-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

k 155

22

-ocr page 4-

SNKLi

-ocr page 5-

1gt; E

VLUGGE LATINIST.

jElENE ƒ*{ ANDLEIDING

VOORAl TEN DIENSTE VAN HEN, DIE DOOR EIGEN OEFENING ZICH DE EERSTE GRONDEN DER LATOSCIIE TAAI WENSGHEN EIGEN TE MAKEN.

dook

Kampen,

Cr. Ph. zalsman.

1885.

E E IV O XJ D-Igt; O C E TV T.

-ocr page 6-

•HRsm;--.. gt;.x H. \'H. ZALSMAN TE KAMPEN.

-ocr page 7-

Zonder iets toe of af te doen aan de waarde van de grammatica s, lees- en themaboehen, waardoor bij ons de weg gemakkelijk wordt gemaakt om tot de kennis van de latijnsche taal te komen, meent de schrijver van deze handleiding dat voor zijn werk, ook naast die van vele anderen, nog wel een plaatsje zal te vinden zijn. De grond van zijne verwachting is gelegen in het verschil \'.usschen het doel, dat zijne voorgangers voor oogen hadden en ïet zijne.

Zij schreven voor leerlingen, die eens Akademisch onderwijs moesten renieten ; hun plicht was het dus regels en uitzonderingen uitvoerig e behandelen en te zorgen dat ook voor moeilijke plaatsen in hunne verken oplossing te vinden was.

Hier is de praktijk hoofdzaak. Geene uitgebreide regels, slechts oovecl stof moest er gegeven worden dat ieder door eigen oefening •n door toepassing van hetgeen kort uiteengezet was, met behulp an de voorbeelden, in staat werd gesteld om eenige kennis van de rondregels der latijnsche taal op te doen. De leerling, dien wij ns voorstellen, is geen latinist ex professo, hij wenscht slechts zoo-iel van de spraakkunst te weten als hij noodig heeft om later bij et lezen van een laiijnsch werk niet verlegen te zijn.

Daarom ontbreekt het den autodidact niet aan gelegenheid om \'jn geheugen te oefenen, zijn oordeel te scherpen, zijn vernuft te \'.proeven.

Evenwel hebben wij gemeend voor hem, meer dan voor een leer-ng die geregeld onderwijs geniet, de oefeningen niet te moeilijk en te knopt te moeten maken, omdat van zijn geduld reeds zooveel ge-rgd wordt.

De stof hebben wij grootendeels ontleend aan een voor Realund here Bürgerschulen bestemd werkje van H. Viehoff, dat in 65 te Brunswijk is verschenen.

Vindt deze handleiding eenigen bijval, dan volgt er misschien -- 1 een stukje, waarin de weg gewezen wordt om de meer moeilijk ijnsche schrijvers ook door zelfoefening te leeren verstaan.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

EERSTE HOOFDSTUK.

§ 1. Aanmerkingen over de uitspraak en het schrijven.

C wordt voor a, o, u en voor medeklinkers, alsook aan het einde der woorden als k uitgesproken, b. v.: Cato, cor (hart), cura (zorg), lectus (bed), lac (melk).

C wordt voor e, i, y (upsïlon) en voor ae en eu als c uitgesproken : Cicero, cygnus (zwaan), Caesar, coelum (hemel), ceu (avenals).

Qu luidt gewoonlijk als kw : quatuor (vier), quinque (vijf).

Ti klinkt voor een vocaal als tsi: ratio (rode), doch behoudt de uitspraak ti : 1) in grieksche woorden : Miltiades; 2) als s, x of t voorafgaan: ostium (ingang, monding), mixtio (menging), Attius ; en 3) als de i lang is : totius (van het geheel).

De lengte eens klinkers wordt (zooals in totius aangeduid is) door een daarboven geplaatst dwarsstreepje aangeduid (—) ; de kortheid door een naar boven geopend halfcirkeltje (J).

Volgens de nederlandsche wijze van uitspraak (want elk volk spreekt thans het latijn naar zijn taaleigen uit), valt de klemtoon in tweelettergrepige woorden telkens op de voorlaatste syllabe (penultïma); in drie- en meerlettergrepige woorden hoort men den klemtoon alleen op de voorlaatste, zoo die lang is: pater (vader), éram (ik was), laudare (prijzen) ; zoo de voorlaatste echter in drie- of meerlettergrepige woorden kort is, dan plaatst men den klemtoon op de derde lettergreep van achteren (antepenultïma): amabilis (beminnenswaardig).

Om meerlettergrepige woorden in lettergrepen goed af te deelen, neme men het volgende in acht: 1) een medeklinker tusschen twee klinkers wordt tot de volgende lettergreep gerekend: lauda-rë. 2) staan er meer medeklinkers tusschen twee klinkers, dan brengt men gene tot de volgende lettergreep, zoo zij aan het begin van een latijnsch woord kunnen staan : a-prïlis (april), ca-stra (leger); is dit niet het geval, dan behoort de eerste consonant tot de voorgaande syllabe en brengt men de overige tot de volgende

-ocr page 10-

6

lettergreep : ar-bor (boom), mon-strum (wonder). 3) samengestelde woorden deelt men in hunne bestanddeelen: dis-par (ongelijk).

§ 2.

De latijnsche taal heeft dezelfde rededeelen als de nederlandsche behalve het lidwoord; uit den zin moet men dus opmaken of mensa beteekent de tafel, eene tafel of tafel zonder lidwoord.

§ 3.

Er zijn 3 geslachten evenals in het nederlandsch :

masculinum, mannelijk, feminlnum, vrouwelijk en neutrum, onzijdig.

Algemeene geslachtsregels.

1. Mannelijk zijn de namen van mannen en mannelijke wezens, volken, rivierén, winden, maanden en dagen.

2. Vrouwelijk zijn: de namen van vrouwen en vrouwelijke wezens, steden, landen en eilanden.

3. Onzijdig zijn de onverbuigbare substantiva (indeclinabilia) en over het algemeen de bijvoegelijke naamwoorden, zelfstandig gebruikt (adjectiva substantive posïta).

§ 4. Verbuiging der substantiva {zelfstandige naamwoorden).

In het latijn zijn er vijf verbuigingen (declinatiönes), die men ook aan den tweeden naamval van het enkelvoud (genitivus singularis) onderscheiden kan.

Men heeft in de latijnsche taal zes naamvallen (casus). Zij zijn :

1. de nominativus, die het onderwerp der handeling aanduidt.

2. de genitivus, de casus van oorsprong en bezit.

8. de dativus — van het begiftigde voorwerp, van doel.

4. de accusativus — van het lijdende voorwerp, der werking.

5. de vocativus — van aanroeping.

6. de ablativus — van middel.

De volgende regels gelden voor alle declinatiën :

1. de nominativus en vocativus zijn doorgaans aan elkander gelijk.

2. de dativus en ablativus zijn in het meervoud altijd gelijk.

3. de neutra hebben drie gelijke casus, zoowel in den singularis, als in den pluralis, namelijk: den nominativus, accusativus en vocativus, en die naamvallen eindigen in den pluralis altijd op a.

-ocr page 11-

7

§ 5. Eerste declinatie.

Singularis. Nom. mensa, de tafel. Gen. mens-ae, der tafel. Dat. mens-ae, aan de tafel. Ace. mens-am, de tafel. Voc. mens-a, o tafel! Abl. mensa, van, mét of door de tafel.

Pluralis. Nom. mens-ae, de tafels. Gen. mens-arum, der tafels. Dat. mens-Is, aan de tafels. Acc. mens-as, de tafels. Voc. mens-ae, o tafels! Abl. mens-is, van, met of door de tafels.

Tot de eerste declinatie behooren de substantiva, die in den genitivus singularis op ae eindigen. In den nominativus singularis gaan de oorspronkelijk latijnsche woorden van deze declinatie uit op a, die van het grieksch komen, op e, as en es. De eerste worden naar het volgend voorbeeld verbogen :


De woorden, uit het grieksch afkomstig, richten zich in den pluralis alle naar het opgegeven voorbeeld; in den singularis worden zij aldus verbogen :

Nom. epitöm-ë, het kort begrip.

Gen. epitom-ës, van —

Dat. epitom-ae, aan —

Ace. epitom-en, het —

Voc. epitom-e, o kort beprip !

Abl. epitom-ë, van, met of door het kort begrip.

De woorden op a en « zijn vrouwelijk. Waarom zijn echter Persa, een Pers en scriba, een schrijver, mannelijk ?

Eenige woorden dezer verbuiging hebben in den dat. en abl. plur. abus in plaats van is, om ze van gelijkluidende masculina in die naamvallen te onderscheiden, als : Jiliabus, aan de dochters, in plaats van /iliis van filia, eene dochter; anders zouden die naamvallen gelijk zijn aan die van filius, een zoon, hetgeen in den dat. en abl. plur. ook Jiliis heeft.

§ 6. Voorbeelden tot oefening en om van buiten te leeren.

Aenë-as. Aenë-ae. Aenë-ae.

Anchis-es. Anchis-ae. Anchis-ae. Aenë-am (an). Arichis-ën(am). Aenë-a. Anchisë. Aenë-a. Anchisë.

Aenëas.

Africa.

Agricöla, landman. Ala, vleugel.

Aqua, water. Aquila, arend. A.sia, Azie.

Athënae (arum), Athene. Avaritia, hebzucht.

Audacia, koenheid.

Baca, bes.

Causa, oorzaak.

Cicönia, ooievaar.

Comëtes, komeet, staartster.


s

-ocr page 12-

8

Copia, overvloed.

Corona, kroon, krans.

Diligentia, nauwkeurigheid.

Discipula, leerlinge.

Divitiae (arum), rijkdom.

Epaminondas.

Europa.

Fabula, fabel.

Filia, dochter.

Fuga, vlucht.

Gemma, edelgesteente.

Gloria, roem.

Graecia, Griekenland.

Historia, geschiedenis.

Incola, inwoner.

India, Indie.

Insula, eiland.

Invidia, nijd.

Juba, manen.

Leaena, leeuwin.

Magistra, leermeesteres.

Mödestia, bescheidenheid.

Nauta, schipper.

Ora, kust.

Patria, vaderland.

Peninsula, schiereiland.

Persa, Pers.

Phoenice, Phoenicie. Pirata, zeeroover. Planta, plant.

Plu via, regen.

Poëta, dichter.

Pompa, optocht.

Praeda, buit.

Provincia, wingewest. Prudentia, doorzicht. Eana, kikvorsch. Regina, koningin.

Eipa, oever.

Rixa, twist.

Eoma, Rome.

Rosa, roos.

Sapientia, wijsheid. Sardinia, Sardinië. Schola, school.

Sicilia, Sicilië.

Silva, bosch.

Syria, Syrië.

Terra, land.

Tristitia, droefheid. Vacca, koe.

Victoria, overwinning. Viola, viooltje.

Vita, leven.


§ 7. Tweede declinatie. •

Tot de tweede declinatie behooreu de substantiva, welke in den genitivus op i eindigen. Bij latijpsche woorden gaat de nomma-tivus uit op er, us of um ; ook vir (man) met zijne samenstellingen die op ir eindigen, en het adjectivum satur (verzadigd) gaan naar deze declinatie. De woorden op er zijn alle mannelijk, die op «m altiid onzijdig, die op us gewoonlijk mannelijk. Uitgezonderd zün : alvus, buik ; colus, spinrokken ; humus, grond ; vannus, zeef. Onzijdig op us zijn ; pelagus, zee en vulgus, het gemeen (zelden mannelijk). Vele woorden op us, uit het gneksch afkomstig, zijn vrouwelijk ; b.v. diphthongus, tweeklank ; methödus, kunstmatige behandeling, methode.

-ocr page 13-

9

Voorbeelden.

Sing. Sing. Sing.

Nona. Ann-us, het jaar. Nom. Liber, het boek. Nom. Bellum, de Gen. ann-i, van — Gen. libr-i, van — Gen. bell-I, van den Dat. ann-5, aan — Dat. libr-5, aan — Dat. bell-o, aan — § Ace. ann-um, — Acc.libr-um,het— Ace. bellum, den g-Voc. ann-e, o —! Voe. liber, o — Voc. bellum, o Abl. ann-o, van, met Abl. libr-o, van, met Abl. bell-o, van, of door het jaar. of door het boek. met of door den Plur. Plur. Plur.

N. ann-i, de jaren. N. libr-I, de N.bell-a, de

G. ann-örum,van— G. libr-orum, van de ^ G. bell-orum, van de g D. ann-Is, aan — D. libr-ïs, aan de § D. bell-is, aan de A. ann-5s, de — A. libr-5s, de ST A. bell-a, de aq V. ann-ï, o —! V. libr-i, o ^ V. bell-a, o § A. ann-ïs, van, met of A. libr-Is, van, met of A. bell-is, van, met of door de jaren. door de door de

§ 8. Voornaamste uitzonderingen, voorkomende in de tweede declinatie.

1°. Gelijk uit het voorbeeld blijkt, is de vocativus der woorden op us in het algemeen e. Uitzonderingen op dezen regel zijn : a) Deus, God, in den voc. ook Deus ; b) meus, mijn in den voc. mi. c) Filius, zoon en genius, geleigeest hebben, evenals de eigennamen op ius en jus, i, b.v. Tull-ius, Tull-i; Ca-jus, Ca-i.

2°. In alle casus, met uitzondering van den voc. sing, stooten de meeste woorden op er de e uit; echter behouden onder anderen de e :

Asper, ruw. Prosper, gelukkig.

Gener, schoonzoon. Puer, knaap.

Liber, vrij; libëri (erorum) kinde- Socer, schoonvader.

ren; Liber, Bacchus. (Liber, een Tener, teeder.

boek, verliest de e). Vesper, avond.

Miser, ongelukkig.

alsmede de compositia op fer en ger.

§ 9. Voorbeelden tot oefening en om van buiten te leeren.

Eegyptus, Aegypte. Arma (armorum), wapenen ter Ager, akker. verdediging.

Alumnus, kweekeling. Asïnus, ezel.

Argentum, zilver. Aurum, goud.

-ocr page 14-

10

Campus, veld.

Cervus, hert.

Gibus, spijs.

Colonus, volkplanter, kolonist.

Collum, hals.

Corintlius, Corinthe.

Danubius, Donau.

Discipülus, leerling.

Domicilium, woonplaats, woning.

Dominus, heer.

Equus, paard.

Ferrum, ijzer.

Filius, zoon.

Fluvius, rivier.

Foenum, hooi.

Gallus, Gallier.

Graecus, Griek.

Hortus, tuin.

Instrumentum, werktuig.

Lupus, wolf.

Liberi (orum), kinderen.

Magister, leermeester.

Medicus, geneesheer.

Metallum, metaal.

Morbus, ziekte.

Mundus, wereld.

Nilis, de Nijl.

Oculus, oog.

Odium, haat. Oppïdum, stad. Pabulum, voeder. Periciüum, gevaar. Pinus, pijnboom. Popülus, volk. t Popülus, populier. Pratum, weide.

Puer, knaap.

Ehenus, de Rijn. Ehodanus, de Rhone. Eomanus, Romein. Scriptum, geschrift. Scutum, schild. Servus, slaaf. Stabülum, stal. Signum, teeken. Templum, tempel. Ventus, wind.

Vicus, dorp.

Vicïnus, nabuur.


§ 10. A djectiva der beide eerste declinatien.

Naar de twee eerste declinatien worden de adjectiva van 3 uit-

^N^gen^^ectiva e^pronomina (v°0rnaalIï^0°^^^1 ^jf^yan

S ^ rotgangen.

Zij zijn de volgende: nuUus, solus,

een^ander, de aider, geen van beiden, f ™\' tTsoUns,

cr car star srtsw

-ocr page 15-

11

totus, ullus, unus, uter,

geheel, eenig, een, wie van beiden,

gen. totius, gen. ullius, gen. unius, gen. utrïus,

dat. totï. dat. ullï. dat. unï. dat. utrï.

§ 11. Voorbeelden tot oefening en om van buiten te leeren.

Aeger, ziek.

Altus, hoog, diep.

Albus, wit.

Asper, ruw.

Attentus, opmerkzaam. Bellicosus, oorlogzuchtig.

Bonus, goed.

Carus, dierbaar, geliefd.

Clarus, helder, beroemd.

Densus, dicht.

Perrëus, ijzeren.

Poecundus, vruchtbaar. Portunatus, door het geluk begunstigd.

Honestus, rechtschapen. Humïdus, vochtig.

Impröbus, boos, goddeloos. Incertus, onzeker.

Industrïus, ijverig.

Integer, ongedeerd.

Laboriösus, werkzaam.

Latus, breed.

Liber, vrij.

Longus, long.

Magnificus, prachtig.

Magnus, groot.

Miser, ellendig, ongelukkig.

Modestus, bescheiden.

Multus, veel, talrijk.

Necessarius. noodzakelijk.

Niger, zwart.

Noxius, schadelijk.

Obnoxïus, onderhevig.

Opulentus, rijk, machtig.

Parvus, klein.

Perniciösus, verderfelijk, gevaarlijk.

Probus, goed, braaf.

Pulcher, schoon.

Eomanus, romeinsch.

Rotundus, rond.

Sevërus, streng.

Tener, teeder.

Timïdus, vreesachtig.

Umbrösus, schaduwrijk.

Pronomina possessiva, bezittelijke

voornaamwoorden.

Tuus, uw.

Meus, mijn.

Suus, zijn, hun, haar.

Noster, ons, onze.

Vester, uw, (van meer dan één).


§ 12. Derde declinatie.

Tot de derde verbuiging behooren de substantiva, welke in den gen. sing, op is uitgaan. De uitgangen van den nom. sing, zijn : a, e, i, o, c, t, 1, n, r, s, t, x.

De verbuiging geschiedt aldus:

-ocr page 16-

12

Masculina en feminina.

N. dolor, de G. dolor-is, van de j D. dolor-i, aan de A. dolor-em, de V. dolor, o A. dolor-e, van,\' met of door de

N. dolor-es, de \\ G. dolor-um, van de J

D. dolor-Tons, aan | de i

A. dolor-es, de | V. dolor-es, o j A. dolor-ïbes, van, met of door de

N. leo, de

G. leön-is, van den j

D. leon-i, aan den) A. leon-em, den V. leo, o

A. leon-e, van, met J of door den

N. leön-es, de

G.leön-um,van dej D. leon-ïbes, aanl de

A. leon-as, de V. leon-es, o A. leon-ïbes, van, met of door de

N. ars, de |

G. art-is, van de j

g D. art-i, aan de (

A. art-em, de /

V. ars, o l

A. art-e, van, met ] of door de

D. flor-ïbus, aan de ) A. fior-es, de V. flor-es, o A. flor-ïbus, van, met of door de Singularis.

N. homo, de G. homïn-is, van den

D. homin-i, aan| den

A. homin-em, denj V. homo o A. homin-e, van, met of door den Pluralis.

N. homïn-es, de G. homin-um, van de

D. homin-ïbus,aan I de

A. homin-es, de 1 V. homin-es, o A. homm-ïbus,van met of door de

N. art-es, de

G. flor-um, van de I . G. art-ium.

D. art-ïbus, aan A. art-es, de V. art-es, o A. art-ïbus, van, met of door de

N. lex, de G. leg-is, van de I

4 f

g D. leg-i, aan de gt; § A. leg-em, de l V. lex, o i

A. leg-e, van, met I of door de

N. leg-es, de • G. leg-um, van de |

(D |

g D. leg-Ibus, aan de ) g A. leg-es, de 1

5 V. leg-es, o j A. leg-ibus, van j

met of door de

Singularis.

N. flos, de G. flör-is, van de D. flor-i, aan de A. flor-em, de V. flos, o A. flor-e, van, met of door de

Pluralis.

N. flör-es, de


-ocr page 17-

13

Neutra.

Singularis.

N. corpus, het i N. opus, het | N. mare, de \\ 6. corpör-is, v. het j Gr. opër-is, van het I G. mar-is, van de j D.corpor-i,aanhetl g D. oper-i, aanhetf ^ D. mar-i, aan def . A. corpus, het\' s A. opus, het gt; ë A. mare, de V i V. corpus, o A. corpor-e, van,

met of door het

N. corpor-a, de Gr. corpor-um, v.

de

D. corpor-ïbus,aan A. corpora, de (de V. corpora, o A. corpor-ïbus, v.,

met of door de

§ 13. Onregelrmtigheden voorkomende in sommige casus der derde declinatie.

1. De regels omtrent de vorming van den gen. sing, zijn voor den eerstbeginnende moeilijk te onthouden ; hij zal daarom beter doen, zich, door het leeren van woorden der derde declinatie met hun genit., eenige vaardigheid in het declineeren te verwerven. Met oplettendheid zal de leerling spoedig vorderen, zoo hij maar op de stammen opmerkzaam is. Den stam vindt men, door den uitgang is van den gen. sing, weg te laten ; de gen. sing, is gewoonlijk in de woordenboeken bij den nom. sing, te vinden.

2. Den acc. sing, vormen eenige woorden op im in plaats van em en wel :

a) de parisyllaba der eigennamen van rivieren en steden op is, zooals : Tibëris (gen. Tiberis) acc. Tiberim. — (Parisyllaba noemt men woorden, welke in den gen. sing, evenveel letter-

• grepen hebben als in den nom. sing.; imparisyllaba, welke meer hebben).

b) de parisyllaba op is van grieksclien oorsprong, b. v. basis.

cj febris, puppis, secilris, sitis, turris, vis,

koorts, achtersteven, bijl. doïst. toren, geweld.

quot;o V. opus, o l ^

1-1 A. oper-e, van,l met of door het

Pluralis. N. opër-a, de \\

ö G. oper-um, v.del ^ 2 D. oper-ïbus, aanf J, A. oper-a, de fde| ë Y. oper-a, o l ^ A. oper-ïbus, van, j met of door de /

V. mare, o 1 A. mar-i, van, met I of door de /

N. mar-ia, de \\

G. mar-ium v. de I D. /nar-ïbus, aanf :§ A. mar-ia, de (de/ | V. mar-ia, o V A. mar-ïbus, van, | met of door de /

-ocr page 18-

14

3. Den abl. sing, op i hebben;

a) de woorden die in den acc. \'im hebben.

b) de neutra op e, al en ar. Deze hebben ook in den nom. plur. ia in plaats van a, en in den gen. plur. ium in plaats van urn.

4. De genet. plur. is ium in plaats van um :

a) bij die substantiva, welke in den abl. sing, i hebben.

b) bij de parisyllaba. Uitgezonderd van deze zijn wederom . accipiter, apis (meestal), canis, frater, juvëms, havik, bij, \' hond, broeder, jongeling, accipitrum. ap-um (meestal), can-um. fratr-um. juyen-um. mater, panis, senex, vates, volucns, moeder, brood, \' grijsaard, waarzegger, vogel, matr-um. pan-um. sen-um. vat-um. volucr-um.

e) Vele eenlettergrepige woorden, vooral welke op s ot ar eindigen met voorafgaanden medeklinker, b. v. mons, berg, mont-mm,

arx, kasteel, arc-ium.

§ 14.

Masculina der derde dechnatie.

De woorden op er, o, or, os,

Als aër, sermo, labor, mos,

Op es imparisyllaba,

Vindt men gewoonlijk mascüla.

Uitzonderingen.

1. Op de woorden op er.

Als neutra houde men op er Cadaver, verber, iter, ver.

Aer (aër-is), lucht; sermo (sermön-is), taal, gesprek; labor (labör-is), arbeid, moeite ; mos (mor-is), gewoonte ^ cadaver (cada-vër-is), lijk ; verber (verbër-is), slag, stoot; iter (itinër-is), reis, weg.

2. Op de woorden op o.

De woorden op do, go, io Zijn vrouw\'lijk, caro evenzoo;

Doch margo, vespertilio,

Septentrio, papilio En ordo, cardo, (cardïnis)

Zijn masculini generis.

-ocr page 19-

15

Caro (carn-is), vleeseh; inargo (margïn-is), rand; vespertilio (vespertilion-is), vledermuis ; septentrio (septentri5n-is), het noorden ; papilio (papiliön-is), vlinder ; ordo (ordïn-is), orde, rij; cardo (cardïn-is), deurhengsel.

3. Op de woorden op or.

Neutra zijn er vier op or :

Marmor, aequor, ador, cor.

Feminini genëris Is slechts arbor, arböris.

Marmor (marmor-is), marmer; aequor (aequör-is), vlakte, zee ; ador (adör-is), spelt, zeker graan ; cor (cord-is), hart; arbor (arbör-is), boom.

4. Op de woorden op os.

Wel zijn vrouwelijk op os.

Deze drie, cos, dos, eos;

Doch os, oris en os, ossis Zijn neutrius generis.

Cos (cöt-is) slijpsteen; dos (dot-is), huwelijksgoed; eos (een grieksch woord, welks genitivus in het latijn niet voorkomt), morgenrood ; os (ör-is), mond ; os (oss-is), been, bot.

5. Op de imparisyllaba op es.

Eén is neutrum, namelijk aes.

Doch feminina zijn op es,

Seges, merces, requies.

Aes (aer-is), koper; seges (segët-is) , zaadveld; merces (mereëd-is), loon, soldij ; requies of quies (quiët-is), rust.

§ 15.

Feminina der derde declinatie.

Hoofdregel.

Feminini generis Zijn die eindigen op is.

Parisyllaba op es.

En met consonant vóór s 1).

1

Hiertoe behooren ook de woorden op £, daar x = « of gs is, gelijk uit de stammen blijkt.

-ocr page 20-

16

Eindlijk die op as en aus.

Zooals lampas, laus eu /raus.

Lampas (lampad-is), fakkel; laus (laud-is), lof; fraus (fraud-is), bedrog.

Uitzonderingen.

1. Op de woorden op is.

Vele woorden zijn op is Masculini generis:

Panis, piscis, crinis, finis.

Ignis, lapis, pulvis, cinis.

Orbis, amnis en canalis,

Fascis, axis, funis, ensis,

Pustis, vermis, collis, mensis.

Panis (pan-is), brood ; piscis (pisc-is), visch ; crinis (crin-is), het haar ; finis (fin-is), einde; ignis (ign-is), vuur; lapis (lapïd-is), steen ; pulvis (pulvër-is), stof; cinis (cinër-is), asch ; orbis (orb-is), kring ; amnis (amn-is), stroom; canalis (canal-is), goot; sanguis (sanguïn-is), bloed ; unguis (ungu-is), nagel, klauw; annalis (annal-is), jaarboek ; fascis (fasc-is), bundel; axis (ax-is), eene as ; funis (fun-is), touw; ensis (ens-is), zwaard ; fustis (fust-is), stok; vermis (verm-is), worm ; collis (coll-is), heuvel; mensis (mens-is), maand.

2. Op de woorden op s met voorgaanden consonant.

Mannelijk is de uitgang ex,

(Behalve lex, supellex, nex),

Voorts /ons, mons, pons en oriens,

Dens, rudens, torrens, occidens.

Supellex (supellectïl-is), huisraad; lex (leg-is), wet; nex (nec-is), geweldige dood ; fons (font-is), bron ; mons (mont-is), berg; pons (pont-is), brug ; oriens (orient-is), het oosten ; dens (dent-is), tand ; rudens (rudent-is), scheepstouw; torrens (torrent-is), bergstroom; occidens (oecident-is), het westen.

3. Op de woorden op as.

Drie masculina zijn op as

-4«, adamas en elephas;

Drie neutra : fas, nefas, en ras.

As (ass-is), de as, eene munt; adamas (adamant-is), diamant; els-

-ocr page 21-

17

phas (elephant-is), olifant; fas (onverbuigbaar, indeclinabile), wat recht is; nefas (insgelijks indeclinabile), onrecht, gruwel ; vas (vas-is), vat, in den pluralis naar de tweede declinatie.

§ 16.

Neutra der derde declinatie.

Hoofdregel.

De woorden op een a en «,

En ook die op c, l, n, t.

En eindelijk die op ar, ur, us Zijn alle generis neutrïus.

Eenige uitzonderingen.

Mannelijk zijn lepus, mus,

Doch feminina servüus,

Juventus, virtus, incus, salus,

Senectus, tellus, pecus, palus.

Mannelijk sal, sol en vultur ;

Ten slotte nog het woordje turtur.

Lepus (lepör-is), haas ; mus (mür-is), muis ; servitus (servitüt-is), slavernij ; juventus (juventüt-is), jeugd ; virtus (virtüt-is), deugd, dapperheid; incus (incüd-is), aanbeeld; salus (salüt-is), heil; senectus (senectüt-is), ouderdom ; tellus (tellür-is), de aarde, aardbodem ; pecus (pecüd-is) een stuk vee; palus (palüd-is), moeras ; sal (sal-is), zout; sol (sol-is), zon ; vultur (vultur-is), gier, roofvogel ; turtur (turtur-is), tortelduif.

§ 17. Voorbeelden tot oefening en om in het geheugen te prenten. Agmen (agmïn-is), leger op marsch. Custos (custöd-is), wachter. Animal (animal-is), dier. Cruor(cracir-is), geronnen bloed.

Avis (av-is), vogel. Crus (crür-is), scheenbeen.

Cacümen (eacumïn-is), spits, top. Eques (equit-is), ridder, ruiter. Calor (calör-is), warmte. Fames (fam-is), honger.

Caput (capït-is), hoofd. Flumen (flumïn-is), rivier.

Carmen (carmïn-is), gedicht. Foedus (foedër-is), verbond. Carthaginiensis (parisyllabum). Car- Frigus (frigör-is), koude.

thager. Grens (gent-is), volk.

Cervix (cervic-is), nek. Genus (genër-is), geslacht.

Civis (civ-is), medeburger. Grex (greg-is), kudde.

Color (colör-is), kleur. Hiems (hiëm-is), winter.

Cortex (cortïc-is), bast. Hostis (host-is), vijand.

Crimen (crimm-is), beschuldiging. Imago (imagïn-is), beeld, misdaad. Inventor(inventör-is), uitvinder.

2

-ocr page 22-

18

Lac (lactis), melk.

Lactes (lactium), liom.

Laus (land-is), lof.

Legio (legion-is), legioen.

Libertas (libertat-is), vrijheid.

Mel (mell-is), honig.

Miles (milit-is), soldaat.

Mors (mort-is), dood.

Mnlier (mnliër-is), vrouw.

Multitüdo (mnltitüdm-is), menigte,

Natio (natiön-is). natie.

Nomen (nomin-is), naam.

Nox (noct-is), nacht.

Nubes (nub-is), wolk.

Nux (nuc-is), noot.

Oiïgo (origïn-is), oorsprong.

Orbis (orb-is), kring, gen. orbis

terrarum, aarde.

Pars (part-is), deel.

Quadrüpes (quadrupëd-is), viervoetig dier.

Radix (radïc-is), wortel.

Eex (rég-is), koning.

Rus (rur-is), het land, tegenover de stad.

Sacerdos (sacerdöt-is), priester en priesteres.

Salus publiea (salfltis publicae), welzijn van den staat.

Sidus (sidër-is), gesternte.

Tellus (tellfir-is), aarde, aardbodem.

ürbs (urb-is), stad.

Valetïido (valetudïn-is), gezondheid.

Variëtas (varietat-is), verscheidenheid.

Vox (voc-is), stem, geluid, woord.


§ \'8. Adjectiva der derde declinatie.

In de derde declinatie zijn:

1. Adjectiva van 3 uitgangen, op er, voorliet mannelijk, op is, voor het vrouwelijk en op e, voor het onzijdig geslacht. De e wordt, behalve in den nom. en vocat. sing, van het masculinum, uitgestooten. Celer behoudt overal ook de tweede e.

Singul. P. N.

M.

Nom. acer, acr-is, acr-e. Gen. acr-is, in alle geslachten. Dat. acri — — — —. Acc. acr-em, acr-em, acr-e. Voc. acer, acr-is, acr-e. Abl. acr-i, in alle geslachten.

Plur.

M. F. N.

Nom. acr-es, acr-es, acr-ia. Gen. acr-ium, in alle geslachten.

Dat. acr-ibus--— — —.

Acc. acr-es, acr-es, acr-ia. Voc. acr-es, acr-es, acr-ia. Abl. acr-ibus, in alle geslachten.


2. Adjectiva van 2 uitgangen, b.v. is voor het mannelijk en vrouwelijk, ë voor het onzijdig geslacht. De com-parativi op or (mannelijk en vrouwelijk) en us (onzijdig) behooren ook tot deze klasse.

-ocr page 23-

19

Singul. M. F. N. Nom. dulcis, duleis, dulce. Gen. dulc-is, in alle genera. Dat. dule-i — — — —. Ace. dulc-em, dulc-em, dulce. Voc. dulc-is, dulcis, duice. Abl. dulci, in alle genera.

Plur. M. P. N. Nom. dulc-es, dulc-es, dulc-ia. Gen. dulc-ium, in alle genera. Dat. dulc-ibus — — — —. Acc. dulc-es, dulc-es, dulc-ia. Voc. dulc-es, dulc-es, dulc-ia. Abl. dulc-ibus, in alle genera.


3. Adjectiva van één uitgang.

Sing. Plur.

Nom. felix, in alle geslachten. Nom. felic-es (m. en v.), felic-ia (o.)

Gen. felïc-is----—. Gen. felic-ium, in alle geslachten.

Dat. felic-i —----. Dat. felic-ïbus —---—.

Acc. felic-em (m. en v.), felix (n.). Acc. felic-es (m. en v.) felic-ia (o).

Voc. felix, in alle geslachten. Voc. felic-es (m. en v.) felic-ia (o).

Abl. felic-i-----. Abl. felic-ibus, in alle geslachten.

§ 19. Eenige aanmerkingen op de verbuiging der adjectiva van de derde declinatie.

1. De adjectiva en de deelwoorden (participia), als adjectiva gebruikt, hebben in den abl. i in plaats van e. Uitgezonderd zijn, behalve de comparativi, waarover wij naderhand zullen spreken;

Compos, impos, deses, coelebs.

Pauper, pubes, senex, princeps,

Eind\'lijk sospes en superstes.

Compos (compöt-is), machtig; impos (impöt-is), onmachtig; deses (desïd-is), traag ; coelebs (coelïb-is), ongehuwd; pauper (paupër-is), arm, in den abl. sing, pauper-e, ofschoon van de derde declinatie ; pubes (pubër-is), manbaar; senex (sen-is), oud; princeps (princïp-isj, de voornaamste; sospes (sospït-is), behouden; superstes (superstit-is), overlevend.

2. De adjectiva en participia neutra hebben in den nom. acc. en voc. plur. ia in plaats van a ; met uitzondering van de comparativi, die a hebben ; ook vetus heeft vetera.

3. In den gen. plur. hebben zij ium in plaats van urn. Uitgezonderd zijn wederom de comparativa en

Vigil, vetus, memor, supplex,

Celer, uber, dives, caelebs.

Als ook consors, particeps.

2*

-ocr page 24-

18

Lac (lactis), melk.

Lactes (lactium), horn.

Laus (laud-is), lof.

Legio (legion-is), legioen.

Libertas (libertat-is), vriiheid.

Mel (mell-is), honig.

Miles (nailit-is), soldaat.

Mors (mort-is), dood.

Muiier (mnliër-is), vrouw.

Multitüdo (mnltitüdïn-is). menigte

Natio (natiön-is), natie.

Nomen (nomin-is), naam.

Nox (noct-is), nacht.

Nubes (nub-is), wolk.

Nux (ntic-is), noot.

Orïgo (orïgïn-is), oorsprong.

Orbis (orb-is), kring, gen. orbis

terrarum, aarde.

Pars (part-is), deel.

Quadrüpes (quadruped-isj, viervoetig dier,

Eadix (radïc-is), wortel.

Rex (rëg-is), koning.

Rus (rur-is), het land, tegenover de stad.

Sacerdos (sacerdöt-is), priester en priesteres.

Salus publica (salütis publicae), welzijn van den staat.

Sidus (sidër-is), gesternte.

Tellus (tellür-is), aarde, aardbodem.

Urbs (urb-is), stad.

Valetüdo (valetudïn-is), gezondheid.

Variëtas (varietat-is), verscheidenheid.

Vox (voc-is), stem, geluid, woord.


§ 18. Adjectiva der derde declinatie.

In de derde declinatie zijn :

1. Adjectiva van 3 uitgangen, op er, voor het mannelijk, op is, voor het vrouwelijk en op ë, voor het onzijdig geslacht. De e wordt, behalve in den nom. en vocat. sing, van het masculinum, uitgestooten. Celer behoudt overal ook de tweede e.

Singül.

M. F. N.

Nom. acer, acr-is, acr-e. Gen. acr-is, in alle geslachten. Dat. acri — — — —. Acc. acr-em, acr-em, acr-e. Voc. acer, acr-is, acr-e. Abl. acr-i, in alle geslachten.

Plur. P. N.

M.

Nom. acr-es, acr-es, acr-ia. Gen. acr-ium, in alle geslachten.

Dat. acr-ibus —--— —.

Acc. acr-es, acr-es, acr-ia. Voc. acr-es, acr-es, acr-ia. Abl. acr-ibus, in alle geslachten.


2. Adjectiva van 2 uitgangen, b.v. is voor het mannelijk en vrouwelijk, ë voor het onzijdig geslacht. De com-parativi op or (mannelijk en vrouwelijk) en us (onzijdig) behooren ook tot deze klasse.

-ocr page 25-

19

Singul.

M. P. N.

Nom. dulcis, dulcis, dulcö. Gen. dulc-is, in alle genera.

Dat. dulc-i---— —.

Ace. dulc-em, dule-em, dulce. Voc. dulc-is, dulcis, dulce. Abl. dulci, in alle genera.

Plur. M. P. N. Nom. dulc-es, dulc-es, dulc-ia. Gen. dulc-ium, in alle genera. Dat. dulc-ibus — — — —, Acc. dulc-es, dulc-es, dulc-ia. Voc. dulc-es, dulc-es, dulc-ia. Abl. dulc-ibus, in alle genera.


3. Adjectiva van één uitgang.

Sing. Plur.

Nom. felix, in alle geslachten. Nom. felic-es (m. en v.), felic-ia (o.)

Gen. felïc-is----—. Gen. felic-ium, in alle geslachten.

Dat. felic-i — — — — —. Dat. felic-ïbus — — — —■ —.

Acc. felic-em (m. en v.), felix (n.). Acc. felic-es (m. en v.) felic-ia (o).

Voc. felix, in alle geslachten. Voc. felic-es (m. en v.) felic-ia (o).

Abl. felic-i-----. Abl. felic-ibus, in alle geslachten.

§ 19. Eenige aanmerkingen op de vtrhuiging der adjectiva van de derde declinatie.

1. De adjectiva en de deelwoorden (participia), als adjectiva gebruikt, hebben in den abl. i in plaats van e. Uitgezonderd zijn, behalve de comparativi, waarover wij naderhand zullen spreken:

Compos, impos, deses, coelebs.

Pauper, pubes, senex, princeps.

Eind\'lijk sospes en superstes.

Compos (compot-is), machtig; impos (impot-is), onmachtig; deses (desïd-is), traag ; coelebs (coelïb-is), ongehuwd; pauper (paupër-is), arm, in den abl. sing, pauper-e, ofschoon van de derde declinatie ; pubes (pubër-is), manbaar; senex (sen-is), oud; princeps (princïp-isj, de voornaamste; sospes (sospït-isj, behouden; superstes (superstit-is), overlevend.

2. De adjectiva en participia neutra hebben in den nom. acc. en voc. plur. ia in plaats van a ; met uitzondering van de comparativi, die a hebben ; ook vetus heeft vetera.

3. In den gen. plur. hebben zij ium in plaats van um. Uitgezonderd zijn wederom de comparativa en

Vigil, vetus, memor, supplex,

Celer, uber, dives, caelebs.

Als ook consors, particeps.

2*

-ocr page 26-

20

Vigil (vigïl-is), waakzaam ; vetus (veter-is), oud ; memor (memor-is), gedachtig; supplex (supplïc-is), smeekend; celer (celer-is), snel; uber (uber-is), vruclitbaar; dives (divït-is), rijk; caelebs (caelïb-is), ongehuwd; consors (consort-is), deelhebber ; particeps (particïp-is), deelachtig.

Aanmerking. De meeste van substantiva afgeleide adjectiva richten zich naar die substantiva, b.v. : triceps (tricipït-is), driehoofdig, heeft in den gen. plur. tricipit-um, omdat het komt van caput (hoofd).

§ 20. Men oef ene zich door de volgende voorbeelden, en leere die woorden van buiten.

Admirabïlis (ë) bewonderenswaardig.

Alacer (cris, ere), vlug, levendig.

Atrox (atröc-is), wreed, afschuwelijk.

Brevis (e), kort.

Celeber (bris, bre), volkrijk, beroemd.

Civilis (e), burgerlijk.

Difficïlis (e), moeilijk.

Pacïlis (e), gemakkelijk.

Pertilis (e), vruchtbaar.

Frequens (frequent-is), menigvuldig.

Ingens (ingent-is), zeer groot. Lacrimabïlis (e), beweenenswaar-dig.

Immortalis (e), onsterflijk. Mortalis (e), sterfelijk.

Omnis (e), al, alle, ieder. Potens (potent-is), machtig. Rapax (rapa-cis), roofzuchtig. Septentrionalis (e), noordelijk. Simplex (simplïc-is), eenvoudig. Suavis (e), zoet, liefelijk.

Utïlis (e), nuttig.

Virïdis (e), groen.


§ 21. Vierde declinatie.

Tot de vierde declinatie behooren de substantiva, welke in den gen. sing, op üs uitgaan. De nom. sing, eindigt op üs of op u. De woorden op us zijn gewoonlijk masculina, die op u zijn neutra zonder eenige uitzondering.

Uitzondering.

Vrouwelijk zijn :

Domus, manus, porticus,

Acus, tribus en idus.

Domus (dom-üs), huis; manus (man-üs), hand; porticus (porticus), zuilengang; acüs (acüs), naald; tribus (trib-üs), stam; idus (Gen. idu-um), de 13 \'l\' of ISquot;6 dag van de romeinsche maand, alleen in den plur. in gebruik (plurale tantum.)

-ocr page 27-

21

Voorbeelden.

Sing.

Nom. fructiis, de vrucht. Gen. fruet-üs, van de — Dat. fruct-ui, aan de — Acc. fruct-um, de — Voc. fruetüs, o —!

Abl. fruct-ü, van, met of door de vrucht.

Sing.

Nom. cornü, de hoorn. Gen. cornfls, van den — Dat. cornü, aan den — Acc. cornü, den —

Voc. cornü, o —!

Abl. cornu, van, met of dooiden hoorn.

Plur.

Nom. fruct-üs, de vruchten. Gen. fruct-üum, van de — Dat. fruct-ïbus, aan de — Acc. fruct-üs, de —

Voc. fruct-üs, o — !

Abl. fruct-ïbus, van, met of door de vruchten.

Plur.

Nom. corn-üa, de horens. Gen. corn-üum, van de — Dat. corn-ïbus, aan de — Acc. com-üa, de —

Voc. corn-üa, o — !

Abl. corn-ïbus, van, met of door de horens.


§ 22. Onregelmatigheden in de vierde declinatie.

Sing.

domus, het huis. Nom.

domus, van het — Gen.

domui, aan het — Dat.

(zelden domo).

domum, het —

(ook naar huis).

domus, o —! Voc.

domo. van, met of door Abl. het huis.

Nom.

Gen.

Dat.

Acc.

Voc. Abl.

Plur.

domus, de huizen.

j van de huizen.

aan de —

Acc. domus,

de

domus, o —

domibus, van, met of door de huizen.

l domuum en I domorum domibus.


Dit woord wordt dus deels naar de tweede, deels naar de vierde declinatie verbogen.

Domi wordt als Adverbium gebruikt en beteekent te huis. Verder merke men op, dat de dat. en abl. plur. op ttbus uitgaan in plaats van op ïbus bij de volgende woorden.

Acus, lacus, tribus, artus.

Arcus, quercus, specus, partus,

Veru, pecu.

Acüs (ac-üs), naald; lacus (lac-üs). meer ; tribus (trib-üs). stam i

-ocr page 28-

22

artüs (art-üs), gewricht; arcus \'arc-us), boog ; quercus (querc-üs), eikeboom; specus (spee-iis), hol; partus (part-üs), het baren ; pecu (peeüs), vee; veru (ver-üs), braadspit. Portus, haven, heeft \'bus en uhits.

§ 23. Voorbeelden tot oefening, enz.

Arcus eoelestis, regenboog. Idus martiae, de 15\'io dag der

Gustus, smaak. maand Maart.

Impetus, aanval. Magistratus, overheidspersoon.

Audïtus, gehoor. Sensus, zintuig.

Equitatus, ruiterij. ïactus, gevoel (zintuig).

Motus, beweging. Tontïru, donder.

Motus terrae, aardbeving. üsus, gebruik.

Olfactus, reuk. Vestïtus, kleeding.

Reditus, terugkomst. Visus. gezicht.

Senatus, senaat.

§ 24. Vijfde declinatie.

Tot de vijfde declinatie worden gebracht de substantiva, welke in den gen. sing, den uitgang ei hebben ( ei, zoo er een consonant, ei, zoo er een vocaal voorgaat). De nominativus eindigt op es. Behalve dies en meridies zijn alle woorden dezer declinatie vrouwelijk, doch dies, wanneer het een termijn beteekent, is ook in den singul. vrouwelijk. Weinige woorden dezer declinatie komen in het meervoud voor.

Voorbeeld.

Sing. Plur.

Nom. dies, de dag. Nom. di-es, de dagen.

Gen. dië-i, van den dag. Gen. di ërum, van de —

Dat. die-i, aan — Dat. di-ëbus, aan de —

Ace. di-em, den — Acc. di-es, de —-

Voc. di-es, o —! Voc. di-es, o —!

Abl. di-ë, van, met of door den Abl. di-ëbus, van, met of dooidag. de dagen.

§ 25. Men prente de volgende ivoorden in het geheugen, en oef ene zich in hunne verbuiging.

Acies, scherpte, slagorde. Effigies, afbeelding.

Dies festus, feestdag. Fides, trouw.

-ocr page 29-

23

Pernicies, verderf. Planities, vlakte. Res, zaak, ding.

Res familiaris, huis wezen, ver

mogen.

Kes gestae, daden, voornameiijk

krijgsdaden.

Eespublica, het gemeenebest,

staatswezen.

Spes, hoop, verwachting.


§ 26. Vergelijking (comparatio) der adjectiva.

1. Men vormt den comparativus gradus (den vergelijkenden trap), door den uitgang van den genitivus, dien de positivus heeft, zoo hij op i eindigt, in tor te veranderen ; doch zoo deze genitivus op is uitgaat, dan zet men in plaats van is. ior. Het neutrum van den uitgang ior is ius; dit heeft, evenals het masculinum en femin., in den gen. wris.

2. De superlativus gradus (overtreffende trap) wordt gevormd door achter den stam den uitgang issimus te plaatsen. Zoo verkrijgt men van altus (stam alt) den superl. alt issimus ; van felix (stam felic), gen. felicis, den superlativus, felic-issimus. Men kan den comparativus ook van den stam vormen en den superlativus nog anders dan is opgegeven ; de leerling zoeke zelf hoe.

3. Van de adjectiva op ar vormt men den superlativus, door achter er van den positivus den uitgang rimus te voegen : b.v. pauper, pauperrimus.

4. De volgende zes adjectiva, op ilis, vormen den superlativus, door het veranderen van den uitgang is in limus. Zij zijn :

facïlis, difficilis, simïlis, dissimilis, gracilis, humilis.

Facilis, gemakkelijk, difficilis, moeilijk, similis, gelijk, dissimilis, ongelijk, gracilis, tenger, humilis, laag. Zoo heeft facil-is, facil-limus enz.

5. Van de adjectiva op dicus, ficus, völus, verandert men, om den comparativus en superlativus te vormen, den uitgang us in entior en entissimus; dus maledic-us, kwaadsprekend, maledic-entior, maledic-entissimus. Evenzoo handele men met benefic-us, weldadig; malefic-us, kwaadhandelend; munific-us, vrijgevig; magnificus, prachtig, roemrijk ; benevölus, welwillend.

6. De comparativus en superlativus van de adjectiva, welke een klinker voor den uitgang us hebben, worden omschreven, en wel de comparativus door magis (meer), en de superlativus door maxime (ten zeerste) of valde (zeer), ook wel summe (hoogst) vóór het adject, in den positivus te plaatsen : b.v. dubi-us, twijfel-

-ocr page 30-

24

achtig, magis dubins, twijfelachtiger, maxime, valde of summe dubius, twijfelachtigst, zeer twijfelachtig of hoogst twijfelachtig.

Hierbij merke men op, dat de superlativus in het latijn een zeer hoogen of den hoogsten graad kan beteekenen (superlat. re-lativus en superlativus absolutus). Doctissimus beteekent dan zoowel zeer geleerd, als de geleerdste. Het spreekt vanzelf dat, wanneer de boven aangegevene omschrijving plaats heeft, de verbuiging van het adjectivum in alle graden dezelfde blijft.

7. De adjectiva op quus laten meestal de gewone vorming der comparativi en superlativi toe, dus: antlquus (oud), antiquior (ius), antiqu-issimus.

§ 27. Onregelmatige comparatie, A bun da ntia en defectiva.

1. Geheel onregelmatig worden de comparativi en superlativi gevormd bij de volgende adjectiva:

bonus (goed), melior, optïmus.

malus (slecht), pejor, pressïmus.

parvus (klein), minor, minimus.

magnus (groot), major, maxïmus.

multus (veel), plus (meer), plurïmus.

In den sing, is plus alleen onzijdig, in den plur. heeft het plurus, plures, plura.

2. Een dubbelen superlativus hebben (abundantia):

extërus (van buiten), infërus (van onderen),

exterior, inferior.

postërus (van achteren), posterior.

supërus (van boven).

superior.

extremus (zelden extimus), infïmus of ïmus (onderst,

geringst).

postremus (laatst), posttt-mus (na den dood des vaders geboren), suprêmus of summus (hoogst, laatst).

Deze vier woorden komen zeer zelden in den posit, voor. 5. Eenige adjectiva missen een\' of meer trappen van vergelijking (defectiva) ; zoo ontbreekt de positivus bij ;

citerior, citïmus, p citra faan deze zijde).

interior, intimus, do5 i intra (binnen).

prior, primus, gMhet verouderde pris.

propior, proximus, S i prope (nabij).

potior, potissimus (verkieslijker), lt; / het verouderde potis, pote. ulterior, ultimus, (meer aan gene f ultra (aan gene zijde).

zijde, de laatste.)

-ocr page 31-

25

deterior, deterrimus, i

(minder goed), (slecht). f Deze twee woorden zijn niet

------J- , ---- «..„W «yxx

van latijnschen oorsprong.

ocior sneller

Vele adjeetiva laten uit hoofde hunner beteekenis geen trappen van vergelijking toe, b.v. lignëus, van hout, houten; anderen hebben deze niet wegens hunnen vorm ; zoo zij namelijk uitgaan op ïcus, ïmus, ïmus, örus en bundus, b.v. modïcus, matig; legi-timus, wettig; crastïnus, van morgen, tegen morgen ; matütïnus, vroeg ; canörus, welluidend, melodisch ; errabundus, dolend, dwalend. Buitendien vindt men van vele adjeetiva geene gradus comparationis (trappen van vergelijking), b.v. van memor, gedachtig, mediöcris, middelmatig ; mirus, wonderbaar enz.

§ 28. Declinatie der comparativi en superlativi.

De superlative worden verbogen als de adjeetiva van 3 uitgangen op us, a. urn. De comparativi richten zich in de verbuiging naar die der adjeetiva van twee uitgangen (§§ 18 en 19) ; in den nom. acc. en voc. plur. hebben zij in het onzijdig niet ia, maar alleen a ; in den gen. plur. gebruikt men voor ium alleen

um.

Voorbeeld.

Singul. Plur.

M. et F. N. M. et F. N.

Nom. altior, altius. Nom. altiör-es, altiör-a.

Gen. altiör-is, in alle gesl. Gen. altiör-um, in alle gesl.

Dat. altiori, — — —. Dat. altior-ibus, — — —.

Acc. altior em, altius. Acc. altiör-es, altiör-a.

Voc. altior, altius. Voc. altior es, altiör-a.

Abl. altiore en altiori, in alle gesl. Abl. altior-ibus, in alle gesl.

Plus heeft in den gen. pluralis, plurium. Verg. § 27, 1.

§ 29. Vorming der adverbia.

De adverbia, welke stamwoorden zijn, dat is: welke van geen ander woord afgeleid zijn (als eras, morgen ; saepë, dikwijls ; nunc, nu), alsmede diegenen, welke van verba en substantiva afkomen (b.v. statim, op staanden voet, van stare, staan; viritum, man voor man van vir), komen hier niet in aanmerking. Wij hebben hier slechts de van adjeetiva en participia afgeleide adverbia op het oog.

-ocr page 32-

26

1. De adjectiva der eerste en tweede declinatie op us, x, um en er, a, um, vormen hun adverbium door achter den stam a te voegen ; b.v. altus (stam alt), adverbium altè ; miser (stam miser), adv. miser-ë; pulcher (stam pulchr), adv. pulchrc.

2. Aan den stam der adjectiva van de derde declinatie hecht men gewoonlijk den uitgang iter, om hunne adverbia te vormen; zoo krijgt men van het adj. celer (stam celer) het adv. celerïter; van utilis (stam util), utiliter; van simplex (stam simplic), sim-plicïter ; doch bij de adjectiva en participia op ns voegt men niet Her, maar alleen ter achter den stam. Men kan de adverbia echter ook van den gen. sing, der adjectiva vormen. Deze manier zoeke de leerling zelf.

3. Als afwijkende vormen komen voor : bene van bonus, male van malus ; facile van facilis ; difficult er (samengetrokken uitdifïici-liter), van difficilis ; cito, crebro, falso, tuio, zijn adverbia van citus (gezwind), creber (menigvuldig), falsus, (valsch), tutus (veilig).

§ 30. Comparatie der adverbia.

De comparativus van het adverbium heeft denzelfden vorm als het neutrum van den comparativus des adjectivums, waarvan het is afgeleid.

De superlavitus wordt gemaakt door den uitgang its van het adjectivum in ë te veranderen, dus :

P. C.

alt-ë alt-ius

pulchr-e, pulchr-ius, elegant-er, elegant-ius, ben-6, mel-ius, oc-ius,

diter-ius.

S.

altissime, van het adjectivum pulcher-rime —

elegant-issime —

optim-ë ocissim-ë,

deterrime, —

Nog merke men de volgende uitzonderingen op

P. C.

parum (weinig) minus (minder),

magnopërë (zeer), magis (meer), multum (veel, zeer), plus (meer),

ontbr. potius (liever),

ontbr. prius (eerder),

nuper(onlangs,kort), de comp. ontbreekt.

zonder

S.

minimum (het minst, zeer weinig), minime (geenszins).

maxime (het meest), plurimum (het meest), potissimum (hetliefst), primum (het eerst), nuperrime (eerst zeer onlangs).

altus. pulcher. elögans. bonus, positivus van het adjectivum.


-ocr page 33-

27

zonder superlativus.

satis (genoeg),

satius (genoegzamer,

beter),

diutius (langer), saepius (meermalen).

diu (lang),

saepe (dikwijls).

diutissime (het langst). saepissime (zeer dikwijls).

Zoo de adjectiva hunne comparatie met behulp van magis, maxime, summe en valde vormen, dan heeft dit ook bij de afgeleide adverbia plaats, b.v. : pie, magis pie. maxime, summe, valde pie. Laat een adjectivmn uit zijn aard geene vergelijking toe, dan vindt men evenmin gradus comparationis bij het daarvan afgeleide adverbium.

§ 31.

NutneraUn, getalwoorden.

Grondgetallen (cardinalia).

1 unus, a, um, I. de

2 duo, duae, duo, II. »

3 tres, tria, III. »

4 quattuor, IV. »

5 quinque, V. »

6 sex, VI. »

7 septem, VII. »

8 octo, VIII.

9 novem, IX, »

10 decern, X. »

11 undëcim, XI. »

12 duodecim, XII. »

13 tredecim, XIII. »

14 quatuordecim, XIV. »

15 quindecim, XV. »

16 sedecim of decern et sex, XVI »

17 septendeeim of deeem et septem, XVII. »

18 duodeviginti of decern et octo » XVIII.

19 undeviginti of decern et no- » vem, XIX.

20 viginti, XX, »

21 unus et viginti of viginti unus, » a, um, XXI.

Ranggetallen (ordinalia).

eerste, primus, a, um.

tweede secundus of alter (van (twee).

derde, tertius, a, um.

vierde, quartus, a, um.

vijfde, quintus.

zesde, sextus.

zevende, septïmus.

achtste, octavus.

negende, nonus.

tiende, decïmus,

elfde, undecimus,

twaalfde, duodecimus, dertiende, tertius, (a, um) deci-mus, (a, um).

veertiende, quartus decimus. vijftiende, quintus decimus. zestiende, sextus decimus.

zeventiende, septimus decimus.

achttiende, octavus decimus of

duodevicesimus.

negentiende, nonus decimus of

undevicesimus.

twintigste, vicesïmus,

een en twintigste, unus et vice-

simus (beter dan vicesimus

primus).


-ocr page 34-

28

22 duo (ae, o) et viginti of vigintiduo (ae, o), XXII.

23 tres, (tres, tria) et viginti of viginti tres, XXIII.

28 duo detriginta of viginti octo, XXVIII.

29 undetriginta of novem » et viginti, XXIX.

30 triginta, XXX. ? 40 quadraginta, XL. gt;; 50 quinquaginta, L. » 60 sexaginta, LX. i. 70 Septuaginta, LXX. gt;: 80 octoginta, LXXX. gt; 90 nonaginta, XC. gt;:

100 centum, C. »

200 ducenti, ae, a, CC. »

300 trecenti, ae, a, CCC. »

400 quadringenti ae, a, » CCCC.

500 quingenti, ae, a, D. Iq. »

600 sexcenti, ae, a. Dq. »

700 septingenti, ae, a, Dqq. »

800 octingenti, ae, a, Dqqq. »

900 nongenti, ae, a, DOOOO- »

1000 mille, M, CIq. »

2000 duo milia, MM. »

5000 quinque milia, Iqq. »

10000 decern milia, CCIqq. »

100000 centum milia CCCIqqq »

500000 quingenta milia IQOOQ »

1000000 deciescentum(centena) » milia, CCCCIqqqq.

i twee en twintigste, alter et vicesimus, beter dan vices secundus.

drie en twintigste, tertius et vicesimus of vicesimus tertius. acht en twintigste, duodetrice-sïmus.

negen en twintigste, undetri-cesimus.

dertigste, tricesimus. veertigste, quadragesimus. vijftigste, quinquagesimus. zestigste, sexagesimus. zeventigste, septuagesimus. tachtigste, octogesimus. negentigste, nonagesimus. honderste, centesimus. tweehonderdste, ducentesimus. driehonderdste, trecentesimus. vierhonderdste, quadringente-simus.

vijfhonderdste quingentesimus zeshonderdste, sexcentesimus. zevenhonderdste, septingente-simus.

achthonderdste, octingentesi-mus.

negenhonderdste, nongentesi-mus.

duizendste, millesimus. tweeduizendste, bis millesimus. vijfduizendste quinquies millesimus.

tienduizendste, decies millesimus.

honderdduizendste,centies millesimus.

vijfhonderdduizendste, quir.-genties millesimus.

millioenste, millies millesimus.


Verbuigbaar zijn alle ranggetallen ; van de grondgetallen worden

-ocr page 35-

verbogen unus, a, um, duo, duae, duo, tres, tres, tria en de honderdtallen ducenti, ae, a, trecenti ae, a enz. ; mille wordt in het enkelvoud niet verbogen ; de plur. gaat naar het meervoud van mare. Unus, a, um gaat naar de eerste verbuiging; over den genit. en dat. sing, zie § 8 ; tres, tres, tria heeft in den gen. trium, dat. tribus enz. Duo en ambo worden op de volgende wijze gedeclineerd.

M. P. N.

Nom. duo, duae, duo.

Gen. duörum, duarum, duorum.

Dat. duöbus, duabus, duobus.

Acc. duos (duo), duas, duo.

Abl. duöbus, duabus, duöbus.

Aanmerkingen. 1000 soldaten wordt vertaald door mille milïtes ; doch 2000 (3000) soldaten, duo (tria) milia militum enz. 31 soldaten is unus et triginta milites of triginta milites et unus, en dan verbuigt men alleen milites en unus. De jaargetallen en de uren van den dag worden door ranggetallen uitgedrukt, b.v. in het jaar 1865, anno millesimo octingentesimo sexagesimo quinto. Hoe laat is het ? quota est hora ? drie uur, hora tertia.

Distributiva\' (verdeelingsgetallen.)

Telkens 1

singuli (ae, a).

Telkens

19 noveni deni ofunde-

»

2

bini.

viceni.

»

3

temi (trini).

»

20 viceni.

»

4

quaterni.

»

30 triceni.

»

5

quini.

»

40 quadrageni.

»

6

seni.

»

50 quinquageni.

»

7

septêni.

»

60 sexageni.

Tgt;

8

octöni.

»

70 septuageni.

1gt;

9

novêni.

»

80 octogeni.

»

10

deni.

»

90 nonageni.

»

11

undeni.

»

100 centeni.

»

12

duodeni.

»

200 duceni.

»

13

temi deni.

»

300 treceni.

Tgt;

14

quaterni deni.

»

400 quadringeni.

»

15

quini deni.

»

500 quingeni.

»

16

seni deni.

»

600 sexceni.

»

17

septeni deni.

»

700 septingeni.

»

18

octoni deni of duode-

»

800 octingeni. ■

vicêni.

900 nongeni.

-ocr page 36-

30

Telkens 1000 singula milia. Telkens 100000 centena milia.

» 2000 bina milia. » 500000 quingena milia.

» 3000 terna milia. » 1000000 decies centena

» 10000 dena milia. milia.

Adverbia numeralia (telwoorden).

1

maal

seniel.

30

maal

trieies.

2

»

bis.

40

»

quadragis.

3

»

ter.

50

»

quinquagies.

4

»

quater.

60

»

sexagies.

5

»

quinquies.

70

»

septuagies.

6

»

sexies.

80

»

octogïes.

7

»

septies.

90

»

nonagïes.

8

»

octies.

100

»

centies.

9

»

novies.

200

»

ducenties.

10

»

decies.

300

»

trecenties.

11

»

undecies.

400

»

quadringenties.

12

»

duodecies.

500

»

quingenties.

13

»

tredecies of terdecies.

600

»

sexcenties.

14

»

quaterdecies of

700

»

septingenties.

quatuordecies.

800

»

octingenties.

15

»

quinquedecies of

900

»

nongenties.

quindecies.

1000

»

millies.

16

»

sexiesdecies of sedecies.

2000

»

bis millies.

17

»

septiesdecies.

3000

»

ter millies.

18

»

duodevicies of octiesdecies.

10000

»

decies millies.

19

»

undevicies of noviesdecies.

100000

»

centies millies.

20

»

vicies.

1000000

»

millies millies.

Tot vorming der niet aangeduide tusscliengetallen lette men op de volgende voorbeelden : telkens 35 wordt uitgedrukt door triceni quini of quini triceni, ook wel quini et triceni of triceni et quini; 35 maal is: quinquies et trieies,trieies et quinquies of trieies quinquies. Voor de grond- en ranggetallen gelden de volgende regels:

1. Getallen, die met 8 en 9 zijn samengesteld, worden bij wijze van aftrekken gevormd b.v.

38, duodequadraginta; 38ste, duodequadragesïmus en :joo

verder in de volgende tientallen.

89, undequadraginta ; 89ste, undequadragesïmus enz.

2. In samenstellingen van 13 tot 17 staat gewoonlijk het kleinste getal vóór het grootste zonder et, bijv. qnintus decimus.

3. In de getallen van 20 tot 100 staat het kleinste getal met et voorop, of het grootste gaat zonder et vooraan, b.v. 23

-ocr page 37-

31

tres et vigiuti of viginti tres ; tertius et vicesimus ot\' viee-simus tertius.

4. Zijn de eenheden met honderd- of duizendtallen samengesteld, dan kunnen die eenheden met of zonder et achteraanstaan, h.v. 104 kan zijn : centum et quattuor of centum quattuor ; centesimus et quartus of centesinms quartus, de honderd en vierde.

\'5. Komt er in het laatste geval nog een tiental in de samenstelling, dan valt et bij de eenheden weg, doch het kan vóór de tientallen geplaatst of weggelaten worden; b.v. 648, sexcenti et quadraginta octo, of met weglating van et; sexcentesinms et quadragesimus octavus, of zonder et.

Bij het vermenigvuldigen wordt de vermenigvuldiger door de adverbia numeralia, het vermenigvuldigtal door de distributiva, en het product door de cardinalia aangeduid, b.v.

2 X 2 — 4) bis bina sunt quatuor; 4 X ^ =20, quater quina sunt viginti.

Van de numeralia multiplicativa, welke op plex (plic-is) eindigen, vindt men alleen de volgende ;

Simplex eenvoudig, duplex tweevoudig, dubbel, triplex drievoudig, quadruplex viervoudig, quintüplex vijfvoudig, septemplex zevenvoudig, decemplex tienvoudig, centuplex honderdvoudig.

§ 32. Pronomina personalia en possessiva (persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden).

1ste persoon.

Sing.

Nom. ego, ik.

Gen. mei, mijner, van mij.

Dat. mihi, aan mij. Acc. me, mij. Voc. ontbreekt.

Plur.

Nom. nos, wij.

Gen. nostri, onzer of van ons,

nostrum, van of onder ons. Dat. nobis, aan ons.

Ace. nos, ons. Voc. ontbreekt.


Abl. me, van, met of door mij. Abl. nobis, van, met of door ons.

2de persoon.

Sing.

Nom. tu, gij.

Gen. tui, uwer, van u.

Plur.

Nom. vos, gij.

Gen. vestri, uwer of van u. vestrum, van of onder u.


-ocr page 38-

32

Sing. Plur.

Dat. tibi, aan u. Dat. vobis, aan u.

Acc. te, u. Acc. vos, u.

Voc. tu! gij! Voc. vos! u!

Abl. te, van, met of door u. Abl. vobis, van, met of door u.

Het wederkeerig voornaamwoord sui, wordt in den nom. en voc. niet gebruikt, de plur. is gelijk aan den singul. Men verbuigt bet aldus :

Sing, en plur. Nom. ontbreekt.

Gen. sui, zijner, van zich PI. hunner, van

hen enz.

Dat. sibi, aan zich.

Acc. se, zich.

Abl. se, van, met of door zich.

Over de bezittelijke voornaamwoorden meus, tuus, noster, vester, suus, zie § 11. Cum, met, eene praepositio (voorzetsel) welke den abl. regeert, wordt in plaats van vóór, achter me, te en se geplaatst, b.v. mecum met mij, tecum met u, secum met zich, no-biscum met ons, vobisoum met u.

§ 33. Pronomina demonstrativa et relativa (aanwijzende en betrekkelijke voornaamwoorden.)

Sing. Plur.

M. P. N. M. F. N.

Nom. Mc, haec, hoe, deze, dit. Gen. hujus, in alle genera. Dat. huic — — — Acc. hunc, hanc, hoe. Voc. ontbreekt.

Abl. hoc, hac, hoe.

Sing.

M. F. N.

Nom. ills, ilia, illud, die, dat,

gene, gindsehe. Gen. illius, in alle genera. Dat. illi, — — — Acc. illum, illam, illud. Voc. ontbreekt.

Abl. illo, illa, illo.

Nom. hi, hae, haec.

Gen. horum, harum, horum.

Dat. his, voor alle geslachten.

Ace. hos, has, haec.

Voc. ontbreekt.

Abl. his, voor alle geslachten.

Plur.

M. P. N.

Nom. illi, illae, illa.

Gen. illörum, illarum, illorum.

Dat. illis, voor alle genera.

Ace. illos, illas, illa.

Voc. ontbreekt.

Abl. illis, voor alle genera.


-ocr page 39-

Als ille worden gedeclineerd : istë, ista, istud, die daar (bij u), ipsamp;, ipsa, ipsum, zelf; dit laatste verschilt in zijne verbuiging daarin alleen van ille, dat de nom. en ace. sing, van het neutrnm ipsum en niet ipsud is. Iste wordt ook in een verachterlijken zin gebezigd.

Tot de pronomina demonstrativa behooren ook, is, ea, id en ïdem ; eadem, idem, de verbuiging geschiedt aldus:

Sing. Plur.

M. F. N. M. F. N.

Nom. is, ea, id, hij, zij, het, die, dat. Nom. ii, eae, ea.

Gen. ejus, in alle gesl. Gen. eörum, earum, eörum.

Dat. ei, — — — Dat. iis, (eis), in alle gesl.

Acc. eum, earn, id. Acc. eos, eas, ea.

Voc. ontbreekt. Voc. ontbreekt.

Abl. eo, eii, eo. Abl. iis, (eis), in alle gesl.

De genitivi van dit pronomen kunnen voorkomen als possessiva, zoo namelijk de nederlandsche bezittelijke voornaamwoorden zijn, hun, haar, niet terugslaan op het onderwerp des volzins ; slaan ze terug op het onderwerp, dan worden ze door suus uitgedrukt. Uit de volgende voorbeelden zal het gezegde duidelijker worden;

pater laudat filium suum, de vader prijst zijn (eigen) zoon.

— — — ejus, — — — zijn zoon (eens anders zoon), mater laudat filium suum, de moeder— haar (eigen) zoon.

— — — ejus, — — — haar zoon (eener andere

vrouw).

parentes amant suos liberos, de ouders beminnen hunne kinderen, amo liberos eorum, ik bemin hunne kinderen.

matres amant liberos suos, de moeders beminnen hare kinderen, amo liberos earum, ik bemin hare kinderen (de kinderen dier

moeders).

Sing. Plur.

M. F. N. M. F. N.

Nom. idem, eadem, ïdem, dezelfde, Nom. iidem, eaedem, eadem. hetzelfde.

Gen. ejusdem, in alle genera. Gen. eorundem, earundem,

eorundem.

Dat. eidem, — — — Dat. iisdem, (eisdem), in alle

genera.

Acc. eundem. eandem, idem. Acc. eosdem, easdem. eadem.

3

-ocr page 40-

u

Voe. ontbreekt.

Abl. eodem, eadem. eodem.

Voc. ontbreekt.

Abl. iisdem (eisdem), in alle


Betrekkelijke voornaamwoorden (pronomina relativa).

Sing.

M. F. N.

Nom. qui, quae, quod, wie. welke.

wat, die, dat.

Gen. cujus, in alle genera.

Dat. cui — — — Acc. quern, quam, quod. Voc. ontbreekt Abl. quo, qua, quo.

quoeum, quaeum, quocum, met wien, met wie.

Plur. M. F. N. Nom. qui, quae, quae.

Gen. quorum, quarum,

quorum. Dat. quibus (quels). Acc. quos, quas, quae. Voc. ontbreekt. Abl. quibus (quels), quibuscum, met welke, met wie.


Zoo worden ook verbogen quicunque, quilibet; de aanvoegsels cunque en libet blijven natuurlijk overanderd, zooals clem in idem. Van quisquls, quidquid, wie ook, wat ook, al wie, al wat, komen in den sing, alleen de volgende vormen voor ;

M. N.

Nom. quisquis, quidquid.

Acc. quemquem, quidquid.

M. F. N.

Abl. quoquo, quaqua, quoquo.

Als relativum kan ook gebruikt worden uter (tra, trum), wie van beide (§ 10), als ook quantus, a, um, lioe groot, qualis, is, e, hoedanig en quot lioevele, welk laatste onverbuigbaar is en alleen bij woorden in den plur. gevoegd wordt; benevens de samenstellingen met cunque, b. v. quantuscunque, lioe groot ook, gen. m. quanticunque, fem. quantaecunque, neutr. quanticunque.

§ 34. Pronomina interrogativa en indefinita (vragende en onbepaalde voornaamwoorden).

Beide soorten worden deels als adjectiva (in verbinding met eeu substantivum) deels als substantiva zonder eenige bijvoeging gebezisrd.

-ocr page 41-

35

1. Interrogativa (vragende voomaamwoordeiij.

quis (M. en F.) wie, quid (N.) wat? komt alleen als snbstanti-vum voor, qui, quae, quod, welk, welke ? alleen als adjectivum.

Beiden worden als het relativum qui, quae, quod verbogen. Ter versterking wordt er dikwijls liet achtervoegsel nam aan gehecht, b. v. quisnam, quidnam, wie dan, wie toch, wat dan, wat toch ? gen. cujusnam ? Over de vraagwoorden uter ? quan-tus ? qualis ? quot ? zie men de vorige paragraaf.

2. ladeünita (onbepaalde voornaamwoorden).

M. F. N.

Aliquis, aliqua, aliquid, (zelfstandig) aliquod (bijvoegelijk), iemand, iets, verbuigt men als qui, quae, quod; het neutrum plurale echter is aliqua. Na eenige conjunctiones (voegwoorden) si, ne, nisi, num en na relativa valt ali gewoonlijk weg, b. v. si quis (zoo iemand), in plaats van si aliquis.

M. en F. N.

Quisquam, quidquam, ergens iemand, ergens iets. heeft geen plur. en geen femininum.

M. F. N.

quispiam, quaepiam. quidpiam, (adj. quodpiamj, de een of ander, eenig.

M. F. N.

quidam, quaedam, quiddam, (adj. quoddamj een zeker, zeker, wordt ook als qui, quae, quod gedeclineerd ; evenals bij idem ; echter gaat de m voor d in n over, b. v. quendam voor quem-dam, quorundam voor quorumdam.

M. F. N.

quivis, quaevis, quidvis (adj. quodvis), J

nyj- p I elk, ieder, wie hij ook zij.

i wat het — -

quilïbet, quaelïbet, quodlibet. !

M. F. N.

quisque, quaeque, quidque (adj. quodque), ieder.

Bij de 6 laatstgenoemde pronomina worden in de verbuiging de aanvoegsels niet veranderd; bij de verbuiging van unus-quisque, een ieder, wordt unis en quis veranderd en que blijft

3*

-ocr page 42-

86

onverbogen, aldus : unusquisque, unaquaeque, unumquidque (adj. unumquodque), gen. uniuscujnsque, in alle genera, dat. unicjiique,

in alle genera, ace. unumquemque, enz.

WERKWOORDEN (VERBA).

§ 35. Over het hulpwerkwoord esse en zijne composita.

Esse, zijn, wordt gebezigd om vele tijden der verba te helpen vormen. Daarom laten wij de vervoeging van dit hulpwerkwoord voorafgaan.

Indicativus (aantoonende wijze). Conjunctivus (aanvoegende wijze).

Praesens (tegenwoordige tijd).

sum, ik ben. sim, dat ik zij, moge zijn, laat mij zijn.

es, gij zijt. sis, » gij zijt.

est, hij is. sit, » hij zij.

sumus, wij zijn. simus, » wij zyn.

estis, gij zijt. sitis. » gij zijt.

simt, zij zijn. sint, » zij zijn.

Imperfectum (onvolmaakt verleden tijdj.

eram, ik was. essem, dat ik ware, ik zou zijn.

eras, gij waart. esses, » gij waret.

erat, hij was. esset, » hij ware.

eramus, wij waren. esscmus, » wij waren.

eratis, gij waart. essëtis, » gij waret.

erant, zij waren. essent, » zij waren.

Perfectum (volmaakt verleden tijd).

|

I

tui, ik ben j fuërim, dat ik geweest zij, laat mij geweest

■Pmc-fi rrii r7n I rxr\\ Tn^VlC \\s mi ns quot;711 quot;f I VlIVi

fuisti, gij zijt | :k fuëris, » gi] » zijt. (zijl\'\'-

fuit, hij is \' ^ fuërit, » hij » zij.

fuïmus, wij zijn I m fuerïmus, » wij » zyn.

fuistis, gij zijt 1 fuerïtus, » gij » zijt.

fuêrnnt, zij zijn | fuërint, » zij » zijn.

-ocr page 43-

m

Plusquam Perfectum (meer dan volmaakt verleden tijd).

ftieram, ik was fueras, gij waart fuërant, hij was fuëramus, wij waren [ fuëratis, gij waart fuërant, zij waren

fuissem, dat ik geweest ware, ik zou geweest ac; fnisses, » gij » waret. (zijn. ^ fuisset, » hij » ware.

® fuissëmus, » wij » waren.

F fuissetis, » gij » waret.

fuissent, » zij » waren.


zijn. gij zult » hij zal » wij zullen » gij zult » zij zullen »

sis, sit,

simus, sitis, sint.

»

futuri, (ae, a)

erïmus

erïtis,

erunt.

Futurum prinium (eerste toekomende tijd). Indicativus. Conjunctivas.

öro, ik zal I futurus (a, um) sim, dat ik zal

eris. gij zult f » sis, » gij zu

bus, gij zult erit, hij zal

—.....quot;i, wij zullen

gij zult zij zullen

Futurum exactum (tweede toekomende of voltooide toekomende tijd)

fuëro, ik zal fucris, gij zult fuërit, hij zal fuërïmus, wij zullen | fuërïtis, gij zult fuërint, zij zullen iaq Conjunctivus ontbreekt.

ta: 3


Imperativus (gebiedende wijze).

es, wees. esto, gij moet zjjn.

este, zijt. esto, hij moet zijn, laat hem zijn.

estöte, gij moet zijn.

sunto, zij moeten zijn, laat ben zijn.

Infinitivus (onbepaalde wijs).

Praesens, esse, zijn, te zijn.

Perfectum, fuisse, geweest zijn of geweest te zijn.

Futurum, futurum, (am, um) esse, zullen zijn. te zullen zijr

-ocr page 44-

88

Participium (deel woord).

Futurus, a. um, zullende zijn, die zijn zal.

Het participium praesens en praeteritum, het nederlandsche zijnde of geweest zijnde, moet door eene omschrijving uitgedrukt worden, omdat die vormen in het latijn niet bestaan; voor fuërunt gebruikt men ook fuëre, voor essem en voor futurum esse kan in eenige gevallen ook förem en före gebezigd worden.

Naar esse worden ook de composïta geconjugeerd ; als abesse afwezig zijn, adesse tegenwoordig zijn, deësse er niet zijn, ontbreken, interesse, bij iets aanwezig zijn, inesse, ergens in of op zijn, obesse, in den weg zijn, hinderlijk zijn, praeësse, vooraan zijn, aan het hoofd staan, prodesse (uit pro en esse), voordeelig, nuttig zijn. posse uit pote, potis en esse te zamen getrokken, kunnen.

Bij het vervoegen van prodesse, wordt overal, waar de vormen van sum met e beginnen, eene d ingeschoven, als prodes, prodëro, prodëram enz. — Bij het conjugeeren van posse is het volgende op te merken.

1. Volgt er op pot eene s, dan gaat de t in s over, b.v.: possum, possümus, possim enz.

2. Volgt er op pot eene ƒ dan stoot men de ƒ uit. Zoo is het perfectum potui voor pot-fui, plusquamperf. potuëram voor pot-fueram.

3. In het praes. infinitivi en het imperf. conjunctivi, wordt potes in pos samengetrokken; dus possem, posses en zoo verder; posse voor potesse.

4. De imperativus, participia, futur. conjunctivi en futur. infinitivi ontbreken; potens, machtig, komt als adjectivum voor.

§ 36.

Men onderscheidt in het latijn vier conjugatiën. Zij zijn meest kenbaar aan de praesentia infinitivi activi volgens de onderstaande tabel:

De eerste conjugatie gaat in dien infinitivus uit op are. » tweede » » » » » » » ëre.

» derde » » » » » » » ëre.

» vierde » » » y » » » ire.

Om echter alle vormen van een verbum behoorlijk te kunnen afleiden, moet men bovendien nog kennen :

de eerste persoon van het praesens indicativi activi, » » » » » perfectum » »

en het supinum.

-ocr page 45-

o 9

De grondtijden dan, d. i. de tijden, waarvan de andere moeten afgeleid worden, zijn ; het praes. indicativi activi, liet perf. ind. activi, het supinum en het praes. inf. activi ; van amo b.v. amo, amavi, amatum, amare.

De afleiding van die grondvormen geschiedt aldus :

1. Van het praes. infinitivi activi worden afgeleid :

a) het praesens infinitivi passivi.

b) het imperfectum conjunctivi activi en passivi.

c) de imperativus activi en passivi.

2. Van het praesens indicativi activi-;

a) het praesens indicativi passivi.

b) het praesens conjunctivi activi en passivi.

c) het imperfectum indicativi activi en passivi.

d) het futurum indicativi activi en passivi.

e) het participium praesens activi en het participium futurum passivi; dit participium wordt ook wel gerundivum genoemd.

3. Van het perfectum indicativi activi komen :

n) het perfectum conjunctivi activi.

b) het plusquamperfectum indicativi en conjunctivi activi.

c) het futurum II (secundum of exactum) indicativi activi.

4. Van het eerste supinum op um stammen af:

a) het tweede supinum op u.

h) het participium futurum activi.

c) het participium perfecti passivi.

Zoo de leerling de vier vervoegingen nauwkeurig nagaat, zal hij, door eene oplettende vergelijking zelf aan de hand kunnen geven, hoe de overige vormen van de stamvormen afgeleid zijn; alsmede hoe de samenstellingen met sum door verbindingen van de participia met dit verbum auxiliare zijn ontstaan.

§ 37. Eerste conjugatie.

1. Activum (bedrijvend).

A. Indicativus.

Praes. Perf.

laudo, ik prijs. lauda-vi, ik heb geprezen,

laud-as, gij prijst. lauda-visti, gij hebt geprezen,

laud-at, hij prijst. lauda-vit, hij heeft geprezen,

laud-iïmus, wij prijzen, lauda-vïmus, wij hebben geprezen,

laud-atis, gij prijst. lauda-vïstis, gij hebt geprezen,

laud-ant. zij prijzen. lauda-vërunt, zij hebben geprezen.

-ocr page 46-

40

Put. I (primumj.

laud-abo, ik zal prijzen, laud-abis. gij zult prijzen, laud-abit, hij zal prijzen, laud-abimus, wij zullen prijzen, laud-abïtus, gij zult prijzen, laud-abunt, zij zullen prijzen.

Imperf.

laud-abam, ik prees, laud-abas, gij preest. laud-abat, hij prees, laud-abamus, wij prezen, laud-iïbatis, gij preest. laud-abant, zij prezen.

Plusquam perfectum.

lauda-v-eram, ik had geprezen, lauda-v-ëras, gij hadt geprezen, lauda-v-ërat, hij had geprezen, lauda-v-ëramus, wij hadden geprezen, lauda-v-ëratis, gij hadt geprezen, lauda-v-ërant, zij hadden geprezen.

Fut. secundum.


lauda-v-ëro, ik zal geprezen hebben, lauda-v-ëris, gij zult geprezen hebben, lauda-v-ërit, hij zal geprezen hebben, lauda-y-ërïmus, wij zullen geprezen hebben, lauda-v-ërïtis, gy zult geprezen hebben, lauda-v-ërint, zij zullen geprezen hebben.

B. Conjunctivus.

Perfectum.

dat ik prijze. laudav-ërim, dat ik geprezen hebbe.

» gij prijzet. laudav-eris, » gij geprezen hebbet.

hij prijze. laudav-erit, » hij geprezen hebbe.

wij prijzen, laudav-ermius,» wij geprezen hebben,

gij prijzet. laudav-eritis, » gij geprezen hebbet.

zij prijzen. laudav-erint, » zij geprezen hebben.

Futurum primum.

Praesens.

laud-em laud-es, laud-et, laud-ëmus, laud-ëtis, laud-ent,

laudatflrus (a. um) sim, » sis,

sit.

simus,

situs

sint,

laudatOri (ae, a) » (ae, a) » (ae, a)

dat ik zal prijzen.

» gij zult prijzen.

» hij zal prijzen.

» wij zullen prijzen.

» gij zult prijzen.

ï zij zullen prijzen.


-ocr page 47-

41

Imperfectum.

laud-arem, dat ik preze, ik zou prijzen.

laud-ares, » gij prezet.

laud-aret, » hij preze.

land-arëmus, » wij prezen.

laud-arëtis, » gij prezet.

laud-arent, tgt; zij prezen.

Plusquam perfectum.

laudav-issem, dat ik hadde geprezen, (ik zou geprezen hebben).

laudav-isses, » gij haddet »

laudav-isset, » hij hadde »

laudav-issëmus, » wij hadden »

laudav-issctis, » gij haddet »

laudav-issent, » zij hadden »

Futurum secundum ontbreekt in den conjunctivus.

C. Imperativus (gebiedende wijze).

laud-a, prijs. laud-ato, gij moet prijzen,

aud-ate, prijst. laud-ato, hij » »

laud-atöte, gij (meerv.) moet prijzen, laud-anto, zij moeten »

D. Infinitivus (onbepaalde wijze).

Praesens. Perf. Fut.

laud-are, prijzen, te laud-avisse, geprezen te laud-aturum (am, prijzen. hebben. um) esse, zullen

prijzen, te zullen prijzen.

E. Participium (deelwoord).

Praes. Perf. Fut.

laud-ans, prijzende, ontbreekt, laud-atürus (a, um), zullende prijzen of een, die zal prijzen.

-ocr page 48-

F. Gerundium 1).

Nom. laud-are, het prijzen.

Gen. laud-andi, van »

Dat. laud-ando, aan »

Acc. fadj laud-andum, tot »

Abl. laud-ando, met of door het prijzen.

Gr. Supinum fj.

1. laud-atum, om te prijzen.

2. laud-atu, om geprezen te worden.

2. Passivum (lijdende).

A. Indicativus.

Futurum.

Praesens.

laudor, ik word laud-aris, gij wordt I laud-atur, hij wordt 1 laud-ainar,wijworden ( laud-amini, gij wordt] laud-ilntur, zij worden /

Imperfectum.

laud-abor, ik zal laud-abëris, gij zult

OQ ö

CD Ü

OQ

laud-abar, ik werd laud-abaris, gij werdt laud-abatur, hij werd laud-abamur, wij werden laud-abamïni, gij werdt laud-abantur, zij werden 1

JT j sum Sj \' es

gquot;lest ! Ilaud-abïtur, hij zal | ® ^ j sumus ( | laud-abïmur,wij zullen i \' a. I\' estis \\ laud-iibimmi, gij zult | ^ \' sunt ! laud-abuntur,zij zullen

Plusquam perfectum.

laudatus (a, um), eram, ik was ^ » » » eras, gij waart V. » » » erat, hij was S laudati (ae, aj eramus, wij waren P » » » eratis, gij waart. » » » erant, zij waren

Perfectum.

1

Het gerundium duidt, evenals de inf., de handeling van het verbum in het algemeen aan. en dient om deze in zekere naiiuivallen op te geven ; doch de nomiuativus ontbreekt en daarvoor gebruikt men de inf. praes. activi.

f) Het supinum duidt, evenals de infiuitivus, de handeling van het verbum in het algemeen aan, maar het wordt slechts in enkele gevallen gebruikt; welke die zijn wordt in de syntaxis geleerd.

-ocr page 49-

Futurum secundum.

ik zal geprezen zijn gij zult »

erit, hij zal »

erimus, wij zullen »

eritus, gij zult »

laudatus (a, um) ero, » eris,

laudati (a

a)

erunt, zij zullen »

B. Conjunctivus.

Perfectum, laudatus (a, um) sim, dat

Praesens.

ik zij gij zÜt hö zij wij zijn (

gij 4jt I

zij zijn

laud-er, dat ik worde

a)

laud-ëris,

laud-ëtur.

laud-êmur,

laud-ëmïni,

laud-ëntur,

gij wordet j \'■%

hij worde f 13 » wij worden / 3 laudati (ae, » gij wordet \\ p

worden

sis sit

simus

sitis

sint

Imperfectum.

laud-arer, dat ik werde geprezen, ik zou geprezen worden.

laud-arëris, » gij werdet »

laud-arëtur, » hij werde »

laud-arëmur, » wij werden »

laud-arëmini, » gij werdet »

laud-arentur, » zij werden »

laudatus, (a, um) essem, » » » esses,

Plusquam perfectum.

dat ik ware geprezen, ik zou geprezen zijn. » gij waret »

» » » esset, » hij ware »

laudati, fae, a) essemus » wij waren »

» » » essëtis » gij waret »

» » » essent » zij waren »

De futura moeten door omschrijving uitgedrukt worden.

C. Imperativus.

laud-ure, word geprezen. laud-ütor, gij moet geprezen worden, laud-amini, wordt geprezen. laud-ator, hij moet » »

laud-antor, zij moeten geprezen worden,

-ocr page 50-

44

D. Iniinitivus.

Praesens. Perfectum. Futurum,

laud-ari, geprezen worden, laud-atum (am. um), esse, laud-atum iri,

geprezen zijn. zullen gepre

zen worden.

E. Participium.

Praesens. Perfectum. Futurum of Gerundivum,

ontbreekt, laudatus, geprezen zijnde. laudandus, die geprezen

moet worden.

Aanmerkingen.

1. In het perf. indicativi activi en in de vormen van dien tijd afgeleid, heeft er dikwijls eene samentrekking (syncope) plaats, zoo er op avi of ave eene s öf r volgt, door uitstooting van vi of ve, b. v. laud-asti voor laud-avisti ; laud-astis voor laud-avistis; land- voor laud-averam ; laud-arim voor laud-avërim ; laud-assem voor laud-avissem enz.

2. De derde persoon plur. van het perf. ind. act. eindigt niet zelden op ere in plaats van érunt, b. v. laud-avëre voor laud-avêrunt.

3. In plaats van den uitgang ris, in den 2 pers. sing. impf. ind. en conj. pass. wordt dikwijls re gebruikt: laud-abare voor laud-abaris; laud-arëre voor laud-arëris.

§ 38. Voorbeelden tot oefening en om van buiten te laeren.

Accüsare, beschuldigen. dubïtare, twijfelen.

advölare, toevliegen, toeijlen. duplicare, verdubbelen, affirmare, bevestigen, verzekeren, edücare, opvoeden.

adnuntiare, aankondigen. emendare, verbeteren.

castigare, tuchtigen. evöcare, oproepen.

celare, verbergen. exherëdare, onterven.

clamare, schreeuwen, roepen. exstirpare, uitroeien.

cogitare (de), denken (aan). gubernare, besturen.

collöcare, plaatsen. habïtare, wonen.

comparare, vergelijken. honorare, eeren.

confirmare, bevestigen. ineïtare, aandrijven.

delibërare, beraadslagen. interrögare, ondervragen,

desidcrare, missen, wenschen. invitare, uitnoodigen.

despërare, wanhopen. labörare, arbeiden.

-ocr page 51-

45

liberare, bevrijden.

monstrare, toonen.

numerare, tellen.

oppugnare, aanvallen, belegeren.

orare, bidden.

peceare, zondigen.

plantare, planten.

postülare, eisclien, verlangen.

putare, gelooven, meenen, houden.

revocare, terugroepen.

sacrifïcare, offeren.

saerare, heiligen.

sanare, gezond maken, transportare, overbrengen, turbare, verwarren, beroeren, vitare, vermijden.

dare, (de a kort bij uitzondering), geven.1)

circumdare (circumdëdi, eircum-datum), omgeven.


§ 39. Tweede. Conjugatie. 1. Activum.

A. Tndicativus.

Praesens.

doc-eo, ik onderwijs.

doc-es, gij onderwijst, doc-et, hij onderwijst, doc-êmus, wij onderwijzen, doc-ëtis, gij onderwijst, doc-ent, zij onderwijzen.

Perfectum.

doc-ui, ik heb onderwezen,

doc-uisti, gij hebt »

doe-ttit, hij heeft »

doc-uïmus, wij hebben »

doc-uistis, gij hebt »

doc-uërunt, zij hebben »


Futurum primum.

onderwijzen.

doc-ëbo, ik zal doc-ëbis, gij zult doc-ebit, hij zal doc-ëbimus, wij zullen doc-ëbïtis, gij zult doc-ëbunt, zij zullen

Imperfectum.

doc-ëbam, ik onderwees, doc-ëbas, gij onderweest. doc-cbat, hij onderwees, doc-ëbamus, wij onderwezen, doe-ëbatis, gij onderweest. doc-ëbant, zij onderwezen.

Plusc[uam perfectum.

docu-eram, ik had onderwezen, docu-ëras, gij hadt »

docu-ërat, hij had »

docu-ëramus, wy hadden » docu-ëratis, gij hadt »

docu-örant, zij hadden »


1

De vovmeii dor eu der zijn uiet iu gebruik. Meer afwijkende vormen zullen later opgegeven worden.

-ocr page 52-

46

duco-ëro, ik zal onderwezen hebben,

duco-ëris, gij zult » »

docu-ërit, hij zal » »

docu-ërimus, wij zullen » »

doeu-ëritis, gij zult » »

docu-ërint, zij zullen » »

Praesens.

B. Conjunctivus.

Perfectum.

doc-eam, dat ik onderwijze, docu-ërim doc-eas, » gij onderwijzet. docu-cris, doc-eat, » hij onderwijze, docu-ërit, doc-eamus, » wij onderwijzen, docu-ërïmus doc-eatis, » gij onderwijzet. docu-ërïtis, doc-eant, » zij onderwijzen, docu-ërint,

dat ik hebbe onderwezen » gij hebbet » » hij hebbe » » wij hebben » » gij hebbet 5 » zij hebben »

Fut. 1.

doctürus (a, um), sim.

» » » sis.

» » » sit,

docturi (ae, a), simus

» igt; d sitis,

» » » sint.

Imperfectum.

dat ik zal onderwijzen.

» gij zult »

» hij zal »

» wij zullen »

» gij zult »

» zij zullen »

Plusquam perfectum.


doc-ëres,

doc-ëret,

doc-ërëmus

doc-ërëtis,

doc-ërent.

doc-erem, dat ik onderweze. doc-uissem, dat ik hadde

gij onderwezet. hij onderweze. wij onderwezen, gij onderwezet. zij onderwezen.

doc-uisses,

doc-uisset,

doc-uissëmus,

doc-uissëtis,

doc-uissent.

o

gij haddet hij hadde wij hadden gij haddet zij hadden


Fut. 2. Conjunctivi ontbreekt.

C. Imperativus.

doc-ë, onderwijs. doc-ëto, gij moet onderwijzen,

doc-ëte, onderwijst. doc-ëto, hij » »

doc-ëtöte, gij moet onderwijzen.

doc-ento, zij moeten »

-ocr page 53-

47

1). Infmitivus.

Perf.

doc-uisse, onderwezen hebben. Put.

docturum, (am, um) esse, zullen onderwijzen. B. Participium.

Perf. Fut.

Praesens. doc-ëre, onderwijzen

Praesens. doc-ens, onderwijzende.

ontbreekt. doct-ürus, zullende (a.

um) onderwijzen.

F. Grerundinni.

Nom. (doe-Gre, het onderwijzen), Gen. docendi, van het onderzen, Dat. doc-endo, aan het onderwijzen, (ad, interj doc-endum, tot of onder het onderwijzen, doc-endo, door het onderwijzen.

G. Supinum.

1. doc-tum, om te onderwijzen.

2. doctu, om onderwezen te worden.

quot;2. Passivum.

Praesens.

A. Indicativus.

Perfectum.

doc-eor, ik word doc-cris, gij wordt doe-ctur, hij wordt doc-ëmur, wij worden doc-ëmïni, gij wordt doc-entur, zij worden

doctus (a, um) sum ik ben

» » » es, gij zijt

» » » est, hij is

doeti (ae, a) sumus, wij zijn » » » estus, gij zijt » » » sunt, zij zijn

o Ü


Fut. prinum.

doc-ëbor, ik zal onderwezen worden,

doc-ebëris, gij zult » »

doc-ebïtur, hij zal » »

doc-ebïmur, wij zullen » s

doc-ebimïni, gij zult » »

doc-ebuntur, zij zullen » »

-ocr page 54-

48

Imperfectum.

Perf.

doe-ëbar, ik werd doc-ebaris, gij werdt doe-ebatur, hij werd doc-ebamui-jWij werden/ doc-ebamini, gij werdt doc-ebantur, zij werden 1

doc-tus (a, um) eram, ik was sgt; » » eras, gij waart » » » erat, hij was doe-ti (ae, a) eramus, wij waren [ » ku eratis, gij waart gt;. » » erant, zij waren


Fut. Secundum.

doc-tus (a. um) ero. ik zal onderwezen zijn.

» » » eris, gij zult » »

s » » erit, hij zal » »

doc-ti (ae, a) erïmus, wij zullen » »

» » » erïtis, gij zult » »

» d » erunt, zij zullen » »

Perf.

B. Conjunct! vus.

Praesens.

doc-ear, dat ik worde doc-earis, » gij wordet doc-eiïtiir, » hij worde doc-eamur,» wij worden doc-eamini,» gij wordet doc-eantur,» zij worden

doct-us (a, um) sim, » »1 sis, 7) » » sit, doctus (ae, a) simus, » » » sitis, » » » sint.

dat ik zij

» gÜ zijt

» hij zij

» wij zijn[

» g ij z ijt

» zij zijn


Fut. conj. moet door eene omschrijving aangeduid worden. Imperfectum. Plusquam perfectum.

doc-ërer, dat ik werde doc-erëris, » gij werdet doc-erëtur, » hij werde doc-eremur,» wjj werden 1 s doc-erëmini,» gij werdet i ro doc-erentur,» zij werden 1 r

doct-us (a, um) essem, dat ik ware » » » esses, » gij wai-et j » » » esset, » hij ware docti, (ae, a) essemus » wijwaren j » » » essetis, » gij W8,ret| » » » essent, » zij waren


-ocr page 55-

49

C. Imperativus.

doc-êre, word onderwezen. doc-ëtor, gij moet onderwezen worden, doc-ëmini, wordt gij onderwezen, doc-ëtor, hij moet » »

docentor, zij moeten onderwezen worden.

D. Infinitivus.

Praesens. Perf. Put.

doe-ëri, onderwezen doe-tum (am, mn) esse, doc-tum iri, zullen

worden onderwezen zijn. onderwezen worden.

E. Participium.

Praes. Perf\'. Gerundivum of Put.

ontbreekt doct-us (a, umj, onder- doc-endus, die onderwezen zijnde. zen moet worden.

Aanmerkingen op de tweede conjug.

1. Het praes. ind. act. gaat in den Isten persoon sing, uit op eo; echter komen er in de eerste conjug. ook wel vormen op eo voor van denzelfden persoon, h. v. beo, ik maak gelukkig, creo, ik schep enz. Zij zijn echter weinig in getal.

2. Het supinum doctum en de daarvan afgeleide vormen zooals docturus enz. zijn door een samentrekking uit docitum en docitures ontstaan ; bij andere verba blijft deze i, zooals monïtum, moniturus.

3. Eenige verba der tweede conjug. hebben in het perf. ëvi en in het sup. ëtum b. v. deleo, delevi, deletum, delere, uitwisschen; fleo, flevi, fletum, flere, weenen. Bij dezulken vindt dezelfde samentrekking plaats in het perfect, en de afgeleide tijden, als wij aan het einde van § 37 aangegeven hebben, b. v. deleram voor deleveram ; delesse voor delevisse.

4. Ten slotte valt nog op te merken: dat het imperf. en plusq. perf. conjunctivi zoowel van \'t activum als van \'t passivum, ook de voorwaardelijke beteekenis van zouden kunnen hebben, b. v. docerem, ik zou ouderwijzen ; do-cuissem, ik zou ouderwezen hebben. Men houde dit laatste bij alle vervoegingen in het latijn onder het oog.

-ocr page 56-

50

40.

De volgende voorbeelden dienen ter oefening in het vervoegen der tweede conjugatie.

raesens ind.

Perf. ind.

Supinum.

Praes. inf.

adhib-eo,

b-ui,

b-ïtum,

b-ere, aanwenden.

admon-eo,

n-ui,

n-ïtum,

n-ëre, vermanen.

aug-eo,

x-i, (x = gs)

c-ïtum,

g-ëre, vermeerderen.

(c voor g.)

cav-eo,

ca-vi,

cau-tum,

v-ëre, zich hoeden.

deb-eo

b-ui,

b-ïtum,

b-ëre, moeten, schul

dig zijn.

derïd-eo

deri-si,

deri-sum.

derid-ëre, bespotten.

(de d wordt voor de s uitgestooten).

displic-eo.

c-ui.

c-ïtum.

c-ëre, mishagen.

exerc-eo,

c-ui,

c-ïtum,

c-ëre, oefenen.

flor-eo.

ilor-ui.

(zonder sup.)

flor-ere, bloeien, b-ëre, hebben.

hab-eo,

hab-ui.

b-ïtum.

haer-eo,

hae-si.

hae-sum.

haer-ëre, hangen.

man-eo.

man-si.

man-sum, mix-turn of mistum.

man-ëre, blijven.

misc-eo.

misc-ui.

misc-ëre, mengen.

mov-eo.

möv-i,

mo-tum.

mov-ëre, bewegen, noc-ëre, schaden.

noc-eo.

noc-ui.

noc-ïtum,

obsid-eo,

obscd-i,

obses-sum,

obsid- ëre, belegeren.

obtin-eo,

obtin-ui.

obten-tum,

obtin-ëre, erlangen, par-ëre, gehoorzamen.

par-eo.

par-ui.

par-ïtum.

pat-eo,

pat-ui,

(zonder sup.) pat-ëre, openstaan.

pertin-eo.

pertin-ui

, (zonder sup.) pertin-ëre, zich

uitstrekken.

persuad-eo,

persua-si

, persua-sum,

persuad-ëre, overre

den, overtuigen.

plac-eo.

plac-ui,

plac-ïtum.

plac-ëre, behagen.

praeb-eo.

praeb-ui.

praeb-ïtum,

praeb-cre, betoo-

nen, bewijzen, se praebere, zich

betoonen.

retin-eo.

retin-ui.

reten-tum,

retin- ere, terughouden .

-ocr page 57-

prohib-itum, prohib-ëre, beletten, verhinderen, provis-um, provid-ëre, vooruitzien, zorgen, ses-sum, sed-ëre, zitten, susten-tum, sustin-ëre, op zich

nemen.

tae-ïtum, tac-ëre, zwijgen, ten-turn, ten-ëre, houden,

(uithouden.) (zonder sup), tim-ëre, vreezen. ton-sum, tond-ëre, scheren, val-ïtum, val-ëre, vermogen,

gezond zijn, sterk zijn. vi-sum, vid-êre, zien.

(zonder sup.) vig-ëre, levendig

zijn, krachtig zijn. (zonder sup.) vir-ere, groen zjjn.

audeo, ausus sum, andere, durven.

gaudeo, gavïsus-sum, gaud-ere, verheugd zijn.

soleo, solïtus sum, solere, plegen.

Zulke verba, die in het praes. ind. en praes. inf. en de daarvan afgeleide tijden den vorm van een activum hebben, doch in al de van het perfectum afgeleide tijden dien van het passivum hebben, noemt men neutro-passiva of semi-deponentia.

§ 41. Derde Conjugatie.

prohïb-eo,

provïd-eo,

sed-eo, sustin-eo,

tac-eo, ten-eo,

tim-eo,

tond-eo,

val-eo,

vïd-eo, vig-eo,

vir-eo,

prohib-ui,

provïd-i,

sed-i, sustin-ui,

tac-üi, ten-üi,

tim-ui,

toton-di,

val-ui,

vid-i, vig-ui,

Praes.

leg-o, ik lees. leg-is, gij leest, leg-it, hij leest, leg-ïmus, wij

lezen, leg ïtis, gij leest, leg-unt, zij lezen.

1. Activum. A. Indicativus. Perfectum.

leg-i, ik heb gt;, leg-isti, gij hebt

leg-it, hij heeft / cio,

leg-ïmus, wij [ 1-hebben[ S

leg istis, gij hebt 1 ?

leg-ërunt, zij I

hebben I

Futurum primum.

leg-am, ik zal leg-es, gij zult leg-et, hij zal leg-ëmus, wij

zullen / leg-ëtis, gij zult leg-ënt, zij zullen\'


4*

-ocr page 58-

52

Imperfectum.

leg-ëbam, ik las. leg-ëbas, gij laast. leg-ëbat, hij las. leg-ëbamus, wij lazen, leg-ëbatis, gij lazet. leg-ëbant, zij lazen.

Plusquam perfectum, leg-ëram, ik had gelezen, leg-ëras, gij hadt » leg-erai, hij had » leg-ëramus, wij hadden » leg-ëratis, gij hadt » leg-ërant, zij hadden »


Futurum secundum, leg-ëro, ik zal gelezen hebben, leg-ëris, gij zult » »

leg-ërit, hij zal »

leg-erïmus, wij zullen »

leg-erïtis, gij zult »

leg-ërint, zij zullen »

B. Conjunctivus.

leg-am,

leg-as,

leg-at,

leg-amus,

leg-atis,

leg-ant,

Praesens.

dat ik leze.

» gij lezet.

» hij leze.

» wij lezen.

» gij lezet.

» zij lezen.

leg-Srim,

leg-eris,

leg-erit,

leg-erïmus

leg-erïtis

leg-erint,

Perfectum.

hÜ wij

gij zij

dat ik hebbe gelezen. » gij hebbet » hebbe » hebben » hebbet » hebben »


Futurum.

lect-ürus a, um, sim, dat ik zal lezen.

» » sis, » gij zult »

» » sit, » hij zal »

lect-uri, ae, a, simus,» wij zullen»

» » sitis, » gij zult »

» » sint, » zij zullen»

Plusquam perfectum.

Put. secund.

Imperfectum.

leg-ërem,

leg-ëres,

leg-ëret,

leg-ërëmus

leg-ërëtis,

leg-ërent,

dat ik laze. » gij lazet. » hij laze. » wij lazen. » gij lazet. » zij lazen.

leg-issem, leg-isses, leg-isset, leg-issëmus, leg-issetis, leg-issent.

dat ik hadde j ontbreekt. » gij haddet I » hij hadde | a§_ wij hadden i S gij haddet l p zij hadden ]


-ocr page 59-

C. Imperativus.

leg-e, lees. leg-ïto, gij moet lezen, leg-itote, gij moet lezen, leg-ïte, leest, leg-ito, hij moet » leg-unto, zij moeten »

D. Infinitivus. Perfectum.

Futurum.

leg-isse, gelezen hebben, lect-urus (a, um)esse,

zullen lezen.

E. Participium.

Perfectum. Futurum,

ontbreekt. lect-urum (am, um) esse, te zullen lezen.

Praesens. leg-ëre, lezen.

Praesens. leg-ens, lezende.

G. Gerundum.

Nom. (leg-ere, het lezen.)

Gen. leg-endi, van het lezen. Dat. leg-endo, aan het lezen.

Ace. (ad, inter) leg-endum, (tot, onder)

het lezen. Abl. leg-endo, door het lezen.

G. Supinum.

1. lect-um, om te lezen.

2. lect-u, om gelezen te worden.

II. Passivum.

Praesens.

leg-or, ik word

leg-ëris, gij wordt leg-ïtur, hij wordt leg-ïmur, wij worden ■ leg-ïmïni, gij wordt\' leg-untur, zij worden

A. Indicativus.

Perfectum.

lec-tus, ik ben (a, um)

— es, gij zijt ; —• est, hij is

1 slec-ti sumus, wij P zijn (ae, a)

— estis, gij zijt

— sunt, zij zijn

Futurum.

leg-ar, ik zal

leg-ëris, gij zult \'Sleg-ëtur, hij zal * § leg-ëmur, wij zul- J 1 len leg-emïni, gij zult] leg-entur, zij zullen l


-ocr page 60-

54

Imperfectum, leg-ebar, ik werd

leg-ebaris, gij werdt leg-ebutur, hij werd leg-ebartmr, wij werden

leg-ebiimini, gij werdt leg-ebantur, zij werden

lectus eram, ik was (a, um)

~ eras, gij waart ! — erat, hij was glec-tieramus, wij wa- j Pren(ae, a)

~ eratis, gij waart 1 — erant, zij waren ,

Plusquam perfectum. Put. secundum.

lect-us ero, (a, um) — eris, « — erit, jflect-i erimus P (ae, a) ~ eritis, ~ erunt,


Praesens.

leg-ar, dat ik worde

leg-aris, » gij wordet leg-atur, » hij worde leg-amur,» wij worden

leg-amini » gij wordet leg-antur » zij worden J

Imperfectum, leg-ërer, dat ik werde

Put. primum-en secundum moeten door eene omschrijving uitgedrukt worden.

gij zij* bij zij wij zijn/

leg-erëris, » leg-erëtur, » leg-erëmur,»

leg-eremini,» leg-erentur,»

OQ

essetis, essent,

gij waret zij waren

sitis » gij zijt sint » zij zijn

Plusquam perfectum.

gelezen, lectus essem, dat ik ware (a, um)

gij werdet » — esses, » gij waret hij werde » — esset, » hij ware

wij werden » lecti essemus, » wij waren (ae, a)

B. Conjunctivus.

Perfectum.

lectus sim, dat ik zij (a, um) f 09 ~ sis,

\' — sit.

gij werdet zij werden

o lecti-simus,

C. Imperativus.

leg-ëre, word gelezen, leg-imini, wordt gelezen.

leg-untor, zij

leg-ïtor, gij moet gelezen worden, leg-itor, hij moet gelezen worden, moeten gelezen worden.


D. Imperativus.

Praesens. Perfectum.

leg-i, gelezen worden, lect-um, (am, um) esse, lect-um iri, zullen ge-

gelezen zijn. lezen worden.

Futurum.

-ocr page 61-

E. Participium.

Praesens. Perfectum. Fut. of Gerundivum,

ontbreekt. lect-us, (a, umj, gelezen leg-endus, die gelezen zijnde. moet worden.

§ 42. Verba der derde conjugatie.

Verreweg de meeste verba der 3de conjugatie gaan uit op o met een voorgaanden medeklinker; eenige echter gaan uit op io, zooals: capïo, ik vang. Deze behouden de i in de meeste uitgangen, doch stooten i voor eene andere i of korte e uit, b. v. capiunt, capïor, capïebam; doch capis voor capïïs, capëre voor capiere, capërem voor capierem. In de voorbeelden tot oefening zijn zij met * geteekend.

Zeer verschillend zijn de vormen der perfecta en supina der derde conjug. Uit de volgende voorbeelden zal dit kunnen blijken.

*accip-io, accepi, acceptum, accipere, ontvangen.

*adjic-io, adjeci, adjectum, adjicere, bijwerpen, bijvoegen, adjung-o, adjun-xi, adjun-ctum, adjungere, bijvoegen.

admitto, admïsi, admissum, admittere, toelaten.

ago, egi, actum, agere, drijven, doen.

amitt-o, amïsi, amissum, amittere, verliezen.

antepöno, antepo-sui, antepo-sïtum, antepönere, voor iets zetten,

arguo, argüi, argütum, argüere, beschuldigen. (voortrekken.

cado, cecïdi, ca-sum, cad-ere, vallen.

cano, cecïni, can-tum, canere, zingen.

*capio, cepi, cap-tum, capere, vangen, innemen.

cingo, cin-xi, cinc-tum, cing-ere, gorden, omgeven.

circumfluo, circumflu-xi, circumflu-xum, circumfluere, rondvloeien,

claudo, clau-si, clau-sum, claud-ere, sluiten. (omstroomen.

cogo, coëgi, coactum, cogere, dwingen.

cognosco, cognovi, cognïtum, cognoscere, leeren kennen.

condo, condidi, condïtum, eondere, stichten.

confiiio, conflu-xi, conflu-xum, confluere, samenstroomen.

constituo, constit-ui, constit-ütum, constituere, stichten, plaatsen.

curro, cücurri, cursum, currere, loopen.

decëdo, decessi, decessum, decedere, weggaan, wijken.

decipïo, decëpi, deceptum, decïpere, bedriegen.

defendo, defendi, defensum, defendere, verdedigen.

describo, descripsi, descriptum, describere, beschrijven.

devinco, devlci, devictum. devincere, geheel overwinnen.

-ocr page 62-

56

dico, dixi, dictum, dicere, zeggen, noemen.

dirüo, dirüi, dirütum, diruere, verwoesten.

disco, dïdici (zonder sup.), leeren, vernemen.

*disjïcio, disjëci, disjectum, disjïcere, verstrooien.

distribuo, distribui, distributum, distribuere, verdeelen.

divïdo, divïsi, divïsum, dividere, deelen, scheiden.

duco, duxi, ductum, ducere, voeren.

edisco, edïdïci (zonder sup.) ediscere, van buiten leeren.

*effügio, effflgi, effugïtum, effugere, ontvluchten.

*ejicïo, ejeci, ejectum, ejicere, uitwerpen.

elïgo, elëgi, electum, elïgere, uitkiezen.

*excipio, excëpi, exceptum, excipere, opnemen, uitzonderen.

expello, expüli, expulsum, expellere, uitdrijven, verbannen.

exstruo, exstruxi, exstructum, exstruere, oprichten, opwerpen.

^facio, feci, factum, facere, doen, maken.

fingo, finxi, fictum, flngere, vormen.

frango, fregi, fr actum, frangere, breken.

*fugio, fügi, fugïtum, fugere, vluchten.

gero, gessi, gestum, gerere, dragen, voeren.

impendo, impendi, impensum, impendere, besteden.

impöno, impösui, impösitum, impönere, opleggen.

incendo, incendi, incensum, incendere, in brand steken.

induo, indüi, indütum, induere, aantrekken.

*injicio, injëci, injectum, injicere, inwerpen, instorten.

inscribo, inscripsi, inscriptum, inscribere, inschrijven, opschrijven.

intelligo, intellexi, intellectum, intelligere, verstaan.

interclüdo, interclüsi, interclüsum, interclüdere, versperren, afschei-

*interficio, interfëci, interfectum, interficere, dooden. den.

irrüo, irrüi (zonder supinum), irrüere, invallen, inbreken.

*jacio, jëci, jactum, jacere, werpen.

jungo, junxi, junctum, jungere, verbinden.

metuo, metüi (zonder sup.), metuere, vreezen.

minuo, minui, minütum, minuëre, verminderen.

mitto, mïsi, missum, mittere, zenden.

negligo, neglexi, neglectum, negligere, verwaarloozen.

nosco, növi, nötum, noscere, leeren kennen.

occïdo, occïdi, occïsum, occïdere, dooden.

*percipio, percëpi, perceptum, percipere, opnemen, verzamelen, perdüco, perduxi, perductum, perducere, heenleiden, heenvoeren, peto, petivi, petïtum, petere, naar iets grijpen, zoeken.

praedïco, praedixi, praedictum, praedicere, voorafzeggen. *praeficio, praefëci, praefectum, praeficere, over iets stellen.

-ocr page 63-

57

praetermitto, praetermïsi, praetermissum, praetermittëre, laten voor-

promitto, promïsi, promissum, promittëre, beloven. {bijgaan.

quaero, qnaeslvi, quaesltum, quaerëre, zoeken.

redüco, reduxi, reductum, reducëre, terugvoeren.

relinquo, relïqui, relictum, relinquëre, achterlaten, verlaten.

rëgo, rexi, rectum, rëgëre, regeeren, besturen.

reprehendo, reprehendi, repreliensum, reprehendëre, berispen.

restïtüo, restïtiii, restitütum, restïtüëre, herstellen.

scrïbo, scripsi, scriptum, sciibere, schrijven.

solve, solvi, solütum, solvere, bevrijden, lossen.

suffïcio, suffëci, suffectum, suffïeëre, in plaats stellen, genoeg zijn.

surgo, surrexi, surrectum, surgëre, opstaan.

traho, traxi, tractum, trahëre, trekken.

tradüco, traduxi, traductum, tradüeëre, overvoeren.

trïbüo, trïbüi, tribütum, tribüëre, toedeelen.

vinco, vici, victum, vineëre, overwinnen.

vivo, vixi, victum, vivöre, leven.

Aanmerking.

De verba der derde conjugatie dïco, ik zeg, düco. ik leid, facio, ik doe en het onregelmatige fëro, ik draag, verliezen in den im-perativus activi de e op het einde, dus : die, due, fac, fer. De overige vormen van den imperativ. zijn regelmatig. Het wegwerpen van de e heeft ook regelmatig plaats in de composita, behalve in die samenstellingen van facïo, waarin de a in i overgaat, zooals in efiicio, imperat. effïcë.

§ 43. Vierde Conjugatie.

1. Activum.

A. Indicativus.

Perfectum.

aud-ïvi, ik heb gehoord, aud-ïvisti, gij hebt » aud-ivit, hij heeft » aud-Ivïmus, wij hebben » aud-ïvistis, gij hebt » aud-ïvërunt, zij hebben » Futurum primum.

aud-ïam, ik zal hooren.

aud-ies, gij zult »

Praes.

aud-ïo, ik hoor. and-is, gij hoort, and-it, hij hoort, and-nnus, wij hooren. aud-ivis, gij hoort, and-ïunt, zij hooren.

-ocr page 64-

58

aud-ïet, hij zal hooren aud-ïeinus, wij zullen » aud-ïetis, gij zult » aud-ïent, zij zullen *gt;

Imperfectum, aud-ïébam, ik hoorde, aud-ïëbas, gij lioordet. aud-ïëbat, hij hoorde, aud-ïëhamus, wij hooi\'den. aud-ïëbatis, gij hoordet. aud-ïëbant, zij hoorden.

Plusquam perfectum, aud-ivcram, ik had gehoord, aud-ïveras, gij hadt aud-ïvëras, hij had aud-ivëramus, wij hadden aud-ïveratis, gij hadt aud-ivërant, zij hadden


Futurum secundum.

aud-ivcro, ik zal aud-ïvëris, gij zult aud-Ivërit, hij zal aud-ïvërïmus, wij zullen aud-ivërïtis, gij zult aud-ivërint, zij zullen

gehoord hebben.

B. Conjunctivus.

aud-ïam,

aud-ïas,

aud-ïat,

aud-ïamus,

aud-ïatis,

aud-ïant,

Praesens.

dat ik hoore. » gij hoor et. » hij hoore. » wij hooren. » gij hooret. » zij hooren.

aud-iverim,

aud-ivëris,

aud-ïvërit,

aud-ivërimus

aud-ivërïtis,

aud-ïvërint,

Perfectum, datikhebbe gehoord. » gij hebbet » hij hebbe , » wij hebben » gij hebbet » zij hebben


Futurum primum.

aud-ïtürus (a, um) sim, dat ik zal hooren.

gij zult hij zal » wij zullen » gij zult » zij zullen »

sis,

sit,

simus,

sitis,

sint,

aud-ituri (ae, a)

Imperfectum. Plusquam perfectum.

aud-ïrem, dat ik hoorde. aud-Ivissem, dat ik hadde gehoord, aud-ïres, » gij hoordet. aud-ïvisses, » gij haddet »

-ocr page 65-

59

aud-ïret, dat hij hoorde, aud-ïvisset, dat hij hadde gehoord,

aud-irëmus,» wij hoorden, aud-ivissimus, » wij hadden »

aud-ïrëtis, » gij hoordet. aud-ivisetis, » gij haddet »

aud-Irent, » zij hoorden, aud-ïvissent, » zij hadden »

Het Futurum secundum ontbreekt in den eonjunctivus.

C. Imperativus.

aud-i, hoor. aud-Ito, gij moet hooren. aud-itöte, gij moet hooren. aud-ïte, hoort, aud-ito, hij moet » aud-iunto, zij moeten »

D. Infinitivus.

Praesens. Perfectum. Futurum.

aud-ire, hooren. aud-ïvisse, gehoord hebben, aud-itürum (am, um)

esse, zullen hooren.

E. Participium.

Praesens. Perfectum. Futurum.

aud-ïens, hoorende. ontbreekt. aud-Itürus (a, um) zul

lende hooren.

F. G-erundium.

Nom. (aud-Ire, het hooren).

Gen. aud-ïendi, van het hooren.

Dat. aud-ïendo, aan het »

Ace. (ad, inter) aud-iendum, tot (of onder)

het hooren. Abl. aud-ïendo, door het hooren.

Supinum.

1. aud-ïtum, om te hooren.

2. aud-ïtu, om gehoord te worden.

II. Passivum.

A. Indicativus.

Praesens. Perfectum.

aud-ïor, ik word gehoord, aud-ïtus (a, um) sum, ik ben aud-ïris, gij wordt » » ^ » es, gij zijt

aud itur, hij wordt » » » » est, hij is f g*

aud-ïmur, wij worden » aud-ïti (ae, a) sumus, wij zijn 1 o aud-Immi, gij wordt » » » jgt; estis, gij zijt

aud-iuntur, zij worden » a » » sunt, zij zijn

-ocr page 66-

60

Futurum.

aud-ïar, ik zal gehoord worden.

aud-ïeris, gij zult » »

aud-ïëtur, hij zal » »

aud-ïëmur, wij zullen » »

aud-ïëmini, gij zult » »

aud-ïentur, zij zullen » »

Imperfectum. \\ Plusquam perfectum.

aud-ïëbar, ik werd J.(c aud-ïtus (a, um) er am, ik was aud-ïêbaris, gij werdt f g, » » » eras, gij waart aud-ïëbatur, hij werd )• § » » » erat, hij was aud-ïëbamur, wij werden i gjaud-iti (ae, a) eramus, wij waren j aud-ïëbamini, gij werdt 1 quot; » » » eratis, gij waart aud-ïcbantur, zij werden j » » » erant, zij waren

Futurum secundum.

aud-ïtus (a, um) ëro, ik zal gehoord zijn.

» » » cris, gij zult » »

» » » crit, hij zal » »

aud-ïti (ae, a) ërïmus, wij zullen » »

» » » erïtis, gij zult » »

» » » erunt, zij zullen » » B. Conjunctivus.

Praesens. \\ Perfectum.

aud-ïar, dat ik worde ia. aud-ïtus fa, um) sim, dat ik zij

aud-ïaris, » gij wordet [ g- » » » sis, » gij zijt

aud-ïatur, » hij worde gt; § » » » sit, » hij zij

aud-ïamur, » wij worden l amp;.aud-ïti (ae, a) simus,» wij zijn 1

aud-ïamïni, xgt; gij wordet j » » » sitis, »gij zijt\'

aud-ïantur, » zij worden j » » » sint, »zij zijn i

Het Futurum conjunctivi moet omschreven worden.

Imperfectum. \\ Plusquam perfectum,

aud-ïrer, dat ik warde J audïtus (a, um) essem dat ik ware aud- ïrcris, » gij werdet [ » » gt; esses, » gij waret aud-irëtur, » gij werde ? g » » » esset, » hij ware aud-irëmur, » wij werden l ^auditi, (ae, a) essemus » wij waren aud-ïrëmini, » gij werdet I \' » » » essetis, » gij waret aud-ïrentur, » zij werden I » » » essent, s zij waren Het Futurum secundum vereischt eene omschrijving.

-ocr page 67-

61

(J. Imperativus.

aud-ire, word gehoord. aud-ïtor, gij moet gehoord wordeu.

aud-ïmini, wordt gehoord. aud-Itor, hij moet » »

aud-ïuator, zij moeten gehoord worden.

D. Infinitivus.

Praesens. Perfectum. Futurum,

aud-ïri, gehoord wor- aud-itum (am, um) esse, aud-ïtum iri, zullen den. gehoord zijn. gehoord worden.

E. Participium.

Praesens. Perfectum. Futurum of Gerundivum.

ontbreekt. auditus (a, um), gehoord audïendus, die gehoord zijnde. moet worden.

Aanmerking.

De perfecta op Ivi kunnen evenals die op avi en uvi der eerste en tweede conjugatie eene uitstooting ondergaan; alsdan valt bij het volgen van eene s, vi uit, bij het volgen van eene r, alleen v, b. v. audisti voor audivisti; audissem voor audivissem; doch audïeram voor audivëram.

§ 44. Men oefene zich in de volgende voorbeelden en leere ze ■ van huiten.

Van de verba, waarvan de perfecta en supina niet opgegeven zijn, is het perfectum ivi en het supinum itum.

advenïo, advcni, adventum, advenïre, aankomen.

apërio, aperui, apertum, aperïre, openen.

condïo, condïre, inmaken, kruiden.

consentïo, consensi, consensum, consentire, overeenstemmen, convenio, convëni, conventum, convenlre, samenkomen.

custödio, custodïre, bewaken.

desilio, desüüi (zelden desïlii), desultum, desïlïre, naar beneden sprin-dissïlïo, dissilui, dissultum, dissillre, uiteenspringen, barsten, (gen. dormïo, dormïre, slapen.

erudio, erüdire, van ruwheid ontdoen, vormen.

esurïo, esurïre, hongerig zijn.

exaudïo, exaudire, uit de verte hooren, verhooren.

exhanrio, exhausi, exhaustum, exhaurire, uitscheppen.

finïo, finïre, eindigen.

-ocr page 68-

impcdio, impedïre, beletten verhinderen.

lenio. lenire, verzachten.

mollïo, mollire, verzachten.

munio, munïre, verschansen, banen.

nescïo, nescire, niet weten.

mitrïo, nutrïre, voeden.

obedïo, obedïre, gehoorzamen.

punïo, punïre, straffen.

repërïo, repëri, repertum, repërïre, vinden.

scïo, scire, weten. (De vormen sci en scïte in den imperativus zijn niet sentio, sensi, sensum, sentïre, voelen, gevoelen. in gebruik.)

sepelio, sepelïvi, sepultum, sepellre, begraven.

servio, servïre, dienen.

sitio, sitïre, dorsten.

transillio, transilivi, transilui, transilii, transillre, overspringen, vënio, vëni, ventum, venïre, komen.

vestio, vestire, bekleeden.

45. Deponentia.

Deponentia (van depono, ik leg af, omdat zij den activen vorm afgelegd hebben) zijn verba met een passiven vorm, doch met active beteekenis.

Een activen vorm behouden; de beide participia op ns en Orus, (het participium perfectum, dat den vorm van een passivum heeft, heeft eene active beteekenis); voorts het futurum conjunctivi, het gerundivum en het supinum. Uit het volgende voorbeeld van een deponens der eerste conjugatie zal men gemakkelijk kunnen opmakken, hoe die der andere conjugatiën vervoegd worden.

A. Indicativus.

B. Conjunctivus.

hortor, ik vermaan.

hort-aris, gij vermaant, enz.

Imperfectum, hort-abar, ik vermaande.

Perfectum.

hort-atus (a, um) sum, ik heb vermaand.

hort-atus (a, um)eram, ikhad vermaand. Fut. primum. hort-abor, ik zal vermanen.

Praesens.

hort-er, dat ik vermane. hort-ëris, » gij vermanet, enz.

Imperfectum.

hort-arer, dat ik vermaande.

Perfectum.

hort-atus (a, um) sim, dat ik hebbe vermaand. Plusquamperf.

hort-atus (a, um) essem, dat ik hadde vermaand.


-ocr page 69-

Put. secundum. Fut. primum.

hort-atus (a, um) ero, ik zal ver- hort-atürus (a, um) sim, dat ik zal maand hebben. vermanen.

C. Imperativus. F. Supinum.

hort-are, vermaan. hort-atum, om te vermanen,

hort-ator, gij moet vermanen, enz. G. Participium.

D. Infinitivus. Praesens.

Praesens. hort-ans, vermanende.

hortari, vermanen. Perfectum.

Perfectum. hort-atus, vermaand hebbende,

hort- atum (am umj esse, vermaand Futurum.

hebben. hort-atürus (a, um), zullende ver-Futurum. Gerundivum. manen,

hort-aturum (am, um) esse, zullen hort-andus, die vermaand moet vermanen. worden.

E. Gerundium.

hort-andi, van te vermanen, enz.

§ 46. Voorbeelden van deponentia.

1. der eerste conjugatie.

admïrari, bewonderen.

adulari, vleien.

arbitrari, gelooven.

comïtari, begeleiden.

conari, beproeven, trachten, consölari, troosten.

contemplari, beschouwen, aanschouwen, gratülari, geluk wenschen. hortari, vermanen.

imïtari, navolgen.

Insïdïari, belagen.

interprötari, verklaren uitleggen.

medïtari, nadenken.

nidülari, nestelen.

operari, bezig zijn, arbeiden.

peregrïnari, rondreizen, rond-

popülari, verwoesten, trekken.

rustïcari, op het land leven, specülari bespieden.

vagari, rondzwerven.


2. der tweede conjugatie.

confitëri (fessus sum), bekennen. misi;rcri(misertus of miserïtussum) victum se confitëri, zich ge- medelijden hebben.

wonnen verklaren. pollicëri Cpollicitus sum), beloven,

diffitëri, loochenen. reverëri (reverïtussum), eeren, ver-

fatêri (fassus sum), bekennen. eeren.

intuëri (intuïtus sum), intuëri, tuëri (tüïtus sum), beschermen, aanschouwen. aanschouwen.

-ocr page 70-

64

merêri (merïtus sum), verdienen, verêri (verïtns sum), ontzien, vree-merëride, zich verdienstelijk bij zen.

iemand maken.

3. der derde conjugatie. (Die met een * aangeduid zijn,

eindigen in het praes. ind. op tbr.

abüti (usus sum) met den abl., misbruiken.

*aggrëdi (aggressus sum), aanvallen.

collöqui (collocütus sum), met iemand spreken.

complecti (complexus sum), ombelzen.

*congrëdior (congressus sum), handgemeen worden, strijden.

consëqui (conseoutus sum), bereiken, erlangen.

dilabi (lapsus sum) uiteenvallen, vervallen.

*egredï (egressus süm) uitgaan, vertrekken.

elabi (lapsus sum), ontglijden, ontkomen.

exsëqui (exsecütus sum), volbrengen uitvoeren.

frui (fruitus sum of fructus sum), genieten.

*ingr(!di (ingressus sum), intreden.

irasci, iratus sum, toornig worden.

löqui (locfltus sum), spreken.

mori (mortüus sum), sterven ; het participium fut. is moritflrus,

dus het fut. conjunctivi morïtürus sim.

mancisci (nactus sum), verkrijgen.

nasei (natus sum), geboren worden.

niti (nïsus of nixus sum), steunen, rusten op iets.

oblivisci (oblitus sum), vergeten.

patï (passus sum), lijden, dulden.

persequi (persecütus sum), vervolgen.

proficisci (profectus sum), vertrekken.

reverti, terugkeeren. Het perfectum is reverti met een activen vorm, dus ook in de afgeleide tijden ; het participium perfectum is echter reversus ; anders hebben de verba in den activen vorm geen participium perfectum.

sëqui (secütus sum), volgen.

üti (usus sum), met den abl., gebruiken.

4. der vierde conjugatie.

adorïri (adortus sum), aantasten, aangrijpen.

blandlri (blandïtus sum), vleien.

largïri (largitus sum), rijkelijk schenken.

mentiri (mentitus sum), liegen.

metïri (mensus sum), meten.

-ocr page 71-

65

ordiri (orsus sum), beginnen.

orïri (ortus sum), opkomen, ontstaan, j^aïtic. fut. orïtörus. partïri (itns sum), deelen.

permetïri (permensos sum), afmeten, uitmeten.

potlri (potitus sum) met den abl., bemachtigen, verkrijgen.

Orïri en zijne composita (behalve adorïri) gaat in het praes. ind. naar de derde conjug., bij voorbeeld : orëris, oritur, orimur enz. Het heeft in het part. fut. act. oriturus.

De tijden der deponentia worden op dezelfde wijze afgeleid als die der andere verba ; het is genoeg het perf. ind. bij het deponents op te geven, daar het supinum dan vanzelf bepaald is. Tot voorbeeld diene : mensus sum van metior, hetgeen dien vorm niet kon hebben, zoo het supinum niet mensum ware.

TWEEDE HOOFDSTUK.

OEFENINGEN.

§ 1. Eerste declinatie. — Substantiva.

Er wordt verondersteld dat de woorden in § 6 van de vorige afdeeling bekend zijn ; verder make men zich het onderstaande eigen.

döest, ontbreekt I . i plerumque, meestal.

-i — i •• i i Van QGGSSG. 1

desunt, zy ontbreken \\ nunc-nunc, nu eens — dan eens.

prödest, hij, hetisnuttig j van prod- et, en.

(esse. §35.

prosunt, zij zijn nuttig j hfdst. 1. etiam, ook.

habet, heeft j ^ habco \'n (0P vraao waarheen ? met

habent, zij hebben i ^1111 laju0, den accusativus; op de vraag saepë, dikwijls. waar ? waarin ? waarop ? met

interdum, somtijds. den abl.)

Voor de quantiteit dienen nog de drie volgende opmerkingen :

1. een vocaal vóór een vocaal is gewoonlijk kort.

2. een tweeklank is lang.

3. een klinker vóór twee of meer medeklinkers is meestal

lang. —

De afwijkingen van dezen regel zullen opgegeven worden.

-ocr page 72-

(56

Europa est paeuinsula. Sicilia et Sardinia sunt insiüae Europae. Silësia est provincia Borussiae. Leaenis juba deest. 5. India est patria gemmarutn. Aquila est in silvis. Vita est interdum schola sapientiae. Pluvia prodest plantis. Pilialius nautae modestia dëest. 10. Aquila habet alas. Filiae agricölae rosas habent. Invidia et avaritia sunt saepe causae tristitiae. Ranae sunt plerumque in aquit. Vaccae agricölis prosont.

De kikvorschen zijn een buit der ooievaren. De arend is een bewoner der bosschen. De kikvorsch is nu eens in het water dan eens op het land. De viooltjes hebben geen water, (vertaal alsof er stond : aan de viooltjes ontbreekt water). 5. Het ler-meisje nrst vlijt en bescheidenheid (= aan het leermeisje ontbreken.) Silezië en Pommeren zijn provinciën van Pruisen. Griekenland is de leermeesteres van Rome. Rome is de leerlinge van Athene. Europa en Africa zijn schiereilanden van Azië. 10. De schipper is een bewoner van Phoenicië. De kometen hebben staarten (= aan de kometen zijn staarten). Op (in) het eiland is eene menigte planten (genitivus). In de kroon der koningin is een edelgesteente. De viooltjes moeten regen hebben (= aan de viooltjes ontbreekt regen). 15. De inwoners van het land hebben geen regen (= aan de inwoners van het land ontbreekt regen.)

§ 2. Vervolg.

(Woorden uit § 6 der vorige afdeeling. Conjugatie van het praesens indicativi activi van amo.)

Men leere nog de volgende woorden :

amare, beminnen. narrare, verhalen.

ambülare, wandelen. nuntiare, melden.

celëbrare, prijzen, verheerlijken, obtempërare, gehoorzamen, devastare, verwoesten. cum, met, regeert den abl.

expugnare, veroveren. non, niet, meestal onmiddellijk

exspectare, verwachten. vóór het verbum.

fugare, op de vlucht slaan. cur, waarom ?

laudare, prijzen.

Aquilae silvas amant. Virgilius audaciam Aenëae celebrat. Piliabus agricölae fabülas narrat. Discipülae obtempërant ma-gistrae. 5. Cornelius Nepos vitam Epaminondae narrat. Piratae oras insülae vastant. Agricöla cur non fugatis piratas? Agricölis non desunt prudentia et audacia. Nautae agricolarum victöriam

-ocr page 73-

(57

et fügam piratanim nuntiant. Poetae Athenarum gloiiam celebrant. Filiae nautarum ambulant in oris insülae. Discipula cur non ob temperas magistrae? Phoenicae non desunt divitiae. Magistra laudat discipülamm industriam.

De kikvorseh houdt veel van het water (— bemint het water.) De leermeesteres prijst de leerlingen. De leerlingen houden veel van de leermeesteres. O leerlingen, waarom gehoorzaamt gij uwe leermeesteres niet? De leermeesteres gaat met (hare) leerlingen wandelen1). De leermeesteres verhaalt aan hare leerlingen de geschiedenis der Persen. De geschiedenis verheerlijkt den roem van Epaminondas. Wij gaan met de dochters van den landman wandelen. Waarom verwacht gij den schipper? De Persen veroveren Phoenicië.

§ 3. Tweede declinatie. Suhstantiva.

Woorden om vooraf te leeren:

avena, haver.

Gallia, Gallië.

Germania, Duitschland, Germanië. ira, toorn, gramschap.

pigritia, luiheid.

puella, meisje.

sapientia, wijsheid.

Sequana, de Seine, sex, zes.

septem, zeven, decem, tien.

arare, ploegen.

dare, geven, vituperare, berispen.


Men veronderstelt dat de leerling zich de woorden in § 9 van het vorige hoofdstuk heeft eigen gemaakt.

Danubius est fluvius Germaniae. Danübius et Ehenus sunt iluvii Germaniae. Perrum est metallum. Perrum et argentum sunt metalla. 5. Agricolae habent agros, hortos et prata. Graeci sunt Romanörum magistri. In campis et silvis est copia plantarum. Eegïna cum filiis et filiabus ambulat. Discipüli obtempërant magistro. 10. Laudamus industriam puëri, vitupëramus pigritiam puellae. Decem vaccae et septum equi sunt in prato. Modestia est signum sapientiae. Magister discipulos vitupërat. Lupi sunt incolae silvarum. 15. Luporum domicilium est silva. Agricolae arant agros. Poetae victoriam Graecörum celebrant. Regina socërum exspectat.

De Nijl is eene rivier van Aegypte. Haat en toorn zijn dik-

1

V)k bezittelijke voornaarawoordeu worden in het latijn niet uitgedrnkt zoo er niet een bijzondere nadruk op valt

-ocr page 74-

68

wijls oorzaken eens ooiiogs. Ik prijs de vlijt (naarstigheid) des leerlings; ik berisp de traagheid der leerlinge. Zes paarden zijn in den- stal des landmans. 5. Er zijn tien leerlingen in de school van het dorp. Waarom berispt gij niet de traagheid des leerlings? Goud en zilver zijn metalen. God is de heer des heelals. Dequot; Seine is eene rivier van Frankrijk. 10. De Seine en de Rhone zijn rivieren van Frankrijk. Wij gaan dagelijks met de zonen des onderwijzers wandelen. De leeraar vertelt zijne scholieren de geschiedenis der Eomeinen. De kinderen geven den onderwijzer de boeken. Waarom geeft gij den geneesheer de werktuigen niet? 15. Kinderen, waarom gehoorzaamt gij uwen leermeester niet? Meisje, waarom gaat gij niet met de dochters des landmans wandelen? De koningin verwacht haar schoonzoon. Hooi en haver is het voeder der paarden en ezels.

§ 4. Eerste en tweede declinatie. — Adjectiva.

Men onthoude de twee volgende woorden: adhuc, nog ; semper, altijd. De andere komen reeds in het vroeger geleerde voor. Zie ook vooral § 11 van het vorige hoofdstuk.

Terra est rotunda. Aqua fluvii est pura. Aegyptus est foe-cunda. Populus eft alta. 5. In Italia multi agricölae sunt laboriosi. Divitiae sunt incertae. Fossae oppidi nostri sunt latae. Discipülus attentus magistro carus est. Germani erant bellicosi. 10. Sicilia et Sardinia sunt insulae magnae. Oppida provinciae nostrae sunt parva. Laudamus bonos, vituperamos malos. Filia tua magistram sevêram habet. Silva est densa et umbrosa. 15. Laudamus virnm probum et honestum. Scuta Persarum e;;ant parva. America muitos et magnos fluvios habet. Cervus est timïdus. Incölae Phoenïces erant industrii. 20. Corinthus est clara et opulenta. Humus est humïda. Diphthongi semper longae sunt. Phoenicae non deerant incölae industrii.

De Rijn heeft schoone oevers. Sicilië was vruchtbaar. De pijnboomen en populieren zijn hoog. In America zijn vele groote rivieren. 5. De ongelukkige slaven hebben een strengen heer. Uwe kweekelingen waren opmerkzaam. De leerlingen uwer school waren opmerkzaam en bescheiden. De grachten onzer stad zijn breed. Mijn zoon, waarom gaat gij met uwe vrienden niet wandelen? 10. In het bosch is eene groote menigte schuwe herten. De Romeinen waren krijgszuchtig. De overwinning der Duitschers was nog onzeker. De vier zonen des landmans zijn arbeidzaam. 15. Uwe provincie heeft groote steden. Onze steden hebben goede scholen. Het schild der Galliërs was klein. De leerwijze uws meesters is goed.

-ocr page 75-

69

§ 5. Vervolg.

Woorden, welke vooraf behooren gekend te worden.

Hispania, Spanje.

Troja, Troje.

Thebae, Thebe.

accola, een bijwoner, nabuur.

coena, gastmaal.

memoria, gedachtenis, geheugen.

via, weg.

ex en e, uit (e alleen vóór een

medeklinker), met den abl. hodie, heden.

diu, lang.

olim, eertijds, eens.

post, na, met den accusativus, per, door » » »

ad, tot, naar )gt; » »


Verder herhale men de vervoeging van het perfectum ind.

van amo en leere nog de volgende verba:

necare, dooden. habïtare, wonen.

errare, dwalen, omzwerven. vocare, roepen, noemen, demigrare, verhuizen. regnare, regeeren.

Graeci Trojam post decem annos expugnavërunt. Predericus magnus diu regnavit. Coloru ! cur ex patria vestra demigrastis ? Puëri diu per silvam erravcrunt. 5. Colonis non defaërunt instru-meata necessaria. Decem equi nigri et octo equi albi in stabulis reginae sunt. Post coenam in horto ambulabimus. Rosae nostrae adhuc intëgrae sunt. Diu amlcos meos exspectavi. 10. Athënae et Thebae clara Graecömm opplda fuërunt. Via nautarum multis periculis obnoxia est. Graecia diu libera fuit. Ciconiarum colla sunt longa. Aurum Romanis fuit noxium. 15. Aurum et argentum popülis saepe noxia fuërunt. Templum deae erat magnifïcum. Campis pluvia diu defuit. Venti nautis saepe perniciosi fuërunt. Piratae totius orae accolas necaverunt. 20. Regina totius insulae incolas ad arma vocavit. Magister nullius discipüli scriptum laudavit.

De regen was voordeelig voor de teedere planten van onzen tuin. Ons leven is aan vele gevaren en ziekten blootgesteld. IJzeren werktuigen zijn voor den landman onontbeerlijk. De oogen eens paards zijn groot. 5. De landlieden hebben vele ijzeren werktuigen. De zeven paarden des landmans zijn zwart. Duitschland is het vaderland van vele dichters. De winden waren voor onze velden en tuinen niet voordeelig. Den Grieken en Romeinen heeft het aan groote mannen niet ontbroken. 10. Zeven kweekelingen onzer school zijn ziek geweest. Gallië is eene Romeinsche provincie geweest. Het ontbrak aan de schoons

-ocr page 76-

70

rozen en viooltjes van onzen tuin niet aan regen. De leerlingen zijn heden niet oplettend geweest. 10. De wegen van het eiland zijn woest. Vele inwoners van ons vaderland zijn verhuisd. Waarom hebt gij uw vriend niet verwacht ? In Sicilië hebben eens Grieken gewoond. Alexander de Groote heeft vele landen en vele steden veroverd. De dochters des landmans zijn lang ziek geweest. Het leven onzer koningin was gelukkig.

§ 6. Derde clecltnahe. — Substantiva.

Behalve de woorden, die van § 13—17 geleerd zijn, make men zich de volgende eigen.

Columba, duif. candïdus, wit, blinkend.

columna, zuil. divinus, goddelijk.

formica, mier. exoptatus, gewenscht.

industria, vlijt. jucundus, aangenaam.

statüa, standbeeld. firmus, vast, sterk.

animus (i), ziel. laetus, vroolijk, schoon.

aper (apri), wild zwijn. maculosus, gevlekt, bont.

avus (i), grootvader. nonnulli (ae, a), sommigen, eeni-

hippopotamus, nijlpaard. nigen, zonder sing.

consilium, raad, beleid. primus, de eerste.

senatöriüs, tot een senator be- tolërare, dulden, verdragen.

hoorend. volare, vliegen.

molestus, lastig, moeilijk. vulnërare, wonden.

varius, verscheiden, bont. apud, bij, met den accusativus,

transnatare, overzwemmen. circa, om, omstreeks, met den accus.

Homines multis et magnis dolörïbus obnoxii sunt. Magni leönis domicilium erat silva. Popüli sunt arböres altae et pulchrae. Nonnulla marmöra sunt maculosa. 5. Graeci multarum artium inventöres fuërunt. Horatius Cocles Tibërim transnatavit. Magna est industria apum et formlcarum. Avo meo quies exoptata ërat. Magna est copia piscium. 10. Interdum hippopotami laetas segctes circa villam devastant. Longum est iter ex Africa in Germaniam. Nubium colöres varii ërant. Ver hominibus jucundum1). Romani magnam Gallorum multitüdïnem vulnëravërunt.

Wilde zwijnen hebben de schoone koornvelden om onzen tuin verwoest. De rijen der Germanen waren dicht. De zuilen hadden een sterk voetstuk. Het marmer der standbeelden was hel-

1

Est en sunt worden bij korte gezegden en spreuken dikwijls uitgelaten.

-ocr page 77-

71

derwit (blinkend). 5. De senatorenstand (orde) was de eerste stand bij de Romeinen. Mijn grootvader heeft vele en groote smarten doorgestaan. Schoone ■ kapellen vliegen langs onzen tuin. De eerste oorsprong der Romeinen is onzeker. De meester heeft het schriftelijk werk van mijn broeder geprezen. 10. De haak was van ijzer. Het vleesch der duiven is week. De koning had een prachtigen staf. De huwelijksgift mijner moeder was niet groot. De ziel des menschen is van goddelijken oorsprong. 15. Caesar heeft het eerste legioen geprezen. De warmte is den menschen dikwijls lastig.

§ 7. Vervolg.

Woorden ter voorbereiding :

Hora, uur. antiquus, oud.

Roma, Rome. barbarus, barbaarsch, wreed,

annus, jaar. certus, zeker, gewis.

avunculus, oom(moeders broeder) durus, hard.

Januarius (mensis). Januari. frigidus, koud.

Februarius » Februari. graecus, grieksch.

castra (orum), legerplaats. gratus, welkom, aangenaam. Draco, eigennaam. nötus, bekend.

ater (atra, atrum), zwart. profundus, diep.

acütus, spits, scherp. quotidianus, dagelijksch.

ruber (rubra, rubrum), rood. irrigare, bevochtigen.

rutilus, goudgeel, rood. versus, naar, — waarts (wordt ge-

tepïdus, lauw. woonlijk achter het woord ge-

ultïmus, de laatste. voegd).

donare, schenken. nimis, te zeer.

sed, maar, doch.

Atrae nubes nautis non sunt gratae. Ira multorum crimïnum causa fuit. Roma antïqua erat urbs magna et magnifïca. Valde nota sunt carmïna Homeri et Hesiödi, poetarum Graeeorum. 5. Magnum frigus valetüdmi saepe perniciösum fuit. Canum dentes sunt albi, duri et acflti. Mors est certa, sed mortis hora incerta. Ventis saepe magna vis inest. Dracönis leges nimis durae et severae erant. 10. Septentrïönem versus multae gentes barbarae habitant. Lepöres sunt timïdi. Fames et sitis sunt molestae. Sidëra nautis sunt grata. Sanguis piscium est frigidus. December anni mensis ultïmus est. Multi parvi caniiles avunculi mei prata irrigant. Improbörum senectiis plerumque misera est. Calcar est acütum. In agris nostris multi sunt mures. Palfides erant magnae inter Romanörum et Karthageniensium castra.

-ocr page 78-

72

Gij, o God! schenkt den menschen het dagelijksch brood. De bast van kleine boomen is nog dun. De bewoners van Phoenicië zijn de uitvinders van vele kunsten geweest. De lof des meesters was den scholieren zeer aangenaam. 5. In het diepe moeras is eene groote menigte kikvorschen. De haas is vreesachtig. Op de hooge bergen is de lucht zuiver. Op uwe boomen zijn vele noten. Het einde des gedichts was zeer schoon. 10. Het bloed der viervoetige dieren, der vogels en der visschen is rood. Onze buurman heeft roodachtige haren. In den winter zijn de nachten lang. (De tijd, waarin iets geschiedt, staat in den ablat. zonder praepositio). De moeder geeft den knapen lauwe melk. Januari en Februari zijn de eerste maanden van het jaar. 15. Honden zijn de wachters van groote kudden. Voor goede burgers (dat.) is het heil van den staat de hoogste wet. De diamant is hard. De arend is de koning (vertaal: koningin) der vogels. De leeuw de koning der viervoetige dieren.

§ 8. Vervolg.

Men leere de volgende woorden;

Amicïtia, vriendschap. palatium, paleis.

luna, de maan. amoenus, aangenaam.

macula, vlek. argentëus, zilveren.

ulmus, olm. aureus, gouden.

brachium, arm. dexter, rechtsch.

diuturnus, langdurig. siinus, gezond.

egrëgius, uitgelezen, voortreffelijk, saxcus, steenen, van steen, fiavus, geel, blond. vastus, woest, verwilderd, wijd

humanus, menschelijk. uitgestrekt

ligneus, houten. circumdare, omgeven.

modieus, matig. conservare, bewaren.

mutus, stom. subjugare, onder het juk brengen,

nivösus, sneeuwrijk. superare, overwinnen.

procerus, hoog, rank. vindïcare, in libertiitem, in vnj-

sacer (era, um), heilig. heid stellen.

In Eheno flumïne sunt pontes saxei et lignei. Proeërarum arbörum radices plerumque sunt altae. Altörum montium cacü-mma sunt nivösa. Eomani totüm orbem terrarum subjugaverant. 5. Eus amoenum et jucundum est. Gallus Eomani crus dextërum vulneravit. Virtus sola amicïtiam conservat. Sal homïnïbus necessiïrius est ad valëtudïnem. Brutus Eomam ex diuturna servïtüte in libertatem vindicavit. 10. Tellus nostra et luna sunt planëtae. Egrögia virtus milïtum noströrum hostes supëravit.

-ocr page 79-

73

Caput, collum, cervix, brachia sunt partes corporis humani. In atro pulvere multae sunt criloris maculae. In carmmibus poëta-rum magna est pulchrarum imagïnum variutas.

Matige koude is voor een gezond lichaam niet schadelijk. De ruiters hebben lange zwaarden. Kleine heuvels waren tusschen de stad en het leger der Romeinen. In den langen trein (agmen, agmïnis) der Germanen waren vele vrouwen. 5. Uitgestrekte zeeën omgeven den ganschen aardbol. In het paleis waren zilveren vaten en prachtig huisraaad. De zon en het vuur waren heilig bij de Perzen. De diamant is zeer hard. Het vaderland niet te beminnen is snoodheid. 10. De visschen zijn stom. De bondgenootschappen der Karthagers waren niet vast. De Germanen hebben blonde haren. Het geluid van den nachtegaal is aangenaam. De hooge olm heeft diepe wortels. 15. De Donau is eene groote en breede rivier. Zuivere honig is eene aangename spijs. De dapperheid onzer soldaten heeft ons vaderland uit eene harde slavernij in vrijheid gesteld. Veelvuldig zijn de soorten der dieren. De koningin heeft den priester een gouden kelk geschonken.

§ 9. Adjectiva der derde declinatie.

Behalve de woorden, voorkomende in de §§ 18, 19, 20 van het

vorige hoofdstuk, moet men nog de volgende onthouden:

bestia (ae), dier. fortüna, noodlot, geluk,

dementia, dwaasheid, waanzin. Lydia, Lydië.

odë (es), gezang. moenïa (monium), muren, ungttla, klauw, hoef. (plurale tantum).

Corinthus, Corinthe. neme, (gen. nullïus), niemand,

nidus, nest. pavo (pavönis), pauw.

Pindarus (eigennaam). recordatio (recordatiönis), her-bellum civile, burgeroorlog. innering.

Phaedrus, (eigennaam). regio (regiönis), landstreek,

desertum, woestijn. rupes (rupis), rots.

initium, begin, aanvang. sors (sortis), het lot.

malum, kwaad, ramp. tempestas (tatis), storm,

oracülum, orakel, godspraak. canörus, zangerig.

tugurmm, hut. cruentus, bloedig, bloedend,

aestas (tatis), zomer. obscürus, donker, duister,

animal rapax, roofdier. praeterïtus, verleden.

anser (ansëris), gans. nidifïcare, nestelen.

Apollo, (eigennaam). Gen. inis. servare, bewaren, behouden, red-

clamor, (clamöris), geschreeuw, jam, reeds. (den.

-ocr page 80-

74

hirundo (hirundïnis), zwaluw. adesse, tegenwoordig zijn.

hostis (hostis), vijand.

Aestate dn den zomer) noctes sunt breves. Celebrïa erant Apollïnis oracula. Omnë initium est difficile. Suavis est recordatio malorum praeteritörum. 5. Admirabïlis est apum industria. Vultures valde rapaces sunt. Ungülae anïmalium rapacium sunt acütae. Colles sunt montes parvi et liumïles. Multas partes Siciliae valde fertïles sunt. Senum consilia juvenïbus utïlia sunt. Corpus homïnis mortale, animus immortalis est. Humile tugürium interdum domi-cilium fortunae est. 15. Multae aves rapaces nidifïcant in altis rupïbus, Corinthus urbs Celebris Graeciae fuit. Nonnulli Romaui divitias habebant ingentes. In desertis Afrïcae multae sunt bestiae rapaces. Pavönis vox non est suavis. Phaedri fabülae non sunt difficiles. Vigïlum anserum clamor capitolium servavit. Legiones veteris gloriae populi romani memores erant.

De burgerkrijg is meestal bloedig en wreed. Vele steden van het oude Italië waren rijk en beroemd. De schipper had geen zoet water (= zoet water ontbrak den schipper). Mijn kleine broeder houdt veel van (= bemint) zoeten honig. 5. Op sommige eilanden van America zijn de stormen talrijk. De toorn is eene korte razernij. De gezangen van Pindarus zijn duister en moeilijk. Eenige provinciën van ons vaderland zijn vruchtbaar. Het lot van rijke en machtige koningen is niet benijdenswaardig. De bosschen zijn reeds groen ; de vlugge zwaluwen en de zangerige nachtegalen zijn er reeds (adesse). Niemand is altijd gelukkig. Een heuvel is een lage berg. De roofzuchtige haviken zijn de vijanden der vreesachtige dieren. Croesus bezat een ontzaglijken rijkdom. In de noordelijke deelen van Europa zijn de zomers kort. De stem des nachtegaals is liefelijk. De nesten van vele roofvogels zijn op hooge boomen en rotsen. De zeden der oude Romeinen waren eenvoudig.

§ 10. Vierde declinatie.

Hiertoe behooren §§ 21, 22 en 23 van het vorige hoofdstuk. De volgende woorden dient men in het geheugen te prenten.

Helvetia, Zwitserland. caecus, blind.

sagitta, pijl. exigilus, weinig, gering.

troglodyta, holbewoner. eximius, uitnemend, voortreffelijk, arbiter (arbitri), scheidsrechter, funestus, rampzalig, verderfelijk,

medicus, geneesheer. italïcus, italiaansch.

nasus, neus. mirus, wonderlijk.

-ocr page 81-

75

taurus, stier. marmorëus, marmeren.

tyrannus, alleenheerscher. matürus, rijp.

Vesuvius, (nomen proprium), patrius, vaderlijk.

cerebrum, hersenen. rustïcus, boersch, landelijk,

rostrum, snuit. sinister (tra trum), linkseh.

telum, werptuig, wapen tot splendïdus, schitterend, glanzend.

aanval. summus, de hoogste.

Atheniensis (is), Athener. urbanus, steedsch, beschaafd. auctoritas(tatis), aanzien, gezag, australis, zuidelijk.

auris (is), oor. communis, gemeen, gemeenzaam.

Caesar (aris), nom. propr. vehëmëns, hevig, heftig, dux (dücis), aanvoerder, veld- commendare, aanbevelen.

heer. convocare, samenroepen.

eruptio (önis), uitval. lavare, wasschen.

fulgur(üris), bliksem, weerlicht, mutare, veranderen, verwisselen, Jupiter (Jovis), nom. propr. verruilen.

lux (lücis), licht. ornare, versieren.

Marathon (onis,) nom. propr. pugnare, kampen, strijden. Napoleon (onis), \' » » ut, gelijk. — ita, zoo.

paries (pariëtis), muur, wand. atque (voor een klinker en voor Parmenio, Nom. propr. een consonant), en ; doch ac al-

praecursor (oris), voorlooper. leen voor een consonant, rhinocëros (rötis), neushoorn, praeesse, over iets gesteld zijn. sedes(dis), zitplaats, woonplaats.

Manus manum lavat. Lux valde splendïda visui noxia est. In senectüte sensus plerumque sunt obtüsi. üt magistratïbus leges, ita populo praesunt magistratus. 5. Caeci tactum habent eximium. Cicëro senatum convöcavit. Legiones dextrum cornu hostium fugavërnnt. In arcubus coelestïbus mira est colörum varietas. Rhinocëros cornu habet in naso. 10. Animalium arma sunt: cornua, dentes, rostra et ungtllae. In Italia australi motüs terrae saepë praecursores eruptiönis Vesuvii sunt. Senatus nomen habet a senibus. Apud Marathönem exigua manus Atheniensium ingen-tem Persarum exercitum fugavit. Gives cur non obtemperastis auctoritati magistratuum ? Magistratus! cur non fuistis legum custodes ? Pausanias mores patrios et vestïtum mutavit. In exer-cïtïbus Napoleönis multi juvenes Germani atque Italici ërant. Apud Issum Parmenio in sinistro cornu pugnavit. Nïcanor dextro cornu praefuit. In Graecia quercüs Jovi sacrae ërant. 20. Usüs est summus linguarum arbiter. Auris est instrumentum auditus. Idiis martiae Julio Caesari funestae erant. Magnificae porticus templum Minervae ornant.

-ocr page 82-

76

Op hooge en groote eiken zijn geen vrnchten. In de meren van Zwitserland zijn vele visschen. Een pijl heeft de rechterknie des veldheers gewond. Het gebruik is de beheerscher der talen. 5. In Zwitserland zijn vele groote meren. De hersenen zijn de zitplaats der zintuigen. De oogen zijn de werktuigen des geziehts. De honden hebben een scherp gehoor. De horens der stieren zijn hard. De bliksem is de voorlooper des donders. De aanval der oude Germanen was hevig. Een gouden naald versiert de haren der koningin. De terugkeer der zwaluwen is een teeken der lente. Het gevoel is een zintuig aan alle dieren gemeen. 15. De troglodyten. woonden in holen. Hooge zuilengangen omringden het forum. De mensch heeft vijf zintuigen : het gezicht, het gehoor, den reuk, den smaak, het gevoel. Het werptuig dei-vijanden heeft mijne rechterhand gewond. Euiterij ontbrak aan het leger. 20. De geneesheer heeft den zieke rijpe vruchten aanbevolen. Er waren vier stedelijke tribus bij de Romeinen ; de andere waren landelijke.

§11. Vijfde declinatie.

Men herhale de woorden in §§ 24 en 25 van het vorige hoofdstuk en leere nog de volgende :

avaritia, hebzucht, gierigheid. caedes (dis), moord.

luxüria, weelde, prachtliefde. frigïdus, koud.

perfüga, overlooper. futurus, toekomstig.

auctor, (auctöris), bewerker, oor- Marathönius, Marathonisch.

zaak.

scienta, kennis.

mortuus, dood, gestorven, serënus, helder.

vanus, ijdel.

mediüs, midden ; (media acies.

het centrum van het leger.) fallax (fallacis), bedriegelijk. tristis, treurig.

sine, zonder (met den abl.)

Omnis rei initium difficile est. Aestate dies longi sunt. Orestes et Pylades miram fidem servarunt. In acië hostium multi per-fftgae Romani erant. 5. Vicïnus noster magnam rem familiarem habet. Deus omnium rërum auctor est. Caedes Caesaris reipu-blicae perniciei (tot verderf) fuit. Scientia rerum futuvarum hommi non prodest. Mucins hostem sine ulla spë salütis necavit. 10. Magna planities erat circa Romanorum castra. Apud Ounaxa (plurale tantum) Cyrus mediae aciëi praefuit. Livius res gestas Romanorum narravit.

De verwachtingen der menschen zijn zeer bedriegelijk en ijdel. Bij de Romeinen waren vele feestdagen. De middagen der maand

-ocr page 83-

77

Juli zijn alle helder geweest. De winter heeft vele koude en treurige dagen. 5. De dochter is zeer gelijkend op het beeld dei-gestorven moeder. Het eene uur is het (andere) uur, de eene dag den (anderen) dag ongelijk. Hebzucht en prachtliefde zijn den staat ten verderve geweest. In Brittannië is het aantal heldere dagen klein. In de marathonische vlakte heeft Miltiades de Perzen geslagen (fugare) ; [fugore is vluchten, fugare op de vlucht slaan]. Bij issus vocht Alexander in het midden dei-slagorde (in het centrum des legers).

§ 12. Comparatie der adiectiva.

Behalve op de onderstaande woorden, lette men op §§ 26, 27 en 28 van het vorige hoofdstuk.

Belga, een Belg. mutiltio (önis), verandering,

dementia, zachtzinnigheid, toe-orator (öris), redenaar.

geeflijkheid. vallis (lis), dal.

fera, wild dier. species (eiëi), gedaante.

verecundia, eerbied, achting, benignua, welwillend, vriendelijk.

ceterus (gewoonlijk plur.), de overige, de andere.

divïnus, goddelijk.

externus, uitwendig, uitheemsch. Justus, rechtvaardig.

injustus, onrechtvaardig.

imperator, keizer, veldheer, jus, jüris, recht.

latro, önis, roover.

amabilis, beminnelijk.

audax (acis), stout, koen. crudëlis, gruwzaam, wreed, diligens, nauwkeurig, vlijtig, florens, bloeiend.

fortis, dapper.

infêlix, ongelukkig.

lëvis, licht.

mitis, zacht.

nobïlis, edel.

tardus, traag, langzaam.

tëter (totra, tëtrum), leelijk, afschuwelijk.

praestans (tantis), voortreffelijk, salüber (ubris, ubre), heilzaam, sapiens (entis), wijs, verstandig, nihil (onverbuigbaar), niets.

quam, achterden comparativus, dan. quo-eo, hoe, des te; zulke woordjes noemt men correlativa. Zoo heeft men adjectiva correlativa: tantus-quantus, talis-qualis en meer

diergelijke.

Aurum utile est, utilins ferrum. Senibus difficilior est morum mutatio quam adolescentibus. Avaritia omnium vitiorum teter-rimum est. In Gïaecia nemo sapientior fuit quam Socrates (of Socrate zonder quam), nemo justior quam Aristides of? —

ornamentum, sieraad.

sonus, geluid.

vitium, gebrek, fout.

vitrum, glas.

adolescens (entis) jongeling.

Alpes (ium). Alpen.

december (mentis), december, sanctus, heilig.

-ocr page 84-

78

5. Omnium floruni pulchenima est rosa. Maria profundiora sunt fluminibus. Athenae et Corinthus erant florentissima oppida Graeciae. Diligentissimi discipuli magistris sunt carissïmi. Quo diligentiores sunt discipuli, eo eariores sunt magistris. 10. Deus est pater benevolentissimus. Adamas durior est ferro, ferrum durius est caeteris metallis. Sonus tardior est luce. IJt animus corpore est nobilior, ita virtus est praestantior externa specie. Omnium Gallorum fortissimi erant Belgae. 15. Latro ferae simi-lior est quam homini. Nullum malum vehementius est quam invidia. Nihil est dementia praestantius nihil divinius. Nero erat omnium imperatorum maleficentissimus. Croesus, rex Lydiae, erat ditissimus (divitissimus).

De Donau is breeder dan de Eijn. De Alpen zijn de hoogste bergen van Europa. Niets is schooner dan de deugd en de wijsheid. China is het vaderland van de schoonste kapellen. 5. Hoe oplettender een leerling is, des te dierbaarder is hij den onderwijzer. De diamant is harder dan het glas en het ijzer. De Spartanen waren dapperder dan de Atheners. De rijkste menschen zijn somtijds de ongelukkigste. De dagen zijn in de maar.d December op het kortst (de kortste). 10. Campania is de gelukkigste streek van Italië. Socrates was de wijste aller Grieken. De rechten des vaderlands zijn heiliger dan (die) der vriendschap {die blijft onvertaald). Hoe onrechtvaardiger de haat is, des te gruwzamer is hij meestal. 15. De eenvoudigste spijzen zijn de heilzaamste. Op de bergen is de lucht lichter en zuiverder dan in de dalen. De honden hebben een scherper gezicht dan de menschen. Somtijds zijn de gemoederen der wilde dieren zachter dan (die) der menschen. Niets is beminnenswaardiger dan de deugd. Demosthenes was de beroemdste der grieksche redenaars. Zedigheid is het grootste sieraad der vrouwen.

§ 13. Vervolg.

Asia minor, Klein-Azifi. cura, zorg.

Geneva, Genève.

derlagen.

maxilla, kakebeen.

natüra, natuur.

regiüa, regel.

Bactriamus, een Baktriër. crocodilus, krokodil.

anas (anatis), eend.

axis terrae, de as der aarde.

mare internum, de middellamp;ndsche

insidiae (arum) plur. tantum, hin- zee,

zee,

serpens (entis), slang.

tempus (öris), tijd.

cadücus, bouwvallig, onzeker,

verwelkt.

crassus, dik, dicht, ignötus, onbekend.


-ocr page 85-

79

globus, kogel, bol, hemellichaam, immobilis, onbewegelijk.

Helvetius, Zwitser. turpis, schandelijk.

locus, plaats. vooare, roepen, noemen.

polus, de pool. multo major, veel grooter.

aconïtum, een kruid, wolfsmelk, (multo is een adverbium dat de praeceptum, voorschrift, les. kracht van den comparativus venënum, vergift. vermeerdert.)

actio (onis), handeling. paulo major, een weinig grooter, aetas, ouderdom. iets grooter.

Calor interdum plantis magis noxius est, quam frigus. Nihil aere et aqua magis necessarium est homini. Nihil magis dubium et caducum est, quam vita humana. Sicilia est major quam Sardinia. 5. Maximus oratorum romanorum fuit Cicero. Ansëres majores sunt anatibus. In mari sunt plurima et maxima animalia. Eomülus Augustülus fuit ultimus Eomanorum imperator. Intima rerum natüra hominibus non est nota. Interiores globi nostri partes hominibus adhnc sunt ignotae. Antiquis temporibus plurima oppida florentissima erant in Italia. Qoo breviora sunt praecepta, eo meliora sunt, üsus optimos magister. 15. Omnium venenorum ocissimum est aconitum. Augustas Hispaniam postremam (als laatste, het laatst) provinciarum subjugavit. Thu-cydides paulo aetate (in leeftijd) posterior erat quam Themistocles. Luna terrae propior est sole. Honesta mors turpi vita potior. 20. Omnium rerum mors est extrëmum (het laatste, einde). Pro-xima Italiae est Sicilia, insula omnium maris interni maxima. Crocodilus dentinm plures habet ordines.

De deugd is noodzakelijker voor een gelukkig leven dan rijkdom. De plaats was voor hinderlagen bijzonder geschikt, (superl.). Een schandelijk leven is erger dan een schandelijke dood. De uiterste en aan de grenzen der Helvetiërs naaste stad is Genève. 5. Den laatsten oorlog had Ninus met Zeroaster, koning der Bactriërs (hebben door SDm=de laatste oorlog was aan Ninus). Hoe korter een voorschrift is, des te beter. Codrns was de laatste koning der Atheners. De polen zijn de uiterste einden (pars) der as van de aarde. In klein-Azië waren zeer vele en bijzonder vermaarde steden. 10. Slechte grondbeginselen zijn erger dan slechte daden. Het leven der eerste mensclien was veel langer dan het onze. De slangen hebben een zeer kleinen kop. De eenden zijn kleiner dan de ganzen. De zon is veel grooter dan de aarde. 15. De oLfant is het grootste der viervoetige dieren. In de noordelijke deelen van Europa zijn de boomen zeer laag. Hoe dichter

-ocr page 86-

80

de lucht is, des te nader is zij aan de aarde. Cicero noemt Clo-dius den slechten aller menschen.

§ 14.

Zie § 29 en § 30 van het vorige hoofdstuk en leer nog de volgende woorden :

benevolentia, welwillendheid, lentns, langzaam.

genegenheid. pristïnus, voormalig, ond.

epistola, brief. rectus, recht, rechtuit, rechtover-

gallïna, hen. eind.

philosophia, wijsbegeerte. brevis, kort.

vena, ader. crudelis, wreed.

avuncülns, oom, moeders broe- fidclis, getrouw.

camëlus, kameel. (der. freqnens, menigvuldig.

Latïni, de Latijnen. hostïlis, vijandelijk, vijandig,

legatus, gezant, legaat. mollis, week, zacht.

mundns, wereld. patiens, geduldig.

pullus, jong dier, jong. cantare, zingen.

coelum (i), hemel; (in plnr. considerare, beschouwen, overwe-coeli, en coela.) dimïcare, strijden, kampen, (gen.

imperium, opperheerschappij, que, en (wordt achter de woorden falco (önis), valk. gehecht).

immortalïtas, onsterfelijkheid, disputare, bespreken, redekavelen, pulchntüto (inis), schoonheid, exopatre. toewenschen, verlangen, magnïtfido (inis), grootheid, festïnare, spoeden.

pröles (is), kroost, nakomeling-jndïcare, oordeelen, rechtspreken.

schap, de jongen(van eendier.) lacerare, verschenren, openrijten. quaegt;tio (onis), vraag. penëtrare, birnendringen.

accnratus, nauwkeurig. properare, ijlen.

copiosu?, rijkelijk, uitvoerig, tolcrare, dulden, verdragen.

doctue, geleerd. tractare, behandelen.

hodie, heden. erga, jegens (met den acc.)

tam, zoo(tammagnus, zoo groot.)pro, voor (met den abl.).

de (met den abl.), van, over,

aangaande.

Falcones celerrïmë volant. Gallina acerrïmë pro pullis pugnat. Apud Marathonem Athenienses fortissimo cum Persis pugnave-runt. Galli Italiam longe latëque (wijd en zijd) devastaverunt. 5. Cornelius Nepos Miltiadis vitam brevïter narravit. Nuperrime multi homines ex provincia nostra in Americam demigrarunt. Carthaginienses Regülum crudeliter necavërnnt. Frater meus

-ocr page 87-

81

diatius in Italia, qnam in Helvetia fnit. Avancnles mens domnm suam pulcherrime ornavit. Magister hodie de mundi magnitildine doctë et eleganter dispütavit. De aliorum vitiis reetius quam de nostris judicamus. Cur tam celerlter propëratis ? Cur non lentius ambulatis ? Eomani cum Latines de imperio dimicarunt. 15. Quo diutius considëres, eo res est obscürior. Initio belli Hannibal Romanorum exercitüs frequenter fugavit. Plurimi mortales divitias vehementissime exoptant. Milites legatum hostiliter laoeraverunt.

God heeft den hemel glansrijk opgesierd. Alle dieren strijden hevig voor hunne jongen. Oude menschen veranderen hunne gewoonten moeilijker dan jonge. Uwen brief heb ik lang verwacht. 5. Cicero heeft zeer goed over de vriendschap en den hoogen ouderdom gesproken (dispüto). Uwe vorige welwillendheid jegens ons huis hebt gij getrouw in acht genomen. Onze leermeester heeft ons heden berispt. De kameelen dragen den dorst geduldiger dan de paarden. Heden heb ik de zaak nauwkeuriger overwogen. 15. De schrijver heeft in zijn boek een deel der wijsbegeerte zeer uitvoerig behandeld. Heden heeft onze leermeester ons niet zoo scherp als gisteren berispt. Niemand heeft beter over de onsterfelijkheid der ziel gesproken dan Socrates. Gij dwaalt zeer (zeer = zeer hevig). Uwe zuster ningt zeer liefelijk. Ik heb de zaak gemakkelijk en gelukkig tot stand gebracht. Het vergift drong zeer snel door (langs) de aderen.

§ 15. Numeralia.

§ 31 van het vorige hoofdstuk ; verder is het noodig de onderstaande woorden te weten.

annus intercalaris, schrikkeljaar. Olympias (iadis), eene olympiade, mercenarius, huurling. tijdruimte van 4 jaren,

lustrum,- een tijd van 5 jaar. pes, voet (pedis).

seculum, eeuw. pedes (pedïtis), voetganger,

hebdömas, adis, week. fluctus, vloed, golf.

praestans, voortreffelijk. superbus, trotsch.

appropinquare, naderen. quotannis, jaarlijks.

creare, verkiezen, scheppen. quotidie, dagelijks.

parare, bereiden. aut, of.

remëare, teruggaan, terugvlieden. ante I Christum natum, vóór en significare, te kennen geven. post j na de geboorte van potius. veel meer. natus, geboren, (Christus.

mortuus, gestorven.

6

-ocr page 88-

82

Seculum est tempus centum amiorum. Annus est tempus tre-centorum quinque diérum. Mensis est tempus diêrum triginta aut unius et triginta. Februarius, secundus anni mensis. ple-rumque duodetringinta diés liabet. 5. Hebdomas est tempus diêrum septem. Vicesïmam quartam diëi partem appelamus horam. Apud Romanos vetëres lustrum signifïcat tempus quinque annörum. Mensis est duodecïma pars anni. Apud Romanos october octavus anni mensis erat, nunc est decimus. 10. Homo unum tantum-mödo os habet, sed duos ocülos et duas aures. Decern milia Graeoorum ingentem Persarum exercïtum fugaverunt. Maris fluctus bis quotidie appropinquant, bis remëant. Ancus Martius tres et virinti annos regnavit. Atbeniensibus duae victoriae Maratbönïa0 et Salaminïa apud omnes gentes gloriam pararunt. 15. Augustus mortuus est septuagësimo actatis anno. Romani Marmm^septies consulem {tot consul) creavcrunt. Bis bina sunt quattuor. Quater terna sunt duodëcim. Tarquinius superbus fuit septimus et ultïmus rex Romanorum. 20. Secundo bello punico Hannibal Romanos saepe fügavit. Romae (te Rome) bini consüles quotannis fucrunt. Carölus magnus mortuus est anno octingentésimo decïmo quarto post Christum natum. Athenienses decemplïcem numërum bostium superavcrunt.

Eene olympiade is een tijd van vier jaren, of liever (sive potius) van vijftig maanden. Een dag is het driehonderd vijf en zestigste deel van liet jaar. De maand Februari eens schrik-keljaars heeft negen en twintig dagen. Eene week is het twee en vijftigste gedeelte van een jaar. 5. De bijen hebben vier vleugels en 6 voeten. Het water is negentienniaal lichter dan het goud. Mijn oom heeft zijne boeken aan de twee zoons onzes buurmans geschonken. December was bij de Romeinen de tiende maand des jaars, thans de twaalfde of (sive) de laatste. Frederik de Groote heeft zes en veertig jaar geregeerd. 10. Mardonius had 100000 voetknechten en 10000 ruiters. Socrates is in den jare (abl. zonder praepositio) 468 (uit te drukken door ranggetallen), vóór Christus geboren. 10000 Grieksche soldaten waren in het lelt;rer van Cyrus. Twee maal drie is zes. Drie maal vier is twaalf. 15. Vier maal twintig is tachtig. De Romeinen hebben in Italië met twee uitstekende veldheeren gekampt, mee Pyrrhus en Hannibal. De eerste koning der Romeinen was Romulus, de tweede Nu ma Pompilius, de derde Tullus Hostilius, de vierde Ancus Martius, de vijfde Tarquinius Priscus, de zesde Servius Tullius, de zevende of laatste Tarquinius Superbus.

-ocr page 89-

83

§ 1(5. Pronomina personalia en possessiva.

Zie § 32 van het vorige hoofdstuk en § 34 van het hoofdstuk over de pronomina.

Woorden :

Modestia, zedigheid, bescheiden- inünis, ijdel, nietig.

heid. delectare, verheugen, vermaken,

beneficium, weldaad. quot; objurgare, bekijven, berispen, ver-

consilium, raad, beleid, plan. wijten.

convivium, gastmaal. ob, praepositio met den accusa-

concio, vergadering,samenkomst. tivus, wegens, om.

expeditie, veldtocht. portare, dragen.

parens (communis generis, ge- recïtare, voordragen, voorlezen, lijkslachtig), vader of moeder, recrëare, verkwikken.

cantus (üs), gezang. inesse, inzijn, inwonen, zich ergens

vicïnus (a, um), naburig. in bevinden.

commflnis, gemeen, gemeen- interesse, tegenwoordig zijn.

zaam.

Ego erravi, tu recte judicasti. In te, in me, in nobis omnibus inest animus immortalis. Magister te laudïivit, me vitupëravit. Melior pars nostri immortalis est. 5. Tua consilia omnia mihi luce clariöra sunt. Lusciniarum cantus nos delectat. Patria nobis carior est vita. Magister neminem vestrum vitupëravit. Avunculus noster heri nobiscum per prata ambulavit. 10. Carissimae nobis semper fuërunt epistolae tuae et maxime nos delectavörunt. Amici carissimi, non immëmöres sumus vestri beneficiorumque vestrorum. Frater mëus mecum interfttit conciöni. Nos nostra delectant, vos vestra1). Neerlandia omnium nostrum communis jjatriaest. Tu, Brute, patriam tuam e servitute in libertatem vindicasti.

Gij prijst, wij keuren de veldtochten van Napoleon af. De meesters hebben niemand onzer geprezen. Waarom hebt gij ons den brief uws vriends niet voorgelezen ? De consul heeft de naburige legioenen tot zich geroepen. 5. De vrienden zijn onzer gedachtig. Uwe plan-

6*

1

Wanneer de neutra van de adjeetiva, pronomina en numrealia als sub-stantiva gebruikt worden, en een veelvoud van afzonderlijke dingen beteekenen, staan zij niet, zooals in onze taal in het enkelvoud, maar in het meervoud, b. v. omnia sunt eaduca. alles is vergankelijk.

-ocr page 90-

84

nen zijn ons bekend. Zij bereiden zich vele zorgen wegens nietige dingen. Wij hebben u door spijs fabl.) verkwikt, en gij scheldt ons? Mijn broeder is mij zeer gelijkend. 10. Waarom zijt gij niet met ons wandelen gegaan? Uw vriend heeft met mij het gastmaal bijgewoond. Waarom heeft uw vader u mijn brief niet voorgelezen ? De lof des onderwijzers heeft mij zeer veiblijd. Ik ben uwer en uwe verdiensten niet ongedachtig. Mij vermaakt mijn boek, u vermaakt het uwe. Een verstandig man draagt altijd de beste zijner goederen bij (met) zich.

§ 17. Pronomina demonstrativa. § 33 van het vorige hoofdstuk.

De volgende woorden leere men vooraf.

Industria, vlijt, ijver, werkzaam- prosperïtas, bloeiende toestand,

heid. \' \' geluk, voorspoed.

pagina, bladzijde. serrno (önis), gesprek, taal. rede.

poena, straf. trames (itis), zijpad.

pugna, gevecht, slag. verïtas (tatis), waarheid,

autumnus, de herfst. voluptas (tatis), zinnelijk genoe-

barbarus, vreemd, barbaarsch. gen, wellust, vreugde

christianus, christelijk, christen, augustus, eng.

Cimbri, de Cimbren. inimïcus, vijandig, vijandelijk.

Isthmus, landengte. Aegaeus, Aegeïsch.

malus, appelboom. lonïcus, Ionisch.

pirus, pereboom. Ligustïcus, Ligurisch.

somnus, slaap. nimius, al te groot, al te lang.

coelum, hemel. perditus, diep bedorven, verloren,

lenimentum, middel tot verzach- sceleratus, snood.

ting, leniging. praestabïlis, voortreffelijk uitste-

solum, grond. kend.

aves migrantes, trekvogels. tenuis, dun, fijn.

communio, gemeenschap, ver- adorare, aanbidden.

wantschap. aegrötare, ziek, krank zijn.

cor (cordis), het hart. conjurare, eene samenzwering

civïtas, tatis, burgerrecht, staat. maken.

comes (mïtis), gezel. negare, loochenen, ontkennen,

honor (oris), eer. perturbare, verwarren, beroeren,

mens (mentis), geest, verstand, repudiare, verstooten, versmaden,

mulïer (ïëris), vrouw. repugnare, wederstand bieden,

munus (eris), geschenk. quam pulchrë, hoe schoon.

opinio (önis), meening. etiamnunc, nu ook nog.

Haec domus ilia arbore latior est. Deus hanc terrain, coelum

-ocr page 91-

85

illud, omnem hunc mundum splendidisslme ornavit. Invïdïa est comes gloriae; hoc est commune vitium in magnis liberisque civïtatïbus. Homini Deus nihil mente praestabilïus donavit; huic divïno muneri nihil est; tam inimïcum quam voluptas. 5. Quam varii sunt colöres hujus floris! Aër in his montïbus tenuïor est quam in vallïbus illis. Graecörum oratörum praestantissimi fuë-runt Athënis (te Athene); eorum autem (autem wordt niet vooraan geplaatst) primus fuit Demosthenes. Inter quos est commünio legis, inter eos est commünio juris. Omnium victoriarum maxima est se ipsum superare. 10. Ipsïus eonsulis filii contra rempublï-cam conjuravërunt. Animal, quod sanguinem habet, or habet. Sermönis usus plerumque deest) quibus natura auditum negavit. Frater matris meae, qui plures annos aegrotavit, hodie mortuus est. Res, de qua heri disputavïmus etiamnunc mihi obseüra est. 15. Aves migrantes appellamus eas, quae autumni et vere in alias terras demïgrant. Nunc repudias, quae nuperrime rehemen-ter exoptasti. Quaecunque opinio veritati repugnat, falsa est. Omnium illorum oppidörum eadem erat industria, eadem prospe-rïtas. Omnes sceleratos eadem poena exspectat. Omnem rempu-blïcam perditus iste Catilina perturbavit.

Deze appelboom is hooger dan gene pereboom. In dit boek zijn 364 bladzijden. Hoe zwaar is de lucht op deze bergen. Hoe schitterend zijn de kleuren eens regenboogs! 5. In den beroemden slag bij Marathon (= Marathonisch), sloeg Miltiades een tienvoudig aantal der Persen op de vlucht. Die (iste) eerbewijzingen versmaad ik. In de Ligurische zee ligt het eiland Corsica, hetwelk de Grieken Cyrnus noemen. Het dichtst bij dit eiland ligt Sardinië, welks bodem beter is dan het luchtgestel; gene is vruchtbaar, het laatste is ongezond. De al te groote koude van dezen dag is voor de zaden verderfelijk. 10. De jongeling, wiens gedrag (mores, morum) gij prijst, is de zoon mijns vriends. Slaap en hoop zijn twee verzachtingsmiddelen, welke God den onge-lukkigen stervelingen geschonken heeft. Hij, die de traagheid bemint, bemint de ondeugd, welker moeder zij is. Dat enge pad, hetwelk tusschen de Aegëische en Ionische zee ligt, hebben de Grieken Isthmus genoemd. Alle Christenen bidden denzelfden God aan. 15. In den slag zijn allen aan dezelfde gevaren bloot gesteld. Niet minder hevig was de kamp met de vrouwen der Cimbren, dan met de mannen van haar.

§ 18. Pronomina indeünita en interrogativa. — § 34 van het vorige hoofdstuk.

Woorden, die vooraf in het geheugen moeten geprent worden.

-ocr page 92-

86

antiquïtas (atisj, oudheid,

conjugatio (onis,) vervoeging. natu major, de oudste (van twee), exhalatio (önis), uitwaseming. natu minor, de jongste (van twee).

{natu is de ablativus van een subst., hetgeen slechts in dien naamval voorkomt).

pestifer (fëra, férum), verderfe- exstare, voorhanden zijn.

lijk, verpestend. persevërare, volharden, verduren

Quis sapientior fuit in Graecia quam Socrates? Quis fuitjustior quam Aristïdes? Quaenam metalla utiliöra sunt auro? Quid est amabilius virtute? 5. Quae species pulchrior est quam humana? Quod oppïdum Graeciae fuit celeberrïmum? Athënae. Cujus filius fuit Alexander magnus? Philippi, Macedoniae regis. Quot cerasi sunt in horto vestro? Duodeviginti. Cujusnam hie liber est? meus. 10. Qualis imperator fuit Caesar, quautus vir? Cujus oratoris tot oratiönes exstant, quot Ciceronis! Cicero et Demosthenes maximi oratöres fuerunt autiquitatis; uter major fuit? Utrïus oratiönes praestantiöres sunt? Demosthënis. Utri cornü exercitüs apud Issum Parmenio praefuit? Sinistro. 15. Cujusvis est errare, stulti tantummodo in erröre perseverare. (De geniti-vus by esse beteekent dikwijls eene eigenschap of gewoonte en wordt vertaald door: het is de zaak, gewoonte, eigenschap, plicht, kenmerk van iemand). Unicuique pigritia turpis est, maxime autem adolescentïbus. Exhalatiönes quorundam flörum sunt pesti-fërae. Suum cuique. Sibi quisque carus est. 20. Darium in fuga Bessus quidam neciivit. Sunt bestiae quaedam in quibus inest aliquid simile virtuti. Est quidquam similius dementiae quam ira. Honestissimum quemque maxime laudamus.

Welk metaal is nuttiger en noodiger dan goud? Welke rivier van Duitschland is de grootste? Wat heeft uw meester u opgedragen? Wien heeft uw vader u aanbevolen? Welke berg van Duitschland is de grootste? 5. Wie is de beroemdste dichter der geheele oudheid? In welke streek van Duitschland zijn de hoogste bergen? Wie heeft hemel en aarde geschapen? Aan welk van beide vleugels des legers streed Nicanor in den slag bij ïssus? aan den rechtervleugel {aan vertale men door in met den abl.). Welke van deze beide leerlingen is de vlijtigste? (dit laatste in den comparatïvus in plaats van den supeiiativus, omdat men van twee voorwerpen spreekt, en zoo ook in andere soortgelijke spreekwijzen). 10. Welke is de bescheidenste ? de jongste. Hoe vele leerlingen zijn in het huis des onderwijzers? negentien. Eenige

Cerasus, kerseboom.

Macëdo (önis), Macedoniër, sidus (sidëris), gesternte, stultus, dwaas, dom.

-ocr page 93-

87

volken aanbidden de zon, maan en sterren. Een ieder is zijn vaderland dierbaar. Aan ieder van u is de naam des grootsten dichters bekend. 15. Het leven van ieder mensoli heeft zijne zorgen en bezwaren.

§ 19. Het hulpwerkwoord sum en zijn composita.

Woorden om van buiten te leeren.

Noxa, schade, schuld. sobrius, nuchteren, matig,

animus, moed. alacer (acris, acre), vroolijk, le-

bono animo esse, goedsmoeds zijn. vendig.

praeceptum, voorschrift, gebod, compos (Ötis), machtig, in \'t be-les. zit van (met den genitivus.)

clades (dis), nederlaag. obëdiens, gehoorzaam, volgzaam,

parentes (um), ouders. libëralis, vrijgevig, gul.

afflictus, ter neder geslagen, be- vigïlare, waken.

droefd. quarë, waarom ?

beatus, gelukzalig. antëa, voorheen, te voren,

contentus, tevreden. nusquam, nergens.

egënus, behoeftig. ubique, overal.

gloriosus, roemvol. tum, toen, te dier tijde.

gratus, dankbaar. utmam, och dat, (met den con-

laetus, vroolijk. junctivus).

sanus, gezond.

Pulchrum est benif icum esse et liberalem. Quare es tristis ? Quare tam afflicti estis? Nusquam soli sumus; ubique Deus adest. 5. Puïmus divïtes, non sumus. Multi nunc sunt paupëres, qui olim divïtes fuërunt. Multi tum erünt paupëres, qui antëa divïtes fuërunt. Grati simus erga Deum, parentes et magistros nostros. Nullius homïnis vita semper beata ërit. 10. Finis difficïlior erit initio. Sit mens sana in sano corpore. Bono este anïmo amïci. Reges, estöte patriae patres. Salus reipublicae summa lex esto magistriltïbus. 15. Quo minus sobrii fuerïmus, eo magis obnoxii erïmus morbis. Clades hostium fuisset ultima (uiterste, laatste = volslagen), si equitatus noster interfuisset praelio. Jucundum est milïti, praelio interfuisse gloriöso. Utmam semper horum consiliörum memöres sitis.

De koude van dezen nacht zal voor de teedere planten van onzen tuin schadelijk zijn. Wij allen zijn sterfelijk. Nog zijn wij jong, vlug en vroolijk. Gij zijt nergens alleen; overal waakt Gods oog. 5. Gij zoudet geleerd zijn, zoo gij vlijtiger geweest

-ocr page 94-

waret. Wij zouden meer tevreden zijn, zoo wij wijzer waren. Weinigen zouden behoeftig zijn, zoo de rijken weldadig en vrijgevig waren. Onze soldaten zouden nog (etiam) dapperder geweest zijn (conjunct.), zoo de koning bij het gevecht tegenwoordig geweest ware. De straf zij aan de schuld evenredig (par). 10. Dat de goddelijke wetten den menschen heilig zijn! Het is onzeker of (num met den conjunctivus) ons leger grooter was, dan dat (onvertaald) des vijands. Wees goedsmoeds, mijn vriend! Och dat wij immer aan de geboden Gods gehoorzaam geweest waren ! Het is schoon zichzelven meester te zijn (compötem esse met den geni-tivus).

§ 20. Vervolg.

Pamilia, familie, geslacht. tantus, zoo groot.

copiae auxiliares, hulptroepen. tot, zooveel (indeclinabile).

socius, bondgenoot. absens (sentis), afwezig,

proelium, slag, gevecht, strijd. saltern, ten minste, immers,

classis (is), vloot. umquam, eens, ooit.

navis (is), schip. a (voor medeklinkers, ab voor victor (oris), overwinnaar. klinkers en medeklinkers), acceptus, aangenaam, welkom. van, door, met den abl.

invïdus, nijdig. ne, niet, bij den imperativus.

panci (ae, a), weinig, gew. plur. neque-neque (nec-nec), noch, — probus, goed, braaf, degelijk. noch.

Nimius somnus neque animo neque corpöri prodërit. Tres duces fortissimi exercïtïbus in hoe bello praeerunt. Magnis viris neque invïdi unquam neque maledïci deerunt. Rex noster praelio interfuisset, si non fuisset aegrotus. 5. Tempestas navïbus nostris obesse non potuisset, si in alto mari fuissent. Dux noster aegrotus praelio interesse non potüit. Esto secundus, si non potes esse primus ! Si non potestis multis prodesse, prodeste paucis. Utïnam amïco absenti in tot tantisque pericülis adesse possem ! 10. Initio orationis tuae interesse non potuimus. Nemo omnibus acceptus esse potest. Omnes cives reipüblïcae prodesse potërunt. Si copiae auxiliares pmgnae interesse non potuissent, hostes victöres fuissent. Qui civitatie protuërit, sibi ipsi prodërit maxime.

Het is een groot genoegen (voluptas) vele menschen nuttig geweest te zijn. Twee consuls waren aan het hoofd van den ro-meinschen staat. Hannibal is lang van zijn vaderland afwezig geweest. De beraadslagingen eens trouwen en verstandigen vriénds zouden uwen broeder zeer voordeelig geweest zijn. Wij zullen u

-ocr page 95-

89

in deze zaak niet hinderlijk zijn. Cimon voerde het bevel over de vloot der Atheners. Ik zou zeer ter nedergeslagen zijn, zoo ik van mijn vaderland verwijderd ware. Den deugzamen man zal het nooit aan vrienden ontbreken. Wederstreef mijne plannen niet. 10. In het begin (abl. zonder praepos.) van den herfst zal onze geheele familie afwezig zijn. Och dat onze bondgenooten aan den slag hadden kunnen deelnemen ! Zoo wij niet op de hooge zee geweest waren, had het geweld des storms onze vloot verderfelijk kunnen zijn. Zoo gij (plur.) den staat niet van nut kunt zijn, (zoo) weest ten minste voor de uwen nuttig.

§ 21. Eerste Conjugatie.

§ 38 der vorige afdeeling geeft de noodige verba tot oefening.

Ter voorbereiding dienen tevens de volgende woorden :

Arena, zand. pax (acis), vrede, rust.

colönia, volkplanting. uxor (öris), gemalin.

constantia, standvastigheid. passus (us), schrede, tred.

deliciae (arum), vermaak, lust, avarus, hebzuchtig, gierig.

genot. matürus, rijp.

fortflna, het lot, geluk. surdus, doof.

Hera of Here, Juno. frustra, te vergeefs.

stella, ster. paulisper, een poosje, een korte

uva, druif. tijd.

aculëus, prikkel, doorn, angel, praesertim, voornamelijk, bijzonder.

prunus, pruimeboom. tandem, eindelijk, (bij eene vraag,

tribünus militaris,krrjgstribuun. toch.)

auditor, toeho order. ubi, waar ?

consuetüdo (ïnis), gewoonte. donec, zoolang.

diffieultas, moeilijkheid. non solum — sed etiam, niet al-

libënïlitas, vrijgevigheid. leen — maar ook.

ovis (is), schaap.

Donec ëris felix, muitos numerabis amlcos. Romani colonias suas locis in idonëis collocabant. Initio veris incolae provinciae nostrae in Americam demïgrabant. Romani binos quotannis con-süles creabant. 5. Errare humanum est. Erravisse non est jucun-dum. Mox lusciniae in hortis cantabunt. Si quinque duplicaveris, decem erunt. Injustë fortünam accusabïtis, si non vitavërïtis pericüla. 10. Bis , dat, qui oito dat. Nihil dat, qui munëra tardat. Carmen tuum omnes auditöres delectavit. Caesar castra sua in media planitie collocavërat. Post coenam in horto ambulabïmus. 15. Cimonem Athenienses non solum in bello, sed etiam in pace

-ocr page 96-

90

diu desidërabant. Magister discipülum, quem saepissime frustra vitupëraverat, heri tandem severe castigavit. Pestïna lente. Errantïbus monstravi viam. Discipuli honovanto magistros. Ama-töte parentes. Ora et labora. Surdo fabulam narraveris, si avaro liberalïtatem commendavëris. Quis non est amans uvarum matüra-rum. Nullum vitium tetrius est quam avaritia, praesertim in principïbus rempublïcam gubernantïbus.

De oude volken offerden aan de goden en godinnen stieren, koeien, schapen en andere dieren. Door een matig leven (door den abl. zonder praepos.) zult gij uwe gezondheid het best bewaren. Eert de grijsaards. Hij riep te vergeefs, er was niemand te huis. De Romeinen noemden Titus den wellust van het men-schelijke geslacht. 5. Het booze te vermijden is de eerste schrede tot de deugd (tot, versus met den accus. Versus wordt meestal achter het woord geplaatst). Verontrust de bijen niet, want zij hebben angels. Wacht een weinig, wij zullen met u gaan wandelen. De jongelingen moeten de grijzen eeren (door den imperat.). Het is aangenaam (zoet) door volharding groote zwarigheden overwonnen te hebben. 10. De Romeinen noemden de gemalin van Jupïter Juno, de Grieken Hêra. Zoo gij ééne slechte gewoonte uitroeit (= uitgeroeid zult hebben), zult gij de andere lichter uitroeijen. Waar zullen onze zielen na onzen dood wonen ? Zoo gij het zand der zee telt (= zult hebben geteld), zal ik u de sterren des hemels tellen. Gallische ruiters hebben de zeer dappere krijgstribunen gedood. Onze tuinier heeft gisteren, reeds vóór den middag, vijftien appelboomen geplant, na den middag pereboomen. Heden zal hij pruimeboomen planten en morgen zullen er nog verscheidene (varius, a, um) boomen geplant worden.

§ 22. Vervolg.

culpa, schuld. dignus, waardig, met den abl. re

illëcëbra, aanloksel, lokspijs. dignus, eener zaak waardig,

litterae, (arum), brief, (plurale domestïcus, huiselijk.

tantum). futürus, toekomstig, toekomend.

Thermopylae, Thermopylae. justus, recht, rechtvaardig, condiscipülus, medeleerling. patrius, vaderlijk, vaderlandsch. consilium, overleg, raad, beleid, promtus, vaardig, gereed, exemplum, voorbeeld. ferë, bijna.

obstacülum, hinderpaal, hindernis, partim, deels.

patrimonium, vaderlijk erfgoed, littëras dare (ad), iemand een impflnïtas (tatis), straffeloosheid. brief schrijven.

-ocr page 97-

91

suspicio(önis), achterdocht, kwaad ut, dat, opdat, met den conjunct.

vermoeden. nisi, tenzij, zoo niet.

virtus (tütis), deugd, dapperheid, qnum, wanneer, toen.

quando, wanneer.

Adeste amïco meo, ut omnia supëret obstacüla. Nemo despëret. Deus unicuique dabit, quod ei plurimum prodërit. Amicum tnum vitupërarem, si consilium mutavisset. Magister discipülos non vitupëravisset, si diligentiores et attentiöres, fuissent. 5. Erra-vissem, nisi amicus me in rectam viam revocasset. Amemus patriam. Id optimum putemus quod est justissimum. Athe-nienses, quum Xerxes, appropinquaret, omnia sua partim Salamina (grieksche accus. voor Salaminem, naar Salamis), partim Troezëna (grieksche accus. voor Troezenem, naar Troezen) asportavêrunt. Laudarem vos, si laude digni essötis. 10. Post eoenam ambiila-bïmus. Coelum invltat ad ambülandum. Adeste, alumni; tempus est laborandi. Socrates interrögando eorum opiniönes evocabat, quibuscum dispütabat. Maxima illëcëbra peccandi est impünïtatis spes. Quando litteras ad patrem tuum dedisti? 15. Heri litteras ad eum dedissem, nisi aegrötus fuissem. Magister mens lentus est ad laudandum, promtus ad vitupërandum. Antiochus, si obtempërasset Hannibali, propius Tiberi, quam Thermopylis cum Romanis dimicasset.

Na den slag bij Marathon gaven (perf.) de Atheners Miltïades 70 schepen, opdat hij daarmede (onvertaald) de eilanden zou bedwingen (debellare), welke bondgenooten der Persen geweest waren. O! had ik toch, gelijk (ut) de schuld, (zoo) ook (sic) de verdenking vermeden. Gij zoudt minder gezondigd hebben, zoo gij om den dood en een toekomstig leven gedacht haddet. Moge God u bewaren! Agesilaus hield het voor roemvoller, zoo hij de vaderlandsche wetten gehoorzaamde, dan zoo hij Azië door den oorlog overwonnen had. Het recht van beraadslagen was in de macht (penes met den acc.) van den senaat. De jongelingen moeten door strijden en arbeiden, de grijsaards door beleid den staat van nut zijn. Het voorbeeld der medeleerlingen zal mijn zoon tot arbeiden aansporen. Mijne leerlingen! het is tijd om te gaan wandelen. 10. Meestal twijfelende verzeker ik niets. Toen Epamïnondas Sparta belegerde, bevrijdde Agesilaus de stad door dapperheid en beleid. Zoo gij gisteren uwen vriend eeii brief geschreven hadt, zoude hij heden tegenwoordig zijn. Door arbeiden, waken en verduren zult gij weldra (mox) alle zwarig-

-ocr page 98-

92

heden overwinnen (= zult overwonnen hebben). Demoeritus schonk bijna zijn geheel vaderlijk erfdeel aan zijne burgers, om zijn geest van de zorg (abl.) voor (genit. zonder praepos.) huislijke dingen te bevrijden (= opdat hij zoude bevrijden). Eenen dwalende den weg niet te wijzen, is onrecht (nefas, indeclinabüe). Het voorbeeld van den veldheer heeft de soldaten tot den kamp aangezet.

§ 23. Vervolg.

Zie ook de aangehaalde § 38.

Passivum.

Parsimönïa, spaarzaamheid. praemium victoriae, de prijs der

herba, kruid, gras. overwinning.

philosophia, de wijsbegeerte. studium, studie, ijver, zucht, cërasam, kers. aeternïtas (tatis),^ eeuwigheid, peccatum, zonde. commendatio (önis), aanbeveling, occasio (önis), gelegenheid. prudens (entis), schrander, voorpastor (öris), herder. zichtig.

ros (öris) matutinus, de morgen- eras, morgen.

dauw. nondum, nog niet.

vulnus (ëris), wonde. utrimque, van of aan beide zijden,

innumërus, ontelbaar. ne, dat niet, met den conjunct,

regius, koninklijk. quod, dewijl, omdat.

Reditu hirandmum ver annunciatur. Innumëri sunt mundi et omnes habïtantur. Longissïma vita brevis est, si cum aeternita,te comparatur. Res familiaris conservêtur parsimonia et diligentia. 5. Amabïles estöte, ut amëmini. Laudarëmmi, si laude digm essëtis. Croesus rex Lydiae appellabatur felix. Romae (te Rome) quotannis bini consüles crëabantur. Deus nunquam nimis aman potest. 10. Laudariab honestis, vituperari ab impröbis, optima erit tibi commendatio. Romani compluribus praeliis ab Hannï-bale fugati sunt. In praelio ad (bij) Cannas fortïter utrimque pagnatum est (impersonale, er is gestreden, men heeft gestreden). In horto avuneüli nostri flörum pulchritudïne et lusciniarum cantu delectabïmïni. Themistöcles a patre exheredatus est. ^ 15. Orandum est, ut sit mens sana in sano corpöre. Quum oppidum Remörum a Belgis oppugnarëtur. Caesar ut Remos libëraret, cum exercitu advölavit. Si industrii fuërïtis a magistris laudabïjiïni. Hic vir benefïcus et liberalis etiam post mortem a civïbus cele-brabitur. Nemo prudens castïgat, quod (conjunctie) peccatum

-ocr page 99-

93

est, sed ue peccëtur. 20. Demoeritus patrimonium suis civibus donavit, ne rei familiaris cura a studio philosöphiae avocarëtur. Vitupërandi et castigandi sunt pigri discipuli, laudandi et prae-miis ornandi industrii.

De menschen prijzen dikwijls, opdat zij geprezen worden. De bloemen en de kruiden worden door den morgendauw verfrischt. De gezondheid wordt door den arbeid versterkt. Ik zou mijne meening niet verborgen hebben, zoo men mij gevraagd had =: zoo ik gevraagd ware. 5. De wonde des krijgsmans zal weldra genezen worden. Romulus en Remos zijn door koninklijke herders opgevoed. Niet slechts de zonden maar ook de gelegenheden om te zondigen zijn te vermijden. Toen Corinthe door Mummius veroverd was, zijn er vele standbeelden van daar (inde) naar (in) Italië overgebracht. Jupiter werd door de Grieken Zeus genaamd. 10. Soldaten, zoo gij dapper strijdt) = zoo gij dapper zult gestreden hebben), zult gij door de veldheeren geprezen en met belooningen der overwinning versierd worden. De briefen van Caesar zullen morgen in den senaat voorgelezen worden. De meester verlangt, dat (ut) alle schriftelijke werken nauwkeurig (adv.) verbeterd worden. De leerlingen zonden door den onderwijzer geprezen zijn, zoo zij de fouten zorgvuldiger vermeden hadden. Zelfs in een vjjand moet de dapperheid geprezen worden. 25. In het begin van den aanstaanden herfst zal de stad veroverd worden. De weilanden mijns ooms znllen door vele kleine kanalen bewaterd worden. Miltiades, van den oorlog teruggeroepen, werd wegens verraad (genitiv.) aangeklaagd (perf.) De ouders moeten door de kinderen geëerd en bemind worden.

§ 24. Tweede Conjugatie. — Activum.

een schip.

clavus, handvat aan het-roer. modus, maat.

alimentum, voedingsmiddel, bonum, het goede.

pomnm, boomvrucht.

poma (ornm), ooft.

De woorden zie iu § 40 van het vorige hoofdstuk, en ont-houde tevens de volgende:

conseientia, geweten bewustzijn, ratio (önis), rede.

sentïna, het vuile water onder in et — et, zoowel — als ook.

senator (öris), raadsheer, corruptus, bedorven, metnendus, gedocht, innöcens, onschuldig, curare, zorgen.

obscürare, verduisteren, fortasse, misschien.


-ocr page 100-

94

vinculum, band.

hilaritas (tatis), vroolijkheid, op-

gernimdlieid.

humamtas (tatis), menschelijkheid,

beschaving.

nubes (isquot;), wolk.

niox, weldra.

vix, nauwelijks.

qnamdin, hoe lang?

tamdiu ~ quamdiu, zoolang —als. autem, maar, doch; staat nooit vooraan in den zin.


Civïtas florere non potest, si cives legïbas non parent. Qoam-diu Spartae (te Sparta) leges Lycnrgi vigneront, Lacedaemoniornm civïtas floruit. Discipuli magistris parento. Qni bonörum prae-ceptis paruërit optïmë, optïmi ërunt. Gives legïbns parëant. Pareamus magistratïbus. Omnes artes, quae ad hemanitatem pertinent, commune qnoddam vinculum habent. Rem familiarem vestram parsimönia et dilïgentia angêbïmus. Nihil time, si bonam conscientiam habes. 10. Ver adest; mox silvan et prata virêbnnt. Discipuli quotidie memöriam exercëant. Arböres, quae vere non floruerunt, autnmno poma non praebëbunt. Innocens est, qui nemïni nocet. Modum adhïbëte in omnibus rebus. 15. Mater timïdi flere non solet. Difficile est tacêre; qunm injnstë objor-gëris. Sëdëbamns in pnppi et clavnm tenëbamnp, nnnc autem in sentïna nobis est vix locus. Si vales, bene est; ego valëo.

Voorbeelden onderwijzen beter dan voorschriften. Zoolang de wetten van Lycurgus kracht hadden waren de Lacedaemoniërs dapper en voor hunne vijanden geducht. De tjjd vernielt alle werken der menschen. Laat ons de wetten van den staat gehoorzamen. 5. De bedorven zeden van Azië hebben het leger van Alexander den Groote veel geschaad. Romnlos heeft het aantal der senatoren vermeerderd. De dichters vereenigen (misceo) het nuttige met het anngename. De weg tot eerambten (genitivus) zal voor uwe zonen openstaan. Och dat wij vlijtiger ons geheugen geoefend hadden! God, onzen vader, hebben wij leven, gezondheid, verstand, voedingsmiddelen en al het andere goedë (plur.) te danken. Zwjjgt, mijne vrienden, daar is de leermeester. Mocht gij maat houden zoowel in vroolijkheid als in droefheid. Hoe lang zal uw oom in Italië blijven? Weldra zullen de bloemen van onzen tuin bloeien en groenen. 15. Gisteren hebben wij de maan en de gesternten gezien, heden wordt de hemel door wolken verduisterd. Zoo gij uwen vriend gewaarschuwd hadt, had hij misschien dit gevaar vermeden. Door onderwijzen znlt gij uzelven oefenen.

-ocr page 101-

95

§ 25. Vervolg.

De volgende woorden dienen ter voorbereiding.

Injüria, onrecht, krenking. praeceptor (öris), leeraar.

lingna, tong, taal. principatos (üs), opperbewind,

minae (arnm), bedreiging. ingratus, ondankbaar,

stratiiiocamelus, struisvogel. insolïtas, ongewoon.

Seqüani, een volk aan de Seine, imminens (entis). bedreigend, na-convivinm, gastmaal. burig.

jacülum, werpspie». praefInïtae, vooraf bepaald, regnum, koningschap, koninklijke mendax (iicis), leugenachtig.

macht. cubare, liggen.

tectum, dak. exaeqaare, gelijk maken, evenaren,

amor (öris), liefde. multare, straffen.

altitüdo (ïnis), hoogte. occuprire, bezitten, in bezit nemen,

carcer (ëris), kerker. admödum, zeer.

Carthago, Karthago. funditas, tot den grond toe, ge-monitio (önis), vermaning. heel en al, volkomen.

pabülatio (önis), fourageering. perpetao, gedurig, aanhoudend.

Perïcle» (is), nom. propr. ultra, aan gene zijde (met denacc.). potestas (atis), macht.

Scythae neque agroni exercent, neque domnm ullum ant tectum habent. Mendax nemïni placet. Sevërissïmae Dracönis leges Atheniensibus valdë displicüëront. Cave, ne ingratum te pras-bëas. 5. Curate, discipüli, ut attentos vos praebëatis. Heri cnm praeceptöre tno te per prata ambulantem vidimus. Lacedaemo-niörnm sivïtas floruisset diutius, si Lycurgi leges perpetno vignis-pent. Quis urbein Carthagïneai delëvit? Scipio Aemilianus. Si patri tempus non deesset, sorörem meam lingnam italïcam docëret. 10. Po=t bel In m decern annorum Graeci urbeui Trojam delërunt. In scutis militum, fortïter pngnantium, jacula et sugittae haere-bant. Lex erat Thebis fte Thebe), qnae morte mnltabat, si quis imperium ultra diem praefïnitam retinnisset. Horatms Cocles solus primuui itnpëtum hostium suo corpöre snstinuit. Virum fortem minae nont terrëbunt. 15. Orgëtörix Castico, cujus pater princïpatum in (bij) Sequanis, muitos annos obtïnuërat, persuasit, ut regnum in civitate sna occuparet. Prodentia ex provïdendo appellata est. Dion divitias suas niunërïbus Dionysii auxërat. Magnus hostïum numerus milïtes non terruisset, »i Caesar ipse aciëi praefuisset. Delectamur, quum res vidëmus insolïtas, quas antea non vidëratnns.

-ocr page 102-

96

Ten tijde van Pericles heeft de staat der Atheners het meest gebloeid (ten tijde = in de tijden, abl. zonder praepositio). Gij, die uwe ouders zooveel goeds (ploï. Nentr.) verscholdigd zijt, hebt u ondankbaar jegens (in met den accns.) hen betoond. Niet de vrees voor straf (genit.) maar de liefde tot de deugd houde ons van (a met den abl.) het onrecht terug. Soldaten! wacht u, dat de vijand u ziet (men verbale dat hier door né). 5. Het is lof den braven te behagen. De kunst om te onderwijzen (= van te onderwijzen) is niet licht. Die zichzelven niet beteugelen kan, dien zullen kerker en banden niet in bedwang houden. Eenen wijze zal de dood niet verschrikken. De struisvogels van Africa hebben eene hoogte van een op het paard zittend ruiter. 10. De vijanden, die een kleinen heuvel bezet hadden, beletten de ruiters van Caesar het fourageeren (= hielden de ruiters van Caesar af van het fourageeren). Pisistratus en zijne zonen (= de zonen van hem) behielden langen tijd het opperbewind in den staat der Atheners. Mijn oom heeft mij de italiaansche taal onderwezen. Hoe lang is uw broeder in America gebleven ? Ik heb uwen vriend onlangs in de stad gezien. Toen de consul gezien had, hoe groot het aantal der vijanden was (conjunct.), nam hij een kleinen heuvel in. Zoo mijne vermaningen u niet bewegen, dan moge het gevaar zelf u afschrikken. Mummiis veroverde en verwoeste (perf.) in het jaar 146 (vertaal dit getal door ordinalia) vóór Christus, Corinthe. Bij de gastmalen (bij = in) zaten de Romeinen niet, maar lagen aan.

§ 26.

Zie de aangehaalde §, en leer vooraf de hieronder volgende woorden.

Agricultüra, akkerbouw. facinorösus, misdadig, slecht,

schola, school. pristïnus, voormalig, oud.

radius, straal. propositus, voorgenomen, be-

membrum, lid. paald.

officium, plicht, dienstbetooning. renuntiare, opzeggen, afstand iter (itinëris), reis. doen.

nnmen(inis),wenk,macht,godheid, proprius, eigen. preces(precnm),hetbidden,gebed, seditiösus, oproerig.

recrëatio (önis), verkwikking, uit- verus, waar.

spanning. salflber, (bris, bre), heilzaam,

scelus (ëris), snoodheid, misdaad, freqnentare, in menigte bezoeken

-ocr page 103-

97

robur (oris), sterkte, kracht.

voluntas (tatis), wil.

adïtus (üs), toegang.

adspectüs, (üs), aanblik.

commeatüs (üs), toevoer.

strepïtüs (üs), geruisch.

volatüs (üs), vlucht, het vliegen, quia j

Lahore et parsimönia res familiaris augêtur. Ores quotidie. Semel aut bis tondentur. Multi comëtae non videntur, quod obscürantur radiis solis. Scholam frequentamus, ut doeëamur. 5. Docemur in scholis, ut aliquando reipüblïcae prodesse possïmus. Caveamus, milïtes, ne vidëamur ab hostïbus {ne vertale men hier door dat). Ne terrëamïni minis. Dei opera nunquam delëbantur. Agricültüra quondam a princïpïbus, quin etiam a rêgïbus exer-cëbatur. 10. Gave deridëiiris. Regis adspeetu militës seditiösi retïnebantur. Corinthus anno centësïmo quadragesïmo sexto ante Christum delêta est. Modus adhibendus est in labore et in recreatiöne. Homo iste facinörösus a scëlere non deterrïtus esset, si mortem non timuisset. 15. Dejotarus rex itinëri cuidam renun-tiavit, aquïlae admonïtus volatu. Memöria quotidie exercenda est. Et monëre et monëri proprium est verae amicitiae. Caesar milïtes, roböre Germanörum territus, monüit, iit pristïnae virtütis memores essent. Prima officia diis immortalïbus, secunda patriae, tertia parentibus debentur.

De haas wordt door het geringste geraas verschrikt. Olifanten en leeuwen worden door het vuur verschrikt. Troja is tien jaar (accusativ.) door de G-rieken belegerd geworden. Stormen, waardoor (= door welke) wij verschrikt worden, zijn ons dikwijls heilzaam. 5. Zoo de Piraeus niet door de Laeedaemoniërs bezet ware, zouden de Grieken niet van den toevoer afgesneden geweest zijn. Laat u niet door de bedreigingen van iemand afschrikken. Het aantal der inwoners van Duitschland vermeerdert (= wordt vermeerderd) dagelijks. Prederik de tweede, koning van Pruisen, is onder het getal der groote mannen te houden. Cato vorderde, dat Karthago tot den bodem toe zou verdelgd worden. Gij bezocht de school, opdat gij onderwezen zoudt worden. Gij werdt onderwezen, opdat gij eens het vaderland en uw geslacht van nut zoudt kunnen zijn. Deze jongeling is noch dooide gebeden, noch door de bedreigingen zijns vaders bewogen geworden. Het nuttige worde bij het aangename gevoegd (admisceo, met den Dat.). 15. Zooals (ut) de ledematen der menschen door

postülare, vorderen, verlangen, aliquando, eens.

continuo, voortdurend, aanhoudend.

quin etiam, ja zelfs.

cluod I

7

-ocr page 104-

98

den wil bewogen worden, zoo (sic) wordt de gekeole natuur dooide macht van God bewogen.

§ 27. Derde Conjugatie. — Activum.

§ 42 van het vorige hoofdstuk.

Woorden.

Janua, deur. bos (bovis) (communis generisj,

fenestra, venster. os, koe.

medicina, geneeskunde, — middel, quoniam, naardien.

porta, deur. otium, ledige tijd, rust.

mures, muur. proditio, verraad.

commentarius (meestal in plur.), vestis, kleed.

gedenkwaardigheden, dagboek, securus, zorgeloos, zeker, oppïdiïnus, stedeling,stadbewoner.

Boves conübus, canes dentïbus, aves rostris et ungülis se defen-dunt. Quoniam patriam fortïter defendistis, rex magnos honöres vobis tribuet. Carthaginienses Hannibalem patriam defensum revöcarunt. Utinam regem et patriam fortius defendissëtis. 5. Motus terrae saepë totas urbes diruërat. Persae muros Athena-rum diruërant. Medicina dolöres tuos minuet. Hodie, amioi, optimas induïte vestes! Qui se ipsum non regit, alios regSre non potest. 10. Graeci urbem Trojam incendërunt. Multi canales aquam per totum oppïdum distribuëbant. Magister heri praemia discipülis distribuit. Plato totum ferë vitam in philosophiae studia impendit. 15. Si oppidani justo tempore portas clavisissent, hostes non irruissent in oppïdum. Quid diceres, si amicus te tanto crimïne argüeret. Bonum librum semel legisse non suff icit. Fabulas Phaedri mox legëmus. Si curas vestras minuërïtis, feli-ciores erïtis. 20. Alexandrum, tot regum et populörum victörem, vleit ira. Caesar ad Pharsalum non vicisset, si Pompejus minus securus fuisset.

Themistöcles herstelde de verwoeste muren van Athene. Ledigheid verzwakt (minuo) de krachten van lichaam en ziel. De tijd zal uwe smarten verminderen (verzachten). Lysander vernielde de muren van Athene. 5. Wij besteedden bijna drie jaren tot beoefening der latijnsche taal. Het hart verdeelt het bloed door (per) het geheele lichaam. De tyrannen verdeelden de goederen van vele rijke burgers onder elkander. Xerxes rukte met een ontzaglijk leger in Griekenland. De Galliërs staken de stad Eome in brand. De leerlingen der vijfde klasse lazen in het

-ocr page 105-

99

vorige jaar Virgilius. De leerlingen der tweede klasse zullen in het volgende jaar de gedenkschriften van Caesar lezen. Dappere krijgers vreezen den dood niet. Soldaten, zoo gij den dood niet vreesdet (conjunct.) dan (onvertaald) zoudt gij zegepralen en het vaderland van de slavernij bevrijden. Een rechtvaardig man deelt een ieder het zijne toe. De Atheners klaagden (pref.) Mil-tiades wegens verraad (genit.) aan. Overwin uzelven; dit (= deze) zal de grootste overwinning zijn. Miltiades overwon (perf.) de Perzen in den jare 490 bij Marathon. Door den roem kwaamt gij den nijd te boven.

§ 28. Vervolg.

Bestiöla, diertje. narratio (önis), verhaal, vertelling,

colonia, volkplanting. rumor (öris), gerucht.

epülae (arum), gastmaal. vicissitüdo (inis), afwisseling,

pecunia, geld. currus (üs), wagen.

legatus, gezant, legaat. ortüs (üs), het ontstaan, begin,

Rhodii, de Rhodiërs. opgang.

auxilium, hulp. dilucïdus, helder, klaar.

auxilia, hulptroepen. invöcatus, ongeroepen, ongenoo-

emolumentum, voordeel. novus, nieuw. (digd.

forum, marktplaats, het forum, pravus, verkeerd, boos, kwaad, incendium, brand. satis (sat), genoeg.

naufragium, schipbreuk. quando, wanneer?

cacümen (ïnis), spits, top, toppunt, brevi tempore, binnen korten tijd. consuetüdo (ïnis), gewoonte, om- quoque, ook (niet vooraan in den

gang. zin te plaatsen).

Non scholae (voor de school), sed vitae discïmus. In duodëcim menses descrïbimus annum. Linguam latinam brevi discëtis, si industrii erïtis et attenti. Docendo multi multa didïcêrunt. 5. Quum pater nobis pecuniam misërit, debïta solvêmus. Quid êgisti, amice, epistölam scripsisti? Surgïte amici! tempus est surgendi. Quando heri surrexistis? jam ante solis ortum. Quando eras surgëtis? hora sexta. 10. Themistocles quod et libërius vivëbat, et rem familiarem negligëbat, a patre exheredatus est. Quamdiu vivëtis, fortünae vicissïtudïnïbus erïtis obnoxii. Magna saepë ex parvis cognoscëmus. Quo brevior est oratio, eo dilueïdior et cognïtu facïlior. Non satis est reprehendisse peccantem, si non doeëas rectam viam. 15. E duobus malis elïge minus; e duobus vitiis elige neutrum. Romani in terras subjügatas colonias mittë-bant. Vitupërandi sunt, qui ob aliquod emolumentum amïcïtias

7*

-ocr page 106-

100

jungunt. Natüra sensïbus ratiönem adjunxit. 15. Pelias tiliam ei proniïsit, qui feras currui junxisset. Cimon omnes, quos in foro invocatos vidörat, ad coenam invitabat, quod facëre iiullum. diem praetermittebat. Utïnam pravorum consuetüdïnem semper fugisses! Rhodïorum lêgati a senatu petivërunt, ut populus roma-nus civitati auxilia mitteret. Delectat me ante lucem surgëre et in cacümïne montis solis ortum exspeetare. Quaedam bestiolae unum tantummödo diem vivunt. 25. Milïtes ducis exemplum trahit.

ïantalus, zoon van Jupiter, was zoo geliefd bij de goden (dativ.), dat zijn vader hem bij de gastmalen der goden toeliet. Ik zal mijn brief bij den uwen voegen. De deugd wordt noch door schipbreuk, noch door brand verloren. Laat ons niet slechts de daden (res), maar ook de geruchten kennen leeren. 5. De gezanten van alle staten verzochten (perf.) van Caesar den vrede, ïhemistöcles zond Xerxes den getrouwste zijner slaven. Ontvliedt den omgang met de boozen (= van de boozen). Attïcus heeft lang in Griekenland geleefd. Door onderwijzen leeren wij. 10. Ik heb bijna (circiter) 90 verba der derde conjugatie van buiten geleerd. Ik zoude ook de grieksche taal geleerd hebben, zoo mijn oom niet gestorven ware. Wij zonden onze schulden betaald hebben, zoo vader ons geld gezonden had (conjunct.). Waarom dringt gij, o vrienden? Ik heb den brief van onzen vader gelezen. 15. Wat heeft uw vader geschreven? niets nieuws (= van het nieuwe). De leeraar heeft ons niet alleen berispt, maar ook den rechten weg geleerd. De oden van Pindarus zijn moeilijk te verstaan (2de supinum). Wanneer is uw broeder heden opgestaan ?

§ 29.

Arrogantia, aanmatiging.

copiae (arum), troepen. Massagëtae (arum). Massageten. superbia, trotschheid.

tibia, fluit.

umbra, schaduw.

terminus, grens, doel. desidërium, verlangen, wensch. lutum, vochtige aarde, slijk, leem. terror (öris), schrik.

Vervolg.

affabïlitas (tati), vriendelijkheid, agger (ëris), dam, dijk.

gratia, gunst, dank. bevalligheid, laetitia, vroolijkheid.

Ceres (rëris), godin van het koren, comïtas (tatis), vriendelijkheid, fauces (cum), engte, bergpas, onus (ëris), last.

Phoenices (cum), Phoeniciërs. ignörare, niet weten.


-ocr page 107-

101

Austriacus, Oostenrijker, van Oos- aliquantum, tamelijk groot,

tenrijk. eenigszins (adv.).

invictus, onoverwonnen, onover- quemadmödum, zooals, gelijk.

winbaar. quantopëre, hoezeer.

saucius, gewond. adversus of adversum, tegen (met

vivus, levend. den aocus.).

coneiliare, verzoenen, zich tot circïter, ongeveer.

vriend maken. supra, boven,over(met denaccus.).

Cyrus Astyagem vïvnni eëpit. Terra omnesque planëtae lucem accipiunt a sole. Heri tandem patris mei epistolam, quam diu exspectavëram, accëpi. Aestiite homines et anïmalia umbram quaerunt. 5. Prometheus primus homines ex luto finxit. Ceres filiam Proserpïnam per totum terrarum orbem quaesïvit. Pyrenaei montes Galliam ab Hispania dividunt. Democrïtus, cui pater ingentes divitias relïquërat omne ferë patrimonium inter cives divisit. G-raeci multa oppida in Italia et Sicilia condiderunt. 10. Johannes parricïda Albertum Austriacum occïdit anno millesimo trecentesïmo octavo. Eomanörum exercïtus illis diëbus maximum iter fëcërat. Julius Caesar pontem in Eheno fëcit. Hannibal exercïtum per fauces Alpium duxit. Juvënes ad multam noctem (tot diep in den nacht) ceelnëre ad tibiam. Haec non ad (naar) meam, sed ad patris voluntatem fëcit. Non ignöro, quaemad-modum te adversum fratrem gessëris. Hie vir semper adversus gratiam et divitias invictum anïmum gerëbat. Pompëjus circiter meridiem exercïtum in castra reduxit. Certum mihi termïnum constïtui. 20. Majorem laetitiam ex desidërio bonorum percëpi, quam ex laetitia bonörum dolörem. Spartam urbem Eui\'ötas circumfluit. Aliquantum salis cibo adjicias. Deus animum corpöri jjraefëcit. Athenienses Alcibiadem e civïtate ejëcërunt. 25. Difficile dictu est, quantopëre conciliet anïmos hominum comltas affiiblll-tasque sermönis. In rebus prospöris (in voorspoed, van res prosperae) fugïte superbiam et arrogantiam.

Alexander de Groote heeft meer steden verwoest dan gesticht. Wie weet niet in welk jaar de Phoeniciërs Karthago gesticht hebben (conjunct.)? De vluchtende Romeinen lieten onder de vele gewonden ook den consul achter. Laat ons aan gene zijde der zee een nieuw vaderland opzoeken. Gij hebt mij een last opgelegd, welke boven de krachten eens menschen is. Gij hebt meer vruchten geplukt van (= uit) uwe ledigheid, dan ik van mijn arbeid. Mijn vriend, die onlangs van (= uit) het paard gevallen is, is nog ziek aan deze wonde (aan = uit). Caesar plaatste 2

-ocr page 108-

102

legioenen vóór de legerplaats. Er omgaf ons in het woud eene groote menigte herten en wilde zwijnen. 10. Caesar heeft het eerst (== de eerste) een romeinseh leger over den Rijn naar German iü overgevoerd. Mithridates heeft 60 jaar geregeerd, gedurende 40 jaar tegen de Romeinen oorlog gevoerd. De soldaten hebben eene 20 voet (ace.) breede gracht gemaakt (ducere), en een 10 voet hoogen dam opgeworpen (= opgericht.) Draco heeft zijn staat al te strenge wetten opgelegd. De gestalte der Germanen heeft den Romeinen grooten schrik ingeboezemd. 15. Virgilius is beneden Homerus te stellen (beneden door den dativus). Tarquinius Priscus heeft de stad met muren omringd. Twee nachtegalen hebben den ganschen nacht in den tuin mijns vaders gezongen. De italiaansche taal heeft haren oorsprong van de latijnsche genomen. Gij zijt aamechtig, gij hebt te hard (te spoedig) geloopen. 20. Toen de Romeinen Karthago ingenomen hadden (conjunct.), brachten vele inwoners zichzelven om. De Romeinen wierpen het hoofd van Hasdrubal in de legerplaats van Hannibal, Cyrus is in een slag met de Massageten gevallen, Miltiades verstrooide binnen korten tijd de troepen der ongrieken (barbari),

§ 30, Passivum. — § 42 van het vorige hoofdstuk.

Woorden ter voorbereiding,

Ignavia, traagheid, lafheid, fur (furis), dief,

impatientia, ongeduld, Macëdo (dönis), Macedoniër,

injustitia, onrechtvaardigheid, piëtas (tatis), vroomheid,

litëra, letter. Nero (önis), nomen proprium,

persona, masker, rol eens tooneel- pollicitatio, het beloven,

spelers, persoon, Scipio (önis), nomen proprium,

sententia, spreuk, meening, ge- Thales (lis of lëtis), Thales,

voelen, ignarus, onkundig,

Zama (ae), stad in Numidië. optime merïtus, zeer verdienstelijk nasus, neus. bij, omtrent, met de en de abl.

Lysander (dri), nomen proprium. Cannensis (is), bij Cannae (ge-exsilium, ballingschap. leverd).

flagitium, schanddaad. exsul, balling, voortvluchtig,

negotium, bezigheid, quasi, als het ware,

defectio solis, zonsverduistering,

Adolescentes praeceptis senum ad vü\'tütem ducuntur. Nes omnes trahïmur exemplis. Sapientia neque naufragio neque mcendio amittitur, Alexandria condïta est ab Alexandre Macëdöne, 5, Res

-ocr page 109-

103

familiaris quaeri debet parsimonia et laböre. Copiae Athenien-sium a Lysandro devictae sunt. Alcibiades ab Atheniensïbus e civïtate expulsus est. Ab Atheniensïbus saepe optime de patria meriti viri e civïtate ejiciebantur. Scïpiönis consilio et virtüte Hannïbal ex Italia decedcre coactus est. 10. Qui exsulem exee-përit, ipse mittïtor in exfiilium. Post victöriam, milïtes, magna vobis praemia magnïque lionöres tribuentur. Magister diseipülis quotidië denas sententias dëdit ediscendas. Europa tribus ex (van) partibus cincta marïbus est. Non virïbus aut celërïtate cor-porum, sed consilio et auctörïtiïte res magnae geruntur. 15. Anno proxïmo a diseipülis quintae classis Virgilius legêtur. Leges scholae ab omnibus discïpülis attentë leguntor. Anno trecentesï-mo nonagesïmo quinto post Christum natum impërium romanum divisum est in duas partes. Duabus quasi a natura indüti sumus persönis. Tandem omnibus cuiis et negotiis solütus sum. 20. Ilia est felix memöria, quae omnia tenet praeter (behalve) acceptam injüriam. Fur dicitur homo trium litërarum. Animus corpöri praepösïtus est. Homërus antepönendus est Virgilio (boven, door den dativ.). 25. Nasus quasi murus oculis interjectus est. Inserip-tum erat templo Apollinis : noscë te ipsum.

In den slag bij Cannae vluchtte de eene consul, de andere werd gedood. De grenzen onzer provincie zullen door twee dappere legers verdedigd worden. De stad Rome is in het jaar 753 vóór Christus gesticht. Ik zal u een brief geven om af te schrijven (door het gerundivum). 5. Door Thales is eene zonsverduistering voorspeld. Wij worden allen door liefde tot roem (door den genit.) getrokken. Het is treurig door een vriend bedrogen te worden. Men heeft mij niets over de zegepraal der onzen geschreven, (men heeft geschreven = er is geschreven). Morgen zullen den leerlingen de prijzen uitgedeeld worden. 10. De Karthagers werden (perf.) door de Romeinen bij Zama overwonnen. Pompejus zoude bij Pharsalus niet overwonnen -zijn, zoo hij een weinig zorgvuldiger geweest ware. De stad Rome is door Nero in brand gestoken. Saguntus is door de inwoners zeer moedig (adv.) verdedigd. 15. Door ongeduld zullen uwe smarten niet verminderen (vertaal: zullen verminderd worden). Wij weten niet in welk jaar Athene gesticht is. (conjunct.) Eene maand wordt in 30 of 81 dagen verdeeld (in met den aceus.) De gerechtigheid is met (dativ.) vroomheid verbonden. Het genot (voluptas). hetwelk uit de ware vriendschap gesmaakt wordt (percipio), is boven alle andere te stellen. 20. Uwe ooren zijn voor (dativ.) de waarheid gesloten. Deze mannen, uit het va-

-ocr page 110-

104-

derland wegens schanddaden verbannen, vloeien (perf.) te Rome (accus.) te zamen. Niemand is door traagheid beroemd geworden (is geworden = is gemaakt).

§ 31. Vierde Conjugatie. Activum.

Men zie § 44 van het vorige hoofdstuk en leere de volgende woorden :

Abundantia, overvloed. lana, wol.

luxüria, zwelgerij. Mithridates (tis), nom. propr.

nuptiae (arum), huwelijk. pellis (is), vel, huid.

Capïtölium, het Kapitool. Pharnaces (cis), nom. propr.

colloquium, samenspraak, onder- soror (öris), zuster.

houd, gesprek. victus (üs), kost, levensmiddel,

valium, wal. mutüus, onderling, wederkeerig,

adulator, vleier. wederzijdsch.

amoenïtas (atis), aangename lig- comportare, te zamen brengen.

ging, bekoorlijkheid. forsïtan, misschien, wellicht,,

facultas (tiïtis), vermogen, de be- quam primum, zoo spoedig mo-

kwaamheid, aanleg. gelijk.

feritas, woestheid, wildheid. ultra, aan gene zijde, over.

Ovis hominem came sua nutrit vestique lana sua. Officia mu-tua nutrïunt amlcïtiam. Persae puniëbant ingratos. Ne servïas corpöri. 4. Puëri ultra octo horas ne dormïunto. Multa, sunt, quae nescïremus, nisi ea audivissêmus. Nescire saepe melius est quam scire. Canes greges et domos custödïunt. Obëdïte nunc ut aliquando alii obëdïant vobis. 10. Loca amoena Asiae milï-tum anïmos mollïvërunt. Veteres Germani dormiëbant in pellïbus ferarum. Vos, qui nunc in abundantia vivïtis et luxüria, aliquando forsïtan sitïëtis et esürïëtis. Nives iter vestrum impë-dïent. Mors patris nuptias soröris meae impedïvit. 15. Caesar impëravit, ut milïtes castra vallo fossaque munirent. Saepius legendi quam audiendi occasiönem habêbïtis. Lacedaemoniörum coenam labor et fames condiëbant. Caesar, quum Pharnicem, Mithridatis filium vicisset, ad senatum romanum scripsit; Vëni, vïdi, vici.

Hoort de stem des gewetens. Een koning hoore de stem dei-vleiers niet aan. God zal de goddeloozen straffen. Mijn vader heeft deze twee knapen gedurende 10 jaren gevoed en gekleed. 5. De hoop zal den ijver der menschen voeden. Ik weet niet of

-ocr page 111-

105

(num. met den conjunct.) uw vriend reeds aangekomen is. Ario-vistus en Caesar kwamen (perf.) op eene groote vlakte tot een onderhoud te zamen. Niemand kan twee heeren dienen. Hij, die een slaaf is van zijn lichaam (= hij, die zijn lichaam dient) is niet vrij, ofschoon hij over een geheel volk (dativ.) gebiedt (conjuct.). 10. De Romeinen versterkten hun leger door een wal en door eene gracht. 2\'org, dat gij zoo spoedig mogelijk tot mij komt. De kunst om te schrijven hebben de Phoeniciërs uitgevonden. Gód heeft onze zielen het vermogen om te gevoelen en te denken gegeven. Gedachtig aan de toekomst (= aan het zullende zijn) brengen de bijen en mieren levensmiddelen te zamen. 15. Leerlingen, gij moet uwe leermeesters gehoorzamen (impera-tivus). Bergen, rivieren, wouden en moerassen verhinderen den marsch der romeinsche legioenen. Ganzen bewaakten het kapi-tool. De bekoorlijkheid der streken van Azië heeft de woestheid der Galliërs verzacht.

§ 32. Vervolg.

Essëda, essëdum, strijdwagen. exspïrare, uitblazen.

lupa, wolvin. irridëre, uitlachen, bespotten,

membrana, dunne huid, vlies. respondere, antwoorden.

Pausanïas (ae), nom. propr. congelascëre, bevriezen,

sepulcrum, graf. quomödo, hoe ?

ludïbrium, spot, hoon. edlcëre, aanzeggen, aankondigen.

Cato (önis), nom. propr. tradëre, overgeven, uitleveren,

oratio (önis) , redevoering. ne — quidem, zelfs niet, het woord conscïus, bewust, medewetend. waarop de nadruk valt, wordt peloponnësiacus, peloponnesisch. tusschen ne en quidem geplaatst, gravis, zwaar, gewichtig, ernstig.

Multo pauciöres, oratöres, quam poêtas bonos reperimus. Na-tttra ocülos membranis tenüissimis vestïvit. Vasa clausa, in qui-bis aqua congelascit, dissiliunt. Romani mortttos in urbe non se-pëliêbant. 5. Romulus edixërat, ne qui no vos urbis muros transilïret; sed Remus eos ludibrio fratris transilüit. Romani im-përatöris Vitellii corpus non sepëlivërunt, sed in Tibërim abjëcë-runt. Britanni ex essëdis desiluërunt et cum Romanis dimica-vërunt. Quid est tam jucundum auditu quam oratio sapientïbus sententiis et gravibus verbis ornata ? Consul bellum celërius fï-nïvisset, si hostes a commeatu potiüsset prohibëre. 10. Nemïnem repërïas, qui sciat omnia. Utmam patris tui praecepta audivis-ses! Bene dormit, qui, nullïus peccati conscius est. Laelius et

-ocr page 112-

106

Scipio saepë ad Catönem veniebant, ut ejus de seneetute sermo-nes audirent. Spartani jiiventutem laborando, cnrrendo, esüriendo, sitïendo, erüdïre solëbant. 15. Ne summa quidem parentum injuria erga libëros amorem exhaurïre potest.

Hoe kunnen wij den staat beter ten dienste staan, dan zoo wij de jeugd opvoeden en vormen. De peloponnesische oorlog heeft de krachten der Atheners uitgeput. Eomülus had Remus niet gedood, zoo hij niet over de muren gesprongen was. De schoonheid des menschelijken lichaams brengt ons daarom juist (hoe ipso) in verrukking, omdat (quod) al de deelen onderling (= onder zich) overeenstemmen. De Spartanen hebben Pausanias op dezelfde plaats (abl.) begraven, als (= waarop) hij den adem uitgeblazen heeft. Alexander opende (perf.) het graf van Cyrus. De tijd zal tiwe smarten verzachten. De veldheer zal den krijg vóór het begin des winters geëindigd hebben. 10. Romulus en Remus heeft eene wolvin gezoogd = gevoed. De lente zal rivieren en meren openen. Xerxes, koning der Persen, schreef (perf.) Leonïdas, koning der Spartanen : geef de wapens over ; Leonïdas antwoordde (perf.) hem : kom en neem ze.

Palpëbra, ooglid.

pilus, haar.

ursus, beer.

castellum, kasteel, tegumentum, deksel, cupidïtas, begeerlijkheid, incursio, inval.

judex (ïcis), rechter.

§ 33. Passivum.

Men zie § 43 van het eerste hoofdstuk en make zich nog de volgende woorden eigen.

confectus, uitgeput, afgemat, diuturnus, langdurig, macedönïcus, macedonisch.

rudis, ruw, onbewerkt.

instare, op handen zijn, naderen, plane, volkomen, geheel en al. dimittëre, ontslaan.

intra, binnen (met den accus.).

jussüs (us), bevel.

In Africa nee apri nee ursi inveniuntur. Fame cibi condiuntur. Litterae a Phoenïcibus inventae sunt. Alexander magnus ab Aris-totele eruditus est. 5. Bello triginta annorum G-ermania plane exhausta erat. Rudes essetis, si non erüditi fuissëtis. Probörum preces a Deo exaudientur. Improbi post mortem a judice sevëro judicabuntur et punientur. Fines imperii romani multis castellis contra Germanorum incursiönes muniti erant. 10. Cavëte, disci-püli, ne ob pigritiam puniamini. Dolores spe leniuntur, Paren-

-ocr page 113-

107

tes senectüte confecti a liberis nutriuntur. Pueri et puellae scholas frequentant, ut erudiantur. Lex erat apud Komanos : nemo in urbe sepelitor. 15. Si oppidum vallo fossaque munltum fuisset, non tam facile ab hostibns captum esset. Quando tertium puni-cum bellum finitiim est ? Pausanias eodem loco sepultus est, ubi anïmam exspiravit. Omnibus tempöribus pauciöres homïnes re-perti sunt, qui suas cupiditates, quam qui hostium eopias vince-rent. Trajanus solus intra urbem sepultus est. 20. Terram flo-ribus, herbis et arböribus vestïtam vidêmus et ornatam. Hie ci-bus sale condiendus est. Audiatur et (ook) altera pars. Alexan-dri magni jussu Cyri sepulchrum apertum est.

Door welk volk is de kunst van schrijven uitgevonden ? dooide Phoeniciërs. In welk jaar is de peloponnesische oorlog geëindigd ? in den jare 404 vóór Christus. Cicero is door Grieksche wijsgeeren gevormd (erüdio). Het lijk (lichaam) van Vitellius is niet begraven, maar in den Tiber geworpen. De krachten der Karthagers waren door den langdurigen krijg uitgeput. Al ons lijden (= alle onze smarten) eindigen (worden geëindigd) met den dood. De zeden der Romeinen zijn door de wetenschappen, welke de Grieken hun geleerd hebben, verzacht. Leeuwen worden in Europa niet gevonden. De maaltijd der Lacedaemoniërs werd door honger en arbeid gekruid. De romeinsche knapen werden door grieksche slaven onderwezen. De oogen zijn met een zeer dun vlies bedekt. De oogleden, dekselen der oogen, zijn als het ware met een wal van haren beschut. Zoo de krijg geëindigd zal zijn, zullen de soldaten ontslagen en naar huis gezonden worden (naar huis, accus. zonder praepositio). De punische oorlog was nog niet geëindigd toen de macedonische reeds op handen was.

§ 34. Deponentia. Ie Conjugatie.

Verba uit § 46, 1 van het vorige hoofdstuk.

Woorden;

Continentia, matigheid, ingeto- nonnulli (örum), eenigen, som-

genheid. migen.

innocentia, onschuld. pernoctare, overnachten.

villa, landhoeve. contmëo (nui, tentum), samen-

Helvëtius, Zwitser. houden, insluiten.

Corinthius, Korinthiër. corrumpo(rüpi,ruptum),bederven.

Pythagorëus, aanhanger van Py- corrumpere auro, door goud om-thagöras. koopen.

-ocr page 114-

108

sturnns, spreeuw.

foenerator (oris), woekeraar, légatio (onis), gezantschap, versus, üs, vers, res adversae, tegenspoed.

repëto (ivi, ïtum), terugvorderen, transïgo (ëgi,actuni),doorbrengen. pluries, meermalen.

noctu, des nachts.

vespere en vesperi, des avonds, undïque, van alle kanten.


Qui dat beneficia, deos imïtatur; qui repëtit ea, imitatur foeneratöres. Sturni humanam vocem imitantur. Utïnam in omnibus rebus fratrem tuum imitatus esses. Ne imïtare mag-nörum virörum vitia sed virtütes. 5. Consul nonnullos milites in castra hostium mïsit, qui sub specie (onder den schijn) lega-tiönis eorum numërum specularentur. Spes misëros consölatur. Hominem probum bona conscientia ubïque comitatur eumque in rebus adversis consolabïtur. Innocentia tua te consoletur. Minus ea admiramur, quae saepë vidimus. 10. Homo honestus nemïni adulabïtur. Socrates totïus mundi se incölam et civem arbïtra-batur. Impröbi aliquando cum dolöre flagitiorum suorum recor-dabuntur. Multorum te ocüli specülabuntur. Helvëtii, quod undïque loei natura (natuurlijke gesteldheid der plaats) continë-bantur, minus late vagari potërant. 15. Pythagörei, quid quoque die dixissent, audivissent, cgissent, vespëri recordabantur. Totius fëre Galliae legati ad Caesarem gratulatum convënörant. Ego, qui ad vos vëni gratulatum, consölandus ipsë sum. Hannibal hortatus est, ut pristïnae virtütis recordarentur. Hic philosöphus omnem ferê vitam meditando transëgit. 20. Humanitatis studia ubïque nos comitantur; pernoctant nobiscum, peregrïnantur, rus-tïcantur.

De roem is als het ware de schaduw der deugd; hij begeleidt overal de verdienstelijke mannen. Rijkdom en eer zullen hen begeleiden, die hunne jeugd goed besteden (vertaal: zullen besteed hebben.) De oude Romeinen straften streng de slaven, die hunne heeren belaagd hadden. Laat ons hen navolgen, die ook ondankbaren weldaden betoonen (dare). 5. Volgt de mieren na, die ook bij nacht bezig zijn. Roovers zwerven in dit woud rond. De duiven nestelen in muren. In het vorig jaar heeft een ooievaar op het dak van ons huis een nest gemaakt. De onderwijzer heeft ons de verzen verklaard, welke wij niet verstaan hebben. 10. Wij zullen ons steeds uwer en uwer weldaden herinneren. De volken van Azië hebben meermalen Europa verwoest. Wie bewondert niet de redevoering, welke Cicero tegen Catilïna gehouden heeft ? (houden, habëre). De Cimbren, door Gallië rondzwervende, verwoestten de akkers en steden. De Corinthiërs heb-

-ocr page 115-

109

ben Alexander, den groote, toen hij Aziü overwonnen had, door (per) gezanten geluk gewenscht. Het landgoed van M\' (Manius) Curius beschouwende kan ik \'s mans ingetogenheid niet genoeg bewonderen. Hij, die de taal der braven nabootst, zal niet immer hunne handelingen nabootsen. De koning der Perzen heeft tevergeefs gepoogd Epamïnondas om te koopen.

§ 35. Deponeutia der tweede Conjugatie.

(Verba uit § 46, 2 van het eerste hoofdstuk).

Delictum, vergrijp, misdrijf. ingenue, vrijmoedig, openhartig,

signum, teeken, veldteeken. praesto (ïti, ïtum) praestare, aan anïmans (antis), levend wezen, den dag leggen, bewijzen.

schepsel. perficio (feci, fectum), perficëre, inbecillïtas, (tatis) zwakte, zwak- oitvoeren, volvoeren.

held. committo (commisi, issum.)

intuïtüs (üs), aanblik. committere, begaan.

Pauci hommes vitia sua ingenue fatentur. Si Deus nos tuëtur, quid nobis verendum est? Vereor, ne (dat, achter de verba van vreezen) sit pater meus aegrötus. Innöcens judicem non verë-bïtur. 5. Da mihi, quod pollicïtus es. Ne pollicearis, qua perficëre non potëris. Homo solus coelnm intaëtnr, cetëra anirnan-tia intoentor terram. Milïtes, qni signa reliqnëront, maxïmam poenam merentnr. Miserere paupërnm. 10. Reveremini Denm et parentes. Catilïna sociis suis maria ac montes (gouden bergen, eigenlijk, zeeën en bergen) semper pollicïtus ërat. Malefïci, qaum dilictnm confess! ërunt, levlus punientur. Nihil est quod majörem tibi fructum gloriamque parare possit, qnam de repu-blïca benë merëri. Cicëro optime de republïca meritus est. 15. Lacedaemönii seiies et leges reverëbantnr. Saos quisque taëri debet.

Handt, wat gij beloofd hebt. God zal zich over hen erbarmen, die zich over de armen erbarmd hebben. Zij, die hun vergrijp loochenen, zyn slechter dan die het openhartig bekennen. Mijn vader zal den zoon van onzen buurman, zoolang deze afwezig zal zijn, in zijne hoede nemen. 5. Eerbiedigt de wetten van den staat. Hij die geen kwaad (— niets van het kwade) bedreven heeft, zal den aanblik des rechters niet vreezen. Na den slag by Zama hebben de Carthagers zich overwonnen verklaard. Een wijze zal, zichzelven aanschouwende, zijne zwakheid bekennen; een dwaas zal ze loochenen. De Romeinen hebben den gezanten

-ocr page 116-

110

der Atheners hulp beloofd tegen Philippus, koning der Maeedo-niërs. De meeste dieren zijn met wapenen (abl. zonder praepos.) voorzien (munitus, instmctus), waarmede zij zich en hunne jongen beschermen kunnen (kunnen door den conjunct, van defendo). Mets beschermt den koning beter, dan de liefde en trouw der burgers. Caesar zond (perf.) romeinsche ruiters tot de Belgen, om de akkers der bondgenooten tegen de invallen der vijanden te beschermen (— welke zonden beschermen enz.)

§ 36. Deponentia der derde Conjugatie.

(Verba uit § 46, 3 van het eerste hoofdstak).

Notitia, kennis. deflagrare, afbranden.

Perdiccas (ae), nom. propr. andeo, aasas sum, audere, (neu-papyrus, papierstraik. tro-passivum), durven,

vestigium, voetspoor. jacëo,jacni,jacitnm,jacëre,liggen,

crudelïtas (tatis), wreedheid. discëdo, (cessi, cesscm), cedëre, dissensio(onif-),oneenigheid,twist. heengaan, wijken.

felicïtas (tatis), gelukzaligheid. extinguo (stinxi, stinctum), extin-aeternus, eeuwig. guëre, uitdooven.

disertus, welbespraakt, welspre- qnotiescanque, zoo dikwijls als,

kend. telkens als.

decörus, passend, bekoorlijk, cum (of nbi l primnm, zoodra als.

schoon. usque ad, tot — toe.

ephësius, ephesisch. usque in, tot — in.

mutus, stom. extra, buiten, behalve (met den bipes (bipëdis), tweevoetig. acc.)

palaster (tris, tre), moerassig. pro, voor (met den abl.)

Gloria virtütem tanqnam umbra sequitur. Multa pollicëris, nihil exsequëris. Athenienses duabns victoriis, marathonia et salaminia, maxïmam apud omnes gentes gloriam erant consëcüti. Non minus ea nostra sunt quae anïmo complectïmur, qnam qnae ociüis intnëmur. 5. Audi multa, loquëre panca. Ante pngnam apud Zamam Hannïbal cnm Scipiöne collöcütus est. Ocüli intar-dum magia diserte qaam os loquuntnr. Nascimnr ut moriamur, morimnr ut vivamns. Ante senectütem cura, ut bene vivas, in senectute ut bene moriaris. Thebanornm gloria nata et exstincta est cum Epaminonda. Dolce et decörnm est pro patria mori. Jacet corpus dormientis ut (als) mortai Pii hommes aeternam in coelo felicïtatem nanciscentnr. Scribam ad te cnm primnm ali-quid otii nactus ero. 15. ürsi inderdnm bipëdes ingrediuntur.

-ocr page 117-

Ill

Hannibal tantum terrorem injecit exercitui romano, ut egredi extra vallnm nemo audêret. Qaotiescunque Hannibal cum Eo-manis congressns est, in Italia semper discessit superior (als overwinnaar). Ilia est felix memöria, quae nihil obliviscitnr nisi (dan) acceptam injuriam.

Onze soldaten hebben den vijand tot in het gebergte vervolgd. Door ongerechtigheid (abl.) en wreedheid heeft niemand waren roem erlangd. Gij zoudt zoo ongelukkig niet zijn, zoo gij de voetstappen uwer oudera waret gevolgd. De papierstruik groeit in de moerassige streken van Aegypte. 5. In denzelfden nacht (abl.), waarin Alexander geboren werd (perf.), brandde de tempel der ephesische Diana af. De stomuien spreken door teekens. Onder alle levende wezens (genit.) heeft de mensch alleen kennis van God. Wie zal over den akkerbouw beter spreken dan de landbouwer, wie over den krijg beter dan de soldaat ? Alexander de Groote beval (perf.) stervend zijn rijk aan Perdicas aan. Caesar viel bij het krieken van den dag (prima luce) de Helvetiërs aan. Wij zullen nimmer uwe weldaden vergeten. Caesar vermaant de Galliërs, dat zij hunne ge.-chillen zonden vergeten. Zoo de vijanden het leger der bondgenooten aangevallen hadden, zou onze veldheer dezen hulptroepen gezonden hebben. God omvat ons allen met dezelfde liefde.

§ 37. Vervolg.

Ambulatiuncüla, een kleine

wandelplaat\'.

concordia, eendracht.

discordia, tweedracht, grammatica, spraakkunst, bacülus of bacülum, stok. jndicium, oordeel, gerecht, jugum, juk, top.

recusatio (onis), weigering, vetustas (tatis),oiiderdom,ondheid viator (oris), reiziger.

cruciatus, marteling, pijniging,

pijn, kruisiging.

expëditus, licht gewapend, occultus, verborgen.

comparare, verschaffen, bereiden, devölare, wegvliegen.

supplicium, foltering, lijfstraf,

doodstraf.

aedes (is), tempel, en aedes

(ium) huis.

castor, (öris), bever.

formösïtas (tatis), schoonheid, pes anterior, de voorste voet. paupertas (tatis), armoede, aufugio (fügi, fügïtum), fugëre,

ontkomen, ontvluchten.

cresco, crëvi, crétum, crescëre, groeien.

immitto, (misi, misaom), mittere,

afzenden, toezenden.

reflcio (fëci, fectum), ficëre, wederom opbouwen, herstellen, clam, heimelijk.


-ocr page 118-

112

videor (visns sum),vidëri,schijnen, simulac (simulatque), zoodra als. adscendo (ndi, nsnm) adscendëre, quousque, tot waarheen ? tot hoe-

opstijgen, opklimmen. lang?

Felix ille est, qui bona frmtnr valetüdïne. Pater mens in Italiam profectüras est. Omnia, quae ad proflciscendnm pertinent, comparavit. Marcus Atilius Eegulus, nt fidem (zijn woord) hosti datam conservaret, ad supplicium profectus est omnesque cruciatus fortïter passus est. 5. Multi sunt, qui Dei beneficiis abutantur. Quum Pompejus in Asiarn reverteretnr. Caesar jam profectus ërat in Galliam. Castor pedibus anteriörïbns, ut (als) itianïbus utitor. Quousque, Cat\'lïna, abutëre petientia nostra? Utïnam nos eadem grammatica latina uterëmur, qua vos utimini. 10. Utïnam otio tuo non esses abusus. Caesar cum legionïbus expedïtis in Mena-pios profectus est. Concordia res parvae crescunt discordia maximae dilabuntnr. Sitnnlac fortüna delapsa est, dilfügiunt amlci. Haec res mihi e memoria elapsa est. 15. Caput collo nitïtar. Viatöres, nïsi baculo, summum jugum montis adscendërunt. Eecu-satio ejus occulta quadani ratiöne (gi\'ondj niti vidétur.

Het heil van den staat steunt op de godsvrucht, trouw, dapperheid, vlijt der burgers. De zieke zal, steunende op mijn arm, eene kleine wandeling door den tuin doen. Mijn grootvader geniet nog eene goede gezondheid. De braven zullen in den hemel eene grooter gelukzaligheid genieten, dan die welke (qaam qua) zij op deze aarde genoten hebben. 5. Dwaas is het toornig te zijn op die dingen (dativ.), welke onzen toorn niet gevoelen kunnen. Over alle dingen gebruik uw oordeel. Wij Zullen den ledigen tijd niet misbruiken, dien wij verkregen hebben. Niet hij, die de voorschriften onthouden, maar die ze volbracht beeft) zal er nut van trekken (— zal genieten het nut van dezen). Schoonheid, rijkdom en kracht des lichaams zullen binnen korten tijd (abl.) in verval geraken. De verledene tijd zal nooit terug-keeren. Ik zal u schrijven, zoodra mijn vriend teruggekeerd zal zijn. De ruiters braken (perf.) bij het krieken van den dag op en vervolgden de vijanden, die des nachts heimelijk ontvlucht waren. Wanneer zal uw vader naar Italië vertrekken? wanneer zal hij terugkeeren? Augustus heeft den door ouderdom (abl.) vervallen tempel wederom laten opbouwen. Laat ons moedig en standvastig de rampen dragen, welke God ons beschikt heeft. Epaminondas heeft gewillig (facïlë) de armoede verdragen.

-ocr page 119-

113

§ 88. Deponentia der vierde Conjugatie.

(Verba uit § 46, 4 van het vorige hoofdstuk).

Eloquentia, welsprekendheid. dilïgo (lexi, lectum,) diligëre, be-

gaza, schat. minnen, liefhebben.

Europaeus, Europeaan. furor (furatus sum), furari, stelen,

jocus, jok, scherts. simul, te gelijk.

commodïtas (tatis), gemakkelijk- efficio (feci, fectum), efficëre, be-

heid. werken, tot stand, te weeg bren-

orïgo (ïnis), oorsprong. gen.

völuptas (tatis), wellust. interrumpo (rüpi, ruptum), inter-

metüs (üs), vrees. rumpëre, aan stukken breken,

usüs (üs), gebruik, nut. vernielen.

fides (ei), geloof, vertrouwen, adeo, zoo, zoozeer.

trouw. itërum, wederom, nogmaals,

indignus, onwaardig. postëa, hierna.

numidïcus, numidisch. procul, ver, van verre.

absolvo (solvi, solütum), absolvëre, subïto, plotseling, onverwacht,

vrijspreken. quoties, hoe dikwijls.

Sol omnibus planëtis lucem suam largïtur. Ad homïnum com-mödïtates et usüs natüra ingentem rerum copiam larglta est. Ocüli non mentiuntur, os saepius. Epaminondas adeo diligens (als adject, met den genit.) veritatis, lit ne joco (uit scherts) quidem mentirëtur. 5. Si quis semel mentitus fuerit, postea fidem nullam inveniet. Antonius et Octavianus imperium orbis terrarum inter se partïti sunt. G-audia et dolores cum amlcis parti-amur. Magnos homïnes virtüte metïmur, non fortüna. Phoenïces antiquissimis temporïbus multa maria permensi sunt. 10. Quoties aliquid conabëris, te simul ut ea, quae paras, metïre. Qui blan-diuntur, plerumque non procul absunt a mentiendo. Socrates certo absolütus fuisset, si judicibus potuisset blandïri. Aemilius omni Macedönum gaza, quae fuit maxima, potitus est. Rectê faciunt, qui in re graviöre a Deo et cum Deo solent ordïri. 15. Inimicitiae Sullae et Marii jam a bello numidico orsae erant. Rhenus ex Alpibus ortus, haud procul ab origine sua magnum effïcit lacum.

De wellust streelt de zinnen. Atticus heeft den machtigen Antonius nooit gevleid. Toen Dio gestorven was, heeft Dionysius andermaal het rijk (regnum) bemachtigd. Proculeius deelde (perf.) zijn vaderlijk erfgoed met zijne broeders, die het hunne door den burgerkrijg verloren hadden. 5. Verspil uwe weldaden niet aan

-ocr page 120-

114

die menschen. De natuur heeft Hortensius de grootste welsprekendheid geschonken. De roovers hebben den buit onder elkander verdeeld. De schepen der Europeanen doorvaren thans alle zeeën. Ieder pleegt de gevaren naar zijne vrees af te meten. 10. Conon viel (perf.) de Lacedaemoniërs bij Cnidus aan en overwon hen in een grooten slag. Zij, die plegen te liegen, zijn niet ver van het stelen verwijderd. Wij vieren den dag, op welken wij een nieuw jaar beginnen. Een plotseling ontstane storm vernielde (perf.) de twee bruggen der rivier. 15. Alexander de Groote heeft het geheele rijk der Perzen bemachtigd.

DERDE HOOFDSTUK.

LEESBOEK. 1)

Fabülae et narratiunculae.

1. Corvus.

Corvus, qui casëum fortë repërërat, gaudium alta voce signi-fïcavit. Quo sono allecti 1) plures coryi famëlici advolamp;verunt opïmamque ei dapem eripuërunt. — Qui fortuna sua gloriantur aliorum avïdïtatem et invidiam excitant.

2. Pavo.

Pavo gravïter conquërëbatur apud Junonem^ domïnam sua,m quod (dat, omdat) vocis suavïtas sibi denegata esset, dum luscïnia, avis tam parum decöra, cantu excellat. Cui 2) Juno respondit. injustë querëris: non enim omnia bona uni sunt tribuenda.

3. B o v e s.

In eodem prato paseebantur tres boves in maxima concordia et

1

De onbekende woorden zoeke de leerling in een woordenboek op. De vormen, welke de leerling verondersteld wordt nog niet te kunnen weten, zullen met de noodige inlichtingen in de aanmerkingen opgegeven worden. De woorden, die in het tot hiertoe behandelde voorkomen, worden niet weder opgegeven.

1) allicio. 2) Cui bijna — et ei, om den ziu nauwer met het vorige te verbinden, zuoals in het latijn meermalen geschiedt, mits er op het pronomen geen nadruk ligt.

-ocr page 121-

115

sic ab (tegen) omni ferarum incursione tuti erant. Postquam autem dissïdium inter illos ortum est, singuli a feris petïti et laniati sunt. — Fabüla docet, quantum boni sit in concordia.

4. C a n c r i.

Cancer dicebat filio: ne sic obliquis semper gressibus incëde sed recta via pergë. Cui ille respondit: libenter, mi pater, prae-ceptis tuis obtempërabo, si te prius ïdem facientem vidëro. Adoles-centia nulla re magis quam exemplo trahïtur.

5. Vulpesetleaena.

Vulpes leaenae expröbrabat, quod fomdat) unum tantummödo catülum parëret. Leaena respondit: Unum sed Leonem. — Haec fabüla scripta est in (tegen) eos, qui non bomtütem rerum, sed copiam tantummödo aestïmant.

6. Vulpes et uva.

Vulpes, quum uvam in vite conspexisset 3), ad illam subsiluit 4) omnium virium suarum contentiöne. Tandem defatïgata inani laböre, discëdens dixit: at nunc etiam acerbae sunt. Sic multi homines earum rerum, quas assëqui non possunt, contemtum simulant.

7. Anseresetgrues.

In eodem quondam prato pascebantur ansëres et grues. For-tuïto dominus prati appropinquavit, quem cum conspexissent gi-ues facüë devólaverunt; sed ansëres, impëditi corporis gravitate, depre-hensi, et mactati sant. — Sic saepe paapëres cnm potentiörïbus in eodem crimïne deprebensi, soli dant poenam (boeten, gestraft worden), dum illi salvi evadunt.

8. A s ï n u s.

Asïnus pelle leönis indfltus, terrëbat homïnes et bestias tanquam (evenals, met den conjunctivus) leo esset. Sed fortë, dum se celërius 5) novet, aures eminëbant, unde agnïtus 6) in pistrïnum abductus est, ubi poenas petulantiae dedit. — Haec fabüla stolïdos notat, qui ob immeritos honöres superbiunt.

3j Conspicio. 4quot;) Subsilio. 51 Adverbium. De comparativus beteekent dikwijls een vrij boogea graad, dus: wat, vrij snel. 6) agnosco.

8*

-ocr page 122-

116

9. Grrusetpavo.

Pavo coram grue pennas explicans »quanta est, inquit, 7), for-mosïtas mea et tua deformitas!quot; At grus evölans respondit: quanta est levitas mea et tua tardïtas! Monet haec fabüla, ne ob aliquod bouum, quod nobis natui\'a tribuit, alios contemnümuSj quibus natüra alia et fortassc majora largïta est.

10. Agricolaetanguis.

Agricöla unguem repërit frigöre paenö exstinctum. Misëricordia motus eum fovit sinu et subter alas recondïdit. Mox anguis recreatus vires cëpit et agricölae pro accepto benefïcio letale vulnus inflixit. Haec fabüla docet, qualem mercêdem mali pro accepto beneficio reddere soleant.

11. Ranae et Jupiter.

Eanae aliquande regem sibi a Jove petïvërunt. Deus, ut earum precibus satisfacëret, trabem ingentem in palüdem dejecit. Eanae, sonïtu perterrïti primum refügërunt, deinde vero, quum trabem in aqua natantem vidissent, magno cum contemtu in ea consede-runt aliumque sibi regem no vis clamoribus expëtiverunt. Tum Jupiter, ut earum stultitïam punïret, hydrum illis misit, a quo plurimae captae et devöratae sunt.

12. Musetrustïcus.

Mus a rustico in carïcarum (droge vijgen) acervo deprehensus, tam acri morsu ejus digitos vulnëravit, ut ille eum extemplo (adverbium, terstond) dimittëret exclamans: nihil me Hercnle 8) tam pusillum est, quod de salute despêrare debeat, dummödo se defendat.

13. Luscinia et acantliis.

Luscinia et acanthis antë fenestram in caveis inclüsae pendebant 9). Luscinia incipit cantum suum suavissimum. Pater rogat filiölum utra avium tam suavïter cantet, et ostendit utramque. Filius statim respondet: sanë haec acanthis est, quae sonos edit suavissimos; pennas enim habet pulcherrimas. — Fabüla eos notat, qui homines e vestibus et forma tantum aestïmant.

7) inquit, hij sprak, bij zeide. van een verbum defectivum inquam. De be-bandeling der verba defectiv», Tdie sommige vormen missen\'), zie beneden. 8) Me Hercule, verkorte spreekwijze voor itame Hercules adjuvet, zoo waar helpe mij Herenles = waarlijk, waarachtig. 9) pendebant van pcndeo, hangen, intransitief: pendo is transitief.

-ocr page 123-

117

14. M u r e s.

Mures hahuerunt aliquando consilium, quomodo a (voor) felë cavërent. Tandem omnibus plaeuit, ut ei tintinabülum annec-tëretur, cnjus sonïtu admonïti filgëre possent. Sed quum jam inter mures quaerëretur, quis feli tintinnabülum annectëret, nemo repertus est. Multi in suadendo audaces, in ipso autem pericülo timïdi sunt.

15. Capra et lupus.

Lupus, quum capram in alta rupe stantem vidëret, blandis eam verbis allocütus est: eur non relinquis nuda ista et sterilia loca 10), cur non hue descendis in herbïdos eampos, qui tibi pabulum laetissimum praebcbunt? Cui respondit capra; mihi non est in animo, dulcia tutis (dativ.) praeponëre.

16. Lupus et g r u s.

In faucibus lupi os inhaesërat 11). Mercëde igitur conduxit gruem, qui 12) illud extraheret. Hoe grus longitüdïne colli facïlë effëcit. Quum autem mereëdem postülaret, lupus ei subrldens respondit: num 13) tibi parva nierces videtur, quod (conjunctio) caput incolume ex lupi faucibus extraxisti?

17. Venter et membra.

Membra quondam dieëbant ventri; nosnë 14) te semper minis-terio nostro alëmus, dum ipsë otiösus es ? non faciêmus. Dum igïtur ventri cibum subducunt, totum corpus debilïtabatur et membra sero stultitiam suam cognöverunt.

18. MusetMilvius.

Milvius laqueis irretïtus murem exoravit ut plagas corröderet. Quod quum musculus fëcisset, milvius eum arrïpuit et devöravit. Haec fabilla ostendit, quam gritiam mali pro benelicio reddere soleant.

10) loca van locus. 11) van het inchoativüm inhaeresco. Verba inchoatiTa zijn die, welke een begin van een toestand aanduiden. 13) = ut is, daarom met den conjunct. 13) num bij eene rechtstreeksche vraag: nu, misschien; men laat het echter gewoonlijk onvertaald. 14) ne, vraagwoordje, aan het woord, waarop de nakruk valt, gehecht.

-ocr page 124-

US

19. Equusetasïnns.

Agitavit quidam eqnnm et asinum onnstnm sarcïnis. Asius defatïgatus equum rogavit ut, si se vivum servare cupëret, aliqua parte onëris se levaret. Sed equus asini preces repudiavit. Paulo post asinns, laböre consnmtns, in via corrait et anïmam efflavit. Tam agitator omnes sarcmas, quas asimus portavërat, atque insuper etiam pellem asino detractam. 15) in equum imposnit. — Sic ille priöris superbiae poenam dare coactus est.

20. Cervusadfontem.

Cervus imagïnem suam in aqua fontis conspiciens, laudat cor-nuum magnitüdïnem, crura autem ut (als) nimis exilia vitupërat. Ecce leönem 16)! Quem cum cervus vidisset celerrimc aufügit et leöni longë praecurrit, ita ut, quamdiu in planitie esset, nullum ei ab hoste immïnëret pericülum. Quum vero (conjunctio) ad nemus venisset, inter dumëta cornïbus adhaerescens a leone captus et laniatus est. — Sic ilium conservarunt ea quae vitu-përavërat, perdïderunt autem, quae laudavërat.

21. Tubïcen.

Tubicen ab bostïbus captus, në me, inquit, interficïte, nam inermis sum, neque quidquam habeo praeter banc tubam. At bostes ei respondêrunt: propter boe ipsum te interïmëmus quod, quum ipse pugnandi 17) sis imperitus, ab\'os ad pugnam ir-eïtare soles. — Nom solum malefïci sunt puniendi, sed etiam, qui alios ad malefaciendum irritant.

22. Muiier et ancillae.

Muiier vidua, quae texendo vitam sustentabat, solëbat ancillas suas de nocte (in den nacht) excitare ad opus, quum primum galli cantum audivisset. At illae diuturno labore fatigatae gal-lum interfïcëre constïtuërunt. Quod cum fecissent, deteriöre conditione quam prius fuëre. Nam domïna, de hora noetis incerta nunc famülas saepe jam prima nocte 18) exeïtabat.

23. Accipïter et columba.

Columbae milvum metuentes accipïtrem rogavërunt, ut se

15) detrahere. 16) en en ecce worden soms met den accusativus, gewoonlijk met den nominativus gecoastrueerd. 17) Imperitus met den genit. van het voorwerp, als adject, van onkunde. 18j bij het begin van den nacht.

-ocr page 125-

119

defenderet. Ille annuit. At in columbar receptus, uno die majorem stragem edïdit, quam milvus longo tempore potuisset ëdere. — Haec fabüla docet, quantopëre vitandum sit malorum patroci-nium.

24. Muiier et galiïna.

Muiier vidua gallinam habëbat, singulis diebus ovum uimm parientem. Cupiebat tarnen muiier bina aut terna quotïdië ova ex galiïna accïpëre ideoque earn largius saginabat. Turn vero gallina pinguis facta ova prorsus parëre desiit 19). — Avaritia opes hominum saepe imminuit potius quam auget.

25. Puer mendax.

Puer, oves pascens, erebro per lusum magnis clamöribus auxl-lium rustïcorum implörabat, tanquam si lupi gregem suum essent adorti. Postquam autem, qui opitülatüri advënerant, frustratus erat, tandem lupus irruit revëra. Tum ille multis cum lacrïmis vicïnos oravit, ut sibi et gregi subvënïrent. At rustïci nunc preces ejus et lacrïmas neglexërunt, ita ut lupus libërë in oves grassarëtur plurïmasque earum dilaniaret.

26. Pica et columba.

Pica et columba pavonem convênerant ut eum salutarent. Duin revertuntur maledïca pica »quantopëre, inquit, mihi desplïcet pavo ! quam insuaves edit son os ! cur non silet! cur non occultat pedes deformes ?quot; cui respondit innScens columba : vitia ejus non observavi, verum formositatem corporis caudaeque nïtörem adeo mirata sum, ut non possim sum jam satis praedïcare. — Boni bona exquirunt, mali mala, illi, ut laudare, hi, ut carpëre possint.

27. Tantalus.

Tantalus Jovis filius, tam carus fuit Diis, ut Jupiter eum ad epülas deorum adhïbëret. At ille, quae apud Jovem audivërat, cum mortalibus communïcabat. Ob quod crimen apud inferos in aqua collöcatus, semper sitire coactus est. Nam quoties haustum aquae sumturus ërat (op het punt was om te nemen), undae recëdëbant. Ibi poma quoque ei super caput pendëbant, sed quoties ea decerpere conabatur, rami vento möti refügiëbant. Ut alii perhibent, saxum ejus capiti impendëbat. Cujus ruïnam timens perpetuo metu cruciabatur.

19) desino, desivi en desii.

-ocr page 126-

120

28. AmphïonetNiobe.

Amphion Jovis filius, qui Nioben, Tantali filiam, in matrimö-ia;n daxerat, septem ex ea filios, totidemque filias procreavit. Quos quum Niöbc Latonae liberis (dativ.; anteposuisset superbiusquo in (tegen) Apollïnem et Dianam esset locüta, Apollo septem filios, Diana autum septem filias sagittis interfêcit. Matrem, liberis (abl.) orbatam, Jupiter in saxum mutavit. Amphion autem quum templum Apollïnis expugnare conarëtur ïtïdem ab Appollïne sagittis interfectus est.

29. Phineus et Harpyiae.

Phineus Agênöris filius ab Apollïne futurarum rerum scientiam accëperat. Quum vero mortalibus deorum consilia enuntiavisset, Jupiter euni occaecavit et immisit ei Harpyias, quae cibum ei ab ore abriperent. Postea vero, quum Argonautae ad eum venis-sent, Zethes et Calais, Aquilönis filiis, qui pennas in caplte et in pedïbus habëbant, Harpyias fugaverunt in insülas StropMdas, 20) et Phineum poena liberarunt.

30. Prometheus.

Prometheus, Japëti filius, primus hommes ex luto finxit. Ig-nem quoque e coelo subrïpuit ejusque usum mortales docuit. Ob hanc rem Vulcanus eum, Jovis jussu, in monte Caucaso clavis ferrëis allïgavit ad saxum, aquilamque ei apposuit, quae cor exe-dëret. Quantum vero interdiu exëderat, tantum noctu crescëbat. Hanc aquïlam Hercules transfixit sagittis, Prometheumque libera vit.

31. Daedalus et Icarus.

Daedalus atheniensis, artïfex perïtissmms, ob caedem commissam in Cretam aufügit ad regem Minoem. Ibi labyrinthum extruxit. A Minoe aliquando in custödiam conjeetus, sibi et Icaro filio alas cera aptavit et cum eo avölavit. Quum vero Icarus altius evo-lasset, ceraque solis calöre esset liquefacta, juvenis in mare de-cïdit, quod ex eo (naar hem) Icarium pelagus est appellatum. Daedalus autem salvus in Siciliam pervcnit.

32. Mausoleum.

Mausölus, rex Cariae Artemisiam habuit conjügem. Haec post

20) Strophadas is een grieksche accussativus plur. in plaats van Strophadea. Het zijn twee eilanden in de Ionische zee.

-ocr page 127-

121

Mausoli mortem, ossa mariti contüdit, 21) eaque odorïbus mixta cum aqua potabat. Exstruxit quoque ut ejus memoriam con-servaret, sepulchrum illud nobilissïmum a regis nomine Mausoleum appellatum, quod inter septem orbis terrarum miracula nominatur.

33. Gyges et Aglaus.

Quum Gyges, rex Lydiae ditissimus, oraeulum Apollïnis in-terrogavisset, an (of) quisquam mortalium 22) se esset felicior, deus Aglaum quendam Psophidium feliciorem praedicavit. Is autem erat Arcadum pauperrïmus, parvüli agelli possessor, cujus termïnos, quamvis senex, nunquam exeesserat, fructïbus et volup-tatïbus angusti ruris contentus.

34. B i a s.

Bias unus ex septem sapientibus, quum patriam Priënen ab hostibus expugnatam et dirütam fugeret, interrogatus est, cur nihil bonorum suorum hostibus erïpere statuisset. Ego vero, respondit, bona mea mecum porto omnia.

35. Athenienses et Laeedaemonii.

Quum Athenis (te Athene) quidam grandis natu in theatrum venisset, in magno consessu locus ei a suis civibus nusquam datus est, quum autem ad legatos Laecedaemoniorum accessisset, qui in loco certo (bepaalde plaats) consederant, hi consurrexerunt 23) omnes et senem ad se recëpërunt. Quibus quum a cuncto consessu plausus multiplex esset datus, dixit ex iis quidam, Athenienses, quae recta sint, sciunt, sed non faciunt.

36. Cynaegïrus.

Cynaegiri, militis atheniensis, gloria magnis scriptorum laudï-bus celebrata est. Is, quum post praelium marathonium fugien-tes hostes ad naves persecütus esset, onustam hostium navem dextra manu tenuit, nee prius dimlsit, quam marium amitteret. Tum navem comprehendit sinistra. Quae quum et ipsa (insgelijks) amputata esset, ad postrëmum morsu navem detïnuit. Tanta erat temporibus illis virtus Atheniensinm.

21\') Contundo. 22) Se, dan hij. Het voorwerp waarmede vergeleken wordt, staat in den abl- in plaats van qnam met den nom. of aecnsativ- 23) eonsnrgo-

-ocr page 128-

122

37. Sophocles.

Sophocles ad 24) summam senectutem tragoedias fecit. Propter hoc sodium quum rem familliarem negligere viderëtar, a filiis in jndicinm vocatus est, ut earn quasi desipientem a re familiari removerent judïces. Turn senex fabnlam, quam manibus habëbat et nupeiTime scripserat. Oedïpum colonêum, recitavit judïcïbns quaesïvitqne, num illud carmen desipientis vidëretnr ? Quodqnum audivissent jjdices, omnium sententiis liberatus est.

38. Demosthenes.

Demosthenes Atheniensis incredibïli studio et laböre eo (adverb.) pervenit, nt omnes aetatis suae oratöres supëraret eloquentia. Nonqnam tnm ex tempore 25) dicëbat, neque in conciSne assur-gëbat, nisi rem, de qua agerëtur, accurate antea medïtatns esset. Hac in re Perïclis consnetüdïnem imitabatur, qui non facile de quaque re dicere, nee existimatiönem suam fortünae committëre solebat.

39. Socrates et Xanthippë.

Xanthippë, Socratis uxor morösa admödum et jurgiosa fuit. Hanc ejus indölem quum perspexisset 26) Alcibiades, Socratem in-terrögavit, cur muliërem tam acerban non exïgëret domo ? Cui respondit Socrates : quoniam, dum illam domi perpetior, insuesco, ut caeterorum quoque foris (adv.) petulantiam et injuriam tolë-rem facilius.

40. Crates thebanus.

Orates thebanus bona sua inter cives divisit nihil sibi servans praeter peram et bacülum; haec enim cynïcorum instrumenta erant. A quo consilio quum amici et propinqui enm avöcare stndërent, baoülo suo eos fugavit. Nihil ei pulchrius vidëbatnr, qnam ab omnibus curis vacuum uni philösöphiae opëram dare.

41. Pindarus.

Pindaros, poëta thebanus, Apollïni gratissimus habebatur. Quam ob rem saepë a sacerdötïbus in templum delphïcum ad coenam vocabatar, eique pars tribuëbatur earum rerum, quas sacrïfican-tes deo donavërant. Quum Alexander rex Macedoniae Thebas

24) ad hier = naque ad, tot aan. 25) Ex tempore, uit het hoofd, voor de vuist. 26) perspicio.

-ocr page 129-

123

expngnatas dirïpëret, unïns Pindari domo et familiae peperoit 27).

42. Canis index homïcïdii.

Pyrrhns rex in itinëre incïdit in canem, interfecti hommis cor-pori assïdentem, qui jam per tridaam, cmnis cibi expers, corpus castodïverat. Regis jussu mortüus est humatus, canis vero de-ductos et dilïgenter cnratus est. Paucis post (adverb.) diebns milïtam lustratio habêtnr coram rege. Adërat canis. Is quum antea quiêtas et tacïtus fnisset, simulac mediis in militibns percussöres domini sni conspexit, procurrit forens eosque allatravit, ita qui-dem, ut non ,modo rex, sed omnes, qui aderant, suspiciönem de iis eapërent. Ergo comprehensi et examïnati homicidiom fassi sunt poenasque dëdërant.

48. Sabinarnm virgïnes raptae. 28).

Eomulus, ut civium numërum angëret, asylum patetccërat, ad quod molti e civitatïbus suis ejecti, accurrërant. Sed novae urbis civïbus deërant conjuges. Rex igïtnr fe-tum Neptflni et ludos instïtüit. Ad quos quum mnlti ex finïtïmis popülis cum mu-liëribu? et libëris venissent, Romani inter ipsos ludos spectantes virgïnes rapaërnnt. Popüli illi, quorum virgïnes raptae erant, bellum adversus raptores snscepërunt. Pngnatnm est, 29) ubi postea fornm romannm fuit. In media antem caedë raptae pro-cessërunt et hinc patres, hinc conjuges et socëros complectëban-tor et rogabant ut caedis finem facërent. Utrique 30) precïbus earum commöti sunt. Eomulus foedus icit et Sabinos in urbem recëpit.

44. Horatius Cocles.

Quum Porsëna, rex Etruscornm, Tarquinios 31) expnlsos in nr-bem restïtüere tentaret et primo impëtu Janiculnm cëpisset, Horatius Cocles pro ponte sublïcio stëtit 32) et aciem hostiom solus sustïnnit, donee pons a tergo interrnmpërëtur. Una (adverb.) cum ponte decïdit in Tibërim et armatns ad suos tranavit. Ob hoe facinus pnleherrimnm ei tantum agri püblïcë (van staatswege) datum est, quantum uno die circumarare posset.

27) parco. 28) rapio- 29) pugnatum est, men heeft gestreden, er is gestreden, impersonale passivum; het praesens is, pugoatur, men strijdt; inperf, pugna-batur, men streed enz 30; utrique van uttrque- Het woord staat in het meervoud, omdat er van twee meervoudeu spraak is 31) Tarquinii, de familie van Tarquinius. 32) stare pro, verdedigen-

-ocr page 130-

124

45. F a b i i.

Romani qtmm adversns Vejentes bellam gërërent, familia Pa-biorum sola hoc bellum suscëiiit. Profecti sunt trecenti sex, no-bïlissimi homines, quibus Fabins consul praeerat. Qunm saepë hostes vicissent, apud Cremëram flnvium castra posuërünt. Ibi a Veientibns in insidia» pellecti 33) omnes cöeïdërnnt, mms sn-perfuit ex tanta familia, qui propter aetatem pnerilëm duci non potuërat ad pngnam. Hic genus propagavit ad Qnintom Fabiuiu Maximum illum, qni Hannibalem prudent! cunctatione debïlïtavit.

46. Lucius Siccins D e n t a t n s.

Siccios Dentatas ob insignem fortitüdïnem appellatus est Achilles romanas. Pugnavit is centum et viginti praeliis; cicatricem aversam habuit nullam, adversas quimqnë et quadraginta ; coro-nis est ornatns aurëis duodëviginti, obsidionali uniï, muralibas tribus et octöginta, hastis idem e^t donatus duodevicies, phalëris quinqnies viciesqne. Triumphavit cum impëratörïbus suis trium-phos novem.

47. Sülpicius Gallus.

In hello Romanorum cum Persëo ultimo Macedönum rege ac-ci\'dit, ut serëna nocte subïto luna defïcëret. Haec res quae mili-tibns futaram cladem portendëre vidëbatur, ingentem apud eos terrorem excitavit. Tum vero Sulpicius Grallus, qui erat in eo exercïtn, in conciöne milïtnm causam hnjus rei tam diserte ex-pösuit, ut postero die omnes intrëpïdo animo pngnam commit-terent.

48. Hannibalis callïdïtas.

Hannibal qunm elephantes compellere non posset ut praealtum flumen transnatarent, neqne rates habëret, quibns eos trajïceret, imperavit cuidam ex u.ilïtibns ut ferocissïmum elephantoruin sub aure vulneraret et deinde se in flumen conjiceret illudque trana-ret. Quod quum fecisset, elephantus, ut persequeretar dolöns sni auctörem, tranavit amnem et relïqui eum secüti sunt.

49. Marias.

Marias post sextum consulatam annoqae aetatis septuagësitno.

33) pellicio.

-ocr page 131-

125

f\'Dgiens consectantes Sullae equites, in arundinetnm circa palndem Marlcae se abdïdit. Inde extractns et in carcerem M nturncnsinm 34) perdnotus est. Dein servns quidam pnblicns, natione Ger-manas 35) qui forte ab eo bello cimbrieo captus fuerat, enm gladio missus est in cascerem, ut Marium interficeret. Sed ubi 36) agnovit imp erator em tnagno ejulatn abjëcit gladium, et e carcere profügit. Turn Mintnrnenses Marinm viatico instructnm in navem imposaërunt. At ille carsnm in Afrïcam dirëxit 37) inopemque vitam in tugürio rainamm Carthaginiensium toleravit.

50. Servus nimis obe diens.

P. (Publius) Piso, orator Romanus, servis praeccperat, ut tantum ad interrögata respondërent nec praeterea quidquam dicerent. Is Clodium, qui turn magistratum gerëbat, ad convïvium invita-verat. Hora coenae instabat. Adërant eonvïvae omnes; solus exspectabatur Clodius. Piso servum, qui solëbat convïvas invltare, aliquoties emisit visum, num venïret. Quum jam vesperaseeret et adventus ejus despërarëtur, Piso interrögavit servum, num forte non invltasset Clodium. Invitavi, respondit ille. — Cur ergo non vënit\'? — Quia negotio quodam est impëdïtus. — Tum Piso : Cur id statim non dixisti ? cui respondit servus: quia de eo non sum abs te interrogatus.

51. Salsë dictum.

Romae orator quidam malus in epilögo oratiönis omnes nervos intendit, ut audientium movëret misericordiam sibique ipsi satis-fëcit. Postquam assëdit, rogavit Catülum viderëturne 38) misericordiam mövisse. »Ac magnam quidem, respondit Catulus : vix enim in universa bac conciöne quenquam reperies, cui non oratio tua miseranda visa sit.quot;

52. Augustus et Maecënas.

Jus aliquando dieëbat Augustus et multos capitis damnatiirus esse videbatur. Adërat tum Maecënas, qui per circumstantium turbam perrumpëre et ad tribunal accedere conabatur. Quod cum frustra tentasset aliquamdio, haec verba in tabella scripsit:

34) Marica, ook palus Marlcae genaamd in de nabijheid van Minturnae, stad in Latium. 35) Germanus, Germaan, gentile van Germania. 36) ubi, hier == simulatque. 37) dirigo. 38) ng, aan een woord gehecht, is een vraagwoordje cn wordt bij eene niet rechtstreekschc vraag door of vertaald.

-ocr page 132-

126

»Snrge tandem carmfex !quot; eamque tabellam ad Augnstum projëcit. Qnam cnm legisset Augustus statim surrexit, neque quemquam morte mnltavit.

VIEEDE HOOFDSTUK.

over de verba anomala {onregelmatige).

De verba anomala zijn die, welke in de vervoegingsuitgangen afwijken ; hiertoe rekent men gewoonlijk ook de defectiva (gebrekkige), die eenige vormen missen. Zij zijn : sum, possum en prosum, van welke in § 23 van het eerste hoofdstuk gesproken is ; verder edo, fero, volo, malo, nolo, eo, queo, flo. Meer bepaaldelijk worden tot de defectiva gebracht: coepi, memïni, novi, odi, ajo, inqaam, fari en nog andere, waarvan slechts weinige vormen in gebruik zijn.

§ 1. edo, edi, esum, edere of esse, eten.

Behalve de regelmatige vormen heeft dit verbum de vormen van sum, die met es beginnen, b. v. edis of es, edit of est; doch es van het verbum sum is kort, terwijl es van het verbum edo lang is. De leerling vervoege dit werkwoord tot eigen oefening in alle vormen.

§ 2. Fero, tuli, latum, ferre, dragen.

De onregelmatigheid bestaat in sommige vormen, die van het praesens afgeleid zijn. Zij zijn de volgende:

In het praes. ind.: fefs (voor feris), fert (voor ferit), fertis (voor ferïtis) ; in het pass. ferris (voor ferëris) ; eindelijk fertur (voor ferïtor.) De imperativns activi is fer (voor fere), ferto, fertöte, (voor ferite, ferïtöte. Daar de infinitivus ferre luidt, zijn de imperfecta conjnnctivi volgens de gewone afleiding jarrem, ferrer, welke ook naar den gewonen regel vervoegd worden. De imperativns passivi heeft onregelmatige vormen ferre, fer tor. De leerling werke het geheele verbum uit.

§ 3. Volo, malo, nolo.

Alleen in de vormen, die van het praes. afgeleid zijn, komen onregelmatigheden voor, aldus:

-ocr page 133-

127

Indieativns.

volo, malo, nolo. velim,

vis, mavis, non vis. —is,

vult, mavult, non vnlt. —it,

volumns,malumus, nolumns. —ïmas,

valtis, mavultis non vnltis. —ïtis,

volunt, malnnt, nolunt. ■ —int,

hö1

P

Conjünctivns.

malim,

—is,

—it,

—imus, —ïtis,

—int.

nolim. —is. —it. —imns. —ites. —int.


De Imperativns komt alleen van nolo voor :

noli, nolïte.

nolïto, nolïtote, nolunto.

De imperfecta conjnnctivi zijn natanrlijk vellem, mallem, nol-lem, naar de afleiding van het praes. infinitivi en naar de gewone vervoeging ; malens bestaat er niet, volens en nolens zijn alleen als adjectiva in gebruik.

§ 4. Eo ivi, itum, ire, gaan. — De stamklinker i gaat vóór

a, o en u in e over. Ziehier de vervoeging:

Indicativus. Conjunctivas. Imperativns.

Praes. eo, is, it,imus,itis,eunt. earn, eas, eat, enz. i, ite.

Imperf. ïbam, ibas, ibat, enz. irem, ïres, ïret, enz.

Perf. met de afgeleide tg den regelmatig.

Put. ïbo, ibis, ibit, enz. itürus, a, um sim: ito, itöte, eunto.

ook de andere tijden die van het sup. komen, zijn regelmatig.

Gerundium, eundum. Partic. praes. iens. Genit. euntis. Ook dit verbum worde door den leerling uitgewerkt.

D O

Queo en nequeo worden op dezelfde wijze vervoegd, maar vele dier vormen komen nooit in goed proza voor.

§ 5. Fio, factns sum, fiêri, ivorden ; als passivum van facio, beteekent het gemaakt worden; ook in de composita wordt de vorm facio in fio veranderd; den vorm ficio wordt naar den gewonen regel behandeld, b. v. patefacio, patefio, patefis, patefit, enz.; doch efficio, efficior, efficëris, effieïtur, enz. Patefio gaat dus naar fio, efiBcior naar een gewoon passivum van de derde conjug. op ior.

-ocr page 134-

128

Indicativns. Conjunctivns.

Praes. fïo fis, fit, enz. fiam, fïas, fiat, enz.

Xoiperf. fiëbam, fiëbas, fiebat, enz. fïërem, flëres, fïëret, enz.

Perf. factas sum. faetus sim.

Plusq.perf.factas eram. factns easem.

Put. 1. fiam, fiës, fict, enz. ontbreekt.

Fut. 2. factus ero. ontbreekt.

Imperativns.

Praes. fï, fïte, fito, fitöte, fiunto.

Infinitivns.

Praes. fieri. perf. factum, am, um, esse. Fut. factum iri of futaram esse.

Perf. factas, a, um.

Fat. faciendus, a um, die zal gemaakt worden ; futurns, a, um, zullende geschieden.

Supinnm en gerundium ontbreken.

NB. de i is lang van /?, behalve zoo er op fie een r volgt.

§ 6. Defectiva, coepi, memini, novi, odi, ik hen begonnen, ik herinner, ik ken, ik haat.

Deze vier verba missen het praesens en de hiervan afgeleide tempora. In de perfecta en de tijden, die er van af komen, worden zij regelmatig geconjugeerd. Van de imperativi zijn slechts memento, mementote, herinner, herinnert, in gebruik, v an de tijden, die van het Supin. afgeleid worden, vindt men slechts : Coeptnrns sim I futnr. Coepturns esse i futur. Coepturus. j fntur. osurns —j conjunct, osürus — i infinit. osurus. |part.

Part. perf. pass. Coeptus.

Aanm. Coeptns sum gebruikt men alleen in verbinding met een inf. passiv., b. v. coeptns sum diligi, ik begon bemind te worden. De leerling werke op schrift alle tijden en personen uit, die in gebruik zijn.

§ 7. Ajo, ik zeg, beaam.

Van dit verbum zijn slechts de volgende vormen in gebruik: Praes. ind. ajo, ais, ait en ajunt. - Praes. conj. ajas, ajat en

-ocr page 135-

129

ajant. Imperf, ind. ajebam, —as, —at. bamus, batis, bant. Imperf. eonj. ontbr. Part. praes. ajens, als adject, bevestigende. De vorm ait komt ook als perf. voor.

§ 8. Inquam, ik zeg.

Van inquam komt alleen voor:

Praes. inquam, —quis, —quit, —quïmus, —quïtis, inquiunt. — Imperf. inquiebat of inqulbat. — Perf. inquisti, inquit. — Futur. inquies, inquiet. — Imperat, inquë, inquïto.

§ 9. Van fari, spreken, vindt men alleen:

Praes. indic. fatur (famur en famïni in de comp.). Imperf. ind. fabar, (in de compos.). Conjunct, farer (in de comp.).

Voorts nog in den indic. fatus sum enz., fatus eram enz., fabor, fabëris (in de comp.), fabïtur. In den conj. fatus sim enz., fatus essem enz.

Imperat. fare. Infinit. fari. Sup. fatu. Partic. praes. fanti, fantem. Perf. fatus. Put. pass. fandus.

Van liet gerundium is in gebruik fando, door het (van) hooren zeggen bij gerucht.

§ 10.

Behalve van de genoemde defectiva vindt men nog eenige vormen van de volgende:

i salvë, salveto, i

slechts in | avö, have, havëto. ! wees gegroet.

den imperat. j vale, valëto, \'

\' salvëte, avëte, valëte, weest gegroet.

Put. ind. salvëbis, valëbis, wees gegroet.

Inf. praes. salvëre, ,

avëre, (te jubeo), ik groet u.

valere, \'

Apage, weg! cedo (samengetrokken uit cedïto, geef op, spreek op); quaeso, quaesümus, ik bid u, wij bidden u. Quaesümus be-teekent somtijds ook : ik bid u.

§ 11. Over de impersonalia.

Omdat de impersonalia alleen iu den derden persoon singularis gevonden worden, kunnen zij ook tot de defectiva gerekend worden, vooral omdat zij uit hunnen aard geen imperat., supinum

9

-ocr page 136-

130

of participium toeliiteii. -Ü6 impersonal iet worden in den derden persoon singularis met belioorlijke inachtneming der stamltlinkeis, waardoor de 4 conjugaties onderscheiden worden, vervoegd. Bij refert lette men op de gewone vervoeging van fero. Met de andere anomala handele men evenzoo.

Aanm. 1. Van lihet, het lust, Meet, net is geoorloofd, miseret en miserêtur, het deert mij, piget, het verdriet, taedet, pertae-det, het verveelt, vindt men, buiten het perf. in den activen vorm, nog een passiven vorm: libitum

lieïtum miserïtum pigïtum taesum partaesum

De beteekenis is dezelfde als in het activ.

Aanm. 2. De derde pers. sing. pass. van alle verba, vooral van verba intransitiva wordt gebezigd, om zonder bepaling van persoon of zaak die iets doet, slechts te kennen r,e geven, dat iets gedaan ivordt, waar wij in het Nederlandsch men of er gebruiken, b. v. pugnatur, men\'strijdt, er ivordt gestreden; pugnatum est, men heeft of er is gestreden; pugnabitur, men zal strijden of er zal gestreden worden, enz.

Men oefene zich in het vervoegen der impersonalia door de volgende voorbeelden:

1. Conjugatie. 2. Conjugatie.

grandïnat, het hagelt. apparet (apparuit), het blijkt,

constatfperf. constItit),het is zeker. libet(libuit of libitum est),het lust. juvat, het vermaakt, (perf. juvit). lucet (luxit), het is licht.

stat, het staat vast, (perf. stëtit). pertaedet (pertaesum est), het

verveelt.

3. Conjugatie.

aeeïdit (accidit), het gebeurt.

condücit (conduxit), het is nuttig.

pluit (pluit), het regent.

refert (retülit), het is van belang.

In de 4de conjug. zijn geene zuivere impersonalia.

Men werke ook de volgende impersonalia passiva uit:

-ocr page 137-

131

Pugnatur, mm strijdt; statur, men Maat; ridetur (risum est), men lacht; movëtur, (mötum est), men beweegt; agïtur (actum est), men handelt; tollïtur (sublatum est), men neemt op; haurltur (haustum est), men schept, put; sentltur (sensnin e.st), men gevoch.

§ 12. Oefeningen in de onregelmatige werkwoorden.

Woorden om van buiten te leeren.

Affero (attuli,allatum),affeiTe,toe-, pecunia, geld.

bijbrengen. pmdentia, kennis, doorzicht,

perfëro (pertuli, perlatum), per- auxilium, hulp.

ferre, verdragen. nemo, niemand *).

praefero(praetüli,praelatum),prae- dignïtas, waardigheid, waarde.

ferre, verkiezen boven. impetus, üs, aanval, aandrang,

orare, bidden. jucundus (a, um), aangenaam,

intellïgo (—llexi, —llectum),intel- vermakelijk.

ligere, verstaan, begrijpen. paucus (a, um), zelden in singul., abeo, ii, ïtum, ire, heengaan. weinig.

exeo--— — uitgaan. diligens, nauwkeurig, zorgvuldig.

intereo--— — omkomen, casa, hut.

ondergaan, ignavia, traagheid.

obeo--— — sterven. autumnus, herfst.

pereo--— — omkomen. fatum, noodlot.

redeo--— — terugkomen silentium, stilzwijgen.

transeo—--—■ — overgaan. casus (üs), toeval.

admoneo (ui, ïtum,) admonere, cautus (a, um), voorzichtig, be-

herinneren. hoedzaam.

relinquo (rellqui, relictum), relin- obviam, te gemoet.

quere, achterlaten.

Ego possum legere, tu potes scribere, soror potest acu pingere (borduren). Cura ut possis aequo animo vitam relinquere. Gur heri nobiscum ambülare non potcras? Nemo dubitabat, quin milïtes urbem defendere possent. 5. Quid melius homïnibus dari potuit, quam ratio ? Non dubitamus, quin urbs a civibus defendi potuërit. Vix Caesar milïtes e castris edücere potuerat, quum hostes impetum fecerunt. Sine artibus et literis vita jucunda esse non potuisset. Virtütis splendor nunquam obscurari potërit. 10. Si semper vir-tutis dignitatem tueri potueris, aliquando aditus in coelum tibi patebit. Quid fers, mi amice? Aifero tibi rosam pulcherrïmam. Senectus affert prudentiam. 15. Laudo vos, quod (conjunctio) misëro atque inópi auxilium fertis. Ferre labörem consuetfido docet. Ferte inöpi auxilium. Saepe pecunia ab hominibus ami-

*) L)en gen. eu abl. heeft dit woord van nullas.

9*

-ocr page 138-

128

Indicativns. Conjunctivns.

Praes. fïo fis, fit, enz. fiam, fïas, fiat, enz. Imperf. fiebatn, fiëbas, fiebat, enz. fïërem, flëres, fïëret, enz.

Perf. factns sum. factas sim.

Plusq.perf.factns eram. factns essem.

Put. 1. fiam, fiës, flët, enz. ontbreekt.

Put. 2. factus ero. ontbreekt.

Imperativns.

Praes. fï, fïte, fito, fitöte, fiunto.

Infinitivns.

Praes. fiëri. perf. factum, am, urn, esse. Put. factum iri of futnram esse.

Perf. factus, a, um.

Pat. faeiendus, a um, die zal gemaakt worden ; futuros, a, um, zullende geschieden.

Supinnm en gerundium ontbreken.

NB. de i is lang van fi, behalve zoo er op fie een r volgt.

§ 6. Defectiva, coepi, memini, novi, odi, ik hen begonnen, ik herinner, ik ken, ik haat.

Deze vier verba missen het praesens en de hiervan afgeleide tempora. In de perfecta en de tijden, die er van afkomen, worden zij regelmatig geconjugeerd. Van de imperativi zijn slechts memento, mementote, herinner, herinnert, in gebruik. Van de tijden, die van het Supin. afgeleid worden, vindt men slechts: Coeptnrus sim (futur. Coeptaros esse j futur. Coepturus. | fatur. osurus —! conjunct, osürus — (infinit. osorus. j part.

Part. perf. pass. Coeptus.

Aanm. Coeptus sum gebruikt men alleen in verbinding met een inf. passiv., b. v. coeptus sum diligi, ik begon bemind te worden. De leerling werke op schrift alle tijden en personen uit, die in gebruik zijn.

§ 7. Ajo, ik zeg, beaam.

Van dit verbum zijn slechts de volgende vormen in gebruik : Pvaea. ind. ajo, ais, ait en ajunt. — Praes. conj. ajas, ajat en

-ocr page 139-

129

ajant. Imperf. ind. ajëbaai,—as, —at. bamus, batis, bant. Imperf. conj. ontbr. Part. praes. ajens, als adject, bevestigende. De vorm ait komt ook als perf. voor.

§ 8. Inquam, ik zeg.

Van inquam komt alleen voor:

Praes. inquam, —quis, —quit, —quïmus, —qm\'tis, inquiunt. — Imperf. inquiëbat of inquibat. — Perf. inquisti, inquit. — Futur. inquies, inquiet. — Imperat, inquë, iuquïto.

§ 9. Van fari, spreken, vindt men alleen:

Praes. indic. fatur (famur en famïni in de comp.). Imperf. ind. fabar, fin de compos.). Conjunct, farer (in de comp.).

Voorts nog in den indic. fatns sum enz., fatus eram enz., fabor, fabëris (in de comp.), fabïtur. In den conj. fatus sim enz., fatus essem enz.

Imperat. fare. Infinit. fari. Sup. fatu. Partic. praes. fanti, fantem. Perf. fatus. Put. pass. fandus.

Van het gerundium is in gebruik fando, door het (van) hooren zeggen bij gerucht.

§ 10.

Behalve van de genoemde defectiva vindt men nog eenige vormen van de volgende:

. salvê, salveto, i

slechts in \' ave, have, havëto, ! wees gegroet.

den imperat. i vale, valëto, 1

\' salvëte, avete, valëte, weest gegroet.

Fut. ind. salvëbis, valëbis, wees gegroet.

Inf. praes. salvëre, .

avëre, | (te jubeo), ik groet u.

valere, \'

Apage, weg! cedo (samengetrokken uit cedito, geef op, spreek op): quaeso, quaesfimus, ik bid u, wij bidden u. Quaesumus be-teekent somtijds ook: ik bid u.

§ 11. Over de impersonalia.

Omdat de impersonalia alleen in den derden persoon singularis gevonden worden, kunnen zij ook tot de defectiva gerekend worden, vooral omdat zij uit hunnen aard geen imperat., supinum

9

-ocr page 140-

130

of participium toelaten. De impersonalia worden in den derden persoon singularis met Lelioorlijke inaclitneming dei stiiinklinkors, waardoor de 4 conjugaties onderscheiden worden, vervoegd. Bij refert lette men op de gewone vervoeging van fero. Met de andere anomala handele men evenzoo.

Aanm. 1. Van libet, hel lust, licet, net is geoorloofd, misëret en miserêtur, het deert mij, piget, het verdriet, taedet, pertae-det, het verveelt, vindt men, buiten het perf. in den activen vorm, nog een passiven vorm; libitum

licïtum miserïtum pigïtum taesum partaesum

üe beteekenis is dezelfde als in het activ.

Aanm. 2. De derde pers. sing. pass. van alle verba, vooral van verba intransitiva wordt gebezigd, om zonder bepaling van persoon of zaak die iets doet, slechts te kennen te geven, dat iets gedaan wordt, waar wij in het Nederlandsch men of er gebruiken, b. v. pugnatur, men-strijdt, er wordt gestreden; pugnatum est, men heeft of er is gestreden; pugnabitur, men zal strijden of er zal gestreden worden, enz.

Men oefene zich in het vervoegen der impersonalia door de volgende voorbeelden:

1. Conjugatie. 2. Conjugatie.

trrandinat, het hagelt. apparet (apparuit), het blijkt,

constatfperf. constïtit),het is zeker. libet(libuit of libitum est),hetlust. juvat, het vermaakt, (perf. juvit). lucet (luxit), het is licht.

stat. het staat vast. (perf. stëtit). pertaedet (pertaesum est), het

verveelt.

3. Conjugatie.

accidit (accldit), het gebeurt.

condücit (conduxit), het is nuttig.

pluit (pluit), het regent.

refert (retulit), het is van belang.

In de 4de conjug. zijn geene zuivere impersonalia.

Men werke ook de volgende impersonalia passiva uit:

-ocr page 141-

131

Pugnatur, men strijdt; statui-, men Maat; ridetur (risuiu est), men lacht; movëtur, (mötum est), èeiüeeg\'ï; agïtur (actum est), men handelt; tollïtur (sublatum est), men neemt op; haurltur (haustum est), men schept, put; sentitur (sensum est), men gevoelt.

§ 12. Oefeningen in de onregelmatige werkwoorden.

Woorden om van buiten te leeren.

AfFero (attuli,allatum),afferre,toe-, pecunia, geld.

bijbrengen. prudentia, kennis, doorzicht,

perfero (pertüli, perlatum), per- auxilium, hulp.

ferre, verdragen. nemo, niemand 1).

praefero(praetüli,praelatum),prae- dignïtas, waardigheid, waarde.

ferre, verkiezen boven. impetus, üs, aanval, aandrang,

orare, bidden. jucundus (a, um), aangenaam,

intellïgo (—llexi,—llectum),mtel- vermakelijk.

ligwe, verstaan, begrijpen. paucus (a, um), zelden in singul., abeo, ii, ïtum, ire, heengaan. weinig.

exeo--— — uitgaan. diligens, nauwkeurig, zorgvuldig.

intereo--— — omkomen, casa, hut.

ondergaan, ignavia, traagheid.

obeo--— — sterven. autumnus, herfst.

pereo--— — omkomen. fatum, noodlot.

redeo--— — terugkomen silentium, stilzwijgen.

transeo--—■ — overgaan. casus (üs), toeval.

admoneo (ui, ïtum,) admonere, cautus (a, um), voorzichtig, be-

herinneren. hoedzaam.

relinquo (rellqui, relictum), relin- obviam, te gemoet.

quere, achterlaten.

Ego possum legere, tu potes scribere, soror potest acu pingere (borduren). Cura ut possis aequo animo vitam relinquere. Cur heri nobiscum ambülare non potêras? Nemo dubitabat, quin milïtes urbem defendere possent. 5. Quid melius homïnibus dari potuit, quam ratio? Non dubitamus, quin urbs a civibus defendi potuërit. Vix Caesar milïtes e castris edücere potuerat, quum hostes impetum fecerunt. Sine artibus et Uteris vita jucunda esse non potuisset. Virtütis splendor nunquam obscurari potërit. 10. Si semper vir-tiitis dignitatem tueri potueris, aliquando aditus in coelum tibi patebit. Quid fers, mi amïcë? Affero tibi rosam pulcherrïmam. Senectus affert prudentiam. 15. Laudo vos, quod (conjunctio) misëro atque inópi auxilium fertis. Ferre labörem consuetüdo docet. Ferte inöpi auxilium. Saepe pecunia ab hominibus ami-

9*

1

Den gen. eu abl. heeft dit woord van nullus.

-ocr page 142-

132

citiae praefertur. Boni discipuli malis recte praeferuntur. 20. Nihil potest praeferri virtuti. O divites! fertote auxilium inopibus. Probus improbo praefertor. Nihil nobis magis curae erat, quam ut vobis auxilium ferrëmus. Eex curabat, ut auxilium inopibus civibus ferretur. Milites .in itineribus multas aerumnas pertulêrunt. 25. Bellö atrocissimo multa mala urbi nostras allata sunt. Ego volo scribëre, tu vis legere, frater vult pingere. Tu ambülare ■non vis, quia amicus te comitari non vult. Prodesse quam obesse malumus. 30. Ambulare mavis, quam domi sedëre. Soror sal-tare mavult quam ambulare. Oro te, ut mecum ludere velis. Die, cur me comitari nolis? Non dubito, quin mihi prodesse, quam obesse malis. Si beati esse volümus, sorte rostra content! esse debemus. 35. Si diligentes esse vultis, magna saepe ex parvis intelligctis. Non dubitabam, quin prodesse mihi malles, quam obesse. Malumus cum virtute paucis contenti esse, quam multa sine virtute habere. Ego abeo, tu ex itinere redis. Amicus amico ex itinere redeunti obviam it. 40. Hirundïnes et ciconiae autumno abeunt. Animus nunquam interïbit. Curare debemus, ne vitam silentio transeamus. Multa, quae ante oculos posita sunt, transïmus. Temeritati obviam eundum est. 45. Omnes cives militibus, qui e bello domum redibant, laeti obviam ïbant. Augustus obiit septuagesimö et sexto aetatis anno. Quum animi nostri ex corporibus exiërint, non interïbunt. In pugna atrocis-sima multi fortissimi viri perierunt. Mater metuebat, ne filius in bello periret. 50. Potest ex casa magnus vir exire. Nemo fit casu bonus. Ex amico inimïcus, ex inimico amicus fieri potest. Si fato omnia fiunt, nihil nos admonere potest, ut cautiöres simus. Nemo ignavia immortalis factus est. 55. Senectute prudentior fiës. Esse oportet, ut vivamus, non vivere, ut edamus. Modice este. Ubi estis hodie?

Wij kunnen lezen, gij (plur.) kunt schrijven, mijne zusters kunnen borduren. Zorgt (daarvoor), dat gij het leven met een gelaten gemoed verlaten kunt. Waarom kondet (plur.) gij giste-rer niet met ons wandelen gaan? Wij twijfelen niet, of (quin met den conjunct.) de stad had door de burgers kunnen verdedigd worden. 5. Verstandige mannen zullen in eiken (omnis) toestand des levens de waarde der deugd bewaren kunnen. De vijand deed (perf.) een aanval, toen nauwelijks de legerplaats had kunnen versterkt zijn (munïre). Wij vreesden, dat gij de stad niet (dat niet, üt) kondet verdedigen. Zoolang (quamdiu) er vrede geweest is, hebben de kunsten en wetenschappen kunnen bloeien. Waarom hebt gij niet kunnen vertrekken? 10. Zeg mij.

-ocr page 143-

133

waarom gij niet hebt kunnen (conjunct.) vertrekken? Wat brengt gij mijne vrienden? De ouderdom brengt schranderheid aan. Ik prijs u, omdat (quod) gij den ongelukkigen en behoeftigen hulp toebrengt. Dappere soldaten verdragen de zwaarste moeilijkheden. 15. Brengt den hulpelooze hulp aan. Velen stellen het geld boven de deugd (dativ.). De rijkdom moet niet boven de deugd gesteld worden. De goede leerling wordt met recht boven den slechten gesteld. Waarom zult gij ons boven anderen stellen? 20. De rijke brenge den arme hulp toe. Ik zal u boven anderen stellen. Gij zult boven mij gesteld worden. Wij zullen u boven uwen broeder stellen. 25. Gij (plur.) zult boven ons gesteld worden. .De brave moet boven den goddelooze gesteld worden. Stelt de braven boven de goddeloozen.. Vele moeilijkheden zijn door de soldaten op de marschen doorgestaan en zullen doorgestaan worden. 30. Ik twijfel niet, of (quin met den conj.) de oorlog zal ons vele onheilen aanbrengen. De ongelukkige bad mij, dat ik hem te hulp zou komen.

Wij willen lezen, gij (plur.) wilt schrijven, de broeders willen schilderen. Wij willen niet tehuis zitten. Gij wilt niet gaan wandelen, omdat de vrienden u niet wilden begeleiden. 35. Wij willen u liever voordeel aanbrengen, dan nadeelig zijn. Gij wilt liever wandelen, dan tehuis zitten. Wij bidden u, dat gij met ons speelt. Zegt, waarom gij (plur.) ons niet begeleiden wilt (conjunct.)? Wij twijfelen niet, of gij wilt ons liever voordeel dan nadeel doen. 40. Wij verzochten u gisteren, dat gij met ons spelen wildet. Zegt, waarom gij ons niet begeleiden wildet. Wij wisten niet, waarom gij ons niet begeleiden wilt. Wij twijfelen niet, of gij ons liever van nut dan tot nadeel wildet zijn. Bemint, zoo gij bemind wilt worden. 45. Zoo gij gelukkig wilt zijn, dan (onvertaald) moet gij met uw lot tevreden zijn. Als wij oplettend willen zjjn, zullen wij dikwijls het groote (plur.) uit het kleine begrijpen. De verstandigen willen liever met (cum) de deugd weinig hebben, dan veel zonder deugd. De menschen worden niet bij toeval gered. Uit vrienden ontstaan dikwijls vijanden, uit vijanden vrienden. 50. Wij vermanen u, dat gij voorzichtiger wordt. Onze ouders vermaanden ons, dat wij voorzichtiger werden. Door den ouderdom zullen de meeste menschen verstandiger worden. Zij waren van (ex) vrienden vijanden geworden. Gij eet matig. 55. Wilt gij niets eten? Ik bad u dat gij meer zoudt eten.

-ocr page 144-

134

VIJFDE HOOFDSTUK.

SYNTAXIS, WOO lil)VOEGING.

De syntaxis leert hoe de woorden tot zinnen worden samengevoegd.

§ 1. Zinnen — subject en praedicaat — attribuut en object.

Zin of voorstel noemt men eene gedaclite in woorden uitgedrukt.

Subject (onderwerp) is datgene, waarvan iets gezegd wordt.

Praedicaat (gezegde) is datgene, wat van liet subject gezegd wordt.

Het subject is een substantivum of elk woord als substantivum gebruikt; het subject staat gewoonlijk in den nominativus.

Het praedicaat is of een verbum of een met esse verbonden substantivum of adjectivum ; in dit geval noemt men esse copula (band) ; en het substantivum of adject., praedicaats-subst. of praedicaats-adject.

Het praedicaat kan op de volgende wijze nader bepaald worden.

1. door den casus van het substant. hetwelk men dan object noemt.

2. door praepositiones met hare casus.

3. door een vorm van den infinitivus.

4. door een adverbium.

Subject en object kunnen nader bepaald worden :

1. door een adjectivum, dit noemt men dan attribuut.

2. door den genitivus van een substantivum (genitivus attribu-tivus).

3. door een substantivum, dat in denzelfden casus staat als het woord, hetwelk nader bepaald wordt. Men noemt dit appositio (bijstelling, nevenstelling).

Toepassing in voorbeelden :

Voorstellen in één woord uitgedrukt: curro, ik loop ; grandinat, het hagelt; ajunt, men zegt.

Voorstellen in twee woorden, als : arbor floret, de boom bloeit; bene scribis, gij schrijft goed.

Voorstellen in twee woorden waarvan een het object is, als : virtutem arno, ik bemin de deugd ; obhviscitur mei, hij vergeet mij.

Voorstellen, waarin het praedicaat nader bepaald wordt door eene praepositio met haren casus, als: pro patria pugnamus, wij strijden voor het vaderland, cadis in aquam, gij valt in het water.

-ocr page 145-

Voorstellen, waarin een vorm van den infinitivus dient ter bepaling van het praedicaat: scribere cupio, ik begeer te schrijven ; venisse dicebaris, gij werd gezegd gekomen te zijn — men zeide dat gij gekomen waart.

Voorstellen, waarin een adjectivum attributivum voorkomt, als : rosa pulchra floret, de schoone roos bloeit ; video pulchram rosam, ik zie eene schoone roos.

Voorstellen met een genitivus attributivus, b. v. hortus regis est pulcher, de tuin des konings is schoon ; vidi hortnm regis, ik zag den tuin des konings.

Voorstellen met een appositio, als : Alexander rex Macedönum vicit Persas, Alexander, koning der Macedoniërs, overwon de Perzen ; laudamus Socratem, magnum philosophum, wij prijzen Socrates, den grooten wijsgeer.

De leerling kan nu zelf, het in deze paragraaf behandelde uit de oefeningen in de vorige afdeelingen, toepassen.

§ 2. Overeenkomst.

Het verbum komt met het subject overeen in persoon en getal, het adjectivum in geslacht, getal en naamval. Het praedi-caats-substantivum alleen met het subject in naamval; ook in genus en numerus, zoo het substantivum mobile1) of generis communis est, dit laatste heeft ook in de appositie plaats. Een veelvoud van afzonderlijke dingen wordt niet, zooals in het neder-landsch, in den singul., maar in den plur. van het neutrum geplaatst. Hebben meer subjecten hetzelfde geslacht, dan staat het praedicaats-adject. in hetzelfde geslacht in plurali; hebben die subjecten onderscheidene geslachten, dan verkiest men bij persoonsnamen het mannelijke boven het vrouwelijke en bij namen van zaken het neutrum plurale voor het geslacht van het praedi-caats-adjectivum; bij verschillende personen heeit de 1ste persoon den voorrang boven den 2den en de 2de boven den derden.

Toepassing in voorbeelden : tu scribis, gij schrijft; nos pingimus, wij schilderen. Athenae existunt adhuc, Athene bestaat nog. Rosa est flos, de roos is eene bloem ; hier is alleen eene overeenkomst in naamval, gelijk in het voorbeeld, Bactra (orum) sunt caput Bactrianae, Bactra is de hoofdstad van Bactriana. Athenae sunt inventnces, Athene is de uitvindster ; de overeenkomst is hier in geslacht, getal en naamval, omdat inventrix een mobile

1

Mubilia zijo substantiva, die om het natuurlijk geslacht uit te drukken, van uitgang veranderen knnueu, b v- filius. filia; rex. regiua enz.

-ocr page 146-

136

is van het mannelijke inventor, oris, uitvinder, üsus est optïmus magister, de ondervinding is de beste leermeesteres ; hier staat magister, omdat nsus in afwijking van het nederlandsch mannelijk is; doch Pecunia est autor multarum rerum, geld is de bewerker van vele dingen, omdat men niet zegt atóra:; want auctor is communis generis. Men zegt Athenae nrbs, omdat urbes hier in plurali niet zou passen ; aquïla regina, omdat, hoewel arend bij ons mannelijk, aquïla in het latiju vrouwelijk is. Omnui humana sunt fragilia, al het menschelijke is broos, omdat hier van een veelvoud van een meervoudig begrip gesproken wordt ; zoo ook bona (orum), het goede; mala (orum), het kwade. Hannibal, Caesar et Pompejus fuerunt fortissimi, Hannibal, Caesar en Poin-pejus waren zeer dapper; fortissimi omdat er meer subjecten van hetzelfde geslacht zijn. Pater et mater sunt cari; omdat het mannelijke boven het vrouwelijke gaat bij subjecten van verschillend geslacht. Inter se contrarui sunt beneficium et injuria, het neutrum plurale is hier gebezigd, omdat er van zaken gesproken wordt. Ego et tu scnbimus in den eersten persoon pluralis, omdat ego een der subjecten is, daarentegen tu et frater sanbitis-, omdat er tu en niet ego onder de subjecten aangetroffen wordt.

§ 3. Dubbele nominativus.

Evenals bij het verbum esse, dat tot copula dient, het sub-jectsnomen overeenkomt met dat van het praedicaat in den nominativus, zoo heeft die overeenkomst ook plaats;

1. bij de verba van worden, fio, evado (ik word) existo, ik besta, nascor, ik word geboren.

2. bij maueo, ik blijf, videor, ik schijn.

3. bij de verba, die beteekenen genoemd worden.

4. bij de verba, die beteekenen, tot iets — gemaakt, verkozen, benoemd worden. De praepos. tot blijft dan in het latijn onvertaald.

5. bij de verba, die aanduiden : voor iets of iemand gehouden, erkend worden en diergelijken. Het woordje voor late men dan onvertaald.

Toepassing in voorbeelden. Puer evadet doctus, de knaap zal een qeleerdc worden ; puer is het subject, dodus het praedicaats-nomen, beiden staan in den nominativus. Brntus libertatis vindix exstïtit, Brutus trad als handhaver der vrijheid op ; in welk geval het woordje als in het latijn niet vertaald wordt, omdat het eene wezenlijke eigenschap en niet eene vermeende is; in het

-ocr page 147-

137

laatste geval gebruikt men de vergelijkingswoordjes ut quasi, tanquam, enz. Niemand wordt rijk geboren, nemo nascïtur dives. God blijft wijs. Dens manet sapiens. Gij schijnt ivijs te zijn, vidëris esse sapiens. Men zegt dat gij tvijs zijt — gij wordt gezegd wijs te zijn, dieëres esse sapiens. Cicero wordt vader des vaderlands genoemd. Cicero appellatur patur patriae. Ntitna werd tot koning verkozen, Numa rex electus est {tot onvertaald). De moeder wordt voor verstandig gehouden, mater habetur prudens {voor onvertaald).

§ 4. Subject hij het activum en het passivum.

By een activum of deponens verschijnt het subject als handelend, bi] een passivum als lijdend. De verba activa, welke een accusativus zonder praepositio tot object hebben, noemt men transitiva (overgaande) ; al de andere intransitiva of neutra, (niet overgaande). Bij de passiva komen de subjecten als lijdende voor. De deponentia kunnen zoowel transitiva als intransitiva zijn. De transitiva van een activen vorm, kunnen in dien van een passivum omgezet worden, gelijk die van een passiven vorm in dien van een activum. In het eerste geval wordt de werkende persoon door a of ab niet den abl. vertaald. Toepassing in voorbeelden. — Cicero scribit epistolam. Cicero schrijft een brief; scribit is een transitivum ; epistolam is de accusativus van het object; omgezet luidt het: epistola scribitur a Cicerone. Rosa floret, kan geen object hebben, omdat florëo een intransitief is. Sapiens meminit mortis, de wijze denkt aan den dood; hier is meminit een intransitief, omdat het object in den genitivus en niet in den accusativus staat. Gloria sequitur virtutem, roem volgt de deugd; hier is het deponens sequitur transitief en regeert daarom den accusatief. Pater mortuus est, mijn vader is gestorven ; morior is een deponens intransitivum, dns zonder object.

Aanmerking. Een deponens kan natuurlijk niet in een activen vorm veranderd worden. Wanneer dus in het nedeiiandsch het verbum in een passiven vorm staat, moet men het in een activen vorm omzetten, voor dat men het in het latijn vertaalt, b. v. roem is door u verkregen — gij hebt roem verkregen, gloriam con-secutus es en niet gloria consecuta est a te.

§ 5. Tempora (tijdvormen).

De tijdvormen worden in twee klassen verdeeld : 1. Hoofdtijden:

a. praesens (tegenwoordige tijd)^

-ocr page 148-

138

b. perjectum (volmaalcte of voltooide tijd).

c. futura (toekomende tijden).

2. Historische tijden.

a. imperfectum (onvolmaakte tijd).

b. plusquamperfectum (meer dan volmaakte tijd).

c. perfectum historicum (verhalende volmaakte tijd).

Aanmerking. Het gewone perfectum, ook perfectum praesens

of perfectum absolutum genoemd, komt gewoonlijk met het nedei-landsche in beteekenis overeen; het perfectum historicum wordt door het nederlandsch imperfectum vertaald, en beteekent ook wel eene verledene handeling; doch die handeling staat altijd in betrekking met eene andere en is daarmede gelijktijdig. Het perfectum historicum staat bij hoofdgebeurtenissen; het imperfectum bij beschrijvingen en schilderingen of bij het aanvoeren van bijkomende omstandigheden.

In het gezegde scribëbam, quum veniebas (ik schreef toen gij kwaamt), is de handeling schrijven gelijktijdig met komen; daarom gebruikt men hier het imperfectum in plaats van het perfectum; doch in de uitdrukking: Caesar urbem intravit, omnes cives laeta-bantur, is de hoofdgebeurtenis intravit, rukte binnen, en laetaban-tur et gratulabantur, zij verheugden zich en wenschten hem geluk, bijkomende omstandigheden. In: God heeft de wereld geschapen, is heeft geschapen een perfectum absolutum; in; Romulus condidit Roman, Romulus stichtte Tüowe, is stichtte een perfectum/fostoï-fcwn; daarom zegt men : Romulus condidit Romam en niet condebat.

§ 6. Modi (wijzen).

De afwijking der latijnsche tijdvormen van de nederlandsche taal behoort tot de kennis van meer gevorderden; omtrent de modi houde men het volgende in het oog:

1. De indicativus (aantoonende wijze) is de modus der waarneming.

2. De conjunctivus (verbindende wijze), is de modus der voor

stelling.

3. De imperativus (gebiedende wijze),--— van het

verlangen of bevel.

Aanm. De infinitivus kan niet onder de modi gerekend vrorden, maar hierdoor wordt de handeling of toestand in het algemeen uitgedrukt.

§ 7. Nadere aanwijzing van het gebruik des conjunctivums.

De conjunctivus der hoofdtijden vooral van het praesens, wordt

-ocr page 149-

139

in hoofdzinnen gebruikt ter aanduiding van een vermoeden, eene veronderstelling, eene twijfelachtige vraag, aanmoediging, vermaning en van een wensoh. In het nederlandsch gebruikt men gewoonlijk de hulpwerkwoorden, laten, kunnen, mogen, zullen, zouden, willen, moeten met den infinitivus, om dezen latijnschen eonjunc-tivus uit te drukken.

Den conjunctivus der historische tijden gebruikt men in hoofdzinnen :

1. Ter aanduiding van het aannemen van het tegendeel van dat wat is, (geweest is) of niet is, (niet geweest is).

2. Om een wenseh te kennen te geven, waarvan men weet, dat hij niet vervuld zal worden (imperf. conjunct.), of dat hij niet vervuld heeft kunnen worden.

3. Het imperf. conjunctivi staat bij twijfelachtige vragen die op het verleden terugzien.

Toepassing in voorbeelden. — Dies deficiat, si velim enumerare omnia, de dag zou mij ontbreken, zoo ik alles wilde optellen. Roges me hoe, nihil fortasse respondeam, (gesteld) gij vroegt mij hiernaar, ik zou misschien niets antwoorden. Quis de animorum immortalitate dubitet? wie kan of zal aan de onsterfelijkheid der ziel twijfelen? Eamus, laten wij gaan. Valeant cives mei! mijne medeburgers mogen welvaren! ütïnam amicus convalescat! mocht mijn vriend gezond worden! Moriar ni verum est, ik moge sterven, zoo het niet waar is. Suum quisque noscat ingenium, een ieder

moet zijn eigen aard kennen. Si hoe diceres, errares, zoo gij dit zeidet, zoudt gij dwalen; (maar ik weet, gij zult het niet zeggen, daarom zult gij ook niet dwalen). Sï hoe dixisses, errares, zoo gij dit gezegd hadt, zoudt gij dwalen ; (maar ik weet gij hebt het niet gezegd; dus hebt gij niet gedwaald). TJtinam amicus convules-ceret, convaluisset, mocht mijn vriend weder gezond worden, gezond geworden zijn, (in het geval dat het niet geschiedt of geschied is). Quid facer em, wat had ik kunnen doen, in onderscheiding van quid faciam, wat kon ik, wat moet ik doen.

Aanm. üit deze voorbeelden kan men zien, dat men credëres. putares, vidëres en dergelijke uitdrukkingen moet vertalen door: men had kunnen gelooven, meenen, zien, doch credas, men kan, zou gelooven enz.

§ 8. Nadere aanwijzing van hel gebruik van den imperativus.

De vormen van den imperativas ama. amate en zoo ook in al

-ocr page 150-

140

de andere conjugatiën hebben eene zachtere beteekenis, waardoor men verzoekt, herinnert, vermaant om iets te doen; daarentegen ligt in de vormen to, tato, teto, tito, nto, ntor, het begrip van gebod, plicht, voorschrift, wet: in het nederlandsch vertaalt men ze door zullen of moeten. Bij den negatieven imperativus wordt, evenals bij den conjunctivus, die daarvoor in plaats komt, bij aanmoedigingen en vermaningen niet non maar ne gebezigd.

Toepassing. Ferte misëro auxilium ! brengt den ongelukkige hulp toe (zacht bevel). Colïto virtutem puer! Gij knaap moet de deugd betrachten (plicht). Leges observantor, de toetten moeten in acht genomen worden (wet). Ne scribïto, schrijf niet, gij moet niet schrijven ; hier wordt ne, niet non bij den negativen imperatives gebruikt. In plaats van ne vindt men ook nob, nohte (wil niet, wilt niet), bijv. noli scribëre = ne scribas of ne scribïto, schrijf niet of gij moet niet schrijven. Nollte garrire puëri, babbelt niet, knapen ! eigenlijk, wilt met babbelen.

§ 9. Over het gebruik van den genitivus.

De genitivus drukt uit eene nadere bepaling 1. van een verbum intransitivum. 2. van een substantivum. 3. van een adjec-tivum.

Tot de eerste soort behooren

a. de verba van gemoedsaandoeningen.

b. — — — herinneren en vergeten.

c. — — — aanklagen en beschuldigen, bevrijden, vrij

spreken, over of van eene schuld of misdaad.

d. de genitivus van eigenschap of bezit bij de verba esse en

fierie.

e. — — — waarde (pretii) bij de verba van achten,

schatten, waardeeren.

f. — — — den persoon, wien er aangelegen is bij de

impersonalia interest en refert.

g. — — bij egere en indigere.

Toepassingen in voorbeelden van den genitivus van de eerste soort. — Men lette vooral in die voorbeelden op het onderscheid tusschen het latijnsche en het nederlandsche taaleigen in het uitdrukken der bepaling.

Misercor infelicmm hominum, ik heb medelijden met ongelukkige menschen. Me non solum piget stultitiae, sed etiam pudet, ik

-ocr page 151-

141

heb niet alleen verdriet over (van) mijne dwaasheid, maar ik schaam mij er ook over. Deum nuncuam poenitet consihi, Grod heeft nooit berouw over zijn besluit. Taedet eum vitae, hij heeft verdriet in zijn leven. Miseret vos mei, gij hebt medelijden met mij. NB. Bij deze impersonalia staat de persoon, die de aandoening gevoelt in den accusativus. Semper hujes diei et loei meminëro, ik zal altijd aun dezen dag en aan deze plaats gedenken. Boni homines pvaetenti temporis cum volnptate remi-niscuntur, brave menschen gedenken met genoegen aan den verleden tijd. Verus amicus amici nunquam obliviscitur, een waar vriend vergeet nimmer zijn vriend. Êes adversae admönent reli-gionum, tegenspoed herinnert aan godsdienstige verplichtingen. Vetens amicitiae te commonefacio, ik herinner u aan uwe oude vriendschap. —

{Aanm. Memini, reminiscor, obliviscor, worden dikwijls en recordor th herdenk, bijna altijd met den accus. verbonden.)

Athenienses Miltiadem proditionis accusaverunt, de Atheners beschuldigden Miltiades van verraad. Themistocles absens proditionis condemnatus est, Themistocles werd afwezig wegens verraad veroordeeld. Absolutus est eo crimme Ccrimine met den abl. in plaats van den genit., zoo er een pronomen bijgevoegd is), hij werd van die misdaad vrijgesproken. Zoo zegt men ook : nomine scelens, enmine ambitus damnati sunt, hij werd wegens een snoode daad, wegens kuiperij veroordeeld. Athenienses Soera-tem capitis of capite condemnarunt, de Atheners veroordeelden Socrates ter dood; zoo staat de straf, waartoe iemand veroordeeld wordt, (behalve bij multare, dat meest altijd den abl. heeft) in den genitivus of abl. Op te merken zijn de uitdrukkingen : ad bestias condemnare ; ad bestias (tot de wilde dieren), in metalla (tot de mijnwerken). — Hie liber est fratris mei, dit boek behoort mijnen broeder. Petulantia est adolescentium, de dartelheid is den jongeheden {eigen). Imbecilh animi est superstitio, bijgeloof is een teeken van eene zwakke ziel. Virorum fortium est toleranter dolorem pati, het is de plicht van dappere mannen geduldig de smart te verdragen. Nostrum est, en niet nostn, (zoo ook meum, tuum, suum, vestrum) parentes amare, het is onze {mijne, uwe enz.) plicht, de ouders te beminnen. Omnia, quae mulieris fuerunt, dotis nomine vin fiunt. Alles, wat eene vrouw toebehoort heeft, komt onder den naam van bruidschat in \'t bezit van den man. Si prata wagni aestimanus, quanti est aesti-manda virtus ? indien wij de weiden /ioo^achten, hoe hoog moet dan de deugd geacht worden ? Sua parvi pendëre, het zijne laag schatten. Divitias rninoris aestimare debemus, quam virtutem,

-ocr page 152-

142

wij moeten den rijkdom minder achten dan de deugd. Nihil/ïensï habent, zij hechten geen waarde aan iets. Discipüli praeceptores pluvnni (maxime) faeere oi ducere debent, de leerlingen moeten hunne meesters zeer hoog achten. —

Aanm. Bij interest en refert staat de persoon, wien er aan gelegen is, in deii genitivus; doch voor de pronomina personalia, mei, tui, svi, nostn, vestn, worden gebruikt mea, tua, sua, nostra, vestra ; hoeveel iemand er aan gelegen is, wordt uitgedrukt door adverbiale uitdrukkingen of door de genitivi pretii (van waarde): magni, purvi, pluris, parvi, tauti, Quunti; de zaak waaraan gelegen is wordt nooit door een substantivum in den nommattvus uitgedrukt, maar 1. door de accusutivi, id, ülud, quod, quid-, 2. door een infinitivus ; 3. door een omschrijvenden zin.

Interest omnium rectë facëre, het is voor uilen van belang zich wel te gedragen. Mea mimme refert, het gaat mij volstrekt niet aan. Intei\'est mea magni, het is voor mij van hoog belang, er is mij veel aan gelegen. Éefert mea nihil, er is mij niets aan gelegen. De hennis der latijnsche taal is voor mij van veel belang, wordt vertaald evenals of er stond; het is voor mij van veel belang de latijnsche taal te Jcennen, magni mea interest scire latinc. IVEeii zegt mea ipsius inteiest, er ligt mijzel ven aangelegen, zoo ook nostra ipsorum interest enz..; liefst3 echter zet men de apposita om, b. v. mea, qui sum maximus natu, interest, mij, den oudsten, ligt er gelegen. Praeceptoris magni interest discipulos magno studio in literas incumbere, er ligt den leermeester veel aan gelegen dat de leerlingen zich met grooteu ijver op de wetenschappen toeleggen. Magni mea refert, ut te videam, mij is het van groot belang u te zien, ik stel er groot belang in, u te zien. Aegrotus medicinae eget of indïget, een zieke heeft een geneesmiddel van noode; de abl. is echter gebruikelijker bij egeo, en de gen. bij indigeo. —

Zoo de genitivus ter bepaling van een substantivum dient, dan komen de volgende gevallen in aanmerking.

1. De genitivus van hoedanigheid of eigenschap) als attribuut (genitivus qualitatis), als blijvende eigenschap met of zonder sum; de abl. qualitatis is eene toevallige.

2. In het algemeen tot nadere bepaling (genitivus attributivus), hij geeft dan te kennen:

a. de oorzaak of den bewerker.

b. den bezitter.

c. het geheel, waarvan een deel genomen is. (genitivus partitivus).

-ocr page 153-

143

Aamn. Gen. subjectivus noemt men zulk een gen., die uit het subject van den zin ontstaat, b. v. uit rosa floret, de roos bloeit, kan ontstaan, flos rosae, de bloei van eene roos; uit amo patrem, waar pater object is, kan een genit. objeetivus afgeleid worden, amor putris, de liefde tot of voor den vader.

Toepassing in voorbeelden. — Est vir summae pietatis erga Deum, hij is een man van de grootste godsvrucht. Classem Septuaginta navium Athenienses Miltiadi dederunt, de Atheners gaven Milti-ades eene vloot van vijftig schepen. Non monére audeo hominem tanti aniini, ik durf u, een man van zulk een karakter, niet vermanen. Cicero conjurationem Catihnae detexit. Cicero ontdekte de samenzwering van Gutilinri (d. i. die Catilina gemaakt had). Catöni studium moclestiae, sed maxime severitatis erat. Het streven van Cato was naar zedigheid, maar vooral naar strengheid. Ma-lorum consuetudinem vitemus, laat ons den omgang met slechte menschen vermijden. De substantiva causa, gratia, ergo in den ablat., en instar in den acc. worden, met den genitivus verbonden, vertaald door wegens, om, ter icüle van, evenals; maar de posses-siva mea, tua, sua, nostra, vestra, worden in den abl. fem. gebruikt in plaats van de pronomina personalia mei, tui, sui, enz. Sophistae ostentationis aut questus causa philosophabantur, de sophisten philosopheerden vertooningsAnZye of uit winstbejag. Mea causa neminem viölo, om den wil van mij kwets ik niemand. Fortitudo militum erat instar mun, de dapperheid der soldaten was even als een muur. Ook bij de neutra van de adjectiva en pronomina, die in den nomin. en accus. singularis als substantiva gebezigd worden, staat zulk een genit. partitivus, b. v. quantum pecuniae quis habet in area, tantum fidei habet, iemand heeft zooveel vertrouwen, als hij geld in de kist heeft; voorts ego fratrum major natu sum, ik ben de oudste van de (twee) broeders. Multum diei, een groot deel van den dag; ook bij adverbia: satis genoeg geld, parum sapientiae, weinig wijsheid.

Zoo de genitivus ter bepaling van een adjectivum dient, dan plaatse men dien:

1. bij de adjectiva die eene begeerte of het tegendeel aanduiden.

2. — — — — — kennis — — — —

3. bij de participia op ans en ens en andere adjectiva verbalia. b. v. op ax.

4. bij de adjectiva die een tZecZMêmera of het tegendeel beteekenen.

Toepassing in voorbeelden. — Caesar glonae cupidissvnus fuit.

Caesar was zeer bageerig naar roem. Memmius fastidiosus fuit literarum, Memmius had een walg van de letterkunde. Themisto-

-ocr page 154-

1-14

cles peritissimos rei navalis fecit Athenienses, Themistocles maakte de Atheners ztcv evvctrcii m het zeewezeu. Co non prudens rei militaris fuit, Conon was kundig in het krijgswezen. Ru dis liguae graecae, onkundig in de grieksche tcicil. Juris consultus, ervuren

in het recht, rechtsgeleerde. Homo gloriae appetens saepe _a vir-tutis via deflectit, een man die op roem gesteld is, wijkt dikwijls van den weg der deugd. Quis famulus domini amanitor est quam canis, welk0bediende toont meer liefde voor zijnen heer dan een hond? (Zulke adjectiva op cms en ens duiden eene blijvende hoe-danidieid aan). Vir probus tenux est propositi boni, een braaf m.BuT\\ blijft zijn goed voornemen vasthouden. Beneüciorum memores, injuriarum immemores estote, weest der weldaden gedachtig, der beleedigingen ongedachtig. Homo rationis est particeps, de menscli is der rede deelachtig; bestiae rationis et oraiwuis expertes, de beesten zijn (van het vermogen) der rede en taal verstoken.. Omnes virtutis compotes sunt beati, allen, die der deugd machtig (in \'t bezit der deugd) zijn, zijn gelukkig. Compos voti, zijn wensch machtig; ook damnatus voti, die zijn wensch vervuld ziet.

§ 10. Over het gebruik van den accusativus.

1. De accusativus staat bij alle verba transitiva, en geeft den persoon of de zaak te kennen, waaraan de handeling van het verbum wordt uitgeoefend.

In afwijking van het nederlandsch taaleigen hebben vooral de volgende verba, die in het nederlandsch den dat. ol den accusativus met eene praepositio hebben in het latijn den accusativus: deficio, ontbreken aan, aequo, adaequo, gelijk komen met, sequor met zijn composita, volgen op, (behalve obsequor, met den dat.), sector, consectoi, streven naar, aemulor, naijverig zijn op, decet, het betaamt, dedecet, het betaamt niet, en andere, die door het gebruik moeten geleerd worden.

2. De accusativus van maat, staat op de vraag, boe lang. hoe ver, hoe breed, hoe hoog, hoe dik, hoe veel, hoe groot, enz.

3. Voorts staat de accusativus bij uitroepen van verwondering en smart.

4. Een dubbele accusativus :

a. bij de verba van noemen ; de eene accusativus is dan object, de andere praedicative appositio van dit object.

-ocr page 155-

145

b. tot iets maken, verkiezen, benoemen; het woordje tot wordt dan niet vertaald.

c. voor iets houden, erkennen ; dan vertaalt men het woordje voor niet.

d. zich als iets vertoonen, voordoen; het woordje aZs blijft onvertaald.

Aanni. De passiva dezer verha hebben natuurlijk een dubbelen nominativus.

5. Eindelijk hebben een dubbelen accusativus:

a. de verba van onderwijzen, leeren;

h. — — — bidden en eischen;

c. — — — vragen;

d. — — — verhelen en verbergen.

Aanm. 1. Peto heeft in de beteekenis va.n verzoeken nooii een dubbelen accusativus bij zich, maar men zegt pelo aliquid ab aliquo, ik verzoek iemand iets, terwijl quaero in de beteekenis van vragen, in plaats van met den accusativus des persoons, met a, de of ex met den ablativus geconstrueerd wordt, b. v. quaero aliquid ex of a te, ik vraag u iets.

Aanm. 2. De accusativus van het persoonlijke object gaat in het passivum dier meeste verba in den nominativus over en het zakelijke object blijft in den nominativus, b. v. in het activum: Minerva Ciceronem omnes artes edocuit, Minerva heeft Cicero in alle kunsten nauwkeurig onderwezen; in het passivum; Cicero a Minerva omnes artes edoctus est.

Aanm. 3. Bij de verba van verzoeken en eischen wordt gewoonlijk de accusativus der zaak subject en de persoon, van wien men vraagt of eischt, door den abl. met a aangeduid, b. v. pecunia a me flagitatur, er wordt qeld van mij geëischt.

Aanm. 4. Gelo kan in het activ., in plaats van den accus. dei-zaak, de met den abl. hebben; in het passivum is deze constructie gewoonlijk, b. v. celo te aliquam rem of de aliqua re; non celaris de aliqua re, eene zekere zaak wordt niet voor u verborgen.

Toepassing in voorbeelden. -— Atticus adolescentem Murium adjuvit opibus suis, Atticus ondersteunde den jongen Marius met

zijn vermogen. Tempus me deficit, de tijd ontbreekt mij, het ontbreekt mij aan tijd. Malus fugit honum, de booze vlvcht voor den brave of ontvlucht den brave. Pedites equitem eursu aequabant, de voetknechten evenaarden de ruiterij in hunnen loop = bleven de

ruiterij in hunnen loop bij. Verecundia decet puerum, bescheiden-

10

-ocr page 156-

146

heid past een knaap. Noctem dies suhsequitur, de dag volgt op den nacht. Eqnïtes sectabantur regem, de ruiters zuten den koning op de kielen. Virtut.es majorum aemulemur, laat ons de deugden onzer voorouders trachten na te volgen. — Quaedam bestiölae unum diem vivunt, sommige kleine dieren leven één dag. Cato, annos qmnque et octoginta natus, excessit e vïta. Cato stierf (eigenlijk ging uit het leven) vijf en tachtig jaren oud. N. B. natus beteekent in zulk eene verbinding oud. Zama quinque diërum iter ab Carthagme abest, Zama is eene reis van 5 dagen van Carthago verwijderd. Turris xgt;edes ducentos alta est, de toren is 200 voet hoog. Me miser urn, ik ellendige! O falhcem homïnum spem, o bednsgelijkc hoop der menschen! — Romani Ciceronem patrem patriae appellarunt, de Romeinen noemden Cicero vader der vaderlands. Ciceronem universus popülus consulem declaravit, het geheele volk verklaarde Cicero tot consul. Sapientem beatum habêmus, den wijze houden wij voor gelukzalig. Antistius se

praestitit acerrimum propugnatorem libertatis, Antistius heeft zich als een zeer ijverigen verdediger der vrijheid betoond. Athenienses sibi Miltiadem imperatorem sumpsërunt, ■ de Atheners namen zich Miltiades als bevelhebber. Cicero pater patriae appellatus est, Cicero werd vader des vaderlands genoemd. Cicero consul creatus est, Cicero werd tot consul gekozen. Ne quid (voor aliquid achter ne) turpe amicum rogato, vraag uwen vriend niet om iets schandelijks. Ego te sententiam tuam rogo, ik vraag u om uw gevoelen. Nullam rem te celo, ik verberg u geene zaak, ik houd geene zaak geheim voor u. Peto librum a te, ik verzoek een boek van u, ik verzoek u om een boek. Quaero a te of ex te sententiam, ik vraag u naar uw gevoelen.

§ 11. Over het gebruik van den dativus.

De dativus is in het algemeen de casus van het voorwerp, dat bij eene handeling betrokken is en van het doel, op de vraag aan, voor, {ten voordeele of nadeele van), tot. Hij staat in vele gevallen daar, waar wg dien in het nederlandsch gebruiken.

De volgende verba, die in het latijn intransitiva zijr., omdat zij geen accusativus, maar den dativus van het object hebben, worden in het nederlandsch deels door transitiva met den accusativus, deels door intransitiva vertaald; zij hebben dan meestal eene praepositio met den accusativus.

-ocr page 157-

147

arridëre, toelachen, om iets lachen, obtrectare, naijverig zijn op ie-benedicëre, van iemand goed spre- mand.

ken. parcëre, sparen.

invidëre, iemand benijden, afgun- persuadëre, overreden, iemand

stig op iemand zijn. van iets overtuigen,

maledieëre, kwaad van iemand patrocïnari (deponens), bescher-

spreken. men, verdedigen.

medëri, genezen quot;(meestal met den supplïcari, ootmoedig smeeken.

dativus). studére, zich ergens op toeleggen,

nubëre, huwen (van eene vrouw, iemand genegen zijn.

eigenlijk zich sluieren voor iemand).

Bij est en sunt staat de persoon of zaak, die iets bezit in den dativus, de bezitting staat als subject in den nominativus.

Aanm. Bij nomen est mihi, ik heb den naam, ik heet, staat de naam in den nomin. of dativus. B. v. nomen est mihi Carölus of Carölo, mijn naam is Karei = ik heet Karei; de genit. is hier zeldzaam.

Voorts wordt de dativus van doel gezet:

1. bij sum, wanneer het door strekken vertaald wordt; daarbij

komt nog een dat. des persoons.

2. bij accipio, ik ontvang, dehgo, ik kies uit, do, ik geef, ik

reken toe, haheo, ik reken toe en duco, tribuo, verto, in dezelfde beteekenis.

De toepassing ziet men in de volgende voorbeelden:

Do tihi donum, ik geef u een geschenk. Scribo tibi epistölam, ik schrijf u eenen brief. Non scholae sed vitae discïmus, niet voor de school, maar voor het leven leeren wij. Litërarum studium homimbus utilissimum est, de beoefening der letteren is voor de menschen zeer nuttig. Canis lupo similis est, de hond is den wolf gelijk (bij similis en dissimilis kan ook de genitivus geplaatst

worden). Ratio ommbus hommbus communis est, de rede is aan alle menschen gemeen. Venus nupsit Vulcano, Venus huwde Vul-canus. Parcë mihi, spaar mij. Ne ivf antibus quidem parcebatur, zelfs de kinderen werden niet gespaard 1). Benediximus bonis,

10*

1

Zulke intransitiva worden, zoo zij in het passivum moeten voorkomen, alleen onpersoonlijk gebruikt, met behoud van den dativus, dien zij in bet activum hadden, b. v. ik word gespaard, parcitur mihi; gij wordt benijd, invidelvr till; zij zullen gesmeekt worden, suppHeatilur illis.

-ocr page 158-

148

wij hebben goed van de hraven gesproken. Maledictum est bonis, de slechten zijn uitgescholden = men heeft de slechten uitgescholden, heschimt. Probus invïdet nemini, de brave benijdt niemand. Nabis tnvidebitur, wij zullen benijd worden = men zal ons benijden. Nunquam tibi persuadêbo, ik zal n nimmer overtuigen, oven-eden. Puëri Uteris studëre debent, de knapen moeten zich op de wetenschappen toeleggen. Omnes homines hbertati student, alle men-schen streven naar vrijheid. Philosophia medëtur animis, de wijsbegeerte geneest de zielen. Bonus bono patrocïnatur, de eene brave beschermt den andere. Multi mi/u libn sunt, ik heb vele boeken. Gij zidt groote middelen hebben, magnae tibi erunt opes. Semper in civitate (ii), quibus nullae opes sunt, bonis invident, altijd benijden zij, die in den staat geene macht bezitten, de ivel-denkenden. Leges decemvirales, quibus tabvlis duodecim est nomen, de wetten der tienmannen, welke 12 tafelen heefen. Het o-oede kan iemand niet tot kwaad strekken, bonum cuiquam non potest esse malo. Virtutes hominibus decori et gloriae sunt, de deugden zijn den menschen tot eer en roem. Virtus sola neque datur dono, neque accipitur, de deugd alleen wordt noch ten geschenke gegeven, noch ontvangen. Pausanias venit Atticis auxiho, Pausanias kwam den inwoners van Attica te hulp. Cm bono est? wie heeft er belang bij, aan wien strekt het tot nut?

§. 12. Over het gebruik van den ablativus.

Door den ablativus worden de omstandigheden opgegeven, waaronder iets plaats heeft. Hij staat dus

1. Als het middel of werktuig, door hetwelk iets geschiedt, op de vraag ivaaruiede, waardoor (ablativ. instrument!).

Aanm. Wanneer een persoon als middel of werktuig gebruikt wordt, dan bezigt men met den accus.; de handelende persoon staat bij een passivum in den abl. met a; de begeleidende persoon in de abl. met cum.

2. De stof, van of uit welke iets gemaakt is, op de vraag: waarvan, waaruit, wordt door den abl. materiae uitgedrukt, welke dikwijls niet nauwkeurig kan onderscheiden worden van den abl. instrumenti, welke staat:

a. bij de verba van uitrusten, voorzien, versieren, gewennen.

b. — — — — voeden, onderhouden, leven.

c. — — — — volheid en gebrek.

-ocr page 159-

149

3. Bij opus est, het is noodig, staat de zaak, die noodig is in den ablativus; doch de persoon voor wien iets noodig is, in den dativus; men kan echter opus est ook persoonlijk gebruiken, b. v. ik heb boeken noodig, opus est mihi lib vis en opus sunt mihi libri; opus blijft in beide gevallen onverbogen.

Aanm. Is de zaak, welke noodig is, een verbum, dan staat dit verbum gewoonlijk in den infinitivus.

4. De ablativus van stof of middel staat bij de deponentia: fruor , fungor, potior, utor, vescor. — Potiri rerura beteekent: zich van het bewind meester maken.

5. De grond, de beweegreden, de oorzaak eener handeling, wordt door den ablativus causae uitgedrukt, op de vraag waarom, weshalve, waardoor, waaruit?

6. Door den ablativus wordt het voorwerp aangeduid, ivaarnaar iets gemeten en beoordeeld wordt; daarom staat het voorwerp, xvaarmede vergeleken wordt, ook in den ablativus, in plaats van quam met den nominativus of accusativus, b. v. pater est doctior Mio, de vader is geleerder dan de zoon; om die zelfde reden wordt ook door den abl. uitgedrukt, hoeveel eene zaak meer of minder is dan eene andere. Hieruit laat zich ook de ablativus verklaren bij de verba van gelijken, verschillend zijn, overtreffen, waar de Nederlander de prae-positiones m, van, aan bezigt, alsmede de ablativus vóór ante en post.

7. Bij de verba van Icoopen en verkoopen, kosten, huren, verhuren, ruilen, dignns en indignus staan de woorden, die den prijs en de waarde uitdrukken in den abl.; bij de verba van koopen kunnen echter, zooals boven aangeduid is, genitivi pretti voorkomen.

8. De ablativus van plaats, zonder m komt vooral in verbinding met totus voor; anders wordt er gewoonlijk in bijgevoegd.

9. Dezelfde casus staat bij eene tijdsbepaling op de vraag: wanneer ?

10. Eindelijk heeft men een ablativus bij de verba van scheiden, berooven, afzonderen en bevrijden.

Toepassing van de regels omtrent den ablativus.

Octtlis videmus, aurïbus audïmus, wij zien met de oogen, hooren met de ooren. Britanni lacte et carne vivunt, de Britanniërs leven van melk en vleesch. Accëpi litëras a patra, ik heb een brief van mijnen vader ontvangen. Per tuum patrem misena liberatus

-ocr page 160-

150

sum, door toedoen van uwen vader ben ik van mijne ellende bevrijd. Mundus a Deo creatus est, de wereld is door God geschapen. Cum fratre ambulavi in horto, met mijnen broeder wandelde ik in den tuin. Natura ocülos tenuissimis membranis vestïvit et sepsit, de natuur beeft onze oogen met zeer dunne vliezen bekleed en omheind. Litërae tuae me summo gaudio affe-cërunt, uw brief heeft mij me zeer groote vreugde vervuld, eigenlijk : uw brief heeft mij met zeer groote vreugde aangedaan. Pater filium Uteris erudivit, de vader heeft zijn zoon in de wetenschappen onderwezen; (zoo ook instruëre, imbuëre, aliquem aliqua re). Pueri assuefaciendi sunt continuo labore, de knapen moeten zich aan aanhoudenden arbeid gewennen. — Germania abundat fiumi-nibus, Germania heeft overvloed van rivieren. Afferre non potest consilium, qui ipse eo eget, hij kan geene hulp aanbrengen, die

haar zelf behoeft. Misërum est carëre sonsuetudme amicorum, het is ongelukkig den omgang met vrienden te missen. Multis duce opus est velen hebben een leidsman van noode. Duces nobis opus sunt, wij hebben leidslieden van noode. Non opus est rem pluri-bus verbis Tcommemorare, wij behoeven de zaak niet met meer woorden te vermelden. Si quid scire opus est; scribart, zoo er iets is, dat gij behoort te weten, zal ik u schrijven. — Multi heneficio Dei perverse utuntur, velen gebruiken eene welcaad van God verkeerd. Augustus Alexandria brevi potitus est. Augustus heeft Alexandnè binnen korten tijd bemachtigd. Vescïmur earne animalium, wij eten het vleesch van dieren. Cicëro consulatu bene functus est, Cicëro heeft zijn consulaat goed waargenomen. In culpa sunt, qui officia desërunt, mollitia anïmi, schuldig zijn zij, die gebrek aan geestkracht hun plicht verzaken. Ejus impulsu hoc feci, op diens aanzetten heb ik dit gedaan Auctori-tate alicujus aliquid facere, op het gezag van iemand iets doen. Gaudcmus tuo adventu, wij verheugen ons over uwe aankomst; dolemus tuo discessu, wij bedroeven ons wegens uw vertrek. Salus hominum non veritate solum, sed etiam fama nitïtur. Het heil der menschen steunt niet alleen op waarheid, maar ook op hunnen goeden naam. Nemo potest corporis firmitate confidëre, niemand kan op de vastheid van zijn lichaam vertrouwen. (Fido en con fido, worden echter ook dikwijls met den dativ. verbonden, diffido zeer zelden met den ablativ.) Contenti estote so^te vestra, zijt vergenoegd met uw lot. Quod rectum est, nee magnitudine aestimatur, nee tempore, nee numero, wat goed is, wordt noch naar zijn grootte, noch naar tijd, noch naar zijn getal geschat. Magnos homïnes virtute metïmur non fortuna groote mannen be-

-ocr page 161-

151

oordeelen wij naar hunne deugd, niet naar hun geluk. Pater Alio doctior, of pater quam filins doctior de vader is geleerder dan zijn zoon. Quem virum meliorem, Socrate of qua m Socrxtem cognovimus? welken man hebben wij als beter leeren kennen dan Socrates? Epaminondae Thebanus nemo par

fuit eloquenha, geen Thebaan evenaarde Epaminondas in welsprekendheid. Multi corpora sunt validi, menti invalïdi, velen zijn sterk van lichaam, zwak van geest. Major natu. ouder, het oudst van twee. Cyrus natione Persa fuit, Cyrus was een Pers van geboorte. Sol multis partibus major est quam terra, de zon is vele deelen (verscheidene malen) grooter dan de aarde. Paula major sumte ik ben een weinig grooter dan gij. Quanto majores sumus, eo modestiores esse debemus, hoe grooter wij zijn, des te zediger moeten wij zijn. Quo quis indoctior eo im-pudentior (estj, hoe ongeleerder iemand is, des te onbeschaamder. Numa Pompilius annis per multis ante fnit quam Phythagoras, Numa Pompilius leefde zeer vele jaren vóór Phythagoras. Ante tres annos te vidi, het is nu drie jaren geleden dat ik u gezien heb. Hunc librum parvo pretio emi, ik heb dit boek voor een geringen prijs gekocht. Excellentium homïnum virtus imitatione

non invidia dignus, de deugd van uitmuntende mannen is navolging, geen nijd waardig. Multorum sanguine et vulneribus ea victoria Poenis stëtit, die overwinning kwam den Carthagers op

bloed en wonden te staan. Tantidem domum vendidi, quanti emi, ik heb het huis voor even zooveel verkocht, als ik het gekocht heb. — Vir sapiens injuriam aequo animo fert, een wijs man draagt het onrecht met een gelaten gemoed (abl. modi ip de vraag hoe ?) Terra marique dimicatum est, er werd te la na en te water gestreden. Hoc libro bellum punicum descriptum est, in dit boek is de punische oorlog beschreven (hier moet in niet bij den abl. gevoegd worden, omdat zich de beschrijving over het geheele boek uitstrekt) ; daarentegen agricultura laudatur in eo UbrOj qui est de tuenda re familiari, de landbouw wordt geprezen in dit hoek, hetwelk handelt over het in stand houden van het vermogen. (Hier wordt in vereischt, omdat in dit boek de landbouw slechts als een gedeelte voorkomt). Fama tota urbe discurrit, de faam verbreidt zich over de geheele stad (van eene verspreiding) ; doch wanneer in door binnen kan vertaald worden, mag het niet worden weggelaten, in tota urbe nullum argenteum vas erat, in (binnen) de geheele stad was geen zilveren vaas. — Qua

nocte Alexander natus est eadem Dianae ephesïae templum defla-

-ocr page 162-

152

grabat, de tempel van de ephesische Diana verbrandde m denzelfden nacht, waarin Alexander geboren werd. Agamemno vix decern annis unam eepit urbem, Agamemnon nam binnen tien jaren nauwelijks ééne stad in. Epaminondas die uno Graeciam liberavit, Epaminondas bevrijdde in eén dag Griekenland. Castra loco movcre, met zijn leger uit eene plaats opbreken. Hospitem arcere tecto nefas est, liet is niet geoorloofd een vreemdeling r aw zijne woning af te houden. Cognitio naturae libërat mortis metu, de kennis der natuur bevrijdt van de vrees voor den dood. Animus excelsus liber est cura et angore, eene verhevene ziel is vrij van zorg en angst.

§ 13. Gebruik der namen van steden en landen enz.

Hierbij zijn de volgende regels op te merken ;

Op de vraag waar ? staan in den genitivus: de namen van steden, vlekken, of dorpen en kleinere eilanden van de eerste en tweede declinatie.

Op de vraag waar ? staan in den ablat. :

1. de namen der steden van de derde declinatie.

2. al de namen der steden, die pluralia tantum zijn.

Op de vraag waarheen ? staan alle namen van steden in i .=

den accusativus. f jj -3

Op de vraag van waar ? — — — — —\' i-i ( 1 iquot;

den ablativus. \'

Aanm. 1. Als namen van steden worden gebruikt: domus en rus, b. v. domi meae, tuae, suae, nostrae, vestrae, alienae, in mijn, uw, zijn, {hun), ons, een anders huis ; domum, naar huis. domo van huis ; ruri, op het land, rure van het land af, rus, naar het land. Voorts humi op den grond; domi militiaeque, of domi bellujue, Ie huis en in het veld, in oorlog en vrede.

Aanm. 2. Komt er bij de namen van steden nog eene appositie van de appellativa urbs, oppidum, caput (hoofdstad), dan staat op de vraag waar ? gewoonlijk de ablativus zonder m.

waarheen ? — — — accusativus — —

vanwaar ? — — — ablativus zonder a, ab oj ex.

Toepassing. — Pompejus hiemare Dyrrachii et Apolloniae con-stituërat, Pompejus had besloten te Dyrrachium en Apolloniö te overwinteren. Carthagme quotannis bini reges creabantur, te Carthago werden telken jare twee bestuurders gekozen. Talis Romae Fabricius, qualis Aristides Attiems fuit, Pabricius was

-ocr page 163-

153

zoodanig te Rome, als Aristides te Athene. Delphis Apollïnis oraculum fuit, te Delphi was een orakel van Apollo. Conon plu-rimum Cypri vixit, IpHcrates in Thracia (omdat Thracia een landschap is), Conon leefde meest o/) Cyprus, Iphicrates Thracië. Curius primus Roman elephantos duxit, Curius bracht het eerst olifanten naar Rome over. Pompejus Lucena proficiscïtur Canu-smm, Canusio Brundisium, Pompejus vertrekt van Luceria naar Canusium, van Canusium naar Brundisium. Aeschïnes cessit Athams et se Rhodum contülit, Aeschïnes ging uit Athene en begaf zich naar Rhodus. Cicero Roma Athenas profectus est. Cicero vertrok van Rome naar Athene. Lycurgus Cretam profectus est, Lycurgus reisde naar het eiland Creta (de accusativus zonder in is bij groote eilanden zeldzaam). Eo domo rus et rure redeo domum, ik ga van huis naar het land en van het land keer ik naar huis terug. Domi meae malo esse quam alienae, ik wil liever in mijn huis zijn dan in (dat) van een ander. Riiri quidvis pati possum, op het land kan ik alles dulden. Jacet humi, hij ligt op den grond. Una fuïmus semper domi müitiaeque, wij waren altijd in oorlog en vrede te zamen. Augustus stierf te Nola, eene stad van beneden-Italië, Augustus mortuus est Nolae, oppido Italiae inferioris. Cicero vertrok naar Athene, eene zeer beroemde stad, Cicero profectus est Athenas, urbem eeleberrïmam. Te Alexandrië, eene stad van (in) Aegypte was eene zeer vermaarde bibliotheek, Alexandriae, urbe in Aegypto, erat celeber-rïma bibliothêca.

De namen van landen en grootere eilanden worden gewoonlijk als de gemeene benamingen van plaatsen geconstrueerd, b. v.

ik woon in Spanje, habïto in Hispania,

ik ga naar — eo in Hispaniam,

ik kom van of mt Spanje, venio ah of ex Hispania.

§ 14. Overzicht en gebruik der Praepositiones.

De praepositiones (voortzetsels) regeeren den accusativus of ablativus. Den accusativus regeeren de praepositiones, die in de volgende versjes begrepen zijn:

Ante, apud, ad, adversus,

Circa, circum, citra, cis,

Erga, contra, intra, extra.

Inter, infra, supra, ob,

-ocr page 164-

154

Penes, juxta, post en praeter,

Prope, propter, paene, secundum,

Ultra, trans alsmede versus.

Den ablativus regeeren : a, ab, alsmede de,

coram, clam, cum, ex en e,

sine, tenus, pro en prae.

Voorzetsels met den accus. en abl.

in, sub, subtur en super.

Ante, vóór, apud, hij, naar, tot, tot aan, adversus en adversum, tegen, tegenover, circa, circum, nm, rondom, cis citra, aan deze zijde van, erga, jegens (in een goeden zin), contra, tegenover, tegen (in een vijandelijken zin), inter, tusschen, onder, infra, beneden, sopra, boven, ob, ivegens, penes, bij (in de macht van iemand), juxta, nevens, naast, post, achter, na, praeter, voorbij, langs, behalve, propë, nabij, propter, nevens, wegens, per, door, gedurende, langs, secundum, naast langs, overeenkomstig, ultra, over, verder dan, aan den anderen kant, trans, over, aan de overzijde, versus (met ad of in) naar-toe.

A, ab, abs, van, door, de, van-af, van —aangaande, over, omtrent, coram, in tegenwoordigheid van, clam, buiten weten van, cum, met, e, ex, mt, sine, zonder, tenus, (achter het woord), tot aan.

In met den accusativus op de vraag waarheen ? in, op, naar, tegen, jegens ; met den ablativus in, op, aan, bij, op de vraag waar ? van eene rust of beweging op eene plaats; hetzelfde geldt ook ten opzichte van sub, onder, hetgeen bij eene bepaling van tijd tegen beduidt; subter, onder, wordt meestal met den accusativus gebruikt, en super regeert altijd den accusativ. behalve in de beteekenis van over, aangaande, wanneer het den abl. heeft.

De toepassing van de leer der praepositiones make de leerling zelf uit de oefeningen in het vorige hoofdstuk der vertaling opgegeven.

§ 15. Over het gebruik der pronomina.

Men make zich de volgende regels eigen;

1. De pronomina personalia, ego, tu, nos, vos worden nooit uitgedrukt dan wanneer men er nadruk op legt of een onderscheid wil doen uitkomen ; hetzelfde heeft plaats met

-ocr page 165-

155

de possessiva, welke echter soms ter wille van de duidelijkheid geplaatst worden.

2. Md, tui, sui, nostri, vestri komen alleen objectief, nostrum, vestrum ook partitief voor; ook beteekent pars nostri, vestri, enz., een deel van ons, van uw ivezen ; pars nostrum, een gedeelte of eenigen van ons.

3. Over sui en stius, zie § 33 van het eerste hoofdstuk, gelijk over ejus eorum.

4. Zoo de accusativus se volgens het nederlandsch taaleigen subject moet worden, dan vertaalt men het door : dat hij of dat zij, naarmate de zin het vordert; dit zal bij de behandeling van den accusativus cum infinitive duidelijker worden.

5. ipse, a, urn staat dikwijls bij de pronomina personalia als subject in den nominativus, zoo het tegenover andere subjecten staat, doch in gelijken casus als het object, zoo het tegenover andere objecten gesteld worden.

6. Ipsius, ipsorum en ipsarum met pronomina possessiva verbonden, wordt in het nederlandsch vertaald door eigen.

7. Cluis vraagt alleen naar het voorwerp zelf. en is substan-tivum, qui naar de eigenschappen of den aard van het voorwerp.

8. Over ahqms zie iste hoofdstuk, § 34 ; voeg daarbij dat ali ook wegvalt achter quo en quanta vóór den compara-tivus.

9. Quisque komt onmiddellijk achter de pronomina sm, sibi, se, suus, zoo het er mede verbonden moet worden.

10. Bij superlativi beteekent quisque, ieder en dan vertaalt men den latijnschen superlativus in het nederlandsch door den positivus ; bij ordinalia beteekent quisque, al, elk.

11. Uterque staat altijd met den genitivus van pronomina, in verbinding met substantiva komt het met deze in genus, numerus en casus overeen. Het meervoud wordt gebruikt van twee veelvouden of van een enkelvoud en een veelvoud, of bij pluralia tantum.

12. Uter, alter, neuter worden gebruikt als men van twee voorwerpen, quis. alius, nullus van meer dan twee spreekt.

13. Alius, herhaald, of met een daarvan afgeleid adverbium verbonden, geeft te kennen dat het praedicaat voor verschillende personen of zaken is gewijzigd.

14. Het onbepaalde men wordt in het latijn uitgedrukt:

a) door den derden persoon plur. activi.

-ocr page 166-

156

b) door den derden persoon sing, passivi, als imperso-nale gebrnikt.

c) door het persoonlijk gebezigd passivum.

d) door den Isten persoon plur. activi (in dat geval moet het den schrijver ook gelden).

e) door den 2den persoon eonjunctivi activi.

De keuze zal niet moeilijk zijn, zoo men slechts op den waren zin der woorden let.

Voorbeelden tot toepassing van het behandelde in deze paragraaf.

Frater (niet frater meus) me amat, mijn broeder bemint mij. Meus frater habitat ruri, tuus in urbe, mijn broeder woont op het land, de uwe in de stad. Cantando tu illum vicisti ? hebt gij (met nadruk) hem in het zingen overwonnen ? waart gij daartoe bekwaam ? Memoriam nostri amici servabant, onze vrienden behielden het aandenken aan ons. Memor semper ero vestri, ik zal altijd uiver gedenken. Quis nostrum haec dixit ? wie van of onder ons heeft dit gezegd ? Nemo vestrum beneficiorum oblivis-cetur, niemand van of onder u zal de weldaden vergeten. Pars nostri est immortalis, een deel van ons (wezen) is onsterfelijk. Haec pars mei dicitur animus, dit deel van mij noemt men ziel = wordt ziel genoemd. Dux e/wsque exercitus capti sunt, de bevelhebber en zijn leger werden gevangen genomen ; daarentegen dux cum suo exercïtu captus est. Haec oratio sibi repugnat, deze rede strijdt met zichzelve. Omnia animalia se diligunt, alle dieren beminnen zichzelven. Oravi amicum ut sibi consuleret, ik verzocht mijnen vriend, dat hij voor zichzelven zou zorgen. Hannibalem sui cives e civitate ejecerunt, zijn eigene medeburgers hebben Hannibal verbannen. Helvetii fere quotidianis praeliis cum Germanis contendunt, quum aut suis finibus eos prohibeant, aut ipsi in eorum finibus bellum gerant, de Helvetiërs zjjn bijna altijd door dagelijksche gevechten met de Germanen in strijd, terwijl zij, of hen van hunne grenzen afweren of zeiven op hunne grenzen oorlog voeren. Hannibal, quamdiu in Italia fuit, nemo ei in aciê restïtit, zoolang Hannibal in Italiü was, wederstond hem niemand in het opene veld. Animus sentit se sua vi movêri, de ziel gevoelt dat zij door hare (eigene) kracht bewogen wordt. Pater ignovit ei, iis, de vader schonk hem of haar, hun of haar vergiffenis. Pater sibi ignovit, de vader schonk zich (zdven) vergiffenis. Patres et of iis ignovërunt, de vaders schonken hem, hun of haar vergiffenis. Patres sibi ignovërunt, de vaders schon-

-ocr page 167-

157

ken zich (zeiven) vergiffenis. Ego me ipse vitupero, ik veracht mij zelf (een ander doet het niet.) Ego me ipsum vitupero, ik veracht mijzelven, (niet een\' ander). De me ipse loquor, onderscheiden van de me ipso loquor. Meus ipsius pater, mijn eigen vader, zoo ook mea ipsius mater, 7neum ipsius consilium (raad). Tuus ipsius frater. Dux sua ipsius culpa vietus est, de veldheer werd door zijne eigene schuld overwonnen; voorts noster ipsorum pater. De veldheeren werden door hunne eigene schuld overwonnen, suil ipsorum culpa. Si quis de immortalitate animi dubitat, insanus est, zoo iemand (zoo men) aan de onsterfelijkheid der ziel twijfelt, is hij (men) waanzinnig. Vide ne quem laedas, zie toe dat gij niemand (= niet iemand) beleedigt. Num. quis dubitat hac de re, twijfelt wel iemand [men wel) aan deze zaak. Quo (quanto) quis sapientior, eo (tanto) modestior, hoe verstandiger iemand is, des te zediger is hij. Thrahit sua quem-que voluptas, zijn eigen lust trekt een ieder. Minime sibi quisque notus, een ieder is zichzelven het minst bekend. Sapientissimus quisque virtutem maxime amat, alle wijzen beminnen de deugd het meest, of hoe wijzer iemand is des te meer bemint hij de deugd, of juist de wijze bemint de deugd het meest. Quarto quoque anno, om het vierde jaar, alle vier jaar. Uterque dux clarus fuit, beide veldheeren waren beroemd. Uterque eorum clarus fuit, die heide waren beroemd. Uterque nostrum te amat, wij beiden beminnen u. Uterque vestrem mihi carus est, gij beiden zijt mij dierbaar. Quoniam utrique esse volumus Socratïci et Platonici, omdat wij beiden willen zijn aanhangers van Socrates en van Plato. Utrique, Caesar et hostes castra reliquërunt, beide. Caesar en de vijanden hebben de legerplaats verlaten, üter fra-trum ad te venit, wie van beide broeders komt tot u ? quis fra-trum ad te venit, wie van de broeders (meer dan twee) komt tot u ? Duo sunt fratres : alter se literis dat, de een legt zich op de letteren toe, alter miles est, de ander is soldaat. Neuter nostrum fuit in horto, niemand van ons beide was in den tuin ; daarentegen : nemo mortalium (omdat er van meer sprake is) omnibus horis sapit, niemand der stervelingen is ten allen tijde wijs. üter fortior est, wie van beide is de dapperste, quis fortissimus est, wie is de dapperste van allen. Alius aliud probat, de eene keurt dit, de andere dat goed. Alii aliter vivunt, sommigen leven op deze wijze, anderen op gene. Haec, ut dicunt, ferunt perhibent enz., heri facta sunt, dit geschiedde, zooals men zegt, gisteren. Benë vivitur, men leeft wel. Narratur, men verhaalt = er wordt verhaald. Deflexum est a via, men is van den

-ocr page 168-

158

weg afgeweken = er is vau den weg ajgeweien. Amor, men bemint mij, amaris, men bemint u- Sapientes beate existmantiur, men houdt de wijzen gelukkig = de wijzen worden voor gelukkig gehouden. Viro sapienti libenter par emus, eenen wijze gehoorzaamt men gaarne. Credas, men zou kunnen gelooven, ook credat quis C\'rederes of crederet quis, men zou hebben kunnen gelooven.

§ 15. Infimtivus, gerundium en gerundivum.

Evenals in het nederlandsch, kan in het latijn de infinitivus als substantivum voorkomen. Hi] kan dan als subject of object van een voorstel beschouwd worden. Hij behoudt in het latijn meer dan bij ons den aard van een werkwoord, zoodat hij den casus van het verbum vereischt en niet door adjectiva maar door adverbia nader bepaald wordt.

Door middel van het gerundium wordt een gesubstantiveerde infinitivus gedeclineerd, als: Nom. audire het hooren, Gen. audiendi van het hooren enz. De accusativus komt gewoonlijk zonder de praepositiones ad en inter niet voor.

Zoo het gerundium een object heeft, dan regeert ook dit den casus van zijn verbum.

Heeft het gerundium een objectsaccusativus, zoo verandert men meestal het gerundium in een gerundivum (part. fut. passiv.) en plaatst het object in den casus, waarin het gerundium staat ; het gerundium wordt dan een adjectivum.

Voorbeelden tot oefening. — Facile est quem vituperare (subject), het is gemakkelijk iemand te berispen. Frater meus didicit palaestram et saltare (object), mijn broeder leerde het worstelen en het dansen. Multum tibi prodërit legere hunc hbrum, het lezen van dit boek zal u veel voordeel aanbrengen. (De objectsaccusatief blijft in het latijn ; terwijl in het nederlandsch het voorzetsel van bewijst, dat de infinitivus gesubstantiveerd is). Natare est utile, het zwemmen is nuttig. Ars natandi est utilis, de kunst van zwemmen of om te zwemmen is nuttig. Peritus sum natandi, ik ben ervaren in het zwemmen. Natando (dat) homo aptus est, de mensch is bekwaam tot het zwemmen of geschikt om te zwemmen. Natare disco, ik leer het zwemmen. Nulla aetas ad discen-dum sera est, geen leeftijd is te laat om te leeren. Mores peuro-rum se inter ludendum detëgunt, het karakter der knapen openbaart zich onder het spelen. Nihil agendo male agëre discimus, door niets te doen, leert men kwaad doen. De kunst om een staat te regeeren is moeilijk, ars civitatis regendae (in plaats van civitatem

-ocr page 169-

159

regendi) est difficilis ; hier wordt de objectsaccusativus civitatem in denzelfden casus veranderd als het gerundium staat en het gerundium gaat over in het gerundivum ; het laatste komt dan met het veranderde object in geslacht, getal en naamval overeen. Zoo zegt men ook:

in plaats van par sum ferendo onera, par sum ferendis oneribus, ik ben in staat tot het dragen van lasten of om lasten te dragen.

— — — profectus est ad leges cognoscendum, hij vertrok

om de wetten te leeren kennen, ad leges cognos-cendas.

— — — legatus de permutando captivos Eoman missus

est, legatus de permutandis captivis, over het uitwisselen der gevangenen.

§ 17. Accusativus cum infimtivo.

Zoo een bijzin het subject of object van een hoofdzin uitmaakt, dan wordt in het nederlandsch die bijzin met den hoofdzin door de conjunctio dat verbonden; de Latijnen echter gebruiken in zulk een geval meestal eene constructio, die zij accusativus cum inünitivo noemen, in dezer voege : Zij laten het woordje dat onvertaald, het subject van den bijzin plaatsen zij in den accusativus en het praedicaatsverbum in denzelfden tijd van den infiaitivus, waarin bij ons de modus finitus staat. B. v. Nemo negat Cice-ronem magnum oratorem fuisse, niemand loochent, dat Cicero een groot redenaar qeweest is ; dat blijft hier onvertaald. Cicero (subject) van den bijzin staat in den accusativus, fuisse staat in denzelfden tijd in den infinitivus, als het perfectum geweest is in den nederlandschen indicativus. Gij hebt mij bericht, dat uw vader zou komen, nuntiavisti mihi, tuum patrem venturum esse. Het hulpwerkwoord zouden wordt gewoonlijk bij den accusativus cum infinitivo door het futurum uitgedrukt.

Aanm. 1. Bij de verba van qelooven, vermoeden, hopen, dreigen, beloven en verwante beteekenissen worden in het nederlandsch gewoonlijk de conjunctio dat en het subject van den bijzin, die daartoe behoort, weggelaten en alleen de infinitivus met te gevonden ; in het latijn echter mag men den subjectsaccusativus in den regel niet onvertaald laten, b. v. ik meen gedwaald te hebben, puto me erravisse.

Aanm. 2. Bij de verba van hopen en beloven heeft het neder-

-ocr page 170-

160

landsche praesens van den bijzin dikwijls de kracht van het futurum, b. v. spero (pollieeor) eras me venturum esse, ik hoop, (beloof) morgen te komen.

Aantn. 3. Zoo een verbum geen supinum heeft dan kan natuurlijk het futurum infinitivi ook niet gevormd worden, in welk geval men dit futurum omschrijft door futurum (/ore) ut, dat liet geschieden zal dat, b. v. spero futurum esse of fore ut discatis linguam latinam, ik hoop dat gij de latijnsche taal zult loeren; eigenlijk staat er: ik hoop dat het geschieden zal, dai (/y de latijnsche taal leert.

De accusat. c. inflnit. als subject staat bij: aequum, par est, het is billijk: gelijk ook na de volgende adjectiva en substantiva met est; apertum, manifestum, openbaar, necessë, (indeclinabile) noodzakelijk, consentaneum, behoorlijk, passend, opus, noodig. condücit, prodest (impersonalia), nefas (indeclinabile), gruwel,

het is voordeelig. snoodheid.

credibïle, gelooflijk. perspicuum, duidelijk, klaar,

difficile, zwaar, moeielijk. pulchrum, schoon.

facile, gemakkelijk. turpe, schandelijk.

facïnus, scelus, snoodheid, boos- verisimïle, waarschijnlijk.

held. verum, waar, waarheid.

justum, rechtvaardig.

Als object staat de accusativus cmn infinitivo achter de verba sentiendi et declarandi; dat is bij werkwoorden, die een gevoelen, waarnemen, erkennen, meenen, weten, uitdrukken (sentire, videre, audïre, animadvertere, discere, intelligcre, putare, judicare, scire enz.) en bij dezulken, welke een zeggen, beweren, verklaren, uitlegden, bewijzen, berichten, beloven beteekenen (dicere, negare, affir-mare, scribëre, respondêre, narrare, certiorem facëre, polliceri, ostendëre, demonstrare).

Nog heeft men te letten op de constructie van den accusativus cum infinitivo bij veto en juheo. Zoo de persoon, wien men iets gebiedt of verbiedt niet uitgedrukt is, dan vordert het taaleigen der Latijnen den infinitivus pass. in plaats van den nederlandschen infinitivus activi. Men kan dit uit den zin der woorden opmaken, b. v. jubeo te currere, ik beveel u te loopenhier is het object te van jubeo er bij gevoegd, daarom currere-, men zou ook kunnen zeggen: ik beveel dat gij loopt. Magister jussit hanc pagïnam describi, de meester het deze bladzijde afsenrijven ; zoo men hier desenbere zeide, zou het zijn: de meester beval, dat de bladzijde afschreef, in plaats van afgeschreven werd.

-ocr page 171-

161

De volgende voorbeelden dienen verder tot opheldering en oefening.

Sentit animus se sua vi moveri, de ziel gevoelt dat zij door hare eigene kracht bewogen wordt: dat zij wordt hier door se vertaald, omdat het subject van den bijzin hetzelfde is als het subject van den hoofdzin. Nunquam eredam tc hoe nescivisse, ik zal nimmer gelooven dat gij het niet geweten hebt. Credebant se facile victoriam reportaturos (esse), zij geloofden dat zij gemakkelijk de overwinning zouden behalen. Cato censëbat Cartaginem, esse delendam, Cato was van oordeel dat Charthago verwoest moest worden. Spero te epistölam scripturum esse of fore ut epistolam senbas, ik hoop, dat gij een brief schrijft. Pater mihi scripsit fore ut graecas literas discus, uw vader schreef mij dat gij grieksch zult leeren. Cicero hoopte de eendracht der burgers te {zullen) herstellen. Cicero sperabat fore ut civium concordiam restituere ■posset. Caesar mil it es castra munire jubet, Caesar laat de soldaten de legerplaats bevestigen; doch Caesar castra jubet mur«W, zonder object van jubeo, Caesar laat de legerplaats bevestigen. Non verisimile est, hostem flumen transiturum (esse), het is niet waarschijnlijk, dat de vijand de rivier zal overtrekken. Cupio me esse clementem, ik wensch (begeer) zachtmoedig te zijn.

§ 18. Over het gebruik van het onbepaalde ■omen\'\' bij de mtdruk-kingen: men zegt dat, men gelooft dat en het schijnt dat.

Bij de genoemde uitdrukkingen vermijde men den accusativus cum infimtivo, in dezer voege:

Men zegt, dat gij een geleerd man zijt, diceris esse vir doctus in plaats van: decitur te esse virum doctum.

Men gelooft, dat hij een geleerd man is, creditur esse vir doctus, in plaats van: creditur ilium esse, enz.

Het schijnt dat gij gelukkig zijt, videmini esse fehces, in plaats van videtur vos felices esse.

Aanm. Bij tradunt, dicunt, traditum esse en diergelijken volgt men den gewonen regel, dus van den accus. c. infinitivo.

§ 19. Gebruik der participia.

Het gebruik van het participium is in het latijn veel uitgestrekter dan in het nederlandsch. Bij het vertalen zette men de participia op de volgende wijze om:

11

-ocr page 172-

162

1. door een relatieven zin.

2. door de woordjes doordien, terwijl.

3. door wanneer, zoo, indien.

4. door nadat, toen, als.

5. door en met een verbum fimtum.

6. door dewijl, omdat, daar.

7. door ofschoon, alhoewel.

8. een participium met non door zonder dal.

9. het participium futurum vooral door om te met den inü-mtivus.

10. door substantiva.

Opheldering door voorbeelden. — Pompilius filium Catönis demisit in eadem legione militantem, Pompilius gaf den zoon van Cato, die in hetzelfde legioen diende, zijn afscheid. Hippias in puo-na marathonia cecïdit, contra patriam arma fer ens, Hippias streed in het gevecht bij Marathon, terwijl hij de wapenen tegen zijn vaderland droeg. Aer cfjlueus hue et illue ventos efficit, doordien de lucht her- en derwaarts stroomt, veroorzaakt zij de winden. Elephanti amnem transituri minimos praemrttunt, zoo de olifanten een rivier willen overtrekken, laten zij de kleinsten vooruitgaan. Alcibiades patria expulsus Lacedaemonem fügit, Alci-biades \'vluchtte naar Lacedaemon, toen of nadat hij uit zijn vaderland verdreven was. Pleraeque orationes scribuntur habitae jam, non ut habeantur, zeer vele redevoeringen worden geschreven als zij reeds gehouden zijn, niet opdat zij zouden gehouden worden. Alexander anülum digïto detractum Perdiccae tradidit, (detractum is hier detraxit ei), Alexander trok den ring van den vinger en gaf dien aan Perdiccas, eigenlijk gaf den van den vinger afgetrokken ring enz. Nihil affirmo dubitans plerumque et mihi ipse diffideus, ik bevestig niets daar ik meestal twijfel en mijzelf wantrouw. Eisum cupiens tencre non potui, hoe „aarne ik ook wilde, {ofschoon, alhoewel ik begeerde) kon ik mijn lachen toch niet inhouden. Quod verum est, dicam non reverens assentationem, hetgeen waar is zal ik zeggen, zonder (het vermoeden van) vleierij te vreezen = zonder dat ik vrees. Alexander vestem detraxit corpöri projecturus se in Cydnum fiuvium, Alexander trok zijn kleed uit fvan het lichaam) om zich in de rivier de Cydmus te werpen. Homerus fuit ante Roinam conditam, Homerus bestond vóór het stichten (de stiehting) van Rome. Natura muliëri domestica negotia curanda tradidit, de natuur gaf der vrouw de huiselijke dingen ter verzorging over.

-ocr page 173-

163

§ 20. Over den ablativus absolutus of ablativus consequentiae.

In de uitdrukking Augustus regeerende (als keizer) heeft vele wetten gemaakt, Augustus imperans multas fecit leges, komt het participium imperans met zijn subject in genere, numero et casu overeen, men noemt dan zulk een participium conjunctum.

Lost men dit participium in een bijzin op, dan blijft het subject van den hoofdzin en den bijzin dezelfde zaak of persoon, b. v. toen Augustus regeerde maakte hij vele wetten. Iets anders heeft er plaats in de aldus gewijzigde uitdrukking: Augustus regeerende, zijn er vele wetten gemaakt, Augusto imperante multae sunt factae leges, hier moeten de woorden Augusto imperante in den ablativus staan, omdat het subject van den bijzin in geene grammaticale betrekking tot den hoofdzin staat; dit is ook blijkbaar bij de oplossing van het participium: Toen A ugustus regeerde, zijn er vele wetten gemaakt; Augustus is niet hetzelfde als vele wetten. In plaats van een participium kan ook een adj. het praedicaat van den bijzin zijn. Men kan dit eenigermate hierdoor verklaren dat het nederlandsche participium zijnde in het latijn ontbreekt, b. v. Tarquinio rege Pythagoras in Italiam venit, Tarquinius koning (zijnde) = toen Tarquinius in Italië koning was, kwam Pythagoras in Italië. Sereno quoque coelo aliquando tonat, ook bij een helderen hemel, (eigenlijk staat er: de hemel helder zijnde), dondert het.

De abl. absolutus wordt gewoonlijk evenals de andere participia, in het nederlandsch op de volgende wijze vertaald;

1. Nadat, als, toen, b. v. Aeneas, Troja a Graecis expugnata in Italiam venit, Aeneas kwam in Italië, Tra je door de Grieken veroverd zijnde = Toen of nadat Troje door de Grieken veroverd was.

2. Terwijl, als, Dionysius prior decessit Jlorente adhuc regnó, Dionysius stierf het eerst, zijn rijk nog bloeiende — terwijl zijn rijk nog in bloei was. Natus est Augustus Cicerone consule. Augustus is geboren, Cicero consul (zijnde) = toen Cicero consul was.

3. Dewijl, daar, omdat; in frigidis terris uvae non provcniunt deficiente solis aestu, in koude landen groeien geene wijndruiven, de hitte der zon ontbrekende = daar de zonnehitte er niet is of omdat enz.

4. Zoo, zoodra, oscitante uno oscitat et alter, zoo of zoodra de een gaapt, gaapt ook de ander = de een gapende gaapt enz.

11*

-ocr page 174-

164

5. Ofschoon, alhoewel, tot milia latrocinantur morte proposita, zooveel duizenden rooven, de dood voor oogen gesteld zijnde = ofschoon, alhoewel de dood hun voor oogen staat.

6. Met eene ontkenning zonder dat, zonder te, in hello civili nihil aocidit me non praedicente, in den burgerkrijg ge-schit-dt er niets, ik het niet voorzeggende = zonder dat ik het voorzeg.

7. Door een substantivum met eene praepositio, bijv. defuncto Trajano, na den dood van Trajanus; Caesare ignaro, zonder weten van Caesar; patre invito, tegen ml van den vader.

§ 21. Over het gebruik van de supina.

Het eerste supinum op um staat bij de verba van beweging, om het doel der beweging aan te duiden: ire venatum, op de jacht gaan, ire cubitum, gaan om te liggen, naar bed gaan. In zulk een geval heeft men echter de keuze tusschen verscheidene uitdrukkingen, die hetzelfde beteekenen:

legati venerunt pacem petitum, \\ ® m1 ^ a1

legati venerunt qui (of ut) pacempetërent, | g ^ | aq legati venerunt ad pacem petendam, gt; g S S

1 _ _ B p

P CD

legati venerunt pacis petendae causa,

P £quot;

legati venerunt pacem petituri., \' \' gquot; g g

Het tweede supinum op u staat na de substantiva, fas, nefas, opus en na de adjectiva licht, zivaar, aangenaam, onaangenaam, goed en slecht, waardig en onwaardig en na verwante beteeke-nissen van genoemde woorden. Echter kan men hier ook andere uitdrukkingen bezigen, die dezelfde beteekenis hebben:

Res est facïlis cognitu, . Squot; | S\'

Res est facilis ad cognoscendum, 1 ^ »

Facile est rem cognoscëre, ; ►ö\' §1 w

Res facile (adverbium) cognoscitur, | S

Rei cognitio est facilis. \' gquot; ?

§ 22. De conjunctivus na conjunctiones.

De conjunctivus volgt op de conjunctiones:

1. Ut a), zoo het een gevolg aanduidt (ut consecutivum) dat, zoodat; dat niet beteekent dan ut non. Daarom staat ut met den conjunct, ook na uitdrukkingen in welke b. v. de

woorden tantus, talis, tot, tantopere (zoo groot, zoodanig, zoo-velen, zoozeer enz.) voorkomen, en evenzoo na onpersoon-

-ocr page 175-

165

lijke uitdrukkingen, welke uit haren aard een gevolg uitdrukken, b. v. fit, accidü, contingit (het geschiedt, het gebeurt), consuetudo, mos est, het is de gewoonte, lex est, er is eene wet enz. b) ut, zoo het een doel te kennen geeft, dat, opdat; dat met, opdat met beteekent bij ut finale, ne c) ut achter eenige verba, die het streven naar een zeker doel uitdrukken, waar wij wel eens den infinitivus met of zonder om bezigen; zoo de zin ontkennend is, dan zegt men ne in plaats van ut non. Zoodanige verba zijn: wenschen, zich beijveren, zich toeleggen, streven, bewerken, uitwerken, verzoeken, vorderen, hevelen Jubeo heeft meestal den accus. c. inf. z. § 17), raden, besluiten, toelaten en al de verba, welke eene verwante beteekenis hebben.

Aanm. Bij de verba of uitdrukkingen, die eene vrees te kennen geven, wordt dat niet door ut, dat door ne of ut non uitgedrukt; m. a. w. wat men vreest dat zal gebeuren door ne of ut non, wat men vreest dat met zal gebeuren door uf, b. v. vereor ne pater moriatur, ik vrees dat mijn vader sterft, timeo ut hunc laborem sustineas, ik vrees, dat gij dezen arbeid niet volhouden kunt.

2. Quo = ut-eo, opdat-des te gewoonlijk met een comparativus.

3. Quominus — ut eo minus, eigenlijk opdat-des te minder komt achter de verba van verhinderen, wederstreven (waar ook in vele gevallen ne kan gebezigd worden). Men vertaalt het door om te met den infinitivus, of door dat.

4. Qui = qui non staat alleen na ontkennende hoofdzinnen; b. v. nemo est, quin hoc sciat = nemo est qui hoe non sciat of nesciat; vooral achter de verba van twijfelen, ergens af zijn. verwijderd zijn, verhinderen, nalaten; achter de genoemde verba wordt het bevestigend door om te of dat vertaald.

5. Quasi, tanquam si (tanquam), velut si (velut), perinde ac si. Deze particulae hebben allen de beteekenis van alsof, even alsof.

6. Dummodo of modo, zoo maar, zoo slechts; met eene ontkenning dummodo ne, zoo niet, zoo maar niet.

7. Licetquamvis, quantumvis, quantumlibet, ofschoon, alhoewel, hoezeer ook, zoo ook het woordje ut, als concessivum {toegevend) in de beteekenis van ofschoon: insgelijks als het laatste beteekent gesteld dat; met eene ontkenning, b. v. gesteld dat niet, wordt het door ne vertaald.

8. Qnum (Cum) causale, daar, dewijl, {causale beteekent redegevende), heeft evenals quum concessivum, dat ofschoon be-

-ocr page 176-

166

teekent, den conjunctivas achter zich. Quum temporale (van tijd) als, toen, terwijl, nadat, heeft alleen in het inperfectum en het plusquamperfectum den conjunt., vooral na een historisch perfectum in den hoofdzin; anders vereischt quum als tijdpartikel den indicativus en kan vertaald worden door ten tijde dat, toen, als, wanneer, zoo dikwijls als, nadat enz.

Voorbeelden tot opheldering. Attïcus ita vixit, ut universis civibus carissimus esset, Atticus heeft zoo geleefd, dat hij al zijne medeburgers zeer dierbaar was. Constantïnus urbem nominis sui ad tantum fastigium evexit, ut Eomae fiëret aemöla, Constan-tinus verhief de stad, die naar zijn naam genoemd was, tot zulk eene hoogte, dat zij de mededingster van Kome werd. Persaepë evenit, ut utilïtas cum honestate certet, het gebeurt zeer dikwijls, dat het voordeel met het zedelijk goede in strijd is. Verae ami-citiae est lex, ut idem amici semper velint, het is eene wet dei-ware vriendschap, dat vrienden altijd hetzelfde willen Edo ut vivam, non vivo, ut edam, ik eet, opdat ik leve =; om te leven, ik leef niet, om te eten. Nemo prudens punit, quia peccatum est, sed ne peccetur, geen verstandige straft, omdat er gezondigd is, maar opdat er niet gezondigd worde. Sol efjicit, ut omnia flore-ant, de zon brengt te weeg, dat alles bloeit. Dux statuit, ut milites navem conscenderent. De veldheer verordende, dat de soldaten scheep zouden gaan. Timor Eomae grandis fuit ne Galli redirent, er was eene sterke vrees te Eome, dat de Galliërs weder kwamen. Vereor ne non perficiam, quod suscepi {ne non = ut), ik vrees, dat ik niet volbreng, hetgeen ik ondernomen heb. De natuur bedekte de stammen met bast, om des te veiliger te zijn tegen de indrukken van koude en warmte = opdat zij des te veiliger zouden zijn, natura obduxit truncos cortice, quo tutiores essent a frigoribus et calöribus, {quo — ut eo). Senectus non imp edit, quominus literarum studia usque ad ultinum vitae tempus teneamus, de ouderdom verhindert niet, dat wij de beoefening der wetenschappen tot den laatsten tijd van ons leven aanhouden. Histiaeus Milesius obstïtit, ne res conficëretur, Histiaeus, de Milesiër, verzette er zich tegen, dat de zaak uitgevoerd werd.

Quid obstat, quominus Deus beatus sit, wat verhindert God om gelukkig te zijn. Nullum oppïdum tam munitum est. quin ex-pugnari possit = ut expugnari non possit, geene stad is zoo versterkt, of zij kan ingenomen worden. Non possum mihi tempe-rare quin fleam, ik kan mij niet onthouden van weenen. Vele menschen leven zoo, alsof zij tot genoegen geboren zijn, multi

-ocr page 177-

167

homines ita vivunt, quasi ad voluptates nati sint. Sic vive cum homïnibus, tanquam Deus videat, sic loquere cum Deo, tanquam homines audiant, leef zoo met de menschen, alsof God het ziet, spreek zoo met God, alsof de menschen het hoor en. Ne, quae difficilia sunt, omnia perinde habeas, ac si eff ïci nequaquam possent, beschouw toch al wat moeilijk is niet even alsof het geenszins uitgevoerd kan worden. Manent ingenia senibus modo (= durumodo) permaneal studium et industria, het verstand blijft bij de grijsaards voortduren, mits ijver en vlijt voortduurt. Per-ficiam opus, dummodo vita suppetat, ik zal het werk voltooien, mits er mij leven (in voldoende mate) ten dienste staat = als ik

dan in leven ben. Licet vastum trajeceris mare, sequentur te vitia tua, uwe ondeugden zullen u volgen, scnoon gij eene onmetelijke zee overgestoken zijt. . Non possis, quantum excellas, omnes tuos ad amplissimos honores perducëre, gij moogt nog zoozeer uitmunten, uwe vrienden zult gij (hierdoor) niet tot de aanzienlijkste eerambten brengen. Miltiades erat auctoritate regia, quamvis c:ireret nomine, Miltiades bekleedde de koninklijke waardigheid, eigenlijk was van eene koninklijke waardigheid, ofschoon hij den naam miste. Viri boni faciunt, quod honestum est, etsi mullum emolumentum inde consecuturum esse vident, brave menschen doen wat zedelijk goed is, ofschoon zij zien, dat er geen voordeel uit zal volgen. Evenals etsi, worden ook etiamsi en quamquam gewoonlijk met den indicativus geconstrueerd, üt

omnia contra opinionem acciderent, tamen acquiescam, gesteld dat alles tegen verwachting gebeurde, zal ik er echter in berusten. Quae sunt facienda, fac hodie, cum crastinus dies incertus sit, doe heden, wat te doen is, daar de dag van morgen onzeker is. Phocïon fuit perpetuo pauper, cum. ditissimus esse posset, Phocion was altijd arm, ofschoon hij zeer rijk kon zijn. Antigonus, quum adversus Seleucum dimicaret, occïsus est, Antigonus werd gedood, toen hij tegen Seleucus streed. Regulus, quum Romam vemsset, in senatu mandata exposuit, Regulus deelde in de senaatsvergadering zijn last meê, toen hij te Rome gekomen was. Tum quum

Sicilia florebat opibus, magna artificia erant in insula, ten tijde dat Sicilië door macht in aanzien was, waren er groote kunstwerken op dat eiland. Commode (adverbium) discesseras, cum Trebatius venit, gij waart ter rechter tijd weggegaan, toen Tre-batius gekomen is. Facile omnes, quum valemus, aegrotis recta consilia damus, gedienstig geven wij den zieken goeden raad, als wij gezond zijn.

-ocr page 178-

168

§ 23. De conjunctivus in relatieve (betrekkelijke) en vragende

volzinnen.

1. In relatieve voorstellen staat de conjunctivus:

a. Zoo liet relativum door ut (ut ego, ut tu, ut is, enz.) kan opgelost worden, ut moge finale of consecutivum zijn. In het laatste geval moet men dikwijls het antecedent van het relativum, dat is het woord, waaraan zich het relativum aansluit, er bij denken.

b. Zoo het relativum door quum (qtmm ego, quum tu, quum is) kan opgelost worden.

c. Zoo het relativum volgt op dignus, indignus, aptus, ido-neus en soortgelijke adjectiva.

d. Na sunt, reperiuntur. inveniuntur, er zijn er, men vindt er en dergelijke uitdrukkingen met onbepaalde subjecten. Zoo ook in ontkennende en vragende zinnen, waarin zulke subjecten voorkomen.

2. De vragende zinnen zijn direct (rechtstreeksch) of indirect (afhankelijk). Indirect noemt men ze, wanneer zij van een anderen zin afhangen. Een zin, welke een rechtstreeksche vraag bevat staat daarom niet in den conjunctivus; de indirecte vragen vereischen dien altijd. De directe vragen worden óf zonder vraagwoordje alleen door den toon aangeduid, óf door de vragende voornaamwoorden en door bijzondere vraagwoordjes, als: ne, non, nonne, utrum, an ingeleid. Ne aan het woord, waarop de meeste nadruk valt, gehecht, is het meest algemeene vraagwoord; men kan er dus een bevestigend en ontkennend antwoord op ontvangen; met num vraagt iemand, die een ontkennend antwoord verwacht; op nonne volgt een bevestigend antwoord.

In indirecte eenledige vragen, komt ne of num met het neder-landsche of overeen, nonne met of niet. Bij tweeledige indirecte vragen, zijn er vier gevallen van verbindingen, die op de volgende wijze aanschouwelijk kunnen gemaakt worden; het eerste lid wordt door a, het tweede door b aangeduid.

a. utrum, b. an.

a. në, b. an.

a. zonder vraagwoordje, b. an.

a. zonder vraagwoordje, b. në.

Voorbeelden zullen het gezegde ophelderen.

Litërae posteritatis causa repertae sunt quae (ut eae) subsidie

-ocr page 179-

169

obliviöni es sent, de letters zijn ter wille van de nakomelingschap uitgevonden, om het vergeten te hulp te komen = opdat zij enz. Nulla gens tam fera est, cujus (ut ejus) mentem non imbueret Dei notitia, geen volk is zoo woest, welks geest niet de voorstelling van een God doordrongen heeft = dat zijn geest niet met de voorstelling van een God doordrongen is. Nunc dicis aliquod (ejusmodi, van dien aard), quod ad rem pertineat, nu zegt gij iets (zoodanig), dat op de zaak betrekking heeft. O magna vis veritatis, quae (quum ea) facile se per se ipsa de feudal! O groote kracht der waarheid, welke {daar zij) zich door zich zelve verdedigd! Voluptas non est digna, ad quam sapiens respiczaf, het zinnelijk genoegen is niet waardig, dat (op hetwelk) de wijze zijn aandacht daarop vestige. Sunt, qui pro nihilo ha-beant, quae aliis admiranda videntur, ei zijn er, die geene waarde toekennen aan die dingen, welke aan anderen bewonderenswaardig schijnen. Quae latëbra est, in quam metus mortis non intret? welke schuilhoek is er, waarin de vrees voor den dood niet binnendringt? (waarin — dat daarin). Quaere utrum (a) verum an ib) falsum sit, ik vraag of het waar of valsch is; Quaero verumrae (a) an {b) falsum sit; quaero verum (a) an (b) falrum sit; quaelo verum (a) an falsumrae (b) sit.

Aanmerking. Zijn de vragen meer dan tweeledig, dan beginnen die, welke op de tweede volgen, alle met an.

§ 24. Consecutio temporum (volgorde der tijden) in afhanhc lijke zinnen met den conjunctivus.

1. Op de hoofdtijden, praesens perfectum obsolutum (eigenlijk perfectum) volgt het praesens en perfectum conjunctivi in de daarvan afhankelijke zinnen.

2. Op de historische tijden van den indicativus {imperfectum, perfectum histoncum en plusquamperfectum) volgen het imperfectum en plusquamperfectum conjunctivi in de zinnen, die daarvan afhankelijk zijn.

3. Na de tempora futura {futurum simplex en futurum 2 of exactum) komen het praesens en perfectum conjunctivi in de daarvan afhankelijke zinnen. De volgende voorbeelden zullen dit genoegzaam ophelderen.

scio . quid agas. cognovi quid agas. audiam , quid agas

ik weetj — eg ens. ik heb j — egens. ik zal I — egerts

— acturus verno- j — acturus hooren. j — acturus

sis. men. ( sis. f sis.

-ocr page 180-

166

teekent, den conjunctivas achter zich. Quum temporale (van tijd) als, toen, terwijl, nadat, heeft alleen in het inperfectum en het plusquamperfectum den conjunt., vooral na een historisch perfectum in den hoofdzin; anders vereischt quum als tijdpartikel den indicatwus en kan vertaald worden door ten tijde dal, toen, als, wanneer, zoo dikwijls als, nadat enz.

Voorbeelden tot opheldering. Attïcus ita vixit, ut universis civibus carissimus esset, Atticus heeft zoo geleefd, dat hij al zijne medeburgers zeer dierbaar was. Constantinus urbem nominis sui ad tantum fastigium evexit, ut Eomae f ïeret aemula, Constantinus verhief de stad, die naar zijn naam genoemd was, tot zulk eene hoogte, dat zij de mededingster van Eome werd. Persaepë evenit, ut utilïtas cum honestate certet, het gebeurt zeer dikwijls, dat het voordeel met het zedelijk goede in strijd is. Verae ami-citiae est lex, ut idem amici semper velint, het is eene wet dei-ware vriendschap, dat vrienden altijd hetzelfde willen Edo ut vivam, non vivo, ut edam, ik eet, opdat ik leve = om te leven, ik leef niet, om te eten. Nemo prudens punit, quia peccatum est, sed ne peccetur, geen verstandige straft, omdat er gezondigd is, maar opdat er niet gezondigd worde. Sol efficit, ut omnia flore-ant, de zon brengt te weeg, dat alles bloeit. Dux statuit, ut milïtes navem conscenderent. De veldheer verordende, dat de soldaten scheep zouden gaan. Timor Eomae grandis fuit ne Galli redirent, er was eene sterke vrees te Eome, dat de Galliërs weder kwamen. Vereor ne non perficiam, quod suscepi {ne non = ut), ik vrees, dat ik niet volbreng, hetgeen ik ondernomen heb. De natuur bedekte de stammen met bast, om des te veiliger te zijn tegen de indrukken van koude en warmte = opdat zij des te veiliger zouden zijn, natura obduxit truncos cortice, g\'uD tutiores essent a frigöribus et calöribus, {quo — ut eo). Senectus non impedit, quominus literarum studia usque ad ultinum vitae tempus teneamus, de ouderdom verhindert niet, dat wij de beoefening der wetenschappen tot den laatsten tijd van ons leven aanhouden. Histiaeus Milesius obstïtit, ne res con ficeretur, Histiaeus, de Milesiër, verzette er zich tegen, dat de zaak uitgevoerd werd.

Quid obstat, quominus Deus beatus sit, wat verhindert God om gelukkig te zijn. Nullum oppïdum tam munïtum est, quin ex-pugnari possit = ut expugnari non possit, geene stad is zoo versterkt, of zij kan ingenomen worden. Non possum mihi tempe-rare quin fleam, ik kan mij niet onthouden van weenen. Vele menschen leven zoo, alsof zij tot genoegen geboren zijn, multi

-ocr page 181-

167

homines ita vivunt, quasi ad voluptates nati sint. Sic vivë cum hommibus, tanquam Deus videat, sic loquere cum Deo, tanquam homines audiant, leef zoo met de menschen, alsof God het ziet, spreek zoo met God, alsof de menschen het koor en. Ne, quae difficilia sunt, omnia perinde habeas, ac si eff ïci nequaquam possent, beschouw toch al wat moeilijk is niet even alsof het geenszins uitgevoerd kan worden. Manent ingenia senibus modo (= dummodo) permanvat studium et industria, het verstand blijft bij de grijsaards voortduren, mits ijver en vlijt voortduurt. Per-ficiam opus, dummodo vita suppetat, ik zal het werk voltooien, mits er mij leven (in voldoende mate) ten dienste staat = als ik

dan in leven ben. Licet vastum trajeceris mare, sequentur te vitia tua, uwe ondeugden zullen u volgen, scnoon gij eene onmetelijke zee overgestoken zijt. . Non possis, quantum excellas, omnes tuos ad amplissimos honores perducëre, gij mooyt nog zoozeer uitmunten, uwe vrienden zult gij (hierdoor) niet tot de aanzienlijkste eerambten brengen. Miltiades erat auctoritate regia, quamms c-.ireret nomine, Miltiades bekleedde de koninklijke waardigheid, eigenlijk was van eene koninklijke waardigheid, ofschoon hij den naam miste. Viri boni faciunt, quod honestum est, etsi mullum emolumentum inde consecuturum esse vident, brave menschen doen wat zedelijk goed is, ofschoon zij zien, dat er geen voordeel uit zal volgen. Evenals etsi, worden ook etiamsi en quamquam gewoonlijk met den indicativus geconstrueerd, üt

omnia contra opinionem acciderent, tarnen acquiescam, gesteld dat alles tegen verwachting gebeurde, zal ik er echter in berusten. Quae sunt facienda, fac hodie, cum crastinus dies incertus sit, doe heden, wat te doen is, daar de dag van morgen onzeker is. Phocïon fuit perpetuo pauper, cum ditissimus esse posset, Phocion was altijd arm, ofschoon hij zeer rijk kon zijn. Antigonus, quum adversus Seleucum dimicaret, occisus est, Antigonus werd gedood, toen hij tegen Seleucus streed. Eegulus, quum Eomam vemsset, in senatu mandata exposuit, Regulus deelde in de senaatsvergadering zijn last meê, toen hij te Rome gekomen was. Turn quum

Sicilia florebat opibus, magna artificia erant in insula, ten tijde dat Sicilië door macht in aanzien was, waren er groote kunstwerken op dat eiland. Commode (adverbium) discesseras, cum Trebatius vemt, gij waart ter rechter tijd weggegaan, toen Tre-batius gekomen is. Facile omnes, quum valernus, aegrotis recta consilia damus, gedienstig geven wij den zieken goeden raad, als wij gezond zijn.

-ocr page 182-

168

§ 23. De conjunctivus in relatieve (betrekkelijke) en vragende

volzinnen.

1. In relatieve voorstellen staat de conjunctivus:

a. Zoo het relativum door ut (ut ego, ut tu, ut is, enz.) kan opgelost worden, ut moge finale of consecutivum zijn. In het laatste geval moet men dikwijls het antecedent van het relativum, dat is het woord, waaraan zich het relativum aansluit, er bij denken.

b. Zoo het relativum door quum (qnum ego, quum tu, quum is) kan opgelost worden.

c. Zoo het relativum volgt op dignus, indignus, aptus, ido-neus en soortgelijke adjectiva.

d. Na sunt, reperiuntur. inveniuntur, er zijn er, men vindt er en dergelijke uitdrukkingen met onbepaalde subjecten. Zoo ook in ontkennende en vragende zinnen, waarin zulke subjecten voorkomen.

2. De vragende zinnen zijn direct (rechtstreeksch) of indirect (afhankelijk). Indirect noemt men ze, wanneer zij van een anderen zin afhangen. Een zin, welke een rechtstreeksche vraag bevat staat daarom niet in den conjunctivus; de indirecte vragen vereischen dien altijd. De directe vragen worden óf zonder vraagwoordje alleen door den toon aangeduid, óf door de vragende voornaamwoorden en door bijzondere vraagwoordjes, als; ne, non, nonne, utrum, an ingeleid. Ne aan het woord, waarop de meeste nadruk valt, gehecht, is het meest algemeene vraagwoord; men kan er dus een bevestigend en ontkennend antwoord op ontvangen; met num vraagt iemand, die een ontkennend antwoord verwacht; op noane volgt een bevestigend antwoord.

In indirecte eenledige vragen, komt ne of num met het neder-landsche of overeen, nonne met of niet. Bij tweeledige indirecte vragen, zijn er vier gevallen van verbindingen, die op de volgende wijze aanschouwelijk kunnen gemaakt worden; het eerste lid wordt door a, het tweede door b aangeduid.

a. utrum, b. an.

a. në, b. an.

a. zonder vraagwoordje, b. an.

a. zonder vraagwoordje, b. në.

Voorbeelden zullen het gezegde ophelderen.

Litërae posterïtatis causa repertae sunt quae (ut eae) subsidio

-ocr page 183-

169

oblivioni es sent, de letters zijn ter wille van de nakomelingschap ■uitgevonden, om het vergeten te hulp te komen = opdat zij enz. Nulla gens tam fera est, cujus (ut ejus) mentem non imbueret Dei notitia, geen volk is zoo woest, welks geest niet de voorstelling van een G-od doordrongen heeft = dat zijn geest niet met de voorstelling van een God doordrongen is. Nunc dicis aliquod (ejusmodi, van dien aard), quod ad rem pertineat, nu zegt gij iets (zoodanig), dat op de zaak betrekking heeft. O magna vis veritatis, quae (quum ea) facile se per se ipsa clef en-dat ! O groote kracht der waarheid, welke {daar zij) zich door zich zelve verdedigd! Voluptas non est digna, ad quam sapiens respicial, het zinnelijk genoegen is niet waardig, dat (op hetwelk) de wijze zijn aandacht daarop vestige. Sunt, qui pro nihilo ha-beant, quae aliis admiranda videntur, er zijn er, die geene waarde toekennen aan die dingen, welke aan anderen bewonderenswaardig schijnen. Quae latëbra est, in quam metus mortis non intret? welke schuilhoek is er, waarin de vrees voor den dood niet binnendringt? (waarin zz: dat daarin). Quaero utrum (a) verum an (b) falsum sit, ik vraag of het waar of valsch is; Quaero verumraé (a) an {b) falsum sit; quaero verum (a) an (b) falrum sit; quaeio verum (a) an falsumwe (b) sit.

Aanmerking. Zijn de vragen meer dan tweeledig, dan beginnen die, welke op de tweede volgen, alle met an.

§ 24. Consecutio temporum (volgorde der tijden) in afhankc lijke zinnen met den conjunctivus.

1. Op de hoofdtijden, praesens perfectum obsolutum (eigenlijk perfectum) volgt het praesens en perfectum conjunctivi in de daarvan afhankelijke zinnen.

2. Op de historische tijden van den indicativus {imperfectum, perfectum histoncum en plusquamperfectum) volgen het imperfectum en plusqu amp erf eet um conjunctivi in de zinnen, die daarvan afhankelijk zijn.

3. Na de tempora futura {futurum simplex en futurum 2 of exactum) komen het praesens en perfectum conjunctivi in de daarvan afhankelijke zinnen. De volgende voorbeelden zullen dit genoegzaam ophelderen.

scio . quid agas. cognovi quid agas. audiam i quid agas

ik weetj — egens. ik heb J — eg ens. ik zal I — egens

— acturus verno- j — (icturus hooren. 1 — acturus

sis. men. ( sis. \' sts.

I

-ocr page 184-

170

scieham i quid ageres. cognovi , quid egerts. cognove- | quid ageres

ik wist i — egisses. ik vernam \\ -— egtsses. ram | — egisses

j — aoturus (perfect j — acturus l — acturus

* esses, historie.)\' esses. } esses. gij zoudet of wildet doen.

§ 25. Over eemge afwijkingen van het nederlandsch taaleigen in het gebruik der tijden.

1. Over het perfectum histoncum, hetgeen gewoonlijk door het nederlandsche imperfectum vertaald wordt, zie § 5 van dit hoofdst.

2. De conjunctio dum, terwijl, wordt ook bij een verhaal van verledene dingen met het praesens verbonden, waar wij het imperfectum bezigen; b. v. Alexander, dum in prima acie pugnat sagitta vulneratus est, Alexander werd door een pijl gewond, terwijl hij in het voorste gelid streed.

3. Postquam, nadat, ui, zoo spoedig, zoodra als, ubi, toen, simul atque {simulac nooit voor eene vocaal of h), zoodra als, worden met meestal het perf. indicativi verbonden, waar wij het plusquamperfectum bezigen.

Voorbeelden. Hannibal, postquam domo profugit, Magönem fratrem ad se evocavit, Hannibal ontbood zijn broeder Mago, nadat hij uit zijn vaderland gevlucht ivas, tot zich. Ut dies illuxit, profectus sum, zoodra de dag aangebroken was, vertrok ik. Hostes ubi nostros equites conspexerunt, fugerunt, de vijanden vluchtten, toen zij onze ruiters gezien hadden. Ubi (zoodra als, zoo spoedig als, tóen) Caesar ubi per speculatores cognovit, hostes advenire, milites castris eduxit, toen Caesar door verspieders vernomen had, dat de vijanden aankwamen, voerde hij zijne soldaten uit de legerplaats. Smulatque aliquid audiero, {Jut exactum voor Jut. simplex) ad te scribam, zoodra ik iets hoor (eigenlijk zal gehoord hebben), zal ik het u schrijven.

-ocr page 185-
-ocr page 186-