fa
D E L E I G E \\ S
M h
x sfe
QA^p
^jv.
oy
X
T ±
sv5gt;
MAATSCPTAPPLT.
(igt;k9
T ±
6 a) 4-
(ïwe) f
4=
gwe)
egt;k\')
t Jl
(jfs
V i.
égt;
naar brn tirnbni ürm; uit l|rt iDuitfirl)
lt;vj\'^ lt;^gt;
crpgt;
m a x nquot; o r i ) a i j.
a
t \\\\- ]•: !•;
k.
jji.
4\'
T
a
G)hgt;
^.(ov-rs,
gt;a
agt;rstk];da]\\r. CiEüKOKDKliS KOSTER.
(uit het foxiw vax \\v. gosi.Kli tk HAARLEM.)
m
^«k /56
. V
.■•quot;■vv .ƒ *
vgt;k
V
DE LEUGENS DER MAATSCHAPPIJ.
#
p
1) E L B U G R N S
M AATSCHAPP IJ.
NAAR DEN TIENDEN DRUK UIT HET DUITSCH
MAX N O R □ A U.
EÜ9LI0THEEK DER
rajKSUNIVERSlTËlT
U T R £ c H T
j COLL. T O V .r\' ;:-2
AMSTERDAM, GEBROEDERS KOSTER.
(UIT HET FONDS VAN W. GOSLEE TE HAARLEM.)
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
2199 6701
SNELPERSDKUK VAN II. C. A. TH1EME TE NIJMEGEN.
VOORREDE.
VAN DEN EERSTEN UITGEVER.
Het boek, waarvan wij hiernevens eene wel-is-waar niet letterlijke, maar toch zoo getrouw mogelijke vertaling aanbieden, door eene bevoegde hand bewerkt, heeft de eer gehad, binnen enkele maanden een dozijn oplagen te beleven. Ook in Nederland is het der aandacht niet ontsnapt van wie gewoon zijn, zich met de »brandendequot; maatschappelijke vragen bezig te houden: zoo vermelden we o.a. het grondige en uitvoerige artikel, door H. W, Van der Meij er-aan gewijd in de Maart- en April-afleveringen van sDe Dageraadquot;, Die maatschappelijke vragen zullen wel nimmer worden opgelost dan door eene herboren maatschappij-zelve, en nauwelijks zal deze er zijn, of er liggen weêr nieuwe problemen aan de beurt. Doch te midden van zooveel lauwheid, lafheid en leugen als er werkelijk dag aan dag, ja uur aan uur om ons heen de bontste en veelsoortigste uitdrukking vindt,\' hoe streelend de mokerslagen te volgen, die een zelfstandig denker als Nordau op het aanbeeld van den tijdgeest Iaat vallen, hoe genotrijk, in onzen killen dampkring, de vonken te hooien sissen, welke zijne onbeteugelde hand uit de conventioneele bouten slaat I
Eene ontleding van die Lügen zou hier niet op hare plaats zijn. Wij zullen niet pogen aan te toonen waar de schrijver, doordat hij zijn zwaai te onstuimig neemt, zijn doel mist en dus zelf zich aan onwaarheid bezondigt. Telkens stuit men, hem lezende, op beweringen, die ons een nadrukkelijk »Dat geloof ik niet!quot; op
VOORREDE.
de lippen brengen, — maar die beweringen zijn toch zoo logisch, zijne voorstellingen zoo bondig en zoo klaar, dat het niet in ons opkomt, hem daar verwijten van te maken. Bovendien, en dat vooral legt ons het zwijgen op, of verzoent ons met dezen boet-prediker: hij geeft zich gelijk hij is, hij transigeert niet, hij mengt geen water in zijn wijn.
Zijn wijn is mousseerend. Wie er te veel op ééns van drinkt, geraakt in eene soort van bedwelming, die voor de rust van zijn buurman hinderlijk zou kunnen worden. Voor die rustige rust namelijk, waarop juist zijne wapens gericht zijn.
Hopen we, dat hij ook hier een belangstellend gehoor vinde! Zijne beschouwingen zijn verre van nieuw, ja, zeker duitsch criticus, de zeer feilbare heer Yon Wasserschleben, een pantheïst van eenigen naam maar zonder talent, heeft zo eenvoudig voor «Wind-beuteleiquot; uitgemaakt. Doch ze prikkelen tot eigen onderzoek en nadenken, en niet eik heeft nu eenmaal in onze dagen van imssez-faire, laissez-aller den moed om zich openlijk, één tegen duizend, als vijand van het bestaande op te werpen.
VI
Dit alleen, zouden we meenen, stempelt Dr. Nordau\'s uitgaaf tot eene gebeurtenis.
W. G.
VOORREDE BIJ DEN ZESDEN DRUK.
Het keizerlijk-koninklijk quot;Landesgerichtquot; te Weeuen heeft op voordracht van den Procureur-generaal het «verbod tot verdere verspreidingquot; en de verbeurdverklaring van dit boek uitgesproken. Luidens het vonnis der Weener rechtbank zou er het quot;misdrijfquot; in gepleegd zQn van quot;hoon jegens leden der keizerlijke familiequot;, het «misdrijf van storing der openbare rust door aanhitsing tot verachting van — of haat tegen den persoon des Keizers enz.quot;, van \'-aantasting van den godsdienstquot;, van -/opruiing tot vijandelijkheden tegen nationaliteiten, godsdienstgenootschappen enz.quot;, en eindelijk het //vergrijp van beleediging eener wettig erkende kerk of godsdienstige gezindtequot;. Dat zijn van het begin tot het einde lasteringen. Het is niet waar, dat ik «leden vau de Oostenrijksche keizersfamilie gehoond hebquot;, niet waar, dat ik -/tot verachting van — of haat tegen den persoon des Keizers heb aangehitstquot;. Ik strijd niet tegen personen, tegen hooge zoo min als tegen lagere, maar ik vecht tegen denkbeelden. Niet waar is het verder, dat ik iemand in de uitoefening van zijn godsdienst gehinderd (hoe zou een boek dat ook kunnen?) of tot vijandelijkheden tegen godsdienstige genootschappen aangezet heb; hoogstens heb ik getracht voor zulke genootschappen medelijden te wekken.
Menschen, die dit boek nooit uit belangstelling voor de daarin behandelde vraagstukken zouden gelezen hebben, zullen het zich nu misschien aanschaffen, omdat het uitgevaardigde verbod hen de verwachting doet koesteren, er allerlei pikante en ergerlijke zaken in te vinden. Deze soort van lezers zij gewaar-
VIII
Behuwd. Als zij hun geld uitgeven, dan komen zij bedrogen uit. Zij zullen in het boek niet aantreffen, wat zij zoeken. De rechtbank te Weenen begaat door haar vonnis een opzettelijke of onbewuste misleiding tegenover het publiek. En ik wil daaraan ten minste niet medeplichtig zijn.
10 Febr. 1884. De Schrijver.
)
VOORREDE BIJ DEN VIERDEN DRUK.
De eerste drie uitgaven van dit boek, dat den 20 October, voor nog geen zes weken, de wereld ingezonden werd, zijn zóó spoedig uitverkocht, dat ik geen tijd kon vinden om er de minste verandering of verbetering in te maken, of ook maar de nieuwe drukken te herzien. Critische stemmen hebben zich tot dusverre slechts in gering aantal doen hooren, hetzij wegens den korten tijd hetzij omdat men hier en daar hoopt, het boek te kunnen doodzwijgen. Van de weinige beoordeelingen zijn ongeveer negen tienden vijandig. Vrienden, die het mij reeds bezorgd heeft, en wien ik voor hun belangstelling in het welslagen der uitgave mijn innigen dank betuig, dringen er-op aan, dat ik mijne aanvallers zal beantwoorden. Tot mijn leedwezen kan ik aan hun verlangen niet voldoen. Ik wil uit beginsel niet de criticus van mijne critici worden. De rol van den schrijver is ten einde, als hij zijn boek geschreven heeft. Het eenige wat hem dan nog rest is het, voor zooveel mogelijk, te verbeteren. In geen geval echter moet hij met zijne recensenten strijd te voeren. Want óf zijn boek kan door zijne eigene levenskracht de aanvallers weerstaan, en dan is de steun van den schrijver overbodig, óf het heeft geen levenskracht genoeg om zich-zelf te verdedigen, en dan is die steun vruchteloos.
I
IX
Maar ook afgezien van dit algemeen beginsel heb ik mijn\' aanvallers wezenlijk niets te zeggen. Bij dezulken, die persoonlijk werden, behoef ik niet eens stil te staan. Wanneer men in.sinueert, alsof dit boek een boekverkoopers-speculatic is, dan betuig ik dien beklagenswaardigen, die een mannendaad in de eerste plaats uit de laagste beweegredenen zoeken te verklaren, mijn diep medelijden. Op onrecht en haat, op smaad en laster heb ik overigens gerekend, en het kan nog veel erger worden, zonder dat ik naïef genoeg zal zijn, mij te verwonderen of te beklagen. Maar ook die recensenten, die den schijn aannemen, zich bij de dingen te bepalen, maken tot nu toe geen antwoord noodig.
Dezen vertellen hun lezers met alle veitoon van knapheid, dat mijne denkbeelden niet nieuw zijn. Wat weten die brave luidjes daarvan? Ik heb hun niet de beleefdheid bewezen, bij iedere van mijne eigene onderzoekingen te kakelen als een hoen, dat een ei gelegd heeft, en daar zij niet eens in staal zijn, te onderscheiden wat nieuw en wat oud is, meenen ze al heel slim te zijn, wanneer ze hun neus optrekken en met het ajr van lijne voorproevers zeggen; -/dat alles hebben wij reeds lang geweten.quot; Zij bewijzen door die koddige kennerskunsten aan wezenlijke kenners alleen, hoe weinig zij de hier behandelde vraagstukken begrijpen. De vakmannen zullen rechtvaardiger zijn en mij de eer laten van hetgeen het mijne is in de beschouwingen over de beginselen van het godsdienstig gevoel, in de critiek van de janrap-achtige staathuishoudkunde, in de talrijke anthropo-, socio- en psychologische toepassingen van het principe der evolutie.
Andere critici laten mff dingen beweren, waarvan ik juist het tegendeel gezegd heb, en wijzen mij dan zegevierend te-recht, terwijl ze mij mijne wezenlijke uitingen als door hen gevonden voorhouden. Weer anderen dichten mij tegenstrijdigheden toe, die zij alleen konden vinden, omdat ze mijn boek niet gelezen of niet begrepen hebben, of omdat de waarheid hun onverschillig is. Tegen al deze aanmerkingen en vitterijen verdedigt het boek zichzelf.
Op één verwijt intusschen wil ik mijn\' tegenstanders het antwoord niet schuldig blijven, liet komt — dat is merkwaardig — bij allen voor. Zij verwijten mij n.l. als bij afspraak, dat ik niet bevoegd ben, een boek als dit te
X
sell rijven. O, hoe duidelijk herken ik d:uir mijn geliefde Dnitsehers ! Niet bevoegd! Waarom die omschrijving? Zegt toch ronduit, wat ge meent: ge wilt zeggen, dat ik noch Professor noch \'/Raadquot; ben en niet het minste regecrings-titellje, niet de geringste ambtelijke aanstelling bezit -/Hoe, een vrij, een onaf-quot;hankelijk schrijver waagt het, zich ernstig met wetenschappelijke vraagstukken quot;bezig te houden, zelfstandig te denken en te onderzoeken, eigen oplossingen \'/voor te stellen? Dat is waarlijk niet te dulden. Wil hij met alle geweld ■/schrijven, hij schrijve lyrische gedichten; dat is het eerste recht van iederen //Duitscher; doch naar waarheid zoeken? anderen te willen leeren? inbreuk quot;maken op het gebied, dat den olliciëel aangestelden wijzen van het gilde \'/voorbehouden is? Wee hem! Werpt hem uit, den indringer! Alle honden op quot;hem aangehitst! Hij is een onbevoegde! Een onbevoegde!quot;
Die erbarmelijke politie- en ranglijsten-zielen, die mij de bevoegdheid ontzeggen, de waarheid op te sporen en haar uit te spreken, als ik haar meen gevonden te hebben, eene bevoegdheid, die ieder volwassen en eerlijk mensch bezit, — zij behooren tot een welbekende soort. Zij hebben voorgangers in de geschiedenis en legende. Hun kreet is zoo oud als het georganiseerd gezag. Sedert er eene ambtelijke wijsheid is, heeft men den geest, welke niet in het schema van de overheid past, zijn recht ontzegd en hem gehoor geweigerd. Oneindig grootereu dan ik, in wier schaduw ik niet mag staan, zijn dit lot niet ontgaan. \'/Kan uit Nazareth iets goeds komen?quot; heeft men telkens vol verachting gevraagd, zoo dikwijls een nieuw denkbeeld niet uit het Sanhedrin, maar uit een verborgen hutje voortkwam. Maar dat heeft, wonderlijk genoeg, de denkbeelden van Nazareth nooit verhinderd, hun weg te vinden.
Ik beu een onbevoegde. Dat is dus goed begrepen. Gij hebt volkomen gelijk. Ik behoor niet tot het Sanhedrin. Gij moogt mij ignoreeren, moogt mij schouderophalend den rug toekeeren. Ik hoop evenwel, dat de arme visschers, de tollenaars, de geringen, ongelukkigen en ellendigeu naar mij hooren zullen. En dat is mij voldoende.
27 Nov. 1883. De Schrijveii.
XI
VOORllEDE BIJ DEN EERSTEN DRDK.
Dit hoek maakt er aanspraak op, trouw de beschouwingen te willen weergeven van de meesten hunner, die op de hoogte der huidige beschaving staan. Zonder twijfel zullen er millioenen bpsohaafde burgers door eigen nadenken loe gekomen zijn, over onze staats- en maatschappelijke instellingen juist dezelfde critiek te oefenen als in de hier volgende bladzijden vervat is, en de hier uitgesproken meening te beamen, dat deze inzettingen onverstandig, strijdig met de natuur-wetenschappelijke wereldbeschouwing en derhalve onhoudbaar zijn. Toch kan het niet uitblijven, dat men bij het lezen van dit boek de oogen zal verdraaien en de handen boven het hoofd inéénslaan, en wellicht zij het drukst, die er hunne eigene verborgene denkbeelden in vertolkt vinden. Juist om die reden heeft de schrijver zijne taak noodig, ja onafwijsbaar geacht. De ernstige ziekte van onze eeuw heet lafheid. Men waagt het niet, kleur te bekennen, voor zijne overtuiging op te komen, zijne daden aan zijne gevoelens te doen beantwoorden; men vindt het practisch, zich uitwendig aan \'t conventio-neelc vast te klampen, ook al heeft men inwendig daar ten eenemale mee gebroken ; men wil nergens aanstoot geven, geenc vooroordeelen kwetsen; en dat noemt men soms - de beginselen van anderen eerbiedigenquot;, van die anderen, die op hunne beurt volstrekt de onzen niet eerbiedigen, maar ze aanranden, vervolgen en ze eigenlijk het liefst met ons-zelven zouden willen uitroeien. Dit gebrek aan eerlijkheid en mannelijkeu moed rekt den levensduur van den leugen en houdt de zegepraal der waarheid verre. Zoo heeft dan ten minste de vertaler zijn plicht jegens zich-zelf, jegens de waarheid en de lieden zonder karakter willen vervullen. Hij heeft zijne overtuigingen luide en zonder den minsten schroom uitgesproken. Wanneer de knappen, de sluwen, de diplomatiseerenden, «Ie opportunisten, of hoe men die huichelaars en leugenaars ook vergoelijkend
XII
moge noemen, hetzelfde wilden doen, dan zouden ze — wellicht tot hunne bevreemding — hespeuren dat zij op vele plaatsen reeds de meerderheid vormen, dat zij zich maar behoefden tc tellen om de sterksteu te worden, en dat het; spoedig vrij wat voordeeligcr voor hen zou uitvallen, eerlijk en consequent dan dubbelzinnig en achterhoudend te zijn.
Zomer 1883.
De SCHRI.IVKR
MENE, TEKEL, UPHARSIN.
I.
De meuschheid, die evenals Faust kennis en geluk zoekt, was er misschien nooit zoo ver van als tegenwoordig, tot het oogenblik te zeggen: »Toefnogwat; gij zijt zoo schoon!quot; 1Beschaving en zede winnen veld tot in de meest barbaarsche gewesten. Waar gisteren nog duisternis heerschte, daar schitteren heden vlammen. Iedere dag is getuige van eene nieuwe wondervolle uitvinding, die de aarde gezelliger, de wederwaardigheden des levens dragelijker, de menschelijke genietingen rijker in aantal en gehalte maakt. Maar ondanks deze vermeerdering van alle voorwaarden vooreen aangenaam leven is het menschdom ontevredener, onrustiger, gejaagder dau ooit. De beschaafde wereld is eéae enkele reusachtige ziekenzaal, waar kermen en steunen de lucht benauwt en op de bedden zich de smart in alle vormen wringt. Begeef u van oord tot oord en vraag aan de huizen: »Woont hier tevredenheid ? Hebt gij rust en geluk?\' Overal zal u het antwoord tegemoet klinken : »Trek verder; wij hebben niet, waarnaar gij vraagt1\'. En over de grenzen? Hoor, hoe de wind u van alle zijden het wilde gerucht van twist en kamp, van
i
1
Goethe. Faust, I 56; en II 225. — Vert,
oproer eu gewelddadige onderdrukking in de ooren blaast.
In Duitschland knabbelt het socialisme met honderdduizend rattentanden aan de zuilen van alle staats- en maat-schappelijke instellingen, en noch het lokkend fluitje van het Staats-, Katheder- en Christelijk socialisme, noch de kwistig verspreide vallen van uitzonderingswetten, van den kleinen staat van beleg en politie-willekeur hinderen de onvermoeide knagers één oogenblik in hun angsbwekkend onhoorbaar onderaardsch vernielingswerk. In de vermomminar
~ o
van het anti-semitisme, dat welkom voorwendsel tot uiting van hartstochten, die zich onder hun waren naam niet mogen vertoonen, komt bij de armen en onwetenden de haat tegen de bezitters, - bij de vruchtgebruikers van middel-eeuwsche voorrechten, dus bij de begunstigde klassen, de vrees voor bekwamer mededingers naar invloed en macht, — bij de teugellooze idealistische jeugd eeu overdrevene en onrechtmatige vorm van vaderlandsliefde, en wel de onvervulbare vraag naar eenheid van het duitsche vaderland, niet enkel op politiek maar ook ethnisch van het duitsche volk, aan het licht. Eene stille smart, die honderdmaal aangewezen, maar nooit verklaard is, drijft maandelijks tienduizenden naar de nieuwe wereld, en meer en meer zwellend stroomt de vloed van landverhuizers uit alle duitsche havens, als eene hevige verbloeding van het nationale lichaam, die geene regeeringskunst stelpen kan. De staatkundige partijen voeren tegen elkander een barbaarschen verdelgings-krijg en de goederen, waarom zij strijden, zijn hier de middeleeuwen en de autocratische monarchie, daar de nieuwe tijd en het eigenbestuursrecht der volken.
In Oostenrijk-Hongarije staan tien nationaliteiten vijandig tegenover elkaar en doen hun best om elkaar zooveel mogelijk te benadeelen. De meerderheid zet in ieder kroonland, ja schier in ieder dorp den voet op de borst der min-
3
derheden en deze huichelen, zoo ze het niet kunnen volhouden, eene onderworpenheid, waartegen hun gevoel met allo macht opkomt, ja, waarvoor de ondergang van het rijk hun eene welkome bevrijcing zou zijn.
In Rusland heerschen zóódanige toestanden, dat men geneigd is, aan een terugkeer tot voorwereldlijke barbaarsch-heid te denken. De regeering heeft alle besef van gemeenschap verloren en de ambtenaars bekreunen zich niet meer om de hun toevertrouwde belangen van land en volk, maar dienen alleen hun eigenbelang, dat zij schaamteloos zoeken te bevorderen door roof en diefstal, door omkoopbaarheid en verkwanseling van het recht. De beschaafden vinden in het nihilisme het wapen der wanhoop tegen het duldeloos heden en stellen op duizend manieren hun leven in de waagschaal, om met behulp van dynamiet en i-e^olver, van fakkel en dolk den bloedigen chaos te stichten, dien hun koortsige droom hun als de onvermijdelijke voorwaarde van een nieuw op te bouwen maatschappij voorspiegelt. De staatsmannen, die geroepen zijn, een geneesmiddel voor dien ontzettenden ziektetoestand te vinden, komen tot de zonderlingste voorschriften. De één verwacht alle heil van de moudigverklaring der Russische natie en hare begiftiging met parlementaire instellingen ; de andere heeft enkel vertrouwen op een kordaten sprong in het modderbad van het vrije Aziatendom, en roept om verwijdering van alle Europeesche elementen en de versterking van het aloude heilige despotisme der Czaren ; de derde gelooft aan den heil-zamen invloed van eene afdrijvende behandeling en beveelt een fliuken, lustigen oorlog tegen Duitschland, Oostenrijk\' Turkije, desnoods tegen de geheele wereld aan. En de sombere volkshoop houdt zich gedurende die langdurige beraadslaging van hare geneesheeren met de plundering der Joden bezig, werpt schuine blikken op de adellijke kasteelen.
4
en maakt de kroeg en de synagoge van den Hebreeër met den grond gelijk.
In Engeland schijnt bij oppervlakkige beschouwing de grond vast en het staatsgebouw hecht. Maar wie het oor op den grond legt, voelt hem beven en hoort de doffe slagen der onderaardsche reuzen, die met hunne hamers tegen den zolder van hun gevangenis kloppen, en wie de muren van nabij beziet, bespeurt onder het vernis en de vergulding, de gevaarlijke barsten, welke tot boven aan reiken. De kerk en de adel, van geboorte en van geld, zijn stevig georganiseerd en steunen elkander in het welbegrijpen huuner gemeenschappelijke belangen. De burgerschap 1 schikt zich gedwee naar de geschreven en ongeschreven wetten der heerscbende kaste, veinst vroomheid, legt eerbied voor een hoDgen titel aan den dag en zweert er op, dat alleen wat den bovensten tienduizend 2 van de hand gaat, betamelijk, wat daarentegen niet met hun voordeel klopt, zoo gemeen mogeliik is. Slechts de werkman en de pachter staan buiten het veld dezer samenzwering; zij eischen hun aandeel in kapitaal en grond ; zij vormen vereenigingen van vrijdenkers en republikeinen; zij ballen de vuist tegen het koningschap en de aristocratie, en wie de toekomst niet in het koffiedik, maar ia de oogen der engelsche proletariërs leest, die vindt haar donker en dreigend. Van Ierland spreek ik niet eens. Daar is de oeconomische revolutie op verpletterende wijze aan het werk, daar houdt de moord de hoofdwegen afgezet, en als de Britsche regeering niet in een zee van bloed het volk kan verdrinken, dan zal ze moeten gedoogen, dat de arme zich met geweld van de goederen der rijken meester maakt en een voorbeeld stelt, dat maar al te spoedig in Engeland zelf en vele andere streken navolging zou vinden.
Bourgeoisie. 2 De voorname standen. — V.
In Italië houdt een zwak gefundeerd koningschap zich met inspanning staande tegen den opbruisenden stroom der republikeinsche beginseJen. De daglooners der Lombardische rijstvlakte, door de koorts verzwakt, door pellagra ondermijnd, en die van de eenzame moerassen der Liomagna, verlaten het land, of, zoo ze in hunne ellende thuis blijven, dan vragen ze onder elkaar naar den rechtstitel van de groote grondbezitters, aan wie zij tegen 50 centesimi daags het merg hunner beenderen verkoopen. De irredenta tracht der jeugd, die, sedert Italië één is, het bepaalde doel voor eene traditioneele geestdrift verloren heeft, een nieuw ideaal in plaats van het verwezenlijkte voor te huuden. Het verborgen lijden van het volk verraadt zich door enkele booze teekens, die in het zuiden Camarra eu Maffia heeten en in het ïoskaansche den vorm van godsdienstige dweepzucht en van een communistisch oorspronkelijk christendom aannemen.
Frankrijk kou tot voor korten tijd onder alle Europee-sche landen wellicht op het gezondste staatsleven bogen, maar ook daar hoeveel ziekte-kiemen, hoeveel beginselen van toekomstige kwalen! Aan alle hoeken van straten in de groote steden prediken opgewonden volksleeraars ver-deeling der goederen en petroleum ; de vierde stand rust zich, nu eens met geraas, dan in stilte toe, om het bewind te bemachtigen en de sedert 1789 alleenheerschende burgerschap uit bureaux en sinecuren 1, uit parlement en gemeenteraden te verdrijven ; de oude partijen zien den dag van den onvermijdelijken schok komen en bereiden zich, hoewel schuchter, zonder vertrouwen, zonder hoop, zonder eenheid, met clericale, mtnarchale en militair-dictatoriale complotten daarop voor.
1
Bezoldigde posten zonder werk. — r.
Waartoe zullen we nog bij de kleinere landen stilstaan ? De naam Spanje doet onmiddellijk aan Carlisme en Can-tonalisme 1 denken. Noorwegen herinnert aan het conflict tusschen regeering en volksvertegenwoordiging, hetwelk de republiek in zich bevat gelijk het vruchtvleesch de zaadkern. Denemarken heeft zijn boerenpartij en chronische ministers-crises, België zijn strijdbaar ultramontanisme. Alle landen, de machtige zoo goed als de zwakke, hebben hunne bijzondere kwalen en zij meenen verlichting, indien niet genezing te vinden, door met klimmende benauwdheid jaar in jaar uit milliarden op het altaar van het militairisme te offeren, erenals in de middeleeuwen de grooten van gevaarlijke ziekten hoopten te genezen als ze hun vermogen aan de kerk schonken.
II.
De strijd tusschen regeering en volk, de onderlinge verbittering der politieke partijen, de gisting in enkele klassen der maatschappij zijn evenwel maar een vorm van de al-gemeene kwaal des tijds, die in alle landen dezelfde is, niettegenstaande zij verschillende plaatselijke benamingen draagt en hier nihilisme, daar fenianisme, ginds socialisme, anti-semietendom of irredenta-beweging heet. Een andere, veel erger\' vorm van deze ziekte is de Innige ontstemdheid en disharmonie, welke, onafhankelijk van natie, partij of stand, ieder wezenlijk mensch die op de hoogte der heden-daagsche beschaving staat in zijn binnenste gevoelt, en welke den grondtoon van onzen tijd uitmaakt, zooals de naïeve levensvreugd die van de classieke oudheid was en de vroomheid die van de eerste middeleeuwen. Ieder op zich-zelf
1
De partij die het land in vrije cantons wil verdeelen. — T.
7
gevoelt eene gemelykheid, die hij, wanneer hij ze niet grondig ontleedt, aan duizend toevallig voor de hand liggende, steeds onjuiste oorzaken toeschrijft en die hem alle verschijnselen der samenleving van eene donkere en berispelijke zijde doet beschouwen en hard beoordeelen, zoo niet veroordeelen. Dat ongeduld, waarop alle aanrakingen met de buitenwereld zoo prikkelend werken, noemen sommigen zenuwachtigheid, andereu pessimisme, nog anderen scepticisme. Maar zijn de benamingen vele, de kwaal is één.
En die kwaal komt bij alle uitingen van den menschel ijken geest vóór den dag. De literatuur en de kunst, de wijsbegeerte en de exacte wetenschap, de staatkunde en de staathuis-houukunde vertoonen dezelfde teringachtige trekken. In de fraaie lettoren vinden we daarvan reeds sporen aan het einde van de vorige eeuw, zooals trouwens het dichterlijk scheppen die werkzaamheid van den menschelijken geest is, waarbij de minste storingen en wijzigingen van de constitutie der menschheid — en wel het eerst — zijn waar te nemen. Terwijl de aanzienlijke standen zich nog in verdorven levensgenot baadden en hun leven tot eeue voortdurende braspartij maakten, terwijl de philisters niet verder keken dan bun neus lang was en met de orde derdiugen bot tevreden schenen, stiet op eens Jean Jacques Rousseau zijn zucht om verlossing uit van een toestand, die toch zooveel aantrekkelijks had, en droomde van een terugkeer tot een natuurstaat, dien hij zeker niet letterlijk als de oorspronkelijke barbaarschheid, maar allegorisch slechts als het tegendeel der werkelijkheid opvatte. Zijn roepstem vond bij alle tijdgeuooteu weerklank, gelijk een aangeslagen toon alle gelijk gestemde snaren in de nabijheid doet klinken —, een bewijs dat die stemming reeds in alle harten aanwezig was. Zwelgers en ploerten lieten zich dommelend meêsleepen door een vurig smachten naar ongerepte wou-
8
den en wildernissen, wat toenmaals nog eene kluchtige tegenstelling vormde met hun hartstochtelijk streven om zich alle verfijningen en .. . tekortkomingen dier verachte beschaving voor hunne genoegens ten nutte te maken. Van Kousseau\'s verlangen naar een natuurstaat stamt in rechte lijn de Duitsche romantiek af. Deze is een inconsequent Rousseauïsme, dat niet den moed heeft, den ingeslagen weg ten einde af te wandelen. Zij gaat niet tot den vóórhistorischen tijd terug, maar stopt reeds aan een naburig , de middeleeuwen. De middeleeuwen, welke de romantiek ons met zulke schitterende kleuren schildert, zijn evenmin de echte middeleeuwen als de droom van llous-seau de wezenlijke toestand van den primitieven mensch is. In beide gevallen hebben we te doen met eene willekeurige schepping der fantazie, die haar kunstmatige wereld op dezelfde wijze, n.1, geheel in tegenstelling met de bestaande, opbouwt; in beide gevallen met eene uiting van hetzelfde bewustzijn of instinct, d. i. een afkeer van een onbevredigend heden, naast de onuitgesproken bijgedachte dat iedere toestand beter moet zijn dan de feitelijke. Volgen wij die letterkundige richting verder, dan komen we aan de Fransche romantiek, die eene dochter is van de Duitsche, en aan de Byroniaansche wereldverachting, die een bijzonderen tak van dezelfde familie uitmaakt. Van de Byroniaansche lijn stammen in Duitschland de »wereld-smartquot;-poëten af, in Rusland Puschkin, in Frankrijk Musset, in Italië Leopardi. 1 De gemeenschappelijke trek in hunne geestelijke physionomie is de noodlottige onvoldaanheid met de werkelijke wereld, die de eene in roerende klachten, de andere in bittere zelfverachting, de derde in een overdreven verlangen naar betere omstandigheden uit.
1
En in Nederland vooral de Vlaamsche school. — V.
9
En is de literatuur vau onze eigene generatie, is de bel-letrie van de laatste twintig jaar, niet eene poging om aan het onverkwikkelijke van onze eeuw te ontkomen? Het publiek wil romans en gedichten, die van verre landen eu tijden verhalen. Het verslindt de Oud-Germaansche levens-tafereelen van Gustav Preytag en Felix Daim, de middel-eeuwsche gedichten van Scheffel en zijn naapers, de Egyptische en Korintische en liomeinsche geschiedenissen van Ebers en Eckstein, of als het zijn geest nog eens aan een boek wijdt, dat voorgeeft, een modern onderwerp te behandelen, dan moet dat boek zich aanbevelen door een onwaar, ziekelijk sentimenteel idalisme; het moet eene poging zijn om menschen in onze kleederdrachfc en feiten in onze omgeving te goochelen, zooals de weemoed ze verlangt, niet zooals iemand ze ooit gezien heeft. De Engel-sche belletrie heeft sedert lang opgehouden een spiegelbeeld der werkelijkheid te zijn. Voor zooverre zij niet met een stomp welbehagen allerlei misdrijven en schandalen, moord, diefstal, verleiding, erfroof schildert, geeft zij eene voor welgezinden ingerichte modelwereld te aanschouwen, waar de edellieden schoon, fier, wijs, grootmoedig en rijk, de gewone burgerlieden godvruchtig en vol onderdanigheid zijn jegens de aanzienlijken, waar de deugd door graven en baronnen minzaam geprezen, de slechtheid door de politie gevat wordt, kortom eene wereld, die de onnoozele idealiseering eener orde van dingen vertoond, welke in alle voegen kraakt en van binnen reeds verlamd en vergaan is.
De Fransche letterkunde schijnt op het eerste gezicht in die algemeene lijst niet te passen ; maar ook alleen s c h ij n t. \'t Is waar, zij bepaalt haren horizon willens en wetens tot het tegenwoordige, bet tastbare. Zij ontzegt zich het staren en verlangen naar verleden en toekomst,_ naar betere of
10
andere idealen. Zij huldigt in de kunst een beginsel, voor hetwelk men de benaming »naturalismequot; gevonden heeft. Doch men zie eens op de keper : is soms het naturalisme een bewijs van tevredenheid met het bestaande en in dien zin eene tegenstelling met het pseudo-historisch, fantastisch idealisme, waarin ik eene sterke uitdrukking van misnoegdheid over het werkelijke, van een smachten om zich daarboven te verheffen zie? Welke zijn de onderwerpen, die het naturalisme met eene eenzijdigheid behandelt, die men het zoo kortzichtig verweten heeft ? Toont het ons tafereelen van geluk ? Schildert het ook schoone en vervroolijkende zijden van \'t menschelijk leven? Neen. Het staat stil bij de afzichtelijkste en somberste tooneelen der beschaving, inzonderheid der grootsteedsche beschaving. Het stelt zich ten taak, overal het bederf, het lijdeu, het gemis van zedelijk gehalte, den doodzieken inensch en de zieltoogende maatschappij af te beelden, eu aau het slot van ieder boek, dat tot deze richting behoort, schijnt eene treurige stem telkens en telkens weer eentonig te mompelen : »Gij ziet, gemartelde lezer! het leven, dat hier met onverbiddelijke juistheid geschilderd werd, is waarachtig niet waard geleefd te worden.quot;
Dat is de onuitgesproken these, die in iedere schepping der naturalistische literatuur haar bewijs vindt; zij is het uitgangspunt en de slotmoraal van deze boeken. En zij verschilt niet van de stelling, waarop het leugenachtig idealisme der Duitsche en Engelsche literatuur gebouwd is. De beide richtingen, verre van tegenstrijdig te zijn, voeren juist tot hetzelfde doel. Het naturalisme stelt de praemisse, het idealisme maakt de «jevolijtrekkinofen. Het eerste zefft:
o O o O
»De reëele toestanden zijn niet te dragenquot;; het andere voegt er bij: »Daarom weg er-mede; trachten we ze een oogen-blik te vergeten en ons in de troostrijke ideale toestanden te verplaatsen^ die ik mijn\' lezers voortoover.quot; De schrijver,
11
die ia dweepzieke verzen het vroolijke leven van reizende gelukzoekers, aanminnige jonkvrouwen met liefdein het hart en leliën in de handen, en avontuurliike burchten op hooge toppen, beschenen door het morgenrood, bezingt, en dien de verteederde Jan Kap den «edelen dichterquot; noemt, is eenvoudig het aanvullend tegendeel van den anderen schrijver, die met de pen als met een voddenrapershaak in eiken modderpoel baggert en voor wieu dezelfde Jan Rap geene woorden genoeg van verachting kan vinden.
Ik heb bij de letterkunde iets langer vertoefd, omdat zij toch de veelzijdigste, volledigste vorm is, waarin het geestelijk leven van een tijdperk zich uit. Maar ook alle overige openbaringen van het menschelijk denken toonea in onzen tijd dezelfde trekken, die uit de tegenwoordige geschriften spreken. Altijd en overal onrust, wrevel, verbittering, die bij sommigen smart of wrok blijft over de ondragelijke werkelijkheid, bij anderen zich verder ontwikkelt tot een bepaald verlangen naar verandering van alle levensvoorwaarden. De beeldende kunsten kozen in vroegere tijdperken het schoone tot hun motief. De schilder en beeldhouwer gaven slechts let aantrekkelijke weer, dat de wereld en het leven aanboden. Als Phidias zijn Zeus beitelt, Rafael zijn Madonna schildert, bestuurt eene naïeve bewondering voor de menschelijke vormen hunne hand. Blijmoedig en tevreden nemen die kunstenaars waar, wat de natuur oplevert, en waar hun fijn gevoel hun eene kleine leemte verraadt, zweven ze met bescheiden verbeterende, d.i. met verschoonende, idealiseerende hand daarover heen. De heden-daagsche kunst kent noch die naïeve bewondering, noch die blijmoedige tevredenheid. Zij beschouwt de natuur met gefronste wenkbrauwen en een knorrigen blik, die vooral geoefend is in het ontdekken van fouten ; zij vertoeft onder den dekmantel der waarheid bij alle gebreken der
12
zichtbare natuur, die zij onwillekeurig overdrijft, terwijl zij ze duidelijk doet uitkomen. Ik zeg: onder den dekmantel der waarheid, want de waarheid zelf valt toch niet binnen ons bereik. De kunstenaar geeft zijn onderwerp noodzakelijk zóó weêr, als hij het persoonlijk ziet en gevoelt, en de lee-lijke steenklopper van Courbet is even subjectief en van de volstrekte waarheid in tegengestelde richting even zoo ver verwijderd als de liefelijke Mona Lisa van Lionardo, voor wie Vasari juist om heure waarheid in geestdrift ontstak. En zelfs waar de moderne kunst niet kan nalaten de schoonheid te erkennen, terwijl zij haar met weerzin een cijns betaalt en haar uabeeldt, zoekt zij er een smet op te werpen, door eene bedekte toespeling, dat zij in haar edelen en reinen vorm door lage doeleinden ontheiligd wordt. Het verheven schoon van het naakte vrouwebeeld wordt door een trek van lage zinnelijkheid gelasterd, die in geene dusdanige hedendaagsche voorstelling ontbreekt en die op een toeschouwer met echt gevoel ongeveer werkt als het listige : »Ja, als de wereld alles wist,quot; dat een babbeltante in een salon haren buurman in het oor sist, wanneer iemand de deugd van een bekende verheft. De oudere kunst getuigt van behagen en genot in de zichtbare schepping, de nieuwe van eene zelfverbitterende ontevredenheid over de natuur. Gene is eene gestadige dithyrambe, deze eene eindelooze en niet eens altijd rechtvaardige critiek. Gene heeft tot grondbegrip : »de wereld is uitnemend schoonquot; ; de andere; »zij kan niet leelijker zijn dan zij is!quot;
In de philosofie — zoowel in de geoctroyeerde, die in de hocgescholen gepredikt, als in die, welke geheel vrij door beschaafden beoefend wordt, die zonder specialiteiten te zijn, toch belangstellen in de groote vraagstukken van het menschelijk onderzoek, — in de philosofie is de mode-rich-ting het pessimisme, Schopenhauer de . god en Hartmann
13
zijn profeet. Het positivisme van Auguste Comte maakt als leer geen propaganda en breidt zich als secte niet uit, omdat zelfs zijne aanhangers hebben ingezien, dat zijne methode te bekrompen, zijn doel niet hoog genoeg is. De Fransche philosofen bestudeeren bijna alleen nog de psychologie, of juister de psychophysiologic. De Engelsche philosofie kan nauwelijks meer metaphysica genoemd worden, daar zij er van afgezien heeft, zich met hare verhevenste taak, het zoeken naar eene afdoende wereldbeschouwinor onledicr te
o\' o
houden, en zich alleen nog met practische problemen van den tweeden rang bemoeit; John Stuart Mill heeft zich eigenlijk tot de logica, d.i. tot de vormleer van het deuken beperkt; Herbert Speucer vertegenwoordigt de leer der samenleving, m.a.w. de verstandelyke en zedelijke vragen, waartoe de menschelijke raaatschapfüj aanleiding geeft. Baiu werkt op het gebied der opvoeding, en behandelt toegepaste zielkunde en zedelijke wijsbegeente. Alleen Duitschland heeft nog eene wezenlijke methaphysióa, maar eene sombere, eene troostelooze. De goede doctor Pangloss (verklaar-al) is dood en heeft geene erven nagelaten. De leer van Hegel, die voor al het bestaande eene voldoende oorzaak vond en uit hare zelf-overreding, dat het bestaande logisch samenhangt en noodwendig is, ten minste een soort van armoedige berusting en tevredenheid putte, is in het antiquitei-ten-cabinet van afgedragen systemen geborgen en de wereld wordt veroverd door die tragische wijsbegeerte, die haar toppunt heeft in het denkbeeld, dat de onhoudbare kosmos door de neiging van alle wezens tot niet-zijn ook naar het niets zal teruggevoerd worden.
Op oeconomisch gebied uit zich dezelfde kwaal des tijds in een anderen, niet minder scherp geteekenden vorm. Bij den rijke zoeken wij te vergeefs de blijde gewaarwording van rustige zekerheid van bezit, en bij den arme even
u
vruchteloos eeu lankmoedig zich iieêrleggeu bij eene nooddruft, die naar menscheliike berekening toch niet te verhelpen is.
Ue onbepaalde vrees voor een naderend gevaar vervolgt genen; hij ziet in de menschen en toestanden eene wel niet duidelijke, maar toch bestaande bedreiging, die hem zijn vermogen als een bloot leengoed doet beschouwen, dat hem elk oogenblik door ruwe handen kan worden ontrukt. Dezen verbittert de nijd, de zucht naar hetgeen het eigendom van deu ander is; hij vindt er noch in zich-zelven, noch in de algemeene wereldorde, zooals hij geleerd heeft die op te vatten, eene overtuigende reden voor, dat hij arm moet zijn en van de genietingen des levens verstoken ; eene stem in zijn binnenste, waarnaar hij vol grimmig ongeduld luistert, verzekert hem, dat , hij even veel recht heeft op het eigendom des bezitters als de laatste. De rijke vreest — de arme hoopt en maakt jacht op ommekeer der maatschappelijke verhoudingen, en het geloof aan de mogelijkheid, dat die onveranderd kunnen voortduren is bij allen gaan wankelen — ook bij hen die zich hunne bezorgdheid niet durven bekennen.
Wat leert ons de binnenlandsche politiek van alle beschaafde volken, van alle zonder uitzondering ? De tegenstellingen zijn alom scherper, de strijd der partijen is heviger dan ooit. De gematigde verdedigers van het bestaande sterven uit en zullen dezer dagen wel voor goed van den aardbodem verdwijnen. Te vergeefs zal men naar een staatkundig quiëtist uitzien, die beproeven wil aanhangers te werven voor de beschouwing, dat alles zoo blijven moet als het is, dat men de bestaande verhoudingen met geen vinger mag aanroeren. Er is geen behoudsman meer. Wilde men dit woord streng gebruiken naar de beteekenis die er in opgesloten ligt, dan moest het uit de taal worden verbannen.
Een couservatief is iemand, die bewaren wil hetgeen aanwezig is. Daartoe bepaalt er zich niet één. De defensieve is niet meer de gebruikelijke methode in de staatkunde, de offensieve heerscht overal. Er is nog alleen reactie en hervorming, d. w. z. revolutie achter- of voorwaarts. Gene wil het verledene doen terugkeeren, deze de toekomst verhaasten : zoowel de reactionair als de liberaal verafschuwen het tegenwoordige.
De algemeene onrust, de innerlijke verdeeldheid werken op velerlei wijze op het persoonlijk leven terug, In duizenderlei vorm openbaart zich de ver gedreven angst voor een kalm onder de oogen zien van de werkelijkheid. Men bedriegt opzettelijk zijne zinnen, tracht het met bewustheid waarnemen te verhinderen en legt door deze pogingen om het zenuwstelsel te wijzigen zijn natuurlijken weérzin van den gewonen loop der gebeurtenissen en verhoudingen aan den dag. Het oude vraagstuk over »eene zaak die op zichzelf staatquot; willen wij hier laten rusten. — Het is bewezen dat wij alleen veranderingen in ons eigen organisme, niet dezulken die buiten ons plaats grijpen, onmiddellijk kunnen opmerken. Maar deze veranderingen in ons worden hoogstwaarschijnlijk door personen of voorwerpen buiten ons teweeggebracht, en zooveel is zeker, dat ons gevoel die veel juister onderscheiden zal wanneer zij enkel onder den invloed staan onzer normale bewerktuiging — hoe ouvolkomen dan ook —, dan wanneer bij die onvermijdelijke oorzaak van dwalingen, nog eene opzettelijke storing der zenuwen, door vergif in verschillende vormen, komt. Alleen dan, wanneer het waarnemen der feiten om ons heen een voortdurend, bewust of onbewust gevoel van wan behagen ten gevolge beeft, zal dit eene even bestendige behoefte wekken om die waarnemingen van ons verwijderd te houden, of althans zóó te wijzigen, dat zii aangenamer worden. Hierin
16
ligt de grond voor het — door statistieke opgaven bevestigd — toenemead gebruik van alcohol en tabak, voor de verontrustende uitbreiding vau het genot door opium en morphine, voor de gretigheid\' waarmede de ontwikkelde mensch elk nieuw middel tot prikkeling of verdooving, hetwelk de wetenschap hem biedt, aangrijpt; en hieraan is het ook toe te schriiven, dat wij tegenwoordig naast die alcoholen morphine-gebruikers nog personen aantreffen, die gewoon zijn chloral, chloroform en ether in te nemen. De beschaafde burgerij herhaalt in het groot de handelingen van het individu, dat ziin verdriet in de flesch tracht te verdrinken. Zij wil de werkelijkheid ontvluchten en eischt de noodige illusiën van die stoffen, die de droombeelden in haar vermogen te wekken. Hand in hand met dit instinctmatig zelfbedrog, dit tijdelijk ontvluchten der werkelijkheid, gaat een streven om er voor goed en geheel uit weg te komen, m. a. w.: de zelfmoord neemt, inzonderheid in fijnbeschaafde landen, in gelijke mate toe, als het gebruik van alcohol en narcotische middelen.
Eene doffe misnoegdheid, soms bitter, soms onbepaald, hondt den vooruitstrevenden mensch in eene opgewonden, stemming en zet den tegenwoordigen strijd om het bestaan iets wilds en hartstochtelijks bij, waarvan men vroeger nauwelijks besef had. Die strijd is niet meer een gevecht tusschen partijen, »welke beleefd, elkander groeten vóór zij van leer trekkenquot; zooais de Franschen en En-gelschen, toen de .slag bij Fontenoy zou beginnen, maar een onstuimig schermutselen van door bloed en wijn verhitte keel-afsnijders, die met dierlijke grimmigheid houwen en schieten, en geene genade verwachten noch ver-leenen.
Men klaagt er-over, dat karakters zoo zeldzaam zijn. Wat is een karakter? Eene persoonlijkheid, die met kalm
17
bewustzijn de zedelijke grondbeginselen naleeft, welke zij eenvoudig als goed heeft leeren op prijs stellen en daarom voor richtsnoer op haar levensbaan heeft gekozen. Het ongeloof laat geene karaktervorming toe, dewijl het geen vertrouwen op leidende beginselen erkent. Wanneer de noordster uitdooft en de eleetrische pool verdwijnt, houdt het kompas op nuttig te wezen. Het punt, waarop het gericht moest zijn, bestaat niet meer. Het ongeloof, ook eene n:ode-ziekte, is slechts een andere vorm, waarin het gevoel van ontevredenheid over de bestaande orde uitdrukking vindt.
Want tot de slotsom, dat alles ijdel is, dat niets eenige opgewektheid, eenige inspanning, eenigen strijd tusschen lust en verplichting waard is, komt alleen hij, die het bestaande als hinderlijk onbevredigend en onvolmaakt heeft leeren verfoeien.
Literatuur en kunst, politiek eu rechtspleging, noem alle maatschappelijke of persoonlijke openbaringen van \'s menschen geest die ge wilt, en zeg of niet alle denzelfden trek van bittere onvoldaanheid vertoonen, of uit alle niet de schorre, treurige kreet: »Weg, weg uit deze onhoudbare toestanden !quot; zich hooren doet.
111.
Hier treedt eene vraag op den voorgrond : Is dit alleen eene schildering van het heden, of kan het ook op vroegere tijdperken worden toegepast V
Ik ben volstrekt geen »lofredenaar der tijden die geweest zijnquot;, om met den Romeinschen dichter te spreken — verre van daar. Ik geloof niet aan eene gouden eeuw achter ons. Mijne overtuiging is, dat de menschen altijd geleden hebben, altijd onvergenoegd en on voldaan geweest zijn. Het
2
18
pessimisme berust op natuurlijke gronden en eene zekere hoeveelheid smart is het onvertuijdelijk uitvloeisel van ons lichamelijk en geestelijk bestaan. Wij ontvangen immers alleen door verdriet de bewustheid van ons ik. Want wij beseffen de aanwezigheid van dat ik alleen door eene gewaarwording van ougenoegzaamheid, en tot de zekerheid hiervan geraken wij slechts ten gevolge eener min of meer onzachte botsing met de dingen buiten ons iA:. In een donker vertrek ondervinden wij eerst dat er muren zijn, wanneer wij met het hoofd of de teenen er tegen aan loopen. Op deze wijze koopt de mensch zijne zelfbewustheid voor eene aandoening van smart, en de tegenstelling tusschen het onderwerp en het voorwerp openbaart zich aau hem niet anders, dan door een voortdurend onbehagen. Doch is het waar, dat de mensehheid altoos geklaagd en geleden, dat zij van aanvang af het verschil tusschen verlangen en bezitten, het pijnlijk contrast tusschen ideaal en werkelijkheid ondervonden heeft, — niet minder waar is \'t, dat die kwelling nog nooit zoo diep en zoo wijd vertakt hare wortels schoot, nog nooit in zulke bepaalde vormen optrad als thans.
Waar wij op de geschiedenis terugzien, weet zij van burgeroorlogen, van omwentelingen te verhalen. Het schijnt ons bij wijlen of de eigenlijke stoot daartoe gegeven werd dooiden zelfzuchtigen trots van enkele aanvoerders en of de groote menigte, die hen met haar gewicht steunde, er wèl beschouwd volkomen vreemd aan bleef. Maar dergelijke opvattingen zijn bekrompen. Ik geloof niet, dat zulk eene verpersoonlijking der revolutiën met hare bewerkers op goede gronden steunt. Partijen vormen en vereenigen zich om leuzen en gezegden, waar een deel des volks zijne duistere verwachtingen in meent te vinden, en nu moge al in den resjel de lage eerzucht van de miuder kiesche
O O
hartstochten der ruwe menigte gebruik maken ten eigen
19
nutte, zooals de fabrikant zich van water, stoom en lucht voor zijn werk bedient, zij zal haar doel toch nooit bereiken, zonder een streven naar vervulling der innigste wenschen vau het algemeen te huichelen. De strijd der partijen is voor een volk, wat voor den lastdrager de beweging is, door welke hij zijne vracht vau den eenen schou der op den anderen overbrengt om zich eene kleine, hoezeer bedriegelijke verlichting te bezorgen, eu revoluties zijn stortvloeden, die het peil der droombeelden eener natie gelijk pogen te maken met de vlakke werkelijkheid. Zij ontstaan niet willekeurig, maar volgen geheel de wet der natuur, zooals de storm het evenwicht in den dampkring, hetwelk door verschil van temperatuur verbroken was, tracht te herstellen, of de katarakt, die den spiegel van twee waterkommen op gelijke hoogte moet brengen. Loopen eindelijk de wenschen des volks en de bestaande verhoudingen te ver uiteen, dan barst er naar die vaste natuurwetten eene revolutie uit. De regeering mag zulk een drang voor een wijle met haar overwicht kunnen fnuiken — op den duur blijken hare kunstig opgeworpen dammen er niet tegen bestand. Daarom zijn omwentellingen dau ook de eenige getuigschrilten in de geschiedenis, die ons veroorloven uit hare kracht, afmetingen, doeleinden, met zekerheid de oorzaak en den graad dier telkens zich herhalende ontevredenheid af te leiden.
Welnu; alle revolutiën, welke de geschiedenis tot in onze dagen heeft geboekt, hadden eene betrekkelijk geringe afmeting en richtten zich tegen een beperkt aantal verhoudingen, die men als ondragelijk had leeren beschouwen. De binnenlandsche staatkunde van het oude Kome der republiek concentreert zich in den strijd tusschen het volk en de patriciërs. Welke waren de verwachtingen der laaggeboren menigte, vertegenwoordigd door de namen van Catilina eu
20
de Gracchen ? Zij wilden het hun naar recht eu billijkheid toekomend deel in \'t gemeenschappelgk grondbezit ontvangen ; zij verlangden medo eene stem iu de bestuurszaken te mogen uitbrengen. Ieder burger werd daar bezield door een sterk ontwikkeld gevoel ten opzichte der regeerende macht in den staat, en voor de rechten en plichten van dit lichaam. Afzonderlijk genomen was hij een onbeduidend brokstuk; een geheel, hetwelk iets vermocht, werd hij eerst dan, in zijn eigen oog, wanneer hij op de juiste plek in het groote mozaïek van den staat ingeschoven was. De Romeinsche man uit het volk beschouwde zieh als de onrechtvaardig geminachte, onterfde jongere zoon van een rijk gezin en streed voor zijne beslissende stem iu den familieraad. Hij dacht er niet aan, zich tegen de bestaande orde iu regeering en samenleving te verzetten. Hij was daar trotsch op en onderwierp zich gaarne aan al hare bizondere bepalingen-Hij achtte den patriciër om zijne afkomst en benijdde hem noch bet erfelijke eerbetoon in den tempel der goden, noch zijne uiterlijke kenteekenen van rang of stand. Blijmoedig hield hij zich op de sport der maatschappelijke ladder, waarop het onveranderlijk toeval der geboorte hem geplaatst-had. Zag h|j met eerbied op tot de ridderlijke figuren dei-senatoren en dier gezinnen, boven hem,— met zelfbewustzijn en met een streelend gevoel van meerderheid liet hij ook weer zijn blik op de slaven en vrijgelatenen rusten, die beneden hem stonden.
Van meer beteekenis was de misnoegdheid dezer slaven, die, in het veelbewogen overgangstijdperk van de republiek tot het keizerrijk, herhaaldelijk aan \'t muiten sloegen en met de grootste offers, ook met verlies van hun leven, eenen verschikkelijken strijd tegen het bestaande aanbonden. In dezen naamloozen hoop, die de onderlaag vormt der monumentale figuren van Spartacus, bespeuren wij voor de eerste
21
maal het woelen en wringen van den gistenden twijfel of alles wat bestaat ook werkelijk zóó ruoet zijn als het is; van dien twijfel, dien wij niet terugvinden in de striemen der onder hunne lasten gebogene Egyptenaren, welke de oude muur- en grafschilderingen ons in lange, zwijgende, troostelooze reeksen te aanschouwen geven ; en waarvan de tweehonderd millioenen geduldige Indianen, die in stille lijdzaamheid tegenwoordig het juk der Engelschen torsen, gelijk zij vóór eeuwen dat der kasten-verdeeling verdroegen, de folterende aanraking nog niet henbeu waargenomen. Maar dë partijgangers van Spartacus waren geene radikalen of pessimisten, volgens den nieuweren zin van het woord. Zij sloegen de verzenen tegen de prikkels, niet tegen de hand welke dezen bestuurde. Hun toorn gold niet de wereldorde, maar hunne eigene plaats daarin. Begrepen zij het onverstandige en onrechtvaardige, van menschen met wil en oordeel, gelijk dieren en levenlooze voorweipen, als eigendom te behandelen ? Volstrekt niet. De slavernij, als bestaande inzetting, werd door hen erkend en zij namen die aan, maar zij wilden zelf geene slaven zijn. Hun droom was uiet de verwoesting van een dwazen maatschappelijken vorm, maar eene verwisseling van rollen. Deze oproerlingen konden licht geholpen worden. Eene enkele zegepraal eu de wanhopigen, waren in blijmoedigen, de rebellen in steunpilaren der maatschappij veranderd.
Maar van oneindig grooter belang zijn de gebeurtenissen, ^die in de middeleeuwen plaats grepen.
De beeldenstorm, de kruistochten, het fanatisme der W\'al-denzen en Albigenzen tonnen ons een toestand van beden-kelijken angst der gemoederen. De geheimzinnige betoove-nng van het fabelland in het Oosten vermag alleen dan hare verleidende kracht op onontwikkelde karakters uitte oefenen, wanneer een duistere drang naar ommekeer in de
bestaande verhoudingen hen kwelt. De duizenden, die uit Europa naar Palestina stroomden, naar het land dat in hun oog het onbekende jammer vertegenwoordigde, zij hadden minder de kruisbanier tot hunne geleidster dan wel een lichtend wolkenbeeld, dat voor hen uittrok en dat zij allen met hun geestesoog zagen : deze leidsvrouw was het ideaal! De gelukkige verliet voorzeker zijn genoegelijk tehuis niet, om naar het heilige graf eene bedevaart te ondernemen ! dit deed alleen de zoekende, de verlangende, die wijziging en verbetering hoopte. En die menschen, die zich voor hun geloof lieten ter dood brengen, die ter wille van nietigen twijfel den brandstapel bestegen of geheele streken ontvolkten — waren stellig ook geene personen die het heden dankbaar wisten te genieten. Want wie met zulk eene koortsachtige bezorgdheid over het heil zijner ziel, over de voorwaarden van geluk in eene wereld hiernamaals behept is, wie voor dat beloofde leven aan gindsche zijde van het graf zooveel opoffering, inspanning en smarten veil heeft, hem heeft het leven hier, het stoffelijk bestaan, voorzeker geene bevredigende uitkomsten opgeleverd. Zonder twijfel was de menschheid dus ook in de middeleeuwen onrustig en onvoldaan. De reden waarom zij niet tegen de bestaande verhoudingen optrad, lag in \'t geloof, hetwelk haar met troost en kalmte vervulde, die het verduren van alle aardsche leed gemakkelijk maakte. Wie met vertrouwen eene betere toekomst te-gemoet ziet, berust welgemoed in tijdelijke bezwaren, ja, let daar nauwelijks op.
Maar de menschheid kwam tot verdere ontwikkeling ert de troost van het geloof verhinderde in kracht. Het oo-genblik verscheen, dat de godsdienst niet langer de heilzaam werkende veiligheidsklep tot ontlasting van den muitzieken onwil der ontevredenen kon zijn. Dit oogenblik was beslissend. Het heeft maar weinig gescheeld, of het onge-
23
loof en de verbittering onzer dagen zou zich vier eeuwen vroeger van de gemoederen meester hebben gemaakt. Doch het viel niet gemakkelijk, zijne dierste droomen vaarwel te zeggen, en daarom spande men alle krachten in, om die illusiën vast te houden. Dezen strijd om een vertroostend ideaal noemt de geschiedenis de reformatie beweging (hervorming). Hare uitwerking was, het landerig ontwaken van \'t menschdom uit eene aangename dommeling eenige eeuwen lang te verschuiven. Maar ook reeds in die dagen stuiten wij op enkele verschijnselen, die van \'t ontstaan van een pessimisme getuigen, dat door het. geloof aan een beter vhier-namaalsquot; niet meer gebreideld kou worden. De Duit-sche boerenkrijg was de handeling van wanhopige lieden, wien het paradijs geen genoegzame schadeloosstelling voor allen aardschen kommer bood, en die zich daarom, met ruw geweld, reeds hier beneden door eene betaling-in-mindering wilden verzekeren van de genotsom, hun daarboven weggelegd.
Wij moeten tot aan de Fransche revolutie opklimmen om een volk te vinden, dat dermate van de onhoudbaarheid aller bestaande dingen overtuigd is, dat het zich bereid verklaart, die tot eiken prijs en tegen welk offer ook uit den weg te ruimen. Voor de eerste maal in de geschiedenis treffen wij hier een breede, van het volk uitgaande beweging aan, die zich niet. tegen een bepaald onderwerp richt, maar stormloopt tegen alle verhoudingen in het groote geheel. Hier willen de armen niet, zooals de Romeiusche plebejers, in het bezit komen van het »ager publicusquot; geene onterfden en bevoogden willen voor men-schenwaarde en eigen voordeel kampen gelijk de slaven ten tijde van Spartacus; geene afzonderlijke klasse tracht in de beperkte voorrechten der gegoeden te treden, zooais in de middeleeuwen. Hier ook geen drijven van troostzoekende hervormers, Waldenzen, Albigeuzen en Hugenoten, die te-
24
genover den dwang der clerezi] den doelmatigsten vorm voor hunne dweepzieke denkbeelden pogen te vinden en te bewaren. Dit alles ontmoeten wij in de groote Revolutie, dit en nog veel meer. Die omwenteling toch is materieel en intellectueel beide. Zij ontkent het geloof en zet tegelijkertijd den bestaanden vorm van het persoonlijk eigendom op losse schroeven. Zij tracht de staat en de maatschappij op nieuwe grondvesten en naar een nieuw plan te bouwen. Haar doel is zoo voor het lichaam als voor de ziel aangenamer levensvoorwaarden te stellen. Zij is eene uitbarsting, die wel verre van zich tot enkele zwakke plekken te bepalen, op de geheele tegen haar over staande oppervlakte met verpletterende zwaarte neerbotst en het geheele getimmerte der maatschappelijke beschaving en verhoudingen met wilde kracht uit zijne voegen rukt. Waarlijk, om zoo ruw alle bestaande instellingen van den aardbodem te willen verdrijven en zoo heftig tegen alle vormen op te komen, moet men veel onder hun dwang geleden hebben en die inrichtingen en vormen als ten eenetnale dwaas en onhoudbaar hebben leeren kennen. En toch — daar verrast ons in de groote Revolutie een verschijnsel, dat het ons onmogelijk maakt de stemming, die haar in \'t aanzijn riep, voor zóó droevig als de huidige te houden ; deze trek is haar onverstoorbaar optimisme. De mannen der Revolutie waren ten volle vreemd aan de ziekte der zwaarmoedigheid. Hoop en vertrouwen vervulden hun hart. Zij koesterden de onwrikbare overtuiging dat zij de onfeilbare middelen voor een absoluut geluk in handen hadden, en met die overtuiging in \'t hart, is \'t onmogelijk zelf niet gelukkig te zijn. Deze mannen werden bezield door het gevoel, dat LJhland deed juichen:
„Die Welt wird schoner mit jedem Tag —
Nur muss sich Alles, Alles wenden!\'\'
25
Deze schoone jeugdige frischheid, ja dit kinderlijke in hopen en verwachten, dit blijde vooruitzien, is wellicht het grootste raadsel dier Revolutie.
Bij onzen vluchtigen tocbt door verschillende eeuwen hebben wij bevonden, dat de tegenwoordig heerschende gezindheid in \'t verledens haars gelijke niet heeft. Er komt een enkel moment in de geschiedenis voor, dat aan den toestand van onze dagen herinnert, n.1. het tijdperk van den doodsstrijd der oude wereld. Deze overeenstemming is herhaaldelijk aangetoond. De conventioneele wereldbeschouwing had zich-zelve overleefd en eene nieuwe, die de oude vervangen kon, was niet gevonden. Men geloofde niet meer aan hetgeen de priester verkondigde en de school leerde. De theorie, waarop de wijze van leven zich grondde, wankelde en alzoo werd de laatste, van elke reden van bestaan beroofd, onzinnig en aanstootelijk. Het gevolg hiervan was, dat de menschen door eene vroomheid, eene moedeloosheid, ja, vertwijfeling overmeesterd werden, die hun het leven ondragelijk maakte. Zij vonden noch in, noch buiten zich-zelven troost, zij verloren alle hoop op verbetering, op eene gunstige wending der toestanden, en dit volslagen gemis aan vertrouwen in een lachend morgenrood, maakte den zelfmoord tot eene ontzettende epidemie, welke duizenden medesleepte. Slechts in de rampzalige dagen van den ondergang van \'t Romeinsche rijk en van het oude heidendom, vinden wij bij sommigen dien lafFen angst, bij anderen die duistere wanhoop, diezelfde spanning en die bittere veroordeeling van \'t bestaande ; vinden wij datzelfde ongeloof bij de oppervlakkigen, datzelfde pessimisme bij de denkenden terug, dat geheel ons tegenwoordig tijdperk karakteriseert.
Maar toch blijft er bij veel verwantschap nog verschil over. In het keizerlijk Rome greep het tot wanhoop gestegen verlangen naar den dood alleen de geestelijk bevoor-
26
rechten, dus in verhouding tot het geheel slechts eene kleine schare van uitverkorenen aau, terwijl de groote menigte in doffe gedachteloosheid voortsukkelde en de ontzettende tragedie van het oogenblik zich hoogstens uitdrukte in de gedaante van stoffelijken i-ainpspoed. In onze dagen daarentegen breidt die stemming zich over de reusachtige massa uit als een algemeene, den halven aardbol verduisterende schaduw, \'t Is waar, dit is eeu onderscheid van getal, niet van soort, doch juist haar omvang maakt eene ernstige ziekte zoo zorgwekkend.
IV.
Van waar nu deze ondragelijke toestanden? Van waar deze mismoedigheid, deze verbittering zonder voorbeeld, welke de denkenden van onze dagen heeft aangegrepen, juist in een tijd, die ook den armste zulk eene rijke bron van geestelijke en materiëele voorrechten vloeien doet, als oudtijds nog geen koning zich kon toeëigenen ?
Van waar? Uit dezelfde oorzaak, die de laatste Romeinen met een afkeer van het leven vervulde, waarvan zij meenden, louter door zelfmoord te kunnen worden verlost; uit het contrast tusschen onze wereldbeschouwing en alle vormen vau ons persoonlijk, maatschappelijk en burgerlijk leven. Elke onzer handelingen logenstraft onze overtuiging, bespot en weerspreekt haar. Eene onoverkomelijke diepte gaapt tusschen onze kennis, tusschen datgene wat wij als waarheid gevoelen, en de gebruikelijke instellingen, waarbij we gedwongen zijn te leven en te werken.
Onze levensbeschouwing is de natuurwetenschappelijke. Onze opvatting van den kosmos doet ons hem houden voor eene stoimassa, die als attribuut de beweging heeft, welke eigenlijk eene enkele is, in den vorm van verschillende
27
krachten door ons waargenomen. Deze nu zien wij volgens vaste wetten bestuurd, die wij ten deele kennen en beschrijven kunnen, waarvan wij sommige in toepassing brengen, andere hopen op te sporen na aanvankelijk verworven gegevens, die wij als onveranderlijk aanzien en waarbij wij geene uitzondering toelaten. Het vraagstuk omtrent de laatste oorzaak en het begiu aller dingen op te lossen, wij hebben dat opgegeven als iets, hetwelk met de ons ter beschikking staande middelen onbereikbaar is.
Gemakshalve, om voorloopig eene gedachtenreeks af te sluiten, die ten minste naar den vorm geen fragment kan blijven, nemen wij, gansch willekeurig, eene niet voldingend te staven eeuwigheid der stof als bewezen aan. Dezestelling, de eenige eigendunkelijke in ons sjsteem, is geheel voldoende om alle andere verschijnselen te verklaren en spreekt daarbij onze opvatting van de werking der natuurwetten geenszins tegen. Zij maakt voor ons de erkenning vaneen eeuwigen wil of een eeuwig denkend verstand of welken naam men »Godquot; ook geven moge, overbodig, hetgeen, behalve die willekeur en dat niet-bewezen-zijn, nog deze schaduwzijde heeft, dat er andere begrippen uit voortvloeien, als voorzienigheid, ziel, onsterfelijkheid enz., onbegrijpelijke en ongerijmde begrippen niet alléén, maar die met alle on-omstootelijk bevonden natuurwetten in botsing komen. Dalen wij nu van het groote geheel tot ons geslacht, tot de menschheid af, dan is de slotsom van onze natuurwetenschappelijke beschouwing noodzakelijk deze, dat we in den mcnsch een levend wezen leeren zien, hetwelk zonder stoornis der natuurlijke volgorde in de rij der bewerktuigde schepselen zijne plaats vervult en in ieder opzicht door de wereld der zintuigen en organen geleid wordt. Wij hebben geene reden om den mensch afzonderlijke voorrechten of eene bizondere begunstiging toe te kennen, waarop niet elk
28
ander bewerktuigd schepsel van het dieren- of plantenrjjk dezelfde aanspraken kan doen gelden. Wij gelooven, dat de ontwikkeling van het menschelijk, als van ieder ander geslacht, ^door voortplanting misschien aanvankelijk mogelijk gemaakt, in elk geval bevorderd werd en dat de strijd om het bestaan in den niimsten zin, de geschiedenis vorml, èa van het menschdoin in ziju geheel, èn van het minst ontwikkeld individu; terwijl op uezen strijd alle politieke eu maatschappelijke verschijnselen gebouwd zijn.
Dit is onze wereldbeschouwing. Uit haar spruiten al onze levensbeginselen, onze opvatting van plicht en recht voort. Zij is een natuurlijk bestanddeel van onze ontwikkeling geworden. Zij doordringt ons met de lucht, die wij inademen. Haar buiten te sluiten is eene onmogelijkheid geworden. De paus, die in de encycliek den vloek over haar uitsprak, verkeerde onder haren invloed. De leerling der Jezuïeten, dien men uit hare nabijheid tracht te houden, door hem in eene kunstmatige atmosfeer van middeleeuwsche godgeleerdheid eu scholastiek te doen leven, op dezelfde wijze als men zeedieren in binnenlandsche aquariën in water van verre zeeën bewaart — zelfs hij, de kweekeling der Jezuïeten, neemt haar in zich op, als hij de aankondigingeu op de muren der huizen leest, als hij de gewoonten des levens bij zijue broederen gadeslaat, vrome dagbladen volgt of bij een »welgezindenquot; boekverkooper een brevier koopt, — geheel zijn geestelijk bestaan is onbewust van haar doordrongen en verzadigd; hij heeft gedachten en gewaarwordingen, die de raensch der elfde eeuw niet zou gehad hebben en, laat hem het onmogelijke willen beproeven, hij zal met de grootste inspanning niets anders zijn dan een kind van den nieuwen tijd, onder den invloed der, zich in eiken schuilhoek nestelende, beschaving.
En nu, met deze levensbeschouwing, moeten wij ons in
29
eene wereld bewegen, die vergunt, dat een mensch door het toeval der geboorte eene onbeperkte heerschappi] over mil-lioenen medemenschen erlangt, -sijne gelijken niet alleen, doch waarvan er velen dikwerf beter bewerktuigd zijn dan hij; — dat een man, die onsamenhangende woorden spreekt en zinnelooze gebaren maakt, als de vleescbelijke vertegenwoordiger van hoogere machten vereerd wordt; — dat men in zekere maatschappelijke kringen, een schoon, frisch en gezond meisje niet ten huwelijk mag vragen, maar wel een leelijk, zwak, verarmd schepseltje, vermits het eerste in de zoogenaamde lagere stauden te huis behoort, en het andere van onzen rang is; — dat een ferme krachtige daglooner honger lijdt, terwijl een ziekelijke, domme leeglooper zich baadt in een overvloed, dien hij niet eens genieten kan. Wij, die gelooven, dat de menschheid uit lagere vormen ontwikkeld is, en die weten, dat alle menschen zonder onderscheid aan dezelfde wetten van leven en vergaan onderworpen zijn — wij moeten voor een koning de knie buigen, moeten in hem een wezea eerbiedigen, dat onder gunstiger levenswetten geplaatst is, eu wij mogen niet glimlachen, wanneer wij in verordeningen en op geldstukken lezen, dat hij door eene geheimzinnige »godsgeuadequot; is, wat hij is. Wij, die overtuigd zijn, dat alle gebeurtenissen in de wereld ontstaan door onveranderlijke, natuurlijke wetten, die geene afwijking gedoogen, wij moeten zien hoe de regeering priesters betaalt, wier plicht het is, plechtigheden te leiden, welke, naar men zegt, eene die natuurwetten overtreffende eu drukkende kracht op de wereldgeschiedenis en de beslommeringen van het dagelijksch leven, uitoefenen ; — wij moeten af en toe godsdienstige feestvieringen bijwonen, welke ten doel hebben zekere geheimzinnige voorrechten van een, met de natuurwetenschappelijke opvatting in tegenspraak zijnde, onbegrijpelijke hoogere macht af te smeeken, en wij eerbie-
80
digen de personen, die deze afschuwelijke tooneelen vertoo-nen, als menschen van hoogen rang in kerk en staat — of zijn althans verplicht hun als zoodanig eer te bewijzen. Wij gelooven aan den grooten en weldadigen invloed der vrije keuze bij de vereeniging van man en vrouw —, en toch verdedigen wij den conventioneelen vorm van het huwelijk, die vrije keuze buitensluit. Wij erkennen in den strijd om het bestaan den grondslag van recht en plicht —, en geven dagelijks wetten en steunen bij voortduur instellingen, die de vrije uiting der krachten belemmeren, den sterke in het gebruik van zijne overwegende gaven hinderen en de natuurlijke zegepraal over een wezen, dat geene gezonde levensvatbaarheid meer toont, als een misdrijf beschouwen, de doodstraf waardig. Zoo is geheel ons leven gebouwd op van ouds overgeleverde begrippen, die met onze tegenwoordige levensopvatting in geen enkel opzicht meer te maken hebben. Vorm en inhoud vau ons burgerlijk bestaan zijn in gedurige tegenspraak met elkander. Het raadsel van onze oüicieële beschaving schijnt wel, een dobbelsteen in een bal van gelijke grootte te passen, leder woord, dat wij spreken, iedere handeling die wij verrichten, moet daarbij noodwendig een leugen zijn tegen datgene, wat ons hart voor waarheid erkent. Zoo bespotten wij ons zeiven en spelen aanhoudend eene komedie, die ons in weerwil van de gewoonte vermoeit, telkens vordert, dat we onze overtuiging en beginselen verloochenen, en die, in oogenblikken van nadenken, ons met verachting voor het verkeer in deze wereld en — voor ons zelf vervullen moet. Honderd maal vertoonen wij ons, plechtig en met zeer welvoegelijke bedaardheid, in een harlekijnspak : wij huichelen eerbied voor personen en instellingen, die we in de hoogste mate dwaas vinden en houden op latfe wijze vast aan gebruiken, waaraan de volslagen onbillijkheid en ongerijmdheid iedere zenuw van ons wezen doortrilt.
81
De terugslag van deze aanhoudende botsingen tussehen
O O O
de geijkte levensvormen en de gezindheid van ieder individu op zijn innerlijk leven is zoo treurig mogelijk. Men is in eigen oog een clown, die het publiek doet lachen, maar zelf zijne potsen onuitstaanbaar vindt. Onkunde is zeer wel ver-eenigbaar met een zeker gevoel van dierlijk welbehagen en men kan recht gelukkig en vergenoegd zijn, wanneer men alle bestaande instellingen voor noodig en nuttig aanziet. De inquisitoren, die het ongeloot\' met strop en brandstapel vervolgden, wilden op hunne manier der menschheid eene weldaad bewijzen en hare blijde stemming handhaven. Van het oogenblik af waarop we beseffen hoe voos eu dood die instellingen, hoe \'t ijle schaduwbeelden zijn, zonder zin of beteekenis, half vogelverschrikkers, half tooneeldecoratie, moeten we al de akeligheden van den «galgenhumorquot; doorworstelen, die een levende ondervinden zou, wanneer hij in een gewelf te midden van lijken was opgesloten, of een verstandige, wanneer hij onder krankzinnigen leven moest en zich gedwongen zag op hunne zotheden in te gaan, wilde hij zich niet aan ruwe mishandeling blootstellen.
\'t Is deze aanhoudende tegenspraak tussehen onze levensbeschouwing en alle vormen onzer samenleving, deze dwang om aan leugenachtige zeden mee te doen, die ons tot pessimisten en ongeloovigeii maakt, en als een diepe scheur de geheele beschaafde wereld doorsnijdt. Bij de eeuwige tweedracht verliezen wij alle levensvreugde, alle genot in scheppen, /ij is de oorzaak van dat somber en koortsig onbehagen, dat zijne schaduw op het leven der ontwikkelden van alle volken werpt. Zij bevat de oplossing van het droevig geheim der algemeen heerschende malaise.
o o o
In de volgende stukken willen wij pogen dat contrast tussehen conventie en beschouwing na te gaan in zijne verschillende phasen.
DE GODSDIENSTIGE LEUGEN.
De meest omvattende en machtigste der inzettingen, die ons van vroegere tijden zijn overgebleven, is die van den godsdienst. Aan haren scepter gehoorzaamt degeheele mensch-heid. Zij vlecht één baud om de hoogste en laagste rassen; zij stempelt den neger van Australië tot geloofsgenoot en broeder van den engelschen lord. Zij laat geen vorm van het staatkundig en maatschappelijk leven ongemoeid, en het geloof aan hare bovenzinnelijke theorieën is de stilte of uitgesproken vraag naar een geheele reeks van feiten als mijlpalen op het gebied van ons persoonlijk leven. Er zijn nog verjcheidene beschaafde landen waar iedereen tot een bepaald kerkgenootschap moet behooren. Op overtuiging wordt minder gelet, maar noodig is \'t, dat men pro forma lid eener godsdienstige gemeente zij. Men ueemt niet meer het standpunt van Spanje in deXIVe eeuw in, van Engeland tijdens, Koningin Mary, of van de nieuw engelsche koloniën onder de puriteinsche dwingelandij, toen er met vreeselijke gestrengheid voor gewaakt werd, dat ieder burger aan de gebruiken van zijn kerkgenootschap deelnam ; maar toch is de vooruitgang nog zeer gering. Al eischt de staat ook niet langer, dat men de mis bijwone of ter biecht ga, en al wordt de misdaad, des zondags bij de godsdienstoefening te ontbreken, niet meer met de brand-mijt gestraft, toch bestaat nog in vele Enropeesche lauden
33
de wet, die inschrijving in de registers eener »geineentequot; gelast, en geregeld laat de overheid daar met behulp van gevecht en politie bij burgers inzamelingen van »vrij willigequot; bijdragen ten bate der kerkelijke instellingen houden.
De godsdienst verwelkomt den menseh bij zijne intrede in het leven. Hij is en blijft zijn volhardende, zich-zelf opdringende geleider, die hem nog bij zijn dood niet loslaat. Het kiud wordt geboren en de ouders zijn verplicht het te laten doopen, willen zij zich niet, ten minste in sommige landen, aan boeten en onaangename behandeling van regeeringswege blootstellen. De jongman wenscht te huwen: dat kan hij alleen met behulp van een geestelijke. Wel heeft men het burgerlijk huwelijk, maar vooreerst is dit niet overal aangenomen, ten tweede zijn machtige invloeden er op uit, waar het ingesteld is, het ook weer af te schaffen, en ten derde hebben de maatschappelijke gebruiken op plaatsen, waar het burgerlijk huwelijk onaantastbaar werd ingevoerd, geen gelijken tred met die wet weten te houden en nemen thans vaak den schijn aan, een huwelijk, dat niet door de kerk bezegeld werd, als onwettig te beschouwen. De wereldburger sterft: — zijne lijkkoets moet door een priester worden gevolgd, aan zijn grat\' moeten gebeden worden uitgesproken en hij kan alleen eene rustplaats vinden in ^gewijde\'\' aarde, omringd van opschriften en zinnebeeldige vrome teekenen. Herhaaldelijk kan hij zgne billijkste belangen niet anders waarnemen, dan krachtens een gelofte, die wederom de vrucht is van dogma\'s. Hij moet, als dienstplichtige, zijn leven voor het vaderland ten offer brengen, maar hij kan dat niet, zonder bij God zijne trouw aan het vaandel te zweren. Hij moet voor de balie zijn recht verdedigen, — maar mag zijne zaak niet bepleiten vóór hij den eed heeft afgelegd. Ook als jury-lid is het hem niet geoorloofd voor de on-
3
34
schuld of schuld zijner medeburgers te getuigen, dan na een eed ; als afgevaardigde, kan hij de belangen van zijn volk niet behartigen, ja nauwelijks eene openbare ambtsbetrekking aanvaarden, zonder een »pleehtigenquot; eed te doen hooren. In Engeland en Frankrijk heeft men beproefd, den godsdienstigen eed te doen vervangen door eene verklaring op eer en geweten, maar die poging ondervonden den heftigsten tegenstand. In de geheele beschaafde wereld zou moeielijk een hoekje of plekje te vinden zijn, waar de almacht van den godsdienst een bloot begrip is geworden.
De vormen, waaronder de beschaving zich ontwikkeld heeft, zijn : het huisgezin, het eigendom, de staat en de godsdienst. Welnu — geen dezer vier vormen heeft zulk een omvang, telt zoo veel persoonlijke leden als de laatste. Er zijn verscheidene menschen, die buiten het gezin leven; vondelingen en straatkinderen in groote steden, wanneer die niet op lateren leeftijd, op de eene of andere wijze er toe komen, een familie te vestigen. De armen, de geheel onvermogenden en de misdadigers van beroep, hebben niet den minsten eerbied voor de wetten van bezit — zij weigeren eenvoudig die wetten te erkennen. Te midden onzer
o o
goedgeordende en veelzijdig bestierde maatschappij, met hare overheid en haar heir van ambtenaren, leven aanzienlijke benden, die zich niet in de lijsten der regeering willen laten opnemen. Zoo, bij voorbeeld, in haast ieder land van Europa de Zigeuners ; hunne geboorten, huwelijken en sterfgevallen worden nergens opgeschreven; zij betalen nergens belasting, vervullen nergens militaire verplichtingen, staan onder geen gezag en hebben geene nationaliteit hoegenaamd. En ook al wenschten zij het, dan zouden zij bezwaarlijk als leden onzer gewone maatschappij opgenomen worden, wijl hun de verschillende, met eerbiedwaardige zegels en onleesbare handteekeningen bedekte docu-
35
inenten ontbreken, zonder welke de genummerde, van een naambriefje voorziene zoon der beschaving niet behoorlijk bewijzen kan, dat bij leeft of gestorven is. Het getal hunner die buiten godsdienst leven is daarentegen zeer gering. In Duitschland is een boud van vrijdenkers gesticht; aan de leden wordt door die instelling de gelegenheid aangeboden, om ook uiterlijk, te bewijzen dat zij de boeien van het bijgeloof, die uit vroegere tijden overgeërfde confes-sioneele vormen verbroken hebben. Na een bestaan van jaren telt de vereeniging ternauwernood duizend leden, en zelfs onder dezen vindt men er velen nog in de registers der bestaande kerkgenootschappen vermeld, In Oostenrijk is het uittreden uit de kerk geoorloofd. Maar nauwelgks vyf-honderd personen hebben van die vrijheid gebruik gemaakt, en dikwijls in \'t geheel niet uit overtuiging. De éen wenschte een huwelijk met iemand van andere gezindte aan te gaan, hetgeen als grond voor beide partijen diende om hun godsdienst vaarwel te zeggen. Sommigen waren joden, die in den waan verkeerden, dat zij minder aan de vervolging zouden blootstaan dan hunne geloofsgenooten, indien zij officieel niet meer tot de israëlietische gemeente gerekend werden. Dit motief om de synagoge te verlaten werd zoo vaak aangevoerd, dat in Oostenrijk het woord joodsch van lieverleê dezelfde beteekenis als zonder geloof verkreeg en de secretaris der universiteit te Weenen zei menigmaal, wanneer hij op zijne gebruikelijke vraag naaide religie van den student, die verlangde ingeschreven te worden, ten antwoord ontving ; »tot geen kerkgenootschap behoorendequot;, met een goedig lachje: »Waarom zegt ge maar niet ronduit, dat ge een jood zjjt?quot; — Frankrijk is het land waar de vrijheid des geestes tot dusverre de grootste overwinningen op het confessionalisme heeft behaald, in de wet, — niet op zedelijk gebied. Toch blijven ook in
36
Frankrijk de meeste vrijdenkers nog deel uitmaken van de kerk waarvan hunne ouders lidmaten waren; zij wonen de mis bij, gaan ter biecht, trouwen vóór het altaar, laten hunne kinderen doopen en aannemen en roepen den priester bij hunne stervenden. Het getal dergenen die hunne kinderen buiten doop en aanneming laten opgroeien en ten laatste voor zich-zelven eene burgerlijke begrafenis, zonder meer, verlangen, is nog niet bij honderden te tellen. In het vrije Engeland vergunt zoowel de wet als de openbare meening, het stichten van secten enz.; men mag tot het Boeddhisme overgaan of zich voegen bij de zouaanbidders der Parsen, maar men mag verklaren atheïst te zijn. Bradlaugh had den moed, openlijk zijn atheïsme te belijden. Daarvoor deed de maatschappij hem in den ban, werd hij uit het Parlement verwijderd en in kostbare rechtsgedingen betrokken. Zóó machtig is de invloed van den godsdienst op eiken geest, zoo moeie-lijk valt het, zich van de gewoonte los te maken, dat zelfs de godloochenaars, wanneer zij in het gemoed hunner me-demenschen het geloof, door een ander, met onze wereldbeschouwing beter overeenstemmend ideaal willen doen vervangen, de zwakheid hebben, voor hunne opvatting den naam te behouden, die de onnoozelheid of uaïeveteit van het menschdom in zijne prilste jeugd voegde, namelijk dien van religie. Te Berlijn en op andere plaatsen van \'t noordelijk Duitschland hebben vereenigingen van vrijdenkers geen beteren naam voor hun gezelschap gevonden, dan »vrije godsdienstige gemeente\'\' en David Friederich Straus noemt het idealisme zonder bovenzinnelijke drijfveeren ; gt;de religie der toekomstquot;. Doet dit niet onwillekeurig denken aan den atheïst uit de bekende anecdote, die uitroept: »Bij God, ik ben een atheïstquot; ?
37
II.
\'t Is hier de jui-ite plaats om een misyerstand te voorkomen. Noem ik den godsdienst eene »conve2itioneele leugenquot; der maatschappij, dan wil ik door het woord godsdienst niet het geloof aan bovenaardsche, bovenzinnelijke machten hebben aangeduid. Dit geloof toch is bij de meeste men-schen eerlijk en oprecht. Onbewust leeft het voort, ook bij mannen van de hoogste geestesontwikkeling, eh slechts enkele zonen der XlXe eeuw zijn het zoo geheel eens met de natuurwetenschappelijke beschouvring, die zij met hun verstand als de juiste hebben leeren kennen, dat de vaste overtuiging van die waarheid tot in hun duister gemoedsleven heeft kunnen doordringen. In hun hart ontkiemen gedurig weêr nieuwe droomen, onbepaalde gevoelens, onverklaarbare stemmingen, die den krachtigsten wil nu en dan te forsch worden. In deze geheimzinnige schuilhoeken bewaren oude vooroordeelen en bijgeloovige denkbeelden de overhand en dezen te verwijderen, is oneindig moeilijker dan uilen en vleermuizen uit oude torennissen op te jagen.
In dezen zin, dat wil zeggen : als een half onbewust vasthouden aan overgeleverde opvattingen, is de godsdienst inderdaad nog eene zeer algemeen verspreide geesteskwaal, die uit de kindsheid van het menschdom is overgebleven. Ik ga nog verder. Ik beweer dat dit vasthouden eene zwakheid is, ontstaande uit de onvolkomenheid onzer denkvermogens, een der vele vormen waaraan wij onze eindigheid herkennen. Ik zal beproeven mijne stelling toe te lichten, opdat zij niet duister schijne.
De taal- en volkenkunde, ook de vergelijkende mythologie hebben reeds gewichtige bijdragen geleverd tot de kennis van oorsprong en ontwikkeling der gedachte aan godsdienst^ en de zielkunde heelt eene gelukkige poging in \'t werk
38
gesteld, om uit te leggen hoe de primitieve mensch aan eane voorstelling van \'t bovennatuurlijke gekomen is, die door de beschaafde wereld in stand is gehouden. Zij heeft getracht oas de bizondere eigenschappen van \'s menschen geestelijk bestaan, welke aanleiding daartoe gaven breedvoerig te verklaren.
Eerst duizenden jaren na het begin der beschaving, tal-looze geslachten na veelzijdige denkers als Pythagoras, Socrates en Plato, kwam een helder hoofd tot het besef, dat zekere voorstellingen niet als feitelijk aanwezige toestanden, maar louter als vormen van ons denkvermogen beschouwd moesten worden. Bij het flauwe schemerlicht van een rijperen geest moesten deze voorstellingen het oorspronkelijk denken van den onbeschaafde met eene macht be-heerschen, waarvan een zoon der XlXe eeuw, die aan het vormen van begrippen gewoon is, zich geen denkbeeld kan maken, evenmin als van de ontzettende inspanning die het den ontwikkelde kosten moest, om die ideeën in zich op te nemen.
Voor den wilde zijn tijd, plaats en oorzaak evengoed concrete en stoffelijke dingen, als de voorwerpen, die hem omgeven en die hij met het grofste zijner zintuigen, den tastzin, kan waarnemen. De tijd is in zijne verbeelding een monster, dat zijne kinderen verslindt; plaats en ruimte is voor hem een muur, die den horizon omspant en beperkt, of hij denkt aan een samenvloeien van den koepelvormigen hemel met de aarde; den grond voor het bestaan aller dingen beseft hij als zóó noodwendig, zóó onafscheidelijk aan hunne verschijning verbonden, dat hjj er de gedaante aan geeft, die hem het natuurlijkste voorkomt, te weten ; van met bewustheid verrichte daden van een schepsel, dat hem-zelf gelijk is. Valt een boom in zijne bosschen, dan moet een bewerktuigd wezen dien hebben omgeworpen;
39
siddert de aarde, dan moet er vast iemand haar hebben doen schudden en dewijl \'de voorstelling van niemandquot; voor zijn zwakken, ongeoefenden geest nog te vaag, dus onbegrijpelijk is, zoo verleent hij gemakshalve daar den vorm aan van een mensch. Diezelfde gedachtengang wordt in hem opgewekt door alle natuurverschijnselen, alle gebeurtenissen in zijne omgeving. Slaaf van zijne opvatting, dat alles eene oorzaak moet hebben, zoekt hij een reden van bestaan voor alles en vermits hij de oorzaak der handelingen, die hij volvoert, in zijn wil vindt of meent te vinden, brengt hij deze persoonlijke waarneming op de natuur over en herkent in hare uitingen de willekeur van een menschelijk wezen. Hier vertoont zich voor het eerst eene reden tot verbazing. Wanneer zijne vrouw met behulp van twee stukken hout, die zij tegen elkaar wrijft, vuur aanmaakt, wanneer zijn stamgenoot met de bijl een dier doodt, dan nemen zijne zintuigen de oorzaak waar van het ontvlammende vuur en het nederstortende dier. Maar vernielt de storm zijne hut, of wondt hem de scherpe hagel, dan ziet hij geen persoon, die hem dit onheil berokkent. Geen twijfel, geene gedachte aan \'t bestaan van zulk een wezen is bij hem opgekomen, want zijne hut ligt aan stukken en de wond, welke de hagel hem heeft toegebracht, bloedt — noodzakelijk moet iemand dit hebben gedaan, en hebben willen doen. Dewijl hij nu den misdadiger niet vinden kan, wordt zijn geest door den benauwenden angst beheerscht, die het gevolg is van onbekend gevaar, waartegen men zich niet vermag te wapenen ; dat gevoel van vrees voor een onzichtbare geest is de aanvang van den godsdienst.
Inderdaad, alle reisbeschrijvers, die gelegenheid hadden de wilden gade te slaan,.zijn \'t er over eens, dat het religieus gevoel zich bij dezen uitsluitend als bijgeloovige vrees openbaart. En dit is natuurlijk. De onaangename gewaar-
40
wordingen zijn niet alleen menigvuldiger maar ook veel sterker dan de aangename, en wekken eene veel grootere innerlijke en uiterlijke bedrijvigheid. Het aangename wordt eenvoudig tijdelijk aangenomen ; de geest behoeft zich daarbij niet in te spannen; hersenen, spieren en zenuwen blijven er kalm bij. Eene onaangename gewaarwording dringt zich onmiddellijk aan ons bewustzijn op en brengt eene reeks van handelingen als noodzakelijk gevolg mede, zoo voor de wilskracht als voor het denkvermogen, ten einde de aanleiding te ontdekken en daarin het middel tot opheffing te vinden. Hierdoor heeft Je primitieve mensch veel spoediger de vijandelijke machten in de natuur leeren onderscheiden dan de zegenende. Dat de zon hem verwarmt en de vrucht hem voedt, is hem onverschillig ; hij spant zijn geest niet in, of het moet noodig zijn, en zich koesteren eu de hem gebodenvrucht verorberen kan hij best zonder er bij te denken. Gevaren en tegenspoeden daarentegen brengen zijn geest in beweging en bevolken het rijk zijner verbeelding met duurzame figuren. De mensch moet reeds op een vrij hoogen trap van ontwikkeling gekomen zijn, om ook de aangenaamheden des levens duidelijk te beseffen, en ze niet enkel instinctmatig, maar met bewustheid te genieten. Alleen gevorderde beschaving leert hem ook hier den wil van een wezen aan hem-zelven gelijk als oorzaak zoeken, en met liefde, bewondering en dankbaarheid tot dien bewerker van het goede opzien. Zoo lang hij nog niet op deze hoogte van ontwikkeling staat, vergenoegt hij zich met een gevoel van angst en schuwheid tegenover die ontzichtbare macht, die in storm, donder en bliksem tot hem komt, hem met allerlei kwalen en ziekten pijnigt en hem smarten en zorgen oplegt.
Uit het gevoel vau vrees ontstaan alle eerste uitingen van den godsdienst. Men schroomt iets te doen wat den on-
41
zichtbaren vijand zou kunnen belgen, en de opgewekte, kinderlijke verbeeldingskracht, de levendige gedachtenloop van den primitieven mensch, doen hem in alle mogelijke gebeurtenissen den toorn des geweldigen vijands zien. Is hij belee-digd, dan moet men hem zooveel mogelijk trachten te verzoenen. Men bevredigt zijne hebzucht, door hem geschenken aan te bieden en offers te brengen. Men streelt zijne ijdelheid, door hem te vleien en zijne deugden hoog te verheffen. Men verootmoedigt zich voor hem, tracht hem door smeeking te vermurwen ; waar het te pas komt, ook wel door bedreigingen schrik aan te jagen. Gebed, offers en bezweringen vertolken dus allen hetzelfde gevoel, waaruit Darwin ook de vormen van \'t groeten bij menschen en dieren afleidt: het kwispelstaarten of kruipen van den hond, het spinnen van de kat, het buigen en hoed-af-nemen van den beschaafden mensch. Hij ziet in al die bewegingen daden van onderwerping aan eene tegenpartij, die sterker is dan degene die groet.
Laat ons het hier aangevoerde kortelijk samenvatten. Het geloof aan eene oorzaak van al het bestaande, dat een vorm of categorie van ons denken is, wordt door den primitieven mensch grof zinnelijk uitgedrukt. Hij zoekt voor alle gebeurtenissen die hem verontrusten, eene oorzaak in zijne nabijheid. Zijn onvermogen om zich zuiver abstracte voorstellingen te maken, doet hem in zijn eigen gedachtenkring louter werkelijk bestaande dingen opnemen en dezen vertoonen zich aan zijne verbeelding steeds in den vorm van bekende figuren. Op deze wijze komt hij tot het Anthropomorphisme, d. i. hij stelt zich iedere natuurkracht, al wat in staat is een phenomeen te doen worden, voor in de gedaante van een met bewustheid handelenden mensch, die bij een vrijen wil de werktuigen ter uitvoering bezit. Hij kan eene kracht niet begrijpen, die van den geörganiseerden vorm, waarin hare handelingen zich aan zijn oog voordoen, onafhankelijk zou
42
wezen. Zijn geloof aan eene oorzaak aller dingen noopt hem dus tot het aannemen van een grond voor ieder verschijnsel, voor iedere gebeurtenis; zijne onmacht om zich alleen geestelijke voorstellingen te maken, doet hem de natuur rondom en boven hem, als door één of meer persoonlijke goden bevolkt schijnen, en zijne vrees voor deze zijne vijanden, brengt hem op de gedachte van offeranden en gebeden, in één woord, tot een uiterlijk eerbetoon.
Dit is het ééne beginsel van den godsdienst bij den oer-menscb, en dat de ontwikkelde nog niet geheel uit het oog verloren heeft. Groote, geoefende geesten, die genoeg hebben gepeinsd om tijd en ruimte niet meer als iets stoffelijks te beschouwen, ondervinden nog vaak den invloed van de zucht om voor alles eene bron op te sporen. Zóó ver gevorderd, dat ze in de oorzaak een vorm van ons denken zien, in plaats van een vereischte voor \'t bestaan van alle dingen, zijn ze nog niet. Die voorstelling der onzichtbare macht in menschelijke vormen, vindt men nog voortdurend. Niet alleen bij het kind, dat door sprookjes gesticht wordt, waarin wind en boomen spreken en de sterren huwelijken sluiten, maar ook wel degelijk bij volwassenen. In verborgene schuilhoekjes van hun hart bewaren zij nog steeds de herinnering aan de gewoonte hunner jeugd en de nawerking daarvan. Zonderling, maar toch van beteekenis is het, dat de hedendaagsche modewijsgeer zijn systeem op dezelfde hypothesen heeft gebouwd, waaruit de allereerste wereldbeschouwing der tijdgenooten van den spelonkbeer en die onzer Australische negers ontsproten is, nameljjk de stelling, dat het bestaan van een wil de voorwaarde is, niet enkel voor iedere handeling, maar ook voor \'t aan wezig zijn van ieder voorwerp. Dit overbrengen van dikwerf door ons waargenomen bewegingen op de dingen, die ons omgeven, dit streven om ons hun aanzijn door een voorhanden wil udi-
43
delijker te maken, omdat men ook van-zelf aan de voorstelling van efi mensch het denkbeeld vastknoopt van een wil, die al zijn doen en laten beheerscht, behoort bepaald in het eerste tijdperk der ontwikkeling van den menschelij-ken geest. Al heeft Schopenhauer door verfijnde uitdrukkingen en door eene zorgvuldige inkleeding in de taal dei-wetenschap, zijn systeem een deftig aanzien weten te geven, ten einde het bij de beschaafde wereld ingang te doen vinden, het blijft toch, wat zijn inhoud betreft, het grootste atavisme, waarvan de geschiedenis der wijsbegeerte ooit gesproken heeft; en deze is toch niet anders dan eene geschiedenis van het telkens terugkeeren des menschelijken geestes tot vroegere dwaasheden en droomen, die hij waande overwonnen te hebben. Wanneer nu een denker als Schopenhauer de onbewerktuigde dingen om ons heen door een wil gelijk dien van den mensch laat bezielen, met het doel hun bestaan te verklaren (ofschoon er nog gewichtige verschijnselen in \'t menschelijk lichaam plaats grijpen b u i t e n zijn wil, o.a. de stofwisseling), wanneer nu die opvatting door vele ontwikkelde lieden beilamd wordt, moet men het dan niet zeer natuurlijk vinden, dat de eenvoudige mam-mouth-jager, in zijne onnoozelheid, de natuur slechts begrijpen kon, wanneer hij achter hare openbaringen een factor zocht naar zi.jn eigen beeld en gelijkenis, maar noodwendig sterker en krachtiger dan hij, met een grootere knots en met meer honger dan hij en dat, hij op deze wijze tot de gegevens van den godsdienst kwam ?
Maar de stelling, dat er een wil voorhanden is als oorzaak van alles in de natuur, het geloof aan een of meer persoonlyke goden, is slechts een deel van den godsdienst. Deze bepaalt zijne bovenzinnelijke verklaringen niet tot de natuur alle en, maar strekt die ook uit tot den mensch en de plaats, welke deze in de natuur inneemt. Tot de
44
godsdienstige stellingen behooren ook die van het bestaan eener ziel in den menscli, die na zijn dood blijft voortleven. Het geloof aan God wordt door het geloof aan onsterfelijkheid eerst tot een afgerond systeem, geschikt om als basis te dienen voor eene algeheele regeling der maatschappelijke verhoudingen en zeden. Met dit systeem is eene scherpe grenslijn tusschen goed en kwaad, tusschen deugd en zonde mogelijk; in eene toekomstige vergelding, beloonin g of straf, vindt het de middelen om de handelingen der menschen te besturen en de eerste voorwaarde tot die vergelding, is de onsterfelijkheid van den persoon met zijne belangrijkste kenmerkende eigenschappen; gevoel en gedachte. Intusschen is het geloof aan de ziel en hare onsterfelijkheid niet meer eene uitwerking of een gevolg van het geloof aan eene oorzaak van alle dingen, noch van het geloof aan een persoonlijk wezen in menschelijke gedaante, dat die oorzaak vertegenwoordigt. Het ontspringt uit geheel ander psychologische bronnen, die wij nu trachten willen wat dieper te peilen.
Men heeft er vaak over geredetwist of het geloof aan de ziel en hare onsterfelijkheid op het geloof aan God gevolgd is, of dat het eerste het laatste is voorafgegaan ; of niet vele godsdienstige voorstellingen zich opklimmenderwijze ontwikkeld hebben langs het geloof aan den invloed der booze geesten. Dat verscheidene oude volken en wilde stammen uit den nieuweren tijd huu geloof aan de ziel voor een belangrijker deel van den godsdienst houden dan \'t geloof aan een hoogste wezen, daarvan getuigt de cultus der Egyptenaren voor hunne dooden, de Laren- eu sehimmenvereering dei-Romeinen, het drinken van \'t bloed hunner verslagene vijanden bij de oude Celten en Germanen, het eten van menscuenvleesch bij sommige bewoners van binnen-Afrika en der Zuidzee-eilanden. Zeer zeker doen de laatsten dit
45
niet uit een onweêrstaanbaren trek naar vleesch, zooals oppervlakkige beschouwers het hebben verklaard, doch in de geheimzinnige hoop, dat de keumerkende eigenschappen van den verslagens op hem, die er van eet, zullen overgaan. Over het geheel is de vraag welk geloot\', dat aan God, of aan de ziel, het oudste is, van ondergeschikt belaug. Zoo veel is zeker, dat de meusch al vroeg op het denkbeeld is gekomen, dat er iets van ziju lichaam onafhankelijks in hem bestaat als levensbeginsel en dit »ietsquot; aan den dood niet onderworpen kan zijn, maar na vernietiging van den uiterlijken vorm blijlt voortduren. Tot die eerste opvatting moest eene onvolledige kennis der natuurwetten hem van-zelf leiden. Men nam in den levenden mensch verschillende geheimzinnige bewegingen waar :
O O O O
het kloppen van zijn hart, den slag zijner polsen. Bij den doode was alles stil en onbewegelijk. Nog thans getuigt de rol, welke ons taalgebruik het hart, als woning dei-gewaarwordingen en gevoelens, laat spelen, van de belangstelling die het den menschen reeds vroeg heeft ingeboezemd. Voor ongeoefenden is niets zoo licht als \'t in geregelde orde aaneenvoegen van opvolgende gebeuitenissen en deze aan eene gemeenschappelijke oorzaak toe te schrijven. In den dooden mensch beweegt en trilt niets; hetgeen in den levende springt of klopt, moet dus iets zijn wat bij het leven behoort. Leeft men, dan is het aanwezig ; sterft men, dan verdwijnt het en verlaat het lichaam. Wat is het ? Op deze vraag antwoordt de verbeeldingskracht van den eersten mensch verschillend. De meeste volken stemmen hierin overeen dat zij aan de ziel, het groote gegeven, den vorm van een dier verleenen. Bij den éenen stam is de ziel eene duif, bij den andere een vlinder. Die volken welke zich eene meer afgetrokkene voorstelling vermogen te vormen, verbinden er het denkbeeld aan van eene
46
windvlaag of eene schaduw. Door die opvattingen wordt het mogelijk, de verontrustende en onverklaarbare verschijnselen van slapen en droomen derwijze op te helderen, dat de onontwikkelde er-meê tevreden is. De ziel, deze stoffelijke en bewerktuigde bewoonster des lichaatns, gevoelt van tijd tot tijd behoefte om hare gedwongen gevangenis te ontvlieden. Dan vervalt het lichaam in een toestand, gelijk aan dien weikeu het te wachten heeft als de ziel het voor goed heeft begeven ; het weet en gevoelt niets, het beweegt zich niet: het slaapt. De ziel houdt iutusschen ergens anders verblijf; zij doet en ondervindt allerlei dingen, waarvan haar duistere herinneringen bijblijven, wanneer zy in hare eigenlijke woning teruggekeerd is : dat zyn droomen.
Jacob Grimm deelt ons eene sage mede, volgens Paulus Diakouus, waarin van den Frankischeu koning Guntram wordt verhaald dat eens, toen de vorst, op jacht zijnde, in slaap was gevallen, zijn knecht gezien had, hoe eene kleine slang uit den mond van zijn heer kroop, en zich vlug tot aan de beek bewoog, die zij niet over kou. De dienaar des konings had toen zijn zwaard uit de scheede getrokken en dit over de sloot gelegd. Het diertje had daar gebruik van gemaakt, om na een paar uren terug te komen en weder in Guntrams mond te verdwijnen. Toen deze ontwaakte, vertelde hij zijn geleider dat hij van een groote rivier had gedroomd, met een ijzeren brug ; over die brug was hij gegaan enz.
Waar bevond zich nu deze geheimzinnige bewoonster van \'t menschelijk lichaam, die het groote raadsel van leven en dood, van slapen en droomen, zoo juist en bevattelijk verklaart, vóór de geboorte vau den vorst en waarheen gaat zij als hij gestorven is ? Zij huisde vroeger in andere lichamen en zal zich later in weer andere vestigen : dit
47
is het geloof aan de zielsverhuizing. Of zij ontstaat tegelijk met het lichaam dat haar herbergt en blijft ook na den dood van den mensch in zijne nabijheid: dat is de oud-egyptische voorstelling, die het zorgvuldige verplegen der lijken medebrengt. Dat de ziel met het lichaam te-gelijk vergaan zou, neemt de primitieve mensch nooit aan. En ook dit is weder natuurlijk ; het begrip van absoluut »niet-zijnquot; is voor het menschelijk brein nauw bereikbaar ; het staat hem tegen, en zich die beschouwing geheel als waar toe te eigenen is hem onmogelijk. Men mag toch van eene machine geen werk verlangen, dat hare inrichting haar niet veroorlooft. De voorstelling van het niet-bestaan is een arbeid, die de kracht van het menschelijk denktoestel te boven gaat. Men spreekt wel eens van \'t »horror vacuiquot; der natuur; met betzelfde recht kan men een »horror vacuiquot; van \'t menschelijk denken aannemen. Zijn ik denkt in den mensch ; de aanwezigheid van dit ik vormt den grondslag, de conditio sine qua non van dat denken. Zonder ik geen begrip van iets, geene gedachte, ja geen besef. De voorstelling van het niet-zijn wordt evenzeer door het ik ontvangen, maar terwijl het ik zich inspant om zich het »niet-zijnquot; te verklaren, heeft bet tevens de volle bewustheid van zijn bestaan, en op die tweeërlei werkende gewaarwordingen stuit eene duidelijke opvatting van het niet-zijn af. Voor deze opvatting zou het ik een wijle moeten nalaten, zich als bestaand te gevoelen, dat wil zeggen; het zou onbewust moeten zijn, het zou niets mogen denken. Maar dan zou de gedachte van niet-zijn ook geen plaats kunnen hebben. Hier vinden wij dus den circulus, vitiosus dien de mensch door den aard zijner denk-machine nooit verlaten kan. Zoolang hij denkt, is zijn ik zich volkomen van zijn bestaan bewust en kan het alzoo de gedachte van niet-zijn niet wezenlijk in zich opnemen. Is hij nu echter in
48
een toestand van bewusteloosheid, dan denkt hij niet, dus óók de gedachte niet van niet te zijn. Door wonderlgke afgetrokken redeneeringen is de Indische wijsbegeerte tot de voorstelling van het Nirvanah, van het volstrekte niets, de absolute bewegingloosheid en onstoffelijkheid gekomen. Dit deakbneld kan het menschelijk brein beter bevatten, maar tegen een ondergang van ziin ik bij den voortduur van hetgeen hem omgeeft verzet hij zich met al de kracht, die in. hem is. Hoe, deze dingen, die louter voor ons bestaan, omdat wij ze waarnemen, van wier aanwezig-zijn buiten den kring onzer gewaarwordingen we ons niet eenmaal de geringste voorstelling kunnen vormen, zouden blijven, en wat hun eigenlijk in \'t leven riep, het ik, zou vernietigd worden ? Dat is niet denkbaar. Dat te-gelijk met het ik de geheele wereld ophoudt te bestaan en dan het nirvanah een aanvang neemt, is eene mogelijke, in zekeren zin zelfzuchtige voorstelling, die niet van allen troost ontbloot is. Maar dat het ik sterft en de geheele natuur en de menschenwereld rondom ons zal blijven zooals zij is, zonder verandering, door het heengaan van ons persoonlijk ik teweeggebracht, — dit is een beeld, dat in de lijst van ons denkvermogen niet past, dewijl ons denken juist op dat ik gegrond is. Wij kunnen elkaar met een stortvloed van fraaie bewoordingen trachten te overtuigen, dat we ons eene duidelijke, aanschouwelijke voorstelling daarvan maken; al herbalen wij de stellingen en formules nog zoo lang, tèch hebben wij van het niet-zijn geen klaarder besef dan van de oneindigheid, die wij ook wel ouder formules kunnen brengen, maar nimmer in onze hersenen opnemen. Men mag het inderdaad eene buitengewone overwinning van den menschelijken geest achten, dat sommige bevoorrechte genieën tot een schimachtig, niet in woorden uit te drukken vermoeden zijn gekomen van de
49
beteekenis dezer beide voorstellingen, vau het niet-zijn en van de oneindigheid. Ware zoo iets mogelijk, dan zou men «leze resultaten een boven zijne macht gaan kunnen noemen, een buiten de grens treden van het menschelijk denkvermogen. Hoe zou de primitieve meiiseh ooit in staat geweest zijn, zulken bovenmenschelijken geestesarbeid te volbrengen ? Deze moest eerst dour veel duizenden jaren van strenge oefening en tucht des geestes worden voorbereid. Bij geringe ontwikkeling van het denkvermogen moest het niet-zijn voor den mensch onbegrijpelijk, de eeuwige voortduurvan het ik natuurlijk, ja niet anders denkbaar wezen. Hij moest wel tot de grove opvatting van eene lichamelijke opstanding uit de dooden geraken en tot de fijnere van eene onsterfelijkheid der ziel. Ofschoon men zich deze niet tastbaar dacht, verbond men er toch de kenmerkende meeste-
O
lijke eigenschappen van den persoon aan, t. w.: wilskracht, bewustzijn en voorstellingsvermogen.
Dit nu bedoelde ik, toen ik hierboven een godsdienst eene zwakheid noemde, die aan de onvolmaaktheid van ons denkvermogen haar ontstaan verschuldigd en éen der vele vormen onzer oneindigheid is. Door de werking van het geloof aan eene oorzaak aller dingen cn door het onvermogen om zich de krachten der natuur anders te verbeelden dan onder bekende organische vormen, waaruit als noodwendig gevolg het geloof voortsproot aan een persoonlijk wezen, dat hoewel machtiger dan hij, toch in menschelijke gedaante leeft, kwam de mensch tot een godsbegrip. Door de onjuiste kennis der natuurwetten, en onnauwkeurige waarneming van de verschijnselen van leven en dood, van slapen en droomen, geraakte hij tot de voorstelling eener ziel, en door de onmogelijkheid van het ik, zich als niet-bestaande te denken, tot het geloof aan de individueele onsterfelijkheid in welken vorm dan ook.
4
50
liet aanuemen van een voortduren na den dood is louter eene phase van den drang tot zelfbehoud, gelijk deze laatste niets anders ■ is dan de vorm, waarin we ons van de levenskracht, die iedere cel van ons organisme vervult, bewust worden. De kracht tot leven is met den wil om te leven identiek. Wie vaak bij sterven tegenwoordig is geweest, die weet, hoe licht iemand zich met de gedachte aan den dood verzoent, wanner hij zich werkelijk door ouderdom of ziekten voelt uitgeput, en hoe ontzettend moeie-lijk het hem valt, zijn einde voor noodzakelijk aan te nemen, wanneer hij door een ongeluk getroffen wordt in den bloei en de kracht zijns levens, dat hein nog zulk eene schoone toekomst beloofde. De zelfmoord is alleen schijnbaar met dit beweren in tegenspraak. Hij veronderstelt een uiterst sterke wilskracht, die ook reeds op zich-zelt eene openbaring van sterke vitaliteit moet zijn. Het zou dus, oppervlakkig beschouwd, den schijn hebben als stond hier de levenskracht tegenover den wil om te leven, edoch in werkelijkheid is de zelfmoord, voor zoover hij het gevolg niet is eener oogeublikkelijke verstandsverbijstering, een ondoelmatig middel, waarmee zich het leven tegen dreigende gevaren verweert. Men vermoordt zich-zelf uit vrees voor beletselen om te leven en men zou tot dit uiterste niet overgaan, wanneer men niet onbewust aan het leven gehecht was. Immers, dan zou er geen reden zijn om deze onspoeden te duchten, die in \'t ergste geval toch maar het leven kunnen vernietigen. Iedere zelfmoord heeft iets van de vaak opgemerkte handeling van den soldaat, die zich het leven beneemt nog vóór den slag, zoo heeft de angst voor komende gevaren hem aangegrepen. Hem drijft dus zeker geene levenszatheid of onverschilligheid voor den dood. maar juist zijn zucht om te leven, een tot waanzin gestegen verlangen, maakt hem schuldig. De stelling dat levens-
51
kracht met levenswil identiek is, gedoogt geen uitzondering, en deze neiging om te leven houdt zelfs in \'t aangezicht des doods niet op te bestaan.
Ons organisme, dat in iedere cel, iedere zenuw zijn le-■ven gewaar wordt, is niet bij machte zich van een geheel ophouden dezer vruchtbare en heerlijke beweging in ons een duidelijke voorstelling te vormen. Ieder individu gevoelt zijn eigen bestaan als iets eeuwigs, acht zijn eigen uiteinde iets ondenkbaars, hoewel het — vreemde tegenstrijdigheid voorwaar! — het afsterven van een ander individu zeer goed in zijn hersens kan opnemen. Alleen de zeer ontwikkelde, energiek mensch geraakt met behulp van een aantal moeielijke abstracties en analogieën, welke dienst doen als zooveel laddersporten, tot zeker denkbeeld, dat hem met de waarheid der vernietiging van zijn persoonlijk bestaan moet verzoenen. Zijn geest, of liever zijn hart komt ten laatste aan \'t besef van eene zóó innige solidariteit des enkelen met heel zijn geslacht, dat hij de later geboren generatiën als de onmiddellijke vervolgen op de vorige beschouwen, en in den voortduur der raenschheid troost en vergoeding voor het vergankelijk van hem-zelf en anderen putten kan.
Dezelfde oorzaken, die in den oermeusch bovenzinnelijke voorstelling hebben gewekt, werken in den beschaafden mensch van tegenwoordig deels nog bij sommigen in hun eersten vorm na, deels oefenen zij ook hun invloed uit op het gebied des onbewusten. Tot het begrip van een machtig wezen in menschelijke gedaante is een iegelijk geneigd, die de ontluiking en ontwikkeling zijner voorstellingen niet met de grootste strengheid bewaakt; en wijl het zoo gemakkelijk valt, afgetrokkene denkbeelden in gemeenzame vormen te kleeden, betrapt ieder onzer zich gedurig er-op, dat hij zich van het onzedelijke een grof-zinuelijke voor-
52
stelling maakt, die met de orgauisclie gebeurtenissen uit dieren- en plantenwereld samenhangt,
\'t Is heden nog even moeilijk, ja onmogelijk als vro3gerr zich het ophouden van het eigen bestaan anders dan uitwendig te verbeelden. In de sfeer van \'t onbewuste werkt het aloude bijgeloof erfelijk voort. De overerving, zegt de f\'ransche wijsgeer Th. Kibot, is voor de soort datgene wat voor het individu het geheugen is. Korter: de overerving is het geheugen dei- soort. In iedereu enkelen mensch leven dus de voorstellingen en opvattingen zijner voorouders, in den vorm van menigmaal onbewuste, van duistere maar altijd aanwezige herinneringen voort, die slechts eene kleine opwekking van buiten behoeven, om in vollen gloed op te flikkeren en het geheele zieleleven te doortintelen. De overerving is een wet, die wij niet kunnen ontduiken. Evenmin als wij-zelf onzen lichaamsbouw of de ruimte van onzen gezichtskring kunnen bepalen, zijn we in staat, de physionomie van ons denken te wijzigen. Hieruit verklaren zich die voorbeelden van onbedwingbaar bijgeloof, die wij met droefheid en verbazing somwijlen bij schrandere koppen waarnemen, alsook die buien van godsdienstige dweperij, waaraan vooral dichterlijke naturen onderhevig zijn, vermits in deze het gevoel van herediteit zoo sterk ontwikkeld is. Deze bron van bovenzinnelijke voorstellingen kunnen wij slechts zeer langzaam, door vele geslachten heen, doen opdrogen, en misschien zal eerst na duizenden van jareu de mensch er-toe komen, de verschijnselen der natuur en des levens op natuurwetenschappelijke gronden met oordeel te verklaren, omdat honderd generation hem voorgingen in eene bijgeloovige en irrationeele opvatting dier verschijnselen en omdat niet honderd, maar wellicht honderdduizend geslachten vóór ons de gewoonte hadden gebrekkig te denken.
Bij deze oorzaken, die, nadat zij het transcendentalisme ■deden geboren worden, het nog bij voortduring in den menschelijken geest onderhouden, komen nog andere, die op zich-zelf staande niet machtig genoeg zouden geweest zyn om de voorstellingen eener godheid, eener ziel en harer onsterfelijkheid in \'t leven te roepen, maar die toch, uu die voorstellingen er eenmaal zijn, belangrijk veel tot hare -opbouwing bijdragen. Eene dezer bijkomende oorzaken van het voortbestaan van godsdienstige gewaarwordingen in des nienschen hart, trots de verlichting van onzen tijd, is de natuurlijke lafheid van den mensch, die ongaarne een Hinken bondgenoot loslaat en er nauwelijks aan denken durft, op eigen wieken te drijven, zich op eigen kracht te moeten verlaten, op geen onzichtbaren helper en redder te rekenen. Zelden brengt het menschdom een individu voort, dat overtuigd van zijne sterkte en hoog door deze overtuiging gedragen, bereid is, het leven als de worsteling van één man op te vatten, waarbij lemmer en schild kloek en beleidvol dienen gehanteerd te worden, om als verwinnaar of voor \'t minst onverlet van het slagveld terug te keeren. Deze menschen bij uitzondering, die het edelste, volmaakte type van ons geslacht vertegenwoordigen, worden voorgangers eener partij, veroveraars, herders der volken. Zij versmaden den heir weg en treden als baanbrekers voor het nieuwe op. Maar de groote kudde mist die fiere onafhankelijkheid. De alledaagschen begeeren den strijd óm het bestaan volstrekt niet als een persoonlijken kamp uit te vechten, maar gaan in massa, in gesloten gelederen. Zij verlangen spitsbroeders aan beide ellebogen en in de flank, zoo mogelijk ook vóór zich uit. Zij willen commando\'s hooren en hunne daden door hoogere aansprakelijkheid bepaald zien. Dezulken klampen zich aan het geloof vast als aan een troostrijk wapen. Welk een geruststelling, zich te kunnen verbeelden,
54
dat men midden in gewoel en gevaar, onder de bizondere hoede Gods, onder de vleugelen van een schutsengel staat ï Men geniet op deze wijze de voldoening, als simpel handwerker of daglooner het voorrecht met Achilles te deelen, die in het heetst van den ïrojaanschen krijg door het schild van Pallas Athene beschermd werd. En welk een gevoel van sterkte geeft het bewustzijn dat in iedere omstandigheid des levens men een machtig wapen bij zich draagt — het gebed! Men vervalt niet licht tot wanhoop, wanneer men weet, elk ongemak door een woord of eene aanroeping te kunnen afwenden
Ik stel hier een kras voorbeeld. Een luchtreiziger tuimelt op duizend voet hoogte uit het schuitje van zijn ballon. Is hij een vrijdenker, dan voelt hij, dat hij onherroepelijk verloren is en geen macht ter wereld verhinderen kan, dat zijn lichaam eenige seconden later als vreeselijk verminkt lijk op den grond ligt. Is hij daarentegen een geloovige, dan blijft hem onder het vallen, zoolang hij by zijn verstand is, de hoop, dat eene ontzichtbare kracht, welke hij door een schietgebed voor zijn belang tracht te winnen, te zijnen behoeve de natuurwetten eventjes zal tegenhouden en hem zacht en ongedeerd zal neêrlaten. Zoolang het bewustzijn duurt, wordt het door den drang tot zelfbehoud beheerscht, en blijft steunen op zijn recht om tegen zijn doodvonnis, hoe onvermijdelijk dan ook, zich op eene fabelachtige verdwenen kans te beroepen. De menschelijke ziel heeft geen kostelijker goed dan hare illusiën. Kan er nu wel eene grootere, eene troostrijker\' illusie bestaan dan het zelfbedrog door geloof en gebed ? Daarom zullen alledaagsche menschen, in oogenblikken van nood, steeds aan vlagen van terugkeerend kinderlijk bijgeloof lijden, zoolang zij van de natuurwetenschappelijke levensbeschouwing niet genoegzaam doordrongen zijn, om den dood van een enkel wezen, ware
55
het huii eigen dood, als een feit van de nietigste beteekenis voor het mensehelijk geslacht aan te merken, en zoolang de solidariteit der menscheu niet zoo algemeen en vast geregeld is, dat elk individu met onbepaald vertrouwen voor ieder gevaar hulp zoekt bij zijn naaste, en niet bij onzienlijke, bovenaardsche machteo.
Eeu tweede oorzaak van dat voortbestaan van godsdienstige opvattingen, die ik bijkomstige heb genoemd, is de behoefte aan een ideaal, dat in ieder menschenhart, ook in het ruwste als geworteld is. Wat is het ideaal? Het verwijderde beeld, waarnaar de mensehheid zich ontwikkelt en naar volmaaktheid streeft; niet alleen het type van lichamelijke schoonheid, maar ook van gemoedsleven, denkwijze, onderling verkeer. De drift naar dat ideaal, het heimwee er-naar, is iederen lichamelijk en geestelijk normalen mensch aangeboren; hier is spraak van iets organisch, dat juist niet noodzakelijk bewust moet zijn, ja waarin ook bij den meest ontwikkelden denker veel o/ibewnstheid schuilt. Wie ooit een spoorwegdijk heeft zien* aan leggen, die weet hoe dit geschiedt: eerst plant men houten ramen, die het profiel van den dam aanwijzen, en dan werpen de arbeiders er zóó lang zand en aarde op, totdat de hoop den aangegeven vorm en hoogte bereikt heeft. Ieder levend wezen heeft in zich-zelf een ontwikkelings- en beschaviugs-plan, dat te zijnen opzichte dezelfde beteekenis heeft als de latten met betrekking tot den dijk ; dit plan ontstaat a priori, met een onzichtbaar, echter hoogst wezenlijk raam, waarin het opgroeit, \'t welk het tracht te vullen, evenals de dijk in zijn voorgeschreven profiel grooter wordt. Heeft een bewerktuigd lichaam den vorm bereikt, die de uiterste grens van zijn ontwikkelingsvermogen uitmaakt, dan heeft het zich zelf geïdealiseerd. Meestal blijft het individu verre achter zijn type, maar het pogen er-naar is toch de geheimzinnige motor van zijne
5(3
outvvikkeling, van alle organische bewegmgen iu hein. De soort heeft haar doelwit en alles wat uoodig is om dit te bereiken eveuzoo iu zich-zelf als het individu. Gelijk het individu heeft iedere specie hare wetten vau wasdom. Zij wordt geboren met den aanleg om eene bepaalde hoogte te bereiken, om sterk eu groot te worden en een vasten tijd te leven ; zij groeit tot aan eene zekere grens, neemt dan weer al\' eu verdwijnt ten slotte, om plaats te maken voor andere, edeler vorming, die zij ingeleid, waartoe ze om zoo te zeggen als ontwerp of proeve gediend heeft.
De paleontologie leert ons eene reeks diersoorten kennen, die gedurende een bepaald geologisch tijdperk bestaan hebben en toen uitgestorven zijn. Eu dit geldt ook vau het menschdom, dat als een groot zoölogisch geheel moet worden beschouwd, door eene enkele levenswet bestuurd. Het menschdom is in een bepaald geologisch tijdvak geboren en zal ook analogisch zeker in eeu volgend geologisch tijdvak uitsterven. De vormen, die het voorafgegaan zijn, kunnen wij nauwelijks benaderen; die\'waarin het later verschijnen zal, ontsnappeu zelfs aan onze gissing. Zoolang echter het menschdom aan \'t hoogste punt van hare ontwikkeling nog niet gekomen is, doet het rusteloos zijn best om bovenbedoeld raam te vullen, eu dit streven naar belichaming vau hun volmaakt type, deze verheffing tot op de hoogte van hun ideaal, wordt door alle menschen, op de ideoteu ua en bij velen hoe dof en duister dan ook. gevoeld. Bij de uitverkorene geesten klimt deze gewaarwording tot overtuiging. Bij het gros blijft ze in \'t stadium van onbepaald verlangen, van onzeker heimwee verkeeren. Men kau dit drang naar iets hoogers, of behoefte aan een ideaal noemen, al naar men wil, het is toch op de keper beschouwd, niets anders dan de sterke begeerte om uit den staat van persoonlijke eenzaamheid tot den grooten kring,
57
tot ouderiiug samenleven te worden toegelaten. De band, die alle individuen tot één geslacht verbindt en de soort-zelve weder tot een zoölogisch geheel, een individu van hoogere orde maakt, slingert zich om elk menschelijk hart en wordt duidelijk als solidair waargenomen. Doch deze solidariteit wil zich uiten. In het leven van ieder mensch komen uren voor, waarin hij behoefte heeft, te weten dat hij een deel is van een groot geheel, zich te overtuigen dat in zijn persoonlijk bestaan het aanzijn der massa met zijn machtiger\' levensdrang en levenskracht medewerkt, dat zijne enkel-antwikkeling de dwergachtige episode in de reuzen-ontwikkeling der menschheid vormt. Uit het bewustzijn van zijne identiteit met een groot organisme, dat heerlijk leeft, gedijt en groeit, en nog geen treurig einde heeft te raden, put hij eene onbeschrijfelijke vertroosting voor het bekrompene, nooddruftige en vergankelijke van zijn eigen bestaan. De beschaafde mensch heeft duizend middelen om aan dezen drang te-gemoet te komen, zonder zijn studeervertrek of salon te verlaten. De beschouwing der men-schelijke ontwikkeling door de historie heen, het zich verdiepen in groote dichters en denkers van alle tijden, \'t erkennen van de wereldharmonie, hem door de wetenschap geopenbaard, en zoo hem deze studiën in stilte niet voldoen, de omgang met evenboortigen, — dat alles schuift hem te ieder ure het gordijn der menschelijke samenleving op. Hoe echter is het met den man uit het volk geschapen V Waar wordt hem de gelegenheid aangeboden, zich als mensch onder menscheu te gevoelen? Wanneer wordt het hem duidelijk gemaakt, dat hij recht heeft, en vermogen, om zich te verheffen boven het vee dat eet, zich vermenigvuldigt en sterft V Wanneer vindt hij in den strijd om het dage-lijksch brood, een strijd die voor hem uitsluitend de bevrediging van de grofste levensbehoeften ten doel heeft,
58
een oogenblik om tot, inkeer, tot peinzen te komen, oin boven zich uit te zien en van zijne plaats in natuur en maatschappi] zich rekenschap te geven ? Tot dusver is hem die srelegenheid tot liooger leven enkel door den godsdienst verschaft. Slechts in den vorm van geloof was \'t ideaal voor hem bereikbaar. Hem was de zondag niet louter lichamelijk een rustdag, maar tevens een dag van ontluiken voor al de bloemen zijns geestes. De kerk was zijne feestzaal, de priester zijn gezel. God en de heidenen zijne voorname verwanten, in den tempel zag hij zich in een weidsch en prachtig gebouw, waar hij even goed verwijlen mocht als ia de nederige hut, die zjjne armoede verborg. De godsdienst vergunde hem deel te nemen aan handelingen, die niet direct zijne voeding, kleeding en behuizing op het oog hadden. Te midden der geloovigen gevoelde hij, dat hij lid was cener groote gemeente, en de betrekking die hem met zijne naburen verbond, openbaarde zich ook voor hem in de verschillende kerkgebruiken, in de kniebuigingen, het kruisen, enz. De predikatie was het eenige verhevene woord, dat hem verraste en hem toch een weinig, hou weinig dan ook, uit zijne gewone beslommeringen, zijn rudimentair denken wekte. Dit was een machtige reden om zijn geloof te bewaren, en een machtige, ja onslijtbare prikkel zal het blijven, zoolang de beschaving den man uit het volk voor zijn bescheiden zucht naar gemoedsbeweging en naar zelt-bewustzjjn geene andere bevrediging aanbiedt.
Doch er bestaat reeds andere bevrediging. Weldra zal het woord des dichters en denkers dat van den prediker overbodig maken en weldra zullen de schouwburgen, de concert- en vereenigingszalen in de plaats der kerken treden. De kiem van die toekomstige hervorming is nu reeds overal waarneembaar. In de landen waar politieke vrijheid heerscht, zoekt de onontwikkelde volksmenigte hare zondags-
59.
uitspauning, hare ideale stichting in vergaderingen waar de belangen ?au stad of land worden besproken. Op verkiezingsdagen voelt de gemeene man, daiir waar het algemeen stemrecht bestaat, zich nog vrij wat fierder dan de beschaafde; ook aan het Avondmaal, enz. Uit de voordrachten en besprekingen van de werken der groote dichters klinkt tot de menigte een veel menschel ijker en begrijpelijker woord dan dat der prediking. Jammer, dat deze inderdaad opwekkende bijeenkomsten nog zon weinig invloed uitoefenen op de laagste volksklassen, die er juist de meeste behoefte aan hebben. Maar deze kiemen zullen tot ontwikkeling komen. Misschien is de tijd niet verre meer, dat de mensch zijne vraag naar ontspanning en verheffing, naar edeler, algemeener aandoeningen, kortom naar wezenlijker solidariteit uiet meer op toueunatuurlijke wijze beantwoordt. Door een niet ongewoon terngkeeren tot het oude en afgedankte, zal de schouwburg weêr een tempel voor het volk worden zooals hij eens in Griekenland was. Men zal er weder, gelijk vroeger, den verpersoonlijkten hartstocht met den redelijken wil, de zelfzucht met de zelfverloochening zien kampen, terwijl bij voortduur de blik op een gemeenschappelijk leven zal worden gericht. Eu \'t gevolg van dien cultus zullen daden der liefde zijn. Hoe geheel anders zal men op dergeiijke feesten leeren gevoelen en leeren denken 1 Waarlijk, het mysticisme van den prediker kan de vergelijking met de indrukwekkende schoon-heid des dichters niet doorstaan. De geest, voor wien de zinnebeeldige plechtigheid eener mis zonder zin of slot is, wordt gesticht door een edel drama. De ophelderingen van een geleerde, die de verschijnselen der natuur blootlegt, of de flinke toespraak van den politicus, die de vragen van den dag behandelt, boezemen den hoorders oneindig meer belang in dan het zouteloos geteem van den kanselrede-
60
naar, die mythen vertelt en dogmen verwatert. De verzorging van vveezen door de gemeente, die uitreiking van kleederen en andere giften aan arme kinderen, en de openlijke buide, in feestelijk versierde lokalen aan verdienstelijke medeburgers gebracht en door gezang en muziek opgeluisterd, maakt een veel dieper indruk op wie aan zulk eene plechtigheid deelneemt dan het gezamenlijk doopen dei-vingertoppen in wijwater, dan zingen en bidden. Daar zal het bewustzijn der verplichtingen van de burgers onderling, der menschenjegens elkander, beter worden gekweekt: zij zuilen zich door één hechten band omsnoerd voelen, kortom, zij zullen overtuigd worden van hunne solidariteit. Zóó zal, naar mijne vaste meening, te avond of morgen de man uit de nederigste volksklasse door festijnen van poëzie, kunst en gedachte zijn nauwen gezichtskring tot een ruimen horizon uitbreiden; hij zal het doel zijner ontwikkeling booger stellen en vervuld raken van\'t mensche-lijk ideaal.
Doch zeer natuurlijk is het, dat de groote hoop de stichting en loutering, in den godsdienst of eigenlijk in de uiterlijke vormen van den godsdienst blijft zoeken, zoolang dit beeld der toekomst nog geene werkelijkheid is.
Ui.
Men zal, hoop ik, na het voorafgegane mijne bedoeling begrijpen. De behoefte der menschen aan hoogere geestelijke ojjwekking en aan een ideaal, aan een steeds toegankelijken troost, ja, aan eene geheimzinnige, machtige bescherming in eiken nood, is niet gehuicheld of gelogen, maar wezenlijk onuitroeibaar. Zij zoekt op de gemakkelijkste wijze in het geloof aan God, aan eene ziel en aan de onsterfelijkheid hare bevrediging. Het vasthouden aan deze bovennatuurlijke
61
voorstellingen is bij de meeste menschen geen leugen met bewustzijn; \'t is eene fout, eene gewoonte, welke men niet kan afleeren ; eene dichterljike overgevoeligheid, die meu eerbiedshal ve aan het wreede, nuchtere verstand onttrekt. Maar ik versta ouder de godsdienstige leugen iets geheel anders. Ik bedoel daarmede de hulde, die door inderdaad ontwikkelde mensehen nog steeds aan den positieven godsdienst betoond wordt met zijne dogma\'s, zijne feesten, instellingen, zinnebeelden en priesters.
Deze eerbewijzen zijn leugen en huichelarij, zelfs bij dezulken, die nog onder deu invloed van het geloof aan het bovenzinnelijke verkeeren, al zijn ze in andere zaken dan ook met de beschaving van hun tijd medegegaan. Dat deze leugen het gelaat niet schaamrood doet worden, is alleeu het gevolg daarvan, dat men zonder nadenken handelend, zich-zelven geen rekenschap aflegt van hetgeen meu doet. Uit gewoonte gaat men naar de kerk, begroet deu priester, en neemt werktuigelijk den schijn aan, bij de plechtigheden van den eeredienst aandachtig te luisteren, zonder het zich duidelijk voor te stellen, hoe men, dus doende, op schandelijke wijze verraad pleegt jegens zijne convictie, jegens alles wat men voor waarheid houdt en belijdt.
De geschiedenis heeft ons geleerd, hoe de bijbel is ontstaan. Wij weten nu, dat hij eeue verzameling is van geschriften, die naar oorsproug, inhoud en karakter, zoo verscheiden zjjn als een boek maar wezen kan, \'twelk bijvoorbeeld de Nibelungen zou bevatten, eene civiele acte, de redevoeringen van Mirabeau, Heine\'s gedichten en een leiddraad over de dierkunde, aan één stuk gedrukt, door elkander gehaspeld en tot één deel vereenigd. Wij vinden er uaast Oud-Palestina\'s bijgeloof duistere herinneringen aan Indische en Perzische fabelen, slecht begrepen navolgingen van Egyptische wijsheid en zeden, kronieken^
die even droog als onjuist ziju, algemeen menscheliike poezieën, zoowel erotische als natiouaal-israëlietische, dus vaderlandsche gedichten, die zelden door schoonheid uitmunten, maar wel vaak door overdrijving, platheid, ongeoefenden smaak en oostersche zinnelijkheid. Als letterkundig monument is de bijbel veel jonger dan de Veda\'s en een gedeelte der Kings. Alleen door fanatisme verblinde geesten konden op het ongeremde denkbeeld komen, den bijbel met de werken van Homerus, Sophokles, Dan te, Shakespeare ot Goethe te willen vergelijken. Zijne wereldbeschouwing is kinderachtig, en zijne zedeleer, zooals die in het oude testament over den wraakgierigen God en in het nieuwe over de episoden van Magdalena en de echtbreekster, in de betrekking van Christus tot zijne moeder, enz. uitkomt, bepaald ergerlijk. En tóch veinzen menschen, die ontwikkeld genoeg zijn om dit alles te kunnen begrijpen en beoordeelen, nog altijd een onbegrensden eerbied voor dit oude boek ; zij vinden het aanstootelijk, dat men het, als ieder ander voortbrengsel van den menschelijken geest, gaat critiseeren ; zij vormen vereenigingen, die voor onnoemelijke sommen den bijbel bij millioenen exemplaren laten herdrukken en verspreiden, ja zij nemen den schijn aan, door \'t lezen er-in gesticht te worden.
De liturgie is gegrond op zeden en gebruiken, in de vroegste, ruwste tijden van Afrika en Azië ontstaan. De vereering van de zon door de Ariërs, het geheimzinnige van het Boeddhisme, van den Iris- en Osirisdienst der Egyptenaren vindt men in de godsdienstige plechtigheden van den Joodscheu en Christelijken godsdienst terug. Beschaafde menschen uit de XIXde eeuw volgen met een ernstig, deftig gelaat de verschillende bewegingen en ceremoniën, die vóór duizenden jaren uitgevonden werden door onontwikkelde lieden aan de oevers van Nijl of Ganges,
63
om hunne ruwe heidensche voorstelling van de schepping, van haren oorsprong en haar bestuur in zinuelijken vorm te kleeden ! Hoe meer men over deze vertooningen nadenkt, hoe duidelijker men het grillige contrast tusschen de ontwikkeling van den mensch en dien behoudenden eeredienst waarneemt, en hoe moeielijker het wordt, dit punt kalm te behandelen. Zoo verregaand dol, zoo onbeschrijfelijk reusachtig is die tegenstrijdigheid, dat alle critiek er-voor zwicht, machteloos als de deugdelijkste bezem tegenover het zand der woestenij. Alleen de spotlach van een Rabelais of de toornige inktkokerworp van een Luther zou er weg meê weten.
Hoe schildert men de godsdienstige leugen in al hare bizondere trekken ? Men moet zich vergenoegen met enkele voorbeelden aan te halen. De diplomaten beproeven al het mogelijke, omkooperij en bedreiging, om de kardinalen tot de keuze van den door hen gewenschten Paus te bewegen. Is hij eindelijk met de noodige kunstgrepen gelukkig benoemd, dan bekleeden zij dienzelfden Paus met een gezag, hetwelk geheel van de praemisse uitgaat, dat de heilige Geest hem tot opvolger van den heiligen Petrus aangewezen heeft. De verkiezing van een Paus wordt als eene hoogst ernstige zaak behandeld door dezelfde lieden, die met een spottend lachje het verslag lezen van de installatie van een nieuwen Dalai-Lama, ofschoon er tusschen die beide gebeurtenissen toch de grootste overeenkomst bestaat. De regee-ringen zenden hunne vertegenwoordigers naar het hof van een man, wiens gansche beteekenis zich bepaalt bij het aanbrengen van nieuwe heiligen, het beloonen voor eeu volgend leven, het verlossen van berouwhebbende zondaars uit de pijnen van \'t vagevuur. Zij sluiten verdragen met hem, terwijl zij hem een bizonderen invloed bij God toedichten en tot meer dan gewonen eerbied opwekken jegens een persoon, die zoo nauw aan den wereldgeest verwant is
(54
en zulk eeue groote mficht over natuur-en meuschenwerekl bezit. Dezelfde regeeringen vaardigen reizigers naar de binnenlanden van Afrika af, bespotten er den zwarten tooveuaar, die haren zendelingen den toegang tot hunne landstreek weigert, terwijl hij verklaart, dat de toorn van den Fetish hen treffen zal, wanneer zij hem niet gehoorzamen, vermits hij de machtige raadgever en gunsteling van den Fetish is. Men wijze mij nu het onderscheid tusschen dien armen zwarte en den Paus aan ! Beide beweren, eerste ministers van-hun God te zijn, wiens donder en bliksem /.ij naar welgevallen kunnen besturen en aan wien zij bi-zondere personen mogen aanbevelen, of zijne ongenade voor hen afroepen. Met welke logica zien de ontwikkelde Europeanen in genen een grappenmaker, in dezen den vertegenwoordiger van eene eerbiedwaardige macht ?
Elke godsdienstige daad wordt strafbare komedie, gruwzame satire, neemt de beschaafde zoon der XlXe eeuw er deel aan. Hij besprenkelt zich met wijwater en belijdt aldus, nadat de priester met geheimzinnige gebaren eenige woorden gepreveld heeft, aan eene heilbrengende verandering van dat water te gelooven — terwijl de eenvoudigste analyse hem dadelijk het bewijs levert, dat er hoogstens tusschen dit en een ander vocht een verschil van zuiverheid bestaat. Door de ceremoniën van den eeredienst bij te wonen, huichelt men ook, in de overtuiging te deelen van hen welke gelooven aan een God, die met welgevallen de eer-betooningen der menschen ontvangt, mits zij hem in bepaaldelijk voorgeschreven vormen worden aangeboden. Met de telkens opgedreunde liturgieën is het niet anders. De priesters hebben uit goede bron vernomen, dat God niet alleen zijne deugden gaarne bovenmatig hoort roemen, maar dat hij tevens eischt, dat die hulde geformuleerd worde. En toch heeft men nog kinderen van deze eeuw, die achting
65
voor de liturgie veinzen en niet dulden, dat sommigen ze met minachting behandelen.
De algemeene godsdienstige leugen is, zoo mogelijk, nog stuitender dan de persoonlijke. Immers de enkele burger komt er vaak rond voor uit, dat hij niet bijgeloovig meelis, en al beboort hij voor den vorm tot een kerkgenootschap, dan verklaart bij toch, niet overtuigd te zijn van de heilzame werking van den doop en van de noodzakelijkheid, dat de priester de mis moet lezen om een\' afgestorvene bier namaals de zaligheid te verzekeren. Maar dezelfde burger schroomt niet, als lid der gemeente waartoe hij beboort, door een geregeld offeren te verklaren, dat de instandhouding van die gemeente hem dierbaar is. De staat, welke universiteiten, scholen en bibliotheken sticht, bouwt ook kerken ; de staat, welke professoren benoemt, bezoldigt ook priesters ; de staat, welke de kinderen tot schoolgaan verplicht, straft te-gelijk godslastering en beleediging van andere godsdienstige instellingen dan waaraan men deelneemt. Wanneer gij zegt, dat de aarde stilstaat en de zon om haar wentelt, ofschoon men u met de eenvoudigste middelen het tegendeel bewijzen kan ; wanneer gij beweert, dat de aarde ruim vijfduizend jaren oud is, terwijl in Egypte en ook elders monumenten voorkomeu, die duizenden jaren ouder zijn, — dan verklaart men u niet voor krankzinnig, niet voor ongeschikt tot het bekleeden van hooge ambten en posten, al hebt gij het duidelijkste bewijs geleverd, geen gezond oordeel te bezitten, noch die helderheid des gees-tes, die voor het bevorderen van openbare belangen ten minste in theorie onontbeerlijk is. Maar — gij betuigt niet aan het bestaan van God te gelooven, gij noemt den God der positieve eerediensten een voortbrengsel van kinderachtige, kleine of bekrompen geesten, en zie: ge stelt u aan gerechtelijke vervolging bloot, ge moogt geene ambten of
\'6(3
waardigheden meer bekleeden, hoewel de zoogenaamde bewijsgronden van den geloovigsten theoloog op verre na zoo klaar en voldingend niet zijn als die, waarop de archseo-loog en geoloog den ouderdom der aarde en hare volken vaststelt, waarop de sterrekundige de beweging om de zon baseert en hoewel het toch, ook van het standpunt der godgeleerden beschouwd, veeleer te verontschuldigen is, dat men aan God twijfelt, dan aan de tastbare uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek. Doch verder: de professoren, die door den staat worden benoemd en bezoldigd, moeten leeren, dat de wereld door natuurkrachten bestuurd wordt, en dit onderwijs met argumenten staven. Zij moeten verkondigen, dat de physiologie geen onderscheid erkent tusschen de organische verrichtingen aller levende wezens, en dat tweemaal twee vier is. Maar naast deze professoren der exacte wetenschappen, benoemt de staat ook hoogleeraren in de theologie, wier opdracht is niet te bewijzen, maar te beweren, dat pasgeboren kinderen met eene erfzonde behept zijn ; dat God op zekeren dag aan iemand een boek gedicteerd heeft; dat bij tal van gelegenheden er schorsing kwam in de natuurwetten ; dat een klompje deeg door een paar geheimziunige woorden in vleesch en bloed verandert, en wel in \'t vleeseh en bloed van een vóór bijna tweeduizend jaren gestorven persoon; kortom, dat drie één is en één drie. Iemand, die achtereenvolgens voordrachten bijwoonde van een professor in de natuurkunde en van een professor in de godgeleerdheid, zou in een hachelijk parket raken. Gene heeft hem gezegd dat het organisme na den dood tot zijne eerste bestanddeelen terugkeert, en de ander heeft verklaard, dat sommige menschen na hun dood opgestaan zijn. En beide hoogleeraars zijn door den staat aangesteld; beide worden van overheidswege bezoldigd. Wien zal nu de ongelukkige burger gelooven ? Den
godgeleerde ? Maar dan liegt de physioloog, en de staat gaf dus een leugenaar de opdracht mede om leugenaars van \'t jonge geslacht te maken. Moet hij dus aau den physioloog zijn vertrouwen schenken ? Maar in dit geval is de theoloog de leugenaar, en de staat, die hem benoemde, bezondigt zich evenzeer aan opzettelijk bedrog. Waarlijk, het zou niet te verwonderen zijn, ais menigeen bij zulk een dilemma een weinig van den opgedragen eerbied voor de wijsheid van den staat inschoot! Wij zijn nog lang niet aan het einde. De overheid straft oude vrouwen, die met een mooi praatje geld van de dienstmeisjes weten te krijgen onder voorwendsel dat zij haar het ontrouwe hart van den minnaar zullen hergeven ; maar dezelfde overheid bezoldigt mannen, die aan dezelfde dienstmeisjes geld aftroonen onder het niet minder bedriegelijk voorwendsel, door allerlei hocuspocus hare geliefde afgestorvenen uit het vagevuur te kunnen redden. Het is eenmaal gebruik, den geés-telijken stand met eerbied te bejegenen, en aan dit gebruik onderwerpen zich velen, al weten zij dat ze domooren of schurken voor zich hebben, — weinig anders dan de kruidkundigen der Indianen, die onder hunne stamgenooten ook als hooger begaafde wezens worden vereerd. Met deze roodhuiden steken dezelfde mannen den draak, die den pantoffelkus bij den Paus en den handkus bij den prelaat voorschrijven en zelfs ten uitvoer brengen.
Men leest er van tijd tot tijd in de dagbladen humoristisch gekleurde berichten over, dat in China de regeering een god dreigt te zullen afzetten, als hij het bijvoorbeeld niet laat regenen of in den oorlog hun de zege niet bezorgt. Toch nemen diezelfde bladen vlak bovenaan een regeeringsbesluit op, dat, zooals in Engeland bij de overwinning, van Tel-el-Kebir, op een gezetten dag eene dankerkentenis aan Gode beveelt, in officiëele bewoordingen. Wat is ernuweêrvoor
(58
ouderscheid tusscheü de verordening der Chineesche regeering, die haar nationalen god minder offers brengt omdat hij eene epidemie in het land Iaat komen, en den bidstond door de Engelsche regeering gelast voor de flinke hulp, haar in Egypte door den Heere betoond, toen hij bewezen had, een vriend der Engelschen en een vijand der Arabieren te zijn ? Beide bepalingen hebben dezelfde aanleiding, maar de Chineezen ziju moediger dan de Engelschen, die zeker, had God niet naar hun zin gehandeld, hem niet over zijn gebrek aan trouwe plichtsvervulling zouden hebben durven aanspreken, al willen zij hem na eene behaalde overwinning hun dank niet onthouden.
Men ziet het: de godsdienstige leugen ondermijnt geheel ons openbaar en bizonder leven en doordringt het op alle manieren. De staat liegt, wanneer hij bededagen uitschrijft, priesters benoemt, kerkvorsten in de regeeringsbanken laat plaats nemen ; de gemeente liegt, wanneer zij kerken bouwt,, de rechter, wanneer hij godslasteringen of beleedigingen van andere genootschappen bestraft. De ontwikkelde geestelijke liegt, wanneer hij om geld zotternij uitkraamt, en de verlichte burger die eerbied voor den geestelijke veinst, het Avondmaal bijwoont, zijn kind laat doopen enz., liegt ook. Het overbrengen van godsdienstgebruiken, waarvan er vele nog uit de allervroegste tijden dagteekenen, is een afschuwelijk feit, en de stelling, die onze geestelijke in ons midden inneemt, — dit Europeeache equivalent van den plantzoeker in Amerika en den Afrikaanschen Alma-my — is zulk een brutale triomf der huichelarij, der lafheid en loomheid des geestes over waarheid en goede trouw, dat dit alleen reeds voldoende zou zijn om onze huidige beschaving als door-en-door leugenachtig, onze staats- en maatschappelijke vormen als slechtweg onhoudbaar te signaleeren.
DE MONARCHISCH-ARISTOCRATISCHE LEUGEN.
I.
Ware het mogelijk de tegenwoordige toestanden alleen quot;te beschouwen met het aesthetisch oog des kunstenaars, met •de belangeloosheid van een Prins üsbeck uit de «Perzische brievenquot; van Montesquieu, die in eene vreemde wereld enkel indrukken zoekt en bij zijn heengaan zich het stof van de voeten schudt, dan zeker zou men niet aarzelen te erkennen, dat de bestaande wereldorde juist is gelijk zij wezen moet: in alle deelen passend en consecjuent, dus een volmaakt geheel. De onderscheidene leden steunen en schoren elkander; het ééne ontwikkelt zich, als natuurlijk gevolg, uit het andere; ééne logische lijn verbindt alle te zamen, van boven tot beneden.
Het middeleeuwsch gothisch gebouw van staat en samenleving, met zijne zuilen en hallen, hoe indrukwekkend zal het geweest zijn ! Hoe veilig een toevluchtsoord, trotsch en behagelijk te-gelijk voor allen, die het herbergde 1 Slechts het front is blijven staan. De zoo nuttige huizing zelf is een puinhoop geworden of geheel verdwenen. Niemand vindt er meer een gastvrij dak, een gezolderd hoekje, een stevigen muur, die hem tegen weer en wind beschermt; maar de gevel heeft trouw de afmetingen en verhoudingen van het vroegere paleis bewaard en wekt bij den toeschou-
70
wer nog altijd de heriunering aan een vroeger merkwaardig bouwplan op. Wat voorheen degelijk en deugdelijk was, is uiterlijk decoratie geworden zonder diepte, ofschoon deze decoratie op zieh.-zelf een kunstwerk van architectuur is. Nu ja, het monument mag niet van de ruïne af naar binnen worden bezien, doch wanneer men zich, tegenover de buitenzijde, op een afstand plaatst, ten einde onbevooroordeeld critiek te oefenen, dan moet men onwillekeurig zeggen : »Die werkman heeft zijn taak goed volbracht.quot;
Het koningschap staat met den godsdienst in het nauwste verband. Het is er als \'t ware in zijn huldigen vorm historisch uit voortgekomen. ïoch kan de godsdienst zeer goed eene staatsinstelling zijn zonder dat er monarchie noodig is. De theorie noemt dit een axioma. In de practijk vinden wij het bewezen door de republieken van Zuid-Amerika, waar de Indianen door de Jezuïeten geregeerd worden, door de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en door andere gemeenebesten, waar godsdienst de basis uitmaakt. De monarchie daarentegen zonder geloof is ondenkbaar. Het is te begrijpen, dat een energiek man met geweld de heerschappij in een land verovert en deze met alle middelen van verstand en macht vasthoudt. Hij onderwerpt de natie zonder moeite, hij overrompelt haar, vindt steun bij\'een zelfzuchtigen hoop aanhangers, die hij door geldelijk voordeel eereteekenen en ambten aan zijn persoon verbindt, en bij troepen, waaronder hij met kwistige hand ridderorden, ducaten en titels uitstrooit. Hij zet zich naar believen eene keizers- of koningskroon op het hoofd en noemt zich zich monarch, protector, dictator of president. Zijne heerschappij wordt geduld, omdat hij de macht heeft tot gehoorzaamheid te dwingen. Het kan gebeuren, dat de groote meerderheid der natie vrijwillig voor zijne eerzucht bukt, niet alleen dewijl het in de natuur van den mensch
71
ligt, door de betoovering van \'t suecès tot geestdrift te worden gedreven, maar ook omdat het voor een gewoon man fortuinlijk en gemakkelijk is, het bestaande goed te keuren. Bovendien, zoo de Cesar een man van talent is, kan hij derwijze regeeren, dat handel en industrie vooruitgaan, de rechtspleging flink en betrouwbaar is en de massa dier onderdanen, wie het enkel om hun stoffelijk belang is te doen, zich dankbaar toont voor eene ruim voorziene tafel en een zwellenden beurs. Zulk een dwingeland zou het desnoods kunnen wagen »verlichtquot; te zijn. Hij zou er niets bij verliezen, als hij het bondgenootschap aan den godsdienst opzeide. Met het zwaard in de hand zou hij de hulp van het kruis kunnen ontberen.
üe critiek van het verstand behoefde hij niet te vreezen, want tegen hare besluiten zou hij eenvoudig zijne macht overstellén. Voerde men hem te-gemoet : »Gij zijt een mènsch als anderen, en omdat wij u niet tot onzen aanvoerder hebben gekozen, bestaat er voor ons geen reden om\' u te eerbiedigen en te gehoorzamen,quot; dan zou de overweldiger antwoorden: »ïegen uw argument is niets in te brengen, maar tegen mijn leger ook niet. Gij gehoorzaamt mij niet wijl dit goed of verstandig is, maar omdat ik er u toe kan dwingen.quot;
Een vorst, die zóó kan optreden, heeft geen beroep op Gods naam noodig ; hij beroept zich op zijne vuist. Hij heeft kruit en lood, dus is de priesterzegen voor hem geen vereischte, en de onderworpen menigte heeft een beter begrip van bajonetten dan van de vrome mystieke plechtigheid der kroning. Maar ook voor dezen usurpator keert het blad om, zoodra hij een zoon heeft, wien hij het land erfelijk wil overmaken. Dan verzoekt hij om de bescherming van den godsdienst. Plotseling herinnert hij zich, dat de kerk in de middeleeuwen een toevluchtsoord was.
.72
en hij ontvliedt de vervolging der logica aan den voet van het altaar. Op ééns is het zwaard niet meer voldoende ; het kruis moet er als greep aan vastgesmeed worden. De oorsprong van (\'esars macht was al te duidelijk zichtbaar: in een wolk van wierook moet hij worden gehuld. Behendig maakt men van de vage omtrekken der legende gebruik om de regels der geschiedboeken aan te vullen. Op de onbescheiden vraag : »waarom moet de zwakke zoon, die nooit in staat zou geweest zijn door eigen kracht eene kroon te winnen, die van zijn sterken vader bij erfenis ontvangen?quot; antwoordt de priester: somdat God het wil.quot; Dit is de klip waarop jonge dynastieën schipbreuk lijden, \'t Is niet gemakkelijk, tegenover zonen der XIXde eeuw het geweervuur van een coup d\'etat in de vlammen van Mozes\' doornenbosch te veranderen. Onze tijdgenooten vatten het maar niet, dat een straatrumoer de openbaring van Gods wil kan zijn!
Vruchteloos tracht men de dictatuur op aanplakbilletten met een heiligenkrans te omgeven : wanneer de erfgenaam des dictators zich op den troon niet met dezelfde krachtige middelen weet te handhaven als zijn vader vóór hem, zal het hein weinig helpen, of hij zijn recht op het bewind voor onmiddellijk uit den Hemel afkomstig laat doorgaan.
De roomsch-katholieke kerk verbiedt ten strengste, iemand vroeger dan vier menschenleeftijden na zijn dood heilig te verklaren. De geloovigen moeten den tijd hebben om het alledaagsche van den gestorvene te vergeten, want het is toch met den besten wil te veel gevergd, zich Jan of Gerrit. naast wien men op ééne schoolbank gezeten heeft, met engelenvleugels voor te stellen en zich te verbeelden, dat hij vóór den troon van God als een der voornaamste solisten in de koren der zaligen medezingt.
De kerk heeft hierdoor bewezen slimmer te zijn dan
die Cesars, die reeds in de oogen hunner tijdgenooten voor halve goden wilden aangezien worden, zonder af te wachten, dat dezen de heugenis van hune scheefgeloopen hakken en onbetaalde rekeningen hadden verloren.
Maar, al is nu de godsdienst voor den dictator geen vereischte, voor den wettigen monarch is hij dit zeker. Hij levert de natuurlijke voorwaarde voor zijn bestaan. In den regel blijft hij op het punt van ontwikkeling bij de meesten zijper beschaafde onderdanen achter. Een vorst met een flink, helder hoofd is reeds eene zeldzaamheid, maar een genie of talent op den troon, komt ééns in honderden jaren voor. Van de vorsten van onzen tijd houden zich enkelen voor legeraanvoerders, anderen voor geleerden, schrijvers of kunstenaars. Zij doen hun best om het in die vakken, waarvoor zij meenen aanleg te bezitten, zoo ver mogelijk te sturen,— maar welke zijn de resultaten van al hunne inspanning ? Onpartijdig beoordeeld, leggen hunne werken het getuigenis af, dat zij het zonder hunne majesteit met eigen middelen nooit tot iets degelijks zouden brengen. De would-be soldaat zou nooit een commandeerend generaal geworden zijn ; de zoogenaamde rechtsgeleerde zou nooit een proces gewonnen hebben ; de sterrekundige ware zeker nooit tot professor in de astronomie benoemd, zoo min als de tooneelschrijver een enkel zijner stukken zou hebben zien opvoeren of de schilder ooif een doek verkocht had — als zij Jansen of Smit heetten-
Ik geef toe, dat er onder de regeerende vorsten van onze dagen zijn, die in de samenleving een goed figuur maken. Zij hebben een schoon uiterlijk. Zij weten aardig te keuvelen. Zij zouden rijke schoonen het hoofd op hol kunnen brengen, wat ook een talent is. Maar daar zijn er ook, die deze, indien niet gewichtige, toch aangename hoedanigheden niet eens bezitten. Leelijk zijn ze, ziekelijk
74
en zwak, te bekromp\'eu van geest om de allergewoonste conversatie tien minuten op streek te houden; te hopeloos onbeduidend, om ooit door eene meer ontwikkelde vrouw om hen-zelf te worden bemind.
Welnu: ieder dezer vorsten staat niet alleen in zijn land op den hoogsten rang, maar hjj neemt ook tegenover de andere gekroonde hoofden een gelijk standpunt in. Neem Frederik den Groote eu Ferdinand VII van Spanje, of Jozef II en Ferdinand van Napels, bijgenaamd Re Bomba; zij zijn even heilig, even onfeilbaar. Hunne namen schitteren met gelijken glans op de documenten en hunne besluiten hebben dezelfde kracht.
Alles buigt voor hen, ieder geeft hun den titel »majes-teitquot; en noemt hen zonder onderscheid doorluchtig en goedertieren. Tegen zulk eene vertooning komt het gezond verstand in verzet. Het vraagt vol verontwaardiging : «Gij zwakkeling, gij onbevoegde, waarom gebiedt gij over eene machtige armee ? Gij, die zoo onwetend zijt, dat ge niet eens uwe moedertaal zonder fouten kunt schrijven, waarom zijt gij beschermheer der hoogescholen ? Gij misdadiger, waarom velt gij vonnis over anderen? Gij wellusteling, waarom zijt gij degene, die verdienste en deugd beloont ? Gij nui, waarom leidt gij de lotgevallen eener sterke natie en bepaalt voor vele menschenlevens lang de richting en de vormen van hare ontwikkeling? Waarom\'? Waarom?quot;
Aangezien een verstandig antwoord op deze vragen niet te geven is, blijft er voor de monarchie niets over dan te zeggen: »Waarom? Wijl God het zoo beschikt heeft.quot;
Met dit stereotiepe antwoord snijdt zij aan alle onbescheiden nieuwsgierigheid, alle hinderende citriek den pas af. Telkens wanneer zij hate voorrechten wil uitoefenen, beroept zij zich op de heilige bron van hare macht. »^an Gods genadequot; staat gegrift op munten, documenten, oor-
75
konden en acten. »Gods genadequot; is de referentie, welke de monarchie opgeeft, als men inlichtingen inwint over haar erediet. Maar zal dit adres nu iets uitwerken, dan moet men aan God gelooven, en daarom is het voor de monarchie van \'t allergrootst belang, het geloof aan God bij de natie in stand te doen blijven, zij het dan ook met list of geweld.
De overtuigde monarchisten, die woedend tegen de verlichting strijden, hebben duizendmaal gelijk. Zij redeneeren aldus: »Het volk moet godsdienst hebben,quot; en daarom kanten zij zich zoo lang mogelijk tegen scholen zonder kleur; daarom verkondigen zij, op tijd en ontijd, dateene scheiding tusschen kerk en staat de zuilen van het regee-ringsgebouvv ondermijnen zou. Echter zijn zij niet eerlijk, want op het voorafgaande laten volgen : swant, zonder godsdienst heeft het volk geene moraliteit, en de staat wordt een tooneel van zonde en booze hartstochten, zoodra hij ophoudt christelijk te zijn.quot; De ware slotzin zou luiden : »want, de godsdienst is de eenige drager van het erfelijk koningschap; de verlichting leidt onwedérstaanbaar tot heerschappij der meest begaafden en sterken, dus tot de dictatuur of de republiek.quot; Is het niet een nieuw bewijs voor het leugenachtige van onze samenleving, dat de dappersten onder de alleenheerschers niet den moed hebben, ronduit de reden op te geven, waarom zij de natie onder het toezicht der kerk willen plaatsen ? Laten, zij openhartig verklaren : »Wij hebben den godsdienst als schild en dekmantel voor de monarchie noodig.quot; Dit zou eerlyk en flink zijn. Het voorwendsel, den godsdienst om het heil des volks, om orde en goede zeden te handhaven, is eene lafheid. Onze eeuw heeft niets onzinnigers uitgevonden dan de liberale, constitutioneele monarchie. Men heeft er twee politieke vormen, twee wereldbeschouwingen door willen ver-
76
eenigen die elkaar onvoorwaardelijk uitsluiten. Gewis, het is maar goed, dat de maatschappelijke aangelegenheden in plaats van door de logica door de traagheid en halsstarrigheid der menschen worden bestuurd ! Anders zou dat onding, dat men constitutioneele regeering noemt, geen uur leven, Hoe, de monarchie is eene inzetting Gods en deelt hare macht met sterfelijke wezens ? De koning staat toe, dat yijn wil door de vertegenwoordigers van het volk beperkt wordt, en deze wil is toch de rechtstreeksche vertolking van Godes wil ? Ivan deze wil door iets of iemand beperkt worden ? Is dat niet godslastering ? En toch bepaalt een in God geloovende monarch in de grondwet, dat zulk een godslastering vergund is. Zoo laat de kwestie zich zien van het standpunt der monarchie van Gods genade. Maar omgekeerd, van het standpunt der volks-souvereiniteit beschouwd, is de constitutioneele monarchie even dwaas. De constitutie berust op het beginsel, dat de natie het recht heeft, zelve haar lot te bepalen. Vanwaar ontving zij dit recht? Van de natuur. Het is een vorm van hare levenskracht. Het volk mag zich-zelf regeeren, omdat het er de kracht toe heeft, evenals een individu het recht heeft te leven, omdat en zoolang er de noodige krachten voor aanwezig zijn. Is dit punt van uitgang juist, hoe kan men dan een erfelijken koning dulden, wiens wil alleen tegen den wil der geheele natie opweegt, die het recht heeft den wil der natie te dwarsdrijven, zooals het volk den wil des konings mag weerstaan ? Indien het volk, van zijne souvereiniteit gebruik makende, den koning wilde afzetten, zou hij zich daarin schikken ? Indien de koning, van zijne souvereiniteit gebruik makende, het Parlement wilde onderdrukken, zou het volk dit verdragen ? En zoo neen, waar blijft dan ieders oppermacht ? Twee souvereinen in één land zijn even onbestaanbaar als twee
77
goden in de natuur, ten minste zulke goden als de geloo» vigen in hun eenig Oppervyezen vereeren. In het oog van den koning van Gods genade, moet het volks-recht eene ontkenning van Gods almacht zijn, en voor de denkenden onder het volk kan de koning van Gods genade niet anders wezen dan eene verloochening der nationale kracht, die feitelijk voorhanden is.
Om den grondwettigen regeeringsvorm te begrijpen, moet men niet eenvoudig denken. Hij staat tegenover den absoluten als het rechtzinnige protestantisme tegenover het katholicisme. Het laatste is consequent, het eerste willekeurig. De katholieke kerk geeft aan haar hoofd het recht te bepalen en te prediken wat men gelooven moet, en verbiedt alle critiek van den bijbel zelf. Tot de »openbaringquot; mag het verstand spreken, maar bij de «openbaring van Gods woordquot; gekomen, moet het zwijgen. Waarom? Er is geen reden voor. \'t Is zóó en niet anders, \'t Is het verstand met beperkte circulatie, de critiek met eene schroef, die niet verder dan tot zeker punt kan worden opgedraaid. Op diezelfde manier geeft de constitutioneele regeerings-vorm bepaalde praemis-sen, maar zonder te gedoogen dat men er besluiten uittrekt. Zij erkent het stemrecht der natie en loochent het te-gelijk, wanneer zij haar eigen recht voor hooger en jorspronkelijker verklaart. Zij duldt de logica in haar gevolg, doch met uitgebroken tanden en afgezette beenen.
Dan liever het absolute koningschap met zjjne middel-eeuwsche staatsvormen. Het bevestigt de logica ; het streelt den zin, die in alles maat en harmonie zoekt. Met één enkel offer is men op het punt waar men wezen moet; eenvoudig de stelling aannemende, dat de monarch zijne menigvuldige voorrechten onmiddellijk van Gods genade ontvangt, zonder meer, zal men doodgemakkelijk alle verhoudingen der onbeperkte monarchie voor natuurlijk gaan
76
houden. Heeft men dit geringe, offer, vau gezond verstand, gebracht, dan zal men er niets tegen kunnen of willen inbrengen, dat de koning niet kan dwalen : dat hij alleen van zijn goed recht gebruik maakt wanneer hij moordt, steelt of valsche eeden zweert; dat hij met zgn land en volk, ook met enkele onderdanen, naar luim en nood handelen mag, zonder dat één sterveling hem daar iets over kan doen; want hij is dan een verpersoonlijkt stuk he-melsche voorzienigheid.
Op deze wijze beschouwd, is de monarchie van Gods genade een volmaakt antiek gebouw, niet door slooping geschonden of door -aanbouwing misvormd, — ia zij een schoon werk der menschelijke verbeelding. Met voldoening rust het oog op de symmetrische lijnen er-van. De onderdaan, die geboren is om te gehoorzamen, werkt bedaard als eene machine voort. Gaat het hem goed, dan mest hij zich vet; lijdt hij honger, hij troost zich met de gedachte, dat het zoo wezen moet. Hij behoeft niet te denken en te overleggen, want de koning denkt voor hem en zorgt voor zijn tegenwoordig en toekomstig welvaren, op de beste manier. Mocht soms een twijfel bij hem rijzen of alles wel zoo goed is in »de beate van alle werelden,quot; fluks ia de kerk bij de hand, om zijne zorg weg te ruimen. Ook hetgeen onverklaarbaar schijnt, zegt zij, komt onmiddellijk van den Heer, en zoo hij de voortreffelijkheid van \'s Heeren besluiten niet altoos inziet, dan is de schuld daarvan alleen bij zijne kortzichtigheid en bekrompenheid te zoeken. De monarchie en de godsdienst helpen elkaar als trouwe bond-genooten. De koning zendt de menschen naar de kerk en de priester predikt, dat zij voor het paleis op de knieën moeten vallen. De koning begint: »Er ia een God, en voor hem die niet aan God gelooft, betaal ik gevangenbewaarder en beul,quot; en de priester beantwoordt die phrase aldus:
79
»De koning is door God geroepen, en wie dit niet gelooft, verbeurt zijne zaligheid.quot; De koning verzekert dat de priester niet liegt, en de priester verkondigt dat de koning niet aanmatigend is. Zoo wordt dus door twee monden de waarheid medegedeeld, en hun getuigenis moet op het eenvoudige volk te dieper indruk maken, dewijl van beide herauten de één een hermelijnen mantel en eene kroon, en de andere met goud geborduurde kleederen en een kruis vol juweelen draagt. Voor het kantongerecht zou natuurlijk het getuigenis van twee belanghebbenden van nul en geener waarde zijn, maar de volken nemen er genoegen meé, al sedert duizenden jaren.
II.
Ik wil de monarchie niet afkeuren ten gunste van de republiek. Ik dweep volstrekt niet met de naïeveteit van het markt-liberalisme voor de republiek als het eerste doel van vrijzinnig streven: — voor mij ia zij het allerlaatste. Want zal de republiek vooruitgang en waarheid zijn, dan heeft ze eene reeks van maatschappelijke, economische en staatkundige instellingen noodig, die geheel-en-al van de tegenwoordige afwijken. Zoolang het oude Europa in zijne hedendaagsche vormen leeft, is de republiek eene onge-gerijmdheid. Eene zuiver politieke omwenteling, die ééne der Enropeesche monarchieën in een gemeenebest verandert, doet\'juist hetzelfde wat de apostelen der heidenen in de middeleeuwen deden, toen zij de volken, die zij bekee-ren wilden, hunne feesten en gebruiken, ja zelfs hunne goden lieten behouden, maar die met christelijke namen doopten. Zulke revolutiën bepalen zich bij het opplakken
SÖ
van nieuwe etiketten op oude waren, die dan als iets ander» aan de koopers worden aangeboden.
De republiek is de eindschakel eener lange keten van ontwikkelingen. Zij is de regeeringsvorm, waarin het algemeen stemrecht der volken veraanschouwelykt wordt. Met haar zijn erfelijke voorrechten, is de overwegende invloed van het kapitaal, de macht der ambtenaren, elke voogdijschap van de groote volksmenigte nooit te veréénigen. Alles bij het oude te laten en slechts den naam van monarchie voor dien van republiek te verruilen, is een goede tegenhanger van de bekende kunstgreep der boekhandelaars, die verboden boeken binnensmokkelden in landen waar de censuur bestond. Zij vervingen het titelblad door een zeer onschuldig titel blaadje, waarop een verhaal voor de jeugd vermeld stond. Wat waren de republieken in Italië van 1848, in Spanje van \'68, in Frankrijk van \'70 anders dan monarchieën met een onbezetten troon, die als een maskerade-kostuum het republikeinsch kleed hadden aangetrokken ? Edellieden die in de carnavalsdagen eene boerenbruiloft of een zigeunerkamp vertoonen, blijven toch vorst en graaf, al is hunne dracht die van den veldeling, en, als zij goed spelen, hunne taal en houding die van het landvolk. Werkelijke boeren en boerinnen, die van eene galerij de grap in de zaal aanschouwen, zullen er niet aan denken, hier eene opheffing van het onderscheid der standen in te zien. Vreemd, dat ditzelfde volk het dan voor goede munt. opneemt, wanneer bij eene politieke maskerade eene monarchie zich als republiek vermomt en zeer bevallig democratische dansen uitvoert!
Eene enkele revolutie heeft begrepen, dat het niet voldoende was den koning weg te jagen en aan den regeeringsvorm een anderen naam te geven, wanneer men van de monarchie eene republiek wilde maken : dit was de groote
81
Fransche omwenteling. Zij wierp met den koniugstroou alle andere inrichtingen van het oude staatsbestuur omver. Zij stelde er zich niet meê tevreden, het lijk eens aan besmettelijke ziekte gestorvenen de deur uit te dragen, maar zij verbrandde zijne kleederen, zijn huisraad en alles wat hij gebruikt had. De Fransche revolutie maakte de monarchie met al hare wortels uit de aarde los, en keerde alles het onderste boven. De adel, met zijne oorkonden, waarop hij zich beriep, werd zooveel mogelijk vernietigd, zijne kas-teelen geslecht. Zelfs in de taal werd het gewone »niijn-heerquot; onderdrukt, omdat die toespraak nog te veel aan de vroegere verhouding van heer en onderdaan herinnerde. Zij deed meer. Zij poogde de gedachtenwereld des volks te vernieuwen en paste op, dat de oude voorstellingen, die door de hoofddeur der wet waren uitgedreven, door het achterpoortje van traagheid en sleur niet weder naar binnen slopen.
Zij schiep een nieuwen godsdienst en vervaardigde een geheel nieuwen almanak; stelde nieuwe feesten in en gaf andere voorschriften omtrent de kleederdracht, — kortom, zij bouwde eene nieuwe wereld, en toch — wat baatte het ? Taal en kleeding konden gewijzigd worden, maar de men-schelijke hersenen kon ook deze revolutie niet veranderen. De gewoonte had meer macht op den Franschman dan de wet met inbegrip der guillotine. Toen madame Dubarry het schavot betrad, zeide zij tot den burger Sanson : »par-don, mijnheer de beulquot;. Onmiddellijk na het schrikbewind schonk men den spitsboeven, die door schandelijken roof van de bezittingen der uitgewekenen rijk geworden waren, dezelfde voorrechten, die vroeger de adel genoten had, zoodat Napoleon hun later nog maar titels behoefde te geven om er eene aristocratie, naar den snit der afgedankte, van te maken. Nauwelijks was de wereld na de groote aard-
6
schudding der revolutie tot rost gekomen, of het middel-eeuwsch gebouw der maatschappij prijkte weer iu volleu luister, met andere steeneu eu uieuwe balkeu, maar toch over \'t geheel genomen naar hetzelfde ontwerp, naar de vorige teekening.
Het was een doelloos vergrijp, den onnoozelen Lodewijk XVI te onthoofden, wanneer het Fransche volk toch op den ouden grond zijner werelbeschouwing moest blijven staan. Eene uitsluitend staatkundige omwenteling, die wel den regeeriugs-vorm verandert, maar de maatschappelijke, economische eu wijsgeerige stelsels, waarop de monarchie gevestigd is, onaangeroerd laat, heeft geen zin of beteekenis. Zij is eene ruwe, uiterlijke storing, gelijk de bevelen teweegbrengen van een waanzinnigen tiran als Iwan de Vreeselijke, — indien men zich eene zoodanige verschijning tegenwoordig op den troon zou kunnen voorstellen. Onbestaanbaar ia zichzelve, is zij kort van duur. Evenals iemand wiens been afgezet is, nog pijn in het ontbrekende lid voelt, zoo ondervindt onze maatschappij nog altijd eenig monarchisch rillen en kramptrekken, nadat men het koningschap geamputeerd en door een republikeinsch houten been vervangen heeft. Eigenlijk gelijkt de samenleving in dit opzicht nog meer op die schepselen van lager orde, wier afgekapte deelen weder aangroeien, want er woelt in dezen eene behoefte om het afwezige orgaan te herstellen.
Het credo van de zoogenaamde voorstanders der republiek, die voor den naam alleen zich ter aarde buigen, is geenszins het mijne. Zal de republiek de noodwendige uiterlijke vorm zijn van het innerlijk organisch bestuur, dan moet de natie, die zich met dezen vorm vereenzelvigen wil, op den bodem der natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing staan en alle middeleeuwsche overblijfselen, zoowel de overlevering als het erfelijk onderscheid van stand en
83
de macht van het kapitaal, hebben afgeschud. Eeue republiek zonder deze voorwaarde brengt de meuschheid niet verder; zij staat zelfs beneden de monarchie, omdat zij niet, gelijk deze, den logischen en assthetischen zin vermag te bevredigen.
Ik begrijp niet alleen het geschiedkundig recht van bestaan der absolute monarchie, maar ik erken dit als logisch. Zeker, een volk dat gelooft aan een persoonlijken God, die de wereld regeert, en dat den bijbel voor de authentieke uitdrukkiug van diens wil houdt ; dat in de priesters de door God geroepene tolken van zijn woord ziet, — zulk een volk heeft het recht aan de monarchie gehecht te zyn. De koning is het getrouwe beeld van God; de bijbel noemt hem als door God aangesteld, en de priester bevestigt het, dat zijue bovenmenschelijke macht en de onbejjaalde gehoorzaamheid der onderzaten hem van Godswege toekomt. Eene natie die het natuurlijk vindt, dat men geboren wordt als de bezitter van millioenen en addellijke titels en dat men dus zijne aanspraken op eer, macht en levensgenot, gelijk de haren van zijn hoofd, mede ter wereld brengt, is consequent wanneer zij de monarchie voorstaat. Want dat er één kindje verschijnt met het recht om over een geheel land te gebieden, in zijn maag, zijn hoofd of waar zich ook de anatomische zetel van dat wonderlijk recht mag- bevinden, is zeker even verstandig en niet moeie-lijker te begrijpen dan de geboorte van eenige honderden menschenkinderen met een als \'t ware aangegroeid organisch recht op rijkdom en voorrang boven millioenen anderen. Voor hem die de theologische wereldbeschouwing huldigt, is het volstrekt niet bezwaarlijk, de monarchie met goed gevolg als eene stelling te verdedigen — voor hem is zij geene leugen. Maar in het oog dergenen, die de wereld met een natuurwetenschappelijk oog beschouwen, is zij dit
84
zeker. Feitelijk, zij het al niet in beginsel, wordt zij ook eeue leugen voor hen, die aan haren goddelijken oorsprong gelooven. Immers zij missen den moed, om met standvastig vertrouwen tegenover de wereld te verklaren : »Zijn zooals wij zijn, of niet zijn!quot; Voor deze leus der Jezuïeten doen zij concessies en beamen het recht van bestaan van nieuwe zienswijzen en opvattingen, die aan hun wezen geheel vreemd zgn. De nieuwigheden, waarnaar zij zich schikken, zijn eene volstrekte logenstraffing van het oude, en zoo gelijken zij een boek, dat op dezelfde bladzijde eene oude fabel als tekst, en als kantteekening de critiek, weerlegging en bespotting hiervan bevat. Door op die wijs zich-zelven tegen te spreken en belachelijk te maken, strekken zij den verlichten lieden tot spot en worden voor de achtergeblevenen eene bron van gedurige ergernis en pijnlijken twijfel.
Het koningschap heeft zich historisch uit verschillende wortels ontwikkeld. Hoogstwaarschijnlijk zijn de menschen reeds bij hun vroegste verschijnen op aarde gezellige schepselen geweest, die in troepen te-zamen leefden, zooals heden nog de apen. Iedere bende zal wel een aanvoerder hebben gehad, die aan de spits stond en anderen beschermde, en het lijdt geen twijfel of dit was het krachtigste mannetje uit haar midden. In den ochtend der ontwikkeling, waarvan het bleeke schijnsel op de oudste geschriften van den bijbel, op de Veda\'s en de Heilige boeken der Chineezen valt, vinden wij de familie als grondslag der samenleving, terwijl de stamvader de natuurlijke beschermer, raadgever en pleitbezorger van zijn gezin is. De menschen vermenigvuldigen zich en groeien aan tot stammen. De huisvader wordt het hoofd van den stam. Zijn gezag berust ten deele nog op de fictie, dat al de leden van dien stam uit zijn bloed ontsproten zijn — eene opvatting waarop de indeeling in Schotsche Glans gegrond is —, maar
85
deels ook op de zeer begrijpelijke en meer geldige reden voor het recht der aanvoerders bij alle kudde-dieren: de overwegende macht, die hij door sterken lichaamsbouw, of door rijkdom aan vee, akkers, werktuigen en knechten verkregen heeft. In deze periode is de afstand tusschen hem die beveelt en hen die gehoorzamen nog klein. De zoon gehoorzaamt den vader uit eerbied en liefde, de zwakke dient den sterke uit vrees, de arme den rijke op hoop van voordeel. Een erfrecht op de heerschappij kent men nauwelijks. Het feitelijk bezit der middelen tot uitvoering eu handhaving der gegeven orders is te-gelijk de zedelijke rechtvaardiging daarvan. Geen bovennatuurlijk element maakt de eenvoudige verhoudingen nog ingewikkeld ; de hoofdman gelast omdat hij kan en de stam volgt op omdat hij wil of omdat hij moet.
In dezelfde mate als de ontwikkeling vordert, ontwaakt echter in den hoofdman het verlangen om aau zijn natuurlijk ontzag de vrees voor het bovenaardsche toe te voegen. Zijn verstand, zijn rijkdom eu lichaamskracht schijnen niet langer voldoende om zijne heerschappij te verzekeren, hem voor mededingers te vrijwaren, en daarom maakt hij de goden tot zijne geduchte bondgenooteu. Hij laat zich tot opperpriester van den godsdienst van zijn stam benoemen, verbindt onzichtbare demonen aan zijn dienst en voert hetbijgeloof tot een zeer krach-tigeu steuu voor zijne macht op. Zoo is de toestand van alle volken, op het oogenblik dat zij onder het licht der geschiedenis te voorschiju treden. Het geslacht der koningen stolt er op, in rechte lijn van de goden af te stammen. De Pharaü\'s, de Inka\'s zijn zonen der Zon. De Germaansche vorsten zijn uit de leudeuen van Thor gesproten. De Marad-scha\'s in Indië ziju van een Avater Wischnus afkomstig. Het volk ziet in zijn Heer een geheiligd persoon en verleent hem boveuaardsche ^aven. In het Oosten masr men
~ o
hem niet in het aangezicht zien, wil men niet oogenblik-
86
kelijk door blindheid getroffen worden. De koningen van Engeland en Frankrijk bezitten het vermogen, door het opleggen der hand allerlei ongemakken te genezen. Wie den persoon des konings aanraakt, brengt den eeuwigen toorn der goden over zich-zelf en zijne nakomelingen. Behalve zijn leger, heeft de koning alle goden en heiligen tot beschermengelen en wachters vóór zijn troon, »zesdui-zend aan de rechterhand en zesduizend aan de linkerquot;, zooals Heine zingt.
Van nu af is de afstand tusschen den koning en zijne onderdanen reeds verbazend. Hij is niet langer de eerste onder zijns gelijken, de vader van zijn stam, maar een wezen op zich-zelf, niet onderworpen aan de algemeene wetten der samenleving. Geene menschelijke betrekking meer tusschen koning eu volk; hij is ongenaakbaar ; hij wandelt wel te midden van stervelingen, maar als eene verkleede godheid, en tot de menschen die rondom hem wemelen heeft geene onmiddellijke toenadering van zijnentwege plaats. De Hemel kan volgens Gods onnaspeurlijke raadsbesluiten gedoogen, dat hij den troon verliest; de Hemel kan den laaggeborene zich de kroon op zijn eigen hoofd doen zetten. Maar ook gevallen, daalt de wettige koning niet tot de sfeer der gemeene menschheid af, en ook gekroond, ontbreekt den usurpator de wijding der goddelijkheid. De koning blijft onder alle omstandigheden de geheiligde majesteit; de andere is en blijft de plebejer van het vleesch en bloed des volks, die ten laatste weêr tot zijn lagen kring terugkeeren, zich in de massa verliezen moet.
Zonderlinge paradox, voorwaar! De monarchie, die zich sedert den nacht der barbaarschheid tot in onze dagen heeft weten te handhaven, heeft van al hare titels juist die, welke door het gezond verstand gebillijkt kon worden, als overtollig afgeschud en alleen dezulken behouden die voor
S7
eene verstandige critiek ijlings op de vlucht gaan! De heden-daagsche monarchie beveelt :iiet meer in den naam des legers, zij beroept zich op Gods genade. De bewei-ing, dat God rechtstreeks aan den koning zijn patent heeft bezorgd, is tegenwoordig, in \'t oog van oude koffietautes nog wel, een praatje voor de vaak. Ditzelfde sprookje vertelt de monarchie met een ernst, waaraan de politie de noodige klem weet bij te zetten.
In de oudheid, in de middeleeuwen, toen er nog geene historische wetenschap en de critiek omtrent de overleveringen en bronnen nog een onbekende zaak was, had de stralenkrans der goddelijkheid om het hoofd van den koning een gloed, die bij de destijds heerschende schemering van den geest zeer wel te verklaren was. Üe nationale herinneringen strekten zich nauwelijks verder dau tot een menschenleeftijd uit. Het duister verleden was ontoegankelijk en verslond ras den oorsprong der dingen. Wie dacht nog aan het begin eener dynastie ? Niemand zag er bezwaar in, de dichters en zangers te gelooven, die den monarch van een hoogere godheid lieten afstammen, al naar de meerdere belooning, aan deze dichterlijke genealogie beschoren. Maar in onze dagen van geschiedkundig onderzoek, op de ■ bronnen af, zijn balladen en sprookjes niet meer geldig. Wij zijn bizonder goed in staat, de vroegere en latere lotgevallen na te gaan dier Europeesche monarchen, welke tegenwoordig de klassieke vertegenwoordigers der wettigheid van Gods genade zijn.
Bij de Bourbons, het oudste en meest geheiligde koningshuis van Europa, hebben wij de keus in \'t licht der twijfelachtige historie voor hun stamvader den oproerling Hugo Capet te houden, of, met de niet onwaarschijnlijke traditie des volk?, den Parijschen slagersknecht Robert Le Fort. De Habsburgers, van wie bezwaarlijk te denken is, dat nog een enkele druppel bloed in de aderen der thans in Oosten-
88
rijk heerscbeude familie vloeit, ziju de nakomelingen van een arm Frankisch edelman, die zooveel als bezoldigd vechtersbaas of politiemeester bij onderscheidene heeren was, die beurtelings een bisschop en eene stad diende. Van de Romanows is het wellicht beter niets te zessen. — De
Oo
geschiedvorscher kan somtijds onleesbare teksten ontcijferen. Maar de oplossing van het probleem, wie de vader van een zoon der keizerin Katharina II geweest kan zijn, zou voor den scherpzinnigsten historieschrijver te moeilijk blijken.— De Hohenzollerns hebben ten minste eene vlekkelooze ge-boorteacte, die men zien mag. Zij zijn van arme, maar eerlijke ouders afkomstig. De burggraven van Neurenberg waren flinke ambtenaren in het heilige Roomsche rijk en bij hunne verheffing tot grootmeesters van de Uuitsche orde, tot markgraven van Brandenburg, tot keurvorsten, koningen en keizers, is alles gegaan zooals het behoorde. De dagteekening van elke dezer bevorderingen is bekend; men weet, dat zij menschenwerk waren en dat meu, om ze uit te leggen, geene hulp van het bovennatuurlijke noodig beeft.
De Engelsche dynastie levert eea verrassend voorbeeld van de avontuurlijke stroomingen op, die het bloed van de dragers der legitimiteit door meer dan een dozijn verschillende f\'ami-liën kan nemen, zonder iets van zijne voorrechten te verliezen. De grillige kronkellijn, die de wettige afstamming van den hertog van Normandië tot op den hertog van Saksen-Coburg-Gotba beschrijft en die zoo moeielijk te volgen is, bewijst op zijn hoogst, dat een goed beginsel zich, evenals een goed mensch, door een duister gevoel bewogen, steeds van den rechten weg bewust is. Waar blijft nu evenwel in de geschiedenis van alle deze geslachten de plaats voor de interventie Gods, van v/iens genade zij hun recht tot regeeren afleiden ? In welke oogenblik-
89
ken zijn zij dezer genade deelachtig geworden ? Misschien op het tijdstip, toen Willem de Veroveraar den Saksenko-ning Harold bij Hastings versloeg ? Of toen Hugo Capet tegen zijn rechtmatigen heer uit den stam der Karolin-gen opstond, evenals Pepin in het vroeger tegen den zijne uit den Merovingischen stam gedaan had ? Of toen Rudolf van Habsburg zjin mededinger Ottokar in den wedstrijd ten onder bracht ? ... Maar, indien deze drie grondvesters van wettige huizen eens aan het kortste einde hadden getrokken ? Indien Willem over het Kanaal teruggeslagen, Hugo als muiter opgehangen en Rudolf op het Marchveld gedood ware ? Hoe zou het er dan met de genade Gods hebben uitgezien ? Zouden die overmoedige personen dan geene stamvaders dezer geëerbiedigde dynastieën, maar enkel roovers, avonturiers en oproermakers geweest zijn ? Of komt het er alleen op aan, of men geluk heeft ? Is het mogelijk juist het kenmerk van Gods genade, dat het iemand gelukt eene heerschappij te veroveren, en wordt deze persoonlijkheid misschien wettig op hetzelfde oogenblik, dat zij zich in het bezit der hoogste macht weet te stellen ? Dat laat zich hooren. De wijsheid des volks zegt: »Wien God een ambt geeft, dien geeft hij het verstand er bij.quot; \'t Is goed geredeneerd, dat God op dezelfde gronden de legitimiteit verleent aan hem, wien hij een troon geschonken heeft. Maar in dit geval is immers iedere revolutionair legitiem, wanneer zijn aanslag maar met goeden afloop bekroond wordt ?
Cromwell is dan even zoo legitiem als Karei 1, dien hij onthoofden liet; Barras en Bonaparte als Lodewijk XVI, met wien hetzelfde gebeurde; Napoleon III als Lodewijk Philips. De anarchisten hebben geene de minste reden om zich tegen het gezag van een hoofd van den staat te verzetten, ja er slechts over te meesmuilen zoodra dit feitelijk
90
die geheiligde plaats inneemt. Zij moeten dan van hun standpunt uit erkennen, dat Rienzi, Masaniello, Mazzini, Kossuth, Hecker bij de gratie Gods hoofden van den staat zourien geweest zijn, als hunne ondernemingen gelukt waren. De houthakker Lincoln, de kleermaker Johnson, de advocaat Grévy, zij moeten even heilige personen zijn als Willem van Normandië, Hugo Capet en JRudolf van Hahs-burg, want zij hebben even veel goed geluk gehad en dientengevolge ook even groote macht verworven. Het standpunt der monarchisten staat dan volkomen gelijk met dat der kikvorscheu in de fabel, die aan iederen door Zeus verkozen koning, het moge een houten paal of een kraanvogel zijn, dezelfde onderdanigheid zijn verschuldigd. Wanneer het succes als teeken der goddelijke genade moet worden beschouwd, dan is dit ook de eenige bron der wettigheid, en wanneer de monarchisten consequent wilden zijn, dan zouden zij den vreemden veroveraar, den president der republiek, kortom iedereen die fortuin had als wettig moeten erkennen. Of waren geweld, oproer, eedbreuk en kuiperij misschien alleen in vroeger dagen de vorm, waarin de genade Gods op een menschenhoofd nederdaalde? Is de betrekking tusschen den Hemel en de paleizen der koningen van gedaante veranderd ? In een zoodanig geval ware het van het grootst belang te vernemen, op welk tijdstip deze verandering begonnen is. De monarchisten zijn dan verplicht, ons jaar, maand en dag van die gewichtige gebeurtenis mede te deelen. Immers in Zweden en Jvoorwe-gen, in België, Servië en Rumenië, in Griekenland en Bulgarije hebben zich in den allerlaatsten tijd dynastieën gevestigd, die zich ook vorsten van Gods genade noemen. Hunne natie erkent, dat zij het recht op den troon hebben en de eeuwenoude dynastieën behandelen hen als hare gelijken. Natuurlijk is het nu allerbelangrijkst om te weten,
91
of die nieuwe koningen ook door de genade Gods geworden zijn wat zij zijn, ol\' dat zij met deze genade bedrog plegen en zich verhoovaardigen op eene hemelsche betrekking die niet bestaat. Zijn de Bernadottes, Coburgen, enz. koningen van Gods genade, dan is het bewezen, dat God nu nog even goed als in den tijd der middeleeuwsche overweldigingen het recht terstond bij de macht voegt. De eerste de beste sociaal-democraat, wien het gelukken mocht zich aan het hoofd van het Duitsche rijk te stellen, ware dan een monarch van Gods genade en dus in het bezit van hetzelfde wettige gezag als keizer Wilhelm.
O O O
Is daarentegen de bewering juist, dat de genade Gods, dus de macht der koningen, sedert de middeleeuwen dor geworden is als een uitgemergeld veld, dan zijn die jonge koningen daar ginds niet anders dan bedriegers en oplichters van die soort, waarover het strafwetboek een woord geeft mede te spreken. Dan is het eene verregaande aanmatiging van hen, de gehoorzaamheid der natie te eischen, eu dan is het eene schromelijke onvoorzichtigheid dei-monarchen van oude dynastieën, wanneer zij de geldigheid hunner titels erkennen en ze bejegenen als hunne gelijken.
Ik hoor nog een laatste argument tegen mijne bewijsvoering van den kant der monarchisten. Zij zeggen : de mannen, die in den laatsten tijd dynastieën hebben gesticht, zijn loten van oude stammen, waaraan sinds eeuwen het regeeren eigen is; zij zijn met eene verborgene erfelijke wettigheid ter wereld gekomen, die alleen op eene gunstige gelegenheid wacht om zich in eene zichtbare kroon te
O O
openbaren. Dit kau nu wel niet juist op de Bernadottes toegepast worden, noch op de Obrenovitzen. maar het gaat toch op voor de Belgische Coburgen, de Hohenzollerns van Rumenië, de Grieksche Glücksburgen en de Bulgarische
92
Hessen; en daarom zal ik hun argument niet terstond als leugen beschouwen, te meer niet, wijl het mij uitstekend bevalt.
Wij moeten elkander dus goed begrijpen : de legitimiteit is eene natuurlijke erfelijke eigenschap van sommige fa-miliën; een prins wordt met het recht op eene kroon geboren ; niet met het recht om over een zeker volk en niet over een ander te heerschen, maar met het recht tot heer-schen, in \'t algemeen; het te beheerschen voorwerp zal dan later wel gevonden worden. Wanneer de Belgen ot Rumeniërs tot hun koning een Cobnrger of Hohenzollern benoemen, die van nature in het bezit is der genade Gods, dan doet ze daarmee niets anders dan zijne vóórbestaande legitimiteit practisch verwezenlijken.
Die goddelijke genade wordt zoowat uitgereikt als het diploma van eene faculteit. Heeft hij dit in den zak, dan is de jonge arts wel gerechtigd om te practizeeren, maaide practijk zelve wordt hem door de faculteit niet verzekerd. üp dezelfde manier ontvangt de prins uit een wettig huis, met de genade Gods te-gelijk het theoretisch recht ergens te heerschen, maar zij verschaft hem geen land, waarop hij zijne heerschappij zal kunnen uitoefenen.
Dit is nu eens een argument dat steek houdt. Het geeft opheldering over allerlei verhoudingen, die anders onverklaarbaar zouden zijn. Een wettige koning van Gods genade kan, op deze wijze beschouwd, een anderen koning van Gods genade zeer gevoegelijk van zijn land en troon be-rooven. Hij ontneemt hem immers niet zijne wettigheid, zijn diploma, had ik haast gezegd: hij neemt hem eenvoudig zijn land af. Zoo is de inlijving van Hannover, Keur-Hessen en Nassau door Pruisen, van Napels, Toscane, Modena en Parma door Sardinië niet meer eene verloochenim; der grondslagen, waarop toch ook de troon der Hohen-
93
zollerns eu Savojers rust. De verjaagde of afgezette vorst blijft koning van Gods genade, en hij mag vrij naar een ander rijk uitzien, waarover hij met onverzwakte wettigheid en inderdaad gansch bizondere genade Gods zal re-geeren. Dank zij die prachtige vondst om de wettigheid van de heerschappij zelve onafhankelijk te doen zijn, kan men nu eindelijk, zelfs zonder van krankzinnigheid te worden verdacht, begrijpen, hoe het huis van Hannover gedurende eene eeuw Engeland door Gods genade legitiem heeft kunnen regeeren, terwijl de erfgenamen der Stuarts te St.-Germain en te Rome door Gods genade legitiem gebrek leden, koning Humbert Victor Emanuel door Gods genade in Italië op den troon gevolgd is, en koning Frans II van Napels sinds vijf-en-twintig jaar zich door Gods genade in Parijs ophoudt.
Doch waartoe ons langer met ongerijmdheden afgegeven? Het beloont waarlijk de moeite niet, den eenigen rechtstitel der monarchie, haren goddelijken oorsprong, den maatstaf eener ernstige citriek aan te leggen. Is het niet alsof men met herculische bewegingen op eene open deur wil inrennen, wanneer men naar bewijsgronden zoekt ? De vroegere en latere, steeds vorderende kennis der geschiedenis van alle dynastieën, gevoegd bij de minachtende houding der van God gezalfde monarchen tegenover hunne medekroondragers, maakt het voor den geloovige schier nog moeielijker dan voor den atheïst om aan te nemen, dat God den koningen de kroon op het hoofd zet. Gods genade kan toch niet bij tusscheupoozen werkzaam zijn! Zij kan toch niet door verdrag gewonnen worden of bij een verloren slag mede verloren gaan ! Dit zijn zulke lichtzinnige stellingen, dat het hart van den geloovige met verontwaardiging er tegen opkomt. Waar de verlichte man onzer eeuw het recht heeft te glimlachen, kan de ge-
94
loov.ge niet anders dan lucht geven aan zijn toorn. Maar laten we nn eens op alles wat de monarcliie ons vertelt ja zeggen. De koning wordt geboren met liet recbt mij zijne bevelen te geven ; ik breng, als onderdaan, den plicht der gehoorzaamheid ter wereld; dat heeft God zoo verordineerd, en als ik mij daartegen verzet, dan vergrijp ik mij aan zijn heilig raadsbesluit. Op dezen weg voortgaande, stappen wij met een enkele schrede midden op gebied van de leugen. Alleen in Kusland en Turkije bestaat nog maar, wat Europa betreft, de onbeperkte regeerings-vorm, die, zooals ik hierboven heb aangetoond, de eenige logische vorm der monarchie is. De andere landen, welke geene republieken zijn, hebben door concessiën het absolutisme min of meer met zich-zelf in tegenspraak gebracht. Het constitu-tionalisme veroordeelt allen, die eene rol in zijne komedie vervullen, tot levenslange leugen en huichelarij. Daar waar het parlement eene waarheid en de kroon niet meer dan een geduld sieraad is, in Engeland, België en Italië liegt de wet, als zij den vorm aanneemt van den uitgesproken wil des ko-nings, want zij heeft hare wording aan \'t parlement te danken en zij komt in werking, om het even hoe de koning er over deukt. De ministers liegen, wanneer zij voor het volk treden met de gebruikelijke spreekwijze: »in opdracht van Zijne Majesteit doen wij ditquot;, »op hoog bevel van Z. M. blijft dat ongedaanquot;, »wij zullen de eer hebben, Z. M. deze zaak dringend aan te bevelen\'\': want zij weten beter dan wie ook, dat de koning geen bevel uitvaardigd, geene opdracht geeft en dat zij hem niets behoeven te recommandeeren, maar dat zij besluiten, dat zij den koning feiten voorleggen, onafhankelijk van zijn wil, en dat de koning verplicht is, al die verordeningen goed te keuren en er zelfs aan te gehoorzamen. Eindelijk liegt
En Nederland ? — Vevt.
95
de koning, wanneer hij by zijne troonrede in den eersten persoon spreekt, want het stuk, dat hij voorleest, is door een ander opgesteld en hem in de hand geduwd : hij zegt het maar op zooals de phoiiograaf de iu zijne buis gesproken woorden herhaalt. Hij liegt ook wanneer hij den ministerpresident den man noemt, wien hij bij voorkeur zijn vertrouwen heeft geschonken, want hij moet als eersten minister aannemen den persoon, welke de meerderheid der natie hem toewijst, al zou hij een ander ver boven hem verkiezen. Ook bij dagelijksche benoemingen, bij het uitreiken van ordeteekenen liegt de koning, wanneer hij die handelingen als zijne eigene besluiten doet voorkomen : zij zijn hem door de ministers voorgeschreven; hij moet hun gehoorzanen, ja hij onderteekent de hem voorgelegde documenten niet zelden met den grootsten weêrzin.
In die lauden daarentegen waar de monarchie van Gods genade door de Kamers onaangetast is gebleven, zooals in Duitschland en Oostenrijk, is deze regeeringsvorm geene leugen tegen den monarch, maar tegen het volk. De monarchie verlangd als vertegenwoordigster van den goddelijken wil erkend te worden en als zoodanig maakt zij natuurlijk aanspraak op onfeilbaarheid, die eene eigenschap Gods is. In de theorie staat zij der natie toe, invloed op hare bepalingen uitte oefenen en wel zóó, dat het volk de maatregelen, die door eeue van God bezielde macht genomen werden, goed- of afkeure. Zij onderwerpt Gods raadbesluit dus aan eene menschelijke beoordeeling, iets wat zij bij hare onderdanen met de gevangenis straffen zou. Maar dit bestaat alleen in de theorie. Feitelijk wordt de wil des Konings uitgevoerd en de handelingen der constitutie zijn niets anders dan gelegenheidsleugens. Men beliegt het volk, wanneer men het oproept om zijne vertegenwoordigers te kiezen ; het parlement wordt bedrogen, wanneer men voorstellen der regeering aan zijn oordeel onderwerpt en
9ö
in stemming brengt, want de goedkeuring of afkeuring van het parlement verandert geen tittel of jota aan zulke bepalingen, In de werkelijk constitutioneel bestuurde landen is de verhouding van den monarch bepaald eene onwaardige, maar de schijn zijner macht wordt zóó zorgvuldig gehandhaafd, men vermijdt zoo behendig, zijne onbeduidenheid in \'t licht te doen treden, en de voorrechten aan zijne betrekking verbonden, zijn zoo vleiend en aangenaam, dat men het desnoods begrijpen kan, wanneer mannen, die anders niet geheel elk gevoel van eigenwaarde missen, zich tot het spelen dezer dwaze rol laten gebruiken. In de landen daarentegen, waar de constitutie louter in schijn bestaat, is de rol van hansworst het deel der volksvertegenwoordigers, en men beseft nauwelijks, hoe mannen die dezen naam dragen, zich niet te goed achten om, op den koop toe, het epitheet van nar, van een willooze pop te verdienen. De constitu-tioneele vorst kan misschien vergeten, dat hij aan een car-navalspret meêdoet, wanneer hij, in zijne rijke uniform gedost, in zijn prachtig paleis zit, en het aanzienlijk jaargeld beurt, omstuwd door zijne buigende en kruipende hovelingen. Hij weet maar al te goed dat de pret een treurig einde zou nemen, zoodra hij een enkel uur zijne rol in ernst wilde spelen. Maar al deze redenen bestaan geenszins voor den volksvertegenwoordiger. Voedt hij wellicht de hoop, den schijn van het parlementswezen eenmaal in werkelijkheid te veranderen, en laat hij het zich daarom aanleunen, in de oogen van alle eerlijk denkenden belachelijk te zijn ? Deze hoop kan en mag geen volksvertegenwoordiger voeden, die de fictie van den goddelijken oorsprong der monarchie huldigt.
Voor de verachters der leugens in de maatschappij is het werkelijk kluchtig te zien, hoe Prins Bismarck, die onverbiddelijke logicus, de zoogenoemde liberalen van den
97
Duitschen Rijksdag in de war brengt, door hun telkens en telkens bij monde zijner sprekers in het parlement, of door de goed afgerichte journalisten te laten verkondigen, dat één van beide waar moet wezen: 5f zij zijn republikeinen, die veinzen wanneer zij elkander in loyauteits-betuigingen trachten te overtreffen, of hunae gehechtheid aan het koningshuis is oprecht gemeend, en dan moeten zij die trouw door hunne gehoorzaamheid bezegelen, \'t Ts om zich dood te lachen, hoe onder den ijzeren greep dezer logica de flauw-hartige oppositiepartijen zich wringen en draaien ! Hoe gaarne zouden zij los komen, hoe gaarne het hazenpad kiezen! Zij zoeken naar alle kanten een middenweg. Zij willen de dynastie met hun leven dienen ; zij zijn zoo innig mogelijk aan het huis van den koning verknocht; de koning heeft geene getrouwer\' dienaren dan zij, en de republiek verafschuwen zij met den diepsten haat, maar de Kamers zijn er nu eenmaal ook en de koning heeft immers de hooge genade gehad, hun *den eed af te nemen ; met zijne hooge toestemming zal men in alle bescheidenheid zoo vrij zijn, van de rechten en voorrechten, die hun als volksvertegenwoordigers werden toegekend, gebruik te maken enz. Doch bet helpt geen zier. De vuist die hen eens heeft aangevat, drukt onze heeren zóó stevig tegen den muur, dat zij ternauwernood adem kunnen scheppen, en met donderende stem voert men hun tegemoet: »Be-aamt gijlieden, dat de koning door God verordineerd is ? Ja ? Hoe kunt gij het dan wagen, u op eene grondwet te beroepen, die een geschenk van hem is en die zijn goddelijk gezag u weêr ontnemen kan, zoo goed als hij er u volgens zijn goddelijk gezag meê begiftigde ? Of stemt gijlieden niet toe, dat de koning zijn recht en zijne macht onmiddellijk van God ontvangen heeft^ dan zijt gij republikeinen. Eene derde mogelijkheid bestaat er niet.quot;
7
98
Neen, een derde is er niet. iiepublikeinen of absolutisten. Al het andere is gelogen en gehuicheld, en eene regeering, die dit dilemma opwerpt, verdient den yurigen dank van alle verlichten. Wel verricht zij eene heldhaftige daad door aldus op te treden, want het kon gebeuren, dat een brutale politicus het wapen tegen haar-zelve keerde en haar ten antwoord gaf: »Indien de logica zal zegevieren, dan maakt gij zelve u aan de grofste leugen schuldig. Want, is de wil des konings de wil van God, hoe is het dan mogelijk, dat gij de Kamers dulden kunt en daarmede eene eventueele beperking van den wil des konings door den wil der natie erkent? Uw eerste plicht zou dan toch moeten zijn, de constitutie af te schaffen. Eén van beide: Gij meent het eerlijk met het parlement en dan stemt ge toe, dat de wil des volks even zooveel geldt als de wil des konings, — dan zijt ge republikein. Of de constitutie is een woord zonder beteekenis, gij doet toch wat ge wilt zonder u aan\'het parlement te storen, en dan is elke uwer constitutioneele handelingen eene met bewustheid gepleegde leugen. Dus leugenaar of republikein — een derde bestaat er niet!quot;
Juist dit is de groote moderne leugen der constitutie : zij berust op de ontkenning van het goddelijk gezag des konings, en toch laat zij dat gezag, zonder reden van bestaan, als in de lucht zwevende, voortduren. De middeleeuwen hadden ook zekere inzettingen, die de macht dei-koningen beperkten ; zij waren ook getuigen van opstand des adels tegen de regeering, van een verbitterd strijden om den voorrang. Maar dit geschiedde in de middeleeuwen althans niet in den naam der volkssouvereiniteit. De edelen, die den koning in zijn burcht benauwden, erkenden gaarne, dat de koning door God geroepen was, doch zij beweerden, dat Gods genade niet hèm alleen goedgunstig gezind was,
99
maar ook him welwillend bad toegelachen. Was de monarch koning van \' Gods genade — welnu, zij waren baronnen van Gods genade. Het is de oude geschiedenis van dien krankzinnige, die bet idee fixe bad, God te zija. Toen op zekeren dag een ander lijder, met dezelfde gedachte behept, in de inrichting kwam waar hij vertoefde, was hij de eerste om zich over de voorstelling van dezen vroolijk te maken. »Hoe kan de man zich toch verbaelden. God te zijn !\'\'riep bij herhaaldelijk uit. »Waarom zou hij niet ?quot; vroeg zijn oppasser, die in de meening geraakte dat zijn eerste patiënt genezen was. »Wel, er zijn geen twee Goden. Dewijl ik God ben, kan hij het natuurlijk niet zijn.quot; Zoo was de adel in de middeleeuwen zeker van zijne goddelijkheid en bestreed de absolute monarchie niet ia den naam van het gezond verstand, maar uit kracht van zijne dwaze opvatting. Hierdoor was het in de middeleeuwen mogelijk, te-gelijk aan de monarchie en aan de voorrechten der edelen te hechten, terwijl de souvereiniteit der natie de onmiddellijk door God verleende souvereiniteit des koninss onvoorwaar-
O
delijk buitensluit.
De monarchische leugen heeft echter nog eene zuiver menschelijke zijde, en hiertegen komt het gezond verstand en de eerlijkheid niet minder op. Hoe laag en onwaardig toch spelen degenen die met den koning in aanraking komen de laffe komedie, alsof zij aan zijne bovenmenschelijke verhevenheid geloofden, welke zij straks in hun hart bespotten ! Dat is vroeger ook wel zoo geweest, maar toen vervulde ieder persoon zijne rol met ernst; nooit viel hij uit die rol en hij deed zijn best om bij het publiek eene dichterlijke illusie te wekken ; alleen de weinige vrienden, die achter de schermen door mochten binnenkomen, zagen dat de decoratie beschilderd doek was en de gouden sieraden in niets dan klatergoud bestonden, terwijl de held,
100
te midden zijner heroïsche aandoeningen, eventjes voor straks, buiten het publiek om, een glas bier .bestelde. De hedendaagsche tooneelspelers vallen daarentegen voortdurend uit hunne rol en lachen het publiek en zich-zelven op onbeschaamde wijze uit. Zij zijn de trouwe typen der liet-hebberijtooneelspelers uit Shakespeare\'s »Midzomernachts-droomquot;.
Het paleis van den koning, in vroeger\' dagen het allerheiligste, dat door den gewonen sterveling slechts met eerbied, schroom en ontzag betreden werd, staat heden voor den verslaggever open. Ieder schandaal, iedere misdaad en iedere dwaasheid uit het koninklijk paleis wordt op de markt besproken. De geringste man uit het volk kent de zonden zijns ko-nings, de schandelijke ziekte van dezen of genen prins, de namender minnaressen van gindschen monarch, de ongeoorloofde betrekkingen en liefdesavonturen der vorstin. Men weet dat de keizer of\' de koning op de beurs hoog spel speelt; men weet dat hij idioot is; men verspreidt zijne brieven vol fouten en herhaalt zijne bespottelijke gezegden, — en toch zwetst men er-op, het stof van zijne doorluchtige voeten met grooter\' ijver te likken dan een ander! Hoe moet zulk een tooneel den oprechten en verlichten toeschouwer walgen ! Een edel kunstenaar heeft een onsterfelijk werk geschapen : hij verlangt voor zijne inspanning geene hoogere belooning dan het bezoek van den vorst. Zóó daalt hij van zgne verhevene standplaats op jammerlijke wijze tot de kinderachtige ijdelheid af, dat hij zijn arbeid door den koning laat bezichtigen. Hij is wellicht een Beethoven, een Rembrandt, een Michel Angelo ; hij zal gekend en bewonderd worden, als van den koning niets meer over zal wezen dan zijn naam in het lexicon der koningen, dit tamelijk overbodig aanhangsel van de boeken der wereldgeschiedenis. Hij weet, dat de koning geen grein verstand
101
heeft van muziek, schilder- of beeldhouwkunst. Hij is er-van overtuigd, dat Z. M., wat ontwikkeling van het schoonheidsgevoel betreft, vrij wel gelijk staat met dien Hongaarschen muizenvallen-verkooper in \'t pothuis, — en toch klopt ziju hart van voldoening, wanneer de koning den doö\'en blik even oj) zijn schilderstuk laat rusten, of half dommelend zijne muzikale compositie aanhoort. De geleerde, die met insjoanning van zijne beste krachten nieuwe waarheden voor het menschdom ontdekt en in \'t algemeen de blik verhelderd heeft, rekent het zich tnt eene eer, in een arlekijnspak van officiëelen snit vóór den koning te verschijnen en hem eenige woorden over zijne uitvindingen van \'t grootste gewicht meê te deelen. Hij weet zeer wel, dat de koning uiet in staat is, zijue korte voordracht over de eenheid der natuurkrachten, over het spectrum of de gronden van den telephoon te volgen, en dat al deze dingen, waarvan hij geen haar begrijpt, hem ook geen haar belang kunnen inboezemen. Een ferme vleugelman in \'t leger is hem vrij wat meer waard dan de gansche wetenschap en alle geleerden er-bij genomen. Niettegenstaande de verlichte denker dit alles weet, maakt hij toch gretig van de weinige minuten gebruik, die hem zijn toegestaan om in vliegende haast, stamelend en zijn neus voorbij, te zeggen wat hij te zeggen heeft, terwijl de koning zich niet de geringste moeite geeft om op zijn gelaat ■de uitdrukking van verveling te verbergen, welke deze gedwongen plicht hem berokkent. Al die bittere pillen worden door den geleerde geslikt; vergenoegd neemt hij zijne plaats in tusschen een kamerheer, die zijne aankomst in de residentie bekend maakt, en een luitenantje, dat voor een hem geschonken lintje komt bedanken. Hoeveel dichters en schrijvers bedelen om de eer, hunne werken aan den koning te mogen opdragen, opdat die ongelezen eene eere-
102
plaats zullen ontvangen tusschen almanakken en rang- en kwartierlysten !
Het ligt in de rede, dat de aristocratie van geboorte zoo mogelijk nóg lager eu hondscher voor den koning kruipt dan de aristocratie des geestes. Zij is in de onmiddellijke nabijheid van den koning; zij ziet de slaapmuts onder de kroon, den borstrok onder het hermelijn ; van haar gaan alle bespottingen, lasteringen en cnricaturen over den koning uit; zij maakt zich over zijne zwakheden vroo-lijk en brengt zijne euveldaden onder het volk. En desondanks kent de aristocraat van o\'eboorte seene hoogere
O O O
eerzucht dan het winnen van des vorsten gunst, ai ware zijn naam Lodewijk XV of Philips IV. Niets is hem te gemeen om den blik des konings op hem te quot;richten; hij verkoopt hem zijne vrouw en dochters; hij heeft het schandelijke woord in de wereld gebracht, »dat het bloed des konings niet bevlektquot; ; de aristocraat, die te trotsch is om zijne bedienden aan te zien, doet zijn best om bij elke gelegenheid als knecht bij den koning te fungeeren ; hij discht de schotels op, schenkt zijn glas in en verricht boodschappen. Eene bekende anecdote, die misschien niet waar is, verhaalt dat Peter de (iroote, tijdens zijn bezoek te Kojjenhagen, den koning van Denemarken willende toonen, hoe gehecht zijne onderdanen aan hem waren, een Kozak bevolen had, van een hoogen toren te springen, üe ongelukkige had een kruis gemaakt en was toen zonder aarzelen naar beneden gestort. Ongetwijfeld zouden een aantal hedendaagsche hovelingen ook zoo doen. Waarom? Uit heldhaftitrheid ? Och, deze hel-
O \'
den zouden bang zijn, verkouden te worden, wanneer ze een mensch uit het water haalden. Op hoop van belooning hiernamaals ? Het kan zijn, dat deze hoop den Kozak van Peter den Groote de zaak eenigszins gemakkeljiker heeft gemaakt, maar over het algemeen zijn onze tegenwoor-
108
(lige aristrocraten volgelingen van Voltaire, en zijn zij minder gesteld op de onzekere vreugden van het Paradijs dan op de genoegens, welke dit aardsche jammerdal oplevert. Ik vind de verregaande vereering van een individu, dat noch door bizondere geestesgaven, noch door beminnelijkheid, noch door lichaamskracht of schoonheid uitmunt, geheel onverklaarbaar. De kostelijke Münchhausen verhaalt o. a. een merkwaardig jachtavontuur. Op zekeren dag zette hij met een drachtige teef een drachtige haas na. Een oogenblik verloor hij de twee dieren uit het gezicht. Toen hij ze weder ontdekte, zag hij met verbazing zeven kleine hondjes, die zeven kleine haasjes vervolgden ; beide moeders hadden onder het loopen jongen gekregen, en de nieuwgeboren jongen hadden onder elkander dadelijk de jacht voortgezet. Het schijnt wel dat iets dergelijks tusschen koningen en onderdanen ook plaats vindt. Van zijne geboorte af is de onderdaan verknocht aan den koning, zooals de hond van geboorte aan het haas hangt. Ik meen dit in vollen ernst, al bezig ik wellicht een zonderling beeld. Alléén het verschijnsel van atavisme geeft den sleutel tot oplossing van het raadsel eener gehechtheid aan den koning, die niannelijken ernst, gevoel van eigenwaarde, ja somwijlen den drang: tot zelfbehoud overtreft. Het moet wel eene onbewuste nawerking van gewoonten zijn, die het eene geslacht van het andere heeft overgeërfd, wanneer de men-schen eene teederheid van gevoelens tentoonspreiden voor een wezen, dat zij misschien nimmer gezien of gesproken hebben; wauneer zij eene toewijding voor den monarch in zich bespeuren of denken te bespeuren, die zij mogelijk niet eens voor zich-zelf, laat staan voor hunne bloedverwanten koesteren. Zeker, het ligt in de natuur der men-schen, diep te buigen voor alwien de menigte uitstekend aeht: — ik zeg niet voor ieder die uitstekend ts. De mensch
104
is nu eenmaal een kudde-dier en bezit alle eigenschappen van zijne soort. Hiertoe behoort in de eerste plaats het gevoel van ondergeschiktheid aan een aanvoerder. Maar daar is dan alleen hij de aanvoerder, die door de kudde wordt gekozen en geduld. Er zijn betrekkelijk heel weinig menschen, die eene persoonlijkheid naar hare eigenschappen beoordeelen ; het gros gaat op den indruk at\', dien zi] op anderen maakt. De élite beoordeelt het individu op zichzelf, onafhankelijk van de betrekking waarin het tot andere menschen staat; de alledaagsche mensch bekommert zich enkel om de plaats, die het met toestemming der groote menigte inneemt, en gevoelt eene bepaalde neiging-om deze opvatting der menigte tot de zijne te maken, \'t Is juist niet noodig een koning te wezen, voor wie hovelingen om zich heen wil hebben; daarvoor is algemeene bekendheid reeds voldoende. Komedianten, goochelaars en clowns uit een paardenspel hebben even goed hunne hovelingen ; ja er worden zelfs lieden gevonden, die er grootsch op zijn, met beruchte misdadigers in aanraking te komen. Welke bespottelijke, laffe tooneelen hebben er niet dagelijks tegenover Victor Hugo plaats! De uitingen van een door de jaren zeer verzwakten geest worden met gejubel begroet; men bewondert zijne voormalige minnares en stelt er eene eer in, haren lijkstoet te volgen ; ja die bewierooking van den grijzen dichter wordt overgebracht op zijne kleinkinderen, hoewel men van dezen niet anders weet, dan dat zij tamelijk verwende en geaffecteerde wezentjes zijn, die zich, hoe jong ook, al vrij wat. verbeelden. Hoe komen nu de menschen er toch toe, zich op zoo vernederende wijze in te dringen? Het gewone antwoord luidt: »door hunne ijdelhekT\' ; doch waarom streelt het de ijdelheid, mede te blaffen en te kwispelstaarten met de honden, die om een bekende figuur heenspringen ? Omdat men hierdoor aan den natuurlijken
105
drang van het kuflde-dier gevolg geeft, hetwelk zich ouder een aanvoerder wil plaatsen. Toen Thackeray Snob zoo scherp veroordeelde, vergat hij, dat de ploertigheid echt menschelijk is ; en de loyaliteit, in den zin welken de monarchisten aan het woord hechten, is de volmaakte uiting van het snobisme.
Men ziet, ik zoek naar verzachtende omstandigheden. Ik zou mij-zelf gaarne willen wijs maken, dat ik aan de op-) rechtheid der gevoelens geloofde, die sommige menscheu voor den monarch aan den dag leggen. Ik kan toegeven, dat de Russiche boer niet huichelt, wanneer hij den zoom van het kleed des alleenheerschers kust ; dat de duitsche soldaat niet liegt, als hij verklaart met genoegen zijn leven voor den keizer ten oifer te brengen. Maar wanneer ik tegenover ontwikkelden en voornamen sta, die de monarchie zeggen te vereeren, dan laten al die schooue woorden: anthropologie, atavisme en herediteit, die ik te hulp geroepen heb om de loyaliteit van den minderen mau eenigs-zins begrijpelijk te maken, mij op droevige wijze iu den steek. Bij de verlichte menschheid is en blijft dit gelooven aan de goddelijkheid der kroon eene opzettelijk volgehouden leugen. Zij heeft geen grond. Zij is eene komedie, waarin ieder voor geld zijne rol speelt: de een om een ambt of waardigheid ; de ander om titels en eerbewijzen ; een derde wijl zijn belang het medebrengt, de monarchie in stand te doen blijven; — maar allen is het om zeker voordeel te doen. En juist dit maakt de monarchische leugen zooveel afzichtelijker dan de godsdienstige. Wanneer een verlichte aan de ceremoniën der kerk deelneemt, dan is dit traagheid, onverschilligheid of eenvoudig sleur ; maar ook dan wanneer hij zoodoende met den invloedrijken priester op een goeden voet tracht te komen, kust bij toch niet onmiddellijk de hand, die hem eene fooi toewerpt. Met den
106
kruipenden hoveling, die illumineert en zijn huis met kransen bedekt, die lofliederen uitgalmt bij elke vorstelijke bruiloft of voor ieder prinsje, dat geboren wordt, is het anders ; deze vermoeit zich tegen betaling en ontvaugt die liefst dadelijk na den bewezen dienst. Hij onderscheidt zich in geenerlei opzicht van de ontuchtige vrou\\T, die liefde huichelt en handelingen der liefde ten uitvoer brengt, terwijl hare gedachten bij het aangeboden geldstuk vertoeven.
Velen trachten hunne onoprechtheid jegens de monarchie te verontschuldigen door te zeggen dat deze leugen toch zeer weinig beteekent. In echtconstitutioneele landen heeft de koning minder macht dan de president in de Veree-nigde Staten van Noord-A merika. Engeland, België en Italië zijn republieken met een koning wien men de gebruikelijke eerbewijzen niet onthoudt, maar deze vormen beletten de vrije oefening van den wil der natie in geen enkel opzicht. Dus spreekt men, doch men dwaalt, en deze dwaling zal eenmaal voor de volken op eene geduchte misrekening uitloopen. De macht der koningen is nog zeer groot; hun invloed werkt juist in bovengenoemde landen, al is het niet door de constitutie, dan toch er-langs en er-onder-door. Gladstone, gewis een bevoegd beoordeelaar, heeft ons indertijd in »the Nineteenth Centuryquot; belangrijke mededeelingen over den invloed der monarchen gedaan. Sommige in onze dagen verschenen gedenkschriften en brief-
o o o
wisselingen geven omtrent dit punt ophelderingen van groot belang. Bij het doorlezen o. a. van de «Levensbeschrijving van den Prins-gemaalquot; van Martin, met de correspondentie tusschen Prins Albert en Prins Wilhelm van Pruisen, den tegenwoordigen keizer, en van hetgeen daarin verhaald wordt over de betrekking van Napoleon III met het en-gelsche hof, of der mémoiren van baron Stockmar, Meding en anderen, zien wij ten duidelijkste hoe de vorsten van
107
•
uit hun kabinet, over de hoofden van natie en ministerie heen, hunne draden spannen, waardoor zij vertrouwelijk verbondea zijn. Zij beraadslagen en geven berichten; zij beoordeelen elke politieke gebeurtenis van huu eigenaardig standpunt; en tegenover de beweging des volks, dat zijne rechten kent en die wenscht te handhaven, zijn zij solidair. De volksredenaars houden treffende toespraken van de tribune ; de volksvertegenwoordigers spreken met veel nadruk in het parlement; de ministers geven met ernstig gebaar opening van zaken ; allen zijn overtuigd, dat hun invloed de overwegende is voor de lotgevallen van hun land. In-tusschen glimlacht de koning en verzendt briefjes aan zijne vorstelijke vrienden buiten de grenzen, maakt alle mogelijke afspraken betreffende verbintenis en uitsluiting, oorlog en vrede, verovering en inlijving, beperking of concessie; en zoodra het plan gereed is, wordt het ten uitvoer gelegd, al praten de parlementen nog zooveel tegen. Aan uitvoerende werktuigen is nooit gebrek. Men kan desnoods ook
c5 O
vrij gemakkelijk aan de strooming der openbare meening eene gewenschte richting geven en op deze manier spreken de koningen, die »zoo bitter weinig beteekenenquot;, het beslissende woord in het leven der natiën, \'t Is tegenwoordig erger dan in de middeleeuwen ; want toen bestond het gevoel van solidariteit niet tusschen de monarchen en de aristocratie, en het priesterdom was hun lang niet zoo ter wille als in onzen tijd.
De sluwe pseudn-liberalen, die den koning meenen te bedriegen door hem voorrechten te schenken, zonder de macht daaraan vast te knoopen om er gebruik van te maken, worden inderdaad door den koning bedrogen, die behendig de kunst verstaat om den s c h ij n van macht in werkelijkheid te veranderen. De ledige vorm is niet de monarchie, maar is der volkeren eigen bestuursrecht.
108
111.
De verhouding tusschen de monarchie en de aristocratie is tamelijk dezelfde ais die tusschen godsdienst en monarchie. Er zal van geene aanhoudende monarchie zonder aristocratie spraak kunnen zijn, terwijl aristocratie zonder een koninklijk hoofd van den staat zeer wel denkbaar is. Er zijn landen, die geen erfelijken adel hebben : Griekenland, Rumenië, Servië; in andere : Noorwegen, Brazilië, is hij afgeschaft. Maar dat zijn kunstmatige, onduurzame toestanden. Of deze monarchische landen zullen het konins-schap er-aan geven en republieken worden, èf zij zullen spoedig een erfelijken adel zien opgroeien, die misschien geene titels of wettige rechten zal kunnen tooneu, maar des te meer voorrechten genieten. Sommige dieren zorgen, gelijk men weet, zoo goed voor hunne nakomelingen, dat het wijfje hare eieren dichtbij, of ook in het voor hen bestemde voedsel iegt, zoodat de rupsen, wanneer zij uitkruipen, hunne tafel gedekt vinden. Op diezelfde wijze wenscht een koning, dat zijn erfgenaam reeds in de wieg de trouw en gehechtheid ontvaugen zal, die hij dan nog niet zelf heeft kunnen verdienen ; maar hij meent voor zijn zoon daarop te kunnen rekenen, met het oog op de dankbaarheid van een aantal familiën, welke hij met eerbewijzen en goederen overlaadde. Dikwijls genoeg wordt deze verwachting der koningen teleurgesteld. Het thans levend geslacht de aristocraten vergeet in de oogenblikkeu des ge-vaars de schuld der dankbaarheid aan wijlen de voorouders van den vorst, en laat dezen gerust aan zijn lot over, als hun eigen belang het wenschelijk maakt, \'t Is onnoodig, dit met vele voorbeelden uit de geschiedenis te staven,—een paar is voldoende ; de. verhouding van den engelschen adel tegenover
109
koning Willem van Oranje en George I, van de Fransche legitimisten tegenover Napoleon I en III en Louis Philippe, en ook weder van den adel onder Napoleon tegenover bet-herstelde huis van Bourbon. En niettemin klampen de koningen zich angstig aan deze zwakke waarborgen voor de toekomst vast. De aristocratie geeft bun nog altijd een zeker bedriegelijk gevoel van veiligheid, zooals de soldaat op bet veld zich wel eens rustiger beweegt achter eene verschansing, al weet bij heel goed dat een vijandelijke kogel haar toch doorboren moet.
Eene vreemde vertooning inderdaad, die verwondering en ergernis, ongeloot\' en hilariteit te-gelijk opwekt, is deze middeleeuwsche komedie op de planken onzer moderne beschaving. Eene Kaukasiscbe menschenwereld, die oud-Egyptische of Indische kaste speelt. Zij schildert of boetseert op hare huizen, rijtuigen en ringen leelijke en onwijze teeke-ningen van wapens, die sedert eeuwen in onbruik zijn. Dit hardnekkig gebruik maken van verouderde opschriften en symbolen doet ons onwillekeurig denken aan iemand, die tegenwoordig een steen als zakmes bij zich zou willen dragen, of met een pijl van vischgraat op de hazenjacht gaan. Is bet niet om te lachen, wanneer men hoort boe iemand hertog, d. i. veldheer, legeraanvoerder wordt van een fatje, dat op zijn hoogst: in zijn leven een cötillon heeft bestuurd. Een ander stoft op zijne edele geboorte en houdt zich voor een bizonder exemplaar der natie, terwijl hij een bochel en klieren heeft, en in geestigheid nog achter staat bij den snuggeren straatveger. Onze tijd bezit geen zotter overblijfsel dan de adelstand is !
Of ik dan aller gelijkheid in de samenleving een verstandiger\' instelling zou vinden? O neen. Ik houd de gelijkheid voor eene hersenschim van droomers en kamergeleerden, die nooit de natuur en de menschen van nabij
110
hebben gezieu. De Fransche omweateling meende de gedachten der Encj\'dopedisten kort uit te drukken door de woorden ; sVrijheid, gelijkheid en broederschap.quot; Vrijheid ? Zeer goed. De eenige beteekenis van dit woord kan slechts zyu : een wegruimen van alle hinderpalen, waardoor wetten, die uit bekrompenheid en willekeur ontstaan zijn, de ontwikkeling èn van het individu èn der maatschappij beperken of geheel beletten. Broederschap ? Heerlijk ideaal eener volmaaktheid, van \'twelk onze maatschappij nog oneindig ver verwijderd is! Maar gelijkheid ? Gelijkheid is eene onzinnige fabel, aan wier verwezenlijking niemand denken zal, die zijn verstand gebruikt. Trouwens, de billijkheid gebiedt hier aan te stippen, dat de voorloopers der groote Revolutie nooit van eene maatschappelijke gelijkheid gesproken hebben, maar van gelijk recht tegenover de wet. De redenaars en dagbladschrijvers der Revolutie hebben verzuimd hierop te wijzen. Zij wilden door de kortheid van hunne volzinnen den indruk ervan versterken, maar ter wille dezer kortheid verloren zij de duidelijkheid uit het oog. Op deze wijze kwam de gelijkheid zonder nadere toelichting op het programma der revolutie te staan, en de groote hoop, die machtspreuken gedachteloos napraat, verstond onder segalitequot; alles wat er in later tijd op de spijskaart der koffiehuis-democratie door verstaan werd. Maar zelfs de volkomen gelijkheid voor de wet is wel uitvoerbaar in theorie, niet in de practijk. Werd de wet door machines in toepassing gebracht, dan zouden de raderen steeds op dezelfde wijze in elkander grijpen; maar zoodra menschen die zaak bezorgen, is eene zekere ongelijkmatigheid onvermijdelijk. De meest nauwgezette rechter wordt, zijns onbewust, onder den indruk gebracht van uiterlijk voorkomen, stem, geest, ontwikkeling en maatschappelijke positie der partijen, en de pijl der wet wordt in zijne hand door voor-
Ill
keur of tegenzin afgeleid, als de magneetnaald door den electrischen stroom. Deze bron van dwalingen bij de toepassing der wet kan tot een minimum ingekromjjen worden, maar geheel opdrogen zal zij nooit.
Is evenwel gelijkheid voor de wet reeds moeielijk, de maatschappelijke gelijkheid is in \'t geheel niet denkbaar. Zij is ook in tegenspraak met alle natuurlijke en mensche-lijke instellingen. Wij, die van het standpunt der natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing uitgaan, zien juist in de ongelijkheid aller schepselen de oorzaak van aller ontwikkeling en volmaking. Wat is de strijd om het bestaan, deze bron van menigvuldigheid en vormen-rijkdom der natuur, anders dau eene telkens herhaalde werking van ongelijke krachten ?
Een beter toegerust schepsel laat een minder bedeeld zijne overmacht gevoelen, üe onderdrukten verzetten zich daartegen, de onderdrukker overweldigt ze. Tn deze worsteling worden de krachten der zwakken geoefend, en die des sterken komen tot hunne hoogste ontwikkeling. Het optreden van een goed begaafd individu bevordert op deze wijze gedurig de algeineene beschaving en heft haar een sport op de ladder omhoog. De geringste wezens gaan in dien strijd onherroepelijk te gronde. Het gewone, alledaagsche type wordt er bestendig beter en edeler door. Het tegenwoordig geslacht staat over het geheel zoo hoog als de voortrelfe-lijksten van het vorige en de generatie van morgen voelt den drang, aan de leiders van heden gelijk te worden. Het is een eindelooze wedkamp, en altijd in voorwaartsche richting. Aanhoudende inspanning van alle krachten en talenten — \'t is een voortdurend opklimmen naar het ideaal. De meer begaafden noemen het streven der minderen om hun gelijk te worden afgunst, de minder bedeelden geven aan de neiging van genen om zich gestadig boven
112
hen te willen verheften den naam van hoogmoed. Dit zijn echter maar uitvloeiselen van de natuurlijke traagheid van stof, die iedere inspanning, hoe nuttig en heilzaam ook, onaangenaam vindt, en dit schiinbaar misnoegen over de gedwongen moeite kan nooit als bewijs tegen de nuttigheid der inspanning dienst doen. Van deze natuurlijke wet der ongelijkheid leidt de aristocratie haar recht van bestaan af. De ondervinding leert dagelijks, dat eigenschappen vaa het individu op zijne nakomelingen overgaan. Was de vader een schoon, krachtig, gezond en moedig man, dan zullen zijne zonen zich waarschijnlijk in diezelfde voorrechten mogen verheugen ; vervulde hij eene uitstekende plaats in de samenleving, dan bestaat er geene reden waarom zijne erven die plaats niet mede zouden aanvaarden. Zeker zou het beter voor hen zijn, als zij den eersten rang in de maatschappij zelf met inspanning van hunne eigene krachten moesten deelachtig worden, maar ook bij vrijen naijver zou het kroost der edelsten toch de meeste overwinningen behalen.
De erfelijke aristocratie is intusschen niet louter uatuur-lijk, ze is ook van groot nut voor bet algemeen. In die democratische kringen, wier ideaal de verkeerd begrepen »egalitequot; der groote Revolutie is, zal een jongmensch alleen bij uitzondering de gelegenheid vinden, om volksvertegenwoordiger, minister, bewindhebber te worden. De Bonapar-tes, Washingtons en Gambetta\'s zijn geene bewijzen tegen die stelling. Kevolutien zijn bizondere toestanden ; zij kunnen aan jongelieden plotseling zeer hooge ambten bezorgen, maar daarom zijn ze de norm der democratie niet. Waar deze eenmaal tot rust is gekomen en geregeld voortleeft, daar bevindt zich voor meteorische loopbanen als die van bovengenoemde mannen geene ruimte meer. Toch is het van groot belang voor de maatschappij, dat af en toe jon-
113
gelieden het beslissende woord spreken in het bestuur van land en volk. De ouden vatten bezwaarlijk nieuwe ideeën op, en hun ontbreekt dikwerf de kracht en de handigheid otn nieuwe beginselen in practijk te brengen. De macht der gewoonte maakt van een bejaard man een ledepop, wiens denken en gevoelen vaak weinig meer is dan eene herhaling van vroegere gedachten en gewaarwordingen. Stel nu zulk een verouderd organisme eens onder den invloed van nieuwe opvattingen ! Terwijl het jeugdige brein niets anders behoeft te doen, dan het nieuwe iu zich opnemen, moet de oude van dagen dit óók, maar buitendien moet deze zijne natuuiljjke geneigdheid bevechten, om die nieuwe voorstelling in het honderdmaal begane spoor te voeren. Hij verricht dus zwaarder\' arbeid en met minder kracht dan de jongeling. Op deze gronden is een enkel uit bejaarde mannen samengesteld bestuur uitteraard gedoemd, in den ouden sleur te blijven voortwandelen, met den aanleg om een museum van overleveringen te worden. Waar integendeel de jeugd zich aan \'t roer bevindt, daar dringen verbeteringen vlug en onbelemmerd door, en niet beschermd door zijne lijfwacht de gewoonte, moet daar het »eenmaal bestaandequot; gedurig het bewijs van degelijkheid en doelmatigheid leveren om zich te kunnen handhaven. De overmoedigheid of ai te groote voortvarendheid van jongelieden zal zooveel kwaad niet doen als sommigen duchten, want in de ingewikkelde bewerktuiging van den staat moet het geestelijk initiatief tot aan de feitelijke uitvoering zulk een langen weg doorloopen, dat ook de vurigste opwelling voldoende tijd heeft om te bekoelen, eer zij tot daad kan worden.
Het bestaan eener erfelijke aristocratie maakt het voor een grooter aantal bevoorrechte personen mogelijk, reeds op jeugdigen leeftijd gewichtige posten in de maatschappij
8
114
te bekleeden. Want de aristocraat brengt bij zijne geboorte terstond de algemeene bekendheid als doopgift mede ter wereld, terwyl de onbekende man uit het volk in den regel de beste levensjaren moet besteden om met opoffering van tijd, van kracht, ja dikwerf van karakter, tot die uotoriteit te geraken, die het gros als eene bepaalde voorwaarde voor welslagen aanmerkt. Meestal is de betrekking, waarin hij zich nuttig kan maken, voor den plebejer het einde, voor den aristocraat het begin van zijne loopbaan ; de laatste behoudt zijne ongedeerde kracht, terwijl de ander reeds een goed deel zijner energie bij het moeitevol opklimmen verbruikt.
De erflijke aristocratie heeft nog eene practische zijde voor de samenleving. Het bezit van een beroemden naam levert een waarborg, dat de drager daarvan eene meer nauwgezette opvatting van zijn plicht zal hebben dan iemand van lage afkomst ; bij zai zijn ideaal van de mensch-heid hooger stellen.
Natuurlijk kan deze uitspraak niet op ieder in \'t bizonder van toepassing zijn een graaf of\' hertog uit een overoud geslacht kan een ellendeling, en de zoon eens dagloo-ners of de opgeraapte vondeling een schitterend toonbeeld van moed en zelfverloochening zijn. Nochtans behoort het eerste tot de uitzonderingen, en van het laatste weet ik niets, zoolang het niet bewezen wordt, dat het zoo is.
Met mijne medeburgers ben ik uitgenoodigd om voor de vervulling van een belangrijke betrekking, die open staat, eene keuze te doen. Onder de mededingers bevindt zich iemand van voorname familie, en nog een ander wiens naam ik nooit heb hooren noemen, Ben ik nu nauwgezet en gaat het algemeen welzijn mij wezenlijk ter harte, dan zal ik mijne stem aan den aristocraat verleenen. Ik ken de sollicitanten geen van beide, maar hij heeft naar mijne opvatting de grootere kans van zedelijke betrouwbaarheid in zijn voordeel. Waarom?
115
Gewis niet, omdat hij eeue betere opvoeding gehad heeft en het besef van echte ridderlijkheid hem met de moedermelkis ingegoten. Deze gronden berusten zeer dikwijls ojn dwaling. Wie weet toch geene voorbeelden te noemen van prinsen, die in eene allertreurigste omgeving opgegroeid, leugenaars, lafaards, wellustelingen, ja ^emeene dieven —of tijue dieven, als het fi|uer is een garnituur van brillanten te stelen, dan een katoenen zakdoek — geworden zijn? Neen. niet in opvoeding zie ik een waarborg voor de meerdere voortreffelijkheid van den aristocraat, maar wèl in zijn familie-trots, familie verwaandheid desnoods. Hij gevoelt meer dat hij solidair is met zijn geslacht dan de plebejer. Laatstgenoemde staat op zich zelf, is dus een enkelvoudig persoon ; gene vertegenwoordigt eene meerderheid. Hrj leeft het leven zijner voorouders, tijdgenooten en nakomelingen in zijn eigen persoon. Hoe laf en slecht van natuur ook, hij zou nog bij voorkomende gevallen tot het verrichten van een heldenfeit worden geprikkeld door de gedachte : »A1 ga ik persoonlijk er-bij ouder, dan zal mijne daad toch niet vruchteloos zijn : — zij zal aan mijn geslacht, aan de lueuschen van mijn bloed toegerekend worden ; ik vermeerder den roem van mijn naam en daardoor tevens het eigendom mijner erven.quot; Jy,n Smit of Peter Jansen heeft dien prikkel tot heroïsme niet. Zijne zelfopoffering brengt niemand voordeel aan, ten minste aan geene bepaalde personen; het algemeen welvaren is een denkbeeld, dat in oogenblikken des gevaars voor gewone hersenen wel wat te vaao- is. Zeker, naar \'t catetforisch
O \' O
bevel luistert de massa ook. Op het slagveld doen Jan Smit en Peter Jansen even goed hun pligt als Dalberg en Montmorency. Maar dwang is een miuder vaste grond om op te bouwen dan het belang van naam en faam. De gedis-tingueerde held wordt bij zijne daad door het uitzicht op eene gedenkzuil op het heilig domein der geschiedenis met
116
geestdrift bezield; hem wacht, wanneer hij bezwijkt, eene afzonderlijke graftombe. De held van duistere afkomst mag hoogstens op eenige minuten van zelfvoldoening rekenen en daalt dan in den algemeenen kuil der gesneuvelden. Hij heeft in den regel de overtuiging, dat geen haan naar hem of naar zijne toewijding zal kraaien ; — de ander is van zijne onsterfelijke glorie verzekerd. Ik koester het stellig vertrouwen, dat het bewustzijn van menschelijke solidariteit allengs krachtiger zal worden. Dat bewustzijn is te allen tijde bij de edelsten onzer ruimschoots aanwezig geweest; zij offerden zich zonder aarzelen voor het toekomstig heil der menschheid op. Maar over het algemeen zijn wij nog vol individualisme en vol baatzucht. Wij moeten nog veel vooruitgaan eer de man des volks eene daad van zelfverloochening zal verrichten om dezelfde redenen als de aristocraat : vermits hij het nut, dat zijne handeling voor de maatschappij ten gevolge heeft, als een persoonlijk voordeel ondervindt, terwijl de ander mede zijn persoonlijk belang denkt te dienen door aan zijne nakomelingen de heugenis van zijn heldenstuk na te laten. Nu is het echter voor een land van groot gewicht, eene klasse van men-schen onder zijne kindereu te mogen tellen, van wie men weet, dat zij reden hebben hunne plichtsvervulling hooger te achten dan hun leven. Men heeft dan steeds de Win-kelrieden bij de hand, die zich met open oog, met volle bewustheid van hun zekeren ondergang voor aller welzijn opofferen.
Gelijk bij alle wereldsche dingen, zijn bij de erfelijke aristocratie ook schaduwkanten op te merken. Hiertoe behoort in de eerste plaats, dat zij wel op het karakter, maar niet op den geest des volks een gunstigen invloed uitoefent ; verhooging van het verstandelijk peil mag men niet van haar verwachten. De bevoorrechte klasse kan
117
lichamelijk sterker zijn dan het volk, omdat zij zich heter voedt, onder gunstiger\' omstaudigheden leeft — wat hare gezondheid betreft en — en deze voordeelen door overerving tot kenmerken van het ras maakt, die beklijven. Maar intellectueel zal de aristocratie nooit uitmunten, juist omdat eigenschappen des.geestes niet erfelijk zijn; in zake talent moet ieder letterlijk de eerste steenlegger van zijn huis wezen. Het genie kent geen stamboom, maar is en blijft altijd streng persoonlijk. Ja meer nog, groote talenten zijn doorgaans zonder nakomelingschap, of indien zij kinderen hebben, dan zijn die zwak en met minder levensvatbaarheid bedeeld dan het kroost van middelmatige ouders. Hierbij valt het bestuur eener geheimzinnige wet op te merken, die schijnt te willen verhinderen dat te veel uitstekende loten op het stuk van begaafdheid aan eenen stam ontspruiten. Wat zou er ook het gevolg van zijn, indien het genie evenals spierkracht, kloeke bouw en lichamelijke schoonheid erfelijk waren ! Eene kleine bevoorrechte klasse van Sha-kespeares, Goethes, Schillers en Humboldts zou dan te midden van eene natie opgroeien en tusschen dien kring van uitverkorenen en de overige menschen zou eene on-dempbare kloof blijven bestaan. Onbegrepen door de menigte, zou deze aristocratische familie de gewone wetten slechts zeer bezwaarlijk op hare levenswijze in toepassing weten te brengen. Zij zou wellicht beproeven, afzonderlijke instellingen voor haren kring in te voeren en aldus eene op zich-zelf staande natie in de groote natie te vormen ; of zij zou trachten de algeraeene wetgeving naar heure eigenaardige behoeften te wijzigen, hetgeen voor de volksklasse even nadeelig zou wezen, als dat men haar dwingen wilde, zuivere zuurstof in te ademen. Een hooger verstand overwint altijd een lager, ook al was dit met de grootste lichaamskracht toegerust. Waar verstandelijk ontwikkelde
118
rassen met mindere in botsing komen, gaim de laatsten onherroepelijk verloren. Misschien zou eene kleine aristocratie van genieën op haar volk invloed kunnen uitoefenen als bijv. de blanken op de Roodhuiden of de negers in Australië. Maar tot het vormen van zulk eene aristocratie brengt men het nooit. Het genie is eene centifoiie : prachtig maar onvruchtbaar ; het volmaakte, ja het buitensporig ontwikkelde type van hare soort: heerlijk in alle opzichten, maar ongeschikt tot voortplanting. Laat men vrij Goethe en Schiller, Walter Scott en Macaulay in den adelstand verheffen; als zij kinderen hebben, zullen deze toch nooit in de erfelijke aristocratie de verstandelijke keur des volks vertegenwoordigen. Waar, bij wijze van uitzondering, een geboren aristocraat als genie optreedt, een Byron bijv., daar maakt dit toch zijn stand niet tot een stand van talenten. De beste intelligentiën van een volk zal men dns nimmer onder de erfelijke aristocratie moeten zoeken, en als kaste zal deze uitsluitend door eigenschappen van lichaam en karakter boven de rest der natie uitsteken. Het natuurlijk gevolg hiervan moet zijn, dat zij streven en trachten zal, de voorrechten, die zij heeft, hooger te schatten dan die welke zij niet bezit, en waar haar invloed overwegende is, behoeft de intelligentie er niet op te rekenen, dat zij de plaats zal mogen innemen, die haar volgens hare overtuiging van rechtswege toekomt.
Eene tweede schaduwzijde der erfelijke aristocratie is deze, dat zij menigeen in den weg staat. Bij gelijke begaafdheid zal in iedere mededinging de aristocraat zegevieren, en vaak genoeg zal de overwinnaar niet eens de geli]k-, maar de minst begaafde zijn. Maar dat is niet anders. Volstrekte rechtvaardigheid is eene hersenschim, welke nooit te verwezenlijken is. De instellingen onzer maatschappij leveren voor ieder individu eigenaardige bezwaren op, eu éen
119
daarvan is de voordeelige plaats, die de aristocraat, in bet strijdperk om het bestaan, \'/.ich toeeigent. Wij kunnen ons den last niet afwentelen. Zijn onze schouders en ellebogen bizonder krachtig, nu ja, dan nemen wij de proef, en pogen tot de eerste rijen door te dringen — het gelukt ons niet zelden. Maar wanneer bet ons aan deze natuurlijke hulpmiddelen ontbreekt, dan nemen we met onze klachten over den voorrang der aristocraten het standpunt in der antilope, die zich ergert over de onbescheidenheid van den leeuw, welke haar opeet.
Wat nu de wijsgeerige bepiegeling, die geene rekening met de feiten houdt, tegen de aanwezigheid eener bevoorrechte kaste moge inbrengen, toch zal er zich onfeilbaar zoo\'n kaste vestigen, als maar drie of meer menschen zich om den wille van duurzame belangen met elkaar verbinden. Alle vereenigingen, die oorspronkelijk van \'t beginsel van absolute gelijkheid uitgegaan zijn, kunnen dit bevestigen. De groote Noord-Amerikaansche republiek is theoretisch eene volmaakte democratie.
In de practijk vormden de slaven-eigenaars der zuidelijke staten eene erfelijke aristocratie, met alles wat daarbij behoort ; in de oostelijke landen trachten de afstammelingen der eerste Puriteinsche uitgewekenen en der Hollandsche kolonisten zich van de later aangekomen menigte afgeslo-
o o o
ton te houden en ten minste eenige maatschappelijke privilegiën voor hun kring te bewaren, terwijl de piraten dei-beurs, die door de schandelijkste hulpmiddelen van list en geweld rijk geworden zijn op brutale wijze dinastieën stichten, wier leden niet enkel in de samenlevinsr anderen tot
1 O
voorbeeld worden gestelei, maar die ook op de lotgevallen van land en volk den grootsten invloed uitoefenen. Men zegt dat het natuurlijk gevoel van gelijkheid bizonder sterk bij de Franschen uitkomt. Dit heeft hen intusschen niet
120
belet, op de puinen van hun ouden adel een nieuwe te doen verrijzen, die wel geene titels en wapenschilden voert, maar alle belangrijke attributen der aristocratie bezit. Juist de voorouders van dezen waren — ironie der geschiedenis! — de onverzoenlijkste gelijkheidspredikers der Revolutie. Ik heb hier niet het oog op de koningsmoordenaars van de Conventie, uit wier midden Napoleon, volgens het model van den historischen adel zijne keizerlijke aristocratie vormde , maar op die gezinnen, waarin rijkdom en invloed sedert die revolutie erfelijk zijn gebleven, alleen omdat hun voorvader destijds eene meer of min aanzienlijke rol heeft gespeeld. Bij eene vergelijking der lijsten van personen, die in de laatste vier menschenleeftijden in Frankrijk geregeerd hebben als ministers, senatoren, afgevaardigden of leden van de regeering, zal men zich verbazen, zoo telkens en telkens weer namen van 1789 te ontmoeten. Al wie de tegenwoordige familiën Carnot, Cambon, Andrieux, Brisson, Perier, Arago enz. kent, weet dat deze epigonen hunne hooge staatsbetrekkingen niet aan eigene kundigheid of kracht te danken hebben, maar aan den naam, dien zij dragen.
Het Turksche rijk heeft een streng democratischen regee-ringsvorm, behalve de dynastie der Osmanen en de nakomelingen van den profeet, waarvan men intusschen niet de geringste notitie neemt, kent men daar geen erfelijken adel. Het behoort tot de meest alledaagsche gebeurtenissen, dat sjouwerlui en barbiers Pascha worden ; de Padishah, die geheel naar luim en goeddunken rang en titels verleent, vraagt naar geene afkomst zijner gunstelingen. Desniettemin wordt het land hoofdzakelijk door de zonen der parvenus, de Effendis, geregeerd, en al kan een Pascha aan zijne erven ook niet rechtstreeks zijn titel overmaken, zoo laat hij hun toch meestal een goed deel van zijn invloed na. \'t Is immers menschelijk, een eigen zoon of den
zoon van een vriend boven vreemdelingen te begunstigen, al hadden dezen ook de grootst mogelijke verdiensten! Daarom zal de schoonzoon van den hoogleeraar altijd ernstige wetenschappelijke aanspraken voorhebben op den minder omzichtig gehuwden mededinger; daarom zal de diplomatieke loopbaan zeer gemakkelijk blijken voor den zoon van den minister; en daarom zal het kroost, dat in de salons der hooggeplaatste vaders te-zamen op den vloer heeft gedartelt, steeds eene geslotene, zich-zelf ondersteunende phalanx uitmaken, waar de buitenstaander nauwelijks doorheen breekt. Wie het dichtst bij het vuur zit, warmt zich het best.
IV.
Ik heb erkend dat de aristocratie eene natuurlijke en onvermijdelijke instelling der menschheid is, en daarom hoogstwaarschijnlijk van zeer langen duur zal zijn, en ik heb tegen de haar toegestane erfelijke voorrechten en eerbewijzen niet veel bezwaren ingebracht. Dit geschiedde onder ééne voorwaarde: de aristocratie moet werkelijk uit het krachtigst en edelst materiaal opgebouwd zijn. Zal eene adellijke kaste raison d\'etre hebben, dan moet zij de gronden kunnen aangeven waarop die aanspraak berust. Zij moet uit eene uitstekende kleine ver-eeniging ontstaan zijn en door omzichtige voortplanting van het geslacht, de voorrechten pngen te bewaren en te bevorderen. Historisch zijn alle aristocratiëu zoo ontstaan. Reeds vroeg kwamen de schoonste, dapperste en schranderste mannen tot eer en aanzien onder hunne stamgenooten, en hunne nakomelingen waren trotsch op de natuurlijke gaven der voorouders. Zij hadden het bewustzijn, dat zij de hooge
122
plaats, die zij iniiaraeu, uiet aan de grillige luenschelijke guust l.e dauken hadden, maar aan de eeuwige moeder Natuur. In den kinderlijken vorm van den oermensch drukten zij dit gevoel daardoor uit, dat zij er roem op droegen, van de goden huns volks, anders gezegd van diens ideaal-typen, af te stammen. Zulk een godenadel hadden de Germanen, zulk een bezitten nog tegenwoordig de Hindoes, benevens sommige primitieve stammen der Noord-Amerikaansche Roodhuiden.
Maar waar eene natie uit eene vermenging van verschillende ethnische elementen geboren is, waar een krachtige stam een zwakkere overwonnen heeft, daar vormen de nakomelingen der overwinnaars, dus van het ten minste lichamelijk hooger staande, de aristocratie.
Dit is de oorsprong van den adel in alle Europeesche landen, welke ten tijde der volksverhuizing of later den inval van vreemde volken, meest Germaansche, te verduren hadden. Zoo is de eerste Pransche adel Frankisch» Bourgondisch en Saksisch-Noormansch, de Spaausche West-go thisch ; de Italiaansche Vandaalsch, Gothisch en Lon-gobardiseh, deels ook Fransch en Spaansch; de Russische Waregisch, dat is te zeggen Skandinavisch ; de Engelsche Noormansch ; de Hongaarsche Magyaarsch ; de Chineesche Mandschoerisch.
Eene aristocratie, die uit de volmaaktste individuen van een volksstam of uit een ras van overwinnaars ontstaan is, zal met recht de eerste ambten in de regeering des lands vervullen, want zij zal het in hare macht hebben om die te nemen en te behouden. Van huis uit beter ontwikkeld dan het plebs, zal zij hare sterkte en haren moed voortdurend oefenen en tot wasdom brengen. Zij moet dit wel, daar zij anders den aandrang der lagere klassen niet kan tegenhouden. Zij moet heldhaftig het oogenblik des
123
gfevaars te gemoet treden, want zoodra zi] hare voorrechten hooger schat dan haar leven, worden die privilegiën haar door anderen, die minder vrees voor den dood koesteren, ontnomen, üe plicht van den voorvechter en baanbreker rust op haar; zoodra zij zich niet manmoedig aan de spits stelt, wordt zij overstuwd en naar de achterste rijen teruggedrongen. Vervolgens mag zi] ook yeeue afgesloten kaste vormen, dewijl zij dan ontaardt en op den eigen dag, waarop hare benijders zien, dat zij niet langer het betere ras vertegenwoordigt, onbarmhartig van haar verheven voetstuk gebonsd wordt. Zij mag het vrije spel der natuurwet, op welk hare rechten gebouwd zijn, niet dwarsboomen. Zoo vaak onder het volk eene individnaliteit optreedt, die bewijzen van meerderheid geeit en den groo-ten hoop tot erkenning van haren hoogeren aanleg dwingt, moet de aristocratie onverwijld voor zulk een persoon hare deuren openen en hem in haar midden opnemen. Tegen onvermijdelijke ontaarding van het geslacht moet eene gedurige veredeling van het bloed overstaan, en het zich verheffen van de uitverkorenen der natie tot de eerste rangen, dat de oorspronkelijke grondlegging van elke aristocratische familie geweest is, mag nooit ofte nimmer belet worden.
Dit is de theorie eener aristocratie, wier recht van bestaan men zou moeten erkennen, wier overmacht men dulden moest. Hoe ziet het er nu echter in de practijk uit ? Is de adel, die tegenwoordig in bijna alle landen van Europa den toon aangeeft, van de hierboven beschrevene soort ? Wie zijne zinnen bij elkaar heeft, kan deze vraag onmogelijk bevestigend beantwoorden. üe zoogenoemde adel, de klasse, die door erfelijke titels boven de rest der natie heet uit te munten, voldoet aan geeue enkele voorwaarde voor de natuurlijke aristocratie. De vroegste adel, bij die volken, waarover zich geene
124
vreemde heerschappij het recht heeft aangematigd, de stam-of goden-adel, waarvan wij straks hebben gesproken, en bij andere volken, die voorheen onderdrukt zijn geworden, de adel der veroveraars, is allerwege uitgestorven of\' vergaan. Uitgestorven of ontaard door eigen schuld, omdat hij zich tegen de natuurlijke wet heeft gekant, exclusief geworden is en er geen slag van gehad heeft, zich te verjeugdigen. Vele familiën zijn hierdoor kinderloos geworden en andere nazaten van de edelste ouders werden dom, laf en zwak ; zjj vermochten evenmin hun burg als hun rang tegen de begeerlijkheid van sterker\' aanranders dan zij te verdedigen. Zij vervielen tot armoede en vergetelheid, en wellicht stroomt hun bloed thans door de aderen van boeren of daglooners. Hunne plaats, die door dood of achteruitgang onbezet geraakte, werd zeer spoedig ingenomen door menschen, die hunne grootheid noch aan meerderen aanleg, noch aan natuurlijke voorrechten te danken hadden, maar aan de gunst des koniugs of van andere groote hee-ren. De geheele tegenwoordige adel — ik geloof althans niet dat er authentieke uitzonderingen zijn — is brief-adel, en verreweg in de meeste gevallen nog wel van jongen datum. Hoe bereikt men sedert de middeleeuwen — geeu stamboom in Europa is ouder — de gunst der vorsten, die in verheffing tot den adelstand hare uitdrukking vindt ? Door ideaal-menschelijke eigenschappen wellicht, of door voorrechten, die het wenschelijk doen schijnen, dit geslacht door voortplanting aan de veredeling van het menschdom dienstbaar te maken ? De geschiedenis der addellijke familiën van alle landen zal ons hieromtrent inlichting geven. Er bestaat nauwelijks één voorbeeld van eene hooge en edele natuur, die een type der menschheid vertegenwoordigt en in den adelstand verheven is. Gebeurt het al eens, dat werkelijke verdienste op haren levensweg een adels-
125
brief vindt, dan moeten aan deze bizondere eigenschappen noodwendig lage en veracihtelijke gepaard gaan en deze laatste zijn dan de oorzaak van \'s vorsten gunst en van de erkenning der verdienste.
Bij vele gezinnen zijn de redenen hunner verheffing van dien aard, dat men er in beschaafd gezelschap niet over wil spreken. Menig trotsch familie-wapen herinnert er in zijne leuze aan, dat ze inschikkelijke vaders en echtge-nooten en onbevooroordeelde dametjes onder hunne leden mochten tellen. In sommige gevallen was de adelsbrief de belooning voor eene schurkenstreek, waarmede één der vroegere familieden een vorst uit de verlegenheid had gered. Ik wil intusschen toegeven dat overspel en sluipmoord, hoe dikwijls ook het uitgangspunt van schitterende carrières, toch altijd maar de minderheid des adels aan zijne privilegiën geholpen heeft. De meerderheid heeft haar diploma op minder grootsche manier verworven. De meest gewone oorzaak is rijkdom of veeljarige dienst in staatsbetrekkingen. Hoe komt men aan een rijkdom, welke de blikken der regeering tot zich trekt ? Door brutaliteit of geluk; meer door de eerste dan door het laatste. In de dagen der Hervorming beroofde men de kerken ; een weinig later werden kruisers uitgerust, dat is ; men werd zeeroover, naderhand misschien slaven-eigenaar of slaven-handelaar. In den nieuweren tijd is men leverancier voor het leger en besteelt het rijk, of men speculeert en perst door overmoedige kunstgrepen op de beurs den zuurverdienden spaarpenning uit de angstig gesloten vingers van vele duizenden. Gaat het zeer eerlijk toe, dan is men een groot industriëel en ontfutselt zijne weelde aan honderden fabriekarbeiders, die men voor veel te weinig loon zich ontzettend laat vermoeien. En de lieden, die zich op zoodanige wijze bij hun vorst laten aanmelden, hoe zien ze er uit ? Bijna
126
altoos zjin het sluipende en kruipende slangenzielen, die iedere opwelling van zelfbewustzijn onderdrukken, die eeuwig en erfelijk buigen roor al wie hooger staat,. Lafaards zijn het, die er eene eer in stellen, door het nabootsen van \'s vorsten eigenaardigheden hem te behagen, die overdreven loyaliteit veinzen en eindelijk, om de kroon op te zetten aan dezen op den buik afgelegden zegetocht, om verheffing in den adelstand bedelen. Mannen uit één stuk, die een krachtig rnggemerg hebben en zich-/.elf willen zijn, zullen zich te goed achten om te vleien, te kuipen, te smeeken — en zonder die middelen geen adelsbrief.
Aan deze mannen denkt men, als er gevaarlijke posten, niet als er gunstbewijzen te vergeven zijn. Deze mannen dringen naar voren, wanneer het geldt, met eigen opoffering het algemeen welzijn te dienen, maar zij gebruiken hunne ellebogen niet om bij intochten of feesten het oog van den monarch te trekken. De brief-adel is op bovengenoemde wijze eene instelling geworden, die aan de men-schenteelt bevorderlijk is zooals wedrennen de paardenteelt moeten bevorderen. De voor de aankvveeking van een nieuw ras bestemde winners en harddravers hebben intusschen eigenschappen, die een laaghartig vader wel eens gaarne bij zijn zoon opmerkt, omdat ze hem »door de wereld zullen sturenquot; ; maar die eigenschappen zijn van dien aard, dat geen dichter zijn held er-mede versieren zal. De poëzie bewaart net inenschelijk gemoed reiner dan wet en zede ; het eesthetisch geweten doet zich verontwaardigd hooren, ook waar het zedelijk geweten niets meer te zeggen heeft. Een man, die op de in onze maatschappij gebruikelijke wijze succès heeft, drukt men desnoods de hand, maar men zou het niet kunnen verdragen, dat een dichter hem verheerlijkte en hem anderen ten voorbeeld stelde. Dom zijn de menschen meestal juist niet, die door adelsbrieven tusscheu
127
hunne tijdgeuooten als het ware uitgelezen werden ; integendeel, men kan verwachten, dat zij sluw en behendig zijn; aan volharding, wilskracht en taai geduld zal het hun zelden ontbreken. Maar wat zi] vast en stellig missen, dat zijn karakter en zelfstandigheid, dus juist de eigenschappen van eene natuurlijke aristocratie, g ie eene maatschappelijke ongelijkheid in haar voordeel en ten nadeele der plebejers, ook zonder de tusschenkorast van beschreven perkament, teweeg zouden brengen.
Ik heb nu het individu geteekend, dat den adel verwerft voor zijn geslacht. Zijne nakomelingen zullen gewoonlijk iets minder laag staan op de ladder der zedelijkheid dan hunne voorouders. Om een rang te behouden is minder ellendigheid noodig dan om er een te verkrijgen. Het is nu geen bepaald vereischte meer, een schandelijk egoïst, een nietswaardig hoveling, een laffe intrigant te zijn. Het karakter verbetert onder den invloed der geijkte opvatting van het onderscheid der standen als zou de aristocratie eene bloemlezing zijn van de besten en edelsten uit het volk. Want al heeft de brief-adel eigenlijk niets met den adel des bloeds gemeen, zoo blijft hij toch aan de theoretische voorstelling, waaruit de laatstgenoemde ontstaan is, vasthouden. Maar welke mensehelijke lotgevallen zullen het deel van den adel worden? Of, hij zal in zijn eigen kring huwelijken sluiten en met middeleeuvvsche verachting terugdeinzen voor «mésalliancesquot;, of hij zal hier in zekere omstandigheden geen bezwaar meer in zien. De eerste regel voert de adellijke familiën ras ten ondergang. Deze hebben buitendien nooit over een grooten voorraad van lichaamskracht te beschikken gehad, en die echtverbintenissen onderling moeten noodzakelijk de spoedige uitputting van het leveuskapitaal ten gevolge hebben. Immers dit kapitaal, dat niet aanzienlijker is dan bij de individuen uit de volksklasse,
128
moet zien grootere uitgaveii getroosten voor het weelderig leven, dat den hoogeren staad voegt, zonder in staat te zijn, zich door aanvulling uit den grooten vergaarbak der algemeene volkskracht te vernieuwen.
Wanneer een aristocraat buiten zijn kring huwt, welk soort van bloed vereenigt hij dan met zijn adellijk bloed? Welke redenen bepalen zijne keus. Het gebeurt hoogst zeldzaam, dat een edelman een meisje uit de volksklasse tot zijne gade kiest omdat hij haar liefheeft ter wille van hare zedelijke of lichamelijke bekoorlijkheid. Toch zouden alleen zulke verbintenissen waarlijk tot verbetering van het bloed der familie leiden; want om eene goede stammoeder te worden, moet eene vrouw behalve die eigenaardige lichaamsvormen, die wij als harmonische schoonheid waarnemen, ook nog andere, daarmede in overeenstemmende hoedanigheden bezitten : eene gelijkmatige, kalme gemoedsgesteldheid, voortspruitende uit een krachtige gezondheid, die zich gewoonlijk in bedaarde, misschien nu en dan wat klein-burger-lijke zedigheid openbaart. Doorgaans echter wordt zulk een huwelijk buiten zijn stand door den aristocraat aangegaan om geldelijk voordeel, of om te voldoen aan eene hartstochtelijke gril. Een voornaam heer trouwt met een rijk burgermeisje, ten einde, zooals het heet, zijn blazoen op-nieuw te vergulden. Hij is of een persoon, die na het leven op zijne ruwe wijze genoten te hebben, den echt als een vlucht-haven beschouwt, of ook, hij is een lalfe, karakterlooze egoïst zonder levenskracht. Wie zich van mannenmoed bewust is, dien maakt zijne energie trotsch en ondernemend ; hij gevoelt den drang in zich, eene vrouw naar keuze voor zijne gade te zoeken en voedt tevens het vertrouwen dat hij ook zonder den bruidsschat eener onbeminde gezellin een goed figuur in de maatschappij zal maken.
De bovengenoemde aristocraat moet behalve zelfzuchtig
en laf, nog van eene lage, onedele inborst zijn, bereid om te huichelen en te bedriegen, want rijke erfgenamen vorderen meestal, ten minste gedurende den tijd, die aan hun huwelijk voorafgaat, dat men de ruwe jacht op haar fortuin achter den schijn van genegenheid verberge. Zij-zelve, de rijke erfgename, staat ook vrij laag ; gewoonlijk is zij van een bekrompen\', onbeduidenden vader geboren ; want een ander zou met het geluk van zijn kind geen roekeloos spel drijven en bovendien niet wenschen tot een kring in betrekking te staan, die toch altijd op hem en de zijnen uit de hoogte blijft neerzien. Het meisje stemt er-in toe, de vrouw te worden van een man, voor wien zij onverschillig is, evenals hij voor haar: dan is zij een dwaze speelpop zonder hart, — of zij kent wel het verlangen te beminnen en bemind te worden, maar schikt zich in het lot, dat hare familie haar heeft toebedeeld : en dan is zij een wezen zonder wilskracht, eene nul.
In mésalliances, die niet om geldelijk voordeel worden gesloten, is de zaak wel anders, doch weinig beter. De uitzonderingen, waarbij de echte liefde in \'t spel is, en die misschien éénmaal in honderd jaren voorkomen, gaan wij met stilzwijgen voorbij; zij kunnen toch van geen invloed zijn op de verbetering van het adellijk ras. In den regel trouwt een aristocraat in zoogenaamde «mésalliances uit liefdequot; eene tooneelspeelster, eene paardrijdster of eene handige schoone van dubbelzinnig allooi, met wie hij op de eene of andere badplaats in een internationaal salon kennis maakte. Van het aldus gevormde paar is dan de vrouwelijke helft een abnormaal wezen, eene excentrieke persoonlijkheid. Dit toonde zij reeds, door eene vreemde, ja somwijlen misdadige betrekking in de maatschappij te zoeken en door zich tegen de plichten to verzetten, welke de samenleving nu eenmaal den vrouwen oplegt.
9
130
Hare wederhelft is een individu zonder eigen wil of verstand, uiterst karig met zedelijk begaafd gevoel, terwijl de zinnelijke hartststocht zijn geheele aanzijn vervult. Dergelijke mannen kunnen den wensch niet beheersehen naar het bezit der vrouw, die de kunst verstaat, dit verlangen bij hen op te wekken; om het te bevredigen, plegen zij dwaasheden, onwaardige handelingen, zelfs misdaden. Let men goed op, dan zal men in romans, die met het huwelijk van een prins met eene actrice eindigen, bijna altoos in den man een zwak, sensueel karakter, eene voor indrukken of opwellingen zeer vatbare natuur ontmoeten. Zulke verbintenissen schijnen inderdaad er-op berekend te zgn, het slechtste gedeelte des adels met eeu individu van het minste gehalte uit den burgerstand te koppelen, en uit een zoodanigen echt kunnen niet dan zedelijk zieke kinderen geboren worden.
Dit is dan de brief-adel, zijne opkomst en zijne noodzakelijke verdere lotgevallen. De bovenbeschreven toestanden en feiten zjjn aan geen beschaafd mensch van onzen tijd onbekend. En toch! — hoe rijst hier weder met ontzettende kracht de voorstelling van menschelijke lafheid, domheid en huichelarij vóór ons oog, terwijl de adel zich nochtans over eene groote mate van ontzag en eerbied in de samenleving verheugt, waaronder verreweg de meeste lieden zich gewillig buigen niet alleen, maar die hen zelfs met een zekere voldoening vervult. Snob is in alle landen tehuis, ook in de meest democratische, en hij voelt zich gestreeld, wanneer hij met den adel in aanraking mag komen. De Fransch-man bluft er-op, aller gelijkheid te hebben ingevoerd, maar niettemin is hij trotsch op den omgang met een hertog of markies, en stelt hij het grootste belang in alles wat in de adellijke kringen gebeurt. De Amerikaan, die voorgeeft niets hoog te achten dan den dollar, en die zich over het
■131
verschil vau stand in de oude wereld vroolijk maakt, is in zijn hart overgelukkig, wauueer hij iu zijne salons een edelman ziet binnentreden.
Wie het weten w i 1, kan weten hoe men tegenwoordig een adelljjken titel verkrijgt, al komen die practijken niet in alle landen voor. Men kent precies de kosten eener gravenkroon, van een vrijheeren- of vorstentitel. Men weet, dat deze sieraden tegen eene bepaalde som te kooj] zijn, en toch bejegent men de eigenaars dei;er adellijke wapens, met een eerbied, dien men den bezitters dier geldsom weigert.
Een kleine trek vinde hier vermelding, waaruit de leugenachtigheid onzer beschaafde samenleving juister zal blijken, dan boekdeelen bewijsgronden, het kunnen toonen. Ken Fransch afgevaardigde heeft bij de kamer een voorstel ingediend, waarbij het aan iedereen zou vrijstaan, tegen betaling van eene bepaalde som aan de rijkskas, een adellijken titel bij zijn naam te voegen en van dien titel in alle documenten enz. gebruik te maken. Voor 60,000 fr. zou men zich »hertogquot;, voor 50.000 fr. »markiesquot; mogen noemen. Indien dit voorstel bij de wet werd aangenomen, dan zou, geloof ik, niemand lust kunnen gevoelen, hier eene eerlijke en opene zaak van te maken en zich voor ieders oog een adellijken titel aan te schatten, zooals men een rok of horlogeketting koopt. Maar nu moest men eens in een dagblad aankondigen, dat men door eigenaardige relatiën in de gelegenheid is, de verheffing van vermogende personen in den adelstand te bewerkstelligen, op zeer discrete wijze natuurlijk. Met eiken post zouden tal van aanvragen komen opzetten. Men zou gerust adellijke titels van de republiek 8an Marino of van het vorstendom Reuss-Schleitz-Greitz voor denzelfden of nog lioogeren prijs dan die van den Fran-schen afgevaardigde kunnen beloven: — deze waar zal
immers koopers vinden. Toch was daar spraak van eene solide overeenkomst, hier van eene onzuivere, dubbelzinnige handeling; daar van een titel, die in een land van 37 millioen zielen geldig is — hier van een andere, die maar op eenige dorpen erkend wordt. Zeer juist. Maar in het eerste geval wordt ronduit verklaard, dat de titel voor een iegelijk te koop is, die wat geld te veel heeft, terwijl in het andere de schijn wordt opgehouden, dat de adel belooning van verdienste, de geiidelde een hooggeplaatst individu zij, en daarom scharrelt men liever over een adelsbrief met een bemiddelaar van verdacht allooi, dan dat men hem eenvoudig aan \'t belasting-kantoor koopt. Men wil, ten minste voor den vorm, de leugen des adels handhaven.
Intusschen bestaan de voorrechten van den adel niet uit titulaturen en complimenten alleen. In de monarchische landen heeft de adel, ondanks de bij de wet bepaalde gelijke rechten en plichten van alle burgers, zeer grooten invloed, waardoor de meeste sinecuren, bezoldigde betrekkingen zonder werk, hem toevloeien. Ik neem hier het woord sinecure in den ruimsten zin. Alle posten, die iedereen kan waarnemen, wien men ze wil toevertrouwen ; waarvoor het spreekwoord werd uitgevonden: »wieii God het ambt geeft, dien geeft hij het verstand er-bij,quot; zijn als geschenken van het rijk te beschouwen. Zoo zijn de officiersplaatsen, die van hooge staatsambtenaren, bezoldigde betrekkingen en waardigheden aan het hof, feitelijk in handen van den adel. De maatschappij geeft ze cadeau aan een kleinen kring van personen, die er niet de minste aanspraak op kunnen maken. Zij dekt de tafel voor deze uitverkorenen en zet een keurig en smakelijk maal vóór hen, enkel omdat zij, gelijk Beaumarchais zegt, de moeite hebben willen nemen van geboren te worden.
133
De leugeu van den adel. en inzonderheid van den brief-adel, die als onkruid tusscheu de vormen en fijnheden van den adel des bloeds in woekert, wordt nog steeds met voorliefde gekoesterd en in stand gehouden. Zij behoort tot de steunpilaren der monarchie. Men neemt den schijn aan, achter den nietigen, laff\'en graaf uf baron een eerbiedwaardig persoon te zoeken ; men veinst te gelooven, dat het den koning gegeven is, door het bekrabbelen van een stuk perkament, van een zeer alledaagscb schepsel een edel en voornaam wezen te maken. Trouwens, waarom zou de koning daartoe ook niet in staat zijn ? Hij heeft immers de genade Gods tot zijne beschikking, en van deze mag men zulk een wonder van gedaante-verwisseling wel verwachten, dat ten slotte niet onbegrijpelijker is dan de andere wonderen uit bijbel en liturgie ?
DE POLITIEKE LEUGEN.
I.
Hier staat eeu man uit de volksklasse voor ous, zonder bloedverwanten of betrekkingen, die heiu de gunst der groeten en door die gunst allerlei voorrechten verschatfeu. Hoe is nu zijne verhouding tot de maatschappij ? Ik heb den burger van een sehemalisch land in Europa op het oog \' enkele trekken van mijn beeld zullen hier of daar minder passen. De mate van vrijheid, welke den onderdanen geschonken wordt, is in de verschillende staten ongelijk, en evenzeer de vorm waarin de vrijheid door de regeering beperkt wordt. Maar over \'t algemeen geeft mijne schets de zaak met voldoende getrouwheid terug.
De jongeling, dien ik dan als type of toonbeeld van onzen tijd laat optreden, heeft de jaren bereikt, waarop zijne ouders de noodzakelijkheid inzien, dat zijn geest moet ontwikkeld worden. Men zendt hem naar de volksschool. Licht zou men meenen, dat om het gezegend onderwijs te genieten, het genoeg is te bestaan en, in zekere mate, naar lichaam en geest welgeschapen te zijn. Mis ! Men moet ook een geboorte- akte bezitten. Deze geboorte-akte is de onontbeerlijke sleutel tot het geheim van lezen en schrijven. Zonder haar geen onderwijs. Heeft men haar niet, dan is meu, langs een
1*85
ontzettend omslachtigen weer, o-edvvongeu zich een. genum-
O O» O O O
merd en gezegeld papier aan te schaffen, waarmede men het bewijs kan leveren, dat men geboren is. De knaap is gelukkig op de school bezorgd, welke hij eenige jaren latei-verlaat, om in zijn onderhoud te leeren voorzien. Hij gevoelt de roeping, zijne medeburgers in zaken van gerechtelijken aard met raad en daad bij te staan. Dat is hem evenwel niet geoorloofd zonder toestemming der regeering, in den vorm van ettelijke diploma\'s. Wil hij zich door laarzen- en schoeuenfabricage verdienstelijk maken, dan mag hij dit gerust doen, hoewel een slecht vervaardigde schoen meer pijn doet dan een zot advies in een rechtsgeding. Hij is nu twintig jaar oud en zou voor zijne verdere vormiug eens op reis willen gaan. Doch daar komt niets van. Hij moet aan zijn dienstplicht voldoen en een paar jaren als automaat leven, zonder eigen wil. Goed. Men is dit offer aau den staat verschuldigd, die immers te avond of morgen door vijanden bedreigd zou kannen worden! In zijn diensttijd heeft Simon — zoo zullen wij hem gemakshalve noemen — gelegenheid, op Betje te verlieven. Hij meent het eerlijk en wil trouwen. Ja, hij wil — maar hij mag niet. Zoolang hij soldaat is, moet hij vrijgezel blijven. Het zou niemand, in welk opzicht ook, hinderen als hij gehuwd was, maar het helpt niet; hij moet wachten totdat hij de kapotjas uitgetrokken heeft. Eindelijk is hij zoover. Nu zal hi] toch Betje als zijne vrouw mogen begroeten ? O zeker, als hij en zij de vereischte papieren kunnen tooneu ; en zij hebben er een aanzienlijk stapeltje van noodig! Ontbreekt er ook het geringste aan, dan gaat de bruiloft niet door. Deze klip is gelukkig voorbijgezeild, en Simon denkt er aan, eene tapperij te beginnen. Doch dit kan alweer niet zonder verlof van de politie, en de politie geeft dat verlof alleen wanneer het haar goeddunkt. Hij zou diezelfde ervaring
136
opdoen bi] eene massa andere vakken, welke niemand nadeel berokkenen, niet rnstver.stoorend, onzedelijk of scha--delijk voor de gezondheid der buren zijn. Simon wenscht zijn huis te verbouwen. Afblijven ! Wachten tot de toestemming van de politie er is. Natuurlijk, de straat is publiek eigendom, zijn huis ligt aan de straat, hij moet zich dus aan publieke bepalingen onderwerpen. Hij is in \'t bezit van een grooten tuin, en daar wil hij op eene afgelegen plek een getimmerte zetten. Ook hiervoor moet hij vergunning van de politie hebben. Simon heeft een winkel; en voor hem is de zondag als rustdag geen vereischte. Hij zou ook zondags wel willen verkoopen, maar dan krijgt hij het met de politie te kwaad. De winkel biedt ook gelegenheid tot eten. Simon slaapt weinig, en hij zou met genoegen zijne zaak ook \'s nachts willen drijven. De politie verordineert intusschen bepaalde uren, dat alle neringen moeten rusten, en legt aan wie daar geen gevolg aan geeft, boeten op. Zijne Bet schenkt hem een kind. Hij moet den kleine op het stadhuis laten inschrijven ; hij moet hem laten inenten, ofschoon hij herhaalde malen gezien heeft, dat niet-ingeënte personen bij eene pokkenepidemie verschoond zijn gebleven, wèl ingeente daarentegen de ziekte gekregen hebben en gestorven zijn.
Honderd onaangename en lastige dingen, die Simon ondervond, ga ik met stilzwijgen voorbij. Hij wilde een om-nibusdienst oprichten — zonder toestemming der politie mocht dit niet gebeuren. Toen hij eens een tochtje door zijne provincie wilde maken, werd hij, reeds.na eene wandeling van enkele uren, door een agent tegengehouden, die eene reeks brutale vragen deed: naar zijn naam, stand, betrekking, naar het doel zijner reis enz. Toen hij den wildvreemden man de verlangde ophelderingen weigerde te geven, haalde deze weigering hem zooveel verdrietelijkheden op den
hals, dal het geuoegeu van ziju uitstapje bedorven was.
Een buurman nam Siinon een stuk van zijn tuin opslinksche wijze af. Simon klaagde hem bij het gerecht aan. Het duurde schroiuelijk lang, en toen 8imon eindelijk het proces gewonnen had, was zijne tegenpartij niet in staat de kosten te betalen, die meer bedroegen dan zijn tuin gold. /.onder nog te spreken van al de ergernis —, maar die rekende Simon niet mede, want daar was hij van kindsbeen af aan gewoon. In een museum zag hij een schilderij uit den tijd der Renaissance. Het kostuum der figuren beviel hem zoo goed, dat hij zich een soortgelijk aanschafte en aldus gekleed op straat verscheen. Onmiddellijk dwong de politie hem, die «maskeradequot; te laten. Hij vatte liet besluit op, met eenige vrienden eene vereeuiging op te ricbteu, en bij hunne veelvuldige samenkomsten hunne wederzijdsclie grieven over de bestaande wetten te bespreken. Terstond verlangde de politie eene opgaaf van de leden en verbood al zeer spoedig de bijeenkomsten, op groud van haar politiek karakter. Simon was taai. Hij richtte een tweeden boud op, van zuiver huishoudelijken aard: eene «vereeuiging voor goedkoope levensmiddelen.\'\' De politie vernietigde ook dezen, wijl Simon verzuimd had. de noodige toestemming ervoor aan te vragen.
Onder allerlei ■wisselvalligheden des levens werd Simon grijs. In opgewekte oogenblikken troostte hij zich met de gedachte, dat de Russen het toch nog erger hebben, maar was hij bitter gesterad, dan wond de voorstelling hem op. hoeveel vrijer het leven der Engelschen en Amerikanen was. Hij meende dit, doordien hij er in de courant van gelezen had. Betje stierf. Hi] wilde ook na den dood niet van haar scheiden, en begroef haar kort en bondig in zijn tuin onder haar lievelingsboom. Dat was iets fraais! Een ware politie-storm ontlastte zich boven zijn hoofd. Wie had
hem toegestaan, zijne vrouw op eigen grond te begraven ? Simon werd zwaar bekeurd, en zijn Betje eenvoudig te voorschijn gehaald en van overheidswege op het kerkhof bijgezet.
Nu stond Simon alleen op de wereld. Hij werd verdrietig en moedeloos, zijne zaken gingen achteruit en weldra was hij arm. Toen hij, op zekeren avond, op den hoek eener straat stond te bedelen, nam een agent van politie hem in hechtenis. Op het politie-bureau had hij met den commissaris een erg wijs en leerzaam gesprek :
«Ge weet, dat ge niet raoogt bedelen,quot; snauwde deze hem toe.
»Dat weet ik, maar ik begrijp het toch niet,quot; gat\' Simon bescheiden ten antwoord, »ik heb niemand gehinderd, maar alleen zwijgend mijne hand uitgestoken.quot;
»Praatjes! Daarmede kan ik mijn tijd niet verbeuzelen ; t;e gaat acht dagen naar de gevangenis.quot;
n o o o o
»\\\'Vat moet ik doen, als ik weêr vrij beu Vquot;
»L)at kan mij niet schelen. Dat is uwe zaak.quot;
»Ik ben oud en kan niet meer werken. Ik bezit niets. Ik ben ziekelijk.quot;
»Die ziekelijk is, moet naar het gasthuis,quot; zeide de commissaris op ongeduldigen toon, maar hij liet er onmiddellijk op volgen; »Neen, naar het gasthuis kunt ge toch niet gaan, ziekelijk is niet genoeg. Ge moet daar eene ernstige ziekte voor hebben.quot;
sik begrijp u,quot; antwoordde Simon. »Eene ziekte waaraan men spoedig dood gaat, als men er niet gauw van herstelt.quot;
»Juist,quot; klonk het antwoord, en toen ging de commissaris van politie met een ander spreken.
Xa de bewuste acht dagen was Simon zoo gelukkig, dat hij in het armenhuis opgenomen werd. Hij had nu een dak en voedsel, maar het laatste was slecht en het eerste werd hem ondragelijk gemaakt, doordien men hem als
139
misdadiger behandelde. Hij moest eene soort van uniform dragen, waar de voorbijgangers hem op aankeken. Toen een bekende uit vroeger\' dagen hem niet teruggroette, trad Simon op hem toe en vroeg ronduit: »VVat moet die minachtende houding heteekenen !quot; »Omdat gij niet eens knap genoeg geweest zijt, het voorbeeld dier achtbare menschen te volgen, die rijk zijn gewordenquot;, klonk het spottend antwoord, waarna de ander met eene uitdrukking van walging zijns weegs ging.
Simon werd zwaarmoedig. Duistere voorstellingen be-heerschten hem. Op eene wandeling, die hij bij schoon zonnig weder maakte, dacht hij over een en ander na en sprak onbewust luidde bij zich-zelf: »Nu ben ik zeventig jaar, en hoe is \'t gegaan ? Ik ben nooit onafhankelijk geweest. Ik heb nooit den moed gehad om te willen. Zoodra ik een besluit genomen had, was de overheid er ook bij, en verhinderde de uitvoering daarvan. In mijne meest persoonlijke aangelegenheden staken vreemde menschen hun neus. Ik moest iedereen ontzien en niemand ontzag mij. Onder het voorwendsel anderen recht te doen, ontstal men mij het mijne, en als ik het goed bedenk, aan anderen het hunne evenzeer. Met mijn hond mochtwk desnoods naar believen omspringen, — maar neen, toch ook niet; want toen ik het beest eens om zijne ongezeggelijkheid een pak slaag gaf, vervoegde er zich een lid der vereeniging tot dierenbescherming bij mij, in gemeenschap met de politie. Dat ik als soldaat gedrild moest worden, begrijp ik wel, ofschoon wanneer de vijand in mijn land mocht vallen, hij mij bezwaarlijk meer last zou bezorgen dan mijne eigene geliefde overheid. Het betalen van belasting is ook noodig, want die kostelijke politie, die mij steeds zoo vaderlijk in het oog houdt, dient toch bezoldigd te worden ; al was het ook, mijns inziens, zoo noodig niet, mij van mijne broodwinning nog te laten
140
betaleu, en toen ik niet betalen kou, mijne eenvoudige meubelen gerechtelijk te veilen. En dan al die andere lasten en benauwdheden ! Wat geelt de politie mij voor. schadeloosstelling tegenover het offer van mijne zelfstandigheid, dat zij bij voortduring heeft geëischt? Zij heeft mijn eigendom beschermd. Gemakkelijke taak, want ik had niets. ïoen men mij dat hoekje van den tuin had weggekaapt, moest ik er nog voor storten en had het verdriet op den koop toe. Bestond er geene politie, dan zou ieder naar eigen goedvinden handelen — nu, en? — Dan zou ik den buurman hebben doodgeslagen of de buurman mij, en daarmee ware de grap uit geweest. De politie zorgt voor goed geplaveide straten. Wel drommels, ik weet niet of ik niet liever met baggerlaarzen door de modder zou stappen, dan mij al dat geringeloor te laten aanleunen ! Voor mijn part mag de heele santekraam naar den......1quot;
Toen Simon op dit punt van zijne alleenspraak gekomen was, sprong hij in de rivier, waarlangs hij reeds eene poos geloopen had. De politie was op haren post en dregde hem op. Hij werci weer naar het politie-bureau gebracht en wegens poging tot zelfmoord tot eene langdurige gevangenisstraf veroordeeld. Het koude bad had bem geen goed gedaan, of misschien juist wel: hij kreeg ten gevolge daarvan eene ontsteking aan de long en stierf in den kerker. Zijn dood gaf aan de politie nog eens aanleiding toï het opmaken van een proces-verbaal.
11.
Mijn arme Simon was verbitterd, en hij heeft gehandeld en gedacht als een onbeschaafd mensch. Hij sprak maar van de politie als van het eenige dat de huishouding
141
zijus lands heiu te zien gat\'. Voor lieui vertegenwoordigde de politie de geheele rijkswet. Stellig heeft hij zijne grieven overdreven en de geriefelijkheden te min geteld, maar in den grond heeft hij toch gelijk. De beperking van vrijheid, welke de regeering aan ieder persoon oplegt, staat in geene verhouding tot de zegeningen, die zij hem verschaft. De burger van den staat offert een belangrijk deel van zijne onafhankelijkheid op, in het vertrouwen, dat deze hem, in ruil daarvoor, zekerheid van leven en eigendom waarborgt: dat hij de vereende kracht van velen op één punt richt, om zoodoende ondernemingen op touw te kunnen zetten, die ieder persoonlijk voordeel aanbrengen, maar niet door éen persoon zijn uit te voeren. Welnu, het valt niet te ontkennen, dat de staat deze verwachting slechts zeer onvoldoende vervult, niet veel beter dan de primitieve, barbaarsche maatschappij, die aan hare leden vrij wat meer individuëele vrijheid liet. De staat moet ons leven en ons eigendom verzekeren. Hij doet het niet, want de oorlogen hebben den gewelddadigen dood van een groot aantal burgers ten gevolge. Er wordt in onze beschaafde landen niet zeldzamer eii -®ok niet minder bloedig gevochten dan tus-schen de wilde volksstammen, eu met alle wetten en alle beperkingen van zijne vrijheid koopt de zoon der beschaving geene grootere zekerheid tegen het moordtuig van zijn vijand dan de zoon der barbaarschheid, dien nog de zegen van \'t politie-toezicht niet bezocht heeft. Om verschil te vinden tusschen die twee verhoudingen, zon men van de stelling moeten uitgaan, dat de dood, wanneer hij ons in uniform treft en ons aangedaan wordt door een moordenaar ook in uniform, minder erg is dan wanneer een roodbe-schilderd krijgsman ons velt met een steen of strijdbijl, zonder militair commando. Er zrn menschen, die van afschaffing des oorlogs, van een vervangen door scheidsrechterlijke uit-
142
spraak droom 3n. \'t Is gebeurlijk. Maar ik spreek niet over eene toekomst, die nog in \'t verre verschiet ligt : ik bedoel onzen tijd. Tegenwoordig moet het indinda in oogenblik-ken des gevaars, ofschooa iu vredestijd, even goed met kracht eu geweld zijn leven en eigendom beschermen ais de wilde zwerver ia de wouden.. Doch ook afgezien van den oorlog, biedt ons het heerschende stelsel van orde eu regel volstrekt geene toereikende waarborgen voor onzen persoon. 3ij de wilden zijn moord en doodslag niet me-nigvuldiger dan onder beschaafde volken. Daden vau ruw-
O O
heid worden doorgaans onder den invloed van hartstocht gepleegd, en de hartstocht bekreunt zich bitter weinig om politie-verordeningen of bepalingen der regeering.
Een in drift ontstoken man is tijdelijk weder tot oer-mensch gedaald. Drift is bij allen gelijk, bij den »man van de wereldquot; en bij den neger. In oogenblikken van opge wondenheid doodt men elkaar, zonder iets of iemand te oitzien. De mededinger, die vau zijn vijand, ter wille eener vrouw, een dolksteek in de borst ontving, wordt er niets door gebaat, dat de politie zijn moordenaar gevangen neemt en misschien ook wel straffen zal; dit laatste is ook nog niet zeker, want misdaden uit drift gepleegd, blijven zeer dikwijls ongestraft. Bovendien heeft de wilde even goed dezen trenrigen troost, dat zijn moordenaar gestraft zal worden, en nog wel met grooter zekerheid dan de man uit ons midden; want de bloedwraak of uitstooting uit den stam maakt het voor den moordenaar onder de negers oneindig minder gemakkelijk te ontkomen, dan voor den saletjonker hier te lande, ondanks alle politie-bladen en signalementen.
Na de misdaad als gevolg van hartstocht, de misdaad in koelen bloede, en deze komt in de beschaafde wereld ongetwijfeld meer voor dan in de barbaarsche landen. Zij is het
143
werk van eene zekere klasse van menschea, die juist uit de beschaving ontstaan is. Op wetenscbappelijke gronden is liet bewijs geleverd, dar, misdadigers uit gewoonte meest ontaarde naturen zijn, kinderen van dronkaards of wellustelingen, die vaak aan épilepsie of andere zenuwziekten lijden. De ellende, die vooral in de groote steden onder de armen lieerscbt, geeft aanleiding tot slechtheid en veroorzaakt uitbarstingen daarvan, die crimineel strafbaar zijn. Maar alle gerechtshoven en alle wetten kunnen de misdaden niet te keer gaan, die zoo het uitvloeisel zijn van door de beschaving zelve in het leven geroepen\' toestanden. Te midden van onze maatschappij vol reglementen zijn dieven en roovers veel gevaarlijker verschijningen dan de Smalah der Bedoeïnen, die er burgerlijken stand, belasting noch kadaster op na houden.
Met de zekerheid vau bezit is het weinig beter gesteld. Trots alle wetten en besluiten wordt er links en rechts gestolen, hetzij gerold uit deu zak, hetzij door bedrog en zwendel in \'t groot of in \'t klein. Waar is bescherming te vinden tegen den speculant op de beurs, die door een slimmen poets een aanzienlijk vermogen naar de maan helpt? Men zal misschien zeggen, dat niemand gedwongen is die papieren te koopen, die langs kunstmatigen weg in waarde verminderen. Natuurlijk behoeft men dit niet te doen, en de verstandige man, die doordenkt, zal zich voor de verleiding dezer inooipratende dieven weten te wachten. Maar de menigte is daar niet tegen bestand. Eu als men zichzelf moet beschermen, waarvoor is de wet dan noodig? De barbaar beschermt zich-zelf met behulp van een paar flinke honden, van goede wapenen en talrijke manschappen, zonder wet of politie-macht. Waartoe dan wel die gewichtige offers aan vrijheid en geld ? Wie in de beschaafde wereld geen verstand met omzichtig beleid ver-
144
eenigt, verliest zijne spaarpenningen uit de lade, al bekrabbelen nog zooveel pennen op het -stadhuis den ganschen dag door gezegeld papier.
Er is nog iets. De zoogenaamde bescherming van rijkswege kost den zoon der beschaving vaak meer dan hetgeen waarvoor men heet te zorgen waard is. Zeker, de ri-ike betaalt aan liet land veel minder dan hij overhoudt, maar de millionairs zijn uitzonderingen. De regel luidt, dat in ieder land de meerderheid öf behoeftig, èt\' slechts van het noodige voorzien is. De belastingen zijn echter voor alle burgers, ook voor de armen zóó hoog, dat ieder arbeider aan het eiude van zijn leven rijk zou zijn, wanneer hij de broodpenningen, die nu verlangd werden, had mogen bewaren. Dat den barbaar zijn goed ontstolen wordt, is mogelijk, maar dat het den beschaafden mensch In den vorm van directe en indirecte belastingen ontvreemd wordt, is zeker. En wat hem na voldoening van zijne schuld overblijft, kan hem, indien hij niet zeer voorzichtig oppast, toch even goed nog ontstolen worden als den ander, die er ten minste niets voor behoeft te geven. Wij staan hier vrijwel op het standpunt van den reizenden daglooner, die volgens de anecdote aan den schipper vraagt, wat hij betalen moet, om van Staatsburg naar Bazel mede te varen, en ten antwoord krijgt: vier gulden in de boot, maar slechts twee gulden, wanneer gij langs den oever mede aan de lijn wilt helpen trekken. Eigenlijk bevinden we ons op nog slechter terrein, want wij hebben niet eens de keuze ; wij moeten, willens of onwillens, mede aan de lyn loopen trekken en onze twee gulden afdragen bovendien.
Nu blijft nog het laatste punt der zegeningen van de politie te bespreken, en wel de vereeniging veler krachten ten nutte van het individu ; dezen plicht vervult de staat, \'t is zoo, maar ook dezen vervult hij zeer onvolmaakt. De
145
maatschappij gelijkt in onze dagen eene machine, werkende met ongehoorde krachtsverspilling. Voor de productie blijft een heel gering gedeelte van de aangewende kracht over, die met ontzettende kosten bereikt wordt; de rest gaat op in \'t smoken en sijfelen van de stoompijp. De vorm onzer Euro-peesche regeeringswijze maakt tegenwoordig, in alle landen, het verkwisten van de inspanning der burgers tot dwaze, lichtzinnige of schandelijke doeleinden mogelijk. Maar al te dikwijls bepaalt de hebzucht van eene zeer kleine minderheid, ja soms de luim van enkele personen het doel, waarop de handelingen van allen gericht zijn. Zoo wurmt en bloedt de burger, opdat er oorlog gevoerd kunne worden, die zijn leven of fortuin vernietigt; opdat men vestingwerken en paleizen kunne bouwen en spoorwegen, havens en- kanalen aanleggen, waarvan negen tiende des volks uiet het minste nut heeft; opdat nieuwe ambtsbetrekkingen in het leven worden geroepen, die het staatsorganisme nog ingewikkelder maken en hem nog meer van zijne vrijheid en van zijn tijd zullen rooven. Hij wurmt en bloedt, om zijn eigen juk zwaarder, zijne ketenen knellender te maken, met de kans dat hem meer bloed en méér arbeid zal worden afgeëischt. Alleen in zeer kleine landen of daar, waar bij uitzondering decentralisatie en eigenbestuur voorzit, wordt met de vlijt des burgers minder onverantwoordelijk gehandeld. Zulke regeeringen komen, wat haren aard en hare beginselen betreft, zeer nabij aan de coöperatieve genootschappen, bij welke ieder lid het gebruik, dat van zijne bijdrage gemaakt wordt, gemakkelijk kan overzien, onnoodige uitgaven kan voorkomen en ondoelmatige ondernemingen kan bestrijden of tegenhouden. Elke winst en elk verlies wordt onmiddellijk gevoeld ; gene vergoedt de gebrachte offers en het andere kan tot waarschuwing strekkeu, om niet op den ingesla-
10
146
gen weg voort te gaan. Natuurlijk is het in eene dusdanige maatschappi} zeer luoeielijk, de middelen te vinden voor idealer\' doeleinden, waarvan het resultaat niet dadelijk aan ieder individu nut of genoegen belooft, maar veel lastiger is het daar nog, persoonlijke luimen ten koste van bet algemeen welzijn te stillen of van de burgers bet geld te beuren tot aankoop van den stok, waarmede zij geslagen zullen worden.
De toestand is bijgevolg deze: Door de omslachtige methode van ons hedendaagsch regeeren wordt het eigendom van het individu niet beter beschermd dan vroeger. Voor alle offers, welke het brengt, ontvangt het de gerechtigheid in ruil, die erg wijdloopig, erg vervelend en erg kostbaar is, en het onderwijs, dat op verre na niet voor iedereen gelijk staat. Het voorwendsel dat de vrijheid van den burger alleen beperkt wordt ter wille van ongeschonden rechten der medeburgers, is eene flauwe aardigheid. Die zoogenaamde voorzorg maakt het den een moeilijk en berooft tevens allen van het grootste deel hunner vrijheid, \'t Is waar, in onze beschaafde maatschappij leeft het individu in den regel langer dan waar de barbaarschheid troont; zijne gezondheid wordt beter bewaakt; de toon in de samenleving is rustiger, het peil der zedelijkheid hooger, en daden van ruw geweld zijn niet zoo menigvuldig ; doch hiervan komt de eer volstrekt niet aan ambten en voorschriften der regeering toe; dit zijn voorrechten, die wij als gevolgen der hoogere zedelijke ontwikkeling en het meerder doorzicht der menschen moeten beschouwen. Eene leugen is het, dat al die wetten en politie-verordeningen noodig zijn om ons leven en ons eigendom te beschermen. Bij de goudzoekers in het westen van Amerika en Australië namen de individuen deze bescherming zelf ter hand, toen zij de „Vigilance-Committees\'\' oprichtten, en zonder omslag,
147
zonder piocès-verbaal of formulier, heerschte aldaar spoedig de voorbeeldigste orde. In deze primitieve koloniën werd het gevoel van rechtvaardigheid, dat nu eenmaal in beschaving wortelt, de grondslag waaruit zich het openbaar en bizonder recht voor allen ontwikkelde. Den eersten bezitter diende het tot waarborg van zijn ,,claimquot;, zijne aanspraken, en van alle vruchten zijns arbeids. Deze gedaante verkregen de toestanden bij eene vereeniging, ja samenflansing van de ruwste, hartstochtelijkste individuen aller natiën. En dan zeggen, dat de meerderheid der recht-zinnigen en vredelievenden behoefte aan zulk eenonontwar-baren leiband voelt! Als men op dezen dag uegen-tiende van de bestaande wetten en regelingen, ambten en ambtenaren, documenten, oorkonden en protocollen afschafte, de zekerheid van den persoon en zijn eigendom zou er niet om veranderen. Ieder individu zou bestendig van zijne rechten profiteeren, van de werkelijke voordeelen der beschaving ging voor niemand iets verloren, terwijl men integendeel de vrijheid van handelen zou herwinnen, die met een zalig zelfbewustzijn vervult, zooals men het zich in de opgedrongen verhoudingen van onzen tijd haast niet meer kan voorstellen. Het zou kunnen zijn, dat de plotselinge vrijheid ons in het eerst verontrustte en angstig deed rondzien, als het vogeltje, dat opgevoed in zijne kooi, plotseling het deurtje geopend ziet; het moet nog leeren vrij de wieken uit te slaan en zijne vrees voor de groote ruimte te overwinnen. Daar staat tegenover, dat een aan zelfheerschappij en zelfleiding gewoon barbaar het niet zonder de pijnlijkste gewaarwording zou kunnen harden, steeds eene hand op zijn schouder te voelen, te weten dat er een oog gericht was op het zijne, zich onophoudelijk bevelen te hooren toebijten. Hij zou het niet verdragen, altijd aan den wil eens anderen te moeten gehoor-
148
zamen, ja ik verbeeld mij, dat onze duizend verordeningen en regelen spoedig een einde aan zijn leven zouden maken.
Is dan de toestand dien ik wensehelijk acht de regee-ringloosheid ? Alleeu de oppervlakkige of verstrooide lezer zou het dus kunnen verstaan. De anarchie is eene hersenschim van lieden, die in het geheel niet, of althans onklaar deuken. Immers, zoodra twee menschen in voortduren den omgang leven, ontwikkelt zich eene regeering. Er ontstaan namelijk regelen der wellevendheid, vormen van verkeer, ontzag aaa de éene, onderworpenheid aan de andere zijde. De mensch is niet vau nature tot eene verwarde opéénhooping geneigd; de samenleving is veeleer ge-lijk aan het kristal, dat zijne wording aan elkander geleidelijk opvolgende moleculen te danken heeft. In iederen maatschappelijkeu chaos vormt zich onwillekeurig eene staats-organisatie, even zooals er in de moederloog van stoffen, die kristallig van aard zyn, onverwijld kristallen opschieten. Geeue \'anarchie verlangt de verstandige cri-tiek, want zij is ondenkbaar; maar wèl eene autocratie en oligarchie, eene zelf-regeeriug en eene regeering van enkelen, eene ingrijpende vereenvoudiging van de groote machine, eene verwijdering van alle overtollige raderen. Wèl eene oligarchie, die het individu van doelloozen dwang ontheft en tevens de aanspraken der regeering tegenover de burgers tot datgene beperkt wat voor de uitvoering harer plichten strikt onvermijdelijk is.
Ook in dezen idealen toestand zou de enkele wel degelijk voor de publieke zaak arbeiden, anders gezegd: belasting betalen, maar zonder dien hatelijken bijsmaak van verplichting, die daar thans aan gepaard gaat. Iedereen koopt zonder morren brood, betaalt zijne entree in den
149
schouwburg, brengt zijn aandeel bij tot het onderhoud van genootschappen, en betreurt het op zijn hoogst, dat deze en andere hulp hem niet gemakkelijker valt. Waarom? Omdat hij weet waarvoor hij deze offers brengt en de gedachte niet bij hem opkomt dat hij bestolen wordt.
Als eene regeering zoo eenvoudig is, dat ieder burger hare bedoelingen begrijpen, haren arbeid overzien en de richting van hare werkzaamheid mede bepalen kan, dan ziet hij in de belasting eene uitgaaf, waarvan hij, in welken vorm dan ook, de volle waarde terug erlangt, en dit weêrhoudt de ontstemdheid, die anders bij de storting eene zeer gewone toegift is. In het tegenwoordig staatsbestuur moet de belasting een hatelijk ding zijn. Niet alleen daarom wijl ze, door het dwaas overleg en de kostbaarheid der regeering zelve, veel hooger is dan zjj behoefde te zijn ; ook niet alleen wegens de onrechtvaardigheid van het oliedom stelsel en de ongerijmde handelingen, die er uit voortvloeien, maar wel hoofdzakelijk omdat de heffing door het fiscalisme en niet door een wijs nutsbeginsel bepaald wordt.
Het fiscalisme is de systeem geworden uitplundering van het volk, ten eigen bate. Zijn doel is de grootst mogelijke som te innen, zonder eigenlijk op behoefte te letten of met de gewichtige gevolgen voor het individu rekening te houden. De fiscaal vraagt niet: »Welke offers zijn voor de wezenlijke plichtsbetrachting van den staat en voor de vervulling van die billijke eiscben noodwendig?quot; Hij vraagt niet; »Hoe kan men op de beste wijze de belangen van den enkele ontzien, zonder het geheel te doen lijden ?quot;, maar hij vraagt : »Op welke wijze is het voor ons, ambtenaren van het rijk, het gemakkelijkst, hoe leggen wij het aan, met de minst mogelijke moeite, oplettendheid en in-
150
schikkelijkheid, om den burger zijne penningen af te dwingen?quot;
De moderne wereldbeschouwing ziet in de regeering eene instelling tot bevordering van het persoonlijk welvaren ; de feudale, daarentegen, beschouwt het individu als een kettingganger, die slaven moet om het aanzien, de macht en den rijkdom van den staat te vergrooten ; en het fiscalisme berust op deze middeleeuwsche opvatting. In zijn oog is de staat, de regeering, het hoogste en eerste element, het van nature tot heerschappij geboren wezen, de burger het later aangekomene, dat beheerscht moet worden ; in zijn oog is de belasting niet eene vrijwillige uitgave, die men als \'t ware tot eigen voordeel offert, maar een tol, welken men schuldig is aan een derde en waarvoor deze derde, de geheimzinnige Moloch, de staat, doodeenvoudig eene kwitantie afgeeft. Wij zija ons bewust, vrije leden te zijn eener vereenigiug tot bevordering van doeleinden ten algemeenen nutte — het fiscalisme ziet in ons niets anders dan gevangenen van den staat, zonder eigen persoonlijk recht. Wij noemen ons burgers — de fiseaal scheldt ons onderdanen. In deze twee woorden ligt heel het scherpe contrast tusschen beide wereldbeschouwingen opgesloten.
De historische ontwikkeling van het belasting-wezen heeft tot het fiscalisme moeten leiden. De primitieve regeeringen hielden er geene belastingen op na. Het hoofd van den stam bekostigde de grootere uitgaven aan zijne hofhouding verbonden uit zijne meerdere bezitting ; in den oorlog bezorgde ieder weerbaar man zijne uitrusting, en slechts de priester ontving tienden. L)e staat had geene behoeften ; er bestond dus ook geene aanleiding om van zijne leden geld te eischen. Zoodra ergens het despotisme te voorschijn kwam, hetzij doordat de fictie van den goddelijken oorsprong
en macht des konings om zich heen greep, hetzij doordat een vreemde volksstam het land veroverde en onderdrukte, wijzigde zich die verhouding. In beide gevallen was het volk eene kudde slaven, het persoonlyk eigendom van den koning of den indringer, en het moest penningen betalen, niet voor het landsbestuur, maar voor de schatkist van zijn heer, wiens natuurlijk inkomen, dat hem integendeel niet de geringste verplichting ojriegde, door de belastinggelden der natie werd gevormd, even goed als het bedrag van zijne kudden of de opbrengst zijner landerijen. Vrije volken zagen in zulke belastingen dan ook vernedering en dienstbaarheid en smaad, en er zijn vele eeuwen van onderdrukking noodig geweest om bijv. de Germaansche stammen zoover te brengen, dat zij de penningen opbrachten, die zij gewoon waren geweest, overwonnen\' volken met het zwaard in de vuist af te eischen. Het denkbeeld, dat de burgers lijfeigenen zijn, die in de eerste plaats voor hun koninklijken meester moeten werken, is sedert de middeleeuwen de grondslag van het staatsrecht en van de verhouding der onderdanen tot hun gebieder geworden. Deze voorstelling heerscht ook thans nog in onzen kwanswijs op volkssouvereiniteit bogenden tijd ; zij vertoont zich misschien het sterkst in den vorm van het fiscalisme, in weêrwil van constitutiën en parlementen.
Op deze zelfde leugen is ook de organisatie van het be-ambtendom en de plaats van den ambtenaar tegenover den burger gegrond. De moderne opvatting ziet in den rijksambtenaar iemand, die door het volk is benoemd, die zijne bezoldiging, dus ook zijne volmacht, zijn aanzien, zijne ge-heele positie in de maatschappij van het volk ontvangt. Naar deze opvatting moest de ambtenaar zich als dienaar der natie, en als zoodanig tegenover deze verantwoordelijk gevoelen. Hij moest het duidelijk beseffen, dat de plicht
152
hem opgedragen is, voor de belangen van het individu te zorgen, daar het individu dit minder goed zelf kan doen ; hij mocht nooit vergeten, dat in theorie, de regeering hem evenmin noodig heei\'t als, bij wijze van spreken, eene dienstbode in de huishouding onmisbaar is, want desnoods zou iedere burger zich-zelf kunnen helpen, zooals hij zijne eigen laarzen poetst en water haalt — en dat alleen het begrip van voordeel door splitsing van den arbeid hem zijne betrekking verschaft heeft! Doch inderdaad gevoelt de ambtenaar zich volstrekt niet als een dienaar, maar als een machtig heer. Hij meent zijn post niet aan de natie, maar aan zijne overheid te danken te hebben, onverschillig of deze koning heet of president. Hij acht zich mede-vertegenwoordiger van \'t bovenzinnelijk gezag en verlangt voor zijn persoon den eerbied en de onderworpenheid der burgers, die zij aan \'t beginsel der goddelijke regeering verplicht zijn.
Het beambten-wezen heeft zich historisch uit de voogdijschap ontwikkeld. De klerk, op het stadhuis den burger afsnauwend, die op hooger bevel bij hem komt, is de erfgenaam en opvolger van den opzichter, welken in de duistere eeuwen, die voorbij zijn, de despoot over zijn volk van slaven aanstelde, ten einde het met de zweep en de spies zijner lijfwacht tot volgzaamheid te dwingen. Hij staat onder het hoofd van den staat, maar boven den geknevel-den burger. Deze bureaueraat neemt, als onderdeel der regeering van Gods genade, ook de onfeilbaarheid voor zichzelf in beslag. Het volk is de kudde, de monarch de herder, en hij de herdershond. Hij mag blaffen en bijten en het schaap moet het verdragen. En, wat het vreemdst van alles is, het schaap verdraagt het ook! De gewone burger, ik meen die van het slag als mijn Simon, duldt de aanmatigingen van den ambtenaar zonder morren. Hij
153
komt in de bestuurskamer niet als iemand, die iets te vragen heeft wat hem volgens recht en billijkheid toekomt, maar als een smeekeling. Het zou ook dwaas zijn, wilde hij zich tegen deze paradoxe verhouding verzetten, want in een twist met den rijksambtenaar zou hij stellig aan het kortste eind trekken, en in het gunstigst geval zouden zijne werkzaamheden en belangen, gedurende dien twist, aanzienlijke schade lijden.
Als schitterend pendant heeft het fiscalisme het manda-rijnstelsel, en beide zijn het natuurlijk gevolg van de ojivatting eener regeering door Gods genade en onderdanigheid door Gods vloek. Van honderd wetgevingen, die, mèt of zonder medewerking der natiën, aan dezen ten deel vielen, hebben negen-en-negentig het doel, niet de aangenaamheden des levens en de vrijheid van handelen voor de burgers te vermeerderen, maar den aangestelden voogden en opzichters hunne taak, de uitoefening van hunne ongerijmde autoriteit, gemakkelijker te maken. Men merkt ons, als het lieve vee, met letters en nummers, om ons met minder moeite te kunnen tellen en klassificeeren. Als voorzichtig-heidsmaatregel, uit wantrouwen, legt men ods allen boeien aan, omdat één onzer in staat zou kunnen zijn, uit den band te springen. Zijn er om dit te bewijzen voorbeelden noodig ? Alle kooplieden worden genoodzaakt, op eene zelfde bij de wet bepaalde manier boek te houden. Waarom ? Omdat er één bankroetier onder hen zou kunnen voorkomen, en dan zou het den jechter van instructie moeielijker zijn, poolshoogte te nemen, wanneer niet alles net en ordelijk, overal op gelijke leest geschoeid, voor hem ontvouwd wierd. Ten einde hem het zoeken licht te maken, berooft de regeering honderd kooplieden, die in hun leven geene oneerlijke handeling pleegden, van de vrijheid hunne zaken naar believen op te teekenen. Iedereen is verplicht, de politie
154
heel gehoorzaam in kennis te stellen met zijn komen en gaan. Waarom? Dewijl één onzer zich tot een misdrijf zou kunnen vernederen, in welk geval de politie hem maar zou moeten opsporen. De politie dwingt ons voortdurend tot den Jast ons aan te meiden, opdat haar eigen arbeid, waarvoor men haar bezoldigt, verlicht worde ! Honderd voorbeelden zou ik er bijvoegen, wanneer ik niet vreesde vervelend te worden.
Bovendien missen al die beperkingen ten eenemale haar doel. De wet drukt alleen hen die er niet aan denken zich boven haar te verheffen, maar zij heeft nog nimmer dezulken gehinderd, die besloten waren, zich haren dwang niet te laten aanleunen. Wie bigamie wil plegen, hij doet dit, ondanks alle formaliteiten, die den op welvoegelijkheid gestelden mensch het sluiten van den echt omslachtig, kostbaar en bezwarend toaken. De roover draagt zijn revolver, niettegenstaande het den burger verboden is gewapend te zijn. En zoo gaat het met alles. Telkens, zij \'t ook op minder tragische wijze, wordt de geschiedenis van den Bethlehemschen kindermoord herhaald : Herodes laat alle knaapjes dooden omdat er één tot pretendent naar de kroon zou kunnen opgroeien, en juist die ééne loopt vrij, die inderdaad gevaarlijk voor hem wordt.
De wijsgeerige opvatting van den staat is anders geworden ; in theorie is de burger lid van een genootschap met gelijke rechten; alle regeeringsvormen, die sedert \'1789 bestaan, zijn gegrond op het beginsel der volkssouverei-niteit. Maar in de practijk is de staatsmachine geheel dezelfde gebleven ; zij werkt met dezelfde kracht als in het somber tijdperk der middeleeuwen, en indien zij tegenwoordig op het individu \'al minder zwaar drukt dan toen, zoo moet men dit enkel aan slijtage wijten. De stilzwijgend aangenomen leugen, waar alle wetten uit voortgevloeid zijn,
155
is nu evenals toen de veronderstelling, dat de burger het persoonlijk eigendom is van het hoofd des staats of althans van die schim, welke de staat of de regeering genoemd wordt, die alle voorrechten van de oude tirannen heeft ge-erfd en wier zichtbare vertegenwoordigers de ambtenaren zijn. De ambtenaar is niet de door het volk verkozen overheidspersoon, maar de uitvoerende macht der regeering, de vijand des volks, zijn opzichter en cipier.
De wet stelt den ambtenaar in staat, de belangen van zijn werkclijken of denkbeeldigen heer tegen de natie te verdedigen, welke hij als de natuurlijke vijandin van dien heer beschouwt; bij haar neemt hij stilzwijgend de neiging aan, zich van het dwangjuk te willen bevrijden. Dit is dan ook de reden, waarom de rijksambtenaren nog zoo hoog in aanzien staan, of althans uiterlijke teekenen van eerbied ontvangen. De lagere volksklasse kunnen zij niet door eene luisterrijke omgeving en levenswijze overbluffen ; de ontwikkelde mensch wordt door hunne beschaving of talenten ook niet meer tot achting genoopt, want zij hebben die niet; de utilitariërs kunnen hun arbeid onmogelijk voor nuttiger houden dan dieu der voortbrengende klasse van landbouwers, daglooners, kunstenaars en onderzoekers. Indien nu de betrekking van ambtenaar geenszins met geestesontwikkeling of bijzonder talent gepaard behoeft te gaan, waarom geniet die stand in de samenleving dan nochtans zooveel prestige ? Waarom ? Ik herhaal het: omdat de ambtenaar een onderdeel is van die geheimzinnige, bovennatuurlijke macht van Gods genade, waartegen het volk nog altoos met bewondering en vreeze opziet. Van den balsem, waarmee de koning gezalfd wordt, valt ook een druppel op het hoofd der ambtenaren. Deze fictie blijft duren zelfs ia die landen, die geen koning, geene kroon-feesten en geene genade Gods meer hebben. Zij is eene
156
terugwerkende kracht geworden, een weêrslag als \'t ware van de ziel des volks.
III.
Waar blijft nu echter de volksvertegenwoordiging ? Geeft zij aau het individu niet de vrijheid van handelen terug, die de wetten, welke in het belang van den fiscaal en mandarijn loopen, hem trachten te ontnemen ? Maakt zij van den leenplichtigen onderdaan niet den modernen staatsburger? Legt zij niet in de hand van ieder individu het recht, zijn lot in den staat zelf te bepalen, zich-zelf te besturen ? Is de kiezer op den dag dat hij zijn afgevaardigde benoemt, niet een souverein, die, het moge dan indirect zijn, van de oude vorstelijke privilegiën gebruik maakt om ministers af te zetten en te benoemen, wetten te geven, belastingen uit te schrijven, en de richting aan te geven der buitenlandsche politiek ? Is, in één woord, de stembrief niet het machtig wapen, waarmede onze arme Simon den overmoed der ambtenaren van zijne schouders kan wentelen, dat hem in staat stelt alle belemmerende instellingen met vrucht te bekampen ?
Zeker. De volksvertegenwoordiging heeft deze roeping. Maar ongelukkig alleen in theorie. Practisch beschouwd, is zij eene even kolossale leugen als alle andere vormen van ons politiek en maatschappelijk bestaan. Er zijn tweederlei leugens, die ons allerwege toegrijnzen : sommige dragen het masker van \'t verledene, andere dat der toekomst. De eenen zijn vormen, die geen inhoud meer hebben, de anderen zijn vormen die nog geen inhoud erlangden. De godsdienst, de monarchie zijn leugens, omdat wij hunne uiterlijke vormen in leven laten, hoe overtuigd wij ook ziju van de dwaasheid hunner beginselen. Onze volksvertegenwoordiging, zij
157
moge dau een kind zijn van de nieuwere wereldbeschouwing, is insgelijks eene leugen, dewijl zij tot dusverre niets anders dan een ledige vorm was, waarbij de inwendige organisatie van laet, staatsbestuur ongemoeid bleef. In het eerste geval werd nieuwe wijn in oude zakken gegoten —, in het laatste oud vuilnis in nieuwe vaten overgestort.
Volgens de theorie der volksvertegenwoordiging — het parlementarisme — moest het geheele volk in vergaderingen de wet stellen, zijne ambtenaren benoemen en aldus zijn wil rechtstreeks kenbaar maken en terstond in daden ten uitvoer leggen, zonder de wisseling en het verlies aan kracht, die een onmisbaar gevolg zijn van overdragen op derden en vierden. Dewijl nu echter onze historische ontwikkeling de individuen tot steeds grootere ^gemeentenquot; wil vereenigen en de grenzen der landen tot in het onmetelijke uitzetten, is de directe uitvoering van den volkswil bijna overal eene materiëele onmogelijkheid geworden : en waar zij het nog niet is, zal zij het toch spoedig wezen. Het volk moet daarom zijne souvereiniteit op een klein getal uitverkorenen overdragen. Deze uitverkorenen kunnen echter ook niet onmiddellijk zelf regeeren; zij moeten hunne volmachten weer op een nog kleiner getal vertrouwde mannen afgeven, op de ministers namelijk, die nu ten laatste feitelijk de wetten vervaardigen en voordragen, belastingen uitschrijven, ambtenaren aanstellen en over oorlog en vrede beslissen. Zal bij deze behandeling de volkssonve-reiniteit ongehinderd blijven, de wil des volks en geen andere zijne lotgevallen bepalen, dan moeten daarbij verschillende voorwaarden worden vervuld. De uitverkorenen zouden hunne individualiteit moeten afschudden. Op de banken van het parlement zouden geene menschen, maar eenvoudig gemachtigde moeten zitten, die spraken en stemden. Onderweg door de gemoederen der vertegenwoordigers, zou de
158
wil des volks geenerlei wisseling van kleur of gedaante moeten ondergaan, niet den minsten persoonlijken invloed mogen ondervinden. De ministers moeten ook niet anders zijn dan werktuigelijke doorvoerkanalen vóór de beschouwingen en de openbaringen van den wil der meerderheid in \'t parlement. Zoodra de opdracht, welke de ministers van de afgevaardigden en dezen van het volk ontvangen hebben, niet nauwgezet volvoerd werd, moesten de eersten onmiddellijk afgezet worden, de afgevaardigden onverwijld hun mandaat verliezen. Bovenal moest deze opdracht klaar en duidelijk zijn. De kiezers moesten het vooraf met elkander ééns zijn omtrent de wetgeving en de regeling van het staatsbestuur, die hun voor het algemeen welzijn doelmatig scheen, en dan de stiptste naleving dier beginselen van hunne afgevaardigden dringend eischen. Zij moesten voor de vertegenwoordiging vau hunne belangen, slechts zulke mannen kiezen, wier karakter en talent tot waarborg kon strekken, dat van de aangeduide lijn niet afgeweken zou worden, en dat zij onbaatzuchtig genoeg waren om, desgevorderd, hun eigen belang ten nutte van \'t algemeen op den achtergrond te schuiven. Dit zou de idiale volksvertegenwoordiging zijn; op deze wijze zou de wetgeving inderdaad van de natie, de uitvoerende macht van het parlement uitgaan. Het zwaartepunt zou in de kiesvergade-ringen liggen, en ieder burger zou tastbaar en zichtbaar aan de behandeling der algemeene aangelegenheden kunnen deelnemen.
Keoren wij nu van de theorie tot de practijk terug, welke bittere teleurstelling wordt dan ons deel! Zelfs in de meest klassieke landen, in Engeland en België, beantwoordt de volksvertegenwoordiging aan geene enkele der bovengestelde voorwaarden. De verkiezing is volstrekt niet de uitdrukking van den wil des volks. De afgevaardigden handelen naar
159
hun eigen goedvinden en gevoelen zich alleen door de vrees voor mededingers, in het geheel niet door den wensch en de beschouwingen hunner kiezers gebonden. De ministers regeeren niet louter het land, maar ook het parlement, zij schrijven aan de natie en aan de Kamers de lijn voor, die dezen te volgen hebben. Zij aanvaarden huune hooge betrekking en verlaten den ministerzetel ook weêr, niet omdat het volk het dus begeert, maar omdat een machtig persoon hen er toe noodzaakt. Zij springen op onzinnige wijze met de inkomsten en krachten van het land en zijne bewoners om ; zij laten nietsdoeners op de beurs van het publiek een heerlijk leventje leiden ; deelen geschenken en eerbetooningen uit, en wanneer zij maar zorgen, dat van de rijk gedekte tafels ook nu en dan een paar kruiinkens voor de meerderheid der afgevaardigden afvallen, behoeven zij voor geen berispend woord of ernstige terechtwijzing te vreezen. De ministers doen in de practijk even onverantwoordelijk als de afgevaardigden. De menigvuldige knoeierijen en onbillijke daden, waaraan zij zich bij voortduring schuldig maken, blijven ongestraft. Gebeurt het al ééns in de honderd jaren, dat een minister rekenschap moet afleggen, hetzij omdat hij eene meer dan schurkachtige daad heeft begaan, hetzij om reden van felleu persoonlijken haat, dien hij opgewekt heeft, ook dan gaat de zaak met veel gerechtelijken omslag, maar met eene onbeduidende bestraffing in den doofpot.
Het parlement is-eene inrichting tot streeling der ijdel-heid en tot bevordering van de persoolijke belangen der afgevaardigden. De menschen zijn sedert eeuwen en eeuwen gewoon geweest, zich door sen machtigen souvereinen wil te laten gebieden en eene bevoorrechte klasse boven zich te zien, aan welke zij rustig het genot der rijke inkomsten van het land afstaan en op den koop toe eer bewijzen. Be-
160
gaafde maunen, wier blik ver in de toekomst reikte, hebben huu in de volksvertegenwoordiging een regeeringsvorm gegeven, die huu veroorloofde, hun eigen wil in de plaats te doen treden van dien des vorsten, en die hun de mogelijkheid aan de hand deed, der aristocratie hare oubillijke privilegiën te ontnemen. Doch hoe hebben de volken zich gedragen ? Zij hebben zich gehaast, de volksvertegenwoordiging naar den ouden sleur te wijzigen, en wel zóó, dat evenals vroeger, ook thans een persoonlijke wil hen beheerscht, eene begunstigde klasse op hunue kosten leeft en geniet^ Dezen wil noemen zij niet meer koning, maar aanvoerder eener partij, en deze begunstigde klasse heet niet langer aristocratie van geboorte, maar meerderheid der Kamers. De oude toestand, de verhouding van den burger tot het bestuur des lands, is ondanks het parlement precies dezelfde gebleven. Mijn arme Simon, op wien ik telkens weêr terugkom. moet even goed belasting betalen zonder te weten waarvoor ; wetten opvolgen, waaraan hij part noch deel heeft en waarvan hij het nut niet inziet; hij moet even goed met zijn hoed in de hand vóór een ambtenaar staan, want anders wordt hem die afgeslagen, — \'t is overal het oude lied, van Simon hier, in Engeland van Johnny, of van Iwan in Rusland. Één groot voordeel levert de volksvertegenwoordiging op, en wel dit; zij biedt gelegenheid aan den eerzuchtige, om op de schouders zijner medeburgers klimmende, zich-zelf te verheffen — en dat dit geene geringe zaak is, zullen wij aanstonds zien. Ieder\' volk, maar vooral zulk een volk, dat nog in den bloei zijner ontwikkeling-verkeert en in het volle bezit is zijner alles doortintelende levenskracht, brengt gedurende iedereu menschenleeftijd enkele individuen voort, waarbij een sterk sprekend ik met kracht en geweld naar ontboezeming zijner denkbeelden, naar vrijen, ongestoorden vooruitgang streeft. Dit zijn tot
161
heerschen geboren karakters, die geen juk op hunne schouders, geene knellende banden kunnen verdragen : zi} moeten het hoofd en de ellebogen vrij kunnen bewegen. Zij gehoorzamen omdat zij willen, omdat zij het plichtmatig achten, maar nimmer omdat zij moeten. Zulke persoonlijkheden stuiten op geen hinderpalen, zonder ze omver te werpen of er scorm tegen te loopen; ze ontwijken doen zij niet. Het leven is in hun oog niet, levenswaard, wanneer zij niet de voldoening mogen smaken, alle krachten, alle driften, alle talenten die hen bezielen tot rijpheid te brengen. Een bewustzijn dat aan den horizon door een invloed, hun onbekend, zeer duister tot hun komt, beschouwen zij niet als bewustzijn, in welken vorm zich die belemmering ook moge vertoonen. Een ik, dat niet overal en te allen tijde zichzelf kan zijn, is voor hun ik onverdragelijk. Zulke karakters hebben veel ruimte noodig. In de eenzaamheid aarden zij het best. Als Anachoreten in de woestijn, als Paalheiligen of Fakirs lijden zij geen aanstoot. Maar de samenleving heeft maar éene plaats voor hen, die van den aanvoerder. Zij zijn geen zacht plasma, maar diamantharde kristallen. Het is hun niet mogelijk, ia \'t voor hen opengebleven holletje van het staatsgebouw binnen te glijden. Zij moeten eene woning voor eigen gebruik hebben, geheel naar hunne eischen ingericht. Zij verzetten zich tegen de wet, die zij reeds zonder hun toedoen vaardig vinden, en in plaats van eerbiedig de boodschap af te wachten van den ambtenaar, die een hoogen toon tegen hen aanslaat, ballen zij de vuist voor zijn aangezicht. In het absolute regeeringsstelsel is voor dergelijke lieden nergens plaats. In den regel zijn de vormen sterker dan zij, en zij delven het onderspit. Maar eer zij te gronde gaan aan hunne inspanning om de rots van conventiën en instellingen te verbrijzelen, doen zij den staat op zijne grondvesten sidderen, zoodat de koning
1 l
162
waukelt op ziju troon en de boer met het aaugeziclit ter aarde valt. Zij worden koningsmoordenaars of rebellen, allerminst roovers of wilddieven. In de middeleeuwen doorkruisen zij als Robin Hood de bosschen of staan aan liet hoofd eener bende soldeniers, de schrik van vorsten eu volken, als (Jondottieri. Later veroveren en verwoesten zij als Cortez en Pizarro, de nieuwe wereld, plunderen als hoofdman over lansknechten de streek van Pavia, maken fortuin als huurlingen van ieder die strijd voert in den dertigjarigen oorlog, of laten zich, minder gelukkig, als Schinderhannes of Cartouche radbraken. Heden ten dage noemt men deze menschen in Rusland Nihilisten, zooals zij gisteren in het Ottomanische rijk Mehemet Ali werden betiteld.
Welnu, de volksvertegenwoordiging staat aan deze geweldige individuen, met hun krachtig ik, toe, hunne persoonlijkheid te behouden zonder den regeeringsvonn te vernietigen of te bedreigen. Het kost vrij wat minder moeite afgevaardigde te worden, dan tot de positie van een Wallen-stein te geraken, eu het is zoo waar gemakkelijker, eerste minister te worden, dan een troon omver te bonzen, lu-tusschen kan men reeds als afgevaardigde zijne rechte houding bewaren bij vele gelegenheden, waarbij Simon eerbiedig buigen moet, en als eerste minister moet men wel strijd voeren, maar men is niet genoodzaakt, een vreemden wil te dienen. Op deze wijze is dus de volksvertegenwoordiging de veiligheidsklep, die de overvloedige veerkrachtige individuen der natie belet, schadelijke ontploffingen teweeg te brengen.
Wanneer men de psychologie der staatsmannen van beroep in parlementair bestuurde lauden nagaat, zal men telkens vinden, dat de behoefte om zich van bun eigen krachtig ik duidelijk bewust te worden en daarvan feitelijk
163
lilijken te geven, huu noopte in het openbaar op te treden. Men noemt dit eerzucht of heerschzucht. Die uitdrukkingen zijn juist, mits men ze nader toelichte. Wat is eerzucht ? Is het werkelijk de zucht, de begeerte naar eer, dat is naar uiterlijke voldoening der ijdelheid ? Deze beweegreden kau gelden voor een »in de koffiequot; rijk geworden kruidenier, die hoopt een plajitsje.als lid van de Kamer van Koophandel ot\' van den Gemeente-raad te verwerven. In het leven van een Disraëli, Kossuth, Lasalle of Gambetta komt zoo iets niet voor. Deze mannen verlangen volstrekt niet op straat door domme intriganten te worden gegroet, uniform te dragen, voortdurend reporters, biografen en photografen achter zich aan te zien loopeu, die voor tijdschriften en •dagbladen iets over hen denken te leveren, of van kostschooljuffertjes bedelbrieven om hun handschrift te ontvangen.
Om zulke voldoeninkjes te smaken, zouden zij zich niet aan de treurige ondervindingen blootstellen, die het openbaar leven van onze dagen voor \'t grijpen geeft, terwijl ondanks eene beschaafde eeuw, gedurig weêr de toestand van den oer-mensch op den voorgrond dringt. Hier is nergens rust, nergens kalmte; gestadig moet men strijden, omzien, luisteren, waken ; op de loer staan, anderer voetsporen opdelven en de eigene trachten uit te wisschen; met de wapens in de hand en met half gesloten oog moet men slapen ; ieder dien men ontmoet is een vijand ; men is tegen allen, en allen heeft men tegen zich ; onophoudelijk wordt men gehoond, gelasterd, gegriefd; in één woord, men leeft als de wilde in de bosschen, die weet dat zijne vijanden hem bestoken en die hun langs de moeielijkste paden ontvlucht of hun slag levert aan den rand van een gapenden afgrond.
Die zoogenaamde eerzucht, welke den staatkundige op
164
dit gevaarlijk terrein brengt, is niets anders dan de innerlijke drang om zijne krachten met die van anderen te meters en zich-zelf van zijne gaven ten volle bewust te worden. Dit zalige, verheffende gevoel kent de philister niet; het bestaat alleen voor de zoodanigen, die nooit een beletsel op hun levensweg tegenkwamen, zonder het door geest- en wilskracht uit den weg te ruimen.
Met de heerschzucht is het eveneens geschapen. Den meesten aanvoerders van partijen of secten is het niet zoozeer daarom te doen, zelf te heerschea, dan wel om niet be-heerscht te worden. Er is geene keus voor hem, die te midden der hedendaagsche samenleving niet het bestaan van een kluizenaar wil lijden ; bij moet heerschen of be-heerscht worden. Sterke naturen kunnen het laatste niet dulden. Zij moeten dus wel tot het eerste besluiten, niet wijl het hun zoo bizonder verkieslijk voorkomt, maar wijl het de eenige vorm is, waarin het individu zich tegenwoordig nog vrij en onafhankelijk gevoelen kan. Indien heerschzucht werkelijk ware wat de letterlijke beteekenis van het woord aanduidt, dan zou de heerschende altijd naar beneden, nooit naar boven zijne blikken richten ; hij zou de hoofden tellen die onder hem staau. niet die welke boven hem uitsteken. Maar doorgaans doet hij hst tegendeel. Cesar wil liever de eerste zijn op een dorp dan de tweede te Rome. Zon zijne heerschzucht te liome niet veel grooter voldoening smaken? Hij zou over een millioen menschen gebieden, met één slechts boven hem ; op het dorp bepaalde zijne heerschappij zich tot eenige honderden. Zeker, dit ware overwegend, indien Cesar enkel en uitsluitend heerschen wilde. Maar hij wil ook, en wel in de eerste plaats, van zijn ik zich bewust worden, en dat ik stoot zich telkens tegen een muur, wanneer Cesar in Kome de tweede persoon is; op het dorpv waar geen krachtiger\' wil den zijne onderdrukt, kan het.
165
^zich vrij eu onbelemmerd ontwikkelen. In dit voorbeeld ligt de geheele theorie van de eerzucht, die de staatslieden naar het openbaar leven drijft, opgesloten. Kleingeestige menschen, die als choristen en figuranten op het parlementair tooneel medespelen, hebben voorzeker andere beweegredenen. Deze ^politiciansquot; en »carpetbaggers,quot; zooals men ze ia Noord-Amerika noemt, zijn slechts satellieten dei-aanvoerders eener partij. Zij zijn bloot vulsel, geen werkelijk bouwmateriaal voor het parlement. Voor de aanvoerders is, juist in tegenstelling met deze postenjagers en bedelaars om ordeteekens, het geldelijk of stoffelijk voordeel van hunne betrekking bijzaak. De hoofdzaak is voor hen het ongehinderd ontplooien hunner vleugelen; het naar vrije beweging dorstende ik lijdt pyn, wanneer het saam-gewrongen en krom moet liggen.
Wat wonder, zoo ik in deze beschouwing telkens en telkens het woordje ik heb gebruikt 1 De volksvertegenwoordiging is immers de triumf, de apothéose van het egoïsme ! In de theorie is zij de goed geregelde solidariteit — in de practijk is zij de zelfzucht, tot beginsel verheven. Kwans-wijs ontdoet de afgevaardigde zich van zijne persoonlijkheid en verandert in een onbaatzuchtig collectief-wezen, door \'t welk de kiezers deuken en spreken, willen en han-■delen ; metterdaad doen de kiezers op den dag van stemmen geheelenal van hunne rechten afstand, ten gunste van hun afgevaardigde ; aan hem de macht, die zij verliezen. In \'t programma, dat hij opstelt, en in de wijze waarop hij de stemmen der kiezers tracht te winnen, gaat hij natuurlijk ■op deze valsihe voorstelling in; er is slechts sprake van lt;le algemeene belangen ; hij is de zaakwaarnemer en de vertegenwoordiger van het volk; hij werkt louter voor het welziju van de natie eu zet elk persoonlijk belang op den •■achtergrond. Maar, ook de domste Joris Goedbloed neemt
166
fleze praatjes niet meer voor goede munt aan. Wat kan cIoq afgevaardigde liet algemeen belang schelen? Wat raakt hem het openbaar welzijn ? Nog minder dan Heknba den komediant. Hij wil opklimmen, en de kiezers zijn de sporten zijner ladder. Arbeiden voor het heil des volks? Het mocht wat! Laat het land en het volk voor hèm arbeiden ! Men heeft de kiezers »stem-veequot; genoemd: een bijnaam van zeldzame juistheid ! De volksvertegenwoordiging schept toestanden, die sterk aan den aartsvaderlijken tijd herinneren. De afgevaardigden nemen de plaatsen in der patriarchen ; hunne macht is ook op hun rijkdom gegrond, en deze bestaat evenals bij genen in talrijke kudden. Het onderscheid is, dat deze kudden niet uit echt, maar uit figuurlijk hoorn- en kleinvee zijn te zamengesteld, dat zijne stem in de bus schuift op den grooten dag der verkiezingen^ Rabagas verbeeldt eene caricatuur, eene satire. Mij komt hij voor eene schets naar het levtn te zijn. Wat voor reden is er om zich te verbazen of te lachen, als Rabagas, de groote revolutionair, nadat hij met de hulp des volks de macht verkregen heeft, dit volk met dezelfde middelen plaagt en onderdrukt, die hij straks in zijne htftige redevoeringen den ministers als misdaden heeft toegerekend ?
Ik vind dien loop van zaken heel natuurlijk. De staatsman heeft geen ander doel, geene andere beweegreden voor zijne handelwijze, dan de voldoening van zijn egoïsme. Om hiertoe te geraken, moet de menigte hem helpen. Deze hulp is slechts door middel van beloften en allerlei fraai-klinkende macht- eu wachtwoorden te verkrijgen, die even machinaal gepreveld worden als de bedelaar aan de kerkdeur zijn »Onze Vadeiquot; opzegt. Dit gebruik is niet te ontgaan, en de politicus voegt er zich naar, zonder bedenking. Nu heeft hij den steun der menigte, — zijne baatzucht is bevredigd en de volksmassa verdwijnt van zijn horizon en
1G7
wordt alleen weder door hem opgemerkt, wanneer zij hem bedreigt met de intrekking zijner macht. Dan zal hy de noodige maatregelen nemen om die macht te behouden, gelijk hij voorheen het noodige deed om ze te krijgen. Hij zal nu in het vervolg, al naar gelang der omstandigheden, den paternoster van beloften en spreuken stamelen of den misnoegden zijne vuist voorhouden. Deze keten van in elkander passende schakels van logische prsemissen en gevolgtrekkingen noemt men het stelsel der volksvertegenwoordiging.
IV.
Men bshoeft maar de politieke kuiperijen van nabij te zien, om te ondervinden, op hoe schandelijke wijze in de practijk der volksvertegenwoordiging de theorie gelogenstraft wordt.
Hoe wordt men afgevaardigde? Dat de burgers een goed en verstandig medeburger opzoeken en hem vragen, hunne belangen in het parlement te willen bevorderen, gebeurt uiterst zelden, en nog, al doet het geval zich voor, dan komen er toch veelal omstandigheden bij, die ten eenenmale het feit van zijne idealiteit berooven. Eene partij heeft er belang bij, dezen uitstekende haar mandaat te verleenen ; misschien dunkt het haar gewenscht, zijn algemeen geach-ten naam aan hare zetels te verbinden, misschien vreest zij in den geduchten man eeu gevaarlijken mededinger te ontmoeten, wanneer hij door eene andere afdeeling gekozen wordt. In zulk een bizonder geval wordt, om mij van eene gebruikelijke spreekwijs te bedienen, inderdaad reclame voor een naam gemaakt, zonder dat de drager van dien naam
168
er zich moeite voor geeft. Het schijiit dat de kiezers nu werkelijk hun vertrouwen aau deu man van verdienste schenken, en zij geven hunne volmacht, geheel naar de eischen der theorie, aun een uitstekend burger. Gewoonlijk nemen de zaken eene gansch andere wending. Een eerzuchtige gaat tot de burgers en tracht hen te overtuigen, dat hij, meer dan wie ook, hun vertrouwen verdient. Waarom doet hij aldus? Omdat hij zich gedrongen voelt, aan het algemeen welzijn mede te werken ? AUons done! Menschen, in wie het gevoel van solidariteit met het volk zóódanig is opgewekt, dat dit hen tot arbeid en zelfopotfering ten bate van \'t algemeen drijft, zijn in onze dagen nog zeer zeldzaam. Bovendien ligt het in de natuur dezer idealistisch gevoelende personen, dat zij met teedere organen toegerust zijn, die hen elke ruwe bejegening, iedere botsing dubbel hard doen beseffen. Zijn dit nu geschikte personen voor het groote strijdperk ? Zullen deze idealisten vrijwillig aan de verstandelijke en lichamelijke onspoeden van eene verkiezingscampagne het hoofd bieden ? Nooit! Zy kunnen voor hunne medemenschen lijden, desgevorderd sterven, maar ondoenlijk is het hun, bij eene kudde stompzinnige kiezers onbeduidende vleitaal te spreken. Zonder vooruitzicht op belooning of waardeering kunnen zij doen, wat zij als hun plicht beschouwen, maar in volksvergaderingen, in gezwollen stijl, hun eigen lof uit te bazuinen, dat vermogen zij niet. Doorgaans trekken zij zich schuw in hun studeervertrek of in den kleinen kring hunner geestverwanten terug. Het onverstand noemt deze schuchterheid vaak hoogmoed, doch werkelijk is zij niet anders dan de vrees voor besmetting van liun heilig ideaal, door de aanraking der ruwe menigte, in het gewoel van het dage-lijksch leven. Hervormers en martelaren zoeken de groote menigte soms ook op, maar alleen om haar te vermanen,
1(39
te ouderwijzen eu uit den gewonen sleur op te wekken, zeker nooit om haar complimenten te maken en dingen toe te fluisteren die zij gaarne hoort. Zij worden meer gestee-nigd dan met bloemen bekranst. VVjcliö en Knox, Huss en Luther, Arnold van Brescia en Savonarola hebben onge-twijfeld grooten invloed op de menschen van hun tijd uitgeoefend ; zij hebben bij den volkshoop, benevens geweldigen haat, innige, hartstochtelijke liefde gewekt. Intusschen geloof ik niet, dat een hunner zoomin als liousseau, Goethe, Kant of Carlyle met eigen middelen, zonder behulp van een kiesvereeniging, ooit een mandaat als afgevaardigde voor een landelijke bent, noch van een grootsteedsch college zou hebben weten te veroveren. Zij verlagen zich niet tot konkelarij om stemmen te verwerven, en zij achten zich te goed om een tegenstander te bestrijden die langs de oude platgeloopen slu\'pwegen zijn doel bereiken wil. De wijze, waarop een mandaat verkregen moet worden, stuit van meet af edelen karakters tegen de borst; zij is echter geen hinderpaal voor egoïsten, die besloten zijn, eer en invloed tot eiken prijs te koopen.
Hier is een persoon, die de politieke loopbaan wenscht te betreden. Zelfzucht is de drijfveer zijner handelingen. Dewijl er echter eene zekere populariteit toe vereischt wordt om de gewenschte plaats te kunnen erlangen en de populariteit in den regel bloot denzulken te beurt valt, die het algemeen welzijn bevorderen of schijnen te bevorderen, zal hij veinzen, zich naarstig met de belangen dei-gemeente bezig te houden. Om met goed gevolg te werken, moet hij verschillende min sympathieke eigenschappeu bezitten. Bescheiden mag hij niet wezen, want dit zou hem verhinderen, vooruit te schuiven, hetgeen hij wel doen moet om opgemerkt te worden. Hij moet dus braaf kunneu huichelen en liegen, want tegen menschen, die hem hate-
170
lijk of ten minste onverschillig zijn, moet hij vriendelijk glimlachen, vermits zij anders het getal zijner tegenstanders zonden kunnen vermeerderen : en hij moet allerlei beloften doen, welke hij vooraf weet, nooit te kunnen vervullen. Hij moet er niet tegen opzien, de lage hartstochten en gemeene neigingen der menschen te prikkelen eu hunne vooroordeelen te vleien, omdat die hst meest algemeen verbreid zijn en hij de meerderheid moet trachten te winnen. Deze trekken te-zamen vormen eene physionomie,. waarvan ieder weldenkend mensch zich met afschuw afkeert. In een roman zou een dergelijk figuur zich zeker niet in de sympathie van den lezer kunnen verheugen. In het leven brengt diezelfde lezer bij iedere nieuwe verkiezing zijne stem op hem uit.
Die kies-campagne heeft, even goed als de werkelijke oorlog, hare strategie en tactiek. Daar staat de candidaat tegenover den kiezer ; tusschen hen in woelt een college^ dat zijn bestaan te danken heeft aan eigene brutaliteit. Iemand wenscht zich te doen gelden. Doodeenvoudig 1100-digt hij zijne medeburgers op eene vergadering uit. Acht hij het dienstig, dan roept hij de hulp van eenige vrienden in, of beter nog, hij stapt naar ettelijke rijke domooren en vertelt hun, dat zij volgens recht en plicht, zich aan \'t hoofd der partij moeten stellen, dat hun talent enz. hen roept om de menigte te leiden, en wat voor mooie zinnen van dien aard er meer kunnen gewaweld worden. Natuurlijk zijn de idioten zeer gestreeld in hun gevoel van eigenwaarde en loopen op een drafje naar het eerste bet bests dagblad-bureau om eene advertentie met hun naam to onderteekenen. Die naam schittert in de oogeu van allen, die menschenwaarde naar titels, brandkasten en eereplaatsen berekenen. Daar is dan nu eene commissie gevormd,, welke de leiding eener nieuwe kiesvereeniging welwillend
171
op hare schouders zal nemen. Zulk eene commissie bestaat gewoonlijk uit twee elementen, uit onverschrokken, doortastende drijvers, die een persoonlijk voordeel van zedelijken of stoffelijken aard op het oog hebben, en ernstig uitziende en met gewichtige houding optredende botteriken, die door de eersten als noodzakelijk kwaad, neen, als decoratieve ballast, mede in het schuitje worden opgenomen. Men kan heel goed lid van de commissie worden, ook al behoort men niet tot de oprichters, of al is men niet uitgonoodigd. Men behoeft daar iu de vergadering alleen druk en luid voor te spreken, zoodat men opgemerkt wordt. Iemand met goede longen en eene radde tonpr — om \'t even imt
O O O
die tong uitslaat — zal vast in korten tijd een zeker gezag verwerven, hetwelk hem voor degenen, die de keus op hem hadden gevestigd, tot een aangenamen gast, en voor anderen tot een gevaarlijken tegenstander maakt. Zij zullen zich dus beijveren, hem als lid hunner commissie te benoemen.
De vorming van eene commissie kan plaats hebben in de omgeving van den persoon, die afgevaardigde wenscht te worden, of zij kan ook geheel buiten zijne voorkennis ontstaan. Jn het eerste geval leidt de candidaat zelf de gansche beweging; hij organiseert zijn generalen staf, hij roept de kiezers op, wijst de redenaars aan, die zijne zaak moeten bepleiten, en strijdt zelf in de voorste gelederen. In het andere daarentegen is de commissie een troep soldeniers, die door dezen of genen hoofdman geworven wordt, en die een candidaat huurt, ten einde met hunne hulp zijn slag te slaan. Vele staatslieden hebben op die wijze voor anderen geiigeerd, eer zij zelf afgevaardigden werden : zij benoemden volksvertegenwoordigers en zetten ze af; zij deelden mandaten uit, of juister gezegd, zij verkochten mandaten, of om gereed geld voor hen en hunne trawan-
teu, öf ook voor ambten of voordeelen van. anderen aard, of eindelijk — bij uitzondering — voor het streelend gevoel alleen, genoemd te worden onder de mannen, die den meesten invloed op hunne medeburgers uitoefenen. In kies-vergaderingen voert de phrase den boventoon, dat is natuurlijk. De menigte luistert slechts naar den spreker, die een klinkend orgaan heeft, gouden bergen belooft en zich gemakkelijk op een zeer alledaagsch terrein weet te bewegen. Op den gezetten dag stemmen enkele, juist de invloedrijkste kiezers, die men zijn best doet één voor één in te palmen, naar de ingeving van hun eigen belang of ijdelheid ; maar de overgroote meerderheid begunstigt den candidaat, voor wien de colleges gewerkt hebben. »Den naam, die ons eene week lang in de ooren gegild is, werpen wij in de stembus, en daarmeé uit.quot; Men weet niets van den man, zijn karakter en zijue gaven zijn geheel onbekend, maar ieder noemt hem en daarom geeft men hem zijne stem. Wanneer men hem een ouden trekpot moest leenen, voor een uur of wat, ja dan zou men wel eerst ter-dege onderzoek doen naar \'s mans soliditeit, maar om hem de hoogste belangen van den staat, das ook zijne eigene toe te vertrouwen, is het genoeg te weten, dat deze of gene club hem aanbevolen heeft, al weet die misschien even zoo weinig van hem. Het helpt niets of men al tegen deze daad van geweld — dat is het toch — opkomt. Laat een enkele zoo nauwgezet zijn om naar den candidaat te informeoren, vóór hij diens naam op zijn briefje schrijft, in den grooten stroom gaat zijn voorzichtigheidsmaatregel verloren. Wat kan hij •dan doen? Op den dag der verkiezing thuis blijven of voor den candidaat stemmen, dien hy inderdaad geschikt acht, zijn volk te vertegenwoordigen, zjjne belangen te behartigen. Maar noch het een, noch het ander baat. Dien de massa wil, wordt toch gekozen. Nu ja, theoretisch staat
het eiken burger vrij, een candidaat aan te bevelen en voor hem stemmen te werven, maar in de practijk heeft het wijzen op de voortreffelijke eigenschappen en het veelzijdig ontwikkeld talent van zoo iemand veel minder succès dan het beloven van allerlei buitenkansjes en de vleitaal der gewetenloozen. Daarom kan het moeilijk anders zijn of de man van beginsel, wien het inderdaad oprecht om het welvaren des volks te doen is, moet tegenover den slnwen politicus van beroep aan het kortste eind trekken.
De gekozene verbeeldt dus te zijn de man waarop de meerderheid hare hoop gevestigd heeft, maar hij is de man, op wien eene zeer geringe minderheid vertrouwt. Doch deze minderheid is georganiseerd, terwijl de rest een chaos vormt, die niets tegen de eerste vermag. Het mandaat moest aan den flinkste en meest geschikte onder de staatsburgers gegeven worden : het wordt gegeven aan hem, die zich het brutaalste opdringt. Op edele talenten, fijne beschaving en hoogere ontwikkeling komt uet voor een afgevaardigde minder aan. Ervaring, nauwgezetheid zijn ook geene noodzakelijke eigenschappen. Zij zullen hem niet hinderen, althans niet bepaald in den weg staan, maar zij helpen hein ook niet. Wat echter onontbeerlijk voor hem is, dat is eene hooge mate van zelfbewustzijn, vrijpostigheid, radheid van tong en gelijkvloerschheid. In het beste geval mag een candidaat dus een verstandig en eerlijk man wezen, maar trouw, fijn-gevoelend en bescheiden zal hij nooit kunnen zijn. En ziehier de natuurlijke oplossing van het verschijnsel, dat in het parlement wel talenten voorkomen, doch niet dan bij hooge uitzondering karakters worden aangetroffen. De politicus heeft door valsche beloften, door kwispelstaarten voor de menigte, door onbeschaamde zelfverheffing, door declamatorische voordracht; van gemeenplaatsen en door de hulp zijner aanhangers, die met dezelfde onedele wapenen strij-
174
tien als hij, zijn mandaat bekomen. Hoe zal hij nu daarmede werkzaam zijn ? Hij zal eene partij vormen of zich bij eene reeds bestaande aansluiten.
De voorname eigenschap, die eene partij in het leven roept, is wilskracht. Dit is eene gave. die met verstand, fantazie, doorzicht of grootheid van karakter niets te maken heeft. Een sterke wil kan /.eer goed met bekrompenheid van geest, lage neigingen, oneerlijkheid, baatzucht en boosaardigheid samengaan ; hij is eene lichamelijke kracht, evenals de forsche bouw en de sterke spieren en zenuwen, waarin een misdadiger zich verheugt. Wat en hoe hij voor het overige wezen moge, de man met de grootste energie zal in zekeren kriug altoos de eerste, ^de gebiedende zijn. Den zwakkere die tegen hem opstaat, zal hij vernietigen : — \'t is de oude strijd van den aarden pot tegen den ijzeren. Een groot verstand kan zeker ook den krachtigen wil doen buigen. Maar hoe ? Nooit door in \'t open veld met hem te worstelen, maar door den schijn aan te nemen, hem te gehoorzamen, en hem inderdaad behendig zijne opvattingen en beschouwingen in \'t oor te fluisteren, zoolang tot hij deze voor zijne eigene meening aanziet.
De grootste bondgenoote van den wil iu \'t parlement is de welbespraaktheid. Ook deze eigenschap is van ontwikkeling des geestes of van karakter wel te onderscheiden. Men kan een uitstekend denker, dichter, veldheer of wetgever zijn, zonder dat men in staat is eene fraaie, flink gestelde rede te houden, en omgekeerd kan men een bizonder talent voor spreken bezitten bij een zeer alledaagsch verstand. In de geschiedenis der parlementen vinden we weinig oratorische vermaardheden, die tevens den gezichtskring der menschen in eenig opzicht ruimer hebben doen worden. Bij het lezen van beroemde improvisatiën, die bij staatkundige debatten vaak met beslissend gevolg bekroond worden en den spre-
kers roem en glorie verschaften, vraagt men dikwijls onwillekeurig; »lioe is \'t mogelijk, dat die middelmatige ■woorden znlk een indruk hebben gemaakt?quot;
De menigte luistert niet naar het verstandige woord, wel naar de indrukwekkende voordracht. Zonder lange voorbereiding, zonder eindelooze herhalingen, heeft ook het eenvoudigste en duidelijkste argument weinig kans, de menschen te overtuigen. Daarentegen is het niets vreemds, het publiek door eene domme en opgeschroefde declamatie dermate in geestdrift te zien ontgloeien, dat het, medegesleept door den beheudigen redenaar, overijlde besluiten neemt, die het bij kalmer nadenken zelf onbegrijpelijk vindt.
Wanneer de aanvoerder eener partij bij sterke wilskracht nog een zeker redenaarstalent bezit, dan speelt hij overal de ■eerste rol op het wereldtooneel. Mag hij niet op de gaaf der welsprekendheid bogen, dan houdt hij zich als régisseur achter de schermen, en leidt van daar, voor het publiek onzichtbaar, doch voor de sjjelers eene machtige autoriteit, den geheeleu loop der parlementaire komedie. Hij heeft dan redenaars, die in zijne plaats spreken, en anders heeft hij edele, maar schuchtere en besluitelooze intelligentiën, die voor hem denken.
Wat is eene partij? Het werktuig, met behulp waarvan de aanvoerder zijn doel bereikt, en meer dan eenige andere brengt de parlementaire partij haren aanvoerder tot aanzien en macht. Volgens de theorie is zij een bond van menschen, die hunne krachten vereenigeu om aan hunne gezamenlijke beschouwingen en opvattingen, het staatkundig leven betreffende, uitdrukking te geven. In de practijk bestaat er geen enkele groote bond van dien aard-—• dat is te zeggen, talrijk genoeg is om te kunnen regeeren —, welke door een geregeld programma bijéén wordt gehouden. Kleine groepen van tien of twintig geestverwanten voegen zich
176
hier en daai- te-zameu, maar groote partijen vormen zich slechts onder den invloed van persoonlijke eerzucht, persoonlijke zelfzucht eu door de aantrekkingskracht van een belangwekkend individu als middelpunt. De menschen vervallen van nature in twee klassen: in zulken, die geene heerschappij verdragen, en anderen die steeds den prikkel der leiding behoeven. Deze laatsten zijn geboren om tamp; gehoorzamen : zj.j kunnen niet krachtig voor zich-zelf optreden. Zij schuwen de verantwoordelijkheid hunner besluiten en handelingen, en de gevolgen eener onbeperkte vrijheid zijn hun te machtig. Het spreekt vanzelf, dat de eerste klasse de zeer bepaalde minderheid in de maatschappij vormt. Zoodra een voorstander der gehoorzaamheid meb een persoon van energie en heerschzuchtige neigingen in aanraking komt, buigt hij onwillekeurig voor dezen en legt bereidvaardig, ja met groote ingenomenheid, de leiding van- en de aansprakelijkheid voor zijne daden in de hand van den sterke. Zulke gedweeë karakters zijn niet zelden in staat de opdracht, die de vaste wil eens anderen hem gaf, met talent, beleid en volharding, desgevorderd met zelfopoffering uit te voeren. Maar de impulsie moet van buiten komen. Zij bezitten vele gaven ; alleen het initiatief ontbreekt hun. Zij stellen zich onder het gezag van een aanvoerder, zoodra zij dien ontmoeten. Zij begrijpen, dat hij hen tot de zege zal leiden, en bieden hem hunne persoonlijke diensten daartoe aan. De leiders der verschillende partijen beslissen in het parlement; zij kampen, — zij overwinnen. De openbare vergaderingen zijn komedie, niets anders. Voor de leus worden toespraken gehouden, om de fictie aangaande het parlementair stelsel niet te laten ondergaan, maar deze oraties zijn van zeer weinig invloed op de besluiten der regeering, dat wil zeggen op de stemmingen der afgevaardigden. Hoe dezen voteeren zullen, is reeds
-177
vooraf buiten de zaal in orde gebracht. Wat zoo in den loop der debatten over de aanhangige onderwerpen gezegd wordt, is voor den uitslag totaal onverschillig. De groote kiesvergaderingen zouden dus gevoegelijk achterwege kunnen blijven, en slechts de besluiten, die in de verschillende afdeelingen naar den wil des aanvoerders werden weno-men, zouden met elkaar aan de beslissende proef eener stemming onderworpen kunnen worden.
Een partijhoofd verliest zijne plaats niet door de fouten, bij de uitoefening zijner taak begaan ; van die fouten bedienen zich alleen de aanvallers. Wat hem doet ondergaan, is de machtiger\' wil van zijn tegenstander of de trouweloosheid zijner troepen, die naar een ander vaandel over-loopen, wanneer hun daar rijker buit wacht, — of ook wel die beide oorzaken vereenigd. Dit is zoo waar, dat eene mutatie in \'t ministerie, ook al brengt zij de macht van zekere partij op eene andere, lijnrecht daartegenover-staande, op de belangrijke politieke gebeurtenissen van weinig of geen invloed is. De verhouding van den burger tot den staat blijft precies dezelfde; zoo hij geene dagbladen leest, merkt hij niet eens, dat eene verwisseling in \'t kabinet heeft plaats gegrepen ; de woorden liberaal en conservatief zijn eenvoudig de maskers voor de eigenlijke motieven van alle parlementaire bepalingen, voorstellen en besluiten ; heerschzucht en egoïsme.
Op deze wijze bedekt eene dikke en veelvoudige laag van leugens den huidigen politieken toestand. In vele landen is het parlementarisme over \'t algemeen slechts het kamerschut, waarachter de monarchie van Gods genade in haar vuistje lacht. Daar waar het een feit is, beteekent het parlement ook niet veel meer dan eene dictatuur, die van de eene hand in de andere overgaat, van personen die de macht weten te winnen. De slimste en brutaalste regeert.
12
178
In theorie verzekert de parlementaire regeeringsvorm den beslissenden invloed aan die stem des volks, welke in de meerderheid uitdrukking vindt, — practisch berust deze invloed bij enkele hoofdlieden met hunne raadgevers en schildknapen.
In theorie volgen de besluiten uit de bewijsgronden, welke de parlementaire debatten, vóór of tegen een voorstel, op het tapijt brengen, — practisch beschouwd, oefenen deze debatten geenerlei invloed uit en beslist alleen de wil van den aanvoerder en diens eigenbelang.
In theorie hebben de afgevaardigden alleeu de belangen van land en volk op het oog, — de practijk leert, dat ze in de eerste plaats zorgen voor hun eigen voordeel en dat hunner vrienden, ten koste van het algemeen welvaren.
In theorie worden de beste en verstandigste burgers tot vertegenwoordigers der natie gekozen, — volgens de prae-tijk zijn het juist de eerzuchtigsten en ruwten, die zich het meest naar den voorgrond dringen.
In de theorie beteekent de ingeleverde stembrief, dat de kiezer den daarop genoemden candidaat kent en vertrouwt,— in de practijk stemt de kiezer voor een persoon, van wien hij niets anders weet, dan dat zijn naam hem eene week lang in de ooien geschreeuwd is en door elk dagblad en aanplakbiljet voor oogen is gehouden.
De drijfveeren, welke in theorie de parlementaire machine in beweging houden, zijn ondervinding, doorzicht, belangeloosheid ; in de practijk zijn het wilskracht, zelfzucht, flux de bouche. Edele intelligentie en hooge levensbeschouwing worden door ledig gebeuzel en oubeschaamden overmoed achter de bank geschoven ; niet de wijsheid zit in de parlementen voor, maar een hardnekkig doorgezet persoonlijk besluit, dat u met donderend geraas in de ooren dreunt. Van het parlementair beginsel, het zelfregeeringsrecht der
179
volkeu, bespeurt de burger geen sikkepit: mijn anne Simon moet even goed als vroeger belasting betalen en zyne ellebogen tegen honderd overtollige dammen en dijken blauw stooten, en van den parlementairen regeeringsvorm ondervindt hij voor het eerst wat, als hij op den dag der verkiezing naar de stembus loopt en hij het vervelende van al die oproepingen aan de kiezers, waarvan in die dagen de couranten vol zijn, constateert, zoodat elke verkwikkelijke lectuur wegvalt.
DE HUISHOUDELIJKE LEUGEN.
I.
Het euvel onzer beschaafde maatschappij, dat door het grootste getal menschen het levendigst en duurzaamst beseft wordt, is de toestand van het huishoudelijke. Er zijn individuen genoeg, die zich nooit om bovenzinnelijke vraagstuk-kenbekommeren, voor wie God even onverschillig is als de stof, die in de encycliek niet meer belang stellen dan ia de theorie der afstamming aller wezens, bij wie geloof en kennis gelijkelijk oppervlakkig zijn. De staatkund e laat velen koel, en het getal dergenen voor wie het precies hetzelfde is, of zij door een koning of door een president der republiek geregeerd worden, is grooter dan men wellicht zou meenen. Daarentegen is er niemand die nadenkt, of dagelijks treedt hem de groote kwestie van arbeid en verbruik vóór oogen. Ook de stompzinnigste mensch met zijn nuchter verstand wordt door de behoefte om in zijn onderhoud te voorzien dagelijks er-aan herinnerd. Hij ondervindt al de moeielijkheid, die het medebrengt zich te bedruipen ; hij mort over de bittere wanverhouding tusschen zijne inspau-ning en de genietingen des levens, welke hij zich ten koste van gene kan verschaffen, en vergelijkt zijn aandeel in de rijke gaven van natuur en kunst met dat zijner mede-
181
aienschen. Op gezette tijden heeft men honger, \'s avonds is men vermoeid, en telkens wanneer iets bizonders, liefelijks of iets van opmerkelijk schoone vormen ons oog trekt, wordt de zeer natuurlijke wensch bij ons wakker om door het bezit van dit schoone aan onze eigene individualiteit meer waarde ie verleenen. Zoodoende wordt men onwillekeurig door lichamelijke behoeften en neigingen er-toe gebracht, over zijne verhouding tot de sociale beweging, over \'t voortbrengen en gebruiken van de goederen dezer aarde na te denken. Daar bestaat ook niets, waarover de groote menigte zoo in vuur geraakt als dit onderwerp. In de middeleeuwen bracht men millioenen op de been door over den godsdienst te spreken. Aan het eind der vorige eeuw en ook nog in den aanvang der tegenwoordige, ontgloeide men voor de ideale voorstelling van verlichting en staatkundige vrijheid. Het eind der negentiende eeuw laat bijna overal den kreet om brood hooren, althans bij de groote meerderheid. Deze kreet is de inhoud der staatkunde, die ja gedurig pogingen in \'t werk stelt om door oorlogen, kolonisatie, tentoonstellingen, dynastieke komedie-vertooningen, parlementair gebabbel en zoogenaamde hervormingen de men-schen af te leiden van de ééne groote gedachte, welke hen geheel vervult, — maar die toch telkens weder gedwongen wordt, tot de gewichtige kwestie van den dag, arbeid en arbeidsloon, terug te keeren. Kruistochten voor de herovering van het heilige graf zijn niet meer aan de orde ; om het gulden vlies, genaamd welvaart, te bemachtigen, zouden velen echter niet ongenegen daartoe bevonden worden en wanneer men tegenwoordig revolutie maakt, dan is het niet meer ter wille eener constitutie op perkament, maar ■om minder hard te werken en beter te eteu.
Nooit waren de tegenstellingen tusschen arm en rijk zoo Scherp als tegenwoordig. Staathuishoudkundigen, die hunne
182
wetenschappelijke verhandelingen beginnen met de bewering1 dat het pauperisme zoo oud is als de menschen zelf, spelen op schromelijke wufte wijze met woorden zonder zin. Immers, wij kennen absolute en relatieve, bepaalde en betrekkelijke armoede. Absolute, volstrekte armoede is de toestand waarin de mensch zijne wezenlijke behoeften, d. i. die, welke zijne lichamelijke organisatie in \'t leven roept, niet, of maar onvolkomen vervullen kan; wanneer hij zich niet genoegzaam kan voeden, of ten einde in zijn onderhoud te voorzien, zooveel arbeid moet verrichten, dat de noodige tijd van rust èn slaap hem ontbreekt. Waar deze hem al te karig toegemeten wordt, moet zijn lichaam ten slotte onder den harden arbeid bezwijken, llelat\'eve, betrekkelijke armoede beteekent daarentegen het onvermogen, in de kunstmatige behoeften te voorzien, die men zelf geschapen heeft en die geene onvermijdelijke voorwaarden voor leven en gezondheid zijn. Grootendeels komt het individu door vergelijking met anderen, die eender wenschen wèl kunnen bevredigen, tot het bewustzijn van die onmacht. De arbeider noemt zich arm, wanneer hij geen jenever kan drinken of geen tabak kan rooken ; de winkelierster, wanneer zij zich niet in zijde kleeden en sierlijke meubelen koopen kan; de liberale man, wanneer het hem niet mogelijk is, een kapitaal over te leggen voor \'t onderhoud zijner kinderen en voor zijne eigene behoeften op den ouden dag. Deze armoede nu is niet enkel relatief, maar ook subjectief, want zij bestaat alleen in de verbeelding van het individu. Zij is geene werkelijke armoede ; reeds de oude Diogenes heeft het bewijs geleverd, dat men tevreden en gelukkig kan zijn, zoodra men in staat is, aan zijne lichamelijke behoeften gemakkelijk te voldoen.
Van het standpunt der beschaafde wereld beschouwd, die de kinderen onzer eeuw tot slaven Van de overvloedigste
183
lerenseischeu gemaakt heeft, schijnen de menschen wel altoos betrekkelijk arm te ziin geweest, en des te armer naarmate men verder in de tijdrekening achteruitgaat, üe kleederen waren grover en werden niet zoo vaak vernieuwd ; de woningen waren ondoelmatiger; de voeding was eenvoudiger, het huisraad soberder dan tegenwoordig; men had minder baar geld en minder voorwerpen van weelde om zich heen. Maar deze relatieve armoede is volstrekt niet roerend of treffend. Men moet bij voorbeeld een dwaas salon-juffertje zijn om er iets treurigs in te vinden, dat de vrouw van een Eskimo zich door een zak van zeehondevel tegen de koude beschermt, in plaats van een zijden jurk te dragen, die even zoo duur als smakeloos van vorm is. Ik beu zoo vrij, er-aan te twijfelen of de sentimenteele wensch van den goeden koning Hendrik IV, dat iedere boer \'s Zondags een hoen in de pan mocht hebben, wel ooit flinke boeren met bewondering en geestdrift zal hebben vervuld, zoolang zij een behoorlijk stuk ossenvlee\'sch op hunne tafel konden zetten.
De absolute, phj-siologische armoede is een kwaal, die alleen blijvend uit eene ziekelijke beschaving geboren kan worden. In den natuurstaat van den mensch, ja bij nog,lager peil van ontwikkeling, is zij ondenkbaar. De eerste, voornaamste levensverrichting van ieder bewerktuigd schepsel, van het wormpje tot den olifant, vau de bacterie tot den eik, is óm te zien naar voedsel. Vindt het dit niet, dan sterft het. Maar in \'t gemis aan deze noodwendige stilling zijner behoefte aan spijze berust het niet zonder strijd. De mensch, even zoo goed als alle andere levende wezens, wordt beheerscht door eene biologische wet. De primitieve mensch buigt het hoofd niet gedwee voor gebrek aan \'t noodige; hij kampt, hij worstelt daartegen, hij verslaat het, — of wordt er al spoedig door overwonnen. Is hij een goed
184
jager en wordt het wild op zija groad te karig, dan zoekt hij een ander jachtgebied op. Zit hij als landbouwer op eene onvruchtbare plek, dan is het eerste bericht aangaande vruchtbare akkers toereikend, om bem daarheen te doen verplaatsen. Treden andere mensehen tusschen hem en zijn voedsel, dan grijpt hij naar een wapen en velt of wordt geveld. Weelde is dan het loon voor kracht en moed. Zoo bruist de stroom der volksverhuizing uit ondankbare streken naar landen, door de zonne gezegend. Het heroïsme van een Genserik, van een Attila, een Dschen-giskan of Willem van Normandië vindt in de maag zijn oorsprong, en op de bloedigste slagvelden, bij de schitterendste zegepralen, waarvan de dichters zingen en de geschiedenis gewag maakt, wordt door de ijzeren dobbelsteenen de belangrijke vraag van sjjijs en drank beslist. In één woord, de primitieve mensch duldt de werkelijke armoede, d. i. den honger, niet. Onverwijld vat hij de wapenen op tegen de kruipende ellende en wint zich rijkdom en overvloed, of bezwijkt ouder de akst van zijn vijand, eer het gebrek hem te machtig wordt. Ook met eene beschaving, welke den staat van physiocratie nog niet te boven kwam, is volstrekte armoede onvereenigbaar. Zoolang een volk zich bij landbouw, veeteelt en huisvlijt bepaalt, kan het misschien arm zijn aan edelgesteenten en voorwerpen van pracht, maar aan niemand ontbreekt het noodige. Eerst dan wanneer de mensch den band tusschen hem-zelf en de spijzende moeder aarde verbreekt, wanneer hij den loonenden akker den rug toekeert en gaat waar de natuur hem niet meer bereiken kan, die hem brood en vruchten biedt, de melk en het kalf van de koe tot zijne beschikking stelt en hem wildbraad en visch uaar keuze levert, eerst dan komt daar verandering in. Zoodra de mensehen achter stadsmuren dicht op elkaar gaan wonen, hun aandeel in grond,
185
bosch en zee laten schieten, en niet langer met eigen handen uit de groote voorraadschuur van dieren- en plantenrijk de noodige spijs en drank willen halen, maar integendeel de producten van hun arbeid tegen door anderen gemonopoliseerde voortbrengselen in ruil geven — zoodra begint, tegelijk met de kans voor enkelen om groote rijkdommen te verzamelen, voor eene groote massa de mogelijkheid van absolute nooddrift, van waarachtige ellende. Een volk van vrije boeren is nooit arm. Het kan eerst arm worden, wanneer de boer tot lijfeigene gemaakt en de opbrengst van zijne landerijen hem door zijn meester afgenomen wordt; of ook, wanneer zijn heer het hem door \'t opleggen vau meerderen arbeid, of door het misbruik maken van zijne werkkrachten onmogelijk maakt, zijn erf te bebouwen. Eene andere reden zou kunnen bestaan in de uitbreiding der groote steden, ten koste van de bewoners van het platteland. Onze hooggeprezen beschaving doemt een aanzienlijk getal laudgenooten tot absolute armoede, door de groote industrie te bevorderen ten nadeele der productie van vee en planten, en zij heeft hierdoor tevens een proletariaat in het leven geroepen, samengesteld uit zeer veel leden, die geen duimbreed gronds hun eigendom kunnen h.eeten. Deze klasse is uit den kring der natuurlijke, menschelijke levensvoorwaarden verstooten, en op denzelfden dag, dat zij hare fabrieken of werkplaatsen gesloten vindt, moet zij verhongeren.
Zoover is het nu gekomen in de rijkste en meest beschaafde landen van westelijk Europa. De bevolking bestaat uit eene zeer geringe minderheid, die in eene luidruchtige en aanstootelijke pracht leeft, en voor een deel ten minste door eene ware verkwistingswoede bezeten schijnt, en eene groote menigte, welke trots alle inspanning niet in haar onderhoud vermag te voorzien. Die minderheid wordt da-
1S6
gelijks rijker, de afstaud tassclaen hare levenswijze en die vau de volksklasse dagelijks wijder en haar macht en aanzien in het bestuur van den staat dagelijks grooter. Spreekt men wel eens over de ongehoorde uitgaven van sommige millionairs, en waagt men de opmerking, dat het «vroeger nooit zoo ergquot; geweest is, dan glimlachende historici meteen meewarig schouderophalen over onze onkunde. Zij voeren de eene of andere latijnsche zinsnede aan, om te bewijzen, dat het nu zoo erg niet is, als in Home gedurende het Keizerrijk en ook als in de middeleeuwen, en dat die wanverhouding tusschen schatrijk en doodarm eertijds veel krasser was dan tegenwoordig. Dit zijn echter maar praatjes zonder grond. Fortuinen als van een Van der Bilt, Baron Hirsch, Rothschild, Krupp suz. bestonden iu de middeleeuwen niet. Het gebeurde soms, bij uitzondering, dat een gunsteling van het hof\', een satraap of proconsul, door het plunderen eener provincie in \'t bezit van een kolossaal vermogen kwam, maar deze rijkdom was niet duurzaam. Het ging er mede als met den schat uit het sprookje; — heden, had hij hem en morgen niet meer. De bezitter droomde een kortstondigen droom, waaruit het staal van den moordenaar, de vervolging zijns konings, of eene brutale ontvreemding vau zijn eigendom hem onzacht wekte. Schaarsch zijn de voorbeelden van een dus verworven rijkdom, welke door drie geslachten heen van vader op zoon overging. Iu de geschiedenis van het Romeinsche Keizerrijk en in de oostersche landen komt zoo iets nooit voor. Bovendien waren de bezitters van millioenen eu milliarden voorheen grooter uitzonderingen dan thans, nu men het cijfer der particuliere personen, die meer dan drie millioen bezitten, in Engeland alleen op achthonderd a duizeud schat, en het aantal dergenen in Europa die omtrent een millioen rijk zijn, op zijn minst genomen honderd duizend bedraagt.
187
Daartegenover vond men oudtijds ook zulk eene groote menigte onvennogenden niet, die \'s morgens amper weten, wat zij eten zullen en waar dien avond slapen. Voorzeker de slaaf der oudheid, de lijfeigene uit de middeleeuwen, was ook geheel onbemiddeld ; hij was zelf eigendom en voorwerp. Maar voor zijne eenvoudigste levensbehoeften werd gezorgd door zijn meester,\' die hem huisvesting en spijze gaf. In de middeleeuwen waren alleen de oneerlijke lieden, goochelaars, Zigeuners en landloopers, geheel onterfd. Zij noemden niets hun eigendom; voor hen was nergens de tafel gedekt; de toenmaals heerschende begrippen van recht ontzeiden hun zelfs de aanspraak op de gaven, die moeder natuur allen menschen verschaft. Zij poogden zich door bedelarij, door roof en diefstal uit dien toestand te redden, welke maatschappelijke orde van dien tijd over hen gebracht had ; en al is het niet te loochenen, dat galg en rad meer oorzaak van hun dood waren dan ouderdom en ziekte, zoo kwamen zij toch gewoonlijk verzadigd en wel te moê ter rechtplaats. Het hedendaagsche proletariaat heeft geene voorloopers in de geschiedenis. Het is een kind van onze eeuw. De moderne proletariër is ellendiger dan de slaaf der oudheid, want hij wordt niet door zijn heer onderhouden, en al bezit hij de vrijheid als voorrecht boven den ander, hoe twijfelachtig is dat voorrecht niet — van honger te sterven! Hij heeft het niet eens zoo goed in de wereld als de landlooper en uitgestootene in de middeleeuwen, want hij mist diens onafhankelijke vrijheid, en daarenboven staat voor hem de weg niet open, om door rooven en kapen te verkrijgen, wat de maatschappij hem geweigerd heeft. Wij zien het dus: de rijke is rijker en de arme is armer dan ooit.
Ditzelfde is evenzeer op den overmoed der rijken van toepassing. Men heeft den mond vol van de banketten van
188
Lucullns ; de tegenwoordige geschiedschrijvers en anecdoten-verhalers vergasten zich nog heden aan de kliekjes van zijn disch. Doch het zal niet gemakkelijk te bewijzen zijn, dat het oude Rome ooit een feest heeft gezien, hetwelk 400,000 Mark kostte, zooals het bal van een New- Yorkschen Croesus, waarvan de dagbladen onlangs melding hebben gemaakt. Zette een particulier zijnen gasten pasteitjes met nachtegaalstongen voor, of gaf hij eener Grieksche Hetaere een paar maal honderdduizend sesterzen cadeau,\' dan wekte dit te Rome zooveel verbazing en opzien, dat de kroniekschrijvers van toen en van later niet moê worden zijn naam te vermelden. Niemand let er tegenwoordig meer op, dat duizenden menschen 150,000 gulden en meer vooreen servies van Sèvres-porselein betalen of 400,000 voor €en renpaard, evenmin als het verwondering baart, wanneer iemand eene losbandige deerne jaarlijks een half mil-lioen voor zijne rekening laat opmaken. De weelderige orgiën der middeleeuwen hadden nour zooveel kieschheid,
O O 7
zich tot kleine kringen binnenshuis te beperken. Tegenwoordig blijft de overmoed niet binnen de eetzaal van den gastheer besloten, maar Lij vertoont zich het liefst op straat. Op de wandelwegen der groote steden of in bal- en concertzalen komt de soms verregaande statie der levenswijze onzer bemiddelden het meest uit. Hunne équipages bespatten den armen voetganger met modder en slijk ; hunne «delgesteenten schijnen slechts daar in vollen glans te blinken, waar de oogen der proletariërs er door verblind worden. De verkwisting ziet het niet ongaarne, dat de pers van hare brasserijen getuige is ; door de dagbladen komt immers de beschrijving van die feesten onder het bereik derzulken, die geeue gelegenheid hebben om het eeuwigdurend carnavalquot; der rijken bij te wonen. Men brengt er dus den proletariër toe, vergelijkingen te maken, die den behoeftige
189
der middeleeuwen vreemd bleven. Het fortaiu der milliomiirs, waarop zgne aandacht gevestigd is, wordt nu een maatstaf van de kloof zijner armoede, welke hem met wiskunstige juistheid in al hare diepte en omvang te-gemoet grijnst.
Aangezien de armoede slechts daar eene ramp is, waar zij feitelijk beseft wordt, verergeren de millionairs door hun onverstandig geslemp in het openbaar het leed van den arme. Het kan niet anders of het leven van gemak en weelde, aldus vóór de oogen van den proletariër tentoongesteld, moet zijn ongenoegen en wangunst opwekken, en dit zedelijk vergif doet hem oneindig meer kwaad dan de stoffelijke ontbering.
Men mag intusschen deze laatste ook niet te gering tellen. De groote massa der onvermogenden rekt haar bestaan op eene wijze, die van geen vrij viervoetig dier in de wildernis verlangd wordt; en dit geschiedt in onze beschaafde landen ! De woning van den proletariër in hoofdsteden is veel ongezonder en onreiner dan een vossen- of dassenhol. Tegen de koude is hij ook minder beveiligd dan deze dieren. Zijne voeding is juist toereikend om hem voor hongerdood te bewaren, hoewel ook de hongerdood in groote steden juist geene zeldzaamheid meer is. De staathuishoudkundigen hebben, om het beangst geweten van de rijken gerust te stellen, eene prachtige phrase uitgevonden : zij spreken namelijk met ophef van de „ijzeren arbeidswetquot;. Volgens die wet moet het dagloon minstens zooveel bedragen als op de plaats van de inwoning des arbeiders noodig is om in zijn onderhoud te voorzien. Dit zou be-teekenen, dat de arbeider verzekerd kan zijn, zoo al geen overvloed, toch zijn dagelijksch brood te kunnen verdienen. Zeer goed, — indien het zoo ware. Dan kon de rijke zich \'s avonds in prettige stemming op zijne mollige kussens ter ruste leggen, want niemand zou dan het recht heb-
190
beo, hem door klachten en verwenschiugen uit den slaap te houden, \'t Is maar jammer, dat die ijzeren wet ook alweer niets anders is dan een jezuïetiseh sollen met woorden. Vooreerst is het niet van toepassing op degenen, die werk kunnen vinden. In de dagen, dat hij werk heeft, kan de proletariër in westelijk Europa niet zooveel verdienen om voor den mogelijken tijd van werkeloosheid iets over te sparen; hij moet dus een gedeelte van het jaar door bedelarij of door vrijwillige aalmoezen uit de hand der rijken aan den kost worden gehouden. Maar onze heerlijke wet voldoet ook evenmin voor hen, die inderdaad arbeid vinden. Wat is het minimum van \'tgeen iemand behoeft om in zijn onderhoud te voorzien ? Zooveel — het spreekt vanzelf — dat het individu zijn lichaam in stand houden, zich volkomen ontwikkelen, en de natuurlijke grens van zijn leven bereiken kan. Moet het zich bovenmatig inspannen, of derft het de voor zijn lichaam benoodigde hoeveelheid voedsel, warmte en slaap, dan geraakt het in verval. Overwerken staat voor het lichaam gelijk met onvoldoende voeding, en deze wil hetzelfde zeggen als langzaam verhongeren. Ware de wet op den arbeid feitelijk hetgeen zij voorgeeft te zijn, dan zou de daglooner althans zijn lichaam behoorlijk kunnen voeden, maar dat kan hij nergeTls in Europa. De optimistische staathuishoudkundige wijst zegevierend op »de wet op den arbeidquot;, wanneer hij ziet dat de daglooner, na volbrachte taak, niet in elkaar zakt, maar de kroeg inloopt, waar hij een borrel drinkt, eene pijp tabak opsteekt en zich zelf diets maakt, dat hij met aardappels zijne maag niet alleen vult, maar verzadigt. De statistiek tapt echter uit een ander vaatje. Zij zegt ons, dat het leven des arbeiders meest een vierde, ja dikwijls een derde korter duurt dan dat van de vermogende individuen derzelfde natie, die in \'tzelfde klimaat en op den-
191
zelfden bodem ziju opgegroeid. Wie ontsteelt bem die jaren? Wie anders dan de honger, de nooddruft en ontbering, welke zijne gezondheid ondermijiieii en zijn lichaam verzwakken? De statistiek brandmerkt de ^ijzeren wet op bet arbeidsloonquot; als eene schandelijke leugen.
Om de schildering der huishoudelijke toestanden in onze samenleving te voltooien, dien ik, naast den trotscben mil-lionair en den armen proletariër nog eene derde klasse te behandelen, eene klasse, welke maar weinig minder stiefmoederlijk bedeeld werd dan de vorige. Ik bedoel de beschaafden zonder fortuin, die gedwongen zijn, door «nettenquot; sceestes-arbeid in hun onderhoud te voorzien. Van de zoo-genoemde »liberale betrekkingenquot; is \'t overal zóó vol, dat ■de liefhebbers elkander verdringen, en de strijd om het bestaan vertoont zich juist hier in de afschuwelijkste vormen. Deze ongelakkigen, die naar een openbaren post dingen, of v/ie het als kunstenaar, dichter, onderwijzer, arts, ingenieur enz. om succès te doen is, zijn juist door hunne hoogere beschaving fijngevoeliger en gaan dus onder het treurige van hun toestand zooveel te dieper gebukt. Hun vertrouwelijke omgang \'\'met welvarende lieden plaatst het beeld van den rijkdom, scherp contrasteerend met hunne armoede, onder hun oog en zij voelen zich hoe langer hoe minder. De maatschappij met hare vooroordeeien dwingt hen tot eene levenswijze, die met de regelen der gezondheidsleer kwalijk overeenstemt en veel kostbaarder is dan die van den arme. In hun stand is welvaart alleen te bereiken tegen vernedering, zelfverloochening en onderdrukking van elk gevoel van eigenwaarde, die voor een edel, begaafd karakter pijnlijker zijn dan stoffelijke ontbering. Juist omdat deze personen heftiger lijden, verdr.gen zij den druk der maatschappij met grooter ongeduld. De rijke zegt van den man, die den strijd zonder succès gestreden
192
heeft, dat hij mislukt is, en veracht hem voox* het oog; maar juist die mislukten of »gedéclasseerdenquot; zyn de heldhaftige voorvechters in het leger, dat de halsstarrig zich verwerende vesting, het gebouw der maatschappelijke toestanden, aanvalt en het vroeger of later met den grond zal gelijk maken.
II.
Wij hebben hierboven den werkeloozen, doch in overdaad zwelgenden rijke, den tot lichamelijk verval gedoemden proletariër, den onder klimmende concarrentie gebogen arbeider op verstandelijk gebied ontmoet. Laten we nu eens die rijke minderheid van naderbij opnemen.
Waaruit put deze haren rijkdom? Zij heeft of haar vermogen geërfd en bepaalt er zich toe, het te behouden, of zij heeft hare eigendommen vermeerderd, 5f zelf den grond er-van gelegd. Over de geërfde goederen spreken wij later. Alleen dit; de mensch is het eenige levende wezen, dat de natuurlijke zorg voor zijne nakomelingen dermate overdrijft, dat hij niet enkel zijn kinderen, tot op volwassen leeftijd, de moeite besparen wil, in hun onderhoud te voorzien, maar ook de volgende generaties zooveel mogelijk van die zorg wil pogen te ontheffen, üe aangroei van geërfd fortuin geschiedt veeltijds zonder eenig toedoen van den bezitter, eu is zeker geen gevolg van diens vlijt en inspanning. Groote fortuinen bestaan voor het meerendeel in vaste goederen, buitenplaatsen, bouwland of huizen .in de stad. De waarde van bouwgrond en van huizen stijgt overal van jaar tot jaar, en het inkomen, dat deze bronnen van welvaart den eigenaars opleveren, neemt in dezelfde mate toe als de beschaving zich uitbreidt. De producten van den handenarbeid worden goedkooper, de levensmiddelen duurder en
193
de wouingeu in de steeds aanwassende stedeu bij voortduring bekrompener en kostbaarder. Er zijn staathuishoudkundigen, die het duur worden der levensmiddelen ontkennen. Maar zij voeren geene argumenten voor hunne stellingen aan. In de practjjk zijn er geene bewijzen voor. \'t Is waar, in de jaren toen het onderling verkeer moeielijker was, kwamen er meer gevallen van hongersnood voor dan nu; één enkele mislukte oogst was voldoende om het graan op sommige plaatsen tot een prijs op te voeren, dien men tegenwoordig niet kent. \'t Is ook waar, dat de plotselinge daling en stijging der prijzen van vroeger heeft opgehouden, maar daarentegen de prijzen van graan en vleesch langzaam doch gelijkmatig hooger worden, en deze climax wordt door het onvoorzichtig uitmergelen van groote maagdelijke velden in Amerika en Australië wel belemmerd, misschien een weinig vertraagd, maar niet gekeerd. De tijd is wellicht niet ver meer, dat die nieuwe vastlanden geheel uitgeput zullen zijn en de ploeg geen onbeheerd land meer vinden zal om er cijns van te heffen. Dan zal een bovenmatig klimmen van den prijs aller levensmiddelen het gevolg zijn, terwijl bij de immer toenemende veredeling der machines en liet gedurig op grooter schaal gebruik maken van de krachten der natuur, buiten de menschenhand om, eene daling der prijzen van alle industrieele voortbrengselen niet verhinderd kan worden. Deze dubbele stroom in \'t huishoudelijk leven, de stijging van de prijzen der levensmid-deleu tegen daling van die der nijverheids-producten, maakt den arbeider voortdurend armer, den grondbezitter gestadig rijker. De eerste moet altijd harder werken en meer voorwerpen produceeren, om aan de noodzakelijkste levensbehoeften te kunnen voldoen; de ander kan de vruchten van zijne akkers tegen een grooter getal industrieele voortbrengselen inruilen. Voor den proletariër wordt het aanhoudend
13
194
bezwaarlijker nan den kost te komen, terwijl het den rijke hoe langer hoe lichter gemaakt wordt, de vruchten van de inspanning des proletariërs te verteren. Het getal dezer laatsten, die van hem afhangen, groeit in heillooze mate aan. Niet aan zijne vlijt of zorg is \'t dus te danken, dat de eigenaar van vaste goederen met den dag rijker wordt, maar aan de ondoelmatige inrichting onzer maatschappij, welke den grond, dit natuurlijk middel tot onderhoud van den mensch, in de handen van enkele weinigen stelt, met het noodlottig gevolg, dat de van hun grond beroofde proletariërs hunne toevlucht binnen de muren eener stad moeten nemen, waar zij zich hoe langer hoe meer ophoopen.
Door handel, speculatie en industrieele ondernemingen worden nieuwe fortuinen geschapen. De enkele gevallen, dat een persoon, gesteund door het gunstig toeval, grooten rijkdom verwierf, doordien hij b. v. goudmijnen, diamantgroeven of petroleumbronnen ontdekte, die hij, dank zij de aldaar heer-schende opvatting van het eigendomsrecht, voor eigen rekening en risico ontginnen mocht, — deze enkele gevallen gaan wij met een vluchtigen blik voorbij, omdat zij bepaalde, zeer zelden voorkomende uitzonderingen zijn. Toch hebben die uitzonderingen theoretisch eenige waarde, omdat zij als tegenbewijs kunnen dienen bij eene stelling, door sommigen opgeworpen, dat kapitaal per se opgespaarden arbeid vertegenwoordigt. Welken arbeid vertegenwoordigt dan wel een diamant van de grootte de Koh-i-Noors, dien een avonturier in Zuid-Afrika vindt en voor schatten verkoopt ? Een professor in de staathuishoudkunde is niet om een antwoord verlegen: de edele steen is zeer zeker het loon voor den arbeid, en wel voor den arbeid des vinders, die bukken moest en den diamant oprapen. De gepatenteerde wetenschap neemt deze opheldering met een welgevallig hoofdknikje aan en juicht over de behouden theorie.
195
Maar het gezond verstand schopt deze pseudo-wetenschap van zich af, deze wijsheid van botteriken, die voor andere botteriken uitgevonden werd om de onbillijkheden van \'t oeconomisch leven met een zacht vloeitje te omwikkeleu en er een fleurig uiterlijk aan te geven, dat veel bedekt en veel verontschuldigt.
üe gewettigde koophandel, die voor \'t verkeer tusschen producenten en verbruikers zorgt eu voor zijne bemoeiingen eene zekere belasting eischt in den vorm eener meerdere of mindere prijsverhooging bij den verkoop, maakt in onze dagen niet dan bij uitzondering iemand rijk. Er zijn te veel personen, die niet meer verlangen te verdienen dan genoeg is om rond te komen, mogelijk iets meer. De mededinging naar de opdracht van den verbruiker is ook te fel om den verkooper eene flinke winst te kunnen verschaffen. De algemeene strekking van den koophandel, in \'t groot en klein, is zoo mogelijk alle tusschenpersonen te verbannen, den consument in onmiddellijke aanraking met den leverancier of vervaardiger te brengen en de geldelijke vergoeding voor den bemiddelaar, waar deze onvermijdelijk is, tot een minimum te laten inkrimpen, op eene wijze, die den makelaar juist genoeg doet verdienen om zijne onkosten te dekken en iu zijn eigen onderhoud te voorzien. Grooter, ja buitensporig kan de overwinst worden, wanneer het den koopman gelukt, den vrijen naijver te onderdrukken of te belemmeren. Wie met veel moeite en niet zonder gevaar goederen uit de binnenlanden van Afrika of van de wilde volksstammen in Azië laat komen, zal die met kolossale winsten van de hand kunnen doen, vermits bet getal gering is derzulken, die hunne gezondheid of hun leven veil hebben voor de mogelijkheid om schatten te verzamelen, — en een geruimen tijd lang zal men hem het rijk alleen laten. Doch het ligt weer iu
196
den aard der zaak, dat de concurrentie ook hier hem vaa lieverlede zal volgen, want naarmate zijne handelsbetrekkingen meer bekend worden, nemen de gevaren er-aan verbonden af\'; vooral, zoodra het toegaukelijk worden van gewesten, die men vroeger niet bereizen kon, deze onder de algemeene wet der mededinging plaatsen. In een tijdsverloop van twintig, zeg dertig jaren, zullen deze bronnen hoogstwaarschijnlijk geene goudbronnen meer kunnen heeten. Men zal er dan even weinig bezwaar in zien, naar de Afrikaansche binnenlanden. Midden-Azië en China te trekken, als om eene reis naar een der Europeesche Staten of naar Amerika te ondernemen ; de handelaars zullen er de inkoopsprijzen zoo hoog en de verkoopsprijzen zoo laag zetten als het hun zonder verlies maar even doenlijk is, en het zal er toe komen, dat de handel in olifantstanden aan den Congo, of in katoen in China niet voordeeliger blijkt dan de weinig avontuurlijke uitverkoop van snuif te Leitmeritz.
Bovenmatige winsten ontstaan er verder, als het een enkelen koopman of aan een consortium van kooplieden gelukt, een artikel van dagelijksch gebruik te monopoliseeren. Dan heeft de consument geene keuze : hij moet van deze waar afstand doen of ze uit hunne handen ontvangen, d. i. hij moet daarvoor den prijs betalen, welken het den verbonden roovers en dieven goeddunkt te bepalen.
Deze manoeuvre ligt echter reeds buiten de grenzen van \'t wettig handelsverkeer ; \'t is eene daad van overmacht, die door sommige wetgevingen, b.v. door de Fransche, als misdaad beschouwd en bestraft wordt. Zij vormt den geleidelijken overgang tot de tweede groote bron van rijkdom, die wij behandelen zullen : de speculatie.
De zucht tot speculearen is een der treurigste ziekteverschijnselen van het huishoudelijk organisme. De wijze hee-
ren, die oordeelen dat alles voortretfelyk is, hebben huu best gedaan om de speculatie te verdedigen ; zij hebben zelfs getracht, de billijkheid en noodzakeliikheid er-van te betoogen, en zich werkelijk er-over opgewonden. Ik zal dien onvoorzichtigen lofredenaren dadelijk aantoonen, voor welk fraai beginsel zij opgetreden zijn.
De speculant speelt in de huishouding van den staat de rol van het onkruid op den akker; hij brengt niets voort; hij doet niet eens, gelijk de koopman, dienst als tusschenper-soon, maar hij bepaalt er zich toe, den arbeiders een gedeelte van hunne inkomsten door list of geweld af te kapen. De speculant is een struikroover, die den produceeren-den huu eigendom tegen zeer onbeduidende vergoeding ontsteelt, en het wapen, dat hij hun op de borst zet. wauneer hij deu leverancier en den verbruiker dwingt zich aan hem over te geven, heet: ygt;hausse en baisse\'1, rijzing en daling van den koers. De wijze, waarop hij zich van zijn moordtuig bedient, is deze : bedoelt zijn rooftocht de plundering van den producent, dan verkoopt hij op zekeren dag goederen, welke hij niet bezit, beneden de markt, met de belofte ze na verloop van één of twee weken, van eene maand of drie maanden aan den kooper te leveren. Laatstgenoemde voorziet natuurlijk liever in zijne behoeften door den speculant dan door den producent, dewijl gene den prijs lager stelt. Daar staat de producent nu met zijne goederen ; twee wegen liggen vóór hem : of hij is rijk genoeg om kalm de vraag naar zijne waar te kunnen afwachten, en in dit geval zou het den speculant kunnen tegenvallen, vermits hij dan moeielijk voor een gewenschten, nóg lageren pri.js, het reeds verkochte machtig zal kunnen worden, — en de dief wordt een bestolene; of ook de producent is gedwongen zijne artikelen tot eiken prijs te verkcopen, en dit is meestal de loop der dingen, — dan moet hij deu
198
prijs al lager en lager doeu va\'.leu, tot hij eiadelijk koopers vindt. Hij moet voor minder ?erkoopen dan de speculant betaalt, en zijn kooper is niemand anders dan dezelfde speculant, want de verbruiker heeft reeds door middel van dezen in zijne bshoafte voorzien, \'t Is mogelijk dat de producent hierbij alles verliest en ongelukkig wordt; de speculant daarentegen heeft zijn. pond vleesch den ander uit het lijf gesneden. Is de aanval op den verbruiker gericht, dan koopt de speculant zooveel goed als hij maar krijgen kan, tegen den prijs door den producent bedongen. Dit is gemakkelijk, want het kost hem geen cent ; hij betaalt niets ; zijne betaling geschiedt eerst over eenige weken of maanden ; en zoo is de speculant, zonder iets te bezitten of althans zonder iets uit te geven, eigenaar dei-goederen geworden, die de verbruiker bij niemand anders koopen kan dan bij den speculant, die nu den prijs naar goeddunken vaststelt. Laatstgenoemde neemt met de eene hand de betaling van den consument in ontvangst, laat er zooveel mogelijk van in zijne kas glijden en geeft met de andere hand den producent het hem toekomend, zeer bescheiden deel. Zonder arbeid of inspanning, zonder nut voor het algemeen welzijn, komt de speculant tot rijkdom en aanzien. Bet kapitaal steunt hem, door opening van een onbepaald crediet. Wanneer een arme drommel van een arbeider zelfstandig tracht te worden, dan heeft hij de grootste moeite om een klein sommetje ter leen te krijgen, \'t welk hij noodig heeft om gereedschap en ruw materiaal te koopen, en dat hij na den verkoop van zijn werk terugbetalen wil. Treedt daarentegen een ander met een stalen voorhoofd op, die besloten heeft van anderen te leven, door misbruik van hun onvermogen voordeelige inkoopen en verkoopen te doen, dan staan oogenblikkelijk leverancier en verbruiker tot zijn dienst gereed. Immers, men heeft hier
199
niets ts dachten ; het toegestaan crediet bestaat enkel in theorie ; de producent geeft de goederen niet uit de handen ; alleen de belofte geeft hi], ze op een bepaalden dag tegen een bepaalden prjis te leveren, onder voorwaarde, dat die prijs dan ook contant zal worden afgedaan. De verbruiker geeft evenmin het geld feitelijk uit, maar ook hij belooft op den dag, dat hij de waar ontvangen zal, te betalen. Dit zoogenaamd denkbeeldig crediet is intusschen voldoende om den speculant van niets tot een schandelijk rijk man te maken.
Iedere arbeider, geen uitgezonderd, is den speculant belasting schuldig. Al onze behoeften worden vooruit berekend, alle voorwerpen van dagelijksch gebruik worden door speculatie op crediet ingekocht, ten einde ons, tegan contante betaling, weêr zoo duur mogelijk, te worden verkocht. Wij kunnen geen hapje brood eten, ons hoofd ouder geen beschermend dak ter ruste leggen, geen spaarduitje in een papier van waarde beleggen, zonder aan den speculant in granen, landerijen, huizen of effecten onzen tol te betalen. De belasting, welke de staat ons oplegt, is drukkend, maar valt toch lang niet zoo zwaar als die, welke de speculatie ons afdwingt. Men heeft den twijfelachtigen moed gehad om »de Beursquot; te verdedigen. Stikt de pleitbezorger niet aan zijne gruwelijke uitspraak ? Hoe, de Beurs nuttig en noodig ? Heeft zij zich ooit binnen de grenzen van hare denkbeeldige bevoegdheid beperkt ? Is zij ooit maar de markt geweest, waar de bona fide kooper den bona fide verkoo-per ontmoet, waar eerlijk bod en eerlijke vraag tegen elkaar overstaan ? De vergelijking van de Beurs met eene gifplant is zwak en gebrekkig: zij geldt maar eéne nadeelige zijde van \'t beursbedrijf; en wel zijn noodlottigen invloed op de zedelijke begrippen des volks. De Beurs is een rooverhol, waar de moderne erfgenamen der middeleeuwschegelukzoekers de voorbijgangers heenlokken om hun de keel af te
200
snijclen. Evenals die ridders vormen de speculanten eeue soort van aristocratie, die zich kostelijk door de groote menigte iaat onderhouden ; evenals genen beweren zy aanspraak te kunnen maken op de tienden van den boer en van den handwerker ; gelukkiger dan die ridders, loopen zij echter geen gevaar, doodgestoken of opgehangen te worden, zoodra een krachtiger persoon hen bij de uitoefening van hun zakkenrollers-vak betrapt. Men troost zich wel eens met de opmerking, dat de speculant soms in oogenblikken van crisigt; alles verliest wat hij in jaren verzameld had. Eeneschoone gedachte, waarmeê de priester-moraal zich gerust wil stellen, die gaarne, als eindpunt, de straf op de misdaad laat volgen! Al dwingt eene geld-crisis den speculant terug te geven wat hij gestolen heeft, zoo kan dit toch het ieit, dat hij jaren lang ten koste van de arbeidende klasse een lui en weelderig leven geleid heeft, niet ongeschied maken. \'t Is mogelijk dat de speculant in zulk een geval zijn fortuin verliest, maar de champagne welke hij heeft laten stroomen, de oesters welke hij opgesmuld, de hoopen gouds welke hij aan de speeltafel verkwist, de uren welke hij bij zijne minnares doorgebracht heeft, kan geone macht ter wereld hem ontnemen. Bovendien is zulk eene crisis alleen voor enkele speculanten, niet voor de speculatie in \'t algemeen van beteekenis. Integendeel, zij is het groote oogstfeest, de orgie waarbij een geheel volk of werelddeel zjjne arbeiders en leveranciers in het groot ziet uitplunderen. Bij zulke gelegenheden spalkt het kapitaal zijn muil wagewijd open en verslindt alles en alles; niet enkel het vermogen van den op eerlijke wijze voordeel zoekenden particulier, maar ook de verdiensten van het kleinere roofgebroed der Beurs, dat er anders om heen mag dartelen als de muizen om den leeuw. Aanzienlijke daling van den koers wordt door het groote kapitaal teweeggebracht, en daarvan gebruik
201
gemaakt. Het koopt alles op wat waarde heeft, nu of in de toekomst, om zoodra bet onweêr van de lucht is, met schandelijke winst de papieren aan hunne vroegere bezitters terug te verkoopen, die, in hun angst voor dreigende wolken, bun eigendom voor een appel en een ei hadden opgeruimd. By eene vernieuvrde crisis koopt het kapitaal andermaal, en herhaalt dit wreede en laffe spel, zoodra ettelijke jaren van rust en bloei in den handel de periodiek geledigde brandkas van den producent weêr gevuld hebben. Finaucieele crisis zijn eenvoudig de zwengelbewegingeu, waarmee het kapitaal het restje geld van de gezamenlijke arbeiders en leveranciers in zijne ton overpompt.
De verdediger van het speculeeren zegt: »De speculant vervult eene rol in het huishoudelijk drama, die even goed recht van bestaan heeft als iedere andere. Zijne winst is de belooning voor zijn scherper\' blik, meerder doorzicht, vlugger\' beoordeeling van den toestand en moediger wagen. Dat argument bevalt mij; houden wij het eene poos vast. Doordien de speculant dus over middelen beschikt, die voor het publiek onbereikbaar zijn, doordien hij minder angst voor verliezen heeft dan de eerlijke kruidenier en slimmer zijne kansen berekenen kan, heeft hij het recht om den armen werkman zijn zuur verworven penninkske af te nemen en het, dood op zijn gemak, bij den voorhanden stapel te leggen. Dit recht is alzoo daarop gegrond, dat hij beter wapens heeft: zijne relatiën en zijn moed —om het geld van anderen op het spel te zetten, en meerdere kracht, door zijn geoefend oordeel en sluw verstand. Nu wil ik eens aannemen, dat de proletariërs nog betere wapens hebben: revolvers en dynamietpatronen,— nog grooter moed: om hun leven te wagen, — en meer kracht ook : van zenuwen en spieren. In dit geval moet de verdediger van bovengenoemd beginsel toestemmen, dat de proletariër het-
202
zelfde recht heeft, deu speculant zijne winst te ontnemen, of anders wordt de stelling, waarmede men het raison d\'etre der speculatie tracht te bewijzen, eene leugen.
De derde oorzaak van grooten rijkdom is de industrie. Hier mergelt een eigenaar of vruchtgebruiker van het kapitaal de daglooners uit, die hem hunne werkkracht verhuren. Het verschil tusschen de wezenlijke waarde van deze kracht, die in de prijzen hunner voortbrengselen gelegen is, en het loon dat zij daarvoor ontvangen, maakt in den regel de winst van den ondernemer uit, en die winst is veelal bovenmatig, eene ware woekerwinst. .Men is zoo vriendelijk geweest, haar de billijke belooning voor den geestes-arbeid des ondernemers te noemen. Ik zou hierop kunnen antwoorden, dat de geestes-arbeid, welken de technische leiding eener groote fabriek vereischt, in geene vergelijking komt met de inspanning, die op het gebied van wetenschappelijk onderzoek of door letterkundigen arbeid wordt verbruikt; men kan hem hoogstens op ééne lijn stellen met dien van een voornameren ambtenaar of rentmeester en deze lieden ontvangen in de verste verte niet zulke aanzienlijke bezoldigingen als het jaarlijksch inkomen van een groot fabrikant bedraagt. Als eenvoudige grondbelegging kan men eene industrieele onderneming ook niet beschouwen ; want geen fabrikant berekent den prijs zijner goederen zóó, dat hij, na aftrek van de noo-dige onkosten, waarbij ik de belooning van zijne werkzaamheden wil tellen, de vier of zes procent renten overhoudt, die het kapitaal, vrij van risico, ook den doeniet oplevert; hij bepaalt dezen prijs integendeel naar de meerdere of mindere mededinging der andere fabrikanten,] of ook wel naar het grooter of geringer aanbod van arbeidskrachten. De fabrikant legt het er op aan, den arbeider zoo weinig mogelijk te betalen, den kooper zooveel mogelijk
208
af te neinea. Wanneer de toevloed van werklieden hem veroorlooft, deze voor een spotprijs te huren, ot de schaar-scbe concurrentie als andarszins het hem mogelijk maakt, zijn fabricaat zeer duur te verkoopen, dau aarzelt hij geen oogenblik eene winst in zijn zak te steken, die niet vier ot\' zes, maar soms honderd en meer procent beloopt. De verdedigers van die manier om het volk uit te plunderen zeggen, dat een geregeld uitkeeren van een aandeel in de winst aan de arbeiders den meester arm en zijne knechts niet rijk zou maken: hun dagloon zou maar een cent of wat meer bedragen dan nu. Welk een zuiver en hoogst zedelijk argument! Het doet er niets toe, of den daglooner veel of weinig wordt ontstolen, \'t is hier de kwestie, dat hij feitelijk door den fabrikant gebrandschat wordt. Best mogelijk, dat de werkman slechts eene kleinigheid meer per dag zou verdienen, ook pi mocht hij de geheele opbrengst van zijn arbeid behouden, maar met welk recht dwingt men hem dan nog, zulk een gering deel van zijne verdienste aan den fabrikant af te staan, die toch reeds zijne renten en bovendien de bezoldiging van den twijfel-achtigen arbeid zijnes geestes ontvangt ?
Verbeeldt u eens, dat er eene wet werd uitgevaardigd, waarbij iedere inwoner des lands jaarlijks één cent aan Smit of Jansen betalen moest, niet als bewijs van erkentelijkheid voor aan de natie bewezen diensten, niet als belooning voor \'t een of ander, maar eenvoudig ten geschenke. De aldus begunstigde, zou een aardig inkomen genieten, en de enkele belastingschuldige zou er niet onder lijden. Eén cent, dat is zoo weinig dat men er geen woord over vermorsen wil. Toch zou eene dergelijke willekeurige wet een algemeenen kreet van verontwaardiging doen opgaan, en iedere burger zou er tegen opkomen. Maar de staat-huishoudelijke wet, die aan het armste gedeelte der natie.
204
de arbeidende klasse, eene schattirig oplegt van 20 a 30, ja soms van honderden guldens, ten bate van dienzelfden Smit of Jansen, wordt door menschen, die er persoonlijk ook geen nadeel by hebben, gansch natuurlijk gevonden. De onrechtvaardigheid is dezelfde. Maar tegenover den werkman gevoelt men het onbillijke der handeling niet of heel weinig, omdat men er sinds eeuwen aan gewoon geraakt is; welliclit ook omdat zij ons niet voorgehouden wordt in een paradox-vorm, dien eene waarheid moet aan-nemeu, zal zij in harde hoofden ingang vinden.
Wij hebben nu gezien, dal groote rijkdom in elke omstandigheid alleen door toeëigening van de arbeidsvrucht van anderen, nooit door eigen inspanning verkregen wordt.
Door eigen arbeid kan men gewoonlijk slechts zijn leven rekken, kan men, wanneer het goed gaat, iets voor deu ouden dag of voor ziekte oversparen, maar zelden zich tot bescheiden welstand verheffen. Er zijn ongetwijfeld artsen, advocaten, schrijvers, schilders of beeldhouwers, die hunne persoonlijke voortbrengselen zóó duur van de hand doen, dat zij een aanzienlijk inkomen hebben niet alleen, maar aan den avond huns levens zonder speculatie nog een fortuin van millioenen kunnen bezitten. Zoo bestaan er echter in de geheele beschaafde wereld waarschijnlijk nooit meer dan twee honderd, ja, dan honderd. En beschouwt men hun rijkdom op de keper, dan heeft ook die eigenlijk reeds een parasitair karakter, waarvan uitsluitend de auteurs-arbeid vrij blijft. Verdient de auteur een millioen, omdat hij bekwaam genoeg was een boek te schrijven, waarvan één of twee millioen exemplaren werden verkocht, dan vertegenwoordigt die som de belooning voor zijn werk, voor de inspanning van zijn geest, — die door het geheele mensch-dom zonder morren betaald wordt. Als daarentegen een
205
schilder een doek voor eenige bouderdduizendeii verkoopt, een chirurgijn voor een kunstbewerking f\'80,000 ontvangt, als aan een advocaat voor eene verdediging dezelfde som ter hand gesteld wordt of eene zangeres op één enkelen avond f20,000 verdient, data zija die sommen niet de uitdrukking voor loon naar werk, zooals het door de menigte billijk bevonden en daarom gereedelijk voldaan wordt, maar enkel het ouder cijfers gebracht bewijs voor het feit, dat er in de beschaafde wereld eene minderheid van millionairs bestaat, die, omdat zij hunne schatten niet zelf verdiend hebben, ook eiken maatstaf missen, waarnaar zij de geldswaarde van bewezen diensten kunnen berekenen. Zij geven gevolg aan eiken inval zonder op de kosten te letten, en ongewone producten, een schilderstuk bijv., of het lied van eene primadonna, of de hulp van een beroemden arts of rechtsgeleerde moeten zij koopen, hoe duur dan ook, opdat een ander hen daarin niet de loef afsteke. Maar van de weinigen, die in de beoefening der vrije kunsten bij uitzondering geluk hebben, afgezien, zal men geen enkele exceptie kunnen aanwijzen op den regel, dat groote rijkdom uit de berooving van den medemensch en niets anders geboren wordt.
Wanneer een stuk grond, door den bezitter geërfd, buitengewoon in waarde stijgt, dan komt dit doordien het getal dergenen, die van hun akker verdreven werden en bij anderen moeten werken, zoo verbazend is aangegroeid; doordien de nijverheid steeds meer in omvang toeneemt en de voorname steden al grooter en grooter worden ; doordien de arbeid, aan voorwerpen van weelde besteed, de prijzen der levensmiddelen in gelijke mate verhoogt als hij ze voor artikelen van industrie neerdrukt, in één woord, dewijl andere individuen werken, maar niet dewijl de grondeigenaar zelf zich inspant. Wanneer de speculant bergen
206
gouds opstapelt, dan. zijn deze de vrucht van het misbruik, \'t welk hij maakt van zijne macht — men noeme die dan connectiëu, beleid of hoe ook —, waarmede hij der nijvere klasse haar verdiend loon afperst, als de bandiet den reiziger zijne beurs, met het wapen op de borst. Wordt de in-dustrieele ondernemer een Croesus, dan heeft hij dit aan stelselmatig uitzuigen van de arbeiders ie danken, die als zijne huisdieren een kot eu voeding krijgen, zoo ellendig mogelijk, terwijl de vergoeding van hun arbeid zijne eigene kas stijft. In dezen zin zou de overdrevene en daarom onware uitspraak van Proudhon : la propriélé eest le vol, toch waarheid bevatten. Men kan met dit woord dan alleen instemmen, wanneer men zich plaatst op het sophistisch standpunt, dat al wat is, er bloot om zich-zell\' is en het recht om zich-zelf toe te behooren, uit ziju aanwezig-zijn put. Naar die beschouwing steelt men inderdaad den grashalm dien men plukt, de lucht die men inademt, den visch dien men vangt; maar dan steelt de zwaluw ook als zij eene vlieg ophapt, en de pier die aan een wortel knaagt; dan is de geheele natuur met aartsdieven bevolkt; dan rooft en kaapt alles wat leeft, dus ieder die stoffen, welke hem niet toebehooren, van buiten in zich opneemt en ze organisch verwerkt; en volgens die wijsheid zou een brok platina, dat niet eens een weinig zuurstof uit de lucht behoeft om te oxydeeren, het eenige voorbeeld van eerlijkheid op onzen aardbol zijn. Neen, eigendom, hetwelk door inspanning, door ruiling van eene zekere mate van arbeid tegen een overeenkomstig gehalte van goederen verworven is, kan geen diefstal genoemd worden. Maar kapitaal, in éene hand opgehoopt, kapitaal dat zich ook met de taaiste inspanning op eerlijke wijze niet laat verdienen, dat is wel degelijk roof aan arbeid gepleegd.
De kleine rooverbende, waarvoor de gansche maatschappij
zich roert, wordt allerkrachtigst gesteuud door de wetgeving, die zij sedert eeuwen aan haar belang dienstbaar heeft gemaakt. Bij ieder decreet in onze beschaafde landen zou men geneigd zijn, met Molière uit te roepen: »Vous êtes orfèvre, Monsieur Josse!quot; »Ge zijt een rijk man, mijuheer de wetgever, of hoopt het te worden, en ge verklaart alles voor misdaad, wat u zon kunnen verhinderen dien rijkdom te gebruiken en te misbruiken.quot; Alles waarvan een mensch zich meester kan maken zonder ruw geweld, is en blijft zijn eigendom. En ook dan zelfs, wanneer het geslachtsboek van een vermogen duidelijk roof en diefstal aanwijst (verovering, plundering van kerken, politieke in-beslag-neming) wordt de misdaad een onbetwistbare titel, heeft men deu buit zoo-eu-zooveel jaren laug maar behendig weten vast te houden. De rijkswet, die de politie in beweging brengt, is voor den millionair niet toereikend. Hij maakt ook het bijgeloof tot zijn bondgenoot en verlangt van den godsdienst een slot op zijne geldkist; hij smokkelt nl. in den catechismus een volzin binnen, die het eigendom voor heilig eu het verlangen naar hetgeen des naasten is, voor zonde verklaart, en wel voor eene zonde, die gestraft wordt met de eeuwigdurende pijnen der hel. Hij weet ook de zedeleer in zijn belang te verdraaien, door met een ernstig gelaat de menschen, die voor hem zwoegen, wijs te maken, dat arbeiden eene deugd is en dat men leeft om zooveel mogelijk arbeid te verrichten. Hoe komt het toch, dat brave en eerlijke lieden deze wartaal duizenden jaren laug hebben geloofd ? Arbeid zou eene deugd zijn V Op grond van welke natuurwet ? Niet één organisme in \'t heelal werkt om te werken ; \'t is altijd ter wille van het noodige, om het onderhoud des persoons en van de soort. Niemand arbeidt meer dan voor dit tweeledig doel ver-eischt wordt.
208
Men brengt hiertegen in, dat organen, die werkzaam zijn, gezond blijven en tot ontwikkeling gedijen, rustende daarentegen verroesten. De verdedigers der leer van \'t kapitaal, die deze laatste zoo knap uit de zielkunde wisten af te leiden, zwijgen er intusschen over, dat bovenmatige inspanning het lichaam nog sneller verwoest dan werkeloosheid. Liust, zorgeloos nietsdoen is voor den mensch, even goed als voor alle andere dieren, natuurlijker, genoegelijker en wensche-lijker dan arbeid. Dit. is nu eenmaal de treurige, noodzakelijkheid. de conditio sine qua non voor ons levensbehoud. De dichter der sproke van het Bijbelsch paradijs heeft het in zijne eenvoudigheid zeer juist begrepen, toen hij zijne eerste menschen in den staat van primitief geluk, zonder lasten en nooden, vreedzaam het lieve leven liet smaken, terwijl hij den arbeid in het zweet huns aanschijns als de hardste straf voor hunne zonde voorstelde. De natuurlijke zoölogische leert verklaart de rust voor het hoogste dat een mensch kan bejagen, en legt hem maar zóóveel werk op als noodig (en tegelijk loffelijk) is om in zijn onderhoud te voorzien. Doch bij eene toepassing dier wet zouden uit den aard dezulken niet winnen, die verlangen dat de groote menigte in hun belang meer tobben zal clan voor eigen nut dienstig is, en daarom hebben zij de natuurlijke leer onderdrukt en eene andere bedacht, welke uit den treuren door hunne wijsgeeren verdedigd, door hunne predikanten aangeprezen, door hunne dichters bezongen wordt, nl. dat «luiheid de wortel van alle kwaadquot; en de arbeid eene deugd, ja, de voornaamste aller deugden is.
Het valt niet te ontkennen, — deze apostelen spreken zichzelf heel onvoorzichtig tegen. In de eerste plaats vermijden 7.ij het zorgvuldig, als toon- en voorbeeld op te treden, wel een bewijs, hoe weinig ernstig zij de zaak opvatten. De luiheid is enkel eene zonde voor den arme. Voor hèn is
209
74] een attribuut van hoogere beschaving, bet criterion van hun voornamen rang. De arbeid, die hunne dubbelzinnige moraal eene deugd noemt, is tegelijkertijd naar hunne levensbeschouwing eene schande, het kenmerk van maatschappelijke ondergeschiktheid. De millionair klopt den werkman op den schouder, maar bedankt er-voor, met hem om te gaan. De samenleving heeft allengs ook de moraal der kapitalisten als zeer geschikten dekmantel voor veel en velerlei dingen tot de hare gemaakt; zij houdt lofredenen op vlijt en geduld, doch wijst den naarstigen werkman zijne plaats op de onderste rangen aan. Zij kust den handschoen van den rijke en spuwt op de eerlijke, vereelte hand des dag-looners. De hedendaagsche samenleving ziet in den millionair een halfgod, in den behoeftige een paria. Waarom ? Om twee redenen. Ten \'eerste omdat de middeleeuwsche voorstellingen nog nawerken, en voorts omdat handenarbeid in onze dagen van verfijnde beschaving met onbeschaafdheid gelijk wordt gesteld.
In de middeleeuwen was luiheid het voorrecht van den adel; d. w. z. van het edeler ras der veroveraars, en arbeid het gedwongen dienstbetoon des volks, of van het lager ras der overwonnenen en onderdrukten. Door te werken, bekende men de zoon te zijn van menschen, die op het slagveld het bewijs van weinig moed en degelijkheid hadden geleverd, en de vrije heer, die met zijh zwaard of door middel van een leengoed in zijn onderhoud voorzag, beschouwde hem, die zich met handenarbeid onledig hield, uit de hoogte, zooals de Blanke zich tegenover een Bosch-jesman of Papua gedraagt: met een gevoel van minachting, uit het bewustzijn van meerdere ontwikkeling geboren. Tegenwoordig zijn nietsdoen en werken geene onderscheidingsteekenen meer voor afkomst of stand. De milli-onairs zijn niet meer de nazaten van den veroveraar, de
14
208
Men brengt hiertegen in, dat organen, die werkzaam zijn, gezond blijven en tot ontwikkeling gedijen, rustende daarentegen verroesten. De verdedigers der leer van \'t kapitaal, die deze laatste zoo knap uit de zielkunde wisten af te leiden, zwijgen er intusschen over, dat bovenmatige inspanning het lichaam nog sneller verwoest dan werkeloosheid, liust, zorgeloos nietsdoen is voor den raensch, even goed als voor alle andere dieren, natuurlijker, genoegelijker en wensche-lijker dan arbeid. Dit, is nu eenmaal de treurige noodzakelijkheid, de conditio sine qua non voor ons levensbehoud. De dichter der sproke van het Bijbelsch paradijs heeft het in zijne eenvoudigheid zeer juist begrepen, toen hij zijne eerste menschen in den staat van primitief geluk, zonder lasten en nooden, vreedzaam het lieve leven liet smaken, terwijl hij den arbeid in het zweet huns aanschijns als de hardste straf voor hunne zonde voorstelde. De natuurlijke zoölogische leert verklaart de rust voor het hoogste dat een
O O
mensch kan bejagen, en legt hem maar zóóveel werk op als noodig (en tegelijk loffelijk) is om in zijn onderhoud te voorzien. Doch bij eene toepassing dier wet zouden uit den aard dezulken niet winnen, die verlangen dat de groote menigte in hun belang meer tobben zal dan voor eigen nut dienstig is, en daarom hebben zij de natuurlijke leer onderdrukt en eene andere bedacht, welke uit den treuren door hunne wijsgeereu verdedigd, door hunne predikanten aangeprezen, door hunne dichters bezongen wordt, nl. dat «luiheid db wortel van alle kwaadquot; en de arbeid eene deuo-d.
o quot;
ja, de voornaamste aller deugden is.
Het valt niet te ontkennen, — deze apostelen spreken zichzelf heel onvoorzichtig tegen. In de eerste plaats vermijden zij het zorgvuldig, als toon- en voorbeeld op te treden, wel een bewijs, hoe weinig ernstig zij de zaak opvatten. De luiheid is enkel eene zonde voor den arme. Voor hèn is
209
zij een attribuut van hoogere beschaying, bet criterion van hun voornamen rang. De arbeid, die hunne dubbelzinnige moraal eene deugd noemt, is tegelijkertiid naar hunne levensbeschouwing eene schande, het kenmerk van maatschappelijke ondergeschiktheid. De millionair klopt den werkman op den schouder, maar bedankt er-voor, met hem om te gaan. De samenleving heeft allengs ook de moraal der kapitalisten als zeer geschikten dekmantel voor veel en velerlei dingen tot de hare gemaakt; zij houdt lofredenen op vlijt en geduld, doch wijst den naarstigen werkman zijne plaats op de onderste rangen aan. Zij kust den handschoen van den rijke en spuwt op de eerlijke, vereelte hand des dag-looners. De hedendaagsche samenleving ziet in den millionair een halfgod, in den behoeftige een paria. Waarom ? Om twee redenen. Ten \'eerste omdat de middeleeuwsche voorstellingen nog nawerken, en voorts omdat handenarbeid in onze dagen van verfijnde beschaving met onbeschaafdheid gelijk wordt gesteld.
In de middeleeuwen was luiheid het voorrecht van den adel; d. w. z. vau het edeler ras der veroveraars, en arbeid het gedwongen dienstbetoon des volks, of van het lager ras der overwonnenen en onderdrukten. Door te werken, bekende men de zoon te zijn van menschen, die op het slagveld het bewijs van weinig moed en degelijkheid hadden geleverd, en de vrije heer, die met zijh zwaard of door middel van een leengoed in zijn onderhoud voorzag, beschouwde hem, die zich met handenarbeid onledio- hield,
O \'
uit de hoogte, zooals de Blanke zich tegenover een Boscli-jesman of Papua gedraagt; met een gevoel van minachting, uit het bewustzijn van meerdere ontwikkeling geboren. Tegenwoordig zijn nietsdoen en werken geene onderscheidingsteekenen meer voor afkomst of stand. De milli-onairs zijn niet meer de nazaten van den veroveraar, de
14
210
proletariërs niet langer zonen van het onderdrukte ralk. Maar ook hier heeit het vooroordeel de omstandigheden, waaraan het zijne wording te danken had, overleefd, en de rijke, die tea koste van den arme goede sier maakt, ziet in zijn ondergeschikte nog weinig meer dan een huisdier, in navolging van den ridder der middeleeuwen, die zijne krijgsknechten ook lang niet als zijn pairs aanmerkte.
Verder is handenarbeid in onze dagen gelijkluidend met, onbeschaafdheid. Voorzeker, de inrichting der maatschappij maakt het den onbemiddelde haast niet mogelijk zich te ontwikkelen. De zoon van den arme kan nauwelijks de volksschool bezoeken, om van gymnasium en hoogeschool niet te spreken, dewijl hij zijn kost verdienen moet, zoodra hij voor zijne werkkracht een huurder kan vinden. Bewonderen wij, op dit voorbeeld afgaande, eens het voortreffelijke en prac-tische der bestaande verhoudingen ! De dure rijksschulden worden door den staat, dat is te zeggen door de belasting-betalenden, dus door werklieden en proletariërs even goed als door miUionairs, bekostigd, maar het genot daarvan is alleen voor dezulken, die genoeg middelen hebben om niet gedwongen te zijn, van hun ISi\'-\' tot hun 23 jaar op zichzelf te staan. De proletariër, die zijn zoon geen voortgezet onderwijs kan laten geven omdat hij geen geld heeft, moet den zoon van den rijke uit zijne kas laten studeeren, dooide belasting te betalen, waarvan de middelbare en hoo gere scholen onderhouden worden. Engelschen en Amerikanen zijn, althans tot op zekere hoogte, consequent. Hunne inrichtingen voor hooger onderwijs zijn wel niet voor iedereen bereikbaar, maar zij worden ten minste geen lastpost voor iedereen, vermits het particuliere ondernemingen zijn, die uit het een of ander fonds worden bekostigd. Op het vasteland daarentegen blijft men aan het beginsel getrouw, het volk ten bate eener zeer kleine minderheid
211
uit te zuigeu, eu wordt het hooger onderriclit gevoed van het budget, d. i. vau de opgebrachte belastlngpenniugeu van allen, ol\'schoon de zegeningen ervan nauwelijks aan één percent van de burgerij ten goede komen. En w\'e zijn nu de bevoorrechten, voor wie het rijk. met de offerkas van het volk naast zich, er burgerscholen, gymnasien en faculteiten op nahoudt? Zijn het de meest bekwamen van het jongere geslacht ? Zorgt de regeering er-voor, dat de gehoorzalen der universiteit alleen geopend zijn voor hen, die van het duur betaald onderwijs der professoren met \\rucht kunnen profiteeren ? Weet de staat zich een behoorlijken waarborg te verschaffen, dat de plaatsen op de schoolbanken, voor flinke koppen bestemd, niet door ezels worden bezet? Neen, de staat, die het hooger onderwijs slechts voor enkelen bereikbaar maakt, laat zich in zijne keuze ook niet leiden door de begaafdheid der jongelieden zelf; hij houdt alleen rekening met hunne geldelijke middelen en let er niet op, of hunne verstandelijke vermogens hun wel het recht op verdere ontwikkeling geven. De logge kwant zonder een grein talent kan bluffen op zijn gymnasium of zijne vakschool en zonder het minste nut de lessen der docenten volgen, wanneer hij maar geld genoeg heeft om de »studiënquot; te betalen ; terwijl de knapste jongeling, dewijl het hem aan de noodige middelen faalt, van het hooger onderwijs verstoken blijft, tot nadeel der maatschappij, die er wellicht een Goethe, Kant of Gausz bij inschiet.
Zoo loopen de ongerieven van maatschappij en staat als in een circulus vitiosus rond, en daar bestaat creen uitweg: de arbeider wordt veracht, omdat hij onontwikkeld is, maar hij kan zijne gaven niet ontwikkelen, want beschaving kost geld, en dit heeft hij niet. üe rijken hebben niet alleen elk stoffelijk, maar ook ieder geestelijk genot boven den arme in beslag genomen. De verhevenste bescha-
212
viug, poëzie, kunst, euz., bestaat iu werkelijkheid louter voor de rijken, en ontwikkeling is een hunner voorrechten, \'t welk het krachtigst uitkomt, maar ook het drukkendst op minvermogenden werkt. Heeft een jongmensch uit de volksklasse zich door ontberingen of vernederingen, door bede» len of door bovenmenschelijke inspanning toch hooger onderwijs weten te verschaffen, en heeft hij het inderdaad zoo ver weten te brengen, dat hij een universiteits-diploma meester werd, dan keert hij niet tot den arbeid zijner vaderen terug; dan koestert hij den wensch niet om het vooroordeel, dat den ambachtsman de onderste sporten op de ladder aanwijst, den kop in te nijpen. Hij kon dit doen, door het voorbeeld te geven van een werkman, die op dezelfde hoogte van geestesontwikkeling staat als de penne-likkende beambte of als de wurmende kamergeleerde. Maar hij beijvert zich juist om dit vooroordeel te stijven, doordat ook hij met minachting op handenarbeid gaat neerzien, naar eene plaats gaat dingen te midden der begunstigden en zich, even goed als de hoogere standen, door de nijvere volksklasse wil laten bezoldigen. Er zijn vakken van handenarbeid, waarmede men, bij eenige bekwaamheid, zonder moeite f 2000 jaarlijks verdienen kan, terwijl de meeste rijksbetrekkingen, bij grootere persoonlijke ondergeschiktheid, niet meer dan f 1600 opleveren. De man, die gestudeerd heeft, verkiest evenwel bepaald de f 1600 der bureausla vernij boven de /^OOO der vrijheid, want als rijksambtenaar behoort hij tot de bevoorrechte klasse in de besloten bent der beschaafde druilooren tehuis, terwijl hij als werkman daarentegen in een stand blijft, die in de samenleving der »beschaafdenquot; niet medegerekend wordt. Men beschouwt hem daar als een barbaar, die de verstandelijke atmosfeer met den fijn opgevoeden man niet kan deelen. Ten dage dat een persoon, die zijne studiën volbracht had, aan de
213
schaafbank zou willen treden ; dat men een arbeider, met het schootsvel YÓor en een Horatius iu c\'e hand zou ontmoeten ; dat een smid ot\' schoenmaker geworden abituirënt i) na gedanen arbeid, in het letterkundig kransje even flink het woord zou kunnen voeren als de anderen, zou die toestand zich onmiddellijk wijzigen. Want de eerlijke arbeid verleent, op zich-zelf beschouwd, dezelfde waardigheid, om het even of hij het verstellen van linnengoed of het aanleggen van spoorwegen ten doel heeft; en bij gelijkstaande ontwikkeling des geestes heeft de ingenieur niet meer rechtop ontspanning na den arbeid dan de arme kleermaker. Maar de man van studie deinst voor zulke dingen terug ; hij laat den kiel ongehinderd de uniform van het kafferdom blijven, en liever dan met den kiel om volop te eten, lijdt hij half gebrek iu de vale kantoorjas of den vetten kamerrok. Hieruit ontstaat nu een der bedenkeljikste vormen der sociale kwestie, te weten de overvloed van sollicitanten voor de zoogenaamde » vrije betrekkingenquot;. De man van studie acht zich te goed — en bij de tegenwoordige beschouwing der maatschappij moet hij er zich te goed voor achten — om tot de diepste laag der maatschappij, tot den werkenden stand, af te dalen, en daarom eischt hij van de maatschappij, dat zij hem als een heer doe leven. Nu heeft intusschen de arbeid, waarmede hij zich be-Kighoudt, zijne grenzen: vandaar dat in onze beschaafde landen de gestudeerden zeker voor de helft veroordeeld zijn, hun leven lang te hopen, te verlangen en niets te verkrijgen, om een fatsoenlijk stuk brood te vechten en daarbij honger te lijden, voor de tafels der smullende hoogere standen te staan en hun gordel stijf aan te halen, Menschen-vrienden, die pest en oorlog voor een zegen houden, wijl hierdoor ruimte in de wereld komt en de levensvoorwaar-
i) Iemand, die aan eene hoogere inrichting zijn eind-diploma verworven heeft. Verf.
214
den voor hen die gespaard blijven dus gunstiger wordeuT hebben dan ook de beschaving kwaad genoemd en in het klimmend getal scholen voor middelbaar en hooger onderwijs een aanslag op het heil des volks gezien, omdat die aangroei steeds meer misnoegden, mislukten, barricadeurs en pétroleurs in \'t leven roept. Bij den tegenwoordigen s iind van zaken hebben zij geen ongeiijk. Zoolang de ontwikkelde naar den geest zich door het uitoefenen van een handwerk meent te vernederen, omdat de arbeider veracht wordt; zoolang de student in zijn diploma eene zinspeling opzijn onderhoud ten koste van het algemeen ziet; zoolang hij gelooft dat zijne beschaving hem het recht geeft op een even lui en gemakkelijk leven als de rijken leiden — zoolang zal juist zijne meerdere ontwikkeling eene bron van ontevredenheid voor hem blijven ; in vijf van de tien gevallen zal hij veel ongelukkiger zijn dan hij als onbeschaafd werkman of daarlooner ooit geworden ware. Dit kan slechts
O ~
daardoor anders en beter worden, dat men der beschaving hare natuurlijke rol hergeeft. Doel moet zij worden, niet middel. Men moet tot de beschouwiog komen, dat de beschaving op zich zelve reeds de inspanning die het kost-om haar te verwerven dubbel waard is ; dat men geen rech-heeft, voor deze inspanning nog andere belooning to vorderen, en dat verfijning van den geest den plicht van productieven arbeid niet opheft. De ontwikkelde heeft een voller, een helderder bewustzijn van zijne persoonlijkheid ; hij vat de gebeurtenissen van het leven buiten hem, tegelijkertijd dieper en met meer doorzicht; de voortbrengselen op het gebied van schoonheid en kunst, in één woord alle intellectueele genietingen zijn voor hem bereikbaar, en zijn leven is een oneindig edeler en hooger leven dan dat van den onwetende. Het is ondankbaar, van de ontwikkeling, behalve dit onschatbaar rijk innerlijk bestaan, ook nog het
2io
flagelijksch brood te verlangen, clatjcloor handenarbeid moet worden verdiend. Om nu echter zoover te bomen, dat de ontwikkelde zijn neus nieü meer optrekt voor de nijverheid, zal het noodig zijn, dat de samenleving die ontwikkeling voor allen toegankelijk stelle, die er vatbaarheid voor toonen. De schooldwang is maar een zwak hulpmiddel daartoe. Hoe kan men van arme ouders vergen, dat zij hunne kinderen tot op tien- of twaalfjarigen leeftijd naar school zenden, wanneer zij niet in staat zijn die kinderen te voeden en te kleeden, en hen dus mede moeten laten arbeiden, om in het onmisbare te voorzien ? Is \'t billijk, is \'t consequent, wanneer het rijk zegt; »Ge moet lezen en schrijven leeren, maar verder moogt ge niet gaanquot; ? Waarom houdt het verplicht schoolbezoek bij \'t elementair onderwijs op? Waarom strekt het zich niet tot het voortgezette uit ? Een van beide : of onkunde is eene fout, die niet alleen voor het individu, maar voor de geheeie maatschappij gevaarlijk is, öf zij is dit niet. Is zij het niet, waarom worden de kinderen dan genoodzaakt de volksschool te bezoeken ? Is zij het wèl, waarom dan niet getracht, door uitgebreid onderwijs zoo goed als \'t gaat die fout te herstellen ? Is de kennis der natuurwetten niet even belangrijk als de tafel van ver-menigvuldiging ? Zijn voor den medekiezer, die de toekomst van zijn land en volk moet helpen verzekeren, geschiede-quot;nis, staatkunde, staathuishoudkunde onuoodig?Zal hij van \'t lezen, dat men hem geleerd heeft, het volle voordeel kunnen trekkea, wanneer men hem niet tevens den weg wijst om de meesterstukken in proza en poëzie uit de literatuur van zijn volk te leeren verstaan ? En dit veronderstelt ten minste reeds genoten middelbaar onderwijs. De hinderpaal, die het gedwongen schoolbezoek bij de beginselen doet ophouden, is van stoffelijken aard. De arme man uit het volk, wien het reeds moeite genoeg kost, zijn kind zoolang te
21G
voeden tot het de volksschool verlaat, zou onmogelgk iu staat ziju, er nog langer, misseliien tot diens achttiende jaar voor te zorgen. De nood dwingt hem de werkkraeiit zijner kinderen zoo vroeg mogelijk om hun eigen bestwil in beweging te brengen.
Moest dus het middelbaar onderwijs even algemeen worden als het lager, dan zou men den arbeid der schooljeugd zoo dienen te verdeelen als in sommige inrichtingen van Amerika het geval is ; daar kunnen namelijk de leerlingen, buiten de lessen, nog het een of ander vak van nijverheid beoefenen, ten einde aldus, hetzij met of zonder de hulp van menschlievende stichtingen, uit de opbrengst daarvan hunne dagelijksche behoeften te bestrijden. Of, beter en logischer nog zou het zijn, wanneer de rijks-kas niet alleen voor de hoofden, maar voor de lichamen zorgde.
sMaar dat is het pure communisme!quot; roepen wellicht met schrik de aanhangers uit van die georganiseerde zelfzucht, die men de bestaande maatschappelijke orde noemt. Ik zou hun het genoegen kunnen doen, dat gehate woord te vermijden eu te zeggen : »Neen, dat is niet het communisme, maar de solidariteit.quot; Doch ik wil met de gedachte geen verstoppertje spelen.quot; Welnu dan, ja, dat zou een stukje communisme zijn; maar, zitten wij er buitendien toch al niet in ! Is \'t bijgeval geen communisme, dat het rijk voor alle kinderen van zes tot twaalf jaren onderwijsquot; om niet verstrekt ? Is dat voedsel voor den geest dan ook geene spijze V Kost het ook geen geld? Wordt dit geld niet door de natie bijeengebracht ? En het leger ? Is het niet op zuiver communistische leest geschoeid ? Geeft het rijk aan eene geheele generatie van jongelieden tusschen de 20 en 23 jaar geen voedsel, kleeding en dak? Waarom zou het dan onverstandig of moeieliiker uit te voeren zijn, een millioen kinderen gedurende hunne schooljaren tot aan
217
de universiteit te onderhouden, dan op algemeene kosten de lichamelyke behoeften te bevredigen van een half millioen joagelieden, zoolang als hunne dienstplichtigheid duurt ? De uitgaven ? Die zouden niet grooter zijn dan\' voor het staand leger. De opleiding 311 het onderhoud van soldaten is voor het rijk toch zeker niet gewichtiger dan de hoogere vorming der burgerij. En bovendien, waarom zou men beide bedoelingen niet vereenigen? Waarom zou men de gezamenlijke mannelijke jeugd niet tot haar zeventiende of achttiende jaar uit \'s rijks beurs kunnen voeden en kleeden, zooals nu met de militairen gebeurt, en aan die jongelingen, gelijktijdig met het onderwijs, de noodige vakkennis verschaffen ? De nationale ny verheid zou de steviger\' handen van twintig- a drie-en-twintigjarige arbeiders in ruil ontvangen voor de onbruikbare van halfwassen, en het voordeel dat de samenleving hiervan trok, zou voldoende zijn om te dekken wat een troepenmacht van scholieren meer zou kosten dan onze tegenwoordige armee van gerijpte, maar tot driejarige werkeloosheid gedoemde krachten.
Zal een dusdanig systeem volledig zijn, dan is er nog eene andere inrichting bij noodig. Niet iedere intelligentie is voor hooger of het hoogste onderwijs vatbaar. Indien het rijk de jeugd voedt en kleedt en Je ontwikkeling hierdoor ook onder het bereik van den minstvermogende stelt, dan moet hij er tevens voor waken, dat zijn weldoen alleen dengenen ten goede kome, die het waard zijn en voor wie het vrucht zal kunnen dragen. Aan het einde van iederen cursus moest een met elke klasse strenger wordend vergelijkend examen plaats vinden, en alleen zij, die als winnaars uit den wedstrijd te voorschijn traden, moesten het recht hebben, naar de hoogere inrichting over te gaan. Op die manier zou de onbegaafde met de lichte, doch voor zijne draagkracht juist voldoende bagage van het lager onderwijs
218
de school verlaten; de niet onknappe zou buitendien van \'t middelbaar onderwijs profiteeren ; terwijl de jongeling van talent nog verder de universiteit, de politechnisehe-.of eene andere valkschool van kunst of nijverheid zou bezoeken. Zoo kan, wat tegenwoordig uitsluitend het deel der bevoorrechten is: meerdere ontwikkeling gemeengoed dei-natie worden ; de werkmanskiel beteekent dan niet meer ruwheid, en de man van studie behoeft zich niet te schamen, wanneer hij door het uitoefenen van een ambacht in zijn levensonderhoud voorziet. L)e overvloed van caudidateri voor een ambtenaarspostje en de vervulling der vacaturen door onbevoegden zal dan ophouden. Het talent, dat bij een dozijn gelegenheden genoodzaakt was, proeven van zijne bekwaamheid af te leggen, vindt na het laatste examen in zijn diploma den eervollen waarborg voor eene nuttige betrekking in de maatschappij; de »gedéclasseerdenquot; zullen van den aardbodem verdwijnen; met de ellende in het afgesleten bureau-jasje is het uit, en eene der gevaarlijkste wonden van het lichaam der samenleving genezen.
Naast de minderheid van rijke iediggangers, die van den arbeid der nijveren leven, en de groep van overtolligen, die uit dit of dat diploma het i-echt afleiden, als een heer te leven en te smullen, hebben we op ons tafereel der maatschappelijke toestanden ook den onvermogenden fabrieksarbeider gezien, die zich van \'t plekje gronds, dat door de natuur was aangewezen ora hem te voeden, losgescheurd heeft. Welk eene treurige verschijning is deze proletariër in onze hooggeroemde beschaafde wereld, welk eene gruwbare critiek op onze verlichting! Dikwerf haalt men de regels van La Bruyère aan, waarin hij den lijfeigenen Fran-schen boer uit zijne dagen beschrijft. »Een soort van somber, schichtig dier,quot; zegt hij, »dat uitgevast op handen en voeten rondkruipt en gras kauwt; hij woont in grot-
219
ten; ziin lichaam is in lompen gehuld ; bi] de nadering van een mensch neemt hij ontzet de vlucht, en toch heeft hij een raeuschelijk gelaat, en toch is hij een mensch !\'\' Dexe schildering is op den daglooner van onze dagen over te brengen. Slecht gevoed — zijn middagmaal bestaat hoofdzakelijk uit aardappels en afval van vleesch in -worstvorm; — door jenever, die het leugenachtig gevoel van verzadiging bij hem moet opwekken, half vergeven ; slecht gekleed, in eene bizondere plunje, waaraan men reeds op een afstand den onterfde van de maatschappij herkent; door gebrek aan tijd en geld tot onreinheid gedwongen, — leeft hij in de ruorsigste en donkerste stegen der groote steden. Niet alleen mist hij zijn natuurlijk aandeel in het den mensch toekomende gezonde voedsel, maar ook licht en lucht, die toch voor iedereen in ruime mate aanwezig schijnen, worden hem karig of in het geheel niet gegund. Zijne onvoldoende voeding en zijne bovenmatige lichaamsinspanning verzwakken hem zóó dat zijne kinderen gaan sukkelen en hij zelf, na korter of langer lijden, een vroegen dood ten offer valt. Zijne bedompte woning maakt dat hij met de zijnen aan allerlei klier- en huidziekten blootgesteld is. Een epidemie tast hem het eerst aan. Hij is er slechter aan toe dan de slaaf der oudheid, want even onderdrukt, even afhankelijk van zijn heer en meester als deze, kan hij toch niet met hem, op de vaste verzorging van zijn huisdier, op goed voélen een warmenstal rekenen, en boven zijn antieken broeder in smarte heeft hij het knagende moderne bewustzijn nog van zijne waarde als mensch, van zijne natuurlijke rechten. Het ziet er ook droeviger met hem uit dan met den wilde, die in de oerwouden van Amerika of op de grasvlakten van Australië ronddoolt, want evenals deze, leeft hij van de hand in den tand en moet hij honger lijden wanneer hij eenige uren achtereen geen buit heeft behaald; maar hij mist daarentegen het genot, dat de oefening van lichaams-
220
eu geesteskracht in den strijd met de natuurlijke hindernissen iederen mensch aanbiedt. Eeu aanmerkelijk deel van zijn reeds zoo ellendig dagloon moet hij buitendien aan den staat afdragen, die hem bij wijze van wederdienst op stokslagen en de ketting vergast. De beschaving, die ook hèm vrijheid en welvaart beloofde, heeft tegenover hèm alleen haar woord niet gehouden. Hij is van hare grootste zegeningen uitgesloten. Üe moderne gezondheidsleer, welke de woning van den bemiddelden man zoo geriefelijk maakt, heeft zijne sluiphoeken zorgvuldig vermeden. In een derdeklas-wagon reist hij veel minder ojj zijn gemak dan vroeger op een ladderwagen, waarvoor een oude knol liep. De ontdekkingen der wetenschap zijn niets voor hem, want hij begrijpt ze niet. De voortbrengselen van schoone kunst, de meesterstukken van poëzie in zijne moedertaal geschreven, baren hem geen genot, omdat zijne opvoeding er niet naar was, ze hem te leeren verstaan. Zelfs de machine, die hem ten heil moest worden, heeft juist den last zijner slavernij eer knellender gemaakt dan zachter. Het is eene groote schrede op den goeden weg te noemen, dat het zwaarste werk niet meer door menschen behoeft te worden verricht, dewijl men de natuur heeft leeren gebruiken ; want het edele en verhevene van den mensch is niet zijn spie-renstel, maar zijn hoofd. Als lichaamskracht gevorderd wordt, doet hij onder voor den os en den ezel, en wie geen ander dan machine-werk van hem eischt, verlaagt hem tot den rang der viervoeters.
Maar tot dusver is het werktuig nog niet de heiland en verlosser van den daglooner : het heeft hem integendeel tot zijn ondergeschikte vernederd. Zijne onterving van eigen grond eu bodem, en de onmogelijkheid, die daaruit voor hem ontstaan is, aan de natuur de levensmiddelen welke hij behoeft. onmiddelli]k af te dwingen, maakt het hem
221
vroeg eu laat tot eene wet, om zijne lichaamskracht tot het voortbrengen van artikelen van industrie aan te wenden ; en nu wordt hij een zwak, gebrekkig en deemoedig mededinger van de machine. De solidariteit van het men-schelijk geslacht ondervindt hij slechts in dier voege, dat zij hem vele plichten oplegt, terwijl zij hem nauwelijks een enkel recht in vergoeding toekent. Vermag hij zijne werkkracht niet aan den man te brengen, of ziet hij zich door ouderdom of kwalen verhinderd, nuttigen arbeid te verrichten, dan voorziet de maatschappij hierin : zij geeft hem aalmoezen als hij bedelt; zij spreidt hem een bed in het gasthuis als hij de koorts heeft; zij neemt hem soms in een gesticht op, als hij niet meer voort kan, — maar hoe onvriendelijk kwijt zij zich vaak van dien lastigen plicht! Haar onwelkome kostganger ontvangt meer vernederingen dan schotels, en terwijl zij onder zuchten eu kreunen zijn honger stilt en zijne naaktheid dekt, verklaart zij het tevens voor de grootste schande, deze weldaden uit hare hand aan te nemen, en koestert voor den ongelukkige, die wel gedwongen werd tot haar zijne toevlucht te nemen, de innigste verachting. Toch is het voor den proletariër onmogelijk, voor een tijd dat hij zonder werk is, voor ziekte of voor den ouden dag iets over te leggen. Hoe kan hij, die niet ééns genöeg voor zijn dagelijksch brood verdient, nog iets uitwinnen? Hij mag er niet aan deuken, voor zijne dagtaak een loon te vragen, \'twelk iets meer bedraagt dan hij dadelijk noodig heeft, want bet cijfer der onterfden is al groot en groeit nog immer aan ; er zonden dus aanstonds mededingers opdagen, die voor hun arbeid met eene zóó geringe vergoeding tevreden waren, dat ze hen even voor den hongerdood bewaarde. Uit eigen kracht en wil kan de proletariër in dezen toestand geene verandering brengen. Het baat hem geen zier al is hij nog zoo vlijtig ; met de groot-
222
ste inspanning zal hij het niet verder kunnen brengen, dan tot de bevrediging van zijne dringendste behoeften, en dan rekenen wij niet mede, dat ook de bescheidenste daghuur de algeheele toewijding van den werkman vooropstelt. Hoe meer de proletariër zich afslooft, des te pijnlijker maakt hij zijn toestand. Dit klinkt paradox en toch is \'t waar. Produceert een werkman meer, dan worden zijne voortbrengselen goedkooper, en zijn loon blijft hetzelfde, zoo het niet nog verminderd wordt. Op deze wijze bederft hij door grooter vlijt de markt en verbruikt zijne eigene werkkracht bovendien. Dit verschijnsel zou zich niet openbaren, wanneer de productie bepaald werd door de vraag. Dan kon er van overproductie nooit sprake zijn; de prijs der goederen zou niet door hunne veelheid gedrukt worden en de arbeider kon voor meer werk ook hooger loon ontvangen. Maar dat natuurlijk spel der huishoudelijke krachten wordt door het kapitaal verknoeid. Een ondernemer bouwt eene nieuwe fabriek en laat goederen vervaardigen, niet dewi]l hij de moeite ervan inziet, maar omdat hij een kapitaal bezit, waarvan hij rente wil maken en wijl hij een buurman of vriend heeft, die met zijne fabriek schatten verdiende. Zoo treedt een persoonlijke inval of een dwaas onverstand in de plaats van huishoudelijk overleg, en de markt wordt door een stortvloed van producten overstroomd, omdat een enkel persoon, op zijne jacht naar millioenen, een averechtsch spoor volgt. Deze dwaling wreekt zich gewis na zekeren tijd ; de ondernemer stelt de prijzen al lager en lager, totdat de fabriek geene winst meer afwerpt en hij te gronde gaat. De andere fabrikanten van hetzelfde artikel worden in zijn val me-degesleept, en over een geheelen tak van industrie breekt eene crisis uit. Maar het eigenlijke slachtoffer is de proletariër. Hij heeft tegen steeds minder loon al meer en meer voortgebracht, totdat de fabrikant zijne fondsen uitgeput heeft
223
eu moet ophouden. Aan het eind van den ongelijken kamp tusschen vraag en aanbod, waarin het aanbod overwonnen wordt, is hij genoodzaakt gedurende korter of langer tijd werkeloos d. i. broodeloos te zijn. De rollen van den industrieelen ondernemer en van den proletariër zijn aldus verdeeld: de laatste maakt het voor genen mogelijk, groote kapitalen te vormen; het kapitaal moet gebruikt worden, en men waant dit op voordeelige wijze te doen door den aanleg van nieuwe fabrieken. Hierdoor ontstaat overproductie en felle concurrentie met haar nasleep van prijsverlaging en loonvermindering, en ten slotte is de crisis daar, die den arbeider van zijne verdienste berooft. Op deze wijze maakt de industrie-slaaf zijn heer tot een rijk man, die hem zijn brood steeds zuiniger toemeet en het hem eindelijk geheel onthoudt. Is er wel schooner illustratie denkbaar van de rechtvaardigheid onzer heden-daagsche oeconomie?
111.
Bij de beschouwing van deze schilderij dringt zich vanzelf de vraag aan ous op: Moet de huishoudelijke toestand zoo zijn ? Staan wij hier tegenover eene onveranderlijke natuurwet, of tegenover de gevolgen van menschelijke bekrompenheid en dwaasheid ? Waarom baadt eene minderheid zich in \'t genot eener weelde, die zij niet zelve geschapen heeft ? Waarom zijn millioenen inenschen tot honger en gebrek veroordeeld? Hier zijn wij aan het belangrijkste punt der kwestie gekomen, waarop wij een antwoord zoeken. Het is de vraag, te onderscheiden of de armen honger lijden doordat de aarde geene genoegzame hoeveelheid levensmiddelen oplevert, öf wel omdat de voedingstof, schoon aanwezig, hun niet gewordt. Weluu, dit
224
laatste mogen wij onvoorwaardelijk ontkennen. Als er levensmiddelen van behoorlijke hoedanigheid ruimschoots aanwezig waren, dan zou het aandeel van den arme, dat hij zich niet verschaffen kan, ongebruikt moeten overblijven. De ondervinding leert, dut dit niet geschiedt. Elk jaar verslindt zijn eigen oogst van graan eu andere voedende planten, en wordt de nieuwe oogst binnengehaald, dan is de voorraad van het afgeloopen jaar meestal uitgeput, zonder dat daarom alle menschen zich in dat jaar dagelijks verzadigd hebben gevoeld ; nooit heeft men gehoord, dat koren aan de wormen werd overgelaten, omdat er geen plaats voor was, of dat vleesch bedorven is bij gebrek aan koopers. Zeker, de rijken verkwisten meer dan zij krijgen zouden, wanneer alleen hun lichaam recht van spreken had, maar toch nemen hierbij de voedingsmiddelen slechts een klein plaatsje in. De millionair misbruikt den arbeid van men-schenhanden om zijne luimen, zijn overmoed of zijne ijdel-heid te bevredigen; hij dankt kleêren af, die nog lang niet uitgediend hebben ; laat huizen bouwen van buitensporige afmetingen, en vult ze met overbodige meubelen ; onttrekt menschen aan de nijverheid, en leidt hen, als lakeien, gezelschapsjuffers, kameniers, tot misdadigen lediggang, als jagers, koetsiers e. a. tot sehijnbezigheid op ; maar voedingsmiddelen verbruikt hij, ook bij de slordigste en liederiijkste huishouding, hoogstens viermaal zooveel als hij voor zijne lichamelijke behoeften noodig heeft. Gesteld nu eens, dat er een millioen van die verkwisters in de beschaafde wereld leven, met hunne huisgezinnen zouden zij dan vijf millioen individuen tellen, deze vijf millioen zouden voedingsmiddelen voor twintig millioen gebruiken, dus het. aandeel van vijftien millioen boven het hun van rechtswege toekomende. Doch hierdoor zoii alleen te verklaren zijn, dat vijftien millioen menschen in het geheel niets, of dertig millioen half
225
genoeg te eten krijgen, Intusschen kan raen het cijfer der gebreklijdenden, in Europa alleen, gerust verdubbelen en op zestig raillioen brengen.
Er blijft bijgevolg geene andere opvatting voor ons over dan deze : dat de aarde geene voedingsstoffen genoeg oplevert en daarom een deel van liet menscbdom tot ontbering naar lichaam en geest is gedoemd. Is deze toestand een gevolg van natuurlijke verhoudingen ? Brengt de aarde niet meer levensmiddelen voort, omdat zij niet meer kan ? Neen. Zij geeft niet omdat men niet van haar verlangt. Toen de leer van het kapitaal tegenover het raadsel der wanverhouding stond tussehen de hongerige magen en de voorhanden spijzen, brak zij haar hoofd niet lang met de oplossing, maar vond op stel en sprong een braven Malthus met zijne oplossing gereed: »De aarde kan hare schepselen niet langer voeden : de bevolking moet dus verminderen.quot; En hij predikte sexueele onthouding, doch alleen voor de armen. Er ontbrak weinig aan, of hij had voorgesteld, ieder individu, dat niet met renten geboren is, te castreeren en het menschdoin naar het ideale voorbeeld der mieren- en bijenmaatschappij te hervormen, waar slechts enkelen het privilegie der voortplanting genieten, terwijl de groote menigte zonder geslacht is en alleen leeft om voor de andere, volmaakt ontwikkelden te werken.
In eene aldus georganiseerde samenleving zou het geluk der rijken volkomen zijn. Den zin om te keeren en te zeggen : »De hoeveelheid levensmiddelen is voor de groote menigte menschen niet langer voldoende ; welnu, dan moet men trachten de hoeveelheid te vermeerderenquot;, op die gedachte zijn de vrome Malthus en consorten natuurlijk niet gekomen 1 Toch zou men denken, dat dit middel om de huishoudelijke kwaal te genezen tamelijk vóór de hand ligt. Of zou er inderdaad iemand gevonden worden, die beweert
15
226
bij zijn volle verstand te zijn wanneer hij de stelling opwerpt, dat eene vermeerdering van de productiviteit dei-aarde onmogelijk is? Zulk een warhoofd zou men gemakkelijk met cijfers naar huis kunnen sturen.
Europa voedt op 9,710,340 □ kilometers 316 millioen inwoners. Dat is te zeggen, het voedt die nog maar gedeeltelijk; want uit ludic, de Kaap, Algerië, Noord-Amerika en het vasteland van Australië worden bergen graan en vleesch aangevoerd, zonder dat ons werelddeel van zijne voedingsmiddelen iets anders dan op zijn hoogst wijn afstaat, en toch, ondanks die importen, laat Europa nog een groot deel zijner bevolking gebrek lijden. Het schijnt dus niet bij machte, 32 menschen per □ kilometer den kost te geven. Doch België voorziet in het onderhoud van 5,536,000 menscben, op 29,455 □ kilometers.
In dat land is dus een vierkante mijl voldoende om 200 personen te voeden, een getal zesmaal zoo groot als het middelcijfer, dat wij voor geheel Europa hebben gevonden. Werd de grond van Europa in zijn geheel zóo bearbeid als die van België, dan kon ons werelddeel in plaats van zijne 316 millioen gebreklijdende menschen er 1950 millioen verzadigen ; veel meer dus dan het gezamenlijk mensch-dom tegenwoordig bedraagt. Indien er niet meer dan 316 millioen leefden, dan moest er voor elk eene zesvoudige portie levensmiddelen aanwezig zijn, dus veel meer dan hij met de grootste gretigheid zou kunnen opmaken. Men zal hier tegen inbrengen : België heeft óók niet genoeg voedingsmiddelen en importeert ook welquot;. Best. Wij nemen aan, dat België een geheel vierdedeel van zijne levensbehoeften van buiten laat komen. Dan voedt het toch altijd nog 150 menschen per vierkante mijl, hetgeen voor Europa eene bevolking van 1458 millioen zou opleveren, nog meer dus dan alle thans levende ineuschien te zamen. Eon
227
ander voorbeeld. China heeft, behalve de bijstaten, eene op. pervlakte van 4,024,890 □ mijlen, en daarop wonen 405 millioen menschen. De vierkante mijl onderhoudt dus in China 100 personen, 1 en wel geheel, want niet alleen dat China geene levensmiddelen invoert, het verkoopt rijst thee en ingemaakte vruchten in menigte. Volgens de berichten van reizigers ziju honger en gebrek daar ook alleen in jaren van door-en-door mislukten oogst bekend, en dit verschijnsel is ook dan nog veeleer te verklaren uit de gebrekkigheid der middelen van verkeer dan uit een algemeen tekort aan voedingsstoffen. Wanneer dus in Europa de grond ook zoo goed bewerkt werd als in China, dan zou bij nog altijd 1000 millioen menschen kunnen onderhouden, terwijl de tegenwoordige bevolking van i51G millioen het zoo slecht heeft, dat jaarlijks honderdduizenden naar andere werelddeelen verhuizen.
Waarom stelt men den bodem nu geene hoogere eischeu, daar de ondervinding toch leert, dat hij er uitmuntend aan voldoen kan ? Waarom tracht men er niet zooveel voedsel van te halen, dat een iegelijk overvloed heeft? Eenvoudig dewijl het kapitaal met zijne theorieën en beginselen tot eene. zeer eenzijdige en onnatuurlijke ontwikkeling van onze cultuur heeft geleid. De beschaving ijvert voor industrie en koophandel en keert der productie van levensmiddelen haren rug toe. De physiocratie, de leer dat de eenige rijkdom van een volk in de vruchten van zijn grond gelegen is, wordt in de laatste eeuw door de ofBcieele staathuishoudkunde als eene naïeve dwaling bespot.
De veldeling verlaat zijne hoeve en offert zijne vrijheid en zijn overvloed aan licht en lucht op, om met onzinnige drift zich in het moordhol eener fabriek t^ laten opsluiten en in eene nauwe steeg te gaan wonen. Even/oo rukt de beschaafde menschenwereld zich hoe langer hoe meer van
228
haven akker los en ijlt naar het strijdperk van industrie en handel, waar de een den ander op zijde schmtt en men ten slotte stikt of verhongert. Het genie, het ontdekkingsvermogen, aller denken en streven, aller volharding in onderzoek en proefneming is uitsluitend op de nijverheid gericht. De gevolgen zien wij in steeds vreemder\' machinerieën, doeltreffender\' methoden, rijker productie. Maar om het voortbrengen van voedingsmiddelen bekreunt zich van de honderd geniale menschen wellicht één. En toch, zoo aan het kweeken van levensmiddelen ook maar de helft der scherpzinnigheid werd besteed, die men thans aan de industrie ten koste legt, dan zou lichamelijke en zedelijke ontbering eenvoudig niet denkbaar zijn. En nu is juist deze belangrijke tak van menschelijke nijverheid in den laatsten tijd dermate veronachtzaamd, dat men zijne handen er-over in elkaar slaat. Wij zijn op het gebied van industrie verlichte^ ontwikkelde lieden, maar op dat van den landbouw treurige barbaren. Wij zijn er, en terecht, trotsch op, bij de fabricatie van sommige artikelen met bewonderenswaardige scherpzinnigheid op de gedachte te zijn gekomen, den vroeger als geheel waardeloos beschouwden afval ook nog te gebruiken en ons voordeel er mede te doen ; tegelijkertijd laten wij de grootste helft van de klieken onzer spijzen ongebruikt door de riolen der quot;roote steden in de rivieren
O O
wegloopen, die er door verontreinigd worden, of in de zee, die ons in den vorm van visschen en schaaldieren lang niet de helft teruggeeft van hetgeen zij ontvangt. Deze verkwisting van millioenen tonnen kostelijke meststof is inderdaad treurisf, en toch ook weêr belachelijk, vergeleken met de angstvalligheid waarmede men op ieder druppeltje zwavelzuur bij het- fabriceeren van chemicaliën let, en met den jammerlijken ijver, met welken de uitvinder een patent neerut. dien het gelukt een of ander fabrieksvuil te exploi-
22Ü
teereu. Wij beroemen er cms op, dat wij de krachten dei-natuur aan onzen wil dienstbaar hebben gemaakt, en tocli laten wij met de meeste kalmte millioenen vierkante mijlen woestijagrond bestaan, ofschoon wij weten, dat er geen piekje op den aardbodem noodzakelijk wildernis behoeft te blijven ; immers iedere grond, al bestond hij uit nagels voor de schoenen en gestampt kiezel kan door warmte en water ten laatste vruchtbaar worden, en deze middelen zouden alleen aan de polen — misschien — buiten het bereik van de menschelijke kracht liggen. Alet eene zekere fierheid wijzen wij op de kolen en kopermijnen, die duizenden voeten onder den zeespiegel in de aarde gedolven zijn, en wij schamen ons toch niet bij den aanblik der kale rotsen, waarvan de inensch, diezelfde mensch die zich in de aarde heeft weten in te boren, schijnbaar geen voordeel vermag te trekken. Wij beheerschen den bliksem des hemels, en aan den groo-ten oceaan, welke drie vierde van onzen aardbol beslaat, ontwoekeren wij nauwelijks een atoom van zijn onuitputte-lijken rijkdom aan voedingsstutfeu. Mag er in een tijd, die. al spelende wonderen van werktuigen voortbrengt, nog in quot;t hart der beschaafde wereld sprake zijn van moerassen, van rivieren, die arm aan visch, van akkers, die onbebouwd zijn ? Hoe kan eene generatie ua Gausz nog zoo achterlijk in de rekenkunst zijn, dat men niet op zijue vingers natelt, hoeveel duurder het is, in de behoefte van den mensch aan eiwit door vleesch te voorzien van dieren die weder uit de vruchtbare aarde zelve onderhouden moeten worden, dan door visschen, die de zee ons kant en klaar aanbiedt, of door gevogelte dat geene uitgestrekte weilanden behoeft en ■van afval leeft!
Maar ik wensch mij niet verder in bizonderheden te verdiepen. Mij dunkt, ik heb nu duidelijk genoeg de stiefmoederlijke wijze aangetoond, waarop de landbouw in onze da-
230
gen wordt bebandeld. In de landhuishoudkunde vordert men nauwelijks één pas tegen honderd op het gebied der industrie. De ontdekking, sinds eeuwen, van nieuwe voedingsmiddelen bepaalt zich bij de invoering van den aardappel, die den proletariër in staat stelt, zich te verbeelden dat hij verzadigd is, terwijl zijn lichaam inderdaad door gebrek aan krachtige stof verkwijnt, en welke het bovendien een fa-briekspatroon mogelijk gemaakt heeft, de toch reeds zoo geringe arbeidsloonen nog te verminderen. Moestuinen, boomgaarden en champignon-kelders verschaffen ons de duidelijkste bewijzen, wat voedend element er ook in het kleinste stukje grond schuilt. De ondervinding leert, dat geen arbeid meer voldoening geeft dan die zich op het bebouwen van den grond toelegt; flink bewerkt, zou wellicht een lapje ter grootte van een zakdoek genoeg zijn om een mensch te onderhouden. Toch lijden wij aan gebrekkige voeding, toch worden de levensmiddelen gaandeweg duurder en moet de fabrieksarbeider zijne dagtaak gedurig langer rekken ora niet te verhongeren. De natuur toont den mensch, dat hij zonder den akker niet kan leven ; dat het zijn ondergang is, wanneer hij zich van zijn plekje grond verwijdert; dat enkel de boer zich vermenigvuldigt en gezond en krachtig blijft, terwijl in de stad de menschen verdorren, aan \'t sukkelen gaan en onvruchtbaar worden, om eindelijk, vast en stellig, na een paar generaties uitte sterven. Alle groote steden zouden in honderd jaren kerkhoven zonder één levend wezen geworden zijn, wanneer de dooden niet telkens weêr door overplaatsing van buiten-af waren vervangen. Maar de mensch blijft er-bij, den akker te verlaten ora zich in de stad te vestigen, zich van het leven los te rukken en den dood in de armen te snellen.
Daar treedt nu weder een professor in de staathuishoudkunde op en leert met stalen voorhoofd, dat de ontwikkeling
231
der nijverheid in een land gelijken tred houdt met zijne beschaving, en dat eene wijdvertakte industrie der natie ten zegen is, omdat zij bare voortbrengselen goedkoop, en daardoor ook voor den armste bereikbaar stelt. En ziehier eene der meest verbreide en meest herhaalde leugens van het kapitaal. Het mocht wat, met die goedkoope indus-trieele producten! Zij leveren niemand voordeel op dan wellicht den fabrikant of den makelaar. Hoe die lage prijzen verkregen worden, hebben wij gezien, namelijk door concurrentie der fabrikanten ten koste van den arbeider, door een gewetenloos misbruiken van \'s menschen vermogen. Om de katoen zoo goedkoop te maken als zij nu is, moet de fabrieksarbeider tien, twaalf ja soms veertien uren dagelijks aan de machine staan. Hij komt er niet meer toe, zijn leven te genieten, maar slijt het tusschen de kale muren met zijn eeuwigdurend en onveranderlijk automatisch vertoon. Hg is het eenige bewerktuigde schepsel op den ganschen aardbodem, dat een aanzienlijk deel van zijn bestaan met onnatuurlijken\' arbeid moet doorbrengen om niet te verhongeren. Zoo wordt de waar goedkoop, maar ook slecht. Onze nijverheid is er vooral op uit, door surrogaten de grondstof aan te vullen en van deze laatste zoo min mogelijk in een artikel te gebruiken. Waarom ? Omdat de grondstof, die uit het dieren- en plantenrijk ten minste, alleen tegen de volle waarde van menschenarbeid gewonnen kan worden en bijgevolg d uur is. De aarde laat zich niet misleiden ; zij geeft boomwol en vlas, hout en lijnzaad alleen dan, wanneer zij het aequivalent, aan mest en arbeid, onverminderd terug ontvangt. Niet eens de koe of het schaap bedriegt men ; zij verschaffen melk en wol, horens en huiden, al naar gelang hun voedsel is. De mensch is dommer dan de koe of het schaap, want hij geeft de kracht zijner zenuwen en spieren voor minder dan de volle waarde. Het
is dus in liet belaug vau den ondernemer, de dure grondstof te sparen en met den goedkoopen arbeid van den menscli ruim te zijn. Daarom vervalscht bij gene ook zooveel mogelijk, en hij bedenkt ingewikkelde methoden om, dank zij die inspanning van menschenhanden, aan zijne artikelen een goed uiterlijk te geven. Het stuk katoen, dat de En-gelscbe fabrikant aan de markt brengt, is daarom zoo goedkoop, wijl er zeer weinig katoen en zeer veel werkkracht bij de vervaardiging gebruikt is en wijl zijne slaven bem veel minder kosten dan de grondstof. Maar de waar behoefde zoo goedkoop niet te zijn ; juist de lage prijzen prikkelen tot verkwisting van het quot;\'oed. De uitgebreide handel in
O O O
oude kleederen, van Europa naar de overzeesche landen, bewijst dat men over bet algemeen zijne kleedingstukken niet behoorlijk afdraagt, en op die manier zijn de goedkoope stoffen in den grond toch ouvoordeelig. Voor den verbruiker beteekent die hooggeroemde goedkoopheid niets, omdat bij, in verband met den lagen prijs, door hem besteed, zich aan roekeloos verspillen gewent. Voor den producent is zij een vloek, want zij vermindert den prijs zijner voortbrengselen bij voortduring en dwingt hem tot altoos grootere inspanning. Terwijl nu elk individu, dat niet tot de leég-loopeude minderheid behoort, producent van het eene en verbruiker van het andere artikel te-gelijk is, blijft er ten slotte van onze prachtige industrieele volmaking niets over dan eene drijfjacht, die hoe langer hoe woestar en vinniger wordt, waarbij ieder voor zich het wild en de jager te-gelijk is en loopt en rent en vliegt, tot hij eindelijk niet meer kan en ademloos ineenzakt. Langduriger arbeid van den producent tegenover onwijze, ja zondige verkwisting : hier komt de zaak op neêr. Gesteld, dat de gezamenlijke voortbrengselen van. nijverheid eens viermaal zooveel kostten als tegeji woordig, wanneer namelijk de land-en akkerbouw
233
evenzoo behartigd en bevorderd werd als zij eu haar eindelijk overvleugelde — zou dit schaden? Ik geloof het tegendeel. Iedereen zou dan zijne kleederen ééns in plaats van viermaal \'s jaars vernieuwen, eu om de twintig, in plaats van om de vijfjaar, nieuwe meubelen koopen. De fabrieksarbeider zou zijn werk viermaal hooger betaald krijgen ; hij zou dan toch in drie uur tijds hetzelfde resultaat van zijn werk zien als nu in twaalf. Ouder cijfers gebracht, bleef alles hetzelfde ; de consument behoefde geene grootere kosten te maken. Maar eeue zeer belangrijke uitkomst zou er door bereikt worden, en wel: de arbeider zou niet langer een galeiboef, maar een vrij man zijn. De hoogste weelde, die hem tegenwoordig ten eenenmale ontzegd is: de rust, zou ook voor heui toegankelijk worden. Eu dit beteekent zeer veel. Het beteekent, dat hij aan de edeler genoegens van \'t leven zou kuuuen deelnemen, dat hij musea en schouwburgen zou kunnen bezoeken, dat hij zou kuuuen lezen, met anderen van gedachten wisselen en zijne droomen dioomeu — hij zou niet langer een domme machine zijn, maar zijne plaats als denkend mensch vervullen in de rij zijner medemenschen. Men moet tot de arbeiders zeggen : »U heeft de draaikolk van een ontzettenden circulus vitiosus aangegrepen ; maakt u los, anders gaat gij te gronde. Hoe meer gij heden werkt, des te goedkooper worden uwe producten, des te doller het gebruik, eu des te harder moet ge morgen werken, om aan den kost te komen. Neemt rust; vermindert het getal uwer vverk-uren tot de helft, tot een vierde. Ge zult evenveel verdienen, zoodra ieder niet meer opmaakt dan hij noodig heelt eu ieder maar juist zooveel produceert als er verbruikt wordt.quot;
Professoren in de staathuishoudkunde denkeu hier geheel iinders over. Die zien alleen heil in de uiterste inspanning van arbeidskracht. Hunne leer bestaat uit twee stellingen,
234
of liever twee geboden, welke zij anderen opdringen, nl. : ^Gebruikt zooveel ge maar kunt, om het even of de behoefte het meebrengt of niet; produceert zooveel ge maar kunt, onverschillig of bet geleverde artikel noodig of on-uoodig isquot;. Zulke wijze predikers maken geen onderscheid tusschen een vuurwerk, dat in enkele oogenblikken uit elkaar spat en ontploft, na door en domme menigte met een luid 0 ! en He! aangegaapt te zijn, en een toestel, die jarenlang nuttige bedden en kaften heeft vervaardigd. Zulk een groot vuurwerk kost ƒ 30,000 ; het vertegenwoordigt, behalve de grondstof, den arbeid van vijftig menschen gedurende een jaar, die bovendien hun leven blootstellen. De straks genoemde machine kost maar een vijfde gedeelte van het vuurwerk, bijgevolg is het laatste vijfmaal zooveel waard als de eerste. Wanneer het nu eens mogelijk ware, een mil-lioen menschen jaarlijks voor een milliard van die dingen te laten maken, dan zou men heusch het land met den bloei dezer belangwekkende industrie en de arbeiders met hunne vlijt en bekwaamheid geluk mogen wenschen.
Vorstelijk bedacht en geredeneerd ! Maar practisch beschouwd, hebben we hier een sophisme van de ergste soort-Zeker, indien men uit een vuurpijl, waar dan ook, evenveel geld kan slaan als uit eene kip, dan zijn die beide evenveel waard, en wie een vuurpijl vervaardigt, heeft de alge-meene kas met hetzelfde bedrag verrijkt als hij die eene kip weet te fokken. Toch is dit eene leugen. Neen, \'t is voor het menschdom lang niet hetzelfde, of er vuurpijlen of kippen verschijnen. Neen, de gids der Alpen heeft voor de menschenwereld niet dezelfde beteekenis als de stoker eener machine, al wordt de laatste misschien duurder betaald. Ik weet wei, van dit beginsel uitgaande, zou men er toe komen, aan alle industrie van weelde den oorlog te verklaren. Ik aarzel dan ook geen oogenblik, als mijne
235
overtuiging uit te spreken, Jat geen mensch het recht heeft, bevrediging ziiner luimen te eischen, zoolang er nog wer-keliike behoeften onvoldaan blijven, dat niemand b. v. een arbeider mag bezigen tot het vervaardigen van vuurwerk, zoolang anderen nog gebrek lijden doordien deze arbeider aan den landbouw is ontnomen, dat men zondigt door zijn naaste tot veertien uren van inspanning daags te veroor-deelen, opdat zijde, fluweel en andere stoffen goedkooper zouden worden en men dus beter zijn schoonheidsgevoel zou kunnen botvieren.
Het groot huishoudelijk belang der raenschheid brengt niet mede, goederen te vervaardigen die grif te verkoopen zijn, neen, het groote doel is, door hun arbeid de mensclien in staat te stellen, hunne organische wenschen te bevredigen. Eigenlijk zijn er maar twee zulke wenschen : voeding en voortplanting. De eerste beoogt de instandhouding van den eenling, de andere die van liet geslacht. Schijn baai-zon men zich bij eeue enkele behoefte kunnen bepalen en de voortplanting eenvoudig schrappen. Doch dit is niet zoo. De neiging tot behoud der soort is nu eenmaal zooveel sterker dan de vraag naar persoonlijk welzijn als de levenskracht en levensvolheid van de soort boven die van het individu gaat. Niemand heeft het nog bijgewoond, dat aan een groot getal menschen, bijv. een geheelen volksstam, gedurende een zekeren tijd de voldoening hunner behoefte aan voortplanting volkomen belet is geworden ; als zoo iets werkelijk eens gebeurde, zouden er verschrikkelijke ziekten en kwalen komen te heerschen, en de treurigste tooneelen van hartstocht zouden de wereld met afschuw vervullen. Deze beide voorname lichamelijke behoeften moet de mensch alzoo bevredigen ; de overige zijn van ondergeschikt belang. Een individu, dat verzadigd is, geene koude lijdt eu een wezen van het andere geslacht bij zich heeft, moet meer dan
236
tevreden, moet alleszins gelukkig ziiu. Wie honger heeft, kau zich niet gelukkig gevoelen, al wandelde hij voor ziju pleizier in kleederen van goud-hrocaat in \'t Vaticaan-nmseum bij de heerliikste muziek. Dit is zóó duidelijk, dat het plat schijut. \'t Is de overbrenging in proza van de fabel der kip, die eene parel vindt en jammert dat het geen graankorrel is. Toch gaat de nuchtere waarheid het begrip der officieele staathuishoudkunde te boven, en geen professor iu deze edele wetenschap kwam tot dusver op de gedachte, zijne stellingen aan Lafontaine te toetsen. Op den vooruitgang der mensch-heid toegepast, zou onze fabel eenvoudig heteekeneu: »Minder Manchester-katoen en messen van Sheffield, meer brood en vleesch !quot;
Wat de theorie tot nog toe heeft verzuimd, daar zal de practijk zich spoedig genoeg aan gelegen laten zijn, namelijk de dwaasheid en onhoudbaarheid der huidige toestanden aan te toonen, al vinden ook nog zoo velen die onberispelijk. Lleeds overal wordt er buitensporig gearbeid, veel meer dan noo-dig is. Bijna ieder land tracht waren te exporteeren en levensmiddelen in te voeren ; maar de markt voor de eersten is in Europa dermate overvoerd, dat men gerust kan zeggen, dat de voornaamste fabrieken in de Europeesche landen bijna alleen nog maar voor de biunenlandeu van Afrika werken. Landen, die nog niet industrieel ontwikkeld zijn. zullen het weldra worden, en de toestand kau dus verergeren in plaats van verbetereu. Men zal zich steeds op deugdelijker methoden toeleggen ; de machinerieën zullen in qualiteit en quautiteit toenemen. En dan V Dan zal ieder land in zijne eigene behoeften voorzien en nog een overschot producee-ren, \'t welk het zijn nabuur zal willen opdringen, die er echter geene plaatsing voor heeft. De laatste naakte neger van den Congo zal reeds zijne vijftig yards katoen en zijn revolver hebben, de laatste Papoea metstevels en overhem-
den van papier loopen. De Europeaan zal zoover komen, dat hij zich elke week een nieuw kostuum aanschaft en eene machine, welke de bladen tooi* hem omkeert bij het lezen van de courant. Dit zal de gouden eeuw der staathuishoudkundigen zijn, die met productie zonder grens dwepen, met verbruik zonder beperking, met ontwikkeling dei-industrie zonder doel. En in die gouden eeuw, wanneer t\'abriekschoorsteenen zullen priiken waar nu boomen groeien, zullen de menscben zich met chemische surrogaten voeden in plaats van met vleesch en brood, achttien uren dagelijks zich uitsloven en ten laatste sterven, onbewust dat zij geleefd hebben, \'t Is mogelijk, dat men het lichten dier eeuw niet afwacht, om tot de overtuiging te geraken, dat de eenzijdige, koortsachtige drift, die er heerscht voor industrieele ondernemingen, niets anders is dan een zelfmoord in het groot, en al wat men in het midden brengt om haar te verdedigen, leugen en bedrog is. Zóóveel begrijpt men althans mi reeds, dat een land, \'t welk graan uitvoert en zijn bodem uitput, zonder zich voor de verbruikte kracht op verstandige wijs schadeloos te stellen, armer wordt, al beurt het ieder jaar dan ook tonnen gouds. Men zal er later bij leereu inzien, dat ook het export van arbeidskrachten in den vorm van artikelen van nijverheid een volk op der. duur moet verarmen, het moge er dan nog zooveel meê verdienen. De fabrieksarbeider in Europa is feitelijk nu al de slaaf van den neger der Afrikaansche binnenlanden ; hij stilt zijn honger met aardappels en jenever, brengt zijn vreugdeloos leven in de machinekamer door en sterft aan de tering, en dit alles opdat de wilde nog beter zou kunnen leven dan hij reeds doet. Die opgewonden arbeid, welke niet het verkrijgen van levensmiddelen beoogt, maar op overproductie gericht is, schept ten slotte eene geheele natie van rijke hongerlijders. De wereld zal dan het venna-
igt;88
kelijk schouwspel kunnen gadeslaan van een land, waar in elke hut een piano van de nieuwste constructie te vinden is, en waar de steeds keurig op zijn nieuwmodisch uitgedoste bevolking bederf in de beenderen, geen bloed in de aderen en de tering in de longen heeft.
IV.
Het gevoel van de onhoudbaarheid onzer toestanden is algemeen. De onterfde proletariër, wiens gedachten zich door zijn dagelijkschen honger altoos in denzelfden kleinen kring rondbewegen, begrijpt dat hij met zijn handenarbeid rijkdom in het leven roept en eischt daar zijn deel van. Doch hi.j begaat de groote fout, zijn eisch op denkbeeldige gronden te verdedigen, die tegen de critiek niet bestand zijn. Er is maar één waar en natuurlijk argument, op hetwelk hij zich beroepen kan zonder vrees voor tegenspraak, en wel het argument, dat hij sterk genoeg is om zich de goederen, die hij voortbrengt, toe te eigenen ; dat de minderheid der rijken niet in staat is, hem dat te beletten, en hij daarom het recht heeft te behouden wat hij maakt, te nemen wat hij noodig\' heeft. Op deze beschouwing is heel onze tegenwoordige samenleving gebouwd. Dit argument heeft van zwakke volken en individuen slaven der sterkeren, van slimme, voorzichtige menschen millionairs, van \'t kajntaal een god op aarde gemaakt. De minderheid der nietsdoeners en uitzuigers beroept zich onophoudelijk op dezen bewijsgrond, wanneer zij hare aanspraken op het werk der nijveren verdedigen wil, die uitgezogen worden. Alleen de proletariër, hoe radicaal hij in andere opzichten ook zijn mag, is in deze niet op de hoogte ; daarom aarzelt hij, zich van het voortreffelijk
239
argument te bedienen, en zoekt hij het rechtmatige van zijne eischen liever in allerlei hersenschimmen, waaronder het communisme de meest verbreide en meest gevierde is. Jammer dat hij zich hiermede op een terrein waagt, waarop hij noodzakelijk het onderspit moet delvea. Voor het kapitaal is het toch kinderspel, hetquot; ongerijmde vau deze leer aan te toonen. Zooals het communisme door de socialistische scholen opgevat en gepredikt wordt, is het louter een dwaas product der verbeelding, die zonder op de naakte werkelijkheid te letten, aan het dwepen en droomen gegaan is. Strikte gemeenschap van goederen heeft nooit bestaan. De hier en daar nog uit overleveringen bekende beschouwing omtrent den eigendom, welke men oppervlakkig bezien voor communisme zou kunnen houden, blijkt bij nader onderzoek, uit de gedachte aan persoonlijk, van het gemeene eigendom bepaaldelijk afgescheiden bezit te zijn voortgesproten. Wanneer in een kleinen kring van individuen om reden van gemeenschappelijke afstamming of anderszins zulk eene volkomen gezelligheid of solidariteit beerscht, dat eene familie, eene gemeente, een geheele stam de gemeenschappelijke belangen als persoonlijk aanmerkt en in zichzelve eenvoudig een wezen van hoogere orde ziet, dan is het denkbaar, dat dit collectief lichaam ook eene collectieve bezitting kan hebben, waarvan de eenling niets ten eigen nutte of ten nadeele van de anderen mag wegnemen. Wij zullen echter aanstonds zien, dat zulk eene bezitting, zooals zij nog hier en daar in Europa zelf, in den Kussi-scben Mir, in de huiselijke gemeenschap van Croatië, Slavonic, enz. aangetroffen wordt, met het communisme, d. i. de leer van volstrekt gezamenlijk eigendom van alle goederen, niets te maken heeft. Laat een derde het maar eens beproeven, zonder lid van den solidairen kring te zijn, een stukje van diens gemeengoed te rooven ! Onmiddellijk zal
2-10
de stam, de gemeente, de Mir teaen den indringer te velde trekken. Deze gemeenraannen hebben zulk een krachtig besef van hun persoonlijken eigendom, dat zij eene inbreuk op hun aller rechten niet minder levendig gevoelen dan het individu, wien men zijne beurs wil ontfutselen. En zelfs dit communaal bezit, dat bloot een eigenaardiffe vorm
7 O O
van persoonlijk eigendom is, kan maar zoolang bestaan als ieder belanghebbende zich duidelijk van zijne solidariteit bewast en zijne werkzaamheid van dezelfde soort als die der anderen is. Nauwelijks loopen de verrichtingen uiteen, zoodat er omtrent de prijsbepaling der onderscheiden voortbrengselen twijfel ontstaan kan, of de mogelijkheid van den duur der gemeenschappelijke bezitting houdt op en het eigendom wordt geïndividualiseerd.
In het communisme moeten we dus de oplossing van het oeconomisch vraagstuk niet zoeken ; alleen bij zeer laag staande collectief-organismen is dat eene natuurlijke verhouding, maar voor een zoo ontwikkelden vorm van het dierlijk leven als onze menschenmaatschappij kan het zich moeielijk laten gelden. Niet alleen voor den mensch, luaar ook voor verreweg de meeste dieren is die natuurlijke toestand het persoonlijk bezit. Men streeft hiernaar, eenvoudig .tradat men zijne persoonlijke behoeften wenscht te voldoen. Elk dier spijst zich en zoekt of bouwt een dak of grot, waar het den nacht kan doorbrengen. Zijn voedsel en zijn nest of hol, dat hij opgezocht of gemaakt heeft, beschouwt het dier als zijn persoonlijk hèm toebehoorend eigendom ; het gedoogt niet zonder velzet, dat een ander zich er mede bemoeit. Eene levenswijze, die beleid en zorg voor de toekomst meebrengt, leidt onwillekeurig tot ontwikkeling van dit gevoel van eigendom, en dus van het jagen naar persoonlijk bezit. Het roofdier, die zich met versch vleesch vergenoegt, neemt van zijne prooi niet meer at dan hij voor het oogenblik, voor een enkelen
241
maaltijd noodig heeft. De dieren daarentegen, die van plantaardig voedsel bestaan, krijgen uit de algemeene provisiekamer der natuur meer dan zij dadelijk behoeven ; zij leven in eene streek, waar de winter komt, wanneer zij niets vinden, en daarom denken zij om den dag van morgen. Het eekhoorntje, de hamster en de veldmuis sleepen meestal zooveel voorraad aan graankorrels en zaad bijeen, dat zij in de lente, wanneer veld en bosschen opnieuw in hunne behoeften voorzien, nog over hebben. Zij verzamelen dus niet alleen een persoonlijk vermogen, zij zijn rijk ten koste van anderen want zij bezitten meer dan vereischt wordt. Eekhoorn, hamster en veldmuis zijn dus kapitalisten, zelfzuchtige, onbarmhartige wezens. En tot dezelfde categorie van dieren, die uit voorzorg moeten handelen, behoort de mensch. Het verwerven van persoonlijk eigendom, meer dan hi] juist oogenblikkelijk noodig heeft, de verdediging van zijne goederen tegen anderen die hem zouden willen berooven, zijn dos natuurlijke verrichtingen, instincten, welke in de zucht tot zelfbehoud wortelen. Dat beginsel laat zich niet uitroeien: onder de hardste maatregelen van eene tegenstrijdige wetgeving zal het telkens weêr met onbedwingbare kracht te voorschijn treden.
Is echter persoonlijk eigendom natuurlijk, eh daarom het verlangen er-naar nooit geheel te onderdrukken, toch bestaat er een misbruik ten opzichte van de uitbreiding van dit persoonlijk eigendomsrecht, waartegen het gezond verstand met verontwaardiging opkomt, dat ook met natuurlijke argumenten niet te verdedigen is, en wel het erfrecht. Zeker, de drang tot behoud der soort doet ieder levend schepsel voor de toekomst zijner nakomelingen zorgen. Maar deze voorzienigheid strekt, zich nooit verder uit dan het tijdstip, waarop het kroost genoegzaam ontwikkeld is om zich-zelf te redden. In de zaadkorrel is maar zóóveel meel
16
242
in het ei maar zóóveel eiwit aanwezig als de kiem, tot hare voeding behoeft iu hare eerste periode van volstrekte hulpeloosheid. Het zoogdier geeft aan zijn jong geene melk meer, zoodra het zelf kan grazen en jagen, en de oude vogels scheiden uit met wormpjes in het nest te brengen, wanneer de kleintjes hunne eerste vlucht uit eigen beweging ondernomen hebben. De mensch alleen wil zijne kinderen en kindskinderen nog langer van eiwit, moedermelk en wormpjes voorzien; tot in de verst mogelijke toekomst wil hij zyne telgen in den embryo-staat houden, waarin de jongen zich door vader en moeder laten voeden zonder zelf\' het geringste uit te richten. De stamvader heeft fortuin gemaakt; zijne familie moet dat erven, om van de noodzakelijkheid tot arbeiden ontheven te zijn. Dat druischt tegen alle natuurwetten in. Het is eene verstoring van de wereldorde, die het geheele organische leven beheerscht en die zegt, dat elk voor zich zijne plaats aan den rijk voorzienen disch dei-natuur moet veroveren of honger lijden. Uit die misvatting spruiten alle euvelen onzer maatschappij voort, en terwijl zij eene ontzaglijke menigte individuen met kommer en ellende bezoekt, straft zij hare bewerkers tegelijkertijd. Hunne bedoeling om kinderen en kleinkinderen onaangevochten in\'t bezit hunner goederen te laten, bereiken deze vermogende ouders toch niet. De ondervinding leert, dat zonder vlijt en geduld geen rijkdom door vele geslachten heen behouden blijft. Zelfs de millioenen der Rothschilds zullen niet in staat zijn, de nakomelingen dier familie tot na de zesde of achtste generatie voor gebrek te vrijwaren, tenzij dezen in het bezit zijn van eigenschappen, die hen, ook buiten de geërfde millioenen, eene goede plaats in het volle daglicht zouden verzekeren. Er is eene onverbiddelijke wet der natuur, die er bestendig op uit is, de storingen, door het erfrecht in onze maatschappij teweeggebracht, onschadelijk te maken. Een individu, dat
243
nimmer in de noodzakelijkheid verkeerde, zijn primitief instinct om naar levensmiddelen uit te zien, te laten werken, verliest ook allengs de geschiktheid om zijn eigendom te behouden en tegen de aanranding van hebzuchtige onvermo-genden te beschermen. Slechts dan wanneer al de leden eener familie zwakke karakters zijn, die zich aan eiken bizonderen of algemeenen strijd onttrekken, en voortdurend in \'t duister, als het ware van de geheele wereld vergeten, een eentonig plantenleven leiden — alleen dan kunnen zij de hoop koesteren, den geërfden schat, onverminderd te behouden. Docli zoodra er in zulk een geslacht een individu geboren wordt, \'twelk in de eene of andere richting van de gestelde norm afwijkt — hij kan om iets te noemen verbeeldingskracht hebben. of hartstochten, of hij kan maar verlangen le leven — , is de vermindering, is het verlies der schatten, die zoo gemakkelijk verkregen werden, onvermijdelijk. Deze werkzame, met fantazie bedeelde loot van den familiestam is ten eenenmale ongeschikt, ook maar een penning van \'t geld, dat hij uitgegeven heeft om aan eene gril te voldoen, terug te verdienen. Het gaat met een vermogen als met het lichaam : de organen, moeten arbeiden om te kunnen bestaan ; zoodra het daarbinnen, in aderequot; of cellen, niet meer beweegt, houdt de levensvatbaarheid op ; er komt bederf in \'t lichaam, en het wordt door micro- en macroscopische wezens, die de geheele schepping, op buit loerend, bevolken, opgegeten. Evenzoo kan men van een vermogen, waarbij een naarstig huishoudelijk bestier niet voor de noodige beweging en stofwisseling zorgt, zeggen, dat het door allerlei vuiligheid, door woekeraars, bedriegers oplichters en speculanten verslonden wordt. Het lijk van een vermogen kan, als het lijk van een bewerktuigd wezen, op kunstmatige wijs voor algemeene vernietiging bewaard worden ; het laatste door antiseptische middelen, het eerste door wetten van uitzondering, die den balsem voor het geërfd
244
fortuin vertegenwoordigen, d. i. door de stichting van fidei-commissen. Het fidei-commis is eene vinding welke een kluchtig bewijs ervoor levert, dat de rijke egoïsten zelf ten allen tijde een flauw besef aan \'t onnatuurlijke hunner instelling hebben gehad. De erflater voelt, dat hij tegen de mensch-heid zondigt en dat de natuur aan zijne nakomelingen de verachting van die wetten zal wreken ; daarom poogt hij een laatsten dam op te werpen tegen hare bestorming ; hij voorziet, dat de armen zijner kinderen niet forsch genoeg zullen zijn om zelf op den geërfden schat te passen, en nu tracht hij dezen met stevige touwen aan hen vast te binden. Maar ook het fidei-commis, dit carbolzuur voor doode vermogens, verliest op den duur zijne uitwerking ; ten slotte behoedt het den rijkdom nooit voor verbrokkeling, noch de familie voor verval.
Het erfrecht af te schaffen is het eenige natuurlyke, en bijgevolg het eenige heilzame middel om de huishoudelijke gebreken onzer maatschappii te verhelpen. Op het eerste gezicht schijnt de maatregel door-en-door radicaal; niet veel minder dan \'t eenvoudig in-beslag-nemen van alle persoonlijk eigendom. Doch voor wie niet aan de oppervlakte blijft hangen, is zulk eene afschaffing slechtweg de logische ver-der-ontwikkeling van verschijnselen, wier aanwezigheid niemand verontrust. Het recht van primogenituur bestaat juist in die landen, waar men de feudale inzettingen op de hardnekkigste wijze verdedigt; op alle kinderen, behalve het eerstgeborene, past men er de onterving toe, die ik als maatregel zonder uitzondering zou willen ingevoerd zien. De meest conservatieve .Pair van Engeland verwezenlijkt dus eene gedachte, die nog straks aan sommigen mijner lezers zoo uiterst revolutionair toescheen. Indien men er nu geene onbillijkheid en vooral geene onmogelijkheid in vindt, dat de jongere kinderen van den
245
Engelschen edelman niet in het genot van het vaderlijk vermogen deelen, waarom zou het dan zoo onrechtvaardig zijn, alle kinderen der rijken eveneens te behandelen ? \'t Is waar, de Pair, die zijne later geboren kinderen onterft, geeft hun iets anders in ruil, en wel eene voortreffelijke opvoeding, die hen in staat stelt, een goed figuur in de maatschappij te maken. Maar wanneer al hetgeen iemand verworven heeft, na zijn dood der massa ten goede komt, dan kan de staat aan de geheele jongelingschap eene opleiding verstrekken in verband met aanleg en vlijt, en de onterfde zoon van den rijke verheugt zich dan minstens in dezelfde voorrechten die nu het uitsluitend deel van den jongeren zoon des Pairs zijn. Voor zijne kinderen, aan wie hij geen vermogen nalaat, doet de Pair nog iets anders ; hij maakt gebruik van zijne familiebetrekkingen en,van zijne relatiën met invloedrijke personen, om hun een werkkring bij het bestuur van land, provincie of gemeente te bezorgen, die min of meer het karakter van prebende draagt. Wat is dit anders dan het in werking stellen der solidariteit, die het individu nog vaster waarborgen voor zijn onderhoud oplevert dan geld ? Het valt niet te ontkennen, dat deze solidariteit een bekrompen en zelfzuchtig karakter heeft; het is die eener kaste ; zij werkt ten voordeele vau enkelen, zonder op het belang der overigen te letten. Maar wanneer men zich nu zulk een band voorstelt, die eene geheele maatschappij onderling verbindt en die nuttige productie bedoelt, eene regeering, die zorgt voor de opvoeding der gezamenlijke jeugd en bij onvermogen der ouders in dier onderhoud voorziet, totdat zij zelve een ambacht kan uitoefenen, — zou dan in zulk eene solidaire samenleving het individu niet beter af zijn dan tegenwoordig de jongere zoon van den Engelschen edelman ? Zou, dus beschouwd, de onthouding van het vaderlijk vermogen nog wel eene on-
246
rechtvaardigheid tegenover de kindereo kunnen heeten ?
Dat het in-practijk-brengen van dit denkbeeld in den eersten tijd met zeer groote bezwaren zou te kampen hebben, begrijp ik. Sommige ouders zouden hun best doen om door schenking gedurende hun leven de wet van teruggave aan den staat te ontduiken, en het zou der regeering niet gemakkelijk vallen het bedrog te ontdekken, waardoor dan toch een deel van \'t vaderlijk vermogen op de kinderen zou overgaan. Dit misbruik ware intusschen voor het systeem van geene groote beteekenis. Onder de nieuwe wet, wanneer deze maar eerst ingevoerd was, zou de beschouwing der menschen ai zeer spoedig gewijzigd worden. De ouders zouden weldra inzien, dat in eene aldus hervormde maatschappij de afwezigheid van vermogen voor een kind iets anders beduidt dan nood en ontbering, en de zacht om hunne kinderen als renteniers ter wereld te brengen zou ras verminderen. Het bezit aan papieren van waarde, effecten en dergelijke, te contróleeren, levert geen bezwaar op, en hierin bestaat het eigendom eener familie toch grootendeels. Enkele voorwerpen van kunst of stukken, waaraan een gezin bizondere waarde hecht, zou men als herinneringen van den regel kunnen uitzonderen. Voor vaste goederen kou bij eene goede administratie van rijkswege van geene ontduiking der wet sprake zijn. Heel het land, met zijne gebouwen, fabrieken en inrichtingen, moet het volstrekte eigendom van den staat worden en aan het eind van ieder menschenleven tot de algemeene bezittingen worden teruggebracht. Wie daar moeite voor doet, ontvangt van den staat land of fabrieken voor zoolang hij leeft en betaalt er eene pachtsom voor, geëvenredigd aan het bedrag eener matige rente van het door den bouwgrond of door de fabriek vertegenwoordigde kapitaal. Dit is ook alweer geene splinternieuwe hervorming, geene
247
ongehoorde revolutionnaire gedachte, maar eenvoudig de toestand, die reeds in onze dagen in enkele landen, als Engeland en Italië, aanwezig is, op ruimer schaal toegepast. In die landen vindt men groote landeigenaars, die hunne akkers niet zelf bebouwen, maar dezen arbeid door pachters laten waarnemen. Niets belet de maatschappij, alle boeren en fabrikanten met de Bngelsche farmers op ééne lijn te stellen en zich bij een enkelen grondbezitter, het rijk, te bepalen. Bij deze inrichting zal het den vlijtigen werkman mogelijk zijn, een man vau geld te worden, al zal hij ook nooit zooveel kunnen verdienen, dat hij met tafelschuimers en leêgloopers gelijk staat. De naarstige, talentvolle burger vindt in een weelderiger leven de belooning voor zijn arbeid ; de middelmatige of trage moet met minder tevreden zijn; maar alleen hij, die een afkeer heeft van werken, ziet zich tot ontbering, ja tot ondergang veroordeeld. De opeen-hooping van eigendommen in de hand van een enkelen pachter wordt voorkomen doordien een ondernemer slechts met moeite de noodige arbeiders vindt; want dewijl ieder die werken wil, eigen grond van den staat kan erlangen, bestaat er geene noodzakelijkheid voor hem, anderen zijne diensten aan te bieden en van een ondernemer afhankelijk te worden. De ontwikkeling van dit systeem heeft natuurlijk ten gevolge, dat weldra ieder persoonlijk niet meer land zal aanvragen dan hij zelf, desnoods met behulp zijner huisgenooten, bebouwen kan. Hierdoor wordt tevens de overdrevene ontwikkeling der industrie ten koste van de productie van voedingsmiddelen gebreideld. Want een iegelijk, die werken wil, kan even gemakkelijk zelfstandig farmer worden als fabrieksarbeider ; daarom wijdt hij zich der industrie alleen dan wanneer deze hem een aangenamer, rijker bestaan kan opleveren dan de bebouwing van zijn akker ; en de overstelpende menigte van werkzoeken-
248
den, die met de allergeringste hoeveelheid leveusgoederen en genietingen tevreden zijn en die malkaar bij de fabrieken verdringen, is ondenkbaar. Wezenlijke bezwaren kunnen ontstaan, wanneer de staat overbevolkt en de voorraad land minder wordt. Dan wordt het ondoenlijk, aan alle aanvragen om bouwgrond of industneele hulp te voldoen, en een gedeelte der opkomende jongelingschap zal moeten besluiten, zijne toevlucht tot landverhuizing te nemen. Maar eene flinke, grondige bearbeiding van den bodem kan, zooals ik hierboven heb aangetoond, deze noodzakelijkheid tot in verre, verre toekomst verschuiven.
Ongetwijfeld is ook dit systeem een soort van communisme. Doch wie zich door dit woord schrik laat aanjagen, dien wensch ik er aan te herinneren, dat onze maatschappij al zoo communistisch mogelijk is, wel niet in actieven, maar zeer zeker in passieven zin. Bestaat bij ons algeene gemeenschap van bezittingen, niemand kan toch ontkennen, dat we in gemeenschap van schulden leven. Wanneer nu geen reactionnair voor het denkbeeld siddert, dat ieder burger van den staat, door het feit alleen dat hij burger is, bij de regeering eene schuld heeft staan, die bij voorbeeld in Frankrijk ongeveer 600 frcs, per hoofd bedraagt, waarom zou het hem dan onaangenaam aandoen, als de burger, door eene geheele omwenteling, van schuldenaar in eigenaar werd veranderd, doordat een zeker aandeel van de alge-meene bezitting hem toevertrouwd werd? Zou het zoo\'n ijse-lijke gedachte zijn, dat de staat niet alleen publieke schuld, maar ook publiek vermogen bezat, en bijgevolg niet enkel belasting van zijne onderdanen vergde, maar hun ook goederen uitkeerde ? Buitendien, met sommige personen gebeurt dit reeds. Want het rijk heeft ook verschillende paleizen, bosschen, landgoederen, schepen ; de meeste menscheu begrijpen nog maar niet, dat de aanwezigheid van zeker eigen-
249
dom, dat niet aan enkele, maar aan alle laudorenooteu te-za-men toebehoort, werkelijk communisme is. Zij blijven nog maar hechten aan de middeleeuwsche voorstelling, als zouden die goederen van den staat toch feitelijk individueel zijn en den vor^t of\' een ander magistraat toekomen. En rijksbelasting, domeinen en staatsschuld zijn niet de eenige vormen, in welke het communisme zich openbaart. Sommige soorten van crediet zijn niets anders clan dat. Wanneer iemand zijn buurman geld leent of eene aanwijzing op zijn persoonljjk vermogen beschikbaar stelt, die door een derde als contant geld beschouwd wordt, dan is dit eene ruiling van individueel eigendom. Staat daarentegen eene bank, welke blanco-papieren uitgeeft — en bij vele banken beloopt het cijfer der blanco-papieten een derde van dat der gezamenlijke banknoten — aan een persoon, op zijne handteekening, geld in biljetten ter leen af, waarvoor deze alle mogelijke goederen kan koopen, dan is die handeling eene daad van communisme, in de volle beteekenis van het woord. De bank geeft in dit geval toch geen loon door arbeid verworven, dat is geld, maar eene aanwijzing op geld \'twelk nog verdiend moet worden ; en dat zulk eene belofte door de maatschappij geëerbiedigd wordt, dat het algemeen bestuur tegen zulke noten goederen uitkeert, is eene hulde aan de onderlinge aansprakelijkheid der menschen gebracht, eene erkenning van het feit, dat ieder voor zich recht heeft op een deel der algemeene bezittingen, zelfs dan wanneer hij nog niet dadelijk in staat is, de waarde er-van terug te geven.
De inlossing van alle eigendommen door den staat, na den dood dergenen die ze verwierven, is de bron van een schier onuitputtelijk publiek vermogen, zonder dat zij daarom het bezit van persoonlijk eigendom buitensluit. Ieder individu heeft dan een eigen en gemeen vermogen, op de-
250
zelfde wijze als het een doop- en een familienaam heeft. Het staatseigendom, waarmede iemand geboren wordt, is als het ware zijn familienaam, terwijl zijn eigen vermogen, hetwelk hij in zijn leven door vlijt verdient en onbeperkt, onvoorwaardelijk genieten kan, zijn doopnaam verbeöidt. Vereenigd omschrijven zij zijne betrekking in de maatschappij, zooals zijn volle naam zijn burgerlijken persoon beduidt. Terwijl het individu voor zichzelf arbeid, werkt hij tegelijkertijd voor het geheel, daar toch het overschot van zijne verdiensten boven zijne behoefteu ten slotte der maatschappij ten goede komt. Het gemeenschappelijk vermogen vormt den grooten vergaarbak, waaruit de overvloed van den een den noodlijdende hulp verleent, en op die wijze wordt de telkens ontstaande ongelijkheid van goederen-verdeeling na \'ederen menschenleeftijd weêr aangezuiverd. De erving daarentegen bevestigt deze bonte verhoudingen en maakt ze hoe langer hoe sc\'herper.
Tot deze hervorming der sociale toestanden moet het eenmaal komen. Het gezond oordeel en de natuurwetenschappelijke beschouwing eischen het. Eén enkel beginsel moet de samenleving bezielen, welk beginsel maar één van beide kan zijn : of dat der persoonlijkheid, anders gezegd : zelfzucht, öf dat der solidariteit; der onderlinge belangstelling, altruïsme. Onze hedendaagsche maatschappij wordt door een onlogisch mengelmoes van die twee systemen geregeerd. Het bezit is individueel, en de zelfzucht heeft in den vorm van het erfrecht de uiterste grenzen bereikt, naardien zij niet louter met list en geweld alles grijpt wat zij maar rijgenk kan, maar het geroofde voor altijd tracht vast te houden en zoodoende het medegenot der andere menschen daarvan onmogelijk maakt. Intusschen ontzegt de niet-bezitter aan den bezitter het recht, zich op het beginsel te beroepen, waaraan hij zijn eigendom te danken heeft. Het vermogen wordt wel degelijk in naam der
251
individualiteit in beslag genomen, maar het wordt naar de wetten der solidariteit verdedigd. De rijke profiteert, als verstokt egoïst, ongehinderd van de goederen, die hij wist te verkrijgen. Niet zoodra wil echter de arme eveneens zelfzuchtig en individualistisch zijn en strekt hij zijne hand naar het goed van den ander uit, of hij wordt achter de tralies gezet of opgeknoopt. In den vorm van speculatie en woeker is alle egoïstisch streven geoorloofd, — in den vorm van rooven en stelen wordt het gestraft. Hetzelfde beginsel is op de eene wijze toegepast eene deugd, op de andere manier eene misdaad. Hier komt het gezond verstand tegen op. Laat men desnoods de zelfzucht prediken, maar laat meu dan ook moed genoeg bezitten om haar in iedere omstandigheid te verschoonen. Is het rechtvaardig, dat de rijke, zonder iets uit te voeren, het zijne geniet, wijl hij er slag van had, zijn grondbezit uit te breiden of van den arbeid zijner onderhoorigen bovenmatig partij te trekken, dan moet het ook billijk zijn, dat de arme hem op zijne beurt doodslaat en zijn vermogen als een welkomen buit beschouwt, wanneer hij het hart tot die daad heeft. Dat is dingtaal. Natuurlijk zou bij de toepassing van deze logica de maatschappij te gronde gaan ; de beschaving zou uitsterven en de men-schen zouden in roofdieren veranderen, die de bosschen doorkruisten en elkander verscheurden. Wie nu zulk een toestand- juist niet voor het ideale doel der maatschappelijke ontwikkeling houdt, dien blijft niet anders over, dan tot het andere beginsel, dat der algemeene verantwoordelijkheid te besluiten. Hier is niet langer de leuze: »ieder voor zich,quot; maar: »een voor alle en alle voor één.quot; Nu acht de maatschappij zich verplicht, de jeugd, die nog niet in staat is, haar eigen onderhoud te verdienen, te voeden en èp te voeden ; de oude van dagen, welke niet meer tot den arbeid bekwaam is, te verzorgen ; den gebrekkige te hel-
252
pen, en dan alleen het gebrek lijdeo te dulden, wanneer het een gerolg is van moedwilligen lediggang. Maar de vervulling van deze plichten stelt ééne groote voorwaarde, en die is: het afschaffen der erfelijk verkregen goederen ; zoolang het »ervenquot; niet onderdrukt is, kan de maatschappij onmogelijk hare verplichtingen naleven.
Groote gebeurtenissen staan op maatschappelijk gebied vóór de deur, en het zal niet lang meer aangaan, ze tegen te houden. Zoolang de groote menigte nog goedgeloovig was, kon men de menschen met onbepaalde beloften van hemelsche zaligheid in hunne tegenwoordige ellende troosten. Thans, nu de ontwikkeling steeds veld wint en alge-meener wordt, slinkt het aantal geduldigen tot een zeer klein bedrag. Men vindt in onze dagen niet vele vromen meer, die de hostie eene schadeloosstelling voor een maal-tjjd achten, en die de aanwijzing van den priester op eene plaats in \'t paradijs op even hoogen prijs stellen als het bezit van een vruchtbaren aardschen akker. De onbemid-delden gaan de rijken tellen, en ook hun eigen aantal nemen zij op ; en dan komen zij tot de overtuiging dat zij talrijker zijn, en sterker ook dan dezen. Een zorgvuldig onderzoek naar de bronnen van den rijkdom leert bun, dat speculatie, erfenis en woekerwinst niet meer recht van bestaan hebben dan roof en diefstal, welke door de wet streng gekastijd worden. Bij de steeds voortgaande onterving der groote menigte, door haar losscheuren van grond en bodem, en bij de voortdurende opeenhooping van fortuin in enkele handen, nemen de onbillijkheden in de staathuishoudkundige toestanden aanhoudend toe ; zij worden hoe langer hoe ondragelijker, en ten dage dat de kennis van de oorzaken dezer wanverhouding zich bij de groote massa met den honger vereenigt, is geene hindernis zoo bezwarend en geen dijk zoo beschermend, of zij haalt die
253
omver om recht te verkrijgen en verzadigd te worden.
Honger is eene dier weinige natuurlijke krachten, waartegen op den duur bedreiging noch overreding bestand is. Deze kracht zal het dan ook ten laatste zijn, die aan de tegenwoordig heerschende, door-en-door ziekelijke, op bijgeloof en zelfzucht gegronde verhoudingen een einde maakt. Zij zal sterker blijken dan de wijsbegeerte, vermits aan deze de macht ontbreelct om handelend op te treden.
DE HUWELIJKSLEUGEN.
I.
De mensch heeft twee machtige hoofddriften, die gansch zijn leven beheerschen en den eersten stoot aan al zijne daden geven; de neiging tot zelfbehoud en de neiging tot behoud zijner soort. Gene komt het eenvoudigst als honger, deze als liefde voor den dag. De vermogens, die bij de voeding en voortplanting werken, zijn ons uog duister, maar het werken zelf behoeft geene verklaring meer. Wij weten niet, waarom een individu de baan van zijne ontwikkeling precies in een gegeven en niet in een ander getal jaren afloopt; waarom het groote en sterke ros slechts 35, de kleinere en zwakkere mensch daarentegen over de 70 jaar oud kan worden ; waarom de kleine raaf tot 200, de veel grootere gans integendeel maar een 20 jaren leeft. Doch wat wij wèl weten, is dat aan ieder wezen reeds in\'toogenblik zijner geboorte een bepaalde levensduur toebeschikt wordt, evenals een klok opgewonden is voor een zekeren tijd, die door toevallige invloeden van buiten verkort, maar in geen geval verlengd kan worden. Zoo vermoeden wij, dat ook de geslachten voor een vasten levensduur zijn aangewezen, dat zij gelijk de individuen op een nauwkeurig aan te duiden moment ontstaan, als het ware ge-
255
boreu worden, zich ontwikkelen, tot vollen wasdom geraken en sterven. De levenscyclus van eene soort omvat te veel tijd, dan dat de mensch het begin en het einde er-van ook maar in één geval door rechtstreeksche waarneming zou kunnen bepalen ; edoch de paleontologie biedt verscheidene punten aan, met behulp van welke men zonder risico er-toe komen kan, het parallelisme van de levens- en ontwikkelingswet der individuen met die der soort te constateeren. Zoolang de enkele mensch de hem bij zijne geboorte medegedeelde kracht niet heeft verbruikt, streeft hij er-naar met alle inspanning, tot welke hij in staat is, zich te behouden en tegen zijne vijanden te beschermen ; is die kracht uitgeput, dan wenscht hij ook niet langer te eten en te drinken, noch zich te behouden: dan sterft hij. Eveneens openbaren zich bij\'t geslacht de levensbeginselen als neiging tot voortplanting. Zoolang de kracht werkt, streeft ieder wèltoegerust individu met hart en ziel naar paring. Begint zij te kwgnen, dan wordt het individu omtrent dit punt onverschilliger en laat eindelijk geheel af, de paring als noodzaakte beschouwen. Wij hebben in de verhouding van het egoïsme tot het altruïsme bij eene gegevene soort, zelfs bij enkele menschenrassen of volkeren, een zekeren graad der levenskracht, die deze soort, dit ras of volk nog bezit. Hoe grooter een getal individuen daarvan hun eigenbelang hooger stellen dan alle verplichtingen der solidariteit en alle idealen der geslachtsontwikkeling, hoe nader zij bij \' t einde van hare levensvermogens is. Hoe meer individuen eener natie daarentegen het instinct van heroïsme, belangeloosheid, zelfopoffering hebben, des te voller bare levenskracht. Het verderf, niet alleen van \'t gezin, maar ook van \'t volk vangt aan, wanneer het egoïsme zegeviert. Dit laatste is het onbedriege-lijk teeken van uitputting der vitaliteit bij de soort, waarop zeer spoedig het verval der persoonlijke krachten moet volgen, zoo deze niet door gunstige kruising of wisseling nog ge-
256
rekt worden. Heeft een ras of volk dit keerpunt op zijne baan bereikt, dan verliezen de individuen de geschiktheid om gezond en natuurlijk te beminnen. De huiselijke zin verdwijnt. De mannen willen niet trouwen, omdat zij \'t ongeriefelijk vinden, zich de verantwoordelijkheid voor een ander menschenleven op te laden en voor een tweede schepsel buiten zich-zelf te zorgen. De vrouwen duchten de smarten en lasten van het moederschap en streven ook in \'t huwelijk met de onzedelijkste middelen naar kinderloosheid. Het instinct van voortplanting gaat te niet; bij sommigen dooft het geheel uit, bij anderen ontaardt het in de vreemdste en onnatuurlijkste afdwalingen. De handeling van paren, deze verhevenste functie van \'t organisme, welke het niet vóór zijne volle rijpheid verrichten kan en waar de hevigste aandoeningen van het zenuwstelsel mee verbonden zijn, wordt tot een onbesuisd gedartel verlaagd en geschiedt niet meer in \'t belang der soort, maar uitsluitend ter wille van een waarde- en doelloos individueel genoegen. Waar de liefde in \'t algemeen nog als een overgeërfd iets, als atavisme optreedt, is zij niet de samenvoeging van twee onvolledige, halve persoonlijkheden tot één geheelen persoon van hoogere orde; niet de ontvouwing van een dor enkelleven tot een vruchtbaar dubbel-bestaan, dat zich-zelf in nakomelingschap onbegrensd kan voortzetten, niet de onbewuste oplossing van het ik in het altruïsme, niet het uitmonden van \'t geïsoleerde water in den frisschen, bruisenden stroom des Als, — maar een wonderlijke, zich-zelf niet begrijpende en daarom ook niet te stillen zucht, half droo-merij, half hysterie, deels zelfbedrog, herinnering, weêr-stuit van \'tgeen men gelezen of gehoord heeft, ziekelijk, sentimenteel gezeur, deels ook verbijstering, bestendige melancholie of waanzin bij vlagen. Onnatuurlijke ondeugden nemen de overhand, doch terwijl in \'t
257
geheim de schaamteloosheid hoogtijd viert, wordt openlijk juist eene allergevoeligste preutschheid afin den dag gelegd, en in de beteekenis van \'t spreekwoord, dat men in \'t huis van den beul niet van stroppen mag reppen, vermijdt dergelijk volk, dat ten opzichte van zijn geslachtsleven een boos geweten heeft en zich wel zijner zonden, door bedrijven of onthouden, bewust is, met den angst van een betrapten misdadiger, dit onderwerp in schrift of bij monde ook maar van verre aan te roeren. Dat zijn teekenen eener bedenkelijke ziekte, openbaringen van een ondergaand ras, hetwelk of door de natuurlijke afslijting, die \'t gevolg van ouderdom is, of door ongunstige levensverhoudingen, of ook door het voet geven aan schadelijke en dwaze invloeden tot verval van krachten is geraakt.
Wanneer men ons nu toegeeft, dat de vorm der verhoudingen van beide seksen onderling een graadmeter van de levenskracht van een volk is, en men legt dezen maatstaf den beschaafden volken van \'t westen aan, dan komt men tot de bedroevendste resultaten. De bedorvenheid der oecono-mische, maatschappelijke en staatkundige instellingen heeft bij deze volken ook het geslachtsleven vergiftigd ; alle natuurlijke driften, die het behoud en den vooruitgang dei-soort moeten verzekeren, zijn vervalscht en op verkeerde paden geleid, en de toekomstige generatiën, juist van het verstandelijke, meest ontwikkelde deel der menschheid, worden roekeloos aan de heerschende zelfzucht en huichelarij ten otfer gebracht.
Ten allen tijde heeft de menschheid eerst instinctief gevoeld, toen met haar hoofd begrepen, dat er niets gewichtigers voor haar is dan hare eigen duurzaamheid, en alle gewaarwordingen, alle gedragingen, welke in \'t een of ander verband met dien hoogsten eisch staan, hebben van oudsher de voornaamste plaats op het gebied van haar denken ingenomen.
17
258
De liefde vormt zoo goed als uitsluitend den inhoud van de bellettrie aller tijden en volkeren, den eenigen inhoud, dien het gros der lezers of hoorders blijvend vermocht te boeien ; het slotaccoord der liefde, de vereeniging van den jongeling met de maagd tot een gezegend paar, is aanvankelijk door gebruiken en gewoonten, later door de gedrukte wetten met ceremoniën en voorbereidingen omringd en gevierd geworden als geen ander feit in \'t menschelijk leven, zelfs niet de weerbaarmaking der jongelingen, die toch bij wilde stammen, welke in voortdurenden staat van aanval en verdediging leven, eene gebeurtenis van \'t grootste belang is. Door die omslachtige formaliteiten bij de bruiloft, heeft de overheid zich steeds eene soort van toezicht op de geslachtsverhoudingen van hare onderhoorigen verzekerd, en de deftigheid, waarmee zij de verbintenis van twee gelieven opnam, moest in dezen het bewustzijn wekken, dat hunne omarmingen meer dan particulier spel, meer dan een maaltijd, eene jacht of eene avondparty met zang en dans waren, dat de ge-heele samenleving er-in betrokken en op dier toekomst invloed uitgeoefend werd. Om eene verlaging der liefde tot eene simpele koozerij te beletten, om hare verhevene bedoeling, het behoud der soort, naar vermogen te bevorderen, heeft de maatschappij van den aanvang harer zeden af, uit beginsel, slechts zoodanige betrekkingen tusschen man en vrouw als eervol erkend en met hare achting gewaarmerkt, wier ernst de proef van een openlijk ceremonieel doorstaan heeft, dezulken daarentegen, die zich aan deze wijding onttrokken, veroordeeld en met haar afschuw, ja met hare stoffelijke tegenwerking gestraft.
Ook in onzen beschaafden tijd moet de gelachtsdrift, wil zij niet iu schandelijke en strafbare misdaad verloopen, de maatschappij tot getuige van hare bevrediging aanroepen en zich onder hare tucht plaatsen; ook heden nog
259
is het huwelijk de eenige vorm vau betrekking tusschen man en vrouw, welken de samenleving goedkeurt. Wat heeft nu de leugen der beschaving van het huwelijk gemaakt ? \'t Is ontaard in een stoffelijk compromis, waarbij voor de echte liefde even weinig plaats blijft als in een bond van twee kapitalisten, die eene zaak ondernemen. Het voorwendsel vau het huwelijk is nog altijd de instandhouding der soort, zijne theoretische onderstelling nog altijd de wederzijdsche aantrekking van twee individuen van verschillend geslacht; doch feitelijk wordt de echt geenszins om den wille eener toekomst, maar enkel en alleen om het persoonlijk belang der verbondenen gesloten. Het ontbreekt den modernen echt, vooral bij de zoogenaamde betere klassen, ten eenenmale aan zedelijke wijding, en met haar aan de anthropologische rechtvaardiging. Hij moet de sanctie van \'t altruïsme zijn, hij is die van het egoïsme. Man en vrouw willen niet in en voor elkaar leven, maar beter voorwaarden vinden voor een aangenaam afzonderlijk bestaan, vrij van alle veramp;ntwoording. Men trouwt om verbetering in de financiën te brengen, om zich een behage-1 ijker thuis te verzekeren, om een rang in de maatschappij te kunnen innemen en handhaven, om aan eene gril der ijdelheid te voldoen, om in \'t genot te komen der voorrechten en vrijheden, welke de samenleving aan onze vrouwelijke vrijgezellen onthoudt en den gehuwden dier sekse toestaat. Men denkt bij zulk eene verbintenis aan alles, aan keuken en salon, aan promenade en zeebad, aan balen eetzaal; er is maar één ding, en \'t voornaamste, dat over \'t hoofd wordt gezien : het slaapvertrek, dit heiligdom, waaruit toch het morgenrood der toekomst van \'t gezin, van \'t volk, van de menschheid moet dagen. Zijn niet de natiën tot verval en ondergang gedoemd, bij welker huwelijken de zelfzucht zegeviert, terwijl het kiud een ongewenscht
2G0
of, zeer gunstig genomen, een onverschillig toeval, een niet gemakkelijk te vermjiden, maar volstrekt ondergeschikt verschijnsel is?
Men werpt mij mogelijk tegen, dat bij nataurvolkeren, die in de oorspronkelijke verhoudingen leven, de meeste huwelijken ook niet anders dan bij ons worden gesloten. Ook bij hèn speelt de neiging geene rol. Bij sommige stammen huwt de man een meisje, dat hij pas na de bruiloft voor het eerst ziet. Bij andere rooft de trouwlustige jongeling de eerste vrouw de beste van een naburigen stam, die hij machtig kan worden. Waar men eene vrouw kiest, daar geschiedt dit uit overwegingen, die niets met liefde gemeen hebben. Men verheft een meisje tot zijne gade. omdat zij in den stam bekend staat als flink te kunnen werken, behooi-lgk het vee te kannen hoeden, ervaren in \'t spinnen en weven te zijn. Ook hier is het behoud van den stam dus aan het blinde toeval of aan \'t egoïsme overgeleverd, en toch zijn zoodanige volken vol jeugdige kracht, en gaat hunne ontwikkeling, wel verre van onder «deze omstandigheden te lijden, ras vooruit. Nu kan men zeggen : de niet op liefde, maar op zelfzucht en afkomst gebaseerde huwelijken hebben bij die natuurvolken niet de bedenkelijke gevolgen der beschaving. In primitieve maatschappijen zijn de individuen verstandelijk en lichamelijk weinig verschillend. Mannen en vrouwen zijn de typen van hun stam ; een bizonder karakter komt er heel niet, of enkel in de kiem voor. \'t Is of alle individuen uit één vorm gegoten zijn; men verwart ze met elkaar, en zij hebben als huwelijksmateriaal nagenoeg dezelfde waarde. Er behoeft dus aan de paring geene keuze vooraf te gaan; de kinderen zullen er niet anders door worden. Groote gelijksoortigheid der individuen sluit niet alleen de noodwendigheid, maar ook de mogelijkheid van liefde buiten. De neiging tot voortplanting verwekt
261
daar bij \'t individu slechts een algemeen verlangen naaiden individu van \'t andere geslacht ; hij individualiseert nochtans niet, kortom, hij verheft zich niet tot de hoogte, waarop de concrete liefde voor j uist één en geen ander wezen staat. Heel het eene geslacht voelt zich aangetrokken tot heel het tegengestelde, en zoowel den man als de vrouw is het bepaald onverschillig, welke vrouw of welke man ineé zal gaan. Komt al ééns bij een natuurvolk eene persoonlijkheid voor, die aanmerkelijk van de norm afwijkt en zich van de overige leden door eigenschappen vau lichaam of geest met nadruk onderscheidt, dan wordt die afwijking dadelijk gevoeld met eene intensiteit, waarvan wij, die toch aan groote individueele ongelijkheden zoo gewoon zijn, ons nauwelijks een begrip kunnen vormen ; de zoölogische wet der keuze verbindt zich met eene macht der natuur, en de wensch naar het bezit van dit uitstekend individu bereikt, de hevigheid van een woesten, vlammen-den hartstocht, die tot de buitensporigste daden leidt. Bij de beschaafde volken echter, wier persoonlijkheden zoo verre uiteenloopen, zijn de dingen geheel anders. Onopgevoede, onontwikkelde klassen hebben die neiging tot voortplanting ook nog meer als algemeenen drang dan als persoonlijke drift voor een bepaald wezen, en de dichters met hunne sentimenteele sprookjes geven al van zeer weinig of geene opmerkingsgave blijk door hun heftige liefde toe te kennen. Bij de hoogste klassen daarentegen, wier individuen zoo rijk ontwikkeld, zoo uiterst menigvuldig en verscheiden zijn in alle mogelijke hoedanigheden, wordt de teeldrift kieskeurig en zij moet dit ook worden, wil het nakroost levensvatbaar en flink zijn. Daar moet de echt, d. w. z. de eenige door de maatschappij voor geldig verklaarde verhouding, die nakomelingen mag verwekken, een uitvloeisel van liefde zijn. Want liefde is de groote regulator vau
262
het leven der soort, de drijfkracht, die volmaking er-aan geeft en haar physisch bederf weert. Liefde is de instinctmatige erkenning van een wezen, dat het een paar moet vormen met een wezen van de andere kunne, opdat zijne goede eigenschappen veredeld, zijne kwade vernietigd worden, en bij zijne nakomelingen zijn type ten minste onverlet blijve, zoo mogelijk eene idealiseering ondervinde. De voortplantingsdrift op zich-zelve is blind en heeft de zekere geleidster liefde noodig om haar natuurlijk doel te bereiken, dat in het behoud en de verbetering beide van de soort bestaat. Ontbreekt die gids, wordt de paring niet door weder-zijdsche aantrekking, maar door het toeval of andere zaken, die met hare physiologische strekking niets gemeens hebben, bepaald, dan is bij groot verschil van de ouders het product van kruising of onbeduidend of gebrekkig. De kinderen erven van de ouders de feilen, die nog sterker bij hen uitkomen, de goede hoedanigheden zijn verzwakt of ver-onzijdigen elkaar, en er ontstaat een verloopen, achteruitgaand ras, dat tot een vroegen ondergang is veroordeeld. Er is maar ééne stem; die der liefde, welke ons zegt, dat onze verbintenis met een bepaald individu in \'t belang van \'t behoud en de verbetering der soort, dat onze paring met een ander heilloos is. Goethe heeft het wezen der liefde met een enkel woord zoo helder aangeduid en zoo voldingend gedefinieerd, dat Igvige boekdeelen er niets aan zouden toevoegen. Dat woord: » Wahlverwandtschaftquot; (keusverwant-schap), is eene aan de scheikundige wetenschap ontleende term, die zoo diepzinnig mogelijk eene door de hysterische dweperij van bekrompene, onbesuisde poëten in een mystisch kleed gehulde beweging in den mensch met de groote wordingsfeiten in de natuur vereenzelvigt. De chemie noemt keusverwantschap (affiniteit) de neiging van twee lichamen om met elkaar zich tot een nieuw product te verbinden,.
263
hetwelk in bijna al zijne eigenschappen, in kleur, aggregatie-toestand, dichtheid, werking op andere stoffen, enz. van de lichamen, die het samenstelden, geheel verscheiden is. Twee lichamen zonder keus verwantschap kunnen elkaar in alle eeuwigheid zoo innig mogelgk aanraken, hunne betrekking zal nochtans een dood naast-elkander-blijven zijn en geene nieuwe vorming, geene nieuwe krachtsoefening teweegbrengen. Maar zijn die lichamen keusverwant, en brengt men ze in elkanders nabijheid, oogenblikkelijk zullen er schoone, levendige, vruchtbare gebeurtenissen plaats grijpen. Het menschelijk organisme is het schouwtooneel van gansch eenerlei verschijnselen. Twee individuen oefenen wisselwerking op elkaar uit, óf niet. Zijn ze keusverwant, dan beminnen ze elkaar, vliegen elkaar onstuimig te-gemoet en worden de bron van nieuwe vormingen. Zijn ze dat niet, ze blijven koud en doelloos vóór elkander staan, en nooit wordt hun samenzijn eene episode van \'t algemeene levens-procès. Wij bevinden ons hier tegenover eigenschappen, welke inherent zijn met de stof en die we niet pogen te verklaren. Waarom verbindt zich de zuurstof met het kali ? Waarom niet de stikstof met het platina ? Wie kan het zeggen ? En waarom heeft een man deze vrouw en geene andere lief? Waarom begeert eene vrouw dezen man, en versmaadt alle anderen ? Blijkbaar dewijl die aantrekking en afstooting in \'t chemisme zit, en uit dezelfde bronnen vloeien de organische verschijnselen des levens van-zelf voort. De echt nu is een vat, waarin twee verschillende lichamen, twee chemische stotïen, bij elkander worden gebracht. Zijn ze verwant, dan is het vat van leven vervuld ; in het tegenovergestelde geval huist er de dood. Doch wie vraagt er bij onze moderne huwelijken naar verwantschap ?
Er zijn maar twee soorten van betrekking tusschen man en vrouw: éene, die op natuurlijke genegenheid van weêrs-
264
zijden berust en dan altijd, met of tegen wil en dank, reproductie beoogt, en éene, waarbij dit laatste doel niet in de eerste plaats bejaagd, maar enkel de bevrediging van egoïsme in eene zijner veelvuldige gedaanten gezocht wordt. De eerstgenoemde betrekkingen zijn de rechtmatige eu zedelijke, de andere vormen de groote categorie der prostitutie, al komen ze dan ook uiterlijk met gene overeen. Het ver-loopen schepsel, dal \'s nachts in de straten eener drukke stad een onverschillig voorbijganger tegen een stuk zilver haar lijf aanbiedt, dat nauwelijks in het duister de trekken van den man weet te herkennen, prostitueert zich; de fielt, die het hof maakt aan eene zottin en zich in klinkende munt voor zijne ovatiën laat betalen, prostitueert zich ; men kan omtrent die handelingen niet van opvatting verschillen. Doch ik vraag: waar is het onderscheid tusschen den man, die door zijne minnares vrijgehouden wordt, en hem, die eener erfgename of der dochter van een invloedrijk man, voor wie hij niet de geringste liefde voedt, het hof maakt, om te-gelijk met hare hand rijkdom en positie te verkrijgen ? En waar is het onderscheid tusschen de deerne, die zich tegen eene kleine vergoeding aan een onbekende verkoopt, en de slanke bruid, die vóór het outer naast een individu knielt, \'t welk zij niet bemint, en dat haar in ruil voor hare omhelzingen een rang in de maatschappij of toiletten, pronk en personeel, of ook niet meer dan het magere dagelijksche brood verschaft ? De beweeggronden zijn in heide gevallen dezelfde, ook de handelwijze is dezelfde, en naar waarheid en recht moet men ze op dezelfde wijze qualificeeren. De bij iedereen als uiterst eerbaar bekende, zich-zelve als ongewoon streng zedelijk beschouwende mama, die aan hare dochter een welvarenden galant voorstelt en wier aangeboren onverschilligheid er-op uit is. deze door wijze toe-
265
spraak eu »gezondequot; lessen te beprateu, vau !t slag bij voorbeeld: dat het dwaas zou zijn, eea fatsoenlijk inkomen te laten schieten, dat liet hoogst onvoorzichtig ware, eene quot;tweede gelegenheid af te wachten, dat een jong meisje om practische dingen, in plaats van om den zotteklap van romaneske liefdesgeschiedenissen, moet deuken —, deze voorbeeldige mama is eene koppelaarster, niet meer of minder dan de strafbare lichtekooi, die op eene bank aan den pu-blieken wandelweg aau werkelooze naaisters wulpsche boodschappen in \'t oor lispelt. De in alle salons met reverentie ontvangen jonker, die in de kruisfiguren van den cótillon de rijke partij spionneert, met zwemmende oogen en smeltende stembuiging de erfgename toespreekt, zijne crediteuren troost met den dag na de bruiloft en van het verkregen uitzet zijne geliefde onthaalt, is even beklagenswaardig als de schooier, dien zelfs de agent van politie schroomt zou-der handschoenen aan te pakken. Eene slet, die zich ver-schachert om eene oude moeder of een klein kind aan den kost te helpen, staat moreel hooger dan de blozende jonkvrouw, die naast een geldwolf in \'t huwelijksbed stapt, om haar wuft verlangen naar bals en badreizen te kunuen botvieren ; en van twee mannen is hij de minst bedrogene en de verstandigste, welke af en toe zijne minnares voor bare gunstbewijzen beloont en haar dan den rug toekeert, terwijl de ander zich door een wettelijk contract voor zijn leven lang eene bijslaapster koopt, die het evenals gene op schadeloosstelling gemunt heeft. Iedere bond tusschen man en vrouw, welke uitsluitend aangegaan wordt om stoffelijke verzorging of diergelijk egoïstisch voordeel te verkrijgen, is boeleering, het moge dan gaau met de medewerking van een ambtenaar en een geestelijke, of alleen door de beusche bemiddeling van eene kwanselaarster.
Doch dit is het karakter van bijna alle huwelijken ; de
266
zeldzame uitzonderingen, waarbij een man en eene vrouw zich in optima forma met elkander vereenigen, zonder verdere begeerte dan om elkander in liefde toe te beliooren, worden door de wijze lieden bepaald geminacht, en men waarschuwt de jeugd er-voor, die na te volgen. Arme of middelmatig begiftigde meisjes worden er door de slimme ouders ten eenemale op afgericht, de gevaarlijke, natuurlijke ingevingen van heur hart te smoren en de zoetheid van hare glimlachjes af te meten naar het inkomen van een vrijgezel; wanneer de ingepompte coquetterie van de dochter ontoereikend is om een argeloozen jonkman in te palmen, dan snellen vader en moeder te hulp en ondersteunen de pogingen van het onschuldige kind met looze manoeuvres. Bij de rijke meisjes draagt de zaak zich anders toe. Want deze zijn niet de jagers, maar het wild. Eene zekere klasse van mannen houdt zich als het ware van beroep met jagen op de bruidsgift onledig, en gaat bij dezen arbeid volgens vaste regelen te werk. L)at kleedt zich in pantalons en vesten van onberispelijken snit, tooit zich met dassen van beleidvol uitgezochte kleur en fatsoen, en klemt zich een glaasje in \'t rechteroog ; dat heeft kroeshaar en geurt een manslengte ver naar allerlei parfums; dat danst voor-treffelijk, is in gezelschapsspelen doorkneed, rhapsodeert van sportzaken en is ervaren in theaterbluf; in een volgend stadium verkwist dat bloemruikers en bonbons en laat het ook aan minnebrieven in proza en poëzie niet ontbreken. Met zulke middelen wordt de goudfazant gemakkelijk buitgemaakt, en het onnoozele schepseltje, dat gewaand heeft in een lyrisch drama mede te spelen, bevindt te elfder ure, slechts als factor in een rekensom te hebben dienst gedaan. Waar eindelijk beide deelen ongeveer op dezelfde hoogte staan, wat rang en fortuin betreft, daar wordt vooruit geteld, gepast en gewogen. Daar geeft men zich niet de moeite
267
om de ware drijfveêreu der verbintenis en de eigenlijke opvatting van het huwelijk te verbergen. Men koppelt twee vermogens, twee invloeden, twee positiën. Hij wil eene gade hebben, die de soep voor hem kookt, de knoopjes aan zijne hemden naait, met elegance een zijden japon kan dragen en netjes vóór een livreibediende in postuur zitten ; zij zoekt een man, die voor haar werkt, of die het haar mogelijk maakt, de hofpartijen te bezoeken en de deftige wereld bij zich te ontvangen. Bij ongelijke stand en middelen komt deze oprechtheid natuurlijk niet te pas. Dan moet er op de eene of andere manier gehuicheld worden. Voor den geldzak veinst het arme meisje liefde, en de kwast liefde voor den goudvisch. Natuur en waarheid vieren ten minste dezen éenen droevigen triomf, dat de ellendige hebzucht, die het huwelijk van haar waarachtig doel afgeleid heeft, in beginsel de zedelijke en physiologische beteekenis er-van erkent, terwijl zij \'t noodig oordeelt, bij het dingen het masker der liefde vóór te zetten.
Wat is het lot der maunen en vrouwen, die op zoodanige wijze een band hebben geknoopt ? De ontaarde, zedelijk verschrompelde voor- en nazaten, die eveneens uitsluitend naaide uitspraak van hun ik getrouwd zijn, die zonder liefde gebaard en ontvangen, zonder teederheid opgevoed werden, hebben ten laatste alle kracht voor die heiligste aller deugden verloren en kunnen wel-is-waar oud worden, maar zonder ook zelfs een uur iets van hunne innerlijke armoede te gevoelen. De man streelt zijn verhemelte en zijne maag, doet groote kennis aangaande wijn en sigaren op, maakt door zijne mildheid veel naam in tooneelkringen, wordt in clubs met achting genoemd, sterft en verdwijnt met alle burgerlijke en kerkelijke statie, en zou, wanneer hij oprecht ware, op zijne grafzerk déze woorden laten beitelen: »De eenige afgod van mijn leven was — ik-zelf.quot; De vrouw
268
deukt ongerjjrude modes uit; zoekt hare buren iu dolle verkwisting te overtroeven; droomt dag en nacht vau japonnen, sieraden, meubels eu rijtuigen ; intrigeert, liegt en lastert, legt het met duivelsche wangunst op de vernietiging van anderer levensgeluk aan, en laat, wanneer hare daden aan hare driften beantwoorden, over heel heur loopbaan een breed spoor van verwoesting en ontbinding na, als sprinkhanen-aas of de pest. Beide, hij en zij, vegeteeren in lichtlooze, mephistische sferen des geestes. Hun leven derft alle ideaal. Hunne natuur, van alle geschiktheid tot opstijgen beroofd, zonder vlieg- en veêrkracht, beweegt zich plat kruipend in het slijk. Luchtschnwe verwoestingsorganismen zijn ze, die ziekte om zich heen verbreiden, de maatschappij uit hare voegen rukken en zelf in het vuilnis dat ze brouwen ondergaan.
Die ontaarden komen hoofdzakelijk in de hoogere standen voor. Zij zijn tegelijkertijd gevolg en oorzaak van dier baatzucht. Men trouwt bij hen niet volgens ingeving, maar volgens rang en vermogen. Vermogen en rang blijven op die manier behouden, al loopen de bezitters ook in \'t verderf. Dat is de werking der mechanismen van zelfinrichting en van belemmering, waarmede ieder levend wezen, dus ook de menschelijke natuur, is toegepast. De onderdrukking dei-liefde, de opvoeding, om zoo te zeggen, van \'t egoïsme, die de voornaamste neigingen bij de »elitequot; uitmaken, zouden, wanneer ze algemeen werden, schielijk tot verval van de soort leiden. Dezer instinct van zelfbehoud openbaart zich dus in de omstandigheid, dat de uit liefdeloosheid en eigenbaat geboren gezinnen onverbiddelijk uitgeroeid worden. Het overal opgemerkt te-niet-gaan van aristocratische familiën heeft haast geene andere reden.
Behalve die ontaarden vindt men echter nog de inwendig gave organismen, de menschen vol lust en kracht om
269
te leven en te lieven, die uit onverstand, roekeloosheid ot flauwhartigen angst voor de gevaren van den strijd om het bestaan midden in eene ruw egoïstisch geschapen maatschappij een smariage de raisonquot; gesloten hebben, zoo genoemd wijl een onredelijker soort van huwelijk niet denkbaar is. Aan deze lieden wreekt zich de tegen de wet dei-vrije keuze begane zonde vroeg of laat, en hoe later, hoe ernstiger. De behoefte aan liefde is niet uit hun hart te verbannen; zij zoekt met gestadige pijnlijke spanning een uitweg uit de weêrbarstige muren van het wettelijk en maatschappelijk conventionalisme. \'t Is mogelijk, dat zulk een individu nooit in zijn leven een verwanten persoon ontmoet: dan blijft de echt op het oog ongestoord en de verhouding der gehuwden tot elkaar wat den vorm betreft zuiver, maar hun bestaan is onklaar en onbevredigd, zij hebben voortdurend het martelend gevoel van bange onrust ea verwachting, zij hopen altijd op iets wat komen moet en dat hen verlossen zal van de benauwdheid van hun doelloos leven ; zij gaan door de wereld als fragmentarisch, als onvolmaakt, en zij reikhalzen naar eene uitkomst, die, al wordt hunne eerzucht voor \'t overige ook nog zoo schitterend bevredigd, toch nimmer hun deel zal zjjn, om de eenvoudige reden, dat juist de liefde deze verschaffen kan. Ook deze individuen ontberen gedurende heel hun leven de wijding van het ideaal; maar subjectief ongelukkiger dan de ontaarden, hebben zij dag in dag uit het besef van het hooge, dat hun ontbreekt. Geene blinden zijn het, maar zienden, aan wier oog het zonnelicht onttrokken is. En dat komt er-van, wanneer het toeval des levens hen nooit met een verwant wezen in aanraking brengt. Stuiten zij echter op een zoodanig, dan is de catastrophe onvermijdelijk. De botsing tusschen hunne verplichtingen als echtgenoot en het elementair streven naar
270
vereeniging met het verwante individu doet zich met kracht gevoelen ; de inhoud liefde komt in opstand tegen den vorm huwelijk, en er moet eene vernietiging volgen. Of de inhoud wordt verpletterd, of de vorm verbroken. Nog eene derde oplossing is denkbaar, die omdat zij de erbarmelijkste is, ook het meeste voorkomt: de zichtbare buitenkanten van den vorm blijven onaangetast, maar aan de keerzijde ontstaat een smalle geheime scheur, die aan den inhoud vergunt, zich uit te zetten en vóór den dag te komen. Dat wil zeggen, nu niet figuurlijk gesproken, öf het beminnende laat den echt met geweld los, èf het bestrijdt en bedwingt zijne liefde met opoffering van zijn geluk, öf wel het bedriegt de andere partij en wordt in stilte echtbreker. Alledaagsche naturen riemen terstond tot dit laatste middel hare toevlucht; edele hebben de tragoedie van den opstand tegen \'s werelds vooroordeelen, van de moordende worsteling tusschen hartstocht en plicht met al hare bittere on-spoeden, uit te vechten en ten einde toe te verduren. Ware de maatschappij door geslachtswetten geregeerd en solidair ingericht, zij zou in deze zich aan de zijde der liefde scharen en den slachtoffers toeroepen : »Gij bemint elkander, vereenigt u dan !quot; Maar de officieele samenleving is de vijandin des huise-lijken levens geworden en de zelfzucht beheerscht haar ; derhalve kiest zij partjj voor den echt en beveelt aan de strijdenden : »Laat af!quot; Vermits zij intusschen, in weerwil van hare wannatuur, nog tot inzicht gekomen is, dat dit niet aangaat, dat men niet gemakkelijker van zijne liefde kan scheiden dan van zgn leven en zulk een wreede last niet vaker zou mogen worden opgevolgd dan een die zelfmoord verordineerde, zoo voegt ze er zachter en oogluikend bij: »Of\' geeft ten minste geen aanstoot!quot; Zoo weêrvaart der liefde dan toch eindelijk gerechtigheid, maar alleen bij hen, die zich bij de huichelarij der samenleving willen neêrleggen,
271
en in plaats van verheffend en veredelend te werken, wordt zij onder dergelijke omstandigheden eene bron van verlaging der karakters, doordat zij leugen, meineed en heling in \'t leven roept. Zij brengt eene eigenaardige vervreemding der individualiteiten te-weeg ; juist de beste en bekwaamste, die voor de echtgenooten de meeste waarde zouden hechten, versmaden het, gemeene en onzedelijke overeenkomsten te treffen, en daar zjj noch eene plechtige gelofte in \'t geheim willen schenden, noch steeds de vastberadenheid of de materiëele mogelijkheid hebben om hun wettigen band voor \'t oog van de wereld los te maken, zoo bezwijken zij aan hunne achterstallige liefde, en deze komt der soort in geenen deele ten goede; terwijl daarentegen de gewone sterveling, wiens voortplanting hem van geringe beteekenis toeschijnt, het martelaarschap ontwijkt en zijn hart bevredigt ten koste van zijn burgerlijk geweten.
De conventioneele echt, dus negen van de tien, welke in Europa bij de beschaafde volken gesloten worden, is alzoo eene diep en diep onzedelijke, voor de toekomst der maatschappij noodlottige instelling. Hij berokkent dengenen, die hem aangaan, vroeg of spade een conflict tusschen duur bezworen plichten en de onuitdelgbare liefde, en laat hun slechts de keus tusschen gemeenheid, alledaagscuheid en den dood. In stede van eene oorzaak der verjeugdiging voor de soort te zijn, is zij een middel tot langzamen zelfmoord.
II.
Dat de echt. oorspronkelijk als de eenige passende vorm van liefde beschouwd, zijne beteekenis volkomen kwijtgeraakt en de grootste aller maatschappelijke leugens geworden is :
\'272
dat men gewoonlijk huwt zonder naar genegenheid te vragen ; dat jongeling eu maagd door het voorbeeld des dagelijkschen levens en haast nog meer door de tamme roman-literatuur van iedere taal er feitelijk toe genoopt worden, zich de liefde als geheel afgescheiden van het huwelijk te verbeelden, en dat zij, terwijl ze hunne handen in elkaar leggen, in den geheimstea schuilhoek van hun hart het voorbehoud maken, \'t zij dan bewust of onbepaald, hunne intieme betrekkingen door zulk een formulier niet te laten dwarsboomen, — daarvan draagt in hoofdzaak de huishoudelijke inrichting onzer ontwikkelde maatschappij de schuld. Deze inrichting heeft de zelfzucht tot basis ; zij kent alleen het individu eu niet de soort; hare voorzienigheid bepaalt zich bij het rechtstreeksch belang van den persoon en veronachtzaamt die der soort geheel; zij maakt eene rooverij uoodig, die de toekomst aan het tegenwoordige opoffert, en heeft onder hare talrijke wachters en wijzen, beulen en gidsen geen het minste bestier over de ongeboren geslachten. Wat kan het eene dus georganiseerde maatschappij schelen of de voortplanting onder gunstige of ongunstige omstandigheden plaats vindt ? De levenden moeten maar om zich-zelf denken. Kunnen zij hun bestaan op aangename wijze voleindigen, dan hebben zij hunne verplichtingen jegens zich-zelf vervuld, en van andere plichten weten zij niet. De volgende generatie moet weder alleen voor haar eigen belang zorgen, en wanneer die door het toedoen der vaderen naar lichaam en geest verarmd of uitgeput is, des te erger voor haar. De kinderen uit huwelijken zonder liefde ellendig? Wat maakt dat uit, als de ouders van zulk een huwelijk maar voorspoedig geweest zijn ! De kinderen uit liefde zonder huwelijk verongelukken meestal door den maatschappelijken ban hunner moeder en worden martelaars der vooroordeelen ? Wat schaadt dit, zoo
aan vader en moeder de verboden betrekking maar genoege-lijke oogenblikken heeft opgeleverd ? De menschheid verdwijnt uit den gezichtskring der menschen, het gevoe) van solidariteit verflauwt, het lijden van den naaste stoort niet langer het welbehagen zijns buurmans, en zelfs de gedachte, dat de menschheid met de levende generatie moest uitsterven, zou de maatschappij er niet toe brengen, eene gedragslijn te laten glippen, waarbij de eenling zich op zijn gemak bevindt. Zoo is ook de geslachtsdrift het voorwerp van exploitatie geworden, en wijl zij de machtigste van alle neigingen is, kan men veilig op haar speculeeren. Daarom doen man en vrouw hun best om van de heilige handeling, die het behoud en de ontwikkeling van het menschdom bedoelt, eene bron van persoonlijke rente te maken. Hoe kan men het echter den zoon der beschaving kwalijk nemen, dat hij het huwelijk als eene pleeg-inrichting beschouwt en bij zijn aanzoek zich leiden laat door de vraag : »Wie biedt meer?quot; Hij ziet, dat de wereld den omvang van een vermogen als maatstaf neemt voor de schatting van het individu ; hij ziet tafel dekken voor de rijken en Lazarus, heden zoo goed als oudtijds, in het stof liggen vóór den drempel; hij kent den drang en de hevigheid van den strijd om het bestaan en al de inspanning die het kost om te zegevieren ; hij weet dat hij louter op zich-zelf, op zijne eigen kracht kan rekenen en, bezwijkt hij, van overheidswege geene aannemelijke hulp te wachten heeft. Wat wonder, zoo hy elke handeling in zijn leven, dus ook het huwelijk, eerst en vooral uit het oogpunt van tastbaar voordeel in dien eeuwigen strijd beschouwt? Waarom zou hij der liefde eene stem in \'t kapittel geven bij de keus zijner gezellin ? Omdat de menschheid daar beter bij zou varen ? Doch wat kan de menschheid hem schelen ? Doet zij iets voor hem ? Spijst zij hem als hij honger heeft ? Verschaft ze hem
18
274
werk als hy ledigloopfc, brood voor zijne kinderen, als zi] schreien? En sterft hij, is zij het dan, die zijne weduwe en weezen verzorgt ? Neen immers. Eu daar zij al die plichten jegens bem niet betracht, zoo wil hij ook maar alleeu om zich-zelf deuken, de liefde als eene aangename tijdkorting beschouwen en bij zijn huwelijk er-op letten, dat zij zijn deel van de goederen der aarde vernieerdere.
Deze opvatting leidt op den duur tot verbastering van het menschdom, doch haar onmiddellijk slachtoffer is de vrouw. De man heeft onder eeue dergelijke beschouwing minder te lijden. Gevoelt hij zich niet krachtig genoeg of ontbreekt hem de uoodige energie, om eene familie te stichten te midden eener samenleving, die eene gulzige vijandin is, in plaats vau, wat natuurlijk ware, eene toevlucht te zijn, nu, dan blijft hij eenvoudig vrijgezel, zonder daarom nog afstand te doen van de bevrediging zijner natuurlijke neigingen. Het is er verre van, dat het leven van een vrijgezel gelijkluidend zou zijn met een leven van onthouding. De ongehuwde man van zekeren leeftijd heeft van de maatschappij stilzwijgend de toestemming ontvangen, zich het aangename verkeer met de vrouw te verschaffen, waaneer en waar hij goedvindt; die maatschappij noemt zijne zelfzuchtige genoegen succès, ja omgeeft ze met een soort van dichterlijken stralenkrans. Don Juan, met al zijne beminnelijke zonden, wekt eene gemengde gewaarwording bij haar op van nijd, sympathie en stille bewondering. — Is een man ter wille van stoffelijke belangen zonder liefdejge-huwd, dan ziet men er niets ongeoorloofds in, als hij de aantrekkelijkheden, welke hij bij zgne vrouw niet vindt, links en rechts opzoekt; al keurt de maatschappij deze handelwijze uiet openlijk goed, eene misdaad, die den schuldige uit de beschaafde kringen verbant, ziet zij er ook niet in. — Geheel anders is het met de vrouw gesteld. Bij de beschaafde vol-
275
keu heeft de vrouw geleerd, den echt als haar levensdoel, hare eenige toevlucht te beschouwen. Alleen daarvan mag zij de bevrediging van hare physiologische behoeften, in engeren en ruimeren zin, verwachten. Zij moet trouwen, om de rechten van eeu ten volle ontwikkeld, geslachtsrijp individu te mogen uitoefenen, om den zegen van\'t moederschap te kunnen deelachtig worden, en ook, eenvoudig, om voor stoffelijke ellende bewaard te zijn. Deze laatste overweging vervalt nu wel bij enkele bemiddelde meisjes ; maar, al hebben die ook meest een diep besef van \'t onzedelijke eens huwelijks zonder liefde, al is het verlangen een man naar keuze te huwen bij sommigen zoo sterk, dat zij in iederen mau, die aanzoek doet, een jachtmaker op haren bruidsschat zien, — zoo ontsnappen zij toch maar zelden aan dien geheimzinnigen demon, welke, bij het sluiten van den echt, in de plaats van liefde vuig egoïsme gebracht heeft.
Er worden nog te veel manuen gevonden, die laf genoeg zijn om het huwelijk als eene speculatie te beschouwen. Zij doen hun best om eeu vermogend meisje voor zich te , winnen ; niet dewijl zij haar liefhebben, maar wijl zij tuk zijn op haar geld. Het kost hun niets, aan alle luimen eener rijke erfgename te voldoen. Verlangt zij liefde, welnu, zij veinzen te gemakkelijker haar te beminnen, naarmate zij onverschilliger zgn, en het is te vreezen dat de onervaren maagd den onbeduidendste van allen hare hand zal reiken, omdat hij van alle mededingers het best komedie weet te spelen. Te laat zal zij inzien, dat zij, ondanks hare onafhankelijke positie, hare keuze niet bij een echtgenoot heeft bepaald, die haar »verwantquot; was, maar bg een hebzuchtige ; zij zal het ondervinden, dat zij óf voorgoed afstand van de liefde moet doen, öf deze buiten den echt zal moeten zoeken, op gevaar af van onzedelijkheid te worden beschuldigd. Maar de vermogende meisjes vormen tegenwoordig
276
de kleine miaderheid, en de andere zijn door onze maatschappelijke instellingen bijna gedwongen, op een man te bopen, als op de eenige uitredding van schande en van nooddruft. Welk lot is voor de ongehuwden weggelegd ? De volksterm »oude vrijsterquot; bevat al iets onaangenaams, iets hoonends. De solidariteit van een gezin duurt zelden voort, als de kinderen groot zijn. Na den dood der ouders gaan de kinderen gewoonlijk elk zijns weegs ; het samenzijn wordt drukkend, en het meisje, dat niet wenscht een broeder of zuster tot last te zijn, vooral niet wanneer deze gehuwd is, staat alleen in de wereld, meer verlaten dan de Arabier in de groote woestijn. Zal zij een eigen huishouden beginnen ? Het zal er treurig en eenzaam uitzien ; immers een vriend mag zich niet veroorloven, een gezellig uurtje bg haar te komen kouten, zonder gevaar de lastertongen harer buurvrouwen in beweging te brengen, en vriendinnen zijn zeldzaam op later leeftijd, te meer omdat zij verstandig zal doen, die niet onder hare lotgenooten te zoeken, die, zelve gemelijk en verdrietig, nog maar meer somberheid en verbittering in hare woning brengen dan er reeds is. Een flinke geest heeft spoedig zijn raad bij de hand : zij moet zich aan het gewawel dier klappeien niet storen en de lieden, welke haar sympathie inboezemen, ontvangen. Maar gij die zoo wijs weet te praten, hoe kunt gij verlangen dat een arm, zwak meisje zich zoo maar voorgoed de voldoening zal ontzeggen, die zelfs sterke mannelijke naturen smaken bij het bewustzijn, dat hunne handelingen toegejuicht worden door degenen die gelijk met hen staan ? \'z Is toch niet anders; de publieke opinie speelt in het innerlijk leven der menschen, zoo goed als daar buiten, eene groote rol. En zou nu een meisje haar recht op dit genoegen verbeurd hebben, omdat zij is »blijvenquot; zitten ? Misschien zal zij haar leven onder vreemden moeten slijten, meer dan de
gehuwde vrouw aan gittigheden blootgesteld en daarom steeds er-toe genoodzaakt, om een »naaraquot; te denken, dien zij onbesmet zal bewaren, doch zonder dat de maatschappij er als schadeloosstelling een echtgenoot voor in de plaats geeft. De aoude vrijerquot; bezoekt koffiehuizen, is lid van vereeni-gingen, die hem in meerdere of mindere mate den huiselijken kring vergoeden ; hij gaat alleen uit, alleen op reis, en honderderlei middelen staan hem ten dienste om zich-zelf wijs te maken, dat hij het gemis aan gade en kroost niet telt. Uit alles is der »oude vrijsterquot; niet vergund; zij moet, bijna als eene cellulaire gevangene, haar leven somber en eenzaam en treurende over een mislukt bestaan, ten einde brengen. Heeft zij eenig vermogen, dan zal zij dit waarschijnlijk niet vermeerderen, doch veeleer verliezen, want door aanleg en opvoeding is zij veel minder dan de man geschikt om haar fortuin tegen den roof- en gelddorst, die op de loer liggen, te verdedigen. Heeft zij in het geheel niets, dan wordt de schilderij nog veel zwarter. Weinige, slecht beloonde werkzaamheden staan der vrouw ter beschikking. Het ontwikkelde meisje uit het volk gaat in een dienst; zij kan hierdoor in haar onderhoud voorzien, maar zij leert nooit een gevoel van wezenlijke onafhankelijkheid kennen en moet het verdragen, tot een karakterloos schepsel te worden vernederd. Bij vrijen arbeid, handwerken maken bij haar aan huis verdient zij geen ■ droog brood, en in daghuur onvangt ze in den regel, bij gelijke behoeften, half zooveel als de werkman.
Het meisje uit den beschaafden stand richt den blik op het onderwijs, maar helaas, ook dit neemt in negen van de tien gevallen den vorm van gouvernantes-slavernij aan. In sommige landen staan eenige rijksbetrekkingen, van ondergeschikten aard en beperkt getal, ook voor vrouwen en meisjes open ; maar iemand, die door ontwikkeling en
278
karakter, behoefte heeft aan het bevrustzijn eene roeping te vervullen — en deze gewaarwordinor alleen maakt de
O O
ellende dragelijk —, komt in deze betrekking zelden of nooit tot dat verheffend gevoel. Toch zijn ze nog gelukkig af, als ze een dergelijk postje kunnen bekomen. De overigen blijven arm, zich-zelven en anderen tot een last, gebukt onder het besef van haar doelloos en nutteloos bestaan, onmachtig, zich in hare jeugd eenig genoegen, zich dagelijks het noodige voedsel en verzorging voor den ouden dag te verschaffen. Bij dit alles moet het arme meisje \'twelk aldus vegeteert, eene bijna bovenmenschelijke vastheid van karakter bezitten. De maatschappij eischt, dat deze droefgeestige, koude- en hongerlijdende vrouw, die sidderend en bevend tegen haar dag van morgen opziet, eene heldin zij! De prostitutie loert op haar en lokt haar van alle kanten. Zij kan geen stap doen, of de verleiding in verschillende gedaanten beilngst haar. De man, die er voor past, zich voortdurend met hare verzorging te bemoeien, schroomt volstrekt niet, hare liefde te verlangen als een geschenk, dat geene vergelding eischt. Zijn roekeloos egoïsme vervolgt haar onophoudelijk en wordt des te gevaarlijker voor de arme, omdat hare geheime, natuurlijke begeerten zijne bondgenoo-ten zijn.
Zij moet niet slechts haar eenzaam en armoedig leven gewillig dragen, niet slechts een sterken, rusteloozen aanvaller bestrijden —, zij moet nog bovendien hare eigene neiging en haren natuurlijken afschuw van de leugens en de geveinsdheden onzer samenleving bedwingen. Ongedeerd uit zulk eene engte voor den dag te komen, vereischt eene onverschrokkenheid, waartoe van de duizend mannen nauwelijks één bij machte zou zijn. En het loon voor zooveel inspanning? Wij zoeken dit tevergeefs. De oude vrijster, die ondanks alle bekoring het leven eener hei-
279
]ige geleid heeft, vindt niet eens de gewenschte voldoening in het bewustzijn, door hare ontberingen aan eene categorische natuurwet te hebben gehoorzaamd. Integendeel, hoe ouder zij wordt, hoe luider eene stem daarbinnen baar toeroept: «Waarvoor hebt gjj gestreden? Wien heeft het gebaat, dat ge uwe driften onder-druktet? Verdient de maatschappij al deze opofferingen ter wille van hare wreede, zelfzuchtige instellingen? Ware het niet oneindig beter geweest, indien ge u zonder tegenstand gevangen hadt gegeven ?quot;
Is het nu nog te verwonderen, dat een alledaagsch meisje tegen zulk eene toekomst opziet ? Heeft zij geen gelijk, als zij den eersten man den beste, die aanzoek om haar doet, aanneemt, zonder zich verder veel om genegenheid of sympathie te bekreunen ? Honderd tegen één, dat haar huwelijk, hoe het ook loopen mag, nog altoos zal te verkiezen zijn boven het leven van eene oude vrijster. Intusschen blijft het leugenachtig gedrag van het meisje, dat zonder liefde huwt, niet ongestraft. Zij zal voor haren man geene trouwe gade, geene goede, gewetensvolle huisvrouw zijn. De onvervulde behoefte aan liefde laat zich telkens in de stem des harten vernemen, waar deze vrouw met angstige oplettendheid naar luistert. Zij zal de geringste ontroering van haar gemoed voor eene openbaring van den hartstocht houden en hierdoor elk oogenblik gevaar loopen, zich in de armen te werpen van den man, die hare opgewonden fantazie wist te streelen. Spoedig bemerkt zij dan, dat zij zich vergist heeft, en opnieuw ziet zij hopend en smachtend naar den verlosser uit. Dat zij op dezen dwaalweg vaak aan den rand eens afgronds staat, die haar met zedelijken ondergang bedreigt, — wie zal het betwijfelen ? \'t Is nog gelukkig, wanneer zij alleen maar behaagziek is, zonder tot platonische of materiëele echtbreuk te vervallen.
280
Zoolang het gevoel van \'t onvolledige in haar lot, van de noodzakelijkheid om den verwanten persoon, die haar wezen op natuurlijke wijze kan aanvullen, nog eerst te ontdekken, zich louter in eene half bewuste coquetterie openbaart, zal zij niets onbehoorlijks doen. Erger wordt het, wanneer zij aan den draug naar afleiding toegevende, bij voortduring bals en partijen bijwoont en elke gelegenheid gretig opzoekt om met vreemde manneu ia gezelschap te zijn en proeven met hare aantrekkingskracht te nemen. Dan is zij geheel met haar doel vervuld, stelt in niets anders belang en eischt zooveel mogelijk genot van het leven. Hare zelfzucht verbiedt haar, van haren man notitie te nemen, voor zijn welbehagen te zorgen, zich naar zijn maaksel te voegen. Haar huishouden is haar onverschillig, voor zoover het haar niet persoonlijk aangaat. Zij verkwist onbarmhartig, wat de man met dure inspanning verworven heeft. Zij heeft hem immers alleen »genomenquot; om maar rijk en onbezorgd te kunnen leven ? \'t Is wreed, doch mensche-lijk, hem daarvoor te straffen dat hij onhandig genoeg was, haar tot zijne vrouw te kiezen, alvorens zich van hare liefde te hebben verzekerd. Dat geeft een onvolkomen cirkel, die niets dan verdrietelijkheden in zich sluit. De zelfzuchtige inrichting onzer maatschappij maakt den strijd om het bestaan voor het individu onnoodig moeielijk. Het gevolg van dezen tegennatuurlijken toestand is, dat beide, man en vrouw, in den echt niet naar liefde, maar alleen naar stoffelijk welvaren zoeken. De man aast op den bruidsschat; het onbemiddelde meisje, beducht dat zij over zal blijven, doet haar best om den eersten man den beste tot een aanzoek te bewegen en verandert, is het huwelijk eenmaal voltrokken, al spoedig in een luxe-paardje, dat voor den bezitter van geen nut is en hem schatten kost. Veel mannen, die zeer wel in staat zouden geweest zijn, eene vrouw
281
gelukkig te maken en haar te onderhouden, worden door zulke voorbeelden afgeschrikt en huwen nooit: hierdoor groeit het getal oude vrijsters aan, wier vooruitzicht een man te krijgen afneemt in dezelfde verhouding als haar haast aanwakkert om onder dak te komen. Steeds feller wordt de vraag naar liefde gesmoord, en wee de huwelijken, die thans nog gesloten worden ! lu dergelijke gevallen komen de echtelieden als vijanden tegen elkaar over te staan ; zij bestelen en beliegen elkaar : zij blijven ontevreden, ongelukkig ; alleen de biechtvader en de eigenaar van \'t mode-magazijn wrijven zich in de handen, want dezen zijn het, aan wie de hier geschetste verhouding de meeste klanten bezorgt.
III.
Maar, al is de tegenwoordige inrichting der maatschappij nu ook de hoofdoorzaak van de leugen des huwelijks, zoo is zij toch de eenige reden niet. Een groot gedeelte vau de schuld aan die contrasten van vorm eu inhoud, van liefde en echt en aan de soms treurige botsingen tusschen natuurlijke neiging en conventioneelen dwang, komt voor rekening van die zedenleer ten opzichte van het verkeer der beide geslachten, die een gevolg is van het Christendom. Die moraal toch noemt bet paren eene afschuwelijke misdaad. Zij bedekt haar aangezicht er-voor, als voor een gruwel der gruwelen, hetgeen haar intusschen niet belet, er sluiksche, begeerige blikken naar te werpen. Zij jomringt alles wat met het geslachtsleven samenhangt, of er slechts aan herinnert, met een schuw stilzwijgen. Maar dat is ongehoord, dat is monsterachtig 1 Deze moraal zou geen uur levensvatbaarheid bezitten, wanneer niet alle menschen, alle zonder uitzondering, onder twee, vier of meer oogen eenvou-
28-2
dig deden alsof ze in \'t geheel niet bestond. Zij heeft niet de flauwste reden van bestaan en daarom ook niet de schaduw van een recht. Waarom zal eene organische handeling, de gewichtigste van alle omdat zij de instandhouding van het ras bedoelt, minder zedelijk genoemd worden dan eene, die bloot ter wille van het individu bestaat ? Waarom spreekt men gerust van eten en slapen als van bezigheden, welke men vrij en openlijk verrichten mag, terwijl men daarentegen het pareu eene zonde, eene euveldaad noemt, die niet genoeg verborgen en geloochend kan worden ? Zet niet de sexueele rijpheid de kroon op de ontwikkeling van het individu en is zijne voortplanting niet hare schitterendste openbaring ? Alle schepselen, planten en dieren begroeten den paartijd als dien waarop hunne levenskracht verheffend werkzaam zal zijn, en roepen de geheele natuur tot getuige van hun triomf aan ; de bloemen met haar bonte pracht en liefelijken geur, de vogels met hun gejubel, de glimwormen met hun glanzend licht, de zoogdieren met hun luidruchtig lokken en stoeien; alleen de mensch is veroordeeld, zich over het machtigste gevoel, dat hem bezielen kan, te schamen en de bevrediging daarvan als eene misdaad geheim te houden.
Zoo was het niet altijd. Tartuffe was niet immer de zedenmeester der menschen. Ik heb het oog niet op den mensch in zijn oorspronkelijken staat, maar op den mensch van ontwikkeling, liijke, verstandelijk en moreel hoog aangeschreven volken, wier idealiteit onze moderne beschaving heel wat te boven ging, zooals de Indische en Grieksche, stelden zich tegenover het verkeer der seksen onderling op een zeer vrij en natuurlijk standpunt. Zij hechtten waarde aan den lichaamsbouw, zonder in het eene orgaan iets meer aanstootelijks te vinden dan in het andere. Zij schuwden de naaktheid niet, omdat zij haar rein en zonder bijgedachten
283
in de oogen konden zien ; voor hen was de vereeniging\' van twee individuen van verschillend geslacht eenvoudig het einddoel der vermenigvuldiging ; die daad werd dus geadeld en gewijd, en \'t was ouoiogelijk, dat in een gezonden, ontwikkelden geest onwaardige voorstellingen konden opkomen. Noch de Indische, noch de Grieksche beschaving had de oorspronkelijke driftan van den mensch zoo verregaande verbasterd en vervalscht als onze tegenwoordige : daarom waren die volken nog geheel vervuld van natuurlijke bewondering en dankbaarheid voor een feit, dat de bron is van al wat leeft en ademt in het groot heelal der schepping-Eerst in later tijden van verval ontaardde die cultus in een ruwen, doelloozeu dienst der zinnen. Omringd van symbolen, die hare weetgierigheid prikkelden, kon de jeugd zich onmogelijk opsluiten in den engen kring van onnatuurlijke onwetendheid, die zulk een grooten factor van onze hedendaagsche opvoeding uitmaakt; daar men het verstand volle vrijheid liet, van het oogenblik af dat dergelijke onderwerpen het konden bezighouden, om in de verschijnselen van het geslachtsleven door te dringen, zoo was er geene mogelijkheid, dat zy door geheimzinnige voorstellingen op een dwaalspoor en tot ziekelijke mijmerijen geraakte. Wat open lag voor ieders blik, had niet de bekoring van de verboden vrucht, en die kunsteloos ingewijde jeugd was zedelijk reiner dan de onze, welke trots alle inspanning, toch ook niet in die gezegende onnoozelheid kan gehouden worden, en die hare kennis in het geheim en juist daarom onder geestbedervende en zenuwschokkende opwinding uit de troebelste bronnen put.
Zulk een volslagen ommekeer nu in de opvatting van moraliteit, is het gevolg van den invloed, dien de christelijke zedenleer op den geest der beschaafde menschheid heeft verworven. De hoofdgeboden van het Christendom, zooals die
284
in de oudste oorkonden van deze religie tot ons zijn gekomen, spreken elkaar op alle punten tegen en gaan van twee strijdige beginselen uit, die elkander bepaald onmogelijk hadden moeten maken, indien het Christendom gesticht was geworden door een logisch denker en met helder bewustzijn. Hier predikt het: »Heb uwen naaste lief als n-zelven; heb zelfs uwen vijand lief.quot; Op eene volgende bladzijde wordt verkondigd: »dat het einde der wereld aanstaande, dat de lust des vleesches de grootste van alle zonden, dat onthouding de heerlijkste aller deugden en volstrekte kuischheid de begeerlijkste van alle menschelijke eigenschappen is.quot; Door liefde tot den naaste te prediken, verhief het Christendom den natuurlijken drang naar solidariteit bij de menschen tot een godsdienstig voorschrift en bevorderde daardoor de instandhouding en de voortplanting der soort. Maar doordien het tegelijkertijd alle sexueele liefde veroordeelde, bedierf het zijn eigen werk, gaf het menschdom prijs aan den ondergang en kantte zich tegen de natuur met eene felheid, die men — om zijne eigene taal te bezigen — niet anders dan duivelsch kan noemen. Het dogma der liefde tot den naaste moest de wereld overwinnen, want het beriep zich op het geweldigste instinct van den mensch ; zijne natuurlijke neiging tot voortplanting. Het dogma van kuischheid, daarentegen, zou elke uitbreiding der nieuwe religie in den weg hebben gestaan, ware het niet in een tijd vastgesteld, toen de maatschappij ongeneeslijk ziek lag, alom een teugelloos egoïsme heerschte en het verkeer der geslachten onderling tot zulk een laag peil van zinnelijkheid was gezonken, dat het in de oogen van iederen weldenkende een gruwel geworden was. Toen in dezen toestand verbetering kwam en het Christendom zich niet langer geroepen gevoelde, als tegenstelling van het door-en-door verbasterde Rome dienst te doen, achtte me
het ook niet noodzakelijk meer, door overdreven ingetogeu-heid tegen het verregaande euvel te protesteeren, en het sombere, strijdige dogma der kuisehheid werd op den achtergrond gedrongen. De kerk legde de verplichting der onthouding niet meer aaa alle geloovigen op, maar enkel aan hare uitverkorenen, de geestelijken en nonnen, en zij deed zelfs eene concessie : zij verhief den echt tot een sacrament. De gelofte van kuisehheid verhinderde wel niet de dwaaste uitspattingen in de kloosters der middeleeuwen, toen met de macht van het Christendom ook de ongebondenheid tot eene hoogte gestegen was als in de ergste tijden van Rome\'s verval. De gelofte van volslagen onthouding werd in die dagen alleen bij uitzondering, maar dan ook letterlijk nageleefd door individuen, die aan godsdienstwaanzin leden, eene ziekte welke vaak met storingen van het geslachtsleven gepaard gaat. Maar in beffinsei liet het Christendom ook dit dofftna nim-
O O
nier los; de kerk verklaarde echtgenooten heilig, die trots een langdurig huwelijk elkander nooit hadden aangeraakt; de geslachtsbetrekkingen bleven theoretisch eene zonde in hare oogen, al werd deze ook practisch geduld, en in den loop der eeuwen bracht hare stichtende uitwerking het menschdom tot zijne tegenwoordige beschouwing, dat geslachtsliefde schande, onthouding zedelijk, en elke bevrediging der natuurlijke begeerten voor ieder met rede begaafd schepsel een misdrijf i§, hetwelk met zware tucht verdient te worden gestraft. De Christenen zijn niet minder zinnelijk dan de heidenen, men is bij hen niet minder op de gunst der vrouwen uit, maar wat ontbreekt, dat is de loutere, adelende, heiligende overtuiging, dat men eene geoorloofde daad verricht; men wordt gejaagd door het denkbeeld dat men verboden paden bewandelt, waar het daglicht niet doordringt ; men gevoelt zich vernederd door het besef, zijne toevlucht te moeten nemen tot heling en
286
huichelarij. Meii mag voor het natuurlijk doel der gehechtheid, het bezit der geliefde persoon, niet uitkomen en is voortdurend tot leugen en bedrog jegens zich-zelf, jegens het beminde wezen en jegens het menschdom veroordeeld.
De christelijke liefde geeft niet toe, dat de liefde wettig zij; daarom is juist in die inrichtingen, waar de eerstgenoemde den boventoon voert, voor de andere geen plaats. Het huwelijk is nu eene zoodanige instelling; zijn karakter staat onder den invloed der christelijke moraal. Volgens de theologische beschaving heeft het dan ook niet-met-al te maken met de liefde van de man voor de vrouw. Wanneer men huwt, dan doet men dit ter wille van een sacrament, niet om elkaar in liefde toe te behooren. Nog beter en godgevalliger zou het zijn als men niet huwde. De priester, die een bruidspaar voor het altaar verbindt, vraagt aan de jonge vrouw, of zij bereid is den man als gade te volgen, hem als haren heer te gehoorzamen. Of zij hem liefheeft, vraagt de priester niet, want hij erkent voor dit gevoel geen recht van bestaan; voor hem is de verbintenis, welke hij met heilige ceremoniën bezegelt, gegrond op de voor \'t altaar afgelegde belofte, en geenszins op den natuurlijken, menschelijken, organischen drang, die twee wezens tot elkander brengt en tot een paar vereenigt.
En al dat officieel vertoon van de maatschappij tegenover het geslachtsleven wordt door dat christelijk-dogmatisch begrip van de zondigheid der vleeschelijke, dat wil zeggen der eenige natuurlijke en gezonde liefde bepaald. De echt is heilig. Men mag zijn eed van trouw niet schenden, al geeft die trouw ook aan beide harten niet de minste voldoening. De vrouw is zonder liefde gehuwd ; zij leert later een man kennen die hare hartstochten opwekt; de maatschappij erkent de mogelijkheid van zulk een geval niet. Hoe, de vrouw bemint? Dat is niet waar; dat kan niet
287
waar ziju. Men cijfert zoo\'n ding als de liefde weg. üe vrouw is gehuwd — dat is alles waarop zij aanspraak kan maken. Zij heeft haren man, aan wien de gezworen eed haar bindt; buiten hare verplichtingen jegens hem, bestaat er in de wereld niets voor haar. Schiet zij te kort in die verplichtingen, dan is zij eene zondares, de politie bemoeit zich met haar, en de verachting aller weidenkenden is haar deel. De maatschappij vergunt den man, over zijne trouwelooze wederhelft het doodvonnis uit te spreken ; zij gelast een rechter, die vrouw als afschrikkend voorbeeld in de gevangenis te werpen, zoo haar echtgenoot te toegefelijk is geweest. Een meisje verlieft zich, het doet wat de natuur beveelt en wacht niet op het gekrabbel en gebrabbel van een priester of een ambtenaar van den burgerlijken stand. Wee de verworpene! Uit de kringen der fatsoenlijken wordt zij verstoeten. Zelfs het argeloos kind, dat zij ter wereld brengt, moet zijn leven lang een schandmerk dragen, \'t welk het nooit zal kunnen uitwisschen. Diefstal is door de maatschappij verboden. Maar soms heeft de rechter toch medelijden met den armen drommel, die een brood wegkaapt, en laat hem vrij.
Alzoo beiiamt de maatschappij, dat de honger wel eens sterker kan zijn dan het ontzag voor hare wetten. Doch voor de gade en het meisje, die buiten den echt bemind hebben, geene vergeving! Geene veroiltschuldiging voor het misdrijf, dat hier de wetten overtreden zijn. Zij wil het niet begrijpen, dat de liefde, evenals de honger, de banden van \'t geschreven woord verscheuren kan. Moet men niet denken, dat deze leer in de wereld gebracht is door ver» schrompelde grijsaards en verkalkte eunuquen ? Hoe is \'t mogelijk, dat zulk eene opvatting sinds eeuwen eene maatschappij heeft beheerscht, waarin toch grijsaards en eunuquen de minderheid vormen, waarin toch ook twintigjarige
288
meisjes en vierentwintigjarige jongelingen leven! Be-heerscht ? — maar zij beheerscht de maatschappij juist niet. Kwanswijs heeft de laatste zich in de hardvochtige voorschriften geschikt; zij veinst ze ja te eerbiedigen, maar trekt lange vingers achter haren rug. De liefde te loochenen is enkel huichelarij. Men neemt zijn hoed ai\'voor den rechter, die de echtbreekster veroordeelt, voor de strenge dame, die haar gevallen dienstmeisje wegjaagt. En men juicht den dichter toe, die van de liefde zingt, zonder met een woord van het huwelijk te gewagen, — dat de handpalmen er zeer van doen. In het openbaar verklaart ieder persoonlijk met veel zalving, dat het zonde is, aan de stem des harten gehoor te geven, —- in het geheim luistert hij met geestdrift naar die stem en houdt zich daarom toch niet voor een slechter mensch. Deze theorie der christelijke moraal blijft enkel en alleen bestaan omdat niemand, in de prae-tijk, er zich aan stoort. De band eener reusachtige samenzwering slingert zich om de geheele beschaafde menschheii en maakt allen tot leden vau een geheim genootschap, die op straat eerbiedig voor onze theologische stelling hun hoofd ontblooten, maar in de huiskamer hulde brengen aan de natuur, en onverbiddelijk uitvallen tegen ieder die hunne eleusynische geheimen rondbazuint, zich tegen de algemeene onwaarheid der samenleving verzet en moed genoeg heeft om ook openlijk aan de goden te offeren, welke hij, als alle anderen, in zijn Laren-vertrek aanbidt !
Om de inzetting des huwelijks met een onbevangen blik te overzien, dient men de vooroordeelen, waarin wij zijn opgevoed, ter zijde te stellen en zich geheel los te maken van de gewoonte om aan christelijke overwegingen eene plaats in ons brein te gunnen, — wat uiterst moeielijk is. In strijd met den theoloog, moet men den mensch beschouwen als een natuurlijk wezen en in samenhang met de
289
geheele schepping. Om de billijkheid te kunnen nagaan van een menschelijken vorm, moet men beginnen met de vraag of deze aan den aard, de natuurlijke neigingen, de hoogste belangen van het geslacht beantwoordt. Gebruikt men nu dezen maatstaf voor het huwelijk, dan is het twijfelachtig of dit den toets zal kunnen doorstaan, ja zal het lastig zijn, het als een natuurlijken toestand aan te merken. Wij hebben gezien, dat de huishouding der maatschappij tot het sluiten van huwelijken uit eigenbelang aanleiding geeft en ook dat de christelijke zedenleer verbiedt, de liefde als eene rechtmatige zaak te erkennen. Nu echter nog eene laatste vraag en wel de hachelijkste van alle : Is het huwelijk slechts daarom eene leugen wijl bij de meeste echtgenooten het stoffelijk belang meer geldt dan het bezit van het geliefde wezen, en zou het alleen daarom een dwang zijn, omdat de christelijke moraal nooit wil toegeven dat er buiten de verbintenis, die de priester inzegent, nog zoo\'n ding als liefde bestaat ? Is het huwelijk, zooals wij het kennen, niet op zich-zelf een hoogst onnatuurlijke vorm der verhouding tusschen de beide geslachten, en moest het in zijn tegenwoordigen vorm, namelijk als duurzame band voor heel ons leven, ook dkn niet eene leugen zijn, wanneer men den hartstocht zijn volste recht deed weervaren en slechts uit liefde trouwde ?
Juist op het stuk van verhouding tusschen de beide seksen hebben we ons zoo ver van de natuur verwijderd, dat het moeite kost, met eenige zekerheid te bepalen wat hieromtrent physiologisch noodzakelijk is, en wat, hoewel opgesmukt, ver-valscht en verdorven, toch weder door veeljarigen sleur natuurlijk geworden is. Behoedzame, critische waarneming van de innigste neigingen der menschen, gepaard aan de beschouwing van het hoogere leven der dieren, leveren voor den vriend der bestaande orde zeer ontmoedigende resultaten op.
19
\'290
Zooals de echt onder de beschaafde volken zich historisch ontwikkeld heeft, berust hij uitsluitend op de erkenning der monogamie. Maar ook de monogamie schijnt geen natuurlijke toestand van den mensch, en zoo bestaat er tus-schen persoonlijke aandrift en maatschappelijke instelling een principieel contrast, dat telkens weer botsingen van gevoel en zede veroorzaakt, somwijlen den vorm scherp tegenover den inhoud plaatst, gedurig van den echt eene leugen maakt en bezwaarlijk op de eene of andere manier zóó opgelost zou kunnen worden, dat eene uiterlijke monogamische ver-eeniging onder alle omstandigheden ook de innerlijke verwantschap der twee en hunne sexuëele neiging voor elkaar zou beteekenen.
Gelijk we in den aanvang van dit hoofdstuk hebben gezien, berust de inzetting van het huwelijk op het besef en de erkenning, dat het groote belang van de instandhouding der soort en van dier volmaking eene zekere maatschappelijke voogdij over de geslachtsdrift vordert. Dat echter die inzetting nu juist den vorm van een theoretisch voor heel ons leven gesloten band tusschen een enkelen man en éene enkele vrouw heeft aangenomen, is geen uitvloeisel van het onderling belang der geslachten, is geene levensvoorwaarde van de soort, dus geen gevolg van dezen drang naar zelfbehoud, maar moet eenvoudig aan de organisatie der maatschappij toegeschreven worden, en zal om die reden misschien wel spoedig weêr veranderen. De stelling, dat de echt den vorm van monogamie moest hebben, eene stelling die, al begreep men ze nauwelijks, toch duidelijk genoeg was om hare uitdrukking te vinden in zeden, gebruiken en wetten, ging blijkbaar van dezen gedachtengang uit: »Iq eene samenleving, die van huishoudelijke solidariteit niets weten wil, waarin ieder voor zich zelf werkt en zorgt en zyn naaste kalm laat doodhongeren, moeten de kinderen
291
der ellende ten prooi vallen, wanneer de ouders ze niet grootbrengen. De moeder kan alleen den last der verpleging van hare kinderen niet dragen, want in diezelfde egoïstische maatschappij wordt de zwakkere vrouw steeds door den man, die van zijne sterkte misbruik maakt, teruggedrongen, waar het geldt, eene voordeelige ea niet te moeie-lijke betrekking te krijgen. Zulk eene betrekking zou anders het eenige middel zijn om voor haar en hare kinderen het noodige te verdienen, terwijl zij thans ternauwernood genoeg heeft voor zich-zelve. Men moet dus den vader dwingen, dezen last te helpen dragen; dat kan men alleen door het smeden van een kluister, welke den man voor zijn leven aan de vrouw verbindt, die hij moeder wenscht te doen worden. En opdat men gemakkelijker — om het gevaar niet te loopen, een verkeerde met dien plicht der verzorging te belasten — zou kunnen bepalen, welke vader voor een zeker kind moet opkomen, mag iedere man slechts van ééne vrouw, iedere vrouw slechts van éénen man kinderen hebben. Dit is de monogamie. En nu is alles net geschikt en gemakkelijk te overzien. Ge wenscht eene vrouw ? Goed ; maar ge verbindt u, zoolang ge leeft, voor haar en de kinderen die ze u kan schenken te arbeiden. De vrouw wordt u later te veel. Dat is erg, maar ge hebt haar en moet haar houden. Ge ontdekt dat ge in uwe keuze gefaald, dat ge u-zelf bedrogen hebt, toen ge meendet haar te beminnen ? Dan hadt ge u-zelf maar beter moeten onderzoeken, maar ernstiger moeten bedenken wat ge deedt. Die uitvlucht kan u thans niet meer helpen. Gij hebt u in eene andere verliefd ? Is onze zaak niet; gij moet den last van uwe vrouw en kinderen blijven torsen, en wij, d. w. z. de maatschappij, we dulden niet dat ge ons met hare verzorging bezwaart.quot;
292
De neigiug tot instandhouding der soort laat niet af te werken, zoolang de laatste nog levenskracht bezit. De eenige wgze, waarop het geslacht, in eene maatschappij, die geen andere beginselen huldigt dan zelfzucht en zelfgenoegzaamheid, het leven van vrouw en kroost verzekeren kan, is inderdaad de nooit te ontbinden monogamie. De organisatie van onze maatschappij moest deze ten gevolge hebben. In de practijk is het huwelijk dus een middel voor de ouders om hunne ikzucht te bevredigen; theoretisch eene door den drang tot behoud der soort in \'t leven geroepen instelling, geschapen niet ter wille van de ouders, maar om het kind. In theorie worden de volwassenen aan de ongeborenen en onontwikkelden ten offer gebracht: worden de behoeften van de magen der kleinen begunstigd boven de hartsbehoeften der grooten. In die landen, die nog geheel onder den druk der christelijk-theologische beschouwing staan, wordt deze met onverbiddelijke gestrengheid toegepast; daar, waar de verlichting meer natuurlijke en meer menschelijke voorstellingen verbreidde, wat toegeeflijker. De roomsch-katholieke kerk, die liefde zonde acht en haar geenerlei rechten toestaat, veroorlooft volstrekt geene echtscheiding, bekent nooit dat twee menschen zich in elkander konden vergissen en dat, waar deze dwaling plaats had, eene ontbinding van het huwelijk voor beiden een zegen zou zijn. De volken, die het katholicisme hebben afgeschud, geven der liefde toe dat ze existeert, dat ze rechten heeft, dat ze ook buiten het echtverbond kan optreden ; maar het gaat half en met tegenzin; zij vergunnen de scheiding slechts onder verzwarende omstandigheden, vervolgen de gescheidenen met hatelijke vooroordeelen en drijven de wreedheid zóó ver, dat zij verbieden te huwen met de persoon, uit liefde voor wie men gescheiden is en die men nog vóór de scheiding van eene vroegere echtgenoot
293
heeft bemind — een verbod zoo hardvochtig en zoo dom, dat men er-van huivert.
Toch, van het standpunt der zelfzuchtige regeling van ons samenzijn beschouwd, is dit verbod onberispelijk consequent, maar physiologisch en psychologisch heeft het de grootste moeielijkheden in. Wij gaan den echt aan voor ons leven. Laat ons het gunstigste geval nemen : beide echtgenooten beminnen elkaar werkelijk. Zal deze liefde zoolang duren als wij leven? Kan zij zoolang duren? Hebben de echtgenooten het recht, elkander trouw tot iu den dood te beloven ? Is het geen overmoed of lichtzinnigheid, aldus borg te staan voor de onveranderlijkheid hunner gevoelens van nu ? De dichters, die ei; voor een goed deel schuld aan hebben, dat deze vraag wanhopig verward en duister is geworden, de dichters aarzelen geen oogenblik met hun antwoord. Voor ben is \'t een feit, dat ware liefde eeuwior
1 O
is. ygt;Und sag\\ wie endet Liebe? Die war\'s nicht, der\'s geschahquot;, zingt er een. sDie war\'s nicht, der\'s geschahquot;. Hm, dat is naderhand gemakkelijk gezegd. Ieder die het leven met een opmerkzaam oog beschouwt, kan den optiraistischen lyricus honderd voorbeelden aanhalen van genegenheden, die een zeer hartstochtelijk begin hadden en toch zeer snel en voorgoed bekoelden. Wilde onze dichter zich dan met de uitvlucht redden, dat dit de ware liefde niet geweest is, dan zou hij ons de vraag nog moeten beantwoorden, waaraan hij dan eigenlijk de ware liefde herkent? hoe hij ze van die andere, »welke het niet geweest isquot;, onderscheidt, omdat de laatste toch op het oogenblik van haar ontstaan en gedurende haar bloeitijd, hoe kort dan ook, eene verbazende gelijkenis met de eerste heeft. Zij wekt dezelfde aandoeningen bij de betrokkenen, geeft aanleiding tot dezelfde handelingen, heeft denzelfdeu nasleep van opwinding en verzet, van dwepen en vertwijfelen, van teederheid en jaloezie, als
294
de ware liefde. O gewis, het komt voor, dat de liefde eerst met liet leven ophoudt. Zeer nuchtere onderzoekers zullen misschien ook van deze gevallen zeggen, dat de duur dier liefde aan gunstige omstandigheden, aan de macht der gewoonte, aan een toevallig afzijn van hindernissen en verleidingen, kortom aan invloeden buiten den wil der personen zelf te danken was, voor het minst in gelijke mate als aan de voortreffelijkheid der gevoelens. Intusschen, men kan het bestaan van zulke uitzonderingen niet ontkennen, A7oor deze is de levenslange echt een ware, natuurlijkeen rechtmatige toestand. Vorm en inhoud dekken elkander volkomen, en de zichtbare band van buiten is en blijft het symbool van innerlijken samenhang. Maar volgens de poëten zelf komt dat weinig voor. Hoe moeten nu de velen het aanleggen, die op een gegeven oogenblik meenen, elkaar met vuur te beminnen — al blijkt het later, dat zij zich vergist hebben ? Moeten ze elkander zoodra mogelijk huwen ? Ras houdt hunne liefde op, en dan wordt hunne vereeniging een even ondragelijk juk als ware zij oorspronkelijk zonder liefde gesloten. Of zullen zij den echt niet aangaan alvorens zij de stellige overtuiging koesteren, dat hunne liefde duren zal tot den dood ? Dit zou een weinig moeielijk gaan, want dewijl het ware karakter der genegenheid zich eerst later openbaren kan, zouden de geliefden tot hunne ster vensure dienen te wachten, eer zij met een goed geweten tot elkander konden zeggen: »Onze liefde was inderdaad de echte, want zij heeft zoolang geduurd als ons leven; wij kunnen ons nu gerust met elkander. . . laten begraven, zonder vrees dat we elkaar tot last zullen wordenquot;. Wanneer men zulk eene harde proef eneenezoo vaste overtuiging als huwelijksvoorwaarde ging eischen, dan zou het menschdom wezenlijk geene bruidsparen meer te zien krijgen, \'t Is gelukkig dat Romeo en Julia jong ge-
295
storven zijii. Wave de tragcedie niet met het vijfde bedrijf uitgespeeld, dan ben ik er volstrekt niet zeker van, of wij niet spoedig van gescbillen tusschen de bekoorlijke jongelieden hadden vernomen. Ik ben hard bang, dat hij na een paar maanden eene minnares had opgezocht, en dat zij zich in hare verlatenheid door een edelman van Verona zou hebben laten troosten. Hoe vreeselijk zou dit geweest zijn : een procés van echtscheiding als narede op de balkonscène ! Ik ga nog verder en beweer, dat het buiten kijf tot zulk eene oplossing zou gekomen zijn, zóó als ik Romeo en Julia ken. Want — beide zijn jong, zeer onstuimig, zeer onverstandig en zeer gevoelig voor indrukken geweest; eene genegenheid, die op een bal, door den eersten aangenamen indruk eener schoone uiterlijke verschijning ontstaan is, leeft — dit zegt de ondervinding — in den regel niet vele van die nachten, waarin men meent »den nachtegaal en niet den leeuwerikquot; te hooren zingen. Moeten wij nu aannemen, dat Romeo en Julia elkaar niet hebben bemind ? Ik zou hem wel eens willen zien, die dit durfde beweren. En hadden zij dan niet moeten huwen ? Dat zou doodjammer geweest zijn, van het standpunt beschouwd èn der voortplanting èn der poëzie. Wanneer hun echt nu toch een verkeerden loop had genomen, dan ware dit een bewijs niet tegen hunne liefde, maar eenvoudig tegen het anthro-poliscli recht van bestaan des huwelijks geweest.
De waarheid is, dat onder tienduizend menschelijke paren er nauwelijks één aangetroffen wordt, dat elkander levenslang en uitsluitend liefheeft en zoo de monogamie niet bestond, deze als zijne duurzame behoefte zou erkennen. Ongetwijfeld zal men daarbij negenduizend-negenhonderd tweetallen ontmoeten, die in eene zekere periode van hun leven het dringend verlangen hebben gekoesterd, zich met een bepaald individu te veVeenigen ; die gelukkig waren, wanneer
296
zij dit verlangen konden bevredigen, bittere smart ondervonden als hunue begeerte onvoldaan moest blijven ; en die toch, na korter of langer tijdsverloop, tot geheel tegenovergestelde gevoelens omtrent het voorwerp hunner hartstochtelijke genegenheid oversloegen. Hebben zulke menschen niet het recht een huwelijk te sluiten ? Zonder twijfel. In het belang van de soort moet hunne verbintenis zelfs ge-eischt worden. Maar zal eene levenslange monogamie hen
ö O
op den duur gelukkig maken ? Niemand die het leven met eerlijke, open oogen gadeslaat, zal toestemmend op deze vraag antwoorden.
De mensch is feitelijk geen monogamisch dier en alle instellingen, die op de erkenning der monogamie berusten, zijn in meerdere of mindere mate onnatuurlijk en hinderlijk. Oude, door overdraging zeer diep gewortelde beschouwingen bewijzen tegen die biologische omstandigheid niets. Laten we maar eens oplettend naar de zachtste en verbor-genste stemmen in een minnend hart luisteren! Neemt het geliefde wezen waarlijk het andere zoo volkomen in beslag, dat daarin geene ruimte voor een verlangen, althans voor eene gewaarwording overblijft, die op een derde wezen betrekking heeft? Ik ontken dit. Wie oprecht is, zal beilmen, dat man en vrouw, ook in de hoogste verrukking eener jonge liefde, nog altijd een klein donker schuilhoekje in de ziel bewaren, dat de stralen hunner passie niet verlichten en waar zich de kiemen van tegenstrijdige wenschen en genegenheden verzamelen. Men onderdrukt die beginselen uit plichtgevoel en uit aangeboren eerlijkheid ; men veroorlooft hun misschien niet, zich vrij-uit te ontwikkelen; maar men is zich wel degelijk van hun bestaan bewust, en men beseft, dat ze ook schielijk in kracht\'en omvang zouden toenemen, wanneer men hiertegen niet op zijn hoede was. Het kan aanstootelijk klinken, maar ik moet
297
het toch zeggen : men kan tegelykertijd verscheidene individuen met nagenoeg dezelfde teederheid beminnen, en men behoeft nog niet te liegen wanneer men voor ieder afzonderlijk zijne gevoelens blootlegt. Al is men nog zoozeer van liefde voor een bepaald wezen vervuld, daarom houdt men toch niet op, voor de invloeden van het geheele geslacht vatbaar te zijn. De vrouw, al bemint zij nog zoo zuiver, blijft toch een deel der algemeeue vrouwelijkheid, en al is de liefde van den man zoo warm en zpo eerlijk mogelijk, hij blijft toch ook zelf een fragment der mannelijkheid ouder de menschen ; hij en zij ondervinden steeds de natuurlijke aantrekkingskracht van de andere sekse, en gunstige omstandigheden kunnen er-toe leiden, dit universeel gevoel tot verkleefdheid jegens een bizonder individu samen te vatten. Doorgaans was de eerste liefde zelden iets anders dan de neiging voor het gausche geslacht, overgedragen op een zeker voorwerp, dat men het eerst gelegenheid had te ontmoeten. Ik heb hier, en ik herbaal het uitdrukkelijk, welgezinde mannen, die zich kunnen bedwingen, en kuische vrouwen op het oog. De onvoorwaardelijke trouw ligt niet in de natuur van den mensch. Zij is geen physiologisch verschijnsel, dat met de liefde hand in hand gaat; haar te vergen is zelfzucht. Het individu verlangt uitsluitend de gedachten van het beminde wezen te ver-r vullen, diens driften te beheerschen ; het wil daar enkel zijn eigen persoon ia weêrviuden. Het gevoel van eigenwaarde en zelfbewustheid wordt nooit in zoo hooge mate gestreeld als door het besef, zulk een. invloed op een ander wezen uit te oefenen en de werking ervan te mogen waarnemen. Zooals de overwinning van een tegenstander, kracht tegen kracht, mensch tegen mensch, een eigenaardig gevoel van meerderheid bij ons opwekt, zoo verleent ook het denkbeeld, dat we een ander individu geheel naar onzen wil
298
kunnen zetten, diepe, heerlijke gewaarwordingen. De eisch van trouw is in den grond niets anders dan de begeerte om de grenzen van onze persoonlijke macht zoo ver mogelijk uit te breiden, en wangunst is de inderdaad smartelijke bekentenis van de nauwheid dier grenzen. Daarom kan iemand jaloersch zijn, zonder zelfs in \'t minste lief te hebben, even zoo goed als men gaarne over een makker iu \'t spel zegeviert, zonder hem te haten. In beide gevallen komt de ijdelheid er-bij, die gestreeld wordt door de overtuiging, dat men een flink individu is. \'t Is alles eene kwestie van overwicht, van meerder kracht en vermogen. Men vordert trouw, zonder de verplichting op zich te willen nemen, zelf aan dien eisch te beantwoorden. Het beste bewijs dat de trouw niet door het natuurlijk doel der liefde, door het belang der voortplanting geëischt wordt, maar een uitvloeisel der eigenliefde en der zelfzucht is, ligt juist in dat gebrek aan wederkeerigheid opgesloten. Ware het om eene organische noodzakelijkheid te doen, men zou de trouw van den man voor een even onkreukbaren plicht moeten houden als die van de vrouw. Doch het geldt hier eene bedinging van \'t egoïsme en daarom moest, in den loop der geschiedenis, het ik van den sterke over dat van de zwakke zegepralen en moest de man, wijl hij de sterke is, van lieverlede wetten, opvattingen, geneigdheden in zijn voordeel regelen en ten nadeele der vrouw. Hij verlangt onvoorwaardelijke trouw van zijne gade, maar zij mag het niet doen van hèm; komt ze er toe, zich te vergeten, dan pleegt ze eene doodzonde, voor welke de verachting van \'t publiek nog eene zachte straf heet te zijn. Als Mj zich vergeet, dan heeft hij zich aan eene kleine beminnelijke fout schuldig gemaakt, die de wet hem niet aanrekent, waarover de samenleving witjes en goedig glimlacht, en die zijne gade hem onder tranen en liefkoozingen vergeeft,
299
zoo deze het geval ernstig opvat. Die onbillijke manier van meten met twee maten schijnt te grooter, wanneer men bedenkt dat de vrouw die zondigt, bijna altijd passief hierbij is, terwijl de man uit eigen vrijen wil te werk gaat. Buiten den bijbel komt Jozef niet dikwijls voor, en eene mevrouw Potifar behoort tot de zeldzaamheden. Het ruwe egoïsme van den man spreekt in deze richting nergens zoo sterk als in Indië. Daar beschouwt hij het bezit dei-vrouw als zoo volstrekt en uitsluitend, hij drijft er deu eisch van trouw zoo onbarmhartig ver, dat hij de weduwe, ja de verloofde dwingt, den afgestorven echtgenoot of bruidegom op den brandstapel te volgen; terwijl de man, die zijne gade verliest, zich in \'t geheel niet behoeft te schamen, terstond na db begrafenis, zelfs onder algemeene toestemming, eene andere vrouw te kiezen, lu Europa heeft de zelfzucht van den mau niet zulke krasse vormen aangenomen. Slechts enkele dwepende dichters zijn zoo ver gegaan, dat zij trouw tot na den dood van het geliefde wezen vorderden, wanneer zij maanzieke figuren van minnen-den schilderden, die zich-zelven tot levenslangen rouw en voortdurende onthouding hadden veroordeeld, omdat zij het beminde wezen niet mochten huwen of wijl het gestorven was. Toch waren deze sentimenteeie dwepers rechtvaardig genoeg om voor beide geslachten gelijke plichten te decretee-ren, eu hunne Toggeuburgen zijn even zoo dikwijls mannen als vrouwen. Voor lezers met gezonde begrippen zijn deze figuren, voor zoover zij inderdaad naar het leven geschetst zijn, ziekelijke, verbasterde karakters, die uit den nood van huu pathologischen ziels- of lichaamstoestand eene deugd maken, en wel eene poëtische deugd.
De Europeesche zeden erkennen, niet alleen in practijk, maar ook in theorie, dat liefde kan ophouden, dat men herhaaldelijk kan beminnen en dat de trouw de liefde niet be-
300
hoeft te overleven ; want in tweede huwelijken van weduwe-naars en weduwen zien zij niets zedenkwetsends en niets wat indruischt tegen de strengste maatschappelijke critiek. Zoo ooit of ergens de vrouw sterker geweest ware dan de man, gewis zou er dan eene geheel andere opvatting van weder-keerige trouw heerschen. De lichtzinnigheid der vrouw zou dan eene allerliefste zwakheid heeten, waarover men onder glimlachen en schertsen vluchtig heenwipte, terwijl de be-driegelijke echtgenoot een treurig en ernstig figuur zou maken. Men zou dan van den man dezelfde eerbaarheid buiten het huwelijk en vooral vóór zijn huwelijk verlangen als men nu van de vrouw eischt. Don Juan zou in Donna Juana veranderd worden, en wij zouden in den schouwburg bittere tranen schreien over den armen, onschuldigen Othello, die door de wilde, ijverzuchtige Desdemona vermoord wordt.
Uiterst moeielijk is het zeker, de kwestie van trouw en van den tijd, dien de liefde volgens de natuur het behoort uit te houden, beslist op te lossen, in verband met onze hedendaagsche moraal. Let men op de hoogere diersoorten, dan komt men gemakkelijk tot de overtuiging, dat bij deze de genegenheid van het mannetje voor het vrouwtje niet langer duurt dan de dagen van het paren, desnoods nog den tijd, dien men de wittebroodsweken zou kunnen noemen, en dat de wederkeerige trouw, die ook maar bij enkele soorten bestaat, de geboorte van het jong niet overleeft. Al komt onze menschelijke hoogmoed daar nu met klem tegen op, zoo dienen wij toch de neigingen en instincten der menschen volgens deze gegevens uit het dierenrijk te onderzoeken, willen wij weten of zij natuurlijk en noodwendig dan wel kunstmatig en willekeurig zijn. -
Het dierenrijk wordt immers door dezelfde wetten ber stuurd als het menschelijk geslacht, dat biologisch in geen
301
enkel opzicht van het eerste afwijkt. Deze metkode vaa vergelijking der soorten zou ons dus brengen tot de stelling, dat de liefde na de vervulling van hare taak en nadat zi] haar doel bereikt heeft,, moest ophouden te bestaan, evenals de honger ophoudt na de bevrediging der behoefte aan spijs. Hiernaar te oordeelen, zou de vrouw met de geboorte van haar kind een bedrijf van haar liefdeleven volkomen hebben afgespeeld; zij zou das een volgend bedrijf met andere rolverdeeling kunnen beginnen. Is dit, zooals het schijnt te zijn, de ware en natuurlijke toestand der men-schelijke ondervinding, dan heeft de monogamie inderdaad geen organisch recht van bestaan : dan moet zij in de meeste gevallen reeds na de wittebroodsweken of althans na de geboorte van een kind, eene leugen worden, die tot onophoudelijke botsingen tasschen plicht en neiging aanleiding geeft, ook al werd de echt aanvankelyk uit waarachtige liefde gesloten. Voorzeker, daar doen zich al dadelijk tal van gronden vernemen tegen eene stelling, wier logica noodwendig de afschaffing van het huwelijk en de wederinvoering van de vrije liefde als bij de dieren bedoelt. De eerste dier wederleggingen zou deze zijn: Het kan waar wezen, dat de mensch, volgens zijn natuurlijk instinct, polygamisch is ; dat hij de neiging heeft, gelijktijdig, of achtereenvolgens, met meer dan één individu van het andere geslacht in aanraking te komen ; maar hij heeft nog andere instincten, hij heeft ook zedelijken aanleg, en het is immers het doel der beschaving, den menschelijken wil zóó op te voeden, dat hij zijne natuurdriften onderdrukken en beheerschen kan, zoodra hij die verkeerd acht. Dit argument houdt echter geen steek. Het zou nog moeten bewezen worden, dat het instinct der polygamie voor de instandhouding en de ontwikkeling van het menschelijk ras nadeelig werkte, want alleen dan zou men het slecht mogen noemen. Ver-
302
volgens lette meu er-op, dat de beschaving, die zooveel andere driften bezworen heeft, er feitelijk niet in geslaagd is, de natuurlijke neiging van den mensch tot polygamie te onderdrukken, ondanks de bedreigingen der kerk met alle straflen der hel, ondanks de veroordeeling der wet en terwijl de geijkte moraal haar voor zedeloos verklaard heeft. De man drijft in de beschaafde landen polygamie, in weerwil van de wet; onder duizend mannen is er nauwelijks één, die op zijn sterfbed naar waarheid zou kunnen betuigen, niet meer dan eene enkele vrouw gekend te hebben. Dat de vrouwen de mo-nogamisehe wet strenger naleven, komt niet daarvan, dat zij geene aanvechting hebben gevoeld om baar te schenden, maar wijl de wachters der officieele zedenleer op de vrouw scherper toezien en zwaarder heure buitensporigheden straffen dan die des mans; maar een instinct, dat tegen wetten en gebruiken zoo halsstarrig in verzet komt, moet toch wel dieper wortelen dan zooveel andere neigingen, waarop de beschaving allengs vat kreeg.
Een tweede betoogtrant legt meer gewicht in de schaal. De menschelijke liefde, hoewel zij hoofdzakelijk neerkomt op het verlangen naar het hezit van een bepaald individu met de voorplanting als doel, is nog iets meer : zi.j is een welbehagen in de geesteUjke eigenschappen van het beminde wezen; zij is ook vriendschap. Dit element der liefde overleeft het physiologisch element. Zeker is hetgeen men voor zijne geliefde na het bezit koestert, iets anders dan te-voren. Maar nog altijd is bet een fiere en machtige gewaarwording, die best als oorzaak van \'t verlangen naar een bestendig samenleven kan beschouwd worden; naar een samenzijn dat zijn recht van bestaan niet langer aan het natuurlijk doel, de voortplanting van het geslacht, ontleent, maar aan de behoefte aan omgang tusschen twee intellectueel bevoorrechte naturen. In het meest getrouwe
303
hart, al was de hartstocht oorspronkelijk nog zoo hevig, neemt de genegenheid na de wittebroodsweken of na de eerste bevalling dien vorm aan, waarin de huwelijksband nog volstrekt niet lastig gevonden wordt, al beschut hij juist niet tegen \'t opvlammen van een nieuwen hartstocht. Er dragen echter nog andere omstandigheden toe bjj, om den wil in den strijd tegen het poiygamisch instinct te ondersteunen. Het samenzijn van twee menschen, die elkander, zij \'t ook maar eene pooze, hebben liefgehad en daardoor het bewijs hebben geleverd van wederkeerige aantrekkingskracht, wordt eene gewoonte, welke als machtige bondgenoote der trouw optreedt. Misschien gevoelt men, na eenigen tijd, niet de geringste liefde meer voor elkander, misschien niet eens vriendschap, maar de gemeenschap duurt toch voort, en wel onafgebroken. Bij het procés der versteening gaan langzamerhand alle oorspronkelijke be-standdeelen, bij voorbeeld van een boomwortel, te niet, om door geheel andere, aardachtige stoffen vervangen te worden, die intusschen behoedzaam, als skiipenderwijze de ruimte der verdrongen moleculen innemen en den vorm in zijn geheel laten, tot er heel niets meer van de innerlijke bewerktuiging is overgebleven. Op dezelfde manier verdringt bij deze overgangen in het gevoelsleven, de gewoonte stap voor stap de verdwijnende liefde, en wanneer deze volkomen verwijderd is, dan rest het uiterlijk, dat, hoe dor en doodsch en kil ook, toch duurzaam en veerkrachtig blijft. Is de echt met kinderen gezegend, dan gaat de teederheid der ouders op dezen over; in hun hart ontwaakt eene nieuwe liefde, die zich om beide ouders strengelt zooals de ranken der klimop twee boomen omwinden en ze nog dekken met frisch en jeugdig groen, ofschoon ze reeds kaal en afgestorven zijn. Bovendien wordt men in den huwelijkssleur ouder, het verlangen naar liefde ver-
3Ö4
zwakt natuuriijkerwijze, en al vergaan, al verdwijnen de kiemen van nieuwe neigingen ook niet geheel, zoo brengen de jaren toch mee, dat dier ontwikkeling met minder moeite belet wordt.
Ten slotte blijft er van \'t morgenrood der liefde eene heerlijke, diepe herinnering voor het gansche leven over, welke tot dankbaarheid stemt jegens het wezen, dat men bemind heeft, en ons vast er-aan doet hechten. Nemen wij dit alles in aanmerking, dan begrijpen we, hoe de menschen zich monoga-misch en levenslang met elkaar verbinden, al blijkt het ook uit hun lichamelijken en geestelijken aanleg, dat zij oorspronkelijk tot meerdere gelijktijdige of opvolgende betrekkingen geschapen zijn. Ten allen tijde zullen er zich gevallen voordoen, waarin niets een nieuwen hartstocht tegenhoudt; noch de vriendschap welke de liefde begeleidt, noch de dankbaarheid die zij nalaat, noch de gewoonte, noch een bezadigde leeftijd of de onderlinge belangstelling in \'t lot der kinderen ; in zulke gevallen verdwijnt de trouw en verliest dus het huwelijk zijn recht van bestaan. De maatschappij neemt aan, dat zoodanige toestanden mogelijk zijn en heeft daarom, in meer ontwikkelde landen, de echtscheiding ingesteld. Doch met dit al is de natuur niet bevredigd. Door het huichelachtig vooroordeel, dat zich vastklampt aan de strenge monogamische leer, worden de gescheiden echtgenooten vervolgd en hun een kleine schandvlek aangewreven, welke hen tot de categorie van niet meer volkomen eerzame lieden verlaagt. Zwakkere en beschroomder naturen komen er op die wijze toe, de leugen boven de waarheid te verkiezen, en liever den echtgenoot te misleiden, dan tot eene eerlijke ontknooping van hunne verbintenis te besluiten. Door zich flauwhartig te verschansen achter een bezoedelden, ja misdaad geworden echt, ontwijken zij het maatschappelijk lot van gescheidenen zoo-
305
•
lang mogelijk. De maatschappij moet er-aan gewoon raken, in gescheidenen, moedige, oprechte karakters te zien, die zich te goed achten, om met hun geweten een accoord aan te gaan ; die vastberaden den vorm verbreken, zoodra hij den inhoud logenstraft en zoodra hunne natuurlijke gevoelens zich daartegen verzetten. Eerst dan wanneer deze opvatting algemeen voor de juiste gehouden werd, zou het menschelijk hart zijne rechten, het huwelijk zijne waarheid en heiligheid herwinnen; lichtzinnigheid en behaagzucht zouden de liefde niet meer als dekmantel gebruiken, en de echtbreuk zou eene afschuwelijke misdaad heeten, waaraan alleen nog de meest veile, bedorvene schepselen zich zouden bezondigen.
Onze laatste onderzoekingen golden de vraag of een bond met één enkel wezen en levenslang wel met de mensche-lijke natuur strookt, en niet vroeger of later noodwendig eene leugen moet worden, ook dan wanneer hij aanvankelijk uit lielde werd aangegaan. Hoe ver zijn we intusschen nog verwijderd van een toestand, welke der maatschappij een dusdanig onderzoek zou kunnen voorschrijven! Eer men zich bezig kan houden met de oplossing van het an-thropologisch raadsel of de mensch niet meer dan éénmaal bemint, en of hij aan zijne natuurlijke neiging tot paren slechts bij één enkel individu van de andere sekse voldoen raag, diende er althans aangenomen te kunnen worden, dat ieder huwelijk op liefde berustte en dat de officiëele band, ten minste op het oogenblik dat deze gevlochten was, het werk ware van onderling gevoelde aantrekkingskracht. Doch dit verhindert de huishouding van onze maatschappij. Zoolang de man er niet zeker van is, voortdurend arbeid en daardoor een aangenaam leven te hebben, moet hij wel in \'t huwelijk zijn stoffelijk voordeel zoeken, of, kan hij langs dien weg dit niet bereiken, boven het huwelijk de
20
306
voorkeur geveu aan prostitutie of soortgelijke vluchtige betrekkingen, die- hem geene of maar geringe verantwoordelijkheid opleggen. Zoolang de vrouw het huwelijk als haar eenig middel tot verzorging, als hara eenige uitkomst beschouwt, zal zij gemakkelijk tot eene echtverbintenis le bewegen zijn, zonder zich om liefde veel te bekreunen, en daardoor allengs diep ongelukkig worden of zedelijk te gronde gaau. De kwakzalvers, die de zoogenoemde emancipatie der vrouw als panacé tegen dezen ziektetoestand aanprijzen, zullen in het vreeselijk lot, dat vooral der vrouw in onze samenleving te wachten staat, geen zier verbetering brengen. Ik wensch mij overigens in de emancipatie-kwestie niet te verdiepen; slechts wilde ik kortelijk herinneren, dat bij geheele gelijkstelling van beide geslachten, de strijd om het bestaan nog afschuwelijker vormen zou aannemen dan tegenwoordig. Zoodra de vrouw op onderscheiden gebied de ernstige mededingster van deu man is, wordt zij, als het zwakkere wezen, onbarmhartig verschopt. De hoffelijkheid is eene uitvinding van welstand en lediggang. Nood en honger overstemmen dit gevoel, en toch rekenen onze vrouwen daarop, als zij zich eene wereld voorspiegelen, waar man en vrouw elkander de bete broods betwisten. De moeielijkste en juist de noodigste verrichtingen zal de man alleen moeten doen; hij zal die hooger achten dan de diensten welke de vrouw bewijst, en hij zal voortgaan, den arbeid der vrouw met minder te betalen dan den zijne. Waarom? Omdat hij de kracht bezit, die vereischt wordt om zijne aanschouwing tot wet te verheffen en zijn wil door te drijven, — om geene andere reden. De vrouw neemt in de beschaafde wereld eene hooge en eervolle plaats in, wanneer zij bescheiden is, wanneer zij tevreden is de aanvulling van den man te zijn en zijn materieel overwicht te erkennen. Beproeft zij \'t intusschen, die meerderheid in twijfel te trekken, zoo
307
wordt zij maar al te spoedig gedwongen, haar te ondervinden,, De geëmancipeerde, in den vollen zin van \'t woord, die zich van den man onafhankelijk, ja dikwerf door een groot verschil van beider belangen, als zijne vijandin beschouwt, moet op haar nummer worden gezet. En dit is dan de strijd, de ruwe strijd, ea wie hem wiut, is niet moeielijk te raden. De emancipatie brengt den man en de vrouw nu eenmaal in eene verhouding als hooger tot lager, want de man is beter uitgerust dan de vrouw — en de slotsom is, dat deze laatste afhankelijker en slaafscher wordt, juist door die zucht om zich vrij te maken. De predikers dei-emancipatie bedoelen de vrouw in staat te stellen, ook zonder de hulp des mans in haar onderhoud te voorzien en dus het huwelijk te laten varen. Dit middel ter genezing van eene kwaal komt overeen met de methode van een menschenvriend, die in dagen vau hougersnood zou willen leeren, hoe men de menschen op de zekerste manier zou kunnen afwennen, zich te spgzigen. \'t Is er juist om te doen, te eten te geven, en niet zich om te onthouden. Het moet der vrouw niet mogelijk worden gemaakt, 6 gij wonderlijke advocaten van de slachtoffers onzer beschaving, van het huwelijk af te zien ; gij moet haar integendeel helpen, van \'t liefdeleven der schepping haar aandeel te verkrijgen. Zooals ik in een vorig hoofdstuk het een plicht der maatschappij genoemd heb, dat zij hare kinderen verzorge, hun onderwijs verschaffe, met de noodige voeding, tot zij die zelf kunnen bestrijden, acht ik het evenzeer een plicht der maatschappij, dat zij haar kostbaarst materiaal tot instandhouding der soort, de vrouw, voor physieke ontbering vrijware. De overheid is aan de vrouw verpleging en beveiliging schuldig. De man vervult, in het leven der soort, de rol van kostwinner, onderhouder en beschermer van \'t levende geslacht. De roeping der vrouw is die van verde-
308
digster der komende generation. Zij moet de soort in stand\' houden en haar veredelen, terwijl zi] ia den strijd de mannen aanvuurt, doordat zij zelve deel uitmaakt van den schoonen buit, die voor de kampioenen is weggelegd.
Als kind behoort het meisje de voordeelen van de al-gemeene opvoeding der jeugd te genieten; later moet zij, indien het noodig is, aanspraak kunnen maken op algeheele verzorging, of by hare ouders thuis, of in bijzondere inrichtingen.
De maatschappij moet zóó ver komen, dat zij het schande vindt, eene vrouw, om het even of zij jong of oud, schoon of leelijk zij, gebrek te laten lijden. In eene samenleving,, waar de vrouw geene zorgen voor haar dagelijksch brood kent en weet dat zij voor gebrek, ze moge dan huwen of niet, gevrijwaard is, waar de kinderen voor rekening van den staat onderwijs en opvoeding krijgen ; waar de man niet langer voor zijn geld zooveel vrouwen zal kunnen koopen als hij wil, omdat de nood niet langer zijn koppelaar is ; in zulk eene maatschappij zal de vrouw spoedig leeren, uit louter genegenheid te huwen. Daar zullen de oude vrijsters, die geen man hebben gevonden, weldra even weinig voorkomen als de oude jongelui, die in een losbandig leven al de lusten zouder de lasten en beperkingen van den echt willen smaken ; dan zal de prostitutie nog alleen maar door de kleine minderheid van ontaarde individuen gevoed worden, wier ongeregelde driften geene tucht kunnen velen, die slechts ademen kunnen in schande en roekeloosheid en voor bet behoud der soort al niet de minste waarde meer hebben.
Wanneer stoffelijke overwegingen zich bij het sluiten van een huwelijk niet meer doen gelden ; wanneer de vrouw vrij is in hare keuze, en zij niet langer genoodzaakt is, zich te verkoopen ; wanneer de man alleen om zijn persoon, en niet om zijne positie of ziju geld, naar de gunst der
309
vrouw gaat dingen, dan kan de inzetting des huwelijks van leugen waarheid worden ; dan gebiedt bij elke omarming de verheven geest der natuur; dan omgeeft de liefde zijner ouderen het kind als met een heiligeu nimbus, en ontvangt het bij zijne intrede in de wereld de kracht en den levenslust, die ieder paar, uit sympathie, uit verwantschap ontstaan, zijn\' telgen moet nalaten.
ALLERLEI KLEINE LEUGENS.1
I.
Alleen door aan te nemen, dat de mensch van nature een kudde-dier en het samenleven met zijue soortgenooten eene hoofdvoorwaarde van zijn bestaan is, kunnen wij eenige van zijne oorspronkelijkste en voornaamste karaktertrekken verklaren, die volstrekt onbegrijpelijk zouden blijven, wanneer wij ze op zich-zelf moesten nagaan en wanneer het beeld, dat gebrekkig onderwezen, maar met eene vlugge fantazie begaafde anthropologen ons van den oermensch ontwerpen en dat hem kennen doet als een wild, eenzelvig, rusteloos de wouden doorkruisend, met knijf en knots gewapend jager, in de eene of andere periode zijner ontwikkeling waar was geweest. Geheel op zijn aard van kuddedier berust de drang naar solidariteit, die in den loop der zelfzuchtige beschaving wel verflauwen kon, maar nooit onderdrukt is geworden. Deze natuurlijke neiging zou doelloos zijn en daarom geen recht van bestaan hebben bij een wezen, dat volgens aanleg en behoeften tot een streng afgezonderd, persoonlijk leven geschapen was. Het beginsel der solidariteit doet ons bij al hetgeen wij doen of onderne-
1
Dit hoofdstuk is eenigszins verkort. — Vert.
311
men onwillekeurig vragen; »wat zullen de anderen er-van zeggen?quot; en de ontvangst, die onze woorden en handelinge bij die anderen vinden, oefent belangrijken invloed daarop uit. Het algemeene oordeel werkt op iedereen, soms onbewust, met onweerstaanbare kracht; niemand vermag zich aan dien invloed te onttrekken. Al neemt nu en dan een persoon den schijn aan, zich er niet aan te storen en vrijmoedig er tegen in te gaan, zoo herinnert dit verzet toch menigmaal aan \'t spreekwoord dat van drup en regen gewaagt. En buitendien, ook hij die zijn eigen weg gaat, doet dit in de stille verwachting, langs dit eenzame pad toch eindelijk weer met de massa vereenigd te worden. Het streven naar den bijval van anderen is dikwijls sterker dan de zucht tot zelfbehoud. Immers, daar zijn er, die hun leven wagen, niet ter wille van hunne belangen, niet om een persoonlijken aanval af te weren, maar om iets te doen wat anderen zullen prijzen ; m. a. w. de publieke opinie schept helden. Alledaagsche menschen, welke geboren zijn om in den rosmolen meê te draven, die de richting van een trein, de keus der weilanden, de vaststelling der uren van schoften en weggaan, de leiding bij aanval en verdediging aan anderen overlaten, hebben hun leven lang nooit andere motieven voor hun gedrag dan de openbare meening. Zij durven aan eene opwelling geen gevolg te geven, noch eene eigene beschouwing na te houden. Zoowel in het kleine als in het groote luisteren zij naar de stem van \'t publiek. Van de kleur van hunne das tot aan de keuze hunner vrouw, wordt alles met -het oog op anderen beslist; van deze anderen hebben zij het hart niet, een oogenblik den vragenden blik af te wenden.
De natuurlijke aanvoerders der kudde wagen het eerder, »zich-zelfquot; te zijn en zonder zich om goed- of afkeuring te bekommeren hunne eigene ingevingen te volgen.\'J och worden
812
ook zij — dit leert eeae nauwlettende waarneming — feitelyk gedragen door de hoop, dat ze eenmaal den lof, indien niet van allen, dan van sommigen, van de besten, zullen verwerven. Er is veel karakter toe noodisr, om voor
O\'
eene persoonlijke overtuiging op te komen, wanneer men weet, er bijna zijne geheele omgeving door te zullen ergeren ; om de belangen der mindere klassen te bepleiten, wanneer men, als Catilina volbloed aristocraat is ; Rome den oorlog te verklaren, wanneer men als Luther eene lieve oude moeder heeft, die waant dat de hel hem met hare bezoekingen achtervolgt ; — maar deze heroën hadden het troostrijk bewustzijn te handelen in overeenstemming met eene minderheid, die zij vertrouwden eenmaal tot meerderheid te zullen maken. Nog andere helden zagen die sympathieke minderheid niet eens. Zij putten opgewektheid uit de trouwe deelneming vau een enkel wezen, van vrouw of kind, vriend of vriendin, en waar ook deze voldoening ontbrak, daar bezielde hen de overtuiging dat de menschen hen toch éénmaal zouden begrijpen en verheerlijken, al werden zij nu ook nog ver-wenscht en gesteenigd. Voor onmogelijk houd ik het echter, dat iemand die zijne gezonde vermogens bezit, de wereld van den morgen tot den avond tegen zich in\'t harnas zal jagen, wanneer hg zoo goed als zeker is, dat zijne handelingen door allen veroordeeld zullen worden. De openbare meening is toch niet anders dan \'t ge weten van het tjansche ge-
O o O
slacht, zooals het geweten niet anders is dan de openbare meening, door ieder individu in zich-zelf vertegenwoordigd. Van dezen vertegenwoordiger is het sheilige moeten\'\' de stem. Wie doet hetgeen hij voor edel houdt, al lijdt hij er schade bij, wie zonder ooit waardeering te verwachten, in \'t geheim een heldendood sterft, die handelt dus, omdat er in zijn binnenste een getuige van zijn heroïsme woont;
313
omdat hij daar eene stem hoort klinken, die hem uit naam der menschheid dank zegt; omdat hij gevoelt, hoe de mensch-heid wel degelijk met hem ingenomen is, maar alleen door het toeval belet wordt, hem daarvan bli]k te geven, tiet «heilig moetenquot;, het geweten en de openbare meening zijn dus feitelijk één ; het zijn alle drie vormen, waarin de solidariteit van het mensehdom zich duidelijk maakt voor het individu.
In vroeger tijden was de openbare meening iets zwevends, ontastbaars; zij had geen lichaam, geeue omtrekken ; zij kwam men wist niet hoe of van waar ; zij was er. De praatjes op de markt en in de huiskamer, in het bierhuis of aan het hof\' werden wel eens zoo genoemd, maar eene vaste gedaante verkreeg zij eerst door de instelling, niet van een wettelijk, maar van een zedelijk eere-gericht, dat met zijn vonnis zekerden trof dau de justitie onzer dagen. De openbare meening is thans eene georganiseerde macht ; zij heeft een orgaan, dat door de geheele wereld geëerbiedigd wordt, eu dit orgaan is de Pers. De befceekeuis der pers in de moderne beschaving is kolossaal; zij neemt eene plaats in de maatschappij in, die aan deze veel meer kara-ter geeft dan al onze wonderbare technische uitvindingen. Met deze uitvindingen valt de grootsche ontwikkeling van het couranten wezen trouwens samen ; we kunnen ons nu eenmaal geene dag- of andere bladen als van die uitvindingen afgezonderd voorstellen.
Een fransch diplomaat heeft de pers de »vierde macht in den staatquot; genoemd, d. i. eene macht, welke met de drie andere, de Kroon en de Kamers der Pairs en der afgevaardigden, de wetten geeft eu ze uitvoert; en zeker is het, dat in geea enkel land van Europa zonder den bijstand en trots den tegenstand van de pers geregeerd kan worden of eene wet kan worden gehandhaafd. Natuurlijk
314
zal ieder dagblad in gegeven omstandigheden niet altoos zijn wil kunnen doordrijven ; ook de eerste courant der wereld verkriigt dikwi]ls niet eens, dat een onbevoegd ambtenaar uit zijne betrekking ontslagen wordt, laat staan dat zij de invoering van eene wet verhindert, een ministerie behoudt of verwijdert, den grond voor eene bepaalde politiek legt. Doch wanneer alle bladen van gezag in een land gezamenlijk op één doel afgaan, wanneer zij niet al te concrete, maar eenigszins algemeen uitgedrukte gedachten onvermoeid maanden en jaren achtereen herhalen, hunne lezers telkens en telkens weder naar het standpunt terugvoeren, van waar zij uitgingen, dan is daar eindelijk niets tegen opgewassen, dan is er geene regeering, geene wet, geene mode, geene wereldbeschouwing, dien hen weerstreeft. Want de pers is meer dan eene overbrengster van feiten ; zij waakt over de geschiedenis van den dag; zij beoordeelt de handelingen, de woorden, ja de onuitgespro-kene beschouwingen der menschen; hier strijkt zij een vonnis, daar roemt zij; hier doet zij eene aanbeveling, eene loftuiting, daar eene waarschuwing, eene bedreiging hooren. Zij vertolkt de opeubare meening ; neemt hare aanspraken over ; oefent haar strafrecht uit tot in den gevreesden vorm van moreele doodverklaring ; werpt zich tot eene macht op, die het ^heilig moetenquot; in hare banier heeft; in één woord, verklaart zich voor het geweten der maatschappij. En nu rijst de vraag, hoe de journalist aan zijn mandaat gekomen is. Die vraag beeft de overheid zich gesteld van bet oogen-blik af, dat de pers in naam der publieke meening optrad en zelfstandig handelde, en vermits zij geen bevredigend antwoord daarop vinden kon, heeft zij haar best gedaan om de pers op allerlei manieren te vervolgen, haar in te toornen en aan banden te leggen. Maar het instinct der menigte heeft zich altijd tegen die knevelarij verzet; vrij-
315
heid van drukpers heeft altijd en alom tot de eerste eu dringendste eischen der volkeren behoord, overtuigd als die volkeren waren dat de openbare meening, dat de gedachten en gevoelens, hei rechtsbegrip en \'t geweten der massa het hoogste gezag en het oordeel in laatste instantie der samenleving uitmaken, en dat het euveldaad is, die macht van het woord te wiilen breidelen.
Is het echter wel zoo vast, dat de openbare meening in de pers op eerlijite,ondubbelzinnige wijze uitgedrukt wordt? Wie op deze vraag een juist antwoord wil geven, behoort zich eerst duidelijk voor te stellen wat eene courant is, hoe ze opgericht, hoe ze gemaakt en geschreven wordt. De eerste de beste straatslijper, een kruier, een verloopen genie of een speculant, kan als hij geld heeft, of eene erfenis krijgt, of commanditairs weet op te snorren, eene courant van de bovenste plank ondernemen, een aantal journalisten van beroep tot een redactie-staf verzamelen en binnen weinig dagen eene macht worden, die op ministers en parlement, op kunst en literatuur, op beurs en koophandel een geduchten invloed uitoefent. Ik hoor het volgende in het midden brengen : zal een nieuw blad gezag verwerven, dan kan dit alleen geschieden door zeer ruime verspreiding; deze maakt noodig, dat de pen worde gevoerd door talenten, en dat er onderwerpen ter spraak komen, die bij het lezend publiek sympathie vinden. Aan den eenen kant is het nu niet waarschijnlijk, dat begaafden zich onder de leiding van een verachtelijk individu zullen stellen, hetgeen een waarborg geeft voor de degelijkheid van den oprichter. Aan den anderen kan is het denkbaar, dat het publiek zich bij honderden op een nieuw blad abonneeren zal, wanneer het de beschouwing der redactie niet deelt: de courant moet dus werkelijk het algemeen gevoelen, de publieke opinie, vertolken. De lijst der abonnenten is het
316
niaudaat der redactie. Iedere verhooging van de oplaag beduidt eene vernieuwing van de volmacht der redacteurs om uit naam van al hunne lezers te spreken. Dit klinkt als eene klok, — maar \'t is van het eerste woord tot het laatste onwaar. De ondervinding leert, dat de medewerking van gewetenlooze talenten overal en ten allen tijde veil is. Er zijn voorbeelden bij dozijnen op te noemen van voormalige courant-ombrengers, advertentie-colporteurs, woekeraars en bankroetiers, misdadigers en fortuinzoekers, oproermakers en ruwe iguoranten, die belangrijke dagbladen hebben opgericht, schitterende vernuften wisten te werven, en die hunne onderneming leidden in den geest van hunn e eigene laagheid, onzedelijkheid en beginselloosheid. De verwijzing naar het groot getal inteekenaren houdt ook geen steek. Een gewetenloos ondernemer behoeft slechts op de erbarmelijke neigingen, die bij het volk altijd naast de edele voorhanden zijn, te speculeeren, om zeker te zijn, lezers eu koopers te vinden. Wie herinnert zich de bladen niet, welke de grootste platheden verkondigen, schandelijken laster over bijzondere personen eu betrekkingen uitstrooiden, of door »pikantequot;, ongepaste wijze van uitdrukking de menigte wisten te prikkelen ? Sommige bepaalden zich niet bierbij, maar trachtten door wulpsche voorstellingen op de zinnen te werken ; andere verbonden aan hun blad eene loterij, waarbij aan de afnemers groote prijzen werden beloofd. Al deze bladen kunnen door deze meer of minder stuitende middelen een groot debiet, dus grooten invloed verkrijgen. Waarschijnlijk zal deze invloed krachtiger zijn dan van de fatsoenlijke bladen, die alleen vertellen wat zij weten, dan alleen onderrichten, wanneer zij zelve onderricht zijn, zedelijke beginselen huldigen en nooit hun voordeel trachten te doen met lage driften ; die er integendeel steeds op uit zijn, den idealen aanleg des volks
317
te ontwikkelen. Is die invloed gewettigd ? Zou de redacteur van zulk een schimpblad inderdaad gebreveteerd zijn, voor duizenden lezers de regeering te mogen aanvallen ?
Hier hebben wij eene der vreemdste tegenstrijdigheden in onze maatschappij. De moderne samenleving bestrijdt alle gezag in den staat, dat niet door de natie is ingesteld. Men laat niet eens in de monarchie het systeem van »Gods genadequot; met rust, maar zoekt, theoretisch althans, de macht, welke de koning van zijne geboorte af bezit, door den wil der kiezers te beperken. Een minister moet door het hoofd van den staat benoemd, door het parlement moet die keuze bekrachtigd worden. De afgevaardigde moet pogen, de stemmen zijner medeburgers te winnen. Alleen de journalist, wiens macht in de practijk tamelijk gelijk staat met die der wetgeving en regeering, die in de rechten treedt van afgevaardigden en ministers, heeft niet noodig zich door iemand te laten benoemen, door iemand te laten bevestigen. Hij is de eenige macht, die geheel onafhankelijk werkt. Hij maakt zichzelf tot wat hij is, en oefent zijn invloed uit, waar en zooals het hem goeddunkt, zonder voor misbruik of voor grove dwalingen tegenover een medemensch in \'t minst verantwoordelijk te zijn. Men zegge niet, dat deze schildering overdreven is. Lichtzinnige, hartelooze journalisten hebben vaak revolutie en oorlog voorbereid en ook wel onmiddellijk daartoe aanleiding gegeven; zij hebben, meer dan eens, ongeluk en verwoesting over hun eigen volk gebracht. Indien zij koningen geweest waren, zou men ze weggejaagd hebben, en waren zij ministers geweest, dan had men ze van landsverraad beschuldigd ; als journalisten bleven zij ongerept, en zij waren de eenigen, die niet gedeerd werden door de stormen, welke zij in eigen persoon aangeblazen hadden. Is het geen raadsel, dat men zulk eene willekeurige
318
neerschappi], zulk eeo verregaand despotisme zonder de minste poging tot verzet verdraagt, terwijl men tegen eiken anderen vorm van tirannie zoo hartstochtelijk mogelijk van leer trekt? De rechter, dien wij laten beschikken over onze eer, onze vrijheid en ons vermogen, moet, na ernstige studiën en jarenlange oefening, eerst officieel benoemd worden ; hij is aan strenge wetten gebonden ; zijne afdwalingen of verkeerdheden worden onmiddellijk gegispt en zooveel mogelijk hersteld, üe journalist kan de eer en het vermogen van zijn medeburger even goed benadeelen of verwoesten ; hij kan hem in zijne persoonlijke vrijheid beperken, door-dab hij hem ergens het verblijf onmogelijk maakt; maar hij oefent zijne macht uit, zonder het geringste bewijs te leveren van arbeid, die voorafgegaan is ; zonder door iemand ter wereld benoemd te zijn ; zonder waarborg voor zijne onpartijdigheid en zijne grondige nasporingen, \'t Is waar, somwijlen trekt hij een onvertogen woord in, maar al dat intrekken en herroepen geeft den getroffene geene voldoening ; velen hebben den aanval gezien, maar niet den terugtocht, en dan blijft de beschuldiging bestaan, dan blijft er aan den persoon in kwestie, bij een grooter of kleiner gedeelte van het lezend publiek, toch eene vlek kleven. Ook staan een blad honderd middelen ten dienste om iemand het leven onaangenaam te maken, zonder dat er termen zijn voor eene aanklacht, en al laadt de journalist zich ook een enkele maal een vonnis op den hals, dan blijkt de schadeloosstelling toch volstrekt niet geëvenredigd aan de schade.
Doch laten wij de pers verder voor hetgeen zij in den loop der laatste jaren geworden is. Daar is veel zieks en rots in, en zeker ware het radicaalste geneesmiddel, hare vryheid te besnoeien, maar dit middel is dwaas, het leidt niet tot het verlangde doel, het is onzedelijk en het brengt
319
eenvoudig de willekeur van eeu ambtenaar voor die van den journalist in de plaats. Onmogelijk is het, de vrijheid van gedachte door wetten te breidelen, en het werkt bedrog en veinzerij in de hand, wanneer men iemand verhindert, ronduit te zeggen wat hij denkt. Wat de maatschappij echter wèl kan doen, dat is den enkelen persoon verbieden, hetgeen hij zelf denkt uit naam. van allen te verkondigen en er zoodoende eene belangrijkheid aan te verleenen, die hem niet toekomt.
Wil men eene school, eene apotheek, een ziekenhuis, een schouwburg bouwen, dan vordert dit de toestemming van het bestuur, en deze toestemming hangt van sommige voorwaarden af, die in het belang van het algemeen welzijn aan de zaak worden verbonden. Met zulke gelegenheden moest eene courant ten minste gelijk staan. Men moest om een nieuw dagblad uit te geven en de leiding er-van op zich te nemen, bepaald daartoe gemachtigd zijn, niet alleen van overheidswege, maar door het volk. De wet zou moeten vaststellen, dat een candidaat, die aanzoek doet om eene volmacht als redacteur van een dagblad, een leeftijd moest hebben bereikt, die voor zijn gerijpt oordeel ten waarborg kon strekken, dat hij een ongekreukten naam en een zekeren graad van geestesontwikkeling bezitten moest. Alleen wie op deze hoedanigheden kon bogen, mocht zich als sollicitant naar de betrekking van redacteur aan zijne medeburgers voorstellen. Zijne keuze zou naar de meerderheid der stemgerechtigden bepaald worden. Eenmaal in het bezit van een mandaat, zou het den journalist vrij staan, te schrijven wat hij wilde. Zoodra hij echter wegens laster veroordeeld werd, zou hij dit recht verbeurd hebben, en om de tien jaar bijv. zou zijne volmacht door eene nieuwe keus moeten worden bekrachtigd. Op deze wijze zou een onbekende of zou de vertegenwoordiger van beginselen, die met de opvatting
van \'t publiek in \'t algemeen in strijd waren, bezwaarlijk zich tot redacteur kunnen opwerpen, al zou hij ook vrijuit als particulier schrijver zijne denkbeelden mogen pro-pageeren.
Het zou mij te ver leiden, wilde ik hier in bijzonderheden treden. Ik heb alleen getracht, in vluchtige trekken een systeem te schetsen, dat toegepast zijnde, den journalist het recht zou geven uit naam van allen te spreken, waardoor zijn gezag met dat van rechter, onderwijzer of afgevaardigde gelijk zou staan, omdat de natie hem, geheel in den vorm dien het gewicht der zaak meêbrengt, de volmacht zou verstrekken, haar tolk en woordvoerder te zijn. Dan wierd de pers inderdaad wat zij nu voorgeeft te wezen : het wettig en wettelijk aangesteld orgaan der openbare meening ; en dan zou ze in onze beschaafde maatschappij met recht de voorname rol vervullen, die zij thans zich heeft toegeëigend.
II.
Er is een vreemd overblijfsel uit vroeger tijden, dat zijn voortbestaan te midden onzer huidige beschaving hoofdzakelijk te danken heeft aan den eerbied, dien bijna alle menschen koesteren voor de openbare meening. Dit overblijfsel is het duel. Het duel bewijst, dat de natuurlijke zucht tot zelfbehoud bij den mensch zwakker is dan zijn kudde-instinct; ware dit niet zoo, dan zou hij zich klaarblijkelijk nimmer aan licht te ontwijken doodsgevaar blootstellen, alleen maar om door zijne natuurgenooten voor »fatsoenlijkquot; te worden aangezien. Het duel is de volslagen loochening van al de grondbeginselen, waarop onze tegenwoordige beschaving berust, \'t Is een ruw inbreukmaken
321
van oermeuschelijke barbaarschheid op onze verfijnde maatschappelijke vormen en instellingen.
Oorspronkelijk was het tweegevecht zeer natuurlijk ; zag een oermensch in een ander een hinderpaal ter bevrediging van eene luim of behoefte, dan bestreed hij hem. Zijn medeminnaar bij eene vrouw, de plunderaar van zijn boomgaard, de indringer in zijne grot of de bezitter van een aangenamer verblijf dan het zijue moest worden verjaagd of gedood. Alle wapenen golden voor eerlijk. De sterke verworgde den zwakkere, de sluwe overtroefde den domme, de waakzame overrompelde den zorgelooze. Men stelde zijn eigendom en zijn persoon in de waagschaal, maar men beoogde ook de vernietiging van den vijand. Aan dezen toestand maakte allengs de ontwikkeling van het rechtswezen een einde. Zeker is ook het recht op macht gegrond, doch juist hierin is de grootste vooruitgang gelegen, dat men het subjectief vuistrecht van den sterke tot een objectief beginsel veredeld heeft, waarvan de toepassing niet meer van een enkelen persoon afhangt. Aan die ontwikkeling van het recht heeft het duel zich intusschen bij voortduring weten te onttrekken. De wet beschermt het eigendom, maar den persoon niet. De goede orde en het geschreven jus gedoogt niet, dat de eene mensch den anderen zijn horloge uit den zak rolle, maar wel veroorlooft dit »zwart op witquot;, althans het belet niet op doelmatige wijze, dat men zijn evenmensch afmake met degen of revolver, en dus een leven stele, dat toch altijd meer waard is dan een uurwerk. Zoolang de menschen aan goden en aan eene door hen bestuurde wereldorde geloofden, had het tweegevecht nog een zekeren zin. Men verbond er toen niet bepaald de gedachte van het vuistrecht aan; de partjjen gingen niet met hunne getuigen naar de aangewezen plaats, in de onderstelling dat de zwakkere door den sterke zou
21
322
gedood worden, maar in de overtuiging, dat God de rechtvaardige zaak zou doen zegepralen ; de onrechtvaardige had niet met een wellicht zwakkeren tegenstander, maar met de opperste, bovennatuurlyke macht van den onzichtbaren gebieder en richter der wereld te doen.
Maar thans weet de verlichte duellant, dat.hy geen onge-zienen beschermer naast zich heeft, als hij opkomt voor zijn goed recht, en hij vreest ook niet, tegen God-zelf te strijden, wanneer hij zijn zwaard voor eene onbillijke zaak trekt. Hier wordt dus het duel een cynisch vervalschen van alle idee van recht en rechtvaardigheid; het predikt de wet der oerwereld, die het leven der zwakkeren zonder voorbehoud in de hand der sterken legt.
En hoe gedraagt zich hiertegen de maatschappij ? Zij beveelt eigen hulp aan, maar is tevens oorzaak, dat deze niet afdoende kan zijn. De duellant moet evenals de vechtgrage Roodhuid met zijn leven afrekenen, maar hij mag niet, gelijk deze, de voordeelen in practijk brengen, die zijn natuurlijk instinct van zelfbehoud hem aan de hand geeft. Hij mag maar voor de helft een wild dier worden ; de andere helft moet beschaafd blijven: zoo verordineert de maatschappij het in hare wijsheid. Een baldadige dagdief heeft u op de teenen getrapt; ge zoudt hem het liefst den rug toewenden of desnoods met een oorveeg zijn kwajongensstreek betaald zetten. Maar neen. Gij behoort hem uit te dagen, uw leven voor hem op het spel te zetten. Ge hebt dat leven doorgebracht, gebukt over uwe boeken, en ge hebt nooit met een ander moordtuig omgegaan dan eene nagelschaar, terwijl uw beleediger zijn leven lang heeft gevochten, geschoten en geschermd. Uwe kans staat dus slecht, en toch moet ge er-op af. Ge hebt heilige plichten te vervullen; ge zijt de verzorger van uw gezin, uwe ouders ; uwe vrouw en kinderen moeten ongelukkig worden, wanneer gij valt,
3igt;3
terwijl uw beleediger rijk en ongehuwd is, zoodafc hij ten minste alleen zich-zelf en niet bovendien zijne geliefde betrekkingen op de plMts van het duel medebrengt. Maar dat gaat niemand amp;,an. Vecht, vermoord of sterf, want doet gij het niet, dan zijt ge een lafaard, een man zonder eer. Delft ge in den ongelijken kamp het onderspit, zoodat uwe vrouw uit bedelen moet gaan en uwe kinderen tot schelmen opgroeien, nergens ontmoet ge deernis of hulp. En wanneer ge, om uwe nabestaanden, uw leven er niet aan wagen wilt, dan spuwen we u allen in \'t gezicht. Zoo spreekt de samenleving, en wie in deze wil verkeerenv is gedwongen voor deze afschuwelijke opvatting zich te buigen.
Dat het duel blijft voortwoekeren, hebben we aan \'t militairisme te danken. Immers, ook de oorlog is een beroep op de macht van den sterkste en dus een tijdelijke terugkeer tot den toestand van voorheen. Menschen, wier element de oorlog is, zijn van nature geneigd, ook daarbuiten hun sabel en pistool voor het eenige wetboek te laten gelden, zooals geweer en kanon de eenige codex zijn tusschen de volkeren onderling. Intusschen beproeve men het eens, die ruwe leer tot in hare uiterste consequentiën door te zetten, — wat altoos het beste middel ter bestrijding is. Er moesten eens eenige flinke mannen optreden, die eene uitdaging aannamen, hun tegenstander vernietigden, onverschillig hoe, en zich daarna in arrest begaven, om tot den rechter te zeggen : »Ik beu een ontwikkeld man en geen dier uit de voorwereld. Mijne levensbeschouwing is die der moderne beschaving. Ik heb eerbied voor de wet en zie in den rechter de eenige autoriteit, welke bevoegd is haar toe te passen en te straffen, die haar schendt. Maar nu is daar iemand bij mij gekomen en heeft mij gedwongen zelf eene wet te maken, mijn eigen rechter te zijn. mijn heil in mijne wapens te zoeken. In \'t kort,
324
hij heeft de normale verhoudingen onzer samenleving voor-mij uiteengerukt en mij den oorlog verklaard. Ik kan niet anders handelen dan ik deed. Ik heb dien oorlog zeer nauwkeurig, volgens de bestaande voorscbriften en regelen, gevoerd. De eerste plicht der diplomatie is voor bondgenooten te zorgen. Ik heb bondgenooten gevonden en ik wensch mij-zelf met de keus geluk. Twee prijsworstelaars uit het paardenspel, drie schermmeesters en vijf koningen van het schuttersfeest hebben mij geholpen. Een veldheer moet altijd met eene behoorlijke overmacht den vijand te-gemoet trekken; deze taak heb ik naar mijn beste vermogen betracht. De overwinning is voor hem, die het vlugst mobiliseert en de beste tactiek volgt: mijne mobielmaking ging vlugger dan die van mijn vijand. Ik heb hem met mijne secondanten overvallen, toen hij er \'t minst op voorbereid was. Hij beklaagde zich, dat ik hem niet eerst de plaats en het uur der ontmoeting had aangezegd. Die opmerking heeft mij doen lachen. Ik heb in geen nieuwer-wetsch leerboek over krijgskunde gelezen, dat het gebruik meêbrengt, voor een beslissenden slag een rendez-vous te bepalen. Als naar gewoonte was God met den sterkste. Wij hebben onzen vijand gedacht toegetakeld. Wij hadden hem kunnen vermoorden, maar dat hebben wij niet gedaan ; wij hebben eenvoudig den overwonnene eene krijgsbelas-ting opgelegd. Hij zou m^ne oorlogskosten, d. w. z. de soldij voor mijne hulptroepen, betalen en dezen eenige flesscheu wijn doen toekomen. Zoolang hij aan deze voorwaarden niet voldaan had, hielden wij hem in onze macht, onder onze vuisten. Toen hij gereed was, lieten wij hem loopen. Dat is alles. Daar men mij uitgedaagd had tot een persoonleken strijd, heb ik dien volgens alle erkende regelen diplomatisch, strategisch, tactisch en financieel gevoerd.quot;
Iemand, die aldus redeneerde, zou hoogstwaarschijnlijk
325
veroordeeld worden wegens oplichting van een medeburger «n het toebrengen van lichamelijke kwetsuren. Doch als maar honderd degelijke, vastberaden mannen zich op de hier beschrevene wijze wilden opofferen en het duel ad absurdum ten uitvoer leggen, dan zou een der dierlijkste misbruiken uit den tijd der wilde barbaarschheid, een misbruik, waar onze tijd van recht en rede nog zoo meê dweept, ■weldra voor goed uitgeroeid zijn.
III.
Hoeveel kleine leugens woekeren naast de groote in onze maatschappij ; hoe verspreiden zij alom, als eene schimmelvegetatie, bederf en verrotting! Maar het kan ook niet anders. Wanneer men te midden van leugens geboren wordt en opgroeit; wanneer men liegen moet, zoodra men in \'t openbaar den mond opent of met staats-of maatschappelijke inrichtingen in aanraking komt; wanneer men de gewoonte heeft aangenomen, anders te spreken en te handelen dan men deukt en gevoelt; huichelarij voor wereldwijsheid en burgerplicht te zien doorgaan, en ronde eerlijkheid overdrijving te hooren noemen, — hoe kan men dan een man van karakter blijven, hoe in den nmatschappelijken omgang eerlijk en trouw en in zijn bijzonder leven waar zijn ? Men liegt op de wandeling en in den salon, zoo goed als men liegt in de kerk, in de vergadering van kiezers, op het stadhuis en op de beurs.
Ons gezellig; leven draagt quot;\'eheel het karakter van onwaar-
o o o o
heid. Ziet men een bekende, men verwelkomt hem, d. i. men drukt op de eene of andere wijze den wensch uit, dat het hem goed moge gaan ; ontvangt men bezoek, dan toont
326
men zicli daarover verheugd, vraagt zijn gast met vriende-lijken drang te blijven, en noodigt hem uit, weldra terug te komen ; men geeft dinés en partijen, om zijn raedem en scheut de gelegenheid te verschaffen, zich te vermaken en te goed te doen; men vereert hun geschenken; heeft hun iet» gelukkigs of iets treurigs getroffen, dan haast men zich, hen te gaan troosten of complimenteeren, en wanneer we onze kennissen een geruimen tijd niet gezien hebben, zoeken wij ze op, om ons van hun welstand te overtuigen en te vragen of we hun ook van dienst kunnen zijn in \'t een of ander. Dat alles heet beleefdheid. In den grond der zaak is zoowat elke aanraking van den burger met zi]n medeburger eene leugen. Den voorbijganger wenschen we goeden dag en het liefst zouden wij morgen hooren, dat hij zijn nek gebroken had. Wij dringen op spoedig terugkomen aan bij een bezoeker, wiens aanblik alleen ons eene koude rilling over \'t lijf jaagt. Wij noodigen lieden uit, die wij verachten, die wij haten en niet verzuimen, waar het kan. zwart te maken. Wij laten ons bij anderen zien, en brengen den ganschen nacht, die beter aan den slaap besteed ware, met onzinnig geklap door; maken complimenten, waarvan wij geen letter gelooven ; bedanken de gastvrouw voor hare lieve invitatie, die wij heimeUjk vervloeken; verzekeren den gastheer van onze voortdurende vriendschappelijke gevoelens, en geven hem den anderen morgen, wanneer hij vertrouwelijk komt vragen, hem een dienst te bewijzen,, niet thuis.
Door deze innerlijke onwaarachtigheid wordt de samenleving eene bron en oorzaak van voortdurend onbehagen, en zoo vaak wij met onze medemenschen in contact komen, brengen wij van dit samenzijn verveling, boosheid, nijd, verachting, beschaming, spot, in één woord : de pijnlijkste en akeligste gewaarwordingen mede naar huis. En toch veroordeelt
327
men zich tot al die beproevingen uit vrije beweging. Wat noopt ons dan tot het spelen van zulk eene inspannende comedie ? Wij moeten gedurig glimlachen, waar wij zouden willen knersetanden, gedurig vriendelijk met menschen spreken, die ons den dag verbitteren, dat wij kennis met hen maakten. Waarom dan toch ? Omdat wij nu eenmaal de zelfzucht als het grondbeginsel van al onze hedendaagsche instellingen hebben leeren kennen. De een, die de wereld nog moet veroveren, loopt feesten en recepties, middag-bezoeken en avondpartijen na, om menschen te kunnen vleien, wier invloed en voorspraak hem van nut kan zijn, om eene geschikte partij te vinden; om zijn naam té\' exploiteeren ; om met de dwalingen en zwakheden van anderen zijn voordeel te kunnen doen. De ander, die reeds eene positie heeft, getroost zich de vervelende moeite van zich in deftige kringen te laten voorstellen, om eens braaf tegen anderen, zijne gelijken, te kunnen intrigeeren of eenvoudig om hen te ergeren ; om een lioogen dunk van zijn rijkdom en aanzien te wekken; in één woord : om zijne ijdelheid bot te vieren. En zoo verdringt en verdraait het egoïsme ook de onschuldigste verhoudingen. Alle vormen van verkeer, uit den natuurlijken drang tot solidariteit geboren, worden leugens, doordat erbarmelijke, roekelooze baatzucht en persoonlijk eigenbelang van deze gebruiken en gewoonten den eenigen inhoud uitmaken.
SLOT-HARMONIE.
Wij hebben uu gezieu, boe alles om om ons beeu leugeu en huichelarij is ; hoe laag en onzedeliik wij comedie spelen, als wij de kerk, of hst paleis van den koning, de par-lementszaal of het bureau van den rijksambtenaar binnentreden ; hoe tegen ons gezond verstand en ons gevoel voor waarheid en goede trouw, alle staatkundige en maatschap-pelgke instellingen, alle vormen der samenleving indruischen; wij hebben een langen tocht gemaakt in wanhopig duister, tusschen schrikwekkende ruïnes en bespottelijke tooneel-versieriugen ; — het wordt nu tijd dat ons eindelijk, van hoe verre dan ook, nog de aanblik komt bemoedigen van licht en van een vrieudelijk, geriefelijk toevluchtsoord.
Waarin is dit te vinden? Wij hebben, dunkt mij, de keus tusschen beslisten terugkeer en beslisten vooouitgang. Of, men geve aan de vormen, die hun inhoud verloren hebben, dezen inhoud terug, öf men hale ze geheel omver en ruime het puin terstond op. Men leere dus het volk op-nieuw te gelooven; men lokke of jage de menschen naar de kerk terug ; men verdubbele de macht des konings ; men verhtffe den priesterlijken stand ; men schrappe de herinnering aan
329
revolutiea uit het geheugen der natie; men verbrande de boeken, die de vrije gedachte prediken, en dan ook de vrijdenkers zelf; men sloope de leerstoelen en bouwe kansels ; men bidde, vaste, zinge psalmen en zij aan de overheid onderdanig ; men verblijde zich op kerkfeesten; men ont-spaune zich door het leven der Heiligen ; men stichte zich aan wonderverhalen ; de rijke geve eene behoorlijke aalmoes aan den arme, en als de arme nog niet genoeg daaraan heeft, zoo hebbe hij geduld tot hij in \'t hemelrijk komt, — dun zal het geluk op aarde terugkomen ; dan zal wie iets is of bezit, in \'t ongestoord genot daarvan leven ; wie niets is, zal de hoop op een beter hiernamaals behouden, terwijl bet den ontevredene volkomen vrijstaat, naar een woest eiland in de verre zee te verhuizen, voor zoover hij er een vinden kan. Of wel, men reinige den gansehen Augiasstal van middeleeuwscbe instellingen : men behandele predikanten, pastoors en rabbijnen openlijk als kwakzalvers, wanneer men ze in \'t geheim daarvoor houdt; men geleide de koningen beleefd de deur van hun paleis uit, wanneer men ze voor ledepoppen of usurpators aanziet; men verwerpe iedere wet, die niet klopt met de natuurwetenschappelijke critiek, en zorge dat hij alle betrekkingen der menschen onderling het gezond verstand en de logica den boventoon blijven voeren. Dit zijn de twee methoden, en de aanhangers der eerste vechten met die der andere, en de wanhopige worsteling tusschen die beide partijen vormt den eigenlijken inhoud van het verstandelijk en politiek leven onzer dagen. Edoch, het uitgangspunt van die partijendie, ie der op hare wijze, aan de menschen hunne gemoedsrust mee-nen te kunnen hergeven, deugt niet. Er zijn geen twee methoden; er is er maar eene. Terugkeeren is onmogelijk, stilstaan ook. Men kan niet anders dan vooruitgaan, en hoe sneller men vooruitgaat, des te spoediger bereikt
330
men het doel, waar men verademen kan. Het kan wel zijn, dat de pleitbezorgers van hel verledene evenzeer het geluk der menscbheid beöogen; dat een iegelijk inderdaad beter af ware, konde hij opnieuw het intellectueel standpunt der middeleeuwen of der oudheid innemen ; maar wat baat een systeem, dat toch nooit te verwezenlijken is ? Het ligt nu eenmaal niet in den geest, noch in de macht van den mensch, om veroverde waarheden weer prijs te geven. Een kind in zijn eenvoud en onverantwoordelijkheid is zeker gelukkiger dan de volwassene; het is schooner, bevalliger. levenslustiger; maar de blijde jeugd gaat voorbij, en geen wil die in staat is, ze terug te roepen. Zoo kan ook de mensch van heden niet in een mensch van vóór duizend of tweeduizend jaren veranderen. Alle kennis en verlichting der menscbheid is de vrucht eener natuurlijke ontwikkeling van de in haar wonende krachten. Dit werken en streven te willen belemmeren, zou eenvoudig eene ongerijmdheid zijn. Wetenschappelijke waarheden worden niet toevallig ontdekt, alsof ze ook niet-ontdekt hadden kunnen blijven ; ééns moet de beschaving tot de ontdekking leiden. Wat zou men aanvangen met iemand, die luide op straat verkondigde, met ieder jaar dat de menschen leefden, ze een jaar jonger te willen maken ? Men zou hem vermoedelijk in een gekkenhuis opsluiten. En toch kan men ongestraft eene soortgelijke verklaring tot regeerings-pogramma verheffen, terwijl nog velen het voor goede munt opnemen., wanneer een politicus den terugkeer tot de theologis3h-feudale begrippen aanbeveelt als een middel om de kwalen van onzen tijd te genezen. Is dat toch niet de menscbheid voorslaan, zich van volwassenen in gelukkige kinderente herscheppen en ieder jaar een jaar jonger te worden ? Neen, neen, dat is geen ernst: en nochtans staan we hier voor eene gewichtige zaak, waar geene kortswijl bij te pas komt.
331
Aangenomen, dat de menschheid inderdaad gelukkiger was, toen ze in diepe onkunde gedompeld, binnen een engen gezichtskring, vol grove dwalingen en walgelijk bijgeloof, een lui plantenleven sleet — dan is die zalige jeugd voorbij en het verlangen er-naar een dom en onvruchtbaar iets. In \'t verledene is bijgevolg het heil der menschheid niet te vinden; het tegenwoordige is onhoudbaar; dus moet zij al hare hoop wel op de toekomst vestigen. De tegenstrijdigheden, waarvan wij thans getuigen en vaak de slachtoffers zijn, tusschen ons denken en doen, ons gevoelen en spreken ; de voortdurende bespotting van eiken inhoud door den vorm, de verloochening van eiken vorm door deu \' inhoud; de noodzakelijkheid twee levens te leiden, een innerlijk en een uiterlijk, die elkander bestendig parodieëeren en persiffieereu en steeds met elkaar overhoop liggen; dit alles te verduren kost zoo ontzettend veel inspanning, dat we er pijnlijk onder gebukt gaan en ons overal een gevoel van matheid en weedom vergezelt. Geene opgeruimdheid kan bij zulke ervaringen ons deel zijn. Want daartoe is in ons binnenste harmonie, volkomen rust en vrede met de buitenwereld noodig. Volkomen rust, als het Nirwana der ouden. Hoe veelbeteekenend is die voorstelling toch! Hoe zalig de geest, die geene wenschen of verlangens meer koestert, geen voorwerp meer in zijne omgeving ziet, dat hem aantrekt of afstoot en tot eene moeielijke poging tot toenaderen of ontvluchten dwingt! Maar wij, gezweept en gemarteld als we worden door telkens nieuwe plannen en gedachten, we kunnen ons zulk een toestand nauwelijks verbeelden, veel minder ons er-in verplaatsen : immers of de absolute onwetendheid aan welke we ontgroeid zijn —, of de absolute alwetendheid, die nooit te bereiken is, zou ons die moeten bezorgen. Er blijft ons derhalve niets over dan te leven naar onze eigene inzichten. De oude vormen moeten ver-
332
dwijnen, moeten plaats maken voor nieuwe, beantwoordende aan het gezond verstand ; wij moeten van onze inwendige verdeeldheid genezen worden ; waarheid en oprechtheid moet onze leus zijn. Ook hiermede is de wellust van het Nirwana niet bereikt, de rust zonder inspanning, de tevredenheid zonder wensch ; want het volmaakte geluk is van \'t organisch leven, met andere woorden : van ontwikkeling, van het trachten naar een verwijderd ideaal, natuurlijk uitgesloten, üoch onvoldaanheid is met een toestand van gelukzaligheid nooit overeen te brengen. En men moet deze onvoldaanheid te dieper gevoelen, wijl men beseft, een fragment van het geheel te zijn, en wijl de zucht naar vooruitgang nog minder uit de behoefte aan persoonlijke volmaking, dan wel uit een streven naar veredeling van het menschdom ontstaat. De vruchten van onzen verstandelijken arbeid komen niet ons, maar onze erfgenamen ten goede. Ieder geslacht ijvert ter wille van het volgende, ieder organisme op zichzelf voor het geheel. Daarom kan een enkel individu nooit de voldoening smaken, iets afgewerkt te hebben, nooit zich bewust zijn, iets te hebben voltooid of verwezenlijkt, zóó dat de aangewende moeite en zorg althans beloond is geworden. Slechts bij de soort als afgerond geheel kan die voldoening bestaan, maar nooit, tenzij wellicht in een zeer verwijderd ontwikkelingsstadium der menschheid, als karaktertrek, als zuivere grondtoon en grondkleur bij het type geworden individu. Maar al ligt ook het ongestoorde geluk niet onder het bereik ven den mensch, hij kan ten minste aan zijn drang naar ontwikkeling gevolg geven en gevoelen, dat hij zich in de richting van zeker doel, het ideaal, beweegt. Dit te weten geeft reeds een voorsmaak van de zaligheid, het bereikt te hebben, en is in staat om het nooit te verwerven absolute geluk te vervangen. Sen reiziger, die hunkert naar zijne bestemming, is al tevreden
333
en bedaard, wanneer hij in een spoortrein zit, die hem met gelijkmatige snelheid verder brengt. Eu dat is wel te bereiken. Men werpe tegen die zucht naar vooruitgang bij de beschaafde volken slechts geene kunstmatige dammen op, en belemmere hunne ontwikkeling niet door halsstarrig vasthouden aan — en verdedigen van bekrompen, verouderde instellingen. Voor vernietiging kunnen die afgeleefde vormen toch niet bewaard blijven ; zij moeten vroeg of laat instorten en daarom zou het eene weldaad zijn, wat ten ondergang aangewezen is, maar onmiddellijk op te ruimen ten einde de onverkwikkelijke periode van slechten, gedurende welke men tusschen vormloos puin treedt, door stof en slijk waadt, over blokken struikelt en gedurig door vallende steenen bedreigd of getroffen wordt, zoo kort mogelijk te maken. In een tgd van s\'.ooping, waarvan wij al den last ondervinden, leven wij toch reeds. Licht zal nog ééne, licht zullen nog meer generaties tot een treurig verblijf op een woesten bouwgrond veroordeeld zijn, zonder verstandelijke huisvesting hoegenaamd. Maar wat dan volgt, zal ongetwijfeld welbehagen en rust wezen. Wij zijn opgeschreven ten doode ; voor ons zullen de luisterrijke zalen van \'t nieuwe paleis, waaraan wij arbeiden, zich niet openen ; maar de komende geslachten zullen er in wandelen, vreedzaam en fier, gelijk hunne voorouders op aarde het nimmer mochten zijn.
Want wat der menschheid wacht, dat is verheffing, niet verlaging; hare ontwikkeling maakt haar beter en edeler, niet slechter en gemeener, zooals de laster omroept. Door den helderen, zuiveren dampkring der natuurwetenschappelijke beschouwing ziet zij haar ideaal schooner blinken, dan door de zware nevelen en wolken van \'t bovenzinnelijk bggeloof. Druilooren, die beweren, dat zonder godsdienst geene moraal en geen idealisme, zonder het despotieke
334
bestuur het zelfzuchtig eigendom, het liefdeloos huwelijk, geene zedelijkheid en beschaving mogelijk is. Aan bedriegers, die zulke dingen platweg verkondigen, omdat hun persoonlijk belang er mee gemoeid is, zijn wij geen antwoord schuldig. En wat de zachtmoedige, maar kortzichtige men-schenvrienden betreft, die met angst de toekomst tegemoet gaan, omdat zij ruwheid en teugelloosheid, ja een terugkeer tot den wilden staat voorzien, zij mogen zich geruststellen. Het menschdom zonder God, zonder autocratie en zonder egoïsme, zal oneindig zedelijker en reiner zijn dan het menschdom, »dat tot God bidt eu oppast zijn kruit droog te houdenquot;. De verlichting verkondigt waarbeden, die voor de aan vleitaal gewende ooren van deu mensch in \'t eerst onaangenaam klinken. Zij leert bem : »Ge zijt een specimen dier van eene groote diersoort, menschdom geheeten. Ge wordt volgens geene andere natuurlijke wetten geregeerd, dan de overige bewerktuigde wezens. Uwe plaats in de schepping is die, welke ge u door een zorgvuldig gebruik van al uwe vermogens weet te verschaffen. Het ras is eene hoogere eenheid, waarvan gij een deel — een gemeenschappelijk organisme, waarvan gij eene cel zijt. Gij leeft het groote leven der menschheid mede; dier levenskracht brengt u ter wereld en onderhoudt u tot aan uw dood ; hare verheffing voert u mede opwaarts, hare voldoening is uwe vreugde.quot; Dit prikkelt de menschelijke eigenliefde zeker minder, dan wanneer een kwakzalver aldus spreekt: »Gij zijt de bijzondere lieveling van een grootmachtig heerscher, God genaamd ; gij hebt eene bevoorrechte plaats in \'t heelal en ge kunt u van nog meer privilegiën verzekeren, zoo ge mij tienden wilt betalen en mijne geboden opvolgen.quot; Maar wanneer de mensch eenmaal rijp genoeg zal zijn, om den lust in laffe vleitaal als zwakheid van karakter te erkennen, en de leer der verlichting met
335
die der theologie vergelijkt, dan zal het hem weldra duidelijk worden, dat de eerste de schoonste is en den rijksten troost aanbiedt. Zij maakt hem van den Hemel los, maar hoe innig en warm laat zij hem wortel vatten in de moeder-aarde ! Zij berooft hem. van. zijne betrekkingen tot een God, tot Heiligen, engelen en andere fabelachtige, nooit aanschouwde wezens, — maar zij plaatst hem in de groote familie der menschheid, zij geeft hem duizend millioenen bloedverwanten, die hem liefde, schuts en hulp willen be-toonen en van wier solidariteit al zijne zinnen hem overtuigen. Zij bestrijdt zijne laatdunkende aanspraken op een eeuwig leven, — maar zij bewaart hem ook voor wanhoop over zijne eindigheid, doordat zij hem leert, zich ootmoedig voor eene onbelangrijke episode in de belangrijke geschiedenis van het Al te houden en hem buitendien op de mogelijkheid wiist, in volgende geslachten, geheel eene onafzienbare reeks, persoonlijk te beklijven. Gewis, zij vernietigt de bestaande, op den godsdienst gegronde zedenleer ; maar die zedenleer is willekeurig, oppervlakkig, ja onzedelijk; zij zegt niet waarom zij deze handelingen goed, gene slecht noemt; als prikkel om deugdzaam te zijn, belooft ze eene plaats in het Paradijs, als motief om het kwade te laten bedreigt zij met de hel; en om te zorgen, dat men niet bedriege, niet in verzoeking kome in \'t geheim slecht en voor het oog braaf te zijn, vertelt ze, dat men voortdurend bewaakt en opgemerkt wordt. Dat is dus de godsdienstige zedenleer ; hare drijfveeren zijn zelfzucht en vrees voor straf, de hoop op de geneugten van het Paradijs, of de angst voor het zwavelvuur van den duivel. Zij is eene moraal voor egoïsten en flauwhartigen, vooral voor kinderen, die men door lekkers of met de karwats zoet kan houden. In de plaats nu van deze jammerlijke moraal, die zich op onze ellendigste neigingen beroept, stelt de verlichting een algemeenen re-
336
gel; de solidariteit der menschheid, waaruit eene veel dieper en verhevener en veel natuurlijker zedenleer volgt. Zij gebiedt: »/Joe alles wat voor \'t heil der menschheid goed is; laat alles, wat haar smart of nadeel berokkent!quot; Zij heeft voor iedere vraag een wijs antwoord gereed. »\\Vat is goed?quot; De theologie zegt: »Dat wat God behaagtquot;, eene uitspraak zonder slot of zin, daar God ons nu eenmaal zijne beschouwingen niet blootgelegd heeft. De leer der solidariteit zegt: »Goed is hetgeen algemeen toegepast zijnde, liet menschdora in gunstiger omstandigheden zou brengen.quot; — »Wat is slecht?quot; De theologie zingt het oude deuntje: »Dat wat God verboden heeft.quot; De solidariteit antwoordt: »Slecht is hetgeen algemeen toegepast zijnde het leven der soort bedreigen of bemoeielijken zou.quot; — «Waarom moet ik het goede doen en het slechte nalaten ?quot; Volgens de theologie : » Dewijl God het dus verlangt.quot; Volgens de moraal der solidariteit: »Dewijl gij niet anders kunt. Zoolang het menschelijk geslacht nog levenskracht bezit, leeft daarin ook een sterke neiging tot zelfbehoud ; deze dwingt eenvoudig te doen wat nuttig, en na te laten wat schadelijk is; zij wortelt in \'t onbewuste, al groeit ze ook in bewustzijn op. Raken eenmaal de levenskrachten van \'t menschdom uitgeput, dan zal, maar niet eerder, die natuurlijke zucht vanzelf afstompen. Dan zullen de begrippen van tcoed en kwaad — dan zal in één woord de moraal verdwijnen, en als het onmiddellijk gevolg hiervan, zal het door ouderdom verzwakte menschdom den geest geven. Het zal feitelijk zelfmoord begaan.quot; — »Welke belooning, welke straf wacht mij voor mijne handelingen ?quot; W eêr komt de theologie met haar gebeuzel van hemel en hel; de solidariteit zegt: »Daar ge deel van \'t menschdom zijt, is zyne welvaart de uwe, zijn tegenspoed uw tegenspoed. Bewijst ge dus aan de menschen een dienst, dan doet gij het u-zelf;
;i37
brengt gij hun scliade toe, ge benadeelt u-zelf. Hua bloei is uw paradijs, hunne kwijning uwe hel. Eu daar uwe handelingen voortspruiten uit den drang tot zelfbehoud, 7.00 zult ge instinctmatig het goede betrachten en het slechte vermijden, zoolang ge normaal zjjt. Eerst dan zult ge tegen de natuurlijke leer gaan zondigen, wanneer die ziekelijke verbastering over u gekomen is, die het individu ook tot zelfverminking en tot zelfmoord noopt.quot;
Ziedaar nu de korte catechismus der natuurlijke zedenleer, wier bron de solidariteit der soort is. Deze natuurlijke moraal is de eenige, welke het menschdom ten allen tijde\' ondervonden heeft; alle andere beginselen waren en zijn huichelarij en bedrog. Zij is uitgedrukt in iiabbi Hillel\'s: »Bemin uwen naaste als n-zelvenquot;, in \'t gebod des Evangelies, ook onzeu vijand vergiffenis te schenken en hem lief te hebben, en in Kant\'s »heilig moeten.quot; Wie in vroeger of later tijden naar een hechter basis der moraal heeft gezocht, zoowel de profeet van een nieuwen godsdienst als de wijsgeer, hij is altijd gestuit op dit eeuwig, rotsvast beginsel der solidariteit, dat een grondtrek van het menschelijk bewustzijn vormt en tot de organische drijfveeren zijner daden behoort. Alleen die eerediensten, wier hoofd-dogma het onverwoestbaar beginsel der solidariteit was, hetwelk de andere principes droeg, zooals het lichte gns van den luchtballon alle zwaardere bestanddeelen van dezen met zich omhoog voert, hebben zich kunnen uitbreiden en handhaven. Vervangt men de theologische zedenleer door de natuurlijke, het Christendom door de solidariteit, dan verricht men slechts eene daad van reiniging en vereenvoudiging. Men behoudt, wat de godsdienst uit het eeuwige vergaarbekken der menschelijke natuur geput eu zich toegeëigend heeft, terwijl meu de versleten hulsels en verouderde inkleedingen wegwerpt, die de ware kern er-van omgeven.
338
Intasschen moet de solidariteit niet enkel de bron van alle moraal, maar ook het fondament van alle instellingen worden. Merkt men in de bestaande vormen het egoïsme 0p) — uit de gebruiken, wier roeping het is, de anderen te verdringen, moet het altruïsme spreken. Zelftucht baart heerschzucht en dwingelandij, maakt koningen, veroveraars, trotsche ministers en hoogmoedige partijhoofden ; liefde voor de menschheid daarentegen wekt den lust om allen te dienen, leidt tot zelfbestuur, tot zelfbeschikking, tot eene weto-evinar, die bezield wordt door de belangen alleen van
c5 O\'
het groote geheel. Zelfzucht is de oorzaak van de schromelijk-ste onbillijkheid in de verdeeling der goederen, — de solidariteit herstelt deze onbillijkheid, in zoover zij aan ieder, die voor ontwikkeling vatbaar is en werken wil, ook ontwikkeling en arbeid verzekert. De worsteling om het bestaan zal eeuwig duren en zal de oorzaak blijven van alle pogen naar vooruitgang en volmaking; maar de scherpe kanten zullen verdwijnen en tot het woelen en wringen van tegenwoordig zal ze in dezelfde verhouding komen te staan als het krijgvoeren van beschaafde natiën tot het wurgen van menscheneters.
Ik zie na onzen tijd van pessimisme, leugen en zelfzucht eene eeuw van waarheid, naastenliefde en blijmoedigheid lichten. Het menschdora, thans een afgetrokken begrip, wordt dan een feit. Gelukkig de later geboren geslachten, aan wie het zal weggelegd zijn, door den zuiveren dampkring der toekomst omspeeld en beglansd door hare liefelijker zonnestralen, in dezen broederbond te leven, wnar, wetend, vrij en vroed !
~
I I