parlementaire
PORTRETTEN EN SCHETSEN
frans netscher
A:\'-\' ^
(\'vLd\' Iv pk» \\±\\
amsterdam s. w a r e n d o r f jr
18s9
—r-
i
L
IN EN OM DE TWEEDE KAMER.
r.VV.*
.v I r\' • f
■ vm
v* • u* M:: s.\'
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
03
66 877
r*
F
EN i DE m
PARLEMENTAIRE
PORTRETTEN EN SCHETSEN
FRANS NETSCHER
AMSTERDAM S. WARENDORF Jr
1889
inhoud.
Biz.
MINISTER HEEMSKERK................................................................................I
x Mr. H. C. VERNIERS VAN DER LOEFF........................................................12
, Dr. H. J. A. M. SCHAEPMAN........................................................................17
jhr. Ml\'. W. H. DE BEAUFORT....... ....................................................24
F. DOMELA NIEUWENHUIS..........................................................................28
jhr. Mr. j. vv. h. rutgers van rozenrurg..........................................36
F. LIEFTINCK................................................................................................40
Mr. S. VAN HOUTEN....................................................................................47
jhr. Mr. A. F. DE SAVORNIN LOHMAN......................................................55
J. J. VAN KERKWIJK..................................................................................65
MINISTER KEUCHENIUS................................................................................73
INDISCHE SPECIALITEITEN (Mr. J. VAN GENNEP, Mr. W. K. BARON VAN
DEDEM, en Ml-. H. D. LEVYSSON NORMAN)........................................80
Mr. J. G. GLEICHMAN..................................................................................94
Mr. H. GOEMAN BORGESIUS........................................................................I03
Mr. H. J. L. HAFFMANNS............................................................................II3
Mr. JE. MACK A Yquot;..........................................................................................122
INHOUD.
Bk
Nieuwe leden............................................................................................130
LINTELO, BARON DE GEER VAN JUTPHAAS..............................................142
DE SCHIMMELPENNINCKS..........................................................................148
jhr. Ml*. G. J. TH. BEELAERTS VAN BLOKLAND......................................l6o
J. C. FABIUS..................................................................................................l66
DE BODE....................................................................................................173
EEN HALF UUR PAUZE..............................................................................183
lm memoriam.
Mr. G. M. VAN DER LINDEN......................................................................189
Mr. A. J. H. VAN BAAR..... ..................................................................200
J. R. CORVER HOOFT..................................................207
VIII
JL
I.
Mr. J. HEEMSKERK Az.
minister van staat en oud-minister van binneni. andsche zake n.
Aan de Ministerstafel heerscht eenige ontroering. Op den •rechtervleugel, in een der voorste bankjes, staat het spitse, hoekige, fretachtige figuur van den heer De Savornin Lohman recht overeind, met bijtende, toornige woorden een der takken van algemeen bestuur heftig te beknabbelen. En op het einde zijner rede stelt hij onverwacht aan een der Ministers een vraag, die onmiddellijk de aandacht van de Kamer in beslag neemt.
Terwijl de heer Lohman in eenige minder belangrijke zinnetjes een slot aan zijne redevoering maakt, hebben zich ineens groepen gevormd in de zaal, die met bijeengestoken hoofden, druk kakelend, en met eene menigte armbewegingen, de opgeworpen kwestie reeds onder elkaêr behandelen. Een der Ministers heeft zich, op zij\' over zijn leuningstoel, achter de groene tafel, tot zijn naastbijzittenden kollega gebogen en haastig fluisterend eenige woorden gewisseld.
2 MR. J. HEEMSK.ERK AZ.
De heer Van Kerkwijk, die dit stilspel gezien heeft, stoot dadelijk een der leden met den elleboog aan, en met een mefistofelische uitdrukking op het scherp grinnekend gelaat, wijst hij met eene hoofdbeweging op het tooneeltje achter de groene tafel: de afgevaardigde naast hem kijkt in de aangeduide richting, begrijpt \'t onmiddellijk, als een ingewijde die zoo iets meer gezien heeft, lacht meê, en beiden blijven de oogen op de Ministerstafel gevestigd houden. Nu zien zij de twee hoofden der Departementen gejaagd doorspreken, de één snel korte zinnen zeggen, de ander herhaaldelijk toestemmend knikken, om te kennen te geven dat hij \'t begrijpt en hem tot voortgaan aan te zetten. En terwijl de heer Lohman eindigt, een opgewonden drukte van luide gesprekken ontstaat, de Voorzitter ongeduldig met den hamer klopt, en een ander spreker, te midden van dit geraas, aan \'t woord komt, staat de luisterende Minister ongemerkt op, schuift zijn stoel achteruit, en haast zich door een zijpad de zaal uit, als druk voor zaken. De andere Minister leunt weêr achterover, pein. zend aan zijn snor plukkend, met het air van iemand die met ingespannen aandacht zit te luisteren.
De heer Van Kerkwijk en zijn buurman kijken elkander met een vroolijken, guitigen blik aan, en de heer Lieftinck, die op hen afkomt en ook iets schijnt gemerkt te hebben, zegt met een ronde sjovialiteit: »Er wordt al hulp gehaald !quot; te gelijkertijd met zijn hoofd veelbeteekenend naar één richting wijzend.
Een niet luisterende onverschilligheid beving nu de Kamer. Een onbeduidend redenaar, zelfs door zijn partijgenooten niet aangehoord, stond in hakkelende, fletsche zinnetjes eenige afgezaagde, algemeene bezwaren te ontwikkelen en akelige
MR. J. HEEMSKERK AZ.
profetiën voor de toekomst te voorspellen. Er werd druk heên en weer geloopen, vele leden zochten hunne plaatsen, en een stenograaf, half opgerezen in zijn bank, met gefronste wenkbrauwen en strak kijkende oogen, spande zich in om eenige woorden van de redevoering op te vangen. Een bode bracht den Minister van Justitie een portefeuille met stukken ter tee-kening, en de Voorzitter zette zijn zwarte kalotje op, daar het ventilatie-machine een koude luchttrekking in de zaal deed ontstaan. Ondertusschen zat de aangevallen Minister in dezelfde, schijnbaar luisterende houding toe te kijken, maar zijn oogen dwaalden naar alle zijden, en hij was al bezig in zijn hoofd het begin van zijn antwoord op te stellen.
Men wist, dat er in de eerste oogenblikken niets merkwaardigs gebeuren zou, en ieder hield zich met zijn partikuliere zaken bezig ; eenige leden hadden een groepje achter den president gevormd ; de griffier, druk schrijvend, was in een bedrijvige oplettendheid bij zijn werk ; en in kracht toenemend, als zwevend door de lucht, van alle kanten opzettend, steeg een brommend geruisch door de zaal, dat \'t moeielijk begon te maken den juisten loop der parlementaire bezigheden te volgen. De aandacht van de Kamer was zóó afgeleid, dat de Voorzitter \'t niet eens bemerkte toen de spreker geëindigd had, en op zijn bankje was gaan zitten. Een der kommiezen-griffier, die \'t toevallig gezien had, stootte den Voorzitter aan, die dadelijk naar zijn hamer greep en door de zaal rondkeek, om te zien of nog andere leden het woord verlangden. Maar daar niemand meer wenschte te spreken, kreeg de Minister het woord, die reeds zijn beurt voorziende, half in zijn stoel was opgerezen. Buiten de zaal, ergens in een zijkamer, hoorde men zenuwachtig
4 MR. J. HEEMSKERK AZ.
een elektriesch belletje rinkelen. En op dit geluid stoven de groene klapdeuren open, om twee dikke kluiten afgevaardigden binnen te laten, die elkander opdringend, zich met geaffaireerde haast naar de Ministerstafel jachtten.
Bijna op hetzelfde oogenblik echter wordt een der klapdeurtjes opnieuw geopend, met een snellen, onhandigen duw; een klein heer, met een min, slordig, schooljongenslichaam in een gekleede jas, een langwerpig, hoog hoofd, komt binnen, en daalt met gejaagde, schuine pasjes, knikkoppend de treden van het gangpaadje af.
Een bode in rok en witte das draagt hem een zware portefeuille na.
De ledenmassa aan de Ministerstafel splijt open, om den heer Heemskerk door te laten; hoofden en bovenlijven buigen met een soort van beleefden eerbied den Minister toe. Maar deze, te druk en te bijziende om iets op te merken, schiet onhandig de gemaakte opening binnen, en met een sukkelige haast op zijn stoel, naast zijn sprekenden kollega.
De heer Van Kerkwijk grinnikt weer zijn buurman toe, met een hoofdbeweging als wilde hij zeggen; Zie-je nu wel!
De heer Heemskerk heeft onmiddellijk de hem nagebrachte portefeuille geopend, er eenige dikke stukken uitgehaald, en is er plof! met zijn neus op neêrgevallen. Het groote hoofd, als een zware vrucht die aan een geknakt takje hangt en waar de wind tegenaan speelt, schuift langs de lijnen van het papier heen en weer. En dood voor zijn omgeving, wegge-suft in een inwendige oplettendheid, gejaagd zoekend, napluizend, als wilde hij zich zoo gauw mogelijk van iets op
MR. J. HEEMSKERK AZ. 5
de hoogte stellen, slaat hij de bladzijden langs zijn neus om, teruggaande, opnieuw zoekend.
De Minister naast hem blijft onder een matige, afwachtende oplettendheid van de vergadering doorpraten.
De heer Heemskerk schijnt eindelijk gevonden te hebben wat hij zocht, want hij beurt zijn hoofd cvereind, vraagt iets aan zijn kollega aan den anderen kant, en rekt de armen uit, zich tegen den rug van zijn stoel drukkend, als iemand die na een avonddutje luyïg wakker wordt; een vast teeken, dat de Minister Heemskerk iets bij zich zelve overweegt, iets te zeggen heeft!
Iedereen leeft in bedaarde afwachting van de dingen, die komen zullen; de plotselinge verschijning van Heemskerk, na de boodschap, die blijkbaar naar hem afgezonden is, geeft een bewijs dat Z. E. zich mogelijk ook nog in de zaak zal mengen, of dat er misschien wel eene belangrijke mededeeling aan de Kamer is te doen. Aller oogen blijven dan ook op de Ministerstafel gericht, en het ontgaat slechts weinigen leden, dat het hoofd van het Kabinet ineens een rukje aan de jas van zijn sprekenden ambtgenoot geeft, als deze, in zijn ijver om de kwestie nauwkeurig .en duidelijk uiteen te zetten, waarschijnlijk zich te ver op het terrein der onthullingen waagt. De Minister schrikt, verwart zich, begint zich tegen te spreken, en door deze onverwachte interruptie van zijn »baasquot; eindigt hij zijn speech in een treurig gehaspel van zinnetjes, waarin hij nog eens herhaalt wat hij reeds verscheiden malen in den loop zijner rede beweerd heeft.
De vergadering is echter onvoldaan ; de regeering heeft geen voldoend antwoord op de vraag van den heer Lohman ge-
6 MR. J. HEEMSKERK AZ.
geven ; er gaat een gemompel in de hooge ruimte der zaal op; Schaepman, Mackay en Schimmelpenninck steken links de hoofden bijeen, druk babbelend met korte zinnetjes, als spraken zij samen haastig iets af.
De Voorzitter houdt even den blik op den heer Heemskerk gevestigd; en deze, als een bijziende mol die in de aarde wroet, ligt met den neus in eenige stukken te snuffelen, en springt dan ineens, met een kinderachtig snel zetje, van zijn stoel overeind.
— Het woord is aan Z. E. den Minister van Binnenland-sche Zaken! klinkt het langzaam van het presidentsgestoelte.
In de vergadering heeft een plotselinge val van geluid plaats.
Van Kerkwijk knikt met een vroolijken grijns tegen zijn buurman, als wilde hij weêr zeggen; »Zie je wel, dat ik gelijk heb; daar komt het al!quot;
Alle leden zoeken luisterende houdingen; bewegingen blijven hokkend onuitgevoerd; een stijfheid van aandacht komt over de zaal.
En snuffelend nog in stukken en papieren, wipt het groote hoofd van Heemskerk overeind, met den neus op eenige aan-teekeningen, klein, slordig, geestig in zijn ophangende jas.
Hij begint zijne redevoering met een zijwaartschen sprong, om te verklaren waarom hij zich in de kwestie komt mengen, en de verdediging der zaak niet alleen aan zijn kollega heeft overgelaten. Het geldt hier immers een zaak, die het algemeen politiek beleid van dit Ministerie betreft, de homogeniteit .....
Bij dit woord schiet er een fijne glimlach in de oogen van vele afgevaardigden. Homogeniteit! Wat een ondeugend
MR. J. HEEMSKERK AZ.
gezegde in den mond van een Heemskerk ! Wie gelooft daar aan ?
»Ofschoon, gaat Z. E. voort, mijn geachte ambtgenoot deze zaak reeds op zoo\'n heldere en uitnemende wijze uiteen heeft gezet (weêr trekt er hier en daar een vreemde, ongeloovige lach door de Kamer), meen ik nog iets in het midden te moeten iT-engen, ten einde voor het vervolg misverstand te voorkomen, want. de heeren weten het, in eene parlementaire vergadering als deze kan men niet te voorzichtig zijn met zijne woorden!\'\'
Een ondeugende trek speelt om Heemskerks lippen, en zijne diep inliggende oogjes fonkelen even, maar worden spoedig bijna geheel door de oogkassen bedekt, die hij, met het vel van zijn geheele voorhoofd toch naar beneden trekt. En op een soort van gekscherenden, schalkschen toon, als nam hij deze zaak heel luchtig en eenvoudigjes op, gaat hij met zijne redevoering voort; hij werpt te midden der ernstigste argumenten ondeugende kwinkslagen, maakt onhandige stuipige schokken met het hoofd en het bovenlijf, scharrelt in papieren, stopt onophoudelijk een punt van een slordig halfhemdje weg, dat met een koppige regelmaat, bij elk zijner armbewegingen, uit zijne vestopening naar voren springt, en danst, als een zijner beenen moe wordt, met een elastisch schokje, als stond hij op een voetstuk van gutta-percha, op het andere been over.
De redevoeringen van den heer Heemskerk missen alle oratorische kracht. Zijn orgaan is zwak en zacht; hij kan zijne zinnen niet met lange wapperingen in dreigende klanken door de zaal doen donderen; ik geloof, dat hij nog nimmer eene vergadering door zijne anthoesiaste woorden in opgewondenheid heeft gebracht; van zijne speechen gaat geen overtuigende
8 MR. J. HEEMSKERK AZ.
bezieling uit, men voelt in hem geen grootsche, politieke figuur, die jarenlang pal gestaan heeft voor zijne beginselen en de ontbloote borst bood aan zijne vijanden, vechtend met open vizier, gebalde vuist van ingehouden toorn, gefronste wenkbrauwen van woelende gedachten. Hoe groot Heemskerks rol in de vaderlandsche politiek der laatste vijfentwintig jaren ook wezen moge, nooit zal hij daarin kunnen opgeteekend worden als een held zijner onomstootelijke overtuiging, die vooraan in de gelederen onzer staatslieden gestaan heeft, en door stem en daad aan de doordrijving en verwezenlijking van eenige groote, staatkundige beginselen heeft medegewerkt. En toch is zijn naam verbonden aan eenige der voornaamste monumenten op wetgevend gebied; zijn aandeel aan de totstandkoming van verscheiden belangrijke wetten valt niet te ontkennen. Maar op geen dezer wetten heeft hij het zegel zijner persoonlijkheid weten te drukken ; geen dezer werken is de vrucht van een kenmerkenden, individueelen geest. Zelfs zijn staatkundige Slag van Waterloo is voor hem eene overwinning geworden, die mogelijk door vele politici niet boven een schitterende nederlaag verkozen zou zijn geworden: ofschoon aan de Grondwetsherziening van 1888 de naam van den staatsman Heemskerk verbonden is, kan hij ze toch niet z ij n werk noemen, evenals in verhouding een Hogendorp en een Thorbecke dit wèl in 1813 en 1848 zeggen mochten. Wat zijn de moderne beginselen daarin verwezenlijkt, verdedigd en geformuleerd door z ij n scheppenden geest ? Wat is de politieke hoofdkwestie door hem voorop geschoven, er waarmee hij bleef staan of gevallen is ? wat kan hij in zijne lange, politieke loopbaan aanwijzen als de zaak of de wet, waaruit
9
voor iedereen duidelijk en onwederlegbaar de Eenheid-Heemskerk zou kunnen spreken ?
Heemskerk is in onze staatkundige steeple-chasen de jockey-geweest, die de beesten van andere eigenaren over greppels en heuvels wist heen te jagen ; die echter niet overwon met eenige paardelengten, maar met het verschil van slechts een halven- of kwart-kop. En nog, hoe zagen die arme beesten er dan uit ? Vol schrammen en wonden, buiten adem, met knikkende pooten, en bijna tegen den grond slaande als ze eindelijk van den geforceerden ren tot stand werden gebracht ! Zoo was Zijne Excellentie ook de jockey, die den knol der Grondwetswijziging bereed, door hem uit de stoeterij der Kommissie genomen ! Maar hij was de jockey, die alle streken en kunstjes van zijn vak verstond, en ze in praktijk wist te brengen met een ongeëvenaarde handigheid, zóó dat geene enkele jury termen wist te vinden, om hem op grond van politieke oneerlijkheden den prijs te weigeren.
Al is Heemskerk geen groot redenaar, hem blijft toch de onmiskenbare lof over een handig debater te zijn, ja de handigste uit het Parlement, en mogelijk van zijn tijd. Niemand in ons Hooger- of Lager-Huis kan er zich op beroemen hem ooit in het nauw te hebben gedreven; stelde men hem een vraag, waarop men meende, dat alleen met een »jaquot; of een sneenquot; te antwoorden viel, dan wist Heemskerk altijd een derde woord uit te vinden, dat tusschen deze twee nog in stond; hij was de vriend van alle partijen, maar sloot zich nooit bij eene enkele aan; hij deed de rechterzijde om de liberalen lachen, maar ook omgekeerd de anti-revolutionnairen om de linkerzijde.
MR. J. HEEMSKERK AZ.
Lukte het hem al niet zijne tegenstanders te verslaan, hij verstond de kunst ze onschadelijk te maken. Kwam een der ;gt;vieux de la vieillequot; van de konservatieve partij, met eene stem uit het verleden, hem als een der hunnen opeischen; meende de linkerzijde, tengevolge zijner houding in eene of andere politieke zaak, hem nu eindelijk als een liberaal te mogen begroeten; dacht de rechtervleugel, dat hij, door zijne houding in eene onderwijskwestie, een driemanschap met Schaepman en Lohman wilde aangaan — Heemskerk wist nog altijd op het laatste oogenblik een bokkesprong in bet debat te maken, waardoor hij aan aller vingeren ontkwam; hij bleef met zijne woorden nooit aan een zaak kleven; wierp men hem, ontstemd door zijne onzekere bewegingen, een antecedent of eene aanhaling uit zijn «Praktijk der Grondwetquot; voor de voeten, dan gelukte het hem tóch zulk antece^^nt weg te moffelen, en aan die aanhaling eene uitlegging te geven, welke daghelder bewijzen moest, dat hij het grootste gelijk van de waereld had. Het scheen somtijds dat hij een Woordenboek van de Nederlandsche Taal bezat, waarin de woorden en uitdrukkingen geheel andere beteeke-nissen hadden dan in het dagelijksche leven; hij wist ze tenminste altijd zoo vreemd, vernuftig of paradoxaal uit te leggen, dat zijne aanvallers hem verwonderd aanstaarden, twijfelden aan hunne eigen taalkennis en gansch verward den mond hielden.
Glad als een aal, gevat als de duivel, slim als een vos, leverde hij in ons Parlement nooit oratorische veldslagen; hij voerde slechts schermutselingen uit, maar sprong dan om zijne vijanden heen, lichtte ze beentje, deed ze duikelen, prikte ze links, prikte ze rechts, van voren en van achteren, ontwapende
MR. J. HEEMSKERK AZ. I I
ze door een lach, riep dan triomfantelijk sZiet gewei, dat ik gelijk had!\'\' en eindigde met een kwinkslag, die de luisterende groepen in een goed humeur en gekalmeerde stemming uiteen deed gaan. En als men dat oudachtig heertje — met zijn slordig, nonchalant voorkomen, zijn voorhoofd als een Eifeltoren, zijn jas van vijf modes geleden, bijziende als een tip, en soms schalksche oogjes van een guitig kindermeisje — achter de groene tafel zag staan babbelen en redeneeren, terwijl hij een onderdeel der Grondwetsherziening verdedigde, of een in \'t nauw gejaagden kollega uit den brand hielp, dan zou men nauwelijks hebben durven gelooven, dat een der eerste Nederlandsche Staatslieden bezig was in onze wetgevende vergadering de belangen van een volk te behandelen, als vertegenwoordiger van de Kroon en hoogste AVaardigheids-bekleeder van een gansche natie! Heemskerk is het levende bewijs, dat de eenvoudige realiteit somtijds dwazer narrege-zichten kan trekken, dan de dolste fantaisie!
Mocht het nageslacht nog eenmaal een standbeeld voor dezen Grondwetsman willen oprichten, dan zou het zeker, naast den zittenden Hogendorp van Rotterdam, den staanden Thorbecke van Amsterdam, in den Haag een over een tafel gebogen Heemskerk moeten doen gieten, gedoken over een bundel stukken, den neus op het papier, en aan onze afstammelingen een enormen schedel vertoonend; en op een dei-zijvakken van het voetstuk kon men als hulde doen schrijven;
Deez\' groote Grondwetsgoochelaar.
Was altijd met zijn woorden klaar.
II.
Mr. H. C. VERNIERS VAN DER LOEFF.
Wanneer men zich een voorstelling maken wil van het hoofd van den heer Verniers van der Loeff, dan doet men \'t best zich den kop van een Caesar op eene oude, Romeinsche munt voor oogen te brengen. Het is een kaalgeschoren gezicht, met diep en scherp geakcentueerde trekken, en kort afgeknipt haar; de smalle lippen zijn meestal met een energieke vastberadenheid dichtgesloten, en een recht, glad voorhoofd, waarin zich nu en dan een imperieuse rimpel teekent, zakt laag op de diep inliggende oogen neer. Er spreekt eene groote energie, een lang overwogen n adenkendheid en een aangeboren zelfvertrouwen uit die krachtige, beweeglijke gelaatstrekken. Zelden zal men er een glimlach over zien glijden, en de zwarte gekleede jas, die» gewoonlijk hoog aan den hals is dichtgeknoopt, en slechts een smal wit randje van zijn boord laat zien, verhoogt de strengheid van zijn uiterlijk.
Hij zit in de Kamer op het voorste bankje van de laatste rij links, naast den heer Van Kerkwijk, op zij\' van
Mr. H. C. VERNIERS VAN DER LOEFF. 13
de Ministerstafel. Meestal brengt hij den geheelen dag op zijn zitplaats door, want hij heeft niet, zooals de meeste leden, de gewoonte om rond te loopen, of zich tegen de bureaus of in een hoek met andere afgevaardigden in een geprek te begeven. Slechts bij hooge uitzondering verlaat hij zijn bank, en dan gewoonlijk maar voor een kort oogenblik, om een zijner medeleden eene inlichting te vragen of wel met een ander iets snel af te spreken. Maar op alle tijden van den dag vindt men hem op zijn bank terug, achterover leunend, met den elleboog op de tweede tafel gesteund en het hoofd in de hand. Af en toe speelt zijne andere hand met een veêren pennehouder, of buigt hij zich voorover om den neus te snuiten, en, naar eene vaste gewoonte, den zakdoek achter zich in de bank te stoppen. Hij behoort niet tot de veelsprekers, en kan dagen achtereen zwijgend naar de debatten blijven luisteren, zonder eenig teeken van ongeduld te geven.
Maar hij weet zijn oogenblik te kiezen, en dan is zijn optreden van beteekenis. Hij schijnt hierbij een bepaalde tak. tiek te volgen, die hem in vele gevallen een goed sukces bezorgt. Men moet hem bijvoorbeeld eens waarnemen in den Begrootingstijd. Een lang, eentonig debat heeft den ganschen ochtend en een deel van den middag in beslag genomen; de leden zijn onoplettend geworden, of verdwijnen ieder oogenblik naar de koffiekamer, \'t Is grijs en duister in de Vergaderzaal, en om drie uur worden de gaslichten reeds aangestoken. Het debat verkwijnt, en men verwacht spoedig de sluiting der beraadslagingen. Maar nu vraagt de heer Verniers van der Loeff eensklaps het woord, en springt met een schok in zijn bank overeind.
illquot;. H. C. VERNIERS VAN DER LOEFF.
En het aanzien der Kamer verandert.
De leden staken hunne gesprekken; men verlaat de zitplaatsen, waar men bezig was brieven of stukken te lezen; vele afgevaardigden der rechterzijde steken de zaal over, en plaatsen zich in zijne nabijheid. Ook komen er nog leden uit de koffiekamer terug, die het nauwe gangpaadje helpen vullen, in een dikken tros rond den troon staan, en hem met een dichten kring van zwarte gestalten en bleeke gezichten omringen. De Ministers zijn oplettend, en hebben zich half naar hem toegekeerd.
En de afgevaardigde uit Rotterdam begint. Eerst laat hij eenige korte, inleidende zinnen voorafgaan, die bedaard en eenigszins hoestend worden uitgesproken. Maar zijne woorden beginnen elkander sneller op te volgen, de zinnen worden langer, en hij verheft zijn stem. Hij heeft een orgaan, dat uit het hoofd komt, zonder keelgeluiden, gewoonlijk in de hooge tonen, die de woorden beslist voortstuwt. Nu en dan maakt zijn hoofd eenige energieke schokjes op zijne hooge, vierkante schouders, terwijl hij in zijn rechterhand een veêren pen houdt, waarmee hij telkens een scheidende of uitleggende beweging in de lucht maakt. Hij dringt met zijne volzinnen dieper het debat in, hij begint tusschenzinnen te maken, drukt nu en dan met een hoog stemgeluid op een zeker woord, dat hij eenige malen herhaalt, en vliegt dan weêr pijlsnel met zijne beschouwingen vooruit. Ondertusschen is het stil geworden in de Kamer; iedereen is zich bewust, dat er een belangrijk gezichtspunt in de zaak geopend zal worden. En meestal is dit ook het geval. Zijn redevoering releveert een vergeten of verwaarloosd argument van veel beteekenis, geeft eene onverwachte, belangrijke wending aan het debat, maakt zich meester van
14
15
de aandacht der vergadering. De behandeling treedt door zijn speech niet zelden een nieuwe fase in, verplaatst zich op andere bijomstandigheden, en de aanhangige kwestie is eensklaps van een nieuwe zijde aangetast. Met ernstige klem en een beslist zelfvertrouwen wordt zijne rede uitgestooten, vol gallicismen en uitdrukkingen aan de hooge politieke idiotikon ontleend. En bij de herhaling van een gewichtig woord slaat hij somtijds met de vuist driftig op een stapel officieele stukken voor zich ; of hij leest eene uitdrukking uit een Verslag voor, waarna hij met zijn veêren pennehouder driftig op het papier tikt, of het blad in de hoogte steekt, als wilde hij het iedereen laten zien en er door overtuigen. Ondertusschen heeft de Minister veel aanteekeningen zitten opschrijven, en hebben de leden de hoofden vooruit gestoken, om beter toe te luisteren. En als hij scherp en abrupt zijn redevoering geëindigd heeft, zit hij met een driftigen schok op zijn bank neêr, veegt zich met den zakdoek langs den mond, en leunt in zijn vroegere houding weer achterover.
Maar het middaguur is ver gevorderd, eu de vergadering wordt gesloten. Het debat, dat op zijn speech geëindigd is, wordt \'s avonds in de pers voornamelijk op dat punt besproken. Men erkent, dat de heer Verniers van der Loeff de koe bij de hoorns heeft gevat, en dat den volgenden dag het debat zich waarschijnlijk op zijne argumenten ontspinnen, en uitloopen zal op een amendement of een wijziging in den door hem aangegeven zin, die niet zelden door de regeering zal overgenomen worden.
De plaats, die door deze afgevaardigde in ons hooge staatslichaam wordt ingenomen, is dan ook ontegenzeggelijk die
l6 Mr. H. C. VERNIERS VAN DER LOEFF.
van een leider zijner partij. Zijn kennis, zijne bedrevenheid in de staatmanskunst, gevoegd bij zijn persoonlijkheiden zijne individueele eigenschappen, hebben hem als van zelf tot een der leidende figuren van onze linkerzijde aangewezen. En voor den aandachtigen waarnemer blijkt deze rol, die door hem in onze hooge politiek gespeeld wordt, uit allerlei kleine omstandigheden. Men moet eens opletten hoe dikwijls zijne medeleden naar zijn bank toekomen en eenige oogenblikken fluisterend gesprek met hem blijven praten, als ook de beteeke-nis en de gevolgen zijner amendementen ! Zonder twijfel is deze afgevaardigde van Rotterdam een po\'itieke figuur van niet alledaagsch allooi, die in zijn optreden en zijn uiterlijk het kachet eener sterk geprononceerde individualiteit bezit.
III.
Dr. H. J. A. M. SCHAEPMAN.
Niettegenstaande deze afgevaardigde geen geestelijk ambt meer bekleedt, draagt zijn uiterlijk nog de duidelijke sporen zijner vroegere pastorale bediening. Zijn hooge, zware figuur is altijd streng in het zwart; zijn jas. van buitengewoon lange afmetingen, nadert bij den eersten indruk het geestelijke kleed, dat eveneens hoog aan den hals is dichtgesloten, slechts een smal randje van een wit boord laat zien, en door de zwarte das iets monniksachtigs aan zijn optreden geeft. Al kende men hem niet, onmiddellijk zoi^bij zijn verschijning de impressie van het geestelijk karakter, dat hij in de plooyen zijner kleêren door de waereld meedraagt, bij ons worden opgewekt. Zijn gezicht, zijne manieren, zijne houdingen en zijn spraak ontnemen echter spoedig aan deze figuur de sombere deftigheid der kerkelijke ingetogenheid. Hij heeft een dik, rond, zwaar hoofd, een blank, kaalgeschoren gezicht, waarin twee naïve, blauwe oogen opgeruimd door de glimmende vlakjes zijner brilleglazen kijken, terwijl de lippen, die naar voren
2
18 DR. J. H. A. M. SCHAEP.MAN.
steken, immer in een tevreden, goedige plooi rusten. Hij is breed en zwaar gestuukt, met eene aankomende zwaarlijvigheid, en beweegt het hooggeschouderd lichaam, waar het dikke hoofd schier zonder hals op rust en daardoor aan zijn bovenlijf iets ingedrongens geeft, met forsche schokken, en vaste, harde stappen vooruit. Maar deze eenigszins vreemde figuur, met haar half geestelijk, maar ook half waereldlijk karakter, maakt, waar zij ook verschijnt, een indruk van gezondheid en vergenoegdheid, die zij aan hare omgeving mededeelt. Met den eersten oogopslag voelt men in hem den s prêtre-bon-enfantquot; het ideaal van den waereldschen monnik der Middeneeuwen.
Onwillekeurig toovert onze fantaisie hem in het verschiet der historie terug. Het liefst zou men hem zich voorstellen in een ruige monnikspij, met een neergeslagen kap op den rug, en een gordel om den welgevulden buik. En onze verbeelding zet hem op een oud schilderstuk neêr, achter een eenvoudig, houten tafeltje, een steenen kan naast zich, tegen de leuning van zijn stoel teruggezonken. Het lichaam schudt van het lachen, het hoofd is achterover geworpen op de schouders, en het oog op een glas wijn gericht, die prachtig fonkelt met purperen glinsteringen, terwijl de gasten, die aan den overkant op de ellebogen voorover leunen, hem met glimmende oogappels aanstaren, nog vroolijk van een schalksch verhaal, dat hij juist geëindigd heeft. Hij behoort thuis in den tijd dei-geestige, luchthartige monniken, en stoere krijgslieden met reusachtige flambards en breede rapieren. Hij is de type van den parlementairen Rabelais der negentiende eeuw.
In de Tweede Kamer zit hij aan de rechterzijde, halverwege
DR. J. H. A. M. SCHAEPJIAN. 19
ij op een der middelste rijen. De bezoeker, die een vergadering r- van dit regeeringslichaam bijwoont, en uit de hoogte der tri-;ir bune een blik werpt in den kuil der zaal, krijgt onmiddellijk n het figuur van Dr. Schaepman in \'t oog. Te midden der n groepen of samenscholingen van leden, steekt hij boven allen le en alles uit. Nu eens wordt men hem gewaar in het open vak ik voor de ministerstafel, breed geplant op zijne voeten, de han-den in de zakken, waardoor de panden zijner lange jas naar boven worden gehaald en de ellebogen van het lijf komen te s- staan, terwijl hij, met het hoofd achterover in de opgetrokken ;r schouders, het publiek van de tribunes of in de loge van den Raad van State waarneemt, en een jovialen groet met een be-;i- kende wisselt. Dan weêr kan men hem volgen als hij zijn hoog n lichaam met schokkende schommelingen van het eene einde n der zaal naar het andere beweegt. En eensklaps ziet men ;t hem, in het midden der leden van de liberale partij, een der n heeren op den schouder tikken, een hand schudden, en met 11 een opgewekt gezicht een gesprek beginnen. Ofschoon men de woorden niet verstaan kan, is het tóch mogelijk het verloop g van het gesprokene eenigszins uit de gebaren en gelaatsuitdrukkingen der personen op te maken. De afgevaardige uit t Breda heeft het een of ander te vertellen, en met den wijs-■- vinger telkens de borst van zijn medélid aantikkend, den buik t vooruit, alsof hij hem naar achteren wilde dringen, overweldigt r hij hem met de kolossale afmetingen van zijn lichaam. Maar t het liberale lid begint het gezicht in een vroolijke plooi te 1 trekken, terwijl zich ook over de trekken van Dr. Schaepman een schalksche uitdrukking verspreidt. De beide gezichten ; komen meer en meer in den lach; de afgevaardigde uit Breda
»
DR. J. H. A. M. SCHAEPMANquot;.
staat op het punt van weg te gaan: maar hij draait zich nog even om, voegt de quintessence zijner aardigheid met tintelende opgewektheid aan zijn gezegde toe, en de beide heeren scheiden van elkaêr in een opgeruimde lachbui.
Op een anderen keer vindt men hem op \'t onverwachtst op den hoogsten trap van het amfitheater, met uitgerekten hals van links naar rechts een zijner medeleden zoekend, on-w illekeurig met de hand aan het achterhoofd of aan zijn bril voelend. En als hij den gezochte in \'t oog heeft gekregen, schiet hij recht op hem af, en laat met een zwaren schok zich naast hem op het bankje vallen. De onderarmen steunen op het tafeltje voor hem, de handen spelen met een pennehouder of een stukje papier, terwijl ondertusschen de hoofden elkander meer en meer naderen, en men de belangrijkheid van het gesprek uit de haastige, opgewonden bewegingen der beide leden kan opmaken.
Men moet, om dezen afgevaardigde uit Breda in zijn apotheose te leeren kennen, hem in de vergadering aandachtig waarnemen. Nauwelijks heeft de Voorzitter bekend gemaakt, dat het woord aan den heer Schaepman is, of er volgen in de Kamer eenige oogenblikken van gemakkelijke voorbereiding. Leden, die tot nu toe niet naar de debatten geluisterd hadden en zaten te schrijven, laten hun brief rusten en keeren zich op hun zitplaats in afwachting om; anderen blijven in zijne nabijheid tegen de muren of ventilatieschermen leunen, terwijl eenigen zich bij de bureaus plaatsen of in de schaduw onder den hemel van het presidentsgestoelte verdwijnen. Dr. Schaepman kucht even, en begint met een korten zin zijne rede. Met zijn zware, welbekende stem, vol vettige, scherpe
DR. J. H. A. M. SCHAEPMAN. 2 1
klanken, die boven het dreunend gerommel der lagere tonen uitklinken, overmeestert hij de welwillende aandacht zijner medeleden. Men hoort graag naar hem, omdat men weet een goed voorgedragen, een ferm gebouwde en een welklinkende redevoering te zullen krijgen. Na de kalme inleiding, en zijne verklaring, dat hij slechts eenige opmerkingen heeft te maken, worden zijne volzinnen losser en ruimer 5 zij vloeyen gemakkelijk af, met grammatische zuiverheid; zij groeyen aan met bloemrijke vergelijkingen, sleepen in hun steeds klimmende vaart lange, rethorische franjes meê, en stapelen zich opeen met kunstige wendingen. De spreker geraakt langzamerhand in vuur; de bewegingen van zijn lichaam worden levendiger, en zijn stem krijgt een galmenden klank. Hij voert met forsche longstooten de woorden uit, die opdreunen langs de wanden, en wegdaveren in het koepeldak. Meestal heeft hij het bekende officieele opschrijfboekje in de rechterhand, waarmee hij onophoudelijk een kleine, heên-en-weêr schuddende beweging in de lucht maakt, terwijl nu en dan een schok zijner hooge schouders of een haastige voeling aan zijn bril, onbewust zijne woorden vergezellen. Maar zijne volzinnen dreunen voort met zware golvingen, doorbloemd met schalksche vergelijkingen of ondeugende toespelingen, die een glimlach door de zaal verspreiden. Beeldspraken, aan bekende litterarische kunstwerken ontleend, vernuftige gedaantewisselingen van politieke figuren met beroemde fantaisiehelden: een Heemskerk met het hoofd van Gretchen, of een Sprenger van Eijk gehuwd aan de Indische Maagd, komen ondeugend uit zijne redevoeringen te voorschijn. Soms stijgt, als met geweld losbarstend,
22
een olympische lach uit den kuil der Kamer omhoog, die de tribunes bevangt, en verstijft in een vermeerderde oplettendheid. Dan donderen en daveren — in het volle anthoe-siasme zijner vaderlandsliefde, tegen een Van Houten, die de Kroon slechts een sieraad van den Staat heeft genoemd, of in zijn rein idealisme over de symbolische en moreele beteekenis van de Heilige Maagd of de Onbevlekte Ontvangenis, of in de oprechte belangstelling voor zijn partij, die hij met schitterende welsprekendheid verdedigt — zijne zinnen met zware galmen in de steenen zaal, en slaan met de wildheid van een najaarsstorm op de Kamer neer. Men luistert met gespannen oplettendheid, wordt menigmaal meegevoerd door de bruisende geestdrift zijner welsprekendheid, terwijl zijn figuur achter het groene tafeltje hooger verrijst, de gebaren vol en levendig worden, en de volzinnen met sierlijke zwenkingen, gepluimd en vol schitterende franje, aan zijne gedachten meêslieren. En als hij in vurige verontwaardiging eindigt met een doodsprofetie aan de liberale partij, of een non-possumus tegenover hare halsstarrigheid, en in zijn bank terugzinkt, verrijzen er bravoos aan de rechterzijde, en is hij spoedig door een kring van vrienden en partijgenooten omringd.
Er spreekt uit het optreden en het voorkomen van dezen afgevaardigde een naïve goedhartigheid, een sympathieke reinheid en een eerlijk goedvertrouwen in de- zaken, tot wier pleitbezorger hij zich opwerpt. En dat dit gevoel zich ook van zijne medeleden heeft meester gemaakt, bewijst de achting en de vriendschap, die de afgevaardigden van alle partijen hem toedragen, en die zelfs voor een toeschouwer in de ver-
%
23
gadering is waar te nemen. Maar ook buiten de oude, princelijke danszaal van het Binnenhof heeft deze indruk zich overal meegedeeld. Wanneer hij zich over de straat beweegt, met zijn openhangende, lange winterjas, die op een soetane gelijkt, en vroeger vergezeld door de kleine figuur van Des Amorie van der Hoeven, die met haastige, drittige beweginkjes naast dezen rustigen kolos voortdrentelde, blijft menigmaal een eenvoudig burgerman achter dezen populairsten der beide welsprekende afgevaardigden stilstaan, om hem met welgevallen na te staren, en voort te gaan met een bleeken glimlach van opgewekte sympathie.
IV.
Jhr. .Mr. W. H. DE BEAUFORT.
Zij, die wel eens een portret van Alphonse Daudet gezien hebben, kunnen zich uitstekend een denkbeeld vormen van quot;s heeren De Beauforts uiterlijk. Er is in zijn voorkomen iets donkers, zuidelijks, als afkomstig van zonnige landen met hooge hemels. Zijn gestalte blijft even beneden de middelbare lengte, maar is evenredig van afmetingen, net van lijnen, sterk en elastiesch in de aanhechtingen : een zuiver voortbrengsel van de gezondheid onzer voorname geslachten, die door de verfijnde zorgen, welke hunne voorouders aan de kuituur van het lichaam besteedden, thans nog, in dat bijna onomschrijfbare van het uiterlijk, den adel in hunne vormen gestempeld houden. En op dit lichaam een groot, donker hoofd ! Onder weelderige, gitzwarte haren, met een enkele grijze streep, die in het midden met een scheiding doorsneden worden en over het voorhoofd naar voren komen, ziet men een zuidelijk, licht, olijfkleurig gelaat, dat geheel in een gitzwart baardje staat, waarvan het uiteinde tweepuntig is uitgeknipt, en
JHK. Mr. W. H. DE BEAUFORT.
al begint te grijzen. Maar van dichterbij gezien, hebben zijne trekken een aristokratische nervositeit; eene snelle beweeglijkheid der neusvleugels, nu en dan een vlugge haast dei-oogappels, en eene fijne raaheid der lippen onder het spreken. En men voelt bij instinkt een mensch van ras voor zich te hebben, een type van nerveuse beschaving en geestelijke reinheid, die men in de donker bruine oogen vindt liggen, waar langzaam rustige gedachten door gaan.
O\', er deze trekken, die heel in de verte aan de zenuwachtige, schichtige fijngevoeligheid van een Arabisch paard doen denken, dat bij het ritselen van een blad over den grond een rilling krijgt — het denkbeeld aan een volbloed rasmensch •— ligt een waas van dichterlijke, warme aandoenlijkheid. Men bemerkt het zelfs in de ronding en de zachtheid der houdingen en gebaren, dat sentiment, hetwelk dikwijls geregeerd wordt door de opwellingen van een licht getroffen hart, en in de bruine oogen. die door eene aandoening vochtig bewogen moeten worden, en op de lippen, onder den baard verscholen, maar die beven zullen als het gemoed volschiet.
Er gaat van dit Kamerlid een goede toon, een hoffelijke voorkomendheid, een ingetogen, sympathieke rust uit, die bij den eersten oogopslag reeds dadelijk voor hem innemen. Wanneer men hem in de Kamer op zijn bank zitten, of zich door de gangpaden bewegen ziet, nu eens met dezen dan weêr met een anderen afgevaardigde een gesprek aanknoopend, valt het onmiddellijk op, zelfs zonder hem te kennen, dat hij zich altijd en met een ieder op zijn gemak voelt, en steeds den goeden toon en het juiste woord weet te vinden ; die kenmerken eener hoogere geboorte en van de opvoeding
26 JHE. Mr. W. H. DE BEAUFORT.
onzer eerste standen. De heer De Beaufort telt zijne vrienden dan ook niet alleen aan de linkerzijde der Kamer, maar met dezelfde vriendelijkheid als door zijne partijgenooten, wordt hem de hand gedrukt door de bekendste figuren van den overkant.
Deze afgevaardigde van Amsterdam is geen beroemd redenaar: hij verstaat de kunst niet of door een gegoochel of geschitter van woorden ons Parlement voor zich te winnen of te verblinden. Toch spreekt hij een gemakkelijk woord, met zinnen die zonder zoeken of wringen uit zijn hoofd komen, en zonder taalkundige pretentie geregeld afloopen. Maar in de losse vlucht der woorden, zooals zij zich menigmaal door het toeval aan elkander koppelen, hakkelt of hapert hij nooit; zijne gedachten schuiven langzaam en geleidelijk in zijne zinnen neer, als van iemand die gewoon is in het openbaar het woord te voeren, immer gematigd, zachtmoedig en een gentleman in zijne uitdrukkingen. En wanneer hij opstaat in zijn bank, met een pennehouder in de hand, snel en stuipachtig spitsige woorden met de randen der lippen sprekend, vol haastige en nerveuse gebaren, terwijl hij in het vuur zijner rede onwillekeurig in het gangpaadje komt te staan, luistert men in de Kamer minder onder de bekoringen der voordracht, dan door de degelijkheid en zaakkennis van den inhoud. Het aandeel, dat door hem genomen is in de tot-stand-koming vooral van onze schoolwetten is voor de beginselen der liberale partij van overwegend gewicht geweest.
De heer de Beaufort is in onze Tweede-Kamer een der weinige vertegenwoordigers dier oudhollandsche, patricische geslachten, die met een verlicht liberalisme zijn grootgebracht in de traditiën van het Vorstenhuis der Oranjes; die de
JHK. Mr. W. H. DE BEAUFORT.
monarchie steunen, en hare geschiedenis bestudeerd en beschreven hebben: wier bloed sneller begint te vloeyen, en wier woorden hooger en anthoesiaster klinken, wanneer hun vaderlandsliefde en hun verknochtheid aan de Oranjes hen in vuur doen geraken; en die eerbied afdwingen door de oprechtheid hunner sentimenten, innemen door hunne persoonlijke eigenschappen, en opgroeyen in de onbesmette eerlijkheid van een nationalen, verlichten partijgeest.
En zóó ziet men hem in de Kamer: met een fijne beweeglijkheid van houdingen, een ronding der gebaren, soms met een overhaaste drift in het spreken. Zijn hoofd maakt schokkende knikken, waardoor de lange, zwarte haren op zijn voorhoofd meêwippen, terwijl door de radheid zijner lippen, die de woorden somtijds eenigszins lispelend uitbrengen, zijn baard in beweging komt, als door een zacht, inwendige mumelen. Hij buigt het bovenlijf naar voren, zijn hand strekt zich uit, hij wijst op de rechterzijde; dan ziet hij links en rechts, de heeren rond hem aankijkend, doet een stap terug naar zijn bank, waar hij een gedrukt stuk afneemt, er iets uit voorleest, weer op de rechterzijde wijzend; dan houdt hij zijne zinnen langzaam in, matigt hun vaart, maakt ze korter en korter, en zit eindelijk neêr met een kalm zelfvertrouwen. En in de Kamer volgt een kleine stilte, als na het hooren van een gewichtig, ernstig woord, waarop de gesprekken zich niet dadelijk weten te herstellen. En hij neemt met de randen der lippen een klein teugje water, om zich even een bezigheid te geven, zet het glas neêr, en gaat met zijn gewone, aristokratische rustigheid naar de redevoering van een der andere leden staan luisteren.
27
V.
F. DOMELA NIEUWENHUIJS.
In een der nieuwe buitenwijken van den Haag is de zaal sWalhallaquot;, het vergaderlokaal van de sociaal-demokratische partij, gelegen.
Op Zondag-ochtenden of avonden, wanneer de kerken vol menschen stroomen, schijnt het dat achter de gewone huizenrij zich dadr ook een kerkgebouw bevindt, want groepjes mannen, vrouwen en jongens trekken een poort binnen, die onderin een woonhuis is aangebracht, en die over een plaatsje waaraan de socialistische drukkerij «Excelsiorquot; gelegen is, toegang verschaft tot de St. Pieter der sociaal-deraokraten.
Dat is het walhalla van Domela Nieuwenhuijs, zijn aardsch Eden, zijn Parlement en zijn kerkgebouw. Daar ook kan men hem in zijn kracht en roem aanschouwen. Staande in een soort van katheder, als afkomstig van een binnenstadsch Nutszaaltje — tegenover een opgepropte hal, waarin een stinkige damp van vuile kleeren, vieze lichamen, onzindelijke hoofden en smerige bekken hangt; een half staande, half zittende massa
F. DOMELA NTIEUWENTHÜ1JS.
vol brutale koppen met nijdige sikken, pruimende wangen, •oproerige oogen, norsche rimpels, op elkaêr geklemde tanden, en terwijl hier en daar een dameshoedje van een heerendienstmeisje of een burgerluisnaaistertje er een vroolijken schreeuw van kleuren tusschen gooit — troont Domela Nieuwenhuijs als de Verlosser der onderdrukten, de Heiland van het proletariaat, de Gekruisigde van zijn sociaal geloof.
Zijn verschijning alleen is al voldoende het auditorium in verrukking te brengen; handgeklap breekt uit de menigte los, kreten van opgewondenheid, brullen van verrukking. En met een geaffekteerde kalmte, een olympische rust in de oogen, een soort van eerwaardige zekerheid van bewegingen, begint hij zijn publiek toe te spreken. Allen staren naar dien imitatie-Jezuskop, met zijne lange haren uit het voorhoofd naar achteren gekamd en neêrgolvend in den nek, dien would-be Jezusbaard, en de diep inliggende oogen, waarop een schaduw der oogkassen neervalt, en die herhaaldelijk tevergeefs beproeven vonken van verontwaardiging te schieten. Een lang, mager lichaam met smalle schoudertjes, als toebehoorend aan een familie van borstlijders, draait en wringt en slingert in den katheder heen en weêr, zalvend met de armen, dreigend met de vuisten, beukend op den zijkant. Uit zijn wijze van voordragen valt de ex-dominé nog gemakkelijk te herkennen; het galmende, zalvende en predikende gedreun van den kansel doet hij ook door de zaal zijner staatkundige proselieten klinken! Zijne redevoeringen zijn een raar mengsel van een vervelenden preektoon, een bijtend sarkasme, een ophitsend revolutionna-risme een afbrekend cynisme en een lang gesleep van platte paradoxen.
29
3=-
Domela Nieuwenhuijs heeft meer het voorkomen van een profetiseerenden prediker, dan van een demokratischen voorvechter. Hem ontbreken de breede borst, de machtige schouders, den stierenkop en de donderende stem van den waren volksleider, die op pleinen en in straten een razende en tierende menigte aanvoert, die met zijne vuisten evenveel eerbied inboezemt als met zijne woorden, en in wien het volk niet alleen den profeet en den martelaar huldigen kan, maar ook een van huns gelijken, die desnoods bovenop een barrikade stormen zal, met de roode vlag in de hand, en met bulderende stem zijne bevelen door de lucht donderend.
Maar Nieuwenhuijs is een dier revolutie-helden, welke de opstanden binnen de vier muren aanhitsen en voorbereiden : een Asmodée met de pen, maar een Jan Salie met den degen. Van hem gaat de organiseerende en administreerende kracht zijner partij uit5 hij geeft aan, en anderen voeren aan; hij predikt het Hooger-Onderwijs in zijn vak, maar de schamele kweekelingen der Lagere school worden de mannen van de daad.
Wanneer men uit zijn uiterlijk den aard zijner sociaal-demokratische redevoeringen zou willen opmaken, dan zou men — zijn dweepend, zacht, krachteloos uiterlijk aanziende — meenen uit zijn mond de geloofsbelijdenis van een blauw idealisme te zullen hooren, van voorspiegelingen, die in gepa-meerde verrukkingen wegzinken, van trillende aandoeningen vol liefelijk bedrogen levensvreugde, van een onpraktiesch sentimentalisme, en de stichting van een hemelrijk op aarde, in nabootsing van den dichterlijken Jan van Leyden. Men zou verwachten zijn toehoorders te zien stil worden, te verstijven in een inwendig, hoopvol sentimentalisme, om einde-
F. DOMELA KIEUWENHUIJS. 31
lijk los te barsten in een donderend anthoesiasme, met oogen vol zachte opgewondenheid, en met bevende lippen, die een woord van genotvolle hoop willen stamelen.
Maar niets van dit alles! In plaats van zijne hoorders in verrukking te brengen, prikkelt hij ze tot een nerveuse ophitsing. Zijne woorden steken, knijpen, schrammen en striemen; ze bijten uit als druppels vitriool, doen pijn, vreten uit op iemands naam of op de behandelde toestanden. Het publiek geraakt langzamerhand in een kwaadaardige opgewondenheid; de nijdige hartstochten van een afgunstig proletariaat worden overspannen tot eene vernielzuchtige woede. Domela Nieuwenhuijs laat hen — door zijne sarkatische paradoxen, zijn minachtend cynisme, zijn strijdenden revolutiezin, — de vingers trillend samentrekken, de vuisten ballen, de oogen gloeyen en de lippen doen beven; een nerveuse onrust maakt zich meestal van zijn gehoor meester; het vuile schuim komt op hunne oproerige geesten bovendrijven, en al het valsch-kwaadaardige, hetgemeen-afgunstige, het laag-hebzuchtige, dat in de gemoederen van een armoedige bende domme sukkels, luye leegloopers en verdwaalde heethoofden aan het roeren te brengen is benevelt hun gebrekkig onderscheidingsvermogen, hunnen misleiden waarnemingszin. En zij verlaten de samenkomst in een staat van gevaarlijke opgewondenheid, nijdige overprikkeling, ontevreden, onrustig, klaar om bij het minste incident schreeuwend en tierend de straten af te loopen met steenen in de hand, een oproerkreet op de lippen en een verbijsterende dwaling in den geest.
Daverend applaus begroet zijne redevoeringen; toejuichend
32 F. DOMELA NIEUWENHUIJS.
klinken kreten van alle zijden; mannen, vrouwen en jongens bulken hem met verhitte wangen toe. En de oogen van dit ongelukkig proletariaat zien in hem hun God, hun Gekrui-, sigde en hun Profeet.
Zoo is de sociaal-democratische redenaar van het Walhalla.
En nu de afgevaardigde van Schoterland in de Tweede Kamer.
Op de buitenste rij links zit Domela Nieuwenhuijs geheel alleen op een bankje voor twee personen bestemd, met de armen gekruist op de borst, en leunend achterover in eene niets-doende houding. Overal praten de leden samen, naast hem, van voren en van achteren; er wordt gelachen, geloopen, geschreven •, koeranten worden gelezen en briefwisselingen bijgehouden; een gezellige drukte heerscht tusschen de leden onderling.
Maar verlaten, gemeden, wordt de socialistische aanvoerder aan zijn lot overgelaten; niemand neemt notitie van hem; men gaat langs zijne zijden heên zonder hem te groeten. Stom, als een miskende grootheid, zondert hij zich in zijn stilzwijgendheid af; ook hij tracht niet met zijne medeleden in aanraking te komen, en slechts bij hooge uitzondering ziet men een Goeman Borgesius of een Lieftinck even naast hem neerzitten, kennelijk slechts een gesprek over parlementaire zaken met hem voerend. En zijn zij opgestapt, dan zinkt Nieuwenhuijs weer in zijn geïsoleerde sprakeloosheid terug.
Zijne parlementaire redevoeringen zijn over het algemeen veel bedaarder, bleeker en kleurloozer dan zijne demokratische aanhitsingen. De bekende verwijten en grieven, honderde malen in : Recht voor Allenquot; en op publieke samenkomsten uitgeschreeuwd en herhaald, worden ook hier door hem op den voorgrond
F. DOMELA NIEUWENHUIJS. 33
geschoven; maar door de tegenstelling der omgeving, te midden van een tamelijke onverschilligheid der Kamer, een koude stilte onder de weinige toehoorders, klinken zij in deze parlementaire vergadering grotesk, dol, verdwaald en schuchter in hun ongewoon milieu; zijne sociaal-demokratische idealen hebben daar iets pyramidaals, iets ongehoords, en menigmaal gaat er onder de leden een stoppend en uitlachend : Ooooo Iquot; op: of de Voorzitter valt den afgevaardigde uit Schoterland met de nuchtere opmerking in de rede, dat hij zich in zijne uitdrukkingen te matigen heeft, of dat hij hem verzoekt zich niet in uitweidingen te verliezen, maar zich bij het aanhangige onderwerp te bepalen.
De kanseltoon, die hij in de Tweede Kamer ook wel eens aanslaat, maakt geen indruk; zijn oratorische beeldspraak is banaal, ontwricht, vol oude gemeenplaatsen, kwasi-geleerd door een stroom van aanhalingen uit allerlei bekende en onbekende geschriften; hij imponeert volstrekt niet, verstaat de kunst niet zijne hoorders te boeyen en op het einde zijner redevoering is zijn gehoor tot een minimum geslonken.
Onder een verveelde stilte en een gelukkige herademing der Kamer zinkt hij in zijn bankje neer.
Verwacht het publiek, dat Domela Nieuwenhuijs over eenig wetsontwerp het woord zal voeren, dan zijn de tribunes dicht bezet. Men is op schandaaltjes belust, hoopt op nijdige interrupties, oproerige tooneelen, kortom op een pikante zitting. Toch loopt alles in de volmaaktste orde af; eenige zijner aanhangers onder de tribune-bezoekers worden, wanneer zij teekenen van instemming of goedkeuring geven, door den Voorzitter met verwijdering bedreigd; men lacht
3
34 F- DOMELA NIEUWENHUIJS.
eens schamper, haalt de schouders op, houdt zich zijne overdreven eischen voor gezegd, en de parlementaire tijd, dien hij in beslag heeft genomen, is nog nooit bij machte geweest aan een politieke kwestie of een belangrijk debat een ander aanzien te geven.
Zijn aanwezigheid in de Kamer, zijn langer of korter lidmaatschap, zal geen dagteekening in de staatkundige geschiedenis van ons vaderland worden. Zijn persoonlijkheid, zijn gebrek aan individueele belangrijkheid, de afwezigheid van eene imponeerende, geestelijke overheersching over zijne omgeving doen in ons parlementair leven Domela Nieuwen-huijs niet hooger stellen dan het gros zijner medeleden; hij steekt niet boven hen uit, maar is ook niet minder.
Hij is iemand met groote werkkracht, volharding, eerlijke overtuiging en vol opoffering voor zijn zaak; hij verdient om die redenen in meerdere mate dan vele zijner kollegaas onze belangstelling, en zeer zeker een betere en waardiger behandeling van vele der burgermannetjes uit de Tweede Kamer. De wijze, waarop zijne medeleden hem bij zijn entree in de Vergadering ontvangen hebben, het hem in replieken toespreken als »de afgevaardigde van Schoterlandquot; met weglating van het traditioneele sgeachte\'\', zijn kinderachtige speldeprikken alleen van een troep zelfingenomen bourgeois te verwachten.
En het schijnt wel, dat de parlementaire Voorzienigheid ook in dit opzicht voor een sprekende tegenstelling heeft willen zorg dragen. Want niet ver van deze stille, magere, energieke figuur, vol gewilde bedaardheid, vinden wij in de Kamer een klein, dik ventje met een enormen buik, als van een biertapper uit een Duitschen kneip, een pedant gezicht, vet van
35
domme zelfingenomenheid, met twee baardkotelletjes op de wangen en met zijne burgerlijke welgedaanheid op twee kleine beentjes rondwaggelend. Het is Dijckmeester, het prachtigste type van het aanmatigende kapitalisme, en der binnen-stadsche bourgeousie!!
VI.
Jhr. Mr. J, W. H. RUTGERS VAN ROZENBURG.
Met een woelige drukte van bewegingen en opkomende, flauwe lachjes om de monden en in de oogen, haasten een vijftiental afgevaardigden zich naar het gangpaadje, dat op den rechtervleugel der linkerzijde, de rij groene bankjes van den muur scheidt. Zij plaatsen zich met de handen op den rug langs den wand, met de oogen knippend in eene genoeglijke afwachting, terwijl anderen zich in luisterende houdingen opheffen, of zich in hunne bankjes omdraayen, en, met den elleboog op het achterstaande tafeltje, het hoofd in de hand laten rusten. En in de aanneming dezer luye houdingen bespeurt men onmiddellijk, dat de heeren zich voor eenige oogenblik-ken hebben neergezet om eens op hun gemak toe te hooren, in de zekerheid van vermaakt te zullen worden, met een inwendige pret, die zich reeds in vroolijke uitdrukkingen vertolkt, vóórdat de spreker nog iets gezegd heeft.
Dan staat in het laatste bankje, naast den heer van Hou-
JHR. MR. J. \\V. H. RUTGERS VAN ROZENBURG. 37
ten, een klein, spitsig mannetje op, met een rond schedeltje, dat door dun, grijzend haar half gedekt wordt, en die me.t een stille onverschilligheid, zonder inleidende frasen, zijn redevoering dadelijk aanvangt. Zijne oogen liggen diep in, ter weerszijden van een korten neus, die van onderen een weinig opgewipt wordt, terwijl zich aan het benedeneinde van het gezicht een kort kinbaardje bevindt, dat zijne kaken naar voren schijnt te doen komen, a,ls ware de mond in een nij-digen hap dicht gedaan. En met een droge zuinigheid van gebaren, strak vóór zich ziende, zonder effekt-emfase, met nu en dan een blik op een papiertje met aanteekeningen, brengt hij zijne korte zinnetjes met hortende schokken uit. Op een ironischen toon, die af en toe in een slepende hatelijkheid de zinnetjes voorttrekt, of één woord vooruitsteekt als een prikkenden priem, om dan weêr in een opeenvolging van korte, vlijmende, scherpe vraagjes een rij aanvallen te wagen, vervolgens eensklaps af te zwenken en van een andere zijde zijn slachtoffer te bespringen, en hem met ronde, harde, bijtende woordjes te behameren en te stompen, trekt hij met nerveuse, kloeke stapjes recht op zijn doel af. Hij is hatelijk, sarkastiesch, en scherp als een parlementair stekelvarkentje, dat nergens aangepakt kan worden, en overal prikt. Met een valsche vroo-lijkheid, die lachjes op de gezichten wringt, een vernuftige scherpzinnigheid van argumentatie, die slechts één kort, blazend lachje kan opwekken, en een diepdoordringende, komische ironie, die lange vroolijkheden doet onstaan, bijt, hapt, slaat, prikt en stompt dit kleine figuurtje van zich af. Zijne korte, venijnige zinnen vallen als druppels vitriool op de argumenten zijner tegenpartij, waar zij onmiddellijk gaatjes uitvreten, en vlijmende
38 JHR. MR. J. W. H. RUTGERS VAN ROZENBURG.
pijnen of open plekken veroorzaken. Met zijn parlementaire vertoogen overvalt hij zijne slachtoffers, met driftige bewegingen, en goedgemikte, telkens herhaalde sprongetjes, als een nijdig, woedend dogliondje, dat de tanden in het lichaam zet, en trekt, en rukt, en scheurt.
In tegenstelling met Schaepraans zwaayende emfase, en donderwolken van zinnen en knodslagen van argumenten, of met de Eeauforts fijne stiptheid van uitdrukking, fraai zwenkende argumentatiën, en de klassieke degelijkheid der gematigde betoogen, doen de redevoeringen van den heer Rutgers aan de vechtpartijen van een knaagdier denken. Met zijn vooruitstekenden, dichtgehapten mond zet hij zijne scherpe, korte tandjes in het lichaam van zijn slachtoffer, en dan begint hij te knabbelen, te rukken, te scheuren, zoodat de vellen er bij hangen en het bloed eraf zijpelt. Maar met een verfijning van wreedheid, laat hij, evenals een kat, zijn muis even loopen, om ze een oogenblik later met een klauwenden haal zijner scherpe nagels weer naar zich toe te trekken, en ze opnieuw te beknabbelen en te bekrabbelen. Dan weet hij in de ironie zijner vragen, verwijten en vreemde uitdrukkingen te vinden, komische betitelingen en venijnige woorden, die waarlijk pijn doen, en niet alleen het lid der Kamer, maar ook den mensch treffen, diep en wondend. Maar in de rondte stralen de gezichten van genoegen, lachen de oogen en de monden in het heerlijk genot van een ander mensch te zien toetakelen en afmaken, zóó, dat zij menigmaal pleizier vinden in de hatelijke, vlijmende verwijten, die hen zelf als toehoorders treffen. En toch wordt men niet verstoord op hem, en, met de ingekankerde wreedheid, der menschelijke
JHR. MR. J. W. H. RUTGERS VAN ROZENBURG. 39
natuur eigen, keeren een volgende maal dezelfde toehoorders terug, (want het zijn vaste klantjes, bekende gezichten van alle partijen) om opnieuw zich met inwendig genoegen te verlustigen aan dat krabbelen, scheuren en pijn doen van een zijner medeleden en...... medemenschen.
Weinigen zouden vermoeden — wanneer zij de kleine gestalte van den heer Rutgers in eene doffe, half onverschillige oplettendheid in de Vergaderzaal zien luistertn. meestal in zich zeiven gekeerd, zich ter zijde houdend, en niet deelnemend aan het eigenlijk huiselijke leven der Kamer — dat in die zwijgende, eenvoudige figuur een dergelijke scherpte van argumentatie, vasthoudendheid van wilskracht, en fijnheid van redeneering school!
VII.
F. LIEFTINCK.
De Hagenaar, die in den tijd der Kamerzittingen omstreeks kwart over elven het Hofspui afkomt, kan iederen ochtend op dat uur een troepje van vier of vijf heeren het Spui zien passeeren. De meesten dragen langwerpige, zwart leêren portefeuilles onder den arm, hebben een haastigen stap, en spreken weinig, als menschen die elkaèr al eenigen tijd gezien en de nieuwtjes van den dag reeds afgehandeld hebben. Wanneer men het troepje met het oog wilde volgen, dan zou men het de Kapelsbrug zien oversteken, de Hofstaat ingaan, om onderdoor de Hofpoort het Binnenhof op te loopen. En in den linkschen hoek, door een groote deur, waar een schildwacht, met geschouderd geweer op en neêr loopt, verdwijnen zij uit het oog in het grijze lichaam van een hoog gebouw. Deze heeren zijn leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, die van het Station, waar de trein uit Amsterdam hen ge-
41
bracht heeft, zich naar het gebouw der Vergaderzaal begeven: eenige spoorleden, die evenals spoorstudenten, dagelijks van hunne woonplaatsen naar de residentie trekken, en \'s middags met het etenstreintje naar hunne haardsteden terugstoomen ; het zijn de heeren Lieftinck, Cremer, Kist en Heldt, somtijds nog met ée\'n of twee afgevaardigden versterkt.
Begeeft men zich nu naar een der tribunes der Kamer, dan ziet men eenige oogenblikken later\' een der groene klapdeurtjes in de hoeken der zaal openduwen en één voor één de afgevaardigden, die men haastig over straat zag ijlen, binnenkomen. Gewoonlijk arriveeren zij juist als de Vergadering eenige minuten geopend is, en de Griffier, te midden van een verschrikkelijk lawaai en gestommel, de notulen staat op te dreunen, naar wier voorlezing niemand luistert. Dan begeven zij zich naar het bureau, om bij een der kommiezen-griffier de presentielijst te teekenen.
En eerst daarna wordt de tocht naar de zitplaatsen aanvaard. Meestal echter blijft de heer Lieftinck onder weg steken; hij ontmoet in een der gangpaadjes een goeden bekende; er worden handen gegeven, een morgengroet gewisseld en een gesprek begonnen, geleund tegen een bankje of recht overeind staande met de handen in de zakken. Een zijner andere gewoonten is, om wanneer hij in de anti-chambre jas en hoed heeft afgelegd en de vergaderzaal binnenkomt, de vingers door het haar te halen, dat als een uitwaayende krans rond den schedel staat, en door deze behandeling nog woester uitvliegt; dan in den zomer met een zakdoek het voorhoofd af te drogen en zijn rossig kinbaardje brutaal naar voren op te strijken. Hij is een groote, stoer gebouwde man, hoog en vierkant
42
in de schouders, op lange beenen, met bruske gebaren, zware stem en ferme stappen. Zijn hoofd, met hoogen voorschedel, heeft een energieke beenigheid, een grooten neus, stoute oogen, terwijl de lippen en de kin verborgen zijn in een rosachtige snor en kinbaard, die brutaal tegen het gezicht zitten, als door een nijdigheid opgekruld. Zijn optreden geeft den indruk van iets woests en opgewondens; zonder hem te kennen, zou men hem zich voorstellert groote volksmenigten toesprekend, de roode republiek predikend, of boven op eene barrikade gevend het sein van den opstand. Hij is geen man, die men zich achter een schrijftafel in een rustig studeervertrek kan denken: men wil hem zien oreeren, bulderend met een toornige stem, zelf handelend waar het noodig is, altijd bezig en helpend met het voorbeeld. Hij schijnt snel stroomend bloed te bezitten, want nauwelijks is hij aan het woord en windt hij zich onder het spreken op, of het vloeit hem naar het hoofd, en zet zijn geheele gezicht in rood. Dan maakt hij groote gebaren met de hand, waarin hij een aanteekeningenboekje houdt, in de lucht hakkend, met ruime uitzwaayingen van den arm. Zijn zware, volle stem, die spoedig toornige klanken uitstoot, weerklinkt tot in de uiterste schuilhoekjes der zaal. En in zijne aanvallen op godsdienstig gefemel kan hij met diepe verachting de schouders ophalen, nijdig een mond water naar binnen slikken, of zijn uitgestrekten arm slapjes naar beneden laten zakken, als wilde hij zeggen: »Ah bah! \'t is de moeite niet waard!quot;
De rustige gezetenheid der oudere heeren is hem vreemd; het is hem onmogelijk, om, zooals de heer Verniers van der Loeff of van Wassenaer of de Ruyter Zylker, den ganschen
43
■dag in zijn bankje zittend door te brengen. Hij heeft behoefte aan beweging en verandering. Men ziet hem dan ook ronddwalen — nu eens naar de koffiekamer, om nog kauwend als er een stemming plaats heeft, bij een der klapdeurtjes zijn jvoorquot; of stegenquot; te komen uitroepen: dan eens leunend tegen een der ventilatieschermen met een zijner kollegas pratend; een andermaal vindt men hem midden op de open vlakte, tusschen de bureau en de ministerstafel, wijdbeens staan, de handen in de zakken, het hoofd in den hals, en naar alle zijden rondziende.
Maar het best is hij in zijn element wanneer Van Baar aan het woord is. Nauwelijks heeft de Voorzitter den naam van dezen afgevaardigde uit Eindhoven genoemd, of de heer Lieftinck steekt de zaal over, om een vroolijk spel met hem te drijven. Soms gaat hij vlak naast den spreker staan, bij ieder zijner beweringen toestemmend met het hoofd knikkend, als vond hij ze volkomen juist; ook zinkt hij wel eens in zijn nabijheid op een der groene bankjes neêr, hem lachend aanziende, door een interruptie hem in verlegenheid brengend, terwijl hij hem midden in zijn redevoering een onverwachte vraag doet, waardoor hij aan het stotteren raakt; en niet zelden wordt hij, wanneer deze afgevaardigde in een zijner oude, vroolijke buyen is, hierin door den heer Blussé geholpen. Met hun beiden bassen zij de kleine figuur van den heer Van Baar met luid gebrom aan, brengen hem in het nauw, jagen hem in een oratorischen hoek, zoodat de spreker hals over kop naar het einde zijner redevoering tuimelt.
Maar ook op andere wijze weet de heer Lieftinck uiting aan zijn parlementair ongeduld te geven. De weinige keeren.
44
dat hij de rustplaats van zijn bankje gevonden heeft, hoort men hem hardop kritiek voeren, eensklaps een woord uit-stooten, een wild gebaar maken, iets luide ontkennen, of den heer Van Kerkwijk krachtig in het roepen van »Stemmen! Stemmen!« of j Genoeg!« of »\'t Is buiten de orde! ï steunen, waarop zij dan antwoord ontvangen van den President met een waarschuwend geklop van den hamer.
Toch, niettegenstaande deze teekenen eener uiterlijke, schijnbare hardheid van gemoed en ruwheid van manieren, behoeft men niet veel scherpzinnigheid te bezitten om te ontdekken, dat dit slechts de natuurlijke keerzijden van eenige goede eigenschappen zijn: van een oprechte, Friesche stoerheid, een ingekankerden afkeer van godsdienstige en politieke femelarij, een doortastendheid, die niet van vrouwelijke zachtheid houdt, en het streven van een man van de daad, om, door vermijding van geleuter en gepeuter, voort te maken, waar stilstand achteruitgang worden kan. Dit zijn de kwaliteiten, die zijn rondborstigheid en beslistheid van opinies ons vertolken; en niet gewoon, om zijne meeningen onder stoelen of banken te steken, geeft hij zijne gedachten den vrijen loop, luid in het publiek, voor ieder verstaanbaar.
Het spannendste moment van den dag, waarin zijn geduld hel meest op de proef wordt gesteld, is het klokje van vieren. Om 4.19 vertrekt de trein, die hem op het etensuurtje nog thuis kan brengen, en \'t is dus zaak voor hem dien niet te missen. Maar dikwijls zijn er hoogere machten in het spel, die schijnen te beproeven hem een beletsel in den weg te leggen, bijv. een redevoering van Keuchenius of van Van Baar, waarvan te vermoeden is, dat zij door een gewichtige stemming gevolgd
F. LIEFTINCK.
:)0rt zal worden. De heer Lieftinck mag dan, \'t spreekt van Ul(gt; zelf, niet op het appèl ontbreken, en wachten is dus het kon-signe. Hij staat echter al op post, nml. aan een der groene :n •\' klapdeurtjes, om, als zijn naam van de lijst is afgelezen en -ni zijn stem uitgebracht is, te kunnen weghollen, \'t Is onder-le,; tusschen vijf minuten over vieren geworden; telkens worden er angstige blikken op de klok en op het horloge geworpen; ei en men behoeft het gezicht van den afgevaardigde slechts aan te zien, om na te kunnen gaan of hij aangename indrukken van de redevoering zal meenemen. Hij heeft de heeren Cremer en e Heldt al gewenkt, en ze staan naast elkaêr, den knop van het deurtje in de hand, trappelend van ongeduld en ontevreden
(fluisterend. Eindelijk begint de stemming; de heer Lieftinck doet het klapdeurtje open en staat op den drempel. Daar klinkt het: Lieftinck ?quot; en het antwoord luidt uit de verte j-Voorlquot;. Klets! Bons!, hij is al weg, met reusachtige stappen, eenige sekonden later door Cremer en Heldt nagestoven! -fluisterend. Eindelijk begint de stemming; de heer Lieftinck doet het klapdeurtje open en staat op den drempel. Daar klinkt het: Lieftinck ?quot; en het antwoord luidt uit de verte j-Voorlquot;. Klets! Bons!, hij is al weg, met reusachtige stappen, eenige sekonden later door Cremer en Heldt nagestoven! -
■
(Het portret van den heer Lieftinck zou niet kompleet wezen zoo ik niet even het silhoeët van den heer Cremer hadHet portret van den heer Lieftinck zou niet kompleet wezen zoo ik niet even het silhoeët van den heer Cremer had
I aangegeven. Men ziet hen nooit alleen; ze zijn altijd in elkanders gezelschap. Even dus slechts aangestreept! — Een sterke, ferme man, met rood haar en roode bakkebaardjes, altijd bedaard, in een onovertrefbare leukheid van bewegingen; een kalm, stil gezicht, waarin zelden een spier vertrekt, en dat de sporen draagt van de rust eener onbekommerde levenswijze; afgevaardigde voor Amsterdam, in de kracht zijner jaren, direkteur der Deli-Spoorweg-Maatschappij, kan honderd aangegeven. Men ziet hen nooit alleen; ze zijn altijd in elkanders gezelschap. Even dus slechts aangestreept! — Een sterke, ferme man, met rood haar en roode bakkebaardjes, altijd bedaard, in een onovertrefbare leukheid van bewegingen; een kalm, stil gezicht, waarin zelden een spier vertrekt, en dat de sporen draagt van de rust eener onbekommerde levenswijze; afgevaardigde voor Amsterdam, in de kracht zijner jaren, direkteur der Deli-Spoorweg-Maatschappij, kan honderd
46
jaar worden; man van studie en zaakkennis, en bezit autoriteit in Koloniale aangelegenheden. — Deze twee afgevaardigden zijn grocte vrienden, loopen altijd samen, sporen samen, lachen samen en hebben dezelfde vrienden en vriendinnen, die wel eens in de presidentsloge de zitting komen bijwonen, en die zij samen gaan komplimenteeren.
Verander de kleur der haren van den heer Lieftinck in grijs, zet zijn leeftijd op zestig jaar, en ge hebt.... den heer Blussé! Dezelfde krans van uitstaande haren rond den schedel, hetzelfde kinbaardje, dezelfde stoerheid, rondborstigheid en jovialiteit! De heer Blussé is de Lieftinck van drie kwart eeuw, en de heer Lieftinck is de Blussé op zijn vijf-en-der-tigste jaar !
VIII.
Mr. S. VAN HOUTEN.
Den heer Van Houten wordt door den Voorzitter der Tweede-Kamer altijd een bijzondere gunst verleend; hem wordt namelijk toegestaan, om zijne redevoeringen niet van zijn eigen zitplaats — op de achterste rij links, naast den heer Rutgers van Rozenburg — te houden, maar om in een der voorste bankjes, dicht bij de bureaus, te gaan staan. Herhaalde klachten van de zijde der stenografen, moeilijkheden bij de opteekening zijner redevoeringen, hebben hiertoe aanleiding gegeven.
Want de heer Van Houten heeft een zeer zwakke stem, een dier zachte, egale organen zonder klank, die lang achtereen kunnen doorklinken zonder verhooging of verlaging van diapason; zijne woorden schijnen uit het strottenhoofd voort te komen en geen vorming door den mond meer te ondergaan; zijn stem heeft geen portee, geen macht, geen wil. De woorden lossen zich al even buiten zijn hoofd in een onverstaanbaar geluidgerammel op, in een chaos van verklan-
48
kingen, waarin alleen nog nu en dan een eigennaam of een kort, makkelijk woordje te verstaan is.
Deze afgevaardigde van Groningen is dan ook de wanhoop der joernalisten, die, nu hij zich zoover van hen af plaatst, kunststukken van oplettendheid en gehoorkracht verrichten moeten, om iets van zijne woorden op te vangen. Te meer is dit lastig, ook voor de tribune-bezoekers, daar zijne redevoeringen gewoonlijk een der hoofdmomenten van de parlementaire debatten uitmaken. Vraagt de heer Van Houten het woord, dan kan men zeker wezen, dat de algemeene aandacht dei-Kamer onmiddellijk in beslag genomen wordt. Er zal iets gezegd worden! En het spreekt, dat het voor de pers van veel belang is de meest nauwkeurige aanteekeningen over deze zwaartepunten der Kamerzittingen te verkrijgen.
De heer Van Houten is, wat zijn uiterlijk betreft, iemand -van een twijfelachtigen ouderdom, wiens haar, naast het kale middengedeelte van den schedel, reeds begint te grijzen, evenals een kort baardje, al witter van kleur, dat een rustige, bewe-ginglooze uitdrukking aan zijn gelaat geeft. Zijne trekken zijn rein van een hartstochtelijk gedachtenleven; ik geloof niet, dat hij ooit groote passies heeft doorgemaakt, want zijn gezicht heeft geen groeven van een moeilijke struggle-for-life, zijne ■oogen hebben geen vuur van een inwendige opgewondenheid bewaard, zijn voorhoofd is te rimpelloos. Eerder draagt hij de kenmerken van een stillen kamergeleerde, van een man van studie en nadenken, die in de politiek de placiditeit van een onbaatzuchtig gemoed heeft meêgebracht.
Hij staat kalm in zijn bankje op, nooit met de haast van iemand die dadelijk met zijn antwoord klaar is, om zijn
MR. S. VAN HOUTEN. 49
tegenstander te lijf te springen; de afgevaardigde van Groningen is, hoe scherp hij ook somtijds wezen kan, geen kribbe-bijter, die nijdig een kollega aanvalt. Sommige leden, opvlie\' gend als een sbouillant Achillequot;, gunnen zich nauwelijks den tijd om den President het woord te vragen, maar vechtlustig, den mond overloopend van schuimende woorden, behoeven zij zich geen sekonde te bedenken hoe zij vriend of vijand het scherpst zullen riposteeren; zij wippen van hun zitplaats overeind, als opgeschoten door een veer, bijten kwaadaardig van zich af, willen hunne gezegden met slaraaayige armbewegingen kracht bijzetten, of zoeken een overtuigingsmiddel in het opzetten van een bulkende, donderende stem.
Maar bij den heer Van Houten niets van dit alles! Hij heeft den tijd, dus dan zullen de andere leden het toch ook wel hebben; een paar minuten meer of minder komt er bij de verspilling van zóóveel nationalen tijd zoo erg niet op aan! En met rustige stem, zóó zacht soms dat de Voorzitter het zelf niet hoort, vraagt hij het woord; op zijn gemak staat hij in zijn spreekbankje op, met het papiertje vol aan-teekeningen in de hand. Hij schijnt evenwel nog te zoeken naar een begin van zijn speech; in een slordige, onverschillige houding bungelt hij in zijn bankje heên en weêr, met den buik tegen het tafeltje duwend, één hand in den zak. Want de heer Van Houten is geen redenaar, die gemakkelijk zijne woorden vindt; hij aarzelt, verandert en zoekt, totdat hij ein delijk met een kreupelen zin begint, bijna onverstaanbaar uitgesproken, en die niet eens wordt afgemaakt. Ziet hij, dat hij zich vergist heeft, of dat zijn zin niet precies zijn gedachte uitdrukt, dan laat hij dien onmiddellijk in den steek
4
50 MR. S. VAN HOUTEN.
en ploetert moeilijk voort naar een anderen, \'t Kost daarom gemeenlijk veel inspanning zijn gedachtengang te volgen; hij springt van den hak op den tak, verandert van argumenten, kiest zich een ander aanvallingspmit, maar verliest toch nooit de hoofdkwestie uit het oog.
Zijne bewegingen worden op goed geluk uitgevoerd; een logiesch verband tusschen zijne woorden en zijne gestekulaties zou men tevergeefs zoeken, want als redenaar is hij er nooit op uit zijne uitdrukkingen te verduidelijken of kracht bij te zetten door middel van hand of gebaar. Nu eens strekt hij zijn arm naar voren, dan weer houdt hij de hand dicht tegen het lijf, terwijl hij zijn papiertje met aanteekeningen tusschen de vingers schudt: een anderen keer neemt hij het glas water in de hand, brengt het naar lippen, maar blijft doorspreken, en zet het weer neêr zonder het aangeraakt te hebben. Kortom, hij zoekt zich voortdurend een bezigheid, met de instinktmatigheid van menschen, die moeilijk uit hunne woorden kunnen komen en hun gehakkel en hunne onzekerheid door korte mechanische stootjes en zwaaitjes in de lucht trachten te vergemakkelijken of tegen te gaan.
De afgevaardigde voor Groningen is niet, wat men in de eigenlijke beteekenis van het woord, onder een redenaar kan verstaan. Want niet alleen, dat hem de imponeerende hulpmiddelen van stem en gebaar ontbreken, ook de vorm zijner redevoeringen laat meer dan véél te wenschen over. Hij behoort tot die sprekers, bij welke men meer op het in- dan uitwendige der speechen letten moet, en het »bedoeldequot; van meer gewicht is dan het sgegevenequot;; het »au-delaquot; zijner woorden en zinnen, de kern, de pit zijner redevoering — die
MR. S. VANquot; HOUTEN. 51
men mogelijk op een halve bladzijde druks zou kunnen samenvatten — is hetgeen alleen der vermelding waard is.
In dit opzicht legt hij het zonder eenigen twijfel tegen Schaep-raan, v. d. Loeff, ja zelfs tegen een Savornin Lohman en een Keuchenius af. Weten de eersten door rijkdom van woorden, kracht van argumenten, vuur en opgewondenheid van voordracht hun gehoor in anthoesiasme te brengen, of gelukt het den laatsten door helderheid en scherpte van redenen te overtuigen of een aanval te niet te doen — aan den heer Van Houten is het slechts gegeven door vermorsing van veel zinnen, herhaling van gezegden, voortdurende verbeteringen zijner eigen woorden, zijn bedoeling te »benaderenquot;. Op dezen afgevaardige zou daarom zeker met meer recht de titulatuur van sgeachte prater1\' van die van »geachte sprekerquot; toegepast kunnen worden; want als hij daar, vooraan, te midden van een kring van aandachtig luisterende leden, slordig, zonder décorum, links en rechts zijne buren aankijkend, zijn positie in onze politiek uiteen tracht te zetten, dan krijgt men geen enkel oogenblik de impressie alsof men tegenover een staatkundigen redenaar staat, maar wel tegenover een heer, die aan eenige kennissen en belangstellenden een persoonlijk verschilpunt zoekt helder te maken.
Toch, al weet de heer Van Houten zijn auditorium niet door de heerlijkheid zijner woorden meê te sleepen, hem is de kunst gegeven — en een zeer zeldzame kunst — om door waarheid te overtuigen. En het merkwaardigste zijner redevoeringen is het standpunt, waarop hij zich pleegt te plaatsen, ter beoordeeling van staatkundige démêlés. Zelden, hoogst zelden, kan men hem betrappen op het volgen der algemeen heerschende
52 MR. S. VAN HOUTEN.
gewoonte, nml: liet strijden en bestrijden uit naam van eenig programma; wars van de hierachie der doktriniare vrijzinnigen, tracht hij zoo veel mogelijk een vrij liberaal, in den waren zin van het woord, te blijven. Hij is liberaal afgevaardigde en volgt op vele punten de stelregels der Kamerpartij; maar niet uit naam van een staatkundig programma, noch uit kracht van eenig imperatief mandaat, sluit hij zich bij de linkerzijde aan; het liberalisme zit bij hem niet in eenige stelregels, noch in de uitspraken der politieke leiders, noch in de afspraken omtrent de houding tegenover eenig wetsontwerp aan te nemen — maar hij is en wenscht liberaal te blijven naar eigen inzichten, onafhankelijk. Mr. Van Houten is een selfmade liberaal.
Ik zou het liberalisme van dezen afgevaardigde uit Groningen, in tegenstelling met het Kamer- en koerantenliberalisme, dat konkreet is, een abstrakte vrijzinnigheid willen noemen. Hij vermijdt het zich op eenig partijstandpunt te plaatsen, maar brengt de kwestie dadelijk naar een generale abstraktie over; hij behandelt geen verdediging of verduidelijking van een partijstelling in zijne speechen, maar zooveel mogelijk de filosofie der politiek; hij beschouwt de staatkunde van een hoog-menschelijk standpunt. Doorvoed in de kennis van de Duitsche en Engelsche moderne filosofen en staathuishoudkundigen, is zijn positie, binnen en buiten de Kamer, naast de grootere en kleinere wetjesfabrikanten, die van een Hooggeleerde en Hoogmogende op het gebied der Beginselen van Wetgeving. Knap, te knap misschien voor zijne toehoorders, en daarbij de gaaf missend zijne denkbeelden helder uiteen te zetten, wordt hij dikwijls slecht of niet begrepen, en vele gedeelten zijner politieke redevoeringen, gebrek-
MR. S. VAN HOUTEN. 53
kig, onduidelijk en verward, zouden, geschreven, een uitstekende plaats vinden als artikelen in een sociaal of filosofiesch tijdschrift. Mr. Van Houten is de man van de kunde, die geschreven en niet gesproken moet worden, en als men indertijd een Van Baar, een Reuther of een Van Alphen, met saai-domme gezichten en open monden, naar hem zag luisteren, dan kwam onwillekeurig de bekende volksvergelijking in de gedachten van zekere viervoetige dieren, die in den Uijbel lezen.
Mr. Van Houten is de kamer- of studeercel-liberaal, verdwaald in een volksvergadering van politieke vechtersbazen. Vandaar ook, dat zijn houding tegenover de partij, waarmee hij au fonds slechts den naam gemeen heeft, rei Js herhaaldelijk tot allerlei domme en onaangename veronderstellingen en beschuldigingen aanleiding heeft gegeven; men kreet hem uit voor afvallige, schismatiek, verkapten radikaal enz. De blinde, dok-trinaire partijdriften konden of wilden de fijne nuanceeringen van politieke kleur niet onderscheiden, en nog minder een denker van een wetjesfabrikant!
Met een geheimzinnige, vreemde reputatie van republikein of radikaal-liberaal in de Kamer gekomen, hebben de partijen de dolste verwachtigen van hem gekoesterd; men veronderstelde bijna, dat hij zich met een Heldt en een Domela-Nieuwenhuijs zou verbroederen, om een rood driemanschap te vormen.
Niets van dit alles is gebeurd. Mr. Van Houten is dezelfde van vroeger gebleven; hij is zich op een afstand van de doktrinaire vrijzinnigen blijven houden, onafhankelijk, dikwijls alleen staande met zijne opinies. En zijn echt Groning-
54
sche vasthoudendheid — tot koppigheid toe — staat er ons borg voor, dat deze afgevaardigde nog lange jaren in ons Parlement het verdwaalde, liberale element zal blijven, beschimpt door den een als materialist of Niemv-Mathupaan, door een ander als rood-radikaal, en door een derde als afvallig liberaal!
IX.
J nr. Mr. A. F. DE SAVORNIN LOHMAN.
De familie de Savornin Lobman heeft in den laatsten tijd eenige godsdienstige dweepers en politieke agitatoren opgeleverd. Het is een geslacht van zoogenaamd kerksche mensclien, dat eenigermate afvallig aan de tradities van den Nederlandschen adel, zijne intellektueele vermogens en het prestige van zijn naam op moderne basis gegrondvest heeft, en den godsdienst zijner vaderen heeft doen medewerken aan de politiek van den dag, om eene nieuwe sekte var. staatkundige woelwaters voort te brengen. Dathenus is hun kerkelijke grondvester, en Groen van Prinsteren hun politieke organisateur.
De jonge Lohmannetjes trachten de Scheveningsche visschers en de Westlandsche boeren tot hun antirevolutionaire staatkunde over te halen, en de oudere leden van dit geslacht regeeren op kristelijk-historischen grondslag de zwartjes.in in West-Indië en de zwarten in ons Parlement!
Voor \'t oogenblik is het Kamerlid Lohman het meest ka-
56 JHR. MR. A. F. DE SAV0RN1M LOHMAN.
rakteristieke tijpe van zijn geslacht en ook het meest.... beruchte. Geen sUylenspiegelquot; of »Spectatorquot; kan men tegenwoordig ter hand nemen, of men vindt, te raidden van een aantal beroemdheden-van-den-dag, het welbekende gezicht van dezen politieken leider.
Het is een scherp, spits, hoekig gelaat, met harde, scherpe trekken, en een snuffelende, fretachtige uitdrukking. De vorm van zijn hoofd is smal, en uit een magere profiel-lijn steekt een scherpe, speurende neus vooruit: twee kleine wangbaardjes bij de ooren, en overigens een kaalgeschoren gezicht. Het voorhoofd is smal en laag, de kin onbeteekend en wegloopend, en de oogen zijn diep inliggend en missen een fikschen opslag. En dit hoofd rust op de schouders van een middelmatig groot lichaam, nogal plat, eerder nerveus-taai dan gespierd-sterk, eenvoudig gekleed in donkere stof, zonder eenig markant kenmerk. Hij heeft in zijn uiterlijk veel van een bin-nenstadsch rechtertje of een eenvoudig ontvangertje, maar in het geheel niets van een adellijk heer of een hooggeleerden professor.
In de Kanier behoort hij tot de rustigste leden en de weinig opmerkelijke figuren. Het kost den tribune-bezoekers dan ook gewoonlijk eenigen tijd, voor dat zij hem herkend hebben. Meestal kan men hem op zijn bankje vinden, op de voorste rij der rechterzijde, vroeger als buurman van Keuchenius, en waar hij kalm zit te lezen, zich ook wel eens met zijne medeleden onderhoudt, en weinig in \'t oog valt. Ook verlaat hij zijn zitplaats wel eens, niet echter om hier of daar praatjes te gaan maken, afleiding te zoeken of zijne verveling te dooden. Staat hij op, dan is \'t om een ver afstaanden spre-
JHR. MR. A. F. DE SAVORNIN LOHMAN.
ker beter te kunnen verstaan, een onderhoud met eenige zijner medeleden te hebben — soms wel met Verniers v. d. Loeff of Gleichman — iets te bedisselen of af te spreken, kortom als zijne parlementaire bezigheden dit meebrengen.
Dan is hij echter nog niet merkwaardig, want hij is nog niet in zijn kracht. Dit gebeurt eerst wanneer een question-brülante aan de orde komt, een dier groote partijkwesties, waardoor aan beide zijden der Kamer de hartstochten aan het woelen raken. Een lid der linkerzijde laat zich bijv. een onvoorzichtig woord ontvallen; hij zinspeelt, direkt of indirekt, op een onlogische handelwijze der antirevolutionaire partij, een daad van ontrouw aan haar «Program van Actie,quot; of een heiligschennis door Dr. Kuyper aan de nagedachtenis van Groen bedreven.
Dan moet men den heer Lohman waarnemen als hij gaat opletten.
Eerst krijgt hij een soort van nerveuschen schok, en dan steekt hij als een opgewekte speurhond den neus in den wind. Door het ingespannen luisteren, trekt hij een rimpel tusschen de wenkbrauwen, en de oogjes worden klein geknepen in een starend kijken naar den spreker. Hij buigt voorover in zijn bankje, om toch geen woord te missen; de handen steunen op den rand van het tafelje, en \'t schijnt, dat hij klaar zit voor een sprong. Hij kijkt eens links en rechts zijne partijgenooten aan, als wilde hij stilzwijgend zeggen: jgt; Hooren jullie \'t wel! Hoe kan die man zulke dwaasheden vertellen!quot; En \'t kookt in hem; hij wordt onrustiger, hoe verder de spreker doorgaat, en \'t kost hem moeite zich in te houden, en den liberalen afgevaardigde niet in de rede te vallen.
57
SS JHR. MR. A. F. DE SAVORNIN LOHMAN.
Maar nauwelijks heeft deze ook geëindigd of Lobman vliegt overeind. Zulke verwijten laat hij zich niet weggevallen, en als kampioen zijner partij zal hij \'t voor haar opnemen; een beleediging der antirevolutionaire partij aangedaan, vindt haar wreker in den heer de Savornin Lohman. Want én door zijne kundigheden én uit kracht van een stilzwijgend mandaat van de kristelijk-historische Kamerklub is deze Hoogleeraar van de Vrije-Universiteit de aangewezen woordvoerder en politieke leider zijner partij.
Aan dien kant van de Kamer kan men in den eigenlijken zin van het woord nog van een partij of klubwezen spreken; noch de liberale partij, noch de katholieke zijn zoo goed georganiseerd als de antirevolutionaire fraktie. De leden van deze partij hebben zich in ons Parlement tot een Kamerclub vereenigd, die haar Voorzitter en Secretarissen heeft. En mogen in naam een Keuchenius of een de Geer van Jutfaas als de officieele hoofden aangemerkt worden, in werkelijkheid komt deze eer aan den heer Lohman toe; Keuchenius werd bij de indiening zijner ellelange moties en duistere amendementen herhaaldelijk door de partijgenooten in den steek gelaten; de redevoeringen van den heer de Geer worden steeds met den noodigen eerbied aangehoord en zijne adviezen niet in den wind geslagen: maar als er namens de antirevolutionaire partij een verklaring is af te leggen, wanneer er een woord tot en uit het hart dier partij gesproken moet worden, of als zij tegen aanvallen en verdachtmakingen verdedigd moet wezen — dan is Lohman de persoon op wien aller oogen zich vestigen, en wien men gaarne dezen moeilijke en weinig benijdenswaardige taak overlaat. Zijn woord vindt instemming
JHR. MR. A. F. T)E SAVORNIN LOHMAN. 59
en goedkeuring aan de rechterzijde, en al moge er ook somtijds van een droite en een gaüche sprake wezen, slechts hoogst zelden kunnen Lohmans redevoeringen niet als de officieele verklaringen zijner geheele partij worden aangemerkt.
Op de groene bankjes achter hem scharen zijne partijge-nooten zich tegen het amfitheater der zaal op. Zij zitten allen bij elkaêr, dicht aaneengesloten, man tegen man. En vele meer of minderbekende figuren treft men daar aan: (vroeger) de .scheefgetrokken gelaatstrekken en gestalte van Keuchenius ; een vriendelijk, oudachüg heertje met een hoofd door witte lokken omringd, druk en beleefd — de heer de Geer; een nonchalant mannetje, een wauwelende redenaar van weinig invloed — A, baron Van Dedem; de zoetsappige, schimachtige figuur van een T. Mackay, die ééns in de twintig maanden een onbeduidend speechje houdt, half fluisterend en liefjes; het langgebaarde hoofd van Seret: specialiteit in mineraalwateren, ijs en militaire aangelegendheden; de opgewonden, fanatieke Fabius, met zijn onbeduidend gezicht, laag voorhoofd en rosse sik en snor; de jongenheer Van Wassenaer, opvolger van zijn geaffekteerd lieven en zalvenden oom, met nette jasjes, kraagjes en dasjes, een onschadelijk heertje, wiens karrière in zijn vroomheid zit; Van Alphen — een timmerman op zijn Zondags, pratende als een huilerige dominéé, vol leekenijver, en die, met een aandacht een betere zaak waardig, naar alle redevoeringen gaat staan luisteren; Brant^en van de Zijpë, beleefd en welgemanierd, met een fikschen baard — de type van een Engelsch Parlementslid van een plaatje uit Graphic of 5London Newsquot;; de grootneuzige Van Asch van Wijk, spre-
6o JHR. MR. A. F. DE SAVORNIN LOHMAN.
kend als een ratel, schijn-jeugdig, en met een tikje van zelfingenomenheid; en nog meerdere leden en lidjes, die te samen Lohmans lijfgarde uitmaken.
Dit is de klub der Standaardmannen (de Kuiperianen en Lohmanianen), en men behoeft geen scherpzinnig waarnemer of menschenkenner te wezen, om al heel gauw te merken, die het meerendeel dezer fiktieve staatslieden door Lohman om den vinger worden gedraaid, en dat als hij voor de antirevolutionaire politiek in de Kamer op post staat, zij slechts dienst behoeven te doen als vleugeladjudanten, die de teekens en wenken van hun chef begrijpen, en wier eenige kracht in hunne uit te brengen stem schuilt. Op punten van onderschikt of lokaal belang wordt hun het recht van meespreken gegund, maar zoodra de hoogere politiek op \'t spel staat, is zwijgen het konsigne, en blindelings gehoorzamen de hoofdverdienste. De pavtijorganisatie is van dien aard, dat de geringste afwijking of het minste blijk van zelfstandigheid op voorbeeldige wijze gestraft wordt: de heeren Hüber en Fabius hebben, bij de behandeling van het Reglement van Orde, hiervan een dure en leerrijke ondervinding opgedaan !
Het uiterlijk van den heer Lohman openbaart ons de speciale en zeldzame eigenschappen, vereischt om de beginselen en de eer eener politieke partij over alle hinderpalen heên te brengen. Hij is een sluw,vosachtig, een gewikst rechtsgeleerde, vol starre passie, volharding en koppigheid. Hem ontbreekt het vierkante, open gelaat, met de heldere, eerlijke oogen van een rustig strijder zonder hartstoehten; de geheele bouw van lichaam en gezicht toont door de fretachtige uitdrukking, dat men hier met een soort van staatkundig knaagdier te doen,
6i
heeft. Zijn wijze van krijgvoeren is tirailleursachtig: het zich verdekt opstellen, het maken van hinderlagen, het aanvallen van de zijde, die zich het gunstigst voordoet (zelfs van achteren), het opspringen, wegkruipen en weer voor den dag komen, dat den kalmsten vijand in de war brengt.
Zijne redevoeringen beginnen meestal op een geforceerd rustigen toon. Een bedekt en gedempt orgaan maakt hem dit gemakkelijk; maar onder zijn voorgewende kalmte voelt men heel spoedig een nijdige passie, een sarkastischen overmoed en een strijdlustige onverdraagzaamheid.
De heer Lohman telt onder zijn talrijk gehoor de meest invloedrijke leden van alle partijen; een dichte menigte omgeeft hem zoodra hij het woord gekregen heeft. Zelfs de leden, die hunne zitplaatsen niet verlaten, leggen de koeranten neer of wachten met het afschrijven der begonnen brieven, en brengen de hoofden vooruit, met gespitste ooren. De geheele vergadering is één oplettendheid! De heer Goeman Borgesius weet niet hoe vlug hij zijne aanteekeningen zal neerkrabbelen; Van der Kaaij leunt op de ellebogen voorover, om alle dubbelzinnigheden der uitdrukkingen te analyseeren; Mees trekt een lang gezicht van verontwaardigde ontevredenheid, en voelt telkens achter zijn oor, aan zijn bril; Verniers v. d. Loeff draait onrustig in zijn bankje heen en weêr, en doet wanhopige pogingen om zijne interrupties, die hem naar de lippen dringen, in te houden; Gleichman verstijft in een majestueuze, burgerlijke pedanterie; en aan den rechterkant ziet men telkens hoofden van partijgenooten goedkeurend knikken, bewegingen van instemming geven, en een tevreden stilte de gezichten in een glorieuse plooi samentrekken.
62 JHR. MR. A. F. DE SAVORNIN LOHMAN.
.Maar de spreker laat zich langzamerhand door zijn inwendige irritatie meêvoeren. Zijne zinnen worden korter en heftiger, zijne uitdrukkingen satyrisch, en zijne zinswendingen sluw, met tweeledige bedoeling. De fanatieke passie van zijn onverdraagzaam gemoed uit zich in scherpe verwijten, verontwaardigde vragen, vernuftige vergelijkingen, die een schijn van waarheid over de volksgrieven werpen, tot wier verdediger hij zich heeft opgeworpen. Toch verleidt zijn godsdienstige en politieke hartstocht hem maar zelden tot uitlatingen of woorden, die hem te veel zouden blootgeven, of waarover hij naderhand berouw zou voelen. De ware motieven zijner verontwaardiging weet hij onder een slim gedraai van woorden te maskeeren ; hij kauwt, knaagt en krabbelt aan zijne tegenstanders, zonder ze ooit in stukken te kunnen slaan. En als hij geëindigd heeft, vraagt het meerendeel zijner toehoorders zich de ware beteekenis zijner woorden af, spant zich den geest in, om achter de koelissen zijner bedoelingen te kijken, of zet zich op hunne bankjes neèr met een schouderophalen van verwarring en onbegrip.
Ook de heer Savornin Lohman is geen redenaar van schitterende talenten; zijne redevoeringen boeyen niet door hun uitwen-digen vorm, want zijn voordracht is droog, schor en onverzorgd; zijne gestikulaties worden a la bonne fortune uitgevoerd, zijn woordenkeus is alledaagsch, zijne beeldspraken zijn gemeenplaatsen, en zijn zinsbouw is banaal, niet beter of slechter dan van vele andere sprekers. Maar de belangrijkheid zijner speechen moet gezocht worden in zijn positie als leider en woordvoerder eener meer en meer veldwinnende partij, wiens verklaringen voor die van een twintigtal stemhebbende leden
JHR. MR. A. F. DE SAVORN1N LOKMAN. 63
kunnen gelden; in zijn uitgebreide en scherpzinnige rechts-en wetskennis; in zijn sluwheid en handigheid in het debat voeren; in zijn gevatheid in het maken van zinnen a double usage-, in zijn onverzettelijke, godsdienstige overtuiging en onverzoenlijke passie.
De heer Savornin Lohraan is in onze Tweede Kamer een
(
der weinige personen met karakter en hartstocht, welke eigenschappen, zeldzaam in den tegenwoordigen tijd, gepaard aan takt en slimheid, van hem zoowel een belangrijk als gevaarlijk Kamerlid maken. En al moge zijn uiterlijk geen vertrouwen, vriendschap of sympathie opwekken, al tracht men hem door allerlei scheldnamen, als: paneelzager, fanatieke dweeper, onwetenschappelijk man en dergelijken, in de oogen zijner tegenstanders te verkleinen en in diskrediet te brengen — men is niet in staat hem de eer te ontnemen van voor zijne partij een nuttig en bekwaam leider te wezen, een geleerd man, een man vol precieuse passie, en .... een interessant mensch.
De post, die hij, aan de rechterzijde, in de Kamer bekleedt, is een van vertrouwen en aanzien. En hij is zich bewust van de verplichtingen, die op hem rusten; hij is geen luilak, die te laat komt en te vroeg weggaat, geen koffiekamer-looper of praatjesmaker, voor wien het mandaat van Kamerlid een sénekure is, waardoor men een bevrediging van eerzucht vindt, een ladder tot het ministerschap, of een aangename en fatsoenlijke afwisseling van het eentonige leven in een provinciestadje. Ten koste van veel tijd en moeite, van de onverdeelde waarneming van (vroeger) zijn rechterambt of zijn tegenwoordig professoraat, van drukke werkzaamheden en een las-
64 JHR. MR. A. F. DE SAVORNIN LOHMAN.
tig heen-en-weêrgereis, blijft hij als een trouwe waker over de hem toevertrouwde belangen óplettend op zijn voorste bankje zitten, altijd tot de tanden gewapend, met zijn gehoor op den uitkijk en zijn j woordquot; in het geweer.
In het driemanschap Kuyper-Keuchenius-Lohman is de eerste de joernalist, die buiten de Kamer de leider en woordvoeder is van de antirevolutionaire partij in de pers, de tweede het belichamende element der kristelijk-historische beginselen in motiën en thans in het Ministerie-Mackay in wetten, en Lobman het klubhoofd in de Kamer, dat met politieken veld-heerstakt in den strijd de stemmende krachten bijeenhoudt!
X.
J. J. VAN KERKWIJK.
Er schijnt een verwarring te lieerschen op het bureau van den President. De griffier is opgestaan, en gebukt overeenige papieren, waarop hij met den vinger aanwijzingen doet, onderhoudt hij zich met den Voorzitter, die nog in onzekerheid verkeert en tegenwerpingen maakt.
Ondertusschen is er een verschrikkelijk gesnater en gebabbel in de vergadering ontstaan; de leden zijn van hunne plaatsen geloopen, praten, vragen, spreken elkander tegen, bevestigen en ontkennen, met een groote, opgewonden drukte van gebaren. En de Minister Heemskerk, ineengedoken tegen de leuning van zijn stoel, het lange, groote hoofd dwars op de schoudertjes, achter een breede uitspreiding van papieren vóór zich op tafel, blijft met een lijdzaam geduld den loop der zaken op de bureaus afwachten. Er is iets in zijn houding alsof hij zeggen wilde: »Laten ze dat maar in orde brengen! Ik heb den tijd!quot;
5
66
Plotseling ziet men iemand van liet voorste bankje links, terzijde van de Ministerstafel, haastig opstaan. Hij baant zich een weg langs en door de groepen van leden, als een persoon die op straat door een menigte moet dringen om zijn huis te bereiken; met de ellebogen en handen duwt hij eenige leden op zij, werkt zich door de pratende, oneens zijnde groepen heen, om dwars over de vlakte, die uitgespreid ligt tus-schen de regeeringstafel en de bureaus, en thans bezaaid is met mannenfiguren, het groene spreekgestoelte van den Voorzitter te naderen. Dan heft hij zich op de teenen, slaat de vingers om den rand der tafel, en rekt den hals uit, om zoo hoog mogelijk boven het vlak te kunnen uitkijken.
— Zeg, Cremers! zou men hem kunnen hooren roepen, indien het een weinig stiller ware in de zaal. Nu ziet men alleen den President zich naar den spreker vooroverbuigen, om na een kleine, vluchtige woordenwisseling, in korte, haastige zinnetjes, met den hamer om orde te kloppen., Een luisterende afwachting doet de woelige leden houdingen en stilte aannemen, en allen leenen het oor wanneer de Voorzitter mededeelt;
— Door den heer Van Kerkwijk wordt thans voorgesteld om art. 125 vóór art. 124 te behandelen. Ik geloof ook, dat daardoor vele der bestaande moeilijkheden uit den weg zullen geruimd worden; ik kan er mij dus wel meè vereenigen. En zoo er van de zijde der regeering geen bezwaren bestaan, stel ik voor dienovereenkomgtig te besluiten!
De afgevaardigde van Zierikzee is in dien tusschentijd al op zijn plaats teruggekeerd, naast den heer Verniers van der Loeff, die, in een onverschillige houding achter in zijn bankje
67
geleund, van de geheele zaak geen notitie neemt, en, met zijn veêren pennehouder spelend, den uitslag geduldig afwacht. Maar eenige afgevaardigden opperen bezwaar tegen het voorstel van den heer Van Kerkwijk, en deze spreekt tegen, zendt woorden naar links en rechts, in een geprikkelde kregeligheid; en eindelijk verlaat hij zijn bankje weêr, en ziet men hem ineens op een zijner kollegaas afstuiven, die op een kleinen afstand zijn voorstel tegen andere leden blijft afkeuren.
— Hoor nu eens, Sanders, zegt hij, kijk \'s, je begrijpt toch v/el....
Maar de rest zijner woorden verliest zich in het algemeen rumoer. En de afgevaardigde van Zierikzee houdt den heer Sanders bij den omslag zijner jas vast, hem woorden toeduwend, vlak tegen hem aan, als boos van tegengewerkt te worden. Maar het advies van den Voorzitter wordt onderwijl aangenomen, en de heer van Kerkwijk verlaat zijn tegenstander, de schouders ophalend, er niet meer over willende spreken nu de zaak is afgeloopen.
Zoo ziet men deze afgevaardigde herhaalde malen in den loop van een parlementair zittingsjaar den President of zijne medeleden in den nood bijspringen. Vrij van alle officieele deftigheid, het keurslijf der parlementaire vormen uittrekkend, beweegt hij zich vrij en op zijn gemak in de vergadering van dit hooge Staatskollege. Hij is er j thuisquot;, intiem met de meest invloedrijke leden, heeft den schroom der nieuwelingen lang vergeten (zoo hij dien ooit gekend heeft!), en met een nonchalance, hem alleen eigen, weet hij een familiaren toon en huiselijke gewoonten ter afwisseling der deftige beslommeringen het Kamergebouw binnen te smokkelen.
68 J. J. VAX KERKWIJK.
En deze nonchalance voert hij riet alleen in zijne handelingen door, maar ook zijn uiterlijk draagt er de sporen van. Hij is onverbiddelijk in het zwart, met een lange, gekleede jas, die echter, in plaats van netjes te zijn dichtgeknoopt, slordig en los openhangt, en hem zoodoende het steken der handen in de broekzakken gemakkelijker maakt; ook zijne houdingen zijn niet, zooals die van den heer Bahlmann of Gleichman, menigmaal bestudeerd en op een effekt voor de tribunes of zijne medeleden berekend : hij blijft zitten zooals hij is neêr-gevallen, leest of schrijft in de positie, die hem het gemakkelijkst is, met den elleboog op tafel, den neus bijna op het papier, als iemand die het zich in zijne studeerkamer huiselijk heeft gemaakt.
Zijn kleederdracht, zonder slordig of verwaarloosd te wezen, draagt toch de sporen van het ontbreken eener zorgende vrouwenhand of een kleine, mannelijke ijdelheid, die iets om het uiterlijk geeft. De zwarte cylinderhoed, niet altijd nieuw, wordt pratend of in gedachten op het hoofd gezet, zoodat soms op groote plekken de haren tegen den draad zijn opgewreven ; de knoopjes van boord of overhemd verkeeren wel eens in oproerigen toestand, en noodzaken den eigenaar er af en toe kregelige vingerbewegingen tegen te maken; de hakken zijner schoenen zijn naar één kant afgeloopen, terwijl zijne broekspijpen niet altijd op zijne chaussures aansluiten. En zóó, met openhangende jas, zonder stok of parapluie in de hand, de armen langs het lijf hangende, kan men hem met groote passen in het half-uurtje pauze van het gebouw op het Binnenhof naar de Witte zien hollen, om haastig te gaan koffiedrinken.
69
Ook de gelaatstrekken van dezen afgevaardigde hebben iets karakteristieks, waardoor zij zich voorbeeldig tot karikatuur in sUijlenspiegelquot; of sSpectatorquot; leenen. Hij heeft een tamelijk smal hoofd, een geheel kaalgeschoren gezicht, bruinig van kleur en hard van vel, als van iemand die een zwaren haargroei heeft en zich veel moet scheren. En al zijne gelaatstrekken schijnen een duw naar één kant gekregen te hebben, waardoor zijn mond scheef staat, de eene wenkbrauw\' hooger is dan de andere, één wang smal en de andere meer uitspringt, en ook één oogkas vergroot wordt, zoodat het oog, dat schevig ter zijde kijkt, eene oolijke, guitige uitdrukking krijgt. En bij dit Kamerlid is dit oog in de meeste omstandigheden de spiegel van zijn ziel.
Om de verzorging van zijn uiterlijk bekommert hij zich in het geheel niet, en als men den heer Van Kerkwijk in de Kamer aan het werk ziet, kan men zich dit zeer goed begrijpen. Hij spreekt weinig, en zoo hij bij uitzondering het woord voert, zijn zijne redevoeringen kort, kernachtig, zaakrijk en pittig. Zijn manier van voordragen is droog; zij verraadt den man, die zich weinig aan oratorische sierlijkheid of grammatische zwierigheid gelegen laat liggen, \'t Is hem nooit te doen om door een schitterende voordracht, een knaleffekt van zinnen, een hoogdravendheid van parlementaire gemeenplaatsen, of door kwastjes en belletjes van lang vooruit bedachte woorden, de aandacht op zijne speechen te vestigen.
Zijn voordracht is eenvoudig, recht op het doel afgaande; hij spreekt bijtig, der Regeering zijne argumenten toeduwend, af en toe met een valsche nijdigheid. Niet zelden ondervindt de spreker een tegenkanting van de regeeringstafel,
70 J. J. VAN KERKWIJK.
die zich in \'t midden zijner redevoering in een interruptie van een der Ministers uit. Maar de lieer Van Kerkwijk houdt voet bij stuk; hij zwijgt even, kijkt den Minister aan, en zegt dan op een toon, waar een voorgewende verbazing uit spreekt:
— De Minister had de goedheid mij in de rede te vallen (hilariteit). Z. E. schijnt mij niet te gelooven. AVelnu, hij neme slechts de moeite het Staatsblad van 15 Juli 1S85. (No. 121) op te slaan; en daar zal hij op bldz. 2, tweede kolom, zesden regel van boven, de bevestiging mijner woorden vinden. Maar ik zie, dat Z. E. nog s neenquot; schudt! Welnu, laat hij dan, als hij op zijn Departement terug is gekeerd, de Staatsbladen No. 12S en 1S7 van het jaar 1S86 eens nakijken, en laat hij mij dan eens vertellen of hij me nog niet gelooft!quot;
Zijn bijtig, ingehouden, scherp sarkasme, met een droge, fijne leukheid uitgesproken, wekt de lachtlust der Kamer op. Hij verbaast de vergadering door zijn enorme détailkennis; hij legt een bekendheid met de geheimen der koelissen aan den dag, overstelpt zijne tegenstanders zóó zeer met nauwkeurige feitjes, die hij met een ironische hatelijkheid bij naam en toenamen noemt, dat zijne medeleden zich verkneukelen in het schouwspel van een arm slachtoffer, dat tot op het hemd toe wordt uitgekleed. En de heer Van Kerkwijk verschoont niemand en niets; hij is onafhankelijk van positie, behept met een gevoel van eigenzinnige vrijheid, dat hem alles laat zeggen wat hem voor den mond komt, en als dacht hij bij zich zeiven; »dat zal ik je toch eens onder je neus wrijven, hoor!quot; Zijne aanvallen komen gewoonlijk raak aan, en daar hij zoo verstandig is weinig te spreken, en dan nog alleen over zaken, die hij a fond kent, heeft hij het groote
J. J. VAN KERKWIJK. 71
geheim gevonden van altijd een aandachtig gehoor te verzamelen, en aan zijne redevoeringen een bizonderen invloed en belangrijkheid te schenken.
Geen der leden van de Tweede-Kamer bezit zooveel vrienden en bekenden, zooveel bronnen en kanalen om achter het »fijnequot; van een zaak te komen, als deze afgevaardigde van Zierikzee. Hij schijnt een allemansvriend te wezen, want ieder oogenblik ziet men hem, zoowel in als buiten de Kamer, met allerlei mogelijke en onmogelijke personen spreken hij is een soort van kalender, een parlementair nieuwsblad, een onuitputtelijke bron van historische en hedendaagsche suyenquot;, en een nauwkeurig bewaarder en gebruiker van staatkundige geheimen, waardoor hij, tengevolge zijner uitgebreide kennis van bizon derheden en beweegredenen, veelal het sbête noirquot; is voor menig Minister, of voor eenige industrieele onderneming, die zich tot de Kamer met verzoeken of bezwaarschriften wendt.
Daarbij komt, dat men bem graag mag lijden; hij is altijd ■opgeruimd en vroolijk, voorkomend en welwillend tegen ieder, altijd bereid om zijnen medeleden of de joernalisten—die bij hem in een goed blaadje staan — van dienst te wezen, en men zal dus begrijpen hoe het komt, dat de heer Van Kerkwijk, ofschoon niet tot de leiders zijner partij behoorende, toch een tamelijk belangrijke en invloedrijke positie aan den linker kant der Kamer inneemt!
Ontbrak deze afgevaardigde aan de tegenwoordige samenstelling onzer Tweede-Kamer, de debatten zouden lange dagen saai en duf blijven. Nu kan men er evenwel staat op maken af en en toe een kwinkslag te hooren, een interruptie van een brutaal ongeduld, een nijdig roepen van j Stemmen! Stemmen!quot;
72 J. J. VAN KERKWIJK.
of van sdat is buiten de orde !quot;, een nonchalante houding te zien,, waarin hij zich voor een spreker plaatst om hem voor den gek te houden, en waarbij hij gewoonlijk braaf wordt ter zijde gestaan door zijn partijgenoot Lieftinck. Het oude heertje van Baar rilt over zijn mager lichaampje als hij het scheeve, sarkas-tische. lachende gezicht van den heer van Kerkwijk op zich af ziet komen; en zelfs de brommende, mompelende heer Buma doet een zoet-zuur lachje zien, als hij na afloop eener redevoering naar hem toegaat en hem goedkeurend op den schouder klopt, als een meester zijn leerling, terwijl hij hem spottend, goedig toevoegt; s Keurig, hoor, heel goed ! Ga zoo maar door!quot;
De heer van Kerkwijk zit op het voorste bankje links, op de eerste plaats onder den troon. En onwillekeurig, als men hem grappenmakend op zijn bankje ziet zitten, denkt men er aan, hoe in het verloop der eeuwen de vorm eener zaak veranderd, ofschoon het wezen nog steeds hetzelfde gebleven is...... Vroeger zaten de narren aan den voet der vorsten,.
thans zitten de grappenmakers aan den voet van den troon!
XI.
Mr. L. W. C. KEUCHENIUS.
— Er is niemand meer ingeschreven! Vraagt nog iemand \'t woord? zegt de Voorzitter, zijn blik zoekend door de Vergaderzaal latende gaan.
Het blijft stil in de Kamer. Niemand geeft antwoord; de «lebatten hebben reeds lang geduurd, en iedereen verlangt naar de sluiting. Ook de Voorzittter, die, na een oogenblik wach-tens, zijn hamer opheft, en tegelijkertijd begint te zeggen:
— Indien niemand \'t woord meer verlangt, worden de beraadslagingen ......
Maar hij kan zijn zin niet voleindigen, want een der kommiezen-griffier aan zijn linkerhand heeft er hem opmerkzaam op gemaakt, dat een der leden, door het opsteken van de hand en het onverstaanbaar uitroepen van eenige woorden, vergeefsche pogingen doet om zijn aandacht te trekken. En de aangeduide richting opziende, eindigt de Voorzitter zijn zin:
—- \'t Woord is aan den heer Keuchenius!quot;
Daarna zakt hij in zijn stoel terug, met de kalme berusting
74
van iemand, die vooruit weet langen tijd te moeten wachten.
Er is echter volstrekt geen nieuwsgierige ontroering in de Kamer ontstaan; de stemming is mat en loom op den laten namiddag: het geduld der leden is reeds op een lange proef gesteld, en men had gehoopt eindelijk eens in de afdoening der werkzaamheden te zuilen opschieten. En ziet, daar wordt men ineens op de treurigste wijze teleurgesteld! Verschillende leden der linkerzijde, als menschen die in hun verwachtingen bedrogen zijn, doen een afkeurend, ongeduldig gebrom hoo-ren, en de heeren Van Kerkwijk en Lieftinck mompelen iets van »Genoeg!2 of »Sluiten Ie Maar het helpt hun niets; de Voorzitter heeft eenmaal het woord gegeven, en men moet wachten op de dingen, die gebeuren zullen. Erblijft hen dus niets anders over, dan hetzelfde te doen. Tot veler verbazing echter duurt de stilte nog onafgebroken voort, en merkt niemand iets van het begin eener redevoering. Men ziet nieuwsgierig naar de plaats van den Geachten Afgevaardigde uit Amersfoort, op de voorste rij van de bankjes der rechterzijde, naast den heer De Savorin Lohman, en ondekt hem verschanst achter eenige stapels stukken en papieren: ingebonden jaargangen dei-Handelingen, opengeslagen voor een aanhaling, allerlei boeken en geschriften, die eveneens de bouwstof voor zijn redevoering moeten helpen leveren, en waarboven alleen het hoofd van den Heer Keuchenius nog uitsteekt. Nu ook bemerkt men eerst, dat de afgevaardigde een verloren geraakt papier met aanteekeningen opzoekt, onder stukken, in boeken, achter stapels, en dat hij het eindelijk, welwillend door zijn buurman geholpen, naast zich op het bankje terugvindt, te midden van een hal ven papierwinkel.
MR. L. W. C. KEUCHEN\'IUS. 75
Daar rijst hij eindelijk op! Heel Nederland kent die kleine, eigenaardige figuur; alle geïllustreerde tijdschriften hebben die gelaatstrekken tot in het oneindige afgebeeld. Een vreemdsoortig, abnormaal gevormd hoofd, dat van den schedel naar de kin wigvormig toeloopt, staat, door een mageren hals verbonden, op een schraal, smal, uitgeteerd lichaampje. En al de plooyen van dat gezicht zijn, onder de impulsie eener zelfde kracht, naar één zijde getrokken, scheef, dwars over het gelaat, den neus en één oog mee uit hun verband wringend. Tengevolge van een treurig akcident — naar men zegt — zijn alle lijnen van het hoofd, en, langs één zijde over het geheele lichaam, uit hun normalen stand gewrongen, en heeft daardoor dat gezicht de uitdrukking eener zieke, grijnzende spookverschijning gekregen; en wanneer die trekken in een lachplooi komen, doet dat hoofd aan de voorstelling van een heibewonertje denken, in de dolle haast van een hersenvisioen op het papier geteekend. En onder het spreken, voortdurend een zakdoek binnen zijn bereik hebbend, is hij nu en dan genoodzaakt het ziekelijke oog af te betten, of er zich even meê langs den mond te vegen.
Na nu nogmaals te hebben rondgezocht of hij niets vergeten heeft, zegt hij eindelijk: »Meneer-de-President!«, om dan een oogenblik te wachten, ten einde den tijd te hebben het begin van zijn eersten zin op te zetten. Met de langzame traagheid van een oud mannetje, dat zich in een vreemde straat bevindt, sukkelt deze zin door de grammatische staketsels onzer Nederlandsche taal heên. Hij vormt een lange, kleurlooze inleiding op zijn redevoering, die uit een vage,
76
schemerachtige verte slechts een flauwe neiging toont om op het doel af te trekken. De spreker maakt eerst eenige oratorische uitweidingen, eenige vleugelslagen in de ruimte, eenige begroetingen links en rechts, als een schaatsenrijder, die, voordat hij den wedrit aanvangt, eenige malen de baan op en neêr rijdt, knikkend, krullen beschrijvend, zich voorbereidend. Daarna haakt de afgevaardigde uit Amersfoort meerdere zinnen aan den voorgaande vast, stevig, als met ijzeren kettingen vastgekoppeld; en dan neemt dit geheele samenstel den tragen boemelgang van een afgeranseld sleeperspaard aan. Het sukkeldraaft voort, schuddend met den neerhangenden kop, knikkend op de pooten; geen zweepslagen zijn meer in staat om den gang van dezen ouden knol te versnellen.
De heer Keuchenius blijft zijn geheele redevoering door onverstoorbaar in zijn olympische kalmte. Met de rustige zelfbeheersching van een stoïcyn spreekt hij zin voor zin uit, van den hoofdletter tot de eerste komma, vandaar naar de tweede en derde, zijne droge welsprekendheid voortslepend over eindelooze tusschenzinnen, om eindelijk en eindelijk, na somtijds zich zeiven onder het bouwen der frasen nog eenige raaien verbeterd te hebben, het eindpunt te bereiken. Met een taalkundige nauwkeurigheid, waarvan de geschiedenis van ons Parlement waarschijnlijk geen tweede voorbeeld kan aanwijzen, rekt hij zijne reuzenzinnen, als sterke draden van elastiek, met wonderbaarlijke grammatische spierkracht uit. Gewoonlijk is men van die kruipende en slingerende woordkoppelingen het begin reeds vergeten, als hij de helft bereikt heeft, en wederom het midden wanneer hij het slot uitspreekt.
Teekenen van ongeduld worden onder het voordragen dezer
77
redevoeringen hoogtst zelden meer gegeven; de Kamer heeft de ondervinding opgedaan, dat zij even goed met het hoofd tegen een rots zou kunnen loopen. En een soezelige onderwerping aan het noodlot dezer parlementaire kwaal heeft de plaats van het jeugdig ongeduld ingenomen; zóó zelfs, dat de ongeduldigsten onder de ongeduldigen, als de heeren Van Kerkwijk en Lieftinck, er het hoofd bij in den schoot hebben gelegd. Maar de leden hebben een andere manier gevonden, om hunne afkeuring over deze »verspilling van den nationalen tijd« lucht te geven; voortdurend ziet men de groene klapdeurtjes in de hoeken der zaal, die naar de koffiekamer en de korridors toegang verstrekken, opengaan om kleine groepjes van twee en drie leden de zaal uit te laten. Hier en daar vormen zich dan in de Kamer groote, kale plekken, waar de achtergebleven rommel van boeken en papieren, het ongeduldig vertrek van leden temidden hunner bezigheden verraadt. Er ontstaat een t plechtige stilte in de vergaderzaal, als in een verlaten kerkgebouw na het eindigen eener godsdienstoefening. Met enorme tusschenruimten verspreid, vindt men op een der groene bankjes de verdwaalde figuren van eenige achtergebleven leden, meestal van partij-genooten, die hun aanvoerder niet willen verlaten, en half dommelend den schijn eener belangstellende oplettendheid aangenomen hebben.
Maar de afgevaardigde uit Amersfoort laat zich door deze uiterlijke kenteekenen van de verveling, die hij in de Tweede Kamer gebracht heeft, volstrekt niet ontmoedigen. En alsof hij voor een opgepropte zaal van doleerende partijvrienden sprak, gaat hij met verwonderlijke kalmte voort de langwij-
MR. L, W. C. KEUCHENIUS.
lige en sinds jaren herhaalde machtspreuken van zijn starhoofdig fanatisme te herzeggen. Slechts bij hooge uitzonderingen hoort men zijn droge stem korte zinnetjes van ingehouden toorn uitbrengen, van een inwendige erektie, die zich zelve binnen de grenzen tracht te houden, en haar kwalijk vermomde woede over Indische toestanden in boosaardige verwijten lucht geeft, welke slechts voor deze gelegenheid kortere frasen weet te maken. Toch laat hij alle oratorische bewegingen varen, om, recht overeind met zijn kleine gestalte in het bankje, langzamerhand onder de hooge golven zijner lijmerige welsprekendheid te verdwijnen, achter zijne opgestapelde boeken, en nu en dan één wang opblazend om een moeilijk woord uit zijn vergroeiden mond te stooten.
De uitweidingen groeyen aan in getalsterkte, het eene citaat volgt het andere met ongelooflijke snelheid op; zij voeren den spreker met bijna onmerkbare overgangen hoe langer zoo meer van zijn onderwerp af, en brengen hem van Heemskerk naar Abraham, van Gleichman naar Artaxerxes, of van de vergadering der Tweede Kamer naar de Hernhutters, in de dolste kombinaties, en de vreemdsoortigste vergelijkingen. En voor den eenvoudigen toeschouwer schijnt het geduld der Kamer onuitputtelijk, en het bevreemdt hem, dat de Voorzitter nog niet overeind is gevlogen om den spreker tot de orde te roepen. Maar de aandachtige waarnemer heeft reeds lang kunnen opmerken, dat de President sinds eenige oogen-blikken zenuwachtig met den steel van zijn hamer heeft zitten spelen, het hoofd voorover gebogen, als gereed om zijn slachtoffer te bespringen. En ziet, daar opent hij eindelijk
MR. L. W. C. KEUCHEMIUS. 79
den mond, den afgevaardigde uit Amersfoort midden in een enorm langen zin den pas afsnijdend, geen geduld meer hebbend het einde, dat zich in de eerste vijf minuten niet laat voorzien, af te wachten!
— Ik heb den heer Keuchenius tot nu toe nog niet in de rede willen vallen, maar ik ben nu toch genoodzaakt hem te doen opmerken, dat hij, naar \'t mij voorkomt,geheel buiten de orde is. Mag ik hem dus verzoeken zijne beschouwingen uitsluitend tot het aanhangige wetsonderwerp te bepalen!
Maar met onverstoorbare kalmte protesteert de heer Keuchenius ; hij beweert wél binnen de orde te zijn gebleven, want hij wilde betoogen.... Weer maakt de Voorzitter hem een opmerking; weêr repliceert de afgevaardigde uit Amersfoort, om eindelijk tóch door te blijven praten, onafgebroken door den President bespied, die zijn gehoor op den wacht heeft geplaatst.
En zoo zet de heer Keuchenius op den laten namiddag, zijn redevoering voort, opnieuw zijne ellenlange zinnen als kleverige draden uitrekkend, opnieuw... opnieuw... Altijd hetzelfde!
Maar nauwelijks is hij in zijn bankje neergezonken, of, als met een tooverslag, worden de groene klapdeurtjes in de hoeken der zaal geopend, en stroomen onze volksvertegenwoordigers, uit koffiekamer en korridors, \'s lands vergaderzaal weêr . binnen!
XII.
INDISCHE SPECIALITEITEN.
In iedere groote vergadering, die geroepen is zaken van het meest uiteenloopend karakter en belang te behandelen, heeft een afscheiding van de leden in groepen plaats, naar gelang van de aangelegenheden, die zij zich meer in \'t\' bizonder geroepen achten aan hun kennis en oordeel te onderwerpen. De afscheiding dier groepen, en de grenzen der tot hunne ka-tegorie behoorende wetsontwerpen, zijn in onze Tweede-Kamer dikwijls moeilijk aan te geven, daar er grappenmakers rondloopen, die het publiek op een dwaalspoor brengen door hun voorlichting niet alleen tot één enkele kate-gorie van onderwerpen te bepalen, maar die met een komische aanmatiging in alle aanhangige zaken den neus komen steken. Wijlen de heeren Van Baar en Van Eek waren aardige voorbeelden van dit genre van veelpraters; zij behoorden tot de zoogenaamde jalgemeenequot; specialiteiten, en begonnen hunne praatjesmakerijen met de nederige bekentenis, dat, ofschoon
8i
zij geen »specialiteitquot; op dit of dat gebied waren, zij toch een bescheiden woord of enkele opmerking in \'t midden wilden brengen. Dit »bescheidenquot; woord bestond dan gewoonlijk uit kwasi-geleerde tegenwerpingen aan de autoriteiten, een a-fond behandeling van de zaak, alsof niemand het beter wist dan zij, en een aanmatigende afbreking van de argumenten der ware specialiteiten; en die »enkelequot; opmerking bepaalde zich tot eene vervelende, ellenlange speech, die de Kamer aan het geeuwen bracht, totdat eenige medeleden op luide wijze hun ongeduld te kennen gaven!
Als schrille tegenstelling staan tegenover hen de »lokalequot; specialiteiten: brave, stille leden, die maandenlang den mond kunnen houden, om eindelijk, bij de diskussiën over een wets-ontwerpje van plaatselijk belang, of bij een desbetreffend Be-grootingsartikeltje, als de onverbiddelijke kampioen voor een kanaaltje, de herstelling van een Gerechtsgebouw of de opheffing van een onbeduidend brug- of tolgeld uit de slof te schieten. Als een ander uiterste van de veelpraters vervullen zij de rol van zwijgend element; de scholieren en volgelingen van een groot leider, wier redevoeringen en verklaringen hun de moeite besparen er zelf een oordeel op na te houden.
Maar naast hen tieren weelderig de groepen der »warequot; specialiteiten. En dit gildewezen in ons Parlement debat heeft zich zóó markant uitgebreid, dat men, bij de aan-de-orde-stelling van eenig wetsontwerp, op de bank der joemalisten reeds bij voorbaat de namen der leden weet te noemen, die aan de diskussies zullen deelnemen. gt;0, wordt daar dan gezegd, nu krijg je een speech van die en van die en van die!quot;; en bijna zonder uitzonderingen worden deze voorspellingen bewaarheid.
6
82 INDISCHE SPECIALITEITEN.
Vooreerst heeft men de groep der Rechtsgeleerde Specialiteiten, waartoe de heeren Kist, van der Kaaij, van der Loeff, Lohman e. a. behooren. Dan krijgt men de Militaire Specialiteiten die niet alleen uit een schaar van generaals, majoors, kapiteins en luitenants van het leger en de marine bestaan, maar die bovendien versterkt worden door eenige anti-militaristen, leken op krijgskundig gebied, en waartoe zich gaarne de heeren Lief-tinck, Viruly, Schepel en de Ruyter-ZijIker doen rekenen. Verder kan men ook nog spreken van eene kategorie van Han-dels-en-Industrie Specialiteiten, die de namen van Bahlmann, Mees, A. van Dedem en Haffmansop hun ledenlijst schrijven. En eindelijk heeft men de Indische Specialiteiten, wier grootste kracht en voornaamste invloed bij de behandeling der Indische Begrootingen en van andere Koloniale aangelegenheden aan den dag komt.
Hiertoe behoort o. a.
a) Mr. J. VAN GENNEP.
Deze afgevaardigde, behoorende tot eene te Rotterdam gevestigde familie, en Kamerlid voor die stad, heeft zijn kennis van de Indische belangen en toestanden in eene eervolle kar-rière als rechtsgeleerde in onze Overzeesche Bezittingen opgedaan. Na zijn terugkeer in het moederland, waar hij kwam op een tijdstip, dat de liberale, koloniale beginselen, onder een Fransen v. d. Putte en een O. van Rees, het van de behoudende denkbeelden al gewonnen hadden, werd hij naar de Tweede-Kamer afgevaardigd, niet alleen om de handelsbelangen van de Maasstad te vertegenwoordigen, maar tevens om het libe-
INDISCHE SPECIALITEITEN. 83
rale element der Indische Specialiteiten te versterken. Het spreekt van zelf, dat hij zich daar onder de banier van Ko-ning-Otto schaarde, bij wiens partij hij hoog stond aangeschreven. En onder de Parlementaire vrienden, die dezen Kolonialen Vorst op den troon van Buitenzorg geholpen hebben, moet in een der eerste plaatsen de heer Van Gennep genoemd worden, want als mede-afgevaardigde voor hetzelfde distrikt kon het hem niet anders dan hoogst aangenaam wezen zijn politieken vriend en leidsman tot een betrekking verheven te zien, waarin hij zooveel goeds voor de belangen zijner staatkundige beginselen verrichten kon, ofschoon deze verwachtingen ook naderhand op eene treurige wijze werden teleurgesteld.
De heer Van Gennep is iemand, die al over den middelbaren leeftijd heên is; op een klein lichaam met vierkante schouders, dat hij met ferme, schokkende stappen voortbeweegt, staat een rond hoofd, met een glimmenden, kalen schedel. Maar noch door een verschroeide huidskleur, noch door een loome luiheid, verraadt hij zijn verblijf tusschen de keerkringen; de heer Van Gennep is niet versinjood, maar geheel-en-al Europeaan gebleven. Zelfs een zekere matheid of langzaamheid in het spreken, den bewoners van heete luchtstreken aangeboren of door tijdelijke indieschgasten aangenomen, valt niet in hem op te merken. Want meestal is hij luid van woord, druk van beweging, soms wel eens opgewonden van geest. En ofschoon men hem nog geen grijsaard of een oud man kan noemen, verbaast hij dikwijls door zijn jeugdige beweeglijkheid, zijn vurig anthoesiasme en zijn heftigen betoogtrant.
Gewoonlijk is hij in liet zwart, in een lange, gekleede jas, en als hij door de vergaderzaal rondwandelt, steekt hij de
84 INDISCHE SPECIALITEITEN.
handen in de broekszakken, en neemt dan het achtergedeelte zijner panden mee in den arm, zoodat het gedeelte van zijn broek, waarop hij behoort te zitten, zich schaamteloos aan het publiek vertoont. De trekken van zijn gezicht zijn hard en ferm; hij heeft geen beweeglijk gelaat, maar de toorn en verontwaardiging teekenen er zich krachtig in fronsingen en rimpels op af. Zijn stem is luid en weinig buigzaam, uitstekend geschikt om Parlementaire fillipikaas toornend door de zaal te galmen. Hij is minder welsprekend dan welbespraakt; gemakkelijk vindt hij zijne zinnen; zijne argumenten komen diep uit zijn overtuiging voort, en de vastheid van zijn spreektoon wijst op een starheid van wil en een kracht van doordrijving, zooals uitsluitend gevonden worden bij menschen, die zich een bepaald levensdoel voor oogen hebben gesteld, aan welks verwezenlijking zij arbeid en volharding ten koste leggen.
De heer Van Gennep is een man van karakter, zooals blijkt uit zijn onwankelbare houding in de koloniale kwestiën; zijn meening omtrent eene regeling der verhouding tusschen de Indische finantiën en die van het moederland heeft hij jaarlijks bij de Begrootingsdebatten uiteen gezet, en hij is tot het laatste oogen-blik van zijn Parlementair leven in de Tweede-Kamer zijn vriend en kollega Van Dedem in deze zaak blijven steunen. Met een warmte van overtuiging, een verontwaardiging van gemoed en een toorn in de stem, richtte hij het woord tot de werkelooze regeeringen, spoorde tot daden en regelingen aan, verzocht in naam der belanghebbende Javanen omvereffening van toestanden, verlichting van druk en emancipatie des gees-tes. En zoo hij niet altijd het door hem beoogde doel heeft kunnen bereiken, en mogelijk uit een soort van moedeloosheid
INDISCHE SPECIALITEITEN. 85
zijn mandaat als lid der T weede-Kamer heeft neergelegd, waar zijn heengaan door zijne ambtgenooten en Koloniale medestrijders betreurd is geworden, dan dragen hiervan zeker niet de schuld zijn onvermoeide ijver, zijn eerlijk streven en het jeugdige vuur zijner overtuiging.
b) Mr. W. K. BARON VAN DEDEM.
Deze afgevaardigde van Hoorn is een beleefde, voorkomende en sympathieke edelman. Een zekere gemoedelijkheid van geest en een zachte vriendelijkheid van manieren doen hem genieten van een beminnelijken omgang met zijne medeleden.
Hij is een groot, zwaar mensch, met een aankomend embonpoint, en hooge, rechte schouders. Een blond hoofd, met licht grijzend haar, vertoont in zijne trekken een meegaande gewilligheid; ze zijn niet scherp geakcentueerd en toonen geen ingegroeide energie van een langdurig pogen en streven. Hij is meer een man van de vormen en de waereld; zijn gezicht is humaan en vriendelijk van uitdrukking, een dier prettige, innemende uiterlijken van een welgesteld man, die zonder groote levenszorgen de jaren voorbij ziet trekken, terwijl het lichaam langzaam-aan meê ouder wordt, zich verradende in een bescheiden grijswording van het hoofdhaar, een doorvoede verlegging van het lichaam en een rustige geposeerdheid van den geest.
Zie hem met een vriendelijk lachje om den mond \'s ochtends zijn verschijning in de vergadering maken! Altijd vindt hij een vriend of een kollega in zijn nabijheid, wien hij de hand te drukken of iets te zeggen heeft. Op zijn gemak beweegt
86 INDISCHE SPECIALITEITEN.
hij zich van de eene zijde naar de andere, zonder haast om zijn bankje aan den linkerkant te bereiken. Nu eens schijnt hij met den Voorzitter iets te bepraten te hebben, dan weêr onderhoudt hij zich eenige oogenblikken met den kommies-griffier, bij wien hij de presentielijst moet teekenen, om na nog verscheiden leden te hebben aangesproken, met iets tevredens en innemends in zijne manieren, eindelijk zijn portefeuille met stukken op zijn bankje te gaan neerleggen.
Daar strijkt hij dan zijn rossig-blonde snor eens op, haalt een helder witten zakdoek te voorschijn, om de glazen zijner lorgnet af te vegen, zet dit voorwerp vervolgens op zijn neus, en leunt achterover in zijn bankje, om op zijn gemak eenige brieven en stukken na te zien. Een half uur later vindt men hem aan de overzijde der zaal terug, waar hij het bankje van een zijner kollegaas als eene causeuse gebruikt, waarin hij, doodbedaard en zich om niets bekommerend, zich aan een aangenaam onderhoud over extra-parlementaire zaken overgeeft.
De heer Van Dedem behoort tot een geslacht van provincialen adel, dat zoowel liberalen, antirevolutionairen als katholieken onder zijne leden telt: het bekleedt een aanzienlijke rol in de stedelijke, gewestelijke en landsmagistratuur, en aan beide zijden van ons Parlement telt het op \'t oogenblik zijne vertegenwoordigers. Men kan niet zeggen, dat deze familie zich in een bepaalde richting ontwikkeld heeft, want de maatschappelijke positiën door de verschillende leden bekleed, zijn van den meest uiteenloopenden aard. A. baron van Dedem — de antirevolutionair — is gewezen officier, en thans specialiteit in handels- en landbouwaangelegenheden; G. baron Van
INDISCHE SPECIALITEITEN. 87
Dedem — de katholiek — moet zich nog als specialiteit doen kennen, zoo hij hier ooit toe geroepen zal wezen; en Mr. W. K. baron Van Dedem — de liberaal — heeft reeds een welbekenden naam als specialiteit in Koloniale aangelegenheden gemaakt.
De afgevaardigde Van Hoorn, heeft evenals zijn kollega Van Gennep, een eervolle en lukratieve karrière in Indië achter den rug; als advokaat werd hij niet alleen een man, die met de praktijk onzer wetten bekend werd, maar die tevens een groote mate van kennis omtrent de hedendaagsche over-zeesche toestanden en de levensomstandigheden van de bevolking der Indische Koloniën wist op te doen. En die verkregen kundigheden heeft hij, naar eigen inzichten en in liberale richting, steeds aangewend, om het voor de belangen van den Javaan op te nemen. Met woord en geschrift bepleit hij hun zaak, en hij behoort tot de weinige leden, die gebruik gemaakt hebben van hun recht van initiatief, om zijne wenschen in een wetsontwerp te formuleeren, dat hij uit handen van geen der opeenvolgende regeeringen krijgen kon. Onnoodig is het natuurlijk te zeggen, dat hij tot de politieke medestanders van een Fransen v. d. Putte en een Van Rees behoorde, ofschoon de door hem ingenomen positie nooit van zooveel gewicht en aanzien is geworden.
De redevoeringen van den heer Van Dedem getuigen meer van een goeden wil, dan van een groot redenaarstalent. Men kan bemerken, dat hij zich bewust moet wezen een slecht spreker te zijn, want bij het begin zijner speechen vangt hij aan langzaam te praten, om zich niet over zijne eigen woorden te vergaloppeeren. Daarbij heeft hij een onduidelijk orgaan,
88
dat de woorden dof en gedempt voortbrengt, terwijl hij de lastige gewoonte bezit de laatste lettergrepen zijner woorden en het einde zijner zinnen in te slikken. Zoolang hij dus kalm spreekt, kan men met eenige inspanning zijne redevoeringen wel volgen. Maar de heer Van Dedem heeft een zeer snel opbruisend gemoed ; lang kan hij zich niet inhouden, en weldra maakt zich een zenuwachtige opgewondenheid van hem meester. Dan begint hij haastiger te spreken, zijne zinnen volgen elkander met grootere snelheid op, hij vergist zich in zijn woordenkeus, en doordat hij zich dan tracht te verbeteren, raakt hij in de war. En het duurt niet lang of zijn speech is in een erbarmelijke moordpartij van onze taal veranderd ; de uitdrukking zijner gedachten wordt soms zóó gebrekkig, dat er geen touw meer aan vast te knoopen is. Maar niet alleen in zijne woorden wordt hij opgewonden — die nerveuse verrukking maakt zich ook heel spoedig van zijne bewegingen meester. Hij gestikuleert wild in de lucht, hakt met een opschrijfboekje rond zich in de ruimte, slamaait met zijne armen als een automaat, waarvan het uurwerk is gebroken en dat afloopt, en vervalt in een zoodanig onverstaanbaar gedoens en gekwek van woorden en woordjes, dat men geen syllabe uit dit éénluidig gegons zijner stem meer kan opvangen. Woest van verontwaardiging over het gedrag van een Minister of Goeverneur-Gene-raal slikt hij herhaaldelijk het water uit zijn glas op, en bons! doet hij ineens de soezelende leden rond hem door een geweldigen vuistslag op het tafeltje wakker schrikken.
Niet slechts laat de uitwendige vorm van \'s heeren Van Uedems Parlementaire redevoeringen ontzaggelijk veel te wenschen over, ook de inhoud schittert hoogst zelden door
INDISCHE SPECIALITEITEN. 89
nieuwheid of vernuftigheid van gedachten. Hij is de getrouwe prediker van de vrijzinnige begrippen op Koloniaal gebied, der beginselen, die reeds sinds een groot aantal jaren overbekend zijn in alle politieke kringen, en wier herhaling dus een matige bekoring aanbiedt, tenzij in een aangenamen vorm gekleed en op een geestige en vernuftige maniei voorgedragen. Daar de speechen van den afgevaardigde van Hoorn op geen dezer eigenschappen aanspraak kunnen maken, en er bovendien weinig bekoring, bezieling, en overtuigingskracht van hem uitgaat, worden zijne Koloniale gebeden en klaagliederen onder een zeer getemperde oplettendheid aangehoord. En zijn gehoor bestaat dan ook meerendeels uit vrienden en kollegaas, die hem een aangename attentie willen bewijzen !
Over \'t algemeen waardeert men in den heer Van Dedem meer den humanen en innemenden mensch met de lokale feitenkennis en de eerlijke, belanglooze bedoelingen, dan den invloedrijken staatsman, wiens redevoeringen groot gewicht in de schaal zullen leggen, en die een beslissing en leiding aan onze Koloniale debatten zal weten te geven.
c). Mr. H. D. LEVYSSOHN NORMAN.
Welk een hemelsbreed onderscheid bestaat er tusschen den hoofschen, sympathieken edelman Van Dedem, en dezen indi-schen parvenu, wiens loopbaan in de alles bedekkende nevelen eener overzeesche ambtenaars-karrière ligt!!
Stel u een vetten man voor, met een aanmatigend dikken buik, die over twee korte, kromme beentjes hangt. Met dit uitstekende lichaamsdeel naar voren schommelt hij — hoogst
go INDISCHE SPECIALITEITEN.
ingenomen met zich zeiven -—■ tusschen zijne medeledendoor. Maar nog aanmatigender dan zijn buik, is rijn -enorme neus, waarop een lorgnet staat, die twee gluiperige oogjes met een leepen opslag bedekt. Een soort van stereotiep grijnslachje, half van pedanterie en half van indringerige beleefdheid, trekt voortdurend zijne lippen in een vettige vriendelijkheid naar achteren. En er is iets mofachtigs in zijn verschijning, iets s schmeichlendsquot;, dat als van zelf een opkomenden weerzin neutraliseert ; al zou men in \'t eerste oogenblik genegen zijn zich met een kort, bijtend woord van hem af te maken, en al las hij dit voornemen in uwe oogen, hij zou zijn glimlach toch blijven bewaren, het verkroppen, en met u voort blijven praten alsof hij dacht zeer welkom te wezen. Hij plaatst zich voor u, wrijf eens in de handen, zet zijn lorgnet recht, en voegt u een vleyend gezegde toe, dat u ontwapent, en \'t uwe menschelijke ijdelheid van uwe oprechte gevoelens doet winnen. De heer Levyssohn of liever de heer L. Norman! bezit in dit opzicht de taaye volharding van iemand, die vooruit wil, zich daarom zooveel mogelijk met iedereen te vriend moet houden, hierbij zeker niet indachtig aan Schillers opinie over dergelijke personen.
Ook dit lid van het drietal liberale specialiteiten heeft Indië tot vaderland zijner staatkundige karrière, maar in een geheel ander opzicht dan zijne beide kollegaas. Dezen kunnen met eere wijze op een loopbaan als rechtsgeleerde, die hun aanzien en achting bracht. Daarentegen is de heer Levyssohn slechts een ambtenaar geweest, die opgeklommen is volgens de regelloosheid, en dikwijls ongemotiveerdheid, welke de meeste dergelijke karrières kenmerkt. Nooit is hij een ambtenaar geworden, die door zijn kennis, takt of bizondere bekwaam-
INDISCHE SPECIALITEITEN. 9T
heid boven zijne tijdgenooten uitblonk, maar hij stond bekend als een man, die door zijn inschikkelijkheid van karakter, zijn lauwheid van overtuiging en meegaandheid van beginselen, voor de meest uiteenloopende baantjes te gebruiken was; zendingen, betrekkingen, die men aan geposeerde ambtenaren niet wilde opdragen, werden door den fortuin zoekenden, jeugdigen Levyssohn met graagte aanvaard.
Het gansche geheim van zijn loopbaan ligt in zijn eigenschap van zich onmisbaar te kunnen maken. Niet lang in Indië zijnde, maakte de toenmalige Goeverneur-Generaal een tournee over Java, en nam zijn zoon als sekretaris meê; daar deze laatste echter niet door bizondere snuggerheid uitmuntte, werd de heer Levyssohn ook in het gevolg opgenomen, en was de persoon, die eigenlijk het werk van den pseudo-sekretaris verrichtte. Zoo maakte hij zich langzamerhand onmisbaar, hetgeen hij met ongeëvenaarde leepheid zijn heele leven lang wist vol te houden. Nergens en nooit was hij eigenlijk bemind of in aanzien, maar toch wist hij \'t zóó aan te leggen, dat hij overal »bij\'\' was; hij werd meer geduld dan gezocht, meer verdragen dan verlangd. Hij verstond echter de kunst door — in de fatsoenlijke beteekenis van het woord — intrigeeren, en door het aanhooren met een gehuichelden glimlach van ruwe bejegeningen door menschen, die van hem gt; af\' wilden wezen, het hoofd steeds boven water te houden; hij bezat de lastige eigenschap, van door een klitachtige natuur, zich vast te hechten op zaken en personen, die hem nader tot zijn doel konden brengen. En zoo, opgeklommen tot den rang van Raad van Indië, wist hij, na zijn terugkeer in Holland, zich tot lid van de Kamer te doen verkiezen, nadat
92
hij bij eene vroegere gelegenheid een treurig échec achter den rug had. Maar, men weet \'t, een betrekking waarop een eerzuchtige aast, verliest hij niet gauw uit het oog. En de tweede maal gelukte het hem.....
De positie van Levyssohn in de Kamer is die van een man met vage verdiensten en ongediceerde bekwaamheden, want het valt niet te ontkennen dat goochem en kundig, geslepen en slim, leep en vernuftig in de staatkunde geen synoniemen zijn. Zijn vettige zelfingenomenheid doel hem zichzelf beschouwen als een ;gt;beau parleurquot;: hij wendt wanhopige pogingen aan, om door «aardigheden,quot; en vooral door Fransche en andere vreemde citaten — die treurig slecht werden uitgesproken — zijn auditorium in een lachende stemming te brengen; zijne would-begeestigheden komen evenwel nooit boven het peil der alledaagsche flauwiteiten, en zijn voordracht is op de beste oogenblikken, niet beter dan van een middelmatigen rederijker.
Dit is de eenige karakteriseering, die men van Levyssohn als spreker geven kan: een 19e eeuwsche rederijker, die zich een sbellatrequot; gelooft, want (deze bizonderheid is kenmerkend voor zijn persoon) in allen ernst beeldt hij zich in artistieke kundigheden te bezitten en geroepen te zijn tot den rol van Mecaenas. Te Batavia, waar hij evenals in den Haag een soort »salonquot; hield, konkurreerde hij met den heer Spren-ger van Eijk, en de kleine trekken en tooneeltjes van naijver en het strijden om den voorrang tusschen deze twee grootheden zijn niet van een komische zijde ontbloot. De Levys-sohn-cóterie moest echter op den duur het onderspit delven voor de Sprenger-van-Eijk-partij, niettegenstaande hij zijne persoonlijke medewerking aan die artistieke samenkomsten
93
gaf, door het houden van monologen (liefst in het Fransch natuurlijk!) en het doen opvoeren van tooneelstukjes!!!
De persoonlijkheid Levyssohn is evenwel van té weinig belang, om er lang bij stil te staan ; onze Koloniale politiek heeft aan hem niets te danken en niets meer van hem te verwachten.
Deze afgevaardigde van Rotterdam is een tamelijk onbeduidend ambtenaar op zijn retoer, die bezig is te midden van eenige andere politieke ruïnen, in ons Parlement zijn zwane-zang te zingen.
Mr. J. G. GLEICHMAN.
Als een dicht opeengepakte massa staan, zitten en leunen de afgevaardigden der linkerzijde aan den kant der tegenpartij. Er is in de vergadering een eb ingetreden, van den liberalen kant afloopend, en de golven der leden stuwend naar de overzij; aan den linkschen kant is de zaal ineens groen geworden, haar oorspronkelijke kleur herwinnend, alleen bestreept door de gouden randjes der banken, en bevlekt door het wit gesprei der papieren op de lessenaars. En de andere helft der zaal is zwart geworden, in een diepen toon van donker laken, die de gangpaden, banken, lessenaars en den vloer met golvende bewegingen blijft dekken.
De heer Schaepman is aan het woord.
Alle partijgenooten hebben hunne zitplaatsen onmiddellijk ingenomen; men leunt achterover in gemakkelijke houdingen, met een luisterende pret in de oogen, en heeft zich eenige oogenblikken neergezet in het vooruitzicht iets pikants te zullen hooren. Maar ook de afgevaardigden der andere partijen vermoeden, dat er lietsquot; komen zal, want er is een ge-
95
wichtige kwestie van algemeen politiek belang aan de orde, en men denkt dat Schaepman een verklaring zal afleggen namens de Katholieke partij. Iedereen is dan ook aan den overkant gaan luisteren, en de liberale leden strijken op de bankjes naast hunne tegenstanders neêr, waar men voor hen inschuift, en zij, die geen zitplaats meer kunnen krijgen, leunen tegen de muren, bungelen in de gangpaden, en vormen nog gedeeltelijk een zwarte kluit in het open vak tusschen de Ministertafel en de bureaus.
Op het lege amfitheater links zitten alleen nog Verniers v. d. Loeff en de oude heer v. d. Linden.
Kale schedels glinsteren als-oude biljartballen op het zwarte laken der jassen; kuchjes hummen achter opgeheven handen, en toeterend snuit men neuzen, zoo zacht mogelijk en het geluid in de zakdoeken smorend. De geheele aandacht dei-Kamer koncentreert zich naar één punt.
De massieve klomp van Schaepmans gestalte rij st dikbuikig in zijn bankje op. Krakende keelgeluiden en vettige neusklanken, met een blijkbaar Overijsselsch akcent, galmen door de zaalruimte. Hij is in woede ontstoken, een gepassioneerd anthoesiasme zwiert zijne woorden in donderende frasen voort^ zijn linkerhand hakt met een opschrijfboekje in de lucht, en het voortrommelen zijner verwijten dreunt in de ooren, roesemoesend in de hoofden der hoorders.
— j) En zouden wij ons nog langer met die dwaze beloften laten afschepen!. . Samenwerking van de linkerzijde met ons! Welk een phrase ? Wie gelooft daar nog aan ? Wij weten door ondervinding, door een duur gekochte ondervinding zelfs, wat de liberalen van hunne beloften en voorspiegelingen meenen.
gó
Niets immers, niets! Of zouden die heeren soms denken, dat wij hen nog langer de rol van vogelaar, die ons Nederlandsch volk met zoet gefluit zoekt te verlokken, ongestoord zouden laten spelen ? De kiezers zijn al lang genoeg door hen op de meest in \'t oog loopende wijze bedrogen en om den tuin geleid.. .. Ja, men mag er gerust om lachen (Schaepman wendt zich tot eenige liberale afgevaardigden, die schamper grijnsden en de schouders ophaalden), maar de bewijzen zijn toch al geleverd, dat ons volk het juk en de heerschappij van het denkende deel der natie moe is. De verkiezingen hebben uitspraak gedaan, en zij hebben een onuitwischbaar brandmerk op het voorhoofd van de kuische, lokkende en misleidende Liberale Maagd gedrukt. En het waarlijk denkende deel der natie heeft nagedacht en moedig vóór ons en tegen U, Mijne Heeren! partij getrokken. Nu kunt gij het toch niet langer ontkennen, dat èn het kiezerscorps èn de Kamer somquot; zijn. Ik verheug er mij over met een groote vreugde, want nu valt er niet meer te wanhopen, om den christelijken geest en zin van ons volk weêr op te wekken, en dat, met inspanning van al onze krachten, wij het in de toekomst kunnen blijven behoeden tegen een valsch liberalisme, dat de heilige banden van het huisgezin verbreekt, de jeugd in ongeloof opvoedt, en er steeds op uit is geweest om de Kerk en den Staat als twee vijandige machten tegen elkaar over te stellen!quot;
Met eene emfase van stem, een armzwaai in de lucht en een vuistslag op de tafel eindigt Schaepmans redevoering. Bom! valt hij in zijn bankje neêr en zwelgt, als een dorstige bulhond, een mondvol water in!
97
Als na een donderknal in de natuur, valt een groote stilte in de zaal neer; daarna ontstaat er eenige beweging in de groepen, daarna een zacht gefluister, dat stijgt en stijgt en stijgt, en opgroeit tot een dof gebrom, een geroesemoes van stemmen. De leden verlaten hunne zitplaatsen, er wordt ge-loopen, gepraat, geroepen en gewenkt; een drukke bedrijvigheid begint zich weêr van de leden meester te maken. Men diskussieert over de gehouden redevoering, met afgestompte gebaren van verontwaardiging links, met wiemelige zenuwachtigheid van voldane inspanning rechts. En de Herkulische kolom van zijn lichaam weêr overeind brengend, staat Schaepman, omgeven van een troepje opgewonden »jongeren\'\', eenige korte woorden aan zijne omstanders toe te geven, terwijl hij, volgens zijne aangewende manie, telkens achter zijn oor naar zijn bril tast.
Maar ook aan de liberale zijde heeft zich een druk kakelende groep gevormd, in wier midden een lange, platte, stijve man poseert. Dit is Gleichman!
Windvlagen van geluiden, scheuten van woorden, dwarrelen naar de welving van het koepeldak op; er heerscht een drukte als bij het uitgaan van een Beurs. De Voorzitter klopt tevergeefs om stilte.
De Ministers leunen in een neutrale oplettendheid achterover in hunne stoelen en spreken niet met elkaêr. En eindelijk klinkt \'t van het Presidentsgestoelte, met een uitschietende stem van ingehouden drift:
— Ik verzoek om stilte! en den hals uitstrekkend naar den liberalen kant, iets zoekend met de oogen, vervolgt hij: »Het woord is thans aan den heer Gleichman!
Weêr beginnen zich groepen te vormen, maar nu links,
7
MR. J. G. GLEICHMANquot;,
terwijl de leden afstroomen van het amfitheater rechts: de vloed loopt nu op naar liberale zijde. Het wanordelijk gedraaf splitst zich naar verscheiden richtingen, en een stilstand van de par-tikuliere gesprekken brengt opnieuw een vestiging der oplettendheid te weeg. Nu krijgt men de repliek namens de liberale partij!
— Meneer de Voorzitter! Ik heb niet het woord gevraagd, om in kleinigheden de filippika van den geachten afgevaardigde uit Breda tegen de liberale partij te beantwoorden. Er zijn van die verwijten en beschuldigingen, die de verdachtmaking en de opzettelijke onwaarheid al heel nabijkomen, en die een partij die zich respekteert, beneden haar aandacht en waardigheid moet achten. Veel van hetgeen door dien afgevaardigde gezegd is geworden, valt mijns inziens, in die termen, en men behoeft van mij dus niet te verwachten, dat ik ze de eer van een beantwoording zal aandoen. Maar ik ben opgestaan met een ander doel, nml. om eenige misverstanden uit de waereld te helpen brengen, en de eer van onze partij te verdedigen tegen grieven en beschuldigingen, die onze tegenstanders ten hunne voordeele exploiteeren en waarmee men het kiezersvolk, dat uit den aard van de zaak niet achter de koelissen der anti-liberale politiek kan kijken en zeer gemakkelijk aan groote woorden blijft hangen, telkens bij de verkiezingen een rad voor de oogen draait. Ook nu weer, bij de laatstgehouden verkiezingen, heeft de klerikale koalitie dit spel gespeeld ... .quot;
Dit is de aanvang eener lange redevoering, die deze leider van de linkerzijde tot verheerlijking en verdediging zijner partij met droge taaiheid aan de vergadering ten beste geeft.
De heer Gleichman is een lange, magere man, met een
98
MR. J. G. GLEICHMAN. 99
eenvoudig, burgerlijk voorkomen. Hij heeft een lang, hoofd vol haar: een peper-en-zout baardje op de wangen en de kin, en op den schedel vette, (gewoonlijk glimmende) natte haren, die uit een laag voorhoofdje naar achteren zijn gekamd. Midden in al dit haar staat een tamelijk ontwikkelde neus, en liggen twee uitdrukkinglooze oogjes, waar soms een lorgnetje voorgezet wordt, in kleine oogkassen. Verder heeft hij een platten rug, een platte borst, beide zonder eenige lijn, loopt hij op hooge, magere beenen en groote, platte voeten. Niets bijzonders trekt de aandacht op deze persoonlijkheid, en niets karakteristieks kenmerkt hem als een politieke figuur van eenige beteekenis. Hij heeft daarentegen een air van archi-burgerlijkheid over zich, en de eerste aanblik doet hem aan ons voorkomen als een onbeteekenend man, pedant, zelfingenomen en zich bewust van zijn opgeblazen reputatie.
Deze geheele verschijning wasemt de onuitstaanbare pedanterie van een welgestelden bourgeois uit; tot zelfs zijn rug is hinderlijk onbeduidend. Hij behoort tot een dier echt Hollandsche familiën, die in Amsterdam of Rotterdam door handel en scheepvaart rijk geworden, hunne zaken aan kant hebben gedaan, om karrière te zoeken in het openbare leven. Men ziet de afstammelingen uit die koopmansgeslachten langzamerhand in rechterlijke, administratieve en regeerings-betrekkingen verschijnen, zelfs beginnen zij zich soms voor de plaatselijke, provinciale en Kamerkiezers te wagen, en steken meer en meer het hoofd op; hunne namen, eerst alleen op de Beurs bekend, worden nu ook wel eens in het openbaar genoemd, en zoo verwisselen zij op den duur het skantoor\'\' voor een sbureauquot;, en hun kruk voor een plaats op de groene
IOO MR. J. G. GLEICHMAN.
bankjes. Maar bij gebreke aan een veredelende bloedsvermen-ging, trouwende in hunne oude handelskringen, blijven zij het hederitaire stempel hunner burgerlijke afkomst met zich ronddragen, een kenmerk, dat hun zelfs in het buitenland blijft aanwijzen als stijve, eenvoudige, Hollandsche bourgeois.
Daardoor ook is, geloof ik, de heer Gleichman, afgevaardigde voor onze eerste handelsstad, oud-direkteur van de Nederlandsche bank, oud-Minister van Finantiën, een staatsman met visschenbloed gebleven. Men vindt bij hem geen hartstochtelijke, bezielende overtuiging, geen woorden van ijzerharde wilskracht, geen beschouwingen van diep doordenkende staatsmanskunde. Bij hem is alles even lauw, kalmpjes en leukjes: hij bezit de reine rust van iemand van gevestigde meeningen, van onbezorgde levensomstandigheden, van een mooye karrière zonder strijd of moeilijkheden, die »er isquot;, weinig meer ambitioneert en die de toekomst doodbedaard op hem laat afkomen. Hij is liberaal, evenals hij free-trader is, omdat hij \'t altijd zoo geleerd heeft, mogelijk omdat zijn vader het ook was, en omdat hij meent, dat \'t zoo behoort te zijn. Zijn weinig geprononceerde persoonlijkheid hindert niemand, schittert nergens boven uit, wordt getolereerd, en is uit kracht van zijn gematigd liberalisme een soort van verzoeningsgezind element in onze parlementaire politiek, die meer als verbindingsteeken tusschen dan boven de partijen staat.
Menschen en staatslieden met scherpe, hoekige karakters, onafhankelijk denkend en optredend, worden nooit erkend of geduld als partijhoofden; zij komen met andere persoonlijkheden in botsing of deze komen in botsing met hen. En
MR. J. G. GLEICHMAN. 101
daar de heer Gleichman wèl partijhoofd is, kan men ook gerust wezen, dat hij deze eigenschappen niet bezit. Hij is een echt partijman, een doktrinair liberaal, voor wien het liberalisme een sgelooP\' is, vol traditiën van beroemde voorgangers, uitgemaakte oplossingen en stellingen, die niet meer behoeven onderzocht te worden. Nog meer dan dit, hij is zelfs leider zijner partij, en wel uit kracht van een samenstel van vage kwaliteiten. Hij imponeert door zijn zwijgende grootdenkend-heid, zijn zelfbewuste voornaamheid en zijn erkende roetine in politieke aangelegenheden. Er gaat van hem, tengevolge zijner vroegere waardigheden, een roep van kundigheid uit, en waarschijnlijk bewust van zijn weinige begaafdheid in \'t spreken, zoekt hij zijn fort in een ernstig zwijgen, maar in een zwijgen vol gewicht, oplettendheid op alles wat er gebeurt, in stilte kritiseerend, en in tegenstelling van eenige zijner kollegaas, die iedereen kent als zwijgende nulliteiten, is Gleichman een zwijgende enormiteit.
Nu eens ziet men hem aan het eene einde der zaal, den handen op den rug, het hoofd stijf in den hals, met het air van een parlementairen censor den spreker waarnemen; dan weer staat hij vol gewichtigheid met eenige Kamerberoemheden te redeneeren en te overleggen, midden in de groep; en eindelijk poseert hij bij het Voorzittersgestoelte, straf in zijne burgerlijke aanmatiging, bekijkt de tribunes, dwaalt met een blik naar den spreker af, luistert met nederbuigende, gefungeerde oplettendheid, en wandelt dan naar zijn zitplaats, waar hij eenigen tijd blijft nietsdoen, om uit verveling een nieuw wandelingetje door de zaal te maken, of naar de koffiekamer te verdwijnen.
I02
Zooals zijn uiterlijk is ook zijn voordracht: pedant, droog, saai en tamelijk onbeduidend. Hij spreekt in- een kleurloos Hollandsch, in heel alledaagsche zinnetjes, vol gemeenplaatsen, honderdjarige beeldspraken, en zooals iedereen kan speechen, die geen spraakgebrek heeft en iets verschrikkelijk gewoons zeggen wil. Hij is de man der liberale konsignes, der gros-mots, de uitvinder van den s gezetenquot; werkman en de kommentator der partijhoudingen. Daarbij staat hij stijf, niet zijn platten rug, als een plank in zijn bank; is links in zijne bewegingen, houdt daarom de armen zooveel mogelijk tegen het lijf, terwijl bovendien een knersende, harde, krakende stem de pedanterie zijner voordracht nog onaangenaamer maakt.
Hoort men hem in ons Parlement schetteren over de »eerquot; en den »naamquot; van de liberale partij, alsof hij dat alléén had uit te maken en te beslissen, dan krijgt men medelijden met een volksvertegenwoordiging, die onder de leidende figuren barer verschillende richtingen, geen grootscher, krachtiger, bezielender man gekozen heeft, om de helft van de geheele vergadering en van een volkspartij, die bijna een halve eeuw de natie geregeerd heeft, tegen de aanvallen der vijandelijke koalities te verdedigen: het maakt den indruk alsof men een bleeken kweekeling tot aanvoerder van een regiment Zwitsers heeft aangesteld. En geen wonder, dat een partij, die een halfslachtige, doktrinaire middelmatigheid als het summum van politiek beleid beschouwt, het op den duur tegen de strijdvaardige hartstochtelijkheid van goed gedisciplineerde tegenstanders moet afleggen!
En waarom, ook zoolang er nog energieke, gepassioneerde koppen als een Verniers v. d. Loeff tot de partijgenooten behooren ?
XIV.
Mr. h. goeman borgesius.
In ons land is het een zeldzame gebeurtenis, dat iemand, als joernalist zijn loopbaan beginnende, ooit karrière weet te maken in de hoogere, aktieve politiek.
In Amerika is het niet eens een feit van de laatste dagen, dat persmannen in werkelijken dienst en in ruste, als vertegenwoordigers van de Vereenigde Staten bij vreemde mogendheden worden uitgezonden. En in Frankrijk is \'t al lang geen nieuwigheid meer, dat onder de eerste Staatslieden, onder Ministers en Parlementsleden, een groot getal dienaren van de Koningin der Aarde worden aangetroffen. Maar dat in ons kleine en sektarische Hollandje iemand met staatkundige aspiratiën zijn bureaustoel achter een lessenaar van een redaktiebureel voor een zitplaats op de groene bankjes van het Binnenhof verwisselt, is zelfs in deze tijden nog een groote noviteit.
Ik meen, dat de heer Goeman Borgesius de eerste redak-
I04 MR. H. GOEMAN BORGESIUS.
teur geweest is, die dit kunststuk heeft weten te verrichten.
Daarmee is evenwel nog niet gezegd, dat hij de eerste en eenige joernalist in de Kamer was, en is. Ook Kuyper heeft eenmaal op de groene banken gezeten — maar behalve redak-teur van sDe Standaardquot; was hij geestelijke in werkelijken of fiktieven dienst; ook Dr. Vermeulen zetelt op het Binnenhof — maar behalve joernalist is hij Schoolopziener. En geestelijke èn Schoolopziener zijn maatschappelijke betrekkingen, die een zekeren aanleg voor het Kamerlidmaatschap schijnen meê te brengen, zooals vele antecedenten zouden kunnen bewijzen. Maar Goeman Borgesius was een jong, volbloed koeranten-schrijver, tout court, een man van de pen, een inktvermor-ser, en was een dier snuffelende, kritiseerende en anekdoti-seerende wezens, zooals men zich een redakteur gewoonlijk meent te moeten voorstellen. Hij was maar hoofdredakteur van »Het Vaderlandquot;, dus van een liberaal blad, dat toen nog lang niet den invloed en verspreidheid van thans bezat. En ineens ziet men hem zijne penaten van de Parkstraat naar het Binnenhof overplaatsen, van persman, staatsman worden, van vrijzinnig koerantenschrijver, een liberaal Volksvertegenwoordiger !
Dat is wat anders, hè! Dat hadden Kuyper of Vermeulen hem niet na kunnen doen, want die waren in den lande of in hun partij al van eenige sbeteekenisquot;, voordat ze sterrenbeeldjes op onzen politieken hemel gingen samenstellen!
Toch bezat ook Borgesius al lang een :gt;naamquot; bij zijne partijgenooten, ja, dien naam had hij al meegebracht uit zijne studentenjaren. Hij had de reputatie a la Heemskerk van een jwonderkindquot; te wezen; men meende niet genoeg op hem te
MR. H. GOEMAN BORGESIUS. 105
kunnen letten, hem niet genoeg als jongniensch voor allerlei hooge posten voorbestemmen; overal fluisterde men rond hem, dat hij een »toekomstquot; had, zelfs een brillante toekomst; hij was een »homme fortquot;, die \'t \'m wel eens lappen zou!
Zoo heb ik mij wel eens laten vertellen; maar van die staatkundige larve-jaren des heeren Borgesius, noch van dat profe-tiseerende gefluister, meen ik mij iets te herinneren. Ik heb hem alleen als Kamerlid gekend, en dan moet ik zeggen, dat hij zijne apostelen en zijne bewierookers uit een Frieschen achterhoek niet zoo heelemaal heeft teleurgesteld. Want werkelijk, de afgevaardigde uit Winschoten is een verdienstelijk Kamerlid geworden.
Niet in zijn uiterlijk echter schuilt het sukces zijner karrière. In de Fransche hoofdstad ware hij nooit een staatkundige Bellac geworden, en de politieke invloed, voor zoover die van de salons uitgaat, had waarschijnlijk hém niet in het kruiwagentje gezet; hij is geen ladies-darling, en ik geloof, dat hij meer een man van de studeer- dan van de theetafel is. Dat beteekent evenwel nog niet, dat hij een ruw en voor dames afstootelijk uiterlijk heeft; och neen, hij is een blonde man, met een rossig snorretje, die al door zijn hoofdhaar is heêngegroeid, en een beetje moeilijk loopt, gewoonlijk met de handen van het lijf, op de manier die de Engelschen aanduiden met )gt;to stoopquot;. Verder valt er niets van hem te zeggen; hij heeft weinig markants over zich, en in het publieke leven ziet hij er uit als honderde anderen.
Maar het uiterlijk van den heer Borgesius is in tegenstelling van dat der heeren Bahlmann en Van Wassenaer, die als schaaldieren hun voornaamste krachtin hun uiterlijkheid dragen,
Io6 MR. H. GOEMAN BORGESIUS.
van ondergeschikt belang, zooals het ook, met het oog op zijn nonchalance, voor hem zelf schijnt te wezen.
Men moet hem in de Kamer aan het werk zien, om zich een begrip van de juiste mate zijner verdiensten te kunnen maken. Liefst moet men hiervoor het oogenblik kiezen, als er een onderwerp van meer speciaal, zoogen: sociaal belang aan de orde is; want zoo hij een specialiteit in de eene of andere richting is, dan ligt zijn weg zeker op het gebied van het moderne socialisme.
De Kamer heeft al heel wat moeten slikken. Van Baar is natuurlijk weer aan het woord geweest, en heeft een drie kwartier lang allerlei fratsen staan verkoopen, die tot de zaak niets afdeden. Daarna heeft een onbeduidende afgevaardigde van de antirevolutionaire partij een lange redevoering gehouden, waarin hij, met een hakkelende, stamelende stem eenige pyra-midale bezwaren, die ieder al in de Memoriën gelezen had, lang en breed heeft staan uitmeten. Ook een der rapporteurs heeft gemeend de Kommissie tegen eenige aanvallen uit de Memorie van Antwoord te moeten verdedigen. En daarna zijn een paar liberale leden gevolgd, die de kwestie zeer wijdloopig uit een algemeen en humanitair standpunt bekeken, en der vergadering eenige amendementen aangekondigd hebben, die de strekking van het ontwerp zouden verzachten en aannemelijker maken.
De gansche ochtend is hiermee heengegaan, de pauze is gepasseerd, een groot deel van den namiddag is er ook al door ingenomen. De aandacht der Kamer is voor dien dag reeds schijnbaar uitgeput; zelfs zijn een paar leden al naar huis gegaan, daar ze wisten, dat de Algemeene Beraadslagingen toch
MR. H. GOEMAN BORGESIUS. 107
nog niet zouden afloopen; da tribunes zijn leeggeloopen en de bodes staan in de gangpaden te geeuwen.
Ondertusschen is de heer Borgesius eenige malen naar het bureau van den President gewandeld, om op het sprekerslijstje te zien welke leden nog ingeschreven zijn. Ook heeft hij in zijn opschrijfboekje aanteekeningen staan maken, vele glazen water gedronken, oude jaargangen der Handelingen nagesnuffeld, en is eindelijk met een paar kollegaas in een hoek der zaal gaan praten.
Niemand schijnt meer naar den laatsten spreker te luisteren ; ook de afgevaardigde voor Winschoten niet, en zélfs Van Alphen en Van Kempen niet meer!
Maar de Voorzitter klopt met den hamer om stilte, en vraagt:
— Er is niemand meer ingeschreven! Verlangt nog iemand het woord ?
De heer Borgesius laat zijne vrienden in den steek, stuift naar voren, en geeft een wenk met de hand.
— Het woord is dan aan den heer Goeman Borgesius! klinkt het van onder den groenen hemel van het Presidentsgestoelte.
Bij dit bericht maakt zich slechts een matige belangstelling van de vergadering meester. Eenige leden, met de handen in de zakken, komen van den anderen kant der zaal aanslenteren; een paar partijgenooten keeren zich half in hunne bankjes om, en Van Alphen en Van Kempen verschijnen weer, als staande luisteraars, men weet niet van waar!
Voor dit beperkte gehoor begint de afgevaardigde uit Winschoten zijne redevoering. Uit den driftigen toon zijner inleidingsfrasen hoort men al dadelijk, dat hij lang door een in-
io8
wendige opgewondenheid geplaagd is geworden. Men heeft al veel te lang naar zijn zin gepraat, en de zaak onnoodig verward! Met een soort van hoog, droog en somtijds krakend neusorgaan stelt hij zijn auditorium eenige vragen van naïeve verwondering.
— Meneer de President! Waarom zijn wij hier als volksvertegenwoordigers geroepen over de aanhangige wetsontwerpen het woord te voeren ? Om de zaken onduidelijk te maken.
Meneer de President ? Om achter een.....gegoochel van
woorden onze gedachten nog ingewikkelder te maken dan zij al in ons hoofd zijn? Neen, Meneer de President! We staan hier juist voor het tegenovergestelde doel! AVe staan hier, om de zaken die anderen nog onduidelijk mochten zijn, uit te leggen, en dat niet alleen voor onze medeleden van deze vergadering, maar voor het geheele volk, de gansche natie (hierbij maakte bij een molenwiekigen zwaai met den arm), want onze woorden blijven niet alleen binnen de vier witte muren van deze zaal, maar daar buiten worden ze ook gehoord, Meneer de President! En men zal er de verklaring onzer handelingen en de motiveering van de stem, die wij uitbrengen,, in zoeken!quot;
Hij drukt den buik tegen den rand van zijn lessenaar aan,, laat het bovenlijf voorover hangen, en steekt het hoofd in de richting van het Voorzittersgestoelte. Deze woorden adresseert bij uitsluitend aan den President, als had hij alleen met hem te maken, en als stonden er geen luisteraars rond hem. Maar ineens heeft hij met den Voorzitter afgehandeld, en wendt hij zich tot zijn auditorium links en rechts.
— Ook U, Mijne Heeren! hebt tot op zekere hoogte, het
MR. H. GOEMAN EORGESIUS. 109
recht mij en een ander af te vragen, waarom wij op deze of die wijze stemmen. Onze stem is niet een dood iets, een stom getal, Mijne Heeren, dat de som der voor- of tegenstanders moet komen vermeerderen of verminderen, een.. . \'n . . . \'ndood getal, maar een zelfstandige daadsverrichting, waarvan wij ons een verklaring moeten weten te geven!quot;
En nu worden er wendingen van zijn lichaam na ar de beide zijden, naar links en naar rechts, uitgevoerd. Zijn bovenlijf zwalkt heên en weêr, als een schoener op de golven van een volle zee. Nu eens ziet hij straf zijn rechterbuurman aan, een geheelen zin vlak in zijn gezicht afstekend, om met een schok zich om te wenden, en de volgende fraze aan zijn linkerbuurman te adresseeren. Soms draait hij zich drie-kwart om, naar zijne achterzittende kollegaas, die hij uit een soezend ge-dommel opschrikt, en die als katten tegen het licht met hunne oogen beginnen te, knippen; en valt zijn blik bij toeval op de burgermannetjes Van Alphen en Van Kempen, dan beginnen hunne hoofdjes onmiddellijk te knikken, met een gedienstige instemming, niet ongelijk aan twee stumperachtige Duitsche soldaatjes, die van een norschen Feldwebel instrukties krijgen.
Maar op deze manier houdt hij zijn auditorium bijeen 5 daar allen zich op hun beurt persoonlijk toegesproken achten, stellen zij meer belang in zijne woorden, luisteren aandachtiger, en blijven staan. Zelfs groeit zijn gehoor langzamerhand aan; hij weet de ingedommelde belangstelling der vergadering weder wakker te roepen, en allen, die nog tot luisteren of oplettendheid in staat zijn, rond zich te verzamelen. Want in zijne veldwinnende verontwaardiging, in zijn ontevredenheid over de gehoorde argumenten, zet hij zijn stem uit, klinken
no
zijne neusgeluiden tot in den koepel van het dak, en knetteren door tot achter de groene schutsels. De zinnen dringen elkander sneller op, zijn gezicht wordt rood door een bloed-versnellende agitatie, en zijn arm, met het opschrijfboekje in de hand, zwaait naar alle richtingen in de lucht. Snel slikt hij monden vol water in, zwabbert met zijn bovenlijf over zijn lessenaar heen, en begint zich telkens zóó vér voorover te wagen, dat men vreest, dat hij op een gegeven oogenblik topzwaar worden en uit zijn bankje slaan zal.
Zijne redevoeringen, die meestal goed in elkaêr zitten, zich kenmerken door helderheid, door degelijkheid van argumentatie en aangenaamheid van vorm, worden in den regel met de noodige aandacht gevolgd. Zij behooren lang niet tot het slechtste op het gebied der parlementaire improvisatie ; want de heer Borgesius beschikt over een zekere mate van natuurlijke welsprekendheid, van gepassioneerde overredingskracht, en een warmte en een eerlijkheid van overtuiging. Daarbij heeft hij den naam van een kundig man te zijn, die zich niet licht in een zaak zal mengen, zoo hij ze niet tot in de kleinste bizonderheden heeft bestudeerd, en alleen meepraat over kwes-tiën, die tot zijn gebied behooren.
Zijne speechen zijn dan ook die van een zaakkundig, belangloos en helder hoofd; ze worden tot de degelijkste beschouwingen gerekend, die van liberale zijde over de sociale kwestiën geleverd worden, en zijne verklaringen gelden in de meeste gevallen voor een aantal zijner partijgenooten.
Ofschoon ik meen te mogen gelooven, dat de heer Borgesius tot de doktrinaire liberalen behoort, die gehecht zijn aan partijstellingen, en die er een programma van vrijzinnige dogmaas
MR. H. GOEMAN BORGESIUS.
op na houden, is hij toch geen onverdraagzaam sektarist.
Bekommert hij zich heel weinig over de aanmatigingen der onverdraagzame anti-liberale koalitie, hij is ook geen staatsman, wiens verwarde partijgeest hem reeds zoozeer verblind heeft, dat hij bij zijne tegenstanders personen en zaken is gaan vereenzelvigen. Maar hij is tegen een vermenging van godsdienst en politiek, evenals hij vóór de neutrale staatsschool, tegen een subsidieering van het bizonder onderwijs en meer dergelijke stellingen van de liberale partij is, tot wier verdediging men hem gaarne het woord gunt.
Al is hij geen leider zijner politieke fraktie, en al is zijne positie aan den linkerkant der Kamer niet van hetzelfde gewicht als van Gleichman of Verniers v. d. Loeff — hij volgt hun toch kort op de hielen, en is ontegenzeggelijk een der liberale hoofdfiguren en leidende krachten, \'t Is van algemeene bekendheid, dat hij geen politieke gelukszoeker is, wiens ijdel ideaal tot nu toe achter het slot eener Ministerieele Portefeuille is weggegrendeld. Maar hij is een eerlijk, eenvoudig, zaakkundig staatsman, die in den tijd, welken hij aan zijne politieke bezigheden wijden kan, zich nuttig tracht te maken voor de verspreiding en de verdediging der beginselen, waaraan hij met een belangloos vertrouwen gelooft.
En dat hij hiervoor geacht wordt, door vóór- en tegenstanders, bewijst de waarde, die men aan zijne adviezen hecht, de belangstelling, waarmee men naar hem luistert, en de ernstige overweging, die zijnen woorden te beurt valt. En dat men zijn kunde, ijver en werkzaamheid apprecieert, blijkt genoegzaam uit de herhaalde, eervolle benoemingen tot lid of rapporteur van gewichtige kommissiën.
Ill
112 MR. H. GOEMAN BORGESIUS.
De rekening zijner verdiensten kan evenwel nog niet worden opgemaakt; dit zal het werk van een volgend geslacht moeten wezen, want de heer Borgesius is nog in de kracht zijner jaren, en heeft volgens veler meening het einddoel en den eindpaal zijner staatkundige karrière nog lang niet bereikt.
XV.
Mr. J. H. L. HAFFMANNS.
Tusschen één uur en half twee staat voor een boek-en platenwinkel in de Hoogstraat te \'s-Gravenhage een troepje men-schen de titels der laatstverschenen romans te bekijken, \'t Is heerlijk voorjaarsweer; in een effen blauwen hemel, waarin, alleen een paar witte, schuimende wolkjes drijven, brandt een warme lentezon; er heerscht een natte, wasemachtige lauwheid in de lucht, die het den wandelaars benauwd maakt; de ramen der koffiehuizen zijn al wijd open geschoven, en men .ziet heeren zonder overjassen en meisjes in lichte toiletjes.
De straten zijn tegen den middag opgepropt van slenteraars, ■en de winkelramen trekken voortdurend groote troepen nieuwsgierige, luye kijkers aan.
Te midden van de groep, die zich voor den winkel van den boekhandelaar De Zwaan verdringt, staat op de eerste rij, met den neus tegen het venster, een klein, schunnig mannetje tnet een dik behaard gezicht, in \'t zwart, en met een ouden
8
114 MR- J- H- L- haffmanns.
fantaisiehoed op. Na met een doode, nietszoekende belangstelling zoo wat naar de étalage te hebben gegluurd, wat hem gauw schijnt te vervelen, vouwt hij zijne handen op den rug samen, dringt door de kijkers heen, en zet zijn wandeling voort. Op de luye manier van iemand die met zijn tijd geen raad weet, bungelt hij aan den schaduwkant langs de huizen voort, in \'t oog loopend vreemd met één been trekkend.
Zoo flaneert hij op zijn gemak voort, over de Groenmarkt,, door de Veene- en Spuistraten, om over het Plein naar het Binnenhof te wandelen ; eerst blijft hij nog voor een paar winkels kijken, interesseert zich voor een opstopping van rijtuigen, schijnt blijkbaar genoegen te vinden in een paar giebelende juffertjes, die hem passeeren, toont eenige belangstelling in de dakgoten, waarnaar hij telkens de oogen opricht, en trekbeent ten slotte, langs de Loterijzaal en schuin over het Binnenhof, het gebouw der Tweede Kamer binnen.
Deze flaneur is de heer Haffmanns, roomsch-katholiek afgevaardigde voor een der Noord-Brabantsche distrikten. Hij heeft het tijdstip der pauze niet afgewacht, om de benauwdheid en de verveling der vergadering te ontvluchten. In het doode licht, dat uit den dakkoepel zinkt, hebben eenige leden der weinig sprekende achterhoede over lokale kwestiën staan praten: eenige verplichte speechjes, die ééns om den zooveel tijd ten dienste der kiezers worden afgestoken. Evenmin als het overgroote meerendeel zijner kollegaas heeft hij zich verplicht gevoeld deze smoezerijen met zijn tegenwoordigheid te vereeren. De bankjes zijn leeg en de koffiekamer is vol. Maar Haffmanns wordt aangetrokken door het heerlijke weer buiten; hij zal er die stemmingen maar aan geven, en zich
MR. J. H. L. HAFFMANNS. 115
liever de stijve beenen en krommen rug eens in het warme zonnetje koesteren!
En als ware hij ergens in de provincie, in zoo\'n klein binnen-stadje, waar de burgemeester en de notaris in hun blooten hoofd de straten oversteken en waar men in tien passen op een buitenweg tusschen de bouwlanden is, wandelt de heer Haffmanns, op de meest nonchalante manier, met de handen in de broekzakken of gevouwen op de billen, \'s heeren straten op. Er wordt eens in de Twee-Steden (zijn hotel in den zittingstijd) gekeken, daarna aangelegd op de s Wittequot;, om koffie te drinken, en eindelijk, zich welbehaaglijk in het zonnetje schurkend, een slentertochtje door de straten ondernomen.
Wel ja, de oude heer heeft een verpoozing noodig! Die vervelende boel daarbinnen ook, niet waar ? Laat ze maar kletsen, je komt strakjes wel eens kijken of ze er nog zijn! O, zoo !
Maar deze nonchalance voert Haffmanns ook in de bekleeding zijner officieele waardigheid door. Men moet hem maar eens in de vergaderingen der Tweede-Kamer nagaan. Op een oogenblik, dat hij niets beters te doen heeft, vat hij het voornemen op, naar den spreker, die aan het woord is, te gaan luisteren. Met een logge luiheid rijst hij uit zijn bankje op, gaat eerst eens een praatje bij een vriend in de buurt maken, laat zijne oogen, dof en blind van verveling, door de zaal wandelen, en sukkelt en schommelt eindelijk op den spreker af. Daar gaat hij midden in het gangpaadje staan, zoo wijdbeensch als hem maar eenigszins mogelijk is, met één hand in zijn broekszak, en met de andere ergens in zijn baard of aan zijn snor plukkend. Zijn figuur is loom en plomp
Il6 MR. J. H. L. HAFFMANNS.
ineengezakt, met doorgeknikte knieën en krommen rug; het hoofd hangt aan den hals vooruit, in een soort van loerende, onverschillige luistering.
Men moet zijn gezicht lang en goed bekijken vóór dat men er het karakter en de uitdrukking van kan onderscheiden. De eerste indruk, dien men van hem krijgt, is als van een Israëliet; er is ontegenzeggelijk iets semietiesch in zijn uiterlijk; die kleine, kromme persoon met zijn harigen kop, grooten mond, gebogen neus en opgetrokken wenkbrauwen, doet onwillekeurig aan een verloopen Beursspekulant, of aan den rentenierenden eigenaar van een magazijn in gemaakte kleeren denken. Toch is hij een Christen, en wel een roomsch-katholieke, zooveel dus als bijna een antagonist der Israëlieten. Maar veronderstellende, dat mer. niet wist wie of wat hij was, en men wilde alleen uit zijn voorkomen opmaken welken maat-schappelijken stand of betrekking hij bekleedde, dan zou men zich voor een moeilijk vraagstuk geplaatst vinden.
Doet hij szakenquot;, is hij een advokaat zonder praktijk of een sukkelig ventje, dat aan rhumatiek lijdt, is hij eigenaar van een kurkenfabriek of spekulant in tuinzaden? Men zou het hierover met zich zeiven niet eens kunnen worden; alleen bewijzen zijn kleederdracht, zijn vrijmoedige ongemanierdheid, zijn nieuwsgierig en eenigszins verwonderd rondgluren, dat hij een provinciaal is, iemand uit een der achterhoeken, waar hij gewoon is een toon aan te slaan, en te doen en te laten juist wat hij wil. Daar is hij de baas en de toonaangever, en waarom zou hij zich in de residentie of in de vergadering der Volksvertegenwoordiging anders voordoen, als in het binnen-stadje X, of op de Heerensociëteit van het plaatsje Y, waar-
MR. J. H. L. HAFFMANNS. 117
van de burgemeester, de ontvanger, de notaris en hij de notabelen uitmaken ?
Men moet hem maar nemen zooals hij is! En wil men dat niet.... r.u, dan ook al goed! \'t Kan hém niks niemendal schellen ; hij is tóch Haffmanns !
Maar behalve in zijne manieren en zijn voorkomen draagt deze afgevaardigde nog meerdere kenmerken van den zelftevreden,
provincialen autochtoon. Hoor hem maar eens spreken en.....
geestig zijn!
Er is een ras van menschen (Wie heeft ze in onze provinciesteden nooit ontmoet r), die zich de lokale vermaardheid van een shomme d\'espritquot; verworven hebben. In hunne jonge jaren hadden zij het buitenkansje onder hunne vrienden wel eens een gelukkig woord te zeggen; de plaatselijke toestanden en schandaaltjes, de gedragingen en het uiterlijk hunner onmiddellijke omgeving, leverden hun de stóf voor hunne lachwekkende aanmerkingen en opgeruimde steken-onder-water; goed gehumeurd, met een natuurlijke vroolijkheid begiftigd, hebben zij getracht de saaiheid en dompigheid van het eentonige, binnenstadsch leven door hunne onschuldige kwinkslagen te veraangenamen; ouder geworden, zijn zij den rang van grappenmakers op damespartijtjes, komedievoorstellingen en lokale amusementen gaan vervullen; en nog later, als hunne aardigheden eenig gezag verworven hebben, herhaalt men \'s middags onder het eten of bij den gezelligen kout van de bittertafel hun s dernier motquot; over een gebeurtenis van den dag of de guitige parodie der hebbelijkheden van een der bekendste personen. En om hun eenmaal verworven reputatie gestand te doen, meenen zij, hun gansche leven door, aardigheden te
Il8 MR. J. H. L. HAFFMANNS.
moeten blijven verkoopen, en worden zij op den langen duur laffe, kinderachtige uyentappers, die de geposeerdheid en den ernst hunner grijze haren schande aandoen. Zoo ook de Heer Haffmanns!
Dit Kamerlid heeft waarschijnlijk uit zijn provinciestad die ongelukkige vermaardheid \'meêgebracht. » O, riep men daar uit, en hield zich bij voorbaat den buik van het lachen al vast, heb je nou gehoord wat Haffmanns gezegd heeft over de Rijn-woldjes? Nou maar, kaerel, \'tis kostelijk! Hoe komt-ie d\'ran ? Waar haalt-ie\'t vandaan ! \'tls al te dol!quot; En \'t was Haffmanns vóór, en Haffmans na, en zijne aardigheden deden de ronde in het stadje, en men werd bang het mikpunt voor zijn guitig vernuft te worden!
En ziet, op een goeden dag wordt de grappenmaker Haffmanns lid van de Kamer, en hij zou nu niet alleen meer de Rijnwoldjes c. s. hebben om zijne geestigheden op te debi-teeren, maar het geheele personeel der deftige knikkebollen van het Binnenhof zou duchtig door hem onder handen worden genomen. Hij zou ze daar eens laten lachen, die oude papaas en saaye pisangs, tot de tranen hen over het gezicht biggelden en ze door elkaêr rolden, als beentjes uit een knibbel-spel! Ha! ha ! Maak je maar vast klaar Schaepman, ze zullen \'torn jou ook uitproesten, en jij, Wintgens, pak je biezen maar als Haffmanns een piek op je krijgt, en ga maar gerust naar huis Keuchenius, want als hij je eens belachelijk maakt, dan verlies je zelfs je twee of drie getrouwe luisteraars nog! Wacht maar, ze zullen gieren op het Binnenhof, en de schaterlach zal weerklinken door het gansche land, en de pers zal geen kolommen genoeg hebben, om de »fin motsquot;, de geestige
MR. J. H. L. HAFFMANNS. Iig
zetten en snaaksclie gezegden van den lieer Haffmanns den volke ruchtbaar te maken!!
En zijne stadgenooten en kiezers verkneukelden zich al van inwendige pret, wreven zich de handen en likten zich de lippen af, dol nieuwsgierig naar de waereldschokkende zaken, ■die nu gebeuren zouden!!!
Maar ga hem nu eens in de Kamer hooren. Öp de uiterste flank van den rechtervleugel staat hij te spreken, natuurlijk in een houding van gezochte nonchalance, oudachtig voorover gebogen, met e\'en hand in een hroekszak en met de vingers der andere hand eenige haren uit zijn baard óm- en óm-krullend. Zijn stem is luid genoeg om door de geheele vergadering verstaan te worden, en de lijmerige langzaamheid, waarmee hij de woorden uitbrengt, maakt het gemakkelijk om zijne zinnen te volgen. En toehoorders heeft hij ook, plenty, hij is zelfs door een kringetje van grijnzende tronies omringd, die hem aanmoedigen, toejuichen, met een zichtbaar genot. Maar, o wee, als men eens oplet wat hij er ■uitflapt. Nooit of zelden is het een pittig gezegde, een pikant woord, een vernuftige vergelijking, en de kunst omsfinmotsquot; te maken, is hem hoogstens van hooren-zeggen bekend. Op zijn boersche, plompe, ruwe manier, die waarschijnlijk de val-sche bekoring eener would-be sjovialiteit moet hebben, kwekt hij allerlei hansworsterijen uit; het zijn enormiteiten van alle-daagschheid, bakbeesten van flauwiteit en verrassingen van rustieke grofheid, die, allée\'n omdat ze in goed gezelschap niet of op beschaafder toon gezegd worden, in deze Parlementaire vergadering iets s gedurfdsquot; hebben, en den lach opwekken voor menschen, die verdwaasde, rare en onbehoorlijke dingen
MR. J. H. L. HAFFMANNS.
uitkramen. Men vindt dan ook over \'t algemeen Haffmanns-meer leuk dan aardig, meer gek dan geestig, meer persoonlijk dan pikant.
Terwijl Van Baar de s komiek malgré luiquot; was, om wiens dwaas gewauwel en zinnelooze radottage men onwillekeurig lachen móest, is Haffmanns de geforceerde paljas, die aardigheden wil verkoopen, en die er met opzet gek bij gaat staan, om de menschen toch te doen denken, dat hij geestig is, maar die, op de keper beschouwd, een aanstellerig, flauw heertje is, te oud al voor dergelijke hansworsterijen, welke hij liever aan jongere krachten moest overlaten. En, heusch, er zitten na de laatste verkiezing genoeg piepjonge spring-in-\'t-veldjes in de Kamer, die niets liever zouden willen dan hem van zijn taak van officieelen paljas te ontlasten! Hij hoeft niet eens ver te zoeken; héél dicht bij hem, zoo op de bankjes zijner partijgenooten.... Maar, enfin, dat weet hij mogelijk beter dan ik!
Noch Schaepman, noch Wintgens, noch Keuchenius hebben dan ook een oogenblik voor dezen Brabantschen Uilenspiegel gesidderd; zijne aanvallen en pikanteriën waren nogal onschadelijk en onschuldig, en wanneer hij zoo af en toe eens uit de slof schoot, dan had hij er zelf meer pleizier in, dan iemand van zijn auditorium. De pers heeft zich ook volstrekt niet druk gemaakt, om zijne geestigheden voor het nageslacht te boeken; men ruimde aan zijne speechen nooit meer plaats in, dan haar naar gelang harer lengte en belangrijkheid toekwam.
Toch is het soms de moeite waard naar zijne redevoeringen te luisteren, want zonder welbespraakt te wezen of diepzinnige.
120
MR. J. H. L. HAFFMANNS. 121
politieke beschouwingen te leveren, zegt hij, in zijne gelukkige oogenblikken, wel eens een verstandig en behartenswaardig woord; meestal zijn zijne raadgevingen niet van een zekere mate van gezond verstand ontbloot, van nuchtere, juiste opmerking, en goed te pas gebrachte terechtwijziging.
In dit opzicht behoort hij zeker niet tot de minste zijner partijgenooten; de » oude heerquot;, zooals hij zich zelf heeft genoemd, kan er nog gerust ïbijquot; wezen, en indien voor hem de kans al verkeken is, om nog eenmaal in de voorste rij der beroemde Katholieke opperhoofden te komen staan, zeker zal men hem de bescheiden plaats niet misgunnen, waar hij niemand in den weg zit, en waar hij als getrouw, stemmend element zijnen politieken beginselen nog licht van eenig nut kan wezen; zijne bescheiden verdiensten maken slechts op een bescheiden belooning aanspraak, en zoo de tijd mocht komen, dat hij zelf ging inzien hoe laf en laagkomiek zijne zoogenaamde aardigheden zijn, en dat zij in de vergadering eener Volksvertegenwoordiging niet meer in den mond van een souden heerquot; passen, dan blijft hem nog altijd de troost over, dat hij als redakteurvan het iVenloosch Weekbladquot; genoeg Brabant-sche bewonderaars bezit, die gauwer en gemakkelijker tevreden zijn te stellen, en uit wier kring hij eigenlijk nooit zijne hansworsterijen naar het Binnenhof had moeten overbrengen.
Niet waar, papa Haffmanns ?
XVI.
MR. JE. BARON MACKAY.
Onder bijna alle politieke groepen worden, in tijden van staatkundige kalmte en windstilte, eenige saillante persoonlijkheden aangetroffen, die door de partijgenooten en het publiek reeds bij voorbaat met een Ministerschap worden gedoodverfd. Men fluistert er bij, dat de omstandigheden ongunstig voor hunne karrière zijn, maar dat, zoodra de bordjes der partijverhoudingen verhangen zijn, men hun de vermeende, schitterende positie zal zien gaan innemen.
Men spekuleert op de verkiezingen, op het lot van een motie in de Tweede-Kamer, op den on verwachten dood van den tegenwoordigen waardigheidsbekleeder, om zijne wenschen of voorspellingen verwezenlijkt te zien.
En eindelijk — neem het ergste geval eens aan — ontstaat er een Ministrieele krisis!
Ziezoo, en nu aan het profetiseeren! Maar ook aan het gissen, het wikken en wegen der kansen, het suggesteeren van
123
gewilde, maar twijfelachtige persoonlijkheden, die, in het brein der passieve, staatkundige wichelaars, aan ons politiek hemeltje moeten gaan schitteren.
Er wordt gemompeld, en aan de kletstafel der societeiten vraagt men elkaêr : j Nou, en wie zou Einnenlar.dsche Zaken krijgen?quot; sWel, Mackay natuurlijk!quot; En het uitblijven van een pertinente tegenspraak bewijst voldoende, dat de publieke opinie met deze uitspraak instemt.
De staatkundige omstandigheden, die het laatste Ministerie-Heemskerk tot aftreden hadden doen besluiten, hebben bovendien de waarheid en juistheid dezer geopperde vermoedens bevestigd.
Ziezoo, de zaken hadden den gewenschten loop genomen, en al hetgeen er volgen zou, was dus slechts de bekrachtiging van een reeds lang in de lucht zwevend vermoeden.
Reeds eenmaal — ter gelegenheid van een dier gekke bok-kesprongen, waaraan Heemskerk de Kamers gewend had — was er sprake geweest van een Ministerie-Mackay. Maar men fluisterde toen dwaze dingen over de aanbieding van deze opdracht! De partijorganen van de pers wisten te vertellen, dat de aanbieding van de Portefeuilles op ^ulk een vreemdsoortige wijze had plaats gehad, dat Mackay niet anders dan met een weigering antwoorden kón. Geen wonder ook! Het was Heemskerk niet in ernst gemeend geweest: hij had slechts een politieke manoeuvre uitgevoerd, om in schijn de rechterzijde \'s landsbestuur in handen te spelen, en zoo er een afwijzing volgen mocht (wat vanzelf sprak), zich wederom als een onmisbaar persoon te kunnen voordoen, en door een wijzen op de onmacht der klerikale frakties, hare lastige aanspraken vooreerst van de baan te schuiven!
124
Dit was de slimme vos gelukt, en ongestoord had hij verder het werk van de Grondwetsherziening kunnen voltooyen.
Maar de omstandigheden, welke Heemskerk de volvoering van dit plan mogelijk gemaakt hadden, en de nog bestaande, ofschoon kleine, liberale meerderheid, die in de praktijk een Ministerie-Mackay het regeeren feitelijk belet zou hebben, en een Heemskerk nog zoowat geruggesteund had; de verandering en uitbreiding van de Kieswet — hadden een on-gunstigen loop voor de Heemskerk-fraktie genomen, en noodzaakten haar op feitelijke en moreele gronden van het Ministerschap afstand te doen.
De Tweede-Kamer was somquot;, en wel som1\' naar den rechterkant! En zoo zou dan eindelijk het geduldig wachten en het taaye volharden van de verbonden Kuyperianen en Schaepmanianen beloond worden!
Wat was nu natuurlijker dan dat de man, dien de publieke opinie en zijne partij reeds lang als den gewenschten Kabinetsformeerder hadden aangewezen, en die al met een voet gek-scheerend het torentje van Thorbecke was binnengelaten, ook ditmaal het uitverkoren Kabinetshoofd zou wezen, nu het ernstig gemeend was en Heemskerk hem geen poets meer kon spelen.
Als de meest begrijpelijke zaak ter waereld werd de naam van Mackay aan die van andere partijgenooten vastgekoppeld,, als vermoedelijke medeleden van het samen te stellen Ministerie. Keuchenius scheen al een éénheid met Mackay te vormen, want van af het eerste oogenblik werd hij al voor de Portefeuille van Koloniën aangewezen; ook Lehman en.....
Schaepman dacht men er een plaats in toe, en buiten hen
MR. M, BARON MA CRAY. 125
werden nog vele andere namen genoemd, vooral van onbekende, anti-liberale grootheden, die hun toekomstigen luister nog in den achterhoek van de een of andere provincie verborgen hielden.
En men weet hoe, na lang wachten en na een moeilijk zoeken, eindelijk het Ministerie-Mackay tot stand kwam, voor het grootste gedeelte uit Kamerleden in aktieven dienst samengesteld, en geroepen, door het wakkerschudden van het ingesluimerd, christelijk bewustzijn van het Nederlandsche Volk, een tijdperk van Godsregeering en van Godsvruchtige verootmoediging te doen aanbreken.
Het uiterlijk van den heer Mackay is volstrekt niet in t oog loopend of belangwekkend. Hij is een ferme, groote man, met een smal, kaalgeschoren gezicht, en een grooten neus, waarop een lorgnet staat. Hij behoort tot de kalmen in den lande en in zijne partij. In de Kamer, toen hij nog deel van dit staatskollege uitmaakte, kon men hem gewoonlijk rustig op zijn bankje vinden zitten; zelden wandelde hij rond, of zag men hem met eenige zijner kollegaas staan praatjes-maken; maar hij was iemand, die zijne drukke bezigheden had, ook buiten de Kamer, en die zelfs eenige oogenblikken van zijn Parlementairen tijd moest afnemen, om met alles nog te kunnen klaarkomen. Arbeidzaam en geposeerd, kon hij in dubbelen zin tot de seniores van onze Tweede-Kamer gerekend worden.
Toch stond hij niet, in de officieele beteekenis van dit woord, als een der erkende partijhoofden van de anti-revolu-tionaire richting aangemerkt. In dit opzicht waren Lohman, Keuchenius en Van Wassenaer voornamer menschen; zij traden voor de belangen hunner partij op; uit hun mond
MR. /E. BARON JIACKAY.
hoorde men de verklaringen en uitspraken van de christelijk-historische fraktie afleggen; door hun werd leiding, kracht en bezieling aan een groot gedeelte van de rechterzijde gegeven; en op hun woord kwamen de hartstochten aan het woelen, volgden de fenijnige antwoorden der liberalen, geraakte de strijd aan het branden, en werden bij stemming de gewichtigste beslissingen uitgelokt.
Maar achter de kamplustige aanvoerders stonden, evenals bij alle partijen, eenige rustige, kalmzielige medestanders, men-schen van jaren en positie, die zich zoo niet op het buitenste randje waagden, en bedaarder van geest, minder hartstochtelijk in het woordvoeren, den harden, vertrouwbaren kern van de partij hielpen uitmaken.
Tot dien kern behoorde Mackay ook. En hij vond daar om zich heen meerdere bedaarde anti-revolutionairen, als Brantsen van de Zijp, kolonel Schimmelpenninck en Beelaerts van Blokland, mannen, met wier humaner oppositie en zachtzinniger geloofsovertuiging een kompromis nog mogelijk was. Betrekkingen, die een Lohman en een Fabius, door hun driftig partijgeloof en onverzoenlijk fanatisme, zouden kompromiteeren, werden, zooals bijna van zelf sprak, aan deze geposeerder anti-revolutionairen opgedragen. Stel u een oogenblik Lohman als Voorzitter der Tweede-Kamer voor! Terwijl de anderen debatteerden, zouden hem de woorden op de lippen branden f Wie zou borg willen blijven voor de onvermijdelijke interrupties, waarmee hij de redevoeringen zijner tegenstanders van af het Presidentsgestoelte zou opvroolijken ? En scènes, die aan een schandaalzitting van het Fransche Huis van Afgevaardigden zouden doen denken, waren hoogstwaarschijnlijk ook ons deel
127
geworden. Of denk u Fabius, de onverdraagzaamste der on-verdraagzamen, de dolst fanatieke der blinde partijgangers, in de noodzakelijkheid om als een geposeerd man achter de Ministerstafel te moeten plaatsnemen!
De bleeke lach alleen, die dit denkbeeld in het gansche land zou opwekken, bewijst genoegzaam, dat niemand het zou wagen hen tot zulk een waardigheid te verheffen. Voor zoo iets moest men naar andere menschen uitkijken. En ze waren bij de hand! Zoo gebeurde het dan ook, dat men den kalmen Beelaerts van Blokland tot Voorzitter benoemde, en dat de algemeene opinie een Mackay voor Minister aanwees.
Bovendien bezat hij, behalve den roep van bezadigd antirevolutionair, ook dien van werkzaam en kundig man. Door zijn rechtskundige loopbaan op de hoogte onzer juridische wetten, werden zijne adviezen over rechtskundige kwesties altijd met de meeste belangstelling aangehoord. Geen ongemotiveerde uitvallen tegen liberalen, geen toornige woorden van geprik-kelden partijzin of nijdige onverdraagzaamheid tegenover andersdenkenden ontvielen hem ooit. Tengevolge van familïe-traditiën mogelijk, en natuurlijk ook uit persoonlijke overtuiging, hing hij, zooals een overgroot gedeelte van onzen ouden adel, de christelijk-historische beginselen op staatkundig gebied aan.
Maar deze overtuiging had hem niet de welbespraaktheid van een ijveraar geschonken, noch de overdreven partijdigheid van een dom volgeling, noch de dwaze vechtslust van een nëoviet. Gewend aan en opgegroeid in een zekere kathechismus van godsdienstige en politieke beginselen, scheen hem de in-praktijk-brenging dezer beginsels een zeer eenvoudige zaak, die
128
liem, zooals een edelman betamelijk is te doen, nog niet noodzaakte zich tot een gemeenen vechtersbaas te verlagen. Een eerlijke strijd tegenover de politieke vijanden, maar daarbij tevens een humane behandeling van hen als menschen, een gewettigde verontwaardiging tegenover oneerlijke praktijken van staatkundige geestdrijvers, en de kalme volharding van een man, die overtuigd is van het goede recht zijner zaak, schenen in zijn oog de hulpmiddelen, welke een rechtzinnig antirevolutionair in dienst mocht nemen.
En aan dit programma is hij getrouw gebleven. Ofschoon zijn woord van minder invloed was dan dat der voorname aanvoerders, wist hij toch immer door zijn voorbeeld de richting aan te geven, waarin hij zijne partij zoo gaarne gestuurd zag. Zijn orgaan is niet klankrijk, maar dof, binnensmonds en slecht te verstaan; zijn voordracht is kleurloos, gebrekkig en mist alle uiterlijke bekoring. In \'t kort is een redevoering van den heer Mackay een tamelijk vervelende vertooning in den Parlementairen zittingstijd. De luisteraars zijn dan ook dun gezaaid en de attentie der Kamer wordt bij die gelegenheden nooit boven het normale peil gevoerd; zij behooren tot die noodzakelijkheden, die men met gelatenheid draagt, en welke ons Parlement in vrij groot aantal te slikken geeft.
Met de aanvaarding van zijn Ministerschap is dit gebrek voor een staatsman er bij den heer Mackay niet beter op geworden. Een redenaarstalent is geen talent dat iemand met de betrekking aanwaait; en zoo hij dus van achter de groene tafel mogelijk eenige staatkundige overwinningen behalen zal, dan kan men gerust wezen, dat hij dit niet aan zijn sprekers-gave te danken heeft, noch aan zijn bezielend of vurig op-
129
treden, noch aan meerdere, dergelijke eigenschappen, waarmeê een moeilijke positie of een lastige overwinning zich gemakkelijker laat bevechten.
Maar sinds de Kamer somquot; is, beschikt de partij van den heer Mackay (en ook de andere anti-liberale fraktie, die in zijn Kabinet vertegenwoordigd is) over een tamelijk gehoorzame meerderheid. De voor hem benoodigde steun komt, met slechts weinige uitzonderingen, van de groene bankjes, waarop ook hij vroeger zitting had. En zoo hij persoonlijk lt;ie krachten mist, om de politieke kwesties door zijn Kabinet aanhangig gemaakt, met genoegzame kracht te verdedigen, dan weet hij, dat aan den rechterkant nog eenige oud-kollegaas gezeten zijn, die hem in die moeilijke oogenblikken moedig zullen bijspringen. Het zijn de heeren Lobman en Schaepman, de buitengewone Ministers van dit Kabinet, of wel de Ministers iri de Kamer, van wie evenveel regeerkracht als van de Ministers hiiien de Kamer uitgaat; ze kompleteeren het ontbrekende deel der geraffineerde scherpzinnigheid en Parlementaire welsprekendheid, welke slechts op treurige wijze in het Kabinet zelve vertegenwoordigd zijn!
9
XVII.
NIEUWE LEDEN.
Nadat de voorlezing van de notulen afgeloopen is, doet de Voorzitter mededeeling aan de Kamer van een Koninklijk Besluit, waarbij hij gemachtigd wordt het nieuw gekozen lid, wiens geloofsbrieven zijn goedgekeurd, de bij de Grondwet voorgeschreven eeden in zijne handen te doen afleggen. En hij eindigt met:
— Daar het nieuw gekozen lid zich in het gebouw van de Kamer bevind, zal ik den Griffier verzoeken hem binnen te leiden.
De Griffier verlaat onmiddellijk zijn zitplaats, loopt op een drafje de trappen van het gangpad langs den muur op, en verdwijnt haastig achter het groene klapdeurtje. Nu ontstaat er een afwachtende bedaardheid in de vergadering; er wordt al dadelijk wat minder gebabbeld, sommige leden verlaten hunne plaatsen en gaan zich op de open vlakte vóór de
NIEUWE LEDEN. 131
bureaus posteeren, allen door een kleine nieuwsgierigheid gedreven, om hun kollega uit het Noorden, wiens verkiezing tot zulk een heftige polemiek en partijstrijd heeft aanleiding gegeven, te zien binnenkomen.
Men vestigt de oogen op het klapdeurtje, waarin men weet dat hij verschijnen moet, en dat door den dikbuikigen en oskoppigen koncierge wordt opengehouden.
Eindelijk verschijnt het eerst de Griffier weer in de opening, maar nu langzaam loopend, met de halve, officieele plechtigheid van een kerngezonden bidder, die een begrafenis voorafgaat. Hij drentelt bedaard de breede treden van het gangpad af, kwasi den weg wijzend aan iemand, die hem volgen moet. En achter hem komt in de opening van het deurtje, ineens door het koude zaallicht beschenen, een feestelijk gekleede Meneer te voorschijn. Hij draagt rok en witte das, en is blootshoofds. Hij maakt den misplaatsten indruk van iemand die te vroeg op een diner komt, als de lichten nog niet zijn aangestoken en de knechts bezig zijn de tafel te arangeeren. In vergelijking met de alledaagsche slordigheid der andere leden is hij erg netjes, zoo iets als een kellner, een aristo-kratische bode, een lid van een kerkenraad, die overdag naar een zitting moet.
Met een zoete bedaardheid en een vriendelijke netheid loopt hij zijn zwart gepanden geleider op de hielen, totdat deze hem met een korte, beduidende handbeweging wijst om schuin vóór het Presidentsgestoelte, op zij van de joernalistenbank te gaan staan.
De nieuwsgierigheid der Kamer begluurt hem, en terwijl hij, in de stilte die bij zijn binnenkomen ontstaan is, al die
132 NIEUWE LEDEN.
oogen op hem gericht voelt, zijn gezicht bekijkend, zijn houding opnemend, zijn kleeding kritiseerend, ziet hij niet op, maar, met het hoofd in den hals, blijft hij in de hoogte naar den Voorzitter kijken, in afwachting van hetgeen gebeuren zal.
De President en alle leden van het bureau zijn ondertusschen overeind gerezen, en leunen met de knokels der vuisten op de tafel vóór hen.
Er hangt een bijna kerkelijke plechtigheid in de lucht, als het bedaard onder den hemel van het Presidentsgestoelte klinkt:
— Is u bereid de bij de wet gevorderde eeden af te leggen ?
Het nieuw gekozen lid knikt toestemmend met het hoofd,
en heeft als een geroetineerde, die zulke gevalletjes van eedsaflegging al meer bij de hand heeft gehad, zijn rechter handschoen al uitgetrokken.
En daarna vervolgt de Voorzitter:
— Wilt u dan, onder het opsteken van de twee voorste vingers van de rechterhand, mij het volgende nazeggen ?
De Voorzitter doet voorlezing van de eedsformulieren, waarna het nieuwe lid, met een stem, die hij door een klein kuchje al geprobeerd heeft te verhelderen, en die hij een ferme kracht tracht te geven, hem nazegt: sZoo waar helpe mij God Almachtig!quot;
— Ik wensch den heer X geluk met zijn benoeming. Hij zal tot de vierde afdeeling behooren.
Onzeker, met een weifeling in zijn schreden, en zonder te weten welken kant hij op moet gaan, draait het nieuwe lid zich om en zoekt met zijn oog door de zaal. Waar zal hij heên loopen ? Wat staat hem nu behoorlijk te doen ? Zich vreemd, eenigszins misplaatst zelfs, in zijn rok voelend, tusschen
NIEUWE LEDEN. 133
al die alledaagsch gekleede heeren, gaat hij met kleine pasjes de groote vlakte op.
Maar op hetzelfde oogenblik ziet hij van alle zijden leden op hem afkomen. Men beprikt hem met armen, telkens voelt hij zich een hand toegestoken , terwijl tegelijkertijd een Meneer voor hem buigt en zijn naam noemt; nauwelijks heeft deze zijn hand losgelaten, of ze wordt al weêr door een ander aangegrepen; en de namen volgen elkander in een snelle, drooge opsomming op, waarvan hij de helft niet verstaat, en die zijn geheugen te kort schiet allen te onthouden.
Eindelijk, stap voor stap op dezen geakcidenteerden weg voortsukkelend, nadert hij de bankjes van de linkerzijde. Daar. vindt hij ten slotte, gelukkig, een gedienstig medelid gereed om hem de zitplaats van zijn voorganger, en nu ook voor hem bestemd, aan te wijzen. En dadr zinkt hij met een soort van verluchting neêr, blij, dat hij eens rustig zitten, op zijn gemak rondkijken kan, om zich van alles te orien-teeren en eens te zien , waar hij nu eigenlijk is aangeland.
De rol van de nieuw gekozen leden in onze Tweede-Kamer bepaalt zich gewoonlijk, in den eersten tijd na hunne installatie, tot die van figurant. Hij is me nu ineens maar in zoo\'n groote vergadering gebracht, waarvan hij — eerlijk moet hij \'t zich bekennen — de rouages nog niet kent. \'t Best zal dan ook maar wezen zich vooreerst een beetje achteraf te houden, de kat uit den boom te kijken, en toe te zien hoe de andere leden zich houden en gewoon zijn te doen.
Na dus een paar dagen erg bankvast te zijn geweest, veel gezeten en weinig geloopen te hebben, heeft hij den schroom der nieuwheid overwonnen. De verschillende sprekers kennend,
134 NIEUWE LEDEN
en op de hoogte van de plaatsen, waar het jreguquot; is te gaan staan luisteren, durft hij zich wat vrijer te bewegen. Hij staat dus af en toe eens op, en acht het zijn eerste plicht nader met de heeren-partijgenooten en verdere kollegaas kennis te maken. De voorstelling en felicitatie ter gelegenheid zijner installatie is ten deze opzichte niet voldoende geweest; er werden slechts een paar half verstaanbare woorden gemompeld, een handdruk en een hoofdknik dienden tot antwoord, en er kan daarom geen sprake van wezen een indruk gemaakt of van de andere leden er een gekregen te hebben.
Vooruit dus! De stoute schoenen aangetrokken, en er maar ferm op los getrokken, \'t Eerst komen natuurlijk de leden aan de beurt, die er \'t humaanst en meest toeschietelijk uitzien; er wordt eens beleefd om een inlichting gevraagd, een praatje gemaakt, gelachen, en de kennis is gesloten. Dan gaat het op een volgende af, op een bedaard, stil heer, die rustig in zijn bankje zit, en als \'t ware schijnt te wachten tot men hem komt aanspreken. En zoo van den een naaiden ander gaande, breidt de kring der kennissen zich wijder en wijder uit, totdat men eindelijk den top bereikt: de machtige aanvoerders, tronend in het hooghartige zelfbewustzijn hunner voorname positie, en die, du haut de leur grandeur, de aalmoes eener oplettendheid of de fooi van een antwoord den timiden nieuweling toewerpen.
Is deze laatste, onaangename verplichting ook achter den rug, dan kan men zeggen, dat de groentijd voor den Kamer-novitius is afgeloopen, en dat hij nu ongestoord de kolleges kan gaan bijwonen. Het nieuwe lid gaat jhengsten.quot;
Deze bezigheid bestaat in het aandachtig luisteren naar,de
NIEUWE LEDEN.
redevoeringen, het nauwgezet volgen der Parlementaire usances, \'s ochtends bovenaan de presentielijst zijn naam teekenen, om elf uur al op zijn bankje zitten, zich tusschentijds niet naar de koffiekamer of de korridors absenteeren, en \'s middags een der laatsten wezen , die het gebouw op het Binnenhof verlaat. Onverschillig wie aan het woord is, of het een redevoering van belang of een opkammerig speechje voor de kiezers is, het nieuwe lid staat op zijn post!
Nu eens ziet men hem met haastige stappen de open vlakte oversteken, met heet ongeduld op een mager figuurtje afvliegend, dat zoo juist het woord gekregen heeft; dan weer vindt men hem met bedaarden ijver in een gangpaadje leunen, met ingespannen oogen en gefronsd voorhoofd, om de raadselen van een verward spreker te doorgronden; later op den dag zit hij in stukken te snuffelen, en dan een aandachtig oor leenend aan het akadabraka van een rammelaar, en trachtend uit die stukken het licht te pitten, dat hem in de redevoering ontbreekt. Maar ook treft men hem aan in een der breede kringen van luisteraars, die gewoonlijk de Parlementaire beroemdheden omringen, en waarin de stilte van een heilige aandacht heerscht.
Zóó heeft men in de laatste jaren kunnen genieten van de entrée van het domme burgermanskopje des heeren van Kempen, die met zijn zoet gezichtje en kruideniersbakkebaardjes, in vromige liefheid de sprekers staat aan te gapen; van den lompen en plompen Van Alphen, die als een timmerman op zijn Zondags, té burgerlijk beleefd en té misplaatst tegemoetkomend, altijd voor andere luisteraars op zij gaat, zijn goede plaats aan de hooge heeren afstaat, en de zwijgende schaduw
136 NIEUWE LEDEN.
van den Haagschen zilversmid is; dan ook nog van het beeld der stilzwijgendheid, van den West-Indieschen Smeele, altijd met het hoofd in den nek en een verwonderde lorgnet op de punt van de neus, in stomme verbazing tegen den hoek van een bank geleund, en alle sprekers met zijne geheimzinnige stilheid volgend, als de geest van het slechte, als de voorspeller van kwade gebeurtenissen; verder het gebaarde hoofd en de sombere grafstem, vol treurige, huilende intonaties,, van een Heldt, wien bij zijn popeusen intocht alle en Keuchenius van de rechterzijde de hand wilde reiken, en met de schuwe vrees van een wild beest ontvangen, gebleken is te zijn een gehoorzame, brave volgeling, zonder nagels of slagtanden, die het temmen niet meer waard was; van den jongenheer Van Wassenaer, tiré a quatre épingles, als een plaatje van een voorj aars aanbieding uit een modemagazijn, even verkwistend in zijn uiterlijk als spaarzaam voor zijn innerlijk,, met goud op zijn kleeren en in zijn zakken maar niet op zijn tong of in zijn hoofd, met een beroemden naam maar een roemloos verleden; van den netten Meneer Michiels van Verduynen, o God zoo netjes, zóó netjes, dat men haast niet gelooven kan, dat hij zijn kleeren in den Haag koopt, ofschoon de verkiezings-reklames het indertijd den Hagenaars-verteld hebben, een enorme heerenhuizing op den Vijverberg met miniatuur-hersentjes bewonend, schatrijk. Katholiek, getrouwd met de dochter van den rijksten en meest invloedrijken Katholieken edelman van Holland, en verder een groot.... ?; van den boeren-Herkules Oppedijk, een vierkant beender-stelsel van een ruwen man , waar zwarte kleeren om hangen, en waar een hoofd met een baard op staat, even plomp van
NIEUWE LEDEN. 137
vormen als onbeschaafd van voordracht, en die wat zijn uiterlijk en beschaving betreft, zeker moet afstammen van de lijfeigenen der Wassenaers of Michielsen, maar nu, door een verkeerden loop der historie, huns gelijke is geworden, en met hen op dezelfde banken zitting mag nemen. En nog meerdere schimachtige verschijningen, die als de geesten van een grondwettelijk recht door de zaal en de korridors van onze Tweede-Kamer zweven, en die de zondige wetgever, evenmin als de misdadige Macbeth, niet meer zal kunnen verdrijven.
Maar er zijn ook leden, wier entrée in de Kamer gelijk staat met een roemvollen triomftocht: het zijn de beroemdheden op een of ander gebied, die reeds een welbekenden naam in Nederland bezitten, door hun optreden in Kiesver-eenigingen, het schrijven van brochures en artikelen, het leiden van politieke vergaderingen, en door de publieke opinie al lang een plaats in onze Volksvertegenwoordiging toegedacht. De nerveuse onhandigheid van de meeste debutanten doet hun optreden nooit mislukken; ze voelen zich tusschen de muren van de oude danszaal der Nassaus in hun natuurlijk element; met hun hoofd in den hals, den blik ferm vooruit, en met vasten stap verschijnen zij voor het Presidentsgestoelte om den eed af te leggen. En zij voelen zich onmiddellijk thuis, want ze tellen onder de andere Kamerberoemdheden vrienden en bekenden, die het een onderscheiding achten hen dadelijk de hand te komen drukken, hen op hun gemak te brengen, en met een soort van trotsch gejubel in hunne rijen binnen te halen.
Hun eerste speech, die de geheele vergadering met een
138 NIEUWE LEDEN.
eerbiedige aandacht komt aanhooren, is een schitterend sukces, dat de pers snorkende loftuitingen in de pen geeft, waarover men het, in konkurreerende bewonderings-betuigingen, dadelijk eens is, als zijnde verbazend knap, goed in elkaêr gezet, doordacht en zaakkundig. Zij klimmen met één stap op de bovenste sport van den Parlementairen voorspoed, en hun naam krijgt weldra denzelfden klank als die van Gleichman, v. d. Loef, Schaepman of Lohman; na eenige maanden leest men reeds, dat zij tot Voorzitters van Afdeelingen of in de Kommissies van rapporteurs over een zeer belangrijk wetsontwerp benoemd zijn, ja, men fluistert zelfs, dat ze kans hebben nog eenmaal in rok en zwarte das onder den groenen ledikants-hemel te komen zitten.
Hoe beklagenswaardig steekt bij hen het debuut van een der eerstgenoemde nulliteiten af; hun eerste speech is een ware martelaarsgang ! Al lang hebben zij het voornemen gehad eens met hunne sprekersgaven voor den dag te komen; maar telkens als zij meenden, dat de goede gelegenheid zich voordeed, zonk hen op \'t laatste oogenblik de moed in de schoenen. Maar eindelijk moeten zij er toch onder uit; een Begrootings-artikeltje of een wetje, waarbij een distriktsbelang betrokken is, noopt hen tot spreken, daar hun anders de toorn der kiezers en der Kiesvereenigingen boven het hoofd zou hangen. Ze hebben zich op dezen wichtigen stap voorbereid, maar als ze eindelijk de gememoriseerde speech zullen uitspreken, wordt hun geheugen een leege, holle ruimte, waarin ze tevergeefs rondsnuffelen naar hunne dooddoeners van argumenten en hunne krachtige, mannelijke zinnen vol edelen zwier; ze hakkelen, struikelen over hunne woorden, repeteeren
NIEUWE LEDEN. 139
zich, en drinken, als dorstige Israëlieten in de woestijn, glazen vol water; ze slingeren onhandig en verlegen in hun bankje lieên en weêr, durven niet goed rond zich te kijken, zijn blij als ze naar een slotfrase zijn heêngebuiteld, en er met niet al te veel kleerscheuren afkomen.
Eenige Kamerhengsten zijn nieuwsgierig komen luisteren, en spoedig, na eenige oogenblikken, teleurgesteld weêr afgedropen; men laat dergelijke redevoeringen gewoonlijk in een veelbetee-kenende stilte doodbloeden.
Het prachtigst toonbeeld voor een mislukt optreden heeft indertijd de heer Visser van Hazerswoude geleverd, die, bij uitzondering, zich op het beslissende oogenblik zijn speech wèl herinnerend, steken bleef toen de Voorzitter hem met een opmerking in de rede viel, en in een allerdolst gebrabbel van zinnetjes en verwarde uitroepjes, erg korzelig op den Voorzitter, met een dwaze ontroering, een einde aan zijn maidenspeech moest maken.
De jeugdige Kamerleden hebben in moeilijke oogenblikken een grooten trek met kippen in een regenbui gemeen; ze loopen te hoop en verzamelen zich om een haan. Vooral aan den rechterkant, bij de Katholieke scholieren, is deze eigenschap sterk in \'t oog vallend. De kolossale figuur van Schaepman verheft zich in het midden der groene bankjes als de viktorie kraayende haan, en om hem heen hoopt zich een dikke kluit van jonge gezichten, toebehoorend aan de jeugdige, Roomsche afgevaardigden, die in de benauwdheid over een stemming het konsigne aan hun aanvoerder komen vragen. En het wachtwoord gaat van mond tot mond, geruststelling brengend in de verschrikte gelederen. De kalmte van een eigenwaardige
140
zekerheid komt over de gezichten dezer scholieren, als op \'t hooren van de verblijdende tijding door een troepje schooljongens, dat de meester over hen tevreden is en ze daarom wat vroeger naar huis mogen gaan.
Maar de ingetreden geruststelling duurt niet lang, want zoodra er weêr een benauwend geval aan de lucht is, loopen de kiekentjes weêr te hoop, en moet hen opnieuw geestelijke gerst worden toegestrooid. Dit samenloopen van het jonge goedje naar hun intellektueelen voederbak, doet denken aan hetgeen men zien kan in koopsteden, die aan een rivier gelegen zijn. Reusachtige zeeschepen liggen daar op stroom ten anker, en aan bak- en stuurboordzijde komen laag op het water liggende lichters zich vastmeeren, wegzinkend in hun onbeduidende kleinheid, om, na overlading van de last, den enormen aanvoer in kleinere stukjes en afgemeten gedeelten verder landwaarts in te voeren. Zoo ook de jeugdige. Katholieke afgevaardigden in hun verhouding tegenover den kolossus-Schaepman; zij zijn de geestelijke lichters van dit politieke zeeschip; in hen laadt hij over wat hij missen kan en verderop gevoerd wil hebben, het kleine werk; de brokjes en stukjes van zijn overwicht stort hij in hunne hoofdjes over, om er de staatkundige stroomen mee op te varen, die niet genoeg diepgang voor hem zelf hebben. En ze openen hunne monden en schedeltjes met graagte, schraapzuchtig opgarend wat er van afval op hen neêrdruipt, en ze vechten en kijven om de lekkere brokjes, er mee wegvluchtend als gekneppelde katten.
En door het dagelijksch en nauwkeurig waarnemen van elkanders doen en spreken, zijn de leden al heel gauw in staat, om een juist oordeel te vormen over ieders kundigheden
NIEUWE LEDEN,
en verdiensten; hunne waardeering onderling is in de meeste gevallen een juiste beoordeeling van het netto gewicht onzer Volksvertegenwoordigers. Maar zooals de meeste eigenschappen door herhaalde oefening met de snelheid eener natuurlijke intuitie kunnen gaan werken, zoo bezitten ook vele onzer oudere Kamerleden, door het veelvuldig gebruik van hunne waarnemingsvermogens op hun nieuw aangekomen kollegaas, eene scherpte en snelheid van blik, die een neofiet reeds bij zijn entrée door het groene klapdeurtje op zijn juiste waarde weten te schatten.
Deze gave, slechts den ouderen leden in leeftijd en dienstjaren toebedeeld, was eenige lustra geleden ook een der dienaren van de Kamer geschonken. De gt;, vieux de la vieillequot; zullen zich zeker een vroegeren Kamerbewaarder 1) nog wel herinneren, ■die met Argusoogen de jeugdige leden aan een scherp onderzoek onderwierp. En nadat hij het nieuwe lid langer of korter, al naarmate de gemakkelijker of moeilijker naspeurbaarheid zijner verdiensten, had opgenomen, ging hij met de vertrouwelijkheid van een oud-gediende, die zich eenige vrijheden mag permitteeren, naar een Kamerlid toe, dat op zijn minst evenveel dienstjaren telde als hij, en zei dan op een fluisterenden toon van bescheiden intimiteit:
— Ik heb dat zoo al eens aangekeken. Meneer, dat nieuwe lid... Maar, dat is niet veel zaaks, hoor! Nee, dat is niks gedaan, niks! en hoofdschuddend ging hij dan weg.
De overlevering zegt, dat de Tweede-Kamer nooit beter censor bezeten heeft!
1) Zoo\'n man, die glaasjes water moet aanreiken, enz., draagt thans den naam van „adjunct-commies voor den huishoudelijken dienstquot;. Wat een paskwil!
141
XVIII.
LINTELO, BARON DE GEER VAN JUTPHAAS.
Wanneer de heer Rutgers van Rozenburg aan het woord was, en met zijne bijtende, snijdende redevoeringen den alge-meenen bedompten toon der diskussiën eenigszins wist op te vroolijken, kon men zeker zijn altijd een tiental heeren in het gangpaadje langs den muur te vinden staan, die zich zoo dicht mogelijk bij den spreker geplaatst hadden, om geen woord zijner geestige hatelijkheden te missen.
Karakteristieke figuren, die tot de meest uiteenloopende politieke partijen behooren, kon men geregeld onder deze beurtloopers opmerken; daar vond men Keuchenius, in eene droge oplettendheid, en meteen zakdoek in de hand, waarmee hij telkens een ziek oog afsponsde; generaal Reuther, de handen in de zakken, saai, onbewegelijk, met een houterig gezicht en eene zeurende uitdrukking; Haffmans, altijd met verwonderd opgetrokken wenkbrauwen, wijdbeens, eene open-
LINTELO, BARON DE GEER VAN JUTPHAAS. 143
hangende jas, met twee vingers aan zijn baardje plukkend; Godin de Beaufort, jong, in een zomerpakje, heen en weêr draayend, tevreden over zich zeiven, met een gezond gezicht, waaraan een zeer lange baard hing, en gedekt door kort afgeknipt haar; Bahlmann, eene zware, massieve figuur, met den buik vooruit staande, de handen op den rug gevouwen, en voortdurend het publiek op de tribunes bekijkend; en Lohman, met het spitse, scherpe gezicht van een knaagdier, oplettend aanteekeningen op een klein stukje papier noteerend, en herhaaldelijk ontkennend met het hoofd schuddend.
Maar onder al deze welbekende mannengestalten zal men ook menigmaal, verscholen achter andere Kamerleden, een klein, oudachtig, antiek, vroolijk heertje kunnen zien. Op een lichaam van korte afmetingen staat een hoofd, dat buitengewoon groot schijnt door een enorme massa haar, aan weêrskanten eener scheiding naar twee zijden gewerkt, en dat het hoofd als in eenen kap van grijsachtig wit zet; het hangt lang in den nek en over de ooren, eet het halve voorhoofd op, en steekt nog zóó ver vooruit, dat een schaduw op een gedeelte van het gezicht neêrvalt. En dit gezicht is smal, met intelligente, sterk geakcentueerde trekken, een karaktervol kinnetje, en twee heldere, levendige oogjes in de duisternis der diepe oogkassen, die glimmen en schitteren en guitig kunnen kijken.
Dit is de heer De Geer. Hij is altijd streng in het zwart gekleed, met eene openstaande, gekleede jas, terwijl men slechts een zeer klein stukje van een wit overhemd te zien krijgt, daar een ouderwetsche, zwarte, hooge stropdas — van het model-Corver Hooft — om den hals gewonden is, en aan
144 LINTELO, BARON DE GEER VAN JUTPHAAS.
deze figuur iets antieks schenkt, als een verwaaid overblijfsel uit eene vroegere periode.
Hij houdt de handen op den rug gevouwen, het hoofd met het kinnetje naar boven, en blijft in die houding onbeweeglijk naar de redevoering van den heer Rutgers luisteren; hij legt een groote belangstelling aan den dag, lacht af en toe op eene eigenaardige manier, als iemand die het ware van eene zaak geniet, met een blik van genoegen over de scherpe hatelijkheden van den spreker, als een fijne kop, die het vernuft op prijs weet te stellen en een open oor heeft voor de fijne nuancen der Parlementaire geestigheid.
En als de speech is afgeloopen, de groep der beurtloopers uiteenspat, en de luisteraars zich naar alle zijden van de zaal verspreiden, een lach van pret op de gezichten meedragend, knikt hij even met het hoofd, glimlacht fijntjes, met glimmende kleine oogjes, of begeeft zich dadelijk naar den heer Rutgers. En uit de bewegingen die hij maakt, kan men gemakkelijk afleiden, dat hij zegt: »Dat is goed geweest! Raak! Scherp! Opperbest!quot;, en gaat dan weêr weg, altijd nog met een be-teekenisvol lachje op het gezicht.
Onder de honderd leden van ons Lagerhuis treft men typen van verschillende sprekersrassen aan; men vindt er zwijgende, schimachtige figuren, die zich, leunend tegen een muur of achterover in hun bankje, in een maandenlange stilte opsluiten, en alleen bij de B egrootingsdiskussies voor eenig lokaal belang van hun kiesdistrict opkomen, eene onbeduidende, zeurige redevoering van het papier oplezend; men vindt er ook de doldriftige veelsprekers, die ieder oogenblik het woord vragen,
I45
over alle mogelijke politieke en sociale kwesties hebben mee te babbelen, vlug van tong, onzeker van woordenkeus, ratelend in hunne voordracht, en nauwelijks hunne redevoeringen kunnende voltooyen, door het ongeduld der Kamer ; dan verder de specialiteit, die alleen stemmend aan vele wetsontwerpen medewerkt, om eindelijk ineens uit den hoek te komen, en een grondig, degelijk, zaakkundig beloog over een of anderen tak van algemeen bestuur te houden, hetzij krijgskundig, rechtsgeleerd of finantieel, en er zich, gedurende zijn geheelen staatkundigen loopbaan, toe bepaalt, om op dit ééne punt uit te blinken; men kent hunne eigenaardigheden zóó goed, dat de ingewijde kamerklanten bij de behandeling van eenig wetsontwerp hem reeds van te voren als spreker durven aan te wijzen, terwijl men bovendien bijna altijd zeker kan wezen hun namen in eenige kommissie van rapporteurs te zullen aantreffen.
Maar bóven deze verspreide typen staan de zoogenaamde s leidersquot;, die, somtijds behalve voor een of ander specialiteitsvak, gewoonlijk optreden, wanneer in een belangrijke, politieke aangelegenheid eenige verklaring namens hun staatkundige partij moet afgelegd worden; meestal gebruiken zij in hunne redevoeringen den Parlementairen toon, dat zij i namens de rechter- of linkerzijde sprekenquot;, of dat zij de verklaring afleggen jnamens hunne politieke vrienden en zich zelf.quot; Zij trekken de algemeene aandacht, spreken te midden eener oplettende stilte van hunne medeleden , en van hunne deklaraties wordt zoowel door hunne tegenstanders, als aan de Ministerstafel en in de pers buitengewoon veel notitie genomen.
Als zoodanig ziet men in ons Parlement dikwijls optreden de heeren : Verniers v. d. Loeff, Gleichman , Lohman, Schaep-
io
146
man en, sinds eenigen tijd, ook de heer De Geer. Daar hij Van Wassenaar als Voorzitter der antirevolutionaire Kamer-klub is opgevolgd, rust op hem tegenwoordig wel eens de taak, om uit naam zijner partijgenooten de Knmer in kennis te stellen met de inzichten der christelijk-historische partij of met haar besluit tot het aannemen eener bepaalde houding tegenover aanhangige of toekomstige wetsontwerpen.
Het ligt dus voor de hand, dat zijne speechen — afgescheiden van de persoonlijke waarde des sprekers — met groote belangstelling worden aangehoord. Heeft de heer De Geer het woord gevraagd, clan ontstaat er een gedrang naar de rechterzijde, en vormt zich een breede, dikke , oplettende kring van luisteraars om zijn bankje.
Met een eigenaardig, vlug, zenuwachtig sprongetje, als werd er op een veer gedrukt, vliegt hij op zijne plaats overeind. En met een stuk papier in de hand, met dansingen op zijne korte beentjes, als waren zij van elastiek, en stuipachtige, snelle, driftige gebaartjes met de armen en het hoofd, begint hij zijne redevoering op een gemoedelijken, eenvoudigen toon,, als iemand die zeker weet wat hij zeggen wil, en het zijnen medeleden eens precies zal uitleggen. Maar zijn stem, die hij niet altijd meester is, belet hem op denzelfden toon voort te gaan, want van een gelijkmatig, effen, kalm geluid slaat zij ineens over in eenerij hooge, piepende, bijna valsche toontjes, om dan weêr af te dalen in het lage register, en brommende, doffe, holle keelklanken uit te brengen, als diep uit de borst.
Daardoor heeft zijn voordracht iets wonderlijks, iets clownachtigs, en somtijds kijkt men verbaasd in de rondte, om te ontdekken van waar dat stemmetje komt, als ware er
LIXTELO, BARON DE GEER VAN JUTPHAAS. 147
een buikspreker aan het woord. Toch wekken zijne redevoeringen nooit de hilariteit der vergadering op; men weet te goed, dat er een geleerd, eenvoud j^leerwaardig oud-heer spreekt, iemand die door zijn eerlijkyinnemende natuur de menschen voor zich gewonnen heeft, en geacht wordt in een vergadering , waar zelfs oud-leerlingen, uit den tijd dat hij nog Professor in het Romeinsch recht te Utrecht was, zitting hebben^
En het is dan ook niet altijd noodig, dat het een of ander Kamerlid er aan herinnert, wanneer hij met den heer De Geer in debat treedt, dat hij vroeger als student zijne lessen aan de Hoogeschool heeft bijgewoond, want in zijne voordrachten komt de oud-professor nog wel eens uit de slof schieten. Zijne speechen hebben uit dat verleden een doceerenden, onderwijzenden, uitleggenden toon behouden, om een oogenblik later, in de vreemdsoortige wendingen die zijn orgaan er aan geeft, voort te hollen met de drift eener voortjagende geloofsovertuiging, of om in het milde, zalvende gerek van den voorlezer eener kerk te vervallen, en ook in den gemoedelijken, gezelligen, onderhoudenden toon van een vertellenden huisvader te ontaarden.
Zoo weet hij zijne toehoorders bezig te houden, met pleizier aangehoord, bemind , met het ontzag behandeld, dat men in een Parlementaire vergadering voor groote geleerdheid en een eerbiedwaardigen ouderdom over heeft, met te veel ondervinding om zich ooit door zijnen hartstocht op geloofsgebied te ver te laten voeren, met iets vaderlijks in zijne manieren, en tegenover zijne partijgenooten staande, als een oudere broer die den voogd speelt over de jongeren.
XIX.
DE SCHIMMELPENNINCKS.
Evenals de naamdragers zelve, dient men een sterk onderscheid te maken tusschen de verschillende personen, die, als behoorden zij tot één familie, door het publiek met elkaêr verward worden. De bevolking bij en om de Kamer is gewoon, wanneer zij zich zekerheid verschaffen wil, welke der vele Schimmelpennincks men bedoelt, te vragen: »Wien bedoel-je? Rutger-Jan, of Meester Alexander, of den Kolonel ?quot; Want men moet weten, dat onze Tweede-Kamer (de Eerste nog niet eens meêgerekend) de leden van twee geslachten Schimmelpen-ninck onder hare leden der rechterzijde telt.
Vooreerst heeft men — en ik begin met hem, omdat hij tot de nestors der Kamer behoort en de meest bekende naam-drager is — Graaf R. J. Schimmelpenninck van Nyenhuis, Grootmeester van H. M. de Koningin, en Afgevaardigde voor de residentie. Het glanspunt van zijn staatkundigen loopbaan dagteekent uit den tijd, toen er in ons Lager-Huis nog van
DE SCHIMMELPENNINCKS.
een konservatieve partij sprake kon zijn, en toen, naast hem op de groene bankjes zijn vriend en kollega Wintgens als mede-afgevaardigde voor \'s Gravenhage zitting had.
Maar mijne herinneringen klimmen zóó hoog niet op. Ik weet niet meê te spreken van de jaren, dat Graaf Rutger-Jan als Minister van Finantiën achter de groene tafel plaats nam, en kan alleen gewagen van de periode, toen de laatste achterhoede van het konservatieve leger nog slechts door een viertal leden geformeerd werd, nml. door: Graaf R.J. Schim-melpenninck, Wintgens, de Casembroot en Insinger.
De lange, magere gestalte, met de militaire snor van admiraal de Casembroot, gevierd als de held van Simonoseki, hortend en gebrekkig sprekend, met iets slingeraapachtigs in zijne bewegingen, zat gewoonlijk naast het zwijgende, pikzwarte hoofd van een Insinger, die in den laatsten tijd zóó weinig meer in de vergaderingen verscheen, dat zijn vrijwillig bedanken niet eens in \'t oog viel, en niemand hem scheen te missen. Beiden verlieten het tooneel van onze Tweede-Kamer zonder er ooit een groote rol gespeeld te hebben, en waar hunne plaatsen als konservatieve figuranten door twee klerikale volgelingen werden ingenomen. En broederlijk aaneengesloten bij den Haagschen Graaf zat de ex-Minister-van-Justitie, ook konservatief afgevaardigde voor de residentie, de witharige heer Wintgens, wiens bloemzoet gelaat, met blozende kleur, twee uitgekamde bakkebaarden droeg, die op den leeftijd, dat zijn hoofdhaar reeds de kleur van een eerwaardigen ouderdom had aangenomen, nog verdacht zwart waren gebleven. Met een ouderwetsche langzaamheid en een rhetorisch gesleep van woorden, behoorde hij nog tot de redenaars, die er een
149
150 DE SCHIMMELPENNINCKS.
stijl op na hielden; zijne speechen hadden iets klassieks, en deden denken aan domineespreken, die in drie deelen verdeeld werden, opgesteld in een konventioneel verband. Zijne handen vol papiertjes met aanteekeningen en met een imponanten stapel boeken vóór zich, waaruit allerlei geleerde aanhalingen moesten worden voorgelezen, verzwolg hij liters water, voordat hij het einde zijner ouderwetsche filippikaas bereikt had.
In de laatste jaren van Wintgens\' Parlementair bestaan, toen de groene bankjes der Kamer voor het meerendeel gevuld waren met menschen van een jonger geslacht, die niet geleerd hadden eenige bekoring te vinden in de urenlange boetpredikaties van hun konservatieven kollega — van wien Schaepman eenmaal zelfs schalks getuigde, dat hij niet alleen herhaalde wat hij dikwijls gezegd had, maar ook zeide wat hij al zoo menigmaal herhaald had — telde deze afgevaardigde nog maar weinige toehoorders, die over genoegzamen moed en volharding beschikten, om tot het einde, met werkelijke of gefungeerde aandacht, het oor te leenen aan zijne weeklagende waarschuwingen. Maar onder die dun gezaaide getrouwen telde Wintgens toch nog meestal Mr. Alexander Schimmelpenninck — op welke wijze deze luisterde, zal ik straks verhalen — en zijn Haagschen mede-afgevaardigde. Graaf Rutger Jan. En ik geloof te mogen veronderstellen, dat ook hij dezen laatste een oude vriendschap en een beleefde attentie aan een getrouw partijgenoot, hem meer bewogen dit liefdewerk te volbrengen, dan wel een onverdeelde bewondering en een nieuwsgierige belangstelling.
Vlak in de nabijheid van Wintgens gezeten, op zijn gemak in het bankje geleund, kon men gelooven, dat hij waarlijk
DE SCHIMMELPENNINCKS. 151
nog genoot van de ouderwetsche bekoring van diens redevoeringen, welke onder de verdenking stonden alleen te worden uitgesproken, om een nieuw deel van zijne verzamelde speechen vol te krijgen. Maar zijn rond, vleezig gezicht, met hangtrekken, die vroeger gevuld waren geweest, bruinig als van een doorgerookte kleur, vertoonde geen enkel uiterlijk kenmerk van bewondering of voldaan anthoesiasme. Hij scheen ■eerder in te dommelen onder de groote muts van lange haren, die laag in den nek waren gekamd, waar zij in een rol eindigden, zooals visschers en boeren ook wel dragen, en, de mode van drie perioden geleden volgende, ook boven de ooren, tegen de slapen, waren opgeharkt: aan welk kapsel hij den bijnaam van den sbierlokquot; te danken had. Verstijfd in zijne beleefde oplettendheid kon hij in diezelfde houding, met de armen op de borst gekruisd, als een beeld van onderworpen geduld naar zijn ouden vriend blijven luisteren; geen spier vertrok op zijn gezicht, geen lichaamsdeel bewoog, en wanneer de heer Wintgens eindigde, en men meende hem op zijn plaats ingeslapen te vinden, bewees een onverwachte verandering van houding, of zijn opstaan om eenige welverdiende beweging te nemen, dat zijn onberispelijke voorkomendheid tegenover een kollega zonder auditorium hem onder deze valsche verdenking gebracht had.
De residentie — welke hij bijna zijn gansche leven in allerlei openbare betrekkingen gediend had, in Besturen van Genootschappen en Vereenigingen, als oprichter van nuttige instellingen, als kommissaris van Gestichten, als man van invloed en relaties, die ook bij den Vorst een gewillig oor vond voor de belangen van de Hofstad — beging eenige jaren geleden
152 DE SCHIM.MELPENNINCKS.
de ondankbaarheid hem bij de verkiezingen zijn plaats in \'s lands raadzaal te ontnemen. Een onbeduidend, liberaal meneertje, dat echter onder de protektie van een invloedrijken schoonpapa stond, even onbekend in den Haag als Graaf Schimmelpennincks keukenmeid, moest hem op de groene banken gaan vervangen. En zoo gebeurde het, dat men eenigen tijd het harige hoofd van den Haagschen konservatief, dat bijna tot het meubilair van de Kamer gerekend kon worden, niet meer aan de rechterzijde aantrof, maar als vergoeding voor dit gemis, op de bankjes links, een keurig gekleeden man vond, met een volgens den laatsten smaak gepunt baardje, een kort pandjasje, een kleurig broekje en nieuwerwetsche schoenen, en die een paar maal over een Indischen stoomtram of spoorweg sprak, en toen weêr door de Haagsche kiezers uit de Kamer gezet werd. üe residentie was zoo verstandig den schoonzoon van den Atjehman naar de bureaus van de Samarang-Johanna-stoomtram terug te sturen, en haar ouden vriend en afgevaardigde weêr in zijne vroegere waardigheid te herstellen.
Nu zit Graaf Rutger jan, aan de rechterzijde der Kamer, als de eenige vertegenwoordiger van het oud-Hollandsch kon-servatisme, als een eerwaardige ruïne op een woelig, politiek oorlogsterrein. Hij is geen groot redenaar, bizondere staatkundige talenten ontbreken hem, en als hij spreekt, staat hij leukjes in zijn bankje op, met zijn buikje van Pater-Goedleven een zwarte gekleede jas naar voren bollend, en met een trek van een weinig geforceerde bonhommie om de lippen; zijn zacht, bijna vemend orgaan, brengt de woorden langzaam en bedaard uit, kalme zinnen makend, zonder ooit eenigen hartstocht in de btem.
DE SCHLMMELPENNINCKS.
En zoo praat hij eenvoudig, duidelijk, meer op den toon van een gemoedelijken babbelaar, dan wel van een Parlementairen redenaar; zonder erafase, zonder rethorischen omhaal, als wijlen zijn vriend Wintgens, zegt hij de dingen op een meer huise-lijken toon, stilletjes; hij tracht de aandacht der vergadering niet door kunstgrepen te trekken, rriaar hij is tevreden als hij rustig in zijn bankje kan staan, en door eenige welwillende luisteraars omgeven zijne opinies en inzichten op zijn eigen kalme manier aan hun vertellen mag. Ook maakt hij, blijkens zijne wijze van optreden, geen aanspraak op bizondere geleerdheid of diepzinnigheid van betoog, maar zijn eerzucht als staatsman van den tweeden rang bepaalt er zich toe, om af en toe, als de gelegenheid zich ongezocht aan hem voordoet, gematigd en bescheiden van zijne meeningen mededeeling te doen.
En indien hij zelden meer spreekt, is het omdat hij weinig meer te zeggen heeft, omdat hij gedurende zijn jarenlang lidmaatschap al zoo herhaaldelijk van zijn standpunt verantwoording en rekenschap gegeven heeft, dat hij weet geen nieuws aan de Kamer meer te kunnen vertellen ; hij wenscht de vergadering evenmin met zijn persoon lastig te vallen, als hij haar zijne politieke beschouwingen tracht op te dringen. AI blijft hij nog op post, ontgaan kan \'t hem niet wezen, dat in de oogen der Tweede-Kamer de tijd voor een konservatief staatsbeleid achter den rug is; men luistert in hare samenkomsten liever naar een gekibbel en getwist over woorden-zifterijen en koerantenpraatjes, dan naar het verstandig woord van een omzichtig en gematigd behoudsman. Het jongere geslacht van Kamerleden heeft geen verstand en geen edukatie genoten in de hoogere politiek; het babbelt en kletst maar
153
154 DE SCHIMMELPENNINCKS.
over alles meê, als studentjes in een debatingklub, en de wel wat wijdloopige en omslachtige breedsprakigheid der degelijke Kamerledpn van het oude ras, vindt men ouderwetschen onzin en noodelooze tijdverspilling; de kunst van het uitspreken van Parlementaire redevoeringen staat niet meer in eere!
En zoo dus voor Graaf Rutger Jan, voor onzen ouden, Haagschen Afgevaardigde, het klokje van gehoorzaamheid zal komen te slaan, en hij zijne vrienden uit de goede, jonge jaren; de Casembroot, Wintgens en de andere Kamerleden in ruste, zal moeten volgen, dan zal met hem uit de Kamer de laatste vertegenwoordiger van een politieke partij verdwijnen, die zich steeds gekenmerkt heeft door een voorzichtig en gematigd optreden, een verlicht konservatisme en een vóórziend en verzoenend staatsbeleid, een partij, die, helaas, tusschen de klerikale groepen is doodgedrongen, en waarop den Haag trotsch mag wezen haar het laatst in \'s lands vergaderzaal te hebben doen vertegenwoordigen.
De tweede naamdrager van de Schimmelpennincks, Meester Alexander, is een geheel ander tijpe van mensch; hij is iemand, die het meer op uiterlijk vertoon en onmiddellijk sukces toelegt. En om een blik in zijn karakter te doen slaan, zal ik quot;beginnen met een gebeurtenis te vertellen, voor welker waarheid ik in durf staan.
In den laatsten tijd van \'s heeren Wintgens Kamerlidmaatschap, toen de vergadering voor het meerendeel gevuld was door personen, die, zooals gezegd, geen oor meer aan zijne boetpredikaties leenden, bestond zijn auditorium gewoonlijk slechts uit een achttal personen. Onder hen behoorde ook Mr. Alexander, ■die gaarne iedereen voor zich innam, en zich dus uitsloofde naar
i5S
links en rechts beleefdheden uit te dealen. Op zekeren keer, terwijl Wintgens in een rhetorisch gezwier van lange, pompeuze zinnen een tamelijk ingewikkelde, finantieele kwestie behandelde, kon men Mr. Alexander in peinsende houding in zijne nabijheid vinden staan; den vinger tegen den neus gedrukt, de wenkbrauwen gefronsd, en het hoofd geknakt op op de borst, als spande hij al zijne geestvermogens in, om de onuitsprekelijke wijsheid van \'s redenaars betoog te doorgronden. En toen hij eenigen tijd, als een volleerd akteur, zich in bewonderende luistering vernederd had, hief hij het hoofd eensklaps op, verhelderde het gelaat, keken zijne oogen vriendelijk, en maakte hij met de hand een beweging, die zeggen moest: j Ahja! juist! Nü begrijp ik \'t! Knap! Zeer goed !quot; op een in \'t oog loopende wijze, die, \'sprekers aandacht trekken moest. Wetende dat de heer Wintgens zijne scholierachtige oplettendheid gemerkt had en zijn doel dus was bereikt, begon hij langzaam ter zijde te schuiven, stap voor stap, om uit \'sprekers gezichtskring te komen. Zoo trok hij zich terug, totdat Wintgens hem niet meer zien kon. En eenmaal achter zijn rug zijnde, haastte hij zich de Kamer uit, met verlicht gemoed naar de koffiekamer wandelend. Daar een kollega tegen het lijf loopend, riep hij met een voorgewende wanhoop uit: sGod! God! Wat is die AVintgens weêr aan het zanikken !quot;
Dit teekent den man, en een dergelijken indruk kreeg men al heel gauw, als men zijn optreden in de Kamer waarnam. Hij is een lange, magere man, slordig in de kleêren, met een smal gezicht, dat iets kurkachtigs had, en waarop geen enkele gemoedsstemming te lezen valt. Alleen heeft hij
156 DE SCHIMMEL PENNING KS.
de gewoonte, als hij met iemand spreekt, dat droge gezicht zoo vriendelijk mogelijk te maken, en herhaaldelijk te lachen, waarbij hij dan zijn geheele gebit laat zien, zóó wit alsof het pas uit het atelier van een tandarts komt.
Voordurend was hij in de Kamer in beweging; hij liep onophoudelijk van den een naar den ander, scheen iedereen iets te vragen te hebben, met een lachje voor Jan, een handdrukje voor Piet en een gefluisterd geheimpje voor een derde. Zijn bonenstakig figuur slingerde den ganschen dag van de linker-naar de rechterzijde. Zie, hoe hij iemand aansprak: een schmeichlende grijns splijt zijn mond open, als een aap die pleizier heeft, de handen worden in elkaêr gewreven, zooals menschen doen die \'s winters altijd koude vingers hebben, het bovenlijf maakt telkens kleine buiginkjes. En nadat hij eenige oogenblikken zoo gesproken heeft, en het onderhoud intiemer schijnt te worden, gaat hij met een langen, mageren wijsvinger zijn tegenpartij tegen de borst tikken, naar hem opdringend, vertrouwelijk den arm om zijn schouder slaande en hem naar een hoek meênemend. Als het gesprek dan was afgeloopen, en de twee sprekers al van elkaêr af waren, keerde Mr. Alexander altijd nog eens terug, als bedacht hij zich iets gewichtigs, een bon mot zeggend, dat hem op het laatste oogenblik te binnen scheen te schieten, met een vriendelijke pret op zijn funsig gezicht en een gerammel van al zijne slappe, lange, loshangende ledematen.
En nooit heb ik hem een gesprek zien eindigen, zonder dat die akelige grijns zijn gebit van blijkbaar valsche tanden niet ontblootte. O, die spookachtig witte tanden van Mr. Alexander!
DE SCHIMMELPENNINCKS. 157
Maar hoeveel moeite deze afgevaardigde ook doet, om zich bemind te maken, schijnt men hem toch niet al te erg te vertrouwen; men vermoedt, dat die uitslovende vriendelijkheid iets verbergen moet, en men weet niet al te goed wat men aan hem heeft. Het scherpziend oog zijner medeleden, dat al achter zoovele maskers heeft moeten kijken, heeft heel gauw ontdekt, dat \'s Meester Alexanders amabiliteit geen natuurlijke, aangeboren vriendelijkheid is, maar een aanwendsel om zich in de waereld een houding te geven, een salonmanier, een van die wapenen, waarmee een eerzuchtige gunsten tracht te winnen en menschen voor zich in te nemen.
Hij is iemand, die voor zijne gevoelens het daglicht schuwt, en uit vrees van zich aan koud water te branden, een geheimzinnig halfduister over zijne meningen wil doen heer-schen. Tot welke politieke kleur behoort hij ? Sarkastische vraag, waarover hij \'t mogelijk met zich zeiven nog niet eens is ! Maar hij is immers oorspronkelijk als konservatief in de Kamer gekomen? Ja, maar de konservatieve partij is dood, helaas, en hoe kan men karrière maken met een staatkundige overtuiging die op apengapen ligt ? Maar antirevolutionair dan misschien? Mogelijk, maar niet goed en vertrouwbaar genoeg in de oogen van de aanvoerders dier partij, want was het juist Kuijper niet, die eenmaal bij de verkiezingen hem den jgevlektenquot; kandidaat noemde, en niet van hem gediend wilde wezen! En kan men het een eervolle verkiezing noemen, wanneer een partij, bij gebrek aan een anderen geschikten kandidaat, u als pis-aller neemt, en men, als behoudsman in de Kamer gekomen, zonder openbare bekeering, zitting gaat nemen voor een klerikale kombinatie? Wijst het op een onaf-
158
hankelij kheid van karakter en opinies, indien men zich door een kerkelijk Ministerie gebruiken laat om het omzettings-werk in de hooge staatsambten te helpen beginnen, en zich door de partij van Kuijper, die u immers den liefelijken, eervollen bijnaam van den jgevlektequot;\' gaf, tot Kommisaris des Konir.gs te doen benoemen, terwijl het allen schijn had alsof die benoeming geschiedde, om iemand uit de Kamer kwijt te raken, waarop men meenen bleef niet in alle omstandigheden te kunnen rekenen ?
O, die eerzucht heeft een ruim geweten!
Aan het vertrek van Meester Alexander wordt in onze Tweede-Kamer niets gemist; hij was een buitengewoon alle-daagsch Kamerlid, zonder kapaciteiten, zonder sprekers-gaven of belangrijkheid van oordeelvellingen. Zijne gave en verlangen om bij iedereen een wit voetje te krijgen, voor ieder een woordje en een lachje over te hebben, komt hem waarschijnlijk beter in zijn tegenwoordige positie te pas, waar hij als Goeverneur eener Provincie vele en uiteenloopende belangen en personen bijeen te houden en te rangschikken heeft, en waar een persoonlijk en onafhankelijk oordeel in politieke aangelegenheden nu juist geen vereischte is.
En dat men op het Binnenhof, in onze wetgevende vergadering, zijn afwezigheid niet bizonder voelt, vindt misschien een verzachtende omstandigheid in het feit, dat men dit van vele zijner oud-kollegaas even goed zou kunnen getuigen.
Wat te zeggen van den derden naamdrager van dit geslacht, van Kolonel Schimmelpenninck ? Wanneer men hem omschrijft als een man van tamelijke grootte, die door zijn haar gegroeid is en een eenigszins militaire snor draagt, en verder
DE SCHIMMELPENNINCKS.
niets bizonders over zich heeft dan dat hij er zeer gentlemanlike uitziet, dan heeft men de meest markante eigenschappen var. hem opgesomd. In de onafzienbare rij generaals, kolonels, majoors, kapiteins en luitenants, die onder onze Kamerleden worden aangetroffen, bekleedt hij aan de rechterzijde de plaats van een militaire specialiteit, die ontegenzeggelijk als antirevolutionair ter goeder trouw is.
Dit is waarschijnlijk de meest eervolle lofspraak, waarmeê men dit Kamerlid vereeren kan. Er zijn van die menschen, bij wier graf men na hun dood moeilijk iets meer kan getuigen dan dat zij brave, fatsoenlijke lieden waren, die niemand in den weg liepen, en zoo zij al niet bemind waren, toch een zeker aanzien genoten en óveral geduld werden. En er zijn zelfs Kamerleden wier lijkrede men in dezen geest al bij hun leven kan opmaken.
Tot deze soort van menschen behoort Kolonel Schimmel-penninck! Dat zijn fatsoen in kalmen, onbeduidenden eenvoud ruste!
XX.
Jhr. Mr. G. J. Th. BEELAERTS VAN BLOKLAND.
. Ik geloof, dat voor een handig persoon het baantje van Staatsman, uit een finantieel oogpunt beschouwd, nog zoo onvoordeelig niet is. Men hoort dikwijls zeggen, dat om een hooge betrekking in den Staat waar te nemen, men tot op zekere hoogte kapitalist moet wezen, daar de rijksbezoldigingen te gering zijn om in de levensbehoeften van een gezin te voldoen, dat een stand heeft op te houden. Dit moge misschien waar wezen voor ambtenaren van de rechterlijke macht en voor een groot deel van onze officieren, maar voor iemand met een fiskalen geest en in het bezit van een weldoordacht kombinatie-vermogen gaat dit evenwel niet op. Want voor hoevele Staats-ambtenaren, als leden van den Raad van State of van den Hoogen Raad, is het traktement aan die betrekking verbonden hun eenige bron van inkomst?
Maar op deze eenvoudige menschen heb ik het oog niet.
JHR. MR. G. J. TH. BELAERTS VAN BLOKLAND. lól
Ik bedoel meer speciaal de slimmerds, die met meer dan één hand in de schatkist grabbelen, en door een kombinatie van pensioenen, wachtgelden en traktementen zich een aardig sommetje aan inkomen weten te verschaffen, en de afgunst opwekken van de stumperds, die minder gelukkig zijn geweest of die de kunst der vermenigvuldiging hoogst gebrekkig verstaan. Zoo ken ik personen, die over de ƒ 10.000 uit de schatkist trekken, alleen aan pensioen en salaris voor de een of andere officieele betrekking; maar zoo ken ik er ook, voor wie de ƒ 2000, aan het Kamerlidmaatschap verbonden, een hoogst welkome post op hun jaarlijksch budget vormt, en van wie men zeggen kan, dat hun mandaat als lid van de Kamer eenigerraate een middel van bestaan is. Niet in het bezit van eenig fortuin, ook niet rijk getrouwd, zou \'t er raar met hun uitzien, als de Staat hun niet alle drie-maanden een ƒ 500 toeschoof; zeker vond men ze dan niet op de groene bankjes, want hoeveel liefde zij ook voor hun vaderland koesteren en hoe vereerend het hen ook toeschijnen moge het Neder-landsche volk in \'s lands raadzaal te vertegenwoordigen, de belangen van hun beurs wegen toch menigmaal niet tegen die liefde en die eer op. De treinen zijn ook zoo duur, niet waar? En dan dat verblijf in Den Haag!
Of de heer Beelaerts van Blokland nu juist tot deze laatste kategorie van personen behoort, durf ik niet te beweren, maar dat hij de kunst verstaat om zijne karrière als Staatsman tevens tot een bloeyende, finantieele onderneming te maken, zal niemand hem kunnen betwisten. Hij weet, dat behalve de Transvaal ook de politiek nog goudmijntjes bezit, en de vrome slimmerd heeft ze weten te ontdekken!
11
102 JHR. MR. G. J. TH. BEELAERTS VAN BLOKLAND.
Men moet dan namelijk weten, dat de tegenwoordige Voor-zittter van de Tweede Kamer zijn loopbaan als ambtenaar op een der Ministeriën begonnen is, en dat hij den rang van referendaris bekleedde op \'t oogenblik, dat de kiezers hem als volksvertegenwoordiger naar het Binnenhof zonden. Zitting nemende als antirevolutionair afgevaardigde voor een distrikt, dat voor goed som\'\' was, liet het zich aanzien, dat zijn Kamerlidmaatschap een baantje voor jaren zou wezen; dit bleek dan ook uit zijn herbenoeming bij de opeenvolgende verkiezingen, en men verwachtte, dat hij er dus zijn betrekking op het Ministerie aan zou geven, te meer daar er verscheiden arme drommels op promotie zaten te wachten. Maar zij, die zóó dachten, hadden uit \'t oog verloren, dat een traktement van ongeveer ƒ 3500 aan het referendarisschap verbonden is, en dat de heer Beelaerts •— ofschoon volstrekt niet onbemiddeld — door het aanvaarden van het lidmaatschap der Kamer aanspraak kreeg op een mooi wachtgeld. Voegt men het bedrag van dit wachtgeld bij de ƒ 2000 als lid van de Kamer — of bij den f 4500, die hij thans als Voorzitter trekt -— en bij de inkomsten, die hij als diplomatiek vertegenwoordiger van de Zuid-Afrikaansche Republiek geniet, dan kan men zoo ongeveer narekenen hoeveel het baantje van Staatsman hém wel opbrengt. Waarachtig een broodwinning!
\'t Aardigste en het slimste van de zaak weet men echter nog niet, dit nml.; dat de heer Beelaerts wèl bedankte voor alle betrekkingen en eereposten, die hem niets opbrachten.
Terwijl als konsekwentie van de drukke bezigheden aan het Kamerlidmaatschap verbonden hem geen tijd overbleef
JHR. MR. G. J. TH. BEELAERTS VAN BLOKLAND. 163
om de lasten en beslommeringen als Kommissaris of Voorzitter van Genootschappen, Maatschappijen enz. te dragen, die zijn beurs niet spekten, scheen die gevolgtrekking o. a. niet door te gaan voor zijn post als referendaris, die hem een dik wachtgeld opleverde, terwijl zijne bezigheden door den een of anderen, naar promotie hunkerenden kommies moesten worden verricht.
Een vreemd specimen van antirevolutionaire logika, niet waar ? En heeft het niet den schijn alsof het christelijk bewustzijn van dit Kamerlid de bekende Bijbelspreuk heeft omgezet in »Hebt u zei ven lief als uwe naasten.quot;
Had ik gelijk of niet, toen ik beweerde, dat zelfs voor een vroom gemoed er nog iets te kloppen valt uit het Staatsmanschap!
Wat u verder van den heer Beelaert van Blokland te verhalen? Zijn uiterlijk? Och, het valt heel erg tegen. Stel u een eenvoudigen burgerman voor, altijd met een zwarte, ge-kleede jas aan, met een klein schedeltje, een burgerlijk gezichtje, zonder uitdrukking, waaraan een timmermansbaardje hangt, een van die rare, van de kin weg geschoren baardjes, die heel veel door doleerende plattelandsch kosters gedragen worden. Hij is een man, die noch door zijn uiterlijk, noch door zijn optreden eenigen indruk maakt. Voila tout!
Als politiek figuur behoort hij tot de zacht-vrome partij; hij is een zoogenaamd ^inschikkelijkquot; antirevolutionair, iemand die, ofschoon anti-liberaal zijnde, toch naar een kom-promis met de vijanden zoekt. Hij is geen twister of vechtersbaas, maar een gemoedelijk mensch, dat met zijn tegenstanders spreken wil. Hij is wat men noemt »verzoenings-gezindquot; en wordt als zoodanig niet tot de sdroitequot; zijner partij gerekend.
164 JHll. MR. G. J. TH. BEELAERTS VAN BLOKLAND.
En daaraan alléén heeft hij in de Kamer zijn benoeming tot Voorzitter te danken. Toen de rechterzijde meerderheid geworden was, en dus de macht gekregen had om de voorname en winstgevende baantjes weg te geven, zocht men onder de leden van de christelijk-historische partij naar de meest gematigde mannen. Het ging toch niet aan om dweepers, als Fabius of Lohman, als de vaandeldragers der nieuwe meerderheid uit de kiezen, en zou \'t tegenover de minderheid, die toch ook nog sterk was en daarom ontzien moest worden, niet den schijn van een uitdaging hebben! En kon \'t dan ook wel anders of \'t oog moest onmiddellijk vallen op mannen als Mackay en Beelaerts, eenvoudige menschen, zonder groote aanspraken, meegaande en volstrekt niet geneigd om dadelijk positie tegenover de publieke tegenstanders in te nemen ?
Zoo zag men Mackay als formeerder van een Kabinet uit de rechterzijde, en Beelaerts van Blokland als President van de Tweede Kamer optreden.
En de heer Beelaerts is in deze betrekking geen ongeschikt persoon. Hij is altijd even bedaard, rustig en zaakrijk; hij heeft een soort van humane vriendelijkheid over zich, die op een kalmen toon zijne opmerkingen aan de vergadering bekend maakt. Maar hij heeft tevens iets eigenaardigs in zijn stem, dat men meer aantreft bij menschen van zijn partij en zijn gemoedelijkheid: de gewoonte, om op lieve wijze tot iedereen te spreken, zijn pogen om altijd christelijk-zachtaar-dig en religieus-vriendelijk te wezen, heeft zijn orgaan de lijmerigheid eener zoete vroomheid gegeven. Zijn klanklooze stem, die alle woorden op dezelfde doffe manier uitspreekt, traineert gewoonlijk in een milde bedeesdheid, en irriteert de
JHR. MR. G. J. TH. BEELAERTS VAN BLOKLAXD. 165
mannelijke toehoorders soms door haar vrouwelijke liefheid; gaat het nog één streek naar den kerkdijken kant, dan wordt dit orgaan bepaald onuitstaanbaar; nu reeds staat het op het randje van het galmende gesleep eens orthodoxen voorlezers. En wint zijn zoete christelijkheid het van zijn mannelijke fermte, dan voorzie ik, dat hij een vervelende femelaar wordt.
Een beetje meer doortastende beslistheid in uw stem, als-\'t-u-blieft. Meneer de Voorzitter!
De heer Beelaerts van Blokland behoort niet tot de voorname persoonlijkheden van de antirevolutionaire partij; hij is een zeer alledaagsch mensch, zonder bizondere bekwaamheden, en die nog nooit blijk gegeven heeft van politieke scherpzinnigheid of staatkundigen aanleg. Zijn optreden in de politiek van den dag is dan ook even ongemotiveerd — of gemotiveerd, zooals men wil — als dat van bijna al onze Kamerleden, die in het verband der partijen goede »stemmersquot; zijn, maar als staatslieden beneden nul blijven, en wier eenig doel in de naaste toekomst is: de bekleeding van aanzienlijke postjes, en de vulling van hun geldbuidel. Ze zijn eerzuchtig, fiskaal, vroom en ter goeder trouw.
Meer kan van hen niet getuigd worden; ze hangen een godsdienstig beginsel aan, dat door middel van een legio dominéés lang onze litteratuur heeft verknoeid, en op \'t oogen-blik de staatkunde op dezelfde wijze tracht te verhaspelen.
Ze behooren tot een ras van echt Hollandsche menschen, op wier boekenplanken de eereplaats wordt ingeruimd aan : Bijbel, Grondwet en Cats.
XXI.
J. C. FAB I US.
■ Bij iedere politieke partij van eenige uitgebreidheid treft men hare stellingen en beginselen in de meest uiteenloopende nuancen vertegenwoordigd aan. Men kan bijna zeggen; zooveel personen, ook zooveel schakeeringen van staatkundigen hartstocht of onverschilligheid.
Zoo ook de antirevolutionaire Kamerleden in onze Volksvertegenwoordiging, die de droite en de gauche van de chris-telijk-historische partij in ons vaderland heeten te representeeren. Zij vormen een grillige afwisseling van gebreidelde en ruwe hartstochten, die, op het terrein van den godsdienst losgelaten, zich op de slagvelden van de politiek van den dag de positie van overwinnaars hebben trachten te vermeesteren. Men vindt er de verschillende typen van de Groeniaansche staatkunde in de onderscheiden Kamerleden vertegenwoordigd, welke echter in twee hoofdgroepen zijn te verdeelen, namelijk: de godsdienstig-staatkundige en de staatkundig-godsdienstige, al
J. C. FABIUS 167
naarmate in deze kombinatie van religie en politiek het eerste of het tweede bestanddeel de overhand heeft.
De mannen van de »gauchequot;, als Beelaerts, Mackay, Brantsen van de Zijp, Hüber en kolonel Schimmelpenninck, zijn de representanten van de antirevolutionaire partij bij wie de staatkunde meer op den voorgrond treedt dan de godsdienst, terwijl de leden van de sdroitequot;, als Keuchenius, Lehman, Th. Heemskerk, Donner en Fabius meer als de godsdienstijveraars beschouwd kunnen worden, welke hun religieus doel door middel van de politiek beproeven te bereiken.
In deze richting is Keuchenius de vertegenwoordiger van de christelijk-historische verveling, der landdradigheid, van een soort van oud-hollandsche nauwkeurigheid, die evenals de ouderwetsche dominéés in kanselarijstijl, hun punktualiteit tot een onbegrijpelijke zinnenchaos maken: hij spreekt staatkundige tale-Kanaans, houdt waereldsch-godsdienstige preeken, en is de representant van het generis der schismatieken, die den godsdienst door de politiek tot een nachtmerrie maken. Lobman daarentegen is de starhoofdige dweeper, die, sluw en geslepen, den godsdienst tot een kruipend, sluipend en giftig wapen gemaakt heeft, waarmee hij de hem niet volgende christenen bedreigt; hij verlaagt de religie tot een vunzige bron van allerlei machtspreuken, die vrees moeten aanjagen, moeilijke oplossingen kunnen doorhaken, of tot een schild, waarachter men politieke chicanes en laag-menschelijke hartstochten verbergen kan; de godsdienst is hem slechts een hulpmiddel. Donner is de sombere, zwart-godsdienstige dweeper, de stil brommende, die zich weinig met de eigenlijk gezegde politiek afgeeft, maar alleen bij speciale gelegenheden uit zijn hoek
168
te voorschijn komt, om de tusschenkomst der regeering voor de belangen van zendelingen en andere religieuse doeleinden in te roepen; hij is de predikende dweeper, die godsdienst tot een voorwerp van staatszorg wil verheven zien, en zich overigens in een koppige beslistheid in zijn enge stellingen opsluit.
Maar Heemskerk en Fabius zijn de kabaalmakende schreeuwers, de dol-fanatieken, die naar geen reden meer luisteren willen, en met blinden, onverdraagzame!! hartstocht nauw-zielige dvveeperijen uitgalmen .
Bekijk me zoo\'n gezicht van een Fabius eens! En zie dat lichaam eens aan ! Hij is militair, maarniemand zou\'t zeggen. Over een mager lichaampje, met smalle schoudertjes, een ingevallen borst, magere beentjes, hangen eenvoudige kleêren, van slechten snit, en die hem meer het aanzien geven van een aemborstigen schoolmeester, dan van een fermen militair in politiek. En dat hoofdje! Een smal, klein schedeltje, een onbeduidend gezichtje, waaraan een rooden snor en sik zitten, en een allerbenauwdst laag en bekrompen voorhoofdje! Neen, daarin kunnen alleen héél kleine hersentjes liggen, en in zoo\'n ingedeukt voorhoofdje kunnen alleen bekrompen gedachten geboren worden. Daar is geen plaats voor grootsche, edele, ruime denkbeelden. Dat is de schedelformatie van een starren godsdienst-dweeper!
En luister eens, als hij aan het spreken raakt! Nooit zal hij het woord voeren over een kwestie van verstand, doorzicht of ruimen blik; hij behandelt slechts de afgezaagde themaas van de vakcinatie en van het bizonder onderwijs. En deze vraagstukken nog op een zeer eigenaardige manier!
J. C. FABIUS. 169
Hij is geen denker of redenaar, die van een algemeen politiek of filosofiesch standpunt de kwesties van den dag weet te beschouwen, die een zaak helder en onpartijdig uiteen kan zetten, eenig nieuw licht ontsteken, slim en handig een pleidooi kan draayen en verdraayen, om te geraken tot zijn persoonlijke inzichten. O, Hemel, neen ! Zoo iemand kan men bewonderen om zijn talenten als advokaat van een moeilijke zaak, als uitgeslapen debater, als vluggen en gevatten kaerel, met wien men \'t wel niet eens is, maar dien men om zijn individueele eigenschappen respekteert.
Maar Fabius is in de staatkunde een geleerde aap, die alles napraat en nabootst, wat de meesters hem voordoen. Met een stom fanatisme, dat het gezond verstand uitsluit, hangt hij de machtspreuken eener partij aan, welke hij niet eens door zijne persoonlijke inzichten kan verdedigen. Er valt met hem niet te redeneeren ; met brutalen mond scheldt hij zijne vijanden in den hoek; hij vliegt op, als een nijdige hond, die een boerenerf komt afstuiven, en alle voorbijgangers naar de beenen bijt, een van die beesten, die naar geen goed woord luisteren maar valsch en kregelig, uit natuurlijken aanleg, iedereen aankeffen. Hij is de staatkundige waakhond van Knijper en Lohman.
Ook als redenaar in de Kamer is Fabius een onbeduidende, bespottelijke verschijning. Hem ontbreekt zelfs de gave, om, in eenvoudige, bedaarde woorden zijne gedachten uit te drukken ; een plattelandsch-gemeenteraadslid spreekt beter dan hij. Men moet de waarde zijner redevoeringen niet opmaken naar de verkorte uittreksels in de dagbladen, of uit het door de snelschrijvers en hem verbeterde, stenografische verslag van he
170 J. C. FABIUS.
Bijblad; dit zijn de redevoeringen, zooals zij behoorden te zijn, maar niet zooals zij worden uitgesproken.
Om te weten hoe hij spreken — of liever niet spreken — kan, moet men hem in de Kamer gaan hooren. Gewoonlijk staat hij, als hem het woord verleend is, met een nijdigen wip in zijn bankje op; hij heeft de haast van iemand die zich lang heeft zitten ergeren, van verlangen brandt om zijn opgekropte gevoelens lucht te geven, en door zijn driftige zenuwachtigheid met de deur in het huis valt. Geen inleiding, geen koketteeren met zinnetjes, doet hem een aanloop nemen naar het onderwerp zijner speech; daartoe heeft hij niet eens geduld. En met eenige nijdige scheldwoorden, eenige woedende gebaren en eenige slokken water holt hij recht op zijn doel af. De machtspreuken, de onaantastbare partijstellingen vloeyen hem in een onafgebroken stroom van de lippen. Zijn armbewegingen hakken de lucht, zijn oogappels gloeyen van opgewondenheid, en zoo staat hij in zijn bankje te briesen van dweepende verontwaardiging en geirriteerde onmacht.
Ik spreek van den tijd, toen zijn partij nog in de minderheid was, en men aan de overzijde van de vergadering heel weinig notitie van zijne fanatieke ontboezemingen nam. lederen in de vergadering wist wat de godsvruchtige luitenant te beteekenen had, en dat hij het aanhooren niet eens waard was; hij kwam immers alleen maar voor don dag met bekendeeischen, die staatkundige gemeenplaatsen waren geworden en reeds lang veel beter en knapper gesteld en verdedigd waren door de denkende koppen zijner partij. Hij riep en gilde om afschaffing van de verplichte vakcinatie, om vrijheid van onderwijs. Natuurlijk! Dit betaamde een antirevolutionair zoo. Maar
J. C. FABIUS. 171
waarom? Hij zeide het niet; ik geloof, dat hij het zelf niet zuiver meer wist, en de redenen niet meer behoorlijk uiteen kon zetten. Hij had ze zich zeiven zoo dikwijls herhaald, hij hoorde van niets anders spreken en las van niets anders, dat die eischen hem de natuurlijkste zaak van de waereld toeschenen, en geen punten van een politiek programma meer, die verdedigd behoefden te worden.
En dan stond hij daar rauwweg die eischen uit te gillen, hakkelend over zijn woorden, door zijn zenuwachtige agitatie zijn zinnen niet kunnende vinden, als het toonbeeld van een onsmakelijken, fanatieken schreeuwleelijk, die de groote opperhoofden nawauwelt, onbeduidend in de algemeene onverschilligheid der vergadering.
Mogelijk dat hij nu — als tot de meerderheid behoorende — eenige meerdere aandacht bij zijne medeleden zal vinden. Maar iets nieuws, iets frischs of scherpzinnigs zal hij hen niet te vertellen hebben; het zal altijd een napraten van de meesters blijven, een bekrompen, onberedeneerd dweepen, een onverdraagzaam schelden op de politieke vijanden, een verachten van ieder, die het niet met hem eens is, en een ongeloof in den goeden trouw zijner tegenstanders.
Fabius is de vertegenwoordiger van een afstootelijk type van Staatsman; hij behoort tot de blinde, doove dweepers, met wie niet te spreken valt, die u hunne machtspreuken als molensteenen naar het hoofd werpen, en een ieder, die hen tegenspreekt, uit de hoogte hunner vrome minachting behandelen, hen verdacht maken, uitschelden, hen vervloeken en verdoemen onder aanroeping van Gods naam. Daarbij zijn ze zelf bekrompen zielen, benauwde intellekten en dorre harten.
172
Maar bovendien zijn zij ook gevaarlijk door hun fanatieke dweepzucht, en in staat, om in naam hunner goddelijke roeping, alles te vuur en te zwaard te verwoesten; ze zijn de kommune-mannen en barrikade-helden van het Geloof, broertjes van de dynamiet-mannen en van de petroleuses. Hun star drijven naar een zoogenaamd christelijk doel, zich uitbreidend over alle takken van de maatschappelijke associatie, het waereldsche en het Goddelijke in een rare mengelmoes door-eenroerend, zou er op uit kunnen loopen, om het woord van een 17e eeuwsch, remonstrantsch predikant op nieuw tot waarheid te maken, namelijk, dat de steenen der straten zullen gaan meespreken zoo hi\'m woord geen genoegzame aandacht mocht vinden.
Een man als Fabius is even gevaarlijk voor de rust en de veiligheid van den Staat als een Fortuijn of een Van der Laan.
Toch zie ik deze soort van vroomheid nog liever dan die van een zijner kollegaas, óók een man met christelijk bewustzijn, en óók officier der artillerie, van wien in allen ernst en door vertrouwbare personen verhaald wordt, dat hij als luitenant een belooning uitloofde voor iederen nieuwen vloek, welken zijne minderen uitvonden!
Mogelijk heeft zijne tegenwoordige vroomheid hem wel een groot kapitaal gekost, waarvoor hij een billijke schadevergoeding in zijn ƒ aooo-toelage als Kamerlid vindt!
XXII.
DE BODE.
Ofschoon ons Parlementje slechts een honderdtal leden telt, vindt men er toch alle typen van den Staatsman in vertegenwoordigd. Men treft er den oud-Hollandschen edelman aan, die in de provincie Utrecht of Gelderland een kasteel of familieslot bewoont, en alleen ter bijwoning van de zittingen naar de Hofstad overkomt; ook den Kantonrechter of den Officier van Justitie, die zijne rechterlijke bezigheden in den steek moet laten, om \'s lands belangen te komen waarnemen; den plattelandsch burgemeester, die een autoriteit in zijn negerij is, maar op het Binnenhof geheel in het niet verzinkt; den militair op non-aktiviteit en den Indiesch-gast op pensioen, den oud-Minister met bevredigden eerzucht en den toekomstigen Minister, die liefst in de oppositie is, — welke menschen gewoonlijk in den Haag wonen, waar men ze \'s winters in den schouwburg en bij publieke voordrach-
I 74 DE BODE.
ten, en \'s zomers op het Kurhaus te Scheveningen en op eenige spoorwegstations kan aantreffen. En eindelijk, als hoogste in rang, ontbreekt het alom vertegenwoordigde type van het kamerlid-parvenu niet; het wordt gerepresenteerd door eenige industrieëlen, aannemers of dergelijke, eigenlijk niet tot regeeren geroepen menschen. Het zijn burgermannetjes, met verlegen, onhandige maniertjes, fatsoenlijke, demokrati-sche gezichtjes, niet in staat om ordentelijk het woord te voeren, een gemeen akcent hebben, en onbekwaam hunne gedachten ordelijk uit te drukken. Ze zien de »groote hee-renquot; naar de oogen, tegen wie ze altijd smeichlend lachen, steeds voor hen uit den weg gaan, beleefd buigen en zich in al de verslagen, bespottelijke onhandigheid van hun parvenuschap ten toon spreiden. Vroeger behoorende tot de klassen der sgeregeerdenquot;, voelen zij zich nog niet in hun nieuwe positie als sregeerendenquot; op hun plaats; een hereditair begrip van minderheid boezemt hen nog altijd een vreesachtige onderworpenheid tegenover de afstammelingen van de oud-hollandsche adellijke en magistraats-geslachten in, en het is alsof de afgeranselde kruiperigheid van hun voorouders, die lijfeigenen en bedienden waren, in tegenwoordigheid van die afstammelingen weêr voor een oogenblik in hen herleeft.
Daar heeft men bijvoorbeeld een Van Kempen, den Haag-schen zilversmid, een enormiteit van burgerlijke onbeduidendheid, die de horlogekettingen van zijne kollegaas repareert., en meneer voor en meneer na moet spelen als de heeren of hunne dames bij hem in den winkel komen, en die uitsluitend door zijne zoetige vroomheid van achter de toonbank
*75
op de groene bankjes is aangeland. En het type van een Haagsch winkeliersgezicht, d. w. z. bijna kaalgeschoren, niet alleen twee baardkotteletjes, een lief mondje, dat altijd in een plooi staat om »als \'t u blieft, meneer!quot; te zeggen, en dat glimt van een groenzepige vroomheid ; natuurlijk draagt hij prachtig helder linnengoed, dat hem het uiterlijk geeft van een doleerenden diaken en een welgesteld winkelier. Natuurlijk !... .
Ja, dit zijn de sociale paskwillen van een demokratische wetgeving !
Ik heb hier het voorbeeld van den heer Van Kerrifcen aangehaald — ofschoon ik even goed verscheiden andere leden had kunnen noemen — omdat hij, in mijn oog, den overgang vormt van het Kamerlid tot den Bode. De geest van onderworpenheid, van dienstvaardigheid, van hulpbetoon, dien men van de dienaren eener hooge vergadering verwacht, is reeds in dezen afgevaardigde aanwezig; hij staat tusschen de heeren en de dienstboden in, en de onaangename positie van een tweeslachtig wezen, dat nog geen »Meneerquot;, maar ook geen »manquot; meer is.
En daar ik in de vorige hoofdstukken de politieke en in-dividueele portretten van eenige echte heeren heb behandeld, en nu \'t een en ander zeggen wilde van hunne bedienden, meende ik dezen sprong niet te groot te moeten maken, en zocht daarom het type van een Kamerlid uit, dat den geleidelijken overgang van deze twee Kamerassen vormt. Heusch, ga maar eens kijken of Van Kempen, Van Alphen, de Vries e. a. niet den middenstand in onze Tweede-Kamer uitmaken!
176 DE BODE.
De Hollandsche Bode is een staatsbeambte, die in den Haag, op de Ministeriën en in de Kamers, de plaag en den schrik der jeugdige ambtenaren en bezoekers is. Gewoonlijk worden voor deze betrekking gepensioneerde militairen uitgekozen, meestal ridders van de Willemsorde, die in het vaderland teruggekeerd, door protektie van een vroegeren chef, dezen zeer gezochten en voordeeligen post meester worden. Als dienaren van de heeren der hoogere politiek, in onmiddellijke aanraking komend met Ministers, Kamerleden, Sekretarissen-Generaal en dergelijke gewichtige personnages, gelooven zij zich al spoedig na hunne aanstelling even gewichtig en invloedrijk als hunne chefs.
Als regel zijn het half-beschaafde menschen, die hoogst gebrekkig lezen en schrijven kunnen; ze beboeren natuurlijk tot de mindere volksklasse, en ontaarden daardoor al heel spoedig in halfslachtige, heerachtige kaerels, pedant, aanmatigend en onbeschaamd. De klerken en mindere ambtenaren op de Ministeries beschouwen zij, zoo al niet als hun minderen, toch in elk geval als huns gelijken; ze behandelen hen op een familiaren toon, doen hunne verplichte diensten als hooge gunsten beschouwen en verbeelden zich halfgoden te zijn, wier diensten men door gebeden en smeekingen moet aftroggelen.
Kom in den Haag eens op een der Ministeries een inlichting vragen, en wend u eens tot de Bodes ! De heeren zitten op hun gemak in een kamertje, rond de kachel, een pijp te rooken en de koerant te lezen ; ze laten den bezoeker eenvoudig in de deur staan, luisteren met een nonchalante onbeschaamdheid naar zijn verzoek, snauwen hem uit de hoogte
DE BODE. lyy
een antwoord toe, of, in het gunstigste geval, kijken elkander eens aan, totdat een der luye schoften opstaat, en als een bokkige, half-slapende schildwacht, die nijdig is in zijn dutje gestoord te worden, u met sloffende stappen den weg naar een bureau wijst.
Slechts op één der Ministeriën is tijdelijk eenige verbetering in het gehalte der Bodes geweest, hetgeen volgens een algemeen bekende son-ditquot;\' aan een koddig toeval was toe te schrijven. Tijdens een Ministriëele krisis, toen de oude funk-tionaris nog op post en de nieuwe al aangewezen was, kwam deze laatste een bezoek aan het Departement brengen, om zijn voorganger over zaken te spreken. Den weg niet wetende in het labyrinth van gangen en portalen, wendde hij zich natuurlijk ook tot de bodekamer. Men kende echter de nieuwe Excellentie nog niet, en niemand stond op; men snauwde hem toe, dat hij maar naar boven moest loopen en zijn weg aan de Bodes daar vragen. Bij zooveel lompheid ontstak de nieuwe Minister in vuur, en op een autori-tairen toon beval hij, met een gebiedend gebaar; s Ga jij maar zelfs eens mee, vriendje, en wijs me den weg eens naar het Kabinet van Z. E. en laat mij aandienen als meneer X!quot; Groote ontsteltenis! Op het hooren van dien naam vlogen alle Bodes overeind; pijpen en koeranten verdwenen; de armen vielen langs het lijf in militaire houding. Maar deze beleefdheid kwam te laat; zoodra Z. E. aan het bewind was, werden er strenge voorschriften aan de schoftige Bodes uitgedeeld.
Ofschoon de Kamerbode soms nog wel eens een les in de beleefdheid en voorkomenheid kon nemen, staat hij toch
12
178 DE BODE.
veel hooger dan zijne kollegaas van de Ministeries. Ook hij is meestal gedekoreerd en oud-militair ; als hij in funktie is, heeft hij in zijn uiterlijk veel van een Kamerlid, dat de eed komt afleggen. Hij is nml. gekleed in rok en witte das, terwijl de afgevaardigden slechts in hunne huis- en kantoorpakjes zijn.
En zoo vindt men vier van die gerokte heeren in de gangpaden, langs de zijden van de vergaderzaal, op post staan. Onbeweeglijk, geleund in een luye houding tegen een der ventilatieschermen of tegen den muur, dwalen hunne oogen over de groene bankjes. Nu eens wandelen zij weg, om voor een spreker een glas water te halen, dan weer om in de bibliotheek een boek te gaan vragen, of een brief weg te brengen en een postzegel te verschaffen. Maar dan staan zij ook weer op den uitkijk, urenlang, van \'s morgens elf uur tot \'s middags vieren, altijd tot dienen en draven gereed; ze zien en merken alles; ze zijn zóó thuis in de gewoonten en kleine hebbelijkheden der verschillende leden, dat een hunner bewegingen of gebaren hun reeds een voldoende tolk hunner wenschen is. En zonder dat er een woord gewisseld is, loepen zij voor een glas water, of haasten zich naar de Ministertafels om een portefeuille met stukken in ontvangst te nemen, of staan naast den Voorzitter naar een order te luisteren. Zij zijn de alomtegenwoordige geesten, die tusschen onze volksvertegenwoordigers in dwalen, hier een stuk van een gesprek opvangend, daar een konkelarijtje tusschen eenige leden bespiedend, met loerende oogen en luisterende ooren.
Geen wonder dan ook, dat zij door hunnen omgang met de leden, door hetgeen zij van anderen opvangen en in de koe-
DE BODE.
ranten lezen, vrij wel op de hoogte te zijn van de kleine evenementen onzer Kamerpolitiek. Zij weten u bijv. ten naastenbij te voorspellen hoe lang de diskussiën over eenig wetsontwerp zullen duren, zij durven zelfs over de kansen van aanneming en verwerping profetiseeren, zijn op de hoogte van de sprekers, die het woord zullen voeren, en toonen zich bovendien geheel vertrouwd met de gebruiken der leden. Want werktuigelijk volgen zij hun voorbeeld en luisteren met eerbiedige aandacht naar de voorname sprekers, bij wier redevoeringen zij stokstijf op hun post blijven staan, terwijl de minder belangrijke redenaars door hun met dezelfde nonchalance behandeld worden, als door de geheele vergadering. Bovendien zijn zij uitnemende »standmetersquot;, want de voorkomendheid en de dienstvaardigheid, die zij den verschillenden afgevaardigden bewijzen, wordt nauwkeurig afgemeten naar hun maatschap-pelijken stand of hun invloed en macht in de Kamer. De adellijke heeren genieten natuurlijk de meeste onderscheiding: deze worden op hunne wenken bediend, terwijl een buiging en een vriendelijk gebaar den bizonderen graad van onderscheiding aanwijzen, waarin zij zich mogen verheugen: .ook de voorname partijhoofden hebben geen reden tot klagen, want hunne bediening laat zelden iets te wenschen over. Ongelukkig zijn er echter de mindere Goden aan toe, men-schen als Van Kempen, die door de heeren-boden nog zoowat als huns gelijken worden beschouwd; ja, het kost hun zelfs moeite iets van hen gedaan te krijgen, en hetgeen zij zoo goed zijn voor hen te doen, wordt hun bepaald als een dienst aangerekend.
De positie dus van deze heeren is, én tegenover hunne
i8o
medeleden, én tegenover de Bodes, verre van aangenaam.
De koddigste Kamerbode (een grappendmakend ventje) is een oud Indiesch-gast, die al op jaren is, en daarom een grooten pruik draagt, diep in den nek afloopend, en die bovendien zijn wenkbrauwen zwart verft. Daardoor lijkt zijn hoofd op een bal email, van zwart in bruin, te meer daar het geheel is kaalgeschoren, en op een klein, driftig, dribbelend lijfje rust. Uit een soort van vroolijke aanstellerigheid is hij altijd overdreven beweeglijk, draaft van het eene einde der zaal naar het andere, maakt diepe theaterbuigingen tegen de leden, en tracht zoowat den paljas te spelen.. Ook met de heeren van de joernalistentribune met wie hij gaarne een grap uithaalt, staat hij op een goeden voet, en die willen, als zij eenige oogenblikken niets te doen hebben, ook wel naar hem luisteren.
Zoo bijvoorbeeld als Keuchenius aan het woord is. Niemand bijna let op; er heerscht een saaye verveling in de zaal; de verslaggevers luyeren, praten met elkaêr en schrijven af en toe een zinnetje op. Ook de Bode staat zich tegen het venti-latiescherm te vervelen en achter zijn hand te geeuwen. Daar valt zijn oog op de joernalistentribune, en op de heeren, die zich evengoed amuseeren als hij. Wacht, denkt hij, ik zal eens een grap uithalen! En hij nadert de tribune, steekt zijn hoofd in de hoogte, en zegt op een fluisterenden toon tegen een der redakteurs:
— Ik zal hem eens zeggen, dat hij op moet houden!
Werkelijk loopt hij met driftige stappen op den heer Keuchenius af, en de joernalisten, die eigenlijk niet weten wat hij doen wil, volgen hem met nieuwsgierige oogen.
DE BODE.
De Bode houdt vlak bij den spreker stil, blijft naast zijn bankje staan, kijkt lachend naar de tribune, als wilde hij zeggen: sZie je nu wel, dat ik durf!quot;, en neemt dan ineens \'s heeren Keuchenius glas weg, om hem in de gelegenheid te stellen zijn lijmerige welsprekendheid met een nieuwe hoeveelheid water te besproeyen. Niemand in de Kamer heeft iets van dien streek gemerkt, en alleen de verslaggevers lachen om die brutale stoutheid van den Bode, die de leden, met een ernstig gezicht, onder hun neus durft voor den gek houden. En terugkomende bij de tribune zegt hij met een hoogst voornaam gezicht:
— Keuchenius zegt, dat hij dadelijk klaar is! en hij verdwijnt om een ander glas water te halen.
Veelal is het de schuld van de betrokken «meerderenquot;, indien de s minderenquot; den afstand, die hen scheidt, uit het oog verliezen; men staat hun vrijheden toe, waarvan zij spoedig misbruik maken, men laat een familiariteit ontstaan, die niet meer te stoppen is, of men behandelt hen op een manier, die hun gevoel van eigenliefde streelt en hun pedant, eigenwijs en aanmatigend maakt. In de Tweede-Kamer tenminste zijn de heeren druk op weg die menschen over het paard te tillen; de Huishoudelijke Kommissie benoemde onlangs den koncierge van het Gebouw, wiens gewichtige en hoofdbrekende werkzaamheden bestaan in het schoonhouden van de zaal en anexen, het aandragen van glaasjes water, stukken enz., tot Adjunct-commies voor den huishoudelijken dienst!quot;
Ter zijde latende of zoo\'n benoeming een aangenaam antecedent stelt voor de heeren naamdragers van dien titel op
181
de Ministeries, werkt zij in allen geval meê om zoo\'n man boven het gevoel van zijn stand te brengen, en een ras van beambten, dat nu al lastig op zijn plaats is te houden, nog meer over het paard te tillen.
Mogelijk is de tijd niet ver meer, dat de naam van jBodequot; (Foei, dat woord heeft ook zoo\'n vernederende afleiding!) tot de geschiedenis zal behooren, en men alleen nog maar hoort spreken van: gt;gt;Heeren klerken, kommiezen en referendarissen voor den huishoudelijke!! dienstquot;.
En zoo iets noemt men dan misschien wel een sliberalenquot;\' maatregel. We leven immers toch in den tijd van de »per-soonlijkequot; gelijkheid!
XXIII.
EEN HALF-UUR PAUZE.
De nominale tijd, vastgesteld voor den aanvang van de ochtendzittingen, is elf uur. En zoo er eenig belangrijk onderwerp aan de orde is, dat ook de aandacht van het publiek trekt, ziet men voor dat tijdstip al een lange queu van menschen, die op de opening van de deuren der openbare tribune op het Binnenhof staan te wachten *, de buitendeur, die open staat, geeft hun toegang tot het inwendige van het Gebouw. Maar als zij eenmaal de trap naar de bovenverdieping zijn opgeklommen, vinden zij de tweede deur, die onmiddellijk tot de tribune leidt, gesloten en bewaakt door een gewapenden grenadier.
De zitting is nog niet geopend, en het publiek dient dus eenig geduld uit te oefenen. Men verzamelt zich op het portaal, dichter en dichter opeengepakt door de steeds toestroo-mende luisteraars, totdat men zich niet meer bewegen kan, en de trap ook bezet wordt door een ladder van menschen, die elkander naar boven trachten te dringen. Er wordt onder het publiek gemopperd; horloges worden voor den dag gehaald; men vraagt elkander naar den tijd, wordt moe en
EEN HALF-UUR PAUZE.
begint van het eene been op het andere te steunen. En als het ongeduld en de verveling hun toppunt hebben bereikt, hoort men onder de aspirant-luisteraars allerlei klachten rijzen. j \'t Is toch al lang elf uur ! -— Zouden ze haast nog niet beginnen ?. . . . Wat voeren ze nu toch uit ?.. . . Ze konden wel wat beter op hun tijd passen, want ze moeten niet denken dat ik hier voor hün pleizier sta !quot;
Eindelijk, als de klok half-twaalf wijst (en soms nog wel later) klinkt het verlossingsteeken; het luiden van een bel, héél in de verte, flauw, achter heel veel deuren en muren. Zoodra dit signaal vernomen wordt, ontstaat er een nog grooter gedrang op trap en portaal, s Ziezoo, klinkt het op een toon van verluchting; nu begint de poppenkast. Vooruit jongens !\'\' En de Bode, die de tribune moet openen, heeft moeite door het publiek heên te dringen, en de galerij te ontsluiten.
Even ongeregeld als men in de Kamer met de opening der vergaderingen omspringt, even onzeker is het tijdstip, waarop de heeren een half uur pauze nemen, om van hun vermoeyende werkzaamheden uit te rusten en den imvendigen mensch te versterken. Gewoonlijk valt het tusschen één uur en half twee, maar vele bijomstandigheden werken aan de vaststelling er van meê. Is tegen één uur een spreker aan het woord, die nog, naar alle waarschijnlijkheid, een klein kwartiertje te babbelen heeft, dan laat de Voorzitter hem eerst zijne redevoering afmaken; of is er een stemming in het vooruitzicht, die bezwaarlijk vlak na de pauze plaats kan hebben, daar vele leden dan nog niet aanwezig zijn, dan ziet de President er geen bezwaar in het tijdstip wat te verschuiven en de belangrijke kwestie eerst af te doen.
184
EEN HALF-UUR PAUZE. 185
Daardoor is het Half-uur Pauze een zeer varieerend evenement in de zittingen van ons Lager-Huis. In gewone omstandigheden, d. w. z. als er geen stemmingen of gewichtige besluiten op handen zijn, en de aanwezigheid van alle leden niet in de vergadering vereischt wordt, laat de nadering van het vrije half-uurtje zich door allerlei uiterlijke kenteekenen voorspellen.
Toen de klok tegen e\'én uur begon te loopen, heeft zich een wandelmanie van de meeste leden meester gemaakt; men is eens naar den Voorzitter gegaan, heeft gekeken wie nog op het sprekerslijstje waren ingeschreven, is in een opkomend ongeduld tegen de muren en de ventilatie-schermen gaan leunen, en heeft herhaaldelijk de klok, die in de zaal hangt, en de horloges geraadpleegd. Op deze oeverture der ongeduldigheid is de eerste akte der daadwerkelijkheid gevolgd: eenige leden met hongerige magen en dorstige kelen zijn doodbedaard door de groene klapdeurtje verdwenen, met de handen in de zakken en den neus in den wind, als gingen zij voor een geheel andere reden de zaal uit. Niemand heeft hun heengaan bemerkt, en de Voorzitter, die nu ook zijn horloge raadpleegt, kijkt den spreker eens aan, en schijnt met zijne oogen de papiertjes met aanteekeningen te willen onderzoeken, om te zien hoe lang het nog duren zal.
Gelukkig, daar gaat de spreker zitten !
— Het woord is thans aan den heer X., zegt de President, maar ik stel voor vooraf een half-uur pauze te houden !
De vergadering wordt geschorst, en een verademing gaat door de zaal. Ineens heerscht er een zenuwachtige drukte, als bij het uitgaan eener school. De leden rijzen in hunne bankjes op, en eenige afgevaardigden, die zaten te suffen en het
i86
verwachte evenement niet gemerkt hebben, schrikken uit hun soes op. De Voorzitter en de leden van het bureau verlaten het troontje onder den ledikantshemel, en iedereen dringt naar de groene klapdeurtjes. Aan de vier uitgangen der zaal ontstaat eenige oogenblikken een haastig gedraaf, totdat alle afgevaardigden er uit zijn, en de deurtjes meteen luyen, lammen bons achter hunne ruggen dichtklappen.
Ook de tribunes loopen leeg, terwijl eenige kijkers die nog wat blijven talmen en den aftocht van de leden bespieden, door ongeduldige gebaren van de Bodes tot een spoedig vertrek worden aangedreven. Op de twee verdiepingen hooge trap klinkt een roffelend gebons van aftrekkende luisteraars, doorhakt van luide uitroepen en hardop gemaakte aanmerkingen, die men elkander toeschreeuwt. En het geluid zakt lager en lager weg in de diepte van den trapkoker en vloeit door de openstaande straatdeur het Binnenhof op.
De schildwacht boven geeuwt, en kijkt over de leuning van de trap of men hem nog niet komt aflossen! Niets ziende, hurkt hij tegen den muur neer, moe van het langdurige staan, omgeven door de verschrikkelijke, heilige stilte van het enorme gebouw.
En rond hem heerscht de plechtige geluidenloosheid van een Kathedraal, met alleen nog eenige zwakke klankjes en stemmetjes, piepig en ver, ergens in de stad buiten.
Buiten, op de vlakte van het Binnenhof, anders tamelijk stil en eenzaam, met alleen weinige voetgangers, die recht voorbijtrekken van het Buitenhof naar het Plein, ontstaat ineens een bedrijvige drukte. Het is daar alsof een schouwburg uitgaat. Uit twee deuren, aan de beide uiteinden
EEN HALF-UUR PAUZE. 187
van het Gebouw der Tweede-Kamer, loopen plotseling twee dichte stroomen van menschen de straat op, dun aan het begin, bij de deuren, maar zich waayerachtig aan de uiteinden verbreedend, de afzonderlijke gestalten over de vlakte spikkelend.
Aan den linkschen kant vindt men de tribune-bezoekers terug, langzaam slenterend, en niet wetend hoe het half uur er door te brengen; zij diskussieeren nog over de gehouden redevoeringen, voortwandelend in groepjes van twee en drie, en elkaêr de leden aanwijzend en bij de namen noemend, die uit de hoofddeur te voorschijn komen. Alleen schieten eenige joernalisten uit hun massa vooruit, met zenuwachtige stappen en pompende armen, om hun gang te versnellen.
Aan den rechtschen kant, door den hoofduitgang, verschijnen de haastige figuren van eenige Kamerleden, meestal alleen; het zijn de heeren, die buiten het Gebouw, op hunne kamers of op de Societeit, gaan koffiedrinken, \'t Eerst de deur uit is Van Kerkwijk, zonder overjas, met lange passen, hier en daar op het Binnenhof kennissen groetend, dwarsuit marchee-rend, en zijn vaart schuin over de vlakte nemend, naar de zijde van de Witte. Dan de kolossus-figuren van den Kermis-Herkules, van den zwaayenden Schaepman, met een verschrikkelijk lange jas die achter hem op den wind zwiert, enorme, neerplompende stappen, en met zijn Rabelais-gestalte door de poort van het Buitenhof verdwijnend: men fluistert als hij voorbij komt, stoot elkander aan, lacht en ziet hem na. Vervolgens de kleine, slordige A. Van Dedem, met sleepende stappen en bungelende armen; de kaarsrechte Gleichman, met zijn planken rug en houten gezicht, onbeweeglijk in zijn
EEN HALF-UUR PAUZE.
pedanterie; de geaffaireerde Goeman Borgesius, vooroverloo pend, in snellen vaart; de slingerapende Haffmanns, de grijnzende Alexander Schimmelpenninck, de raarcheerende Generaal Van der Scbrieck, de sjoviale Brouwers en nog vele andere.
En deze geheele bende, met tusschenpoozen nog door eenige leden gevolgd, neemt in zenuwachtige drukte haar gang schuin over het Binnenhof. De leden halen elkander in, loepen elkaêr voorbij, een woord wisselend, een groet toewerpend, om weinige oogenblikken later een pratend en etend lawaai in de groote zaal van de Witte te veroorzaken, waar zij groepen vormen rond eenige tafeltjes, haastig hunne bestellingen doen, en schrokkend drinken en eten. Zij herscheppen de zaal in een Koffiekamer van een Opera, waar in een entre-acte de heeren luid pratend een glas bier komen drinken en een cigaar rooken; zij doen de knechts heên en weer draven, trekken de aandacht van het publiek, dat hunne namen fluistert, en rammelen met messen en borden.
Maar ook in de korridors van de Kamer heerscht een dravende opgewondenheid. Kamerleden, stenografen en bodes krioelen in de gangen dooreen. En in de Koffiekamer wordt het buffet bestormd; de dochters van den kon-cierge hebben geen handen genoeg om de heeren op tijd te bedienen; de leden loopen met borden en kopjes in hun hand op en neer, vormen pratende groepen, geleund tegen stoelen, rechtsopstaande wijdbeens, of zittend op de banken in losse houdingen.
Weldra vult een dichte sigarendamp de Koffiekamer, die eerst naar het plafond trekt, maar lager en lager komt te zakken, totdat alle gestalten er in gehuld zijn, schimachtig en
j 88
EEN HALF-UUR PAUZE. 189
moeilijk herkenbaar in de verte. De stemmen beginnen luider te klinken, dooreen kakelend, een geroesemoes van klanken vormend, en op laatst heerscht er zóó\'n lawaai en zóó\'n damp, dat men zich in een herberg kan wanen, waar booze mannen elkander nijdig toespreken.
De vergaderzaal staat ondertusschen koud en kaal in haar wit licht, dat loodrecht uit den glazen koepel naar beneden schiet; de gouden banden der bankjes blinken, het groen is deftig en ernstig, het rood schreeuwt en piept overal tusschen-door, en het witte papier lijkt op de blaêren van een reuzen-berk, die in een storm al zijn gebladerte heeft afgeschud.
Het is doodstil binnen, met de stilte van een dorpskerk op een heeten zomerdag, als de bevolking in het veld werkt; er heerscht een gebruikte wanorde; boeken, stukken, leege glazen, stoelen, portefeuilles zijn van hun plaats; en alleen de vier witte wanden en het koepeldak, reinwit, helwit, krijtwit, glad wit als gestreken, hebben een net, ordelijk uiterlijk bewaard.
Af en toe dringt een verwijderd geluid binnen, verzwakt en héél uit de verte, en sterft flauw weg in de absorbeerende stilte.
Eindelijk komt een Kamerlid binnen; de bons van het klapdeurtje is duidelijk hoorbaar en ook zijne stappen op het vloerkleed. Hij zet zich op zijn bank neer, en begint te schrijven.
Zijn pen krast over het papier, als het krabbelen van een vogeltje in de dorre blaêren.
En opeens klinken twee stemmen en een lach van achter een der schennen.
Ook van de andere zijde slenteren een paar leden binnen.
De pauze loopt ten einde.
IM MEMORIAM.
I.
Mr. G. M. VAN DER LINDEN.
De opening der Kamers op i Mei 188S is voor de trouwe tribune-bezoekers een soort van s premièrequot; geweest. Er was wat nieuws te zien, want kort na de plechtigheid op het middaguur opende de vergadering van »Honderdquot; voor het eerst hare deuren voor het publiek.
Alle zitplaatsen waren dan ook onmiddellijk na de ontsluiting der toegangen door een dringende menigte ingenomen, en alle verdere holletjes en gaatjes door staande kijkers opgevuld.
Een geagiteerd gefluister steeg uit deze menschenhoopen aan de twee uiteinden der zaal op; een nieuwsgierig gerekhals hield haar voortdurend in beweging. Men was gekomen om het aanzien der zaal te bekijken, om de nieuwe »koppenquot; te zien, en de primeurs van deze publieke vertooning \'s-middags door de stad mee te nemen ; men zei aan tafel tot zijn vrouw :
Mr. G. M. VAN DER LINDEN. 191
,,Ik ben in de Kamer geweest; wat is die Okma me meegevallen. Van der Schriek presideerde; wat kan je zien, dat die man vroeger militair geweest is ; als hij spreekt, is quot;t alsof hij kommandeert, en als hij stemt, alsof hij »halt !quot; schreeuwt. — Hij zou er wel goed uitzien met een Fransche képie op ; een mooye kop voor een Franschen generaal uit een illustratie! — Vroeger presideerde Blussé altijd de eerste zittingen, als het oudste lid in jaren. — Hij sdeedquot; daar goed op den Voorzittersstoel; «jammer dat die dood is l\'1
Velen zullen zeker in deze nieuwe Kamer onder de vreemde gezichten der laatst-aangekomenen met leedwezen naar eenige bekende figuren uitgekeken hebben, die hun bij vroegere bezoeken zoo dadelijk in het oog vielen, karakteristieke gestalten, zoo bekend uit Uylenspiegel of S p e c t a to r, en waarnaar men zelfs vroeg bij zijne eerste visite aan deze vergaderzaal. Nog hoorde men de tribuneklantjes, die over de balie hingen te gapen, wel roepen; »Kijk, daar heb je Kerkwijk, en daar Schaepman met Fabius. Wat zit Haffmanns er vandaag stilletjes bij! Met wien staat v. d. Loeff te spreken ? Is dit Geertsema niet ? Osenbruggen heeft zijn baardje laten knippen ; net een Hongaarsch officiertje nu 1quot;
Maar telkens ook klonk het; »Wie is daar ? Dien ken ik niet! En die daar, die groote man met zijn baard en gescheiden haar? Zoo dat nu Bosgra zijn? Ja, dat moet wel!quot;
En de beide buurlui aan het zoeken en rondkijken, snuffelen met hun blikken in de zaal, achter de ruggen der andere leden, over alle bankjes!
Weinigen echter, tenzij oude getrouwen uit het publiek, die de koppen der leden als \'t ware in hun oogen meedragen.
Mr. G. M. VAN DER LINDEN.
zullen eenige grijze hoofden gemist hebben, die men toch zoo graag nog een tijd had willen zien afsteken tegen den achtergrond van zwarte jassen, kale schedels, groene banken en roode vloerkleeden — hoofden, die de Kamer zoo goed »kleedden,quot; die hielpen om aan de vergadering een eerwaardig uiterlijk te geven, een deftig cachet over de beraadslagingen wierpen, iets geposeerds, die stille bekoring van lange, lange, oude jaren uit het Nederlandsche politieke leven. Hoe zal ik ze noemen? De svieux de la v i e i 11 e\'\', de oudstrijders, mannen van het staatkundig Metalen Kruis, de grijsaards onzer Grondwet, de mannen van het jaar \'48 !
Wanneer zij het woord kregen, liep men toe van alle banken om te luisteren, opdat men wist dat zij iets te »zeggenquot; hadden wat anderen niet méér wisten, daar het al zoo soudquot; was, omdat zij je nu iets vertellen zouden, dat zoo gemoedelijk, zoo braaf uit den mond des ouderdoms klonk, omdat zij weer een stuk histoire ancienne zouden maken voor de Handelingen der Kamer ! Die oude, witte koppen waren dan door dikke rijen van jeugdiger hoofden omringd, door jongere leden, die tegen hen op konden zien. En hun woorden klonken als een stem héél uit de verte onzer geschiedenis, van een vorig geslacht van afgevaardigden dat nog eens aan de debatten deel kwam nemen, het weder opleven der Parlementaire legenden, het nagalmen der echoos uit de korridors van het Gebouw, die men mogelijk van \'48 af voor goed tot zwijgen dacht gebracht.
Ik bedoel hier in de eerste plaats de grijze figuur van een Engelschen puritein, toebehoorend aan den heer Corver Hooft, die met een loeyende stem, als een buikspreker diep uit een
192
Mr. G. M. VAN DER LINDEN.
graf, waarschuwende galmen de Kamer in bromde, met een dreigend vingerschudden op een profetischen toon naar de kant van de Ministerstafel het »bezint eer gij begint\'\' riep — een droge, magere grijsaard met opgeruimd gemoed, een ouder-wetschen humor, en woordjes die hèèl eventjes ondeugend waren.
Dan de joviale gestalte van Blussé, die, den buik vooruit, de haren in den wind, en een scheeven neus onder een schalksch, ■libertijnsch oog, met een studentikooze s a n s-g ê n e \'tje wel eens uitleggen zou, zie-je, zoo leukweg; nou ja, op de woorden «kwam \'t zoo precies niet aan, je begreep \'t toch wel ! En een kwinkslag deed de vergadering ineens uitschateren, een plotselinge ui, waarop niemand gerekend had, en die half als een entre-noustje tegen een kennis in de buurt, toch hard genoeg gezegd werd, dat iedereen hem kon verstaan. Als iemand, die vele jaren met de heilige vormen heeft omgegaan, zoodat de eerste bekoring en eerbied er af zijn, als een oud-man, die zich meer vrijheden dan een ander mag permiteeren, als een vriend, ook uit het dagelijksche leven, van de voornaamste leden der Kamer, sprak hij zelden meer van »de geachte afgevaardigde van zoo en zoo,quot; maar noemde de heeren maar rondweg bij hun familienaam. En dan hoorde men ; »Neen, Van Delden had ongelijk, toen-d-ie zee —quot; of sik herinner me de jaren nog, dat Gratama anders sprak.quot;
Och, en men ergerde er zich niet aan; hij meende het toch
even goed, vond men, en zoo\'n klein jovialiteitje____Zoo nauw
moest je met hem maar niet kijken !
En eindelijk depère noble figuur der vergadering, de grij ze, hooge, zwaarlijvige gestalte van »Vaderquot; van der Linden!
Een open, eerlijk, vriendelijk gelaat, geheel omkranst door
13
194
wit haar, als door een aureool van grijsheid, breed en mei rimpels doorploegd, wekte bij den eersten aanblik de herinnering op aan het hoofd van Victor Hugo, met een placide uitdrukking in de trekken, iets hoog-reins, iets verheven-kalms, iets stil-ouds. Hij was een groote, zwaarlijvige man, die, met de voeten schuin uit, zijn hoog, breedgeschouderd lichaam met een langzame bedaardheid deed voortschommelen; hij waggelde en liep met een soort van majestueuse omslachtigheid, zooals zwaarlijvige menschen, die op hun ouden dag aan de beenen sukkelen. Meestal was zijn hoofd door een breedgeranden Garibaldi-hoed gedekt, die een tintige schaduw wierp op den ouderdom van het gelaat, dat er dan in een heerlijk halflicht onder uitkwam, als van een grijsaard voor een oud regenten-stuk.
Ook verplaatste hij zich niet meer in de zaal met de vlugheid der jongere leden. Reeds lang had hij de zilveren bruiloft van zijn lidmaatschap op de groene banken gevierd; zijne gestalte, jaren geleden, vlugger van bewegingen, donkerder van haarkleur, en met levendiger oogopslag, had, wie weet hoeveel honderde malen, door de gangpaadjes gezworven, op op de bankjes aan alle zijden uitgerust, geleund tegen de muren, gezeten op de trede van den troon..., En nu, gesleten door het geschuivel en gewrijf, vergrijsd te midden van het onveranderlijke groen en rood der zaal, hoog opgeklommen in jaren tusschen het jeugdig gekrioel van een opkomend geslacht, doorgesproken, terwijl zijn stem als uit een verder en verder verschiet tot de telkens vernieuwende schare zijner toehoorders begon te klinken — werden zijne bewegingen strammer, zijne gebaren breeder, zijn hoofdknikken menigvuldiger. Het was voor den grijsaard een heelen tocht geworden om van zijn
Mr. G. M. VAN DER LINDEN. 195
woning in het Westeinde naar het huis van zijn Parlementair leven op het Binnenhof te wandelen, en als hij de wijde trappen was opgeklommen, en eindelijk door een der groene klapdeurtjes de oude balzaal der Nassaus binnenschommelde, was het niet meer met den veerkrachtigen, gespierden tred der forsche cavaliers, die vroeger dezen dansvloer betraden, maar met den rustigen, massieven stap van een eerwaardig, oud man, wiens beenen den weg van zelf al kenden, en die zich meevoeren liet in de richting, welke zij jaren lang zoo herhaaldelijk hadden afgelegd. En nauwelijks bij de bureaus gekomen en na een hand met den griffier geschud of een praatje met den Voorzitter gemaakt te hebben, zette hij zijn naam op de presentie-lijst en bleef dan tegen het bureau staan leunen.
Zijne oogen dwaalden door de zaal, zagen eens links, zagen eens rechts, met het langzaam gemak van iemand, die zijn omgeving door en door kent, en er eenige kleinigheden in wil verifieeren. Was die er? En die er? En Wintgens? Ja! En zoo sukkelden zijne blikken eens in de rondte, hielden zich met dingen bezig, die niet waren na te speuren, met de kleine aanwendsels en gewoontetjes van een oud man. Dan kwamen hem daar verschillende leden aanspreken, die een handdruk wisselden, een gesprekje aanknoopten met den grijsaard, die altijd vriendelijk, goedhartig, met den placiden oogopslag in het grijze Hago-gelaat, bedaard en langzaam de woorden aan zijn lippen liet ontvallen.
En zooals hij daar stond, met een elleboog op de tafel geleund, het lichaam een weinig ter zijde gebogen, den anderen arm met een scherpen hoek op de uitkomende heup, en het witte
196 Mr. G. M. VAN DER LINDEX.
hoofd van een reinen ouderdom geprofileerd tegen het groene fond van den hemel boven de bureaus, terwijl eenige jongere afgevaardigden om hem heên stonden, geleek hij op een eerwaar-digen Patriarch te midden zijner leerlingen, een soort van Parlementairen Apostel, een modernen Mozes met geknipten baard, een smetteloozen Hoogepriester, wiens woorden met eerbiedige aandacht werden aangehoord!
Eens op zijn plaats gezeten, duurde het gewoonlijk een ganschen middag voor hij ze weêr verliet. Daar hij op een der achterste bankjes, dus op het hoogste punt van het amfitheater zat, kon hij de geheele zaal makkelijk overzien. Hij richtte zich daar op zijn gemak in, maakte een praatje met zijn buurman Van Delden, of met zijne andere vrienden, die hem daar kwamen opzoeken, hield aanteekeningen over de redevoeringen die hem interesseerden, en troonde in de moeilijke zwaarlijvigheid van een ouden goedigen papa. Wanneer men, als de Minister Heemskerk aan het woord was, aan alle zijden de treden van het amfitheater verliet, en neerstroomde naar de voorste bankjes en de ruimte tusschen de bureaus en de Ministerstafel, bleef de heer Van der Linden alléén op het verlaten slagveld der bankjes achter, te midden van den rommel papieren, opengeslagen boeken, registers en inktkokers. En van zijn verheven observatiepunt keek hij neêr op het gewoel onder hem, onbeweeglijk als het symbool van den ouderdom en de traditie uitstekend boven het drijven der jeugdiger lagen der maatschappij: de zich niet meer bewegende grijsheid boven de drukke aktiviteit van een jong anthoesiasme.
In de laatste jaren voerde hij zelden het woord meer •, maar wanneer dit nog eens bij uitzondering geschiedde, dan was
197
dit een evenement in de Kamer. Niemand bleef op zijn plaats, en allen stroomden toe om te luisteren. Een dikke, zwarte hoop van menschen was om hem geschaard, die af en toe door een zachten lach bewogen werd. De toon zijner speechen had iets paterns,rondborstigs-goedmoedig,beschermends en kalm-logiesch. De kwestie liep bijv. over eene interpellatie over het Haagsche Bosch, en dan hoorde men den ouden heer Van der Linden met een vaderlijke verwondering in zijne stem uitroepen: igt;Maar die boomen hebben daar al zoo lang gestaan — zoo lang gestaan. — Ze stonden er al nét zoo toen ik nog jong was. — En niemand dacht er aan er zoo in te gaan kappen, ze zoo te
mishandelen, en ze groeiden toen toch ook goed.--En
waarom dat dan nu gedaan! — Is dat misschien wêer zoo\'n treurige uitvinding van wat de menschen noemen de »modernequot; wetenschap? Nu, mogelijk was de wetenschap van mijn tijd dan niet zoo modern, maar in allen geval was ze dan kunstvoller, maar \'t werd zoo niet allemaal met lijntjes en systeempjes afgepast, en de boomen groeiden toch ook prachtig.... Floris V heeft er.... nu, en dat was zelfs vóór mijn tijd — die heeft er immers in gejaagd, maar heeft één van de heeren er ooit van gehoord, dat die er een bende houthakkers in joeg om die reuzen van het woud... die.. .. prachtvolle wonderen van God\'s schepping te gaan snoeien en hakken en vellen, om de hemel weet welke ingenieuse reden!?... Die boomen hebben daar al zoo lang gestaan!quot;
Zóó kon hij gezellig babbelen en keuvelen en klachten aanheffen, met nu en dan eens een kwinkslag, een ui van een oud-heer, die met zijn lijd koketteert en er de anderen mee voor den gek houdt De vorm zijner redevoeringen was dan
198 Mr. G. M. VAN DER LINDEN.
ook zelden bijzonder verzorgd, en ze deden meestal aan een huiselijke keuvelarij, een dessertpraatje denken, doorspekt met wijze raadgevingen, voorbeelden uit zijn jeugd, vergelijkingen uit vroegere jaren, een groote ondervinding van het politieke leven en streven van zijn volk, een medelijdend hart voor zijn afdwalingen, en het stevige anthoesiasme voor zijn naam en eer van een overtuigd en overtuigend grijsaard.
Zijn nog krachtig orgaan, hol en doffig door een vaderlijke, eenvoudige gemoedelijkheid, kon met lange traineeringen, galmen onder het koepeldak, met liefelijken aandrang een argument herhalen, zich met de breede openhartigheid van een père noble verwonderen over een dwaalbegrip, een hatelijkheid tusschen christenen, een onnoodige heftigheid van verwoede leiders.
En altijd daalde er uit zijn mond een geest van verbroedering, van kalmte, van verdraagzaamheid op zijn gehoor neêr, die na een redevoering in de vergadering geen opgewonden geloop, geen heftig gediskussieer naliet, maar de leden hunne plaatsen weer deed opzoeken met een zachten glimlach van tevredenheid om de lippen, een rustiger uitdrukking in de oogen, en een bekoelden strijdlust.
In den heftigen partijstrijd, die steeds in scherpte toeneemt, te midden van de strijdlustige politici in de Kamer, die elkander venijniger bekampen met luidruchtiger gebaren en woester woorden, was Van der Linden de laatste grijze Bard der politieke verdraagzaamheid, de Deken van het uitgestorven gilde der overgangsmannen, de politieke Methuzalem op wiens hoofd de sneeuw van den staatkundigen winter was neêrge-vallen, de Johannes-de-Dooper van vele moderne wetten, en
igo
een der Zeven Wijzen, die zijn leven lang optrok om hulde te brengen aan de konstitutioneele monarchie en het gematigd liberalisme.
Weinige der tegenwoordige Kamerleden zullen zich den ouden heer Van der Linden anders kunnen voorstellen dan zooals hij zich in de laatste jaren voordeed, maar niemand zal behoeven herinnerd te worden, dat deze Dordtsche afgevaardigde een krachtig man geweest is, die de beste jaren van zijn leven in dienst van zijn vaderland heeft doorgebracht; in het tijdperk onzer staatkundige geschiedenis vervat tusschen de Grondwetten van 1848 en 1887 heeft Van der Linden vooraan gestaan in de voorhoede der liberale Kamerklub, als spreker, als medewerker aan verscheiden wetsvoorstellen, als vrijzinnige geest en, op later leeftijd, ook als een der leiders.
Maar dat de politieke zorgen en beslommeringen iemand niet altoos vóór de jaren oud en afgeleefd behoeven te maken, bewees deze fraaye figuur uit onze Tweede-Kamer, die, ofschoon oud van jaren, nog opgewekt en vroolijk van geest kon zijn: een sterk voorbeeld van een dikwijls opflikkerende, groene jeugd in een grijzen ouderdom.
II.
Mr. A. J. H. VAN BAAR.
lederen winter, in de donkere dagen voor Kerstmis, wanneer om drie uur reeds de gaskroontjes langs de muren aangestoken en de groene gordijnen dichtgetrokken worden, kon men in de vergaderzaal der Tweede-Kamer hetzelfde tooneeltje aanschouwen.
Een magere man, die voorover loopt op groote, schuine voeten, met afgezakte dominéesschouders, en een hoog, kaalgeschoren, peervormig hoofd, met zachte, slappe lijnen en diepe oogkassen — een ouderwetsch hoofd, zonder frissche trekken, een getint gezicht met rimpels, en dat de gedachte opwekt alsof de persoon veel in zich zeiven praat — komt van een der bovenste banken der rechterzijde afwandelen. Langzaam, in zijn zwart fantaisie-pak met langgepand jasje, loopt hij de groote ruimte tusschen de Ministerstafel en de stenografenbank over, voortdurend naar den grond kijkend, als zocht hij iets. Dan gaat hij een weinig naar den linker-
Mr. A. J. H. VAN BAAR. 20I
kant af, en plaatst zich met den rug in een leunende houding tegen de bureaus, vlak vóór de beide komiezen-griffier, die in de haren van zijn achterhoofd kunnen zien, dat juist even boven het groene vlak der tafel uitsteekt. Onmiddellijk verdwijnt de rechterhand in een zijner zakken, en wordt er tusschen andere papieren een exemplaar van »De Tijdquot; te voorschijn gehaald. En met het omslachtige, nauwlettende geduld van een man, die op jaren komt, wordt de koerant eerst geheel opengevouwen, om daarna eenige malen langs de lengtelijn te worden ingeslagen, zoodat het exemplaar een lange, smalle reep wordt, waarvan het boveneinde zich dicht bij de oogen bevindt en het ondereind tot den buik reikt.
Dan mogen vrij de debatten in heftigheid toenemen, de Voorzitter boven zijn hoofd met den hamer om stilte kloppen, de Kamer geheel van aanzien veranderen —- de heer Van Baar blijft ongestoord, als iemand, die in een andere waereld leeft, zijn koerantje doorlezen. De leden dringen rond hem heên, de stenografen loopen af en aan, wetsartikelen worden in stemming gebracht, de werkzaamheden vervolgen haar dagelijkschen loop: tot het oogenblik van het eindigen der zitting vindt men, in de namiddagen dier donkere wintervergaderingen, de leunende, oudachtige gestalte, met het gebogen, zwijgende hoofd van den afgevaardigde uit Eindhoven, op hetzelfde plaatsje terug.
Er is slechts ééne bezigheid, die hem voor een oogenblik zijne aandachtige lektuur kan doen staken....
Men moet hem tegen vier uur nauwkeurig blijven waarnemen. En dan ziet men het volgende gebeuren. Eensklaps heft het hoofd zich uit zijn gebukte houding op, en dwalen de
202 Mr. A. J. H. VAN BAAR.
vage blikken, als waren zijne gedachten nog met geheel iets anders bezig, even door de hooge ruimte der zaal. Maar spoedig buigt het hoofd zich weer, want hij schijnt het slot van den laatsten volzin vergeten te hebben, en moet dien nog eens overlezen. Dan wordt in eene aarzelende, zoekende nauwgezetheid met den nagel een schrapje in de koerant gegrift, om precies te weten waar hij opgehouden is, en het blad ter zijde gelegd. Weêr verdwijnt zijn hand in een der zakken, en haalt er ditmaal een schoonen, opgevouwen zakdoek uit te voorschijn, die met grooten zorg aan een der hoekjes vastgenomen, en langzaam uit de vouwen geschud wordt. En dan spreidt de doek zich als een reusachtige, witte lap uit, die met zijne krachtige blankheid schel afsteekt tegen de donkere, sombere kleuren der tonige omgeving, en den afgevaardigde tot de hielen neerhangt. De punt, welke hij tusschen de vingers houdt, wordt onmiddellijk nauwkeurig bekeken, maar niet goedgekeurd; en de zoom van den zakdoek tusschen duim en wijsvinger latende doorschuiven, worden één voor één de vier hoeken aan een onderzoek onderworpen. Na nog eens geaarzeld en zich bedacht te hebben, valt zijn keus, zonder dat na te gaan is om welke reden, op een punt, die hij reeds een paar maal beschouwd heeft, en zonder te weifelen wordt ze dan naar den neus gebracht, en vangt een geblaas en gesnuif aan, dat, vergezeld met schuddende schokken van het hoofd, langzaam uitsterft in een ris van kleine zuchtjes en blaasjes.
Het proces is dan echter nog niet afgeloopen, want, volgens de gewoonte van vele menschen, wil ook hij eerst het gebruikte puntje eens openspalken, om te zien wat er zich in bevindt; en eindelijk na dit kleine onderzoek, dat nooit vergeten wordt
Mr. A. J. H. VAN BAAR. 2O3
knijpt hij het hoekje dicht, en slingert het afhangende einde van den reusachtigen doek met lange zwaayen, als een witte molenwiek, om en om, totdat hij een soort van konijnvormige rol in de hand houdt, waarmee met zachte streken de neus aan beide zijden wordt afgepoetst!
Dan verdwijnt de doek weer in een onzichtbaren zak, en hervat hij de lektuur van »De Tijdquot; bij het ingekraste streepje.
Maar niet altijd is de houding van dezen afgevaardigde uit Eindhoven eene even zwijgende en lijdzame. In sommige stadia van het Parlementair debat schijnt hij door eenegroote welbespraaktheid te worden overmeesterd. Ieder oogenblik, over alle kwesties, bij een wet op den kinderarbeid evengoed als over de suikerkuituur of de heerendiensten, over de\'verbetering van een oud haventje of over den census, over een geschorsten schoolmeester of over de privilegiën van de Kroon, kortom over de meest heterogene onderwerpen gevoelt hij behoefte der Kamer zijn oordeel of vaderlijken raad ten beste te geven. Altijd begint hij zijn redevoering met den, in de gewelven der Vergaderzaal klassiek geworden, uitroep; -- Meneer de Pres-jedent!quot;, en dan volgt, in een Erabantschen tongval, eene verschrikkelijke moordpartij van Hollandsche zinnen, die meestal zonder kop of staart, met gebroken lenden of geknakte rug-gegraat, dooreengehaspeld en geradbraakt, in een soepigen straal hem uit den mond loopen. Nu eens poogt hij een vergelijking te maken, maar kan, na het eerste gedeelte gevonden te hebben, niet op het tweede komen, slaat het dan over, en strompelt verder; dan weer wil hij zijn boosheid in een klimax van verontwaardigingen lucht geven, neemt zijn eerste woord
204 Mr. A. J. H. VAN BAAR.
te sterk, is dan in de onmogelijkheid om nog krachtiger uitdrukkingen te maken, blijft in zijn klimax steken, verharre-wart zich, duikt eenige sekonden achter een stuk papier weg, wipt dan met zijn hoofd weer te voorschijn, en hakkelt en sukkelt voort op de manke beenen zijner hinkende volzinnen.
Ook de inhoud dezer redevoeringen schijnt naar een vast patroon te worden samengesteld. Want na eerst verklaard te hebben, dat hij geen sspesjaleteitquot; in de aanhangige kwestie is, en daarom de sclemensiequot; zijner toehoorders inroept, holt en draaft hij eenige oogenblikken later, in een gefutsel van zinledige frasen, in algemeene beschouwingen voort; tracht, met veel gallicismen (zeker door de nabijheid zijner woonplaats bij de Belgische grenzen) de zaak jè, fondquot; te behandelen, doet uitkomen, dat de rechterzijde alles »pour le mieuxquot; zou in orde brengen, en beproeft dan sde heeren van de overzijdequot; of sde zoogenaamde liberalenquot; in een bespottelijk daglicht te stellen. Gewoonlijk eindigt hij zijn betoog met eene vaderlijke raadgeving, een gemoedelijken wenk, of het rustig idealisme van een door-en-door eerlijk, goedhartig, braaf oud-heertje.
Het woeligste en lachwekkendste moment dezer Parlementaire betoogen breekt eerst aan, wanneer de heer Blussé, met zijne zilvergrijze, hoog opgekuifde haren, op een bank in zijne onmiddellijke omgeving neerzinkt, of de heer Lieftinck zich, met de handen in de zakken, vlak voor hem plaatst, en een van beiden hem telkens in de rede valt, luide een opmerking maakt, of hem midden in een zin een vraag doet. Deze twee volbloed bullen, die het schamele huishondje, van duizendmaal gekruist ras, met een koppige volharding aanbassen.
Mr. J. A. H. VAN BAAR. 205
brengen leven in de brouwerij. De heer Van Baar is dan verplicht kleine apartjes te houden, terzijde verklaringen toe te fluisteren, of goedmoedige wenkjes te geven, die meestal slechts door weinigen gehoord kunnen worden, maar gewoonlijk zeer geestig schijnen te wezen, daar ze zijn vrienden in luide lachbuyen doen uitbarsten.
Maar de heer Van Baar is altijd gelijk gehumeurd, maakt zich hoogst zelden boos, en vervolgt, deze hinderpalen niet achtende, met bewonderenswaardige goedmoedigheid, over de Parlementaire bergen en dalen heên, zijn geakcidenteerde redevoeringen.
Nu en dan maakt deze Demosthenes met de beenen in de lucht, het der Kamer te bont, en wanneer hij voor den derden keer of op een laten Vrijdagmiddag, als de heeren op het punt staan naar hunne haardsteden terug te keeren, aan den Voorzitter het woord vraagt, gebeurt het niet zelden, dat de heer Van Kerkwijk, nog onrustiger en ongeduldiger dan gewoonlijk, luid »Stemmen! Stemmen!quot; begint te roepen, verscheiden leden op hunne bankjes heen en weêr schuiven, of zenuwachtig af en aan gaan loopen, en zelfs zijn partijge-nooten een afkeurend dof gebrom doen hooren, als een windvlaag, die in de verte door een bosch trekt.
Toch bestaat er een vriendschappelijke verhouding tusschen den heer Van Baar en de Kamer; beide zijn niet kwalijk-nemend, en vergeven elkander spoedig een kleine stoutigheid. Want wanneer deze afgevaardigde na een langdurige, ernstige ziekte, of na eene tijdelijke afwezigheid, voor het eerst weêr in de Kamer verschijnt, als een goedhartig, braaf oudheertje door de zaal drentelend, worden hem van alle zijden
2o6
handen toegestoken, klopt men hem op den schouder, bekijkt hem schertsend van onderen tot boven, om te zien hoe hij zich gehouden heeftquot;, en de heer Van Baar schudt met hartelijkheid de hem gereikte handen, lacht in een zachte tevredenheid, dankt met een vriendelijk woord, en gaat \'s middags rustig, als een man die zijne gewoonten eerbiedigt, »De Tijdquot; weer staan lezen of zijn neus-snuit-operatie herhalen.
III.
Mr. J. R. CORVER HOOFT.
Iedere half-eemv laat op den aardbodem, eenigen tijd- na haar verstrijken, nog typen van maatschappelijke standen en politieke partijen achter, die gedurende hunne laatste levensdagen het nageslacht als toonbeelden van een vervlogen tijdperk worden voorgehouden.
Als type eener vervlogen staatkundige partij uit de eerste helft dezer eeuw mag men gerust de »conservatievenquot; noemen, en als type in dat type: Mr. J. R. Corver Hooft.
Men behoeft nog geen grijze haren te bezitten, om zich te kunnen herinneren hoe op de groene bankjes der rechterzijde, ingesloten door de antirevolutionairen, rechts, en door de katholieken, links, een klein troepje oudachtige heeren bijeenzat, stil, deftig, die weinig met de overige Kamerleden keuvelden, en zich bizonder bankvast toonden : het waren »les vieux de la vieillequot;, de laatste bresverdedigers van het Hollandsche konser-vatisme, de heeren de Casembroot, Graaf Rutger Jan Schimmel-
2o8 mk- j. r. corver hooft.
penninck, bijgenaamd de „Bierlokquot;, Mr. W. Wintgens, en Mr. J. R. Corver Hooft, met één jongen spring-in-\'t-veld: den heer Insinger. En nu, na slechts een luttel aantal jaren, staart het politiek-minnend Nederland met treurige blikken op de puin-hoopen eener staatkundige fraktie, waarvan de laatste, moedige verdedigers één voor één, met hangend hoofd en hangende armen de stukgeschoten, smeulende overblijfselen verlaten. Hun verdwijnen doet aan een kooi met parkietjes denken, waarin na een sterfgeval spoedig meerdere vogeltjes de eerste in het graf volgen, daar de diertjes niet zonder elkander kunnen leven. Zóó ging het ook met de konservatieve partij in onze Tweede-Kamer! Wee, wee, wat is thans van haar overgebleven !
Hare beklagenswaardige tragedie is in weinig regelen verhaald. Admiraal de Casembroot trok zich uit het staatkundige leven terug, de heer Insinger volgde zijn voorbeeld, de heer Wintgens volgde weêr diens voorbeeld. Graaf Rutger Jan sneuvelde bij de stembus, Alexander Schimmelpenninck van Nyen-beek, de gevlekte kandidaat, liep over naar een antirevolutionair distrikt, en de laatste der Mohikanen, de heer Corver Hooft\' strijdensmoede, zal er bij de periodieke verkiezingen eveneens het bijltje bij neerleggen.
Wij zullen hem dus binnenkort moeten missen, dat unieke, prachtige type van den eerwaardigen, oprechten, Hollandschen Staatsman! Politieke figuren als hij worden niet meer geboren, en laten we dus nog éénmaal een blik op hem werpen, eer hij ten grave daalt.
Dadelijk bij een bezoek aan de vergaderzaal wijst het oog ons den weg in de mengelmoes van ruggen, hoofden en jas-
MK J. R. CORVER HOOFT. 20g
sen, en men behoeft niet meer aan zijn buurman naar de teekenen des onderscheids tusschen den modernen Staatsman en dien van den ouden stempel te vragen. Ziet ge nieuwer-wetsche jasjes, colberts, pandjasjes, lustre zomerkleeding of lichte fantaisie-kleêren, ge kunt zeker zijn een Kamerlid van het laatste baksel voor u te hebben, meestal jong van jaren, maar niet altijd jong van denkbeelden, want behalve door de verschrikkelijke liberalen — Gleichmannianen, Kappeynianen, art. 194-menschen of niet — zijn deze moderne zeden in het uiterlijk voorkomen ook door de zwarte Pausianen en de do-leerende Kuyperianen ingevoerd. Zij zijn zóó van de straat de heilige wanden van het Nederlandsche Parlement binnengewandeld: donkere jasjes met lichte pantalons, Engelsche puntschoenen, lange, hagelwitte manchetten, en staande boordjes met lichtkleurige dasjes, waar speldjes in steken. Maar, o jee, welk een losheid van bewegingen en houdingen, welk een weinige vormlijkheid en eerbied in de onmiddellijke nabijheid van de vergulde Koningstroon! Daar zitten zij op de stoelen met de beenen onder het lijf, als een jongen op de schoolbanken (een der meest geliefkoosde houdingen van den heer Godin de Beaufort); daar leunen zij schrijlings of dwars op een punt der groene bankjes; daar liggen zij lui en vadsig achter op hunne plaatsen te geeuwen, een koerant te lezen, of met den elleboog op het achterstaande tafeltje met hun achterburen te praten en te lachen; daar draven zij heên en weêr tusschen de Koffiekamer en de vergaderzaal, met monden vol brood en koffie, haastig om een hoekje der deur hun stem uitbrengend, of postzegels en briefkaarten van de boden koopend, als zij hun partikuliere briefwisselingen zitten bij te houden.
14
MB- J. R. CORVER HOOFT.
Dit zijn duidelijk waarneembare, uiterlijke kenteekenen, waaraan de tribunist den modern-geachten afgevaardigde van zijn oudere, klassieke standgenooten kan onderscheiden. Bevalt u zulk een type? Mij minder; ik houd meer van den ouder-wetschen Staatsman, die het stof der vorige grondwetsherziening nog op den geest draagt. Maar deze t3-pen zijn zeldzaam en sterven uit. Van Nispen, Wintgens, Gratama en Blussé zijn reeds heêngegaan, en in weinige weken zullen wij Corver Hooft ook moeten missen. Een laatst vaarwel dus aan zijn uiterlijk;
Een lange, magere, platte man, met een grijs, oudachtig hoofd, waarin een groote neus en een breede mond staan, en dat nog slechts ter zijde door een weinig wit haar gedekt wordt. Hij is altijd streng in het zwart, in een gekleede jas van een vreemdsoortig, verouderd model, die eenigszins aan een antieke, militaire snit doet denken, door de ongewone wijze, waarop zij van voren wordt dichtgeknoopt; voeg daarbij een eveneens oud model staand puntboord, waar een zwarte stropdas is rondgewonden, zooals wij dat nog wel eens op miniatuurtjes van onze\'grootvaders zien kunnen, en plaats hem dan achterover geleund in zijn bankje, vooraan rechts, en ge hebt den heer Corver Hooft in zijn Kamer-houding.
Op straat draagt hij een zwarten, breedgeranden flambard, die diep in de oogen wordt getrokken, terwijl hij meestal onder den arm een dikke, zwartleêren portefeuille torscht. Dan loopt hij met groote, lange, sjokkende stappen, strak voor zich ziende; en zooals hij dan over het Buitenhof gaat, zwart, somber, met den hoed in de oogen, mager, lang en in zich zeiven, doet hij aan een Engels^chen landgeestelijke denken, die met den Bijbel onder den arm, zich op ziekenbezoek begeeft.
210
MK- J. R. CORVER HOOFT. 211
Vóór dat men de vergaderzaal is binnengetreden, kan men, in de antichambre op zijn entreekaart wachtende, door de reten der tribune-deur gewoonlijk de stemmen van desprekers binnen reeds hooren. En wanneer men dan een hol, dof, loeyend geluid verneemt, een roffel van zware klanken, die in elkander tot één groot gebrom vervloeyen, waaruit men moeilijk één woord verstaan kan, dan heeft men de zekerheid, dat de afgevaardigde uit Almelo aan het spreken is. Indien men binnentreedt, versterkt zich dat geluid, en doet \'t aan het spreken door een misthoorn denken, of aan het getoet door een hollen trompet.
Het orgaan van den heer Corver Hooft is klankloos, hij spreekt niet, maar loeit. En de leden, zoowel als het publiek, hebben groote moeite hem te verstaan. Gewoonlijk scharen zijne kollegaas zich in zijne onmiddellijke nabijheid, óm de woorden op te vangen, voordat zij zich door de ruimte verspreid en een gedeelte van hun klankkracht verloren hebben. En men luistert naar zijne redevoeringen als naar het ernstig, verstandig woord van een bezadigd man. Hij, als een der laatstovergebleven mannen van 1848, heeft bij zijne medeleden het recht verkregen politieke klaagliederen aan te heffen, te wijzen op de welvaart en voorspoed van vroegere tijden en op het verval van den huidigen dag: Jeremiaden van een geschokt gemoed! Als hij spreekt over het geluk van vorige, politieke geslachten, een lofzang aanheft op de verloren, Indische baten, zijn ideaal van een belastingstelsel uiteenzet, of zijn vertrouwen in het kiesstelsel predikt, komt men van alle zijden toegeloopen om naar den zwanezang van een grijs, politiek dichter te luisteren. Men knikt niet ongeloovig met het hoofd, maar blijft zwijgend stilstaan: het is een stem uit het vei-
Mr- J. R. CORVER HOOFT.
leden, die zich tot hen richt, een gedachtenwaereld van \'48, die opnieuw tot het leven wordt geroepen, een stroom van waarschuwingen, afkomstig van een man der ondervinding, een brok politieke geschiedenis van Nederland, die haar vrijheidsboom in een eerbiedwaardigen grijsaard gevonden heeft, i Wee! wee!quot; klinkt het hen in de ooren: s bezint, eer ge begint ! Ge staat voor een gapenden afgrond: ge duizelt reeds, maar klemt u vast aan mijne redmiddelen, om niet naar beneden te storten!quot;
Zoo roept hij zijnen jongeren en ouderen leden toe, zoo richt de grijsaard profetiën tot de Kamer, zoo staat hij met zijn holle, loeyende stem, schommelend op zijne lange, magere beenen, waarschuwend den vinger der rechterhand heên en weêr bewegend, een donkeren, politieken hemel te voorspellen, met ingenomenheid en ingetogenneid op een zonnig verleden wijzend. Hij is de stem van het geslacht van \'48, van de mannen uit één stuk, die staan of vallen met hun overtuiging, en alles rond zich zien veranderen en verjongen, terwijl zij zelf grijs worden te midden van een heilig, geestdriftvol anthoe-siasme van hun eigen geloof.
Eerbiedwaardige, oprechte grijsaard — schoone traditie van ons verleden — zoo zult ge in uw politiek graf dalen, den vinger waarschuwend opgeheven, het oog schitterend van eene vurige overtuiging, met een jong hart in een oude borst, en een degelijk, verstandig woord voor het jeugdige nageslacht! In de Kamer zal men uwe raadgevingen missen, de afdee-lingsvergaderingen zullen u als hun kalmen, geëerden Voorzitter moeten ontberen, uwe vrienden zullen uwe hartelijke woorden — die aan uw weinige spraakzaamheid
212
213
meerdere waarde ontleenden — niet meer hooren, en met uw verdwijnen gaat het laatste, prachtige type van den konser-vatieven Staatsman van het Binnenhof weg !
Nog een lange, welverdiende rust, gij laatste der Mohikanen !