-ocr page 1-

i-fks

Vak 91

_

BEKNOPT LEVEN

VAN

DEN H. WILLEBEOED

APOSTEL VAN NOORD-NEDERLAND.

DOOR

F. J. P. VAN ETTEN,

Pastoor.

-s

\' lx

Ar

TWEEDE DEUK,

Amsterdam P. H. J. BEKKER 1887.

437

-ocr page 2-
-ocr page 3-

BEKNOPT LEVEN

VAN -

DEN H. WILLEBRORD.

-ocr page 4-

quot;1

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

2975 835 O

Stoomdruk, P. W. VAN DE WEIJER, Utrecht.

-ocr page 5-

BEKNOPT LEVEN

Ktt/r 91

fS t 5 ■

vsr

BEN ïï. WILLEBRORD

APOSTEL VAN NOORD-NEDERLAND.

^ If

F. J. P. VAN ETTEN,

Pastoor.

STUDIEHUIS 1

MINDERBROEDERS | NIJMEGEN


O Lampas Charitatis, qui erranti ac sitienti populo viam fontemque monstrasti!

O fakkel der liefde, die aan een volk, dat dwaalde, den weg, en dat dorstte, de bron hebt getoond.

TWEEDE DRUK.

Amsterdam F. H. J. B E K K E R , 1887.

\\

-ocr page 6-

IMPRIMATUR:

F. T. H. VAN OGTROP.

Libr. Cens.

Amstelodami die 5 Aprilis 1886.

-ocr page 7-

VOORWOORD.

Liefde voor ons zoo schoon en heilig geloof en hef de voor ons zoo dierbaar vaderland dreven mij aan om deze bladzijden te schrijven. Moge door het voorbeeld en de voorbede van den H. Willebrord in ons allen een groot verlangen en vurige ijver ontwaken, om, voor zoo verre het ons gegeven is, door gebed, voorbeeld, woord en invloed onze afgedwaalde broeders tot de ééne ware kerk en haar Goddelijk Opperhoofd J. C. terug te brengen. Laten wij bij het naderend eeuw^est der komst van den H. Willebrord in ons vaderland ons daartoe krachtig aan een sluiten en ijverig samenwerken. Laten wij tot dat doel eiken dag ten minste een klein gebed tot God richten, en de voorspraak van Jezus\' H. Moeder en den H. Willebrord afsmeeken!

De Schrijver.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

LEVEN VAN DEN ïï. WILLEBRORD.

§ i.

Vaderland van den H. Willebrord. — Zijne ouders. — Geboorte.

Schoon is in Engeland de streek, die boven den Humber van den eenen zeeoever tot den anderen het machtige koningrijk Northumberland vormde, met zijne twee onderdeden Bernicië en Deira. In dit laatste tusschen den Humber en de Tees breidt zich de groote vallei van York uit, een bekoorlijk en vruchtbaar landschap, dat, dalende van het noorden naar het zuiden en van het westen naar het oosten, eene rijke afwisseling oplevert van bouwgronden, bosschen, weilanden, rotsachtige heuvels en liefelijke dalen, alles doorsneden door tal van beekjes en rivieren.

Hier leefde in 657, een jaar, dat aan iedtr christelijk hart in Nederland ten hoogste dierbaar

-ocr page 10-

8

moet zijn, een godvruchtig echtpaar. Het was Wilgisus, een heilig krijgsman uit eene aanzienlijke Angelsaksische familie gesproten, en zijne echtge-noote, die door sommigen Mena wordt genoemd, eveneens zeer aanzienlijk was, en uitmuntte door een groote deugd. Zij waren tot dus verre kinderloos, en hadden God lang en vurig gebeden, dat Hij hun een zoon zou schenken. Boven alle verwachting werd eindelijk hun gebed door God verhoord. Reeds voor de geboorte van het hun zoo dierbaar kind had de moeder volgens Alcwijns verhaal een buitengewoon droomgezicht. Zij zag de maan aan den hemel verschijnen in den vorm, die zij heeft, wanneer zij pas begint zichtbaar te worden. Zij zag ze wassen, vol worden tusschen beide hoornen, onder de sterren uitschijnen en door haar helderen glans het geheele land verlichten. Eensklaps terwijl zij dit schouwspel aandachtig gadesloeg, vloog haar de maap in de mond. Toen zij hierop ontwaakte, was*zij ten hoogste verwonderd, en dacht ernstig na over dit nachtelijk gezicht. Zij verhaalde het aan een priester, die aan haar droom de beteekenis hechtte, dat haar kind een uitmuntend leeraar en herder zou worden, en een nieuw licht voor de volken, die nog in de duisternis des heidendoms gezeten waren.

-ocr page 11-

9

Dit kind, de toekomstige apostel der Nederlanden, zag te York of niet verre van daar het licht. Bij het doopsel ontving hij den naam van Willebrord. Deze naam wordt door verschillenden verschillend verklaard. Sommigen verstaan er door dat hij den wil van velen zou buigen. Anderen, zooals Thiofried, 24ste abt van Echternach, vatten het op als willig brood. De heilige zou eens den volkeren willig het brood des levens breken, of ook willig het brood of de offergave des Heeren zijn.

Gods wijze Voorzienigheid schittert in deze geboorte op meer dan eene wijze. Zij schittert wijl zij uit de Angelen, die ons vaderland verlieten en naar Brittanje waren overgestoken, een apostel wist te kiezen, die als een engel aan de achtergeblevene stamgenooten, waarmede hij door taal en afstamming verwant was, het evangelie zou verkondigen. Zij schittert door aan den H. Willebrord zoo heilige ouders te hebben geschonken. Zij schittert door bij deze geboorte een voorteeken te geven, dat gewis niet zonder invloed op de toekomstige bestemming van het kind gebleven is.

-ocr page 12-

IO

§ 2.

Dood zijner moeder. — De H. Willebrord in liet klooster.— Zijn eerste leermeester. — Zijne vorming.

Dezelfde Voorzienigheid waakte met bijzondere zorg over de opleiding en de vorming van dit kind. Willebrord was nog zeer jong, en had volgens Beda de moederborst pas verlaten, toen de Heer zijne moeder reeds tot zich riep. Maar God zou dit droevige verlies voor den toekomstigen apostel van ons vaderland in een rijk gewin doen verkeeren. Die dood had ten gevolge, dat de H. Wilgisus vaarwel zegde van de wereld.

Ripon een stadjen, dat nog heden bestaat en ongeveer /000 inwoners bevat, is gelegen in de schoone vallei van York. Het ontleent zijn naam van rtjïa of oever, gelijk men wil, wijl het gebouwd is op het punt, waar de beide riviertjes de Skel en de Laver zich vereenigen met de Ure, over welken stroom hier eene fraaie steenen brug van zeventien bogen geslagen is. De omstreken be-hooren tot de schoonste van Yorkshire. Hier had Alchfried, koning van Bernicië, in 661 aan den H. Wilfried, den lateren aartsbisschop van York,

-ocr page 13-

11

een klooster met onderhoorigheden geschonken, dat vroeger had toebehoord aan de kloosterlingen van Mailross. Wilfried was hier opgetreden als abt en eenigen tijd daarna door den H. Agilbert tot priester gewijd. Met behulp der rijke giften van de grooten des lands bouwde hij hier op de oevers der Ure een alleraanzienlijkst klooster, en later ook eene schoone kerk ter eere van den H. Petrus.

Toen nu de H. Wilgisus aan de wereld vaarwel zegde, trad hij met zijn kind in dit Benediktyner klooster. Dit geschiedde waarschijnlijk in het jaar 662. Wilgisus verbleef hier eenigen tijd. Later liet hij zijn zoon aan de zorg der Benediktynen over, en begaf zich uit zucht tot hoogere volmaaktheid naar Engelands oostkust, niet verre van de plaats, waar de Humber zijne wateren in de Noordzee stort. Hier aan het woeste zeestrand

bouwde hij zich eene kleine kloostercel ter eere %

van den H. Andreas. Later bouwde de heilige een klooster en eene kerk ter eere der allerheiligste Maagd Maria op eene plek gronds, hem door den koning geschonken. Hij stierf in geur van heiligheid , en werd in die kloosterkerk begraven.

Terwijl de H. Wilgisus zich in de afzondering bevond, groeide zijn zoon Willebrord op in. het,

minderbroeders

I NIJMEGEN

V. ^ ...

-ocr page 14-

stille klooster te Ripon onder de wijze leiding van H. Wilfried, De H. bisschop van York, die zoo zeer uitmuntte door vurigen ijver voor den luister der godsdienst, door wetenschap, door waren kloosterlijken geest en door bisschoppelijke deugd, was de groote leermeester, die onzen toekomstigen apostel het eerst heeft gevormd. Wanneer wij het latere leven van den H. Willebrord met dat van den H. Wilfried zorgvuldig vergelijken, zullen wij in den eerstgenoemde als kloosterling, abt, bisschop en geloofsverkondiger niet weinige trekken van overeenkomst met die H. Leermeester bespeuren.

Onder zulk een heilig abt, in de omgeving van uitmuntende broeders, tusschen de gewijde muren van Ripons kloosterabdij groeide Willebrord op als een tweede Samuël in ware godsvrucht en edele deugd. Hier zag hij niets dan hetgeen heilig, hoorde hij niets dan hetgeen welvoegelijk was, en bleef hij ver verwijderd van hetgeen de onschuld zijner reine ziel maar eenigszins kon kwetsen. Klein en zwak naar het lichaam, toonde hij zich groot naar den geest. Niemand was opgeruimder, niemand dienstvaardiger en gehoorzamer, niemand vlijtiger in het leeren dan hij, en op het pad der deugd ging hij met zulke reuzenschreden vooruit,

-ocr page 15-

dat hij door zijn edel gedrag en door zijnen ernst de teedere jaren der kindsheid verre voorbij streefde. Toen hij de jongelingsjaren was ingetreden, trok hij het lange, ruime, zwarte gewaad aan der Be-nediktynen, met een gordel om de lendenen gebonden, en van eene kap als hoofddeksel voorzien. Hij ontving de tonsuur, en hij legde zijne gelofte af als kloosterling. Zoo werd zijne deugd gevormd naar den regel van den grooten aanvoerder der monniken in het westen. Deze regel, zegtBossuet met meesterlijke welsprekendheid, is eene korte zamenvatting van het Christendom; en geleerd en geheimzinnig begrip der geheele leer van het evangelie, van al de instellingen der heilige vaders, en van al de raadgevingen der volmaaktheid. Daar zijn op uitstekende wijze vereenigd de voorzichtigheid en de eenvoud, de nederigheid en de moed, de gestrengheid en de zachtzinnigheid, de vrijheid en de afhankelijkheid.

De wetenschappelijke opleiding der klerken in de kloosters der Benediktynen had ten dien tijde, zooals blijkt uit de geschriften van Beda en Alewijn, reeds eene aanzienlijke hoogte bereikt. Wij kunnen er uit afleiden, hoe, terwijl Willebrords hart voortreffelijk werd gevormd door de wijze leiding en de schoone voorbeelden van den H. Wilfried,

-ocr page 16-

14

door den dagelijkschen omgang met de kloosterbroeders, door zachte tucht en gestadige beoefening der deugd, ook zijn verstand voordeelig werd ontwikkeld, en met een schat van nuttige en praktische kennis werd verrijkt. Tot zijn twintigste jaar bleef hij hier, onder den krachtigen invloed van Gods genade werd dit verblijf de eerste grondslag van zijne latere heilige en heilzame werkzaamheid ten dienste der kerk op den bodem van ons vaderland.

§ 3-

De H. Wilfried in Nederland. — De IT. Willebrord in Ierland. — De H. Egbert. — De H. Wigbert. — De H. Willebrord priester.

Oswi, koning van Northumberland, werd in 670 opgevolgd door Egfried. In den aanvang van diens regering genoot de H. Wilfried de vorstelijke gunst. Doch toen Egfried in 678 met Ermenburga in den echt was getreden, werd hij door dezer toedoen wederrechtelijk van Yorks bisschoppelijken zetel beroofd. De heilige besloot hierop zijn goed recht te onderwerpen aan het oordeel van den apos-tolischen stoel, en begaf zich daarom op reis naar Rome,

-ocr page 17-

i5

De H. Wilfried ging scheep, en benuttigde een zuidwesten wind om naar Friesland te stevenen. Hij vermeed opzettelijk de reis over Neustrië, het westelijk deel van het Frankische rijk, om niet te vallen in de handen van den hofmeijer Ebroin of Eberwijn, die hem zeer vijandig was. Hij nam dus zijn weg over Austrasië met het plan om tevens een bezoek af te leggen bij Dagobert II, aan wien hij in Engeland gewichtige diensten had bewezen. De H. bisschop landde dus op de kust der Friezen, en werd door hun koning Aldgild te Wiltaburg of Utrecht welwillend ontvangen. De vorst schonk hem de vergunning, om, terwijl hij daar gedurende den winter verbleef, het evangelie aan zijn volk te verkondigen. Vol ijver zette de heilige zich aan het werk. Het duurde echter niet lang, of zijn verblijf bij Aldgild kwam ter ooren van den hofmeijer Ebroin. Deze liet nu bij geschrifte en door gezanten Aldgild verzoeken, om den heilige van kant te maken. De vorst achtte zich beleedigd door dit schandelijke voorstel. Hij ontbood daarom geheel zijn hof, den H. bisschop en Ebroins gezanten in zijne tegenwoordigheid. Allen verschenen in gespannen verwachting. Nu las Aldgild met de diepste verachting den laag-hartigen brief ten aanhoore van allen voor, en

-ocr page 18-

i6

wierp dien tot eenig antwoord en tot beschaming van Ebroins gezanten voor aller oog in het vuur. Wilfrieds prediking onder de Friezen werd rijk gezegend. Eene groote menigte volks, zeer vele edelen, en volgens somigen zelfs den koning omhelsden het Christendom en werden gedoopt. Toen echter de lente aanbrak, zag de heilige zich verplicht zijne reis naar Rome voort te zetten. Hij begaf zich nu langs den Rhijn naar den koning van Austrasië, zijn vroegeren beschermeling Dago-bert II. Deze bood hem het openstaande bisdom van Straatsburg aan. Doch de heilige vergenoegde zich met den koning zijne bekeerlingen in Friesland dringend aan te bevelen, en te verzoeken hen niet zonder geestelijke hulp te laten. Rijk begiftigd zette nu Wilfried zijne reis naar Rome voort, en bereikte die stad in 679.

Zijne zaak werd in eene synode van meer dan 50 bisschoppen behandeld. Door allen werd zijn goed recht erkend, en door paus Agatho werd zijne nederigheid, gematigdheid en onderwerping in \'t bijzonder geprezen. Hij werd gehandhaatd als bisschop van York.

Na nog eene kerkvergadering tegen de Mono-thelieten te hebben bijgewoond en vier maanden te Rome te hebben getoefd, keerde Wilfried nog in

-ocr page 19-

i7

Ó79 naar Engeland terug. Koning Egfried weigerde echter zich aan de uitspraak van den H. Stoel te onderwerpen, en de H. Wilfried, daar hij geen bezit kon nemen van zijn zetel, zag zich genoodzaakt, om elders het geloof te gaan prediken. Na Egfrieds dood werd hij door diens opvolger Aldfried in al zijne vroegere rechten hersteld.

Toen de H. Willebrord in 678 zijn dierbaren abt en Vader, den H. Wilfried, naar Rome had zien vertrekken, begaf hij zich naar Ierland om zich te stellen onder de leiding van den H. Egbertus. Deze was abt van het klooster Rathmelgisi, gelegen in de provincie Leynster bij Drogheda, ten noorden van Dublin aan de oostkust van Ierland tegenover Northumberland.

Hier verbleef de H. Willebrord de volgende jaren, en bereidde hij zich voor tot de priesterlijke bediening. Hier werd hij onderwezen in de hoogere gewijde wetenschap.

Toen in 686 de H. Wilfried op den bisschoppelijke zetel van York was hersteld, besloot de H. Egbert, wellicht onder den invloed van den genoemden H. bisschop, het evangelie te gaan verkondigen in Nederland en Duitschland. Doch door de leiding van God en den tegenwind, dien Hij deed ontslaan, begreep de H. Egbert, dat dit zijne

2

-ocr page 20-

is

roeping niet was, en deze taak aan anderen te moeten overlaten. De H, Wigbert, die reeds ge-ruimen tijd met den H. Willebrord onder de leiding van den H. Egbert had geleefd, en door dezen laatsten tot reisgezal verkoren was, besloot nu diens onderneming, door te zetten. Hij landde voorspoedig in Nederland, en begon met apostolischen ijver het geloof aan de Friezen en hun koning Radboud te verkondigen. Doch hij zag zich in zijne beste pogingen teleurgesteld, en werd na twee jaren eindelijk genoodzaakt naar zijn vaderland terug te keeren.

De bekeering van Nederland was weggelegd voor den H. Willebrord. Toen de H. Wigbert naar Friesland vertrokken was, werd de toekomstige apostel in 687 op dertigjarigen leettijd tot priester gewijd. Deze wijding werd waarschijnlijk vol-.trokken door den H. Wilfried, zijn vroegeren leermeester, die thans op den bisschoppelijken zetel van York was hesteld.

§ 4-

De H. Willebrord begeeft zich naar Nederland. — Volgelingen van den Heilige.

Toen in 688 de H. Wigbert uit Friesland terug-

-ocr page 21-

19

keerde, was de H. Willebrord reeds priester. Hij was een man tot krachtige deugd en degelijke kennis gevormd, en door de schoone voorbeelden, die hij gedurig onder het oog had, vlammende van ijver voor de eer van God en het heil dei-zielen. De treurige toestand van het Friesche volk, gelijk hij dien door den H. Wigbert leerde kennen, trof zijn edel hart. Wel niet zonder toedoen van den H. Wilfried en den H. Egbert vormde hij het plan om op zijne beurt de bekeering der heidensche Friezen te beproeven. Waarschijnlijk was de Apostolische stoel niet geheel vreemd aan deze onderneming, gelijk de geheele loop van Duitsch-lands bekeering duidelijk genoeg aantoont. De H. Willebrord wist zich een elftal volgelingen aan te werven. Zij bestonden deels uit leerlingen van den H. Egbert, waaronder hij de eenige priester was; deels uit anderen, die naar zijn voorbeeld en door zijn invloed zich later bij hem aansloten in Nederland. Deze laatsten waren, naar het schijnt, afkomstig uit Engeland, en de invloed van den H. Wilfried was waarschijnlijk aan hunne onderneming niet vreemd.

De H. Willebrord, na zich onder Gods hoede gesteld en den zegen van den H. Egbert, met wien hij veertien jaren had geleefd, ontvangen te

-ocr page 22-

20

hebben, stak over uit Rathmelgisi naar Northumberland. Hier verbleef hij met zijne leerlingen uit den kring van den H. Egbert eenigen tijd bij den H. Wilfried te York, en ontving van dien heiligen en dierbaren vriend gewis nuttige inlichtingen en allerlei ondersteuning. Eindelijk, na van hem afscheid genomen te hebben, ging hij met de zijnen langs de breede Humbermonding onder zeil.

Al spoedig bevonden zij zich op de uitgestrekte oppervlakte der zee. Wij kunnen het ons voorstellen, hoe zij hunne blikken lieten rondgaan over die wijde uitgestrektheid, \'t Was een sprekend beeld van het breede veld, dat voor hen ter bearbeiding open lag. Nu eens richtten zij het oog naar de kust, die zich van hen verwijderde, en zij dachten niet zonder aandoening aan al het dierbare, dat zij om Jesus\' wille hadden ten offer gebracht. Ook zij konden met de apostelen zeggen: zie! wij hebben alles verlaten, en zijn uwe roeping gevolgd. Dan weder zagen zij uit naar de kust, waarheen hun steven gericht was, en hunne gedachten en verlangens snelden vooruit naar de zielen, die zij vol heilige liefde gingen redden, ea voor welke zij bereid waren hun leven te geven. Dikwijls ook schouwden zij op naar dat blauwe en prachtige uitspansel, dat zich als een onmete-

-ocr page 23-

21

lijk gewelf boven hen uitbreidde, en dan stegen warme verzuchtingen op uit hunne harten tot Hem, die daar woont in de hemelen, opdat Hij hunnen arbeid zegenen en hunne broeders onttrekken zou aan de akelige duisternis van het heidendom.

Hunne reis was voorspoedig. Vreugdevol begroetten zij Neerlands woeste duinen, en liepen behouden de middelste monding binnen van den Rhijn. Niet verre van het huis ten Britten bij Katwijk, drie mijlen van Wassenaar, zetten zij verblijd voet aan wal. Na God gedankt en zich van de vermoeienis hersteld te hebben, zetten zij met frisschen moed hunne reis voort naar Wiltaburg of Utrecht.

§ s.

Bewoners van ons vaderland.

Uit een land, dat door de Katholieke godsdienst schier geheel en al werd beheerscht, en waar Christus bijna door allen werd aanbeden, kwam de H. Willebrord met zijne reisgezellen in een geheel heidensch land. Nederland met zijne drie voorname volkstammen, Friezen, Saksen en Fran-

-ocr page 24-

22

ken, ging het veld worden, waarop zijne apostolische werkzaamheid het Christelijk geloof, dat in Engeland zoozeer bloeide, zou zoeken over te planten.

De Friezen bewoonden het noordelijkste gedeelte des lands langs de geheele zeekust tot aan de Schelde. In het midden des lands vooral aan de oostzijde langs de grenzen van Duitschland, in Drenthe, Overijssel en een gedeelte van Gelderland, hadden de Saksen hun verblijf. Eindelijk in het zuidelijk gedeelte des lands, in het zoogenaamde Toxandriê, gelegen tusschen de Maas en de Schelde, treffen wij de Franken aan. De Friezen, Saksen en ook een groot gedeelte der Franken waren nog heidensch. Zij waren overgegeven aan eene ellendige afgoderij, een kinderachtig bijgeloof, eene offerdienst ontsierd door menschenmoordende wreedheid en aan feesten gepaard met onmatigheid en ongebondenheden. Trotschheid, woestheid, wreedheid, waren ondeugden, die algemeen heersch-ten, en nederigheid en zachtzinnigheid waren hun niet bekend. Zich zeiven bedwingen in hunne neigingen en lusten, daarvan hadden zij geen. denkbeeld.

Dusdanig was de godsdienstige en zedelijke gesteltenis van het land, voor hetwelk de H.

-ocr page 25-

23

Willebrord als apostel optrad. Een lange en bange strijd wachtte hem. Want de natuur moest de grootste vooroordeelen overwinnen, ingaan tegen de overleveringen van eeuwen en eeuwen, verouderde gewoonten uitroeien, en eene godsdienst invoeren, die bedwang oplegde van al de neigingen en hartstochten des menschen.

Maar het uur der genade had geslagen. De roeping van Nederland tot het geloof zou plaats grijpen, ofschoon onze voorvaderen ze niet hadden verdiend, en door vele zonden en ondeugden veeleer het tegendeel waardig waren. Die roeping zou geheel Gods werk zijn. Want God, die den H. Willebrord had gevormd en opgewekt om aan Nederland het geloof te gaan prediken, zou de kracht en de bescherming van zijn dienaar zijn. Het woord van den profeet Osee ging aan Nederland vervuld worden: Ik zal hetgeen mijn volk niet was, mijn volk, hetgeen niet bemind was, bemind en hetgeen niet begenadigd was, begenadigd noemen. En het zal zijn ter plaatse, waar tot hen gesproken is; gij zijt mijn volk niet, daar zullen zij genoemd worden kinderen des levenden Gods (Rom. IX : 25—26).

1

-ocr page 26-

24

§ 6.

De Heilige te Utrecht. — De Heilige bij Pepijn. — De Heilige te Rome bij Paus Sergius.—Willebrord doet Snitbertüs :ot bisschop kiezen.

De H. Willebrord bereikte met zijne gezellen Utrecht waarschijnlijk langs den Middel Rhijn. De stad was reeds in hare opkomst, had zich aan beide oevers der rivier uitgebreid, en beheerschte hare geheele vaart. Wij zullen ze ons best voorstellen als met wallen omgeven, en bestaande uit een getal houten huizen aan beide oevers van den Rhijn.

Spoedig bemerkte de H. Willebrord, dat zoolang Utrecht in de macht van Radboud en zijne Friezen was, hij geen vruchten van zijnen arbeid had te verhopen. Doch tevens bespeurde hij, dat hem in de streek beneden den Rhijn, Teisterbant genoemd, die pas onlangs den Franken in handen gevallen was, dezelfde beletselen niet in den weg zouden staan. Hij besloot derhalve zich naar Pepijn den machtigen hofmeier der Franken te begeven, die vermoedelijk zich te Herstal aan den westelijken oever der Maas bevond. De heilige werd

-ocr page 27-

25

door den vermogenden vorst met welwillendheid ontvangen, en verkreeg van hem ondersteuning en bescherming, om in Teisterbant en noordelijk Toxandrië het geloof van J. C. te prediken. Deze streken behoorden echter tot het bisdom van den H. Lambertus, en daarom werd ook aan den bisschop van Maastricht de vergunning verzocht om daar werkzaam te mogen zijn. Van dit oogenblik dagteekent misschien de innige vriendschap tus-schen de beide heiligen.

Doch de H. Willebrord verlangde nog meer. Hij wilde ook het H. evangelie op het gebied der Friezen ten noorden van den Rhijn gaan verkondigen. Dit behoorde niet tot het rechtsgebied van den H. Lambertus. Daarom besloot de H. Willebrord de noodige volmacht aan het algemeene opperhoofd der kerk te gaan vragen. Wij vinden den Heilige in het najaar van 690 reeds te Rome. Hij genoot het groote geluk, waarnaar zijn leermeester de H. Egbert zoo vurig had verlangd, neêr te mogen knielen bij de graven van de H. Apostelen Petrus en Paulus. Hij werd door den H. Sergius met de meeste voorkomendheid ontvangen, en verkreeg van hem de uitgebreidste volmachten. De paus schonk hem ook relieken van H. Apostelen en martelaren, om ze in de alta-

-ocr page 28-

26

ren der kerken in te sluiten. Willebrord verzuimde tevens niet afschriften van boekwerken te maken, zich op de hoogte te plaatsen van sommige punten, betrekkingen aan te knoopen, en zich zooveel mogelijk van ondersteuning en hulpmiddelen bij zijne onderneming te voorzien.

In het voorjaar van 691 keerde Willebrord naar Nederland terug. Hier vond hij zijne achtergeblevene broeders niet zonder wederzijdsche vreugde in Teisterbant weder. Zijn eerste werk was volgens ontvangene machtiging met de broeders een bisschop uit hun midden te kiezen. Door nederigheid geleid en misschien ook, om volgens de kanons zich aan den vijftigjarigen leeftijd te houden, stelde hij Suitbertus tot die waardigheid voor, die de stemmen der broeders dan ook op zich vereenigde. Deze vertrok naar Engeland, en werd in den loop van 692 door den H. Wiifried tot bisschop gewijd.

§ 7-

De prediking te Thiel. — Te Buren. — Te Duurstede. — Te Nijmegen. — Te Utrecht. — Kapel van het H. kruis.

Intusschen begon onze heilige zijne werkzaam-

-ocr page 29-

27

heid in Teisterbant, de strook lands gelegen tus-schen den Rhijn en de oude Maas. Zijne hoofdplaats was Thiele of Theole, de zetel van den graaf der gouw, en eene bloeiende koopstad met eene rivierhaven. Hier zou Willebrord in 695 eene kerk gebouwd hebben. Ook in het oude en rijk door boomen overschaduwde Buren of Buria predikte hij, en ontmoette hij den H. Lambertus, die hem zijn bisschoppelijken steun kwam verleenen. Te Duurstede of Dorestad, in deze dagen de voornaamste koopstad van ons land, stichte hij eene kerk. Hoogst waarschijnlijk belastte de H. Werenfried zich met de zorg dezer geloovigen. Te Oudheusden, te Rijswijk, te Almkerk, te Ar-kel, te Hagestein, te Hoornaar en te Buurmalsen zal de H. Suitbert werkzaam zijn geweest en kerken hebben gesticht.

De werkzaamheid van den H. Willebrord schijnt zich in deze jaren zelfs uitgestrekt te hebben tot het oude Nijmegen of Niumage, het oppidum Ba-tavorum. Deze stad was gelegen in eene hoogere landstreek aan een der krommingen van den Waal. Rijzig verhief zich boven hare woonhuizen de burcht, die reeds dagteekende van den tijd der Romeinen en thans door Franken was bezet. Deze Christelijke bezetting was oorzaak, dat reeds in 692 of

-ocr page 30-

28

693 door den H. Willebrord of een zijner medearbeiders hier eene Christelijke kerk werd gebouwd, en het Christendom hier al spoedig vele volgelingen telde.

Doch boven al was de H. Willebrord te Wil-tenburg of Utrecht werkzaam. Daar verrees al spoedig onder de medewerking der Christelijke krijgsknechten van Pepijn, die hier aan de zuidzijde van den Rhijn gelegerd waren, het eerste heiligdom, dat de ijverige zendeling stichtte hier te lande. De vroegere kapel van Dagobert lag geheel verwoest. Willebrord bouwde op hare grondslagen of in hare nabijheid eene nieuwe, waarschijnlijk houten kapel, die hij verrijkte met een reliek van het H. kruis, en die hij toewijdde aan het teeken onzer verlossing.

Veel moet het dien geloofsverkondigers gekost hebben, om in de eerste jaren hier te lande werkzaam te zijn. Er behoorde meer dan gewone moed toe, om met verachting aan alle gevaar zich, gelijk zij, in onbekende streken te wagen en eene godsdienst aan te randen, die eeuwen en eeuwen aan het volk eigen was geweest. Het kostte arbeid vermoeienis, opoffering en geduld om onder dat bevooroordeelde en weerbarstige volk bekeerlingen te gewinnen. Meermalen moesten zij de grootste

-ocr page 31-

29

ontberingen ondervinden. Want ofschoon Wille-brord en zijne hulpgenooten van Pepijn en den H. Lambertus ondersteuning ontvangen, en hun zelfs uit Engeland middelen zuilen zijn verschaft, moesten toch bij eene onderneming als deze oogen-blikken zich voordoen, dat de nood zich dringend deed gevoelen.

§ 8.

Nederlaag van Radboud. — De H. Willebrord door paus Sergius tot bisschop gewijd.

In 695 ontstonden woelingen onder de Friezen cn kwam Radboud andermaal in verzet tegen Pepijn. Hij moest het onderspit delven te Wijk bij Duurstede. Utrecht viel geheel in handen van Pepijn, en ook Friesland ten westen van het Flie. Dit werd door een vredesverdrag bevestigd. Ten gevolge van dit verdrag trad Grimoald, zoon van Pepijn, twee of drie jaren later in den echt met Theodesinde, dochter van Radboud.

Nu deed Pepijn aan den H, Willebrord, wiens vruchtbare werkzaamheid hij van nabij aanschouwde, het voorstel om zich te Rome tot bisschop te laten

-ocr page 32-

wijden. De nederigheid van den dienaar des Heeren kwam hiertegen in verzet. Doch hij moest zwich. ten voor de krachtige beweegredenen van den Hofmeier en voor den gezamenlijken aandrang van zijne medearbeiders. Pepijn gaf hem aanbevelingsbrieven mede voor paus Sergius, stelde een eervol geleide ten zijnen dienste, en liet hem met rijke geschenken voor den H. Vader vertrekken. In November van 695 kwam Willebrord te Rome. Vier dagen voor zijne komst, verhaalt Alcwijn, werd de paus door de verschijning eens engels in den slaap vermaand, den apostel van Friesland met de meest mogelijke eer te ontvangen, wijl hij van God was uitverkoren tot verlichting veler zielen. Hij kwam om bekleed te worden met de hoogste priesterlijke waardigheid, en niets moest hem geweigerd worden van hetgeen hij verzoeken zou. De paus, alzoo door den hemel voorgelicht, ontving den H. zendeling met zeer veel blijdschap en blijken van hoogachting. Spoedig had hij zich van zijn geloofsijver, zijne godsvrucht en zijne wijsheid overtuigd. Op den feestdag van de H. Cecilia, den 223ten November 695, benoemde de paus hem plechtig in de kerk dezer feestheilige tot aartsbisschop der Friezen. Den dag daaraan volgende wijdde hij hem openlijk in het bijzijn eener talrijke

-ocr page 33-

31

schare van geestelijken en onder grooten toevloed volks als zoodanig in de kerk van S. Pieter. Daar het de feestdag was van den H. Clemens, gaf paus Sergius aan den nieuwen aartsbisschop ook dien naam. Hij bekleedde hem met het bisschoppelijk gewaad, omhing hem met het pallium, en schonk hem de versierselen zijner waardigheid.

In \'t begin van 696 was de nieuwe bisschop reeds bij Pepijn terug. Deze bevond zich toen waarschijnlijk te Keulen. De H. Suitbert, die in de omstreken van den Rhijn predikte, kwam den H. Willebrord te gemoed tot aan Emmerik, om zich aangaande hunne wederzijdsche verhouding en zamenwerking te verstaan. De overlevering omtrent deze ontmoeting is te Emmerik nog zeer levendig, en de kerk van het gymnasium is er aan den H. Suitbertus toegewijd. Deze laatste vertrok hierop naar de Brukteren, en stichtte een klooster op het eilandjen in den Rhijn, Kaiserswerth ge-i heeten. Hier stierf hij in 713.

§ 9-

De H, bisschop bouwt een kathedraal.

De eerste zorg van den H. Willebrord na zijne

-ocr page 34-

32

terugkomst uit Rome was bezit te nemen van zijn aartsbisschoppelijken zetel te Utrecht. Hier zou hij een middelpunt vestigen, waar de Katholieke godsdienst den vollen rijkdom harer plechtigheden zou kunnen ontplooien. Hier zou Nederlands apostel zendelingen aankweeken voor het bekeeringswerk , dat hij begonnen had. Van hier uit zou hij de hem toevertrouwde geloovigen door zijn bisschoppelijk gezag, bezoek, woord en voorbeeld op de wegen des heils geleiden. Hier begon hij dus volgens zijn beste vermogen eene kathedraal te bouwen, waartoe Pepijn hem binnen Utrecht de ver-eischte plaats had afgestaan, en waarschijnlijk de noodige middelen verschafte. De leerzame voorbeelden van den H. Wilfried, dien hij bij den bouw der kathedrale kerk te York en der kloosterkerk te Ripon onder het oog had gehad, kwamen hem hierbij zeer te stade. Vermoedelijk gebruikte Willebrord Frankische bouwmeesters, die destijds zeer beroemd waren. Bijgestaan door dezen trok de H. Bisschop bij de kapel van het H. Kruis een steenen tempel op, zoo schoon, als de gegevene omstandigheden het hem toelieten. Wanneer deze bouw voltrokken werd is ons niet met zekerheid bekend. Het was een blijde dag voor den H, bisschop , toen hij dien tempel voleindigd zag, hem

-ocr page 35-

33

mocht inwijden, en hem stellen onder de vermogende bescherming van den H. Martinus, bisschop van Tours. Deze heilige werd in Frankrijk algemeen vereerd, en moest als krijgsman zoowel aan de krijgshafte Friezen als aan de Franken bijzonder welkom zijn. Ook de Benediktijnen, waartoe de H. Willebrord behoorde, vereerden dezen heilige in het bijzonder.

De kerk door den H. Willebrord gebouwd werd door de Noormannen verwoest, doch later door Utrechts bisschoppen hersteld. Nog immer wijzen de dom en de toren, waarvan in 1254 de eerste steen werd gelegd door bisschop Hendrik van Vianden, de plaats aan, waar de H. Willebrord zijne kerk eens bouwde. Uren en uren ver roept de trotsche domtoren voordurend tot allen : van hier is het licht, de kracht, de troost, de zegen der echt Christelijke godsdienst uitgegaan over eene heidensche en onbeschaafde bevolking; hier was voor twaalf eeuwen de bisschopszetel van Neêrlands grooten en heiligen apostel. Hier had en offerde de H. Willebrord voor het heil van zoovelen, die in ons vaderland neêrgezeten waren in de duisternis en de schaduwen des doods. Gedenkt toch uwe oversten, die u het woord Gods verkondigd hebben.

o 0

-ocr page 36-

34

§ to.

Hij sticht eene kloosterschool.

Het zal ons niet verwonderen, dat de H. Wille-brord bij zijne kathedraal tevens in 696 al dadelijk een gemeenschappelijk huis {domus van daar dovi) voor klerken stichtte, en alzoo de grondslagen legde van de eerste kloosterschool hier te lande. Zij was bestemd om 40 klerken te bevatten. Wij mogen het er voor houden, dat deze klerken ten tijde van den H. Willebrord werden ingedeeld als later in een proost, een deken, negen priesters, tien diakenen, tien subdiakenen en negen mindere klerken. Later werd deze school door den H. Boni-facius nog verder uitgebreid.

De liefde van den H. bisschop voor zijne klerken was niet minder dan die van den H. Gregorius voor de zijnen. Hij was vol ijver voor hun welslagen, vol zorg voor hun geluk. Hij was voor hen een minnende vader, en hij wist, dat het lot der kerk, die hij stichtte, grootendeels zou afhangen van de vorming der priesters, die haar zouden moeten leiden. Indien wij hem later met zooveel

-ocr page 37-

35

geestdrift werkzaam zien voor het aankweeken van geestelijken te Echternach, Susteren en Trier, dan kunnen wij hieruit met alle recht afleiden, hoe hij bezield was voor deze zijne eerstelingschool te Utrecht. Daar zouden later mannen als de H, Ludger, de H. Radboud, Balderik en anderen gevormd worden, om op te treden als de invloedrijke verspreiders van Christelijke verlichting en beschaving onder hunne landgenooten.

^ ii.

De H. predikt in Holland. Vlaardingen. — Oegstgeest. — Velzen. — Heiloo. — Hij doet eene bron ontspringen. Eg-mond. — Petten.

Holland is de noordwestelijke zoom van ons land, die tegen de aanstroomende golven der onafzienbare Noordzee beveiligd wordt door eene lange rij van schilderachtige duinen. Zijne groenende, weelderige en uitgestrekte weilanden, prijkende met een tal van huppelende lammeren en een rijken stapel van allerlei vee , zijne hier en ginds langs den duinzoom vrij uitgestrekte bosschen, nu eens van lager kreupelhout, dan weder van hoog opgaande boomen, zijne lager gelegene poelen en

-ocr page 38-

30

plassen, zijne hoogere en dikwijls dorrende duin-akkers maken het tot eene streek, die groote en eigenaardige schoonheden bezit. Zij werd ten tijde van den H. Willebrord bewoond door de West-friezen, ook de kleine Friezen genoemd. De streek was ten dien tijde veel boschrijker en woester, en waar thans zoovele volkrijke steden reeds op een lang en roemrijk verleden fier gaan, daar werden toen slechts hier en daar eenige schaarsch bewoonde vlekken aangetroffen. De H. Apostel van Nederland maakte in de jaren van 696 en 697 gebruik van de vrijheid, die hem de bevochtene heerschappij der Franken verleende, om in deze streek het Evangelie te verkondigen.

De plek, waar hij, te oordeelen naar de overlevering het eerst werkzaam was, was Vlaardingen. Het is een vlek gelegen aan den oever der Maas, die hier, na met Waal en Lek vereenigd te zijn, met breede wateren voortstroomt naar de zee. Het lag ten tijde van Willebrord een weinig meer zuidwaarts niet verre van het punt, waar de gracht, door Corbulo in 48 gegraven, zich met den beneden-Rhijn vereenigde. Hier verhief zich een burcht door de Romeinen gebouwd, waarin destijds eene Frankische bezetting gelegerd was. Deze omstan-

-ocr page 39-

37

digheid was wellicht voor den H. Bisschop eene aanleiding om hier het Evangelie te verkondigen, te meer daar Vlaardingen uit Utrecht met een vaartuig langs den Rhijn gemakkelijk te bereiken was. Door den edelmoedigen Heribald werd de H. bisschop hier in den gouw der Marsen in \'t bezit gesteld van aanzienlijke grondeigendommen. Hierdoor was hij in staat eene kerk te stichten , die de moederkerk werd der gansche omstreek. Hij zelf wijdde ze plechtig in, en na zijn dood werd hij er als patroon vereerd.

Naar het voorbeeld van den H. Paulus zocht de H. Apostel zijn werk te bestendigen. Hij koos eenige voorname en geschikt gelegen plaatsen, waar hij eenigen tijd werkzaam was, en wanneer een zeker getal bekeerlingen voor Jesus\' heilige leer gewonnen waren, eene kapel of kerk bouwde. Hierbij werd dan een priester aangesteld, die het aangevangen werk voortzette, en van daar uit in de nabij omgelegen streken de leer des Christendoms steeds verder verbreidde. Zoo werd de genade des geloofs aan allen aangeboden, en werd tevens de geregelde toediening der H. Sakramenten en de geregelde bijwoning der H. Mis toegankelijk gemaakt voor de ge-loovigen.

-ocr page 40-

. - ■■________.

/

Langs de gracht van Corbulo , ook de Vliet genoemd, kwam de heilige van den beneden Rhijn of Maasland, voorbij Forenburg (Voorburg) en Leiden, aan den Middelrhijn of Rhijnland. Niet verre van de Rhijnmonding in deze streek lag Oegstgeest, een schoone en liefelijke plek tusschen weelderig geboomte op een hoogeren zandgrond. Oegstgeest, vroeger Kerkwerve genoemd, was toen, naar het schijnt, talrijk bevolkt. Op den grondslag van een oud, misschien Romeinsch kasteel, hem door de Franken afgestaan, bouwde hij een kerkje, dat hij zelf inwijdde 1). Ofschoon dit kerkje dooide Noormannen werd verwoest, werd het later in steen weder opgetrokken en aan den H. Wille-brord toegewijd. Dit is wellicht de oorsprong der in de aanteekening vermelde sage. Thans is het in de handen der protestanten. De heilige werd immer te Oegstgeest als patroon vereerd, en nog is de Katholieke kerk daar aan hem toegewijd.

\') Zie Opmeer. Volgens eene legende zou de heilige beloofd hebben aan de lieden van Oegstgeest hun kerkjen in te wijden, en daar hij stierf, voordat het voltrokken was, zijne belofte na zijn dood vervuld hebben. Op den dag der inwijding, zegt men, worden de muren nog immer vochtig, en druipt er olie angs de plaatsen, die.worden aangeraakt.

-ocr page 41-

39

Wanneer we van Oegstgeest noordwaarts de Romeinsche heirbaan volgen, die nu eens dichterbij, dan weder op verderen afstand langs de woeste duinen voortslingert, komen we door bosschen» struiken en kreupelliout tot eene bebouwde heistreek, Felisum of Velzene genoemd. Ook hier aan den voet der duinen plantte de H. Willebrord het kruis , en werd hij de grondlegger eener gemeente. Hij bouwde er een kerkje, dat eene der vijf moederkerken van Holland werd, en hij stelde er den H. Engelmundus aan om het werk dat hij begonnen had voort te zetten. Velzen werd later door den H. Bonifacius bezocht, en het schijnt, dat Karei Martel aan deze kerk geen geringe bezitting heeft geschonken.

Langs duinen en bosschen bereikt men, den ouden heirweg volgende, eenige uren noordwaarts Heiloo of Heiligerloo. Deze naam beteekent heilige hoogte, en het vlek heeft dien naam wellicht te danken aan de prediking van Nederlands grooten apostel. Nog heden wijst men een weinig van den breeden straatweg, die tusschen eene dubbele rij breed getakte boomen van hier naar Alkmaar voert, en een weinig ten oosten der tegenwoordige spoorlijn , tusschen het kreupelhout de plaats aan, waar de H. Willebrord zal hebben gepredikt. Zij wordt in

-ocr page 42-

de wandeling de preekstoel van den H. Willebrord genoemd. Het is een kleine hoogte, die men van boven vermelden straatweg langs een bochtig en hobbelig voetpad door het dicht begroeide woud bereikt, en die door de breede kruin van een ouden eikenboom wordt overschaduwd, i)

Een ander dierbaar aandenken van den H. apostel van Nederland vinden wij niet verre van hier. Het is de alom bekende put van Heiloo. Zie hier zijn oorsprong. De H. Willebrord had na een ver-moeienden tocht in een vrij talrijk gezelschap van klerken, die hem behulpzaam waren in zijne bediening, van dienaren en wellicht ook van Frankische krijgsknechten, hier zijne tenten opgeslagen. Allen na een langen rid waren smachtende van dorst. Toen Willebrord zulks bemerkte beval hij aan een zijner dienaren binnen zijne tent eene kleine diepte te graven. Daarop knielde de heilige ongezien neder, en bad God, dat Hij, die voor Zijn volk in de woestijn water had laten ontspringen uit de steenrots, met dezelfde barmhartigheid voor zijne dienaren water uit de zandige aarde

i) De plaats werd mij getoond door den toenmalige pastoor van Heiloo, den Z.-Eenv. Heer Roelvink.

-ocr page 43-

41

zou voortbrengen. Dadelijk werd hij verhoord, en plotseling werd de gegravene diepte gevuld door eene bron van zeer zoet water.

De H. Apostel ontving hier een rijke zegen op zijne apostolische prediking. Velen bekeerden zich, en hij bouwde en wijdde hier andermaal eene kerk. Zij stond waarschijnlijk daar, waar zich thans de protestantsche kerk bevindt in de nabijheid van den H. Willebrords put. De kerk echter, die thans daar staat is niet de oorspronkelijke. Zij is zeker de tweede, waarschijnlijk zelfs de derde, daar het gebouw, door den H. Willebrord gesticht, vermoedelijk niet meer dan een houten bedehuisjen is geweest. In latere eeuwen stond hier in de nabijheid een beroemd klooster aan den H. Willebrord toegewijd en Blinken genoemd. Het was in 1420 gesticht en bezat uitgestrekte landerijen. De heeren van Coulster, een kasteel te Heiloo, vermeerderden zijne bezittingen.

Wanneer ge heden Heiloo bezoekt, dan ziet ge in den fraaien gevel der Katholieken kerk een schoon steenen beeld van den H. Willebrord, die hier nog immer als beschermheilige wordt vereerd. Het roept u toe, dat hier de H. apostel van Nederland meer dan elders in gezegend aan denken is.

-ocr page 44-

42

Niet verre van Heiloo, aan het barre strand ligt het oude en vermaarde Egmond, dat vroeger eene prachtige abdij en een trotsch kasteel bezat, en door zijne abten en heeren zich een grooten naam heeft verworven in de geschiedenis van ons vaderland. Volgens sommigen zou de H. apostel, toen hij hier kwam en zag, hoe allen waren overgegeven aan een ellendige afgoderij, tot zijne reisgezellen gezegd hebben: haec inundate: zuivert deze plaatsen, en zou uit dat woord de naam van Eg-mond ontsproten zijn. Zeker is het vermoeden niet ongegrond, dat de H. Willebrord hier werkzaam is geweest, en er den H. Adelbert heeft heen gezonden.

Zoo werd het Christendom door den H. Willebrord gevestigd in geheel Kennemerland tot aan de grens, die het van Friesland scheidde. Deze werd gevormd door de vliet Kinkenn, die haar naam aan het land heeft gegeven, dat in het zuiden een aanvang nam bij Rijnland, en zich in het noorden uitstrekte tot bij Petten, waar ten noorden van Scoronlo de Kinheim te midden dei-woeste duinen hare uitwatering had in de Noordzee. Ook hier plantte de H. Bisschop zijne tenten ; ook hier weerklonk zijne stem, en gewon hy zielen voor Christus. Hij bouwde en wijdde te Petten

-ocr page 45-

43

cenc kerk , die een der vijf moederkerken van Holland werd. Na den dood van den H. Wille-brord werd zij het eigendom der abdij te Ech-ternach.

Vooral in de jaren 696 en 697 predikte de H. Willebrord in Holland, en doorkruisde hij dit uitgestrekte gewest met zijn stoet te paard; en toen hij in 701 en 702 hier wederkeerde, mocht het hem gelukken zijnen arbeid blijvend te bevestigen. Vlaardingen in Maasland, Ostegeste in Rijnland, Velzen, Heilo , Egmond en Petten in Kennemer-land werden door zijn toedoen zooveel middelpunten, van waar het christendom zich verbreidde over geheel Holland of West-Friesland. Na de geheele nederlaag der Friezen in 717 drong het Christendom weldra overal door in deze streken.

§ 12.

Medearbeiders van den H. Willebrord.

Het zou voor den H. Willebrord niet mogelijk geweest zijn de bekeering der Friezen te ondernemen en de bewerkstelling zonder de krachtige en eendrachtige ondersteuning zijner elf heilige medearbeiders. Wie waren die elf uitgelezenen ?

-ocr page 46-

44

Den eersten van Willebrords medgezellen leerden wij reeds kennen in den H. Suidbertus. Hij trad voor ons op als een nederige, godvreezende, ijvervolle en moedige bisschop. Zijn onafscheidbare gezel was de H, Willeicus, die hem bijbleef tot aan zijn dood op het eiland Kaiserwerth, en hem opvolgde in het bestuur van het klooster, daar gesticht. Nevens deze twee troffen wij den H. En-gelmundus aan, een priester van Angelsaksischen oorsprong, die voor eiken herder een toonbeeld is van verborgene, liefdevolle, krachtige en standvastige toewijding aan het heil der schapen van Christus\' kudde, die hem zijn toevertrouwd. Hierbij voegen wij den H. Adelbertus, den H. aartsdiaken aan wien Egmond zijn christendom, zijn bloei en in latere eeuwen zijne heerlijke Benediktijner abd:quot;j te danken had. Hij was even als de H. Willebrord, Suidbert, Wilieicus en Werenfried uit de leerschool van den H, Egbertus. Werenfried is de vijfde van Willebrords medearbeiders. Hij was eerst in Teisterband te Wijk bij Duurstede werkzaam. In 698 of 699 moet hij zich op verlangen van den H. Willebrord naar Medemblik begeven hebben, om den H. Wulfram behulpzaam te zijn of hem tijdens diens afwezigheid te vervangen.

-ocr page 47-

45

Buiten deze vijf rangschikken wij onder de medewerkers van den H. Willebrord de beide H. Ewal-den en den H. Tilman. De H. Ewalden waren broeders en werden ter onderscheiding de blonden zwartharige genoemd. Zij waren beiden priesters, uitmuntend onderwezen in de leer des geloofs, en stierven reeds, terwijl zij langs den Rhijn naar Westphalen waren afgezakt, in de jaren 692 of 693 den marteldood. Hunne lichamen werden op aanwijzing van den H. Tilman, aan wien een der H. bloedgetuigen verschenen was, uit den Rhijn opgehaald en te Keulen begraven.

Aan deze acht voegen wij nog drie heiligen toe die het elftal medearbeiders van den H. Willebrord volmaken. Het zijn de HH. bisschoppen Wiro en Plechelmus en de H. diaken Otger, die op een uur afstand van Roermond te Odiliënberg een klooster stichtten. Van hier uit verkondigden zij het Evangelie in de omstreken, in Gulik en in Gelderland.

Alle deze elf heiligen waren uit Engeland en Ierland afkomstig. Allen waren kloosterlingen van den H. Benediktus. Allen begaven zich naar Pepijn, en waren gelijktijdig met den H. Willebrord in deze streken werkzaam. Het is eene geheele reeks van heiligen, door God gelijktijdig verwekt, om

-ocr page 48-

46

het Christendom onder onze voorvaderen te vestigen. Willebrord schittert als het glansrijke middelpunt , het hoofd, de leider dier luistervolle omgeving. Het was als een leger, met rijp overleg in geregelde slagorde geschaard, om het heidendom van Friezen en Saksen met alle kracht op verschillende punten te bestrijden. Van het noorden van Holland langs Utrecht en Teisterbant, verder langs Gelderland en Limburg kunnen wij als eene lijn trekken tot aan Westphalen, waar de H. Suid-bertus het geloof predikte bij de Brukteren en de beide H. Ewalden doordrongen tot bij de Saksen. Aan den H. Willebrord behoort de roem de beleidvolle aanvoerder dier aanzienlijke schare van krijgsknechten geweest te zijn, en ze door zijn ijver, voorbeeld en woord met geestdrift te hebben bezield.

§ 13-

De H. Willebrord bouwt te Emmerik eene Kerk. — De H. l.e Trier. — De H. Irmina. — Echternach. — Klooster te Ech-ternach door den H. gesticht. —Hij sticht een klooster te Trieiv

De Friesche koning Radboud was naar het noorden des lands teruggedrongen, zijne macht gefnuikt

-ocr page 49-

47

en tusschen Friezen en Franken de vrede gesloten. Het was echter duidelijk genoeg te zien, dat de bedwongene maar niet uitgeroeide krachten der eersten er naar streefden om zich op te richten. Het gevaar bestond, dat de pas gebouwde kerken door de heidenen zouden worden verdelgd, en dat de H. Willebrord met al zijne medearbeiders zou worden gedood of verdreven. De voorzichtige bisschop was op deze gebeurlijkheid bedacht, en wist bij tijds een veilig toevluchtsoord te vinden.

Reeds in het derdejaar na zijne bisschopswijding in het begin van 6g8 scheepte de H, Willebrord zich in op den Rhijn. Vermoedelijk zette de heilige tijdens deze reis voet aan wal te Emmerik, waar wij hem reeds eenmaal hebben aangetroffen; en verkondigde daar eenigen tijd het evangelie. Volgens de oude papieren van het kapittel te Emmerik werd de oude St. Maarterskerk omtrent 700 door den H. Willebrord gebouwd, en van ouds de Munsterkerk genoemd. Deze eerste kerk bestaat niet meer, en werd in het jaar 1104 door eene tweede vervangen, die nog gedeeltelijk aanwezig is, gedeeltelijk door den Rijn is weggespoeld, en gedeeltelijk weder bijgebouwd. Zoowel in de kerk als in de krypta zijn muurschilderingen ontdekt

-ocr page 50-

48

en ontbloot, waarop de H. Willebrord duidelijk voorkomt.

In het najaar van 698 kwam de H. Willebrord te Trier. In deze grijze stad aan de fraaie en vruchtbare oevers van den Moesel, wier bisschoppen opklommen tot de aposteltijden, leefden destijd de H. Basin, aartsbisschop van Trier, die wegens zijnen ouderdom zich aan zijne bediening had onttrokken, in de abdij van den H. Maximus, en de H. Ludwin, die hem als zoodanig was opgevolgd. Door dezen werd de H. bisschop voorgesteld aan de H. Irmina. Zij was eene dochter van koning Dagobert II, die in den bloei harer jeugd verloofd was aan zekeren graaf Herman, Toen echter voor den dag haars huwelijks haar bruidegom plotseling aan het leven werd ontrukt, had zij op zeventienjarigen leeftijd in 679 voor immer vaarwel gezegd aan de wereld, en hare maagdelijkheid aan God ten offer gebracht. Zij had dien ten gevolge, gelijk Thiofried getuigt, te Trier het Maria-klooster van Oeren gesticht. Zij was daar thans abdis, en volgens denzelfden schrijver een balsemgeur van godsvrucht, eene lelie van maagdelijkheid, eene milde uitdeelster van weldaden, een spiegel van reinheid, een weldoenster van verscheidene kerken.

-ocr page 51-

49

Wellicht begat de H. Willebrord zich niet tot Irmina buiten aanraden van zijn vroegeren leermeester den H. Wilfried. Deze toch had immer de erkentelijke vriendschap genoten van haar vader Dagobert II en zelfs van hem de stichting der vroegere Thomas-kapel te Utrecht verkregen. Wilfried maakte nu van deze vriendschap wellicht gebruik, om den H. Willebrord aan te bevelen aan deze heilige, die, in Engeland geboren en daar opgevoed, hem niet onbekend was gebleven.

De koninklijke maagd was ten zeerste ingenomen met de groote en heilrijke plannen van den H. Willebrord. De Triersche aartsbisschoppen lieten het den H. aartsbisschop tevens niet aan hunne broederlijke voorspraak ontbreken. Het gevolg van dit alles was, dat op I November 698 door de H. Irmina een schenkinsgsbrief werd uitgevaardigd, waardoor zij aan den apostel der Friezen het kleine klooster afstond, dat zij onlangs te Echternach had opgetrokken, benevens de kloosterkerk van de glorierijke Maagd Maria en de latere parochiekerk der H. apostelen Petrus en Paulus. Tegelijkertijd schonk zij hem al de gebouwen, akkerlanden, weiden, kudden, vee, lijfeigenen, met één woord alle bezittingen zoo van zaken als personen, die

4

-ocr page 52-

So

zij te Echternach van vaderlijke en moederlijke zijde geërfd had.

Deze vorstelijke schenking van de H. Irmina moest volkomen aan het doel van den H. Wille-brord beantwoorden. Echternach toch is een eenzaam, rustig en liefelijk oord, zeer schoon in het midden der Ardennen gelegen, en door het riviertje de Soere of Sauer besproeid. Eene ruime bergkom, gevormd door de samenvloeiing van verschillende diepe valleien of ravijnen, die henen kronkelen tusschen hoogere en lagere heuvelreeksen, was de bevoorrechte plek, waar het klooster en de beide kerken waren gebouwd. Rondom het stadjen verheffen zich, hier nader bij, ginds verder af, zeven verschillende heuvelen. Nu eens rijzen zij in de hoogte met zachte hellingen, die donkere dennenbosschen, groenende weilanden, vruchtbare akkers, allerlei plantingen, en hier en daar enkele schilderachtig gelegene woningen aan het oog vertoonen. Dan weder staan zij daar als grijze rotsen, rijzende tot de hoogte van eenige honderden voeten, en waarlijk trotsche gezichten opleverende.

Zoodra de eerste schenkingsbrief was uitgevaardigd , haastte de H. Willebrord zich naar deze schoone plek. Hij wijdde volgens de bestaande over-

-ocr page 53-

SI

leveringen de beide kerken persoonlijk in. Daarna keerde hij weder te Trier tot de H. Irmina, die hem met koninklijke vrijgevigheid een tweeden .schenkingsbrief ter hand stelde. Hierbij voorzag zij deze kerken van gouden en zilveren vaten, met edelgesteenten versierd, van gewaden, altaarkleeden, voorhangsels, koper en ijzerwerken en van allerlei benoodigdheden.

De H. Willebrord regelde in het klooster de bezigheden der kloosterlingen volgens de voorschriften van den H. Benediktus, en verdeelde ze tusschen het gebed en den arbeid. Hij legde hier eene kweekschool aan voor kundige en heilige priesters, die later als ijvervolle zendelingen zouden kunnen optreden. Hij wijdde er ook eene bijzondere zorg aan toe, om behoorlijk te voorzien in de opvoeding, der kinderen, die door de ouders aan zijn klooster werden toevertrouwd.

Op den isten Juli 699 vermeerderde de H. Irmina nogmaals hare schenkingen voor de aan-gevangene stichting. Zij schonk aan den heilige op dien dag haar landgoed te Berg of Rheinberg aan den Moesel in de gouw van Zulpich.

Het klooster door den H. Willebrord gesticht zou eene srroote weldaad worden voor Luxemburg,

-ocr page 54-

52

Duitschland en ons vaderland. Het moest een ge-vvichtigen en heilzamen invloed uitoefenen op de omstreken. Het was de aanvang van het werk, dat de H. Bonifacius met zooveel zegen zou voortzetten in Duitschland. Het zou eeuwen lang een tal Nederlandsche gemeenten van priesters en zielzorgers voorzien.

De H. Willebrord, terwijl hij zich aldus in de jaren 698 en 699 beurtelings te Echternach en te Trier ophield, vond gelegenheid om ook in laatsgenoemde stad een heilzaam werk te verrichten. De H. Ludwin had hier het zeer beroemde klooster gesticht van de H. Maria der martelaren ter plaatse, waar vroeger het kapitool had gestaan of het paleis der Romeinsche prefekten van Gallic , en zelfs der Romeinsche keizers, wanneer zij dit wingewest bezochten. Aangezocht door den genoemden heiligen bisschop gaf Willebrord aan dit klooster zijne inwendige inrichting, voerde er den regel van den H. Benediktus in, en vestigde er door Pepijns milde ondersteuning eene leerschool voor deugd en wetenschap, die rijke vruchten zou dragen.

-ocr page 55-

§ 14

S3

De H. Willebrord weder te Utrecht en in Holland. — De H. Wulfram. — De H. Willebrord en de H. Wulfram bij Radboud te Stavoren. — De H. Willebrord bij de Denen. — Bezoek op Fositeland. — Doodsgevaar van den Heilige.

In het begin van 700 of iets later keerde Willebrord over Emmerik naar Utrecht terug. In zijne bisschopstad verbleef hij, naar het schijnt eenigen tijd, en doorkruiste daarna tot aan het begin van 702 andermaal Holland en Teisterbant.

Doch de vlam der Goddelijke liefde rust nooit, en de H. Willebrord verloor nimmer het doel, dat hij zich had voorgesteld, de bekeering van het eigenlijke Friesland uit het oog. De omstandigheden noodigden hem om daartoe nogmaals eene krachtige poging aan te wenden. De echt van Theodesinde, dochter van Radboud met Gri-moald Pepijns zoon, de heerschende vrede tusschen Friezen en Franken, de bloei van het Christendom in Holland en langs den Rhijn, dit alles deed den heilige besluiten, rechtstreeks aan Radboud de vergunning te vragen, om in het eigenlijke Friesland het H. evangelie te mogen verkondigen.

-ocr page 56-

54

Om te beter te slagen riep hij de hulp in van don Frankischen bisschop, den H. Wulfram.

Deze heilige, in \'t jaar 650 te Maurillac in t landschap Wastines geboren, was opgevoed aan het koninklijk hof, doch omhelsden den priesterlijken stand. Na den dood van den H. Amatus bisschop van Sens, en na den dood of de verwijdering van Landbertus, tijdelijken bestuurder van dat bisdom, werd Wulfram in 690 tot bisschop van Sens benoemd. Aangemaand door eene hoogere ingeving onttrok hij zich in 695 aan zijn diocees, en besloot hij zich aan de bekeering der Friezen te wijden. Hij verzocht den abt van Fontanelle aan de seine om eenige medearbeiders, en stak met dezen onder voor kennis en bescherming van Pepijn naar Friesland over. Daar stelde hij zich in betrekking met den H. Willebrord, die hem met opene armen ontving. Uit alles blijkt, dat de H. Wulfram vooral werkzaam was te Medemblik, waar hij menigmaal in aanraking kwam met het koninklijk hof van Radboud, die hier een kasteel bezat. Pepijn liet het den Frankischen bisschop niet aan de ondersteuning van zijn machtigen arm ontbreken. Gangulphus, een Burgondisch edelman aan het hoofd van een tal krijgsknechten,

-ocr page 57-

55

werd den heilige ten dienste gesteld. Deze heilige legde op verzoek van Wulfram den eersten grondslag van eene kerk te Oostwoud, aan den oostelijken zoom van het Kreilerwoud. Later keerde hij terug naar Frankrijk, doch werd hier op aanstoken zijner eigene echtgenoote door den misdadigen echtbreker, waarmede zij zich had ingelaten, vermoord.

In het begin van 702 vervoegde zich de H. Willebrord te Medemblik bij den H. Wulfram. Met offervaardiger! moed besloten beiden zich naar koning Radboud te begeven.

Aan de oostzijde van een der noordelijke vertakkingen van het Almeri lag destijd Stavoren, Het was eene machtige handelplaats, waar allerlei koopwaren uit Gallic in het zuiden, uit Engeland in het westen, uit Scandinavië in het noorden werden aangevoerd. Hier hield koning Radboud zijn hof. Hierheen begaven zich de H, bisschoppen.

De Friesche koning ontving de beide heiligen en hun gevolg met eerbied en zekere welwillendheid. Doch toen de H. Willebrord begon hem de dwaasheid der afgoderij en de waarheid van het evangelie voor te houden, en op de vergunning aan te dringen, om deze H. leer aan

-ocr page 58-

56

zijn volk te verkondigen, toen bleek hij onverzettelijk te zijn. Zijn afschuw van vreemden invloed en vooral van de Frankische heerschappij, die door het bijzijn van den H. Wulfram niet verminderd werd, maakte hem ontoegankelijk voor al de redenen van den H. apostel, en zijn steenen hart was niet te vermurwen door diens liefdevolle taal. Wij kunnen het ons voorstellen, hoe groot de teleurstelling der beide bisschoppen was, toen zij al hunne verwachtingen verijdeld zagen. Het bleek, dat Radbouds belofte om zich te laten doopen niet oprecht gemeend was geweest. Diep bedroefd zagen zij, hoe zij voor het oogenblik te vergeefs voor de bekeering van Friesland pogingen in het werk zoude stellen, en onverrichter zake gingen zij heen.

Nu vatte de H. Willebrord het plan op om den naam van den gekruisigden Verlosser te gaan prediken bij de Denen, die door godsdienst en verdragen met de Friezen verbonden waren. Onder die Denen hebben wij verschillende volkjes te verstaan, die in de omstreken van en boven den Eider de kusten en eilanden der Noordzee bewoonden. Over een dezer uiterst barbaarsche volkjes heerschte koning Ungenthouw of Ungundus.

-ocr page 59-

57

Dezen heidenschen vorst met zijn volk wilde de H. Willebrord zoeken te gewinnen, om langs dien weg ook Friesland voor het rijk Gods te veroveren. Noch de moeilijkheden der lastige zeereis, noch de gevaren, die hem onder deze woeste barbaren konden bedreigen, noch de onzekerheid van den goeden uitslag, konden den fieren geloofsmoed afschrikken van den apostel, die alles veil had om zielen voor Christus te gewinnen. Hij stevende met een talrijk gevolg en voorzien van al het noodige over de grillige en onafzienbare golven der Noordzee naar de kusten der Denen. Zijne reis was voorspoedig, en vol hoop stapte hij met al de zijnen aan land. Helaas! hoe bitter zou ook hier die edele hoop teleurgesteld worden! Ungen-theow, zegt Alewijn, was wreeder dan eenig wild dier, en harder dan alle steenen. Wel ontving hij Willebrord met eenig ontzag, doch hij bleef doof voor al wat diens zachtzinnige ijver liet gelden , om de waarachtigheid, heilzaamheid en Goddelijkheid van het Christendom in het licht te stellen. Alle pogingen van den H. aartsbisschop leden schipbreuk. Het eenige, wat hij onder dit onverzettelijke volk kon uitvoeren, was een dertigtal jeugdige slaven of lijfeigenen te koopen, en dezen in het geloof te onderrichten. Zijn plan was deze

-ocr page 60-

58

jongelingen tot priesters en geloofsverkondigers te vormen. Zoodra zij genoegzaam onderwezen waren, haastte hij zich, ze te doopen uit vrees, dat zij soms op zee of door kwaadwilligheid zonder dit H. Sakrament het leven zouden verliezen.

Op de terugreis van den heilige ontstond eene zware storm op zee, die zijn schip wierp op het strand van een eenzaam eiland. Het was Helgoland, gelegen tegenover de monding der Elbe, een der hoofdzetels van het heidendom, en naar den afgod Fosite Fosite-land genoemd. Hier was een vereenigingspunt voor de heidensche godsdienstplechtigheden der naburige volken. Op straffe des doods was het verboden een levendig dier van het eiland te slachten, en iets, wat er groeide, te nuttigen. Ook mocht men niet spreken, terwijl men putte uit de gewijde bron.

Op het oogenblik, dat de H. Willebrord landde, bevond zich daar toevallig ook Radboud, om een godsdienstig feest te vieren. Om op sprekende wijze het bijgeloof der Friezen te beschamen, liet Willebrord van het vee slachten, dat zich op het eiland bevond, en doopte hij drie zijner nieuwe Christenen met het water der bron onder het luide uitspreken der doopwoorden. Te vergeefs zagen

-ocr page 61-

59

dc Friezen uit naar de wraak van hunnen afgod. Zij haastten zich, toen er niets gebeurde, hunnen koning van het voorgevallene te onderrichten. Radboud ontstak in hevigen toorn over deze stoute ontwijding van zijn geliefd heiligdom. Drie achtereenvolgende dagen liet hij het lot werpen over Willebrord en zijne volgelingen, om uit hen een menschenoffer te kiezen. God echter beschermde de H. bisschop. Het lot viel op een zijner volgelingen . die den dood stierf der martelaren.

Nu ontbood de vorst Willebrord voor zich, en verweet hem, dat hij zijn heiligdom onteerd en zijn god gesmaad had. Doch de onverschrokken getuige van J. C. gaf hem ten antwoord: het is geen god, die gij vereert, o koning! maar de duivel, die u in eeae ellendige dwaling gevangen houdt. Want er is slechts één God, Die hemel en aarde geschapen heeft, en al wat er in is. Die Dezen vereert, heeft het eeuwige leven. Ik ben zijn dienaar, en bezweer u heden, aan de dwaasheid der oude dwaling van uwe vaderen toch eindelijk vaarwel te zeggen,, in eenen almachtigen God te gelooven, door het doopsel in de bron des levens al uwe zonden af te wasschen , en met aflegging aller goddeloosheid en ongerechtigheid voortaan als

-ocr page 62-

6o

een nieuw mensch matig, rechtvaardig te leven. Zoo doende zult gij met God en zijne heiligen het eeuwige leven bezitten. Indien gij echter mij, die u den weg des levens aantoon, versmaad, weet dan, dat gij de eeuwige straffen der hel met den duivel, dien gij aanhangt, zult ondervinden.

De koning stond verbaasd over deze moedige taal van den edelen geloofsbelijder, en had eerbied voor diens onverschrokken doodsverachting. Ik zie, zeide hij , dat gij onze bedreigingen niet vreest, en dat uwe woorden gelijk zijn aan uwe daden. Hierop zond hij den onversaagden apostel naar Pepijn terug.

§ IS-

Bezoek van den H. Wilfried. — Schenkingen aan den H. VTillebrord. — De Heilige geneest de pestzieken.

Toen Pepijn in 702 den H. aartsbisschop behouden terug mocht zien na het groote gevaar, waaraan hij was ontsnap, was hij ten zeerste verheugd Hij verzocht hem zijn apostolischen arbeid in de streken, die aan zijn gebied onderworpen waren, voort te zetten. Terwijl de H. Willebrord op die wijze bezig was , ontving hij in \'t najaar

-ocr page 63-

6i

van 703 met veel vreugde een bezoek van zijn vroegeren abt en leermeester, den H. Wilfried aartsbisschop van York. Deze begaf zich in gezelschap van den H. Akka en van zijn vriend Eddi Stephani en van andere geestelijken in het najaar van 703 naar Rome, om recht te zoeken bij den apostolischen stoel, daar hij andermaal wederrechtelijk vervallen was verklaard van zijn bisschoppelijke zetel te York. Hij nam, gelijk ons Beda getuigt, zijnen weg over Friesland en Utrecht, en verbleef waarschijnlijk gedurende den winter van 703 bij zijn ouden leerling en vriend, den H. Willebrord.

Dit verblijf had zeer zeker zijn doel. Het bleef niet zonder invloed op den kerkelijken eeredienst, den kerkzang, de wetenschap, de kunst, de tucht, in de kerk van Utrecht. Het haalde de banden nauwer aan tusschen Nederlands kerk en die van Engeland. Het bevorderde het streven der Evangelie-verkondiging in de richting van Duitschland, en legde de grondslagen van den lateren werkkring van de H. Bonifacius.

De H. Wilfried zette zijne reis voort naar Rome in het voorjaar van 704. Het heeft wel eenigen schijn voor zich, dat zij de Maas opvoeren, een bezoek brachten aan den H. Lambertus

-ocr page 64-

62

te Maastricht, en misschien ook aan Pepijn van Herstal. Van daar zal dan hun weg gegaan zijn over Echtemach, Trier en Thuringen. In het jaar 704 toch ontving de H. Willebrord, zooals blijkt uit de schenkingsbrieven, in Thuringen, Trier en Limburg zeer rijke schenkingen. De zeventigjarige Wilfried liet niet na, de belangen der kerk van Nederland door zijn vermogenden invloed bij verschillende personen in deze streken aan te bevelen.

Op 1 Mei 704 stond Hedan II, hertog van Thuringen met zijne echtgenoote Theodrada den H. aartsbisschop niet zonder toedoen van den H. Wilfried eene aanzienlijke bezitting af. Later komen wij hierop terug. In Thuringen namen de beide heilige vrienden van elkander afscheid, zij zeiden elkander voor goed vaarwel, en begrepen, dat zij elkander in deze wereld niet meer zouden wederzien.

Van Thuringen keerde Willebrord terug naar Trier. Nog bezitten wij de drie schenkingsoorkonden, die hier de H. Irmina op den 8sen Mei 704 ten gunste van den H. bisschop bij deze gelegenheid liet opmaken. De eerste betrof de wijnbergen gelegen bij het H. Kruis te Trier, de tweede hare bezittingen in de villa

-ocr page 65-

63

Steinheim aan de Sauer of Soere, en de derde een gedeelte in het landgoed Cabricum en in het landgoed Badelingen niet verre van Echternach. Zoo legde de dochter van Dagobert II jegens den H. Willebrord de gevoelens van achting en erkentelijkheid aan den dag, die haar bezielden voor den H. Wilfried, den ouden vriend haars, vaders welke haar tijdens hare jeugd in Engeland had gekend, en haar thans in zijn ouderdom nog met een bezoek had vereerd.

Bij deze of bij eene volgende gelegenheid , terwijl de H. Willebrord te Echternach vertoefde, werd het volgende wonder door hem verricht. Eene hevige pestziekte was te Trier uitgebroken. Ook in het klooster van O. L. Vrouw van Oeren drong deze besmettelijke ziekte door. De H. Irmina had een groot vertrouwen op de heiligheid en de gebeden van den H. Willebrord, en liet hem verzoeken te Trier te komen, om door zijn voorspraak haar klooster te bevrijden van die vreeselijke plaag, welke er reeds verscheidene slachtoffers had ge-eischt. Met veel liefde voldeed de H. bisschop aan haar verzoek, kwam in haar klooster, droeg er het H. Misoffer op, besproeide de vertrekken met wijwater, en gaf dit aan de kranken te drinken, Alle werden hierdoor spoedig genezen ,

-ocr page 66-

64

en geen enkele zieke stierf meer aan de be smetting

In den herfst van het jaar 704 keerde de heilige over Maastricht en Limburg naar zijn bisdom terug. Wij vinden hem op den isten October van dit jaar te Bittiene bij Maaseik. Hier schonk hem Aengilbold, zoon van Hildebold, al wat hij bezat in de villa Waetriloe (\\Vaalre) aan de Dommel. Deze gift is voor zooverre wij weten, het eerste aanknoopingspunt der latere werkzaamheden van den heilige in Toxandria of Noord-Brabant.

§ 16.

De Heilige bezoekt Walcheren. — Hij werpt een afgodsbeeld neêr. —- Wonder te Vlissingen.

Na hierop gedurende den winter te Utrecht te zijn verbleven r ondernam de ijvervolle apostel met frisschen moed op acht en veertig jarigen leeftijd ondanks al de gevaren, die hem wachten, eene evangeliereis naar Zeeland. In het voorjaar van 705 landde de H. Willebrord op Walcheren; het rijkste en schoonste van Zeelands eilanden. Op het westelijk punt van Walcherens oever, dat het meest in de onstuimige Noordzee vooruit stak,

1 Alcuin Vita c. XX.

-ocr page 67-

65

lag Westkapelle, destijds Walcherens voornaamste stad of vlek. In latere dagen werd het weggespoeld door de onstuimige golven, en lag reeds in 1551 verder dan eene mijl in zee. Hier stapte de onverschrokken apostel aan wal, nadat hij zijn weg over de woelige Noordzee had genomen. Op sprekende en afdoende wijzen begon de heilige hier zijne prediking. Hij gebruikte geen lang betoog om de dwaasheid der afgoderij in het licht te stellen. Hij wist dat het bestaan van een eeuwigen en hoogst volmaakten God natuurlijker wijze door \'s menschen rede wordt aangenomen ; indien maar de verwarring van het bijgeloof wordt verwijderd, en de dwaling geen voedsel in de hartstochten vindt.

Er stond te Westkapelle een steenen beeld; dat als de god Wodan of Mercurius werd vereerd, en waarvoor men zelfs menschenoffers slachtte. Een dwaas bijgeloof schreef aan dien afgod een bijzondere kracht toe. De H. Willebrord, bezield met vurigen ijver voor den eeuwigen God, rukte onder het oog van allen het afgodsbeeld van zijn voetstuk, en verbrijzelde het in het bijzijn der wachters. Bij het zien dier onverwachte en stoutmoedige daad, ontstaken zij in een hevigen toorn tegen den vreemdeling, die zulk een smaad aan

5

-ocr page 68-

66

hunne godsdienst aandeed. Een van hen trok het zwaard, en hieuw er den heilige meê naar het hoofd. De slag raakte, maar schaadde hem niet. God beschermde zijnen dienaar. Bij het zien van de woede der wachters wilden de dienaren des heiligen met geweld te keer gaan. Doch de zachtzinnige Willebrord belette het hun, en wilde zich over de aanranding zijns levens niet wreken. De afgodendienaar, die den heilige wilde dooden, werd echter door den duivel bezeten, en stierf ten derden dage.

Willebrords prediking, arbeid, gebed en deugden droegen hier de schoonste vruchten. De heilige bezocht de voornaamste punten van het gansche eiland. Op de plaats zijner aankomst, te West-kapelle, stichtte en wijdde hij de eerste christelijke kerk van het eiland, plaatste er een priester bij, en droeg later zorg voor hare standvastige bediening. In deze kerk werd de H. Willebrord na zijn dood op bijzondere wijze vereerd. De inwoners van Westkapelle verkozen Willebrord tot hunnen beschermheilige, en verzochten aan de abdij van Echternach, dat eenigen zijner gebeenten binnen hunne kerk mochten rusten. Een rijk versierd kistjen met de gewenschte kostbare relieken werd dien ten gevolge het eigendom der

-ocr page 69-

6;

kerk. Sedert dien tijd beijverden de geloovigen van gansch Walcheren zich om strijd, om in dit bedehuis vurig en vertrouwend de voorspraak van den H. Willebrord te komen aanroepen.

De H. Willebrord doorkruiste geheel Walcheren, en zal eveneens daar, waar thans Vlissingen is, vertoefd hebben. Hier greep waarschijnlijk plaats, wat Alcwijn verhaalt. Toen de heilige priester Gods, zegt hij, op zekere plaats zijnen weg voortzette, zag hij twaalf arme bedelaars, die gezamenlijk van de voorbijgangers eenige tegemoetkoming verzochten. Daar hij allerzacht-aardigst was, zag hij welwillend op hen neêr, en gelaste, aan een zijner dienaars zijne bijzondere flesch te nemen, en aan de armen van Christus in te schenken. Al de twaalf dronken hieruit, totdat zij verzadigd waren. Toen zij weggingen werd de flesch, waaruit zoovelen gedronken hadden, even als te voren vol van den besten wijn bevonden. Toen men dit zag, zegenden allen God, onzen Heer, en zegden: waarlijk is ten onzen opzichte vervuld, wat in het evangelie gezegd wordt: geeft en u zal gegeven worden. Aan dit wonder zou Vlissingen zijn naam te danken hebben, en daarom zou de stad een zilveren flesch op een rood veld in haar

-ocr page 70-

68

wapen dragen. De kerk van Vlissingen is sedert haar ontstaan aan den H. Willebrord toegewijd.

Te Vlissingen stak de heilige de Westerschelde over naar Vlaanderen. Hier zal hij te Breskens in het land van Kadzand Jesus\' heilig kruis geplant hebben. Te Wulpen (tusschen Veurne en Nieuwpoort) en te Middelkerke (tusschen Nieuw-poort en Ostende) zijn de kerken aan hem toegewijd. Zelfs tot in Greveldingen, dat oorspronkelijk S. Willebrord heete en de hoofdplaats was van den pagus S. Willebrordi\'), en te Clemen-kerke zal hij de stichter der eerste kerk geweest zijn. Vooral langs de zeekust schijnt hij met kracht werkzaam geweest te zijn.

§ 17-

Dood van den H. Irmina. — Dood van den H. Lambertus. — De H. Willebrord in Noord-Brabant.

Willebrords werkzaamheid in Zeeland was vermoedelijk de aanleiding, dat hij in het volgend jaar 706 weder Echternach en Trier bezocht. Door de uitbreiding van het Christendom in dit nieuwe

1

Zie Alberdingli Thijm, Karei de Groote bl. 50.

-ocr page 71-

69

gewest, moest zich de behoefte aan een groot getal priesters doen gevoelen, en Echternach was na Utrecht vooral de kweekschool, welke hij had aangelegd om ze te vormen. Het is niet onmogelijk, dat deze behoefte aan priesters invloed had op eene aanzienlijke schenking. De hofmeier Pepijn en zijne gemalin Plectrudis stonden den 13den jVfei 706 aan den H. Willebrord de tweede helft van Echternach af. Zoo werd geheel Echternach het eigendom van het klooster, dat van nu af aan eene schoone toekomst te gemoet

g\'ng-

Eenigen tijd hierna schijnt de H. Irmina overleden te zijn. In het jaar 710 toch vinden wij zekere Anastasia als abdis van de kloostermaagden te Oeren. In deze heilige verloor Willebrord eene groote weldoenster, die de eer heeft door hare koninklijke schenkingen vaste grondslagen voor Echternachs abdij te hebben gelegd, en de latere mildheden van Pepijn te hebben voorbereid. Zij stierf den 24sten December, en wordt op dien dag als heilige vereerd.

Omtrent denzelfden tijd verloor de H. Willebrord mede een vermogenden en heiligen vriend. Op den 17 September 708 of 709, werd de H. Lambertus bisschop van Maastricht wreedaardig

-ocr page 72-

vermoord. Dodo, verbitterd tegen den heilige, omdat hij zich tegen het overspel zijner zuster Alpais met Pepijn van Herstal vroeger had verzet, en thans hem en zijne partijgenooten hunne wanordelijkheden weder onder het oog had gebracht, overviel met een getal gewapende lieden des nachts den H. Lambertus te Luik in zijn huis, toen hij uit de aangrenzende kerk terugkeerde. De heilige met de armen kruislings over elkander werd door eene spies getroffen en doorboord.

Deze marteldood, die door den H. Willebrord diep werd betreurd, werd voor hem de bron van vele werkzaamheden in Toxandrië. De H. Hubertus opvolger van den H. Lambertus wijdde zich vooral aan de bekeering der Ardennen, zoodat hij de evangelieverkondiging in Toxandric de eerstvolgende jaren aan den H. Willebrord grootendeels overliet.

De heilige kreeg hier bezittingen, en bouwde ook kerken te Busloo, het Bosch op de hoogte, ot het latere Js Hertogenbosch, te Bern bij Heusden, te Alphen, te Osne of Os. Op deze laatste plaats wordt nog een S. Willebordusputje aangetroffen. Ook te Baschot, te Hulsel, te Hapert, te Diesen, te Vlierden, te Deurne en te Poppel gewerden hem schenkingen en stichtte hij gemeenten. Te Bakel

-ocr page 73-

wijdde hij eene kerk ter eere van de H. apostelen Petrus en Paulus en van den H. bisschop Lambertus.

Vooral gedurende de jaren sedert den dood van den H. Lambertus in 709 tot 720 treffen wij den heilige op deze verschillende punten van Toxandrië aan. Hij ondervond in dit gewest dankbare medewerking, openhartige en dienstvaardige vriendschap, gulle gastvrijheid en offervaardigheid. Hij beantwoordde daaraan door algeheele toewijding. De milde geschenken, die hij ontving, gebruikte hij om nieuwe kerken te stichten, af aan de bestaande de noodige bezittingen te verzekeren. Hij nam die goederen aan niet voor zich, maar als onontbeerlijke hulpmiddelen, om in de passende vorming en het betamelijk onderhoud der priesters en herders te kunnen voorzien. Ook de eeredienst bracht geen geringe kosten mede, en tevens had hij te denken aan lijders en behoeftigen. Toen hij deze bezittingen overdroeg aan de abdij van Echternach, ging deze verplichting ook op haar over.

§ 18.

Susteren. — Klooster door den H. Willebrord daar gesticht.— Schenking van Ansbald en van Pepijn. — Aandenken aan den Heilige te Susteren. — Zijne zachtzinnigheid.

Drie of vier uren ten noorden van Maastricht ,

-ocr page 74-

72

een uur ongeveer ten oosten der Maas , ligt aan de oude Romeinsche heirbaan , die van Tongeren over Maastricht naar Xanten liep, een lief en merkwaardig vlek, Susteren genaamd. De omstreken, die het omgeven, zijn vruchtbare akkervelden, afgewisseld door menigvuldig houtgewas, terwijl zich hier en ginds ten oosten en ten noorden vrij uitgestrekte bosschen vertoonen, die de fraaiheid der streek met hunne donker groene dennen en statige eiken niet weinig verhoogen. Door het vlek slingert een klein riviertjen ofliever eene snelvlietende beek, die te Bronsheim ontspringt, reeds in het jaar 714 de Suestra heette, en haar naam aan het vlek heeft medegedeeld. Het vlek moet reeds bevolkt geweest zijn ten tijde der Romeinen, zooals blijkt uit verschillende Romeinsche voorwerpen, daar gevonden. In lateren tijd verhief het zich tot eene stad, die geruimen tijd bloeide.

De H. Willebrord schijnt dit vlek het eerst bezocht te hebben in het jaar 704, toen hij terugkeerde van Echternach, en zich ophield in de omstreken van Maaseik. Toen reeds legde hij waar-schijnlijk de eerste grondslagen van het klooster, dat hier later verrees. Door zijne bemoeiingen kocht Pepijns gemalin hier een landgoed van Al-

-ocr page 75-

73

bericus en Hadericus, en liet met bewilliging van Pepijn hier een kerk en klooster bouwen. De H. Willebrord had ongetwijfeld sedert den eersten aanvang de hand in deze gewichtige stichting.

Dit klooster werd oorspronkelijk voor monniken ingericht, en was reeds in 711 voltooid en voltrokken. Wij vinden er Willebrord den 24-ten October dezes jaars. Ansbald, die zich in een schenkingsbrief, dien hij toen maakte en daar te Susteren aan den H. Willebrord Busloo \'), later S. Bosch, afstond, behoorde vermoedelijk daar ter plaatse te huis. De zamenkomst tusschen hem en den H. Willebrord duidt dit genoegzaam aan. Ook noemt hij den H. bisschop zijnen hoogst beminden Vader.

In 714 werd Pepijn van Herstal door eene ernstige ziekte aangetast. Hij lag op het krankbed uitgestrekt in zijn lustverblijf te Bakel, en voelde langzamerhand zijn einde naderen. In dien toestand besloot hij het voortbestaan van het klooster te verzekeren en op geregelden voet te brengen. Hij stond derhalve klooster en kerk aan den H. Willebrord als abt af in het bijzijn van vijf abten.

!) In het testament lezen wij Busloth. De lezing Haeslaos in den schenkingsbrief is hoogst waarschijnlijk foutief.

-ocr page 76-

74

Waarschijnlijk was het klooster, gelijk zeer vele kloosters van dien tijd niet slechts voor kloosterbroeders maar ook voor kloostervrouwen ingericht. Mabillon althans beweert, dat dit klooster van den beginne door vrouwen is bewoond, en de schenkingsbrief is ook na Plectrudis door eene abdis onderteekend. Later werd dit klooster een uitsluitend vrouwelijk stift. Gedurende geheel zijn leven bleef de H. Willebrord er zorg voor dragen, en meermalen bezocht hij het. Eene innige betrekking ontstond hierdoor tusschen den bisschop-pelijken zetel van Utrecht en deze abdij, die aan den H. Willebrord geschonken was.

De H. Gregorius, een bloedverwant der Frankische koningen en kleinzoon van de H. Adela, die na den H. Bonifacius 22 jaren het bisdom bestuurde , en in 776 overleed, vertoefde meermalen in dit klooster. Zijne moeder, de gelukzalige Was-trada, had hier geleefd, en was er begraven. Ook zijn neef en opvolger op den bisschoppelijken zetel te Utrecht, de H. Albericus, die stierf omtrent het jaar 783, zal meermalen Susteren hebben bezocht.

Het stift bleef bestaan tot aan de fransche revolutie, en werd alsdan domeingoed. Susterens grijze kerk staat echter nog, ofschoon in gebrekkigen toestand, en verdient nog immer met eerbied en

-ocr page 77-

7 5

liefde bezocht te worden. Op deze plek heeft voor twaalf eeuwen de H. Willebrord gebeden. Hier heeft hij het woord Gods verkondigd. Hier heeft hij een werk gesticht, dat door den loop der eeuwen heen rijke vruchten bleef opleveren. Hier heeft hij den Verlosser der wereld door zijne deugden verheerlijkt.

Op zekeren dag begaf zich de H. Willebrord volgens het verhaal van Alcwijn naar het klooster te Susteren. Om zich den weg te bekorten sloeg hij het voetpad in, dat door het zaadveld van een rijken eigenaar voerde. Als de wachter van het zaadveld zulks bemerkte ontstak hij in toorn, en begon den man Gods te beleedigen. De volgelingen des heiligen wilden deze beschimping straffen. Willebrord belette het hun, en ging veeleer, toen hij den toorn des woedenden niet kon ontwapenen, langs denzelfden weg terug. Doch zie! den volgenden dag vond de ongelukkige wachter tot straf van zijn toorn en beleediging jegens den dienaar des Heeren op de eigen plaats een plotselingen dood.

§ 19-

Dood van Grimoald. — De H. Willebrord doopt den zoon van Karei Martel. — Krijg ten gevolge van Pepijns dood. — De Heilige werkman te Trier.

Uit den echt van Pepijn van Herstal met

-ocr page 78-

76

Plectrudis waren twee zonen gesproten, Grimoald en Droge. De laatste was reeds in 708 overleden. Pepijn na zijn landgoed te Brakel verlaten te hebben, ontbood Grimoald, dien hij tot ma-jordoom over Neustrië had aangesteld, bij zich te Jupille, omdat hij zijn einde voelde naderen. Griomald gehoorzaamde; doch werd, toen hij bij zijne overkomst op zekeren dag te Luik bad in het heiligdom van den H. Lambertus, door zekeren Rantgar verraderlijk vermoord. Hij liet een zoon na, Theodald, zes jaren oud, die nu door Pepijn tot zijn opvolger werd benoemd onder de voogdijschap van Plectrudis. Pepijn liet den moordenaar van Grimoald zijne misdaad door den dood boeten.

Vooraleer deze wereld te verlaten, mocht Pepijn nog eene blijde vertroosting genieten. Karei Mar-tels gemalin, Rotrude, schonk dezen een zoon. De H. Willebrord, die zich destijds waarschijnlijk te Susteren bevond, werd ontboden om het vorstelijke kind te doopen. Toen de H. bisschop het sakrament der wedergeboorte had toegediend, werd hij als bestraald door een hooger licht, en voorspelde hij de toekomstige grootheid van den doopeling. Weet, zoo sprak hij tot de aanwezigen, dat dit kind eens hoogst verheven en beroemd zal zijn,

-ocr page 79-

77

en al de voorgaande hertogen der Franken zal overtreffen. Dit kind was Pepijn, die om zijne kleine gestalte de Korte werd genoemd. Hij muntte uit door roemrijke daden, en werd de stamvader van een nieuw koninklijk geslacht.

Op den i6den December 714 stierf Pepijn van Herstal op zijn lusthuis te Jupille na eene roemrijke regeering van 34 jaren over Austrasië en van 27 jaren over geheel Frankrijk. Hij stierf als Christen, en had waarschijnlijk het geluk, den H. Willebrord, dien hij altijd ten vriend was geweest, bij zijn sterfbed aan zijne zijde te zien.

Na den dood van Pepijn kwamen de Neustriërs in opstand, en versloegen Dagobert III en Plee-trudis te Compiegne. Zij verkozen daarop Ra-ganfried tot hofmeier, die een verbond sloot met Radboud, koning der Friezen. Deze beiden versloegen gezamenlijk Karei Martel, die na den dood van Theodald en Dagobert III een leger bij Keulen had bijeen gebracht, en hun het hoofd bood. Karei Martel, die zich daarna in hinderlaag had gelegd in de Ardennen bij Amblef, overviel Raganfried bij zijn terugtocht naar Neu-striö, en bracht hem eene vreeselijke nederlaag toe, die den 21 Maart van 717 door eene tweede

-ocr page 80-

78

beslissende bij Vinci niet verre van Kamerijk werd gevolgd. Nu keerde zich Karei tegen Radboud en zijne Friezen, die ten volle werden geslagen.

O O

Gedurende dezen bloeddorstigen krijg had de H. Willebrord zich meestal te Echternach en te Trier opgehouden. Hierheen waren hem bij de verwoestingen en vervolgingen der Friezen velen van zijne priesters gevolgd. De H. Ludwin, bisschop van Trier, was in het jaar 713 overleden. Deze heilige, die vroeger gehuwd en hertog was geweest aan het hof van koning Childebert, liet een zoon na, Milo genoemd. Die ongelukidge, welke in niets aan zijn vader geleek en niets van een priester had dan de tonsuur, had zich na den dood zijns vaders in het bezit weten te stellen van diens bisschoppelijken zetel. Buitendien zou hij ook later ook dien van Rheims weten te bemachtigen. Zoolang Pepijn leefde had hij zich eenigs-zins bedwongen; doch zoodra Karei Martel aan het beheer was, had hij alle zelfbedwang afgelegd. Veertig jaren lang strekte hij te Trier en te Rheims door zijne geweldenarijen en buitensporigheden tot ergernis. Hij verwaarloosde de geestelijke belangen van zijne onderhoorigen, priesters en leeken, geheel en al. Al de zorg voor het zielenheil van het ge-

-ocr page 81-

79

heele diocees was schier overgelaten aan den H, Willebrord en de abdij van Echternach. De H, Abt en bisschop was in dit bisdom herhaaldelijk met veel vrucht werkzaam.

Tijdens zijn verblijf te Echternach ontving hij van hertog Arnulphus, zoon van Drogo, kleinzoon van Pepijn, al diens bezilttingen te Bolane ofhet tegenwoordige Bollandorf ten geschenke. Twee jaren later in 718 voegde Karei Martel er het aandeel bij, dat hij door erfenis van zijn vader ook daar ter plaatse bezat.

§ 20.

De H. Willebrord in Thuringen. — Klooster bij Hamelburg.

In het jaar 716, terwijl de krijg woedde, bezocht de H. Willebrord ten tweeden male Thuringen of de uitgebreide streek tusschen de noordelijke grenzen van Beieren en de zuidelijke grenzen van Saksen.

Hier was reeds vroeger in 686 de H. Kiliaan, een lersch priester, werkzaam geweest. Later, toen deze den marteldood had ondergaan, hadden in 704 de H. Wilfried en de H. Willebrord hertog Hedan II bezocht. Toen had deze vorst Arnstadt

-ocr page 82-

8o

en Schwarzburg, het kasteel Muehlberg, en zijne heerlijkheid Monhorne (Munchen) aan den H. abt van Echternach afgestaan. Deze had daardoor de verplichting op zich genomen, om priesters naar die streken te zenden. Zoo ontstonden in de drie genoemde plaatsen drie gemeenten, die hunnen oorsprong aan den H. Willebrord hadden te dan-ken en van hem afhankelijk waren.

Toen nu in 710 de oorlog woedde, en den H. bisschop verhinderde om in ons vaderland werkzaam te zijn, maakte hij van deze gelegenheid gebruik, om zijne priesters in Thuringen te gaan

bezoeken en het daar aangevangene werk voort te

zetten. Zoo verscheen hij ten tweeden male in dat land, en zijne komst was niet zonder heilzamen invloed voor den bloei van het Christendom. Andermaal begaf hij zich tot hertog Hedan II. Deze ontving hem met vreugde op zijn slot Hamelourg, en stond hem een gewichtig onderhoud toe over de verdere uitbreiding van het Christendom in zijne staten. Daar de oogst groot was, doch de

arbeiders, die de heilige tot zijne beschikking had,

ontoereikend waren, gaf Willebrord Hedan II den heilzamen raad, in Thuringen een klooster te stichten om in deze behoefte te voorzien. Hedan II gaf met ingenomenheid aan dit voorstel gehooi,

-ocr page 83-

8i

en stond daartoe al zijne ouderlijke bezittingen af in de nabijheid van het slot Hamelbrug gelegen.

Zoo scheen het Christendom in Thuringen eene schoone toekomst te gemoet te gaan. Het vorstelijk huis beleed den waren godsdienst, en bevorderde dien met veel ijver. Echter nog eens moest die schoone hoop verijdeld worden door den inval en de verovering der Saksen. Alle vrucht ging echter niet verloren. De priesters uit Echternach bleven in het bezit der geschonkene goederen, en hielden niet op de gestichte kerken te bedienen. Karei Martel, toen hij het land veroverde op de Saksen, vond ze daar werkzaam met echt godsdienstigen ijver. Uit de brieven van den H. Bonifacius zien wij, dat de wereld-gezinde vorst de priesters , door den H. Willebrord daar heen gezonden, juist om hunne deugd en godsvrucht verdreef.

§ 2I-

Voorgenomen doop van Radboud. — Zijn dood. — Verdere faekeering der Friezen.

Toen in 717 Radboud door Karei Martel verslagen en de vrede gesloten was, duurde het niet lang, of de H. Willebrord was terug in Utrecht

6

-ocr page 84-

82

en hadden al zijne verdrevene priesters hunne vroegere standplaatsen weder ingenomen. Ook de H. Wulfram keerde terug, en drong nu door tot in het eigenlijke Friesland , waar velen het Christendom omhelsden. Zelfs een zoon des konings bekeerde zich, doch stierf reeds, toen hij nog het witte doopkleed droeg. Dit voorval bleef niet zonder invloed op Radboud. Eindelijk gebogen door den tegenspoed en aangedreven door het voorbeeld van zoo velen, liet hij zich overhalen om het H. doopsel te ontvangen.

Tusschen Hoogwoud en Medemblik bij het kerk-jen door den H. Wulfram te Oostwoud gesticht, was alles tot den doop in gereedheid gebracht. Reeds had de vorst den eenen voet inde doopvont gezet, toen hij den H. bisschop, die gereed stond om hem het H. Sakrament der wedergeboorte toe te dienen, de vraag stelde: waar is wel het grootste getal der Friesche koningen en edelen? In het hemelsche gewest, dat gij mij toezegt, indien ik geloof en gedoopt word, of in de helsche verdoemenis ? Dwaal niet, doorluchtige vorst! antwoordde Wulfram; zeker is bij den Heer het getal zijner uitverkoornen. Uwe voorgangers, de Friesche vorsten, die zonder het Sakrament des doopsels gestorven zijn, hebben gewis het oordeel der ver-

-ocr page 85-

§3

doerrtenis ontvangen. Maar die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal met Christus de eeuwige vreugde genieten. Toen Radboud dit hoorde, trok hij zijnen voet uit de doopbron terug, en zeide hij het bijzijn zijner voorgangers, de Friesche koningen, niet te kunnen missen, om met een klein getal armen te wonen in het rijk der hemelen; ja, hij zou met die nieuwe gezegden zoo gemakkelijk niet instemmen , doch bleef liever bij die gevoelens , die hij zoo langen tijd met geheel het Friesche volk had aangekleefd. Vruchteloos riep de H. bisschop uit: ach! nu zie ik, dat de verleider des menschdoms u mede heeft verleid. Maar indien gij geen boete doet en gelooft, en in den naam der H. Drievuldigheid gedoopt wordt, zult gij de poort van het eeuwige rijk niet ingaan, en met de straf der eeuwige verdoemenis getuchtigd worden. Het was te vergeefs. Hij, die reeds zoo lang tegen het geloof gestreden had, bleef in zijn ongeloof volharden.

Radboud wilde nog den H. Willebrord ontbieden. Doch de heilige gaf, gelijk men zegt, ten antwoord: daar uw vorst de prediking van onzen heiligen broeder Wulfram niet heeft willen hooren, hoe zal hij dan naar onze woorden luisteren?

Toen nu de gezant terugkeerde, vernam hij reeds

-ocr page 86-

84

op weg, dat Radboud zonder doopsel overleden was. Drie dagen na zijn voorgenomen doop was hij uit deze wereld gescheiden.

De dood van Radboud oefende een gunstigen invloed uit op de bekeering van vele Friezen. De groote hinderpaal voor de vrije prediking van het Christendom was weggevallen. Geheele scharen zwoeren de afgoderij af. Getroost kon de bedaagde Wulfram naar het klooster van Fontanelle terugkeeren. Hij stierf in 720 op zeventigjarigen leeftijd.

§ 22.

Wursing en zijn gezin. — Zijne bekeering en vriendschap met den H. quot;Willebrord. — Zijne beide zonen. — Adelburga. — Liafburga. — De H. Ludger kleinzoon van Wursing.

Tijdens het leven van Radboud had zekere Wursing, een Fries te Wierum in Oostergouw woonachtig, omtrent het jaar 700 met zijne echtgenoote Adalgarda en zijnen eenigen zoon de vlucht genomen , en zich naar Grimoald den hertog der Franken begeven, wijl de Friesche koning hem om zijne waarheidsliefde zocht te dooden. Hier was hij met geheel zijn gezin tot het Christendom overgegaan.

-ocr page 87-

85

Behalve Nothgrim, zijn oudsten, schonk hem zijne echtgenoote nog een tweeden zoon Thiatgrim en negen dochters, en stierf daarna in vrede.

Na Radbouds dood schonk Karei Martel aan Warsing eene bezitting in het land der Friezen, en zond hem terug naar zijn vaderland tot steun van het Christendom. In het midden van schoone landouwen ligt aan de lachende boorden der Vecht het oude Zuilen , tusschen Maarssen en Utrecht. Hier vestigde Wursing zijn verblijf, na zich in het bezit van zijn eigen sterfgoed gesteld te hebben. Hier leefde hij , naar men gist, ongeveer nog 20 jaren. Flier wist hij zich aller harten te gewinnen, en werd hij een getrouwe vriend voor den H. Willebrord. Hij en zijne zonen en bloedverwanten ondersteunden den H. bisschop , zooveel zij vermochten in zijn apostolischen arbeid. De H. Willebrord had hem lief, omdat hij een braaf man was , van beproefde trouw en hoogst gezien bij het volk, en omdat hij in onthouding leefde.

Nothgrim zijn oudste zoon, trad in den echt met eene Christelijke vrouw, en ook drie zijner dochters, dé eenigen, die nog leefden, huwden tijdens het leven huns vaders in de vreeze des Heeren. Geheel die familie was zeer bevriend

-ocr page 88-

86

met den H. Willebrord en later ook met den H. Bonifacius.

Na Wursings dood huwde zijn jongste zoon Thiatgrim met Liafburga, de dochter van zekeren Nothradus en Adelburga. Deze Adelburga had vroeger hare twee broeders aan den H. Willebrord aanbevolen, om ze op te leiden in den geestelijken stand. De oudste heette Willibrath, de jongste Thiadbradt. Zij waren beiden de eersten, die uit het volk der Friezen zich aan de priesterlijke bediening wilden wijden eenigen tijd , nadat Willebrord uit Rome was teruggekeerd. Beiden echter stierven voordat zij nog priester waren gewijd.

Liafburga, door eene bijzondere bescherming der Goddelijke Voorzienigheid, toen zij nog kind was , in het leven behouden, schonk aan Thiatgrim een zoon, die door zijne heiligheid en geleerdheid de luister zou worden zijner familie. Op Zuilen werd de H. Ludger geboren, die met zooveel roem en met zooveel vrucht later optrad als apostel dei-Saksen. Ook zijn broeder Hildegrim werd tot de bisschoppelijke waardigheid te Seligenstad Hal-berstadt verheven.

Door deze bijzonderheden, die ons de levensbeschrijver van den H. Ludger heeft opgeteekend, is het ons vergund een enkelen blik te slaan in

-ocr page 89-

S/

■de nadere omgeving van den H. Willebrord. Zijn karakter wordt er in ons oog te beminnelijker door, dat hij op zulke wijze de achting, het vertrouwen en de liefde zijner geloovigen wist te gewinnen, en ook van zijnen kant door wederkee-rige voorkomendheid, vriendschap en dienstvaardigheid aan het geschonkene vertrouwen wist te beantwoorden. Het moeten uren van lieftallig, aangenaam en stichtend onderhoud geweest zijn, als de H. Aartsbisschop soms bij den edelen Wur-sing te Zuilen verscheen, om de belangen der Christelijke godsdienst te bevorderen.

§ 23.

De H. Bonifacius. — De H. Willebrord wil hem tot zijn opi-olger benoemen. — Hun bezoek te Aldeneik en daarna te Echternach.

Terwijl de oorlog woedde tusschen Radboud en de Franken, was de H. Bonifacius uit Engeland in 716 te Wijk bij Duurstede verschenen. Hij had den toestand allertreurigst gevonden. De kerken waren ten deele vernield; de kloosters waren verwoest, en de H. Willebrord met de zijnen had zich veiliger verblijfplaatsen gekozen. Bonifacius

-ocr page 90-

88

na den zomer en een gedeelte van den herfst in Nederland te hebben doorgebracht en zich op de hoogte van den geheelen toestand te hebben geplaatst, was met het einde des jaars te Nuthcelle teruggekeerd.

In 71S vertrok hij naar Rome, trok van daar iu 719 over de kruin der Alpen, bezocht Beieren en Thuringen, en kwam in Frankenland aan den Rhijn. Hier vernam hij den dood van Radboud, koning der Friezen. Zoodra de H. Bonifadus deze tijding had ontvangen, ging hij scheep op den Rhijn, en kwam gelukkig in Friesland. Hier vond hij den toestand geheel veranderd, en werd hij door den twee en zestigjarigen Willebrord met open armen ontvangen.

Bij het zien van dien heiligen priester voelde de H. Willibrord zijnen geestdrift herleven. Hij wijdde Bonifacius in al zijne geheimen, vooruitzichten en plannen in. Hij toonde hem zijne ge-heele wijze van werken. Hij maakte hem bekend met den geheelen toestand zijner kerk, en hij liet hem gevoelen, hoe gunstig het tegenwoordig oogen-blik was om op het geheele Friesche volk invloed uit te oefenen. Als daarom de H. Bonifacius zag, zegt Willibald, dat de oogst groot, doch de arbeiders weinigen waren, liet hij zich vinden om drie

-ocr page 91-

Sg

jaren lang de getrouwe medearbeider van den H. aartsbisschop te worden. Hij begon al dadelijk, waar hij slechts vermocht, zoo verhalen zijne levensbeschrijvers, de afgodsbeelden omver te halen en kerken te bouwen.

De H. Willebrord begon intusschen den last der klimmende jaren te gevoelen. Hij noodigde daarom den H. Bonifacius uit, de waardigheid van het bisschoppelijk ambt aan te nemen, en hem bij te staan in het bestuur van het volk Gods. Doch hoe dringend de H. Willebrord ook bleef aanhouden, Bonifacius weigerde, en beriep zich eindelijk op de zending, die hij van Paus Gregorius ontvangen had tot de volken van Duitschland. De H. aartsbisschop was dus genoodzaakt, Bonifacius eindelijk te laten vertrekken. Hij deed hem uitgeleide, terwijl hij zich met hem naar Echternach begaf. Op reis daarheen bezochten zij waarschijnlijk Susteren, en een goed uur van daar Aldeneik ten westen der Maas niet verre van Maaseik,

In deze laatste plaats stelde hij de H. Har-lindis en naast haar hare zuster de H. Reinildis tot overste over het klooster aan, dat beider ouders hier hadden gebouwd. Bij het feest, dat te dier gelegenheid werd gevierd, werd de wijn, die

-ocr page 92-

begon te ontbreken, door den H. Willebrord vermeerderd. De H. bisschop bezocht later meermalen dit klooster, dat den regel van den H. Be-nediktus volgde, en later deed zulks ook de H. bisschop Bonifacius.

Na het nieuwe klooster van Aldeneik bezocht en op vasten voet gebracht te hebben, zetten de beide heiligen hunne reis voort naar Echternach, en stelde de H. Willebrord zijn vriend in gelegenheid, om daar alle inlichtingen omtrent zaken en personen in Thuringen, waar hij heen ging, in te winnen. Hij was waarschijnlijk ook degene, die den H. Bonifacius in aanraking bracht met de H. Adelagt; zuster van de H. Irmina, dochter van Dagobert II en abdis in het klooster te Pfalzel. Zoo legde de H. Willebrord de eerste grondslagen voor de bekeering van Duitschland.

§ 24.

Werkzaamheid van den H. Willebrord in de omstreken van Emmerik. — Kerk en altaar te Rinderen.

Reeds vroeg, gelijk wij hebben gezien, predikte de H. Willebrord te Emmerik, en bouwde hij daar eene Christelijke kerk. Van daar uit moet hij

-ocr page 93-

9i

meermalen de omstreken en vooral Kinderep. hebben bezocht, een vlek, dat opklimt tot den tijd der Romeinen en hetzelfde is als Arenacum of Aren aan den Rhijn. Rhijn-aren was des tijds gelegen aan den linkeroever van den Rhijn, die toen nog langs hier naar Eltenberg stroomde. Het optreden van den H. Willebrord bleef niet zonder rijke vruchten, en velen bracht hij in deze streken van de dwaling der afgoderij terug. Te Keilen tusschen Emmerik en Kleef niet verre van Rinderen gelegen, te Neder-Millingen, te Wardt bij Xanten, te Hossum bij Goch wordt de H. Willebrord als beschermheilige vereerd, en zijn de kerken hem toegewijd. Dit aandenken toont genoeg, hoe de heilige apostel hier meermalen en niet zonder goeden uitslag voor het Christelijk geloof heeft geijverd.

Sterk door de hulp van God wierp de H. Willebrord te Runderen in den heidenschen tempel , die zich daar bevond het afgodsbeeld van Mars omver, en veranderde den tempel in eene Christelijke kerk, die hij aan den H. Petrus toewijdde. Men heeft in 1793 op het kerkhof den grooten altaarsteen teruggevonden, waarop men aan den afgod slachtofferde. Hij werd door den H. Willebrord tot een altaar voor het

-ocr page 94-

92

hoog heilig offer van Jezus\' lichaam en bloed gewijd.

Nog kan men op den Zvvanentoren of het oude kasteel te Kleef dien steen bezichtigen. Behalve het heidensche opschrift, dat hij draagt, zijn op het bovenvlak aan de vier hoeken van den steen vier ruwe doch duidelijk uitgekapte kruisen te zien, en in het midden eene vierkante holte, waarin, zooals bij Christelijke altaren gebruikelijk is , relieken werden geborgen.

In 720, terwijl de H. Bonifacius in de omstreken van Utrecht werkzaam was, vinden wij den H. Willebrord te Kinderen , waar hij reeds vroeger meermalen het geloof had gepredikt. Zijne werkzaamheden , werden er thans door eene milde schenking bekroond. Blijkens dit stuk werd Kinderen door graaf Ebroin tot een middenpunt gemaakt, dat al de kerkelijke bezittingen daar opgenoemd , te Nutterden, te Ham thans Kleverham . te Mehr, te Millingen; te Donsbruggen zou beheerschen. Als zoodanig kwamen zij allen na den dood van den H. Willebrord aan de abdij van Echternach.

-ocr page 95-

93

§ 25-

Voortgang van het christendom in Friesland na den dood van Radhoud. — Schenking van Karei Martel aan de S. Mar-tinus kerk. — De Salvators kerk. — Schenking der heerlijkheid Eist.

Radboud was na zijn dood opgevolgd door Aldgild II. Deze werd door de Franken niet langer meer als koning, maar slechts als hertog beschouwd, die in zijn bestuur geheel afhankelijk van hen was. Hij werd door Karei Martel genoodzaakt , aan de evangeliepredikers alle vrijheid te laten, om het Woord Gods onder de Friezen te verkondigen. Voortaan konden zij ongehinderd hunne godsdienstplechtigheden vieren, in \'t openbaar met kruis en kerkgewaad hunne optochten en processiën houden, bedehuizen en altaren stichten. Velen, die bij den opstand en de zegepraal van Radboud het Christendom hadden verlaten , keerden na Frieslands onderwerping van lieverlede terug, en omhelsden de Christelijke leer. Tot nu toe had het Christendom niet door kunnen dringen tot het hart van Friesland, doch thans was de baan geopend, om langzamerhand het heidendom ook in Overijssel, Drenthe, Groningen en Friesland te gaan uitroeien.

-ocr page 96-

94

Karei Martel liet het hiertoe niet aan bescherming en aan waarlijk vorstelijke giften ontbreken.

Op den isten Januari 722 schonk hij te Herstal aan den H. Willebrord voor de Martinus-kerk en het belendende kloosters binnen de muren van Utrecht alle staatsbezittingen in den burcht Utrecht, de weide Graveningen en al de staatsbezittingen daar gelegen, en eindelijk de burcht de Vecht genoemd.

De hofmeier stelde zich bij deze vorstelijke schenking vooral ten doel, niet slechts door wapenen maar ook door zedelijke middelen zijne heerschappij in Friesland te vestigen. Door den b:s-schoppelen stoel te Utrecht rijk te begiftigen, wilde hij diens invloed op het volk dezer landen verzekeren en versterken. Hij wist, dat zijn eigen gezag door de liefde der Friezen voor den godsdienst , dien hij beleed en beschermde, niet anders dan veld winnen kon.

De H. Willebrord ontving de vorstelijke schenking met bijzondere vreugde en dankbaarheid , doch had hierbij geheel andere oogmerken. Het was hem aangenaam den bisschoppelijken zetel te Utrecht alzoo op vasteren grondslag gevestigd te zien, en onbekrompene middelen te bezitten om in de veelvuldige behoeften van den

-ocr page 97-

95

eeredienst en zijne bedienaren te kunnen voorzien. Zijn eenig doel was het rijk van Jesus\' waarheid en genade steeds verder uit te breiden.

De gevolgen dezer schenking bleven niet uit. De St. Martinus-kerk en het aanbelendende klooster, die door den oorlog met Radboud hadden geleden, konden thans in beteren toestand worden gebracht. Buitendien begon Willebrord in deze jaren bij de oudere kapel van het H. Kruis eene nieuwe kerk te bouwen, die hij toewijdde aan den Goddelijken Verlosser, O. H. J. C. en aan de gelukzalige Maagd Maria. Naar alle waarschijnlijkheid had ook de H Bonifacius in de stichting dezer kerk de hand. Haar bouw kan moeilijk vroeger geschied zijn, dan nadat Karei Martel Friesland had onderworpen, en juist in de jaren, die kort daarop volgden, verbleef de H. Bonifacius te Utrecht. Duitschlands apostel legde voor deze kerk later eene bijzondere belangstelling aan den dag, en verbond aan haar een kapittel van veertig kanonnikken. Zij werd ook Bonifacius kerk genoemd, en in haar rustten later voor een wijle het lijk van den H. Bonifacius en de lijken van twaalf martelaren, die tegelijk met hem waren gedood.

Ook deze tweede kerk werd door Karei Martel

-ocr page 98-

96

met rijke goederen begiftigd. Op den 9den Juli 726 schonk hij te Zulpich aan den H. Willebrord voor de kerk, ter eere van den Verlosser der wereld, J. C., de allerzaligste Maagd Moeder Gods en de heilige Apostelen Petrus en Paulus te Utrecht gebouwd, al zijne goederen te Marithaine in de Betuwe. Het was de heerlijkheid Eist tus-schen Arnhem en Nijmegen gelegen.

Zoo was het middelpunt van Nederlands kerk te Utrecht voor goed gevestigd. De kathedraal van S. Maarten en de later gebouwde S. Salvator zouden eeuwen lang de roem zijn der grijze bisschopsstad , en hare beide kapittelen zouden wedijveren om de eer, welk het meest zou bijdragen tot den bloei van geloof en deugden.

§ 26.

De H. Willebrord te Calloo. — Hij bezoekt Antwerpen. — Schenking voor Rohingus. — Kerk te dier stede.

Een uur van Antwerpen niet verre van den zuidwestelijken oever der Schelde ligt nog heden ten dage een liefelijk dorp, Calloo geheeten. Hier had de H. Amandus vroeger eene Christelijke ge-

-ocr page 99-

97

meente gesticht, eene kerk gebouwd en daarbij een klooster gevestigd. In den zomer van 710 bezocht de H. Willebrord dit vlek, en vertoefde er binnen de muren van het klooster , om er van de non Bertilindis een landgoed te Baschot, een bosch te Hulsel en al hare bezittingen te Hapert ten geschenke te ontvangen. Van hier uit zal hij toen en later in de omstreken het evangelie hebben verkondigd, en tot voor eenigen tijd werd te Berchem een Willebrordsput aangewezen , waarin de heilige zal hebben gedoopt. Uit Calloo kwam de H. Willebrord in aanraking met Antwerpen , en in 726 vinden wij hem in de Scheldestad.

Toen Utrechts aartsbisschop Antwerpen bezocht, was het eene opkomende stad, de hoofdplaats van den gouw Rijen, met een gevestigde Christelijke gemeente. Een graaf of markies stond hier aan het hoofd van den burcht, die de Schelde be-heerschte , en hief er in naam van den Frankischen koning tol van de voorbijvarende schepen. Zijn naam was Rohingus en zijne echtgenoote heette Bebelina. Beiden waren Christenen, uitmuntende door godsdienstigheid en lieftalligheid. Deze twee echtelieden noodigden den H. Willebrord ten hunnent op den burcht om de volgende reden.

7

-ocr page 100-

98

De H. Amandus had de kerk der H. apostelen Petrus en Paulus, die hij in den burcht van Antwerpen had gebouwd, toevertrouwd aan de Bene-diktynen, die hij te Ouerkelodora of Turnhout had gevestigd. Toen nu de abt Firminus aan het hoofd stond van dit klooster, had hij deze kerk aan den burchtheer van Antwerpen afgestaan in ruiling-voor het plaatsjen Tumine of Deurne, een uur ten oosten van Antwerpen gelegen. Rohingus, op die wijze in het bezit gekomen der kerk van de H. H. Petrus en Paulus , had haar steeds van waardige priesters te voorzien. In overleg met zijne gemalin Bebelina besloot hij zich met dat doel tot den H. Willebrord te wenden.

Rohingus ontving Nêerlands apostel met de grootste voorkomenheid, en deze greep met ijver de aangebodene gelegenheid aan, om ook hier door zijne kloosterlingen voor den bloei der kerk werkzaam te zijn. Door eene openbare akte stond nu Rohingus hem de genoemde kerk af. Tevens schonk hij hem alle daarbij behoorende bezittingen , en liet hij hem het derde gedeelte van den tol der Schelde , waarop hij recht had voor zijn eigen persoon. Met deze inkomsten zou de heilige in het licht en den wierook van gezegde kerk voorzien.

-ocr page 101-

99

Om nog verder voor de behoeften dezer kerk zorg te dragen en het bestaan der daaraan verbondene geestelijkheid te verzekeren, voegden dezelfde weldadige echtgenooten bij deze eerste schenking weldra eene tweede. Zij verrijkten gezegde kerk met een landgoed en al het bijbe-hoorende te Peprusdare aan het riviertjen de Nethe in de gouw van Rijen. Hierbij voegden zij de helft van Wijneghem, twee uren van oosten van Antwerpen, benevens Boekholt en Voghelaar.

De kerk der H. apostelen Petrus en Paulus, door den H. Amandus gebouwd en aan den H. Willebrord overgedragen, was gelegen aan de Schelde. Zij werd vernield, toen de Noormannen in het jaar S36 Antwerpen te vuur en te zwaard verwoestten. Later werd zij geheel nieuw opgebouwd, en aan de H. maagden Catharina en Walburgis toegewijd. In den wandel werd zij de Walburgiskerk genoemd. Zij was de oudste kerk der stad en bleef bestaan tot het begin dezer eeuw.

Nog heeft de oude Scheldestad Nederlands heiligen apostel niet vergeten. Zijn naam is en blijft er in zegening. Aan de oostzijde van Antwerpen , niet verre van Deurne en in de nabijheid

-ocr page 102-

IOO

van Borgerhout is de voorstad S. Willebrord gelegen op het weleer door Rohingus geschonkene Voghelaar. Daar hebben de Antwerpenaars, toen de vroegere Willebrordskerk niet meer bestond, tot blijvend aandenken aan den H. Willebrord uit dankbaarheid eene kapel gesticht. Zij werd in het jaar 1304 tot parochiekerk verheven, en bestaat tot op den dag van heden.

§ 27.

De Heilige schrijft zijn testament. — Zijn verblijf te Echternach.

De H, Willebrord had zijn 68ste levensjaar bereikt, en meende, ofschoon hij nog altijd ijveüg werkzaam was voor den dienst van zijn God, bij dien toenemenden ouderdom maatregelen vooi de toekomst te moeten nemen. Hij beschikte daarom tegen den tijd, dat de Almachtige hem uit het leven zou roepen over de talrijke goederen, die hem voor de kerk geschonken waren en schreef daarom, toen hij bij het einde van 726 zich te Echternach bevond, dertien jaren vóór zijn dood zijn uitersten wil. \')

ï) Zie het stuk in mijn uitgebreid leven van den K. Willebrord (bl. 295).

-ocr page 103-

101

Men heeft de echtheid van dit testament in twijfel getrokken. Zij wordt echter noch door Miraeus (van Mieris) noch door Bosschaerts, noch door Mabillon betwist. Al, wat er tegen aan wordt gevoerd is slechts van negatieven aard. Van geen enkele der plaatsen, die in het stuk voorkomen, heeft men bewezen, dat zij niet aan Echternach heeft behoord. Van de meeste plaatsen blijkt het tegendeel. Volgens Hontheim werd ten zijnen tijde het oorspronkelijke testament nog te Echternach bewaard.

In het stuk straalt eene blijkbare voorliefde door voor de abdij van Echternach. Dit laat zich zeer goed verklaren. Met bezorgdheid zag de H. Wil-lebrord de toekomst van zijn bisschoppelijken zetel te Utrecht te gemoet. De macht der Friezen, was wel gebroken, doch in geene deele vernietigd , en de nabijheid van dit volk leverde gedurig een groot gevaar op. Tevens kon de willekeur des hofmeiers en het nog hangende geschil met den aartsbisschoppelijken zetel van Keulen gemakkelijk verwikkelingen veroorzaken, die voor het geregeld bestuur der kerken nadee-lig konden worden. Om deze redenen gaf hij er de voorkeur aan voor den bisschoppelijken stoel van Utrecht slechts te laten, wat er aan

-ocr page 104-

I02

toebehoorde, en het overige te vermaken aan de abdij te Echternach, die in veel veiliger omstandigheden verkeerde.

In de laatste jaren zijns levens toefde de H. Willebrord zeer dikwerf te Echternach, en behalve dat hij in de abdij wenschte begraven te worden, en haar zijne meeste bezittingen vermaakte , zien wij, hoe lief Echternach hem was, ook daaruit, dat hij tijdens zijn langdurig apostolaat zeer veel heeft verricht voor de streken in de nabijheid van dit klooster gelegen. Wij mogen veilig aannemen; dat hij niet alleen een heilzamer invloed op de landen langs de Moezel, Soere en Alzet heeft uitgeoefend, maar ook persoonlijk in de vlekken hier gelegen heeft gepredikt.

Zoo werkte de H. Willebrord ook in deze streken veel, wel niet tot de uitroeiing van het heidendom, wijl de inwoners reeds Christenen waren, maar tot regeling van het kerkelijk bestuur, tot de indeeling des lands in parochiën en tot bevordering van het Christelijk geloof en zeden. Hij bestreed met veel vrucht het bijgeloof en de overblijfselen van het heidendom. Hij verzachtte aanmerkelijk het lot der leifeigenen en leerde door woord en voorbeeld de Christelijke liefde jegens hen en jegens alle noodlijdenden beoefenen. Dagelijks liet hij te

-ocr page 105-

103

Echternach aan twaalf armen eene aalmoes uitreiken, en stichtte zelfs daartoe een opzettelijk gebouw.

§ 28.

Volkomen onderwerping der Friezen. — Het Christendom breidt zich uit. De Heilige kiest eeu bisschop tot mede-helper. — Zijn dood.

In 733 rukte Karei Martel op tegen de Sara-cenen, die geheel Europa dreigden te overstroo-men, en had het geluk ze in de velden tusschen Poitiers en Tours op de roemrijkste wijze te verslaan. Van dezen krijgstocht hadden de Friezen gebruik gemaakt, om onder Poppo het hoofd op te steken. Doch ijlings verscheen Karei Martel na de behaalde overwinning over Abd-er-Rhaman met eene wel bemande vloot in hun midden , en fnuikte nu voor goed hunne macht. ■De H. Willebrord, die tijdens deze gebeurtenissen zich vooral te Echternach en in de omstreken had opgehouden, liet niet na bij het eindigen van den oorlog Utrecht te bezoeken, en de nederlaag der Friezen tot verdere verspreiding van het Christendom te benuttigen. De H. Werenfried; die te Eist werkzaam was, drong in 73*5 door tot Westervoort niet verre

-ocr page 106-

I04

van Arnhem gelegen, en stichtte er eene Christelijke kerk.

Omstreeks dezen tijd moet ook de H. Marcel-linus, die nog pas een knaap was, uit Engeland te Utrecht zijn aangekomen. De H. Willebrord zond hem naar Rome, om er de graven van de H. apostelen te vereeren en in de kerkelijke plechtigheden onderwezen te worden. Het was wellicht tengevolge der nieuwe bemoeiingen, die deze ommekeer van Friesland den H. aartsbisschop oplegde, dat hij er toe overging, om een bisschop tot medehelper te nemen. „Op dezen zetel (van Utrecht),quot; zegt de H. Bonifacius in zijnen brief aan paus Ste-phanus, „en in de doorhem gebouwdeSalvatorskerk is hij tot zijn hoogen ouderdom blijven prediken. Ook heeft hij een medebisschop aangesteld om hem te vervangen in de bediening van zijn ambt.quot; Wie deze bisschop zal geweest zijn, is niet met zekerheid bekend. Waarschijnlijk was het de H. Adolphus, afkomstig uit Engeland. Zoo bleef de H, Willebrord tot aan het einde zijns levens werkzaam voor het hem toevertrouwde bisdom, en als een trouwe herder de belangen zijner kudde behartigen. Zijn oog bleef over haar waken, 2;ijne kracht hoe zwak ook voor haar werken.

Eindelijk sloeg het uur der vergelding voor den

-ocr page 107-

io5

heilige. Deze heilige man, zegt Alcwijn, die alle dagen zijns levens in het werk Gods had doorgebracht, bij God aangenaam en bij het volk bemind was, werd ten tijde van Karei den oudere, den dapperen hertog der Franken, als grijsaard inde volheid der dagen zijnen vaderen bijgezet, om het veelvuldige loon voor zijnen arbeid te ontvangen. Hij verliet het tijdelijke om het eeuwige te bezitten , en Christus den Heer in eeuwige glorie te aanschouwen, om Wiens liefde hij nooit den arbeid te veel had geacht. Op den zevenden November van 739 overleed hij te Echternach in het midden zijner broeders i). Vijftig jaren waren schier verstreken, sedert hij in Nederland als apostel was opgetreden.

§ 29

Het graf van den Heilige verheerlijkt door wonderen.

Het lijk van den heilige werd neergelegd in eene wit marmeren kist. Het stuk marmer, door eene edelvrouw hiertoe geschonken, werd volgens Alcwijn en Thiofried een halven voet te kort be-

I) Zie ten aanzien der geschilpunten mijn uitgebreid leven.

-ocr page 108-

io6

vonden, doch daarna door Gods almacht op wonderbare wijze verlengd. Na onder psalmen en gezang het heilig lijk hierin te hebben besloten, begroeven zij hem met allen eerbied in de krypta van de basiliek des kloosters, die de heilige zelf ter eere van de H. Drievuldigheid had gebouwd en ingewijd. Voor het altaar der allerzaligste Maagd Maria , waar hij gewoon was gedurende zijn leven het H. offer op te dragen, vond hij zijn graf. Een wonderbare geur verspreidde zich door de kerk naar alle kanten, en verkondigde, zegt Alcwijn, dat tot de begrafenis des heiligen de engelen des hemels hebben medegewerkt.

Aan een goedvruchtigen leerling van den apostel werd volgens denzelfden levensbeschrijver gedurende zijn gebed op verren afstand zijn overlijden geopenbaard. Hij betuigde aanschouwd te hebben hoe de ziel zijns heiligen vaders, van een helderen lichtglans omgeven, onder welluidend gezang door eene engelenschaar ten hemel gedragen werdt. Velen der broeders te Echternach verklaarden, dat zij meermalen boven de legerstede, waar de H. Willebrord zijne ziel aan zijnen Schepper had overgegeven, een helder licht gezien en een he-melschen geur bespeurd hebben.

-ocr page 109-

107 § 3°-

Willebrord als heilige vereerd. — Zijn aandenken in Nederland.

Spoedig na den dood van den H. Willebrord, reeds onder zijn opvolger te Echternach, den H. Adelbertus, begon men het graf van den uitstekenden dienaar des Heeren, die zoo zeer schitterde met den heerlijken straalkrans der deugd, openlijk te vereeren. Deze vereering nam weldra meer en meer toe. De wonderen, welke bij zijn graf plaats grepen, en door Alcwijn reeds bij het einde dei-achtste eeuw ons worden medegedeeld, zijn hiervoor een sprekend bewijs. Beornred, derde abt van Echternach en later bisschop van Sèns, nam uit deze mirakelen aanleiding, om Alcwijn, leermeester van Karei den Groote, te verzoeken, het leven van den H. Willebrord te schrijven. Deze levensbeschrijving, de lof van Beda, het getuigenis van den H. Bonifacius, en de eenparige stem van allen, die hem gekend hadden, of zijne leer-lingen geweest waren, bewerkten spoedig, dat de openbare vereering des heiligen algemeen werd. Reeds op het einde der achtste eeuw werd zijn feestdag op den 7den November gevierd.

Deze heilige man was uitstekend in waardigheid, zegt Alcwijn, deftig van gestalte, achtbaar van

-ocr page 110-

ioS

voorkomen, schoon van gelaat opgeruimd van hart, wijs in beleid, liefelijk in taal, zedig in handel en wandel, en onvermoeid in al wat den dienst van God betrof. Hoedanig zijn geduld was, toonen zijne daden. Zijn welberaden overleg in het prediken van het evangelie en de overvloedige genade, die hij bij zijnen arbeid ondervond, worden bewezen door de getuigenis van geheel een volk.

De H. apostel van Nederland is na schier twaalf eeuwen nog altijd in gezegende gedachtenis in ons vaderland. Hij is als een eik, die eeuwen en eeuwen heeft doorleefd. Van de grenzen van Frankrijk tot aan de eilanden van het noorden, zegt kardinaal Pitra, heeft een groot volk duizend jaren onder de weldoende schaduw van dien schoonen en krachtigen boom doorleefd. Hij was voor dat volk eene bescherming in de stormachtige dagen van tegenspoed. Hij was voor Nederland eene zoete verkwikking bij de hitte der beproeving. Hij was een middelpunt, rondom hetwelk de kinderen van Nederlands kerk steeds zich innig aan elkander sloten. Zijne grootheid was hun trots; zijne schoonheid was hun sieraad; zijne heerlijke kroon hunne vreugde.

-ocr page 111-

UNTO VEE KT.

EERSTE DAG.

DE ROEPING ONZER VOORVADEREN TOT HET GELOOF.

Ik zal hetgeen mijn volk niet was, mijn volk, hetgeen niet bemind was, bemind, en hetgeen niet begenadigd was, begenadigd noemen. Rom. IX ; 25.

OVERWEGING.

De roeping van onze voorvaderen was: 1°. Geheel onverdiend;

2°. Een Goddelijk werk;

3quot;. Ten hoogste heilzaam.

lquot;. Onverdiend was de roeping. Want wat hadden onze voorvaderen gedaan , en konden zij doen, om zich die bovennatuurlijke roeping tot de kerk van Christus waardig te maken ? De genade des geloofs is niet uit te werken, maar uit Hem die roept. (Rom. TX : 12). Het is niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. (Rom. IX : 10). Wat waar was ten aanzien der roeping van de hei-

-ocr page 112-

1 IO

densche wereld in het algemeen, was ook waar ten aanzien der roeping van onze voorvaderen in het bijzonder. Zij was eene geheel onverschuldigde gave van God, genade in den volsten zin des woords. Ja door hunne afgoderij en door hunne zedeloosheid waren onze voorvaderen die goddelijke genade geheel onwaardig. Zij hadden veeleer verdiend, eeuwig door God verworpen te worden. Het was dus geheel onverdiend, dat onze voorvaderen overgebracht werden uit de duisternis des heidendoms tot Gods heerlijk licht in Christus. Vergelijk dat heerlijk licht met die afschuwelijke duisternis , en waardeer het geluk, dat u even als uwe voorvaderen onverdient is te beurt gevallen? Stelt gij het, gelijk het behoort, op prijs ?

2quot;. De roeping van onze voorvaderen tot de Katholieke kerk is geheel en al Gods werk. God zelf had de H. Willebrord tot apostel bestemd reeds voor zijne geboorte. Het blijkt ons uit het droomgezicht zijner moeder. Hij schonk hem de hoedanigheden, voor een apostel gevorderd. Hij liet hem uit heilige ouders geboren, en door twee heiligen onderwezen en gevormd worden. Hij boezemde aan den H. Willebrord het vurige verlangen in om aan ons vaderland het geloof te gaan ver-

-ocr page 113-

111

kondigen. Hij zou hem bij zijn apostolischen werkkring getrouw ter zijde staan, hem de ondersten, ning van Pepijn, de goedkeuring van den H. paus Sergius, den bijstand van elf heilige medewerkers verschaffen. Zijne genade zou door de tusschen-komst van dien H. apostel over de wederbarstigste gemoederen weten te zegenvieren. Gij ook hebt uwe roeping aan Gods macht en liefde te danken. Zijt gij daar ook erkentelijk voor ? Denkt gij wel ooit aan de grootheid dier weldaad ? Vernieuwt gij wel ooit de belofte van uw heilig doopsel? Wat zult gij den Heer wedergeven voor hetgeen Hij u geschonken heeft?

3°. Eindelijk de roeping onzer voorvaderen tot het Christendom zou voor hen ten hoogste heilzaam zijn. Het woord door God bij den profeet Osee gesproken, zou ook hier van toepassing zijn; Ik zal hetgeen mijn volk niet was, mijn volk, hetgeen niet bemind was, bemind, en hetgeen niet begenadigd was, begenadigd noemen. En het zal zijn ter plaatse waar tot hen gesproken is: gij zijt mijn volk niet, daar zullen zij worden genoemd kinderen des levenden Gods. (Rom. IX: 25 — 26). Waar zij vroeger rondwandelen in de duisternis van onwetendheid en dwaling, werden zij thans bestraald door het goddelijk licht van Christus. De

-ocr page 114-

112

/

vloek van Gods vijandschap was vroeger hun deel; thans beminde God hen als zijne kinderen. Een vrede, die alle uitdrukking te boven gaat, vervulde hunne ziel; eene zoete verstroosting verzachtte hun de jammeren van dit tranendal; eene blijde hoop schonk hun kracht; een vertrouwend gebed verwierf hun Gods zegeningen. Zij leerden van Jesus het kruis dragen, en hunne ongeregelde begeerlijkheden overwinnen. Gehoorzaamheid, nederigheid , zachtmoedigheid, naastenliefde met een woord alle deugden werden hun in Jesus dubbel beminnelijk. De grondslag was gelegd van Nederlands kerk, die door het geloof de natuur zou veredelen, het verstand verlichten, en het hart volmaken. De boom was geplant, die rijke en vele vruchten zou dragen.

-ocr page 115-

ii3

TWEEDE DAG.

HET GELOOF VAN DEN H. WILLEBRORD.

De rechtvaardige leeft uit het geloof.

Rom. I: 17.

Het geloof van den H. Willebrord was: 1quot;. Een apostolisch en Christelijk geloof; 2quot;. Een levendig en werkzaam geloof; 3quot;. Een vast en onwrikbaar geloof.

1quot;. Het geloof van den H. Willebrord was niet eene bijzondere meening, eene persoonlijke opvatting van het geschreven woord Gods. Neen, zijn geloof was het geloof der kerk. Hij geloofde hetzelfde, wat de geheele kerk destijds geloofde en tot aan de tijden der apostelen geloofde in overeenstemming met den H. Bonifacius en de kerk van Duitschland, met den H. Augustinus en de kerk van Engeland, met den Apostolischen Stoel en de H.H. pausen Sergius en Gregorius den Groote. Zijn geloof was door de onafgebroken overlevering der kerk tot aan haren eersten oorsprong, door de immer voortdurende rij van Petrus\' opvolgers in overeenstemming met de leer

8

-ocr page 116-

114

der apostelen en alzoo ook met de leer van Christus. Zijn geloof steunde dus door de kerk op de Goddelijke openbaring van Christus, Hij wist, aan Wien hij geloofd had. De kerk is het middel, dat Christus gebruikt om tot het einde toe zijne leer kenbaar te maken aan de wereld; de stem der Kerk is de stem des Heeren. De H. Willebrord geloofde aan de stem der kerk, omdat zij de stem is van Christus. Zijn geloof was een apostolisch, een christelijk, een goddelijk geloof. Rust ook uw geloof op dien eenen grondslag, buiten welken niemand een anderen kan leggen, dat is Jesus Christus. (Rom. III; 6) ? Zijt gij door de kerk en door haar opperhoofd vereenigd met Gods mensch geworden Zoon, Die de weg is, de waarheid en het leven? Gelooft gij alles zonder uitzondering, zonder twijfel, wat Gods Zoon u door zijne kerk te gelooven voorstelt?

2quot;. Het geloof van den H. Willebrord was een levendig geloof. Zijn gedrag was in overeenstemming met zijne geloofsovertuiging, ja vloeide daaruit voort. Zijn geloof droeg vruchten, en was de wortel zijner rechtvaardigheid. Gelijk het lichaam zonder geest dood is, zoo ook is het geloof zonder de werken dood. (Jac, I: 25). Doch zoodanig was het geloof van Nederlands Apostel niet.

-ocr page 117-

IIS

Het was een levendig geloof, dat zich uitdrukte in werken. Door het geloof kende hij het woord van Christus: tenzij iemand, die Mij volgt, zijn kruis opneemt, en zich zeiven verloochent, kan hij mijn leerling niet zijn; en volgens dat geloof zegde hij vaarwel aan de wereld, aan zijne vermaken, aan zijne bezittingen. Bezield door dat geloof verliet hij zijn vaderland, stak de zee over en kwam tot onze voorouders. Dat levendige geloof drukte zijn stempel op onze prediking en al wat hij verrichtte. Dat levendige geloof was zijne kracht in den gevaarvollen strijd tegen het heidendom; zijn troost bij beproevingen en teleurstellingen, die hij zoo dikwerf ondervond, zijn licht op den weg des levens. O hoezeer moet gij ver-langen met een levendig geloof bezield te zijn evenals de H. Willebrord. Hij is gelukkig, zegt de H. Bernardus, die oprecht geloovende braaf leeft. Is uw geloof ook werkzaam?

3quot;. Het geloof van den H. Willebrord was vast en onwrikbaar. Dat geloof deinsde niet terug voor de talrijk en groote moeilijkheden, die Hij bij zijne prediking ondervond. Het maakte hem moedig en onbeschroomd tegenover Ungentheow, Radboud en op Walcheren. Het wankelde nimmer. Na schier vijftig jaar als apostel werkzaam geweest

-ocr page 118-

ii6

te zijn, kon hij even als de H. Faulus uitroepen: ik heb den goeden strijd gestreden; ik heb mijnen loop voleindigd; ik heb het geloof behouden. (2 Timoth, IV: 7). Is ook uw geloof vast en onwrikbaar? Laat gij u nooit beheerschen door het menschelijk opzicht?

DERDE DAG.

HET VERTROUWEN EN DE HOOP VAN DEN H. WILL EUR ORD.

Wilt uw vertrouwen niet verliezen, want het heeft eene groote belooning.

Hebr. X: 35.

1°. Het vertrouwen van den H. Willebrord was groot;

2quot;. Het verwierf eene groote belooning.

1°. Het vertrouwen van den H. Willebrord was groot. Dit blijkt uit zijne groote en gevaarlijke ondernemingen Waar de H. Wigbert onverrichter zake uit ons vaderland is teruggekeerd, onderneemt hij het nogmaals de weerbarstige Friezen te be-keeren. Hoe onverzettelijk Radboud ook blijft, nooit wanhoopt de H. Willebrord aan de zegepraal

-ocr page 119-

ii7

Hij onderneemt de bekeering van Noord en Zuid-Holland , van Denemarken, van Teisterbant, van Zeeland , van Toxandrië, van Thuringen.

In den tegenspoed bezwijkt zijn vertrouwen niet. Met het toenemen der gevaren nam ook zijn vertrouwen toe. Ik zal geen rampen vreezen , kon hij uitroepen met David, wijl Gij met mij zijt.

In den voorspoed werd zijn vertrouwen niet overmoedig en vermetel.

Zijn vertrouwen steunde niet op zich noch op de menschen, maar op God. Daarom bleef het zich immer in alle omstandigheden gelijk. Daardoor was het nederig en krachtig.

Door dat vertrouwen was hij even als de H. Paulus de dienaar van Christus in menigvuldige reizen, in gevaren op rivieren, in gevaren van de heidenen, gevaren in de stad, gevaren in de woestijn, gevaren op zee. . . . door arbeid en zwoegen, door menigvuldig waken, door honger en dorst, door veel vasten, door koude en naaktheid.

Hoedanig is uw vertrouwen ? Is het groot of gering! Steunt het op God of op de schepselen ? Is het nederig ? Is het standvastig ?

2quot;. Het vertrouwen van den H Willebrord verwierf eene groote belooning. Het verwierf hem op

-ocr page 120-

118

zichtbare wijze Gods zegen en bescherming. De tijdelijke goederen, die hij behoefde tot Gods eer en tot het heil van den evenmensch vloeiden hem aan alle kanten toe. De weerbarstigheid en het verzet der Friezen werden door Gods Voorzienigheid vernederd en gebroken. Aan den H. Willebrord werd het woord van den psalm vervuld; hij, die woont in de hulpe des Aller-hoogsten, zal in de bescherming van den God des hemels vertoeven. (Ps. 90). De hoop en het vertrouwen vervulden het hart van den H. Willebrord met moed , met kracht, met onvermoeidheid. De hoop op Gods hulp op Gods belooning waren hem een bron van zoeten troost bij alle lijden en strijden. De hoop op Gods macht en hulp deed hem meermalen sprekende wonderen verrichten. De hoop verwierf hem de zegepraal en de kroon. Hij hield het oog gevestigd op Hem, Die ons allen eens toeriep: vertrouwt, ik heb de wereld overwonnen. Gelukkig gij, indien gij door veelvuldig gebed en algeheele overgeving aan Gods vaderlijke liefde en leiding gedurig uw vertrouwen op God stelt; uw loon zal u niet ontbreken.

-ocr page 121-

1 \'9

VIERDE DAG.

LIEFDE TOT GOD EN GODSVRUCHT VAN DEN II. WILLEBRORD.

Tgt;aten wij dus God beminnen.

i Jo. IV 19.

■ De liefde van den H. Willebrord was:

1°. innig;

20. werkzaam;

3°. standvastig.

1°. Innig was de liefde van den H. Willebrord voor God. Van zijne eerste jeugd af behoorde zijn kinderlijk hart aan God. Toen zijn vader de H. Hilgisus hem had verlaten, en zijne moeder reeds vroeger overleden was, was God hem geheel en al tot Vader. Hij erkende de oneindige beminnelijkheid, de onmetelijke schoonheid, de allerteederste liefde, de ontelbare en grenzeloos groote weldaden van dien Goddelijken Vader, en leerde van jongs af Hem in en door Christus beminnen.

Tusschen de stille muren van Ripons kloosterabdij groeide Willebrord op als een tweede Samuël. O hoe klopte zijn hart van vurige liefde, en hoe

-ocr page 122-

TROOST m ZSBïïTE EK LiJBEïf.

t

VAN? DAAG OP HET KRUIS MORGEN IN DEN HEMEL\'!\'

Bet lijden ran dezen tijd isquot; niet te ver-gelijken met dc glorie, die eens in ons geopenbaard zal worden. (II. Paulus )

Geduld van daag, mijne ziel, morpjen zal dat gebeuren , wat God belieft: in-tusschen , laat ons den wil des Heeren volbrengen!... Dc dag van gisterenis voor-J \' cn y,nquot; bef geen ik gister heb nitge-staan blijft mij niets meer over ; de verdiensten daarvan zoude mij nog overi

T\' Zquot;1116quot; ^ het «an God bad 01)26^ offerd !... Heden wil ik met verdiensten-Jijden ... Heden is slechts cén dag... Heden is eene kleine zaak... Mijn God, kan ik iets minder doen, dan U de moeite, ae pijnen , de smarten , de vermoei-jemssen van ëénen enkelen dag on to offeren?... j 0 1

Dat alle kwelliitgen van heden, o mij-goddelijk voorbeeld, uit liefde tot Udoo mij verdragen, tot [boete raiinci versterken mogen.

r

Züllvlci\'l

-ocr page 123-

I 20

innig was zijne godsvrucht, wanneer hij in de kloosterkerken van Ripon, Rathmelgisi, Utrecht en Echternach verscheen om zeven maal daags Gods lof te zingen! En vooral wanneer hij het H. offer der Mis opdroeg, kon men het hem aanzien dat hij een fakkel der liefde was, gelijk Alc-wijn het noemt. Tracht ook gij met den H. Wil-lebrord uit te munten door vurige liefde tot God. Die liefde zal ons met den geest van Christus bezielen, ons opwekken tot elke deugd waardoor wij aan God behagen, ons alles zoet en gemakkelijk maken. De liefde Gods is een voorsmaak van de zaligheid des hemels.

2quot;. De liefde van den H. Willebrord was werkzaam. De genegenheid des harten drijft tot woorden en werken, en hoe vuriger zij is, hoe meer zij overvloeit in hetgeen wij spreken en doen. De H. Willebrord sprak gedurig over God, en werkte onophoudelijk voor God. Hij begon met zich als kloosterling geheel toe te wijden aan zijn God, en als priester, en als bisschop arbeidde hij op allerlei wijzen , door allerlei middelen, door prediking, door voorbeeld en gebed voor de eer van J. C. aan Wien hij zoovele kerken en verschillende kloosters toewijdde. Ook onze liefde moet werkzaam zijn. Gaan wij eerfs na wat wij doen en spreken voor

-ocr page 124-

121

God. De liefde, of werkt groote dingen, wanneet-zij vurig is, of werkt kleine dingen op ongewone wijze, In alles streeft zij naar J. C, haar Heer en haar God.

3quot;. De liefde van den H. Willebrord was standvastig. Hij diende God tot op den leeftijd van 82 jaren. Nooit wankelde hij in zijne toewijding. Als apostel deinsde hij niet terug voor welke moeilijkheid dan ook. Noch vermoeienis en ontbering, noch weerbarstigheid en ondankbaarheid, noch bedreigingen en gevaren konden hem scheiden van de liefde, die in Christus Jesus is. Vijftig jaren werkte zijne liefde met vasten wil, met onverdroten volharding voor de eer zijns Goddelijken Verlossers en zij rustte niet, totdat zij hem de schitterende kroon der heerlijkheid verwierf. Ook onze liefde tot God moet standvastig zijn. Zij moetin het goede te doen niet moede worden. De volharding is de volmaking der liefde, is de voedster of kweekster harer verdienste, de zuster van het geduld, de dochter der standvastigheid, de burcht der heiligheid, de middelares der belooning; zij alleen verwerft de eeuwige gelukzaligheid. Het is dus onontbeerlijk standvastig in de liefde te volharden. Die volharding en standvastigheid wordt vooral verkregen door aanhoudend gebed, door

-ocr page 125-

122

getrouw te zijn in het ontvangen der H. Sakra-menten, en herhaaldelijk door de overweging u in die heilige liefde te sterken.

VIJrDE DAG.

ZACHTZINNIGHEID VAN DEN H. W1LLEBRORD.

Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beziten. Matth. V : 4.

1quot;. De H. Willebrord heeft uitgemunt door zachtmoedigheid ;

2quot;. Zijne zachtmoedigheid noodigt ons uit ter navolging.

Iquot;. De H. Willebrord muntte uit door zachtmoedigheid, en was daarin de getrouwe navolger van den zachtmoedigen Jesus, die door zachtmoedigheid aller harten gewon, Reeds de naam Clemens, die g oedertieren of zachtmoedig beteekent, en hem door den H. Paus Sergius geschonken werd, is hiervoor een bewijs. Hij toonde, hoezeer hij dien naam verdiende, door zijne bejegening der ongeloovigen en zondaren. Hoe zachtzinnig en

-ocr page 126-

123

minzaam was hij tegen die Friezen, die den H. Wigbert hadden verstoeten en meer dan eens, zoodra zij het Frankische juk meenden te kunnen afwerpen, hem en zijne medepriesters hadden verdreven. De zachtzinnigheid toornt niet, en zint niet op wraak. Op Walcheren houwt de bewaker van Wodans beeld hem naar het hoofd. Willebrords volgelingen willen den woesteling te rechtzetten; maar de heilige belet het hun, en toont dat hij de les zijns Goddelijken Leermeesters heeft begrepen: Ik zeg u; bemint uwe vijanden, doet goed aan hen, die u haten, bidt voor hen die u vervolgen en u lasteren, opdat gij de kinderen moogt zijn van uwen Vader, die in de hemelen is, en zijne zon doet opgaan over goeden en kwaden. (Matth. V; 44, 45). Te Sus-teren werd hij door een landbouwer met scheldwoorden en beleedigingen overladen. Maar ofschoon hij gescholden werd, schold hij niet weder, en verbande dadelijk uit zijn geest alle gramschap en alle gedachte aan wraak.

2quot;. Even als de H. Willebrord moeten wij den zachtmoedigen Jesus navolgen. Het bloed, dat uit zijn Goddelijke wonden is gevloeid moet het tegengif zijn onzer kwaadwilligheid (abt de Celles). De heilige verwezenlijkte de spreuk van Tertuli-

-ocr page 127-

124

aan, dat een ware Christen niemands vijand kan zijn. Zijne vrienden te beminnen, is menschelijk, zegt de H. Hieronymus; zijne vijanden lief te hebben is zich Christen betoonen. Rijst in u de begeerte naar wraak, zegt de H. Augustinus, hoor Jesus bidden; rijst in u de begeerte naar wraak, zie Jesus aan het kruis hangen. Hier wordt het grootste ongelijk een broeder-, een vader-, een godsmoord vergeven. Hier wordt de wreedste foltering beantwoord door het verdraagzaamste geduld. Hier roept het broederbloed van jresus niet om wraak even als dat van Abel maar om vergeving. Laten wij naar het voorbeeld van Christus en zijn getrouwen navolger den H Wille-brord volgens het woord van den H. Jacobus traag zijn tot gramschap. Sluiten wij haar den toegang tot het hart, tot het gelaat, tot den mond en eindelijk tot de daad. Laten wij daarom waken en bidden. Is iemand in toorn en spreekt hij ons in die gesteltenis aan, laten wij dan zwijgen , ons zeiven beheerschen, en evenals de zachte wol den feilen kanonskogel stuit, de hevigheid der gramschap door beminnelijke zachtaardigheid beteugelen. Een zachtzinnig woord breidelt den toorn. Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde bezitten.

-ocr page 128-

125

ZESDE DAG-.

DE NAASTEN LIEFDE VAN DEN H. WILLEBRORD.

Dit is mijn gebod, dat gij elkander be-mint, gelijk Ik u heb bemind.

Jo, XV : 12.

Uit de liefde Gods vloeit de liefde tot den naasten voort. Indien God ons aldus heeft liefgehad, zegt de H. Joannes, dat zijn Zoon voor ons is mensch geworden, dan moeten wij ook elkander beminnen, (x Joh. IV : n). Dit gebod hebben wij van God, dat al wie God bemint, ook zijnen broeder beminne. (i Joh. IV : 21). Die naastenliefde was uit Jesusquot; minnend hart in het hart van Willebrord overgevloeid..

De Zoon van God daalde van den hemel af om het heil der wereld te bewerken, en met be hulp van twaalf apostelen zocht Hij het mensch-dom aan de duisternissen van het heidendom en het zedenbederf te onttrekken. Het woord des Heeren bij de voetwassching gedachtig , ik heb een voorbeeld gegeven opdat, gelijk Ik gedaan heb, gij ook zoo zoudt doen, (Joh. XIII ; 15) trachtte Willebrord zijn Goddelijken Meester na te volgen. Ook hij verliet zijn vaderland, zijne

-ocr page 129-

126

rust al wat hem lief was , om zich aan het heil van een volk, dat hem vreemd was, toe te wijden. Hij stak de zee over, en was in een gezelschap van twaalf leden werkzaam om het volk der Friezen aan de duisternis van het heidendom en de zonde te onttrekken.

Met Christus werd hij de dienaar van allen. Gelijk de liefde van Jesus algemeen was zoo strekte zich die van den H. Willebrord uit tot allen. Kleinen en grooten, rijken en armen, vrienden en vijanden, heidenen en bekeerlingen waren het voorwerp zijner liefde.

Gelijk de liefde van Jesus medelijdend en barmhartig , welwillend en weldadig was, zoo was ook de liefde van den H. Willebrord mededoo-gend en hulpvaardig voor de ongelukkigen. Al weldoende ging hij het land door. Hij drenkte de dorstigen en spijzigde de hongerigen. Onderrichten , werkzaam zijn aan de verbetering der zeden, de godsdienst doen bloeien, de zielen redden, het heil van allen bevorderen was zijn aanhoudende toeleg. Wie werd zwak, zonder dat hij zwak werd, wie werd geërgerd, zonder dat het zijne liefde ter harte ging?

Eindelijk de liefde van den H. Willebrord was offervaardig gelijk die van zijn Goddelijk voorbeeld.

-ocr page 130-

127

Eene grootere liefde heeft niemand, dan dat hij zijn leven geve voor zijne vrienden (Jo. XV : 13), en Willebrord gaf zijn leven. Hij stelde het in het grootste gevaar bij den koning der Denen, op Fositenland, op het eiland Walcheren. Zoo behartigde de heilige apostel van Nederland het schoone woord des He eren, dit is mijn gebod, dat gij elkander lief hebt, gelijk Ik u heb lief g-ehad. (Joh. XV : 12).

Hoedanig is uwe liefde voor den evenmensch ? Is zij bovennatuurlijk ? Welke is hare beweegreden ? Is zij algemeen ? Is zij barmhartig en weldadig? Is zij offervaardig? Wat zult gij doen om deze schoone deugd meer en meer te beoefenen ?

-ocr page 131-

128

ZEVENDE DAG-,

PLICHTBETRACHTING VAN DEN H. WILLEBRORD.

Ik doe immer, wat Hem behagel ijk is Jo. VIII : 29.

1quot;. De plichtbetrachting van den H. Wil-lebrord steunde op eene bovennatuurlijke beweegreden;

2quot;. Zij was nauwgezet;

30. Zij was ijverig.

1quot;. De plichtbetrachting van den H. Willebrord steunde op eene bovennatuurlijke beweegreden. Hij betrachtte zijn plicht niet om menschelijke beweegredenen zooals, omdat de eer bij de menschen, zijn belang, zijn genot er meê verbonden waren. Neen, het is duidelijk uit geheel zijn leven te zien, de H. Willebrord zocht de eer, het welbehagen, de belangen van God. Het was hem te doen om God te dienen, en overal waar zijn plicht hem kenbaar werd, erkende hij den wil en het welbehagen van God, en was hij daarom bereid, dien te volbrengen. Hij kon het woord van Jesustot het zijne maken; ik doe immer wat Hem behage-lijk is. Van jongs af aan had hij er zich aan

-ocr page 132-

129

toegewijd om alles te doen volgens den heiligen

O O

wil van God, en in alles Hem te gehoorzamen. Die Goddelijke wil was de regel van zijn gedrag , en als een rechtgeaarde zoon van den H. Bene-diktus volbracht hij de verschillende plichten, die op hem rustten, in dien geest van gehoorzaamheid, God dienen, Gods wil volbrengen, dat moet immer de beweegreden zijn tot het volbrengen van al onze plichten. Dit is een bron van kracht ijver en volharding, en van onberekenbare verdiensten. Ontbreekt zulke bovennatuurlijke beweegreden, dan zullen wij al licht aan onze plichten ontbreken, en zal onze plichtbetrachting bij God niet welbehagelijk en niet verdienstelijk zijn.

2°. De plichtbetrachting van den H, Willebrord was nauwgezet. Als kloosterling, abt, bisschop en geloofsverkondiger deed hij steeds al hetgeen God van hem verlangde. Niemand zegt Alcwijn, was opgeruimder, niemand dienstvaardiger en gehoorzamer , niemand vlijtiger in het leeren dan hij , toen hij zich nog in het klooster bevond. Als geloofsverkondiger verzuimde hij niets om zielen te winnen en het rijk van J. C. uit te breiden. Wie bewondert dien heiligen bisschop niet in zijne verhouding tot den paus, tot zijne medebisschoppen, of zijne geloovigen ? Was hij niet als abt een

9

-ocr page 133-

13°

liefdevolle en bezorgde vader, die het welzijn zijner kloosterlingen op elke wijze bevorderde ? Zijn plicht volbrengen is een woord , dat niet zoo gemakkelijk wordt bewaarheid, als soms wel wordt gemeend. Hiertoe worden oplettendheid, waakzaamheid, de voorgeschrevene kennis, bezorgdheid, liefde, offervaardigheid vereischt. Zoo licht schiet men te kort door schuldige onwetendheid, achteloosheid, zwakheid en afkeer. Hoe is het met de nauwgezetheid uwer plichtbetrachting gesteld ?

3 . De plichtbetrachting van den H. Willebrord was ijverig. Hij zocht het welbehagen van God in het betrachten van zijn plicht, en hij zocht het met liefde, omdat hij God vurig beminde. De liefde maakte hem zijn plicht gemakkelijk, aangenaam en zoet. Wat door geweld of dwang geschiedt, blijft niet duren, en de H. Willebrord zou gewis zoo wonderbare standvastigheid in zijnen werkkring niet hebben aan den dag gelegd , ware hij niet bezield geweest met ijver en vurige liefde. Ja de liefde tot God moet onze plichtbetrachting bovennatuurlijk en verdienstelijk, nauwgezet en volmaakt gemakkelijk en standvastig doen zijn.

-ocr page 134-

I3i

ACHTSTE DAG.

TOEWIJDING VAN DEN H. WILLEBRORD AAN DE KATHOLIEKE KERK.

Gedenkt uwe oversten, die u het woord Gods verkondigd hebben; beschouwt het uiteinde van hunnen wandel, en volgt hun geloof na. Jesus Christus is dezelfde, gisteren en heden, en in eeuwigheid.

Hebr. XIII : 7, 8.

De H. Willebrord leert ons de Katholieke kerk als de ware kerk van Christus;

1°. kennen ;

2°. beminnen;

30. gehoorzamen.

1quot;. De kerk, die de H. Apostel van Nederland aan onze voorvaderen predikte was ongetwijfeld de kerk, waartoe de H. Wilfried, de H. Egbert, de H. Bonifacius, de H. Augustinus, de H. Benediktus behoorden. Het was de kerk, die de evangelische raden van Christus huldigde; die de geestelijke orden stichtte , en door mannen als den H. Benediktus, den H. Basilius , den H. Antoniusabl, den H. Paulus opklom schier

-ocr page 135-

132

tot de tijden der apostelen. Het was de kerk, die door den H. Sergius , door den H. Gregorius den Groote, door eene onafgebrokene rij van pausen vereenigd was met Petrus , en alzoo ook met haren Goddelijken Grondlegger. Het was de ware en eenige kerk door Christus gesticht, door Hem op Petrus gebouwd, met hare hiërarchie van paus, bisschoppen en priesters , met hare zeven heilige Sacramenten, met haar hoog heilig Offer, met hare apostolische geloofsbelijdenis. De H. Willebrord als apostel van Christus vestigde met één woord geen andere kerk in Nederland dan die kerk, waartoe de apostelen behoorden, waarover de H. Geest is nedergedaald, en die J. C. zich heeft verworven door zijn Goddelijk bloed.

Wij Katholieken hebben het geluk te behooren tot die kerk door den H. Willebrord hier in Nederland gevestigd. De leer door hem gepredikt is de onze. Wij hebben door de dwalingen van Lu ■ ther, Kalvijn en andere hervormers, die acht eeuwen na den H. Willebrord verschenen, ons de leer van Christus, van de apostelen, van de pausen, de leer die algemeen beleden werd, niet laten ontnemen. Wij, leden der Katholieke kerk, behooren tot dezelfde kerk als de H. Willebrord; en de kerk van den

-ocr page 136-

133

H. Willebrord is, gelijk hij ons leert, dezelfde als de eene, heilige, apostolische kerk van Christus. Laten wij ons daarvan levendig overtuigen, en door den H. Willebrord God smeeken, vurig en aanhoudend smeeken, dat alle onze afgedwaalde broeders , tot die eene ware kerk mogen terugkeeren.

2quot;. De H. Willebrord leert ons die kerk beminnen door zijne daden en zijn voorbeeld. Al, wat de kerk betrof, was hem ten hoogste dierbaar. Hij beminde hare schoone feesten, en voerde ze bij ons in. Hare eeredienst, hare indrukwekkende plechtigheden, hare optochten met kruis-en priesterschaar, hare kerkgebouwen met beelden en schilderingen, sprekende tot verbeelding en gemoed, hare hartverheffende gezangen, het werd alles door hem ter harte genomen. Dierbaar waren hem de heiligen der kerk; dierbaar was hem de vereering der apostelen en der allerzaligste Maagd en Moeder Gods Maria; dierbaar waren hem de relieken der heiligen; en hij stelde ze in zijne kerkgebouwen aan de vereering der geloovigen voor. De H. Willebrord was eene ware zoon der kerk, en beminde haar als zijne Moeder. Zijne krachten, zijne kennis, zijn geheel leven wijdde hij aan haar toe. Vragen wij ons zeiven af, of wij hierin den H. Willebrord navolgen. Zijn wij aan de kerk van Christus ge-

-ocr page 137-

134

hecht met waarlijk kinderlijke liefde ? Beminnen wij hare eer, haren bloei, hare uitbreiding ? Zijn wij niet onverschillig voor hetgeen zij ons voorstelt en hetgeen haar betreft?

3°. De H. Willebrord leert ons de kerk gehoorzamen. Hij was immer haar onderdanige zoon. Tweemaal zien wij hem aan de voeten van Jesus\' Stedehouder, om de zending en de voorschriften van het Opperhoofd der kerk te ontvangen. De wetten zijner Moeder volgde hij immer op met de meeste liefde en nauwgezetheid. Hij onderwierp zich met zelfverloochening en in den geest van boetvaardigheid aan de veertigdaagsche vaste en andere onthoudingsdagen der kerk. Hij gehoorzaamde aan de kerk, want hij wist, dat hare bevelen de bevelen waren van Christus, die gezegd heeft; die u hoort, hoort Mij. Is uwe onderdanigheid jegens de kerk zoodanig als de H. Willebrord ze u heeft geleerd?

-ocr page 138-

i3S

LEGENDE DAG.

ZEGEPRAAL VAN DEN H. WILLEBRORD.

Nu is mij de kroon der gerechtigheid weggelegd. 2 Tim. IV: 8.

De zegepraal, door H. Willebrord bevochten, heeft hem:

iquot;. een onsterfelijken roem ;

2quot;. een onuitsprekelijk geluk ;

3quot;. eene groote macht bij Christus geschonken.

iquot;. Onsterfelijk is de roem, dien de H. Willebrord door zijne zegepraal heeft verworven. Onsterfelijk is die roem op aarde, onsterfelijk in den hemel. Op aarde wordt hij door de geheele kerk als heilige vereerd. Geen rijk op aarde viert de nagedachtenis zijner helden en zijner uitmuntende dienaren, met zooveel trouw, met zooveel luister, met zooveel liefde, als het rijk van Christus. Reeds twaalf eeuwen schier duurt de nagedachtenis van den H. Willebrord voort, en zij zal voortduren zoolang de Kerk op aarde zal bestaan tot aan de voleinding der dagen. De Kerk vereert in den H. Willebrord den heilige en den apostel. Die roem is geen verdichte of onverdiende roem. Die roem overtreft allen anderen roem van heldenfeiten,

-ocr page 139-

13*5

regeeringsbeleid, wetenschap en kunsten. Die roem wordt met den meesten geestdrift alom verbreid door de lofzangen der Kerk, door de beelden hem ter eere opgericht, door tempelgebouwen hem toegewijd, door feestredenen ter zijner eere, door talrijke geschriften en kunststukken. Overal waar de Katholieke kerk verbreid is, wordt zijn naam gekend. Gedurig wordt die roem telken jare door terugkeerende feestviering verlevendigd.

Is de roem van den H. Willebrord reeds zoo groot hier op aarde, hoe groot is hij dan niet in den hemel ? Daar prijzen hem niet alleen de menschen maar God en de engelen. Daar gaat het woord in vervulling. Die velen in de gerechtigheid onderwijzen, zullen blinken als sterren altoos en eeuwig. (Dan. XII; 3). Daar schittert hij met eene kroon, die glansrijk is boven alle aardschen glans, door God zeiven is geschonken, rijk is door tal van groote en geheel bijzondere verdiensten en nimmer vergaat.

2°. Aan de heerlijkheid en den roem van den H. Willebrord is ook het geluk geëvenredigd, dat zijne zegepraal hem heeft verworven. Dat geluk is onvermengd en geheel ongestoord. Geen behoefte, geen teleurstelling, geen ramp, geen smart, geen droefenis, niets zal zijne vreugde verminderen

-ocr page 140-

137

en naarmate hij meer arbeid, beproevingen, kwellingen in dit leven heeft doorstaan, zal die rust hem zoeter zijn, welke hem de zegepraal heeft geschonken. Dat geluk zal zijn geest verzadigen met de aanschouwing der eeuwige schoonheid, zijn hart overstroomen met de onbeschrijfelijkste zoetheden der liefde, al zijne verlangens bevredigen door het bezit van het oneindige goed. Voeg daarbij den luister van het verblijf des hemels, het gezelschap en de vreugde van engelen en heiligen, en de verheerlijking van het lichaam, dat het werktuig is geweest der verdiensten. Eindelijk bedenk, dat die zaligheid nimmer eindigt en. eeuwig voort duurt. Dan zult gij begrijpen, hoe de zaligheid van God op den H. Willebrord nedervloeit, en hoe het erfdeel van Christus ook zijn erfdeel is. Dit moet ook ons bemoedigen bij onzen strijd. Ik zelf, zegt God, zal uw overgroot loon zijn.

3quot;. De zegepraal eindelijk heeft den H. Willebrord bij Christus eene groote macht geschonken. De heiligen zijn de vrienden van den Goddelijken Koning; zij zijn zijne hovelingen, die zijne liefden vertrouwen bezitten, en onophoudelijk toegang tot hem hebben. Zij vermogen veel bij dien oneindig machtigtigen en liefderijken Koning, en des temeer naarmate zij door ijver en verdiensten hebben uit-

-ocr page 141-

138

geblonken. Hoe machtig moet dus de voorspraak van den H. Willebrord bij Jesus Christus zijn, van hem die zoo lange jaren met zoo groote toewijding werkzaam was als apostel voor de uitbreiding van zijn rijk. Zal de H. Willebrord vooral niet bijzonder veel vermogen voor het land, waar hij werkzaam was, waar hij alles voor opofferde dat hij het eerst tot Jesus heeft gebracht ? Indien de apostel van Nederland reeds zooveel vermocht voor hen, aan welke hij predikte, dat hij een bron deed ontspringen, om hunnen dorst te laven, hoe veel te meer zal hij in den hemel bij machte zijn het water des eeuwigen levens te doen neder-stroomen voor hen, die smachten in de woestijn dezer wereld! Velen zijn de wondervolle gunsten, waarvan zijn graf getuigt. Onzeggelijk is de toe ■ vloed daarheen telken jare. De geheele kerk van Nederland erkent den H. Willebrord als haren bijzonderen beschermer. Bidden wij met haar: heilige Vader Willebrordus, bescherm uwe kudde! Zie uit den hemel neder op hen, die heen en weer geslingerd worden over de woelige zee, en bevrijd ons van de schipbreuk door uwe gebeden en heerlijke verdiensten. Amen.

-ocr page 142-

VAN DEN

KC. WILLBBRORID.

Heer, ontferm U onzer !

Christus , ontferm U onzer !

Heer , ontferm U onzer!

Christus , hoor ons !

Christus , verhoor ons !

God, Vader in den hemel, ontferm U onzèr ! God Zoon , Verlosser der wereld , ontferm U onzer God, Heilige Geest, ontferm U onzer !

Heilige Drievuldigheid, één God, ontferm U onzer! H. Maria, bid voor ons!

H. Moeder Gods, \\

H. Willebrord , : c

Apostel der Nederlanden , j quot;

Voorbestemd om het licht van J. C. voor onze \' § heidensche vaderen te doen schijnen , \\ 0

Sedert uwe eerste jaren opgegroeid in reinheid quot; en onschuld,

-ocr page 143-

140

Getrouwe Zoon en leerling van den H. Benediktus, Gevormd in de school der H.H. Wilfried en Egbertus,

Die vlamde van ijver voor de eer van uw God

en van J, C.,

Die smachtet naar het heil der zielen , Die beantwoord hebt aan het voorbeeld van Christus en zijne roepstem: gaat en onderwijst alle volkeren ,

Die aan het hoofd van elf heiligen werkzaam zijt geweest om het rijk der heiligheid uit te te breiden,

Groote heilige, uitmuntende door een levendig

en standvastig geloof,

Vol van het krachtigste vertrouwen,

Begaafd met goedertierenheid zachtmoedigheid

en hemelsch geduld ,

Voorbeeld van vurige godsvrucht,

Bereid om voor Christus uw leven te geven , Bezield met den moed der apostolische liefde, Die aan onze voorouders het woord Gods met

toewijding hebt gepredikt,

Die het kruis als het teeken onzer verlossing op de puinhoopen van het heidendom hebt geplant,

Die het geloof in éénen waren God, en in zijne zoon Jesus Christus in ons vaderland wortels hebt doen schieten en bloeien,

-ocr page 144-

i4i

Die noch arbeid, noch offers hebt ontzien om 1

de kerk van Christus in Nederland te vestigen, H. Bisschop vol zorg en waakzaamheid voor de

U toevertrouwde kudde.

Krachtig door Gods genade, die in u niet ijdel was,

Gezegende weldoener der armen van J. C. ,

Getrouwe vereerder der heiligen ,

Priester vol teedere liefde voor het Goddelijk offer der nieuwe wet en het heilig Sacrament onzer altaren,

Immer een met de opvolgers van Petrus, en aan

Jesus, stedehouders stipt onderdanig,

Die de ondeugden van het heidendom door de wet en zedeleer van Gods Zoon gedurig hebt bestreden,

Die schier vijttig jaren hebt volhardt in de edelmoedigste toewijding,

Gelukkige Redder van duizenden zielen ,

Heilige en hoog vereerde patroon van Nederland,

Wees genadig, spaar ons. Heer!

Wees genadig, verhoor ons , Heer !

Van de listen en lagen des duivels, verlos ons Heer, Van ongeloof en dwaling, verlos ons Heer ! Van eigenzinnigheid en hardnekkigheid , verlos ons Heer !

Van ongehoorzaamheid aan de bevelen uwer kerk ! verlos ons Heer l

CJ lt;

O O

V\'

-ocr page 145-

142

Van onverschilligheid ten opzichte van geloof

en godsdienst,

Van onchristelijke zeden,

Van de verleiding der wereld ,

Van traagheid en lauwheid in het goede, Van lafhartigheid en menschelijk opzicht, Van het verzuim der plichten van onzen staat. Wij zondaren, wij bidden U verhoor ons. Dat wij getrouw aan de geschonkene genade

mogen beantwoorden,

Dat wij naar het voorbeeld van den H. Wille-brord bezield mogen zijn met een levendig en standvastig geloof,

Dat wij in den strijd, dien wij hebben te strijden vol moed en vertrouwen mogen zijn als die heilige Belijder,

Dat wij den H. Willebrord in zijne vurige liefde

voor U mogen navolgen.

Dat wij even als die groote apostel steeds mogen ijveren voor uwe wet.

Dat wij naar het voorbeeld van dien heiligen bisschop met offervaardige toewijding de plichten, die op ons rusten, mogen vervullen ,

Dat Gij u gewaardigt onzen H. Vader den paus en al onze geestelijke oversten te zegenen en te bewaren,

Dat Gij u gewaardigt alle afgedwaalden in ons

-ocr page 146-

143

midden tot de waie eenheid terug te brengen, Dat Gij over ons vaderland overvloedig genade

en zegening wilt uitstorten,

Dat Gij u gewaardigt de armen, de bedroefden, de lijdenden en stervenden te troosten en te versterken, ) S

Dat Gij ons waardige kinderen doet zijn van lt;

den H. Willebrord,

Dat Gij ons door zijne machtige voorspraak wilt

geven, wat wij afsmeeken.

Zoon Gods, \'

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,

spaar ons Heer !

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,

verhoor ons, Heer !

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld,

ontferm U onzer !

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

Bid voor ons, Heilige Willebrord!

Opdat wij de beloften van Christus waardig worden,

laat ons bidden.

O God! o God, die U gewaardigd hebt den H. Willebrord als bisschop te roepen om aan de heidenen Uwe glorie te verkondigen, opdat zij de volmaakte aanneming tot kinderen Gods zouden erlangen; verleen ons, smeeken wij, door zijne voorspraak, stand-

-ocr page 147-

144

vastig Uwen wil te volbrengen, opdat in onze dagen het volk, dat U onderdanig is, zoo wel in verdienste als in getal, gedurig moge toenemen. Door Christus onzen Heer. Amen.

Heer, verhoor ons gebed!

En laat ons geroep komen tot U.

Dat de zielen der overledene geloovigen door Gods barmhartigheid in vrede rusten. Amen.

GEBED VOOR DE BEKEERING VAN ONS VADERLAND.

O Jesus ! Wiens liefdevol Hart zoo vurig verlangde naar de verlichting en het heil der zielen, wij smeeken U door de machtige voorbede van Maria, Uwe heilige Moeder, de Koningin der apostelen en van den H. Willebrord, die schier vijftig jaren met vlatrmenden ijver voor de bekeering van ons vaderland heeft gewerkt, al onze afgedwaalde broeders tot het eéne rijk van uw wonderbaar licht en uwe heilige liefde te voeren, en genadevol ook ons daarin steeds te bewaren. Die leeft en heerscht in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Wees gegroet.

-ocr page 148-

Bij den Uitgever dezes is mede verschenen:

Baësken, Eerste Engelsch Leesboek....../ 0.60

- Tweede „ „ .....„ 0.90

Sobxeibers, Atlas der Zoogdieren. In half linnen . „ 4.50

-- « » Vogels. „ . . 4.50

- „ Amphibien, Visschen, Week- en

Straaldieren. In half linnen. . . . „ 4.50

- Atlas v/h. Plantenrijk. In half linnen. „ 11. —

- „ v/h. Delfstoffenrijk. „ „ 5. -

- „ v/d. Natuurlijke Historie. 5 dln.

te zamen..........„25.—

Vaubert, H. Oefening der Tegenwoordigheid Gods.

Ingenaaid. „ 0.35

- „ „ In zwart linnen. „ 0.50

-- „ „ In linnen, roode snede. „ 0.60

Vincent, Agnes het Bruidje van het H. Sacrament. Ing. „ 1

- „ „ „ In linnen. „ 1.40

Diploma H. Familie, in kleurendruk....... 0.50

L. Ii., Dankbaarheid en Trouw. Gecartonneerd. . „ 0.25 quot;Bernard van den Boscb, De Blinde van Clermont.

Gecartonneerd. . . „ 0.25

--— Maria\'s voorbede, Gecart. „ 0.25

Aloys. B. Jansen, Weldoen brengt Zegen. Gecart. „ 0.25

- Tusschen de Duinen. Gecart. . „ 0.25

- De Kleindochter van den Woekeraar. Gecartonneerd . . . „ 0.25

0.50

TEB, PEHSE:

Mgr. de Waal, Valeria of de zegetocht der Kerk uit de Katakomben. Vertaald door M. J. P. Lurasco, compleet in 5 afleveringen ....amp;,

-ocr page 149-

Bij den Uitgever dezes is mede verschenen:

H. J. H. Ruscheblatt, Het lijden en Sterven

van onzen Heer Jesus Christus uitvoerig verh. en overwogen. 2 dln . / 6.75

---- id. id. in linn, banden „ 7.90

J. R. van der Lans, Maagdepalmen......„ 1.40

----„ in prachtband. „ 1.90

VanEtton, Bekn. Leven van O. H. J. C. Ingenaaid. ,, 1.40

- » „ In rood of blauw linnen „1.50

Beelen, Bezoeken bij het H. Sacrament. Ingenaaid. ,, 0.25

—- •gt; ,, In zwart linnen. 0.40

- gt;« » Bruin linn., roode snede. „ 0.50

--» » Marocco lederen band. „ 1.25

-Bezoeken met Begroetingen v. d. H.Joseph.

In zwart linnen............ 0.50

Bouvy, Ster der 19e eeuw, de H.Joseph. Zijn leven. „ 0.50

--„ Beschouwing zijner deugden. „ 0.80

- Begroetingen van den H. Joseph. , . . „ 0.10

Bernard van den Bosoh, Uit het Leven van Pius

IX en andere verhalen. Ingenaaid...... 0.85

— Idem Idem. In linnen. ,, 1.25 Berthaumier, Leven H. Franciscusvan Assisie. Ing. „ 0.70

---» „ In linnen band. „ 1.—

Van Campen, De Goede Herder. Ingenaaid . . „ 1.—

\' —- m gt;i Gebonden. . . „ 1.40

Het Eerste Gebedenboekje. In basaan......„ 0.65

»gt; » In marocco.......„ 1.50

Het Huiselijk Geluk. In half linnen........ 0.65

»gt; » 1° heel linnen. 0.90

Ooms f De schoonste dag. Gedichten voor kinderen

bij de Eerste H. Communie........ 0.20