Vak 116
HET CIBORIÜM-ALTAAR.
AlGEMEENE
ZAAK- M GESCHIEDRUUfDIGE ÏERHASIDEIIKO,
— van de eerste tijden tot onze dagen —
EN
UITVOERIGE BESCHRIJVINCt
VAN HET
Nieuwe Altaar in de kerk „DE KRIJTBERGquot;,
TK ABISTER»AM,
DOOR
ALB. VAN ROOIJEN
(Schrijver van „De niemce St.-Monicdkerkquot;)
*
| » erKrbjyuua i aan
de Bureau\'s te Amsterdam, Utrecht en \'s-Bosch. 1887.
20 r-t---Tquot;
*
Artikolsgewijze verschenen in liet Zondagsblad -
VAN
„HET CENTRUMquot; ei) „DE VOLKSCOURANTquot;. Prijs 5 Cents.
Verkrijgbaar aan °rdam,
1887.
M___IL
VaA-^ ^-0
HET CIBORIUM-ALTAAR.
AlGEMEESE
ZAAK- Efli (lt;ES(!HIEVKlii\\l)I(iE VERHANDELING,
— van de eerste tijden tot onze dagen —
EN
UITVOERIGE BESCHRIJVING
VAN HET
Nieuwe Altaar in de kerk „DE KRIJTBERGquot;,
TK AMSTEROAM,
DOOR
ALB. VAN ROOIJEN
(Schrijver van „De nielfive St.-Monicakerkquot;)
Artikelsgewijze verschenen in het Zondagsblad
VAN
„HET CENTRUMquot; ei? „DE VOLKSCOURANTquot;.
?
-—
-
I.
Sedert korten tijd is in de nieuwe kerk De Krijtberg te Amsterdam een ciborium-altaar als hoofdaltaar geplaatst, dat een uitvoerige beschrijving over-waardig is. Wij meenen deze, nu wij ia de gunstige gelegenheid waren gesteld, aan onze godsdienstig gezinde en kunstlievende lezers niet te mogen onthouden, en tevens hun met een voorafgaande zaak- en geschiedkundige verhandeling over het Ciborium-altaar een genoegen te kunnen verschaffen. In dien zin vertrouwen wij, voor het Zondagsblad van heden, en voor dat der eerstvolgende week, met een goedgunstige aandacht voor het tweevoudige onderwerp te zullen worden vereerd.
Het Ciborium-altaar is een voortreffelijk altaar om zijne gepastheid in de kerk, om zijn eerbiedwaardigen ouderdom in de geschiedenis, en om zijne doelmatigheid; doelmatig is het vooral als Sacraments-altaar.
Naar wij geleidelijk hopen te zien, vindt het een gepaste plaats in kerken van eiken stijl, mits deze
4
werkelijk kerken zijn, en niet maar eenvoudige kapelletjes. Hoogst gewenscht is het daarbij, dat èn altaar en kerk in denzelfden, niet in verschillenden stijl worden gebouwd, tenzij misschien in ontzaglijk groote kathedralen of basilieken, waar vele afdeelingen zijn van onderscheiden aard.
De hoofdgedachte bij het Ciborium-altaar is; de bedekking of overhuiving van het altaar, en daardoor de opluistering en de bescherming van den gewijden altaardienst.
Zelfs bij de herdensche en de joodsche altaren kunnen wij dat denkbeeld reeds min of meer terugvinden. Naar wij weten, werd ook bij de heidenen, hoe misplaatst en hoe schijnbaar quot;t ook in zekeren zin mocht wezen, voor een bijzonderen eerbied en uitvvendigen luister gezorgd bij de altaaroffers. Ook bij hen had het altaar veelal reeds een tweevoudige bestemming: nl. eervol gedenkteeken te zijn voor hun dierbare afgestorvenen, en gewijde offerplaats tevens voor hun vermeende godheden. Over zulke altaren nu bouwden zij niet zelden de overhuiving of het ciborium, tot opluistering en beschutting.
Bij de Joden, het uitverkoren volk Gods, was de heilige altaardienst in de minste bijzonderheden door Goddelijke ingeving voorgeschreven, vooral de inrichting van de Ark des Verhonds. Zoo had Jehovah aan
5
Mozes bevolen, twee Glierubi]nen boven de Ark te plaatsen, die haar met uitgespreide en in elkander reikende vleugelen zouden bedekken en beschermen.
De eerbied voor deze instelling was eene der aanleidingen tot het bouwen van ciborium-altaren in de christelijke tijdrekening, gelijk reeds blijkt uit de plechtige wijding van zulk een altaar aan het einde der vijfde eeuw.
Het genoemde denkbeeld vinden wij al eenigermate vertegenwoordigd in de eerste drie eeuwen der * katholieke Kerk, den tijd der vervolgingen en der
Catacomben. Voor den H. Altaardienst werden toen % gemeenlijk de graftomben der Martelaren aangewezen,
^ en over deze tomben veelal eene nis met overhuivend
gewelf, ronde of spitse bogen, in de onderaardsche steengroeven uitgehouwen. Vandaar arcosolium, de naam dier oud-christelijke altaren. Het woord is samengesteld uit circus, boog, en s»Iium, troon; ook de bfeteekenis van solium als tombe (kuip) zou van toepassing kunnen zijn. De arcosolia waren begrijpelijkerwijze in de steengroeven uitgebreid tot volledige grafkamers of grafkapellen, die het voorkomen en soms nagenoeg de grootte en den luister hadden van de latere Basilieken, en ook duidelijk herinnerden aan de vroegere Columbaria, de grafkamers der oude Romeinen, gelijk er zich nog eene merkwaardige be-
vindt in het zoogenaamde „Huis van Julius Caesarquot; bij de Porta Capena te Rome. Zij werden later soms waardig nagevolgd voor ciborium-altaren, hoewel deze in meer eigenlijken zin eerst dan hun naam verdienen, wanneer hunne overhuiving wordt gevormd, niet zoozeer door een nisvormigen uitbouw van de kerk, als wel door een afzonderlijk dak.
In dien meer .eigenlijken zin werden zij gebouwd sinds den tijd van Constantijn dan Groote, den door-luchtigea bekeerling, die als Gods werktuig verscheen om den ehristelijken Godsdienst uit de duistere schuiloorden in het volle daglicht te plaatsen, de Blijde Boodschap, den Zaligmaker der Wereld, over den ganschen aardbodem te leeren kennen, en tot de heilvolle inwerking der Goddelijke Genade krachtdadig mede te helpen.
In de bouwkunde wordt die tijd het Oud-Christelijke tijdperk genoemd (330—1000). Het zij ons geoorloofd, voor dit en voor de volgende tijdperken, de inri«hting en de geschiedenis van het ciborium-altaar een weinig meer in bijzonderheden na te gaan.
Moge ook al in latere kerkgebouwen het ciborium-•altaar niet zelden aan den achtermuur van de voorste koornis (apsis) bevestigd zijn, dikwijls stonden en staan zij toch geheel vrij, met opene ruimte om zelfs den Bisschoppelijken troon er achter te plaatsen, gelijk
7
dit vooral vroeger het gebruik was. Dan waren op deugdelijke voetstukken ter wederzijde twee of meer zuilen opgericht, die het schutdak droegen. Zoowel het offeraltaar als de offerende priester stonden daaronder geheel beschermd. Ten overvloede hingen tus-schen de zuilen een of meer voorhangsels, die het Heilige der Heiligen aan de oogen van ongewijden (;, konden onttrekken; naar de verschillende tijdperken
waren zij verschillend in vorm en getal, en omhulden soms de vier zijden alle.
♦ I * Dit is in meer eigenlijken zin het Giborium of
Overhuifd of Huifaltaar. Meer bepaald heet de over-J k huiving ciborium, het overhuifd altaar ciborium-
^ # altaar.
Over de verklaring van het woord zijn de geleerden het niet geheel eens. Het minst gevolgde gevoelen is schijnbaar het gereedste, nl. dat het van het Latijn-sche cihus, spijze, zou zijn afgeleid, \'t Woord was j reeds bij de oude Romeinen bekend in den zin van
beker, een zin, die wellicht het minst verwerpelijk is; immers bij die Romeinen waren de overhuifde graven geene onbekende, terwijl ten minste in het christelijke Rome de overhuiving soms werkelijk den vorm van een beker had. In betrekking lot de Ark des Verbonds willen anderen eene gemakkelijke verklaring vinden in de Hebreeuwsche woorden cib,
ark, en or hun, licht Gods ; anderen in hel woord cahor, graf. Doch het wil er bij de volbloed Latinisten maar niet goed in, dat de Romeinen hunne uitdrukking zouden hebben ontleend aan de Semitische taal. Te minder, omdat de geleerden der gouden eeuw liever bij de letterkundig hoogst ontwikkelde Grieken ter schole gingen, en bij dezen ook het woord kiborion konden vinden, in den zin van eikel- en bekervormig vruchthulsel eener plant, van welke plant de harde schaal ook inderdaad als beker werd gebruikt. Evenwel, daar nu zelfs de Egyptische planten al in de zaak worden betrokken, is misschien het vermoeden van anderen niet geheel onaannemelijk, die het woord tot de hoogste oudheid terugbrengen, aan welke zoowel Grieken als Romeinen, zoo Joden als Egyptenaren, het gemeenschappelijk zouden te danken hebben.
Sinds de zestiende eeuw werd het Ciborium veelal baldakijn genoemd, althans in Frankrijk, en het altaar baldakijn-altaar.
Vanouds her werd het Allerheiligste veelal verborgen in een zilveren vat, dat in den vorm vf.n eene duif was vervaardigd en aan afhangende zilveren ketenen onder het overhuivende dak bevestigd. Het is niet onmogelijk, hoezeer ook niet onwedersprekelijk, dat de naam cihorium van de overhuiving zelve ook op
die zilveren duif is overgegaan, en later eveneens van deze op den tegenwoordig nog gebruikelijken H. Hostiënkelk van dien naam. Naar de meening van eenige oudheidkundigen was de plaatsing van het zilveren vat onder de overhuiving zulk eene vaste gewoonte, was een en ander zoo onafscheidelijk van elkander, dat de naam cihorium zonder onderscheid, haast willekeurig, van beide werd gezegd; met dit gevolg, dat hij evengoed oorspronkelijk aan de H. Duif kan hebhen toebehoord en later op de overhuiving zijn overgebracht. Tegen deze meening wordt echter op den man af aangevoerd, dat dan evengoed èn overhuiving èn altaar elkander hun eigenenamen konden hebben overgedaan.
Nog werd vroegertijd in overdrachtelijke beteekenis de naam cihorium soms overgebracht op den tabernakel zeiven; en eveneens op de beeldennissen, de heiligenkapelletjes en het oksaal (de galerij, vooraan boven den ingang van het priesterkoor). Om wille van de eenvoudigheid en de duidelijkheid is het een gelukkig verschijnsel, dat die beteekenis thans verdwenen is.
In den „Oud-Ghristelijken stijlquot;, d. i. in den tijd van en na Constantijn den Groote tot den Romaan-schen tijd, welke stijl geen andere was dan de oud-klassieke, dienstbaar gemaakt aan den\' christelijken
10
schoonheids- en godsdienstzin, waren de meeste altaren. die werden gebouwd, ciborium-altaren. Als steeds werd de overhuiving ingericht ook tot opluistering en beschutting van het altaar, dat destijds den eenvon-digen vorm had van eene tafel of eene graftombe, derwijze, dat de priester evenzeer aan de achter- als aan de voorzijde de H. Altaarplechtigheden kon verrichten en door het geloovige volk in zijn gewijde handelingen worden gevolgd, De kostbare zuilen werden ver-eenigd inet sierlijke hoofd- of bindbalken of met ronde bogen; op die balken of bogen rustte het vereischte dak, dat nu eens plat was, eenvoudig plat of bekroond met sierlijke gevels, elders den vorm had van beker, koepel of toren. Het beroemdste, althans het kostbaarste meesterstuk uit dien tijd was voorzeker dat van Keizer Justinianus in de Rag ia Sophia te Con-stantinopel. Het achthoekige dak, waarboven zich nog eene spits als een machtige toren verhief, werd gedragen op vier zilveren bogen, wier voetstukken steun voaden in de verhevene kruinen der rijzige zilveren zuilen. Het altaar zelf was van goud.
Andere schoone ciborium-altaren uit dien tijd waren gebouwd in den ouden St. Pieter, en in de kerken van de H.H. Pancratius, Lucina, Susanna, Andreas, Paulus, Maria ad mart 1/res en ad praesepe. alle te Rome; verder in het klooster van den H. Richarius te Cen-
11
tula, in de kathedraal van Auxerre, in het klooster der H. Coluraba, in dat van den H. Martialis, Bisschop van Limoges en in Petershausen te Gonstanz. In den ouden St. Pieter waren er meer dan één. Zij wedijverden met elkander in pracht en waren gebouwd door de Pausen der vroegste eeuwen, één zelfs reeds door Keizer Gonstantijn den Groote zeiven.
Er werden ook kunstrijke heelden, afbeeldingen, kronen en andere sieraden op het ciborium-dak geplaatst of aan de zijwanden of aan af hangende ketenen er onder bevestigd. Wat de beelden betreft, het is ten minste van de negende eeuw af bekend, dat zij prijkten op de hoeken der hoofdbalken of op de spits des driehoekteen gevels.
In den Romaanschen stijl (1000—1300) werden wel is waar niet zooveel nieuwe oiborium-altaren gebouwd, in den eigenlijken zin. Evenwel is het een feit, dat ook de retable-altaren van dien tijd er aan herinnerden, ja zelfs, gelijk nog tegenwoordig, er mede ver-eenigd werden. De retable altaren, naar men weet, zijn altaren met den achterbouw [retable, retro tabula) van matige hoogte; het uitstekende gedeelte of de nis werd zeer kunstvol gevuld met godsdienstige afbeeldingen en bekroond met kostbare reliekenschrynen of andere sieraden.
Bij de ciborium altaren van dien tijd rustte het
12
dak gemeenlijk op ronde, door de zuilen gedragen bogen, welke door ton of door kruisgewelf\' werden vereenigd; somwijlen werd er dan nog een hoogere gevel op gebouwd. En waar die eigenljike overhuiving ontbrak, was het toch eene vrome gewoonte, schier eene vaste wet, dat een schutdak of baldakijn van fijn linnen of ander kostbaar weefsel op kolommen of anderszins over het altaar werd gespannen en dit als met een troonhemel overdekte. Die gewoonte, evenals de omhulling met gordijnen, werd ook in latere tijden zooveel mogelijk gevolgd, zoodat het denkbeeld van ciborium-altaar, ook bij altaren die dien naam eigenlijk niet verdienden, toch in eere werd gehouden.
Bekende ciborium-altaren in dien stijl werden o. a. gevonden te Clugny, Verdun, enz., en worden nog aangetroffen in St. Clemens, St. Laurentius buiten de muren, en St. Georgius in Velabro, alle drie te Rome, en verder te Toscanella en Terracina, in St. Ambro-sius te Milaan, in den Dom te Parenzo, en in de kloosterkerk te Hamtnersleben.
In den Gothischen stijl (1300—1550) werden de ronde bogen uitsluitend door spitse vervangen, althans na den tijd der Vroeg-Gothiek, en werd bijzonder veel werk gemaakt van loof- en beeldwerk. Rondom het platte, door kruisgewelf onderschraagde dak, worden doorgaans doorzichtige leuningen of balustraden, of
13
ander loofwerk, of een tinnetrans als bekroning aangebracht, terwijl niet zelden eene torenvormige spits, aan beide zijden door passend loofwerk gesteund, in het midden omhoogrijst en het verheerlijkte Kruis in top verheft. Ja, een enkele maal vindt men boven het eerste ciborium een tweede, niet minder kostbaar, hoezeer gemeenlijk van minder breede afmeting; onder het tweede rust dan een kunstig bewerkt Re-liekenschrijn. Fraaie beelden onder rijzige baldakijnen worden boven de zuilen of andere geschikte rustpunten geplaatst, terwijl vooral de driehoekige voor-en zijgevels de gelegenheid verschaffen voor prachtig loof- of half beeldwerk. Het altaar zelf had nu eens den eenvoudigen vorm van tafel of tombe ; dan weder was er een kostbaar reliekenschrijn onder baldakijn op geplaatst; dan weder een fraai versierde of kunstig gebeeldhouwde retable mede vereenigd.
Hoevele meesterstukken als ciborum-altaren er in den Gothischen stijl ook werden en worden gebouwd, het behoeft toch geen betoog, dat niet alle altaren uit dien tijd eigenlijke ciborium-altaren waren. Het is genoegzaam bekend, dat de Gothiek zich vooral onderscheidde door de zoogenaamde Beeldenaltaren. ïer hoogte van de altaartafel, aan de achterzijde, verhief zich dan de pedrella, als het voetstuk van den bovenbouw; ter plaatse van den ouderen retable rees de
14
hoogbouw, het enkelvoudige of met twee of meer vleugeldeuren openslaande schrijn, waarin de geschilderde of gebeeldhouwde afbeeldingen prijkten: het beeldenschrijn werd bekroond door loofwerk, door ander beeldwerk, door spitsen en kruisbloemen; de middelste der spitsen bereikte niet zelden een aanzienlijke hoogte. Schoon zijn velen van die meesterstukken; van eenigen de indruk overweldigend. De kunst overtreft er schier zich zelve, om te beantwoorden aan den vroomsten Godsdienstzin,om het wezen en de geschiedenis van het H, Altaaroffer zoo volmaakt mogelijk in zichtbare vormen voor oogen te stellen.
Met goed gevolg bouwde men somwijlen verschillende beeldenschrijnen en torenwerken boven elkander. Somwijlen echter zoovele, dat zelfs de uitsluitendste voorstanders der ware Gothiek hunne afkeuring uiten en van overdrijving spreken.
Ciborium-altaren uit het Gothische tijdperk bevinden zich nog in St. Paulus (extra muros), in St. Jan van Lateranen, in St. Maria in Cosmedin, alle drie te Rome; verder te Genua en Verona; in den St. Michaël te Florence; te Louversey en Bretagnolles bijEvreux; te Marburg en Werl; in de Teinkirche te Praag; in den St.-Stephanus te Weenen; in den Dom en de Munsterkerk te Reirensburg; te Mühlhausen a/R. en te Maulbronn; in de St.-Georgiuskerk te Dinkelsbühl, enz.
15
Ook in het tijdperk der Renaissance (1550 — 1825) werden ciborium-altaren gebouwd, in den eigenaar-digen stijl van dien lijd. Zijn ook niet alle prijzenswaardig en niet al hun onderdeelen onberispelijk, er werden toch ook stukken vervaardigd van groote kunstwaarde. Het meest beroemde is wel het tegenwoordige hoofdaltaar in de Wereldbasiliek, in den nieuwen St. Pieter te Rome. Het verdient de b^zon-dere opmerking om zijn kolossale afmetingen, hoewel met recht mag worden getwijfeld, of deze in evenredigheid zijn met den omringenden tempelbouw. Dit laatste is ten minste een vrij algemeen gebrek bij de altaren van dien tijd. Beroemd om zijn vier porfieren zuilen is het ciborium-altaar in de St. Agnes te Rome. Het is nagenoeg even oud als dat van St. Pieter.
Naar wij reeds gelegenheid hadden op te merken, en straks nog kunnen toelichten, worden tegenwoordig ook in de Westersche kerken weder vele ciborium--altaren gebouwd, ware meesterstukken, in alle stijlen. Een hunner, in Golhischen stijl, hopen wij uitvoeriger te beschrijven en naar onze belofte de volgende maal aan al onze geachte Lezers naar waarde bekend te maken. Doch wij zouden ook voor ditmaal onze taak niet ten volle hebben geëindigd, indien wij nog riet uitdrukkelijk spraken over de H. Sacramentsalta-
16
ren. Bi) de vervulling van die taak, die een niel minder aangename dan gebiedende plicht is zouden lichtelijk nog eenige schoone bladzijden met de uitdrukking van verhevene gedachten en teedere gevoelens kunnen worden ten beste gegeven, bladzijden, die ten volste zouden beantwoorden aan den waren kunst- en godsdienstzin Om de beperkte plaatsruimte zijn wij evenwel genoopt, onze schets tot de meest oppervlakkige en hoogst noodzakelijke trekken te beperken.
In het genoemde tijdperk der Renaissance ontstond allengs de gewoonte, die vroeger uitzondering wa:-. om het Allerheiligste te bewaren en uit te stellen op het altaar zelf; te voren geschiedde zulks op afzonderlijke tronen en bewaarplaatsen. In den jongsten tijd werd de gewoonte tot wet verheven voor minstens een of twee altaren in iedere kerk. Zoo kostbaar, zoo kunstvol, zoo godvruchtig mogelijk, wordt daartoe op de achterzijde der altaartombe, de tabernakel, en liefst boven dezen de overeenkomstige uit-stelüngstroon gebouwd, die ten minste door een baldakijn wordt overwuifd. Volgens voorschrift is het hoofdaltaar er toe aangewezen; de uitzondering wordt alleen toegestaan voor bijzondere omstandigheden, b.v. in de kathedralen, wier hoofdaltaar moet dienen voor vele bisschoppelijke plechtigheden.
17
Indien men deze eerbiedwaardige gewoonte en wet in aanmerking neemt, is het dan niet zeer verklaarquot; baar, dat vooral in de laatste tijden de ciborium-alta-ren weder in groote getale worden gebouwd ? Immers, voor het H. Sacramentsaltaar zijn zij bijzonder, men mag zeggen : bij voorkeur aangewezen. Door de sierlijk en stichtelijk gebouwde overhuiving wordt de godvruchtige aandacht als tot het H. Sacrament bepaald, terwijl haar beschuttend, haar beschermend voorkomen tot buitengewonen eerbied stemt. „ liet ciborium altaar wekt bij de gelooyigen de opmerkzaamheid en den eerbiedtquot;, sprak reeds de Synode van Pistoja, in den lijd, toen het nog geen Sacramentsaltaar behoefde te zijn; hoeveel te meer is dit waar, nu het Allerheiligste er den ganschen dag zijne schuil- en rustplaats moet vinden en er plechtig op den sierlijksten troon moet worden uitgesteld. De tabernakel met troon kan in alle stijlen een meesterstuk wezen; evenwel is het niet zeer raadzaam, er uit de Renaissance of de Gothiek den hoogbouw mede te vereenigen, daar het eene moeilijke taak is, in die vereeniging een waardig en evenredig geheel te vormen; wie hierin slaagt, is reeds daardoor alleen een groot meester. Bepaaldelijk in hoo-gere kerken of grootere kapellen is de ciborium-bouw voor het Sacramentsaltaar de voortreffelijkste, te meer, daar de retable-bouw, gelijk wij zagen, er op
16
ren. Bij de vervulling van die taak, die een niet minder aangename dan gebiedende plicht is zouden lichtelijk nog eenige schoone bladzijden met de uitdrukking van verhevene gedachten en teedere gevoelens kunnen worden ten beste gegeven, bladzijden, die ten volste zouden beantwoorden aan den waren kunst- en godsdienstzin Om de beperkte plaatsruimte zijn wij evenwel genoopt, onze schets tot de meest oppervlakkige en hoogst noodzakelijke trekken te beperken.
In het genoemde tijdperk der Renaissance ontstond allengs de gewoonte, die vroeger uitzondering wa?, om het Allerheiligste te bewaren en uit te stellen op het altaar zelf; te voren geschiedde zulks op afzonderlijke tronen en bewaarplaatsen. In den jongsten tijd werd de gewoonte tot wet verheven voor minstens éen of twee allaren in iedere kerk. Zoo kostbaar, zoo kunstvol, zoo godvruchtig mogelijk, wordt daartoe op de achterzijde der altaartombe, de tabernakel, en liefst boven dezen de overeenkomstige r.it-stellingstroon gebouwd, die ten minste door een baldakijn wordt overwuifd. Volgens voorschrift is het hoofdaltaar er toe aangewezen; de uitzondering wordt alleen toegestaan voor bijzondere omstandigheden, b.v. in de kathedralen, wier hoofdaltaar moet dienen voor vele bisschoppelijke plechtigheden.
17
Indien men deze eerbiedwaardige gewoonte en wet in aanmerking neemt, is het dan niet zeer verklaarquot; baar, dat vooral in de laatste tijden de ciliorium-alta-ren weder in groote getale worden gebouwd ? Immers, voor het H. Sacramentsaltaar zijn zij bijzonder, men mag zeggen : bij voorkeur aangewezen. Door de sierlijk en stichtelijk gebouwde overhuiving wordt de godvruchtige aandacht als tot het H. Sacrament bepaald, terwijl haar beschuttend, haar baschermend voorkomen tot bui-tengevvonen eerbied stemt. „ liet ciborium altaar wekt bij de gelooyigen de opmerkzaamheid en den eerbiedtquot;, sprak reeds de Synode van Pistoja, in den lijd, toen het nog geen Sacramentsaltaar behoefde te zijn; hoeveel te meer is dit waar, nu het Allerheiligste er den ganschen dag zijne schuil- en rustplaats moet vinden en er plechtig op den sierlijksten troon moet worden uitgesteld. De tabernakel met troon kan in alle stijlen een meesterstuk wezen; evenwel is het niet zeer raadzaam, er uit de Renaissance of de Gothiek den hoogbouw mede te vereenigen, daar het eene moeilijke taak is, in die vereeniging een waardig en evenredig geheel te vormen; wie hierin slaagt, is reeds daardoor alleen een groot meester. Bepaaldelijk in hoo-gere kerken of grootere kapellen is de ciborium-bouw voor het Sacramentsaltaar de voortreffelijkste, te meer, daar de retable-bouw, gelijk wij zagen, er op
18
zeer voldoende wijze bij kan worden toegepast. Mogen deze studie van liet eiborium-altaav in hel algemeen, en de volgende beschrijving van een kunstrijk ciborium-altaar in het bijzonder, tot de heilzame voortplanting en bevestiging van den waren kunst- en godsdienstzin op bescheidene wijze hebben bijgebracht, dan zal de schrijver zich voor de gegeven moeite ten volle beloond achten.
11.
Do kerk van den H. Franciscus Xaverius, bijge-naamd De Krijtberg, aan bet Singel ie Amsterdam, reeds geschiedkundig bekend en eerbiedwaardig door haren ouderdom, vroeger en thans bestierd door Priesters van het Eervv. Gezelschap van Jezus, werd vóór enkele jaren door eene geheel nieuwe vervangen, gebouwd in den Gothischen slijl der vijftiende eeuw, onder leiding van den verdienstelijken architect A. ïepe. Zij munt uit door ranke en slanke vormen, die ook bijzondei; schoon uitkomen in het rijzige priesterkoor met zijne fraai beschilderde hooge boogvensters, vervaardigd in het bekende glas-atelier van den heer H. Geuer.
Het was hier de aangewezen plaats voor een indrukwekkend ciborium-altaar, met vlugge lijnen en rijzige vormen, in de rijke Gotbiek derzelfde eeuw. Het was ook hier, dat de ontwerper en vervaardiger.
20
de heer W. Mengelberg, weder getoond heeft, een meester in de wure kunst te zijn.
Uit hunne gepolijste zwart-marmeren voetstukker rijzen vier krachtige achthoekige grondzuilen omhoog, op wier rijk getakte kapiteelen de kunstig bewerkte bovenbouw van kostbaar hout met zijn beelden en zijn sieraden steun vindt, om naar eisch de H. Altaarplechtigheden te overhuiven, te beschermen en op te luisteren. De schachten der zuilen zijn van blinkend gedreven en gegroefd koper, evenals de andere hierna te melden metalen meesterstukken uit het bekende kunst-atelier van de firma G. B. Brom.
Het baldakijn of ciborium-dak is vierkant, over-komstig den grondvorm van het altaar, en rust op spitse bogen, die hunne steunpunten vinden in de kruinen der koperen grondzuilen; de bogen vormen aan de onderzijde een sierlijk afgewerkt kruisgewelf. Aan de bovenzijde is het dak platvormig, doch wordt bekroond door eene opene leuning of balustrade met gouden loof- en kamwerk. Het wordt geheel begrensd door boogvormige en driehoekige gevels, wier lijnen aan de binnenzijde alle versierd zijn met gouden hang- of maaswerk; aan de bovenzijde met gouden kartelbladeren. In den voorgevel vertakt zich de fraaie boog tot eene ranke spits, die het voetstuk draagt, waarop onder een verheven, in kruisbloem
21
zich verliezend baldakijn, een beeld van bet H. Hart staat opgericbt. Het overschoone beeld prijkt daar als de bekroning en de zinnebeeldige voorstelling van de Altaargeheimen, van de H. Liefdegeheimon, die onder het gewijde altaardak plaats vinden, tot heil en vertroosting van den al\'gejaagden mensch en van zijne moe getobde ziel. Een weinig lager, ter wederzijde, bevinden zich de twee uitverkorene vereerders van het H. Hart, de twee toonbeelden van zachtzinnige liefde en geduldige lijdzaamheid, de H. Franciscus van Sales en de Gelukz. Margaretba Maria Alacocque. De baldakijnen der drie beelden, welke met vele ranke spitsen in fraaie kruisbloemen eindigen, in overeenstemming met de overhuiving der twee naaste zijkolommen, die op overeenkomstige wijze is bewerkt, vormen een waardige opluistering en bekroning van den gelukkig geslaagden, zinrijk uitgevoerden voorgevel. Ook van de zij- en achtergevels zijn de hoofdbogen rijk uitgewerkt en eindigen in fraaie kruisbloemen. Alle hoofdlijnen zijn in goud.
In overeenstemming alzoo met den geheelen voorgevel en diens bekroning, staan verder onder baldakijn, op kleinere door sokkels gedragen zuilen, boven de twee voorste koperen grondzuilen, vier kunstig bewerkte beelden, boven elk twee; aan de voorzijden de H. Franciscus Borgias en de H. Aloysius, aan de bui-
22
tenzijden de H. Petrus Faber en de H. Petrus Canisius, vier cherubijnen en serafijnen van liefde voor hel H. Altaarsacrament.
Bij het kruisgewelf, ue onderzijde van het ciborium, die het H.Sacramentsaltaar het naaste overhuift, deelt de scheidingsribhe het geheel in twee deelen, beide nog door vier hoof\'dribben gesplitst. Er zijn alzoo acht gewelfvak-ken, met hemelsblauwen van gouden sterren bezaaiden grond. In ieder vak zweeft een engel, die een banderol met toepasselijken tekst in de hand houdt; alles in grauwkleur geschilderd, om den stijlen ioon van den troonhemel niet te storen. De kruisribben vereenigen zich in het midden, in het kunstig uitgevoerde sluitstuk: een Lam Gods, omgeven door een gouden sierlrans. Eene zeer geliefde en zinnebeeldige voorstelling.
De bedoelde toepasselijke en aandoenlijke teksten zijn de volgende: Juyt sacrificium (Dan. XII: II); Dominus Deus iuus in medio tui fort is, ipse salmbit (Soph. Ill; 17); Erit Tahernaculum meum üi eis (Ezech. XXXVII: 27); Confluent ad bona Domini super frumento el vino (Jer. XXXI: 12); In omni loco sacri-ficatur et offertur Notnini meo ablatio munda (Malach-I: 11); Pavebunt ad Dominum et ad bonum ejus (Osee III: 5); Vivent tritico et (jenninahunt Wasi vinea (Osee XIV : 8); In funiculi\'s Adam traham eos in vinculis
23
cJiarilatis (Oseu XI: *1). — üe Nederlandsche vertaling luidt naar volgorde: Keno voortdurende offerande; Üe Heer uw t!od in uw midden, de sterke, hij zal redden; Mijne woontente zal zijn bij hen ; Zij zullen samenstroomen bij de goederen des Heeren, overvloed van graan en van wijn; Op alle plaatsen wordt geofferd en mijnen Naam een zuiver offer aangeboden; Zij zullen vreezen voor het aanscliijn van den Heer en van zijne weldaden; Zij zullen leven van het graan en uiispruiten als wijnranken ; De gebondenen in de koorden van Adam zal ik medevoeren in de boeien der liefde. —
Uit onze vorige verhandeling kennen wij de bestemming, het hoofddenkbeeld van het Ciborium-altaar. Thans worden wij er ook nog aan herinnerd door de kostbare gordijnen, die achter en aan de twee zijden tusschen de koperen zuilen afhangen, om zooveel mogelijk den eerbied der eerste Christenen voor het Heilige der Heiligen te doen navolgen.
Onder de overhuiving, hoven drie zwarte treden, rust de zwarte altaartombe, wier nissen inwendig rood zijn en witte groepen bevatten in half-beeldwerk; treden, tombe, nissen, beeldwerk, alles van Italiaansch marmer, naar bestemming meesterlijk fijn gebeiteld. De drie hoofdgroepen zijn rechts het Ofter van Mel-chisedech, middenin het offer van Abraham, links
24
de Koperen slang van Mozes; daarnaast en daartus» schen de beelden der vier groote profeten Jeremias, Isaïas, Daniël en Ezechiël. Al die groepen en beelden zijn in Cararisch marmer.
Een weinig naar de achterzijde, rust op de loriibe de tabernakel In ieder der twee prachtige deuren, van verguld en gedreven koper, is een zwevende engel voorgesteld met een vaanlje, waarop de spreuken : Pavete ad sanctuarium meum, en Ecce tahernacuhun Oc; („Weest bevreesd bij mijn heiligdomquot; en „Ziet de woontente Godsquot;. De stijlen zijn in overeenstemming met de deuren, en ook met de twee meergemelde kolommen, die zich boven de voorste grondzuilen bevinden; tegen elk staan op voetstukken twee Heiligenbeelden bevestigd, t. w. de vier H. Lalijnsche kerkvaders Am-brosius, Augustinus, Gregorius en Hieronymus.
Roven den tabernakel rijst de fraaie troonhemel, onder wiens schaduw de heerlijke uitstellingstroon door een nedergebogen engel met uitgespreide wieken wordt gedragen, als om den hoogsten eerbied te betuigen aan het aanbiddelijk Altaargeheim; de engel houdt een banderol in de handen met den tekst: Vere tu es Deus abscond it us, „In waarheid, Gij zijtde verborgen Godquot;. Ter wederzijde van den troonhemel staan twee andere engelen, het wierookvat in de hand; uitgezonderd de voorzijde, hangen tusschen de zuil
25
tjea kostbare gordijnen, die den Koninklijken troon omhullen en beschutten. Hot geheel wordt bekroond met spits- en loofwerk, uit welks middelpunt zich het verheerlijkte kruis orahoogheft. Rechts en links van het altaar hangt eene fraaie Godslamp aan armen van kunstig bewerkt ijzer.
De tabernakel rust ook op den retable of achter-bouw, die aan beide zijden tot aanzienlijke hoogte boven de altaartombe uitreikt. De twee bovenstukken bevatten elk twee nissen, en worden in het midden bekroond met een fraai voetstuk, dat een aan-biddenden engel draagt, in knielende houding, het wierookvat in de hand. Tegen den zilveren achterwand der vier nissen bevinden zich de vier Evangelisten in zittende houding. Alle hoofdiynen, alle beeld- en loofwerk is rijk en fijn en als in goudmetaal gewerkt. De goudkleur is bij altaar en overhuiving gekozen, omdat zij duidelijk spreekt tot hel meer verwijderde oog ; en bovendien, omdat zij het Koningschap eert van den Godmensch, onder nederige gedaanten verborgen, van den Emmanuel, den God met ons.
Het geheele ciborium of overhuifd altaar is waardig gebouwd en versierd, en maakt een treffenden indruk; de zware lijnen zijn gebroken door het kunstvolle beeldwerk en het rijzige sierwerk ; het aanzien is eer-
26
biedwekkend en hiirlverlielfend, geenszins somber. Ook aan do achterzijde is do onderbouw van kostbaar fijn marmer, de bovenbouw van kostbaar fijn hout; geene scliijnschoone voorzijde alleen, als bij looneel-schermen; alles evenzeer uitgelezen, alles naar vermogen het verhevene dool waardig: de verheerlijking van het H. Altaaroffer. Naar al lichtelijk is begrepen, gaan de marmeren treden het geheele altaar rond, en is ook aan de achterzijde een vrije doorgang mei opene ruimte; dit laatste moge geen noodzakelijk voreisehte zijn, hot is toch eenzeergewenscht voorrecht.
Ook do zwart marmeren Communiebank is een meesterstuk van stijl en uitvoering; tusschen de veelkleurige. zuiltjes prijken vier ijzeren paneelen, versierd mot loofwerk van zilver en goud, en verder drie uit do hand gedrevene koperen, die even zoovele toepasselijke afbeeldingen bevatten uit de Gewijde Boeken: in het midden hot H. Avondmaal, aan de Iwee zijden de Inzameling van het Manna en de Nuttiging van het Paaschlam. — Het ijzerwerk is van den hoer A. Kniep; het maakt aanspraak op een zeer loffelijke vermelding.
Het mime priesterkoor tusschcn communiebank en altaar is ingelegd met fraaie vloersteenen, die verschillende figuren vormen en ook nog enkele aan-Bchouwelijke voorstellingen bevatten. Zoo vinden wij
27
er o. a. Uvec Engelen mei liol pauselijk vviipen, en SL. Georgius mei den Drank. Boven, vóur de (inderste al-taartrede, lezen wij de woorden llabiiaho ngt;h \'scum in loco into „Ik zal wonen inel u op d\'e plaatsquot;.
De twee lioofdkolomuu-n van liet schip der kerk, «ie het dichtst bij het Priesterkoor staan, dragen aan de altaarzijde twee classiek gebeeldhouwde waardige Heiligenbeelden in levensgrootte ; St. Ignatius on St. Franciscus Xaverius. Het laatste is nog niet voorgoed geplaatst, door de vervaardiger en ontwerper van het altaar er in zijn bekende ateliers nog de laatste hand aan moet leggen.
Van denzelfden bouwmeester staat in dezelfde kerk nog een ander meesterstuk, dat nog niet opzettelijk beschreven is en daarom bij deze gelegenheid door ons niet stilzwijgend mag worden voorbijgegaan: wij bedoelen het Maria-altaar. Ue beschrijving kantevens tot toepassing dienen van de vroeger medegedeelde beknopte leer over het Gutbische Vleugel- of Beelden-altaar, en kan in zóóver rechtstreeks lot ons ondor-werp worden gerekend, als zij door vergelijking het wezen van het Giborium-altaar des te duidelijker doet uitkomen. De drie andere prachtstukken, welke de kerk reeds versieren, het St.-Jozefaltaar, het beeld van het H. Hart, en de Gothische Predikstoel, zijn indertijd reeds naar behooren vermeld; zoo de predik-
28
stool met afbeelding nog onlangs door Prof. Alberding Thijin in de Katholieke Illustratie.
Hel Maria-altaar is een vleugelaltaar in den Gotliischen stijl der vijftiende eeuw. Gelijk het hoofdaltaar een geschenk is der geheele gemeente, zoo is dat zijaltaar gegeven door de Congregatie der Allerh. Maagd onder den titel van Maria-Geboorte.
Het kon waarlijk ook voor hoofdaltaar dienen, en was er oorspronkelijk voor bestemd.
In de nissen aan de voorzijde van de steenen altaartombe zijn in giauwkleur engelen geschilderd, met muziekinstrumenten in de hand. Boven de tombe en op de pedrella springt in het midden een tabernakel vooruit, waarin bij fOTmige feestelijkheden het H. Sacrament wordt bewaard; op ieder der twee deuren is een engel fraai in kleuren geschilderd, met de spreuken; Foederis area, o.p. n. Janua coüi, o.p. n. „Arke des Verbonds, Deur des hemels, b. v. o.quot; ïer wederzijde zijn in de retable-nis twee gelukkig geslaagde afbeeldingen geschilderd van de H. Vrouwen Ruth, Sara, Judith en Esther, met de teksten : Benedicta es a Domino (Ruth III 10); Non erit haeres filiu? ancillae cum filio meo Isaac (Gen. XXI 10); Inter fecit in man it mea hostern (Judith XIII 18): Adamavit earn rex plus quam otnnes mulieres (Esth. II 17); (Gezegend zijt gij door den Heer; Geen erfgenaam zal de zoon der dienst-
29
maagd zijn zóó als mijn zoon Izaak; Zij heeft, door mijne hand bestierd, den vijand gedood; Teeder bemind heeft haar de koning meer dan alle vrouwen.)
Boven den tabernakel, een weinig naar de achterzijde, rijst een levensgroot beeld van O. L. Vrouw Onbevlekt Ontvangen, het Kindje Jesus op den arm, de maan onder de voeten, naar Middeleeuwschen stijl. En weder daarboven is op een voetstuk en onder een hoog oprijzend baldakijn God de Vader gezeten voorgesteld, met de Duif, het zinnebeeld van God den H. Geest, in de rechterhand; twee engelen met wierookvaten staan ter zijde. Alles meesterstukken van beeldhouw- en schilderkunst.
Een zelfde meesterstuk is het eigenlijke heelden-schrijn boven den retable en ter wederzijde van het Mariabeeld. Op de gesloten vleugeldeuren zijn de afbeeldingen geschilderd van St. Anna en St. Joachim. Bij geopende deuren ziet men binnen ter wederzijde twee keurig bewerkte groepen: de Boodschap van den Engel, met den tekst Ave Gratia plena, Dominus tecum (Luc. I 28); het Bezoek aan de Nicht Elisabeth — Benedicta tu inter mul i er es (Luc. I 42); de Geboorte van het Goddelijke kind — Nat us est vohis Salvator qui est Christus Dominus (Luc. II 11); en De Opdracht van Christus in den tempel — Tuam ipsius animam pertransibit gladius (Luc. II 35)
De Nederlandsche vertaling dier teksten luidt naar volgorde: Wees gegroet, vol van Genade, de Heer is mei u; Gezegend zijt gij onder de vrouwen; Geboren is ulieden de Zaligmaker die is Christus de Heer; Uwe eigene ziel zal een zwaard doorboren.— Al die groepen, evenals al de beelden, zijn aan de binnenzijde der overhuivingen omlijst door fijn loof-of maaswerk, met de hand uit eikenhout gesneden en zwaar verguld, zoo fraai en met zulke scherpe lijnen, dal het kunstig gesmeede goudmetaal in voorkomen wordt geëvenaard.
Wij zijn aan het einde van onze taak. In hoofdzaak hebben wij het Giborium-altaar beschreven, en zijn daarbij meer als vak- en geschiedkundigen opgetreden. Scboone bladzijden waren nog te vullen geweest, indien wij ook nog meer uitdrukkelijk de aestbetiek, den schoonheidszin, en de symboliek, de zinnebeeldige beduidenis, van het meesterstuk der christelijke kunst hadden mogen behandelen; doch onze studie, meenden wij, ware dan te uitgebreid geworden. Des te meer vinden wij alzoo aanleiding, om hier te verwijzen naar eene andere studie over een ander ciborium-altaar, in welke de aesthelische en de symbolische beschouwingen meer op den voorgrond zijn getreden; wij bedoelen: „Het Overhuifd Hoog-Altaar der St. Ignatius-Kerk te Nijmegen (Molen-
31
straal) door F. Heynen s.j.quot;, uitgegeven hij Josué Witz te Arnhem in 1809. Het is eene voldoening de lezing en overweging van die belangwekkende studie hij herhaling aan te bevelen.
Wij sluiten met den wonseli, dat spoedig verscheidene kunstrijk en godvruchtig geschilderde voorzetsels {antipendia) mogen gereed zijn, voor de beschutting van de altaren, en voor de afwisseling op de gewone dagen en de kleinere feesten. Moge verder het rijzige priesterkoor der St.-Franciscus-Xaveriuskerk te Amsterdam spoedig veelkleurig worden geschilderd, in overeenstemming met de prachtig geschilderde koorramen. in overeenstemming vooral met het aan kunsten Godsdienstzin zoo schoon beantwoordende ciborium-altaar! Mogen ook spoedig de booge lijnen van het rijzige priesterkoor op verrassend schoone wijze gebroken worden door den middeleeuwschen Triumfbalk met verheerlijkt Kruis! Mogen eindelijk die Triumf en die Verheerlijking de zinnebeelden zijn van do ondenkbaar vele en rijke geestelijke vruchten, in do schaduw van het Altaar voor den Hemel en do Eeuwigheid ingeoogst!