12
e. ^ -- /
v t quot;l\'—Ï \' i ■■ -
u\'
^2
p./s s
Vale 145
/W / t/s
/t
OVERGEDRUKT UIT DE STUDIËN
op
Godsdienstig, Wetenschappelijk en Letterkundig Gebied.
XVÏII Jaarg. Dl. XXV.
DOODSTRAF.
P. B. B F^U I N.
BIBLIOTHEEK DER RIJ KSU fs) V£33»TE1Ï
UTRECHT
OOLU 11 \'Uft\' quot; SM------s
rr
I . tiat\'Ww\'w .gt; mtBÊÊt«WBP
UTRECHT,
P, \\V. VAN DE WEIJER, 18 8 5
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
2194 5492
■ «rei
BfBBKï. ^
WÊÊÊÊ.: I
li
■
I ■ \':i mÊÊv^\'i\' •\' !«
IH
■I
ÊSicuêM «?.-.• 1quot;
WÊJ^y-y I
.
■ g
H s1
wM-if
m ■ amp;
m ■ |x:--
■ ■
■ H| SBBBhI HH ■
M wÊ m
■i^Jésa ■■[ ■■ Irm^iirl-
laH H I 11 ■ i
\'fli ■
Vrnm^m mm M
m |
c i IB ifFvS,v S ^ 1
iiooemu
Wie thans nog waagt over de doodstraf te schrijven, moet er maar op rekenen, dat verscheidenen zijner lezers reeds bij het zien van den titel zullen mompelen, dat er niets nieuws meer van te zeggen valt. Daar is over dat onderwerp vooral in deze eeuw zoo veel en ook goed gesproken en geschreven, dSt het uitgeput schijnt te zijn. Is dit laatste echter wel zoo ? In ons vaderland is in naam van de beschaving en van de humaniteit en van de zachtere zeden de doodstraf uit de burgerlijke strafwet geschrapt; maar daarmede acht ons volk de quaestie niet uitgemaakt. Integendeel de afschuwelijke misdaden, die in de laatste jaren voor onze rechtbanken worden behandeld, en die met alle beschaafde en humane theorieën den spotquot; drijven, wekken steeds meer het verlangen op naar het herstel dier zoo roekeloos afgeschafte straf. Voortdurend doen zich meer stemmen hooren tegen de civiele behandeling der boosdoeners. Het ratuurlijk rechtsgevoel eischt voldoening en wel voor sommige misdaden door den dood van den booswicht; en die billijke eisch zal zich herhalen totdat er voldoening aan geschonken is. In zulke omstandigheden
2
is eene studie over de doodstraf niet ontijdig te noemen. Wij stellen ons voor in dit artikel het wezen der doodstraf principieel te behandelen, om in een volgend opstel eenige meer ondergeschikte, hoewel gewichtige vragen daaromtrent te beantwoorden.
I.
Bij de behandeling van de afschaffing der doodstraf in de Tweede Kamer ten jare \'70 noemde de heer Heijdenrijck dit vraagstuk den toetssteen van het ware conservatisme en het echte radicalisme. Daarover werd hij door verschillende zijner medeafgevaardigden zeer gegispt. De heer Moens o. a. noemde dat gezegde eene enormiteit. Misschien was de uitdrukking van den katholieken afgevaardigde wat sterk; want wie alleen uit iemands stemming tegenover de doodstraf tot zijne geloovigheid of ongeloovigheid wil besluiten , zal dikwijls mistasten. Toch behelst zij waarheid. De talrijkste en vurigste tegenstanders der doodstraf zijn te vinden onder de echte liberalen, onder de belijders van het moderne ongeloof; de grootste voorstanders daarentegen onder de Katholieken en in het algemeen onder de geloo. vigen Dit is opmerkelijk, maar onloochenbaar. De liberalen zullen lof over hebben voor de gruwelen van de revoluti-ocnsiren der vorige en van de commune mannen dezer eeuw; zij zullen bijna eiken moord zooal niet toejuichen , toch verontschuldigen en verdedigen; zij zullen barbaarsch en laaghartig genoeg zijn om de bedroefde nagelatenen eens vermoorden nog te grieven; maar laat er spraak van zijn een schurk naar het schavot te brengen, dan worden zij door medelijden bewogen, dan protesteeren zij tegen het bloedvergieten in naam der menschheid desnoods onder godsdienstige leuzen. Katholieken daarentegen, en met hen staan de geloovige protestanten, zoo fier op hunne
liefdadigheidsinstellingen; zij, die den mond vol hebben van vergevingsgezindheid en zich ten plicht rekenen hunne naastenliefde ook tot hun vijanden uit te strekken; zij zijn in zake van doodstraf onverbiddelijk. Het is dun ook niet bevreemdend, dat de heer Van Akerlaken in het jaar \'70 uitdrukkelijk de liberalen opriep om voor de afschaffing der doodstraf te stemmen, en daarbij de verwachting uitte, dat die afschaffing „eenmaal als afkomstig van de liberale richting zou worden gekarakteriseerd.\'\' Afkeer tegen de doodstraf past volkomen in het liberale systeem en in de moderne begrippen van recht. Nu mogen wij bij iederen bestrijder dien afkeer niet aan liberalisme toeschrijven. De heer Bichon van Ysselmonde sprak een waar woord: „Ook uit edele drijfveeren en met goede bedoelingen, ofschoon uit verkeerde beginselen en op schijngronden en van valsche onderstellingen uitgaande, is vooral in den jongsten tijd de eisch tot afschaffing der doodstraf gedaan. — Eigenaardig intusschen dateert die eisch uit den tijd der revolutie sedert het laatst der vorige eeuw. Het is een postulatum der revolutieleer. — Valsche begrippen van het wezen der straf, van het recht der overheid, oppervlakkigheid, sentimentaliteit en weekhartigheid, die verkeerdelijk voor hmaniteit doorgaat, maar inderdaad tot inhumaniteit overslaat, hebben ook bij edele gemoederen hiertoe medegewerkt.quot; Gelijk er liberalen en zelfs volslagen ongeloovigen door inconsequentie of wat ook voorstanders der doodstraf zijn; evenzoo tellen de bestrijders Katholieken en geloovigen in hunne gelederen. Velen, waaronder uitstekende mannen, en niet alleen geloovigen, maar ook liberalen, die niet gewoon zijn tot hunne grondbeginselen op te klimmen, laten zich te veel geleiden door zeker menschelijk gevoel. Erkennen moeten wij , dat het koelbloedig dooden van een mensch, al is hij een misdadiger en al is zijn dood rechtvaardig, voor het menschelijk gevoel iets verschrikkelijks is. En dat gevoel, eenmaal in ons meester geworden, weet dan wel het verstand in zijne richting te buigen. Maar hier
is geen quaestie van gevoel, doch van recht. Hier moet het ongevoelige, koude verstand spreken. Dat zien vele tegenstanders der doodstraf over het hoofd. De ongeloovigen echter, die consequent volgens hun systeem doordenken, gaan wel uit van verstandelijke principes. Gevoelsargumenten echter zijn hun welkom, omdat zij daarmee aanhangers winnen ook onder hen, wier beginselen tot de rechtvaardigheiden de noodzakelijkheid der doodstraf voeren. Intusschen wekt het op tot nadenken, dat de doodstraf verdedigd wordt door het geloof en bestreden door het ongeloof.
Wanneer wij van katholiek standpunt de zaak beschouwen, dan kunnen wij er niets tegen hebben, dat sommige misdadigers van het leven worden beroofd 1). In het Oude Verbond was uitdrukkelijk door God voorgeschreven, na welke misdaden en op welke wijzen — (door verbranding, steeniging, worging en onthoofding) — de doodstraf werd uitgeoefend. Nu volgt daaruit niet, dat thans op dezelfde misdaden dezelfde straf moet staan; maar dat die straf voor sommige misdaden rechtvaardig en nuttig is, blijkt er zeker uit. In het Nieuwe Testament lezen wij nergens van een dergelijk voorschrift; doch bet is er ver af, dat de doodstraf daar zou veroordeeld of afgekeurd worden. Toen de Goddelijke Zaligmaker voor den Eomeinschen landvoogd Pilatus stond en deze Hem vroeg; „Weet gij niet, dat ik de macht heb U te kruisigen, en de macht heb U los te latenquot;; toen ontkende of minachtte Christus dat recht in den heidenschen rechter niet; maar Hij vooronderstelde en eerbiedigde het als van goddelijken oorsprong: „Gij zoudt tegen Mij geen macht hebben, indien zij u niet van boven gegeven ware.quot; Eveneens vooronderstelt de H. Paulus
1) Hierover kan met vrucht de belangrijke brochure gelezen worden van Mgr. J. Bos: De Apchaffing der Doodstraf op Christelijk Standpunt beoordeeld. JLath. Nederl. Brockuren-Vereeniging. 2de Jaarg. No. VII.
dat recht in de burgerlijke overheid, als hij zegt (quot;Rom. XIII: 4); „Niet vruchteloos draagt zij het zwaard.quot; Dat hg-teekent iets meer dan dat het burgerlijk gezag kan beboeten en gevangenzetten. Van waar immers dat beeld, als hier niet spraak is van het recht op leven en dood? Dat recht heeft de overheid niet vruchteloos, niet zonder reden, niet om het ongebruikt te laten, m. a, w, nu en dan moet zij de doodstraf toepassen.
Wat verder voor een Katholiek alles zegt, da leer en de handelwijze der Kerk pleiten voor de doodstraf. Eenparig verklaren kerkvaders en kerkleeraars dat een rechtvaardig doodvonnis niet strijdt tegen het vijfde gebod: gij zult niet doodslaan; en tegen dien uitleg heeft nooit het kerkelijk gezag zich in het minste verzet. Gij zult geen enkel voorbeeld vinden, dat de Kerk een rechtvaardig doodvonnis heeft afgekeurd. Integendeel altijd heeft het Jus Canonicum dat recht in de tijdelijke macht erkend; en van dat recht maakten zelfs geestelijke personen , pausen en bisschoppen , die tegelijkertijd een wereldlijk rechtsgebied hadden, als het noodig was, gebruik. Alleen bestaat er geen dogma, dat het recht en de noodzakelijkheid der doodstraf voor sommige gevailen als geloofspunt voorhoudt. Maar wanneer wij zien, wat in de Kerk geleerd wordt en hoe aan de Kerk verknochte overheidspersonen zich gedragen ; hoe de Kerk én die leer én die praktijk goedkeurt door er zich nooit tegen te verklaren ; dan zullen wij , Katholieken, ook al doorschouwen wij niet de redenen , waarom de H. Kerk de doodstraf billijkt, ons eerst eens mogen bedenken, voordat wij daar een afkeurend oordeel tegenoverstellen.
Maar gaat deze redeneering op voor een geloovig Katholiek, zij heeft voor een andersdenkende geen waarde. Daarom zullen wij aan ons betoog geen theologischen grondslag geven, maar de quaestie beschouwen van christelijk-philosophisch standpunt. Wij vragen of het natuurrecht de doodstraf rechtvaardig en noodzakelijk maakt. Dat is het terrein , waarop deze quaestie thuis hoort. Het gaat maar niet aan
te zeggen : ik zie van het natuurrecht af; ik kies mijn eigen standpunt, dat niets met recht te maken heeft, en spreek dan mijn oordeel uit. Zulk eene ongezonde verzekering gaf indertijd de heer Cornelis, toen hij een lans ging breken voor de afschaffing der doodstraf: „Vooraf wensch ik op te merken, dat ik niet zal treden in philosophische bespiegelingen, zaken waarmee ik mij weinig inlaat (overbodig zulks te zeggen), noch in uitgebreide beschouwingen over het jus puniendi en andere strafrechts-theorieën , omdat ik de quaestie der afschaffing van de doodstraf niet zoozeer beschouw als eene rechtsquaestie als wel als eene quaestie van beschaving en verzachting der zeden, eene quaestie van nationale deftigheid (!). Om die reden plaats ik mij bij de beoordeeling van dit vraagstuk op een meer Nederlandsch standpunt. Ik wil niet voorbij zien wat in het buitenland geschiedt, maar ten aanzien van deze wetsvoordracht met de Nederlaudsche beschaving en het Nederlandsche karakter te rade gaan. Wanneer wij de quaestie tot dat terrein beperken is zij ook vrij wat minder moeilijk, daar wij ons dan niet hebben bezig te houden met een massa nevenbeschouwingen betreffende vreemde landen en toestanden. Over dit vraagstuk is veel geschreven; het onderwerp is rijk aan hulpbronnen; maar daaraan is het bezwaar verbonden, dat men zich zoo lichtelijk op een verkeerd standpunt plaatst.\'\' Dan zou men haast zeggen , dat hij er verbazend veel over gelezen heeft. De doodstraf eene quaestie van nationale deftigheid ! Risum teneatis. Beschouwt gij haar eenvoudig als eene quaestie van fatsoen, dan is het niet slechts minder moeilijk, maar zeer gemakkelijk te decre-teeren, wat men wil; doch het is dan zeer moeilijk of liever glad onmogelijk een enkel verstandig woord er over te zeggen. Zoo iets onder het straf- en natuurrecht valt, zal het toch wel zijn de vraag omtrent de hoogste straf. Zoo ergens , dan moeten hier wijsgeerige beginselen worden ingeroepen. Bijzondere bepalingen , ja, zooals de misdaden^ waarop de doodstraf bedreigd, en de wijze, waarop zij
7
/
uitgevoerd zal worden , hangen van het positieve recht af, en kunnen dus verschillend zijn voor verschillende omstandigheden , natiën en tijden. Doch vraagt men in het algemeen naar de rechtvaardigheid en noodzakelijkheid dier straf voor sommige misdrijven, dan moet men het natuurrecht raadplegen , dan stelt men eene wijsgeerige quaestie.
Tot geleidelijke ontwikkeling moeten wij eerst eenige beginselen vaststellen over straf in het algemeen.
II.
„Het recht van straffen in den staat , zegt Walter 1), is niet eenvoudig eene nabootsing , maar een uitvloeisel van het recht van straffen in God , alleen met deze beperking, dat het niet absoluut, maar slechts voor de zichtbare wereld is ingesteld en dat het eene menschelijke overheid in handen is gegeven.quot; Het recht van straffen heeft een goddelijken oorsprong; een overste straft als plaatsvervanger van God. Om deze stelling te bewijzen is het niet noodig, gelijk de heer Moens eenmaal meende , zijn toevlucht te nemen tot het: „daar staat geschreven,\'\' Neen de natuur van het gezag draagt in zich den stempel der goddelijkheid.
De maatschappij kan onmogelijk zonder maatschappelijke orde, dat spreekt. En deze bestaat in de verschillende rechten zoowel van de maatschappij in haar geheel als van hare afzonderlijke ledematen. Van de eerbiediging en handhaving dier rechten hangt dus alles af; omdat elke krenking daarvan eene meerdere of mindere storing is der maatschappelijke orde en daardoor een vergrijp tegen de maatschappij. Daarvoor moeten dan ook allen, die de maatschappij samenstellen, bezorgd zijn. Want als
1) Naturrecht und Politik.
8
ledematen van een zedelijk lichaam moeten zij , evenals de leden van het natuurlijk lichaam, harmonisch samenwerken tot inslandhouding en oevordering van het geheel. Dewijl het echter allen vrije wezens zijn, die de maatschappij samenstellen, ieder begaafd met verstand en vrijen wil, ieder met eigen inzichten, eigen belangen, eigen neigingen, werken zij niet krachtens hunne natuur noodzakelijk in het belang der maatschappelijke orde; maar kunnen zij haar evenzeer tegenwerken en omverwerpen. Aan zichzelve overgelaten vormen die wezens niet eene eenheid, zijn zij niet deelen van een geheel. Zij moeten door een band vereenigd worden, anders zijn het bij elkaar geplaatste ledematen, geen organisme. En zal die band ware eenheid geven, dan moet hij niet van buiten de maatschappij zijn aangebracht, dan moet hij een innerlyke zijn; anders worden ds deelen hoogstens zeer nauw met elkaar verbonden , maar nooit tot een levend, zedelijk lichaam vereenigd. Physieke dwang echter kan als strijdig met de vrijheid vrije wezens niet binden. Daartoe is alleen bij machte de zedelijke band van het gezag; dat alléén kan de van natuur vrije leden der maatschappij tot één levend organisme samensnoeren. Het gezag is de ziel van het maatschappelijk lichaam; dat geeft er leven aan en kracht; dat stelt het in staat organisch te werken. Het gezag heeft dus recht wetten te stellen en verplichtingen op te leggen, daar dit het eenige is , waardoor een van natuur vrij wezen gebonden wordt; het is uit zijn aard voorzien van alle rechten , die het noodig heeft tot instandhouding der maatschappij en tot handhaving der maatschappelijke orde.
Hieruit leiden wij aanstonds af den goddelijken oorsprong van het gezag. Want wat wij daar van de maatschappij , van de maatschappelijke orde, van het gezag zeiden, is een noodzakelijk gevolg van de natuur, gelijk God ze geschapen , gelijk Hij ze dus ook met alle gevolgen gewild heeft. Van nature is de mensch een bij uitstek maatschap-
9
pelijk wezen , dat niet buiten maatschappelijke vereeriging kan. Maar even natuurlijk en noodzakelyk als de instelling der maatschappij is de maatschappelijke orde, die tot haar wezen behoort. Verder: van natuur is de mensoh vrij, dus niet physisch noodzakelijk tot de handhaving der orde gehouden; en daar hij toch gebonden moet zijn, maakt evenzeer de natuur zelve den zedelijken band noodzakelijk van het gezag, dat alle rechten bezit, die ter handhaving der orde noodig zijn. Zóó is de natuur des menschen geschapen door God. God heeft dus gewild, dat de mensch zoo zou zijn; Hij heeft dus ook gewild én de maatschappij én de maatschappelijke orde én het menschelijk gezag. Dit gezag nu heeft het recht verplichtingen op te leggen. En wat is dat anders dan een goddelijk recht ? Een mensch als zoodanig kan een ander door geweld en overmacht tot iets dwingen; maar tot iets verplichten, doordringen in zijn geweten, zijn vrijen wil zedelijker wijze binden, — dat toch is verplichten — kan hij niet. Dat komt uitsluitend toe aan God; of als een mensch die macht bezit, is het, omdat God haar aan hem heeft overgedragen. De burgerlijke overheid, die ter handhaving der maatschappelijke orde verplichtingen moet op kunnen leggen, is dus gewild door God, oefent een recht uit, dat van nature alleen toekomt aan God , treedt op als plaatsvervanger van God, handelt krachtens eene delegatie van God.
Hiermee is te gelijk het bewijs geleverd, dat het recht van straffen een goddelijk recht is, om de eenvoudige reden, dat dit een wezenlijk deel van het gezag uitmaakt. De overheid, met gezag bekleed zijnde om de maatschappelijke orde te handhaven, bezit het recht niet alleen om de leden der maatschappij tot datgene te verplichten, wat voor de orde bevorderlijk is , maar ook om met gezag op te treden tegen degenen, die haar in een of ander opzicht verstoren. Hier is stoffelijke macht, die hem sterker maakt dan de weerspannigen, niet voldoende: het moet een recht
10
zijn, een recht, dat deel uitmaakt van zijn gezag en daarom evenals dit goddelijk is van oorsprong. Dewijl nu, gelijk wij zeiden, de maatschappelijke orde bestaat in de rechten van de maatschappij in haar geheel en van hare afzonderlijke leden, en derhalve iedereen, die een dezer rechten krenkt, ingrijpt in de geheele maatschappelijke orde; zoo hezit de wereldlijke overheid een goddelijk recht om diegenen te straffen, die een der rechten hetzij van de maatschappij in haar geheel, hetzij van een harer leden met voeten treedt. Straffend handelt hij als plaatsvervanger van God; daartoe ontving hij eene goddelijke delegatie. „Nergens openbaart zich de majesteit van den staat zoo zeer als in bet straffen, maar nergens ook openbaart zich zoozeer, dat hem zijne macht van boven is meegedeeld en niet van de menschen\'\' 1), Opzettelijk vestigen wij bijzonder de aandacht op deze waarheid; omdat zij voor alle straffen geldt, maar bovenal van gewicht is voor de quaestie van de doodstraf.
Wat is nu het essentieele doel van elke straf? „Vooralsnog is het eene ij dele poging, in strijd met de werkelijkheid, voor al de straffen, die de maatschappij oplegt, één gemeenschappelijk doel te vinden; alle die straffen te zamen en iedere straf op zich zelf, brengen min of meer toe tot minstens drie doeleinden : verdediging der onschuldige leden van de maatschappij tegen den misdadiger, afschrikking van anderen, die welligt zijne misdaad zouden willen navolgen, en (zoo moegelijk) verbetering van den misdadiger zei ven.quot; Aldus schreef onze Minister Heemskerk in de Economist van het jaar \'65. Hoewel deze rechtsgeleerde op eene uitgebreide eruditie mag bogen in zake van strafrecht, is toch de essentie van straf een geheim voor hem gebleven. Tot de drie door hem genoemde voor-
y
1) Stahl. Philosophie des Rechts.
11
deelen voert min of meer elke straf, het is waar; maar daarom is nog niet haar wezen daarop aangelegd. Het qp ééne gemeenschappelijke doel van alle straf, dat zij krach
tens hare natuur moet bereiken, is herstel der orde, uitboeting der schuld, vergoeding van het misdrijf, of — laten wij het woord gebruiken — wraak. Het vindicatief karakter is essentieel. Al het overige kan desnoods worden gemist, ofschoon de wetgever bij de bepaling van de sanctie zijner wetten ook op andere doeleinden te letten heeft. Maar neem het vindicatief karakter weg en het denkbeeld van straf is verloren.
Dat woord wraak is een hatelijk woord. Ofschoon het in goeden zin kan verstaan worden, schenkt men er in den regel eene verkeerde beteekenis aan, en dan wil men niet van wraak hooren als essentieel doei van straf. Wanneer iemand uit hartstocht, om zichzelven te voldoen , een ander op wat wijze ook kastijdt, dan oefent hij wraak, maar eene ongeregelde, eene schuldige. Zulk eene kastijding is geen straf, zelfs wanneer de overheid haar toedient. Ware dat de eenige beteekenis van wraak, wij konden het wezen der straf niet in haar vindicatief karakter stellen. „Het is zeker, zegt Turgot 1), dat de straf niet eene wraak is ; met dit treurige genot van lage en wreede zielen hebben de wetten volstrekt niets uit te staan. De noodzakelijkheid is het, die eene straf wettig maakt. Dat een schuldige lijdt, is niet het laatste doel der wet; maar het voorkomen der misdaden , dat is juist van het hoogste gewicht.quot; Dat de straf haar wezenlijk doel niet kan hebben in de . bevrediging van een onrechtvaardig wraakgevoel is duide
lijk: dat beweren wij ook niet. Onder wraak verstaan wij die, waardoor de bevoegde overheid de verstoorde maatschappelijke orde wreekt. Daar moet een misdrijf vergoed, eene schuld gedelgd, eene verstoring der orde hersteld
1) Observations sur ies Codes pénales.
12
worden. Iemand, die het recht verkracht, doet aan de maatschappelijke orde tekort ea gaat alzoo eene schuld aan tegenover de maatschappij. Omdat nu de overheid daarvoor niet onverschillig mag zijn, moet zij zorgen, dat dio schuld gedelgd worde. De schuldige moet dus datgene, waartoe hij verplicht was , maar waaraan hij ontbroken heeft, vergoeden door iets te doen, waartoe hij eerst met was verplicht. Dat is het eerste en essentieele, wat elke straf uitwerkt , en dat verstaan wij door haar vindicatief karakter. Laat de een of ander het een verouderd denkbeeld noemen, dat tot de geschiedenis van vroegere geslachten behoort; dat zegt niets. De algemeene begripsverwarring van onzen tijd verwerpt wel meer, wat met de thans gangbare systemen niet strookt. Maar verliest een begrip zijne deugdelijkheid, omdat het oud is? Voor zedelijke begrippen zoeken wij in de oudheid juist eene aanbeveling.
Gewoonlijk heeten thans afschrikking en verbetering het doel van de straf. Ongetwijfeld moet de overheid misdaden trachten te voorkomen, en daartoe helpt de bedreiging van straf, gelijk de toepassing er van bewijst, dat het met de bedreiging ernst is. Eveneens moet de overheid werken op de verbetering des misdadigers en zoo ook in hem de herhaling van misdrijven trachten te beletten. Verre van ons de bewering, dat afschrikking en verbetering niets met straf hebben uit te staan. In het algemeen gesproken beschouwen wij dat als twee doeleinden , die de wetgever als het kan in het oog moet houden. Maar essentieel aan elke straf zijn zij niet. Het gaat niet aan, eene straf alleen te beoordeelen naar haar afschrikkings- en verbeteringsver-mogen, alsof daarvan alles afhangt, alsof eene, die niet afschrikt en die den schuldige niet verbetert, daarom alleen onrechtvaardig zou zijn. Neen het wezen der straf; datgene , wat zij op de allereerste plaats beoogt; datgene, zonder hetwelk zij niet zijn kan, maar dat voldoende is, om eene, zoo al niet volmaakte, tenminste rechtvaar-
13
dige straf te hebben, is het wreken der maatschappelijke orde.
Afschrikking en verbetering hebben alleen op de toekomst betrekking,; zij bewerken slechts, dat in het vervolg noch door den schuldige noch door anderen dezelfde misdaden herhaald worden. Maar bij het opleggen van straf denkt de rechter niet uitsluitend , denkt hij zelfs niet op de eerste plaats aan de toekomst. De verledene misdaad straft hij. Vóór het feit moet men preventief te werk gaan; maar nd het feit komt de straf toe aan de gepleegde misdaad. Vanzelf kunnen afschrikking en verbetering voor de toekomst daaruit volgen; maar het is op de verleden misdaad alleen, dat de rechter het oog vestigt. Niets strijdt zoozeer met het karakter en de roeping eens oversten als onverschilligheid voor de naleving zijner wetten. Waartoe anders het gezag ? Maar als het gezag alleen straft om af te schrikken en te verbeteren, met het oog dus alleen op de toekomst, dan is het onverschillig voor eene verledene overtreding. „Zooveel in mij is zal ik waken, dat er geen misdaden plaatsgrijpen.quot;\' Maar daar wordt er een bedreven ondanks de bedreiging. En nu zou het gezag zeggen: „ Ik zal opnieuw waken, dat het niet meer gebeurt. Het onrecht de maatschappij aangedaan is nu eenmaal geschied. Ik straf niet om dat te herstellen, maar alleen cm toekomstig onrecht te voorkomen!quot; Is dat niet eene dwaasheid ? Is dat niet onverschilligheid omtrent een verleden onrecht? Zoo kan eene overheid niet handelen. Al zou het vaststaan, dat eene overtreding door geen andere zou gevolgd worden , dan nog was zij strafwaardig. Vooronderstellen wij , iemand overtreedt eene wet; maar vóór de rechterlijke uitspraak maakt de afschaffing dier wet elke toekomstige overtreding er van onmogelijk. Daar is hier dus geen behoefte om af te schrikken of te verbeteren. Toch moet de overtreder gestraft worden. Waarom? Omdat de straf dient om de gestoorde orde te wreken en hij de orde gestoord heeft. Neen, roept men, hier dient de straf om overtredingen van
14
andere wetten te voorkomen, en is dus wel afschrikkend. Wij geven toe, dat de bestraffing van de overtreding eener wet helpt tot handhaving van andere wetten. Maar stelt de rechter zich dat ten doel voor? Bij wien zal het ooit opkomen iemand voor een vergrijp b. v, tegen de drankwet te straffen met het doel om anderen af te schrikken van moord?
Raadpleeg de gewone opvatting der menschen. Wanneer een vader zijn kind eene straf heeft opgelegd, zal hij na het einde daarvan niet meer gewagen van den misstap, „omdat hij weer goedgemaakt is.quot; Weer goedmaken wat misdaan was, m. a. w. wraak, is het eerste, waaraan straf doet denken. Vandaar ook dat bij iedereen op het zien van een gruwelijke misdaad , van een schreeuwend onrecht een gevoel rijst, dat zich uit in wraaklustige bewoordingen tegen den misdadiger, dat alles heeft van wraakgevoel. Daar spreekt de natuur, daar eischt het natuurlijk rechtsgevoel wraak voor die misdaad. Misschien zal hij zich door de drift van het oogenblik veel te ver laten vervoeren. Keur dat af zooveel gij wilt. Maar het bewijst, dat iedereen gevoelt, dat op een misdaad de straf moet volgen niet alleen om anderen af te schrikken of den schuldige te verbeteren, maar als wraak. Daar zijn misdadigers, zoo monsterachtig, dat geen straf ter wereld hen van de misdaad afhoudt of verbetert, op wie zij integendeel geen anderen invloed heeft dan hen te verharden. Zulke monsters keurt iedereen juist de meeste straf waardig. Maar ware de straf niet essentieel vindicatief, waarom zouden zij er dan door getroffen moeten worden ? Voor afschrikking of verbetering baat het hier niet; dat doel wordt veeleer tegengewerkt. Maar laat hen eens ongestraft, wie noemt dat niet de grootste onrechtvaardigheid? Voor hen geene verschooning: waar blijft anders het recht? De orde, op de onbeschaamdste wijze door hen verstoord, moet op hen op de strengste wijze worden gewroken; dat wil men met de straf. Hoezeer wij dus andere doeleinden niet buitensluiten,
15
en hoezeer eene goed en billiik toegepaste straf in meer dan een opzicht heilzaam werkt voor de maatschappij; de essentie, de aard, het wezen der straf is wraak, vergelding, vergoeding, herstel van de verstoorde maatsehappeliike orde; en wel zoo, dat, wanneer dit vindicatief karakter verdwij nt, wij iets verkrijgen, wat misschien ook goed zal werken, iets, wat misschien zal afschrikken van het kwaad; maar wij hebben niet datgene, wat én door de natuur der straffende gerechtigheid én door het bij allen levend rechtsgevoel voor ware straf gevorderd wordt.
Nog blijft ons ter onderzoeking over, wat het natuurrecht voorschrijft omtrent de wijze van straffen. Vooreerst eene straf moet uitwendig zijn. Want terwijl God zich de inwendige orde voorbehoudt, heeft Hij der menschelijke overheid opgedragen de uitwendige maatschappelijke orde te handhaven en waar het noodig is te herstellen, zoodat eene straf alleen in het uitwendige kan toegepast worden. — Dan kan men zich geen straf denken, die niet is eene werkelijke berooving, eene privatio. Onthouding van weldaden, voorrechten of belooningen, hoe onaangenaam ook voor wien het treft, is niet eigenlijk eene straf, tenzij de schuldige op die voorrechten zulke titels kan doen gelden, dat hij er recht op heeft; want dan is het niet enkel meer onthouding, dan is het berooving. Het denkbeeld toch van berooving sluit in, dat men ons een goed ontneemt óf onthoudt, op welks bezit wij recht hebben. En ziedaar juist wat voor eene ware straf gevorderd wordt. De schuldige heeft inbreuk gemaakt op de rechten van anderen, of zoo gij wilt op de maatschappelijke orde; ten haren nadeele heeft hij zich een recht aangematigd, dat hem niet toekwam. Nu bestaat de straf in eene vergoeding, in een herstel der gestoorde orde. Wat staat hem dus anders te doen dan op zijn beurt iets te laten varen van hetgeen hem toekwam? Niet genoeg, dat hem geweigerd worde, waar hij geen recht op had, maar wat hem toch kon worden geschonken. Daarmee
gt;
16
zou hij geen herstel geven, zijne schuld zou blijven. Maar gelijk zijn misdaad hierin bestond, dat hij de maatschappij een goed ontnam, waarop zij recht had; zoo is het herstel slechts mogelijk als hij iets afstaat, waarop hij recht heeft. Zulke goederen nu in de uitwendige orde zijn: tijdelijk bezit, eer, vrijheid en levenquot;;quot; het is dus van eene van deze vier soorten, dat hem eene straf in meerdere of mindere mate berooft. — Het vindicatief karakter der straf eischt vervolgens verhouding tusschen straf en misdrijf, tusschen het den misdiger te berooven goed en het door hem berokkende kwaad. Dat kwaad moet hij herstellen, niet meer, maar dat ook geheel. Te zware en te lichte straf, beide zijn onrecht. Door te zware straf pleegt de rechter onrecht aan den aangeklaagde, daar hij hem van iets berooft, waarop hij niet alle recht verloren heeft. Door te lichte straf op te leggen is hij niet verantwoord tegenover de maatschappij, daar hij de verstoorde orde voor een gedeelte zonder herstel laat. Volkomen gelijkheid is van een menschelijken rechter niet te vorderen. Want al is het recht van straffen goddelijk, het berust toch in handen van menschen, die er slechts op menschelijke wijze gebruik van kunnen maken. Er is dus om aan de rechtvaardigheid te voldoen geen sprake van eene wiskunstige, maar van eene moreele verhouding, terwijl men naar de volmaakst mogelijke overeenkomst streven moet.
Ziedaar eenige beginselen omtrent straf in het algemeen. Niet beginselen, die wij zoo maar opzetten , of die wij als algemeen aangenomen vooronderstellen, nog minder verouderde opinies, stellingen, die tot de geschiedenis behooren; maar beginselen uit het natuurrecht afgeleid; beginselen even onverandelijk als het natuurrecht zelf, even overanderlijk als de gansche hoogere zedelijke orde, even onveranderlijk als God. Voor bijzondere toepassingen moet het positief recht uitspraak doen, mits met eerbiediging van deze beginselen, die bij alle volkeren van alle eeuwen de grondslag zijn der straffende gerechtigheid.
17
III.
Uit het voorgaande staan deze drie beginselen vast: dat het recht van straffen een goddelijk recht is, dat het vindicatief karakter essentieel is voor elke straf, en dat zij moet zijn de berooving van een uitwendig goed in verhouding tot het misdrijf. Komen wij thans tot de toepassing. In de uitwendige orde bezit de mensch geen hooger goed dan het leven; het is zelfs de allernoodzakelijkste voorwaarde tot genot van eenig goed; niets weegt hiertegen op. Ieder ander moet dat in hem eerbiedigen. Hem daarvan berooven is het grootste kwaad, dat men hem kan aandoen, juist, omdat dit het grootste goed is, waarop hij recht heeft. Is die berooving als straf gewettigd ? Zeker niet voor elk geval. Maar kan het ooit? Ja; wanneer namelijk het kwaad door hem berokkend gelijk staat met dat goed. Zonder alle mogelijke gevallen te willen onderzoeken , waarin de doodstraf rechtvaardig kan zijn, vooral daar dit van zooveel omstandigheden afhangt, moeten wij tot deze overtuiging komen, dat een moord hersteld wordt alleen door den dood des schuldigen. Dat een moordenaar moet gestraft worden, is overduidelijk; maar wat wil dat zeggen ? Dat de maatschappij op hem de orde, die hij verstoord heeft, moet wreken door hem te berooven van een goed, waarop hij recht heeft; maar van een goed, even groot als het door hem berokkende kwaad. De berooving van een kleiner goed herstelt de orde niet genoegzaam, is dus niet de straf die hij verdient. De maatschappelijke orde heeft hij verstoord door iemand te berooven van het hoogste goed, waarop hij recht had; daar is slechts herstel mogelijk, doordat ook hij het hoogste goed verliest, dat hem toekomt. De maatschappij heeft hij beleedigd door zich aan het heiligste recht van een harer ledematen te vergrijpen; dat kan alleen vergoed worden, doordat ook hij zijn heiligste recht
18
/
verbeurt. Men zegge niet: de veiliglieid der burgers kan op andere wijze verzekerd worden; men kan den moordenaar op andere wijze onschadelijk maken; de maatschappij kan op andere wijze moorden in het vervolg trachten te voorkomen; wij zijn bijna zeker, dat hij zich beteren zal. Laat dat alles waar zijn — wat wij volstrekt niet toegeven; maar het is de vraag niet. Daar is spraak van rechtvaardige straf. Het essentieele karakter nu , zonder hetwelk de straf niet kan gedacht worden , is het wreken en herstellen van de gestoorde orde. Maar nooit is deze volkomen hersteld, tenzij het goed, dat de misdadiger verliest, even groot zij als het goed, waarvan hij een lid der maatschappij heeft beroofd. Heeft hij iemand dus het leven benomen; dan moet ook hij het zijne geven. Moord en doodstraf zijn correlatief.
Men zegge niet: als één moord reeds met den dood gestraft werd, wat zou de rechter dan moeten beginnen met iemand, wien verscheidene moorden ten laste komen ? Om de verhouding tusschen straf en misdryf voor alle gevallen mogelijk te maken, moet men wel zulk eene straf uitdenken , die voor verzwaring vatbaar is. Wie deze bedenking opwerpt, verliest uit het oog, dat eene wiskunstige verhouding niet mogelijk is en dan ook niet gevorderd wordt; dat niet de graad van het misdrijf behoeft overeen te komen met den graad van straf. Waar zou het heen met zulk een maatstaf? Zou men dan op ééne vergiftiging wel een jaar gevangenisstraf kunnen zetten? Vrouw Van der Linden heeft zich aan zooveel moorden of pogingen daartoe schuldig gemaakt, dat zij , een jaar gevangenis per misdaad gerekend, niet lang genoeg meer leven zou om haar tijd uit te dienen. Moest de hoeveelheid straf zoo bepaald worden, dat zij altijd nog vermeerdering toeliet voor het steeds mogelijke geval van een nog zwaarder misdrijf, dan kon men met reden voor gewone misdaden geheele straffeloosheid afkondigen. In den aard van het misdrijf zoeke men de verhouding. De moordenaar heeft een lid der maatschappij
19
van het hoogste recht beroofd; meet daarnaar de straf af; dan moet de rechter ook hem van zijn hoogste recht be rooven. „De moord, zegt een Duitsch schrijver, is de som van alle misdaden en de laatste consequentie van alle mogelijke misdadige neigingen.\'\' Maar misdaad en straf moeten overeeckomen: dat vordert de rechtvaardigheid. En daarom zijn er misdaden, en zulk een is zeker de moord, die billijkerwijze alleen door den dood gestraft worden. Wij onderschrijven gaarne het woord van Stahl, hoe hard het ook klinke: „Eene wetgeving, die op den moord niet de doodstraf, maar alleen vrijheids straffen zet,.... zou eene onrechtvaardige wetgeving zijn.quot; Het recht van gratie bespreken wij later.
Nu doen wij geen beroep op den blinden gids, die quot; menschelijk gevoel heet. Yölmondig hebben wij reeds toegegeven, dat iemand koelbloedig te dooden iets verschrikkelijks is. Verklaar vrij, dat gij voor geen geld ter wereld beul zoudt willen zijn; wij ook niet. Het is geen benijdenswaardig ambt; ofschoon het vak van politie-agent ook niet alles is en daaruit toch niets volgt tegen het rechtvaardige van de instelling der politie Gij verzekert, dat gij niet voor uw genoegen bij eene terechtstelling zoudt tegenwoordig zijn: wij ook niet. Laat het zijn, dat de rechter slechts huiverig het doodvonnis uitspreekt, de beul met bevende hand de straf voltrekt, het volk met ontzetting de terechtstelling bijwoont: maar wat zou dat alles? Hier is geen quaestie van gevoel, evenmin als van nationale deftigheid; men zou er evengoed een quaestie van kunstsmaak van kunnen maken. Hier moet de rechtvaardigheid uitspraak doen. Wie het standpunt van het recht verlaat, heeft geen goed oog meer op de zaak. Welnu het recht vordert de doodstraf voor sommige misdaden ; omdat sommige zoozeer de orde verstoren, dat herstel alleen mogelijk is door den dood des schuldigen.
Te vergeefs wordt hiertegen de hulp ingeroepen van aan den godsdienst ontleende argumenten. Of het met eene
20
goede of met eene kwade gezindheid tegenover den godsdienst geschiedt, is onverschillig. Daar moet het gebod der naastenliefde tegen de doodstraf dienst doen. Hoe, roept men verbaasd uit, geloovigen, die dat gebod heeten na te leven, zelfs priesters en christenleeraars durven zich zoo sterk mogelijk voor de doodstraf verklaren. De naastenliefde strekt zich immers ook uit over de vijanden ? Krachtens dat gebod moet de mensch immers zijn vijand vergeven en hem zelfs goeddoen? — Welnu schaf dan alle straf af. Het gebod van naastenliefde zegt, dat wij een ander niet moeten aandoen, wat wij zelf niet willen lijden. Nu brengt gij iemand naar de gevangenis: gaat gij er zelf zoo gaarne in ? Gij legt boeten op: betaalt gij zelf zoo gaarne ? Zoolang wij als menschen tegenover elkander staan, blijft dat gebod in al zijne verhevenheid en kracht. In ons oog verdient eene familie, wie bij het lijk van een vermoorden echtgenoot en vader en broeder slechts gevoelens bezielen van vergiffenis voor den moordenaar, bij iedereen de hoogste achting. Wanneer men ons verhaalt , hoe de jonge advocaat van Oppen op het sterfbed zijn moordenaar niet alleen vergaf, maar zelfs voor hem bad, dan komt het niet in ons op hem van onrechtvaardigheid te beschuldigen ; dan bewonderen wij den edelen jonkman, die zoo heldhaftig het gebod van christenlijke naastenliefde volbracht. Maar dat gaat niet door voor onze quaestie. Hier treedt eene overheid op, niet als wreker van zichzelf om zijne persoonlijke vijanden neer te slaan: dat zou hem even ongeoorloofd wezen als ieder ander; maar als degene, die geroepen is de maatschappelijke orde te handhaven en te verdedigen tegenover iedereen, die haar aanrandt. En beantwoordt hij aan die roeping door den misdadiger kwijtschelding te geven en daardoor straffeloosheid te verzekeren ? Immers neen. De liefde, die hij als overste voor de maatschappij moet koesteren, legt hem op de misdaad naar eisch der rechtvaardigheid te straffen, omdat dit noodzakelijk is tot behoud én van de orde én van de maatschappij. Mag ook de rechtvaardigheid eischen, dat een lid der maat-
21
schappij worde opgeofferd, dan moet hij niet daartegen opzien; gelijk men tot de amputatie van een lichaamsdeel , zonder te vragen, of het akelig is, overgaat, als het behoud des lichaams zulks noodzakelijk maakt.
„Gij zult niet doodslaan.quot; Wat zegt gij van dit gebod? Het strijde er niet tegen, tot zelfverdediging op het oogen-blik van een aanval iemand om het leven te brengen. Maar God, die alleen recht op het leven des menschen heeft, verbiedt toch zeker onzen evenmensch, al is hij een booswicht, koelbloedig te dooden. En hier geeft de wraak-theorie geen uitkomst; want God heeft uitdrukkelijk gezegd : „aan Mij is de wraak.quot; Het is dus een misdaad iemands dood te eischen zelfs als straf. — Maar het is evenmin geoorloofd eens anders vrijheid en bezitting aan te tasten,\' ook niet uit wraak. Door dezelfde redeneering maar door te zetten, kunnen wij elke straf ongeoorloofd maken. Een argument nu, dat te veel bewijst, bewijst niets. De moeilijkheid lost zich overigens vanzelf op uit de algemeene beginselen. Uitvoerig genoeg bespraken wrj de goddelijkheid van het recht van straffen in de wereldlijke overheid. Overvloedig toonden wij aan, dat hij in het straffen een recht uitoefent, dat hij als mensch niet bezit. Als Opperheer beschikt God over het leven van den mensch, gelijk Hij
wil, of wel onmiddellijk door zichzelf, of wel middellijk
■«*
door de burgerlijke overheid in het geval, dat het leven des misdadigers gevorderd wordt tot herstel van de orde. De burgerlijke overheid, die iemand door een rechtvaardig vonnis ter dood verwijst, handelt krachtens een goddelijk recht als plaatsvervanger van God. Aan God alzoo is en blijft de wraak; maar Hij oefent die uit door de menschelijke autoriteit. Dat gebod: „gij zult niet doodslaan,quot; geldt voor den eenen mensch met betrekking tot den anderen, geldt ook voor den overste, in zoover hij mensch is; zoodat hij zich aan een onrechtvaardig doodvonnis evenmin mag schuldig maken als de geringste onderdaan aan een moord. Maalais overste is hij bekleed met goddelijk gezag en maakt hij
22
van een goddelijk recht gebruik, zoo dikwijls hij een rechtvaardig doodvonnis uitspreekt. In dat geval komt het vijfde gebod niet te pas.
üit de onveranderlijke beginselen van het natuurrecht volgt alzoo, dat de doodstraf overeenkomstig de rechtvaardigheid is en in sommige gevallen door haar geëischt wordt; telkens namelijk, wanneer de verhouding tusschen de verstoring der maatschappelijke orde en het herstel daarvan niet bestaat zonder den dood des schuldigen. Zoo gebiedt de rechtvaardigheid. Daartegen pleit het getuigenis van groote rechtsgeleerden. Wij weten het, er zijn ervaren juristen, en daaronder mannen, die met ons de groote principes huldigen, die tegen deze uiterste straf gekant zijn. Tegenover hen echter staat een veel breeder schaar van even geleerde mannen, zoodat de autoriteiten, om niets meer te zeggen, elkander veronzijdigen. Bovendien moesten de tegenstanders der doodstraf hunne eigene zaak wantrouwen, als zij het koor hoeren van socialisten, revolutionnairen, barricade-helden, commune-mannen en allen, die belang hebben bij de straffeloosheid der zwaarste misdrijven. Hun persoonlijk aanzien lijdt er niet onder; maar aan hunne zaak doet het geen voordeel, dat zulk soort hun zoo luid en zoo oprecht toejuicht.
IV.
Meer dan aanhalingen van rechtsgeleerden zegt het getuigenis van het gansche menschdom. Zoowel kamergeleerden als mannen van de practijk kunnen zich vergissen. Geleerden, omdat zij zich aan een eenmaal opgevat denkbeeld vaak zoo hechten, dat zij er de geheele wereldorde naar zouden willen inrichten. En mannen van de practijk zien van sommige maatregelen of van het afschaffen van andere soms zulke goede uitkomsten — (of iemand ooit
23
werkelijk goede uitkomsten van de afschaffing der doodstraf heeft beleefd? wij gelooven het niet; maar deze of gene zou het zich kunnen verbeelden) —, dat zij daarvoor alleen open oog hebben en, voor al het overige blind, vergeten er aan te denken, dat iets niet rechtvaardig en geoorloofd is, alleen omdat het nuttige en heilzame uitwerkselen heeft. Het gevoelen van het raenschdom daarentegen, de sensus communis, is op zedelijk gebied een zeer vertrouwbare gids. Waar het menschdom eene zedelijke stelling duidelijk uitspreekt, daar moeten ook geleerden luisteren. Aan den sensus communis moeten zij hunne bespiegelingen toetsen, en voor valsch verklaren, als zij daartegen aandruischen. Welnu eenstemmig heeft zich het menschdom verklaard voor de doodstraf. Men heeft wel eens gevraagd, waar zich de „volksovertuigingquot; ten gunste dier straf heeft uitgesproken. Verstaat men onder het woord „volksovertuigingquot; het getuigenis van alle eeuwen en van alle menschen, dan doet zij zich luid genoeg hooren.
Wat zegt het volk oogenblikkelijk na een moord? „Dien kerel moesten ze hangen.quot; Zoo roept niet alleen de ruwe baliekluiver, die misschien verlangt zelf de beul te mogen zijn, maar ook de weldenkendste man met gevoelig hart. Zoo denkt de onbeschaafde matroos en de aristocratische dame , al drukken zij die gedachte in verschillenden vorm uit. Dat is het oordeel van de nabestaanden des vermoorden, maar ook van degenen, die noch moordenaar, noch vermoorde kennen en geen belang bij de zaak hebben. Misschien zeggen dezen het nog vrijmoediger; omdat de eersten reden kunnen hebben eene inmenging van persoonlijke wraakzucht te vreezen. En als de tegenstanders der doodstraf zelf eens openhartig de gedachte, die het eerst in hen opkomt, mededeelden! Systemen opzetten gaat vrij gemakkeliik; doch men schudt zoo maar de menschelijke natuur niet uit. Die eerst opkomende gedachte zullen zij niet of hoogstens aarzelend uiten; want het klinkt wel zoo verlicht: „ik ben in principe (!) tegen de doodstraf.quot; Laat hen eens van nabij zulk
24
een ongeval treffen; laat zulk een humaan afschaffer der doodstraf eens plotseling beroofd worden van zijne vrouw, van zijne kinderen; zou dan nog de philosoof bovendrijven en menschlievend verklaren: „alles is weer goed gemaakt, mits de moordenaar, die mijn levensgeluk vernietigde, eenige rustige jaren in de gevangenis slijt?quot; Neen, de eisch van den dood eens moordenaars gaat van allen uit. Zeer opmerkelijk is het, wat de heer Heemskerk in de Economist \'65 meedeelt van het Engelsche Genootschap tot Afschaffing der Doodstraf. Dit was er op bedacht om te bewerken, dat het met doodvonnissen nooit tot uitvoering kwam. Wanneer het hoofd van den staat na het vellen van een doodvonnis niet om genade gevraagd was noch door den veroordeelde zelf, noch door de jury, noch door de rechters, dan kwam dit genootschap tusschenbeide om verzachting van de straf te verkrijgen. En toch in sommige gevallen weigerde het teslist zijne tusschenkomst. Waren de leden dan zelf overtuigd, dat hier de rechtvaardigheid onverbiddelijk was? Dan sprak voor die gevallen de natuur in hen even luid als in niet-afschaffers. Of durfden zi] niet voor het volk? Wat was hun dan die volksovertuiging goed bekend, en wat kwam zij hun krachtig voor, dat zij er hun lievelingsidee voor opofferden!
Hoe dikwijls gebeurt het niet, dat de openbare macht een moordenaar moet beschermen tegen de woede van het volk, dat zich niet weerhouden kan om zichzelf recht te verschaffen, om eigenmachtig den dood oogenblikkelijk op de misdaad te doen volgen. Toen Timmermans bij het lijk van den jongen advocaat zou gebracht worden, moest men hem eerst geruststellen met de stellige verzekering, dat de noodige voorzorgsmaatregelen waren getroffen; want, gelijk hij zeide, hij vreesde door het grauw te worden verscheurd. De ongevoelige booswicht, die zelf naar geen goddelijke of menschelijke wetten omzag, was zich bewust van het ingeschapen rechtsgevoel van anderen. Dat eigen recht verschaffen keuren wij natuurlijk zoo scherp mogelijk af. Het
25
volk is zijn eigen rechter niet. Wanneer het een moordecaar doodt, voltrekt het niet een doodvonnis, maar bedrijft het een moord ; en daarom rust op de openbare macht de plicht den schuldige tegen de volkswoede in bescherming te nemen. Maar het is eene uiting der volksovertuiging; eene verkeerde, ongeoorloofde, onrechtvaardige uiting, die ieder weldenkende afkeurt, o ja; maar waaruit toch blijkt, dat het rechtsgevoel des volks den dood des moordenaars tot genoegdoening eischt.
Voor de doodstraf verheffen alle eeuwen hare stem. Waar blijkt de volksovertuiging uit? Maar kan zij zich krachtiger uitspreken dan gelijk zij in deze quaestie gedaan heeft? Wanneer of waar stond op de zwaarste misdrijven niet de doodstraf? Zoowel beschaafde als half-beschaafde natiën pasten haar toe; hetzij zij stonden onder de heerschappij van het heidendom of onder den invloed van het christendom; hetzij zij van eene prikkelbare natuur waren of kalmer karakter hadden; in welke toestanden zij ook verkeerden , onder welke regeeringsvormen zij ook leefden, welke denkbeelden hen ook beheerschten, welke belangen zij ook te behartigen hadden, altijd en overal gold de doodstraf als rechtvaardig en noodzakelijk. Eerst in de bloedige dagen der Transche revolutie, ten jare 1791 , toen het gezag miskend en het recht vertrapt werd, het leven der menschen voor niets gold , de goddeloosheid hare saturnaliën vierde, toen zij , dié den toon aangaven, niets heiligs kenden en door eene woede werden voortgedreven om alles omver te werpen, eerst toen werd officieel over de afschaffing der doodstraf beraadslaagd in de Fransche Kamer, en Robespierre, nota lene, was een van de men sch-lievendste afschaffers. De beginselen van toen leven voort en zetten ook nu eene zekere partij tegen de doodstraf op. Maar dat brengt de stem aller eeuwen, die deze straf billijkten, niet tot zwijgen. Geen wonder, dat sommige afschaffers voor dit feit geplaatst een oogenblik aarzelen zich tegen de doodstraf te verklaren. Het is dan ook minstens
26
eece onverantwoordelijke roekeloosheid in zulk een voornaam punt met de traditie aller eeuwen te breken. Men had althans zóó moeten redeneeren; wat altijd en overal als rechtvaardig en noodzakelijk gegolden heeft, zal wel rechtvaardig en noodzakelijk zijn, en al konden wij het feit dier eenstemmigheid niet verklaren, het is op zichzelf een argument, dat ten gunste van de doodstraf sterk genoeg spreekt.
Daar hooren wij dus het getuigenis van het gansche menschdom en in zulk een getuigenis spreekt de natuur. Daar neemt iedereen den regel van Cicero aan; „In alles moet de overeenstemming aller volken als eene wet der natuur beschouwd worden\'\' 1). Maar waar de natuur den mensch zulk een oordeel als het ware opdringt, daar is het God, de Schepper en Aanlegger der natuur, die zoo spreekt; daar drukt de uitspraak van het menschdom eene verordening Gods uit. Vox populi vox Dei, de stem des volks is de stem van God, mogen wij hier herhalen. Hoe toch komt het menschdom er toe om zoo algemeen en zoo stellig de rechtvaardigheid en noodzakelijkheid der doodstraf te verkondigen. „Volksvooroordeel!quot; roept een wijs, liberaal blad. Maar dat is immers niet gemeend ? Wie zal in ernst beweren , dat men slechts te doen heeft met een vooroordeel, als alle volken van alle eeuwen, hoe verschillend ook in landaard, in godsdienst, in belangen, in ontwikkeling en beschaving, in zeden en gebruiken, ofschoon geheel onafhankelijk van elkaar, ja elkander onbekend, aangaande eene bepaalde quaestie van recht met elkander overeenstemmen? Wat voert hen dan toch tot dat eenstemmig oordeel ? Hartstocht? Maar zij handelden na kalm onderzoek en rijp beraad, zonder overhaasting. Voordeel voor den staat? Maar het is veel voordeeliger boosdoeners tot dwangarbeid te bezigen. Veiligheid der burgers ? Maar hun stonden evenals onzen
Ij Omni aulfm in re consensio omnium gentium lex naturae put and a est. Tuscul. L. 1.
27
philanthropen middeleD genoeg ten dienste om den misdadiger onschadelijk te maken. Watgaf hun dan dat oordeel in? Niets anders dan de evidentie der waarheid, en daarom kan men er zoo op aan. Doch, werpt men tegen, de menschen hebben vroeger even algemeen zooveel stellingen als zeker gehouden, die later valsch bleken te zijn, gelijk b.v. de algemeen aan-genomene dwaling, dat de zon om de aarde draait. Dat gaat met waarheden, dia wij van de zintuigen ontvangen; want deze nemen de zaken waar, niet altijd gelijk zij zijn, maar gelijk zij zich voordoen, en daarin is vergissing mogelijk; zoodat dan de eenstemmigheid van oordeel eene zaak niet uitmaakt. Maar met zedelijke waarheden is het gansch anders Deze toetst de mensch onwillekeurig aan de alge-meene zedewetten, die de ratuur hem leert, en dan geeft de eenstemmigheid van gevoelen zekerheid, omdat zij geen anderen grond heeft dan de objectieve waarheid. De rechtvaardigheid en noodzakelijkheid der doodstraf ligt zoo duidelijk in de natuur der door God gewilde orde uitgedrukt, dat het menschdom haar moet zien en uitspreken.
V.
Een woord over het recht van gratie, dat op het eerste gezicht onze stelling schijnt te doen vallen. Het hoofd van den staat maakt van dit recht gebruik, wanneer hij de door den rechter toegewezene straf in eene zachtere verandert. Het geldt een rechtvaardig vonnis; anders zou het alleen herstel eener onrechtvaardigheid zijn, geen genade, geen gunstbewijs den veroordeelde geschonken. Wanneer een rechter veroordeelt zonder dat er misdaad is, of wanneer hij de zaak niet zorgvuldig heeft onderzocht, of wanneer hij eene te zware straf oplegt; dan is zijn vonnis niet rechtvaardig, en de billij kheid vordert er de vernietiging van. Door zulk een vonnis te veranderen en tot zijne ware eischen
28
terug te brengen, doet het hoofd van den staat, wat hij om der rechtvaardigheid wille doen moet, maar maakt hij geen gebruik van het recht van gratie. Dit schenkt den misdadiger iets, wat hein rechtens niet toekomt. Hij heeft de misdaad, waarvan hij beschuldigd is, bedreven ; zijne schuld is bewezen; de rechter veroordeelt hem na alles onderzocht, gewikt en gewogen te hebben tot eene straf, die met het misdrijf in verhouding staat; en nu treedt het hoofd van den staat tusschenbeide, verandert het vonnis, waarvan de rechtvaardigheid hem gebleken is, en verklaart de schuld genoegzaam gedelgd door eene zachtere straf. Dat heet gratie schenken.
Komt dat gratie-recht overeen met de natuurlijke gerechtigheid? Voorzeker ja. Altijd en overal is het erkend , zonder dat iemand er zich tegen verzette. De eenige klachten, die men er tegen hoort, raken alleen het misbruik er van. Daarover bestaat geen twijfel. Volkomen juist noemt men dit recht het schoonste prerogatief van de kroon of van het hoofd van den staat; omdat iedereen het beschouwt als het uitmuntendste, wat de overheid bezit, als een onschendbaar recht, als iets heiligs in de majesteit van het gezag. Wat men de overheid ook beknibbele, nooit het recht van gratie. Gratie schenken is volgens het natuurrecht geoorloofd.
Maar hieruit rijst eene moeilijkheid, die alles, wat wij omtrent de noodzakelijkheid der doodstraf hebben gezegd , schijnt omver te stooten. Wij hebben verdedigd, dat voor sommige misdaden de doodstraf niet alleen geoorloofd is, maar zoo noodzakelijk, dat de volkomene afschaffing er van strijdt met de rechtvaardigheid. Een moordenaar niet Ter dood veroordeelen geldt ons als een onrecht gepleegd aan de maatschappij. En toch door het gratie recht kan de overheid hem van die straf ontslaan. De rechtvaardigheid eischt gebiedend zijn leven; maar staat tegelijkertijd toe, dat het hem geschonken worde. De doodstraf zou dus tegelijk noodzakelijk en niet noodzakelijk zijn. Dewijl nu het recht
29
van gratie zonder tegenspraak overeenkomstig het natuurrecht is, ligt de gevolgtrekking voor de hand, dat de doodstraf, zij moge al geoorloofd zijn, in geen geval door het natuurrecht als noodzakelijk wordt gevorderd.
Ziedaar de moeilijkheid, nu de oplossing. Houden wij in het oog, waar wij herhaaldelijk op gewezen hebben, dat het essentieele doel der straf is de door de misdaad verstoorde maatschappelijke orde te herstellen, eu dat sommige misdaden zulk een inbreuk maken op de orde , dat alleen de dood volledig herstel kan geven. Dan vragen wij : wat doet het gebruik van het gratie-recht met betrekking tot het herstel der orde? Iemand heeft de maatschappelijke orde verstoord door een moord te bedrijven. Onverschilligheid, die de zaak op haar beloop laat; edelmoedige vergiffenis, die wat men noemt door de vingers ziet, zou hier natuurlijk geheel iets anders zijn dan een gebruik van het gratie recht. De schuldige moet voor den rechterstoel verschijnen; zijne zaak moet onderzocht en het vonnis uitgesproken worden. Hij moet de orde herstellen door te sterven. Maar wanneer nu vóór de uitvoering van dit vonnis bet hooge gezag optreedt en, ofschoon erkennend , dat hij de doodstraf verdient, hem daarvan bevrijdt en eene zachtere straf oplegt, hoe wordt dan de orde hersteld? Daar eene volledige voldoening slechts gevonden kan worden in den dood des schuldigen , herstelt hij, door eene zachtere straf te ondergaan, van zijn kant de orde slechts gedeeltelijk. Er ontbreek iets aan. Maar dat ontbrekende vult om zoo te spreken de overheid aan door ce handeling zelve van gratie geven. Die handeling toch is niet hetzelfde, wat een beleedigde doet, als hij vergiffenis schenkt aan zijn beleediger; maar het is eene uiting van het hoogste gezag als zoodanig; het is eene handeling, die het gezag zoo doet stijgen, dat zij in het herstellen der orde als aanvulling dient van hetgeen de misdadiger te weinig doet. Wij verklaren dit nader.
Het gezag is de innerlijke band van alle leden van
30
het maatschappelijk lichaam; het is met zijne goddelijke rechten de ziel der maatschappij. Daar alzoo de maatschappij al haar levenskracht ontvangt van het gezag, wint zij naarmate het gezag hooger staat. Maar dit stijgt hooger, hoe eigenaardiger en krachtiger het zich uit. Welnu eene van de krachtigste en eigenaardigste uitingen van het gezag is het geven van genade. Wat uit zich niet het gezag in eene overheid, die aldus spreekt: „die schuldige moet rechtens sterven; hij heeft het ten volle verdiend; de rechtvaardigheid eischt het. Maar krachtens mijn recht, krachtens mijn gezag verklaar ik, dat hij niet zal sterven. Ik wil, dat hij leve, en dat wil ik door mijn gezag.quot; Wat staat hij hoog, die niet uit willekeur, maar door zijn gezag zoo spreekt! Wat komt daar de majesteit van het gezag ten volle uit! Zulk eene handeling komt zoozeer het gezag en daardoor de maatschappelijke orde ten goede, dat het eene aanvulling is van hetgeen de misdadiger te weinig doet. De orde ontvangt hier niet een eigenlijk herstel , maar een aequivalent er van.
Niet altijd echter is dit aequivalent voldoende. Daar kunnen misdaden gepleegd worden zoo afschuwelijk, dat de rechtvaardigheid onverbiddelijk de eigenlijke, ware herstelling vordert door den dood van den misdadiger. Dan mag er geen gratie geschonken worden. Ook gaat het niet aan altijd maar genade te geven. Dan speelt de overheid met haar gezag, dan toont zij gebrek aan eerbied voor de maatschappij , dan wordt zij onverschillig voor de handhaving der orde, dan laadt zij den schijn op zich, dat zy uit bloote willekeur de doodstraf heeft afgeschaft. Gratie schenken is uit zijn aard uitzondering; anders verliest het zijn karakter van bijzondere uiting van gezag. Toen daarom in \'70 de voorstanders van de afschaffing der doodstraf herhaaldelijk deden uitkomen, dat het voorgestelde wetsontwerp alleen wettelijk bestendigde, wat feitelijk reeds bestoud, daar in de laatste tien jaren van de 78 doodvonnissen geen enkel was uitgevoerd, maakten zij volstrekt geen compliment aan
31
de regeering, die het hoogste gezag zulk een willekeurig spel deed spelen met de gerechtigheid. In welke gevallen het gebruik van dat recht dienstig is, valt moeielijk door algemeene regels te bepalen, maar hangt hoofdzakelijk af van het persoonlijk oordeel en rechtsgevoel van dengene, die gratie schenken kan. Steeds houde hij voor oogen, dat zijne roeping is de maatschappelijke orde te verdedigen, en waar zij verbroken is te herstellen. Gaat dat niet samen met het verkenen van gratie, dan is hij verplicht den schuldige te laten sterven, hoe ook zijn menschelijk gevoel er zich tegen verzette. Die grens mag hij nooit of nimmer overschrijden, wanneer hij eene straf wil verzachten.
Kan het gratie-recht bij het volk berusten ? De vraag aldus gesteld moet ontkennend beantwoord worden, omdatquot; het gratie-recht een uitsluitend prerogatief is van het hoogste gezag en dus in geen geval van het volk, of men moest het goddelooze beginsel van volkssouvereiniteit aanhangen. Hoe Jan Holland het bedoelde, toen hij in het Overveluwsch Weekblad de wenschelijkheid uitsprak van een beroep op het volk, eene provocatio ad \'populum, gelijk bij de Romeinen bestond, is ons niet geheel duidelijk. Het heeft er wel ietwat den schijn van, dat hij het volk dat recht wil toekennen. Maar, gelijk wij zeiden, dan wil hij het onmogelijke. Iets anders zou zijn, als de overheid het volk raadpleegde, zijn gevoelen en verlangen vernam, en zich daardoor liet voorlichten. Wanneer na het strijken van het vonnis, gelijk Jan Holland voorstelt, de gemeente, waarin de misdaad werd gepleegd, niet door algemeene stemmen, maar door eene keur der burgerij, haar gevoelen te kennen gaf over de wenschelijkheid en rechtvaardigheid van gratie, dan zou het hooge gezag met veel minder bezorgdheid eene beslissing nemen. Het natuurlijk rechtsgevoel van een volk, dat min of meer getuige was van de misdaad, zou zeker een betere vraagbaak zijn voor het hoofd van den staat dan een minister, die door de tegenwoordige dwaalbegrippen tegen de doodstraf gekant, zonder verder
32
naar iets om te zien altijd en altijd adviseert voor gratie. Maar aan het hooge gezag blijft de eindbeslissing; aan het volk kan slechts eene raadgevende, nooit eene beslissende stem geschonken worden. Meer volgt ook niet uit de rede-neering van Jan Holland, al schijnen zijne woorden meer te zeggen. „Indien het, zoo schrijft hij, het volksbewustzijn met zijn ingeschapen gevoel van recht en billijke vergelding is , dat de doodstraf blijft eischen in weerwil van de hoogdravende, maar zooals wij aantoonden, slecht volgehouden theorieën der humaniteit en beschaving, dan zouden wij van meeniug zijn, dat insgelijks aan datzelfde volk de eindbeslissing over leven en dood van zijn misdadigen medeburger behoorde gelaten te worden,quot; Het volk, door zijn ingeschapen rechtsgevoel geleid , oordeelt dezen of genen misdadiger de doodstraf waardig, maar het spreekt het vonnis niet uit, zijn oordeel is niet gezaghebbend. Op gelijke wijze kan het gevoelen van het volk worden ingewonnen omtrent het genade geven aan den misdadiger, maar genade schenTcen kan het volk nooit.
Uit het gezegde blijkt ten slotte nog dit, dat het recht van gratie slechts dan het heerlijkst prerogatief van het hoofd des staats kan genoemd worden, wanneer men de goddelijkheid van het gezag en van het daarmee verbonden recht van straffen vooropstelt en de essentie der straf doet bestaan in het herstellen van de gestoorde orde. In alle andere opvattingen van straf als middel tot afschrikking , tot verbetering, tot beveiliging of wat ook, kan niet die hooge beteekenis, welke iedereen aan het gratie-recht toekent, verklaard worden; dan blijft het onbegrijpelijk , waarom alle volken dat recht hebben aangezien als behoorend tot de majesteit van het gezag; dan zal het veelal niets dan willekeur zijn. Hier ontvangt dus onze opvatting van de straf middellijk eene bevestiging.
1 - -r-r
aa
VL
In onze beschouwingen over «Ie doodstraf hebben wij ons alleen door de beginselen der christelyke wijsbegeerte laten geleiden. Nergens betraden wij het gebied van eenig kerkgenootschap; maar wij beschouwden slechts de natuur der zaken, gelijk het gezond verstand, welks blik niet door vooroordeelen en dwaalbegrippen beneveld is, ze inziet. En daaruit leidden wij de rechtvaardigheid en noodzakelijkheid der doodstraf voor sommige misdaden af. Vestigen wij nu ook een nauwlettender blik op onze tegenstanders. Want gelijk wij om de doodstraf wijsgeerig te verdedigen hooger op moeten klimmen, zoo ook steunt de bestryding er van op veel dieperen grond dan op de argumenten, die het menschelijk gevoel opwerpt. De veroordeeling der doodstraf als een daad van geweld hangt innig samen met de beginselen , die den modernen staat beheerschen. Wie deze aankleeft moet om consequent te zijn de doodstraf bestrijden. Welke zijn die beginselen?
In het jaar \'70 wist de heer Moens den leden der Tweede Kamer te berichten, dat de doodstraf in de eerste christentijden absoluut verworpen werd, o. a. door de HH. Cyprianus en Lactantius. Eerst later zou de kerk ten believe van den staat, met welken zij in verbond getreden was, allerlei bewijsgronden in den bijbel hebbeu opgedolven, die de doodstraf verdedigden, en bij de opheffing van dat bondgenootschap bleef men die eenmaal ingevoerde denkbeelden zonder verder nadenken vasthouden; totdat in 1764 Beccaria, de eerste tegenstander van naam, door zijn christelyk geweten geleid tot bezinning kwam, en de oud-christelijke denkbeelden van verwerping der doodstraf deed herleven. Waar de heer Moens al die wijsheid, die eruditie, die diepe inzage heeft opgedaan is ons geheel onverschillig; maar hij heeft het mis. De tegenzin tegen de doodstraf heeft niets met een christe-
HL-
34
lijk geweten gemeen, is zoo onchristeliik mogelijk. De laatste gronden, waarop de doodstraf consequent bestreden kan worden, zijn de beginselen, die de vorige eeuw de groote revolutie voortbrachten; die thans tot uitgangspunt dienen voor alle onchristelijke staatslieden; het zijn de meest goddelooze beginselen omtrent de hoogste levensvragen, het zijn de thans loopende dwalingen omtrent plicht en recht, God en zedelijkheid. Wij bewijzen dit.
Elke straf vooronderstelt twee zaken: vooreerst waar gezag in dengene, die straft. Want straf is geen daad van geweld. Een mensch kan een ander van zijne vrijheid be-rooven, hem dwingen tot het uitkeeren van eene zekere som gelds, hem allerlei leed aandoen en zelfs dooden; mits hij tegenover dat slachtoffer maar sterk genoeg zij. Doch dat is geweld, geen straf. Straf wordt het eerst, wanneer de overheid datzelfde doet tegenover onderdanen, die het verdienen. Waarom? Niet omdat hij steunt op stoffelijke kracht. Want ofschoon hij deze noodig heeft om in geval van weerspannigheid de onderdanen tot hun plicht te brengen, verheft zij toch niet het leed, den misdadiger aangedaan, tot rechtvaardige straf. Dat doet alleen het gezag des oversten: straffen is eene handeling van het gezag als zoodanig. Ten andere vooronderstelt elke straf ware schuld in dengene, die gestraft wordt. Maar wat is schuld anders dan het vrijwillig verzaken aan een plicht. Zonder vrijen wil geen schuld. Zelfs zij, die de vrijheid van den wil ontkennen, maken in den grond der zaak onderscheid tusschen vrijwillige en onvrijwillige handelingen, als zij vorderen, dat een misdaad den dader toerekenbaar zij om strafbaar te wezen. Daarom komt het bij niemand op een doodslag te straffen door een krankzinnige of ten gevolge van een ongelukkig toeval gepleegd. Daar is immers geen vrije wil. Maar ook geen schuld zonder plicht. Niemand laadt schuld op zich door eene handeling te verzuimen, waartoe hij niet verplicht was.
Deze beide zaken, die voor de minste straf voorondersteld worden, schuld in den misdadiger en gezag in den straffer,
35
zijn ondenkbaar zonder het bestaan aan te remen van een persoonlijken God, die de gansche wereldorde regelt en bestuurt. Zonder God bestaat er geen mensch, die het recht beeft anderen verplichtingen op te leggen; omdat dit een goddelijk recht is. Maar verplichting kunnen opleggen is een deel van het gezag. Zonder God kan ook op niemand verplichting rusten; wie zou hem die opleggen ? Maar schuld komt eerst tengevolge van eene verplichting. Dus zonder God geen gezag, geen schuld, en wat dan van zelf volgt geen rechtvaardige straf. Met die hoogere beginselen staan of vallen de beste rechten van den staat. Wij, wij nemen aan het bestaan van een persoonlijken God, die de wereld geschapen heeft en bestuurt, die de hoogere zedelijke orde heeft vastgesteld. Wij nemen aan , dat God het\' is, die de maatschappij wil, haar vereenigt en bezielt door een gezag, waaraan Hij goddelijke rechten meedeelt. Zoo is het voor ons consequent in de overheid het recht van gebieden en straffen te erkennen, en in den onderdaan den plicht van gehoorzamen. Voor ons wordt die verhouding tusschen overste en onderdaan niet geschapen door stoffelijke macht, maar door eene goddelijke beschikking; zoodat een machtige onderdaan, al voelt hij zich tegen zijn gebieder opgewassen, toch de verplichting heeft van te gehoorzamen. Aldus uit de heiligste beginselen leiden wij het bestaan af van schuld in den misdadiger en van gezag in den overste; daarop steunen wij bij de verdediging dei-doodstraf ; daarmee is de rechtvaardigheid en noodzakelijkheid dezer straf verbonden. Maar ongelukkig de staat, die God verbant! Een staat zonder God heeft geen rechten; heeft niet den innerlijken band van gezag; heeft geen onderdanen, die tot gehoorzaamheid verplicht zijn. Door stoffelijke macht alleen houdt hij zich staande. Daar is dus geen plaats voor eigenlijke straf. En in het bijzonder de doodstraf, wat is zij daar anders dan een daad van ruw geweld. Wij zien het, die alles beheerschende beginselen voeren met consequentie tot de doodstraf, gelijk hij , die
36
deze beginselen verzaakt, consequent tegen die straf moet gekant zijn. Onmogelijk het een te huldigen en het andere af te wijzen, tenzij door inconsequentie.
Maar zijn er waarlijk lieden, die, terwijl zij de eerste waarheden loochenen, niet terugschrikken voor hetgeen uit die loochening volgt? Daar zijn er zoo: hoe kon het anders ? Om het gewicht der zaak zullen wij in het kort nagaan, hoe men tegenwoordig over de twee noodzakelijke vereischten voor straf, schuld en gezag, oordeelt.
In de materialistische opvatting, waartoe het ongeloof meer en meer vervalt, is geen plaats voor wilsvrijheid, \'s Menschen handelingen worden geregeld door physische wetten, door dezelfde, die de natuurkundige opspoort, die alle levenlooze lichamen beheerschen. Eene wilsuiting is een natuurkundig verschijnsel evenals de electrische vonk er een is. De moordenaar, die zijn vijand velt, is evenmin schuldig als de bliksem, die iemand doodslaat; de dief, die uw geld steelt, evenmin als de magneet, die een stuk ijzer aantrekt. Voeg daarbij, dat men door God weg te cijferen het denkbeeld van plicht verloren heeft; wat is er dan natuurlijker dan dat het onderscheid tusschen zedelijk goed en kwaad is weggevallen ? Die namen houdt men bij als historische oudheden; maar zin hebben zij niet. De mensch handelt gelijk zijne natuur, neigingen en hartstochten hem ingeven: het is altijd even goed. Voor anderen kan het lastig en bitter zijn; maar wijt het den misdadiger niet: hij is eenmaal zoo, en het is niet zijne schuld, dat eene minder begaafde natuur of een samenloop van omstandigheden hem zoo gemaakt hebben,. Hij zal door zijne medeburgers gevreesd en verafschuwd worden; een ieder zal zich tegen hem wapenen. Dat is ongelukkig; de man is te beklagen ; ieder weldenkend mensch moet medelijden voor hem koesteren. Men trachte hem te veranderen of, zoo gij wilt, te verbeteren; maar men be-schouwe hem altijd als een door de natuur en het lot ver-
37
ongelijkte. Begrijpt gij hieruit dat ziekelijk medelijden met de misdadigers ?
Een voorbeeld uit den jongsten tijd. Iedereen herinnert zich het vreeselijk drama, waarvan Maastricht den 9 April het tooneel was. Hierover kon men algemeene verontwaardiging verwachten; maar, wat ongelooflijk schijnt, een zeker slag van lieden durven dat gruwelstuk verdedigen, ja, waarom niet toejuichen? Timmermans, gelijk men weet, was, met dolk en revolver gewapend, in de hanteering waarvan hij zich vooraf geoefend had, van Heerlen naar Maastricht overgekomen, alleen door wraakzucht geleid, met het doel om den heer Van Oppen te vermoorden; en in tegenwoordigheid van het gansche huisgezin bedreef hij een driedubbelen moord. Jaren te voren reeds had hij in hevige brochuren den advocaat gewaarschuwd voor de gevolgen zijner wraak. En na het schrikkelijk feit bij de lijken zijner slachtoffers gebracht zag hij geen reden om de gevoelens van voldoening te verbergen. Voor wat wordt die Timmermans nu aangezien? Voor een booswicht? Waar denkt gij aan! Hij is er zeer ver van af. Wat is hij dan ? Een ongelukkige, het slachtoffer van een samenloop van omstandigheden. Als wij nog onnoozel genoeg zijn te meenen, dat iemand, die zich zoo ver door zijn wraakzucht laat vervoeren, een booswicht moet heeten, dan vernemen wij, dat wraak geen booze hartstocht is. Dat is iets natuurlijks, dus niets kwaads. Die man was eenmaal zoo. Moest hij zijne wraak dan onvoldaan laten? Dat ging niet. Het mag treurig zijn voor de familie; maar nog meer medelijden wekt de moordenaar op. In den driedubbelen moord steekt dan ook volstrekt geen schuld. Integendeel men moet nog eerbied hebben voor het geduld en de toegevendheid van den moordenaar, die jaren lang wachtte, beleefd waarschuwde, alles beproefde om het onheil, dat hij voorzag, te voorkomen. Die moord was de allerverklaarbaarste zaak ter wereld, een middel om zich recht te verschaffen. Wel was \'t het uiterste middel, maar Timmermans had niets onbeproefd gelaten eer het zoover kwam.
38
Zoo wordt het misdadige in den moord op den advocaat geheel weggeredeneerd, omdat het een gevolg was van wat wij met onze verouderde ideeën over zedelijkheid dwaselijk boozen hartstocht noemen. De moord op de beide kinderen komt niet in aanmerking. Want deze was een toevallig aanhangsel van den moord op den vader, en beteekent dus niets. Wat straf moet zoo iemand ondergaan ? De zwaarste straf is onrechtvaardig; want de bedreiging daarvan baat niet (!). Baat dan de bedreiging eener zachtere straf? Natuurlijk neen. Zou deze dan rechtvaardig zijn?.....
Maar het is oneerlijk en laag, roept men ons toe, iemand zulke denkbeelden toe te dichten. Welnu dan zullen wij letterlijk de niet te qualificeeren woorden aanhalen van het Vaderland. „ Voor zoover deze zaak lekend is, moet men tot de overtuiging komen, dat T. zich het dachtoffer waande van het schromelijkste onrecht, dat hem sinds jaren achtervolgde. Eerst in het alleruiterste, toen hij de wanhoop nabij was, heeft hij naar het uiterste redmiddel gegrepen. Jarenlang heeft hij getracht voor den rechter recht te verkrijgen, en telkens in het ongelijk gesteld, niettemin vasthoudende aan zijne meening, dat het recht aan zijn zijde was, meende hij zich-zelven recht te mogen verschaffen. (Wat een goede trouw !) Het is duidelijk, dat tegenover zulk een opvatting de strengste strafbedreiging volkomen machteloos is. Duidelijk ook, dat geen rechter zulk een misdadiger ter dood kan veroordeelen. Hoezeer hij te ver-oordeelen is (Wij bespeuren hier niet veel van eene veroordeeling; het zou ook inconsequent zijn), wij hebben hier geen gewonen misdadiger, die door hooze hartstochten geleid, een gevaar is voor de geheele maatschappij, maar een slachtoffer van een noodlottigen samenloop van omstandigheden, alleen gevaarlijk voor hen, door wie hij meent verongelijkt te zijn, en, natuurlijk, ook voor hen, die hem in den weg staan om zijn vijand te her eiken. Geen verstokte looswicht dus, voor wien niets heilig is, en van vjien het zoo goed als onmogelijk is, dat hij tot inkeer komt?\'
Hoe klinkt zulk een taal ? Zoo kan men elke misdaad
39
vergoelijken. Zoo bestaat er nooit schuld. Een dief heeft onverzadelijken dorst naar uw geld. Gij zijt rijk , hij heeft niets. Gij verzet u tegen hem; hij bedreigt u; gij blijft u verzetten. Wat rest hem anders dan u te dooden ? Het is treurig voor uw nabestaandan; maar val daarover dien on-gelukkigen dief niet hard. Zijn natuurlijke aanleg en een samenloop van omstandigheden hebben hem zoo gemaakt. Hg werd voortgedreven niet door booze hartstochten, maar door een onverzadelijken dorst naar eens anders goed. Heb nu eens de onvergeeflijke stoutheid tegen zulke denkbeelden protest aan te teekenen, dan behoort gij tot de onontwikkelde massa, dan stijft gij volksvooroordeelen, dan geeft gij toe aan onberedeneerde gevoelsopwelling, dan laat, gij u benevelen door onbetrouwbaren hartstocht, dan stelt gij u gelijk met de eerste de beste philosofen van de straat. Aldus het beschaafde Vaderland. Een misdadiger veroordeelen, hoe achterlijk! Ons komt het voor als een allertreurigst teeken van de bedorvenheid der moderne maatschappij, wanneer misdaad niet meer als misdaad geldt en zelfs het denkbeeld er van verloren is. Wij vinden geen reden tot juichen, als de heer Moens verklaart, „dat het getal van voorstanders der afschaffing steeds toeneemt en dat der tegenstanders steeds inkrimpt, naarmate men meer den fegenwoordigen tijd nadert.quot; Wonder verschijnsel! Wees braaf, wees katholiek, wees priester of religieus of stel u voor hen in de bres; en de liberale pers zal u vervolgen en verguizen; het leven zal zij u kwalijk gunnen; geen wapen zoo onedel of zij zal het tegen u misbruiken. Maar wees een schurk, bedrijf misdaden, die eene gansche natie doen ijzen; en dezelfde liberalen hebben hart voor u; zij verdedigen en verontschuldigen u; ja hoe dikwijls wordt de misdaad niet toegejuicht! Frankrijk levert er voorbeelden genoeg van. Zoo ver is het gekomen. Maar bij het hooren van zulke enormiteiten moet ieder geloovlge, of liever ieder weldenkende des te vuriger verlangen naar de wederinvoering eener straf, die alleen door goddelooze beginselen veroordeeld is.
40
Wat blijft er thans van het gezag? Het recht om iemand ter dood te veroordeelen wordt er uitdrukkelijk aan geweigerd door de moderne beginselen. De overheid immers heeft geen goddelijk recht over het leven des moordenaars; want daar is geen God. Maar ook geen menschelijk recht. Het gausche recht toch van den staat is volgens het beginsel der volkssouvereiniteit de som der individueele rechten. Dewijl nu het recht van den eenling op het leven van een ander gelijk is aan nul, zal ook de som der rechten van millioenen eenlingen gelijk aan nul zijn. Deze redeneering gold met evenveel woorden in het jaar\'70 als een argument. Hieruit blijkt, dat de afschaffing der doodstraf gevorderd wordt door het revolutionnaire beginsel van volkssou vereiniteit. En wat beteekent nog gezag in een staat, die geen God erkent ? Daar heeft de overheid niet het recht van gebieden en straffen; want dat kan hij alleen van God ontvangen. Dewijl straffen niet meer eene handeling is van het gezag als zoodanig, dat optreedt om in naam van God de orde te wreken, kan het niet anders zijn dan eene uiting van overmacht. De straffende overheid en de gestrafte misdadiger verhouden zich tegenover elkander als twee persoonlijkheden, gelijk in rechten, maar ongelijk in kracht. Een eigenlijk recht om door de doodstraf dezen onschadelijk te maken, genen van misdaad af t3 schrikken kan de staat niet verkrijgen. De eenige grond, waarom hij een booswicht het leven kan ontnemen, is zelfverdediging. Bedreigt een oorlog of eene revolutie zijn bestaan, dan kan hij zijne aanvallers met geweld afslaan en zichzelf door hun ondergang redden, op dezelfde wijze als het iederen burger geoorloofd is zich te verdedigen tegen iemand, die het op zijn leven aanlegt. Maar aldus iemand dooden is geen daad van gezag, dat is afweren van geweld. Het is ook alleen op het oogenblik van aanval geoorloofd: verder strekt zich de zelfverdediging niet uit , evenmin bij den staat als bij een gewoon burger. Opstandelingen gevangen nemen en later vonnissen en terechtstellen is een moord. Van
41
dooctóra/ is dus geen spraak meer. Zoo redeneerden in \'70 verschillende liberalen.
Moeten wij nog wijzen .op den noodzakelijken samenhang van de afschaffing der doodstraf met theorieën, die op de vernietiging van het gezag uitloopen ? Wat staat het gezag hoog in de christelijke wijsbegeerte! Bij ons wordt het niet voortgebracht en in het leven gehouden door stoffelijke kracht, voor ons zijn zijne rechten niet wezenlijk gelijk aan die van dea onderdaan. Bij ons is het met goddelijke rechten toegerust. Wij kunnen in volle waarheid spreken van de majesteit van het gezag. Wij gehoorzamen, niet omdat eene rnenschelijke overmacht ons dwingt, maar omdat wij in alle rechtvaardige wetten de stem Gods erkennen. Voor ons is de overheid iets anders dan die machtige, hooggeplaatste mensch; voor ons is hij de plaatsvervanger, de gedelegeerde van God, die van God het recht ontleent om verplichtingen op te leggen, zoowel tot onderhouding als tot wreking der maatschappelijke orde. Wie de rechtvaardigheid en noodzakelijkheid der doodstraf in haar ware licht wil plaatsen, moet aldus het gezag beschouwen. Maar wie de doodstraf bestrijdt en dan consequent is, moet het goddelijk karakter aan het gezag ontzeggen, of liever bet ganscbe gezag doen vervallen, In dien zin is het woord van den heer Heemskerk volkomen waar; „De goede orde, de soevereiniteit, het beginsel van gezag gaat verloren als de doodstraf wordt afgeschaft.quot; Straf moet er zijn; want de zedelijke orde doet zich gelden, al tracht men haar voorbij te zien. Maar straft de overheid niet meer krachten s een met haar gezag verbonden goddelijk recht, zoo heeft zij geen anderen steun dan stoffelijke kracht. Macht is dan recht. En hiermee is het beginsel uitgesproken, dat elke revolutie wettigt. Daar is eenvoudig strijd van de eene macht tegen de andere, en wie het sterkste is en overwint, heeft recht. Wordt die strijd gestreden tusschen het staatsgezag en een individu, dan zal dit onderliggen; want het is in macht niet tegen den staat opgewassen. Maar de
42
massa kan sterker zijn, en wanneer zij tegen het gezag opstaat en revolutie maakt en overwint, dan heeft zij op haar beurt volkomen recht. Zoo begrijpen wij, wat een waarheid de heer Heijdenrijck uitsprak, toen hy voor het behoud der doodstraf pleitte, al werd zijn woord minder gesmaakt: „Neen, neen, M. H., geene begoocheling; door de aanneming van dit ontwerp laat gij u, tegen uw wil, zacht-kens en zoetjens, onder allerlei gevlei en onder de heiligste leuzen, in het gareel der Europeesche sociale omwenteling dwingen: gij geeft haar uwe sanctie; het effect uwer stemming op het volk — en daarom reeds , van al het andere afgezien, is de voordracht zoo verwerpelijk — dat effect zal ontzettend wezen! Ik zeg niet, dat zelfs de leiders hier te lande het zoo willen en begrijpen, maar dat verandert niets aan de waarheid.\'\'
Opmerkelijk dan ook, dat de afschaffing der doodstraf zoo dikwijls gevolgd is door revolutie en dat de grootste revolutionnairen de vurigste voorstanders dier afschaffing waren. Maar niet ongestraft zet men het natuurrecht op zij. „Op een der eerste journées der revolutie, aldus verhaalt de heer Heemskerk, op 5 October 1789, sprak Lodewijk XVI, de oprechte tegenstander van de doodstraf: „Ik wil niet dat er voor mijne zaak bloed vergoten worde,quot; Op dat oogen-blik had hij moeten abdiceeren; hij mocht geen koning van Frankrijk meer zijn , hij mocht de verantwoordelijkheid niet langer hebben van het geluk van 26 millioen zielen. Hij abdiceerde niet en meende te kunnen regeeren, nadat hij de zwakheid had gehad, die woorden uit te spreken. Wat is het gevolg geweest? Dat er voor de droppelen bloeds die toen gespaard zijn, later stroomen en meren van bloed hebben gevloeid.quot; Dat komt niet zoozeer, omdat de doodstraf een eenig afschrikkingsmiddel is , maar omdat de feiten altijd logisch zijn. Elk principe heeft zijne consequentiën. Eoep een principe in het leven tegen de maatschappelijke orde en de consequentiën zullen haar omverwerpen. Daar is niets tegen bestand. Zoo voert door de logica der feiten
43
de afschaffing der doodstraf ons tot wat de beer Heijdenrijck noemde het „philanthrcpisch cannibalisme.quot;
De heer Van Lilaar, onder wiens bestuur de doodstraf is afgeschaft, mocht bij wijze van complimeut vernemen , dat hij zich un nom désormais Europeen verworven had; wij feliciteeren er den katholieken oud-minister niet mee. Maar wij hopen, dat een ander minister zich eene eervoller reputatie zal vestigen door met de wederinvoering dier straf aan het algemeen rechtsgevoel voldoening te schenken ; doch wij verwachten zulks niet in eene nabijzijnde toekomst. Wie weet hoeveel onschuldig bloed er eerst nog zal stroomen, hoe vele slachtoffers eerst nog onder het moordend staal zullen vallen!
P. B. Bruin.
lOGIAUS DOÖDSTRilf.
i.
„Op hen, zeide de heer Heijdenrijck in de Tweede Kamer bij de behandeling van de afschaffing der doodstraf in het jaar \'70, op hen, die ons komen voorstellen de geheele afschaffing eener straf, welke ten allen tijde en bij alle volken heeft gegolden, eene afschaffing die steeds gevolgd is door bewegingen als die der revolutiën van 1793, 1848 en andere jaren en welke afschaffing in alle landen (ik sluit Nederland nu eens buiten) door de meest revolutionnaire personen wordt bevorderd en toegejuicht; op hen welke ons dat voorstellen rust de verplichting om het duidelijk zonneklaar bewijs te leveren, dat hetgeen men voor de doodstraf in de plaats wil stellen absoluut beter is, meer tot de absolute gerechtigheid nadert, meer afschrikkend werkt, meer bekeering veroorzaakt.quot; Met deze aanhaling beginnen wij ons tweede artikel over de doodstraf; omdat zij voor eene samenvatting kan doorgaan van onze vorige studie over dit onderwerp. 1) Lang en breed betoogden wij, steunend op de beginselen van het natuurrecht, de rechtvaardigheid en noodzakelijkheid dier straf. Doch wij vestigden bij onze beschouwing het
1) Zie dit deel der Studiën, bladz. 52.
46
oog bijna uitsluitend op het eerste en essentiëele doel van elke straf: herstel van de gestoorde maatschappelijke orde. Behalve dat echter heeft de straf twee andere doeleinden , door den heer Heijdeurijck in de aangehaalde woorden op de laatste plaats genoemd: afschrikking en verbetering. Wel is waar zija het ondergeschikte doeleinden, die bij de uitspraak des rechters eerst op de tweede plaats in aanmerking komen, maar waarop toch, ook al worden zij niet altijd bereikt, de straf in den regel gericht moet worden. Onder de gewichtige vragen , die wij aangaande de doodstraf nog te beantwoorden hebben, komen deze dus vooraan.
Al wordt de straf eerst en vooral uitgesproken en toegepast met het doel om de gestoorde orde te herstellen, het is even zeker, dat de sivaSledreiying vóór alles dient ter afschrikking. En dewijl het toepassen eener straf in zich eene nieuwe bedreiging is voor de toekomst, daarom heeft ook de straf in zich eene strekking tot afschrikking. Veelal stelt men dit doel te gewichtig voor, alsof juist dit, zooal niet uitsluitend, althans vóór al het andere moet bereikt worden. Hoofdzakelijk schrijven wij dat daaraan toe, dat de bedreiging ontegenzeggelijk eenig en alleen gedaan wordt, opdat de onderdanen van wetsovertredingen worden afgeschrikt. Wie de orde door deze of gene misdaad verstoort, zal haar op deze of gene wijze herstellen; ziedaar de bedreiging, die de misdaad tracht te voorkomen. Heeft de misdaad desondanks plaats, dan zal de schuldige voldoening geven door zijne straf overeenkomstig het vroeger bepaalde; maar daarin ligt wederom eene nieuwe bedreiging of eene bekrachtiging der eerste ter voorkoming van andere misdreven. Afschrikking is het doel van de siraXhedreiging, maar niet het eerste doel van de straf zelve. Dit onderscheid verliest men dikwijls uit het oog. Toepassend op de straf wat van de bedreiging geldt, denkt men in het straffen slechts aan afschrikken , en bepaalt uitsluitend daarnaar zijn oordeel over de doodstraf. Dit is de eenige titel, waarop velen meenen het recht over leven en dood aan den staat te kunnen toekennen.
4?
„Naar onze meening , zegt de heer De Bruyn Kops in de Economist \'65, kan én uit theologisch én uit philosophisch-menschkundig oogpunt het ragt om de doodstraf te bezigen niet aan den staat worden ontzegd, indien en voor zooverre het blijkt dat die straf ter beveiliging van het leven dei-ingezetenen noodig is,quot;\' Andere doeleinden worden uitdrukkelijk uitgesloten, „Over het algemeen komt het ons voor, dat men bij de beoordeeling dezer straf nog te veel aan het oude denkbeeld van regtvaardige wraak, kastijding, vergelding, verzoening, blijft hechten, vergetende, dat het eenvoudig utiliteits-beginsel do ware reden is voor deze straf.quot; Die utiliteit is de veiligheid der burgers en deze is een vrucht van de bedreiging; maar hiervan is de straf zelve slechts een aanvullend deel. „De doodstraf wordt toegepast, omdat zij bedreigd is op die en die feiten. Zij wordt op die feiten bedreigd, om andere personen voortaan zooveel mogelijk daarvan af te houden.quot; En elders: „Men ont-houde wel: bedreiging is de beveiligende handeling; uitvoering is slechts noodzakelijk gevolg van hetgeen men bedreigd heeft, zij moet dienen om die bedreiging weer voor de toekomst kracht te doen behouden, doch is, wel beschouwd, telkens een bewijs dat de theorie der bedreiging in hetonder-werpelijk geval onmagtig is geweest haar doel te bereiken,quot; Doch wij hebben aangetoond, dat de strafuitoefening essentieel wraak en vergelding is, dus niet louter een noodzakelijk gevolg van de bedreiging, die ter voorkoming van overtredingen bij de wet gevoegd wordt; ofschoon zij er wel eene vernieuwing en bekrachtiging van is, en daarom als ondergeschikt doel ook de afschrikking heeft. Het is dus niet te verwonderen, dat zoowel voor - als tegenstanders aan dit karakter der doodstraf een bijzonder gewicht hechten.
De staat moet aan zijne ingezetenen bescherming verleenen; hij moet hunne goederen, en vooral het kostbaarste, wat zij bezitten, hun leven verdedigen; hij moet waken voor de veiligheid der burgers. Daarom moet de maatschappij afschrik-
48
ken niet alleen van misdaden, die haar eigen bestaan in gevaar brengen, maar ook van die, welke voor hare afzonderlijke leden gevaarlijk zijn. Die afschrikking moet in verhouding staan tot het misdrijf, dat zij voorkomen wil; zoodat, als er menschenlevens mee gemoeid zijn, waaraan zij de meest mogelijke veiligheid moet waarborgen, zij die straf moet bedreigen, die het meest afschrikkend vermogen heeft. Wij herhalen, dat wij bij de verdediging der doodstraf dit argument niet op den voorgrond plaatsen. Ook in de vooronderstelling, dat die straf zoo afschrikkend niet was, of dat zij zonder nadeel door eene andere kon vervangen worden, stond toch om de redenen, in ons vorig artikel uiteengezet, hare rechtvaardigheid en noodzakelijkheid onaangeroerd. Maar wij ontvangen een nieuwen steun uit het beginsel, dat van de zwaarste misdrijven door de zwaarste strafbedreiging moet worden afgeschrikt. Het is onze innige overtuiging, dat zonder doodstraf het leven der burgers niet genoegzaam is beveiligd. „Gij wilt de doodstraf afschaffen, zegt gij ? Reeds bestaat zij niet dan bij uitzondering voor enkele sluipmoordenaars en oudermoorders. Maar zij bestaat en zal blijven bestaan voor degenen, die een horlogeketting laten zien — voor hen, die men er op aanziet, dat zij heimelijk oude louïs d\'ors bij zich dragen , — voor het arme meisje, dat weigert te trouwen met een ellendeling, wiens lusten zij heeft opgewekt, — voor hen , die, misschien zonder het te willen, zich moeten beschouwen als een hinderpaal voor de begeerlijkheid, de ij delheid, de ijverzucht van zekere onverzoenlijke en woeste wezens, aangemoedigd als dezen zijn door de kans op straffeloosheid, den moordenaars geschonken door het drijven van eene menigte gezworenen. De doodstraf zal niet meer bestaan voor de misdadigers, maar zal uitsluitend den onschuldigen worden voorbehouden.quot; (Alphonse Karr. Sur la peine de mort.) Wanneer men nu maar niet zoo ijselijk prozaïsch is om dit woord in zijn letterlijken, eigenlijken zin te verstaan, dat men slechts een gouden horlogeketting zou behoeven te dragen om een kind des doods
49
te zij n, dan vindt men er eene schrikbare waarheid in uitgedrukt.
Men gelooft nauwelijks zijne oogen, als men in de verslagen der Tweede Kamer de bewering leest, dat „mannen van wetenschap en mannen van de praktijk het over dit punt eens zijn, dat de doodstraf niet afschrikt.quot; Als iets niet den minsten twijfel duldt, zal het toch wel het afschrikkend karakter der doodstraf wezen. Van den gewonen regel spreken wij; want afwijkingen biedt de natuur overal aan: er bestaan lieden, die reikhalzend naar hun levenseinde uitzien. Maar dat de menschen in den regel de doodstraf niet zouden vreezen, geloofde de afgevaardigde zelf niet, die het zoo apodictisch verkondigde. Het leven is het dierbaarste , wat de mensch bezit, het hoogste goed in de zichtbare orde; dus het verlies daarvan is het grootste kwaad, de zwaarste ramp, die hem treffen kan. Dewijl nu de mensch rampen meer vreest naarmate zij grooter zijn, ducht hij niets zoozeer als den dood. Voor het behoud zijns levens heeft hij alles over. Wat staat hij daarvoor niet uit! Waartoe veroordeelt hij zich niet om een zekeren dood te verruilen tegen een weinig kans op leven! Elke dood is verschrikkelijk, maar nog meer een gewelddadige, nog meer, wanneer een misdadiger openlijk met alle plechtigheden, die eene terechtstelling behooren te vergezellen, door zijne medeburgers als het uitvaagsel des volks veracht, het schavot moet bestijgen. Voorkoming van alle misdaden is nooit te verwachten: zoo afschrikkend is geen straf denkbaar. Maar dat de doodstraf een krachtig afschrikkend vermogen bezit en verscheidene lieden feitelijk van sommige misdaden weerhoudt, staat boven allen redelijken twijfel. Over alles kan de misdadiger gemakkelijker heen dan over de doodstraf. Liever alle andere straffen dan die uiterste, die het hem onmogelijk maakt ooit eenig goed welk ook te genieten. Misschien moeten wij eene gevangenisstraf uitzonderen, die zoo barbaarsch is ingericht, dat zij eene doodmarteling evenaart. Maar daarvoor is in onzen humanen tijd van medelijden met de booswichten , en in onze welingerichte gevangenissen waarlijk
50
geen gevaar. Ook nemen wij gaarne met den heer Luijben aan, „dat in den regel de doodstraf harder zal vallen aan een slecht mensch en daarentegen eene levenslange of langdurige gevangenisstraf in gemeenzame opsluiting aan een mensch van betere zeden;quot; omdat voor brave menschen eene langdurige gevangenisstraf ook zonder bijkomende kwellingen eene marteling zal zijn. Maar dezulken plegen ook geen misdaden, waarop met recht de doodstraf bedreigd wordt.
Men werpt tegen, dat sommige beschuldigden poging doen tot zelfmoord; waaruit schijnt te volgen, dat de dood, dus ook de doodstraf (wat niet hetzelfde is; maar daar zullen wij overheenstappen) voor boosdoeners zoo vreeselijk niet is; en waaruit zeer zeker moet blijken, dat zulke lieden de voorkeur geven aan den dood boven het gevangenisleven. Wat zeggen zulke alleen staande voorbeelden? Daar zijn wel ongelukkigen, die nog minder aanleiding noodig hebben om zichzelve van het leven te berooven, dan een crimineel proces met de daarmee verbondene ellenden en angsten gevolgd door eene gevangenisstraf. Daartegenover staan tal-looze voorbeelden van lieden, die voor de oogen der politie misdoen om in de gevangenis onder dak te komen, en door eene eerste proefneming niet teleurgesteld zich herhaaldelijk dezelfde gastvrijheid trachten te verzekeren. Voor eenige maanden deed zich in Amsterdam het geval voor van iemand^ die zich beschuldigde een jaar te voren een moord gepleegd te hebben; maar het was eenvoudig een verzinsel, dat hem door het verlangen naar een rustig leven in de gevangenis werd ingegeven. Zou hij zichzelven valsch beschuldigd hebben, als op moord de doodstraf stond ? Wat bewoog de Leidsche giftmengster tegen hare veroordeeling van levenslange gevangenisstraf in beroep te komen? Hoop op vermindering van straf ? O neen , de arme ziel was zeer tevreden met de uitspraak; zij heeft trouwens ook geen reden van klagen. Maar in Den Haag had zij alles naar zin, en mogelijk zou zij het in de vrouwengevangenis van Den Bosch
51
zoo goed niet hebben: zij teekende dus cassatie aan om haar verblijf in de hofstad te rekken. De beruchte giftmenger Pel stond geheel verslagen bij de aankondiging, dat het vonnis van de rechtbank, die hem ter dood veroordeeld had , gecasseerd was. Vreesde hij dan niet de doodstraf? Ja wel; maar hij had zich overtuigd, dat zij in levenslangen dwangarbeid zou veranderd worden, en dat was zoo erg niet; zoo zyne zaak echter voor eene andere rechtbank kwam, dacht hij wederom ter dood veroordeeld te zullen worden, doch dezen keer zonder hoop op gratie, en dat ontstelde hem. Ofschoon dit laatste door de liefderijkheid van Grevy bijna eene ijdele vrees mag heeten in Frankrijk vervult toch het doodvonnis den schuldige met schrik en ontsteltenis. 1)
In het jaar 1864 werd in Engeland eene commissie benoemd, „om onderzoek te doen naar de bepalingen en de toepassing der wetten, in het Vereenigd Koninkrijk vigeerende, krachtens welke de doodstraf kan worden toegepast op personen, die aan zekere misdaden zijn schuldig verklaard, alsmede naar de wijze, waarop doodvonnissen worden ten
1) Hoe het in Frankrijk met de rechtspleging toegaat, maken wij op uit de crimineele atatiatiek van het jaar \'83, voorkomend in het Journal offic\'el van Mei \'85. Doordat het gevoel van onderscheid tusschen goed eu kwaad langzamerhand afneemt en daarentegen het onhebbelijke medelijden met de misdadigers hoe langer hoe krachtiger wordt, zijn de gezworenen altijd geneigd tot onschuldig-verklaring; waar de schuld al te duidelijk blijkt, roepen zij de noodige verzachtende omstandigheden in; baat dat nog niet, dan komt de zachtmoedigheid van den gratie-gevenden president te hulp. In \'83 werden 643 personen vervolgd wegens halszaken. Hiervan werden er slechts 261, d. i. Y5, schuldig verklaard. Voor 236 van die 261 namen de rechters verzachtende omstandigheden aan; zoodat er maar tegen 25 het doodvonnis werd uitgesproken; en van hen ontvingen nog 32 genade. Ue oudermoord zelft, eene misdaad, die Solon zoo afschuwelijk vond, dat h;j haar onmogelijk achtte en daarom in zijne wetten voor het heidensche Athene niet vermeldde, vindt genade in de oogen van den president der Fransche republiek.
52
uitvoer gelegd, en om verslag te doen over de vraag of, en zoo ja, welke veranderingen in deze wenscheiijk zijn.quot; Deze commissie, samengesteld uit mannen, die met betrekking tot de doodstraf verschillende meeningen waren toegedaan, had de ruimste volmacht om getuigen te verhooren en zich officieele stukken te doen overleggen, en ontving voor hare werkzaamheden een termijn van zes maanden, die later met een jaar werd verlengd. Aan 31 verschillende regeeringen stelde zij eenige vragen aangaande de strafwetgeving en de opgedane ondervinding; zij hoorde allerlei getuigen, doorzocht een groot aantal statistische opgaven, bezag het onderwerp van alle zijden, en verklaarde zich eindelijk in haar rapport tegen de algeheele afschaffing der doodstraf. Maar wat vernam zij omtrent het afschrikkingsvermogen dier straf? Cijfers konden moeilijk worden aangevoerd: want wie zal alle gevallen achterhalen, dat iemand het plan opvatte een ander te vermoorden, maar daaraan geen gevolg gaf uit vrees voor de galg? Toch ontving zij een paar sterk sprekende bewijzen. Het eeiste bewijs is de schrik, die den schuldig verklaarde bij het aanhooren van zijn doodvonnis om het hart slaat, en zyn verlangen om het leven, al is het ellendig en smadelijk, te behouden, zoolang als het kan. Over deze dubbele opmerking was maar ééne stem. Ook den vermetelsten, die met pocherij begonnen, kromp het hart ineen bij de aankondiging en nadering der doodstraf; en onder hen, wier straf in levenslangen of lang-durigen dwangarbeid veranderd werd , was er geen, die dit niet met blijdschap vernam. Een ex-sherif betuigde, dat hij ééns eene verandering van straf had aangekondigd aan eene ter dood veroordeelde vrouw, die daarbij onverschillig scheen, maar hij voegde er bij, dat zij die verandering reeds een uur te voren had vernomen, en dat zij weinige dagen vroeger gebeden en gesmeekt had om lijfsbehoud. Een ander bewijs leverden de gesprekken van ontslagene gevangenen en andere gevaarlijke en misdadige personen, waaruit blijkt, dat velen bij het beramen van hetgeen zij
53
doen willen wel degelijk in aanmerking nemen, welke straf zij kans hebben te beloopen. Twee Londensche inspecteurs van politie spraken hieromtrent zeer omstandig. Zij hadden in de gevangenissen , in verdachte herbergen en elders menigvuldige gesprekken in de dieventaal gehoord, waaruit hun duidelijk bleek , dat de menschen van die klasse groot onderscheid maakten tusschen moord en andere misdrijven; dat zij volkomen begrepen, dat met moord het leven van den dader verbeurd was en dit ook zoo moest zijn; dat zij en huns gelijken door vrees voor die straf werden teruggehouden de hand aan iemands leven te slaan. Zulk getuigenis zegt iets.
II.
Onze tijd heeft een zwak voor statistieken. Kunnen wij die ten onzen voordeele aanvoeren? Wijst de statistiek uit, dat op de afschaffing der doodstraf eene vermeerdering volgt van die misdaden, welke vroeger met den dood gestraft werden, en zoo ja, is die vermeerdering aan de afschaffing toe te schrijven? Want al grijpt na het Vfzachten der strafwet eene vermindering of vermeerdering van misdaden plaats, daarmee is niet uitgemaakt, dat de zachtere wetgeving daarvan oorzaak is. Post hoc ergo propter hoc, gaat niet altijd op. De statistieken brengen geen geringe moeilijkheid mee; omdat zoovele omstandigheden, zelfs die met de wetgeving niets te raaken hebben, op het aantal misdaden invloed uitoefenen, en geheel verschillende uitkomsten veroorzaken. Zoo moet men in aanmerking\'nemen, dat in de landen, waar de doodstraf niet meer bestaat, aan de afschaffing een tijdperk voorafging, waarin de uitgesprokene doodvonnissen nooit werden uitgevoerd. Daar werd de doodstraf bedreigd; maar het hoofd van den staat ontnam aan die bedreiging alle kracht door te zorgen , dat de misdadigers geen gevaar liepen. Wat wordt er niet gemoord in Frankrijk, waar een humane Grevy met het gratie-recht naar willekeur omspringt! JSTa eene verzachting der strafwet
54
zou daar van eene vermeerdering van moorden misschien niet veel te bespeuren zijn. — Wanneer tijdens eene revolutie de doodstraf wordt afgeschaft, komt eene vermeerdering van misdaden niet met zekerheid op rekening der afschaffing, omdat ook de tijdsomstandigheden het hare doen. — In Oostenrijk nam sedert het invoeren eener zachtere straf het valsche munten zeer toe; maar eene voorname oorzaak daarvan kan geweest zijn de groote vermeerdering van muntpapier. In Italië verminderden de gevallen van moord en doodslag gepaard met diefstal, nadat huisbraak en straatroof op zichzelf niet meer met den dood strafbaar waren. Zoolang op deze laatste misdrijven de doodstraf bedreigd was, gingen zij veel meer met moord vergezeld dan later. „De reden daarvan , gaf de minister aan de Engelsche Commissie te kennen, is , dat de dader van die misdrijven, wetend welke straf hem wachtte, er alle belang bij had, dat hij dengene, dien hij had aangevallen om te berooven, het leven benam, ten einde alzoo den getuige van zijn misdaad te vernietigen.quot;
Dit is zeer opmerkelijk en bewijst de afschrikkende kracht van de doodstraf. Wanneer deze straf op huisbraak staat, deinst de inbreker niet terug voor een moord, die den eenigen getuige van zijn misdrijf uit den weg ruimt en hem zelf het leven spaart. Maar staat de doodstraf alleen op moord, dan laat hij liever dien getuige in het leven, omdat hij den dood te vreezen heeft voor het geval, dat zijn misdrijf ondanks zijne voorzorgen mocht uitkomen. De waar-schijnlijkheid van ontdekt te worden en voor langer of korter tijd zijne vrijheid te moeten derven is hem ver. kieslijker dan de waarschijnlijkheid van ongestraft te blijven) wanneer hiermee nog de mogelijkheid verbonden is van te moeten sterven. Hiervan bestaan voorbeelden. Een politieagentvan gewone kracht en lengte betrapt een groeten, sterken dief op huisbraak; voordat andere politie agenten ter plaatse kunnen zijn, zou de huisbreker den eersten, die hem aanhoudt, kunnen doodslaan; maar uit vrees voor de doodstraf
55
geeft hij zich over. Twee dieven, die zes of zeven maal getransporteerd en tot dwangarbeid veroordeeld waren geweest , bestelen des nachts eene oude dame; zij knevelen en mishandelen de dame en de dienstmeid, en rollen haar in dekens met zware bedreigingen, zoo zij gerucht maken. Door de manier, waarop ingebroken is, komt de politie op het spoor van de daders, Eerst willen dezen ontkennen, maar zij worden bepaald herkend door de meid. Wat zeggen zij daarop? „Was het niet om de galg geweest,\'zij zouden hier niet hebben gestaan om ons te bezwaren.quot;
Maar wij zouden van de statistieken afdwalen. „Het spreekt van zelf, zegt de heer Heemskerk, dat zij met groote omzigtigJieAd moeten worden gebruikt, als maatstaf van de werking der verschillende straffen op de criminaliteit;quot; omdat de criminaliteit niet altijd van de straf alleen, maar ook van andere omstandigheden afhankelijk is. Maar even waar is wat ook de heer Heemskerk zegt: „Dat de zeer natuurlijke schrik voor deze straf van geenen invloed hoegenaamd zou zijn om terug te houden van zware misdrijven; dat de crimineele statistiek zou leeren, dat zij tot nog toe zonder eenig nadeel is ter zijde gesteld voor ieder bijzonder misdrgf; dit mag en moet met de feiten in de hand worden tegengesproken.quot; Verschillende staten zijn om het toenemen der moorden genoodzaakt geweest de afgeschafte doodstraf weer in te voeren. In Zweden werd ten jare 1867 de doodstraf afgeschaft; maar daar deed zich het wondere geval voor, dat zij reeds het volgende jaar werd hersteld. De Kamers, die dat voorstel aannamen, waren niet noemenswaardig veranderd; doch de vrees voor vermindering der veiligheid voerde haar tot dat besluit. Oostenrijk had reeds in 1787 de doodstraf laten vallen; maar eene droevige ondervinding dwong tot herstel, wat in 1803 geschiedde. In 1848 eischte men, geheel en al in overeenstemming met de revo-lutionnaire bewegingen van dat jaar, de ofScieele verklaring van de regeering, dat, zoolang de doodstraf nog niet volkomen was afgeschaft, zij althans niet zou worden toege
56
past. Die verklaring werd gegeven ; doch de liberale minister von Schmerling was genoodzaakt er op terug te komen. Voor Wurtemberg vinden wij deze merkwaardige cijfers; Van 1843—49 vóór de afschaffing gem. 3 moorden jaarlijks „ 1849—53 na „ „ „ 11 „ „ „ 1853—64 na het herstel „ 5 „ „
De statistiek van Freiburg, waar in 1848 de doodstraf werd afgeschaft, is niet minder leerzaam. Voor de 15 jaren, dié de afschaffing voorafgingen, en de 15 jaren, die haar volgden, hebben wij deze cijfers:
1833—47 bevolking 90,000 zielen, van moord en doodslag 19 gevallen.
1848—62 bevolking 105,000 zielen, van moord en doodslag 45 gevallen.
De meeste dier moorden werden gepleegd door vreemdelingen, wat zijne verklaring hierin vindt, dat Freiburg tusschen twee kantons ligt, waar de doodstraf nog bestond. Wel een bewijs voor het afschrikkingsvermogen dier straf, daar de heeren moordenaars juist dat kanton opzochten, waar zij geen gevaar liepen voor hun misdrijf het leven te moeten laten. Zwitserland was echter zoo onverstandig om in 1874 in de grondwet te bepalen, dat de doodstraf over het gansche grondgebied was afgeschaft en dat alle kantons daarnaar hunne strafwetten moesten wijzigen. Doch reeds in \'79 werd bij een votum van het Zwitsersche volk deze bepaling der grondwet weer ingetrokken en allengs maakten onderscheidene kantons van die vrijheid gebruik, naar aanleiding van de vele afschuwelijke moorden sinds \'74 gepleegd, om de doodstraf in hunne strafwetten de haar toekomende plaats weer te geven. De Italiaansche regeering, anders nogal geavanceerd in de liberale denkbeelden, nam tot de doodstraf hare toevlucht om de rooverijën in de Napelsche provinciën te bedwingen, en zij was waarlijk niet zuinig met de toepassing er van. Bijna ongeloofelijke getallen geeft graaf Maffei op. Van einde \'60 tot in \'64 werden daar 3451 roovers door de soldaten doodgeschoten , waarvan
57
2413 in het gevecht en 1038 na vonnis. Op het laatst moet men wel tot zulke krasse maatregelen overgaan.
De dikwerf genoemde Engelsche Commissie richtte tot de regeeringen van bijna alle staten van Europa en van Noord- en Zuid-Amerika o. a. deze vraag: „Zijn er sedert de laatste jaren veranderingen in de wetgeving gemaakt, waardoor misdrijven, vroeger met den dood strafbaar, hebben opgehouden dit te zijn? Zoo ja, zijn deze misdaden toegenomen en kan men die toeneming, zoo zij bestaat, toeschreven aan de zachtere straf ?quot; Op deze vragen kwamen antwoorden in, waarvan sommige vrij afdoende waren, maar andere ook veel te wenschen overlieten. Statistieken kon zij niet van alle regeeringen ontvangen, ontving ze althans niet; maar moest zich dikwijls tevreden stellen met eene verklaring in algemeene bewoordingen. Gingen de mededeelingen aangaande de staten, waar de doodstraf was afgeschaft, uit van officieele personen, van ministers b. v., door wier toedoen of medewerking de strafwet verzacht was, dan werd gemeenlijk eene toeneming van misdaden ontkend. Maar dikwijls gebeurde het, dat andere personen, die in deze quaestie onpartijdiger waren , voor dezelfde staten verzekerden, dat de afschaffing der doodstraf eene vermeerdering van misdaden na zich gevoerd had. Soms ontving zij ten antwoord, dat de afschaffing een goeden indruk had gemaakt op het volk, en de reden daarvan was, omdat, toen de doodstraf bestond, de jury of de rechtbank dikwijls huiverig was het „schuldigquot;\' uit te spreken, en daardoor velen, die zeer gevaarlijk waren, vrij kwamen. Men zal erkennen, dat daar geen goede en billijke toepassing van de doodstraf bestond.
Holland gaf in verband met de wet van 29 Juni 1854 op bovenvermelde vraag dit antwoord: „In het algemeen blijkt het niet, dat het getal misdrijven, vroeger met den dood strafbaar, toegenomen is sedert eene zachtere straf daarop bedreigd is, en zoo dit met sommige wel het geval is, dan is er toch geen bewijs, dat de oorzaak van deze
58
tijdelijke toeneming aan de zachtere straf moet worden toegeschreven.\'\' Het is niet van belang ontbloot dit antwoord eenigszins toe te lichten , terwijl wij in het midden laten , in hoever de overige onbepaalde verzekeringen van eene goede, althans geen slechte werking der afschaffing vertrouwen waard zijn. Van Holland zondigde het antwoord zeker niet door overmaat van oprechtheid. De wet van 29 Juni quot;54 bracht in onze strafwet eene verzachting, waardoor sommige misdrijven ophielden met den dood strafbaar te zgn. Voor kindermoord was die straf afgeschaft, wanneer die misdaad voor de eerste maal gepleegd werd door eene ongehuwde moeder. Brandstichting werd niet meer met den dood gestraft, als er geen gevaar van een menschen-leven bij kon voorzien worden. Dat waren dus misdaden, waarvoor de doodstraf niet geheel en al werd afgeschaft, maar die in twee categorieën verdeeld werden, waarvan de eene niet met de dood strafbaar was. Bracht deze verzachting nu eene verandering in het aantal kindermoorder en brandstichtingen? Wij zullen niet letten op het aantal veroordeelden; want, omdat de rechters onder eene strengere strafwet misschien moeilijker van zich verkrijgen eene veroordeeling uit te spreken, is eene vermeerdering van veroordeelden onder eene zachtere strafwet nog geen zeker bewijs van eene vermeerdering van misdaden. Ware dat een veilige maatstaf, zoo kwamen wij tot de vreeselijke waarneming, dat in de zeven jaren na 1854 driemaal meer kindermoorden en brandstichtingen zich hadden voorgedaan dan in de zeven jaren vóór de gedeeltelijke afschaffing der doodstraf. Want het getal 8 veroordeelingen wegens kindermoord in de eerste zeven jaren steeg tot 23 veroordeelingen in de volgende; terwijl in diezelfde tijdperken het aantal veroordeelingen wegens brandstichting van 18 klom tot 52. Maar ook wanneer wij het oog vestigen op iet aantal ieschuldigden voor genoemde misdrijven in diezelfde tijdperken, verkrijgen wij eene uitkomst geheel ten gunste van de doodstraf. Voor kindermoorden toch vinden
59
wij eene vermeerdering van 22 tot 37 gevallen, voor brandstichting van 33 tot 78.
„Voorwaar merkwaardige cijfers! zegt met recht de heer De Bruyn Kops, wel geschikt althans om diegenen tot nadenken te brengen die, terwijl zij geheele afschaffing vragen (hij schreef dit in \'65), zich geruststellen met de overtuiging „dat het immers bewezen is, dat de misdaden bij afschaffing van de doodstraf niet toenemen.quot; — Voor hen vooral is het treffend dat diezelfde vermeerdering die wij bij brandstichting en kindermoord (ook bij manslag) aantreffen, niet wordt gevonden bij moord, niet bij vergiftiging, doch juist daar waar verzachting werd uitgesproken.quot; De Bruyn Kops, een bestrijder der doodstraf, was zoo onbevooroordeeld, dat hij de moeilijkheid, die deze cijfers opwerpen, inzag, en zoo oprecht, dat hij het openlijk uitsprak. Maar zoo waren niet allen, die ons in het jaar\'70 van dat rechtvaardige en noodzakelijke beveiligingsmiddel beroofden. Wat onze regeering in \'65 antwoordde aan de Engelsche Commissie op de door haar gestelde vraag naar de hier opgedane ondervinding, zeiden wij boven ; het was dan gebleken, dat het aantal misdaden, vroeger met den dood strafbaar, sedert eene verzachting der strafwet niet was toegenomen. De minister Van Lilaar had het ongeluk in de Kamer te erkennen, „dat het een opmerkelijk verschijnsel is, dat sedert de wet van 1854 het aantal der kindermoorden is toegenomen.quot; Dit mocht hij niet zeggen. De doodstraf moest afgeschaft worden, en daarom moesten zij over lastige cijfers weten heen te stappen. Volgens het Dat/blad van Zuid-Holland zou de minister Van Bosse op die onhandige bekentenis van zijn collega zoo geschrokken zijn, „dat zijn altijd beweeglijk been vrij onzacht in aanraking kwam met een der onparlementaire lichaamsdeelen van den heer Minister van Justitie.quot;
Wat hebben wij nu op slot van rekening aan de crimi-neele statistiek? Zeker, nergens bewijst zij, dat de afschaffing der doodstraf tot vermindering van misdaden voert;
60
nergens doet zij ia gemoede gelooven, dat de misdadigers door de menschlievendheid der rechters getroffen, voor eene lichtere strafbedreiging stilstaan; of dat de afwezigheid van schavot en terechtstelling hen zoo zacht van zeden en inborst maakt, dat zij voortaan van bloed en moord gruwen. Waar de statistiek spreekt, daar is het van vermeerdering der misdaden tengevolge der afschaffing. Verschillende voorbeelden bewijzen, dat de vrijspraak van een beschuldigde anderen aanmoedigde om hetzelfde misdrijf te plegen. En tegenwoordig, is moorden niet aan de orde van den dag, worden de moordenaars niet hoe langer hoe onbeschaamder, nu zij de zekerheid hebben, dat zij er afkomen met eenige jaren „zittenquot; ? Maar al zouden de statistieken geen zekere uitkomst geven, is het dan redelijk op zulk eene onzekerheid een besluit te nemen als de afschaffing der doodstraf is ? Door alle eeuwen heen is zij als eene sterke afschrikking beschouwd, en moet dat zoo roekeloos op zij gezet worden op het zeggen van sommigen, dat het afschrikkende niet evident door cijfers bewezen is? „Waaneer maar één enJcele moord meer het gevolg van de afschaffing der doodstraf zou zijn, zeide meer dan eens de edele Van Nispen van Zevenaar, dan wensch ik in de verantwoordelijkheid daarvan niet te deelen.quot;
III.
Tegen het afschrikkend vermogen der doodstraf schijnt de ondervinding eene zware moeilijkheid in te brengen. Het is namelijk opgemerkt, dat lieden, die zich aan een zwaar misdrijf, waarop de doodstraf bedreigd was, schuldig maakten, dikwijls juist dezulken waren, die eens of meermalen eene terechtstelling hadden bijgewoond. En dat niet alleen; maar somtijds gebeurde het, dat kort na eene executie dezelfde misdaden onder gelijksoortige omstandigheden zich voordeden, als waarvoor de doodstraf was uitgeoefend. Van de vele
6 I
voorbeelden halen wij een enkel aan. In 1863 vermoordde iemand in Chatham een kind, dat hem onbekend was. Voor den rechter gebracht verklaarde hij naar den dood te verlangen, maar den treurigen moed niet te bezitten zichzelven het leven te benemen. Hij werd gehangen. Eenige weken later had in dezelfde stad een zelfde voorval plaats met hetzelfde gevolg. Dit voorbeeld zegt niet veel; want deze personen zijn eenvoudig met zelfmoordenaars gelijk te stellen. Maar uit de niet te loochenen feiten van dien aard meenden de tegenstanders der doodstraf eene eigenaardige moeilijkheid af te leiden.
Dat sommige misdadigers vroeger getuigen waren eener terechtstelling is dikwijls louter toeval. Ga \'maar na , welke klasse der maatschappij onder de toeschouwers eener executie het sterkst vertegenwoordigd is. De meesten zijn niet menschen van fijnere beschaving en zachtere zeden; maar men zal er vooral die klas van lieden aantreffen, waaruit de meeste misdadigers voortkomen. Waar dus de doodstraf bestaat en wordt toegepast, zal dikwijls het toeval willen, dat misdadigers eerst executiën hebben bijgewoond. Niet altijd echter komt men ver met het toeval. Hoe toch alleen daardoor het feit verklaard, dat eene executie spoedig gevolgd wordt door soortgelijk misdrijf, als waarvoor de doodstraf was toegepast? Zegevierend roept men dan ook uit, dat de doodstraf in plaats van af te schrikken tot misdaad opwekt. Dit moge onverklaarbaar zijn. maar de ondervinding schijnt het te bevestigen en alzoo de doodstraf absoluut te veroordeelen.
Maar die feiten (die, terloops gezegd, geheel op zichzelf staan en dus volstrekt niet een algemeenen regel aangeven) zeggen niets tegen de doodstraf. Het staat boven allen twijfel, dat misdaden aanstekelijk zijn. Een goed gelukte aanslag is eene opwekking tot het beproeven van een anderen. Een wraakzuchtige zal er gemakkelijker toe komen door moord aan zijn hartstocht te voldoen, wanneer hij een voorbeeld vóór zich heeft. Daardoor zal somtijds een misdaad binnen korten tijd gevolgd worden door eene andere onder
G2
gelijksoortige omstandigheden. Was de boosdoener, die het voorbeeld gaf, niet door de strafbedreiging afgeschrikt, zijn navolger laat er zich evenmin door weerhouden. Is dit zoo, spreken dan de bovenbedoelde feiten tegen de doodstraf? Wil men in ernst beweren, dat het bijwonen eener executie, als zij goed geschiedt, tot misdaad aanspoort ? Neen, het voorbeeld van de misdaad heeft opgewekt en wel zoo krachtig, dat het aanschouwen der strafuitoefening in afschrikking daartegen niet opwoog. De boosdoener wordt tot de misdaad verleid niet door, maar ondanks het gezicht van eens anders straf. Op hem heeft de doodstraf niet genoeg indruk gemaakt, gelijk er geen enkele straf denkbaar is, die alle misdaden voorkomt. Die feiten bewijzen dus alleen, dat er misdadigers zijn, voor wien zelfs de doodstraf niet afschrikkend genoeg werkt. Zegt dat iets ten gunste van de afschaffing ? Integendeel; wanneer er misdadigers zijn, die bij het gezicht van zulk eene straf niet weerhouden worden van de zwaarste misdrijven, dan zijn er zeker nog veel meer anderen, die niet afgeschrikt worden door eene mindere straf. Wel verre dus van de strafwetten te verzachten diende men ze veeleer te verscherpen of minstens ze in al hare gestrengheid uit te voeren. Ziedaar de eenige wettige gevolgtrekking.
Dat de misdadigers niet door het bijwonen eener terechtstelling, maar ondanks dat zich tot misdrijven voelen aangespoord, bewijst een zeer vurig tegenstander van de doodstraf, de Belgische minister Thonissen. „De beroemde professor Mittermaier, zoo verhaalt hij, die een vijftig jaren besteedt aan een zorgvuldig en volledig onderzoek naar de uitwerking van de toepassing der doodstraf, heeft zich begeven in de gevangenissen van Edinburg en Londen, waar hij zich in betrekking stelde met de aalmoezeniers en directeurs dier gevangenissen. Op zijn verzoek deden deze achtenswaardige mannen gedurende vele jaren alle ter dood veroordeelden een verhoor ondergaan. Het aantal dier verhooren beloopt veie honderden. Welnu ziehier de vragen, die
63
aan alle veroordeelden zonder onderscheid gesteld werden: „Vriend, hebt gij dan nooit iemand zien ophangen ?quot; Antwoord: „Ik heb het eenmaal, tweemaal, tien, vijftien, honderdmaal gezien.quot; Daar waren er, die dit konden zeggen. „Gij wist toch, vervolgt de aalmoezenier, dat op de misdaad, die gij hebt bedreven, de doodstraf stond?quot; — En wat was het antwoord? „Ik wist het, en daarom juist deed ik het ? Dat gezicht van dien moordenaar aan de galg prikkelde zoo mijne verbeelding, wekte zoo mijn hartstocht op, dat ik als vanzelf tot de misdaad gebracht werd ?quot; — Neen, de veroordeelde antwoordt: „Ik wist het, maar ik zeide tot mij zeiven: mijne voorzorgen zijn zoo goed genomen, dat men niet te weten zal komen, dat ik de dader ben.quot; Zij waren er voorzichtiger op geworden en hadden meer voorzorgen genomen, toch zeker niet uit verlangen naar, maar wel uit vrees voor het schavot.
Daar zijn er, die uit bovenbedoelde feiten niet tot de afschaffiug der doodstraf besluiten, maar die de uitvoering in het geheim willen doen plaats hebben; sommigen zijn zelfs voor eene geheime rechtspleging. Men gewaagt van walglijke tooneelen op het schavot en zegt, dat het gezicht daarvan het volk verwildert. Dat stemmen wij toe. De executie van Cohen in Atjeh zal op de aanwezigen geen gunstigen indruk gemaakt hebben, toen die landverrader in het gezicht van den dood aardigheden verkocht, vooral als het waar is, wat de dagoladen meldden, dat bij dit hoogst ernstige schouwspel de muziek een vroolijk deuntje liet hooren. Doch dien slechten indruk schrijve men niet toe aan de doodstraf, ook niet aan de openbaarheid der executie, maar aan de verkeerde wijze van executeeren. De eerste zorg moet wel zijn, dat zulk eene ernstige gebeurtenis niet ontaarde in eene scène, waarbij de straatjeugd schreeuwend te hoop loopt. Dan liever binnen de gevangenismuren in tegenwoordigheid alleen van officieele getuigen. Maar het is geen goed teeken, als het zoover gekomen is. Wanneer men eenmaal de uitvoering van de strengste, maar daarom
64
niet minder rechtvaardige en noodzakelijke straf aan de oogen van het volk moet onttrekken; wanneer niet meer het volk, na de ontstelde en verontwaardigde getuige van het misdrijf geweest te zijn, persoonlijk mag zien, hoe aan de rechtvaardigheid voldoening wordt geschonken, dan is men hij de geheele afschaffing een grooten stap nadergebracht. Wij zijn het hierin met den heer Cornells eens, dat clandestine uitvoeringen de laatste stuiptrekken zijn vóór de afschaffing.
Neen, de doodstraf mag veilig in het openhaar worden uitgevoerd, mits het op waardige wijze geschiede. Eene indrukwekkende plechtigheid moet er van gemaakt worden, omdat het hier de hoogste gezagsuitoefening geldt. Vooral worde op dat oogenhlik, dat een mensch de eeuwigheid zal ingaan, de godsdienst niet buitengesloten. Waar zoo het doodvonnis wordt voltrokken, behoeft men den indruk op het volk niet te vreezen. Daar zal om het schavot niet eene joelende, schreeuwende menigte zich verdringen; maar een ieder zal tot ernst gestemd worden. Voor zulk eene executie is echter het levendig bewustzijn noodig, dat de doodstraf eene boete, eene voldoening is; dat met haar toe te passen de overheid niet toegeeft aan hartstocht, maar een goddelijk recht uitoefent. Doch wanneer men eerst het volk gemeen maakt door het zijn godsdienst te ontnemen, en zelf het straffen beschouwt als eene uitoefening van kracht, zoodat de beul als tersluiks, bijna als moordenaar zijn plicht moet doen; dat dan eene openbare executie niet veel meer is dan eene bloedige vertooning, die zeer nadeelig op de massa werkt, gelooven wij gaarne. Doch dat levert geen moeilijkheid tegen de doodstraf zelve. Overal waar zij waardig wordt voltrokken, maakt zij een heilzamen indruk op het volk.
IV.
De doodstraf is afgeschaft en door vrijheidsstraffen vervangen. Als men het standpunt van het recht verlaat of
65
voorbijgaat en de straf alleen afmeet naar het afschrikkir;gavermogen , dan doet zich hier de vraag op, of eene gevangenisstraf, hoe lang zij ook dure, genoegzaam van de misdaad afschrikt, of men met een moordenaar op te sluiten genoeg gezorgd heeft voor de veiligheid der burgers. Natuurlijk de tegenstanders zeggen ja, en zullen het gevangenisleven met de zwartste kleuren afschilderen om te laten zien, hoe erg het is. Geheel en al beroofd zijn van zijne vrijheid; alle genoegens missen, die de vrijheid meebrengt ; den omgang derven van huisgenooten en vrienden; van de liefderijke zorgen van vrouw en kinderen verstoken zijn; en dat misschien levenslang: is dat niet een bitter lot? Zal een ieder daarvoor niet vreezen, zal hij niet alles behoedzaam vermijden, wat hem zoo iets berokkent? Wat eene afschrikkende kracht dus in de gevangenisstraf! Wat wordt daardoor de veiligheid der burgers verzekerd! De gevaarlijke booswicht is immers voorgoed buiten de maatschappij gesloten en aldus onschadelijk gemaakt? Voorwaar eene goed toegepaste gevangenisstraf werkt voldoende tot afschrikking van misdaden en tot beveiliging der maatschappij.
Daar is wel wat van te maken voor iemand, die talent bezit van uitweiden. Maar beschouwen wij de zaak van nabij en onderzoeken wij of het woord van den heer Heemskerk over Engeland waar is in het algemeen: „Yerschillende surrogaten zijn beproefd, maar nog geen proefhoudend bevonden.quot;
Hoe is het gevangenisleven? Is het voor een zeker slag van menschen waarlijk zoo verschrikkelijk? Zij missen de vrijheid, ziedaar alles. Dat ontbreekt er nog aan om hun leven benijdenswaardig te maken, dat zij zich naar willekeur konden bewegen. Menig braaf werkman, op wien de zorg voor een huishouden met kinderen rust, heeft niet zoo een leventje als onze gevangenen. Dat verlies hunner vrijheid wordt op zoo vele wijzen vergoed. ,,Er is altijd eene kategorie van menschen , zegt met recht de heer Heemskerk) voor wie een goed bed en twee of drie voedzame maaltijden
per dag zeer begeerlijke zaken zijn, die zij in de vrijheid dikwijls moeten missen.quot; Men roemt onze prachtige, geriefelijke gevangenissen; men heeft hoog op metdemensch-lievende behandeling barer bewoners; de benaming van boevenpaleizen is bijna door het gebruik geijkt; alles is even kostelijk. Maar is met dat al de schrikwekkendheid er niet van afgenomen ? Neem een mensch uit de lagere volksklasse , die met handenarbeid zijn dagelijksch stukje brood moet verdienen , die in geval van ziekte een zeer ellendig bestaan heeft, die zijn ouden dag met kommer tegemoet ziet. Bezorg hem levenslang in de gevangenis; waar bestaat dan zijne straf in? In het gemis zijner vrijheid, anders niet; maar een gemis, dat de liefdevolle staat op alle mogelijke wijzen tracht te verzoeten. Zij behoeven niet bezorgd te zijn voor hun onderhoud: daar zorgen anderen voor. Zij hebben huisvesting, ligging, kleeding, voedsel, licht, warmte, alles wat zij verlangen. Zijn zij ziek, zij worden verpleegd; worden zij oud, zij zijn geborgen; ontbreekt iets aan hetgeen zij noodig hebben, zij behoeven slechts hunne klachten in te dienen. De boeven hebben alles, wat zij kunnen wenschen. Daarvoor hebben zij alleen de vrijheid op te offeren. Wie daartegen niet opziet, wie de voorkeur geeft aan een onbezorgd leventje zonder vrijheid boven eene vrijheid, die door allerlei zorgen en ellenden vergald wordt, moet maar een misdadiger zijn. Heet dat afschrikking ? Wel dat is veeleer eene aansporing tot misdaad. O die humane behandeling der misdadigers! De moordenaar Jut wekte zelfs zulk een medelijden op voor zijn zoontje, dat er bij sommige philanthropen ernstig spraak geweest is om den jongen eene fijne opvoeding te bezorgen en hem groot te brengen voor de kunst. Het is waarlijk geen wonder, dat vrouw Van der Linden zoo hoogst ingenomen\' is met de rechterlijke uitspraak , die haar levenslang onder dak bracht; geen wonder, dat velen met opzet misdaden bedrijven om daardoor een zeker recht op staatsverzorging te verkrijgen; geen wonder, dat wie voor de misdaad om haarzelfs wil terugschrikt,
67
voorwendt zich aan eene plichtig gemaakt te hebben. Men moet door de philanthropie en de humaniteit zeer verblind zijn om te gelooven, dat zulk eene gevangenisstraf het van de doodstraf wint in afschrikking, dat zulk eene strafbedreiging den burgers genoegzame veiligheid verzekert.
Daar zijn verschillende plannen uitgedacht om van de gevangenisstraf op het punt van afschrikking een deugdelijk surrogaat der doodstraf te maken. Maar voor zoover zij eene ingrijpende verandering aanbrengen, maken zij eene gevangenis al te wreed. Beccaria, de zachtmoedige, wiens christelijk geweten (!) het eerst tegen de doodstraf in verzet kwam, de menschlievende, die het leven ook van den grootsten misdadiger wilde geëerbiedigd zien, vordert als straf voor moordenaars „levenslangen, openbaren, zwaren dwangarbeid, met behandeling als lastdieren,quot; Een Engelsche rechtsgeleerde stelde voor, op eene in het oog vallende plaats in het midden des lands een kerker te bouwen van een somber aanzien, zonder licht of uitzicht aan de buitenzijde ; hij, die daar als veroordeelde binnentrad, moest weten, dat hij er al zijne levensdagen in zwaren arbeid en zonder de minste tijding van of gemeenschap met de buitenwereld zou doorbrengen; zijne betrekkingen moesten nooit meer iets van hem hooren; en opdat er geen twijfel zou bestaan omtrent het doel dier stichting, moest haar opschrift luiden; „Het graf der moordenaars.quot; Dat alles klinkt somber, maar heeft vooral betrekking op het uitwendige; daar binnen kan voor een zeker soort van lieden het leven vrij draaglijk zijn. Dit plan werd aan de Engelsche Commissie voorgesteld. Iemand wenschte er de bepaling bij, dat de veroordeelde nooit dan na zwaren arbeid te eten zou krijgen, en dat de opbrengst van dien arbeid zou strekken ten voordeele van de nage-latene betrekkingen des vermoorden. Dan wordt er ten minste iets vergoed aan de nagelatene betrekkingen, terwijl dezen bij ons met hunne belastingpenningen dengene, die hen ongelukkig gemaakt heeft, moeten helpen onderhouden. Men heeft gesproken van levenslange, eenzame opsluiting;
68
men wilde den veroordeelde aan den muur zijner cel ketenen; van alles heeft men voorgesteld om de straf waarlijk zwaar te maken. Maar zulke forsche middelen als ketenen, donkere cellen, geeseling, kunnen slechts bij uitzondering en kortstondig als middelen van discipline, nooit als hoofdstraf gedurende eenigen noemenswaardigen tijd worden aangewend. En toch eene vrijheidsstraf, die de doodstraf vervangt, moet lang duren. Maakt men eene langdurige gevangenisstraf verschrikkelijk en kwellend, dan vervormt men haar tot eene doodstraf met verfijnde wreedheid. Dat ligt toch niet in de bedoeling der afschaffers. Zij moet wel draaglyk zign ; maar wat verliest zij dan niet van hare afschrikking!
Een oud-directeur der gevangenis van Oxford, die ook was voor levenslange opsluiting, bekende, dat hij het met zichzelven niet eens had kunnen worden, door welke behandeling der gevangenen die straf een gced surrogaat van de doodstraf kon zijn; zeker moesten niet alle moordenaars bij elkaar worden opgesloten; omdat zulk eene bende al zeer moeilijk te besturen zou wezen. Inderdaad stel u zulk eene verzameling voor van de boosaardigste menschen, die niets in dit leven te hopen of te vreezen hebben, aan wie geene straf kan worden opgelegd, al breken zij den kerker open, al steken zij dien in brand, al stichten zij oproer, al vermoorden zij hunne bewakers. Daar heerscht straffeloosheid. Een levenslang veroordeelde bedrijft een moord in zijne gevangenis. Hem nogmaals levenslang veroordeelen is belachelijk. Zult gij u bepalen bij eenige weinige disciplinaire straffen — voor korten tijd natuurlijk, andere zou het eene wreede hernieuwing der doodstraf zijn? Maar zoo straft men geen moord. Het eenige zou zijn de doodstraf; maar zij is afgeschaft. Daar komt dus een oogenblik, dat de misdaad straffeloos is. Welnu eene strafwet, waaronder ooit de grootste misdaden straffeloos kunnen gepleegd worden, deugt niet, zorgt niet genoeg voor de veiligheid van alle burgers. „Heeft men met zulke wezens te doen, meent de heer Cremers, welnu,
69
men behandele hen ala krankzinnigen, waarmee zij gelijk staan, en die toch ook niet kunnen worden afgemaakt, en trekke hen een dwangbuis aan.quot; Daar hebben wij het. Misdaad is slechts opvatting en volksvooroordeel, misdadigers staan gelijk met krankzinnigen! Maar dan is het niet alleen ongeoorloofd hen „af te makenquot; , dan is elke straf onredelijk en onrechtvaardig. Bovendien hoe lang zal zulk een misdadiger door den menschlievenden afschaffer der doodstraf in het dwangbuis gekneld worden ? Neen, neen, wie beweert uit menschlievendheid de doodstraf niet te willen, moet evenzeer tegen de wreede marteling eener langdurige, ondraaglijke gevangenisstraf gekant zijn. Maar dan zie hij toe, hoe zijne humaniteit niet eene verzameling maakt van booswichten, die zelfs hun bewakers en medegevangenen schrik inboezemen, eene verzameling van de gevaarlijkste menschen , die met de vraag: „wat waag ik er aan?quot; zichzelve aanmoedigen om alles te onderstaan.
Geen wonder, dat de Engelsche koloniën voor eenige jaren, de eene voor, de andere na, weigerden een gedurigen invoer van misdadigers uit het moederland te ontvangen. Hunne veiligheid hadden zij te lief en bij ondervinding wisten zij , dat daarvoor niet genoeg gezorgd wordt door het leven te sparen van de grootste booswichten. Henderson, een oud-commandant eener strafkolonie in westelijk Australië, sprak als zgne stellige meening uit, dat, bij afschaffing der doodstraf en strenge uitvoering der levenslange trans-portatie of opsluiting als surrogaat, de veiligheid der gevangenbewaarders dagelijks gevaar zou loopen, tenzij de gevangenen als de beesten in de zoölogische tuinen werden behandeld. Onder Jozef II in Oostenrijk werd de doodstraf niet uitgevoerd, maar in de gevangenis vervangen door eene geregelde tortuur, omdat men meende de gevangenen anders niet in orde te kunnen houden. In het jaar \'70 moest men in Frankrijk de bagno\'s ontlasten van de meest gevaarlijke misdadigers, omdat zij niet te temmen waren, en op het oorlogsschip, dat hen naar Cayenne
70
zou vervoeren, moest men nog zeer strenge straffen op hen toepassen om hen te beteugelen. Het ligt ook iedereen in het geheugen, dat de giftmengster van Leiden eene poging tot vergiftiging deed in de gevangenis zelve. Hoe men het ook neme, nooit kan eene gevangenisstraf de doodstraf vervangen, tenzij men er eene wreede doodmar-teling van make.
Maar wordt door de afschaffing der doodstraf niet op andere wijze voor de veiligheid der ingezetenen gezorgd? Is namelijk de vrees niet gewettigd, dat de rechter zal terugschrikken een schuldig uit te spreken, als met zijne uitspraak die uiterste straf verbonden is ? Zullen alzoo hij het bestaan der doodstraf juist de gevaarlijkste personen niet ongestraft blijven? Zoo ja, dan is de doodstraf zelve een gevaar voor de veiligheid. — Is die vrees waarlijk gewettigd ? De Engelsche Commissie, die ook dit punt onderzocht , kwam niet tot klaarheid, daar zij hieromtrent elkaar tegensprekende getuigenissen ontving. Maar nemen wij eens in de rechters zulk eene huivering aan voor een doodvonnis, dat zij liever een misdadiger vrijspreken dan naar het schavot verwijzen. Wat volgt daaruit tegen de doodstraf? Niet het minste. Dat zou slechts tegen den rechter pleiten. Iemand , wiens schuld gebleken is, moet hij ver-oordeelen ondanks welken tegenzin ook; anders handelt hij onrechtvaardig. Hij zetelt op den rechterstoel om recht te spreken, niet om een staaltje te geven van zijne humaniteit. Wij kunnen echter het blaadje omkeeren. Zal men waar geen doodstraf bestaat altijd de noodige getuigen kunnen vinden om een moord te constateeren ? Men herinnert zich den moord, die den vorigen winter in Sittard werd gepleegd. Ofschoon die misdaad volstrekt niet op eene eenzame plaats volvoerd was, trad er niemand op met de verklaring haar zelf gezien te hebben. Bestond zulk een getuige niet? Wie zal dat uitmaken? Nu bij de afwezigheid der doodstraf altijd het gevaar te duchten is, dat een booswicht na een aantal jaren wrevelig en boosaardiger
71
dan vroeger in de maatschappij terugkeert , zal een getuige zich eerst bedenken , voordat hij door een bezwarend getuigenis een moordenaar tegen zich opzet. Van onze rechters koesteren wij wel zulk een goeden dunk, dat zij altijd onpartijdig een oordeel vellen , dat zij zich niet zouden laten leiden door een verkeerd gevoel van mensche-lijkheid, als de doodstraf bestond, noch door vrees voor de wraak des moordenaars, nu de doodstraf is afgeschaft. Maar van een getuige , die niet officieel geroepen is om door zijne verklaring eene veroordeeling uit te lokken, gelooven wij gemakkelijk, dat hij zich zal schuilhouden, wanneer hij het vooruitzicht heeft daarvoor eenmaal te moeten al-rekenen met iemand,, dien hij tot een moord in staat kent. De veiligheid der burgers vordert dus de doodstraf, omdat anders van misdaad niet genoeg wordt afgeschrikt, de moordenaars niet onschadelijk worden gemaakt, en in vele gevallen aan de getuigen (om van de rechters niet te gewagen) de vrijheid van spreken ontbreekt.
V.
Thans komt het verbeteringsvermogen der doodstraf aan de beurt. De wetgever mag voor de zedelijke verbetering der misdadigers niet onverschillig zijn. Maar moet hij daarop de straf richten? „Die innerlijke verbetering als éénig doel te stellen, schrijft de heer Heemskerk, was tot nog toe wel de poging van vele menschenvrienden; maar als grondbeginsel van wetgeving is zij, over het algemeen, niet aangenomen, omdat, ondanks de vele verbeteringen en proefnemingen in het gevangeniswezen, er nog geene soort van vrijheidsstraf is uitgedacht, die met groote mate van zekerheid tot verbetering van den misdadiger leidt.quot; Verbetering als éénig doel der straf stellen-, wat beteekent dat? Dewijl straf iets is, wat de natuur der zaken vordert, daarom heeft zij ook
72
uit hare natuur haar eigen, essentieel doel, waaraan men niets kan veranderen; en dat doel is, gelijk wij vroeger ontwikkelden, herstel der verstoorde orde. Moge men al bij het toepassen van straf zijne bijzondere oogmerken hebben, het eigenlijke doel blijft wat het is. Gaarne erkennen wij, dat eene straf uit haren aard kan medewerken om den schuldige te verbeteren; zelfs beweren wij, dat verbetering een ondergeschikt doel is van de straf, waarop in den regel de wetgever te letten heeft. Maar men kan volstrekt niet daarom eene straf onrechtvaardig noemen, omdat zij niet correctief is. Al zou er dus bij de doodstraf van geene verbetering spraak zijn, dan nog is er niets gewonnen ten voordeele der afschaffing. De eerste vraag omtrent eene straf is, of de rechtvaardigheid haar noodzakelijk maakt; vorder desnoods daarbij, dat zij zulk eene afschrikkende kracht bezitte, dat niets anders haar vervangen kan. En aldus hebben wij de rechtvaardigheid, wenschelijkheid en noodzakelijkheid der doodstraf voldoende bewezen. Dient zij niet tot verbetering des schuldigen, betreur het, zooveel gij wilt; maar daarom is zij nog niet veroordeeld. Het gaat niet aan eene straf, die door alles gevorderd wordt, af te keuren, omdat zij eene eigenschap mist, die wij er gaarne in zouden zien. Maar wij willen ons zoo gemakkelijk niet van die correctie afmaken. Integendeel wij bewijzen, dat de doodstraf meer dan eenige andere straf correctiefis; zoodat hij , die verbetering als eene noodzakelijke eigenschap der straf blijft vorderen, nooit zich tegen deze straf mag verklaren.
Wat is correctie ? Bestaat zij daarin, dat een misdadiger dergelijke handelingen, als waarvoor hij veroordeeld is, niet meer stellen zal? Dat hij na eenigen tijd als fatsoenlijk en presentabel man, als waardig lid onaer maatschappij zich mag vertoonen ? Dat de vijanden der doodstraf hem na wat gevangenisstraf weer als buns gelijken begroeten kunnen? Bestaat daarin de zedelijke verbetering, dan is er van de doodstraf geene te verwachten. Is deze verbetering een
73
noodzakelijk vereischte voor eene billijke straf, dan hebben alle verloopene eeuwen onrecht gedaan met de doodstraf toe te passen; dan zijn de strafwetten van alle landen onrechtvaardig, waarin die straf bedreigd wordt; dan eischt de rechtvaardigheid, dat zij ook uit onze militaire strafwet geschrapt wordt. Maar, Goddank, de meesten hebben van zedelijke verbetering een hooger denkbeeld dan het bekrom-pene, dat alleen mogelijk is in de materialistische wereldbeschouwing, Voor hen, die niets hoogers kennen dan het stoffelijke en zichtbare, die al het streven van den mensch binnen de enge grens van het aardsche leven beperken , die niet weten, dat \'s menschen edelste deel , de ziel, een voortbestaan heeft in de eeuwigheid, voor hen is zedelijke verbetering niet anders dan wat wij boven zeiden, voor hen bepaalt ook de verbetering zich tot het zichtbare, tot dit leven, voor hen dus is de doodstraf een beletsel, dat alle verbetering totaal onmogelijk maakt. Maar wie christelijke denkbeelden huldigt omtrent zedelijkheid, ziet in de doodstraf een zeer krachtig correctief vermogen, dat haar tot eene heilzame straf maakt. „Mij dunkt, zeide de heer Heijdenrijck, dat de Macht, die eenmaal over ons allen het „gij zult den dood stervenquot; uitsprak — ook geen aangenaam philanthropisch, maar onloochenbaar feit — dat die Macht nogal eenig bekeeringsvermogen toeschreef aan den dood. Maar daarvoor moet men het andere leven als einddoel en in onmiddellijk verband met het tegenwoordige beschouwen.\'*
Iedereen, die als christen een hooger leven aanneemt, dat eene voortzetting is van hetgeen den doodschuldige wordt ontnomen, noemt als eerste en voornaamste vereischte van elke bekeering berouw en boetvaardigheid. Verandering van leven is eene vrucht, die alleen het berouw voortbrengt en nog maar onder voorwaarde, dat de bekeerling in leven blijft. Dat nu een moordenaar door den dood te ondergaan boete doet overeenkomstig zijn misdrijf, behoeven wij niet verder te betoogen. Het is eene gedwongen
74
boete, dat is zoo; maar toch eene, die hij met hart en ziel kan aannemen en daardoor vrijwillig maken. Zal hij dat doen ? Ja, wanneer hij berouw heeft. En tot berouw wekt geen straf zoo gemakkelijk op als de doodstraf. Werp niet tegen , dat hij ook gevangenisstraf gewillig als boete kan aannemen; want in die straf ligt niet die prikkel tot berouw, dat noodzakelijk is om haar werkelijk als boete op te nemen. Maar in het aangezicht van den dood geplaatst, ziet een misdadiger zijn leven en daden in een licht, waarin hij ze nooit beschouwd had. De ontzettende gedachte, dat hij binnen eenige oogenblikken moet verschijnen voor een Rechter, die over zijne eeuwigheid gaat beslissen; dat, al kent de mensche-lijke gerechtigheid geene barmhartigheid meer, hij door zich tot God te keeren zijn eeuwig lot verzekeren kan; laat hem niet ongevoelig. Hoevelen , wier bekeering men onmogelijk achtte , omdat zij de gedachte aan een God en aan eene eeuwigheid zoo ver mogelijk van zich verwijderd hielden, bekeeren zich niet, en dat wanneer zij in halfbewusten toestand op het sterfbed liggen uitgestrekt. Dan zeker een schuldige, die met volle bewustzijn zich op den drempel der eeuwigheid geplaatst ziet, wien men zijn toestand niet verzwijgt, tot wien alles spreekt van bekeering. Of zou het vooruitzicht van een gevangenisleven krachtiger werken, meent men ? Zoo er een vonkje geloof nog in hem smeult, zal het opflikkeren ; Op aarde is voor mij alles verloren , zal hij zeggen, laat ik ten minste zorgen voor mijne eeuwigheid.
Dat is geene bespiegeling , maar eene waarheid door de ondervinding gestaafd. Toen de meermalen genoemde En-gelsche Commissie hiernaar onderzocht, werd haar geantwoord, dat de schuldige gewoonlijk zich den tijd vóór het voltrekken van het doodvonnis ten nutte maakt om berouw en godsdienstige gevoelens aan den dag te leggen, terwijl de tot langdurige, zelfs tot levenslange opsluiting veroordeelde altijd bij zichzelf plannen maakt voor het aardsche leven. De kapelaan van Newgate, John Davis, had inruim 20 jaar 24 personen
75
tot dit treurig uiteinde voorbereid en slechts bij één hunner, een Franschman , afkeer van den godsdienst en hoogmoed op zijne hoosheid waargecomen. Halstarrigheid in de boosheid, weigering van bekeering is zeldzaam , vooral als men den schuldige niet alleen tijd en gelegenheid laat om zich voor de eeuwigheid voor te bereiden, maar hem daartoe opwekt. Dit begreep indertijd Lincoln , die , terwijl hij aan een ter dood veroordeelde gratie weigerde en aldus de menschelijke barmhartigheid onthield, des te meer bezorgd was hem Gods barmhartigheid te doen ondervinden. „Aangezien die persoon, aldus beschikte hij, door vele en invloedrijke connexiën heeft trachten gratie te verkrijgen en zich daarmee al den tijd, dien hij in de gevangenis doorbracht, heeft gevleid, aangezien ik hem echter geen gratie kan of mag verleenen, zoo heb ik de voltrekking van het doodvonnis veertien dagen uitgesteld, hem verzekerende , dat hij dan de doodstraf zal ondergaan, opdat hij in dien tijd aan zijne onsterfelijke ziel kunne denken en zich voor de eeuwigheid voorbereiden.quot; Den godsdienst moet men inroepen. Dan vooral moet de priester of de godsdienstleeraar tot den gevangene toegang hebben en hem bijblijven tot op het schavot. En blijft zoo iemand nog weerbarstig, meent gij, dat hij zich dan in de gevangenis, waar niets hem spreekt van de eeuwigheid, zal bekeeren ?
Dat kunt gij niet absoluut zeker weten, roept iemand. Wie weet, misschien zal hij zich bekeeren, als hem nog eenige tijd levens overblijft; gij moogt dat niet onmogelijk maken door zijn aardsche bestaan te vernietigen. — Maar gij verliest uit het oog, dat het hoofddoel der straf niet is bekeeren en verbeteren. Aan het recht moet op de eerste plaats en noodzakelijk voldaan worden en dat met of zonder bekeering des schuldigen. Bekeert hij zich: Goddank, des te beter; volhardt hij in zijne boosheid: dat mag de menschelijke gerechtigheid niet weerhouden. — Maar dat is verschrikkelijk! — Het zij zoo. Doch bedenk daarbij dit; al moet iedereen erkennen, dat hij zich in de gevangenis
76
I
bekeeren lean, niemand verwacht, dat het gebeuren zal. Integendeel, iedereen houdt zich overtuigd, dat een misdadiger, die op het punt staande de doodstraf te ondergaan koud en ongevoelig blijft, nog minder tot berouw wordt opgewekt, wanneer hij het voorwerp is van de humane zorgen van een modern gevangenisstelsel. Wij weten wel, dat deze redeneering bij velen volstrekt niet ia den smaak valt. Allen, die het bovennatuurlijke loochenen, zullen dat heele bekeeringsvermogen en al die verbeteringskracht der doodstraf bespottelijk vinden. En waarlijk zonder christelijke beginselen is er niets van te begrijpen. Bestaat er geen leven na dit kortstondige, dan is zedelijke verbetering door doodstraf eene absurditeit. Maar wij bewezen reeds in eene vorige studie, dat de tegenzin tegen de doodstraf geheel en al op onchristelijke, goddelooze beginselen rust, en het is niets te verwonderen, dat de denkbeelden dier tegenstanders omtrent bekeering en zedelijke verbetering al even onchristelijk en goddeloos zijn als de beginselen, waarop hunne gansche wereldbeschouwing steunt.
Een blik op den zedelijken of liever ouzedelijken invloed van het gevangenisleven doet het verbeteringsvermogen der doodstraf nog beter zien. Volgens het zeggen der afschaffers is de kerker zoo heilzaam voor de gevangenen; deze worden daar zoo braaf en zoo goed. Brengen wij eerst een feit van later dagteekening in herinnering. In \'64 werd te Rietmolen, gemeente Neede, een R. K. Pastoor, de Z. E. Heer Leus, vermoord. Medeplichtig daaraan was zekere Bernardus Duivelshof. Deze werd den lsten December \'64 tot de doodstraf veroordeeld, maar ontving den 14aen April quot;65 gratie, tengevolge waarvan hij 20 jaren tuchthuisstraf zou moeten ondergaan. Prachtige gelegenheid tot zedelijke verbetering! Aan zijn straftijd kwam een einde. Als een nieuw mensch keert hij bekeerd en verbeterd terug in de maatschappij. Eilaas, het duurde geen jaar of hij moest weer gevangen gezet worden, dezen keer als valsche munter, waartoe hij in de gevangenis gevormd was; en nu zal hij verder zijne
77
zedelijke verbetering voltooien. Een op zichzelf staand feit, niet -waar ? Ja, maar zoo ergens, mogen wij hier zeggen: ex iino disce omnes.
De gevangenisstraf wordt doorgebracht of in de eenzaamheid of in gezelschap van anderen. Wat de eenzame opslui--ting betreft, deze moet, om een eenigszins billijk surrogaat van de doodstraf te kunnen zijn, lang duren; een of twee jaar is niet genoeg. Nu levere iemand een enkel bewijs, dat eene langdurige celstraf het slachtoffer verbetert. Nu brenge iemand ons het heilzame en zedelijke daarvan aan het verstand. Neen, de eenige verandering, die daardoor de misdadigers in hunne moraliteit ondergaan, is, dat zij er slechter, veel slechter op worden. Hier staan geen statistieken ten dienste; hier doen geen getallen uitspraak. Hier hebben wij te rekenen op zonden, waarvan nauwelijks de celmuur getuige is. Meestal zijn de tot celstraf veroordeelden menschen in den bloei des levens, dikwijls in krachtige gezondheid. Moeten wij meer verklaring geven om, zonder dat ons de geheimen dier gevangenen zijn toevertrouwd, a priori te besluiten, dat zij zich de treurigste en afschuwelijkste gewoonten tegen de natuur eigen maken ? Die mannen zijn niet geroepen tot het kluizenaarsleven; zij zijn daar geheel en al buiten hunne sfeer. Bovendien getuigen hunne vroegere daden, dat hun geweten verre van teeder is. Hoe dikwijls zullen zij daar niet bezwijken, waar zelfs brave menschen een zwaren strijd zouden te strijden hebben! Dan komen zij vrij, niet zedelijk verbeterd, maar ontzenuwd en verdierlijkt.
Behalve dat verschikkeiijke gevolg eener langdurige eenzame opsluiting, bestaat nog het gevaar, dat de veroordeelde krankzinnig wordt, waardoor zedelijke verbetering onmogelijk is. In Michigan werd in 1847 de doodstraf vervangen door „levenslange eenzame opsluiting met gedwongen arbeid.quot; Maar volgens de verklaring van den gouverneur van dien staat werden de veroordeelden krankzinnig en toonden lust tot zelfmoord; zoodat men de administratie der gevangenis
78
mcest machtigen hen te zamen met anderen harden arbeid te doen verrichten. Deskundigen verzekeren, dat eene eenzame opsluiting van twee jaar hoogst gevaarlijk is voor de verstandelijke vermogens. Maar als iemand tot dien onge-lukkigen toestand gebracht is, waar blijft dan de zedelijke verbetering? Die is immers onmogelijk gemaakt. En als zoo iemand sterft gelijk hij daar is, wat dan? Is het dan niet te betreuren, dat hij niet bij volle kennis, maar ook met waar berouw van het leven ware beroofd?
Met gezamenlijke opsluiting is het niet beter gesteld. Uit de crimineele statistiek van Frankrijk voor het jaar \'83 {Journal officiel Mai \'85) nemen wij eenige cijfers over aangaande recidivisten. In \'81 kwamen er uit de centrale gevangenissen van Frankrijk vrij 5787 mannen; daarvan werden er in het jaar zelf hunner vrijlating 1090 opnieuw gevat, 768 in \'82 en 329 in \'83, totaal 2187 vrijgelatenen, die van den tijd hunner bevrijding tot 31 December \'83, dua in gemiddeld 21/j jaar stof gaven tot 4576 veroordeelingen. In \'82 verlieten 5269 mannen de gevangenis, waarvan er dat en het volgende jaar 1727 dus een derde terugkeerden. Van de 5495, die in \'83 loskwamen, werden in hetzelfde jaar 1076 nogmaals gevat en veroordeeld. Een excellent opvoedingsgesticht zoo een gevangenis! Stel u een gezelschap boeven voor, van allerlei stand en leeftijd, zonder afleiding, altijd bij elkaar. Wat zullen zij elkander verbeteren! Wat een heilzamen invloed zal de een op den ander uitoefenen! De heer Yan Lilaar wilde door disciplinaire straffen en door belooningen, zelfs door uitzicht op gratie hen bewegen goed op te passen. Misschien zullen zij daardoor er toe gebracht worden zich zelden of nooit tegen de tucht te vergrijpen. Maar verbeteren ? Als zij weer vrij zijn, zult gij die verbetering gadeslaan. Men stelt den kerker toegankelijk voor priesters en predikanten. Neem veilig bij hen aan de grootste opoffering in het vervullen van hun plicht; vat een hoog denkbeeld op van den uitslag hunner pogingen; vooronderstel het beste. Maar weet, dat al hunne aanmoedigingen,
79
preeken, goede woorden of wat ook verzwakt, ja veronzijdigd en van al hunne kracht beroofd worden door den vreeselijken invloed, dien de misdadigers voortdurend op elkander uitoefenen. „De geschiedenis van het gevangeniswezen, zegt Mgr. Bos (De afschaffing der doodstraf op christelijk standpunt leoordeeld), is zulk eene verschrikkelijke geschiedenis. Wie haar kent, weet dat nergens meer dan daar de misdaad verhaald, toegejuicht, geleerd, volvoerd wordt. De verleiding is er zoo sterk, zoo brutaal, dat de meesten bezwijken, vooral als hunne straf langdurig zijn moet, en velen meer bedorven en meer gevaarlijk voor de maatschappij die plaats van stoffelijken en zedelijken ondergang verlaten, dan zij er binnentraden, gelijk door de statistiek der recidivi gedeeltelijk wordt aangewezen.quot; Dat bewoog ook den heer De Bruyn Kops tot deze vordering: „Afschaffing der gemeenschappelijke opsluiting, de hoogeschool der misdaad. — Volkomen aanneming van het cellulaire systeem behoort, naar onze meening, het sine qua non te wezen bij eene eventueele afschaffing der doodstraf.quot; {Economist \'65.) De gevangenis is noodzakelijk, en de inrichting er van verdient de meeste aandacht en de nauwlettendste zorg. Maar men bewere niet, dat zij bij langen duur den misdadiger bekeert en verbetert. Integendeel de doodstraf is voor velen het krachtigste, voor niet weinigen het eenige middel tot ware bekeering.
VI.
Een ernstigen indruk maken de tegenstanders der doodstraf door hunne welsprekendheid over hare onherstelbaarheid. Het kan gebeuren en is vaak gebeurd, dat men een onschuldige veroordeelt. Voor elke andere straf nu kan den veroordeelde eenige vergoeding geschonken worden; maar hebt gij hem gedood, dan is alle herstel onmogelijk. Daarom zetten
80
sommigen als beginsel voorop, dat elke straf, wil zij goed wezen, herstelbaar moet zijn, waaruit onmiddellijk de veroordeeling der doodstraf volgt. Hoe komt men echter aan dat beginsel? Wat het denkbeeld van straf ook moge inhouden, zeker spreekt het niet van herstelbaarheid. De rechtvaardigheid stelt voor eene deugdelijke straf niet den eisch, dat zij , eens toegepast, tot zekere hoogte ongedaan kan gemaakt worden. Maar al brengt de aard der straf het niet mee, volgt het misschien uit den aard van \'s menschen feilbaarheid ? Het is eene onomstootelijke waarheid, dat een rechter zich kan vergissen en door zekere aanduidingen misleid een onschuldige voor schuldig houden en veroordeelen. In het bijzonder geldt dit bij zware misdrijven zooals moord, daar deze met meer zorg worden verborgen gehouden en gewoonlijk geen rechtstreeksche getuigen hebben. Dewijl dan dikwijls allerlei omstandigheden de schuld moeten bewijzen tegen de verzekering van den aangeklaagde in, dat hij onschuldig is, kan een rechter zich vergissen. Zoo hij nu het doodvonnis uitspreekt tegen een onschuldige en deze werkelijk op het schavot omkomt, wat is dat niet verschrikkelijk! Moge zulk eene vergissing al zelden plaats hebben, is de mogelijkheid er van alleen niet genoeg om van de doodstraf te gruwen, wat ook te haren gunste pleite ? In het voorbijgaan gezegd, ook geneesheeren kunnen zich vergissen, gemakkelijker dan rechters, en vergissen zich feitelijk meer dan eens; zoodat een geneesmiddel den zieke naar het graf voert; dus geen voorschriften van dokters meer?
Zijn er in werkelijkheid velen ter dood gebracht, wier onschuld later gebleken is ? Wij spreken niet van tegen alle recht indruischende doodvonnissen. Dat zijn moorden; daaruit volgt niets tegen de doodstraf. Yervolgens nemen wij als zeker aan, dat vroeger bij eene onvoldoende rechtspleging gevallen van dwaling voorkwamen. Dat is een gebrek in de rechtspleging en pleit dus evenmin tegen de doodstraf. Maar of bij onze hedendaagsche rechtspleging
81
met al hare onderzoekingen, met hare openbaarheid, met de vrijheid van verdediging, met de onafhankelijkheid der rechterlijke macht, nog onschuldigen veroordeeld worden, is eene andere vraag. In \'65 schreef de heer De Bruyn Kops, „dat er bij ons geen bekende twijfel omtrent terdoodveroordee-lingen bestaat,quot; De Engelsche Commissie ontving niet veel zekerheid, of er werkelijk op onschuldigen doodvonnissen waren uitgevoerd. Jaren lang heeft het volgende voorbeeld dienst gedaan. In Frankrijk werd ten jare 1797, als mededader van een moord en diefstal op een koerier en een postiljon op den weg tusschen Lyon en Parijs, onthoofd een zekere Lesurques, wiens onschuld later zou gebleken zijn. Yóór de executie rees er ernstige twijfel, of de getuigen zich ook in hem hadden vergist. De wet gaf destijds geen recht van gratie, en het directoire durfde de executie niet schorsen zonder goedvinden van het Wetgevend Lichaam. Dit werd gevraagd, maar zonder bijvoeging van andere gronden, dan dat een der moordenaars, die eigen schuld beleden had, Lesurques onschuldig verklaarde. Het Wetgevend Lichaam besliste, dat het recht zijn loop meest hebben. Iedereen ziet, dat daar de rechterlijke macht aan hare verplichting te kort schoot. Hoe het echter zij, de mogelijkheid van dwaling bestaat.
Wij zouden er op kunnen wijzen, dat het voor den mensch met dit leven niet gedaan is. Non ornnis moriar, is waar in een hoogeren zin dan waarin Horatius het zeide; zoodat een onschuldig ter dood gebrachte daarom alleen nog niet een verloren man is. Maar wij willen op die waarheid niet aandringen; omdat alleen zij eene straf niet kan rechtvaardigen , die om andere redenen ongeoorloofd zou bevonden worden. Ondanks die waarheid blijft de dood eene vernietiging van al het goed, dat men in de zichtbare orde genieten kan.
Ook willen wij niet te veel nadruk leggen op de noodzakelijkheid der doodstraf voor de veiligheid der burgers, ofschoon dit wel iets zegt. Tegenover fa mogelijlcJieid, maar
82
ook volstrekt niets dan de mogelijicheid, dat bij het bestaan van de doodstraf iemand onschuldig het leven verliest, staat de groote waarschijnlijkheid, om niets meer te zeggen, dat bij de afwezigheid dier straf verschillende onschuldigen op wreede wijze omkomen. Mag men nu door te weinig afschrikking het leven van vele onschuldigen in gevaar brengen , alleen omdat het anders misschien wel zou kunnen gebeuren, dat er iemand onschuldig gedood wordt? Wanneer hier eene keuze te doen is, moet men die regeling verkiezen, waarmee het minste gevaar voor het leven van onschuldigen verbonden is. Welnu daar is ontegenzeggelijk minder gevaar voor menschenlevens, waar de doodstraf bestaat, dan waar zij niet bekend is.
Plaatsen wij ons op het standpunt van het recht, dan zal blijken, dat de onherstelbaarheid der doodstraf hare afschaffing niet wettigt. In een vorig artikel bewezen wij , dat God aan de wereldlijke overheid het recht geschonken en den plicht opgelegd heeft sommige misdadigers ter dood te brengen. God had den mensch niet onfeilbaar gemaakt; toch stelde Hij hem in sommige gevallen aan als meester over het leven van zijn evenmensch. Nu is het eene vreeselijke waarheid, niet alleen dat de mensch dat recht schromelijk kan misbruiken, maar ook dat zijne feilbaarheid een oorzaak van onheil kan zijn voor de maatschappij. Volgt daaruit, dat hij het recht niet heeft of, wat op hetzelfde neerkomt, niet mag gebruiken? Dewijl gij van een recht een verkeerd of ongelukkig gebruik kunt maken, hebt gij het daarom niet? OndanJcs zijne feilbaarheid en onafhankelijk daarvan is hem dat recht geschonken. Hij mag dus en moet somtijds de doodstraf uitoefenen, al kan zijne feilbaarheid hem een onschuldige doen berooven van het hoogste goed, waarop hij aanspraak heeft. — Maar dan is het een geducht recht. — Dat is het ook. En ziedaar de eenige gevolgtrekking, waartoe de onherstelbaarheid leidt. Het is niet een voorrecht, de overheid tot genoegen geschonken, niet eene eer, die hem boven anderen
83
verheft, maar een recht, dat hem eene zware verantwoordelijkheid oplegt, en over welks gebruik hij eenmaal zeer strenge rekenschap zal geven. Wel mag hij sidderen, ais hij te heslissen heeft, of hij het in een bepaald geval moet uitoefenen of niet, en daarom is hij verplicht alle voorzorgen te nemen , die menschelijker wijze eene vergissing onmogelijk maken.
Niet op alle misdaden mag zoo maar de doodstraf bedreigd worden. Altijd vordert de rechtvaardigheid verhouding tusschen misdrijf en straf; zoodat de strengste aller straffen niet dan op de zwaarste misdrijven volgen mag. Evenzeer staat het vast, dat een rechter zoo nauwgezet mogelijk moet wezen in zijn onderzoek en zoo rechtvaardig mogelijk in zijne uitspraak, opdat nooit een onschuldige veroordeeld worde of een minder schuldige een te zware straf ont-vange. Zoo ooit, dan zeker in eene zaak, waarmede een menschenleven gemoeid is, moet de rechter zonder overijling of lichtzinnigheid te werk gaan, moet hij al zijne ernst en zorgvuldigheid gebruiken om te straffen overeenkomstig het misdrijf, moet hem eerst blijken of er schuld is en in hoever. Stelt hij dat onderzoek niet in of slechts oppervlakkig, vonnist hij maar op gegevens, die de zaken niet genoegzaam aan het licht brengen, dan voldoet hij niet aan de eischen der gerechtigheid, is zijne uitspraak willekeur. Nu is het waar, ook den rechtschapensten rechter kan de schijn misleiden. Omstandigheden kunnen zoo ongelukkig samenloopen, dat zij een of anderen persoon ondanks zijne onschuld als bedrijver eener misdaad met zekerheid schijnen aan te wijzen; zoodat de rechter, in de meening, dat hij met een rechtvaardig vonnis een schuldige treft, een onschuldige ongelukkig maakt. In zulke gevallen echter zal eene kalme, onbevangene beschouwing wel een of ander punt ontdekken, dat meer opheldering en dus nog verder onderzoek vraagt. Dan is de rechter tot verder onderzoek verplicht. Want een doodvonnis uitspreken mag hij niet, tenzij de schuld zeker zij.
84
Maar geeft eene rechtspleging, waarbij alles wordt gedaan om tot zekerheid te komen, geen waarborgen genoeg voor het leven van onschuldig en ? Welnu de rechtvaardigheid zelve gehiedt zulke voorzorgen aan te wenden, die eene dwaling in het doodvonnis onmogelijk maken. Ten laatste kan het hoofd van den staat altijd het recht van gratie toepassen en moet daarvan gebruik maken, zoolang er nog eenige twijfel, hoe licht ook, omtrent de schuld des veroordeelden overblijft. Daar gebeuren helaas moorden genoeg , waarvan de dader met zekerheid bekend is, waar dus aanstonds vergissing is buitengesloten , en voor zulke gevallen doet de onherstelbaarheid geen wapen tegen de doodstraf aan de hand. In twijfelachtige zaken vordert de rechtvaardigheid vooreerst een allernauwkeurigst onderzoek, en meent daarna de rechter in geweten, dat hem genoeg bewijzen van schuld geleverd zijn om het noodlottig vennis uit te spreken, dan kan altijd het recht van gratie den aangeklaagde voor den dood bewaren , als er nog eenig duister over zijne zaak mocht liggen. 1)
Tegen de doodstraf kan de onherstelbaarheid niet als moeilijkheid worden opgeworpen, hoogstens tegen de rechtspleging, want de doodstraf zelve voert in geen geval uit haren aard tot dwaling. Eischt de rechtvaardigheid die straf, zij vordert tevens met gestrengheid, dat de rechter alle mogelijke voorzorgen neme om eene dwaling te voorkomen. Uit haren aard is hel dus geen straf, die herstelbaar behoeft te zijn. Dwaling komt slechts van den kant
1) „Beperkt de doodstrsf tot enkele, zeer exceptioneele misdaden, laat verzachtende omstandigheden en daarmee de ruimst mogelijke deelbaarheid der straf toe; als correctief voor den uitereten nooci hebt ge dan nog het recht van gratie, uitgeoefend door tusschenkoms:; van een minister, dien ge elk oogenblik ter verantwoording oproepen kunt. In gemoede, mijne Heeren, is daarmee niet genoeg voor het leven der booswichten gezorgd?quot; Heijdenrijck in de Tweede Kamer, Mei \'70.
85
der rechters. Wie derhalve uit de onherstelbaarheid der doodstraf eene practische gevolgtrekking wil maken, kan en moet vorderen, dat de rechtspleging op die wijze geschiede, dat er van herstel nooit spraak is; en dit is mogelijk. De heer Cornells beklaagde bitterlijk in de Tweede Kamer den rechter, die een onschuldige ter dood veroordeeld heeft. „Zal hij zich niet de hardste verwijten te maken hebben , wanneer uit de eene of andere omstandigheid de onschuld van den veroordeelde blijkt, wanneer hij die bij een meer nauwgezet onderzoek had kunnen ontdekken?quot; Dat zal wel uitkomen. Maar is het tegen den rechter of tegen de doodstraf gezegd ? In eene populaire voordracht over de doodstraf stelt Mr. P. Van Bemmelen zich voor : „Slordige, vadsige rechters, met veel gemakzucht en begaafd met een niet gevoelig geweten, of zich geheel latende beheerschen door een openbaar ministerie, hetwelk slechts oogen heeft om schuld te zien en behagen schept in veroordeeling.quot; Dan roept hij pathetisch uit; „Welk een vreeselijk wapen is dan niet de doodstraf!\'\' Misschien kan zulk een argument in eene populaire voordracht effect maken; maar in zich is het onnoozel. Ware de rechterlijke macht gelijk de hier geschilderde, dan moest men uitroepen: Wat zijn zulke rechters een vreeselijk onheil voor een land! Wat kunnen zij door de doodstraf vele ongeluk-kigen maken! Dus weg met de doodstraf? Neen, verbetering van de rechterlijke macht! Wanneer een doortrapt booswicht tegenover zijn vijand staat, kunt gij in waarheid zeggen; Wat is een revolver dan een geducht wapen, en des te geduchter, naarmate de moordenaar minder te vreezen heeft van de rechterlijke uitspraak, naarmate hij minder wordt afgeschrikt dat wapen te misbruiken ! Dus weg met de revolvers ? Neen, dood aan de moordenaars!
86
VII.
Door voor eene straf te pleiten, die zoo zeer tegen het men-schelijk gevoel strijdt, laadt men wel den schijn op zich een koud en ongevoelig hart rond te dragen. Men zal er altijd op terugkomen, dat iemand geweldadig van het leven te berooven iets verschrikkelijks is; dat de doodstraf alleen hij verouderde rechtsbegrippen past; dat zij een erfstuk is van een ruwer tijd. Ons wordt het schavot getoond met al zijne gruwelen en foltertuigen; met levendige kleuren schildert men zijne bloedige tooneelen; wij moeten het gekerm en geschrei der ongelukkigen hooren. Daartegenover staat onze teedere eeuw van menschlievendheid met hare zachtzinnige dierenbeschermers, met hare liefdadigheidsinstellingen voor honden, met hare wetten en voorzorgen, dat er geen beestenbloed vergoten worde, of als het noodzakelijk is, dat het dan zoo zachthandig mogelijk geschiede. Past nu die wreedheid voor onzen tijd ? Moge de doodstraf in zich al verdedigbaar wezen en in vroeger tijden op hare plaats geweest zijn, moet gij niet toegeven, dat de menschheid zulk eene wijze van beteugeling is ontwassen? Zijn de kreten van een terechtgestelde niet een schrille wanklank in het lied van menschlievendheid en beschaving onzer 19c,e eeuw? Plaatsen wij onze beschaving en de doodstraf eens naast elkander.
Dat de doodstraf niet strookt met wat men thans beschaafde denkbeelden noemt, is uitgemaakt. Wij zijn er zoo ver van verwijderd dit te ontkennen, dat wij in ons vorig artikel over dit onderwerp juist bewezen, dat de tegenstand uit de door vele toongevenden gehuldigde philosophische beginselen voortkomt. Wij toonden aan, hoe thans bij velen alle begrip verloren is van recht, van plicht, van gezag, van goed en kwaad, van zedelijkheid, van God, en hoe de bestrijding van de doodstraf ten laatste daarop steunt. Zeer waar is
87
het, dat sinds de goddelooze beginselen der vorige eeuw zich meer en meer ontwikkelden en verspreidden, zich van het studeervertrek een doortocht haanden in het leven en eene vreeselijke toepassing vonden hij de mannen der practijk, dat sinds toen de doodstraf in botsing kwam met de bij velen geldende denkbeelden. Van hen was het consequent gehandeld \'die straf uit ons strafrecht te schrappen. Maar wat is dan noodig ? Dat men doorgaat in die heillooze consequentie? Moet men die beginselen nog maar verder uitwerken, verder toepassen en voor niets stilstaan, totdat de gansche maatschappelijke orde ten onderste boven is gebaald ? Een gevaarlijk streven. Als nu de doodstraf strijdt tegen de tegenwoordige denkbeelden en beginselen omtrent de hoogste waarheden, ligt de fout niet in die straf, die door het natuurrecht gebillijkt en gevorderd wordt, maar in die denkbeelden en beginselen. De harmonie moet niet hersteld worden door afschaffing der doodstraf, maar door terugkeer tot goede, deugdzame begrippen. Want hoe meer het waar wordt, dat onze beginselen de doodstraf veroordeelen, des te ongelukkiger voor de maatschappij.
Maar toch die wreede straf in zulk een beschaafden tijd! Welnu wat is er van die wreedheid en van die beschaving?
Laat ons nu niet door roerende verhalen en levendige schilderingen van executiën op het gevoel werken. In de doodstraf ligt eene zekere wreedheid; dat is zoo. Maar wel te verstaan geen wederrechtelijke, doch eene hoogst rechtvaardige wreedheid. De moordenaar was wreed tegen alle recht en billijkheid in; en veelal is de dood door moord veel bloediger, veel wreeder dan de dood op het schavot, waar alles er op ingericht is om noodelooze martelingen te voorkomen. Laat nu ook de straf wreed zyn, heeft de moordenaar die niet verdiend? Het is akelig voor het gevoel; maar wat zegt het koude verstand er van ? Het zij zoo, dat den schuldige de angst om het hart slaat, wanneer hij zijn doodvonnis hoort; dat de dagen, die zijne terechtstelling
88
voorafgaan, verschrikkelijk voor hem zijn; dat zijn toestand van in- en uitwendig lijden nauwelijks te beschrijven is. Maar vraag het den Echuldige zelf, of men hem onrecht aandoet, en daarover zal hij niet klagen. Waartoe toch dat medelijden met den booswicht, en geen medelijden met het slachtoffer, dat onvoorbereid zijne eeuwigheid is binnenge-, voerd! Het is alsof men altijd de aandacht zooveel mogelijk van den vermoorde en zijne nagelat enen wil aftrekken om maar deernis op te wekken met den moordenaar. Het is opmerkelijk, dat sommigen zooveel sympathie voor misdadigers ten toon spreiden. Blijken van vreugde behoeven wij bij eene terechtstelling niet te geven; wij kunnen veilig ons menschelijk gevoel laten werken en innig medeleden toonen met den veroordeelde, gelijk wij iedereen over de droevige gevolgen zijner booze daden beklagen. Maar daarin vinden wij geen reden ons tegen het recht te verklaren, dat hem. toedeelt, wat hij verdiend heeft.
Wondere inconsequentie van die heeren afschaffers! Met het argument van de wreedheid der straf springen zij om naargelang de personen, die zij vóór hebben. Meenen zij , dat de gevoeligheid bij hun tegenstander tamelijk ontwikkeld is, dan heet het: wat is de doodstraf wreed; laat ons toch de misdadigers wat humaner behandelen! Vreezen zij met dat argument geen doel te treffen, dan klinkt het omgekeerd: de doodstraf is niet erg genoeg; zij helpt iemand te spoedig van zijne straf af; brengen wij hem liever in de gevangenis. Beccaria, de teerhartige baanbreker voor de afschaffing, vordert „dat de wetgever ook in den misdadigste het leven eerbiedige;quot; maar welke eerbiedige behandeling hij voor moordenaars wenschelijk achtte , hebben wij boven reeds aangehaald: „levenslangen, openbaren, zwaren dwangarbeid, met behandeling als lastdieren.quot; Die heeren moesten wat meer gezonde begrippen van recht hebben en minder ongezonde denkbeelden van menschelijkheid.
En dan de beschaving van de 19de eeuw! Cela faitpitié! Hoe kan men met een ernstig gezicht daarop bogen! Aan
89
stoffelijke beschaving ontbreekt het niet. Voor ontwikkelde dieren hebben wij het verbazend ver gebracht. Wij hebben gas, machines, spoorwegen , stoombooten, telegrafen, tele-phonen, electrisch licht, enz., enz. Maar is die beschaving onvereenigbaar met de doodstraf ? Misstaat een schavot tusschen twee telegraafpalen, als er spraak is van recht ? Of wil men beweren, dat door die beschaving de menschen beter zijn geworden, en meer afschuw gevoelen voor misdaden , waarvoor de rechtvaardigheid de doodstraf eischt ? Het is waarlijk, alsof sommigen dat bedoelen, ofschoon wg moeite hebben zulk eene dwaasheid bij iemand te vooronderstellen. 1)
Anderen zoeken het zwaartepunt in de verstandelijke beschaving, en verwachten alle heil van het onderwijs. Het onderwijs, de groote vijacd van de misdaad, zou oneindig veel heilzamer werken dan alle straffen. — Alsof de door ons onderwijs verkregen verstandelijke beschaving een tijdvak opende, waarin zware misdaden niet meer kunnen voorkomen. Eene kleine herinnering. Ons vaderland onderhoudt op staatskosten de Leidsche giftmengster, eene vrouw uit de volksklasse; maar Frankrijk kan wijzen op zijn wetenschappelijken giftmenger Pel. Als onze Vrouw Van der Linden beter onderlegd ware geweest in de scheikunde, als zij in het bijzonder de gift-leer bestudeerd had, zoodat zij op een prik had geweten,
1) Voor de aardigheid schrijven wij een woord af, door den heer Cremers in de Tweede Kamer gesproken; doch wij zullen een paar woorden onderschrappen.
„Gisteren nog, (d. i. 17 Mei aquot; 1870) deelde eenonzermedeleden die {om eene omschrijving ie gebruiken) buiten deze vergadering geroepen is de misdadigers te vervolgen en daardoor onze personen en goederen te beschermen , mij mede, dat terstoni na de invoering der gasverlichting en der telegrafen eene groote vermindering van misdaden kon worden geconstateerd. Dus de meerdere zekerheid van gestraft te zullen worden en meerdere verlichting en beschaving doen de misdaden afnemen, en \'niet de vreea voor de doodstraf.quot; Elk woord is kostbaar.
90
hoe men zonder opzien te baren, iemand het goedkoopst en het gemakkelijkst van het leven kan berooven; zou zij dan minder pogingen hebben aangewend tot vergiftiging ? — Maar dat is eene geringschatting van den invloed van ons onderwijs. — In geenen deele. Dewijl het moderne onderwijs geheel en al afgescheiden is van godsdienstige opvoeding , bestaat het uitsluitend in vermeerdering van kennis; en dan nemen wij zonder bewijs eens aan, dat het de kennis op buitengemeene wijze vermeerdert. Maar wat vermeerdering van kennis, zonder opvoeding, zonder godsdienst tegen misdaden vermag , moet nog verklaard worden.
Indien er eenige beschaving niet met de doodstraf samengaat, is het de zedelijke beschaving. En staat onze eeuw daarin op een hoogen trap ? Wie zich eiken dag een vluchtigen blik gunt in een of ander dagblad , komt door de telkens herhaalde berichten van nieuwe misdaden spoedig tot de overtuiging, dat de zedelijke beschaving onzer eeuw op een laag peil staat; en hem zal al die ophef van onze zachtere zeden vrij raadselachtig klinken. Ook vroeger werden er misdaden gepleegd; maar men had ten minste meer besef, dat het misdaden waren en schaamde er zich over; thans treedt de misdaad veel driester te voorschijn. Zoolang echter zulke gruwelijke moorden plaats grijpen als thans herhaaldelijk, zoolang kan onze zedelijke beschaving de doodstraf niet missen. Tegen den tijd der Fransche revolutie redeneerde men op dezelfde wijze ; en waar liep die beschaving en die zachtere zeden niet op uit! Ons streven moet wel zijn het menschdom tot zulk eene zedelijke volmaaktheid op te voeren, dat er geen zware misdaden meer gepleegd worden. En zijn wij eenmaal zoo ver, dan valt de doodstraf van zelf weg, omdat er geen reden meer bestaat haar toe te passen. In dien zin zijn ook wij voor de afschaffing er van. Maar hoe ver onze eeuw van het ideaal van zedelijkheid verwijderd is, blijkt eenigszins uit de walglijke belangstelling en sympathie voor het schepsel, dat Sukirado vermoord heeft. Wanneer onze eeuw van beschaving en humaniteit kon zeggen ; Zie
91
zoo ver zijn wij gevorderd, dat er geen misdaden meer plaats grijpen, die billijkerwijze met den dood kunnen gestraft worden, — dan eerst kon men in naam der beschaving aan de afschaffing der doodstraf denken, of liever dan had de beschaving zelve de doodstraf reeds doen vervallen. Maar zoolang de zedelijke toestand niet verbetert, is al dat geroep tegen de doodstraf in raam van verlichting, beschaving en wat al niet, phraseologie, die echter de stem der gerechtigheid niet tot zwijgen zal brengen.
P. B. Beüin.