-ocr page 1-

Vak 90

.mÊÊÊÊSÊÊBÊÈI$-

ffyi)!. -!!! -H

iquot; gt;\':.j.\\ gt; •\';r- r.,quot;-\'gt;«S^. • •amp;-V.«iPamp;r\'ftVi ..- --V\'«.A-- ■gt;.—quot;lt; •—.• •:• -J-

m amp;È\'l

i ■ {

i

m

.. .1 Vl HBII, . -

HET LEVEW

VAN UKX

KX^lJIZEiV-.V^lt.

mm

Bijzonder aangeroepen tegen bosmefltelpo ziekten,

Wm-ès

nm

il

mmm

mm ■::■

\'V

w

^rg

4\'-\' ■

.

■ :

: mm

mmm.,

Élwll

mm

VOORNAMELIJK ONDEE HET

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

Vak 96 k

HEILIGEN GERLACUS,

It L XJIZ E JV -A. R.

V

cJaliooit ccz ^ciiocfiiafc cSict-f!

TS

HOUTHEM-S3 GERLACH.

BijicuSsr aangercspen xeger beiraettelijke ziektes,

VOORNAMELIJK 0a33B HET VEE.

BIELiOTECA \\ -

0. F RAT. ;.3 i M. ygt;

- £ toanvc\'^u !ï uaii- (2i.oCCa, -T~--

Jfou t (ic -lt;n~®Vc. tficn tnttcj.

- 1886. -

-ocr page 6-

IM P R IM A T U R.

Trajecti ad Mosam, die 6ta mensis Maii, anno 1886.

F. X. RUTTEN,

Dec. Mosaetr. ad hoe deleg.

-ocr page 7-

V OORWOORD.

De oudst bekende levensgeschiedenis van den h. Oerlacus dagteekent van het begin der der-tiende eeuw. Zij werd in een Latijnsch handschrift nagelaten door een kloosterling uit de orde van Premonstreit, die te St. Gerlach woonde.

Op last van Z. D. H. Henricus Cuyckius, Bisschop van Roermond, gaf Erasmus Ghoye, Proost des kloosters van St. Gerlach, dit handschrift in liet licht ten jare 1600, onder den titel: „Vita beati Gerlaci Eremytae, quam edidit Erasmus Ghoye, praepositus St\' Gerlaci.quot; Maestricht 1690. (Afgedrukt door de Bollandisten; „Acta sanctorumquot;, ad ö\'quot;quot;1 Jan. torn. I.)

Weldra werd deze Latijnsche uitgave op bevel van Z. D. H. Henricus Cuyckius in het Vlaamsch vertaald door Cornelius Thilmans, Guardiaan der PP. Minderbroeders te Maastricht. Deze vertaling droeg als titel: „Het leven van den H. Ger-lacus, belijder en Eremyt. der orde van Premon-streyt, uitgegeven op bevel van den Heer Henricus Cuyckius, Bisschop v. Roermond. Maestricht 1612.quot;

Bij het samenstellen dezer korte levensgeschiedenis van den h. Gerlacus, hebben wij de twee aangehaalde uitgaven, door Z. D. II. Henricus Cuyckius goedgekeurd, gevolgd.

Moge dit boekje strekken ter uitbreiding dei-devotie tot den h. Gerlacus.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

jlERSTE pEEL,

HET L E V E IV

VAN DEN HEILIGEN GERLACUS.

I.

Jeugd van den II. fierlacus,

Up zes mijlen afstands van Maastricht, langs den weg die van Meersen naar het bekoorlijke Valkenburg leidt, bevindt zich het schilderachtig gelegen dorp Houthem. Het wordt Houthem-St. G er lach genoemd, dewijl de h. Gerlacua daar het eerste levenslicht aanschouwde, althans zeker de laatste jaren van zijn heilig leven doorbracht en door eenen allerzaligsten dood tot de gewesten des hemels overging, vanwaar Hij voortdurend de gebeden verhoort der vele pelgrims, die hier zijne hulp en voorspraak in allen nood verzoeken.

I\'it eene adellijke familie in het begin der twaalfde eeuw gesproten, werd hij tot den krijgsdienst bestemd en opgeleid. Weldra was hij zeer geoefend in den wapenhandel, zoodat hij zich

-ocr page 10-

f-poedig oon rocmvollcn naam in krijgszaken verwierf. Do voorspoed en het geluk, in de jaren zijner jeugd genoten, maakten hem trotscli en spoorden hem aan het slechte voorbeeld zijner bedorven krijgsgezellen te volgen en den breeden weg des verderfs in te slaan. Zelfs overtrof lijj zijne makkers in liet najagen van tijdelijk gewin, in het verdrukken van armen en weezen en in het leiden van oen wellustig leven.

II.

Rckeeriii»; van den 11. Gerlarns.

Te midden der wereldsehe vermaken, werd Gerlacus door Gods genade getroffen, en de tot hiertoe lichtzinnige ridder beantwoordde onmiddellijk aan de roepstem dos Heeren.

Gerlacus, die liet ambt van ritmeester bekleedde, was een hartstochtelijk liefhebber der steekspelen en daarin zoo geoefend, dat hij dikwijls de overwinning in het strijdperk behaalde.

Eens nu deed de graaf van Gulich door bet gansche land bekend maken, dat in zijne hoofdstad een schitterend steekspel zou gehouden worden. Ook Gerlacus ontving die tijding en wel met een vreugdevol hart; want eene heerlijke gelegenheid werd hem aangeboden nieuwen lof cn roem te verwerven.

Aan het hoofd van duizend soldaten verschijnt de trotsche ridder in de grijze stad Gulich. Vol eerzucht en overtuigd van zjjne bekwaamheid, waant hij zich zeker van de overwinning.

-ocr page 11-

Tot den kamp volkomen uitgerust, het schild voor de borst, de lans in de hand, is hij het strijdperk reeds ingetreden; de wedstrijd gaat beginnen. Maar ziet; een bode nadert den tieren krijgsman en brengt hem de droevige tijding vaii den plotselijken dood zijner geliefde echtgenooto. Dat was voor Gerlacus liet uur der bekeering. Diep getroffen over dit onherstelbaar verlies, geeffc hij gehoor aan de stem der genade, die hem toeroept: „Gerlacus, wat zou van u geworden, indien gij schielijk, gelijk uwe brave echtgenooto, kwaamt te sterven!quot; Hem gaan de oogen open; hij erkent de vergankelijkheid van eer en rijkdom, de ijdelheid van al het aardsche. Dan stijgt hij van zijn paard, werpt zijne wapenen tor aarde en, ten aanschouwe der verbaasde edelen,, zegt hij aan de wereld een plechtig vaarwel. Hij belooft voortaan zijn hart niet meer aan de ijdelheid te hechten, maar tot God te verheffen; geene weduwen en weezen meer te verdrukken, maar zijne handen uit te steken tot goede werken en strenge boetvaardigheid te doen voor zijne zonden en misstappen.

III.

Boete van den II. (Jerliicus.

Gerlacus, het hart vol rouw, de oogen met tranen gevuld, ijlt huiswaarts. Onwankelbaar staat zijn genomen besluit; hij zal van leven veranderen en strenge boete doen.

Nadat hij over de zaken van zijn huis beschikt

-ocr page 12-

— 8 —

Leeft, noemt lui als boeteling den pelgrimstaf ter liand. Daar gaat liij barrevoets, gehuld in een lir.i\'en kleed, bedekt meteen ijzeren harnas, ver-scheidene plaatsen, vermaard door de vereering van een of ander Heilige, bezoeken.

ïe Rome aangekomen, treedt hij de kerk der li. h. Apostelen binnen en belijdt rouwmoedig zijne zonden. Voor de voeten van Paiis Euge-nias III knielt hij ootmoedig neder en vraagt ar.n Z. Heiligheid eene strenge en openbare boete voor zijn zondig leven.

De Paus, diep getroffen door de goede stemming, •waarin de rouwmoedige boeteling tot Hem komt, ontvangt dezen met minzaamheid en schrijft hem als boete voor, gedurende zeven jaren de kranken in het gasthuis te Jerusalem te gaan verzorgen. Deze boete neemt Gerlacus gewillig aan; hij zal ter plaatse, waar de goddelijke Zaligmaker leed en stierf, voor de misstappen zijner jeugd voldoen.

IV.

De H. Gerlacus te Jerusnlem.

Toen de broeders van het gasthuis de reden vernamen, waarom Gerlacus de reis naar Jerusalem ondernomen had en bemerkten, dat de boeteling een man van hooge afkomst was, ontzagen zij l i om en wilden hem slechts licht en gemakkelijk werk laten verrichten. Maar de man Gods antwoordde, dat hij versmading en arbeid begeerde cn geene eerbewijzingen; dat hij gekomen was

-ocr page 13-

— 9 —

om den armen zijnon ootmoedigen dienst ter wille van Jezus Christus te bewijzen. Om zieli aan alle eerbetoon te onttrekken, vroeg en verkreeg liij als eene gunst, het vee te mogen hoeden in de omstreken van Jerusalem. Daar hoedde hij gedurende zeven jaren de varkens en ander vee, terwijl hij vastte, bad, zijn lichaam kastijdde en het bitter lijden des Zaligmakers overwoog.

Ecnsdaags, toen hij naar gewoonte barrevoets het vee weidde, kwetste hij zich aan eenen scherpen doorn zoozeer, dat de voet opzwol en liij daarin jaren lang groote pijnen leed. Nochtans Gerlacus, verre van zich te beklagen, dankte God voor die vaderlijke bestraffing en verdroeg die lievige smart met liefde, ter uitboeting eener misdaad in zijne jeugd bedreven; hij had na-melijk vroeger, in gramschap ontstoken, met dienzelfden voet zijne moeder gestooten.

Y.

Temgkeer van den H. («eilacus in zijn geboortelaml.

i)e zeven jaren der strenge boete waren eindelijk verstreken. Alsdan keerde Gerlacus naar Rome terug, om den Paus Adriauus IV bekend te maken, dat liij de boete te Jerusalem volbracht had en vroeg tevens aan Z. H. hem eene levenswijze voor te schrijven, die hij voortaan volgen zou. De Paus hield hem verscheidene kloosterregels voor; maar de man Gods maakte (hlt; bemerking, dat hij verschillende geloften ten

-ocr page 14-

— 10 —

eeuwigen dage gedaan had, die met de voorgestelde regels niet te volbrengen waren ; onder anderen had hij beloofd, noch vleescli noch wijn te gebruiken; in den zomer zoowel als in den winter te vasten ; nooit te paard te rijden; een haren kleed te dragen en andere werken van boetvaardigheid gedurende geheel zijn leven te beoefenen. „Keer dan naar uw geboorteland terugquot;, sprak Z. H. de Paus, „leef aldaar als kluizenaar de overige dagen uws levens en volbreng er uwe strenge geloften.quot; Gerlacus nam dien raad gewillig aan ; eertijds had hij in zijn vaderland tot ergernis van velen gestrekt, thans zal hij daar aan allen een opwekkend voorbeeld van boetvaardigheid geven. De Paus gaf hem eene breve, die de goedkeuring zijner geloften en eenen levensregel inhield. Volgens die breve, langen tijd in de abdij te Houthem bewaard, bleef Gerlacus de bestierder zijner goederen, met de verplichting de opbrengst ervan aan armen, aan kerken en andere goede werken te besteden; tevens mocht hij het witte kleed der Norbertijnen dragen.

VI.

De II. Gcrlacus kiest een hollen elk tot woning.

Toen Gerlacus na eene strenge boete van zeven jaren in zijn vaderland terugkwam, was hij bijna onkenbaar geworden voor zijne vrienden en landgenooten. Zijn aanschijn, eertijds zoo

-ocr page 15-

— 11 —

fier, was verschroeid door de brandende btraleu der zon ; zijne ledematen, vroeger zoo forsch, waren uitgemergeld door aanhoudend vasten en versterving. De rijke krijgsmantel viel niet meer in bevallige plooien langs zijne breede schouders, maar een zwaar ijzeren harnas drukte zijne ledematen ; dag en nacht droeg hij een haren boetekleed, terwijl het witte habijt der Norbertijnen harnas en boetekleed bedekte. Zijne lendenen had hij met eene haren koord omgord en op zijne borst, vroeger met ijdele eereteekens versierd, hing thans een koperen kruis uit Jerusalem medegebracht.

Terug op zijn geboortegrond, nam hij zijn intrek niet in zijn adellijk slot; neen. Te midden zijner erfelijke eigendommen, op de plaats waar thans zijn h. Lichaam rust, stond een buitengewoon dikke eik. Dezen boom deed hij uithollen en er eenen hoop steenen inwerpen. Dat zou zijne woning zijn. Eene harde mat, over die steenen uitgespreid, strekte hem tot zit- en rustplaats. In die enge cel bad hij, kastijdde hij zijn lichaam, beweende hij zijne vroegere zonden, gelijk een ander rouwmoedige David, zijn hard rustbed met zijne tranen besproeiende. Hjj vastte dagelijks; at voor zijne nooddruft niets anders dan gerstebrood met assche vermengd en dronk om zijnen dorst te lesschen slechts water uit de bron, die tot heden toe St. Gerlacns\' Put genoemd wordt. De opbrengst zijner goederen deelde hij onder de armen uit of besteedde ze tot andere goede werken.

Aan allen, die tot hem kwamen, predikte luj,

-ocr page 16-

— 12 —

de boetvaardigheid en gaf hun geschikte vermaningen ter zaligheid.

VII.

We H. (aerlneiis bezoekt dagelijks liet Graf van den lï. Servatiiis te flaastricht.

Gerlaeus had cone teedere godsvrucht tot den b. Servatius, wiens h. Gebeente te Maastricht rust; dagelijks bezocht hij als pelgrim het graf van den h. Bisschop.

De cel, waarin de kluizenaar woonde, lag anderhalf uur van de stad verwijderd. De weg, die over de steile hoogte van Berg liep, was moeie-lijk te beklimmen en in regentijd zoo modderig, dat men zelfs te paard nauwelijks vooruit kon; terwijl bij winterdag de grond hard en ruw, bijna onbegaanbaar was. .Nochtans Gerlaeus, door den geest van boetvaardigheid gedreven, overwon al die moeielijkheden ; bij het eerste gekraai van den haan verliet hij iederen nacht zijne harde legerstede; gebukt onder den last van liet ijzeren harnas, gepijnigd door de scherpte van liet baren boetekleed, beging hij door weer en wind barrevoets den hobbeligen weg en gaf er geen acht op hoe zijne voeten zich kwetsten aan den ruwen bodem. Dan stond hij menigmaal, reeds voordat de klok ter Metten riep, bij de gesloten kerkdeur van St. Servatius, die hem soms door eene onzichtbare hand geopend werd.

Op een winternacht reisde een buurman ongeschoeid met den Boeteling naar St. Servatius\'

-ocr page 17-

— 13 —

kerk. Diuir hij klaagde over de koude zijner voeten, zeide Gerlacus: „zet uwe voeten in mijne voetstappenquot;, en als liij dien raad volgde, verging oogenblikkelijk de koude, zelfs gevoelde hij eene warmte, als ware liet zomer geweest.

Zekere Herman Blanckhabt, die niet verre van de cel des li. Mans godvruchtig leefde, werd door Gerlacus\' voorbeeld opgewekt, ook dikwijls het graf van den h. Servatius te bezoeken. Beiden kwamen overeen, dat wie hunner het eerst bij het kruisbeeld, dat op den weg dicht bij Maastricht stond, gekomen zoude zijn, den anderen zou opwachten, om dan verder gezamenlijk naar den h. Belijder Servatius te gaan.

De duivel, nijdig om de boetvaardigheid van Gerlacus, stond hem dikwijls onder de gedaante van Herman Blanckhart af te wachten; dan ging hij naast hem op en fiuisterde hem woorden vol verleiding in de ooren. Maar Gerlacus, die listen versmadende, overwon den bekoorder door het gebed en joeg hem op de vlucht, terwijl deze duidelijke teekens achterliet, die hem als den helschen geest deden kennen.

Niets liet de duivel onbeproefd om den boeteling te verontrusten en van den pelgrimstocht terug te houden. Niet zelden, wanneer Gerlacus des nachts een weinig wilde uitrusten, alvorens de bedevaart te ondernemen, maakte de duivel hem het slapen onmogelijk. Want nu eens deed hij zich voar als een aanvallende vijand, die onder groot geraas en getier de cel bestormde; dan wederom als een nachtelijke dief, die stil rondom de celsloop. Hij veinsde dan in gezelschap

-ocr page 18-

— 14 —

te zijn van eenon tweeden dief, dien bij wel is waar zachtjes, docli zoo verstaanbaar, dat liet (rerlacus duidelijk hoorde, toefluisterde: „Ga hier voorzichtig, maak g-een gedruisch, want in deze cel rust hij, die nimmer slaapt noch sluimert.quot;

De booze geest echter met al zijne sluwheid vermocht niets tegen den standvastigen kluizenaar. Deze, al had hij niet kunnen rusten, al vond hij op reis den weg dikwijls versperd door allerhande voorwerpen, volbracht dagelijks gedurende! veertien jaren zijne geliefkoosde bedevaart. Toen, wegens hoogen ouderdom en de afmattingen der strenge boete, hem de krachten ontbraken om den weg langer te voet af te leggen, ondernam hij, gezeten op een ezel, zijne pelgrimsreis naar het graf van den h. Servatius.

Des Zaterdags trok de Boeteling naar Aken, om de kerk van Onze Lieve Vrouw, door Karei den Grootcn gebouwd en door Paus Leo III ingewijd, te bezoeken. Daar vereerde hij de Heilige Maagd en Moeder Gods Maria niet een kinderlijk vertrouwen en dankte Haar voor de vele gunsten en genaden, die hij door Hare tusschenkomst van God verwierf.

vin.

Gebed van den II. Gerlacns bij St. Servatius\' Graf.

Opdat ongeletterden, die slechts eene eenvoudige manier van bidden kennen, zich niet

-ocr page 19-

ontmoedigen, zij hier de wijze aangehaald, waarop Gerlacus bad bij het graf van den h. Servatius.

Een priester uit Heinsberg, Norbertus genaamd, verhaalt, dat hij als jongeling te Maastricht ter school ging, toen Gerlacus dagelijks bet graf van den b. Servatius bezocht. Hij had opgemerkt, dat de vrome pelgrim in de onder-kerk of crypte bij het graf van den li. Servatius nederdaalde, om daar te bidden. Nieuwsgierig te vernemen hoe Gerlacus bad, naderde hij zoo dicht mogelijk den biddende, wanneer deze geknield lag bij het graf van don h. Bisschop. En wat hij hoorde, was niets anders dan dit eenvoudig gebed : „Heer ontferm u onzer; Christus ontferm u onzer; Onze Vader. — Wees gegroet Maria.11

IX.

Vervolging;, om Christus\' wil verdragen.

De zeldzame levenswijze van den boetvaardi-gen Kluizenaar bleef niet zonder tegenspraak, ïe Meersen, op een half uur afstands van zijne woning, lag een klooster bewoond door Benedictijner-monniken. Deze meenden de levenswijze van Gerlacus niet te kunnen goedkeuren. In eenen uitgeholden boom als boeteling eenzaam te leven, naar het voorbeeld der voorvaders, die in ver afgelegen spelonken hunne dagen sleten, vonden zij voor dien tijd al te zonderling. Zij oordeelden dat het beter ware, zoo de boeteling zich aan hunnen regel onderwierp en ia

-ocr page 20-

— 16 —

hun klooster trad : en zij lieten geene middelen onbeproefd, om hem daartoe over te halen. Maar Gerlacus, wiens levensregel door den Paus was goedgekeurd en die verscheidene geloften had gedaan, welke hij in een klooster niet kon ou-derhouden, was niet te bewegen aan zijn streng kluizenaars-leven vaarwel te zeggen.

Dit had voor droevig gevolg, dat hij bij Xok-bertus, bisschop in de stad Luik, valschelijk werd aangeklaagd, als ware hij oen schijnheilige, een gierigaard, die, in weerwil zijner geloften, rijke schatten onder de steenen van den eikenboom verborgen liield.

De Bisschop hecht geloof aan liet lasterlijk verhaal, komt naar Houthem en beveelt den eikenboom om te hakken. Met tranen in de oogen ziet Gerlacus hoe zijne geliefde schuilplaats wordt neergeveld ; maar hij spreekt geen woord en laat begaan. De afgekapte eik wordt nauwkeurig onderzocht, de hoop steenen met zorg weggeruimd; maar geld is niet te vinden onder het harde rustbed; men vindt er slechts de foltertuigen, waarmede Gerlacus zijn lichaam ten bloede kastijdde ; bij eiken steen, die werd weggenomen, ontdekte men een nieuw bewijs van de uitstekende en heldhaftige deugd van Gerlacus.

De Bisschop, nu overtuigd van de onschuld des kluizenaars en diep getroffen over het ongelijk dezen aangedaan, drukt hem aan zijn hart, belooft hem eene bijzondere bescherming en stelt hem onder het gezag en de geestelijke leiding van den abt van Kloosterrade.

-ocr page 21-

Op bevel dos Bisscliops wprdoü uit do plankon en takken van den afgehouwen eik twee cellen gebouwd; do eenc, die zeer laag was, zou don Boeteling tot woning, de andere tot bidkapel dienon.

Nadat JSforbertus aan do, monniken van Kloosterrad e gevraagd had, om in do bidkapel dikwijls do h. Mis to komen lezen, verliet hij den Kluizenaar, \'erwijl hij hem zijnen bisschoppelijkon zegen schonk on alle heil t\'oewonschte.

Gerlacud bezorgde alsdan mot de grootste vlijt do priestergewaden, de heilige vaten en alle benoo-digdhedon voor don goddelijkon Dienst ou dikwijls ontbood hij bij zich do monniken van Kloosterrade, om het h. Sacrificie der Mis plechtig in zijne bidkapel op te dragen.

X.

De lï. fiierlaeus door de edele vrouwe Oda bezoclit.

Terwijl Getlacus in zijne lage kluis een streng en heilig loven leidde, kwamen vele vrome christenen, door den roem zijner deugden getrokken, naar Houthem, om don Boeteling to zien en wijze lessen van zaligheid uit diens mond te vernemen.

Hij scheen door God op bijzondere wijze verlicht, als hij zijne hoorders stichtende woorden toesprak. Met de grootste bescheidenheid berispte hij edelen en krijgslieden, mannen en vrouwen, jongelingen en jongedochters, indien

-ocr page 22-

— 18 ~

hun gedrag niet overeenkwam met de heiligheid, die hun stand vorderde.

Onder degenen, die hem bezochten, was ook de edele Oda tax Heixsberg, eene vrouwe geroemd om hare milddadigheid en uitstekende vroomheid. Toen zij de wonderbare verandering zag, welke de hand Gods in Gerlacus had uitgewerkt, was zij zeer verheugd over diens vooruitgang in de deugd. Zij schonk den Boeteling en aan degenen, die na hem op die plaats den Heer zouden dienen, eenige landerijen en gronden in de nabijheid der col gelegen.

XI.

Het visioen van de II. Ilüdejardis.

Eene vrome kloostermaagd, IIildegardis genaamd, die in de omstreken der stad Mentz een zeer heilig leven leidde en bekend is door vele godsdienstige geschriften, leerde den Boeteling op een wondervolle wijze kennen.

Door God meermalen met geestvervoeringen begunstigd, zag zij in een visioen den hemel voor hare blikken geopend. In het koor der h. Belijders bemerkte zij eenen schitterenden zetel, die ledig stond. Op hare vraag, voor wien die glansrijke troon bestemd was, ontving zij ten antwoord: „die troon staat bereid voor den deugdzamen Gerlacus, die een streng en boetvaardig leven leidt en dagelijks het Graf van den h. Servatius bezoekt.quot; Verlicht door deze openbaring, begreep Hildegardis de verheven-

-ocr page 23-

I

— 19 —

heid van Gerlacus\' deugden, de groote verdiensten van zijn verstorven leven en de lieer-lijkheid, die hem als loon in den hemel wachtte. Om haren eerbied voor den Heilige te toonen, zond zij hem de kroon ten geschenke, die de Aartsbisschop van Mentz haar den dag harer religieuze professie op liet hoofd had gezet. Dit kroontje der h. Hildegardis is langen tijd in de abdij St. Gerlach bewaard gebleven.

XII.

God venuidert het water der fontein in wijn.

Op eenige schreden afstands van Gerlacus\' cel bevond zich een put, later „St. Gerlacus\' Putquot; genoemd en vermaard door tal van wonderen. Uit dezen put schepte Gerlacus dagelijks zijn drinkwater, den eenigen drank, dien hij tijdens zijn boetvaardig leven gebruikte.

Eens, het was op Passie-Zondag, had een priester, Rutgerus genaamd, het h. Misoffer opgedragen in de nederige bidkapel van den Heilige. Gerlacus, wiens krachten tengevolge van ouderdom en boete begonnen te verminderen, verzocht den priester water te halen aan de bron. Rutgerus voldeed aan het verlangen van den grijsaard en bracht water uit den put; maar als Gerlacus dronk, proefde hij, dat hem geen water maar wijn werd aangeboden. In de meening, dat de priester, beter bewust, hem dien drank bracht, om zijne krachten te herstellen, riep hij ontroerd uit: „Veertien jaren

|

i

-ocr page 24-

— 20 —

hel) ik noch sterken drank noch wijn gedronken, en nu brengt gij mij wijn en wel op dezen dag, waarop wij \'sHeeren lijden moeten overwegen!quot;

De priester stond verslagen en zeide, dat hij hem geen wijn maar water uit de bron had aangeboden. Gerlacus echter goot den drank uit. Een tweeden keer begeeft zich Rutgerus naar den put, en ook nu wederom, bij Gerlacus teruggekeerd, was de beker met wijn gevuld. De zwakke grijsaard weigert nogmaals den versterkenden drank, staat op en gaat met wankelende schreden zelf\'naar den put, schept water, brengt den beker aan zijne lippen : „O God!quot; roept hij uit, terwijl liij het wonder erkent, — zinkt ootmoedig op de knieën, heft dankend zijne oogen ten hemel — en drinkt den wijn, dien God hem ter versterking uit het water had gewrocht.

XIII.

Zalige dood van Gerlacus.

Kadat Gerlacus veertien jaren als kluizenaar in de strengste boetvaardigheid te Houthem had geleefd, sloeg voor den trouwen dienaar Gods het. uur der belooning.

Op zijne harde legerstede lag hij stervend uitgestrekt; maar, helaas, er was geen priester om hem de h. h. Sacramenten toe te dienen. Gerlacus echter stelde al zijne hoop op den h. Servatius, wiens h. Graf hij dagelijks had bezocht en vol vertrouwen zeide hij tot hen.

-ocr page 25-

— 21

die zijn sterfbed omringden: „Ik weet op wien ik vertrouw; God zal mij niet verlaten, noch den arbeid vergeten tot zijne eer verricht.quot; En, o wonder, daar verschijnt op den drempel dei-cel, te midden der omstaande menigte, een eerbiedwaardig grijsaard, gekleed in een sneeuwwit habijt en voorafgegaan door een koorknaap van schitterende schoonheid.

De grijsaard wendt zich tot den Stervende en spreekt hem zoete woorden van troost en liefde toe ; dan reikt hij hem de h. Teerspijze en voorziet hem met de genademiddelen der h. Kerk. Nogmaals groetende, treedt hij buiten de cel en verdwijnt. — Die grijsaard was de h. Servatius.

Zoo beloonde de groote h. Bisschop van Maastricht de trouwe vereering Hem door Ger-lacus gebracht. Vergezeld van een engel verschijnt lnj aan het sterfbed van don Boeteling en noodigt dezen uit naar het lustoord der gelukzaligen.

De stervende Gerlacus is nu gesterkt en getroost ; eene heilige vreugde straalt op zijn gelaat; nog eenige oogenblikken en lnj verlaat de aarde, om in den hemel bezit te nemen van den glorievollen zetel, wiens glans de h. Kilde-gardis eens in verrukking bracht.

Het was den 5 Januari 1171, dat Gerlacus den dood der Heiligen stierf.

-ocr page 26-

JWEEDE pEEL.

quot;Wondevlinre g-cbeTirtenisscn

XA DEN ZALIGEN DOOD TAK: ÖEK m. aERLAaïïrs.

I.

Begrafenis van den II. Gerlaeus.

Weldra werd het overlijden van den boetvaardi-gen Kluizenaar in den ganschen omtrek bekend. Duizende geloovigen trokken alsdan naar de cel van Gerlaeus, om nogmaals het eerbiedwaardig lichaam van den Heilige te zien en bij de begrafenis bewijs te geven hunner vereering.

Gerlaeus had dringend verzocht in zijne bidkapel, waar gedurende zijn leven dikwijls het h. Misoffer werd opgedragen, begraven te worden. Aan dat vurig verlangen werd voldaan. Het lichaam, in het ridderlijk harnas en het haren boetekleed gehuld, werd in eene houten kist ter aarde besteld en met koorden in een diep graf neergelaten.

Het duurde echter niet lang en reeds werd Gerlaeus\' Graf door God verheerlijkt. Rondom

-ocr page 27-

— 23 —

het Graf begon de grond te scheuren en vertoonden zich diepe spleten. De geloovigen, die de plaats bezochten en het vreemdsoortig verschijnsel zagen, waren zeer verwonderd. Zij stelden alles in het werk om de openingen en spleten van het Graf aan te vullen. Maar zij arbeidden te vergeefs; want weldra barstte de grond opnieuw, totdat op zekeren dag het Gebeente van Gerlacus zich op wondervolle wijze verhief en boven op den grond kwam te liggen. Het koperen kruis, uit Jerusalem meegebracht, rustte omtrent do borst; een gedeelte van het haren boetekleed was nog ongeschonden bewaard.

Met den grootsten eerbied werden alle Re-likwiën verzameld en aan het volk ter vereering getoond. Van heinde en verre stroomden nu de pelgrims naar het Graf van Gerlacus. Daar knielden zij neder, ondervonden de machtige voorspraak van den Heilige en waren gelukkig een weinig aarde, waarin het h. Lichaam gerust had, naar hunne woning te kunnen medenemen. Ter gedachtenis hieraan halen de geloovigen ook thans nog gewijde aarde uit de begraafplaats van Gerlacus, om in hunne huizen en stallen, ter afwering van besmettelijke ziekte, te strooien.

II.

Uitbreiding der devotie tot den II. Gerlacus.

De godsvrucht tot den h. Gerlacus vermeer-

-ocr page 28-

— 24 —

derde Lij het geloovig volk van d;ig tot dag en verspreidde zich al verder en verder.

Weinige jaren reeds na zijnen zaligen dood werd Gerlaeus algemeen als Heilige (1) genoemd en vereerd. Weldra was de bidkapel, waarin Gerlaeus begraven werd te klein en moest om den steeds grooteren toevloed van pelgrims door ecne ruime kerk vervangen worden. Deze kerk, gebouwd uit de offergiften des volks en de geschenken der lijken, werd in het begin der dertiende eeuw opgetrokken boven St. Gerlaeus\' Graf, op dezelfde plaats waar eens de bidkapel van den Heilige stond. Bij het graven der fundamenten vond men nog do verdroogde wortelen van den eik, waarin de Boeteling gewoond bad, alsook stukken der mat en eene groote hoeveelheid steenen, waarop hij placht te rusten. Deze steenen werden in do grondvesten der nieuwe kerk gebruikt.

In de nabijheid der kerk werden, op verzoek van G os wijn IV, Heer van Valkenburg en Heinsberg, twee kloosters gesticht. (1201) Het oen bestuurden kloosterbroeders, het ander kloosterzusters dor orde van I\'rrmonsfreit, die naar Houthem gezonden waren door Deuekik, Proost van Heinsberg. Beide kloosters strekten tor verzorging en herberging dor vele pelgrims, die soms van zeer verre kwamen, om het Graf van St. Gerlaeus te bezoeken. Deze kloosters maakten weldra plaats voor het vrouwenstift der orde van Premonstreit, dat tot aan hot einde

1

Dit blijkt reeds uit de verschillende sticlitings-akter» der jaren 1202, 1232, waarin Gerlaeus steeds als „heiJigequot; wordt vernield.

-ocr page 29-

der achttiende eeuw aldaar bleef voortbestaan. Tot dien tijd ook weid St. Gerlacus\' kerk door de Religieuzen der orde van Premonstreit bediend.

De Relikwiën van den Heilige vorderden in de pas opgerichte kerk eene waardiger en meer geschikte bewaarplaats. Daarvoor besteedde de Eerwaarde lieer Joannes, Proost van Ileinsberg, alle zorg. Want toen deze vernam, dat Gerlacus door eene verschijning aan de kloosterlingen van St. Gerlacli, als zijn wensch bad doen kennen, datgrootere eerbied aan zijn h. Gebeente zou bewezen worden, ontbood hij kundige werklieden. Zij moesten in het midden van St. Gerlacus\' kerk eene kostbare graftombe boogsgewijze oprichten, tevens een passende kist vervaardigen ter bewaring der h. Relikwiën.

Nadat alles in gereedheid was gebracht, vergaderde de Proost in St. Gerlacus\' kerk de geestelijken en eene groote menigte volks; en terwijl priesters en geloovigen gewijde lofzangen aanhieven, werden de h. Relikwiën eerbiedig in de rijkversierde kist en onder de graftombe geplaatst.

Talrijk zijn de wonderen, die plaats hadden bij het Graf van den h. Gerlacus. Zieken bekwamen hunne genezing, kreupelen kregen het gebruik hunner ledematen terug, blinden het licht hunner oogen, zelfs dooden werden tot het leven opgewekt. Ook openbaarde zich de machtige voor.-praak van den Heilige door menigvuldige genezingen, wanneer besmettelijke ziekten heersehten onder het vee.

Eenige dezer wonderbare gebeurtenisgen halen wij in de volgende hoofdstukken aan.

-ocr page 30-

— 26 —

III.

Een zieke soldaat, door de voorspraak van den 11. Gerlacns genezen. (1)

Daar was een soldaat, Adam genaamd, in het dorp Berg, dicht hij de woning van den h. Man. Deze was van goeden naam, eerbaar en dapper in den strijd. Hij verhaalde, dat door de verdiensten van den h. Grerlacus in zijn persoon een groot wonder was geschied. In zijne jeugd, toen hij als soldaat diende, was in zijne kaak een gezwel gewassen, dat hom belette te eten, te drinken en te slapen. Zijne ouders en vrienden daarover bedroefd zochten verschillende geneesmiddelen om hem te helpen, maar toen deze niet baatten, vroegen zij goddelijke hulp. Zij voerden den kranke op een wagen naar Maastricht tot bij den ingang der kerk van den h. Belijder Servatius ; zij bestreken de plaats der pijn met de h. Relikwiën van den h. Servatius en van andere Heiligen, wieschen hem met water, dat door de Relikwiën was aangeraakt. Maar de h. Servatius, alhoewel hij vele kranken, die tot Hem kwamen, oogenblikkelijk genas, hielp nochtans dezen niet, daar deze gunst voor den h. Gerlacus werd bewaard. De ouders ziende, dat de jongeling niet genezen was, hebben hem wederom op den wagen naar huis teruggebracht en dachten veel meer aan

1

Wij geven deze wonderbare gebeurtenissen zooveel mogelyk woordelijk terug volgens de Vlaamsche Vertaling van Cornelius Thimians. Deze feiten worden verhaald bij de Bollandisten 1 Tom. 5 Jan.

-ocr page 31-

— 27 —

zijnen dood dan aan zijne genezing. Als de kranke zeven dagen geene spijs meer genuttigd had, verwachtte men, dat hij weldra zou sterven, want alle hoop scheen verdwenen. Intusschen dacht de jongeling aan den h. Gerlacus en betreurde zeer, dat men niet eerder de voorbede van „den Patroon der buurtquot; had ingeroepen. Met spoed werd een bode gezonden om aarde \' van het Graf van den h. Gerlacus te halen;

het drinkwater voor den jongeling werd met deze aarde gemengd. Zoodia dit water de plaats der pijn aanraakte, werd de kranke oogenblikkelijk vnn de kwaal verlost door de verdiensten van den h. Gerlacus. Met zijne ouders, vrienden en verwanten daalde hij den berg af en kwam ter kapel van den h. Gerlacus, loofde en dankte God, die door Zijnen Dienaar dit mirakel had gewrocht; en na godvruchtig gebeden te hebben, is hij gansch gezond naar huis teruggekeerd.

IV.

,

Geneziiiquot;; eener kreupele jongedocliter.

Een broeder der kerk van den h. Gerlacus, quot;Wyxandus genaamd, aanvaardde het kloosterleven, nadat zijne kreupele dochter genezen was geworden door de verdiensten van den h. Gerlacus. Hoe dit gebeurde, verhaalt hij zelf volgender wijze: „Mijne beminde dochter, zegt hij, beroofd zijnde van haren gang, zoodat zij van de eene plaats tot de andere niet kon geraken

-ocr page 32-

— 28 -

zonder liulp van andere menschen, had ik op eencn wagen gezet en naar Maastricht gevoerd tot den li. Servatius en naar vele andere heilige plaatsen; maar het heeft haar niet geholpen, want God beschikte, d^t zij zou genezen door de verdiensten van den h. Gerlacus, opdat diens heiligheid aan de wereld zou bekend worden. Zoo heb ik haar (zeide hij) ten laatste tot dien Heilige gevoerd, door de deur der kerk, die op de noordzijde staat en heb haar gestold aan de linkerzijde van het Lichaam des h. Grerlacus; ik stond aan de rechterzijde met schreiende oogen den h. Belijder te bidden, dat hij mijne dochter zou helpen.

En ziet, daar kwam een zeer eerbiedwaardig man in de kerk, in het wit gekleed, dragende een habijt en schapulier naar de manier der Orde van Premonstreit. Daar wij meenden, dat die persoon een religieuze pelgrim was, vroegen wij hem, dathij voor mijne zieke dochter zoude bidden. Maar hij antwoordde niet en neigde slechts het hoofd tot ons, keerde zich tot de kreupele, nam een weinig aarde van het Grat en logde die op mijne dochter; en terstond werden de zenuwen ontbonden met groot gekraak en de vrije gang was haar teruggegeven.

Broeder Frederik, koster der kerk en al de anderen, die tegenwoordig waren, hebben dit gezien; de klokken werden geluid om het volk te vergaderen en mannen en vrouwen kwamen om het wonder te zien. God werd van een ieder geloofd en er heerschte groote blijdschap. Te midden dier vreugde verdween de hemelsche

-ocr page 33-

— 29 —

Bode door wiens tussehenkomst God de lieer dit mirakel uitgewerkt had ; die aiVezendheid werd terstond opgemerkt, liij word naarstig gezocht en daar geen spoor moer van hein gevonden werd, zoo was het algemeen gevoelen, dat de h. Gerlacus zichtbaar gezonden is geweest van God den Heer.quot;

V.

Genezing van Matthens, later kanunnik des convents.

Matïiieus, van jongs af in de kerk van den h. Gerlacus opgevoed en in de h. Schriftuur onderwezen, is priester geworden en heeft dnar vele jaren geleefd onder den regel van ISTorber-tcs. Hij was kreupel, toen hij van zijne ouders ter plaats gebracht word; maar als hjj door de verdiensten van den h. Gerlacus van zijne kreupelheid was genezen, zoo is hij door zijne ouders daar opgeofferd om ten eeuwigen dnge den Heer te dienen. Wijl aan een ieder bekend is, op welke wijze deze genezing geschiedde, zoo halen wij ze slechts in het kort aan.

VI.

Een doode tot het leven verwekt.

Op een landgoed, Liso genaamd, gelegen tusschen Maastricht en Luik, bjina op gelijken afstand, woonde zeker jongeling. Franco gehee-

-ocr page 34-

— 30 —

ten. Hij was van edele afkomst en daar ter plaatse geboren. Deze viel als kind in eene gracht met water gevuld, verdronk en lag langen tijd in het water versmacht. Ten laatste gezocht zijnde, is hij in de gracht gevonden en er levenloos uitgetrokken. De moeder des kinds werd bleek van schrik, do familie ontstelde en het gansche huis was in rouw en droefheid gedompeld. Maar de moeder van het kind, denkende aan den h. Gorlacus, die toen vermaard was wegens mirakelen, verzocht al schreiende zijne hulp en beloofde een jaarljjkschen cijns, indien door zijne verdiensten het kind levend werd. En weldra werd het kind warm en begon de oogen te openen. De moeder weende van vreugde, nam haren zoon, die dood was en levend was geworden, kuste hem en bracht hem met blijdschap te huis.

VII.

Ecne jong\'edocliter van den dood verwekt.

In dc nabijheid van Tongeren, in een klein dorp, Bolré genaamd, woonde eene weduwe, die Bertha heette. Hare dochter I.mka, viel in de rivier de Jekcr en verdronk; van \'s morgens zes tot elf uren had zij in het water gelegen. De moeder beloofde ook een jaarlijkschen cijns aan den h. Gerlacus en terstond daarna verkreeg zij voor hare dochter leven en gezondheid.

Ook in een dorp van den h. Servatius, dat Mechclen genoemd wordt, niet ver van Maas-

-ocr page 35-

— 31 —

tricht, is een volwassen meisje dooi* de verdiensten van den li. Gerlacus van den lichamelij-ken dood tot het leven verwekt; zoo getuigden de pastoor der plaats en diens huisgenooten.

VIII.

Geiieziiig\' eeuer vronw.

In eene plaats, Luvenich genaamd, had de huisvrouw van Geraert Urel een afzichtelijk gezwel. Gedurende den slaap kreeg zij de verzekering liare genezing te zullen bekomen, indien zij den h. Gerlacus om hulp bad. Toen zij ontwaakte, trad zij buiten het huis waar zij gerust had, en begaf zich in den groenen hof, om des te vrijer haar gebed en hare beloften tot God en den h. Gerlacus te doen. Dit ver trouwen heeft haar niet teleurgesteld, want zoodra zij de belofte gedaan had, jaarlijks met eene offerande de kerk van den h. Gerlacus te bezoeken, verdween terstond hare pijn. Maar na eenigen tijd vergat de vrouw, hare belofte van jaarlijks den Beschermer harer gezondheid te bezoeken. En ziet de kwellingen en pijnen kwamen terug. De vrouw deed boete voor hare gebroken belofte, hervatte de verwaarloosde bedevaart, en, alhoewel haar toestand hopeloos scheen, genas zij oogenblikkelijk, nadat zij zich op reis begeven had. Zij ging tot den Heilige, verdubbelde hare dankzegging voor de herkregen gezondheid en verhaalde den Broeders van het Convent wat met haar was geschied.

-ocr page 36-

IX.

Hoe iemand van de taadpijn g-enczen werd.

In con dorp, Nuth genaamd, niet verre van de kerk des h. Gerlacus verwijderd, woonde een man, Jordaax geheeten, die zoozeer door tandpijn gekweld werd, dat hij noch eten noch slapen kon. Hij kwam naar do plaats van den h. Belijder en zoodra hij den drempel der kerk betrad, genas hij van de pijn. Ook getuigde hij aan do Broeders van het Convent, dat hij nog driemaal van andere ziekten verlost was geworden door de verdiensten van den li. Gerlacus.

X.

Genezingen door \'t Kruis, dat de II. Gerlacus uit Jerusalem had medegebracht.

Ook heeft God de Heer wondere dingen gedaan door het Kruis op de borst van den h. Gerlacus gevonden, als diens h. Relikwiën uit den grave kwamen. Broeder Wynandus, van wien wij reeds vroeger gesproken hebben, raakte met \'t eerbiedwaardig Kruiske een blinde vrouw aan, die ter plaatse van den h. Gerlacus door anderen geleid was, en oogenblikkelijk verkreeg zij het licht der oogen, zoodat zij voortaan geen leidsman meer van noode had. —

Bij de vermaarde vesting Seyne (bij Coblenz) is een dorp, niet zeer groot. Wisse genoemd. T\'it dit dorp kwam naar de kerk van den h. Ger-

-ocr page 37-

— 33 —

lacus eeno vrouw, die reeds gedurende drie jaren lievige pijnen leed aan een voet. Zij begeerde met het Kruiske aangeraakt te worden en terstond werd haar voet genezen.

XI.

Hoe sommig\'en, die van tie aaide

des Grafs van den II. Gerlacus namen, geholpen werden.

Aan vele koortslijders is in hun drank een weinig aarde gegeven, waarin de h. Gebeende-ren van St. Grerlacus begraven gelegen hadden. Door dien drank hebben zij de gezondheid verkregen en zijn verlost geworden niet alleen van de koortsen, maar ook van verschillende andere ziekten, te veel om hier te verhalen.

Een burger uit Maastricht, Pieïer genaamd, verhaalt: zoovelen zijn door de kracht dezer aarde met den drank vermengd van de koortsen genezen geworden, dat ik het getal niet durf noemen, om niet van lichtgeloovigheid beschuldigd te worden. Zij, die met een levend geloof van die aarde namen, hebben hun vertrouwen beloond gezien.

XII.

Hoe door Gerlacus\' voorspraak het vee van besmettelijke ziekten gespaard bleef.

Niet alleen de menschen verkrijgen de\'gezond-

3

-ocr page 38-

— 34 ~

heid door de verdiensten van den li. Gerlacus, maar ook het vee. Van de talrijke voorbeelden zij slechts een enkel aangehaald.

Eene vrouw van over den Kjjn kwam naar de kerk van den h. Gerlacus en offerde met groote godsvrucht op zijn graf zes pond Keulsche munt. Aan de Broeders van het convent verklaarde zij, waarom zij den h. Gerlacus dat offer had gebracht. „In ons kwartierquot;, zoo sprak zij, „heerschte eene algemeene besmettelijke ziekte onder het vee ; schapen, ossen en andere beesten stierven tot straf onzer zonden. Toen beloofde ik voor ieder stuk vee een penning te offeren ter eere van den h. Gerlacus; en als al het andere vee stierf aan de voornoemde plaag, heb ik geheel mijne kudde gezond behouden door de voorspraak van den li. Gerlacus. Daarna telde ik al mijne dieren, en rekende uit, dat ik moest offeren zes pond Keulsche munt aan den h. Bewaarder mijner kudde; thans heb ik met vreugde dat offer gebracht en mijne belofte vervuld.quot;

XIII.

Van degenen die door het water van St. Gerlacus\' pnt genezen zijn.

Door het water van den put, waaruit de h. Gerlacus placht te drinken en die Gerlacus\' Put genoemd wordt, heeft Gods wonderbare goedertierenheid zijne gaven en gunsten den godvruch-tigen gelootigen ruimschoots doen toevloeien. In

-ocr page 39-

— 35 —

de omstreken van Aken woonde de vader van een zoontje, dat blind was van af zijne geboorte.

Met een levend geloof begaf zich de man naaide plaats van den li. Gerlacus en putte water uit de voormelde fontein; te huis gekomen wiesch hij daarmede de oogen van \'t kind en terstond ontving zijn zoon het licht der oogen, wat de natuur hem geweigerd had.

Daarenboven heeft Gods macht zich gewaar-digd door middel van dat water vele wonderen van genezingen te doen wegens het vertrouwen der geloovigen, die van het water der fontein dronken of zich daarmede wieschen.

XIV.

Terugvinding\' der Fontein van den li. fterlnens en hare inwijdin»- (1599).

De uitnemende fontein, wier water driemaal in wijn veranderde, wordt „St. Gerlacus\' Put\'quot; genoemd, wijl de Boeteling gewoon was daaruit te drinken en vele wonderbare genezingen plaats vonden, wanneer dit water gebruikt werd met vertrouwen op de voorspraak van den Heilige.

Deze fontein hadden eenige booze lieden kwaadwillig met steenen verstopt en de Religieuzen verwaarloosden haar te herstellen. Dit was de oorzaak, dat de bron vijftig jaren lang geen water gaf ter genezing van menschen en dieren. Sedert dien tijd gingen de zaken des kloosters achteruit; de straf Gods scheen zichtbaar, want onuitsprekelijke schade en groote

-ocr page 40-

— 36 —

rampen kwamen over het convent neder. Zoo werd een groot gedeelte des kloosters door brand vernield en bezweek al het vee aan eene besmettelijke ziekte. De kloostervrouwen, die daar nog verbleven, werden gevangen gezet; de goederen des kloosters tot viermaal toe geroofd; zeventig-paarden gingen verloren, en ten laatste schenen alle wederwaardigheden samen te spannen en dreigden het klooster met volledigen ondergang.

In dien hoogst benarden toestand raadpleegde de kloosteroverste Maria van Trevel Z. D. H. Henricus Cuyckius, Bisschop van Roermond, die in het naburig Valkenburg, ter toediening van het h. Vormsel, vertoefde. Nadat zij den Bisschop al de rampen had opgesomd, die het klooster getroffen hadden, gaf deze ten antwoord : „Bidt, gij allen, met vertrouwen tot Grod om barmhartigheid en bijstand; zoekt ook naarstig de bron van uwen heiligen Patroon; want indien de bron langer verborgen blijft, zou de gedachtenis aan dezen zaligen Man verloren gaan. Indien het water dezer fontein vroeger de genezing heeft verleend aan menschen en vee, zoo zal de fontein, wanneer zij wederom vloeit, dezelfde weldaden verleenen. Daardoor zal de eer van den h. Gerlacus dagelijks aangroeien hier en in den hemel, en gij zult de gewenschte weldaden van uwen Patroon verkrijgen.quot;

Deze wijze en heilzame raad werd gevolgd. Den dag na Christus\' Hemelvaart begaf zich Wyxaxt B.vlthasars, rentmeester des Icloosters, \'s morgens ten drie ure naar het effen terrein

-ocr page 41-

— 37 —

van den groenen beemd. Hi] was vergezeld van Aekt Naelen, een dienaar des convents, bijna honderd jaren oud en geboortig van Houthem. Al gravende hebben zij naar de fontein gezocht en zijn in hunne begeerte niet bedrogen, want hetgeen zij zochten, hebben zjj weldra gevonden.

Vol vreugde snelden zij naar het klooster en meldden de blijde tijding aan de religieuzen en alle adellijke maagden. In aller ijl werd een bode naar het slot van Valkenburg gezonden, om den Bisschop de gelukkige terugvinding te berichten. Deze, opgetogen van blijdschap, dankte God den Heer. l)eii daarop volgenden Maandag (28 .Mei 1599) kwam hij naar St. txer-lach in gezelschap van eerbiedwaardige geestelijken en vele adellijke Heeren. Daar droeg de Kerkvoogd het h. Misoffer op ter eere van den h. Gerlacus en verhief plechtig de kostbare Kelikwiën van den Heilige. Onder den li. Dienst straalde zijn gelaat van heilige vreugde en tee-dere godsvrucht, zoodat alle aanwezigen bij dien heerlijken aanblik diep getroffen waren. De priesters ter aarde geknield omringden het altaar, loofden God en smeekten ootmoedig door de voorspraak van den h. Gerlacus de genade at, om gezamenlijk in de eenheid des geloofs te volharden; do kloostermaagden weenden van vreugde en baden om ontferming en bevrijding van rampen.

Na de h. Mis trokken allen processiesgewijze naar de teruggevonden fontein. Veertig kloostermaagden volgden onmiddellijk het kruis ; dan traden biddend voort de geestelijken en do

-ocr page 42-

— 38 —

proost des kloosters, eindelijk de Doorluchtige Kerkvoogd in bisschoppelijk gewaad, omgeven door een stoet van adellijke en voortreffelijke mannen. De lofzang Te Ileum laudamns werd gezongen in het liefelijk oord naast den Put. Dan hief de Bisschop zijne handen smeekend ten hemel, strekte ze uit over de bron en zegende de vermaarde fontein, waarna allen van het gewijde water met eerbied en vertrouwen dronken.

Sedert deze inzegening werd St. Gerlacus\' Put wederom eene opene bron, waardoor Gods barmhartigheid hare giften van gezondheid en welvaart deed vloeien. Bij het gebruik van haar water hadden, in den loop der tijden, vele wonderbare genezingen plaats, zooals blijkt uit de getuigenis der kloostermaagden en van vele bedevaartgangers uit Margraten, Oud-Valkenburg, Heer, Keer en andere plaatsen.

Kwam later de fontein nog meermalen tot verval, dan woedden telkens in de omstreken besmettelijke ziekten en heerschte groote sterfte onder het vee, die ophielden zoodra de fontein hersteld werd.

Ter herinnering aan de plechtige verheffing der h. Eelikwiën en der inwijding van de fontein door Z. D. H. den Bisschop Cüyckius werd een tweede feestdag ter eere van den h. Gerlacus ingesteld, die thans onder een buitengewonen toevloed van geloovigen gevierd wordt Dinsdag na Pinksteren.

_ Genoemde Kerkvoogd ijverde zeer voor de uitbreiding der devotie tot den h. Gerlacus. Hij

-ocr page 43-

— 39 —

was hét, die de kerkelijke Getijden en de Mis ter eere van den Heilige opstelde en voor het bisdom Roermond verplichtend maakte; op zijn last werd de levensgeschiedenis van den h. Ger-lacus, door verschillende schrijvers opgesteld, in druk gegeven. — Hoe groot vertrouwen deze Bisschop jegens den h. Gerlacus koesterde, blijkt nog uit het volgende voorval. De Doorluchtige Prelaat werd in het jaar 1(gt;06 te Venlo door eene gevaarlijke ziekte aangetast. Welke geneesmiddelen men ook aanwendde, welke zorg men ook besteedde, niets hielp. Alsdan verzocht Hij onverwijld water uit St. Gerlacus\' Put te halen, en bij den eersten dronk voelde hij zich volkomen genezen.

ö1

XV.

Devotie jegens den h. Gerlacus voortlevend tot op den tegenwoordigen tijd. (1)

De onrustige tijden der zeventiende en achttiende eeuw hebben de devotie tot den h. Gerlacus wel kunnen storen, doch geenszins uit-dooven, want zij bleef tot den huidigen dag onafgebroken te St. Gerlach voortleven.

In het begin der achttiende eeuw werd de bouwvallige kerk gesloopt en terzelfder plaatse, boven het Graf des Heiligen, de tegenwoordige opgetrokken (1727).

1

De aanteekeningen betrekkelijk het klooster en de kerk zyn erootendeels getrokken uit de geschiedenis: „Houthem-St. Gerlachquot; door denZeerEenr. Heer J. Habkïs, te vinden in de „Publications de la «o-ciM? historique et archéol. du Limbourg.quot;

-ocr page 44-

— 40 —

De graftombe, die zich in het midden dei-kerk verheft, heeft den vorm van een praalbed, waarop de h. Gerlacus in levensgrootte, met gevouwen handen, het oostersch kruis op de borst, den pelgrimstaf in den arm, gebeiteld ligt. Hij is gekleed in het habijt der Norbertijnen en zijn hoofd, door eene nimbe gekroond, rust op een kussen. Onder de graftombe wordt gewijde aarde bewaard, die door de geloovigen ter afwering van krankheden en besmettelijke ziekten vol vertrouwen gebruikt wordt.

De muurschilderingen der kerk stellen het leven van den h. Gerlacus in de tien volgende tafereelen aanschouwelijk voor:

1. Bekeekixg van dex H. Gerlacus. Gerlacus, te paard gezeten en van een stoet edelen omringd, is op het punt deel te nemen aan het steekspel te Gulich. Een bode nadert en overhandigt den ridder een brief, die hem denplot-selijken dood zijner echtgenoote meldt. Terwijl Gerlacus zijne hand naar het geschrift uitstrekt, vestigt hij zijne oogen op een lichtstraal des hemels. Die lichtstraal is het beeld der genade, welke Gerlacus treft te midden zijner wereldsche vreugde. \'

2. De H. Gerlacus verlaat de wereld. Gerlacus, vast besloten zich tot God te bekeeren, zegt aan zijne vrienden vaarwel, verlaat het steekspel en keert, gezeten op een ezel,huiswaarts.

3. De H. Gerlacus vraagt boete aan Z. H. den Paus. Paus Eugenius III, op zijn troon gezeten, is omgeven van zijn glansrijk hof;

-ocr page 45-

— 41 —

voor Hem knielt Gerlacus in ootmoedige houding en vraagt boete voor zijn zondig leven.

4. Aankomst van den H. G-erlacus te Jerusalem. Gerlacus doet gedurende zeven jaren boete in het h. Land en brengt het grootste gedeelte van dien tijd door met het vee te hoeden in de omstreken van Jerusalem.

5. De H. Gerlacus Kluizenaar. Na volbrachte boete keerde Gerlacus naar Houthem terug. Daar leeft hij als kluizenaar gedurende de veertien laatste jaren zijns levens inde strengste boetvaardigheid.

6. De H. Gerlacus preekt de boetvaardigheid. Voor zijne bezoekers vond Gerlacus altijd woorden van zaligheid. De godvruehtigen spoort hij aan tot deugd, de zondaars tot boetvaardigheid.

7. De H. Gerlacus spijst de armen. De Boeteling had beloofd de inkomsten zijner goederen tot godvruchtige werken te besteden. Omgeven van armen, deelt hij spijzen en aalmoezen uit.

8. De H. Gerlacus bekoord door den duivel. Terwijl Gerlacus ter bedevaart gaat naar het Graf van St. Servatius, voegt zich de duivel bij hem. De helsche geest, in de gedaante van Gerlacus\' vriend, Blanckhart, tracht hem te verleiden; maar de vrome pelgrim erkent die list en drijft den duivel op de vlucht.

9. God verandert het water der bron in wijn. Een priester, Rutgerus genaamd, schept op Gerlacus\' verzoek water uit de bron. Tot driemaal toe verandert het water in wijn.

-ocr page 46-

— 42 —

10. Doon van den H. Gerlacus. De boet-raardige Kluizenaar ligt op zijn sterfbed uitgestrekt. De h. Servatius, vergezeld van een engel, dient hem de laatste h. h. Sacramenten toe.

Toen de Religieuzen tijdens de vervolging onder Joseph II (1786) hunne prachtige kerk en hun geliefd klooster moesten verlaten, vestigden zij zich in het Karthuizers-klooster „Bethleëmquot; te Roermond, met zich voerende de Relikwiën van den h. Gerlacus. Twee h. Gebeenten van St. Gerlacus, in zilver gevat, schonken zij aan de toenmalige parochie-kerk van Houthem.

Deze twee Relikwiën werden aldaar met eerbied bewaard en voortdurend onder een grooten toevloed van pelgrims vereerd, zoodat de devotie tot den h. Gerlacus nooit te Houthem onderbroken is geweest.

In 1808 werd de sedert het vertrek der Religieuzen verlaten kloosterkerk van St. Gerlach goedgunstig tot parochiekerk afgestaan door den WelEd. Heer Jacob Martin Sciioenmaeckers. Een dierbare schat echter ontbrak haar nog altijd, namelijk het Lichaam van den h. Boeteling. Die schat werd haar na ecnigen tijd teruggegeven. Sedert ruim een halve eeuw te Roermond in liet openbaar vereerd, werden de h. Relikwiën den 24 Augustus 1841 op plechtige wijze teruggevoerd. Hier was Gerlacus geboren, hier leefde en stierf hij, hier ook zou zijn h. Gebeente ten eeuwigen dage rusten en vereerd worden.

In het jaar 1869 den 6 April werden de h. Re-

-ocr page 47-

— 43 —

likwiën onder eenen grooten toeloop van volk plechtig ten toon gesteld. In de tegenwoordigheid van eene uitgelezen priesterschaar werden ze eerbiedig in nieuwe zijde gewonden, met het bisschoppelijk zegel gemerkt en vervolgens wederom in de rijkversierde kist gesloten. De kist werd nu niet meer, zooals voorheen, in het midden der kerk geplaatst, maar onder het nieuw-opgericht altaar van den h. (ierlacus, ter rechterzijde der kerk, processiesgewijze overgebracht.

Deze nieuwe hulde, aan de dierbare Overblijfsels van den h. Gerlacus gebracht, was te danken aan de onvermoeide zorg van den Zeer Eerw. Heer Pastoor J. Beckers.

Weinige jaren later, tijdens het bestuur van voormelden ij vervollen Herder, liet de Wel EdelGreboren Heer P. Regout, Commandeur der orde van Grregorius den Grooten enz. enz., door zijne milde giften het kerkgebouw restaureeren en de oude muurschilderingen in haren vroegeren luister herstellen. (1873). De edelmoedige weldoener zal alhier voortdurend in dankbare herinnering blijven.

Alhoewel thans verschillende kerken den h. Gerla«us tot Patroon-Heilige gekozen hebben, ja, zelfs buiten de grenzen van ons land vele altaren ter zijner eere zijn opgericht, vermeerdert nog steeds het getal pelgrims, die zijn Graf komen bezoeken.

Eiken Dinsdag wordt in St. Gerlacus\' kerk ten 9 ure de h. Mis ter eere van den Heilige gezongen. Op dien dag is gedurende het geheele

-ocr page 48-

— 42 —

10. Dood van den H. Geriacüs. De boet-▼aardige Kluizenaar ligt op zijn sterfbed uitgestrekt. De h. Servatius, vergezeld van een engel, dient hem de laatste h. h. Sacramenten toe.

Toen de Religieuzen tijdens do vervolging onder Joseph II (1786) hunne prachtige kerk en hun geliefd klooster moesten verlaten, vestigden zij zich in het Karthuizers-klooster „Bethleëmquot; te Roermond, met zich voerende de Relikwiën van den h. (lerlacus. Twee h. Gebeenten van St. Gerlacus, in zilver gevat, schonken zij aan. de toenmalige parochie-kerk van Houthem.

Deze twee Relikwiën werden aldaar met eerbied bewaard en voortdurend onder een grooten toevloed van pelgrims vereerd, zoodat de devotie tot den li. Gerlacus nooit te Houthem onderbroken is geweest.

In 1808 werd de sedert het vertrek der Religieuzen verlaten kloosterkerk van St. Gerlach goedgunstig tot parochiekerk afgestaan door den WelEd. Heer Jacob Martin Schoenmaeckers. Een dierbare schat echter ontbrak haar nog altijd, namelijk het Lichaam van den h. Boeteling. Die schat werd haar na eenigen tijd teruggegeven. Sedert ruim een halve eeuw te Roermond in het openbaar vereerd, werden de h. Relikwiën den 24 Augustus 1841 op plechtige wijze teruggevoerd. Hier was Gerlacus geboren, hier leefde en stierf hij, hier ook zou zijn h. Gebeente ten eeuwigen dage rusten en vereerd worden.

In liet jaar 1869 den 6 April werden de h. Re-

-ocr page 49-

— 43 —

likwiën onder eenen grooten toeloop van volk plechtig ten toon gesteld. In de tegenwoordigheid van eene uitgelezen priesterschaar werden ze eerbiedig in nieuwe zijde gewonden, met het bisschoppelijk zegel gemerkt en vervolgens wederom in de rijkversierde kist gesloten. De kist werd nu niet meer, zooals voorheen, in het midden der kerk geplaatst, maar onder het nieuw-opgericht altaar van den h. Grerlacus, ter rechterzijde der kerk, processiesgewijze overgebracht.

Deze nieuwe hulde, aan de dierbare Overblijfsels van den h. Oorlacus gebracht, was te danken aan de onvermoeide zorg van den Zeer Eerw. Heer Pastoor J. Beckers.

quot;Weinige jaren later, tijdens het bestuur van voormelden ijvervollen Herder, liet de Wel EdelGreboren Heer P. Regout, Commandeur der orde van Gregorius den Grooten enz. enz., door zijne milde giften het kerkgebouw restaureeren en de oude muurschilderingen in haren vroegeren luister herstellen. (1873). De edelmoedige weldoener zal alhier voortdurend in dankbare herinnering blijven.

Alhoewel thans verschillende kerken den h. Gerlacus tot Patroon-Heilige gekozen hebben, ja, zelfs buiten de grenzen van ons land vele altarén ter zijner eere zijn opgericht, vermeerdert nog steeds het getal pelgrims, die zijn Graf komen bezoeken.

Eiken Dinsdag wordt in St. Gerlacus\' kerk ten 9 ure de h. Mis ter eere van den Heilige gezongen. Op dien dag is gedurende het geheele

-ocr page 50-

— 44 —

jaar de kerk gevuld met ijverige vereerders en vrome pelgrims, die het li. Misoffer komen bijwonen. Vol vertrouwen knielen zij dan neder bij het Graf, vereeren met godsvrucht de h. Re-likwiën, nemen gewijde aarde uit de plaats, waar het h. Gebeente rustte, laten brood zegenen en putton water uit de Wonder-bron. In hunne huizen en stallen plaatsen zij de beeltenis van den Bescherm-Heilige.

Zoo vereeren zij aanhoudend denh. Gerlacus, om door zijne machtige voorspraak rampen en besmettelijke ziekten onder menschen en vee af te weren.

Jaarlijks komen op geregelde tijden onafzienbare bedevaarten uit de omliggende dorpen naar St. Gerlach, zooals uit Meersen, Geul, Stein, Sibbe, Schuelder, Margraten en andereplaatsen.

De sterfdag van den Heilige wordt den 5 Januari plechtig herdacht; een tweede feestdag wordt op Pinkster-Dinsdag gevierd. Op beide dagen is gedurende den ganschen morgen de mime kerk te klein, om de geloovigen, van heinde en verre gekomen, te bevatten.

Breken besmettelijke ziekten uit, dan snellen dichte scharen biddend naar St. Gerlacus\' Graf, om door diens voorspraak hulp in den nood te verkrijgen. En dat onbegrensd vertrouwen wordt niet gelogenstraft, want. gewoonlijk komt weldra een einde aan de gevreesde krankheid. Gelijk voor zeven eeuwen bljjkt ook thans, hoe machtig de voorspraak is van den h. Gerlacus, wiens talrijke vereerders op eene wonderbare wijze beschermd worden.

-ocr page 51-

— 45 —

Onder die ijverige vereerders mogen wij op de eerste plaats noemen Z. D. H. Mgr. Joaxxes August i nts Paredis. De Doorluchtige Kerkvoogd, het voorbeeld volgende Zijner roemvolle voorgangers op den bisschoppelijken troon van quot; Roermond, koestert eene teedere godsvrucht jegens den h. G er la ons en roept in verschillende belangrijke aangelegenheden diens zegenrijken bijstand vol vertrouwen aan. Meermalen, wanneer geloovigen door rampen en plagen bezocht, Hem om uitkomst vroegen, raadde Z. D. H. hen, met kinderlijk vertrouwen tot den h. Ger-lacus hunne toevlucht te nemen.

Aan Z. D. H. ook danken wij het nieuwe Officie en de Mis ter eere van den Heilige, die, in het jaar 1866 door Z. H. Paus Pius IX goedgekeurd, voor het diocees van Roermond eerden Verplichtend gesteld. (Proprium diccces. I-ebr, XI).

Op zichtbare wijze beschermde de h. Gerlacus den Doorluchtigen Kerkvoogd van Munster. Tijdens de laatste vervolging der Kerk in Duitsch-land (Cullurkampl), werd Z. D. H. Dl\' Joaxxes Berxakdus Brinkmann, Bisschop van Munster, uit zijn bemind diocees verbannen. Vier jaren zwierf Hij buiten zijn vaderland rond van de eene plaats naar de andere, wijl Hij nergens eene ongestoorde en zekere schuilplaats vond. Door de goddelijke Voorzienigheid geleid, vestigde zich de Hooge Banneling eindelijk te Houthem-St. Gerlach. Daar stelde Hij zich onder de hoede van den h. Gerlacus, bezocht dikwijls diens h. Graf en smeekte dagelijks met warme verzuchtingen den Heilige om hulp en

-ocr page 52-

— 46 —

troost. Dat vurig gebed werd verhoord. De h. Gerlacus strekte zijne wondervolle bescherming over den zwaar beproefden Kerkvoogd uit. Het toevluchtsoord bleef veilig. De verbannen Geloofsbelijder leefde rustig en onbekend, als ware Hlj een gewoon geloovige geweest. Van uit zijne schuilplaats bestuurde Ilij ongehinderd gedurende vijf volle jaren (1879—1884) zijn uitgestrekt en belangrijk bisdom.

Toen eindelijk het verbanningsbevel, tegen den moedigen Bisschop uitgesproken, werd ingetrokken en de stad .Munster in feestdos gehuld haren geliefden Opperherder in onbesehnjfelijken triomt door hare prachtig versierde straten voerde, toen eerst werd het oord bekend, waar de Doorluchtige Prelaat verborgen geleefd en in stilte geleden had; toen eerst vernam de wereld, welk schitterend voorbeeld van heldhaftige deugden Hij aldaar gegeven, en met welk ootmoedig vertrouwen Hij den h. Gerlacus aangeroepen had. „De h. Gerlacus heeft onzen Bisschop beschermdquot; zoo riep de stem des volks, zoo jubelde priester en leek, zoo weerklonk het door geheel Europa. Dat getuigde ook luide de teruggekeerde Bisschop; weldra immers ondernam de dankbare Prelaat den verren pelgrimstocht van Munster naar het verheerlijkte Graf van zijnen geliefden Beschermheilige. Daar aangekomen, knielt Hij ootmoedig neder bij de h. Relikwiën, vereert die vol eerbied en offert op St. Gerlacus\' altaar uit innige erkentelijkheid een kostbaren gouden kelk. Het beteekenisvolle opschrift zal voor dc komende geslachten do

-ocr page 53-

— 47 —

edachtenis aan de wonderbare bescherming, die e Doorluchtige Banneling onder St. Gerlacus\' hoede ondervond, vereeuwigen. „St. Gerlaco, sub cujus prfpsidio per quinquennium exsul de-git, grato animo dedicavit Dr. Joannes Bernardus Brinkmann, Episcopus Monastoriensis. 1884.quot; d. w. z. Dr. Joannes Bernardus Brinkmann, Bisschop van Munster, offerde uit dankbaarheid dezen kelk aan den h. Gerlacus, onder wiens bescherming hij als banneling vijf jaren heeft doorgebracht. 1884.

Mogen deze stichtende voorbeelden, uit den hooge gegeven, de geloovigen opwekken met een onbegrensd vertrouwen tot den h. Gerlacus te bidden; mogen zij strekken ter uitbreiding der godsvrucht jegens onzen geliefden Heilige!

XVI.

De Itelikwiën van den II. Gerlacus.

De meeste Relikwiën van den h. Gerlacus berusten in de kerk van St. Gerlach te Houthem.

De kostbare kist, thans onder het nieuw altaar van St. Gerlacus ter rechterzijde der kerk geplaatst, bevat:

a) 24 h. Beenderen en een tand van den h. Gerlacus.

h) Een zijden kleed (dalmatica), waarin het Lichaam van den h. Gerlacus schijnt gehuld te zijn geweest en waarop overblijfsels van het haren boelekleed van den h. Gerlacus ter bewaring gevestigd zijn. Dit kleed is van

-ocr page 54-

— 48 —

roode zijde, met bezetting en voering van lichtblauwe zijde; aan het halsboord en het onderdeel is hetzelve afgezet met purperkleurige zijde, voorzien van rijke hoogroode figuren, voorstellende dieren- en plantengroepen.

c) Een koperen kruit: waarschijnlijk het koperen kruis, dat Gerlacus op de borst droeg, toen hij uit Jerusalem terugkeerde en dat op het Graf gevonden werd, toen de h. Eelikwiën uit den grave kwamen.

Yerder wordt in de kerk van Houthem nog bewaard:

1. Pe hoofdschedel (cranium) van den h. Gerlacus. Deze allerkostbaarste Relikwie werd van af het begin der dertiende eeuw afzonderlijk bewaard en vereerd, en is later, doch sedert onheugelijke tijden, in een zilveren borstbeeld geplaatst.

2. De cinjel (cingulum) van den h. Gerlacus. Dit is eene koord uit wol of kemelshaar gevlochten, die de boetvaardige Kluizenaar om de lendenen droeg. Deze cingel werd in 1869, den 6 April, uit de bovengemelde kist genomen, met het bisschoppelijk zegel gemerkt en in een nieuw gotisch ostensorium geplaatst.

3. ïwee andere Eelikwiën van den h. Gerlacus, namelijk een gebeente (tibia dextra) in zilver besloten, en eene ribbe (costa partis dextrte) van een zilveren handvest voorzien. Beide h. Relikwiën werden in het jaar 1786 door de Religieuzen aan de toenmalige parochie-kerk geschonken, vanwaar zij in 1808 naar de heropende St. Gerlacus\' kerk werden teruggebracht.

-ocr page 55-

pERDE pEEL.

IV o v c n c c ia Gr e Ij c cl e n

TEPv EESE YAM EEK ££, aEKJtACÜS.

-c-gt;^j-

Bemerking omtrent de Xocene.

De h. Grerlacus wordt aangeroepen als bij ■loa loro Patroon tegen besmetleiyko ziekten, vooral togen krankhedon omler het vee.

Om bij dergelijko rampen hulp rn uitkomst te vinden, raden wij ten zeers\'o aan de volgende Xoveno Ier eere van den h. Cferlacus godvruchtig to houden.

Hierbij echtei.quot; moot men deze groote waarheid niet uit het oog verliezen. Zeer dikwjjls zijn onzo zonden do reden, waarom Ojd ons met tijdelijko straffen slaat. quot;Willen wij daarom in tijden van tegenspoed met recht verwachten, dat God ons gobel verhoori», dan dienen wij eerst ons geweten te onJerzoeken; en bemerken wij, da; wjj Gods vriendschap verloren hebben, koeren wij als lan lot Hem terug, door hot doen van bootvaarlighoid en het spreken van cene oprcchto en rouwmoedige biecht. En wanneer ons hart dan rein cn ons gowetea gerust is, mogen wjj ook vol vertrouwen ons het woord van Christus herinneren: „Vraagt en gij zult verkrijgen.quot;

Deze Novene is daarom zóó ingericht, dat de verschillende korte overwegingen ons de deugden van den h. Ger-lacus voorstellen en ons aansporen tot boetvaardigheid ea volmaakter beoefening der deugd.

4

-ocr page 56-

— 50 —

llofacnc fcr tere ban beu U. (êcrlacus,

bijzonder aangeroepen teyen besmettelijlr ziekten, voornamelijh onder het ree.

K lt;\' i* !S t o lt;1 :i ix

IJekccring- van den II. fterlacus.

OYERWEGrIXGr. — Gerlacus leefde niet altijd heilig; — liij was zelfs gedurende vele jaren een groot zondaar. God echter in zijne oneindige barmhartigheid riep hem terug van den weg des verderfs. Want ziet; te midden der wereldse he vermaken werd Gerlacus door Gods genade getroffen, toon hij den plotselijken dood zijner dierbare echtgenoote vernam. quot;Wat zal hij doen ? Hij aarzelt niet; oogenblikkelijk geeft hij gehoor aan de stem van God, die hem tot bekeering roept, en neemt het vaste besluit van leven te veranderen.

VERZUCHTING. — II. Gerlacus, moge ik naar uw voorbeeld beantwoorden aan de stem van Gods genade, die mij aanspoort tot een deugdzamer leven; mogen alle zondaars tot God terugkeeren!

YOORXEMEX — Ik zal Gods inspraken altijd getrouw trachten te volgen. Wanneer tijdelijke rampen mij treffen, zal ik deze beschouwen als eene waarschuwing van God, die mij aanmaant tot onthechting van do zonden en tot ernstiger beoefening der deugd.

(Hierna bidt men de Litanie van den h. Gerlacus en het daarop volgend gebed, bldz. 59—61.

-ocr page 57-

— 51 —

T w lt; \' «; lt;1 o lt;1 :i j;-

DER NOVENE TER EERE VAN DEN II. GERLACUS.

De II. Gerlacus verlaat de wereld.

OVERWEGING. ;— Toen Gerlacus het vaste besluit genomen had zich tot God te bekeeren, scheurde hij zich los van zijne lichtzinnige vrienden en makkers, en zeide onmiddellijk aan de wereld en hare ijdele vermaken vaarwel. Deze immers hadden zijn hart bedorven en hem tot menigvuldige zonden verleid. „Bedricgehjke wereld, riep hij uit, al wat gij groot en verheven noemt is slechts ijdelheid. Neen, ik zal u voortaan niet meer dienen, maar God en God alleen.quot;

VERZUCHTING. — H. Gerlacus, verkrijg mij de genade van do gevaren der wereld te vluchten, het woord der h. Schrift gedachtig: „Die het gevaar bemint zal er in omkomen.quot;

VOORNEMEN. — Ik zal mijn hart onthechten van do ijdellieid der wereld; de naaste gelegenheid van zonde wil ik zorgvuldig vermijden ; alles wat voor mij een vrijwillige oorzaak van zonde is zal ik verlaten, hoe zwaar het mij ook moge vallen.

(Hierna bidt men de Litanie van den h. Gerlacus en het daaropvolgend gebed, bldz. 59—Gl).

-ocr page 58-

— 52 -

D o i* lt;1 c lt;1 a tf

DER NOVENE TES EE EE VAN DEN H. GEKLACDS.

Igt;e II. Gerlaous vraagt aan den Paus boete voor zijne zouden.

OVERWEGING. — Dc rouwmoedige Gerla-cu8 spoedde nl-i pelgrim naar Home. Daar aangekomen, knielde liij ootmoedig neder voor de voeten van den Paus, den plaatsbekleeder van Jezus-Christus. Onder liet storten van bittere tranen beleed hij zijne menigvuldige zonden ; — met aandrang vroeg hij den Paus hem eene openbare en strenge boete voor zijn misdadig leven op te loggen. Dat waren tranen van een volmaakt berouw, dat was eene oprechte belijdenis zijner zonden.

VERZUCHTING. — II. Boeteling, verwerf mjj de genade om steeds rouwmoedig en oprecht mijne zonden aan den priester, den plaatsbekleeder van Jezus-Christus, te belijden.

VOORNEMEN. — Zou ik ooit het groote ongeluk hebben in doodzonde te vallen, dan zal ik mijne bekeering niet uitstellen; zoodra mogelijk zal ik nederknielen aan de voeten des priesters, en door eene goede biecht mij met God verzoenen.

(Hierna bidt men do Litanie van den h. Gerlaous en het daaropvolgend gebed,bldz. 59—61).

-ocr page 59-

— 53 —

ViÜ i-lt;1 O tlag-

DER NOVENE TER EEEE VAN DEN H. GERLACÜS.

De II. Gerliicus beoefent te Jerusalem «le nederigiieid.

OVERAVEGINGr. — Terwijl Gerlacus boete deed te Jerusalem, vroeg hij, om zich te vernederen, als eene gunst, het vee te mogen hoeden. Welk eeno verandering! De eertijds trotsche en hoovaardige ridder, die allen in eer en roem wilde overtreffen, achtte zich, eenmaal tot God teruggekeerd, zoo gering, zoo nietig. Hij weigerde elk eerbewijs — zocht zelfs naar verachting — hoedde gedurende zeven jaren de rede-looze dieren. Die zucht naar vernedering sproot hieruit voort, dat hij zich dagelijks beter leerde kennen en zijne nietigheid volkomen inzag.

VERZUCHTING. — H. Gerlacus, bekom mij door uwe machtige voorspraak de eerste aller deugden, de nederigheid, waardoor ik mij zeiven leer kennen en geringschatten.

VOORNEMEN. — De plichten van mijnen staat, hoe gering ook, zal ik getrouw en met liefde vervullen. Al arbeid ik ook in het verborgen, God, die alles ziet, zal mijne goede werken loonen; zelfs indien ik veracht word, verre van mij te beklagen, zal ik tot God bidden : „Gij hebt wel gedaan, o Heer, met mij te vernederen.quot;

(Hierna bidt men de Litanie van den h. Gerlacus en het daarop volgend gebed, blJz. 59—Cl).

-ocr page 60-

— 54 —

V ij lt;quot;«l lt;Ï lt;1« fï

DER XOVENE TER EERE VAN DEM H. GERLACUS.

l)c II. Gerlacus als kluizenaar leeft in de strengste versterving\'.

OVERWEGING. — De veertien laatste jaren zijns levens bracht Gerlacus als kluizenaar in de strengste versterving door. Hij pijnigde zijn lichaam door het dragen van een haren kleed en een ijzeren harnas ; — sliep op eene harde mat over een hoop steencn uitgespreid ; — ging altijd barrevoets ter bedevaart; — vastte dagelijks ; — vermengde zijn brood met assche; — dronk slechts water om zijnen dorst te lesschen. Zulk streng leven, waartoe hij zich door gelofte verbonden had, leidde hij tot een hoogen ouderdom. Zoo kastijdde hij zijn lichaam en bracht het onder bedwang.

VERZUCHTING. — II. Gerlacus, wek in mij een vurig verlangen op, om mijne zinnelijkheid, die mij tot het kwaad trekt, te versterven ; help mij den afkeer overwinnen dien ik soms ondervind bij de beoefening der deugd.

VOORNEMEN. — Ik zal mijne zintuigen, die mij dikwijls aanleiding tot zonden gaven, versterven; ik wil alle overdaad in spijs en drank zorgvuldig vermijden ; de moeilijkheden van mijn levensstand zal ik in den geest van boetvaardigheid gewillig aannemen.

(Hierna bidt men de Litanie van den h. Gerlacus en het daarop volgend gebed, bldz. 59—61).

-ocr page 61-

— 55 —

Z c ss lt;1 e lt;1 ii

DER XOVEXE TER EERE VAX DEX H. GERLACUS.

De II. Ocrlacns spijst de armen.

OVERWEGING. — Gerlacus had eonc voorliefde tot de armen. Deze beschouwde hij als de bijzondere lievelingen van Jezas-Christus. De liefde den arme bewezen achtte hij aan Christus zeiven bewezen, gedachtig het woord van den Zaligmaker: „Wat gij éénen van deze mijne geringste broeders gedaan hebt, dat hebt gij mii gedaan.quot;

Wanneer de armen tot hem kwamen, ontving hij hen steeds met goedheid en minzaamheid ; — deelde hun rijke aalmoezen uit; — troostte hen en moedigde hen aan de armoede om Christus\' wil te verdragen.

VERZUCHTING. — H. Gerlacus, onthecht mijn hart van de ongeregelde zucht naar. geld en goed; de aardsche schatten kunnen mij niet gelukkig maken noch mijn hart bevredigen!

VOORNEMEN. — Met liefde zal ik de noodlijdenden ontvangen, gaarne zal ik hen ondersteunen. Immers wat den arme wordt gegeven, is aan God geleend. God loont den barmhartige ook met tijdelijken voorspoed, terwijl Hij den gierigaard niet zelden door ongelukken de aardsche goederen ontneemt.

(Hierna bidt men de Litanie van den h. Gerlacus en het daaropvolgend gebed, bldz. 59—61).

-ocr page 62-

Zovoixtle dag-

DER NOVENE TER EERE VAN DEN H. GERLACUS.

De II. Gerlacns overwint de bekoringen door liet gebed.

OVERWEGING. — Terwijl Gerlacus in de eenzaamheid, onthecht van de wereld, boetvaardig leefde, bleef bij niet vrij van bekoringen. Integendeel bij werd dikwijls en hevig beproefd. Door sluwheid en list trachtte de duivel hem van zijne goede voornemens af te brengen. Edoch te vergeefs; want Gerlacus, als soldaat van Christus, streed den goeden strijd. Hij steunde niet op eigen krachten, maar nam zijne toevlucht tot het gebed en door bidden overwon bij alle aanvallen van den helschen vijand.

VERZUCHTING. — Groote h. Gerlacus, leer mij, naar uw voorbeeld, niet op mij zeiven vertrouwen, maar in do bekoringen mijne kracht en sterkte zoeken in het gebed.

VOORNEMEN. — Met het gebed zal ik mij wapenen tot den geestelijken strijd; in de bekoring zal ik terstond mijne toevlucht nemen tot het gebed ; na de bekoring zal ik al biddende God danken voor de behaalde overwinning.

(Hierna bidt men de Litanie van den h. Gerlacus en het daarop volgend gebed, bldz. 59—61).

-ocr page 63-

— 57 —

A.olitstc «lag-

DER NOVEXE TER EERE VAN DEX H. GERLACUS.

De II. Gerlacus daiiUt God, als hij liet water der bron in wijn veranderd vindt.

OVERWEGING. — ïe midden der strenge versterving ontving Gerlacus een duidelijk bewijs van Gods vaderlijke liefde, toen door een wonder lirt water der bron ot driemaal toe in wijn veranderde. Onbewust van het wonder weigerde de Boeteling den versterkenden drank, want door gelofte had liij zich verbonden nooit wijn te drinken ; doch zoodra bij erkende, dat God de Heer hem dien drank had bereid, verhief hij dankend zijne oogen ten hemel, loofde Gods goedheid en dronk den wijn, dien God hem ter versterking uit het water had gewrocht.

VERZUCHTING. — O God, hoe menigvuldig zijn de weldaden die ik dagelijks uit uwe milde hand ontvang! Voor zooveel liefde en vaderlijke zorg bewijs ik U allen lof en dank.

YO OR NEMEN. — Niet slechts wanneer ik door wederwaardigheden bezocht word, zal ik tot God om ontferming smeeken, maar ook in voorspoed zal ik God, mijnen weldoener, niet vergeten; ik zal Hem danken voor zijne gunsten en gaven en Hem des te getrouwer dienen.

(Hierna bidt men de Litanie van den h. Gerlacus en het daarop volgend gebed, bldz. 59—61).

-ocr page 64-

— 58 -

]V O jy O II tl o lt;1 ;i

DER XOVEXE ÏER EERE VAX DEX ]r. GERLACUS.

lgt;e II. Ccrlac-us getroost, in zij» stcifmir.

0\\ ERWEGIKG. — ïoen Gerlacus, na een streng boetvaardig leven, op zijne harde legerstede stervend lag uitgestrekt, was hij vervuld van een zoeten troost, en bezield met een onbegrensd vertrouwen op God. Hoe zeer vermeerderde dit vertrouwen nog, toen de li. Ser-vatius in gezelschap van een engel, den stervende verscheen, hem de h. h. Sacramenten toediende en naar het hemelsch vaderland uit-noodigde. Daar zetelt thans de h. Boeteling op een troon van glorie en is hij een machtige Beschermer voor allen, die hem met vertrouwen aanroepen.

VERZUCHTING. — H. Gerlacus, help mij boetvaardig en heilig te leven, zoodat ik stervende niet behoef te vreezen. „Mijne ziel sterve den dood der rechtvaardigen.quot;

VOORNEMEN. — Thans zal ik trachten zoo te leven, gelijk ik, aan mijn einde gekomen, zal wensehen geleefd te hebben. Daarom zal ik mij gedurende Tiet leven dikwijls het uur van mijnen dood voor den geest stellen. Alsdan zal ik op mijn sterfbed getroost zijn en in den hemel de kroon der gerechtigheid erlangen.

(Hierna bidt men de Litanie van den h. Gerlacus en het daaropvolgend gebed, bldz. 59—61).

-ocr page 65-

— 59 —

LIT A. IV 1 E

VAN DEN H. GERLACUS.

feer, ontferm U onzer.eer, ontferm U onzer.

^ _ Christus, ontferm U onzer,

2 Heer, ontferm U onzer.

•t Chrislus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

God, hemel,-die Vader, ontferm U onzer. God, Zoon, Vei losser der wereld, ontferm U onzer. God, II. Geest, ontferm U onzer. H. Drievuldigheid, één God, ontferm U onzer. H. Maria, bid voor ons.

H. Maria, zonder vlek ontvangen,

H. Maria, besehermster van den H. Gerlacus. H. Gerlacus,

gestrenge boeteling,

vrome pelgrim,

godvreezende Eremyt,

moedig soldaat van Jezus Christus, I Martelaar, door uw geduld in\'t lijden, [ Apostel, door uwen ijver voor de za- 1 ^ § 1 ligheid der zielen, \\ g

§ I groot vereerder der allerh. Maagd, I quot;■ \'g \\ vader der armen, l o

O j troost der bedrukten,

hulp voor allen, die in nood verkeeren, patroon tegen besmettelijke ziekten, toevlucht der stervenden,

verwekker der dooden,

schrik der duivelen,

sieraad van het land van Valkenburg,

onze machtige beschermer,

-ocr page 66-

Wees ons genadig, spaar ons, lieer.

quot;Wees ons genadig, verhoor ons. Heer.

Van alle kwaad, verlos ons, lieer.

Van alle zonden.

Van de macht des duivels.

Van pest, oorlog en hongersnood.

Van alle ziekten des lichaams.

Van alle besmettelijke ziekten onder \'t vee.

Van bliksem, hagelslag en onweder.

Van den eeuwigen dood.

Door de verdiensten en voorspraak van den

H. Gerlacus,

Door eijn levend geloof,

Door zjjn kinderlijk vertrouwen.

Door zjjne vurige liefde,

Door zijnen ijver voor de bekeering der zondaars.

Door zijnen onvermoeiden arbeid,

Door de zeldzame verscheidenheid zijner

mirakelen,

In den dag des oordeels.

Dat Gij ons een waar berouw over de zonden

wilt geven, wij bidden U, verhoor ons. Dat Gij ons deelachtig wilt maken aan

de verdiensten van den H. Gerlacus, Dat Gij de devotie tot den H. Gerlacus overal

wilt bevorderen.

Dat Gij ten allen tijde zijn Graf wilt verheerlijken.

Dat Gij allen, die tot den H. Gerlacus hunne toevlucht nemen, wilt beschermen naar ziel en lichaam.

Dat Gij alle vereerders van den H. Gerlacus

-ocr page 67-

— 61 -

met Uwe zegeningen wilt overladen, wij bidden U, verhoor ons.

Dat Gij U gewaardigt ons te verhoeren, wij

bidden U, verhoor ons.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,

spaar ons, Heer!

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,

verhoor ons. Heer!

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,

ontferm U onzer. Heer!

Heer, ontferm U onzer! Christus ontferm U onzer! Heer, ontferm U onzer!

Onze Vader. — Wees yegroet.

Bid voor ons, II. Gerlacus.

Opdat wij waardig worden der beloften van Christus

Laten wij biduen.

O God! die den h. Gcrlacus door do strengheid van ware boetvaardigheid en den roem van mirakelen verheerlijkt liebt, geef ons, uwe diona ren, dat wij, door zijne verdiensten cn bescherming niet Uwe Goddelijke Majesteit verzoend, do rechtvaardige straffen uwer gramschap, hier en hiernamaals barmhartiglijk mogen ontkomen. Door Christus, onzen Heer. Amen.

Gebed ter afkeering van alle ziekten onder het ree.

Ant. Als gij de stem van den Heer uwen God zult hooren en zijne geboden onderhouden, dan zal gezegend zijn de vrucht van uw vee, de kudden uwer runderen en de stallen uwer schapen. Bid voor ons, H. Gerlacus!

Opdat wij waardig worden der beloften van Christus

-ocr page 68-

— 02 —

GEBED.

Almaclitigc God, die den nienschcliiken arbeid door do redelooze dieren verlicht, wij bidden U ootmoediglijk, door de voorspraak van den li. Geilacus, laat niet verloren gaan, wat den menseh moet dienen tot voedsel. Door Christus onzen Heer. Amen.

GEBED ■faij het Graf van den H. Gerlaous.

H. Gerlacup, zio mij hier op de plaats, waar uwe h. Gebeenten nisteu. Deze plaats is heilig en boezemt mij den diepsten eerbied en het grootste vertrouwen in.

Hier, o groote Bescherm-Heilige, hier stor.d de boom, die zoo langen tijd getoige wes van uw gebed, van uwe boetvaardigheid ; — hier stond de kapel, waar Gij zoo dikwijls de h. h. S.icramonten ontvingt; — hier hebt Gij de bedroefden getroost, de zondaars bekeerd, vele wonderen gewerkt; — hier atierft Gij een heiligen dood; — hier werd uw Lichaam begraven; — hier kwamen uwe h. Gebeenten op wondervolle wijze te voorschijn ; — hier werden, op het gebed der pelgrims, dooden tot het leven verwekt : — hier bekwamen kreupelen den gang, blinden het gezicht, zieken de gezondheid.

Hier neergeknield, bid ook ik vol vertrouwen om genaden en zegeningen. — H. Gerlacns! Verkrijg mij een waar leedwezen over mijne zonden en eene oprechte bekeering. — Maak, dat ik nooit meer God door de zonde verlieze. — Sla mij voortdurend bij: in vcor- en tegenspoed ; in tijdeljjke en eeuwige belangen. — Bescherm mij vooral in het uur van mijnen dood. — H. Gerlacus, wees dan vooral mijne hulp, leid mij in het Bijk dea Hemels, om daar Jezus en Maria met U te danken, te prijzen en te beminnen, door alle eeuwen der eeuwen. Amen.

-ocr page 69-

mm l NKQïï D . mm

Q^Sgt;

Voorwoord.

EE ES XE CE EE,

Het Lccen van den II. Gerlaeus.

BI.DZ.

I. Jeugd van den H. Gerlaeus.......5

II. Bekeering ran den H. Gerlaeus ■ . . . . 6

III. Boete van den H. Gerlaeus.......7

IV De H. Gorlaous te Jerusalem......8

A . Terugkeer van Gerlaeus in zijn geboorteland 9

^1 Do H. Gerlaeus kiest een hollen eik tot wonirg 10 All. De H. Gerlaeus bezoekt dagelijks het graf van

den H. Servatlus..........li

A III. Gebed van Gerlaeus bij SL. Servatius Graf 14

IX. Vervolging om Christus\' wil verdragen . . 15 X. De H. Gerlaeus door do edele vrouwe Oda

bezocht.............-17

XI. Het visioen van de H. Hildegardis .... 18

XII. God verandert het wrater der fontein in wijn 19 XIII. Zalige dood van den H. Gerlaeus.....20

X WEEP E ©EEE.

TI onderhure yeheurtenissen na den zaligen dood van den II. Gerlaeus.

I Begrafenis van den H. Gerlaeus.....2-2

II. Uitbreiding der devotie lot den H. Gerlaeus. 23

III. Een zieke soldaat door do voorspraak van den

H. Gerlaeus genezen........20

IV. Genezing eener kreupele jongedoehter ... 27 A . Genezing van Mattheus, later kanunnik des

convents.............29

A I. Een doode tot het leven verwekt.....29

A II. Eene jongedoehter van den dood verwekt. . 30

VIII. Genezing eener vrouw.........31

IX. Hoe iemand van de tandpijn genezen werd . \'61

-ocr page 70-

BI.D7,.

X öcno\'.in?en door \'t kruis, dat do H. öarlacus

uit Jernsilem had medegebracht .... 32 XI. Hoo eommigcn, dia van do aardo dfg Grafs

van den H. Grerlacus namen, geholpen werdoa 33 XII. Hoo door Crerlacua\' voorspraak het vee van

br smettclijke ziekten gespaard bleef ... 33

XIII. Van degenen, die door het water van G-jrlacus\'

Put genezen zijn..........31

XIV. Terugvinding der Fontein ran duu II. Gcjria-

cus en bare inwijding (15519).....35

XV. Devotie tot den H. G-orlacus, voortlevend tot

op den togen woord igen Ijjil......3Ï)

XVI. De Rjlikwiën van den H. Gerlacus .... 47

KEEÖE DEEt.

Novene en yeheden ter eere van den H. Gerlacus.

Novone ter cere van den H. G \'rlacus ..... 49

Litanie ter cere van den H. Gerlacus.....59

Gebed ter afkeuring van alle ziekten onder het vee 61

Gebed bij hot Graf van den H. Gerlacus .... 62

EIGENDOM VOORBEHOUD EN.

-ocr page 71-