: 70
quot;Xsr.
IP-
ir: .. ■ • ■■
. .
■
.7-
.-•v;vr:.i . : . r-
:.;a
a■quot;
•a;;.;
;:r^. -- •• ... a-si - quot; -
■\'■\'-isv.-.-v-\'
■\'■, .rr- ■quot;gt;v.■ •
■: \' • - ■ ;• ■ * . / • • • ■
• quot; r ■ • .
;x\'
- ? v ~ : quot; \' ■ -
quot; - . \'
- ■
-
■émémé
KEUZE
VAN KENEN
LEVENSSTAAT
1 .
KEUZE \'}0
VAN EEN EX
LEVENSSTAAT
RAADGEVINGEN
Aan do christelijke jeugd, en meer bijzonder aan hen die tot den geestelijken of religieuzen staat geroepen zijn, of reeds dien staat aanvaard heliben
DOOR DEN
HEILIGEN ALPHONSUS
KERKLEERAAR ^IT HET FRANSCH VERTAALD
Door Pnter II. TOlCBLLEirV, Rcdemjptorisi. i
1885
GOEDKEURING.
Door onzen IToogwaardigen Pater Generaal Nicolaus Maukon, daartoe gemachtigd, staan wij toe, dat het werkje: « Keuze van cenen levenstaaf, » door den H, Alphonsus, Kerkleeraar, uit het franseh vertaald door Paler II. Theelen, Kedemptorist, gedrukt worde.
Brussel, 2 Augustus ISSS.
J. H.P. KOCKEROLS, C. SS. 15.
SL\'P, PROV. RF.I.G,
1MPRIMA WIL Leodii. ISa Junuarii 1883.
M. RüTTEN, vrc.-r.io-.
INLEIDING VAN DEN VERTALER.
« NotuDi fac mihi viam in nmLulem : lt;c Due mij ileu weg konneii, «lien ik be-« wandelen moet. » (Pa-, 142. 8.)
Onder alle boeken is er voor de jeugd zeker geen nuttiger dan Let werkje dat over de keuze van eenen levensstaat handelt; \'t is ongetwijfeld een der belangrijkste en der meest noodzaUelijke.
Die keuze immers is niet eene willekeurige zaak, gelijk men het zich in de wereld zoo lichtzinnig en wel ten onrechte inbeeldt ; het is den mensch niet vrij den staat te kiezen die hem lust; neen, hij is verplicht hierin den wil van God te volgen, hij moet dien staat omhelzen welken hem de goddelijke Voorzieuigheid heeft voorbestemd. Dus moet hij eerst dien guddelijken wil keren kennen en van zijne vroege jeugd met den profeet uitroepen : « Vius tuas Domine demonstra mihi.» (Ps. 24, 4.) «Toon mij, o Heer, uwe wegen,»— want het is slechts op die wegeu, dat hij al do genaden zal vinden welke hem nondig zi n.
INLEIDING,
nm wel en gelukkig te leven en zoo zijn eeuwig einde te bereiken.
Om goed te begrijpen hoe noodzakelijk hel is aan de roepstem van God in de keuze van oenen staat te gehoorzamen, bedenke men, dat elke levensstaat zijne bijzondere verplichtingen heeft, zijne gevaren, zijne kruisen en kwellingen.
1° Elke staal heeft zijne verplichtingen.
Om deze verplichtingen na te komen, worden zekere talenten, begaafdheden ver-(ischt, alsmede bijzondere genaden van (iod.— Welnu, God verleent zijne gunsten en genaden volgens bet doel dat Hij zich heeft voorgesteld. Bijgevolg, indien iemand aan do roeping van God beantwoordt, zijn hem al die gunsten en genaden, al de begaafdheden, het noodige licht, de slerkte, voorzichtigheid, enz. verzekerd. — üeant-woordt hij niet, dan mag hij op al die bijzondere middelen niet rekenen.
2° Elke staal heefl zijne gevaren.
Gevaren van den kant der wereld, der personen en karakters, des duivels, der bezigheden, enz. Naast elk gevaar heeft God oene genade, dat is, een behoed- of reddingsmiddel geplaatst voor hem die zijno roeping volgt; maar wie ze niet volgt, zou
II
INLEIDING. HI
te vergeefs op al die genaden staat maken. Want wolk recht zou hij hebben dien bij-zonderen bijstand van God te ontvangen, als hij weigert don wog in te slaan door God hem aangewezen.
3° Elke s\'.nal heeft zijne kruisen en kwel-lingen.
Om al die kruisen on kwellingen met geduld en onderwerping aan Gods wil te verduren, hoeft men sterkte en troost noodig. Die sterkte, dien troost schenkt God overvloedig in den staat dien Hij zelf ons aanwijst, en dan worden al die beproevingen middelen om schatten van verdiensten le verwerven voor de eeuwigheid.— Doel:, buiten do roeping van God is de menscli aan zijne eigene zwakheid overgelaten, te midden der kruisen en kwellingen vindt hij noch sterkte, noch troost, zoodat zijn loven dikwijls onverdraaglijk en zijne zaligheid zeer moeilijk wordt.
Om deze zoo gewichtige waarheden nog al beter te begrijpen, hoort wat eenige geleerde en heilige schrijvers er over gezegd hebben.
Het kiezen van een levensstaat, zegt de heilige Gregorius van Nazianze, is eene zoo gewichtige zaak, dat zij moet de grondslag
IV INLEIDING.
genoemd worden van een goed of van een sicclit gedrag.
Een ander schrijver, Pater Valny, drukt deze gedachte op eene nog gevoeliger wijze uit: iTusschende genade des doopsels en die eener goede dood, sluit de roeping allo andere genaden in zich op. Hieruit kan men opmaken, dat het verschrikkelijk oo-genblik hetwelk over onze eeuwigheid beslist, in zekeren zin niet zoozeer het oo-genblik onzer dood is, dan wel dat waarop men de keuze van zijnen staat doet j gelijk de goede uitslag eener reis meer afhangt van den weg dien men gedurig gevolgd heeft, dan van den laatsten stap dien men zet.
Pater Ludovicus van Grenade noemt de keuze van een levensslaat, het hoofdrad des levens: even als een uurwerk bedorven is hij het ontstellen van het hoofdrad, zoo ook in de orde onzer zaligheid, loopt geheel het leven verkeerd wanneer de roeping gemist is.
Do genade der goddelijke roeping., zegt een schrijver, is de zekerste weg ter zaligheid ; — zij is eene aaneenschakeling van genaden langs de levensbaan ; eene keten waarvan het ééne eind in onze hand is, het
inleiülkg. v
ander aan den hemel vastlioudl. Buiten zijne roeping is het dus zeer moeilijk zijne zaligheid te bewerken.
Wil men dan in deze zoo gewiehtige zaak zich niet bedriegen, men leze vroegtijdig het werkje van den heiligen Alphon-sus : «Raadgevingen over de keuze van eenen levensstaat, enz.» — Het zal bijzonder nuttig wezen voor hen die zich tot den religieuzen of tot den geestelijken staat geroepen voelen ; — alsmede voor hen die reeds dien staat hebben aanvaard, om hom heilig te bewandelen.
Aanmerkingen. — 1° Om zijne roeping te kennen, leze en gehruike men voornamelijk de middelen hiertoe aangegeven op bladzijde 228.
2° De H. Alphonsus handelt in dit werkje niet in het bijzonder over den staat dos huwelijks, maar alleen over den geestelijken en over den religieuzen staat, dewijl deze, omdat zij verhevener zijn, meer licht en meer leiding noodig hebben, alsook meer sterkte om aan al de tegenkantingen der wereld en der hel te wederstaan.
3° Aangezien de roeping tot een levensstaat eene goddelijke zaak is, is het duide-
éêL
INLKIDWG.
lijk hoc vermetel de ouders handelen met don wil van God tegen te werken, en tevens hoe wreed het is de kinderen van den weg dien God hun aanwijst af te trekken, en zoo de oorzaak worden van hun tijdelijk en wellicht van hun eeuwig ongeluk. t
Luistert, hoe de H. Kerklecraar Alphon-sus spreekt in zijn Kathechctischonderricht: j Sommige ouders durven hunne kinderen van hot kloosterleven afhouden ; doch zij moeien welen, dat zij doodclijk zondigen.» (Instructio Cathechistica P. I. IV. § 1. 10. op. c. VII. pag. 840.)
VI
VOORWOORD VAN DEN VERTALER.
In 1730 liet de Heilige Alphonsus de Raadgevingen drukken, over den roep tol het kloosterleven, gevolgd door de heselmnvingen over den kloosterlijken ftaat, met oen bijzonder oogmerk op do jongelingen, die zich aanboden om in zijne Vergadering te treden. 1 — In de Raadgevingen, welke hij in twee, en wij in vijf afdoelingen rangschikken, handelt de Schrijver eerst over de noodzakelijkheid van zich in de keus van een levensstaat, welke die ook zij, naar de raadsbesluiten der goddelijke Voorzienigheid te voegen, en weidt daarna breedvoerig uit over den roep tot de kloosterlijke volmaaktheid.
liij dit werkje, dat een der eerste schriften is van den heiligen Leeraar, voegen wij alles wat hij naderhand over deze belangrijke stof in het licht heeft gegeven ; en wij voltooien deze verzameling door het bijvoegen eener korte verhandeling over den Roep tot het priesterschap, getrokken uit
(l) Tannoia.
VIII VOORWOOHD.
zijn boek dat onder den naam vau Selva bekend staat. Van al de roepingen, zijn er twee die bij voorkeur uitsteken : de roeping tot het kloosterleven en die tot den geestelijken staat, en beide treft men dikwijls aan in een zelfde hart.
Men zal daarenboven, op het einde van dit werkje, bijzondere onderwijzingen vinden over het gedrag dat men leiden moet om den staat te kennen in welken men geroepen is God te dienen, om Hem te behagen, zich te heiligen en zalig te worden.
Dit werkje is dus zeergeschikt voor alle jonge lieden van beider geslacht, zoodra zij den ouderdom bereikt hebben, om aan den levensstaat te denken dien zij omhelzen moeten, ten einde aan Gods vaderlijke inzichten te beantwoorden en de genaden te ontvangen welke Hij hun heeft voorbereid ; het zal voornamelijk nuttig zijn voor hen die zich geroepen voelen tot de beoefening dor evangelische raden en tot de bediening der altaren ; doch zij die reeds in eenen of anderen levensstaat gevestigd zijn, zullen het niet zonder voordeel lezen.
Tot eer en glorie van Jezus en Maria
En tot heil der Christelijke jeugd !
RAADGEVINGEN
OVEB DF.
ROEPING TOT DEN RELIGIEUZEN STAAT
lt;VMV%gt;VN\'W\\lV\\\'V\\-WV\\gt;VW\\\'Wgt;/Vgt;/VNlt;WW\\/N/« /V\\A/\\/WWW\\\'V» quot;Vrt/VNft/VWrvx/lA-VVAA §1-
IX DE KEUZE VAN EENE.N STAAT, WELKE DEZE OOK ZIJ, MOET MEM Z1CU ONDERWEUPEX AAN GODS RAADSBESLUITEN.
Het is duidelijk dat onze eeuwige zaligheid bijzonder van de keus van eenen staat afhangt. Pater Ludovicus van Grenade noemde de keus van eenen staat liet hoofdrad des levens ; dus, evenals een uurwerk bedorven is bij het ontstellen van het hoofdrad, zoo is in de orde onzer zaligheid, het geheel leven verloren wanneer de roeping gemist is, gelijk de heilige Gregorius van Nazianze zegt.
Willen wij dus onze zaligheid verzekeren, zoo moeten wij in de keus van eenen staat gehoorzamen aan de goddelijke roe-ping in welke alleen God ons de krachtdadige hulpmiddelen voorbereidt die Hij ons wil geven om zalig te worden ; immers
t
nOEPING TOT DEN
gelijk de heilige Cyprianus opmerkt, de gaven des Heiligen Geestes worden niet toegedeeld naar ons believen, maar volgens de orde der goddelijke Voorzienigheid. 1Daarom vermaant ons de heilige Paulus, dat ieder in het bijzonder van God de gaal\' ontvangt die hem eigen is, - hetgeen, volgens de uitlegging van Cornelius a Lapide, beteekent, dat God aan ieder zijne roeping geeft en den staat kiest in welken Hij hem wil zalig maken. Dit komt oveerenmetde orde der voorbeschikking, door denzelfden Apostel beschreven:3 God roept de menschen gelijk Hij het hun te voren bestemd heeft; en beantwoorden zij aan hunne roeping, dan heiligt Hij ze door zijne genade en geleidt hen ten laatste tot de hemelsche glorie. 4
1
In een ander werk drukt de heilige schrijver zich «Idus uit: « God wil dat alle menschen zalig worden, maatniet langs denzelfden weg; even als Hij in den hemel ver-ichillende trappen vun prlorie heeft gesteld zoo heeft Hij ook op aarde verschillende levensstaten ingericht, gelijk /,po vele wegen om tot den hemel te komen. (Selva. 11 hoofdstuk.)» De keus is niet willekeurig: «Om eenen levensstaat, welke die ook zij, te omhelzen moet men noodzakelijk
RELIGIEUZEN STAAT. 3
la de wereld begrijpt men weinig van hoe groot belang de roeping is ; men houdt het als onverschillig in den staat te leven tot welken men van God geroepen is, of in dien welken men kiest uit eigen beweging: dit is de oorzaak waarom vele menschen slecht leven en ten laatste eeuwig verloren gaan.
Het is zeker dat onze zaligheid daar voornamelijk van afhangt. Op de roeping volgt de rechtvaardiging, en op de rechtvaardiging de verheerlijking, dat is het eeuwig leven. Wie deze orde, deze kelen van heil verbreekt, zal moeilijk zalig worden. 1 Welke moeite hij ook aanwende, welk middel hij gebruike. de Heilige Au-gustinus zal hem zeggen : Gij loopt goed, maar buiten den waren weg ; — dat wil
ynn God daartoe geroepen zijn, want zonder deze roeping is het zoo niet onmogelijk, teu minste toch zeer moeilijk, de plichten van dien staat te vervullen en zallig te worden. De reden hiervan is allerduidelijkst; God immers, volgens de orde zijner voorzienigheid, wijst een ieder van ons zijnen levensstaat aan, en bereidt ons daarna de genaden enhidpmid. delendie eigen zijo aan den staat tot welken Ilij ons roept. (X hoofds.) Wij moeten overtuigd zijn en nooit vergeten, det God van alle eeuwigheid aan ieder onzer met liefde dankt, even als een goede Vader zich bezig houdt met zijn ecnig kind,
(r»E VEBTALF.R.)
(1) St. Alph. _ Theol. Mor Lib. V. N». 78. Edit. P. Heilig,. — Lib, IV No. 78, Edit. St, Alph.
(2) Bene curris, sed extra viam.
ROEPING TOT DEN
zeggen, buiten den weg dien God n verzocht te bewandelen om tot de zaligheid te komen. De Heer neemt de offers niet aan die wij Hein opdragen terwijl wij onze eigenliefde involgen; Hij wendde zijne oogen af van Cain en van zijne offeranden.1 Hij bedreigt zelfs met de verschrikkelijkste straffen, degenen die zijne vermaningen verachten om hunne eigene neiging te volgen door plannen en ondernemingen te vormen welke Hij niet heeft ingegeven.s-3
(t) Ad Caïn et ad munera illius non respexit. (Gen. 4. 5i.)
(2) Vte, lllii desertores, dicit Dominus, ut faceretis consilium, et non ex me ; et ordiremini telam, et non per spi-ritum meum. (Is. 30. 1.)
(3) Uit het voorgaande blijkt dat de groote of zelfs de eenige /aak waaraan de jonge lieden van beider geslacht aanhoudend moeten denken, te, Gods raadsbesluiten te kennen aangaande den levensstaat dien zij moeten omhelzen, en de klachten te verkrijgen om zich aan den goddelijken wil te onderwerpen. De middelen die zij moeten aanwenden om hierin te gelukken, worden hun op het einde van dit werkje aangewezen.
Maar men wete wel dat God niet altijd van den beginne af en op eens tot den volmaaksten staat roept: eenigen worden daartoe vroeger, anderen later geroepen ; sommigen worden tot dien staat trapsgewijze verheven anderen er toe geleid na een korten of langen omweg. Somwijlen schenkt God eene betere roeping nadat men aan de eerste goed beantwoord heeft; somtijds nog, stelt God zich tevreden met de voordelen te doen begrijpen van deze of gene roeping, opdat wij die zouden hoogachten en verlangen, en eindelijk die verlangende, ze trachten te verkrijgen door het gebed en goede werken.
Men moet gedurende heel den loop des levens, zoowel als bij de dood, aan Gods wil onderworpen blijven en zich met fcem vereenigen.
DE VERTALER.
4
RELIGIEUZEN STAAT.
n/\\/W/«\\gt;V\\AAA/NA»WVn/VVAn\'W\\AAAAlt;V/V\'W\\AA/*A,\\/V\'\\A/W/\\A\'V\\AAV\\AAAM\\/\\/v\\^\'V\\ § quot;•
OVIÏR DE ROEPING TOT HET KLOOSTERLEVEN\' : HOE GEWICHTIG HET IS HAAR SÏIPTELIJK TE VOLGEN.
lu) Aan welk ongeluk men zich blootstelt met daaraan niet te beantwoorden.
Wanneer God eene ziel tot een volmaakter leven roept, geeft Hij haar voorzeker eene gansoh bijzondere en allerkostbaarste genade; deze gunst schenkt Hij slechts aan weinigen ; met recht wordt Hij dus verontwaardigd tegen hen die zulk eene weldaad gering schatten. Hoe zeer zou een vorst zich niet helsedigd achten, indien hij een zijner onderdanen riep om hem van nabij, als zijn gunsteling, in zijn paleis te dienen, en deze weigerde te gehoorzamen ? En God zou eene dusdanige beleediging niet gevoelen? Ach I Hij gevoelt die maar al te diep ; al wie zijne raadsbesluiten tegenwerkt, bedreigt Hij met het uiterste ongeluk: € Wee hem, die zijnen schepper wederstaat!\' Dit woordje Wee.\' beteekcnt in
(I) V» qui contradicit Fictori suo ! (Is. 4Ji. 9.)
O
BOEI\'ING TOT DEN
dc Heilige Schriftuur den eeuwigen ondergang. Zijne straf zal reeds beginnen in dit leven, waar hij, gelijk Job ons waarschuwt, nimmer rust zal hebben : «Wie wederstond aan God, en vond vrede?» 1 Daarenboven zal hij beroofd blijven van de overvloedige en krachtdadige hulpmiddelen om zich wel te gedragen. Kn daarom, zegt Habert, zal het hem zeer moeilijk zijn zalig te worden. 2 Hij zal, voegt deze geleerde theologant er bij, in het lichaam der Kerk blijven, maar als oen ontwricht lidmaat, dat slechts met veel moeite kan dienen. 3 En dus, zoo besluit hij, ofschoon die ongelukkige, streng gesproken, nog kunne zalig worden, zal hij echter moeilijk de noodige middelen nemen om daarin te gelukken. 4 De heilige Bernardus 5 en de heilige Leo 6 leeren hetzelfde. Toen keizer
(1) Quis restitit ei, et pacem habuit? (.lob. 0. V.)
(2; No» siue uiuguis dillicuitutihus potent suiuli su:c cunsulere.
(:{) Manebitque in corpoi-e Ecclesue, velut membruiu in corpore bumuno suis sedibus motuiu, quod servire potest, sed a-gre et cum deformitate.
(V) Licet, absolute loquendo, salvari possit, difüoile tamen ingredietar viam bumilifatis et pa\'nitentiw, qua sola ipsi Itatet ingressus ad vitam. (De ord. p. 3 e. 1. § 2.)
(\'i) De Vit. cler. c. ö.
(6) Epist. 87.
fi
RELIGIEUZEN STAAT.
Mauritius bij hoog besluit aau zijue soldaten verboden had kloosterling te worden, schreef hem de heilige Gregorius 1 eu verklaarde dat deze wet onrechtvaardig was, aangezien zij den hemel sloot voor vele Christenen, die zich in den kloosterlijken slaat zouden zalig maken, en die in de wereld mochten verloren gaan.
Men kent het droevig voorbeeld dat pater Lancicius verhaalt. In het Romeinsch-Col-legie, was een jongeling van groot talent. Op zekeren dag, terwijl hij de geestelijke oefeningen volgde, vroeg hij aan zijnen biechtvader of het zonde is aan de roeping tot het kloosterleven niet te beantwoorden. De biechtvader antwoordde hem, dat dit in zich geene zware zonde is, daar de roeping een raad en gsen gebod is; maar dat men, met haar niet te volgen, zijne eeuwige zaligheid in groot gevaar stelt, gelijk de ongelukkige ondervinding van zoo vele Christenen die dus verloren zijn gegaan, dit maar al te zeer bewijst. De jongeling sloot het oor voor de stem van God. Hij ging studeeren te Macerata, waar hij weldra hel gebed en de Communie begon te ver-
1
Kpist. 1. 2. c. 100.
8 ROEPING TOT DEN
waarloozen en zich eindelijk aan een losbandig leven overgaf. Kort daarop toen hij \'s nachts het huis eener slechte vrouw verliet, werd hij door zijnen mededinger doo-delijk gewond. Priesters snelden toe, maar hij gaf den geest vóór hunne aankomst, en recht tegenover het Collegie. Door deze omstandigheid heeft God willen te kennen geven, dat dit ongeluk hem juist is overkomen, om zijne roeping veracht te hebben.
Een ander merkwaardig feit wordt verhaald door pater Pinamonti in zijne verhandeling over de zegenpralende Roeping. Een novice het besluit genomen hebbende, aan het kloosterleven te verzaken, zoo verscheen hem Jezus-Christus op een troon, en geboodVmet verontwaardiging dat zijn naam in het Boek des levens zou worden uitgewischt. Op dit gezicht werd de jongeling door een heilzamen schrik bevangen en bleef in zijne roeping volharden.
Hoe vele andere voorbeelden lezen wij niet in de boeken! en hoe vele ongeluk-kigen zullen wij in den dag des\'Oordeels verdoemd zien, omdat zij aan hunne roeping niet hebben gehoorzaamd ! Verdrijven van het licht, zoo spreekt de Heilige
RELIGIEUZEN STAAT.
Geest door den mond van Job, \' worden zij door eene rechtvaardige straf van het licht beroofd ; en daar zij geweigerd hebben den weg te bewandelen dien God hun aanwees, volgen zij blindelings de richting die zij uit eigene beweging hebben genomen, en zij gaan naar hun verderf. In de spreuken verklaart de Heer dezelfde waarheid met nog meer kracht; ieder woord verdient gewogen te worden : Ik zend u mijnen geest, dat wil zeggen, de genade der roeping ; maar gij weigert daaraan te beantwoorden; 2 gij versmaadt al mijne raadgevingen. 5 Welnu ! op mijne beurt zal ik met u lachen ; wanneer de kwalen die gij wilt vermijden up u zullen nederslorlen ; 4 wanneer de [bekoringen als een plolselijk onweder u zullen overvallen te midden der klippen en der gevaren der wereld ; s wanneer gij u in den angst en in de benauwdheid der dood zult bevinden, 6 dan zal ik
(1) Ipsi fuerunt rebelles luinioi; nescicrunt rias ejus. (Job. 21. 13.)
(3) En proferam vobis gpirituin raeuni..,. quia vocavi et reimistis. (Prov. 1. 23.)
(3) Despexistis omne coDsilium meum. (ib.)
(4) Ego quoque in interitu veslro ridebo et sub«ann«bo, cum vobis id quod limebatis advenerit. (ib.)
(5) Cum irruerit repentina calam\'.las, et interitus quasi tempestas iogruerit. (ib.)
(6) Quando veuerit super vos tribulatio et augustia (ib.)
9
1 O nOEPING TOT DEN
spotten met uwe ellende. Dan zal men mij aanroepen, maar ik zal niet luisteren; men zal mij zoeken, maar niet vinden; 1 omdat men mijne vermaningen heeft veracht en mijne raadgevingen verworpen. 2 Die dwazen ! hunne straf zal zijn, de vrucht hunner baan te eten, en door hunne eigene raadgevingen verzadigd te worden: \' de minste hinderpaal, de lichtste bekoring zal hen doen vallen; hun voorspoed zelf zal hun ondergang zijn. 4
Dit alles beteekent dus dat (jod het geroep van hen, die zijne vaderlijke stem verachten, niet zal aanhooren. Maar, zegt de heilige Augustinus, wederstaal men aan Gods wil wanneer Hij uitnoodigt, zijnen wil zal men niet kunnen ontwijken op den dag zijner wraak. 5
(1) Tuuc invocabunt me, et non exaudiam ; manc con-surgent, et non invenient me. (ib.)
(2) Eoquod exosam habuerint disciplinam..., nee acquie-verint cousilio meo, et detraxerint universa.\' correptioni men;, (ib.)
Door deze laatste woorden vermaant God dezen \'die de roeping weinig achten, en beweren dat men onverschillig in eiken levenstaat zijne zaligheid bewerken kan. (Theol. mor. 1. lt;• n. 78. Edit. St. Alph. — lib. 5. n. 78. Edit. P. Heil.)
(3) Comedent igitnr fructus via» sua% suisque consiliis saturabnntur. (ib.)
(V) Aversio. parvulorum interficiet eos, et prosperitas stultornm perdet illos. (ib.)
(o) Qui voluntatem Dei spreverunt invitantem, volun-tat«m Dei sentient vinditantem. (R. ad obj. Vine. 16.)
RELIGIEUZEN\' STAAT.
2quot;) Men moet aan de stem van God zonder uilslel gehoorzamen.
Zoodra dan de Heer iemand tot een vol-inaakteren staat roept, moet hij gehoorzamen, en terstond gehoorzamen, wil hij zijne eeuwige zaligheid niet in gevaar stellen. Anders, zal hij Jezus-Christus hem hetzelfde verwijt hoeren doen als aan den jongeling, die, door den Zaligmaker uit-genoodigd om Hem te volgen, verlof vroeg om eerst zijne zaken in orde te brengen en over zijne goederen te beschikken. Jezus antwoordde, dat alwie de hand aan den ploeg heeft geslagen en omziet, voor het Kijk Gods niet geschikt Is. 1
De verlichtingen welke God ons toezendt, gaan voorbij en blijven niet duren ; daarom zegt de H. Thomas dat aan de goddelijke uituoodigingen tot een volmaakter leven, zonder uitstel moet gehoor gegeven worden. - De Engelachtige Leeraar 2 stolt de vraag of het loffelijk is het klooster in te
H
1
Seqaar te, Uomine; sed perraitte mihi primum renun-tiaie his qu.\'p domi simt.... Nemo mittens raanuro Hiiam ad nratnim, et respicieiis retro, ajilu? est regno Dei. Lnc.9. Gl— 62.)
2
2. 2. Q. 189. a. 70.
4 2 ROEPING TOT DEM
treden zonder velen geraadpleegd en zich langen tijd bedacht te hebben. En hij antwoordt ; Ja, zeggende dat het noodzakelijk is raad te vragen en na te denken in twijfelachtige zaken, maar geenszins in deze die wij hier behandelen, welke zeker goed is dewijl Jezus-Christus zelf ze in het Evangelie heeft aangeraden; inderdaad, het kloosterleven is niets anders dau de beoefening van verscheidene raadgevingen die de goddelijke Meester ons naliet.
Wonder is het! is er spraak van in een klooster te treden om een volmaakter leven te leiden en meer verzekerd te zijn tegen de gevaren der verleiding, dan wordt in de wereld gezegd, dat men om zulk een besluit te nemen, langen tijd moet nadenken, niet haastig zijn in het uitvoeren van dit plan, ten einde zich te verzekeren of die roeping wezenlijk van God en niet van den duivel komt. Maar zoo spreekt men niet, als het er op aankomt eene waardigheid te bekleeden, in welke men nogtans zoo veel gevaar loopt verloren tc gaan ! Dan wordt er niet gezegd dat men zich langen tijd beproeven moet om overtuigd te zijn dat men er waarlijk van God toe geroepen is.
RELIGIEDZEN STAAT.
Geheel anders is de taal der Heiligen, üe H. Thomas 1 verklaart dat de roeping tot het kloosterleven, al kwam zij ook van den duivel, moet gevolgd worden als een uil-muntende raad, ofschoon hij door een vijand gegeven is. En de heilige Joannes Chrysostomus, door den heiligen Thomas aangehaald, zegt dat God wil, als hij ons met dergelijke ingevingen begunstigt, dat wij niet een oogenhlik aarzelen die te volgen. - Waarom ? Omdat de Heer er behagen in schept ons zoo te zien gehoorzamen, en hoe stipter onze gehoorzaamheid is, des te meer opent Hij zijne hand om ons met zijne zegeningen te overladen. Alle uitstel integendeel mishaagt Hem grootelijks; dan sluit Hij zijne hand en behoudt zijne genaden; zoodat hij die wacht om aan zijne roeping te beantwoorden, moeilijk haar volgen kan en ze gemakkelijk laat varen. Vandaar, zegt verder de heilige Joannes Chrysostomus, dat de duivel, als hij iemand niet kan doen afzien van het voornemen zich geheel aan God te wijden, hem ten minste daartoe zoekt over te halen
13
1
Contra retr. a rel. e. 10.
HOliPING ÏOT DEN
dat hij de uitvoering van zijn besluit ver-trage ; en veel reeds roeent hij gewonnen te hebben, als hij een uitstel van één dag, zelfs van één uur heeft bekomen, 1 want, indien zich gedurende dien dag of dit uur eene nieuwe gelegenheid aanbiedt, zal het hem minder moeilijk zijn een langer uitstel te verkrijgen. Zoo gaat de booze geest voort, tot dat de rnensch die van God geroepen was, altijd zwakker geworden en minder bijgestaan door de genade, ten laatste geheel aan de bekoring toegeeft en zijne roeping vaarwel zegt. Ach ! hoe dikwijls is het den vijand gelukt de genade der roeping aan dezen die ze ontvangen hadden, door dergelijke uitstellen te doen verliezen ! Daarom wendt de heilige Hiero-nymus zich tot allen die geroepen zijn om de wereld verlaten, en vermaant hen len spoedigste haar te vluchten. 2 Even als een man, zegt de heilige Leeraar, die zich in een boot zou bevinden, aan den grond vastgehecht eu op het punt van overstroomd te worden, de koord eerder zou zoeken door te hakken dan te ontknoopen,
li
1
Si levem arripuerit proiogationem,
2
Festina, qua-so te, et harentis in sulo navicula\' funem magis prspcide quam solve. (Ad Paulin. de St. Scr.)
RELIGIEUZEN STAAT.
zoo moet hij die iu de wereld tegengehouden wordt, zich zoo haast mogelijk trachten los te maken, om spoediger het gevaar te ontkomen van verloren te gaan : ongeluk waaraan men zeer is blootgesteld te midden der wereld. 1
Ziehier wat men iu de Werken van den heiligen Franciscus van Sales leest aangaande de roeping tot het kloosterleven ;
(1) Hier moet men zich herinneren wat de Schrijver zêf;t in zijnen Levensregel, I. Hoofdst.: «Zorgt dat gij eeneu geestelijken nestuurder hebt; vraagt hem raad in i.we zaken van meerder belang, en gehoorzaamt hom in alles. Wie zijnen biechtvader gehoorzaamt, behoeft niet te vreezen dat hij zich bedriegt. Qui vos audit, me audit (Luc. 10. 16-.) i« Stem des biechtvaders, stem van God. » Men vrage dus ten minste raad aan zijnen biechtvader, die zijn antwoord kan uitstellen zoolang hij het noodig oordeelt om eene voorzichtige uitspraak te kunnen doen. Overigens ziehier volgens den H. Alphonsus, de drie voornaamste kenteekens eener ware roeping tot den religieuzen staat: « 1°. dat men zich een goed doel voorstelle, zooals zich te verwijderen van de gevaren der wereld, zijne zaligheid boter te verzekeren, en zich nauwer met God te vereenigen; 2®. Dat men geen werkelijk beletsel hebbe, zooals gebrek aan gezondheid of aan bekwaamheid, of wel ouders die in nood verkeeren, («In necessitate gravi » Theol. mor. 1. 4. N0. 6fi Edit. 8. Alph. 1. ö IS\'0. 66 Edit. P. Heilig.) omstandigheden welke men aan het oordeel der Oversten moet onderwerpen en hun duidelijk de waarheid te kennen geven; 3°. Dat men aangenomen worde door de Oversten van de Orde. (Raadgevingen aan de novicen.)»
Daarenboven zijn er in de Kerk verscheidene religieuze instellingen, verscheidene soorten van volmaaktheid. liet is niet genoeg te weten in het algemeen dat men tot den religieuzen staat geroepen is, men moet nog onderzoeken in het bijzonder, tot welke orde, tot welke kloostergemeente de Heer ons bestemt, en in alles de inspraak zijner genade nauwkeurig volgen. (Vide hom. apost. tr. uit. n. 39.)
DE VERTALEH.
{ ö ROEPING TOT DEN\'
zijne woorden zullen tot bevestiging dienen van hetgeen wij reeds gezegd hebben, en in het vervolg zeggen zullen : «Om een teeken tot ware roeping te hebben wordt niet gevorderd dat men dezelve imophou-delijk gevoele; het is genoeg dat men ze met de rede blijve zien. Bijgevolg moet men niet oordeelen dat iemand niet waarlijk geroepen is, omdat hij, zelfs vooraleer de wereld verlaten te hebben, die gevoelige gemoedsaandoeningen welke hem in den beginne aandreven niet meer ondervindt; evenmin omdat hij afkeer zelfs en verkoeling gevoelt die hem somwijlen doen wankelen en inbeelden dat alles verloren is. Het is genoeg dat de wil standvastig besloten zij dc goddelijke roeping niet te verlaten; het is zelfs voldoende dat slechts eene geringe neiging bijblijve. Om te weten of het Gods wil is dat men den kloosterstaat omhelze, behoeft men niet te wachten dat Hij op eene gevoelige wijze tot ons spreekt, of een Engel uit den hemel zendt om ons zijnen wil kenbaar te maken. Ook wordt er geen onderzoek vereischt van tien of twaalf geleerden om te zien of de ingeving goed of slecht is ; of men ze moet volgen, ja of neen. Men moet vooral op de
RELIGIKUZEN STAAT. 17
eerste ingeving acht slaan, getrouw medewerken, en vervolgens zich niet ontrusten indien er later tegenzin en verkoeling ontstaan ; want als men zoo handelt, zal God zeker alles tot zijce glorie gunstig doen uitvallen. — Bekommer u niet om te weten van waar de ingeving komt, want God heeft verschillende middelen om zijne dienaars te roepen. Nu eens bedient Hij zich van eene preek, dan van het lezen van goede boeken; eenigen werden geroepen bij het hooren der heilige woorden van het Evangelie, zooals de heilige Franciscus en de heilige Antonius ; anderen door verveling, tegenspoed en kwellingen die hun overkwamen en eene oorzaak waren om de wereld te vluchten. Ofschoon dezen tot God kwamen als uit haat en afkeer van de wereld, gaven zij zich evenwel met een oprechten wil aan God over, en niet zelden klommen zij tot een hoogeren trap van heiligheid, d^n anderen welke door eene roeping die duidelijker uitkwam, het kloosterleven omhelsd hadden. Platus verhaalt, dat op zekeren dag een edelman in grooten zwier en op een schoon en wei versierd paard gezeten, door allerlei middelen aan de juffrouwen, bij wie hij zijn
2
ROEPING TOT DE»
hof wilde makeo, zocht te behagen; en terwijl hij den dappere speelde, wierp ïijn paard hem eensklaps ter aarde te raidden van het slijk, waaruit hij geheel vuil eu bemorsd opstond. Die arme edelman werd over zulk een ongeval zoo beschaamd en verslagen, dat hij, in woede ontstoken, op hetzelfde oogenblik besloot kloosterling te worden. «O verraderlijke wereld, riep hij uit, gij hebt met mij den spot gedreven, maar ik zal ook met u lachen,- gij hebt mij deze poets gespeeld maar verwacht u op eene andere : nimmer meer zal ik met ii iets gemeens hebben, en van nu af maak ik het voornemen in een klooster te treden.» Eu inderdaad, hij werd in een klooster aanvaard en leefde aldaar heilig. 1
S
SlIDDKUW OM IN UE WERELD DE ROEPING TOT HET KLOOSTERLEVEN TE 11EWAHEN.
18
Wie aan de stem van God getrouw wil gehoorzamen en zijne roeping niet missen, moet dan, niet alleen het besluit nemen
1
Zie : « Entietiens S. Frano. de Sales X\\ 11, «
UELIGIEUZEN STAAT. | O
haar te volgen, maar ook werkelijk tot dc uitvoering komen zonder uitstel en zoo nauwkeurig mogelijk, op straf van zeker in \'t gevaar te verkeeren zijnen roep te verliezen ; en indien hij noodzakelijk verplicht is te wachten, moet hij alle zorg aan den dag leggen om dc roeping te bewaren, daar zij de kostbaarste schat is dien hij bezitten kan.
Drie middelen zijn er om do roeping te bewaren, te weten: de vooruchlujheid, het inwendig gebed en de ingetogenheid.
IDe voorzichtigheid.
In het algemeen gesproken, moet men zijne roeping geheim houden en aan niemand, tenzij aan zijnen biechtvader, bekend maken. Want doorgaans ziel men er inde wereld geen gewetensbezwaar in, aan jonge lieden die tot het religieuze leven geroepen zijn te zeggen, dat men God in alle staten kan dienen, zelfs te midden der wereld ; en wat te verwonderen is, zulke gezegden hoort men soms uit den mond van priesters en zelfs van religieuzen, maar van zulken, die zouder roeping den religieuzen staat omhelsd hebben, of niet weten wat dit woord beteekent. Ja, zonder
ROEPING TlTr DFA
twijfel, men kan God op alle plaalson dienen als men niet tot het kloosterleven geroepen is; maar geenzins indien men, tot den religieuzen staat bestemd, volgens zijn zin in de wereld wil blijven; in dit laatste geval is bet, gelijk wij reeds gezegd hebben, moeilijk zich goed te gedragen en God te dienen.
Vooral is het van gewicht dat hij die de genade der roeping ontvangt, er zijne ouders geen kennis van geelt.
Eeiie der meeningen van Luther, gelijk Hellarrainus verhaalt, \' was, dat kinderen zondigen als zij zonder toestemming hunner ouders het klooster intreden ; immers, zegde hij, kinderen zijn verplicht in alles aan hunne ouders te gehoorzamen. Doch deze meening is door de kerkvergaderingen en door de Heilige Vaders algemeen verworpen. De X11quot; Kerkvergadering van Toledo verklaart uitdrukkelijk dat het aan de kinderen zoodra zij den huwbaren leeftijd bereikt hebben, is geoorloofd zonder toestemming hunner ouders den religieuzen staat te omhelzen. - Hetzelfde wordt
(I) De Mon. L. 2. c.
(2} Porentibns Alios snos religion! oontrauei e, non nmplins (juaru nsqne a«l deciiuum qunrtnni «Ptatis eorum annum
20
21
RELIGIEUZEN\' STAAT.
door de Kerkvergadering van Tribui\' voorgeschreven, 1 en geleerd door den H. Am-brosius, den H. Hieronymus, den H. Au-guslinus, den H. Bernardus, den H. Thomas en anderen, alsmede door den H. Joannes Cbrysostomus die in het algemeen zegt: dat de ouders het geestelijk welzijn hunner kinderen niet mogen tegenwerken. 2
Sommigen beweren, als men van (iod tot den religieuzen staat geroepen is, en gemakkei ij ken zeker de toestemming zijner ouders kan bekomen zonder tegenwerking van hunnen kant, dal het betamelijk zou zijn hunnen zegen te vragen. Deze leer in zich zelve beschouwd zou kuunen doorgaan, maar toch niet wanneer er van de werkelijkheid spraak is; dan immers, zooals het gewoonlijk geschiedt is de tegenstand der ouders altijd te vreezen. — Het is goed deze moeilijkheid volkomen op te helderen, om hij sommigen zekere phariseesche gewetensangsten weg te nemen.
Zeker is het, dat men in de keuze van
licentia potenf esse ; po\'lea vero, an cuui vohmtale paren-tnm, an suae devótionis sit eoJifarium votnrn, erit filiisliciturr religionis assuinerc oaltum. (cap. 6.)
(1) Can. 24.
(2) Cam spiritualia iuapediuuf; parentes ne agnosoendi quidem sunt, (in Jo. hom. 84.J
It OK PINO TOT DUN
eeuen staat geenszins verplicht is aan zijne ouders te gehoorzamen. Dit is het algemeen gevoelen der godgeleerden, in overeenstemming met den H. Thomas die leert, dat, noch de onderdanen jegens hunne meesters, noch de kinderen jegens hunne ouders tot gehoorzaamheid verplicht zijn, als er sprake is van het huwelij k aan te gaan of in den maagdelijken staat te leven, of andere dergelijke keuze te doen. 1 Wat echter den huwelijken staat betreft, pater Pina-monti neemt met recht het gevoelen aan van Sanchez, Koning, en andere godgeleerden, die denken dat de kinderen hunne ouders moeten raadplegen, omdat zij in deze zaak meer ondervinding knnnen hebben, en in dergelijke omstandigheden een vader zich gemakkelijk herinnert dat hij vader is. Maar aangaande de roeping tot het kloosterleven zegt dezelfde Pinanionti met niet minder reden, dat het kind volstrekt niet verplicht is aan zijne ouders raad te vragen, daar zij hierin geene ondervinding hebben en het eigen belang hen gewoonlijk in vijanden verandert. Dit is ook do be-
(l Non teneutnr, nee servi «lOmiuis, nee filii parentibnp, .obedire matriinonio contrahsndo. vel virginitate «er-yunda, vel aliquo alio hujusmodi. — (2. 2. q. 10». a. ü.)
22
RELIGIEUZEN STAAT.
merking van den H. Thomas, die insgelijks van de roeping tot den religieuzen staat sprekende, zegt, dat onze vrienden naar het vleesch, onzen geestelijken voortgang dikwijls tegenstreven. 1 Inderdaad de ouders zien liever dat hunne kinderen met hen eeuwig verloren gaan, dan hun toe te staan zalig te worden verre van hen; zoo groot, roept de H. Bernardus uit, is de wreedheid der vaders en der Moeders. 2
Als God\', zegt een gezaghebbend schrijver aangehaald door den H. Thomas, eene ziel tot het volmaakt leven roept, wil Hij dat zij haren vader en geheel hare familie vergete om naar Hem alleen te zien en naar Hem alleen te luisteren : « Hoor mijne dochter en zie, en richt uw oor tot mij, en vergeet uw volk en het huis uws vaders.» 3 Zonder twijfel, voegt hij er bij, door deze woorden vermaant ons de Heer dat men, om zijne roeping te volgen geen raad behoeft te vragen bij zijne bloedverwanten. Ue Heilige Cyrillus legt het antwoord uit
1 Fiequontei\' amid cartmles mlversaatur profectui spi-ritnoli. {\'2. H. q. 180. a. 10.}
(2) n Durum patrem, o Stcvam matrem, quorum cousoliitio mors (iüi est; qui me malunt perire eum eis, quam reguare sine eis. — (Epist. 111.)
{%] Audi, filia, et vide, K incliiwi aurem luaru, et obiivis-cere populum tuum el Jomum patris tui. ps. ik. n.)
23
ROEPING TOT DEX
van Jezus-Clmstus aan den jongeling van wien reeds gesproken is, \' en zegt dat hij, die lijd vraagt ons met zijne bloedverwanten over zijne roeping te beraadslagen juist diegene is welken de Heer onwaardig verklaart den Hemel te bezitten, omdat hij terugziet. ! Daarom verwittigt stellig de H. Thomas dezen die zich tot den religieuzen staat geroepen gevoelt, zijne bloedverwanten over zijne roeping volstrekt niet te raadplegen; want, zegt hij, in deze zaak moeten zij niet als vrienden, maar wel als vijanden beschouwd worden, volgens de woorden van den Zaligmaker. 3
Is het dan eene groote fout aan zijne ouders raad te vragen om zijne roeping te volgen, grooter nog zou de fout wezen indien men hunne toestemming wilde afwachten en ze bijgevolg vragen ; inderdaad door deze handelwijze zou men zich ongetwijfeld in het gevaar stellen zijne roeping
(I) Nemo mittens manum ad aratrum et respiciens retro, aptus est regno Dei. —
(2} Aspicit retro, qni dilationera quwrit occasion»\' cum propinqnis cont\'erendi. (ap. S. Thom. Loc cit.)
(3) Ah hoe eonsilio, primo quidem, amorendi sunt carnis propinqui; dicitnr eniui: «Causamtuam tracta cum amieo too.» (Prov. 25. 9.) propinqui antem carnis, in hoe pru-posito, amici non sunt; eed potins inimici, juxta senteutiam Domini: «luimici bominis domestici ejus ». (Math. 10. 36. (ooatro retr. a rel. c. 9.)
24
RELIGIEUZEN STAAT.
te verliezen, daar het waarschijnlijk is dat de ouders haar zouden trachten te verhinderen. Ook zien wij dat de Heiligen, zoodra zij geroepen worden aan de wereld vaarwel te zeggen, geheel buiten weten hunner ouders vertrokken zijn. Zoo deed de H. Thomas van Aquine, de H. Franciscus Xa-verius, de II. Philippus Neri, de H. Ludo-vicus Bertrandus; en wij weten zelfs, dat de Heer door wonderen getoond heeft, dat Hij zulk een glorievol vluchten goedkeurt.
Toen de H. Petrus van Alcantara het huis zijner moeder, onder wier gezag hij sedert, den dood van zijnen vader stond, ontvluchtte om kloosterling te worden, zag hij zich terug gehouden door eene groote rivier, die hem den weg afsloot; hij beval zich aan God, en aanstonds was hij aan de overzijde gebracht.
Zoo ook ontvluchtte de Heilige Stanislas Kostka, zonder verlof zijns vaders. Aanstonds werd hij door zijn broeder met een rijtuig in vollen ren achtervolgd; maar toen hij op het punt was den vluchteling in te halen, bleven de paarden stilstaan, en welk geweld men hun aandeed, weigerden zij voort te gaan, tot dat zij omkeerend, in aller ijl naar de stad snelden.
2b
ROEPING TOT DEN
Wij hebben nog het voorbeeld van de Gelukzalige Oringa van Valdamo in Tos-kane. Aan een jongeling ten huwelijk beloofd, verliet zij heimelijk het vaderlijk huis om zich aan (lod te gaan toewijden. Aan den oever van den Arno gekomen, die haren weg belemmerde, richtte zij een kort gebed tot God, en terstond zag zij de rivier hare waters openen, die zich van beide zijden als twee kristallen muren verhieven cn haar droogvoets lieten doorgaan.
Dus, mijn dierbare broeder, zoo God u het voornemen ingeeft de wereld te verlaten, zorg dan toch uwe ouders daarvan seen kennis te geven. Stel u tevreden met den zegen des Hoeren en tracht uwe roeping zoo spoedig mogelijk en buiten hun weten te volgen, indien gij u niet aan groot gevaar wilt blootstellen haar te verliezen. Want gewoonlijk, gelijk wij reeds gezegd hebben, verzetten zich de bloedverwanten, vooral vader en moeder, tegen de uitvoering van dergelijke voornemens : ja zelfs wanneer zij godvruchtig zijn, verblinden het eigenbelang en de hartstocht hen zoodanig, dat zij, onder verscheidene voorwendselen, er geen gewetensbezwaar uit maken, de
26
RELIGIEUZEN STAAT. 27
roeping hunner kinderen door allerlei middelen te verhinderen.
In hot leven van pater Paulus Segneri den jongere, leest men dat zijne moeder, ofschoon zij veel bad, niets verwaarloosde om de roeping van haren zoon tot den religieuzen staat tegen te gaan. Insgelijks ziet men in het leven van Mgr. Cavalieri, bisschop van Troye, dat zijn vader die nog-tans een zeer godvruchtig man was, niets onbeproefd liet om te beletten dat zijn zoon in de Vergadering trad der « Godvruchtiye-Werklieden» 1 gelijk hij later deed ; ja, daarom begon hij tegen hem eeu proces vóór dc Kerkelijke rechtbank. Hoe veel andere ouders heeft men niet gezien, die, ofschoon God en het gebed beminnend, iu zulke gevallen geheel veranderden, en zich voordeden als waren zij van den duivel bezeten! Zoo waar is het dat de hel in geen geval vreeselijker wapens schijnt te gebruiken, dan wanneer het er op aan komt den weg te sluiten voor hen die van God tot den religieuzen staat geroepen zijn.
Om dezelfde reden, wacht u ook uwe roeping aan uwe vrienden bekend te maken ; want zij zullen er niets in vinden u
(1) Kloosterorde in Italië.
ROEl\'ING TOT DEN
af te raden, of ten minste het geheim te openbaren, waardoor dan uwe ouders er gemakkelijk kennis van zullea krijgen. 1 2°. Het inwendig gebed. .Men houde zich wel overtuigd, dat meti de roeping lot het kloosterleven niet kan bewaren, zonder het inwendig gebed te beoefenen. Wie het achter laat, zal zeker zijne roeping verliezen : men moet zich
(I) De genade lt;le; roeping tot den kloosterlijken staat, is niet alleen eene uitstekende gunst voor hem die ze ontvangt, maar ook nog een groote zegen voor geheel zijne familie; christene ouders moeten haar aan hunne kinderen als het kostbaarste goed toewenschen, God bedanken wanneer Hij ze verleenen wil, en zich spoeden Hem van ganseher harte het gelukkig offer dal Hij vraagt, op te dragen. Wat mogen zij dan niet verwachten van Mem die zoo milddadig de kleinste dingen beloont welke men te zijner liefde verricht! — Van den anderen kant, eene roeping verhinderen is God tegenwerken; welke dan kunnen de gevolgen zijn van dusdanige handelwijs?
Gelukkig ziet men ouders die. het voorbeeld gevende van eene volkomene onderwerping aan Gods wil, het verstand hebben hunne kinderen te waarschuwen dat zij besloten zijn zich tegen hun geluk niette verzetten, en alle vrijheid te laten wegens de roeping. Zulke ouders loopen geen gevaar van bedrogen te worden, en daarenboven verwerven zij groote vertliensten bij den Heer.
Overigens w ilt de H. Alphonsas niet, dat de jonge lieden zich lichtzinnig in eene zoo belangrijke en moeilijke zaak gedragen; hij vordert dat zij minstens eenen voorzichtigen bestuurder raadplegen, die zorgvuldig alle omstandigheden voor God overwege en onderzoeke, of. onder anderen, de ouders niet eene gewichtige reden hebben in te brengen, bij voorbeeld de groote behoefte waarin zij zich mochten bevinden. enz. Op deze wijze verwijdert men alle gevaar van een onbescheiden stap te doen.
DE VCRTALEi.
(Zi« boven de «anuiorking g 2, hl. lü.)
28
RELIGIEUZEN STAAT.
derhalve op het inwendig gebed ernstig toeleggen. Men zorge dan \'s morgens bij het opstaan een uur of ten minste een halt\' uur te mediteeren, te huis indien men daar vrij is, of anders in de kerk; insgelijks een half uur \'s avonds. 1
Om de genade te verkrijgen zijne roeping te bewaren, brenge men dagelijks, zonder er aan te ontbreken, een bezoek aan het H. Sakrament en aan de H. Maagd en men nadere tot de H. Tafel drie of minstens twee maal in de week. -
(1) Mon merke wel op dat het inwendig gebed niet door allen op dezelfde wijze moet geschieden. « Het inwendig gebed doen of mediteeren, zegt Mgr. Dechamps, is denken op de waarheden des geloofs, om zich tot de liefde Gods en de beoefening der deugden op te wekken, en om daarvoor de genade te verkrijgen door het gebed .. » Dus is het inwendig i^ebed of de meditatie niet zoo moeilijk ais men het zich .ioorgaans in de wereld voorstelt. Er mag gezegd worden dat men mediteert, zoo dikwijls men zich met God en met het werk zijner zaligheid bezig houdt, hetzij te huis, in de kerk of elders, zelfs te raidden zijner bezigheden. De H. Mis hooien en een weinig dat groot geheim overwegen, de voorbereiding en de dankzegging bij de H. Communie goed verrichten, den Kruisweg doen en het lijden van Jezus nagaan, een geestelijk boek aandachtig lezen, het Rozenhoedje bidden en ds Mysterieën voor den geest houden, over de eene of andere waarheid van ons H. Geloof nadenken, — dit alles mag voor de menschen in de wereld inwendig gebed of Meditatie heeten.
DE VERTALER.
(2) De H. Alphonsus heeft hier vooral het onstandvastig karakter der Italianen in het oog. In onze streken lette men op den staat en de omstandigheden waarin de geroepene zich bevindt; en deze mag ziel» gerust stellen met den raad zijns biechtvaders te volgen.
DE VERTALER.
29
ROKPING TOT DEN
Het voorwerp der overwegingen moot bijna altijd de roeping zelve zijn ; men overdenke hoe groot die goddelijke gunst is, en, indien men er getrouw aan beantwoordt, hoe zeer men dan zijne zaligheid verzekert ; maar ook hoe zeer men zijn eeuwig geluk in gevaar stelt zoo men de roeping verwaarloost. Het is vooral nuttig zich het oogenblik zijner dood voor te stellen, te zien welke tevredenheid men alsdan gevoelen zal indien men aan God gehoorzaamt, en welke smart, welke knaging integendeel, indien men in de wereld sterft. Tedieneindehebbenwij bijdit werkje eeuige overwegingen gevoegd, waarvan men zich bedienen kan om te mediteeren.
Men moet verder al de gebeden tot Jezus en Maria, bijzonder na de H. Communie en in de bezoeken, met het inzicht verrichten om de volharding te verkrijgen.
In alle geestelijke oefeningen, en allo communiën vooral, moet men zorgdragen, aan God het offer van zichzelven te vernieuwen, zeggende : Zie, o Heer! ik behoor niet meer mij zeiven, maar geheel U toe; ik heb mij reeds gegeven, en nogmaals schenk ik mij aan L\'. Gewaardig U mijn offer te aanvaarden, mij de kracht gevend
30
REUGÏEÜZtb! STAAT. 31
om U getrouw te blijven en zoo liaast mogelijk uw heilig huis in te treden.
3°. De ingetogenheid.
liet is noodzakelijk ingetogen te leven, maar onmogelijk is dit indien men zieh van de werelsche gezelschappen en vermaken niel verwijderen wil. Wat is er voldoende om de roeping te verliezen terwijl men in de wereld blijft? Een niet: een dag van verstrooiing, een woord van eenen vriend, eene slecht beteugelde drift, eene gehechtheid, eene vrees, eene droefgeestigheid die men niet overwinnen wil, dit is \'genoeg om al de besluiten te vernietigen die men gemaakt had van de wereld te verlaten en zich geheel aan God (e geven. Men moet zich dus in eonc volkomene ingetogenheid houden, en vaarwel zeggen aan alles wat wereldsch is: geheel het leven zij gedurende dien tijd toegewijd aan het gebed, het ontvangen derH. Sakramenten. het eenzaam verblijven te huis en het bezoeken der kerk. Wie zoo niet handelt, en zich aan de wereldsche vermaken overgeeft, moet verzekerd zijn, dat hij ongetwijfeld zijne roeping zal verliezen ; hij zal wel de knaging zijns gewetens gevoelen omdat hij zijnen roed
32 ROEPING TOT DE.V
verwaarloost, maarzeker zal hij hem niet volgen. Ach! hoe velen hebben bij gebrek aan ingetogonbeid hunne roeping en daarna hunne ziel verloren!
/x/v\\Angt;V\\/V\\rWWN\'NA/lt;Alt;V\\lt;V\\\'Vk\'Vl
SIV.
GESTELTENISSEN DIE VEREISCUT WORDEN OM DENquot; KLOOSTERLIJKEN STAAT TE OMHELZEN. (\')
Als men zich van God tot eone kloosterorde geroepen voelt, waar de regels goed onderhouden worden, \' moet men wel begrijpen, dat het doel van elk klooster is, zoo nabij mogelijk de voetstappen en voorbeelden van Jezus-Christus te volgen, die op aarde een gansch onthecht en verstorven leven vol van smarten en vernederingen geleid heeft. Bijgevolg, al wie zich voor-
\'*} Wat van bl. 32 tot bl. 67 ge/egd wordt over de roeping tot liet kloosterleven in het algemeen, geldt in de schriften van den H. Alphonsus alleen voor de leden zijner Congregatie. Hoewel dus vele punten op alle religieuze orden kunnen toegepast worden, zijn andere uitsluitend voo;* de Redemptoristen gezegd,
DE VERTALER
(I) Ik zeg: « waar de regels goed onderhouden worden »; want het i» misschien nog beter in de wereld te blijven dan in een orde te treden waar vwrslapping heerscht. — Si instilu-tum relaxatuin est, melius erit alicui, ordinarie Icqnendo, qnod in sa-culo remaneat. (Hom. Apost. Tom uit. N0. -59.]
RELIGIEUZEN STAAT. .i.j
neemt dozen heiligen staat te omhelzen, besluit terzelfder tijd daar te lijden en ziehzelven in alles te verloochenen gelijk onze Zaligmaker, aan diegenen die Hem volmaakt willen volgen, verklaard heeft. 1 Dus, om kloosterling te worden, moet men zich in het voornemen versterken van te lijden en veel te lijden opdat men laler geen gevaar loope in de bekoringen te bezwijken, als men zich door het lijden en de ongemakken van het arm en verstorven kloosterleven gedrukt zal voelen.
Er zijn er, die, bij hun intrede in eene ijverige kloostergemcente, het ware middel niet gebruiken om er den vrede te vinden en heilig te leven ; omdat zij zich alleen de voordeelen welke zij daar hopen te genieten voor oogen stellen : de eenzaamheid, de rust, bet bevrijd zijn van de last eener familie, van twist, van moeilijkheden en zorgen aangaande de behoeften des levens, woning, kost en kleederen.
lieen twijfel ol iedereen die den religieuzen staat aanvaardt, heeft veel verplichting jegens het gesticht dat hem van zoo veel onrust en tegenkanting bevrijdt en hem
vl) Si rjuis vult post me venire, nbnoget semetipsam, et ollat crueem suam, et soquutur me. v.\\lath, XVJ. Ui.
notsmo tot uen
zuü veel gemak verschaft om den lieer volmaakt iu vrede te dienen. Daarbij schenkt zij hem vele middelen om voortgang te doen in de deugd : zooals de goede voorbeelden zijner medebroeders, de vermaningen zijner oversten die onophoudelijk waken op hetgeen hem voordeelig kan zijn, de geestelijke oefeningeu die hem zoo nuttig zijn voor het eeuwig leven. Uit alles is waar; maar onwulke voordeelen niet te verliezen, moet men ook besloten zijn alle moeilijkheden te omhelzen die zich van den anderen kant in het kloosterleven voordoen, en hij die zo niet met liefde aanneemt, zal dien overvloedigen en volmaakten vrede, dat verborgen manna niet bekomen, dat de Heer volgens zijne belofte aan hen alleen doet smaken, die zich weten te overwinnen om Hem te behagen. • Want de vertroostingen welke fiod aan zijne getrouwe dienaars schenkt, zijn eene verborgene gaaf voor het oog der we-reldlingen ; het verstorven leven der religieuzen zien zij, en wel verre van hun lotte benijden, hebben zij medelijden mot hou en achten ze ongelukkig op deze darde.
\'I Vincenti dabo uianna absconditum. \'Apoc. 2, 17 . •
iikuüieuzen sïaat. ;iï
Maar, zegt de H. Bornardus, 1 indieu zij hunne ontberingen en hun lijden zien, de inwendige tevredenheid welke God hen doet gevoelen, ontdokken zij niet.
Het geestelijk leven, wel is waar, gaat vergezeld van kwellingen ; maar als men besloten is te lijden, zegt de H. Theresia, dan is het geen lijden meer; en wat meer is, de smarten zelven worden werkelijke vreugde. «Mijne dochter, sprak eens de Heer tot de H. Biigitta, mijne schatten schijnen met doornen omringd ; doch voor hem die de eerste steken verduurt, wordt alles aangenaam. » En die vreugde, welke (Jod in het gebed, bij de H. Communie, in de eenzaamheid, aan de zielen die Hij bemint, doet genieten; die verlichtingen, die vurige opwekkingen, die innige vereeni-ging met God, dien vrede des gewetens, die zoete hoop op het eeuwig leven; — wie kan ze begrijpen, tenzij degene di; ze ondervindt? «Een enkel druppel der hemel-sche vertroostingen, zeide de H. Theresia, is meer waard, dan alle troost en allo vermaken der wereld.» God, die zoo goed is en zoo milddadig, weet wel, zelfs in dit
(l) Crucem videntes, sed non otimn unctionem. (In dedie s. l.
:i(i IIOHI\'INO i\'OT DEN\'
tranendal, aan dozen die lijden om hem lo-behagen, eenen voorsmaak te bezorgen der heerlijke gelukzaligheid, die Hij hun voorbereidt. Alzoo worden juist deze woorden van David bewaarheid. 1 «Gij doet, o Heer, uw gebod voorkomen als ware het een Jast». Met ons moeiten, verveling, ja de dood zelfs in het geestelijk leven voor te stellen en ons gereed te verlangen dit alles te onderstaan, schijnt do Heer ons niets dan smarten voor te bereiden ; doch inderdaad is het zoo niet, dewijl het geestelijk leven in de ziel van alwie zich geheel aan God geeft, dien onuitsprekelijken vrede voortbrengt, welke, volgens de getuigenis van den H. Paulus, al de genoegens der wereld en der wereldlingen overtreft. - Ook zien wij dat een kloosterling in zijne arme cel, meer tevreden leeft dan de grootste vorsten in hunne paleizen. 5 «Smaakt dan, en ziet hoe zoet de Heei^is.» - Hij d ie het niet ondervonden heeft, kan het niet begrijpen.
Maar van den anderen kant, houde men zich overtuigd, dat men er nooit toe ge-
\'l) Qui fingis luborcm in prtrcepto. (Ps. 93, 20.
(2) Kxsuperaf omnem sensum. (Pliil. 4. 7.)
:i) Gustate. ot videte quoniain suavis est Dominu\'-. I\'s.
33. 9.;
P.EUGIlifJZKiV STAAT. 37
raken zal dien waren vrede te genieten, at is men ook reeds in liet klooster, indien men niet besloten is te lijden cn zich niet weet te overwinnen in alles wat aan de natuur mishaagt. « Den overwinnaar zal ik het verborgen manna geven» 1 Het is dan alleznoodzakelijkst dat hij die in eeue ijverige kloostergemeente wil opgenomen worden, zich aanbiede met het vast besluit zich geheel en al te overwinnen, en zijn hart te zuiveren van alle neigingen en begeerten die niet van God en vuor God zouden wezen. Bijgevolg moet hij zich van alles onthechten, en voornamelijk van vier zaken: 1» van zijne gemakken, 2° van zijne ouders, 3° van zijne eigenliefde, 4quot; van zijn eigen wil.
1° Onthechting van de gemakken des levens.
Behalve de belofte van zuiverheid en gehoorzaamheid, doet men, in het klooster, na het proefjaar de belofte van Armoede, door welke men zich verbindt, nooit iets, zelfs niet eene speld, noch lijfrenten, noch geld, noch wat het zij, in eigendom te bezitten. Het gesticht belast zich, eenieder van het noodige te voorzien.
1 Vincenli tlnbo manna ubseonditiim.
ROEPING TOT DKN
Maar om een waar leerling van Jezus-Christus te wezen, zal het weinig baten belofte van armoede gedaan te hebben, indien men niet van ganscher harte al de ongemakken omhelzen wil welke uit den staat van armoede voortspruiten. 1 Om de deugd die heilig maakt te bezitten, zegt de Ü. Bernardus, is het niet genoeg arm te ziju, men moet daarenboven de onaangenaamheid der armoede lief hebben. Velen zijn er, die wel arm wilden zijn en gelijkvormig aan Jezus-Christus, maar zonder aan iets gebrek te lijden, zegt de godvruchtige Thomas a Kempis. s In een woord, zij zouden de eer en belooning der armoede willen ontvangen, maar zonder er de onlusten van te verduren.
Men weet dat men in het klooster nooit overtollige zaken zal hebben, zijden klee-deren, kostbare spijzen, rijke meubelen en dergelijke voorwerpen ; niets mag men verwachten dan het noodige, en dit zelfs ontbreekt somwijlen. Maar dan ziet men ol\'een kloosterling waarlijk de armoede bemint; te weten, wanneer hij zelfs aan het noodige
{1} Non paupertas virtus reputatur, setl paupertaf s amor. (Epist. 100.:
(2 Voluut esse paupe re», sed si no lt;1 elect u.
38
nELIGtKCJZEN STAAT.
3!»
in kleeding of voedsel gebrek lijdt, en desniettemin tevreden blijft en zich niet ontstelt. Welke verdienste zou het zijn dc armoede te verdragen indien niets van het noodigeontbrak? Om wezenlijk de armoede te beminnen, zegde Pater Balthazar Alvarez, moet men er ook de gevolgen van lief hebben, zooals honger, koude, dorst, verachting. 3
Zoo moet iedereen in het klooster tevreden zijn met hetgeen hem gegeven wordt, cn het zou eene groote fout zijn iets to vragen, al had ook deuitdeeler, die er last toe heeft, het vergeten te geven ; maar wat meer is, een ieder moet bereid zijn somtijds zelfs gebrek tc lijden aan de armoedige voorwerpen welke de regel toestaat. Gebeurt het eens dat iets ontbreekt in kleeding, deksel, lijnwaad, eten, enz., dan moet men tevreden zijn met het weinige dat gegeven is, zonder klagen noch zich tc ontstellen omdat men zelfs van hel noodige niet voorzien is. Wie zoo niet gestemd is, denke er niet aan het kloosterleven te omhelzen ; dit immers is een teeken dal hij niet geroepen is, of dat hij niet van plan is
i Frigus, tumom, sitim, et eonlem[ tuin.
nOEI\'ING TOT DEX
dea geest van dien heiligen staat aan te ueraen. • Die zich in Gods huis begeeft oni Hem te dienen, zegt de Heilige Theresia, moet niet deniien er goed behandeld te worden, maar integendeel te lijdeu voor God.»
\'2°. Onthechting aan ouders en blocduer-wanlen.
Het intreden in het klooster vereischt daarenboven, dat men zich geheel en aï, met lichaam en geest, van zijne ouders onthechte; want de kloosterlijke tucht wil dat men die onthechting in den hoogslen graad beoefene, om in alles de leer van Jezus-Christus te volgen die verklaard heeft, dat Hij op aarde niet den vrede, maar het zwaard is komen brengen, en den zoon van zijnen vader, de dochter van hare moeder scheiden. \' En aanstonds gaf Hij er de reden van, toen Hij zeide dat wij aangaande de zaligheid, vijanden vinden in ons eigen huisgezin. 2 Gelijk wij hierboven liebbjn opgemerkt, is het voornamelyk bij de roeping tot het kloosterleven, wanneer bet
. (t) Non veni pacem mittere, sed gladinm; veni \'«nira separare hominem adversus patrem suuin, et liliain ad versus matrem suam. (Matth. 10. 34.)
(2) Kt inimiei homini?. douicstici ejus.
4U
IIELIGIECZEN STAAT. 41
geldt de wereld te verlaten, dat men de grootste tegensirevers ontmoet in zijne ouders; inderdaad uit eigen belangof uit hartstocht verkiezen zij moer, door de roeping hunner kinderen tegen te werken, zich de vijandschap van God op den hals te halen, dan hunne toestemming te geven. Ach ! hoe vele ongelukkige ouders zullen in het dal van Josaphat veroordeeld worden, omdat zij de genade der roeping aan hunne kinderen of aan hunne naasthestaanden deden verliezen ! en hoe vele ongelukkige kinderen zullen insgelijks verworpen worden, daar zij om hunne ouders te believen en zich van hen niet te scheiden, hunne roeping en hunne zaligheid verloren hebben ! Daarom vermaant ons de goddelijke Meester, dat alwie de voorkeur boven Hem aan zijnen vader of aan zijne moeder geeft, zijn leerling niet kan wezen. \' Mon moet dan, om in cene wel geregelde kloostergemeente te treden en ware leerling van Jezus te zijn, alle verkleefdheid aan zijne ouders afleggen.
Daarenboven wete men, dat na de professie dezelfde onthechting moet beoefend
I; Si quis venit ad me, et non odit patrem suum, et inatrem..., non potest mens esse discipulus. (Luc. I». 2»;.
ROEPING TOT DEM
worden, Mcu zal het ouderlijke huis niet meer mogen bezoeken, buiten het geval eener doodelijke ziekte van vader of moeder, of om eenige andere dringende noodzakelijkheid, en dan nog, wel te verstaan, altijd niet verlof van den overste. In het klooster zou het eene groote en ergerlijke fout zijn, zonder een uitdrukkelijk verlof, tot zijne ouders te gaan; ja zelfs zou het reeds berispenswaardig zijn, als iemand dit verlof vroeg, of slechts het verlangen te kennen gaf era zijne ouders te zien of to spreken. 1
De Heilige Carolus Borromeus zeide, dat hij telkens, als hij zijne familie ging bezoeken, minder ijverig wederkeerde. Ken kloosterling die zijne ouders uit eigen wil, en niet uit stellige gehoorzaamheid aan zijne oversten gaat bezoeken, moet dus overtuigd zijn, dat hij zich bij zijne terugkomst , of bekoord of verflauwd zal gevoelen.
Üe Heilige Vincentius a Paulo heeft mair een enkelen keer aangenomen zijn vader-
(!) Men gedenke hier het zoo veranderlijk karakter der Italianen, en hunne buitengewone gehechtheid aan do familie.
DK VERTALER.
flKLIGIEUZEN STAAT. 43
land en zijne familie terug te zien, en wel uit loutere noodzakelijkheid. Hij zeide, dat de gehechtheid aan onze geboorteplaats en het ouderlijke huis, een groot beletsel is lot den voortgang in de volmaaktheid. « Velen, voegt hij er bij, die in hun vaderland zijn teruggekeerd, hebben aan de belangen en aan de gevoelens van droefheid of vreugde hunner familie deel genomen, en zijn er in verward geraakt, gelijk eene vlieg die in het net der spin valt en zich er niet kan uittrekken. Ik zal inijzelven als getuige dezer waarheid oproepen: Nadat ik aeht of tien dagan bij mijne ouders had doorgebracht om hen in de wegen hunner zaligheid te onderrichten en van het verlangen om goederen te bezitten af te keeren hun zelfs zeggende, dat zij van mij niets moesten verwachten ; niet te min gevoelde ik op den dag van mijn vertrek zoo veel smart bij het verlaten mijner arme ouders, dat ik den geheelen weg door weende. Daarop volgde het verlangen hen te helpen, en in beteren toestand te stellen; en drie maanden lang kwelde mij deze hartstocht. Ik smeekte God mij te verlossen van deze bekoring, en ik bad Hem zoodanig dat
44 IlOEl\'IN-G TOT DKX
Hij eindelijk medelijden met mij gehad heeft.» 1
i\\og moet gij weten, dat niemand zonder verlof aan zijne ouders of vrienden mag schrijven, en zonder zijnen brief aan den overste te toonen. Een kloosterling die anders handelt, zou zich schuldig maken aan cene zeer zware fout, welke niet kan geduld worden, maar strenge straf eischt; daaruit toch konden duizend misbruikeu voortvloeien, die den ondergang der kloos-tergemeente zouden veroorzaken. Zij voornamelijk die pas aangenomen zijn, moeten wel weten dat deze regel met meer strengheid nog gedurende het proefjaar onderhouden wordt ; aan de novicen wordt moeilijk toegestaan met hunne ouders le spreken of hun te schrijven.
Eindelijk, zou het cene merkelijke fout zijn, indien een religieus door ziekte gekweld, verlof vroeg of het verlangen te kennen gaf om in zijne familie terug te keeren, ten einde daar beter verzorgd te weiden en de lucht der geboorteplaats te genieten: die lucht is bijna altijd, ja zelfs altijd nadeelig en besmettelijk voor de ziel
1
Vic par A belly, I. cli. 39
imLIGlIiLV.KX STAAT. i-a
van een kloosterling. En mocht hij zeggen dat hij bij zijne ouders wenscht opgepast te worden om het klooster niet lastig te vallen en onkosten te sparen, dan zij hij overtuigd, dat in eene religieuze orde, de zieken het voorworp zijn van al de zorgen welke de edelmoedigste broederliefde ingeeft. Indien de lucht der streek waar zij zich bevinden hun weinig gunstig is, vinden de oversten middel om hen naar een ander huis te zenden. Wat de geneesmid-deleu betreft, zou men desnoods eerder de boeken verkoopen, dan de zieken gebrek laten lijden. Zij hebben dus niet te vreezen dat de goddelijke Voorzienigheid hun tekort zal blijven. Maar als de lieer toch wil dat men niet geneze, moet men zich aan het besluit van (lod onderwerpen zonder te spreken van in zijne familie terug te kee-ren. Vooreen kloosterling is er niets weu-schelijker dan te sterven wanneer het aan (iod behaagt, in het huis des Heereu, bijgestaan van zijne ordebroeders, en niet in de wereld te midden zijner bloedverwanten.
11°. Onthechlvuj van de eigenliefde.
Men moet alle eigenliefde volstrekt af-
KOEl\'lN\'d TOT DliN\'
leggeu. Velen stemmen er in toe hun vaderland te verlaten, hunne gemakken, hunne ouders ; maar zij dragen immer de keten der eigenliefde, en dit is het nadec-ligste. Het grootste offer dat men aan God kan doen, bestaat daarin, dat men niet alleen rijkdommen, vermaken, naastbe-staanden, maar ook nog zich zclven ver-zake. Deze zelfverloochening is hetgeen dat .Iczus-Christus vooral aanbeveelt aan degenen die Hem willen volgen ; en om .dch zeiven te verloochenen, moet men vooreerst alle eigenliefde met voeten treden, en zich bereid houden alle bedenkelijke vernederingen die in het klooster kunnen voorkomen te omhelzen : bij voorbeeld, zich beneden anderen gesteld te zien, terwiji nren in hen misschien minder verdienste vindt; of als men ons onbekwaam acht tot eenige bediening, of ons belast met de laagste en moeilijkste. Men zij overtuigd, dat in het huis van God, de verhevenste en eervolste bedieningen diegene zijn welke de gehoorzaamheid oplegt. God verhoede, dat ooit iemand eenc aanzienlijke betrekking vrage of schijne te verlangen! dit ware iets vreemds in het klooster, en in dit geval zou men het verwijt van hoovaardigheid of
ItELIGIEÜZEN STAAT. /|7
lioerschzuoht verdienen, en daarom met récht moeten gestraft worden en hierin juist eene bijzondere vernedering ondergaan. Het zou misschien beter zijn eene religieuze orde te vernietigen, dan er die vervloekte pest van heerschzucht die de hloeienste kloostergemeenten en de schoonste werken fiods kan bederven, te laten binnensluipen.
Men moet zelfs zich inwendig verheugen, als men onder zijne medebroeders een voorwerp van spoten verachting wordt. Ik zeg: «zich inwendig verheugen,» want het natuurlijk gevoel kan zich daaraan niet onderwerpen ; maar om dien natuurlijken afkeer van de vernedering moet men zich niet verontrusten; het is genoeg dat zij door den geest aangenomen wordt die zich bovennatuurlijk verblijdt. En Indien een kloosterling zich aanhoudend door iedereen, niet al\'leen door zijne oversten maar ook nog door zijne gelijken ea minderen, berispt en verstorven zag, zou hij degenen die hem berispen en de goedheid hebben hem te vermanen, rechtzinnig en kalm moeten bedanken, hun zeggende dat hij voortaan oplettender zal zijn om niet in dezelfde fout te hervallen.
18 ItOEI\'IXG TOT DEN
Altijd was een der vurigste verlangens der Heiligen op aarde, zich Ier liefde voor Jezus-Christus veracht te zien. Dit alleen wenschte de Heilige Joannes van het Kruis. Onze Zaligmaker verscheen hem eens met het kruis op den schouder, en vroeg wat hij van Hem begeerde : 1 « Heer, lijden en veracht worden voor u,» was het antwoord van den Heilige. 2 De Godgeleerden zeggen niet den Heiligen Fïanciscus van Sales, aat de hoogste graad der ootmoedigheid is, in de verachting en vernedering zijn welbehagen te vinden ; en dat is ook cene der grootste verdiensten die wij bij God kunnen verwerven. Eene beschaming geduldig ter liefde Gods verdragen, zal meer waarde Lij Hem hebben dan een groot getal boete-werken en vasten.
Men wete dat er in hel klooster, zelfs in de heiligste communiteiten, altijd vernederingen te lijden zijn, of van de oversten, of van de medebroeders. Leest het leven der Heiligen, en gij zult zien hoe vele vernederingen zij te verduren hadden; zooals bij voorbeeld de heilige Francisous Regis, de eerbiedwaardige pater Franciscus
(1; Joannes, pele quid visa me, 2 Don line, itili el eon tem ui [wo fe.
RI5HGIKUZEN STAAT.
40
de llierotiyrno, pater Torres, en zoo vele anderen ! De Heer laat soms toe dat, zelfs onder de heiligen, zeker natuurlijke afkeer gevonden wordt, zonder zonde nogtans, of wel tusschen de deugdzaamste personen zeker verschil van karakter, waardoor geschiedt dat zij vele onaangenaatnheden te verdragen hebben. Ook ziet meu dikwijls zaken voor waar aan die integendeel valsch zijn, en God zelf laat dit alles toe opdat de kloosterling zich oefene in het geduld en in de ootmoedigheid.
Kortom, in het klooster zal men weinig voordeel winnen, of zelfs veel verliezen, indien men de verachtingen ea wederwaardigheden niet geduldig verdraagt. Wie dan dien heiligen staat omhelst om zich geheel aan God te geven, moet zich schamen niet eene vernedering te kunnen doorstaan in de tegenwoordigheid van Jezus Christus, die ter liefde van ons wilde met smaad verzadigd worden. 1 Op dit punt moet wel gelet worden ; men neme het besluit zich van goeder harte te onderwerpen aan alle soort van verachtingen en tegenkantingen en men boude zich bereid er
^1) Saturatus opprohriis.
4
ij O ROEPING TOT f)KN\'
vele ie verdragen die wel zeker znlleu voorkoiuen ; want deze beproevingen wanneer zij slecht aangenomen worden, kunnen eene zoo groote ontsteltenis veroorzaken dat zij de roeping en de volharding in het klooster doen verliezen. Hoe velen lieb-ben alzoo hunne roeping verloren door gebrek aan geduld in de vernederingen! Maar wat doet in den dienst van God een kloosterling die niet eens eene verachting kan verdragen uit liefde voor God? En hoe kan hij zeggen dat hij zich zeiven verloochend heeft, volgens de belofte die hij bij zijn intreden in het klooster aan Jezus-Ghristus beeft gedaan, zoolang hij tot dusverre voor de vernedering gevoelig blijft, dat bij er den vrede door verliest? Weg, verreweg van een klooster, alwie zoo zeer aan zijne eigeu-liefde gehecht is ! Het is goed dat hij zich ten spoedigste verwijdere, uit vrees dat hij de anderen door zijnen hoogmoed besmet. In het klooster moot eenieder als dood zijn, vooral aan de eigenliefde; anders is het beter öf er niet te komen, óf, indien men reeds ingetreden is, er uit te gaan. 1
(1 Men hegrijpt «lat de H. AlpUonsus hier geenszins wil spieken vnn do natuurlijke gevoeligheid des harten, die
w
IIËLIGIELZKN staat.
4°. Onlhechling van den eigen wil.
Wie den kloosterlijken staat aanvaardt, moetgeheel en al aan zijn eigen wil verzaken en dien zonder voorbehoud aan de heilige gehoorzaamheid toewijden. Dit immers is het noodzakelijkste aller offers. Waartoe zou het dienen aan gemakken, aan ouders, aan eer en grootheid vaarwel te zeggen als men in het klooster zijn eigen wil behield? Het is in deze laatste verzaking dat voornamelijk de zelfverloochening bestaat; zoo sterft men geestelijker wijze en geeft men zich geheel aan Jezus-Christus. Het offer dat Hem het meeste behaagt en dat hij vooral van een kloosterling vereischt, is het offer van het hart, dit wil zeggen, van den wil. Alle verstervingen, alle gebeden, alle verloocheningen, zouden weinig waarde hebben, zoo men zich niet geheel en zon-óer uitzondering van zijn eigen wil ont-h echtte.
groot kan zijn, ofschoon de wil zeer goed is; maar alleen van de kwade gesteltenis van den geest, die zich niet wil verneder en noch verbeteren. Op vele plaatsen zijner werken, geeft de heilige leeraar dit duidelijk te verstaan. « Laat lt;1»! hoovaardigheid nooit heerschen in uw gemoed of in uwe woorden ; want uit haar is alle verderf gesproten.» (Tobias, IV. U.)
DE VERTALER.
:;i
32 UOKI\'lN\'fi TOT DEN\'
Het is zeker dat daarin onze grootste verdienste bij God bestaat, en dat. dit het eenige, maar ook een zeker middel is, om Hom in alles te bevallen; daardoor kan een ieder zeggen met Jezus onzen Zaligmaker: « Ik doe altijd wat Hem behagelijk is.» \'Inderdaad, de kloosterling die geen eigen wil beeft, kan zeggen met betrouwen dat hij in alles wat hij.doet, altijd den wil van God volbrengt, hetzij hij studeere, of biecht hoore ; hetzij hij zich begeve naar de eetzaal, ol ter rust, of zijne ontspann.ng neme ; want in het klooster is er bijna niet eene beweging, niet eene ademhaling, die niet geschiedt uit gehoorzaamheid aan den regel of aan de bevelen der oversten.
De wereldlingen en zelfs zekere personen die zich op het geestelijk leven toeleggen, begrijpen maar weinig de waarde van dit leven van gehoorzaamheid dat men in het klooster leidt. Men vindt er, wel is waar, ook buiten den religieuzen staat, vélen die groote lasten en zwaren arbeid verduren, en die misschien meer doen dan degenen die onder de gehoorzaamheid leven; zij prediken, versterven zich, bidden ea vas-
l Ego qua.\' plnoitn sunt oi, facio semper. Jo. MIT. 2».
niiUGlKOZliN STAAT. gt;gt;3
tea; maar in dit alles heeft hun eigen wil een groot cn misschien het grootste aandeel. Geve God dat zij op den dag des oordeels niet moeten zuchten, gelijk dezen van wie do heilige Schrift ons leert, dat de Heer hunne goede werken zal weigeren te erkennen, omdat zij in alles hun eigen wil gevolgd hebben. 1 «Ach! roept do heilige Uornardus uit, wat is de eigen wil toch een groot kwaad, dewijl hij bewerkt dat het rrocdwat wij doen, van geene waarde is .» -Zoo geschiedt het, wanneer men in zijne werken, in plaats van God, zich zeiven zoekt; hij echter die alles uit gehoorzaamheid doet, is verzekerd in alles aan God te behagen.
Do eerbiedwaardige Maria van Jezus zeiue dat vooral twee zaken haar de roeping tot het kloosterleven uiterst kostbaar maakten: vooreerst dat zij in het klooster gedurig de tegenwoordigheid en het gezelschap van Jezus-Christus in het II. Sacrament des Altaars genoot; ten tweede, dat zij daar geheel aan God toebehoorde, daar zij den
1
Quare jejunavimus, et uoa aspexisli?
animas nostras, et nescisti? - Tteo n. lt;lic jojutui »«.til •»-venitur voluntas vestra. (Is. LVIU. 3.)
ItOEl\'ING TUT DEN
oigcu wil slaclitofTerde door de heilige gehoorzaam lieid.
Pater Rodriguez 1 verhaalt, dat de Heer na de dood van Dositheus, leerling vau den heiligen Dorothens, in eene openbaring deed kennen, dat die religieus, ofschoon hij om zijnen aanhoudend zieke-1 ij ken toestand de gewone verstervingen dsr overige monniken niet had kunaen verrichten, nogtans dezelfde belooning had verdiend als de Heilige Paulüs eremijt en de heilige Antonius Abt; en dit krachtens do gehoorzaamheid die hij gedurende vijf jaren beoefend had.
04
Wie dus in een klooster denkt te treden, moet het voornemen maken zich geheel van zijn eigen wil te ontdoen en niets willen dan wat de heilige gehoorzaamheid vordert. God beware iederen kloosterling van ooit deze woorden uit te spreken: Ik wil -— of: Ik wil niet I — Maar in alle om standigheden, zelfs wanneer zijne oversten hem zouden ondervragen over hetgene hij verlangt, moet hij zich vergenoegen met het antwoord : Ik wil wat de gehoorzaamheid vraagt. — Zoolang het niet duidelijk
r Perf. Ohrut. p. :J. Ir. ö. ch. I.
RELIGIEUZEN STAAT.
blijkt dat hetgeen hem wordt opgelegd zonde is, moet hij iu alles blindelings en zonder onderzoek gehoorzamen; waut de zorg otn de zaak en do twijfels le onderzoeken behoort aan de oversten en niet aan hem. Anders zal de gehoorzaamheid van een kloosterling die zijn oordeel niet onderwerpt aan dit zijner oversten, onvolmaakt wezen. l)e heilige Ignatius van Loyola zeide, dat in zaken van gehoorzaamheid, do voorzichtigheid niet aan de onderdanen, maar wel aan de oversten behoort; en zoo er in de gehoorzaamheid cenigo voorzichtigheid is, dan bestaat die in te gehoorzamen zonder voorzichtigheid. — De volmaakte gehoorzaamheid onderzoek niet, zegt de heilige Bernardns. 1 Onmoget lijk is het, voegt hij er bij, dat eene voorzichtige novice lang in eene religieuze vergadering blijve;s omdat het uan de over sten toekomt te oordeelen, de plicht echter der onderdanen is te gehoorzamen. ■\'
Maar om deze deugd van gehoorzaamheid, waarvan alles afhangt, wel te beoe-
T* Perfecta obedientia est ih discretu. do Vita sol. c. ü.}
\'2\'; Novitiura pradentem iu congregaliouedurare iuipus-* si bi lie est. (ibid.;
\'3) Oisccrnci\'o Superioris est, alioruui est obedire \'jbid}.
iö
/
50 ROEPING TOT DEN
fenen, moet men gedurig bereid zijn alles te verrichten waarvoor men den meesten tegenzin gevoelt, en van een anderen kant, geduldig de weigering te verdragen van al wat men vraagt of verlangt. Het gebeurt, wanneer men in de eenzaamheid zou willen blijven om zich op het gebed of op de studie toe te leggen, dat men dan het meest voor uitwendige werkzaamheden gebezigd wordt. Men leidt, wel is waar, iti het klooster een zoo veel mogelijk afgezonderd leven wanneer men te huis is; te dien einde worden lange uren toegewijd aan de ingetogenheid; daarom nog zijn er jaarlijks tien dagen geestelijke oefeningen in eene volstrekte stilzwijgendheid, als ook één dag elke maand, behalve de afzondering van veertien dagen die de kleeding, en eene dergelijke die de professie vooral-gaat ; niettegenstaande dit alles moet men in eene vergadering van priesters toegewijd aan de bedieningen van hun heilig ambt en aan de zaligheid der zielen , ziüh te vreden stellen met de gebeden en de oefeningen der gemeente wanneer men uit gehoorzaamheid gedurig met werkzaamheden overladen is. Wat meer is, men moet somwijlen, als het de gehoorzaamheid ver-
REUGIliUZEN STAAT. O .
oischt, bereid zijn de gemeenschappelijke oefeningen achter te laten, zonder tegenspraak of ongerustheid, zoo toonend dat men waarlijk de voortreffelijke woorden van de heilige Magdalena van Pazzi begrijpt: \'(Alles wat uit gehoorzaamheid gedaan wordt is wezenlijk bidden.»
S V.
VAX üli BEPROEVINGEN WAAROP MEN ZICH TE VERWACHTEN HEEFT IN HET KLOOSTERLEVEN.
Wanneer iemand het klooster reeds is ingetreden, zelfs met een waren roep en nadat hij alle driften en aardsche genegenheden overwonnen heeft, moet hij zich niettemin verwachten op niéuwe bekoringen en op zekere beproevingen zooals tegenzin, duisterheden, ijdele vrees enz. die hem (Jod zelf zal overzenden, om hem nog meer in zijne roeping te bevestigen. Wij weten dat de heiligen die het meest aan hunnen roep gehecht waren, in dit punt soms zware onzekerheden hebben ondervonden, zoodanig dat het hun scheen alsof zij zich bedrogen hadden, en in den religieuzen staat niet konden zalig worden. Dit overkwam de
38 roeping tot des
heilige Tlieresia, den lieiligen Joannes van het kruis, de eerbiedwaardige moeder De Chantal; maarzij namen hunne toevlucht tot God, werden verhoord en bevrijd van die ongerustheid, en vonden den vrede terug. Zoo beproeft do Heer diegenen, die Hij het meest bemint, opdat de oprechtheid hunner liefde jegens Hem uitschijne, gelijk verklaard werd aan Tobias: «Omdat gij aan God aangenaam waart, was het noodig ii door bekoring op de proef te stellen.» 1Kn in het Deutoronomium : « Lie Heer uw God beproeft n, opdat het blijke of gij Hem bemint of niet.»2
Alwie den religieuzen staat omhelst, moet zich dus voorbereiden om zijne beproevingen door te staan. Soms zal hij zich inbeelden dat hij de strengheid van den regel niet zal kunnen verdragen, noch den vrede wadervinden, noch zelfs in dien levensstaat zijne zaligheid bewerken. Men moet vooral op zijne hoede zijn, wanneer de bekoring, ten einde iemand aan zijnen roep te doen verzaken, zich voordoet onder zekere voor-
1
Quia acceptus eras Üeo, necosse tuit ut teutntio m-obare te. Tob. XII. 13-.
2
(2) Ten fat vos Domiuus Deus. ut palam Gat utram dili--i-atis eum, au nou. (Üeut. XIII. .V.
RELIGIEUZEN STAAT.
wendsels van gewetensangst of van een grooter geestelijk nut.
Tegen dusdanige bekoringen zijn twee voorname middels.
Eerste middel, de toevlucht tot God.
Het eerste middel is liet gebed ; Gods tegenwoordigheid verdrijft de duisternissen : « Nadert tot Hem, en gij zult verlicht worden.» 1 Wie tot (ïod zijne toevlucht neemt \' /al ongetwijfeld de bekoring overwinnen ; maar zonder dit middel is het onmogelijk dat men niet bezwijke. Hier valt nogtans op te merken dat het niet altijd genoeg is zich aan God een maal, of gedurende eenige dagen aan te bevelen, om de overwinning te behalen; de Heer zal misschien toelaten, dat zelfs na het gebed, de beproeving nog verscheidene weken, maanden of geheele jaren blijve voortduren : maar wij moeten overtuigd wezen dat hij, die God voortdurend aanroept, ten laatste zeker zal verlicht worden en zegevieren ; dan zal hij eene volmaaktere rust genielen en meer bevestigd zijn in zijnen roep.
59
Zoolang men dien storm, waarvan bijna
j) Accedite ad euui, ef illuiniuamiui. (Ps, XXXIII. 6 .
GO UOEl\'ING TOT DUX .
niemand vrij is, niet heeft doorstaan, moet men niet denken in zekerheid te zijn. Men wete dat het nutteloos is in dien tijd van duisternis zijnen ijver te willen opwekken ot zich door redeneeringen te verlichten ; want in dien toestand waarin men zich bevindt, ziet men anders niet dan verwarring. Alsdan moet men zich vergenoegen tot God te zeggen : « Heer! help mij, Heer! sta mij bij; en ook dikwijls Maria aanroepen, de Moeder der volharding, zijn betrouwen stellende op de goddelijke belofte : «Vraagt en gij zult verkrijgen.»1 Het is zeker da\' hij die met de genade C!ods zegepralend uit dergelijke beproeving is gekomen, zich des te geruster en sterker gevoelt in zijne roeping.
Tweede middel, de toevlucht tut zijne oversten.
Het tweede even krachtig en noodzakelijk middel in dergelijke bekoringen, bestaat hierin, dat men aan zijne oversten of aan zijnen biechtvader bekend make wat men gevoelt, en dat wel zonder toeven, vóór de bekoring in kracht hebbe toegenomen. De heilige Philippus Nerius zeide, dat
(1} Petite et accipietis. (Jo. XVI. 2\'»].
ntXIGIECZEX STAAT. (i I
dn bekoring, wanneer men ze openbaart reeds half overwonnen is. Daarentegen in zulk geval, is er geen grooter gevaar, dan zijne bekoring den Oversten te verzwijgen ; dan toch onttrekt Gud van den eenen kant zijn licht, om de weinige gehoorzaamheid die de religieus Hom toont met zijne kwaal niet te willen bekend maken ; en van een anderen kant de bekoring wordt sterker zoolang do mijn niet ontdekt en verijdeld is.
Het is dus zeker dat alwie bekoringen heeft tegen zijne roeping en ze niet te kennen geeft, groot gevaar loopt van zijne roeping te verliezen.
Laat ons wel begrijpen, dat in het klooster de bekoringen tegen de roeping denood-lottigste zijn welke de hel verwekken kan ; want, indien de duivel hierin slaagt, behaalt hij in een keer verscheidene overwinningen. Inderdaad, zoo een kloosterling zijne roeping verliest en zijnen staat verlaat, wat goeds kan hij nog uitrichten op de wogen (iods? i)c vijand, wol is waar, geeft hem in, dat hij buiten het klooster vrijer en geruster geworden, meer goed zal kunnen doen; maar het is integendeel zeker dat zijn hart aanstonds zal worden aangegrepen door wroegingen die hem nooit de
Cï BOEPISO TOT riE\\
uiinste rust willen lafen. En geve God dat die knagingen hem gedurende de gansche eeuwigheid niet blijven kwellen in de hel, waarin, gelijk wij hierboven gezegd hebben, het zoo gemakkelijk is te vallen, als men zich door zijne eigene schuld van zijue roeping verwijdert! Bovendien zal hij, ten opzichte van het goed dat hij nog zal kunnen doen, zoo ontmoedigd zijn en zoo koud, dat hem zelfs de kracht zal ontbreken, om zijne oogen ten hemel te verheffen, tieen wonder dat hij dan het inwendig gebed geheel achterlaat ; want telkens dat hij zich voorneemt het te doen, zal hij eene hel van verwijten te verduren hebben ; hij zal de knagingen hooren van zijn geweten, dat hem in het diepste des harten toeroept; — a Ongelukkige ! wat hebt gij gedaan? Mot uwe roeping te verliezen, hebt gij God verlaten! En waarvoor ? om uwe drift te bevredigen 1 om aan uwe ouders te behagen ! — Hij zij verzekerd dat dei.e ver-wijtingen hem zullen vergezellen gedurende heel zijn leven, maar vooral in het uur der dood bij het zien der eeuwigheid, wanneer in plaats van te sterven in Gods huis, omringd van zijne goede medebroeders, hij den geest zal geven buiten zijne
BKUGIEUZEN STAAT. 6,\'!
roeping, missr.liicn in zijn eigen huis, te midden zijner bloedverwanten wier ijdele voldoening hij boven het welbehagen van God gesteld heeft.
Dat de kloosterlingen nooit ophouden den Heer te smeeken, hen liever te doen sterven dan ze te laten vallen in dit tn\'ferste ongeluk, waarvan de gevolgen ten pijnlijk-slegevoeld worden in het stervensuur, wanneer men goed erkent dat er voor de kwaal geen geneesmiddel meer bestaat! Ook, als men tegen zijnen roep bekoord wordt, kan men geene betere overweging doen, zoolang die beproeving duurt, dan te beschouwen welke kwelling men in de laatste oogenblikken zou te lijden hebben ; welke spijt het is zijne roeping verloren te hebben om eene nietigheid; welke droefheid, fe zien dat men door zijne eigene schuld buiten de wegen Cods sterft.
BESLUIT.
Kortom, alwie den religieuzen slaat omhelzen wil, moet het besluit nemen zich te heiligen, en alle uitwendig en inwendig lijden te verduren om aan (jod getrouw te blijven cn nooit zijne roeping te verliezen.
(U ROKPING TOT DES\'
Indien hij dit voornemen niet gemaalit heeft, raad ik hem aan, zijne oversten en zich zelven niet te bedriegen, en bijgevolg het klooster niet in te treden ; want dit is een teeken dat hij er niet toe geroepen is, of dat hij niet, gelijk het zijn moet, aan
zijne roeping wil beantwoorden ; en dit is nog een grooter kwaad. Zoolang men niet behoorlijk gestemd is, is het beter te wachten, ten einde zich voor te bereiden gelijk het betaamt, en tot het vast besluit te komen zich geheel aan God te geven en alles voor Hem te lijden. Door anders te haa-delen benadeeligt men zich zelven en ook het gesticht waar men intreedt; want men stelt zich in groot gevaar er uit te gaan, en dan, behalve de minachting der wereld, die men zich op den hals trekt, blijft men voor God plichtig aan eene grootere ongetrouw-heid jegens zijnen roep, en men verliest de hoop voortaan op den weg der deugd voortgang te kunnen doen. God weet welke schade en hoe menige val deze eerste ongenade moeten volgen !
Van den anderen kant, hoe schoon is het in het kloosterzielen te zien zonder voorbehoud aan God toegewijd, die leven in de wereld, maar als huiten de wereld, en
HELIGIEÜZE.N STAAT. 03
geene andere gedachten hebben dau aan den Heer te behagen 1
In den religieuzen staat moet ieder slechts leven voor de eeuwigheid. O! wat geluk voor ons, zoo wij de weinige dagen die wij op aarde door te brengen hebben, aan God schenken ! Zij vooral, moeten zoo handelen die reeds een groot gedeelte van hun leven in de wereld verloren hebben. Stellen wij ons de eeuwigheid voor oogen; dan zullen wij bereid zijn alles met gelatenheid en zelfs mot blijdschap te lijden.
Danken wij den Heer, die ons zoo overvloedig licht en hulp verleent om Hem volmaakt te beminnen; Hij gewaardigde zich onder zoo vele anderen ons te kiezen om in het klooster Hem te dienen, en schonk ons de genade zijner heilige liefde ! Leggen wij ons dan met ijver toe op de beoefening der deugden om ons in zijne oogen aangenaam te maken ; denken wij, gelijk de heilige Theresia aan hare dochters zeide, dat wij, door te verzaken aau de wereld en aan de aardsche goederen, met Gods genade misschien deu moeilijksteu stap reeds gezet hebben om tot do heiligheid te geraken; het gemakkelijkste blijft ons nu nog te doen om heilig te worden. Ik houd hel
(if, ROKPINT. TOT DEX
voor zeker, dat Jozus-Christus in den hemel eene verhevene plaats bereid heeft voor dezen die in het klooster sterven. Hier benedon zullen wij arm zijn en veracht, voor onnoozel en dwaas gehouden worden; maar in hot ander leven zal alles anders zijn.
Bevelen wij ons onophoudelijk aan onzen zeer ininnenden Verlosser verborgen in het Heilig Sacrament des Altaars, alsmede aan de Allerheiligste Maagd, daar wij als kloosterling oeue gansch bijzondere liefde voor Jezus in het Heilig Sacrament en voor do Onbevlekte Maagd Maria aan den dag moeten leggen. Stellen wij ons vertrouwen op Jezus-Christus die ons tot zijne hovelingen heeft uitverkoren; wij kunnen het klaarblijkelijk besluiten uit de bescherming welke Mij aan zijne religieuze gestichten verleent en aan ieder die er lid van is; wat hebben wij dan te vreezen ? « Do Heer is mijn licht en mijn heil: wien zal ik vreezen ?»1
lieer, voltrek uw werk: Geef tel uwe glorie dat wij geheel ü tocbehooren, zoodat
1
Dominus illuminalin mo;i ot «alnsmea: quern timp (!•*. 2(1.1.;
BKUG1EUZKX STAAT. CM
al do ietleu uwer kloosters hol geluk heli-ben U eeu groot getal zielen te winnen en tot op den dag des oordeels in alles te behagen. Amen. Amen.
OVERWEGINGEN
VOOR IIEH
DIE TOT DEN RELIGIEUZEN STAAT GEROEPEN ZUN.
1« OVERWEGING.
UOIÏZEKR DE ZALIGHEID (l.NZKIl ZIEL IN DEX BELT-GIKL\'ZEN\' STAAT VERZEKEUD TS.
Om la bcgrijpou boe gewichtig de eeuwige zaligheid onzer ziel is, behoeft men slechls het geloof\' te hebben en te overwegen dat wij maar ééne ziel hebben ; ziel verloren is alles verloren, al ware men meester van geheel de wereld. «Wat toch baat het den niensch, zoo hij df geheele wereld wint, maar zijne ziel verliest?» 1 Het is deze groote grondregel van het Evangelie die zoo vele jongelingen bewogen heeft, ol wel zich in een klooster op te sluiten, of h.iu leven in de woestijn door te brengen, of hun bloed door de marteldood voor .lezus-Christus ten beste te geven. Zij zeiden bij
1
Quid onini prodost honiiui, si murnlmn universum lucretur, auluia\' vero suu: ü^trimentuiu patiutur? (,S. Mattli. 10. 20,1
DE ZALIGHEID ONZER ZIEL.
69
zich zolvcu : Waartoe dient liet de ganschc wereld te bezitten en al de goederen der aarde te genieten in dit leven dat weldra ten einde is, als men verdoerad en ongelukkig wordt in het andere leven dat nooit eindigen zal?-—Zoo veel rijken, zooveel vorsten, zoo veel mogendheden zijn thans in de hel! wat blijft hun over van al wat zij in deze wereld genoten hebben, tenzij eene hevigere pijn, eene verschrikkelijkere wanhoop? Nu weenen zij in hunne ellende r Helaas 1 alles is voor ons verloren ! \' Ja, alles is voor hen verdwenen als eene schaduw, als een droom; en de straf die zij moeten ondergaan, duurt reeds zoo vele jaren en zal eeuwig dureu !
« De gedaante dezer wereld vergaat.» Deze wereld is een tooneel waarop alles snel voorbijgaat; gelukkig hij die er zijne rol zoo tracht te spelen, dat hij in het ander leven, dat geen einde heeft, zich goed weet voor te doen ! Er zal hem weinig aan gelegen zijn of hij bier op aarde arm, veracht, vervolgd was, wanneer hij zich met geluk en eer zal overladen zien, en voor altijd als
( O Transicfunt omnia ilia (anquam umbra. ;Sap. Ö. 0.) (i) I\'nrterit ligura hiijus muiuli. (I Cor. 7. 31.)
lc OVERWKGl.XG.
koning des beuiels aangesteld, zoolang God God zal wezen! Heeft God ons in de wereld geplaatst en doet hij ons op aarde leven, het is alleen om er, niet vergankelijke, maar eeuwige goederen te verzamelen ; want het eeuwige leven heeft hij ons ten einde gesteld. 1
Dit is het eenig doel welk ieder mensch zich in dit leven moet voorstellen ; maar ongelukkiglijk, in de wereld denkt men weinig of bijna niet aan het eeuwige leven. Te midden der duisternissen van dit Egypte zoeken de meeste menschen niets anders dan zich eer en vermaak te verschaffen; daarvan komt het verlies van een zoo groot aantal zielen. 2 Hoe weinig zijn er die zich ernstig bezig houden met de overweging der dood waarmede het tooneel des levens eindigt, die denken aan de eeuwigheid die ons wacht, en aan hetgeen God ter onze liefde gedaan heeft! Daarvan ook, dat zoo vele ongolukkigen verre van God leven als blinden, als redeloozc dieren; zij vestigen hunne oogen alleen op aardsche zaken, zonder aan God te denken, zonder naar zijne
7(1
1
Finem vero, vitam joternam. (Rom. C. 22.)
2
Deaolationc desolata est omiiis tciro, «niia nuKu* t;s •]iii recogilet cordc. (Jer. 12. II.)
DE ZALIGHEID ONZER ZIEL. \' \'
liefde te verlangen, zonder de eeuwigheid voor den geest to hebben ! Zoo komen zij tot eene rampzalige dood, die niets anders is dan het begin eenor eeuwige dood en van een ongeluk zonder einde ; daar openen zij eindelijk do oogen, maar alleen om voor altijd hunne dwaasheid te betreuren.
Ziehier het groot middel ter zaligheid dat do religieuze staat ons aanbiedt; men overweegt er onophoudelijk do eeuwige waarheden, waardoor men zeker hot leven der genade bewaart: «Gedenk uwe uitersten en gij zult in eeuwigheid niet zondigen.» 4 In ieder wei geregeld klooster heeft die oefening dagelijks, on meermalen zelfs door den dag, plaats. Ook, bij hot helder licht dat do goddelijke zaken er gedurig verspreiden, is het om zoo te zeggen onmogelijk van God verwijderd te loven, ten minste gedurende langen tijd, en zonder zijne rekeningen in orde te houden voor de eeuwigheid.
GEBED.
Mijn God ! ik die IJ meer dan anderen heb boleedigd, en eerder dan zij de boroo-
I I) Muinorure iiovissiina lu.i, ot in ».\'leriium 11011 pcccabis
72 1° OVERWEGING.
ving van uw goddelijk licht verdiende, welke aanspraak konde ik maken op deze groole gunst uwer barmhartigheid bij voorkeur onder zoo vele anderen, die Gij temidden der wereld laat leven, tot dc eer geroepen te worden in uw heilig huis van zoo nabij U te dienen? Geef, o Heer, dat ik de grootheid dezer weldaad naar waarde schatte, opdat ik nimmer ophoude U daarvoor te bedanken, gelijk ik het voornemen heb altoos te doen in mijn leveren gedurende de gansche eeuwigheid. Ach ! gedoog niet dat ik aan de erkentenis, die ik U verschuldigd ben te kort blijve. Dewijl gij mij zoo zeer begunstigd hebt, en U hebt gc-waardigd mij boven anderen in uwe liefde den voorraug te geven, is het wel billijk dat ik U met meer ijver en met meer liefde dan anderen diene. Gij wilt, o mijn Jezus! dat ik U geheel toebehoore; ik schenk mij aan U zonder voorbehoud. Neem mij aan, en bewaar mij voortaan als uw eigendom, dewijl ik over mij zeiven niet meer beschikken kan. Voltrek het werk dat Gij begonnen hebt. Gij hebt mij in uw huis geroepen, opdat ik mij heiligen zou ; maak dan dat ik worde hetgeen gij van mij verlangt. — Doe het, o eeuwige Vader! Ver-
GELUK IX HET UUR DER DOOD. 73
leen mij die genade ter liefde van Jeius-Cliristus, in Wien ik al mijn betrouwen stel. Ik bemin U, mijn opperste Heer! ik bemin U, oneindige Godheid ! Ik bemin en wil altijd ii alleen beminnen.
11« OVERWEGIMi.
GELUK DER KLOOSTERLINGEN IN HET UUR DER DÓÓD.
«Zalig zijn de dooden, die in den Heer sterven.» 1 Wie zijn die gelukzalige dooden die in den Heer sterven? Wie anders dan de kloosterlingen die op het einde van hun leven als reeds gestorven zijn, dewijl zij, bij hunne beloften, zich van de wereld en van al hare goederen onthecht hebben\'?
Overweeg, mijn broeder, hoe tevreden gij zult zijn, indien gij uwen roep volgt en het geluk hebt in Gods huis te sterven. — De duivel zal niet nalaten u voor te stellen als gij u in het huis des lleeren begeeft, dat bet u wellicht zal berouwen uwe familie en uw vaderland te verlaten, en uwe ouders te berooven van de voordeelen die zij van u konden verwachten. Maar spreek tot u
(1; Beati mortui, qui in Doruino moriuntur. (Apoc. 14.13.)
7i 2quot; OVERWEGING.
zeiven ; Zal hot mij in liet uur der dood leed zijn of gelukkig maken, mijn besluit te liebben uitgevoerd? •— Verbeeld u dan, bid ik u, dat gij gaat sterven en voor de rechtbank van Jezus-Christus verschijnen ; overweeg wat gij verkiezen zondt, indien gij zoo verre waart. Zoudt gij misfclüen verlangen uwe ouders voldaan te hebben, aan uwe familie of aan uw vaderland nuttig geweest te zijn, en te sterven omringd van uwe broeders, vrienden en verwanten; zoudt gij wellicht wenschen in uw huis te hebben geleefd, geëerd als pastoor, kanunnik, bisschop of minister, zonder anderen regel dan u,ven wil ? ol zoudt gij niet veeleer begeeren in het huis van (^od te sterven, te midden uwer goede medebroeders die u aanmoedigen en helpen in den grootou overtocht, nadat gij lange jaren liebt geleefd in de beoefening der godsvrucht,der ootmoedigheid, der versterving; nadat gij aan allo goederen verzaakt hebt, en verre van uwe ouders sterft, zonder eigenwil, in gehoorzaamheid en volkomsne onthechting aan het aardsche: — dit toch zijn omstandigheden die de dood zacht maken en beminnelijk.
Wanneer men gewoon is zich van hut
CliLUK IN HET DUU DER DUOLl. I•gt;
aardscho genot to onthouden, zegt do heilige Bernardus, verlaat men de wereld zotider eenigen spijt. 1 llonorius II betreurde het in zijn stervensuur dat hij, in stedo van op den pauselij ken troon te zijn ge-plaatst, niet liever als religieus was bezig gebleven do schotels van het arme klooster to w-asschen. Pbilippus II wensebte bij zijne dood slechts een nederige broeder geweest te zijn, die in een klooster God diende, in plaats van als vorst geregeerd te hebben. Pbilippus III, ook koning van Spanje, riep in zijne laatste stonden uit: «Ach, had ik God in eene woestijn gediend in stede dat ik koning was, ik zou met meer vertrouwen voor den rechterstoel van .Ïezus-Gbris-i lus verschijnen ! t
Wanneer de hel u dan bekoort om uwe roeping te verlaten, denk aan de dood, verbeeld u in dal uiterste oogenblik te zijn. dat over uwe eeuwigheid beslissen moet. Door dit middel zult gij alle bekoringen overwinnen, aan God getrouw blijven, en voorzeker, wel verre van het u te beklagen in het stervensuur, zult gij er den Heer on-
(T, Qui consuevit se dclectationibus mundi privarc, imin-dnm desererc oon seutiet.
2quot; A quo pendet {clcrnila?.
7ö 2e OVEilWEGING.
uphoudelijk voor dauken; gij zult gerust leven en sterven. — Gerardus, broeder van den heiligen Bernardus, stierf ai zingerde, verblijd in liet huis van God te ontslapen.
Pater Suarez, van de Societeit van Jezus, gevoelde een zoo groot genoegen en dns-danigen troost in het klooster te sterven, dat hij zeide: «Ik wist niet dat sterven zoo zoet was.» 1
Een ander Jezuïet, als hot laatste oogen-blik nabij was, begon hartelijk te lachen; en toen men hem vroeg wat hem zoo vroo-lijk maakte, antwoordde hij : « Hoe zou ik niet lachen? Heeft Jeins-Christus niet den hoincl beloofd aan alwie ter zijne liefde alles verzaakt? heeft Hij niet gezegd dat men honderdvoudig zal beloond worden voor heigeen men om Zijnen naam verlaten heeft, en dat men het eeuwig leven zal bezitten? 2 Ik heb alles om God verlaten ; en God is getrouw. Hij kan aan Zijne beloften niet te kort blijven. Hoe dan, besloot hij, zou ik niet vroolijk zijn, hoe zon ik niet lachen terwijl ik mij van den hemel verzekerd zie?»
1
Non putabam tam dulce esse mori.
2
\'•21 Centuplum accipiet, c\'. Tltam a;ternain poss debit (ilatlh. 19. 29.)
CELUK IN IIKT UITR DER DriOD.
Eenige jaren geleden, vroeg men aan een leekebroeder die op sterven lag, wat hij het meeste verlangde : «Ik verlang niets anders, antwoordde hij, dan te sterven en met God vereenigd te worden. igt;
Pater Januarius Sarnelli, weinige oogen-blikken voor zijne dood, sprak ia dezer voege tot (lod. «Heer! Gij weet dat al mijne werken, al mijne gedachten, ter Uwer eer zijn geweest; thans verzucht ik naar het oogenblik waarop ik ü van aanschijn tot aanschijn zal zien, indien dit uw welbehagen is.» Daarna voegde hij er bij : «Welaan, ik geef mij aan een zachten doodstrijd over.» Aanstonds begon hij eene teedere samenspraak met God , en kort daarna ontsliep hij zacht in den Heer, met een glimlach op de lippen. Van dit oogenblik begon zijn lichaam een zoeten geur te verspreiden, die, gelijk de getuigen hel verklaard hebben, gedurende verscheidene dagen de kamer vervulde waar hij gestorven was.
De heilige Bernardns heeft dan wel reden, wanneer hij den lof van den religieuzen staat verkondigt, uit te roepen : « Gelukkig leven, waarin men de dood afwacht
TS OVERWEGING.
zonder vrees, waarin men die zolt\'s verlangt
en met liefde aanneemt! » 1
GEBED.
Mijn dierbare Heer, Jezns-Christus, die, om mij eene goede dood te bezorgen, voor 1\' zelveu een zoo smartvol sterven hebt verkozen! Dewijl Gij mij zoo zeer bemind en bij voorkeur bestemd hebt om nader de voetstappen van uw heilig loven te volgen ten einde mij inniger met uw teedervolle hart vereenigd te zien, ik bid U, hecht mij met de zoele banden uwer liefde zoodanig aan U vast, dat ik nimmer meer vau ü af-wijke. O mijn allerliefste Verlosser! ik verlang vurig U mijne erkentenis te beluigen en aan eene zoo groote genade te beantwoorden : maar ik vrees dat ik door mijne zwakheid ongetrouw worde.
Ach! laat ilit niet toe mijn Jezus ! en doe mij veeleer sterven dan dat ik mij van U verwijdere en de bijzondere liefde ver-ge te die Gij mij hebt toegedragen.
Ik bemin U, mijn lieve Zaligmaker! Gij zijt en zult altijd de eenige Meester wezen
1
O vita secura, ubi absque formidine mors exspeelatur. immoet oxoptatur cnm flulcedine, er excipitur enra lt;lovo-lione ! (Ad Mil. T. «*. 1.)
liUKLNIXG L\\\' DEN DAG lllï\' I lORDKBI.-. i .•
vau mijn liart cn van mijuc ziel. Ik verzaak aan alles, en L\' alleen kies ik mij teu schat, o Lam Gods, allerzuiverste Lam, en vol liefde voor mij. \'—Verre van mij, nietige schepselen, mijn eenig goed is God; Hij is mijne liefde, mijn Al. — Ik bemin 13, miju Jezus! Aan uwe liefde wil ik al den tijd, kort of lang, dien ik nog te he-levon heli, toewijden, ik omhels II, endrnk l! op mijn hart, met IJ vereenigd wil ik sterven. Ziehier de genade welke ik IT vraag, ik verlang niets anders : maak dat ik altijd leve, brandend van liefde tot L1; en wanneer mijn laatste uur zal komen, maak dat ik sterve in eene vurige akte dezer heilige liefde.
0 onbevlekte Maagd ! Verkrijg mij deze genade: ik verwaeht die van U.
rW/WWW. -N.-/V\'.WA/V\'NA/VAA/VNrtlXAA Vl/WW/VA/WWW /VWW/W W/V\\^
IIIquot; OVÉKWEGING.
IIEKKXISC, WELKE HIJ DIE AAN ZIJNEN ROEI\' NIET GEHOORZAAMT, ZAL MOETEN AFLEGGEN VOOR .TEZtlS-CHRISTUS IN DEN DAG DES OOH-DEKLS.
De genade van de roeping tot den reli-
(1 Dilectiis mcus candiilus cl nil.icmirlu?, olectus m mil-libii\'s. (Cftiit. 10.)
80 , 3e OVER WEG 1X0.
gieuzea slaat, is geen gewone genade; zij is zeer zeldzaam, (Jod schenkt die aan weinigen slechts. 1 0! hoe veel beter is het tot het volmaakt leven geroepen en een der trouwe dienaars van God in zijn heilig huis te worden, dan bestemd te zijn om te heer-schen over den grootsten Staat der aarde! Kn welke overeenkomst bestaat er lusschen een tijdelijk rijk dezer aarde en het eeuwig rijk des hemels?
Maar hoe grooter de verleende genade is, des te meer zal de Heer vergramd zijn tegen hem die verwaarloost er aan te beantwoorden, en zijn oordeel zal des te strenger zijn op den dag der rekening. Indien een koning een armen herder in zijn paleis riep om hem als een der groo-ten van zijn hof te dienen, welke zou niet de verontwaardiging van dien vorst zijn, zoo die onderdaan dusdanige gunst weigerde, om zijn ellendigen schapenstal en zijne kleine kudde niet te verlaten! God kent volmaakt den prijs zijner genaden ; daarom straft Hij streng alwie ze veracht. Hij is onze opperste Meester; als Hij spreekt wil Hij, en wel zonder toeven, gehoorzaamd
(l Non t«cit luliter orniii nationi.^Ps. 147. 20.
IlKKENtXC IN\' DKV DAT, Dlgt; OOHDKELS. SI
worden. Wanneer Hij zich dus gewaardigt eene ziel te veriicliten en tot het kloosterleven te roepen, eu zij beantwoordt niet aan haren roep, dan berooft Hij haar van zijn licht en verlaat ze te midden der duisternissen. Ach ! hoe velen dier ongelnUki-gen zullen wij in den dag des Oordeels verworpen zien, omdat zij aan de stem van God weigerden te gehoorzamen !
Bedank dus den Heer wijl Hij u heeft nilgenoodigd om Hem te volgen; maar vreest zoo gij aan deze uitstekende genade niet getrouw zijt. Wanneer God u roept om van meer nabij Hom te dienen, is dit een teeken dat Hij uwe zaligheid wil; maar ook langs dien weg wil Hij dat gij zalig wordt, wolken Hij zelf u heeft gekozen en aangewezen. Indien gij verlangt uwe zaligheid te bewerken langs den weg dien gij zelf kiest, stelt gij u in groot gevaar verloren te gaan ; want, daar gij in de wereld blijft terwijl (lod u in het klooster wil, zult gij de krachtdadige hulpmiddelen niet bekomen welke Hij u in zijn huis bereid had ; en zonder dien bijstand zult gij moeilijk zalig worden.
Mijne schapen hooren naar mijne stem,
tl
,S2 :!p OVERWEGING.
zegl dc llccr. 1 Wanneer men liel oorshüt voor de stem van God, is liet een teeken dat men niet lot zijne kudde behoort, en dat men mot do bokken zal veroordeeld worden in liet dal van Josapliat.
GEBED.
lieer ! door de overmaat uwer goedheid licht gij mij boven zoo vele anderen vorkoren , om mij onder uwe bevoorrechte dienaren op te nemen en in uw heilig huis te laten wonen. Ik ken de waarde dezer genade en weet hoezeer ik uwer grootheid onwaardig ben. Zie , o mijn (iod ! aan zooveel liefde wil ik beantwoorden, ik wil U gehoorzatnen. fiij zijt zoo milddadig jegens mij geweest, dat gij mij geroepen \'hebt terwijl ik U niet zocht en toen ik ten uwen opzichte ondankbaar was. Ach ! laat niet toe dat ik op nieuw in dieover-groote ondankbaarheid valle door U te verlaten , (jij die ter mijne liefde uw bloed on uw loven ten beste gegeven hebt, en mij over te leveren aan de wereld, de vijand die mij vroeger zoo dikwijls uwe genade en mijne zaligheid heeft doen ver-
1
Ovelt; uietc vocern menm audiunt. (.In. 10. 27.)
FOLTERING OM HET VEULIES VAX ZM.V HOEP. 83
liezen ! Wijl Gij U gewaardigd hebt mij te roepen, verleen mij de sterkte om naar uwe stem tc hooren. Ik heb reeds beloofd U te gehoorzamen; ik beloof het U nogmaals : maar indien Gij mij de genade der volharding niet geeft, kan ik U niet getrouw blijven ; deze hulp vraag ik ü ; ik wil en hoop haar te bekomen door uwe verdiensten. Geef mij den moed de driften van het vleesch te overwinnen , door welke de duivel mij wil overhalen om I te verraden. Ik bemin U, mijn jezus! ik wijd mij geheel aan U toe. Reeds bec ik de uwe, en wil U altijd getrouw blijven.
Maria, mijne Moeder en mijne Hoop ! Gij zijt de moeder der volharding ; deze genade wordt alleen door uwe voorspraak verleend ; verkrijg ze voor mij ; op u stol ik mijn betrouwen.
rfWV\\AA/V\\/V\\\'VN\'V\\\'\\AA^\'V\\\'W\'N-^\'V\\/S^/V\\\'\\A VNA/W\\/V\\fV%r*/\\/V\\ quot;Vrt/VX quot;WX quot;WA/*/NA/V\\
IVe OVERWEGING.
FOLTERING WKLKE HIJ TE VERDUREN HEEFT IN DE HEL, DIE VERWORPEN WORDT OM HET VERLIES VAN ZIJNEN ROEP.
Dc spijt van eenig groot goed door zijne eigene schuld verloren, of van zich vrij-
8 i i-quot;quot; OVERWEGIXfi.
willig een groot kwaad aangedaan te lieb-ben, veroorzaakt eene dusdanige pijn dat deze zelfs in dit leven, eeneonverdragelijke smart wordt. Welke hevige pijn zal dan in de hel den jongeling kwellen, die niet heelt willen gehoorzamen wanneer hij door eene bijzondere gunst van God tot den religieuzen staat geroepen was! dan zal hij erkennen, dat door te luisteren naar de goddelijke stern, hij eene schoone plaats in den hemel zou bekomen hebben; en nu integendeel om zijne ongetrouwheid is hij in die plaats van folteringen verbannen, zonder middel om zijn eeuwig verlies te herstellen.
Uit zal de wreede worm zijn, die altijd levendig door eene onophoudelijke knaging zijn hart zal kwellen: «Hun worm sterft niet.» * Dan zal hij zeggen : O dwaze die ik was ! ik kon een groote heilige worden ; hadde ik gehoorzaamd, ik zou thans in den hemel zijn ; en nu ben ik verloren, en zonder eenige hoop !
Tot zijne grootste kwelling zal die ongelukkige nu reeds weten, en in den dag van het laatste oordeel zal hij zien, dat zij aan
(1) Vermis eorum non moritur, \'Mare. 9. 4T.)
FOLTERING OM HET VERLIES VAN ZIJN IIOEI\'. 83 de rechterhand des Zaligmakers geplaatst en als lieiligen gekroond zijn, zij die hunnen roep zullen gevolgd hebben, aan de wereld verzaakt en zich in het huis van fjod begeven hebben, waartoe ook hij was uitgenoodigd. llij zal zich van het gezelschap der gelukzaligen gescheiden zien en te midden der ontelbare menigte verworpelingen gebannen omdat hij aan dc stern van God niet gehoorzaamd heeft. En zeker is het dat dan do herinnering aan dc genade der roeping, voor hem in de hel eene dubbele hel zal wezen.
Men weet, volgens hetgeen hierboven gezegd is, dat men gemakkelijk in dit uiterste ongeluk valt, wanneer men om zijn eigen zin te volgen, zich van dc goddelijke roeping verwijdert, (lij dan, beminde broeder, die geroepen zijt om u in het huis des Ileeren te heiligen, overweeg het groot gevaar waaraan gij wordt blootgesteld, zoo gij vrijwillig die genade zondt verliezen; daar zij eene gaaf is van (jods hoogste goedheid, die haar geschonken heeft om u boven de menigte te verheffen en onder do vorsten des hemels te plaatsen, zou zij door uwe schuld, indien gij aan (iod ongetrouw waart, eene afzonderlijke hel voor 11 ver-
l\'- OVERWEGING.
dienen. Dewijl de Heer u thans de keuze overlaat, kies dan. beslis zelf wat gij eens wilt zijn : of een verheven koning in den hemel, of een verdoemde in de hel die daar meer dan anderen gefolterd wordt.
GEBED.
0 mijn (iod ! gedoog niet dat ik L\' ongehoorzaam en ongetrouw zij. Ik erken uwe goedheid jegens mij, en ik dank U, dat Gij, liever dan mij van uw aanschijn te verwerpen en in de hel te storten zooals ik dikwijls verdiend heb, U gewaardigt mij tot de heiligheid te roepen en mij eeue verhevene plaats in den hemel te bereiden. Ik begrijp dat ik eene dubbele straf zou verdienen, zoo ik naliet aan deze genade, die niet aan iedereen gegeven wordt te beantwoorden. Heer! ik wil U gehoorzamen; zie, ik ben aan U, en wil U voor altoos toe-behooren\'. Met blijdschap aanvaard ik alle lasten en alle onaangenaamheden van den kloosterlijken staat tot welken Gij mij uitnood igt. Wat toch zijn die lasten in vergelijking der eeuwige pijnen die ik verdiend heb? Reeds was ik verloren om mijne zonden ; thans geef ik mij geheel aan U,
8(i
FOLTERING OM HET VERLIES VAX /IJN UOEl\'. 8 /
beschik over mij en over mijn leven gelijk het U behaagt. Duld, o goede Meester! dat ik, ofschoon vroeger tot do hol veroordeeld, li dicne en -U beminne in dit leven en in liet andore. Voortaan wil ik U zoo\\eel beminnen als ik verdiend heb lJ in de hel te baton, o oneindig beminnelijke Cod ! Ach ! mijn Jozus ! üij bebt de ketenen verbroken waarin de wereld mij gebonden hield ; (iij bobt mij van het juk mijner vijanden verlost; ik moot dus wenschon U voel te beminnen, o mijne Liefde! ook ben ik besloten, om de liefde dio ik ü toedraag, U in alles en altijd te dienon en te gehoor-zameu
O Maria, mijne voorspreekster ! aan wie ik deze groote barmhartigheid verschuldigd bon, ik bedank li; sla mij gedurig bij, en laat niet toe, dat ik in ondankbaarheid jegens een zoo goeden (jud, die mij aldus bemind beeft, hervalle! Verkrijg dat ik eerder sterve dan aan eene zoo groote genade ongetrouw te wezen. Zoo hoop ik.
HS 5e OVEBWECING.
Vquot; OYKR\\VEG!\\lt;i.
VAN DE OVERGROOTE HEERLIJKHEID WELKE DE KLOOSTERLINGEN GENIETEN IN DEN HEMEL,
Overweeg leu eerste dat, volgons den heiligen üernardus , het gemakkelijk is voor den kloosterling zalig te worden, en dat zij die in het klooster sterven zelden verloren gaan. 1 De reden die de heilige tot bevestiging van zijn gevoelen aanhaalt, is dat een kloosterling moeilijk tot do dood toe volhardt indien hij niet van het getal is der uitverkorenen. 2 Daarom noemde de heilige Laurentins Justinianus den i\'eli-gieuzen staat « do Deur dos hemels.» 3 En hij besloot daaruit dal het voor de kloostor-lingen een groot teeken is hunner voorbeschikking tot het hemolsch rijk. 4
Overweeg daaronboveu dat de Memel, volgens do uitdrukking van den Apostel, eene kroon van rechtvaardigheid is. 5 Al-
1
Facilis viu de cella ad co-Iuin ; vix unqnatu aiiqnis u cella in iufernuui desueudit.
2
Quia vix uuquum, nisi prmlestinatus, in ca usquo ad mortem perstitit. (De Vita sol, e. 4.)
3
(.») Corona juslilia!. (II Tim. J. s.
4
(\'.) Magnum quippe elecfionis iiidiciun».
DE llElittLI.IKllEll) IN UE.N UEilEL.
hoewel de Heer het goede dat wij doen verre boven onze verdiensten beloont, vergeldt Hij noglans eenieder volgens zijne werken. 4 Oordeel diensvolgens welke oq-schatbare bclooning God in den hemel bewaart voor do goedo kloosterlingen, ten aanzien der grooie verdiensten die zij dagelijks verwerven.
De kloosterling offert aan don Heei al zijne tijdelijke goederen op, en stelt zich tevreden in eene volmaakte armoede te leven, zonder iets te bezitten. De kloosterling, om zich inniger met God te vereenigen, verzaakt aan alle gehechtheid, aan ouders, vrienden en vaderland. De kloosterling versterft zich geheel en al, met Hem hot offer op te dragen van zijn eigen wil door do belofte van gehoorzaamheid.
De eigen wil is ons boven alles dierbaai, en juist deze wil of dit hart vraagt God vooral van ons. «Mijn zoon schenk mij uw hart.» 2 Zij die God in de wereld dienen, geven Hom wel wat zij bezitten, maar geven zich zeiven niet; een gedeelte geven zij, maar niet alles ; zij geven van hunne goederen door de aalmoezen, van hun voedsel
(1) üediiet unicuique secundum opera ejus. (Mattb. 16. 2«.
[2] Prafbu. lüi mi, our tuum mibi. (.Pruv. L\':;, 2^.)
90 Öc OVERWEGING.
door liet vasten, van hun bloed dooi\' de geeseling, enz.; maar luin eigenwil be-lioudeu zij altijd; zij vasten wanneer zij willen, bidden wanneer zij willen enz. De kloosterling integendeel, door bet offer van zijn eigen wil, geeft zich zeiven aau God, en geeft Hom alles ; niet alleen de vruchten d 5r plant, maar de plant zelve in haar geheel. Daarna kan hij in waarheid tot Hem zeggen; Heer! daar ik U mijnen wil heb gegeven, kan ik U niets moer schenken.
Zoo is de kloosterling, daar bij uit ge-boorzaamlieid bandclt, verzekerd den wi\' Gods volmaakt te volbrengen ; hij verdient in alles, niet alleen wanneer bij bidt, biecht hoort of predikt, vast of andere verstervingen pleegt, maar ook nog wanneer hij eet, zijne kamer veegt, zijn bed spreidt, wanneer hij rust neemt of zich vermaakt; want, daar hij alles doet uit gehoorzaamheid, volbrengt hij in alfes Gods wil. De heilige Maria Magdalena van Pazzi zeide: «Al wat uit. gehoorzaamheid geschiedt, is gebed.» Ook verklaarde de heilige Ansel-mus, van de kloosterlingen sprekende die de gehoorzaamheid beminnen, dat al huiiuc werken verdienstelijk zijn. En do heilige
DE HEERLIJKHEID IN DEN\' UEMtfL.
Aloïsius van Üonzaga vergeleek den religieuzen staat bij een zeilschip^ in hetwelk men, zelfs zonder te roeien, altijd vooruitgaat .
Hoe veel meer wint een kloosterling die gedurende eene maand zijnen regel onderhoudt, dan een wereldling iu oen jaar, door al zijne boetewerken en gebeden! Door openbaring weten wij, dat Dositheus, leerling van den heiligen Dorolheus, tot belooning der vijf jaren die hij onder de gehoorzaamheid doorbracht, in den hemel verheerlijkt werd gelijk de heilige Paulus eremijt, en de heilige Antonius abt, die een zoo groot getal jaren in de woestijn geleefd hebben. Ue kloosterlingen wel is waar, hebben gedurende hun leven de ongemakken van den regeltucht te verduren en zij zaaien met moeite, 1 maar als zij tot het verblijf der belooning worden geroepen, gaan zij blijmoedig daarheen met eenovei-vloedigen oogst beladeu. - Ook zingen zij alsdan : 3 De banden die mij aan den Heer gehecht hebben, zijn voor mij onschatbaar
(1) Euntes ibant et flebant, mitluutes scmina sua.
(2) Venientes autem vonient cum exsultatiuiie. pui tante* inaiiipulos suos. (Ps. I2;i. C.)
(:j Funes cecideiiint milii in pn.rlaris ; etciiim liu-reditas rnea pra\'cla.\'-a est uiihi. U\'s- l\'j- ® J
92 liquot; OVERWEGINCi.
geworden, en overgroot is dc heerlijkheid die zij mij verworven licbbon.
GEDED.
Is het mogelijk, o mijn fiod, o ware vriend mijner ziel! Is liet mogelijk dat Gij zoo vurig mijn geluk verlangt, en dal Gij van mij wilt bemind worden, terwijl ik, ellendige, zoo weinig begeer U lief te bobben en aan U te behagen ? Waarom toch hebt Gij mij met zoovele genaden begunstigd, en uit het midden der wereld tot ü geroepen ? — Mijn Jezus.\' ik begrijp U, (lij beminl mij innig en wilt dat ik U zoo beminne, dat ik U geheel toe-behoore in dit en in het ander leven. Gij wilt dat de schepselen geen deel in mijne liefde hebben, maar dat zij geheel en al voor (J zij, hetoenig goed, alleen beminnelijk, alleen eener oneindige liefde waardig, ü! dat het zoo zij, mijn zoete Meester, mijn Schat, mijne Liefde, mijn Al! Ik brand van een oprecht verlangen om U te behagen en niets anders te beminnen dan U. Ik dank U voor dit gelukkig verlangen dal van U komt ; gewaardig IJ het mij te bewaren, en altijd meer en meer te doen aangroeien ; maak dal ik II aangenaam zij
DKX INWKN\'llir.KN VREDK.
en dat ik Lquot; volgeus uw welbehagen lief hebbe op aarde, om daarna in den Hemel van aanschijn tot aanschijn ü te mogen aanschouwen en uit al mijne krachten beminnen. Ziedaar al wat ik U vraag, o mijn God ! ik wil ü beminnen, en daarom bied ik mij aan alle smarten te lijden. Ik wil heilig worden, niet om veel tc genieten in den hemel, maar om ü, mijn allerliefste Zaligmaker veel te behagen en veel te beminnen in de eeuwigheid. — Verhoor mij, o eeuwige Vader! ter liefde van Jezus Christus.
Mijne teedere Moeder, Maria ! help mij om do liefde van uwen goddelijken Zoon ! Gij zijt mijne hoop, van IJ verwacht ik alle goed.
VI\' OVERWEGING.
VAN DEN INWENDIGEN VREDE, DIEN GOD AAN DE GOEDE KLOOSTERLINGEN VERLEENT.
Gods beloften zijn onfeilbaar; welnu, aan alwie om zijnen naam, ouders en goederen verzaakt, heeft de Heer het honderd-
!) (i\' OVERWEGING.
voufl hier bcncdea en liet eenwig loven in den hemel beloofd. 1
De vrede der ziel is een goed dat boven alle koninkrijken der aarde verkieslijk is. Waartoe zou het dienen geheel de wereld te bezitten, zonder den inwendigen vrede ? Heter is hot de armste landman der aarde te zijn, maar vrede te genieten, dan de gelieele wereld te bezitten en te leven in ongerustheid. Maar wie kan ons dien vrede bezorgen? Is het de wereld? Neen, de vrede is een goed dat men van God alleen kan bekomen, gelijk de Kerk bet in bare gebeden verklaart. «0 God.... schenk aan uwe dienaren den vrede dien de wereld niet geven kan. - Daarom wordt de Heer, door den Apostel Paulus, de God van alle vertroosting genoemd. 3 Zoo God dan de eenige uitdeeler van den vrede is, aan wien denkt gij, zal Hij deze kostbare gave ver-leenen ? Is bet niet aan degenen die alles verlaten en zich van alle schepselen onthecht hebben om zich geheel aan bunnen
(1) Omnis qui reliquerit domum, vel frati-es aut sorores, aut patrem aut matrem,... nut agros, propter nomen meum, cenluplum accipiet et vitam ujteiuam possidebit (Mattli. 19, 29.)
(2) Deus..,, da servis tuis illam, quam innndus dare non potest, pacem.
(3) Doiistotins consolafionis. (IlCor. I. 3.)
DKN IXWENDIGF.X VKEDK. \'lo
Schepper Le geven\'? Uok ziet meu dat de goede kloosterlingen, in hunne cellen opgesloten, ofschoon verstorven, veracht en arm, meer tevreden leven dan de grooten der wereld, ondanks al hunne rijkdommen cn pracht, en al de vermaken die zij genieten.
De heilige Scholastica zeide dat de gan-pche wereld een klooster zou worden, indien de mensnhen begrepen welk geluk de goede kloosterlingen smaken : en de heilige Maria Magdalena van Pazzi, dat men de muren zou beklimmen om er in te treden.
Dewijl \'s menschen hart voor een oneindig goed geschapen is, kunnen allq schepselen te zamen het niet bevredigen, omdat zij slechts een beperkt en vergankelijk goed zijn: God alleen, die een oneindig goed is, kan zijne verlangens vervullen. 1 0 ! gewis, een goede kloosterling met God vereenigd, is wel verre het lot te benijden van eenen vorst dezer aarde die het gezag voert en over rijkdommen en eereposten beschikt; gaarne laat hij hem deze voorrechten en roept met den heiligen Paulinus uit, dat Jezus Christus al zijn rijkdom cn
l Dolfictnro in Domino, cl «Inbit tibi petitioner cordis tui.
9 ti OVEP.W\'EflINT..
al zijne glorie is. 1 Terwijl hij de wereld-liagoa op hunne grootheiden pracht hoort roemen, zoekt hij anders niet dan zich meer en meer van de aardsclie goederen los te maken om zich altijd inniger met God te vereenigen; zoo leeft hij steeds te vreden en zingt met den Psalmist: Dat zij van hunnen overvloed genieten; voor mij, ik stel al mijn betrouwen in den naam des lieeren. 2
Volgens dc heilige Theresia, is een druppel der hemelsche vertroostingen meer waard dan al de vermaken der wereld. — Pater Karei van Lorreine, van het vorstelijk huis van Lorreine, verzekerde dat God door een oogenblik van het zuiver geluk dat Hij hem in het klooster deed smaken, hem overvloedig beloonde voor alles wat hij om den lieer verlaten had. Ook was hij somtijds zoo verrukt van blijdschap, dat hij, wanneer hij zich alleen in zijne cel bevond, zich niet kou weerhouden en van vreugde opsprong. De gelukzalige Seraphi-nus van Arcoli, eenvoudige Capucijnohroe-
1 \'j Si bi liabcant divitias suas divites, sibi regna sun rr gos; nobis gloria et possessio et regnum Christus est. K[». ad Apruni.)
(2) Hi in cumbus, el bi inequis; nos autem in noinlne Domiui Dei nnstri invocabimus. ;Ps. lü. S.
DEN INWENDIGEN VREDE. 97
der, zeide dat hij niet één palm zijner koord voor al de koninkrijken der wereld zou gegeven hebben.
O! wat een geluk te kunnen uitroepen met den heiligen Franciscus, na alles voor God te hebben verlaten: Mijn God en mijn Al 1 1 en zich alzoo bevrijd te zien van de slavernij der wereld, van hare booze ingevingen en aardsche genegenheden. Deze is de vrijheid die de kinderen Gods, zooals de goede kloosterlingen, genieten. Het is wel waar dat in den beginne de berooving der wereldsche gezelschappen en vermaken, de gebruiken der kloostergemeente en de regel doornen schijnen ; maar gelijk de Heer zelf heeft willen verklaren aan de heilige Brigitta, wanneer men met moed en liefde de eerste steken verdraagt, veranderen die doornen in bloemen en in hemelsche zoetheid ; men smaakt dan dien onuitspreke-lijken vrede, welke volgens den heiligen Paulus alle zinnelijke vermaken en alle genot van feesten en maaltijden en genoegens der wereld te boven gaat. 2 Is er grooter geluk, dan te weten dat men aangenaam is aan God ?
(1) Der.s rneus, et omnia.
(2) Pax Dei qute exsuperat omnem senium. (Pliil. 4 7.)
7
6r OVERWEGING.
GEHED.
Mijn Heer, mijn (icd, mijne (.iefde, miju Al ! ik weet dat f!ij alleen, in dit en in het ander leven mijn geluk kunt uitmaken ; maar geenszins wil ik U tot mijne eigene voldoening beminnen ; mijn eenig verlangen, met U te beminnen, is uw goddelijk liart te voldoen. Ik wil dat mijn vrede, mijn geluk, gedurende geheel mijn leven, daarin besta, dat ik mijnen wil met uwen heiligen wil vereeuige, al moest ik daarvoor ook alle kwalen verduren. Gij zijt mijn God; ik ben uw schepsel. Kan ik iets grooters verhopen dan aan mijn oppersten Heer, aan mijnen God te behagen, die mij met eene zoo bijzondere liefde bemind heelt? 0 mijn Jezus! Gij zijt uit den hemel gedaald om hier op aarde, ter liefde van mij, een zoo arm en zoo verstormen leven te leiden; ik verzaak aan alles, en wil niet leven dan om U le beminnen ; al mijn genoegen zal zijn L\' te behagen. Ik bemin Lquot;; o mijn beminnelijke Verlosser! ik bemin U uit al mijne krachten. Beschik over mij volgens uw welbehagen, mits Gij mij toestaat U te beminnen. Ik ben besloten U aangenaam te wezen zoo veel in miju vermogen is.
!(8
WELK KWAADDE LAUWHEID VEROORZAAKT. !)fl
O Maria, Moeder van mijneu f.oil! bo-scherm mij, maak mij aan (J gelijk, niet in de heerlijkheid, die ik niet verdien gelijk gij ze verdiend hebt, maar in de genade van aan den Heer te behagen, en zijn goddelijken wil te volbrengen, gelijk Gij zelve dien volbracht hebt.
Vil0 OVERWEGING.
WELK KWAAD DE LAUWHEID DEN KLOOSTERLIN\'GEA VEROORZAAKT.
Overweeg den ellendigen staat van eenen kloosterling die, nadat hij zijn vaderland, zijne familie en de wereld met al hare genoegens verlaten heeft; — nadat hij zich aan Jezus Christus gegeven heeft, met Hem zijnen wil, zijne vrijheid en geheel ziel» zeiven op te offeren, en dan aan hot gevaar zich blootstelt van verloren te gaan, dooi\' zich aan een leven van nalatigheid over te geven. Want een kloosterling is gewis niet verre van zijn eeuwigen oudergang, wanneer hij in de lauwheid leeft, hij dien God tot zijn huis geroepen heeft om heilig te worden. De Heer bedreigt degenen die in dieu droevigen staat verkeeren, hen uit
7quot; OVERWEGING.
zijnen mond te spuwen, en, indien zij zich niet beteren, lion te verlaten. 1
De heilige Ignatius, ziende dat een lee-kebroeder zijner orde in den dienst van God verflauwde, riep hem op zekeren dag tot zich en sprak in dezer voege: «Mijn broeder, zeg mij, wat zijt gij in het klooster komen doen?» Ik ben gekomen, zoo was hel antwoord, om God te dienen. » 4 Ach, mijn broeder, hernam de Heilige, wat hebt gij gezegd? Indien gij mij geantwoord hadt, dat gij hier zijt om een kardinaal, oen vorst dezer aarde te dienon, zoudt gij eenigermate te verontschuldigen zijn ; maar gij zegt dat gij gekomen zijt om God te dienen, en gij dient Hem aldus ? »
100
Pater Nieremberg verzekert dat velen door God geroepen zijn om alleen als heiligen zalig te worden ; indien zij zich dus niet beijveren om heilig te leven en zich inbeelden hunne zaligheid te bewerken terwijl zij onvolmaakt blijven, zullen zij zelfs niet zalig worden. De heilige Augnsti-nus zegt, dat zij gewoonlijk van God ver-
[i)Qnia tepidua es..., incipiain te evomere ex ore meu Apoc. 3. 16.)
WELK KWAAD DE LAUWHEID VEROOBZAAKT 101 lalen worden. \' En op welke wijze ? Daar Hij toelaat dat zij de kleine fouten, die zij wel bemerken, voor niets achten, weldra overgaan lot zware zonden, en eindigen met de goddelijke genade en hunnen roep te verliezen. De heilige Theresia heeft de plaats gezien welke haar in de hel was voorbereid, indien zij zich niet onthecht had aan eene aardsche genegenheid , ofschoon het maar eene kleine zonde was. Hie het kleine veracht zal allengskens vallen. 2 Wanneer men kleine fouten verwaarloost, zal men langzamerhand in groolc vallen.
Velen zijn er die wel Jezus Christus willen volgen, maar van verre, gelijk de heilige Petrus deed toen men zijn goddelijke!) Meester in den hof van Olijven gevangen nam. J Doch door zulk een gedrag, vallen zij licht in het ongeluk dat den heiligen Petrus overkwam ; zich in eene gevaarlijke omstandigheid bevindende, verloochende hij Jezus (.hristus. De lauwe kloosterling stelt zich tevreden met het weinige dat hij doet voor (iod ; maar dat weinige voldoet
(I) Deus negligeufes deseiere eonsuevit.
Ï2J Qui spemit modita, juutJaUm deoidet. (Eècli. 1!), l.
(■\') Seriuebatui\'eumaJonge. Mullli. 26.
I 02 7C OVERWEGING.
geonszios den Heer, die hem tot de volmaaktheid heeft geroepen en tot straf zijner ondankbaarheid berooft Hij hem niet alleen van zijne bijzondere gunsten, maar soms laat Hij zijn volkomen ondergang toe. Zoo-dra gij meent genoeg te doen, zijt gij verloren zegt de heilige Augustinus. 1 De vijgeboom van het Kvangelie werd tot het vuur veroordeeld, alleen omdat hij geene vruchten droeg.
Pater Ludovicus Dupont zei : «Ik heb vele fouten bedreven, maar nooit heb ik vrede niet hen gemaakt. » Wee den kloosterling die, geroepen om volmaakt te worden, den vrede met zijne fouten sluit : Zoolang men zijne gebreken verfoeit, kan men hopen heilig te worden; maar de heilige Bernardus verzekert, dat alle hoop om de heiligheid te bereiken verloren is voor hem die fouten begaat en ze voor niets rekent. « Die spaarzaam zaait, zal ock spaarzaam maaien.» 2 Men kan slechts maaien naar evenredigheid vau hetgeen men gezaaid heeft; — welnu, om iemand te heiligen zijn de gewone genaden niet voldoende; hiertoe zijn buitengewone hulp-
(1) Si dizeris : sufficit; — periisti. (Serm. 169. E. B.
(2) Qui paree scmioat, perceel metcl. (11. for. 9. 8.)
WELK KWAAD DE LAUWHEID VEROORZAAKT ( 03
middelen noodig, cn hoe zon dc Heer milddadig zijne gunsten schenken aan dengene die Hem zoo flauw en zoo weinig bemint?
Daarenboven, moet men, om heilig te worden, zich met moed en sterkte wapenen, om allen tegenzin te overwinnen ; en wie gij ook zijt, geloof niet, zegt de heilige Bernardus, tot de volmaaktheid te geraken zonder u te onderscheiden van anderen en op eene bijzondere wijze u toe te leggen op de beoefening der deugden. 1
Itedenk dus, mijn broeder. Waarom hebt gij de wereld en alle dingen verlaten? Het is om heilig te worden. Maar het lauwe leven dat gij leidt, dat leven vol fouten, is dit de weg tot de heiligheid? De heilige Theresia moedigde hare dochters aan door deze woorden : «iMijne zusters, het zwaarste is reeds gedaan ; het minste nog blijft over om u te heiligen. « Ik zeg u hetzelfde: Met uw vaderland, uwe ouders, uwe goederen, uwe vermaken te verlaten, hebt gij wellicht den moeilijksten stap gezet; hetgeen u verder te doen staat is gemakkelijker ; doe het derhalve.
1
Perfecluin non potest essi», nisi singulare.
7quot; OVERWEGING.
GEBED.
Ach, mijn God ! verwerp mij niet gelijk ik verdiend heb ; want ik ben besloten mij te bekeeren. Ik begrijp dat mijn leven, zoo vol nalatigheid, U niet kan voldoen. Ik zie dat ik zelf, door mijne lauwheid, de deur sluit voor de genaden welke Gij mij zoudt willen geven. Heer verlaat mij nog niet, ga voort jegens mij barmhartig te zijn ; ik wil opstaan uit een zoo ellendigen staat; voortaan wil ik vlijtiger zijn om mijne driften te bedwingen, om uwe ingevingen tc volgen, om nooit uit tegenzin mijne plich ten te verzuimen, maar om deze allen met ijver te vervullen. In een woord, ik wil van nu af alles doen wat mij mogelijk is om u te behagen, en niets verwaarloozen van hetgeen ik weet dat u aangenaam kan zijn. Gij, mijn Jezus, hebt mij met zooveel genaden begunstigd, uw leven en uw bloed hebt gij voor mij ten beste gegeven ; het is dus niet billijk dat ik jegens U gierig beu. Gij zijt alle eer, alle liefde waardig; Gij verdient, dat men om U te behagen, alle vermoeienissen en kwellingen met blijdschap verdure. Edoch, mijn goddelijke Verlosser 1 Gij kent mijne zwakheid ; dat
104
HOE DIERBAAR EENE ZIEL AAN GOD IS. I 03 uwe machtige hand mij helpo ; op U stel ik mijn betrouwen.
0 onbevlekte Maagd, mijne teodere Moeder Maria ! Gij die mij geholpen hebt de wereld verlaten, schenk mij hulp om mij zeiven te overwinnen en heilig te worden.
Vlll^ OVERWEGING.
HOE DIERBAAR EENE ZIEL AAN GOD IS DIE ZICH GEHEEL AAN HEM GEEFT.
God bemint allen die Hem lief\' hebben. 1Velen geven zich aan God, maar behouden in hun hart eenige genegenheid tot de schepselen ; hetgeen hen belet geheel aan God te behooren. Maar hoe zou de Heer zich geheel en al kunnen geven aan hem die zijne liefde tusschen den schepper en de schepselen verdeelt ? Het is rechtvaardig dat hij weinig geve aan dengene die zich spaarzaam toont in zijne liefde. Maar hij schenkt zich geheel aan die zielen, welke alles wat niet God is of tot de goddelijke liefde niet opwekt uit hun hart verbannen, en zich zonder uitzondering aan hem toe-
1
Ego diligeDtes me diligo. (Prov. 8. 17.;
8« OVERWEGING.
wijden, zoodat zij in waarheid zeggen kunnen : Mijn God en mijn Al! \' Zoo lang de heilige Theresia eene ongeregelde genegenheid, ofschoon die niet onzuiver was, jegens zekeren persoon in haar hart behield, mocht zij uit den mond van Jezus dc zoete woorden niet hooren, welke de Zaligmaker haar toesprak wanneer zij zich van alle gehechtheid gezuiverd, zonder voorbehoud aan de goddelijke liefde had toegewijd : «Nu gij geheel aan Mij behoort, ben ik geheel aan u. i
Overweeg dat Gods Zoon, zich gewaar-digde zich geheel aau ons te schenken, met in de wereld te komen alleen uit liefde voor ons. k Een klein kind is ons geboren, en een Zoon is ons gegeven. » 1 En hetgeen hem bewogen heeft zich aan ons te geven, is de liefde die Hij ons toedraagt. 2 Dewijl Hij zich zonder voorbehoud aan u heeft geschonken, zegt de heilige Joannes Chrysos-fomus, 3 is het billijk dat gij u ook geheel en zonder voorbehoud aan God geeft, en dat
IO(i
1
(2} Parvulus natus est nobis, et Filius datus est nobif.. (Is. 9. 6.)
2
Dilexit nos, et tradidilsemetipsum pro nobis. (Epb.
3
(amp;)Totum tibi dedit, nihil sibi reliquit.
HOE DIERBAAR EENE ZIEL AAN GOD IS. 107
gij Hem voortaan in alle vurigheid der heilige liefde dit. loflied toezingt:
Mijn goddelijk\' Heer en Koning ! Ik schenk mij gansch aan U ;
Gij gaaft u eens geheel voor mij, Ontvang mij thans voor U.
De heilige Theresia verscheen na hare dood aan eene harer medezuster, en openbaarde, dat God eene ziel die zich geheel aan hem heeft gegeven, meer bemint dan duizende lauwe en onvolmaakte zielen. Door zulke edelmoedige zielen wordt het koor der Serafijnen aangevuld. De Heer zelf verklaarde, dat Hij eene ziel die naaide volmaaktheid streeft, zoo zeer liefheeft dat Hij haar alleen schijnt te beminnen. 1Vandaar dat de gelukzalige Egidius in zijne vermaningen schreef : « Eeae alleen, aan eenen alleen. 2 — Daardoor wilde hij zeggen, dat wij de eenige ziel die wij hebben, geheel en zonder verdeeling aan Hem moeten geven die alleen al onze liefde waardig is, van wien al ons geluk afhangt, en die ons meer bemint dan alle schepselen dei-aarde. Zoo gij alles verlaat voor God, zegt Thomas-a-Kempis, zult gij alles vinden in
1
Una est coluinba uiea, perfecta raea. [Cant. 6. 8.)
2
Una uni.
108 8e OVERWEGING.
God. 1 Blijf dan alleen, o mijne ziel, zoo besluit de heilige Bernardus, verwijder u van de schepselen om geheel en ganseh aan Hem alleen te behooren die alleen eene oneindige liefde waardig is, en dien gij alleen moet beminnen. 2
GEBED.
Mijn Welbeminde behoort aan mij, en ik aan Hem. 3 Ja, mijn God ! Dewijl Gij U geheel aan mij hebt gegeven, zou ik al te ondankbaar wezen indien ik mij niet geheel aan U gaf. Gij wilt mij gansch en al voor II alleen : Zie, o Heer ! ik geef mij geheel aan U. Ik bid U, aanvaard mij in uwe barmhartigheid, verwerp mij niet. Maak dat dit hart, hetwelk een tijd lang de schepselen heeft bemind, zich thans geheel aan de liefde uwer oneindige goedheid overgeve. Ik zeg met de heilige Theresia : « Dat mijn eigen «ik» afsterve, en een ander in mij leve! dat hij leve en mij het leven schenke ! dat hij heersche, en ik zijn slaaf worde ! mijne ziel wilgeen andere vrijheid meer. 4ii Ach ! mijn beminnelijke Heer ! mijn har\'; is te klein en zoo nietig om L1 te beminnen,
(1) Dimifte omnia et invenies omnia. (Imit. 1. 3. c. 32.)
(2) O anima ! sola esto, ut soli te serves. (In Cant. s. 40.)
(3) Dilectus meus mihi, et ego illi. (Cant. 2. 16.)
(4) Excl. 17.
HOE DIERBAAR EliNE ZIEL AAN GOD IS. I 00
li die eeoo oncindigo liefde waardig zijt I ik zon dus zeer onrechtvaardig zijn, zoo ik het tusschen U en eenig schepsel wilde ver-deelen. Ik bemin U, mijn God ! ik bemin U boven alle dingen, U alleen bemin ik en niets anders ; illt; verzaak alles, en schenk mij gansch aan U, mijn Jezus, mijn Zaligmaker, mijne Liefde, mijn Al ! Ik zeg en wil altoos herhalen : Al wat ik wensch in dit en in het ander leven, is don schat uwer liefde te bezitten. 1 Ik wil niet dat nog een schepsel plaats vindt in mijn hart; Gij moet er de eenigo meester van zijn; want aan U alleen zal het voortaan ioebe-hooren. (iij alleen zult al mijn geluk wezen, mijne rust, mijn verlangen, ai mijne liefde. 2 Het eenige, dat ik met den heiligen Ignatius, van U verhoop en begeer, is uwe liefde en uwe genade; schenk mij deze gave, en mijne verlangens zijn vervuld. 1
Allerheiligste Maagd Maria ! Maak dat ik God getrouw blijve, en dal ik nooit meer de gave van mijzelven, welke ik aan mijn beminneli jken Heer gedaan heb, herroepe.
(l)Qui(l imbi est in nwlo, et a te quid volui super ter-ram?.., Deus cordis mei et pars mea Deus in a?ternum. (Ps. 72. 2ö.) V
,\'2) Amorcm tui solum cum gratia tua mihi do nes, et dives sum satis,
1
Kt dives sum satn, ot dives sum satis.
!te OVERWEGING.
I.\\e OVERWKG1NG.
HOE NOODZAKELIJK I1ET IS, OM HKILIG ÏE WOBDEV,
ER EEN GROOT VERLANGEN NAAR TE HEBBEN.
Nooit is iemand heilig geworden, zonder een vurig verlangen tot de heiligheid te geraken. Gelijk vleugelen noodig zijn aan de vogelen, zoo hebben de zielen behoefte aan goede verlangens om zich tot de volmaaktheid te verheffen. Om heilig te worden moet men zich onthechten van de schepselen, de driften beteugelen, zich zeiven overwinnen, de kruisen liefhebben; dit alles toch kan niet volbracht worden zonder eene groote sterkte en zonder veel lijden. Welnu, wat doet het goed verlangen?De heilige Lauren-tius Justinianus antwoordt, dat het onze klachten vermeerdert en de moeilijkheden vermindert. 1 Daarom voegt hij er bij, dat men bijna de zegepraal heeft behaald, zo3-dra men een groot verlangen heeft te overwinnen. 2 Wie op den top van een hoogen berg wil geraken, zal daar nimmer komen,
I 10
1
Vires subministrat, poeuaiu exhibet leviorcm.
2
Magna victoria pars est vinceodi desiderlum, De Disc, inun 6.
NOODZAKKLUKHKID VAN HF.T VERLANGEN. 1 1 I indien hij liet niel vurig verlangt; dil zal hem den mood en de sterkte geven om de vermoeienis te verdragen ; ontbreekt echter dit verlangen, dan zal hij, door tegenzin en moedeloosheid overwonnen aan den voet van den berg blijven staan.
I)o heilige Bernardus verzekert dat men zoo veel volmaaktheid bekomt als men verlangt. Volgens de heilige Theresia bemint cn begunstigd (Jod de edelmoedige zielen die groote verlangens hebben ; ook geell zij aan allen dezen raad : « Laat ons grootmoedige gedachten hebben ; want vandaar zal ons geluk komen. —Onze verlangens moeten wij niet beperken, maar integendeel hopen dat wij, op God steunende, door aanhoudende pogingen welke zijne genade versterkt, allengskens daar geraken zullen, waar de Heiligen gekomen zijn. » 1 Op die wijze zijn de Heiligen er in geslaagd in korten tijd tot een verheven trap van volmaaktheid te klimmen en groote zaken voor God te doen. 2 De heilige Aloïsius van (jonzaga, die niet langer dan drie-en-twintigjaren leefde, bereikte nogtans een zoo
1
Lcveu, Hoofd. 13.
2
^2) Consuninintiis in bn-vi, cxi»le\\ il teiii|ioru multa. Sa|».
i:l.)
112 !)c OVERWEGING.
hoogen traj) van volmaaktheid, dat de heilige Maria Magdalena van Pazzi, hem in eene geestvervoering in den Hemel ziende, verklaarde dat het haar toescheen alsof zich daar geen Heilige bevond die grootere eer genoot dan Aloïsius. Zij vernam insgelijks dat de jongeling zich die Heiligheid had verworven door zijn groot verlangen om (jod zoo zeer te kunnen beminnen als hij het verdient, alsook door de marteldood der liefde die hij hier op aarde doorstond, bij het zien zijner onbekwaamheid om God te beminnen gelijk hij wenschte.
De Heilige Bernardus, het klooster ingetreden, had de gewoonte zijnen ijver op te wekken door zich af te vragen, tot welk einde hij daar gekomen was : Bernardus, waartoe zijt gij gekomen ? Bernardus, waartoe zijl gij gekomen ? 3 Ik stel u dezelfde vraag: Wat zijt gij komen doen in liet huis van God? Waarom hebt gij de wereld verlaten ? Om u te heiligen ? En nu, wac doet gij ? waarmede brengt gij den tijd door? Zog mij: verlangt gij de volmaakt-heid te bereiken? Zoo gij het niet verlangt, zult gij er nooit toe komen. Indien dit ver-
Ij Üermmle, nd quid venisti? Bernarde, ad quid venifti?
NOODZAKELIJKHEID VAN HET VERLANGEN. I \\ 3 laugeu u ontbreekt, vraag liet aan Jezus-Christus, vraag het aau Maria. Maar zoo gij het bezit, schep moed, zegt de heilige Ber-nardus ; velen worden niet heilig, bij gebrek aan moed. Ik herhaal het dus, wapen ii met moed, en met grooten moed. Wat zonden wij vreezen ? Waarom zouden wij geen betrouwen hebben ? De Heer die ons kracht heeft gegeven om de wereld te verlaten, zal ons ook sterkte verleenen om een heilig leven te omhelzen. Alles eindigt ; het tegenwoordig leven, gelukkig of ongelukkig, zal weldra ten einde zijn, de eeuwigheid echter gaat nooit voorbij. In het uur der dood en gedurende de eeuwigheid zal ééne zaak alleen ons troosten : het weinige dat wij zullan gedaan hebben voor t!od. Het lijden is van korten duur; maar de kroon die ous bestemd is, zal blijven in eouwigheid. O ! welke blijdschap gevoelen de Heiligen, over hetgeen zij voor God geleden hebben ! Indien een gevoel van spijt den Hemel kon binnendringen, «Jan zouden de gelukzaligen alleen betreuren, verwaarloosd te hebben wat zij voor God meer konden doen, en wat thans niet meer in hunne macht is. Zijt moedig dus, en haast u ; er valt geen tijd te verliezen ; wat van-
8
•114 10° OVERWEGING.
daag kan gedaan worden, zal morgen niet meer mogelijk zijn. De Heilige Ber-nardinus van Siiinna zeide, dat een oogen-blik zoo veel waard is als God ; want ieder oogenblik kunnen wij God en zijne genade, ol een hoogeren graad van genade, winnen.
GEBED.
Zie, mijn God ! zie mij hier, bereid alles te doen wat gij van mij verlangt. 1 Leer mij, o Heer, wat Gij verlangt dat ik doe, ik wil u in alles gehoorzamen.2 Ik beklaag het zoo veel tijd te hebben verloren terwijl ik kon werken om L\' te behagen, en het niet heb gedaan ; thans bedank ik U, dat Gij mij nog den tijd verleent om het ten uitvoer te brengen. Ach ! ik ben besloten (lien tijd niet meer te laten voorbij snellen. Ik wil enwensch vurig heilig te worden, niet om meer glorie en meer genot te verwerven, maar om U moer te beminnen en meer te behagen in dit en in het ander lev-an. Heer 1 maak dat ik U iiefhebbe en U be-hage zooveel Gij verlangt. Ziehier wat ik U
(•i) Paratum eor ineum, Deus, paratimi oor meum. (Ps. 56. 8.)
(3) Domi.ne, tjuki me vis facere? (Act. 7. 6.;
LIEFDE AAN\' J.-C. VERSCHULDIGD. 1 la
vraag ; ik wil U beminnen, u mijn God ! en om U te beminnen, bied ik mij aan om allen arbeid en alle lijden uit te staan. Heer ! doe dit verlangen meer en meer in mij aangroeien, eu schenk mij de genade om bet te vervullen. Uit mijzelven kan ik niets, doch met uwe hulp kan ik alles. — Keuwige Vader ! ter liefde van Jczus-Chris-tus, verboor- mij. —Mijn Jezus! door de verdiensten van uw lijden, sta mij bij. — Maria, mijne Hoop! uit liefde voor Jezus, bescherm mij.
\\aquot; OVERWEGING.
VAN DK LIEFDE DIE WIJ AAN JEZUS-CHRISTLTS V I-U-SCIIULDIGD ZIJN, UIT ERKENTENIS VOOR DE LIEFDE WELKE UIJ ONS GETOOND HEEFT.
Om te begrijpen hoe zeer de Zooa Gods ons bemind heeft, is het genoeg deze woorden van den heiligen Paulus omtrent Jezus-Christus te overwegen; Hij heeft zich zeiven vernietigd, do gedaante en de natuur van een dienstknecht aannemende. Hij vernederde zich daar Hij gehoorzaam was tot do de dood, en wel tot de dood des kruises. 1
(1} SemctipsuDi exinanivit, l\'oimam servi aecipiens... Uu-
110 9° OVERWEGING.
Welke stof van bev.oudering voor do Engelen gedurende de gansche eeuwigheid, eenen God te zieu vleescli worden uil liefde tot den mensch, en zicli onderwerpen aan al de krankheden en aan al het lijden der menschelijke natuur! «En het Woord is vleesch geworden. gt; 1 Welk wonder zou het zijn. eenen koning de gedaante te zien aannemen van een wormpje uit liefde voor de wormen ? Doch oneindig grooter is het, wonder een God te zien mensch worden ; en dan, Hem vernederd te zien tol de zoo wreede en schandelijke dood des kruises, waardoor Hij zijn heilig leven eindigt !
Hel Evangelie loert ons dal de profeten Mozes en Elias, sprekende op den berg Thahor over d\'e dood van den goddel ij ken Zaligmaker, haar eene overmaat noemden. 2 Ja, zegt. do heilige Bonaventura, mot recht wordt dio dood van Jezus-Christus aldus genoemd, daar zij eene overmaat was van pijn en van liefde, eene gebeurtenis die men niet kon gelooven, ware zij niet
miliavit semetipsum, l\'uctus obediftti? usqnc ad mortem, mortem autemcrucis. (Phil. 2. 7.)
(1) Et Verbum naro factum est! (Jo. I. IV)
(2quot; Uieebant exeessum ejus, quem completurus erat iu Jerusalem. (Lite. 9. 31.)
LIEFDE AAN J.-C. VERSCHULDIGD. 1 17
wezenlijk voorgevalleu. \' Overmaat van liefde voorwaar, herneemt de Heilige Au-gustinus, wijl de zoon Gods op aarde een zoo lastig leven is komen leiden ea eene zoo pijnlijke dood uitstaan, alleen om aan de menschen geheel zijne liefde kenbaar te maken. -
De Zaligmaker openbaarde aan zijne getrouwe dienares Armella Nicolas, dat zijne liefde tot de menschen de oorzaak is geweest van al zijn lijden en van zijne dood. Ware Jezus-Christus niet God, maar een eenvoudig mensch gelijk wij geweest, welk grooter bewijs van liefde had Hij ons kunnen geven dan voor ons te sterven? 3 Ook, wanneer de Heiligen de liefde overwogen die Jezus-C.hristus ons heeft toegedragen, hoe gering\' achtten zij dan het offer van hun leven en van alle dingen voor een zoo beminnenden God! Hoe veel jonge lieden, hoe veel edelen, hebben huis, vaderland, rijkdommen, ouders, in één woord alles verlaten, om zich in een klooster af te zonderen en daar hun leven aan do liefde van
(1) Excessus doloris, excussus aiuoris.
(2) Propterea Christus advenit, ut cogiioseerel homo quantum eum diligat Deus. (De catech. rud. c. \'».)
(3) Majorem liae dUectionem nemo habet, ut aoimain snaiu ponat quis pro ami cis suis. (Jo. I». 13.)
118 I 0° OVERWEGING.
Jezus-Christus toe te wijden? Hoe vele jonge maagden hebben de hand van vorsten cn grooten afgewezen, zijn blijmoedig ter dood gegaan, en hebben alzoo aan de liefde van een God beantwoord, die voor ons als oen misdadiger op een schandelijk kruishout gestorven is !
Deze overmaat der liefde van het eeuwig Woord jegens de menscheu, scheen ecne dwaasheid aan de heilige Maria Magdalena van Pazzi, die Jezns-Christus zoo durfde toespreken: «Ja, mijn Jezus! Oij zijt uitzinnig van liefde.» Ook de Heidenen, zoo-als de heilige Paulus getuigt, wanneer zij de dood van Jezus-Christus hoorden prediken, aanzagen haar als eene dwaasheid waaraan men nooit geloof zou knunen hechten. 4 En, zeiden zij, hoe zou een oneindig gelukkige en volmaakt onafhankelijke God kunnen sterven uit lielde voor de menscheu, bestemd Hem te dienen? Dit ware zooveel als gelooven dat eea God dwaas is geworden uit liefde tot de men-sehen. — En nogtans is het een geloots-punt, dat Jezus-Christus, de ware Zoon van God, zich uit liefde tot ons ter dood heeft
1) PradicamusChristum crnciflxUDi, Judiws quidenvsean-dtiium, Gentibusautem stultitiani, (h Cor. li 23.
LIEFDE AAN J.-R. VERSCHrjLDIGÜ. 110
overgeleverd. 1 Be heilige Maria Magdaleua van Pazzi had dan wel reden om uit te roepen, terwijl zij do ondankbaarheid der menschen jegens een zoo ininnenden God beweende: «O liefde die niet gekend, o liefde die niet bemind wordt.» Inderdaad, zoo Jezus-Christus niet bemind wordt, is dit omdat zijne liefde jegens de menschen wordt vergeten.
O ! gewis, wanneer eene ziel overweegt dat een God uit liefde voor haar is gestorven, dan kan zij niet leven zonder Hem te beminnen ; dan gevoelt zij zich ontvlamd, en is als gedwongen een God te beminnen die haar zoo zeer heeft lief gehad. 2 Een enkel druppel van Jezus bloed, zegt Pater Nieremberg, was genoeg om ons vrij te koopen; dooh Hij heeft al zijn bloed en geheel zijn leven willen slachtofferen, opdat wij, op het zien zijner wreede smarten en zijner dood, als \'t ware gedwongen zouden worden niet alleen Hem te beminnen, maar ook een God zoo vol liefde tot ons uit al onze krachten lief te hebben, en niet
r
meer te leven dan voor Hem volgens het woord van den Apostel : « Opdat zij die
\'l; Dijexit no.-», et tradidit semetipsum pro uobis,{Ep}f (2) Charitas ooim Christi nrget iius. \'II Cor. ö. 14.
10c OVERWEGING.
leven, nu niet meer voor zich zelveu leven, maar voordezen die voorhen gestorven is.»1
GEBED.
Ja, mijn Jezus, mijn Zaligmaker en mijn Verlosser ! (jij hebt mij al te zeer verplicht IJ te beminneii, mijne liefde heeft U al te veel gekost, en ik zou wel ondankbaar zijn zoo ik mij tevreden stelde met een (iod weinig te beminnen, die mij zijn bloed, zijn leven en geheel zich zeiven heeft gegeven. Zoo Gij voor mij, uw armen dienstknecht, zijt gestorven, is het ook billijk dat ik sterve voor IJ, mijn God en mijn Al! Ja, mijn Jezus ! Alles verzaak ik om mij aan U te schonken. Ik onthecht mijn har\' van alle schepselen, om mij geheel en zonder verdeeling aan uwe liefde toe te wijden. «Mijn welbeminde is uitverkoren onder duizenden. » - Ik verkies ü onder alle dingen tot mijn gued en mijn schat, tot mijn eenige liefde. 0 ! U bemin ik, mijne l iefde ! Ja ik bemin U! ik herhaal het en wil het onophoudelijk herhalen : Ik bemin U, mijne Liefde ! Ik bemin U. Gij zijt niet voldaan,
(1) Ut et qui vivunt, juin non sibi vivunt, sed ei qui pro ipsis mortuus est. (Ibid. 1 .H.)
(2) Uilectus meus..., eleclus ex millibus. (Cant. s. I».
120
HET GELUK NABIJ JEZUS. 121
zoo ik U maar weinig bemin ; Gij duldt niet dat ik iels anders dan U Hof liebbe ; ik wil U iu alles bevredigen, ik wil L\' veel beminnen ; ik verlang niets dan U, en wil niets anders beminnen dan li alleen. -Mijn (jod ! help mij om ü ten volle aangenaam te zijn.
En ook Gij, mijne Koningin Maria ! help mij mijnen Heer en mijnen God veel beminnen. Amen. Zoo hoop ik ; zoo zii het.
Xl^ UVEKWEGINi;.
VAN HET GROOT GELUK DER RELIGIEUZEN, NABIJ JEZUS IN HET HEILIG SACRAMENT TE WONEN.
De eerbiedwaardige Maria van Jezus, die eene kloosterorde te Toulouse stichtte, zeide dat zij om twee zaken vooral zich in haren staat gelukkig achtte ; vooreerst, dat de religieuzen zich geheel aan (iod geven door de belofte van gehoorzaamheid ; ten tweede, dat zij het geluk hebben gedurig bij Jezus in zijn Heilig Sacrament te wonen. — En inderdaad, als de menschen der wereld de gunst zoo hoog schatten door een koning geroepen te worden om in zijn paleis te wonen, hoe veel meer moeten zich de
IÜ2 I lc OVERWEGING.
religieuzen gelukkig achten toegelaten te worden geheel hun leven met den Koning des hemels in ^ijn huis door te brengen I
Jezus-Christus verblijft in de kerk juist voor hen, opdat zij Hem ten alle tijde kunnen vinden. In de wereld kan men Jezus nauwelijks in den dag gaan bezoeken, en op vele plaatsen alleen \'s morgens, terwijl religieuzen Hem zoo dikwijls zij verlangen in het Tabernakel vindon , \'s morgens in den dag, gedurende den nacht. Daar kunnen zij zich gedurig met hunnen Heer onderhouden, en Jezus-Christus van zijnen kant spreekt gaarne gemeenzaam met zijne dienaren die Hij uit Egypte heeft gevoerd, om hen in dit leven zijne tegenwoordigheid onder den sluier van het Heilig Sacrament te doen genieten, in afwachting dat zij Hem in den Hemel gedurende de gansche eeuwigheid van aanschijn tot aanschijn mogen aanschouwen.
« O eenzaamheid, waar God vertrouwelijk met de zijnen spreekt en omgaat. » 1 Elk klooster is eene zoete eenzaamheid, waar God zich met de meeste vriendelijkheid, aan zijne beminden mededeelt. De
\'1) O solitudo, in quo Deus cuin suis fainiliavitei\' loquitur et couversatur.
HET GELUK NABIJ .lEZUS. 1 23
zielen die Jezns-Christus vurig liefhebben, zouden geen beleren hemel op aarde kunnen verlangen dan zich in tegenwoordigheid te bevinden van hunnen Heer, in het Sacrament des altaars, waar Hij onophou-lijk verblijft uit liefde voor dezen die Hem verlangen en bezoeken.
« Zijne gesprekken hebben niets bitters, on met Hem leven baart geene verveling, maar integendeel blijdschap en vreugde. »1 Wanneer men Jezus-Christus weinig bemint, gevoelt men bij Hem verveling ; maar wanneer eene ziel op aarde in Jezus-Christus allaen al hare genegenheid heeft gesteld, dan vindt zij in hot Heilig Sacrament haar ganschen schat, hare rust, haren hemel. Ook beijvert zij zich dan uit al hare krachten haar hof te maken bij God op het altaar tegenwoordig, en Hem zoo dikwijls en zoo lang mogelijk te bezoeken ; zij komt aan zijne voeten hare genegenheden, hare moeilijkheden blootleggen, hare verlangens te kennen geven om Hem te beminnen, om Hejn eenmaal van aanschijn tot aanschijn te mogen aanschouwen, en om Hem intus-schen, in alles te kunnen behagen.
(t) Non habet umaritudiuom conversatio illius, nee tfpdium couvietus illias, sed Itetitiam et gaudium. (Sap: VUL 16. \'
I lc OVERWEGING
GEBED.
Zie mij hier in uwe tegenwoordigheid, o mijn Zaligmaker, onder do gedaanten van dit goddelijk Sacrament verborgen ! ik erken H voor denzelfdeu Jezus, die mij zoo zeer heeft bemind dat Hij op het kruis voor mij zich zeiven geslaGlitofferd, en daarna in deze gevangenis van liefde heeft opgesloten. En vervolgens hebt (!ij de goedheid gehad, onder zoo vele anderen die ü veel minder beleedigd en L\' meer dan ik bemind hebben, mij uit te kiezen um met U in dit heilig huis te wonen, waar Gij m:j, uit het midden der wereld getrokken, bestemd hebt om gedurig met ü vereenigd te loven, ten einde mij meer verzekerd te houden U eenmaal in uw eeuwig rijk te gaan loven en beminnen. Heer ! ik daniv U voor al die genaden. Waaraan heb ik zulk een groot geluk toe te schrijven ? « Lisver wil ik een der geringste zijn in het huis van mijnen God, dan te wonen in de tenten der goddeloozen.»1 Ja, mijn Jezus ! ik acht mij al te gelukkig de wereld verlaten te
1
Elegi abjeetus esse in domo Dei mei, magis quara liu-bifare in tabernaculis peccatoiuin. Ps. LXXX1II. 11.
HET LEVEN DKIl RKLTGIEÜZEX. 123
hebben, eu ik verkies de laagste bediening uit te oefenen in uw huis, liever dan te wonen in de prachtigste paleizen der raen-schen. Aanvaard mij dau, o goede Meester! gedoog dat ik geheel mijn leven bij U blijve ; verwerp mij niet, gelijk ik zou verdienen ; laat toe dat onder zoo voel deugdzame broeders die U in dit huis getrouw dienen, ook ik IJ dienst moge bewijzen, hoewel ik een arme zondaar ben. Vele jarcu heb ik geleefd verre van 1\' verwijderd, maar, nu Gij mij de oogen over do ijdelheid der wereld eu over mijne dwaasheid hebt geopend, wil ik mij niet meer van uwe voelen scheiden, ü mijn Jezus ! uwe tegenwoordigheid zal mij moed geven om de bekoringen te bestrijden ; bij Ü blijvend, zal k mijne verplichting niet vergoten U tei beminnen en in den strijd tegen de hel tot ü mijne toevlucht te nemen. Ik verlang altoos bij ü te blijven, om mij steeds inniger mot ü te vereenigen. Ik bemin U, o mijn God in dit Sacrament van liefde verborgen 1 Uit liefde tot mij rust Gij voortdurend op dit altaar ; uil liefde tot U wil ik zooveel mogelijk in uwe tegenwoordigheid komen. Terwijl Gij hier opgesloten zijt, bemint gij mij onophoudelijk ; hier
1 le OVERWEGING.
met Ü opgesloten, wil ook ik onophoudelijk II beminnen. Alzoo, mijn Jezus, mijne Liefde, mijn Al ! zullen wij altoos te zamen ziju gedurende don tijd in dit huis, en gedurende de eeuwigheid in den hemel. Zoo zij het. 7.00 zij het.
Allerheiligste Maagd Maria ! verkrijg mij eene groote liefde tot het Heilig Sacrament.
\\ll- OVERWEGING.
HKT LEVEN DER RELIGIEUZEN GELIJKT HET MEEST OP li ET LEVEN VAN JEZlIS-CtlRISTÜS.
120
De Apostel verzekert oas dat de eeuwige Vader niemand tot het rijk der hemelen voorbestemt, dan dezen die hun leven gelijkvormig maken aan dit van het mensch-geworden Woord. 1 Welk moet dan lie, geluk der religieuzen zijn, welke hunne verzekering eens den hemel in te treden, als zij zien dat Jezus-C.hristns hen geroepen heeft tot den staat die onder alle anderen
1
Quos prrrscivit, et pr.rdestinavit con formes fieri inia-giuis Filii sul. Hom. VTIl. 2\'».,
HET LEVEN DER RELIGIEUZEN\'. 127
de meeste gelijklieul heeft met het leven van den Zaligmaker.
De Zaligmaker wilde een arm leven op aarde leiden als een eenvoudige leerjongen in een arm huis, arm gekleed en arm gevoed ; en zulks nit liefde tol ons, om ons door zijne armoede rijk te maken.1 Daarenboven wilde Hij in versterving leven, verre van de vermaken der wereld, altijd in smarten en kwellingen van zijn geboorte af tot aan zijne dood, zoodat de Profeten Hem genoemd hebben: «don man van smarten. » - Zoo heeft Hij getoond welk hei loven moet zijn van hen, die Hem volgen willen, een leven van verloochening en opoffering. «Indien iemand na mij wil ko-mön, hij verloonhene zich zeiven, en neme zijn kruis op en volge mij.» 3 Volgens dit voorbeeld eu dit woord van Jezns-Christus, hebben de Heiligen zich welhaast ontbloot van alle aardsche goederen, en zich met kwellingen en kruisen overladen om hun welbeminden Meester te volgen.
Dusdanig was het gedrag van don heili-
(1) Propter vos egenus fuctus est, emu osset dives, ut illius iuupia vos divites essetis. (H. Cor. 89.)
(2) Virum dolorum. (Ps. 53. 3.\'\'
(3) Si quis vult post me venire, abneget seiuetipsum, et tollat cruceiu suum, et sequulur me. Muttli. 10. 2\'».
I2.S 12quot; OVRtWEGING.
gen Benediclus, die, afstammeling van de heeren van Xorcia en bloedverwant van den keizer Justinianus, aan de rijkdommen en vermaken der wereld reeds in den ouderdom van veertien jaren verzaak\'.e, om te gaan leven in eene spelonk op do bergen van Sublae ; daar ontving hij tot zijn onderbond niets anders dan een stnk brood dat een monik, Uomanus genoemd, bom dagelijks uit liefdadigheid bracht.
Insgelijks deed de heilige Franciscus van Assisïe; hij liet aan zijn vader al wat hem toekwam, zrlfs zijn laatste kleedingstuk, wijdde zich dan geheel aan Jezus-Cbristus, on omhelsde een gansch armoedig en verstorven leven. — Zoo handelde ook de heilige Franciscus van Borgia en de heilige Aloïsius van Gonzaga : de eerste was hertog van Gandië, do andere markgraaf van Cas-tielje ; beiden verlieten rijkdommen, landerijen, onderdanen, vaderland, buis en bloedverwanten om arm in een klooster te gaan leven.
Hoe vele andere doorluchtige mannen, hoe vele vorsten zelfs van koninklijken bloede, hebben aan de wereld dit groot voorbeeld gegeven ! — Ilc gelukzalige Zed-merra, dochter van don koning van Ethio-
HET LEVEN DEU RELIGIEUZEN. 129
pië, verzaakte aan deu troon om religieuze te worden in de orde van den II. Doraini-cns. insgelijks verkoos de gelukzalige Joanna van Portugal boven de kronen van Frankrijk en Engeland eenvoudige non le worden. De orde van den heiligen Üenedio-tus alleen telt vijf en twintig keizers lt;\'11 vijf en zeventig koningen en koninginnen die de wereld hebben verlaten om in een gering klooster, arm, verstorven en vergoten te leven.
O ! gewis, deze zijn liet, en niet de grou-ten dor wereld, die waarlijk verdienen gelukkig genoemd te worden ! Thans aanzien de wereldlingen hen als dwazen, maar in liet dal van Josaphat , zullen zij hunne eigene onzinnigheid bekennen; alsdan, bij hot zien der Heiligen op hunne tronen gezeten en door God gekroond, zullen zij /lichtende en met wanhoop uitroepen : Ziedaar dan degenen di e eertijds hel voorwerp waren onzer spotternij ! 1 Dwazen die wij waren, hun leven scheen ons eene nitzin-niglieid loe. 2 Kn thans zijn zij verheven
[\\ lii sunt quos uliqnnmlo iiabuiinus in dci isum.
gt; Nos insensali viJaui illorniii testimabamus iusHiiiani.
9
130 1 2° OVKHWEGIMG.
tot de waardigheid van kinderen Gods. en
hun aandeel is dat der Heiligen. 1
(lElilïD.
0 Jezus, mijn Meester en mijn Verlosser ! ik hen dus onder het getal dor bevoorreeh-ten die (iij geroepen hebt om ü te volgen ! Ileerl ik dank U daarvoor. Ik verzaak alles ; ik zou meer willen te verlaten bobben om mij aan U te hechten, o mijn koning, o mijn God, dio een zoo armoedig en zoo lastig leven hebt willen leiden uil liefde voor mij, en om mij aan te moedigen door uw voorbeeld ! Ga voorop Heer ! ik zal U volgen. Kies voor mij welk kruis (jij ook wilt, en help mij, ik ben besloten het üMophoudelijk met lieldo en standvastigheid te dragen. Ik beklaag het dat ik li eertijds verlaten heb om mijne lusten en de ijdelheden der wereld na to jagon ; voortaan wil ik mij niet meer van li scheiden. Hecht mij aan uw kruis ; en indien ik foms wedersta uil zwakheid, trek mij mee aan de zoete banden uwer liefde, en laat niet toe dat ik II ooit meer verlate. Ja, mijn Jezus I ik verzaak aan alle vreugden
1
y Ecco (innuiodo inter filios Dei Cünipiitati snut, et inter Sanctos sors illorumest. (Sap. ü. 3.j
IJVER DER REUOIP.UZKX. I :! I
dei- woreld ; mijn eenig vennaak zal zijn, U Ic volgen en alles te beminnen en te lijden wat ü kan behagen. Dan hoop ik mij eenmaal in uw rijk te bevinden, waar men U zonder sluier aanschouwend, met II ver-eenigd door dien band van eeuwige Horde niet meer te vreezen beeft ooit van IJ losgerukt en gesdieideu te worden. Ik bemin Li, mijn God, mijn Al! en altoos zal ik U beminnen.
Dusdanig is mijne hoop. ü Maria ! omdat gij bet meeste gelijk zijt geweest aan Jezus op aarde, zijt gij uu in den hemel de maehtigsteom zijne genaden te verkrijgen; bescherm mij.
XIIIquot; OVKÜWI\'I.IM;.
VAN DEN IJVER DIEN DE RELIGIEUZEN IIEBIIEN MOETEN VOOR DU ZALIGHEID IJER ZIELEN. 1
Wie tot de vergadering van den Aller-bciligsten Verlosser geroepen is, zal nooit
1
Ofschoon «lo II. Alphonsus, in lt;lc/o overweging bijzonder «ie Vergadering der Mission narissen bedoelt welke hij heeft ingesteld, betreft nogtuns dit onderwerp de religieuzen van heider geslacht, en aile personen die God beminnen. Allen toch zijn geroepen om dit liefdadig apostolaat uit te oefenen, op eene oniniddeiijke ofmiddelijke wijze ; ecmeder volgens zijne hegaid\'dheid of zijne natuurlijke hoedanighedeD;
1 32 I 2° OVERWEGING.
een ware leerling van Jezus-Cliristus zijn on nooit heilig worden, indien hij niet streeft naar het doel zijner roeping en don geest der orde niet aanneemt; namelijk de zaligheid der zielen bewerken, en wel dei-zielen die het meest aan geestelijke middelen gebrek lijden, zooals de arme landbewoners.
Dusdanig was het doel der komst van den goddelijkoü Verlosser op aarde gel.jk Hij zelfverklaarde : «i)o Geest des Hoeren hooft mij gezalfd om aan do armen het Evangelie to prediken. » 1 En toen Hij een bewijs wilde hebben van do liefde die de heilige Petrus Hom toedroeg, eischte Hij slechts eono zaak : te weten, dat hij zon werken aan do zaligheid der zielen. 2 Hij legdo hem goone boetewerkon op, zegt de heilige Joannes Chrysostomus, geene geboden of
liotzi.j door eeno edelmoedige mndewevking in de Ledienin-gen die do verdediginj* dos geloofs of de bekoel ing der zon-danrs ten doel iiehben ; lietzij ten minste door hut gebod en andere godvruchtige oorerdngen. (Zie het groot middol des f-ebeds. Le grand moyen «lo la priére. Chap. § I.) Allen kunnen deel hebben aan do heerlijke belooiiiiilt;; di»; do Uimt. voor zijne Kvangeliseho werklieden boeit weggelegd. Mat. 1(1. 40 — et sup. — .lao. 5. 20.)
DK Yr.RT \\ I.F.I!.
(I) Spiritus Domini unxit, me, evangelizare panporibus IJK\'. 4. 18.)
(^) Simon .loannis, diligis me? Pasee ugnos mcos.. . I\'asce oves meas, (Jo. 21. KJ-.}
IJVER DER RELIGIEUZEN. IH.\'!
andere dergelijke oefeningen ; de Heer wilde alleen dat hij zich besteedde aan de zaligheid zijner schapen. 1 Daarenboven heeft Jezns-Christus nog verklaard, dat Hij iedere weldaad die wij aan den laalslen onzer broeders bewijzen, zal aanzien als ware dit aan Hem zeiven gedaan. 2
leder religieus moet clan in den hoügstcn graad, dien geest en dien ijver voor het welzijn der zielen in zich onderhouden ; naar dat doel moot hij al zijne pogingen richten ; en wanneer zijne oversten hem met eene bediening belasten, moet hij :il zijne gedachten en al zijne zorgen er aan \'oe wijden. Men zou zich geen waar lid do-zer Vergadering kunnen noemen, indien men zulke werkzaamheden door de gehoorzaamheid opgelegd, niet van gansebci\' barle aannaam, en verkiezen zou met zich zeiven alleen bezig te blijven door te leven in de afzonderingen de eenzaamheid.
ü I kan er grooter glorie voor een mensch wezen, dan, volgens de uitdrukking van van den heiligen Paulus, :i (lods medewor-
(1 Non dixit Christus : Ahjice pecunias, Jcjnnium exci ce. uiauui\'u te laburibus ; — sod dixit: « Pu see oves uieas. gt;•
Amen dl co vobis : qnaindiu feeisfis imi ex Uis IVutfihus meis iniuiinis, milii t\'ecistis. (Mutth. 20. 40.)
(3) 1 Cor. \\i. 9.
13i I 3e OVERWEGING.
ker tc zijn in rlat groot werk van de zalis-linid der zielen? Alwie den Heer innig lid\' licol\'t, steli zich niet tevreden met alleen Hem tc beminnen ; hij zou alle mensclien lot die heilige liefde willen trekken, en met den koninklijken Profeet houdt hij niet op hen daartoe uit te noodigen. \' « Looft niet mij den Heer en laat ons zijnen naam verin: 11 en.» Ook spoort de heilige Auj- ustinus dezen aan, die (!od beminnen, ahe men-sehon tot die heilige liefde te voeren. « Zoo gij (iod bemint, trekt een ieder tot die heilige liefde. » -
Daarenboven, als men zich met waren ijver op de zaligheid van anderen toelegt, heeft men groote reden om met vertrouwen te hopen, dat men zijne eigene zaligheid zal bewerken : eene ziel redden, zegt de heilige Augustinns, is zijne eigene zaligheid verzekeren. 3 En de heilige Geest doet ons deze belofte : Wanneer gij zult gewerkt hebben tot het geestelijk welzijn van een behoeftige, 4 en door uwe liefdadige zorgen
i Miiynilic.-.tc iJoiiiinuui mccuin. tït exiillemus nuuien ejus! (I\'s. 33, ■,,)
(2) Si aniatis Deiim, rupite omnos ad amorcin Dei. fin ps. 33oii.2.)
Aniinain salvusti, uniinani tiiam pfa\'destinasli.
Cum eU\'udcris csurieiiti aiiitnam tuaui.
IJVER DER RELIGIEUZEN1. 133
zijne ziel niet de verlrooslingen der genade zult vervuld hebben, 1 dan zal u de Heer met licht eu vrede begunstigen. 2 De heilige Pauhis vestigde do hoop zijner eeuwige zaligheid op het goed dat hij aan anderen deed, gelijk hij getuigt in zijneii brief aan de inwoners van Tessalonica die hunne zaligheid aan hem te danken haddon. quot;
GEUED.
lleei1, Jezus-Christus ! hoe kan ik IJ waardig bedanken, mij door uwe barmhartigheid geroepen ziende die heilige bediening waar te nemen, welke (lij zelf op aarde bebt uitgeoefend ; dit is, de zielen bijstaan door mijne zwakke werkzaamheden en ze lielpen hunne zaligheid te bewerken? Welk recht had ik lot zulke eer en tot dusdanig voorrecht, ik die U zoo zwaar beleedigd heb, en oorzaak ben geweest, dat anderen li insgelijks vergramden? 0 mijn Zaligmaker ! wijl (lij U gewaardigd mij te roepeu
1
Kt :lt;iiimam alllii\'.lam rejiloveris.
(2) Ruquicm tilii «labit Üomintis sfiniiei*, ot implebit spleo-doribus aiiiipam tuiim. (Is. ü8. 10-11.)
2
(:{ Qua? est eiiim uoslru spes, nut gaudiuin, aut corona gloria;? nuriue vos uulo Uomiiiuin nostrum Jesum Cüristum estis in adventu ejus ? I. Thess. 2. 19.)
130 13° OVERWEGING.
Din IJ in dil groot werk te helpen, wil ik al mijne krachten besteden tot uwen dienst; zie ik bied mij aan om alle vermoeienissen te verduren, ja mijn bloed en mijn leven te geven om II te gehoorzamen. Hierin wil ik geenszins mijne eigene neigingen volgen, ui de toejuichingen on de achting der men-schen najagen ; de eenige zaak die ik verlang is, door alle nienschen U bemind te zien, gelijk Gij verdient. Ik acht mij gelukkig door U zeiven tot die groote bediening gekozen te zijn ; en terwijl ik er mij aan toewijd, verklaar ik aan allen lof van den kant der menschcn , aan alle eigene voldoening te verzaken, om niets dan uwe glorie te zoeken. Aan ü, allo eor en al wat 11 aangenaam kan zijn ; aan mij slechts tegenkanting, vernedering en smart, lieer! neem dit ollcr aan van een ellendigen zon-daar, die verlangt U te beminnen en ook dour anderen bemind te zien ; scheukt mij de kracht om het ten uitvoer te brongen.
O Maria, mijne machtige Voorspreekster? gij die de zielen zoo lief hebt, sla mij bij.
DB DEUGD VAN ZACHTMOEDIGHEID. 11!7
XIV\'- OVEKWEGINC.
HOEZEER DE DEUGD VAN ZACHTMOEDIGHEID E.\\ OOTMOEDIGHEID NOODIG ZIJN AAN EEN RELIGIEUS.
Jezus-Christus, onze alloibcmiuuclijkstc Verlosser, licel\'t een Lam genoemd willen worden, om ons een denkbeeld te geven zijner zaehtmoediglieid en ootmoedigheid. Aan zijne leerlingen heeft Hij bevolen deze twee deugden vooral van Hem te leeren. \'i Leert van mij dat ik zachtmoedig ben en nederig van harte.» 1 Hij vereischt deze voornamelijk van de religieuzen die de be-loile doen zijn heilig leven na te volgen.
Als men in eene wildernis alleen woont, heeft men deze deugden zoo zeer niet noo-dig : doch wanneer men in een klooster leeft, is het onmogelijk dat men niets t,c lijden hebbe, hetzij door vermaningen dei-oversten, hetzij door zekere onaangenaamheden met de medebroeders ; daaruit volgt, dat een religieus die zich niet toelegt oi! de beoefening der zachtmoedigheid, dagelijks vele fouten zal begaan en altijd een
\'l , Discitu a ine quiu witis sum ut humilis cordu. (MuUli. II. 29.)
1 !J8 I 4° OVERWEGING.
ongerust levcu zal lettloa. Het is dus noodzakelijk dat een kloosterling als de zachtmoedigheid zelve zij jegens iedereen ; je-geus de vreemdelingen, jegens zijce medebroeders en, indien hij ooit overste wordt, jegens zijne onderhoorigen : hij zij overtuigd, dal eene akte van zachtmoedigheid, wanneer hij versmadingen of verwijtingen te verdragen heeft, hem meer z.il baten dan duizend vasten en duizend geest Ungeu.
De heilige Franciscus zegt, dat vele personen do volmaaktheid zoeken in-uitwendige verstervingen, terwijl zij niet een bcleedigend woord kunnen verdragen ; zij weten niet, voegt hij er bij, dat dit veel voordeeliger is dan de versterving. 1 Velen nog, bemerkt do heilige Bernardus, schijnen vol zachtmoedigheid zoolang er niets gezegd of gedaan wordt dat hen tegengaat; maar ontmoeten zij iets dat hun mishaagt, aanstonds ziet men hoe gebrekkig hunne deugd is. Alwie met do bediening var overste belast is, wete, dat hij van zijne onderdanen meer verkrijgen zal door eono vermaning die met zachtmoedigheid geschiedt, dan door honderd akten van gestrengheid.
1
Non iutclligcntcs quantu niajus sit lucrum in lolcrmjtia iujuriut-um.
DE DEOr.D VANquot; ZACHTMOEDIGHEID. 139
Wie zachtmoedig is, zegt de heilige Joannes Chrysostomus, strekt zicli zeiven en anderen tot nut. 1 In één woord, dezelfde heilige leert ons, dat het zekerste toeken voor de deugd conor ziel is, haar zachtmoedig en geduldig te zien in de wederwaardigheden. Ecne zachtmoedige ziel behaagt aan (iods Hart.2 liet is goed dat do religieus zich al de beproevingen die hem kunnen overkomen voorstelle in zijne overwegingen, om zich vooraf te wapenen ; wanneer zij zich dan voordoen, moet hij zich met gewold bedwingen om de onlstcltouis en het ongeduld to vermijden. Is men ontroerd dan wachtte men zich te spreken, tot dat men de overtuiging hooft dat het gemoed bedaard is.
Doch om de beleedigingen met gerustheid te verdragen, is het vooral noodzakelijk oen goeden grondslag van ootmoodig-heid te hebben ; hij die waarlijk ootmoedig is, wordt er niet door ontsteld wanneer hij zich veracht ziet; integendeel, hij noemt er behagen in en inwendig verblijdt bij er zich over, alhoewel do natuur voor die verachting niet ongevoelig is. In deze gelegen-
I Monsuotus utilis siM ct aliis. (In Act. hom. 6.)
;2; iieneplacitum est illi üclos ct mansuctudo.(Eccli. 1. 3 t.:
I 4C OVERWEGING.
lieid is hij tevreden zich behandeld te zien /ooals hij meent te verdienen, en dezen trek van gelijkvormigheid te hebben met Jezus-Christus die ofschoon alle eer waardig, uit Helde tot ons, met versmadingen heeft willen verzadigd worden. Wanneer broeder Juniperus, leerling van den heiligen l-\'ranciscus, beleedigd werd, strekte hij zijn kleed nit als om paarlen die uit den hemel vielen, op to vangen. De Heiligen waren altijd meer begeerig naar vernederingen, dan de wereldlingen naai\' lof en eer. En wat is een religieus ,die geen smaad voor God kan verdragen ? hij zal altoos een hoovaardige zijn, of slechts een schijn van ootmoedigheid hebben, en de genade (iods, gelijk de heilige Geest ons leert, zal hem allijd wederstaan : «God wederstaat den hoovaardigen, en schenkt den ootmoedigen zijne genade.» 1
GKBED.
0 mijn allerootmoedigste Jezusdie uit liefde voor mij, U hebt willen vernederen en gehoorzaam worden tot dc dood des kniiscs ! hoe durf ik voor U versciujuen en
1 Deus superbis resistit, huuiilibus uutuiu dat irrutiuui. ,1. i\'et. ü. 5.)
140
HKT BETROUWEN IN\' MARIA. 141
mij uweu leerling noemen, ziende dat ik, met zoo veel zonden beladen, niet te min zoo hoovaardig Len, dat ik geene verachting zonder tegenzin kan verduren ? Van waar kan mij zulke hoogmoed komen, daar ik om mijne zonden verdiend heb eeuwig in de hel onder de voeten der duivels getrapt te worden ! Ach I mijn Jezus, zoo zeer met verachtingen verzadigd ! kom mij te hulp, maak dat ik aan IJ gelijk worde ; ik wil mijn gedrag veranderen. Uit liefde tot mij hebt gij alle versmadingen verdragen ; uit liefde tot U, wil ik ook alle beieedigingen verduren. Mijn goddelijke Verlosser! gij hebt de vernederingen te eervol en Ie wenschclijk gemaakt door deze met zoo veel liefde aan te nemen gedurende, uwen levensloop ; daarom wil ik voortaan \\ al mijnen roem stellen in het lijden met IJ en voor II: « Verre van mij, op iets anders dau op het kruis van onzen Heer Jezus-Christus te roemen. »1
Allerootmoedigste Maagd Maria, Konin-■ gin des Hemels, on Moeder van (iod I die in alles en bijzonder in de smarten de vol-maakste gelijkheid mot uwen goddelijken
1
Mi hi ubsit gloriaii, nisi in cruee Domini nostii Jesn-Christi. (Gal. (i. 14.)
I OVERWEGING.
Zoon liobt verworven, bekom mij dc genade allo beleciligingen welke mij voortaan zullen overkomen, met gelatenheid te verdragen. Amen.
\\quot;V« (iVKItWKdl.Xli.
VAN HET ÜETROliWES DAT DE RELIGIEUZEN iTOE-
ÏE.N HEBBEN IN DE BliSCHEnXII.Ntr VAN MARIA.
Indien het waar en, volgens den heiligen l\'elrns Damianus ontwijfelbaar is, dat onze goddelijke .Moeder Maria alle menschen zoo zeer bemint, dat er na (iod niémand is of bestaan kan, die haar overtreft of even-aardt in liefde lot ons; 1 hoe zeer moeten wij denken dat die groote Koningin de religieuzen bemint, die vrijheid, leven, alles in een woord hebben toegewijd aan de liefde van Jezus-Christus ! Zij zie; dat hun levenswijze het meeste aan haar leven en aan dit van haar goddelijken Zoon gelijkvormig is ; zij ziet hen dikwijls bezig met haren lof te verkondigen, aanhoudend waakzaam om haar te eeren door novenen, bezoeken, rozenkransen, vasten en andere
1
A mat hos nnuire iiivinciliili. (In Nat, li. V. S. 1
IIKT BETROUWEN IiV MARIA. ( 43
dcvotiëu. Alonigmaal ziet zij hen voor hare voelen, om haar aan te roepen en genaden to vragen, die geheel overeenstemmen met. hare heilige verlangens, zooals de volharding in don dienst van Uod, sterkte om aan do bekoringen te wedorstaan, onthechting van do aarde, liefde tot (!od. —Ach ! hoe zouden wij kunnen twijfelen dat zij goen gebruik zou maken van hare ganscho macht cu barmhartigheid ton gunste dor religieuzen ? en hoe zouden wij kunnen twijfelen dat wij niet het voorwerp harer bijzondere welwillendheid zijn, wij vooral die doel maken van de Vergadering des Allorhoiligsten Verlossers, in welke men, gelijk bekend is, zich bij uitstek beijvert de Moeder-Maagd te voroeren door dagelijksche bezoeken, door oen Zaterdagscho vasten, door bijzondere verstervingen gedurende de novenen welke hare feestdagen voorafgaan, enz..., cn door den ijver om alom, bij middel van predikingen en oefeningen tor harer eer, do godsvrucht jegens haar to verspreiden ?
Die verhevene koningin is geenszins ondankbaar. Dezen die haar lief hebben, kan zij niet nalaten te beminnen. «Ik bemin die mij beminnen, d1 Zij is zelfs zoo milddadig,
il/ Ego diligciitos mo •lilign. (Prov. 8. 17.
144 löe OVERWEGING.
zegt de heilige Andreas van Creten, dat zij \'■■cwüün is grooto geschenken te doen voor hot minste eerbewijs.1 Zij belooft diegenen die zicii beijveren om haar ook door anderen te doen vereeren, van zonden Ie bevrijden, 5 en daarenboven verzekert zij hnn
den hemel. 3
Wij moeten dan op eene bijzondere wijze God bedanken dat Hij ons tot deze Vergadering geroepen heeft waar de kloostei gebruiken en de voorbeelden onzer medebroeders ons zoo dikwijls verwittigen, en om zoo te spreken, noodzaken tot Maria ons te wenden, en onophoudelijk din teedere Moeder te vereeren, die met recht genoeim wordt de lUijdschap, de Hoop, het Leven, de Zaligheid van allen die haar aanroepen cu vereereu.
GEBED.
Mijne beminnenswaardige en beminnende Koningin ! Voortdurend dank ik den l.ner en U, omdat Gij mij uit de wereld getrokken hebt en geroepen om mijn leven
(I) Solet maxima pro minimis reditere. (In Dorm. li. ^ ■ S. :i.)
{•2) Qni operanlur in mf» non pt\'iM-ithniit.
(3\'; Qui elucnlnnt mo, vitnm Ji-lermmi ha.ifibnnt. v ci 30. — Offic. li. v.;
HET BETROCWKX IN MARIA. 1 45
door f.o brengen in de/.c Vorgaderiüg waar (jij op cene gansch bijzondere wijze gediend wordt. Neem mij dan aan voor uwen dienaar, o mijne Moeder ! go waardig loe te laten dat ik, opgenomen onder het gel.ii van zoo vele zonen die II liefhebben, U diene gelijk zij U dienen, hue ellendig ik ook hen. Ma (lod zult gij altijd mijne hoop 011 mijne liefde wezen. In al mijne behool-len, moeilijkheden en bekoringen zal ik mij altijd lot 11 wonden ; gij zult mijne toevlucht en mijn troost zijn. Om mij in den strijd, in het lijden on in do vervelingen van dit leven te ondersteunen, wil ik niemand dan God en U. Ik verzaak aan alles, en wil liever uw dienaar zijn dan over de gansche wereld te heerschen. U dienen op aarde, li loven en beminnen, u mijne goede Koningin, zal voor mij cone heerschappij zijn I want IJ dienen is heerschen, gelijk zeer wol de heilige Anselmu-. zegt. \' (iij die de Moeder der volharding zijt, verkrijg mij de genade U getrouw to blijven tot aan do dood. Zoo doende hoop ik, en wel met zekerheid, eens te mogen gaan waar gij heerscht, oni eeuwig C to
(I) Cui servire, regnnre est.
10
d 40 1 öe OVEEWEGIXG.
loven cn Ip zegenen, en mij nooit meer van uwe heilige voeten to verwijderen. Jezus en Maria ! ik verklaar met uwen toegenegen ilienaar, Alphonsus Rodriguez, dat ik wil lijden voor U, sterven voor U, aan U geheel loebeliooren. 1
GRISED VAX ni:\\\' II. THOMAS VAX AOCl.N\'EX.
Mijn (iod ! schenk mij de genade uwen wil te kennen, en dien volmaakt lot uwe glorie te volbrengen, tieef mij de kracht om U niet te mishagen, noch door in voorspoed mij te verheffen, noch door in tegenspoed mij te ontmoedigen. Maak dat ik mij over niels verheuge of hedroeve, dan over hetgeen mij tot U geleidt of van U verwijdert ; dat ik aan niemand verlange te heilagen, of vreeze te mishagen dar. aan U ; dat alle goederen mij verachtelijk schijnen, dut uwe gaven mij wenschelijk zijn uit liefde !ot U en dat ik U boven alles be-minnc ; dat ik alle blijdschap zonder I smakeloos vinde, cn aangenaam alle kwelling voor li verdragen, zoodat ik niets wille huiten U. (leef dat ik immer al mijne gedachten en genegenheden tot li richtte.
(\'.) Josu et Maria, araores moi dulcissimi! pro vobis patiai^ pro vobis inoriar; sim totus vester, sim nihil mens.
iiKT nuTunuwEx rN MARIA. 1 47 Hoer! maak mij golioorzanm zonder lopen-spraak, ar m zonder verlangen, zuiver zonder besmetting, geduldig zonder morren, ootmoedig zonder geveinsdheid, vroolijk zonder uitgelatenheid, godvreezend zoiulor mistrouwen, vlijtig zonder kommer, voorzichtig zonder arglist. Maak mij bereid aan anderen good te doen zonder verwaandheid, hen te vermanen zonder ijdolheid, hen door mijn voorbeeld te stichten zonder veinzerij. Schenk mij een waakzaam hart, dat zich van U niet laat afwenden door ijdele gedachten ; een verheven hart, ontoegankelijk voor onwaardige gevoelens ; een rochl-zinnig hart, dat niet bewogen wordt doorslechte inzichten ; een hart, standvastig in do kwellingen, vrij van aardsche gehechtheden. Dat ik verlicht zij om U te kennen, snel om U te zoeken, behendig om Lquot; te vindon, volhardend in ü te behagen, go-Irouw om U voor uwe weldaden te bedanken. Eindelijk verleen mij don moed hot lijden te omhelzen om mijne zonden in dit leven uit te boeten, en hot geluk U eenmaal van aanschijn tot aanschijn te mogen aanschouwen, bezitten en eeuwig beminnen in het ander leven. Amen.
0 Maria, mijne Koningin, mijne Hoop
Ifiquot; OVERWEGING,
148
en mijne Moeder! ik licmin L\' en slel in L1 mijn vertrouwen, li; smeek U door de liefde welke gij Jezus toedraagt, door de hlijd-schap die gij gevoeld hebt toen gij zijne Moeder werd en door de droefheid welke gij heht uitgestaan hij zijne dood, verkrijg mij van den lieer eeu levendig heroiiw en dc vergiffenis mijner zonden, de voiharding in het goede, en eene zuivere liefde tot (lod met eene volmaakte gelijkvormigheid aan zijnen wil. Gij zijt dc toevlucht der zondaars en bijgevolg mijne toevlucht : ik beveel U mijne ziel ca mijne eeuwige zaligheid. Neem mij tot uwen dienaar aan, en als dusdanig bescherm mij allijd, vooral in bet uur mijner dood : aan U komt bet bv door uwe maebtige voorspraak mij zalig te maken. Zoo hoop ik, zoo zij bet.
I in
ANTWOORD AAN KE.N JONCKLINC
DIE KAAI) VRAAGT OVER DEN LEVENSSTAAT DIEN HU KIEZEN MOET.
In uwen brio)\' loos ik, (Jul. gij sedert hing de ingeving van God gevoelt om den religieuzen staat te omhelzen ; maar dat er in uwen geest verscheidene twijfels zijn opgerezen, en wel voornamelijk, dat gij ook zonder religieus te worden, uwe zaligheid in do wereld zoudt kunnen bewerken.
Een kort antwoord wil ik u geven : indien gij meer uitleg begeert, kunt gij een werkje lezen dat ik heb laten drukken onder dezen tilel : Ilaarlgevingen over de roeping lol hel Idooslerleven ; daarin heb ik deze stof breedvoerig behandeld.
Ik zal mij dus vergenoegen hierin korte woorden te zoggen, dat de keuze van eetien slaat oeno zaak is van het gronisle belang, omdat daarvan do eeuwige zaligheid afhangt. Wie den staat omhelst waartoe God hom roept, zal gemakkelijk zalig worden ; maar wie aan de goddelijke roeping niet gehoorzaamt, zal hoogst moeilijk zijne zaligheid bewerken. Een groot gedeelte der
I :J0 .WTWOOUI) AAN EEN JONGELING verdoemden zijn daarom verloren gegaan, omdat zij aan iiiinno roeping niet beaul-woord hebben.
Wilt gij dus den zekersten staat kiezen om lot de zaligbcid te geraken, wat loeli alles voor ons is, overweeg dat uwe ziel onslerfelijk is, eu dat gewis het doel waarvoor \' iod u in deze wereld geplaatst heeft niet is rijkdommen of eer te verkrijgen ol\' een gemakkelijk cn aangenaam leven te leiden, maar wel en alleen, om door de beoefening der deugden de eeuwige looning te verdienen. 1 In den dag des oordeels zal bet u niets baten uwe familie te hebben verheven of in de wereld geschitterd te hébben ; maar alleen Jezus-Cbristus, die n moet oordeelen, bemind eu gediend te hebben.
Gij meent heilig te kunnen worden, zelfs wanneer gij in de wereld blijft. — Ja, Mijnheer, gij zoudt het kunnen, docb moci-l;jk, en zoo gij waarlijk van (.iod tot bet religieuze leven zijl geroepen, eu desniel-temin in de wereld wilt blijven, uwe hei-ligmaUing, zooals ik gezegd heb, zal groot gevaar luopen. Ite reden hiervan is, dat u daar de genaden zullen onlbreken welke (iod u in den religieuzen staat had voorbe-
I l-iuuiu voiu viUnn altTiiaai. Rum. G
OVER DEN LEVENSSTAAT. Ijl
reid ; on van dio hulpmiddelen oiilbloüt, zuil gij uwe zaligheid zeer moeilijk bewerken. Om heilig le worden moet men de middelen gebruiken, zooals liet vlndilen der gevaarlijke gelegenheden, de onthce.h-ling der yardsdie goederen, en eindelijk zich met fiod vereenigen ; daarenboven is liet noodig om te volharden, dikwijls do heilige Sacramenten te outvangeu, dagelijks het inwendig gebed, de geestelijke lezingen andere oefeningen van godsvrucht Ie verrichten ; anders kan men den ijver niet onderhouden. Welnu, zeer moeilijk is het, om niet te zeggen onmogelijk, dit alles te midden van het gewoel en de beslommering der wereld te booelWien. I\'ami-liezorgen, behoeften des hiiisgezins, ki.icb-| ten der bloedverwanten, twisten, vervolgingen, (zaken die zoo algemeen zijn in do wereld) vervullen zoodanig den geest mei. gedachten en vrees, dat men zich \'s avonds, met veel verstrooiing, nauwelijks aan (iud kan aanbevelen, (nj zult hot inwendig gebed willen doen, een geestelijk boek lezen, dikwijls commnniceeren, dagelijks liet II. Sacrament des altaars bezoeken , maar de wercldsche bezigheden zullen u verhinderen, en het weinige dat gij zult doen zal
IÖ2 ANTWOORD AAN\' EEN JONGELING vol onvolmaaktheid wezen, omdat het go-sclüedt te midden van duizend verstrooidheden en met een koud hart. Alzoo zat uw leven allijd ongerust, en uwe dood nog ongeruster zijn.
Van den eenen kant, zullen de wereld-scho vrienden u willen afschrikken van den religieuzen staat, als zijnde een hard en smartvol leven, terwijl do wereld van den anderen kant u niets zal aanbieden dan vermaken, rijkdommen, en een gelukkig leven. Maar bedenk wel en bedrieg i niet. Wees overtuigd dat de wereld eene verraadster is die belooft en haar woord niet houdt, /ij biedt u de aardsche goederen aan ; doch zelfs wanneer zij die allen zou bezorgen, zou zij ooit den vrede der ziel kunnen geven ? Neen, God alleen kan u den waren vrede schenken. Onze ziel is alleen voor God geschapen, om Hem te beminnen in dit leven, en te bezitten in het andere ; daarom kan Ciod alleen ons hart bevredigen. Alle rijkdommen en vermaken der wereld kunnen ons den waren vrede niet bezorgen; integendeel, hoe overvloediger men zulke goederen op aarde bezil, des te moer wordt men ontrust en gekweld, gelijk Salomon beleed te midden van der-
OVEH DEN\' LEVENSSTAAT. 133
gelijken overvloed; «Alles is ij del held eu kwelling des geestes,» 1 Indien wcreldsche goederen geluk konden verschaffen, dan zouden zeker do rijken, grooten en vorsten, wien noch geld, noch eer, noch vermaken ontbreken, volkomen tevreden zijn ; doch de ondervinding leert ons dat zij des te moer moeilijkheden, vrees en kwellingen ontmoeten, naarmate zij in hunnen voorspoed verheven zijn. Een eenvoudige capu-cijuc leekebroeder, die niets anders dan een koord tot gordel en een grof kleed heeft, een weinig boonen tot voedsel, en in eene arme cel op stroo slaapt, zal veel meer in vrede leven, dan een vorst in gouden gewaad en in al zijnen overvloed ; dagelijks zal hij een kostelijk opgedischte tafel hebben, eu zich \'s avonds op een prachtig donzen bed tor rust nederleggen; maar om al de bekommeringen die hem de rus! benemen zal hij niet kunnen slapen. — Dwaas is hij die de wereld en niet (lod benuut \' zeide de heilige Philippus iNeri. — lin indien de wereldlingen reeds zoo rusteloos zijn in hun leven, zullen zij nog meer ontsteld zijn in het uur dor dood, wanneer liods priester hun zal aankondigen, dat hot
(1) Uuiversu vauitas ctalllictio spiritus. \'Keel. 1. 14.)
I ö I ANTVVOOIll; AAN EES JONGELING
l ijd is urn alschcid van cfczc wereld te ue-inen en hun zeggen: «Chrisleue ziel, ver-Irek uit deze wereld.»1 C.hristone ziel, ver-eenig n met den gekruisten Jezus ; de wereld is voor u uiot meer. — Ongelukkig is liet dat incu in de wereld weinig aan (lod donkt, cn weinig ook aan do andere wereld «aar wij eeuwig moeten verblijven. Alle ol bijna allo gedachten .richten zich op aard-sche zaken ; vandaar dat het leven ongelukkig is, en ongelukkiger nog do dood.
Zoo gij dan zeker wilt zijn uwen slaat goed te kiezen, verheeld u in doodelijken toestand te verkeeren, en omhels de levenswijze welke gij alsdan zult wenschen gekozen 1c hebben. Dan zal er geen gelegenheid meer zijn om uwe fout te herstellen, zoo i^ij den misslag begaat uwen heiligen roep te verwaarloozen, om natuurlijke neigingen op te volgen die u aanzetten in grooter vrijheid te loven. Overweeg dat alle dingen dezer aarde een einde hebben : - voor eenieder van ons moet hel tooneel dezer wereld eens ophouden. — Alles gaat voorbij, de dood komt ons te gemoet; en wij, hij eiken stap diou wij zetten, naderen tot de
i l\'iolicisuere, uiiimu dirisliana, lt;1 ■ liuu mnmlo.
\'■2) Pia\'teiil tniini ligura linjusmuudi. I Cur. T.
OVER DEN LEVENSSTAAT. 13Ö
dood en tol de ccuwiglioid. Daarvoor zijn wij geboren «want de inousdi zal het huis zijner eeuwigheid ingaan.»\' Op het oogen-hlik dat wij er het minst aan denken, zal de dood ons overvallen. Ach ! wanneer het stervensuur nabij zal zijn, wat zullen wij dan in alle aardsahe goederen vinden ? Zullen wij er iets anders in zien dan bedrog, ijdelheid, leugen, dwaasheid? Wat zal hel ons dan haten, zoo vermaant ons de lieer, geheel de wereld gewonnen te hebben, indien wij onze ziel hebben verloren. -iot niels anders zal dit dienen dan om een ongelukkig leven te eindigen, door eene ongelukkige dood.
Welk integendeel is het geluk van een jongeling, die aan de wereld heeft verzaakt om zich geheel aan Jezus-Christus te schenken, zijn leven door te brengen in eene eenzame cel verre vau het gewoel, en buiten het gevaar van\' C.od te verliezen, gevaar dat in do wereld zoo menigweii\' voorkomt ! In het klooster Ireft. hij noch concerten aan, noch tooneelspelen, noch danspartijen, noch andere dergelijke ver-
(l) Qtlonium ibit liomu in ........... .■elcBffiliUis sim-, K.-i-l
IS.
■J Quid (irodcsl ! uoiini, -i iiiiiikIiiiii nnivci siiih lucrolius auiinu: veiu sua\'dclfiuiculum patiatiii-. (Miitlli. 16. -6. :
IÖ6 ANTWOORD AAN EEN\' JONGELING
inakon; maar hij vindt er (loci die hein troost en vrede doet genieten ; ik spreek van den vrede welken men verkrijgen kan in dit tranendal, waarin wij allen verblijven om te lijden en door het geduld den volmaakten zielsvrede te verdienen die ons in den hemel is weggelegd. Wanneer men verre van de vermaken der wereld leeft, een teedere blik van tijd tot tijd op liet kruisbeeld geslagen, een : «Mijn God en mijn Al!)) 1 hartelijk uitgesproken, een lt;( Mijn God)) met een liefdezucht gezegd, verschaft meer ware vreugde dan alle vermaken en alle pracht der wereld, die een bitteren nasmaak achterlaten.
Ja, die jongeling omdat hi j den religieuzen staat heeft omhelsd, is gelukkig gedurende zijn leven, maar veel gelukkiger nog is hij in zijne laatste oogeublikken. Hoe groote troost zal het dan zijn voor hem, zijne dagen geheiligd te hebben door het gebod, de geestelijke lezing, de versterving, en door andere oefeningen van godsvrucht, voornamelijk indien hij zich in het klooster heeft toegewijd aan de zaligheid der zielen met te prediken en biecht te hooren ! Hij de
\'1 Deus muus ül umuiu.
ovkr den levensstaat. l\'it dooj zijn dit even zoo vele mlenpti vnn lie-(roiiwenop Jczns-Chi\'istns, die alla^ wat men voor zijne glorie doet. erkent en milddadig weet Ie beloonen.
Komen wij tot hot besluit aangaande de keuze die gij moot doen. Daar de Hoer u ge-roepon heel\'t om de wereld te verlaten en n gelioel aan Hem te schenken in den roli-gienzen slaat, zeg ik : Verblijd u, rnaar sidder tevens. — Verblijd u, zeg ik, bedank onophoudelijk den Heer ; want door (iod geroepen te worden tot een volmaakt loven, is eene genade die hij niet aan allen verleent.1 Maar sidder, want zoo gij aan do stem van Ood niotgohoorzaamt, steltgij uwe eeuwige zaligheid in groot gevaar. Ik kan u hier de menigvuldige voorbeelden niet aanhalen van jongelingen die hunne roeping in den wind geslagen hebben, en daarom oen ongelukkkig leven hebben geleid door eeno verschrikkelijke dood gevolgd; maar wees wol overtuigd, dat gij tot het klooster geroepen, in do wereld blijvend or goon vrede moor zult hebben ; en uwe dood zal zoor verontrust worden, door de knaging die gij alsdan zult gevoelen om
,1 Non fecit taliter omni nationi. Ps. 17. 20.
1ÖS ANTWOORD AAN EEN .lONGELINO
uicl aan C.oil !o licbbcn gchoorzaanid toon Hij ii riep tot den religieuzen staal.
Op liet einde van uwen brief verlangt gij van mij te weten, in geval gij den moed niet zoudt hebben in bet klooster te treden, of het beier zon zijn een huwelijk aan Ie gaan, gelijk uwe ouders willen, of wel den priesterlijken staat in de wereld te ombelzen. — Ziehier mijn antwoord.
Wal den huwelijken staat betreft, ik kan ii dien niet aanraden, dewijl de heiügc l\'aulus hem aan niemand aanbeveelt, ten zij er eene noodzakelijkheid bestond ten gevolge eener aangewende ononthouding, noodzakelijkheid die, ik hen er zeker van, voor u niet bestaat.
En wat den priesterlijken staat in de wereld aangaat, merk wel op, dat de wereldlijke priester 1 te gelijker tijd én de verplichtingen van het priesterschap, én de verstrooidheden met de gevaren der we-reldlingen boeit; want, daar bij in !. middender samenleving verkeert, kan hij alle wanorde die zijn huis en zijne familie overkomt niet vermijden, noch buiten alle
n In Italië ziet men ilikwijls priesters die bij hunne fa-
nVF.n nF.N LEVENSSTAAT. l.\'i!»
gevaar zijn voor zijno ziel ; in zijn Imis zeil is hij aan bekoringen blootgesteld, dewijl hij niet beletten kan dat ziob daar vrouwen bevinden, bloedverwanten of dienstboden, en daar vreemdelingen komen. Gij zoudt n geheel moeten terugtrekken in ecne bijzondere kamer, uitsluitend bezig met de zaken die (iod aangaan ; doch zulk? is allermoeilijkst ten uitvoer te brengen, en ook is het uitermate zeldzaam dat priesters die bij hunne familie wonen zich op de volmaaktheid toeleggen.
Van den anderen kant, treedt gij in ecu klooster waar de regeltucht heerscht, dan zijl, gij niet meer genoodzaakt te denken aan hetgeen kost en kleeding betreft, wijl men u daar van alles voorziet, (iij zult er niet aanhoudend verhinderd worden door bloedverwanten en door de onvermijdelijke beslommering van een wereldlijk huis ; geen personen zult gij er aantreffen wier tegenwoordigheid den geest ontstelt. In een woord, alzoo van de wereld afgezonderd, zult gij niets meer hebben wat zou kunnen beletten n aan ingetogenheid en gebed over te geven.
Ik heb gesproken van een klooster waaide rcgeltuchl hcerschl ; want indien er
I fiO ANTWOORD AAN EEN JONGELING.
spraak was van eonig ander waar men op on-geregeldo wijze leeft, zou het beter zijn iu uw luiis te blijven en daar uwe ziel zalig maken naar uw vermogen ; want in een klooster lieden waar de regeltucht is vervallen, is u in gevaar stellen van verloren te gaan. Al zoudt gij ook oprecht besloten zijn n op het inwendig gebed toe te leggen en met niets anders dan met (jod bezig te Uouden, toch door de kwade voorbeelden uwer medebroeders langzamerhand meegesleept., en u daarenboven uitgelachen en zelfs vervolgd ziende als gij hunne handelwijze weigert te volgen, zoudt gij ten laatste al uwe devotiën venvaarloozen en doen gelijk de anderen : aldus leert de ondervinding.
Eindelijk, indien f.od zich gewaardigt u de genade der roeping te geven, let wel op dat gij ze bewaart met u dikwijls aan Jezus en Maria door heilige gebeden aan ts bevelen ; en weet, zoo gij besluit u geheel aan God te geven, dat de duivel zijne pogingen om u iu zonde te doen vallen, en vooral u de roeping te doen verliezen, zal verdub-Vielen.
Ik eindig met u de verzekering mijner eerbiedige gevoeleus aan te bieden, en ik
HAAD AAN EENE JONGEDOCHTER. 1 6 I
bid den lieer u de genade te verleenen Hem geheel toe tebeliooren.
v-o-O-o-O-o-0-o-u-o-^-o^|)-o
RAADflEVlXGEiV
AAN EK.NE JONGEDOCHTER
DIE IN TWIJFEL IS OVER DEN STAAT WELKEN ZIJ MOET KIEZEN. (1)
Beminde dochter in Jezus-Chris lus.
Gij zijt in beraad over deu levensstaat dien gij moot omhelzen. Ik zie dat gij moeite hebt om tot een besluit te komen : van de eeno zijde roept u do wereld en noo-digt u ten huwelijk uit; van do andere zijde, Jozus-Christus verlangt ook dat gij u aan Hem zoudt scheuken en religieuze worden in eene vurige kloostergemeente. Weet dat uwe eeuwige zaligheid afhangt van de keuze welke gij zult doen. Daarom raad ik u aan dagelijks den Hoer te bidden, en begin van het oogeublik af dat gij dezen brief
(I) De heilige schrijver veronderstelt (evenals in liet voor-gaunde antwoord) dat de persoon aan wie hij de/e raadgevingen richt, reeds is geroepen of ten minste een begin van roeping tot den religieuzen staat gevoelt, maar dat zij aarzelt, omdat de wereld haar terughoudt. Anders is het in den brief aangaande de geestelijke oefeningen.
DE VEHTALKR.
H
1(52 raadgevingen
leest, opdat Hij u verlichte en kracht ver-leene zooals gij noodig hebt om den staat te kiezen die de nuttigste is voor uwe zaligheid ; opdat gij over do keuze die gij doet, u niet zoudt te beklagen hebben gedurende heel uw leven en de gansche eeuwigheid door, wanneer er geen tijd meer zal zijn om uwen misslag te herstellen.
Onderzoek wat het voordecligste voor u is, wat u het zekerst kan gelukkig maken : is liet een menscli van deze wereld tot bruidegom te hebben, of bruid te zijn van Jt-zus-Christus, Gods Zoon cn Koning des hemels ? Zie welke dezer twee partijen u de beste toeschijnt, cn verkies die. öe heiige Agnes werd, van den ouderdom van dertien jaren af, zeer gezocht om hare buitengewone schoonheid. Onder andeien, bood zich de zoon aan van den stadhouder van Rome ; doch de heilige maagd sloeg hare oogen op Jezus-Christus, ciie haai voor zich wilde, en gaf den jongeling ten antwoord: «Ik heb een bruidegom, die u en alle koningen der aarde overtreft; ik kan hem niet verlaten om een anderen te volgen,» En inderdaad deze heldhaftige maagd verkoos het leven in een zoo teede-ron leeftijd te verliezen, en met blijdschap
AAN KENF. JONGE DOCHTER. iG3
doorstond zij de marteldood ter liefde van Jezus-Christus. -— Eene andere maagd, de heilige Domitilla, gaf een dergelijk antwoord aan den graaf Aurelianus, die een voornaam man was; zij ook stierf als martelares, en wilde liever levend verbrand worden dan Jezus-Christus te verzaken. — Welk moet thans in den hemel het geluk dier deugdzame maagden zijn over een zoo goede keuze, geluk dat eeuwig zal duren. Hetzelfde geluk is het aandeel en zal het immer blijven van allo jonge dochters die de wereld verlaten om aan Jezus-Christus zich toe te wijden.
Overweeg dus ook welke de gevolgen zijn van den staat dien gij zult kiezen, door u aan de wereld, of door u aan Jezus-Christus te geven. De wereld biedt u de goederen der aarde aan, rijkdommen, eer, uitspanning, vermaken ; Jezus-Christus integendeel, geeselen, doornen, smaad en kruisen ; dit ook heeft Hij voor zich- zeiven verkozen gedurende al den tijd dien hij hier op aarde doorbracht; maar daarbij voegt Hij twee overgroote voordeelen die de wereld u niet kan geven : den vrede des harten in dit leven, cn den Hemel in het andere.
104 r a adgr vimgen
Daarenboven, alvorens te besluiten welken staat gij zult omhelzen, is het noodig voor oogou te houden dat uwe ziel eeuwig is; dit wil zeggen : na het tegenwoordig leven dat toch weldra eindigt, zult gij door de dood de eeuwigheid moeten ingaan, om u van uwe intrede af, in het verblijf der straffen of dor belooningen te bevinden, volgons hetgeen gij op aarde door uwe werken zult verdiend hebben. Dus tot welke plaats gij na uw laatsten snik u moet begeven, hetzij in bot verblijf des levens, hetzij in hot verblijf der dood, daar zult gij wonen de gan-sche eeuwigheid door. Gij zult óf wol voor altijd zalig en gelukkig te midden der vreugde des hemels zijn, óf wel verloren on wa nhopend voor altoos te midden der folteringen van de hel. Overwoog bijgevolg dat allo dingen dezer wereld slechts van korten du ur zijn. Gelukkig hij die zijne ziel redt ! \\V oe hem die haar verliest 1 lierimior u altoos dezen grooten grondregel van jozus-Christus : «Wat toch zal hot den mensch baten, indien hij de gehoele wereld wint, zijne ziel echter verliest?» Die waarheid hoeft zoo vele christenen bewogen in do k loosters zich op te sluiten of afgezonderd te leven in de woestijn ; aan zoo vele jonge
A.i\\ EE\\E .lONGK DOCHTKR.
dochters heeft zij doen besluiten do wereld te verlaten om zich aan Ood toe te wijden en eene goede dood te sterven.
Zie vervolgens wat zoo vele groote vrouwen geworden zijn, zoo vele princessen en koninginnen, die in de wereld gediend, geprezen, geëerd en bijna aangebeden werden ! hebben zij het ongeluk gehad van verloren te gaan, wat blijft hun over van al hunne rijkdommen, vermaken en eer, tenzij pijnen en gewetens knagingen die ben eeuwig zullen kwellen, zoolang (iod God zal blijven, zonder ooit cenig reddingsmiddel in bunnen eeuwigen ondergang te mogen verhopen.
Doch werpen wij nu een blik op do goederen welke de wereld in dit leven aan hen geeft die haar volgen, alsook op de voordeden welke God bezorgt aan dezen die Mem beminnen en om zijne liefde de wereld verlaten.
De wereld belooft haren aanhangers groote dingen ; doch, wie ziet niet dat de wereld ceu bedriegster is, die belooft maar bare beloften niet nakomt ? en ware zij getrouw om ze te vervullen, welke zijn de goederen die men van haar mag verwachten ? het zijn slechts aardsche goederen.
103
I (jO IIAADGKVINGEN
Geeft zij den vrede, liet geluk zooals iij belooft ? neen; want al liaro goederen streelcn do zinnon en hot vleesch, maar kunen hart en ziel niet bevredigen. Onze ziel is doorliod geschapen, alleen om Hem tc beminnen in dit leven en Hem te bezitten in het andere ; vandaar dat allo goederen der wereld, alle vermaken en grootheden om ons hart heengaan maar er geenszins intreden; God alleen kan het bevredigen. Ook bekende Salomon dat alle dingen dezer aarde niets anders dan ijdelheid on logentaal zijn, dat zij verre van onze ziel te bevredigen, eerder geschikt zijn haar te kwellen. 1
Kn inderdaad, do ondervinding loert dat zij die het ovorvloedigst van die goederen voorzien zijn, des to meer in angst on droefheid loven. Indien het geluk ia de voorrechten der fortuin bestond, dan zoudeu de princessen en koninginnon allen volmaakt gelukkig zijn ; want aan dezen ontbreken noch vermaken, noch schouwspelen, noch feesten, noch kostelijke maaitijden, noch heerlijke paleizen, noch prachtige rijtuigen, noch rijke kleederen, noch kostbare juweelon, noch bedienden altoos bereid om
1
Uuivcrsa vunitus el allliciio sjiirilus. (Eed. 1. t V.)
AAN EENR JONGE DOCHTER.
haar te voldoen en bij haar hun hof te maken. Nogtans is het geheel anders, en die gelooven dat zij voldaan zijn, bedriegen zich. Vraag haar of zij eeu volmaaklen vrede genieten, of zij volkomen gelukkig leven, wat zullen zij antwoorden? Allen zullen u zeggen dat zij een ongelukkig loven leiden, en zelfs niet weten wat vrede is. De harde behandeling die zij moeten verduren van hare eehtgenooten, het verdriet dat de kinderen haar aandoen, ja-loerschheid, vrees, bekommering des huis-gezins, vervullen hare dagen met angst en bitterheid.
Elke gehuwde vrouw mag eene martelares van geduld genoemd worden, in geval dat zij wezenlijk geduldig is; zoo niet, leidt zij in dit leven eene marteldood die haar nog veel pijnlijker zal wezen gedurende de eeuwigheid. Al had zij geen ander lijden te verduren, de knaging van hot geweten zou voldoende ziju om haar aanhoudend te kwellen ; want daar zij gehecht is aan de aardsche goederen, denkt zij weinig aan hare ziel, nadert weinig tot de heilige Sacramenten, en is weinig bedacht om zich aan (lod aan te bevelen ; van deze hulpmiddelen die noodzakelijk zijn om wel
107
172 RAADGEVINGEN.
ik verhoop, niet beslaat voor u ; blijf dan in de wereld binnen nw buis en tracht daar heilig te worden.
Ik verzoek u gedurende negen dagen het volgende gebed te doen :
lieer, Jezus-Cbristus, die gestorven zijt voor mijne zaligheid ; ik smeek U door de verdiensten van uw bloed, mij het licht en de sterkte te geven welke mij noodig zijn om den staat te kiezen waarin ik het zekerst mijne ziel zal redden. — En gij mijne teedere Moeder Maria! verkrijg mij deze genade door uwe machtige voorspraak.
173
m
lit REDEVOERING
et TOT GODVRUCHTIGE JONGE DOCHTERS, (1)
jj. Mijne beminde dochters in Jezus-Christus ïe Mijn voornemen is niet, u in dit onderin houd al de verdiensten en voordeelen uit te ja leggen die de jongedochters bekomen door e- liunne madgdelijkheid aan Jezus-Christus ie | toe te wijden ; ik zal mij vergenoegen deze ze ( in het kort aan te stippen.
VERHEVENHEID VAN DEN MAAGDELIJKEN STAAT.
Ten eerste worden de maagden in Gods oogen, schoon als de Engelen des hemels. 2 Baronins verhaalt, dat men bij de dood van eene godvruchtige maagd , Georgia genaamd, eeue groote menigte duiven heen en weer zag vliegen ; en toen haar lichaam naar de kerk werd gedragen, kwamen die duiven op het dak nederzitten juist boven de plaats waar de doodkist stond, en zij verwijderden zich alleen na de begrafenis der overledene. Iedereen geloofde dat deze
(1, u Uantlboui: voor lt;leii Missionaris. » 8 Hoofd. § « Pró-«iicj; ion.» Cli. S. § :J. T. XVI [gt;. 27J.
Krn.i! siuiit Angeii Dei in ccelo. (Matth. 22. 30.}
174 REDEVOERING
duiven Engelen waren die het maagdelijk
lichaam van die Heilige alzoo vereerden.
Daarenboven, wanneer eene jonge dochter aan de wereld verzaakt en zich aan do liefde van Jezus-Christus toewijdt, wordt zij de Bruid van den Zoon Gods. In het Evangelie wordt de Zaligmaker nu Vader, dan Meester en Herder der zielen genoemd ; maar voor de maagden noemt Hij zich Bruidegom. 1
Als eene jonge dochter in de wereld zich wil vestigen, onderzoekt zij eerst, indien zij voorzichtig is, degenen die naar hare hand dingen, en tracht te wetoa wie onder hen de edelste en de rijkste is. Wenden wij ons dan tot de Bruid in het Hooglied, die volmaakt de voorrechten van den goddelijken Bruidegom kent, en vragen wij haar, wie Hij is. — Zeg mij, o heilige Bruid ! wie is degene dien gij bemint, en die u de gelukkigste aller vrouwen maakt ? - Mijn Welbeminde, is haar antwoord, is geheel wit door zijne zuiverheid, en rood coor do liefde die Hem verteert; in een woord, Hij is zoo schoon, zoo edel, zoo vriendelijk, dat
1
K.vierunt obviom Sponso. (Matth. 2\'i. 1.)
(jj; Dilectus mens candidus, etrnbieundis. Hochis cx milli-hus. Cant, i» 10.
TOT GODVRUCHTIGE JONGEDOCIITERS. I7Ö
men in Hem den benünnelijksten aller bruidegommen vindt.
Toen men aan do heilige Agnes den Zoon van den Stadhouder van Home tot Bruidegom aanbood, had deze roemvolle maagd dan wol gelijk tot antwoord te geven, zooals de heilige Ambrosius verhaalt, dat Zij eene veel gunstigere partij gevonden had. 1
Dergelijk antwoord gaf de héiligo Dorai-lilla, nicht van den keizer Domitianus, aan de personen die haar wilden overtuigen, dat zij met den graaf Aurelianus kou huwen, aangezien dat hij toestemde dat zij christen bleef. — «Maar zegt mij, antwoordde zij hun, indien zich aan eene jonge dochter van den oenen kant oen groote vorst, en van den andoren kant een anno burger aanbood, wien van boidon zou zij tot bruidegom kiezen \'? Om mij aan Aurelianus te schenken zou ik den Koning des hemels moeten verlaten ; dit ware wel eene dwaasheid, die ik geenszins wil begaan !» Alzoo, om getrouw te blijven aan Jezus-Christus, wien zij hare maagdelijkheid bad geschonken, leverde zij zich over om levend verbrand te worden, straf tot welke zij door
1
Sponsumoflertis? meliorem reperi. [De Virg. 1. i.
I 7(; REDEVOERING
haar barbaarschen minnaar zeiven veroordeeld werd. 1 pj t t De edelmoedige zielen, die uit helde tot Jezus-Christus aan de wereld verzaken, worden de geliefde bruiden van den Zoon Gods. Zij worden de Eerstelingen van liet I.am Gods genoemd. 2 Waarom Eerstelingen . Omdat, zegt de kardinaal Ungues, evena s dc eerste vfuehten aangenamer zijn daa de anderen, zoo ook dc maagden liet voonverp van de voorliefde des Heeren zijn. De goddelijke Bruidegom voedt zich tnsschen lelicn.\' En wie zijn die lelicn, tenzij de vurige zielen die lumne maagdelijkheid aan Jezus-Christus toewijden ? De eerbiedwaardige lieda verzekert, dat de eer welke de maagden aan God geven door de lelie hunner zuiverheid ongeschonden voor Hem te bewaren, een zang is, den lieer aangenamer dan de zang van alle andere Heiligen. Inderdaad, de Heilige Geest verklaart het, geen ander goed kan de verdienste van c maagdelijkheid evenaren. 4 Om deze reden ook, zegt de kardinaal Hugnes, kan men
/1) Croisct. Exerc. 12 mai.
(•2) Primitioi Deo et Agno. (Apou. t V, 4.)
(31 Qui pascitur inter liliu. ^Caiit. 2. 16.;
•.\' nou est (li»iiu ponderutio coutinentis anmi.\'C. Eccli 2ü. 20.)
JL
TOT GODVRUCHTIGE JONGEDOC1ITERS. 177
van de andere beloften, maar niel van do belofte dor maagdelijkheid, ontslagen worden. Daarom ook rneenen de leeraren dat de heilige Maagd Maria, bereid geweest ware aan de verhevene waardigheid van Moeder (Jods te verzaken, liever dan den schat van hare maagdelijkheid te verliezen.
Wie dan hier op aarde zal ooit de heerlijkheid kunnen begrijpen, die God in den hemel voor zijne zuivere bruiden heeft weggelegd ? De kerkleeraren zeggen, dat de maagden in den hemel hunne eigene eerekrans hebben, dit is eene bijzondere blijdschap waarvan de andere heiligen beroofd zijn.
Maar gaan wij over tot hetgeen meer rechtstreeks het voorwerp betreft dat wij thans in het oog hebben.
Eene jonge dochter zal mij zeggen : Kan ik niet insgelijks heilig worden wanneer ik een huwelijk aanga ? — Gij zult het antwoord niet uit mijnen mond, maar uit dien van den heiligen Paulus vernemen ; gij zult terzelfder tijd zien welk verschil er bestaat tusscben de maagdon en do gehuwde personen. Ziehier de woorden van den Apostel : «De ongehuwde vrouw, de maagd, denkt aan hetgeen don Heer betreft ; denkt om heilig
12
178 BKDEVOERTNG
lo zijn naar lichaam cn gocst; maar de gehuwde denkt om hetgeen de wereld aangaat, hoe zij haren man zal behagen, t 1 — Dan voegt hij er bij : « Dit echter zeg ik tot uw nutlot bevordering van wat eerzaam is en in staat stelt om den Heer zonder verhindering te bidden.» -
Laat ons dezen raad van den Apostel goed overwegen. Ik merk ten eerste op, dat de gehuwde vrouwen, wel is waar heilig kunnen zijn naar den geest, maar niet naar het lichaam; terwijl eene maagd die godvruchtig leeft, heilig is naar geest en lichaam, daar zij hare maagdelijkheid aan Jezus-Christus heeft geschonken. «Heilig naar lichaam cn geest.» Neemt daarenboven deze woorden in acht: «Hetgeen in ■staat stelt om den Heer zonder verhindering te bidden. »— Ach ! wat al verhinderingen vinden de gehuwde vrouwen om heilig te worden ! Verhinderingen des te grooter naarmate hun slaat verhevener is. Om heilig te worden moet men er de middelen toe nemen, vooral zich veel op het inwendig
M) Muiier innunta nt virgo cogitat qua- Domini sunt, ut sit saneta corpore el spiritu ; quje autem nupta est, cogitat qua-
sunt mumli, quomodo placeat viro.
(2 Pon-o hoe ad utililatem restrain dieo..., ad .d quod ho-neslum est, et quod faeultntem pivheat sine impedimento Uoininuin ohsecrandi. I.Cor. 3\'».
TOT GODVKUCUTIGE JONGEDOCUTERS. 170 gebod toeleggen, dikwijls de heilige Sacramenten ontvangen, en onophoudelijk aan God denken. Maar hoe kan eene gehuwde vrouw den tijd hebben om zich met goddelijke zaken bezig te houden quot;? » De gehuwde vrouw denkt aan hetgeen de wereld betreft, hoe zij haren man zal behagen » 1 zegt de heilige Paulus, zij moet in de behoeften van haar huisgezin, in voedsel en kleeding voorzien ; zorgen voor de opvoeding dei-kinderen, haren man en zijne bloedverwanten voldoen; daardoor, voegt er de Apostel bij, wordt haar hart verdeeld, en zij is verplicht hare genegenheden tusschen echtgenoot, kinderen en God te verdeelen. Hoe kan eene gehuwde vrouw tijd hebben om veel te bidden en dikwijls tot de heilige Tafel te naderen, wijl zij er niet eens genoeg vindt voor hetgeen haar huisgezin ver-eischt ? De man wil gediend worden, do .kinderen weenen, schreeuwen of vragen duizendo dingen ; hoe dan te midden van zoo voel zoi\'g en gewoel zich aan het inwendig gebod overgeven? Nauwelijks zal zij op Zondag naar de kerk kunnen gaan om daar in ingetogenheid God te bidden en to com-
(1; Qiioo nuptn est, oogitnl qua» snnl niniKÜ, r;iininolt;Io pin-
180 rkdevoering
municcercn. De goede wil zal haar bijblijven; maar het zal haar zeer moeilijk zijn zich op de goddelijke zaken naar behooren toe te leggen. Door deze ontbeering, wel is waar, zou zij verdiensten kunnen winnen, door zich over te geven aan den wil van God, die in zulken staat van haar niets anders vraagt dan een gedurig offer van onderwerping en geduld ; doch te midden van zooveel verstrooidheden en beslommering, zonder gebed noch sacramenten, zal het haar bijna onmogelijk zijn die heldhaftige deugd van geduld en overgeving te bezitten.
Och ! gave God dat de gehuwde vrouwen niets anders te betreuren hadden dan hot gebrek aan noodigen tijd om hunne godvruchtige oefeningen te verrichten ! Hot grootste kwaad is het gevaar waarin die ongelukkige zich aanhoudend bevinden de n-enade Gods te verliezen, daar zij verplicht zijn dikwijls met schoonbroeders en andere naastbestaanden of vrienden van hunnen man, hetzij te huis of elders te verkeeren.
Dit weten de jonge dochters niet; maar dit weten zeer goed do gehuwde vrouwen die dagelijks aan al die gevaren zijn blootgesteld ; dit weten ook do biechtvaders die
TOT GODVRUCHTIGE JONGEDOCHTERS. 181
hen aanliooren. Wij spreken niet van de droevige dagen welke al de gehuwde vrouwen moeten doorbrengen, liet slecht gedrag van eeneu man, liet verdriet dal de kinderen hun aandoen, de behoeften van het huishouden, de lastige eerbewijzingen aan schoonmoeder cu schoonzusters, do smarten der baring\' die altijd met doodsgevaar gepaard gaat, achterdocht, gewetensangsten aangaande do opvoeding dor kinderen, dit alles vormt eene keten van kwellingen in welke de gehuwde vrouwen onophoudelijk zuchten, gelukkig nog indien zij hunne ziel niet verliezen, en God hun do genade schenkt van niet uit de hel van dit leven over te gaan tot de hel der eeuwigheid I [)it is het lot dat de jonge dochters wacht die zich aan do wereld schenken. Maar hoe, zal men mij zeggen, onder al die gehuwde vrouwen is er niet ééne die heilig wordt? — 0 ja, er zijn er, maar welke? Zij die de heiligheid bereiken door Ie lijden als martelaressen, zij die alles voor God weten te verduren, met een geduld dat niets kan ontstellen. Hoe veltn zijn er die zich tot zulke volmaaktheid verhellen ? Helaas ! het zijn witte raven ! En zoo gij er eene aantreft zult gij vernomen
nunuvouRi.xG
dat zij bitterlijk weent van spijt uindat zij in do wereld gebleven is, terwijl zij zich aan Jezus-Christns kon toewijden. Ik voor mij herinner mij niet, onder de gehuwde vrouwen, ooit eene godvruchtige peipoon die over haren staat tevreden was te hebben aangetroffen.
Het waar geluk is dus het aandeel der personen die zich aan Jezus-Christus schenken. Zij zijn buiten de gevaren waaraan de gehuwde vrouwen noodzakelijk zijn blootgesteld. Zij hebben hun hart, noch aan kinderen, noch aan wereldschc menschen, noch aan vergankelijke goederen, noch , aan ijdelen opschik, noch aan welke dienst-haarheden ook, gehecht. De gehuwde vrouwen zijn verplicht zich met zorg en groote onkosten te versieren om volgens haren staat in de wereld te verschijnen en te behagen aan hare echtgenooteu ; eene jonge dochter integendeel die zich aan Jezus-Christus heeft geschonken, heeft anders niets noodig dan een kleed dat haar dekt, hoe gemeen het ook zij; zij zou zelfs ergernis geven indien zij zich sierlijk kleedde. Daarenboven behoeven de maagden niet voor huisgezin, noch voor kinderen, noch voor echtgenoot te zorgen ; al hare gedach-
TOT GODVRUCHTIGE JONGEUOCHTERS. 183
ten en zorg hebben ten dool Jezus-Christus te behagen, Wien zij ziel, lichaam eu liefde hebben gegeven. Zoo is hare geest vrijer om aan (Jod te denken, en zij hebben meer tijd om te bidden cn dikwijls de heilige Sacramenten te ontvangen.
Maar laat ons do verschooningen hooren die sommige personen, welke weinig liefde voor Jezus-Christus hebben, aangeven.
Ik zou, zegt men, aan het weroldsche wol willen verzaken, kon ik maar in oen klooster treden, of ten minste indien het mij altijd geoorloofd ware naar de kerk tc gaan om er mijne godvruchtige oefeningen te verrichten ; maar van don eencn kant kan ik te huis niet blijven, waar ik broeders heb die mij mishandelen ; en, van den anderen kant weigeren mij mijne ouders het veelvuldig bezoeken der kerk. — Alvorens te antwoorden stel ik u deze vraag: Wilt gij aan do wereld verzaken om een gemakkelijk leven tc leiden of om uwe heiligheid te bewerken, om uwen wil te doen of dien van Jezus-Christus ? Kn zoo gij de wereld wilt verlaten om uwe heiligheid te bewerken en aan Jezus-Christus te behagen, stel ik u eene tweede vraag : Zeg mij, waarin bestaat de heiligheid? üe heiligheid bestaat
184 nEDEVOERING
hierin niet, in een klooster te wonen, noch den gansehen dag in de kerk door te brengen ; maar wol bestaat zij, van den eenen kant, in veel te bidden en dikwijls te com-municeeren indien men kan, en van den anderen kant in te gehoorzamen, zich voor het huis nuttig te maken, in de afzondering te leven en de moeilijkheden en versmadingen voor God te verdragen. En zoo gij in liet klooster tradt, wat zoudt gij daar doen, meent gij? Zoudt gij daar altoos op het koor of in uwe cel zijn, en er niet uitgaan tenzij om u naar de eetzaal of naar de recreatie te begeven ? — Zeker is er in liet klooster een tijd bepaald voor het gebed, de mis en de communie; maar daarna moeten de religieuzen zich ook met den huisdienst bezig houden, bijzonder do leokezusters, die niet naar hot koor gaande aan het werk worden gezet, en bijgevolg minder tijd aan het gebed kunnen besteden. Van allo kanten roept men : een klooster, een klooster ! Ach! de godvruchtige personen, die arm zijn, kunnen veel gemakkelijker het gebed beoefenen en heilig worden in hun eigen huis dan in een klooster ! Iloo velen zijn er mij bekend, die hot beklaagd hebben een klooster te zijn ingetreden, vooral in zekere
TOT GODVKUCHTlGli JONGEDOCKTERS. 18\'.
huizen waar de kloostergemeonte talrijk Ik en de arme leekezuslers nauwelijks een tijd vinden om liuu rozenhoedje te bidden !
Maar, zult gij antwoorden, ik heb eenen vader en eene moeder vau lastigen aard, broeders die moedwillig zijn ; allen mishandelen mij, ik kan het niet uitstaan. — Welnu 1 indien gij u aan do wereld geeft, zult gij er niemand meer vinden die u te-genstrijdt, geone schoonmoeder, schoonzusters, man of kinderen\'? Ach! hoe vele harde behandelingen zijn er te verduren van don kant der echtgeuooten ! eerst doen zij schoone beloften, en kort daarna zijn het geene echtgenooten meer, maar eer dwingelanden voor hunne ongelukkige vrouwen, die zij niet als hunne gezellinnen, maar als hunne slavinnen beschouwen. Vraagt het, vraagt het aan alle gehuwde vrouwen, en gij zult zien of hetgeen ik zeg niet waar is; doch liever, vraagt het niet en zeg mij of gij soms deze waarheid niet reeds geleerd hebt door het voorbeeld uwer moeders? Ten minste, hebt gij u aan God gegeven en valt er in uw huis te lijden, gij zult het verdragen ter liefde van Jezus, en de lieer weet wel hoe het kruis u licht en zoet te inakon ; maar welke smart is het te nioetun
1!S() KEDKVOERING
lijden, eu lijdeu voor de wereld, zonder troost noch verdienste! Gelooft mij, indien Jezus u tot zijne liefde roept, indien Hij u voor zijne bruiden wil, gehoorzaamt zonder vrees aan zijne stem, Hij zal niet nalaten u te troosten en te verheugen, zelfs te midden van het lijden. Dit moet nogtans verstaan worden, zoolang gij Hem zult beminnen en u als zijne ware bruiden gedragen.
MIDDELEN O.M DE MAAGDELIJKE ZUIVERHEID TE BEWAREN.
Leert dan welke dc middelen zij a die gij moet nemen om als ware bruiden van .le-zus-Christus te leven en tot dc heiligheid Ie geraken.
Om heilig te zijn is het niet genoeg dat ocne maagd hare maagdelijkheid beware en bruid van Jezus-Christus genoemd worde ; zij moet nog de deugden beoefenen die eigen zijn aan eene bruid van Jezus-Christus. Men leert in het Evangelie, 1 dat de hemel wordt vergeleken met de maagden; maar met welke? ongetwijfeld met de wijze maagden en niet met dc dwaze. De wijze maagden traden de bruiloftszaal binnen ;
OMattli. 23, i.
TOT GODVUÜCHTIGE JONGEDOCHTERS. 1 H7
maar de dwaze vonden de deur gesloten, en haar zeide de Bruidegom : «Ik ken u niet.»1 Gij zijt maagden, maar ik erken u niet voor mijne bruiden. — De ware bruiden van Je-zus-Christus volgen haar goddelijken Bruidegom overal waar Hij gaat. «Zij volgen het Lam waar bet gaat.» - Wat beteekent dit, den Bruidegom volgen? Debeilige Au-gustimis verklaart: dat is Hem navolgen door zijne voetstappen naar ziel en lichaam te bewandelen. IVa Hem uw lichaam te hebben toegewijd, moet gij Hora geheel uw hart schenken, zoodat het zich uitsluitend bezig boude met Mem te beminnen, (üj moet dus de middelen gebruiken om u geheel aan Jezus-Christus te geven.
I. Het eerste middel is het inwendig gded op hetwelk gij u ijverig moot toeleggen. Maar denkt niet dat men om te overwegen, in een klooster moet zijn ol\' geheel den dag in do kerk doorbrengen. Te buis, wel is waar, is er dikwijls geraas en verwarring ter oorzaak van personen die over en weer gaan ; nogtans, als men het wil, vindt men altijd plaats en tijd om zich aan het gebed
•\'I} Nescio vos.
(2) Sequnlur Aguum quocuiiKjue icrit. (Apoc. 1». 4.)
llEDIiVOEniNG
over to geven ; zoo bij voorbeeld wanneer er in het buis meer stilte heersebt, hetzij \'s morgens vóór dat de anderen opstaan, hetzij \'s avonds, nadat zij zich ter rust hebben begeven. Overigens is het niet naodig om bet inwendig gebed te doen, dai men altijd op de knieën blijve zitten; waaneer er geen gunstiger oogenblik is, kan men de overweging zelfs werkende en gaande doen ; bet is genoeg zich mot God bezig te houden: bij voorbeeld aan bet lijden van Jezus-Cbristus, of aan een ander godvruchtig onderworp donken.
2. Het tweede middel is bet dilituijls onl-vnngen dor heilige Sacramenten ; de lüecht en do Communie. — Wat do Biecht betreft men moot zich eenen Bestuurder kiezen, aan wious leiding men zich in volle gohoor-zaamhoid onderworpe; zoo niet zal men nooit zeker wandelen. — Aangaande de Communie is hot weinig er slechts uit gehoorzaamheid toe to naderen ; men moot zo verlangen en vragen. Dit goddelijk brood vereischt eono hongerige ziel; Jezus-Cbristus wil verlangd worden. Het dikwijls com-muuicoeren maakt de bruiden van. Jezus aan den hemelscben Bruidegom getrouw, voornamelijk door haar in de heilige zui-
I (S8
TOT GODVRUCHTIGE JONGEDOCIITERS. 1 89
verheid te bevestigen. Het heilig Sacrament bewaart allo deugden in de ziel, maar zijn voornaamste uitwerksel schijnt te zijn, de lelie der maagdelijke zuiverheid ongeschonden te bewaren volgens de woorden van don Profeet, die dit hemelsch Hrood de Tarwe der uitverkorenen noemt en den Wijn die maagden voortbrengt.
3. Het derde middel is de Afzondering cn de Waakzaamheid. — De goddelijke lirui-degom vergelijkt Zijne welbeminde met eene lelie omringd van doornen: «Gelijk eene lelie onder de doornen, zoo is mijne vriendin onderdo dochters.» \' Indien eene jonge maagd te midden der gezelschappen, der vermaken on andere wereldsche ijdel-bcden wil leven, zal hot haar onmogelijk wezen aan Jezus-Christus getrouw te blijven ; zij moet zich dus gedurig tusschen de doornen der onthouding en der versterving bewaren, en vooral jegens de personen van liet andore geslacht zich niet alleen met de grootste voorzichtigheid en zedigheid in hare blikken en woorden gedragen, maar ook nog, als dit noodzakelijk zou zijn, met strengheid. Deze zijn de doornen die de
il) Sicut lilinm inter spinas sic nmica mea inter filias, fCimt. i. 1.)
\\ 90 REDEVOERING
leliën, dit is, do jonge maagden bewaren; zonder deze voorzorgen gaan zij weldra verloren. — De Heer vergelijkt nog de sehoon-heid zijner bruid bij die eener tortelduif. 1 Waarom ? Omdat de tortelduif uit bare natuur genegen is het gezelschap der andere vogelen te vluchten, en altijd gaarne alleen is. Alzoo wordt eene maagd schoon ia de oogen van Jezus-Cbristus, wanneer zij een afgezonderd leven leidt en doet wat van haar al hangt om zich verborgen te hoLden en niet te verschijnen. De heilige Hierony-mus zegt, dat deze Bruidegom der zielen jaloersch is. 2 Daarom is het Hem zeer onaangenaam eene maagd te zien welke zich aan zijne liefde heeft toegewijd, en nogtans in de wereld zoekt te schitteren en aan de menschen te behagen. De waarlijk deugdzame personen verkiezen zich zeiven te mismaken, liever dan bet voorwerp te zijn eener kwade begeerte. ■— De eerbiedwaardige zuster Catharina van Jezus, eer zij Tberesianer-non werd, had de gewoonte zich met vuil water te wasschen en zich daarna aan de brandende zon bloot te stellen om de kleur van haar aangezicht ie ver-
(l) Pudmn sunt tfena\' tun» sicut tnrtnris. (C.-mt. I. 0.)
2 Zololypus est .lesus. (Epist. ad. Kust.)
TOT GODVRUCHTIGE .IONGEDOCHTKR3. 1 9 I
liezen, lüollandus verhaalt, dat de heilige Audregesina teu huwelijk verloofd, dea Heer had, haar geheel te misvormen ; en terstond werd zij verhoord ; zij verscheen eensklaps met melaatschheid bedekt, zoodanig dat eenieder haar vluchtte ; maar toen de verloving ontbinden was, bekwam zij hare eerste schoonheid weder. — In den Spiegel van voorbeelden, door Jacobus Vilri geschreven, leest men dat in een klooster eene jonge dochter was, die zich aan God j had toegewijd, en wier oogen eenen vorst j bekoord hadden. Daar deze bedreigde het klooster in brand te steken zoo zij niet in zijne verlangens toestemde, wat deed zij ? Zij rukte zich de oogen uit en zond ze hom in eenen schotel met deze boodschap : « Zie hier de pijlen die uw hart gewond hebben, neem ze en laat mijne ziel ongeschonden.» — Dezelfde schrijver haalt nog het voorbeeld aan van de heilige Eupheuiia, die door haar vader aan eenen graaf verloofd was. Ziende dat hij die naar hare hand vroeg, geen middel verwaarloosde om haar ten huwelijk te verkrijgen, nam zij op zekeren dag ecu mes en sneed zich don neus en de lippen af, zeggende ; «IJdele schoonheid, gij zult voor mij geene gelegenheid
102 REDEVOKUINO
van zondo wezen !» Do heilige Antonius verhaalt insgelijks dat de heilige Ebbe, abdis van het klooster van Coldingham, eeu inval der barbaren vreezende, zich met een scheermes den neus en de bovenste lip tot aan de tanden afsneed, en naar haar voorbeeld, deden de andere religieuzen, ten getalle van dertig, hetzelfde. De barbaren kwamen inderdaad, en daar zij haar zoo mismaakt zagen, werden zij woedend, staken het klooster in brand, en deden haar allen in de vlammen omkomen. Baronius die dit verhaal bevestigt, zegt dat do kerk die Maagdon als martelaressen vereert. — Zij werden door den heiligen Geest tot deze heldhaftige daad aangedreven : daarom is het aan anderen geenszins geoorloofd zoo te handelen. Overigens ziet gij, wat de maagden die Jezus-Christus beminnen, go-daan hebben om aan de begeerlijkheid dor wulpsohe menschen to ontsnappen ; ten minste moot elke jonge dochter zich zedig gedragen zoo min mogelijk onder de oogen dor wereld verschijnen. Indien het ongelukkiglijk gebeurde, dat eono maagd zonder haar schuld het slachtoffer werd van eenig geweld, zij stelle zich gerust; hare zuiverheid zal daarom niet geschonden
TOT GODVRUCHTIGE JONGEDOCUTERS. 1!):!
zijn. Zoo antwoordde de heilige Lucia aan den dwingeland die bedreigde liaar te laten onfeeren. «Indien ik tegen mijnen wil be-leedigd word, zal ik cene dubbele kroon verwerven.» Men kent de zinspreuk : « Niet het gevoel, maar do toestemming kwetst de ziel.» Daarenboven weest verzekerd dat eene jonge dochter, wier gedrag zedig en omzichtig is, zich ook zal doen eerbiedigen.
4) liet vierde middel om de zuiverheid te bewaren, is de um/em\'wjf der zinnen. Volgens den heiligen üasilius, 1 moet cene maagd om rein te blijven, zuiver van toiuj zijn, door altijd zedig te spreken, en nooit met manspersonen tenzij uit noodzakelijkheid en dan nog met weinige woorden ; zuiver van cjehoor, en daarom vermijden het oor te leenen aan gesprekken over we-reldsche zaken ; zuiver van ootjen, door ze gesloten of neergeslagen te houden in tegenwoordigheid der personen van bet ander geslacht; zuiver van gevoel, met de grootste voorzorg te gebruiken, hetzij jegens anderen, hetzij jegens zich zeiven ; maar vooral
13
1
Xnlla in parte raipchnri convenit viryinem, non linsna, non aure, non ounlo, non iactu, multoquc minus animo. fl)ö Vera Virg.)
HKDEVObtUNG
194
moet zij zuiver van gcesl zijn en trachten, door zicli spoedig tot Jezus cn Maria te wenden, aan alle oneerbare gedachten te wederstaan. —Te dien einde moet zij ook haar lichaam door vasten, onlhouding, lijfkastijding en boetewerken versterven; maar om deze verstervingen te plegen moet men verlof van zijnen biechtvader hebben, anders zouden zij eerder voor de ziel na-deelig zijn indien zij hoogmoed veroorzaakten. Niemand mag dus dergelijke boete doen, alvorens hij de toestemming van zijnen bestuurder verkregen heeft; maar deze toeslemm ing moet men verlangen en vragen, want de biechtvaders staan zulks niet toe, zoolang men er geen verlangen voor te kennen geeft. Jezus is een Bruidegom van bloed. Hij heeft onze zielen als zijne bruiden aangenomen op het kruis, waarop Hij voor ons tot den laatsten druppel van zijn bloed vergoten heeft.1 Vandaar dat de bruiden die Hem beminnen, gaarne kwellingen, ziekten, smarten, mishandelingen, bebedigin-gen lijden, en ze niet slechts met geduld maar ook met vreugde aannemen. Zoo moet deze plaats der Heilige Schrift: «Zij volgen
1
Sponsus saiiguinuin tu inilii e?- Kxud. 23.)
TOT GODVRaCHTlOE JOMGEDDCHTER5. 193
het Lam waar Het gaat» 2 verstaan worden. De maagden volgen Jezus, haar goddelijken Uruidegom en zingen met blijdschap zijn lof, zelfs te midden der versmadingen en der kwellingen, naar het voorbeeld van zoo vele heilige Martelaressen, die hare tevredenheid dnden uitschijnen te midden der folteringen of terwijl zij tot de dood gingen.
Eindelijk, om de genade der volharding in een heilig leven tc verkrijgen, moet gij zorgen u dikwijls en vurig aan de Koningin der Maagden, de allerzuiverste Maria, aan tc hevelen. Zij is de middelares, die do vereeniging der zielen met haren goddelijken Zoon bewerkt en sluit; zij geleidt de maagden tot Hem en biedt ze Hem aan ais bruiden. 2 Eindelijk zij bezorgt aan die uitverkorene bruiden dc deugd van volharding ; zonder den bijstand van Maria zouden zij even zoo vele ontrouwe bruiden worden.
SLOTWOORD.
Gij dus die mij aanhoort, (ik wend mij tot de jonge dochters die zich door don god-
(1) Sequuntur Agauin quoeuiuque ierit. (Apoe. 14. 4.)
(2) A\'Klucetitur Regi vh\'gines posl earn. (Ps. 44. 13.)
IOC REDKVOERING
delijken Bruidegom geroepen voelen om ter zijne liefde aan de wereld vaarwel te zeggen) gij die liet godvruchtig besluit hebt genomen, geenszins aan de wereld, maar aan Jezus-Christus toe te bohooren, ik wil niet dat gij reeds vandaag die belofte doet, en dat gij aanstonds de verplichting op n neemt van de eeuwige zuiverheid te bewaren ; deze belofte zult gij doen wanneer God het u zal ingeven, en wanneer gij daartoe de toestemming van uwen biechtvader zult verkregen hebben; ik wil slechts, dat gij door eene eenvoudige akte, zonder verplichting, Jezus-Christus zoudt bedanken voor de gunst die Hij u bewijst, met u tot zijne liefde te roepen; ik vraag dat gij u aanbiedt, om Hem gedurende gansch uw leven, geheel en al toe te behooren. Spreekt dus tot Hem op deze wijze :
Ach ! mijn dierbare Jezus, mijn God en mijn Verlosser, die voor mij gestorven zijt! Verschoon mij indien ik U ook mijnen Bruidegom durf noemen; ik waag het, dewijl ik zie dat Gij l. gewaar-digt mij tot deze eer uit te noodigen; dit is eene genade waarvoor ik niet weet hoe U te bedanken. Ik zou op dit uui in de hel moeten zijn ; en liever dan mij te straffen.
TOT GODVRUCHTIGE JONGEDOCHTERS. 197
wilt Gij dat ïli uwe bruid worde. Ach ! ja, mijn goddelijke Bruidegom ! ik verzaak aan de wereld, ik verzaak aan alles uit liefde tot U; en ik schenk mij geheel aan U. Ach ! wat is voor mij do wereld? de wereld ! Mijn Jezus! Gij zult voortaan mijn eenig goed, mijn eenige liefde wezen. Ik zie dat gij geheel mijn hart wilt; geheel wil ik het U geven ; ik smeek U, aanvaard mijn offer, verstoot mij niet gelijk ik verdien. Vergeet al het verdriet dat ik U in het verleden heb aangedaan; het is mij leed uit geheel mijne ziel. Ach! ware ik gestorven alvorens II te vergrammen ! Schenk mij vergriffenis; ontsteek in mij uwe heilige liefde ; verleen mij de genade U getrouw te zijn, en nimmer meer U te beleedigen. Gij hebt U, mijn Bruidegom, geheel aan mij gegeven : Ziehier, ik geef mij geheel aan U.
0 Maria, mijne Koningin en rnijne Moeder ! boei mijn hart aan Jezus ; maar hecht het zoo vast, dat het zich nooit meer van Hem scheide.
HEDEVOERING.
ZEGEN. 1
Thans ga ik u zegenen en door dezen zegen vereenigen mot Jezus-Clirislus, opdat gij Hem nooit meer verlaten zoudt; gij, terwijl ik u zegen, schenkt Hem uw hart en zegt:
1118
Mijn Jozus, mijn goddelijke Bruidegom ! voortaan wil ik IJ beminnen, U alleen, en niets anders.
(Ij Terwijl gij «leze Inntsle wuunleu leest, verbeeUlt LI dut lt;Ie Iieili\'ye itissuliop, tlie ze u toespreekt, uit der; hemel II zegent. (de vertaler.)
1 99
VAN D£
ROEPING TOT HET PRIESTERSCHAP.
V.
NOODZAKELUKUEID DER ROEl\'l.NG OM DE HEILIGE WIJDINGEN\' TE ONTVANGEN\'.
Om eenen levensstaat, welke het ook zij, aan te gaan, moet men noodzakelijk daai-toe van God gjroepen zijn; want zonder deze roeping is het, zoo niet onmogelijk, ten minste toch zeer moeilijk aan de verplichtingen van dezen staat te voldoen en zalig te worden. Maar, indien de roeping vereischt wordt voor ieder anderen, is zij volstrekt noodzakelijk om den geestelijken slaat te aanvaarden. Deze is de ecnige deur, door welke het geoorloofd is in de kerk te treden. Alwie er op eene andere wijze ingaat, is een dief en een roever, zegt de Heer zelf. 1 Daaruit besluit de heilige Cy-rillus van Alexandrië, dat hij die de heilige
1
Qui non intrut per ostium in ovile oviuin, scd ascendit aliunde, ille fur est etlatro. (Jo. 10. tO.)
200 VAN DE HOEPING
wijdingen ontvangt zonder er van God loc geroepen te zijn, zich aan diefstal schuldig maakt, dewijl hij eene genade rooft, welke God hem niet wil geven. \' Ook heeft de heilige Paulus verklaard, dat de goddelijke roeping noodzakelijk vereischt wordt om tot het priesterschap te worden verheven, het voorheeld aanhalende van Aaron en van Jezus-Christus zelven. -
Niemand dus, hoe geleerd, hoe wijs en hoe heilig hij ook zij, kan uil zicb zeiven het heiligdom ingaan, als hij niet te voren door God is geroepen en binnengeleid. Je-zus-Christnszelf, ongetwijfeld de geleerdste en heiligste der menschen, « vol van genade en waarheid, 1— iu wien alle schatten der wijsheid en der geleerdheid verborgen zijn,»2 Jezus-Christus zeg ik, wilde vooraleer Hij zich met de priesterlijke waardig-hoid bekleedde, door God geroepen worden.
üe Heiligen, zelfs wanneer zij van de god-
1
Plenum gratia\' etveritatis. (.Io. I. 14.)
2
f4) In quo sunt omnes thesauri sapientia- et scientiu! abs-conditi. (Col. 2. 3.)
TOT URT PRIESTERSCUAP. 201
dolijke roeping verzekerd waren, vreesden zich met hot priesterambt te belasten. Do heilige Augustinus, in zijne nederigheid, aanzag het geweld dat zijn bisschop jegens hem gebruikte om hem priester te wijden, als eene straf zijner zonden. 1 Do heilige Ephrem, om niet genoodzaakt te worden het priesterschap te ontvangen, hield zich als zinneloos; en de heilige Ambrosuis veinsde wreedaardig te zijn. Do heilige monnik Ammon sneed zich de ooron af om de heilige wijding te ontgaan, en dreigde ook nog de tong uit te rukken, indien men aanhield hem door dit voorstel te ontrusten. 2 In oen woord, de heilige Cyrillus van Alexandria verzekerd dat alle Heiligen gevreesd hebben de priesterlijke waardigheid te aanvaarden, evenals men aarzelt een zwaren last op te nomen. 3 Kan er in dit alles, zegt do heilige Cyprianus wol iemand gevonden worden vermetel genoeg om uit
1
Vis milii facta est, merito peccatoruui meorum. (Epist. 21. K, B.)
2
(•2\' « In lt;le levens der Heiligen vindt men soms daden die eer bewondering dan navolging van ons vorderen, dewijl zij in zekere omstandigheden, op ingeving van den H. Geust, volbracht werden. »gt;
DE VERTALER.
3
(3 ) Tinnes Sa nel os reporio divini ministerii ingentem velut uiolem formidantes. (De Fest. pasch. hom. 1.)
202 VAN DE IIUEPING
eigon beweging, zonder goddelijke roeping,
de heilige wijding te willen ontvangen? 1
Wie liet heiligdom zonder roeping binnendringt, beleedigt het gezag van God, even als een onderdaan hot gezag van zijnen vorst zou schenden, indien hij zich uit eigen goeddunken, als minister wilde aanstellen. Welk zou niet de vermetelheid van een onderdaan zijn, die zonder bevel des konings, ja zelfs tegen zijnen wil do kroon-gocderen zou bestieren, do rechtsgedingen uitwijzen, het bevel over het leger voeren, in één woord de bedieningen van onderkoning uitoefenen? Deze bemerking is van den heiligen Bernardus. - En welke zijn de bestieringen der priesters, tenzij nildee-lers te zijn in het huis van God, volgens den Heiligen Prosper. 2 Opperhoofden dei-kudde van Jezus-Christus, volgens den heiligen Ambrosius. 3 Uitleggers der goddelijke wet, volgens den heiligen Dionysius. 4Plaatsvervangers van Jezus-Christus, vol-
1
Ita est aliquis sacrilegte temeritatis ac perd.\'ta; mentis, ut putet sine Dei judicio lieri sacerdotum ? (Epist. 55.)
2
I nterpretes divinorura judiciorum.
3
Duces et rectores gregis Christi, (De Dign.Sac. c. 2.)
4
Dispensatores legi» dgmus. (De Vita eont 1. 2. c. 2.)
TOT HUT PRIKSTERSCHAP. 203
gens deu heiligen Joauncs Clirjsoslomus. 1 Zou iemund die dit weet, nog de stoutmoedigheid hebben bedienaar van Jezus-Clu-is-tus te worden zonder daartoe geroepen le zijn?
De gedachte alleen, van zich in een koninkrijk van het bewind meester te maken, is cene misdaad van den kant eens onder-daans, zegt de heilige Petrus Chrytologus. 2 Alleen in het huis van een eenvoudigen burger willen dringen om zijne goederen en zaken te regelen, is reeds eene vermetelheid ; want zelfs onder de bijzondere personen heeft de meester het volle recht deu bestuurder zijner zaken te kiezen en aan te stellen. En gij, zegt de heilige Ber-nardus, zonder van Ciod geroepen te zijn, zonder door Hem tc zijn ingeleid, gij wilt in zijn huis binnentreden, om zijne belangen in hand le nemen en over zijne goederen tc beschikken? 3
Ziedaar waarom do Kerkvergadering van Trente verklaard heeft dat do Kerk, alwie zonder roeping hot priesterlijke ambt durft
(1) Vicarii CLristi (hom. 17.)
(2) Reguum veile servum, crimen est. (Serm. 23.)
(3) Quid illiul temerilatis, imo t.uid insaniic est? tu irre-rerenler imiis, iiec vocutus ucc iutroduutus. (Dc Vita
Cier. c. 5.)
204 VAX Dli ROEPING
aanvaarden , niet als haren bedienaar , maar als eencn roover beschouwt. 1 Darge-lijk priester mag zich veel moeite geven, maar zijne werkzaamheden, zullen hem weinig voordeel bij God aanbrengen ; wat meer is, de werken die verdienstelijk zijn voor anderen, zullen integendeel hem even zoo vele strafwaardige daden worden. Veronderstelt dat een knecht van zijn meester bevel ontvangen hebbe het huis te bewaren ; hij krijgt zin om te gaan arbeiden in den wijngaard; welnu, hij moge zweeten en zich vermoeien, wel verre van eene belooning te bekomen, zal hij zich eerder op eene straf moeten verwachten. Dusdanig is het lot van dezen die zonder roeping het heiligdom indringen : ten eerste zal de Heer hunne werken niet aannemen, omdat zij buiten zijn wil ondernomen zijn, 2 en vervolgens in plaats van belooning verdienen zij straf. 3 Wie dan do heilige wijdingen wi\'. ontvangen, moet vooreerst wel onderzoeken, of
(1)Decei\'nit Saneta synod us pos qui on fministeria) propria teinerilnte sibi sumnnt. orüncs, non Ecclesia\' ministros, sod fures et latrones per ostium non ingressos hak*ndos esse. (Sess. 23. cap. 4.)
(2) Non est milii voluntas in vobis dicit Dominus exerci-tuiim, et munus non suscipiam de manu vestra. \'Mal. 1. 10.)
(3) Qnisquis externormn accesserit (ad taberuaculuin^occi-detur. (Num. 1. ül.)
TOT HET PRIESTEttSCUAl\'. 205
hij door God tot die verhevene waardigheid geroepen is, zegt de heilige Joannes Chry-sostomus. 1 Nu, om te erkennen of eene roeping van God komt, moet men er de kenteekenen van onderzoeken. Luiste-wij naar de vermaning die de Heer ons geeft. Wanneer men een toren wil bouwen, begint men met zijne berekeningen te maken, ten einde vcazekerd te zijn dat men over middelen te beschikken heeft om de noodige onkosten, tot voltrekking van het werk, te dekken.2
KENTEEKENEN VAN GODDELIJKE ROEPING TOT HET PRIESTERSCHAP.
Zien wij nu welke de teekenen zijn eener goddelijke roeping tot de priesterlijke waardigheid.
Vooreerst is het de hooge afkomst niet. Volgens den heiligen Hieronymus, wanneer men een opperhoofd wil kiezen, om de vol-
(.1) Quoniam dignitns magna est, et revera divina sententia eoinprubaiula. (In J, Tim. hom. ü.)
(4) Quis enim ex vobis, volens turrhn tcdificare, non prins sedens eomputat sumptus qni nccessarii sunt, si habeat ad periicienduni ? Lnc. 14.28.)
VAN UK ROKl\'INT,
keren op den weg der eeuwige zaligheid te geleiden, moet men niet het adelijke bloed maar de heiligheid des leven beschouwen. \' En zoo ook spreekt de heilige Gregorins. -
Verder is het ook niet de wil der ouders, die hunne kinderen tot liet priesterschap aansporend, niet het welzijn hunner ziel, maar alleen hunne eigene belangen en de voordeelen hunner familie in liet oog hebben. Zij denken aan niets anders, zegt de Schrijver van het «Onvolmaakt werk,» dan aan deze wereld, en zij vergeten de eeuwigheid die moet volgen. 5
Eindelijk zijn bet zelf de begaafdheden niet en de geschiktheid welke iemand lot het priesterambt zou hebben; want, behalve de behoorlijke bekwaamheid wordt een goed leven vereischt, gepaard met goddelijke roeping.
Welke zijn dan de ware kenteekenen, waaraan men zien kan dat iemand door God tot den geestelijken Staat geroepen is? Ziedaar de drie voornaamste.
(1) Principatum in populos, non sanguini defcromlum, sed vita?. (In tit. 1.)
(2) Quos dignos üivina probet eleetio secundum vita!, non generis meriturn.
(3) Matres corpora natorum amant, animas \'ODtemnunt; desiderant illos valere in stccnlo isto, et nou curant quid sint pussuri in alio. (Op. imp. hom. 33.)
300
TOT HET PRIESTERSCHAP. 207
le De oprechte meening.
Ilct eerste is cene oprechte meening. Men moet liet heiligdom ingaan door de deur, en die deur is Jezus-Christus zelf. 1 De wettige ingang tot het heiligdom is dus geenszins de begeerte die men zou hebben aan zijne ouders te behagen ol\' zijne familie te verheffen, nocli belangen, noch eigenliefde; maar de meening alleen om God te dienen door te werken tot zijne glorie en do zaligheid dor zielen, gelijk zeer juist een geleerd Schrijver (de Voortzetter van Tournely) zegt. 2 Indien gij daartoe wordt geleid door heerschzucht, eigenbelang, of drift tot eer, zegt een andere Godgeleerde, wordt gij geroepen, niet door God maar door den duivel. 3 En wie zich met zoo onwaardige meening tot de wijding aanbiedt, voegt do heilige Anselmus hierbij, zal niet den zegen maar den vloek van God ontvangen. *
(1\', Ego sum ostium ovium. . Per me siquis introierit, sul-rnbitur. (.Io. 10. 7.)
(2) Si enim aliqais liber ob omni vitioso affectu, alt;I Cle-rum, Deo «leserviendi causa et salutis populi gratia solum, so conferat, vocari a Deo piwsumitur. (De Ord. q. 4. a 4.)
(3) Ambitione tlueeris, vel avaritia? inhias honori? Non te vocat Deus, sed diabolus tentat. (Hall. t. 13. c. 2. et 4.)
(i) Qui enim si ingerit et propriam glorlam qiuerit, gratia-Doi rapinam facit; et ideo non accipit benedictionem, sod maledictionem. (In Heb. 5.]
VAN\' DE ROEPING
2lt;! De weienschap en de begaafdheden.
liet tweede kentccken der roeping is, dat mcu de noodige wetenschappen en begaafdheden hebbc, om het priesterlijk ambt behoorlijk te vervullen. De priesters moeten de leeraren zijn die de Wet Gods aan de volkeren loeren. 1 Sidonius Apolünarius zeide, dat de genecsheorcn die weinig geleerd zijn, dikwijls de zieken dooden in plaats van genezen. 2Een onwetend priester, vooral indien hij biechtvader is, zal, mot valsche leeringen te onderwijzen en slechten raad te geven, don ondergang van vele zielen veroorzaken, want daarom juist dat hij priester is, wordt hij licht geloofd. Hetgeen aan Yvo van Ghartros deed zeggen, dat do aanneming tot de heilige wijdingen, behalve een goed gedrag, oene voldoende geleerdheid vereischt. 2
üe priester, behalve de kennis die hij hebben moet van al do rubrieken van het Missaal, om de heilige Mis te lezen, is nog verplicht de voornaamste zaken ;e weten
208
1
Medici parum doet! inultos occidunt. (Lib. 2. ep. 12.)
2
(:$) Nulli ad sacros ordines sunt promovendi, iiisi quos vila
et doctrlna idooeos probat.
TOT HET PRIESTERSCHAP.
wolke liet Sacreinent van boelvuardigheid betreffen. Elke priester, wel is waar, is niet verplicht biechtvader te worden, tenzij de dringende behoeften van het land dat hij bewoont zijnen dienst vereisehen ; nogtans is ook ieder eenvoudig priester verplicht ten minste datgene te kennen wat men gewoonlijk weten moet om de biecht der stervenden te kunnen hooren, dat wil zeggen : in welk geval hij de macht heeft de absolutie, met of zonder voorwaarde aan den zieke te geven ; welke verplichting hij hem moet opleggen indien hij een of anderen kerkdijken ban heeft belcopen. Hij is nog verplicht minstens de algemeene grondregels der zedeleer te kennen.
3« Een wezenlijk goed leven.
Het derde kenteeken der roeping tot den geestelijken staat, is een wezenlijk goed leven.
Zoo moet het leven van een wijdeling ten eerste onschuldig zijn, dit is bevrijd van zondesmet. De Apostel vereischt dat hij die do priesterwijding wil ontvangen onberispelijk zij, volgens hetgeen hij aan
U
209
VAN DE ROEPING
zijnen leerling TiLus schrijft. \' In de eerste eeuwen der Kerk, kon alwie eene enkele doodzonde had bedreven, geene wijding meer ontvangen; dit wordt door eeu besluit der eerste kerkvergadering van Nicea bewezen. 5 Volgens den heiligen Ilieronymus was het niet voldoende om tot het priesterschap te worden toegelaten, dat men omstreeks den tijd der wijding zonder zonde was ; maar er word nog vereischt dat men geene zware zonde bedreven had sinds men het doopsel ontvangen had. 1 Het is wel waar dat naderhand de regeltucht der Kerk niet zoo streng meer was; maar niettemin vereischte zij ten allen tijde dat hij die, na in zware zonde te zijn gevallen, de heilige wijdingen wilde ontvangen, sedert een geruimen lijd zijn geweten zuiver hadde behouden. Dit zien wij in een brief van Alexander III aan den aartsbisschop van Rheims, aangaande een diaken die een anderen diaken geslagen had. De Paus beslist dat de schuldige, indien hij een waar leed-
210
1
Ex eo tempore quo in Cbrlsto renatus est, nulla pec-cati consfientia remordeutur. (In Tit. 1.quot;
TOT IIET PRIESTERSCUAP. 211
wezen heeft over zijne misdaad, ia do bedieningen zijner wijding zal kunnen lier-sleld worden, maar na de absolutie ontvangen en de opgelegde boete volbracht te hebben; later zelfs indien hij het voorbeeld van een volmaakt leven geeft, zal men hem de priesterwijding kunnen toedienen. 1 Hebt gij dan de gewoonte van de eene of andere ondeugd aangenomen en hebt gij deze nog niet afgelegd, wacht u eene heilige wijding te ontvangen; dit zou eene zware fout zijn, die den heiligen Bcrnardns met afschrik vervulde. Het betaamt ten minste, zeide hij, dat men zijn eigen geweten in orde stelle, alvorens zich met dit van anderen te bemoeien. 2 Een oud Schrijver, Gildas de Wijze, van hen sprekende, die vol van slechte gewoonten de vermetelheid hebben tot het priesterschap op te klimmen, zegt, dat zij eerder verdienen schandelijk ten toon gesteld te worden. 1 Wij besluiten
(1) Et si perfect® vlta\'conversationis fuerit, eum in pres-byterum (poteris) ordinare. (Cap. t. De Diacono. Qui der.)
(2) Hori\'eo considerans unde, quo vocaris, pra\'sertim cum nullum intercurrent pcenitentia- tempus. Et quidem rectus ordo requirit ut prius propriam, deinde alienus curare sludeas conscientias, (Kpist. 8.)
1
Multo digniores erant ad catasfa-a pumalem (juani ad sacerdotium trahi. ( last. in eccl. ord.}
212 VAN DE HOEPING
dus met den heiligen Isidorus, dat men de heilige wijdingen geheel en al moet weigeren aan alwie nog aan de eenc of andere zondige gewoonte onderworpen is. 1
Maar wanneer men de eer verlangt hot altaar op te klimmen, is het niet genoeg vrij van zonde te zijn; men moet wezenlijk goed zijn, dat wil zeggen, reeds den weg der volmaaktheid bewandelen, en zekere ge-gewoonte van dengd hezitten. Wij hebben genoegzaam in onze zedelijke Theologie door het algemeen gevoelen der leeraren bewezen, dat hij die in de gewoonte van ondeugd leeft en tot eene heilige wijding wil verheven worden, in goede gesteltenis moet zijn niet alleen om het Sacrament van Boetvaardigheid; maar ook nog om de heilige wijdingen te ontvangen ; zoo niet, zal hij voor het een en ander slecht gesteld zijn. Daarbij is het eene zware font, zoo wel van den wijdeling die de absoKitie ontvangt, met de meening van zonder de ver-eischte gesteltenis lot de heilige wijdingen te worden verheven, als voor den biechtvader die hem de absolutie geeft; want het is niet genoeg dat hij die tot do heilige
(l)Non sunt promovendi ad regimen Ecclesiaï qui adliuc vitiis subjacent. (Sent. I. 3. c. 3 4.)
TOT HET PMESTEBSCHA1\'. 213
wijdingen nadert uit den staat van zonde zij opgestaan; hij moet nog, wij herhalen het, en wezenlijk deugdzaam leven leiden ; iets wat toch noodzakelijk is voor den geestelijken staat, volgens den tekst van Alexander lil hierboven aangehaald : «Indien zijn leven en zijn gedrag volmaakt zijn.»1 Het besluit van dien Paus bewijst, dat de boetvaardigheid voldoende is voor de beoefening eener orde die men reeds heeft ontvangen, maar niet om tot eene verhevenere wijding te worden toegelaten; en dit is juist h.\'.t-geen de engelachtige Leeraar zegt. 2 Üeze leering is gelijkvormig aan die welke de heilige Dionisius reeds had vastgesteld. 3 De heilige Thomas geeft hiervan twee redenen : de eerste is, dat deze die de heilige wijdingen ontvangt, zich zoo verre boven de eenvoudige geloovigen moet verheffen door de heiligheid van zijn leven, als hij boven hen is geplaatst door de waardigheid zijner bediening. 4 Be tweede reden is, dal,
(1) Si perfecta; vito et conversation is faerit.
(2) Ordines sacri prmexigunt sauctitatem; undo pondua ordinnm imponendum est parletibus juni per sanctitaten\\ desiccatis, id est, ab humore vitiorum. (2. 2. q. 187. ut.)
(3) In divino otnnl non audendnm aliis ducem fieri, nis» secundum omnem habitum suum factus sit deiformissimua et Deo similliinus. :üe Eeci. Hier. c. 3.)
(\'») Ad idooeam executionein ordinutu non suüicit bonitas
214 VAN DE ROKPING
men door de wijding du zendinu; ontvangt om aan het altaar de verhevenste bedieningen uit te oefenen, welke meer heiligheid vereischt dan de religieuze slaat. 1
Ook verbiedt de Apostel 2 neophieten of nieuwbekeerden te wijden ; met andere woorden volgens de uitlegging van den heiligen Thomas, degenen die nog geene bewijzen hunner standvastigheid in de beoefening der deugden gegeven hebben. 3 Ue Kerkvergadering van Trente, zinspelende op de woorden der heilige Schrift 4 legt daarom aan de bisschoppen cp, niemand tot de wijding aan te nemen, dan dezen die er zich door eene rijpe wijsheid waardig van toonen. 3 En het is noodzakelijk, zegt de heilige Thomas, dat dit oprecht deugd-
(jualiscumque, sed requiritur bonitas excellens, ut, sicut jlli (|ui ordinem suscipiunt super plebem constituuntur gradu ordiuis, ita et Superiores sint merite sanclitatis ; etideopra--exigitur gratia qua.* sufficiat ad hoc quod digne eonnumereutur in plebe Cbristi. (Suppl. q. 33. a 1.)
(1) Quia per saerum ordinem aliquis deputatur ad dignis-sima ministerie, quibus ipsi Cbristo se/vitur in sacrauicntu altaris ; ad quod requiritur major sanetitas interior quam reqnirat etiam rellgionis status. (2. 2. q. 184. a 8.)
(2) ï. Tim. 3. 6.
(3) Qui non solum tetate neophyti, Sid et qui neopbiti sunt perfectiöhe.
(V) Aetas senectutis vita immaculatf.. (Sap. 4. 9.)
(ö) Sciant episcopi debere ad bos (saeros) ordines assnmi dignos duntaxat, et quorum probata vita senectus sit. (Sess. 23, ep. lü.)
TOT IIKT l\'WESTIiRSCHAP.
zaam leven der wijdelingen bekend zij , niet op eene twijfelachtige, maar op eeno zekere wij/e. c Deze voorzorg beveelt do heilige Gregorius vooral aan, voor betgeen de deugd van zuiverheid betreft. 2 Hij ver-eischt te dien opzichte eeuc beproeving van verscheidene jaren. 3
AA/VWX\'WWWNA/W\'WWAA\'VWNAA/VNAA/VWVXAA/V» quot;NA/VN/W\\
§ ni.
AAX WELKE GEVAREN MEN ZICH DLOOTSTELD MET
DE WIJDINGEN ZONDER ROEPING TE ONTVANGEN.
Lït hetgeen wij hierboven gezegd hebben volgt, dat alwie de heilige wijdingen ontvangt zonder in zich de teekenen der goddelijke roeping te erkennen, niet van zware zonde te verontschuldigen is. Dit is het gevoelen van een groot getal godgeleerden, zooals Habert, Noël Alexander, Juénus, en don Voortzetter van Tournely ;
(1) Sed etiam habeatur ccrtitudo de qunlitale promovendo-ram. (Suppf! q. 36. a \'».)
(2) Nullus debet ad miuistei ium altai is accedere, nisi cujus caslitas ante susceptuiu iniiiisterium fuerit approbata. (Lil». I.ep. 42.)
(3) No uuquam ii qui ordinati sunt, percant, prius aspi-eiatur si vita eorum continens ab oddis pluriinis fuit.(Lib, 3 ep. 26.)
21a
2 I (j VAN DE ROEPING
eu dil heeft voor lieu de heilige Augusti-nus duidelijk geleerd, wanneer hij over do straf spreekt welke de Heer aan Core, Datlion en Ahiron overzond omdat zij zich zonder daartoe geroepen te zijn, met de priesterlijke bedieningen dorsten bemoeien ; de heilige Leeraar verzekert dat dit voorbeeld eene vermaning is voor alwie zich zonder roeping tot de heilige wijdingen aanbiedt. 1 üe reden hiervan is, dat het eene groote en onverschoonbare vermetelheid is het heiligdom binnen te treden zonder daartoe door God geroepen te zijn ; hij die zich daaraan schuldig maakt blijft vervolgens beroofd van de genaden van staat en van de noodige hulp zonder dewelke men, in het algemeen gesproken, zijne plichten kan vervullen, maar niet zonder groote moeite, volgens de opmerking van Habert. Hij zal een lidmaat zijn buiten zijne plaats, dat niet werken kan tenzij pijnlijk en onvolmaakt. 2 Men is
(1) Condemnati sunt utdoretur exemplnin, ne quis non sib a Deo datum munus pontiticatus invadoret... Iluc patientu quicumque se in episcopatus, aut presbyteratus, aut diaeo n.-ihis ollicium conautur ingerere. (Serir. :J0. app. E. B.)
2) Non sine magnis dillkultatibus fotorit saluti siue con-suiere. Manebitque in corpore Eccleslaj velut membrum in corpore bumano suis sedibns motum, quod servire potest, sed jegro admodum et cum defonnitate. (De Ord, p, 3, c. 1.§20 \'
TOT HET PRIESTERSCHAP. 217
bijgevolg i» groot gevaar zijne ziel te verliezen; wnnt zegt dc bisschop Abelly, dit is eene der zonden tegen den heiligen (ieest waarvan, volgens de getuigenis van het Evangelie, het zeer moeilijk is vergiffenis te bekomen. 1
Do Heer verklaart dat Hij de hevigste verontwaardiging gevoelt tegen hen die in dc Kerk willen heerschen, zonder dat Hij ze daartoe geroepen heeft. - Ziehier hoe de heilige Gregorius deze woorden uitlegt.1Wat al moeite, wat al bewegingen, wat al smeekingen en andere middelen gebruiken niet zekere personen om de wijding te erlangen, en dat zonder roeping, alleen uit aardsche inzichten I Maar » Wee hun, die tegen mijn wil zulke ondernemingen aangaan,» zegt de Heer door den mond van Isaias. 2 In den\'dag des oordeels zullen zij
(1) Qui sciens ot volens, nulla divin® vocationis habita ra-tioue, sese 1q sacerdotiuni intruderet, hand duhie scipsum in apertissimum salutis diserimen injiceret, peccando sc-ilicet in Spiritum Sanctum ; quod quidem peccatum vix aut rarissime dimitti ex Evangelie diseiraus. {Sac. ehr. p. 1. c. 4.)
(2) Ipsi regnarerunt, et non ex me.., iratus est furor meus in eos, (Os. 8. 4.)
1
Ex se, et non ex arbitrio summi Rectoris, regnant; ne-quaquam diviuitus vocati, sed sua cupidine accensi, culmeu regiminis rapiunt potius quam assequuntur. (Past. p. 1. c. 1.
2
Vaj lliii dersertores, tlicit Dominus, ut fuceretis consilium, et non ex me. (Is. 40.1.)
■gt; I 8 VAN DE ROEPING
eono bclooning komen vragen; maai\' Jezus- wei
Christus zal hun verre van zich verstoeten.1 om
Do priesters zonder roeping, zijn wel is Ue*
waar arbeiders en bedienaars van God, om- we
dat zij de priesterlijke merktoekenen ont- vai
vangen hebben; maar zij zijn bedienaars liu door ongerechtigheid en roof\', dewijl zij
den schapenstal uit eigen beweging en j|[
zonder roeping zijn binnengegaan. Zij zu
hebben de sleutels niet ontvangen, zegt de ve heilige Rernardus, maar hebben ze ge-
roofd. 2 Zij mogen nog zoo veel arbeiden, nl do Heer zal ze voor hunne moeite niet be-
loonen; Hij zal ze eerder straffen, omdat w
zij het heiligdom niet langs den rechten zi
weg zijn ingetreden. 3 De Kerk, zegt do n
heilige Leo, ontvangt alleen degenen die j
de Heer kiest, en die Hij daardoor waardig [■
maakt zijne bedienaren te wezen. 4 Zij ver- z
(1) Kulti dicent miliila lila die : Domine, L ouiine, nonne in ^ nomine tuo prophetnvimus (pttedicundo, diceodo) et in nomine tuo da-monia ojicimus (corrigendo, lites componendo,
errantes reducendo) ? — Et tune conlitebor illis : quia nnn-(|uam novi vos ; discedite a me, qui operamini iniquitatem.
(Mutth. 7. 22.) ,
(2) Tollitis, non accipitis claves ; de qu.bus Dominus que-ritur: «Ipsi regnaverunt et non ex me» ^De uonv. ad Cler.
c. 19.)
(3) Labor stultorum afliigit eos, qui nesciunt in urbem per-gore. (Keel. 10. IS.)
(4) F.os Ecclesiaceeipit quos Spiritus sanctus prccparavit,..
et dignatio coilestis gialia,» gignit. (In die ass. sua!, s. 2.]
TÜT HET PRIESTKRSCUAP.
werpt dogenen die God niet heeft geroepen, omdat zij komen om haren ondergang liever dan haar voordeel te bewerken, eu wel verre van haar te stichten, eene oorzaak van droefheid en smaad zijn, gelijk de heilige Petrus Damianus zegt. 1
Hen die de Heer zal gekozen hebben, zal II ij tot het priesterschap aanvaarden ; 2 dus zullen degenen die Hij niet geroepen heeft verworpen worden. Ook houdt de heilige Ephrem dezen voor verloren, die de stoutmoedigheid heeft zonder roeping priester te worden.3 Petrus Blosius drukt in andere woorden, bijna dezelfde gedachte uit. 4 Wie zich in zijne roeping bedriegt, loopt veel meer gevaar verloren te gaan dan degene die afzonderlijke geboden overtreedt; deze laatste immers kan uit zijn val opstaan en zijne reis langs don goeden weg voortzetten; de andere integendeel die zich in zijne roe-
211)
1
Nemo deterius Ecclesiam Ice-jit. (Con. cler. aub. e. 3.)
2
Quos elegerit (Dominus), nppropinquabuut ei. (Num. 16. o.)
3
Obstupesco ad ea qure soliti sunt quidam incipientium audei e, qui temere se cunantur ingerere ad munus sacer-liotii assumendum, licet non adsciti a gratia Christi: igno-rantes, miseri,quod ignem et mo.\' iem sibi acuumuiaut. (Or, de Sacerd.)
4
\'j) Quam perditus est qui saerilicium in sacriiegium, qui vjiuin couvcrtit in mortem ! ^Kp, ad Rich. Goud.)
VAN DE ROEPING
ping bedriegt, slaat eeneu verkeerden weg in, op wejken hij zich van liet vaderland meer en meer verwijdert, naarmate hij vooruitgaat. iMen zal op hom dit woord van den heiligen Augustinus kunnen toepassen ; (jij loopt goed, maar buiten den weg. 1
Wij moeten dus wol overtuigd zijn van hetgeen de heilige Gregorius zegt, dat onze eeuwige zaligheid voornamelijk afhangt van onze gehoorzaamheid om den staat te omhelzen tot welken de Hoer ons roept. 2 Do reden hiervan is klaarblijkend ; immers Cod is het, die in do orde zijner voorzienigheid, aan een ieder van ons zijn levensstaat aanwijst, en die vervolgens de genade en hulpmiddelen bereidt welke eigen zijn aan de bedieningen waartoe Hij ons roept. Dit is de godaclue van den heilige Cjprianus. 5 En deze is ook de orde der voorbestemming van ieder onzer, volgens de woorden van den Apostel: 4 «Zoo komt ua de roeping de rechtvaardiging, en na de rechtvaardiging do verheerlijking, dat wil zeggen, de ver-
(1) Benecurris, selt;l extia vinm.
(2) A vocatione pendet ccternitas.
(3) Online suo, nou nostro arbih-io, Sancti Spiritus virtus ministrutur. (De Sing, der.)
(4) Quos pnedestinavit, hos et voeavit; et ques vocavlt hos et justillcavit; quos auteui justiücavlt, jllos et KloriUcavit
Uom. 8. 30. i 0
220
TUT HET PRIESTERSCHAP. 221
werving van het eeuwig leven. Bijgevolg zal hij, dio aan de goddelijke roeping niet gehoorzaamt, noch gerechtvaardigd, noch verheerlijkt worden. Pater Ludovicus van Grenade had dus wol reden te zeggen, dat de roeping het hoofdrad is van geheel het leven ; en even als een uurwerk bij het ontstellen van liet hoofdrad gansch bedorven is, zoo ook, zegt de heilige Gregorius van Nazianze, indien wij van onze roeping afwijken, zal geheel ons loven niet anders meer zijn dan eene opvolging van dwalingen. Immers, in een staat tot welken God ons niet heeft geroepen, zullen ons de noo-dige hulpmiddelen om ons wel te gedragen ontbreken.
Eenieder heeft zijne eigene gave van God, de eene dus, en do andere zoo.1 Deze spreuk van den Apostel, boteekent volgens de uitleggers, dat God aan eenieder de genade schenkt die hij noodig heeft om de plichten van den staat tot welken Hij hem roept, behoorlijk te vervullen; zoo leert de heilige Thomas. 2 3 4 Hieruit volgt dat van don
1
Unusquisqueproprium (loniim habet oxDeo: Alius qui-dem sic, alius vero sic (I. Cor. 7. 7.)
VAN DE ROEPING
oenen kant ieder bekwaam is om het ambt uit te oefenen waartoe God hem bestemt, maar van een anderen kant is hij niet bekwaam cene bediening waar te nemen tot welke bij niet geroepen is. Zoo is de voet, gegeven om tc gaan, voorzeker ongeschikt voorliet gezicht; cn insgelijks het oog, dat gegeven is om te zien, is niet in slaat om te gaan. Hoe dan zou hij, dien God tot het priesterschap niet bestemd heeft, de priesterlijke bedieningen wel kunnen vervullen?
])e Heer kiest zelf de arbeiders die in zijnen wijngaard moeten werken. 1 Ziedaar waarom ue goddelijke Verlosser niet gezegd heeft: Bidt de nienschen dat zij gaan oogsten, maar: Bidt den Heer des oogstes dat Hij arbeiders te dien einde zende.2 £n elders voegt Hij er bij: Ik zend u, gelijk mijn Vader mij gezonden heeft. 3 Welnu, wanneer God iemand tot eene betrekking roept, geeft Hij alle hulpmiddelen die hem noodig
( j)(4) Illos quosDeus adaliquid elegit, ita prteparat et dispo-uit, utad id ad quid eliguntut* inveniaotur idonei, secundum illud: «Idoneos uos fecit ministros Novi Testameuti» (II. Cor. 3. 6.) (p. 3. q. 27 a 4.)
(1) Ego elegi vos, etposui vos, uteatis et fructum alferatis. (Jo. 15. 16.)
(2) Hogate ergo dominum messis, ut mittat operarios in messem suam. (Luc. 10.)
(•quot;!) Sient misil me Pater et egomitto vos. |Jo, 20. 21.)
222
TOT HET PRIESTERSCÜAP, 22:i
t zijn, zegt de heilige Leo. 1 En dit heeft Jc-
1 zus zelf verklaard mot deze woorden: «Ik i- ben de deur. Zoo iemand door mij ingaat zal
)t hij behouden worden en hij zal in- en uil-
gaan, en weiden vinden-, - hetgeen beteekent: t Hij zal ingaan : Al wat de priester door God
it geroepen onderneemt, zal hij zonder zonde
n en zelfs met verdienste volbrengen ; en hij
t zal uitgaan : Hij /al zich te midden der ge
legenheden en der gevaren bevinden, doch ? met do hulp des hemels er ongehinderd
a doorgaan ; en weiden vinden : Eindelijk, in
r de beoefening van zijn ambt, zal hij onder-
1 steund worden door bijzondere genaden,
die hem met groote schreden op den weg t der volmaaktheid doen voortgaan, omdat
3 hij zich in don staat bevindt waarin de Heer
i hom geplaatst heeft. Zoodat hij met be
trouwen kan zeggen, dat hij onder Gods geleide staat, en in den overvloed van allo goederen. 5
De priesters daarentegen, die door God niet zijn gezonden om in zijne kerk te ar-
(t) Qui milii honoris est auctor, ipse mihi (iet ndmiuistra-tionum adjutor; dabit virtutem qui ccntulit dignitatem. (In die ass. suie s. 1.)
(2) Ego sum ostium. Per me si quis introierit, salvabitur : et iagredictur et egredietur, et pamp;scua inveniet. (Jo. 10. 9.)
(3) Dominus regit me et nihil mihi deerit, in loco pascuw ihi me collocavit, (Ps. 22. 1.)
VAN DE ROEPING
ping bedriegt, slaat eenen verkeerden weg in, op wcjken hij zich van het vaderland meer en meer verwijdert, naarmate hij vooruitgaat. Men zal op hem dit woord van den heiligen Augustinus kunnen toepassen : Gij loopt goed, maar buiten den weg. 1
Wij moeten dus wel overtuigd zijn van hetgeen de heilige Gregorius zegt, dat onze eeuwige zaligheid voornamelijk afhangt van onze gehoorzaamheid om den staat te omhelzen tot welken de Heer ons roept. De reden hiervan is klaarb lijk end ; immers God is het, die in de orde zijner quot;oorzienig-heid, aan een ieder van ons zijn levensstaat aanwijst, en die vervolgens de genade en hulpmiddelen bereidt welke eigen zijn aan de bedieningen waartoe Hij ons roept. Dit is de gedachte van den heilige Cyprianus. 3 En deze is ook de orde der voorbestemming van ieder onzer, volgens de woorden van den Apostel: 4 «Zoo komt na de roeping de rechtvaardiging, en na de rechtvaardiging de verheerlijking, dat wil zeggen, de ver-
(1) Benecurris, selt;l extia vinm.
(2) A vocatione pendet icternitas.
(3)Ordine suo, nou nostro arbitrio, Sanct; Spiritus virtus ministratur. (De Slug, dor.)
(4) Quos pnedestinavit, hos et vocavit; et quos voeavit hos et justilicuvit; quos autem justilicavit, illos et srlorificavit.
kom. 8. 30.)
220
TOT HET PRIESTERSCHAP.
wei-ving van het eeuwig leven, liijgevoig zal hij, die aan de goddelijke roeping niet gehoorzaamt, noch gerechtvaardigd, nooh verheerlijkt worden. Pater Lndovicns van Grenade had dus wel reden te zeggen, dat dé roeping het hoofdrad is van geheel hot leven ; en even als een uurwerk bij het ontstellen van het hoofdrad gansch bedorven is, zoo ook, zegt de heilige Cregorius van Nazianze, indien wij van onze roeping afwijken, zal geheel ons leven niet anders meer zijn dan eene opvolging van dwalingen. Immers, in een staat tot welken God ons niet heeft geroepen, zullen ons de noo-dige hulpmiddelen om ons wel te gedragen ontbreken.
Eenieder heeft zijne eigene gave van God, de eene dus, en de andere zoo.1 Deze spreuk van den Apostel, beteekent volgons de uitleggers, dat God aan eenieder de genade schenkt die hij noodig heeft om de plichten van den staat tot welken Hij hem roept, behoorlijk te vervullen ; zoo leert de heilige Thomas. 2 3 4 Hieruit volgt dat van den
(t) Unusquisque proprium doDUin habet ox Deo: Alius qui-dem sic, nlius vero sic (I. Cor. 7. 7.)
(2) Cuicnmqno dntur potentia aliqua divinitus, dautur ctiam ea per quiR cxecutio illius potenliu? possit congrue fieri. (Suppl. q. 3.\'i. a I.
221
VAN DE ROEPING
eonou kant ieder bekwaam is om het ambt uit te oefenen waartoe God hem bestemt, maar van een anderen kant is hij niet bekwaam eene bediening waar te nemen tot welke hij niet geroepen is. Zoo is de voet, gegeven om te gaan, voorzeker ongesehikt voor het gezicht; en insgelijks het oog, dat gegeven is om te zien, is niet in slaat om te gaan. Hoe dan zou hij, dien God tol het priesterschap niet bestemd heeft, de priesterlijke bedieningen wel kunnen vervullen?
De Heer kiest zelf de arbeiders die in zijnen wijngaard moeien werken. 1 Ziedaar waarom de goddelijke Verlosser niet gezegd heeft: Bidt de nienschen dat zij gaan oogsten, maar: Ridt den Heer des oogstesdat Hij arbeiders te dien einde zende.2 En elders voegt Hij er bij: Ik zend u, gelijk mijn Vader mij gezonden heeft. 3 Welnu, wanneer God iemand tot eene betrekking roept, geeft Hij alle hulpmiddelen die hem noodig
(J)(4) Illos quos Deus ad aliquid elegit, ita prwparat et dispo-nit, ut ad id ad quid eliguutur inveniautuf idonei, secundum iilud: «Idoneos nos fecit ministros Novi Testameuti» (11. Cor. 3. 6.) (p. 3.q. £7 a 4.)
(1) Ego elegi vos, et posui vos, ut eatis et frut.tuin afferatis. (Jo. 15. 16.)
(2) Rogate ergo dominum messis, ut mittat operarlos in messem suam. ^Luc. 10.)
(■quot;•) Sieut misil uie Pater et ego mitto vos. (Jo. 20. 21.)
222
TOT HET PRIESTERSCSAP. 22:i
t zijn, zegt de heilige Leo. 1 En dit heeft Jc-
, zus zelf verklaard mot deze woorden : «Ik ben de deur. Zoo iemand door mij ingaat zal
it hij hehouden ivorden ! en hij zal in- en uit-
, gaan, en weiden vinden-, - hetgeen beteekent:
t Hij zal ingaan : Al wat de priester door God
t geroepen onderneemt, zal hij zonder zonde
i en zelfs met verdienste volbrengen ; en hij
t zal uitgaan : Hij zal zich te midden der ge
legenheden en der gevaren bevinden, doch met de hulp des hemels er ongehinderd doorgaan ; cn weiden vinden : Eindelijk, in de beoefening van zijn ambt. zal hij ondersteund worden door bijzondere genaden, die hem met groote schreden op den weg der volmaaktheid doen voortgaan, omdat hij zich in den staat bevindt waarin de Heer hem geplaatst heeft. Zoodat hij met he-i trouwen kan zeggen, dat hij onder Gods r geleide staat, cn in den overvloed van allo j goederen. 3
De priesters daarentegen, die door God niet zijn gezonden om in zijne kerk te ar-
(t) Qui mihi honoris est auctor, ipsa mihi fiet admiuistra-tionum adjutor; dabit virtutem qui contulit dignitatem. (In die ass. suu; s. 1.)
(2) Ego sum ostium. Per me si quii introierit, saivabitur : et iugredicturet egredietur, et pascua inveniet. (Jo. 10. 9.)
(3) Dominus regit me et nihil mihi decrit, in Joeo paseun» ihi me coilocavit. (Ps. 22. 1.)
J_
VAN DE ROEPING
beiden, zullen zich dooi\' Hem verlaten en tot eeuwige schande en eindelouze rampen veroordeeld zien, gelijk Hij verklaart door den mond van Jeremias. 1
Een monsch kan niet tot de hooge waardigheid van het priesterschap verheven worden dan door Gods macht, zegt de heilige Thomas,2 dewijl hij wordt aangesteld als heiligmaker der volkeren en plaatshe-kleeder van Jezus-Christus. Maar dengene die uit eigen wil tot eene zoo verhevene waardigheid opklimt zal overkomen wat de Wijze zegt : « Nadat hij hoog was verheven zag men dat hij een dwaze was.»1 Ware hij in de wereld gebleven, hij zou misschien een deugdzaam menseh zijn geweest; maar priester geworden zonder roeping, zal hij een slechte priester zijn en, in plaats zich voor de Kerk nuttig te maken, zal hij Haar een ware geesel zijn; zoo drukt zich de Homeinsche Catechismus uit, wanneer hij
(1) Nou mittebam prophotas, et ipsi currebant. Propterea ecce ego tollam vos portans, et dcrelinquam vos... et dabo vos. in opprobrium seirpiterniuu, et in ignoinimam a;ter-nam, quu\' nuuquam oblivione deiebitur. (Jer. 23. 21-39.)
(2) Utdiviua virtnto evehatur, et transmittatnr snprn na-turaiem rerum oi-dinem. (Apud Uab.deürd. p. e. 3. 1. § 2.quot;
224
1
Stultus apparuit, postqaam elevatns est in sublime. (Prov. 30. 32.
TUT HET l\'RIESTERSCUAP.
van zulke priesters spreekt. 1 Wat goed zou men in de kerk kunnen doen, nadat men er zonder roeping is ingetreden? liet is zeer moeilijk, zegt do heilige Leo, dat zulk een slecht begin, worde opgevolgd door een goed einde. 2 De heilige Laurentius Justinianus spreekt op dezellue wijze. 3 En de goddelijke Meester verzekert dat niet alleen do vrucht zal weggeworpen, maaide plant zelve uitgeroeid worden. 1 Ook, volgens Petrus Blosius, wanneer de lieer toelaat dat iemand tot het priesterschap kouie zonder er toe geroepen te zijn, is dit voor hem geen genade, maar eene s\'.raf; want een boom die niet goud ingeworteld en aan den wind is bloolgestcld, zal weldra vallen, en men zal hem vervolgens in het vuur werpen. ■* Het is dus voor hem zeiven en tevens voor anderen een ongeluk gelijk de heilige Bernardes opmerkt; want hij
223
1
Hujusmodi hoininuin geneie nihil infelicius, nihil Kc-clesice Dui caiamitosius esse potest. (P. 2. c. 7. ij. 3.)
2
(•2)Diflieile est ut bono peiagantur oxitu, quu* malo sm t inchoata principio. (Epist. 87.)
3
Qualem, oro, polest fructuui producere conupta radix ? (De Compunct/
VAN DE ROEPING
die het heiligdom niet wettig is ingetreden, ]
zal de wegen der ongetrouwheid blijven b
bewandelen, en in plaats van de zaligheid der zielen te bewerken, zal hij veeleer voor hen eene oorzaak vau dood en verderf zijn.1 Dit komt overeen met deze zedeles van Je-zus-Christus; « Wie door de deur niet ingaat... is een dief en een roover.t -
Maar, zal men zeggen, zoo men slechts diegenen aanneemt welke al de kenteeke-nen van roeping voor zich hebben waarvan gij spreekt en die gij vereischt, dan zullen er weinige priesters in de Kerk zijn en de hulpmiddelen zullen aan de geloovigen ontbreken. — De vierde kerkvergadering van I.aterane geeft hierop reeds het antwoord : lirt. is veel beter slechts een klein getal goede priesters te hebben, dan er velen, maar sieckle Ie tellen.5 Daarenboven,
volgens de bemerking van deu heiligen Thomas, verlaat God zijne Kerk nooit zoodanig dat zij beroofd blijft van de waardige
(J)Qui noQ fideliter introivit, quidni iofideliter ogat et «.•oiitrn Christum ? faciet ad quod venit et mactet utique et diüperdat. (Do Vitacler. 6. 7.)
{2} Qui non intrat per ostium..., ille far est et latro.—
Fur non venit nisi ut furetur, et raaoM, et perdat. (Jo.
10. 1. 10.)
^3) Satius est mfciime in ordinatione Sacerdotum paucos bouu* quam multo* malos bubere. (Cap. 97.^
226
TOT FTKT PRIE-TKRSCHAP. 22quot;
!)edienaren, die haar ooodig zijn om in de behoeften der geloovigen te voorzien. 1 En zoo men de volkeren door onwaardige dienaars wilde besturen zou men, zegt met reden de heilige Leo, niet hunne zaligheid maar hunnea ondergang willen.a
1
Deus nunqnam ifa deserit Ecclesiam suam, quin inve-niautur idoniei iniuUtri suflloientes ad uecessitatein plebis. (Suppl. q. :{6. a. 4.)
228
MIUDELKN
OM UE CODDELIJKi; UOEl\'lMG TE KEN.\\EX.
NUT DER GODVRUCHTIGE OEFENINGEN GEDURENDE DE GEESTELIJKE AFZONDERING.
brief aan eev jongeling üie nadenkt over de
k:-;;zb van kenen staat.
Ik heb don brief ontvangen, door wolken gij mij te kennen geeft, dut gij . uy uazeker zijt wegens den levensstaat dien gij moet omhelzen. (Jij zegt mij daarenboven, dat gij aan Mijnheer uwen pastoor, den raad hebt medegedeeld dien ik u had gegeven van eene geestelijke afzondering oo een buitengoed uwer ouders te maken, len einde uwe roeping te onderzoeken ; hij heeft u geantwoord, dat het niet uoodig is gedurende acht dagen de hersenen in de eenzaamheid te gaan uitdroogen, maar dal het voldoende is de geestelijke oefeningen bij te wonen welke hij binnen kort in zijne kerk aan het volk zal prediken. — Daar gij mij dus op nieuw raad vraagt omtrent de geestelijke afzondering, moet ik u een breedvoeriger antwoord geven en uitleggen.
MIDDELEN OM DK KOEI\'ING TÉ KENNEN. 229
ten eerste : hoe veel nuttiger het is de geestelijke oefeningen in stilzwijgendheid in oene eenzame plaats te verrichten, dan ze in hot openhaar te doen terwijl men naar huis terugkeert, waar men gelijk te voren met zijne ouders en vrienden blijft spreken en omgaan. Kn aldus zou hot met u gesleld zijn, te meer daar u, zooals gij mij schrijft, eone kamer ontbreekt om uwe oefeningen te verrichten. Wat mij betreft, ik heb eone allergrootste genegenheid voor de oefeningen welke men doet in de eenzaamheid, dewijl ik beken mijne hekeering en het besluit van de wereld tc verlaten, aan deze heilige oefening verschuldigd te zijn. — Ik zal ten tweede do middelen en voorzorgen opgeven die gij moet aanwenden om uit deze oefeningen de gewenschte vrucht te trekken. — Wanneer gi j mijnen brief zult gelezen hebben, gelief, bid ik u, dien ook aan Mijnheer uwen pastoor te laten zien.
I.
Spreken wij dan eerst over het groot nut dor godvruchtige oefeningen welke men doet in eone geestelijke afzondering waar men zich met niemand dan met (lod alleen
230 MIDDELEN OM DE
onderhoudt; zien wij vóór alles de reden
hiervan.
De waarheden des eeuwigen levens, zooals de groote zaak onzer zaligheid, de waaide van den tijd dien de Heer ons verleent om verdiensten voorden hemel in te zamelen, de verplichting om God te beminnen voor zijne oneindige goedheid en de onbegrensde liefde die Hij ons toedraagt, — deze waarheden en andere van dien aard kunnen niet met de oogen des lichaams, maar alleen met het oog des geesles gezien worden. Van een anderen kant is het zeker, indien het verstand aan den wil de waarde van eenig goed of de afschuwelijkheid van eenig kwaad niet voorstelt, dat nooit de wil dat goed omhelzen noch dat kwaad vluchten zal. Trouwens, dit is juist hetgeen de menschen die aan de wereld gehecht zijn, ongelukkig maakt; zij leven inde duisternis, en daar zij de grootheid niet zien noch der goederen noch der kwalen die eeuwig duren, worden zij door de neigingen der zinnen verleid, geven zij zich over aan ongeoorloofde vermaken en storten zoo ellendig in het verderf.
Ziedaar waarom de Heilige Cicest ons vermaant, dat wij om de zonden te vermijden,
GODDELIJKE ROEPING TE KENNEN\'. 23) onophoudelijk onze uilersten moeten voor oogen hebben; dit is: de dood die een einde stelt aan al het aardsch genot, en het oordeel in hetwelk wij aan God rekenschap moeten afleggen van geheel ons leven: « Gedenk uwe uilersten en gij zuil in eeuwigheid niet zondigen.» 1 Ach ! zegt Hij nog, dat zij verstandig waren, dat zij de zaken wel verstonden, dat zij het einde voorzagen ! 2 Door deze woorden wil de Heer ons doen verstaan dat de menschcn, indien zij de zaak van het ander leven overwogen, allen voorzeker hunne heiligmaking zouden ter harte nemen, en niet één zich aan het gevaar zou blootstellen tot een ongelukkig leven voor de gansche eeuwigheid over te gaan. Maar zij sluiten de oogen voor het licht, en aldus verblind werpen zij zich in eenen afgrond van kwalen. Daarom, naar het voorbeeld van den koninklijken Profeet, baden de Heiligen onophoudelijk den Heer hen te verlichten opdat zij niet in den nacht der zonde zouden vallen, en hun den weg te wijzen dien zij bewandelen
1
Memorare novisjima tiia, et in a.ternuin non peccabis. (Ecdi. 7. iO.)
2
ütinam saperent et iutelligeronf, ac noripsima provi-derent. (Deut. 32. 29.)
2:j2 AIinUELEX OM UK
moesten oin zijn heiligen wil le volbrengen. 1
Welnu, om dat goddelijk licht le verkrijgen moet men tot God naderen. 2 Even als wij, zegt de heilige Augustinus, de zon niet kunnen zien dan door middel van haar eigen licht, zoo kunnen wij ook het goddelijk licht niot aanschouwen tenzij door het licht van God zelven. 3 En dit vindt men in do geestelijke afzondering; daar naderen wij tot God, en do Heer bestraalt ons mot zijn licht. De geestelijke oefeningen bestaan slechts hierin, dat men zich voor eenigen lijd van den omgang der menschen verwijdert en in de eenzaamheid begccfi:, om mol God alleen te verkeeron ; daar spreekt God lot ons door zijne ingevingen, en wij spre-kon tot God door de overweging, door Hem te beminnen, door het berouw over hot ongenoegen dat wij Hem hebben aangedaan, door ons aan le bieden om Hem voortaan uit geheel ons hart te dienen, door Hem le
1
Illumlna oeulos meos, ne unquam obdorir.iam in morte. (ps. 12. 4.) — Deus illnminet vultum suum ?uper nos (ps. 66. 2. — Notam fac milii viam, in qna ambulcm (ps. 142. 8.).— Da mihiintellectum, et discam mandata tua(pr,. 118. 73.)
2
Accedite ad eum et iliuminamini. (Ps. 33. 6.\'i
3
nisi iti ipfius luminc. (f)»? sp. et An. c. 12.)
GODDELIJKE RÖEPING TE KENNEN. 233
smceken ons zijn heiligen wil te doen kennen cu sterkte te geven om dien te vol-Ijrengen.
Job benijdde bet geluk der koningen en vorsten dezer aarde die zich eenzame woningen bouwen.\' Welke zijn die koningen? Volgens den heiligen Gregorius zijn het degenen die zich boven de wcreldschc beslommeringen verhellen en het gewoel der wereld ontvlnchtcn, om waardig te worden zich geheel alleen met (iod bezig te houden. 2
Terwijl de heilige Arsenios onderzocht welke middelen hij gebruiken moest om heilig te worden, liet hem de Heer deze woorden hooren: Vlucht, zwijg, rust. 3 Verwijder u van de wereld ; spreek niel meer met de menschen, ten einde n alleen met mij te onderhouden ; en rust alzoo ongestoord in de eenzaamheid. — Deze hemel-sche raadgeving waarnemend, wendt zich de heilige Anselmus mei deze woorden lot een persoon die door zijne tijdelijke zaken
(1)Nunc cnim... roquiescerem, cum regibus ot eonsnlibus terra\', qui fpdificant sibi solitudines. (Jol. 3. 13.)
(2) iEdiflcant solitudincs.\'Jd\'est, scipsos a tumultu mundi, quantum possunt, elongant, ut soli sint, et idnnei loqni eiim Deo.
(3) Ftigt\', tace, quicsce.
234 MIDDELEN OM DE
als overladen, zich beklaagt geen oogen-blik rust te hebben. 1 Die woorden kunt gij allen op u zeiven toepassen : lt; Vlucht, zegt de Heilige, onttrek u een weinig tijds aan de aardsche bezigheden die u ontroeren en bekommeren, cn rust bij God in de eenzaamheid : zeg tot Hem : Heer! leer mij waar en hoe ik U kan vinden, opdat ik tot U geheel alleen spreke en alsdan uwe woorden aanhoore.»
Het is zeker dat God lot degenen spreekt die Hem zoeken, maar Hij doet zulks niet te midden van het gewoel der wereld ; dit werd gezegd aan Elias, toon God deze Profeet in de eenzaamheid riep : « De Heer is niet in het gewoel, t 5 De stem des Heeren, werd er bijgevoegd, is als de adem van een zachten wind 3 die zich nauwelijks laat hoo-ren ; en niet het oor des lichaams verneemt hem, maar slechts het oor des harten, zonder gedruis en te midden eener zoete rust. — Dit ook verklaart de Heer door den mond van den Profeet Osee: lt; Ik zal die ziel
(1) Fugepnululum occupationes terronaa, absconde te modicum a tiimnltuosis cogitatiooibus tuis; vacr. aliquaotulum Deo, et roquiesce in eo. Die Deo: Eia, nuuc «iocecor meum, ubi et quomudo te quterat, ubi et quomodo te ioveniat. (Medit. 21.)
f2) Non in eommotione Domiaus. (Ill Reg. 10, II.)
(3) Sibilus aures t#nnis.
GODDELIJKE ROEPING TE KEXKEN. 233
in de eenzaamheid leidenen tot haar spreken.» • Wanneer hij eene ziel tot zich wil trekken, leidt Hij haar in de eenzaamheid, verre van de listen der wereld en den omgang der menschen, en daar doet Hij haar zijn vurig woord hooren. 2 Het woord Gods wordt een vurig Woord genoemd, omdat het de ziel van alwie het aanhoort doet wegsmelten, volgens de uitdrukking der gewijde Bruid: «Mijne ziel smolt weg toen mijn welbeminde sprak, i) 3 Dit maakt haar bereid om zich gemakkelijk te laten besturen en een leven te omhelzen aan den wil des Heeren gelijkvormig. In een woord, het goddelijk woord heeft eene werkdadige en uitvoerende kracht, tot dusverre dat het in de zielen uitwerkt hetgeen God van haar vraagt zoodra het gehoord wordt.
De Heer zeidc op zekeren dag aan de heilige ïheresia : « Er zijn vele zielen tot welke ik zeer gaarne zou spreken; maar de wereld maakt zoo veel gedruis in hun hart dat mijne stem er niet gehoord kan
(1)Ducain cam in solitudinem, et loquar ad cor ejus (Os. 2. 14.)
(2) Ignitum cloquium tuum. (Pe, 118. 140.)
(3) Anima mea liquefacta est, ut (Dilectos meus) locutus est. (Cant. 3. 6.)
230 .MIDUELEN\' OM DK
worden. Ach ! modi ten zij zich een weinig van do wereld verwijderen ! n Dus, Mijnheer en dierbare vriend, Ciod wil n spreken, maar spreken met n alleen in de afzondering; want, indien Hij lot U sprak inliet midden uwer familie, zouden bloedverwanten, vrienden en buiselijke bezigheden niet nalaten gerucht in uw hart tc maken, en de stem des Heeren zoudt gij niet vernemen. Daarom hebben de Heiligen, familie en vaderland verlaten, en zijn in een spelonk, of in eene woestijn, of ii de cel van een klooster gaan wonen, om God daar te vinden en naar zijne slem te luisteren. Do heilige Eucher 1 verhaalt, dat iemand verlangde te weten waar Hij God zou kunnen vinden, en daaromtrent oen meester van het geestelijk leven ging raadplegen; deze leidde hem in eene eenzame plaats waar hij hem zcide ; «Hier vindt men God,» zonder er iets anders bij te voegen. Hierdoor gaf hij hem te verstaan, dat God niet gevonden wordt te midden van het gewoel der wereld, maar in de eenzaamheid. De heilige üernardus 2 zeide, dat hij God beter had leeren kennen te midden der beuken-
(1) Ep. ad Hih.
(2) Ep. 100.
GODDELIJKE nOEPING TE KENNEN\'. 237 on cikeuboomen, dan in allo wetenschappelijke boekon dio hij bestudeerd had.
De wereldlingen bevinden zich gaarne in het gezelschap van vrienden, met wie zij zich onderhouden en vermaken ; maar de heiligen verlangen op afgelegene plaatsen te leven, te midden der bosschen of in spelonken, om met God alleen vertrouwelijk om te gaan, die zich aan hem in de eenzaamheid mededeelt en gemeenzaam, gelijk een vriend tot zijnen vriend, tot hen spreekt. Dit getuigt de h. Hieronymus. u 0 eenzaamheid ivaar God minzaam niet de zijnen spreekt en omgaat. » 1 Do eerwaardige pater Viucentius Carafa zeide, dat indien hij iets op aarde wenscheiijks vond, hij niets andere zou vragen dan een kleine grot met een sluk brood en een godvruchtig boek, om daar gedurig verwijderd van de menfchen j televen, en met niemand omgang te hebben dan met God alleen, üe goddelijke Bruidegom prijst, in het Hooglied de schoonheid der eenzame ziel en vergelijkt haar bij die der tortelduif, - en wel juist omdat de tortelduif het gezelschap der an-
(1)0 solitudo, in qua Deus cum suis familiui iter lorjuitiu* ot uouversatuf.
(2\' Pulchru\' suntgena.\' tua; sicut turtnris. (Cuut. 1. 9.
238 MIDDELEN DM DK
dere vogelen vlucht en zich altijd in de afgelegenste plaatsen ophoudt. Ook bewonderen de Engelen met bli)dschap de schoonheid en deu glans eener ziel die ten hemel vliegt, nadat zij hier op aarde een verborgen en eenzaam leven, als in eene woestijn, heeft geleid. 4
Ik heb dit alles willen schrijven om in u den lust voor de oefeningen der geestelijke afzondering op te wekken; want ik vertrouw dat gij door deze proef, wel verre van de hersenen uit te droogen, gelijk Mijnheer de pastoor zegt, integendeel van God zooveel geestelijke genoegens zult ontvangen, dat gij zult wederkeeren met gevoelens van liefde voor deze heilige oefening, met het besluit voor de toekomst, om haar nooit na te laten maar ieder jaar te hernieuwen. Welnu, dit zal een zeer groot voordeel voor uwe ziel zijn, welken staat gij ook mocht kiezen; in de wereld toch verdorren de zorg der bezigheden, de aanhoudende kommer en stoornis, den geest wezenlijk zoodanig, dat men dien van tijd tot tijd moet verfrisschen en vernieuwen, volgens de
(1)Quuj est ista q uw asceadit de deserto, deliciia «flluen» \'Caut. 8. 5.
GODDELIJKE HOEPING TE KENNEN. 239 vermaning van den heiligen Paulus : «Hernieuwt den geest nws gemoeds. gt;1
De koning David aan de onafscheidbare zorgen der aardsclie dingen ter prooi, wenschte vleugelen als de duif te hebben, om verre van de wereld te vliegen en rust te vinden. 2 Doch, wijl hij de wereld niet lichamelijk verlaten kon, trachtte hij nog-tans van tijd lot tijd de bekommering van het koningschap te ontvluchten, en zich met God in de eenzaamheid te onderhouden ; en zoo vond hij den vrede des harten terug.s
Onze Heer Jezus-Christus zelf, die geene eenzaamheid noodig had om met God ver-eenigd te leven, wilde nogtans ten einde ons een voorbeeld te geven, dikwijls van het verkeer der menschen zich verwijderen ca op bergen of iu wildernissen zich afzonderen om te bidden. 4 Hij wilde insgelijks dat zijne leerlingen zich, na hunne apostolische werkzaamheden ia eene een-
1
HoDOvamini autem spiritu mentis restrar. (Eph. 4. 23.
2
Dimissa turba, ascendit in montem sulus orare. (Mattb. 14. 23.) — Ipne autem secedebat in desertum, et orabat. (Lue, 5. 16)
2 tO MIDDFXEN OM DE
zamo plauls begaven, om er de rust des geostes tc smaken. 1 Hierdoor loert Hij ons, dat, zelfs te midden der geestelijke bezigheden, de geest door een noodzakelijk verkeer met de inenschen zich altijd ceniger wijze verflauwt; en daarom heeft men noo-dig zijne krachten te hernieuwen in de geestelijke afzondering.
De wereldlingen, wel is waar, gewoon hun vermaak in gesprekken, gastmalen en spelen te zoeken, verbeelden zich dat men in de eenzaamheid, van dergelijke vermakelijkheden beroofd, eene onverdraaglijke verveling lijdt. Dit inderdaad overkomt dengenen die hun geweten met zonden bezoedeld hebben ; zoolang de wereldsche zaken hen bezig honden, denken zij niet aan hunne ziel; maar nauwelijks zijn zij werkeloos in de eenzaamheid (waar zij echter God niet zoeken), of de knagingen komen hun voor don geest en beletten hen de minste rust te vinden; zij ondervinden er dus niets anders dan kwelling en verdriet. Neem integendeel een persoon die God zoekt; deze zal in dc eenzaamheid geene verveling, maar geluk en ^blijdschap
(• ] Veuite scorsum in desci tnin locum, et requiescite pu-sillmu. Mare. C. 31
GOmiULIJKE UOEPIXG TK KENNEN*.
vinden ; dit verzekert ons de Wijze Mau. 1 Voorzeker is het geenszins onaangenaam of vervelend zich met den Heer te onderhouden ; daarentegen verschaft zijne tegenwoordigheid voldoening en vrede.
De eerbiedwaardige kardinaal Bellarmi-uus ten tijde der vaeantie, wanneer anderen zich naar lum landgoed begaven om do buitenlucht te genieten, nam er genoegen in zich in eene eenzame woning af te zonderen om er gedurende eene maand de geestelijke oefeningen te verrichten ; hij zeidc dat dit zijn vrije tijd was; en voorzeker genoot hij daar eene inwendige vreugde, verre boven al de vermakelijkheden te verkiezen welke de anderen zich konden verschaffen.
Do heilige Carolus Borromeus hield twee maal \'s jaars de geestelijke oefeningen, en hij vond daar zijn paradijs. Gedurende eene dezer afzonderingen op den berg Va-rallo, werd hij door eene ziekte aangetast die li-Mu ten grave sleepte. Insgelijks noemde de heilige Hieronymus do eenzaamheid zijn Paradijs op aarde. -
(1)Nod enim liabot amaritudinera conversatio illius, nee Uediutn eouvietus illius, sed lietitiam et gaudium. (Sap. 8. 16 )
(2) .SoUtudo mihi paradisus est. Ep. ad Rust.)
241
10
MIDDELEN OU DE
242
Maar, zal men wellicht zeggen, welk genoegen is er te vinden wanneer men alleen is en niemand heeft met wien men zich kan onderhouden ? — Ach ! antwoordt de heilige Bernardus, wie God in de eenzaamheid zoekt, bevindt er zich niet alleen; want de Heer blijft in zijn gezelschap en maakt hem gelukkiger dan indien hij in de omgeving der grootste vorsten dezer aarde leefde. — Wat mij betreft, voegt de heilige Abt er bij, nooit was ik minder alleen dan wanneer ik alleen was. 1
De profeet Isaias beschrijft de zoetheid, welke God doet smaken aan allen die Hem in de eenzaamheid zoeken. 8 De Heer weet eene ziel wel te beloonen die zich aan de wereld onttrekt; Hij vergoedt haar honderdvoudig het verlies der wereldsche vermakelijkheden ; van hare eenzaamheid maakt Hij een lusthof waar zij een volmaakt geluk geniet; daar immers wordt zij door het gewoel der wereld niet gestoord en zij vindt er niets dan redenen om God,
1
Nuuquain minus solus, quum euro «oIjs. (Do Vita Sol)
goddeujïe hoeping tf, kf.x.vkn\'. 243 die haar zoo zeer liefkoost, te danken en te loven.
Zou men in de geestelijke afzondering geene andere voldoening hebben dan de kennis der eeuwige waarheden, dit ware reeds genoeg om haar boven alles te doen verlangen. De kennis immers der goddelijke waarheden verschaft aan de ziel eene volmaakte tevredenheid die zij niet vinden kan in de wereldsche ijdelheden, dewijl zij anders niets zijn dan logen en bedrog. Welnu, het geluk dat men smaakt gedurende de oefeningen in stilzwijgendheid verricht, bestaat juist hierin dat men in een helder licht de waarheid der christene grondregels inziet: bij Toorbeeld, van hoe grout belang de eeuwigheid is, de afschu-
Iwelijkheid der zonden, de waarde van Gods genade, de liefde die Hij ons toedraagt, de dwaasheid dergenen die om voorbijgaande vermaken de eeuwige goederen verliezen en zich eindelooze pijnen voorbereiden. Dan geschiedt liet, dat men bij het zien dier groote waarheden de krachtdadigste middelen neemt om zijne zaligheid te verzekeren, en zich verheft boven zich zeiven, gelijk Jeremias spreekt. \' Daar verzaakt menwelijkheid der zonden, de waarde van Gods genade, de liefde die Hij ons toedraagt, de dwaasheid dergenen die om voorbijgaande vermaken de eeuwige goederen verliezen en zich eindelooze pijnen voorbereiden. Dan geschiedt liet, dat men bij het zien dier groote waarheden de krachtdadigste middelen neemt om zijne zaligheid te verzekeren, en zich verheft boven zich zeiven, gelijk Jeremias spreekt. \' Daar verzaakt men
(1) Sedcbit ««olitarins. et tacehit, quia levavit super ae ïhren, 3. 28,
MIDDELEN OU DH
241
aan de aardsche genegenheden, men ver-eenigt zich mot God door gebeden, verlangens om hem geheel toe te behoorcn, op-offering van zich zclven, herhaalde akten van berouw, liefde en onderwerping; alsdan treedt men al het geschapene mot voeten, on met medelijdon ziet men op degenen die zoo voel werk maken van de goederen dezer wereld. Die goederen worden verachtelijk gevonden, wanneer men overweegt hoe klein zij zijn en hoe zij (\'o liefde on-woardig zijn van oen hart dat geschapen is om God, hot oneindig goeo\', Ie beminnen. Het is zeker dat men bij het einde dezer geestelijke oefeningen geheel anders, en voel boter is dan bij hun aanvang. Do heilige Joannes Chrysostomus was van gevoelen, dat de geestelijke al-zondering oen krachtig middel is om tot de volmaaktheid op to klimmen. 1 Ook roept een geleerd schrijver met reden uit: Gelukkig hij, die het geraas der wereld ontvlucht, en zich door dei\\ Heer tot de geestelijke oefeningen, tot de zoete eenzaamheid laat geleiden waar men do
1
Ad adipiseeudum i.eiferrioncm, riitigiitiin in secos subsidium.
GODDBLMRE ROEPING TE KENNEN. 243
vreugde des hemels pmaakt ! 1 De predikingen die men in do kerken doel zijn altoos goed ; doch, als degene die het geluk hebben ze bij te wonen, zich niet behartigen om hetgeen zij gehoord hebben te overwegen, zullen zij er weinig vrucht uit trekken; het zijn juist do overwegingen die de heilige voornemens te weeg brengen, en die overwegingen zullen nooit geschieden gelijk het behoort, indien zij niet gedaan worden in do eenzaamheid. Zoodra de schelp den dauw des hemels heeft onvan-gen, gaat zij aanstonds dicht, zij daalt in de diepte der zee en vormt zoo de parel. Hi\'t is onbetwistbaar, dat do vrucht der geestelijke oefeningen lot zijne volmaaktheid gebracht wordt, door het overwegen in de eenzaamheid geheel alleen met Ciod, dor waarheden die men in de prediking of in oen boek gelezen heeft. Daarom liet de heilige Vincentius a Paulo, in zijne missiën, nooit na de toehoorders aan te sporen tot het verrichten der geestelijke oefeningen in de eene of andere afgezonderde plaals. Een enkel heilige grondregel wel
1
Felix homo, qncm Christus e inundi strepitu, in spiii-tualia excrcitiu, et solitudincm ccclesti anupuitate florenteui. induuit.
246 MIDDELEN OM DK
overwogen is genoeg om iemand te heiligen. Zoo werd de heilige Franciscus Xave-rius bewogen de wereld te verlaten, om den indruk welken op hem deze woorden van het Evangelie maakten : 9 Wat toch baat het den mensch zoo hij de geheele wereld wint, maar zijne ziel verliest.»1 Een jonge student had van een goeden religieus eene gedachte over de dood gehoord ; hij veranderde van gedrag en leidde van toen af een voorbeeldig leven. De heilige Clemens van Ancyr.i leed met blijdschap voor Jezjs-f.hris-tns al de folteringen welke hem de dwingeland deed uitstaan, zich de woorden herinnerende van zijne moeder vernomen;. « Wij strijden voor het eeuwig leven. »2
Zoo gij u een juist denkbeeld wilt vormen van het nut dat de oefeningen der geestelijke afzondering voortbrengen, en gij hebt over deze stof een boek ter uwe beschikking, lees dit en zie dan welke wonderbare bekeeringen aan dit middel van zaligheid zijn te danken. Laat mij er u eenige aanhalen.
Pater Maffei verhaalt dat er te Si (quot;■na een
1
Quid prodest hoinini, si mundum universum locretur, aiuiute vero suie detrimentum patialnr. (Mutth. 16. 26.)
2
Negotium pro quo coutondimus, vita se tenia est.
GODDELIJKE BOEPING TK KENNEN. 247 priester was die een schandelijk leven leidde. Deze groote zondaar stemde er in toe de geestelijke oefeningen te doen onder de leiding van een missionnaris die zich bij toeval in die stad bevond ; daardoor kwam hij niet alleen tot inkeer en sprak eene goede biecht, maar op zekeren dag als er een groote toeloop van volk in eene kerk plaats had, beklom hij, met eene koord om den hals, den predikstoel en daar, onder eenen vloed van tranen, vroeg hij aan allen vergiffenis voor de ergernissen die hij gegeven had, daarna trad hij in de Orde der Capucijnen en stierf er als een heilige. In zijne laatste oogenblikken zeide hij, dat hij zijn geluk geheel aan de oefeningen der geestelijke afzondering verschuldigd was.
Insgelijks spreekt Pater Bartoli van een duitschen edelman die zich aan alle ondeugden had overgegeven, en lut zoo verre gekomen wasdat hij door een geschrift, ge-teekend met zijn bloed, zijne ziel aan den duivel verkocht. Naderhand terwijl hij do oefeningen der geestelijke afzondering deed, greep een zoo leveudig berouw over zijne zonden hem aan, dat hij door de hevigheid zijner droefheid verscheidene malen in onmacht viel. Daarna vulhardde hij
248 MIUUELKN OM TE
ia bet leiden van een verstorven loven lot aan zijne dood toe.
Ziehier een ander feit aangehaald door Pater Rossignoli. In Sicilië woonde een baron wiens zoon buitenmate losbandig geworden was. Vruchteloos had de vader verschillende middelen aangewend om den jongeling te verbeteren, en ten laatste vond zich deze ongelukkige vader genoodzaakt hem onder de galeislaven in ketenen te boeien. Maar een goede religieus door medelijden bewogen, ging den jongeling opzoeken, en door zijne innemende manieren baalde hij hem over om op de galei zelf, eenige gedachten aangaande de eeuwigheid te overwegen ; nadat hij deze oefeningen volbracht had, verlangde hij eene generale biecht te spreken, en veranderde zoodanig van gedrag, dat zijn vader bet geluk had hom wederom in zijn huis Ie mogen opnemen en hem als te voren zijne lii\'ide toedroeg.
In Vlaanderen had een jongeling, insgelijks ten gevolge van de geestelijke afzondering, aan een gansch ongeregeld leven vaarwel gezegd. Daar zijne vrienden over zijne bekeering verwonderd stonden, zeide hij hun : « Mijne verandering verwondert
GOUDELIJKK ROEPING TE KENNEN. 249 u ; maar ik mag u verzekeren, dat de duivel zelf indien hij in staat ware de geestelijke oereuingen te volgen, niets meer zou noodig hebben om bel besluit te nemen van boetvaardigheid te doen. »
Een religieus die zieh door zijne kwade gewoonten onverdraaglijk gemaakt had, ontving van zijne oversten liet bevel eene geestelijke afzondering te houden. Hij ziji. vertrekt spotte hij met de oefeningen en zeide tot zijne vrienden : «IScreidt uwe rozenkransen om ze bij mijne terugkomst, aan mij te doen aanraken.» Maar de heilige oefeningen bekeerden hem zoo goed, dat hij het voorbeeld van het klooster word ; en bij liet zien van zulke verandering, wilden ooi; zijne medebroeders de weldaad der geestelijke afzondering genieten.
Eenige jongelingen ziende dat sommige van hunne vrienden de geestelijke oefeningen gingen bijwonen, wilden hen vergezellen niet om er nut uit te trekken, maar alleen om deze godvruehtige handelwijze in hunne gesprekken te bespotten. Maar juist het tegenovergestelde geschiedde ; want zij werden zoodanig getroffen en door gevoelens van leedwezen bewogen, dat zij
250 MIDDELEN OM DE
hunne zuchten en tranen niet konden weerhouden ; allen spraken eene goede biecht en veranderden van gedrag.
Hier zou ik van dergelijke feiten er nog vele knnnen bijvoegen ; een voorbeeld echter (van een religieuze uit het klooster Torri di Specclü te Rome) wil ik niet overslaan. Zijdeed zich voor als ecne geleerde vrouw, doch leidde een geheel onvolmaakt leven. Toen eens de geestelijke oefeningen in dit klooster gepredikt werden, onderwierp zich in het begin deze religieuze met tegenzin ; doch de eerste overweging, wier onderwerp het einde van den merjsch was, maakte zulken indruk op haar, dat zij tranen stortte en tot haren biechtvader ging zeggende : « Vader ik wil mij heiligen, en dat zonder uitstel. » Zij wilde nog meer zeggen, maar de tranen beletten haalverder te spreken. Vervolgens in hare cel teruggekeerd, schreef zij eene akte van toewijding van geheel zich zelve aan Jezus-Christus, en omhelsde een boetvaardig en afgezonderd leven, waarin zij tot aan de dood volhardde.
Zoo men geene andere redenen had om de geestelijke afzondering hoog te schatten, zou het voldoende zijn de achting te
GODDELIJKE ROEPING TE KENNEN. 251
overwegen welke zoo vele heilige personen voor die heilige oefeningen hadden. De Heilige Carolus Borromeus begon een heilig leven te leiden, reeds na de eerste geestelijke afzondering die hij te Rome doorbracht. De Heilige Franciscus van Sales schreef insgelijks aan deze oefening het begin van zijn engelachtig leven toe. Pater Ludovicus van Grenade, een man van groote deugd, zeide dat zijn gansch leven niet voldoende zou zijn om de hoogere kennissen der eeuwige zaken uit te leggen die hij gedurende zijne geestelijke afzonderingen had opgedaan. De eerbiedwaardige pater Joannes van Avila wilde dat al de personen die hij bestuurde, de geestelijke oefeningen deden, welke hij eene school van hemelsche wijsheid noemde ; en pater Ludovicus Blo-sius, benedictijn, zeide dat zij een ko-tbare schat zijn welken (iod in deze laatste tijden aan zijne Kerk heeft bekend gemaakt, en waarvoor men Ilem bijzonder moet bedanken.
II.
Maar indien de geestelijke afzondering voordeelig is aan alle slag van personen, dan is zij bijzonder nuttig aan alwie zich
MIDDELEN OM DE
gelijk hij verplicht is, een levenstaal wil kiezen, (üj sommige schrijvers zelfs lees ik, dat het eerste doel welk men beoogde bij liet instellen dezer godvruchtige oefeningen, de keuze was van een levensstaat ; daarvan immers hangt de zaligheid van eenieder af. Wij moeten niet verwachten dat een engel des hemels ons de levensbaan zal komen aanwijzen die wij volgen moeten om aan Gods inzichten te beantwoorden ; het is genoeg dat men zich den staal welken men meent te omhelzen voor oogen stelle ; vervolgens moet men het doel waarnaar men in die betrekking streeft betrachten, alsook de omstandigheden overwegen.
Daar is dus de voornaamste beweegreden om welke ik verlang dat gij de oefeningen in stilzwijgendheid verricht,; het is namelijk opdat gij een wijs quot;besluit zoudt nemen aangaande den staat dien gij omhelzen moet. Als gij dan de geestelijke afzondering zult intreden, gelijk ik het van u hoop, spoor ik u aan de volgende raadgevingen ten uitvoer te brengen.
1. Het eenig inzicht dat gij in deze oefeningen hebben moet, is te kennen wat God van u vraagt; alzoo, terwijl gij u naar de plaats der geestelijke afzondering begeeft.
GODDELIJKE ROEPING TE KENNEN\'. 25.\'t zeg tot u zeiven : « Laat ik hooren wal de Heer in mij spreekt, i 1 Ik ga om te weten wat de Heer mij zal zeggen en wat Hij van mij wil.
2. Het is noodzakelijk dat gij een vast besloten wil hebt aan (iod te gehoorzamen en do roeping weJke Hij u zal bekend maken, zonder het minste voorbehoud, tc volgen.
3. Daarenboven moet gij den Heer vurig bidden dat Hij u zijnen wil te kennen geve, tot welken staat ook Hij u bestemme. — Doch bemerk dat gij, om dit licht te erlangen, bet vragen moet en u in eene godvruchtige onverschilliglieid houden. Wie God bidt om verlicht tc worden nopens de keuze van een staat zonder zich in deze onverschilligheid te bevinden, eu in plaats van zich aan Gods wil te onderwerpen eerder vraagt dat God aan den zijnen gehoor geve, is gelijk aan een stuurman die veinst te willen, doch inderdaad niet wil dat zijn schip vooruitga ; hij begint met het anker in zee te weipen, en daarna spant hij de zeilen. De Heer verleent zijn licht niet aan dezen die zoo gestemd zijn, en Hij spreekt
1
Audiam quid loquattir in me Dominas Dous. \'Ps. 8 V. 9,
MIDDELEN OM DE
tot hen niet. Integendeel, indien gij Hem met cene edelmoedige onverschilligheid bidt en met het besluit zijnen wil te volgen, zal hij duidelijk doen kennen welke staat voor u de beste is. En zoo gij eenigen tegenzin gevoelt, verbeeld u in het oogen-blik uwer dood te zijn ; denk aan de keus die gij alsdan zult wenschen gedaan te hebben, en neem uw besluit voor dezen staat.
4. Neem met u, in uwe geestelijke afzondering, een boek met overwegingen welke men gewoon is in die oefeningen te doen ; lees die overwegingen, zij zullen voor u de plaats der predikingen vervangen ; \'s morgens en \'s avonds zult gij een half uur besteden om er over na te denken. — Neem ook het leven van een Heilige mede, of een ander godvruchtig boek voor de geestelijke lezing. — Deze zullen uwe ee-nige gezellen zijn gedurende die acht dagen der oefeningen.
2a4
3. Om het licht dat gij verlangt te bekomen en duidelijk de stem des Heeren te hooren, is het nog noodig dat gij de oorzaken van verstrooiing verwijdert. Houdt u in stilte, en erkent dat ik God ben.»\' Men kan
Vacate, et videta quooiacn ego sum Deua. (Ps. 43. 11.)
GODDELIJKE BOEPING TE KENNE.N\'. 235 de hemelsche inspraken niet goed onderscheiden, tenzij men alle betrekking met de wereld doe ophouden. De geneesmiddelen kunnen den zieke niet baten, indien hij niet te gelijk de noodige voorzorgen gebruikt, zooals het vermijden van nadeelige spijzen, het onthouden van buitengewone geestinspanning ; eveneens, opdat de geestelijke oefeningen aan eene ziel nuttig zouden wezen, moet gij datgene verwijderen wat met de ingetogenheid tegenstrijdig is, zooals bezoeken uwer vrienden, boodschappen van buiten of brieven die u worden toegezonden. Als de Heilige Fran-ciscns van Sales de oefeningen deed, legde hij de brieven die hij ontving ter zijde, en las deze niet voor het einde zijne afzondering. — Gij moet ook het lezen van vermakelijke, en zelfs van studieboeken achterlaten : alsdan moet men niets anders bestudeeren dan het kruisbeeld. Gij zult dus geestelijke boeken in nwe kamer hebben, en gij zult ze niet lezen uit nieuwsgierigheid, maaralleen opdat zij u zouden helpen een besluit nemen aangaande den levensstaat dien God u zal aanwijzen als dezen waarin gij Hem dienen moet volgens zijnen wil.
MIDDELEN OM DE
li. Doch weinig zou het haten de verstrooiingen te vermijden die van buiten komen, indien men geen zorg droeg ook deze te verwerpen die inwendig zijn ; hij toch die zicli vrijwillig bezig houdt met het nadenken op wereldsche zaken, op studie of op dergelijke onderwerpen, zal nietveelnut uit de geestelijke oefeningen en uit de eenzaamheid des lichaams trekken, gelijk de H. Gregorius ons verklaart: «Wat baat dc eenzaamheid des lichaams, indien do eenzaamheid des harten ontbreekt?» 1 Petrus Ortiz, zaakverzorger van Karel-den-Vijde, wilde een geestelijke afzondering houden op denRerg-Cassino; aan de poort des kloosters zeide hij tot zijne godachten de woorden die Onze Zaligmaker tot zijne leerlingen sprak : « Blijft hier, terwijl ik derwaarts ga om te bidden. 2 Gedachten der wereld, blijft hier buiten ; als ik mijne oefeningen geëindigd heb, zal ik u terugvinden en wij zullen onze onderhandelingen hernemen. — Men moet den tijd van de afzondering alleen gebruiken tot het welzijn zijner ziel, zonder een oogenblik te verliezen
1
Quid prodest solitudo corporis, si solitudo defuerit cordis? (Mor. 1. 30. c. 2:i.)
2
2; Sedete hie, dunce vodam illnc, et orem. (Matth. 20. 30.)
GODDELIJKE ROEPING TE KENNEN. 237
7. Eindelijk, als gij in do conzaamhcid zijt, raad ill u aan het volgende gebed te doen dat ik u bier overschrijf:
«Mijn God, ik ben een ellendige, die U vroeger veracht heb ; nu echter, schat en bemin ik U boven alles en niets wil ik meer beminnen dan ü alleen. Gij wilt dat ik U geheel toebehoore ; ik wil ook geheel de uwe zijn, «Spreek, o lieer! want uw dienaar luistert.» 1 Heer! maak mij kenbaar hetgeen Gij van mij vraagt; ik ben besloten in alles naar uw heiligen wil mij te schikken. In bet bijzonder, bid ik u, doe mij kennen in welken slaat Gij van mij wilt gediend worden.»2
Verzuim ook niet u gansch bijzonder aan de goddelijke Moeder Maria aan te hevelen; smeek haar dat zij u de genade verkrijge den wil van haar goddclijken Zoon volmaakt na te komen.
Vergeet ook niet, in uwe oefeningen, mij aan Jezus-Christus aan te bevelen; van mijn kant zal ik niet nalaten vooruop eene bijzondere wijze te bidden ; opdat de Heer
1
Loquei\'e, Domlne, quia audit servus tuus. (I Reg. 3 10.;
2
2 Nolum fac milii viam inqna ainlulcm. (Ps. 142. 8.
238 MIDDELEN OM DE ROEPING TE KENNEN.
zich gewaardige u te heiligen, genade d ik u uit geheel mijn hart toewenseh, m noemende enz...
•239
AANHANGSEL.
MIDDiaii.V nlE MEN GEnnUIKEN MOET OM DE GODDELIJKE ROEPING TE KENMEN.
In dit aanhangsel verzamelen en duiden wij beknopt de voornaamste middelen aan, door welke men gemakkelijk lot do kennis kan geraken van Gods inzichten aangaande den levensstaat dien uien moot omhelzen.
I.
Hot is vooral van belang dat hot hart van zonde vrij zij ; do Meer doolt zich gaarne mede aan hen die een zuiver hart hebben. «Zalig zijn deze die zuiver van harte zijn, want zij zullen God zien.» 1
IJ.
Heb een wel geregeld gedrag. Te dien einde beschouw den f.evensregel dien de Heilige Alphonsus u aanbiedt, en tracht hom getrouw te volgen.
f0 Bijati inondo conle, quoniam ipsi Douin videbuut. \'Matth. 5. 8.)
A AXHA .NGSICL.
HI.
Beschouw do zaak dor keuze van ccnen staat volgens God, als van het grootste belang, dewijl daarvan uwe eeuwige zaligheid afhangt.
IV.
Heb eene rechtzinnige meening en een oprecht verlangen Gods wil, welke die zijn moge, te kennen en te volbrengen. Gij moet u dus in eene volkomene onthechting en in eene godvruchtige onverschilligheid ten opzichte van iederen levensstaat houden. om de werking der genade geenszins te verhinderen, gelijk gij hiervoren, nc I, 2 en 3, gezien hebt.
V.
Vermijd zorgvuldig de verstrooiing; sluit u ten minste in de eenzaamheid des harten op, naar het voorbeeld van de heilige Ca-tharina van Sisna, en herinner u gedurig dat God dicht bij u is en aaa het oor des harten wil spreken ; gij zult zijne stem des te spoediger en duidelijker vernemen, als gij minder betrekking zult hebben met de wereld.
2 GO
AANHAN3SEL.
VI.
De Heilige Alphonsus legt breedvoerig, in zijnen brief op bladz. 228 aangehaald, het nut der geestelijke afzondering uit. Indien het n onmogelijk zou zijn deze oefeningen te verrichten, hetzij te huis, hetzij in een klooster, waar men gewoonlijk vindt al wat men daartoe kan wenschen, tracht dit te vervangen door een afgezonderd leven on door liet dikwijls overwegen dor vier uitersten : niets inderdaad is meer in staat u te verlichten en in goede gesteltenissen te houden.
Vil.
In oogenblikken van twijfel, vraag raad aan een wijzen ziolbestuurder, die als ecu afgezant van God is om u te onderrichten en u zeker te geleiden.
VIII.
De genade van uwe roeping te kennen en er getrouw aan te beantwoorden, moet het cenigc, of ton minste het voornaamste uitwerksel zijn dat gij in uwe godvruchtig© oefeningen, overwegingen, comimnrën, ge-
2(5i
262 AANHANGSEL,
bedeu, verstervingen, en in al uwe goede werken tol doe] hebt.
IX.
Be Heer wacht gewoonlijk niet, dezen te verlichten die hunne toevlucht tot Hem nemen; vooral in eene zoo heilige er. aan zijn hart zoo aangename zaak ; indien Hij u nog-tans gedurende een min of meer langen tijd inde onzekerheid liet, hot zij om uwe getrouwheid te beproeven, hetzij om u nog beter te zuiveren, hetzij om u te versterken en tot hoogere volmaaktheid op te voeren, zijt wel op uwe hoede om in niets te verflauwen. Onderwerp u ooimoedig, rust met betrouwen en in vrede tot dat het licht voor u opga, want zeker zal uw hemelsche Vader u verhooren en uwe volharding zal ongetwijfeld met den besten uitslag bekroond worden.
X.
In afwachting dat de Heer zich gewaar-dige u te verlichten, wees niet minder getrouw om al de plichten te vervullen van den staat waarin zijne goddelijke Voorzienigheid u geplaatst heeft : het zou eene groote fout zijn uwe dagelijksche plichten
AA.NHAXGSIiL. 263
to verzuimen terwijl gij cone verandering afwacht; iu dit geval zou God iu plaats van u tc helpen, zijne hand terugtrekken.
xr.
Ziehier, iu t algemeen, de voornaamste kenteekenen eoner ware roeping;
1. Ve goede meening, dit wil zeggen, do meening van dezen of genen levensstaat te omhelzen alleen om aan God tc behagen en des te zekerder in do haven der zaligheid aan te landen.
2. De neiging en de bekwaamheid om de bedieningen welke aan dien staat eigen zijn uit te oefenen.
3. De kennis der plichlen die hij oplegt, alsook de vaste wil, om deze tot hot einde toe te vervullen.
i. Geen zwaar Metsel hebben, zooals uiterste of groote nood in welken men zijnen vader of zijne moeder zou laten.
3. Het gunstige gevoelen van een wijzen zielbestuurdcr.
[De Vertaler.)
INHOUD.
Inleiding van (Jeu vertaler ... . v Voorwoord van den veriaier.....vn
HAADGEVIXGEiN
OVER DE ROEPIXG TOT DEN RELIGIEUZEN STAAT.
J. In de keuze van eenen slaat, welke deze ook zij, moet men zich onder
werpen aan Gods raadsbesluiten . . i 2. Over de roeping lot het kloosterleven : hoe gewichtig het is haar stiplelijk
te volgen.........5
5. Middelen om in de wereld de roeping
tol het kloosterleven te hewaren . 13 .i Gesteltenissen die vereischt worden om den kloosterlijken slaat te omhelzen ..........
o. Van de heproeviugen waarop men zich te verwachten heelt in liet kloosterleven .........;;7
Dusluit............
OVERWEGINGEN
VOOR 11 EN HIK TOT DEN ! ELICIquot;UZ:CN STAAT GEROEPEN Z\'JN.
1. Hoezeer de zaligheid onzer ziel in den religieuzen slaat verzekerd is . . 08
INHOUD.
2. Geluk der hloosterüngen in liet uur
der dood.........quot;5
Rekening welke hij, die aan zijnen roep niet gehoorzaamt, zal moeien afleggen voor Jezus-Christus in den
dag des oordeels.......79
■i. Foliering welke hij te verduren heeft in de hel, die verworpen wordt om hot verlies van zijnen roep ... 83 5. Van de overgroote heerlijkheid welke de kloosterlingen genieten n den
hemel..........
0 Van den inwendigen vrede, die God aan de goede kloosterlingen verleent ..........Pö
7. Welk kwaad de lauwheid den kloos
terlingen veroorzaakt.....89
8. Hoe dierbaar eene ziel aan God is, die
zich geheel aan hem geeft. . . .105
9. Hoe noodzakelijk het is, om heilig te
worden, er een groot verlangen naar
te hebben.........110
10. Van de liefde die wij aan Jezus-Christus verschuldigd zijn, uil erkentenis voor Je liefde welke hij ons getoond
heeft..........115
•11. Van het groot geluk der religieuzen,
nabij Jezus in het heilig Sacrament
te wonen.........421
12. Het leven der religieuzen gelijkt het
ifiG
UVIOUD.
meest op hel leven van Jeziis-Chris-
Uis...........
15. Van den ijver dien de religieuzen hebben luoeteii voor de zaligheid
der zielen.........löl
l i. Hoezeer de deugd van zachtmoedigheid en ootmoedigheid uoodig zijn
aan een religieus......157
lo. Van hel betrouwen dat de religieuzen moeten hebben in de bescherming
van Maria........ . . 112
Gebed van den H. Thomas van Aquinen . I lü Antwoord aan een jongeling die raad ^ vraagt over den levensstaat dien hij kiezen moet..........140
Raadgevingen aan eene jonge dochter, die in twijfel is over den staal welken zij moet kiezen.........Uil
REDEVOERING TOT GODVRUCHTIGE JONGEDOCHTEHS
Verhevenheid van den niaagdeliiken staal. 175 Middelen om de maagdelijke zuiverheid
le bewaren..........186
Slotwoord...........195
VAN DE ROEPING TOT HET PRIESTERSCHAP
1. Noodzakelijkheid der roeping om de heilige wijdingen te onivaircn . . 199
207
ÜÜÖ INHOUD.
2. Kenleekenen van goddelijke roeping
tol hel prieslersehap......-Oo
3. Aan welke gevaren men zich bloolsleld
mei de wijdingen zonder roeping le
onlvangen..........213
MIDDEi.EN
OM DF. GODDELIJKE ROEPING TE KENNEN.
Nul der godvruchtige oefeningen gedurende de geestelijke afzondering. Brief aan een jongeling die nadenkt over de keuze van eenen staal......228
Aanhangsel..........
■ ■
Werken viti» dlt;-i» I
Oefcuing der lie
jj zielen tlie verlangen h ij ue volmuaktheid te sti ji guori kerkleeraar, ui Theelen van de Congr ! iii-32 van o2Gb\'z. Geb.
Ucvotic tot den
Ij ti\'in, sermoonon lof/a ji jierlileeraar, vei taal»! , I van 10G Jjladz. Gebro
jj den 11. Alphuusus ke j door [\'ater li. Tiieeic
Devotie tot de v.
i II. Alphonsus fierkiee 1 H. Theflen. Pri
Wijze «»ui |;edu
i den li. A jdionsus ke | door i\'alcr li. Theeie
.
i IVaar den filemei
j voor hen die lijden, i Kerkieeraar. door Pat doop Poitüi-Thcelöii, ;ii
Biet wapen des
\' 11. Alphonsus kerkleer 1 Uudeniptorist. Prijs .
Hoe voordeelig
! naar den l!. Alphons 1] van do Congregatie Pater St-Oiner, Rodem
tiedeiri\'toi i?f. f\'r ij\'?.