-ocr page 1-
-ocr page 2-

OVERGEDRUKT UIT DE STUDIËN

OP

Godsdienstig, Wetenschappelijk en Letterkundig Gebied.

XX Jaarg. Dl. XXIX.

DE SOCIALE ROEPING DER CHRISTELIJKE LIEFDADIGHEID

DOOR

P. B. BRUIN.

UTRECHT, P. W. VAN DE WEIJER. 1 88 7.

-ocr page 3-
-ocr page 4-

1IE SOCIilE EOEP11 m CiiSIEUIE IIEFMHD.

i.

Geen gezond maatschappelijk leven zonder naastenliefde. Daar de natuur zelve der maatschappij meebrengt, dat hare ledematen niet alleen voor een persoonlijk doel arbeiden, maar ook voor het algemeen welzijn, en daar zij belangen van anderen niet kunnen noch willen behartigen, tenzij de naastenliefde hen beweegt, is deze de voornaamste sociale deugd, is niets zoo antisociaal als het egoïsme. Beschouwt men haar gelijk zij door rijken tegenover armen wordt beoefend, dan heet zij liefdadigheid. Het is deze uiting der liefde, welke wij tot onderwerp dezer studie gekozen hebben. Wij zien niet voorbij, dat ook de armen de rijken moeten beminnen ; maar dat zullen zij, wanneer ware liefdadigheid beoefend wordt.

Liefdadigheid is zoo schoon, dat iedereen gaarne althans den naam heelt haar te beoefenen; zoozeer dringt hare noodzakelijkheid zich aan de maatschappij op, dat zij zich niet gemakkelijk laat verbannen. Offers moge zij opleggen, toch zal men haar omhelzen. Wat men van de katholieke Kerk ook vernietigen wil; hierin tracht men haar na te doen. Tegelijk met de pogingen om de christelijke liefdadigheid , de eenig ware vruchtbare, te dooden, zoekt men haar door een namaaksel, de moderne philanthropie, te vervangen. Want liefdadigheid, iedereen voelt het, moet er zijn.

-ocr page 5-

2

Wij noemden haar eene uiting der liefde. Sommigen rekenen haar tot de rechtvaardigheid. Het liberalisme zal ook aalmoezen geven, maar vraagt daarbij, wat het er voor terugvangt. Het denkt zich een quasi-contract, waarbij de rijke iets van zijn geld en goed afstaat en de arme zijne diensten aanbiedt. Maar niet op de verplichtingen van de armen tegenover de rijken steunt de liefdadigheid , die de maatschappij moet redden. Niet rechtvaardigheid in strikten zin, maar onbaatzuchtige liefde, die vrijwillig de noodlijdenden te hulp komt, kan den scheidsmuur tus-schen rijk en arm omverhalen 1).

„De armen hebt gij altijd bij u.quot; Geen vernuft, geen bemoeiing des menschen is in staat dit woord des Zaligmakers te beschamen. Vrij mogen de staathuishoudkundigen stelsels uitdenken; theorieën opzetten omtrent een min of meer gelijkmatige verdeeling van den rijkdom; wetten uitvaardigen ter voorkoming van sociale wanverhoudingen; de armoede zal immer blijven. Zelfs zal zij, aan zichzelve overgelaten, altijd ellende na zich sleepen en tot pauperisme voeren. Daarom moet zij voortdurend bestreden worden. Het is een standvastige sociale toestand, die een standvastig tegenwicht noodzakelijk maakt, en dat geeft de christelijke liefdadigheid, die daardoor eene sociale roeping ontvangt.

De plicht der liefdadigheid rust op den eigendom als zoodanig, omdat deze tot welzijn der gansche maatschappij als haar stoffelijke grondslag door God is ingesteld. Uit de behoeften door de natuur den mensch ingelegd vloeit-het recht op bezit noodzakelijk voort, en daarop steunt

1) „Waar het begrip van Rechtvaardigheid weder wordt gevoeld en in het leven treedt, zal ook de menschelijke maatschappij den gezonden aanblik weder bekomen,quot; zegt Mr. Quack in het Gidsnummer van Juli \'86. üit het beginsel van Sociale Uechtvaardightxd verlangt hij in de bezittende klas mededeelzaamheid tegenover de van aardache goederen verslokenen. Dat is een van onze bezwaren tegen zijn geroemd artikel.

-ocr page 6-

3

zijne rechtvaardiging. Eerst en vooral echter heeft de mensch behoefte aan de onontbeerlijke middelen van zijn bestaan. Daarop heeft hi] recht als op zijn bestaan zelf; en daar hij er nooit buiten kan, moeten zij hem altijd ten dienste staan. Maar wanneer hy nu niet in staat is door eigen arbeid die middelen te verdienen, noch andere rechtstitels op het bezit er van kan doen gelden, wat dan ? Zich vergrijpen aan eens anders goed mag hij niet, want ieders eigendom is heilig 1). Maar wat dan? Dan heeft hij het onvervreemdbaar recht, niet om een deel van eens anders bezit als het zijne op te vorderen, maar om zijne behoefte bloot te leggen en hulp te vragen. In den bezitter beantwoordt hieraan de plicht der liefdadigheid. Wat baatte anders den arme het recht van vragen. — Men kan niet aannemen, dat God den eigendom heeft ingesteld om den eenen mensch alles te schenken , hem naar hartelust te laten grijpen in de schatten der natuur, terwijl de ander van ellende en gebrek vergaat. Dit zou toch zijn, als de eigendom niet den plicht van liefdadigheid meebracht. De rechtvaardigheid alleen schept niet de ware verhouding, daar zij den arme van het bezit des rijken afhoudt, en den rijke niet oplegt aan den arme, wien hij niets dankt, geld of goed te geven. Toch moet de eigendom tot heil der gansche maatschappij strekken , niet tot genot van enkelen; toch kan in het maatschappelijk leven de mensch zijn aardsche doeleinden niet zonder bezit bereiken. Daar blijft niet anders over dan dat de rijke van een deel zijns over-vloeds vrijwillig afstand doet ten gunste van hem, die niet door eigen krachten in zijn onderhoud kan voorzien. Zonder dat houdt de eigendom op de stoffelijke grondslag der maatschappij te zijn.

Vergeefsch zullen alle pogingen blijven om de verschillende standen gelijk te maken. Zelfs het collectivisme is daartoe niet bij machte. Eene groote ongelijkheid spruit

1) Wij laten hier den casus extremae necessitatis buiten bespreking.

-ocr page 7-

4

voort uit het eigendomsrecht en is voor de maatschappelijke organisatie noodzakelijk. Eene maatschappij, waarvan de leden allen gelijk willen zijn, gaat te gronde. Het is de oude fabel van de ledematen en de maag. Gelijk het men-schelijk lichaam edele en minder edele deel en heeft, zoo moeten er in de maatschappij hooger en lager geplaatste personen zijn. Naast eene heerschende klasse moeten er zijn, die dienen, die werken voor anderen, die hun arbeidskracht aan anderen verhuren. Zoo zal armoede steeds het lot van velen zijn. Maar wat is dat in zich niet hard voor dengene dien het treft! Anderen volop te zien genieten van het vette der aarde zonder dat het hun kost, en zelf met veel slaven en zwoegen nauwelijks, soms niet het noodzakelijk levensonderhoud machtig worden ! Maar daar treedt de liefdadigheid tusschen beiden en maakt de ongelijkheid, die ook zij niet kan wegnemen, minder voelbaar door met het te veel des rijken het te weinig des armen aan te vullen. Den arme met heenwijzing op het hiernamaals tot geduld en lijdzaamheid aansporen is zeer nuttig; want niets beeft zooveel kracht om de hardheid van zijn lot te verzachten als de godsdienst. Maar dat is niet genoeg. Ook een stoffelijk middel moet tot datzelfde doel worden aangewend ; de christelijk geschonken en christelijk ontvangen aalmoes.

Hieruit kan men het valsche, wreede spel doorschouwen van het socialisme. Liet de schrilste kleuren schildert het de ongelijkheid van standen en stelt daarbij den rijkdom gelijk aan buitensporige weelde en de armoede gelijk aan vernederende ellende. Die ongelijkheid wegnemen, de armoede opheffen kan het socialisme niet, wat schitterende beloften het ook moge doen. Integendeel zij doen de armoede veel meer gevoelen en maken haar tot een ondraaglijken last. Van den anderen kant prediken zij, dat de aalmoes voor den arme onteerend is en dat rijken slechts liefdadig zijn om de armen steeds meer te onderdrukken. Op die wijze maken zij het groote middel in de stoffelijke orde om de armoede te verzachten machteloos. Met uitdrukkingen van

-ocr page 8-

5

vriendschap doen zij de kwaal verergeren en nemen het geneesmiddel weg.

Daar was een tijd, die de liefdadigheid niet kende, een tijd, waarmede onze eeuw in menig opzicht eene treffende overeenkomst vertoont, de tijd van het oude heidendom. De Kerk nog in hare jeugd predikte de naastenliefde als een nieuwen, ongekenden plicht, en beoefende haar zoo, dat weldra de christenen daaraan te onderkennen waren. Wie nu de geschriften doorbladert van de kerkvaders der eerste eeuwen, staat verbaasd over de krachtige uitdrukkingen, waarmee zij op de liefdadigheid aandrongen. Ja menigeen , die slechts oppervlakkig leest, zal misschien minder gesticht zijn. In onzen tijd van socialisme zou men bijna bezwaar maken ze te herhalen. Zoo noemen zij den rijkdom gemeengoed van allen, ook van de armen; terwijl de rijken door God zijn aangesteld als rentmeesters, die gevende van hun overvloed, aan de armen schenken, wat hun naar Gods beschikking toekomt. Van de woorden dier groote leeraars der H. Kerk zou ten gunste van het socialisme een schromelijk misbruik gemaakt kunnen worden. Uit hun verband gelicht geven zij aanleiding tot misduiding en zouden zij in een socialistisch blad niet vreemd voorkomen. Zoozeer schijnen zij oppervlakkig beschouwd eene opvordering tot vernietiging van privaat eigendom en tot invoering van het collectivisme te behelzen. Maar wel verre van een gedwongen afstand te eischen van persoonlijk bezit, wekten zij op tot de vrije gift der liefdadigheid. Deze verkondigden zij als een duren plicht, niet van strikte rechtvaardigheid tegenover den arme, maar van liefde tegenover den naaste en rechtvaardigheid tegenover God. Wanneer wij hierbij in het oog houden, dat zij die prediking deden hooren aan eene heidensche maatschappij, aan eene maatschappij zonder liefde, dan wordt het ons verklaarbaar, waarom zij, oratorische wendingen gebruikende, zoo krachtig waren in hunne uitdrukkingen. Die woorden in hun samenhang gelezen en beoordeeld naar den tijd en de omstandigheden,

-ocr page 9-

6

waarin zij gesproken zijn, dulden geeu misduiding in soci-alistischen zin; maar wel geven zij te kennen, hoe die groote mannen, die van den geest des Christendoms zoo doordrongen waren, dachten over de christelijke liefdadigheid. Den bijzonderen eigendom, niet aantasten en vernietigen, maar voor de gansche maatschappij vruchtbaar maken, ziedaar de strekking hunner woorden.

Van communisme willen wij thans weinig hooren, omdat het zoo socialistisch klinkt. Toch moet er eene zekere gemeenschap van goederen bestaan, mits voortgebracht door de liefde. Het is zeer juist gezegd, dat de rijkdom bestemd is voor de gansche maatschappij. Niet alsof alleen collectief bezit gewettigd ware; maar het particulier eigendom moet strekken tot heil der gansche gemeenschap, zal het den stoffelyken grondslag van het maatschappelijk leven uitmaken. Hierdoor zijn aan het privaat bezit grenzen gesteld. En zóó ligt dit in de natuur ingedrukt, dat het menschdom nooit vrede zal nemen met een egoïstischen eigendom , met een eigendom , die zich in zichzelven opsluit, die slechts een deel der menschen ten goede komt, en waarvan de bezitters met onverschillig oog den nood van anderen mogen aanzien. — En zou ook de armoede niet voor de gansche maatschappij zijn ? Zou niet het gansche menschdom daarin moeten deelen op dezelfde wijze, waarop het in zijn geheel de vruchten van den rijkdom mag genieten? Wanneer wij de armoede met haar bitteren nasleep beschouwen van een christelijk standpunt, dan zien wij er eene straf in voor den gevallen mensch; eene straf, die het gansche menschdom moet treffen. Niet op een gedeelte van ons geslacht moet de kastijding in hare volle zwaarte en hardheid zonder eenige verzachting neerkomen, terwijl het andere gedeelte onbekend met de straf alleen geniet zonder stoornis. — Rijkdom en armoede zijn dan voor de gansche maatschappij. Aan die tegenovergestelde eischen voldoet de liefdadigheid. Terwijl de rijke niet door eene ijzeren noodzakelijkheid tot armoede gedwongen wordt,

-ocr page 10-

7

noch de arme in de mogelijkheid is door eigen kracht iets van de goederen der aarde te verkrijgen, rust op den rijke de plicht om door vrijwillige gaven, van den eenen kant den arme te doen deelen in den rijkdom, van den anderen kant zelf de armoede mede te dragen. Ziedaar het communisme der liefde. Dat moet bestaan, en waar het afwezig is, komt men er vanzelf toe het communisme door den dwang der wet te eischen. Op die wijze heeft het socialisme gelijk elke dwaling een waar, hoewel verkeerd toegepast beginsel tot grondslag: de noodzakelijkheid van zekere gemeenschap van goederen. Vandaar dat reeds het heidendom communistische stellingen opzette. Als Plato voor zijne model-republiek het communisme door de wet voorschreef, had hij de natuur des eigendoms vrij goed doorschouwd maar in de maatschappij, waarin hij leefde, had hij geen gelegenheid gehad de liefde te leeren kennen. Waar de liefde niet vrijwillig van den overvloed mededeelt, wordt ook de onschendbaarheid van den eigendom niet langer geëerbiedigd. De eigendom tegen zijne natuur gebruikt gaat zijne vernietiging te gemoet. Het is niet te verwonderen , dat de rijkdom door tot een zelfzuchtig, hardvochtig kapitalisme te ontaarden, een bestrijder op leven en dood vindt in het pauperisme, dat uit de verwaarloosde armoede dreigend is opgegroeid. De rijke daarentegen, die zijne schatten besteedt volgens Gods inzichten, bekleedt eene eereplaats in de schepping; daar in hem Gods goedheid en milddadigheid zich afspiegelt. Tegenover den arme is hij het beeld van Gods voorzienigheid, hij is in zekeren zin de aardsche voorzienigheid van zijn minder bedeelden broeder. Maar zulke opvattingen sluiten alleen in het christelijk stelsel.

II.

Tot vervelens toe hooren wij den lof verkondigen van de verzachting der zeden, van het toenemen der menschelijk-heid, van de wonderkracht der philanthropie. In theorie

-ocr page 11-

8

en in practijk wordt er naar gestreefd het arme volk op te beuren en met stoffelijke middelen te steunen. Nu zou men van de armen mogen verwachten, dat zij met een tevreden en dankbaar hart die menschlievende beweging zullen gadeslaan; dat zij zich met hun toestand zullen verzoenen en aan de klasse der bezittenden zekere gehechtheid zullen toonen. Maar neen, onder de mindere standen neemt de ontevredenheid toe en altijd nog vinden de socialistische volksmisleiders stof tot opruien. Zou daar niet uit blijken, dat er aan die hoog opgevijzelde philanthropie iets ontbreekt, iets, wat juist hare kracht moest uitmaken ? De liefdadigheid is het heil der maatschappij. Zij brengt harmonie tusschen de verschillende standen, die voor de maatschappelijke organisatie onontbeerlijk zijn, maar harmonisch moeten samengaan. Dewijl nu die harmonie tegenwoordig allergevaarlijkste storingen ondergaat, dewijl zelfs het gevaar dreigt, dat de verschillende standen als onverzoenlijke vijanden op elkanders vernietiging gaan aanleggen, blijkt het, wat machtig element in de oplossing der sociale quaestie de liefdadigheid is. Niet iedere vrijgevigheid echter, niet iedere armenverzorging, niet ieder gevoel van medelijden brengt redding aan. Wij zien het voor oogen-Het is dus van belang te onderzoeken, hoe de liefdadigheid tegenover de armoede moet optreden. Dat onderzoek zal tevens in het licht stellen, waarom de moderne philanthropie zoo machteloos is en waarom alleen de christelijke liefdadigheid ten volle aan die sociale roeping beantwoordt 1).

Wat dan aangaat de stoffelijke aalmoes, waardoor men met geld of goed den nood der armen lenigt, moet men wel toezien, aan wie men de liefdadigheid laat ten goede komen. Zij vordert discretie in hare beoefening. Die maar

1) De lezer houde in het oog, dat wij niet eene volledige verhandeling over de liefdadigheid schrijven. Wij beschouwen slechts, gelijk de titel onzer studie aanduidt, hare sociale roeping.

-ocr page 12-

9

geeft zonder te letten aan wien, zal dikwijls meer kwaad dan goed stichten. Niet allen, die onderstand vragen , zijn ware armen. Daar zijn er in overvloed, die, wilden zij maar, door eigen arbeid voldoende in hun onderhoud en dat van hun gezin zouden kunnen voorzien; lieden, die het verkieslijker vinden kost en kleeren op verzoek te ontvangen, dan met eenige inspanning te verdienen; luiaards in den vollen zin van het woord, maar dan ook met alle gebreken en misdaden aan de luiheid eigen. Is aan hen de aalmoes besteed? De groote wet der mensch-heid is de arbeid. Men moge hem beschouwen uit een christelijk of uit een bloot menschelijk oogpunt, steeds komt de waarheid uit van wat het Boek der Spreuken zegt, dat de mensch geschapen is voor den arbeid gelijk de vogel om te vliegen. Wij zien overdrijving in de declamaties over de rechten van den arbeid; wij noemen het eene dwaling den arbeid als eenigen titel van eigendom aan te merken; maar dit erkennen wij, dat hij de voornaamste bron is van bezit, het groote middel om datgene te verkrijgen, wat voor het bestaan noodig is. Wie onmogelijk arbeiden kan en daardoor van de liefdadigheid van anderen afhankelijk wordt, is in een voor den mensch minder gunstigen toestand dan degene, die zelf in zijn onderhoud kan voorzien. Maar wie arm is, omdat hij niet werken wil, ofschoon hij zeer goed zou kunnen , maakt zich de aalmoes onwaardig en is niet van onrechtvaardigheid vrij te pleiten, zoo hij teert op de giften van anderen. Hem moet men, in het algemeen gesproken, onderstand weigeren. Daar heeft de aalmoes niets met de liefdadigheid gemeen , is zelfs antisociaal; want zij bevordert de luiheid, verdooft het eergevoel en geeft voedsel aan allerlei ondeugden. Eene zekere hardvochtigheid, die den luien bedelaar tot den arbeid dwingt, wordt daar een weldaad.

Die noodzakelijke discretie maakt het aalmoezen geven niet lot eene gemakkelijke taak, vooral omdat het zoo moeilijk is den gulden middelweg te betreden. Men wachte

-ocr page 13-

10

zich voor overdrijving. Angstvalligheid om allijd van het wel besteden van aalmoezen zekerheid te hebben brengt de liefdadigheid tot niets terug. Het is goed steeds twee zaken in het oog te houden. Vooreerst, dat het aan waarlijk liefdadige menschen, hoe dikwijls zg ook het slachtoffer van bedrog geweest zijn, immer veel lichter viel een aalmoes te geven dan te weigeren. Ten andere, dat, gelijk de H. Joannes Chrysostomus bemerkt, het voor den rechterstoel van God veel veiliger zal zijn rekenschap te moeten afleggen van te groote barmhartigheid dan van te groote gestrengheid.

Haar eigenlijken werkkring vindt de liefdadigheid onder die ontelbare menigte, die niet kunnen arbeiden of althans niet genoeg om in hun onderhoud en dat der hunnen te voorzien; die, wanneer zij aan zichzelve worden overgelaten , de treurige gevolgen van het pauperisme niet kunnen afwenden. Nochtans ook hier gaat de liefdadigheid met oordeel te werk. Niet alleen biedt zij krachtiger hulp naarmate de nood in een gezin hooger gestegen is; want dat spreekt vanzelf. Maar waar de behoeften ongeveer gelijk drukken, geeft zij aan den eenen behoeftige de voorkeur boven den anderen, al wendt zij zich nooit van iemand geheel af. Zij volgt hierin den regel zoo door de natuur als door de christelijke zedeleer voor de naastenliefde in het algemeen gesteld, dat iemand voornamer plaats in onze liefde inneemt, naarmate hij ons nader bestaat. Een kind is zijnen ouders meer liefde verschuldigd dan eenen vreemde. Een vriend zullen wij eerder gerieven dan een onbekende. Volgens deze onomstootbare wet moeten wij eerder arme bloedverwanten dan arme vrienden bedenken, arme vrienden eerder dan onbekenden. Hoe nauwer banden twee personen vereenigen, des te meer wisseling van liefdediensten.

Hier betreden wij een voor onzen tijd practisch gebied. Want daar bestaan nog andere banden dan van bloedverwantschap en vriendschap. Of zouden oversten en onder-

-ocr page 14-

11

danen, heeren en dienstboden, patroons en werklieden elkander wild vreemd zijn? In een christelijk bestuurd huis hooren de inwonende dienstboden bij het gezin, nemen deel aan vreugde en droefheid hunner overheden en, hoewel zij nooit gelijk staan met de kinderen , zijn zij leden van die maatschappij , waarover de huisvader het wettig gezag voert. Zij komen dus vódr anderen, die met het huisgezin geen aanraking hebben. Maar die redeneering strekt zich verder uit. In eene industrieele inrichting bestaan de arbeiders den patroon nader dan andere lieden van denzelfden stand; het is zijn volk. Met hem vormen zij eene maatschappij, waarvan hij het gezag is, zij de onderdanen. Niet eene democratische maatschappij, die hun recht schenkt op kapitaal, op winsten of op bestuur; maar toch eene ware maatschappij, waarvan zij leden zijn, eene maatschappij, door Périn zoo teekenend genoemd de familie industrielle. Zou hij voor hen niet bijzonder zorg moeten dragen ? Zou zijne liefdadigheid zich niet in de eerste plaats moeten richten tot zijne zieke of opgewerkte arbeiders? Zou zijne eerste en beste aalmoezen niet naar de arme gezinnen zijner werklieden moeten gebracht worden ? Al komt hun onderhoud niet geheel op zijne rekening, zij zijn de armen, die hem het eerst worden aangewezen om wel te doen; met wier toestand hij bijzonder bekend moet zijn om er de juiste hulp te brengen. Zoo schrijft de regel der naastenliefde voor. En al stort de patroon schatten in de algemeene armenkas, zoo hij zijne arbeiders verwaarloost, hen bij ziekte, ongevallen of ouderdom zonder meer gedaan geeft\' dan beoefent hij niet naar behooren de liefdadigheid. Wat is er veel noodig om sommige patroons hiertoe te bewegen!

In den laatsten tijd is er verbeteiing merkbaar. De somtijds luide, somtijds gesmoorde kreten van ontevredenheid onder de zoo vaak verwaarloosde klasse hebben de egoïstische kapitalisten uit den genotrijken dommel opgewekt. Eene strooming ten gunste van den minderen man is niet te ontkennen. Maar gesteld, dat de stoffelijke aalmoes —

-ocr page 15-

12

daarover slechts spraken wij tot hier toe — door de moderne philanthropie volmaakt geregeld is, hebben wij dan eene liefdadigheid, die aan hare sociale roeping beantwoordt ? Neen, daar ontbreekt nog veel aan.

„Zonder eenigen twijfel hebt gij gelijk, sprak Mgr. Dou-treloux in zijne openingsrede op het katholiek congres te Luik van het vorige jaar, het is een uwer plichten met uw geld een ongelukkige bij te staan, die tot de harde noodzakelijkheid gebracht is de hand tot u uit te strekken; maar daar is thans een andere, veel zwaardere plicht: de plicht van te gedenken, dat die arbeider eene ziel bezit vrijgekocht door het Bloed van Jezus Christus; dat die ziel voor den hemel is bestemd, maar gevaar loopt dien te mis • sen door de verzwakking van zijn godsdienstig geloof en door de goddelooze dwalingen, waarmee men tracht het te vergiftigen; dat die arbeider uw broeder is, dien gij moet beminnen gelijk de Zaligmaker u bemind heeft en gelijk gij u zelve bemint. Doordenkt elk woord dier goddelijke voorschriften ; en om den zin er van te doorgronden, herinnert u, hoe zij begrepen en toegepast werden door hunne meest wettige verklaarders, de Apostelen en de christenen der eerste eeuwen; en zegt dan zelf of een weinig geld genoeg is om u in den tegenwoordigen toestand van uwe verplichtingen van liefdadigheid te ontslaan. Neen, daar is meer noodig; gelijk de H. Paulus aan de geloovigen van Rome schreef, moet gij deelnemen aan de behoeften onzer broeders, necessitatibus sanctorum communicantes; moet gij allen hoogmoed afleggen, non alia sapientes, en met de nede-rigen en kleinen weten om te gaan, sed Jumilibus consen-tientes. Gij moet dus offers weten te brengen van u zelf, van uw tijd, van uw gemakken, van uw vermaken , om deel te nemen aan de katholieke werken, die ten doel hebben om onze volksklassen van de haar omringende gevaren te vrijwaren en te redden.quot;

Wat de bisschop van Luik meer in het bijzonder met het oog op de arbeidende klasse zeide, geldt niet minder

-ocr page 16-

13

voor onze liefdadigheid tegenover de armen in het algemeen. De stoffelijke gave ia slechts een deel, dikwijls het geringste deel der ware liefdadigheid. Want deze tracht niet alleen in den oogenblikkelijken, stoffelijken nood te voorzien, maar stelt zich het geheele welzijn van den arme ten doel. „De bedoeling der Voorzienigheid is duidelijk; Zij heeft gewild, dat de tegenspoed onder de voogdij, onder de bescherming zou gesteld zijn van den voorspoed. Eigenlijk niet de aalmoes, maar de liefdadigheid is het doel van de plannen der Voorzienigheid, de roeping van den welgestelde, het aanvulsel der harmonie in de zedelijke wereld.quot; 1) De rijke staat maatschappelijk hooger dan de arme, niet alleen door overvloed van geld en goed, maar ook door opvoeding en ontwikkeling. Op stoffelijk en geestelijk gebied\' heeft hij het volle genot van voordeelen, waarvan de arme nauwelijks een denkbeeld heeft. Daardoor is de bezittende klasse tevens de heerschende, geroepen om den arme, die ook de minder ontwikkelde is, te leiden. Zijne maatschappelijke positie geeft hem een zeker gezag. Zoowel op stoffelijk als op geestelijk gebied moet hij het tekort der armen aanvullen. Doordrongen van die roeping zal hij trachten bij den minder bedeelde niet alleen natuurlijke deugden, als arbeidzaamheid en spaarzaamheid, op te wekken, maar bovenal zijn zedelijk en godsdienstig leven te verhoogen. Zonder godsdienst kan allerminst de arme gelukkig zijn; het is voor hem een levensbehoefte. Door den godsdienst zal hij leeren zijne armoede te heiligen, zal hij weten arm te zijn met den God van Nazareth en gelijk Hij de armoede te dragen. Is een arme godsdienstig, dan zal dikwgls de stoffelijke aalmoes reeds aan het doel der liefdadigheid beantwoorden, en zeker is zij daar altijd goed besteed. Wel opmerkelijk is het, hoe men, de hutten der armen binnentredend, aanstonds ziet, of daar godsdienst heerscht. Daar ligt bij den godsdienstige!\' arme iets over

1) De Gerande, Visiteur des Pauvres.

-ocr page 17-

14

het gansche huishouden, wat zich moeilijk omschrijven laat, wij zouden haast zeggen eene zekere welvaart te midden der armoede. En al hebben de meLschen het hard , toch teekent het gelaat zoozeer tevredenheid, dat men hen moeilijk voor ongelukkig zal houden. Vraagt het den „Heeren van Vincentiusquot;, of zoo hunne bevinding niet is bij het armenbezoek.

Zedelijke verbetering en beschaving van den arme, is eea machtwoord van onzen tijd; en ter verkrijging daarvan dringen de volksvrienden aan op meer uitgebreid, ja verplicht volksonderwijs. Dat is schering en inslag in het Sociaal Weekblad van Mr. Kerdijk. Maar het onderwijs, opgevat in modernen zin, d. i. zonder opvoeding, zonder godsdienst, zal den arme nooit met zijne armoede verzoenen , noch hem eea stap in zedelykheid vooruithelpen. Neen, het eerste vereischte is — maar daar zit dikwijls juist de knoop — godsdienstzin bij den rijke zelf. Want welken gunstigen invloed zal hij op het godsdienstig leven der armen uitoefenen, als hij zelf nauwelijks weet, wat godsdienst is, of, erger nog, allen godsdienst vijandig tegenoverstaat.

Zal de rijke zijne sociale taak volbrengen, dan moet bij zich niet op eene ongenaakbare hoogte willen handhaven , maar moet hij zich in betrekking stellen met den arme, zich vertrouwd maken met zijne behoeften, zijne neigingen, zijne omstandigheden. Armenbezoek is noodzakelijk. Die twee standen, armen en rijken, zijn niet twee verschillende volksstammen, die aan elkander vreemd ieder zijn eigene belangen behartigt, maar zij vormen eene zelfde maatschappelijke organisatie en moeten dus voortdurend harmonisch met elkaar in aanraking komen. Hieruit volgt wel is waar niet voor iederen rijke afzonderlijk de plicht om armen te bezoeken, wat trouwens onmogelijk zou wezen. Maar daar moeten rijken zijn, die deze taak op zich nemen, en van iedereen hebben vereenigingen en instellingen, die de ware liefdadigheid beoefenen, recht ondersteuning te verwachten.

-ocr page 18-

15

Wat wordt de liefdadigheid aldus beoefend schoon , en wat verschilt zij van de moderne philanthropie! Zoo bestaat zij niet enkel in de koude aalmoes, misschien door een tusschenpersoon geschonken om de armoede toch maar ver buiten het gezicht te houden; maar zoo legt zij tevens den rijke een offer van zichzelven op. Want de armen bezoekt men niet zonder offervaardigheid. Laat de „Heeren van Vincentiusquot; eens spreken over hunne ontmoetingen bij het armenbezoek, laat hen u eens verhalen, hoe zij soms worden ontvangen. Gij zult van hen hooren, dat er weinig verkwikkelijks aan dat liefdewerk is. Omgang met de armen kan poëtisch worden geschilderd, maar de werkelijkheid is proza, Het gaat niet zonder zelfopoffering. Juist, het offer is het meest karakteristieke der christelijke liefdadigheid. Zonder dat mist zij haar maatschappelijken invloed. „Ik -wil barmhartigheid en geen offers\'*, zeide de Zaligmaker; omdat de barmhartigheid ten opzichte van den arme het grootste offer insluit, waartoe de meusch in staat is: het offer van zichzelven.

Zulke liefdadigheid is op den duur onmogelijk, zoo zij niet uit een krachtig beginsel voortvloeit. Welk dat beginsel is, ligt reeds in het begrip van liefdadigheid opgesloten ; het is de liefde. En niet slechts verleent haar dit beginsel kracht en standvastigheid, maar daardoor alleen is zij in staat hare sociale roeping te vervullen. Geeft aan de liefdadigheid eene andere drijfveer en zij is machteloos; of zoo zij door eene bijzondere krachtsinspanning iets buitengewoons voortbrengt, zij valt spoedig weer in hare machteloosheid terug en zeker voor de maatschappij brengt zij nooit tot stand, wat zij uit haar aard geroepen is tot stand te brengen. Niets kan de liefde vervangen; noch dwang door de wet, noch vrees voor socialisme, noch zucht tot vertooning maken, noch eenige berekening welke ook. De arme moet het hart zien van zijn weldoener. En zoodra men zich door iets anders dan door de liefde laat leiden, wordt de liefdadigheid antisociaal en oefent op de lagere

-ocr page 19-

16

klasse en op de gansche maatschappij een noodlottigen invloed uit.

Het Evangelie leert, hoe de eeuwige belooning afhankelijk gesteld is van de beoefening, en de eeuwige straf van het verzuim der werken van barmhartigheid. En de reden, waarom die werken voor den oppersten Rechter zulk eene waarde hebben, is, dat Hij al, wat wij den arme aandoen, beschouwt als aan Hem gedaan. Ook in het leven van sommige heiligen lezen wij, dat zij , na eene bijzonder edelmoedige aalmoes, van den Zaligmaker zelf dank mochten ontvangen. Hoe dit te verklaren? Wij moeten den godde-lijken Zaligmaker beminnen en kunnen in onze liefde tot Hem nooit te ver gaan ; want Zijn gansche leven schenkt Hem het recht op onze volle toewijding. non amat Bomhium

Jesurr., anathema sii. Welnu dat recht op onze liefde heeft Hij voor een goed deel overgedaan aan den arme, zoodat w ij door dezen by te staan onze liefde betuigen aan Jezus Christus, ja in den persoon der armen aan Hem onze aalmoezen geven. Uit die liefde moet onze liefdadigheid voortspruiten, daaraan hare onuitputtelijke kracht ontleenen, en -\'\'oor haar gevoed, wordt zij eerst vruchtbaar voor de maatschappij. Waaide arme zulke beweegredenen in zijn weldoener ziet, en op den duur zal hij ze zien, daar geeft hij zich vanzelf aan diens invloed en leiding over. Niet eene ijdele leuze van vrijheid, gelijkheid en broederschap doet de leden der maatschappij tot elkander naderen, maar de liefde, waardoor de rijke vrijwillig afdaalt om den arme op te heffen en waardoor beiden tot de hoogte der menschelijke wsardigheid opstijgen. Zonder liefde niets dan verdeeldheid , niets dan exploitatie van den eenen kant en haat van den anderen,, Doch hieruit reeds blijkt, dat het diepste wezen der liefdadigheid christelijk is. Zij is eene plant, die alleen kan tieren op den bodem van het christendom, die overal elders kwijnt of verbastert; omdat de liefde, die haar voortbrengt:, volgens den wil des goddelijken Meesters uitsluitend het onderscheidingsteeken der christenen is.

-ocr page 20-

17

III.

Wat wij daar zeiden vordert nader bewijs. Menigeen toch, die zonder bezwaar aan het christendom wel de eer toekent, dat het de kunst verstaan heeft tot heil der gan-sche maatschappij liefdadig te zijn, zal ons het recht ontzeggen om de ware sociale liefdadigheid bij uitsluiting christelijk te noemen. Is buiten het christendom de liefdadigheid niet mogelijk? Zijn er dan niet voorbeelden genoeg aan te halen van moderne ongeloovigen, die voor hunne arme medemenschen veel over hebben ? Wat doen niet verscheidene erkend liberale patroons om hunne arbeiders in dagen van ouderdom of ziekte voor ellende te behoeden ?

Wij aarzelen geen oogenblik de moderne beginselen in strijd te verklaren met de ware liefdadigheid. Hiermee ontkennen wij niet, dat er onder de belijders der moderne beginselen milddadigen gevonden worden, gelijk wij toegeven, dat er christenen zijn, die in dit opzicht te kort schieten. De menschen toch zijn dikwijls beter, dikwijls slechter dan hunne beginselen. Een milddadige ongeloovige doet ons denken aan het anima naturaliler Christiana van Tertullianus. Dewijl de naastenliefde niet alleen een plicht van het christendom is, maar ook in de natuurwet geschreven staat, zoo is het te begrijpen , dat een ongeloovige ondanks zijne beginselen liefdadig kan zijn. Ondanks zijne beginselen, zeggen wij, want deze strijden er tegen. Maar dan nog handelt hij eigenlijk niet uit deugd, doch uit een bloot natuurlijk gevoel van medelijden. En hoewel dit eene voortreffelijkheid is in den mensch er. hem tot goede daden aanzet; hoewel de arme en de maatschappij daardoor , eenigs-zins althans, gebaat wordt; toch mist eene liefdadigheid, die voortspruit uit natuurlijk menschengevoel alleen, de hoogere wijding der christelijke liefde, en is daarom ook niet bezield door het levensbeginsel, dat alleen in staat is haar ten volle vruchtbaar te maken voor de maatschappij.

-ocr page 21-

18

Onze veroordeeling treft alleen de beginselen. De moderne begrippen streng doorgevoerd in het leven verbannen de liefdadigheid. Na al het bovengezegde zouden wij met een enkel woord ten bewijze kunnen volstaan. De liefdadigheid toch, die iets meer doet dan eene stoffelijke aalmoes geven, die ook in den arme het zedelijk en godsdienstig leven tracht op te wekken, m. a. w. de eenig ware liefdadigheid, die eene sociale roeping vervult, vooronderstelt godsdienst in den rijke. Dit bleek ons genoegzaam. Maar daarmee reeds is de machteloosheid der moderne beginselen uitgesproken; omdat deze onverschillig, of liever vijandig zijn tegenover allen godsdienst.

Beschouwen wij echter de zaak nader door de beginselen van het moderne ongeloof en de kenmerkende eigenschappen der liefdadigheid met elkander te vergelijken. Om aan hare sociale roeping te beantwoorden , wij zagen het boven, moet de liefdadigheid vergezeld gaan van de liefde en het offer. Liefde is haar beginsel, offer haar wezen. En welk eene liefde! Niet eene gewone, natuurlijke neiging van het gevoel, maar de reinste, bovennatuurlijke liefde; eene liefde, die in den arme niet slechts een ellendig wezen ziet in lompen gehuld, maar die in hem den persoon van Jezus Christus erkent; eene liefde , die door een afstootend uiterlijk heen eene ziel ontdekt, evengoed als de ziel des rijken voor de eeuwigheid geschapen; eene liefde , die voorgelicht door het geloof er niet voor terugschrikt den man uit de laagste volksklasse broeder te noemen. En welk een offer, Niet het toewerpen van wat voor ons waardeloos is; niet slechts het wegschenken van een deel van onzen overvloed i maar het opofferen van onzen tijd, van onze genoegens! van ons zelf. Ziedaar de liefde en het offer , waarvan de liefdadigheid niet gescheiden wil zijn.

Stelt daartegenover het moderne ongeloof. Dit gaat op in rationalisme, waardoor de hoogmoed, en in materialisme, waardoor het zingenot ten troon wordt verheven. Maar waar hoogmoed en zingenot als beginselen gelden, die het

-ocr page 22-

19

leven regelen, kan daar plaats zijn voor liefde en ofler? Immers in zulk een dampkring brandt de reine vlam der offerende liefde niet. De hoogmoed wil niet dienen, maar gediend worden en verlustigt zich daarom in het ten toon spreiden zijner meerderheid; terwijl de beoefenaar der ware liefdadigheid in den dienst leeft van armen en ongelukkiger). Vijandig staan dus hoogmoed en liefdadigheid tegenover elkaar. En hoe zal hij , die zonder hoogere verlangens, zonder een blik op de eeuwigheid aardsch genot als einddoel van zijn leven en streven stelt, offers brengen ten bate van een ander, offers door geen zingenot vergoed! Hoe zal hij , om een voorbeeld te noemen , het van zich verkrijgen de armen te bezoeken? Dat is voor niemand een werk van pleizier. quot;Voor iedereen is het wel zoo\'ge-makkelijk en aangenaam \'s winters achter den haard bij zijn huisgezin of op de sociëteit bij zijne vrienden te zitten, en zomers de heerlijke, vrije natuur te genieten, dan binnen te treden in de dikwijls vuile, funzige woonplaatsen der armen met het vooruitzicht van zeer weinig of geen dankbaarheid. Wie leeft alleen voor aardsch genot en daarin zijn bestaan doet opgaan, moet wel krankzinnig wezen om zoo zichzelf ten offer te brengen.

Met dat al staat de tijdgeest evengoed als het christendom voor het vraagstuk der armenverzorging. Dewijl de armoede er altijd zijn zal en, wordt zij niet ondersteund, altijd ellende aanbrengt, is de maatschappij wel genoodzaakt er zich mede in te laten. En daar gaan de liberalen aan het bijstaan door de weelde! De weelde, waaraan zij zich overgeven, meenen zij, zal vanzelf ten voordeel gedijen van de armen. Hoe zonderling dit schijne, het is consequent. Elk systeem, opgezet tot regeling van het maatschappelijk leven, moet de noodige beginselen in zich sluiten, volgens welke de sociale toestand der armoede beheerscht kan worden. Het is inconsequent in de bestrijding van het paupeiisme volgens andere beginselen te handelen dan die men voor al het overige tot richtsnoer neemt. Wie derhalve

-ocr page 23-

20

geheel het maatschappelijk leven bouwt op hoogmoed en zingenot, moet ook op dezen grondslag arbeiden om de ellendige gevolgen der armoede tegen te houden. Uit hoogmoed en zingenot nu wordt de zucht naar weelde geboren; het is dus consequent in de weelde het redmiddel der armoede te zoeken. De werking is eenvoudig. Geen betere ondersteuning, zoo luidt de redeneering, kan men den arme schenken dan door werkverschaffing. Arbeid toch brengt niet alleen overvloed van levensmiddelen in het huishouden, maar is ook heilzaam door zijn zedelijken invloed. Wat werkt nu de weelde uit? Zij vermeerdert de behoeften dei-bezittende klasse. Daardoor komt grooter navraag naar allerlei voortbrengselen. Dit zet meer handen aan den arbeid, doet de loonen stijgen en brengt meer geld in omloop. Aldus vermindert de armoede, (misschien verdwijnt zij wel!) en wordt de luiheid met haar nasleep van gebreken en ondeugden verbannen. Dan heeft verder de liefdadigheid gedaan.

Maar de werkeloosheid, de malaise, de ontevredenheid in onzen tijd van weelde spreken luide bet vonnis uit over die moderne armenverzorging. Wat zouden ook degrootere uitgaven van eenige rijken baten aan eene gansche indus-trieele bevolking ? Van het geld aan de weelde besteed bereikt zoo weinig de lagere klassen, dat iedere arme voor zich van de verteringen, of zelfs verkwistingen van dezen of gene niets gewaar wordt. Om nu niet eens te gewagen van zoo velen, die niet werken kunnen, ouden van dagen, zieken, gebrekkigen, welke allen in dat systeem buiten berekening blijven. En dan de zedelijke invloed van die weelde! Waarlijk zij zal rijk en arm niet tot elkander voeren. Integendeel den arme zal zij met afgunst en haat vervullen. Het is immers onmogelijk zonder afgunst de weelde des rijken te blijven aanzien, waaraan hij nooit eenig deel heeft. Mocht hij zelf nu en dan aanzitten aan den voorzienen disch, hij zou misschien kunnen berusten; maar hem worden ternauwernood de kruimels gegund, die van de tafel vallen. Men acht hem nauwelijks een blik, veel minder een goed

-ocr page 24-

21

woord waardig. En daar zou geen afgunst ontstaan in zijn hart ? en deze zou niet plaats maken voor haat ? en die haat zou niet onverzoenlijk worden? Het voorbeeld der toongevende klassen zal in hem vroeger nooit gekende behoeften opwekken. Ontevreden met zijn stand wil cok hij zijne weelde. De loonen mogen stijgen, nooit zijn zy hoog genoeg; maar steeds ondraaglijker wordt zijn toestand.

Wij schrijven hier de schoone woorden af, waarmee Mgr. Doutreloux op het l5te Congres van Luik de weelde als een der hoofdoorzaken der sociale crisis brandmerkte. „In de tweede plaats noem ik dia teugellooze weelde, die elk jaar nieuwen voortgang maakt, en hare onafscheidelijke gezellin, de even teugellooze zucht naar vermaak. quot;VVat in dit opzicht aan christenen is geoorloofd, wat verboden, wil ik voor het oogenblik niet bespreken; ik beschouw ze alleen in hare betrekking tot de sociale crisis.

1°. Zij stellen een verderflijk voorbeeld voor het volk. Dit ziet de rijken en de burgers dagelijks de schouwburgen vullen, de bals, de partyen en feestelijkheden vermenigvuldigen, daaraan met volle handen de opbrengst van landerijen, handel en nijverheid besteden, geen perken meer stellen aan de pracht der toiletten en edelgesteenten, en verder wedijveren in verfijning en verkwisting aan tafel, de feesten van stad naar stad tot in den vreemde naloopen, duizenden francs, het gansche inkomen van een jaar, ja zelfs geheele vermogens op het spel zetten. Meent gij, dat het gezicht dier buitensporigheden de zoo natuurlijke begeerten van hen, wien vermogen en menschelijk genot ontzegd is, niet opwekt en in vlam zet ? Ziet liever, hoe ook zij hunne schouwspelen , concerten en dansen willen hebben, hoe ook zij hun geheele daggeld gaan verkwisten, geen maat kennen in hun toilet, de stille genoegens van den huiselijken kring verlaten om de feesten in de steden bij te wonen, hoe ook zij zich spelen hebben weten uit te denken, waar het lot en de weddingschap in een oogenblik een geheel huishouden van brood, van kleeding, van onderdak berooft.

-ocr page 25-

22

2quot;, Die weelde en die zucht naar vermaak wekken bij het volk jaloerschheid en afgunst op, maken zijn nederigen toestand voor hem ondraaglijk en vervullen hem met haat tegen den rijke. De droevige tooneelen van Maart (van het jaar \'86 in België) hebben bij u te levendige herinnering nagelaten dan dat het noodig zou zijn bewijzen aan te voeren.

3quot;. Die weelde en die zucht naar vermaak laten niets over om aan goede werken te besteden.quot;

En de weelde is het eenige heilmiddel, dat het moderne ongeloof, consequent aan zijne beginselen, hyt lijdende deel der maatschappij kan aanbieden! Het staat dus wel machteloos tegenover de armoede.

Wat wij uit de beginselen, die tegenwoordig de maatschappij belieerschen door redeneering afleidden, wordt door de feiten bevestigd overal, waar die beginselen eene volledige toepassing ontvingen. Onderzoekt slechts naar de liefdadigheid in het oude heidendom. Hoogmoed en zingenot regelden in de heidensche maatschappij het gansche leven, dat daardoor voor allen, wier middelen het gedoogden, opging in de buitensporigste weelde. Nemen wij den toestand waar ia Rome, het ideaal van heidensche beschaving. In den bloeitijd der republiek telde de uitgebreide, volkrijke stad niet meer dan 2000 burgers, die eigendom bezaten. Deze voerden in hunne huizen in de stad, in hunne villa\'s en op hunne akkers over een aantal slaven, door sommigen op een millioen geschat, eene onbeperkte heerschappij, Tusschen die beiden vindt men den stand van Romeinsche burgers, soms meer, dan 300.000 in getal, wier bestaan afhing van publieke uitdeelingen. Wat een leger van armen en ongelukkigen! En wat een handjevol rijkaards en genieters! Zoo ooit de weelde de armoede kon verdrijven, had zij het in Rome moeten doen; en juist nergens werd door haar zooveel armoede geteeld. Nu de behandeling der armen. Iemand helpen, van wien men zelf niets had te verwachten, kwam bij geen mensch op. Slechts met de diepste verachting, ja met afschuw sprak men van de

-ocr page 26-

23

armoede; wie anders sprak gaf blijk van een laag gemoed. In een arme kon immers niets edels schuilen. Wie zelf niet in zijn onderhoud kon voorzien, verloor eigenlijk alle recht van bestaan. Vandaar voorschriften om zvrakke, gebrekkelijke kinderen aanstonds na de geboorte te dooden j vandaar dat een geneesheer onverstandig heette, als hij aan een armen zieke, die toch niet meer tot arbeiden geschikt werd, een middel gaf om het leven te rekken. Zoo uitten zich de grootste geesten van het heidendom: Aristo-teles en Plato. De laatste wilde allen, die door bedelen in hun onderhoud moesten voorzien, als ongedierte uitzijn model-republiek verjaagd hebben. Alleen staatsbelang eischte voorzorgen tegen het al te sterke toenemen van het aantal armen; en daarom werden zij in massa\'s naar de kolonies gezonden of eigenlijk gedeporteerd. In Rome deelde de staat koren uit. Dat was de hoogste graad van liefdadigheid. „Behalve die officieele korenuitdeelingen in de stad Rome gebeurde er volstrekt niets voor de armen; daar waren geen armen gesticht en, geen hospitalen, geen aangewezen personen i die zich de behoeftigen aantrokken. Hoeveel ik omtrent dit punt ook heb nagezocht, kon ik toch maar een enkel spoor van officieele armenverzorging in de gansche oudheid vinden, namelijk op het eiland Rhodus, dat zich over het algemeen door verstandige staatsinstellingen, als ook door de vlijt en de bedrijvigheid zijner bewoners onderscheidde.quot; 1)

Geen wonder, dat het christendom met zijne naastenliefde eene onbegrijpelijke verschijning was in de heidensche wereld; dat het in den beginne gold als de godsdienst der armen; dat voor de edelste harten onder de heidenen die liefdadigheid er juist de hoogste aantrekkelijkheid aan schonk. De H. Martelaar Ignatius vond geen tegenspraak, toen hij beweerde, dat er buiten het christendom geen liefde was, geen zorg voor armen , geen hulp voor weduwen en weezen. De oorzaak ligt voor de hand. Het heidendom had de

1) Albertua, hie Socialpolitik der Kirche.

-ocr page 27-

24

beginselen, die ook thans gehuldigd worden, tot het uiterste doorgevoerd in het maatschappelijk leven en daarmee van de ware liefdadigheid zelfs het denkbeeld verloren.

Hetzelfde christendom behoedt nog onze hedendaagsche maatschappij voor den terugkeer der heidensche onbarmhartigheid. Hoe men de Kerk ook tracht te verdringen en haar invloed te vernietigen, zij is en blijft eene wereldmacht. Zoolang zij zal bestaan, zal er liefdadigheid zijn ondanks de beginselen van het liberalisme. Zij zal immer de volkomen toepassing dier beginselen in den weg staan. Daar komt bij, dat de Kerk de heilzame werking der liefdadigheid te zeer aan de maatschappij heeft geopenbaard dan dat het liberalisme zich in al zijne liefdeloosheid zou durven vertoonen. Het zou het volk aanstonds geheel van zich vervreemden. Maar het moge zich omhangen met het kleed der philanthropic, uit zijn aard is het liefdeloos. Gerust stellen wij de vraag: waar ter wereld heeft het ooit den arme gelukkig gemaakt ? Nergens. Het pauperisme hoort tot zijn gevolg. Nooit sinds het heidendom is de ontevredenheid onder de mindere klassen dreigender geweest dan thans, en hoe luider jubelzangen het ongeloof aanheft op zijne zegepralen, des te somberder weerklinken de klaagtonen der armen. Om de zegenrijke werking der moderne philanthropie met een enkel voorbeeld op te luisteren, wijzen wij slechts op de verwereld, lijking der gasthuizen, waarin Frankrijk, vooral Parijs zoo bedrijvig is. Men leze hierover de dagbladen; het is schandelik, aan welke behandeling de arme zieken daar dikwijls overgeleverd zijn. Op kosten, niet van de liberalen, maar van de schatkist verrijzen er frotsche gebouwen met luchtige, ruime zalen, ingericht naar de eischen der hygiëne. Daar worden geneesheeren aan verbonden met vele en moeilijke examens achter den rug, bedienden en oppassers aangesteld met rijke bezoldiging. Alles gaat op grooten voet. Schitterende philanthropie ! Wat doet de liberale staat daar veel voor de armen! Maar hoe komt het, dat en zieken

-ocr page 28-

én geneesheeren naar de religieuze oppassters terugverlangen ? Wat ontbreekt er aan? Eéne zaak, maar juist de hoofdzaak, de liefde. Geld is machtig, maar nooit zoo machtig als de liefde. De oppasser maakt er eene broodwinning , niet een liefdewerk van. Het is eene uiterlijke vertooning op kosten van den staat; maar zonder liefde en zonder offer, dus geen liefdadigheid.

Hoezeer het liberalisme zijne liefdeloosheid doorgaans tracht te verbergen, kan het zijne ware meening niet altoos verzwijgen. Daar vindt eene liefdadigheid verdediging, die wij misschien de Malthusiaansche zouden kunnen noemen. Niet alsof Malthus haar verkondigde; dat durfde hij zelf niet aan. Maar dewijl zij zich aan zijn stelsel aansluit. Men moet, zoo heet het, de toeneming der bevolking wat tegengaan om haar gelijken tred te doen houden met de voortbrenging der levensmiddelen. Dewijl nu de minder bedeelde klassen het eerst en het meest zullen te lijden hebben van het door overbevolking veroorzaakte gebrek, moeten zij vooral zich matigen. Dat zullen zij , zoo huu verstand maar genoegzaam ontwikkeld is om de gevolgen van overbevolking te voorzien, en onderwijs alleen schenkt genoegzaam ontwikkeling en doorzicht.

Op den grondslag van deze denkbeelden steunt eene utiliteits-liefdadigheid, waarvan wij een staaltje lazen in een artikel, getiteld Des Institutions de Chariié, door de llevue Brittanique (1826) overgenomen uit de Westminsier-lieview, het orgaan van het Engelsche staatsmaterialisme. De inhoud komt hierop neer. Om eene handeling van liefdadigheid naar waarde te beoordeelen, moet men hare laatste gevolgen berekenen. Want het goede, wat zij op het oogenblik voortbrengt, rechtvaardigt haar niet. De meeste handelingen van liefdadigheid werken in de toekomst nadeelig, daar zij de armen leeren zich verlaten op de giften der rijken. Zorgeloos en onbekommerd als zij daardoor worden, gaan zij vroegtijdige huwelijken aan in de stellige overtuiging, dat ook hunne kinderen, zij mogen nog zoo talrijk zijn, voor

-ocr page 29-

26

niet het noodige onderhoud zullen genieten. Alle beoefening der liefdadigheid, die zulke gevolgen heeft, is veroordeelens-waardig. En daarom vinden aalmoezen uit de hand gege- -»

ven, vondelingshuizen, gestichten voor arme kinderen,

hospitalen voor vrouwen enz. geen genade in de oogen van den liberalen schrgver. Alleen kan hij vrede hebben met gasthuizen voor dezulken, die door onvoorziene rampen worden getroffen (dus geen oude-mannen- en vrouwenhuizen), of gestichten voor blinden en doofstommen. Des te sterker dringt hij aan op onderwijs, dewijl dit de armen ontwikkelt en dus (in Malthusiaanschen geest) bezorgd maakt voor de toekomst. Wij laten zijne conclusie volgen:

„Men kan uit al deze bemerkingen opmaken, dat zij, die tot de stichting van liefdadigheidsinstellingen hebben meegewerkt, bijna altijd meer kwaad dan goed gedaan hebben;

want in plaats van te trachten een juist evenwicht te vestigen tusschen de verbruikers en de voorwerpen van verbruik, hebben zij onvoorzichtig het toenemen der bevolking begunstigd, en het doorzicht en de bezorgdheid voor de toekomst bij de lagere klassen verzwakt. Algemeene regel: men moet niet kosteloos hulp aanbieden dan voor rampen en ongevallen, die de menschelijke voorzichtigheid niet kan voorzien. Daarvan hebben wij er reeds eenige ge- i

noemd, de overige zullen vanzelf dengenen onzer lezers voor den geest komen, die ons begrepen hebben. Maar vooral op de verspreiding van de weldaden van het onderwijs onder het volk moeten allen zich toeleggen, die werkelijk het lot hunner gelijken willen verbeteren.

Wanneer het volk meer verstand heeft, zal het ophouden ,

zijn eigen belangen te benadeelen en de rust en veiligheid der overige klassen in gevaar te brengen, door vroegtijdige verbintenissen en door aan kinderen het leven te schenken, die grootendeels ten laste blijven van do maatschappij.quot;

Wat blijft hier van liefdadigheid over? Is deze opvatting van liefdadigheid, als dat woord hier geen ontheiliging is,

-ocr page 30-

27

zooveel beter dan de socialistische veroordeeling er van ? De socialist toch brandmerkt die schoone christelijke deugd als eene onwaardige vernedering voor den arme. „In dat stelsel (in het christelijk stelsel, waarin de liefdadigheid hoog staat) in geen eerbiediging van den mensch: de godsdienst der Voorzienigheid heeft haar gedood/\'zegt Proudhon.

Het liberalisme is niet in staat het lijdende volk te bevredigen. „Men heeft slechts te zien en te hooren, zeide Graaf De Mun op het katholiek congres van Luik in \'86. Naar welken kant, naar welk land van Europa men zijn blikken ook laat gaan, het schouwspel is hetzelfde: nooit heeft men zooveel over het volk gesproken; nooit heeft men het meer gevleid, meer verheven, meer verheerlijkt — en nooit zijn zijne klachten bitterder, is zijn wanhoop dreigender geweest.quot; Vanwaar dat verschijnsel ? Omdat het liberalisme, door hoogmoed en zingenot als levensregel te stellen voor arm en rijk, in den eenen ontevredenheid opwekt met zijn stand, in den anderen de liefde en offervaardigheid doodt, waardoor alleen de liefdadigheid hare sociale roeping kan vervullen. „Wij moeten in niets de driften van het volk vleien, zegt Kanunnik Winterer, maar wij moeten ook in niets vreemd blijven aan zijn lijden.quot;\'

IV.

Wat is tegenover het liefdelooze ongeloof de katholieke Kerk eene weldadige verschijning! Hoe machtig en vindingrijk is hare liefde; hoe verheven en heldhaftig hare offervaardigheid; hoe wijs en heilzaam hare liefdadigheid! In een onderdeel van een studie kunnen wij niet dan op enkele punten de aandacht vestigen; want wie alles wilde opsommen, wat de Kerk voor de armen deed, zou boekdeelen volschrijven. Wij hopen echter genoegzaam in het licht te stellen, hoe zij de liefdadigheid opvat; hoe zij er alle voorwaarden van vervult; hoe bij haar die deugd ten volle aan hare sociale roeping beantwoordt. Maar dan volgt er ook uit, wat eene

-ocr page 31-

28

roekeloosheid het is haar in dat liefdewerk te bemoeilijken, en wat ramp voor do maatschappij de armen aan hare moederlijke zorgen te onttrekken.

Eenmaal was Europa bezield door het katholieke levens-besdnsel. Toen was het als overdekt door kloosters en stichtingen, waarvan er vele, dank aan de vrijgevigheid der geloovigen, rijke inkomsten bezaten. Wat zijn die kloosters met hunne rijkdommen zwart gemaakt! Wat is men welsprekend geweest over ingeslopen misbruiken! Velen kennen den middeleeuwschen monnik niet anders dan als een type van iemand, die een lui en weelderig leven leidt. Eene dwaasheid zou het zijn in strijd met de geschiedenis, het bestaan van misbruiken te willen loochenen. En wie een enkelen blik geslagen heeft in de natuur des menschen zal zich veeleer verwonderen ze niet in grooter getale aan te treffen. Maar misbruiken zijn geen argument tegen eene zaak, tenzij deze als vanzelf er toe leidt; en het is zeker, dat de kloostergeest er ver af is misbruiken voort te brengen. Weet ge, waartoe die rijkdom diende? Om armenzorg uit te oefenen op uitgebreide schaal. Want de kloosters waren de toevluchtsoorden der armen. Godsdienstige gebouwen, kloosters, tempels, die de eeuwen konden trotseeren, verrezen en gingen zonder schuldenlast, dikwijls rijk gefundeerd aan het nageslacht over. Gaarne schonk de christelijke vrijgevigheid schatten weg tot luister van Gods huis en tot onderhoud der religieuzen, niet juist met het doel om aan werkeloozen werk te verschaffen; maar omdat zij wist, dat die gelden den armen ten goede kwamen. Want men kan bijna zeggen, dat de kloosterlingen en de armen in goederengemeenschap leefden, waarbij gewoonlijk de laatsten het beste deel ontvingen. Aan die monumenten van christelijke offervaardigheid hebben latere eeuwen de schennende hand geslagen onder voorwendsel van misbruiken te bestrijden, niet ongelijk aan iemand, die om een rupsennest te vernietigen den vruchtbaren boom zelf met wortel en tak uitroeit. Zoo werden die vrome stichtingen aan hare oor-

-ocr page 32-

29

spronkelijke bestemming onttrokken. In plaats van den nood te lenigen der armen, werden zij aangewend om de schulden te delgen van verkwistende rijken.

De staat zou wel de taak der Kerk overnemen om de armen te verzorgen. Engeland is in dit opzicht een voorbeeld. Toen de kloosters waren opgeheven, moest de staat eene andere bron zoeken om liefdadigheid te beoefenen. Deze vond hij in de armenbelasting. Het werd eene liefdadigheid door den dwang der wet, de meest onnatuurlijke, die denkbaar is. Want daar zijn weinig vrijheden, waarin de mensch minder beperking duldt dan in die van wel te doen. En wat werkt die staatsliefdadigheid uit? Terwijl zij de particuliere liefdadigheid verlamt, is zij niet bij machte door een der hatelijkste belastingen het noodige bijeen te brengen. De wet kan niet zooveel vorderen als de liefde vermag te schenken. Wat zij nog opbrengt, wordt als aalmoezen, waarop de armen een recht meenen te hebben, zonder liefde uitgedeeld en zonder dank ontvangen. De ambtenaar moet handelen niet met discretie, maar volgens tarief; terwijl het hem als fout wordt aangerekend, als hij zich laat leiden door een gevoel van mededoogen. Van zedelijken invloed is in de verte geen spraak. Zoo is het gegaan. De particuliere liefdadigheid werd vervangen door de armenbelasting, de kloosters door de werkhuizen, en als gevolg daarvan de eerzame armoede door het pauperisme, eene arme, doch tevredene volksklas door eene dreigende, verwilderde massa 1).

Nog gaan er dikwijls stemmen op tegen den rijkdom der kloosters, tegen de zoogenaamde goederen in de doode hand, alsof zij voor de maatschappij verloren waren. „Waarom dat niet liever geschonken aan de armen ?quot; vraagt Judas en zijne nakomelingen. Maar van dat geslacht hebben de armen nooit voordeèl genoten. Bij dien gewraakten rijkdom

1) Het komt niet bij ons op alle inmenging van den staat in de armenverzorging af te keuren. Integendeel voor eene zaak van

-ocr page 33-

30

voeren de armen niet kwaad; het waren veeleer de goederen der armen. En zou op die wijze de maatschappij er niet veel meer nut van gehad hebben dan van de opeengesta-pelde kapitalen der naamlooze vennootschappen? „Als er ooit bezitters geweest zijn, die men niet slechts met woorden, maar ook door daden op de schitterendste wijze heeft erkend, dat zij het sociaal karakter van den eigendom tot zijn recht deden komen, dan zijn het de kloosters.quot; 1) „Deze bezittingen der kloosters waren het bolwerk der oude, gezonde maatschappelijken orde,quot; zegt de beruchte Marx in „Das Kapitale De dagelijksche spijziging aan de kloosters van honderde armen, het huisbezoek der kloosterlingen om de ware van de valsche armen te onderscheiden en aalmoezen uit te reiken naar behoefte, de verstandigste en onbekrom-penste verzorging der behoeftigen in hun stoffelijken nood, dat is nog het minste, wat de kloosterlijke liefdadigheid

zulk een maatschappelijk gewicht mag hij niet onverschillig blijven. Maar vrat is zijn rolP De liefdadigheid is eerst en vooral een persoonlijke plicht, die op den mensch ruptte vóór het ontstaan van cenigen staat. En daar de vervulling van dien plicht eene bij uitstek godsdienstige handeling is, — want wij begrijpen onder liefdadigheid iets meer dan van tijd tot tijd een sommetje gelds afstaan — is hare natuurlijke beschermster en geleidster de Kerk. Particuliere en kerkelijke liefdadigheid is dus hoofdzaak; terwijl de functie van den staat hier gelijk elders is de private krachten beschermen, aanmoedigen en, waar zij te kort schieten, aanvullen.

Over onze armenwet hebben wij geen klagen, daar zij geheel van het aangegeven beginsel uitgaat. Vol vertrouwen op het goed beheer der private en kerkelijke instellingen bemoeit de wet zich noch met de oprichting, noch met het bestuur, noch mei de ontbinding er van, en schenkt subsidie, waar het noodig mocht blijken, haar toch de volle vrijheid latende. De enkele lasten, die zij aan de particuliere en kerkelijke instellingen oplegt, zijn voor een geregeld bestuur noodzakelijk. Want daar de staat in geval van onverquot; mogen moet bijspringen, mag hij niet geheel onkundig gelaten worden met den toestand dier instellingen. Het gevolg is, dat onze armenwet van \'54 af uitmuntend heeft gewerkt.

1) Weisz. Apologie des Chrislenthums.

-ocr page 34-

31

verriclitte. Rijker en heilzamer waren hare geestelijke aalmoezen. Het kwam niet bij hen op de armoede te verbannen, maar zij verstonden het de armen in het dragen er van te steunen door de liefde. Daarom namen zij de oorzaken van het pauperisme weg, maar zochten die, waar zij altijd liggen, op zedelijk gebied. Zij leerden den arme arbeiden en gaven daarvan zelf het voorbeeld; en zoo voldeed hunne liefdadigheid ten volle aan hare sociale roeping.

In de 19de eeuw schijnt de bedelmonnik iets van een anachronisme te hebben. Onze beschaafde lui voelen een zekeren afschuw voor hem. Aan de bestaande armen hebben zij reeds meer dan genoeg, wat moeten er nog vrijwillige armen bijkomen ? Wat nut stichten zij 7 Is de benaming te hard van parasieten der maatschappij ? — Lacordaire dacht er anders over. „De sociale quaestie kan alleen door den Capucijn worden opgelost,quot; zeide hij. Want waarlijk hun sociale invloed is machtig, al heeft hij geen schittering in de oogen der wereld. De vrijwillige armoede, dat geheel eigenaardige sieraad der katholieke Kerk, plaatst degenen, die haar omhelzen; als tusschenpersonen tusschen de uiterste standen der maatschappij. Dikwijls zoons van aanzienlijke ouders prediken zij door hun voorbeeld aan de rijken, dat zij zich niet ongeregeld aan hunne schatten moeten hechten, aan de armen, dat zij met hunne armoede tevreden moeten zijn. Door de armoede vrijwillig tot hun deel te kiezen, nemen zij de niet vrijwillige armen tot hunne broeders aan, met wie zij de giften deelen, die zij zelf ontvingen. De onbaatzuchtige liefde, waarmede zij dit doen, vergemakkelijkt voor den rijke de liefdadigheid en schenkt aan hunne aalmoes een hoogst zedelijken invloed op den arme. Niet ingenomen door zorg voor eigen huisgezin , noch gedrukt door den last van geld en goed, geven zij zich met volkomen toewijding van hun ganschen persoon over aan het geluk van anderen. Bij de groot en toegang hebbend om hnnne waardigheid, van de kleinen het vertrouwen genietend om hunne armoede, herstellen

-ocr page 35-

32

zij den band tusschen die twee standen. Het woord van Lacordaire bevat dus wel waarheid. Welnu die vrijwillige armoede is alleen mogelijk in de katholieke Kerk.

Meer verschooning voor het oordeel onzer eeuw vinden de congregaties uitsluitend voor liefdewerken ingesteld. Men moet ook maar een enkelen keer een hospitaal , een krankzinnigengesticht, een huis voor verlaten kinderen, of iets dergelijks hehhen bezocht om te erkennen, dat daar de liefde en de offervaardigheid opgevoerd zijn tot heldhaftigheid. Wie zijn die heldinnen, die dag en nacht haar gansche leven lang de zieken en armen verzorgen en hun de walg-lijkste diensten bewijzen ; en dat zonder dank te vragen, zonder zelfs haar naam bekend te maken ? Het zijn geen personen, die nergens elders terecht kunnen; maar juist de edelste krachten der maatschappij, dikwijls de fijnst opgevoede jongedochters, die van natuur afkeerig zijn van het gezicht der menschelijke ellenden; maagden, die van de wereld alles hadden kunnen genieten, maar die zich bij het ziekbed der armen gelukkig voelen. Wanneer buiten de katholieke Kerk iemand opstaat in alles gelijk aan eene liefdezuster, dan wordt haar naam wereldkundig gemaakt, en zij verdient inderdaad ieders hulde. Maar in de Kerk is het niet een of ander individu, maar is het een stand, waartoe duizenden toetreden, veelal na overwinning van allerlei moeilijkheden. Men kan de liefdezusters verdrijven, maar vervangen niet. De Protestanten doen edelmoedige pogingen om de katholieke Kerk hierin na te doen. En grooten lof verdienen hunne diakonessen en zooveel andere waarlijk liefdadige personen onder onze andersdenkende medechristenen, In hun arbeid is het christendom te herkennen. Daarom werken zij niet tevergeefs. En hoe meer liefde en opoffering hunne liefdadigheid kenmerkt, des te vruchtbaarder en heilzamer zal zij zijn voor de maatschappij. Met dat al zijn echter die diakonessen onze liefdezusters niet, blijft die instelling eene nabootsing. In de beoefening der liefdadigheid is de katholieke Kerk niet te evenaren.

-ocr page 36-

33

Wij kunnen aan de verzoeking niet weerstaan eene bladzijde over te schrijven uit het voortreffelijk werk van Mgr. von Ketteler, Die Arbeiterfrage und das Christenthum. „De onuitputtelijke middelen van armer verzorging, die in alle deelen der wereld verzameld zijn , evenals de tallooze ziekenhuizen, armenhuizen, gestichten voor oude en gebrekkige lieden zijn ondercomen en gesticht door de christelijke liefde en door den geest van het christendom. Op deze christelijke kapitalen en christelijke stichtingen teert ook nu nog onze eeuw, al heeft zij er ook den oorsprong van vergeten, het beheer daarvan aan de Kerk onttrokken en het daarentegen aan vijanden van het christendom en de Kerk in handen gegeven. Het is eene lievelingsbezigheid der heerschende partij van het liberalisme al die ontzaglijke geldmiddelen, welke de Kerk in Europa voor armenverzorging verzameld heeft, meer en meer van haar af te nemen en iedere herinnering aan hun oorsprong uit te wisschen. Slechts in één opzicht blijven zij onafscheidelijk met de Kerk en het christendom verhouden, namelijk met betrekking tot de kracht, die ze in het leven riep. Het voorchristelijke heidendom kende geen inrichtingen voor den arbeider, die niet meer tot werken in staat is; men liet hem in ellende vergaan. Waar echter het moderne heidendom zulke inrichtingen geschapen heeft, daar ontving het den stoot daartoe van het christendom. Zijn eigen geest vermag het quot;niet, of slechts onder bijzondere omstandigheden, in enkele gevallen, in zekeren zin om het christendom concurrentie aan te doen. Zoo zal het ook in de toekomst blijven. De ware verzorging voor den afgewerkten arbeider zal altijd van de Kerk uitgaan en van diegenen, die in de Kerk en van Christus den geest der ware naastenliefde ontvangen hebben. Wee den tot werken ongeschikten arbeider, als het mogelijk ware den invloed van het christendom, en van de Kerk te vernietigen! Hij zou weldra weder in dien jammervollen toestand zijn, waarin hij zich vóór het christendom in de gansche heidensche wereld bevonden heeft.

-ocr page 37-

34

Het cbristeudoin zorgt echter voor den afgewerkten arbeider niet alleen door sliehting van armenfondsen en allerlei armeninrichtingen, maar in het hijzonder ook daardoor, dat het door de kracht zijner bovennatuurlijke liefde menschen beweegt zichzelf, hun leven, al hunne krachten aan den dienst der arme arbeiders in die inrichtingen te wijden. Veel gewichtiger dan de opneming van hulpelooze arbeiders in zulke huizen is voor hen de behandeling en verpleging, die zij daar vinden. Daar zijn slechts twee doeleinden mogelijk, welke zij, die de verpleging in zieken-, armen-en invalidenhuizen op zich nemen, op het oog kunnen hebben. De eenen beschouwen de aanstelling en de werkzaamheden in zulke inrichtingen als een kostwinning. De nederige diensten komen in dit geval neer op dienstboden , die zich in bedoelde huizen met hetzelfde inzicht verhuren als in andere dienstbare betrekkingen en die voor loon hun dienstwerk verrichten. Dewijl nu het werk in die huizen veelal uiterst zwaar, walglijk en dikwijls met alle natuurlijk gevoel strijdig is, zoo is het noodzakelijk gevolg, dat de beste dienstboden de voorkeur geven aan \' den veel meer opbrengenden en aangenamer dienst bij goede, welgestelde families; zoodat die inrichtingen het dikwijls met de slechtste en ongeschiktste loondienaars en loondie-naressen doen moeten. De nadeelige gevolgen van dezen toestand heeft dan de arme arbeider te dragen. — De anderen wijden zich aan dezen dienst toe niet om het loon , maar om de christelijke liefde. Zij hooren grootendeels in een stand thuis, die hen van den aftobbenden arbeid ran dienstboden vrijhield; zij kiezen echter vrijwillig dezen arbeid en juist in zulke omstandigheden, waaraan andere dienstboden zich onttrekken, om de hoogste beweegredenen, die een mensch leiden knnnen, uit de onbaatzuchtigste christelijke liefde, die in den armsten, hulpbehoevendsten arbeider een medebroeder en broeder van Jezus Christus erkent en bemint. Het ligt voor de hand en behoeft geen verder betoog, welk een invloed zulk eene gezindheid op de

-ocr page 38-

35

gansehe beliandeliDg der hulpbehoevenden moet uitoefenen in vergelijking met die verpleging, welke alleen van loondienaressen uitgaat. Deze soort van verzorging dei-arme arbeiders kent echter alleen en uitsluitend het christendom en wel het ware christendom, dat in het geloof aan den Zoon Gods zijn voedsel en zijn goddelijke kracht heeft. Het humanisme kan de christenlijke naastenliefde met betrekking tot aalmoezen en tot oprichting van armen-gestichten tot zekere hoogte nadoen; maar de naastenliefde, krachtens welke de mensch zichzelf met zyn eigen leven aan den armen arbeider als dienstbode aanbiedt, als het ware de knecht wordt van den armen, kranken knecht, deze staat er op eene onbereikbare hoogte boven. De Kerk heeft ten allen tijde en ook in onze dagen tallooze ledematen in alle deelen der wereld, die, gesproten uit de hoogere standen, vrijwillig zich tot dienstknechten en dienstmaagden gemaakt hebben van den hulpbehoevenden arbeidersstand , en hun gansehe leven dag en nacht aan dit zware beroep toewijden. Zij kan er elk oogenblik duizenden oproepen en noemen, die zoo den arbeideisstanddienen, terwijl alle krachtsinspanningen der humaniteit van de gansehe wereld bij elkaar genomen nog niet aan één mensch de kracht der liefde tot zulk een levenswijze hebben ingestort, niet één broeder van barmhartigheid, niet één liefdezuster hebben voortgebracht. Zij kunnen den arbeider alleen den loondienaar en de loondienares aanbieden.quot;

Aan de werken van liefdadigheid neemt het gansehe katholieke volk deel, Want het zijn niet alleen kloosterlingen , maar ook mensehen midden in de wereld, menschen met een huishouden, menschen aan het hoofd van zaken, die de liefdadigheid beoefenen, alsof zij daar alleen voor leefden. Vandaar tot verschillende liefdadige doeleinden zooveel vereenigingen opgericht, die de deftigste standen in onmiddellijke aanraking brengen met de armen, niet door dezen de gelegenheid te geven zich bij een of ander bureau aan te melden, maar door de rijken persoonlijk de verblijven

-ocr page 39-

36

der ellende binnen te voeren. Wij wijzen alleen op de boven allen lof verheven Vereeniging van den H. Vincentius. Wie ooit eene algemeece jaarsvergadering mocht bijwonen en het verslag der werkzaamheden van een jaar aanhoorde, staat misschien verbaasd over de uitgebreide armenzorg door haar beoefend , doch weet daarmee eigenlijk nog maar alleen, wat op stoffelijk gebied verricht is. Dit is echter slechts een gedeelte van haar werkkring. Het meeste goed doet zij op zedelijk gebied, en dat is onberekenbaar. Hare groote kracht vindt de Vincentius-Vereeniging in eene organisatie, waardoor hare leden van den eenen kant maatschappelijk handelen en daardoor steun vinden by elkander, maar van den anderen kant ook persoonlijk liefdadigheid beoefenen door zelf de armen op te zoeken. Als krachtig georganiseerde maatschappij is zij een kern, waarom alle katholieken, die iets voor de armen overhebben, zich scharen; en door het persoonlijk armenbezoek weet zij aan alle voorwaarden der liefdadigheid te voldoen. Zoo geeft zij hare aalmoezen met discretie en verhoogt het zedelijk en godsdienstig leven der armen; maar daartoe vordert zij in hare leden den geest van liefde en offer. Zonder dat ware het hun onmogelijk hun tijd, hun genoegens, zichzelf te schenken aan menschen, van Vvie zij dikwijls na ontzettend veel opoffering niets dan ondank ontvangen. Vraagt men nu wie hen met dien geest bezielt, dan antwoorden wij: de katholieke Kerk. Buiten die Kerk ware de Vincentius-Vereeniging een heerlijk organisme , maar zonder levensbeginsel.

Ons dunkt, zelfs de bitterste haat tegen de Kerk kan niemand zoo verblinden, dat hij hare liefdadigheid niet ziet en bewondert. Wat men ons ook aanwijze, wij kunnen altijd zeggen: het is toch niet zooals bij ons. De Kerk kan niet anders; want de liefdadigheid is een noodzakelijk uitvloeisel harer beginselen. Daarom schittert bij haar die deugd in zoo verhevenen glans. En dewijl dat zoo in het oog springt, zijn hare vijanden er steeds op uit haar die glorie te ontrooven. Want de verwereldlijking van gast-

-ocr page 40-

37

huizen, de verdrijving van liefdezusters en andere hatelijke maatregelen om de Kerk in hare menschlievende zending te dwarsboomen, komen niet voort uit bezorgdheid voor de armen, maar uit haat tegen het christendom. Doch de liefdadigheid blijft het eigendom der katholieke Kerk. Zij heeft haar geschapen. In het heidendom was het eene ongekende deugd. En p.1 wat thans nog de wereld er van kent, leerde zij van de Kerk, terwijl het diepste geheim er van alleen open en klaar ligt voor de oogen dergenen, die van de katholieke beginselen doordrongen zijn. Natuurlijk; want de beginselen, die het katholieke leven regelen, zijn dezelfde, die de liefdadigheid vruchtbaar maken: liefde en offer.

Het grootste en eerste gebod door den goddelijken Stichter der Kerk ons voorgehouden is de liefde tot God; „maar het tweede is daaraan gelijk: gij zult uw naaste beminnen gelijk u zeiven.quot; „Dit is Mijn gebodquot; bij uitnemendheid ; zoo zeer stelde Hij het op prijs. Daarmee is een beginsel gesteld, een regel voorgeschreven, waarnaar het maatschappelijk leven zich richten moet, een sociale plicht opgelegd, die door de kinderen der Kerk zoo volmaakt moet vervuld worden, dat zij daaraan te onderkennen zijn. „Hieraan zullen allen erkennen, dat gij Mijne leerlingen zijt.quot; Evenzoo is in de katholieke Kerk de offervaardigheid tot levensregel verheven. Gelijk het middelpunt van haren eeredienst de verhevenste offerande is, \'zoo ook moet de spil van het zedelijk leven des christens het offer zijn. Het is eene wet des goddelijken Meesters. „Wie zijn kru;s niet dagelijks opneemt en Mij volgt, kan Mijn leerling niet zijnquot;, klinkt het ons toe in het Evangelie. En daar die plicht voor de natuur pijnlijk is en dus gemakkelijk verzaakt wordt, dringt de Zaligmaker herhaaldelijk hierop aan in allerlei vorm, onder verschillende beelden, maar overal met de grootste duidelijkheid: geen waardig kind Zijner Kerk zonder den geest van offer. Maar als het christendom de godsdienst is van de liefde en van het offer, dan is het ook de godsdienst der liefdadigheid, en wel van

-ocr page 41-

38

de heilzaamste en vruchtbaarste liefdadigheid. Waar zulke beginselen het leven regelen, daar kunnen wij gemakkelijk de grootsche liefdewerken der katholieke Kerk verklaren, daar behoeft men slechts een edel hart te hebben om mirakelen van liefdadigheid te wrochten. Wij beweren niet, wij mogen niet beweren, dat buiten de katholieke Kerk die beginselen volkomen onbekend zijn, dat dus alle liefdadigheid buiten de moederkerk beoefend tot vruchteloosheid veroordeeld is en alleen kan voortkomen uit inconsequentie. Maar wat elders van die beginselen gevonden wordt, zijn brokstukken van den schat van leering, dien de wereld van den katholieken godsdienst ontvangen heeft. Nergens heerschen die beginselen met zooveel kracht als in de katholieke Kerk. Daarom is haar de vruchtbaarste liefdadigheid zoo natuurlijk, maar daarom kan die deugd ook buiten haar beoefend worden en met te meer voordeel naarmate zij meer gelijkt op de liefdadigheid der Kerk. Haar armenzorg is het ideaal.

Dit is zoo ontegenzeglijk waar, dat haar het tegenovergestelde verwijt gedaan is, als ware zij onverstandig in het weldoen. Hare liefdadigheid zou niet oordeelkundig zijn. Zij zou maar aalmoezen uitdeelen , hoe meer hoe beter zonder te letten aan wien. Dit zou zoozeer in haar stelsel liggen, dat zij, wel verre van de armoede te bestrijden, deze veeleer opzettelijk bevordert met het doel om de gelegenheden tot schenking van aalmoezen te vermeerderen. De gevolgen der christelijke liefdadigheid zouden dus noodlottig zijn voor de maatschappij, daar zij de luiheid met alle macht binnenroept. Maar de ongegrondheid van dit verwijt blijkt aanstonds uit de eenvoudige waarheid, dat juist de katholieke Kerk den arbeid algemeen gemaakt heeft. Met hare leer van de erfzonde en de daarmee verbondene straf hield zij den mensch den plicht des arbeids voor. Zelfs de Apostelen en de eerste leeraars van het christendom , die met zooveel nadruk de zaak der armen en ongelukkigen bepleitten, die om de liefdadigheid in de

-ocr page 42-

39

harten te doen wortel schieten eerst de zelfzucht van het heidendom hadden uit te roeien, zoodat men van hen veeleer overdrijving ten gunste van het geven zou mogen verwachten ; zelf zij betoogen in de krachtigste bewoordingen de noodzakelijkheid en den plicht van den arbeid, en voor hen gold evenzeer als thans de regel van den H. Paulus, die aan duidelijkheid en bondigheid niets te wenschen overlaat: „zoo iemand niet wil werken, moet hij niet eten.quot; Vandaar dat de Kerk overal de armen, die kunnen maar niet willen arbeiden, van de liefdadigheid wil uitgesloten zien. Uitdrukkelijke voorschriften hieromtrent zijn te vinden in de regels voor de armenverzorging bij de oude kloosterorden. De Kerk geeft met hare liefdadigheid geen vrijbrief aan de luiheid, maar spreekt over den bijstand der luiaards zoo scherp mogelijk hare veroordeeling uit.

Wij lezen van den H. Martelaar Laurentius, dat van hem de schatten der Kerk, waarover hij het beheer had , werden opgevorderd. Aan dien eisch beloofde hij te zullen voldoen en vroeg drie dagen uitstel om alles te regelen. Dien tijd gebruikte hij om de goederen onder de armen te verdeelen of in veiligheid te brengen, en riep toen zooveel mogelijk armen en ongelukkigen bijeen. Nadat hij dit gedaan had, noodigde hij den proconsul uit om de kerkelijke goederen in ontvangst te komen nemen, geleidde hem tot de bijeengeroepen schare en op haar wijzende zeide hij: „Ziedaar de schatten der Kerk.quot; Heerlijk woord, dat de eerbied en liefde der Kerk uitdrukt voor de armen! Zij wijst op een goddelijken Stichter, die, hoewel God zijnde, als mensch overal door woord en daad Zijne voorliefde tot de armen en de armoede toonde; die jaren lang hun lot wilde deelen, zoodat Hij zelfs geen steen had om Zijn hoofd op neder te leggen; die bij voorkeur aan hen Zijne weldaden schonk, vooral aan hen Zijn evangelie predikte, in de bergrede hen het eerst van allen zalig prees. Zijn vertrouwen schonk aan mannen uit de nederige volksklasse.

-ocr page 43-

40

Geen wonder, dat de armen lioog staan in de Kerk en dat de ware christen zijne arme medebroeders eerbiedigt en bemint.

Ware eens de christelijke geest overal doorgedrongen! Dat is het eerste en laatste woord, wanneer er sprake is van de genezing der maatschappelijke kwalen. Ware die christelijke geest niet uit het openbare leven verbannen of ware hij wederom in eere hersteld, wij zouden niet voor de sociale quaestie staan. Het verschil van stand ware niet opgeheven, maar de verhouding tusscben arm en rijk zou harmonisch zijn. Door opwekking en exploitatie van de ontevredenheid der mindere klasse, door twee noodzakelyke standen van de maatschappij verder en verder van elkander te verwijderen, zoodat zij ten laatste onmogelijk bij elkaar kunnen terugkeeren, stelt het socialisme zich voor de maatschappij te redden. Maar daardoor doet het niets daa de ellenden vermeerderen en verzwaren. Is echter de liefdadigheid waarachtig christelijk, dan, maar dan ook alleen is zij bij machte eene sociale roeping te volbrengen, Dan sluit de rijke zich niet op in zijne schatkamer om geheel en onverdeeld voor de weelde te leven; dan eert de arme zijn stand, waarin hij een mensch geworden God tot deelgenoot bezit. Dan komt er toenadering tusschen de uiterste maatschappelijke klassen. Van den kant der rijken geen hooghartigheid, geen exploitatie van minderen, maar toegankelijkheid en eerbiediging van den persoon en van de vrijheid des armen, overtuigd als hij is, dat zijn heil afhankelijk gesteld is van den troost, dien hij hem aanbiedt: wat gij den minste der Mijnen gedaan zult hebben, hebt gij Mij gedaan. Van den kant der armen geen afgunst, geen wrok, maar liefde en vertrouwen tegenover den rijke, dien zij als hunne voorzienigheid op aarde hebben leeren beschouwen. Maar nog eens om hare sociale roeping te vervullen moet de liefdadigheid christelijk zijn.

P. B. Biuiin.

-ocr page 44-
-ocr page 45-

40

Geen wonder, dat de armen hoog staan in de Kerk en dat de ware christen zijne arme medebroeders eerbiedigt en bemint.

Ware eens de christelijke geest overal doorgedrongen! Dat is het eerste en laatste woord, wanneer er sprake is van de genezing der maatschappelijke kwalen. Ware die christelijke geest niet uit het openbare leven verbannen of ware hij wederom in eere hersteld, wij zouden niet voor de sociale quaestie staan. Het verschil van stand ware niet opgeheven, maar de verhouding tusschen arm en rijk zou harmonisch zijn. Door opwekking en exploitatie van de ontevredenheid der mindere klasse, door twee noodzakelijke standen van de maatschappij verder en verder van elkander te verwijderen, zoodat zij ten laatste onmogelijk bij elkaar kunnen terugkeeren, stelt het socialisme zich voor de maatschappij te redden. Maar daardoor doet het niets da a de ellenden vermeerderen en verzwaren. Is echter de liefdadigheid waarachtig christelijk, dan, maar dan ook alleen is zij bij machte eene sociale roeping te volbrengen. Dan sluit de rijke zich niet op in zijne schatkamer om geheel en onverdeeld voor de weelde te leven; dan eert de arme zijn stand, waarin hij een mensch geworden God tot deelgenoot bezit. Dan komt er toenadering tusschen da uiterste maatschappelijke klassen. Van den kant der rijken geen hooghartigheid, geen exploitatie van minderen, maar toegankelijkheid en eerbiediging van den persoon en van de vrijheid des armen, overtuigd als hij is, dat zijn heil afhankelijk gesteld is van den troost, dien hij hem aanbiedt; wat gij den minste der Mijnen gedaan zult hebben, hebt gij Mij gedaan. Van den kant der armen geen afgunst, geen wrok, maar liefde en vertrouwen tegenover den rijke, dien zij als hunne voorzienigheid op aarde hebben leeren beschouwen. Maar nog eens om hare sociale roeping te vervullen moet de liefdadigheid christelijk zijn.

P. B. Bruin.

-ocr page 46-