij langzamerhand den tegenwoordigen vorm kregen. De hoogere zin, welke in dit kleed ligt opgesloten , is: dat het ons het juk des Heeren verbeeldt, dat zoet is.
(1) Pont. Rom. de ord. diac.
(2) Zie Innoc. 1. c. C. LV.
— 37 —
Het kruis, dat men er tegenwoordig gewoonlijk achterop aanschouwt, wijst ons nog duidelijk op dat juk, want dat was toch Christus\' juk. Zoo moet de priester er ook zijn eer in stellen het kruis van Jezus Christus te dragen, en verkondigt hij aan de geloovigen, als hij daar met dat kruis op de schouders hel altaar betreedt, dat hij hetzelfde Offer als van Calvarië, maar op onbloedige wijze , gaat opofferen.
Er is dus niets onverschilligs in die gewijde gewaden. Alles spreekt er, alles geeft ons een heilige en heilzame gedachte, alles verlevendigt ons geloof en onzen eerbied ; zelfs de kleuren, welke de Kerk overeenkomstig de natuur der feesten of der tijden aanneemt Men heeft vijf Liturgische kleuren n. 1. wit, rood, paars, groen en zwart.
De witte kleur is de kleur der onschuld en der maagdelijkheid. Vandaar dat men haar gebruikt op de feesten des Heeren en der H. Maagd, van de Engelen, Belijders en Maagden. De roode is het beeld van vuur en bloed , of van de liefde en het martelaarschap. Daarom ziet men haar op de feesten van den H. Geest, daar deze Geest der liefde onder de gedaante van vurige tongen verscheen, daarom ook wordt zij gebruikt op de feesten der Apostelen en der Martelaren, die hun leven voor Christus gaven. Het paars is het symbool van de versterving en den halve rouw, en wordt daarom gebruikt in den Advent en de Vasten, alsmede op het feest der Onnoozele Kinderen, omdat de Kerk treurt om de droefheid der moeders. Groen is de kleur der hoop. Zij noodigt ons uit om te hopen en volhardend te verlangen naar den hemel. Eindelijk de zwarte kleur is het teeken van rouw en droefheid. Daarom bekleedt zich de Kerk hiermede, als zij treurt over den dood van haar Stichter, zooals op Goeden Vrijdag, of van hare overledene kinderen.
— 38 —
§ 3. WIEROOK EN WIEROOKVAT.
J)ij eene plechtige H. Mis worden dikwijls wierook en wierookvat gebruikt. Waarom, zoo heeft misschien menigeen gevraagd, schrijft de Kerk die ceremonie voor ? Wat heteekent het, dat de priester wierookkorrels op eenig vuur in dat wierookvat werpt, en daarmede dan het H. Sacrament, het H. Kruis, het altaar, het Evangelieboek, enz. bewierookt ? — Na de verklaring van Altaar en Misgewaad meenen wij u dit in deze paragraaf uiteen te moeten zetten.
Er zijn er geweest, die wilden beweren, dat het gebruik van wierook in de Kerk ontstaan was, om daardoor den slechten reuk te verdrijven. Waarlijk, een dwaze veronderstelling ! Als men toch bedenkt, dat het offeren van wierook zoo oud is als de Godsvereering, dat men in de oude Wet geen offer opdroog zonder daarbij het wierookvat en den wierook te gebruiken (1), dat zelfs de heidenen later dit immer navolgden, ja het- offeren van wierook als een goddelijke eerbewijzing aanzagen (2), zoodat, als een Christen eenige wierookkorrels voor een afgod op het vuur had geworpen, hij als een afvallige beschouwd werd ; als men bedenkt, dat dit gebruik vooral ten tijde van Constantijn, toen die heerlijke Basilieken verrezen, welker houtwerk van geurig riekende cederboomen gemaakt was, in de Kerk meer algemeen werd, en daarvoor rijke en kostbare gouden vaten vervaardigd werden ; dan zal een ieder het dwaze en onredelijke van deze bewering inzien. Neen, onze Moeder de H. Kerk, zoo wijs
(1) Zie o. a. Exod. XXX. 1, 7, 8. — Num. XVI. 17. — K Paralip. XXVI. 18 etc.
(2) Ovidius zegt o. a. in zijn Metam. L. XIV iTempla tibi statuam, reddam tibi thuris honorem.quot;
— 39 —
in al hare voorschriften, heeft daarbij van de Apostolische tijden af, een geheel ander doel voor oogen gehad. Het gebruik van wierook, het bewierooken van altaar, kruis, H. Sacrament, enz. heeft, evenals zoovele andere ceremoniën in de Kerk, eene geestelijke, eene geheimzinnige beteekenis.
Nauwelijks is de Zaligmaker geboren, of wij zien de Wijzen uit het Oosten aan zijne kribbe nederknielen en het goddelijk Kind, naast andere geschenken, viierook aanbieden. Zij erkenden daardoor, zegt de H. Gregorius, het Kind als hun God, want de wierook wordt als een offer aan God gebracht (1). Als dus de priester den wierook in het vat legt, dezen aanbiedt aan het H. Sacrament of aan het H. Kruis, daarmede het altaar, dat, zoo als wij vroeger zagen, Christus beteekent, omwolkt, dan doet hij daardoor in naam van alle geloovigen een openbare belijdenis der Godheid van Christus, dan betuigt hij door deze daad wat eenmaal Petrus beleed in woorden: «Waarlijk, Gij zijt de Zoon Gods, Gij hebt de woorden des ■eeuwigen levens.quot; Ziedaar een eerste beteekenis, waarom er wierook in Gods Kerk gebruikt wordt.
Een tweede en nog veel schooner geeft ons Paus Innocen-tius III, als hij ons het eerste bewierooken van het altaar uitlegt (2). »De hoogepriester, zegt hij, gaat het altaar op en werpt wierook in het wierookvat; hij geeft er mede te kennen, dat de Engel kwam en voor het altaar stond met het gouden wierookvat, gevuld met het vuur des altaars, en hem werden vele wierookkorrels gegeven, om van de gebeden der Heiligen aan te bieden. Want die Engel is Christus, het gouden wierookvat zijn onbevlekt lichaam, het altaar zijn Kerk, het vuur de liefde, de wierook het gebed.quot; Christus toch, de Engel, de gezondene van zijn heraelschen Vader, komt bij elk Misoffer, dat wordt opgedragen; staat daar voor he
(1) Hom. X. in Math. c. 2.
(2) De S. Alt. myst. L. II. c. XiV.
— AO —
altaar, dat is voor liet aanschijn van geheel zijn Kerk ; neemt het gouden wierookvat, zijn onbevlekt lichaam, waarin alle schatten van wijsheid en wetenschap zijn verborgen, als het ware opnieuw aan, en, vol van brandende liefde, biedt Hij den wierook des gebeds, welken Hij van de geloovigen ontvangt, als Middelaar tusschen God en de menschen, zijn he-melschen Vader aan.
De wierook beteekent ons dus, volgens dezen geleerden Paus, het gebed, dat door de geloovigen, vooral tijdens de H. Mis, gestort wordt. Het stijgt daar als een offer op, maar het wordt slechts welbehagelijk aan God, als het door den eenigen Middelaar van verdiensten, door Jezus Christus, wordt aangeboden ; het wordt dan vooral aangenaam in Gods oogen, als Hij zelf zich voor ons offert. Vandaar dat de H. Lauren-tius Justinianus den zich offerenden Verlosser het volgende schoone gebed in den mond geeft; :»Vader, vergeef hun, want zoo gij het volk gespaard hebt, omdat Mozes en Aaron. U den wierook opdroegen, hoe zoudt gij dan niet getroffen worden, nu ik geen wierook, maar mij zeiven aanbied. Aller-goedertierendste Vader, ziehier het wierookvat van mijn lichaam doorboord van alle kanten ; geen overvloed van wierookwalm, maar van bloed verheft zich tot U in geur van zoetheid.quot; (I)
Wordt het nu niet duidelijk. Lezer, waarom de Kerk, zelfs in een Pontificale Mis, slechts één wierookvat duldt?
Als gij dan, Lezer, den Priester dat vat ziet nemen en die opstijgende wolken tot God opgaan, denk dan, dat op dit oogenblik Jezus Christus zijn verheerlijkte wonden aan den hemelschen Vader toont en uwe gebeden aanbiedt; denk er dan aan, dat de goddelijke Zaligmaker immer onze Middelaar wil blijven in den hemel, en daardoor onze gebeden zekere hoop op verhooring hebben.
(O De Agone Chr. c. XVII.
— 41 —
Dezelfde Paus Innocentius ziet met Durandus in het wierookvat niet slechts een beeld van Jezus\' lichaam, maar hij voegt er bij : »Men verstaat ook door het wierookvat het goddelijk Woord, dat mensch werd. Gelijk het boven- en ondergedeelte van het wierookvat verbonden zijn door drie kettingen, zoo vindt men ook in Jezus Christus de Godheid en menschheid vereend, door drie vereenigingen : die van het lichaam met de ziel ; die van de Godheid met het lichaam; die van de Godheid met de ziel. — En het is van goud om de wijsheid des Woords aan te duiden.quot; (1) — Men moet zich daarenboven niet verwonderen, dat een Bernardinus van Sicna in het vat zelf een beeld zag van het allerheiligst Hart van Jezus, dal vervuld is met het brandende vuur der goddelijke liefde. Dat wierookvat is immers een vaatwerk, waarin men tijdens het offer der H. Mis den wierook ter eere van God verbrandt. Zoo ook is het Hart van Jezus het geheimzinnige wierookvat, waar de verlangens en gebeden der Heiligen moeten te samen komen, die dan, als een zoete wierook, geheel welriekend door het bloed en de verdiensten van Jezus Christus, voor het altaar van God in den hemel opstijgen. — Maar de wierook moet verteren door het vuur, en zoo brandt dan ook eeuwig in zijn goddelijk Hart dat liefdevuur, \'twelk Jezus op aarde kwam brengen, en dat Hij immer ontstoken wil hebben. Zeker, door zijne goddelijke liefde verkrijgen onze gebeden veel kracht, maar Hij wil ook, dat dit liefdevuur in onze harten brande en ons bidden be-ziele. Dan eerst zullen zij geheel bebagelijk zijn in de oogen van God : »Gelijk de wierook,quot; zegt de H. Bernardinus (2), »dood schijnt tot het oogenblik, waarop hij, door het vuur verteerd, zich in geurige wolken oplost en ten hemel klimt, zoo is de verdienste van onze gebeden als dood en zonder waarde, als zij niet belevendigd worden door dat liefdevuur,
(1) De S. Alt. myst. L. 11. c. XVII.
(-2) T. IV. Dom. V. Pasclt.
— 42 —
- waarin Jezus voor ons verdiend heeft, en dat Hij op aarde is komen brengen.quot;
Maar, zoo zal misschien iemand vragen, als de wierook de aanbidding van God beteekent, als hij ons wijst op onze gebeden, die als een wierook voor den Heer opstijgen, en door Christus den hemelschen Vader worden aangeboden, wat wil het dan toch zeggen, dat ook personen, zooals de priester, diaken en subdiaken, ja zelfs het volk in de plechtige H. Mis bewierookt worden? — Wie een weinig nadenkt, zal dit spoedig begrijpen. Immers er ligt daarin een dubbele aanmaning opgesloten, een- aanmaning nl. die ons zegt, dat wij moeten bidden en aan God de verschuldigde eer bewijzen, gelijk Jezus Christus ons bevolen heeft, en ten tweede, dat wij allen naar het woord des Apostels, den goeden geur van Christus moeten verspreiden, die zich van het altaar aan de zielen mededeelt (1). Vandaar beschouwden de eerste Christenen den wierook met zooveel eerbied, dat zij, bij het branden ervan den reuk met de hand aan den mond trachtten te brengen en met den priester baden : »De Heer ontsteke in ons het vuur en de vlam zijner eeuwige liefde.quot;
Wanneer gij dus. Lezer, gedurende de plechtigheden der H. Kerk, den wierook in geurige wolken ziet opwaarts stijgen, beijver u dan uw gebed met de meest mogelijke godsvrucht tot God te stieren. Met gouden schalen slaan de Engelen des Heiligdoms gereed, om uwe smeekingen te ontvangen en voor den troon van God te brengen. Jezus zelf biedt ze daar, als onze waarachtige Middelaar, zijnen hemelschen Vader aan, ondersteunt onze gebeden, ja vereenzelvigt ze met de zijne : wat zoudt gij door zulk eene bede niet kunnen verkrijgen?
(1) Dion. Hier. Eccl. c. Ill en IV.
_ 43 —
§ 4. HET BROOD EN DE WIJN VOOR HET H. OFFER.
Terwijl Jezus met zijne Apostelen aan het laatste avondmaal aanzat, nam Hi; hrood, zegende, brak het en gaf het aan zijne leerlingen zeggende: sNeemt en eet: dit is mijn Lichaam.quot; Insgelijks nam Hij ook den kelk met wijn, dankte den hemelschen Vader en gaf ook dezen hun, terwijl Hij zeide: »Dit is mijn Bloed van het nieuwe testament, dat voor velen zal vergoten worden ter vergiffenis der zonden. Doet dit tot mijne gedachtenis.quot; (1) Sinds die woorden aan de lippen van den goddelijken Meester waren ontvloeid, was ook het H. Sacrificie der Mis ingesteld. Ieder Christen weet het, dat elk wettig gewijd Priester sinds dat oogenhlik het altaar kon betreden, en daar door de Sacramenteele woorden uit te spreken over brood en wijn, deze ook in het waarachtig Lichaam en Bloed van Jezus Christus kon veranderen. Üp het oogenhlik dezer verandering geschiedt er een ontzettend wonder; Jezus Christus daalt met ziel en lichaam, met godheid en menschheid op het altaar neder, gelijk Hij in den Hemel bij zijn hemelschen Vader is, en dat onder de nietige gedaante\'van brood en wijn.
Reeds spraken wij in onderscheidene artikelen over verschillende toebereidselen voor eene plechtige H. Mis. Wij verklaarden het Altaar met zijne versiering, de Priestergewaden en den Wierook met het wierookvat, welke daarbij gebruikt worden. Zouden wij mogen nalaten te spreken over de noodzakelijke stof voor het H. Sacrificie : het brood en den wijn? Voorzeker neen, immers moet onder die gedaanten Jezus nederdalen, dan moet ook de Kerk immer eene bijzondere zorg voor dat brood en dien wijn hebben gehad,
(l) Luc. XXII.
_ 44 —
daar zij voor zulk een goddelijk offer moesten gebruikt worden, daar de geldigheid van het H. Sacrificie er van afhangt.
Welnu, allereerst willen wij dan opmerken, dat dit brood van fijn tarwemeel vervaardigd wordt en ongedeesemd is, dat de wijn, ware zuivere wijn, van den wijnstok voortgekomen, moet wezen.
O, welk eene zorg wendde de Kerk door alle eeuwen voor dit brood, dezen wijn aan. Het is waar, in de eerste tijden, toen zij tegen de vervolging te kampen had, toen de Kerk zich zelf moest grondvesten, werd het H. Offer met gewoon en dagelijksch brood opgedragen. Doch nauwelijks is zij haar tijdperk van worsteling uitgetreden, of alle ijver wordt aangewend, om dat brood zoo zuiver, zoo kostbaar mogelijk te maken, om den zoo voortreffelijkst mogelijken wijn te gebruiken. Het waren allereerst de kluizenaars in de woestijn, die in het Oosten vooral, het graan voor dat brood verzorgden en het onder psalmgezang bereidden, die de druiven leesden in uitsluitend daartoe bestemde vaten, ze persten en bewerkten tol helderen en zuiveren wijn, zoo als wij lezen in het leven van den H. Pacomius. Intusschen zien wij ook de geloovigen zelf dit met den meesten eerbied verrichten, en het brood en den wijn onder de H. Mis ten offer brengen; zelfs keizers achtten zich niet ontslagen van dezen plicht. Verre van te denken, dat dit werk verlagend was voor handen, gewoon den schepter te torsen, meenden zij ze voor geen edeler, geen voortreffelijker werk te kunnen gebruiken. Een H. Koningin Radegunda bereidde zelf met\' hare tengere handen het brood voor het Offer bestemd, en deelde dit aan onderscheidene kerken uit. En wie kent niet de geschiedenis van den H. Koning Wenceslaus, die om zijn ijver voor het H. Sacrament, zijn liefde voor het Priesterschap , door den Hoogepriester , Christus , met den lauwer der Martelie in de kerk zelve begiftigd werd ? Hij immers was met zulk een devotie jegens het H. Misoffer
- 45 —
bezield , dat hij persoonlijk het koren zaaide, inoogste en maalde en daaruit het brood bereidde , noodzakelijk voor het H. Misoffer. Nergens echter had men daar meer ijver voor dan in de kloosters. Luistert eens, hoe ons dit in verschillende kloosterstatuten (1) beschreven wordt. Eerst zochten de kloosterlingen het graan, ofschoon reeds zuiver in zich, korrel voor korrel uit, waschten \'t, deden het in een zak daartoe uitsluitend bestemd, en gaven het aan een vertrouwden knecht, die het naar den molenaar bracht. Daar werd de molen eerst geheel en al gezuiverd en werden vervolgens de graankorrels gemalen. Zoodra het meel gereed was, bracht de dienaar het meel aan den koster, die priester zijnde, gekleed in amict en albe, het ontving, zuiverde in een zeef en het uitspreidde op een tapijt. Dan kwamen de priesters of diakens, gekleed in helderwitte alben, op de plaats, tot het bereiden van het offerbrood bestemd, mengden, onder het zingen van onderscheidene psalmen, het meel met water in allerzuiverst vaatwerk, kneedden het zoo zorgvuldig mogelijk en bakten het dan in bijzondere ovens, die gestookt werden met droog hout. Voorzeker, dat werk duurde soms lang, nochtans bleven zij daarbij allen nuchter. Dit gebruik, zegt ons Dom Martène, bleef bestaan tot de vijftiende eeuw. Zóó groot was hun eerbied voor het offerbrood, zóó streng en zorgvuldig hunne bezorgdheid bij het bereiden der hosties.
Niet minder was de bijzondere zorg voor den wijn. Uitsluitend daartoe bestemde wijnbergen werden aangelegd of aan de kerken geschonken. Een H. Remigius liet een wijngaard na aan de Kerk, om daaruit immer zuiveren wijn aan het altaar te kunnen gebruiken, (2) en een Ibas van Edessa werd op een kerkvergadering beschuldigd , omdat hij bij het H. Sacrificie gewonen wijn gebruikt had. Geen wonder dan ook, dat nog immer de Kerk eenzelfden ijver en zorg aanwendt
(1) Lanfranc. coll. stat. cap. 6. — Dach. Conv, Cluniac. T. 4. Specilegii. etc. (2) Flodoard. L. I. hist. Rem. C. 18.
— 46 —
voor die stof, bij het II. Offer noodzakelijk, dat zij vooral wil, dat alles zuiver, rein en onvervalscht is.
Het brood heeft van onheugelijke tijden een ronden vorm (1). De Kerk volgt daarin haar goddelijken Stichter na. Immers het brood bij het Paaschmaal der Joden had steeds die gedaante ; en wij weten het, bij het Paaschmaal stelde Jezus het H. Sacrament des Altaars in. Het is in de Latijnsche Kerk ongedeesemd, omdat ook Jezus ongezuurd brood, gelijk dat op die dagen vóór Paschen door de Joden slechts gegeten mocht worden, geconsacreerd heeft bij het laatste Avondmaal.
Doch. zoo heeft misschien zich de een of andere wel eens afgevraagd ; waarom koos zich de Heer Jezus juist brood en wijn voor dat goddelijk Sacrament, waarom wilde Hij juist onder die gedaanten ons Offer, ons ziele-voedsel worden. Hoo-ren wij daarover den H. Thomas (2).
«Terecht, zegt hij, nam Christus brood en wijn voor dit H. Sacrament. En wel allereerst om het gebruik van dit Sacrament, dat in het nuttigen bestaat. Gelijk toch het water genomen wordt in het Sacrament des Doopsels om een geestelijke afwassching te doen, wijl de afwassching des lichaams gewoonlijk door water geschiedt; zoo worden ook brood en wijn, waarmede de mensch zich gewoonlijk voedt, in dit Sacrament genonjen om de geestelijke spijziging [die door het Lichaam en Bloed van Christus geschiedt] te beteekenen.
Daarenboven geschiedt dit om het lijden van Christus, waarin het Bloed van het Lichaam gescheiden werd: en daarom wordt in dit Sacrament, dat de gedachtenis is van \'s Hee-ren lijden, het brood afzonderlijk genomen als het Sacrament des Lichaams, en de wijn afzonderlijk als het Sacrament des Blocds.
Onder die gedaanten van brood en wijn wordt ook Christus geofferd, om de uitwerking, die het heeft op een ieder, die het
(1) Zie o. a. S. Caesar. Dial. 3. de Fide Ortod. q. 169 en Mar-jene de Anliq. Rit. T. I. L. I. c. VIII. (2) III. Q. 74. 1. c.
nuttigt; want, gelijk. Ambrosius zogt; ))dit Sacrament strekt tot zaligheid van ziel en lichaam, en daarom wordt het Lichaam van Christus onder de gedaante van brood voor het heil des lichaams, het Bloed echter onder de gedaante van wijn voor het heil der ziel geofferdquot; (i).
sEindelijk nog om hel uitwerksel te beteekenen van dit Sacrament in betrekking tol de ééne Kerk, die uit verschillende geloovigen is zamengesteld, gelijk het brood bereid wordt uit verschillende graankorrels en de wijn uit verschillende druiven vloeit,quot; zooals de Glosssa (2) zegt op Cor. X: «Velen zijn wij één lichaam.quot; Dat uit vele graankorrels vereenigde brood, wil de H. Thomas zeggen, die wijn uit een menigte druiven te zamon gebracht, beleekenen ons, dat wij, Christenen, ofschoon wij velen zijn in getal, door den band van dit goddelijk geheim op het nauwst verbonden worden en als één lichaam uitmaken in Christus\' Kerk (3).
Waarlijk, als men al deze betcekenissen nagaat, dan moet men de wijsheid van don almachtigen Zoon Gods bewonderen, dan moet bekennen, dal Hij geen passender stof kon vinden voor het H. Sacrament des Altaars, dan brood en wijn.
Doch er worden ons nog andere redenen opgegeven door de H. Schrijvers. «Omdat het brood eene spijze is,quot; zegt ons de H. Alphonsus met den godvruchligen Pater Nieremberg, «welke niet slechts genuttigd, maar ook bewaard kan worden: daarom heeft Jezus ook met ons onder de gedaante van brood willen blijven ; want onder die gedaante kon Hij én de spijze worden onzer ziel, én tevens in onze tabernakelen bij voortduring rusten, om daar, door zijne aanhoudende tegenwoordigheid in ons midden, ons gedurig te herinneren aan zijne allesovertreffende liefde, welke Hij ons toedraagtquot; (4). »Die liefde,quot; zegt de H. Bonaventura (5), «wordt ons nog
(1) Super Ep. 1 ad Cor. XI. (-2) Ord. Ausr. Tr. XXVI in Joan. (5) Men zie ook Catcch. Rom. Igt;. II. C. IV. 19. (4) U Bezoek. (5) Serm. III. in Dom. I. p. Oct. Epiph.
duidelijker aangetoond door den wijn ; gelijk deze toch, maakt zij de harten van hen, die beminnen, dronken.quot; Vandaar zegt de H. Bernardus : »Alwie eenmaal door het drinken dier liefde volmaakt wordt bedwelmd, is blijde bij allen arbeid : hij lijdt, maar voelt het niet : hij werkt en wordt niet vermoeid : hij wordt uitgelachen en merkt bet niet op.quot; Die liefde is de wijn, welke uit drie ranken groeiende, in een kelk werd uitgeperst , zooals de schenker van Pharao zag in zijn droom : »Ik zag een wijnstok bij mij, waaraan drie ranken warenquot; (1). De wijnstok is Christus: Hij zelf zegt: »Ik ben de ware wijnstok (2). De drie ranken : zijn Lichaam, zijne Ziel, zijne Godheid. Verzamel dan de weldaden, welke Christus ons in zijn Lichaam bewezen heeft, nl. in zijn mensch-wording, in zijn lijden en in de communie, en gij kunt den wijn dier wonderbare liefde uitpersen. Verzamel de weldaden, die Hij ons schonk in zijne Ziel, welke voor ons zijn allerheiligst Lichaam achterliet in de wereld, zielen verloste uit het voorgebergte der hel, voor ons altijd tusschenspreekt in den hemel (3) en gij kunt den wijn dier kokende liefde uitpersen. Verzamel de weldaden zijner Godheid, lichamelijke n. 1., geestelijke en eeuwige: en gij kunt den wijn dier allerzoetste liefde, als van den derden rank voortkomende, uitpersen in den kelk des lichaams. ))Zie toch eens,quot; roept de H. Bernardus (4) uit, »hoe , ja boe volmaakt God door ons verdient bemind te worden; die zelf ons het eerst heeft lief gehad, Hij, zoo groot en zoodanig, geheel om niet, wij zoo nietig en zoo ellendig.quot;
Ja, de liefde van onzen Heer Jezus Christus spreekt zelfs uit die nietige gedaanten, welke Jezus in zijn liefdesacra-ment aannam. Hij heeft ons een lirood uit den Hemel bereid, dat alle geneugte in zich bevat. (5) een brood, dat het hart
(1) Gen. XL. 9. (2) Jois, XV. 1. (3) Rom. VlU. 34. (4) De dilig. Deo, ante Med. (5) Sap. XIX. 20.
van den mensch versterkt; (1) die dit brood eet zal leven in zijne liefde in eeuwigheid. (2) Hij heeft ons wijn gegeven, die het hart van den mensch verblijdt (3), een wijn, die maagden kweekt (4), een wijn van liefde, die de harten bedwelmt en slechts doet verzuchten naar U, o mijn Heer en mijn God. O dronkenmakende kelk van mijn Jezus , wat zijt gij voortreffelijk ! (5)
Maar dit H. Sacrament is ook tot gedachtenis van Jezus\' lijden ingesteld. De H. Thomas leerde ons dat lijden reeds in de twee onderscheidene gedaanten kennen. Doch laten wij met den H. Bonaventura dit nog eens verder zien. »Wij moeten,quot; zegt die groote kerkleeraar, »zoo dikwijls wij dit brood eten, de gedachtenis van \'s Heeren lijden hebben. In het offeren van brood nu wordt voortreffelijk aan dat lijden herinnerd, als men er aan denkt, hoe het brood gemaakt wordt van koren, dat gedorscht, in den molen gemalen en in een fornuis gebakken is. Het graan toch is Christus; want zeide Hij niet van zich zeiven: ))Als de graankorrel, die op de aarde gevallen is, niet sterft, dan zal zij alleen blijven, maar als zij sterft, dan zal zij veel vruchten voortbrengenquot; (6)? Met hevige slagen verbrijzeld is Hij in zijne geeseling; «toen greep Pilatus Jezus aan, en liet Hem geeselen (7) gemalen op den molen des kruises; »Hij werd vermorzeld om onze misdaden (8) gelegd werd Hij ook in het fornuis des grafs wat zijn lichaam, in dat van het voorgeborgte, wat zijn ziel betreft: van Hem wordt gezegd, dat liet offer in het fornuis gebakken, zonder zuurdeesem moest zijn, n. 1. vrij van schuld en onwe-tenheid, en besprenkeld met olie n. 1. met die der genade.quot; (9). . En welk eene treffende gedachtenis van Jezus\' lijden vinden wij nog in den wijn, onder welke gedaante Jezus zijn Bloed aan ons wilde geven. Immers de wijn wordt met alle
(1) Ps. C1II. 3. (quot;2) Jois VI. oJ2. (3) Ps. CHI. 13. (i) Zach. IX. 17. (3) Ps. XXII. 5. (6) Jnïs XII. quot;23, (7) Jois XX. I. (8) Isa, LUI. 3. (9) Serm. IV. in Cm. ümni. i
— 50 —
kracht geperst uit de druiven. Welnu, zegt de H. Alplion-sus: (1) »Jezus aanbiddelijk lichaam werd in zijne smarten en pijningen vertreden en geperst als de druif in de wijnpers.quot; Ja Hij zelf was het, die dat lijden vrijwillig op zich nam, dat alleen wilde dragen, en dus. Hij zelf was het, die zijn goddelijk Bloed deed stroomen, die de wijnpers (des kruises) alleen heeft getreden. Vandaar roept dan ook de profeet (2) uit, als hij Jezus in zijn lijden aanschouwde ; Hoe is dan toch uw bloed zoo rood, als de kleederen van hen, die de wijnpers treden? Hoe komt het, mijn Jezus, wil hij zeggen, dat ik U geheel met bloed overdekt, zoo vree-selijk doorwond aanschouw ? En de Heer antwoordde ; De wijnpers (des kruises) heb ik alleen getreden; onder de volkeren was geen man met mij. üe wijn derhalve herinnert ons zoo sprekend mogelijk aan die stroomen bloeds, welke Jezus voor ons vergoot op zijn kruis; de wijn herinnert ons, even als het brood, aan zijn lijden en dood, welke Hij voor ons wilde verduren. Voorwaar, Jezus kon geen treffender stoffen nemen voor dit H. Offer, voor dit PI. Sacrament.
Voelt gij, lezer, bij de beschouwing van dat brood en den wijn in het H. Offer, uwe liefde voor Jezus meer en meer opgewekt, o ik bid u, laat dan dat genadig oogenblik niet voorbijgaan. Wek u op tot grooter liefde en zeg daarom met den Alphonsus: »0 oneindige Liefde, een oneindige wederliefde waardig ! Wanneer zal ik u , mijn Jezus, beminnen , zooals gij mij hebt lief gehad? O goddelijk Voedsel! O Sacrament van liefde, wanneer zult gij mij toch geheel en al aantrekken ? Neen, neen gij hebt er niets meer bij te voegen, om van mij bemind te worden. Thans ben ik besloten U altijd lief te hebben; verleen mij uw hulp ; verlicht mij, ontvlam mij, onthecht mij van de aarde en laat in eeuwigheid niet toe, dat ik van u gescheide worde.quot; (3)
(I) Oeuvr. Asc. T. V. p. 268. (2) Is. LX1II. 1. ö.
(5) Oeuvr. Asc. I. c. p. i7.
- 51 —
§ 5. DE TAAL DEE H. KERK IN DE H. MIS.
Toen onze goddelijke Verlosser, de eeuwige Hooge-priester, zijn alverzoenend offer op het kruis opdroeg, en daar aan zijn hemelsclien Vader de hoogste eer en verheerlijking bracht, was er een opschrift boven zijn hoofd geplaatst in drie talen: in het Hebreeuwsch, Grieksch en Latijn. Dat waren de talen, waarin Jezus\' bloedige Offerdood en het koninkschap des Geknüsten aan geheel de wereld verkondigd werd. In die zelfde talen zou ook voortaan de wereld van den dood worden opgewekt, en aan den koninklijken Christus onderworpen blijven. Gelijk de Gestorvene op het kruis opstond en niet meer sterft, zoo zouden ook de talen van den kruistitel uit den dood als herleven, en niet meer sterven, maar in het onbloed\'g offer van Jezus den dood des Heeren blijven verkondigen. Immers het Lalijn, vermengd met vele Grieksche en Ilebreeuwsche woorden, is de taal, waarin bijna over geheel den aardbodem, van den opgang der zon tot haren ondergang, sinds eeuwen her, de H. Mis wordt opgedragen; het Latijn, de taal van Home, het punt der eenheid tusschen Joden, die de Ilebreeuwsche en Heidenen, die de Grieksche taal spraken, werd de Liturgische taal der Kerk, welke bij de vernieuwing van het kruisoffer gebruikt wordt (1).
(1) Het is waar, de H. Kerk heeft in eenige landen van het Oosten en van Griekenland een andere Liturgische taal toegelaten. Doch dit geschiedde alleen in die landen dier gewesten, waar voor de. 3\'lc eeuw het geloof verkondigd en een andere taal in de Liturgie ingevoerd was, alsmede in Bulgarije, waar de H. H. Cyrillus en Methodius in de eerste helft der 9dc eeuw het geloof verkondigden, en, zooals het Rom. Brevier zegt, om zekere en allergewichtigste redenen, de Slavonische taal invoerden. In alle andere landen gebruikt men de Latijnsche.
Menigeen zal zich ecliter reeds meermalen hebben afgevraagd: waarom toch dat Latijn? Waarom niet een levende taal bij die kerkelijke plechtigheden gebruikt? Dan konden wij ze beter verstaan, dan konden wij medebidden? Waarom een taal genomen, welke aan de meeste menschen onbekend is? — Het antwoord daarop hoop ik u in deze paragraaf te geven. Zoeken wij vooral de voornaamste redenen daarvan te begrijpen, wij zullen zien dat Gods Geest, die alles met wijsheid en voorzichtigheid regelt, zich ook hierin uitspreekt.
Wat is het naaste en eerste doel van den Godsdienst? God vereeren, niet door een of anderen persoon maar door een geheele Kerk, en dat niet slechts in een of andere zaak, met een of ander middel, maar in alles, met alle middelen, welke den mensch daartoe slechts dienstig kunnen zijn. Daarom vindt men in de Kerk van Christus Godgewijde plaatsen, gewijde kleederen, Liturgisch vaatwerk en kerkgerief, vindt men handelingen en gebeden, kerkzang en ceremoniën, in één woord alles, zóó, da; het ons op eigenaardige wijze lot God opvoert. God doet vereeren. Zou daar zulk eene taal mogen ontbreken ? Voorzeker neen. Welnu, de Latijnsche taal is daartoe bijzonder geschikt. Uit haar aard als gods-dienstspraak aangeduid door hare klaarheid en juistheid, door haar ernst en deftigheid, door hare volheid en welluidendheid, is zij de taal van een koninklijk volk, de taal der Romeinsche veroveraars en keizers; de taal der beschaving en der wetenschap ; de taal, welke in een goed gevormden persoon geeischt wordt; zij is de taal van het Opperhoofd der Kerk, van bisschoppen en priesters, van zoovele Conciliën en Kerkleeraars, van eene Liturgie, die bijna twee duizend jaren oud is; zij is de taal van Rome, het middelpunt der geheele Christenheid. Daarenboven, aan het kruis werd zij geheiligd en als door het Bloed van Jezus gewijd. Gelijk Christus is zij gestorven, maar ook opgestaan om niet meer te sterven; zij is een doode taal voor de wereld, maar een levende voor
— 53 —
God. Zij is en blijft waarlijk de taal der Roornsche stad, der Roomsche wereld (1). — Ja zulk eene taal is het meest geschikt om de Godsdiensttaai te wezen, om God door de gansche Kerk te doen vereeren.
Die ééne taal, over de gansdie Kerk in gebruik, verkondigt ons tevens hare katholiciteit of algemeenheid. »Welk eene verheven gedachte,quot; roept de Maistre uit, »een algemeene taal in eene algemeene Kerk ! van de eene pool tot de andere vindt de katholiek, die een zijner kerken binnentreedt, zich aanstonds te huis; niets vreemds verschijnt aan zijne oogen. Inkomend, hoort hij wat hij geheel zijn leven gehoord heeft; zijn stem kan hij mengelen met die zijner broeders. Hij begrijpt, wordt door hen begrepen; hij kan uitroepen: Rome is op alle plaatsen; het is overal, waar ik vertoef.quot; (2)
En zijn hart voelt hij van vreugde en bewondering uiteenzetten en grooter worden bij de gedachte: die gebeden, welke ik overal hoor spreken, werden ook herhaald één, twee, tien eeuwen geleden. Toen werd datzelfde Credo uitgesproken, dat ook nu nog van de lippen des priesters en met hem uit de harten der geloovigen voelt, het waren dezelfde gebeden, dezelfde taal. Onwillekeurig voert hem die gedachte tot den oorsprong der algemeene Kerk, en bij het hooren van bet Dominvs vohiscum roept hij uit: Ja, o Kerk, de Heer is met U, de Heer blijft met U, blijft met uwen geest. Gij zijt de ware. Dank, o mijn God, dat ook ik tot die ware Kerk geroepen ben !
Die ééne taal, in gebruik bij alle kerken, bewaart ook de zuiverheid der leer. Als ieder volk, zegt de H. Alphonsus, het Romeinsch Missaal in zijn eigen taal kon overbrengen en zóó gebruiken, moest men noodzakelijk tot eene groote verwarring komen. Hoe zou men dan gelijkheid van ceremoniën en gebeden houden? Dat is onmogelijk. De eene taal kan
(1) Bengcr, Pastoral theologie 11 B. pag. 241.
(2) Du Pape L. 1. C. XX.
— 54 —
niet immer de ware uitdrukkingen van een andere weergeven, aliermoeielijkst zou het zijn denzelfden zin van ieder woord te behouden. Één taal was noodzakelijk, om ketterijen te voorkomenquot; (1).
Daarenboven alle levende taal is aan gedurige verandering en verwisseling onderworpen. Ue taal, die onze voorouders spraken, toen een H. Maternus, Servatius of Willibrordus voor het eerst het Evangelie verkondigden, zou zeker door bijna niemand onzer tijdgenooten verstaan worden. Of om een bewijs van lateren tijd te geven, welke moeite kost het ons niet, om een gebedenboek der vorige eeuw te lezen? Wat vreemde uitdrukkingen en woorden vindt men daar niet in! Moest dus de Kerk gebruik rnaken van de levende talen, dan moesten deze ook telkens herzien, telkens veranderd worden. Zou daardoor de ware zin der woorden niet verloren gaan? De Latijnsche taal daartegen blijft als doode taal altijd onveranderd; het Latijn van de eerste Kerkvaders, van de eerste Pausen is nog het Latijn van de latere gewijde schrijvers en laatste Pausen; de Liturgische gebeden, hoe vroeg dan ook opgesteld, hebben nog immer dezelfde kracht van uitdrukking, geven nog immer denzelfden zin van de leer der Kerk weer. Om de zuiverheid van Christus\' leer te bewaren was het dus insgelijks noodzakelijk, dat die doode taal in de Misgebeden behouden werd.
Maar, zegt men, het volk kan toch beter begrijpen wrat daar op het altaar plaats grijpt, als de 11. Mis in de moedertaal wordt opgedragen. Daardoor zou het beter onderricht worden. Wij antwoorden: niet zoozeer om het volk te leeren wordt de H. Mis opgedragen, maar om het te heiligen, om het deelachtig te maken aan Christus\' oneindige verdiensten. Uet oll\'er wordt ook voor hen en door hen opgedragen, maar de band, welke den priester met het volk verbindt, is niet het
(1) Ociivr. Üügni. T. VU. p. urn.
— 55 —
begrijpen des woords, maar het geloof, de onderwerping des verstands; en na het geloof voige de liefde, of liever zij gaat hand aan hand daarmede, want wie de liefde niet heeft is als een klinkend metaal, zegt de Apostel. Een hart dus is daarbij noodig, zuiver door het geloof, brandend door de liefde. Om door het H. Offer met God vereenigd te worden, heeft men vóór alles een grooten eerbied , een groot geloof noodig in den Heilige der Heiligen, heeft men vóór alles een zuiver hart noodig, vol liefde. De geloofvolle liefde, dat is de ziel van den Godsdienst; bidden, en bidden vooral bij het H. Misoffer dat is de zaak van het hart, niet van het verstand; nog eens, niet het begrijpen des woords, maar het eerbiedvolle geloof, de reine of rouwmoedige liefde, dat is de hoofdzaak. Het enkele geloofspunt: ik ben hij hetzelfde offer tegenwoordig als het offer van Calvarië, dezelfde offerande wordt opgedragen, maar op onbloedige wijze, was voldoende, om de harten van duizenden Heiligen in lichte laaie liefdevlam te ontsteken, zij verstonden de woorden niet, en toch trokken zij meer vrucht uit één H. Mis dan duizend andere geleerden, die de Latijn-sche taal machtig waren, en niets anders zochten dan onderricht te worden. Hun levendig geloof, hun vurige liefde, hun kinderlijk vertrouwen, dat -.waren de middelen om tallooze genaden uit het offer der nieuwe wet deelachtig te worden. Neen, daar waren geen gewone gebedsformulen in hun moedertaal voor noodig. Integendeel die geheimvolle, plechtige taal der Liturgie, voor hen altijd nieuw, wekte hen veel beter daartoe op. Of is soms de stelling gewaagd : het gewone, het dagelijksche, waarin wij ziin, waarmede wij ons immer bezig houden, maakt geen indruk meer, grijpt ons gemoed niet aan, wordt zeer spoedig veracht? Men zegge niet; Onbekend maakt onbemind. Liefde kan men slechts hebben voor hetgeen men kent, en die kennis kan men slechts verkrijgen door gebeden in onze moedertaal! — Voorwaar, een ijdele uitvlucht! Alsof onze Moeder de H. Kerk niet rijk genoeg was
— 56 —
om ook door zaken te leeren, alsof zij het hart niet kon ontvlammen door hare ceremoniën en plechtigheden, door haren wegslependen zang, hare heilige handelingen, kortom door alles, wat met elkander te zamen werkt om het grootsche en ontzettende van het H. Offer te doen kennen ! Ja dat H. Offer met al zijne ceremoniën, met alle handelingen daaraan verbonden, is veel meer dan alle levende taal in staat, ons geloof te verlevendigen en de liefde in onze harten te ontsteken. Alles werkt daartoe mede. Het is onnoodig alle woorden te weten, die er gesproken worden, liet Offer der H. Mis, zegt Bellarminus, bestaat meer in de daad dan in de woorden (1).
Maar bij dit alles heeft toch onze Moeder de H. Kerk verlangd, dat hare kinderen zoo veel zij konden, zouden begrijpen van die kerkelijke taal. Onophoudelijk heeft zij hare priesters aangemaand, aan de geloovigen de gebeden en ceremoniën van het II. Misoffer te verklaren, hun den veel omvattenden zin, den rijkdom der gedachten, die daarin gelegen zijn, te doen begrijpen. Daarenboven vindt een ieder in zijne moedertaal boeken, welke hem de liturgische gebeden nader verklaren. Ook deze verklaring zal, zoo vertrouwen wij, daar toe iets bijdragen. Men kan dus met het volste recht zeggen : niets ontbreekt er aan de kinderen der Kerk, om dat aanbiddelijk Offer zoo veel mogelijk te begrijpen, om het met de overvloedigste vrucht voor hunne ziel bij te wonen.
(i) De Euchar. L. VI. C. II.
-t^yy-iy c -co
(jTeholpen door Gods genaden, gesteund, zooals wij vertrouwen, door het gebed onzer lozers, en voorgelicht door de beste verklaarders der H. Mis, gaan wij thans de liturgische verklaring der plechtige Mis beginnen, en den priester met zijne dienaren voet voor voet volgen aan het altaar.
Oudtijds was de H. Mis verdeeld in de Mis der Doopleerlingen en in die der Geloovigen. Thans echter verdeelt men haar op verschillende wijzen. Wij zullen daarom de verdeeling volgen, welke ons de H. Kerkleeraar Alphonsus Maria de Liguorio geeft, (l) en alzoo haar scheiden in zes deelen:
I. De naaste voorbereiding tot de plechtige H. Mis.
II. De Mis der Catechumenen of het gedeelte van den
Introïtus tot de Offerande.
III. De Offerande en de Prefatie.
IV. De Canon met het Pater noster.
V. De voorbereiding tot de H. Communie en de Com
munie zelve.
VI. De dankzegging na de H. Communie of de gebeden
TWEEDE DEEL,
tot het einde.
(1) S. Alph. Oeuvr. Compl. Dujardin. T. XIV. p. 16.
EERSTE HOOFDSTUK.
De naaste Yoorbereiding tot liet i. Oler.
--
§ 1. AAN DEN YOET DES ALTAARS.
Het H. Offer, hetzelfde als van Calvarië, zal dan op onbloedige wijze worden opgedragen. Ziet, de geloovigen zijn vergaderd en wachten met ongeduld den offeraar. Zij weten het immers, na eenige oogenblikken zal de aarde vereenigd worden met den hemel, een overvloedige regen van genaden en zegeningen zal neerstroom en, Gode zal de hoogste eer en verheerlijking, lof en dank gebracht, den menschen, zondaars en rechtvaardigen, zoo zij slechts van goeden wil zijn, verzoening en heiliging, vrede en liefde geschonken worden. Ja, het verlossingswerk van Jezus Christus gaat zich als hernieuwen, en daarom verzuchten die velen met de Oudvaders naar den Verwachte der volkeren, daarom smeeken zij zoo vurig mogelijk: »Kom, Heer Jezus, kom.quot; Eh met die zuchten en smeekingen des harten paren zich blijde de orgelklanken, (1) en vertolken in de zachtste en liefelijkste accoorden het geluk des Christens, die de H. Mis gaat bijwonen.
Als oudtijds de Hoogepriester het Heilige kwam binnentreden om hel offer te brengen, dan kondde het geklingel der gouden klokjes van zijn opperkleed zijn komst. (2) Hoort, daar klinkt ook nu de schel op feestelijken toon; de ingang van den priester en zijne dienaren wordt gemeld. (3) Zij
(1) Caer. Episc. L. C. 28. n. 3 i.
(2) Exod. XXVIII. 34. 35.
(3) Zie Gard. Comm. in ïnstr. Clem. § 16.
— 61 —
treden vooruit, die wierookdrager, die ons herinnert aan de menschelijke natuur, welke God om de verlossing der wereld gaat bidden, (1) die twee levieten met hunne kandelaars en brandende kaarsen, (2) zij beteekenen de wet en de profeten, welke ons Christus\' komst zoo duidelijk deden zien en aanschouwelijk maakten, die in Christus geheel en al vervuld zouden worden. (3) Joannes de Dooper, die Christus in de kracht van Elias onmiddellijk voorafging, om den weg des Heeren te bereiden en het volk de boetvaardigheid te prediken, hij volgt in den persoon des Subdiakens. (4) Hij roept ons toe: «Zondaars, wilt gij met vrucht het offer van Jezus Christus bijwonen, wilt gij uw erfdeel herwinnen, doet boetvaardigheid, want het rijk des Hemels is nabij. Jezus zal u in zijn offer de genade eener oprechte Biecht verwerven.quot; — Dan volgt de diaken, de naaste dienaar des priesters. Is hij niel de schoonste afbeelding van dien anderen Joannes, (5) die bij het eerste Misoffer aan Jezus\' harte aanlag; die daar uit die heilige bron met volle teugen de stroomen des Evangelie\'s mocht drinken, die bij het bloedig offer van Calvarie naast het kruisaltaar stond, en daar met Jezus, zijn dierbaren Meester, mede het offer bracht? Voorzeker, want de priester, die hem volgt, vertegenwoordigt den persoon van Christus zeiven. Toegerust met zijne macht zal hij opnieuw aan de wereld het H. Sacrament des altaars geven, zal hij het Offer van Calvarie, ofschoon op onbloedige wijze, hernieuwen; de diaken dus, die hem daarin van zoo nabij ter zijde staat, zijn Evangelie aan de wereld verkondigt, met den priester de eerste medeofferaar is, hij vertegenwoordigt ons op sprekende wijze Joannes, den leerling, dien Jezus liefhad.
(1) Gavant, Comment, in Rubr. Miss. P. II. XVI,
(2) Missale Rit. Cel. II. 5.
(3) Gav. 1. c. hinoc. III. de S. Alt. Myst. L. II. C. VIII.
(4) Innoc. O. cit. G. III.
(5) Innoc. O. cit. C. XV.
- 62 —
Zij allen zijn voor het offeraltaar gekomen. Zullen zij nu aanstonds den H. Berg bestijgen, zullen zij onmiddellijk de trappen opgaan en de H. Offerande van Gods Zoon den hemelsche Vader aanbieden ? — Maar om dat slachtoffer te brengen is er recht noodig op het leven der offerande ; (1) de priester als mensch bezit dat recht niet. — Maar als Offeraar behoort hij gescheiden te zijn van de zondaars, en verhevener te zijn dan de hemelen; (2) de priester is een zwak schepsel, als alle anderen blootgesteld aan de vervolging des ongerechten, balling is hij in dit tranendal. — Maar om dat offer den heiligen God aan te bieden, moet hij zelf heilig, onschuldig, onbevlekt zijn; (3) en hij is een arm zondig mensch. Om dit alles dan moet hij eerst zijn onmacht, zijne zwakheid, zijne ellende erkennen, en de kracht van Gods verlichtende en verheffende genade, de vergiffenis zijner zonden door berouw en belijdenis afsmeeken. Hoort, hoe \'s Heeren dienaar dit doet aan lt;ien voet des altaars, in eene heerlijke en onnavolgbare samenspraak met zijne dienaren, die thans voor het verzamelde volk optreden.
Na door eene diepe eerbiedsbetuiging aan God zijne nietigheid erkend te hebben, slaat de priester met zijne dienaars het H. Kruisteeken, en zegt: »In den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. Amen. Ik zal ingaan tot het altaar Gods.quot; Almachtige, Drieëenige God, zoo erkent hij door deze korte woorden, ik heb geen recht op het leven van uw menschgeworden Zoon; als mensch kan ik dat offer niet opdragen, ik heb daartoe uwe goddelijke macht noodig. Maar toen Gij mij tot uw priester uitverkoost, hebt Gij ze mij geschonken ; welnu dan in den naam des Vaders, wiens priester ik ben, wien ik dit offer brengen moet, in den naam des Zoons, met wien ik priester ben, dien ik offeren mag, in
(1) Cone. Trid. § XXII. 1.
(2) Hcbr. Vil. 26.
(3) Ibidem.
— 63 —
den naam des H. Geestes, door wien ik priester ben, door wien ik offeren kan, hetzij zoo, ik zal het altaar des Heeren opgaan en het Kruisoffer op onbloedige wijze vernieuwen. (1)
Ja, roept het volk, ga op, ga op tot God, tot dien goeden, barmhartigen God, die zich geheel voor ons wil geven, en zóó in ons vreugde en geluk uitstort, zóó ons als verjeugdigt. Wij gaan met u vlot God, die mijne jeugd verhlijdl.quot;
Maar, zoo vervólgt de priester, ik ben als David voor de gramschap zijns schoonvaders, uit mijn vaderland gevlucht, balling ben ik op deze wereld, omgeven van goddeloozen, die mij vervolgen, belaagd door den ongerechten en bedrieglijken mensch. — En als offeraar moest ik geheel gescheiden zijn van de zondaars, verhevener dan alle inwoners van het he-melsche vaderland, lieer, oordeel, hoe zal ik kunnen offeren, bedenk dat ik dan eerst geheel gescheiden moest worden van de boozen. ^Oordeel mij, o God, en onderscheid mijne zaak van het onheiluje volk: ontruk mij aan den bedrieglijken en ongereciitigen mensch.quot;
Priester, zoo antwoordt het volk, dat zal geschieden, want God is onze kracht; waarom zou Mij ons verstoeten? Neen, neen, niet met droefheid voortgetreden, ofschoon de vijand ons ook belaagt, in God kunnen wij alles: »Want Gij, o God, zijl mijne kracht, waarom verstoot Gij mij, of waarom treed ik bedroefd voort, terwijl de vijand mij vervolgt?quot;
Geef dan, o Heer, uw goddelijk licht, uw voorlichtende en versterkende genade, verkondig uwe waarheid, zoo gaat de priester thans vol vertrouwen verder, toon aan ons, o God, dat Gij uwe belofte getrouw blijft. Dan zal ik, ofschoon ik zwak en onwaardig ben, mij boven alle schepselen kunnen verheffen, dan zal ik uwe woonplaats kunnen binnengaan. Uwe genade en uwe belofte zullen mij er binnen voeren, daar ben ik zeker van. ygt;Zend uw licht en uwe waarheid
(I) Zie S. Alph. Oeuvr. Asc. T. IV. P. 16.
uit; deze hebben mij geleid en voortgeleid naar uw heiligen! berg en naar moe woontenten.quot;
Ook wij gaan mede, roept het volk, wij ook gaan met-u het altaar op. God is zoo goed, dat Hij ook ons töt medeofferaars wil hebben, en zóó ons leven als vernieuwt, onze zielen verjeugdigt. Ja, wij ook durven thans met U offeren : nOok ik zal ingaan tot het altaar Gods, tot God, die mijne jeugd verblijdt.quot;
Voorzeker, vervolgt de priester, dat zult gij; laat ons dan roet de volste vreugde dén Heer gaan loven en danken ; alle jubelklanken moeten ons ten dienste staan, alle droefheid moet uit onze ziel verbannen, alle ontsteltenis uit onze harten verdreven worden. »God, mijn God, ik zal U op de citer loven. Waarom zijt gij nog bedroefd, mijne ziel, of waarom ontstelt gij mij ?quot;
En het volk : Waarom zouden wij dit niet vol vertrouwen doen ? God blijft immers zijn woord getrouw, en Hem gaan wij verheerlijken. God, die eenmaal alle tranen van ons aanschijn zal afwisschert, die ons aan Hem zal gelijk maken, diè eens zijne heerlijkheid over ons zal doen schitteren, als wij Hem van aanschijn tot aanschijn zullen aanschouwen. vHoop op God, want Hern zal ik nog lofprijzen. Hij, het heil van mijn aanschijn en mijn God.quot;
En Hem verheerlijkende, roepen Priester en volk als uit één mond uit: iEer zij den Vader en den Zoon én den H. Geest. Gelijk het was nu en altijd en in alle eeuwen der eeuwen. Amen.quot; En ten derde male herhalen zij het, maar thans^ op nog vreugdevoller toon : »Ik zal ingaan tol het altaar Gods, tot God, die mijne jeugd verblijdt.quot; Want hun vértrouwen is óp de almachtige hulp van hun Schepper gegrond, die éénmaal hertiel én aarde\' uit het niet te voorschijn riep : a Onze hulp is in den naam des Heer en, die hemel en aarde gemaakt heeft.quot;
— 65 —
Maar de beschouwing van dit alles wekt in de ziel van den priester de levendigste gevoelens van berouw. Mijn God, welke macht is rnij gegeven bij het opdragen van de Hi Mis ! zoo denkt hij ; welke genaden stroomen mij toe, hoe barmhartig zijt gij toch, en niettegenstaande dit alles blijf ik nog een zondig raensch ! (I) En ik moest heilig, onschuldig, onbevlekt zijn ! — Maar een berouwvol en vernederd hart\'-verstoot Gij niet. — Daarom buigt hij zich dan diep, als de tollenaar durft hij de oogen niet opslaan, en klopt hij zich de borst, terwijl hij voor den almachtigen God, die alleen zijne ziel kan zuiveren, voor Maria, de toevlucht van alle zondaars, voor den aartsengel Michael, die als beschermer van Gods volk de zielen moet voorbrengen, voor Joannes den Dooper, die ons de boetvaardigheid gepredikt heeft tot vergiffenis der zonden, voor een H. Petrus , die de sleutels des hemels ontving, een H. Paulus, die als bekeerde zondaar ons zulk een vertrouwen inboezemt, ja voor alle Heiligen, die in den hemel zich zoo verheugen, als een zondaar boetvaardigheid doet, en voor zijne broeders, die hem omgeven, belijdt, dat hij gezondigd heeft door gedachten, woorden en werken, en dat door zijne schuld, door zijne schuld, door zijne allergrootste schuld. Daarom ook bidt en smeekt hij allen, dat zij bij den Heer, onzen almachtigen God, voor hem bidden.
Ook van ons vraagt hij dus een gebed, de priester Gods; welnu, geven wij gehoor aan zijne smeekbeden, en laten wij^ met zijne dienaars bidden : »De almachtige God ontferme zich over ti, vergeve uwe zonden en geleide u ten eeuwigen leven. \' Ja, ja, dat zij zoo, zegt de priester. ygt;Amen.quot;
Maar houden wij bij die schuldbekentenis des priesters ook in het oog, dat hij de plaats van Jezus Christus bekleedt, dat dus in den priester ook de goddelijke Verlosser die belijdenis doet. Heeft Christus dan ook gezondigd ? Neen, want onze Opperpriester is heilig, onschuldig, onbevlekt. (u2) Maan
(1) Hebr. VII. 27. (2) Hebr. VH 26.
— (56 —
de zonden van het inensclidom op zich genomen, toen Hij mensch werd, dat heeft Hij wel gedaan. En onder dien zon-denlast ging Hij gebukt, toen Hij doodsbedroci\'d was in den hof van Olijven, dat deed Hem verzuchten en lijden, ja tot den doodsangst toe. Welnu, als wij dan voor het altaar den priester zoo diep gebogen zien, hem die belijdenis hooren doen, denken wij dan ook aan Jezus, die zich om onze zonden zoo diep heeft vernederd, die zoo veel heeft geleden, en roepen wij met Durandus (I) uit: »0 vernietiging van het goddelijk Woord, dat de gedaante van een dienstknecht heeft aangenomen ter gelijkenis van het zondige vleesch!quot;
En zouden wij na dit alles ook zelf onze schuldbekentenis niet doen ? Hebben ook wij God niet vergramd en misschien zwaar beleedigd ? — Belijden wij even als de priester, met zijne dienaren onze schuld, vernederen wij ons onder de hand van den almachtigen God, kloppen wij op de borst en smeeken wij : «Heer, wees ons arme zondaars genadig!quot; Ja, bidden wij, dal de Heiligen Gods, maar vooral ook de priester, die hier als onze vader in de H. Mis zal optreden, voor ons zullen bidden bij den Heer onzen God ; dan kunnen wij hoop op ontferming en vergiffenis, op ontbinding en kwijtschelding hebben. Want nauwelijks hebben wij die bede gedaan, of de priester smeekt ze reeds voor ons af. Laat ons dan met hem het kruisteeken maken, om in onze zielen weder het beeld van don gekruisten Christus te herstellen, dat wij, helaas, door de zonden hadden verdreven, en luide herhalen: «Amen, het zij zoo !quot;
O, wat treffende, wat opbeurende, wat verhevene en zielroerende samenspraak van priester en volk ! Met welk oog moet toch wel de zegevierende Kerk in den hemel thans op hare jongere zuster, de strijdende hier op aarde, die zich daar voor hun gerneenschappclijken Vader zóó vernedert, zóó bidt, nederzien. De schapen bidden voor hun herder, de (1) L. IV. G. 7.
— 67 —
herder voor zijne schapen. Is er een schouwspel meer aantrekkelijk, meer eigen, om de eeuwige stroomen van Gods barmhartigheid over hen te doen nedervloeien? O neen, de priester is er van overtuigd, hij buigt het hoofd, als om ze te ontvangen en roept uil: »J«, o Heer, Gij zijt veranderd, Gij zult ons weer levend maken.quot; En de Christenen juichen mede : ygt;En inv volk zal zich in U iveer verheugen.quot; ygt;Toon ons dan. Heer, uwe barmhartigheid,quot; verzucht de priester. ygt;En xiw heil,quot; antwoordt het volk, Jezus n. 1. die door zijn zoenoffer ons heil gaat woiden, y)geef het ons.quot; »Verhoor ons gebed, o Heer,quot; ygt;En ons geroep home tot L.quot;
En nu is het oogenblik gekomen, dat de priester den offerberg zal beklimmen, dat hij als middelaar tusschen God en de menschen den Hemelschen Vader door zijn Zoon om genade en verzoening gaat smeeken; hij moet zich scheiden van zijn volk, om het Heilige der heiligen binnen te gaan. Maar zal dit geschieden zonder eerst elkander gegroet te hebben? vooral nadat men zoo opbeurend, zoo vertroostend met elkaar heeft gesproken en gebeden? Neen dat mag, dat kan niet. Zij moeten elkander groeten en met dien groet een heilwensch doen, die overgelukkig maakt. En wat zijn de woorden, die zij spreken? ygt;De Heer zij met u: Dominus vobiscmn,quot; zegt de priester. En het volk : ygt;Et cum spiritu tuo: En met uwen geest.quot; Gewoon om die woorden zoo dikwijls te hooren, hebben wij misschien nimmer eigenlijk overdacht, wat ons daarmede toegewenscht, wat den priester door ons toegebeden wordt. Maar zij omvatten toch zooveel.
vDe Heer zij met u.quot; ))Wat,quot; zegt zoo schoon Mgr. Gaume, »kan de priester in dil oogenblik zijn volk beter toewenschen? Hij spreekt die woorden uit, nu Christus gaat geoflerd worden. Het is dan alsof hij zegt: ))Moge toch in het oogenblik, dat de hemel zich gaat openen, waarin God zal nederdalen, en ik over uwe grootste belangen met Hem ga onderhandelen, Gods gunst op u rusten, de Heer met u zijn.
- 68 —
Hij schenke u den geest des gebeds, de levendigste gevoelens van berouw en liefde, van verlangen en ijver.
De Heer zij met u, in het oogenblik dat Hij zelf er zoo naar smacht, om zich met u te vereenigen. Hij zij met u gedurende geheel zijne Offerande, ja dan zal zij voor u de heerlijkste vruchten voortbrengen. O, kan er treffender, meer omvattende vvensch worden gedaan !quot;
En wij, wij antwoorden aan den priester: vEn met uwen geest.quot; Is ook deze groet op het geschikte oogenblik gesproken? Wij aarzelen niet bevestigend te antwoorden. Het volk zegt niet: En met u, maar »melt; uwen geest,quot; omdat het thans in den priester, nu hij het Heilige der heiligen binnen gaat, niet meer een raensch, maar veeleer een zuiveren geest, een engel Gods ziet, die de meest engelachtige bediening gaat uitoefenen. »En met uwen geest,quot; zegt een schrijver van de negende eeuw, »omdat alles geheimzinnig en geestelijk is in de bediening, welke de priester gaat vervullen ; omdat zijn hart niet kan binnendringen in de grootheid van zijn ambtsvervulling, zonder dat zijn geest zich bezig houdt met de groote geheimen en waarheden, welke in de gebeden liggen opgesloten, die hij gaat uitspreken.quot;
Aldus wenscht dan de priester aan de geloovigenj dat Jezus Christus te midden van hen verblijve, en het volk doet een dergelijk gebed voor den priester, opdat Jezus alles zij in allen; opdat Hij alleen bidde, beminne, aanbidde in de harten, en dat alle harten zich tot één hart vormen in Jezus Christus. Heerlijke wensch, dien ook wij voor ons en voor onze lezers tot God richten bij het vervolg dezer beschouwing over het Misoffer!
— 69 —
§ 2. BIJ HET KOMEN AAN HET ALTAAK.
D e priester heeft clan zijne geloovigen gegroet, het christenvolk zijn herder. Hij gaat zich van hen scheiden, om als offeraar te staan voor den troon des AUerhoogsten. Maar eene laatste vermaning moet nog van zijne lippen, een aanmaning, waarin hij zoowel zich zeiven als zijn volk toespreekt, een aanmaning tot gebed. «Broeders,quot; zoo moet hij allen toevoegen, »bidt voor mij in dit ontzaglijk oogenblik, en ik zal het voor u doen. Laat ons volharden in het gebed.quot; (1) Daarom strekt hij zijne handen ten hemel uit, sluit ze weer voor zijne borst te zamen, als wilde hij tegelijk Gods genade ontvangen, en zegt met luider stem : vOremtis : laten wij bidden.quot; En zoodra hij die laatste vermaning der voorbereiding gesproken heeft, treedt hij in stilte, langzaam en plechtig met zijne dienaars den Offerberg op, maar verdubbelt, naarmate hij voortgaat, voor zich zelf en zijne dienaars de smeekbede om vrij van iedere zondevlek te zijn. » Wij hidden U, o Heer,quot; zoo verzucht hij, meem onze boosheden van ons weg, om met een zuiver gemoed het Heilige der heiligen te kunnen binnengaan. Door Christus onzen Heer, Amen.quot;
»Het Heilige der heiligen te kunnen binnengaan.quot; Dit herinnert ons aan den tempel van het Oude Verbond. Daar had men het Voorhof, het Heilige, en het Heilige der heiligen. In dit laatste stond de Ark des verbonds, waarin het Manna
(i) Te Rheims bestond in lo85 nog de volgende schoone gewoonte. Als de priester het allaar moest opgaan, deed hij eerst zijn groet aan het altaar, door te zeggen : tSalva nos, Christe, Salvator mundi: Christus, Zaligmaker der wereld, maak ons zalig.quot; Dan keerde hij zich tot het volk en sprak : tOrate pro me, fralres, et ego pro vobis : Bidt voor mij, broeders, en ik voor u. Pax vobis: Vrede zij u.quot; Daarna beklom hij het altaar.
— 70 —
bewaard werd, en waar God zijn zetel had opgeslagen. De hoogepriester mocht er slecht éénmaal in het jaar, en dan nog slechts na zich op allerlei wijzen gezuiverd te hebben, binnengaan. Dan bracht hij daar den beker met het bloed der offerdieren en plengde er dat ter verzoening en zaligmaking voor den Almachtige. Het Oude Verbond is in alles het schaduwbeeld van het Nieuwe. Welnu, is dan het altaar, waar dat hemelsch Manna, dat alle geneugten in zich bevat, het brood der Engelen, bewaard wordt, waar Jezus troont en zijne genaden uitdeelt, waar Hij dagelijks hel Nieuw Verbond verzegelt door het offer van zijn Lichaam en Bloed, niet veel heiliger dan het Heilige der heiligen ? Voorzeker, en hij, die daar binnengaat, moet zuiver zijn van alle zonden, hij moet ontdaan zijn van alle schoeisel der ongerechtigheid, om op die heilige plaats, als Mozes bij het brandende braambosch, met den Heer te kunnen spreken over de belangen van zijn volk; om, als Aaron het offer, maar thans het Offer van den eeni-gen Zoon van God, te kunnen opdragen. Daarom zal hij, nu rnen tot die plaats opgaat, met zijne dienaars, die hem vergezellen verzuchten; ygt;Neem van ons tveg, o Heer, zoo smeeken wij u, al onze hoosheden, opdat wij met een zuiver hart het Heilige der heiligen kunnen binnengaan.quot; En omdat Christus de bron is van alle genaden, omdat Hij de middelaar is tusschen aarde en hemel, tusschen den mensch en God, daarom moet hij er bijvoegen; »Doo;- Christus, onzen Heer. Amen.quot;
Zoo voortgaande komt de priester bij het altaar. Wij weten van vroeger, welke heerlijke afbeelding van Jezus Christus, tronend te midden zijner Heiligen, die offertafel is. Welnu, nauwelijks is dan de priester ze genaderd, of hij buigt zich diep, legt er zijne handen op en kust ze vol eerbied. Zijne lippen fluisteren intusschenin stilte ; ygt;Wij bidden n, o Heer, door de verdiensten van uwe Heiligen, wier overblijfselen hier rusten, en van alle Heiligen, dat gij u gewaardigt mijne zonden te vergeven. Amen.quot;
Eenvoudige maar loch veelbeteekenende ceremonie, kort maar voortreffelijk gebed in dit oogenblik ! Ziet, de priester weet bet, nog slechts een weinig tijds, en het offer begint; hij is reeds op de plaats, waar hij offeren moet, gekomen, hij slaat voor den troon der Offerande, wat kan hij anders doen dan het teeken van kinderlijken eerbied en liefde op den zetel van het Lichaam en Eloed van Jezus Christus (l) drukken ; wat voortreffelijker, dan het godeerbiedig kussen en het betuigen, dat hij Christus wil aanhangen, als lidmaat van dat Hoofd, waarvan de Heiligen, wier overblijfselen daar rusten, zulke trouwe ledematen waren ? Ja, omdat hij zich zoo innig mogelijk met Jezus wil vereenigen, (2) daarom groet hij bet altaar met een kus.
Maar te gelijk met het altaar kust hij ook vol eerbied en liefde do kostbare overblijfselen der Heiligen, die aldaar aanwezig zijn. Het is, omdat hij deze nu vooral als zijne vrienden noodig heeft. Zij moeten door hunne vele verdiensten barmhartigheid voor hem verwerven, zij voor hem bidden, dat hem alle vlekken, welke nog op zijne ziel kleven, worden uitge-wischt; zij hem helpen om dat goddelijk offer, zoo waardig als een mensch dat kan, op te dragen. (3).
Lezer, als Gij dan den priester het altaar ziet kussen, o vereenig u dan met hem, want Gij moogt immers met \'s Heeren dienaar ook medeofferaar zijn in de H. Mis. Betuig uwe innige liefde aan Jezus, uw Zaligmaker ; zeg Hem, dat Gij de zonde haat en verfoeit, dat Gij Hem alleen voortaan zult aankleven. En die betuiging zij niet als de Judaskus, die den Goddelijken Meester verried ; neen, oprecht zij het ii gemeend ; vast besloten moet Gij zijn om in eeuwigheid geen zonden meer te bedrijven. Ja wend u daarom ook in dit oogenblik tot de vrienden des Allerhoogsten, tot Gods lieve Heiligen ; zij zullen u kracht verwerven, waar gij zwak
(1) Optav. Mil. adv. Parm. L. IV. C2) S. Alph. Ocuvr. Asc. T. XIV. p. 18. (3) Zie Le Brun Explic. Miss.
— 72 —
zijt, zij u de volkomen zuivering uwer ziel erlangen, om alzoo heilig en welbehagelijk in Gods oogen het Misoffer bij te wonen.
De wierook, wij weten het van vroeger, beteekent ons o. a. het gebed der rechtvaardigen, hot gebed der Heiligen in den hemel. De H. Joannes zag de grijsaards voor den troon van het Lam geknield, en zij boden in gouden schalen de geurige wierookkorrels aan, die de gebeden der heiligen zijn. (1) Zou dan nu vooral niet het juiste oogenblik gekomen zijn om den wierook aan God aan te bieden ? Nu de priester zijn laatste gebed der voorbereiding spreekt, en het gebed der Heiligen Gods zoo noodig heeft ? Nu hij God verzoekt, om toch op hunne verdiensten, hunne srneekin-gen neder te zien ? — Voorzeker, daarom legt de priester thans wierook in het wierookvat, spreekt zijnen zegen daarover uit, en bewierookt dan het kruis en verder geheel het altaar met al zijn toebehooren. En die zichtbare ceremonie zegt ons, wat er dan op onzichtbare wijze in den hemel plaats heeft. Jezus, de Middelaar tusschen zijn Vader en het menschdom, neemt de gebeden en verdiensten der Heiligen en zijne eigen overvloedige verdiensten, en biedt ze als een offer, aangenaam in Gods oogen, aangenaam als de geurige wierook, zijn hemelschen Vader aan ; het vuur zijner goddelijke liefde verzekert ons de verhooring.
Maar na die omwolking van het altaar neemt de diaken het wierookvat en bewierookt ook den priester. Dit ook heeft zijne beteekenis. Iemand den wierook offeren is tevens een teeken van de hoogste eerbewijzing. Welnu, daar het laatste oogenblik der voorbereiding gekomen is en het H. Misoffer gaat beginnen, betuigt de diaken door die hooge onderscheiding ; «Priester Gods, Gij hebt u voorbereid door betuigingen van onmacht, van zwakte, van berouw en boete ; Gij hebt \'s Hemels voorspraak afgebeden, en den Middelaar Jezus Christus tusschen u en tusschen den hemelschen Vader ge-
(1) Apoc. V. 8. ,
— is —
steld. Gij hebt de gebeden der Heiligen verzocht, Gij hebt alles in één woord gedaan, om u zoo zorgvuldig mogelijk voor te bereiden ; o, gedenk nu, welke macht u gegeven is door den Vader, den Zoon en den H. Geest; gedenk dat Gij de plaatsbekleeder zijt van Jezus Christus. Gij, andere Christus, begin thans de onbloedige offerande.quot; — Dat zegt ons de diaken, als hij den priester driemaal bewierookt.
Intusschen mocht ook het volk niet zwijgen. De priester had hen aangemaand tot gebed. Daarom heeft het bij monde van het koor zijne smeekbede gestort iri den overschoenen ingangszang of Introilus, welke alleen onderbroken wordt om de glorie van de Allerheiligste Drievuldigheid le verkondigen. «Gelijk de ingang des priesters,quot; zegt Paus Innocentius III zoo schoon, (1) »de komst van Christus beteekent, zoo drukt die antiphoon, (2) welke bij den Introïtus gezongen wordt, het verlangen naar Jezus\' komst op de meest sprekende wijze uit. De Heer zeide aan zijne apostelen : «Vele koningen en profeten hebben verlangd te zien, wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien, te hooren wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord.quot; (3) Daarom verwijdt het koor zijne ziel en zingt jubelend dien Introïtus, gelijk de profeten. Patriarchen, koningen en priesters en alle geloovigen met groot verlangen naar Christus\' komst uitzagen, roepend en smee-kend : »Zend toch, o Heer, het Lam, den beheerscher der aarde. (4) Kom, o Heer, en wil niet toeven, verlicht delasten van uw volk Israël.quot;quot; Ja waarlijk, als men die woorden,
(1) 0. cit. C. XV1I1. (2) Dit woord beteekent: vleurtzang.quot; Reeds in de allereerste eeuwen der Kerk was men namelijk gewoon de Psalmen met twee koren beurtelings te zingen. Men plaatste dan vóór en na den Psalm een korte spreuk, die de hoofdgedachte van den Psalm aangaf of aan die gevoelens herinnerde, welke men, overeenkomstig feest of plechtigheid, met dien Psalm wilde uitdrukken. Deze spreuk noemde men daarom als deel voor het geheel; «antiphoon.quot;
(3) Matth. XIII. 17. (i) Isa. XVI. i. 6
— 7-4 —
gewoonlijk genomen uit den tekst van liet Oude Verbond, aandachtig naleest, als men vooral de melodie der gezangen, die ideh nu eens jubelend en blijde, dan weder godvruchtig, liefelijk en zoet, hier vol verhevenheid en majesteit, daar vol eenvoud en hartelijkheid, maar steeds vol innig verlangen doet hooren, overweegt, dan gevoelt men dat een Paus Celestinus, bij het instellen dier antiphonen, meer heeft verlangd dan een eenvoudig psalmgezang, dat hij tevens het verlangen naar den Verlangde der volken heeft willen uitdrukken, die zoo aanstonds in het H. Offer zijn verlossingswerk zal komen voortzetten.
Die antiphoon van het ingangsgezang moet herhaald worden. »Het drukt de vermenigvuldiging en den aandrang van den kreet om verlossing uit, zooals de profeet zegt; vraag en hervraag, wacht en wacht opnieuw, nog een weinig, nog een weinig. (1) Zoo liij nog toeft, wacht Hem af, want Hij is reeds in aantocht; Hij zal komen en niet toeven.quot; (2)
En tusschen dat smeekgezang naar den Verwachte der volkeren klinkt het: ygt;Eere zij de Vader, den Zoon en den II. Geest.quot; Het geschiedt, zegt ons verder de geleerde Paus In-nocentius, als een bede om toch een gunstig gehoor te ontvangen, om Gods welwillendheid voor ons te winnen, want om gemakkelijker te verkrijgen wat wij verlangen, wenden wij ons lofprijzend tol de geheele Drievuldigheid en srneeken wij daardoor : «Toon ons, o lieer, uwe barmhartigheid, en uw heil geef het ons.quot; Zoo vertegenwoordigt ons derhalve liet gezan; van deu Introïtus, wel niet immer volgens den letter der woorden, maar volgens den jubel des gezangs, altijd het verlangen der Oudvadersquot; (3) Zij het ook voor ons een aansporing te meer om in dat oogenblik des te vuriger te verzuchten : »Kom Heer Jezus kom !quot;
(1) (sa. XXVIII. 15. (2) Innoc. 0. cit. {51 Innoc. O. clt. XVIII.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De Mis der Cateehumenen.
Het tweede gedeelte der H. Mis, dat wij thans moeten behandelen, omvat den Introïtus, het Kyrie eleison, het Gloria, Gebeden, Epistel, Graduale en Evanyelie. Het wordt de Mis der Catechumenen genoemd, omdat oudtijds, toen er nog scherper afscheiding bestond tusschen gedoopten en ongedoopten, de Catechumenen ol\' de nog ongedoopte leerlingen, na het Evangelie werden weggezonden. Zij mochten bij hel eigenlijke Oll\'er niet tegenwoordig ziju, omdat zij onwaardig waren te communiceeren, gelijk in den eersten tijd des Christendoms alle geloovigen, die de H. Mis bijwoonden, gewoon waren te doen; omdat zij ook, uit vrees voor verraad, voor laster of onteering, onbekend moesten blijven met de leer over het H. Sacrament des Altaars, totdat zij geheel waardig bevonden werden, om als Christenen te worden opgenomen.
Laten wij dan tot de beschouwing van dit gedeelte overgaan.
§ 1. INTROÏTUS.
Als de priester de laatste handeling van voorbereiding verricht heeft, als de diaken hem bewierookt heeft ten teeken, dat hij als plaatsbekleeder van Jezus Christus de onbloedige Offerande moet beginnen, keert hij zich, onder het gezang van het koor, dat naar den Verlangde der volkeren verzucht, naar Misboek, en het bidt insgelijks dat ingangsgebed, den Introïtus.
In vroegere tijden werd bij dit gebed een gansche psalm door geestelijkheid en volk gezongen, als de Bisschop de kerk binnenging. Aan het altaar gekomen, knielde deze neder, bad, maakte het teeken des M. Kruises, en gaf dan den
— H\', —
voorzanger een teeken, uni den psalm met het nhere zij den Vader\' te einiligen. Thans wordt daarbij slechts een enkel vers van den Psalm gevoegd, en aanstonds met het Gluriu Palri en de herhaling der inleidings-antiphoon gesloten.
Behalve de treffende heteekenis, welke in dit gebed ligt opgesloten, en die wij reeds bij den koorzang ervan bewonderden, vindt men er, zegt de H. Alphonsus, gewoonlijk de hoofdgedachte in terug van het feest, dat gevierd wordt. Nu eens zegt het ons het Geheim des lleeren, dat herdacht wordt, dan weder verkondigt het den lof der Moeder-Maagd, dan weder de glorie van den Heilige, wiens feest men viert en tot wiens verheerlijking het H. Offer wordt opgedragen. Soms ook wekt het juichende op, om met blijdschap dat feest te vieren, op andere dagen bidt liet droevig en smeekend om Gods oneindige barmhartigheid, doch nog eens, immer straalt er de hoop op verlossing, het verlangen naar den Christus in door.
Als de priester dat heerlijk schoone en dieptrelfende gebed begint, teekent hij zich met het H. Kruis Het drukt ons zoo juist uit, dat de onbloedige Offerande, welke hij gaat verrichten, de hernieuwing is van het bloedig Kruisoffer, en dat door dat Kruisoffer alleen deze Offerande vruchten draagt, zoo voor hem als voor zijn volk, omdat zij er de voortzetting van is. Maar in de Alissen der overledenen worden deze vruchten voornamelijk op de zielen in het Vagevuur toegepast. Daar is alles wat hij spreekt, en vooral het Ingangsgebed, smeeking om de eeuwige rust en het altijddurend licht van Gods aanschijn voor die zielen, daar draagt hij vooral voor die zielen dat offer op. Daarom, zegt ons Gavantus, zegent hij dan niet zich zeiven, maar het Misboek, of de zielen der afgestorvenen, voor welke hij het H. Offer gaat opdragen. Dan, gelijk ook in den Lijdenstijd van het kerkelijk jaar, wordt het anders zoo blijde en lofprijzende nEere zij den Vader enz. weggelaten, wijl wij alsdan onze blikken vol mede-
— 77 -
lijden, geheel en al slaan op die arme zielen in het Vagevuur, of op den lijdenden en stervenden Heiland, en alzoo ons hart niet kunnen dwingen tot de vreugdevolle verheerlijking van den Drieëenigen God.
Ais dan de priester den Introïtus bidt, waarde lezer, vereenig u dan met hem. Verzucht dan naar den Verlosser der wereld, naar Jezus, die ons olfer gaat worden ; maar doordring u ook van het feestgeheim, dal gevierd wordt, om in denzelfden geest als de priester het H. Misoffer bij te wonen.
§ 2. KYRIE EL KI SON.
Gaat zich nu het verlossingswerk vernieuwen, o dan is ook de tijd van ontferming (1) en barmhartigheid gekomen ; dan moeten ook, zoowel priester als volk, om genade gaan smee-ken. Dat doen zij, de priester biddend, het koor zingend, beiden zich vereenigend met de negen Koren der Engelen, in het Kyrie eleison. Hoort, driemalen klinkt het sineekend: Kyrie eleison : Heer, ontferm U onzer ! Driemalen : Ckriste eleison: Christus, ontferm U onzer! Driemalen opnieuw: K\'J rie eleison: Heer, ontferm U onzer 1 Die bede om ontferming wordt gestierd tot de Allerheiligste Drievuldigheid, driemalen tot den Vader, driemalen tot den Zoon, driemalen tot den H. Geest. Waarom tot driemalen toe tot ieder der goddelijke Personen? Omdat in ieder dier Personen de geLeele Drievuldigheid vereenigd is. Wel zijn de Vader, de Zoon en de H. Geest drie onderscheidene Personen, maar drie Personen, die één in wezen, die maar één God zijn. Neen, neen, zij zijn niet als drie menschelijke personen van elkander gescheiden, zij zijn in elkander ; in den Vader is de Zoon en de H. Geest; in den Zoon de Vader en de H. Geest; in den H. Geest de Vader en de Zoon, en van alle eeuwigheid en door alle eeuwigheid is geen der goddelijke Personen ooit
(i) igt;s. r,f.
gewoonlijk genomen uit den teksl van het Oude Verbond, aandachtig naleest, als men vooral de melodie der ge^angen, die /.ich nu eens jubelend en blijde, dan weder godvruchtig, liefelijk en zoet, hier vol verhevenheid en majesteit, daar vol eenvoud en hartelijkheid, maar steeds vol innig verlangen doet iiooren, overweegt, dan gevoelt men dat een Paus Celestinus, bij het instellen dier antiphonen, meer heeft verlangd dan een eenvoudig psalmgezang, dat hij tevens het verlangen naar den Verlangde der volken heeft willen uitdrukken, die zoo aanstonds in het H. Oiïcr zijn verlossingswerk zal komen voortzetten.
Die antiphoon van het ingangsgezang moet herhaald worden. »Hel drukt de vermenigvuldiging en den aandrang van den kreet om verlossing uit, zooals de profeet zegt; vraag en hervraag, wacht en wacht opnieuw, nog een weinig, nog een weinig. (1) Zoo ilij nog toeft, wacht Hem af, want Hij is reeds in aantocht; Hij zal komen en niet toeven.quot; (2)
En tusschen dat smeekgezang naar den Verwachte der volkeren klinkt het: ygt;Eere zij de Vader, den Zoon en den II. Geest.quot; Het geschiedt, zegt ons verder de geleerde Paus In-nocentius, ais een bede om toch een gunstig gehoor te ontvangen, om Gods welwillendheid voor ons te winnen, want om gemakkelijker te verkrijgen wat wij verlangen, wenden wij ons lofprijzend tot de geheele Drievuldigheid en srneeken wij daardoor; »Toon ons, o Heer, uwe barndiartigheid, en uw heil geef het ons.quot; Zoo vertegenwoordigt ons derhalve liet gezan; van den Introïtus, wel niet immer volgens den letter der woorden, maar volgens den jubel des gezangs, altijd het verlangen der Oudvaders.quot; (3) Zij het ook voor ons een aansporing te meer om in dat oogenblik des te vuriger te verzuchten; »Kom Heer Jezus kom !quot;
(1) Isa. XXVIII. 15. (-2) tnuoc. 0. cit. (51 Innoc. O. cit. XVIII.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De lis der CatecïiimeEeiL
Uet tweede gedeelte der IJ. Mis, dat wij thans moeten behandelen, omvat den Introïtus, het Kyrie eleison, het Gloria, Gebeden, Epistel, Graduale en Evanyelie. liet wordt de Mis der Catechumenen genoemd, omdat oudtijds, toen er nog scherper afscheiding bestond tusschen gedoopten en ongedoopten, de Catechumenen ol\' de nog ongedoopte leerlingen, naliet Evangelie werden weggezonden. Zij mochten bij het eigenlijke Oiler niet tegenwoordig zijn, omdat zij onwaardig waren te connnuniceeren, gelijk in den eersten tijd des Christendoms alle geloovigen, die de H. Mis bijwoonden, gewoon waren te doen; omdat zij ook, uit vrees voor verraad, voor laster of onteering, onbekend moesten blijven met de leer over het H. Sacrament des Altaars, totdat zij geheel waardig bevonden werden, om als Christenen te worden opgenomen.
Laten wij dan tol de beschouwing van dit gedeelte overgaan.
§ 1. INTROÏTUS.
Als de priester de laatste handeling van voorbereiding verricht heeft, als de diaken hem bewierookt heeft ten teeken, dat hij als plaatsbekleeder van Jezus Christus de onbloedige Offerande moet beginnen, keert hij zich, onder het gezang van het koor, dat naar den Verlangde der volkeren verzucht, naar Misboek, en het bidt insgelijks dat ingangsgebed, den Introïtus.
In vroegere tijden werd bij dit gebed een gansche psalm door geestelijkheid en volk gezongen, als de Bisschop de kerk binnenging. Aan het altaar gekomen, knielde deze neder, bad, maakte het teeken des II. Kruises, en gaf dan den
— 7(1 —
voorzanger ecu leeken, om den psalm niet het ygt;h,ere zij den Vaderquot; te eindigen. Thans wordt daarbij slechts een enkel vers van den Psalm gevoegd, cn aanstonds met het Gloria Patri en de herhaling der inleidings-antiphoon gesloten.
Behalve de treflende beteekenis, welke in dit gebed ligt opgesloten, en die wij reeds bij den koorzang ervan bewonderden, vindt men er, zegt de H. Alphonsus, gewoonlijk de hoofdgedachte in terug van het feest, dat gevierd wordt. Nu eens zegt het ons het Geheim des Ileeren, dat herdacht wordt, dan weder verkoudigthet den lof der Moeder-Maagd, dan weder de glorie van den Heilige, wiens feest men viert en tot wiens verheerlijking het II. Offer wordt opgedragen. Soms ook wekt het juichende op, om met blijdschap dat feest te vieren, op andere dagen bidt het droevig en smeekend om Gods oneindige barmhartigheid, doch nog eens, immer straalt er de hoop op verlossing, het verlangen naar deu Christus in door.
Als de priester dat heerlijk schoone en dieptreffende gebed begint, teekent hij zich met het H. Kruis. Het drukt ons zoo juist uit, dat de onbloedige Offerande, welke hij gaat verrichten, de hernieuwing is van het Moedig Kruisoffer, en dat door dat Kruisoffer alleen deze Offerande vruchten draagt, zoo voor hem als voor zijn volk, omdat zij er de voortzetting van is. Maar in de Missen der overledenen worden deze vruchten voornamelijk op de zielen in het Vagevuur toegepast. Daar is alles wat hij spreekt, en vooral het Ingangsgebed, smeeking om de eeuwige rust en het altijddurend licht van Gods aanschijn voor die zielen, daar draagt hij vooral voor die zielen dat offer op. Daarom, zegt ons Gavantus, zegent hij dan niet zich zeiven, maar het Misboek, of de zielen der afgestorvenen, voor welke hij het H. Offer gaat opdragen. Dan, gelijk ook in den Lijdenslijd van het kerkelijk jaar, wordt het anders zoo blijde en lofprijzende iiEere zij den Vader enz. weggelaten, wijl wij alsdan onze blikken vol mede-
— 77 -
lijden, geheel en al slaan op die arme zielen in het Vagevuur, of op den lijdenden en stervenden Heiland, en alzoo ons hart niet kunnen dwingen tot de vreugdevolle verheerlijking van den Drieëenigen God.
Als dan de priester den Introïtus bidt, waarde lezer, vereenig u dan met hem. Verzucht dan naar den Verlosser der wereld, naar Jezus, die ons olifer gaat worden; maar doordring u ook van het feestgeheim, dat gevierd wordt, om in denzelfden geest als de priester het H. Misoffer bij te wonen.
§ 2. KYRIE ELEISON.
Gaat zich nu het verlossingswerk vernieuwen, o dan is ook de tijd van ontferming (l) en barmhartigheid gekomen ; dan moeten ook, zoowel priester als volk, om genade gaan smee-ken. Dat doen zij, de priester biddend, het koor zingend, beiden zich vereenigend met de negen Koren der Engelen, in het Kyrie eleison. Hoort, driemalen klinkt het smeekend ; Kyrie eleison : Heer, ontferm U onzer ! Driemalen : Christe eleison: Christus, ontferm U onzer! Driemalen opnieuw; Kyrie eleison : Heer, ontferm U onzer! Die bede om ontferming wordt gestierd tot de Allerheiligste Drievuldigheid, driemalen tot den Vader, driemalen tot den Zoon, driemalen tot den H. Geest. Waarom tot driemalen toe tot ieder der goddelijke Personen? Omdat in ieder dier Personen de geLeele Drievuldigheid vereenigd is. Wel zijn de Vader, de Zoon en de H. Geest drie onderscheidene Personen, maar drie Personen, die één in wezen, die maar één God zijn. Neen, neen, zij zijn niet als drie metischelijke personen van elkander gescheiden, zij zijn in elkander; in den Vader is de Zoon en de H. Geest; in den Zoon de Vader en de H. Geest; in den H. Geest de Vader en de Zoon, en van alle eeuwigheid en door alle eeuwigheid is geen der goddelijke Personen ooit
(l) lgt;s. Cl.
— 78 —
zonder de twee anderen. Daar alzoo in ieder Persoon de ge-heele Drievuldigheid zich bevindt, zoo smeeken wij ook ieder Persoon driemalen om ontferming. Maar den Vader en den H. Geest bidden wij niet hetzelfde woord •gt;)Kyrie: Heer,quot; omdat deze twee slecht ééne natuur n. 1. de goddelijke hebben. Den Zoon echter roepen wij driemalen met den naam van Christus aan, wijl Hij ook de menschelijke natuur heeft aangenomen uit het maagdelijk lichaam van Maria, en dus in Hem twee naturen n. 1. de goddelijke en de menschelijke vereenigd zijn.
Treffend was het, als oudtijds in de eerste eeuwen der Kerk deze Litanie, zooals de H. Benedictus (1) ze noemt, voor de catechumenen en boetelingen werd aangeheven en voortgezet door het christen volk. Die doopleerlingen, die nog immer vol verlangen verzuchtten naar het oogenblik, dal het water des Doopsels over hunne hoofden zou vloeien, om gezuiverd te worden van de erfzonde, die boetelingen, die weenend naar het oogenblik smachtten, dat de priester hun de zonden zou vergeven, liggen daar neergeknield. De diaken maant hen aan tot gebed, en spreekt dan tot de Christenen : ygt;Dat de yeloovi-gen voor henlidden, en vooral de kinderen.quot; — Ja, de kinderen, die engelen der aarde, zoo zuiver van hart, zoo onschuldig, zijn almachtig op het hart van God, zij moeten vooral smeeken; Heer, ontferm U over ons allen!— Op dat woord van den diaken knielen zij met de overigen neder, en als hij dan voor die doopleerlingen en boetelingen de verhooring hunner verzuchtingen, het Evangelie van Christus, liet leeren dei-geboden, de vreeze Gods, het kleed der onsterfelijkheid, de zuiverheid van lichaam en ziel, de vergiffenis der erfzonde en der overige zonden van den oneindig goeden God afsmeekt, herhalen de geloovigen, en vooral de kinderen, telkens na iedere bede en immer met meer aandrang en vurigheid : Kyrie eleison: Heer, ontferm ü onzer! Christe eleison: Christus,
(1) Regula c. 9. in Ord. I. Rom. quot;2. 9.
— 70 —
ontferm U onzer! — Voorwaar dat oogenblik trol\' eens-ieders ziel, en het laat zich begrijpen, hoe tallooze zondaars door dat voortrelTelijk gebed, vooral dier kleine onschuldige kinderen, tot inkeer gekomen zijn, hoe zij daar weenden en schreiden in den voorhof des tempels over hunne groote misdaden.
Klinkt het Kyrie en Christe eleison thans sineekend door het tempelgebouw, welnu verplaatsen wij ons dan in den geest naar die oude basilieken van Constantinopel of van Nicea, en zorgen wij met dezelfde gevoelens bezield te zijn als de geloovigen van die gelukkige tijden. Zijn wij, helaas, niet meer onschuldig als die schuldelooze kinderen, verzuchten wij dan met den blinde van Jericho : «Jezus, Davids Zoon, ontferm U mijner 1quot; Hij riep niets anders en hield niet op niet roepen ; lieer, ontferm U mijner! En de blinde kreeg het gezicht terug. — Zoo zullen ook de oogen uwer ziel geopend worden, zij zullen u tranen doen schreien, tranen van berouw over uwe zonden, en aan God zal weder weer eer en glorie, den mensch op aarde vrede gebracht worden, de vrede namelijk der vergiffenis, de vrede met God. Met de engelen om Bethlehems stal, met Christus\' plaatsbekleeder zult gij het blijde : Gloria in excelsis Deo: Glorie aan God in den hooge, en vrede op aarde den mensch van goeden wil, kunnen aanheffen.
S 3. GLORIA EXCELSIS.
Ja die heerlijke lofzang, dat verheven en schoone lied van Itethlehem, wordt thans door den priester aangeheven, en door het volk, bij monde van het koor, voortgezet. De hemel daalt op aarde neder; wat de engelen uit den hooge verkondigen, wordt van de aarde beantwoord; het is of alle stemmen der schepping gewekt zijn, om God als om strijd te loven, te prijzen, te aanbidden, te verheerlijken. Luister naar dien jubelzang en buig het hoofd eerbiedig, als do priester u daartoe uitnoodigt door zijne diepe neiging:
— 80 —■
Glorie zij God in den allerhoogste.
En vrede op aarde den mensdien van goeden wil1
Wij loven U,
Wij prijzen U,
Wij aanbidden U,
Wij verheerlijken U,
Wij danken U om uwe yroote heerlijkheid!
Heer God, Hemelkoning, Almachtig God Vader! Eeniggeboren Zoon, Heer Jezus Christus, Heer God I En als gij dan eerbiedig bij dien zoeten en grooten naam het hoofd hebt gebogen, ga dan voort met het Lam Gods te verheerlijken, dat de verlossing komt vernieuwen in het Misoffer. Smeek met het koor:
Lam Gods, Zoon des Vaders,
Gij, die wegneemt de zonden der wereld,
Ontferm U onzer.
Ja herhaal het nogmaals, want dit is ons grootste geluk : Gij die wegneemt de zonden der ivereld, verhoor ons smeeken. En verheerlijk liet dan daar voor den troon van zijn Vader. Want dat was zijn loon, als het loon genoemd raag worden: Gij, die zit aan de rechterhand des Vaders,
Ontferm U onzer!
Want Gij alleen zijt heilig.
Gij alleen de Heer,
Gij alleen de Hoogste,
Jezus Christus !
Mtl den II. Geest, in de heerlijkheid des Vaders.
\' A men!
Ziedaar de heerlijke hymne, welke na het smeekgezang der ontferming door Priester en geloovigen met de engelen en Heiligen des hemels te zamen gebeden en gezongen wordt. Zij herinnert ons aan de tijdelijke geboorte van Jezus te Bethlehem. De priester, die haar aanheft, terwijl hij zijne handen ten hemel uitstrekt, en daardoor beteekent, dat hij
— 81 —
zijn hart met de engelen vereenigt (i), vertegenwoordigt ons den engel van den grooten Raad, die aan de herders verkondigde, dat Jezus geboren was; de menigte van het hemel-leger, dat zich lofprijzend en zingend met dezen vereenigde, vindt men terug in het koor, dat ze onmiddellijk voortzet (2). En ja, zij mag met de engelen gezongen worden, want toen de ware vrede door de menscliwording van Jezus kwam, toen werd de scheidsmuur weggenomen, welken de zonde gebouwd had tusschen hemel en aarde, tusschen God en den mensch. Jezus herstelde den band, die vroeger den mensch met de hemel verbond. De vrede tusschen menschen en engelen was hersteld. De Godmensch werd geboren, omdat de vrede tusschen God en den mensch was vernieuwd. En nu in het H. Misoffer, nu zich al die geheimen vernieuwen, nu moet dus opnieuw de aarde met den hemel jubelen : »Eer zij God in den allerhoogste, en vrede op aarde aan de menschen van goeden wil.quot;
Maar die lofzang is tevens de korte samenvatting van hetgeen er in de H. Mis gaat geschicden. De H. Mis, wij weten liet, is een viervoudig offer: een eereoffer aan den almach-tigen God, een dankoffer voor ontvangen genaden en weldaden, een zoenoffer voor onze zonden en misdaden, een smeekoffer om nieuwe gunsten en genaden. Welnu het »Gloria in ex-celsisquot; brengt ons dat viervoudig offer voor den geest. Wij erkennen, dat wij een eereoffer gaan brengen door het: Glorie zij God in den allerhoogste, en vtede aan de menschen op aarde van goeden wil, door het : Wij loven U, wij zegenen U, wij aanbidden U, wij verheerlijken U. Het dankoffer spreekt uit de zegenbede ; Wij zeggen U dank om uwe groote heerlijkheid. Heer God, Hemelkoning, Almachtig God Vader, Eeniggeboren Zoon, Heer Jezus Chrütiis, Heer God! Wij doelen op het offer van vergiffenis en verzoening, als wij het Lam Gods om ontferming smeeken, het Lam, dal de zonden
(1) Salvian. Lib. !. dc Prov. (2) Innoc. O. Git. t. XX.
— 8-2 —
der wereld wegneemt. Wij geven eindelijk te kennen, dat wij door ons offer nieuwe genaden en gunsten verhopen, door Jezus in zijn macht te verheerlijken aan de rechterhand zijns Vaders, waar Hij de Heer, de Hoogste is, waar Hem alle macht is gegeven met den H. Geest in de heerlijkheid zijns Vaders.
Zoo mag men dan op dezen lofzang toepassen wat de onsterfelijke Vondel zoo voortreffelijk zeide van het geheele Misoffer :
Hier wordt de tol van Eere Godt betaeld ;
Gezoent de straf op \'s misdaets hals gehaelt,
Gedanckt voor \'t goet door \'t Kruis ons aangestorven;
En al de Kerck genade en heil verworven. (1) Wat stof tot diepe overweging ligt er in dien heerlijken lofzang opgesloten ! Ja waarlijk het hart moet opengaan, de ziel zich verheffen ten hemel, als dit Gloria in excelsis door Priester en volk op waardige wijze wordt gezongen. Maar ook een Christenziel, die eenmaal begrijpt wat deze lofzang heteekent, wordt met droefheid en verontwaardiging vervuld, als zij die hymne der verlossing verlaagd ziet tot een wufte opera-muziek, als zij die engelenwoorden hoort weerklinken op wereldsche tonen en klanken, die meer geschikt zijn om het hart van God af te leiden en het met onedele gevoelens te bezielen, dan het ten hemel te voeren, om er met de engelen en heiligen te loven, te danken, te smeeken; eene muziek, die den christen doet vergeten, dat hij In de kerk is, dat hij Mis hoort, en hem alzoo de vele vruchten van het H. misoffer doet verliezen, ja hem maar al te dikwijls tot zonde aanleiding geeft. Waarlijk, de duivel kon geen slimmer uitvinding doen dan op die wijze de kerk binnen te dringen. Mogen de tijden toch aanbreken, dat dergelijke zang voor eeuwig uit de kerk verbannen worde, en daar niets anders weerklinke dan hare eigene, rijke, biddende en zielverheffende kerkelijke zang.
(I) Aitaergehciimiisse» III Boek.
§ 4. 1)E COLLECTE.
Jezus is dan geboren in den stal van Bethlehem. Wij hoorden den priester met de Engelen het vGloria in excelsisquot; aanheffen, het volk zette dien blijden zang voort. Het prees, het dankte, het smeekte om verzoening en gunsten dien waren Emmanuël, die op aarde gekomen is, om ons den waren vrede te brengen. »Amen !quot; weerklonk het ten laatste, »Het zij zoo !quot;
Ziet, nu buigt de priester zich en kust eerbiedig het altaar, om den gebrachten vrede van den Godmensch te ontvangen; hij keert zich naar het volk en terwijl hij ten teeken, dat hij den vrede van Christus komt mededeelen, zijne handen uitstrekt en sluit, zingt hij : »Dominus vobiscum. De Heer zij met U.quot; Hij wil er mede zeggen: «Jezus is geboren, God is met ons, o, moge Hij thans ook met u allen zijn en blijven ; dan vindt gij den waren vrede, die alle geluk der wereld overtreft; want als God met ons is, wie is dan tegen ons?quot; (1)
En als het volk, bij monde van het koor, gelijk vroeger, dien wensch beantwoord heeft met het; ygt;En met uwen geest,quot; gaat de priester ons het verborgen en biddende leven van Jezus aanschouwelijk raaken. Hij treedt naar den epistelkant en begint al zingende verschillende gebeden te storten. Maar zou hij het kunnen zonder wederom het volk insgelijks daartoe uit te noodigen? Neen, hij weet het, hij staat daar niet voor zich alleen, en daarom maant hij alle aanwezigen aan tot het gebed door zijn: »Or emus, Laten wij bidden.quot; — «Als wij dan die aanmaning vernemen,quot; zegt ons de H. Bonaventura, (2) «leggen wij dan alle onze ijdele gedachten af; verwerpen wij dan toch alle verstrooiing, houden wij op met verkeerde oortluisteringen in de kerk, en geven wij acht om godvruchtig
(I) Rom. VIII. 51. (2) Expos. Miss». C. 11.
— 84 —
te zijn en ons met het gebed des priesters in de Mis te vercenigen; Hij toch vergadert alle gebeden en godvruchtige gedachten van zich zeiven en van alle omstanders, en stort ze voor God, door tusschenkomst van onzen Heer Jezus Christus, uit.quot;
Ja dat doet de jiriester in de gebeden, welke hij zingt. Men noemt ze daarom, zegt de H. Alphonsus Maria, (1) Collecte (samenvoeging), omdat hij, als middelaar tusschen God en de menschen, aller gebeden daarin te zamen neemt en ze zoo den hemelschen Vader aanbiedt. Men noemde ze ook aldus, zegt de H. Gregorius, omdat ze oudtijds over het verzamelde volk werden uitgesproken, voordat men de kerk binnenging, waar het offer moest worden opgedragen. De H. Augustinus noemde ze daarom ook »Zegening quot; (2)
[n vroegere eenwen moest al het volk, als deze gebeden door den priester gezongen werden, nederknielen. De diaken gaf daartoe aanstonds na het nOremusquot; een teeken door te zingen: vFleclamus genua: laat ons de knieën buigen,quot; en door te zamen met den subdiaken en de overige dienaren des priesters neer te knielen. En terwijl dan de priester staande en met uitgestrekte handen zijn gebed vervolgde, waren allen als boetelingen geknield en verklaarden aldus, hoe noodig hun de genaden waren, welke de priester voor hen vroeg; eerst bij het einde zong de diaken het volk toe: vllefl u op : Levalequot; en sloot de priester zijn gebed met de woorden : ygt;Donr onzen Heer Jezus Christus, die leeft en heerscht door alle eeuwen der eeuwen.quot; En allen antwoordden als uit één mond : ygt;Amen.quot;
Die ceremonie is thans wel niet meer in gebruik. Maar de Kerk heeft ze toch op vele boete- en vastendagen gedeeltelijk behouden. Dan doet zij ook nog dikwerf het: ygt;Flectamus genuaquot; en het vLevatequot; door diaken en subdiaken
(1) Oeuvr. Asc. T. li. 1. c.
(2) De Dono Persev. 25.
zingen ; dan wil zij nog immer, dat liet vulk onder die gebeden steeds geknield zij. (1)
Doch waarom blijft de priester immer staan? Waarom houdt hij zijne armen uitgestrekt, als hij die gebeden zingt? Hoort het antwoord van Paus Innocentius 111. »Bij het gebed te staan is het deel der rechtvaardigen; daarbij te knielen dat der zondaars.quot; De priester vertegenwoordigt den Rechtvaardige bij uitnemendheid, Christus, die altijd voor ons bidt; hij gaat het goddelijk Offer brengen, hij is gescheiden van de zondaars. Hij bidt met uitgestrekte armen, dat is de natuurlijkste houding van iemand die smeekt; een kind, dat een gunst wil verwerven van zijn moeder strekt zijne armen tot haar omhoog. Dat is ook de meest passende houding voor het gebed; (2) de eerste christenen baden steeds met uitgestrekte armen; zij deden het tevens ter nagedachtenis aan Christus, die eenmaal op het kruis zijne armen uitgestrekt hield en zóó voor ons bad. (3) En mocht Jozue met het volk Israels niet zóó lang de Amalacieten overwinnen, als Mozes met uitgestrekte armen, ondersteund door Aiiron en Hur, tot God smeekte? En werd bij het ondergaan der zon de vijand niet geheel op de vlucht geslagen ? — Zoolang dan ook Christus, vertegenwoordigd in den priester, de handen uitgestrekt houdt, dat is, zijne hulp en troost aan Israël, aan zijne Kerk, biedt, zal zij overwinnen op den duivel, en zal die vijand niets op haar vermogen. Daar zijn wij zeker van, want Aaron, de berg der kracht, en Uur, het vuur der liefde, ondersteunen zijne handen. Daardoor blijft Hij met zijne Kerk tot aan zonneondergang, dat is, tot aan het einde der wereld. Welnu, als Jezus ons zóó tot voorbeeld is, zullen ook wij dan het zwaard des gebeds niet aangrijpen, en vertrouwende op zijn almacht en liefde, daarmede tegen den duivel strijden ?
(1) Missal« Rnh. Gen. XVII, 6.
(2) Ps. XXV11. 153 et Ui. 1 Tim. II. 8.
(3) Tertull. Apol. C. 50. L. de Oral. C. II.
Ja bidden wij met den priester, en hellen wij onze harten ten hemel; blijven wij bidden; heel het leger der duivelen zal verslagen worden.
Op hooge feestdagen worden deze gebeden slechts tot één beperkt; het geschiedt om daardoor het geheim van dien dag zoo kort en duidelijk mogelijk voor oogen te stellen; op andere dagen, vooral op die van rouw en boete, zijn zij meer in getal. De reden ligt voor de hand: op die dagen bidt de Kerk om talrijker gunsten, heeft zij vooral voor hare afgedwaalde kinderen te smeeken. Maar hoe kort zij ook zijn, hoe weinige er ook geschieden, immer moeten wij in die heerlijk schoone gebeden eene eenvoudigheid en zalving bewonderen, welke men te vergeefs elders zoekt. Der katholieke Kerk alleen komt het toe, zulke gebeden te vervaardigen, want de ware Bruid weet, hoe zij het hart van haar Bruidegom moet veroveren. In korte woorden geeft zij de reden, het motief, van haar gebed, en trekt er aanstonds in nog kortere voor haar en bare kinderen het gevolg uit: zij doe.t haar bede. Zoo leerde ook Christus ons bidden. (1)
Gewoonlijk richt zich die collecte rechtstreeks tot God den Vader, omdat aan Hem het Offer wordt opgedragen: en zij eindigt dan met die heerlijke sluiting; ygt;Door onzen Heer Jezus Christus, uw Zoon, die leeft en heerscht in de eenheid des H. Geestes, God door alle eeuwen der eeuwen. Ook dit heeft zijn reden. Heelt Jezus niet gezegd; »A1 wat gij den Vader in mijnen naam zult vragen, zal u gegeven worden ?quot; (2) Zouden wij langs een anderen weg tot Gods eeuwige weldaden kunnen geraken, tenzij door Hem, die de middelaar is tusscben God en de menschen? O neen, alle genaden, welke ons toevloeien, worden ons geschonken om de verdiensten van Jezus Christus. Al onze roem, al ons vertrouwen, ja geheel onze zaligheid bestaat alleen door onzen Heer Jer.us Christus. (3) —
(1; Malh. VII. — Luc. XI. (2) Joïs XIV. 13.
(3) Philip. III. 5.
— 87 —
De Priester voegt er bij: die leeft en heersciil in de eenheid des H. Geestes, omdat de Zoon, zegt Paus Innocentius, als God, met den Vader leeft en heerscht in de eenheid des H. Geestes, d. i. één God met den 11. Geest; of wel in de eenheid des H. Geestes n. 1. in den IJ. Geest, omdat Deze de eenheid, de liefde en band tusschen den Vader en den Zoon uitmaakt. (1) En als de priester zijne sluiting geëindigd heeft, antwoordt het volk met het koor: ygt;Ame;i.quot; Die korte maar toch zoo krachtvolle uitroep omvat zoowel de uitdrukking van hem, die verlangt, als die bevestigt. Amen! Amen! zongen de Joden, als zij de verlangens huns harten in hunne psalmen hadden te kennen gegeven. »llel zij zoo, het zij zoo.quot; »Ainen, Amen,\'\' sprak ook de goddelijke Zaligmaker, als Ilij de sterkste uitdrukking van bevestiging wilde gebruiken, ja als het ware een eed deed. »Voorwaar, voorwaar ik zeg Uquot; enz. O hoe schoon is dan dat korte woord alhier geplaatst! Het drukt het verlangen uit, dat de smeekbeden, door den priester gedaan, worden vervuld, het drukt tevens de betuiging uit, dat wij vast en zeker gelooven in den Drieëenigen God, dat wij met de (1. Kerk zonder eenigen twijfel aannemen, dat Christus in de eenheid met den Vader en den II. Geest door alle eeuwen der eeuwen heerscht.
vAmen,quot; ja dit woord, lezer, moet gij, ais het door het koor gezongen wordt, en niet slechts nu, maar telkens, als het in de H Mis zal weerklinken met den hoogsten eerbied uitspreken. Het heeft reeds door de eeuwen weerklonken van de engelachtige lippen van zoovele Heiligen, Martelaren en Maagden, Belijders en Heilige Vrouwen. «Wat zal het zijn,quot; roept Mgr. Gaume uit, »als wij bedenken, dat dit vAmen,quot; uitgesproken door de Engelen en Heiligen, eeuwig weerklinkt en zal weerklinken door de grenzelooze eeuwigheid onder de gouden gewelven van hel hemelsch Jerusalem ? O, vernieuwen wij ons geloof, en de strijdende Kerk der aarde vertegen-(I) o. cu. c. xxv.
— 88 —
woordigt ons op gevoelige wijze de Kerk des hemels, als wij dezelfde hymne, welke zij er zingen, in denzelfden geest medezingen. Ais wij niets anders kunnen zeggen dan Amen, doen wij dan ten minste ons best, om het te zeggen gelijk de engelen, de uitverkorenen en Heiligen. Maar geeft acht, hebben wij nimmer gelogen toen dat woord van onze lippen ten hemel ging? Wij zeggen Amen, het zij zoo, op alles wat de Kerk vraagt en belooft in onzen naam, en misschien blijven wij nog immer onzen verkeerden wil, onze slechte verlangens volgen. O mijn God, wat is het Amen van den huichelaar, het Amen van den gierigaard, het Amen van den eerzuchtige, het Amen van den wraakgierige, het Amen van de wellustelingen anders dan een bijtende ironie! Ongelukkig degene, die er zich aan schuldig maakt!quot;
§ 5. DE EPISTEL.
In de Collecte doelde de fl. Kerk vooral op de gebeden van Jezus, die Hij verrichtte tijdens zijn verborgen leven. (1) Nu zal zij ons langzamerhand zijn optreden doen zichtbaar worden. Joannes de Dooper zal het Lam Gods gaan aankondigen, dat de zonden der wereld wegneemt.
Ziet, de subdiaken ontvangt het boek van een der lagere dienaren, hij begeeft zich onder de sluiting van het laatste gebed des priesters naar het midden des altaars, knielt en plaatst zich weder aan de Epistelzijde. Daar zingt hij den Epistel, een gedeelte van het Oude of Nieuwe Testament, begeeft zich opnieuw naar het midden, en, na aldaar zijn kniebuiging herhaald te hebben, knielt hij ook, doch aan de Epistelzijde, voor den priester neder, kust diens hand en wordt door hem gezegend. (2) En onder deze plechtigheid vergezelt hem steeds één acoliet, doch ook slechts één enkele; (3) al het vergaderde volk is onder den Epistel des subdiakens gezeten. (4\':
(1) Hugo Vict, de Quibusd. ad M. Speet. L. 11. e. 16. (2) Missale Rit. Cel. VI. 4 (5) Innoc. O. cit c. XXIX. (,i) Missale Rub. Gen. XVII. 7.
— 89 —
Ziedaar de ceremoniën, welke den Epistel vergezellen. Zij zijn eenvoudig, maar van diepe beteekenis. De Epistel, wij weten het allen, is niets anders dan een lezing uit de H. Schriften, welke door God zijn ingegeven. Nu eens zijn het de Profeten uit het Oude Testament, dan de Apostelen, die in hunne handelingen of brieven tot ons spreken. Van de eerste eeuwen der Kerk was het gebruikelijk, dat hij iedere samenkomst der Christenen, deels tot onderrichting, deels tot opwekking en voorbereiding, zulke lezingen gehouden werden. Men noemt ze Epi stelen omdat het van God ontvangen of van boven gezonden woorden zijn, daar toch Profeten en Apostelen niet uit zich zeiven maar van boven, verlicht door den H. Geest, geschreven hebben. (1) Zoo leeren ons de H. Bona-ventura en vele anderen. (2)
Er ligt echter in het gezang dier goddelijke openbaring een nog dieperen zin, dan alleen onderrichting en opwekking. Zij dient ook tot voorbereiding voor het Offer, dat langzamerhand nadert simmers,quot; zoo zegt ons zoo schoon Pastoor van Campen, (3) suit en door deze spreekt God tot ons, het is Gods woord dat wij daar vernemen, het is om zoo te spreken, reeds een begin van de mededeeling Gods aan ons, die straks in de Consecratie veel grooter en heerlijker wordt, om eindelijk in de II. Communie hare volmaaktheid te bereiken, of zooals Kossing zegt, het is het opgaan van de goddelijke liefde-zon, die in de Consecratie hare middaghoogte .bereikt en in de 11. Communie haren loop voltooit.quot;
Heerlijk beeld, dat ons thans ook al de ceremoniën verduidelijkt hij het gezang des epistels in gebruik ! Toen die goddelijke liefdezon koesterend en verwarmend haar loop begon, toen Jezus zijn openbaar leven leerend en weldoende intrad, ging Hem zijn dageraad, Joannes de Dooper, vooruit,
(I) I, Peli\', I. 26. (2) Dc Sacr, Miss, C. li,
(5) De Lilurgiü van M H, Misotler. Blaiiz, 131,
— 90 —
Van God gezonden trad deze op en predikte alom het doopsel der boetvaardigheid. Hij ging voor het aanschijn des Heeren om zijn weg te bereiden, zooals hij zelf zeide: »Ik ben de stem des roependen in de woestijn: «maakt recht den weg des Heeren quot; (1)
De subdiaken gaat naar het midden des altaars. Daar weleer ontving hij neergeknield aan de voeten van Gods plaatsbekleeder, den Bisschop, van God de macht om in zijne Kerk den Epistel te lezen. Hij brengt ons in herinnering, dat hij, evenals Joannes, van God gezonden is. Hij zingt de lessen van liet Oud of Nieuw Verbond, van Profeten en Apostelen. maar nimmer het Evangelie, waarin Jezus zijn openbaar leven zal doen kennen. Dit zal eerst later na zijne onderrichtingen volgen. Eerst zal God door de mond zijner profeten en apostelen en dan in de volheid zijner Openbaring door zijn Zoon, Jezus Christus, tot ons spreken. Alzoo is dan de subdiaken door zijn Epistelgezang de wegbereider, de voor-looper van Christus, de dageraad der goddelijke liefdezon. of om met Paus Innocentius lil (2) te spreken : »De subdiaken treedt op als Joannes en zegt, zoo wel door zijn woorden als door zijn handelingen: «Ziedaar het Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld. Hij is het, die na mij komt en vóór mij geweest is, wiens schoenriemen te ontbinden ik niet waardig ben ; ik moet kleiner worden, Hij grooter. Ik ben het licht niet maar ik kom om getuigenis van het licht te geven ; Hij alleen is het ware licht, dst allen mensch verlicht, die in deze wereld komt.quot; Daarom ook, zoo gaat die geleerde Paus verder, vergezelt den subdiaken, die den epistel zingt, slechts één dienaar, terwijl straks, als door den diaken het Evangelie verkondigd wordt, hij zoo wel als andere dienaren, hem zullen vergezellen. Het is omdat slechts weinigen Joannes\' prediking volgden, maar het Evangelie door zoo-velen en door Joannes zelven werd aangenomen, die toen in (1) Maic. I 5. (\'2) O. cil. c. XWIIi.
- 91 —
de glorie dier goddelijke liefdezon, gelijk de dageraad bij het verschijnen der zon, zijn licht deed opgaan en verdween.
Ja, Joannes verdween, voor het oog der wereld ten minste, geheel en al. Omdat hij aan Herodes zijn overspelig en bloedschendig gedrag onder het oog bracht, werd hij in de gevangenis geworpen, en zou hij de kroon der Martelaren verwerven. Doch vóór hij stierf,, zond hij, toen hij de werken van Christus vernam, ofschoon in boeien, twee zijner leerlingen tot Jezus, om hen aan Jezus te doen vragen of Hij de Verlosser was. Niet dat hij daaraan tsvijfelde, neen, hij, die in den schoot zijner moeder een eersten heilzamen invloed dei-verlossing had ondervonden, die den welbeminden Zoon des Vaders, toen hij Hem doopte, op zoo bovennatuurlijke wijze erkende, hij kon dit niet; maar hij zond hen tot Jezus, opdat zij Jezus zouden erkennen uit zijne wonderen.
Ook dit vinden wij als met den vinger aangeduid. Waarom toch begeeft zich de subdiaken na het gezang des epistels naar den priester met den acoliet, die hem bij den epistel ter zijde stond? Het geschiedt, zegt Innocentius, (1) omdat Joannes, toen hij in de boeien Christus\' wonderwerken vernam, twee zijner leerlingen tot Hem zond, met de vraag; zijt Gij het die komen moet, of verwachten wij een ander? (2) oin hen uit de wonderen, die zij zagen, te doen begrijpen dat de Christus reeds gekomen was. Vandaar antwoordde Jezus en zeide hun: »Gaat en boodschapt aan Joannes wat gij gezien en gehoord hebt, blinden zien, kreupelen wandelen, melaatschen worden gezuiverd, dooven hooren, dooden staan op, den armen wordt het evangelie verkondigd.quot; (3) En daar de rechterhand des Heeren die wonderkracht uitoefende, daarom kust ook de subdiaken des priesters rechter. Maar zegenend ook wordt deze daarna door den priester uitgestrekt. De subdiaken wordt beloond voor hetgeen hij gedaan heeft, ontvangt daarmede tevens de goedkeuring voor zijn epistelverkondiging.
(1) O. C. CXXIX. (-2) Malth. XI. 5. (5) V. 5.
— 92 —
Zoo deed ook Jezus, toen de leerlingen bij Hem geweest waren. Hij prees hun meester, den H. Joannes den Dooper. Hij zeide aan het volk : «Deze is meer dan een profeet. Voorwaar ik zeg u, onder de geborenen der vrouwen stond niemand grooter op dan Joannes de Dooper.quot; (1) — En met Joannes nam de Oude Wet een einde in Christus. Christus zeil\' begint de Nieuwe des Evangelie. Ook daarom wordt de snbdiaken thans na den epistel gezegend, terwijl de diaken straks vóór- zijn evangelieverkondiging den zegen des priesters zal ontvangen. (2)
S 6. HET GRADUALE.
Intusschen, terwijl deze ceremonie der zegening plaats heeft, heeft het koor het Graduale aangeheven. Het is het gezang dat oudtijds, gelijk ons kardinaal Bona verzekert, de voorzanger, staande op de trappen van den ambon, of van Let leesgestoelte waar het Evangelie gezongen werd, beurtelings met het volk zong; (3) of dat, volgens den H. Alphonsus en kardinaal Bellarminus, gezongen werd terwijl de diaken die trappen beklom, om het Evangelie te gaan zingen. (4) Daarom wordt het nog immer Graduale of Trapgezang geheeten. Het is een voortrelïelijke beurtzang, waarin men gewoonlijk de hoofdgedachte van den epistel terugvindt, of iets dat in nauw verhand staat rnet het feest, dat gevierd of den tijd van het kerkelijk jaar, die herdacht wordt. Het wekt ons op om getrouw te volharden in de bevelen des Heeren, die wij zoo even in de lezing van den epistel ontvangen hebben, en om de trappen der deugden te bestijgen, welke ons opvoeren tot God. Want van deugd tot deugd moeten wij gaan, om ten laatste op den berg der verheerlijking God van aanschijn tot aanschijn te kunnen aanschouwen.
aYv. 11. (2) Innoc. 0. cit. XXIX. (3) R«r. Lit. L. II. G. VI. IV.
(i) Oeuvr. Asc. T, li. p. 20.
— 93 —
Maar bij het beklimmen van dien berg, hier in deze wereld, zijn wij altijd in het dal der tranen; aan het rijk Gods, dat eens zal komen, moet steeds boetvaardigheid voorafgaan, gelijk Joannes zoo herhaaldelijk verkondigde. Daarom, zegt Paus Innocentius, (1) handelen die zangers vooral goed, die dit trapgezang niet in feestelijke of jubelende tonen uithalen, doch het veeleer als een zwaarmoedig en dof lied, eenvoudig en klagend zingen.
§ 7. HET ALLELUJA.
Maar na de droefheid volgt de troost, want zalig zij die weenen, omdat zij vertroost zullen worden, (ü) Daarom volgt na het Graduale, tenzij in den vastentijd en in de Mis der overledenen, het Alleluja, dat ons de onuitsprekelijke vreugde beteekent der engelen en menschen, die in de eeuwige gelukzaligheid zich verheugen, dat is, God lofprijzen. Gelukkig toch degenen, die in uw huis wonen o Meer, in de eeuwen der eeuwen zullen zij U loven. (3) Die eeuwige verheerlijking wordt ons in dat blijde Alleluja op buitengewoon treffende wijze uitgedrukt. Overweeg eens dat woord. De koninklijke Psalmist zong het, als hij in zijn Psalmen alle menschenkinderen uitnoodigt om den Heer te loven, om zijn naam te verheffen door alle eeuwigheid; (4) de grijze Tobias herhaalde het, toen hij de glorie mocht beschouwen van het Hemelsch Jerusalem en daar met de engelen God verheerlijkte; (5) en Joannes de Evangelist, die door Gods Geest geholpen en verlicht, dat Jerusalem binnendrong, hoorde, bij den eeuwigen wierook der verheerlijking, die er opsteeg tot Gods troon, bij de uitnoodiging, die er door den hemel ging om God te loven en te prijzen, een kreet klinken als de stem van een
(1) O. cit. c. XXX. (-2) Matlh. V. 3. (5) Ps. LXXXII1. 5.
(4) Ps. CX en CX1I. (3) Tob. XIII.
— 94 —
ontzettende menigte, als het geruisch van vele wateren, als het geratel van vele donders; die kreet, zij was niet anders dan het «Alleluja, Alleluja, Alleluja.quot; (6) Moet het nog gezegd, wat dit Alleluja beteekent, dat het in de overmaat der lofprijzing Gods op de aarde is nedergedaald om ook ons met de engelen te doen raedezingen :
Alleluja! looft den Heer!
Geeft hein dank en roem en eer.
Werpt Hem krans en zegepalmen
in een wolk van wierook op;
Laat uw lied er boven galmen,
Steigren tot den hemeltop,
Laat het hooger, hooger varen
En met onverzachten toon,
Met den slag der harpenaren.
Met den schal der Englenscharen,
Zweven om zijn glorietroon!
Alleluja ! Alleluja !
Lof den eeuwgen Opperheer!
Alleluja! Alleluja!
Dank en prijs en roem en eer! (1)
»Lof den eeuwgen Opperheer!quot; Ja, dat is de beteekenis van dat enkele woord dAlleluja.quot; \'t Omvat de bede tot verheerlijking van den Drieëenigen God, \'t gebod om Hem eer en glorie te geven in eeuwigheid, de lofprijzing van hemel en aarde, \'t Moet daarom weerklinken, als wij aan de vreugde des hemels denken, waar wij God zullen aanschouwen v;.n aanschijn tot aanschijn; \'t moet zwijgen, als wij in ons tranendal, in de woestenij dezer wereld, de zeventig jaren van ballingschap ons herinneren ; \'t wordt daarom tallooze malen herhaald, als wij de glorie des Drieiienigen gedenken; \'t gaat op in een smeekbede om eeuwige rust en eeuwig licht, als
(t) Apoc. XIX. (2) Mgr. Broere.
quot;O
— 95 —
wij de zielen van hen gedenken, die nog niet tot die glorie zijn doorgedrongen; \'t is de kreet, die uit duizend monden opgaat en duizendmaal herhaald wordt, als Jezus\' Godheid zich in zijne glorie bij de verrijzenis vertoond, die gesmoord wordt als zijn lijden en dood in al hun uitgestrektheid voor onze oogen staan.
Alleluja! O wat gedachten gaan hier door onze ziel, als wij dat woord overwegen, en nog meer, als het daar door het koor gezongen en herhaald, ol\' liever, zooals Rupertus zegt, vol blijdschap gejubeld wordt. (I) Hoort, waar het kan, wordt het door kinderen voorgezongen, zooals Durandus (2) zegt, want God heeft zijn lof uit de mond van sprakeloozen gevormd, door geestelijken herhaald, want het is een druppel uit dien oceaan der vreugde van het hemelsch Jerusalem, die eerst in de ziel van Patriarchen en Profeten en later overvloedig over de Apostelen is neergevallen; (3) juichend schiet het ten Hemel, en jubelend blijft de laatste syllabe op hare pnetima, zoo lang als het slechts mogelijk is, duren. O wat drukt die jubelende /1 veel uit. Zegt zij ons niet dat de vreugde der Heiligen in den hemel grenzenloos is, dat zij duurt door alle eeuwen der eeuwen? Beteekent zij ons niet, dat hetgeen daar bereid is voor de Zaligen en Heiligen onuitsprekelijk is; dat dit genot niet in woorden vertolkt kan worden, maar zich moet uitdrukken in den galm der vreugde\'? Ja, dit alles, zeggen de H. Bonavcntura (i) en de H. Augus-tinus, (5) ligt in dien blijden zang des Alleluja\'s opgesloten. Gelijk de koningin van Saba, (ü) toen zij in de heerlijkheid van Salomon verscheen, kan de Kerk bij het beschouwen dier hemelsche glorie geen woorden meer vinden, om hare blijdschap uit te drukken; zij uit zich in den klank des gejubels,
(1) De dir. Off. L. 1. G. c®. (-2) Rat. dir. Offic. L. i. O. quot;20. n. 7. K. (5) Ruperl. lie dir. OIT. L. 1. c. oo. (-i) Exp. M. c. tl. lt;S) In Igt;s. XXXII. quot;2. S- I. n. 8. (6) III. Reg. X. o.
-ge
bet gfilnid der vreugde zonder woorden, dat zich in hare uitgestrektheid niet door syllaben laat bedwingen, houdt t aan y.oo lang zij vermSg, ja blijft het zwellend en juichend voortzetten, als om haar verlangen te kennen te geven, dat het haar reeds geoorloofd was liet nooit meer te onderbreken in de eeuwigheid.
Moge dat blijde Alleluja voor ons allen een aansporing zijn om mede te jubelen en God te verheerlijken, maar moge het geschieden gelijk de II. Augustinus zegt, door onze long, onze stern, ons geweten, ons leven en onze daden. (1)
§ 8. DE SEQUENTIA.
Die reeks van noten, zonder woorden of tekst gezongen, g if aanleiding tot de Sequenlia\'s of Hymnen, welke op eenige dagen van bel jaar gezongen worden, zooals hel Slahal Maler op het feest van Maria\'s Smarten, bel Dies Irae in de Mis der overledenen, het Victimae Paschali in de Paasch- de Veni, Sancle Spiritus in de Pinksterweek en hel Lauda, Sion op Sacramentsdag. Men plaatste n.1. eerst onder die noten eenige woorden, daarna eenige verzen, welke vreugde uil-drukten. Langzamerhand werden deze vermeerderd en veranderden in hymnen, die de gevoelens van het feest of den dng uitdrukten. Die verandering geschiedde omtrent de negende eeuw, en vond bij velen bijval, zoodat men spoedig voor iedere Mis, zelfs voor de Mis der overledenen, waarin anders geen spraak is van de Pneuma, omdat daar geen Alleluja gezongen wordt, een hymne dichtte. Later echter verbood het kerkelijk gezag de vermeerdering dier hymnen, en bij de herziening van het Missaal door Pius V werden alleen de vijf genoemden behouden.
(1) In P.-. CXI,. 111. 1. 2.
Wij behoeven hier niet in nadere beschouwing te treden dezer Sequential. Wij hebben ze vroeger bij de behandeling van het Kerkelijk Jaar- grootendeels uiteengezet. Het zijn gedichten vau verheven schoonheid, diep van zin en rijk in zang, voortgekomen uit het van liefde brandende hart van Heiligen. Daaraan moet het voorzeker ook toegeschreven worden, dat zij door de H. Kerk behouden zijn.
§ 9. HET EVANGELIE.
Middelerwijl het koor het Graduale, het Alleluja of de Sequentia aanheft en voortzet, heeft de priester ze in stilte gebeden. Hij gaat dan naar het midden des altaars, buigt zich diep voor den Gekruiste, ten teeken dat hij door Jezus alleen iets vermag, en smeekt ootmoedig om zuivering van hart en lippen, ten einde het H. Evangelie waardig te mogen verkondigen. Niet de Profeten of Apostelen zullen nu hunne woorden ons nog doen hooren, maar de Zoon Gods zelf, het eeuwig Woord des Vaders zal zijne leer gaan verkondigen. Kom. luisteren wij dan aandachtig, en laten wij geen enkele ceremonie onopgemerkt voorbij gaan.
Terwijl de priester in stilte bidt, brengt de subdiaken, die straks den epistel gezongen heeft, het misboek naar de andere zijde des altaars. Hij zegt ons door zijne handeling, dat de overgang van het Oude naar het Nieuwe Testament daar is. Gelijk Joannes de Dooper, na eerst den weg bereid te hebben voor het aanschijn des lleeren, en den Verlosser te hebben aangekondigd, Jezus met den vinger aanwees, zoo zegt ons de subdiaken door zijne handeling ook thans : «Ziedaar het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. Hij is het. die door zijn leer en voorbeeld u zal verlossen, hoort Hem.quot; — De priester leest dan in stilte het Evangelie. Want ziet, de vertegenwoordiger der Evangelisten, wien het in plechtige Missen gegeven is dc blijde tijding van Gods
— 98 —
woord te verkondigen, bereidt zich reeds tot die verheven zending. Hij treedt de autaar-trappen op, legt het boek in het midden des altaars (1) neder, om het straks van het altaar, dat ons, zooals wij weten, Jezus Christus beteekent, te kunnen ontvangen ; dan staat hij den priester ter zijde bij het indoen van den wierook in het wierookvat.
Daarna knielt hij vol eerbied voor het midden des altaars en bidt smeekend dit heerlijk gebed : ygt;Zuiver mijn hart en mijne lippen, almachtige God, Gij, die de lippen van den profeet Isaias mei een (jloeiende kool gezuiverd hebt; ivil mij door uwe goedgunstige barmhartigheid zoo reinigen, dat ik uw heilig Evangelie waardig moge verkondigen. Duor Christus onzen Heer. Amen.quot;
Voorzeker, de zin van dit gebed is duidelijk. De diaken erkent zijne onmacht om het goddelijk woord des Evangelies te verkondigen, en vraagt daarom, gelijk de priester zco even te voren, om reiniging van hart en lippen; hij vraagt het den almachtigen God, die eenmaal Isaias\' lippen met een gloeiende kool gezuiverd heeft. Toen deze profeet in een visioen den Heer der heerscharen aanschouwde en de lofzangen der Serafijnen hoorde, waagde hij \'t niet met hen mede te zingen, daar hij ten volle bewust was van zijne onwaardigheid. Toen nam een der Serafijnen een gloeiende kool van het altaar, raakte zijne tong en lippen aan en sprak; ))Zie, ik heb uwe lippen aangeraakt; nu zal uwe boosheid worden weggenomen, en zullen uwe zonden gereinigd zijn.quot; De profeet werd dan gereinigd en gezuiverd door den almachtigen God, zoo verlangt het ook de verkondiger van hel Evangelie.
En als hij dat gebed gesproken heeft, treedt hij onbeschroomd het altaar weer op, neemt het boek uit het midden, als van Christus, aan, en knielt neder voor den vertegenwoordiger des Zaligmakers. »Heer, gelief mij te zegenen,quot;
(1) Missale. Ordo Missae.
— 99 —
zou klinkt alsdan de smeekbede des diakens; en de priester antwoordt al zegenend ; »De Heer zij in uw hart en op uwe lippen, opdat gij tvaardig en pussend zijn Evangelie moogt verkondigen, in den naam des Vaders en des Zoons en des li. Geestes.quot; — vAmenquot; klinkt het uit den mond des diakens, ïja, het zij zooquot; ; hij kust de hand des priesters, die ze op het evangelieboek had uitgestrekt, staat op en gaat het Evangelie des heils verkondigen.
Ziedaar de plechtige voorbereiding tot het zingen des Evangelies. Waarlijk, zij is schoon en verheven! Zij zegt ons, dat de woorden des Evangelies goddelijke woorden zijn, dat niemand, volgens den Apostel Paulus, ze mag verkondigen, ze mag prediken, tenzij gezonden. (I) »Gaat,quot; zoo sprak Jezus tot zijne leerlingen, »en onderwijst allen ; (2) gelijk de Vader mij gezonden heeft, zoo zend ik u.quot; (3) Zoo moet ook nog immer de prediker van het woord Gods zijne zending ontvangen van de plaatsbekleeders van Jezus Christus, van den Paus en de Bisschoppen. Heeft hij ze niet, dan is hij een indringer, een valsch proleet; dan is hij een wolf, die onder schaapskleederen tot ons komt. Dat zeggen ons die plechtige zegening en gebeden des priesters, dat die kus des diakens, welken hij als teeken van trouw en dankbaarheid aan zijnen zender schenkt.
En de Godsgezant gaat uit om het Evangelie der Nieuwe Wet te verkondigen. Als Wozes, toen hij met de tafelen der wet Gods van den berg Sinaï afdaalde, zoo stijgt hij met de wet des Nieuwen Verbonds van het altaar af; hij knielt naast den subdiaken nog eenmaal voor den Gekruiste, en gaat dan in plechtige processie naar de plaats, waar het Evangelie gezongen moet worden. Zie, de wierookdrager met den brandenden wierook treedt voorop ; ( i) hij zegt ons, dat het gebed moet vooraf gaan, wil het woord Gods waarlijk vrucli-
(!) Kom. X. 15. (-2) Matth. XXVIII. 19. (5) Joan. XX. -21.
(1) Missale Rit. Cel. VI. 5.
— 100 —
ten dragen; dat de prediker den goeden geur van deugden moet verspreiden, wil hij waarlijk tot onze harten spreken; (I) de twee acolieten met de brandende kaarsen volgen; (2) zij getuigen, dat het ware licht des Evangelies aan de wereld zal schijnen, hetwelk door zijn vlam allen mensch verlicht, die in deze wereld komt, (3) door zijne warmte het vuur der goddelijke liefde in onze harten ontsteekt, door zijn uit-stralenden luister do glorie Gods in eeuwigheid blijft prediken.
Diaken en subdiaken volgen deze beteekenisvolle dienaren, en komen eindelijk aan de plaats, tot het zingen bestemd. Daar staat de subdiaken te midden der lichtdragers, en ondersteunt het boek des Evangelies, of houdt den lezenaar vast. De Oude Wet is immers de zoon der slavin, die den Meer en Meester der Nieuwe moet dienen, en de subdiaken, de andere Joannes de Dooper, vertegenwoordigt nog immer de Oude Wet. — Zij moest de Nieuwe Wet steunen. Jezus kwam niet in de wereld om do Oude af te schaffen, maar om ze te volmaken. De subdiaken moet dus de nederige dienaar, de aandachtige toehoorder zijn.
En nu klinkt de vredegroet aan het Christen volk. Jezus had zijn leerlingen bevolen; als gij een huis zijl binnengetreden om de blijde tijding des Evangelies te verkondigen, zegt dan altijd als uw eerste woord : «Vrede zij aan dit huis.quot; Zoo handelt ook de diaken, want hij wenscht aan het volk den lieer toe, die den waren vrede kwam brengen ; hij zingt met luider stem : yiDe Heer zij mei u.quot; En al het volk staat op en antwoordt bij monde van het koor : »i?/i met uwen ijeest.quot; De diaken erkent daarin hun verlangen om het woord Gods te hooren, hij maakt hunne harten nog leerzamer, hun verstand nog weetgieriger door hun te zeggen : Hoort, ik ga u het begin (of het vervolg) van het H. Evangelie verkondigen: itSequenlia Sancli Evangelii etc.quot; Eu zij teekenen allen met den diaken het voorhoofd, den
(1) Innoc. 111. O. cit. C. XXXIX. (2) Missale 1. c. (ö) Joïsl.
— 101 —
mond en de borst met liet teeken des kruises en hernemen jnichend: «Eer en glorie aan U, o God, die ons, uwen dienaren, de woorden des heils gezonden hebt.quot; »Gloria tibi, Domine.quot;
Wat wil dat teekenen met het kruis op voorhoofd, mond en horst wel zeggen ? Ieder Christen betuigt er mede; de prediking des Evangelies bestaat in Jezus Christus on dien gekruist, den joden een ergernis, den heidenen een dwaasheid. Wij echter moeten roemen in het kruis van onzen Heer Jezus Christus, in wien alleen ons heil en onze verrijzenis is. Welnu, ik schaam mij niet voor het Evangelie des kruises, ik draag liet daarom op mijn voorhoofd, den zetel der schaamte, ik belijd liet met den mond, ik ben bereid het voor geheel de wereld zelfs te midden der wreedste vervolgingen te getuigen ; ik geloof het met het hart, ja het is in mijn hart gegrift, ik zal het altijd lief hebben, altijd zal ik leven volgens de leer des Gekruisten. Lezer, zeg mij eens, hebt gij daar wel aan gedacht, zoo dikwijls gij uw voorhoofd, mond en borst bij het Evangelie teekendet? — Zoo niet, zoo uwe handelingen in strijd zijn geweest met de wei Gods, o, vernieuw dan uw geest bij die zoo treffende ceremoniën, en betuig aan uw gekruisten Jezus, dat gij voortaan een meer christelijk leven, een leven volgens het Evangelie zult leiden.
Maar ondanks al deze plechtige ceremoniën, welke reeds zijn voorafgegaan, kan de diaken nog niet besluiten het Evangelie te verkondigen. Hij wil eerst nog den geloovigen aantoonen, dat het woord des Evangelies een geurig reukwerk is, hetwelk zich overal maar vooral in de geesten en harten der Christenen moet verspreiden. Daarom neemt hij het wierookvat, en bewierookt driemaal den tekst der goddelijke woorden; en dan vangt hij met vaste en volle stem, zonder overhaasting, den deftigen zang des Evangelies aan. Deze is eenvoudig, zonder veel moduleering of verandering van tonen;
— 102 —
dit zou immers den zin des Evangelies, zeer dikwijls reeds in zich zeiven diepzinnig, nog verduisteren ; het moet den hoorderen (1) zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt worden om hem te begrijpen. Toch klinkt hij, schoon op alle dagen dezelfde, op plechtige feesten blijder, vroolijker en deftiger, op treur- en rouwdagen droevig en somber. De juiste en duidelijke uitspraak der woorden, met gepaste en degelijke betoning der lettergrepen, brengt de ware schoonheid aan dien Evangeliezang.
En onder dat zingen blijven alle geloovigen staan; zij betuigen er mede, dat zij bereid zijn de bevelen en de vermaningen op te volgen, welke in het Evangelie liggen opgesloten. (2) Waren wij in de middeleeuwen bij het Evangelie tegenwoordig geweest, wij hadden dan gezien, hoe allen hunne stokken, welke zij vroeger gebruikten om er op te steunen, neerlegden; de geloovigen zeiden daardoor, dat zij thans slechts dienaren wilden zijn in de handen van hun Heer en geen eigen meesters; wij hadden gezien, dat krijgslieden hunne wapenen aflegden, om te getuigen, dat zij zich niet meer met die wapenen van staal, maar alleen met de wapenen des gedulds wilden verdedigen; of wel dat zij hunne zwaarden uit de scheede trokken en ze aan den Evangeliezanger presenteerden, te kennen gevende, dat zij bereid waren voor de verdediging dier leer hun leven te geven. — De geschiedenis bewaart ons daarover schoone getuigenissen. (3) Laten zij allen voor ons een aansporing zijn om de wet * der Kerk, waardoor zij het staan onder den zang of de lezing des Evangelies gebiedt, (4) immer als trouwe kinderen te onderhouden. Betuigen wij daarmede onze diepe onderwerping,
(1) Men stelle 7.icti immer voor, dat in de eerste tijden der Kerk alle Christenen het Latijn verstonden, en het Evangelie werkelijk hier aan het volk verkondigd went.
(2) amp; Alph. Oeuvr. Ase. T. t-i. p. 21. (ö) Zie Bona de Reb.
lit. I, II C. VII 5. (4) Missale Rub. Gen. XVII. 5.
- 103 —
onze innige aandacht, onzen hoogen eerbied aan de woorden des Evangelies.
Want ja dat Evangelie, waarbij de Kerk zoovele plechtige ceremoniën in acht neemt, moet wel iets buitengewoons wezen. IJooren wij daarover Paus Innocentius III (1): «Gelijk het hoofd lieerschappij voert over heel het lichaam, en alle ledematen daaraan dienstbaar zijn, zoo munt het Evangelie boven het geheele officie uit, en stemmen alle overige deelen daarmede overeen. Het Evangelie toch is het woord des Woords, de uitspraak der Uitspraak, de wijsheid der Wijsheid. Het woord des Woords, dat in den beginne bij God was, door hetwelk alles gemaakt is. De uitspraak der Uitspraak, welke komt van het koninklijk troongestoelte, een onbeperkte heerschappij voerende, levend, werkend, en meer doordringend dan alle tweesnijdend zwaard. De wijsheid der Wijsheid, die met kracht reikt van het eene einde tot het ander, en alles met zachtheid regelt. Het is een paradijs van geneugten, een tuin vol kruiderijen, een geestelijke wijnkelder, de spijskamer des levens, de tafel der toon-brooden. het vierspan van Abinadab, de toren van David, de schat van den vader des hnisgezins. Hier is de bron der tuinen, de put der levende wateren, die met kracht stroomen van den Libanon.... Want hier spreekt niet een Mozes, die, schoon hij vroeger welbespraakt was, in zijn spraak belemmerd werd, sinds hij den Heer hoorde spreken. Hier spreekt geen Isaïas, die van zich zeken zeide; Wee mijner dat ik zweeg, dat ik een man ben bezoedeld van lippen ! Hier spreekt geen Jereinias, die getuigde: A ! a! a! Heer God, ik kan niet spreken, want ik ben een kind. Maar hier spreekt de Vader in den Zoon, dien Hij heeft aangesteld als erfgenaam over het heelal, en dooi\' wien Hij ook de eeuwen gemaakt heeft.quot;
Ja aan het Woord Gods, komt gelijk aan God zeiven, alle eer en glorie, alle lofprijzing en verheerlijking toe. Daarom
(l) i. c. c. XI. M.
roept hel volk aan het einde : Lol\' aan U, o Christus, nLaus lihi, Christe.quot;
En als de diaken zijn Evangelie gezongen heeft, wijst hij het boek aan den subdiaken aan ; en deze brengt het den priester, die het eerbiedig kust. Schoone ceremonie, waardoor de Oude Wet haar onderdanigheid aan de Nieuwe betuigt! Joannes roept al luider en luider: «Deze (Christus) moet grooter worden, ik kleiner.quot; En hij, die zijne woorden mocht verkondigen, neemt daarom ook het wierookvat, en bewierookt tot driemalen toe den vertegenwoordiger van Christus, den priester. De Nieuwe Wet erkent ook haar Schepper, haar lieer, haar Regeerder.
§ 10. HET CREDO
Na de schoone plechtigheid der Evangelieverkondiging volgt op vele dagen door het jaar het Credo. Het is een plechtige belijdenis van de punten des geloofs, de betuiging, dat men alle waarheden, welke in het Evangelie liggen opgesloten, vastelijk aanneemt, ja daarvoor wil leven en sterven. In de eerste drie eeuwen der Kerk werd het onder de 11. Mis nimmer gebeden of gezongen. De Christenen hadden niets anders dan het Symbolum, de geloofsbelijdenis der Apostelen. Dit leerden zij van buiten en baden het dikwerf, maar het op te schrijven en te bewaren was verboden, uit vrees dat de Heidenen het in handen zouden krijgen. (1) Zelfs de doopleerlingen mochten het dan eerst weten, als zij gedoopt werden, eerder niet. Toen er in de vierde eeuw echter ketters opstonden als een Arius en Macedonius, toen werd het Sun-bolum der Apostelen eemgzins meer uitgebreid en zoo vastgesteld. Dit Symbolum werd later in de H. Mis ingevoegd.
(I) Hier. Epist. PiimmiT.li, Uullin.
— 105 —
O, wat zegt die groote akte van geloof, door priester en koor gezongen, ons veel ! Hoort , in het midden des altaars, voor het beeld van Jezus Christus, van wien het geloof komt, en die ons eenmaal rekenschap van ons geloof zal afvragen, heft de priester plechtig het eerste geloofspunt aan. »Credo in tunnn flciimquot; zoo zingt hij, »lk geloof rn één Godquot; ; en hij heft te gelijk zijue handen omhoog om te getuigen, dat het geloof eene gave des hemels is, want niemand kan ge-looven, tenzij God hem de genade er toe geeft (i). Ongelukkig degene, die reeds zoo ver door de zonden gekomen is, dat hij zijn geloof verloren heeft ! \'t Is een bewijs, dat God hem heeft verlaten, en hij niet, tenzij door een wonder van Gods barmhartigheid, kan terugkeeren (2). t Is tevens een teeken, dat opheffen der handen, van vreugde en dankbaarheid voor de gave des geloofs. — Dan, als hij het woord : »in één God\' zingt, buigt hij eerbiedig het hoofd, en brengt de handen te zamen op het hart. Ja, Lezer, gij begrijpt met mij aanstonds deze ceremonie ; het hoofd moet gebogen worden, \'t verstand onderworpen, om te kunnen gelooven ; het hart moet, zonder te willen begrijpen aannemen, wat een God geopenbaard heeft, en de H. Kerk ons voorhoudt te gelooven, iicordc creditur ad justiliamquot;. De waarlijk geloovige heeft het woord Gods tot onderpand dei-waarheid van zijn geloof. Mij gaat niet af op zijn kortzichtig menschelijk verstand, dat in alles het begrijpen volgt; neen hechter is zijn grondslag. Hij steunt op de onwankelbare rots van Gods openbaring, en de weg daartoe is gebaand door de bekeering des harten, door het werk van Gods almachtige genade. Gelukkig dan degene, die dat geloof bezit, in wiens geest bet geworteld is, in wiens hart het gevoed wordt door de liefde.
(!) Hebr. VI. 0. (2) ii Cor. IV. 6. Gone. Araus. II. CC. 5, 7.
8
— m —
Het koor is iiitusscheu voortgegaan, zoodra de priester het eerste geloofspunt heeft aangeheven, met de andere punten zingend te belijden. Zij betreffen de drie goddelijke Personen en de eigenschappen, welke hun voornamelijk worden toegeschreven ; den Vader, als Schepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen; den Zoon, als Verlosser van het gevallen menschdom, den H. Geest, die de verlosten van Jezus Christus, welke lot zijn ware Kerk op aarde behoord hebben, in ziel en lichaam ten eeuwigen leven heilig maakt. Komt, belijden wij dan ons geloof in die aanbiddelijke Drievuldigheid, en bidden wij het den zangers na, die het zoo duidelijk en begrijpelijk mogelijk, zonder of met zachte begeleiding van bet orgel ( I), geheel en onverdeeld moeten voorzingen : »//i geloof in écu God, den almachtigen Vader, Schepper van hemel en aarde, ran alle zichtbare en onzichtbare dingen.quot; Belijden wij bij dit eerste gedeelte tevens, dat wij ellendige, zwakke schepselen zijn, die alleen door Gods almacht bestaan, en kunnen blijven bestaan; belijden wij, dat wij op dien almachtigen God hopen, op Hem alleen ons vertrouwen stellen.
Gaan wij dan verder en betuigen wij omtrent onzen god-delijken Verlosser : »Rn in één lieer, Jezus Christus, Gods eeniggeboren zoon en uit den Vader voor alle eenwen gebo -ren; God van God, licht, van licht, waarachtig God van waarachtig God; voortgebracht, niet gemaakt, medezelfstandig met den Vader : door wien alles gemaakt, is. Die om ons menschen, en om onze zaligheid is nedergedaald van de hemelen.
Dat is hetgeen wij gelooven moeten van den tweeden persoon der 11. Drievuldigheid. Hij :s onze Heer, omdat Hij God is gelijk zijn Vader, omdat Hij ons gekocht heeft door zijn bloed ; daarom noemen wij Hein ook Jezus Christus,
(I) Cici\'. Episc. L. I. C -28. 10. S. R. C. 7 Mart. 1861 — -2-2 Mait. 180-2.
— 107 —
want Jezus betcekcnt Verlosser, en Christus Gezalfde. Koningen , lioogepriesters en profeten werden in de Oude Wet gezalfd. Hij is de ceniggeboren Zoon des Vaders, niet in den tijd maar vóór alle tijden geboren, dat is van eeuwigheid. God van God, licht van licht, ware God van den waren God, geboren, niet gemaakt, een van wezen met den Vader, bijgevolg even machtig, even goed en volmaakt als de Vader. Uit het licht komt licht voort, uit den raensch wordt een mensch, en uit God wordt God geboren, dat is, de eenige Zoon, die een en dezelfde goddelijke natuur als de Vader heeft — Maar die Zoon Gods heeft toch nog een tweede natuur aangenomen. Hij zag ons menschen in de zonden gevallen, wij konden ons zeiven niet verlossen, toen besloot Hij uit den hemel te dalen, en, terwijl Hij God bleef, raensch te worden voor ons ; vdie om ons menschen, en om onze zaligheid is nedergedaald van de hemelen.quot;
En als wij daarna dan die diepe vernedering der mensch-wording van dien oneindig volmaakten Zoon Gods gaan belijden, als wij met den Apostel Paulus en de geheele H. Kerk betuigen, dat Jezus zich vernietigd, zich ontledigd heeft, toen Hij de gedaante van een slaaf aannam , o, knielen wij dan eerbiedig neder met den priester en zijne dienaren, die knielen en buigen aan het altaar ; knielen wij neder voor dien Jezus, die mensch werd, want Hij deed het voor ons, die eens hoovaardig tegen Hem opstonden ; Hij deed het om ons te verlossen ; knielen wij ootmoedig neder, de Kerk vraagt, ja beveelt het ons(l), en herhalen wij dat
(I) Missale Rub. Gen. XVII. 5. Do H. Alphonsns Maria was door de grootheid van dit mysterie zoo overtuigd van de vnorlrefl\'elijkheid dezer rubriek, dat bij, grijsaard van 80 ii 90 jaar, ziekelijk én ge-brekkelijk als hij was. zich nooit ontslagen rekende van deze kniebuiging. Als hij de H. Mis, bij zijne lange ziekte, zoo lezen wij in zijn Leven, zittend bijwoonde, omdat hij niet meer voortdurend knielen kon, wilde hij toch op twee oogenblikken geknield zijn; die oogen-blikken waren, als in de H. Mis het; vEt incarnalus estquot; geheften of gezongen werd, en gedurende de Consecratie. Heerlijk voorbeeld ter navolging!
— 108 —
zoo treffend mysterie des geloofs; »Et incarnatus est etc.quot; »En Hm is vleescii geworden door den IJ. Geest uit de Maagd Maria, en is mensch geworden.
Dan gaan wij verder belijden wat Jezus voor ons heeft gedaan, want Hij heeft niet slechts onze zwakheden en ellende op zich genomen , Hij heeft voor ons ten volle willen voldoen aan de goddelijke rechtvaardigheid ; ja nog veel meer, om ons zijne onmetelijke liefde te loonen en een voorbeeld te geven van alle deugden, liet Hij zich slachtofferen op den Calvarieberg, want, wij belijden het : ^Gekruist ook is Hij voor ons ; onder f\'on li us Pilatus heeft Hij geleden en is begraven.quot; Ontzettend wonder zijner liefde ! De oorsprong-des levens, de Zoon Gods, de Meester van het heelal, de Schepper stierf voor zijn schepselen ! Ja, dit kan alleen een God doen. — Maar wie God is, heeft ook goddelijke almacht; door eigen kracht stond Hij levend op uit zijn graf, klom ten hemel, heerscht en oordeelt daar met zijn Vader in zijn eeuwig rijk. Daarom gaan wij verder in onze geloofsbelijdenis en bidden wij ; »En Hij vervees ten derden dage, volgens de schriften ; en Hij is opgeklommen ten hemel, zit nan de rechterhand des Vaders; en Hij zal wederkomen met heerlijkheid om te oordeelen de levenden en de dooden, aan wiens rijk geen einde zal zijn.quot; Dal is onze geloofsbelijdenis in Jezus Cliristus, onzen Verlosser.
Dan volgen de geloofspunten, welke wij moeten aannemen omtrent den derden Persoon der H. Drievuldigheid, den H. Geest, onzen Heiligmaker.
Hij is waarlijk God, even machtig, even wijs, even eeuwig-als God de Vader en God de Zoon. Hij heeft al wat er geschapen is met leven bezield. Hij onderhoudt dat leven vooral in de zielen der zijnen door de bovennatuurlijke genade, welke Hij voortdurend blijft uitstorten in de Sacramenten. Vandaar belijden wij te gelooven : ygt;En in den H. Geest, den Heer en Levendmakende.quot; Hij komt voort van den Vader en
— 109 -
den Zoon te zatnen, Ueiii komt dan ook goddelijke ol\' opperste eer toe, wij moeten Hem aanbidden: ygt;die uit den Vader en den Zoon voortkomt, die met den Vader en den Zoon le zemen aangebeden en mede verheerlijkt wordt. Hij was niet de Kerk van het Oude Verbond, want door Hem voorgelicht, hebben de Profeten gesproken ; Hij blijft ook met de Kerk van het Nieuwe, met de ééne, heilige, katholieke en apostolische Kerk van Christus, bestiert haar, maakt haar gezag in geloofsuitspraken onfeilbaar, blijft met haai\' tot het einde der wereld. Hij, de levendmakende en heiligende Geest, voert ons allen door het Doopsel die Kerk binnen, zal eenmaal oiue lichamen weer bezielen en doen verrijzen, Hij ons eenmaal het onsterfelijk leven schenken. Wij gelooven dan ook in den H. Geest, vdie door de Profeten gesproken heeft; en in ééne , heilige, kaltwlieke en apostolische Kerk; wij betuigen verder : Ik belijd één doopsel tot vergeving der zonden ; en ik venvacht de verrijzenis der dooden, en het leven der toekomende eeuwe. Amen.quot; En terwijl de priester deze laatste woorden : vel vitam venturi sceculi. Amenquot; bidt, maakt hij het kruisteeken. Laten ook wij dit onderhouden, als leerlingen van Jezus Christus, want wij belijden er mede, dat eenmaal, bij hel einde der wereld en het begin van dat eeuwig leven, het kruis in de wolken den Rechter zal aankondigen, dat niemand tenzij wie gelooft in den gekruisten den hemel kan binnen gaan.
Ziedaar ons Credo der H. Mis. Waarlijk, bij het belijden dier verhevene maar toch zoo troostende waarheden van den godsdienst voelt men zich gelukkig, katholiek te zijn. \'t Is dezelfde geloofsbelijdenis van voor achttien eeuwen ; wat de Apostelen beleden, dat ook belijden wij, en dat belijdt de gansche katholieke Kerk, over heel de wereld, waar ook verspreid. »0, roept hier Mgr. Gaume uit, wal schenk1 deze gedachte een ontzettende kracht aan ons geloof! Als een mirakel der goddelijke almacht plotseling in één kerk
- no —
der wereld, al de katholieken van hel heelal te zameu riep, als een zelfde mirakel al de geslachten der achttien vervlogen eeuwen uit hunne graven deed opstaan, ze vereenigde niet die levende geslachten, en als het ons dan gegeven was, hun zang, hun taal te vernemen, wij zouden dezelfde geloofsbelijdenis, hetzelfde Credo uit hunnen mond hooren weerklinken, dat wij herhalen, en dal onze nakomelingen zullen herhalen na ons.
)gt;En als een zelfde mirakel ook alle ketters, alle proles-tanten van alle eeuwen en landen ten leven opriep, en men aan ieder van hen zijn geloofsbelijdenis vroeg, wat zouden wij hooren ? O een eindelooze spraakverwarring, een waar beeld van de bel of van den toren van Babel; er zouden zooveel geloofsbelijdenissen zijn, als er secten en personen in iedere secte zich bevonden, geloolsbelijdenissen, de een tegenstrijdig aan de ander, verschillend volgens de tijden en de landen.quot; (I) En wij voegen er bij, als men alleen ,n Nederland, de nu levenden, die niet katholiek zijn, opriep, hetzij dan protestant of jood, jansenist of spiritist, men zoij hun verschillende en onderscheidene belijdenissen niet bij honderden, maar bij duizenden kunnen lellen. — Maar, lezer, als de waarheid één is, en dal kan niet anders, zeg mij dan: aan welke zijde bevindt zij zich: bij de Katholieken of bij de niet-katholieken?
Laat ons eindigen met de heerlijke gevoelens van een Kerkleeraar, die heel zijn leven den goeden God dankbaar was voor de gave des geloofs en daarvoor duizend levens wilde geven, met de beluigingen van het levendig geloof des H. Alphonsus Maria: »0 godloochenaars, die niet in een God gelooft! Wat is uw dwaasheid groot! Als gij niet gelooft aan hel bestaan van God, zegt mij, wie heeft u dan geschapen\'? Hoe kunt gij denken, dat er schepselen kunnen
(d) Gaume, Gat. de Peisev. T. 7.
— Ill —
bestaan zonder een schepper? Kan de wereld, welke gij bewondert, met zooveel orde en vastheid gemaakt, kan zij het werk zijn van het noodlot, dat noch orde, noch voorzienigheid bezit? On^elukkigen! Gij zoekt u te overtuigen, dat de ziel sterft gelijk het lichaam ; maar helaas! Wat zult gij zeggen, als gij bij het aanschouwen der eeuwigheid, gedwongen zult zijn te erkennen, dat uwe zielen eeuwig zijn, en dat uw verlies eeuwig onherstelbaar is?
«En gij, die aan een God gelooft, gij moet ook gelooven dat er een ware godsdienst is. En als gij niet gelooft, dat de Roomsch-katliolieke Kerk dien waren godsdienst belijdt, leer mij dan waar hij is. Bij het heidendom , dat zooveel goden aanneemt, en daardoor al van zelf ze allen vernietigt en ontkent? — Bij de Mahomedanen, die niets anders hebben dan een onrein mengsel van fabelen, van dwaasheden en tegenspraak ; een godsdienst, uitgevonden door een snooden bedrieger, en meer passend aan dieren dan aan menschen ?— Bij de joden? Er is een tijd gew\'eest, dat zij het ware geloof hadden ; maar, wijl zij den Verlosser, dien zij verwachtten, verstoeten en de Wet der genade, die Hij onderwees, verworpen hebben, hebben zij hun geloof, hun vaderland, in één woord alles verloren. — Bij de ketters dan ? Door zich af te scheiden van de Kerk, die.Je/.us Christus zelf heeft gesticht, en aan welke Hij beloofd heeft, dat zij nooit zou bezwijken, hebben zij dermate alle geopenbaarde waarheden verward, dat ieder van hen in zijn geloof staat tegenover al de anderen.
»0, hoe duidelijk is het, dat ons geloof alleen het ware is ! Want, of wel er is een waar geloof, en dan kan geen ander het ware zijn dan het onze ; of er is geen waar geloof en dan zijn alle godsdiensten valsch. Maar het tweede geval is onmogelijk, want, als er een God is, moet er ook noodzakelijk een waar geloof en een ware godsdienst wezen.
«Maar hoevee! uitzinniger nog zijn die christenen, die het ware geloof Bezitten, en leven alsof zij niet geloofden. Zij gelooven, dat er een rechtvaardig God is, die hen moet rechten, dat er een eeuwig paradijs en een eeuwige hel is, en zij durven een leven leiden, alsof er noch oordeel, noch hemel noch hel, noch eeuwigheid, noch God is.
»Maar hoe is het dan toch mogelijk ! De Christenen gelooven in Jezus Christus; in een God, voor hen geboren in een stal; in een God, levend voor hen in een armen werkmanswinkel, den eenen dag in den anderen gedurende dertig jaren, als een werkman levend van het werk zijner handen ; in een God, ten laatste gehecht aan een kruis en gestorven verteerd van smarten voor hen : hoe is het dan toch mogelijk, dat zij in plaats van dien God te beminnen, Hem nog beleedigen door hunne zonden ?
»0 heilig geloof, verlicht toch die ongelukkige blinden, die zich gaan verdoemen in de eeuwigheid ! — Ah, reeds schittert dat goddelijk licht, het verlicht alle menschen, ge-loovigen en ongeloovigen ; Lux vera, r/Hfc illuminat omnem hominem. Hoe kunnen dan toch zoo vele ongelukkigen zich verdoemen? — Vervloekte zonde! Gij verblindt die arme, arme zielen, maar bij het intreden der eeuwigheid, zullen hunne oogen worden geopend, en dan .... zullen zij geen middel meer hebben, om van hunne dwaling terug te keeren.
sfloe komt het, Heer, dat zoovelen uwer dienaren zich te midden der woestijnen in woeste holen hebben teruggetrokken, ten einde hunne zaligheid te bewerken; dat zoovele adellijke personen, zooveel vorsten zelfs, zich zijn gaan opsluiten in kloosters, waar zij een armoedig en der wereld onbekend leven leidden, om hun eeuwig heil te verzekeren ; dat zoovele martelaren alles hebben verlaten, dat zoovele maagden aan de schitterendste verbintenissen hebben verzaakt en zich liever aan de pijnbank, de bijlen, de gloeiende ijzers, de roosters en aan al de wreedste folteringen overgaven, dan uwe genade
— 113 —
le verliezen ; terwijl zooveel anderen maanden en jaren van U verwijderd in zonde leven?
»0 mijn Jezus, ik dank U voor het liclit, dat Gij mij geeft, en door hetwelk Gij mij al de goederen van hier omlaag doet kennen als enkel rook, damp, ijdellieid en verbeelding; ik dank U voor het geloof, door hetwelk Gij mij U zeiven doet kennen als hel eenig Goed
»Mijn God, ik dank U voor de gave van het waar geloof, ik ben L1 duizendmaal dankbaar, dat Gij de goddelijkheid van dat geloof én door de vervulling der profetieën, én door den glans der mirakelen, én door de moed der Martelaren, én door de heiligheid der leer, én door hare wondervolle verspreiding over heel de wereld, zoo duidelijk hebt gemaakt, dat men zeggen moet, als dat geloof een dwaling is: Gij, o God, hebt ons bedrogen, daar Gij het ons deedt gelooven door zooveel bewijzen, welke Gij er van gegeven hebt.
»Ik geloof al hetgeen de Kerk mij voorhoudt te gelooven, omdat Gij het geopenbaard hebt. Ik wil de geheimen niet begrijpen, welke boven mijn verstand zijn ; het is mij genoeg dat Gij ze hebt geopenbaard. Ik bid U, o Heer, mijn geloof te vermeerderen : Adauge nohis fidem.quot; (1)
DERDE HOOFDSTUK. De Offerande en de Prefatie.
§ 1. DE OFFERANDE,
W ij zijn gekomen aan het derde gedeelte van onze uitlegging der H. Mis; het omvat het begin van \'t eigenlijke Sacrificie, ot\' de Offerande van het brood en den wijn, voor het offer noodzakelijk, en de gebeden, welke deze offering vergezellen.
Als men oudtijds aan dit punt der Mis gekomen was, en alzoo alle gebeden, ceremoniën en onderrichtingen, welke de naaste voorbereiding vormden, waren voorafgegaan, dan keerde zich de diaken tot de doopleerlingen, boetelingen, joden en heidenen, in één woord, tot allen, die nog ongedoopt of onwaardig waren het Misoffer bij te wonen, en maande hen aan de kerk te verlaten. Eerst dan, als deze allen waren uitgegaan, werd hel Offer met gesloten deuren voortgezet. Dit oud gebruik leert ons, welk een ontzettenden eerbied de H. Kerk altijd voor het hoogheilig Offer gehad heeft, en tevens welke eene heiligheid wij moeten aanbrengen, om waardig daarbij tegenwoordig te zijn. Hoezeer ook \'t oude schoone gebruik is opgeheven, wil toch nog immer onze Moeder de H. Kerk, dat wij met zuivere harten of, zijn wij zondaars, ten minste met harten, die reeds het begin der boetvaardigheid en van het berouw bezitten, voor den oneindig volmaakten Jezus, die zich gaat offeren, verschijnen.
De Priester keerde zich vervolgens, gelijk ook nu nog immer, tot bet volk en groette hen opnieuw met den vredegroet: ygt;Dominus vobiscmn: de Heer zij mei U.quot; En het volk, hoe langer zoo meer overtuigd, dat de Priester hier als een engelachtig offeraar gaat optreden, bekleed met de
macht des Allerhoogsten, zingt liera opnieuw toe: vEt cum spiritu hw: En met uwen yeest.quot; Ja, Je Heer, de almaclitige God zal niet zijn dienaar n met zijn volk zijn; Hij, wiens wellust het is met de kinderen der menschen te verkeeren, lien met gunsten en weldaden te overladen, Hij zal komen. Nog eenige oogenbli\'lt;ken, en de stonde is daar. Hierom moet er gebeden, gesmeekt worden De Priester maant er zijne geloovigen toe aan door hun allen toe te voegen; vOremus.quot; Laten wij toch bidden, veel bidden in dit uur. God komt tot ons, de hemel daalt op aarde neder.
Het koor zingt vervolgens, terwijl de Priester hetzelve in stilte bidt, het Offertorium; \'t is een gedeelte van een Psalm ot\' van een andere plaats der H. Schrift, dat gewoonlijk zinspeelt op het leest of de plechtigheid welke gevierd wordt. Men noemt het Offertorium, omdat onder het zingen van dit gedeelte vroeger het volk immer zijne offering kwam doen van brood, wijn en alles wat voor het altaar benoodigd was. De groote bisschop van Carthago, de II. Augustinus, (1) voerde hel zingen van zulk een lofzang in, en dit verspreidde zich spoedig over de geheele Kerk. Hij bestond niet uit één maar uit verschillende verzen, waar tusschen het eerste gedeelte immer zoo lang herhaald werd, als liet offeren der geloovigen duurde. Zóó geeft ons de H. Gregorius de groote in zijn Antiphonarium de Offertoria. (2) In de tegenwoordige Mis der overledenen zien wij er heden nog een voorbeeld van; daar hooren wij ook het koor uit naam van bet volk nog immer zingen; «Offers en gebeden brengen wij u, o Heer, ten offer, neem ze aan voor de zielen, waarvan wij heden gedachtenis houden.quot; (3)
— 116 —
Ofschoon echter het zingen van dit Offerlorhim eerst dag-teekent uit ,de vierde eeuw, was liet offeren van brood en wijn en van andere benoodigdheden voor liet offer reeds veel langer in gebruik. Niet onwaarschijnlijk dagteekent het uit de lijden der Apostelen, en is het een gevolg der liefde-maaltijden, welke in die eerste tijden immer bet H. Misoffer voorafgingen.
Dat offeren der geloovigen ging ook vergezeld van verschillende plechtigheden ; zij zijn te schoon om ze hier onvermeld te laten. Ziehier wat wij als algemeenen regel vinden in bet boek der Romeinsche voorschriften. (I) «Terwijl de zangers het Offertorium zongen, kwamen de leeken, eerst de mannen en dan de vrouwen, met hunne offers van brood en wijn aan den ingang van het priesterkoor. Zij droegen ze op witte doeken, en boden ze aldus aan. De bisschop ontving ze, en gaf het brood den subdiaken, die bet in een wit kleed legde, dat door twee acolieten werd vastgehouden; de kruikjes of kleine kannetjes met wijn ontving de aartsdiaken, die ze ledigde in een arrooten kelk, welke een andere dienaar daartoe
D o 7
vasthield. Daarna keerde de bisschop naar zijn zetel terug, wasohte zich de handen en ging bet altaar op. Dan bracht men het geofferde naar hel altaar; de aartsdiaken stelde bet altaar in orde en legde de offergaven daarop \'neder. Vervolgens schonk bij door een zeelje van den geoll\'erden wijn in een kelk, alsook in den vorm van een kruis, water, dat te voren gehaald werd door den subdiaken bij den hoofdvoorzanger, die dit uit naam van heel het koor offerde. Dien kelk plaatste hij ter rechterzijde van het brood. De bisschop groette dan het altaar door het te kussen, en ontving vervolgens de. offeranden der priesters en diakenen, die het altaar mochten naderen; ook den keizer was dit voorbehouden. Na nog eenige ceremoniën, waarbij de offergaven gezegend en bewie-
(1) Ord. Rom. II Nquot; 9.
- 117 —
rookt werden, hield men vervolgens zooveel brood en wijn op het altaar, als er noodig was voor hel Üller en voor het getal van hen, die onder de H. Mis moesten te communie gaan, en ging de bisschop voort met het H. Misoffer.
Ziedaar de oude manier der Offerande in de eerste tien eeuwen der Kerk. Zij is schoon en indrukwekkend, en ging gepaard van zooveel godsvrucht en ingetogenheid, dat ketters, die soms waren binnengedrongen bij het Offer, er zich door bekeerden (1) Thans vindt zij op een andere niet minder plechtige wijze plaats.
Zoodra het »Oremusquot; door den priester gezongen is, haalt de subdiaken, zoo althans de kelk niet te voren op het altaar geplaatst is, den kelk met toebehooren en draagt dezen, gedekt door een lang zijden schouderkleed naar het altaar. Daar is reeds vroeger onder het Credo, of wordt nu door den diaken een wit linnen doek over het midden des altaars uitgespreid. Deze wordt Corporale genoemd, omdat er straks liet Corpus Christi, het lichaam van Christus op zal rusten. (2) O, het spreekt van zelf, dat het van zuiver linnen moet zijn, want de grafdoeken van Jezus\' lichaam, welke het ons beteekent, waren ook van linnen. Veertien eeuwen geleden zeide het aldus reeds de H. Hieronymus, en de Pausen maakten het tot een streng verplichtend voorschrift. (3) Vroeger was het echter zoo groot, dat \'t over het geheele altaar uitgespreid was, en tevens nog met de uiteinden den kelk bedekken kon. Daar dit laatste echter zeer veel moeite veroorzaakte, voerde men daartoe het gebruik iu van een kleiner Corporale, dat op den kelk geplaatst werd. Men noemt het Palla, van pallium mantel, omdat het den kelk bedekt. (4) Paus Inno-
(I) Men leze Kleury. L. XVI. § -18, over helgeeu daarbij aan den Ariaanschen Keizer Valens overkwam. (2) Alculn c. 2 de celebr. Missie. (5) Cap. Consulto de consecr. Dist. I. (i) Bona c. 25, N° 11.
centiiis ziet er tevens een schoonc afbeelding van den zweetdoek des Heeren in, welke afgescheiden van het overige lijnwaad, boven Jezus\' hoofd in zijn graf rustte. (1)
Als dan dat Corporale over het altaar is uitgespreid, ontdekt de diaken den kelk, hij neemt de pateen of den vergulden schotel niet het olferbrood er af, en reikt deze, terwijl hij ze tevens, alsook de hand des priesters eerbiedig kust, aan den priester over. Deze neemt ze aan, houdt ze omhoog, slaat de oogen hemelwaarts, omdat hij met zijn hemelschen Vader gaat spreken, en bidt het volgende gebed:
»Ontvang, heilige Vader, almachtige eeuwicje God, dit onbevlekte offer, dat ik, uw onwaardige dienaar, opdraag aan U, mijn levenden en waren (jod, voor mijne ontelbare tonden en beleedigingen en nalatigheden, en voor allen, die zich hier rondom mij bevinden, maar ook voor alle Christen geloovigen, z-oo overledenen ah levenden, opdat het mij en hun tot heil ver at rekke len eeuwigen leven. Amen.quot;
De woorden van dit kort maar veelomvattend gebed zijn duidelijk. Zij behoeven geen verklaring. Alleen zij gezegd, waarom de priester bet Ddit onbevlekte ojferquot; noemt; wat hij offert is toch niets anders dan brood, maar in zijn geloof ziet hij reeds vooraf bet wonder, dat straks zal geschieden. Hij w\'eet het, nog eenige stonden en door de woorden der consecratie zal dat brood veranderen in het waarachtig Lichaam en Bloed van Christus, bet Offer zonder eenige smet. Daarom noemt hij dat brood reeds nu zijn onbevlekt offer, daarom ook, want dat offer is op bloedige wijze gebracht op het kruis, maakt hij na dat gebed een kruis met de pateen boven het Corporale, en legt er de hostie op neder. (2) Hij wil ons zoo duidelijk mogelijk zeggen : Ziet, ik ga hetzelfde offer, dat Jezus eens op het kruis op bloedige wijze bracht, hier op onbloedige wijze hernieuwen. Zonder hel kruisoffer heeft dit Offer niet de minste kracht.
(1) O. Cit. C. LX. (2) Hminrius Gemm. an. 1 I. c. 96.
— H9 —
De offering van het brood wordt gevolgd door die van den wijn, welke door Jezus uitgekozen werd als tweede stof voor het Offer onzer altaren. Ziet, de naaste dienaar des altaars, de (liaken, de andere Joannes, die op Jezus\' borst rustte, mag den kelk met wijn bereiden ; de subdiaken staat hem ter zijde en giet, nadat hij eerst eerbiedig den priester zijn zegen over het water verzocht heeft, eenige druppels ervan in den wijn, voor het offer bestemd. Eenvoudige maar veel beteekenende ceremonie ! Waarom wordt hier de wijn met water gemengd ? Allereerst, omdat Jezus het ook deed bij het laatste avondmaal, want volgens de Joodsche Wet, moest de wijnbeker van den paaschmaaltijd immer gemengd worden met water. Maar vervolgens ligt daarin nog een geheimvoller beteekenis opgesloten, «Men doet een weinig water in den wijn,quot; zegt de H. Alpbonsus, »om de vermenging of ver-eeniging te vertegenwoordigen, welke geschiedde bij de menschwording des Woords tusschen de Godheid en de menschheid; het is ook om do nauw verbonden vereeniging aan te toonen, die geschiedt hij het ontvangen van het H. Sacrament des altaars, tusschen Jezus en den persoon, die communiceert, vereeniging, welke de H. Augustinus noemt, een vermenging van God met den mensch : rnixlura Dei et hominis. Daarom ook vraagt de priester, bij die vermenging van het water met den wijn, in zijn gebed aan God, dat, gelijk zijn goddelijke Zoon zich deelachtig maakte aan onze menschheid, zoo ook Hij ons, door onzen Verlosser, deelachtig make aan zijn Godheid.quot; (I)
De wijn stelt ons dus de goddelijke, bet water de rnen-schelijke natuur voor; doch daar er tusschen God en ons geene vereeniging mogelijk is tenzij door de verdiensten van Jezus\' kruisdood, daarom ook maakt de priester eerst het kruisteeken over het water vóór het met den wijn vermengd
(I) Ocuvr. Asc. T. p. -2-2.
— 120 —
wordt. Doch daar de Kerk in de Missen der overledenen sleclits aan de lijdende geloovige zielen denkt in het Vagevuur, die reeds zeker zijn van hunne verlossing, ofschoon zij ze nog niet bezitten, en de priester ze niet meer kan zegenen, zoo blijft in deze Missen de zegen des waters achterwege.
Ziedaar de diepe en treffende beteekenis, welke in die vermenging ligt opgesloten. Laat ons nog opmerken, dat diaken en subdiaken den kelk bereiden, en ze daarna eerst den priester aanbieden. De H. Kerk wil dat zoo, opdat wij zouden gedenken, dat de Priester niet alleen, maar met de gansche kerk, niet slechts voor zich zeiven, maar ook voor alle ge-loovigen het Offer gaat opdragen; want die twee dienaren vertegenwoordigen hier het gehede christenvolk.
Daarom ook houdt de diaken den kelk vast, als hij dien eerbiedig in de hand des priesters gegeven heeft, daarom onderstennt hij den priester, en spreekt hij te zamen met hem in het meervoud dit schoone gebed uit, terwijl beiden opzien tot het kruis, van waar alle heil gekomen is:
»Wij drayen aan U, Heer, den Kelk des heils op, en smeeken uwe (JpéderUerenheid, dat hij voor het oorj van mve goddelijke majesteit tot ons heil en lot heil der geheele wereld met een geur van zoetheid moge opstijgen. Amen.quot;
Klaar en duidelijk toont ons dit schoone gebed, waarhij wederom gelijk bij dat van de offering des broods, gedacht wordt aan Hem, die straks onder de gedaante van dien wijn op het altaar zal verschijnen, dat Jezus het is, die ons Offer iSvordt; zijn Bloed heeft gestroomd voor het heil der gansche wereld; Hij is het zoenoffer geworden voor onze zonden, en niet slechts voor de onze, maar ook voor die van de geheele wereld. (1)
En na dit gebed maakt de priester ook een kruis met den kelk, en plaatst dus, gelijk daar straks de hostie, den wijn op het offerhout van den Calvarieberg.
(I) l Joes li. 2.
— 121 -
Lezer, als gij dan die zoo schoone ceremoniën der Olftring van brood en wijn aanschouwt, en gij zoo duidelijk ziet, dat ook gij offeraar gaat zijn met den priester, breng dan ook u zeiven uit liefde aan God ten offer. Jezus offert zich voor u, zoudt gij dan ook uw hart niet aan Hem willen geven? Voorzeker, leg daarom uw hart op de pateen, uw ziel en al uwe vermogens in den kelk des priesters, en breng n zeiven aldus aan God ten offer, opdat gij straks na de Consecratie, gelijk het brood en den wijn, geheel veranderd, voor Jezus ademt, voor Jezus werkt, voor Jezus leeft; opdat gij dan moogt uitroepen met den Apostel Pauliis: ygt;Ik leef, niet ik, maar Christus leeft in mij.quot;
Als dan het brood en de wijn geofferd zijn, ontvangt de Subdiaken van den Diaken de pateen, waarop het offerbrood zoo even nog rustte. Uit eerbied voor dit gewijde voorwerp wikkelt hij het in zijn schouderkleed, en plaatst zich daarmede aan den voet des altaars tot het einde van bet Pater noster. Slechts eenmaal zullen wij dezen dienaar gedurende dien tijd het altaar zien bekliimnen, als n. 1. het driewerf Heilis den driewerf heiligen God door de drie gewijde dienaren des altaars moet worden toegezongen. — Ongetwijfeld heeft dat verlaten des altaars door den Subdiaken zijn oorsprong in de vroegere tijden, toen de paleen zeer groot was, en deze, zoo lang zij niet gebruikt werd, ook verwijderd werd van de altaartafel; maar ook belet ons niets, om daarin met Paus Innocentius tevens een geheimzinnige beteekenis te zien.
Geheel het leven van Jezus, zoowel zijn verborgen als open--baar leven, vooral zijn bloedig offer worden vertegenwoordigd, wij weten het, in het H. Misoffer. Reeds meermalen hebben wij daarop gewezen. Welnu, zegt die geleerde Paus, in dat weggaan des Subdiakens zien wij de vlucht en het zich verbergen der leerlingen afgebeeld. Toen Jezus bet H. Sacrament des altaars had ingesteld, en met de zijnen uitging om te
9
122 —
bidden, toen voorspelde Hij Imn: «Gij allen zult dezen nacht in mij geërgerd worden. Er staat geschreven; Ik zal den herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden. F.n waarlijk, nauwelijks was Jezus gevangen genomen, of zij vluchtten weg die leerlingen en verborgen zich. Slechts één Joannes, dien wij immer terugvinden in den diaken, zien wij bij het kruis, toen Jezus zijn Offer bracht. Eerst later, als Jezus verrezen is van de dooden, en Hij het »Vrede zij üquot; komt brengen aan de zijnen, en zij Hem erkennen aan het breken des broods, komen zij er voor uit, volgelingen te. zijn van den Gekruiste, en belijden zij hun geloof. Dit alles dan, wij herhalen het, vindt men allerschoonst afgebeeld in het weggaan des Subdiakens, in zijn blijven aan den voet des altaars gedurende de opdracht van het eigenlijke offer, in zijn terugkeeren, als de priester do H. Hostie breekt, en den vredekus aan zijne mededienaren komt schenken.
Intusschen, terwijl de subdiaken zich aan den voet des altaars plaatst, gaat de priester door met in stille zijne gebeden te storten. De handen smeekend te zamen gevouwen, en het hoofd eerbiedig neergebogen, bidt hij dat heerlijk gebed, dat eenmaal uit den mond der drie jongelingen vloeide, voor zij in den brandenden oven geworpen werden :
vMogen wij Inch, o lieer, in den geest van ooimoedigheid en met een rouwmoedig hart worden aangenomen, en moge ons olfer voor uw aanschijn zóó gebracht worden, dat het l he-
hage. Heer, God !\'
Wie erkent hier niet in den priester, die aldus spreekt, Jezus, zich in den hof van Olijven aanbiedende als offer aan zijn hemelschen Vader? Hij nam de zonden der wereld op zich, en bood zich vernederd eu vermorseld als offer aan, om zijn hemelschen Vader genadig te stemmen, en zoo de wereld te verlossen; maar Hij voelde zijne menschelijke natuur bezwijken bij de aanschouwing van al hetgeen zijn offer Hem kosten zou, en daarom smeekte Hij zijn Vader om sterkte.
— 123 —
daarom herhaalde Hij het aan zijne leerlingen : »Waakt toch en bidt, opdat gij niet in bekoring valt!quot; Daarom bad Hij zelf diep ter aarde gebogen, terwijl water en bloed als zweet den grond bevochtigden, \'t Wordt eenigermate weergegeven, als de priester, na eerst diepgebogen zich aan den hemelschen Vader te hebben aangeboden, zich opheft, de handen uitstrekt ten hemel, het teeken des kruises, waardoor het offer voltrokken werd, over de offergaven maakt en bidt;
vliom. Heiligmaker, almachtige, eeuwige God, en dit zegen Offer, dat voor uiuen naam bereid is.quot; Ja, dat gebed is hier het: »niet mijn wil, maar uw wil geschiede.quot; Het heilig en vlekkeloos Offerlam erkent zich zwak, en vraagt vol berouw over de misslagen van zijn volk, de kracht des Allerhoogsten. Maar Jezus verlangt ook, dat de zijnen bidden niet Hem, dat zij zich met Hem offeren. Daarom keert de priester zich om, en doel wierook in het wierookvat, terwijl hij zegenend van God de aanneming van het gebed der geloovigen afsmeekt. Dit gebed toch, dat zich moet vereenigen met dat van Christus, is de wierook, waarmede hier het offer en het altaar omwolkt wordt. »Deze wierook,quot; zoo bidt de priester. »klimme tol U op, o Heer, en utve barmhartigheid dale over om neder.quot; (lelijk de rook ervan in de Oude Wet eiken morgen (1) bij het morgenoffer, voor uw aanschijn opklom, zoo stijge ons gebed hemelwaarts tot ü; geest en hart ook heffen zich te zamen daarmede tot U op, gelijk het wierookoffer des avonds in den tempel. (2) Stel, Heer, een wacht aan mijn mond en de deur der omzichtigheid op mijne lippen, want, wil mijn gebed U aangenaam zijn, dan moet die mond niet ontheiligd worden door slechte of nuttelooze woorden. Mijn hart neige zich niet tot het kwade, en zoeke geen listen, om de zonden te verontschuldigen, neen, het zij zuiver, ootmoedig en oprecht. Zoo bidt de priester, als hij de gebeden van het volk met zijn offer God aanbiedt.
(I) Exod. XXX. 7. (-2) Exod. XXX. 8.
— 124 —
Maar het is alleen door de liefde, dat men zulke gebeden kan storten, de liefde, die als een vuur al liet aardsche verteert en zich vlammend ten hemel verheft; daarom zegt de priester, als hij het wierookvat den diaken teruggeeft: ygt;De Heer ontsleke in ons het vuur zijner liefde, en de vlam van zijn eeuwig beminnen. Amen.quot;
Door zulk een gebed ontvangt men overvloedige genade van God. \'t Wordt ons vervolgens beteekent door de bewierooking van Priester en dienaren, van Geestelijken en leeken ; want ieder wordt in de plechtige .Mis naar rang bewierookt. (l)Men bewierookt een ieder bij de offerande der H. Mis, zegt de 11. Thomas, om de uitwerkselen der genade te verbeelden, die de goede geur is, waarvan Christus is vervuld, en die van Jezus Christus tot de geloovigen moet overgaan. (2)
O wat zegt ons dan die bewierooking des altaars en der Christengeloovigen veel! Maar spreke zij ook tot ons hart! Als wij die geurige wierookgolven ten hemel zien opgaan, als wij er mede omwolkt worden, ja worde dan het woord van den li, Alplionsus opnieuw dieper en dieper in ons hart gegrift: »Wie bidt wordt zalig, en wie niet bidt gaat verloren.quot; En nemen wij telkens het onherroepelijk besluit: ik zal heel mijn leven den wierook des gebeds doen opstijgen voor Gods troon, ik zal blijven bidden, want dan verkrijg ik den goeden geur van Christus, de genade, welke mij eenmaal
den hemel moet binnen voeren, dan word ik zaliu;.
1 ö
§ 2. DE HANDENWASSCHINO 1)ES PI{ i ESTERS.
Keeren wij terug tot den priester. Na bewierookt te zijn door den diaken, wascht hij zich de handen. Die ceremonie, welke tot de apostolische tijden opklimt, heeft een dubbele reden, een natuurlijke en een geheimzinnige. De offering va i ()) Missale Rit. Cel. T. VII. (-2) 3 p. q. 83. a. 5. ad -2.
brood en wijn, vooral gelijk zij vroeger plaats vond, en de bewierooking, welke zoo even is voorafgegaan, maken liet toch passend, zoo niet noodzakelijk, dat de priester de handen wascht; doch het vindt ook plaats om een andere reden. Die handemvassching moet zoowel den priester als de geloovigen leeren, dat hot H. Misoffer met een onbevlekte reinheid van ziel behoort te worden opgedragen. »Gij hebt gezien,quot; zoo leerde de H. Cyrillus van Jeruzalem aan zijne geloovigen, »dat
een diaken de handen wascht van den priester..... Meent gij
dat dit geschiedt om het lichaam te reinigen? Geenszins, want wij zijn niet gewoon bij het intreden der kerk in znlk een staat te\'zijn, dat wij onze handen moeten wasschen. Maar die handemvassching herinnert ons, dat wij zuiver moeten zijn van alle zonden ; onze handen toch beteekenen onze daden; de handen wasschen is niet anders dan onze werken zuiver maken.quot; (I) En Dionysius de Areopagiet voegt er bij: »Depriester wascht slechts de toppen zijner vingeren, om te kennen te geven, dat de zie! zuiver moet zijn zelfs van de geringste vlekken der zonden.quot; (2)
En terwijl de priester deze zinnebeeldige ceremonie verricht, bidt hij dan ook een psalm, die volkomen in overeenstemming is met deze geheimzinnige beteekenis. Hij is het vervolg van den Psalm vJiidicaquot;, door den priester bij het begin der H. Mis aan den voet des altaars gebeden. Was bij toen eene heerlijke en onnavolgbare samenspraak van priester en geloovigen, waarin zij hunne onmacht erkenden, Gods genadekracht vroegen, en de vergiffenis der zonden door berouw en belijdenis afsmeekten ; thans is het een verheven en indrukwekkend smeekgebed van \'s Meeren dienaar. In ootmoedigheid des harten vraagt hij nog volmaakter zuiverheid van leven en daden, zoo noodzakelijk voor hen, die Gods altaar naderen en daar zijn lof aanhooren en verkondigen ; hij smeekt tevens om hulp en bescherming tegen de goddeloozen, en bidt om van (I) Cilleth. My-l. V. (-2) !)• Eed. Hier. r. 53.
— 126 —
hunne werken bevrijd te worden. Luisteren wij naar die Iref-l\'ende verzuchtingen, welke de priester ten hemel zendt, terwijl de reinigende waterdroppelen over zijne handen vloeien :
y) Onder de onschuldigen zal ik mijne handen wasschen; en ik zal uw altaar omgeven.quot; Gij toch, o God, zoo wil hij zeggen, wilt slechts rondom uw troon Engelen en üeiligen, daarom wil ik zoo rein mogelijk zijn, en mij dan om uw altaar met hen scharen.
Daar zal ik dan hunne lofzangen vernemen, en zeil\'de wonderen uwer macht verkondigen ; want als priester hen ik verplicht, Gods wonderdaden te kennen en te doen kennen aan de geloovigen. ik ging het altaar op, »opdal ik de slem des lofs aanhoore, en al uwe wonderheden verhale.quot;
En met die zuiverheid des harten, dat olïer van lol\'en verheerlijking des Allerhoogsten, gaat de glorie van uw huis gepaard. Daarom vlleer, hel ik den luister van uw huis lief gehad, en de plaats, waar uw glorie woont quot;
Eén dag aldaar is beter en van meer waarde dan duizend, doorgebracht in de woontenten der zondaren, liever aan uw altaar als een verworpeling te zijn, dan bij hen te wonen. Heer onze God, hoe liefelijk zijn toch uwe tabernakelen ! Daarom mijn Verlosser, laat mij toch niet met de hoozen leven, met die menschen, die het verderf mijner ziel zoeken : ^Doe mijne ziel toch niet verloren gaan met de goddeloozen, noch mijn leven met de mannen des hloeds; wier handen vol zijn van on-gerechtigheden, en wier rechterhanden overvloed aanbieden van geschenken,quot; die het leven aan de ziel ontrukken.
Heer, het is door uwe genade, dat ik een leven geleid heb onderscheiden van die zondaren, dat ik hier met een gezuiverd hart en gezuiverde handen ben binnen gegaan ; behoed mij, bescherm mij en maak, dat mijn voet niet afwijke van den weg, welken ik ben ingeslagen ; dan zal ik U eeuwig blijven verheerlijken: vin mijne onschuld heb ik gewandeld, verlos mj
— 127 —
en ontferm U mijner; mijn voet bleef oji den rechten wey slaan ; in de vergaderingen zal ik U, o Heer, zegenen.quot;
En vol blijdschap wegens die uitverkiezing boven zooveel duizenden, brengt bij daarna lof aan den Drieëenigen God, van wien al die genade kwam. Met bet hoofd gebogen naai\' zijn gekruisten Opperpriester, die ze als middelaar hem verwierf, bidt hij : tiEer zij den Vader en den Zoon en den 11. Geest. Gelijk het was nu en altijd en in alle eeuwen der eeuwen. Amen.\'\'
Zullen wij bij het storten van dit heerlijk gebed door den priester ook niet opgewekt worden, om te bidden en te smee-ken om eene grootere zuiverheid des harten ? Voorzeker, want willen wij deel hebben aan de overvloedige verdiensten van het H. Misoffer, dan moeten ook wij geheel rein lot\'s Heeren goddelijken troon naderen. Herhalen wij daarom dikwijls, terwijl de priester zijne banden wascht en dien heerlijken Psalm bidt; ))Heer, wasch mij meer en meer van mijne ongerechtigheden, en zuiver mij van mijne zonden; zuiver alle gedachten van mijn verstand, «He begeerten van mijn hart, opdat ik mij geheel en al kunne vereenigen met den priester, en zoo deel hebbe aan de vruchten van het li. Sacrificie.quot;
§:}. HET ÖKKE1) SUSCIPE SAN (\'TA TlllNITAS.
Ontvang, heilige Drievuldigheid, dit ojfer, dat wij U opdragen ter gedachtenis van het lijden, de verrijzenis en de hemelvaart van onzen lieer Jezus Christus, en ter eere van de zalige Maria , altijd Maagd, en van den zaligen Joannes den Dooper en van de heilige Apostelen Petrus en Puidus, en van deze, en van alle Heiligen; opdat het hun strekke tot eer, en ons tot heil, en opdat zij, wier gedachtenis wij op de aarde vieren, voor ons in den hemel mogen bidden. Door denzelfden Christus, onzen Heer. Amen.
— 12S -
Ziedaar het gebed, dat de priester, in het midden des altaars weer gekeerd, voor den gekruisten Jezus, gebogen bidt, na eerst tot Hem te hebben opgezien, liet is de opdracht van de offerande, welke zoo even begonnen, en weldra voltooid zal worden, aan de H. Drievuldigheid, ter gedachtenis van Jezus\' lijden, verrijzenis en hemelvaart. Jezus heeft dit immers bevolen, toen Hij zeide ; vDoel dit lot mijne gedachtenis goddelijke woorden, waarmede flij niet slechts aan de Apostelen en aan de priesters in hen, zoo duidelijk mogelijk de macht gaf, om de II. Mis op te dragen, maar waarin Hij hun tevens oplegde, heel zijn leven, heel zijn Persoon te gedenken, zoo wel zijn geboorte als zijn dood, zijn lijden en zijn verheerlijking. En zon dit anders kunnen of mogen ? — Wordt Jezus niet, telkenmale er een H. Mis geschiedt, opnieuw als herboren op het altaar ? [s de Mis niet hetzelfde offer als dat van Calvarië? Of verkondigt Christus ons er tevens niet door, dat gelijk flij verrezen is van den dood, en ten hemel is opgeklommen, zoo ook al degenen, die zijn vleesch eten en zijn bloed drinken, ten eeuwigen leven verrijzen en het ware heilige der heiligen, den hemel, door Jezus\' bloed geopend, zullen binnen gaan? Ja, voorwaar dat alles is klaar als de middagzon, en wij moeten dus bij dat Offer altijd den strijd, de overwinning en de zegepraal van onzen Verlosser gedenken, wij moeten daartoe vooral met den priester het offer den Drieéenigen God aanbieden.
Doch die God des hemels wil ook vereerd worden in zijne Heiligen. Een koning ziet zoo gaarne zijne hovelingen, een vader zijne oudere kinderen geëerbiedigd, want daarmede wordt zijn eigen macht erkend, zijne glorie vergroot. Zoo is het ook in de H. Mis. De schoonheid en de glorie van het hoofd zal des te schitterender zijn en te meer uitkomen, als alle ledematen, als geheel het lichaam in veelkleurige of gouden kleederpracht is getooid. Daarom draagt de priester dit Offer niet slechts op tot gedachtenis van Jezus Chris-
— 129 —
tus, het Hoofd der gansche Kerk, maar ook tot meerdere glorie dier uitverkoren Heiligen, welke reeds ledematen zijn van zijn verheerlijkt lichaam in den hemel. En wie zullen onder die velen wel met meer recht genoemd mogen worden, dan zij, die de voornaamste leden daarvan uitmaken, dan Maria, uit welke Jezus zijn H, lichaam aannam, dan een Joannes de Dooper, reeds gezuiverd van de erfzonde, voor hij ter wereld kwam, een Petrus en een Paulus, die zijn uitverkoren vaten waren van geloof en van liefde? Ja waarlijk ter hunner eer en tot grooter glorie van alle Heiligen moet ook de offerande van Jezus Christus worden gebracht. Maar die Heiligen zijn tevens onze voorsprekers in den hemel. Zij moeten ons, arme en behoeftige menschen, in het rijk der genaden helpen bij God. Daarom gaat dan ook de priester uit naam van het volk met hen als het ware een verbond aan, en zegt hun in zijn gebed : wij willen gaarne dat offer ook tot uwe verheerlijking, o Heiligen, opdragen, maar gij ook moet ons daarvoor ter hulp komen; gij moet bidden voor ons, opdat uit dat ontzaglijk offer ook heil voortvloeie voor ons, die nog strijden op aarde.
En terwijl de priester zich aldus met den geopenden hemel vereenigt, gevoelt hij, dat hij zich hoe langer zoo meer van de aarde moet scheiden, dat hij als een nieuwe Mozes den berg beklimt, om geheel in God verslonden, zich met Hem te onderhonden. Daarom zal hij dan voor het laatste zich tot zijne geloovigen keeren, hen smeeken, om hun gebed, want hij blijft immer mensch, om vervolgens hen niet meer te zien voor de voltooiing van het Misoffer. Nu wordt hij meer dan ooit de hoogepriester, die, verwijderd van bet volk, in het heilige der heiligen zijn offer gaat brengen.
§ 4. ORATE FRATRES.
Ziet, de priester kust dan het altaar, de figuur vau Jezus Christus, om er heilige gevoelens te putten, keert zich naar het volk, en zegt hun, terwijl hij door het uitstrekken zijner armen hen van zijn gebed verzekert, met duidelijke stem; ygt;Didi, Broeders: Orale fraires\'\'. En aanstonds voegt hij er in stilte bij , ygt;opdat mijn offer, dat ook het uwe is, ivelgeval-li(j worde bij God, den almachligen Vader.quot;
Korte maar waarlijk treffende woorden! Het is een krachtige aanmaning tot wederkeerig gebed. Na de onderlinge verbintenis met de Heiligen in den hemel wil de priester ook een verbond met de strijdende ledematen der Kerk aangaan. Bidt, mijne broeders, voor mij, ik zal het voor u doen: ziedaar wat hij vraagt en belooft. En de reden waarom dit geschieden moet, behoeft hij er niet hardop bij te voegen. IJet volk begrijpt ze reeds, het enkele woord -vOrale\' is voor hen genoeg; allen weten het; wil het offer van Jezus Christus den henielschen Vader zóó welgevallig zijn, dat het tevens heilzaam is voor priester en volk, dan moet er gebeden worden. De apostel Jacobus heeft toch gezegd ; »Wij moeten voor elkander bidden, om zalig te wordenquot;. (1) En Jezus zelf leerde ons ; »Waar er twee van u te zamen overeenkomen om te bidden, daar zal hun door den herael-schen Vader alles gegeven worden; want waar er twee of drie in mijnen naam vereenigd zijn, daar ben ik in hun middenquot; (2).
»Bidt,quot; ygt;mijne broedersquot;, zegt de priester. Dat woord
wnijne broedersquot;, zegt zoo schoon Mgr. Gaume, dat treffende
woord dagteekent reeds van achttien eeuwen her ; het heeft
weerklonken in de catacomben; \'t werd uitgesproken door
volken van heiligen, want het was de naam, waarmede onze ö \' 1
1
Jac. V. (-2) Matth, XVJI1 19. quot;20.
— 131 — J
voorouders elkander begroetten. Eu als de heidenen hun verwonderd vroegen : Hoe zijt gij toch allen broeders ? antwoordden zij ; Omdat wij allen geboren zijn van één en denzelfden Vader, die Jezus Christus is, en van ééne moeder,
de H. Kerk.quot; (1) O, wat wordt die naam vooral treffend in deze omstandigheden ; vMijne hroeders, vereend zijn wij door de banden des bloeds, laten wij het ook zijn door den band der liefde; neen, neen, laten wij ons niet van eikander scheiden in deze wereld, waar het ons algemeen welzijn geldt;
wij gaan allen aanzitten aan dezelfde tafel, wij breken hetzelfde brood ; en dat brood zal in ons eenzelfde leven onderhouden : hetzelfde goddelijk bloed zal vloeien in onze aderen,
en zal voor ons liet onderpand worden, mijne broeders, van hetzelfde erfdeel. (2)quot;
»Bidt, mijne broeders,quot; zegt de priester ïgt;opdat mijn en uw offer welgevallid zij bij God, den almaclUigen Vader. Ja,
het 11. Misoffer is zoowel het offer der geloovigen als van den priester. Allen offeren met hem mede, gelijk hij wederom offert met Christus ; dit leert ons het IJ. Geloof; maar door de handen des priesters wordt vooral het offer opgedragen,
en daarom is het antwoord van hel volk, bij monde der dienaren : ))De Heer neme het offer uit uwe handen aan, tot lof en eer van zijnen naam, alsook tot nut van ons en van zijne geheele II. Kerk.quot;
Die wensch, dat gebed des volks heeft geen verklaring noodig. Zij is duidelijk, liet II. Misoffer wordt vooral tot verheerlijking en dankzegging van God, Lot vergiffenis der zonden en om nieuwe genaden af te smeeken opgedragen ;
die vier doeleinden liggen opgesloten in het : ^otot lot en eer van zijn naam, en lot nut van ons en der geheele Kerk .
De priester beantwoordt dan dien vromen wensch des volks met in stille te zeggen : nAmen. Ja het zij zoo.\'
(I) Arnob. i» Psal. CXXXIII. ünde eslis omnes fratres quot;? De uno ^ialre. Christo : cl« una matre. Ecclesia. (5) (\'.at de Persev. 1. VII.
- 132 -
§ 5. DE STILLE GEBEDEN.
Dan gaat hij verder en bidt de Sccreta of de stille gebeden. Men noemt deze aldus, omdat ze in stilte worden gebeden ; zij zijn verschillend naarmate het geheim of het feest dat gevierd wordt ; dnch zij doelen alle op de offerande, welke bereid is op het altaar, en drukken het verzoek uit, dat het genadig door God worde aangenomen, zóó dat het ons voor tijd en eeuwigheid voordeelig zij. \'t Is dus immer een bede tot aanneming van het offer met het oog op het geheim, of onder aanroeping van den heilige, wiens feest gevierd wordt.
Aan het einde van dit gebed verbreekt op eens de priester de stilte, en zingt luide dPcv omnia scecula smculorum ; door alle eeuwen der eeuwenquot;. Het is alsof hij uit een verrukking komt en allen wil aansporen, om deel te nemen aan het door hem reeds uitgesproken gebed. Geen wonder, het vuur der goddelijke liefde is ontstoken geworden, toen hij in stilte met zijn God sprak (I), nu wil het naar huiten, zich mededeelen aan anderen. Ook het volk moet met hem deel hebben aan die goddelijke liefde. En met een zekeren aandrift antwoordt het dan ook door het koor : ygt;Amen: Het zij zooquot;. — \'t Werd aldus reeds gezongen ten tijde van den H. Hieronymns : »Dit Amen, zegt hij, hoorde men van alle kanten in de kerken weergalmen als een donder (2). De ge-loovigen geven daardoor hunne toestemming voor al hetgeen de priester in het stille gebed van God gevraagd heeft, en, zegt Theodoretus, zij kunnen zich vast laten voorstaan, dat zij met dit Amen te antwoorden ook zeker aan alles deelachtig worden, wat de priester gevraagd heeft (3).
(1) Ps. Ö8. (2) Praf. in Ep. iid Gal. (ö) In Ep. 2 ad C-or.
133 —
§ (gt;. DE PRiEFATIE.
En nu is de Olïerande geëindigd, en begint de Praefatie ol\' de inleidingshyinne lot het verheven gebed der kanon, tot het ontzettend werk der Consecratie. Zij moet de harten der geloovigen ten hemel opvoeren, daar ze vereenigen met de Engelen en Aartsengelen, Cherubijnen en Serafijnen rondom den troon van den Almachtige, en als jubelend danklied het driewerf Heilig doen schallen door die eeuwige woontenten, want gezegend is Hij, die komt in den naam des Allerhoogsten.
Hoort, hoe voortreffelijk de priester daarmede begint. Ja, hij was reeds afgescheiden van zijn volk, als een nieuwe Mozes is hij den berg beklommen, het heilige der heiligen binnengegaan, om er niet uit terug te keeren voor dat het Offer voltooid is. Vandaar keert hij zich niet meer naar het volk, maar zingt het toch toe; vDominus vobiscum: de Heer zij met u.quot; Priester en geloovigen moeten allen vervuld zijn van den H. Ceest, want groote dingen gaan er geschieden. Daarom ook antwoordt het vólk onmiddellijk door het koor ; ygt;Eii met uwen geest: El cum spiritu luoquot;.
ygt;Omhoot] de harten: Sursum corda!quot; is de tweede aanmaning des priesters, en om niet slechts door woorden te spreken maar ook door daden, heft hij de handen ten hemel, en voert hij door zijn opklimmenden zangtoon u den hemel binnen, liet antwoord des volks is : »Wij hebben ze t den Heer: [labemus ad Uominumquot;. Maar zou dit wederwoord wel immer waarheid bevatten ? Zijn misschien de harten van velen zelfs in dat oogenblik niet geketend aan aardsche zaken en bagatellen, aan zondige genoegens en wellusten, zoodat zij niel kunnen begrijpen wat des hemels is? — O, als dan die woorden worden gezongen, en gij ze mede bidt, laten zij dan toch geen leugens bevatten ; onthecht uwe harten van al wat wereldsch, wat zondig is, en hecht u alleen aan uw
— 134
God, die in den hemel is. Denkt er aan : de hemel gaat neerdalen op aarde, God komt met ons, welnu laat Hij dan ook een oneindig goede vader en niet een strenge rechter voor u moeten zijn. Ja, laat in dit oogenblik de aarde geheel en al daar, wendt uwe blikken omhoog, want ziet, de Engelen Gods zijn reeds nederdalende, gelijk eenmaal op de ladder van Jacob.
Ja, de hemel daalt op aarde neder, en daarom zingt de priester verder ; »Luat ons den Heer, onzen God, dank zey-genen hij strekt zijne handen biddende omhoog, blikt smeekend ten hemel, en buigt vol eerbied het hoofd, als ware God reeds niet ons. Zou het antwoord des volks, dat dit alles begrijpt, en daarom ook van dankbaarheid en lielde jubelt, anders kunnen zijn : Ja ygt;dat is waardig en rechtvaardig ?quot; Daarom zingt hel door het koor met verhef-fenden en blijden zangtoon dit antwoord, daarom klinkt \'t vol vuur door de kerk: yiDignutn et justnm est .
En de priester gaat dan die dankbare harten brengen voor den troon van den Drieeenigen God : »Waarlijk , zoo zingt hij, stó is waardig en rechtvaardig, billijk en heilzaam, dat wij U altijd en overal dankzeggen, onze Heilige Heer, Almachtige Vader, Eeuwige God, door Ghristus onzen Ilsei. Gij, oneindig Heilige God, zoo wil hij zeggen, zijt al onzen lof en dank waardig ; van ü komt alle goed. Gij hebt er dus meer dan wie ook aanspraak op, het is rechtvaardig ; ons natuurlijk gevoel dwingt ons er toe, het is billijk; ja zelts het is heilzaam U te danken, want alleen door gepaste ciank-baarheid zullen wij voortdurend uwe weldaden waardig blijven, het zal ons tevens voordeelig zijn. Wij brengen dien dank door Christus onzen Heer, want alleen door Hem, die ons verloste en den hemel opende, zijn wij in staat dit te doen. Hij zal ook nu wederom ons Offerlam worden, en door zijn offer U, Heilige en Almachtige God, waardigen dank betuigen.
— 135 —
Doch voor de priester dat: ygt;door Christus onzen Heerquot; zingt, voegt Hij er dikwijls eenige andere woorden tusschen. Het zijn gewoonlijk woorden, welke liet feestgeheim vermelden van dien dag, en van dat geheim eene plechtige belijdenis doen , om zóó ons nog tot inniger dankbaarheid en God tot medelijdender liefde te stemmen. Dan, als hij aldus ons heeft opgewekt, en door den Middelaar tusschen het aardsch en heraelsch Jerusalem God den waardigen dank zal brengen, smeekt hij zich te mogen vereenigen met de hemelsche geesten. Zij ook danken immers eeuwig God door hun Heer Jezus Christus, in wien zij geschapen zijn (1), die hun hoofd is, (S) en aan wien zij alle heiligheid en luister ontleenen. Zij prijzen en loven Hem met onvermoeide stemmen, zij herhalen daar dag en nacht: Heilig, Heilig, Heilig do Heer, de almachtige God. Wat dit zag eenmaal de profeet Isaias. Hoort, hoe klimmend en verheffend de priester dan ook voortzingt; ygt;Door wien de Engelen uwe Majesteit loven, de Heerschappijen U aanbidden, de Machten voor U heven, de Hemelen en de Krachten der hemelen en de zalige Serafijnen U in vereenigde vreugde verheerlijken. Mogen, zoo smeehen wij U, met hen ook onze stemmen worden toegelaten en in nederige belijdenis zeggen : Heilig ! Heilig ! Heilig is de Heer, God der heerscharen. De hemelen en de aarde zijn vol van nwe glorie. Hosanna\' in den hooge! Gezegend die komt in den naam des Heeren, Hosanna in den hooge !quot;
Als echter de priester het trisagion, dat hemelsch Sanctus, met de engelen gaat bidden, houdt hij op met zingen, en spreekt het slechts, met diaken en subdiaken vereenigd, fluisterend uit. Hij doet het. om aan heel het volk de gelegenheid te geven, om met de engelen en heiligen des hemels het driewerf heilig mede te jubelen. Hoort , naauwelijks heeft hij dan ook het dicentes uitgezongen, of het koor, reeds
(1) Coloss. I. )6. (2) Coloss. II. 10.
— 136 —
vol ongeduld den driewerf heiligen God te loven en te prijzen, breekt uit in jubelenden zang en herhaalt den beurtzang der engelen; ygt;HeiUg ! Heilig ! Heilig is de Heer, God der heerscharen. Vol zijn hemelen en aarde van uwe glorie !quot;
Er zijn oogenblikken in \'s menschen leven, waarin men gevoelt, dat de ladder van Jacob nog altijd staat opgericht, en de engelen Gods opklimmende en nederdalende zijn tusschen hemel en aarde ! Zulk een oogenblik is het thans. De Christen, die begrijpt wat hij zingt, met wie hij jubelt, voelt zich nu vereenigd met dat hemelsch koor. De engelen dalen neer en voeren hem op. Ja de aarde ontzinkt aan zijne voeten Hij gevoelt zich :
»Iii eene zee van licht, een afgrond eindloos hoog,
Waarin de hemel zelf met zijn onmeetbren boog Vergaat en in verdwijnt;quot; (I)
en daar zingt hij het eeuwige lied des hemels, (2) dankend en lovend, met de Engelen en Heiligen mede, daar stamelt hij : «Heilig! Heilig! Heilig zijt Gij, o almachtige Heer, driewei\' heilige God, Koning der millioenen en millioenen Engelen, die uw krijgsheir uitmaken, Bestuurder van al wat machtig en groot is in don hemel en op aarde. Ja, vol zijn hemel en aarde van uwe glorie ! Hosanna in den hooge ! Aan U, die in de hooge hemelen woont, zij glorie, kracht en macht en majesteit.quot;
Maar, zegt zoo schoon de H. Joannes Chrysostomus, hoe kunt gij met de Cherubijnen en Serafijnen : Heilig, Heilig, Heilig, zingen, en dien zelfden mond gebruiken tot ontuchtige taal, tot kwaad spreken en vloeken? Zegt mij, als een dienaar een koninklijke vaas, alleen bestemd voor koninklijk voedsel, misbruikt tot onreinheid, zal zulk een vaas nog mogen be-hooren onder het overige koninklijke vaatwerk ? Voorzeker neen. Welnu, zulk een vaas zijt gij. Christen, die vloekt, die Godlastert, die ontuchtige taal durft uitbrengen en kwaad spreekt
(1) Mgr. Uroere. Conslantijn IHquot; Zang. (quot;2) Apnc. IV. 8.
— 137 —
«n lastert. (1) O ik bid eu bezweer het u, doe dit toch niet meer, maar bewaar uw mond zuiver van alle kwaad, opdat uwe lippen met de engelen waarlijk het engelachtig sheiligquot; kunnen voortbrengen.
De Kerk zingt dien heiligen lofzang der Engelen, om, gelijk Tertulianus opmerkt. (2) hier op aarde te beginnen, hetgeen wij eens eeuwig in den hemel hopen voort te zetten! Maar de liefde, welke zij Jezus Christus toedraagt, vraagt ook, dat zij Hem in \'t bijzonder gedenke. Want aan Hem is zij immers alles verschuldigd, en na eenige oogenblikken zal zij Hem opnieuw duizende en duizende genaden te danken te hebben. Daarom dan ook voegt zij bij den hemelschen lofzang der Drieëenheid, hel lied der vreugde eenmaal den Verlosser toegezongen, hier op aarde kort voor zijn dood. De priester zegt bet onmiddellijk na het Sanclus, hel koor zal hel straks na de consecratie zingen : ^Gezegend die komt. in den nmim des Heer en, Hosanna in den hooge!quot;
O, als wij die woorden vernemen : vDenedidns qui venit enz.quot;, dat deze dan insgelijks uil ons hart opwellen, en onze lippen ze opzenden tot den troon van het goddelijk Lam. Ja laten wij dan met den priester het kruisteeken maken, ten bewijze dat ook wij door den Gezegende des Vaders, die uil den hemel komt om ons de verdiensten zijns lijdens toe te passen, verlangen gezegend te worden. Zeggen wij bet lof-zingend maar toch smeekend ; Gezegend zijl Gij, o Jezus, Zoon van David, gezegend Gij, die komt in naam des Heeren. Hosanna in den hooge!
(1) Hum. ail Epli. XIV. Hom. in Math. XIa. (-2) De Orat. c. 5.
-----^ ------
10
VIERDE HOOFDSTUK.
De Canon met het Pater Foster,
AVij zijn thans genaderd tot het voortreffelijkste en waardigste deel der II. Mis : de Canon, gevolgd door liet Paler noster. Te midden van dit gedeelte zijn de H. Con-secratie-woorden geplaatst, als hel hart in het menschelijk lichaam, gelijk de 11. Bonaventura zich uitdrukt; (1) en zal de goddelijke Zon der liefde glanzend opgaan, hare weldoende stralen over het christelijk heelal uitschieten, en alles met hemelsch licht, bovennatuurlijke warmte en goddelijkcn luister vervullen. Voorzeker de gebeden, welke bij dit gedeelte gestort worden, moeten schoon en voortreffelijk zijn. Zij scharen zich immers als de liefelijke dageraad en het glanzend ochtendkrieken rondom die hemelsche Zon ; zij zijn als do hel llik-kerende starren, die het meest nabij de zon staan ; of liever, om mij van een nog juister uitdrukking te bedienen, een gedeelte er van, de gebeden der Consecratie, maken het ypat lux, hel worde lichlquot; uit van de vernieuwde wereldorde der verlossing. Geen wonder, dat de Kerk niets in meer waarde houdt, dan deze gebeden ; dat de Kerkvaders ze noemen yiJiet Gebedquot; (2) bij uitnemendheid, dat Florentius ze teekent(3) als ygt;de Geheimenis der heiligste daad dat een 11. Pelagius die Canon lofprijst (4) als yde Akte der hejJige verborgenheid.quot;
Men noemt ze Canon; een Grieksch woord, dat beteekent orde of regel, fn de taal der Liturgie is zij namelijk de vaste en onveranderlijke regel, volgens welken de priester het
(1) Expl. Missae C. IV. (2) Cyprianus de Oi\'at. ümn. Iiinoc. I. Ep. ad Decent. (3) De Act. Misstc. (i) 1« Epist. Agobardi ad Lad. imper.
— 139 —
Offer der Nieuwe Wet voltrekken moet. Een paar kleine inlasschingen uitgenomen, dagteekent zij van de Apostolische tijden, en heeft sinds Gregorius I (-j- (104) volstrekt geene verandering meer ondergaan (1). Samengesteld, zooals het H. Concilie van Trente (2) ons leert, uit de woorden van den Heer zeiven, uit de. Apostolische Overleveringen en uit de vrome instellingen der Pausen, is zij zoo zuiver van alle dwaling, dat zij niets bevat, of het verspreidt een heerlijken geur van heiligheid en godsvrucht, en voert de ziel des offerenden op tot God.
In diepe stilte moet zij geschieden. De stem des priesters, die zoo even in de prefatie zoo luide nog klonk, wordt niet meer gehoord. Rondom het altaar zelf vernemen de meest vertrouwde dienaren des priesters niets meer dan een geheimvol fluisteren. Moet de verklaring nog gegeven worden? O aanstonds wordt datzelfde altaar de troon der Godheid, die troont in de stilte der eeuwigheid, die in den eenig welbeminden Zoon, te midden van den stillen nacht zijn koninklijke woonplaats verliet, om met ons te komen wonen. Ziet, \'t is dan ook of de Engelenkoren zich reeds vergaderen met de honderd vier en veertig duizend geteekenden uit de stammen Israels; \'t is of de ouderlingen en de evangelisten hun God komen aanbidden zetelend op zijn troon ; \'t is of de maagden met hare brandende lampen ter bruiloft gaan, ter bruiloft van het goddelijk Lam; \'t is of de stern der groote menigte weerklinkt, een stem als het geruisch van vele wateren, als de klank van vele donders: «Verheugen wij ons, en juichen wij, en geven wij glorie aan onzen God.quot; (3) Want terwijl het hemelsch Heilig, Heilig, Heilig, nog rolt door de gewelven des heiligdoms, treden acolieten in engelrein gewaad, met brandende toortsen in de hand, het pries-
(I) VVie hierover meer wil weten, leze Kard. Bona de Reb. Lit. Lib. 11. C. XI. (2) Sess. XXII. C. -i. (3) Apoc. XIX.
— 140 -
terkoor binnen en scharen zich rondom het altaar. (1) Ja, de majesteit en de eerbied voor hetgeen gaat geschieden vordert dringend hier een ingetogen stilzwijgen. (2)
Maar er is meer. Hoe nader het oogenblik der Consecratie komt, hoe meer wij ook Jezus naderen, stervend op Calvarië. De gedachtenis van zijn lijden en dood jvordt gevierd, of liever Hij gaat zijn Oller vernieuwen. Dit zegt ons die gekruisigde Heiland, afgebeeld in elk Misboek tusschen de prefatie en de Canon; (3) dit zegt ons ook, (waarom toch zouden wij liet met Paus Innocentius 111 (4) aan de goddelijke Voorzienigheid niet mogen toeschrijven ?) de eerste letter, waarmede de Canon begint. Zij is een T, de letter, die ons het teeken des krui-ses uitdrukt, en daarom door God zelf als hel teeken des heils werd uitgekozen, voor allen, die lot de uitverkorenen zullen behooren. (5) Welnu, wordt Jezus\' lijden en dood herdacht, dan moet er ook een diepe stilte heerschen aan het altaar, in het Godsbuis. Want Jezus bad in nachtelijke stilte, voordat Hij zich overleverde in den hof van Olijven; Jezus werd inden stillen nacht gevangen genomen; Jezus zweeg, toen Hij voor den rechter stond , en als een schaap, dat zijn mond niet opent voor hem, die het scheert, werd Mij gegeeseld, met doornen gekroond, bespot en gehoond, werd Hij ter dood geleverd aan bet kruis. — 0 geheimvolle slilte der Canon, wat zegt gij ons onbegrijpelijk veel! Hoe luid spreekt gij tot ons hart, en dringt gij de waarheid op aan ons verstand: Mensch, ziedaar uw Jezus, die voor u gaat sterven, die zijn kruisdood gaat vernieuwen !......
En zijn wij thans ook meer dan ooit aandachtig ! Als wij voor achttien eeuwen hadden mogen staan naast Jezus\' kruis, o voorzeker, geen enkele handeling van Jezus ware ons ontgaan. Wij zouden geheel in Hem verslonden zijn geweest en
(!) Missale üit. Cel. VIII. 8. (2) S. Basil, de Spil\'. S. C. 17.
(5) Bonav. 1. c. (4) De S. Altaris mysterio L. ill C. II Zie ook Boitav I. c. (5) Ezech. IX en Apoc. XIV. I. VII 5-9.
— 141 —
in zijne onmetelijke liefde. Zoo moet ook nu de gesteltenis zijn van ons, geloovige Christenen. Niets moet ons hart ot onzen geest verstrooien ; in stilte moeten wij met den priester bidden en letten op zijne minste handelingen. Want daaruit worden ons tevens zijne gebeden verklaard.
§ 1. HET GEBED „TE TG1TURquot;.
Ziet, de priester begint dat indrukwekkend gebed. Eerst heft hij zijne handen en oogen ten hemel, omdat hij weet, dat nog altijd daar de Verwachte der volken toett, en hij vurig verlangt naar zijn komst; dan slaat hij zijne oogen neder, vouwt de handen te zamen, buigt zich als een waarlijk smee-kende diep voor zijn God, en bidt: ygt;U dan, goedertierene Vader , bidden en smeeken wij ootmoedig door Jezus Christus . uwen Zoon , onzen Heer: dat Gij deze gaven, deze geschenken, deze heilige, onbevlekte offerande goedgunstig wilt aannemen en zegenen ; inzonderheid die ivelke ivij U opdragen voor uwe Heilige Katholieke Kerk; gelief haar over den ganschen aardbodem in vrede te beschermen, in eenheid te behouden en te besturen, te zamen met uwen dienaar, onzen Paus N. en onzen Bisschop N. en met alle rechtgeloovigen en vereerders van hel Katholiek en Apostolisch geloof.quot;
In deze geheimzinnige tweespraak bidt en smeekt dus de offerende priester allereerst den goedertierensten Vader, die heilige en onbevlekte offerande goedgunstig te willen aannemen en te zegenen. (lij doet het door Jezus Christus, zijn Zoon, want hij weet het maar al te goed, de verdiensten van dezen Middelaar moeten het vruchtbaar maken; wij zijn om onze zonden niet waardig verhoord te worden. (I) Daarom legt hij, als hij die woorden »door Jezus Christus uwen Zoon\' uitspreekt, de handen op het altaar, als wilde hij daarin zijn gekruisten Zaligmaker omhelzen, en kust het. Doch waarom noemt hij
(I) Bnnav I. c
— 142 —
die offerande dez-e gaven, deze geschenken, deze heilige onbevlekte offerande? Waarom maakt hij alsdan driemaal een kruis over het brood en den wijn? — Die woorden, zegt de H. Alphonsus Maria, slaan niet slechts op het brood en den wijn, die reeds geofferd zijn, maar ook bij vooruitneming op het allerheiligst lichaam en onbevlekt bloed van Christus, waarin straks dat brood en die wijn zullen veranderen, (1) en dan, gelijk Paus Innocentius Hl (2) zoo schoon opmerkt, evenals aan het kruis, de gave des Vaders, het geschenk des Zoons, het offer des H. Geestes worden. Toen immers gaf de hemel-sche Vader zijn Zoon aan ons, toeu schonk Jezus zich, toen droeg hij door den H. Geest zijn onbevlekt offer aan God op. (3) Straks na de Consecratie zal Jezus weder de gift des Vaders, het geschenk des Zoons, liet offer van den 11. Geest zijn. Maar , o vrijgevige genade, o genadevolle vrijgevigheid van onzen God, wat Hij gaf, schonk en offerde voor ons, dat mogen wij ook aan Hem geven, schenken en offeren. Jezus Christus, die aan het kruis voor ons stierf, wordt opnieuw waarlijk onze gift, ons geschenk, ons heilig en onbevlekt offer. Ziedaar waarom de priester die woorden gebruikt, ziedaar waarom hij tot driemalen toe het kruisteeken maakt over het brood en den wijn.
Hij bidt verder, dat de hemelsche Vader dat offer vóór alles aanneme voor zijne heilige Katholieke Kerk, en baar in vrede, liefde, éénheid en voorspoed beware en besture, bevrijd van ketters en scheurmakers, van heidenen en afvalligen, van dwaling en vervolging. Dat alles kan er alleen dar. zijn, als allen vereenigd zijn met hun hoofd ; daarom moet de Kerk bewaard worden met haar Opperhoofd den Paus, met hare Bisschoppen. De priester bidt daarom voor den Paus en voor den Bisschop zijner diocees. — Die vrede, dat geluk kan slechts blijvend zijn, als ook de wereldlijke macht, die aan God haar oorsprong ontleent, volgens God bestuurt
(1) Oeuvr. Asc. T. U. p. 25. (2) O. C. C. 111. (3) Hebr. IX.
143 —
en met de Kerk samenwerkt. Daarom bad de priester in vroegere eeuwen ook voor zijn vorst. — Dat geluk eindelijk zal volmaakt zijn, als allen tot de waren schaapsstal belmoren en zich nauwer om den Herder scharen; daarom bidt de priester voor alle rechtgeloovigen en voor hen, die, op welke wijze ook, er voor arbeiden om het Katholiek en Apostolisch geloot\' te bewaren.
Ziedaar het eerste gebed van de Canon. Veel omvattend, veel beteekenend is het. O dat het ons ook aanspore, om als trouwe kinderen der Katholieke Kerk in dat oogenblik voor onze Moeder te bidden. Toonen wij eene oprecht kinderlijke liefde voor haar te bezitten, en smeeken wij met den priester den hemelschen Vader ootmoedig, door Jezus Christus zijn Zoon, Haar te besturen, te bewaren en te verheffen. Smeeken wij vooral herhaalde malen in deze dagen de zegepraal der Katholieke Kerk en van haar Opperhoofd, door Jat heilig en onbevlekt Offer van den Hemel af.
§ 2. GEDACHTENIS DER LEVENDEN.
Na het voortreffelijk gebed, waarin de priester gebeden heeft voor de Kerk en haar Opperhoofd, verheft hij opnieuw zijne handen, en voegt ze daarna op de borst te zamen. Een nieuwe gunst gaat hij vragen, daarom die smee-kende blik, dat opbellen der handen. Hij bidt in stilte:
vGedenk, lieer, uwe dienaren en dienaressen N____ en N...
(en hierna houdt hij een weinig stil, en gedenkt allen, voor wie hij in het bijzonder wil bidden) en alle omstanders, wier yeloof u bekend, en wier godsvrucht u niet verborgen is, voor wie wij u opdragen, of die u opdragen dit Offer van lof, voor zich zeiven en voor al de hunnen, tot verlossing hunner zielen, tot hoop van hun heil en zaligheid, en die aan u hunne beloften volbrengen, eeuwigen, levenden en waren God.
— IU —
In het eerste gebed der canon bad de priester en droeg: hij het olfer op voor de katholieke Kerk, en smeekte hij den almachtigen Vader door Jezus Christus, zijn Zoon, dat Ui] haar in vrede bewaren, vereenigen en besturen zou door haar wettig Opperhoofd. Thans strekt zich de liefde der H. Kerk verder uit; zij doet haren dienaar bidden voor haar kinderen in hel bijzonder, liet zijn eerst en vooral zij, die milde giften en gaven voor de offerande hebben aangebracht, of die voor het welzijn der Kerk en der armen bezorgd waren. Immers in vroegere tijden werden hier de namen afgelezen, dergenen, die het olfer hadden verzocht, of om eenige reden bijzonder verdienstelijk waren jegens de Kerk en de armen, \'t Zijn vervolgens degenen, die bij het II. Sacrificie met geloof en godsvrucht tegenwoordig zijn en met hem offeren. Het zijn zijne en hunne bloedverwanten en vrienden en allen, die een bijzonder gebed verzocht hebben. Voor deze allen smeekt hij bijzonder datgene af, wat Jezus ons kwam brengen door zijn kruis en zijn offer, n. 1. de verlossing Iwrmer zielen uit de slavernij des duivels, de zaligheid, welke zij mogen verhopen, omdat Hij hen mede-erfgenamen maakte van zijn rijk, en het behoud hunner gezondheid, want alle andere goederen kwamen tot ons door Hem.
Wie erkent hier niet het liefdevol en moederlijk hart der Kerk ? Al wat hare kinderen waarlijk gelukkig maakt, smeekt zij voor hen af. Ja, dat moeten ook wij voor elkander doen in dit oogenblik. Den goeden God moeten wij smeeken, dat al de onzen, al degenen, die weldoeners zijn van Kerk en armen, deelachtig worden aan de oneindige verdiensten van het goddelijk Offer.
§ 3. GEDACHTENIS DER HEILIGEN.
Maar voor onze Moeder de H. Kerk is dit alleen niet genoeg. Hare teedere liefde strekt zich nog veel verder uit.
— 145 —
Na voor haar eigen werk gebeden te hebben, na haar verlangen geuit te hebben, om slechts één ziel en één hart te wezen, na, om mij met de II. Schrift uit te drukken, hare kinderen, gelijk een hen hare kiekens, onder hare vleugelen vereend en gekoesterd te hebben, wendt zij hare blikken omhoog, en maant ons aan hetzelfde te doen. Zij aanschouwt daar in de gemeenschap der Heiligen die inillioenen, welke daar heerschen en ons de handen toereiken; die koren van engelen, die zich gereed maken onze gebeden, opstijgende als de wierook des offers, te brengen voor Gods troon, en daar genade en barmhartigheid te verwerven. Ja zij weet het, die Engelen en Heiligen,
Hetzij de Godheid hun den loop des lots verklaart.
Hetzij zij zelv\' den blik soms neerslaan op deze aard. Of met den zonnestraal in heure dalen glijden.
Zij deelen in ons leed, zij kennen al ons lijden.
En aller beenden hulp wordt reeds der deugd verleend, Als \'t menschlijk oog om haar geen traan nog heeft
geweend. (1)
En is dit ten allen tijde waar, meer dan ooit klinkt de beè, van \'t menschdom opgezonden, door alle kringen des hemels heen, wanneer de eeuwige Middelaar zich als Offerlam den hemelschen Vader aanbiedt, en zijne wonden vertoont; meer dan ooit is dat waar, als de H. Mis wordt opgedragen.
Daarom dan ook herinnert ons thans de Kerk opnieuw en met aandrang aan dat troostend geloofspunt van de gemeenschap der Heiligen, dat geloofspunt, hetwelk van de Christenen der aarde en de Christenen des hemels slechts één huisgezin maakt.
Mijne kinderen, zoo schijnt zij ons toe te roepen, gij zijt thans in Jezus Christus meer dan ooit vereenigd met uw oudere broeders; hunne gebeden gaan de uwe ondersteunen; hun offer is ook het uwe. Welnu dan, het is meer dan plicht,
(1) Brocre. Constantijn. IIdc z;mg.
— 146 —
dat wij eenigen van die velen noemen; \'t is dure plicht, dat wij ons met hen vereenigen rondom den troon van het goddelijk Lam. Ja, daarom bidt de priester dit schoone gebed : »ƒ/( gemeenschap met en de ycdachlenis vierende inzonderheid van de glorievolle Maria, altijd Maagd, de Moeder van onzen God en Heer Jezus Christus, maar ook van uwe zalige Apostelen en Martelaren, van Petrus en Paulus, van Andreas, Jacobus, Joannes, Thomas, Jacobus, Phi lippus, Barthulomeus, Malthwus, Simon en Thaddceus, van Linus, Cletus, Clemens, Sixtus, Cornelius, Cyprianus, Laurentitis, Chrysogonus, Joannes en Paulus, Cosinas en Damianus en van al uwe Heiligen; wil om hunne verdiensten en gebeden verkenen, dat ivij in alles door de hulp uwer bescherming beveiligd worden. Door denzelfden Christus onzen Heer. Amenquot;.
«Hier op den weg des levens,quot; zegt zoo schoon Paus Innocentius (1), shouden wij gemeenschap met de Ueiligen door het geloof, dat zij eenmaal bezaten, en wij nog hebben. Wij toch bezitten het geloof en de hoop, zij het goddelijk aanschijn, zij het voorwerp zelve van dat gelooven. Wij loopen nog in de renbaan, zij bezitten reeds den prijs; wij strijden nog op den weg, zij trimnfeeren in het vaderland. Wij deelen derhalve in de gemeenschap en vereeren de gedachtenis der Apostelen en Martelaren en vooral van de glorierijke Gods-moeder, de Maagd Maria, om door hunne voorbede van het geloof tol het aanschouwen te geraken, uit de renbaan den eindpaal te bereiken, om van den weg over te gaan tot het vaderland. In het gedachtenis vieren der heiligen onderhoudt de Kerk, hetgeen de oudheid gewoonlijk deed, n.1. de voorvaderen gedenken in hare gebeden, om aldus door hunne smeekende verdiensten te verkrijgen wat zij verlangt. Zoo riep een Mozes voor het zondige volk de gedachtenis zijner vaderen in : «Herinner U Abraham, Isaac, Israël, uwe dienaren.quot; (2) Zoo leest men, dat Azarias in het gloeiend fornuis
(1) 0. Cit. C. IX. (2) Exoü. XXXII.
— 147 —
gebeden heeft: «Neem toch, o Heer, onze God, uwe barmhartigheid niet van ons weg, zoo smeeken wij u om Abraham, uw lieveling, om Isaac, uw dienaar, om Israël, uw heiHge.quot; (1) Veel toch vermogen de verdiensten der vaderen voor hunne kinderen. Vandaar hoorde Ezechias, toen hij de goddelijke hulp inriep, eene stem, die zeide : »Ik zal die stad beschermen en
bewaren om mij en om David, mijn dienstknechtquot;...... En daar
er buiten de eenheid der Kerk geen plaats is, om het offer der eenheid op te dragen, zoo vereenigen wij ons in het offer met de gedachtenis der Heiligen, in gemeenschap met ben het offer brengende. Want, gelijk één brood uit vele graankorrels, één lichaam uit vele ledematen, zoo bestaat ook de ééne Kerk uit vele geloovigen. Er staat toch geschreven; eene vreemdelinge ete er niet, want het is heilig. En derhalve nemen wij bij het eten van dit Lam, alleen hem op, die vereenigd is met ons huisgezin, n.1. eiken huisgenoot in het geloof, van den vorst tot den onderdaan, van het volk tot den tollenaarquot;.
Maar als wij de Heiligen gedenken, waarom worden er dan slechts Apostelen en Martelaren genoemd, en geen Belijders? Wij antwoorden met denzelfden geleerden Paus, (2) omdat allerwaarschijnlijkst dit gebed reeds gemaakt was, voordat de Kerk de gedachtenis van Belijders hield. Want bijna alle heiligen, die hier herdacht worden, gingen den II. Sylvester vooraf, behalve Joannes en Paulus, Marcellinus en Petrus, die hem onmiddellijk opvolgden. De Kerk nu begon eerst na den tijd van den H. Sylvester de gedachtenis van IJ. Belijders te vieren. Een andere reden voegt Kard. Bona hierbij, als hij zegt: «Belijders worden hier niet genoemd, maar wel de Apostelen en martelaren, omdat deze door bun bloed te vergieten het lijden en den dood van onzen Heer, welke in dit offer worden vertegenwoordigd, hebben nagevolgd.quot; (3) Die twaalf
(1) ban. 111.
(5) O. ca. C. X.
(3) Reb. Ut. L. 11. C. XII.
— 148 —
martelaren zijn als zoovele levende afbeeldsels van het kruisoffer, die als bloedgetuigen te Rome de leer des kruises hebben verkondigd en bevestigd.
Wij willen verder niet in de nadere geheimzinnige betee-kenis treden, die vele schrijvers van dit gebed geven. Slechts wijzen wij nog op de laatste woorden: vdoor den zelfden Christus, onzen [[eerquot;. Die uitdrukking in zoo onmiddellijk verband met de namen dier Heiligen, die wij vereeren en aanroepen, bewijst opnieuw voor de zooveelste maal, dat de vereering der Heiligen niets te kort doet aan Christus middelaarschap, dat de H. Kerk de Heiligen aanroept en vereert als machtige voorsprekers, maar Christus aanbidt als Dengenen, die altijd voor den troon van God onze rechtstreek-schen tusschenspreker is.
§ 4. HET GEBED „HAJNC IGITUÏT.
Als in de Oude Wet Aiiron of zijne nakomelingen in het hoogepriesterschap aan den almachtigen God een slachtoffer gingen brengen, dan strekten zij eerst de handen uit boven den kop der offerdieren. (I) Zij namen aldus in naam van God bezit van het offer, en stelden het in de plaats van heel het volk, dat om zijne zonde den dood schuldig was; ja, voegt er de H. Alphonsus nog bij, de offeraar offerde op die wijze in dat offer zijn eigen leven aan God op. (2)
Dit zelfde moet ook thans geschieden, nu Jezus ons offer gaat worden. Noch de priester, hoe hoog zijne waardigheid ook zij, noch hot christenvolk kunnen uit zich zelf een Gode welgevallig offer voor de zonden bmigen. De zonde is een opstand tegen een God ; zij sluit een oneindige boosheid in, een persoon van oneindige waardigheid alleen kan daarvoor voldoen. Wel kan de mensch zich ten offer bieden , maar zonder het offer van Gods Zoon beteekent het niets.
(I) Levii. I. ExüiI. XXIX. (2) Oeiivr. Asr. I-i, pag. 27.
— 149 —
Zie, daarom, lezer, strekt de priester thans zijne handen uit over het brood en den wijn, dis aanstonds zullen veranderen in het Lichaam en Bloed van Jezus Christus. De Hoogepriester van het Nieuwe Verbond neemt bezit van het oft\'er, vereenisrt zich en ons allen er mede, om aldus in de oogen van God een welgevallig oller te zijn ; of liever, want de Mis is de vertegenwoordiging van het kruisoffer, hij herhaalt hier door zijn handeling, doch omdat Jezus dat zoo wil, de ter dood veroordeeling van Pilatus, legt den Zaligmaker het kruis onzer zonden op, en zendt Hem uit, om op Calvarie te gaan sterven voor ons.
Treffend oogenblik, dat ons waarlijk met gevoelens van diepe nederigheid moet bezielen 1 Als gij dan hel teekon der schcl verneemt, dat u zegt: Christen, de Priester stelt Jezus in uwe plaats, hij gaat u ten offer brengen! kniel dan neder met die levieten van hel heiligdom, met die wierook-- en lichtdragers, daar rondom het altaar; kniel dan neder in hel stol\', en bid met den priester; sWy bidden u dan, lieer, dat Gij dit olfer van ons, uwe dienaren, en van yeheel uw gezin goedgunstig wilt aannemen, en dat Gij onze dagen in uwen vrede beschikket, ons onttrekket aan de eeuvjige verdoemenis, en onder de kudde uwer uitverkorenen lellen moogt.quot;
»De vrede in ons leven, de bevrijding van de eeuwige verdoemenis, het eeuwig leven,quot; ja dat waren de vruchten van Jezus\' kruisdood ; deze verwachten wij ook door het oller der II. Mis. Hebben wij deze verworven, dan is ons geluk verzekerd, want dan bezitten wij dien volmaakten vrede, die alle vreugde en geluk overtreft. Er is toch, zegt Paus Innocentius 111, een diievoudige vrede, een vrede der rechtvaardigen, en een vrede der zondaars hier op aarde, en een eeuwige vrede in den hemel. Dien vrede der rechtvaardigen gaf Christus aan de zijnen, toen Hij sprak ; sPacem relinquo vobis: ik laat u den vrede,quot; (1) en de Kerk bidt dien
(1) .loan. XIV.
— 150 —
herhaaldelijk af, als zij smeekt: »Geef vrede in onze dagen.quot; Die vrede der zondaars is het teekcn der verwerping, en van dezen zeide Christus: «Ik kom niet den vrede brengen, maar het zwaard.quot; (1) Van den eeuwigen vrede eindelijk verzuchtte de Psalmist: »In vrede zal ik slapen en rusten;quot; (2) en onze Moeder herhaalt het telken male, als haar eeu kind door den dood ontvalt, als zij treurt bij het lijk, en voor de ziel smeekt; «Heer, geef haar de eeuwige rust, het eeuwig licht verlichte haar ; dat zij ruste in vrede. Amen.quot;
§ 5. HET GEI5ED „QUAM OBLATIONEMquot;.
En nadat Christus ter dood veroordeeld was, ging Hij,
»Met zijn altaar, het kruis, dat van den schouder hing,quot; (3) naar den Calvarieberg, om te sterven voor onze zonden; daar legde Hij zich vrijwillig op het offerhout neder, en de beulen sloegen wreede plompe nagelen door zijne handen en voeten. Vier gapende wonden openden zich daar, die straks na zijn dood niet een vijfde vermeerderd werden in zijne zijde. Dat waren de bronen, waaruit ons het nieuwe leven toevloeide, en waardoor ons offer God welgevallig werd. Is het dan te ver gedreven, als de schrijvers in de vijf kruisteekens, welke de priester vervolgens over het brood en den wijn maakt, de vijf wonden des Heeren zien? Wij voor ons meenen van neen, vooral, als men daarbij overweegt, hoe \'s Heeren dienaar bidt: ygt;Deze offerande, o God, yewaardige Gij U, zoo smeeken wij, in alles yezegend , aangenomen , goedge-keurd gt;Jlt;, redelijk en hehagelijk te maken, opdat zij voor ons ivorde hel Lichaam en gt;Jlt; Bloed van uwen allerliefsten Zoon, onzen Heer Jezus Christus.quot;
(1) Matih. X.
(2) Psalm. IV.
(3) Vondel. Peter en Pauwels 1072.
— 151 —
Door dit geberl derhalve smeeken wij, dat onze offerande met Jezus\' offer, dat in alle opzichten «gezegend, aangenomen, goedgekeurd, redelijk en welbehagelijkquot; is, diezelfde eigenschappen hebben; dat het n. I. gezeyend zij met hemel-sche zegeningen door de oneindige goedheid Gods; dat het niet verworpen maar aangenomen worde door Gods liefde ; dat het ons voor eeuwig vasthechte aan God, ons oneindig Goed, en zóó onherroepelijk fioedyekeurd worde; dat het redelijk en aangenaam zij in de oogen van God, omdat het n. I. vergezeld gaat, niet van een ofer van bokken of stieren, maar van het olfer eens Persoons van oneindige waardigheid, die voor ons ten volle voldoet. Zoo zal Gods Zoon met zijn offer zijn, zoo zal zijn Lichaam en Bloed ons waarlijk vruchtbaar worden.
Voorzeker dat is een uitlegging van dit gebed, welke wij mogen aannemen. Niets echter belet ons, er tevens een onmiddellijke en laatste smeekverzuchting in te zien naar den goddelijken Verlosser Jezus Christus, die door zijn goddelijk Vleesch en Bloed de aarde met den hemel gaat verbinden, die den goddelijken vrede aan de menschen komt brengen, en het aanschijn der aarde zal vernieuwen; »ul. .nobis Corpus et Sanguis fiat dilectissimi Filii tui Domini nostri Jesu Chris ti.quot;
O wat is toch het sublieme, eenvoudig 1 »Fiat lux: het worde licht!quot; klonk het uit den mond van God, en het grootste der mirakelen in de orde der natuur, de wereld was er, de schepping begon. ygt;Fiat mihi secundum verbum tmm: Mij geschiede volgens uw woord!quot; sprak Maria, en gewrocht is het grootste der wonderen in de orde der genade ; Maria was de Moeder Gods, Gods Zoon was mensch. En nu het wonder zal geschieden, dat alle andere overtreft, het groote wonder der zelfstandigheidsverandering, ja nu ook moet een derde fiat weerklinken, dat straks geheel voltooid zal zijn, als door de consecratie-woorden de zelfstandigheid van het
— 152 —
brood en den wijn veranderd zullen zijn in het Lichaam en Bloed van Christus. »H. Liturgie der Kerk, zoo roep ik hier uit met Mgr. Gaume, op ieder uwer bladzijden schittert het zegel van uwen goddelijken oorsprong.quot; (1)
§ (gt;. DE CONSECRATIE.
En nu zijn wij genaderd aan het goddelijk werk des priesters, het oogenblik, waarop die dienaar des Heeren verricht wat Jezus deed in hel laatste avondmaal, het oogenblik, dat Jezus, aan hot kruis opgeheven, door het zwaard der consecratie-woorden op geheimzinnige wijze gaat sterven voor ons. Ontzettend oogenblik!
De Serafs beven, en bij aller wachtend zwijgen Hoort men den autaarrook al knapp\'rend opwaarts stijgen. (2) Ziet, de priester wischt den duim en den wijsvinger zijner handen op hel corporale ter zuivering van het minste slofje af;
in die gezuiverde vingeren, eens gezalfd en gewijd bij het priesterschap, neemt hij vol eerbied de hostie, welke nu nog brood is;
hij slaat de oogen ten hemel;
maakt het teeken des kruises over het offerbrood;
buigt het lichaam voorover, en spreekt in Christus\' naam
en persoon de consecratie-woorden uit......
Het eerste wonder is gewrocht 1
\'t Breekt uit! \'tbreektuit — het licht! Van heerlijkheid omgloord. Uit welker vlammengloed ontzetbre geesten staren. En stemmen klateren en bliksempijlen varen.
Daalt Jezus, \'t eeuwig Woord des Vaders, naar benêen. Hij is \'t! de Redder is \'t! nog waait om zijne le^n Een kleed, met bloed bespat gelijk met purpervonken. Hem is de heerschappij van al wat is, geschonken;
(I) Cat. ric Persév. 7. XXI. Lcc. (2) Broere\'s Constanlijn, S\'10 Zsng.
— 153 —
Zijn voorhoofd is bedekt met kronen; Oppervorst Staat op den gordel, die zijn lichtgewaden torst.
Als met één slag geveld, zoo vallen alle scharen Ter neder voor den God, die op hen aan komt varen ; De grijsaards werpen Hem hun kronen te gemoet,
En zinken van hun troon en vallen voor zijn voet. (1)
En de aarde vereenigt zich met die hemelingen: de Priester knielt neder, de levieten buigen zich diep, de toortsdragers bieden, in naam der Kerk op aarde, hun waslicht des geloofs aan den Heer hunnen God ; tot driemalen toe stijgt de wierook des gebeds uit het wierookvat voor den troon van het Lam, ten bewijze der aanbidding van den drieëenigen God; het orgel doet zijn hemelzoetste en zachtste tonen hooren; (2) de groote torenklok, die bazuin der strijdende Kerk, meldt aan heel het christenvolk de blijde tijding: Uw Verlosser is opnieuw geboren, \'t is vrede op aarde voor de menschen van goeden wil!
En al wat Christen is, zoo in als buiten de kerk, in de huizen en straten, op de velden en wegen, knielt neder en aanbidt, want Jezus is opnieuw met ons onder de nietige gedaante van brood.
Ja! God woont onder stervelingen,
Het rijk der Heem\'len is gesticht!
God is met ons! en wij omringen
Met de Englenrei den Troon van \'t licht. (3)
Komt dan. Christenen,, en aanbid uw God: Deum adora.....
En na de 11 Hostie o.p het altaar te hebben neergelegd, knielt de priester opnieuw;
neemt dan, gelijk Christus deed bij het laatste avondmaal, den kelk met wijn in zijne heilige en eerbiedwaardige handen;
(1) Congt;tanlijn. 7mw. (2) Catr. E[isc. II. 8. quot;28.
(3) Broires Dilhynmbe.
II
— 154 -
dankt, het hoofd buigend, den hemelschen Vader ;
zegent den kelk ;
buigt zich voorover, en spreekt de goddelijke consecratiewoorden van het H. Bloed over den kelk uit. En het tweede wonder is gewrocht, Jezus ook is daar onder de gedaante van wijn tegenwoordig, liet zwaard der consecratie-woorden heeft het geheimzinnig offer voltrokken.
Opnieuw moet dan ook de Priester nederknielen, en Jezus ter aanbidding opheffen, opnieuw moeten de levieten buigen in het stof. opnieuw de toortsdragers het licht des geloofs aanbieden, opnieuw tot driemalen toe de wierook opstijgen der aanbidding, onder de jubeltonen des orgels, opnieuw de groote klok bet christenvo.lk de blijde boodschap verkondigen.
Aanbidden en smeeken zij dan ook nu onze eenige bezigheid, want nu is het vooral een aangename tijd, nu zijn het oogenblikken des heils, waarin wij alles kunnen verkrijgen. Wij staan immers met Maria en Joannes, met Maria Magda-lena en den goeden moordenaar bij het kruis. Het geloof zegt het ons.
Hier — bid, mijn ziel! [lier is uw vragen Een offer Hem van welbehagen ;
Mier sta uw eigen leven af En geef u zeiven weer, aan die zich zeiven gaf.
Hier bid! Laat \'t uur u niet ontglippen De wonde bloedt! .... Zet uwe lippen!
Aan dit voor u doorstooten hart!
Ken \'t verblijden Van bet lijden.
Drink de goddelijke Smart!... (1)
(I) Broore\'s Dithyrambe.
— 155 —
En na de woorden der consecratie van het H. Bloed te hebben voleind, zegt de priester nog de woorden van Christus: »Zoo dikwijls gij dit zult doen, doet dit tot mijne gedachtenis. t Geschiedt, zegt de H. Alphonsus, om de macht te hennneren, welke de Zaligmaker aan de Apostelen en hunne opvolgers voor eeuwig geschonken heeft, en tevens ter gedachtenis van Jezus\' lijden.
Doen ook wij daarmede vrucht, en denken wij aan de ontzettende waardigheid des priesters, waardigheid, welke den H. Bernardinus van Siena tot de allerheiligste Maagd doet uitroepen. «Gezegende Maagd, verschoon mij, als ik het zeg, maar ik spreek niet tegen u. God heeft het priesterschap boven u verheven, want gij hebt maar eenmaal Jezus Christus ontvangen en gebaard, maar de priester ontvangt [Jem telkens, wanneer hij het fl. Misoffer opdraagt, en baart Hem, om zoo te spreken, der wereld, zoo dikwijls als hij begeert.quot; (1) En de H. Augustinus; »0 eerbiedwekkende waardigheid der priesters, in wier handen de Zoon Gods als in de schoot der Maagd mensch wordt.quot; (2) Ja de H. Alphonsus gaat nog verder. Hij durlt den priester den schepper van zijnen Schepper noemen. God, zegt hij, had om da wereld te scheppen, slechts te spreken, en de wereld was. Zoo heeft ook de priester de consecratie-woorden maar uit te spreken, en het brood is geen brood, de wijn geen wijn meer, maar daar is het üchaam en Bloed van Jezus Christus. (3) Even als het Woord van God hemel en aarde heeft geschapen, zoo brengen de woorden van den piiester Jezus Christus voort. (4) Ontzettende, ja goddelijke waardigheid derhalve van den priester !
En gaan wij verder, denken wij ook aan Jezus\' lijden, want om den priester te scheppen, zegt de H. Alphonsus, is Jezus gestorven. Om de wereld te verlossen was de dood des Verlossers op het kruis niet noodig; één bloeddruppel,
(I) T. 1 ; Serm. 20. Art. 2. C. 7. (2) Hom. 2 in Ps. 17.
(3) S. A!ph. Selva C. I. (4) s. Hier. Serin, de Corp. Chr.
— 156 —
één traan, één gebed door Hem gestort ware voldoende geweest om duizenden werelden te verlossen. Maar om aan den priester het aanzijn te geven, zegt Alphunsus, daarvoor moest Jezus noodzakelijk sterven. Hoe anders kon het Slachüam aanwezig zijn, hetwelk de priesters thans in de Nieuwe Wet opdragen, dat Slachtlam, hetwelk geheel en al he.hg en vlekkeloos in zich zelf, voldoende is om God op eene Hem waardige wijze te eeren? (1) Hoe konden zij Offeraars zyn van dat Goddelijk Lam, dat de zonden der wereld wegneemt. Onmo-lijk; het H. Offer der Mis, dat de priester brengt, is onbe staanbaar zonder het Offer van Calvarië.
§ 1. HET GEBED „UNDE ET MEMORESquot;.
Als de Consecratie geëindigd, en Jezus door Priester, dienaren en alle gcloovigen aangebeden is, zet de Priester het goddelijk Offer voort. De handen uitgestrekt, gelijk Jezus die zich offerende, ze wijd uitstrekte op het kruis, en ge dachtig, dat hem door Jezus de macht is gegeven om het Kruisoffer op onbloedige wijze te vernieuwen, smeekt h.j den hemelschen Vader in diepe stilte: daarom dan o Heer zijn wij, uwe dienaren, en ook uw heilig volk, het zalig hjde en de verrijzenis uit het graf en de glorievolle opklmmmg ten hemel van denzelfden Christus uw Zoon, onzen Heei, gedachtig, en dragen wij aan uwe verhevene Majesteit van uwe Men en gaven een zuiver * Offer, een heilig * Offer, een onbevlekt ❖ Offer, het heilig * Brood des eeuwigen levens en den Kelk * van de alioosdurende zaligheid op. En terwijl hij dit gebed uitspreekt, maakt hij driemalen het kruisteeken over het Lichaam en Bloed des Heeren eenmaal over de H. Hostie en eenmaal over den Kelk afzonderajk.
Wie\'dit gebed en deze ceremoniën goed begrijpt, zal met ons bekennen, dat het waarlijk troostrijk is, dat zij treffend
(1) S. Alph. Selva C. I.
~ 157 —
zijn. Ja het Lijden van Jezus, zoo zalig, omdat het onze zaligheid bewerkte en ons een bron was niet alleen der verlossing en van het eeuwig leven, maar ook der overvloedigste vertroostingen te midden van ons lijden ; zijne Verrijzenis uit het graf, glorievol, omdat Hij triomfeerde over den dood, de straf der zonde, en de glorie der Godheid zich aan zijn verheerlijkt lichaam mededeelde, dat nooit meer stierf; zijn Hemelvaart eindelijk, zoo heerlijk, omdat Hij ten hemel opklom uit eigen kracht, en aan de rechterhand zijns Vaders bezit nam van zijn troon, worden hier bij het H. Misoffer herdacht. Het lijden door het schijnbaar sterven, daar er uit kracht der Consecratie-woorden een scheiding plaats heeft van het Lichaam en Bloed; de verrijzenis, omdat Jezus er waarlijk levend, en zijn Lichaam en Bloed wezenlijk onder iedere gedaante tegenwoordig zijn; zijne hemelvaart, omdat Hij verheerlijkt in den hemel voortdurend zijn Offer voor ons blijft voltrekken. Deze drie mysteriën zijn vooral onze troost, omdat zij onze liefde, ons geloof en vooral onze hoop op de verheerlijking in den hemel verlevendigen, wij deelen er in door zijn H. Sacrificie; en daarom mogen wij, Gods dienaren en uitverkoren volk, met Hem die voortreffelijkste aller gaven en giften ten offer brengen aan den hernelschen Vader. Zij zijn onze zekere troost, want \'t is niet een offerande als in de Oude Wet van bokken en stieren, maar een zuiver, een heilig, een onbevlekt offer, zuiver, omdat het gevormd werd door den H. Geest, zonder de minste smet der zonde, heilig, omdat het met den oorsprong aller heiligheid, met God zeiven zelfstandig ver-eenigd is, onbevlekt eindelijk, omdat het door die vereeniging voor het minste vlekje onbekwaam is. Waar zulk een Offer wordt opgedragen, daar is de verhooring noodzakelijk. Jezus is dan ook voor ons in de H. Mis het Brood des eeuwigen levens en de Kelk der (iltoosdurende zaligheid. Daarvan zijn wij verzekerd.
En terwijl de Priester dat troostvolle gebed spreekt, maakt
— 158 —
hij tot vijfmaal toe, wij merkten het reeds op, het kruisteeken over die IJ. Oireramie. De goddeiooze Luther, die niet meer begreep wat des hemels is, werd toornig, als hij deze ceremonie zag, en lachte de katholieke Kerk uit, omdat zij zoo iets durfde bestaan. »Hoequot;, zoo spotte hij, «kan de Priester Jezus Christus zegenen, alsof het schepsel zijn Schepper den zegen zou kunnen geven !quot; De onnoozele, hij begreep niet meer, dat de Priester door zijne M. wijding meer is dan een schepsel, dat hij, door de macht hem van hoven gegeven, de plaats vervult van den hemelschen Vader, en zoo even nog die macht getoond heeft, bij de Consecratie, toen hij als Schepper van den Sdiepper optrad. — De Priester, zegt de H. Alphonsus (1) met Paus Innocentius III, zegent hier niet uit eigen gezag en in zijn eigen naam, maar in naam en door het gezag van den hemelschen Vader, die alleen Jezus Christus kan zegenen als mensch en als offer. De H. Thomas voegt er bij: de Priester zegent hier, om tevens aan de kracht des kruises en Christus\' lijden te herinneren, dat zich aan het kruis voltrok. (2) — Die ceremonie dus spreekt luider dan woorden kunnen uitdrukken; zij roept ons toe: »Ja, mijn Zoon, ik neem uw onbloedig Offer welgevallig aan, want uw lijden en kruis, uw bloedig Offer maakte het mij eenmaal welbehagelijk.quot;
Het onbloedig Offer der H. Mis is hetzelfde als het bloedige Kruisoffer, ziedaar verder de gedachte, welke de Kerk ons zoo diep mogelijk wil inprenten door tot vijfmalen toe den Priester het kruis te doen maken over Jezus\' Lichaam en Bloed. Zij put zich uit, om zoo te zeggen, om dit toch aan onze oogen, aan onze ooren, aan al onze zintuigen, in onzen geest, en ten laatste in ons hart, diep in ons hart in te prenten. Zij put zich uit, om ons vertrouwen op het H. Offer immer zekerder te maken. Zij wil in één woord, dat wij allen
(1) Oeuvr. Asc. T. ii. p. 51.
(2) P. 3. q. 85 a. 3.
— 159 —
in deze kostbare oogenblikken aan niets anders denken dan aan Jezus en dien gekruist. Kon zij het beter doen dan door herbaalde raaien dat kruis ons voor oogen te brengen? Kon zij ons beter toeroepen : Weest toch aan den voet van hel altaar, gelijk gij geweest zoudt zijn, als gij gestaan hadt onder hel kruis?
Geel dan gehoor aan het verlangen uwer Moeder, lezer; denk er steeds aan, en gij zult met vrucht bij het H. Offer tegenwoordig zijn.
§ 8. HET GEBED „SUPKA QILEquot;.
ygt;Enquot;, zoo gaat de Priester voort, ygewaardig U hierop mei een genadig en gunstig aanschijn neer te zien, en het goedgunstig uan te nemen, gelijk Gij U gewaardigd hebt met welgevallen de giften aan te nemen van uwen dienaar, den rechtvaardigen Abel, en hel offer van onzen aartsvader Abraham en de heilige olferande , het vlekkeloos ofler, dat uw hoogepriesler Melchisedech U heeft opgedragen.quot;
liet Offer is van oneindige waarde. Een God is op het altaar en biedt zich aan voor ons. De Kerk, wij hoorden het nog zoo even, is zeker van verhooring. Hoe is het dan te verklaren, dat zij thans in dit gebed zoo dringend smeekt en bidt om aanneming door den heraelschen Vader ? Is haar vertrouwen dan aan het wankelen gebracht? O neen, maar men moet niet vergeten , dat de handen eens stervelings het mei Jezus aanbieden, dat zich met dat heilig Offer een offer vereenigd van duizenden anderen, die minder heilig, ja misschien bezoedeld zijn met zonden, de harten nl. van den priester en de geloovigen. Deze hebben zich met zijn Offer vereenigd, en dragen zich zeiven met Jezus op. Daarop dan doelt de Kerk vooral in dit gebed (1), daarom bidt en smeekt zij, dat God het toch welgevallig wil aannemen, gelijk het (1) Gaume Gat. de Persev. T. 7. Lec. XXi.
offer van Abel, Abraham en Melchisedech, die rechtvaardigen der Oude Wet.
Maar laat ons eenige toepassing maken op ons zeiven. Is ons hart even onschuldig, even edelmoedig als dat van Abel,, die de eerstelingen van zijne kudde, het kostbaarste wat hij had, gaarne ten offer wijdde? Leven in ons binnenste het geloof en de moed van een Abraham, die reeds gereed stond, om zijn offermes in het hart van zijn eenigen zoon Isaac te steken? Bezitten wij de heiligheid van Melchisedech, die ontdaan was van alle menschelijke genegenheid ? — Als wij zien, dat ons dit ontbreekt bij het H. Misoffer, o bidden wij er dan veel om, vragen wij, dat toch onze harten offers worden, even edelmoedig, bereidvaardig en onthecht van het aardsche, als die van deze aartsvaders. Gelukkige geloovigen, die ze bezitten! Zij zullen voor God waarlijk aangenaam zijn, en met het Offer van Jezus door den heinelschen Vader worden aangenomen.
Waarom echter koos de Kerk juist deze drie offers ultv waarom spreekt zij niet van andere ? — Paus Innocentius III (1) antwoordt: «Omdat juist deze drie offers der Oude Wel dit nieuwe Offer het volmaaktste vooraf beelden. Wie anders toch wordt afgebeeld door het offer der eerstgeborenen vaa Abels kudde, tenzij Christus, de eerstgeborene onder de vele broeders? (2) Zooals Abel uit nijd door zijn broeder vermoord werd, zoo is Jezus ook gedood door het Joodsche volk. Ja, volgens de Apocalyps van den H. Joannes, is Hij zelf het Lam, dat van het begin der wereld af gedood is. (3) — Wat anders wordt er door dat offer van Abraham, die zijn welbeminden en eenigen zoon offert, beteekend, tenzij het lijden des Heeren? De Apostel zegt ervan : »God heeft zijn welbeminden Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgeleverdquot;. (4) »Deze is, zeide de hemelsche Vader, mijn
(1) O. Cit. L. V. c. 3. Confer. S. Bonav. Expos. Misss c. IV.
(2) Rom. VIII. 29. (3) Apoc. XIII. (1) Rom. Vlil. 32.
— 161 —
welbeminde Zoon, in wien ik mijn welbehagen heb.quot; (1) — Eindelijk, het offer van den koning des vredes Melchisedech, die brood en wijn opdroeg, (2) beeldt zoo voortreffelijk het nieuwe Offer vooraf, dat daardoor voorzegd werd van Christus: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de orde van Melchisedech, (3) die, volgens het woord des Apostels, in alles gelijkend op den Zoon Gods, voortdurend priester blijft. (4)
Ziedaar al wederom de diepe reden, waarom de Kerk in dit gebed deze drie Offers te zamen noemt. Waarlijk zij is veel omvattend, en leert ons altijd breeder en wijder de grootheid van Jezus\' Offer kennen.
§ 9. HET GEBED „SUPLICES TE ROGAMÜSquot;.
En na dit innig gebed zie ik den priester nog meer de houding van een smeekende aannemen. Tot nog toe hield hij zijne handen uitgestrekt, nu vouwt hij ze samen, legt ze op het altaar neer en buigt zich diep daarvoor. Waarom dat alles? Het gebed, dat hij uitspreekt, zal het ons leeren. Hij bidt in diepe stilte : ^Ootmoedig smeeken wij U, almachtige God, laat dit Offer door de handen van uwen heiligen Engel op uw verheven altaar voor het aanschijn van uive goddelijke Majesteit gebracht worden, opdat wij allen, die door deze deelneming aan het altaar, het hoogheilig Lichaam en Bloed van uwen Zoon zullen ontvangen, met alle hejiielschc zegeningen en genade mogen vervuld worden. Door denzclfden Christus onzen Heer. Amen.quot;
Maar is die smeekbede veelomvattend, dringt zij op alle hemelsche zegeningen en genaden aan, voor hen, die Jezus\' Lichaam en Bloed zullen nuttigen, diep en duister is er de zin van! Ja, zegt Paus Innocentius III, deze woorden hebben zulk eene diepe beteekenis, dat het menschelijk verstand
(1) Math. 111. 17. XVII. (2) Gen. XIV. 18. (3) Ps. CIX. 5. (4) Heb. VII.
— 162 —
er nauwelijks in kan binnendringen. (1) En aldus spraken vele andere geleerde schrijvers. Wij achten het echter minder ons doel al deze geheimzinnige beteekenissen mede te deelen. Laten wij tevreden zijn met de uitlegging van den H. Al-phonsus en den Jl. Thomas. De eerste leert ons het volgende : »Door den Engel, waarvan hier spraak is in dit gebed, kan men den Engel verstaan, die voorzit bij het Sacrificie des Altaars, of volgens de uitlegging van le Brun, den heiligen Engel bij uitnemendheid, in de (i. Schrift genoemd de Engel van den groeten taad, de Engel des verbonds, d. i. Jezus Christus zeiven.quot; (2) De almachtige God, zoo smeekt dan de Priester, doe zijn Zoon Jezus Christus voor het aanschijn zijner goddelijke Majesteit zich zelven voor ons aanbieden. «Dochquot;, zoo gaat Alphonsus verder, (3) «de uitlegging van den H. Thomas schijnt ons de natuurlijkste van allen. De Priester, zegt deze, spreekt hier voor de Kerk en vraagt dat de Engel, die bij de 11. Geheimen aanwezig is, de gebeden van priester en volk aanbiede. (4) Zoo ook spreekt de H. Bonaventura. (5) »lndien een Engel,quot; aldus luiden zijne woorden, »toen Tobias bad, zijne gebeden aan God opdroeg, hoeveel te meer zal dit geschieden, als Christus met den Priester bidt, en het volk gebeden en smeekingen ten hemel zendt ! Van daar zegt Ambrosius (6): Twijfel er niet aan, of er Engelen aanwezig zijn en dienen aan het altaar, als daar Christus zelf geslachtofferd verblijft.quot;
En de kruisen, welke de Priester wederom over het Lichaam en Bloed maakt, zeggen ons opnieuw, dat ons offer zijn kracht ontleent aan Jezus\' kruisdood. En het kruis, waarmede de Priester zich zelven teekent, als hij de hemel-sche zegeningen afsmeekt, herhaalt ons nogmaals : Ja, o Heer, wij vertrouwen er op, niet uit eigen verdiensten maar door
(1) Op. Cit. c. V. (2) Oeuvr. Ascet. 1. c.
(3) 1. c. (4) P. 3. q. 83. a. i. (3) Expos. Missse C. IV.
(6) In Luc. Lib. 1.
— 163 —
de oneindige verdiensten van Ciirislus den Gekruisten, dalen uwe genadestroomen af, en worden alle hemelsche zegeningen ons deel bij het ontvangen van uw Lichaam en Bloed.
\'l Verdient nog vooral opmerking, dat de Priester bidt voor fous allen, die dooi\' deze deelneminy aan het altaar, het hoogheilig Lichaam en Bloed van uwen Zoon zullen ontvangen.quot; Hij bidt dus alleen voor hen, die onder de U. Mis te Communie gaan, zij immers kunnen, eigenlijk gezegd, slechts genoemd worden ten volle deel te nemen aan het offer. Zonder de Communie toch is het offer niet voltooid. Het Mis-offer dient niet slechts tot vereering van God; maar ook lot zaligheid der menschen; en deze wordt juist door de H. Communie bewerkt. Daardoor immers treedt de mensch in levensgemeenschap met zijn goddelijk Offerlam, Jezus Christus; daardoor vereenigt hij zich met het Offer zelf, met de Bron aller genaden ; daardoor wordt hij waarlijk een waardige Offerande en Offeraar voor God. — Men versla ons goed, wij willen niet beweren, dal de Christen ook zonder le com-municeeren met den Priester, geen deel kan hebben aan de oneindige vruchten des Misoffers, o neen, maar ten volle daaraan deelachtig worden, dal geschiedt vooral, als men met den Priester ook hel H. Sacrament des Altaars nuttigen mag. Dat begrepen beter dan wij, de Christenen der eerste eeuwen; zoo dikwijls zij het H. Misoffer bijwoonden, naderden zij geregeld tol de Tafel des Heeren. En met Jezus gevoed, wisten zij over lijden en dood te zegevieren. Niets was hun te veel, als hel de glorie der Kerk of hun geloof betrof. Al moesten zij de wreedste martelsmarten verduren, omzettende pijnen uitharden , zij bleven getrouw aan den sterken God, die zich zoo dikwijls aan hen gaf, die hun dagelijksch voedsel geworden was. «Eerder sterven dan zonde doen !quot; daaraan bleven zij getrouw.
Beschamend voorbeeld voor zoovele lauwe en trage Christenen van dezen tijd ! Waarin ligt de oorzaak van hun lauw-
— 164 —
heid en onverschilligheid? Hierin, dat zij zoo weinig commu-niceeren. O dat zij toch in dit gebed het verlangen hunner Moeder de Kerk al wederom erkenden, dat zij toch het men-schelijk opzicht met voeten traden, en dikwijls gingen aanzitten aan de Tafel des Heeren! Het aanschijn der aarde zou veranderen, en het Gods Rijk in hunne harten nederdalen.
§ 10. »E GEDACHTENIS DER OVERLEDENEN.
Bij de consecratie en de opheffing herdachten wij de kruisiging en de oprichting van het altaar des kruises, waarop de Godmensch zijn leven ging geven. ïe midden van de grootste smaad en smart hing de Heer en God der Engelen daar voor geheel een volk als een afschuwelijk booswicht ten toon, en daalde de aanbiddelijke Majesteit tot een grenzen-loozen afgrond van vernedering enver nietiging af. Zóó offerde Hij zich op bloedige wijze.
En geen kreet van vervloeking, geen woord van wrake komt van zijne lippen. Neen, zijn oneindig minnend Hart kent slechts liefde en ontferming ! Hij bidt daar aan het kruis voor zijne beulen, die hem moorden, voor de verblinde en goddelooze joden, die spottend juichen bij zijn dood. Hij bidt aan zijn kruis voor allen.
Zou onze Moeder de H. Kerk bij de vernieuwing van zijn kruisoffer, zijn voorbeeld niet volgen ? Voorzeker, want nu is het een aangenamen lijd, nu zijn het oogenblikken van zaligheid. Zij heeft reeds gebeden voor hen die zich straks zullen vereenigen met Jezus in de H. Communie, zij zal het ook doen voor de lijdende zielen in het Vagevuur, voor ons arme zondaars.
Zie, smeekend strekt de Priester de handen uit, heft ze omhoog en voegt ze wederom op de borst te zamen ; hij drukt zijn vurig verlangen uit om verhoord te worden ; \'aij bidt: »Wees, Heer, gedachtig uwe dienaren en dienaressen,
- 165 —
die ons zijn voorgegaan met hel teeken des geloofs en in den slaap des vredes rusten,1\' en hij blijft eenige oogenblikken in stilte de H. Hostie aanstaren om aan Jezus diegenen aan te bevelen, welke hij bijzonder moet of wil gedenken. Dan gaat hij verder; Aan dezen, Heer, en aan allen die in Christus rusten, gelieve Gij te verlemen, de .plaats der verkoeling van licht en van vrede, zoo smeeken wij U door denzelfden Christus onzen Heer. Amen. En als hij deze laatste woorden spreekt buigt hij eerbiedig hel hoofd.
Wie erkent hier niet in dit gebed de Moeder, die beminnend, maar tevens ook leerend optreedt. Ja, het is hier onze Moeder de Kerk, die in hare overgroote liefde voor al hare kinderen, ons toeroept: «Kind, Gij hebt nog andere broeders en zusters, zij zijn geloovend gestorven en rusten in vrede, in de eenheid en deelgenootschap met Jezus Christus en zijne Kerk, maar zij zijn misschien nog niet voor het aanschijn van God. Want o men moet zoo zuiver zijn om in de glorie der Goddelijke zon niet het minste vlekje meer op hunne ziel te bespeuren. Voor hen is ook Jezus\' Bloed gestroomd bij het Offer, het kan ook thans hen verlossen uit het Vagevuur, kom laat ons voor hen bidden.quot; En zij gaat voort als eene teedere moeder, en zij smeekt den hemelschen Vader door liet offer van zijn Zoon Jezus Christus, dat toch de plaats van verkoeling na dat hevige vuur, van rust na dat lijden, van vrede na dien hevigen strijd, dat de hemel hun deel zij.
Liefdevol derhalve, zooals altijd, treedt de Kerk hier op, maar ook leerzaam is dit gebed, \'t Is oud als de Kerk zelve, want het daalt af tol de Apostelen toe zooals de H. Chrysos-tomus (1) en Augustinus (2) ons verzekeren. Het leert ons dus, dat men ten allen tijde geloofde aan het Vagevuur. Geen liturgie der Mis was er, of men vond er dit gebed. Door de Heilige en ontzaglijke offerande kan men derhalve
1
Hom. 3 in Ep. ad Philip, et hom. 69 ad Pop. Aot.
vooral die geloovige zielen ter hulp komen. Van daar dat hel concilie van ïrente ons verzekert; De zielen die daar in dat Vagevuur moeten verblijven, kunnen door de gebeden der geloovigen, maar vooral door het aangename offer des altaars geholpen worden (1)
Zullen wij dan niet gehoor geven aan die leer der Kerk en vurig met haar bidden voor onze bloedverwantenen vrienden, ja voor allen, die daar nog lijden? Bedenk het wel, uit die vuurzee gaan kreten op als deze; «Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, gij ten minste mijne vrienden, want de hand des Heeren heeft mij geraakt!quot; Bid, bid veel gedurende deze oogenblikken voor de zielen in het Vagevuur, de verdiensten van Jezus\' offer zijn oneindig.
Een enkele opmerking nog voor wij overgaan tot het volgend gebed; Waarom buigt hier de priester het hoofd als hij zegt: ytdoor denzelfden Christus onzen Heerquot;, terwijl dit anders niet geschiedt, tenzij de naam »Jezusquot; er bij genoemd wordt? — Het gebeurt, omdat de H. Kerk in herinnering wil brengen, dat zij vooral hier bidt door Christus, die na zijn dood naar het voorgeborgte der hel nederdaalde, ten einde de rechtvaardigen te troosten en ten hemel op te voeren.
$ 11. HET GEBED „NOBIS QUOQÜE PECCA-TO RI BUSquot;.
En na voor de dooden gesmeekt te hebben, is het ook natuurlijk, dat de levenden niet vergeten worden. Nohis quoque peccatoribus, hooren wij den priester met half zachte stem bidden, vook aan ons zondaarsquot;, zegt de priester, terwijl hij op de borst klopt, en hij gaat in stilte verder; ygt;uwe dienaren, die op de menigte uwer ontfermingen hopen, wil ook aan ons eenig deel en gemeenschap geven met uwe Heilige Apostelen
(I) Sess. 25. Deer. de Purg.
- 167 —
en Martelaren: met Joannes, Stephmus, Mathias, Barnabas, Ignatius, Alexander, Marcellinus, Petrus, Felicitas, Perpetua, Agatha. Lucia, Agnes, Ccecilia, Anastasia en met al uwe Heiligen , neem ons, bidden wij U in hunne gemeenschap op, niet met onze verdiensten te schatten, maar met kwijtschelding te verleenen. Door Christus onzen Heer.
»Ook aan ons zondaars.quot; Maar hoe kan de priester zich hier met de overigen zondaar noemen, hij, die bij het betreden des altaars met het kleed der onschuld bekleed moet zijn? Om zijne verledene zonden, die door boetvaardigheid reeds lang zijn uitgeboet, ziedaar het antwoord, om zijne dagelijksche fouten, van welke niemand geheel vrij is. Als wij zeggen, dat wij geen zonden hebben, zoo leert de Apostel Joannes, dan bedriegen wij ons, en de waarheid is niet in ons. (l)Ja, deze fouten en zonden maken hem onwaardig het 11. Offer op te dragen, gelijk de geloovigen insgelijks onwaardig zijn. Daarom klopt hij zich op de borst, gelijk de Tollenaar van het Evangelie of gelijk de hoofdman bij het kruis na Jezus\' dood, en moeten ook alle dienaren en geloovigen dit met hein doen. Maar God is oneindig barmhartig, zijne ontferming reikt van grens tot grens, zijne erbarming blijft in eeuwigheid. De menigte zijner ontferming zal de boosheid uitwisschen, gelijk David smeekte. Hierdoor hebben wij hoop en vertrouwen op den hemel Ja, de oneindige Goede zal ons eenig deel en gemeenschap geven met zijne Heiligen in den hemel. Verdiend hebben wij het wel niet, maar op U o lieer, hebben wij gehoopt. Gij zult onze schulden kwijtschelden, in eeuwigheid zullen wij niet beschaamd worden.
Ziedaar de uitlegging van dit waarlijk troostend gebed. Herinneren wij er nog aan dat onze Moeder in dit gebed Heiligen noemt, die wel alle Martelaren zijn, maar die toch tot alle standen behoorden: zij herdenkt profeten en apostelen, pausen en bisschoppen, priesters en lagere geestelijken, vrouwen en (I) I Jois i. 8.
— 1G6 —
vooral die geloovige zielen ter hulp komen. Van daar dat hel concilie van ïrente ons verzekert; De zielen die daar in dat Vagevuur moeten verblijven, kunnen door de gebeden der geloovigen, maar vooral door het aangename offer des altaars geholpen worden (1)
Zullen wij dan niet gehoor geven aan die leer der Kerk en vurig met haar bidden voor onze bloedverwantenen vrienden, ja voor allen, die daar nog lijden? Bedenk het wel, uit die vuurzee gaan kreten op als deze: sOntfermt u mijner, ontfermt u mijner, gij ten minste mijne vrienden, want de hand des Heeren heeft mij geraakt!quot; Bid, bid veel gedurende deze oogenblikken voor de zielen in het Vagevuur, de verdiensten van Jezus\' offer zijn oneindig.
Een enkele opmerking nog voor wij overgaan tot het volgend gebed; Waarom buigt hier de priester hel hoofd als hij zegt; ygt;door denzelfden Christus omen Heer\', terwijl dit anders niet geschiedt, tenzij de uaam »Jezusquot; er bij genoemd wordt? — Uel gebeurt, omdat de H. Kerk in herinnering wil brengen, dat zij vooral hier bidt door Christus, die na zijn dood naar het voorgeborgte der hel nederdaalde, ten einde de rechtvaardigen tc troosten en ten hemel op te voeren.
§ 11. HET GEBED „NOBIS QUOQÜE PECCA-T011ÏBUSquot;.
En na voor de dooden gesmeekt te hebben, is het ook natuurlijk, dat de levenden niet vergeten worden. Nabis quoque peccatoribus, hooren wij den priester met half zachte stem bidden, vook aan ons zondaarsquot;, zegt de priester, terwijl hij op de borst klopt, en hij gaat in stilte verder; vuive dienaren, die op de menigte uiver ontfermingen hopen, wil ook mm ons eenig deel en gemeenschap geven met mve Heilige Apostelen
(I) Sess. 25. Deer. de Purg.
- 167 —
en Martelaren: met Joannes, Stephmus, Mathias, Barnabas, Ignatius, Alexander, Marcellinus, Petrus, Felicitas, Perpetua, Agatha. Lucia, Agnes, CoecAlia, Anastasia en met al uwe Heiligen, neem ons, bidden wij U in hunne gemeenschap op, niet met onze verdiensten te schatten, maar met kwijtschelding te verleenen. Door Christus onzen Heer.
■»Ook aan ons zondaars.quot; Maar hoe kan de priester zich hier met de overigen zondaar noemen, hij, die hij het betreden des altaars met het kleed der onschuld bekleed moet zijn? Om zijne verledene zonden, die door boetvaardigheid reeds lang zijn uitgeboet, ziedaar het antwoord, om zijne dagelijksche fouten, van welke niemand geheel vrij is. Als wij zeggen, dat wij geen zonden hebben, zoo leert de Apostel Joannes, dan bedriegen wij ons, en de waarhefd is niet in ons. (1) Ja, deze fouten en zonden maken hem onwaardig het H. Offer op te dragen, gelijk de geloovigen insgelijks onwaardig zijn. Daarom klopt hij zich op de borst, gelijk de Tollenaar van het Evangelie of gelijk de hoofdman bij het kruis na Jezus\' dood, en moeten ook alle dienaren en geloovigen dit met hem doen. Maar God is oneindig barmhartig, zijne ontferming reikt van grens tot grens, zijne erbarming blijft in eeuwigheid. De menigte zijner ontferming zal de boosheid uitwisschen, gelijk David smeekte. Hierdoor hebben wij hoop en vertrouwen op den hemel Ja, de oneindige Goede zal ons eenig deel en gemeenschap geven niet zijne Heiligen in den hemel. Verdiend hebben wij het wel niet, maar op U o Heer, hebben wij gehoopt, Gij zult onze schulden kwijtschelden, in eeuwigheid zullen wij niet beschaamd worden.
Ziedaar de uitlegging van dit waarlijk troostend gebed. Herinneren wij er nog aan dat onze Moeder in dit gebed Heiligen noemt, die wel alle Martelaren zijn, maar die toch tot alle standen behoorden: zij herdenkt profeten en apostelen, pausen en bisschoppen, priesters en lagere geestelijken, vrouwen en
(I) 1 Jois i. 8.
— 168 —
maagden. Is ook dit voor ons niet troostend? Het zegt ons immers, dat men in allen stand heilig kan worden, dat voor arm en rijk, voor oud en jong, in één woord voor iedereen, die zijn kruis opneemt en Jezus navolgt, de hemel openslaat. Zij, die daar ons toewuiven met den palm der overwinning, zij waren menschen als wij, zondaars als wij, zij hebben strijd en lijden gehad als wij, zij hebben overwonnen en heerschen thans met Christus in eeuwigheid. Dat zal ook eenmaal ons deel zijn, als wij volgens zijn leer slechts willen leven. Moed dan gevat, kleinmoedige mensch, nog een luttel strijds en de eeuwige belooning wacht u !
De Canon, dat verheven en indrukwekkend gebed begon met de praefatie; \'t was de inleidingshymne tot hel ontzettend werk der Consecratie; thans gaat de plechtige sluiting, waarin alles wordt samengevat, volgen.
dDooi- tuienquot; (Christus) zoo bidt de Priester, tot driemalen toe, het Lichaam en Bloed van Jezus zegenend. Gij, Heer, al deze gaven altijd schept, heiligt gt;ïlt;, levend maakt gt;5«, zegent gt;ïlt;, en aan ons verleent.quot; Dan knielt hij eerbiedig neder, neemt de H. Hostie en maakt daarmede driemalen het kruisteeken boven den kelk en tweemalen tusschen den kelk en zijn eigen persoon, terwijl hij zegt; vDoor Hem *, en met Hem *, en in Hem ^, is cum U God, gt;ïlt; den Vader Almachtig, in de eenheid gt;ïlt; des Heiligen Geestes alle eer en glorie. En bij deze laatste woorden heft hij den kelk met de H. Hostie op, knielt weder eerbiedig en eindigt luid zingend : Door alle eeuwen der eenwen. per omnia Scecula Sceculorum.quot;
Alle gebeden der kerk, wij hebben het reeds meermalen opgemerkt, sluiten met hetgeen wij gevraagd hebben, af te smeeken door Christus Jezus onzen Heer. \'t Gebeurt, omdat Jezus onze Middelaar is. Ook hier moet dit nu geschieden maar na zulk een voortreffelijk gebed, op meer bijzondere wijze. God heeft alles geschapen, ook het brood en den wijn, dat bier veranderd is in Christus\' Lichaam en Bloed, door
— 169 —
Jezus Christus, zijn Zoon. Zijn goddelijk Woord gaf aan alles het wezen, het aanzijn, het leven. Hij sprak, en het werd. (-1) Dat scheppingswerk duurt voort. Jaarlijks brengt de aarde nieuwe granen, nieuwe druiven voort. Het eeuwig Woord zeide daarom: «Mijn Vader houdt niet op tol nu toe te werken, en ook ik werk voortdurend.quot; (2) — Door Jezus Christus, Gods Zoon, werden deze gaven van alle anderen afgezonderd, uitgekozen tot het Offer, en zóó geheiligd. Door Hem maakte God ze levend, levend om het eeuwig leven aan ons mede te deelen, door ze te veranderen in zijn goddelijk Lichaam en Bloed. Door Hem stortte Hij de goddelijke zegeningen zoo overvloedig mogelijk er over uit, om ze vervolgens al wederom door Christus, als de bron zijner oneindige verdiensten en genaden, in de H. Communie aan ons mede te deelen. Ziedaar, waarom de Kerk bidt: vDoor wien Gij, Heer. al deze gaven altijd schept, heiligt, levend maakt, zegent
en aan ons verleent.quot;
Middelerwijl hij de woorden nheiligt, levend maakt en zegentquot; uitspreekt, maakt de Priester tot drie malen toe het kruis-teeken over het Lichaam en Bloed van Christus, \'t Geschiedt om uit drukken, dat alle heiliging, alle verlevendiging, allo zegening na den zondenval, hunnen oorsprong ontleenen aan Jezus\' kruisdood ; \'t geschiedt verder om aan God te betuigen: »Heer onze God, wij vertrouwen vastelijk, dat ook wij door Jezus den Gekruiste, uwen Zoon, geheiligd, herlevendigd en gezegend zullen worden, opdat wij eenmaal erfgenamen zijn van uw Rijk.quot; (3)
Intusschen komt de diaken ter rechter zijde van den priester, neemt vol eerbied de palla van den kelk af, en knielt met den priester. Hij mag hem verder, als de priester aanstonds de H. Hostie opneemt, en daarmede tot driemalen toe
(1) Gen. 1. 3 elc. (2) I Joan. V. 17. (3) Vergelijk S. Alph. Oeuvr. Ascet. T. XIV. p. 33. 34.
12
— 170 —
het kruis maakt over den kelk, ter zijde staan, ja moet den voet des kelks vast houden. (1) Lezer, herinnert gij u nog, hoe wij vroeger hebben verklaard, dat door den diaken de Evangelist Joannes werd beteekend? Welnu, als gij daaraan denkt, dan begrijpt gij ook aanstonds, waarom aan den diaken dit alles veroorloofd is. Joannes stond naast het kruis van Jezus, Joannes was de eenige der leerlingen, die den Calvarieberg beklommen was, en daar deelde in Jezus\' lijden, daar den boom des kruises als omvatte, om aan zijn goddelijken Meester te betuigen, dat hij met Hem dien kelk des lijdens wilde drinken. Maar nog immer is Jezus daar ons nieuw kruisoffer; Hij is daar op het altaar als op zijn kruis; Hij offert zich; Joannes moet ook naast zijn kruisboom staan. Dit alles herinneren wij ons, als wij daar den diaken bij den vertegenwoordiger van den Zaligmaker, zoo nabij Christus, aanschouwen.
En de priester neemt de 11. Hostie in zijne gewijde vingeren, maakt daarmede, zooals wij reeds zeiden, eerst driemalen het kruisteeken boven den kelk, en vervolgens tweemalen tusschen den kelk en zijn eigen persoon. Waarom dit alles? — Deze drie kruisteekens, zoo leert ons Paus Innocentius III, (2) beteekenen ons de drie kruisigingen, welke Christus aan het kruis doorstond, zijn lijden in het lichaam, in de ziel en in het hart. Over dat lijden des lichaams zeide de Heer door zijn profeet: »0 gij allen, die langs den weg gaat, aanschouwt en ziet, of er een smart is gelijk mijne smart. (3) Zij doorgroeven mijne handen en voeten, en telden al mijne ledematen.quot; (4) Over zijn zielesmart zeide de lieer aan zijne apostelen: »Bedroefd is mijne ziel tot den doodquot;. Jezus begon te beven en te sidderen. Hij begon bedroefd en beangst te worden. (5) En uit zijn medelijden des harten vloeide de bede voort voor zijne beulen: «Vader, vergeef het hun, want
(1) Caer. Ep. L. 1. G. 9. n. o. (2) 0. c. C. IX.
(3) Thrcn. J. 12. (i) Ps. XXI. 17. (o) Matth. XXVI. 57. 58.
— 171 —
zij weten niet wat zij doen!quot; (1) — En de priester maakt deze drie kruisteekens met de hostie hoven den kelk, omdat Christus die kruisigingen doorstond op zijn kruishout, want, door den kelk wordt tevens zijn kruis heteekend, volgens hetgeen de Heer zeide : »Vader, zoo het mogelijk is, laat deze kelk van mij voorbijgaan/\' (2)
Was Jezus God en met zijn Godheid op het kruis, de Vader noch de H. Geest waren persoonlijk vereenigd met Christus\' Lichaam en Bloed, zij hadden de menschelijke natuur niet aangenomen, bijgevolg zij waren niet op het kruis en nog veel minder leden zij er, gelijk ook de goddelijke natuur van Christus daar niet lijden kon. Integendeel door Jezus\' kruisdood, door Christus, als den waren Middelaar tusschen God en de menschen, met Christus, als God gelijk aan God, in Christus, als zelfstandig met den Vader, wordt aan den al-machtigen Vader in vereeniging met den H. Geest alle eer en glorie geschonken in alle eeuwigheid. De priester moet ook dit uitdrukken. Na dan onder de woorden: xrfoor Hem en met Hem en in Hemquot; het kruis boven den kelk tot drie maal gemaakt te hebben, maakt hij het vervolgens tweemalen buiten den kelk zeggende; ms aan U God ij den Vader Almachtig, in de eenheid gt;ïlt; des Heiligen Geestesquot;, en den kelk met de H. Hostie opheffende: vuile eer en glorie.quot;
Voorwaar, Lezer, deze eenvoudige ceremoniën zijn veelomvattend, maar dan ook, als men ze begrijpt, zoo diep treffend, zoo verheven. O, dat zij ons dan ook opwekken, om ons altijd inniger met het H. Offer te vereenigen, om onze gevoelens te vernieuwen, die wij hadden bij de eerste opheffing, en zoo met den priester, met Jezus zelf, de eer en glorie te vermeerderen van den hemelschen Vader, van God zelf. Nu reeds hier op aarde moeten wij dat loflied beginnen, om het eens door te zetten in den Hemel door de onmetelijke eeuwig-
(I) Luc. XXIII. oi. (2) Matth. XXVI. 38.
heid. Ju blijven wij aanbiddend geknield, en vereenigen wij onze zwakke stemmen met den priester; als hij liet daar luide doet weerklinken: die eer en glorie worde gebracht door alle eenwen der eeuwen vper omnia scecula sceculorumquot; verkondigen wij het dan nog luider met het koor; »Amen, Amen. Het üj zoo\'.
§. 12. HET PATER NOSTER.
Na de Canon, die »akte der heilige verborgenheid,quot; «die geheimenis der heiligste daadquot; is het waardig en billijk het gebed te bidden, dat de Heer ons geleerd heeft. Geen gebed kan er voortreffelijker gedacht of uitgesproken worden, \'t Is geschonken door denzelfden Jezus Christus, die den H. Geest ons zond, \'t is voortgekomen uit den mond des Zoons, die de Waarheid zelve is. Zoo er dan een kroon op het werk moet gezet worden, zoo er nog een verhevener gebed moet volgen op het gebed bij uitnemendheid, geen beter kan er gevonden worden dan het Onze Vader, waarin wij God zoo in geest en waarheid waarlijk aanbidden. (!)
\'t Was dan ook reeds in de eerste ecuwen der Kerk gebruikelijk, dit aan het einde der Canon, hetzij alleen door den priester, hetzij gezamenlijk met de geloovigen te bidden, zooals ons de il. Hieronymus en vele anderen verzekeren. Jezus Christus, zegt deze Kerkvader, heeft aldus zijne Apostelen geleerd, dat zij dagelijks bij de offerande van zijn Lichaam durven zeggen. Onze Vader, die in de hemelen zijt.quot; (2) En zegt de H. Gregorius de Groote: »Wij bidden hot gebed des Heeren onmiddellijk na de Canon, omdat de Apostelen reeds gewoon waren dit gebed uit te spreken bij de uitdeeling van het goddelijk Offerlam.... Dit ook doen de Grieken, doch ge-
(1) Confer Cypp. De Orat. Dom. in princ. (i) Adu. Pelag. L. 1 C. XVII.
— 173 —
zamenlijk.quot; (1) Komt, j\'aat ons dan ook onze voorvaderen in hel geloof navolgen, en luisteren wij aandachtig en herhalen wij bij ons zeiven de woorden, die de priester gaat zingen.
Hij heeft dan de sluiting gezongen van de Canon. ))Het zij zoo, Amenquot; hebben wij geantwoord met het koor. Het gebed des Ileeren zal nu volgen; wij zullen het uitspreken op een tijdstip, waarin de Maker zelf, Jezus Christus, op het altaar tegenwoordig is en\' geslachtofferd wordt. Welk eene vertroosting voor ons! Maar zijn wij wel waardig? Kunnen wij het wel ? »De strijdende Kerk hier op aardequot;, antwoordt zoo schoon de H. Alphonsus Maria, »wetende, dat zij samengesteld is uit zondaars, erkent zich onwaardig God haar Vader te noemen, en Hem de zeven beden van het Gebed des Heeren toe te sturen. Daarom verklaart zij, dat zij slechts dit gebed tot God durft opzenden, omdat de Heer het haar bevolen heeft.quot; «Door heilzame voo7,schriften onderwezenquot;, zoo doet zij den priester luide zingen, »ere door goddelijk onderricht geleerd, durven wij zeggen: Onze Vader, die in de hemelen zijlquot;. Zoo leert zij ons, dat wij vrijmoedig die zeven beden, die alles omvatten wat onze zaligheid kaïi verzekeren, Gode mogen aanbieden, omdat het Hem zoo aangenaam is, en liij het ons ook beveelt.
En de priester gaat dan voort met dien smeekbrief voor te zingen, welken onze hemelsche Voorspreker ons zelf vervaardigd heeft. Hij blikt daarom onder het zingen op de II. Hostie, op Jezus Christus zeiven, door wien hij alles verhoopt. Terwijl hij die beden doet, meenen wij niet beter te kunnen doen dan ze van de uitlegging te vergezellen van den H. Kerkleeraar, welke ons zoo even reeds toesprak, den grooten H. Alphonsus Maria. (2)
»0/1 ze Vader, die in de hemelen zijl.quot; De H. Apostel Joannes doet ons de groote liefde overwegen, welke de hemel-
(1) Episi. ud Joau. Syrac. L IX. Ep. XII. (2) Men zie zijne Ocnvr. Asc. T. VI p. 54 er. T XIV. p, ö-t.
— 174 —
sche Vader ons betuigd heeft, door ons te doen noemen en waarlijk te doen zijn, zijne kinderen: Ziet eens, hoe groote liefde de Vader ons schonk, dat wij kinderen Gods genoemd worden en ook zijn. (1) Voorzeker slechts uit uitermate groote liefde zijn wij, aardwormen, kinderen Gods kunnen worden, niet van nature voorwaar, maar door aanneming; en dat is de onmetelijke genade, welke Gods Zoon ons verworven heeft door mensch te worden, zooals de H. Paulus zegt: Gij hebt den Geest van aanneming tot kinderen Gods ontvangen, door welken wij roepen: Abba, Vader. (4) Welk grooter geluk kan een onderdaan verhopen, dan door zijn koning te worden aangenomen als kind ? of een schepsel, dan kind zijns Scheppers genoemd te worden? Welnu, dat heeft God voor ons gedaan, en zijn verlangen is, dat wij met een geheel kinderlijk vertrouwen de volgende beden voor Hem uitstorten.
1. Geheiligd zij uw naam. God kan geen grootere heiligheid bezitten dan die, welke Hij heeft van alle eeuwigheid af, zij is oneindig; als wij dan deze bede uitspreken, vragen wij alleen, dat God zijn H. Naam overal due kennen, dat Hij dien doe beminnen van alle menschen : zoo van de ongeloo-vigen, die Hem niet kennen, als van de ketters, die Hem verkeerd verstaan, en van de zondaars, die Hem kennen, maar niet beminnen.
2. Ons toekome xiw rijk. Tweevoudig is de heerschappij, welke God over onze ziel voert, het rijk der genade en dat der glorie. Door deze woorden nu vragen wij beide, te weten : dat de genade Gods in dit leven ten allen tijde over ons heersche, dat zij ons geleide en besture, om eenmaal zijne glorie waardig gekeurd te worden, en het geluk te hebben God te bezitten en zijn eigendom te zijn in eeuwigheid.
3. Uw wil geschiede op aarde als in den hemel. Heel de volmaaktheid eener ziel bestaat in de volkomene vervulling van Gods wil, gelijk de gelukzaligen dit doen in den hemel;
(1) 1 Joïs 111. 1. (2) Uom. Vlll 2ö.
(
— 175 —
daarom doet Jezus Christus ons de genade vragen den wil van God op de aarde te vervullen, gelijk de Engelen en Heiligen dien volbrengen in den hemel.
4. Geef ons heden ons dagelijksch brood. Dat zegt ons de II. Lucas in zijn evangelie. (1) En door dit gebed vragen wij van God alle tijdelijke goederen, waaraan wij behoefte hebben tot onderhoud van ons lijdelijk leven, üe woorden dagelijksch brood leeren ons daarenboven, dat wij zoodanige zaken slechts met matigheid moeten vragen, gelijk Salomon ons een voorbeeld gal\', toen hij bad : »Geef mij slechts zooveel als voor mijn dagelijksch onderhoud noodig is.quot; (2)
Merken wij verder op, dat de H. Mattheus dat brood bovennatuurlijk noemt vpanem super substan tialem.quot; Volgens den Romeinschen Catechismus verstaat men daardoor ook Jezus Christus zelf inliet H. Sacrament des Altaars, dat wil zeggen; de H. Communie. En met recht vragen wij dat hemelsch brood dagelijks, da nobis hodie, omdat ieder Christen, volgens het Concilie van Trente, de H. Communie dagelijks, zoo al niet op werkelijke dan toch op geestelijke wijze, behoort te ontvangen.
5. En vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren. Urn waardig dat goddelijk Brood te eten, moet men zuiver zijn van doodzonde, of ten minste gewasschen door het bloed van het Lam in het Sacrament der Biecht. Wij zeggen, yzuiver van doodzondequot; ; maar men moet ook wel opmerken, dat, zoo iemand communiceerde met eene werkelijke gehechtheid aan eenige dagelijksclie zonde, vooral als dit^bij herhaling geschiedt, men hem moeielijk kan vrijpleiten van eene min of meer onwaardige communie.
ü. En leid ons niet in bekoring. Hoe moet men dit verstaan? Leidt ons God misschien somtijds in de bekoring, voert Hij ons tot zonde? Neen, voorzeker neen, antwoordt de H. Jacobus, God kan niemand tot het kwaad brengen. Deus
(l) Luc XI. ö. (2) Prov. XXX. 8.
— 176 —
enim in ten tat or malorum est; ipse autan neminem ten tut. (■!) Men moet derhalve deze woorden begrijpen gelijk die van Isaïas, waar de Heer verkondigt, dat Hij het hart van het Joodsche volk zal verblinden, zóó dat het de waarheid niet meer kan zien. (2) God -verblindt nooit den zondaar; maar dikwijls weigert Hij aan eenigen, ter straffe van hunne ondankbaarheid, het licht, dat Hij hun zou geschonken hebben, zoo zij getrouw en erkentelijk waren geweest. Als men dan zegt: God verblindt, dan beteekent dit, dat Hij hun hel licht van zijne genade onttrekt. En ziedaar den zin ook van de bede, welke wij verklaren : en leid ons niet in bekoring. Wij vragen aan God, dat Hij niet toelate, dat wij in zulke gelegenheden van zonde geraken, waarin wij zullen bezwijken. — Daarom moeten wij altijd waken en bidden, gelijk de Heer het ons vermaant te doen, om niet te komen in bekoring; Waakt en bidt, opdat gij niet valt in bekoring. (3) Komen in bekoring, dat is hetzelfde als zich te bevinden in gevaar van in zonde te vallen; daarom rnoeten wij dikwijls, zeer dikwijls herhalen: En leid ons niet in bekoring.
7. Maar verlos van den kwade. Er zijn drie soorten van kwaad, waarvan wij den Heer de bevrijding vragen, tijdelijke rampen des lichaams, geestelijke kwalen der ziel, eeuwige rampen van het ander leven. — Wat de tijdelijke rampen van dit leven betreft, moet men altijd bereid zijn dat, wat God ons overzendt voor de zaligheid onzer zielen, met onderwerping aan zijn wil te dragen ; zulke rampen zijn bijv, armoede, ziekten, troosteloosheid. Als wij dus God vragen van zulke rampen bevrijd te blijven, dan moeten wij het slechts doen onder voorwaarde ; als zij niet noodzakelijk of nuttig z:jn voor onze zaligheid. Maar de ware rampen, waarvan wij zonder eenig voorbehoud de bevrijding moeten vragen, dat zijn de geestelijke kwalen onzer ziel, de zonden, want deze zijnoor-zaak der eeuwige rampen in de hel. En houden wij ons ove-
(1) Jrc. I. 15. (2) Is. VI. 10. 15) Math. XXVI. 41.
— 177 —
rigens overtuigd van deze onfeilbare waarheid, dat wij ons, in den tegenwoordigen staat onzer bedorven natuur niet kunnen zalig maken, zonder heen te gaan door de vele beproevingen, waarmede dit leven als bezaaid is: door vele beproevingen, moeten wij het rijk Gods binnentreden.quot; (1)
Ziedaar eene korte maar schoone verklaring van het gebed des Heeren. De priester zingt het luide in de H. Mis tot de zesde bede toe; doch dan zwijgt hij, en laat de zevende antwoorden door het koor. Het geschiedt om het volk ook te doen deelen in zijn gebed. Niet slechts de priester brengt hier het Onze Vader voor Gods troon, maar alle geloovigen, die met hem zich Gods kinderen mogen noemen. Ja wij allen mogen bidden wat Jezus ons geleerd heeft; herhalen wij dan langzaam met den priester, dat kinderlijke xOnze Vader.quot; Overvloedige vruchten zullen daardoor ons deel zijn.
Als het volk zijne instemming met dat Gebed des Heeren heeft te kennen gegeven door te antwoorden : ygt;Maar verlos ons van den kwade,quot; dan besluit de priester door met zachte stem te bidden : Amen : Het zij zoo. Dit woord, zegt de H. Alphonsus, is als de slotsom van al de voorgaande beden, het herhaalt nog eens alles te zamen wat wij gevraagd hebben. En dat is God alleraangenaamst. De grooten der aarde vinden bet lastig, als men hen al te zeer met vragen overlaadt; God echter ziet dit des te liever. Hoe lastiger ons gebed is, zegt de H. Hieronymus, hoe aangenamer het Hem wordt. (2) En Cornelius a Lapide getuigt: God wil, dat wij volhardend zijn in het gebed tot lastigheid toe. (3) — De priester zegt dit echler op zachten toon, um hiermede te kennen te geven, dat hij als de vertegenwoordiger van Christus spreekt, die de vervulling dier beden ons verzekert.
Maar wij hebben hier nog op een treffende ceremonie te letten. Ziet, nauwelijks heeft het; «Geef ons beden ons dagelijksch broodquot; weerklonken uit den mond des priesters, (1) Act. XVI. 21. (2) Hom. in Matth. (3) In Luc. XI. 8.
— 178 —
of de suodiaken, die van de offerande af immer in stilte met de bedekte pateen onder aan de trappen des altaars bleef vertoeven, gaat de treden op om de pateen aan te brengen. Wat zegt ons die ceremonie ? Niet meer of niet minder moet zij ons verklaren dan dat het hart des volks zijn dagelijksch brood verlangt, dat bet Christenvolk smeekt om de Communie. Door de pateen toch, zegt Paus Innocentius III, wordt het hart der Christenen beteekend, dat wijd open staat voor de liefde; (2) werd straks bij de offerande de verflauwde liefde herdacht van de leerlingen en geloovigen, die wegvluchtten toen Jezus zijn lijden begon, moest die verlatenheid ten volle worden afgebeeld, door het voortdurend afwezig zijn des subdiakens met de pateen, thans nu Jezus ons de vruchten van zijn dood gaat te genieten geven, nu Hij zijne laatste woorden gesproken heeft en stervend het hoofd buigt, nu herleeft die liefde, en gaat zij zich toonen met die heilige vrouwen en leerlingen, die Jezus onmiddellijk na zijn dood hebben gezocht.
Want ja dat oogenblik van het offer des kruises gaat herdacht worden. De zeven beden van het Onze \\ader wijzen ons naar de zeven woorden, die de goddelijke Verlosser, van het kruis, als van den verhevensten leerstoel geheel het men-schelijk geslacht toesprak. Zij vormen zijn testament. En wij, zijne kinderen, mochten het opvangen om, door die gocdelijke erfenis verrijkt, de hemel voor ons te zien open gaan. Ja, als dan alles volbracht is, w:at de liefde slechts volbrengen kan, als Jezus sterft voor ons en Zich oliert, als Hij zijn Lichaam, zijn Bloed aan ons ten spijze geeft, moet ons hart ontvlammen door de liefde, moeten wij betuigen aan rten stervenden Jezus: Heer Jezus, waarlijk Gij zijt de Zoon van God, ik wil U alleen beminnen in eeuwigheid. Kom lot mij, Heer Jezus, kom in de 11. Communie, en dat ik, gevoed door dat hemelsch Brood, leve met U in eeuwigheid.
(1) O. C U VI. C. 1, patena i.e. cor patens latitudine chaij.tatis.
VIJFDE HOOFDSTUK.
De Voorbereiding tot de H. Communie en de Communie zelve.
Do ware liefde zoekt niet slechts de tegenwoordigheid van het beminde voorwerp, geeft zich niet alleen ten olfer, maar is dan eerst voldaan, als zij zich geheel en al met dat voorwerp kan vereenigen, ja vereenzelvigen. Welnu dat zocht ook onze goddelijke Zaligmaker. Hij wilde ons bij zijne tegenwoordigheid in het H. Sacrament des altaars, bij zijn voortdurend Offer in de IJ. Mis, ook nog dit overgroot bewijs zijner liefde schenken, dat IIij zich aan ons geeft, ja ten spijze onzer zielen. «Neemt en eet,quot; zoo sprak Hij, »dit is mijn lichaam. (1) Drinkt allen hieruit, dit is mijn Bloed, dat voor velen zal vergoten worden. (2) Mijn Vleesch is waarlijk spijs, mijn Bloed is waarlijk drank. (3) Die mijn Vleesch eet en mijn Bloed drinkt, blijft in mij en ik in hem,quot; (4) Die vereeniging, waardoor het heil en de zaligheid der raenschen vooral wordt bewerkt, waardoor de mensch in levensgemeenschap treedt met dat goddelijk Offerlam, moet dan ook in de H. Mis geschieden; zij moet de oneindige offerdaad voltooien en volmaken; zij ten eeuwige dage het bewijs geven van Jezus\' oneindige liefde.
Dat deel der H. Mis, de Communie genaamd, waarbij ten minste de priester het Lichaam en Bloed van Jezus zal ontvangen, gaan wij thans behandelen. Maar tot zulk eene heilige daad moet men zich waarlijk goed voorbereiden, en
(1)- Matth. XXVI. 26. (2) Matlh. XXVI. 28. (3) Joïs VI. 56.
(1) Joïs VI. 57.
— 180 —
vooral de laalsle oogenblikken zich goed ten nutte te maken. Ziedaar dan ook de reden, waarom alle gebeden, welke die H. Vereeniging nu na de Canon en liet Gebed des Heeren voorafgaan, daarop doelen.
§ 1. HET GEBED „LIBERA NOS.quot;
Het eerste gebed, dat de priester docli in stilte, na liet Pater mster uitspreekt, is een smeekbede om bevrijding van alle zonden en straffen, van rampen en kwellingen. Onder voorspraak en aanroeping, van Maria, de 11.H. Apostelen Petrus en Paulus, Andreas en alle Heiligen, smeekt hij tevens om vrede, in- en uitwendigen vrede, zoo voor zich zeiven als voor de gansche Kerk. Ziehier dat schoone gebed in zijn. geheel : »Verlos ons, bidden wij U o Heet\', van alle kwaad, dat verleden, tegenwoordig en toekomend is, en verken ons genadig door de tusschenkomst der gelukzalige en glorievolle Moeder Gods Maria, altijd Maagd, van uwe gelukzalige Apostolen Petrus en Paulus, en van Andreas en van alle Heiligen, vrede in onze dagen, opdat wij door de hulp van uwe barmhartigheid ondersteund, altijd vrij mogen zijn van zonden, en gerust van alle kwellingen; door denzelfden Jezus Christus onzen Heer, uwen Zoon, die met U leeft en regeert in de eenheid des H. Geestes, God door alle eeuwen dei-eeuwen. Amen.quot;
De priester bidt derhalve om nog meer gezuiverd te worden van alle zonden, en bevrijd van alle andere rampen naar ziel en lichaam, bidt om dien waren vrede, welken de wereld niet geven kan. Ja, in een zuiver hart, dat geheel in vrede leeft met God, zal Jezus gaarne nederdalen, er a\'s in het nieuwe graf, waarin nog niemand gelegd was, in vrede rusten, en er den overvloed der goddelijke genade uitstorten.
Maar waarom bidt de priester dat gebed in stilte; waarom maakt hij er onder dat kruis met de pateen; waarom kust
— 181 —
hij dezelve; waarom verdeelt liij onder de sluiting ervan, na eerst geknield te hebben, de H. Hostie in drie deelen, en legt hij daarvan een gedeelte in den kelk? Dit alles heeft voorzeker zijne beteekenis. De stilte, waarin hij bidt, wijst ons.weder naar den Calvarieberg, waar Jezus gestorven is, wijst ons naar zijn graf, waar Hij op den sabbath rustte. Ook de vrouwen, die kruiderijen en balsem hadden bereid, zwegen volgens Gods bevel op dien sabbath. (1) Maar Hij, die met zijn lichaam in het graf rustte, daalde met zijne ziel neder in het voorgehorgte der hel, en verloste hen, die daar vertoefden, van alle verledene, tegenwoordige en toekomende rampen, en gaf hun den eeuwigen vrede, door welken zij altijd van alle zonden vrij en voor alle kwellingen veilig zijn. — De pateen, waarmede de priester het kruis maakt en welke hij vereert, wijst ons op die heilige vrouwen, die het hart vol van liefde, vroeg in den morgen kwamen om Jezus te zalven. (2) Schoon zij hun verlangen niet mochten voldoen, nam toch Jezus hun liefdebewijs aan, omdat zij den Gekruiste zochten; «Ik weet het, sprak de engel, gij zoekt Jezus, die gekruist is;quot; (3) ja de goddelijke Verlosser vervulde het door aanstonds daarop haar te verschijnen ; want zie, Jezus ontmoette haar en zeide: »Weest gegroet.quot; En zij toetredende, omarmden zijne voeten en aanbaden Hem. (4) De priester breekt de H. Hostie, opdat wij in die breking van het hemelsch ürood den Heer zouden erkennen, gelijk die twee leerlingen dit mochten doen, toen Jezus op den dag zijner verrijzenis, hun bij het gaan naar Emmaus verschenen was. (5)
Doch laat ons met den geleerden Paus Innocentius Hl, nog dieper doordringen in die eenvoudige maar toch zoo verheven handelingen. Ziet, voor die breking geschiedt, neemt
(1) Luc. XXIII. (2) Malth. XXVI11. 2. Marc. XVI. i.
(3) Mallh. XXVIII. 5. (4) Malth. XXVIII. 9. Vergelijk Innoe. 111. O. c. L. VI. c. 1. (o) Luc. XXIV. 31.
— 182 -
de diaken de palla van den kelk af: erken er den engel in, die den steen van den ingang des grafs afsventelde. (1) De priester verdeelt de H. Hostie in drie deelen, en legt een gedeelte ervan in den kelk met het H. Bloed : die vermenging beteekent ons de vereeniging van de ziel en het lichaam van Christus, welke er weder plaats vond, toen Jezus ten derden dage levend en verheerlijkt uit zijn graf opstond. Doch de kracht der H. Drievuldigheid bracht de ziel wederom tot het lichaam, opdat gene niet in het voorgebergte zou blijven, dit geen bederf zou aanschouwen ; daarom maakt de priester, voor hij die vermenging doet plaats hebben, driemalen met dat gedeelte der H. Hostie een kruisteeken boven den kelk. En hij zingt daarbij: »De vrede des Heer en gt;Jlt; zij altijd met ^ ulieden,quot; omdat Jezus ons door zijne verrijzenis den waren vrede bracht, dien vrede, welken Hij op dien eigen dag ook aan de zijnen verkondigde, toen Hij midden tusschen zijne leerlingen stonden zeide: )gt;P(ix vohis: Vrede zij u.quot; (2) — ygt;En mei uwen geest,quot; antwoorden de de geloovigen met het koor, want Jezus deelde aan de Apostelen, onmiddellijk na dien vredegroet, den H. Geest mede, terwijl Hij over hen blies en sprak ; «Ontvangt den H. Geest.quot; (3)
Waart gij in de eerste zes eeuwen bij de H. Mis tegenwoordig geweest, dan hadt gij op dat woord des priesters: j)De vrede des Heer en zij altijd met ulieden,quot; alle de Christenen elkander den vredekus zien geven. Zij, geroepen tot de tafel van den éénen Vader, den God der liefde, moesten te kennen geven, dat in hun hart geen afkeer of koudheid heerschte, maar dat de liefde daar in al hare volmaaktheid zetelde; gij hadt de heidenen dan hooren uitroepen : ziet, hoe zij elkander beminnen, en hoe de een bereid is zijn leven te geven voor den anderen! Ja, de pas beginnende Kerk vond in die broederlijke liefde het beginsel harer victorie (ï)-MatthTxXVIH. 2. (2) Joïs XX. 20. (5) Jois XX. 23.
— -183 -
over hel heidendom, want eendracht maakt macht. De mannen gaven dien heiligen vredekus aan de mannen, de vrouwen aan de vrouwen ; en geheel dat volk van broeders en zusters naderde vervolgens tot de tafel van het Lam, waaraan alleen, volgens de taal der H. Leeraren, vredelievenden mogen aanzitten. (1)
Heeft de Kerk, in hare diepe wijsheid, deze treffende ceremonie veranderd, de sporen ervan, wij zullen het straks zien na het Agnus Dei, heeft zij er van bewaard. Doch volgen wij de orde ons aangegeven, en overwegen wij eerst de woorden en de handelingen, welke nog voorafgaan.
Als de priester dan twee gedeelten der H. Hostie op de pateen gelegd, en een met het H. Bloed vereenigd heeft, spreekt hij het volgende gebed in stilte uit: »Deze vermenging en consecratie van het Lichaam en Bloed onzes Heeren Jezus Christus worde voor ons, die het ontvangen, ten eeuwige leven. Amen.quot; Heerlijke smeekbede, en, als voorbereiding tot de Communie, diep van zin. Wij zeiden zoo even, de vermenging van het Lichaam en Bloed des Heeren wijst ons naar Jezus\' opstanding uit het graf en zijne glorievolle verrijzenis. Welnu gelijk Christus verrezen is ten eeuwigen leven, zoo zullen ook wij, die Hem nuttigen, door Hem leven m eeuwigheid. Het woord consecratie moet hier natuurlijk niet worden verstaan van de zelfstandigheidsverandering, die in het midden van de canon geschiedt; neen, zegt Bellar-minus, (2) wij vragen niet, dat de consecratie nu geschiede, maar dat de consecratie, die zoo even geschied is, ons heilzaam zij ten eeuwigen leven Met andere woorden: dit gebed heelt dezelfde beteekenis als dat van den Ambrosiaan-schen ritus, waar de priester bidt: );Deze vermenging van het geconsacreerde Lichaam en Bloed van onzen Heer Jezus Christus zij ons, die hel nuttigen, ten eeuwige leven. Amen.quot;
(1) Vergelijk Gaume Catech. de Pcrsev. D» 7. p. 396.
(-2) De Miss. 1. 2. c. 27. Confer. S. Alph. 1. c. p. 59.
— 184 —
§ 2. HET AGNUS DEI.
En na geknield te hebben bidden Priester en hoogere bedienaren tot driemalen toe het vAgniis Dei,quot; terwijl reeds het volk met het koor heeft ingestemd en luid smeekt; ygt;Lam Gods, dal wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer. Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U onzer. Lam Gods, dal wegneemt de zonden der wereld, geef ons den vrede.quot; Heerlijk gebed ! vooral als men bedenkt, dat het geschiedt, terwijl men Jezus herdenkt, verrezen en verschenen aan de zijnen. Toen Hij het wrede zij uquot; gesproken had tot zijne leerlingen, toen gaf Hij hun de macht de zonden te vergeven: »Wier zonden gij zult vergeven hebben, dien worden zij vergeven, en wier zonden gij zult houden, dien zijn zij gehouden.quot; (1) Daarom dan ook roept nu het koor met Priester en assistenten totJezus: vLam Gods, datweg neemt de zonden der wereld, ontferm L onzer.quot; Want, het Lam, dat zijn mond niet open deed, toen het geslacht werd, (2) het ware Paaschlam, dat ons verlost uit de slavernij des duivels, heeft onze zonden op zich genomen (3) ze getorst op het kruis, (4) daar ons door zijn Bloed vrijgekocht (5) en ons tot een rijk gemaakt voor onzen God. (6) En het Bloed van dat onschuldig Lam roept nog immer om barmhartigheid en genade vour de zondaars, het blijft stroomen over de zielen van hen, die rouwmoedig neerknielen aan de voeten des priesters, om de zonden te belijden, het wischt alle vlekken af. Ontferm U onzer, ontferm U onzer, moet dan ook de kreet zijn, welke van onze lippen vloeit, nu wij ons voorbereiden tot die groote daad der H. Communie, waarin wij aan de bruiloft van dat Lam zullen aanzitten, ja ons voeden zullen met zijn eigen Vleesch en Bloed.
(1) Jois XX. 23. (-2) Isai LUI. 7. — Act. VIII. 31. (3) Isai LUI. (4) Petr. II, 24. (o) Apoc. V. 9. (6) Apoc. IV.
— 185 —
Moet het nog gezegd worden, dat wij zijne barrahartigheid en genade tot in het oneindige noodig hebben, en dat wij daarom tot driemalen toe deze bede herhalen? — Eerst als wij in vrede geseheiden zijn, en in den eenigen vrede van God rust vinden, om daar het Lam door alle eeuwigheid te volgen, eerst dan zal onze smeeking in verheerlijking overgaan, eerst dan zullen wij ze niet meer afbidden, maar in vrede, zijne barmhartigheid eeuwig kunnen lofprijzen. (1)
ygt;Dona nobis pacem: Geef ons den vrede.quot; Zoo is de slolbede van het drievoudig Agnus Dei; en na een voortreffelijk gebed, waarin de priester in stilte aan Jezus Christus meer uiteenzet, welken vrede en eendracht hij voor de Kerk verlangt, zien wij den priester den vredekus aan den diaken geven, die ze op zijne beurt aan de lagere assistenten overbrengt. Treilende ceremonie, welke ons aan den vredekus van vroeger herinnert. Ja zij moet ook ons gcloovigen stern-men, om meer dan ooit den waren vrede aan Jezus te vragen, welken Hij ons als erfenis naliet op zijn kruis, dien vrede met God en met onze broeders, die alle geluk der aarde overtreft, en een voorsmaak geeft van don eeuwigen vrede in den hemel. Ja bidden wij dan toch vuriger dan ooit met den priester : vllcer Jezus Christus, die tot uwe Apostelen gezegd hebt: Ik laat u den vrede, Ik geef u mijnen vrede, let niet op mijne zonden, maar op het geloof uwer Kerk, en gewaardig U haar volgens tiwen wil in vrede en eenheid te heivaren, Gij, die leeft en regeert. God, door alle eenwen der eeuwen. Amen.quot;
(1) In de missen der overledenen hoeren wij den priester en het koor lot driemalen (oe bij het Agnus Dei om de eeuwige rust vragen voor de geloovige zielen. Geen wonder; de Kerk vergeet in deze H. Mis als het ware zich zelve, en is slechts bezorgd voor de lijdende Kerk alleen ; men klopt daarbij niet op de borst, want niet voor zich, maar voor zijne afgestorvene broeders en zusiers smeekt men de rust in vrede af. 15
— 186 —
§ 3. LAATSTE GEBEDEN VAN YOOR-BEREIDING.
Na liet gebed om den vrede en na den vredekus volgde in de eerste eeuwen der Kerk onmiddellijk de Coin-munie. Een nadere voorbereiding toch door meer bijzondere gebeden was niet noodig, daar alle gebeden, die voorafgingen, op de Comnmnie doelden en als voorbereiding daartoe verricht werden. Heilige priesters en kloosterlingen echter voelden zich, naarmate dat oogenblik der Communie naderde, van heiligen eerbied aangegrepen, en spraken als van zeiven eenige gebeden\'uit, om daardoor nogmaals de vergilfenis der zonden en vermeerdering van genaden af te smeeken. De II. Kerk koos later van die gebeden er twee uit, welke volgens ecne heilige overlevering bij de meeste priesters meer dan zes eeuwen in gebruik waren. Geen beter gebeden voor de geloovigen, die werkelijk of geestelijk communiceeren, kunnen er gevonden worden.
Terwijl de priester vol eerbied weder gebogen blijft en de oogen op de II. Hostie slaat, bidt hij het eerste. yHcct Jems Clirislus, Zoon van den levenden God, die vohjens den tuil des Vaders, door medewerking van den 11. Geest, de wereld door uwen dood hebt levend (jemaakt; verlos mij door dil uw hoo(]lieili(j Lichaam en Bloed van al mijne ongerech-litjheden en van alle kwaad; en doe mij altijd uive rjebodeu aanhangen, en laat niet toe dat ik ooit van IJ gescheiden worde: die met denzelfden God den Vader en den Heiligen Geest leeft en regeert. God, in alle eeuwen der eeuwen. Amen.quot;
Door de zonde was de dood in de wereld gekomen. Jezus nam de zonde weg door zijnen dood, en heelt ons aldus levend gemaakt naar de ziel. En daar er nu geen beter middel is om aan dat leven deelachtig te worden, tenzij het Lichaam en Bloed van Jezus te nuttigen, »Die mijn Yleesch eet
— 187 -
en mijn bloed drinkt, zal leven in eemfigheid,quot; daarom smeekt de priester ook algeheele zuivering en bevrijding van alle ongerechtigheden en van alle kwaad af door de H. Communie, welke 11 ij gaat verrichten. Maar als men tot dat leven wil ingaan, moet men de geboden onderhouden (1) en Jezus Christus aankleven, zoodat niets ons van zijne liefde kan scheiden (2); daarom smeekt hij de kracht om Jezus\' geboden immer te volbrengen en nimmer van Hem gescheiden te worden.
In het tweede gebed hernieuwt de priester zijne erkenning van onwaardigheid en nederigheid, hij smeekt aan zijn lieer Jezus Christus, dat zijn aanbiddelijk Lichaam hem niet strekken moge tot verwerping, maar een behoedmiddel zij in de toekomst tegen alle doodzonden en een heilzaam geneesmiddel tegen de dagelijksche fouten. — De Eucharistie, zegt de H. Alphonsus, sterkt den geest in zijn strijd tegen de bekoringen en de hartstochten, dooft het vuur der begeerlijkheid uit, dat in ons lichaam heerscht, en is een machtig middel tegen den dood der ziel (3). Ziehier dat heerlijk schoone gebed : aHeer Jezus Christus, dat het ontvangen van uw Lichaam, hetwelk ik, onwaardige, wij vermeet te nuttigen, mij niet ten oordeel en verdoemenis strekke, maar dat het volgens uwe goedertierenheid mij diene lot bescherming van ziel en lichaam en tot heilzaam geneesmiddel. Die leeft en regeert met God den Vader in de eenheid van den heiligen Geest, God, door alle eeuwen der eeuwen. Amen.quot;
Daarna knielt de priester nogmaals voor Jezus Christus neder om Hem te aanbidden, en neemt dan vol moed en vertrouwen de 11. Hostie in zijne handen, terwijl hij zegt : ygt;Het hemehche Brood zal ik nemen en de i naam des llee-ren aanroepen.quot; Voorwaar een kostelijk en krachtig gebed. Zeide Jezus, toen Hij het II. Sacrament des Altaars instelde,
(I) Malh. X1X-.J7. (2) üom. VIII. 33. P*. LXXI1.
(5) S. AlpK Ocuvr. Asc. T. l i. p. 40.
— 188 —
dat hij reikhalzend verlangd had om dat Paaschlam met de zijnen te eten, hoeveel te meer moeten wij, moet de priester verlangen zich te kunnen voeden met dat goddelijk Brood, dat het leven onzer ziel is ? En dat verlangen is in zijne ziel ontstaan, zij hongert naar het hemelsch voedsel, zij is vervuld van blijdschap en uit zich in het woord van den koninklijken Psalmist : »Ja, ik zal het hemelhrood nemen en den naam des Heeren aanroepen,quot; ik zal God zelf met al zijne eigenschappen in mij roepen.
Maar niet slechts dat gevoel zijner liefde beheerscht hem, ook de onwaardigheid blijft den boventoon voeren. Hoe meer hij nadert tot zijn God, hoe inniger hij zich vereenigt hart aan hart, hoe meer hij ook getroffen is door den oneindigen afstand tusschen den Schepper en het schepsel, tusschen den zondaar en de Heiligheid zelve. Daarvan vervuld erkent hij, als de hoofdman van het Evangelie, dat alleen een wonder hem kan waardig maken. Hij buigt zich dan neer, klopt zich tot driemalen toe de borst en herhaalt driemalen : Heer ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt; maar spreek slechts een woord, en mijne ziel zal gezond worden.
§ 4. DE COMMUNIE VAN PEN PRIESTER.
Dan vertrouwend, dat het machtige woord van God; rik vjil, word gezuiverd,quot; geklonken heeft, richt hij zich op, maakt sidderend het kruisteeken met de H. Hostie, bidt: ygt;Hel Lichaam van onzen Heer Jezus Christus beware mijn ziel ten eeuwigen leven. Amen\', en zich diep buigend nuttigt hij de H. Hostie. O, oogenblik van hemelsche geneugte, de Engelen schouwen verstommend toe en benijden \'s priesters lot, de Heiligen jubelen bij de onuitsprekelijke genade, welke God over heeft voor zijn schepsel. Neen, neen, het verwondert mij niet dat de dichter bij de gedachte aan die vereeniging op eenmaal in zijne Dithyrambe zingt:
— li
— 189 —
God, o God mijn tranen stroomen ;
Overstelping van geneugt!
Hij, dien \'k zing, is neèrgekomen,
Heem\'len, \'k juich in uwe vreugd !
Hij, uw licht en uw verblijden,
Is de Koning van het lijden!
Is de mijne! — Hij bedwong Om op aard me in \'t hart te dalen ,
Weer \'t oneindig gloriestralen
Waar Hij eeuwig in ontsprong;
\'t Woord, ja \'t Woord der Hemelzalen, Der verrukking niet te malen Waarin de Englen ademhalen ,
Vangt mijn sidderende tong!
En stom van bewondering bij de oneindige liefdedaad, richt de priester zich op en blijft, met het hoofd een weinig gebogen, de oogen terneergeslagen, de handen te zamen tot op de hoogte van den mond, eenige oogenblikken in beschouwing, in s\'Jlte God aanbiddend, die dat wonder wrochtte. Wat is de priester dan vooral ontzettend groot in onze oogen! Hemel en aarde staren op hem als op \'s werelds middelaar, die opnieuw bet goddelijk Offerlam der wereld bracht, het Zoenend Bloed deed vlieten, en de genadekreet deed opgaan als op Calvarie\'s top. En die vereeniging van God met den mensch roept luide dat het offer voltooid is, de liefde verwonnen heeft, de aarde weder met den hemel is verzoend.
Maar laten wij ons niet te veel aan beschouwing overgeven. Zelfs den priester, die zoo gaarne thans vooral zich zou ontledigen in vernedering, aanbidding, erkentelijkheid en liefde, is dit niet zoo lang toegestaan. De H. Kerk wil niet, dat de H. Offerdaad onderbroken wordt Ondanks zich zeiven doet hij zich dan geweld aan, ora aan zijne beschouwing een einde te maken. Hij heft dat hoofcf op, dat met zooveel zoetheid rustte op het hart van Jezus; hij opent de oogen, en
— 190 —
als verbaasd zich nog op aarde te bevinden, ontlast zijn bart zich in den dankkreet des profeets: Wat zal \'ik den Heer wedergeven voor al hetgeen Hij mij gedaan heeft ? En tevens buigt zicb opnieuw de knie, om God aanbiddend te danken.
Wat zal ik den Heer wedergeven voor alle weldade7i, die ik van hem ontving ? Die woorden moeten wij een weinig nader bcsebomven. Ja, de weldaden der Voorzienigheid zijn zoo groot, zoo overmenigvuldig, zoo buitengewoon bij de IJ. Communie, dat wij algeheel onvermogend zijn God naar waarde te danken. Of, roept de H. Paulus uit, beeft God ons met Hem, met Jezus, niet alles gegeven ? (!) Ja, wie Jezus Christus ontvangt in de H. Communie, ontvangt alle gaven en goederen, welke bij slechts kan begeeren. God daarvoor naar waarde danken, nog eens, dat kunnen alle priesters der wereld te zamen niet. Jezus Christus alleen kan dit op waardige wijze doen. Welnu, dat begrijpt de priester volkomen, en daar Hij nu Jezus Christus nog voor zicb ziet als tusschen zijne handen, onder de gedaante van wijn, neemt bij na bet corporale en de pateen nauwkeurig gezuiverd te hebben, den kelk met bet goddelijk Dined in zijne handen en roept uit: »Den Kelk des hei Is zal ik nemen, en den naam des Ileeren aanroepen. Lovend zal ik den Heer aanroepen, en ik zal van mijne vijanden bevrijd zijn. liet Bloed van mijnen Heer Jezus Christus beware mijne ziel ten eeuwigen leven.quot; En aanstonds, na onder deze laatste woorden bet kruisteeken met den kelk (e hebben gemaakt, brengt hij dezen aan zijne lippen en nuttigt bet goddelijk Bloed.
§ 5. DE COMMUNIE DER GELOOVIGEN.
Het If. Offer is thans voltooid, schoon ook niemand meer tot de H. Communie zou naderen, maar vurig verlangt de U. Kerk, dat ook de Christenen aanzitten onder de H. Mis,
(I) Rom. Vlll. 52.
— 191 —
dat zij met den priester zullen communiceeren. Wij hebben er vroeger reeds bij het behandelen der gebeden van den canon op gewezen, en die, welke de priester straks na de Communie zal uitspreken, veronderstellen het. (1) Treffend w^as dan ook dat oogenblik in de eerste eeuwen der Kerk. ygt;Het heilige voor de heiligen!quot; klonk het na de Communie des priesters uit den mond des diakens, alsof hij wilde zeggen ; wie niet heilig is, hij wage het niet aan te zitten, want alwie onwaardig dit Brood zal gegeten, of den kelk gedronken hebben, bij zal schuldig zijn aan het Lichaam en Bloed des Heeren (2j. Op dat teeken zag men de geloovigen de deuren van het Heiligdom naderen De priesters, die het H. Misoffer niet hadden opgedragen, kwamen voor het altaar, de diakenen er achter, de subdiakenen en overige ge-wijden daar, waar het priesterkoor zich van het Heilige (sanctuarium) scheidt, de geloovigen bij de cancelli of het hekwerk, dat met zijne groote poort den toegang en ook tevens de afsluiting vormde van het priesterkoor (3). Daar knielden zij neder en wachtten vol eerbied en ontzag het oogenblik af, waarop de Priester hen kwam voeden met het Lichaam en Bloed des Heeren.
En als dan de priester, of de diaken, die ook menigmaal de H. Communie mocht uitreiken, met het Engelen brood in zijne handen, den communiceerende naderde, dan sprak hij tot dezen : ytCorpus Christi. liet lichaam des Heeren.quot; Hij die het ontving, antwoordde : vAmen. Het is zooik geloof het vastelijk; en het goddelijk Manna werd hem gegeven, aan de mannen op de rechterhand, waaronder de linker zich kruistte, aan de vrouwen op een reine en zuivere linnen-
(1) Confer. RU. Rom. de Sa\'T. Euch. et S. Alph. Lib. de Cer. Mifsse C. XI. 3. II. (Edit. Schober pag. H-2).
(2) Cor. XI.
(5) Card, üona Her. Lit. L. II. C. XVII. 7.
— 192 —
doek, dien men dominicale heette ; beiden brachten dan het Lichaam des Heeren aan hunnen mond en nuttigden. (1).
Daarna bood de diaken aan de communicanten den kelk met het kostbaar Rloed, zeggende : ^Sanguis Christi, Calix Salutis, Hel Bloed van Christus, de kelk des heils.quot; De communicant antwoordde weder vAmen,quot; ik geloof het vas-telijk, en bevochtigde zijne lippen met dien hcmelschen drank.
Ziedaar de manier, welke ons de oudheid aanbrengt. Thans, als het oogenblik der Communie gekomen is, zien wij de communicanten, met ter neer geslagen oogen, de handen gevouwen, langzaam de communiebank naderen en daar neder-knielen. De diaken heeft reeds met eerbied de ciborie geopend, knielt en begeeft zich naar de Epistelzijde op de bovenste trede des altaars. Daar keert hij zich naar den priester, en zingt gebogen, met heldere stem, en op eene geheel treffende en eigenaardige wijze, het sgt;Confüeorquot;. (2) Het is de al-geraeene belijdenis der zonden, welke hij daar in naam des volks uitspreekt. Voor den almachtigen God, voor Maria en geheel het hemelsch hof, voor den priester zijn vader belijdt bij zijne schuld, zijne schuld, zijne allergrootste schuld, daar hij gezondigd heeft door gedachten, woorden en werken; on hij smeekt daarom Maria, den 11. Michael, alle Heiligen des Hemels en den priester voor hem den Heer zijnen God te bidden.
Dan keert de priester zich tot hen, die aan de Tafel des Heeren zullen aanzitten en bidt; hDe almogende God ont-ferme zich over u, vergeve u mee zonden, en geleide u ten eeuwigen leven.quot; igt;Amen, hel zij zooquot; is het antwoord der geloovignn, door de dienaren gegeven. En de priester gaat verder, terwijl hij het volk zegent: ïgt;Kwylsc.helding, ontbinding en vergi/Jenis van uwe zonden verleene n de ilmach-tige en barmhartige lieer.quot; ygt;Amen\' is opnieuw het weder-
(I) baron, ad annum 57 C. CL. — Oyr. Hier. Catech. 5, — Aug. germ. 2o2 de lempore. (2) Cacr. Episc.
— 193 —
woord. — Daarmede worden nogmaals alle fouten kwijtgescholden ; niet alsof dit een formeele sacramenteele absolutie is, welke de doodzonden vergeeft, maar zóó, dat hier nogmaals de vergiffenis der zonden wordt afgesmeekt, zoodat zij, die met berouw en vertrouwen tegenwoordig zijn, voorzeker de vergiffenis van dagelijksche zonden en fouten kunnen verhopen. (1)
En als die woorden door den priester zijn gesproken, neemt hij het aanbiddelijk Lichaam van Christus in zijne handen, keert zich tot het volk en zegt, terwijl hij het hun toont; »Zic het Lam Gods, dnt de zonden der wereld gt;reg-neemtquot; alsof hij wilde zeggen : Ziedaar Jezus, die als een Lam ter slachtbank geleid werd, die voor ons opnieuw op onbloedige wijze stierf, en de zonde wegnam ; zie. Hij komt ook bij u het Verlossingswerk voltooien. Hij komt n heilig maken. Hij gaat zijn intrek nemen in uwe zielen. — En gelijk hij straks, toen hij zelf zijn God ging ontvangen, zich tot driemalen toe onwaardig bekende, zoo spreekt hij ook nu in naam van allen, die tot hem naderen tot driemalen toe: ygt;Heer, ik hen niet waardig, dat f/ij onder mijn dak komt; maar spreek slechts een woord, en mijne ziel zal gezond worden.quot; Christen, gij die nadert, o erken u dan ook in dat oogen-blik geheel en al onwaardig, herhaal die woorden met den priester, terwijl gij als de tollenaar de borst klopt tot bekentenis uwer schuld ; eisch tot driemalen toe dat machtige woord van God, dat u meer en meer zuivert, en nader dan vol vertrouwen en eerbied tot uw Jezus, die u dwingt tot Hem te gaan, ja u anders met den eeuwigen dood bedreigt. Hoor, de priester wenscht ook u het eeuwig leven toe, als hij de H. Hostie op uwe tong legt; )gt;Het Lichaam van onzen Heer Jezus Christus beware uwe ziel ten eeuwigen leven.quot;
(I) rtc Ciiipo. Cibl. Liturg. 208.
ZESDE HOOFDSTUK.
De Dankzegging.
,A.ls de Communie des priesters en der geloovigen is geschied, en Jezus zijne oneindige liefde wederom getoond heeft, moet ook de dankbaarheid zich openbaren. Dat is dure plicht! De grootste beleediging, welke men een sterveling kan toevoegen, is. Gij zijt een ondankbare! En zou de H. Kerk in dien plicht ten achter kunnen blijven, zou zij in dit oogenblik, nu haar alles gegeven is, wat zij slechts kan verlangen, nu zij één met haar God is, de dankbaarheid mogen vergeten? Voorzeker neen; zij was dan ook door alle eeuwen heen dankbaar. y.Na deelgenoote te zijn geworden aan dat groote Sacrament,quot; zegt de H. Augustinus, «bepaalt zich verder alles tot dankzegging.quot; (1)
§ 1. DE ZUI VERING VAN DEN KELK EN VAN DE HANDEN DES PRIESTERS.
Zie, terwijl de priester de eenvoudigste handelingen verricht, terwijl hij den kelk zuivert, moet zijn hart zich toch uiten in dankgebeden, die ajs bet vervolg zijn van het: »Wat zal ik den Heer wedergeven,quot; zoo even voor de nuttiging des H. llloeds uitgesproken.
ygt;Laat ons, Heer,quot; zoo bidt hij in stilte bij d3 eerste zuivering met wijn, vhetgeen wij met den mond ijenutligd hebben met een zuiver hart bewaren, en dat het ons van eene tijdelijke gave tol een altijddurend geneesmiddel worde.quot; Hij
(1) ICpist. CXUX.
— 195 —
T-
weet liet maar al te goed, de dienaar des Heeren, ware dankbaarheid vordert een zuiver leven, vraagt dat men liet kwade laat; maar hij kent ook zijne menschelijke zwakheid, en daarom smeekt hij, uit dat goddelijke voedsel altijddurende kracht en sterkte te putten, ten einde zonder zonden te leven en zóó dankbaar te zijn.
En hij gaat verder, terwijl hij de vingeren, welke het H. Sacrament hebben aangeraakt, boven den kelk, met wijn en water wascht: »Uw Lichaam, Heer, dat ik genuttigd, en uvj Bloed, dat ik gedronken heb, verblijve in mijn binnenste; en geef, dut in mij, dien de zuivere en heilige Sacramenten verkwikt hebben, geen vlek der zonde blijve. Die leeft en heerscht in de eeuwen der eeuwen. Amen.quot; Dit gebed is opnieuw en nog dringender de herhaling van het voorgaande. Het voedsel vereenzelvigt zich met het lichaam, het geei\'t kracht en sterkte, het bevrijdt de herstellenden vooral van de naweeën der ziekten. Wat nu het lichamelijk voedsel is voor het lichaam, dat smeekt de priester af in geestelijken zin voor zijne ziel. Ja, nog eens, dankbaar moet hij zijn voor alle ontvangen gunsten, dankbaar door een heilig leven ; dat kan hij niet, tenzij door Jezus zelf, en daarom smeekt hij, dat het goddelijk Lichaam en Bloed zich hechte, zich vereenzel-vige met zijne ziel, en zich mededeele aan al hare vermogens, dat deze daardoor zoo hersteld, zoo krachtig worden tegen de zonden, dat er geen spoor meer overblijve van zonden of ongerechtigheid, welke de kwalen zijn onzer zielen.
§ 2. DE COMMUNIE.
Middelerwijl heeft ook het volk begrepen, dat hel erkentelijk tot Jezus moet opzien, liet koor heeft de antiphoon tide Communie,quot; welke ook straks de priester zal bidden, aangeheven. Het is een kreet van dankbaarheid. Vroeger werd zij gezongen om het ander vers van een geheelen psalm
— 196 —
bij het te communie gaan der geloovigen, en heet daarom nu nog antiphoon of beurtgezang. Het was gewoonlijk het woord van David : »Smaakt en ziet, hoe zoet de Heer is,quot; dat dan herhaald werd tusschen de verzen van een blijde dankpsalm, meestal van dien heerlijken lofzang:
ygt;Ik wil den Heere loven ten allen tijde ; zijn lof zij gedurig in mijnen mond.
Mijne ziel roemt in den Heer: dat de bedrukten het hooren en zich verblijden.
vPrijst den Heer met mij, laai ons met elkander zijnen naam verheerlijken.
zocht den Heer en Hij verhoorde mij, en Hij verloste mij uit alle mijne benauwdheden.quot; enz.
En als dan de Communie was uitgereikt, gaf de bisschop een teeken aan den opperzanger, die den psalm sloot met het gt;gt;Eer zij den Vader,quot; enz. terwijl het koor nogmaals de antiphoon herhaalde.
Thans is die manier veranderd, en heeft alleen hare sporen achtergelaten in de antiphoon, die alleen nog gezongen wordt, en om het oogenblik, waarop zij vroeger herhaald werd. Communie geheeten is. Slechts in de communie der der Mis van de overledenen vindt men ze gelijk vroeger nog eenigszins terug. Doch als men het geluk heeft gehad eene plechtige Misse bij te wonen in een klooster van Benedictijnen, dan heeft men ook daar, na de II. Mis evenwel, een gelijken beurtzang, in het: ygt;Adoremns in mternum Sanclissimum Sao amentum: Laat ons in eeuwigheid het allerheiligste Sacrament aanbidden,quot; hooren weerklinken tusschen de verzen van den blijden dankpsalm, vLaudaie üominnm omnes gentes: Looft den Heer, alle volken.quot;
Niemand is er, of hij wordt daardoor verrukt, en voelt zich waarlijk tot dankbaarheid aangespoord. Laat het een vingerwijzing voor ons zijn, hoe men vooral handelen kan bij eene generale cummunie; de oudheid bewijst het ons, het gevoel
— 107 —
zegt het ons, geen beter gezang wordt er dan aangeheven dan een dankende psalm of de lofzang van Maria: Magnificat anima mea Dominum, afgewisseld door een of andere korte bede van erkentelijkheid.
§ 3. DE POST-COMMUNIE.
Als dan het koor die antiphoon gezongen, en de priester ze in stilte gebeden heeft, keert deze naar het midden des altaars, kust het vol eerbied, wendt zich tot het volk en zingt zooals gewoonlijk ygt;Dominus vobiscum: de Heer zij 7net IJ.quot; Het volk antwoordt weder: »Et eum spiritu tuo: En met uwen (jeest.quot; Zoo ooit die wensch bewaarheid wordt, dan zal het nu zijn. Ja de Heer, die intrek genomen heeft in het hart des priesters, die zich met zoo velen, hetzij op werkelijke, hetzij op geestelijke wijze vereenigd heeft, zal ook voorzeker gaarne met hen blijven. Dat Jezus hen dan verlichte, bescherme en beware, niet slechts thans, nu zij dankend opzien tot den Gever dier goede gave, maar ten allen tijde, tot dat de dag der eeuwige vereeniging aanbreekt in den hemel.
En bij het boek weergekeerd zingt de priester één of meerdere gebeden, naarmate de feestdag hel vordert; men noemt dit gebed »Postcommuniequot; omdat het onmiddellijk na de communie gezongen wordt. Het is opnieuw eene bede om God te bedanken voor de oneindige goedheid, die ons aan de H. Geheimen deelachtig maakte, om genade te vragen tot bewaring der heilzame vrucht daaruit genoten, tot zaliging en heiliging onzer zielen. Merken wij op, dat al die gebeden in het meervoud gesteld zijn, zoodat de priester niet slechts voor zich zeiven, maar voor allen, die met hem aan het H. Offer hebben deelgenomen, bidt. Zij wijzen ons dus al wederom naar de aloude gewoonte, dat de geloovigen met den priester onder de Mis communiceerden, telkens als zij deze bijwoonden. — Geen wonder dan ook, dat het koor bij
— 198 —
de sluiting van elk dezer gebeden moet antwoorden. vAmen. Het zij zoo.quot;
§ 4. HET „TTE MISSA ESTquot;.
Maar vergeten wij ook de geheimzinnige beteekenis niet, welke in dit gedeelte der H. Mis ligt opgesloten. Heel het leven van Jezus vinden wij in de H. Mis terug, zeiden wij in den beginne, en wij zagen het duidelijk; wij hebben Hem gevolgd reeds tot na zijne verrijzenis, tot zijne verschijningen aan de zijnen. Welnu ook in de communie, postcommunie en hetgeen daarna volgt, ligt, wat na Jezus verrijzenis geschiedde, opgesloten De apostelen waren verheugd, toen zij den Heer zagen, en van vreugde stonden zij verbaasd (t), zij boodschapten aan elkander, wat zij gezien hadden op den weg, en hoe zij Hem erkenden in de breking des broods. (2) Dat alles geeft de antiphoon der Communie weer, zegt Paus lunocentius Hl, (3) welke zoo blijde en met twee koren beurtelings gezongen wordt. De priester zingt verder met opgeheven handen zijne dankgebeden in de Postcommunie. Het zijn de gebeden van zegening en dankzegging, welke Jezus met opgeheven handen deed in Be than ië over zijne apostelen, voor Hij ten hemel voer. Daarom ook moet de diaken, na den laatsten groet des priesters, welke er op volgt, met luider stemme verkondigen; vile, Missa est; Gaat, het Offer is volbracht,quot; als vertegenwoordigende die twee mannen in wit gewaad, welke den leerlingen toevoegden: »Galileesche mannen, wat staat gij hier ten hemel te zien? Jezus, die van u is weggenomen ten hemel, zal eenmaal komen, zooals gij hein zaagt weggaan.quot; (4) »De diaken,quot; zegt zoo schoon Albertus de Groote, wiens uitlegging (5)
(I) Jois XX. (2) Luc. XXIV. 5u. (3) Innoc. O. cil. L. VI. C. X. (i) Act. Apost. I. II. (b) 0. cit. L. VI. C. XII. cura ergo diaconus ait: Ite Missa est. Klem est ac si diceret, redite ad propria, quia missa est hostia salutaris Altissimo.
— 109 —
wij hier gaarne volgen, ook omdat Paus Innocentius en de H. Alphonsus Maria (1) die met hem deeien, »de diaken zingt Missa est, wijl de H. Offerande, na het nuttigen der gedaanten, nu ter rechterhand des Vaders is opgezonden, opdat Jezus ons daar in zich zeiven den Vader aanbiede. Hij ons daar inlijve, met zich vereenige en ons een plaats bereide, gelijk tlij gezegd heeft door Joannes: Ik ga u een plaats bereiden. (2) En de diaken is het die dit moet zingen, opdat allen weten, dat zij bij de H. Communie gegeven en toevertrouwd zijn aan den lieer, en dat allen er zich op zouden toeleggen in den Heer te blijven voortleven, aldus getuigende hetgeen Paulus aan de geloovigen van Philippi schrijft : Onze omgang is in den hemel, vanwaar wij ook den Zaligmaker onzen Heer Jezus Christus verwachten, die het lichaam onzer ellende zal hervormen en gelijk maken aan het lichaam zijner glorie.quot; (3) Het koor nu, zoo gaat Paus Innocentius verder, dat juichende antwoordt ytGode zij dank,quot; volgt de apostelen na, die God dankende met groote vreugde naar Jerusalem keerden, en de dagen daarop eenstemmig volhardden in God te prijzen en te zegenen. — God danken, dat is volgons het woord van den H. Augustinus, erkennen dat alle goederen van God ons gegeven zijn, en Hem daarvoor lofprijzen, dat moeten wij, want is met Jezus, in de H. Mis, ons niet alles gegeven ?
Welnu, herhalen wij dan met het koor dat blijde Deo giatias, en betuigen wij daardoor aan den hemelschen Vader ; Ja, wij loven U met erkentelijkheid voor alle genaden, welke wij van uwe goedheid hebben ontvangen, wij verlaten vol vreugde de kerk en zullen eeuwig dankbaar blijven.
Doch zoo vraagt misschien de een of ander, waarom keert zich op sommige dagen, bijv. in den advent of in de vasten, de diaken en ook de priester niet tot het volk, maar wendt
(1) Ocuvr. Asc. T. XIV. p. i\'2. (!) Juïs XIV.
(5) Lib. de S;icr. Miss® Tr. UI. C. 23.
— 200 —
hij zich naar liet altaar en zegt hij: yiBenedicamus Domino, Laat ons den Heer zegenen,quot; als vroeg hij opnieuw het volk om te blijven bidden? Het antwoord, dat daarop Kardinaal Bona (1) geeft, is zeer eenvoudig en tevens schoon. In de eerste tijden der Kerk bleven de geloovigen op die dagen bij het kerkelijk officie, dat na de Mis door de priesters gebeden werd, tegenwoordig. Alsdan zeide de priester of diaken dus niet: «Gaat, het offer is volbracht,quot; maar noodigde hen opnieuw uit om God te blijven lofprijzen en zegenen.
En in de Missen der overledenen hoort men het vRequies-cant in pace. Amen. Dat zij rusten in vrede. Amenquot; weerklinken. Het geschiedt, omdat daar in alle gebeden die zielen hulp moet gebracht worden; al hetgeen in de Mis der overledenen gedaan is, zegt Albertus de Groote, heeft betrekking op den vrede der afgestorvenen, (2) het gebeurt misschien ook, omdat men vroeger na zulk eene mis insgelijks niet aanstonds naar huis keerde, maar zoo het lijk tegenwoordig was, dit onder gebed en gezang naar zijn laatste rustplaats bracht, of zoo het niet aanwezig kon zijn, er nog eenige gebeden rondom den zoogenaamden lijkbaar plaats hadden.
Na het »Ite Missa estquot; of ygt;Denedicamus Dominoquot; enz. is de Mis dan geëindigd, en werkelijk in de eerste tien eeuwen ging de vergadering der geloovigen na het yiDeo gratiasquot; geantwoord te hebben uit elkander. Doch de godsvrucht der priesters en geloovigen voegde er langzamerhand nog een gebed met den zegen des priesters en het laatste Evangelie van den II. Joannes bij ; dit werd langzamerhand algemeen en ten laatste erkend door de H. Kerk, zoodat zij het tot eene verplichting maakte voor lederen priester.
(1) de Reb. Litui-i.\'. C. XX. Ili
(2) I. c.
— 201 —
§ 5. HET GEBED „PLACEATquot; EN DE ZEGEN.
Het eerste der bij de H. Mis gevoegde gebeden is het schoone ygt;PIaceatquot;, dat den priesterlijken zegen voorafgaat. Gebogen voor het altaar, daar hij een smeekgebed doet tot de H. Drievuldigheid, en met de handen daarop rustende, omdat hij zich met Christus in zijn gebed vereenigt, zegt de priester in stilte : ygt;H. Drievuldigheid, dat de hulde van mij, uwen dienaar, U behage, en verleen, dat het Offer, hehvelk ik, onwaardige, voor de oogen uwer Majesteit heb opgedragen, U ivelgevallig zij, en dat het mij en allen, voor tuie ik het heb opgedragen, door uwe barmhartigheid tot verzoening strekke. Door Christus onzen Heer Amen.quot;
Wie aandachtig dit gebed beschouwt, vindt er aanstonds een herinnering in van alles, wat de priester in de Slis heeft gedaan. liet is een korte samenvatting zoowel van liet Eer-en Dank- als van het Smeek- en Verzoenoffer. De priester belijdt nogmaals, dat hij door zijn offer hulde gebracht heeft aan den Drieëenigen God, cn zoo waarlijk door Jezus, het goddelijk Offer, God op volmaakte wijze heeft verheerlijkt; hij betuigt zijne dankbaarheid door belijdenis zijner onwaardigheid, welke echter door de welgevalligheid des Offers wordt vergoed; hij belijdt eindelijk, dat er door dat Offer alleen ware verzoening is te hopen, en smeekt ze daarom nogmaals, zoo voor zich zeiven als voor allen, voor wie hij het opdroeg, dringend af.
Voorwaar een treffend gebed bij hel einde der II. Mis! Het is als de bezegeling van bet groole verbond, dat daar, bij dat Offer, met God is aangegaan, als de kroon, die de voltooiing en de eenheid aan het groole cn heilige werk schenkt. En wie verder overweegt, wat er voor onzen geest opdaagt, als daarna de priester, plechtig de handen verhef-
14
— -202 —
fende, den zegen geeft, hij begrijpt nog meer, waarom het hier wordt uitgesproken. Immers in den zegen des priesters wordt ons de gansche geschiedenis der wereld verhaald, de val en de verlossing, het aardsch paradijs en de Kalvarieberg, in één woord alles wat wij juist in de H. Mis hebben herdacht. Gij vraagt misschien, hoe is dit mogelijk? Luister, lezer, het zal u klaar worden ais de zon.
Zegenen wil in de taal der H. Kerk zeggen : iets van onheilig heilig maken, iets aan den duivel ontrukken en aan God toewijden. Welnu, dat ware onnoodig geweest, zoo de mensch niet gevallen was in de erfzonde, want loen God de wereld geschapen had, overzag Hij alle dingen, en liij bevond dat zij goed waren, (1) goed voor God, dus geheiligd. Maar de zonde kwam in de wereld, en heeft alle schepselen bedorven. (2) Noodzakelijk werd het dus, dat ze den duivel werden ontnomen, aan zijn heilloozen invloed onttrokken en aan God werden toegeheiligd. Welnu, de Zoon van God zelf begon dat ontzaglijk werk. Om den vorst dezer wereld te verjagen kwam Hij op die wereld, (3) en zegenend en weldoend trok Hij onder de zijnen rond, hen door zijn zegen aanbrengend kruis verlossend uit de helsche slavernij. Dan, zijne verdiensten waren oneindig, zijne Kerk kon dus het werk der zegening voorwetten. Ook zij zou zegenend en weldoend alle schepselen tot hunne oorspronkelijke heiligheid wederbrengen, want do Stichter had gewild, dat zij zou voltooien wat Hij had begonnen. Heerlijk tafereel derhalve van heel de wereldgeschiedenis, dat zich voor onzen geest ontrolt, als de priester zijne handen zegenend opheft en over Christus\' volgelingen Gods zegen doet neerdalen.
ü neen, het verwondert mij dan ook niet, dat die zegen ten allen tijde in de H. Kerk hoog geschat werd, dat de eerste Christenen niets zouden gebruiken, of het moest eerst
(I) Gen. I. 31. (2) Rom. V. 12. (3) Jois XII. 15.
— 203 —
gezegend zijn ; het verwondert mij niet, dat rijk en arm, koning en onderdaan, grijsaard en jongeling de knieën buigen en vol eerbied dat groote teeken der verlossing ontvangen; het verwondert mij niet, dat de H. Kerk verschillende plechtige ceremoniën heeft voorgeschreven, welke bij dien zegen steeds rnoeten in acht genomen worden.
Maar leert de zegen eens priesters ons zóó \'s menschen geschiedenis kennen, hoe noodig was het dan niet, dat hij bij het einde der IJ. Mis gegeven werd. Immers in dat H. Sacrificie wordt het verlossingswerk in werkelijkheid voortgezet, daar, wij hebben het herhaalde malen aangetoond in den loop onzer verklaring van het Misoffer, wordt hetzelfde offer opgedragen als op Calvarië, daar vonden wij geheel het leven, het lijden en den dood van Jezus terug. De vruchten zijn dus aanwezig, zij vragen om uitgedeeld te worden. Welnu, geven wij dan acht op den priester, en ontvangen wij diep gebogen die hemelsche zegeningen, welke de Drieëenige God na dat verheven offer zoo gaarne schenkt.
De tonen van het ^Deo graliasquot; zijn nog niet weggestorven, oi\' het is stil, doodstil in de kerk. Zelfs het orgel zwijgt. Alle geloovigen knielen neder, en de dienaren des altaars, van den minste tot den meeste, liggen eerbiedig gebogen. Ziet, daar kust de priester het altaar: het teeken dei-liefde tracht de welwillendheid van Jezus te winnen om den rijkstcn zegen te kunnen mededeelen; hij heft de handen en de oogen omhoog tot het kruis, want van dat vloekhout kwam de staat van zegening, door het kruis blijven de genade-stroomen vloeien ; en hij spreekt; »Zegene u de almachtige God,quot; hij keert zich om en gaat verder: vde Vader, en de Zoon, en de H. Geest,quot; en tegelijk maakt hij plechtig het zegeteeken der verlossing over het volk. ygt;Ainen. Het zij zoo,quot; is het antwoord, dat het volk als van zelf geeft, en waarmede het zoo vurig mogelijk die overvloedige zegeningen afsmeekt.
— 204 —
§ 6. HET LAATSTE EVANGELIE.
Dan gaat de priester naar de Evangeliezijde des altaars, en leest daar het begin des Evangelies van den H. Joannes. (I) Gelijk het gebed vPlaceatquot; en de zegen, werd ook dit in vroegere eeuwen niet gelezen, maar door de godsvrucht van priesters en leeken er later bijgevoegd. Paus Paulus V maakte het tot eene verplichting. Waar dit lezen zijn oorsprong aan ontleend, weet men niet met juistheid te bepalen, doch men mag met eenige zekerheid aannemen, dat de devotie der geloovigen, die na de li. Mis den priester naderden, met verzoek het St. Jans-Evangelie over hen te lezen, om hen van alle gevaren te bevrijden, er een aanlei-dende oorzaak toe was. Zij begrepen toch, dat de plechtige belijdenis der Godheid van Christus en van zijne oneindig verdienstelijke menschwording een machtig middel was tot het verkrijgen der vele genaden, ons door die menschwording verdiend.
Ten allen tijde was dan ook dat St. Jans-Evangelie in de Kerk hoog geschat. De H. Augustinus had reeds menigmalen hooren zeggen, dat zelfs heidenen het eerden. Een leerling van Plato, zegt hij, (2) beweerde, dat men dit begin met gouden letters moest schrijven in alle plaatsen, waar men vergaderde, opdat heel de wereld het zou leeren kennen. De geloovigen schreven het uit, droegen het bij zich, en legden het op het hoofd, om van kwalen genezen te worden, üe H. Kerkleeraar, wiens woorden wij zoo even aanhaalden, keurt dit gebruik volstrekt niet af, en oordeelt het veel beter dan andere, toen ter tijde gebruikelijke bijgeloovige praktijken. En wie kent niet de kracht, welke ook heden nog de eenvoudige
(1) Als dezelfde dag twee evangelies heeft, bijv. een van het feest, vat op dien dag gevierd wordt, en een van den da^ zelven, wordt in plaats van het St. Jans-evangelie dat van den dag nu gele/.cn.
(2) Lib. 10 de Civil. Oei. C. 29.
— 205 —
geloovigen daaraan toeschrijven? Treedt de woning van den landman binnen ten tijde van noodweer, hagelslag en onweder, gij ziet hem de zijnen rondom zich vergaderen, en hij bidt met luider stem dat evangelie voor, en als men dan bij de woorden; ygt;En het Woord is vleesch gewordenquot; gekomen is en geknield heeft, staat hij met gerust gelaat op, want zij vreezen nu den duivel niet meer, die soms in dat onweer mag woeden, zij hebben het St. Jans-evangelie gelezen. Ja, door en door geloovige Christen, blijf dat doen en houd u trouw aan dat overoud gebruik; dit alles heeft reden, de huldiging van het geheim der menschwording, waarbij de slavernij des duivels ophield, is een krachtig schild tegen zijne aanvallen.
Een treffend voorbeeld verhaalt ons daarvan een zeer geloofwaardig schrijver, de H. Antonius. (1) Twee jongelingen gingen op een geboden feestdag uit om vogelen te schieten, de een had de IJ. Mis gehoord, de ander niet. Toen zij een eind wegs waren voortgegaan, ontslond er plotseling een zwaar onweder; felle bliksemstralen doorkliefden de lucht, en onophoudelijk rolde de donder. Op eens klonk een stem : ygt;Slaat dood, slaat dood!quot; En ziet, de jongeling, die de IJ. Mis niet gehoord bad, lag Jood aan de zijde van den ander. Deze, halt\' dood van schrik, loopt verder en tracht een schuilplaats te bereiken, doch opnieuw klinkt de stem: ygt;Slaat dood, slaat dood!quot; Uij verwacht dan ook te sterven, maar een andere stem herneemt: »//£ kan niet, want hij heeft van daag het verbum caro factum est gehoordquot;, dat wil zeggen, hij heeft de Mis bijgewoond en het H. Evangelie van Joannes medegeheden. Zoo deed God door den duivel zeiven de getuigenis alleggen, dat het St. Jans-Evangelie een bijzondere kracht tegen hem uitoefent.
Laat ons thans, na deze misschien ietwat te lange uitweiding, doch welke wij, om het nut, dat daarin gelegen was, goed oordeelden, het Evangelie zelf uit den mond des pries-
(i) p. 2. t. 9. c. 10. § 2.
— 206 —
Iers gaan vernemen. Uet gaat gepaard met dezelfde ceremoniën als het eerste Evangelie, docli niet wat de plechtige verkondiging betreft. De priester wekt eerst de aandacht der ge-loovigen op, door nogmaals te zeggen: ygt;De Heer zij met u,quot; het antwoord der dienaren is; »£» met uwen geestquot;. Dan maakt hij met den duim een kruisje op het Evangelie of op het altaar, en teekent verder zijn voorhoofd, mond en borst zeggende: »Begin van het H. Evangelie van Joannesquot;. ygt;Glorie zij n, o Heerquot; is het blijde antwoord van het volk. En de priester vervolgt:
»ƒ/( den beginne was het Woord, en hel Woord was hij God, en het Woord was God. Uit tuas in den beginne hij God. Alles is door het Woord gemaakt; en zónder Hem is niets gemaakt, wat gemaakt is; in Hem was het leven, en het leven was het licht der menschen: en het licht schijnt in de duisternissen, en de duisternissen hebben het niet aangenomen. Er vm een mensch van God gezonden, wiens naam ivas Joannes. Deze kwam tot getuigenis, om getuigenis te geven van het licht, opdat allen door hem gelooven zouden. Hij was het licht niet, maar om getuigenis te geven van het licht. Het ware licht was dat allen mensch verlicht, die in dez-e wereld komt. Hij ivas in de ivereld, en de wereld is door Hem gemaakt, en de wereld heeft Hem niet gekend. In zijn eigendom kit am Hij, en de zijnen namen Hem niet aan. Doch zoovelen Hem aannamen, hun gaf Hij de macht om kinderen Gods te worden, hnn die in zijnen naam gelooven, die niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn. En het Woord is vleesch geworden, en hel heeft onder ons gewoond, en wij hebben zijne glorie gezien, eene glorie als des Eeniggeborenen van den Vader, vol genade en waarheid.quot;
Bij het woord : En het Woord is vleesch geworden, doet de priester met zijne dienaren gelijk onder het Credo, een kniebuiging want opnieuw belijdt hij die diepe vernedering der
— 207 —
menschwording van Gods oneindig volmaakten Zoon, die de gedaante van een slaaf aannam om ons te verlossen. En na dat Evangelie antwoordt het volk door den mond der dienaren : ygt;Deo (jralius. God zij dank.quot; Dit korte woord, wij herinnerden het reeds meermalen, is zoo heilig, zoo volmaakt, zoo waardig in de oogen van God, dat men het grootste der geheimen met geen beter kan eindigen. «Wat kunnen wij beter denken, beter zeggen, beter schrijven,quot; vraagt de II. Augustinus, »dan dit woord: Deo gralias, God zij dank ? O neen, men kan niets korter zeggen, niets aangenamer hooren, niets grooter begrijpen, niets nuttiger en met meer vrucht doen dan dit gebed: Deo gratias. God zij dunk.quot; (1)
Ja, Gode zij dank, na dat voltrokken offer, na die oneindige schat van verdiensten, welke uit den hemel is neergekomen op aarde. Dank zij God voor zijne onuitsprekelijke gave. Hel oneindig heilige slachtoffer werd aan God gebracht door het Sacrificie, aan de menschen door de Communie. Hemel en aarde zijn één. Dank zij den Vader, die ons zijnen Zoon schonk; dank den Zoon, die zich ten offer wijdde; dank den H. Geest, die ons in Jezus Christus geheiligd heeft; dank in één wooi\'d aan de Allerheiligste Drievuldigheid, uit wie alles, door wie alles, in wie alles ons is geworden. Dank en nu en altijd en door alle eeuwen der eeuwen!
SLOT.
En hiermede hebben wij, onder Gods bijstand, onze taak volbracht. Wij stelden ons voor de ceremoniën der plechtige H. Mis, zoo duidelijk wij konden, te verklaren. De goede God geve, dat ons werk niet onvruchtbaar zij, maar wij tevens geleerd en gesticht hebben: geleerd, om nooit de H. Mis te verzuimen, maar dagelijks, zooveel wij eenigszins kunnen, dat H. Offer bij te wonen; gesticht, om eiken dag
(1) Epiit. 77.
— 208 —
ook zoo godvruchtig mogelijk daarbij tegenwoordig te zijn en er al het goud te vinden der goddelijke genaden, dat uit die mijn geput wordt. Het is waar, wij kozen de plechtiye H. Mis ter verklaring, omdat daar nog meer plechtigheden plaats hadden ; maar dat neemt niet weg, dat de stille H. Mis immer van evenveel waarde is.
Luisteren wij ten slotte naar de krachtige opwekking van onzen katholieken dichter, wanneer hij ons toezingt ; O Kersten hart! wat traagheid let u dan Des morgen vroeg te rennen, daar dit Mann\',
Die zuivre dauw des offers, zoo gezegend U in den mond en op de lippen regent.
Zoo blank als sneeuw van \'t heilrijk Paradijs?
Wat hoop van staat, gebouwd op smeltende ijs. Wat zucht tot goud, wat vleierij van pluimen Bctoovren u dien zegen te verzuimen?
Dien outeroogst? dat offerooft? die vrucht,
Voor elk gekweekt in Seraphijnsche lucht?
De Heiland, eens gehecht aan \'t heilzaam teiken,
Regint van hier zijn vrucht u toe te reiken.
Hier bloeit de boom des levens dag aan dag.
Hier rust de ziel van \'l ijdele bejag.
Hier toomt de geest bet vleesch zijn dartelheden ;
Hier antwoordt God op zuchten en gebeden ;
Hier wischt hij af de tranen in den nood ;
Hier leeft bet hart in troost, hier sterft de dood ;
Hier geeft u God den voorsmaak van \'t onsterflijk. Ook van zich zelf, door \'t offeren verwerflijk.