-ocr page 1-
-ocr page 2-

Vak 120

io.

Broederschap

inpstel 28 Octolier 1881,

in de Parochie-Kerk van de H. ROSALIA.

ROTTERDAM,

Gr. W. VAN BELLE.

mx

-ocr page 3-

jlAPRIMATUR.

J. A. VAN DEN AKKER,

Lihr.

Haklemi,

die 5 Martii 1882.

Druk ran Van Bell#, Van Eijok ft Krn»t, Rotterdam

-ocr page 4-

ter eere yan flen H. Antonins yan

i.

Patroon

Antoniüs ,

A an Padua!

s

Padna.

Zoo heilig ea zoo goed; Wij loven God, Die door uw hand Zoo vele woud\'ren doet. Geen geur en kleur ^ an bloemen is Zoo aangenaam en fijn, Als voor een ziel, Die God bemint , Uw schoone deugden zijn. Antoniüs enz.

De liefde Gods En Godes eer

-ocr page 5-

4

Bewogen uwe tong,

Waardoor berouw, En zaal\'ge vrees In alle harten drong.

Antonius enz.

Gij waart een schild,

En zijt het nog,

Voor de onschuld in gevaar; Al wie u bidt;

Wordt uwe hulp In eiken nood gewaar. Antonius enz.

Antonius ,

Gij, menschenvriend, En vriend van God den Heer, Patroon van dit, Ons Broederschap, Zie gunstig op ons neer Antonius enz.

Al komen wij Ook telkens weer

-ocr page 6-

5

Voor vijand of voor vriend, Of voor ons zelv\';

Toon dat men u Niet vruclit\'loos eert en dient. Antoxius enz.

II.

Nederigheid.

Arme moeder des Verlossers,

Schoon een spruit van Davids stam; Nedrig huisje in Nazareth, waar

Gabriel eens binnen kwam;

Josef, Jesus voedstervader.

Heilig en rechtvaardig man;

(Die de nooddruft voor de zijnen

Slechts door arbeid vinden kan), (bis.)

Stalleken in Bethlems\' velden ;

Kribbeken in dezen stal;

Jesus, die u heeft verkozen,

Toont wat Hij ons leeren zal.

-ocr page 7-

6

Broeders, hij, dien wij vereeren ,

Onze vader en patroon,

Hij verstond de schoone lessen,

Ons gegeven door Gods Zoon. (bis.)

De armoede is voor hem een parel, Die hij koopt voor al zijn goed; De ootmoed maakt hem d\'allerminste ,

Daar hij ziet wat Jesus doet.

Heil\'ge Antoniüs, de wereld

Is zoo vol van ijdelheid;

Bid dat we ons voor alles wachten, Wat ons ten verderve leidt, (bis.)

Duld niet dat we aan \'t aardsche ons hechten, Zoo verleid\'lijk voor de jeugd;

Leer ons arm en ned\'rig wezen —

Zonder ootmoed geene deugd.

Heil\'ge Antoniüs , de wereld Is zoo vol van ijdelheid;

Bid dat we ons voor alles wachten,, Wat ons ten verderve leidt, (bis.)

-ocr page 8-

7

III.

Verborgen leven.

Bloemen kunnen de oogen boeien ,

Als ze heerlijk staan te bloeien ,

In haar volle kleurenpracht;

Maar ook als zij half ontloken,

Of in \'t groen zijn weggedoken,

Toonen zij niet minder kracht, (bis.)

Schoon de palmtak der victorie;

Groot ook de ijver voor Gods glorie,

Die Antonius bezield\':

Voor het waar geloof te sneven Bij de Mooren, was zijn streven;

Tot de Heer hem wederhield (bis.)

Nu, in de eenzaamheid tevreden,

Blijft hij \'t pad der deugd betreden , Daar hij niet naar grootheid streeft ; Blijft op Jesus\' voorbeeld staren,

Die ook dertig lange jaren ,

Gansch verborgen heeft geleefd, (bis.)

-ocr page 9-

Dat de wil van God geschiede! God alleen ons hart gebiede !

Is ons dagelijksche beê;

Maar komt God een offer vragen , Moeten we iets om Hem verdragen; Neen! dan telt die beê niet meê. (b

Wilt Gij God oprecht beminnen, Streelt dan niet uw eigen zinnen;

Zelfs uw smaak niet voor het goed. Herders, door Gods geest geleiden, Moeten u de spijs bereiden,

Die uw ziel liet beste voedt, (bis.)

Zondaars, heidenen bekeeren,

Om Gods glorie te vermeeren,

Is een zaak van groot gewicht. Deugden oefnen in \'t verborgen En voor onze ziel te zorgen,

Is voor ons een eerste plicht, (bis.)

-ocr page 10-

9

w

■ir-

IV.

Gehoorzaamheid

,, Spreek , Antokius , een woord, „Dat deez\' broederschaar kan stichten,quot;

Heb ik een bevel gehoord?

(Zal zijn nedrigheid hier zwichten?) Uw Eerwaardigheid gebiedt?

Ik? ik bid — ik kan dat niet. fdis-J

,, Spreek , Antonius , begin ;

Wat uw mond ons dan verkondig, „ Gaf de geest van God u in. quot; (Ongehoorzaam zijn is zondig)

Ieder woord, dat zij vernam;

Was een vonk en werd een vlam. fóts.)

t

Jesus is zijn zoeten naam / Aan gehoorzaamheid versehiildigd;

Naam, dien aarde en hemel saam Met gebogen knieën huldigt;

God de Vader schonk dat loon Aan den kruisdood van Zijn Zoon. fbts.)

É

-ocr page 11-

10

w

Laat Antonius\' gedrag Onze levensregel wezen;

Eerbied hebben voor gezag —

Wil de wereld nog genezen;

Zij ze niet meer eigenwijs!

Dan wordt de wereld een paradijs, (bis.)

V.

Bezigheid.

Ouders van Antoxius,

Veel geluk met zulk een zoon!

Uw godvruchtig voorbeeld volgt

Uw Antonius zoo schoon.

Al zijn tijd heeft hij bezet j

Met zijn lessen en gebed. j j

Hij volgt Basilius na En Gregoor van Nazïanz ;

Midden in een slechte stad

I I

i

-ocr page 12-

11

Houdt hun deugd haar volleu glans; Beiden kennen slechts die straat , Die naar school en kerke gaat.

Altijd nuttig bezig zijn Hoedt ons voor de ledigheid; Die, helaas zoo menigeen Op verkeerde wegen leidt.

Arbeid, met gebed gepaard, ( Was en is Gods zegen waard, j

VI.

Devotie voor de H. Maagd.

Zijn hart zoo schoon van af zijn jeugd, Ontvanklijk voor de grootste deugd; Maar blootgesteld, als elk, aan strijden ; (Het leven is een strijd op aard;

Goed strijden is den hemel waard); Dat hart zal hij Maria wijden,

-ocr page 13-

12

Maria ueemt dat offer aan, Beschermt liem op zijn levensbaan, Behoedt haar liev\'ling voor gevaren. Hij knielt zoo gaarne bij haar troon, Zij vraagt voor hem van haren Zoon, Dat hij zijne onschuld moog bewaren.

Maria, moeder van den Heer, Zie ook op deez\' vergad\'ring neêr, Bescherm ook ons op onze paden; Antonius vax Padüa,

Gij gaat ons voor — wij volgen na, Elk zal dit toonen door zijn daden.

VII.

Si quaeris miracula.

Als ge naar mirak\'len ziet; Dood en dwaling, onheil vliedt; Satan vlucht, de pest houdt op; Kranken staan genezen op.

-ocr page 14-

13

Zee bedaart, de boei valt neer, Ledematen leven weêr;

Zaken , die verloren zijn ,

Liggen in den zonneschijn.

Voor die bidt en vast betrouwt,

Groot of klein, en jong of oud.

Gaan gevaar en nood voorbij,

Want zijn helper staat terzij.

Tuigt het, die geholpen zijt,

Meldt wat Padua belijdt Hem ter eer! Met reden dus Prijzen wij Antoniüs.

Eer den Vader, en den Zoon,

En den Geest, één God, Wiens troon Geen verand\'ring ondergaat,

Eeuwig stond en eeuwig staat.

-ocr page 15-

14

VIII.

De geest des gebeds.

Als de geest des gebeds onze zielen bezielt, Dan ziet men ons dikwijls ootmoedig geknield,

En bidden met volle vertrouwen; Dan staamlen de lippen zoo menige beê; En stijgen de harten al biddende meê.

Dat bidden móet God wel aanschouwen, (his.)

Als lt;ie Geest des gebeds onze zielen geleidt. Dan worden ze een akker, met zorgen bereid

Om dauw en om regen te ontvangen ; De gratie van God is die regen en dauw, Die wij van den Heer, Zijn beloften getrouw, Wanneer wij hem bidden erlangen, (bis.)

Als de Geest des Gebeds over zielen beschikt. Genade den akker des harten verkwikt . Dan bloeien er deugden als bloemen.

Valt daar, in die aarde, het zaad van Gods woord, Dan brengt het het zestig- en hondervoud voort. Die zielen zijn zalig te noemen, (bis.)

Als de geest des gebeds onze zielen vervult. De geest, die den geest van de wereld niet duidt,

-ocr page 16-

la

Dan wordt ons de wereld steeds kleiner; Verzaadt zich de raaf in het slijk aan een lijk. De duif neemt naar de arke bij Noë de wijk: Die lucht is gezonder en reiner, (bis.)

Als de geest des gebeds onze zielen doordringt, Dan hindert ons niets van hetgeen ons omringt.

Al dreigen ook groote gevaren:

ïe midden der regens wordt Not; niet nat,

Noch iets van dat alles, wat de arke bevat; Als hém kan God óns ook bewaren, (bis.)

Als de geest des gebeds onze zielen verlicht, Dan schrikken wij niet, schoon geplaatst voor

een plicht, Die moog\'lijk de schouders zal drukken; Al zoetjes en zachtjes, toch krachtig en sterk. Trekt hij ons — wij doen het gebodene werk; En heerlijk de vruchten te plukken, (bis.)

Als de geest des gebeds onze zielen gebiedt, Dan bidden wij nog, ook al bidden wij niet;

Verstrooiing kan zulks niet beletten.

De meening van \'s morgens: „ \'k doe alles voor God quot;

-ocr page 17-

16

Zal werken eu lijden, bij \'t reinste genot, Met goud van verdiensten omzetten. (Us.)

Ook Antokius leidde die geest van gebed,

Waar Vader Fkanciscus, zoo waakzaam, op let;

Wien hier al liet tijd\'lijk moet dienen. De studie der wijsheid en heil\'ge Schriftuur Maakt hem tot een Cherub in kennis — in vuur Tot eenen van U, Seraphienen. (bis.)

Ook Antonius heiligt zich zeiven het eerst; Die plicht rust op allen, op allen, ten zesrst;

Van d\'overvloed moeten wij geven.

Wat Jesüs ons leert heeft Hij zelf eerst gedaan. Prijs bidden en werken en lijden dan aan, Als ge ook door dien geest wordt gedreven. (bis.)

Ook Antonius werd door dien geest tot een held, Die , kalm en bedaard toch zijn vijanden velt;

En luisterrijk is zijn victorie.

o Vader, wij bidden verwerf ons dien geest. Die óns hart het eerst en dan and\'ren geneest, Als Gij leven wij voor Gods glorie, (bis.)

-ocr page 18-

17

IX.

Het kindje Jesus verschijnt aan Antonius.

(xotls almacht blijft almacht,

Erkent men ze ook niet.

Maar blind, die in \'t schepsel Den Schepper niet ziet.

(ïods wijsheid blijft wijsheid, Al noemt men ze dwaas;

(iods vrede blijft vrede Al maakt men geraas.

(Jods goedheid blijft goedheiil, Al wordt ze ook misbruikt;

Voorzienigheid ziet, wie Zijne oogen niet luikt.

(rods liefde , blijft liefde ,

AI blijft de ménsch koud;

Het Zijn blijft Gods wezen, Al worden wij oud.

Gods schoonheid blijft schoonheid. Al boeit zij hém niet,

Die in liet vergank\'lijk Slechts schoonheden ziet.

-ocr page 19-

18

De glorie des Heereu

Vertoond \'t firmament; In zon, maan en sterren , Aan allen bekend.

Elk druppeltje regen,

Dat valt op onze aard, Wijst ons op een Vader,

Onz\' dankbaarheid waard. Elk diertjen en plantje

Zegt: „ God is alwijs quot; En vraagt, dat onz\' stemma

Dien Vader mee prijz\'. De schepping, verlossing,

En \'t heil, dat ons wacht, Vereischt, dat Hem eere En dank wordt gebracht.

De heiligen lezen

Alom en elk uur Den naam van den Schepper

In \'t boek der natuur. Dp lezen heft handen En harten omhoog

-ocr page 20-

19

Tot Hem die dat alleti

Aan \'t niet eens outtuofi\' Maai\' \'t boek der genade ■ Zegt ons nog veel meer: ,, Hoe goed en barmhartig ,, Is God onze Heer.quot;

.. Aan God zij de glorie

Den menschen zij vreequot; Zoo zingen daar de engelen

In Bethlehems steê. Ken kindjen in doeken

Ligt daar in een stal; Dat ons \'t Evangelie

Verkondigen zal. Dat kindje in de kribbe

Is God en Mensch saam De ware Messias

En Jesus Zijn naam.

Het trekt tot Zijn kribbe

De herders van \'t veld; Wien Hij Zijn geboorte Door engelen meldt.

-ocr page 21-

20

Drie koningen komen, En komen van verr;

En wie was zijn bode? En wondere ster.

Wat zijn ze gelukkig! Gelukkig bij Hem;

Waarom? wel zij volgden Zijn roepende stem.

Het zaligst van allen, Geknield op die plek,

Maria, Zijn Moeder — De Maagd zonder vlek.

o Moeder van J esus , o Goddelijk kind,

Welzalig, die beiden U beiden bemint!

Fkanciscus beminde Dat kindje zoo teêr.

Hij maakte een kribbe

In \'t bosch, Hem ter eer.

Antonius\' deugden

Verspreidden een geur,

-ocr page 22-

i)at \'t kind hem verscheen, met

Geslotene deur.

De leilie der kuischheid Zag het in zijn hand; In \'t hart liefde en ootmoed,

Geloof\' bij verstand.

Ilij ijvert Gods glorie,

Als \'t Goddelijk kind : Vandaar dat ook Jesus Antonius mint.

X.

Godsvrucht beloond.

De Mis is half, het klokje klept:

Ons Heer wordt opgeheven. Antonius is aan zijn werk;

Doch knielt, als waar hij in de kerk.

Schoon voorbeeld ons gegeven. I )at oogenblik is best besteed,

En zal liet werk niet hinderen. De heil\'ge kerk gebiedt het niet

-ocr page 23-

22

Ofschoon zij liet zoo gaarne ziet. Bezorgd voor hare kinderen.

Al wie in staat van gratie is Deelt zeker in den zegen,

Dien \'t offer om zich heen verspreidt: Maar die door deez\' godvruchtigheid

Nog ruimer wordt verkregen, (iij zondaar zelf, hoe zwart uw ziel

Van zonden mogen wezen ,

Hoop, als gij dit godvruchtig doet. Dat Jesüs\' Godd\'lijk offerbloed üw wonden zal genezen.

Wat zal ons heil daarboven zijn?

Wat is ons heil hieronder? \'t Is God! — Antoxius knielt neer, Zoodra hij hoort „daar is de Heerquot;:

God loont dit door een wonder. Hij kan de heil\'ge Hostie zien,

Die daar wordt opgeheven:

Geen want of muur biedt wederstand: Gods almacht schoof die aan een kant. Wat leert ons zulk een leven !

-ocr page 24-

23

XI.

Zuiverheid.

Parel van liet selioonste water,

Heilige deugd van zuiverheid!

(4od is uw belooner later —

God, Die hier uw lof verbreidt. .Iesus, wordende onze broeder,

Kiest Maria tot zijn moeder;

Daar zij deze deugd bemint.

Maagd en Moeder is zij samen ;

Hem en Haar zou dit betamen,

Zulk een Moeder, zulk een Kind. {hit

Reine bronnen, heldere beken ,

Bieden zuiver water aan.

Zuiver leven is een teeken

Van wat binnen om moet gaan. (roede boomen, goede vruchten Zoo gezelschap, zoo genugten :

Zuiv\'re harten , zielevrêe ,

Werken, woorden en gedachten Leeren wat men hoog moet achten. Geven ieder lessen mêe. (bis.)

-ocr page 25-

24

Vluchten, vasten, bidden, waken. Was den heil\'gen nooit te veel;

Strijdend naar den palm te haken

Was hun, is óns aller deel. Ook Antonius heeft gebeden, Met Maria\'s hulp gestreden ,

En als held gezegevierd.

Laten wij den moed niet zinken Dan zal ook die parel blinken

Aan de Kroon, die ons eens siert, (hi*.)

XII.

Tong van den H. Antonius.

(xezegende tong van Antonius (Riep Bonaventuea weleer)

In \'t graf onbedorven het blijkt dus

Hoe kostbaar gij zijt voor den Heer. Nóg houdt gij niet op Hem te loven — Die kracht mocht de dood u nie:, rooven

„ Gij doet wat gij steeds hebt gedaan , Door wond\'ren uw roeping bewijzen . (lij leerdet ontelb\'ren Hem prijzen.quot; Wij sluiten bij dezen ons aan.

-ocr page 26-

25

Eenige stemmen.

Antonius stierf heilig;

Zijn ziel bij God is veilig:

Bewijs — mirak\'len veel en groot — De Kerk erkent zijn glorie, En roemt ons zijn victorie,

Reeds \'t eerste jaar na zijn dood. (Allen.) ,, Gezegende tong ....

Eenige stemmen.

Die glorie zal niet tanen Bij dankbre Paduanen:

Noch geld noch arbeid wordt gespaard. Voor al zijn gunstbewijzen Doen zij een kerk verrijzen, Ken kunstgewrocht, hun adel waard. (Allen.) .. Gezegende tong ....

Eenige stemmen.

Zij zal den schat bewaren,

Die twee en dertig jaren Niet ver van daar begraven lag.

Haar edelste gesteente

-ocr page 27-

20

Is minder dan \'t gebeente,

Dat zij van liein bezitten mag.

(Alien.) ..Gezegende tong ....

Ecnige stemmen.

In \'t open graf daaronder Aanschouwen zij een wonder, Dat allen met verbazing treft:

Dat de aarde \'t vleescli verteerde, Maar zijne tóng niet deerde , Die zwijgend nog Gods macht verheft.

(Allen.) ,. Gezegende tong ....

Kenit/e stemmen.

Ze is blozend, schijnt te leven, En balsemgeur te geven.

Nog wordt die heiige tong vertoond, God leert ons door dit wonder Hoezeer Hij reeds hieronder Den ijver van Zijn dienaar loont.

(Allen.) ,, Gezegende tong ....

-ocr page 28-

XIII.

LIJDEN.

..Of lijden en stervenquot;

Hiep eenmaal Theresia uit.

„Niet sterven maar lijdenquot;

Riep weder eene andere bruid.

De een wenschte te sterven Om \'t hemelsche te erven;

Of liever, als Paulus, met Christus te zijn; Zij beiden verzochten te lijden:

Haar lijden gaf Jesüs verblijden; En Jesüs\' verblijden verzachtte haar pijn.

Franciscus , die Seraf Van liefde, beminde het kruis;

Die toon klonk hem schooner Dan \'t lieflijkste snarengeruisch. quot;Wat hem het meest griefde Was dit dat zijn liefde,

Zijn Jesus, gekruisigd, niet meer werd berm De lieer kwam Franciscus beloonen; In hem ons Zijn wonden vertoonen,

Heil u, die in \'t kruis uwe zaligheid vindt!

-ocr page 29-

28

Die heiligen schouwden Zoo gaarne naar Golgotha\'s top;

Zij zagen — en bouwden Bij Jesus hun celleken op.

De Godmenseh , vol wonden Tot delging der zonden;

Het hart van de Moeder, doorboord met een zwaard; Joannes, de heilige vrouwen.

Die lijdend den Lijder aanschouwen; quot;r Roept alles „Is Jesus uw liefde niet waard?quot;

Antonius zegen Vangt eveneens aan met het kruis,

Door kracht van dit teeken Verdrijft hij het helsche gespuis.

Berakd en Gezellen,

Gij kunt ons vertellen,

Wat liefde voor \'t kruis in Antonius gloeit: Hij ziet uwe wonden nog rooken,

En voelt reeds zijn hart gansch ontstoken Voor \'t land, waar hij ziet dat de martelpalm groeit.

Het lijden kan pijnen.

Perst tranen uit oog en uit oog;

-ocr page 30-

Maar eeu bJik op Jesus Vaagt ons ook de wangen weer droog. Ook de arbeid kan drukken;

Maar vruchten , te plukken ,

Vergoeden ook alles — zoo \'t lijden voor God. Met moed dan de driften bestreden 1 En onder de leuze geleden ;

Mijn zoetste genot is het lijden voor (4od.quot;

XIV.

Heilige dood van Antonius.

Men plukt een rijpe vrucht heel licht van haren stengel; De vlucht tot God is zeer gemak\'lijk voor een engel: o Heil\'ge Antomus! een wenk van God den Heer Is u genoeg — Gij zijt bij God — en hier niet meer.

De schoonste en fijnste bloem, al staat zij onder honderd, Wordt door een kenner licht gezien, geschat, bewonderd; Het ongeschapen oog, dat in zijn keus niet faalt. Zag in Anionius\' deugd de schoonste bloem gemaald.

-ocr page 31-

;io

Die parel, rijk van gloed, en van onscliatbre waarde, Was voor den hémel goed; zij was te schoon voor de aarde. Zijn reine ziel stijgt op tot voor den troon van God; Doch laat ons nog een schat in \'t stof\'lijk overschot.

Zijt gij met Christus mêe, naar Paulus woord, verrezen. Dan moet hetgeen gij zoekt het bovenaardsche wezen; Het rijk, waar Christus zit, \'s Vaders rechterhand;

Zint dan den hemel, en niet de aarde, als vaderland;

Dat deed Antonius, die zoon van deugdzame ouders; Hij droeg des Heeren juk reeds op zijn kinderschouders; Den hemel hield hij hij zijn leven in het oog;

Geen wonder dat zijn ziel zoo vrij ten hemel vloog.

Hij leerde vroeg zich zelv\' en al het aardsch versmaden; Ja koos met vrijen wil wat de Evangelies raden.

Zulk goed begin wordt met een heerlijk eind bekroond, Terwijl een Zaal\'ge dood een heilig leven loont.

XV.

Geloof.

Het gelootquot; is eene gaaf, en een gave van God , Een der grootste, die God ons kan geven.

-ocr page 32-

31

Door zijn licht zien wij duidlijk elk Godlijk

gebod;

Het volbrengen van deze is ons leven.

Is het licht van de rede gelijk aan de maan;

Door de zonde staat veel in het duister; Door \'t geloof zien wij alles in \'t zonnelicht

staan,

En omgeven met godlijken luister.

Wij aanbidden niet enkel Gods scheppende

hand,

Die wij alles met wijsheid zien leiden; Ook aan \'t kruis op den berg van Calvarir

geplant,

Zien we een hand eenen balsem bereiden.

\'f Is de hand des Verlossers zoo gruwzaam

gewond ,

Die zijn bloed tot ons heil wil vergieten : Tusschen God en den mensch sluit Hij \'t vredeverbond.

Ja wij kunnen Gods vriendschap genieten.

-ocr page 33-

Als gehoorzame kind\'ren dei- heilige Kerk

Zijn wij kindren van God, haren Stichter. Door zijn hulp en haar hand wordt ons daag-

lijks liet werk, Het groot werk onzer zaligheid lichter.

Zijne Godlijke leer is het voedsel der ziel;

Als een moeder deelt zij ons dat mede.

Zijn genade biedt zij aan dio staat, en die viel Zij bewaart en bezorgt ons den vrede.

Maar zoovelen erkennen, of\' kennen haar niet,

Of zij willen haar lessen niet hooren.

Help, Antonios , help! waar Gij hulp noodig

ziet ;

Want verlosten gaan anders verloren.

Het geloot\' en Antonius is sterk, en zoo groot,

Dat hij gaarne zijn leven wil geven.

(ielijk Jesus zijn bloed voor de waarheid vergoot,

Zoo zoekt hij voor die waarheid te sneven.

Het gelootquot; van Antonius is levend genoeg, De gevaren bij Ketters te trotsen.

-ocr page 34-

Dit was de arbeid, die» (lod van Axthnu s

vroeg;

Hij buigt harten, nog harder dun rotsen.

liet geloof van Axtoxus dringt door in de zee En roept visselieu. waar menscheen niet luisteren ;

En de Heer doet een wonder, en werkt met

hem meê

Om den menseh aan zijn woorden te kluisteren.

Het geloof\' van Axtoxius ducht geen gevaar.

Ook als hij eenen dwingeland nadert :

Ezzelino verschrikt bij de woorden: „barbaarquot; „Om uw hoofd is Oods gramschap vergaderd.quot;

Het geloof van Axtoxii\'s gebiedt aan een dier: „Eer uw Schepper, uw God. hier verborgen „In de heilige Hostie; liet aarzelt geen zier. En het knielt , en vergeet zijn verzorgen.

Het geloof van den Heil\'ge heeft wond\'ren gedaan Hij kon duizenden zondaars bekeeren.

-ocr page 35-

84

quot;Laten wij ook ojelooveiid niet werkeloos sfiuui, Maar Item volgend Gods glorie verineeren.

Wij, o Vader! gelooven, bewaar ons geloof!

Dat en woorden en werken het toonen; Dat geen list en geen lust van dien schat ons

beroov\';

Maar de Hemel ons eenwig mag loonen.

-ocr page 36-

I.

PATROON-, (i)

Moderato.

ac- _z==-

A n - to - ni - us van Pa - du - a ! Zoo

mf

i

35

hei-lig en zoo goed; Wij lo-ven God, die rail.

door uw hand zoo ve - le woudreu doet.

E3

\'«t-

Geen geur en kleur van bloe-men is zoo

~y----i—

,

TTT

«Ë3\' n

aan-genaani en fijn, als voor een ziel, die rail.

i

God bemint, uw schoo-ne deugden zijn! (1) Melodiën van Jos. Bzltjens,

-ocr page 37-

2

II.

NEDERIGHEID.

Andante.

-1-1-

■ 1 1 1

1 1

J 1

Ar - me moe - der des Ver-

g \'i

i1-- cd- é

--1-1—

los-sers, schoon een spruit van Da-vids stam;

mf

ne - drig huis-je in Na - za - reth, waar dim.

Ga - bri - el eens bin - nen kwam; mf cresc.

Jo -zef, Je - sus\' voed-ster - va - der,

m

hei - lis eu recht-vaar - dl? man:

-ocr page 38-

3

m

Die de nood - ruft voor de zij - nen

--■—-

r

slechts door

ar- beid

---0—

vin - den rail.

----

kan,

—-•--I-

slechts door ar - beid vin-den kan.

III.

VERBORGEN LEVEN.

*i±

Andantino.

t

ka:

All W

/j \' \'\'

Bloe-men

»ƒ , ;---

kun - nen

de oo-geu =• dm.

-J-tJ1--1 , -

J..... | quot;

1

-amp;=J -

J ~l \'

-j—n :

« -

boei-jeu, als ze heer-lijk staan te

m

bloei-jen in haar vol - le kien - ren-pracht;

-ocr page 39-

4

h-6—b---t—1

dim.

f#

-f 1

—I—!—

I-P---

L—

lt;=^ 1

maar ook ais zij half out - lo-ken,

H

of in\'t groen zijn weg - ge - do-ken,

V

. |

Iw quot;

—-

-v1 p lt;= • 1

too - nen

r 1 mf.

zij niet

min - der poco rail.

kracht.

too • nen zij niet min - der kracht.

IV.

GEHOORZAAMHEID.

Andante.

m

I

*—0

Spreek, An - to - ni - us, een woord,

1

---y

dat deez\' broe - der-schaar kan stichten,

-ocr page 40-

5

is

heb ik eeu be - vel ije-hoord?

zal zijn ue- drig- heid hier zwichten,

7iJ J ^

Uw Eer - waar - dig - heid ge - biedt.

Ik? ik bid, ik kan dat niet, rail.

Ik? ik bid — ik kan dat niet.

V.

BEZIGHEID.

Andante.

rJ

Ou - ders vau Au - to - m - us,

*--

m

-ocr page 41-

6

dim.

mf

M

j==i=

Veel ge - luk met zulk een zoon!

m.

Uw god - vruch - tig voor - beeld volgt

mf

---t-—---lt; _

Uw An-to - ni-us zoo schoon. Al zijn

■ y 7—^—r

-M---

1--1

tijd heeft hij be - zet met zijn les- sen

en ge - bed, al zijn tijd heeft hij be ■ ~ rail.

mf

ii

zet, met zijn les - sen en ge - bed.

-ocr page 42-

7

VI.

DEVOTIE VOOR DE H. MAAGD.

Andante.

=33*:

p , tgt;

—Avfi rjCt\'-\\

i—tr------

1 1

0-^—1

Zijn hart zoo schoon van af zijn 1

1—r

jeugd, ont-vank - lijk voor de groot-ste p cresc. mf

izt

IzEEi

deugd; maar bloot- ge-steld, als elk, aan strij

__. P

t

IT

k

den; Het le - ven is een strijd op

--jt-fi—i—q

——•--j

aard; goed strij - den is den He - mei mf poco rail.

-3—u

iqit

waard; Dat hart zal hij Mari a wij - den.

-ocr page 43-

VII.

SI QUAERIS MIRACULA.

Andante.

I-u- dzf q

P Als ge naar mi-rak\'-len ziet,

^ ^ J

Dood en dwa - ling, on - heil vliedt;

Sa - tan vlucht, de pest houdt op m f

—-=i

;q—az

til

k.-an -ken staau ge - ne - zend op, VIII.

DE GEEST DES GEBEDS.

Moderato.

V_

=d=i

-N--V

Als de geest des ge-beds on-ze

LiEÈ

zie-len be-zielt, dan ziet men ons dikwijls oot-

-ocr page 44-

---l«J-_

£ :/ N --

\' i 7 ^

—#—i—i—

i ■

«

dim.

yr ip 1

—i--ïTquot;*

a y ■gt; :

.rq._a_qv ■ *- ■ é

m » \'

—•---P-»—

trou - wjsn; dan. staamlen de lip-pen zoo

Zp=M:

me-ni-ge beê; en stijgende harten al i———^

: ss *

biddende mee, Dat bid-den moet God wel aan-

gt; mjf

jL7

schouwen,Dat bidden moet God wel aanschouwen.

IX.

HET KINDJE JESUS VERSCHIJNT AAN ANTONIUS.

Andantino.

9Z

$

--T-

lil.

Ar

mf

m

Gods almacht blijft al-macht, er -

-ocr page 45-

10

\'t schepsel dea Schei)per niet ziet; Gods wijsheid blijft

I

vijsheid, al noemt men ze dwaas; Gods vrede blijft mf

-3-A

*-*-

vrede, al maakt men ge-raas; Gods goedheid blijft

(n \'i i - J

—|-«-J—

- -1 n

goed-heid, al

é

wordt ze ook mis -rail.

\\—amp;-ê-

bruikt; Voor-

i

--l-=3-=X

zieuigheid ziet, wie zij-neoogeu niet luikt.

-ocr page 46-

11

X.

GODSVRUCHT BELOOND.

Andante.

§

eH TT-d-

W^f_

p ^

De Mis is half,het klokje klept: Ons

»•

^--^ • •

Heer wordt op-ge - he - ven, An-to-ni - us is d

• «

f

aan zijn werk; Doch knielt, als waar hij in de

~th n -p-

--#---

-- ai-J

kerk, schoon voor-beeld ons ge - ge - ven Dat

i

---«—•

oo-gen-blik is best besteed en zal het

i

gt;-A-

—f*

J

s

werk niet hin-deren, de heil-ge kerk ge-biedt het _,_quot;\'ƒ_

niet — of-schoon zij het zoo gaar - ne

-ocr page 47-

12

rail.

ziet, be-zorgd voor ha - re kin - de - ren. XI.

ZUIVERHEID.

mf

Andantino.

=±=ï:

¥

znz

broe-der, kiest Ma - ri - a tot zijn moeder,

A.

p

.

--

- 1 T: -o—#-

—#—

TT

Pa - rel van het schoonste wa - ter, dim.

3zz:zt

Heil-ge deugd van zui - ver-heid, God is mf

i

uw be - loo-ner la-ter, God, die hier uw

----

=4 ^

*4 4-4 -

—#—

lof ver-

h-s — jreidt,

mf

Je - sus.

worden-

——--^

de ou - ze

I

-ocr page 48-

13

——---—

daar ?ij de - ze deugd be-mint. Maagd en

Moe-der is zij sa-men; Hem en haar zon p cresc.

i

i

- —o—#-

quot;cd

dit be - ta-men, zulk een Moe-der zulk een rail.

quot;if

kind, zulk een Moe-der zulk een kind. XII.

TONG VATST DEN H. ANTONIUS.

i

- i

t ^ ^ , - Nr | |V i ^

r 1 \' i ^quot;irpïüj 3-:

Ge -ze-gende toug van An-to-nius, riep -N—ft

fs M Nufe:

1

» »==

Bonaventura wei-eer, in \'t graf onbedorven, het

-ocr page 49-

14

mf

i

blijkt ons dus hoe kostbaar gij zijt voor den V_,_____

s

Heer, Nog houdt gij niet op Hem te lo - ven; die

_mf_

*=/-

kracht mocht de dood u niet roo - veu, gij

-y- -1

P-»----

---/---0-.

doet wat gij steeds hebt gedaan, door wond\'ren uw

\'Ly* *

roe-ping be-wij - zen. Gij leerdet on-tel-bren Hem rnf

\'i ,-1 \'*

prij-zen. Wij slui - ten bij de-zen ons aan.

Eenige stemmen. -----—--1—

e|e

An - to - ni-us stierf

-ocr page 50-

15

_ _—

---

x mf

Vi l—. 1

- i ^ i —i

/Ui—\' # quot;]

1 i # J

J- 1

ffr\\quot; y F é

O--

hei - lig, ziju ziel bij God is vei-lig; Be-

-§-7—j-

---fs—

-9

^ . ..... \'

wijs; mi-rak\'len veel en

. ^----j-H---j—

4- U ■

groot.. De

4--

kerk er -

^ jquot; h F-r^-

—-J-5—v—

kent zijn glo - rie en

roemt ons zijn vic-

to - rie, reeds\'t eer-ste jaar na zij-neu .__m f Allen.

dood, reeds \'t eer-ste jaar na zij-nen dood. Ge -XIII.

LIJDEN.

Moderato.

--

---1—r

~z3r

—1—^

•--*—#—#—

-W—■—

I-—---

----

„Of lij - den of ster - ven,quot; riej)

-ocr page 51-

14

mf

i

blijkt ons dus hoe kostbaar gij zijt voor den V_,_____

s

Heer, Nog houdt gij niet op Hem te lo - ven; die

_mf_

*=/-

kracht mocht de dood u niet roo - veu, gij

-y- -1

P-»----

---/---0-.

doet wat gij steeds hebt gedaan, door wond\'ren uw

\'Ly* *

roe-ping be-wij - zen. Gij leerdet on-tel-bren Hem rnf

\'i ,-1 \'*

prij-zen. Wij slui - ten bij de-zen ons aan.

Eenige stemmen. -----—--1—

e|e

An - to - ni-us stierf

-ocr page 52-

15

_ _—

---

x mf

Vi l—. 1

- i ^ i —i

/Ui—\' # quot;]

1 i # J

J- 1

ffr\\quot; y F é

O--

hei - lig, ziju ziel bij God is vei-lig; Be-

-§-7—j-

---fs—

-9

^ . ..... \'

wijs; mi-rak\'len veel en

. ^----j-H---j—

4- U ■

groot.. De

4--

kerk er -

^ jquot; h F-r^-

—-J-5—v—

kent zijn glo - rie en

roemt ons zijn vic-

to - rie, reeds\'t eer-ste jaar na zij-neu .__m f Allen.

dood, reeds \'t eer-ste jaar na zij-nen dood. Ge -XIII.

LIJDEN.

Moderato.

--

---1—r

~z3r

—1—^

•--*—#—#—

-W—■—

I-—---

----

„Of lij - den of ster - ven,quot; riej)