-ocr page 1-
-ocr page 2-

E. oct.

2690

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

DE STAD GODS.

yfS / - \' ~

mtt-

-ocr page 6-

^.Daarom schaamt zich Qod hunner niet, om hun God genoemd te worden; want Hij had hun eene stad bereid.quot; Hebr. 11 :16.

^G-ij meent in den staat, dien wij nu gegrond en nagegaan hellen, en die in 07ize gesprekken vervat is y wam op aarde, meen ik, is hij wel nergens te vinden. Maar, zeide ik, in den hemel bestaat wellicht een voorbeeld voor wie het wil zien, en, het ziende, er zich naar inrichten.quot;

Plato. Repub. Boek 9, 11, 592.

1779 6784

-ocr page 7-

S. tMfy ■

DE STAD GODS,

EEN REEKS

VERHANDELINGEN OVER DEN GODSDIENST,

DOOR

A. M. FAIRBAIRN.

(Schrijver van „Schetsen uit de geschiedenis van Jezus Christusquot; enz.)

UIT HET ENGELSCH DOOR

G. A. VAN DER BRUGGHEN.

UTRECHT,

C. H. E, BREIJER 1886,

BIBLIOTHEEK DEK RIJKSUNIVERSITEIT

U T R E r H T.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

INLEIDING.

HET GELOOF EN HET MODERNE DENKEN.

-ocr page 10-

..Set is een arheid die onze uitgelezenste gedachten vergt, het nauwkeurigst onderzoek dat maar immer mogelijk is, een zaak zeer gewichtig en hegeerlijk, om aan de rede. te geven de dingen die der rede zijn en aan het geloof de dingen die aan het geloof behoor en; om aan het geloof zijn volle vlucht en breedte te laten en aan de rede eveneens kaar juiste grenzen en perken te stellen; deze is de eerstgeborene, maar de ander heeft den zegenquot; Nathanael Culverwel „Licht der Natuurquot; Pag. 1 (Uitgave 1652).

,.1Iet was ket woord van een goed landman: „dat V slechts dwaasheid is een stuk grond te bezitten, als gij Vniet ontgintquot; JSn hoe zou het dan met de rede overeen te brengen zijn, dat een mensch zulk een goed deel der weide Gods als dit licht des ver-stands en der rede is, waarmee Hij o?is in den dag onzer schepping heeft toegerust, zou bezitten, indien hij \'t onbebouwd liet liggen of er des Heeren zaad niet instrooide. John Hales\' werken. Deel 3, p. 153.

„De proef van een stelsel, de waarborg zijner waarheid ligt niet in zijn begin maar in zijn eind; niet in zijn grondsteen, maar in zijn sluitsteen.quot; Rothe „Stille Stundenquot; p. 37.

-ocr page 11-

INHOUDSOPGAAF.

Biz.

Inleiding: Het geloof en het moderne denken . . . 1—36

1. BepaUog- van het probleem, voorwaarden van den strijd . . 3

2. Overzicht van den gaog van het moderne denken; de acht

tiende en negentiende eeuw; wijsgeerige en sociale neigingen ; Positivisme; -wetenschappelijke bespiegeling; Darwins theorie; Herbert Spencers wijsbegeerte van het

uiet-weten................................12

3. Kenmerken van het moderne denken ; Panphysicisme; haar

stellige en opbouwende, godsdienstige, eerbiedige en zedelijke geest................. 21

4. De rechte houding van het geloof; het behoort te zijn:

opbouwend, eerbiedig, ethisch; de ware leermeesters . . 26

EERSTE DEEL.

I. Theïsme en Wetenschap..........37—83

1. Onderzoek naar de mogelijkheid der verzoening van theïsti

sche en wetenschappelijke begrippen; onderlinge betrekkingen van theologie en wetenschap; onderscheiding der wetenschappelijke en metaphysische vragen...... 39

2. Theisme en theorieën over schepping en doel...... 51

In betrekking tot: a. de geschiedenis......... 52

b. de wijsbegeerte..................58

3. Nieuwe wetenschappelijke scheppingsleer..............65

Met betrekking tot a. de methode; evolutie-theorie; onderscheid tusschen wijze en oorzaak . . 65

b. tot de oojzaak; materialisme; bepalingen der stot: agnosticisme ... 70

4). Behoefte aan een opbouwend theistisch bewijs passend bij

de nieuwe Natuurbeschouwing.......... 74-

a. Idealisme van de natuur en den mensch...... 74

b. Verklaring van het proces door de uitkomst; vac de

natuur door den mensch........... 79

II. De mensch en de godsdienst.......84—118

1. Paulus op den heuvel van Mars; zijn godsdienstleer ... 84-

2. De godsdienst den mensch aangeboren........ 89

a. Theorieën over den oorsprong van dec Godsdienst; „bij—

geloovig Atheismequot; — argumenten daartegen ... 90

b. Noodzakelijk voor volkswelvaart en vooruitgang... 96

c. Hoe hooger de Godsdienst, hoe meer zij beschaaft . . 99

-ocr page 12-

inhoudsopgaaf.

Biz,

^61, pr0^s^\'ens\'en..........

a.quot;Verclichte godsdiensten; — ..de godsdienst der natuur;quot; Strauss\' ..eerbied voor het heelal\'— de verg-oding der natuur; de godsdienst der menschlievendheid — de vergoding des Tnenschen...........103

b. quot;Werkelijke godsdiensten: 1. Levende; de leer van

Confucius en het Brahmnnisme; 2. Algemeene : Bud-dhisme, Islam ; 3. Judaïsme..........106

De godsdienst vau Christus............111

a. Ideaal en.................112

b. Actueel..................

TWEEDE DEEL.

I. God en Israel............119—161

1. Mozes; zijn opvoeding in Egypte en de woestijn; zijn roeping. 124.

2. Het werk van Mozes; de vorming van Israël, zijn zending

en persoonlijkheden...............132

3. De nieuwe Naam en de godsdienst; beteekenia van Jahve. 139

4. De ..tien woorden:quot; het voorwoord, eerste tafel, tweede tafel. 145

5. Daaruit voortvloeiende gevolgen ...........152

a. Nieuw Godsbegrip; betrekking van den Naam en de

..tien woordenquot;..............1^2

b. Nieuw godsdienstbegrip............l-^S

c. Daaruit volgende zending van Israël.......160

, II. Het probleem van Job.........162—214

1. Het boek Job een Kechtvaardiging van\'t Godsbestuur (The

odicee) in poezie.

a. De uitwendige geschiedkundige voorwaarden van het

ontstaan van het probleem; gelocf in tegenspraak met ervaring.................1®^

b. Zijn inwendige logische noodzakelijkheid; bet probleem,

bizonder eigen aan Israel...........170

2. Het boek zelf, zijn poezie, zijn personen........175

I. De proloog.

a. Portret van den held.............179

b. Van den vijand..............................18°

c. Het probleem in den proloog; leer van God en van Satan. 182

II. Het drama..................1^7

a. De redenen der vrienden............189

b. De redenen van Job............................1 ■\' -

(1.) De man in zijn smart......................193

(2.) De man onder de behandeling zijner vrienden . . 195

(3.) De man onder de behandeling Gods......197

c. De redenen Gods............................19®

d. Waarde van de redenen voor het probleem.....202

vi

-ocr page 13-

inhoudsopgaaf. vii

Biz.

3. Beteekenis van de oplossing............305

a. Vergelijking\' met Grieksche en Buddhistische pogingen

tot oplossing...............206

b. Een nienwe trap in Israëls ontwikkeling; de „knecht

van Jehova\' -, Christus........................311

III. De Mensch en God..........215—240

1. Beteekenis van het geloof.

a. In een God; scholastieke plaatsvervangers voor God

besproken................219

b. In een persoonlijk God............222

c. In een ethisch God.............225

3. Waarde van dit geloof met \'t oog op

a. \'smenschen behoeften...................228

b. \'s menschen geestelijke gesteldheid........229

c. In (1) den tijd en (2) de eeuwigheid.......233

DERDE DEEL.

I. De Jezus der geschiedenis en de Christus des

geloofs.............. 241—285

Beteekenis van Christus voor de kritiek; vergelijking met Buddha; betrekking van den Persoon van Jezus tot zijn Godsdienst. 243

1. Het probleem bepaald; de Jezus der historie: de Christus

des geloofs; hoe de een de ander werd; vooronderstellingen bij het onderzoek; Strauss; Tübingsche school; Renan. . 248

2. De Jezus der historie; de Persoon en zijn omstandigheden. 255

a. De toestand waarin Jezus geboren was, wat betreft

opvoeding, volk, godsdienst; zijn eng particularisme:

zijn zedelijk en ideaal universalisme. . .... 255

b. De kring zijner bediening; de verstoeten klassen; zijn

zondeloosheid schept in anderen een bewustzijn van

zonde..................360

/ c. De korte duur zijner bediening; ongeëvenaarde invloed

van Zijn onderwijs; vergelijking met Plato .... 265

d. De verborgenheid zijner bediening; Zijn-schepping van

de idealen menschelijke maatschappij......272

e. De stelling waarop Hij aanspraak maakte bij de ver-

wezelijking van zijn eigen iedealen; het bewijs daarvoor. 375

3. De Christus des geloofs; deze bestaat in de oudste letter

kundige voorstelling van den persoon; de brieven van Paulus; de Openbaring: de brief aan de Hebreen . . . 377 Redelijkheid van het geloof der apostelen; Christus voor hen een wijsbegeerte omtrent God, natuur en mensch;

bewijs afgeleid uit het feit dat er slechts één Christus geweest is..................281

II. Chkistüs in de geschiedenis . . ..... 286—325

Christus in de vroegere hebreeuwsche en in de latere christe-lijke geschiedenis.

1. Het ideaal van Christus; tegenovergesteld aan de werke-

-ocr page 14-

inhoudsopgaaf.

Biz.

lijkheid van het christendom; het ideale tegelijk individueel en universeel...............290

2. De godsdienst en de persoon van Christus.

a. De grootste persoon in de geschiedenis......295

b. Betrekking tot de verwerkelijking van Zijn ideaal

omtrent God ...............298

c. Zijn Gods-idee een volstrekte gift aan het menschdom. 303

3. De verhouding van Zijn persoon tot de verwerkelijking van

Zijn ideaal van den mensch...........305

a. Zijn volmaakte menschheid; in betrekking tot de wet,

den mensch en God.............305

b. Haar invloed op het denken en leven van het geslacht;

bron der humaanste zedelijkheid........308

c. De vergelijking van het menschelijk ideaal door Christus;

zijn tweede volstrekte gift aan het menschdom; le grand quot;Etre van het Positivisme........309

4. De methode van Christus bij de verwerkelijking van Zijn

ideaal....................311

a. Een geestelijk ingerichte maatschappij; van de eenheid

tot de veelheid voortschrijdende; haar daaruit volgend universalisme; haar geschiktheid voor verschillende regeeringsvormen...........311

b. Een algemeene maatschappij alleen voor en door de

waarheid bestaande; individuen door Christus tot helden gemaakt..............315

c. De zedelijke invloed der liefde van Christus: op den

enkelen mensch en op het geslacht....... 318

d. Deze invloed in de geschiedenis; zij schiep de persoon

lijkheden, die de geschiedenis gemaakt hebben; de bezieling van ons dienen des menschen.....321

111. De kijkdom yan Christus\' abmokde .... 326—356

Zelfopoffering de centrale waarheid des Christendoms; Paulus in Griekenland, in Corinthe; zijn prediking; en hoe zij werd tegengestaan; zijn volharding; gevolgen........326

1. De genade van Christus; beteekenis van genadequot;. De ge

nade aan Paulus gegeven; zijn plaats in de geschiedenis. 333

2. De rijkdom van Christus: de volheid van het heelal en der

godheid...................338

3. De armoede van Christus; in Zijn armoede slechts te rijker

en de wereld verrijkende.............Sé-l

4-. Het doel van Christus met zijn armoede; onze rijkdom. Beteekenis van „welvaartquot;. Christus de bron van het welvaren; voor de gemeente; voor den individueelen geest; onnaspeurlijke rijkdom. Getuigenis der ervaring .... 34)5

VIERDE DEEL.

I. De vraag naar het hoogste goed..... 357—379

Juiste verhouding van heiligheid en geluk; Christus het voorbeeld van Zijn eigen beginsel . ..........359

viii

-ocr page 15-

inhoudsopgaaf.

Biz.

1. De eerste vraag van het individu; in een wereld van strijd

en zonde................... 367

•2. Van den man in het gezin; het vaderschap; overerving;

voorzienigheid.................371

3. Van den man ia den Staat; invloed van het persoonlijk

karakter op de gemeente............. 376

II. De liefde tot Christus........ . 380—395

1. Hoedanigheid der liefde en hoedanigheid van het voorwerp.

Instinktmatige en natuurlijke liefde; redelijke en geestelijke liefde. De liefde tot Christus is geestelijk; gelijkt de liefde voor de dooden.............380

2. Liefde tot den zichtbaren en on zichtbaren Zaligmaker. De

discipelen voor en na de Hemelvaart. De idealizeering van net onzichtbare; hulp der verbeelding; reinigende invloed der liefde tot den ongezienen......... 386

3. Noodzakelijke bestanddeelen der liefde; hoe zij in onze be

trekking tot Christus werken. Fr is geen portret gegeven van het natuurlijk voorkomen van Christus; geen bedrevenheid des kunstenaars is opgewassen tegen de voorstelling van het geestelijk ideaal..........390

III. De stad Gods..............396—422

1. De idealen van;

a. Augustinus : de civitas Dei...........396

b. Abraham; „de stad die fondamenten heeftquot;\'.....400

c. Johannes op Patinos; het nieuwe Jerusalem .... 4-01

2. De goddelijke stad een eeuwig ideaal.........403

a. Eeuwig voortgaand en onuitputtelijk. Begrippen van

een zinnelijken hemel; van kerkelijke organisatie. De moderne stad; de Romeinsche civitas; de G-rieksche polis; het Joodsche Koninkrijk; Gods ideaal . . 403

b. In staat om zich zelve door eigen middelen en krachten

te verwerkelijken. Verhouding van deze tot voorafgaande verhandelingen............407

3. Praktisch einde.................409

a. Verheffing van het gewone sterfelijk leven door het

geloof in de stad..............410

b. Voorwerp der hoop; een onsterfelijkheid die vooruitgaat

in gehoorzaamheid, gemeenschap en werkzaamheid; een staat.................415

c. Gods en even eeuwig als God..........419

-ocr page 16-
-ocr page 17-

HET GELOOF EN HET MODERNE DENKEN. !)

I.

De geest Vein den tegenwoordigen tijd is een geest van rusteloos vragen, van onoplioudelijk zoeken en wel van een zoeken, dat niet altijd de vader is van liet geloof. De mannen die voor ons denken, die den gang van den levenden geest leiden, zijn wezenlijk zoekers en zij vervolgen hun onderzoek naar de waarheid dikwijls zonder zeker er van te zijn wat zij is of waar zij moge zijn ; alleen daarvan zeker dat zij ergens is en gevonden kan worden. Wij allen zijn kinderen van onzen tijd en, ondanks ons zeiven, de belichaming van zijn geest. Die geest zweeft in de lucht, doordringt eiken gedaohtenkring, sluipt snel en onverwacht in elke ziel, doorboort de dikste en meest afsluitende wallen, waarmede gezag of overlevering het verstand kan omringen. Het heden is een algemeene tegenwoordigheid, de dochter van het verleden, de moeder der toekomst, rijk door de schatten van eeuwen die voorbijgegaan, vruchtbaar door de kiemen van eeuwen die aanstaande zijn. En hierin leven wij met zijn gemeenschappelijk leven in ons^ zijn ge-meenschappelijken dampkring rondom ons, terwijl wij over

\') Een voorlezing gehouden voor het Airedale College bij de openii g der zitting van 1878.

-ocr page 18-

HET GELOOF EN HET MODERNE DENKEN.

ons zijn beeldende handen gevoelen, die bijna even machtig zijn in \'t vormen van den weerspannige als van den onderworpene.

De gedachte van levende menschen is levende gedachte, begaafd met de krachten van een levend ding. De twijfelingen van het verleden zijn grootendeels doode twijfelingen. Zij zijn overwonnen door den tijd, zoo niet door iets anders en kwellen niemand meer behalve de geschiedschrijvers der gedachte. Slechts door een sterke inspanning der verbeelding kunnen wij de uitkomsten waardeeren die door de eerste verdedigers beredeneerd zijn, of de verslagenheid indenken waarmee de godsdienstige geest voor \'t eerst hoorde van de nieuwe terrenkiiride of de gaboorte der aardkunde gadesloeg. Maar wij worden bang voor ons geloof bij het vernemen van zekere nieuwe leeringen en ontdekkingen der wetenschap of zekere bespiegelingen der wijsbegeerte. De wetenschappelijke leerin-geii mogen slechts tijdelijk zijn, de toongevende wijsbegeerte moge slechts een voorbijgaanden vorm van bespiegeling vertegenwoordigen, niettemin verontrusten en verstoren zij bijna evenveel, alsof het gebleken ware dat zij eeuwige en onom-stootelijke waarheden zijn. Wij hebben het recht niet, zelfs al hadden wij de macht, om ons te troosten met de gedachte, dat onze kinderen met betrekking tot onze twijfelingen hetzelfde zullen gevoelen als wij gevoelen met betrekking tot die onzer vaderen. Het is onze plicht om ons geloof aannemelijk te maken voor de levende geesten, redelijk allereerst voor ons eigen verstand en vervolgens voor de verstanden die wij trachten te overtuigen. Mensch noch kerk heeft eenig recht om van de menschen te vergen, dat zij gelooven wat zij niet redelijkerwijs begrijpen kunnen, of wat erkende en zekere waarheden weerspreekt. Indien de waarheden van den gods-

4

-ocr page 19-

EEDE EN GELOOF.

dienst eeuwig zijn, moeten zij in overeenstemming zijn met de niet minder eeuwige waarheden van natuur en geest; en het is de taak van den godsdienstleeraar deze overeenstemming te bewijzen. Het geloof kon niet zoolang, als het gedaan heeft, standgehouden hebben, indien de waarheden die er aan ten grondslag liggen in besliste tegenspraak met het verstand geweest waren. Het heeft zich gehandhaafd omdat het noodzakelijk geweest is voor het verstand, zijn vervulling, niet zijn tegenpartij. De voornaamste godsdienstleeraars van het verleden toonden hun eerbied voor de rede door hun best te doen om te antwoorden op de door haar opgeworpen twijfelingen; dat is, door hun geloof als met de rede overeenkomstig voortestellen. Hadden zij dit niet gedaan hun geloof ware gestorven. Het gezag kan niet in leven houden wat het verstand ter dood veroordeelt. Om te kunnen heerschen moet het gezag redelijk zijn, en een godsdienstige eeuw wil eenvoudig zeggen, een eeuw waarin het geloof de rede voldoet. En wat altijd noodzakelijk is geweest voor den godsdienst is ook in dezen tijd bij uitstek de godsdienstige noodzakelijkheid. Zal de godsdienst leven zoo moet hij in overeenstemming zijn met de levende gedachte en over haar een redelijk gezag verkrijgen. Slechts wanneer zijn leeraars tot den nieuwen geest spreken in een taal, die het niet kan nalaten aan te hoeren, zullen zij het oude geloof voor het nageslacht bewaren en het niet slechts onverarmd maar verbeterd en verrijkt overleveren.

Wat hier gezegd is moet niet aldus verstaan worden, dat de christenleeraars groote apologeten behooren te zijn, mannen die steeds bezig zijn hun eigen stelsel te verdedigen en dat hunner mededingers of tegenstanders aan te vallen. De mannen; die den mensch willen onderwijzen, moeten hem

-ocr page 20-

HET GELOOF EN HET MOPEHNE DENKEK.

eerbiedigen, tot hem spreken als tot een redelijk wezen, dat, hetzij hij het geloof betwijfelt of aanneemt, slechts de onvervreemdbare rechten zijner rede laat gelden. Onze eeuw is in hooge mate een eeuw van eerbied, een groot deel van haar twijfel is niet geboren uit afkeer van, maar uit liefde tot de waarheid. Niet altijd vinden zij haar het gemakkelijkst, die haar het meest liefhebben. Onze grootste denkers zijn mannen van den edelsten geest, oprecht zoowel naar verstand als geweten, begeerig om de waarheid te vindon en te volgen. Indien zij twijfelen aan wat voor meniged even zeker als heilig is, doen zij zulks uit getrouwheid aan hetgeen voor waar gehouden wordt. Het dient bedacht te worden, dat het geloof zijn rechten heeft doch het verstand evenzeer, en zij, die van iemand geloof eischen, moeten hun waarheden voorstellen in zulke vormen, die zijn geloof gebieden. Een levende godsdienst kan nooit berusten in het verleden, en tevreden zijn met zijn tegenwoordige en afgelegde geschiedenis; hij moet haken naar een krachtig leven van vooruitgang. Het is niet genoeg, dat het christelijk geloof welgedaan heeft; het moet toonen dat het dat nog doet en nog beter doen kan. De ouden en zwakken leven in het ver-ledene; de sterken en werkzamen leven door daden en streven. Een levend christendom moge boven een redeneerend gesteld worden; maar in deze dagen is het leven onmogelijk zonder de rede. Wij hebben geen recht van de menschen ontzag te vragen voor ons geloof om de diensten van vroeger; maar het volste recht om hun geloof te vorderen, indien wij het bewijs kunnen geven dat het de hoogste waarheid is voor het verstand, het zekerste licht voor het geweten, het reinste leven en de reinste liefde voor het hart.

Een godsdienst die steeds een verdedigende houding aanneemt

6

-ocr page 21-

HET LEVEND GELOOF ZIJN EIGEN VERDEDIGER. 7

is zwak, een aanvallende godsdienst alleen is sterk. Eene wetenschap wordt het best gerechtvaardigd door haar ontdekkingen, bewijst daardoor zoowel de werkelijkheid van haar bestaan als haar recht om te bestaan; en een godsdienst die zich zeiven als werkelijk kan toonen is zekerlijk in staat zijne waarheid te bewijzen. In de vorige eeuw was het geloof geheel en al verdedigend. Verdedigingen van den Bijbel, overeenstemmingen met den godsdienst, bewijzen a priori en a posteriori voor het bestaan en de eigenschappen van God, getuigenissen voor het christendom vormden de toenmalige godsdienstige letterkunde. Toch kon in deze bij uitstek apologetische eeuw de grootste van al die verdedigers schrijven; \') „Het is er toe gekomen, hoe weet ik niet, dat het door vele personen als toegestemd beschouwd wordt, dat het christendom niet zoozeer een voorwerp van onderzoek is, maar dat het nu ten laatste bevonden is verdicht te zijn.quot; De zestiende eeuw was weder boven alles aanvallend evenzeer in haar opbouwend als afbrekend werk. Zij loonde geringe achting voor het oude — dacht dat oude instellingen zekere oude menschen gelijk waren die, wanneer zij dwaas zijn, onverbeterlijk zijn in hun dwaasheden; en zij behandelde haar op een gansch meedoogenlooze wijze. Leo X die „elegante heidensche pausquot; mocht trachten den vervlogen roem der eeuw van Augustus te herstellen, met zulk een schitterend gentleman als hij zelf tot haar Augustus, maar de eeuw was te ernstig om geschilderde maagden, of gebeeldhouwde Venussen te aanbidden, al waren de eersten de vrucht van het penseel van een Raphael, en de tweeden van den beitel van een Angelo. Haar kreet ging uit naar de geestelijke werke-

1) Butlers Analogie. Aankondiging.

-ocr page 22-

HET GELOOF EN HET MODERNE DENKEN.

lijkheden, die alleen ziel en geweten voldoen konden. Luther slechts was haar tolk, woorden gevende aan een geloof in God en de eeuwigheid, het individu en den duivel, dat verdedigingen verachtte en lachte om tegenstanders gelijk de Leviathan lacht bij het drillen eener lans. Mannen als Leo il Virtuoso (de Deugdzame) hebben verdedigers noodig, mannen als Luther de Hervormer, vertrouwen op God, doen wat Hij hun te doen oplegt, en worden gerechtvaardigd door hun werken. En evenals toen, is ook nu de beste verdediger van het geloof hij, die het \'t best kan maken tot een levend, redelijk en daardoor overwinnend geloof.

De strijd omtrent het geloof is in onze dagen zeer moeilijk en warm. Het leeft te midden van werkelijke of bezielende vijanden. De wetenschap kan hare ontdekkingen niet openbaar maken zonder ons den schok van haar botsing met het oude geloof te doen hooren. De staatkundige wijsgeer tracht aan te toonen hoe de staat kan bestaan en bloeien zonder godsdienst; de zedekundige denker hoe het recht bestaan en de wet heerschen kan zonder God. Een wijsbegeerte, die de zekerste en noodzakelijkste godsdienstige waarheden ontkent, werkt eendrachtig met een kritiek die de heiligste godsdienstige geschiedenissen in Mythologie oplost. Een groot gedeelte onzer letterkunde, die sommige van de schoonste scheppingen der levende verbeelding bevat, verklaart de natuur en den mensch, vertoont het leven en onze bestemming uit het standpunt van hen, die met bewustheid afstand gedaan hebben van het geloof in God, en niets goddelijks op aarde kunnen vinden dan humaniteit. Onze werklieden luisteren naar levensbeschouwingen, die rondom hen slechts ledige stoffelijke muren, binnen in hen geen geestelijke werkelijkheid en voor hen geen hooger en ruimer hoop overlaten.

8

-ocr page 23-

GELOOF EN THEOLOGIE.

Terwijl in ons midden zoo vele, aan het geloof vijandige krachten die werken, vinden de menschen liet \'t gemakkelijkst een volstrekt vijandige houding aan te nemen, hetzij aan den eenen kant, tegenover het geloof, of, aan den anderen kant, tegenover de wetenschap. Daar is zulk een schoone eenvoud in zoodanige houding dat de eenvoudigste mensch haar kan aannemen en zich zeiven even sterk als veilig daarbij kan gevoelen. Nogtans is alleen dat standpunt veilig en blijvend, waar de mensch kan zeggen; „geloof en rede zijn evenzeer zonen Gods, en hebben gelijk recht om te bestaan en geëerd te worden. De werkelijkheden der wereld zijn waarheden Gods; de waarheden Gods zijn werkelijkheden van den Geest; en alles wat in Hem zijn bestaan heeft, moet volmaakt en harmonieus zijn als Hij zelf.quot;

Wat bedoelen wij met de woorden: „geloof en moderne gedachte?quot; Geloof wordt hier gebruikt als de uitdrukking, welke de gevoelens die als het ware het hart van den christe-lijken godsdienst vormen, omvat. Het duidt den verstandelijken inhoud of het wezen van het christendom aan, zooals het voorgesteld wordt in zijn heilige geschriften —• zijn geestelijk wezen in onderscheiding van zijn staatkundige instellingen; zijn scheppende kracht in tegenstelling tot de daardoor hem gewerkte openbaringen. Het christelijk geloof beteekent niet hetzelfde als de christelijke kerken. Deze kerken bestaan om het geloof; het geloof bestaat niet om de kerken. Zij zijn instellingen maar het christendom is geen instelling. Zij zijn saamgesteld, ingericht en beheerd door menschen, meer of min doordrongen van en toegerust met den geest van Christus, maar toch nog menschen met een natuur, die zoowel van goud als van ijzer en modderig leem gevormd kan zijn. Evenmin is het christelijk geloof het equivalent der christelijke god-

9

-ocr page 24-

HET GELOOF EN HET MODBENE DENKEN.

geleerdheid —• liet denken der kerken zooals het geformuleerd, bevestigd en historisch geworden is. Godgeleerdheid is een poging om het geloof te verklaren, om het te vertolken in eene taal, die de rede begrijpen kan. Er zijn vele godgeleerde stelsels, maar er is slechts een geloof, evenals er vele natuurwetenschappen zijn, hoewel de natuur altijd dezelfde gebleven is. De waarheden en feiten, die de godgeleerheid tracht te verklaren, vormen het christelijk geloof — de waarheden, dat God bestaat en dat hij de wereld en den mensch schiep; de feiten dat Christus leefde, leerde, leed, stierf, opstond en regeert. Het denken, dat er aanspraak op maakt bij uitstek modern te zijn en hier tegenovergesteld wordt aan het geloof, is een denken dat óf de waarheden en de feiten van dit geloof zou willen ontkennen, óf deze zoo uitleggen dat hun beteekenis verloren gaat. Dit denken is niet synoniem met de moderne kennis. Kennis is onze wetenschap of bewustheid, maar het denken onze theorie van wat is. Wanneer wij kennen, nemen wij waar; wanneer wij denken, redeneeren wij; en zoo is wat wij hier de moderne gedachte noemen niet de moderne kennis van den mensch en de natuur, maaide redeneeringen daarop gegrond, de verklaringen van verschijnselen, wetenschappelijke en wijsgeerige beschouwingen omtrent hetgeen is en de wijze waarop het tot aanzijn is gekomen. Er zijn vele scholen van modern denken, maar haar strekking is éen; daarom zy \'t ons vergund daarvan te spreken als van een eenheid die tegenover de eenheid van het geloof staat.

Kennis en overtuiging of denken en gelooven vormen geen noodzakelijke tegenstelling, en wij moeten zorgvuldig onderscheid maken tusschen een wezenlijke en een toevallige vijandschap. De rede kan zich verzetten tegen vormen of bijkomstigheden, die men voor het geloof onmisbaar geacht

10

-ocr page 25-

HET WAKE DENKEN NIET VIJANDIG AAN HET GELOOF. 11

heeft, en daarom voor een vijand gehouden worden terwijl zij inderdaad een zeer edel vriend is. Het geloof, gedacht als de naam die al de hoogere ideale waarheden omvat, welke ooit den eerbied opgewekt en de godsdienstige ontwikkeling van den mensch beheerscht hebben, moet altijd weder gezuiverd worden van de toevoegsels, die het zouden afsluiten en verduisteren, van de woekerplanten die op zijn oppervlakte zouden willen groeien en te leven ten koste van zijn leven. De mensohen komen er gemakkelijk toe om de bijzaken met het wezen, de woekerplanten met het organisme te vereenzelvigen, en een aanval op het onrechtmatig toevoegsel te beschouwen als gericht tegen de levenskracht, zelfs wanneer zich daarin een trouw jegens het wezen der zaak openbaarde, te groot om bet schadelijk aanhangsel te ontzien. En zoo is dat wat twijfel of zelfs ontkenning scheen, die tegen het geloof strijd voerde, dikwerf gebleken inderdaad geloof te zijn, dat streed tegen ontkenning in haren slechtsten en kwaadaardigsten vorm, namelijk tegen een godsdienst, die zoo onwaarachtig geworden is, dat hij tot een ontkenning van godsdienst werd, tot een huichelarij, die het geweten beleedigde en het leven onderdrukte. Niets is er dat zoo noodzakelijk moet opgeruimd worden als een godsdienst of een kerk die tot een verdorven en tyranniek priesterlijk voertuig is geworden, dat inplaats van de heilige en weldadige doeleinden Gods de slechte bedoelingen van den mensch wil dienen. Socrates werd door den officieelen en staatkundigen godsdienst van zijn tijd tot een vijand der goden verklaard, en veroordeeld tot \'het drinken van den giftbeker, maar hij was inderdaad de godsdienstigste man zijner eeuw en heeft een machtigen invloed ten goede geoefend op den godsdienst van andere tijden en landen. Luther, die in zijn strijd tegen

-ocr page 26-

12 HET GELOOF EN HET MODERNE DENKEN.

een kerk met zulke overdreven eischen als die van Bome, den menscli in onmiddelijke en persoonlijke betrekking met God wilde brengen, scheen voor zijn tegenstanders een vijand van het geloof, terwijl hij voor hen, die een helderder blik en vrijere ziel bezaten, iemand was die oude en geëerbiedigde onwaarheden ontkende ten einde eeuwige waarheden te bevestigen. De fransche omwenteling in haar kamp tegen de bedorven, meedoogenlooze en den-tijd-dienende kerk van Frankrijk streed in zekeren zin den strijd des geloofs. Die kerk was de bondgenoot geworden van Lodewijk XIV en zijn eerloozen opvolger, en had het onrecht der armen ongeoor-deeld, hun armoede onverzacht en hun onwetendheid onveranderd gelaten. De mannen, die opstonden en deze onheilige instelling wegvaagden, in naam van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, hoewel deze niet altijd werden geeerbiedigd, waren de volbrengers eener wraakoefening Gods En zoo is de bloote tegenstand van hetgeen aanspraak maakt op den naam van gedachte tegen hetgeen zich geloof noemt, niet noodwendig ongodsdienstig. Het denken kan een booger geloof en zuiverder godsdienst vertegenwoordigen, kan de worsteling des geestes zijn naar een goddelijker ideaal, een edeler en verhevener opvatting van het heelal en den mensch. Hebben wij tegenwoordig zulk een strijd? En heeft de strijd tusschen het geloof en de moderne denkwijze slechts de beteekenis van een poging des menschelijken geestes om zich vrij te maken van een ouden en uitgeputten godsdienst, ten einde een frischeren, hoogeren en meer zuiveren te verkrijgen?

II.

Deze vragen kunnen het best beantwoord worden door eene

-ocr page 27-

DB VORIGE EEUW EN DE TEGENWOORDIGE.

13

uiteenzetting van den aard, den geest en de strekking der moderne denkwijze. Maar om die te begrijpen, moeten wij verder zien dan onzen tijd, welke slechts een deel is van een iijdkring die nog ver van volledig is. De achttiende en negentiende eeuwen staan in sterke mate tegenover elkander, zijn inderdaad bijna verstandelijke tegenstanders. De achttiende eeuw was in haar wezen de eeuw van opstand, en haar geheel verloop wordt gekenmerkt door het streven öm te ontkomen aan de overtuigingen en het godsdienstig en verstandelijk gezag van het verleden. Hare eerste jaren werden verontrust door den Deistischen geloofsstrijd; haar laatste jaren zagen de fransche omwenteling. Haar toon was strijdlustig, zij bedoelde eer aftebreken dan optebouwen. Wat zij inderdaad heeft verricht was negatief; als zij trachtte positief te zijn, was zij enkel kunstmatig. Het hoogste streven der Deisten was de aanspraken van den christelijken godsdienst af te wijzen; zij doorzag nooit dat iets te verklaren een hoogere taak is dan het te weerleggen; en niets kenmerkte die mannen meer dan de roekelooze wijze waarop zij beschuldigingen van valschheid, verdichting en bedrog uitdeelden. Hume was slechts een twijfelaar, de stichter van een wijsbegeerte die niets verklaarde, die liet heelal terugbracht tot een onopgelost en onoplosbaar raadsel. Voltaire, hoewel een Deist, wordt niet genoemd als de verdediger van God en van de onsterfelijkheid, maar als de geweldige aanvaller van het historisch Christendom en van de kerk, die den geest van Christus zoo slecht vertegenwoordigde. Rousseau\'s smaadredenen tegen de maatschappij waren krachtiger dan de kleurlooze en onmachtige belijdenis van zijn „vicairequot;; en zijn natuurstaat zoo weinig natuurlijk als eenige staat maar wezen kon. De Encyclopedisten \'bekroonden het gebouw van godsdienstige ont-

-ocr page 28-

HET GELOOF KN HET MODERNE DENKEN.

14

kenning en de zinnelijke wijsgeeren voegden aan een heelal zonder God, een mensch zonder geest toe. Maar toen eenmaal de omwenteling gekomen en voorbijgegaan was, toen Europa eenmaal de ellende van den oorlog, de dwaasheid van ijdele droomen, den jammer eener booze regeeringloosheid en nog erger tirannie had ondervonden, kwam de reactie. In Frankrijk herleefde het katholicisme. De Maistre verheerlijkte het gezag; Chateaubriand ontdekte in het christendom de romance, de poezie en de kunst; Lamennais zijn staatkundige denkbeelden, zijn vrijheid en broederschap; Lacordaire zijn geestelijke en verstandelijke voortreffelijkheid. Cousin poogde een wijsbegeerte optebouwen hooger dan de zinnelijke en vond haar; trachtte den mensch te verheffen door hem van zijn ware natuur en bestemming bewust te maken. Duitschland was gelouterd geworden door het ongeluk en door nederlagen wedergeboren. In den grooten vrijheidsoorlog was zijn geest geëmancipeerd en vrij gemaakt ten einde de edelste taak op intellectueel gebied van alle volken der eeuw te vervullen. De grootste reeksen van moderne denkers verrezen en volgden elkander op met een bijna verwai-rende snelheid, en verhieven het denken van Europa tot hoogten vanwaar men wonderbare inzichten kreeg in den geest van God en mensch. Engeland, bevrijd van de vrees voor vreemdeiii beteugeld en geleid door zijn eigen groote denkers en staatkundigen, keerde terug tot de paden van staatkundigen vooruitgang en bracht op eigen onbloedige doch bestendige wijze een omwenteling tot stand, die het een rijker en voorspoediger leven, meer vrijheid en welvaart verschafte, welke het zoo zeer lief heeft en onverdroten najaagt. En alzoo scheen de mensch met de nieuwe eeuw alom een gelukkiger en. vruchtbaarder loopbaan binnen te treden.

-ocr page 29-

DE VOBIGE EEUW EN DE TEGENWOORDIGE.

15

De aanvang dezer eeuw was alzoo gekenmerkt door een terugkeer tot het geloof en een verlaten van den weg der ontkenning, door een krachtvoller, dieper, breeder en eerbiedwaardiger geest, dan sinds het midden van de zeventiende, de groote Puriteinsche eeuw, in Europa gekend was geweest. De Deistische en twijfelzieke stelsels hadden gefaald in de praktijk, zelfs nog meer dan in de theorie , in de werken meer dan in de dialektiek. De terugwerking toonde zich overal en in alles; de menschelijke geest haastte zich te protesteeren tegen de poging tot vernietiging van ziclizelven of zijnen vader. Vandaar dat dichters als Wordsworth opstonden, die in de natuur de woonstede en het kleed van den geest, den doorschijnenden tempel van den innerlijk-tegenwoordigen God zagen; in het licht dat op zee en strand valt, in de stilte die tusschen de heuvelen troont, in den wijden oceaan en de bezielde lucht, eenen geest die den onzen aandeed en bewoog; in den inensch aanduidingen van zijn onsterfelijkheid, herinneringen aan den God, die zijn toevlucht geweest was, en onderpanden van den God die zijn toevlucht worden zou. Vandaar ook de verschijning van wijsgeeren als Coleridge, die, hoewel op wijsgeerig gebied slechts uit andere schrijvers puttende, dit op een zoo schitterende wijze deed, dat hij alles, wat hij zich toeeigende, verheerlijkte, het teruggevende met een bekoorlijkheid, die ons dwingt de daad te vergeven; die de oorspronkelijke beginselen van den geest uitvorschte en daar, als de eigenlijke voorwaarden onzer natuur, het denkbeeld van het oneindige vond, waardoor \'s menschen macht om dat denkbeeld in te denken, om godsdienstige denkbeelden en instellingen te scheppen, bewezen werd; die als verhevenste en kenmerkendste eigenschap van zijn menschheid zijn recht en bijgevolg zijn plicht om godsdienstig te zijn, betoogde. Vandaar ook dat

-ocr page 30-

16 HET GELOOF EX HET MODERNE DENKEN.

godgeleerden, die de uitgebreidste beschaving aan de innigste vroomheid paarden, zooals Schleiermacher in Duitschland, Arnold in Engeland, Chalmers in Schotland optraden, om te toonen, hoe godsdienst en wetenschap in vrede zamen konden wonen door hun eigen voorbeeld, en door dat hunner landslieden hoe een eerlijke en ernstige stem, die uitspreekt wat zij de waarheid Gods acht, nooit zal spreken zonder gehoord te worden. En alzoo drong een diepere en meer geestelijke denkwijze het holle materialisme en dorre rationalisme, dat in de vorige eeuw Europa met volstrekt godsdienstigen dood gedreigd had, naar den achtergrond .

Maar een reactie was onvermijdelijk. De wijsbegeerte nam een te hooge vlucht en viel, evenals de overspannen eerzucht zich zelve achterhaalt, aan den anderen kant. Terwijl zij zich ten hemel verhief vergat zij om haar fondamenten diep en breed genoeg in de aarde te leggen, en onderging bet onvermijdelijk lot van een groot gebouw zonder voldoenden grondslag. De reactie werd geleid door een klein getal mannen van bizondere bekwaamheid, den schitterenden kring waarvan James Mill het middenpunt was. Hij was theologisch student geweest en was tot prediker geordend in het verband der Sehotsche kerk, had zelfs gepreekt, maar was om redenen, tot nu toe niet ten volle bekend, met een sterken afkeer van de Calvinistische godgeleerdheid overgegaan tot de zinnelijke wijsbegeerte. Hij handhaafde in de transcendentale periode de overlevering, als \'t ware, van de Schotsche Engelsche en Pransche empirische wijsbegeerte en lostte den geest op in de zinnen, liet den mensch weliswaar in het bezit van zijn zinnen, maar zonder geest. Als geestverwant van Bentham vond hij voor zijn utiliteitsleer een zielkun-

-ocr page 31-

NUTTIGHEIDSLEER EN POSITIVISME.

dige basis, en te zamen pasten zij deze toe op het gedrag aan de eene en op de staatkunde en de staathuishoudkunde aan de andere zijde. De beweging in Engeland werd ondersteund door een overeenkomstige beweging in Frankrijk in \'t begin geleid door de eerste socialisten, spoedig daarna door Comte. In Engeland bovendien kwam het volk te snel tot maatschappelijke welvaart, voorspoed in handel en geluk bij industrieele ondernemingen. Plotselinge welvaart kan voor een volk de grootste ramp zijn. Het is niet goed voor een volk om de middelen sneller te verkrijgen dan zijn kracht om ze te gebruiken en nuttig te besteden toelaat. Weelde kan de edeler eigenschappen van een volk ontzenuwen, verzwakken ; kan den mensch bewegen ora naar een andere dan de hoogste stem te luisteren, naaide stem, die hem leert om in rust en vrede zijn groote be: zittingen te genieten, en in stoffelijke dingen een beteren maatstaf voor gedrag en karakter te vinden, dan in de dingen des geestes. En de stem waar men op wachtte liet zich spoedig hooren. De tijd was rijp genoeg om de zinnelijke wijsbegeerte om te doen trachten iets meer te worden dan een bloote zielkunde. En die poging werd gedaan. In de handen van Comte trachtte zij een wijsbegeerte te worden van de natuur en den mensch. Hij verkondigde dat de mensch niets kon weten van oorzaken, slechts kon kennen hetgeen voorafgegaan is en hetgeen volgt, en hij spoorde de men-schen aan om het onderzoek naar de eerste oorzaak te staken. Maar zijn onwetendheid werd gebruikt, hoewel op onlogische wijze om den geest buiten den mensch en de natuur te sluiten en om het waargenomene synoniem met het bekende te stellen. Deze ontkenning van den geest was voor Comte de hoogste bevestiging. Hij ver-klaarde de geschiedenis des menschen als een wasdom van den mensch uit

2

17

-ocr page 32-

HET GELOOF EN HET MODERNE DENKEN.

den laagsten toestand — die van liet Fetiscliisme en het Polytheïsme — door het Monotheïsme tot het Positivisme, waar de mensch het geloof aan het geestelijke opgaf en voldaan was met hetgeen zijn zinnen waarnamen. En uit zijn wijsbegeerte ontwikkelde bij een godsdienst, de godsdienst der menschelijkheid, die een geestdriftige groep leerlingen, zoowel in Engeland als in Frankrijk tot zich getrokken heeft, ofschoon het vreemd schijnt, hoe een geloof — want een geloof is het — dat den geest loochent en alleen als werkelijk beschouwt wat met de zintuigen waargenomen wordt, in staat kon zijn om in eenige menschelijke borst bezieling te wekken.

Deze wijsgeerige beweging werd zeer versterkt door de wetenschappelijke. De wetenschap is in deze eeuw en vooral onder het tegenwoordig geslacht, met reuzenschreden vooruit-sreo-aan. Misschien heeft zij zich meer onderscheiden door het

O O 0

aantal en den glans barer wetenschappelijke stellingen, dan zelfs door de grootheid barer wetenschappelijke ontdekkingen. Er zijn misschien tijden geweest door grootere ontdekkingen gekenmerkt doch nimmer is er een tijd geweest zoo rijk aan hypothesen, aan gissingen omtrent de wijze waarop dat wat bestaat ontstond. Terwijl de wetenschap de bovennatuurkunde verwerpt, is zij metaphysiseh geworden, en men ontmoet thans vaak natuurkundige uitdrukkingen, die gebruikt worden om de begrippen uit te drukken en de vraagstukken op te lossen, die van ouds den metaphysicus bezighielden. Onderscheiden zaken begunstigden deze ontwikkeling der wetenschappelijke bespiegeling. De geologie openbaarde hoe lang en langzaam het scheppingsproces plaats vond, hoe het door lang-zamen trapsgewijzen overgang van lagere tot hoogere typen was opgeklommen. Charles Darwhij die een verbazende kennis der

18

-ocr page 33-

EVOLUTIE EN WIJSBEGEERTE.

natuur paarde aan een bewonderenswaardig oog voor de gelijksoortigheden en verschillen van natuurvoorwerpen kwam met zijn theorie over het ontstaan der soorten door middel van de natuurkeus voor den dag. Zij viel als een vonk op drooge tonder, en terwijl de naturalist haar gebruikte om den oorsprong der soorten uit te leggen, deed zij den physikus een nog meer omvattende theorie aan de hand omtrent de verklarende ontwikkeling van den oorsprong der dingen. Mannen als Haeckel, veel stouter dan Darwin, hebben getracht aan te toonen hoe de oorspronkelijke stof of massa door mechanische of physische wetten tot een welgeordende en zedelijke wereld geworden was. De ontwikkelingshypothesen van Kant en Lamarck heeft men doen neder dalen uit het wijsgeerige land der droomen, dat men vroeger hun eigen-, lijk en verwant tehuis meende; en veranderden in bewon-deringwekkende voorspellingen van wetenschappelijke waarheid, voorafgaande flikkeringen van den dageraad, die reeds doorgedrongen was tot de menschen die zich op den bergtop bevonden , terwijl de menschen in het dal nog in de duisternis wandelden. En zoo hield de wetenschap op alleen de verklaring der natuur te zijn en werd tot een groot onderzoek naar het bestaan en de werking van haar oorzaak.

Maar de Evolutie had een wijsgeer noodig om haar ait te werken tot een volledige en zamenhangende theorie der dingen. In de hand van Darwin is zij een theorie der schepping die betrekking heeft op de wijze waarop, wel te onderscheiden van een oorzakelijke theorie en toont zij hoe de scheppende kracht werkt, niet wat de scheppende oorzaak is. Binnen haar eigen grenzen kan zij als wetenschappelijke theorie nooit meer doen; daarom kon zij het Theistiscli vraagstuk slechts laten waar zij het gevonden had. Nogtans was het denkbeeld te

19

-ocr page 34-

HET GELOOF EN HET MODERNE DENKEN.

20

vruchtbaar om slechts in zijn wetenschappelijken vorm te blijven. Het was geschikt om door de wijsbegeerte verwerkt te worden tot een oorzakelijke scheppingstheorie. Dit was echter meer dan het heerschend empirisme, wilde het zich zeiven getrouw blijven, kon volbrengen. Dat empirisme had verklaard dat alleen verschijnselen gekend konden worden, dat oorzaken volkomen ontoegankelijk waren voor het inen-schelijk verstand. En door dat te zeggen was het geheel in overeenstemming met zich zeiven. Eene zinnelijke wijsbegeerte moet öf een onkundige öf twijfelzuchtige zijn, moet of de werkelijkheid der onwetendheid of de onmogelijkheid dei-kennis betuigen. Zij kan slechts de gewaarwording kennen, kan nooit haar oorzaak weten. Maar Herbert Spencer vatte het heldhaftig en schitterend plan op, om met eene wijsbegeerte van onkunde ten grondslag, een wetenschap van de natuur, den mensch en de maatschappij op te bouwen. „Evolutiequot; was het geheimzinnige woord dat het tot hiertoe onmogelijke moest volbrengen, dat een opbouwende theorie van het heelal zou afleiden uit een zoo weinig belovenden wortel als een zinnelijke en daarom onkundige wijsbegeerte is. Spencer\'s eerste oorzaak was het onbekende en onkenbare, dat, daar wij het noch beschrijven, noch bepalen, noch begrijpen kunnen, voor het verstand evengoed is als het niet bestaande. Maar het onbekende werd stoutweg omgezet in hetgeen ondersteld werd bekend te zijn, in de termen van stof, beweging en kracht. Naar de beginselen van Spencer\'s wijsbegeerte is onze kennis hier bedriegelijk, en volharding van kracht en krachten zijn termen die een onbekend, en niet een bekend wezen aangeven. Waar alle kennis, kennis van zinnebeelden is, moeten de werkelijkheden die zij symboli-zeeren steeds ongenaakbaar voor ons blijven, voorwerpen

-ocr page 35-

KENMERKEN VAN HEI MODEENE DEKKEN. 21

waaromtrent piets beweerd kan worden, omdat er niets van gekend kan worden. Het stelsel van Spencer is meer wonderbaar dan de Indische legende, volgens welke de aarde rustte op een olifant en de olifant op een schildpad; want de olifant en de schildpad waren ten minste werkelijkheden hetgeen reeds veel meer is dan wat „het onbekendequot; of „de stof, beweging en krachtquot; van onzen Engelschen wijsgeer kunnen beweren te zijn.

III.

Wij zijn nu zoover gevorderd dat wij de karakteristieke eigenschappen en strekking van het moderne denken die de meeste beteekenis voor het geloof hebben, kunnen aanwijzen. Zijn meest omvattende en kenmerkende hoedanigheid kan genoemd worden Pan-Physicisme of de poging om de natuur door de natuur te verklaren zonder eenig beroep te doen op eenige kracht of persoonlijkheid boven haar. Hier staat het in lijnrechte tegenstelling tot het Theisme. Het Theisme moge God opvatten als inwonend in de natuur, moge weigeren om zijn handelingen te beschouwen als „bovennatuurlijkquot; of als een „ingrijpenquot; in de natuur-orde of wet, maar het kan Hem nooit vereenzelvigen met de natuur of de natuur met Hem. De tegenstellingen zijn hier zoo bepaald mogelijk, kunnen niet scherper zijn of meer het hart der zaak raken. In de eerste helft der vorige eeuw stemden het christendom en het Deisme in hun grondbegrippen met elkaar overeen. Er was oppervlakkig verschil maar wezenlijke overeenstemming. Hun begrippen van God, natuur en mensch waren gelijk, hoewel zij niet hetzelfde dachten omtrent hun onderlinge betrekkingen en wat deze inhielden. Deze overeen-

-ocr page 36-

HET GELOOF EN HET MODERNE DENKEN.

stemming in grondbeginselen was liet, die Butler in staat stelde in zijn Analogie een verdediging op te bouwen die de Deisten niet konden beantwoorden, — niet konden, eenvoudig omdat met liun vooropgezette stellingen zijn gevolgtrekkingen onvermijdelijk waren. Zijn werk stelt ons de keus voor, die gevallen als dat van James Mill zoo goed toelicht: omhels het christendom of verlaat het Theisme. Maar in deze dagen heeft Butler zijn standpunt verloren. De onderstellingen die aan zijn betoog kracht gaven zijn niet meer mogelijk, gemeenschappelijke overtuigingen bestaan niet meer en zijn vervangen door radikale tegenstrijdigheden. De moderne gedachte vat de orde, waaronder wij leven en die wij mede samenstellen, op als het gevolg of voortbrengsel van physische krachten, stoffelijk van aard, werktuigelijk in werking, ofschoon ten slotte bepaald en gewijzigd door het gedrag van de organismen, die zij voortgebracht hebben. Zulk een theorie kan alleen beschouwd worden als de tegenstelling van het Theisme, van elke waarheid die het wezen uitmaakt van een zedelijk en godsdienstig geloof.

Maar nog eens, het moderne denken is, wat zijn innigst wezen betreft, stellig en in zijn algemeene wen-schen en strevingen opbouwend. Zijn negatieve houding tegenover het geloof is in zeker opzicht toevallig, niet het gevolg van een vooropgezet plan, van afkeer van het geloof of van neiging tot ontkenning, maar eenvoudig het gevolg van trouw zoowel aan zijn eigen beginselen als aan zijn doeleinden. De vroegere zinnelijke wijsbegeerte was kritisch en sceptisch, maar de moderne is leerstellig en stellig. De vroegere was steviger, zij handelde met een vollediger kennis van haar eigen stelling, beginselen en krachten; maar de latere is moediger; gelijk wij ge-

22

-ocr page 37-

ZIJN EERBIED.

zien hebben bouwt zij hare theorie omtrent het bestaan op, met trotsche braveering van haar theorie omtrent liet weten. Zoowel in hare bedoelingen als in hare pogingen tracht zij zooveel mogelijk te omvatten. Zij heeft getracht de natuur en het karakter der eerste oorzaak te bepalen, de wording te beschrijven der onbewerktuigde wereld, den oorsprong en de ontwikkeling van het leven, de vorming en de werkzaamheid van den geest, het ontstaan en don wasdom van den godsdienst, de maatschappij en den Staat, met al wat zij vertegenwoordigen en insluiten. Het moderne denken beoogt het totstandbrengen eener volkomene kennis van het heelal, en eener volledige -wijsbegeerte van den mensch; en zoowel de wetenschap als de wijsbegeerte ontkennen en verwerpen de aloude waarheden des geloofs. Van twee tegenstellingen, kunnen beide niet waar zijn. Terwijl het Pan-physicisme zijn eigen leerstellingen bevestigt, ontkent het die van den godsdienst; maar de bevestiging is het eigenlijke, de ontkenning is het toevallige. Wat zulk een positief doel heeft; verdient den eerbied van hen, die de waarheid zoeken en werkzaam zijn om haar te vestigen. Een opbouwende geest is altijd edeler dan een critiseerende, de een wenscht slechts de dwaling aan den dag te brengen; de ander wil de werkelijkheid vinden en openbaren. En zijn adel van geest blijkt in de meest kenmerkende scheppingen van het moderne denken. Het geloof had nimmer waardiger tegenstander en moet de gelijke worden van, en zijn best doen om gelijk te zijn aan zijnen vijand.

Nog eens , het moderne denken moet gekenschetst worden als uiterst godsdienstig en eerbiedig. Het is te positief om profaan te zijn — zich te bewust van het mysterie des be-staans dat het zoekt te verklaren om goddeloos te zijn. De

23

-ocr page 38-

HET GELOOF EN HET MODERNE DENKEN.

24

menschen, die nu niet zoo zeer tegenover als wel buiten het christendom staan, zijn geen ruwe ongeloovigen, die den godsdienst betichten van priesterbedrog, de eeredienst van onwaarachtige vlijerij van de sterken door de zwakken. Zij zijn mannen, die de waarde en duurzaamheid van het godsdienstig bestanddeel in den mensch erkennen, en de onmisbaarheid van den godsdienst en den eeredienst voor zijn hoogste zedelijke en verstandelijke ontwikkeling uitspreken. Het Positivisme dat voor menigeen in zijn betrekking tot de godsdienstige waarheid slechts een omvangrijk en samenhangend stelsel van ontkenningen is, heeft den eeredienst der humaniteit ingesteld; en men moet werkelijk blind zijn om niet te zien hoe hij sommigen onzer edelste geesten bezield heeft met edele geestdrift voor de zaak der onwetenden, der lijdenden en der verdrukten. Eenige onzer meest bekende en meest strijdlustige natuurkundigen scheppen er in hun welsprekendste oogenblikken behagen in, hun ontzag voor en vervoering over de geheimzinnige macht uit te spreken die op de snelwerkende weefstoel des tijds het veelkleurige kleed vormt dat de natuur den zinnen aanbiedt. De latere Strauss dacht dat de oude eerbied voor den Eeuwige kon voortleven in het nieuwe gevoelen omtrent het heelal, met zijn overan-derlijke orde, zijn onmetelijkheden van ruimte en duur, zijn stilte, zijn voortgang, zijn gestrenge en toch heilige weldadigheid. En het nieuwe denken wenscht evenzeer de oude geloofsvormen als den alouden geest van eerbied te behouden. Een van de luisterrijkste apologeten van het Positivisme, dat God noch geest erkent, heeft de physici verbaasd, en de bovennatuurkundigen in verrukking gebracht door zijn prachtig vertoog tegen het materialisme. Het oude geloof in de onsterfelijkheid is van gedaante veranderd en in zijn nieuwen

-ocr page 39-

ZIJN ETHISCHE GEEST.

vorm verheerlijkt door iemand die krachtens zijne zeldzame beschaving en verbeelding van rechtswege een uitstekend onderwijzer der eeuw is.

„Ach, dat \'t mij \'vergund ware deel te nemen aan het onzichtbre koor „Uier onsterfelijke dooden die herleven

„In geesten, door hun tegenwoordigheid veredeld; die leven

„In polsslagen tot grootmoedigheid bewogen

„In daden -van stoute rechtschapenheid, in verachting-

„Voor ellendige oogmerken, die op zelfzucht neerkomen,

„In verheven gedachten, die gelijk sterren den nacht doorboren,

„En door haar zachtzinnige volharding het onderzoek der menschen dringen

„Tot ruimere uitkomsten........

„Dit is het toekomende leven „Dat de martelaren heerlijker gemaakt hebben „Voor ons die trachten te volgen.quot;

En zoo kunnen wij zeggen dat het nieuwere denken zelfs als het in de scherpste tegenstelling staat tot het oude geloof, waardig, ernstig en godsdienstig is en alleen juist begrepen en verstandig beoordeeld kan worden door geesten die even waardig, even ernstig en even godsdienstig zijn.

Het denken dat ons thans bezighoudt, kan verder beschreven worden als bij uitstek zedelijk in geest en bedoeling. Vele van onze moderne denkers zijn mannen bezield met de geestdrift der humaniteit, mannen die verlangen den mensch tot een hooger peil op te heffen, de maatschappij te zuiveren en te verbeteren, onwetendheid te verdrijven en kennis te scheppen; de weldadigheid voor te lichten, zoo niet te regelen, en ons individueel, commercieel, sociaal en politiek leven wijzer, edeler en menschelijker te maken. Hun zedekundige theorie moge ontoereikend zijn, maar de plichten die zij met zich brengt, kunnen, indien niet gebiedend opge-

25

-ocr page 40-

26 HET GELOOF EN HET MODERNE DENKEN.

legd, toch krachtig ingeprent worden. Zij is de zedelijke geloofsbelijdenis geweest van mannen, die onze meest onvermoeide arbeiders geweest zijn aan de zaak van den vooruitgang en de verlichting des menschen, die zonder ophouden gewerkt hebben om onze vrijheden in het leven te roepen, onze wetten te hervormen, onze opvoeding uit te breiden en te verbeteren, onze ellende te heelen, onze ondeugden te verminderen, onze deugden te vermeerderen en te veredelen. Eenige van de machtigste en meest overtuigende aansporingen aan Engeland om een eerlijken handel en eene eervolle politiek te volgen in zijn verkeer met lager staande rassen, is gekomen van de zijde der leerlingen van Comte. En het is niet hem slechts recht doen dat de menschlievende en zedelijke geest van mannen die tot geenerlei kerk behooren door elke kerk erkend worde. De kerken bezitten niet langer een monopolie der menschelijkheid — zij bestaat zoowel buiten als binnen haar, en zoolang zij niet weten wat dit beteekent kunnen zij nooit haar plicht doen, noch jegens de moderne denkwijze, noch jegens de moderne wereld.

IV.

Maar deze bespreking van de meest kenmerkende eigenschappen en bedoelingen der moderne denkwijze doet de vraag opkomen hoe moeten de vertegenwoordigers van het geloof zich tegenover haar gedragen ? Hoe kunnen zij het best getrouw zijn aan het geloof dat zij van het verleden ontvangen hebben, en dit voor de toekomst behouden? Hoe hun beginselen en stellingen verdedigen tegen zulk een geduchten tegenstander? Deze vragen betreffen niet slechts het voortbestaan der christelijke kerken, maar het bestaan zelf van

-ocr page 41-

WAT HET GELOOF ZIJN MOET.

het christelijk geloof. Een godsdienstige maatschappij die blind is voor haar gewicht, bewijst daardoor slechts dat zij afgeleefd en stervende is.

Een ding is zonneklaar, het denken moet door denken worden bestreden; de rede alleen kan de rede aangrijpen en overwinnen. De dagen toen gezag sterker was dan bewijs zijn voorbij, en de kennis kan nu even onbarmhartig zijn jegens het gezag als het dit vroeger jegens haar was. Het geloof staat tegenover richtingen die den geest, de methoden en de bewustheid der wetenschap hebben, en wil het de overhand hebben zoo moet het worden gelijk zij zijn. Waar een tegenstander optreedt, die noch slechts gevoelig, noch schoonheidlievend, noch zedelijk is, maar in hooger mate met rede begaafd, moet de rede hem bestrijden, zoo hij al te bestrijden zal zijn. En de rede die hem bestrijdt moet de woordvoerder zijn van een stelsel even omvangrijk als het zijne, en beginselen voorstaan die hooger, helderder en redelijker zijn dan hun tegenstellingen. De denker, zoo men hem te woord staan zal, moet beantwoord worden door gedachte, niet door bidden of preeken, niet door een bevel om te gelooven, niet door een vermaning tot berouw of door een waarschuwing die plat weg verwijst naar eene plaats, te heet om aangenaam te zijn, die voor hen bereid is, maar om Cudworth\'s schoone zinsnede te bezigen „dooreen verstandelijk stelsel van het heelal,quot; een stelsel dat niet alleen toonen zal dat de godsdienstige idee uiteengezet kan worden tot een verstandelijke theorie der dingen, maar dat zij de theorie is, die het best het bestaan zoowel van haar zelve als van het heelal kan verklaren. Kortom, zal de godsdienstige gedachte de moderne verwinnen, dan moet zij niet vreezen hare vraagstukken onder de oogen te

27

-ocr page 42-

HET GELOOF EN HET MODERNE DENKEN.

zien en aan te tasten, dan moet zij zonder terugdeinzen een vergelijking\' uitlokken van hun wederzijdsche oplossingen en dat-doen in den geest die zich beroept op de rede, voorbereid om zich neer te leggen bij haar beslissing. Deze taak te beproeven is voor het geloof niet nieuw. Het heeft dit vroeger gedaan en kan het op nieuw doen, in de overtuiging dat het voortzetten van dit werk een noodzakelijke voorwaarde is van zijn voortbestaan. Evenwel is het nieuwe werk geen herhaling van het oude. Het menschelijk denken steeds vooruitgaande, verandert steeds, verwijdt zich met den loop der zonnen. Onze godsdienstige overtuigingen kunnen nooit gescheiden worden van onze voorstellingen aangaande het heelal; en wanneer de laatste ruimer en meer waar worden, moeten de eersten verheerlijkt worden, opdat zij mogen leven en schitteren in het nieuwe licht. Vandaar dat de levende gedachte niet door den godsdienst doordrongen en bezield kau worden door het geloof te bevestigen in de vormen door het verleden vastgesteld, maar door de godsdienstige idee over te brengen naar het gebied dat het denken onderzoekt en haar recht van bestaan aldaar zoowel als haar aanspraak op den rang van de eenige redelijke uitlegster van het heelal te bewijzen. Om dit doel te bereiken moet zij de wegen bewandelen en de kenmerken bezitten van het moderne denken en dat in zulken graad dat zij de bekentenis zal afdwingen, dat zij terwijl zij als geloof oud is, als gedachte even modern is als de levende geest.

Onze godsdienstige denkers dan moeten, zoo zij naar de behoeften van den tijd willen handelen, niet vreezen de waarheden van het geloof op nieuw te formuleeren, den grondslag van den godsdienst te verdiepen en te verbreeden, en van de rots recht omhoog te bouwen. De conservatieve godsdienstige

28

-ocr page 43-

WAT HET GELOOF ZIJN MOET.

29

gedachte is, wat haar eigen eischen betreft, te zeer bloot verzekerend en in hare houding tot de menschen en de stelsels die zij bestrijdt, te zuiver kritisch; de progressieve godsdienstige gedachte is te vloeibaar, te zeer doordrongen van gevoel, te weinig toegerust met rede, meer ontvankelijk dan scheppend van geest. Geen van beide is geheel bevredigend in karakter, noch in gedragslijn. De verdediging onzer eigen stelling door het kritiseeren onzer tegenstanders is gewis noch een flinke, noch een zekere methode om een zegepraal te behalen. Kritiek kan voor een vijand meer dienstig dan ondienstig zijn, kan hem helpen om zijn standpunt te ver-beteren, terwijl zij niets ter verbetering van onze eigen stelling bijdraagt. Aan zijn zwakke plaatsen moeten onze sterke het hoofd bieden, en het denken, besteed aan het ontdekken waar hij kan aangevallen worden, kon nog beter aangewend worden door ons zeiven tegen zijn aanvallen bestand te maken. Een al te ontvankelijke houding is even slecht als een te kfitische. De godsdienstige denker moet een scheppend denker zijn, die niet toestaat dat zijn gedachte van buiten gewijzigd wordt, maar die haar noopt zich van binnen te ontwikkelen, haar gebruikende om de natuur en den mensch te verklaren en niet lijdelijk toelatende dat zij verklaard worden door vreemdelingen op het gebied van hart en taal. De zoogenaamde Broad Church wordt meer en meer een kerk zonder ruimte. Zij verliest den ruimen, stelligen en opbouwenden geest van haar eerste meesters en wordt te zeer een schepsel van het heden, om een schepper der toekomst te zijn; te veel een zaak van gevoel en verlangen, te weinig een zamen-hangend en omvangrijk stelsel, een dichter toenaderen tot een ware uitlegging van God en mensch, dan dat der stelsels, welke zij meer wenscht dan poogt te vervangen. Het denken,

-ocr page 44-

HET GELOOF EN HET MODERNE DENKEN.

zal het leven, moet een ernstig denken over de wortels en werkelijkheden der dingen zijn, vast besloten om hen onder de oogen te zien, en duidelijk en krachtig te zeggen wat het gezien heeft.

Nog eens, het godsdienstig denken moet opbouwend zijn, moet niet tevreden zijn met het ontwikkelen van leerstellingen en het verdedigen van kerken, maar moedig de verklaring van het heelal van het standpunt van den godsdienst uit beproeven. Apologiën die de bizon derheden verdedigen, zijn vaak nadeeliger voor het geloof dan voor den twijfel ; het aanvallend denken is altijd sterker dan hat verdedigende. Geen theorie over het heelal is zoo redelijk als het Theisme, en behoeft zoo weinig vrees te koesteren voor een beroep op de rede. De groote opbouwende stelsels hebben steeds op het krachtigst zoowel den theolo-gischen vooruitgang als het godsdienstige leven bevorderd. De scheppende denkers van de Oostersche kerk waren de beste verdedigers van het oude Christendom; het volledigste antwoord op de nieuw-Platonische kritiek was het begrip van God — en derhalve van de wereld — geformuleerd door Athanasius en de Alexandrynsche godgeleerden. Dat begrip kan nooit verstandig of zelfs maar op gezonde wijze beoordeeld worden, tenzij als de tegenstelling der filosofie, die in de plaats en ten tijde van zijn geboorte leefde. In latere tijden heeft geen stelsel een sterkeren praktischen invloed gehad dan het Calvinisme. Het is een stelsel van schitterende vermetelheid, van moedige vastheid in al zijn deelen, in zijn premisse, voortgang en sluitrede. Het was een beredeneerd l stelsel, de rede kon het verstaan en de rede, die het verstond, | kon het nagaan. Het was het heelal, in zijn wording, in \' zijn besturing, doel en bestemming verklaard door een gegeven

30

-ocr page 45-

OPBOUWEND.

31

Godsbegrip; en hoewel dat begrip niet het edelmoedigste mocht zijn, de menschen die het koesterden gevoelden zich alsof zij de laatste en hoogste werkelijkheid onder den voet hadden, alsof zij in \'t bezit wai-en niet alleen van een weg der zaligheid, of van een pad tot vrede in den dood, maar ook van een stelsel van volstrekte waarheid dat den mensch in staat stelde om alle dingen als \'t ware uit het standpunt van hun Maker te beschouwen. En een geloof dat zoo sterk en veelomvattend was vormde sterke en invloedrijke menschen. Het drong als ijzer in \'t bloed van het wordende en onzamen-hangende protestantisme, en staalde het tot het heldhaftigste lijden en strijden Het vormde de mannen, die in Frankrijk de edele gevechten dev Hugenoten streden; de soldaten en burgers, die in de Hollandsche moerassen aan de wreede en tirannieke macht van Spanje weerstand boden en haar verbraken; de Puriteinen, die, in Engeland en in de wouden van het verre Westen, de vertegenwoordigers waren van al wat aan ons godsdienstig\' leven \'t edelst, \'t meest gespierd en man-nelijkst was en is ; de Covenanters, die, in Schotland gedurende jaren van vervolging, de quot;blauwe banier die de souvereine rechten van Christus verkondigde omhoog hielden en op edele wijze volgden. En wat wij noodig hebben is een stelsel even opbouwend, omvattend en verheven als het Calvinisme, doch meer edelmoedig — een vertolking van het heelal door middel van ons hooger G-odsbegrip, De menschen kunnen heden ten dage niet leven bij een geloof dat hen slechts op een of op weinige punten treft; zij hebben een geloof noodig dat hun geest omvat, doordringt en beheerscht, en hen in staat stelt om zich in overeenstemming te gevoelen met de laatste en algemeene waarheid. Slechts wanneer het bewijs geleverd wordt dat het Theisme de beste reden geeft voor het ont-

-ocr page 46-

HET GELOOP EN HET MODERNE DENKEN.

staan der wereld, de beste verklaring van haar geschiedenis, en den zekersten grond voor alle redelijke verwachtingen aangaande haar toekomst, kan zijn recht van bestaan ten volle gerechtvaardigd worden.

Maar het is evenzeer noodig de elementen in den godsdienst te ontwikkelen die de edeler verwachtingen en eerbiedwaardiger gevoelens van den mensch kunnen bevredigen. Daardoor kan het hart verheven worden boven de bekrompenheid en de beslommeringen des levens, en de mensch vervuld worden van aandoeningen, die verheffen doordien zij verootmoedigen. Hij moge geen eerbied voor de natuur voelen — want de oneindigheden die onze eindigheid omsluiten, zoowel als de orde die zonder afbreken of ophouden in het natuurlijk heelal heerscht, kunnen opwegen tegen ofeenigermate vergeleken worden met den eerbied, die kan opgewekt worden door ons geloof in den eeuwigen Vader, de altijd wakende, onuitputtelijke persoonlijke liefde die ons schiep en onze zaligheid voorbereidt. De macht waarmede de humaniteit ons opwekt tot aanbidding is slechts onvermogen, vergeleken met de kracht die in Christus leeft, terwijl hij voor ons staat als het ideaal van het mensche-lijke, als de verwerkelijking van het goddelijke, en ons toont hoe deze naturen verwant zijn, hoe door den mensch God tot den mensch eu de mensch tot God kan naderen. Ook kan het christendom ons bewust maken van veel in ons, dat eerbied verdient, van een natuur vol goddelijke verwantschap, van een bestaan dat vatbaar is voor onsterfelijken vooruitgang langs al de verhevenste paden van kennis, gevoel en daad. Waren al deze elementen opgevoerd tot hun ware hoogte zoo zou het Christendom voor ons staan als de weergalooze godsdienst van eerbied. Een beroep op het zinnelijke, dat altijd het kenmerk van een verzwakt en afnemend geloof is, moet

32

-ocr page 47-

EERBIEDIG EN ZEDELIJK.

het versmaden; en leven door zijn kracht om de hoogste op-strevingen des geestes, de edelste bewondering der rede op te wekken en te bevredigen.

Maar er is nog een andere noodzakelijkheid, die in aanmerking verdient te komen: het zedelijk element in den godsdienst moet tot zijn eigen plaats verheven, en in staat gesteld worden om zijn eigen werk te verrichten met betrekking tot het individueele, industrieele, commercieele, sociale en politieke leven. Nooit hebben de christenleeraars aan de christelijke zedeleer zelfs maar haar gewone recht laten wedervaren. Onze eeuw heeft een bizonderen eerbied voor zedekundig onderwijs, dat wellicht te danken is aan een gevoel voor hare bizondere noodzakelijkheid. Geen der levende leeraars heeft een zoo uitgestrekten en rechtmatigen invloed uitgeoefend als Thomas -Carlyle \'), eenvoudig omdat hij, meer dan eenig ander man van dezen tijd, aangedrongen heeft op haat tegen vertoon, op liefde voor waarheid, op eerbied voor oprechtheid en heldhaftigheid, op getrouwheid aan plicht, hoe alledaagsch die ook zij, en op bewondering van de dapperheid, die er naar streeft goed te zijn en goed te doen. Matthew Arnold\'s „stroom der neigingquot;, ontvoldoend

1) „Levendquot; — maar nu niet meer! quot;Wij hebben sedert zijn dood genoeg kritiek over hem ontvangen, over zijn melancholie, ruwheid, gebrek aan mildheid en andere zonden die men vriendelijk geweten heeft aan ziju „slechte spijsvertering.quot; Niemand was ooit ongelukkiger in zijn letterkundigen executeur, of in zijne beoordeelingen te bewust oprecht, of te zacht in woord en oordeel, om geheel rechtvaardig te zijn. De tijd moet komen, dat de poging zal gedaan worden, om door de manieren en de taal heen te dringen tot de vriendelijke en ridderlijke ziel. Laat men intusschen niet vergeten dat de arbeid waaraan hij zich onderwierp om zijn werk te volbrengen een les was voor onze eeuw. Niet enkel het genie maar de moeite die hij aan zijn boeken besteedde, vooral aan zijn „Friedrich,quot; maakt hem tot ons aller meester.

33

3

-ocr page 48-

HET GELOOF EN HET MODERNE DENKEN.

34

als hij is doov zijn onlogische verpersoonlijking teneinde den troon eener bewuste en handelende godheid te bezetten, heeft zich evenwel aan vele geesten aanbevolen, door de wijze waarop bij verklaard heeft dat hij „rechtvaardig maakt.quot; De he-dendaagsche kerken hebben groote verplichting aan hem wegens de volharding, waarmede hij getracht heeft het oude He-breeuwsche denkbeeld van rechtvaardigheid te vertolken en het over te brengen in onze levende Engelsche taal. Wij dienen terug te gaan tot de oude profeten om te leeren wat zij onze eeuw te zeggen hebben. Wij zijn er te zeer op uit geweest, om hen als zieners der toekomst te beschouwen, om te bewijzen dat hun woorden voorspellingen waren; en te onverschillig voor hetgeen zij waren en zeiden als predikers, als woordvoerders van den levenden God tot levende men-schen. Zij wisten dat slechts een rechtvaardig mensch een rechtvaardigen God kon vereeren, en drongen daarom aan op een dienst, die niet in ceremoniën maar in gerechtigheid zijne uitdrukkingen vindt. Waarin zij gelijk hadden, daarin kan een hedendaagsch leeraar geen ongelijk hebben. Het Christendom is vol braakliggende zedelijke schatten ; zijn mijnen van zedekundig onderricht liggen bijkans onbewerkt. In den persoon, de woorden en het werk van Christus, in zijn denkbeelden over het vaderschap Gods en \'s nienschen broederschap, in zijn Geest, in den geest dien hij in zijn discipelen schiep, in de woorden en daden zijner apostelen liggen aderen vol van den schoonsten zedelijken overvloed. Deze te verwaar-loozen staat gelijk met het veronachtzamen van de christelijke waarheid in haar schoonste en geurigste bloem. De kerken hebben zich meer bezig gehouden met de leer dan met de ethiek, meer met het bestuur dan met het leven. Zullen zij leven, en in kracht en invloed toenemen, zoo moeten zij

-ocr page 49-

HET GELOOF EN ZIJN LEIDERS.

niet schromen de zedelijke beginselen van hetgeloof dat zij belijden te ontwikkelen en te verkondigen, en deze toepassen op de vragen, die steeds meer te voorschijn treden, op den wandel van levende mannen en vrouwen, op onze verdeeldheden, op onzen klassen- en kastenhaat, op de vraagpunten en geschillen tusschen kapitaal en arbeid, op de beweegredenen en belangen, die onze binnen- en buitenlandsche staatkunde bezielen en leiden of misleiden. Geen genootschap heeft de vrijheid om afstand te doen van haar bijzondere functies, of kan dit doen zonder het recht zoowel als de macht te verliezen om ze uit te oefenen. Ons hedendaagsch christendom heeft aan zedelijken invloed een ontzettend verlies geleden, door te verzuimen zijn inwendige en openbare zedelijke krachten te toonen. Het was bestemd een moedig en werkzaam leven te leiden door overal den mensch te vergezellen, hem in alles en overal te besturen, en alleen door het dat alles te laten doen, zal het zijn eigenaardige macht hebben en zijn eigenaardig werk verrichten.

Maar de betrekkingen van het moderne geloof .tot het moderne denken moeten ten slotte voornamelijk afhangen van zijn levende vertegenwoordigers en leiders. Een stelsel kan slechts op een eeuw invloed oefenen door de mannen in wie het leeft, en door wie het werkt. Gelijk onze christelijke denkers zijn, zoo zal ons christelijk denken wezen. Tenzij dat zij even uitstekend en verlicht zijn als de denkers, die zij bestrijden, is het onmogelijk dat hun tegenstand anders dan zwak en nutteloos kan zijn, zal hij niet volstrekt ongerijmd wezen. In een eeuw van wetenschap is het niet mogelijk dat onkunde kracht zou zijn. De godsdienstleeraars die wij behoeven zijn mannen met een ruime en levendige sympathie, sympathie voor kennis, wetenschap en wijs-

35

-ocr page 50-

HET aELOOr EX HET MODERNE DENKEN.

begeerte, voor twijfel en de onderzoekingen die vaak tot twijfel voeren, en bovenal voor de edele geesten, die menigmaal bij liet ijverig onderzoek naar het hoogste goed, in de war gebracht worden door den doolhof van kruisliohten, die hun pad gelijkelijk verlichten en verduisteren. Met zulke leeraars kan het geloof niet sterven; zonder hen verdient het niet te leven.

Indien het geloof zoowel wijs en edelaardig als kloek is in zijn strijd tegen het moderne denken, behoeft er omtrent den uitslag geen vrees te zijn. De edelste is op den langen duur de sterkste en de verdraagzaamste is zeker van de overwinning. De mensch kan nooit zich zeiven boven het hoofd groeien, en hij is gemaakt om zijn Maker te zoeken en te vinden. De menschelijke zamenleving berust op godsdienst, zonder dien zou de beschaving gelijk zijn aan het licht, dat aan het noordelijk uitspansel speolt — eene kortstondige flikkering op het gelaat der duisternis eer dit opnieuw in eeuwigen nacht terugzonk. Geen eeuw had ooit meer dan de onze behoefte aan eenen heiligen en weldadigen godsdienst en de christelijke godsdienst is een zoodanige en men behoort het zoover te brengen dat hij ook alzoo voordoet. Al het edelste in onze moderne wereld heeft hij gevormd; hij ademt in onzen dampkring, is de hartslag onzer instellingen, schittert in onze beschaving, en hij moet aan de levende geesten zoo voorgesteld worden dat hij gezien wordt, zooals hij is, namelijk als de waarheid, die de rede verzoent met de werkelijkheid, die alleen in staat is den mensch te veredelen en vrij te maken.

36

-ocr page 51-

EERSTE GEDEELTE.

1. THEÏSME EN WETENSCHAP. II. DE MENSCH EN DE GODSDIENST.

-ocr page 52-

^Verschillend derhalve van beide deze wetenschappen [natuur— kunde en meetkunde) is die welke zich bezighoudt met het transcendente en onbewegelijke, indien er zulk een wezen bestaat. Maar van het transcendente en onbewegelijke wezen zullen wij het bestaan trachten te bewijzen, en zulk eene natuur, als zij vi de wereld der werkelijkheid plaats vindt, mag gezegd worden het gebied der godheid uit te maken en zelf een eerste en heerschend beginsel te zijnquot; Aristoteles ,.Metaphysica,quot; X. C. VII.

^Wij zijn de moderne atheïstische wijsbegeerte oprechten dank schuldig, dat zij er ons het eerst levendig van bewust gemaakt heeft welk een onvergelijkelijk groote zaak het is het bestaan Gods te bevestigen.quot; Rothe „Stille Stunden,quot; p. 4-3.

V.D£ ware natuur en het ware heil des menschen. ware deugd .n ware godsdienst zijn dingen, die niet afzonderlijk kunnen gekend wordenquot; Pascal „Pensees et Lettres,quot; Deel 2. p. 142 (Ed. Faugère).

-ocr page 53-

I.

THEÏSME EN WETENSCHAP. \')

..Heer, gij zijt ons geweest een toevlucht van geslacht tot geslacht, lier de hergeit geboren waren, en gij de aarde en de wereld voortgebracht hadtja van eeuwigheid tot eeuwigheid, zijt Gij Godquot;. Ps. 90: 1, 2.

I.

Dit is een van de verhevenste der oude hebreeuwsche psalmen, die het geloof, door Israel aan de wereld geschonken, juist uitdrukt. Wel mag hij „een gebed van Mozes, den man Godsquot; genoemd worden, want de waarheid die tot hem kwam bewijst hier hare ingeving door haar macht om te bezielen, om droevige verslagenheid, diepen eerbied en heerlijk ontzag op te wekken. Hij stelt den eeuwigen God tegenover den ster-felijken mensch en doet ons gevoelen hoe tot zelfs de aarde, die ons geslacht draagt en de tijd, die ons geslacht in zich

1) Gepredikt in Salem Chapel, te York op 4 Sept. 1881, gedurende de zittingen van het Britseh genootschap.

-ocr page 54-

THEÏSME EN WETENSCHAP.

opneemt, slechts oogenblikken zijn in Zijn bestaan, oogenblik-ken. die komen en voorbijgaan, terwijl Hij blijft. Zij zijn er omdat Hij bestaat.; zonder Hem waren zij niet geweest en konden niet zijn. Voor, achter, onder en boven alles is God; Hij denkt de gedachten die onze wereld scheppen. Hij wil de veranderingen, die onzen tijd bepalen en onze geschiedenis vormen, Hij draagt zorg, dat onze geslachten zich niet opvolgen in een doelloozen gang van ledigheid tot ledigheid, van de geboorte tot den dood, maar volgens een regel vastgesteld door liet verstand, doordrongen van een plan en beheerscht door gerechtigheid. Voor de Hebreen kon er geen tijd geweest zijn zonder eeuwigheid, geen mensch zonder God en waren onze levens slechts de oogenblikken die Zijnen weg afteekenden, terwijl Hij voortschreed van eeuwigheid tot eeuwigheid, van plan ■ tot vervulling

Dit geloof was het geloof van eenvoudige lieden, doch de eenvoud der menschen doet de verhevenheid van het geloof slechts te meer uitkomen Het wonderbaarste is dat een geloof zoo ruim, zoo logisch, zoo machtig, in zich zelf en in zijn uitkomsten het leven des menschen heeft kunnen binnentreden door zulke eenvoudige lieden. Zijn werking te beschrijven, zijn geschiedenis op te halen — wat het voor den mensch, voor de beschaving en voor den godsdienst volbracht heeft — ware een geschiedenis te vertellen wonderlijker dan het schoonste sprookje der wetenschap. Maar hoe het geleefd, wat het verricht, en waartoe het aanleiding gegeven heeft kan hier niet verhaald worden; wij hebben een andere en ernstiger vraag te overwegen, namelijk of bet eenig recht heeft op een voortgezet bestaan, eenige aanspraak op het verstand en vertrouwen onzer dagen. Dat is een vraag die de grondslagen van ons bestaan raakt, nederdaalt tot de wortels al onzer

40

-ocr page 55-

ZIJN ZIJ TE VKKZOBNEN ?

41

edele menschelijke eigenschappen. De behoefte om er over te handelen is voorwaar niet uitsluitend eigen aan onze eeuw Geen eeuw is voorbijgegaan zonder hare twijfelingen, en het geloof is nimmer in staat geweest te leven zonder een voldoenden grond. Er zijn tijdperken wanneer de nieuwe wetenschap de oude gronden voor \'t geloof krachteloos schijnt te maken, en die tijd ziet er bedenkelijk uit, totdat zijn onverwinbaar recht, in veranderden vorm met vernieuwde kracht herrijst. Wij kunnen den wasdom onzer kennis beter nagaan dan den graad en de kracht onzer onwetendheid, en de twijfel ontleent zijn kracht niet aan hetgeen wij weten docli aan hetgeen wij niet weten. Wat het geloof heeft te vreezen is niet de nieuwe wetenschap, maar de nieuwe onwetendheid, die de kennis meebrengt. Hoe meer de zekerheid der weten-r schap toeneemt, des te uitgebreider worden de verborgenheden van het bestaan ; maar elke overwinning van het wetenschappelijk verstand maakt de wetenschappelijke verbeelding minder verdraagzaam jegens onkunde, meer overtuigd dat zij door onderstelling en gevolgtrekking elk raadsel, hetzij binnen hetzij buiten het heelal, kan doorgronden. De luister eener nieuwe ontdekking verblindt de verbeelding, bezielt haar met het denkbeeld dat wat èen lang onoplosbaar gebleven vraagstuk opgelost heeft, in staat is ze alle op te lossen; dat het licht, hetwelk plotseling een duister raadsel bestraald heeft, slechts naar het gelaat der natuur en het hart des menschen behoeft gekeerd te worden, om beide te verlichten en te verklaren. Aldus heeft de voortgang der wetenschap de verbeelding der geleerden wakker gemaakt, en zij hebben zich overgegeven aan droombeelden, die geen oud godgeleerde of bovennatuurkundige in zijn dolste stemming kon hebben overtroffen, of zelfs maar evenaren. Doch er zijn teekenen, die aanduiden

-ocr page 56-

THEÏSME EN WETENSCHAP.

dat een gezonder stemming op handen is. De geleerde bespiegeling, die op haar eigen gebied te recht vermetel is, is met denzelfden tact begonnen daar buiten meer bescheiden en sober te oordeelen. Zij wordt zich meer bewust van het mysterie des bestaans, van de onmetelijkheid en ingewikkeldheid van zijn laatste probleem. De menschen gevoelen, dat zij verder van een ware oplossing afraken hoe dichter zij tot een zuiver natuurkundige komen; de poging haar vast te stellen, toont haar geheele onvoldoendheid of ontoepasselijkheid. En zoo kan het zelfs in tegenwoordigheid der aanzienlijke vergadering, die op het oogenblik in deze stad vereenigd is, geen onbescheiden doen schijnen deze vraag te bespreken: of de wetenschap het oude geloof aan den eeuwigen God, die de werelden schiep, vernietigd ofwel weersproken heeft; met andere ■ woorden of, met het oog op de stellingen en ontdekkingen dei-nieuwere wetenschap, het Theisme eenig recht van bestaan heeft.

I. Ik zal niet beginnen met een plechtige verklaring af te leggen van mijn liefde voor de wetenschap. De godgeleerde, onderscheiden als hij is van hem, die bloot handhaver der overgeleverde leer is, is een man van wetenschap en de wetenschappen vormen een zusterschap, dat wedijver moge kennen doch nimmer van ijvcrzucht of afkeer mag weten. De uitstekende president van het Britsch genootschap verhaalde ons den vorigen avond de wonderbare geschiedenis van de vordering, die de wetenschap gedurende de laatste vijftig jaren gemaakt had. Maar hij verzuimde twee zaken, hij verzuimde ons te verhalen hoeveel de godgeleerdheid tot dezen vooruitgang bijgedragen had, en hoeveel de godgeleerdheid zelve vooruitgegaan was. Hij zeide: „aan de wetenschap danken wij het begrip van vooruitgang.quot; Hij vergist zich, tenzij de godgeleerdheid de wetenschap was die hij bedoelde.

42

-ocr page 57-

DE GODGELEERDHEID ZELVE EEN WETENSCHAP. 43

Het begrip van vooruitgang in de natuur, in den mensch, en in de geschiedenis was rechtstreeks het werk der godgeleerdheid. Dat is een feit in de geschiedenis van het denken, waaraan hoegenaamd niet te twijfelen valt. Ook heeft de godgeleerdheid het eerst eene ontwikkelingstheorie uitge-werkt; en getracht de natuur en den mensch te verklaren als onder den invloed eener groeikracht, maar van zulk eene, die de ontplooiing van een doel, de werking van een levenden wil uitdrukte. Zij was de moeder van al onze nieuwere wetenschappen , vormde de geesten, die zoowel de methode als den hartstocht voor de verklaring der natuur in \'t leven riepen. Wat deze in \'t leven riep, gaf \'t aanzijn aan al hetgeen zij volbracht hebben. Ontleed wat wij de geestelijke beweegkrachten der wetenschap kunnen noemen, en gij zult zien dat zij voortbrengselen van den godsdienst zijn, als \'t ware uit zijnen schoot geteeld. IJver voor de waarheid is het kind van den ijver voor God; de nieuwe geestdrift voor de wetenschap was geboren uit den geest der aanbidding, den geest die arbeidde om den zin des Makers te verstaan uit de dingen die hij gemaakt had. De mensch die met den diepsten eerbied onderzoekt, onderzoekt met het beste gevolg. Eerbied kan slechts bestaan waar liefde voor de waarheid is, en geen mensch die de waarheid lief heeft haat God.

Doch de theologie heeft niet alleen der wetenschap de idee van vooruitgang aan de hand gedaan en de geestelijke gewoonten en krachten die zij heeft teweeggebracht; zij heeft ook de werkelijkheid en de kracht van haar leven bewezen door den vooruitgang, dien zij gemaakt heeft. Binnen de laatste vijftig jaren heeft zij haar terrein en haar methoden uitgebreid. De theologie heeft hare ver-

-ocr page 58-

THEÏSME EN WETENSCHAP.

44

gelijkende wetenschappen; bij haar oude gebied is nu dat veld vol wonderen gevoegd, dat men de godsdienstwetenschap noemt. Geen godsdienst is haar onverschillig; zij tracht ze alle te kennen, de plaats die elk in de geschiedenis inneemt, zijn beteekenis, het werk dat hij verricht heeft, de wijze waarop en de mate waarin hij bijgedragen heeft tot den vooruitgang, de beschaving en het geluk des menschen. Vervolgens is zij meer geschiedkundig geworden, weet beter hoe zij haar heilige boeken heeft te gebruiken, hoe tot het wezen en de waarheden van den godsdienst te geraken; hoe aan den eenen kant den godsdienstigen inhoud van den geest des menschen en aan den anderen kant den godsdienst aan \'s menschen geest te verklaren. Dan ook heeft de theologie al haar begrippen verwijd; haar denkbeeld van God is edeler, \'haar denkbeeld van den mensch waardiger, haar uitzicht onmetelijker, haar geest liefelijker en gezonder, haar voorstelling van de scheppingswijze, de goddelijke orde en bestuurswijze, van de betrekkingen tusschen God, den mensch en het heelal zoowel rijker als meer omvattend geworden. Natuurlijk kunnen deze dingen slechts in \'t algemeen gezegd worden, zij zijn alleen waar van de theologie, niet van allen die haar onderzoeken of onderwijzen Wij spreken van de wetenschap, niet van de menigte die haar volgt. Elke menigte is van gemengden aard. Zelfs het leger dat onder de banier der vereenigde wetenschappen marcheert, bestaat niet geheel uit voorposten. Daarachter komt de groote hoofd troep, altijd bedilziek, dikwijls jaloersch en zelfs wantrouwend jegens hun schitterende aanvoerders, terwijl in de achterhoede een schaar achterblijvers talmt, wier stemmen ons nu en dan bereiken als over een ruimte van vijftig jaren. Vooruitgang geschiedt nooit algemeen, allerminst in de wetenschap; doch wij meten

-ocr page 59-

WETENSCHAP EEN IIL\'LP VOOK DE GODGELEERDHEID. ib

hem af naar de voetstappen der voorsten, niet naar het spoor van den laatsten langzamen reiziger.

Doch terwijl wij dus staande houden dat de theologie een wetenschap is, die hare zusterwetensehappen goed en op verschillende wijzen gediend heeft, erkennen wij niet minder hartelijk dat deze haar gebied op schitterende wijze verrijkt en vergroot hebben. De wetenschappen, die ons begrip van het heelal volmaken, hebben ons een meer verheven begrip van God gegeven. Hij is met andere en grootsclier eigenschappen bekleed geworden, sedert zij den horizon van \'s menschen gedachte uitbreidden tot een onbegrensde en bevolkte uitgestrektheid, tot een werkzaam en onmetelijk verleden. Ons begrip van den scheppingsgang is juister en volkomener geworden sinds de aardkunde ons terug voerde naar haar\' onafzienbare elkaaropvolgende tijdperken, en ons de langzame en geregeld voortgaande methode des Scheppers toonde, die werelden als \'t ware door de natuur vormt zonder behulp van wonderen en door onmerkbare opklimmingen van de geringste beginselen tot de schoonste doeleinden voortgaat. Ons begrip der scheppende werkzaamheid is duidelijker en wezenlijker geworden, sedert wij aan het behoud van het arbeidsvermogen, aan de wederzijdsche betrekking en verwisseling van de natuurkrachten gelooven en aldus in staat waren de oorzakelijke levenskracht der natuur te begrijpen als eene onverwoestbare eenheid, onvatbaar voor vermeerdering of vermindering, overal werkzaam, die altijd van vorm verandert en toch evenmin begin heeft als zij onafgebroken bestaat. Dan ook hebben de denkbeelden van orde en wet in de natuur ons meer bewust doen worden van de eenheden, die de goddelijke werking besturen, die den wil, de methode en bet doel van G-od met elkaar doen

-ocr page 60-

THEÏSME EN WETBNSCUAP.

overeenstemmen. Een schepping zonder orde beteekent dat er geen ordenende Schepper is. Doch sinds de wetenschap overal eene wet ontdekt heeft die zoowel de traan of dauwdrop vormt als de ster afrondt, werkzaam zoowel in de groote krachten die de rivieren leiden, de zeeën voortbewegen en aan de bergen gestalte geven, als in de schijnbaar geringere krachten, die de vlokkige wolken verzamelen of verstrooien, en den groei of het verwelken van de kleinste bloem regelen — heeft de mensch het denkbeeld gekregen van een geordende natuur, bezield door een groote gedachte en bestuurd door een groot plan. En de eenheid der natuur wekt de voorstelling van de hoogere eenheid van haren Schepper. Het algemeen heerschen der wet verheft ons tot het begrip van eenen God, die de wet geeft en in stand houdt.

Maar terwijl wij erkennen dat de wetenschap dienstig geweest is voor onze godsdienstige denkbeelden, inzonderheid voor ons begrip van God, moeten wij haar grenzen duidelijk bepalen. Zij heeft werkelijk veel gedaan om den geest des menschen te veredelen, zijn leven te vervroolijken en zijn lijden te verzachten. De schitterende ontdekkingen van een Jen-ner hebben er toe bijgedragen, om den voortgang van een verdervende pest te stuiten; van een Simpson, om het noodlottig steken der pijn te stillen. De wetenschap heeft bijkans tot in het oneindige onze macht over de hulpbronnen der natuur, over de verderfelijke en heilzame krachten die in en rondom ons slapen uitgebreid. Maar ga eens na hoeveel er boven haar gebied ligt. De mensch heeft een edele aanleg en neigingen, die hem voortdrijven om het wave te zoeken, het schoone te bewonderen, het goede te vjsreeren; om de oneindige volmaaktheid na te vorschen en te vinden waarin

46

-ocr page 61-

WETENSCHAP EEN HULP VOOR DE GODGELEERDHEID. 47

het ware en rechtvaardige en schoone zich tot een goddelijke en persoonlijke eenheid verbinden. De mensch heeft een diep zedelijke overtuiging van rechten waarop hij aanspraak heeft, van plichten die hij verschuldigd is, van een eeuwige wet, die hij gehouden is te ontdekken en te gehoorzamen. De mensch heeft droeve ondervindingen vol van wroeging; hij heeft het besef van onvervulde plichten, van verspilde uren, van smarten, die de vooruitgegrepen genoegens zijns levens in de uiterste ellende verkeerd hebben, van lage en onmannelijke zonden tegen zijn geweten en hart, tegen den mensch en God, van verliezen die niet vergoed worden door gewin, van de eenzame angst die de ure der berooving vergezelt, en over het leven een schaduw werpt, die geen zonneschijn kan doordringen. En uit deze mengeling van aandrift en neigingen, overtuigingen en ondervindingen ontstaan \'s menschen menigvuldige nooden, dat smachtend verlangen naar rust, dat in het duister rondtasten naar een sterke hand om die vast te houden en daai-op te vertrouwen, die la-eten om vergiftenis, dat onuitsprekelijk haken naar het licht van een goddelijk gelaat, dat zijnen kommer zal bestralen, en waarin tegelijk de grootheid en de ellende van den mensch gelegen is. Er komen voor den geest des menschen oogenblikken wanneer deze nooden haar toppunt bereiken en hij het gevoel heeft alsof de natuur en haar wetten de werktuigen zijn, die het menschelijk hart, dat ons doet leven, moeten verpletteren. En waarheen wendt de mensch zich in deze uiterste oogenblikken? Tot de wetenschap? Gelijkt alsdan haar praten van natuur en wet en kracht en onveranderlijke volgorde niet op het grijnzend gesnap van een verleider, die overreden wil tot geloof in een godsdienst van volstrekte wanhoop ? Dat zijn de uren, aan menigen geest wel bekend,

-ocr page 62-

THEÏSME EN WETENSCHAP.

48

waarin de ziel door den dunnen sluier van woorden, door de betoovering des menschen geweven, heenbreekt en den eeuwigen Vader van aangezicht tot aangezicht tracht te ontmoeten.

2. Laat ons dan overgaan tot het bespreken van onze vraag met terzijdestelling van het gevoelen dat theologie en wetenschap tegenover elkander staan of zich in eenig opzicht uitsluiten. Die vraag betreft het Theisme, de grondwaarheid der theologie : is de wetenschap, de nieuwste en meest zekere kennis der natuur in tegenspraak met het geloof aan eenen God, die de wereld schiep en bestuurt? Nu is \'t noodzakelijk hierbij een ding op te merken, namelijk dat deze kwestie niet te berde is gebracht door de wetenschap, maar door de wetenschappelijke bespiegeling. De natuurkundige moge zich zeiven houden voor de vleeschgeworden tegenstelling van den bovennatuurkundige. Hij is dat echter geenszins; liij is dikwijls de bovennatuurkundige in persoon. Hij, die het slotvraagstuk van het weten en zijn behandelt, gaat met bovennatuurkunde om. Hij behoeft de taal der geleerden niet te gebruiken, noch te spreken van het wezenlijke en het eigenlijke 1), het volstrekte en oneindige en onvoorwaardelijke; hij moge zich van de termen der nieuwste natuurkunde bedienen, en spreken van stof en kracht, wil en beweging; maar indien zijn onderzoekingen zich bezighouden met deze als den mensch bekend en door den mensch gekend, als de oorzaken der veranderingen, de bewerkers der verschijnselen, die onze geordende en verstaanbare wereld zamenstellen, dan is hij buiten kijf een bovennatuurkundige van het zuiverste bloed, bespiegelend naar de wijze van zijn soort. Deze ter-

ij Entiteit en quidditeit.

-ocr page 63-

DE METAPI1YS1SCHE NATUURKUNDIGE.

men, zooals ze in de natuurkunde bekend zijn, hebben geen betrekking op ons onderzoek en vinden er dus geen plaats alvorens zij die kunnen hebben, moeten zij voorzien worden van een bovennatuurkundigen zin; van het gemoed of het denken zooveel redelijken inhoud ontvangen als hen geschikt zal maken voor hun werkkring.

Wat is stof? Hoe kan ik haar kennen? Heeft zij eenig bestaan buiten onze voorstelling? Trek den geest af en wat ware de stof? Ontdoe haar van wat de geest verleent en wat blijft er over ? De natuurkundige moge deze vragen met minachting bejegenen, doch zijn minachting verraadt zijner onvolmaakte kennis, \'t Is een feit, gelijk wij nog zien zullen, dat hij niet in beschouwingen treden kan zonder op eenige wijze te antwoorden. Wij hebben meer dan eens een geacht beoefenaar der wetenschap zich zien opwinden tot een welsprekende verbazing over de onvruchtbare afgetrokkenheden van geleerden en geestelijken; maar slechts als een voorspel van een zich verliezen in een wildernis van bovennatuurkunde, waar hij geheel verrukt, aan zijn natuurkundig genoemde bovennatuurkundige wezenlijkheden een genegenheid verspild heeft, die de bewonderende liefde van Titania voor den schitterenden wever geheel en al beschaamde; ongelukkig slechts is in zijn geval de ontgoocheling niet zoo duidelijk of zoo volledig geweest.

Wij herhalen dan, dat wij geen strijd hebben met de eigenlijk gezegde natuurkundige wetenschap, maar alleen met hetgeen wij wetenschappelijke bovennatuurkunde noemen kunnen. Nu is voor eene verstandige bespreking één ding noodzakelijk: de termen zooveel als mogelijk te vereenvoudigen, opdat wij de ware geschilpunten mogen bereiken. Want inzonderheid van den wetenschappelijken kant wordt de kwestie dikwerf zoo gesteld dat zij valsche gevolgtrekkingen doet

4

49

-ocr page 64-

THEÏSME EN WETENSCHAP.

50

ontstaan en tot een valschen tegenstand voert. Professor Huxley bijvoorbeeld heeft Vrijdagavond tegenover elkander gesteld het geloof aan Evolutie en „het geloof aan ontelbare scheppingsdaden ontelbare malen herhaald.quot; De beoogde onderscheiding is duidelijk ; zij heeft betrekking op de scheppingsmethode, niet op de oorzaak der schepping, doch zij is zoo gesteld dat Evolutie tegelijkertijd als een vormende en oorzakelijke scheppingstheorie optreedt. Zoo ook worden God en de natuur vaak tegen elkander over gesteld; Hij wordt voorgesteld als bovennatuurlijk, onbekwaam tot natuurlijk handelen, zoo onderscheiden van de natuur dat indien Hij haar aanraakt Hij haar orde verstoort, haar gang dwarsboomt; zij wordt voorgesteld als onafhankelijk, zelfgenoegzaam, zich zelf voldoende, de woonplaats van bekende en afgemeten krachten, wier wegen en werking kunnen nagegaan en begrepen worden. Dan de begrippen van een bovennatuurlijk God en van bizondere scheppingen verbindend, worden deze twee geacht, voor elkander noodzakelijk te zijn, terwijl natuur en Evolutie een tegenovergestelde eenheid vormen, in staat om alles tot stand te brengen tot het volvoeren waarvan eens God en wonderen noodig waren. Bijgevolg wordt het Theïsme vereenzelvigd met de eene, de wetenschap met de andere scheppingsmethode. Het Theïsme laat men „eene eindelooze opvolging van wonderbare scheppingsdadenquot; in zich sluiten, „de geboorte van hemel en aarde aannemen, zoo ongeveer op de wijze waarop een werkman aan een meubelstuk gestalte geeftquot;; doch de wetenschap erkent de natuurlijke methode, de werking van het proces noemt zij Evolutie. Het Theïsme is anthro-pomorphisch, denkt zich de schepping als uit een fabriek voortgekomen, onder de leiding van „een menschelijken kunstenaarquot;; doch de Evolutie, lieveling der wetenschap,

-ocr page 65-

„DE ALS MENSCH GEDACHTE KUNSÏBSAARquot;. 5 1

is natuurlijk, is de weg dien de natuur inslaat om het leven te scheppen, te vermenigvuldigen en te onderhouden. De reeks der tegenstellingen vindt natuurlijk haar toppunt hierin dat „de wensch en het streven der wetenschap is om het onbekende in de termen van het bekende uit te drukkenquot;, maar de theologie poogt het bekende door het onbekende te verklaren, en richt zich op onze onwetenheid, opdat zij des te beter onze kennis moge vertolken in liaar eigen belang.

Maar zijn de onderstellingen, waarop deze tegenstellingen voortbouwen, geldig? In welke betrekking staat de idee van bizondere scheppingen tot het geloof aan God ? Hoe zijn God en de natuur verwant? Moeten wij de schepping door de Godheid anthropomorphisch opvatten? Is Evolutie een voldoende grond voor het bestaan der orde welke wij kennen?\' Zijn stof, beweging, kracht meer bekende termen dan rede en wil, en dus meer geschikt om onze laatste verklaring dei-natuur vast te stellen of uit te drukken? Wanneer wij deze vragen eens besproken hebben, zullen wij beter in staat zijn om te onderzoeken of er eenige voldoende gronden zijn voor het geloof aan een eeuwigen God, die de wereld schiep ?

II.

In welke betrekking staat het denkbeeld van bijzondere scheppingen en een menschvormigen schepper tot het geloof aan God ? De denkbeelden van bizondere schepping en bedoeling worden geacht even onverbreekbaar verbonden te zijn met als noodzakelijk voor het Theïsme. Dit, zeggen zij, moet de natuur opvatten als gevormd door „de techniek van eeti menschvormigen kunstenaarquot;, en het moet zich dezen voorstellen als „werkende met afgebroken pogingen, zooals

-ocr page 66-

THEÏSME EN WETENSCHAP.

men den menscli ziet handelenquot;, iets ontwerpende, het voor iets anders inrichtende en liet voltooide produkt geschikt makende voor de voorwaarden, waaronder het zal moeten leven. Het geloof in God ontstond uit het onderzoek naar de oorzaken of uit het denkbeeld, dat elk voorwerp een ziel had en een maker behoefde, die in verlooi^ van tijd een godheid werd. Mr. Herbert Spencer heeft in zijn met zorg en moeite bewerkt boek \') de leer der bizondere scheppingen voor het overblijfsel verklaard der grieksclie en hebreeuwsche beschouwingen aangaande het ontstaan der wereld (Kosmogonie); en het denkbeeld van een opbouwende of bouwkundige godheid, die elk bouwwerk schept of iedere soort vormt volgens een bizonder plan, maakt op even oude afkomst aanspraak 1). De slotsom is alzoo inderdaad: neem liet denkbeeld van bizondere schepping weg en het geloof in God verliest zijn grondslag; ontken het bestaan van een doel in de natuur en er is geen bewijs van een scheppende Godheid. Valsche denkbeelden omtrent de natuur zijn de bewijzen voor Zijn bestaan geweest. De wetenschap kent den weg der natuur, doch vindt daarin geen spoor van God.

Nu liggen in deze zoo stout, doch niet onnauwkeurig uitgesproken stelling twee verschillende kwesties opgesloten, eene geschiedkundige, die het daadwerkelijk ontstaan en den wasdom van het geloof raakt; en eene wijsgeerige, die den vorm betreft waarin het kan of moet begrepen en uitgedrukt worden. Wij beginnen met de geschiedkundige vraag.

1. Waren de denkbeelden die nog bestaan in de leeringen omtrent bizondere schepjjing en plan, de denkbeelden die het

52

1

Eerste beginselen, p. 33.

-ocr page 67-

HKT OORSPRONKELIJK THEÏSME GEEN KOSMOGONIE. 53

geloof aan God deden geboren worden? Met anderewoorden, werden de menschen monotheisten, omdat zij zich inbeeldden dat, evenals een mensch noodig was om een huis te bouwen of een machine saamtestellen, er evenzoo een God toe noodig was, om een wereld te bouwen of te stichten? Nu is een ding zeker, dat het geloof aan God bestond vóór de idee der schepping. God is een oorspronkelijk, schepping een bijkomstig geloof. Men vergist zich zeer, door de onderstellen dat de oorspronkelijke theologien of mythologien kos-mogonien waren. De oudste uitspraak omtrent de goden had hoegenaamd geen betrekking op de schepping. De allerlaatste gestalte der mythologische bespiegeling is kosmogonisch, haar ontstaan is het bewijs dat de menschen begonnen zijn te vragen naar het hoe, het vanwaar en het waarheen van. zich-zelven en van het heelal, en over de menschen die dat doen, begint de mythe haar heerschappij te verliezen. Zelfs bij den Hebrëer, den zuiversten monotheïst der oudheid was de leer der schepping vergelijkenderwijs van laten datum. Het verhaal in Genesis vermeldt hun oorspronkelijk geloof niet. Eeuwen voordat het geschreven was of men daarvan gedroomd had, hadden de vaderen geloofd in El Schaddai, den Almachtige. En zelfs nadat zij Hem opvatten als den Schepper beschouwden zij Hem niet als „een menschelijken kunstenaarquot; als een Godheid onder mensche-lijke gedaante,\' die als \'t ware voor het heelal tot in bizon-derheden ijverig plannen smeedde en ten uitvoer bracht. Voor Mr. Herbert Spencer die bij ds behandeling van oude geloofszaken even prozaïsch is, als hij bij de behandeling van de oorspronkelijke krachten zijn verbeelding laat werken, was „het hebreeuwsche denkbeeld\'\' grof anthropomorphistisch, in de voorstelling van „ God klei nemende en een nieuw schepsel

-ocr page 68-

THEÏSME EN WETENSCHAP,

54

vormende zooals een pottebakker een vat zou kneden.quot; \') Maar was dit het wezen van „liet hebreeuwsche denkbeeld?quot; Of een stoute beeldspraak? Wij moeten zijn wezenlijk kenmerk zoeken in de woorden die de oorspronkelijke uitdrukking verklaren „God schiep de hemelen en de aarde.quot; „De Geest Gods zweefde over de waterenquot;, broedde als een levende adem vol levengevende warmte over den schoot des afgronds. En de schepping geschiedt, als God spreekt, als Hij zegt: „Er zijquot;! Maar het woord is liet zinnebeeld der gedachte en het gevolg van het willen; daarin worden rede en wil evenzeer uitgedrukt; en een schepping volbracht door het woord Gods, is een schepping als \'t ware tot aanzijn gedacht. En dit grondbegrip, evenver van anthropomorphisme verwijderd als de laatste beschouwing der nieuwere wetenschap, .bepaalt en kenmerkt „de hebreeuwsche idee geheel.quot; God is de onzichtbare, de onnaspeurlijke, die zich „met \'t licht bedekt als met een kleed,quot; nogtans met „wolken en donkerheid rondom Hem,quot; die onbemerkt ter linkerzijde werkende, terwijl Hij zich ter rechter verborge\'.i houdt, evenwel den weg kent, dien de mensch inslaat; van niemand verre terwijl Hij onzichtbaar is voor allen. Hij is boven in den hemel, beneden op aarde, en in den diepsten afgrond; Hij bewoont de eeuwigheid ; Zijn naam is de Eeuwige, \'s menschen woonplaats van geslacht tot geslacht. Zijn naam — de gelukkigste poging ooit gedaan om de voorstelling van God van anthropomorphisme te ontdoen — is Jahve, of zooals in onze overzetting staat, Jehova. Deze term is geen gemeen-zelfstandig naamwoord of eigennaam, of een gebruikelijke vorm om een bekenden of als-mensch-gedachten persoon aan te

1) Beginselen der levensleer, Deel I p. 337.

-ocr page 69-

DENKBEELD V. D. KÜKSTENAAR NIKT HEBRBEÜWSCH MAAK GRIEKSOH. 55

wijzen; hij is eenvoudig de vorm van een werkwoord uitdrukkende: „Hij die isquot; of „Hij die ten uitvoer brengt.quot; Die term geeft Hem geen naam, laat Hem de ontzagwekkende, naamlooze eeuwige werkzaamheid, die geen tijd kent, maar onveranderlijk leeft te midden van al onze veranderingen, als de met rede begaafde kracht of wil, die het heelal schiep en beweegt. Geen term kon volkomener vrij zijn van eenigen tint van anthropomorphisme ; de wetenschappelijke bovennatuurkunde zal lang moeten arbeiden voor zij zijn wederga vindt.

Doch het is niet genoeg op „het hebreeuwsch denkbeeld.quot; in te gaan; wij moeten ook elders zien. Het denkbeeld van God is in alle oude mythologieën ouder dan het denkbeeld van schepping, en het was het gevolg eener bespiegelende, bijna wetenschappelijke daad, dat deze twee denkbeelden in. oorzakelijke betrekkingen tot elkaar gebracht werden. Deze betrekking werd niet eenvormig opgevat. Somtijds werd het scheppingsproces voorgesteld als emanatie (uitvloeiing)^ somtijds als evolutie (ontwikkeling), somtijds als produkt of gewrocht van bouwkunstigen of fabriekmatigen arbeid. Zelden nam het begrip den laatsten vorm aan; de andere en meer natuurlijke waren de meer gebruikelijke vormen. Het is een uiterst verkeerde opvatting die zelfs weinig kennis verraadt te meenen dat het denkbeeld van plan, met zijn menschelijken kunstenaar een theistisch denkbeeld was; het was in zijn oorsprong zuiver wetenschappelijk of wijsgeerig. Zijn wordings geschiedenis is even belangrijk als leerrijk. Het ontstond in Griekenland. De oude grieksche goden waren geen scheppers, zij waren allen geschapen, hadden een begin, moesten een eind hebben, stonden binnen de orde der natuur, leefden onder de schaduw van het noodlot. Hesiodus verhaalt ons dat de goden ontsproten uit de vereeniging van de „breedge-

-ocr page 70-

THEÏSME EN WETENSCHAP.

56

boezemde aardequot; en den „met sterren bezaaiden Uranusquot;. Een der Homerisclie hymnen maakt de aarde tot de gemalin van den sterrenhemel, en de moeder der goden. Pindarus maakte goden en menschen van één geslacht, tot zonen eener moeder. Dit oude geloof leefdo lang en verstierf langzamerhand zooals wij kunnen opmaken uit de typische vraag van het nieuwsgierige kind, dat verlangde te ontdekken wie den Schepper schiep (door Epicurus meegedeeld): ,wie schiep den Chaos?quot;\' niet wie schiep God? De kwesties en verwarringen door dit geloof veroorzaakt droegen veel bij tot de wetenschappelijke en wijsgeerige ontwaking van den griekschen Geest. De natuur, waar hij tegenover stond, was vol geheimzinnige raadsels die de godsdienst slechts nog meer onverklaarbaar maakte. Hemel en aarde schenen er, bij gebreke van een verstan-digen schepper begrijpelijker; zij eischten slechts te gebiedender van het verstand de ontdekking eener voldoende oorzaak. Het denkbeeld, dat Zeus evenzeer een schepsel was als de mensch, verleidde den geest niet tot verstandelijke rust en tevredenheid, maar integerdeel prikkelde den geest te vragen wat oorzaak was van den aanvang des bestaans zoowel van Zeus als des menschen. De Grieksche wijsbegeerte trad op om deze denknoodvvendigheden te beantwoorden; zij was een poging om antwoord te geven op de vraagstukken zoowel door natuur als godsdienst gesteld. In deze poging trachtte zij den godsdienst evenmin te bestrijden als aan te vullen, maar alleen de rede te bevredigen. Het was karakteristiek dat de oudste namen voor de oorzaak natuurkundig waren — water, lucht, vuur, getal of harmonie. Niemand dacht aan goden of een god, omdat iedereen aannam dat de eerste oorzaak zoowel die der goden als van de natuur en den mensch zijn moest De eerste, die het denkbeeld

-ocr page 71-

DENKBEELD V. D. KUNSTENAAll NIET HEBREEUWSCH MAAR GKIEKSCH. 57

aan de hand deed dat orde een met rede begaafden bewerker vereischte, was Anaxagoras, doch zijn bewerker was niet de godheid, was eenvoudig het verstand. lt;gt; voös. Het vraagstuk kwam tot Plato. Zijn ziel beminde orde en kunst, zag overal wat zij beminde, en hij betoogde dat hetgeen liet verstand \'zoozeer verheugde niet zonder verstand kon zijn; daardoor en daarvoor bestond. De schoonste dingen waren de dingen die het meest met rede bedeeld waren: en aangezien de kosmos (wereld) het schoonste aller dingen was, moest de eeuwige rede haar maker geweest zijn. Een zoo volmaakt kunstwerk was ondenkbaar zonder een volmaakt kunstenaar; zulk een geëvenredigde bouw kon niet tot stand gekomen zijn zondereen architect of bouwmeester. De hemelen waren zoo schoon bewerktuigd, dat zij niet konden ontstaan zonder een werktuigkundige, een Aninoupyos, of goddelijken handwerksman, dien men niet beter kon betitelen dan met den naam van G-od. Plato kan beschouwd worden als de uitvinder van het bewijs afgeleid uit het plan, doch hij vond het uit ter wille van de wetenschap, niet in het belang van het Theisme, ten einde de natuur te verklaren of zijn wijsbegeerte aan te vullen, niet om het bestaan Gods te bewijzen. Alvorens dit, en het begrip der schepping, dat het in zich sluit, geformuleerd waren, geloofden de menschen aan de Godheid; en al heeft het langen tijd geleefd als een steun voor het geloof, het ving zijn bestaan aan als een gewrocht der wetenschap.

Binnen de grenzen, die ons hier gesteld zijn, zou het ons bewijs slechts overladen, zoo wij dit punt verder vervolgden, of het nog meer in bizonderheden toelichtten. Al wat in-tusschen doen moeten, is te erkennen wat werd bewezen: dat het denkbeeld van schepping het geloof aan God niet schiep. Het geloof heeft bestaan, waar de menschen er geen

-ocr page 72-

THEÏSMB EN WETENSCHAP.

scheppingstheorie opnahielden, of althans geene theistische. Voorts behoeft de schepping door God niet verklaard te worden als het werk van een menschvormigen kunstenaar waar men Hem het best heeft begrepen is eene andere verklaring gegeven. Nogmaals zij \'t gezegd, het denkbeeld van plan of doel in de natuur was niet theistisch, doch in zijn oorsprong wetenschappelijk of kosmisch; was de ontdekking van menschen die het heelal wilden verkaren, niet van menschen die het bestaan van God trachtten te bewijzen. Een verandering in dit denkbeeld moge op onze wereldbeschouwing invloed hebben maar het behoeft ons Godsbegrip niet te raken of te betreffen. Wat het geloof aan God niet schiep, kan het niet verwoesten. Doch slechts door dit te beslissen komen wij van meer nabij in aanraking met een andere en meer fundamenteele stof: de wijze waarop wij ons God moeten voorstellen in zijne betrekking met de natuur en de werkzaamheid in zijne schepping.

2. Hoe zijn God en de natuur verwant? Moeten wij de schepping door de Godheid opvatten als een anthropomor-phistisch menschvormig proces, bij voorbeeld van bouwkundigen of kunstmatigen aard? Dit is de wijsgeerige of positieve zijde van onze vroeger gestelde vraag; zij betreft niet de geschiedkundige betrekking tusschen het denkbeeld van schepping en inrichting en het geloof aan God, maar de wijze waarop het verstand de werkzaamheid der godheid kan begrijpen, de wijze waarop Hij in betrekking staat tot de natuur, en in of op haar werkt.

Reeds is opgemerkt dat deze betrekking op zeer verschillende wijze is begrepen en uitgedrukt. Sommige volken heb\' ben de schepping beschouwd als een proces van uitvloeiing, het uittreden uit de godheid van de geheele orde van

58

-ocr page 73-

BETREKKINGEN VAN GOD EN NATUUR.

59

zaken, die bestond of geacht werd te bestaan. Anderen hebben hun denkbeeld uitgedrukt onder den vorm van voortbrenging, weder anderen onder het beeld van broeding, ter nauwernood een, voorzeker geen volk van den eersten rang in den godsdienst, onder het beeld van den handwerksman. De Hindoes hebben de hulpbronnen van hun verstand en hun taal uitgeput om de natuur, de werking en de betrekkingen voortestellen eener godheid, die schept door een onophoudelijk proces van ontwikkeling en inwikkeling. De Hebreën begrepen God als een Geest, die alomtegenwoordig was en werkzaam, waar Hij ook was. De natuur leefde, bewoog zich en had haar bestaan te ieder oogenblik in Hem, en hing tot in haar kleinste deelen van Hem af. Hij bestuurde het hemelsch heirleger en riep hen allen bij hun namen ; hun orde was zijn wil. Zijn werking was te algemeen om als bizonder opgevat te kunnen worden, te natuurlijk en noodwendig om als wonderdadig beschouwd te worden. De meest alledaagsche ontwikkelingen in de natuur waren daden van God, die slechts goede uitkomst opleverden omdat het de Zijne waren. „Die de hemelen met wolken bedekt, die voor de aarde regen bereidt; die het gras op de bergen doet uitspruiten. Die het vee zijn voeder geeft, aan de jonge raven als zij roepen.quot;1) Wat de Hebreën buitengewoon of bovennatuurlijk zouden gevonden hebben, was niet de werkzame tegenwoordigheid maar Gods werkelijke afwezigheid van de natuur of de voortgezette werkzaamheid eener natuur zonder God. Dit geloof werd beleden telken male, wanneer hij den geheimzin nigen naam las of herhaalde. Zonder Jahve, „Hij die oorzaak is van alles wat gebeurtquot;, zou er toeval kunnen wezen, maar er was geen

1

Psalm li7 : 8. 9.

-ocr page 74-

THEÏSME EN WETENSCHAP.

60

natuur of orde. Toen de Griek begon te overdenken in welke betrekking de schepper tot de schepping stond, zag hij zich tegenover zijn moeilijkst vraagstuk geplaatst; evenwel neigden de meest ontwikkelde geesten naar één oplossing. Plato vatte de godheid niet eenvormig op met den volmaakten ambachtsman, zijn Demiourgos was een deurepot fooi, een tweede of mindere God. In zijn verhevenste oogen-blikken dacht hij zich de godheid, als den Denker, als de Rede die de zetel der ideën was, der alleen eeuwige werkelijkheden, uitgedrukt in de verschijnselen die onze zinnen zoowel bekoorden als misleidden. Der Platonische wijsbegeerte ligt het denkbeeld ten grondslag dat de Schepper in gelijke betrekking staat tot de schepping als de denker tot zijn gedachte en tot het woord, dat haar tegelijkertijd naar buiten vorm geeft en balsemt. Aristoteles arbeidde met afwisselend succes om zijn begrip aangaande het verband tusschen oorzaak en schepping uit te drukken. Hij denkt dat de beweger aller dingen ze beweegt, terwijl Hij zelf in rust blijft, evenals het voorwerp van verstand en begeerte een onbewogen oorzaak van beweging is. God is het doel waarnaar alle dingen verlangen en streven; Zijn eigen Wezen is eene aantrekkingskracht, die elks beweging schept en de beweging van het geheel regelt. In een zeer merkwaardige plaats laat Aristoteles zich uit alsof de waarheid kon gelegen zijn in de vereeniging van twee denkbeelden , die van transcendentie en immanentie; de transcendentie kan voorgesteld worden door den generaal van een leger; de immanentie door de orde of tucht die hij zoowel instelt en handhaaft. Gelijk hier, alzoo ook in \'t heelal; het hoogste goed, dat de menschen God noemen, kan opgevat worden, beide, als een onderscheiden wezen en een inwo-

-ocr page 75-

HET INDISCH, HEBBEEUWSCH, GRIEKSCU WEUELDSTELSEL. 61

nende orde. Doch omdat die twee onderscheiden zijn, zijn zij niet afgescheiden; de orde is geschapen door het zijn, zij bestaat, doch niet onafhankelijk, maar tengevolge van Zijn bestaan en werking. De hoogste gedachte van den griek-schen geest aangaande de stof, die ons thans bezighoudt, kan derhalve ongeveer in dezen vorm gevat worden: de eeuwige rede en wil zijn, als van God afkomstig, transcendent, schiepen wat wij de natuur noemen, en maken, vooi zoover deze in haar zijn uitgedrukt en verwerkelijkt, haar immanente orde en wet uit.

Deze bespreking, duister als zij moge geschenen hebben, zal ons vraagstuk meer verstaanbaar gemaakt hebben, misschien ook geschikter tot oplossing. De menschen zijn niet beperkt geweest tot ééne wijze van zich de betrekking van God tot de natuur voor te stellen, en meer hebben wij niet noodig. De juiste opvatting zal die zijn, welke aan den eenen kant het meest aan ons begrip van de natuur getrouw blijft, en aan den anderen kant aan ons begrip van God, en die in staat is deze beide te vereenigen en in harmonie te brengen doordien zij aan geen van beiden onrecht doet. Nu, tot zoover gekomen, moet ik op een ding wijzen, en wel daarop dat ik geheel van gevoelen verschil met elke voorstelling der natuur, die haar onafhankelijk van God maakt, die de goddelijke werkzaamheid van haav scheidt of deze als zoo vreemd aan haar beschouwt, dat zij slechts door tusschenkomst of een wonder voor inwerking vatbaar is. God is in zekeren zin geen boven-natuurlijk wezen — de natuur zou niet natuurlijk zijn zonder Hem. Werkzaamheid behoort tot zijn eigenlijkst wezen; Hij kan niet handelen zonder de natuur aan te raken en de natuur kan niet bestaan zonder Hem aan te doen. God kan begrepen worden zonder de

-ocr page 76-

THEÏSME EN WETENSCHAP.

natuur, doch de natuur niet zonder God. Ook kan Hij niet anders opgevat worden dan als alomtegenwoordig, en tegenwoordig te zijn is voor Hem de redelijke kracht te zijn die alles beweegt. Hij kon slechts werkeloos wezen door een besluit van zijn wil en vrijwillige werkeloosheid zou slechts Zijn zedelijke en wezenlijke onvolkomenheid beteekenen. Het, om zoo te zeggen, verlichamelijkt bestaan van God en de wereld is voor beide noodzakelijk; zijn boven alles verheven wil wordt de haar inwonende geestkracht, opdat haar stelsel een orde en haar loop een vooruitgang zij.

Deze voorstelling van de betrekking lusschen God en de natuur stemt niet minder overeen met het nieuwe denkbeeld aangaande de natuur dan met het oude denkbeeld van God. De natuur werd in den regel opgevat als een meer .of min kunstig en kunstmatig voortbrengsel, als een opeenstapeling van wonderbare uitvindingen en schikkingen, werktuigkundige en bewerktuigde. Zij was een voortbrengsel van wiskundige bedrevenheid en handenarbeid; een gebouw van den grondslag af opgetrokken door een bouwmeester die van het geheel een plan maakte en alle deelen eene bestemming gaf en samenvoegde. Waar de natuur opgevat werd als een bouw moest haar bewerker opgevat worden als een bouwmeester ; het eene begrip sluit het andere in zich. Maar het denkbeeld van den Schepper als een bouwmeester en kunstenaar was ontleend aan begrip der natuur, was geen eisch dei-voorstelling van God. Thans wordt de natuur niet meer opgevat als een voortbrengsel of als een stuk handenarbeid, maalais een stelsel dat zoowel in zijn geheel, als in al zijn deelen ontstaan is door een proces van wasdom, ontwikkeling of evolutie. Het beeld dat de wording der natuur weergeeft is is geen machine gelijk een horloge, maar een organisme gelijk

62

-ocr page 77-

GOD INWONEND III KANE NT IN DE NATUUR.

63

een boom of een dier, dat opgegroeid is uit zaad op de een of andere wijze in toebereide grond gestrooid. Indien het scheppingsbeloop opgevat wordt als een proces van ontvouwing of ontwikkeling, is het klaar dat men den Schepper niet kan opvatten als een werktuigkundige of bouwmeester, staande buiten de zaak die Hij maakt, maar als de geestkracht of het leven dat werkt in het proces dat Hij leidt. De scheppende macht, hetzij wij haar stof of rede, kracht of wil noemen, moet belichaamd of, als \'t ware, vleesch worden in de natuur; in één woord haar inwonen hoewel dit niet alléén. Dit brengt ons evenwel tot dezelfde slotsom, die zoo even als noodzakelijk zoowel voor een volledige voorstelling der natuur als voor een waar denkbeeld van God aanbevalen. Indien God begrepen wordt als afgezonderd van de natuur en de natuur als onafhankelijk van God, stelt men zich beide verkeerd voor. Ik ontken ten sterkste dat Zijn werking op juiste wijze beschreven kan worden als „inmengingquot; of „tusschen-komst\'\' of als „wonderbaarquot;; zij is natuurlijk, stelt de orde in de natuur vast, schept den voortgang der geschiedenis. Van God te spreken als buiten de wereld staande, als een toeschouwer van haar bewegingen en ontwikkelingen, slechts in staat haar binnen te dringen door de geheele machine te doen stilstaan en te verwarren, is de waarheid verdraaien totdat zij een volkomen leugen wordt. God te vereenzelvigen met het bovennatuurlijke staat gelijk met Hem van zijn godheid te berooven; elk zijner daden te beschouwen als een wonder staat gelijk met Hem uit de natuur te verdrijven, en zijn almacht en alomtegenwoordigheid slechts tot ijdele klanken te maken. Het eenige bovennatuurlijke dat ik mij kan voorstellen is het ophouden der goddelijke werking; het volstrekte wonder zou de werkeloosheid Gods zijn.

-ocr page 78-

THEÏSME EN WETENSCHAP.

64

Natuurlijk beduidt dit niet, dat de natuur de goddelijke werkzaamheid uitput, dat haar geschiedenis Zijn leven is. Het beteekent zooals wij nog zullen zien, iets dat geheel, ja oneindig daarvan verschilt. De immanente sluit een transcendente betrekking in zich, bestaat door en voor haar. God is wézenlijk het eene, maar Hij is hetrèkkelijk het andere. Immanentie duidt de wijze aan waarop de goddelijke werkzaamheden worden uitgeoefend, niet de wijze van het goddelijk bestaan. Hij is in de natuur, doch Hij is van de natuur. Al wat zij is, is zij door Hem, doch zij is niet alles wat Hij is. Hij is haar oorzaak en doel, was vóór haar, kan buiten haar zijn, wil haar bestaan voor plannen die de Zijnen en niet de haren zijn. Doch opdat zij Zijnen wil moge werken, werkt Hij door al haar krachten in al haar ontwikkelingen. Evenals er in \'s menschen lichaam geen punt is buiten den invloed zijner gedachte, of ongevoelig voor zijn wil, zoo is er geen punt in \'t heelal zonder de goddelijke tegenwoordigheid of gesloten voor de goddelijke werking. Het nieuwe denkbeeld aangaande de natuur heeft ons inderdaad teruggeroepen tot een meer waar denkbeeld van God. Wij kunnen Hem nu op waardiger wijze begrijpen dan voorheen. Er was een bestanddeel van diep ongeloof, een schaduw van donkere ontkenning in de oude theïstische voorstelling. Zij plaatste God ver af; sloot den mensch op binnen een natuur door haar maker verlaten, en bouwde tusschen deze twee den scheidsmuur der bloote stof, omgord en gesteund door onschendbare wetten. De evolutietheorie heeft, door de leer der goddelijke inwoning tot een noodzakelijkheid voor onze natuurbeschouwing te maken, de leer der Goddelijke tegenwoordigheid tot eene nieuwe waarheid in den godsdienst en eene nieuwe bezieling voor de ziel gemaakt.

-ocr page 79-

„wetenschappelijkequot; scheppingstheorie.

III.

Tot dus verre heeft onze bespreking zich bezig gehouden met de valsche tegenstellingen onzer nieuwe wetenschappelijke bovennatuurkunde. Deze moeten ons nog een weinig langer bezig houden, doch van een ander oogpunt uit gezien. De kritiek van het Theisme wordt gevoerd in het belang der nieuwe natuurleer. De kritiek is voor \'t grootste deel van ontoepasselijken aard geweest, gegrond zooals wij gezien hebben, vooral op verouderde vooronderstellingen betreffende wat het Theisme zijn moet, doch haar doel is duidelijk genoeg om alles wat den weg der nieuwe wetenschappelijke scheppingsleer verspert te vernietigen. Deze leer kan gezegd worden uit twee deelen te bestaan: het eene formeel, het andere materieel; het formeele heeft betrekking op de wijze, het materieele op de oorzaak der schepping. Het eerste is de leer der evolutie, het laatste de leer van stof en kracht. Het punt dat wij nu hebben te beslissen is of zij een werkelijk redelijke en wetenschappelijke scheppingsleer vormen. Tot hiertoe zijn wij bezig geweest met de bovennatuurkundig-wetensehappelijke kritiek van het Theisme; nu moeten wij ons bezighouden met de plaatsvervangers die zij voor God aanbiedt.

1. Wij beginnen met de evolutie. Ik behoef niet te zeggen dat hier geen poging aangewend zal worden om haar te betwijfelen of te ontkennen. Ik heb thans alleen beweerd dat het denkbeeld van de natuur dat zij zoowel insluit als uitdrukt zich uitermate wel verdraagt met het hoogere Theisme, zijn correlatief en afdruk is. Doch dit te zeggen is een ding, maar iets geheel anders en daar tegenoverstaande is het, haar te beschouwen als een voldoende verklaring van

5

65

-ocr page 80-

THEÏSME EN WETENSCHAP.

onze geordende, levende en redelijke wereld. Wat is evolutie? Huxley zeide: „de onderstelling dat bij de opvolgende soorten van dieren en planten de latere ontstaan zijn door de trapsgewijze wijziging der voorgaande.quot; Zoo gesteld is zij eenvoudig een theorie met betrekking tot de geboorte of den oorsprong der soorten ziende op de wijze waarop zij totstandkomen. Professor Tyndall \'), in zijn omschrijving en vertolking van Mr. Herbert Spencer, zegt: „De leer der ontwikkeling leidt den mensch in zijn geheel af uit de wisselwerking van organisme en omgeving door ontelbare vervlogen eeuwen heen.quot; Dit is minder voorzichtig; toch is al wat wij hebben eene leer aangaande het hoe van de wording des men-schen. Wat beteekent dan evolutie naar deze bepaling? Waarop loopt zij uit? Zij is een theorie der schepping, van den oorsprong der soorten, van de geboorte van den mensch. Dat is zoo, maar in welken zin? Een theorie omtrent de methode of omtrent de oorzaak? Tracht zij eenvoudig de wijze of methode te verklaren waarop de schepselen tot aanzijn komen ? of tracht zij ook te verklaren waarom zij zoo worden? Is zij alleen een theorie omtrent den gang of ook omtrent de oorzaak der schepping? De onderscheiding ligt voor de hand, maar is fundamenteel. Wijze is een, oorzaak een ander ding. Den voortgang te beschrijven is slechts de beschrijving van de wijze der werking, niet van de kracht die werkt. Toegegeven dat, tengevolge van „het wisselwerkend spel van organisme en omgeving\'quot;\' of met andere woorden door „den strijd om het bestaanquot; waarbij „de ge-schiktsten in \'t leven blijvenquot; de natuur meer volmaakte vormen ontwikkelt en nieuwe soorten schept, waartoe komt

1) Toespraak te Belfast. Fragmenten derwetensehap. Deel II,p. 167. (Zesde -.litgave.)

66

-ocr page 81-

DB KVOLUTIETHEOTIIE BETREFT DE WIJZE, KIST DB OORZAAK. 67

gij dan ? Eenvoudig tot de onvermijdelijke vraag; vanwaar kwam het eerste „organismequot;, „de omgevingquot;, het bestaan waarvoor gestreden werd, de krachten die daarvoor kampen, de natuur die haar worstelperk vormt? Bespiegeling overliet proces moge den mensch dringen tot bespiegeling over de oorzaak, doch wij moeten een leer over de wijze niet verwarren met een leer over het wezen. Evolutie moge een schoone verklaring zijn van de wijze, waarop een bestaande en geordende natuur haar scheppingswerk verricht, maar dit moet niet aangenomen worden als een theorie aangaande het wat en waarom dezer geordende natuur. Ontwikkeling is machtig zoo gij haar maakt tot een volstrekte gave der geordende, werkzame, levende natuur; maar zonder dat is zij even hulpeloos en onverstaanbaar als de een of andere re- • denaar opgesloten in een ledige ruimte wezen zou.

Met nadruk moet ik wijzen op het onderscheid tusschen een de wijze betreffende en een oorzakelijke scheppingstheorie. Huxley stelt ontstaan uit eigen kracht en wonderdadige scheoping tegenover evolutie, doch er is slechts tegenstelling aan de formeele of vormelijke zijde; aan de raaterieele of oorzakelijke zijde is er geene. Voor de evolutie moet er eerst leven zijn, alvorens zij hare vermenigvuldiging en ontwikkeling kan nagaan, beide „organisme en omgevingquot; moet zij hebben, voordat zij ons het ontstaan der soorten en de afstamming van den mensch kan aantoonen. Dwing onzen aanhanger der evolutie-theorie om zich van aangezicht tot aangezicht te stellen tegenover een heelal zonder leven met onbewerktuigde doode stof en het vanwaar en waarom des levens te verklaren, en hij moet of zwijgen of zeggen: door ontstaan uit eigen kracht, wat slechts een schijnbaar verborgen bekentenis van onwetendheid is, of door transcendentale

-ocr page 82-

THEÏSME EN WETENSCHAP.

schepping. Totdat hij zijn oorspronkelijke kiem en de voorwaarden gunstig voor haren wasdom gevonden heeft, dat is totdat hij een veroorzaakt en scheppend heelal heeft, heeft hij niets te zeggen, vindt zijn theorie geen bodem. Hij moet een vooropgezette stelling hebben die zijn gevolgtrekking in zich sluit, alvorens hij haar kan ontwikkelen, en door geen logisch proces zal \'t mogelijk zijn te bewijzen dat een zoo ontzettend gevolg als een redelijk heelal op een premisse zonder redelijken inhoud konde gegrond worden.

Wij komen dan terug op onze onderscheiding: evolutie in den vorm waarin zij door de wetenschap eigenaardig beschouwd wordt is eene scheppings-theorie die de wijze, niet de oorzaak betreft. Zij bepaalt niets omtrent de oorzaak en kan dat ook niet, zij beschrijft eenvoudig den gang. Door de laatste te vereenvoudigen, maakt zij de eerste meer redelijk van aard en werkingswijze. De woorden waarmede Darwin\'s „Ontstaan der soortenquot; eindigt, zijn zeer opmerkenswaardig. „Grootsch is het op die wijze het leven te beschouwen, het leven met zijn onderscheiden vermogens en krachten, die oorspronkelijk door den Schepper gegeven zijn aan eeuige weinige vormen of aan een enkelen. Grootsch is het te denken, dat, terwijl onze aarde haar baan ten gevolge van de wet der zwaarte doorwentelde, er uit een zoo eenvoudig begin zoo eindeloos vele en zulke schoone eu wonderbaar volkomen vormen zijn voortgekomen en nog steeds voortkomen.quot; \') Of er grootschheid in de beschouwing ligt, hangt geheel en al af van de betrekking tusschen de

1) Deze stetlinfr is zeer merkwaardig in haar woordenkeus. Veel is er op gebouwd geworden in betrekking tot Darwin\'s eigen gevoelens raaar met de meeste zorg is zij onpersoonlijk gebleven. Hij spreekt van de ^grootschheidquot; der levensbeschouwing, maar vermijdt zorgvuldig al wat als een stellige uitdrukking van geloof kon uitgelegd worden.

68

-ocr page 83-

PEOCES EISCHT EEN OORZAAK.

69

oorzaak en den voortgang, tusschen den schepper en de ontwikkeling. Indien zijn werkzaamheid ophield met zijn inbrengen van „leven in eenige weinige vormen of wel in eenenquot; dan is hij een schepper die zich zeiven verloochend heeft, die zich zelven van zijn schepping afgesneden heeft en haar overgelaten aan natuurlijke noodzakelijkheid, wat slechts ren andere naam is voor toeval. Indien zijn werkzaamheid voortduurde, dan is evolutie een proces dat Hij heeft gewrocht en overal werkt. Op eenig punt een schepper aan te nemen staat gelijk met een schepper aan te nemen voor alles; óf Hij moet nimmer óf altijd en overal handelend optreden. Dan, zooals Darwin de zaak voorstelt, hangt het van de beteekenis af die men aan het woord ,beginquot; hecht of dit „eenvoudigquot; kan genoemd worden. Indien de „weinige vormen of wel de eenequot; enkel als vormen beschouwd worden dan beschrijft het woord „eenvoudigquot;, hen gelukkig genoeg; doch indien zij beschouwd worden als de oorzaken of de ouders der toekomst, als kiemen, zwanger van al wat ontstaan moest, dan zijn zij niet „eenvoudigquot;, hun schijnbare eenvoud maakt hen slechts in lioogere mate wonderbaar. Als aanvangspunt in een ontwikkelingsproces zijn zij eenvoudigj doch niet als eene oorzaak. Een proces begint met de minst, eindigt met de meest saamgestelde vormen, gaat uit van de laagste, bereikt zijn toppunt in de hoogste organismen. Maar het laagste punt in een proces is niet hetzelfde als een oorzaak, namelijk de voldoende reden voor het begin en het einde en voor alles wat daar tusschen ligt. Om dit te zijn, moet het door het geheele proces heen op alle punten en tijdstippen van het begin tot het einde handelend en werkzaam zijn. Door de vormen in hun ontwikke-Hngsstrijd te hulp te roepen voor de natuur en de omgeving vermeerdert men slechts de saamgesteldheid van het pro-

-ocr page 84-

THEÏSME EN \'WETENSTHAP.

ces, zij roepen zulk een menigte vijandige en strijdige nog-tans mededingende en medewerkende krachten op, dat ons begrip van de oneindige werkzaamheid en kracht der oorzaak machtig verhoogd wordt. De verhevenheid der oorzaak wordt bewezen door een proces, dat zoo eenvoudig schijnt en toch zoo saamgesteld is; de wijze waarop de natuur te werk gaat is de wijze waarop zij de tegenwoordigheid van haren Maker verklaart.

2. Evolutie alzoo, als een theorie van de wijze der schepping verricht voor ons het volgende : zij toont ons hoe nieuwe vormen en nieuwe soorten ontstaan; zij ontsluiert of openbaart niet de verborgen kracht of wil, die het proces leidt. Zij heeft ons in staat gesteld om beter tê begrijpen hoe de oorzaak werkt, maar zij heeft voor ons het laatste geheim — wat de oorzaak is, niet blootgelegd. Toch kan zij ons niet laten waar zij \'ons gevonden heeft; zij stelt de oude, onverwinbare vraag, wat of wie oorzaak der schepping was , in een smeekender vorm dan ooit tevoren. Vanwaar is de natuur die ontwikkelt en tevens ontwikkeld is geworden ? De wetenschap heeft het uitgemaakt dat deze aarde eens zonder leven was, dat haar levensgeschiedenis een geschiedenis geweest is van vooruitgang, van wasdom uit lagere en armere tot hoogere en rijkere vormen. Evolutie kan niets volbrengen zonder een begin, een begin dat het einde uitsluit; en omdat zij dit eenvoudig niet kan, dringt zij tot de vraag; Wat maakte het leven? Wat is zijn oorzaak? Wat geeft mij de premisse? Welke is de premisse waarvan ik uitga? Deze deuknoodwendigheden, geboren uit de leer der ontwikkeling, zijn de ouders van onze wetenschappelijke bovennatuurkunde, en de materieele of oorzakelijke scheppingsleer die deze, om aan het Theisme te ontkomen, heeft moeten samen-

70

-ocr page 85-

WAT IS STOF?

stellen, is het onderwerp dat nu onderzocht dient te worden.

„Het doel en het streven der wetenschapquot; wordt ons gezegd „is het onbekende te verklaren in de termen van het bekende.quot; \') Zeer goed; dat is waarnaar wij allen streven; de grondoorzaak door deze termen verklaard is wetenschap. Luisteren wij dan naar den uitstekenden geleerde, als hij de eerste en algemeene oorzaak onzer geordende en levende wereld, de verschijnselen van natuur, leven en geest van het onbekende in het bekende overbrengt. „Door een noodwendigheid veroorzaakt en gerechtvaardigd door de wetenschap steek ik de grens van het proefondervindelijk bewijs over en erken in die stof, die wij in onze onbekendheid met hare verborgen krachten en ondanks onzen verklaarden eerbied vóórharen schepper tot nu toe met schande hebben overladen, de belofte en de bezielende kracht voor alle aardsche leven.quot; 2)

Stof alzoo is de oorzakelijke factor in de ontwikkeling, zij had, alvorens de organismen bestonden de belofte en kracht voor alle aardsch leven in zich. „Stofquot; is de bekende term, die het onbekende verklaart. Wat dan is stof? Deze vraag voert ons aan de hand van onzen uitstekenden geleerde, rechtstreeks naar „het groote strijdveld der bovennatuurkunde\'\' alwaar wij jammerlijk verbijsterd worden door het geraas van twistende bovennatuurkundigen. John Stuart Mill bracht de uitwendige verschijnselen terug tot „mogelijkheden van gewaarwording.quot; Kant maakte ruimte en tijd tot vormen van onze eigen aanschouwingen. Fichte loste de natuur en al wat zij erfelijk bezit op in „een verschijning van den geest.quot; Te toonen dat de doktoren van meening

1) Professor Tyndall. Wetenschap en mensch. Fragmenten der wetenschap. Deel II. p. 3öG.

3) Toespraak te Belfast. Fragmenten der wetenschap. Deel \' p. 193.

71

-ocr page 86-

72 THEÏSME EN WETENSCHAP.

verschillen is een wijze van diagnose, die braaf ontstelt, geschikt om den bezorgden en afwaclitenden patient van de wijs te brengen, zoo wordt de verwarring terstond onoplosbaarder. Het wordt erkend dat de stof niet onmiddelijk bekend is; het gekende vormt een toestand van ons zelfbewustzijn. Dat er iets bestaat buiten ons zeiven, dat er iets is uitgezonderd van en boven deze toestanden, wordt erkend te zijn niet een feit maar een gevolgtrekking, waarvan de geldigheid door idealisten en twijfelaars, als het ware als bond-genooten wordt ontkend. Dus is de „stofquot; een „gevolgtrekkingquot; geworden, het ons bekende cot een zaak, waaraan getwijfeld en die zelfs ontkend kan worden. Doch bij dit punt wordt Herbert Spencer te hulp geroepen. „Voor hem is er geen twijfel of geschil aangaande het bestaan van een uitwendige wereld.\' Hij denkt dat „de toestanden van ons zelfbewustzijn eenvoudig zinnebeelden zijn van een uitwendig wezen dat hen voortbrengt en de orde hunner opvolging bepaalt, doch wier ware natuur wij nimmer kunnen kennen.quot; Eindigde ooit het onderzoek met een droeviger doodshoofd? De bekende stof, tegenovergesteld aan den onbekenden God heeft „de belofte en kracht voor alle aardsch levenquot;; maar de stof is een gevolgtrekking uit een toestand van ons zelfbewustzijn en de gevolgtrekking laat ons onkundig aangaande den werke-lijken aard der zaak waaruit het gevolg getrokken werd. Ons betoog gaat uit van zinnebeelden die ons niets zeggen aangaande het wezenlijk karakter van hun oorzaak; en de verklaring der oorzaak uit het zinnebeeld brengt ons op dubbelen afstand van de werkelijke en rechtstreeksche kennis van de bron, zoowel der kennis als van het zijn. En alzoo erkent de welsprekende verklaarder van het onbekende in de termen van het bekende, de overwinning door de Nemesis

I

-ocr page 87-

GEEN DENKEN, GEEN STOF. 10

die den onlogische volgt, als hij besluit1): „in waarheid, het geheele ontwikkelingsproces is de openbaring eener macht, die het menschelijk verstand volstrekt ondoorgrondelijk is. Evenmin in onze dagen als in de dagen van Job, kan de navorschende mensch deze macht ontdekken. Tot de grondoorzaak doordringende is \'t door de werking van een onoplosbaar mysterie dat het leven op aarde zich ontwikkelt, de soorten zich afscheiden en de geest zich ontplooid heeft uit hun overmachtige elementen in het onmetelijk verleden.

Zoo zien wij dus dat de stoffelijke plaatsvervanger voor God, de kracht die het ontwikkelingsproces werkt, uit het standpunt der wetenschappelijke bovennatuurkunde „eene macht is volstrekt ondoorgrondelijk voor het menschelijk verstandquot;, en onze zegevierende vertolker van het onbekende in de termen van het bekende wordt tegenover den grondfactor van zijn vraagstuk een martelaar van de leer dat „het leven op aarde zich ontwikkeld heeft door de werking van een onoplosbaar mysterie.quot; Niet dat dit ons moet verwonderen; het was eenvoudig onvermijdelijk. Inderdaad, een opbouwende verklaring van bet heelal te willen geven op eenigen anderen dan een bovennatuurlijken of theistischen grondslag is een zuivere onmogelijkheid. De menschen, die ontkennen dat liet denken of de rede de laatste werkelijkheid of oorzaak is, hebben geen grondslag om op te bouwen. Zij kunnen de stof zelve niet bereiken: wanneer zij haar noemen, hebben zij slechts te doen met een term, verstrekt door hun eigen gedachte. Neem de gedachte weg, en de term verdwijnt. Te maken dat de term de gedachte schept wanneer de term slechts door de ge-

1

Fragmenten dei\' wetenschap. Deel II p. 195.

-ocr page 88-

THEÏSME EU WETENSCHAP.

dachte bestaat is de laatste zwakheid van den natuurkundig-bovennatuurkundigen geest. Zij, die de laatste oorzaak zoeken te verklaren door de termen van stof, beweging en kracht, doen de logica en de rede het uiterste geweld aan. Zij moeten belijden dat de laatste voorwerpen der kennis toestanden zijti van hun eigen bewustzijn, die slechts de beteekenis hebben van daden der rede of gedachten van een redelijk wezen. Deze kennen zij; hun uitwendige oorzaak kennen zij niet. Wat deze is, mogen zij trachten af te leiden doch om de gevolgtrekking te kunnen maken is de redelijkheid van de gedachte die haar trekt steeds een vereischte. Die gedachte is dan het allerlaatste en zal het heelal kunnen verklaard worden, dan moet het zijn in termen die het beeld en opschrift dragen van de gedachte, die hen stempelt en hen tegelijk hun werkelijkheid en waarde geeft. De bovennatuurkunde die haar opbouwend streven aanvangt met de verklaring dat de „stof de werkdadige oorzaak aller verschijnselen isquot; moet eindigen met de bekentenis dat „de stof onbekend is.quot; Of nu een agnosticisme dat een naamloos ledig stelt aan den oorsprong onzer geordende wereld in staat is om een verklaarde orde of verstaanbare wereld aan de wetenschap ter verklaring te overhandigen is iets, bij welks onderzoek wij niet kunnen, misschien niet behoeven stil te staan.

IV.

1. Doch het is niet voldoende dat wij het materieel begrip onzer wetenschappelijke bovennatuurkunde aan kritiek onderwerpen, wij moeten een opbouwend bewijs beproeven, passend bij het nieuwe denkbeeld omtrent de natuur, ten behoeve van het oude geloof aan den eeuwigen God, die de werelden schiep. Deze poging sluit in zich en belichaamt onze vorige

74

-ocr page 89-

REDE IN ME.S\'SCH EN HEELAL.

75

onderzoekingen, groeit op uit de reeds omschreven en verdedigde stellingen. Eene zaak is hier bizonder opmerkenswaardig, en wel dat het Theisrae en de nieuwe bovennatuurkunde de vraag naar een oorzaak met elkander gemeen hebben. Zij kan niet evenals het oude empirisme het onderzoek bij den aanvang onderdrukken door te zeggen: „het zoeken naar oorzaken is onvruchtbaar; dewijl alles wat wij kunnen weten het vroeger gebeurde en later gevolgde betreft, moet het woord „oorzaakquot; uit de wijsbegeerte verbannen worden.quot; Het is toch een feit dat het zoeken naar de oorzaak nooit zoo krachtig of met zoo goede verwachting heeft plaats gehad als thans. De evolutie-theorie heeft zulk een sterken stoot gegeven aan de bespiegeling aangaande den oorsprong en bewerker des levens, dat de menschen zelfs ondanks zich zeiven gedwongen zijn te vragen naar hetgeen oorzaak was van het bestaan. Het oorzakelijk of materieel begrip onzer wetenschappelijke bovennatuurkundigen hebben wij boven onderzocht. Zij hebben geen stoffelijken plaatsvervanger voor God gevonden, neen, laien wij het rond en eerlijk zeggen, zij kunnen er geen vinden. Hun poging om zulks te doen wordt zelfmoord, eindigt in een belijdenis van onwetend heid, die noch bevestigen noch ontkennen kan. Zij zijn evenzeer buifen staat om te zeggen: „de stof schiepquot; als „Grod deed het niet.quot; Hun laatste en onvermijdelijk besluit is een twijfelleer, noodlottig in meerdere mate voor de wetenschap dan zelfs voor het Theisme. En juist de reden, die het proces waardoor zij do stof in de plaats van God trachten te stellen krachteloos maakt, dringt ons om de stof door God te vervangen. De mensch is de verklaarder van het heelal maar evenzeer zijn verklaring. De redelijkheid die het wezen van zijn bestaan is, is ook het wezen van het heelal, de gedachte die hij aan het heelal toevoegt, wordt

-ocr page 90-

THEÏSME EN WETENSCHAP.

beantwoord en voltooid door de gedachte, die het heelal hem bijbrengt. Zijn verstand bevindt zich tegenover een verstaanbare wereld; wat voor het verstand verstaanbaar is, spruit uit het verstand voort, wordt door zijn krachten bewogen, is vol van zijn inhoud. Zonder de overeenstemming van de uitwendige en inwendige, van de algemeene en persoonlijke rede, kon de mensch geen redelijk bewustzijn hebben, geen besef van orde, geen vermogen om het heelal te verklaren, noch een vei\'klaarbaar heelal. Het verstand in het kind verborgen, kan zich slechts dan ontwikkelen tot het werkzame verstand van den man, zoo hij in eene redelijke wereld leeft. De redelijkheid van het individu zou niet kunnen voortbestaan naast de verstandeloosheid van het geheel. En zoo kunnen wij zeggen, dat deze dingen : de met rede begaafde mensch en een verstandelijk heelal, elkaar in zich sluiten; en hun weder-zijdsche redelijkheid weerkaatst en drukt een betrekking uit, die noodzakelijk en passend is voor hun bizondere naturen, een verkeer, een samenspreken dat de bizondere rede bewust maakt van de algemeene en van zijn eigen afhankelijkheid van haar.

Wellicht kan eene toelichting ons helpen om eenige dei-meer voorname punten in het betoog beter te doen vatten. De taal is voor ons verstaanbaar daar zij een werk des verstands is, een schepping evenals een vleeschwording van den geest. Klanken die geen belichaming van de rede zijn, kunnen nimmer voor ons eene • taal wezen, en al onze bedrevenheid zou niet in staat wezen er ooit rede in te ontdekken. De pijlvormig-getopte Assyrische karakters waren tot voor weinige jaren louter onbeduidende teekens, en de menschen beschouwden hen met een soort van hulpelooze verwondering en de ijdele begeerte om te weten wat zij mochten beduiden. Door een reeks van gelukkige ontdekkingen toegepast

76

-ocr page 91-

REDE IN MENSCH EN HEELAL.

door menschen van geduldig vernuft en zeldzame bekwaamheid, kregen de onbeteekenende karakters beteekenis, en een taal sinds lang dood en stom , werd levend en verstaanbaar. Maar nu was voor een goeden uitslag een ding volstrekt noodig, nam. dat de teekens gedachten zouden vertegenwoordigen, zinnebeelden zouden zijn van rede en verstandige taal. Waren zij dit niet geweest, zoo zouden zij nooit verstaanbaar gemaakt hebben kunnen worden, nimmer hebben kunnen spreken tot levende geesten van geesten die eens leefden, en van hetgeen zij geloofden en deden. Men mag alzoo zeggen dat het de rede was, die der taal inwoonde, welke haar voor ons verstaanbaar maakte, dat zij nimmer door de gedachte begrepen, verklaard en vertaald had kunnen worden, indien de gedachte haar niet gevormd had. Alzoo is voor ons verstand het heelal met rede besraafd, krachtens de inwonende en volstrekte rede, die dui-

O \' \'

delijk daarin spreekt; en deze twee, de uitwendige en inwendige rede, gelijktijdig bestaande, gelijkelijk werkzaam, op gelijke wijze verbonden, de algemeene door de natuur op de bizon-dere rede werkende, terwijl de bizondere door de natuur tot de algemeene opklimt, in haar leest en naar haar luistert, deze twee kunnen, als \'t ware, niet anders dan door handeling en duidelijke uitspraak, een erkenning van het feit, een belijdenis van en een gedenkteeken voor de betrekking scheppen. En deze erkenning is geloof in God, is \'s menschen ontdekking van de rede buiten en boven hem ten gevolge van de werking dier rede binnen en op hem, en bij gevolg, van zijn bewustheid van zijn afhankelijkheid van God en zijn verplichtingen jegens Hem.

Ongelukkig gedoogt ons bestek slechts een vluchtige vaststelling der grondbeginselen waarvan ons positief bewijs moet uitgaan. Het moge volstaan om aan te toonen waarheen het

77

-ocr page 92-

THEÏSME EN WETENSCHAP.

7

voert: de evolutie heeft ons een standpunt bezorgd dat de oude ontologische en kosmologische bewijzen voor het bestaan der godheid vereenigt door er zich boven te verheffen. Het menschelijk verstand en de verstaanbaarheid van het heelal zijn dingen die met elkaar in verband staan, wezenlijk verwant zijn, waarvan het een de aanvulling van en noodzakelijk is voor het ander. Doch dit sluit in zich, dat het heelal verklaard moet worden in de termen van het verstand — de rede, het geweten en de wil, niet in de termen van zijn tegenstelling, het onbekende verklaard als stof, beweging en kracht. Wat ook de verstaanbaarheid van het heelal vermeerdert, met andere woorden wat ook de wijze of methode der natuur .meer redelijk maakt, verhoogt de geldigheid van dit beginsel, vermeerdert de noodwendigheid om daarvan uit te gaan bij elke poging tot een wijsgeerige verklaring van de wereld en hare oorzaak. Hoe redelijker de natuur voor ons wordt, des te minder kunnen wij aan de rede, als hare bron ontkomen. Doch niet slechts op deze wijze, door te beproeven den aard dezer bron te leeren kennen, wij moeten daartoe komen dooide natuur in haren volledigsten, rijksten, volmaaksten staat. Deze nieuwe noodzakelijkheid is eveneens door de evolutie geboren. Niet de stam of de wortel maar de vrucht is liet die het best de natuur van liet zaad vertoont. Niet de eene of andere trap in het proces maar het einddoel toont \'t duidelijkst aan, wat in het begin lag opgesloten. Wat nu ook de trappen in de beweging mogen geweest zijn, ontegenzeggelijk waar is het, dat de ontwikkeling met den mensch eindigt, en de mensch is geest. Doch geest kan niet de vrucht der natuur wezen, tenzij de natuur van den beginne aan het zaaibed van den geest geweest zij. De wereld die door streng natuurlijke ontwikkeling tot rede opgroeit, moet in de

-ocr page 93-

IDEALISME VAN NATUUR EN MENSCH.

rede geworteld staan ; hoe natuurlijker het proces is, des te noodwendiger moet de rede haar wortel zijn. Wat de natuur ontvouwt, was verscholen in hare voorwaarden of premissen, de ontwikkeling der gedachte sluit de te-ontwikkelen gedachte in zich, terwijl het proces om zoo te zeggen niet minder -weldoordacht is, omdat de natuur het geleidt. Zonder het voorafgaand en verwandte idealisme der natuur kende er geen idealisme van den mensch zijn.

2. Te noodzakelijker is het op dit punt nadruk te leggen, wijl het een noodwendig contrast te berde brengt— de juiste methode voor het onderzoek der evolutie als een scheppingsproces ware een verkeerde methode voor het onderzoek van de scheppende oorzaak Om de eerste te kennen moeten wij bestudeeren, op welke wijze de natuur haar werk verricht ; om de laatste te kennen, moeten wij het werk bestudeeren, dat de natuur gewrocht heeft. In een proces als evolutie is, wordt de oorzaak eerst ten volle geopenbaard, voor zij uitgedrukt staat in de meest volmaakte uitwerking. Slechts daar wordt zij openbaar, slechts daar kan hare natuur gekend worden. Wat wij op eenig lager punt waarnemen, is de werking der oorzaak, niet de openbaring van haar wezenlijk karakter en eigenschappen. Doch er is meer; wat wij waarnemen is hetgeen wij zeiven scheppen. Onze uitgangspunten zijn niet van de natuur , maar van den mensch, die zijn gedachten van hetgeen geweest moet zijn doet teruggaan het is ons heden overgebracht naar een gisteren, dat wij nooit kenden en dus moeten scheppen. Darwin\'s „weinige vormen of wel een enkelequot; zijn Darwin\'s eigendom, zuivere afgetrokkenheden, die de natuur nimmer kende. De schoone wet der ontwikkeling van Herbert Spencer is niet van de natuur, is eenvoudig Spencer\'s ontdekking, eene afgetrokken

79

-ocr page 94-

THEÏSME EN WETENSCHAP.

80

bespiegeling over de wijze waarop de natuur te werk ging, toen zij onbewerktuigde massa\'s en bewerktuigde stof en leven vormde. Inderdaad is dit het einde, dat bespiegelingen boudt over zijn eigen aanvangen; zich terugdenkend tot in een onheugelijk verleden, dat slechts voor de gedachte bestaat, en dat geen orde heeft, behalve de orde die de gedachte er voor schept. Niet bij het begin, dat zijne eigene afgetrokken en denkbeeldige schepping is, moet de mensch, die de natuur der algemeene oorzaak zou willen verklaren, post vatten, maar bij het einde, dat de natuur in haar eigenlijkst wezen toont, de hoogste openbaring der scheppende kracht is. En dit eigenlijkst wezen is de mensch, de eenige verklaarder van de natuur en hare beste verklaring. Kan hij verklaard, kan zijn geschiedenis geschreven worden in de „termen van stof, beweging en kracht?quot; Alles dat hem verklaart, moet ook verklaren de instellingen die hij gevormd, de godsdiensten die hij ontwikkeld, de maatschappijen en staten die hij gesticht, de literaturen die hij geschapen, de stelsels die hij gebouwd, de kunsten die hij ontdekt en volmaakt, het goede dat hij volbracht, het kwade dat hij gedaan, den vooruitgang dien hij gemaakt heeft. Hebben deze uitdrukkingen „instellingenquot; „godsdiensten,\'quot; „maatschappijen,quot; „staten,quot; „literaturen,quot; „kunsten,quot; „kwaad,quot; „goed,quot; „vooruitgang,quot; „volbracht,quot; „gemaakt,quot; „gedaanquot; eenige natuurkundige equivalenten? Zouden zij overgezet kunnen worden in de taal der natuurkunde, en een verstaanbare en waarachtige taal blijven ? Indien zoodanige taal op den mensch toepasselijk is, dan kan zijn geschiedenis beweging kennen, maar geen vooruitgang; kan zij eene vernieling ondergaan of vermijden, doch geen kwaad verdragen of veroorzaken. Indien de taal niet van toepassing is, hoe

-ocr page 95-

DE MBKSCH, VMiKLAEING DEK NATUUK.

volbracht dan de evolutie een zoo buitengewone omwenteling, dat zij de oorspronkelijke atomen, waarvan zij uitging, door mechanisehe wetten veranderde in een wezen wiens natuur tegelijk zedelijk en verstandelijk was, wiens gedrag vrijelijk van binnen uit geregeld werd, wiens handelingen van zedelijken aard en allen onderworpen waren aan lof of blaam? Kunnen de uitdrukkingen: goed, rechtvaardig, wijs, liefderijk, toegepast worden op menschen en natiën, en ontzegd worden aan de macht, die de wegen des menschen bestuurd en over de volken geheerscht heeft? Of, om andere woorden te gebruiken zonder den zin te wijzigen, kan de mensch in eenig opzicht een zedelijk wezen zijn zonder dat zijn ontwikkeling door zedelijke wetten bestuurd wordt? Dit zijn vragen, die tot den grond der zaak doordringen, die beslist moeten worden, alvorens wy den aard kunnen bepalen van die oorzaak, die tegelijk de eerste en de laatste is. Deze wordt niet ontdekt door waarnemingen gelijk die van Darwin of door proeven en natuurkundige bespiegelingen gelijk die van professor Tyndall, of door abstrakte scheppingstheoriën gelijk die van Herbert Spencer; maar alleen door de natuur te bestudeeren in geheel haar uitgestrekten omvang en doel, door den mensch gekroond en verklaard. De menschen kunnen alleen dan de ontwikkeling aanwenden om het Theisme te wederleggen, als zij den mensch uit de natuur wegnemen; voeg hem haar toe, en het Theisme telt des te meer zegepralen, indien de leer der ontwikkeling waar is.

Juist ojJgevat, versterkt de evolutie-theorie derhalve op machtige wijze het betoog voor het bestaan en de voortgezette werkzaamheid Gods. Zij geeft niet alleen een nieuwe en verhevener leer omtrent den Schepper maar een juistere en goddelijker leer der voorzienigheid. Wij kunnen ons

6

81

-ocr page 96-

THEÏSME EX WETENSCHAP.

82

Hem niet langer denken fils een toeschouwer of bedreven werktuigkundige, wiens arbeid volbracht is als Hij de wereld gebouwd heeft; maar als de eeuwige tegenwoordigheid, kracht of wil, die in en over, door en voor ons allen werkt. Hij is de eerste en de laatste, en hier maakt het eerste het laatste, het begin bepaalt het einde. Zonder den Eeuwige was de tijd, met al wat hij in zijn schoot draagt, nooit geweest; hij ontstond dienstbaar aan doeleinden, die tot de goddelijke rede en de goddelijke liefde behooren. De natuur, vol als zij is van levende krachten die steeds strijden om meer volmaakte levensvormen te verwerven, heeft haar doel niet in zich zelve. Zij vormt slechts een oogenblik in het bestaan van den Eeuwige doch met een beteekenis en een zending voor de eeuwigheid. Darwin dacht dat er grootsch-heid was in de beschouwing, die het leven, door God in \'„eenige weinige vormen of in een enkelenquot; geblazen, zich zag ontvouwen of reeds ontvouwd zag in de rijke en menigvuldige vormen en soorten van wezens, die onze wereld vullen. Maar er is nog een grootscher beschouwing, eene beschouwing die deze onze woonstede verheft tot in een eeuwigheid, nevens welke de eeuwen der geologie tot oogenblikken ineenkrimpen, in eene onmetelijkheid, tegenover welke de ruimten der sterrekunde nauw en drukkend worden, en die in haar het werk en plan eener rede ziet, wier doeleinden alle eeuwig en alle harmonieus zijn, namelijk het produkt van een wil, wiens krachten oneindig en wiens handelingen rechtvaardigheid en waarheid zijn. Darwin vatte de natuur op als hoogst wonderbaar, doch tevens als hoogst onbarmhartig, het paradijs voor den sterke, doch de hel voor den zwakke. De bloote kracht had de overhand en heerschte over allen; de be-kwaamsten, wat zooveel beteekende als de niachtigsten, bleven

-ocr page 97-

de grüotscheb levensbeschouwing.

83

in \'t leven over; de strijd om het bestaan was de soort van voorzienigheid die aan de zijde der sterke hataillons is, een oorlogsgod zonder medelijden voor de woonsteden van teederlieid en liefde, die hij bij zijn marsch naar de overwinning ontmoette. Indien een toestand van strijd de grondslag - en liet begin der orde is, kan de orde slechts een toestand van verovering zijn, waar overwinning en heerschappy aan de sterksten verblijven. Doch de Theistische levensbeschouwing is ruimer, edelmoediger, heeft een geest van ridderlijkheid jegens de zwakken, een geschikte en schoone plaats in hare orde voor de teedere levens, die ons heelal verrijken met bekoorlijkheid en liefde. De natuur, die de godheid kent, vreest den dood niet; het leven, dat van het eeuwige uitgaat, is eeuwig leven; de schepping, die ontsproot uit de oneindige liefde,\' geleid door de oneindige wijsheid, zal de liefde niet verliezen, daar de wijsheid een redmiddel verschaffen zal. De genade van den eeuwigen God wordt in den tijd het sieraad van den sterfelijken mensch, en terwijl de wetenschappelijke bovennatuurkunde eene leer moge prediken, die de dood is voor alle verstand in de natuur, voor alle rede in den mensch, alle orde in de geschiedenis, alle zedelijkheid in de maatschappij, alle schoone en ridderlijke zachtzinnigheid in de beschaving, willen wij vast staan in het oude geloof, dat vertrouwt dat God ons eene toevlucht geweest is van geslacht tot geslacht; en dat, terwijl het zich verheugt in de kennis en wijsheid en beschaving van den tegenwoordigen tijd, niet ophoudt te bidden: „de liefelijkheid des Heeren onzes Gods zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja het werk onzer handen bevestig dat.quot;

-ocr page 98-

11.

DE MENSCH EN DE GODSDIENST. \')

heeft uit ééacn bloede het gansche geslacht der menscheu gemaakt, om op den geheelen aardhodtm te iconen, bescheiden hebbende de tijden te voren verordend, en de bepalingen van hunne woning;

Opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten ; hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van onsquot; Handelingen XVII : 26, 27.

i.

De verschijning van Paulus op den heuvel van Mars is een der gedenkwaardigste momenten in de geschiedenis. Ook is \'teen moment, dat thans onze verbeelding wel raag treffen, gelijk het de zyne blijkbaar trof. De omgeving en de man vormden een vreemd contrast. Het was de stad Athene, de bakermat van alle wijsheid en schoone kunst der oude wereld. De plaats, waar de spreker stond, was gewijd aan het recht en de trouw. Beneden hem was de schitterend blauwe zee,

1) Gepreekt vooi\' het Londensche Zendelinggenootschap, in de Cnristus-Kerk, Westminster-brug-strant, op Maandag, den 12en Mei 1S79.

-ocr page 99-

I\'AULUS EN DE ATHENEES.

85

waarop Griekenland Perzië ontmoet liad en overwonnen, waarlangs Aescliylus gewandeld had, luisterend naar liet menigvuldig gelacli der golven. Boven hem was de heldere en vroolijke hemel, waar de goden woonden, wier glimlach zonneschijn en wier voorhoofd-fronsen storm verwekte; rondom 1 em de lucht, klaar als kristal, waarin de Griek zich met veerkrachtigen tred bewoog, gelijk als in de dagen van zijnen heldenmoed en roem. Oostelijk van hem verrees de Acropolis even heerlijk voor de zinnen als voor den geest; waaide vroomheid de kunst had verheerlijkt, en de kunst de vroomheid verhoogd; waar het oude geloof leefde in vormen, die \'s menschen ideaal van schoonheid geschapen hadden, en bestemd waren voor immer schoon te blijven. En vóór hem, omringd door plaatsen, geheiligd door groote namen en groote daden, stonden de zonen der mannen, die Griekenland beroemd gemaakt, die \'t gemaakt hadden tot de moeder van vrijheid en wetenschap, van poëzie en kunst. En wie was hij, die het middelpunt van dit wonderbaar too-neel uitmaakte? Een barbaar, een Jood, geboren uit een volk, dat geen God kon plaatsen in het Pantheon te Rome ei op geen wijsgeer kon bogen, naar wien op de Atheen-solie scholen verwezen kon worden; een man zonder indrukwekkend voorkomen, die zich bediende van een onbevallig dialect, en onbekwaam was dit sierlijk te doen; wiens versleten gewaad, en harde, ruwe handen eerder den zoon van den arbeid dan het fijne en teedere kind der beschaving verrieden. En zoo was hij voor de menschen rondom hem, de zonen van zoo doorluchtige vaderen, slechts een Hebreeuwsche klapper, iemand; die men koel verachten of waarover men zich moest verwonderen of vroolijk maken. De beteekenis van het ongenhlik echter, zoo tragiesch verborgen voor hun verfijnd

-ocr page 100-

DB MENSCII EN DE GODSDIENST.

verstand, was helder voor zijn sterken en verlievenen geest.

Paulus was zich bewust de erfgenaam te zijn van een

schitterender nalatenschap, van een verhevener verleden, dan

waarop zelfs zij zich konden beroemen. Abraham, Mozes,

David en Jesaja waren namen, voor welke zelfs die van

Homerus, Solon, Plato, Alexander bestemd waren te verbleeken.

En het verleden was als niets in vergelijking met de betee-

kenis die in het heden leefde. Hij stond daar als een profeet

van den God, dien de Grieken niet gekend hadden, doch

die de Grieken gekend had, hen geleid en bezield had met

eene liefde voor vrijheid, schoonheid en waarheid; bovendien

als een gezant van den Christus, die gekomen was om het

licht en de waarheid te brengen, naar welke de oude wijzen

te vergeefs hadden gezocht. En zijne bewustheid van al, wat

dat oogenblik bevatte, van den dood, die zijnen vreeselij-

ken doch weldadigen wil ten uitvoer ging leggen aan de *

schoonheidsbeelden rondom hem, van het zegevierende leven,

in het Evangelie door hem gepredikt, bracht Paulus in eene

zijner meest verhevene stemmingen en stelde hem in staat

om van den heuvel van Mars tot Athene, en door Athene

tot de eeuwen, woorden te spreken, die de woorden zijn

van den God, die zoekt opdat Hij redden moge.

De geheele ziel van Paulus leeft in zijne redevoering. Bijna kunnen wij door haar de polsslagen hooren van zijnen geest, de groei en vorming nagaan van de gedachte, die hier worstelt om zich uit te spreken. Merk op hoe hij onder den indruk van de plaats is. Hij is geen ruwe en meedoogenlooze beeldstormer. De schoonheid der stad strekt hem tot bewijs harer vroomheid; »

en hij prijst de inwoners als buitengewoon godvruchtig. Dit geeft hem aanleiding tot een belangrijke vraag. — Welke was iiunne betrekking tot God in het verleden ? Hoe die van

86

-ocr page 101-

DE MESSCH VOOR GOD GEMAAKT.

87

God tot hen, destijds en thans ? En deze beredeneert hij als een man, die een open oog heeft voor al wat waar en schoon was in Griekenland, doch tevens als een apostel, getrouw aan al wat in Christus goddelijk en eeuwig, oppermachtig en zaligend was. Hoewel hij een Jood is, haalt hij geen Hebreeuwsch boek aan, gebruikt geen Hebreeuwsch beeld, doch stelt zich zeiven in levendige betrekking met Athene en de Atheners. Het opschrift van een hunner altaren neemt hij tot tekst; hij is gekomen om den onbekenden God te ontsluieren; om kennis te brengen in de plaats hunner beledene onkunde. En hij doet zulks onophoudelijk met de meeste scherpzinnigheid verwijzende zoowel naar hunne dwalingen als naar hunne ware inzichten. \'De God, dien hij openbaart, is de Schepper; geen tempel kan hem omsluiten, geen beeld kan hem wedergeven, geene gift kan zijne eer of zijne macht vergrooten. En de God die schiep, regeert — is de Souverein van menschen en natiën. De eenheid van God sluit de eenheid van den mensch in zich. Indien er één God is, en die God een Schepper, moeten alle menschen uit Hem zijn voortgesproten, en door Hem geregeerd worden. En alzoo „heeft Hij uit éénenbloede het gansche geslacht der menschen gemaakt, om op den ge-heelen aardbodem te wonenquot;, dat is, — Hij heeft hen bestuurd, de wetten gemaakt en geregeld, die hun komen en gaan, hunne opkomst en vooruitgang, hun verval en ondergang bepaalden. En Hij heeft dit gedaan, „opdat zij Hem zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een\' iegelijk van onsquot;. Overal is Zijne hand werkzaam, en de menschen die naar haar tasten, kunnen haar wel aanraken en gevoelen alsof zij de duisternis rondom hen licht maakte. En aldus had er voor Paulus, in Griekenland en over de geheele aarde, een tweevoudig zoeken

-ocr page 102-

DB MENSCH EN DE GODSDIENST.

plaats gehad — van God naar den mensch, en van den mensch naar God. Hij had den mensch voor Hem zeiven gemaakt, en de mensch kon buiten Hem geen rust hebben, noch Hij voldaan zijn zonder den mensch. In het licht van deze waarheid leefde Paulus; zij verheerlijkte zijnen geest, maakte hem, hoewel nverachtelijk in woordquot; tot een zoo welsprekend redenaar, dat zijne woorden voor de wereld geweest zijn als dn machtigste muziek, die haar aanlokte tot geloof in God en vrede met Hem. Hier zien wij het geloof, dat Paulus tot den eersten en grootsten der zendelingen maakte. Hij leefde, om hot zoeken van God naar den mensch en het zoeken van den mensch naar God te brengen tot een einde, dat de aarde verblijden en den hemel verheerlijken zou.

Van dit grootsche denkbeeld van Paulus nu zal onze redevoering uitgaan. God heeft dsn mensch zoodanig gemaakt en bestierd, dat de menschen Hem moeten zoeken. Zij mogen God missen of ontwijken, doch zij kunnen het zoeken niet nalaten. De menschelijke natuur is eene natuur, waarvoor God eene noodwendigheid is, en waaraan God alleen voldoen kan. Het bestuur van God is een bestuur, dat overal en ten allen tijde de strekking had om den mensch zich zijner behoefte bewust te maken, het vurig verlangen van zijnen geest naar den Goddelijken Vader te verlevendigen. En hier is de laatste grondslag van elkezendings-onderneming. De natuur, die zoodanig gevormd is, dat zij aan God behoefte heeft, heeft als het ware, een recht op Hem. Zij, die Hem het beste kennen, zijn in den hoogsten graad verplicht. Hem bekend te maken. De menschen die ontberen, hebben rechten, welke door hen die bezitten, niet veronachtzaamd mogen worden. De menschen, die bezitten, hebben jegens de menschen, die ontberen, plichten, die zij niet onvervuld kunnen laten. Hij, die

88

-ocr page 103-

DE MEKSCII VOOR GOD GEMAAKT.

gelooft gelijk Paulus geloofde, is verplicht te handelen zooals Paulus handelde. Indien wij gelooven, dat God de menschen schiep en de volken bestiert, opdat zij Hem zullen zoeken, dan moet het onze plicht zijn, hen in hun zoeken zoo te helpen, dat wij hen tot den God brengen, dien zij behoeven, tot hun tehuis in Zijn eeuwig leven en lieven.

II.

Laat ons dan beginnen met eene duidelijke bepaling onzer eerste grondstelling. God maakte den mensch, om Hem te zoeken. Het zoeken naar God is iets natuurlijks. Met andere woorden, de godsdienst is zoo natuurlijk voor den mensch, dat het de eenvoudigste waarheid is te zeggen, hij is van nature godsdienstig. Het is geene ontdekking of uitvinding, die wij aan kunst of behendigheid verschuldigd zijn, doch eene heilige natuur-noodwendigheid, gewrocht door haren maker. Niemand ontdekte ooit het gezicht of vond het gehoor uit. De mensch zag, omdat hij oogen; hoorde, wijl hij ooren had; de zintuigen schiepen de gewaarwordingen. De spraak was geene uitvinding of ontdekking; zij groeide, en de mensch was zich nauwelijks bewust van haren wasdom uit de wonderbare inwendige verbinding van het natuurlijke vermogen om klanken voort te brengen en het verstandelijke vermogen om gedachten te vormen, totdat zij buiten hem stond en rondom hem leefde als een fijne, duidelijke, algemeen gemaakte rede. En de godsdienst is den mensch even natuurlijk als \'t gezicht, of \'t gehoor, of de spraak — even natuurlijk, wijl deze evenzeer aangeboren is en een even wezenlijk deel zijner natuur uitmaakt.

89

-ocr page 104-

DE MENSCH EN BE GODSDIENST.

Vandaar dat de mensch tot godsdienst komt evenals tot andere natuurlijke zaken — zijne moedertaal, de genegenheid voor zijn tehuis of ouders — uit innerlijke aandrift zonder bewuste inspanning; doch om vrij van haar te worden moet hij zich in eene nieuwe en vreemde stelling inredeneeren, zijn gemoed dwingen om te leven in eenen toestand van waakzame bestrijding van zijne eigen diepst gewortelde neigingen. Geen mensch is atheist van nature, alleenlijk door kunst; en wel door een kunst, die der natuur onopboudelijk weerstand moet bieden. De mensch, die er aanspraak op maakt atheist te zijn. ontsnapt niet aan God, vindt slechts een „idealen plaatsvervangerquot; voor Hem; bevrijdt zich zeiven niet van godsdienst, stelt slechts voor een redelijken vorm er van, een\' ongerijmden in de plaats. De natuur, zooals zij in den mensch bestaat, vecht tegen het ongeloof; en zoo zij al aan den eenen kant wordt overwonnen, is zij er zeker van aan den anderen kant eene vreeselijke overwinning te behalen. Deze eeuw heeft meer dan een mensch God zien verbannen naar het helsche voorportaal van stervend bijgeloof, doch slechts om de herinnering aan eene vrouw tot het middelpunt te maken van eenen godsdienst, oneindig lager en minder menschelijk. Zoowel in de omwentelingen van de natuur als van den tijd, verspreidt zij hare gerichten; maar nooit zijn deze zoo vreese-lijk, als wanneer eenige vreemdsoortige zwakheid van een edelen geest den troon Gods beklimt.

I. De godsdienst, den mensch alzoo aangeboren zijnde, heeft een even oud bestaan als het zijne. Hij ontstond met hem: de geboorte van den mensch was tevens de zijne. Er zijn menschen geweest, en nog zijn er inderdaad, die beweren, dat de oorspronkelijke toestand des menschen een toestand was van „hijgeloovig atheïsmequot;, dat onze godsdiensten slechts de ge-

90

-ocr page 105-

„BIJGELOOVIG ATHEÏSME.

wijzigde, veredelde schrikbeelden van een wilde zijn, dat ons geloof slechts de nog overgebleven, ofschoon vervormde indruk zijner droomen is. En zij hebben eenen met zorg bewerkten, op hypothesen gegronden, bouw gesticht, dien zij met fijnen hoewel onbewusten spot eene wetenschap noemen, om aan te toonen hoe uit het oorspronkelijke atheïsme onze edelste theïstische godsdiensten zich ontwikkeld hebben. Doch de 0

bouw is al even denkbeeldig als de bewering; zij rust overal op eene reeks van onbewezen en zelfs gewelddadige onderstellingen. Want 1°. wordt daartoe vereischt, dat godsdienst voortgesproten ware uit zijne ontkenning; dat vereering zou optreden in een toestand, waarin de denkbeelden, die vereering scheppen, niet bestaan. Zoo gij ooit tot een sluitrede wilt komen, moet ge eerst eene vooropgezette stelling vinden; maar hoe is het mogelijk om uit „een toestand van bijgeloovig atheïsmequot; eene zoo verbazende slotsom af te leiden als die van de godsdiensten der wereld? Daar, waar godsdienstige aanleg is, waar godsdienstige neigingen werken op de wijze en in de mate die de natuur vergt, moge bijgeloof heerschen, doch kan geen atheïsme bestaan. Zonder deze vatbaarheden en neigingen zou de godsdienst een volkomen onverklaarbaar verschijnsel zijn; met haar moge de mensch in zijn natuurstaat geene bepaalde aanbidding bezitten, niettemin blijft hij volkomen godsdienstig. Maar 2°.

met welk recht nemen onze wijze ethnologen aan, dat we in de nu bestaande wilden het beste type vinden van den oor-spronkelijken mensch ? De wilde is niet oorspronkelijk;

hij is, wat den tijd betreft, even ver van de eerste menschen verwijderd als wij, en, wat de natuur betreft, verder. Geef toe dat de ontwikkelingstheorie waarheid is, en wat dan?

De natuur, die zich niet ontwikkelt, is geen echt of waar

91

-ocr page 106-

92 DB MBSSCH ES DE GODSDIENST.

type van de oorspronkelijke kiem. Een 20jarig man kan slechts het verstand van een kind hebben, doch daarom noemen wij hem niet een kind; wij noemen hem idioot. Een 60- of lOOjarig kind zou het slechtste type zijn van een gezond menschenkind, en van hem, die eene schoone theorie zou willen bouwen op de onderstelling, dat het een zoodanig was, zou ter nauwernood aangenomen kunnen worden, dat hij bij zijn verstand was. En de bestaande wilde is slechts een eeuwig kind, juist door het feit zelf zijner kindschheid verder verwijderd van dén oorspronkelijken mensch, dan wij zijn tengevolge van het feit van onzen volwassen leeftijd. De aanleg, die in hem sluimert, openbaart minder van den oorspronkelijken staat dan de aanleg, die ons werkzaam en scheppend leven doet. Doch 3°. kunnen onze • godsdienstige denkbeelden hunnen oorsprong niet ontleend hebben aan de droomen, aan de onkundige en grillige angsten van den wilde. Het verschrikkelijke jaagt vrees aan, en niets is zoo doodelijk voor gezonden, moreelen wasdom en verstandelijke ontwikkeling als de vrees. Doch de godsdienst is nimmer, zelfs niet in zijne meest ontaarde vormen, een schrikwekkende zaak voor den mensch geweest. Hij is zijn troost geweest in droefenis, zijne kracht in zwakheid, zijne bezieling onder zvvaren en moeielijken arbeid, liet licht dat hem m duisternis verblijd, do hoop, die hem heeft doen zegevieren over teleurstelling en nederlaag. En hoe kunnen \'s mensehen ver-lievenste idealen zich ontwikkeld hebben uit zijne ellendigste verschrikkingen? Indien de vrees het geloof geschapen had, zou zijn dood het leven der beschaving geweest zijn; doch waar \'t geloof bloeide, heeft de schoonste beschaving welig getierd; waar het gestorven is, daar zijn schoonheid, waarheid en goedheid beginnen te kwijnen om onder te gaan.

-ocr page 107-

DE GODSOIESSTEX PKOFETEEREN VAX CHRISTUS.

93

Wij houden dan staande dat de mensch wezenlijk godsdienstig is. Door eene Goddelijke natmir-noodwendigheid is hem de godsdienst een natuurlijke zaak, even algemeen als natuurlijk. Overal waar de mensch is, is ook de godsdienst; even verbreid als het menschenras, als van gelijken ouderdom, en hij vertegenwoordigt overal het zoeken van den mensch naar God. In zijne menigvuldige geloofsuitingen heeft hij als \'t ware blindelings het Goddelijk besluit, in Zijne natuur belichaamd, opgevolgd^ dat hem bestemde den Heer te zoeken, of hij Hem immers tasten en vinden mocht. Van dit gezichtspunt uit, hebben de godsdiensten der wereld eene zeer treffende en tragische beteekenis; zij toonen de menschheid in haar loop opgehouden, verward, verloren in een doolhof, in \'t donker voortstrompelende, voortgedreven door zijn heimwee naar God, zoekende naar zijn rustplaats in het eeuwige. Als ik denk aan hetgeen deze godsdiensten zinnebeeldig voorstellen, hoe zij spreken van een edel streven, van een beklemd angstig geloof\' en een nog angstiger twijfel, van verzuchtingen tot God, van blinde begeerten, die smeekend de handen uitstrekten naar een hemel, die moest afdalen aleer de aarde voldaan kon worden — dan gevoel ik, dat ik niet met verachting over hen mag spreken; zij vragen met eene welsprekendheid, die met de taal spot, van de menschen, die een zuiverder geloof hebben, om een deel daarvan, om eene kennismaking daarmede. Waar eene lagere godsdienst heerscht, behoort eene hoogere te wezen; de menschen, die God zoeken, hebben het heiligst en onomstootelijk recht op de beste diensten der menschen, die Hem gevonden hebben. En in de godsdiensten, die tegelijkertijd getuigenis afleggen van den ijver en de werkelijkheid vnn het zoeken, ligt het punt, waar gever en ontvanger

-ocr page 108-

DE MENSCH EN DE GODSDIENST.

elkander kunnen ontmoeten, waar zij, elkaar van aangezicht tot aangezicht ontmoetende, hunne verwantschap met elkaar kunnen kennen, uit hunne gemeenschappelijke verwantschap met God. De zendeling, die tegenover een oude en ingewortelde afgodendienst of een wild bijgeloof staat, kan meenen, dat zijne eenig mogelijke houding daartegenover dien van volstrekten tegenstand behoort te zijn. Docli laat hij zich voorstellen, wat \'t zou zijn, als hij zich bevond tegenover een geslacht zonder geloof, wat slechts zou kunnen beduiden een geslacht zonder eenige geschiktheid om te gelooven, zonder eenigen God, of eenig vermogen om er zich een te denken, zonder eenige hoop of vrees of denkbeelden, die verder reikten dan de lusten en zinnen — en hij zal tot de ontdekking komen, dat te spreken tot menschen, die geen . aanleg tot geloof hadden, een wanhopiger arbeid zijn zoii, dan te spreken tot menschen, behebt met het meest verkeerde geloof, dat mogelijk is. Doch in liet hart van den slechtste ligt de kiem van den beste opgesloten; de mensch, die het eene bezit, heeft vatbaarheid voor het andere, en kan daardoor als \'t ware met menschelijkheid begiftigd worden. De godsdiensten van den mensch zijn een profetie van den godsdienst van Christus, zij zijn stemmen gelijk, die als gebeden ten hemel stijgen, en luid klinkend over de zee rui-schen, met de oude en onafgebroken kreet: „Kom over en help ons.quot;

De natuur, die zoo goddelijk naar godsdienst vraagt, beantwoordt daaraan op schoone wijze. De mensch, die van een waren en levenden godsdienst doordrongen en doortrokken is, is een mensch op zijn edelst en best. Zelfs een slecht geloof, hoewel eene ontzaglijke ramp, is beter dan geen geloof. Beter is het, dat de mensch zijn zoeken naar God doorzet,

94

-ocr page 109-

DE GODSDIENSTEN PIïOFETEEREN VAN CHRISTUS. 95

zelfs al gaat dit dooi\' duisternis heen, dan dat hij liet in wanhoop opgeeft. Zoo lang hij gelooft, dat er een God is, dien hij moet dienen, een wet, die hij moet gehoorzamen, zoo lang hij begrijpt dat er een persoon of eens macht in of boven hem is, die gerechtigheid werkt, zoo lang leeft hij als \'t ware met eene open zin voor \'t goddelijke. Wij weten hoe slecht de wereld geweest is met hare godsdiensten ; zouden wij ons kunnen voorstellen, wat zij zonder hen geweest ware? Zij mogen schadelijk geweest zijn, voor zooverre zij verkeerd waren, doch in weerwil van hunne gebreken hebben zij den mensch geholpen om zijn kort bestaan te doorleven als in den boezem der eeuwigheid, als in het middelpunt der onmetelijkheid, zich naar de mate zijner bekwaamheid beheerscht en bezield voelende door de idee, omringd en gedekt door het goddelijke. Hegel zeide; „Alle volken weten, dat het godsdienstig bewustzijn dat is, waarin zij de waarheid bezitten; en den godsdienst hebben zij altijd beschouwd als hunne echte waardigheid en als den Sabbath huns levens.quot; Hij, en hij alleen, is in staat geweest 0111 den mensch op te heifen als \'t ware tot den bergtop des Geestes, die bedauwd is door de heldere en stralende lucht van het Eeuwige en Oneindige; en aldaar — zich bewust van bet onveranderlijke achter het zichtbare, met de aarde heneden zich, waarop bet rumoer gestild en in harmonie gebracht werd door den afstand; waarvan de mismaaktheden verzacht en de dofheid tot schoonheid werd opgevoerd door het zonlicht — heeft de mensch als van verre het geruisch van goddelijke muziek gehoord, iets verstaan van de harmonie van de eeuwige rede, zachtkens zich voortbewegend, door al onze moeielijkheden heen tot haar heerlijk einde. Doch zoo de godsdienst dus het punt is waar de mensch met het Hoogste in aanraking komt, en

-ocr page 110-

DE MEN\'SCIl EN DE GOPSDIEXST.

het Hoogste den mensch doordringt en verheerlijkt, zoo is hij het ook, die het beste, dat in hem is, vindt, bezielt en bestuurt, hem tot bewustzijn brengt dat hij een Maker en Bestuurder heeft, ter verwezenlijking van wiens ideaal hij bestaat, ter vervulling van wiens plan hij leeft. Slechts dan, als de natuur, die van God gekomen is, tot Hem weerkeert, denkt zij bet verstandigst, handelt zij bet edelst, wordt zij het best.

2. Doch merken wij nu wijders op, dat de godsdienst niet slechts aangeboren en noodig voor den mensch, ja de wezenlijke voorwaarde voor zijn hoogst persoonlijk beil is, maar hij ook niet minder onmisbaar voor de volken, en eene wezenlijke voorwaarde voor bun vooruitgang en gezamenlijk welzijn is. Het denkbeeld, dat Bunsen in zijn „God in de Geschiedenisquot; belichaamde, was geene ijclele droom. Het tijdstip, waarop een volk de edelste opvatting van God heeft en het sterkste geloof in Hem, in de orde die Hij heeft vastgesteld en de wet, die Hij bestiert, in Zijne onbuigzame rechtvaardigheid en waarheid — dat tijdstip is zeker ook hetzelfde, waarop zijn geest in zijn verhevenste en heldhaftigste stemming wezen zal. Een vermetel Schot, dapper zoowel in woord als met der daad, Engelsch afgezant bij het Pruisische Hof, was eens aan tafel aangezeten bij Frederik den Groote, die destijds peinsde over eenen oorlog, waarvan de zenuw grootendeels zou moeten gevormd worden uit Engelscbe bijdragen. Om de tafel zaten Fransche vernuften van het ongeloovige soort, en zij en de Koning maakten zich vroolijk over het vervallen bijgeloof, de dwaasheden van het oude geloof. Op eens sloeg bet gesprek over op oorlog en geruchten van oorlog, waarop de Schot, die lang gezwegen had zeide, dat „Engeland met Gods hulp Pruisen zoude bijstaan.quot; „Zoo!quot; zeide de onge-

96

-ocr page 111-

DE GODSDIENST EN DE VOLKEN. 97

loovige Frederik, „ik wist niet, dat gij een Bondgenoot van dien naam hadt;quot; en de ongeloovige vernuften gaven lachend hun bijval te kennen. „Met verlof van uwe Majesteit,quot; was het vlugge antwoord, „Hij is de eenige Bondgenoot, wien wij geene subsidies zenden.quot; Daar werd de waarheid beleden. Engeland\'s beste Bondgenoot is God; de tijden van zijn waarachtigen heldenmoed en grootmoedigheid zijn de tijden geweest, waarin het de grootste gehoorzaamheid aan Hem betoonde. En even ais \'t met onze natie is, is het met alle. Eene twijfelzieke eeuw is nimmer eene groote of gouden eeuw; een ongeloovig volk kan nimmer een edel of scheppend volk zijn. Voor een grootsche daad, voor een roemrijk feit in politiek of letterkunde, voorde hoogste scheppingen der kunst, van poezie of beeldhouwwerk, van bouwkunde of schilderkunst is godsdienst een vereischte. Waarheen gaan onze wijsgeèren, als zij volken zoeken, die geenen God kennen; die zonder geloof en aanbidding leven? Kiezen zij voor hunne onderzoekingen volken uit, die gestaan hebben op het toppunt van beschaving, en wijzen zij, terwijl de volken daar staan, met trotsch en verachtelijk handgebaar op de mannen, in wie hun beschaving haar heerlijksten bloesem vertoonde? Gaan zij terug tot de eeuw van Pericles of Socrates in Athene, en wijzen zij aan dat Griekenland in zijn verheven strijd tegen Perzië het geloof in zijne goden verloren had; dat Aeschylus niet geloofde aan eene Goddelijke Nemesis, onfeilbaar, onbuigzaam, onontkoombaar; dat Phidias zich geen ideaal gevormd had van de godheid, die hij wist daar te stellen in vormen zoo vol majesteit, dat de menschen, die haar aanschouwden, ontstelden alsof zij het aangezicht Gods zagen; dat Plato zich niet bewust was van eene eeuwige waarheid, schoonheid

7

-ocr page 112-

98

en goedheid, die in den mensch slapen en over liem waken, en naar welke hij zonder ophouden moest streven? Of wenden zij zich tot Italië, en toonen zij aan dat Rome, in zijn heldentijdperk, geen mannen had, die in den Staat de schepping en \'t zinnebeeld eener Goddelijke wet zagen ; geene kloeke zonen, die evenals de „dappere Horatiusquot; in de uren des ge-vaars durfden vragen :

„quot;Welke mensch kan beter sterven

Dan bij \'t tarten van de drommen Om het grafofest.eent der vaadren En der g-oden heiligdommenquot;?

Of, toonen zij aan dat, in latere en minder edele tijden, Raphael geen geloof had aan Goddelijke onschuld en lieffe-lijkheid, toen daar onder zijn penseel die gelaatstrekken van de moeder en het kind zichtbaar werden, die de wereld nooit moede wordt te bestudeeren, en slechts bestudeert om ze lief te krijgen; of dat Angelo geen eerbied had voor de onzichtbare en ontzagwekkende majesteit Gods, toen zijne gedachten den wondervollen dom, waarin opvolgende geslachten in bewondering en aanbidding neergezeten hebben, het aanzijn gaven en met schoonheid bekleedden? Of keeren zij zich tot Engeland onder Elizabeth en de Puriteinen, en toonen zij aan, dat Edmund Spencer geloofde, dat de mensch slechts eene aaneenschakeling van gewaarwordingen was — deugd, kuisch-heid, heiligheid, ijdele of willekeurige of toevallige zaken waren; dat William Shakespare een ziel is, begrenst door vijf zintuigen, zonder eenig besef van iets Goddelijks en Eeuwigs dat onzen „korten slaapquot; omgeeft en verheerlijkt; of dat John Milton een man is, blind voor „hemelsch lichtquot;, zonder geloof aan eene „Eeuwige Voorzienigheidquot;, en zonder begeerte om „hare wegen voor den mensch te rechtvaardigenquot;, doch

-ocr page 113-

theïstische ex atheïstische rassen.

dat hij sterk is in ongeloovige aphorismen en profetische vi-zioenen van de gelukkige wereld, die komen zal als eenmaal het geloof zal verdwenen zijn? Wenden zij zich naar zulke tijden en menschen, en leggen zij ons het stilzwijgen op door deze of gelijksoortige uitkomsten? Neen, dat doen zij niet. Maar zij begeven zich naar het een of ander Zuidzee-eiland, bewoond door menscheneters, zelden door den voet van den blanken mensch betreden of weinig door hem gekend, of naaiden eenen of anderen ontaarden en deerniswaardigen Afri-kaanschen stam, en met deze staaltjes, opgedolven uit den boezem zeiven der jammerlijkste verwildering, komen zij te voorschijn en roepen uit, „ziehier, volken die geenen God beleiden!quot; Welaan dan, laten wij deze proeve aanvaarden, en slechts antwoorden: „Vergelijk dit uw atheïstisch ras met onze theïstische rassen, en laat de afstand tusscben cannibalisme en christelijke beschaving tot maatstaf strekken voor de ruimte, die de volken, die aan geen God geloo-ven, afscheidt van hen, die wel in Hem gelooven, en gearbeid hebben om Zijnen Geest te volgen en Zijnen wil te volbrengen.quot;

3. Doch nu zal er nog een punt te meer voor u duidelijk zijn geworden. Naardien de godsdienst zoo noodwendig is zoowel voor den enkelen mensch als voor de geheele natie, voor het edelste doen en gelukkigste bestaan van den enkelen mensch zoowel als van het gansche volk, volgt hieruit, dat hoe hooger en zuiverder de godsdienst is, hij des te grooter macht ten goede zal zijn, des te meer vormkracht en invloed zullen zijn scheppende en beteugelende krachten hebben. Een geloof sterkt en verheft een volk naarmate het zuiver, verzwakt en bederft het naarmate het verdorven is. De geschiedenis ontvouwt een wonderbaar tafereel voor hem

99

-ocr page 114-

100

hem, die oogen heeft om het te lezen. In Indië heerschen weinige duizenden Engelschen over meer dan 200 nnllioen menschen. De Hindoe en de Brit beschouwen elkaar als vreemdelingen in bloed en taal. Toch waren vele eeuwen geleden hunne en onze vaderen broeders, leefden onder denzelfden hemel, sloegen het rijzen en dalen van dezelfde sterren gade, beploegden denzelfden akker, vereerden dezelfde goden. Rijkdom en beschaving kwamen tot hen eeuwen voordat zij tot ons kwamen. Terwijl onze vaderen in de Germaansche wonden woonden, op hun eigene woeste wijze hun eigene wreede goden dienende; toen Eome nog niet gebouwd was, en de Latijnsche stammen nog niet dachten aan algemeene heerschappij; toen het lied van Homerus nog niet gezongen was, en het gekletter van Grieksche wa-■ penen nog eeuwen ver verwijderd was van de Trojaansche wallen, hadden de Hindoes zich als veroveraars in hun prachtig land Indië gevestigd, en zongen onder zijn schitterenden sterrenhemel en brandende zon hunne oude Vedische lofzangen. Doch in welke verhouding staan wij heden tot elkaar ondanks hun grooten voorsprong op den weg tot de hoogere beschaving ? Zijn niet de Arische steden aan de Theems en de Clijde de meesteressen van de Arische steden aan de machtiger en grootscher Indus en Ganges? En waardoor? Waardoor is de macht van den Hindoe afgenomen, ofschoon hij in aantal toenam, terwijl de laat-geboren Tentoon zich verspreid heeft „met den loop der zonnenquot;, totdat zijn beschaving en zijn handel onzen aardbol omvatten als gordels van gulden zonlicht, zij \'t ook dat deze hier en daar met groote en verschrikkelijk donkere vlekken bezoedeld zijn? Het geloof van den Hindoe werd tot een ijzeren band rondom Zijnen geest, werd tot een noodlottig onverzettelijk maatschappelijk stelsel.

-ocr page 115-

DE HINDOE EK DE TELTOON.

vol van leugenachtige heiligheden en gewijden leugen, waaraan hij zelfs door den dood niet vermocht te ontkomen; doch de Teutoon, in zijne gespierde en ongebreidelde jeugd, kwam tot een zachtaardig geloof, nogtans even sterk als vreedzaam; en dit kneedde hem met zijn zachte, doch vormende hand, herschiep hem tot nieuwe en edeler doeleinden, bracht in zijne maatschappij een meer zuiveren geest, een ruimer streven en verhevener wenschen. En terwijl de Hindoe alzoo het gevoel heeft van gebonden te zijn door de vreeselijke boeien van het noodlot en rond te loopen in den kring van een bestaan, dat, te midden van zijne beste genoegens, vreugdeloos blijft, weet de Teutoon dat hij een zoon Gods is, een broeder van zijnen medemenscb, een vrij en bewust persoon, door de Goddelijke liefde uitgezonden om de aarde gelukkiger, en door de Goddelijke rechtvaardigheid geroepen om den mensch heiliger te maken. Eu aldus beeft de een zich bepaald „tot een geduldige, diepe verachtingquot; voor verandering, doch do ander wordt ten allen tijde door zijn geloof geroepen om aan God eer te geven in de hoogste hemelen, door vrede op aarde te brengen en welbehagen onder de menschen.

III.

Laat ons thans zien waar wij gekomen zijn. De mensch werd geschapen, is geleid geworden en over de aarde verspreid, opzettelijk om God te zoeken, te tasten en te vinden-Godsdienst is hem dus iets natuurlijks; en zulks wijl zijne natuur godsdienstig is; omdat hij door God geschapen werd tot God. Een alzoo saamgesteld wezen kan zijn bestemming slechts in en door godsdienst verwerkelijken, en kan slechts ge-gelukkig zijn als zijn bestemming is bereikt. Wat waar is

101

-ocr page 116-

OE JIENSCH ES DE GODSDIENST.

voor personen, geldt ook voor volken; wat onmisbaar is voor het heil van den mensch is even noodwendig voor het welzijn van de natie. Doch indien godsdienst de wezenlijke voorwaarde is voor het hoogste welzijn zoowel van personen als volken, zoo volgt daaruit, dat hoe hooger de godsdienst staat des te grooter het welzijn wezen zal: zij moeten , wat aard en hoedanigheid aangaat, volkomen overeenstemmen. Dit nu brengt ons tot een nieuw punt van overweging. Want indien de godsdienst zoo natuurlijk en noodwendig is, zoowel voor personen als volken, dat allen er eenen moeten bezitten; indien het persoonlijke en algemeene welzijn geheel en al bepaald wordt door den aard en de hoedanigheid van den verkregen godsdienst, dan moet het eene zaak van bijzonder gewicht, van het eerste en hoogste belang zijn, te weten welken godsdienst men heeft, of hij de beste is die bestaat en of een betere mogelijk zij. Hier komen wij dus tot onze volgende vraag: Door welken godsdienst kan de mensch het beste God vinden? het doel van zijn bestaan het beste verwezenlijken, het geluk bereiken waarvoor hij bestemd was?

1. Bij den aanvang van dit nieuw onderzoek kunnen wij de godsdiensten verdeelen in twee groote klassen, de werkelijke en de kunstmatige, of de inderdaad bestaande en de verdichte. Werkelijke of inderdaad bestaande godsdiensten zijn de godsdiensten der geschiedenis of de feitelijke, welke bestaan hebben, of nog bestaan als stelsels van geloof of aanbidding. Kunstmatige of verdichte godsdiensten zijn die der individueele verbeelding of rede, schetsen of stelsels, die voorgesteld worden als: „ideale plaatsvervangersquot; voor godsdienst. In deze gevallen is de titel eene beleefdheidsbenaming, en titels op zoodanige wijze gevoerd, zijn zelden verdiend. Deze ideale godsdiensten zijn de vruchten

102

-ocr page 117-

NATUURGODSDIENST.

van achteruitgang en omwenteling; de scheppingen van men-schen, die gebroken hebben met een historisch geloof, en die toch gevoelen, dat geloof of aanbidding eene noodwendigheid is. Tot deze klasse behoort „de godsdienst der natuurquot;, die een zoo groote rol gespeeld heeft in den geloofstrijd der achttiende eeuw, en waarvan gezegd werd, dat hij „ even oud was als de scheppingquot;, en even algemeen als de mensch. Doch niets had zijn naam wel in hoogere mate kunnen logenstraffen. Hij was in geen enkel opzicht een „godsdienstquot; of iets van de „natuur.quot; Het was eenvoudig een bespiegelend stelsel, aldus genaamd, opdat het des te beter den Christelijken godsdienst zou kunnen beleedigen en bestrijden. Nimmer werd bij ergens beleden behalve door zijn scheppers; nooit bestond hij ergens, dan in hunnen geest- De mensclien, die hem schiepen, waren niet in eenen natuurstaat; zij waren gevormd en opgekweekt door de beschaving van Christelijke kerken en eeuwen. Hun stelsel was slechts eene poging, om ons het Christendom te geven zonder Christus, en dit mislukte geheel en al, evenals elke poging moet mislukken, om het hart aan een levend wezen te ontrukken en toch dat leven te sparen.

(1.) Doch die misslag der achttiende eeuw heeft de negentiende niet ter neer geslagen. Zelfs nu kunnen wij verdichte godsdiensten opmerken, hun best doende om werkelijk te worden. Uit deze willen wij er twee tot voorbeelden kiezen — de een eene vergoding van de natuur, de ander eene vergoding van den mensch. David Strauss trachtte, in het boek dat eene zoo passende kroon zette op zijn tragische loopbaan, op den grondslag onzer nieuwere natuurkennis een nieuw geloof te stichten, dat aan het oude den voet zou moeten ligten. Voor hem werd het heelal — het groote geheel,

103

-ocr page 118-

DE MENSCH EN DE GODSDIENST.

dat alle kracliten omvat en in zich vereenigt — de eenige God. Daarin was geen plaats voor eene persoonlijke godheid, maar slechts voor een onpersoonlijk en menschen-scheppend al. Voor dit heelal had de mensch zich te buigen, niet in stille berusting, maar in liefhebbend vertrouwen. Edoch de mensch kan slechts het goede beminnen en aan het rechtvaardige vertrouwen schenken, en dus moest Strauss zijn heelal bekleeden met de eigenschappen van orde en liefde, redelijkheid en goedheid. Terwijl het ophield het werk te zijn van een volstrekt redelijke en goede persoonlijkheid, werd het de werkplaats van het redelijke, en goede. Doch wat zijn billijkheid en welwillendheid, rechtvaardigheid en goedheid? Niet de eigenschappen eener onpersoonlijke kracht, maar van een persoonlijken wil — niet de hoedanigheden van .eene alvermogende macht, maar van een levenden geest, Het rationeele is het zelfbewuste; de stilzwijgende kracht, die onvermijdelijk naar zijn doel streeft, is niet goedgunstig kan evenmin van medelijden bewogen als door wraak aangevuurd worden. Deze eigenschappen, alzoo, van redelijkheid en rechtvaardigheid, welwillendheid en waarheid, kwamen niet voort uit het onpersoonlijk al, maar uit de persoonlijke godheid. Wij kunnen de hoedanigheden niet sparen, en den persoon dooden. In weerwil van zijne stoute loocheningen trad God onder den naam dezer Goddelijke eigenschappen het heelal van Strauss als overwinnaar binnen, en maakte alzoo dat zelfs de ontkenningen des menschen Hem moesten prijzen.

(2.) Indien de vergoding der natuur ijdel is, welke waarde heeft dan de vergoding van den mensch ? De godsdienst der humaniteit is bezield van een geestdrift voor den mensch. Hij verpersoonlijkt het geslacht, beschrijft dit als Je grand Êtrequot;,

104

-ocr page 119-

DE GODSDIENST DER HUMANITEIT.

105

het onsterfelijke, het algemeene, welks verleden ons bet aanzijn gaf, welks tegenwoordigheid ons in zyn boezem draagt, welks toekomst ons zal ontvangen en in zich opnemen, luisterende naar onze stemmen, die eenmaal aan „het onzicht\'bre koorquot; hadden deelgenomen. En het is ■deze menschbeid, die wij hebben te vereeren en te dienen. Maar waarom? en hoe? Wat ik aanbid vereer ik; wat op mijne vereering geen aanspraak kan maken, kan over mijn geweten geen heerschappij voeren. De denker in zijn studeervertrek, erfgenaam van een schitterende nalatenschap, die in den loop der eeuwen zich heeft opgehoopt, vol van gedachten, die tot hem gekomen zijn van Plato en Aristoteles, Cicero en Seneca, Augustinns en Anselmus, Descartes en Spinoza, Locke en Leibnitz; bezield en veredeld door idealen, die hij ontvangen heeft uit Indië en Judea, Griekenland en Rome, Italië en Frankrijk, Duitschland en Engeland, kan wel gevoelen: „hoe heerlijk zijn de geschenken der menschbeid; hoe onmetelijk de rijkdommen aan mij vermaakt, door de geslachten, die geleefd hebben en gestorven zijn.quot; Maar verander nu het tooneel; stel u den misdadiger in zijn cel voor of het ellendige slachtoffer van den wellust, dat geen ander zonlicht kent dan het poover lichtstraaltje, dat bij tusschenpoozen het nauwe steegje binnensluipt, en geenen troost dan die te vinden is bij bedwelmenden sterken drank. Hij of zij kan denken: nimmer kende ik den zegen eens vaders of de liefde eener moeder; ouders, die ik nooit gekend heb, gaven mij het leven, en daarmee hun eigene slechte inborst; lieten mij achter ten prooi aan onwetenheid, aan zonde, om door wreede en listige menschen op slechte paden gevoerd te worden, en deze, de eenige die ik kende, ben ik gevolgd tot dit slechte en bittere eindequot;. Wat heeft de menschbeid voor deze ellen

-ocr page 120-

BE MENSCH EN DE GODSDIENST.

dige schepselen gedaan? Verdient zij hun vereering\'? Kan zij van hen gehoorzaamheid vorderen ? Kan zij hun natuur veranderen, door binnen in hen een licht te ontsteken even heerlijk als het hemelsche licht, en zulk een duisteren en verdorven mensch te herscheppen tot het evenbeeld van den Zoon Gods? Nogtans is een godsdienst, die dit en meer dan dit niet kan doen, geene godsdienst voor den mensch; hij moge van de menschheid zijn, doch is niet voor haar. De godsdienst, dien de mensch noodig heeft, is niet een godsdienst, die den verlichte streelen en den verstandige belang inboezemen kan, maar een godsdienst, die, terwijl hij redelijk is voor den redelijk ontwikkelde, nochtans de gevallenen opheffen en de verlorenen redden kan, die voor zwakke en onwetende menschen de kracht en de wijsheid Gods zijn kan.

2. Wij kunnen dus van de kunstmatige of verdichte godsdiensten afstappen, en overgaan tot de werkelijke of inderdaad bestaande. Deze kunnen verdeeld worden in twee klassen, de nationale en de algemeene, of de godsdiensten, die tot eene bijzondere natie of volk behooreu, en die welke het gansche menschengeslacht trachten te bekeeren en te omvatten. Over de nationale behoeven wij bijna niet te spreken. Zij zijn door hun aard zeiven ongeschikt gemaakt om ooit algemeen te worden. Zij zijn onlosmakelijk verbonden met de nationale gewoonten, wetten, leefwijzen; met de maatschappelijke en staatkundige orde van hun land en tijd, en konden zich slechts uitbreiden met de uitbreiding der natie. Bovendien is hun tijd voorbij. \'Eenmaal waren de godsdiensten van de voornaamste natiën der wereld nationaal; thans zijn zij dit niet meer. Destijds waren bet de volken, die de godsdiensten gemaakt hadden; thans is het een godsdienst, die de voornaamste volken voortgebracht heeft. Overal rondom

106

-ocr page 121-

ƒ N A ï IO N A LEƒ G O D SDI E S S T E N. 107

ons liggen de bouwvallen dier oude godsdiensten, gevallen tegelijk met de Staten, die zij eens verheerlijkten. De godsdienst, die gedurende zoo menige eeuw over Egyte lieerschte, die het Nijldal verlichtte met de hoop op onsterfelijkheid, en aan pyramide en mummie eene beteekenis gaf, treffend verschillend van die, welke zij voor ons bezitten, is even volkomen te gronde gegaan als het rijk der Pharao\'s. De goden — die den Phoenischen zeeman geleiden, die hij in gevaar aanriep en in voorspoed prees, voor wie de Phoenische koopman, in zelfzuchtige mildheid, prachtige doch onschoone tempels bouwde, afgodshuizen overladen met ivoor en goud — zijn verdwenen met de oude Koningen van den handel en de zeevaart. Het geloof, dat de Grieksche geest zoo schoon maakte, de goden welke hij zalfde met zijne onvergankelijke poezie en belichaamde door de onsterfelijke voortbrengselen zijner kunst, bestaan niet meer; zij zijn evenals het schitterende Hellas onherroepelijk heengegaan in den donkeren en zwijgenden dood. Het geloof, dat de Staat voor den Romein zoo heerlijk en eerbiedwaardig maakte, dat hem van zijne stad als eene eeuwige deed droomen, als gebouwd dooide handen, volgens de idealen en voor de plannen der Goden, het is verdwenen evenals de Senatoren of de keizerlijke vermaardheden, die de Tiberstad tot Koningin der wereld kroonden. Deze nationale godsdiensten zijn gestorven, en kunnen niet meer herleven. Zij regeerden over hunne eigene volken, en versmaadden het te heerschen over eenig ander volk. De goden van het land waren voor het land, openbaarden hunne macht door verovering, niet door bekeeringen; door geweld, niet door den Geest. Maar onze wereld verstaat den godsdienst van eene andere zijde. Voor haar is het begrip van een algemeen geloof opgedoemd. Voor ons is er slechts

-ocr page 122-

DE MENSCH EN DE GODSDIENST.

één God. en Hij heeft den menscli vereend. De natiën zijn menigvuldig, doch de menschheid is een. En dit geloof heeft een goddelijker streven geschapen dan de oude wereld kende het streven om alle menschen te verbroederen door hen tot zelfbewuste zonen van éénen Vader, onderdanen van éénen God te maken. Waar dit geloof gevestigd is, kunnen de oude, enghartige, nationale godsdiensten niet meer komen.

(1.) Doch keeren wij ons thans van het doode verleden af en beschouwen wij de levende godsdiensten der wereld, opdat wij den eenen ontdekken mogen waaraan de menscli het meeste behoefte heeft, die de schoonste belofte voor hem bevat, die hem het beste helpen kan om het doel van zijn bestaan te vervullen. In Azië rijzen twee godsdiensten voor ons op, die in zekeren zin nationaal zijn, en tegelijkertijd veel meer nog. In het Chineesche Rijk, met zijn bijna vijfhonderd millioen inwoners, bestaat een groote godsdienst. De godsdiensten van Confucius, Lao-tzse en Boeddha staan daar naast elkander en vullen elkander aan; maar noch alleen noch vereenigd maken zij den godsdienst uit, dien de mensch noo-dig heeft. De voorzichtige wijsheid van Confucius is zonder menschelijke geestdrift. Zij heeft geen ruime idealen, geen verheven verwachtingen, geen algemeene en goddelijke verwantschappen, waarmede zij den menscli zou kunnen vervormen en bezielen. Hare vereering der voorouders beduidt slechts het despotisme van de dooden en de slavernij van de levenden, de opoffering van een vooruitgaande en gelukkige toekomst aan een bekrompen en onwrikbaar verleden. Beschouw dezen godsdienst, zooals hij verwezenlijkt is in het volk. zoo vlug van begrip en toch zoo stilstaand, zoo leerzaam in zaken van gezond verstand en behendigheid, zoo ijverzuchtig en traag in geestelijke dingen, en stel u dan voor.

108

-ocr page 123-

liOEDIIISJIE EN\' ISLAM.

hoe het zoude zijn, als de wereld één ontzaglijk Chineesch rijk ware, tot slavernij gebracht en verarmd door een dood en uitgeput verleden. Nader ligt ons Tndië en aldaar heerscht het Brahmanisme. Het is een werkzame, in zekeren zin aanvallende godsdienst, nieuwe stammen, nieuwe geloofsleeren in zich opnemende, en altijd roofgierig om meer roepende. Doch bedenk, wat hij is — de schrikwekkendste tyrannie van gewoonte en kaste. Overal waar hy henen trekt, daar verspreiden zich ook zijne ijzeren afscheidingen, broederschap, vrijheid, het gelukkige verkeer van den eenen mensch met den anderen onmogelijk makende. Zedelijkheid is hem onbekend ; hij kan den laagste even gemakkelijk verheerlijken als den beste. Hij brengt het persoonlijk bestaan terug tot eene ramp, moeielijk om te dragen, nog moeielijker _ te ontgaan — tot een onophoudelijk meedraaien in het rad des levens, dat niet zoozeer gevreesd dan wel verafschuwd moet worden. Een algemeen geworden Brahmanisme zou slechts moeten beteekenen: de mensch, aan ontaarding prijs gegeven om naargeestig door het leven te dwalen, zoekende naar eeuwige vergetelheid en vrede.

(2.) Doch dit zijn niet de eenige groote godsdiensten die Azië ons toonen kan. Twee andere, meer edelaardig en algemeen, bezield door een zedelijken, een zendingsgeest, eischen onze aandacht. Het Boedhisme is een machtig geloof, wat de getalsterkte zijner volgelingen aangaat het machtigste dei-wereld. Daarbij is het een vriendelijk geloof; haar middelpunt is een schoone menschelijke persoonlijkheid die op zijn geest een liefelijken en verzachtenden invloed uitgeoefend heeft. Doch heeft het Boeddhisme, zelfs met zijne bewonderde en bewonderenswaardige zedeleer, de eigenschappen van den godsdienst, dien de mensch noodig hoeft? Een godsdienst zon-

109

-ocr page 124-

DE SIENSCH EN DE GODSDIENST.

110

der God is een godsdienst zonder hoop, en een hopelooze godsdienst kan nooit zegevierend strijden tegen de rampen van den tijds. Het Boeddhisme is de vergoding van de smart en de zegepraal van het lijden; ten einde daaraan te ontsnappen, doet het den mensch trachten aan zijn bestaan te ontkomen in plaats van hem te doen besluiten het kwade meester te worden, opdat zijn bestaan heilig en gelukkig moge zijn. Maar dit hoofdbeginsel maakt het Boeddhisme, in weerwil van zijne schoone zedeleer, volkomen zelfzuchtig en even machteloos als zelfzuchtig. De deugd wordt aangekweekt als de weg om het verdriet te ontkomen, niet als het middel om dit te overwinnen. Een godsdienst, wiens hoogste doel zelfzuchtig zorgen voor \'s menschen eigen geluk is, is een geestelijk doode godsdienst. De Islam is juist het tegenovergestelde van liet Boeddhisme. Hij vernedert den mensch, hij verheerlijkt God. Zijn God is almachtig, rechtvaardig, goedertieren, de opperste Souverein en Rechter van den mensch. Bij hem bestaat het streng Semietisch monotheïsme in zijn straksten vorm. Zoo het dweepziek geloof aan een gestrenge en onbuigzame godheid een volmaakten godsdienst kon vormen, dan ware de Islam volmaakt geweest. Doch den schijn van waarheid heeft hij alleen, om zich des te onwaarder tegenover haar te vertoonen. De God van Mohammed is een wreedaardig Arabisch hoofd, bekleed met den naam en de hoedanigheden van den Almachtige. De dienst, dien hij vordert is volstiekte onderwerping, niet redelijke gehoorzaamheid. Hij verschoont de zonden, die de Arabier bemint. Een godsdienst die het huisgezin niet loutert, kan het ras niet herscheppen; een godsdienst, die den mensch slecht maakt, zal zeker de menschheid bederven. Het moederschap moet heilig geacht worden, zal et\' manneneer zijn. Beroof de vrouw van hare heilig-

-ocr page 125-

BOtDHISME EN IST^AM

heid, en voor den man zijn de heiligheden des levens verloren. En alzoo is het gegaan met den Islam. Hij heeft wilde stammen hervormd en verheven; hij heeft beschaafde natiën verbasterd en verwilderd. Aan den wortel van zijn schoonste beschaving heeft steeds een worm geknaagd, die hare bloesems spoedig heeft doen verwelken en sterven. quot;Ware Mohammed de hoop des menschen, dan was zijn toestand hopeloos; slechts achteruitgang, dwingelandij en wanhoop had hij te wachten.

Waarheen dan zullen wij ons wenden voor den godsdienst, dien wij van noode hebben ? Zullen wij ons keeren tot het Jodendom ? Judea, wel is waar, is niet meer, doch het Jodendom is nog in leven, dat zich overal tehuis tracht te voelen zonder te denken aan het maken van bekeerlingen, enkel bezorgd dat men het toesta te leven. Eenmaal, inderdaad, was \'t een heerlijk geloof — had het dichters van Psalmen, die voor alle latere eeuwen de gewijde zangen der wereld zouden worden; had het profeten, die van en tot God woorden spraken, die als levendmakenden geest zonden voortbestaan; had het priesters, en een tempel, en een eeredienst, die ten allen tijde zinnebeelden der eeuwige waarheid zouden zijn. Maar het Judaïsme was slechts groot als een profetische godsdienst; toen het eenmaal ophield profetisch te zijn, hield het op te leven; achttien eeuwen geleden was zijn werk volbracht, en sinds dien tijd is zijn leven slechts een herinnering geweest, een uitgeput en versleten bestaan doorgebracht in de schaduw van zijn ouden roem.

IV.

Wenden wij ons van deze onvolmaakte godsdiensten, zoo vluchtig beschouwd, tot een ons meer nabijzijnd en meer ge-

111

-ocr page 126-

DB MENSCH EN DE GODSDIENST.

meenzaam geloof, het geloof waarin wij geboren zijn, waaruit wij leven, dat de beschaving, de vrijheid, liet verstandelijk leven, de- edelste zedelijke hoedanigheden van onze Wes-tersche wereld voortgebracht heeft. Ik gevoel, dat ik mijzelven ter nauwernood durf toevertrouwen den Christelijken godsdienst te bespreken in den korten tijd waarover ik thans beschikken kan. Want wat kan ik zeggen, dat een zoo groot onderwerp waardig is? Hoogstens kan ik u vragen, hem te beschouwen zooals hij u den godsdienst van den beschaafden mensch en den mensch, dien hij beschaafd heeft naast elkander stelt. Bestudeer hem eerst naar zijn idealen inhoud, en dan wat zijn tegenwoordigen arbeid of gewrocht in deze wereld betreft, en zeg dan, of er eenige godsdienst is, zoo volledig, zoo schoon, zoo volstrekt volmaakt in de waarheden, die hij aan de wetenschap of aan. het geloof aanbiedt; of er een is, die een zoo heerlijke lijst van edele en weldadige diensten, den mensch bewezen, kan toonen. Ik wenschte, dat \'t mogelijk ware, om den nieuwen geest, het nieuwe licht en leven, door hem in de wereld gebracht, aan te wijzen, en zijn stille, doordringende, herscheppende werking op den mensch en de maatschappij, op het individu en den Staat na te gaan. Het beste, dat gedaan kan worden, is met een paar stellingen eenige van de eigenschappen aan te geven, die hem het meest onderscheiden, in de eerste plaats van de ideale, en vervolgens van de werkelijke zijde.

I. Van de ideale zijde hebben wij slechts drie punten aan te stippen — het begrip van God, het begrip van den mensch en de betrekking tusschen den mensch en God, gevestigd en verwerkelijkt in Christus. Wat het eerste betreft, zij opgemerkt : dat er geen zekerder maatstaf te vinden is voor het wezenlijk karakter en den werkelijken aard van eenen gods-

112

-ocr page 127-

DE CHRISTELIJKE GODSDIENST.

dienst, dan de wijze waarop hij God opvat. God is inderdaad zijn scheppend en alles bepalend begrip, dat zich overal als een doordringend grondbestanddeel verspreidt. Gelijk Hij is, zoo zijn alle dingen, van het nietigste stofdeeltje tot den maeh-tigsten geest. In Zijne werken zijn de eigenschappen Zijns wezens geopenbaard; de beweegredenen waaruit Hij schept, bepalen al Zijne handelingen en betrekkingen tegenover de wezens, die Hij geschapen heeft. De wereld kan nooit beter zijn dan haar Schepper, nooit gelukkiger dan Hij beoogde en beoogt, dat zij wezen zal. Bedenk nu hoe goddelijk heerlijk het wezen is, dat door den godsdienst van Christus geopenbaard is als de maker en regeerder van het heelal! Hij schept, opdat Hij moge liefhebben en bemind worden, opdat Hij een vader moge zijn voor de eindelooze menigte van wezens, die in Zijne tegenwoordigheid leven en zich in den zonneschijn van Zijn aangezicht verlustigen. Het kwaad, dat als een schaduw op Zijne werken valt, wordt door Zijne genade doordrongen, opgeheven, op den achtergrond gedrongen, waardoor het licht Zijner liefde slechts te schitterender ojd den voorgrond treedt. Hij is rechtvaardig; te rechtvaardig om de zonde, die ellende werkt, te verschoonen, doch te geestelijk om zedelijk kwaad te behandelen alsof het natuurlijk kwaad ware, om het door geweldige krachten te overwinnen in plaats van door den dienst der genade. Zulk eeu God, een eeuwig Vader en Souverein, oneindige verpersoonlijkte liefde en rechtvaardigheid, heeft grenzenlooze beloften van welzijn en hoop voor den mensch. Hij kan Zijn heelal niet vergeten, Hij zal het niet verzaken. Hij bemint het, bewaakt het en leidt het op Zijn, van schaduw en zonneschijn gemengden, weg naar Zijn volmaakteren dag.

En zooals God wordt opgevat, zoo is de mensch. De

8

113

-ocr page 128-

DE MENSCH EN DE GODSDIENST.

114

Schepper wordt afgespiegeld in het schepsel. Niets treft den mensch zoozeer als het droevige geheim van zijn bestaan. Er komen oogenblikken, als onze gedachte zich verliest in de oneindige ruimten boven, rondom en beneden ons, in de eeuwigheid achter en voor ons, dat wij in droevige wanhoop uitroepen: „Wat ben ik? Waarom ben ik? Vanwaar? O! Hemel, waarheen?quot; Welk een goddelijk antwoord brengt Christus ons op deze vragen! „Gij zijt zonen Gods, gesproten uit Zijne liefde, gij leeft in Zijne liefde, en ieder oogenhlik zoekt Zijne liefde uw heil.quot; „Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt zich de Heer over degenen, die Hem vreezen.quot; Doch ver volgens, \'s menschen ziel is niet onbezoedeld; het aangezicht, dat hij ten hemel opheft, is dikwijls rood van schaamte, door hartstocht geteekend, verduisterd door schuld, en zijn kreet is; „Hoe kan God mij aannemen?quot; En hier openbaart de Goddelijke verborgenheid van Christus haar wonderbare beteeke-nis, het groote geheim van de nieuwe en volmaakte betrekking van God tot den mensch. In de oude godsdiensten wordt God gedacht als een verschrikkelijk wezen, dat bevredigd moet worden door ontzettende plechtigheden, dat omgekocht moet worden niet tot genade — want genade had Hij niet — maar tot partijdigheid en gunst. In Christus komt God ons tegemoet „de wereld met zich zeiven verzoenende.quot; De gave is Godes; de blijdschap is des menschen. In den Zoon, zoo vrijwillig gegeven, ontmoeten God en mensch elkaar, de rechterhand Zijner goddelijkheid bindt God aan den mensch, de linkerhand Zijner menschheid bindt den mensch aan God Daar mischte over onze moede en zondige aarde een geest van vrede, toen als \'t ware uit den boezem des Eeuwigen op haar

-ocr page 129-

IDEAAL EN WERKZAAM GELOOF.

neerdaalden en weerklonken de woorden: „Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.quot;

2. En nu een paar woorden betreffende de werkelijke en werkzame zijde van ons Christelijk geloof. Hier zij de wonderbare wijze opgemerkt, waarop het ideale en werkzame saam verbonden zijn. In geen anderen godsdienst vindt men dit terug. De waarheden van het Christendom zijn moreele krachten , werkzaam tot schepping van de eenvoudigste en tevens verhevenste zedelijkheid. Het oefent deze macht uit op het individu en op de maatschappij. Zie rond om u: gij bevindt u tegenover eene beschaving, die al hare hooge, edelmoedige, menschlievende beginselen aan den godsdienst van Christus verschuldigd is; die in dien godsdienst eenen bestendigen en onmeedoogenden vijand heeft van al hare onedele, verderfelijke en slechte bestanddeelen. Christus is de vijand van al wat zondig en zelfzuchtig is in den mensch en de maatschappij; en, hoe vreemd het zij, in de worsteling gaat hij steeds overwinnende voorwaarts. Bedenk wat een roemrijk ding het is, den westerschen geest te leiden en te besturen. De oosterling beweegt zich niet op gelijke wijze als de westerling. Het westen beschrijft in dagen cirkels, waartoe het oosten eeuwen gebruikt. Waar eeuwen voorbijgaan, zonder eenige merkbare verandering, is \'t voor een godsdienst niet moeielijk te blijven bestaan. De wil werkt niet om vrij te worden, het verstand wordt niet zoo weerspannig, of het blijft terugdeinzen voor geweldige en oproerige ontkenning. Maar hier staat ons geloof tegenover een verstand, dat geene onwetendheid dulden kan, dat de geheimen der natuur en des geestes, het tegenwoordige en \'t verledene, hëïnel en aarde

115

-ocr page 130-

BE MENSCH 3SN DE GODSDIENST.

116

begeert te kennen; en maakt aanspraak op toezicht over een wil, die geen beteugeling verdragen kan, gaarne zijn onaf-hankelijklieid van alle gezag laat blijken om aan zijn eigen zoete keuze te gehoorzamen. Nogtans is Christus machtig om dit verstand te binden, en heeft Hij de kracht om dezen wil te gebieden. Duizend jaar te bestaan en te heerschen in het westen, spreekt sterker voor de waarheid van eenen godsdienst, dan een onbetwist voortduren van duizend maal duizend jaren in het onbeweeglijk oosten. Een stelsel, dat nimmer betwijfeld werd, kan nooit geloofd worden, en de twijfel, dien ons geloof heeft verwonnen en nog verwint, is het beste bewijs voor zijn onoverwinnelijke kracht en waarheid. En de geschiedenis bewijst hem als een werkdadigen godsdienst, als algemeen; als bestendig en vooruitgaande, in staat en genegen het mensclidom te omvatten; om onder de meest afwisselende vormen, onveranderd van wezen voort te bestaan, bekwaam, om te midden van de hoogste verstandelijke werkzaamheid den loop van den geest te verhaasten en te leiden. En zijn kracht is altijd geestelijk, moreel. Aan hem te gelooven is verplicht te zijn naar hem te leven. En te zeggen, dat zijne geschiedenis de geschiedenis is van de schitterendste zedelijke veranderingen die de wereld gekend heeft, is de eenvoudige, nuchtere waarheid. Het hart van den schuldige heeft hij gezuiverd en den zondaar in een heilige veranderd; in|elk geslacht heeft hij een edelaardig leger van leeraars, hervormers, menschenvrienden gewekt; hij heeft den slaaf bevrijd, hospitalen opgericht voor de zieken en behoeftigen, de gruwelen van den oorlog verzacht, het recht door genade getemperd, in de onkundige en vreesachtige ziel geweten en eer doen opwaken. Christus heeft den mensch tot het bewustzijn gebracht, dat hij de broeder was van zijnen mecte-

-ocr page 131-

GOD, DIE DEN MENSCH ZOEKT.

mensch over de gansche aarde, en ook, dat hij de zoon Gods was. En zoo worstelt zijne waarheid op de meest luisterrijke wijze met onze grootste verdorvenheden. In de ziel der christelijke volken is steeds een vreeselijke strijd gaande. Christus en de mammon, Christus en de hartstocht, Christus en de krankzinnige eerzucht, de bekrompen en duivelsclie baatzucht beoorlogen daar elkander. Af en toe heeft het kwaad de overhand, en de menschen vlieden tot de zonde of de natiën snellen ten strijde: doch zelfs dan volgt d3 zachtzinnige Christus, fluistert het woord, dat den mensch tot berouw brengt, of heft op het slagveld de witte banier met het roode kruis omhoog, dat van teedere vrouwelijke verpleging spreekt en van een mannenhand, bedreven in \'t genezen, vaardig in \'t heelen. O Christus, deze wereld door U gered van de razernij van den hartstocht of de nog grooter razernij der wanhoop, kan slechts Uwen naam zegenen

Hier alzoo eindigen wij ons onderzoek. De godsdienst van Christus is de godsdienst, dien de mensch noodig heeft; hij is van God gekomen, opdat hij tot God moge leiden. Hier inderdaad ligt het geheim zijner voortreffelijkheid. Andere godsdiensten zijn gesproten uit het zoeken van den mensch naar God ; deze is ontstaan uit het zoeken van God naar den mensch. In den godsdienst van Christus zijn de bevrijdende en verzoenende krachter. van God als \'t ware belichaamd, gezonden om op aarde en onder de menschen een weldadig en machtig bestaan te hebben. God schiep hem voor den mensch, en deze heeft thans een recht op de heerlijke en algemeene gave Gods. Wij, die slechts ontvangen hebben, om te geven, mogen hem niet onderscheppen. Toen wij een ras van wilden waren, kwam hij tot ons; vormde ons tot het volk, dat wij zijn; en nu moet hij van ons uit-

117

-ocr page 132-

DE MENSCII EN DE GODSDIENST.

118

gaan naar de oude en nieuwe volken der aarde. Afrika met zijne millioenen, een uitgestrekt vastland aan alle zijden voor ons open, eeuwen lang door den blanke met voeten getreden of enkel gebruikt voor zijne slechtste rooverijen en wellusten ; de eilanden, die in de stille Zuidzee sluimeren, rijk aan allerlei overvloed, met kinderen hier woest als de wilde beesten, daar onschuldig gelijk het lam; uitgestrekte vlakten in het, dooide begeerigheid van den blanken veroveraar verwoeste en door diens wreedheden vervloekte, Amerika; Indië met zijne millioenen, tot stilstand gedoemd door het onmeedoogende kwaad van het kastenwezen; Centraal-Azië met zijne vlottende menigten, een Boeddha aanroepende, die niet hooren kan; China met zijne bevolkte steden, en overvolle valleien en tal-looze rivieren, in verachtelijke onderwerping neergebogen voor de dooden, die niet spreken kunnen, en voor een verleden, onbekwaam tot bezieling; Japan, vol van knappe en kundige handen, slimme en leerzame breinen, voor zijn eigen oude gewoonten en gebruiken terugdeinzende, open voor de edelaardige verlichting en wijsheid van het Westen — deze allen en nog vele meer, die er niet van bewust zijn, strekken over de zee smeekende en hulpelooze handen uit, en roepen; „O Engeland! Koningin der zeeën, deel ons van \'t geheim uwer grootheid mede ! Laat het licht, dat van Christus tot u kwam, op ons schijnen. Laat het Evangelie van Gods liefde, dat gij ontvingt, aan onze stranden en in onze valleien gepredikt worden. Laat de macht, die u maakte tot wat gij zijt, tot ons komen, opdat de vreugde en het heil en de vrede, die gij bezit, ons deel mogen worden!quot; In deze kreet der aarde is de stem Gods; en wanneer die stem gehoord wordt, moeten de kerken van Engeland gehoorzamen.

-ocr page 133-

TWEEDE DEEL.

I. GOD EN ISRAEL.

II. HET PEOBLEEM VAN JOB. III. DE MENSCH EN GOD.

-ocr page 134-

^Ten eerste, wat is een volk, of wat maaltt \'t tot een tolk? Zeker niet het bloot e te mmenbestaan in de ruimte tan een ff root er of kleiner getal individuen die phjsisch gelijk zijn ; maar het gemeenschappelijk bewustzijn onder hen. Dit heeft in de gemeenschappelijke taal slechts zijn onmiddelijke uitdrukking ; maar waar •einden wij de gemeenschap zelve of haar grond tenzij dan in een gemeenschappelijke beschouwing der wereld? En waar wederom kan deze gemeenschappelijke aanschouwing der wereld oorspronkelijk opgevat of gegeven zijn aan eenig volk, tenzij dan in zijn leer van het Goddelijke [Mythologie)?\' — „Schelling-, „Ein-leitung in die Philosophie der Mythologie.quot; Deel 1. pag. 63.

v-EV\' is een begrip van vrijheid in den godsdienst e7i in den staat. Dit eene begrip is het hoogste dat de mensch heeft, en het is verwerkelijkt door den mensch. Het volk dat een slecht begrip van God heeft, heeft ook een slechten staat, een slechte regeering, slechte wetten.quot;— Hegel, „Philosophie der Religion.quot; Deel I. pag. 24\'1.

„Onder het volk van het Oosten, dat onder een theocratische orde leeft, schijnen de Hebreen ons matige lieden te midden van dronkaards; hoewel zij voor de oudheid droom er s geleken de wakenden^ — Lotze, „Mikrokosmus.quot; Deel 3. pag. 147.

„Zgt;(? groote waarheid die aan Israel bekend was is dat God — de groote waarheid den Grieken bekend, dat de mensch, — een moreel en ethisch wezen is. Daarom behoort elk van beide kringen van geschiedkundige ontwikkeling wezenlijk bij den ander, en dat ook dewijl beide een wezenlijke voorbereiding tot het christendom uitmakend Rothe, Stille Stundenquot; pag. 245.

-ocr page 135-

I.

GOD EN ISRAEL.

.EVi Mozcs hoedde de kudde van Jcth.ro, zijnen schoonvader, den priester in Mi-dian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan den herg Gqds, aan Hor eb. En de JEnnel des Heer en verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een hraambosch ; en hij zag, e7i ziet, het hraamhesch brandde in het vuur, en het braambosch werd niet verteerd. En Ulo zes zeide: ik zal mij me daarheen wenden en bezien dat groote gezicht waarom het braambosch niet verbrandt ? Toen de Heer zag, dat hij zich daarheen wendde, om te bezien, zoo nep God tot hem uit het midden van het braambosch en zeide: Mozes, Mozes! En hij zeide: zie hier ben ik! En Hij zeide: nader hier niet toe, trek uwe schoenen uit van uwe voeten want de plaats, waarop gij staat is heilig land. Hij zeide voorts: Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, dé God van Izak en de God van Jakob. En Mozes verberg de zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien. En de Heer zeide: Ik heb zeer tv el gezien de verdrukking mijns volks, hetwelk in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord van wege hun drijvers, want ik heb hun smarten

-ocr page 136-

GOD EN ISRAEL

hekend. Daarom hen Ik neder gekomen, dat Ik ket ver losse uit de hand der JEgypquot; tenaren en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land vloeiende van melk en honig ; tot de plaats der Kanaanieten en der Hethieten, en der Amorieten, en der Ferezieten, en der He-v iet en, en der Jehuzieten. En nu zie het geschrei der kinderen Israels is tot Mij gekomen; en ook heb Ik gezien de verdrukking waarmede de quot;Egyptenaars hen verdrukken. Zoo kom nu, en Ik zal u . tot Farao zenden, opdat gij mijn volk [de kinderen Israels) uit Fgypte voert. Toen zeide Mazes tot Qod: wie hen ik, dat ik tot Farao zou gaan; en dat ik de kinderen Israeh uit Fgypte zou voeren*. Hij dan zeide: Ik zal voorzeker met u zijn, en dat zal u een teelten zijn, dat Ik gezonden heh: wanneer gij dit volk uit Fgypte geleid heht, zult gijlieden God dienen op dezen herg. Toen zeide Mozes tot God: zie wanneer ik kom tot de kinderen Israels en zeg tot hen: de God uwer vaderen heeft mij tot ulieden gezonden; en zij mij zeggen: hoe is zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen? Fn God zeide tot Mozes: IK ZAL ZIJN DIF IK ZIJN ZAL/ Ook zeide Hij: alzoo zult gij tot de kinderen Israels zeggen: IK ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden! Toen zeide God verder tot Mozes: aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen: de Heer, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, heeft mij tot ulieden gezonden; dat is mijn naam eeuwiglijk en dat is mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht. Exodus 3 :1—15.

Deze verzen zijn de beschrijving van een eenig oogenblik zoowel in het leven van Mozes als in de geschiedenis der menschheid. Daarin was een staat gegrondvest, die niet zou

122

-ocr page 137-

DE NIEUWE NAAM.

123

voorbijgaan totdat liet koningrijk Gods gekomen was, een godsdienst gesticht die zou leven totdat hij zou overgaan in de openbaring van Jezus Christus. Indien Mozes dit oogenblik niet doorleefd bad, zou niets zijn gelijk het nu is — in onze geschiedenis en in ons geloof, in onze staatkunde en in onzen geest zou alles geheel anders geweest zijn. De nieuwe naam van God, maakte God tot een nieuw wezen voor de menschen, maakte dat de mensch in al zijn geslachten waardiger gedachten van God had met ziel en geweten meer geopend werd voor het goddelijke. Evenwel verborg het oogenblik in zijn uitwendige vorm op een fijne wijze zijn innerlijke heerlijkheid. De zwakste natuurdingen kunnen bedeeld zijn niet een oneindige belofte; de eenvoudigste aanvangen hebben de voortreffelijkste uitkomsten opgeleverd. Dat is Gods weg. Denk uzelven staande aan den oever van den oorspronkelijken oceaan, toen de pas even afgekoelde aarde nog slapende was als een monster te midden van haar eigen dikken damp. In het slik aan uw voet begint het leven zich te bewegen maar zoo onmerkbaar, zoo vormeloos, zoo zwak, dat het nauwelijks te onderscheiden is van het slik. Uw eigen hoog bewerktuigd organisme, uw keurig en heerlijk verstand moge \'t er voor houden dat dit leven te laag is om er kennis van te nemen, dit oogenblik te gering om opgemerkt te worden. Doch laat de aarde eens eeuwenlang stil haar gang gaan, laat de goddelijke krachten die in haar werken haar scheppingswerk volbrengen, en het leven zal zich verbroeden, vermenigvuldigen en verdiepen; de mensch komt met zijn geschiedenis, hij vestigt zijn steden en beschaving, hij strijdt met zichzelf, met zijn lot, ten laatste staat hij daar: het wezen zooals wij het kennen, verrijkt met al den rijkdom die hij zich verworven heeft van dat eerste oogenblik af tot

-ocr page 138-

GOD EN ISRAEL.

nu toe. Zoo kan dit uur van openbaring ook maar een nietig oogenblik schijnen. Op een van onderscheiden spitsen voorzienen en stormachtigen berg, alleen grootsch door zijn eenzaamheid, staat een schaapherder tegenover een braambosch met een vreemd licht brandend, luisterende naar een stem waarvan hij nauwlijks zeggen kan of zij van buiten of van binnen komt. Wat kan er in dat uur niet opgesloten liggen voor het machtig menschelijk geslacht dat uit de eene eeuwigheid komt, en niet rust en niet poost totdat het opgegaan is in een andere eeuwigheid? Het uur is lang voorbij, en indien wij uit het graf op wilden roepen wat er ligt tusschen nu en toen, hoe ondenkbaar veel zou opkomen ! Israel met zijn machtige koningen en nog machtiger profeten, zijn bekoorlijke zangers) en priesters en schriftgeleerden; Jezus Christus met zijn apostelen en martelaars, kerkvaders en leeraars voorzien van al de schitterende gaven die zij aan de menschheid nagelaten hebben; deze met nog vele duizende verwante personen en zaken zouden opstaan en zeggen: „Wij waren in die ure in de lendenen van Mozes toen God met hem samentrof op Horeb en hem zijn nieuwen maar onvergankelijken Naam openbaarde.quot;

I.

Ten einde dien naam te verstaan en zijn historische en godsdienstige beteekenis, moeten wij eerst den man kennen door wien en het volk tot hetwelk hij gekomen is. Wij mogen terstond de werkelijke geschiedkundige persoonlijkheid van Mozes aannemen. Gelijk het te recht gezegd is: ;;Gij kunt evengoed beproeven Israel af te snijden uit de geschiedenis der menschheid, als Mozes af te snijden uit de geschiedenis

124

-ocr page 139-

MOZES

van Israel.quot; Al wat daarin bizonder is keert tot hem terug, en begint met liem werkelijk te bestaan. Dit kan der jongste kritiek in \'t aangezicht gezegd worden, en zal waar bevonden worden, hoe ook de kwesties, nu zoo stout en scherp besproken, mogen beslist worden. Niet enkel op gezag van den Pentateuch, maar op de vereenigde getuigenis van de gansche historie en letterkunde van Israel, was Jlozes de grondvester van het Hebreeuwsche volk, zijn eerste wetgever, de vader of bron van geheel zijn latere wetgeving. Zijn geschiedenis leeft in zijn werk, zijn levensbericht kan men daar lezen. Wat hij doet verbindt hem tegelijkertijd met Egypte en Israel, en toont dat hij even zeer tehuis was in een gevestigden en beschaafden staat, als in de wilde ongebreidelde vrijheid van het woestijnleven. Indien men zijn werk beschouwt in den een-voudigsten vorm waartoe het kan teruggebracht worden, bewijst het nog dat hij de waarde gekend heeft van den beschaafden staat, de voorwaarden waaronder hij alleen kon verwerkelijkt en de middelen waardoor deze het best konden quot;geschapen en ontwikkeld worden onder de gevluchte en half-nomadische stammen die hij geleide. Bij de bespreking van zijn werk en de waarde er van, zullen wij niet meer vragen dan hierin ligt opgesloten.

Ons verhaal stelt hem voor hoedende de kudde van zijnen schoonvader Jethro. Hij was niet altijd herder geweest. Hij was als een vluchteling uit Egypte naar Midian gekomen en het leven in de beide landen stond voor hem in scherpe en pijnlijke tegenstelling. In de geschiedenis zooals zij hier verhaald wordt, treft ons dit nu nog. De schaapherder, moe van \'t werken, in grove kleeding, zijne kudde dwars door de doornige woestijn drijvend of haar geleidende op den stormachtigen berg Gods, schijnt een wezen van andere en lagere afkomst dan de

125

-ocr page 140-

GOD EN ISRAEL.

verfijnde „zoon van Pharao\'s dochter.quot; Jethro, de priester van Midian, aartsvader van een rondzwervenden stam, vormde inderdaad een sterk contrast met Pharao, den alleenheerscher van Egypte, erfgenaam veler dynastieën, gebieder over vele levens. De ruwe herders die met Jethro\'s dochters bij de bron twistten moeten vreemd genoeg opgezien hebben tot iemand die gewend was aan des hovelings zachtheid in manieren en woorden, bevallig eiken wensch van bekoorlijke en vorstelijke vrouwen voorkomend. De tent, zinnebeeld van het vergankelijke, geschikt voor een leven dat geen weelde en weinig behoeften kent, terwijl zelfs daarin maar spaarzamelijk voorzien werd, moest wel een armzalig tehuis bieden aan een man die eens vertrouwd was met het paleis op massieve pilaren gebouwd en zijne talrijke vertrekken, de zetel van de rijke en koninklijke stad aan de oevers van den Xijl waar hij als knaap gespeeld en als jongeling gestudeerd had. De tegenstellingen waren zoo geweldig dat noch tijd noch eigen huis Mozes met Midian verzoenden; dat zelfs de geboorte van een zoon hem enkel de gelegenheid gaf om, in diens naam Gerson, uit te drukken wat hij gevoelde: „Een vreemdeling daar.quot;

Nogtans was de verloren weelde een schitterend gewin, de stoffelijke voorwaarden des levens veranderden slechts ten kwade, opdat \'s mans zedelijke hoedanigheden zich ten goede wijzigen zouden. Mozes verliet Egypte, opdat hij zijn roeping zoude vinden. Vaderlandsliefde heeft menigeen veredeld, heeft hem uit de lage eigenliefde, die zijne wereld slechts vind in zijn eigen genoegens, opgeheven tot de grootmoedigheid, die zich verblijdt te leven of te sterven voor het geloof dei-vaderen, de vrijheid der broeders, en de toekomst der zonen. De mensch, die zijn volk niet lief heeft, kan zijn God niet liefhebben. Het hof van Pharao bracht Mozes in de verzoo-

126

-ocr page 141-

DE SCHOOL VAN EGYPTE.

127

king om afstand te doen van zijn volk; zijn keuze om met hetzelve te lijden was zijn verkiezing Gods. De omstandigheden kunnen nooit den rechten erfgenaam van een edel verleden berooven; in hem is het bloed sterker dan de opvoeding. Zijn moeder gaf aan Mozes meer dan Egypte kon vernietigen of beteugelen. Zij was het die, hoe weinig hij zulks vermoedde, zijn gelukkigste en vruchtbaarste uren beheerschte. Het biezen kistje dat zij maakte om haar kind van de Egyptenaars te redden en dat hem redde door de Egyptenaars, was niet bloot een prozaïsch voorval. Gelijk alle feiten die geboren zijn uit een verheven geloof, is het evenzeer allegorie als geschiedenis, sprekende van de eeuwige Voorzienigheid die in de nederigste levens arbeidt aan de hoogste doeleinden. Het was in die dagen eene schoone zaak een hebreeuwsche moeder te zijn en de moederlijke rechten te verdedigen; en zij, die zoo trouw durfde zijn aan de hoogs roeping Gods, dat zij die niet verloochende uit vrees voor een wreede wet, kon niet anders dan loven in den zoon wiens redding zij zoo zegevierend bewerkte. En de heldhaftige natuur, welke hij alzoo erfde, werd geplaatst daar waar zij de geschiktste opleiding kon ontvangen. Een zwakke natuur zou aan het hof van Pharao gesmoord zijn geworden onder de laagste vleierij, zou de zonde van zijne hebreeuwsche afkomst verzoend hebben door dieper haat jegens de Hebreen. Maar de krachtige geest, hoewel verzocht tot den diepsten afval, ontwikkelde zich slechts te meer dooide beproeving. Luister boezemt slechts ontzag in aan degenen die hem zien, maar hen die hem dragen belaadt hij met verveling, kwelt hij tot zwakheid. Voor iemand, die geen Egyptenaar was, was het zien van de inwendige egyptische maatschappij het zien harer holheid; voor den vrijen hebreeuwschen geest was hare tyrannie hatelijk, voor de rechtschapen natuur haar

-ocr page 142-

GOD EN ISRAEL.

vertoon en leugenaclitiglieid afschuwelijk. Tegelijk de gunsteling van den verdrukker en het kind der verdrukten te zijn was voor zoo iemand een vloekwaardig lot; minder verdraaglijk dan slavernij. Waar de hand, die ons liefkoost, onze maagschap verderft, beleedigt zij ons dubbel, beleedigt den inborst dien zij ons gaven, en de liefde welke wij hun toedragen. Daar dringt zich de plicht op in zijn scherpsten en meest volstrekten vorm: dien te vervullen mag oneindig moeilijk zijn, maar wat er gedaan moet worden is zoo duidelijk als Gods vinger het slechts maken kan. De ziel die deze keuze te doen heeft wordt bitter beproefd, maar die haar doet heeft zich volkomen in de tucht. Mozes deed haar, en daarmede was hij geschikt geworden voor grootere dingen. „Door het geloof heeft hij Egypte verlaten niet vree-zende den toorn des konings, want hij hield zich vast als ziende den Onzienlijken.quot;

Maar Egypte nam niet slechts in de tucht, het voedde ook op. Mozes werd onderwezen in al zijn wijsheid. Het is altijd goed wijsheid te leeren, wiens wijsheid het dan ook zijn moge. En Egypte had van veel te onderrichten, want het had veel geleerd. Het had hooge gedachten van God, ofschoon zijn geloof en gedrag dikwijls dwaas was. Het zeide. God is één, en toch aanbad het een menigte afgoden die nu niemand vermag te tellen. Het geloofde in den onzichtbare die in het Licht woonde, evenwel diende en vereerde het met velerlei gaven den stier en de krokodil, den aap en de kat. Het hield er van Osiris, den rechter, af te malen in gestrenge zittende houding, onwrikbaar, in den tempel der twee waarheden recht doende aan allen die gestorven waren ; nogtans leefde het alsof God geen acht gaf op de ondeugden der menschen, en niet kwalijk dacht van den man die regelrecht van de schan-

128

-ocr page 143-

DE SCHOOL VAN EGYPTE.

delijkste zonde tot hem kwam, indien hij slechts kwam door de handen van welbehagelijke en goed betaalde priesters. Ja, Egypte kon Mozes veel leeren, en Mozes was wijs genoeg om het beste te leeren, wat het geven kon. Hij leerde, dat een verheven opvatting van God op slechte wijze uitgedrukt, geen goeden godsdienst maakt; dat een verbasterde aanbidding der godheid den mensch niet veredelt of zijn gedrag ten goede regelt; dat een geloof, dat bediend wordt door priesters ten bate der priesterschap, het volk slechts kon bederven en slaafs maken. Zóo leerde hij wat godsdienst niet zijn moet, opdat hij in staat zou zijn te verstaan, wat er van hem gemaakt moest worden, om den mensch te kunnen besturen. Zijne ernstige hebreeuwsche ziel schrikte terug van een geloof, zoo zacht en toegeeflijk voor de machtigen, zoo hard en wreed voor de zwakken. De hooge, geestelijke inwendige leer kon, verre van die te rechtvaardigen, de zinnelijke en dikwijls vlee-schelijke praktijk slechts te meer veroordeelen.

Verbeeld u den jongman, rein van ziel en sterk van geest, terwijl hij op de scholen de groote, voor de ingewijden bestemde, verborgenheden leerde, namelijk die aangaande de eenheid en onverwoestbaarheid van het leven, — van de godheid, die het een en het al was, aangeduid met duizend namen, zonder door eenen te worden uitgedrukt. Hij gaat van de scholen over in den tempel, beschouwt de priesters en het volk, wanneer zij den heiligen stier, gekleed in karmozijn en juweelen, aanbidden, of als zij geschenken brengen aan den krokodil, wanneer deze opstaat van zijn modderbed, versierd met fijn goud. Of stel u hem voor bij de begrafenis van den Pharao, dien hij kende, den man wiens wreedheid, hoogmoed, wellust en onreinheid hij verachtte. Hij hoort het ritueel voor de dooden lezen, waarbij de man wordt voorgesteld tot den rechter zeg-

9

129

-ocr page 144-

GOP EN ISRAEL,

gende, dat hij op aarde vriendelijk, nederig, kuisch, zuiver van handen en rein van hart geleefd heeft, in \'t bezit van deugden, die de meest valsche vleierij hem nooit kon hebben toegekend. Wat moesten wel de gedachten van den jongman zijn, die krachtens zijn bloed een vreemdeling slechts door opvoeding een inboorling was, wanneer hij onmiddellijk tegenover deze tegenstrijdigheden stond, zich daarvan bewust gelijk geen Egyptenaar het zijn kon ? Zouden zij niet op het volgende uitloopen; „Het volk kent den God niet ofschoon zij hem belijden. Hun aanbidding weerspreekt hun kennis. Hun gedrag veroordeelt hun geloof. Indien God éen is, hoe kunnen de dieren, welke deze menscben dienen, goden zijn? Indien God waarachtig en goed is, kan Hij dan welbehagen hebben in slechte lieden, die den Eeuwigen Rechter zeiven in zijn aangezicht zeggen dat zij goed geweest zijn; of in de priesters, die tot lof van de dooden hen deugden toeschrijven, terwijl hunne ondeugden daarmede in de snijdendste tegenspraak waren? Wat dit ook zijn moge, godsdienst is het niet; in dezen moeten de gedachten der menschen over God gepaste uitdrukking vinden in den dienst, en bun gedrag onder een daaraan verschuldigde tucht staan.quot;

Deze denkbeelden droeg de jongman mee in de woestijn ; daar zouden zij hem steeds helderder en begrijpelijker worden. Toen hij ophield met leeren in Egypte, begon hij van God te leeren. In de eenzaamheid, waar de natuur het kalmst en onveranderlijkst schijnt, scheen de heerlijkheid van Egypte maar een koortsachtige en voorbijgaande vertooning, beroofd van de eeuwige gerechtigheid, die alleen het geheim des levens in zich bevat. Daar ook leerde hij zijn volk verstaan, de beteekenis van hun geloof, de mogelijkheid van een hoogere roeping voor den mensch, dan die welke door de ver-

130

-ocr page 145-

DE SCHOOL DER WOESTIJN.

overingen of de beschaving der Pharao\'s komen kon. Welken G-od hadden hun vaders aangebeden toen zij over deze vlakten dwaalden, in de schaduw dezer gebergten woonden —- eer de hongersnood hen gedrongen had den overvloed te zoeken, die tot de duisternis en slavernij van Egypte geworden was ? Zij noemden Hem den Almachtige, den hoogsten God, den Heer van hemelenaarde. Goed; dus was Hij een werkelijkheid ; macht, werkzaamheid en opperheerschappij maakten zijn eigenlijk wezen uit. Hij was geen schaduwachtige God, wiens aantal namen slechts de ledigheid zijner natuur verborgen; het geloof in Hem duldde niet dat de menschen viervoetige dieren of geschubde draken van den Nijl als goden vereerden. Hem te kennen was onzen Maker, Bestuurder, Rechter te kennen, die de menschen schiep om Hem te dienen, en geen gedrag kon goedkeuren, dat zijn majesteit beleedigde en zijn wet schond. Konden de Hebreen beseffen wat de \'kennis van dezen God beteekende? dat zij een nieuwe godsdienst, een nieuwe toestand, een nieuwe menschheid beduidde? Indien zij zich oplosten in Egypte, dan zouden zij hun God verliezen, hun kennis van Hem zou te niet gaan; en het uur van hun verdwijning scheen nabij. De slavernij toonde haar droeven invloed; daardoor stonden zij te verliezen zoowel hun liefde voor, als hun geschiktheid tot de vrijheid, en zonder deze kon hun God niet gediend worden. De man, die God gevonden had te midden van de eenzaamheid, de ruimte en de stilte der woestijn, had van God geleerd hoe hij een volk kon gronden, dat het Zijne zou wezen, het middel voor Zijn hooge doeleinden, drager en tolk van den nieuwen naam, die den nieuwen godsdienst zou scheppen.

Men kan hier de bedoeling dezer geschiedenis doorzien. Er was geen plotseling intreden van het bovennatuurlijke in het

131

-ocr page 146-

GOD EN ISRAEL.

132

leven van dezen man, geen gewelddadige of ongewone tus-schenkomst van God, waardoor de samenhang van zijn vroeger en later leven verbroken werd; er was slechts de bevruchting van zijn geheele verleden, het laatste moment van een ontwikkeling, die begon met zijn bestaan. Deze verbant de Voorzienigheid niet uit de geschiedenis, neen, zij vervult haar te meer met voorzienigheid, door dit te maken tot het bekroningstijdstip eener orde van zaken waardoor een goddelijk plan loopt. God werkt niet met sprongen en bij tusschenpoozen. Hij werkt gevolgelijk. In het geheel en in al zijn dealen, in iedere gedachte van den Geest en in elk atoom van de stof, in het leven van het vereenigd heelal zoowel als in dat van ieder individu is Hij tegenwoordig en werkzaam. Er is geen toeval; hetgeen men zoo noemt is enkel de Voorzienigheid, die niet verstaan wordt. Toevallige dingen komen nergens zoo zeldzaam voor als in de levens dier mannen, die de geschiedenis en den vooruitgang der menschheid hebben bepaald. Merk op hoe het met Mozes stond: de natuur, die hem van zijne moeder ten deel gevallen was; de hartstocht der liefde, nu bewogen door vrees, dan doordrongen van vreugde, waarmee zij hem zoogde; de genegenheid, geboren uit eene koninklijke gril. die over zijn jeugd waakte; de tucht van bet koningshuis, de school van den wijsgeer, de tempel van den priester; de opvoeding, die de aanraking met de ledige verscheidenheid van Egyptische beschaving en godsdienst hem gaf; de stryd der twee naturen in hem, de aangeboren en aangeleerde natuur; de zegepraal van den Hebreer over den Egyptenaar; de vlucht naaide woestijn; de onmogelijkheid voor zijn ontwikkelden geest om tevreden te zijn met zijn ruwer lotsbedeeling, of met het verkeer met de onkundige woestijnbewoners, die hem ten

-ocr page 147-

DE ROEPING EN HET WERK

prooi lieten aan een eenzaamheid van ziel, die tot stoute redeneering met den Eeuwige werd; — dit alles trof op zoodanige wijze samen om den man op te voeden, om hem geschikt te malcen voor zijn zending, om te leiden tot dat hoogste oogenblik waarop hij God ontmoette en zijn nieuwen naam hoorde, dat wij anders mogen denken dan dat dit het werk der voorzienigheid was, die onze bestemming bepaalt. Mozes, de man Gods, was een man door God gemaakt voor de menschheid.

II.

Maar thans moeten wij ons van den man, die door God zoo was bearbeid, onderwezen en opgevoed, tot zijn werk keeren. Dat werk was tweevoudig, politiek en religieus; hij schiep een volk en stichtte een godsdienst. Doch deze twee zijn een: het volk werd geschapen door en voor den godsdienst, de godsdienst werd verwerkelijkt in en door het volk. De schepping van het volk was het middel; de verwerkelijking van den godsdienst het doel. Daartoe was het bestemd, naar Gods wijze, door den hun ingeschapen natuur, die de menschen, welke aan de noodzakelijkheid en het begrip van goddelijke inwerking begeeren te ontkomen, nu eens „monothèistisch instinkt, en dan weer „godsdienstige genialiteitquot; noemen. Deze roeping beleden zij in al de tijdperken hunner geschiedenis, zich zeiven „het volk van Jehovahquot; noemende, door Hem uit Egypte geroepen, opzettelijk om het Zijne te zijn en Hem te dienen. Dit was hun onderscheidend kenmerk, dat hen maakte tot een bizonder volk, uitverkoren, dierbaar, een voertuig voor Goddelijke ideën, welke zy vertolken in menschelijke redenen. Mohammed noemde hen „het volk van het Boek;quot; en hij noemde hen zooals hij hen kende. Maar het was door

133

-ocr page 148-

GOD EN ISRAEL.

„het volk van bet Boekquot; te worden, dat zij ophielden „het volk Gods\'\' te zijn. Toen eens het eenige woord, dat zij bezaten, een geschreven woord was, was bun roeping ten einde, want waar het woord dood is kan de godsdienst niet levend zijn. Toen God ophield in, en tot, en door bet volk te spreken, had bet volk Zijn roeping of recht om in Gods naam te spreken verloren; wat eens hun bizonder eigendom geweest was, was gemeengoed van den mensch geworden. Maar bet woord-zelf, dat ophield bet hunne te zijn, opdat het aller deel zou worden, blijft een getuige voor dit feit — de wezenlijke werkzaamheid en bestemming van het volk was dit Boek te scheppen, de ideën duidelijk uit een te zetten, en te arbeiden aan den godsdienst dien het openbaart en vertegenwoordigt.

Zoo wordt Mozes hier gezonden om iets belangrijks te doen „bet volk, de kinderen Israels, uit Egypte te voeren.quot; Het is tot een spreekwoord geworden, dat de geschiedenis geen kennis beeft van haar eigen aanvangen. Zij verliest het volk, dat zij het meest bemint, in nevelen die geen oog kan doordringen, in een verleden dat geen herinnering kan terugroepen. Maar hier ontmoeten wij een oogenblik van wording, waar wij den aanvang van eenen staat kunnen waarnemen, die een der zwaksten zijn zal, terwijl het volk een der machtigsten zou worden, die de tijd heeft opgeleverd. Maar wat zijn zij ? Een hoop slaven, gevestigd aan de grenzen van Egypte en de woestijn, gehaat door hun meesters, en hen hatende; met de oudeugden van balve-beschaving en slavernij ; zonder de vrijheid van hun omzwervende vaders, noch de deugden, moed, waarheidsliefde, zelfstandigheid, zin voor bloeden stamverwantschap, die zij aankweekt; zonder de kunsten, de beschaving, de overleveringen, de gewoonten van een geordend.

134

-ocr page 149-

EEN VOLK VAN SLAVEN.

verfijnd en vreedzaam leven, die de beschaving hunner meesters zoo verblindend maakten, ofschoon zij zoo tyranniek was. Niets verbastert zoo zeer als slavernij; maak het edelste volk tot slaven\' en het wordt onedel, terwijl een volk, dat nog niet veredeld is door eeuwen lange geordende vrijheid, gelijk is aan een stof toebereid voor ie hand des verdervers. En zoodanig had Egypte Israel aangetroffen, de meester bedierf den slaaf, de slaaf bootste den meester na, alleen op de wijze van den halfbeschaafde, die het altijd gemakkelijker vindt de ondeugden dan de kundigheden van den beschaafde na te volgen. Dit volk tot de vrijheid te voeren, het te ontwikkelen tot een geregelden staat, het tot het volk van Jehovah te maken, mocht wel een hoopelooze taak schijnen — eene, voor welke Mozes; zelfs na zijn opvoeding door God, wel reden had terug te deinzen. En hij schrikt ook terug, vraagt „wie ben ik, dat ik deze groote zaak doen zou?quot; Maar het moet geschieden niet in zijn eigen, maar in Gods kracht. God zal met hem zijn, en hij zal het volk opvoeren tot den dienst van God, ter plaatse waar God tot hem gesproken heeft. Wanneer de menschen eens vrij zijn, zal Egypte onbekwaam zijn tot bederven, en zij zullen er toe komen hun roeping en hun God eenigermate te verstaan.

En dat, waartoe Mozes gezonden was, deed hij. Hij leidde het volk uit Egypte, vormde het tot eeneu staat, wijdde dien aan den naam en den dienst van God. Wij hebben gezien hoe armzalig de stof was, die hij moest gebruiken, en met de stof stemde natuurlijk het onmiddelijk politiek gevolg overeen. De staat was een armzalige staat, de staat van een volk half nomadisch en half gevestigd, met weinig wetten en veel barbaarsche gewoonten, sterke hartstochten die, warsch van beteugeling, een snelle wraakneming beminden, dat door den

135

-ocr page 150-

GOD EN ISRAEL.

136

honger naar akkers en steden gedreven moest worden om door verovering een vaderland te zoeken in rijke en vruchtbare streken. Maar het buitengewone van de zaak was, dat deze nietige staat een doel had dat boven hem zeiven lag; de drager was van denkbeelden, vooralsnog niet verstaanbaar voor \'t volk, nooit geheel verstaanbaar, zelfs niet voor zijn uitverkorenste geesten. In Egypte bestond de godsdienst voor den staat; in Israël bestond de staat voor den godsdienst. Zonder zijn geloof had Israël geen reden van bestaan, deed het niets en had het niets te doen. In dit opzicht stond het alleen onder de volken. Egypte had zijn beschaving, zijn architektuur, dat wonderlijke hiero-glyphenschrift, dat de moeder geworden is van al onze alphabets, zijn oude overleveringen en lang gehandhaafde heerschappij. Assyrie had zijn steden en paleizen, zijn beeldhouwwerk en schrift, zijn oorlogen en veroveringen, waardoor het de omliggende landen verwoestte; nochthans hielp het de menscliheid in zijn voorwaartsche beweging. Griekenland had zijn letteren en kunsten, zijn wijsbegeerte en staatkunde, de vormen, waarin het zijn geest van waarheid, vrijheid en schoonheid (die voor hen werkelijkheden waren; voor ons idealen, die wij hartgrondig wenschen dat nog verwerkelijkt mogen worden) belichaamde. Phenicie had zijn handel en nijverheid, waardoor het zich weelde schiep, zijn koopmanschap en colonisatie, waardoor het die verdeelde. Eome had zijn wetten en heerschappij, zijn staatslieden en redenaars, een wonderbaarlijk genie van ordening en regeering. Maar te midden van deze menigte staat Israël en heeft niets als zijn godsdienst, en echter bezit het daarin meer dan zij allen. De macht ligt niet in de massa; het is de geest en niet de stof, die de geschiedenis schept en het lot der volken bepaalt. Het kleine Israël, met zijn godsdienst, heeft voor de wereld meer gedaan dan China, met

-ocr page 151-

Israel\'s akbeid en peksoonujkheden.

zijn vruchtbare ruillioenen, of de geweldige Westersche rijken, met al hun staatkundigen en wereldlijken aanleg.

Waardoor nu vervulde het zwake Israël zulk een verbazende taak? Waarom staat het, in de sfeer des geloofs, op het gebied des geestes, op eenzame hoogte onder de volken ? Indien er in de geschiedenis orde heerscht was het werk van Israël niet te danken aan toeval; indien de rede ten grondslag ligt aan de dingen, was de plaats van Israël geen gevolg van bijkomstige oorzaken. Zijn eigen geloof was het redelijkst geloof — door God geroepen tot vervulling zijner doeleinden, door Jehovah tot een volk gemaakt, opdat Zijn naam groot gemaakt zou worden. Dit was niet enkel een zaak des geloofs, maar had zijn uitdrukking of symbool in de wereld der feiten. Indien men den geest en de roeping van een volk wilt verstaan, dient men niet enkel te letten op de massa, waartusschen geen onderscheid bestaat. Men moet zijn scheppende persoonlijkheden bestudeeren; de mannen, die zoowel zijn opheffende als bewegende krachten uitmaken. Groote persoonlijkheden hebben deze beteekenis — zij dragen, als het ware, de inwonende idee van het volk, vatten hun idealen op en drukken hen uit, ondersteunen en besturen de wilskracht, die naar verwerkelijking uitgaat. Israël nu bezit een reeks van de schitterenste godsdienstige persoonlijkheden, meer dan eenige godsdienst bezit. Er is nergens iets, dat daarmee vergeleken kan worden. De voortbrengende kracht van China scheen uitgeput in Confucius en Laotse, de eeuwen, tusschen hen en nu, zijn eeuwen van navolging en herinnering geweest. Aan den oorsprong van het Parzisme staat Zoroaster, en naast of na hem is er geen tweede. Buddha heeft geen voortzetter, en de Islam, gelijk hij één God heeft, heeft ook slechts één profeet. Maar zoo was het in Israël niet. Daar heeft de gods-

137

-ocr page 152-

GOD EN ISRAEL.

138

dienst eene groote persoonlijkheid tot vader, en wij ontmoeten bijna even groote persoonlijkheden in elk tijdperk zijner geschiedenis, die zijn voortgezet leven tot een voortdurende ontwikkeling maken. Achter Mozes is Abraham, een grijze vader staande in de bleeke morgenschemering der jonge wereld ; na hem komen de mannen, die zijn werk weder opvatten en aanvullen. Samuel, David, Elia, Amos, Hosea, Jesaja, Jeremia; de ongenoemde man, die het eene groote drama vaa het Semitisch ras schrijft; de zoon des menschen, die met de gevangenen, aan de rivier Chebar woont en uit de verwoesting van Israël zijn ideaal-staat en-tempel opbouwt; de ziener, die uit de droeve ballingschap uitschouwt naar de verwijderde toekomst, ziet hoe de lijdende knecht Gods haar heerlijk maakt, en den gulden dag beschrijft, welke zoo lang uitblijft en toch zoo zeker zal komen; deze zijn slechts enkelen van de mannen, eenige weinigen, die over gebleven zijn uit den dichten drom, welke in de opeenvolgende geslachten van Israël zijn godsdienst verlevendigden en volmaakten. Met hen leefde de godsdienst, wies zij op van lagere tot hoogere vormen en bewoog zich van nederiger tot verhevener idealen. En een trek, even buitengewoon als eenig, kenmerkte de geheele reeks — zij allen wandelden recht vooruit met het gelaat naar de toekomst gekeerd. De idealen der historische godsdiensten liggen, als een wet, in het verleden; hun heiligen staan daarachter. Zij leven door het geloof in hetgeen geweest is, bewonderen en bootsen na den vader of onderwijzer, apostel of profeet, die daaraan leven gaf. Maar de idealen van Israël liggen allen vóór hem. De typische knecht Gods was een, die nog moest wezen; de dag van Jehovah een dag, die nog moest komen. De godsdiensten, die terugzien, hebben geen hoop buiten henzelven; de godsdienst, die vooruit

-ocr page 153-

DE NAAM EN DE GODSDIENST.

schouwde, was profetisch, geloofde in een God die leefde, die bedoelingen en plannen had, welke zich uitzetteden met den vooruitgang der zon. En was niet Israel, door zoo te leven en te gelooven, evenzeer getrouw aan onze beste gedachten over God, als aan de voorzienigheid, die zich zelve vervuld heeft in de geschiedenis?

III.

Israel, dan, had recht met zijn geloof; God riep het uit Egypte, maakt het tot een volk, het volk Gods. Die men-schenreeks was geen kring op goed geluk bijeen; er heerschte eene wet in hem; en wat is wet anders dan de orde, die een hoogere rede instelt en een lagere rede ontdekt? Maar dit leidt ons nu tot het tweede punt. dat den godsdienst raakt. Hoe maakte Mozes zijn bende voortvluchtige slaven tot een volk? Door welke middelen vormde hij hen tot een staat, tot iets dat inderdaad minder een staat dan een kerk was? Hij deed het in de kracht van een nieuwen Goddelijken naam, een Naam, die, terwijl hij eene nieuwe opvatting van God belichaamde, God met nieuwe gedachten bekleede; Hem, gelijk ik zeide, tot een nieuw wezen voor den mensch maakte. Hier zijn de woorden, die verhalen hoe de naam ontstond: „En God sprak tot Mozes en zeide, ik ben Jehovah (de Heer). En ik ben aan Abraham, Izak en Jacob verschenen als El-Shaddai (God, de Almachtige) maar met mijnen naam Jehovah ben Ik hun niet bekend geweest.quot;1) Wat deze naam beteekent is het, wat wij nu moeten beschouwen.

139

De namen, die de menschen aan God geven, zijn dikwijls

1

Exodus 3 : 1, 2.

-ocr page 154-

GOD EN ISRAEL.

140

treurig en beteekenisvol, dikwijls schoone en bezielde gedenk-teekenen van zijn zoeken naar het goddelijke, naar liet Wezen, dat hij zoo wenscht te vinden en zoo aarzelt lief te hebben. Deze toonen, dat hij, bij zijn zoeken, nu eens wandelt in donkerheid en verwarring, dan weder rust in kalmen zonneschijn, het licht der eeuwigheid zijn hoofd omkransend. Bedenk eens, hoe waarheid en dwaling, ontzag en vrees, getroirwheid en dienstbaarheid dooreen gemengd waren in die, eens zoo bekende en levende, namen van Baal en Moloch. Baal was heer, meester, het wezen dat bezitter en beschikker van den mensch was; die op hem aanspraak maakte als op \'t zijne, en wiens aanspraak ook werd erkend. Moloch was koning, het wezen dat over den mensch heerschte, dat zijn volstrekte eenige, rechtmatige souverein was. Maar de namen werden beide op God en op menschen, die koningen waren, toegepast, en de God moest vertolkt worden door den mensch. Zoo werd in het Oosten, waar de koningen wreede en bloeddorstige tyrannen zijn, de godheid gedacht als even woest en meedoogenloos als zij; als een wezen, gelijk de menschelijke Moloch, die met bloed moest bevredigd worden en er behagen in schiep kleine kinderen in bet vuur te zien werpen. Maar bedenk nu eens, welk een vreugde en vrede, in ons algemeen menschelijk hart gekomen zijn, sedert Jezus ons leerde zeggen: „Onze Vader, die in den hemel zijt.quot; Dat maakte God tot zinnebeeld van oneindige liefde en geduld, voorzorg en teederheid, dat de grondslag werd en bron van den eenig waren godsdienst der menschheid. Dat vermenschelijkte, als \'t ware. God, en vergoddelijkte den mensch, daar hemel en aarde als van eènen bloede werden, en vereenigd door verwantschap zoowel als door genegenheid. De goddelijkste naam voor het goddelijke — beteekent de goddelijkste -godsdienst.

-ocr page 155-

DE BETBEKENIS VAN „JAHVEquot;.

141

De Naam nu, die door Mozes kwam was een scheppende naam, bestemd een omwenteling te werken in de idee der godheid, en het waardigste, redelijkste en altijd blijvende denkbeeld voort te brengen, dat ooit over Hem gevormd was, en nog alleen wachtte op het bestanddeel van vaderschap, dat door Jezus Christus kwam, om het volmaakte begrip van den volmaakten God te zijn. Dezen naam vertegenwoordigen wij ons in onze ongelijksoortige taal door den term Jehovah; onze vertaling geeft het weer door het woord „Heerquot;, de fransche door „den Eeuwige.quot; Wat beduidt nu deze naam? Gij zult niet verwachten dat ik mij hier in eenige afgetrokken taalkundige onderzoekingen zal begeven; deze zouden u niet naar behooren begrijpelijk kunnen worden gemaakt. Evenwel moet gij een paar woorden van verklaring toestaan. De naam is geen uitheemsche afleiding, geen geleende term of uit een vreemde bron geput, maar een voortbrengsel van hebreeuwschen bodem, een inlandsche plant van hebreeuw-schen geest en taal. Hierover kan men zeggen dat nieuwere geleerden het eens zijn; ook heeft men zich bijna overeenstemmend uitgesproken daarover, dat de term afgeleid is van het oude hebreeuwsche werkwoord zijn. Maar, hier begint het verschil — men is het niet eens ten opzichte van het deel, de wijze en den tijd des werkwoords, waartoe de oorspronkelijke naam behoorde. Twee voorname scholen, die een gevoelen voorstaan, mogen in aanmerking komen; de eene houdt het er voor, dat hij van den eenvoudigen bevestigenden, de andere, dat hij van den oorzakelijken vorm van het hebreeuwsche werkwoord afstamt. Volgens den eersten beteekent hij: „Hij, die isquot;; volgens den tweeden, „bij, die de oorzaak is van hetgeen gebeurtquot; of „ van het zijn.quot; In elk van beide gevallen was de term, in zijn oorspronkelijken zin, geen eigennaam, maar de derde

-ocr page 156-

GOD EN ISRAEL.

persoon enkelvoud van een werkwoord, zoo gebezigd als om iemand aan te duiden die niet genoemd en niet noembaar was; die te verheven, te heerlijk, te algemeen en eeuwig was in zijn bestaan en handeling, om uitgedrukt te worden door eenigen term of titel, die gebruikt werd of kon worden voor de geschapen dingen of sterfelijke menschen. „Hij die is,quot; „hij die de oorzaak is van het zijnquot; — de tei-m is in beide gp-vallen tegenwoordig — schrijft Hem geen verleden, en geen toekomst toe, alleen een Nu, maar een nu, dat boven tijd en verandering verheven is. Want, zooals de geleerde, die \'t meeste gedaan heeft om de tweede verklaring te verlevendigen en aan te bevelen, opgemerkt heeft „Hij, die de oorzaak is van het zijnquot; heeft niet geschapen, maar is scheppende; „Hij, die de oorzaak is van wat geschiedtquot; is „Degene, door wien de dingen gebeuren,quot; die zijn woord houdt of zijn beloften vervult. Nu is het gelukkig niet noodig, hier tusschen deze beteekenissen te beslissen; het eenige, dat noodig is, is op te merken; dat elk van beide de andere in zich sluit en omvat. Indien de naam van God bij voorkeur is „Hij, die is,quot; dan is Hij alleen de ongeschapene, en wat ontstaat komt door Hem. Indien, van den anderen kant, zijn onderscheidende naam is „Hij, die de oorzaak is van hetgeen gebeurt of van het zijn,quot; dan is Hij alleen zonder oorzaak, de voortbrenger, die zelf niet voortgebracht is, die bestaat vóór dat Hij, hetzij oorzaak van iets wordt of schept. Wellicht biedt elk van beide beteekenissen de meest buigzame en aanschouwelijke idee aan, die in een naam kan worden belichaamd.

Daar is nog een punt, dat ik gaarne verder onderzocht zou hebben — de vraag naar hetgeen de naamgeving kan bepaald hebben; welke denkbeelden daarmee verbonden waren. Was hij opgewekt door de verschijnselen des hemels? Duidde

142

-ocr page 157-

WAT IN DEN NAAM VERSCHOLEN LAG.

143

hij dengene aan, die de oorzaak is van den regen ? of Hem, die maakt dat het licht en het vuur uit den hemel nederdalen? Hier is \'t wel noodig voorzichtig te zijn en wel te onderscheiden. Wij moeten, aan den eenen kant, onderscheiden tusschen de eigenlijke idee of de inwonende beteekenissen van het woord, en zijn oorspronkelijke geschiedenis en historisch gebruik; en aan den anderen kant, tusschen het denkbeeld, dat het opwekte in den geest van hem, die den naam aan Israel openbaarde, en het denkbeeld door Israel daaraan gegeven. Het komt mij voor, dat de uitdrukking door Mozesmoet vertolkt worden, niet door het oorspronkelijk Israel; dat, terwijl voor de geschiedenis van Israel de eerste verbindingen en zeden de belangrijksten zijn, voor liet belang van de godsdienstgeschiedenis de eigenlijke idee, het inwonende vermogen in aanmerking komt. De kracht, die in het woord school, heeft het volk eerst niet begrepen. Zij verklaarden het door hun oude theïstische gedachtenverbindingen, en terwijl zij hun God Jahve noemden, dachten zij aan El-Shaddai. De begrippen van bestaan, schepping, de levende God waren niet nieuw voor Mozes. Hij kende hen van ouds. Zij waren in Egypte tot zijn kennis gekomen, hadden hem beheerscht in de woestijn, waren verheerlijkt en verpersoonlijkt geworden door de openbaring van Jahve : en zoo was de Naam veel rijker dan Israel toen kon vatten of gelooven. Maar de rijkdom die in den Naam was, lag daar niet onvruchtbaarHij was een levende Naam, die leven wrocht, zich verdiepende, verbree-dende met het leven, dat hij werkte. Hij was niet hard en eng gelijk El, de gestrenge, of Shaddai, de machtige, geweldige ; of Baal, de Heer, of Moloch, de koning; hij was zwanger tal van aanduidingen, vol oneindige kiemen. Over hem le denken en te spreken was een opvoeding. Hij legde den

-ocr page 158-

GOD EN ISRAEL.

144

nadruk op het Zijn, op den Eeuwige; en stervelingen, die weemoedig getroffen werden, wanneer zij dachten aan de duizend geslachten, die voorbijgegaan, en de duizend geslachten, die nog toekomstig waren en aan den donkeren, kouden, onverzadelijken Scheool beneden, die altijd ontving en nooit genoeg had, kwamen er toe om het verheven mysterie van eenen God te beseffen, die zonder geboren te zijn, in het Heden als in een onveranderlijken, eeuwigen zetel troonde. Hij drukte ook uit den scheppenden wil, onveranderlijk als het Zijn; eenen God, die zoo getrouw was aan zich zeiven, dat al zijn wegen waai\'heid en gerechtigheid, dat natuur en geschiedenis de spiegel van zijn karakter waren. En hij legde den nadruk op alles wat persoonlijk was in dezen eeuwigen Schepper, plaatste Hem als hoogste en souvereine Gij tegenover de menschen; stelde Hem voor als behagen hebbende in zijn volk, en genadig daarmede verkeerende, omdat zijn macht en majesteit uit genade voortkwamen. Deze schitterende kiemen, deze goddelijke verborgenheden waren voor het Israel der woestijn of het Israel in Kanaan eeuwen lang niet openbaar —- het zou de grootste historische leugen zijn, te beweren dat zij \'t wel waren; maar desalniettemin hield de uitdrukking haar in zich opgesloten, en daar zij haar in zich bevatte, hielp zij mede aan het werk harer ontvouwing. En hare uitwerking is zichtbaar in de letterkunde, welke den idealen en toch onverwezenlijkten godsdienst van Israel beschrijft: in de psalmen, die van den eeuwigen God gewagen, als oorzaak van al wat bestaat, als de woonplaats des menschen in al zijn veranderlijke geslachten; van den alles doordringenden God, wiens tegenwoordigheid den hemel boven en de diepte beneden vervult, en wiens oog het minste nagaat alsof het het voornaamste ware; in gezichten, die zijn majesteit

-ocr page 159-

DE TIEN WOORDEN.

openbaren en toonen hoe de machtigste schepselen voor zijn heerlijkheid vreezen en buigen; in gesprekken, die Zijn gerechtigheid, den geheimen maar toch zegenvierenden gang zijner werking toelichten ; in gedichten, die de gansche natuur verkeeren in een roemrijke gelijkenis, in de bezielde taal zijner rede, in de redelijke uitdrukking van zijn wil; in profetieën, die een gouden eeuw beschrijven, verworven door het lijden van Zijn rechtvaardigen dienaar, maar door Zijn kracht en om zijn voornemen te verwezenlijken. Er bestaat geen literatuur, die zoo van God bezield is als de hebreeuwsche, geen zoo doordrongen, bezield van de gedachte aan Hem, en die een zoo verheven, ontzagwekkend, eerbiedig redelijk geloof in Hem doet aanschouwen. Maar de verhevendste droom ligt verscholen in zijn eerste aanvangspunt. Zonder den Jahve van Mozes zouden wij nooit den God der profeten bezeten hebben.

IV.

Maar de naam van God is niet onze eenige gids tot recht verstand van de Mozaische idee ; zij wordt verder verklaard door de woorden, die de betrekking van God tot het volk beschrijven, en de natuur en verhouding van de hunne tot Hem bepalen. Het is niet noodzakelijk hier nog meer dan de „tien woordenquot; of geboden voor Mozaisch te houden. Niemand zal ontkennen dat- zij het hart of de kern van de Hebreeuwsche wetgeving uitmaken, haar oorspronkelijken en als \'t ware vaderlijken vorm. quot;Waarvoor men Jehovah hield toen hij de God van Israel werd, of liever Israel riep om zijn volk te wezen; wat men geloofde, dat Hij van zijn volk vroeg; wat zijn volk moest zijn om Hem te behagen,

10

145

-ocr page 160-

god en israel.

staat opgeteekend in deze merkwaardige woorden. Laat ons hen in hun eenvoudigsten vorm \') bezien.

Inleiding.

Ik ben de Heer uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis heb uitgeleid.

Ie Tafel.

Gij zult geen andere Goden voor mijn aangezicht hebben.

Gij zult u geen gesneden beeld maken.

Gij zult den naam des Heeren uws Gods niet ijdel gebruiken.

Gedenkt den sabbatdag dat gij dien heiligt.

Eert uwen vader en uwe moeder.

IIe Tafel.

Gij zult niet dooden.

Gij zult niet echtbreken.

Gij zult niet stelen.

Gij zult geen valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste.

Gij zult niet begeeren uws naasten huis.

146

Men zal moeten toestemmen, dat wij hier een zeer vreemde grondwet hebben voor een oorspronkelijke maatschappij, een burgerlijk wetboek, dat bij zijne godsdienstigheid, even volledig als eenvoudig is. Het eerste en voornaamste is hielde verhouding, waarin Jehova en zijn maatschappij tot elkander geplaatst worden. Hij richtte haar in — is haar schep-

1) Exodus 20 : 2—17.

-ocr page 161-

GOD EN DK WOORDEN.

per. De Eabbijnen zeiden: „de tien woorden zijn de pilaren der wet en haar wortels;quot; maar liet fondament der pilaren is de zoo genoemde inleiding of voorrede: „Ik ben de Heer uw God, die u u t Egypteland uit het diensthuis heb uitgeleid.quot; Merk op: Hij bevrijdt het volk, opdat het het Zijne zoude zijn; de betrekking is wederkeerig, maar van Zijne zijde oorzakelijk, van de hunne afhankelijk. Hier ontmoeten wij een ruim denkbeeld: de maatshappij, die zich zelve door God gevestigd rekent te zijn, is een maatschappij die verwonderlijke vermogens in zich bevat; eerder een kerk dan een staat, met denkbeelden, die boven haar zelve uitgaan, zaden van het goddelijkst streven; en met dit beginsel als grondslag moest de maatschappij gelijk zijn aan den God, met al haar doeleinden Zijner waardig wezen. Maar er ligt meer in opgesloten: Hij, die een volk schept heeft een werkelijke en rechtmatige aanspraak op het volk zijner schepping. De wil, die aanzijn geeft aan een maatschappij is een wil, die de maatschappij dient te belichamen of te verwezenlijken. Vandaar dat de aanhef de natuurlijke grondslag is der „tien woordenquot;, welke den wil van Jehova verklaren; zij vormt i iet het eerste van deze, maar is hun algemeene basis.

De tien woorden zijn gesplitst in twee tafels ieder van vijf geboden. Van de eerste tafel hebben er vier direct betrekking op het begrip van God, twee daarvan staan in verband met Zijn natuur, twee anderen met Zijn aanbidding. „Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebbenquot; en „Gij zult u geen gesneden beeld maken.quot; Deze nu verklaren en ontvouwen het „Jalive, uw God.quot; Hij wil de eenige God van Israel zijn: geen ander mag naast Hem gesteld worden. Al moge dit dan niet volstrekt monotheïsme zijn, monotheïsme \'•5 het toch. Het volk dat gelooft „wij hebben slechts één

147

-ocr page 162-

GOD EN ISEAEL.

God,quot; is zeer dicht genaderd tot de gedachteer is geen ander; Hij is een en eenig.quot; Maar terwijl het eerste woord de eenheid betreft, betreft het tweede de natuur: „geen gesneden beeld.quot; Dit moet verklaard worden uit de toestanden van dien tijd. In Egypte had de symboliek al het geestelijke van den godsdienst verzwolgen. Er waren overal zinnebeelden der godheid; op iederen wand, in iederen tempel, op ieder graf. De godheid was verborgen door de symbolen; de symbolen werden vereerd als goden. In de woestijn en in Kanaan hadden de Semitische stammen hun „beelden,quot;\' hun buisgoden de steenen en figuren, die zij als godheden vereerden. Mozes zeide : „er mag hier geen gesneden beeld noch de uitgehouwen gelijkenis wezen. Jehovah kan niet worden voorgesteld door het werk van menschen. Hij openbaart zich zeiven.quot; Merk op hoe dit den Naam verklaart. Onze eenige God is Hij, die is of aanzijn veroorzaakt, en Hij is zoodanig, dat zijn gedaante niet kan uitgedrukt worden door de hand of voor het oog. Hij is geestelijk, leeft voor het denken, niet voor de zinnen; een voorwerp van geloof, niet van aanschouwen. De verbeelding sterft wanneer zij geketend wordt aan de zintuigen, maar leeft wanneer zij bevleugeld wordt door den geest. Het woord, dat het ;;gesneden beeldquot; verbood, riep de vermogens die in Jahve verborgen lagen tot aanzijn; de godsdienst, die de goddelijke idee van het lichamelijke losmaakt, opent den weg voor het oneindige.

De twee eerste woorden ontvouwen en bevestigen het denkbeeld van vereering, dat in de idee Gods ingewikkeld is, terwijl het derde de overeenstemming en het verband vertegenwoordigt van onzen oorspronkelijken enfundameuteelenmenschelijken plicht met dien, welken wij onmiddelijk aan God verschuldigd zijn. De naam van God mag niet ijdel of dwaselijk gebezigd

148

-ocr page 163-

GOD EN DE WOORDEN.

149

worden; daarom moest het spreken en denken over Hem oprecht en eerbiedig zijn, waar ten opzichte van de eigen ziel des menschen, betamelijk en passend om aangehoord te kunnen worden door hem, die wordt aangesproken.. Het gebod betrof evenzeer de heiligheid van den Naam zeiven als van al wat in Zijn naam gezegd werd. Zij, die de oude oostersche Gods-vereeringen kennen met haar buitensporigheden, onreinheden, onoprechtheid en wreedheid; de wijze, waarop zij konden gebruikt worden om onwaarheid te wijden en bedrog te verontschuldigen, kunnen alleen de waarde van dit woord schattenquot; De onzuiverheid, die andere goden vergunnen metdaden, wilde Jehova zelfs niet in woorden toelaten. Reinheid in taal beduidde reinheid in gedrag, trouw jegens God zou de beste trouw jegens den mensch zijn. Hij, die zijn gelofte brak \'of zijn eed schond mocht zijn vijand verrassen, maar hij belee-digde zijnen God, die geen God van den bedrieger zijn wilde. Maar de vereering van een zoo verheven en gestreng wezen kon niet aan het toeval of den indruk overgelaten worden, daarvoor diende eene gelegenheid gemaakt te worden. Vandaar het ,Gedenk den Sabbatdag dat gij dien heiligt.quot; Een van de zeven dagen moest afgezonderd worden voor Jehova, moest Zijn dag wezen; op dezen dag moest geheel \'t volk aan Hem denken, vragen wat Zijn wil was, of zij dien gedaan hadden, tot elkander spreken van Hem, en elkander zoo aanvuren tot Zijn dienst, dat Hij verhoogd werd boven alle goden. Maar een God als Jehovah kon niet voldaan worden alleen door lof of aanbidding. Hij was niet een God van verre, die den rook der offerande begeerde en behagen schiep in het bloed der rammen en het vet der gemeste runderen. Israel was zijn eigendom, het gebod in Israel was zijn gebod, het volk moest zijn gehoorzaamheid aan Hem bewijzen

-ocr page 164-

GOD EN ISRAEL.

door daarop acht te geven. Het huisgezin is de grondslag der maatschappij; geen maatscliappelijke plicht kan vervuld worden, waar het huisgezin wordt veracht, en zijn heiligheden en heerlijkheden onder den voet getreden worden* Zoo is de laatste onmiddelijke plicht jegens God de eerste onmiddelijke plicht jegens den mensch: „eer uw vader en uwe moeder.quot; Gehoorzaamheid jegens ouders is da vroegste vorm van eerbied voor God; door haar komt de wet het eerst tot den uiensch, en daarmede de liefde. Dit is een van de schoonste bestanddeelen van het Hebraïsme; het bewijst hoe zijn gestrenge Godheid hoogst vriendelijk en men-schelijk was. Ook bewijst dit woord hoe volkomen de nieuwe godsdienst met de ouden gebroken had. Waar een gebod als dit van kracht was, waren de menschenoffers veroordeeld. Het eeren der ouders is slechts mogelijk waar ook eerbied bestaat voor de kinderen. Het tegenbeeld van de Hebreeuw-sche vereeiing voor de ouders, was de hebreeuwsche achting voor het kroost; zij, die hunne vaders eerden, beminden hun zonen.

De tweede tafel bevat maar eerste beginselen, en is toch voor een eenvoudig volk een zeer rijk wetboek van maatschappelijke plichten. De idee, die er aan ten grondslag ligt, is duidelijk; de God, die Israel roept en vormt, beveelt dit en dat. Vervulling van de plichten, op de eerste tafel voorgeschreven, is noodig voor Israel om zijn volk te blijven; vervulling van de plichten, bij de tweede tafel opgelegd, noodzakelijk om als volk te blijven bestaan. Al zijn betrekkingen moeten van zijn Geest doordrongen, en bestuurd worden naar zijn wil. Daarom mager geen doodslag wezen; het leven moet heilig zijn; wat God geeft, moet de mensch beschermen en eerbiedigen

ISO

-ocr page 165-

DE TWEEDE TAFEL.

151

De grondslag van alle maatschappelijke wetgeving is de heiligheid der menschen, het onschendbaar recht van den rechtschapen burger, die zicli aan de wet houdt, op vrijheid en leven. Daarom mag er ook geen overspel plaats vinden; er moet reinheid in het huisgezin wonen, en waar het huis kuisch is, is de maatschappij zuiver. De onschendbare heiligheid der familie, de toewijding van den man aan de vrouw, en van de vrouw aan den man, ligt ten grondslag aan geheel bet sociaal verkeer» is de voornaamste voorwaarde voor de voortbrenging van reine zeden, van alle vriendschapsbetoon en adeldom des menschen. „Gij zult niet stelenquot; verklaart de heiligheid van den eigendom, zonder welke weelde en handel, de ontginning van den akker en de nijverheid der stad evenzeer onmogelijk zijn. „Gij zult geen valsch getuigenis sprekenquot; betuigt de heiligheid van waarheid en rechtvaardigheid. De mensch moet geen leugen spreken, die den naasten smart, en schande of schade berokkent, hij moet, zelfs al is \'t tot zijn eigen schande of schade, de waarheid spreken, die het recht staande houdt. Het gebod „Gij zult niet begeerenquot; raakt den wortel van al het maatschappelijk kwaad, bestrijd de zonde bij haar oorsprong. Het verklaart de heiligheid van \'s menschen eigen ziel; deze moet te heilig zijn om de woonstede van slechte begeerten te wezen: gelijk een mensch in zijn hart denkt, zoo is hij; wanneer hij geen kwaad denkt, zal hij \'t ook niet spreken noch doen. Het einde past bij \'t begin en is dat waardig, de schaal klimt op van het eerste tot \'t laatste. Moord is de ruwste misdaad, maar de begeerlijkheid is de verfijndste zonde en die het gemakkelijkst verborgen wordt, zij is tevens de wellustigste, die ons \'t meest pijnigt. De wet, die haar verbiedt, verbiedt niet enkel booze daden maar de neigingen en het streven, die de ouders zijn van het kwaad; en door zoo te doen bewijst zij

-ocr page 166-

GOD EN ISRAEL.

dat zij nadruk kan leggen op burgerlijke plichten, maar dit doet evenals een godsdienst.

V.

Wij moeten thans eenige beginselen en gevolgen nagaan, die in onze verhandeling opgesloten zijn. De naam van God, die door Mozes kwam, was verklaard en als het ware in een godsdienst uitgedrukt door de tien woorden. Deze toonen aan hoe Jehova begrepen en hoe Hij gediend moest worden, welke aanspraak Hij op Israel had en wat Hij van Israel eischte. Deze dingen dienen altijd overeen te stemmen. Een godsdienst is altijd gelijk zijn God is, en de gedachte omtrent de godheid wordt weerkaatst en verwerkelijkt in de aanbidding en het gedrag van het volk. Nooit is een volk beter dan zijn denkbeeld van God. Waar God slecht begrepen wordt, zijn de wetten en zeden van \'t volk zeker ook slecht; waar men een edele voorstelling van Hem heeft, zal het ideaal van het volk ook edel zijn, en hun geschiedenis een worsteling naar hooger volmaking.

Wij zullen nu, in het licht der tien woorden, op het nieuwe begrip van God letten, daarna op het nieuwe begrip van godsdienst, en ten slotte op de gave, die in deze twee door Israel tot de mensehen kwam.

1. De beteekenis van den naam Jahve is reeds besproken en verklaard. Wij hebben ons nu bezig te houden met de wijze waarop de Tien Woorden den Naam vertolkten en verwerkelijkten; en maakten, dat zijn onderscheidene bestand-deelen klaarheid voor en invloed op het verwarde zelf bewustzijn des volks verkregen. Jahve is „de oorzaak van wat gebeurtquot;, of „die voor den dag brengtquot;; dus stelt de inleiding

152

-ocr page 167-

DE NAAM EN DE WOORDEN.

153

Hem ook voor als den Schepper van Israel, zijn bevrijder, die iiet Egypte en de slavernij uitvoert in de vrijheid en de woestijn. En dit geschiedt opdat Hij de God van \'t volk zou zijn, en dit zijn volk. Zij moeten voor elkander bestaan. Wanneer liet van iïem spreekt, moet het een naam bezigen die aan geen anderen God behoort, die zich geen mensch heeft toegeeigend of kan toeeigenen, die zija werkelijkheid en oorzakelijkheid, zijn onveranderlijk wezen en onafgebroken werkzaamheid in Israel en voor Israel aanwijst. Hoedanig zou de invloed zijn van een naam, van zoodanige afleiding en beteekenis, op de menschen die hem gebruikten? Zij konden zijn zin niet vergeten, om dat toe te laten was hij te zeer en te zuiver een kind van hun eigen taal; en terwijl zij hem alzoo bezigden, waren zij gedwongen zich hun God te denken als den waren God, den eenig wezenlijken, den alleen werkzamen. Zij konden niet over Hem spreken zonder een term te gebruiken, die zijn bestaan en werkzaamheid te kennen gaf: Hij, die geen eigen naam behoefde, die stond op een zelfstandig standpunt, volstrekt verschillend van de menigte dei-goden, die tot hun onderscheiding niets dan hun namen hadden. Deze werking van den Naam werd machtig versterkt door de bevelen, die de aanbidding van andere Goden, afgoden of beelden en het ijdel en bedriegelijk gebruik van den Naam verboden. Deze allen versterken elkaar, terwijl elk op zijn eigen bestanddeel van de idee den nadruk legde. „Hij die isquot; kan nooit de parallel of gelijke zijn van hen die schijnen te zijn; aan God als Jahve te denken, verbiedt dat er aan eenig ander wezen als God gedacht wordt; geen beeld, dat het voortbrengsel is van hem die is voortgebracht, kan den voortbrenger uitdrukken of voorstellen. En de Naam, die zooveel beteekent, moet nooit als een ijdele of ledige naam

-ocr page 168-

GOD EN ISRAEL.

behandeld worden, maar verheven en ontzagwekkend blijven als een getuige van de oppermacht van den Eenen, dien hij kenmerkt en van de afhankelijkheid van dien, die hem bezigt.

Doch dit waren voor de Jahvistische idee niet de eenige bestanddeelen van beteekenis. De God, die Israel geroepen en geschapen had, was de maker van Israels wet, was dientengevolge de wetgever; de wachter der wet die Hij gaf; de opperste rechter. De wet was naar zijn wezen zedelijk, niet priesterlijk of ceremonieel; hij bekrachtigde de oorspronkelijke en fun-damenteele beginselen van moraal door de heiligheid, die de godsdienst eischte. Maar waar de wet Gods zedelijk is, moet de God, wiens de wet is, zelf zedelijk zijn; wat Hij zoo uitdrukkelijk oplegt, moet juist zijn hetgeen Hij door den mensch en onder de menschen wil verwerkelijkt zien. Hij kan geen behagen hebben in een onzedelijk volk, alleen haat voeden jegens een zedeloozen eeredienst. Het eeren der ouders, de eerbiediging van leven, de reinheid des huwelijks, eerlijkheid en eerbaarheid, oprechtheid en vriendelijkheid, edelmoedigheid en welwillendheid, al wat het geluk des menschen bevordert, het welzijn en de vooruitgang der maatschappij, dat is wat Hij zijn volk beveelt te doen. En de wet, die Hij maakt, handhaaft Hij ook; de wetgever is Souverein en Rechter. Zijn wet is een eeuwige getuige dat Hij een God is, jaloersch op het goede, ijverende tegen het kwade, een God, die de rechtvaardigheid liefheeft en het onrecht haat.

Dit fragment dan, der meest oorspronkelijke wetgeving was als \'t ware bevrucht door krachten, die uit de inwonende vermogens en verborgen waarheden van den goddelijken naam voortvloeiden. De Naam en de Wet van God, die te zamen ontstaan waren, verklaarden elkander wederkeerig; hoe beter de wet verstaan werd, des te meer beteekenis kreeg ook

154

-ocr page 169-

GCD EN DB WET.

155

de Naam; hoe rijker de inhoud van den naam zich ontplooide, hoe machtiger ook het gezag der wet werd. Het volk wist eerst niet en kon ook niet weten, wat het ontvangen had. Het was, als hun naburen, zwervend, zinnelijk, eigenwillig, wreed, ongemanierd, geneigd tot daden van wraak en bloedstorting. Het was minder beschaafd dan de Egyptenaars aan den eenen of het volk van Kanaan aan den anderen kant. Zijn gewoonten, geloof, eeredienst, zeden, zijn hoop en vrees stonden op gelijke hoogte niet die der omwonende natiën. Maar hier, in het hart-zelf van Israel, was een nieuwe kracht gekomen van buitengewoon vermogen, waarvan de werking tegelijkertijd revolutionnair en geleidelijk ontwikkelend, ontledend en samenbindend zou zijn, terwijl zij Israel maakte tot een bizonder volk, en door Israel der menschheid een nieuwe oi;de van zaken en hoogeren vooruitgang toevoerde. Het konde niet aan zijn God denken, zonder aan zijn wet te denken, konde niet aan zijn wet denken zonder te denken aan zijn God; zijn God beminde en bevestigde de wet, zijn wet sprak met het gezag van zijn God. Hij zou het oog niet sluiten voor zijn zonden, of omgekocht worden door zijn offeranden; gehoorzaamheid, recht doen was het eenige dat Hem behaagde. Hij kon niet gedoogen dat Hij met andere goden vergeleken werd, noch dat andere goden naast Hem stonden ; de menschen, die Hem dienden, moesten Hem alleen dienen, en op zijn wijze, niet volgens de hunne. Hij zou niet dulden dat iemand Zijn naam ontheiligde, door dien te gebruiken om een voordeelige bedriegerij te bedekken, evenmin wilde Hij toestaan dat de orde, die Hij gevestigd had, met geweld of uit eigenbelang werd terzijde gesteld; Zijn naam kon niets dan de waarheid heiligen. Zijn gezag niets dan de rechtvaardigheid steunen.

-ocr page 170-

GOD EM ISRAEL.

De worsteling tusscben den nieuwen ncium en de oude verbindingen, de wet van Jehova en de oude hartstochten, was langdurig, sterk en verwoed, maar de nieuwe kracht baande zich langzaam haren weg tot de alleenheerschappij. Zij maakte zich van de groote geesten meester, en deze leidden en vormden Israel in belangrijke oogenblikken. In het lied van Debora kunnen wij hoeren, hoe \'t geloof in Jehova en de trouw aan zijn wet het volk tot eenheid en tot de overwinning vermochten te leiden. Door het geheele richtertijdperk blijven Jehova en Israel de wachtwoorden van orde en vooruitgang. Bij zijn einde is de ontwikkeling van de Jahvistische idee de bepaalde oorzaak, aan den eenen kant van het pogen naar theocratie, aan den anderen kant van het opkomen der profetie. De groote leiders der gedachte : Samuel, Nathan, Elia, Elisa; de groote schrijvers onder de profeten : Amos, Hosea, Jeremia zijn typische persoonlijkheden, mannen van een gestrengen en verheven geest, waarachtig, onbuigzaam, ernstig; bezielde verkondigers van een God; wiens weg rechtvaardig en wiens woord waar is. Het woord, dat van Jehova komt, maakt deze mannen; de vereeniging van geloof en gehoorzaamheid in hen, hun even groote liefde voor waarheid in woorden en gerechtigheid in daden, hun overtuiging, zoo onderscheidenlijk uitgedrukt, dat alleen een rechtvaardig volk den rechtvaardigen God dienen kan is slechts de herhaling en uitbreiding van de Mozaische gedachte De groote profeten zijn inderdaad de i,onen van Mozes; hun verheven moraal en geestelijk monotheïsme slechts de volmaakte uitdrukking van de waarheden, vervat in den nanm en de wet van zijn God.

Natuurlijk weet ik hoeveel gewichtige vragen hier liggen te branden onder onze voeten; maar ik heb mij niet voor-

156

-ocr page 171-

DE NAAM EN HET GODSBEGRIP.

157

gesteld die hier te behandelen. Al wat ik bedoelde, was de wet of \'t beginsel te vinden en vast te stellen, waardoor de godsdienstige ontwikkeling van Israel was geregeld geworden. Dat beginsel schijnt mij toe te zgn de idee of opvatting van God, uitgedrukt in den naam Jahve, en verklaard door de Tien Woorden. De God, dien zij openbaren is een wezen vaneen nieuwe orde, geheel verschillend van eenigen anderen waarin de menschen voorheen geloofden. Hij is evenzeer in natuur als karakter onderscheiden: in natuur, want Hij alleen is het eenig waarlijk werkelijke, altijd werkzame wezen; in karakter, want Hij is rechtvaardig, heilig, de gever en bewaarder der wet, die slechts in zedelijken dienst behagen schept. Deze bestanddeelen, die wij in het metaphy-sische en het ethische verdeelen kunnen, zijn vervat in de Mozaische idee. Het metaphysische ligt opgesloten in den naam, het ethische in de wet; en de twee zijn zoo samengegroeid dat zij, waar zij werken, tegelijk werken. De ontwikkeling is gelijkelijk eu gemeenschappelijk, de geschiedenis maakt dit duidelijk — God is voor Israel het op meest één, wanneer Hij het meest zedelijk is; \'t meest streng zedelijk wanneer Hij \'t best begrepen wordt als de alleen eeuwige en verhevene. Het verstandelijk eengodendom moet, om reëel te zijn, zedelijk wezen. De god, die niet rechtvaardig is, kan niet de ééne God zijn; hij kan de verpersoonlijkte vaderlandsliefde of hartstocht zijn, doch verblind door partijdigheid, alleen letten op het belang van zijn stam, vijandig jegens anderen; maaide rechtvaardige God bemint de rechtvaardigheid meer dan eenig volk. Hij kan geen vriend zijn van\'t volk dat dit vergeet. Hij zou door dit te vergeten slechts zich zeiven verloochenen. Afgoderij houdt op mogelijk te zijn zoodra aan de zedelijkheid dar godheid geloofd wordt; het geloof in een God, die een

-ocr page 172-

GOD IN ISliAEL.

moreele wet maakte en deed gelden, was de dood der beeldendienst en de geboorte van een zegevierend en redelijk monotheïsme.

2. De nieuwe idee Gods bracht een nieuw begrip van godsdienst met zich; de verschijning van een goddelijker geloof maakte de aanbidding menschelijker en geestelijker. Ons begrip van godsdienst is zoo zeer dat, wat Mozes er van gemaakt heeft, dat wij nauwelijks kunnen vatten wat het was vóór hem, of zonder hem zou geweest zijn. Wij beschouwen den godsdienst als iets zedelijks, of als iets wat althans zoo behoort te zijn, als een wet, die het leven bestuurt of behoort te besturen. Maar de oude afgodsdiensten waren onzedelijk, en dit dikwijls op volkomen en beklagenswaardige wijze. De dienst der Kananieten waS de ontucht tot het uiterste gedreven, de godsdienst der Phe-niciers was niet alleen bedorven, maar een oorzaak van schrikkelijk bederf, ten zeerste noodlottig in zijn invloed op Griekenland zelfs op Eome. De ergste zedeloosheden der oude wereld werden gewettigd door de godsdiensten, die ook haar schandelijkst kwaad onbestraft lieten en onbewogen bleven bij haar diepste ellende. Gelijk het oude heidendom was, zoo is \'t nieuwe; daarvoor is zelfs ons begrip van godsdienst onverstaanbaar. Wij denken dat de mensch, die in een God gelooft, een moreel man moet zijn, maar de mensch, dien wij als een heiden beschrijven, gelooft zoo iets niet. Hij gelooft niet dat zijn god- een zedelijk wezen is of zedelijke aanbidding verlangt, of minder gunstig denkt over een mensch, die liegt, steelt of begeert; ja, oordeelt hij, misschien denkt Hij nog beter over hem indien hij deze dingen zoo weet te doen dat hij daardoor vetter offeranden of rijker gaven kan offeren. De ergste goddeloosheid is niet onreinheid; maar verwaarloozing van de offeranden, die de goden overreden moeten.

158

-ocr page 173-

GOD EN GODSDIENST.

Maar het Mozaisme bracht een edeler opvatting aan. God werd zedelijk, een Wezen met oogen te rein om de ongerechtigheid te zien, de oorsprong der wet, de stichter van de moreele orde, onbuigzaam in zijri recht, gestreng en rechtvaardig in zijn oordeel. Het voornaamste stuk voor Hem was niet de oppermacht over zijn volk, maar de heerschappij der gerechtigheid, het welvaren der goeden, de vernedering der verkeerden. Gelijk Hij was, zoo moest zijn dienst zijn. In een godsdienst die niet moreel, in een vroomheid die geen zedelijke gehoorzaamheid was, kon Hij geen behagen vinden. Een vereering, die bloot ceremonieel was, kon geen vereering van Hem zijn; een wet, die enkel priesterlijk was, kon zijn wet niet wezen. De twee godsdienstbegrippen, het Heidensche en het Hebreeuwsche, staan voor ons uil-gedrukt in de woorden van Micha i) die daar tevens in levende eti leerzame betrekking gebracht zijn tot hun weder-zijdsche gedachten over God. Het volk, heiden van hart, vraagt evenals Balak, koning van Moab, toen deze Bileam raadpleegde:

„ Waarmede zal ik den Heere tegenkomen en mij bukken voorden hoogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren? Zou de Heer een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tienduizenden van oliebeken ? Zal ik mijnen eerstgeborene geven voor mijn overtreding; de vrucht van mijn lichaam voor de zonde mijner ziel?quot;

Maar de profeet, die in naam van Jehova spreekt, verklaart den eenigen dienst, die Hem voldoen kan, bepaalt den eenigen godsdienst, dien Hij goedkeurt, met deze woorden:

159

„Hij heeft u bekend gemaakt, o mensch, wat goed is ; en

1) Micha 6 : 6—8.

-ocr page 174-

GOD EN ISRAEL.

wat eischt de Heer van u dan rfccht te doen en weldadigheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uwen God?quot;

3. In dit denkbeeld aangaande God, en het daaruit volgend begrip van godsdienst ligt de zending van Israel opgesloten, het geheim dat het aan de wereld moest mede-deelen. Israels bezit van dit geheim gaf het zijn plaats in de geschiedenis, het te verkondigen was zijn werk. De mate van zijn welslagen in de vervulling zijner roeping is de graad waarin het zijn geloof tot eigendom der menschen, zijn geheim tot een bron van goede tijding voor de wereld gemaakt heeft. De uitkomst staat geschreven op het breede veld der geschiedenis, en leeft belichaamd in het geloof der beschaafde menschlieid. En toch het uiterlijk verbergt door zijn grootsehheid de on-metelijkheid van het inwendig resultaat. Wat de nieuwe idee Gods en het nieuwe begrip van godsdienst voor den mensch gedaan hebben mogen wij niet pogen te verhalen. Zij hebben hem innerlijk en uiterlijk veranderd, al zijn zedelijke hoedanigheden versterkt, in hem een edeler en gestrenger zedelijken geest geschapen, zijn ideaal dor menschheid verhoogd, in zijn maatschappelijk en algemeen leven bestanddeelen aangebracht, die zijn meest beschaafde staten grootelijks verrijkt hebben. Onze wereldorde is niet de Grieksche Kosmos, de schoone doch medoogenlooze harmonie, die de mensch slechts kon bewonderen, maar die evenwel zonder medelijden den mensch, die haar aanraakte, verpletterde. Onze samenleving is moreel, de heerschappij van een levende en rechtvaardige wil, die de schuld nooit verschoont maar altijd genadig is jegens den schuldige. Onze beschouwing van het heelal, van de Voorzienigheid, van de wet, die over den mensch en zijn bestemming heerscht. is geheel en al doordrongen van

160

-ocr page 175-

GOD EN GODSDIENST.

161

zedelijke gedachten. Aan dezen kunnen wij niet ontkomen, wij begrijpen, hoe zeer zij van invloed zijn in dezen onzen eigen tijd, en in de eeuwigheid die Godes is; en daarbij leggen zij getuigenis af van een Grod van genade, en niet van een meedoogenlooze wet. Laten deze feiten en dit geloof, met al wat zij insluiten, bewijzen dat Israel niet te vergeefs geleefd heeft. Jehova riep Israel uit Egypte om Hem te dienen, en Israels dienst van Jehova is, in den edelsten zin, een dienen der menschheid geweest.

11

-ocr page 176-

11.

HET PKOBLEEM VAN JOB.

Egt;i de Heer zeide tot den Satan: helt gij ook acht geslagen op mijnen knecht Job ? want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvreeiende en wijkende van het kwaad. Job 1 : 8.

Het boek Job is een werk niet enkel van letterkundig maar van levend belang, een wonder te midden van dat zeer wonderbaar lichaam van oude letterkunde, zoo grondig onderzocht en zoo weinig begrepen — onze Hebreeuwsche Schriften. Het doet een beroep evenzeer op de verbeelding als op de rede; op de eene als wijsbegeerte, als het meest grootsche produkt van Hebreeuwsche wijsheid; op de andere als dichtkunst, als het hoogste gewrocht op dit gebied van den Hebreeuwschen of liever van den Semitischen geest, de rijpe en geurige vrucht, niet zoozeer van het genie eens menschen of eens volks, als wel van dat van een geslacht. Het staat daar als het werk van een man zonder naam; niemand

-ocr page 177-

/

HET PEOBLEEM VAN JOB. 163

kan zeggen wie hij was, of waar, wanneer en hoe bij leefde; toch leefde hij zóó, dat hij van de onsterfelijken een der grootste is geworden; die al wat hem maakte tot hetgeen hij was: de vragen, die hem kwelden, de gedachten, die hem heheerschten, het geloef, dat hem vertroostte, de hoop, die zijn leed hervormde en verheerlijkte, naliet in den vorm van een onsterfelijke muziek. Dat is een onsterfelijkheid, die hij zich zonder blozen mag toekennen; hij, de man zonder naam, maar wiens woord en geest voor altijd levend en verstaanbaar zijn.

Men kan dit Boek beschrijven als een Theodice in poezie, de eerste en nog steeds de volmaaktste in haar soort, de vader van een onmetelijk nakroost. Het toont \'s menschen wanhoop bij de duisterste raadselen des levens, maar zoodanig-, dat hij haar vermag te overwinnen langs den eenigen waar-digen en alleen tot het doel voerenden weg, door namelijk de leidingen Gods zoo te rechtvaardigen, dat de mensch tot een hooger, waarachtiger en vaster geloof in Hem komt Het is een boek, dat in den besten zin waar is van begin tot eind, waar evenzeer ten opzigte van de droevigste voorvallen in het menschelijk leven, als van de verhevenste verwachtingen des geloofs, even ver verwijderd van bet optimisme, dat God zoekt te rechtvaardigen door het kwaad te vergoelijken, als van het pessimisme, dat God zoekt te veroordeelen of te loochenen, door blind te zijn voor het goede. Het ziet de ellende recht in het aangezicht, toont baar daar, waar zij bet minste recht van bestaan heeft en toch dikwerf gevonden wordt, in het huis en het hart van den vromen mensch; het vertoont ons dezen, niet gelijk hij bestaat in de ideale wereld, waar de dingen zijn zooals zij moeten wezen, maar gelijk hij leeft in de wereld der harde en prozaïsche, en toch

-ocr page 178-

HET PROBLEEM VAN JOB.

164

zoo tragische, feiten, in aanraking en botsing met de droevigste werkelijkheid; een onschuldig lijder, maar die voor schuldig gehouden wordt, en door jammer en onverdienden hoon gedreven tot den twijfel, de wanhoop en benauwdheid, die voeren tot toorn jegens God en menschen. En wanneer het ons dan naar eisch heeft doen zien, hoe het kwaad zijn gang gaat en het ergste uitricht, daarbij krachtiglijk geholpen door het gedrag van welmeenende maar bekrompen lieden, doet het ons zien op het goede, doet het het licht der eeuwigheid scliynen in den tijd, en doet ons hooren wat God kan zeggen tot den verslagene en bedroefde, die door Zijne hand getuchtigd wordt, terwijl hij gehoorzaam is aan Zijn wil. En hier bewijst de ongenoemde Man zijnen moed evenzeer door zijn stilzwijgen als door zijn spreken: hij laat een schaduw op het gelaat der natuur rusten, maar deze schaduw verheldert slechts het licht op het gelaat Gods. Hij verlaat ons vertroost maar niet voldaan, als lieden, die genoeg van den dageraad gezien hebben om te weten dat de duisternis voorbijgegaan is, en de dag op handen, die het licht zal medebrengen, dat het leven schitterend van vreugde maakt. Nogtans heeft hij ons tusschen zijn eerste en laatste woord vele dingen doen voelen, vragen opgeworpen, die de natuur verdiepen, den geest sterken en reinigen, de ziel eerbied inboezemen en verheffen. Hij heeft het kwaad zoo gebruikt, dat wij daardoor juister over God denken, en getroffen worden door een nieuw gevoel van de majesteit van zijn wezen en de verborgenheid zijner werking, en dat onze aanbidding in eerbied, onze gehoorzaamheid in werkelijkheid toeneemt. Hij, die nooit de schaduw van het kwade gevoeld heeft, kan nooit de heiligste geheimen der liefde verstaan; hij, die de droevigste nooden

-ocr page 179-

THEODICE IN POEZIE.

des levens openbaart, schept in den menscli een nieuwen zin voor God, geeft aan God een nieuwe beteekenis voor den menscb. Job\'s probleem begrijpen, ons gelaat gericht te houden naar zijne oplossing, is nader komen tot het hart van alle dingen, tot God, die te zeer de Vader des menschen is, om hem een zorgeloos, ongetuchtigd en ongeoefend kind te laten blijven.

I.

I. Terwijl wij nu tot het pi\'obleem van Job komen, moeten wij trachten het te naderen op dezelfde wijze als de ongenoemde auteur. Het is nu een oud probleem, omgeven door een woestijn der doi-ste bespiegelingen, waarvan zelfs de ovei--denking vermoeiend is; het was toen een nieuw probleem, ajs het ware gescheurd uit da wederwaardigheden des geestes; doorworsteld in den grootsten zielsangst tot smartelijk zweet en bloed toe. In de woorden, die wij nu zoo kalm lezen, klopte eens een hart vol kommer; de man had onder lijden geleerd, wat hij beproeft mee te deelen in een zang. De geschiedenis van het gedicht is langer dan zijn verhaal, het leeft in een atmospheer, die uitgebreider is dan de tooneelen die het beschrijft. De mensch is een volk, Israël spreekt in Job, zijn probleem is dat des volks, voorgesteld, bepleit en tot een oplossing doorgevoerd, opdat het geloof van Israël, tot een zuiverder en hoogeren vorm opgestaan, bewaard mocht blijven, en niet ondergaan bij de rampen en verwarringen van een onheilvollen en verwarden tijd. Hierdoor wenschen wij niet de individueele beteekenis van het gedicht daaruit te ligten, maar veeleer daarop den nadruk te leggen. De nationale beteekenis rust op de persoonlijke, het treurspel, dat verduidelijkt werd door het leven van den individu, werd op grooter

165

-ocr page 180-

HET PROBLEEM VAN JOB.

schaal uitgespeeld in het leven van het volk, met zulke schokken en verstoringen des geestes, dat het geloof in Jehova met den dood bedreigd werd. Het probleem van Job ontstond uit dezen strijd tussohen het ideale en werkelijke, zoowel in het leven van den enkelen mensch als in dat der massa, en de oplossing was noodzakelijk voor de verzoening van geloof en geschiedenis.

Het oorspronkelijke geloof van Israël was, gelijk wij gezien hebben, \') eenvoudig, passend voor een oorspronkelijk en eenvoudig volk : Jehova was Israels God, Israel was Jehova\'s volk; Hij was een rechtvaardig God, die den gehoorzame beloonde en den ongehoorzame strafte, zoo rechtvaardig, dat zijn karakter en wegen altijd overeenstemden; het lijden kon niet onverdiend komen, voorspoed kon niet bestaan waar men strafschuldig was. Dit geloof was uitgedrukt in de wet, die tegelijk de grondslag en het zegel van Israels vrijheid was; elk gebod had voor den gehoorzame een belofte van zegen, voor den ongehoorzame een bedreiging met vloek. Dit geloof predikten ook de oudste profeten, die zich moeite gaven om bet volk te brengen tot trouw, door het hun vizoenen van Jehova\'s rechtvaardigheid en oordeelen te onthullen De rechtvaardigen zouden zijn „als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht voortbrengt op zijnen tijd; en welks blad niet afvaltquot;; maar de goddeloozen „als het kaf, dat de wind voortdrijftquot; ^). Terwijl vreeze den huichelaar overkomen zou, zou hij, die in gerechtigheid wandelde en de waarheid sprak, in de hoogte wonen, veilig geborgen in de rots, „zijn brood wordt hem gegeven, zijn wateren zijn gewis.quot;

166

Hoe strenger dit geloof werd vastgehouden, des te be-

1) Zie boven pag. l S wg. 2) Psalm 1 ; 3, 4. 3) Jesaia 33 ; 15, 16.

-ocr page 181-

VOORZIENIGHEID EN GESCHIEDENIS.

167

paalder werd voorspoed een bewijs van rechtvaardigheid, tegenspoed het teeken van goddeloosheid. Jehova was overal, in alle dingen werkzaam; Hij volvoerde zijn wil in hemel en op aarde. Wat er ook gebeurde, gebeurde door Hem en voor Hem, was bestemd om te bestaan voor, of om dienstbaar gemaakt te worden aan Zijn doeleinden. De Souvereine wil in de geschiedenis was de Zijne, die Zijn plan ten uitvoer bracht of verwerkelijkte; in Zijn handen was het leven van alle vleescb, en Hij oordeelde zoo, dat leven en lot, karakter en ervaring, verdienste en loon slechts konden overeenstemmen. De geschiedenis was de Voorzienigheid zichtbaar geworden, en de Voorzienigheid kan niet gedoogen dat haar uitwendige en openbare verschijning in weerspraak was met baai-inwendige en wezenlijke bedoeling. Zoo zamengesteld, kon het geloof in Jehova het volk wel sterken in het tijdperk van zijn worsteling naar een orde van zaken, kon het bezielen en geruststellen gedurende den tijd hunner overwinningen en grootheid onder David en Salomo, kon eveneens de vroegere profeten in Israel en Juda steunen in hun strijd tegen de afgoderijen en zonden van koningen en volken; maar het kon, naar geheel zijn strakken en eenvoudigen inhoud, niet staande blijven tegenover trotsche slechtheid, die zegevierde en onoverwinnelijk was, en vroomheid, die overweldigd werd door ramp en nederlaag. En toch behoorden deze tot de stelligste werkelijkheden zoowel van de ervaring als der geschiedenis. Afgodische rijken, gelijk Egypte en Assyrie, werden machtig en rijk. Zij streefden naar de algemeene heerschappij en veroorzaakten door hun wederzijdschen naijver en botsing, moeite aan het volk Gods. De heiligste koning, die ooit in Juda regeerde, viel in den strijd tegen de Egyptenaars en met hem de beste poging, die ooit gedaan was, om het

-ocr page 182-

HET PROBLEEM VAN JOB.

168

profetisch, ideaal te verwezenlijken. De vroomste mannen, zooals Jeremia, van den moederschoot af geheiligd, de uitverkoren profeten van Jehova^ schenen bestemd tot lijden en verdenking, gehaat als zij waren door de priesters, vervolgd door den koning, gewantrouwd en bespot door het volk, gedwongen om het woord, dat tot hen gezonden was, te spreken tot ooren die niet wilden hooren, slechts in staat om aan God, wiens getuigen zij waren, gehoorzaam te zijn als zij beleedi-ging en schande hadden te verdragen. En te midden van deze groote moeilijkheden en woelingen scheen de geloo-vigste man de meest hulpelooze. Weelde en macht vielen den geweldenaar en gewetenloozen mensch ten deel, terwijl schade en gebrek het deel waren van den getrouwe en onzelfzuchtige. Wanneer de menschen uit het oude geloof de verwoestingen en de ellenden van den tijd, de vervallen steden, den gezonken staat aanzagen, en hoe \'t leven van den enkelen mensch moeitevol en jammerlijk werd juist door hun goedheid, wisten zij niet wat daarvan te denken, begonnen te twijfelen, te wanhopen, en te zeggen dat God hen had verlaten of bedrogen. Zoo roept Jeremia uit:1) „Gij Jehova hebt bedrogen, en ik heb mij laten bedriegen: Gij zijt sterker dan ik, en hebt overmocht, ik ben den ganschen dag tot een be-lachen, een ieder van hen bespot mijen als hij van den eenen kant de noodzakelijkheid voelt om te spreken, en de onmacht van zijn getuigenis aan den anderen kant, zegt hij : 2) ..Vervloekt zij de dag, op welken ik geboren ben; de dag op welken mijn moeder mij gebaard heeft, zij niet gezegend.quot; In Psalm 73 hebben wij den afdruk van een gelijksoortige gees-

1

Jeremia 20 : 7. 2) Jeremia 20 : 14.

-ocr page 183-

KRVAHING DIE HET GELOOF WEERSPREEKT. 169

telijke worsteling, hoewel daarin meer de kalmte spreekt, die op de zegepraal volgt, dan de smart en de spanning van den strijd. De solirijver belijdt dat hij „nijdig was op de dwazen1\' dat zijn voeten bijna uitgeweken waren „ziende der godde-loozen vrede.quot; De les der geschiedenis scheen deze: „Ziet, dezen zijn goddeloos: nogtans hebben zij rust in de wereld, zij vermenigvuldigen het vermogen;quot; terwijl de les van zijn eigen ondervinding was: „Immers heb ik vergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewasschen. Dewijl ik den ganschen dag geplaagd ben en mijne straffing is er alle morgens.\'\' \') De herinnering aan zjjn twijfelingen is bitter; toen zij macht over hem hadden was hij „als een dier en wist niets,quot; maar evenwel bewijzen zij de geestelijke worsteling waardoor hij heen gegaan is; den strijd, die het hem gekost heeft om zijn begrip van en geloof in God te verzoenen met de werkelijkheid der eigene ervaring en de zichtbare feiten der historie.

Deze tegenstellingen van het ideale en het actueele, deze strijd van geloof en ervaring, tusschen hetgeen had behooren te zijn en hetgeen was, veroorzaakten het ontstaan niet zoozeer van een probleem, dan wel van een reeks van problemen, van de ingrijpendste soort, die de meeste verandering zou brengen in den godsdienst van Israël. Hun ontstaan was een be-teekenisvol oogenblik, misschien het grootste sedert Mozes; het kenmerkte, indien al geen omwenteling, toch een nieuwe ontwikkeling in den godsdienst, de geboorte van een nieuwen geest en nieuwe uitgangen. Het duidde aan, dat de godsdienst. begon te ontwaken voor de verborgenheid van he

1

Psalm 73 : 2, 3: 12—U

-ocr page 184-

HET PllOBLEEJI VAN JOB.

kwaad, voor de bedoeling en de roeping van het lijden, en tot de ontdekking kwam dat een Godheid, die bloot de bewuste en werkzame rechtvaardigheid van het heelal was, geen Godheid was, die voldeed aan \'s menschen nooden, of in staat om in \'s menschen behoeften te voorzien. Het was inderdaad een verheven o ogenblik, toen Israël er iets van begon te zien, dat het lijden niet alleen was tot straf maar evenzeer tot genezing; dat het. een andere en edeler roeping had dan de oude wedervergelding; dat het, als lijden van den onschuldige, noodig kon zijn voor zijn volmaking en daardoor het grooter heil der wereld bewerken. Het gedenkteeken van dit verheven oogenblik is het Boek Job.

2. Maar wij zijn nog niet in staat de volle beteekenis van het probleem te waardeeren. Wij hebben de uitwendige voorwaarden of geschiedkundige omstandigheden van zijn ontstaan beschouwd, maar wij moeten nu een ander punt trachten te bepalen, namelijk of het ontstond gehoorzaam aan eenige inwendige of organische wet van ontwikkeling in den godsdienst ; dat is of het iets toevalligs was dan wel een zaak van levenden en natuurlijken wasdom. Welnu, daar is een merkwaardig feit, waarvan ons nieuw onderzoek, \'t geschiktst kan uitgaan; de ervaringen of werkelijkheden, die aanleiding gaven tot liet probleem, zijn aan alle godsdiensten gemeen, maar het probleem is \'t bijzonder eigendom van den godsdienst van Israël. Het lijden is overal hetzelfde, het kwaad is op de onpartijdigste wijze verdeeld. De goede is dikwerf de diepst beproefde man geweest; de verdrietelijkheden der deugd en de vermaken der ondeugd hebben zedepredikers steeds een thema bezorgd zoolang er zedepredikers waren. Lijden en dood wierpen voorheen een sombere schaduw over den opgeruimden Helleensclien geest, en deden

170

-ocr page 185-

HET PROBLEEM ISRAELS EIGENDOM.

hem nu eens verlangen naar de rust van het graf, dan weder bedroefd vragen vanwaar en waarom hij gekomen was. Maar de vraag was een wijsgeerige, geen godsdienstige ; de brave mensch, veroordeeld tot smart en verlies, de slechte mensch, in geluk en overvloed levende, wekten problemen op voor de speculatie, niet voor de theologie. Zeus-zelf was een wezen van onvolmaakte zeden; hij kon bedriegen, liegen, begeeren, hij schiep te meer vermaak in een zonde, naar mate deze van een erge soort was, en was slechts te gelukkiger op zijn Olympus naardien kuischheid geen deugd der goden was. Waar de godheid aldus beschouwd werd, voelden de menschen geenerlei tegenspraak tusschen het gezicht van de lijdende onschuld, van goeden, die geslagen en bedroefd werden, en hun begrip van het goddelijke. Zij dachten te laag over hun god, om te gevoelen dat zoo iets hem kon aangaan. Hij was bijna gelijk een hunner, had zijn eigen moeilijkheden gehad van huiselijken en anderen aard, had bevonden dat \'t niet alles zonneschijn was op den Olympus; haat en nijd, storm en onweder hadden daar vroeger gewoed en geraasd, en zouden daar wederom razen en woeden. De Grieksche godsdienst maakte niet waarlijk ernst met het mysterie des kwaads, hij voelde het zelfs niet, en waar het mysterie geen bezwaar is voor den godsdienst, kan de godsdienst de verborgenheid ook niet peilen of ophelderen.

Het Buddhisme, aan den anderen kant, is een godsdienst gegrond op de erkenning der smart, het schijnt geheelenal doordrongen te zijn van het bewustzijn van het lijden. De vier „edele quot;Waarhedenquot; waarop het gebouwd is, zijn de werkelijkheid der smart, haar oorzaak, haar genezing, en de weg der genezing. Het denkbeeld, dat den Buddha bezielt, is mede-

171

-ocr page 186-

HET PROBLEEM VAN JOB.

lijden, medelijden met de smart der wereld. Er is geen schepsel te gering voor zijn medelijden; het eenige wezen, dat daarvoor te hoog is, is de heilige, die de eeuwige rust is binnen gegaan. Maar hoewel het Buddhisme zoo getroffen is van en vervuld met de ellenden der menschen, het kent het probleem niet dat Israel zoo verontrustte. De smart behoort volgens hem tot het ware wezen des levens, is er onafscheidelijk van; te zijn is te lijden. Het kent een zedelijke orde, maar geen zedelijke Godheid, een wet die zich zelve vervult door de daad, die daad en uitvloeisel zoo onlosmakelijk met elkander verbindt, dat ieder moment van begeerte of zonde zijn daaruitvolgend moment van smart moet opleveren. Het voelt het onrecht of het kwaad van het onschuldige lijden niet, want voor hem is er geen onschuld; het is zich niet bewust van het kwaad der schuldelooze droefenis, want voor hem is alle droefenis schuldig, elk persoonlijk bestaan boos. Het Pessimisme is hulpeloos tegenover het kwaad dat het beweent, het neemt het eenvoudig aan als noodzakelijk voor het bestaan; het heeft een afkeer van het bestaan en beproeft ervan vrij te worden om aan het kwaad te ontkomen.

Keeren wij thans terug tot het geloof van Israel, gelijk dat stond tegenover de droevige en noodlottige feiten des levens. Het geloof zeide: ,Jehova is rechtvaardig; Hij beloont het goede, Hij straft het kwade en voltrekt zijn oordeelen aan menschen en volken.quot; Maar de feiten zeiden: „Verdriet is dikwerf het deel van den goeden, vreugde dat van den slechten mensch; ramp valt den godsdienstige, voorspoed den verkeerde te beurt; de heilige mensch bezwijkt in het uur zelf vim zijn edelste gehoorzaamheid, terwijl de goddelooze zijn zege viert in het eigen oogenblik van zijn onbeschaamdste uitdaging van God.quot; En de rede, wanneer zij het geloof met de

172

-ocr page 187-

GOD EN HEÏ KWAAD.

feiten vergeleek, werd onrustig en kritisch, daarna verward en twijfelziek, zeggende: deze feiten zijn werkelijk, waarachtig en hard, zij kunnen onmogelijk ontkend worden en zijn zij niet in tegenspraak met het oude geloof? Kan het waar zijn, dat Jehova de vromen loont, als zij het meest bedroefd worden, en de goddeloozen kastijdt terwijl zij den besten voorspoed hebben? De feiten kennen wij, wij gelooven dat Jehova getrouw is; maar dit is niet overeen te brengen. Kan er niet iets waar zijn omtrent Jehova, dat onze vaders niet geweten of ons niet verhaald hebben ? Zoo niet, dan moet tegenover zulke feiten ons geloof sterven.quot;

Zelfs zoo naakt en onvolkomen gesteld, ziet men dat het probleem des kwaads een veel radicaler, als het ware, een machtiger tegenstrijdigheid voor het geloof van Israel was dan, voor een van beide typische godsdiensten zooeven genoemd; dit werd veroorzaakt door Israel\'s meer ethischen geest, en de verhevener zedelijke majesteit van zijnen God. De andere godsdiensten voelden het kwaad niet zooals Israel, het was niet in zulk een volkomen tegenstelling met hun denkbeeld aan gaande den allerhoogste. Schepper ert Heer der menschen, noch zoo tegenovergesteld aan hun begrip van hetgeen behoorde te zijn; en zoo verzoenden zij zichzelven zoo goed ze konden met de noodzakelijkheid van het kwaad, of dachten middelen uit, waardoor men daaraan konde ontkomen, door namelijk aan het bestaan-zelf te ontkomen. Maar dat kon in Israël zoo niet zijn, zijn opvatting van God zou dat niet gedoogen. Het kwaad was te onbestaanbaar niet het karakter van Jehova, om eenig recht van aanzijn te hebben; het lijden te beleedigend voor zijn natuur, die het goede liefhad en behagen schiep in genade, dan dat het zou mogen heerschen krachtens eenig recht of uit nood-

173

-ocr page 188-

HET PROBLEEM VAN JOB.

174

wendigheid. Zijn voorzienigheid kon niet verzoend worden met wat er verkeerds was in het leven, evenmin kon Hij zijn handelwijs zoo aanpassen aan den zichtbaren gang van zaken, dat Hij onverschillig kon wezen tegenover zegepralende schuld of beleedigde goedheid. Om in de taal der wetenschap te spreken, het strenge monotheisme van Israel maakte aan den eenen kant een zedelijk indifferentisme, en aan den anderen kant het pessimisme evenzeer onmogelijk. Maar het kon daaraan alleen ontkomen door een grondige verandering in zijn begrip van Jehova, en van de betrekking waarin Jehova zoowel tot de zonde als tot het lijden stond. Deze moesten beschouwd worden, als het ware uit het standpunt der eeuwigheid, men moest ze niet alleen betrachten voor zoover zij betrekking hadden op den enkelen mensch of het volk, in het oogenbik van zijn geschiedkundig bestaan, maar naar hun betrekking tot het heelal, tot het individu in zijn onsterfelijkheid, in hetgeen noodig was om hem tot een zoo goed mogelijk zedelijk wezen te maken, \'t meest in staat om Gods wil te doen en zijn oogmerken te dienen. Israel heeft misschien nooit geheel zelfbewust dit standpunt bereikt, noch zag wellicht al wat het van daar uit had kunnen zien; maar van het oogenhlik dat het dit probleem begreep en zag waar de oplossing liggen moest, wend zich zijn gelaat, en zijn voetstap ging voorwaarts naar het licht. En zoodra het dat naderde, werd Jehova geheel anders dan Hij geweest was; Hij hield niet op de rechtvaardige Gebieder en gestrenge Rechter der menschen te zijn, maar Hij bezat deze waardigheden, verar-dcrd en verheerlijkt, doordien Hij een billijk God en een Zaligmaker werd, die door lijden verlossing van zonde werkt. Een godsdienst van zedelijke onverschilligheid kan niet anders dan den mensch medoogenloos in zijn schuld, en hulpeloos te

-ocr page 189-

POEZIE VAN HET BOEK

midden van zijn ellende laten; een pessimistisclie godsdienst kan enkel een evangelie prediken van zedelijke lafhartigheid en ondergang, een overwinning van het kwaad zoo volkomen, dat zij ook de liefde voor en de werkelijkheid van \'t leven wegneemt; maar een zedelijk Theisme, zoo hoog en heilig als hetgeen wij aan Israel verschuldigd zijn, heeft de kracht die de zonde beheerscht in zich ; het moge terugschrikken voor de idee van een God, die den overtreder straft, maar het, moest eindigen met het begrip van een God van genade en verlossing, die in gerechtigheid heerscht opdat Hij de schuld moge wegdoen en den schuldige behouden.

II.

Het probleem, waarvan de voorwaarden en noodzakelijkheden, die tot zijn ontstaan geleid hebben, zooeven geschetst werden, is het probleem van Job. Dat boek is een poging om het op te lossen, om voor Israel een nieuwe en breeder ontwikkelingsgang, een verhevener en juister beschouwing van God en Zijn wegen te vinden. Deze proeve is, merkwaardig genoeg, in poëzie gekleed; dit ingewikkeldste en geheimzinnigste der problemen behoefde voor zijn stelling en ontknooping de rijke bronnen van het drama; het probleem raakt den mensch zoo diep, dat wij het moeten bezien gelijk het leeft in zijn eigenlijk leven, hem beweegt tot den ge-weldigsten hartstocht, en hem bijna goddelijk maakt in zijn smart. Het boek is de edelste poëzie, zijn opvatting als geheel is prachtig, en het is gedicht in zulke „vrije vloeiende omtrekken; het is groot in zijn oprechtheid, in zijn eenvoud, in zijn epische melodie, en de rust der verzoening.quot; 1)

175

1

Carlyle. „Lezingen over helden.quot;

-ocr page 190-

HET PROBLEEM VAN JOB.

176

Het is vol natuur; al wat liet verhevenst was in des dichters woonstede leeft voor ons in zijn gevleugelde woorden. Wij verkeeren met hem in de woestijn; zien het paard, zijn hals met donder bekleed, de pracht vau zijn gesnuif is een verschrikking, „het graaft in den grond en het is vrolijk in zijn kracht; in het volle geklank der bazuin zegt het Heah! en riekt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich.\'\' Wij staan naast hem aan de rivier van Egypte, zien het weelderig riet aan haar oevers, den leviathan spelende in haar wateren, „doende de diepte koken als een pot,\'\' „zijn hart vast als een steen, hard als den onderste molensteen,quot; „hij acht het ijzer voor stroo, en het staal voor verrot houtquot;, in zijn kracht „belacht hij de drilling der lansquot;\'. Wij staan met hem onder den oosterschen hemel, de groote sterren als flonkerende bollen boven ons brandende, wij voelen den stillen indruk van het zevengesternte, betrachten den Orion als hij zijn snoeren samenbindt en de Noordstar, die zijn zonen voorwaarts geleidt. De natuur leeft zoo daarin, alsof zij voor zijn verbeelding gekleed stond in al haar wonderen en heerlijke majesteit. Maar meer wondervol dan de natuur is de mensch; hij leeft daar vol van dat vreesselijk mysterie, dat hij moet ontraadselen of sterven, er door gekweld, daartegen strijdend, er door overwonnen en er over zegepralend. De personen, die zich op het tooneel bewegen, vertoo-nen de werking van het mysterie in de meest verschillende naturen, toonen het tegenover geesten, stekeblind geworden door hun strakke en vormelijke overtuigingen, voor geen rede vatbaar dan die van hun zede en tijd, en naast een geest, die wel droefenis maar geen onwaarheid verdragen kan, en die zich zijn weg baant door trotsche zelfverdediging tot diepe vernedering voor God. De oplossing van het

-ocr page 191-

DE VRIENDEN.

raadsel is in geenerlei stelling uitgedrukt; maar vindt men in de geschiedenis van een man, te zien gegeven in zijn betrekking tot God en Diens oogmerken.

In de behandeling van zijn probleem is een zaak bizondei\' karakteristiek voor den dichter — namelijk zijn keus van de personen en het tooneel van zijn drama. Zijn held, indien wij hem dus mogen noemen, is geen zoon van Abraham, geen kind des verbonds; de handeling heeft niet plaats in het Heilige Land. De man, de tijd en de plaats zijn zoo zeer los van de geschiedkundige verwikkelingen, verwoestingen en verwarringen,\' die het probleem hadden opgewekt, dat het niet alleen als dat van Israel, maar als dat der menscheid kan behandeld worden, onverduisterd door de hartstochten van het oogenblik of de grenzen van het volk. Zonder twijfel be-r lichaamt het den geest des tijds; in zijn gesprekken kunnen wij zijn geschilpunten beluisteren, hooren wij de redeneerin-gen in de scholen der profeten, de raadgevingen der oudsten, of de vergaderingen derwijze mannen; wij kunnen den zielsstrijd navoelen, dien het volk doormaakte, het lijden, dat menig hart verkoelen deed. Wij kunnen Elifas weder omzetten in zijn vorige gestalte — een gestreng, aan de overlevering gehecht, doctrinair Hebreër, die het voordeel kent van zijn leeftijd, die gelooft dat ondervinding wijsheid is en wijsheid wat hij spreekt; een man zoo gewend met menschen om te gaan, dat hij wel weet hoe hij de staatkunde de taal van de meest bevallige behoedzaamheid zal laten spreken, en met zulk eene zelfbewuste voorzichtigheid, dat hij zich gemakkelijker kon denken dat God gedwaald had, dan dat hij-zelf \'t mis zou hebben. Bildad is een oprecht en wehneenend man, minder onderwezen in de politiek, van eene vriende-lijken geaardheid verkleefd aan zijn theorie, en toch te bang

12

177

-ocr page 192-

HET PROBLEEM VAN JOB.

om die zoo uit te spreken, dat zij al te zwaar zou drukken op zijn inborst, en die zijn leer van billijke gerechtigheid zoo tracht te verkondigen dat zij een nieuwen voorspoed aan den lijder beloofde; terwijl Zophar, krachtiger, heviger, geneigd is tot scherper woorden, en korter redenen houdt krachtens zijn sterker hartstochten. Zij zijn allen, naar hun wijze, fatsoenlijke lieden van begrensden blik en onvolmaakte liefde , in staat tot wreedheid zonder die te bedoelen, meenende alleen de waarheid te spreken, en te oordeelen, gelijk zij gelooven dat God doet, zooals God doen zou indien Hij was als zij. Zulke menschen heeft de dichter in de ure van zijn zwaarste lijden ontmoet — de meeste menschen, die veel geleden hebben, hebben hen ontmoet; maar hij richt de handeling zoo in, dat zij eerder idieel en typisch worden, dan wel historisch en actueel. Zij belichamen een theorie van het Goddelijke, die onwaarachtig en machteloos blijkt tegenover de treurigste feiten van eens goeden mans ervaring; evenwel is zij zoo ingekleed dat menschen, die de theorie aankleven, haar onwaarheid kunnen voelen, zonder zich persoonlijk beleedigd of bestraft te weten. In deze mannen wordt geoordeeld en veroordeeld iedere theologie, die de menschen, die haar aanhangen, zou willen dwingen tot wreedheid tegen de smart, en waar zouden zijn voor God door onwaar te zijn jegens den mensch.

Ik zeide dat het boek een drama is. Het wordt voorafgegaan van een proloog, die het probleem stelt, en gesloten met een sluitrede, die de oplossing niet bevat: die moet gezocht worden in het drama; daarin spreekt het goddelijk orakel. Maar het zal ons slechts begrijpelijk worden als wij er toe naderen door den proloog; de woorden, die de dramatische gesteldheid beschrijven, geven een wenk aangaande de oplossing van het probleem-zelf, dat zij stellen.

178

-ocr page 193-

de held en de vijand.

179

1. de proloog. (Hoofdstuk 1, 2.)

1. Hij begint met eene beschrijving van den held, den man in wien het mysterie belichaamd is en door wien het moet verklaard worden. Hij moet bekend zijn, opdat het probleem begrepen kan worden. Hij is een „oprecht man en vroom en godvreezende en wijkende van het kwaad.quot; 1) Met een juist poëtisch inzicht en dichterlijke waarheid wordt hij geplaatst in een eenvoudige en vrije maatschappij; verwijderd van de oude staten of steden met hun gestrenge wetten. In deze maatschappij, die evenwel gevestigd en geordend is, vertrouwd met rechtvaardigheid en rechtspraak, leeft Job als een geëerd, aanzienlijk en rijk man, rechtvaardig jegens den schuldige, edelmoedig voor den zwakke, hulpvaardig jegens allen, die in nood verkeeren, gelukkig te huis, dankbaar aan God, die hem een deel gegeven heeft, zoo rijk aan menigvuldige zegeningen. In de diepte van zijn smart zag hij bedroefd terug naar de dagen „toen de vriendschap Gods over zijn tent de wacht hield,quot; 2) en het tafereel, dat hij daarvan uit zijn herinnering ontwerpt, is als het verwerkelijkt ideaal van den goeden mensch. Zoo geëerd is bij, dat de ligtzinnige jeugd zich bestraft voelt in zijn tegenwoordigheid en eerwaardige ouden voor hem opstaan; de vorsten zwijgen voor hem en de edelen houden zich stil, het oor, dat zijn voetstap verneemt, zegent hem, en het oog geeft getuigenis aan een hand, die gereed is om den arme en den wees en dien, die geen hdper heeft, te vei-lossen. „Dezegen desgenen, die verloren ging, kwam op mij; mijn oordeel was een mantel en vorstelijke hoed. Den blinden was ik

1

1:1. 2) 29 : 4.

-ocr page 194-

HET PROBLEEM VAX JOB.

tot oogen, en den kreupelen tot voeten. Ik was den nood-druftigen een vader, en liet geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik.quot; Zoo had hij geleefd en was bemind geweest, als een rechtschapen en oprecht man, welbehagelijk aan God en geacht door de mensohen.

En de goede man was voorspoedig. De rijkdom, welke een eenvoudige maatschappij \'t meest begeert, was de zijne, evenals een goed getal zonen en dochters, en een ruim bezit van kudden en herders, die steeds vermeerderden. De lieden zeiden: „zijn welvaart is van Godquot; en wat zij zeiden, geloofde hij. Zijn huis en kinderen waren gewijd door gebed en brandoffers; de vader was dus, gelijk de goddelijke ordening \'t bedoelde, de priester der familie, en de vreugde des liuisgezins was geheiligd door haar geloof. In de nabijheid van dezen goeden man leefden de menschen des te beter en vertrouwden God te meer , omdat Job zoo voorspoedig was. Hij scheen een levend bewijs der voorzienigheid. Zulk een schoone vereeniging van godsdienst en welvaart overtuigde de tegensprekers, maakte het duidelijk voor iedereen, dat er een God leefde, die eiken mensch naar zijn werk beloonde.

180

2. Maar nu verandert het tooneel. Wij worden verplaatst in de tegenwoordigheid des Allerhoogsten. Daar is Satan, nog verantwoordelijk en, ondanks zijn opstand, genoodzaakt aan God rekenschap af te leggen van zich zeiven en zijn wegen. Hem wordt gevraagd; „Van waar komt gij?quot; en hij antwoordt: „van om te trekken op de aarde en van die te doorwandelenquot; 3). Een zwervend wezen zonder redelijke wenschen, geneigd tot kwaad, uitziende naar goede gelegenheid, terwijl bij overal zooveel vindt van het booze, dat hij liet heeft, dat hij

1) 39 : \'13 —16. 2) 1:7.

-ocr page 195-

DE HELD EN DE VIJAND.

tot de slotsom gekomen is, dat de aarde meer zijn dan Gods eigendom is. Maar nu is hier iets, dat zeer noodlottig is voor die meening, namelijk de persoon van Job, een op recht man, die God vreest en van \'t kwade wijkt. Aan hem heeft satan part noch deel. hij is geheel en volstrekt Rods kind. Maar satan is genoeg bij de hand en blijft het antwoord niet schuldig: „Is het om niet dat Job God vreest? i) Volstrekt niet. Gij hebt hem een voorspoedig man gemaakt, hem gezegend met een overvloed van goederen. Maar strek nu uwe hand uit en tast aan alles wat hij heeft, zoo hij ü niet in uw aangezicht zal zegenen !quot; Maar zoo volkomen is het Gods vertrouwen in Job, dat Hij antwoordt: „Zie, al wat hij heeft, zij in uwe hand, alleen aan hem strek uwe hand niet uit,quot; en beproef alzoo of uw stelling dan wel mijn oordeel de waarheid is.quot; 2)

Het tooneel wordt dan overgebracht naar de aarde, naar het huis en gezin van Job, waar de Satan zijn wil volvoert. De Saheërs rooven zijn kudden vee weg, het vuur des hemels verteert zijn kudden schapen, de Chaldeers maken zijn kemelen buit, en een groote wind van de woestijn werpt het huis om, waar zijn zoons of dochters feestvieren, en allen komen om onder de puinhoopen. In een oogenblik verdwijnt zijn rijkdom ; maar de eenige woorden, die het verlies hem kan ontlokken, zijn woorden van berusting en eerbiediging, ,naakt ben ik uit mijn moeders lijf gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeeren. De Heer heeft gegeven en de Heer heeft genomen: de naam des Heeren zij geloofd.quot; 3) Tot zoo ver is de theorie van Satan afgestuit op de feiten.

181

Het tooneel wordt weder naar den hemel verplaatst, waar

l) 1 : 9. 2) 1: 12. 3) 1 : 21.

-ocr page 196-

HET PROBLEEM VAN JOB.

182

Satan nog eens verschijnt onder de zonen Gods en zondei beschaamd te wezen, op de oude vraag het oude antwoord geeft, i) Maar hier is Job volmaakter dan te voren, daar hij bij zijn rechtschapenheid volhardt, ofschoon beroofd van zijn goederen. Satan evenwel, wiens pijlkoker nog niet ledig is, heeft het verwijt gereed: „Gij hebt zijn gezondheid verschoond, neem deze weg, maak zijn bestaan ondragelijk, en hij zal niets met ü te doen willen hebben!quot; Het antwoord luidt: „Zie nu, hij is in uwe hand; alleen spaar zijn leven. En nu slaat de Satan Job „met booze zweren van zijn voetzool af tot zijnen schedel toe.quot; Het leven schijnt nu te ellendig om begeerlijk te zijn, en zijne vrouw, die \'t met Satan eens is, meent dat hij beter doet „God vaarwel te zeggen en te sterven.quot; Maar de man, nog altijd rechtschapen en vroom, verwijt haar, dat zij spreekt zooals de goddelooze doet. „Wat? zullen wij het goede van God ontvangen, en het kwade met ontvangen ?■\' Aldus eindigt de proloog, waarbij wij Job zien zitten geduldig onder zijn verdriet, en zijn drie vrienden zwijgend bij hem : een man die niet gezondigd heeft met zijn lippen.

3. Laat ons nu op het probleem letten, gelijk het in den proloog gesteld is, en bijna opgelost is in die stelling. De goede man wordt voorgesteld als dierbaar voor God, zeer kostelijk in Zijn oogen. God heeft behagen in hem, weet dat zijn aanbidding waarachtig, zijn gehoorzaamheid oprecht en trouw is. Het kwaad moge machtig zijn in velen, het heeft geen plaats in Job; de godsdienst moge in anderen vermomde zelfzucht zijn, bij hem is hij de vrijwillige dienst van den heiligsten wil. Zoolang hij leeft, weten de menschen dat

1) 2:1.

-ocr page 197-

HET PROBLEEM IN DEN PBOLOOG.

de Satan geen God is, dat de beste levens die zijn, welke Jehova bezielt, dat de uitverkorenen Gods het zout der aarde zijn. Van deze goedkeuring door Jehova gaat de dichter uit, en vergeet haar nooit; dit dient gedurende de ge-heele handeling van het drama in de herinnering gehouden te worden, zelfs waar de ellende het geloof van den lijder schijnt aan te raken en zijn eerbied uit te blusschen. God bemint hem te meer, omdat hij te strijden heeft met een vreeze, die zoo akeb\'g verscherpt wordt door een valsche theologie; dat hij zijn verdriet heeft te dragen ten overstaan van wreede beschuldigingen, ingebracht door goede menschen, die doen alsof zij rechters waren, welke God had aangesteld. Brave menschen, die verkeerd spreken over God, moeten steeds diegenen zeer bedroeven, welke Hem waarlijk kennen, vooral wanneer zij, tot wien zij spreken, diep gebogen gaan onder het lijden, dat gehoorzaamheid leert. Maar juist dan is het medelijden Gods het grootst; Hij bemint den mensch, dien Hij beproeft \'t meest, wanneer degenen, die beweren Zijn volk te zijn, op dien mensch met theorieën toepassen, die veeleer de leer des Satans, dan de troost en waarheid Gods zijn.

Deze leer is hier schoon en kort gesteld: „is het om niet dat Job God vreest?quot; Zij is op mei-kwaardige, ofschoon ver van volkomen, wijze verwant aan theorie der drie vrienden, welke in het drama voorkomen. Het is hun begrip van Voorzienigheid, handig ontdaan van zijn zedelijke bestanddeelen, verwerkelijkt in de sfeer van den godsdienst. Indien de laatste waarheid aangaande den weg Gods zoo is, als zij haar vaststellen, dan heeft Satan gelijk, en is godsdienst gewinzucht en de meest voordeelige der diensten. Indien de mensch, die Gode \'t best gehoorzaamt, den ruimsten voorspoed geniet, dan is de belooning, die God geeft, een motief dat men

183

-ocr page 198-

HET PROBLEEM VAN JOH.

wel mag opmerken, en eeren terwille van lietgeen men ontvangt. Job bereikt de leer Gods niet, ofschoon hij er toe nadert, en van verre eenig inzicht van haar krijgt; maar de vrienden verkondigen de leer, welke hier tegenover de Goddelijke geplaatst is, hoewel in eerbiedwaardige, gezaghebbende en schitterende redenen. Want, geformuleerd door den Satan, staat zij naakt en ongemaskerd voor ons, en hier is wat hi) meent: „Gij denkt dat Job volmaakt is, oprecht en waar, een man, die God vrijwillig dient uit liefde en uit diepen eerbied voor de waarheid. Gij dwaalt geheel in dit opzicht; als ik God was, zou bij mij even ijverig dienen; als ik even goed be-loonen kon, zou zijn aanbidding van mij even innig en onvermoeid zijn. Hij vreest ü omdat gij de Almachtige zijt; indien ik sterker was en instaat rijker belooningen te geven, zou hij mij inplaats van u vreezen.1\'

De theorie der Voorzienigheid, die in een zulk een godsdienstleer, ofschoon op grove wijze, overgebracht is, kan gevoegelijk eerder als duivelsch dan als goddelijk aangemerkt worden. In het stellen nu van zijn probleem, verscherpt de schrijver de tegenstelling van goed en kwaad, de vijandschap tusschen God en den Satan. God bemint den mensch, bedoelt en beschikt zijn welzijn; Satan heeft den mensch niet lief, wantrouwt zijn oprechtheid met de lage geslepenheid van den slechte, en bedoelt en beraamt zijn onheil. Het geloof, in deze toonelen en mondgesprekken voorgesteld, is van de edelste en waarachtigste soort. Het goede is van God, en het goede alleen; het kwaad bestaat bij zijn vergunning, maar ontstaat uit een anderen wil dan den zijnen; het wordt toegelaten, want om het te voorkomen wil Hij zijn eigen schepping niet te niet doen, maai\' nooit aldus toegelaten, dat het heelal of eenig deel, dat er mee samenhangt, buiten zijn opzicht en tucht kan geraken ; zelfs waar

184:

-ocr page 199-

DE LBEIi OMTRENT DEN SATAN EN GOD.

185

het kwaad regeert, bestuurt Hij het zoo, dat het gedwongen is Hem te loven. Indien Hij toestaat, dat het kwaad den goeden mensch overkomt in den eenigen vorm waarin het hem kan overkomen — als ramp, verlies, ondergang, ziekte, het zwaarste tijdelijk lijden, verzwaard door de wreedste der menschelijke verkeerdheden, namelijk het gebruik van den naam Gods, om twijfel op te wekken aan de goddelijke waarheid en twijfel aan de goedheid Gods — handelt Hij zoo, om het tot een voorwaarde en middel te maken van hooger goed, zoowel voor dien man als voor de menschheid. Satan heeft geen volstrekte macht over Job, hij mag zijn bezitting en gezondheid wegnemen, maar niet zijn leven; hij mag hem beproeven maar niet vernietigen. Het kwaad moge lijden veroorzaken, het kan niet tot ongehoorzaamheid dwingen: gehoorzaamheid onder lijden is de hoogstmogelijke gehoorzaamheid. Indien de goeden lijden, het is opdat zij /.ouden beproefd worden, en de beproefden zijn de gelouterden. Maaier is nog een hooger standpunt; een goed man, die beter gemaakt is, maakt alle mensehen beter, verheft den zedelijken standaard en het karakter der wereld. Het is goed voor Satan te ontdekken dat zijn leer onwaar is, dat de goede man betelen sterker is dan hij denkt, dat een duivel, almachtig geworden, geen God is, geen wezen geschikt voor de liefde en aanbidding van een waar mensch; en laat ons zelfs zeggen dat zooveel te ontdekken slechts eene wenschelijke zaak voor hem zal zijn. Voorwaar, het is goed dat de duivel ontgoocheld worde; indien het hem al niet beter maakt, het zal der wereld menig verdriet en veel ongeluk besparen. Ook goede .\'üenschen, van de enghartige en liefdelooze soort, meer behagen scheppende in veroordeeling dan in liefdebetoon, kunnen door een geschiedenis als die van Job er toe ge-

-ocr page 200-

HET PROBLEEM VAN JOB.

bracht worden, in te zien dat Gods wegen ruimer zijn dan hun gedachten. En uitkomsten gelijk deze, wekken nieuwe bestanddeelen van kennis op; bestanddeelen, die de smart der goeden schijnt te verbinden met de redding der wereld, zij getuigen op doffen toon, als eene waarheid, die worstelt om zich te ontwikkelen tot verstaanbare taal: „de goede mensch moet lijden, opdat hij de best mogelijke mensch worde, en hetgeen hem maakt tot den besten mensch die hij zijn kan, doet hem van den grootsten dienst voor de mensohheid zijn, een die meehelpt haar te verlossen van onkunde en zonde en tot de waarheid en God voert.quot;

Indien wij nu in het licht dezer onderzoekingen het probleem van den proloog, dat het probleem van Job is, trachten te bepalen, zullen wij bevinden dat het ongeveer hierop uitloopt: aangenomen dat in een wereld, die door een rechtvaardigen God geregeerd wordt, de goede menschen veel lijden, de besten \'t meest van allen, kan dit lijden niet veroorzaakt zijn door ontaarde willen , die hoewel ontaard, toch als willen vrij en verantwoordelijk zijn , en instaat om in opstand of ongehoorzaamheid tegen God te handelen ; en zou de goddelijke rechtvaardigheid dien willen niet kunnen veroorloven alzoo te handelen, opdat de goede mensch beter moge worden en meer bekwaam tot het volbrengen van den weldadigen wil Gods, om de dwaling, ellende en zonde der wereld te verminderen, en de voorwaarden te scheppen van grooter heiligheid op aarde en hemelsche zaligheid? Het probleem, aldus gesteld, brengt met zich meê een wenk aangaande de slotsom, rust op een rijker en genadiger opvatting van God, belooft hooger en ruimer begrippen, dan tot hiertoe in Israël geheerscht hadden, over de Voorzienigheid, den mensch en de zonde. Maar zelfs

186

-ocr page 201-

HET GESTELDE PKOBLEEM.

zoodanig gesteld, heeft het ons enkel geholpen om het drama te naderen van het standpunt des schrijvers. Wij zijn nu in staat het te lezen en te verklaren uit zijn probleem en het kritisch moment, met al zijn strijd en uitkomsten, helder voor onzen geest te hebben, zooals het ontstond en geformuleerd werd.

2. HET DRAMA.

Het strekt zich uit van hoofdst. 3 tot hoofdst. 42 : 6 van welke wij de redenen van Elihu, hoofdst. 32 tot 37, kunnen weglaten. De hoofdstukken 3 tot 31 behelzen den dialoog of de gesprekken van Job met zijn drie vrienden. De hoofdstukken 38 tot 41 bevatten het antwoord van God op Job\'s herhaalde vraag, dat Hij zich zeiven zou openbaren en verklaren. Hoofdstuk 42 : 1 — 6 ontvouwt de uitwerking op Job van de goddelijke tusschenkomst, die een einde maakt aan het drama, terwijl de volgende verzen den epiloog vormen. In de redenen der vrienden wordt de oude of overgeleverde opvatting der Voorzienigheid uiteengezet. Jn de redenen van Job wordt haar volkomen ontoepasselijkheid op zijn toestand en bijgevolg haar onwaarheid aangetoond, terwijl de voorwaarden, die noodzakelijk zijn voor een reinere leer duidelijk gemaakt worden. In het antwoord, of de rede Gods, wordt de betrekking van God tot Zijn werken en van Zijne werken tot God zoo verklaart, dat Job genoopt wordt, zijn eigen bizonder geval te verklaren door de algemeene wegen der Voorzienigheid ; en het slot toont ons Job vernederd en boetvaardig door het gesprek en het visioen van God.

In den dialoog wil de dichter niet ons doen inzien dat de vrienden geheel en al dwalen of dat Job geheel gelijk

187

-ocr page 202-

HET PEOBLEBM VAN JOB.

188

heeft. Hun algemeene leer was waar, maar hun bizondere toepassing verkeerd; zij dwaalden niet zoo zeer in beginsel, dan wel in de uitlegging; hun begrip van God als den rechtvaardige was waarachtig genoeg, maar hun beschouwing van de rechtvaai-digheid was te uitsluitend wettelijk en strafrechterlijk, en bijgevolg te bekrompen en te gestreng om toe te laten dat zij uitsluitend de albeheerschende eigenschap der Voorzienigheid was, waarnaar de mensch bestuurd werd. De schrijver erkent en bevestigt de waarheid, die zij te leeren hebben, door de schitterende wijze waarop zij hun leer trachten uitéén te zetten en aanschouwelijk te maken ; maar hij versterkt en verscherpt de dwaling in hunne beschouwing of verklaring door hun grove onrechtvaardigheid jegens Job openbaar te maken, een onrechtvaardigheid volstrekt niet te wijten aan de gezindheid dier mannen, maar geheel aan hun theorie. Van den anderen kant had Job gelijk in het kloek vasthouden aan zijn onschuld; in de handhaving van het getuigenis in zijn geweten tegenover hun verklaring en de toepassing hunner leer; in zijn beroep op God zeiven, om rechtvaardiging en bevrijding van hun begrippen omtrent God; — maar hij had ongelijk met aan zijn geloof in God niet te vergunnen zijn lijden te verlichten, met het niet te laten groeien door het vertrouwen dat het leed aannam als voorwaarde of middel tot grooter heil. Evenwel moeten wij den lijder niet te hard beoordeelen. Het was noodzakelijk voor des dichters plan dat hij zoo zou zijn als hij is; slechts zoo kon hij gebruikt worden om de hoogere waarheid te verduidelijken en te openbaren. En hij moest niet alleen staan ; men ziet hem hier niet slechts bedroefd door God maar ook door zijn vrienden De mensch, die een heilige is onder de hand Gods, wordt licht een zondaar onder de taal des

-ocr page 203-

DE EEDENEN DER VRIENDEN.

menschen, en wij moeten verontwaardiging over het onrecht des eenen niet opvatten als toorn over het recht van den ander. Het ongeduld des mans over zijn vrienden kan bijna als een teeken van heiligheid aangemerkt worden; het was de drang om uit hun onwaarachtigheid te komen tot de waarheid Gods. Doch een blik op de gesprekken zal ons nog beter doen verstaan hoe de dichter de oplossing van het probleem uitwerkt.

1. De gesprekken der vrienden. Elifas spreekt driemaal (hoofdst. 4—5, 15, 22); zoo ook Bildad (hoofdst 8, IS, 25j; maar Zophav slechts tweemaal (hoofdst. 11, 20.) Deze mannen zijn typen, vertegenwoordigers van de overgeleverde theologie, zij zijn overtuigd dat zij de wijsheid der eeuwen spreken, eu in deze overtuiging zich zeer bewust van hun eigen wijsheid. Zoo beroept zich Bildad op het voorgeslacht en verzoekt Job „bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen\'quot; : ^ terwijl Elifas in zijn tweede gesprek aan Job verwijt dat hij „ongerechtigheid geleerd heeftquot; en „de tong der arglistigenquot; verkoren heeft; en hij herinnert hem op den ge-meenzamen toon, die hem eigen is, dat „onder hen (het met hem eens) is ook een grijze, ja een stokoude2); en in tegenstelling met de nieuwe en geruchtmakende leer des lijders haalt hij de dingen aan, „welke do wijzen verkondigd, en voor hunne vaderen niet verborgen hebbenquot; ^). Het gevoelen dat zij vooropstellen is eenvoudig de oude leer van de rechterlijke gerechtigheid: lijden is straf en onderstelt zonde „de booze mensch werkt met smart al zijne dagen.quot; Waar leed is mag meu opzien tot het oordeel Gods, of neerzien op menschen. En dit is hetgeen de vrienden ten opzichte van

1) 8: S. 3) 15: 10. 3) 15: 18.

189

-ocr page 204-

HET PROBLEEM VAN JOB.

190

Job doen, eerst met omzichtigheid, met al de vriendelijkheid, die een bestraffenden geest kan paren aan de onaangename plichtsvervulling van zuivere trouwhartigheid, doch later, uitgedaagd door zijn minachtende houding en woorden, met bijna lompe ruwheid. Elifas begint met een rede van verzoenende en sympathieke strekking, om Job tot berouw te brengen, en hem te troosten met het vooruitzicht van vernieuwden voorspoed. De man, dien God straft is gelukzalig, en daarom moet hij de kastijdings van de Almachtigen niet verwerpen Indien hij dit niet doet, zal alles terecht

komen, en hij zal in zijn graf nederdalen „gelijk de korenhoop te zijner tijd opgevoerd wordt.quot; Maar Job weigert zoowel den troost als de beschuldiging, betuigt tegelijk zijn wanhoop en zijn zuiverheid, en daarom gebruikt Bildad nu grooter vrijmoedigheid in zijn spreken. Met de verzekerdheid van iemand, die diep doorgedrongen is in den raad Gods, vraagt hij: „Zou dan God het recht verkeeren ? en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeeren?quot; en hij verbindt de Voorzienigheid aan zijne leer in dezer voege: .Zoo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zal Hij nu opwaken^ om uwentwil, en Hij zal de woning uwer gerechtigheid volmaken 2).quot; De onboetvaardigheid en onbeschaamdheid van Job, die onder hun ijverige waarschuwingen toeneemt, ergert Zophar; hij vraagt: „zouden uwe leugen en de lieden doen zwijgen? en zoudt gij spotten en niemand u beschamen? Want gij hebt gezegd: mijne leer is zuiver, en ik ben rein in Uwe oogen. Maar gewisselijk, och of God sprak, en zijn lippen tegen u opende 3).quot; Aldus voortgaande worden de redenen al heviger in hartocht en berisping; hoe meer Job zijn onschuld betuigt

1) 5: 17. 2) 8\' 3, S 3) 11: 3—5.

-ocr page 205-

DE REDENEN DEE VRIENDEN.

en zich op God beroept ter zijner verdediging en redding , des te sterker worden bun aanvallen, en hun aanklachten meer onbewimpeld, totdat Elifas zelfs verklaart dat zijn verkeerdheid groot en zijne ongerechtigheid oneindig is \')•

einde is karakteristiek. Job zet de mannen vast, zij worden tot zwijgen gebracht, maar niet overtuigd; zij hebben hem niet bekeerd, hebben hem zelfs niet van zonde overtuigd; en daarom laten zij hem nu over aan zijn geweten en hun leer, uitgedrukt in den schoonsten en indrukwekkendsten vorm waarin de welsprekendste onder hen dien kan gieten:

,.Heerschappij en vreeze zijn bij Hem;

Hij maakt vrede in zijne hoogten!

Is er een getal zijner benden?

En over wien staat zijn licht niet op?

Hoe zou dan een mensch rechtvaardig zijn bij God?

En hoe zou hij zuiver zijn, die van een vrouw geboren is?

Zie, tot de maan toe, en zij zal geen schijnsel geven,

En de sterren zijn niet zuiver in zijn oogen.

Hoeveel te min de mensch, die een made is.

En des menschen kind, die een worm is 2)?quot;

Het is alles waar wat Bildad hier zegt, maar wat was daarin waar en toepasselijk op Job? De edelste uitdrukking ooit gegeven aan de rechtvaardigheid Gods, verandert in de volslagenste leugen, indien zij gebruikt wordt om een onschuldig mensch te kwellen of te verongelijken.

191

2. Job\'s redenen. Er zijn drie gezichtspunten waaruit deze redenen bestudeerd moeten worden, (a.) De lijder ligt daar verbijsterd; verward, geschokt door de slagen, die hem zoo plotseling en achtereenvolgens aangebracht zijn door

1) 25 : 3—6. 2) 22 : 5—11.

-ocr page 206-

HET PKOBLEEJI VAN JOB.

192

wat hij gelooft de hand Gods te zijn. (b.) De lijder onder de prediking, vermaning en waarschuwing van menschen, die hij kende als in achtbaarheid en oprechtheid, geenszins zijn meerderen, indien ook al zijn gelijken, en door dezen in den naam Gods geoordeeld, volgens eene leer, welke hij wist dat hem grievend onrecht deed. (c.) De ervaring en gevolgen in den lijder teweeggebracht door deze vereenigde invloeden, de verandering in zijn geloof aan en verhouding tot God, de overtuiging dat God iets tot hem moest hebben te zeggen, dat de oude theologie niet gezegd had, dat er waarheden bestonden aangaande God en den mensch, die de overlevering niet kende, en die, zoo zij althans erkenbaar waren, God zelf nu bekend moest maken. Deze gezichtspunten, dikwijls dooreen-gemengd op zulke wijze dat alleen een uitvoerige ontleding en vergelijkend onderzoek aller gesprekken ons in staat zou stellen tot onderscheiden, doch voor zoo ver wij hen hier uit elkander kunnen houden, geven zij een drievoudige beteekenis aan Job\'s woorden, — een menschelijke, die de werking laat zien van een zwaar en alleszins onverklaarbaar verdriet of lijden op den geest des mans, dien het overvallen heeft; een polemische, die de ongenoegzaamheid aantoont van een overgeleverde, en ofschoon ware, toch partijdige en aanvankelijke theologie; en een godsdienstige, die het tijdperk, dat de gesprekken in de geschiedenis van den godsdienst kenmerken, het oogenblik toen de diepe nood en verslagenheid des menschen een nieuwe openbaring Gods zocht en ontving, openbaart. Over deze punten moeten onze woorden weinige zijn, daar de grenzen van het onderzoek iedere poging, om hun fijne wisselwerking te doen zien , verbieden, vooral doordien zij zoo duister gesteld en verscherpt wordt door de onwijze woorden der vrienden.

-ocr page 207-

DE MAN EX ZIJN SMART.

193

a. De man te midden van zijn smart, een verrast en verbijsterd lijder. Onder dit gezichtspunt toont de eerste rede 1) hem, en deze ligt ten grondslag aan al de anderen. De zeven dagen van stilzwijgen waren dagen van radeloosheid geweest, gedurende welke herinnering en verbeelding evenzeer werkzaam geweest waren. De bouwvallen zijner haardstede lagen rondom hem, de graven zijner kinderen waren nabij, en de tegenwoordigheid van onsympathieke vrienden maakte zijn verlatenheid te grooter. Er is niets dat zoo fijn gevoelt als een bekommerde ziel; zij heeft niet noo-dig dat men haar vertelt, wat de menschen over haar denken of wat zij daarbij voelen, zij erkent dit door een ingeving , die bijna gelijk is aan de al wetenheid Gods Voorts was ook het denken bezig in die stille dagen. De man geloofde hetzelfde als zijn naasten, beschouwde God gelijk zij \'t deden, hield Hem voor den rechtvaardigen heerscher, die het huis van den goede gelukkig en de woningen der boozen somber maakte. Hij was geen goddeloos man, toch was de vreesse-lijkste vernieling gekomen over hem en zijn huis. Hoe kon God dan zijn, wat de menschen van Hem gedacht hadden ? Welk soort van God moest Hij zijn, om een ruïne gelijk deze te gedoogen of daarin vei\'maak te scheppen? Aldus voegde zich bij droefenis des harten verslagenheid der ziel; vragen rezen op als deze: waarom God zulke dingen gedaan had, en of het Wezen, dat zoo gedaan had, wel God zijn kon? Twijfel in smart is twijfel in zijn doodelijkste gedaante, daar hij den troost beveelt te vertrekken en aan den wanhoop om te komen, en spot met de zwakheid, die zou willen worstelen met een Eeuwige die niet goed is. Zoo stond de

13

1

Hoofdstuk 3.

-ocr page 208-

HET PROBLEEM VAN JOB.

194

man eindelijk op, om zijn geest in woorden uit te storten, hopende dat hem verkwikking zou bereid worden langs de wegen vol zachtheid en teederheid, die de liefde gebruiken kan tot verlichting van smart. Zijn zielsangst nam toe bij de woorden, die haar beschreven, maar zij was te hevig om de vrienden te roeren; zij luisterden toe door hunne theorie heen , en verstonden \'s mans verdriet niet, omdat zij aan zijne zonde dachten. Hun houding vergrootte zijn ellende; waar troost verwacht was, werd slechts verwijt gevonden , dat niet toepasselijk en onverdiend was. Er bestaat geen schooner beeld in de dichtkunst, dan dat hetwelk Job bezigde om zijn teleurstelling uit te drukken. \') Zijn vrienden waren geweest als de stroombedden der woestijn, in den winter zwart van ijs, in dewelken de sneeuw zich verbergt, maar des zomers bij de hitte verdwijnen sneeuw en ijs, de beken zijn verdroogd en uitgeput, de karavanen keeren daarheen om water en komen om. „De reizigers van Thema zien ze, de wandelaars van Scheba wachten op haar. Zij worden beschaamd , omdat zij gehoopt hebben; zij komen daartoe en worden schaamrood.quot; De lijder, die geen medegevoel vindt, waar hij dat veronderstelde, is inderdaad gelijk aan de karavaan, die in het verdroogde rivierbed water komt zoeken en er slechts den dood vindt. Waarheen zal zich de man, door geen menschelijke liefde vertroost, nu wenden ? Hij kon niet tot G-od gaan, want zijn vrienden met hun godgeleerdheid stonden hem in den weg. Met wonderbaar inzicht en mededoogen stelt de dichter ons den man voor oogen, terwijl hij, overweldigd van jammer na de geweldigste verwijten, een beroep doet op de vrienden om

1) 6 : 15—20.

-ocr page 209-

DE MAN EN DE OUDE THEOLOGIE.

troost en medelijden — maar zij waren te onmeedoogender naarmate zij meenden trouw en vriendelijk te zijn. Hij roept zich de vorige gelukkige dagen voor den geest, vertroost zich. zeiven met de gedachte aan hetgeen hij geweest was en gedaan had. Nu eens verafschuwt hij zieh zeiven, dan weder roemt hij in zijn reinheid; nu eens wenscht hij te sterven, dan weder jubelt hij in de hoop van een onsterfelijk leven. \'S mans woorden zijn dikwerf onzamenhangend, maar hij zelf is slechts te getrouwer aan zijn ideaal; de ziel, overgeleverd aan een smart, die sterker is dan zij kan dragen , wordt krachtiger door de tegenspraak, waarin de omstandigheden staan met het geloof, waarbij de ziel tot nu toe geleefd had. Er is geen leed zoo groot als het leed van hem, die geen opbeuring kan vinden in de gedachte aan God of in de sympathie der menschen.

h. De man bij de bejegening zijner vrienden en hun leer, een ongetroost en verwond lijder. Een punt, dat reeds opgemerkt is, moet hier verduidelijkt worden. Job dacht niet over God naar den geest van den pi\'oloog; integendeel, hij en zijn vrienden beschouwden God op dezelfde wijze. Zijn diepste leed ontstaat uit dit begrip; zijn geschiedenis is slechts zijn worsteling om daaraan te ontkomen. Wat voor zijn geest hoogste waarheid geweest was is verbrijzeld tegen de harde feiten van zijn eigen ervaring. Terwijl hij al den jammer en de wanhoop voelt, die deze ontbinding des geloofs teweegbrengt, maken zijn vrienden het oude geloof tot een diepe en doodelijke beleediging voor zijn geweten, tot een misdaad aan zijne bewustheid van onschuld. Zij kunnen hem niet troosten, want zijn ellenden zijn in hun oogen de kastijdingen of oordeelen Gods ; bekeering, geen vertroosting is wat hij behoeft. Te hooren dat hij lijdt om zijn zonde.

195

-ocr page 210-

HET PROBLEEM VAN JOB.

196

terwijl hij geen zonde weet waarvoor hij lijdt, is verward en verwond te worden op de gevoeligste plaats. De mannen konden niet anders spreken, want zij dachten niet anders, omdat hun begrip van God was zooals het was; lijden was tot bestraffing, tot vergelding, onmogelijk zonder zonde, noodzakelijk waar zonde bestond. De toepassing dezer theorie op hem zeiven en zijn toestand bedroefde Job; haar uitdrukking in de welsprekende en beredeneerde gesprekken der mannen, van wie hij vertroosting verwacht had, maakte haar tot iets meer tastbaars en vreeselijks, dan het had geschenen, zoolang het als het ware lichaamloos omdreef in zijn eigen verward en verstoord zelfbewustzijn. Zij stond voor hem als de verklaring zijner rampen, en evenwel in tegenspaak met al wat hij zelf wist dat hij was. In haar licht was hij nu eens vol wanhoop over de hem onverdragelijke aanklacht, dan weder in toorn ontstoken tegen het onrecht, dat hem gewelddadig werd aangedaan. De uitleggers zeggen: „Job is schuldig omdat hij de goddelijke majesteit heeft getart door de taal der beleediging of des verwijts tot God te gebruikenquot; en zij oordeelen niet goed. De God, dien hij uitdaagt of verwijt is de God der overgeleverde theorie — het Wezen, dat zijn vrienden bezigen als een werktuig van verongelijking en pijniging, niet de God der waarheid en van zijn geweten. Dit Wezen of deze theorie bevecht hij met de kracht der wanhoop, met de ruwe zelfverdediging eens mans, die overwinnen moet of sterven. Hij grijpt het beginsel zijner vrienden aan, maar keert hun bewijsgrond aldus om: hij is schuldeloos, kan hij dan door God gestraft worden? 1) Kan God

1

12 : 2; 13 : 22.

-ocr page 211-

DK TJJDER EN DE NIEUWE THEOLOGIE.

197

rechtvaardig zijn als Hij hem straft? 1) Ja, zoo onschuldig en gekweld, als een rechtvaardige, die tot eene bespotting werd, wil hij God uitdagen om hem recht te doen wedervaren, om te verschijnen en hem te verdedigen tegen zijn aanklagers. Dit is wat hij naar recht mag verwachten, ja vorderen, indien God is wat deze lieden van Hem zeggen. Het beroep is te vergeefs, God houdt zich stil; maar het stilzwijgen geschiedt om te bewijzen; niet de ontrouw Gods, maar de onwaarheid der leer, waarop het beroep gegrond was. Wat zij gesproken hebben is de waarheid niet, de Voorzienigheid handelt niet zooals zij gezegd hebben, geheel het menschelijk leven weerspreekt het. De goddeloozen leven en zijn zeer machtig, hun huizen zijn vrij van vreeze, zij brengen hun dagen door in weelde. 2) Als Job zich genoopt ziet, de theorie onder de oogen te zien, doet hij het kloekmoedig, vergelijkt haar met de werkelijkheid om haar geheel te veroordeelen, en brengt degenen, die zoo spraken, tot stilzwijgen. Hier is hij op schitterende wijze overwinnaar; om deze overwinning te behalen heeft de dichter hem ontworpen. Indien zijn nooden en redenen niets anders doen, dit doen zij zeker, namelijk de onwaarheid der oude leer aantoonen en zoo den weg bereiden voor iets anders en hoogers, voor een nieuwe trap in de geschiedenis der openbaring, een nieuwe ontwikkeling in den godsdienst.

c. De verandering door zgn smart en strijd in het geloof en den geest van Job te weeggebracht. Hier is de man door en door typisch; zijn smarten openen zijn ziel voor God, verruimen zijn geest alzoo, dat hij, om te leven, een nieuw vizioen van den Eeuwigen moet ontvangen. Maar terwijl hij

1

1) 19 : 6—8.

2

21 ; 7—15.

-ocr page 212-

HET PROBLEEM VAN JOB.

198

toebereid wordt voor het gezicht, ontvangt hij een grootsch onderricht, en krijgt hij de voorwaarden te zien waarop alleen zijn probleem voor oplossing vatbaar is. Zijn begrippen over den mensch en God worden verhevener. Hij ziet, dat als God zal gerechtvaardigd kunnen worden, zijn voorzienigheid een gebied zal moeten hebben, uitgestrekter dan aarde en tijd verschaffen kunnen. Indien de mensch sterfelijk is, is er geen waar begrip der goddelijke rechtvaardigheid mogelijk; de onsterfelijkheid des measchen ligt opgesloten in de souvereini-teit van den levenden God. Zijne voorzienigheid, beschouwd binnen de grenzen des tijds, is voor geene verdediging vatbaar, doch wordt, in de vrijheid van zijn eigen eeuwigheid, gerechtvaardigd in al haar wegen en werken. En hier nu spreekt de mond van den lijder zulke woorden van onsterfelijke hoop als te voren in Israel nog niet vernomen waren; met de nieuwe leer der voorzienigheid ontstaat een nieuwe leer des menschen, met zulke uitzichten voor de toekomst als zijn geest nog nooit verheugd hadden. Het oude begrip der richterlijke gerechtigheid legde zooveel nadruk op den tijd , dat de eeuwigheid daarbij verdween; het denkbeeld, dat voor Job opdoemde, zette den mensch over in Gods eeuwigheid, en verhelderde de ure zijner diepste somberheid met de belofte van een dag zonder duisternis. Deze hoop was hem overkomen als een plotselinge blijde verrassing, en bij vraagde: „indien een mensch sterft, zal hij weder leven?quot; \') en bevreesd om daarop terstond afdoend antwoord te geven, vergunde hij de hoop in stilte op te wassen tot heerlijke zekerheid, en zoo spreekt zij zich uit, gekleed in de volgende gepaste taal: „Want. ik weet dat mijn Verlosser leeft, en Hij zal

1) 14. : 14.; 16 : 18, 19.

-ocr page 213-

DE REDENEN GODS.

199

ten laatste over liet stof opstaan. En, als zij na mijne huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vleesch God aanschouwen; dien ik voor mij aanschouwen zal, en mijne oogen zien zullen , en niet een vreemde; mijne nieren verlangen zeer in mij.quot; 1) Hier zijn de beide zaken onlosmakelijk vermengd, de nieuwe idee van God en de nieuwe idee van den menseh. God is de Verlosser, de mensch moet verlost worden. Kostelijk is in het oog Gods het leven van zijn heilige, veel te dierbaar om in den dood te verderven. De heilige zal leven en God zien, en in zijn aanschouwing gerechtvaardigd en verzadigd worden.

3. De redenen Gods. Zoodra Job voorbereid is om te hooren, spreekt God; de openbaring komt op het juiste oogen-blik. De man heeft geleerd door de dingen, die hij heeft geleden. Zijn geloof in de oude theorie is dood, hij heeft opgehouden God daarnaar te beoordeelen. Een flauwe hoop is in hem opgewassen tot een vaste overtuiging. Dit korte en moeitevolle leven rust in den schoot der eeuwigheid, en God handelt als een, die de eeuwigheid voor zich heeft, hij bedroeft den rechtvaardigen sterveling opdat Hij hem moge verlossen tot een heerlijker onsterfelijkheid. Is deze overtuiging gerechtvaardigd ? Hoe meer men de ongelijkheden^ de miskenningen des levens, de betrekkingen van goed en kwaad in den tijd beschouwt, des te noodzakelijker schijnt zij voor \'t geloof; hoe kan zonder haar het vertrouwen in de rechtvaardigheid van den Eeuwige leven? En zoo roept Job met een ootmoediger geest en gedrongen door grooteren nood: „Och of ik Eenen had die mij hoorde! Zie daar is mijn getuige, laat de Almachtige mij ant-

]) 19 : 25—27.

-ocr page 214-

HET PROBLEEM VAN JOB.

woorden !quot; \') En de Almachtige antwoordt hem, Jehova spreekt door den stormwind. Hier is alles van beteekenis, de redenen zijn een wonderland vol poezie en waarheid. De dwarrelwind verklaart de majesteit van den Spreker, de macht en de menigte der krachten, die Hij te beteugelen heeft. Job wordt in den aanvang opgeheven tot een hoogte, hooger dan hij nog gedroomd heeft; zijn probleem kan niet in en door hem persoonlijk opgelost worden zelfs met de verzekerheid der onsterfelijkheid, het heelal treedt daarin op. God kan niet regeeren alsof de eenige Heersoher slechts een onderdaan had; Hij moet met het individu verkeeren als met het deel van een samengesteld geheel, en evenwel van een geheel, dat slechts met wijsheid kan bestuurd worden wanneer de individuen rechtvaardig en genadig bejegend worden. Dit is het punt, waarop bij de opening der redenen de nadruk gelegd wordt. Job heeft God ondervraagd; God wil nu Job ondervragen. „Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder rekenschap?quot; 1) De rampen, die zoo verwarren, het lijden, dat zooveel verdriet heeft berokkend, zijn geen toevalligheden, er ligt een goddelijk plan in hen. Wat verwarring voor Job is, is regelmaat voor God; daarin is raad en wijsheid te verheven om begrepen te worden, maar waar genoeg om vertrouwen te verdienen. Want wat is de omvang van \'s menschen blik vergeleken met dien van God?quot; Waar waart gij toen Ik de fondamenten dei-aarde legde; geef het te kennen indien gij kloek van verstand zijt.quot; 3) Vervolbfens wordt het verhaal der schepping en der voorzienigheid gedaan met een statigheid en luister van beelden, waarvan geen wederga is. Overal handelt God,

200

1

SS ; 2. 3) 38 : 2, 4.

-ocr page 215-

DE REDENEN GODS.

201

ieder oogenblik is Hij werkzaam. In de eeuwigheid, die achter ligt, legde Hij den hoeksteen der aarde, „toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen en al de kinderen Gods juichten.quot; Hij sloot de zee toe met deuren, stelde de wolk tot hare kleeding en de dikke donkerheid tot haren windeldoek. Hij heeft den morgen gemaakt, en wees den dageraad zijne plaats aan. Hij is de Vader van den regen, en heeft de droppelen des dauws voortgebracht. Hij heeft de sterren aan hare loopbanen gebonden, en de bliksemen uitgezonden om te gaan en tot den mensch te zeggen: hier zijn wij. En terwijl zijn krachten werken aan de stoutste zaken, vergeet Hij het minste niet, voorziet Hij in het voedsel der raven, waakt over „de wilde geiten op den rotssteenquot;, den „woudezelquot; der woestijn, „den struis, die zijn eieren in do aarde nederlegt en in het stof verwarmtquot;, het paard dat „om de vreeze lacht en niet verschrikt wordt, noch terugkeert voor het zwaardquot;. Door zijne wijsheid vliegt de havik, en op Zijn bevel stijgt de adelaar ten hemel en maakt zijn nest op de rots. En nadat het gebied der goddelijke werkzaamheid aldus tentoongesteld is als een voorportaal der oneindigheid, houdt de Spreker plotseling op, om te vragen: „Zal de twistredenaar tevreden zijn met den Almachtige? die God tot verantwoording roept, laat hij antwoorden.quot; En Job antwoordt „zie, ik ben te gering; wat zal ik ü antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. Eenmaal heb ik gesproken; maar zal niet weder antwoorden; ja tweemaal maar ik zal niet verder voortvaren.quot; \')

In de tweede rede heerscht een nog hooger toon. Job „moet zijn lenden opgorden als een manquot; \')• Zal hij God

1) 39 ; 35—38. ï, 40 ; 2

-ocr page 216-

HET PROBLEEM VAN JOB.

202

veroordeelen om zelf rechtvaardig te zijn? Maar alleen een God zou God beoordeelen kunnen, goddelijke wijsheid alleen zou de wijsheid Gods kunnen begrijpen en waardeeren. Daarna zegt de dichter met een even vermetelen als prachtigen trek der verbeelding: word nu in den geest God; versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid.quot; En gebruik, dus toegerust, al uw vermogen om de hoogmoedigen te vernederen en de boozen in het stof te doen bukken. In dat streven zal God u prijzen, want Hij weet wat het beteekent God te zijn;1) nogtans beoordeelt een, die alleen weet wat het is mensch te zijn. Hem die alleen God is! Dan gaat de rede over in een wondervolle beschrijving van de geweldige schepselen van den Nijl, een hoofdstuk der werken Gods. De beschouwing daarvan voltooit het onderricht , het maakt den lijder klein en berustend, hem tevens opwekkende tot een volmaakter geloof. Hij belijdt: „zoo heb ik dan verhaald, wat ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.quot; Hij had verkeerd geoordeeld, omdat hij in onwetendheid geoordeeld had. De overgeleverde theorie had hem verblind; hij was onbekwaam geweest God te zien wegens de leeringen der menschen. „Ik had van IJ gehoord door het gehoor des oors,quot; en alzoo onrecht geoordeeld; maar nu ziet U mijn oog; daarom herroep ik en heb berouw in stof en aschquot; quot;) 4. Wat is nu de juiste verhouding dezer redenen tot het probleem van het boek? Welke bijdragen leveren zij tot zijn oplossing? De gesprekken van Job en zijn vrienden bewijzende onvoldoendheid der oude theorie, haar ontoereikendheid als een theologie der voorzienigheid, of getrouwe spiegel der wegen

1

40 : 6—9. 2) 42 : 3—6.

-ocr page 217-

HAAR BETREKKING OP HET PROBLEEM.

203

Gods met de menschen. In een wereld, gelijk de onze, zou lijfstraffelijke gerechtiglieid alleen de hoogste onrechtvaardigheid zijn; met het oog op een geval, als dat van Job, zou dat niet gezegd kunnen worden. Maar er is meer dan deze verwoestende kritiek; door haar heen schijnen stralen van verhevener waarheden, schitterende voorboden van een gulden hoop. God verschijnt aan den bedroefden heilige als zijn verlosser, maar God als zoodanig te begrijpen is tevens den mensch in zijne onsterfelijkheid te zien. Indien Hij den mensch verlost, dan is dit een eeuwig werk, hier wellicht aangevangen maar voltooid onder verhevener omstandigheden, dan hier mogelijk zijn. Maar hoewel dit vertroost, het voldoet niet. Dat de heilige in de eeuwigheid gelukkig zal wezen, verklaart op zich zelf niet waarom hij in den tijd ongelukkig zijn zou; neen, het is een bewijs voor het tegendeel, want als God hem daar gelukkig kan maken , waarom niet ook hier? Indien de mensch goed is in beide gevallen, waarom niet ook in beiden gezegend? In de redenen Gods wordt het antwoord gegeven, zijdelings weliswaar, doch duidelijk. Zij veranderen het gezichtspunt, doen het individu uit het standpunt van het algemeene, den mensch met de oogen Gods bezien. De mensch is niet het heelal, en kan de voorzienigheid niet beoordeelen als of hij \'t was. Hij behoort tot een onmetelijk, zamengesteld en oneindig stelsel, en de voorzienigheid, die het heil des geheels bewerkt, zal evenzoo het heil bewerken der deelen. Nu doen deze redenen ons op Gods werking in het heelal letten. Het is het Zijne, door Hem van den grond af opgebouwd, met de orde daarin, zijn onophoudelijke werkzaamheid en onuitputtelijke krachten, zijn schepselen en menigerlei voorzorg, zijn majesteit en heerlijke schoonheid. En zou de God, die alles bedacht.

-ocr page 218-

HET PROBLEEM VAN JOB.

schiep en onder toezicht houdt, den mensch vergeten, voor hem geen plaats, geen zorg, geen gedachte hebben ? Indien in het leven van een goed mensch droefenis en ramp optreden, wat leeren hem dan deze redenen zeggen? „God bemint de orde; Hij wil dat in de orde mijn lijden een ambt en werk zal hebben. Het kan zijn, dat ik het doel niet begrijp, de middelen niet liefheb, maar God is zelf het onderpand, dat door deze pijnlijke middelen, oogmerken zullen verwerkelijkt worden, die Hem zeer waardig en mij hoogst gezegend zijn zullen !quot;

Deze gesprekken dan, kenmerken het oogenblik toen Israël zich bewust werd van Gods bedoeling met het heelal en van die des heelals voor God. Zij toonen aan dat het standpunt der wet overtroffen is, dat God begrepen wBrd niet slechts als Israëls maar als \'s menschen God, aan den enkele verbonden, omdat Hij door den enkele de harmonie en volmaaktheid van het geheel tracht te verwer -kelijken. Deze redenen zijn inderdaad een openbaring en verklaring door het heelal van hetgeen wij kunnen noemen de algemeenheden — van kennis en wil, plan en daad — in God. Waar zij begrepen en geloofd worden, kan niemand aan zich zeiven denken als een afgezonderde van of voor de zorg der Voorzienigheid, kon geen volk zich voor het eenig van God beminde houden. Maar hun volle beteekenis is nog niet blijkbaar; de proloog en de redenen moeten te zamen in \'t oog gevat worden, daar zij elkaar aanvullen en wederkeerig verklaren. In den proloog komt het kwaad niet van God maar van den Satan, van den wil, die \'t waagt op te treden en te handelen in tegenspraak met den Goddelijken wil; in de redenen zijn de orde, de schoonheid en goeddadig-heid van God, inderdaad alles -wat de aarde voor den mensch

204

-ocr page 219-

DE EBDBSJSN EN DE OPLOSSING. 205

verheven, heerlijk en goed maakt. In den proloog bemint God den volmaakten mensch, heeft een bizonder behagen in hem, waakt over hem, bespaart hem geen smart en verdriet, hoewel hij hem zeer bemint; in de redenen werkt God in alle dingen en voor alle schepselen, in ieder overeenkomstig zijnen aard, nogtans zoo dat Hij, door de volmaking van het individu, de volmaaktheid van het geheel voltooit en openbaart. Indien wij dan den proloog en de redenen door elkander verklaren, zijn de waarheden waartoe wij komen deze: de God, die de orde in de natuur liefheeft, betracht ook \'s menschen heil, de natuur is uitdrukking van Zijn wil, openbaart Zijn plan, en Hij wil dat de orde, die Hij aldaar volbracht heeft, ook door den mensch bereikt zal worden. Het lijden des menschen bekleedt een plaats in Gods plan, is een. middel tot Zijn oogmerk. Hij gedoogt het als een voorwaarde tot volmaaktheid; het komt niet omdat God in \'s menschen verdriet behagen heeft, maar omdatHij \'s menschen heil zoekt. Door hetzelve overwint Hij de wanorde, waarvan Satan de verpersoonlijking is, leert den mensch gehoorzaamheid, en voegt brengt hem als een gelouterde en volmaakte ziel aan de harmonie toe , die Hij bemint.

III.

Het is, binnen onze grenzen, niet gemakkelijk de volle be-teekenis, zoowel van het probleem als van de oplossing, duidelijk te maken; maar wij kunnen zeggen, dat, terwijl het probleem \'t bizonder eigendom van Israel was, de oplossing van alles overtreffende waarde zou zijn beide voor den mensch en den godsdienst. Hier is niet enkel een poging om het bestaan des kwaads te verzoenen met de oppermacht en

-ocr page 220-

HET PROBLEEM VAN JOB.

goedheid Gods, maar evenzeer een profetie van den weg waarlangs het kwaad moest overwonnen worden, van den weg waarop het gemaakt moest worden tot een gelegenheid voor het vaderschap Gods en het zoonschap des menschen om zich te openbaren. Hier ziet men dat de zedelijke wetten van het heelal berusten bij een God, die niet heersoht slechts om te straffen, maar om te redden; dat Zijn Voorzienigheid niet bloot een gerechtelijke regel is , maar een methode van opvoeding, een gedragslijn waarbij genezende en verlossende zedelijke krachten werkzaam zijn. De grondslag of wortel is de diepe overtuiging, dat een zedelijke Godheid, een God, die in dezelfde mate den mensch en de rechtvaardigheid liefheeft niet kon gedoogen dat Zijn heelal onder den ban en de schuld der zonde ligt; en de veelvermogende ■strekking het geloof uit te drukken, dat de eenige weg, waarop de ban kon opgeheven en de schuld gedelgd worden, is de smartelijke tucht en overwinnende gehoorzaamheid van den goeden mensch, van den mensch, die door de aanschouwing Gods in staat gesteld wordt het doeltreffend werktuig van den goddelijken wil, het hoogste orgaan der goddelijke waarheid te zijn. In het Boek Job worstelt de ziener om te komen tot de eenige opvatting van God, die hoop oplevert heeft voor het heelal, een opvatting, die, waar ze bereikt is,

den mensch nog wel overlaat aan menigen strijd met het kwaad,

maar hem nooit der wanhoop ten prooi laat.

206

1. Misschien kan de beteekenis van de oplossing niet beter aangewezen worden, dan door terug te keeren tot de tegenstelling van Israel met Griekenland en Indië. De Grieksche godsdienst, zagen wij voelde niet dat het kwaad een beleediging

]) Zie pag. 170—173.

-ocr page 221-

HET PROBLEEM IN DE GEIEKSCHE POESIB

207

was voor zijn begrip van Zeus, noch het Buddhisme voor zijn begrip van Karma, en zoo kenden quot;zij het probleem niet, dat Israel zoozeer verontrustte Maar zonder den last van het probleem te zijn was hetzefde, als de vreugde en hoop der oplossing te missen; was hetzelfde als toe te laten dat het kwade een zoo zamenhangend deel der aarde en harer geschiedenis ging uitmaken, dan dat het voor onderwerping en uitdrijving vatbaar was. De grieksche geest was inderdaad te gezond en te zedelijk, beminde orde, vrijheid en schoonheid te zeer om zich zwijgend en onderworpen neer te leggen bij de vreeselijke kwesties van misdaad en haar straffen, schuld en haar vloek; maar de vorm, waarin zij tot hem kwamen, en de wijze waarop hij trachtte haar te behandelen en te beantwoorden waren karakteristiek. Deze vragen waren de problemen der grieksche dichtkunst,, de donkere mysteries, die het grieksche treurspel schiepen en bezielden. Het grieksche drama is het drama van schuld en haar onverbiddelijken vloek, meedoogenloos zoowel voor den onbewusten als den bewusten zondaar, voor den mensch, die de misdaad overerft, als voor dien, die hem overdraagt. De wraakgodin der tragedie kent geen genade, is onverzadelijk, vervolgt met gelijken en onverflauwden hartstocht een overspelige Klytemnestra, wier handen rood zijn van het bloed eens echt-genoots, zoowel als een zoon, zoo edel als Orestes, en een dochter, zoo oprecht en heilig als Electra, die gedreven werden om de dubbele misdaad te wreken. De zuivering moge komen, Orestes moge, op voorspraak van Pallas, aan de schrikgodinnen der moeder ontkomen, het doet er niet toe, toch vertoont het drama de handeling van tragische vergelding, ons nauwelijks in staat stellende om een onderscheid te maken tusschen daden van schandelijk geweld en heerlijke verzoening. En deze behandelingswijze van haar probleem was de Griek-

-ocr page 222-

HET PROBLEEM VAN JOB.

sche dichtkunst aan den griekschen Godsdienst verschuldigd. Deze dacht zich de souvereiniteit van het heelal niet als berustende in de handen van een zedelijke godheid, maar als uitgeoefend door een onpersoonlyke wet of noodlot, dat met het doel om te straffen, den persoon, die zijn bevel waagde te overtreden, verpletterde. Onder deze wet stond zoowel Zeus als de mensch, over beiden heerschte zij gestreng en onbuigzaam, almachtig in het kastijden, onbekwaam om te behouden. De ongelijke worsteling van wil en bestemming, van den mensch en zijn lot, was de geschiedenis van het Grieksche drama; en zijn moraal: blijf binnen de natuurorde, of haar wetten zullen u zonder genade vermorselen. Maar de geschiedenis en moraal van Job waren geheel verschillend. Zij zeiden: alle lijden is geen straf, het kan zijn dat er smart is, waar geen overtreding was, evenwel komt het lijden door de zonde. In een wereld waar goed en kwaad leven en wedijveren, moeten de goeden lijden door de boozen, en altijd naar verhouding hunner goedheid. Doch God is op de zijde van den rechtvaardige, de machtigste zedelijke vermogens in het heelal zijn rechtvaardig. De vlekkelooze mensch die lijdt, is een mensch dien God gebruikt tot overwinning van het kwaad; het kan alleen overmeesterd worden door gehoorzaamheid, en gehoorzaamheid is de weg van smartelijkste beproeving en overwinning. Hij, die hem volgt, volbrengt den wil, die regeert in gerechtigheid, en wiens de zege is. .

De houding van het Buddhisme tot het lijden was in overeenstemming met zijn leer : bestaan is droefenis ; ellende onafscheidelijk van het leven. Het kon alleen zeggen : „draag uw leed met geduld; dat, waarover gij klaagt, is het deel van een ieder. Het bestaan is een verwerpelijk ding: zoek er aan te ontkomen in het Nirvana, waar de levenslamp ten laatste wordt

208

-ocr page 223-

HET PROBLEEM IN HET BUDDHISMB.

Taitgeblazen/\' Dit is al de troost, al de levenswijsheid, die liet Buddhisms heeft te geven; zijn troost is zoo treurig dat het den Westerschen geest wel mag vergeven worden, indien hij daarin alleen de verheerlijking der verveling (ennui) ziet. Zijn liefelijkste geschiedenissen zelfs hebben de strekking ons de bitterheid des levens tastbaar te maken. Van Buddha\'s gelijkenissen is een der schoonsten die, welke van Kisagotami verhaald wordt, een jonge en sehoone vrouw, gelukkige echtgenoot en moeder. Haar kind stierf; nadat zij het tegen haren boezem gelegd had, ging zij heen om iemand te zoeken die het weer zou opwekken. Zij kwam tot den Buddha en zeide: „Heer en meester, weet gij een medicijn die mijn kind kan genezen?quot; „Jaquot; zeide hij, „haal mij een mosterdzaad uit een huis, waar geen zoon, of man, of vader,\' of slaaf gestorven is.\'\' Zij zocht naarstig van huis tot huis, vond zaden genoeg, maar vond overal den dood, en keerde bedroefd tot den Buddha weder om de woorden te hooren en te spreken, die ons op de volgende sehoone wijze vertolkt zijn \'):

,,Ach Heer! Ik kwam niet tot een enkel huis Waar, nevens \'t mosterdzaad, \'k niet vond den dood !

Daarom liet ik mijn kind, — dat toch niet zuigt Of lacht, — beschut door \'t wijnloof aan den stroom,

En zoek uw aanschijn, kus uw voet en bid Ach! waar toch is zulk zaad en zonder dood.

Zoo al, helaas, mijn kindje niet reeds stierf Gelijk ik vrees en men ook zei tot mij.quot;

„Mijn zuster,quot; sprak de Heer ,.gij troft reeds aan.

Niemand vindt wat gij zoekt, — den alsemdrank

1) Edwin Arnold, „Het licht van Aziequot; pag. 127—128.

209

14

-ocr page 224-

HET PROBLEEM VAN JOB.

Dien \'k U wou geven. Hij, uw liev\'ling-, sliep Dood aan uw boezem gistren reeds; van daag Weet gij dat heel de aard weent om uw leed;

De smart, die elk hart voelt, vermindert d\'uw!

Zie! Ik gaf gaarn mijn bloed, zoo \'k stillen kon Uw smart, en lichten van dien vloek den slui\'r.

Die \'t zoet der liefde maakt tot schrik, en drijft,

Langs bloemen en langs veld, ter slachtbank heen —

Gelijk aan \'t stomme vee — ook ons, hun heer.

Ik zoek dat raadsel: geef aan d\'aard uw kind !quot;

Maar vergelijk nu met dezen „alsemdrankquot; de vertroosting van Job, zijn krachtig geloof in het loven als een weldaad; in God als den weldoenden en rechtvaardigen wil, die orde en wet aan de wereld, opvoeding en vooruitgang aan den mensch geeft; zijn diepe overtuiging dat het kwade iets hatelijks is; niet behoorende tot ons wezen, tegenstrijdig aan den geest van Hem, die het heelal zijn aanvang gaf, zijn bestemming bepaalde en zijn krachten bestuurde. Het Bud-dhisme troost den mensch, die van het kwaad omringd is, door hem te vertellen dat het kwaad algemeen is — „heel de aard weent om uw leedquot; maar Job zegt: „het kwaad is er, maar behoort niet te wezen. De smart is een tuchtroede die er u, en door u uw geslacht, van verlossen wil.quot; Het geloof, dat in Buddha woont, verlamt , verkeert zelfs zijn deugd in ondeugd, zijn welwillendheid in een zelfzuchtig zoeken naar den besten weg om, uit het onrustige jammerlijke leven, in het stille Nirvana op te gaan; maar het geloof in de zedelijke godheid van Job ondersteunt, bezielt den mensch tot een zedelijk streven, doordringt zijne menschelijke vermogens met kracht, brengt hem het gevoel bij, dat het leven des te edeler is, omdat het een strijd is tegen het kwaad — te waardiger om geleefd te worden, daar zijn Maker heeft bepaald dat het zoowel opvoeden als verlossen zou, door lijden. Door

210

-ocr page 225-

JOB EN DE KNECHT VAN JEHOVA.

het pessimisme van Buddha wordt het kwaad tot godheid verheven en de mensch opgeofferd aan de godheid, maar in het Boek Job wordt het zedelijkgoede tot beheerscher des heelals gemaakt en de donkere achtergrond van het kwade verlicht door den heerlijken boog der belofte, die het uitspant. Die stralende boog is sedert nooit uitgewischt van voor het oog des menschen, en terwijl de op elkaar volgende geslachten voortgegaan zijn in zijn richting te wandelen, is hij helderder en breeder geworden, en heeft hij hen verheugt met de hoop, dat Hij, die dit teeken der schitterende belofte door zijn eigen licht uit onze duisternis had doen geboren worden, onzen voorbijgaanden nacht nog veranderen zou in Zijn eigen eeuwigen dag.

2. Maar dit onderzoek heeft ons op den drempel van een ander gebied gebracht; waarop wij, ongelukkig, bloot den blik kunnen werpen. Het probleem en de oplossing van Job kenmerken een nieuwe trap in de ontwikkeling van Israel, nieuwe bestanddeelen en ideën vernieuwen zijn geest, zijn geloof beproeft een hooger vlucht, zijn hoop krijgt een wijder omvang. Deze beweging is voornamelijk zichtbaar in de plaats, die in de profetie gegeven is, aan den persoon en het werk van den Volmaakten Mensch, en in het geloof aan de algemeene heerschappij en het koninkrijk , dat God besloten had door Hem onder de menschen op te richten. Ik wil niet, met sommige nieuwere geleerden, verdedigen dat Job het origineel of de prototype is van den lijdenden knecht Gods in den Deutero-Jesaia — integendeel, de kritische en exegetische bezwaren, die aan zoodanige meening in den weg staan, schijnen mij onoverkomelijk toe. Maar ik wil zeggen, dat de tweede Jesaja aan de beweging die met Job begint, een voorwaartsche richting geeft, zijne problemen

211

-ocr page 226-

HET PROBLEEM VAN JOB.

212

naspeurt, zijn waarheden ontwikkelt, zijn idee belichaamt in een ideaal persoon, die, onder lijden en opoffering, Gods wil doet, en zoo de verlossing van zijn volk uitwerkt. De oplossing van Jobs probleem wordt hier de oplossing van dat des menschen, de knecht van Jehova, Zijn uitverkorene, in wien Zijn ziel een welbehagen heeft, is „de man van smarten en verzocht in krankheid. Hij was veracht en de onwaardigste onder de menschen, wij achtten hem dat hij geplaagd van God geslagen en verdrukt was ,quot; maar Hij zal niet falen of ontmoedigd worden, totdat Hij Zijn wet op aarde besteld heeft, en de eilanden zullen op Zijn woord wachten. Ofschoon Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in zijn mond geweest is, toch behaagde het Jehova Hem te verbrijzelen, zijn ziel moest zich tot een slachtoffer stellen. Door Zijn kennis zou de Rechtvaardige, Gods knecht, velen rechtvaardigmaken en hun ongerechtigheden op zich nemen. In dit alles vinden wij de grondwaarheid van Job, wat betreft het ambt en het werk van het lijden, aanvaard, maar verbreed en tot drager gemaakt van een goddelijker belofte en een nog schitterender hoop. De rechtvaardige knecht Gods is zoo volmaakt geworden door lijden, dat hij de Heer onzer zaligheid werd. Zijn optreden is zoo zachtmoedig, dat hij het gekrookte riet niet zal verbreken, noch de rookende vlaswiek uitblusschen, maar met Jehova\'s geest is hij „gezalfd om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen, om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en alle treurigen te troosten 1).

1

Jesaja 42 : 1—3; 53 : 3, 4, 5, 9, 10, 11; 51 : 1—3.

-ocr page 227-

JOB, JESAJA, CHRISTUS.

Maar terwijl de opvoedende en verlossende werking van het lijden, dat in den Volmaakten Mensch. tot het dragen van de zonden van velen wordt, aldus erkend en verklaard wordt, wordt de daarmee overeenstemmende waarheid betreffende het doel en het plan der goddelijke werkzaamheid, niet minder duidelijk ontwikkeld en uitgesproken. De waarheid openbaart zich in den tweeden Jesaja niet, even als in Job, door het visioen der scheppende krachten in de natuur, maar in een nog hoogeren vorm, die nog beter overeenkomt met de idee en roeping van den rechtvaardigen knecht — de aanschouwing der heelende en herscheppende werking Gods op den mensch en in de geschiedenis. Nergens elders zijn zulke heerlijke schilderingen van de gouden eeuw , van het rijk der gerechtigheid, dat den mensch eens als de verwezenlijking van zijn hoogste geluk staat te wachten. Van geweld zal men niet meer vernemen , verderf en verwoesting zullen onbekend zijn, de mensch komt te wonen in een stad welker muren Behoud en welker poorten Lof hee-ten. De zon zal niet meer ondergaan , en de maan zich niet meer schuil houden; Jehovah zal ons altijddurend licht en onze God onze roem zijn. En terwijl hij daar de waarheden van den volmaakten lijder en de regeering Gods met elkaar in eene betrekking brengt, die in Job meer voorge-voeld dan gevonden zijn, ziet de profeet, dat het door den rechtvaardigen knecht is dat het Koninkrijk zal komen, dat „Jehova gerechtigheid en lof zal doen uitspruiten voor al de volken. !) Zoo werd uit de donkerste verborgenheid der Voorzienigheid, bedoelende door beproeving Zijn volk te

1) Jesaja 60 ; 18-23; 61 : 1-3, 11.

213

-ocr page 228-

HET PROBLEEM VAN JOB.

214

onderrichten, de nieuwe idee van God en de nieuwe opvatting van het lijden geboren, die in de waarachtigste en ver-hevendste der profetien bloeide, en kwam ook de laatste en hoogste phase der voorbereiding van Israel voor de komst des Konings. Na deze voorspellingen moest nog veel gezegd worden, maar er zou geen hooger waarheid gesproken worden, totdat „de eeniggeboren Zoon , die in den schoot des Vaders isquot; optrad „om Hem te verklarenquot;.

-ocr page 229-

III.

DE MENSCH EN GOD.

De eeuwige God zij u eene woning\', en van onder eeuwige armen. Deut. 33 : 27-

Deze woorden zijn bijna de laatsten, doch beboeren ook tot de merkwaardigsten van den Psalm, die zoo gepast beschreven wordt als „de zegen, met welken Mozes, de man Gods, de kinderen Israels gezegend heeft voor zijn dood.quot; Zij drukken een der verhevenste geloofswaarheden uit, een waarheid, die Mozes zelf had verwerkelijkt aan het hof van Pharao, op den top van den Sinai, in de overijlde vlucht, en bij de kalmte en heerlijkheid van het Goddelijk aangezicht. Hij had zijn werk geeindigd ; de wet was gegeven, de woestijn doorgetrokken, het goede land in het gezicht, en nu moest hij nog maar door de hand Gods naar de hoogte van Nebo geleid worden, om vandaar de groote eeuwigheid in te gaan. De stem, die hij zoo goed kende en beminde, had tot hem gezegd: „Klim op den berg Nebo en sterf op dien berg, waarheen gij opklimmen zult, en word vergaderd tot uwe volken*. Dat was een liefelijk en weldadig bevel voor de vermoeide ziel van den ouden man. Hij had een lang leven achter zich; en nu

-ocr page 230-

DE MENSCH EN GOD.

het reizen moe en afgetobd, zou hij in zijn rijpe herfstsche-mering ondergaan

,,Gelijk de morgenster, die niet verzinkt In \'t zich verdonkrend west, noch zich ontglansd In \'t dreigend wolkenheir gaat bergen; maar versmelt In \'s hemels stralend licht.quot;

Maar, voor dat hij nadert tot het punt der verdwijning in het eeuwige licht, rust hij een wijle om het volk te zegenen; en wanneer hij aan de grens staat tusschen tijd en eeuwigheid, voelende dat zijn ziel in Godes handen is, en zijn lichaam nog in gemeenschap met de menschen, uit hij deze waarheid van het hoogste en heiligste gewicht: „de eeuwige God zij u eene woning, en van onder eeuwige armen.quot;

De dood van Mozes komt mij bizonder schoon voor — een ideale dood. Daar alleen in de stilte van den Nebo, ver verwijderd van de betraande oogen of de gesmoorde stemmen, de bezorgde blikken en droevig-ernstige gelaatstrekken van geliefden en aanverwanten, zonder het gewoel van menschen of de nevels der stad tusschen hem en den hemel — opgewacht door engelen, geleid door God — zoo werd zijn ziel ontkleed, en ging de sterveling over tot onsterfelijkheid. Dat was een dood zonder pijn, een dood door God — die hem op Zijne wijze vermocht te beschikken — aldus besteld, een vliegen van het hoogste punt der aarde naar het naaste punt des hemels. Het roemrijkste sterfbed op aarde was Golgotha, daarna Nebo, omdat de Christus, die op het eene en Mozes, die op het andere stierf, beide veeleer vielen in de handen des Vaders dan in de smarten des doods. Te sterven als Mozes stierf, met God alleen naast zich, voor zich een sluimerende aarde in haar zomerpracht en met een hemel boven zich van sterren schitterende, terwijl de ziel geopend is voor

216

-ocr page 231-

EEN IDEALE DOOD.

de ongedachte heerlijkheden der eeuwigheid — dat mag wel de laatste, hoogste zegen schijnen, die eenen sterveling verleend wordt. En die dood of een gelijksoortige zal aan iederen mensch gegeven worden, die leeft in het geloof, waarin Mozes heenging om te sterven. „T)e eeuwige God zij u eene woning en van onder eeuwige armen.quot;

Deze woorden na, doen eene stof aan de hand, die de aandachtige beschouwing overwaardig is: de geestelijke beteekenis van het eenvoudigst en oorspronkelijkst godsdienstig geloof, het geloof in een God, die persoonlijk en eeuwig is. Het is billijk, dat wij ons dit onderwerp aantrekken, daar wij ons bevinden \'op het gebied van hetgeen het oud-testamentisch geloof kan genoemd worden. Er is geen waarheid in den godsdienst, die zoo zeer tot haar wezen behoort en haar grondslag uitmaakt, als het bestaan en bet karakter van God, maar er is niets zoo onwaarschijnlijk als een godsdienst, die geen andere waarheid heeft, waarop of waaruit hij gebouwd zou /.iin, als een naakt en afgetrokken Theisme. Het oud-testamentisch geloof, wat het ook ware, was meer dan dat, was veel te saamgesteld en profetisch om zoo te kunnen worden verklaard; aan geheel zijn historisch bestaan toch lag zijn onmetelijk levend Godsbewustzijn ten grondslag. Zonder dit zou het nooit zijne taak vervuld of zulke mannen voortgebracht hebben, of de geschiedkundige voorbereiding en grondslag geworden zijn van den godsdienst des Nieuwen Testaments. Maar onze wijzen en vormen van aanbidding, de rijker taal en bestanddeelen van ons geestelijk leven, neigen er vaak toe om ons den onderbouw, waarop onze godsdienst rust, den bodem, waaruit ons leven opgewassen is, te doen vergeten. En daarom is het gepast nu en dan af te dalen tot de wortels, en te vragen : wat beduidt ons geloof in God?

217

-ocr page 232-

DE MENSCH BN GOD.

218

Welke waarde heeft Hij voor godsdienst en leven? Afge-sclieiden van het geloof in God, weet ik niet waar de mensch menschelijkheid of geluk kan vinden. Met God, gekend als een bewust en alles omvattend Vader, weet ik niet hoe de mensch zich ongelukkig of verlaten zou voelen. Wij kunnen het blinde toeval niet aanbidden. Indien wij geloofden dat wij bij toeval ontstaan, en omgeven waren van wezens en gebeurtenissen, evenzeer bij geval voortgebracht, en dat wij ten slotte weder toevallig omkomen zouden, dan mochten wij wel in onverschilligheid leven en in wanhoop sterven. Evenmin kunnen wij een eeuwig noodlot vereeren. Indien wij dadhten dat een vreesselijke, ijzeren, onbarmhartige noodzakelijkheid onze ellenden veroorzaakte, onze teleurstellingen bepaalde, onze weeklachten en tranen bespotte, dan konden wij terecht het gevoel hebben van het opgesloten dier, welks eenige verlichting daarin bestaat, dat het zijn kop te pletter stoot tegen de muren zijner gevangenis. Maar ons geloof kent noch het blinde toeval noch een ijzeren noodlot, maar eenen God, die tevens Vader is, uit wiens boezem wij zijn voortgekomen en tot wiens hart wij terugkeeren. Wij begeeren niet aan Hem te ontkomen — wij zouden niet willen, al konden wij. Hij alleen is goed; en aan Hem te ontkomen zou hetzelfde zijn als te ontkomen aan de oneindige goedheid, om in handen te vallen van het volstrekte kwaad. Dewijl wij de Zijnen zijn en Hij de onze is, kunnen wij niet van alles beroofd worden; want in God zijn de goeden, de waren en de gezegenden allen te zaam gevat. En zoo kunnen wij dan wel nederge-worpen worden, maar niet verlaten; bedroefd worden en toch altijd blijde zijn; arm zijn en tegelijkertijd velen rijk maken; sterven, en ziet wij leven, want „de eeuwige God is ons eene woning en van onder eeuwige armen.quot;

-ocr page 233-

het theïsme godsdienstig maae geen godsdienst. 219

I.

1. Voordat wij nu de geestelijke waarde van dit eenvoudig en oorspronkelijk geloof vermogen te schatten, moeten wij het geloof-zelf een weinig in oogenschouw nemen. Wat meent een mensch, als hij zegt, „ik geloof in God?quot; De uitdrukking „Godquot; is zeer uitzetbaav, in staat om zich te vernauwen zoodat hij aan den geringsten inhoud voegt, en te verwijden om den ruimsten te vullen. Zij schijnt een zin te hebben, dien de eenvoudigste geest begrijpt, terwijl zij voor den diepsten het Symbool wordt van gedachten, te hoog om uitgesproken, te onmetelijk om begrepen te worden. Maar ofschoon dat woord voor verschillende geesten zeer verschillende dingen beteekenen kan, daardoor wordt evenwel zijn beteekenis niet\' onwerkelijk. Het staat daar als het zinnebeeld van het beste en hoogste Wezen, dat de mensch vatten kan, terwijl zijn denkbeeld van het Wezen rijst met zijn voorstelling van het goede en het verhevene. De begrippen der menschen, die het eerst het wezen, dat zij aanbaden. God noemden, binden de laatste niet; het woord kan blijven, terwijl zijn inhoud gewijzigd en, als het ware, veranderd wordt van de eene trap van heerlijkheid tot de andere. Maar terwijl latere ideen die, welke vroegere eeuwen uitdrukten door het woord God, overtreffen kunnen, zij putten het denkbeeld niet uit; dat het woord vertegenwoordigt. Het symbool heeft zich verwijd naar hun gedachte, gelijk het firmament zich verwijd heeft voor den teleskoop, door bij zijn uitzetting geheimen te openbaren, waarvan men tevoren niet gedroomd had, en zulke oneindige uitgestrektheden van ruimte zulke heirlegers en verscheidenheden van sterrengroepen, van werelden achter werelden te vertoonen, dat de verbeelding met de verhevenste bewondering vervuld wordt. Met het

-ocr page 234-

DE MENSCH EN GOD.

woord te schrappen wordt de waarheid niet te niet gedaan; die is den geest te zeer aangeboren, om daaraan ontvreemd of uitgedreven te kunnen worden door een daad van den wil. De idee van den Allerhoogste is de allerhoogste idee, die haar rechten niet slechts bevestigt door te leven waar zij ter dood veroordeeld was, maar door een souvereinen invloed uit te oefenen op alle poging en voortbrengsel der gedachte. En daarom moesten de scholen, die het bestaan Gods ontkenden, haar toevlucht nemen tot het ijken van belemmerende en plaatsvervangende uitdrukkingen als „substantiequot; of „krachtquot;, „de onbekendequot; of „de onbewustequot; ten einde haar stelsels begrijpelijk voor de rede of aannemelijk voor het geloof te maken. Inderdaad is dat oorspronkelijke geloof, dat het woord „Godquot; vordert om zich uit te drukken, zoo onvervreemdbaar, zoo onlosmakelijk-zaamgeweven met de geringste theïstische theorien, dat dikwerf de laatste moeie-lijkheid der wijsgeerige kritiek bestaat in de beslissing, of een stelsel, dat geen God kent, geen God heeft om kenbaar te zijn. De natuur, in hare wijsheid, ontdekt op snedige wijze dat, wat de menschen houden voor opienlijke ontkenningen, slechts verwarde en vermomde bevestigingen zijn.

Wij behoeven ons hier niet bezig te houden met een van deze schoolsche ondergeschoven namen voor God. Toch is er iets dat wij niet onopgemerkt mogen voorbijgaan — hoe weinig een dezer namen, of eenige verbinding daarvan, in de ziel en het geweten des menschen, de plaats van God kan innemen; hoe weinig zij, in de verhevenste oogenblikken welke het belangrijkst zijn voor den godsdienst, den geest voldoen konden of de hartstochten van mensch of volk beteugelen. De onbekende is een abstractie, die de mensch niet vermag te aanbidden, die nooit een zedelijke Heerscher zijn

220

-ocr page 235-

SCHOOLSCHB NAMEN VOOR GOD.

221

kan, die het gezag van wetgever en rechter over de menschen uitoefent. Om iets voor het gebied des geestes te zijn, moet het iets worden, dat het verstand erkent; wat daar geen plaats verkrijgt, is zonder invloed of bestaanswerkelijkheid. De menschen kunnen van den Onbekende nooit zeggen, wat zij voor eeuwen van God gezegd hebben; dat „Hij liefde isquot; of dat „Hij rechtvaardig is en de gerechtigheid lief heeft,quot; of dat „Hij moet aangebeden worden in geest en waarheid.quot; En toch zijn dit voor den godsdienst allereerste noodzakelijkheden, want wat geen liefde heeft, kan geen liefde opwekken ; wat geen rechtvaardigheid bezit, kan bij niemand rechtvaardigheid teweegbrengen. Wat wij niet als geest of waarheid begrijpen kunnen, kan van ons noch oprechtheid noch waarheid van ziel vorderen. Nog minder kon iemand de Kracht aanroepen met „Onze Vader, die in den hemel zijt,quot; of spreken van de ondoorgrondelijke Macht, die de oorzaak aller verschijnselen is, als van den G-enadige en Barmhartige, Goedertierene en Getrouwe. En deze zijn toch de eigenlijke elementen, die aan de uitdrukking God haar kracht geven. God tot het verpersoonlijkte goed maken, tot de bewuste en vrijwillige bewelda-diging des heelals. Hoe meer de mensch verheven en zuiver godsdienstig geworden is, des te minder heeft hij gedacht aan den Schepper, te meer aan den Vader, te minder aan den Almachtige, te meer aan den God, die hem omgeeft; wiens handen zijnen geest nabg, wiens oogen op zijn wegen waren, uitziende, hoe hij hem \'t best uit de duisternis tot het licht zou voeren. Een groot dichter, wiens woorden even geliefd zijn bij de letterkundigen als door de mannen der wetenschap, zegt ons dat „het eeuwig vrouwelijke ons steeds aantrekt;quot; dat is, de liefde, de schoonheid, de teedere en machtige bekoorlijkheid , in de ideale vrouw verpersoonlijkt, is een onop-

-ocr page 236-

DB MENSCH EN GOD.

houdelijke bezieling voor den man, wekt hem op tot bewondering, ontsteekt in hem de liefde. Maar daar is een term, die de eeuwige vrouwelijkheid en oneindig meer omvat, de term eeuwige Vader of in zijn eenvoudige en schoone omschrijving: „God is liefde.quot; Beroof de natuur van een alom-tegenwoordigen God, en gij berooft haar van alles, dat zedelijk, ethisch schoon en waar is. Wat de zedelijkheid wegneemt uit de natuur, de orde onder welke wij leven en arbeiden, neemt haar weg uit den mensch; en zonder haar is de mensch inderdaad arm. Een, wiens aanspraak op onze vereering het rechtmatigst is, dacht, dat des menschen grootste ellende was om „zonder God in de wereld te zijn,quot; want zonder Hem kon er alleen zegevierend kwaad, en verslagen, overwonnen goed zijn. De hoogste waardigheid, de edelste hoop des menschen berust geheel op het bestaan van God, want zonder Hem kan er geen onsterfelijkheid zijn, geen belofte van dat wassend heil, dat het onsterfelijk voortbestaan alleen begeerlijk kon maken. De menschheid is slechts in staat zich in haar heerlijkheid te openbaren, wanneer zij zich bewust wordt van haar gelijkenis met God en de mogelijkheid dat zij Hem steeds naderbijkomen zal. Zonder een menschdom, dat doordrongen is van de idee der Godheid, zal een ideale menschheid nooit verwerkelijkt worden.

2. Doch wij moeten meer in bijzonderheden treden. Wanneer wij over God spreken, denken wij dan aan Hem als een persoonlijk wezen, een vrije en zelfbewuste wil? Laat \'t mij ronduit belijden, dat \'t mij voorkomt dat persoonlijkheid te gelijkertijd het meest fundamenteel en het noodzakelijkst, en toch het laatste en moeielijkste bestanddeel is in onze voorstelling van God. Zonder haar is Hij hetzij opgelost in het heelal, of verdampt tot een bloot verstandelijke afgetrokkenheid; maar

222

-ocr page 237-

IS GOD PERSOONLIJK.

met haar, schijnt hij omgord van beperkingen , aangetast in zijne Oneindigheid en Volstrektheid. Het moge, op het standpunt der speculatieve redeneering, gemakkelijk zijn een onpersoonlijk God aan te nemen, van het standpunt van \'t godsdienstig zelfbewustzijn ware een onpersoonlijk God niets. Hij kan dan eenvoudig als Verstand gedacht worden; doch zonder vrijheid, en de verantwoordelijkheid missende, die de vrijheid in zich sluit, is het verstand beroofd van al zijn majesteit en bevalligheid, en wordt tot een door noodwendigheid voortgedreven mechanisme, dat juist moge werken maar noch goed noch wijs kan zijn. Indien God onpersoonlijk is, kan Hij geen hart hebben verteederd door liefde ; geen wil, bewogen door gevleugelde barmhartigheid, bestuurd door de groote gerechtigheid, die de orde bemint en met het individu handelt naar zijne verbindingen met het geheel; geen genadig doel voor het heelal, noch krachten, die daarin werkzaam zijn tot tot opbeuring van den moederlooze, en die hem bijstaan in zijn droevige worsteling met het kwaad. En een onpersoonlijk God beduidt een genoodzaakt mensch, geschapen en geregeerd door, wat hij wet moge noemen, maar wat onverbiddelijk noodlot is. In tijden van zegevierenden vooruitgang mogen de men-schen van noodzakelijkheid spreken en zich deswege te meer schijnen te verblijden, maar in tijden van tegenspoed en droefenis wordt noodzakelijkheid de moeder der wanhoop, wordt haat aan het leven de sterke troost van hen, die gelooven, dat zij gedwongen worden om te leven. Pessimisme is geen godsdienst, en een almachtig bewerker des kwaads is geen God.

De menschen zeggen — „God te omschrijven als een persoon, is Hem beperken, Hem beschouwen als niet oneindig noch volstrekt, maar gebonden en betrekkelijk, opgesloten binnen een individualiteit, verwant met die eens menschen.quot; Is dit zoo? Welke

223

-ocr page 238-

DE MBNSCH EN GOD.

224

zijn de wezenlijke bestanddeelen van een persoon? Twee: zelfbewustheid en wil; of de wetenschap een wezens dat hij is, dat hij weet, dat hij handelt en redenen heeft voor zijn handeling; en de macht van vrije of onmiddellijke of eenvoudig redelijke keuze. Waar deze zijn, daar is een persoon; waar deze ontbreken is alleen een ding. Persoonlijkheid is eenvoudig het vermogen tot_een geordend en redelijk gedrag, hetzij dat besta in het beheerschen van een wereld of het regelen van een leven. Aldus verstaan, sluit zij in geenerlei wei-kelijken of redelijken zin beperking des bestaans in zich, niet meer althans, dan de eigenschappen van denken en uitbreiding de Substantie van Spinoza beperken, dan het proces van evolutie en terugkeer het Absolute van Hegel beperkt. Er zijn geen denkbeelden, die men zich minder persoonlijk en begrensd voorstelt, dan die van „Wef en „Kracht.quot; Wet is overal, eeuwig als het zijn; het heelal kan niet zonder haar wezen, zonder haar kan de stof niet werken, of de natuur een der verwonderlijke dingen doen, welke zij ieder oogenblik volbrengt. Maar wet is orde, orde is eenvoudig uitgesproken rede ; en het geopenbaarde is niet oneindiger dan de verborgene oorzaak, de voortbrengende rede kan evenmin beperkt worden als de voortgebrachte. Ook de kracht wordt gezegd universeel te zijn, onverwoestbaar, voortbestaand, onophoudelijk, overal werkende en altijd aan het werk. Wanneer de kracht aldus beschreven wordt, is zij geen beperkte kracht, veeleer is zij, aldus algemeen gemaakt, oneindig en volstrekt geworden. En wat de kracht niet begrenst, kan den wil, die haar zedelijkgelijke is, nog minder begrenzen. Want een algemeene blinde kracht, die in de duisternis de heerlijkste dingen volbrengt, die zonder zedelijk karakter of hoedanigheden moreele plannen en oogmerken bewerkt, is nog minder te begrijpen dan een algemeene wil, die, in de natuur zoowel

-ocr page 239-

DE PERSOONLIJKE GOD OOK ETHISCH.

als in de mensch, zijn eigen hooge en zelfbewuste doeleinden vervult. Universeele kracht is universeele wil; wat orde bewerkt en ordelijk in zijn werking is, heeft rede achter en in zich. Indien dan zelfbewustheid en wil, uit welke twee de persoonlijkheid opgebouwd is, als algemeen kunnen begrepen worden, behoeft de persoonlijke God niet anders, dan als volstrekt en oneindig, opgevat te worden. Ja, laat ons nu stoutweg verklaren, dat Hij zonder persoonlijkheid niet volmaakt zou zijn. Zaligheid kan alleen bestaan waar zelfbewustheid is; een God ,die zich niet van zich zeiven bewust was, ware een onzalige God en de niet-zalige is onbekwaam tot zegenen.

3. Maar de persoonlijke God moet ethisch zijn ; de wil, die tegelijkertijd zelfbewust en souverein is, moet ook zedelijk zijn. De vereeniging van het bovennatuurlijke en ethische, de overeenstemming van de wezenlijke werkzaamheid en het zedelijk karakter en de werking Gods was eens vooral door het Hebraïsme ondekt en geopenbaard. Wat dit, van de geschiedkundige zijde, voor den godsdienst beteekende en door dezen voor den mensch in de geschiedenis, is aireede onderzocht ; hier hebben wij met haar te doen wat hare proefondervindelijke zijde betreft, namelijk, hare waarde voor den mensch als een wezen, dat God zoekt te kennen, lief te hebben en te dienen.

God als ethisch te begrijpen, is Hem te erkennen als onzen moreelen gebieder, de bron van de zedelijke orde en den vooruitgang der wereld. Hij is goed, en de bron van al het goede dat bestaat. Hij bemint de orde, die Hij instelt; wat haar verbreekt haat Hij. Hij kan, ja, als zedelijk wezen moet Hij, verdragen, dat het kwaad er is, maar alleen opdat Hij daartegen strijde met al de hulpmiddelen en krachten zijner natuur-

15

225

-ocr page 240-

DE MENSCH EN GOD.

Hier is het nu, dat wij het wezenlijk onderscheid aanraken tusschen een zedelijke orde of wet en den persoonlijken God. In een onpersoonlijke orde is geen vermogen tot zedelijk initiatief, om nieuwe bronnen en voorwaarden van het goede te scheppen. Wet kan alleen werken op hetgeen is, niet scheppen wat behoorde te zijn. Noodzakelijkheid verbetert niets ; zij verbreekt wat haar in den weg staat, maar verlost geen mensch of staat. Eene leer als die van het Buddhistisch Karma, waaide wet zoo onverbiddelijk is dat het leven ingeweven is in een keten van noodwendige daden en gevolgen, of haar verwaterde Engelsche vertaling „de stroom der neiging, die zich naar de rechtvaardigheid uitstrektquot; moge een goede leer zijn voor een wereld van braven, waar alle handelingen, doordien ze heilig waren, gelukkige gevolgen moesten hebben : maar geen leer kon minder edelaardig, armer aan hoop en troost zijn voor een toestand waar goed en kwaad vermengd is. Wat de mensch in zulk eenen staat noodig heeft is, niet slechts geloof in een Eeuwige, die de gerechtigheid liefheeft en bewerkt, maar in een Eeuwige, die de menschen liefheeft en voor hen het goede zoekt, hen van achteren en van voren nabij is, hun Zijne waarheid leert, met Zijn geest vervult en helpt de rechtvaardigheid te bereiken, die zij behoeven om aan zijn beeld gelijkvormig te worden. Waar de souvereine wil geen vereeniging van liefde en rechtvaardigheid is, daar kan geen macht van zedelijk initiatief zijn, dat in het belang der menschen arbeidt, maar alleen een orde, die het recht volbrengt zonder zich te bekommeren om het onrecht. Het geloof daarin kan Stoicijnen voortbrengen, maar zal de mensch-heid vernieuwen noch verlossen.

Wanneer wij aan den eeuwigen God denken, dan denken wij aan de levende bron des goeds, werkzaam op alle oogen-

226

-ocr page 241-

DE GOD, DIEN DE MENSCH BEHOEFT. 227

blikken in al wat leeft. Hij is gerechtigheid, maar evenzeer liefde; Hij is waarheid, maar evenzeer genade. Zijn karakter bepaalt zijn doeleinden. Zijn doeleinden rechtvaardigen zijn wegen. Zijn daden passen bij Hem, doch zijn niet overeenkomstig onze. verdiensten, maar met Zijn eigen karakter en plannen. Hij doet ons niet naar onze zonden, maar volgens Zijn genade en in overeenstemming met Zijn eigen bedoelingen. Niemand is voor God een afgezonderd individu, maar een eenheid binnen een machtig geheel, bemind als een persoon maar behandeld als een, wiens bestaan noodzakelijk geacht werd tot volmaking van het heelal, en geoordeeld door de bedoelingen van Hem, die het heelal wil volmaken. En de mensch die in God gelooft, gelooft in Eenen die hem van eeuwigheid beminde, wiens liefde hem in het aanzijn riep, hein een plaats aanwees en toebereidde in het stelsel dat Zijn wijsheid ordende en Zijn wil handhaaft. Hij weet, dat, te midden van al de schaduwen, droefenissen en ellenden des levens, beneden hem en om hem henen „Eeuwige Armenquot; zijn.

II.

Nu wij bij benadering een begrip verkregen hebben van wat het is in God te gelooven, moeten wi) de geestelijke waarde van dit geloof trachten te bepalen. In zijn geheelen omtrek genomen zou het een zeer ruime stof om te bepalen zijn, daarom moeten wij de grenzen aangeven, waar binnen wij ons hebben te bewegen. Wij beperken onze beschouwing hier tot den mensch, gelijk hij leeft te midden van de onzekerheid en droefenissen van den tijd, als een wezen, dat vooruit en terug ziet, dat zijn zwervende gedachten naar de eeuwigheid, die achter hem, zijn hoop naar de eeuwigheid, die voor hem is, zendt,

-ocr page 242-

DE MENSCH EN GOB.

en tocli niet weet wat elke dag of ieder oogenblik kan aanbrengen. Voor den mensch, aldus beschouwd, is geloof in God van een gansch oneindige godsdienstige beteekenis.

1. Zyn behoefte aan den eeuwigen God blijkt maar te duidelijk. Zwak en sterfelijk, gevoelt de mensch zich een zeer hulpeloos wezen. Geboorte en dood zijn sterker dan hij; hij is het voortbrengsel van de eerste, het slachtoffer van de tweede. Hij komt uit een verleden eeuwigheid voort, in dewelke hij geen bewust bestaan had; hij moet naar een eeuwige toekomst, waar hij zijn zal — hij weet niet wat. Dit kleine zelfbewuste heden is al wat hij bezit, alles wat de zinnen ontdekken of het verstand ontsluiten kan. De geest kan de eenzame droefenis van dit korte leven zien, voelen, en uitzien naar de oneindigheid van ruimte en tijd, zich hun grenzenloosheid en ^ijn eigen onbeduidende persoonlijkheid verwerkelijken, totdat hij het gevoel krijgt van een kleine zelfbewuste ster te zijn, die daar eenzaam vonkelt in een oneindige uitgestrektheid. In oogenblikken waarin het denkbeeld dezer oneindigheid, slechts als zoodanig, mij vervulde, voelde ik mij als iemand, die stond op een smalle pilaar, hoog opgericht in de ruimte, met een donker zwerk boven mij, rondom een grenzenlooze uitgebreidheid, beneden een bodemlooze ai grond . . ., en ik duizelde . . . totdat de ziel in de wanhoop der grootste verlatenheid riep tot den eeuwigen God, Zijn aanschijn daarboven en Zijne eeuwige armen beneden.

Uit het bewustzijn dezer zwakheid, uit deze grootste verlatenheid, gekend in een levende wereld, in oogenblikken van de hoogste beproeving, ontstaat onze behoefte aan God. Wij maken het leven niet, en kunnen den dood niet ongedaan maken; en indien, binnen het gansch heelal, niemand machtiger is dan wij, wat blijft ons over dan de ellende der hoop, die

228

-ocr page 243-

GOD OM EN IN ONS,

slechts verblindt om te misleiden? Wat is dan ons leven anders dan een glans, die beter niet geweest ware, glijdend over het gelaat van een akelige, eeuwige donkerheid! Deze oneindigheden van ruimte en tijd zijn gelijk grenzenlooze woestijnen, zwijgend en ledig, totdat zij gevuld zijn met een persoonlijken God en Vader; maar zoodra Hij in en door hen leeft, worden zij voor ons warm, levend en trillend, gelijk harten die kloppen met eindelooze wisseling van aandoening, die tot mij snelt en zich baan breekt in een muziek van menigvuldige lachen en tranen. Het zwerk omhoog is dan niet langer de ruimte met fonkelende sterren ; maar die ruimte is gevuld, rondom de sterren, om en door de wereld, in en naast iederen afzonderlijken mensch is God, dagelijks ons aanrakende, ons steeds liefhebbend, ons leven en aanzijn gevende in Zichzelven. Die eeuwigheden achter en voor ons, zijn niet langer duister, ledig, of, op zijn best, een akelijke keten van verschijnen en verdwijven; zij zijn een levend liefhebbend God, van wien •de mensch uitging en tot wien hij wederkeert. En die eeuwige God maakt alle dingen vast, rustig en gezegend. Geen oogenblik kan er zijn, noch hier noch hiernamaals, waarin God niet is; daarom kan de goede mensch in niet één oogenblik anders dan gelukkig zijn. Aan gene zijde des doods is niet buiten het bereik van God. Hij is daar zoowel als hier; daarom, hetzij wij leven of sterven „de eeuwige God is onze toevlucht en onder ons zijn eeuwige armen.quot;

2. \'s Menschen betrekking tot dezen eeuwigen God bepaalt zijn geestelijken toestand. Deze ons omringende en al-doordringende God, onze toevlucht, aan wiens boezem wij liggen, ook wanneer wij het \'t minst droomen, is voor onze ziel, wat de natuur is voor het dierlijk en plantaardig leven. Dieren en planten leven slechts in zoover de levenskrachten der na-

229

-ocr page 244-

DE MBNSCH EN GOD.

tuur binnen hun organisme arbeiden, en zich vereenigen met. de bestanddeelen waarop zij betrekking hebben; zoo leeft ook de mensch slechts, wanneer de geestelijke waarheden in God tot zijn ziel overgaan, en opgenomen worden in de stof van zijn bestaan. Een plant of dier dat dood is, is iets dat geen levende aanraking heeft met de natuur, onbekwaam om van de krachten, die daarbuiten spelen, het voedsel te ontvangen, dat zij bestemd waren te geven, niet in staat om van zijn aangeboren functies gebruik te maken, van de leven-stroomen te drinken, die de milde natuur alom uitstort over alle ding dat leeft. Zoo is een doode ziel zoodanig eene , die buiten sympathetisch verband met Grod is; die wel omringd is van de eeuwige waarheden in God, doch welke haar binnenste niet bereiken omdat de levende aanraking werd wederstaan, en de ontvangende en verwerkende functies stilstaan. Geen ziel blijft in een dooden of verlamden toestand uit gebrek aan goddelijke invloeden, die het leven wekken moeten, maar alleen en steeds uit oorzaak van zijn eigen bepaling, om haar niet in zijn wezen te ontvangen en in zich op te nemen.

De smarten, die den mensch overkomen en in botsing komen met zijn huisselijk geluk of maatschappelijk genoegen, kunnen evenwel, als bevorderlijk tot meer vertrouwelijke en levende verbindingen met God, werkelijke zegeningen zijn al zijn ze verborgen. De plant, die in een vruchtbare en begunstigde plaats van den bof ging verwelken, heeft vaak geleefd en gebloeid in een rustig en beschaduwd hoekje. Waart gij den hovenier tegengekomen, toen hij de plant, met haar verscheurde en bloedende wortels, overbracht naar zijn nieuw bed, gij zoudt hem wellicht gesmaad hebben om zijne mishandeling van iets dat u lief was; of hadt gij haar gezien, kort

230

-ocr page 245-

GOD NEIGT ZICH TOT DEN MEVSOH. 281 \'

nadat zij was overgeplant met neerhangende en verflenste

bladeren, gij zoudt hem misschien verweten hebben dat Lij

oorzaak was van haren dood. Maar wacht totdat zij haar

wortels diep in den nieuwen, geschikten grond ge- |j

slagen heeft; en de plant, die kwijnde en bijna gestorven was

in den schitterenden zonneschijn, bloeit liefelijk op onder

de zachte en zedige schaduw. Zoo heft God ook menigen

geest op uit den grond en het gezelschap, dat hem liefgewor-

den was en brengt hem ver weg van den hartstocht des levens

en de geliefkoosde verbindtenissen van het verleden, opdat

hij in inniger verband met Hemzelven mogen staan en met ii

aanvalliger bloesems getooid worden. \'

Wat de mensch noodig heeft voor deze vertrouwelijke en sympathieke betrekking is een doorgaand bewustzijn van de dagelijksche tegenwoordigheid van den eeuwigen God als de wezenlijke dampkring, waarin de ziel leeft, beweegt en haar bestaan heeft. Daarna zijn twee werkingen noodzakelijk, eene van God tot den mensch. en een andere van den mensch tot God. De werking Gods is één in daad en in wezen, hoewel •

menigvuldig in vorm en openbaring. ... zij is liefde. Er is goddelijke en algemeene waarheid in het gezegde van den psalmist: „Uwe liefde heeft mij groot gemaakt.quot; Al \'smen-schen grootheid komt door Gods goedheid. Indien Hij vertoornd ware, onze geesten zouden voor Hem bezwijken, maar Hij blijft genadig en vandaar dat wij voortbestaan. „Gelijk zich een vader ontfermt over zijn kinderen, alzoo ontfermt zich de Heer over degenen die Hem vreezen.quot; Zijn hart, zoo grenzenloos als de ruimte, zoo oneindig als de eeuwigheid, klopt van genade; en dat de eeuwige God ons omringt beteekent niets anders dan dat de mensch gehuld is in eeuwige liefde. Evenals het licht moet zijn waar de zon is, zoo moet

-ocr page 246-

DE 3IENSCH EN GOD.

ook liefde zijn in de tegenwoordigheid Gods; en gelijk de zon al is zij onzichtbaar toch gevoeld wordt, zoo kan ook de menseh al is hij zich van God niet bewust, toch de invloeden die van de goddelijke tegenwoordigheid uitvloeien niet buiten zijn ziel sluiten. Als de aarde haar aangezicht tot den nacht en de sterren gekeerd heeft, wordt zij toch door de vlammende handen der zon ondersteund; en de mensch wordt ook in zijn geestelijken nacht in de armen der Eeuwige Liefde gedragen. En indien het niet veel meer binnen dan buiten hem nacht ware; leed hij niet veeleer aan blindheid dan aan duisternis, de mensch zou, zelfs in zijn smartelijksten nacht, de sterren boven hem op zich zien nederblikken als tienduizenden van Godsoogen vol vriendelijkheid en mededoogen. Zoowel de booze als de goede mensch staat in de liefde Gods, maar nu is deze liefde bij den één geheel buiten hem, en bij den ander evenzeer binnen als buiten, dat maakt een gansch oneindig verschil. Hij, die zich van de goddelijke liefde, zoowel binnen als buiten hem, bewust geworden is, leeft in den eeuwigen God en heeft het leven van den Eeuwige in zich verwerkelijkt. „Dit is het eeuwige leven dat zij ü kennen, den eenigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.quot;

Maar laat ons van den anderen kant niet vergeten, dat de beweging van den mensch tot God even noodzakelijk is als de beweging van God tot den mensch. l)e eene zoowel als de andere is een beweging van liefde; nochtans met onderscheid. De goddelijke ontferming beweegt zich naar omlaag tot alle menschen; maar alleen uit kinderlijke harten klimt menschelijk vertrouwen op tot God. Het Yaderschap is algemeen ; maar slechts waar het zoonschap bewust verwerkelijkt is, kan de geest roepen: „Abba, Vader!quot; Zijn liefde-

232

-ocr page 247-

DE MENSCH ONDEE GODS BESTUUR. 233

rijke goedheid daalt op ons gelijk het zonlicht bij dag, opdat onze zielen zouden opstijgen tot Hem gelijk een brand bij nacht. Als de mensch zich bewust is van G-od en zijn hart en armen, waarmede hij ons omvat, berust bij daarin en maakt er gebruik van in zijn uren van zwakheid en droefenis. De goddelijke Vader is niet dezelfde voor alle vrome lieden; Hij is voor sommigen meer een dagelijksche tegenwoordigheid meer een blijvenden vriend; en dit sterker gevoel van God ontstaat uit een sterker behoefte aan en bewust opnemen van Hem in de ziel. Leegten in \'t hart zijn dikwerf slechts kamers daarin, die gereinigd en versierd zijn om God te ontvangen, en zijn tegenwoordigheid verheerlijkt op eenmaal de aldus toebereide kamer, en werpt een zacht licht achterwaarts over het verleden en een schitterende hoop vooruit in de toekomst. Indien het mogelijk ware een vrome ziel te leiden tot het bewustzijn van slechts twee wezens — eerst en bovenal van God, en vervolgens slechts zwak van zich zelve — dan ware het mogelijk, die ziel te begiftigen met het hoogste geluk waarvoor een schepsel vatbaar is; en hoe meer iemand tot dit bewustzijn nadert, des te meer zal hij gezegend zijn. Ja, voorwaar, hij is gelukkig, die kan zeggen: „wat mij aangaat, zie, ik zal uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met uw beeld als ik zal opwaken.quot;

3. De waarheden en beginselen, die wij erkenden, dienen toegepast te worden op den mensch, gelijk hij is in den tijd, en hij zijn zal in de eeuwigheid.

Eerst op den mensch in den tijd. En hier merke men op dat de tekst niet van een transcendentale of speculatieve leer van Mozes spreekt, maar eenvoudig van een feit zijner ondervinding. De Eeuwige God is zijn toevlucht geweest. Hij had beter dan de

-ocr page 248-

DE MENSCH EN GOD.

meeste mensohen de uitersten van weelde en armoede, maoht en zwakheid, overvloed en gebrek gekend. Hij had de eenzaamheid gekend te midden van de vreugden en heerlijkheden van een hof, toen \'t schitterendste der aarde; hij had het goddelijk verkeer genoten op de brandend heete en verlaten hellingen van den Horeb. Hij wist wat Pharao hem goeds doen kon en het ergste wat hij tegen hem vermocht, en had bevonden dat beide oneindig weinig beteekenden. Hij had het in al zijn vreeselijke en bittere vormen gesmaakt, wat het was de beminde en de gehate, de vertrouwde en gewantrouwde, de geëerde en gesmade leider te zijn van een muitziek, oproerig en onbestendig volk. Hij had de waarheid en den schijn, de droomen en teleurstellingen, de werkelijkheid en de illusie des levens gelijkelijk ondervonden; en de groote waarheid, die onder alles rust, kracht en troost gegeven had, was „de eeuwige God mijn toevlucht, en van onder eeuwige armen.quot;

Wat onszelven betreft — laat ons immer bedenken, dat de kracht en de troost des levens evenredig zijn aan de diepte en innigheid van ons bewustzijn van den alomtegen-woordigen God. Het heelal in geen van zijn deelen, de tijd in geen van zijn afdeelingen kunnen voor ons eenigen schrik hebben, zoolang wij weten dat de oogen van den eeuwigen Vader over onze geesten en op onze wegen zijn. Als kind heb ik dikwerf gebeefd bij het oversteken van de binnenplaats van een eenzaam gelegen landmolen in den avond. Ieder klein voorwerp, door maan of sterrelicht vertoond in andere dan de natuurlijke afmetingen, was een bron van vrees, scheen gestalten te verbergen die, voor het kinderlijk vleesch en bloed, schrikwekkend waren. Maar indien mijn kleine hand in de groote hand mijns vaders lag, kon ik die binnenplaats even opgeruimd en zorgeloos bij avond doorgaan als midden op

234

-ocr page 249-

DB MENSCH IN GODS HOEDE.

den dag. Zoo worden ook, als onze geesten gelegerd zijn in de handen van den eeuwigen God, die boven, rondom en voor ons is, de duistere plaatsen van Levea, Dood en de groote Eeuwigheid licht; en vertrouwende, waar wij niet kunnen zien, zijn onze voetstappen vast, terwijl wij anders zouden wankelen en struikelen. Zonder God is het leven zonder beteekenis of doel, maar met God heeft het leven een oorsprong, plan en bestemming. Misschien hebt gij eens een schip, dat door weer en wind gezweept en door de golven geteisterd was, met gespannen touwwerk en verscheurde zeilen, onder begroeting en handgeklap van de kust, beantwoord door blijde maar afgetobde harten aan boord, langzaam maar veilig de haven zien binnenkomen. Zóó keert de vertrouwende ziel tot God terug. Maar laten wij ons voorstellen een schip, waar gelasterd en gedronken werd en een noodlottige sluimering zich meester maakte van de bemanning, zoodat het zonder compas, zonder voorraad, zonder touwwerk om de druipnatte zeilen vast te maken en uit te spannen, van de haven wegdrijft den nacht en den storm tegemoet, waar het niet dan een akelige en volkomen ondergang kan vinden. Alzoo drijft de mensch, die zonder God is, van ellende tot ellende. De Eeuwige is onze eenige toevlucht; zonder Hem is zonder hoop te zijn.

Maar wederom is het noodig te worden opgemerkt, dat de beproevingen en verdrietelijkheden van ons leven beoordeeld moeten worden naar haren invloed op onze ontvankelijkheid voor God en onze bewuste beweging naar Hem toe. Wat ooit onze natuur verruimt, of wel in haar een ledig maakt dat meer plaats overlaat aan Hem, moge een beproeving schijnen, maar is een zegen. Wat God geeft neemt Hij nooit terug. Vrienden, eens de onzen, blijven de onzen voor eeuwig.

235

-ocr page 250-

DE MENSCH EN GOL).

Zij vervullen onze harten omdat zij met ons leven, en daarin wonen; en wanneer zij sterven, verliezen wij hun tegenwoordigheid in onze huizen, maar henzelven behouden wij in onze harten als in een kast. Onze dooden sterven voor ons nooit. Als zij uit ons gezicht weggenomen en begraven zijn, geeft God ze ons terug, niet lichamelijk maar geestelijk, om in onze zielen voor altijd te leven. En in die geestelijke tegenwoordigheid is God: als die blijft, blijft Hij ook. Onze geliefde en geheiligde dooden zijn kanalen, waardoor de goddelijke invloed komt, om onze bevatting en bewustheid van God te verbreeden. Naarmate zij Hem ten volle toebehooren en tot Hem gaan, heeft het tijdelijke minder beteekenis, maar het eeuwige des te meer. En zoo is het ons, wanneer wij den heuvel des levens bestijgen en de vrienden ons onderweg pntvallen, even als den reiziger, die bij het beklimmen van den bergkant terwijl de aarde zich voor hem uitbreidt, ondervindt dat de afzonderlijke voorwerpen voor hem verdwijnen maar de hemel het oog en uitzicht zijner ziel vervult. Het leven is dan voor ons wat Nebo voor Mozes was; en onze God, gelijk zijn God, geeft ons een toevlucht in zijn ,Eeuwige armen.quot;

Laat mij u een gelijkenis verhalen: Een koning plantte eens in zijn hof een schoonen rozenstruik, en verzocht zijn hovenier dien te bewaken en te verplegen, opdat zijn bloemen zoo schoon en liefelijk mogelijk werden. Het boompje groeide en bloeide, en schoot van jaar tot jaar bloesems uit van velerlei schoonheid. Maar het bracht zooveel scheuten voort en vormde zooveel knoppen, dat juist door zijn vruchtbaarheid de hoedanigheid van zijn bloemen dreigde te zullen leiden. Zoo verwijderde dan de hovenier de loten, snoeide de knoppen weg, totdat de struik over al zijn leden scheen te bloeden wegens de wonden en de pijn; doch

236

-ocr page 251-

GOD, \'S MENSCHEN TEHUIS.

de wonden heelden; het sap en de kracht kwamen die knoppen, welke gespaard waren, tea goede, en toen de zomer gekomen was, zagen de rozen er schooner eri bekoorlijker uit dan ooit — van alle plant des hofs waren zij het, die \'t meest in \'t oog vielen en gedragen werden naar het paleis van den groo-ten koning om zijn galerijen en zalen te vervullen met heerlijke, welriekende geuren.

God schenkt ons liefde, en Hij leent Een pand, waarvoor het harte slaat,

Dat, werd zij sterk, Hij haar ontneemt;

En liefde alleen g-elaten staat.

Maar zij staat dan alleen opdat zij de eene volmaakte band tusschen het menschelijke en goddelijke worde ; de welriekende offerande, waarin God behagen schept, de heerlijke schoonheid, die den mensch voor altijd tot een bron en zetel van vreugde maakt.

2. Pas nu deze waarheden ook toe op den mensch in de eeuwigheid. Zoowel hier als daar is God in ieder punt of oogenblik daarvan; aldus kan de mensch, die in Hem gelooft, nooit anders dan gezegend zijn. De sterrekunde heeft ons in staat gesteld te begrijpen, hoe Gods tegenwoordigheid in deze wereld en Zijn zorg voor elk individu daarin, Zijn hand en Geest nooit hebben onttrokken aan de tienduizend werelden en stelsels, die de verrekijker ontdekt heeft. Zoo weet dan ook het geloof, dat gelijk God, in den tijd, ,de schat der ziel\'\' is, Hij, in de eeuwigheid, „de bron van haar voornaamste vreugdequot; wezen zal. Het schepsel is uitputbaar; het heelal, al is het onmetelijk, moet dus ook uitputbaar wezen in de genietingen, die het aan een onsterfe-

237

-ocr page 252-

DE MENSCH EN GOD.

lijke ziel biedt; maar de oneindige God moet voor de zielen, die in zijn armen rusten, een eeuwigdurende fontein van geluk blijven. Onze dooden zijn in Gods hoede. Voorwaar, zij zijn bij Hem beter geborgen dan bij ons. En ofschoon in oogenblikken, waarin wij ons krachtig bewust zijn van ons verlies, de kreet van onze lippen mocht komen:

„O ! voeld\' ik nog- eenmaal de hand, nu verstijfd,

Mocht \'khooren de stem, die nu stom is!quot;

zullen wij toch, gedachtig dat onze dooden Gode leven, ons hartzeer verzachten door het geloof in:

„Dien God, die altijd lieft en leeft;

Eén Heer, geloof, en rijksgebied,

En een verwijderd, grootsch verschiet,

Waar heel de schepping henen streeft.quot;

En zoo wordt ons geloof in God onze hoop op onsterfelijk leven in en met Hem. Wordsworth heeft een verheven Ode geschreven over de „voorgevoelens der onsterfelijkheid in herinneringen uit de kindsohe jaren.quot; Achter de Ode staat een geschiedenis. Een „klein meisjequot;, dat over de dooden slechts kon denken als over levenden, gaf het plan aan de hand.

„Wat kan, daarbuiten, :t schuldloos kind,

Met rozen op de frissche kaken,

Daar \'t niets dan leven in zich vindt,

Van dood of sterven maken

Het kon er niets van weten, ondervinding had de natuur nog niet weersproken, en „de Hemel ligt rondom ons in de jeugd want

238

-ocr page 253-

EEN NIEUWE ODE OP DE ONSTERFELIJKHEID.

Geboort is ons een slapen, slechts een schimme;

De ziel, die in ons rijst, ons\' levensster Ging elders reeds ter kimme,

En nadert ons van ver.

Niet zonder iets te weten Noch als geheei vergeten.

quot;Wij komen op der englen wiekgesuis Van God, Hij is ons t\' huis.

En wat nog zoo pas van God gekomen is, denkt zooals God denkt; in zijne voorstelling zijn leven en onsterfelijkheid natuurlijk, de dood niet. Maar de Ode heeft een gezellin noodig, eene , die ons de onsterfelijkheid profeteert, uit de hoop van den christelijken ouden dag. Het kleine kind, zoo even van God gekomen, kan over den dood slechts denken als over een vorm van leven; de bejaarde heilige, op het punt tot Hem weder te keeren, kan den dood alleen begrijpen als een „naar huis gaan.quot; De een heeft-in zijn ziel het licht der heerlijkheid, zoo pas verlaten ; de ander, dat van de heerlijkheid die weldra zal verkregen worden. De gewijde ouderdom is een tweede en heilige kindsheid — het eind des levens keerde terug tot zijn begin — de herinnering des eenen veranderde in het leven des anderen; de hemel, die den kinderleeftijd omgeeft, drong door de ervaring naar binnen in het eigenlijk weefsel en wezen des geestes. Een leven, in gemeenschajj met God, is niet te vergeefs geleefd. Hij, die met God leeft, ontdekt zijn verwantschap met Hem; weet dat zijn wandel met de menschen kan ophouden, maar dat hij eeuwig met en voor zijn Vader zal zijn. Bemind te worden dooiden Eeuwige, en dat te gevoelen, is de verzekering te hebben dat Zijn eeuwigheid de onze zal wezen; te gelooven dat wij bronnen van vreugde voor Hem zijn is hetzelfde, als te weten dat wij voor altijd in Hem zullen juichen. Onze hoop

239

-ocr page 254-

DE MENSCII EN GOD.

240

der onsterfelijkheid wordt daarmee niet gebouwd op het instinkt en het vooruitgrijpen der menschelijke ziel; hij spruit zegevierend en vertrouwend voort uit ons geloof in Hem, die ons zoo zeer bemint, dat Hij ons niet zal verliezen uit Zijn liefde; want ons te verliezen, zou zijn Zijn hart te berooven van zijn vreugde. Zijn hemel van zijn gelukzaligheid. Gezegend is die oude man, die het onbewuste vertrouwen van zijn kindsche jaren heeft omgezet in het welbewuste geloof van den gerijpten en gelouterden leeftijd : „De Eeuwige God is mijn toevlucht, en onder mij zijn eeuwige armen.quot;

-ocr page 255-

DERDE GEDEELTE.

I. DE JEZUS DER GESCHIEDENIS EN DE CHRISTUS DES GELOOFS. II. CHRISTUS IN DE GESCHIEDENIS. III. DE RIJKDOM VAN CHRISTUS\' ARMOEDE.

-ocr page 256-

„Set is kenmerkend voor de almacht der goddelijke natuur dat zij haar werken moet voltooien en zich zelve openharen door eenin oneindig uitwerksel Maar geen bloot schepsel kan gezegd worden een oneindig uitwerksel te zijn. daar het door zijn natuur zelf eindig is: in het werk der vleeschwording alleen schijnt er eene oneindige uiting der goddelijke mackt te zijn, die in het feit der menschwording Gods, dingen, die oneindig van elkaar verwijderd waren, vereenig d heeft. In dit werk dus vooral schijnt het heelal voltooid te zijn, door de vereeniging van het laatste schepsel — de mensch — met het eerste heginsel — God\'\' Thomas v. Aquino Summa,quot; Deel ITT, Ques. 1. Art. 3.

„Er is een soort van wederkeerige verwisseling, waardoor deze vaste namen God en Menscli, als wij van Christus spreken leurtelings elkanders plaats innemen, zoodot het voor de juistheid der taal, geen verschil maakt of wij zeggen dat de Zoon Gods de wereld geschapen heeft en de Zoon des mensrhen haar door Zijn dood gered heeft; of anders, dat de Zoon des mensehen haar schiep, en de Zoon Gods stierf om de wereld te behouden.

Indien er derhalve gevraagd wordt mat de persoon van den Zoon Gods verkregen heeft, hij het aannemen van de mensclielijke natuur, is voorzeker de geheele som van alles dit dat hij. evenals wij, een echt. merkelijk en natuurlijk mensch was; waardoor Rij bekwaam gemaakt is lol lager diensten dan zijn persoon anders kon hebben toegelaten; het eenig gewin, dat Hij daardoor voor ich zeiven bejaagde, was in staat te zijn om te verliezen en schade te lijden tot heil van anderen.quot; Hooker. „Ecclesiastical Politv.quot; Boek 5. §§ 53, 54.

„De grondvesting van de christelijke maatschappij en de voortgang aer kerk leidde tot de ontwikkeling van die afe/etrokken beginselen, welke het christendom voor he: wereldlijk r/ehied veilir/ stelt, vooral voor die zijde daarvan welke betrekkinq heeft op hef zelfbewustzijn des menschen. JT\'ant het godsdienstig leven vooronderstelt de geestelijkheid van \'s menschen natuur en zijn vatbaarheid om aan dat leven deel te verkrijgen, daar de vatbaarheid tot het leven staat als Sóvafiti tot èjépyeca. Door het Christendom wordt de mensch in zijn wezen als persoon erkend, en dit is de reden, waarom de slavernij aan zijn geest qeheel tegenovergesteld, en in en door hetzelve veroordeeld ts. flrint. volgens het christelijk begrip, is de mensch een voorwerp van de genade en het plan Gods; God wil dat alle menschen zalig worden. Derhalve heeft de mensch geheel a fgezonderd, van alle hitondere voorwaarden, tn en voor zich zeiven, eenvoudig als mensch, oneindige waarde; en het ts juist deze oneindige waarde, die alle bizondere aanspraken, uit geboorte of land voortkomende, opheft. Hegel „Philosophic der Geschichtequot; pag. 345 .(ed. 1837.)

-ocr page 257-

I.

DE JEZUS DER GESCHIEDENIS EN DE CHRISTUS DES GELOOFS.

..Jezus Christus die geboren is uit het zaad van David naar het vleesch, die hrachtelijk bewezen is te zijn de zoon van God, naar den geest der heilig making nit de opstanding der doodenquot; Kom. 1 : 1-4..

Het Christendom is gebouwd op Christus. Hij schiep het en houdt het in stand. Zijn bloed was het zaad er van, en zijn Geest heeft zijn bloesem voortgebracht. Zonder Hem zou het nooit geweest zijn, zonder Hem zou het niet kunnen voortbestaan. De stichter is verbonden aan den godsdienst als God aan de wereld; in beide gevallen wordt de transcendente betrekking tot eene immanente; de schepping wordt voorzienigheid — wat enkel scheppende werkzaamheid was wordt daarna een voortdurende en blijvende. De persoon van zijn schepper is tegelijkertijd de levenskracht en eerste moeilijkheid voor ons geloof: zijn levenskracht, dewijl hij als het ware het hart Gods levend en doorschijnend

-ocr page 258-

244 DE JEZUS DER HISTORIE EN DE CHRISTUS DES GELOOFS.

voor het aangezicht des menschen plaatst, en daardoor de goddelijke liefde tot de innigste werkelijkheid maakt voor menschen, zwak van aard en aan de zinnen gebonden; zijn eerste moeilijkheid, omdat hij binnen de vormen en voorwaarden der natuur een Persoon, en dientengevolge een stelsel, invoert welke in wezen bovennatuurlijk zijn. Het staat als een eenvoudige daadzaak vast dat \'s menschen geloof in het vaderschap Gods de onmiddelijke schepping van Christus is, waaraan, afgescheiden van zijn zoonschap, nooit\' gedacht wordt, en dat geen beteekenis noch werkelijkheid hebben zou als \'t niet door het zoonschap gezien of verklaard werd. Diepere kennis van den zoon heeft geleid tot betere kennis van den Vader, en hoe nader de menschen zich bij Christus hebben aangesloten, des te meer hebben zij de oneindige teederheid en genade Gods gevoeld. Maar deze geschiedkundige Persoon heeft evenzoo hardnekkige kwesties opgewekt, namelijk hoe zulke groote dingen op zulk een nederige wijze konden volbracht worden, en hoe zij waar en de onveranderlijke natuurorde een werkelijkheid zijn kon ; ja, de werkelijkheid, die voor den modernen geest aan alle andere werkelijkheden ten grondslag ligt, en die waarborgt of wettigt. De Christus der geschiedenis brengt de hoofdkwestie van den godsdienst van boven, uit de wolken der bespiegeling, naar de wereld der harde, prozaïsche en aan onderzoek onderworpen feiten, en dat is een gevaarlijke standplaats zoowel voor zaken als personen, die niet zijn wat zij schijnen. De kritiek moet over allen, die daar staan, handelen en spreken, te ijveriger naarmate zij buiten • gewone aanspraken maken op het geloof en den eerbied aller menschen en tijden; en het heldere of bleeke licht, dat zij nu en dan schept, stelt deze doorborende en meedoogenlooze blikken, welke er vermaak in vinden om de geduchte geheimen

-ocr page 259-

EEN PERSOON ZONDER WEDERGA.

van het verleden op te delven en belijdenis af te leggen van zijn vergeten misdaden, in staat om het tijdperk of den persoon op te zoeken, waarin zij vallen. Dat Jezus Christus zoo lang gestaan heeft te midden van deze brandende lichten en nieuwsgierige oogen, legt een welsprekend getuigenis af aangaande de hoedanigheid van zijn persoon en de waarachtigheid van zijn karakter. De liefde op aarde heeft tot Hem opgezien, totdat zij goddelijk; de gedachte des menschen heeft Hem bestudeerd, totdat zij eerbiedwaardig geworden is. De koelste kritiek wordt met eerbied vervuld als zij voor de hoogste Persoonlijkheid der historie staat en bevindt dat Hij tevens het hoogste Goed des menschen is.

De stelling van Christus is inderdaad buitengewoon, eenig. Hij staat alleen, een Persoon zonder weerga. Hij is de né-derigste der menschenkinderen, spreekt van zich zeiven „als zachtmoedig en nederig van hartquot;; nochtans zoo eenvoudig en ongedwongen, alsof het de huiselijkste en gewoonste zaak ware, beschrijft Hij zich zeiven als den volstrekt-eenige, die den Vader kent; als het Licht der wereld, het Leven der wereld, den Verlosser en Eechter der menschen. En zijn hoogste aanspraken voegen Hem zoowel als zijn nuchterste taal. Zijn verhevenste woorden treft men aan onder de eenvoudigsten, zij komen Hem van de lippen zonder inspanning, zonder eenig besef dat Hij van zichzelven dingen getuigt, die te hoog zouden zijn voor een waardige bespreking. Er is een openheid, een zonnige eenvoud of fijn gevoel voor de natuur bij Hem, ook als Hij de stoutste uitdrukkingen bezigt, of op zich zeiven de goddelijkste namen toepast. Wij kunnen Hem niet vergelijken met de stichters der historische godsdiensten, want de vergelijkingen konden slechts een reeks van tegenstellingen zijn. Er bestaan inderdaad maar drie algemeene godsdiensten, die

245

-ocr page 260-

246 DE JEZUS DEE HISTORIE EN DE CHRISTUS DES GELOOFS.

van Mahomed, Buddha, en Christus. De eerste en de laatste kan men niet te zamen bespreken ; de geschiedkundige waarheid zal niet gedoogen dat zoowel de stichters als de godsdiensten vergeleken worden. Met Buddha kan het een ander geval schijnen. Gezien door de overleveringen van zijn volk, was hij een schoone geest, vroom, teeder, vol groote liefde, bezield met de edelste geestdrift voor de menschheid, elk oogenblik geneigd om zich op te olferen, ten einde de smart der wereld op te heffen of te verlichten. Het Buddhisme heeft vele schitterende deugden, zachtmoedigheid, vriendelijkheid, liefde voortgebracht en groote bekoring geoefend. Maar de vergelijking wordt op elk punt een funda-menteele tegenstelling. Buddha heeft geen godheid; \'t Buddhisme is nergens universeel; het moge een godsdienst zijn, die zendelingen heeft, of aanvallend te werk gaat, maar het is geen godsdienst, die het ideaal des menschen op wekt en bevredigt, door hem gelukkiger en volkomener te maken en vooruit te brengen. De godsdienst van Christus bezit een ondoofbare hoop, die van Buddha een volstrekte wanhoop. Christus kwam om den Vader te openbaren, van wien wij komen, tot wien wij gaan en in wien wij leven; maar Buddha openbaart slechts een ledigen hemel, een wereld zonder een goddelijk hart, dat kan bloeden voor haar smarten of haar zonden vergeven, voorzien alleen van een zedelijke orde om haar lotgevallen te besturen, haar misdrijven te straffen en — wat voor haar slechts een minder kwaad of mildere vorm van kastijding is — haar deugden te beloonen. Jezus heeft het leven lief, brengt het leven en de onsterfelijkheid aan het licht, door de duisternis des doods te maken tot de schaduw van den eeuwigen dag; maar Buddha haat het leven, gelijk het nu is, en altijd zijn zal, denkt dat de

-ocr page 261-

DE SÏ1CHÏEU EN DE GODSDIENST.

hoogste zegen is daaraan te ontkomen om in te gaan in een altoosdurend en onpersoonlijk rusten. Buddha\'s godsdienst is wel medelijdend maar niet menschelijk, hij is treurig en teeder gestemd over het leed des menschen; maar hij verlevendigt zijn moed niet, richt dien niet op, be/ielt hem niet. Zijn verspreiding is de ondergang der menschheid, de dood der deugd, die den mensch maken tot den ijverigen volbrenger der gerechtigheid, den beminnaar der vrijheid, den bewerker van orde en vooruitgang. De godsdienst van Christus is het tegenbeeld van dit alles; en waar de godsdienten zoo verschillen, hoe kunnen hun stichters vergeleken worden? Daarom herhalen wij dat Jezus Christus geen gelijke heeft. Hij staat alleen. Van de grondleggers der groote geschiedkundige godsdiensten kan \'t gezegd worden, dat zij verschillen in heerlijkheid als de eene ster van de andere; maar van Hem, die den eenigen algemeenen godsdienst stichtte, moeten wij zeggen: Hij is de zon, wier opgang den hemel van sterren berooft, door dien met licht te vervullen.

Deze opmerkingen nu, leiden tot een zeer gewichtige kwestie, namelijk de betrekking tusschen den persoon van Jezus en Zijn godsdienst. Het christendom vooronderstelt den godsdienst van Israel, en is voortgekomen uit den boezem van het Judaisme, maar het is door Jezus Christus gemaakt, het leeft, en doet zijn werk in de wereld door geloof in Hem. Het belichaamt de theïstische denkbeelden van Israel, evenwel is zijn God veel meer dan de God der voornaamste profeten. Het heeft de priesterlijke en ethische ideën van het Judaisme opgenomen en vergeestelijkt, evenwel zijn zijn begrippen van wet en plicht, zijn idealen van gehoorzaamheid en aanbidding, zijn waarheden betrekkelijk den mensch en de menschheid van een anderen geest en orde dan die, welke aan den

247

-ocr page 262-

248 DE JEZUS DER HISTORIE EN DE CHRISTUS DES GELOOFS.

godsdienst der Joden bekend waren. Al wat het onderscheidt van hetgeen voorafgaat en daarnaast gevonden wordt, is het verschuldigd aan Jezus Christus en aan het geloof in Hem, aan Zijn stichter en aan hetgeen van Zijn stichter geloofde. De betrekking van Christus tot het christendom houdt een onmetelijke reeks van kritische, historische en wrjsgeerige kwesties in zich besloten; maar de ééne, die ons hier heeft bezig te houden, betreft enkel de persoonlijkheid en haar scheppende werking op den godsdienst. Zoo begrensd, zijn er twee punten ter bespreking; het eene betreft den persoon des stichters, het andere de wijze, waarop Hij geleefd heeft in, en gehandeld door de maatschappij en den godsdienst, dien Hij stichtte; of, om de stof op andere wijze te bepnlen, ons onderzoek heeft zich in te laten met den Christus der geschiedenis en den Christus in de geschiedenis. Wij hebben ons voor-loopig alleen met het eerste te bemoeien.

I.

In betrekking tot dezen machtigsten en wonderbaarlijksten onder de personen, die het leven van ons geslacht gedeeld hebben, zijn er twee onderscheiden en, vooi-velen, onvereenigbare gezichtspunten: het geschiedkundige en het ideale, of wel de Persoon, gelijk Hij in de sfeer der werkelijkheid leefde, en de Persoon, zooals Hij op het gebied des geestes leeft. Vandaar spreken wij van den Jezus der historie en den Christus des geloofs. „De Jezus der historiequot; is de maker of bewerker van onzen godsdienst in zijn daadwerkelijk geschiedkundig wezen, zooals Hij leefde, handelde en sprak onder de menschen. „De Christus des geloofsquot; is deze Jezus, gelijk Hij door den godsdienst gemaakt is, gelijk Hij bestaat voor het denken en het

-ocr page 263-

HOK STAAN ZIJ TOT ELKANDER?

geloof van Zijn kerk. Nu is het hier voor ons de vraag, welke de betrekking is tusschen deze twee? Door welk proces, of op wat wijze is de een tot den ander geworden ?

1. Misschien kan het goed zijn om, bij den aanvang van het onderzoek, ons eenigzins duidelijker en omstandiger uit te laten over de tegenoverelkaar geplaatste volzinnen, die wij zooeven gebruikt hebben. Welaan dan, met den Jezus dei-geschiedenis bedoelen wij den historischen Persoon genaamd Jezus van Nazareth, voor zoover als zijn leven, daden en woorden de stof der opgeteekende historie uitmaken. Dat Hij van joodsche afkomst was, van armoedige geboorte, zonder beschaving, gelijk men daarover toen en nu denkt; dat Hij als een Galileesch landman leefde; bleef zooals Hij was opgevoed zonder maatschappelijken of offioieelen rang; dat Hij een onderwijzer werd, die Zijn godsdienst en volk trachtte te hervormen, zonder evenwel ooit in het minst te naderen tot de methode en beweegredenen van den staatkundigen patriot, drijver of revolutionnair; dat Hij gevolgd werd door een handvol onbekende visschers, verworpen tollenaars en slecht befaamde vrouwen; dat Hij niet geloofd werd en verworpen werd door de officieële hoofden zijns volk, op godsdienstig en politiek gebied — de priesters, wetgeleerden en oversten; dat Hij, op volwassen leeftijd, na een werkzaamheid van twee of hoogstens drie jaren gekruist is onder Pontius Pilatus; dat Hij uit het arme troepje, aan hetwelk Hij zijn beginselen geleerd had, een maatschappij samenstelde, die Zijn dood wel verre van haar op te lossen, verbreedde tot de Christelijke Kerk. omdat door haar Zijn leeringen uitgewerkt werden tot-de waarheden van den christelijken Godsdienst; — dit alles staat vast genoeg, wordt niet betwijfeld door de meest twijfelzuchtige kritiek, en behoeft dus voor ons ook geen vraagstuk

249

-ocr page 264-

250 DB JEZUS DEU UISTOKIE EN DE CHRISTUS DES GELOOFS.

te zijn. Op zulke nuchtere wijze beschouwd, schijnt het wel dat men niet gemakkelijk ergens een leven vinden zou, dat minder uitzicht had op algemeene beteekenis, of een persoon, die minder aanspraak had op altoosdurenden roem en invloed, of blijvende herscheppende en verbeterende kracht. Maar wij moeten Hem zoo ontkleed beschouwen, opdat wij Hem mogen zien, gelijk Hij toeschijnt aan de zoogenaamde Historische Kritiek.

De Christus des Greloofs schijnt een ander en een zeer verschillend persoon. Hij staat voor ons met den stralenkrans van al de eigenschappen der Godheid, en oefent de hoogste werkzaamheid Gods uit, juist daardoor dat Hij de natuur des menschen aan zich draagt. Door Hem werden de werelden gemaakt. Hij is het beeld van den onzichtbaren God, de Logos of het woord, dat van den beginne bij God was, en vleesch werd om onder de menschen te wonen. Omdat zijn geboorte een vleeschwording was, was Zijn dood een offer dat den mensch verloste, en door het geloof in Zijn dood komen de menschen in het bezit der gerechtigheid Gods en worden erfgenamen van het eeuwige leven. Ofschoon Hij stierf, is Hij evenwel niet dood; Hij stond op uit het graf en voer ten hemel, waar Hij als de Groote Hoogepriester volkomen behoudt allen, die tot Hem gaan, en als Koning van Zijn volk regeert, opdat Hij al zijn vijanden aan zich zou onderwerpen. Zijn gezag is zoo verheven en algemeen, dat alle menschen daaraan onderworpen zijn; Hij is de rechter van levenden en dooden, en iedereen moet voor zijn rechterstoel verschijnen, om geoordeeld te worden naar zijn werken.

Het contrast tusschen den Jezus der geschiedenis en den Christus des geloofs schijnt dus groot genoeg, om terstond de vraag te doen rijzen: hoe kon van den een de ander worden ?

-ocr page 265-

HET HISTORISCH EN BEËEL VERBAND.

Door welke werking werd deze historische persoon bekleed met deze buitengewone en goddelijke hoedanigheden? Welk verband bestaat er tusschen den nederigen Jezus van Nazareth en den goddelijken Christus des geloofs? Werd dit te weeggebracht en bevestigd langs den weg van mythische vergoding of volgens redelijke verklaring? Werd de bekleeding met zulke goddelijke eigenschappen volbracht door een reeks van gelukkige gissingen, of sterke idealizeering van de scheppende verbeelding, of door een ware en redelijke, dat wil zeggen, een noodzakelijke beweging van den geest? Dit zijn onze vraagpunten en het zou in \'t algemeen moeilijk wezen er eenigen te vinden, die van meer nabij het hart des geloofs raken, dat iu de kerken leeft, en waardoor de kerken leven.

2. De kwesties zijn historisch, nochtans omsluiten zij beginselen, die boven de geschiedenis uitgaan, en haar loop en ontwikkeling beheerschen. Hier hebben wij ze te behandelen van hun historische zijde, terwijl wij slechts hier en daar, voor zoo ver noodig is, op de ten grondslag liggende beginselen acht zullen slaan. Voor dit geschiedkundig gezichtspunt nu, is één ding noodzakelijk, dat wij de betreffende personen voor zedelijke houden, die hun best doen om als eerlijke verstandige wezens te handelen. Dit eerste beginsel maakt het volstrekt onnoodig om te redetwisten met lieden, die gelooven kunnen of denken te gelooven, dat Jezus de geest was van het vleeschgeworden priesterschap, of dat zijn discipelen personen waren, die overeengekomen hadden Hem anders voor te stellen dan zij wisten of dachten dat Hij was. Menschen, die zoo kunnen denken, zijn van zoo groot eene bijgeloovigheid, dat men niet met hen kan redeneeren. Dat een of andere arglistige of bedriegelijke geest eeuwenlang den eerbied der menschen

251

-ocr page 266-

252 DE JEZUS BEB HISTORIE EN DE CHRISTUS DES GELOOFS.

zou kunnen opwekken hun lot bepalen, hen bewegen tot de edelste daden van zelfverloochening en opoffering is een zuivere onmogelijkheid. De tijd is rechtvaardig en mee-doogenloos in zijn rechtvaardigheid jegens afgoderij. De mensch is dikwerf dwaas, maar hij is niet zinneloos bij voortduring, hetgeen hij wezen zou, indien hij instaat ware zóó aaneen leugen te gelooven dat hij, door zijn geloof daaraan, wijzer en beter werd, en hij haar uit dankbaarheid verheerlijkte. Neen; wat Jezus ooit zijn moge, een werkelijkheid was hij. Wat in dienst der gerechtigheid leeft en arbeidt moet rechtvaardig zijn; Hij, die den mensch trouw gemaakt heeft aan zijn ideaal, moet zelf uit de waarheid geweest zijn. En, zooals het met den meester is, zoo is het ook met de leerlingen — de hoedanigheden, waarmede zij Hem bekleedden waren voor hen niet verdicht, maar zeer wezenlijk; zij drukten hun innigst geloof uit, van wat zij waarlijk begrepen dat Hij was, niet slechts wat zij wenschten, dat men omtrent Hem gelooven zou. De dingen waarover wij handelen zijn wezenlijk men-schelijke overtuigingen; maar of \'t ook overtuigingen omtrent werkelijkheden zijn, dat is het punt dat beslist moet worden.

3. Nu is het duidelijk, daar de vraag van historischen aard is, dat onze eerste schrede moet zijn, zoo dicht mogelijk bij den daadwerkelijken Jezus der geschiedenis te komen, om, als het ware, in zijn levende tegenwoordigheid te staan van aangezicht tot aangezicht Hem ziende, gelijk Hij in Galilea leefde, vóór dat Hij omkransd werd met de eigenschappen dei-bovennatuurlijke Goddelijkheid. Maar dit is geen lichte zaak. De vrijste kritiek is vaak slechts de handlangster van onderstellingen, die haar vrijlaten om te ontkennen wat zij loochenen, niet wat zij bevestigen. Dogmatisme is niet een zwak-

-ocr page 267-

DE CHRISTUS DER KRITIEK EN DER ROMANTIEK. 253

heid in \'t bijzonder theologen eigen; ook de antitheologische geest kent haar zeer wel. Strauss, en na hem Baur en de Tü-hinger school begonnen hunne kritiek van het leven van Jezus met de onderstelling, dat wonderen onmogelijk zijn; en zoo moesten dan niet enkel de daden, maar ook de persoonlijkheid teruggebracht worden tot de verhoudingen, welke hun eerste beginsel eischte. Dat besliste de geheele zaak van te voren; al wat der kritiek overbleef was de geschiedenis in overeenstemming te brengen met de stelling, waarvan zij uitging. De natuur, in engeren zin, is niet het eenig veld voor wonderen: de menschheid is er evenzeer een. Een wonder kan zoowel belichaamd zijn in een persoon als in een daad, en te zeggen „het; geloof in iemand is iets onaannemelijks,quot; staat gelijk met de bewering, dat men den persoon, die hier het onderwerp van studie uitmaakt, niet mag toestaan het gemeene lot en de gewone levensvoorwaarden der menschheid te hebben overschreden. Maar, indien dat zoo is, valt er niets te zeggen; de kwestie, die dan alleen overblijft, geldt den beoefenaar der zielkunde, en luidt: hoe kwamen de menschen er toe, te gelooven gelijk zij deden ? niet wat geloofden zij en op welke gronden? Ook was deze eerste onderstelling niet het eenige, dat der vrije kritiek belette oin de feiten en den persoon van nabij te leeren kennen; het gebouw, dat daarop verrees, was een middel van verdonkering. De mythische theorie^ toegepast door Strauss, bezat noch de methode, noch de beginselen der wetenschap; zij kon de geschiedenis elke taal laten spreken, die haar behaagde, kon de stelligste feiten even gemakkelijk onvast maken als de meest fantastische droomen; en waar zij gestreng toegepast werd, liet zij alles verward, dubbelzinnig en onbestemd, niets vast of zeker. Ook was haar houding tegenover de boeken en schrijvers van het Nieuwe Testa-

-ocr page 268-

254 DE JEZUS DEE HISTOKIE EN DE CHRISTUS DES GELOOFS.

ment zeer gewelddadig; ten einde tijd te vinden voor de werking der dichtende sage, moest zij het getuigenis van den apostelkring en van de oudste, meest echte en gewichtige der apostolische brieven terzijde stellen. Een geschiedkundige theorie, die gebouwd is op het wantrouwen of de volslagen verwaarloozing van de voornaamste bronnen der historie, moge eene theorie der verbeelding zijn maar wetenschappelijk is zij niet. De Tübinger school, met haar tendenz-theorie, was niet gelukkiger. Zij kon zekere letterkundige verschijnselen verklaren ; zij kon de historische feiten niet verklaren, welke de mannen schiepen die de letterkunde voortbrachten, en zij heeft ze ook niet verklaard. De verschillen tusschen Petrus en Paulus zijn van bizonder belang voor den levensbeschrijver maar zij baten ons niet om de overtuigingen te vatten, die zij gemeen hadden, en de gebeurtenissen, die hen maakten tot de mannen die zij waren. De tegenwerkingen en de naijver der bizondere en algemeene partijen in de kei-k heffen de merkwaardige trekken in den persoon en het leven van Christus niet op. want de merkwaardigste zijn die punten waar zij overeenstemmen, niet waar zij verschillen. De neigingen en partijschappen der apostolische eeuw te gebruiken om Christus te verklaren, in plaats van door Christus haar te verklaren, dat is de oi\'de der geschiedenis omkeeren; wij komen tot het begrip van de onderscheiden richtingen door Hem, niet tot het begrp van Hem door de richtingen. Evenmin vinden wij een eklektische en zelfzuchtige methode, als die van Eenan, gunstig voor het geschiedkundige realisme; een wezen als zijn Jezus is, leefde nooit en kon nooit leven, dan in de bladzijden der fransche romantiek. Wat voor zijn portret wordt uitgegeven, is slechts een opeenvolging van onsamenhangende beelden, geschaduwd naar de stemming van het oogenblik, niet

-ocr page 269-

DE VORMING VAN PEN PERSOON. 255 WW

\'I

bevrijd van ongerijmdheid door zijn eenige deugd, namelijk het suhoone franscli, waarin het geschetst is. Ik weet niet of er wel één verder verwijderd is van den Jezus der geschiedenis dan de Jezus van Renan.

II.

llJ

1. Laat ons dan, indien het mogelijk is, Jezus naderen zonder onderstellingen, hetzij van speculatieven, kritischen of historischen aard, alleen hegeei-ig om te ontdekken wat Hij was, en hoe Hij werd tot hetgeen Hij voor het geloof is. Wij bevinden, dat Hij een Galileesch landman is, arm en onbekend, in ieder opzicht beperkt. Opvoeding, in eenigen drage-lijken zin, was onbekend Zulk een bekrompen onderricht, als waartoe men zich toen bepaalde, ontwikkelde den mensch niet, het kon de volkshartstochten wel besturen en aankweeken, maar niet de edelaardige en schoone menschelijke hoedanigheden. Evenwel schijnt de verachtende vraag: „hoe weet deze mensch de Schriften, daar bij ze niet geleerd heeft?quot; l) te beteekenen, dat zelfs dit schrale onderwijs Hem ontzegd was. Hij moest zijn dagelijksch brood door dagelijksch werk verdienen, en de handenarbeid, vooral gelijk het Oosten haar kent, is nooit gunstig geweest voor hoogere, zelfs niet voor eenige, beschaving. die een edelen en eerlijken geest een wijden blik en verheven bedoelingen kon bijbrengen. Zijn volk was zeer uitsluitend; hun godsdienst was een afgoderij van den stam geworden, die haat voortbracht en haat opwekte. De Heiden verafschuwde den Jood; de Jood verachtte den Heiden; het verlies der vrijheid verscherpte de antipathieën van het ras; de

1) Joh. 7 :15.

-ocr page 270-

256 DE JEZUS DEK HISTORIE EN DE CHRISTUS DES GELOOFS.

vaderlandsliefde verbitterde den haat des vreemdelings, zonder dien te veredelen. De overheersching, met haar kenteekenen van hoon en beleediging, werd alom gezien: een romeinsche stadhouder zat als rechter in hun gerichtzalen; romeinsche soldaten paradeerden in hun straten en hielden hun steden bezet; romeinsche ambtenaars hieven en verzamelden hun belastingen, en romeinsche munten waren in omloop op hun markten. De godsdienst der Joden, tot welker eerbiediging de Eomein was voorbereid, liet den Jood niet toe den Romein te eerbiedigen; trouw aan de overleveringen der vaderen werd fanatisme jegens den vreemdeling, die voor een onge-loovige gehouden werd, door God verworpen. Er was in Judea niets dat verwijden, vermenschelijken kon ; het edele universalisme van Israel, in de dagen der grootere profeten, was verloren gegaan en in stede daarvan heerschte een ruw en bitter particularisme. De Romein was wereldburger geworden door zijn droom van algemeene heerschappij, haar verwezenlijking zoo nabij; de Griek, door het onderricht en de waarheden zijner wijsbegeerte; maar de Jood, die door zijn godsdienst de edelmoedigste van alle menschen had moeten zijn, had dien gemaakt tot de verheerlijking en heiliging van het kleingeestigste en onbeduidendste De mensch, omgeven van het Judaisme en gevoed door zijn overleveringen, die zijn lucht inademde zonder in de gelegenheid te wezen een anderen in te ademen, kon niet de mensch zijn voor alle landen en tijden. De natuur en de voorwaarden, waaronder hij leefde en arbeidde, verbood het.

En Jezus was door geboorte een Jood, van dezen geest en onder deze voorwaarden. Xu is het een hoofdbeginsel van elke opbouwende historische kritiek, dat een mensch beoordeeld moet worden in verband met zijn eigen land en

-ocr page 271-

BE OMSTANDIGHEDEN BIZONDER, DE PERSOON UNIVERSEEL. 257

tijd. Hij erft van zijn ouders, zijn school, zijn kameraden,

van de geheele maatschappij, waarin hij leeft en denkt, van de gewoonten en overleveringen, dichtkunst en spreekwoorden,

geschiedenis en geest zijns volks, \'t meest van de zedelijke en verstandelijke bestanddeelen, die het specifiek onderscheiden van andere typen der menschheid. Indien hij een groot denker of ontdekker is, is hij dat onder de voorwaarden die hem zijn omstandigheden aanbieden. Het genie schept niet zoozeer het nieuwe als wel, dat het het oude op een nieuwe wijze verbindt. Terwijl de levende kracht in den mensch is, zijn de voorwaarden van ontwikkeling buiten en rondom hem.

Vandaar heeft hij, ten eerste, wat hij aan zich zeiven verschuldigd is — zijn persoonlijke eigenaardigheden, en, ten tweede,

wat hij zijn land en tijd ontleent — zijn volkskarakter, dè eigenaardige soort en hoedanigheid zijner beschaving. Daarom,

terwijl schitterende verbeelding en speculatieve rede Plato\'s eigendom waren, kon hij, buiten Griekenland, nooit de wijs- ti

geer geworden zijn die hij was. De wezenlijke inhoud en de f

vorm zijner wijsbegeerte dankte hij zijner Grieksche geboorte en opvoeding, en een ontleding van de voorgaande Grieksche stelsels bewijst hoe weinig, het opbouwend vermogen uitgenomen, Plato\'s eigendom was. Evenzoo kon Baco,

die vader van de inductieve wijsbegeerte, dit bezwaarlijk .i |

in een anderen dan zijn eigen tijd geweest zijn. Een vergelijking van zijn geschriften met die van Descartes openbaart ; S een methode en wijze van denken, een betrekking op de vroegere en latere stelsels van wijsbegeerte, die zooveel gemeenschappelijks heeft, dat men dit alleen verklaren kan uit het feit dat zij beiden onder dezelfde vormende en opwekkende invloeden leefden. De ontdekkingen van Newton zouden onmogelijk geweest zijn, als hij die van Copernicus en Galileï

17

j

(f

ui

!lt;1 •s

li

li

. f

gt; i

-ocr page 272-

258 DB JEZUS DEE HISTORIE EN DE CHRISTUS DBS GELOOFS.

niet geërfd had; en een onpartijdige beschouwing van den eenmaal zoo beroemden strijd over de prioriteit van zijne of van Leibnitz\' ontdekking betrekkelijk de differentiaal-rekening zal toonen, dat, onder al hetgeen Newton eigen was, er ook veel was, dat hij gemeen had met de hoogere geesten van zijnen tijd. En wij hebben slechts van Coleridge\'s bewusten en onbewusten diefstal bij Schelling, van Hamiltons verplichtingen aan Kant, van die van Kant aan Hume, van die van Hume jegens Berkeley en Locke te gewagen, om te zien, hoe zeer de mensch in het verleden wortelt, en hoe zeer hij als denker, stelselbouwer of uitvinder gevormd wordt door overgeërfde en gelijktijdige invloeden. Vandaar dat Christus beschouwd moet worden in verband met zijn land en eeuw, opdat wij mogen ontdekken hoe veel of hoe weinig in Hem oorspronkelijk, hoe veel of hoe weinig afgeleid was.

Maar hier ontmoeten wij plotseling een buitengewoon feit, dat in volslagen tegenspraak staat met de wet, die alle opbouwende kritiek, hetzij literarische hetzij historische, voor den normalen gang van menschelijke ontwikkeling erkent. Jezus was een geboren Jood, leefde en arbeidde als een joodsch landman, zonder beschaving, zonder te reizen, zonder gelegenheid tot een verkeer, dat Hem boven de bekrompenheid, de illiberale hartstochten en veroordeelen des landmans zou hebben verheven; en daarom, als de bovengenoemde wet eenige geldigheid heeft, zouden wij in staat zijn haar hier zoo toe te passen, dat wij aantoonden dat Jezus de j schepping en spiegel van het Judaisme was. Maar dit is het juist, wat Hij niet is. Hij is de minst plaatselijke, de meest alge-meene persoon der geschiedenis, van alle menschen het minst het voortbrengsel van zijn tijd, het meest het kind der eeuwigheid. In den meest volstrekten zin, in een graad, die Hem

-ocr page 273-

DE OMSTANDIGHEDEN BIZONDER, DE PEKSOON UNIVERSEEL. 259

volkomen en uitsluitend eigen is, overscbreed Hij de perken niet enkel van zijn geboorte, maar van zijn volk en tijd. Hij bad geen joodscb kenmerk, vooroordeel of bijgeloof. Terwijl Hij gelijkelijk ontdaan was van de heidenscbe beschaving en de joodsche geleerdheid, sprak, dacht en handelde Hij in zijn eigen aangelegenbeden noch als een jood, noch ook als een heiden, maar altijd op zijn eigen manier. De jood dacht, dat haat jegens den heiden met zijn godsdienst vereenigbaar, indien niet daarin opgesloten was; Jezus dat het ware wezen van den godsdienst was de hoogste liefde tot God, en tenopzichte van den mensch een liefde gelijk aan de liefde, die wij voor ons zeiven hebben. De jood geloofde datj heilige plaatsen en ceremonieele voorschriften noodzakelijk 1 waren ter aanbidding; Jezus alleen een rechten toestand des: geestes. De jood verbeeldde zich dat Jehova de God der Hebreën alleen was; Jezus verklaarde Hem de God en Vader aller menschen te zijn. De jood dacht dat het koningrijk Gods beperkt was tot Israël; Jezus dat het bestemd was om de geheele wereld te omvatten. De jood vatte het koningrijk uitwendig en tijdelijk op; Jezus leerde dat het geestelijk en eeuwig was. De jood hechtte veel aan gebed en vasten; Jezus leerde den mensch te vertrouwen op de genade Gods. De jood beschouwde den Parizeer als het ideaal der gerechtigheid; Jezus stelde den boetvaardigen tollenaar boven hem. De jood geloofde in de zaligheid van zijn eigen geslacht alleen; Jezus verklaarde dat „God zijn zoon niet in de wereld gezonden had om de wereld te veroordeelen, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden.quot;

Natuurlijk weet ik wat er gezegd kan worden aangaande een overeenkomst van zekere voorschriften van Jezus met zekere bepalingen, die in de sc\'iolen der rabbijnen gangbaar

-ocr page 274-

260 DE JEZUS DEB HISTORIE EN DE CHRISTUS DES GELOOFS.

waren. Doch deze en dergelijke dingen zijn hier van volstrekt geen aanbelang. De fondamenteele zaak is het universalisme van Jezus zelf. Er is geen roersel of trek van Judaïsme in zijn karakter of persoonlijkheid. Hij behoort aan de menschheid, niet aan Israël. Strauss plagt te spreken van zijn „verlichten helleenschen geest,quot; maar dat was Strauss\' wijze om zijn universalisme te beschrijven, want een jood, die naar zijn wezen griek was, was geen jood. Nogtans was Hij even weinig helleensch als hebreeuwscli; hij was, voorwaar! alhoewel hij de „man van smartenquot; was, helder van ziel genoeg om de verlichtste griek te zijn — maar zijn zachte en toch zoo indrukmakende zedelijke kracht; zijn liefde voor den mensch ; de reinheid, die Hem in staat stelde _ zich onder de zondaars te mengen, zonder de bevlekking van de zonde te gevoelen ; het geduld, dat verdragen kon geslagen te worden zonder geprikkeld te worden om terug te slaan, en zoo wonderbaar vermengd met eene waardigheid, die de menschen nooit veroorloofde te denken dat zijn onthouding zwakheid was; de genade, die Hem schoon deed zijn te midden van zijn lijden ; de vriendelijke grootmoedigheid, die aan sluwe en meedoogen-looze vijanden, op het oogenblik zelf van hun onbeschaamden triomf, vergeving kan schenken, waren zoo zeer zijn eigendom, dat zij de onmiddelijke scheppingen van Zijn wil waren ; deze verhieven Hem zoowel boven den Griek als boven den Jood en maakten Hem tot het belichaamd ideaal der menschheid, den eenzamen zoon des menschen. De geschiedenis heeft dit zijn universalisme op haar eigen overtuigende wijze beleden; het ideaal der menschheid, dat Hij schiep, werd en blijft het besturend ideaal des menschen, terwijl zij de menschlievendste menschen zijn die het verwerkelijken.

2. Dit is dan de eerste merkwaardige karaktertrek van

-ocr page 275-

ZIJN UNIVERSALISME ONDER SMART VERWERKELIJKT. 261

den historisclien Jezus — Zijn zedelijk en ideaal universalisme. Door hierop den nadruk te leggen, leggen wij geen nadruk op iets dat wonderbaarlijk geacht wordt, daar wij enkel aan-teekening houden van wat onafhankelijk is van Zijn zoogenaamde wonderen, en tot het ware wezen zijner persoonlijkheid behoort. Het tweede onderscheidend kenmerk is verbonden met het eerste, doch het moet eerder in betrekking tot zijn bediening dan tot zijn geboorte beschouwd worden. Die werkzaamheid was geen helderen, vreedzamen zomer gelijk : zij was moeite en verdriec. Zij hield strijd in met de mannen, die zijn volk \'t meest eerbiedigde; veroordeeling der gewoonten en instellingen, die zij op \'t hoogst achtten. Zij bracht ook verhoudingen en omstandigheden mee, vol van de ernstigste gevaren, rijk aan de zwaarste beproevingen. Want een zedelijk rein persoon, die zich mengde onder de zondaars om hen te redden, was iets nieuws in de geschiedenis der mensch-heid, voor ieder onbegrijpelijk behalve voor de zondaars zelf. Dewijl Jezus dat deed werd hij verdacht, veracht, gehaat door de vrome deftigheid van zijn volk, en zij deden hun best, door verkeerde oordeelvelling en door uitoefening van den maat-schappelijken en godsdienstigen ban, den Zaligmaker van zondaren op te sluiten binnen de gemeenschap der zonde. Het is moeilijk zich een juist denkbeeld te vormen aangaande het gewaagde zijner stelling; de geringheid zijner geboorte, de eenvoud zijns levens, zijn onvertrouwdheid met menschen en zaken verergerden die zeer. Hij was geoordeeld door den naam „de vriend van tollenaren en zondarenquot;; werd bewaakt door ergdenkende oogen, terwijl ooren, er op uit om iets kwaads te hooren, op elk zijner woorden letten; hij werd beschuldigd van \'tkwade vanwege zijn goedheid, op ieder punt ontmoet door den tegenstand van de menschen, die voorgaven dat zij de wet Gods

-ocr page 276-

262 DE JEZUS DUB HISTORIE EN DB CHEISTUS DES GELOOFS.

het best kenden en gehoorzaamden. Hun tegenstand had weldra het meest tragisch einde. Wat de fariseën nog vreesden te doen, leverde den priesters geen gemoedsbezwaar op; en Jezus, hoewel „een rechtvaardig manquot; geacht door den rechter, die Hem ondervroeg, werd gegeeseld en gekruisigd, en beleedigd zelfs tot in het laatste uur van zijn sterven, door de menschen, die Hem onrecht gedaan hadden.

Let nu op het denkbeeld dat Hij, terwijl het zoo met Hem gesteld was, Hij zoo valsch verstaan en verkeerd beoordeeld werd en zulk een boos lot onderging, nogtans aan de menschen die Hem \'t best kenden, aangaande zichzelven inboezemde. Zij hielden Hem voor zondeloos, een wezen, dat alleen stond in zedelijke volkomenheid, afgezonderd van de zondaren, terwijl hij hun vriend was. Er was niets in de uitwendige voorwaarden en betrekkingen\' zijns levens dat er toe eidde om dit denkbeeld te scheppen; alles was er tegen. Het gezelschap der boozen is geen zeer gunstige bodem voor den groei of den roem der heiligheid. Gewantrouwd te worden door mannen van erkende heiligheid, was niet de gelukkigste weg om den roep van zondeloosheid te bestendigen. En om gedurende zijn geheele openbare loopbaan, die geen jaren van eerbiedwaardigen en indrukwekkenden dienst achter zich had, gezien te worden in strijd met de mannen, die de uitleggers der goddelijke wet, de bewaarders der voorvaderlijke wijsheid, de helden zoowel op politiek als religieus gebied waren; in felle botsing te komen met de priesters, die den tempel bewaakten, de aanbidding regelden, en den naam Gods verhieven, was zooveel als gezien te worden onder die gegevens die het gestrengste oordeel opwekten, en iedere dwaling in houding en gedrag, iedere zwakheid van natuur en wil zekerlijk zouden doen opmerken. Maar opmerkens-

-ocr page 277-

HIJ SCHEPT HET BEWUSTZIJN VAN ZONDE. 263

waardig is \'t, dat de lieden, die Hem kenden, gelooven, spreken en doen alsof Hij geheel en al volmaakt was in karakter, beweegreden en handelwijs — een menscli zonder zonde. Het was niet omdat zij lieden van lage zedelijke begrippen waren; zij hadden zulk een sterk bewustzijn van het kwade, dat zij er als in geestdrift tegen onstaken; ja; een van hun wonderlijkste gewrochten was, dat zij hun bewustzijn algemeen wisten te maken en hun gevoel van zonde in \'t hart der wereld te schrijven. Toch hielden deze men-schen Jezus voor zondeloos; ja, het was hun kennis aan hetgeen Hij geweest was, dat hun begrip van menschelijke schuld baarde. Het was het licht, dat van Zijn heiligheid uitstraalde, waardoor de mensch zoo duister scheen; in de schaduw van zijn goedheid vertoonde zich het mensche-lijk kwaad meer en erger dan te voren. En dit nieuwe bewustzijn, dat zij verkregen hadden, betrof niet enkel de behandeling welke Jezus ondergaan had; het betrof zelfs nog meer hen zeiven en hun gedrag. Zij beoordeelden niemand, zelfs des meesters vijanden, niet zoo streng als zij zich zeiven oordeelden. Zij waren zich van hun eigen verregaanden zondigen staat bewust geworden, door de zondeloosheid van Jezus. Er is geen gewichtiger feit op het gebied van den godsdienst, geen sterker bewijs voor zijn heiligheid, dan de ontzachelijke kracht van deze zijne schepping, de bewustheid van zonde. Ook moeten wij de hoedanigheid der menschen, in wien en door wien Hij dit schiep, niet voorbijzien; zij waren geen fijngevoelige zonen van geest en beschaving, menschen van veel verbeelding, bekwaam tot daden van schitterende idealisatie. Zij waren onkundige^ onwetende lieden, enkel veranderd en bezield door de macht van zijn buitengewonen invloed, door de kennis van Hem zich bewust

-ocr page 278-

264 DB JEZUS DER HISTORIE EN DE CHKISÏÜS DES GELOOFS.

geworden van wat zij zelf waren. En zoo leven zij voor ons in hun eigen brieven als mannen vervuld met een gevoel voor het kwaad, en daardoor bevreesd en ongelukkig; evenwel verzekerd, dat het goede machtiger is en meester blijven zal, ofschoon de kracht, die zijn overwinning werkt, in Jezus leeft en door het geloof in Hem tot den mensch komt.

Hier staan wij dus op het gebied der feiten. De Jezus der geschiedenis leeft aldus, dat hij, in spijt van de ongelukkigste omstandigheden, een nieuw ideaal van heiligheid schept, een heiligheid zoo volmaakt, dat zij in de menschen, die Hem kennen, een nieuw gevoel van zonde doet ontwaken, een bewustheid van haar en een geestdrift er tegen, die slechts kan voldaan worden door de overwinning, die het goede in Hem behaalt. Hoe moet dit nu verklaard worden? Vanwaar is deze verlevendigde zondeloosheid ontstaan — deze scheppende heiligheid, verwerkelijkt te midden van voorwaarden zoo bezwarend, dat zij bijna noodzakelijk tot kwaad moesten leiden? De wet der overerving verklaart dit niet, want deze is de wet, die zich met quot;t feit kruist; ook de ontwikkelingstheorie vermag dit niet, want met iedere zoodanige theorie is het in volslagen tegenspraak: ook kan het zijn opvoeding niet verklaren^ want tusschen elke opvoeding, die Hem mogelijk was, en de uitkomst is er niet enkel wanverhouding maar besliste tegenstrijdigheid. De oorzaak kan vanbuiten niet gevonden worden, — zij moet inwendig gezocht worden. Omstandigheden kunnen eigenschappen ontwikkelen, maar zij scheppen geen karakters. Zondeloosheid is onmogelijk zonder een zonde-loozen wil, heiligheid onmogelijk zonder een geheele en heilige natuur. Maar indien dit zoo is, dan is Jezus\' volmaaktheid de schepping van Jezus — Zijn eigen werk, niet dat van een ander, \'t minst van alles het werk van Zijn volk en Zijn

-ocr page 279-

DB BEDIENING KOET, DE WOORDEN EEUWIG. 265

tijd. Maar de schepper van zijn karakter te zijn, is hetzelfde als de schepper te zijn van alles, wat het heeft veroorzaakt en voleindigd ; de bron van de zedelijke krachten, die het over de wereld heeft uitgestort. Doch zie waar ons dit brengt — vlak tegenover een wonder in het zedelijke, een scheppende, of, zoo gij wilt, bovennatuurlijke daad op het gebied des geestes, dat koninkrijk der persoonlijkheid dat de natuur van den natuuronderzoeker overtreft, zoover als het denken de stof teboven gaat. En als Jezus, wanneer wij hem afgezonderd van alle daden van natuurlijke kracht beschouwen, onder de historische ontleding tot een wonder wordt in de sfeer der zedelijkheid en persoonlijkheid, hoe zullen wij dan over Hem denken en spreken? — overeenkomstig de moderne begrippen van een natuur, die niets bovennatuurlijks eert, of naar de feiten van zijn persoon en geschiedenis?

3. Doch nu moeten wij een schrede verder gaan. De bediening, die zoo moeitevol en tragiesch was, was ook zeer kort; zij kon bezwaarlijk korter geweest zijn. Zij was zoo kort, dat het een wonder is dat zij in het geheel iets uitrichtte, vooral dewijl Hij haar zoo onvoorbereid en onaangediend aanvaardde, dat de menschen vragen konden: „is deze niet de timmerman, de zoon van Maria?quot;\') Wij kunnen wel zeggen, Zijn bediening is de kortste waarvan de geschiedenis melding maakt, zeker is zij verreweg de kortste van die, welke invloed gehad hebben op de godsdiensten der menschheid. Zij omvat een tijdperk van hoogstens drie jaren, terwijl de duur van het daadwerkelijk uitgeoefend ambt waarschijnlijk veel minder was. Maar alhoewel kort, het was lang

1) Mark. 6 ; 3 cf. Matth. 13 : 55.

-ocr page 280-

266 DE JEZUS DER HISTORIE EN DE CHRISTUS DBS GELOOFS.

genoeg om Hem tot den verlievensten Leeraar der tijden te maken. Zijn woorden zijn het wonder der wereld geworden ; hoe beter zij verstaan, hoe meer ze bewonderd worden. De eeuwen hebben hun licht niet verdonkerd, hun bekoorlijkheid niet verkleind, hun kracht niet verminderd. Vertrouwelijkheid met hen heeft ze niet van hun frischheid of geur beroofd; het leven, ofschoon het rijker en meer verscheiden is geworden, is hun wijsheid niet over het hoofd gegroeid of heeft hen ter zijde gesteld door hun idealen te vervullen. Tijd en beschaving hebben binnen het gebied van het denken getrokken den rijkdom veler eeuwen en landen, maar er is geen mededinger voor de woorden van Jezus gekomen. Zij schitteren weergaloos als ooit, als de liefelijkste, kalmste, eenvoudigste, wijste woorden, die door een mensch ooit tot menschen gesproken zijn. Zij zijn zoo waar, zoo machtig in hun werking, zoo zacht in hunne kracht, zoo zedelijk, zoo geschikt om het leven vreedzaam, aangenaam, gelukkig en heilig te maken, dat lieden, die den christelijken godsdienst niet hebben willen geloo-ven, dikwerf geweigerd hebben zich te ontdoen van de waarheden en vertroostingen van Jezus. En Hij heeft zijn persoon en waarheid zoo in elkander geweven, dat men haar niet kan hebben zonder ook Hem te hebben. Zijn karakter verleent aan zijn woorden hun hoogste bekoring; zijn woorden vinden hun volmaaksten spiegel en verklaring in zijn karakter. Niemand bezat ooit die moeilijkste en edelste waarachtigheid, die in de volstrekte overeenstemming bestaat van herdoen en het zeggen, het wezen en de uitdrukking. Wat Hij van zijn Vader in den hemel zeide wordt ons duidelijk, door de wijze waarop Hij als de Zoon leefde. De algemeene naastenliefde en broederschap die hij aanprees en verklaarde, vonden haar hoogste bekrachtiging en voorbeeld, niet in zijn gelijkenis van den

-ocr page 281-

DE WAARHEID VAN WOORDEN EN PERSOON 267

barmhartigen Samaritaan, maar in zijn eigen geest en gedrag, in de broederliefde, die Hij belichaamde. De wet der vergiffenis, die Hij uitvaardigde, vervulde Hij, en het gebed aan \'t kruis- „Vader, vergeef hunquot; heeft meer menschen zachter gestemd en tot mededoogen hewogen, dan het bevel „tot zeventig maal zeven maal.quot; De waarheid der woorden weerkaatst de waarheid van den persoon. Zij zijn onvergankelijk omdat Hij universeel is, en wat van Hem getuigt kan niet sterven.

Maar laat ons nu den Spreker en Zijn woorden, Jezus en zijn waarheid bij elkander stellen. Hij is nederig, geboren in het hart van een geslacht dat zich onderscheidde doorzijn hartstochtelijke afgunst en haat jegens andere volken; nochtans, hoewel hij van opvoeding, reisgelegenheid of verkeer met verwijderde volken verstoken was, spreekt Hij de hoogste wijsheid, waarheden van de teerste, en toch krachtigste en algemeenste beteekenis, zooals er nog niet tot den mensch gekomen waren. Zijn loopbaan was kommerlijk, smartvol en tragisch. Hij werd verstoeten door de mannen, die voor patriotten en heiligen gehouden werden, gekruisigd door de priesters, die er aanspraak op maakten dat zij de rechte plaats en wijze, om tot God te naderen, wisten ; evenwel zijn Zijn woorden zoo kalm, is Zijn geest zoo helder en schitterend alsof Hij rustig in den schoot der eeuwigen vaders gelegen had. Zijn bediening was kort, de kortste waarvan wij herinnering hebben; nochtans zijn Zijn woorden de machtigste van allen die ooit tot een mensch gesproken zijn, de onvergankelijksten naar hun invloed en macht. Wat beteekent dit? Laat ons zien of de geschiedenis ons dit meer begrijpelijk zal maken.

Laat ons Jezus vergelijken met een groot natuurlijk genie, dat ieder denkbaar voorrecht bezat, namelijk Plato. Plato was

-ocr page 282-

268 DE JEZUS DER HISTORIE EN DE CHRISTUS DES GELOOFS.

van goede geboorte. Edele en wijze Atheners waren onder zijn voorouders. Hij was geboren in de schitterendste eeuw van het schitterendste land der oudheid en was misschien haar grootste man, zeker haar grootste denker. Zijn genie — wat betreft het denken, de verbeelding en den godsdienstzin, was grootsch. Het jaar zijner geboorte was het jaar van Perikles\' dood, en de heerlijkheid van de eeuw van Perikles, als die van een zonsondergang, bescheen zijn kinderleeftijd en jongelingsjaren. De Perzische oorlog was nabij genoeg om geestdrift op te wekken voor zijn helden en hun overwinningen ; , de hartstocht der vaderlandsliefde, waartoe hij had bezield, was nog niet dood. De ijverzucht, om de staatsregeling die het best zijn geliefde vrijheden kon bewaren en verwezenlijken uittevinden, beheerschte den geest van Griekenland. De treurspelen van Aeschylus hadden daarin een nieuw en diep bewustzijn gaande gemaakt van de rechtvaardige en straffende machten, die de wereld besturen. De beeldhouwwerken van Phidias begonnen juist den Helleenschen geest bewust te maken van zijn volmaaktst ideaal, het gevoel voor het schoone, dat het in den mensch scheppen zou. De scholen hielden zich ijverig bezig met de problemen van een jeugdig en gewaagd denken; vroegen zich af waar de oplossing mocht liggen; hetzij in het vuur en het vloeibaar element van Heraclitus, of in de atomen van Democritus, of in de redeneering en den twijfel van Protagoras. Opgevoed te worden in een stad, waar zoovele en zoo schitterende zedelijke en verstandelijke krachten elkaar ontmoetten en werkten, was waarlijk opvoeding, was het inademen van een lucht waarvan iedere ademtocht geest was. En Plato\'s opvoeding was zekerlijk de beste die Athene kon verschaffen. Lichaam noch geest werd verwaarloosd. Eede, verbeelding en

-ocr page 283-

BE OMSTANDIGHEDEN VAN PLATO EN VAN JEZUS. 269

smaak werden evenzeer ontwikkeld. Toen hij nog jong was, werd hij leerling van Socrates, en de verstandelijke en opvoedende bedrevenheid van den grooten redetwister was geschikt om al, wat voortreffelijk ei wijsgeerig was in den jongman, te ontwikkelen. In de school .zijns meesters ontmoette hij de beroemdste geesten zijner eeuw. Het schitterend maar verdoold genie, Alcibiades; de moedige en degelijke Xenophon; Euripides, de dichter; Crito, de wijsgeer en ideale vriend; de voornaamste redenaars en staatslieden van dien schitterenden tijd; die zeldzame en rijke omgang moest al wat in een mensch \'t hoogste en diepste is, opwekken en te voorschijn brengen. En overal buiten de school was beschaving. Nu eens deed het vernuft van Aristophanes de Atheners schudden van het lachen, dan weder roerde hen de tragedie van Sophokles door haar zedelijke verhevenheid, of deed hen door haar verteederende smart in ti\'anen wegsmelten. De poesie en filosofie van het verleden, het denken de werkzaamheid en de roem van den tegenwoordigen tijd droegen er toe bij om deze zeldzaam begaafde ziel in haar talenten nog rijker te maken. Vervolgens reisde hij, studeerde onder Euclides te Megara, onder Theodoras te Cyrene, bij de Pythagoreers te Tarentum; onderzocht in Egypte de verborgenheden \'en gewoonten van het oude geloof. En deze man, de vleeschwording, als \'t wai-e, van de wijsbegeerte en \'t geloof zijner eeuw, opent zijn academie te Athene; geeft gedurende vele jaren onderwijs aan de fraaiste geesten van zijn tijd ; leeft in verkeer met de grootste men-schen, die toen leefden; en sterft op rijpen goeden ouderdom, terwijl h^j zijn hoogste en waarste gedachten in de herinnering achterlaat, benevens een school om zijn wijsbegeerte en naam te vereeuwigen. Maar de voorwaarden waaronder

-ocr page 284-

270 DE JEZUS DER HISTORIE EN DE CHRISTUS DES GELOOFS.

Ijj Jezus leefde en arbeidde, stonden in volstrekte tegenstelling met die van Plato — afkomst, geboorte, volk, land, tijd, 1 omstandigheden, opvoeding, gelegenheden, alles, was zoo tegenovergesteld als maar kon, en onvoordeelig naarmate zij tegenovergesteld waren. De vrije lucht van Athene was de zijne niet, noch de vreugde van gevoelige en sympathieke leerlingen; die den onderwijzer bevrucht. De tijd misgunde hem zijn korte bediening, zond gebrek, argwaan en haat om Hem te kwellen, bedekte Hem met leed, belastte Hem met discipelen traag van hart en stomp van geest. En Hij leefde als iemand wiens werk eerder lijden dan onderwijzen was. Hij maakte geen boek, schreef geen woord, gaf ook geen aanleiding om eenig woord op te teekenen; maar met een vertrouwen, zoo kalm en standvastig als of Hij de Eeuwige was, die de zaden der werelden, die nog geboren moeten worden, in het onmetelijk ruim uitstrooit, sprak Hij zijn woorden tot het luisterend oor, opdat zij vandaar als levenswoorden in de harten der menschen zouden vallen. En toen kwam het wonder van hun scheppende werking, het werk dat hen tot zoo sterke tegenstelling maakt met het Plato-nisme, dat zoo schitterend was in zijn belofte, maar zoo armzalig in zijn uitkomsten. Want hier wordt het contrast tusschen de sprekers plotseling omgekeerd. Gesteld, dat iemand tot den meest verlichten beoordeelaar dier dagen gegaan ware en gezegd had ; „Vergelijk de woorden van Jezus en Plato, en verhaal ons welke het meeste belang voor den mensch hebbenquot; zoudt gij twijfelen omtrent het antwoord? Met edele klaarheid zou hij, na beide ontleed en onderscheiden te hebben, aldus beslissen: „de beschaving heeft de belofte der toekomst; wat geen beschaving heeft, heeft geen licht. Plato\'s stelsel is zoo bevattelijk en verhe-

-ocr page 285-

OMSTANDIGHEDEN VAN PLATO EN VAN JEZL\'S. 271

ven; beveelt zich door zulk een handige redeneering aan; is versierd met zulk een schitterende verbeelding; dekt zoo volkomen het leven van den enkelen mensch en van den staat, dat het niet anders dan gebiedend gezag over den mensch verkrijgen kan; terwijl hen stelsel van Jezus, indien het een stelsel genoemd kan worden, teleurstelling en nederlaag aan zich draagt, door zijn volkomen gemis van letterkundigen vorm en aestetische hoedanigheid.quot; Doch geen apostel der beschaving kan voor den mensch oordeelen; zijn ziel kent de waarheden, die zij noodig heeft; weet wanneer zij hem bevredigen ; bewijst haar voldaanheid, door den voortgang dien zij hem laten maken, het bevel dat zij hem doen nakomen. En de woorden van Jezus zijn, in een zin die hun volstrekt eigen is, voor den mensch geweest; sedert zij gesproken werden hebben zij steeds van zijn leven het beste deel gevormd, zijn van den gezondsten en voedendsten zedelijken invloed geweest op zijn wereld. Waarom? Het universalisme van den persoon heeft zijn tegenhanger in het universalisme van de woorden; het ideaal voor alle menschen spreekt de waarheid voor alle geesten. De natuur, die volmaakt verwerkelijkt was in Jezus, verkondigt de waarheid, die de volmaakte natuur in den mensch verwezenlijken moet. \'Maar dit universalisme van persoon en waarheid is geen toeval, geen gelukkige worp van het lot; het is van Godswege, die alleen het geheim weet en bezit waardoor zijn schepping volmaakt moet worden. Jezus moet dus het hoogste werk der Voorzienigheid wezen, want door Hem betreedt het mysterie dei-schepping die verhevenste trap welke de menschen verlossing noemen. Maar is de Jezus der geschiedenis aldus niet de machtigste en meest geheimzinnige persoon geworden dien de historie kan vertoonen?

-ocr page 286-

272 DB JEZUS DER HISTORIE EN DB CHRISTUS DES GELOOFS.

4. Maar bij de nederige geboorte en karige voorwaarden zijner moeitevolle en korte bediening, zoowel in volkenkun-digen, zedelijken als verstandelijken zin, moet nu een andere trek gevoegd worden: de bediening was eens verborgene omdat ze moeitevol was, zij was even nauw en beperkt als zij kort was. Zij bewoog zich op een klein en laag tooneel, werd uitgeoefend onder eenvoudige en ongeleerde lieden, geheel verstoken van den geest of de beschaving, die ruime bedoelingen konden ontdekken of waardeeren. Galilea was een armzalig veld voor elk werk van verreikende gevolgen ; de visschers van haar kleine binnenzee ongelukkige leerlingen voor een Onderwjjzer van verheven idealen en waarheden. Nochtans vervulde Jezus op dit veld en onder zulke lieden gedurende eenige weinige maanden zijn invloedrijke bediening. Zijn gerucht verspreidde zich tot naar Jeruzalem en door geheel Judea, maar verder niet; op het ruimer tooneel der hoofdstad kan Hij nu en dan verschenen zijn, en ten laatste ging Hij daar heen om te lijden en te sterven. Maar juist daar was het strijdperk het engst, bewaakt als \'t was door de bekrompen-ste hartstochten, ingesloten door de geringste gevolgen, zonder vooruitzicht op een ruimer lucht en vrijer wereld. De diepste verborgenheid in vereeniging met armoede en vooroordeel kenmerkte zijn bediening, en ongevoeligheid des harten de menschen, onder wie zij uitgeoefend werd.

In deze nederige bediening, te midden van zulke onaanzienlijke omstandigheden, betoonde Jezus zich in strikten zin een schepper; Hij schiep een maatschappij of staat, die tegelijk een nieuw ideaal en voorbeeld voor de menschheid was. Niemand twijfelt er aan, dat de idee van het koninkrijk der hemelen of van God, zijn bizondere schepping was. Hij was wel niet de maker van het woord, maar van de zaak. Wat Hij

-ocr page 287-

DB BEDIENING WEL NEDERIG, MAAK HAAR SCHEPPING ? 273

meende stond in bepaalde tegenstelling en vveerspraak met wat de Joden voor de beteekenis zijner woorden gehouden hadden. Zeer gematigd gesproken, was zijn denkbeeld van de mensch-heid het meest grootsche dat ooit tot den geest of de bewustheid des menschen gekomen is, het hield in de ruimste belofte van algemeene heil, van eenheid, vrijheid, broederschap, rechtvaardigheid, en waarheid. Het was de heerschappij Gods in den mensch, een staat der gerechtigheid, vrede, liefde. Het heil, dat het aan allen beloofde, moest vervuld worden door allen goed te maken. Het zocht niet geluk te scheppen door koningen of staatslieden, als zoodanig, maar overal gelukkige menschen te maken, wier vreugde het zijn zou het geluk des menschen te vermeerderen. Het was niet revolutionair in politieken zin, evenwel was het de meest radicale van alle politieke omwentelingen. Het viel geen bestaande orde aan, nochtans trachtte het een volstrekt nieuwe orde te scheppen door de schepping van een nieuwe menschheid. Het schafte niet slechts de oude priesterschap af, maar elke officieele priesterschap voor altijd; want het stelde aan eiken mensch als recht en hoogsten plicht voor, in eigen persoon tot God te naderen als zoon van den eeuwigen vader, als onderdaan van den altijd blijvenden koning. Het weigerde énkelen van zijn burgers als koningen te erkennen, want allen waren onderdanen, en er was geen aanzien van personen of klassen bij God. Dit was alzoo, en is tot heden gebleven, de schitterendste droom van eene algemeene heerschappij, die tot ons geslacht gekomen is ; maar het is een heerschappij, die den mensch niet verhoogt, want zij is Godes en verheft God alleen ; zij verlaagt ook niemand, want haar plan is om allen op te heffen tot de waardigheid van hêt burgerschap in de stad des grooten Konings. Het kost moeite om met het oog op

18

-ocr page 288-

274 DE JEZUS DER HISTORIE EN PE CHKISTCS DES GELOOFS.

dit heerlijk ideaal kalm te spreken, maar de waarheid moet gezegd worden. En het is de eenvoudigste waarheid als wij zeggen dat de ure, toen dit koninkrijk geopenbaard en gegrond werd, de verhevenste ure van de geschiedenis des men-schen was en is ; de gewichtigste van allen, die liggen tusschen den dag der Schepping en de tegenwoordige. Want daardoor is het openbaar geworden, wat hij wezen moet, wat hij sedert dien tijd steeds getracht heeft te worden. Het ideaal van Jezus was het ideaal Gods. Hij openbaarde den mensch de goddelijke vermogens en plannen, die zijn natuur inwonen, maakte der menschheid bekend wat het was om één te zijn, vereenigd door de regeering Gods in elk, het vader, schap Gods over allen.

En dit schitterend ideaal danken wij aan de kortste, nederigste, meest tragische bediening, waarvan men heeft vernomen. Er was in de bediening niets, dat het ideaal kon ingeven of opwekken ; wel alles, dat elke flauwe voeling, die zich daarheen uitstrekte of daarnaar uitzag, onderdrukken of uitdooven kon. Het was een onmiddelijke schepping van Jezus, kon niets minder of anders zijn, want Hij alleen verklaart het terwijl het op zijn beurt helpt om Hem te verklaren. Het staat in wezenlijke verbinding met de eertijds opgeteekende kenmerken; het voorziet, als het ware, in de verwerkelijking door de menschheid, van hetgeen door hen was getuigd van Jezus, die door Hem in de wereld gekomen zijn. Wat zijn universalisme genoemd is, beteekent dat de menschheid in Hem werd wat haar Maker haar bestemde te zijn; Zijn menschheid behoorde tot geen stam of ras, tot geen volk of tijd, maar was universeel; de mensch, zooals God hem wilde, overgebracht in een werkelijk, door de menschen gekend, wezen. Zijn zondeloosheid is de zedelijke uitdruk-

-ocr page 289-

ZIJN KONINKRIJK GODS EEN NIEUWE MENSCHHEID. 275

king van Zijn volmaaktheid, Zijn heiligheid haar stellige verwezenlijking in de sfeer van godsdienstige verwantschap en plichten. Het woord, dat de bestanddeelen of eigenschtippen van Zijn ideaal ontvouwt, de beginselen, die aan Zijn mensch-heid ten grondslag liggen en haar voortbrengen, belichaamt Zijn waarheid, deelt den menschen het geheim van Zijn Wezen mede. En dewijl Hij dit geheim aan Zijn woorden gaf, opdat zij het overal zouden dragen en laten doorvloeien, bezitten zij zulk een rijke bekoring, zulk een oneindige liefelijkheid. Met hen lief te hebben, beminnen de menschen het ideaal van hun eigen menscbheid; zij doen ons aan, want zij zijn als de stem van den eeuwigen Vader, sprekende tot het verloren maar niet vernietigd zoonschap in den mensch, en vandaar dat hun bekoring gelijk is aan het geheugenis van een verleden te ver verwijderd om er nauwkeurige herinnering van te hebben, en toch zoo wezenlijk dat het in onbewuste herinneringen voortleeft. En wat de woorden voor het individu zijn, moet het Koninkrijk voor het geslacht wezen ; liet is een ideaal voor de gezamenlijke menscbheid, en tevens een middel tot haar verwerkelijking. Alleenstaande eenheden kunnen nooit volmaakt zijn; de volmaking van de menschen en van den mensch moet hand aan hand gaan, daar de wedergeboorte van personen onvolkomen is, tot dat zij ingelijfd zijn in een wedergeboren maatschappij, een vernieuwde menscbheid. En zoo kunnen wij zeggen dat deze nederigste aller bedieningen de heerlijkste openbaring was ; en moeten wij er niet bijvoegen, waarom het dat was ? is het hoogste probleem der historie.

5. Maar nu voeren ons deze feiten en waarheden betrekkelijk den geschiedkundigen Jezus, zoowel el^k voor zich, als in hun verband, tofc een ander punt, namelijk: de plaats,

-ocr page 290-

276 DB JEZUS DEK HISTOKIE EN DB CHRISTUS DES GELOOFS.

die Hij zelf bekleedde in de verwerkelijking van Zijn idealen, persoonlijke zoowel als algemeene. Die plaats was hoofdzaak, alles kwam op Hem neer. Zonder Hem was geen ding mogelijk ; Hij was opzettelijk gekomen, opdat deze Zijne verheven doeleinden bereikt en verwezenlijkt mochten worden. Wij moeten ons te binnen brengen wat Hij scheen, en nu zien wat Hij voorgaf te zijn. Hij was „de Zoon des menschen,quot; niet van eenig persoon of volk, maar van de menschheid en alzoo van haar God \'), en als zoodanig in staat zonden te vergeven. Hij kwam om de wet en de profeten te vervullen; zij getuigden van Hem, Hij was hun doel; de geheele geschiedenis was een voorbereiding tot Hem. Hij was de Heer van den Sabbat, 2) had het recht en de macht om godsdienstige instellingen af te schaffen of te scheppen. Hij kwam om te zoeken en zalig te maken dat verloren was, 1) om den blinden het gezicht, vrijheid aan de gevangenen, het leven aan de dooden weer te geven. Hij noodigde allen, die vermoeid en belast waren, uit, om tot Hem te komen, en Hij zou hen rust geven; om Zijn juk op zich te nemen en van Hem te leeren, en zij zouden vrede voor hun ziel vinden. 6) Het koninkrijk, dat Hij gegrond had, was een koninkrijk dei-waarheid; zijn burgers waren de menschen, die zijn stem hoorden en beleden \'dat Hij de Christus, de Koning was. Niemand maakte ooit zulke aanspraken, toch maakt Jezus ze zoo kalm, alsof hij onbewust ware van de onmetelijke strekking en de nog onmetelijker beteekenis, welke zij in zich

1

1) Matth. 9:6; 12 ; 37, 41; 16 : 13. 2) Matth. 5 : 17.

-ocr page 291-

WAT HIJ VAN ZICHZELVKN ZEGT. 277

sluiten. Hij is blijkbaar de nederigste, zachtmoedigste, reinste, oprechtste redenaar en leeraar, van wien de mensch, in al de eeuwen van zijn bestaan, heeft gehoord, nochtans spreekt Hij deze groote dingen omtrent zich zeiven zoo eenvoudig uit, alsof het niet van zich zeiven was dat Hij sprak, en als had Hij de groote plannen, die Hij vervuld wenschte te zien, niet klaar in \'t oog. En wat moeten wij tegenover van deze gezegden denken ? Kunnen wij denken dat zij iets anders zijn dan het afschrift van zijn innerlijkst zelfbewustzijn, de spiegel der waarheid, die Hij wist zelf te zijn? Het schijnt geheel ongeloofelijk, dat Jezus, zijnde wat wij gezien hebben dat Hij was, zich zou bedrogen hebben aangaande zijn eigen betee-kenis en zending; kon gedwaald hebben in de verklaring van zijn eigen persoon, zijn plaats en werk in de verlossing der menschheid. De waarheid van Jezus wordt het hoogste getuigenis aangaande den Christus; wij volgen Hem, hooren Hem, leeren wat Hij is, wat Hij is komen doen, wat Hij gedaan heeft en belijden: „Gij zijt de zoon Gods, gij zijt de koning Israelsquot;.

III.

Ons onderzoek betrof tot hiertoe den Jezus der geschiedenis maar bad tot resultaat dat Hij de Christus des geloofs werd. Het vraagstuk, waarvan wij uitgingen, schijnt opgelost te zijn in den loop van onze historische ontleding ; de persoon zooals hij in de geschiedenis bekend is, blijkt juist de persoonlijkheid zooals bet geloof hem kent, aan het licht gebracht te hebben. De betrekking is noodzakelijk en onafscheidelijk, daar beide in werkelijkheid één zijn. Het verband is zoo wezenlijk, dat, wanneer men de godsdienstige be-

-ocr page 292-

2 78 DE JEZUS DER HISTORIE EN DE CHRISTUS DES GELOOFS.

teekenis van Jezus begrijpt, men tevens ontdekt dat hij de Christus is. Wij hebben hier nu alleen over deze godsdienstige beteekenis gehandeld. Zijn zoogenaamd bovennatuurlijke daden hebben in geen opzicht invloed uitgeoefend op het betoog, noch zijn zij opgenomen in de stof, die ontleed is. Evenwel bevinden wij dat Jezus slechts te meer wonderbaar geworden is; nog hooger recht heeft om onze bewondering en ons geloof te vorderen. Doch hiermee is het onderzoek niet geeindigd. De slotsom dient bevestigd en nader bewezen te worden door een beroep op de geschiedenis van de letterkunde, die daarop betrekking heeft; door een poging om de verhouding te ontdekken tusschen de oudste getuigenis aangaande Jezus en het geloof in den Christus.

En hier ontmoeten wij een zeer merkwaardig feit, dat allerlei gedachten opwekt. Onze oudste, ontwijfelbaarst echte christelijke letterkunde is gewijd aan de verklaring van Jezus als den Christus. In tijdsorde, is de geschiedkundige Jezus de eerste, maar, op \'t gebied van de letterkundige voorstelling, wordt de eerste plaats ingenomen door den Christus, die ons geloof eischt. De groote Paulinische brieven zijn ouder dan onze Evangeliën. In deze brieven is Jezus de Christus, „de zoon van David, naar het vleesch, maar de Zoon van God naar den geest quot; i) Hij is de tweede Adam, de Heer uit den hemel \'). Hij is de eigen Zoon, dien God niet spaarde, maar voor ons allen aan den dood overgaf. 1) Hij is het einde dei-wet tot rechtvaardigheid voor een ieder, die gelooft. 4) Hij werd overgeleverd om onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardi-

1

Eom. 8 : 32. 4) Kom. 10 : 4.

-ocr page 293-

HET GETUIGENIS OMTRENT CHRISTUS IN DE OUDSTE LKTTERK. 279

ging. i) Hij is de gekruisigde Christus, de Heer der heerlijkheid, door God voor ons gemaakt tot wijsheid en gerechtigheid, en heiligmaking en verlossing. 2) Uit genade is Hij, hoewel Hij rijk was, om onzentwil arm geworden. 1) Toen Hij van den dood opstond, werd Hij de eersteling van hen, die sliepen; en zoo kwam door Hem de opstanding en in Hem zullen allen levend gemaakt worden. En de verrezen Christus zal heerschen „totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft.quot; 2) En zooals Hij heerscht oordeelt Hij ook; allen moeten voor zijn rechterstoel verschijnen. 5)

Vanuit het literarisch en kritisch gezichtspunt, zijn deze de oudste en echtste woorden betrekkelijk Jezus; en dit wil zeggen, dat, waar Hrj voor \'t eerst door zijn apostelen verschijnt en onze aandacht en achting vraagt. Hij dat (Joet omkleed van al de eigenschappen van den Christus. En dit feit staat niet alleen, en kan alzoo niet verklaard worden uit eenige eigendommelijkheid van Paulus bizonderlijk. De openbaring en de brief aan de Hebreen, verschillen zeer van elkander, en evenzeer van Paulus, en zij zijn beide, indien niet ouder dan het oudste, ten minste ouder dan twee of misschien drie onzer Evangeliën. In de openbaring is Jezus de Christus, de zoon des menschen, de Alpha en de Omega, de eerste en de laatste, die leeft\' en dood is geweest, en leeft in eeuwigheid. 6) De troon Gods is oolc de troon van \'t Lam, 7) dat stierf opdat Hij zijn volk tot koningen en priesters van God zou maken. Hij is de wortel en het geslacht van David, de blinkende morgenster, de rechter, die komt om

1

2 Cor.: 9. 6) Openb. 1 : 13, 11, 18.

2

7) Openb. 22 : 3

-ocr page 294-

280 I)E JEZUS DKR HISTORIE EN DE CHRISTUS DES GELOOFS.

aan eiken mensch te vergelden naar zijn werken. *) In den brief aan de Hebreen is Hij de zoon Gods, die de werelden geschapen heeft, het afschijnsel van \'s Vaders heerlijkheid, het uitgedrukte beeld van zijn zelfstandigheid. 1) Hij is de overste leidsman der zaligheid, de zoon die gehoorzaamheid leerde door lijden, de Hoogepriester, die altijd leeft om een voorspraak voor de menschen te zijn, die verscheen om de zonde weg te doen door zijns zelfs offerande.2) Nog eens alzoo bevinden wij, dat de leer omtrent den persoon van Christus zoo oud is als de Christelijke letterkunde en niet in ouderdom overtroffen wordt door de boeken, die ons het historisch portret van Jezus teekenen.

Wat beteekent nu dit feit of deze reeks van feiten? Het beteekent niet, dat de leer aan de geschiedenis vooraf ging, want de leer sluit overal de geschiedenis als haar grondslag en voorwerp van verklaring in ; maar het beteekent dal de geschiedenis en de leer zoo wezenlijk en organisch verbonden waren, dat de persoon, als \'tware, van den oorsprong aan allesovertreffend was, tot zelfkennis kwam, handelde en sprak, en zijn persoonlijkheid verwerkelijkte overeenkomstig al de eigenschappen van den Christus. Geschiedenis en leer hadden haar gemeenzamen wortel in den Persoon. De geschiedenis kon niet geschreven\' worden zonder de leer, de leer kon niet vastgesteld worden zonder dat daarin de geschiedenis opgesloten lag als een bekende en begrepen zaak. Zonder dit organisch en oorspronkelijk verband van geschiedenis en leer met den persoon van Jezus, kunnen wij de stichting noch \'t geloof, evenmin de werkzaamheid van het eerste Christendom verklaren. Met allen moeten wij teruggaan tot

1

1) Openb. 22 :16, 12. 2) Hebr. 1 : 2, 3.

2

Hebr. 2 : 19; 5 • 8; 7 25—27; 9: 26.

-ocr page 295-

GEMEENSCHAPPELIJKE WORTEL VAN GESCHIEDENIS EN LEEK. 281

hun bron in de scheppende persoonlijkheid, wier geschiedkundige beteekenis wij thans getracht hebben te vertolken. De Jezus der geschiedenis is de voldoende verklaring van al deze werkingen. Hem te kennen is te gelooven in den Christus.

Doch het is niet genoeg dat wij de vraag, waarvan wij uitgingen, beantwoorden; het is noodig dat wij de redelijkheid van het apostolisch geloof erkennen. Want het geloof was voor de apostelen redelijk; de Christus was voor hen de logos, dat is de rede zoowel als het woord, het woord als het symbool en kleed der rede. Jezus was geen toevalligheid — sedert de schepping en den val des menschen waren de wegen der geslachten altijd, nu eens meer dan minder onbewust, gericht geweest naar Hem. Christus had de werelden geschapen, zij drukten zijn gedachte uit; de mensch belichaamde zijn denkbeeld, was naar zijn beeld gemaakt. Het was betamelijk dat de Schepper de Verlosser zou zijn. Hij, die het beeld gaf, kon niet gedoogen dat het beeld bedorven en verbrijzeld werd. De natuur, die Hij schiep, vertrouwde Hem die haar schiep, en zoo arbeidde de mensch eer Hij kwam, met de hoop op zijn komst. Maar door Israël deed zich een goddelijker stem gelden, die een duidelijker taal sprak, en het volk, dat Jehova geroepen had; leefde om den Christus voort te brengen en stierf nadat het Hem gebaard had, opdat Hij des te zegevierende)- zijn werk doen zou. Indien ons hier de taal der moderne scholen veroorloofd was, zouden wij zeggen dat de naam „Christusquot; voor de apostelen een wijsbegeerte van God, de natuur, en den mensch belichaamde. De wijsbegeerte van God was de grond-leggende, een verheven en schoone leer. Zij vatte God naar zijn wezen op als liefde en gerechtigheid, als een wezen dat nooit zonder liefde is, dat in zich zeiven beide, het onderwerp en haar

-ocr page 296-

282 DIS JEZUS DEU HISTORIE EN DE CHRISTUS DES GELOOFS.

voorwerp bevatte, gelijk de eisch der liefde is; een wezen zoo rechtvaardig dat liet bestaan of de heerschappij des kwaads niet kon dulden. Daarom wanneer er zonde was waar heiligheid behoorde te wezen, kon Hij haar niet ongemoeid laten ; Hij beminde den mensch, haatte de zonde en zond den Christus om de zonde te vei\'oordeelen en den mensch te behouden. De wijsbegeerte der natuur deed haar leven voor God; maakte dat ook zij haar leven deelde met God; dat zij het strijdperk was van Zijn voorzienigheid; het veld, waarop Zijn oordeel over de zonde en Zijn liefde voor den mensch schitterend openbaar zou worden. De wijsbegeerte van den mensch was breed en diep; zij bevatte leeringen, die het organisch bestaan en de gezamenlijke verantwoordelijkheid van het geslacht betroffen, maar die de individualiteit en verantwoordelijkheid van zijn samenstellende eenheden te hooger eischen stelden, betreffende de orde en beweging des menschen in de geschiedenis, zijn natuur, zijn oorsprong, zijn leven hier en hiernamaals. Hij, die zich het diepst heeft ingewerkt in het hart van de apostolische gedachte, zal zich !t meest verwonderen, als wij zoo spreken mogen, over haar stoute volkomenheid, over den schitterenden moed, waarmee zij God en mensch, tijd en eeuwigheid in een onmetelijk en harmonisch stelsel samenvat. En dit stelsel is, als het ware, kort samengevat in Christus; alles werd vereenigd in Hem, tot een heelal, welks eenheid in Hem, zijn hoofd was. De leer kan slechts verstaan worden door het stelsel. Een ontplooiing van het stelsel ware de beste verdediging voor de leer. Want die haar zou willen verstaan moet nooit vergeten, dat de mannen, die der wereld het geloof in den Christus verkondigden, geloofden dat het niet slechts noodig was ter verklaring van den Jezus der Geschiedenis, maar ook van het geheele

-ocr page 297-

WAAROM HEEFT DE MENSCH SLECHTS ÉÉNEN CHRISTÜS ? 283

vraagstuk des levens, van de diepste verborgenheden des heel-als, van den mensch en van God.

En hier moet ons onderzoek, hoe onvolkomen bet ook zij, ophouden. Het is genoeg dat wij het organisch verband tusschen den Jezus der geschiedenis en den Christus des geloofs hebben geschetst en de lijnen aangegeven waar langs het denken zich moest voortbewegen, om den laatste te begrijpen en te verklaren. De apostelen mogen eenvoudige lieden geweest zijn, maar hun geloof was niet het geloof van den eenvoudige; het was inderdaad de wijste en ruimste lezing van zijn diepste verborgenheden, die nog tot den mensch gekomen is. En wat zullen wij van Jezus zeggen, die het heelal zoo ontsloot, den Vader zoo verklaarde voor deze mannen? Hij staat alleen, in een goddelijke en betee-kenisvolle eenzaamheid. Waarom? quot;Waarom bezitten wij maar eenen Christus? Wij hebben vele wijsgeeren gehad, en aan Socrates, noch Plato, noch Aristoteles onder de ouden, aan Baco, noch Descartes, noch Spinosa, noch Kant, noch Schelling, noch Hegel onder de nieuweren, kon de palm der onbetwistbare meerderheid gegeven worden. Wij hebben vele dichters gehad en aan Homerus, noch Dante, noch Shakespeare, noch Milton, noch Goethe, kon de lof van eenige en onbereikbare voortreffelijkheid worden toegekend. Wij hebben vele veldheeren gehad, en aan Alexander, noch Hannibal, noch Cesar, noch Karei den Groote, noch aan eenen der middeneeuwsche of moderne bevelhebbers zou men een volstrekt ongeëvenaard militair genie kunnen toeschrijven. En zoo op elk ander gebied van menschelijk denken en handelen. Geen mensch is geheel eenig. Ieder heeft vele mededingers ; Christus, en Christus alleen — en dat op het ver-hevenste gebied, dat van den godsdienst — is eenig, ongeëve-

-ocr page 298-

284 DB JEZUS DEE HISTORIE EN DE CHRISTÜS DES GELOOFS.

aard onvergelijkelijk; en onze vraag is, waarom? Waarom heeft de Schepper der menschen slechts eenen Christus geschapen, terwijl Hij tienduizenden van alle andere soorten van menschen geschapen heeft? Die schepper is oneindig in weldadigheid; Hij bemint zijn schepselen, Hij zoekt hun hoogste welzijn. Dat heil heeft Christus, niet alleen meer dan eenig ander mensch, bevorderd, maar meer dan alle andere menschen, die ooit geleefd hebben. Indien een Christus zooveel heil heeft aangebracht, wat zouden velen niet gedaan hebben ? Nochtans heeft God er aan onze arme menschheid slechts eenen gegeven, en, wanneer wij volharden met vragen, waarom? welk gepaster antwoord kunnen wij dan vinden dan dat, hetwelk geschreven staat in de geschiedenis van het woord dat vleesch werd! God gaf zijn alien toen Hij ons dien éénen gaf: „alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbequot;.\')

„Volmaakte zeedlijkheid, door Hem ten toon gespreid,

Zij maakt Hem niet tot God, zoo Hij die niet reeds was.

Dat is zoo klaar toch, dat het geen betoog vereischt.

Wat is het, dat Hij-zelf met zooveel nadruk leert?

Welk voorschrift gaf Hij ons? Sprak Hij: erken dan \'tgoed\'!

In waarheid, trouw en recht, door Mij eerst recht verstaan ?

Of luidt zijn liefdrijk woord: en gij, gelooft in Mij,

Die voor U leefd\' en stierf, en toch in waarheid her»

Des eeuw\'gen levens quot;Vorst? O, Hij, die dit verstaat

En opneemt in zijn hart, en van de liefde leert

Wat liefde wezen moog, die sterveling ontvangt

Een nieuw, een god\'lijk licht; niet slechts een nieuw begrip

Van waarheid, reeds bekend, en levend weer gemaakt

Door een vernieuwd beroep op zijn verzwakt verstand.quot; 3)

1) Joh. 3 : 16.

2) Browning. „Kerstavond en Paaschdag,quot; Poetical works, vol. V. 154.

-ocr page 299-

WAAROM HEEFT DE MENSCH SLECHTS ÉÉNEN CHRISTUS? 285

vIk zeg, d\' erkentenis van God in Hem,

Aanvaard door Uwe rede, heldert op Elk vraagstuk, \'tzij dan van deez\' aard of niet,

Zij heeft, zoo ver, tot wijsheid u geleid.

En, twijflend, zondt gij staven weer \'t bewijs,

In \'s levens oogenblik, waar \'t staalt uw kracht,

Den grond zoeken der dingen, reeds erkend?

Gebruik toch wat gij hebt terstond, of sterf.quot; \')

1) Browning: „Een dood in de woestijn,quot; Poetical Works, Vol. VI. 127

-ocr page 300-

11.

CHRISTUS IN DE GESCHIEDENIS. \')

Jezus Christus gisteren, heden en tot in eeuwigheid dezelfde. Hebr. 13 : 8.

In dit vers zegt de schrijver wat als de thesis van zijn brief beschouwd mag worden, als de waarheid, die hij daarin wilde bewijzen. De Christus, die gekomen was, is een Christus, die altijd met den mensch geweest was; de verborgen gedachte of rede, die de godsdienstige gewoonten en instellingen van het verleden tot verstaanbare profetieën maakte, van de goede dingen die aanstaande waren. De godsdienst der Hebreërs, hun priesterschap, wet, terapelofferanden, waren zonder Hem onbeduidende „schaduwenquot;, maar door zijn verschijning worden zij veranderd in voertuigen van levend licht. Zonder Hem had de Hebreeuwsche geschiedenis geen goddelijk plan of belofte, maar met Hem spraken het volk en hun verleden op het schoonst van de waarheden, die God het liefst zegt en de mensch \'t meest te hooren noodig heeft. Evenwel waren de meest bewijzende getuigenissen en zinne-

1) Rede te Liverpool uitgesproken voor de „Congregational Unionquot; van Engeland en Wales op lé October 1878.

-ocr page 301-

HET ACTUEELS EN IDEALE IN CHBISTÜS.

beelden van zijn leven met den mensch geen zaken, maar personen. Het was niet liet priesterschap van Melchi-zedek of Aaron; noch de wet, hetzij van Mozes of de priesters, noch de tempel, noch de oifers, die van geslacht tot geslacht daar gebracht waren; maar de mannen des ge-loofs, die de heerlijkste getuigen van Zijn tegenwoordigheid geweest waren. Hij maakte hen tot de mannen, die zij waren ; zij leefden door Hem en voor Hem. Hun geloof was geloof in de Christelijkheid van den Eeuwige, of liever in den Christus, wiens tehuis de schoot van den eeuwigen God is; en hun levens hadden slechts dan werkelijkheid als Hij werkelijk was. De mannen Gods, die door \'t geloof leefden, waren Gods uitverkoren getuigen voor het geloof, door hetwelk zij leefden. Gelijk Christus in het verleden geweest was, zoo Was Hij in het tegenwoordige, van gedaante veranderd, doch onveranderd in wezen — hij sprak de waarheid Gods ; schiep door Zijn woord het leven Gods in den geest des mensch en; verzamelde de menschen, die Hij bezielde, in nieuwe samenlevingen, door nieuwe groepen te vormen met stichters en grondleggers, nog beroemder dan de helden van het oude geloof. En gelijk Hij geweest was en toen was, zoo zou Hij altijd blijven — een scheppende en reddende Levensgezel, de maker en bestuurder van een menschheid naar het goddelijk ideaal; de leider der menschen, die de wereld leiden zouden, „Jezus Christus gisteren, heden en tot in eeuwigheid dezelfde.quot;

De schijn en de werkelijkheid, het actueele en het ideale in Christus schijnen in de scherpste tegenstelling tot elkander te staan. Het geloof, op Hem gebouwd, is in het wonderlijkst contrast met Zijn geschiedkundige verschijning. Zijn persoon is de kracht van het Christendom, de grootste

287

-ocr page 302-

CHRISTUS IN BE GESCHIEDENIS.

288

kracht ten goede op welke wijze ook, in den grootsten godsdienst, die ooit den menschelijken geest heeft doordrongen, in beslag genomen en beheerscht; toch kan men niet zeggen dat Hij, tijdens Zijn leven aan de verborgenheid ontsnapt is. Hij was het kind van een gehaat volk, alleen bekend om veracht te worden. Hij was arm, nederig, door rang noch stand gezocht. Hij deed geen van zulke groote daden, die het oog treffen en de bewondering der wereld opwekken. Gedurende zijn leven verbreidde zijn naam zich niet over de grens van Zijn land. Rome hoorde niet van Hem, ook Griekenland niet. De eenige romein, die hem zag en in de geschiedenis bekend is dacht van Hem dat Hij een persoon was met wien men mededoogen kon hebben, inderdaad onschuldig, maar niet belangrijk genoeg om gered te worden van de woede van een teleurgestelden en wraakgierigen volkshoop; en Hij stierf gehaat, veracht, verlaten door iedereen, behalve de zeer weinigen, wier liefde sterker was dan de dood of de schande. Nochtans is door de rechtvaardige ironie der Voorzienigheid, die dan altijd \'t meest ironisch is, wanneer zij \'t meest bespot schijnt, deze Persoon, zoo onbekend en gering, zoo onbevriend en verlaten hij was, bewezen te zijn de verhevenste en goddelijkste Persoon der geschiedenis, de ééne Mensch, die voor de beschaafde wereld eeuwenlang waarachtig God geweest is. Verbeeld u Pilatus, wanneer hij op den middag van den noodlottigen dag, na de verbittering en vernederingen van den morgen, rust zoekt, plotseling bevangen door een visioen, waarin hij Jezus, dien zijn ruwe soldaten gegeeseld hebben, dien hi) verachtelijk overgegeven heeft aan \'t kruis, dien de Joden juist bezig zijn te kruisigen, tot zulke vereering ziet verheven als geen Grieksche god of romeinsche keizer ooit had ontvangen; erkend ziet als de ware Zoon en het beeld

-ocr page 303-

HET ACTUEELE EN IDEALE IN CHRISTUS. 289

van den onzienlijken God; beleden als de eerste Persoon dei-geschiedenis, die over menschen en volken den scepter der reddende genade en der cordeelende gerechtigheid zwaait — zou hij niet, wanneer deze opeenvolgende tooneelen hem voorbijgaan, beginnen te voelen dat dit te wonderbaar was zelfs voor een visioen, en ontwaken, met een bewustzijn van afgrijzen gemengd met verbazing, uit wat hij wel de dwaaste van alle dwaze droomen mocht noemen? Nochtans, wat hem een reeks van de ongerijmdste onmogelijkheden geschenen had, staat voor ons als een reeks van vervulde werkelijkheden. De gekruiste Christus is een middelpunt waarvan het Christendom de omtrek is, en een middelpunt waarheen de ontelbare harten, die den levenden stroom der christelijke eeuwen vormen, zich hebben gewend om vrede, licht, liefde, om den troost en de opbeuring, die de gedachte aan de menschlievendheid Gods zenden kan in den zwakken en terneergeslagen geest. Boven deze eeuwen, gelijk zij gekomen en gegaan zijn, stond Hij : , Jezus Christus, gisteren, heden en tot in eeuwigheid dezelfde.\'\'

Er is een Christus der geschiedenis en een Christus in de geschiedenis, en wij mogen zeggen dat, indien de een voor ons geloof een tegenstrijdigheid schijnt, de ander een overtuigende verdediging daarvan is. Indien de ondervinding één ding bewezen heeft, is het dit — de noodzakelijkheid van Christus voor de zedelijke welvaart en de geestelijke rust der menschheid. Het zcu even onmogelijk zijn de geesten, voor wie Hij de hoogste noodzakelijkheid en schitterende vreugde is, te tellen, als het zijn zou omtrent de sterren te beslissen, die buiten het bereik van den sterksten verrekijker liggen. Gelijk de sterren van den melkweg, die afzonderlijk niet te onderkennen zijn, door haar groote menigte in staat

19

-ocr page 304-

290 CHRISTUS IN DE GESCHIEDENIS.

zijn den hemel van een gordel van licht te omsluiten, zoo vormt een wolk van getuigen, die niemand tellen kan, het roemrijke voetpad van Christus door de eeuwen, het helderst waar de nacht het donkerste schijnt, het schoonst waar het wegsmelt in het licht van den dag. De heerlijkheid, die over zijn pad gespreid ligt, zet schoonheid hij aan Hem, die daarop wandelt; en Hij komt tot ons gekleed in het schitterend gewaad, dat voor Hem geweven is door een geloof, dat duurzamer is dan de tijd ; door een liefde die sterker is dan de dood, „Jezus Christus gisteren, heden en tot in eeuwigheid dezelfde.quot;

I.

Hier ontmoeten wij nu op onzen weg iets dat een zeer geschikt onderwerp schijnt voor onze beschouwing; namelijk dit, wat Christus wilde doen, wat Hij gedaan heeft en waardoor Hij in staat was dat te doen. En dit moeten wij niet aanzien als een kwestie van historische kritiek, maalais een onderwerp uit den levenden godsdienst en de praktijk des levens, als een middel om te ontdekken wat ons levend christendom moet zijn, moet doen en moet streven te doen. De ideale en werkelijke elementen in Christus zijn niet tegenstrijdig, het een is slechts het kleed en de uitdrukking van het ander; maar de werkelijkheid der christenheid is dikwerf in volslagen tegenspraak met het ideaal in Christus. Deze hehooren echter in overeenstemming te zijn, ja zij moeten overeengebracht worden, zal ooit de christelijke godsdienst de godsdienst van Christus worden. Te leven voor Christus be-teekent het uitvoeren zijner plannen en idealen, het volbrengen van het werk, dat Hij in en door den mensch gedaan heeft, en nog zoekt te doen. Wat de kerken hoog noodig

-ocr page 305-

HET IDEALE IN CHRISTUS EN HET ACTUEELE IN HET CHRISTENDOM. 291

hebben is een terugkeer tot Zijn geest, ideaal en metbode; deze moeten zij volgen, opdat zij baar eigen bestemming mogen vervullen. Zijn werken dienen ons tot inspiratie. De groote daden van bet verleden behooren het heden tot werkzaamheid aan te gorden , zij- bewaren het niet voor de moeite van den arbeid, maar helpen het slechts om te edeler te handelen. Het zou een slechte logica zijn een edelen en heldhaftiger! vader tot rechtvaardiger van een onedelen en lafbartigen zoon wilde maken. Ongeoefende kracht is verloren kracht; ongebruikte werklust is verwoeste werklust. De christenheid kan niet op haar lauweren rusten zonder ze te verliezen, zonder te bekennen dat haar werk gedaan is en haar einde nabij. Een geloof, dat op crediet van zijn verleden leeft, is geen levend geloof; een godsdienst, die onmachtig is om degelijk en rechtvaardig werkzaam te zijn in het tegenwoordige, is een godsdienst dien de wereld zeer gemakkelijk missen kan.

Laat ons erkennen dat wij het hoofd te bieden hebben aan vijandelijke krachten van geweldig vermogen, aan gevaren van onmetelijke grootte. Er is een aanvallend, oorlogzuchtig ongeloof, dat zeer dogmatisch is waar het het sterkst twijfelt, dat alles meent te weten waar het volslagen onwetend is ; dat, met de belijdenis van niet te weten, de goddelijkste kennis tracht te vernietigen. Er is een zeer verfijnde wereldschge-zindheid — het materialisme, voortkomend uit gunstige aardsche toestanden, — geneigd tot kwaad, ongeloovig voor het goede, en dat aan zijn onbeschaamdheid toegeeft door te verklaren dat alle godsdiensten voor de ontwikkelden even slecht, en voor de onkundigen en bijgeloovigen even goed en nuttig zijn. Er zijn zonden, die in het gewaad van aesthe-tische en verfijnde gebreken gestoken, des te boosaardiger zijn dewijl zij zoo verleidelijk zijn; en er zijn zonden, in \'t kleed

-ocr page 306-

CHRISTUS IN DE GESCHIEDENIS.

van grove en dierlijke hartstochten, die met een onrustbarend geweld de kracht, den ijver en de vroomheid van al onze kerken braveren. Maar wat beduidt deze bekentenis ? Dat ons werk alleenlijk goed begonnen, en niet gemakkelijk te voltooien is. De wetenschap, dat er een kwaad is beteekent, voor een moedig man, eenvoudig dat het overwonnen moet worden. Ons werk is om het gelaat van onzen vijand in de duisternis te zien te krijgen, opdat wij des te beter met hem in een strijd gewikkeld worden, die tegelijkertijd de veerkracht moge stalen en de overwinning verzekeren. Het .denkbeeld van een toestand zonder strijd, zonder hooge vlucht en moedige inspanning, is slechts het paradijs-denkbeeld van een dwaas. Ons geloof leeft door strijd. De groote wet Gods is deze — in den strijd wordt de waarheid zuiverder, machtiger, levensvatbaarder, dewijl zij meer geschikt wordt een mensch te regeeren en te ver -vullen. En wat zijn, daar „Hij, die voor ons is, meerder is dan allen die tegen ons zijn, het denken, de zonde, de hartstocht, die slechts van gisteren en heden zijn, nevens „Jezus Christus gisteren, heden en tot in eeuwigheid dezelfde?quot;

Maar zullen wij verstaan wat de christenheid gedaan heeft en wat de christelijke godsdienst behoort te zijn en te doen, dan moet dit door Christus zeiven wezen en door wat Hij in den mensch en de geschiedenis trachtte te bewerken. Zijn ideaal moet het onze wezen; slechts als het dat is hebben wij eenig recht zijn naam te dragen. Welaan dan, zijn streven was tweevoudig : individueel en algemeen, persoonlijk en sociaal, bizonder en gemeenschappelijk. Zijn krachtige individualiteit kan niemand betwijfelen. Hij kwam „om te zoeken en zalig te maken wat verloren was.quot; Zijn zinnebeeld is de herder.

292

-ocr page 307-

CHRISTUS DE VERTOLKEK DEB CHRISTENHEID. 293

die uit de woestijn wederkeert met het verdoolde schaap, dat Hij gevonden had. Voor Hem gaat een ziel een wereld te boven in waarde. Over haar bekeering is er blijdschap bij de engelen Gods. Evenwel is de redding van den enkelen mensch slechts een middel tot het groote sociale en gemeenschappelijke doel. Christus kwam een maatschappij scheppen, een staat grondvesten, hij kwam het koninkrijk Gods op aarde brengen en besturen Dat koninkrijk moest geestelijk zijn, een koninkrijk van geesten, het tehuis van hooge en heilige zaligheid, dat rechtvaardigheid, vrede, vreugde onder de men-schen uitwerkte. God moest in het geweten heerschen; Hij zou zijn koning wezen, het zou zijn zetel zijn. Waar het in den geest verwerkelijkt was, was Gods ideaal verwerkelijkt; was het eens geheel op aarde gekomen, dan zou de aarde gelijk de hemel zijn, volkomen gehoorzaam aan Gods wil. Het kon schijnen dat dit Koninkrijk de oude koninkrijken der wereld liet blijven waar zij van ouds stonden. In waarheid was het het einde van hun heerschappij; de nieuwe mensch maakte de wereld nieuw. Christus vestigde een nieuwe orde door de nieuwe geesten, die Hij vormde; Hij veranderde den Staat door zijn leden te veranderen; hij beproefde niet de ongerijmde en onmogelijke poging de leden te veranderen, door alleen de vormen van den Staat te veranderen. Hij kwam de stad Gods opbouwen uit levende geesten, door haar te maken tot de woonstede der menschen, die Hij redde; Hij verhief iederen mensch, dien Hij redde, boven de\' enghartigheid en onmacht des tijds. door hem tot een burger te maken van de stad, wier Bouwmeester en Maker God is. Daar het koninkrijk geestelijk van aard was, kon het slechts in en door geesten verwerkelijkt worden; daar het van God was, was het te onmetelijk, te goddelijk om in eenigen le-

-ocr page 308-

CHRISTUS IN DB GESCHIEDENIS.

vens- of staatsvorm belichaamd te worden. De bestemming was, dat het allen zou doordringen, doortrekken, bezielen; doch allen konden het niet Dp gelijke wijze gestalte geven of uitdrukken. Het koninkrijk was de mensch, met al zijn ver-eenigingen, geschiedenissen, beschaving; al zijn kunsten, wetenschappen, staatskunst geworden tot een volmaakte uitdrukking van den wil Gods. Tot dit gemeenschappelijk doel was het individu noodzakelijk, daarvoor bestond het, daarvoor was het gered. De menschen moesten zich bekeeren, opdat zij Gode tot koningen en priesters zijn zouden; door hen zou Hij re-geeren; door hen moest Christus zijn middelaarschap uitwerken, de verzoening der wereld met God, als den Va,der.

Dit dubbele streven nu, met betrekking tot het individueels en gemeenschappelijke, bestond niet alleen bij Christus; het ging van Hem over tot zijn apostelen. Paulus predikte „bekeering tot God en geloof in onzen Heer Jezus Christusquot; maar hij predikte zoo, niet slechts om personen te redden maar om de kerk des levenden Gods, den tempel des geestes op te bouwen; om de gemeenschap van Israel of het burgerschap der heiligen te vormen daar, waar de menschen ophouden Joden of Grieken te zijn en kinderen Gods worden. Petrus predikte voor het volk en deed zijn best om eenen gods-dienstigen, goddelijken staat te scheppen „een geestelijk huisquot;, „een heilig priesterdomquot;, „een nieuwen hemel en een nieuwe aardequot; waarin gerechtigheid zou wonen. Johannes waakte en bad om een nieuw Jeruzalem, dat het oude vervangen moest; de heilige stad, die van boven, van God neerdalen zou, versierd als een bruid voor haren man. En de tijden, waarin dit dubbele streven der kerk \'t levendigst voor oogen stond, waren de tijden der edelste kracht. Dan is het de tijd van het verteerend jagen naar het aardsche als

294

-ocr page 309-

ZIJN IDEAAL INDIVIDUEEL EN TOCH GEMEENSCHAPPELIJK. 295

de menschen het individueele in het sociale doel laten ondergaan ; dan is het de tijd van het machteloos droomen van de toekomende dingen (otherwoiidliness), wanneer ztj het sociale doel tot het individueele verlagen. Verlies het individueele en gij verkrijgt een onverbiddelijke tirannie, godsdienst geworden tot een georganiseerde en hoogmoedige hiërarchie; verlies het sociale in het individueele, en gij verkrijgt een geestelijke losheid, godsdienst, geworden tot een kort en gemakkelijk redmiddel om vrede in den dood en geluk bij God te erlangen; een godsdienst, die onbekwaam geworden is om de menschen godsdienstig, heilig en waarachtig te maken zoowel als burgers der aarde als des hemels. De tijd waarin de christelijke maatschappij bezield was door de gedachte van een regeerenden Christus, die de menschheid maakte tot een broederschap, die aan God gehoorzaam was, Zijnen wil duidelijk uitsprak en uitdrukte in alle vormen en wijzen zoowel van haar individueel als gemeenschappelijk leven — is steeds een tijd van christen-helden geweest, van menschen, die niet slechts leefden om zelf Gods wil te doen, maar om alle menschen in alle toestanden te brengen tot gehoorzaamheid, opdat zij een aarde mochten verkrijgen die, tot God\'s eer levende, \'s menschen hoogste goed voortbracht.

II.

1 Zoodanig was dan het ideaal van Christus. Maar hoe zou het verwerkelijkt worden? Wiens waren de scheppende werkzaamheden? Waar waren zij, en hoe moesten zij uitgeoefend worden? Enkel dit punt aan te geven is genoeg: Christus zelf was het middenpunt en de zetel der scheppende werkkrachten ; in Hem bestonden zij als \'t ware verper-

-ocr page 310-

CHRISTUS IN DB GESCHIEDENIS.

296

soonlijkt, werkzaam gemaakt, levend en levendmakend, door vereenigd of georganiseerd te zijn in een groote persoonlijkheid. Dat de krachten, die het Christendom schiepen, van Christus uitgingen kan geen vraag meer zijn, het is een ontwijfelbaar feit. De menschen kunnen trachten te verklaren wat Hij was, of hoe Hij dat werd, maar een ding kunnen zij niet loochenen, dat Christus \'t Christendom maakte; dat het zijn bestaan aan Hem verschuldigd is. Het is eenvoudig een daadzaak dat Hij de grootste persoonlijkheid der geschiedenis is. De krachten, die in Hem leefden, zijn de goddelijkste krachten die ooit den geest der menschen doordrongen en bezielden. Zij hebben de grootste en beschavendste omwentelingen in zijn geschiedenis teweeggebracht, en den machtigsten, gebie-dendsten invloed op hem uitgeoefend. De menschen mogen den Christus onzer Evangelien zoeken op te lossen in het kind van de mijthenvormende oostersche verbeelding, bevrucht door het enthousiasme van een groote liefde; of Hem verklaren voor het laatste resultaat van den geest van overdrijving en de strijdende belangen van wedijverende partijen en neigingen, die door strijd en tegenstelling tot eenheid en harmonie komen. Doch deze pogingen bewijzen dan alleen dit: dat de Persoon, die deze inbeeldingen ingaf, die deze partijen in \'t aanzijn riep, door zoo te doen het Christendom voortbracht. Het feit zijner scheppende werking is niet veranderd, noch het wonder verkleind, maar veeleer vergroot; want juist naarmate de schepper minder wonderbaar geworden is, wordt de schepping het meer. Wanneer men de uitwerking als zoo buitengewoon opvat, kan men minder tot een gewone oorzaak besluiten. Daarbij zijn ook de theoriën niet overeenstemmend met de ervaring der menschen, die hen opstellen ; want elk onderzoeker onzer Evangeliën erkent de

-ocr page 311-

ZIJN BEKORING KAN NIEMAND WEERSTAAN. 297

gebiedende, gezaghebbende macht van den Christus. Er woont in Hem een wonderbaarlijke betoovering. De koudste kritiek wordt verwarmd door Zijn liefde; in zijn tegenwoordigheid voelt zich de stoutste denker geroerd van edelen eerbied. De goddelijkheid, die in Hem is, bewijst haar aanzijn en werkelijkheid door de bewondering, die zij gebiedt, de vereering, die zij opwekt. Voor Spinoza was Hij de tempel des menschen, waarin God het volmaaktst geopenbaard was, het goddelijk wootd of de eeuwige rede vleesch geworden. Kousseau heeft, op zijn buitensporige wijze, Christus en Socrates tegenover elkander gesteld en besloten dat, terwijl de een als een wijsgeer stierf, de ander stierf als een god. Goethe beweerde, dat vooruitgang op alle punten mogelijk was behalve op één; de zedelijke majesteit, de geestelijke beschaving, zooals die in de Evangeliën uitgedrukt en vertoond was, kon nooit overtroffen worden. Schiller noemde den godsdienst van Christus in zijn zuiversten vorm de vleeschwording van het heilige, terwijl Jezus zelf voor hem de vleeschgeworden heiligheid was. Strauss prees Hem als het hoogste godsdienstige genie van den tijd, die den idealen of absoluten godsdienst geschapen en belichaamd had. Eenan belijdt, dat Hij een goddelijken rang verdient, dat Hem alleen de eer toekomt van den waren godsdienst gesticht te hebben, en het ons overblijft, op zijn best, zijn discipelen en navolgers te zijn.

En van anderen tijden komen er geen minder ^velsprekende en gevolgrijke getuigenissen. De schitterende groep denkers, die met Kant begon en met Hegel eindigde, maakte Christus tot het laatste probleem hunner filosopliie ; Hem te verklaren was tevens godsdienst en mensch, geest en geschiedenis te verklaren. Het is een eenig zeldzaam en hoogst merkwaardig feit dat.

-ocr page 312-

CHRISTUS IN DE GESCHIEDENIS.

terwijl Hij het voornaamste vraagstuk der historische en kritische gedachte is, dat het warmst beredeneerd, \'t versclil-lendst opgelost wordt •— geen redelijk mensch ooit zijn oprechtheid of de smettelooze, ongeevenaarde en schitterende schoonheid van zijn karakter en leven betwijfelt. Er bestaat geen zekerder maatstaf voor de wezenlijk geestelijke hoedanigheid eener eeuw dan haar waardeering van Christus. Een tijd van zedelijken achteruitgang wordt gekenmerkt door ongevoeligheid voor zijn karakter, zijn plannen en wenschen; een tijd van zedelijke verheffing en heldenmoed wordt gekenmerkt door een geestdrift voor Hem en zijn plannen, geboren uit de heerlijkste liefde. Een macht, die zoo onvergankelijk en onmetelijk is, kan nooit een onwerkelijke en ongerechtige macht tot wortel gehad hebben. Een eeuwige wet heeft \'t onmogelijk gemaakt, dat het onware steeds het ware voortbrengen, of een slecht ideaal een goede werkelijkheid zou vormen en ingeven. Omdat Christus de scheppende persoonlijkheid blijft van al, dat \'t best en edelst in den mensch is, zoo blijft Hij „gisteren, heden en tot in eeuwigheid dezelfde.quot;

2. Maar nu, waarom is Christus zulk een allesbeheerschende en scheppende persoonlijkheid geweest? Waarom is Hij dat zoolang gebleven? Welk was \'t geheim, welke waren de bronnen van zijn verheven macht? Dit zijn ruime vragen, en het is thans slechts mogelijk op de zwakste wijze eenige lijnen aan te geven, waar langs de antwoorden liggen. Bij den aanvang moge reeds opgemerkt worden, dat, wat Hij medebracht als uitsluitend — zijn gave voor \'t geloof een denkbeeld of gedachte aangaande God was, waardoor God tot een volstrekt nieuw wezen voor ons geslacht werd. De theologische beteekenis van den persoon van Christus is inderdaad onuitputtequot; lijk ; Hij is, in den meest volstrekten zin, een openbaring Gods aan

298

-ocr page 313-

ZIJN VOLKOMENE GAVE AAN HET GELOOF. 299

de menschen. \'s Menschen gedachte over God, over de oorzaak en het doel van zijn eigen bestaan zoowel als van het heelal, is zijn beslissenste gedachte; door haar te vormen, vormt gij den mensch. En hier was Christus een verheven schepper. Hij schiep ons godsbegrip, maakte zijnen G-od tot den onzen. Sedert Hij leefde, hebben de menschen gevoeld en gevoelen zij nog, dat, indien God bestaat. Hij wezen moet gelijk Hij door Jezus Christus geopenbaard is. Een God als deze verklaart de wereld; de wereld zonder hem zou geen woonstede voor den mensch zijn.

Bedenk nu wat dit beduidt. De menschen kunnen aan God niet ontkomen. Rede, gevoel, verbeelding en geweten drijven ons tot God, den Eeuwige. De poging om Hem te ontsnappen is een onmogelijke poging. De aandrang der natuur is sterker dan de wil. Waar men Hem liever niet zou vinden, overwint de aandrang die neiging. Onwetendheid is den mensch een gruwel. Hij, die belijdt niets te weten, is toch iemand, die kent en voorwaar in een gansch oneindigen graad. Zijn hartstocht is een kennis, zoo volstrekt, dat hij de dingen weet, die niet gekend kunnen worden. Tegen zijn eigen wil in, wordt die niet-weter tot eenen, die God zoekt. Het is merkwaardig, dat de voornaamste onzer levende niet-weters, de man, wiens grondbeginsel dit is, dat het oneindige, de eerste en laatste oorzaak, niet gekend kan worden, toch de schepper van ons verstaanbaarst en geleerdst wijsgeerig stelsel is; een stelsel, dat alle dingen in hemel en op aarde tracht te verklaren, zoowel wat betreft het punt van waar zij komen, als waarheen zij gaan; hun geboorte, levensgang en bestemming. Indien de laatste oorzaak, hetgeen eenvoudig de ware rede der dingen beteekent, niet gekend kan worden, dan is \'t onmogelijk eenige wijsbegeerte te hebben, want wat is wijs-

-ocr page 314-

CHRISTUS IN DE GESCHIEDENIS.

begeerte anders dan het zoeken naar liet ware begrip der dingen, geleid door het vaste geloof dat zulk begrip bestaat en kan gevonden worden! Daarom is het agnosticisme even noodlottig voor de wetenschap als voor den godsdienst; want de poging om eene verklaring van de wording der wereld te geven op den grondslag van volstrekte onwetendheid aangaande de eerste en werkende oorzaak, staat gelijk met de poging om de wetenschap te doen rusten op een beginsel, dat de kennis voor ijdelheid verklaart en dientengevolge wetenschap voor onmogelijk.

En gelijk het met den enkelen mensch is, die in spijt van zijn eigenwillig nietsweten toch tot kennis gedreven wordt, zoo is het ook in de geschiedenis des menschen. Overal heeft hij op het ijverigst naar God gezocht. Overal is het groote kerker der gedachte geweest, wie was de eerste, wie zal de laatste zijn? Hoe kreeg ik mijn bestaan? Vanwaar de wereld? Wat is de bestemming van ons wezon? De tragedie van den men-schelijken geest, en er is geen tragedie zooals deze, zijn zoeken naar waarheid, zijn teleurstelling in het vinden, zijn sterk geloof dat zij toch te vinden moet zijn, is al te zaamgevat in zijn vraag naar God. Let maar op de geschiedenis van het denken der Indiërs. Toen het oude Brahmanisme overheer-schend was, dachten de menschen dat God een soort van oneindige cirkel was, een groote omwentelende kracht, die overal en altijd eenheden in \'t leven riep, die slechts verdwenen om onder andere gedaante weder te keeren; en Buddha, gevoelende dat het leven geheel ellendig was en geen kans ziende aan den eeuwigen kringloop des bestaans te ontkomen, zoolang de Brahmaan-sche godheid vermocht te leven, tevens ziende dat binnen den cirkel nergens zaligheid was, maar overal moeite, schande en jammer werd gevonden, verklaarde — God is er niet, er bestaat geen

300

-ocr page 315-

ZIJN OPENBARING DES VADERS.

Godheid. Het scbrjnt ons verschrikkelijk toe een groot geloof op atheisme te grondvesten. Evenwel was het een zegen voor Indie. Het evangelie van Buddha was, dat er geen God is, en inderdaad het was een evangelie, want men had God zoo zeer misverstaan, dat Hij een afgrijzen voor den geest geworden was. Slechts door zijn goddelijke loochening van het goddelijke, kon de hoop, te ontkomen aan den meedoogenloozen kringloop van het bestaan, tot den geest van den Hindoe weder-keeren; het grootste geschenk des tijds was voor hem zijn verlies van God; zijn laatste geluk was nirvana het verlies van het bestaan, de overgang in \'t volstrekte rusten. Het Bud-dhisme is het groote logische resultaat van \'t Pantheïsme, op verbazende schaal uitgewerkt. Loochen de persoonlijkheid Gods en het hoogste goed voor \'t menschelijk geslacht is dan de loochening van God; het hoogste goed voor den persoon is dan om aan het persoonlijk bestaan te ontkomen en deel te nemen aan die onpersoonlijke bestaanswijzen die de treurigste altijddurende dood zijn. Juist opgevat, wordt ons geheel verleden, geheel ons heden slechts het schitterend voorbeeld van Ts menschen zoeken naar de godheid, en zijn behoefte aan God wordt des te sprekender door de krankzinnige poging om, als hij de waarheid niet bereiken kan, een eind aan zijn bestaan te maken en te leven zonder den waren God en Vader, dien hij vinden moet om aan de verstijving der wanhoop te ontkomen.

Merk nu op, hoe in deze wereld, met haar verward denken over God en de evengroote noodzakelijkheid voor haar om Hem te bezitten, de Christus optrad. Hij kwam en verklaarde, dat de eerste oorzaak en het einddoel der wereld, in betrekking tot den mensch beschouwd, een eeuwige Geest is, die slechts kan vertegenwoordigd worden door den naam van „Vaderquot;. De Vader moet in gelijke mate liefde en recht-

301

-ocr page 316-

CHRISTUS IN DE GESCHIEDENIS.

302

vaardigheid zijn; liefde, die het heil zijner kinderen zoekt, rechtvaardigheid, die hun geluk zoekt, volgens een eeuwige wet van waarheid en recht. De liefde is eeuwig, zij heeft geen begin en kan ook geen eind hebben in God De liefde is ook sociaal, en kan slechts bestaan wanneer er het subject en het object der liefde is. De liefde was Gods zaligheid; die liefde verlangde geluk voort te brengen; wenschte^ gelijk de volzalige God zalig was in zichzelven, de stille plaatsen van het heelal te vullen met vroolijke stemmen, met gelukkige zielen. De mensch is geen noodzakelijkheid voor God, maar God wenschte den mensch; behoefde hem om zijn oneindige liefde, de ruime en eeuwige levensbeweging van zijn eigen grooten geest te voldoen; en daar God den mensch behoefde, ontstond de mensch ook overeenkomstig Gods wensch. Maar de behoefte was niet slechts scheppend, zij was evenzeer verlossend. De liefde moet streven naar het heil voor het kind, dat zij verwekte, en daarvoor arbeiden; gelijk bet individu door de liefde is ontstaan, zoo tracht de liefde altijd het goede daarvoor uittewerken, zijn welzijn te zoeken. Wat kwaad is voor een kind is ook kwaad voor zijn ouders; de zonde in den mensch is lijden in God. Uit \'s menschen boosheid kwam Gods lijden voort, het werd geopenbaard, verwerkelijkt en voor het heelal eens voor goed zichtbaar gemaakt in den Persoon, in het oifer van Christus. Het betaamde den eeuwigen God om Hem door lijden te volmaken. God had de wereld zoo lief dat Hij zijn eenig-geboren Zoon gaf, want de liefde sluit reeds opoffering in. Die gedachte van den eeuwigen Vader door liefde en gerechtigheid werkzaam tot liefelijke en rechtvaardige doeleinden; die gedachte van den Eeuwige, die onophoudelijk van barmhartigheid bewogen, zonder verslapping werkzaam is voor het heil aan ieder

-ocr page 317-

DE MENSCH NIET IN STAAT DE GAVE TE WEIGEREN. 303

afzonderlijk zoowel van den enkelen persoon als van het ge-heele geslacht — was de schitterende gave van Christus aan den mensch. En wanneer wij daarover denken, komt tot ons — evenals tot Karshish, de arabische geneesheer, die voor het oogenblik overbluft was door de geheimzinnige grootheid der nieuwe opvatting, die hem ten deel gevallen was, door zijn onverwacht ontmoeten van Lazarus, den man dien Christus uit den dood had opgewekt — het vizioen van een goddelijker godheid, dan eenige wijsbegeerte of godsdienst der volken tot dusver gekend had:

De ware God! Deuk \'t Abib in, kunt gij?

De almacht is de hoogste Liefde ook —

In \'tonweer spreekt een menschelijke stem En zegt: ,.Hart, dat ik schiep, gevoel mijn hart!

Zie, oogen, die ik beeld\', de mijn\' in d\'uw\';

Geen kracht hebt gij, noch kunt mijne doorzien.

Maar \'k gaf u Liefd\', en voeg Mij-zelf daarbij,

Dat gij Mij lieven zoudt, die sterven wou voor u. ■)

3. Dit nieuwe Godsbegrip nu, deze toevoeging der goddelijkste bestanddeelen aan onze opvatting van Hem, was een volkomene gave, zoo volkomen dat het noch verloochend, noch ontnomen kan worden. Het heeft zich met den geest des men-schen zoo zeer vereenigd, dat hij het niet kan uitdrijven of daaraan ontsnappen. Het is nu voorgoed het zijne, zelfs in spijt van hem zeiven. Het zou aangenaam geweest zijn, ware \'t hier mogelijk geweest, aan te toonen hoe de denkbeelden van Christus in het merg en been van den levenden geest zijn overgegaan; den geest en het wezen zeiven van het nieuwste en karakteristiekst moderne denken doordrongen

^ Browning1, Poetical Works. Deel 5, 228—9.

-ocr page 318-

CHRISTUS IN DB GESCHIEDENIS.

304

hebben, zoodat het wezenlijk ongelijk is aan het oude denken, het classieke of het oostersche. Het is, bijvoorbeeld, vreemd dat het oostersch Buddhisme in het westen verschenen is. Buddha\'s groots leer van het Karma, de wet of de onpersoonlijke moreele orde, die steeds voortgaat zich zelve te vervullen door keuze en handeling, handeling en uitkomst onlosmakelijk aan elkander te schakelen, is in dit land der Filistijnen ingevoerd door den modernen meester der phrase, en gedoopt „stroom der neiging.quot; Maar toen, terwijl het Buddhisme verschenen is in zijn groote albeheerschende gedachte als een stroom der neiging, is Christus gekomen en heeft er de idee „die naar de gerechtigheid trachtquot; bijgevoegd; en de mensch, die een Buddhist geweest zou zijn, als Christus er niet ware, voelt zich in een kring van christelijke denkbeelden gedompeld, waarvan hij zijn bewustzijn niet kan zuiveren, noch ook zou willen, al kon hij. Lucretius bouwde lang geleden een stelsel, dat zuiver stoffelijk was : hij maakte het heelal tot de woning en het strijdpei\'k van krachten, die geheel natuurlijk waren. God en voorzienigheid, godsdienst en aanbidding waren daaruit, als verwerpelijke dingen, gebannen, terwijl iedere levensverscheidenheid, vorm en aard het werk was van een natuur, die zich zelve ontplooide. David Strauss trachtte in onze dagen te formuleeren wat het geloof dei-toekomst zou zijn. Het zou geloof zijn in den verheven kosmos, in de geweldige ongeordende, alles ordenende oi-de, uitgedrukt in aanbidding, in het gevoel van eerbied voor het heelal, dat zoo onmetelijk en zóo harmonisch was. Maar zijn heelal was niet meer het heelal van Lucretius; het was een heelal van liefde, waarin weldadigheid en rechtvaardigheid de bouwende orde bezielen en uitgedrukt worden in al zijn wetten, als het ware, een heelal gedoopt in Christus. En zoo

-ocr page 319-

BETREKKING VAN CHRISTUS TOT WET, MENSCH, EN GOD. 305

antwoorden mannen als Strauss, die in al de verhevene en zelfbewuste wijsheid dezer negentiende eeuw optreden met de vraag: „hebben wij nog geloof?quot; zich zeiven. Gesierd met geleende veeren, gehuld in ideen, die ontwijfelbaar van Christus zijn, onderzoeken zij evenwel, alsof dit een vraagstuk kon wezen, „zijn wij nog Christenen?quot; Met een onbewustheid, die slechts een sterker getuigenis is aan zijn waarheid, spreken zij denkbeelden uit, die de zijnen zijn, en houden die voor de edelste en noodzakelijkste grondbeginselen der wet, naar welke de menschen hun levens moeten regelen. Door zoo te doen geven zij getuigenis van het feit, dat Christus zelf, zijn woorden, zijn bedoeling, zijn zending en al zijn plannen zoodanig tot de gedachte, den geest, en het bloed der wereld zijn geworden dat de wereld nooit meer van Hem los kan komen. Hij is de ziel van haar edelst denken, de beweegreden en drijfveer van haar menschwaardig handelen. „Jezus Christus, gisteren, heden en tot in eeuwigheid dezellde.11

III.

Maar dit brengt ons op een ander punt. Wij moeten niet alleen overwegen wat Hij bracht en gaf, maar wat Hij was. Elke poging om van het leerstellig gezichtspunt uit te onderzoeken wat Hij was, zou ontelbare godgeleerde vragen opwekken, maar ik wensch intussclien de zaak van slechts een zijde te beschouwen — de betrekking van den persoon van Christus tot de verwerkelijking van zijn ideaal, het bizondere als het algemeene, als de bron en het voertuig der krachten, die zijn aanhang moesten scheppen en zijn werk bepalen.

1. Merk dan op dat Christus een uitstekend reine, volmaakte, schoone menschelijke natuur bezat. Hij was Gods

20

-ocr page 320-

CHRISTUS IN DE GESCHIEDENIS

ideaal van den mensch, dat was in Hem verwerkelijkt, openbaar geworden, werkdadig en handelend. Deze menschelijkste aller historische persoonlijkheden nu, kan beschouwd worden in drieerlei verhouding, passend bij ons tegenwoordig thema: de verhouding tot de eeuwige wet, tot den mensch en tot God.

Wat het eerste punt betreft, de verhouding tot de wet, was Christus de verpersoonlijkte gerechtigheid, de openbaring en werkzaamheid onzer menschelijke deugden, opgetreden om een leven te leven, volkomen ideaal dewijl het geheel waar was. Hij was de waarheid, de kuischheid, de zachtzinnigheid, de liefde, het geloof en de hoop, en al de edele hoedanigheden, die voor de wet \'t meest gelden en die de mensch \'t meest bewondert, belichaamd in een werkzaam leven. In verhouding tot den mensch, was Hij de vleeschgeworden goedgunstigheid, de belichaming der liefde, die dragen en wagen kan en alles doet, dat het heil des menschen kan bevorderen; Hij was de verpersoonlijkte geest der menschelijke verbroedering. De menschen, die tegen Hem zondigden, konden Hem er niet toe brengen kwaad met kwaad te vergelden, hun haat wekte slechts zijn mededoogen op, hun wraak verschafte Hem slechts gelegenheid om zijn vergevende liefde te bewijzen. De groote dingen, die Zijnen geest beheerschten, de smarten die Zijn hart braken weerhielden Hem niet zijn geslacht te dienen. Zoo goedgunstig Hij in al Zijn gedachten was, was Hij weldadig in al Zijn handelingen. Hij leefde voor den mensch en Hij stierf voor den mensch. Voorts in verhouding tot God was Hij volmaakt gehoorzaam ; de eerstgeborene zoon van den Eeuwige. Hij kwam om Zijns Vaders wil te doen, en Hij deed dien. Hij leed inderdaad, doch slechts om des te meer gehoorzaamheid te leeren en te openbaren, en voor

306

-ocr page 321-

BETREKKING VAN CHRISTUS TOT WET, MENSCH EN GOD. 307

altijd te zijn iemand, die een dubbel zoonschap bezat en openbaarde, zoowel „de zoon Godsquot; als „de zoon des men-schenquot; zijnde.

Bedenk nu hoe deze bestanddeelen zijner persoonlijkheid hebben ingewerkt op het denken des menschen, en invloed geoefend op het leven der wereld zoowel binnen als buiten de christelijke gemeenschap. Zijn verhouding tot de wet heeft het zedelijk ideaal voor het menschelijk geslacht vernieuwd en verhoogd, een nieuw soort van heilrijke deugden geschapen, en veroorzaakt dat de edelste niet slechts de moedigste, maar ook de zachtste, de menschlievendste, de reinste en de liefderijkste is. Zij versterkte het geweten, veredelde de vrijheid en deed de menschen voelen, dat wat ooit \'s menschen geweten mocht kwetsen en tusschen hem en zijn plicht of de wet van zijn God in stond, een poging deed tot een onheiligen dwang des geestes. Zijn verhouding tot den mensch met de broederschap die zij uitdrukte, schiejj de idee van broederliefde, maakte een einde aan de diepe verbastering van den slaaf, de nog dieper verbastering van den autocraat, werd de voorbereiding van den tijd waarin de mensch de broeder zijn zou van zijn medemensch over de gansche wereld, en alle landen en afgelegen eilanden der zee samen vereenigd zouden zijn in sympathie en liefde. De groote gedachte onzer menschheid als een broederschap, en al het goede dat deze in de wereld verricht heeft, was van Hem. Voorts kwam uit zijn betrekking tot God de idee voort van \'s menschen gemeenschappelijk zoonschap en de gelijkheid van al de zonen voor den eeuwigen Vader; en de roem van degelijkheid, die Hij stichtte, is deze — zij verlaagde niet, maar verhoogde; zij vernederde niet enkel den hoogmoedige, zij hief ook den nederige omhoog, door den armste te doordringen met het

-ocr page 322-

CHRISTUS IN DB GESCHIEDENIS

denkbeeld der verwantschap met God. Door trekken als deze is de aard van Christus\' opvatting openbaar geworden. Zij was een bijkans oneindige verheffing van de idee des menschen. Zij maakte niets gelijk behalve het kwade of ijdele; zij verhief den hoogste tot een edeler hoogte dan hij ooit gedroomd had. De menschheid werd zich bewust een huisgezin te zijn met God als gemeenschappelijken vader; de menschen voelden dat de aardsche onderscheidingen verdwenen voor de verheven gelijkheid, welke uit hun gemeenschappelijk hemelsch zoonschap ontstond.

2. En deze mochten geen onvruchtbare gedachten zijn; de werkzaamheid van haar schepper heeft haar gemaakt tot onze machtigste geestelijke krachten. Bovenal toonde zgn persoon ze in organische eenheid, in harmonische en weder-keerige werking. Hij maakte het klaarblijkelijk dat de wet voor het binnenste der menschen bestaat en ten behoeve der menschheid; onze beste gehoorzaamheid is oprechte weldoen. Voorts was zijn liefde tot God uitgedrukt in den dienst des menschen; Zijn dienen van den mensch was gehoorzaamheid aan God. En dit, omdat dit het veld van den dienst des menschen verbreedde en het doel daarvan verhoogde. Dooiden mensch te dienen dienden de menschen God; het heil, dat aan ons geslacht bewezen werd, was verhoogen van de eer Gods. En dit bewerkte, zoowel in de beweegredenen als in de voorwerpen dezer werkzaamheid, een wonderbare verandering; het maakte de meest ideale plichten praktisch. Gij vindt de liefde tot den mensch een van de moeilijkste dingen die er zijn; er zijn menschen die men onmogelijk beminnen kan. Gij kunt de slechtheid niet beminnen — hoe kunt gij dan den persoon beminnen, die deze in zich belichaamt? De leugen is hatelijk; is dan de leugenaar be-

308

-ocr page 323-

LIEFDE TOT DEN MBNSCH, LIEDE TOT GOD. 309

minnelijk? Gij kunt geen lage daad liefhebben; kunt gij dan den man liefhebben, die de persoonlijke gemeenheid is? Gij haat den wellust; kunt gij den wellusteling liefhebben, den mensch, die met zijn onreinheid den geheelen dampkring rondom hem tot een beleediging en schande voor u maakt? Christus geeft een antwoord op deze vragen. Het is niet de werkelijke mensch, dien gij bemint, het is Gods ideaal. Gij moet hem niet om zijns zelfs wil alleen zoeken te redden, maar ter wille van den God, die hem schiep en hem schiep om goed te zijn, en nog beweert dat hij kan worden wat Hij hem bedoelde te zijn. De omvang van den bouwval bewijst de grootte van de gevallen natuur. Gij bemint de natuur, die bedorven werd door den val. In iederen werke-lijken duivel leeft een mogelijken god. Christus maakte dat wij den mogelijken god in den werkelijken duivel zien ; maakte dat wij dien zoo zagen, dat wij dit goddelijk beeld, ofschoon het verloren is en toch nog verborgen bestaat in den allerergsten . zouden liefhebben , en arbeiden om het te herstellen. Wat eens liefde tot God is , wordt liefde jegens de menschheid ; de godsdienst wordt tot een menigte van verbeterende krachten, de beschaafde werkingen der wereld vereenigd, geordend en verheerlijkt. De ondernemingen op het gebied der uitwendige en inwendige zending worden mogelijk, want de wilde, hoewel hij ontaard is, is voor ons meer aan den engel dan aan het dier verwant; de man, die voor hartstochten als zoovele duivels beheerscht wordt, kan evenwel de woning worden van de heiligste geestdrift. Zoo gelooven wij dan en moeten wij gelooven daar Hij blijft; „Jezus Christus gisteren, heden en tot in eeuwigheid dezelfde.quot;

3. Gelijk met haar Godsbegrip is \'t ook met haar verwe-

-ocr page 324-

CHRISTUS IN DE GESCHIEDENIS

310

zenlijking van liet ideaal des menschen — de wereld kan er niet aan ontkomen , kan de denkbeelden, de geestdrift en de zelfbewustheid, die het geschapen heeft, niet uitdrijven. Het beheerscht en regeert de menschen, die denken dat zij met Christus volkomen afgedaan hebben. Er leeft in ons midden een zoogenaamde godsdienst der menschelrjkheid, die de wezenlijke ontkenning van den christelijken schijnt. Hij kent geen schepper; zijn eenige God is ,le grand Êtrequot; het geza-melijk geslacht. Nochtans zoekt hij het geslacht, dat hij vergoddelijkt, heeft, te beminnen, te dienen, meer goddelijk in \'t goede minder duivelsch in \'t kwade te maken, tot een machtig organisme op te bouwen, waarvan elke eenheid tot nut van het geheel bijdragen, en het heil van het geheel het deel en de vreugde aller eenheden worden zal. Vanwaar kwam echter dat denkbeeld der menschheid als een geheel, een zoo teeder en tegelijk zoo verbazend groot organisme, een concreet en fijn uitgedrukt wezen, waarvan al de samenstellende eenheden in onophoudelijke wisselwerking zijn en zoo fijn en sympathetisch verbonden, dat geen goed of kwaad een er van kon bereiken zonder allen te raken en te treffen? Vele eeuwen voor Comte leefde er een man met name Pau-lus, de beroemdste vertolker van den Christus. Adam oordeelde hij zoo verbonden aan het menschengeslacht en dit zoo aan Adam, dat het goede des eenen of het kwaad des eenen het goede of kwade van allen was; ook oordeelde tij van Christus dat Hij zoo verbonden was aan de menschheid, en de menschheid aan Hem , dat Hij haar vertegenwoordigde, belichaamde , in zich bevatte , dat zij leefde, zich bewoog en handelde door Hem. Zijn heil was het hare; haar heil het zijne. Hem te dienen was dienst des menschen; en elke mensch, dien Hij redde, hielp de

-ocr page 325-

DE GODSDIENST VAN CHRISTUS GODSDIENST DER HUMANITEIT. 311

rnenschheid heiligen. En zoo meende Paulus dat hij, door voor Christus te leven, slechts te meer voor den mensch leefde.

Voor Hem, was niet te werken voor voorbijgaande hervormingen, of veranderlijke en onvolmaakte staatsvormen, maar aan de bedoelingen des scheppers, het eeuwige plan Gods ten opzichte van den mensch. Zijn wet te gehoorzamen be-teekende niet bestuurd te worden door de algemeen gemaakte ondervindingen van het geslacht, maar het plan te j , volgen naar hetwelk de rnenschheid was saamgesteld, opdat

Ide geest van den Bouwmeester volkomen vervuld zou worden.de geest van den Bouwmeester volkomen vervuld zou worden.

En hij begreep, dat zijn daad en de daad van elk ander individu niet slechts invloed had op den mensch en des menschen j,, , geheele toekomst, maar ook op het onmetelijk heelal, dat in den schoot der ruimte slaapt, op de troonen en heerschappijen in de hoogste hemelen, die door de kerk de menigvuldige wijsheid Gods leeren. Dat was een denkbeeld aangaande een saamverbonden en onderling werkend bestaan als nooit in IJ de ziel van Comte opdoemde, en indien het Positivisme zegt: !?j^| „Zie hoe edel en menschlievend onze godsdienst is; hij dringt u de rnenschheid als „het groote wezenquot; te aanbidden en te dienenquot;, zullen wij eenvoudig antwoorden — wij bezitten een grooter en heerlijker waarheid. Voor ons spreekt de menschheid Gods gedachte uit en wij aanbidden God door ||||j den mensch te dienen, volgens zijn ideaal dat verwerkelijkt is in „Jezus Christus, gisteren, heden en tot in eeuwigheid dezelfde.quot;

4

4.

1. Zooveel over het ideaal van Christus en de krachten j allen in Hem aanwezig en van Hem uitgaande, die het

-ocr page 326-

CHKISTÜS IN DB GESCHIEDENIS.

312

verwerkelijken moesten. Maar de behandeling dezer vragen heeft ons tot een andere gebracht — „hoe of op welke wijze arbeidde Hij aan de verwezenlijking van zijn ideaal? welke was zijn methode ?quot; Het was een arbeid van binnen naar buiten, van den enkelen mensch tot de velen, van de eenheid tot de massa. Hij ging voorwaarts de individuen tot zich roepende, inderdaad om huns zelfs wil, doch niet alleen om huns zelfs wil, maar evenzeer tot heil des menschen. Om de waarheid en het leven, die in Hem waren, te laten leven en werken, vormde Christus uit de menschen^ die Hij riep en redde, een gemeenschap, het Koninkrijk der hemelen, de stad Gods. Het was als een voertuig van de denkbeelden, die in Hem vleesch geworden waren, een kweek-grond van het leven dat Hij bezat. De geredden waren gered opdat zij bewerkers der zaligheid zouden zijn. De maatschappij der geredden moest een maatschappij van genezenen zijn, die als een groote geneeskrachtige balsem op het kranke hart der menschheid moest werken. Die balsem moest, naar haar natuur, een onzichtbare geur zijn, die van de zichtbare kringen der heilige menschen uitging. Deze gemeenschappen mochten haar eigen uitwendig bestaan bepalen, de soortelijke vorm die zij te dragen hadden. Christus maakte voor zijn aanhang geen staatsregeling, die overal en altijd onveranderd en dezelfde moest blijven. Hij bond hem niet aan onwrikbare formeele wetten — dat zou hem in ijzeren banden opgesloten hebben, welke spoedig zijn dood zouden tengevolge gehad hebben; maar terwijl Hij zijn aanhang vormde en daarin steeds tegen-woordig bleef leven, vergunde Hij dat het inwendig leven zijn uitwendigen bestaansvorm en algemeene handelwijzen regelde. Zijn aanhang heeft onderscheiden idealen gehad. Vooreerst het pauselijk of autocratische; dan het episco-

-ocr page 327-

DE CHRISTELIJKE GEMEENSCHAP KN ZIJN STELSELS. 313

paal of aristocratisch-monarchale; dan liet republikeinsche of \'t presbjteriaansche; en het democratisclie of gemeentelijke (congregationalistische.) De ideen zijn bij elk verschillend; de idealen zijn ook verschillend. Het pauselijk stelsel streeft naar eenheid, maar denkt dat het zich van de eenheid het best kan verzekeren door al de menschen van de gemeenschap klein te houden als kinderen, tot volstrekte gehoorzaamheid verplicht jegens een gezag, waarvan het als een uitgemaakte zaak geldt dat het boven de menschelijke feilbaarheid verheven is. Het bisschoppelijk stelsel tracht een constitutioneele monarchie na te bootsen ; beweert dat een staatkundige eenvormigheid, met haar bepaalde en afgebakende inrichtingen beter is dan de vrijheid des geestes, of de vrijwillige en overeenstemmende werkzaamheid van een liefhebbende en vertrouwende broederschap. Het presbyteriaansch stelsel wil een republiek, geregeerd door de uitverkorenen, door de geesten die als de wijsten en besten gelden; bestuurd door een klein getal ten nutte van de velen, evenwel terwijl de hoogste macht berust bij de menigte, die opgevoed, onderwezen en veredeld wordt door de macht welke zij uitoefent. Eindelijk beschouwt het gemeentelijk stelsel voorrechten en plichten als aan elkander verbonden; het gelooft dat niemand lid van de christelijke maatschappij wezen kan, die niet een geredde is en alzoo een heilige en dientengevolge een gezond mensch: het gelooft ook dat ieder die tot dezen kring behoort, geroepen is de privileges en rechten der christenheid uit te oefenen en haar plichten te vervullen. Het aanvaardt de ideale rijpheid of volmaaktheid, de worsteling om daartoe te komen — om geholpen en niet gehinderd te worden door de verrichtingen van het werkzaam burgerschap — van al de eenheden die het bizonder genootschap samenstellen.

-ocr page 328-

CHRISTUS IN DE GESCHIEDENIS.

314

Met de betrekkelijke eigenschappen en waarborgen dezer vormen heb ik mij hier niet bezig te houden: het is genoeg als ik zeg, dat eene, die het minste recht laat wedervaren aan de persoonlijkheid der geredden, het verst verwijderd is van de idealen en bedoelingen van de gemeenschap; terwijl zij, die daaraan de meeste vrijheid, de meeste voorrechten en plichten van het burgerschap verleent, \'t meest in overeenstemming is met het ideaal van Christus zoowel van den burger als van het Koninkrijk. En zoo is \'t slechts wat te verwachten was, wanneer wij bevinden dat de men-schen, die Hem het naast stonden, zijn geest het best verstonden, zijn eigen discipelen en apostelen, den gemeentelijken weg insloegen. Deze was de meest vrije, en voor uitzetting vatbare, gaf de meeste ruimte aan hen, die „de vrijheid des geestesquot; en „der profetiequot; beminden, maakte het onmogelijk het Gods bestuur aan een menschelijken regeringsvorm op te offeren, die zeker te gebrekkiger is naarmate hij meer aanspraak maakt op onfeilbaarheid. Doch dit alles ligt buiten ons onmiddelijk plan. Hier hebben wij deze waarheid slechts te erkennen, dat de christelijke gemeenschap grooter is dan eenige Kerk, en een ander en oneindig verhevener ding is dan eenige kerkelijke vorm. De gemeenschap bestaat in alle kerken, maar is niet in eene vervat noch uitgeput door allen. De vormen bestaan om mede te helpen tot de verwerkelijking van het koninkrijk, doch geen vorm reikt tot haar verwerkelijking noch laat die toe. Ieder tracht op haar eigen terrein en op haar eigen wijze naar de beste middelen om de groote plannen van Christus te vervullen, gelijk zij die verstaat en wenscht dat zij verstaan worden, opdat zijn koninkrijk moge komen en zijn wil volbracht worde overal door alle menschen.

-ocr page 329-

GEEN OOSTEBSCHE OF WBSTERSCHE GODSDIENST. 315

2. Deze gemeenschap dan, met haar vermogen haar eigen vormen te scheppen, sommigen minder , anderen meer volmaakt, sommigen goed, anderen op verschillende wijze verkeerd — ving de reize aan op den grooten levensstroom. Zij zag er broos, zwak en machteloos genoeg uit, zonder het voor uitzicht op de kracht of de kunde om den storm voorbij te zeilen. Evenwel was het iets volstrekt nieuws in de geschiedenis der menschheid, wonderbaarlijk zoowel door zijn eenvoud als door zijn rijkdom, door de zichtbare krachten die het in zich bergde, als zijn geschiktheid om overal aan alle menschen te passen. Het was een nieuwe godsdienst en toch aan geen oude gelijk; het had geen tempel, geen priesterschap, geen ritueel, geen methode om de Godheid te verzoenen, geen Godheid die verzoening noodig had; het was geest en kracht, een godsdienst, die uit de waarheid leefde doch krachtens de eenvoudigste werkingen, daar menschen den mensch zochten te overtuigen dat zij verzoend waren met God. Er bestaat geen godsdienst, die, gelijk deze, van vorm of plaats onafhankelijk is. Men kan het christendom geen oostersche of westersche godsdienst, geen oostersche of westersche instelling noemen. Het is noch het een, noch het ander, het is beide; het behoort bij den mensch, het maakt aanspraak op deze geheele aarde. Men kan het Brahmanisme niet verplaatsen; het is door-en-door Indisch, het was in Indie geboren, moest in Indie leven, het is buiten Indie onverstaanbaar, onpraktisch, onmogelijk. Men zou het Buddhisme in Europa niet kunnen laten aarden; het zou onder de bewerking sterven, verbroken door de aanraking zelve met de luchtgesteldheid, de vrijheid, de instellingen, de krachten, de algeheele natuur van het gespierde en gezonde westen. De Islam is een oos-tersch geloof; het is te gelijkertijd te streng en te toegevend,

-ocr page 330-

CHRISTUS IN DE GESCHIEDENIS

te eenvoudig en onbuigzaam, te zeer gebonden aan ruwe gebruiken en half wilde instellingen, aan heilige plaatsen en barbaarsche zeden om in onze westersche lucht te bloeien of onzen Westerschen geest te passen. Maar het christendom is universeel, geschikt om aan het klimaat van elk land te gewennen, op eiken grond te tieren. He1\', is aan geen plaats gebonden, aan geen gewoonte gehuwd, draagt geen plechtgewaad, is in geen instellingen gehuld die plaatselijk zijn of ook maar kunnen zijn. Het is een koninkrijk der waarheid, een tempel van den geest, een stad van burgers die van het geloof aan de waarheid leven, en door het woord de waarheid, van welke zij leven, zich uitbreiden. De eenige dingen, welke in het christendom beteekenisvol, werkelijk en eeuwig zijn, zijn zijn waarheden. Om deze te leeren bestaat het, en het leeft te krachtiger naar mate het meer onderwijst. De godsdienst, die waarheid is, is algemeen; het geloof, dat een vorm is, is plaatselijk, vergankelijk, bestemd voor een onbestendig leven, zeker van een onbeklaagden dood.

De gemeenschap van Christus was dan op de waarheid gebouwd, gelijk zij ingesteld was ten haren behoeve. Het was een koninkrijk der waarheid, en de menschen werden er burgers van door het geloof in de waarheid. De roepstem tot geloof . was een uitnoodiging om tot de gemeenschap toe te treden, om medeburger der heiligen te worden. De roepstem was dus noodwendig individueel, de bekeering van personen was de uitbreiding van het genootschap. Als men de uitkomsten één voor één, en op zich zelf beschouwde, waren zij gering genoeg; gezamenlijk en naar hare werkingen beschouwd hoogst wonderbaar. Men bevond dat de geroepenen nieuwe menschen werden overeenkomstig den geest van Christus. Zijn

316

-ocr page 331-

ZIJN MACHT OM MBKSCH1DN TE VORMEN.

317

macht als vormer van mensclien bewees dat Hij een Schepper was, in staat om in anderen het ideaal te verwerkelijken, dat Hij in zichzelven belichaamd bad. Zijn scheppende werkzaamheid nam vele vormen aan en ontving zeer verschillende uitdrukking. Vooreerst en bovenal bezat Hij, zooals geen ander ooit gehad heeft, de macht om van gewone lieden helden, gewone personen tot personen van algemeenen invloed, tot eerste krachten in de geschiedenis te maken. De lieden, welke Hij verkoos om zijn werk te doen, schenen daartoe het minst geeigend. Van Gennesarets oevers, uit de visschersschuit, van het tolhuis, van den pioeg, van den weefstoel riep Hij de menschen — mensclien veracht bij de wereld of althans niet hooger geacht dan dat zij geschikt waren voor hun bedrijf — en deze menschen maakte Hij tot zijn apostelen, de scheppers van een nieuw geloof, de bouwmeesters eener nieuwe menschheid. Misschien beloofde geene onderneming ooit zoo weinig als het werk, dat door de apostelen opgevat werd, zeker beloofden geen menschen ooit minder. En echter, laat de christelijke eeuwen getuigen van den aard en de hoedanigheid van het werk dat zij ondernamen, van de natuur en de hoedanigheid dei-mannen die het volbrachten. Celsus de oudste letterkundige bestrijder van ons geloof, een zeer wijs man, natuurkundige en wijsgeer, een echte zoon der beschaving, trotsch op de manieren, de taal, de bevalligheid en sierlijkheid der beschaafden, zeide: „Ziet, wat een stel menschen die christenen zijn! De leeraars onzer edele wijsgeerige stelsels aan onze lioogescholen zijn ontwikkelde heeren, vertrouwd met de beste gedachten der uitstekendste denkers en bekwaam om daaraan een juiste zoowel als bekoorlijke uitdrukking te geven; maar deze christenpredikers, wel zij zijn visschers en tollenaars, wevers en schoenlappers, baliebijters en boodschaploopers

-ocr page 332-

CHRISTUS IN DE GESCUIEDENIS.

onkundige Joden, ongeleerde Grieken, rechte barbaren, dwee-pers zonder de gave der fraaie gedachte of beschaafde spraak.quot; Doch laat ons Celsus nu hij zijn woord vatten en zijn getuigenis als waar aannemen — wat dan? Wordt hij dan niet een onzer oudste, alhoewel meest onbewuste, getuige voor de macht van Christus? Het was een nieuw ding in de geschiedenis en de ervaring des menschen, dat lieden, gelijk Celsus hen beschreef, grooter en invloedrijker worden zouden dan een, die bij zijn hoogescholen bekend stond; in het bezit van denkbeelden aangaande Grod, aangaande den mensch, de maatschappij en den staat verhevener dan ooit in Plato\'s verbeelding waren gerezen; menschen wijzer in hun begrippen van burgerlijke rechten en staatkundige plichten dan Solon; en droomende van schitterender veroveringen dan ooit in de ziel van een Alexander of Cesar waren opgedoemd; de grondslagen leggende van eene stad, die naar haar ideaal oneindig edeler was, als zij in de geschiedenis onvergelijkelijk grootscher zou zijn dan de stad, die Athene beminde en beschermde, of de stad, die Eomulus stichtte en Jupiter tot de wereldheerschappij voerde. Deze lieden te veranderen, van wat zij waren tot hetgeen zij geworden zijn — was het doen van een goddelijk werk. Hun roeping was de wedergeboorte des menschen, hun verandering de vernieuwing der wereld. Hun prediking schiep het Koninkrijk des geestes, verbrak den afgod des volks, verving dien door de idee der menschelijkheid, en leerde de menschen voor den mensch te leven door het leven Gode te wijden. Hij, die de apostelen en de vaders der kerk schiep, herschiep de menschheid.

3. Doch dit was slechts een zijde zijner werkzaamheid ; de mannen, die Hij tot \'t geloof riep, riep Hij eveneens tot deugd. Hij verbond geloof en gedrag, godsdienst en zede-

318

-ocr page 333-

DE GROOTE ONTDEKKING VAN CHBISTDS.

319

lijkheid, zooals zij nooit te voren verbonden geweest waren. De menschen hadden in de scholen de deugd leeren kennen, maar niet haar beoefenen. Christus maakte het gemeenevolk deugdzaam, en deze deugd was van een schoonere hoedanigheid en edeler rang dan de beste school haar ooit bedacht had. Het resultaat was buitengewoon, maar de eenvoud dei-middelen, die het bewerkten, nog buitengewoner. Christus deed een groote ontdekking; Hij ontdekte de macht van zuivere en eenvoudige menschelijke liefde. Vóór Hem waren de liefde, Eros, Amor bekend geweest aan de dichters. Zij hadden haar lof, haar genoegens, haar smarten, den machtigen hartstocht^ waarmee zij naar éen aarde, éen hemel, éen onsterfelijkheid verlangde, bezongen; maar hun liefde was slechts hartstocht, een streven naar genoegens, lief aan het arme ik, levende om bevredigd te worden, en stervende in zijn bevrediging. Maar Christus verhief de liefde in een hoogere atmosfeer, door haar een nieuw voorwerp te verschaffen; Hij maakte haar tot een nieuw ding, tot de machtigste en meest voortstuwende aller geestelijke krachten. De liefde tot Christus was geen zinnelijke hartstocht; het was eene genegenheid, gereinigd door de reinheid van den persoon die haar koesterde. En terwijl zij op \'t innigst persoonlijk was, was zij evenzeer algemeen, want liefde tot Christus is liefde tot den mensch, en al de doeleinden, plannen en werkingen, die hij vertegenwoordigt. Christus lief te hebben is niet enkel een individu lief te hebben; het is liefde tot het geslacht, tot de mensch-heid, die Hij verpersoonlijkte. Er bestaat geen verknochtheid, zoo universeel en toch zoo concreet, zoo uitgebreid en toch zoo geconcentreerd, zoo ruim menschelijk en toch zoo bizonder in haar wenschen, zoo onmiddelijk in haar werking. Het universalisme in den persoon van Christus maakt de liefde

-ocr page 334-

OHBISÏUS IS DB GESCHIEDENIS.

algemeen, maakt dat zij tracht naar een menschheid die zoo rein is als de Zijne; een goedgunstigheid te bereiken, die zoo ruim is als de Zijne; een maatschappij te vormen, die met Hem overeenstemt. Niemand kan Christus beminnen en het kwaad verschonen, dat Hij haatte; of de menschen verachten, voor welken Hij stierf, om hen te verlossen. Door Hem te beminnen, beminnen wij de menschheid; door den mensch lief te hebben, hebben wij Hem lief en allen, die Hij vertegenwoordigt en omvat.

De liefde tot Christus was alzoo voor het geheele leven, het zedelijke en het maatschappelijke, dat van den enkelen mensch en van het geslacht, beide een statische en eene dynamische kracht. Zij schiep, om zoo te zeggen, het ware zwaartepunt voor de gezamenlijke menschheid, dat tegelijkertijd het evenwicht van al haar aangeboren zedelijke krachten handhaven, haar werkzaamheid regelen, en haar ontwikkeling bepalen moest. De menschheid van Christus is een onuitputtelijk ideaal voor het geslacht. Zij heeft het zoo aan God verbonden: het menschdom zoo doordrongen van theïstische verbindingen en beti-ekkingen : het zoo verheerlijkt met de verwachtingen, begeerten en idealen, die uit zijn goddelijke verwantschap en bestemming ontspringen ; in een woord zoo gearbeid aan de verbroedering van aarde en hemel, dat het denkbeeld van het geheele geslacht als een lichaam, noch dat van hare onsterfelijkheid als zoodanig, aan ons denkbeeld van den mensch voldoet; hij is vatbaar voor onein-digen vooruitgang, hoopt op de verwezenlijking van het ideaal, waarvan de Schepper droomde toen Hij zijn denkbeeld van de wereld van den vrijen en redelijken geest verwerkelijkte. Het is déze grenzenlooze beteekenis van den persoon van Christus voor df menschheid dat de liefde tot Hem

320

-ocr page 335-

PERSOONLIJKHEDEN VOERTUIGEN ZIJNER WERKING. 321

tot zulk een volhardende en invloedrijke beweegkracht maakt. De liefde tot Hem kan nooit voldaan zijn met hetgeen verkregen is, want zijn ideaal is, als het ware, onverzadelijk ; het eischt een volmaaktheid, die slechts te meer terugwijkt naarmate men haar dichter nadert. Evenwel is de volmaaktheid, die zoo met ons speelt, niet bedriegelijk; elke schrede voorwaarts is een schrede die iets werkelijks doet verkrijgen, en brengt ons nader tot het doel der volmaakte menschheid zoowel van den persoon als van het geslacht. Terwijl zijn geschiedenis achter ons ligt, is Hij zelf een ideaal dat ons steeds vooruitgaat; en Hem lief te hebben is getrokken te worden tot een goed, welks oneindige verwachting de moeder is van de edelste onzer gewrochten.

4. Doch wij kunnen al wat verstaan wordt onder Christus\' macht — om de menschen, die Hij riep, en de maatschappij, die zij uitmaakten, te scheppen en te besturen — niet recht verstaan, tenzij wij haar werking in de geschiedenis hebben nagegaan. Door deze menschen en die gemeenschap heeft Hij op den menscli gewerkt en werkt Hij nog. Zijn werking raakt zoowel het geheel als liet individu, door de geheele maatschappij en door elk der haar samenstellende eenheden. Met hetgeen Hij verricht heeft door deze tweevoudige werking, heeft Hij de historie en ontwikkeling des menschen tot op het diepst gewijzigd, is Hij de machtigste en meest vormende geest onzer moderne beschaving geworden. Neem slechts eene zijde van zijn historische werking — wat Hij door groote persoonlijkheden volvoerd heeft. Werd Hij in de geschiedenis gemist, met al de geschiedkundige persoonlijkheden die Hij gevormd heeft, dan kan men zich nauwelijks voorstellen hoe het heden zou geweest zijn. De sterkst beschavende werkingen zijn personen; de sterkst beschavende personen zijn christelijke

21

-ocr page 336-

CHRISTUS IN DE GESCHIEDENIS.

322

menscben geweest. Niemand in de oude wereld, hij zij dichter of wijsgeer, krijgsman of staatsman, deed zooveel voor de schepping van de voortdurend menschelijker en verhevener bestanddeelen onzer beschaving als Petrus, Johannes en Paulus, menschen, geheel onbekend en gewoon totdat zij door de scheppende hand van Christus werden aangeraakt. De menscben, die Hem bet grondigst hebben verstaan, zijn middelpunten geweest van de schoonste bewegende en zedelijke krachten in de geschiedenis, Athanasius, Augustinus, Ansel-mus, Aquino. Doch kies een eeuw uit en laat die voldoende zijn, b.v. de zestiende. Het was de eeuw, die onze vrijheid bewerkte, die de rechten der rede, de heerschappij van bet geweten, de plicht van het verstand, om God naar zijn wezen en zijne waarheid te kennen, verdedigde. Maar wat maakte de zestiende eeuw zoo voortreffelijk? Niet Leo X, de heiden als paus vermomd ; niet Karei V, erfgenaam veler dynastiën gebieder over vel landen; niet Frans I, die alles te Pavia verloor behalve zijn eer, gesteld dat hij eer te verliezen had; niet Hendrik VQI, eigenzinnig, zinnelijk, geen pausen erkennende en de bisschoppen verbrandende, om te kunnen trouwen gelijk bij wilde! De eeuw was weinig aan deze mannen verschuldigd; al wat zij deden was dat zij hun best deden om haar te bederven. Haar scheppers waren Luther, de man van het ontwaakt geweten, het vaste geloof, en trouwe hart, die het eerst de Schriften duitsch leerde spreken, en het duitsch tot de taal der geleerden maakte; Zwingli, de heldhaftige veldprediker, die zijn volk evenzeer als zijn rede beminde, en in een God geloofde zoo goed, dat Hij zijn hemel voor den mensch opende; Calvijn, de theocratische wetgever, de man van strengen geest en vastbesloten wil, even scherp in de praktijk als in het denken, de bouwmeester van een

-ocr page 337-

PERSOONLIJKHEDEN VOERTUIGEN ZIJNER WERKING. 323

Godstaat volgens de gestrengste beginselen eener theologie,

zoo zeer gelijkend op het oude stoicisme en toch zoo oneindig meer; Tyndale, de man die het Evangelie liefhad en het voor het Engelsche volk deed leven, door het te kleeden in hun engelsche taal; Knox, de prediker, trouw aan zijn volk, teeder van hart, stout van woord, die, op hetzelfde oogenblik en door een zelfde schitterende daad, een volk en een kerk schiep en een schoolstelsel, dat het beste en mildste was in zijnen tijd en zelfs nog in den onzen. Deze waren de mannen, die de eeuw maakten, doch wie maakte de mannen? In wiens naam, in wiens kracht, door gehoorzaamheid aan welken wil, gelijk zij dien verstonden en geloofden, iil|

leefden en handelden zij ? Kwam hun bezieling niet rechtstreeks uit Christus voort? Stel deze mannen ter zijde, en ji de zestiende eeuw verliest haar beteekenis; neem Christus weg en gij vernietigt deze mannen. En wat waar is van deze, dat is waar van alle christelijke eeuwen. Neem de christelijke persoonlijkheden weg en de ideën, die in hen beerschten en door hen leefden — en gij houdt slechts de worsteling over van ruwe hartstochten, van mannen ontaard door naijver en heerschzucht; neem Christus weg en gij droogt de bron op van alle christelijke persoonlijkheden en denkbeelden, gij doet den mensch blijven op zijn ouden donkeren weg zonder de vreugde van het geloof in den hemel, zonder het sieraad van het ideaal eener menschheid, die volmaakt moet worden door verwerkelijking van den gedachte zijns Makers.

En nu! Vaders en broeders! welk gewicht hebben waarheden en beginselen als deze op ons zeiven en op onze Kerken ? Wij leven om voertuigen te zijn der ideën van Christus,

om de menschen te overreden haar zóo te gelooven dat zij

-ocr page 338-

christus in de geschiedenis.

324

daardoor christenen worden. Onze kerken behoorden ver-eenigingen te zijn, van deze denkbeelden zoo bezield en beheerscht, dat zij daarvan onze maatschappij en zelfs het nog veel onmetelijk grooter veld van de volken der wereld onderrichtten, en geheel en al doordrongen. Daartoe prediken wij Christus. Tenzij wij Christus prediken, kunnen wij de menschen niet tot Christenen maken. De roepstem tot het individu moet de eerste zijn, maar de eerste moet hier niet de laatste zijn; wij moeten de verlorenen bereiken, de verlorenen redden, maar slechts opdat het koninkrijk moge komen, opdat de stad; die zjo lang in bouw geweest is, in de harmonie en heiligheid des Heeren moge voltooid wovden. Laat ons maken, dat de mannen op onze kansels en de menschen in onze banken de gedachten den geest en de liefde van Christus belichamen in de vormen, die onze eeuw zoo hoog noodig heeft. En wij zijn vrije christenkerken, vrij opdat wij Hem des te beter zouden gehoorzamen, om de wetten te volgen, die in onze eigen natuur gelegen zijn, en de bestemming te vervullen, die in ons wezen begrepen is. Kerken, afhankelijk van den staat, leven door de gunst dei-partijen, die hem besturen, heiligen den staat niet maar worden door hem veeleer wereldlijk gemaakt. Zij neigen er eerder toe politiek dan theologisch te worden, doordien zij liever de ideen weerkaatsen die bij de partij in aanzien zijn en waardoor zij leven, dan de ideën, die de levende God ingeeft. Wij staan vast in de vrijheid, waarmede Christus ons heeft vrijgemaakt; vast besloten om op geene wijze verzocht of verplicht te worden tot de handhaving van een politieke partij, dewijl die ondernomen heeft de politieke voorrechten eener kerk te handhaven. Wij hebben vrijheid noodig ten behoeve van den hoogsten geestelijken dienst, opdat wij de

-ocr page 339-

DE KERKEN EN DB GEËSÏ VAN CHRISTUS. 325

denkbeelden en den geest van Christus alzoo vermogen te belichamen en te verwerkelijken, dat Hij bezit moge nemen van de geheels ziel, \'t geheele hart en geweten van ons geslacht. Wij zijn vrij om onzen Koning vrijwillig te dienen, Hem te dienen niet slechts in staatkundige, burgerlijke of godsdienstige zaken, maar volstrekt, in alle dingen, in onze geheele natuur, met onzen ganschen geest. Zoo te zaam ver bonden in de trouwste broederschap, laat ons tot dienst des menschen en voor de eer Gods op \'t hoogst gehoorzaam zijn aan Jezus Christus ,gisteren, heden en tot in eeuwigheid dezelfde.quot;

,Hij redt het schaap, de bokken redt Hij niet;quot; Zoo klinkt Tertulliaan\'s vonnis, met \'t gerucht Van Phrygie\'s secte, die de liefd\' ontvlucht,

«Vergeefs, zoo gij vergiffnis\' stroomen giet

»Op die, gedoopt, weer \'t rechte spoor verliet.quot; Dus koel Tertulliaan. Maar zij, zij zucht.

De jonge Kerk! Op haar daalt door de lucht.

De liefd\', van \'s Heeren graf, dat versch nog ziet.

Toen glimlacht zij; en in den Katakomb, —

Hst oog ter aard, maar quot;t hart bezield, gestaald. Op \'t onderaardsch gewelf, waar toevlucht nam

Des Heeren bruid, naast smaadheid, dood en tomb\', — Zij \'t vluchtig beeld haars goeden Herders maalt —

Zijn schouder draagt een geitje, niet een lam. \')

1) Matthew Arnold.

-ocr page 340-

III.

DE EIJKDOM VAN CHRISTUS\' AEMOEDE.

Want gij weet de genade van onzen Heer Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden. 2 Cor. 8 : 9.

Mij, den allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de Heidenen door het quot;Evangelie te verkondigen den onnaspeurlijken rijkdom van Christies. Ef. 3 : 8.

De waarheid, welke liet middenpunt en het hart van het christelijk geloof uitmaakt, is zelfopoffering. Die de hoogste is in het heelal, vernedert zich om de geringste te zijn; de beminde en gezegende des hemels verschijnt op aarde als de verachte en uitgestootene, en wordt gehoorzaam tot den dood, ja, den dood des kruises. Trek van het Evangelie af den stralenkrans onzer liefde, den eerbied der vergrijsde eeuwen, den luister van zijn schitterende overwinningen, de bekoorlijkheden, de deugden, de schoone geestdrift, die het in personen heeft opgewekt, de beschaving, het licht, „de zachter zeden, en zuiverder wetten,quot; die het den volken heeft aangebracht en wat blijft er over? De geschiedenis van een eenzaam en

-ocr page 341-

HET BEKENDE EN HET WONDERBARE.

zwervend leven, dat lang geleden in liet onbekende Joodsche land geleefd werd, van een dood aan liet kruis te midden van den haat en spot der wereld, en de klaarblijkelijke minacliting des Hemels. Nochtans is deze geschiedenis de schepper geworden van onzen machtigsten en goddelijksten godsdienst; de godsdienst, die, in zijn zachtmoedigheid verheven, onnaspeurlijk in den rijkdom van zijn grootsche armoede, gedurende de christelijke eeuwen daar gestaan heeft als het zichtbaar bewijs, dat de dwaasheid Gods wijzer is dan de menschen, de zwakheid Gods sterker dan \'s menschen hoogste macht.

Wij zijn met niets zoo vertrouwd als met het Evangelie van Christus; het is zoo algemeen bekend dat \'t haast dreigt afgezaagd te worden. De menschen weten zijn woorden, de feiten zijner geschiedenis en den uitgang zijns levens zoo goed, dat men er hen bezwaarlijk toe krijgen kan er aan te denken; deze rede is ons zoo eigen geworden dat zij opgehouden heeft kennis mee te deelen. Zij heeft zich als \'t ware, zoo ingewerkt in het eigenlijk bewustzijn des tijds, dat de tijd bijna onbewust is van haar beteekenis. Velen meenen dat de nieuwste waarheid de waarheid is, welke liet meeste vertrouwen verdient; de jongste gissing der wetenschappelijke of kritische verbeelding veroorzaakt een verrassing, die geestdrift verwekt, terwijl oude gewisheden quot;te vergeefs voor erkenning of zelfs toelating pleiten. Een waarheid, die geen nadenken vordert, houdt geen kracht. Godsdienst heeft meer te duchten van gedachteloos aannemen dan van vijandige kritiek. En waar het geloof te bekend is om er over te denken, leeft het veeleer door de hulp der toevalligheden dan door het bezit van het wezenlijke der waarheid. Er zijn menschen, die vaster in de wonderen dan in

327

-ocr page 342-

DE HIJKDOM VAN CHRISTUS1 ARMOEDE.

328

God gelooven. Indien er geen wonderen waren zou er voor hen geen God zijn; want voor hen bestaat de wet alleen krachtens haar overtredingen. Doch het groote wonder is de afwezigheid van wonderen; het is de algemeene orde, die \'t sterkst tot ons spreekt van een algemeenen wil, zoo redelijk in zijn werking, dat hij overal voor redelijke verklaring vatbaar is. Daarom is ons noodig minder vertrouwd te worden met de bijkomstigheden van ons geloof, opdat wij des te beter zijn blijvende feiten, en fundamenteele en eeuwige waarheden verstaan. Wij hebben van noode hen te-beschouwen buiten de lijst der gewoonte en afgezaagdheid, gelijk zij als \'t ware scherp afsteken tegen den achtergrond der eeuwigheid. Voor verschillende geesten hebben de dingen een andere be-teekenis. Dag aan dag zal de Italiaansche geitenhoeder zijn kudden over de oude Campagne voeren, en rusten in de schaduw van een machtigen aquaduct, of op het voetstuk van een omgevallen zuil, zonder ooit te vragen vanwaar deze dingen kwamen of wat zij beteekenen; of de Eoomsche monnik zal zijn morgen- of avondlied zingen in de nabijheid van het oude Forum of het majestueuse Colosseum en enkel de echos van zijn eigen gezang opvangen zonder iets te vernemen van de stem, die daar spreekt van een verdwenen en roemrijk verleden. Maar laat nu een mensch, verrijkt met de schatten der oude beschaving, die Campagna doortrekken en tusschen de ruïnen der eeuwige stad staan, en zijn verbeelding is vervuld met de stemmen van redenaars, die sedert lang zwijgen, met de gezangen van dichters, die reeds lang gestorven zijn en met gezichten van het uitgestrekste gezag, hetwelk ooit er naar trachtte het lot van menschen en volken te besturen. Dag aan dag zal de arabische koopman of de joodsche handelaar den top des Olijfberg» overtrekken, de

-ocr page 343-

UET EVANGELIE HEEFT EEN GESCHIEDENIS. 329

zon zien schitteren op de minaretten van Jerusalem, en toch slechts vragen: „Wat is er nieuws in de bazar\'s? of wat is goed voor den verkoop ? Welke personen zullen kooplustig zijn?quot; Maar laat iemand, versch aangekomen uit het christelijk westen, opgevoed in zijn geloof, dienzelfden heuvel voor \'t eerst beklimmen ; en wanneer de Heilige Stad voor hem verschijnt, welke gedachten, welke beelden maken zich van hem meester! „Is dit de van God geliefde stad, waar David zong, Jesaja predikte, en Jehovah regeerde? En Bethanie, waar zijt gij\' het bekoorlijk plekje, waar mijn meester een gezegend uur van menschelijke liefde smaakte, voor dat Hij het dal der schaduw des doods binnentrad ? En Gethsemane, mag ik u bezoeken en zien, waar zijn zweet als groote droppelen bloeds •op de aarde nederviel?quot; Het tooneel is voor hem verheerlijkt, het land is hem heilig geworden door het licht, waaronder het hem verschijnt, de geschiedenis, welke het eens zag, bedekt zijn uiterlijk met onvergankelijken roem. Zoo nu moeten ook de feiten van ons evangelie steeds van nieuws verlicht worden door de waarheden van ons geloof, indien zij zullen leven in onze harten en over onze geesten heerschen, als de voertuigen der genade en de zinnebeelden van de macht Gods.

Het Evangelie van Christus is niet slechts een geschiedenis, het heeft een geschiedenis, en zijn geschiedenis is het belangrijkste hoofdstuk in het leven des menschen. Bedenk eens wat deze verzen inhouden, bizonderlijk met betrekking tot hetgeen Paulus in twee steden had aangetroffen, en wat hij door zijn evangelie beproefd en volvoerd had. Neem Corinthe, ga na wat het geweest was en wat het was. Paulus was met zijn prediking van den Christus tot aan Troas gekomen. In een gezicht was hem een Macedonisch man verschenen, die zeide; „Kom ever en help ons!quot; Hij gehoorzaamde en werd

-ocr page 344-

DB RIJKDOM VAN CHRISTUS\' ARMOEDE.

330

alzoo de eerste apostel, die Europa betrad om dat voor Christus op te eischen. Maar wat vond hij? De mannen van Filippi „wierpen hem in den binnensten kerkeren sloten zijn voeten in den stok.\'\' Hij beproefde het te Thessalonica, maar zekere afgunstige Joden, en booze lieden uit het gemeene volk, brachten de gansche stad in beweging en noodzaakten de broeders Paulus des nachts weg te zenden. Hij kwam te Berea, vond daar menschen van een edeler aard; maar de haat van Thessalonica vervolgde hem en dwong hem nog eens om te vertrekken. Toen zette hij koers naar Athene, waar hij met de Joden in de synagoge, en op de markt met de Grieken dagelijks sprak; maar alhoewel de stad zeer begeerig was om nieuwe dingen te hooren, zij kon het goede nieuws van Paulus niet voor waar houden. De hoogmoedige Griek, die den Jood verachtte kon slechts vragen: „wat wil toch deze klapper zeggen?quot; en toen hij vernam wat het was, spotte hij met de opstanding of antwoordde met beleefde doch ongeloovige onverschilligheid r „wij zullen u een andermaal hierover hooren.quot; Aldus afgemat en ontmoedigd, voorzoover het gedrag van een mensch hem ontmoedigen kon, verliet Paulus Attica om te gaan naar Achaie, en stond plotsling voor Corinthe, zooals het daar rein en schoon onder haar griekschen hemel lag. „Hierquot;, zoo mag hij gedacht hebben, „zal ik ten laatste een geschikt gehoor vinden; het gehoor dat Macedonie en Attica geweigerd hebben zal Achaie verleenen.quot; Maar wat vond hij ? Een bedrijvige koopmansstad, weelderig en losbandig, al te zeer verdiept in haar liefde tot vermaak en gewin, om zich de moeite te geven hem vandaar uit te drijven. Menschen van allerlei natiën ontmoetten elkander op haar straten, verkeerden en handelden op haar markten. Daar was de donkere

-ocr page 345-

PAÜLÜS TE COKINTHB.

Egyptenaar, met zijn bevrachte schepen, voorzien van de voortbrengselen van zijn eigen rijk land, begeerig te vernemen waar de nood het hoogst was, om het graan, dat hij op de goedkoopste markt gekocht had, te verkoopen op de duurste. Daar was ook de Jood, aireede bedreven in den woekerhandel, die met slimheid zijn voordeel trok uit des volks armoede, besloten om te leven ten spijt van den heiden, dien hij verachtte, en te leven op zijn kosten, ja, zoo het noodig was, van zijn zonden. De Griek was daar natuurlijk ook, de buigzame, verleidelijke, gespierde mensch, trotsch op zijn roemrijk voorgeslacht, ijdel op hun groots daden, zonder schaamte over zijn eigen gezonken toestand, onbewust van zijn eigen kleinen geest, nog verlaagd door het schitterend verleden, dat hij voorgaf te verstaan, over te erven en te bewonderen. En boven allen stond de krijgshaftige Romein, hun gezamenlijke meester, die overal overwinnaar, overal alleenheerscher was, en alle volken aanzag als dezulken, die slechts bestonden om overwonnen en geregeerd te worden door Rome.

En aan deze menschen, en hunne gelijken kwam Paulus zijn Evangelie verkondigen; een redding uit genade waarbij alle menschen gelijkelijk zonder verdienste stonden voor een God, die den persoon niet aannam. De Egyptenaar luisterde met ongeloof en verachting in zijn hart: dit evangelie was een nieuw ding, een ding van gisteren; de volken om hem henen waren slechts kinderen bij hem vergeleken; hij bezat een geloof, dat rijk was in verborgenheden en geheime wijsheid, ouder dan waarvan het oudste onder hen kon droomen. De Jood hoorde met minachting in het verstokte gemoed, toornig dat zijn Messias vereenzelvigd zou worden met den gekruisigden Christus van Nazareth, nog toorniger omdat de

331

-ocr page 346-

DE RIJKDOM VAN CHRISTUS1 ARMOEDE.

332

verheven waarheden en voorrechten van zijn geslacht aan den gehaten heiden bekend gemaakt zouden worden. De Griek verafschuwde de gedachte zelve van een God, geopenbaard door een jood, vleesch geworden in een man van smarten, zonder zichtbaren roem bij \'t leven of grootheid in \'t sterven. Voor den Eoraein was „het kruisquot; genoeg; Hij, die veroordeeld was tot een dood, dien geen romeinsch burger mocht ondergaan, kon geen God of heiland voor hem zijn. Alzoo predikte Paulus zijn evangelie tot lieden, die erger dan doof waren; tot lieden, wier ooren toegesloten waren door de duizend hartstochten en vooroordeelen van volken, oud geworden waren in zelfzucht, van een wereld, die verkocht was onder de zonde. Maar dewijl zij te zor\'geloos waren om onverdraagzaam te zijn, kon hij voortgaan met prediken; de vergunning zelve om te prediken was voor een mensch, dien zulks tot hiertoe ontzegd was, een goddelijke weldaad, rijk door de gulden gelegenheid om succes te behalen. Hij had ijver genoeg om een geheele stad van geestdrift te vervullen; een geloof, sterk genoeg en met genoeg doorzicht gepaard, om een ongeloof te overwinnen, dat enkel bedorven en blind was. Dus predikte hij totdat hij de overhand kreeg, totdat de donkere Egyptenaar een kind werd van het nieuwe licht; totdat in de borst van den Hebreër een hart vol zachte onschuld opwies; totdat de Griek een edeler wijsheid omhelsde, dan zijn vaders gekend hadden, en de Komein des te getrouwer aan den keizer werd, omdat hij nu trouw was aan Christus. En nu werd een wonderbaarlijke verandering gezien. De oude antipathiën van ras, kaste en taal verdwenen, en in hun plaats trad een nieuw gevoel van broederschap. De menschen, die geloofden zelf zonen te zijn van den eenen God, wisten daarmede dat zij onderling broeders waren. En dat

-ocr page 347-

WAT IS GENADE?

nieuwe bewustzijn was zoo ruim, dat het zich ver buiten Corinthe uitstrekte, vreemde dingen volvoerend, die volstrekt nieuw waren doch vol van oneindige belofte voor de geschiedenis des menschen. Er kwam tijding uit Jerusalem dat daar armoede heerschte. Het nieuwe begrip van verwantschap schiep het gevoel van nieuwe plichten; de rijkdom van Corinthe moest het gebrek van Jeruzalem te hulp komen. Het huisgezin Gods was een vereeniging tot onderling hulpbetoon, en de heiligen van Judea ondervonden hoe goed het was met de heiligen van Achaie tot het eene gemeenebest van Israel te behooren. En Paulus, dankbaar den wondervollen ommekeer bewakend, leidde alles terug tot zijn Goddelijke en algenoeg-zame bron; „gij weet de genade van onzen Heer Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door zijn armoede zoudt rijk worden.quot;

1. , Gij weet de yenade van onzen Heer Jezus Christus.quot;

Genadequot; is een schoon woord, dat een nog schooner zaak uitdrukt. Het maakt onze oudste en liefste herinneringen wakker, is het hart onzer meest gewijde verbindingen. Men verklaart het door „gunstquot;, doch de rijkste gunst is slechts arme genade. Het grieksche woord was van meer beteekenis voor den griekschen geest dan Genade zijn kan voor den onzen. Het voert terug naar een wortel die vreugde uitdrukt, blijde of gelukkig zijn. Nu is de gelukkige steeds de welwillende mensch, de ongelukkige is de kwaadwillige. De gelukkige moet geluk scheppen, en de vreugde der zaligheid is weldoen. De aanwezigheid der blijdschap brengt blijdschap; haar waar te nemen is haar te deelen. Doch ellende kan geen vreugde baren; haar eenig vermaak is om smart te veroorzaken. De duivel smaakt het grootste genoegen wanneer hij \'t meest duivelsch handelt; de schaduw verlicht zijn geest.

333

-ocr page 348-

DE RIJKDOM VAN CHRISTUS\' ARMOEDE.

334

als hij ziet dat zij zich verbreedt op een ander. Maar het wezen, dat volstrekt gelukkig is, is volstrekt goed, zich enkel verheugende in de blijdschap, door innerlijke natuurnoodzakelijkheid gehouden om haar te verspreiden en te vermeerderen. Indien G-od, bij wijze van spreken, zijn natuur ingedijkt had, zoodat de bronnen der zaligheid daarbinnen nooit konden overstroomen, dan zouden die bronnen opgedroogd zijn; vreugde, waaraan openbaring ontzegd was, zou niet hebben kunnen duren. De schepping verrees gehoorzaam aan de Goddelijke zaligheid, zij was gelijk de echo, die op het veelvuldig lachen der oneindige vreugde antwoordde. Zoo was voor het volstrekt geluk de schepping van gelukkige wezens een noodzakelijkheid, en uit deze noodzakelijkheid was het heelal geboren. Maar de gezegende moet niet slechts de weldoener zijn ; Hij moet evenzeer de schoone en grootmoedige zijn. Dit zijn takken van den zelfden rijken wortel. De Grieken bezaten hun gratiën, gestalten van ideale bekoorlijkheid, vormen van zulk eene volmaakte schoonheid dat, als men haar gezien had, men daarmee in liet bezit van een eeuwige vreugde was gekomen. Alzoo is de steeds gezegende ook de altijd schoone God ; Zijn oneindige vreugde bewerkt de wonderbare heerlijkheid, die de aanschouwing Gods tot de eindelijke zaligheid des menschen maakt. Innerlijke blijdschap overgebracht in uitwendigen vorm is volstrekte bekoorlijkheid ; schoonheid is het stralend kleed door hetwelk de in ■ wonende blijdschap voor de menschen zichtbaar wordt. En de vreugde, die in schoonheid gekleed gaat, is milddadig; haar wezen is te geven, haar te zien is haar te doelen, haar oneindige verheuging te smaken. Zij moet geven om te leven, en hoe meer zij geeft des te meer leeft zij. Wanneer de inwendige vreugde ziet dat de vreugde daar buiten meerder

-ocr page 349-

WAT IS GENADE?

wordt, wordt zij voller, dieper, hooger. Zij kan niet gelukkig zijn naast leed, zij kan alleen blijde zijn nevens vreugde. Daarom kon Hij, wiens natuur genadig is, niet toestaan dat daar ellende zou heerschen waar hij besloten had dat geluk zou wonen. De zonde, die leed aanbracht, was een last voor de volmaaktheid Gods, en de noodzakelijkheid, uit genade geboren was, die Hem tot Schepper gemaakt had, maakte Hem nu tot Verlosser. In ,de genade van onzen Heer Jezus Christusquot; zien wij de zaligheid Gods zich nederbuigen, om de redding of de eindelijke zaligheid der menschen uit te werken.

„De genade van onzen Heer Jezus Christus.quot; „Mij was deze genade gegeven.\'\' Merk het onderscheid op: bij den eenen was de genade afgeleid, bij den ander oorspronkelijk. In Christus was zij inwonende, bestond zij door de noodzakelijkheid der natuur; bij Paulus was zij een planting, als een gave van Christus: evenwel was zij bij beiden in karakter dezelfde — namelijk vreugde, die zich in vrijwillig weldoen uitstort, geluk zóó gedrongen om gelukkig te maken, dat zij elke moeite en opoffering verdraagt, om haar doel te bereiken. Deze inwonende „genade\'\' maakte Christus tot den Verlosser; toebedeeld aan Paulus maakte zij hem tot apostel. Hij geloofde van zich zeiven dat hij een schepper van vreugde was, een maker van gelukkige menschen, van een gelukkiger wereld. Het geloof, beschouwd door den man, kon wonderspreukig, ja ongerijmd schijnen. De man, beschouwd door het geloof, leeft voor ons herschapen en verheerlijkt. Geen bestaan kon onbevalliger schijnen, niemand minder de woonstede der stralende vreugde, die onaangezocht zich uitte door daden van zachtmoedigheid en liefde. Een aanzienlijk fransch geleerde, die uit zijn aard een romanschrijver had moeten

335

-ocr page 350-

I)E RIJKDOM VAN CIIIUSTOS\' ARMOEDE.

336

zijn, doch getracht heeft door arbeid eu beleid geschiedschrijver te worden van de grootste gebeurtenissen op het gebied van den godsdienst, heeft Paulus, ten einde hem te meer te kunnen minachten, voorgesteld als een „leelijken kleinen Joodquot;, leep-oogig, ziekelijk, een arm reizend handwerksman, die met de lieden van zijn slag vergaderde aan de kaden en in de achter buurten van de groote romeinsche steden. Welnu — laat ons deze beschrijving als waar aannemen, wat dan ? Strekt zij niet om des te overtuigender zijn woord te bevestigen; „aan mijquot;, een persoon zoo onbehagelijk door natuur en toestand „is deze genade bewezenquot;? De verleende genade alleen kan het volvoerde werk verklaren. Verbeeld u dat gij een romeinsch plattelandsbewoner waart, die in \'t jaar der genade 60 een bezoek brengt aan de keizerlijke stad. Gij hebt hare wonderen aanschouwd, en zijt naar buiten gegaan om op den Appischen weg een frisscher lucht in te ademen, de gedenk-teekenen te bezichtigen en aan de beroemde mannen te denken, wier stof en herinneringen daar bewaard worden. Gij ontmoet vele reizigers, die overland of van overzee komen om zich naar Kome te begeven. Eene groep, merkwaardig door haar armoede, treft uw oog. De gelaatstrekken zijn noch romeinsch, noch grieksch, maar onmiskenbaar joodsch. In het midden wandelt de armste, nochtans waarschijnlijk belangrijkste, jood van allen, een man kort van gestalte, zwak naar lichamelijke verschijning, met vermoeide oogen en bekommerden blik, slecht gekleed, zwaar geteekend met de sporen van een pas doorstanen schipbreuk en jarenlangen arbeid, die hem niemand benijdde en toch ook niet beloond werd. Hoe onaanzienlijk en onbekend deze groep ook zijn mocht, geheel verdiept als zij was in zich zelve en onbewust van de groote dingen die haar omringden, er was iets dat u misschien met verwon-

-ocr page 351-

r AU LUS EN NERO OP DEN AI\'PISCHEN WEG. 337

dering zou hebben doen stilstaan, had niet een geroep van blijde verrassing langs den weg komen gonzen, dat u verlokte om den blik stadwaarts te richten. Zie! een wolk van stof, en daaruit een wagen opdoemend, getrokken door prachtige rossen; en onder het naderen wordt het gemompel duidelijk; „het is Nero! de Keizer zelf.quot; Gij wendt u terzijde en staart met inspanning uwer oogen op den wagen, die met den gebieder der wereld voorbij komt rennen. Gij keert tot uw provinciestad terug, en in een rustig uur verhaalt gij aan uw buren op de markt of aan uw familie, als zij om den haard is gezeten: „denk eens! Welk een fortuin ik gehad heb. Ik was den Appischen weg opgewandeld, om het gewoel en de drukte der stad te ontgaan en toen ik de achteloosheid had om naar een kleinen jood te kijken, die, geheel vergetende de heerlijkheid der plaats waar hij stond, bezig was met spreken tot onbekende lieden van zijn eigen geslacht, die zich nieuwsgierig om hem heen geschaard hadden — verscheen plotseling de Keizer, op zijn wagen rijdende en ik zag hem even duidelijk en goed als ik u zie.quot;\' En het verhaal scheen zoo wonderbaar, dat gij voor geheel het dorp, tot aan den dag des doods, bekend stond als de man, die Nero van aangezicht tot aangezicht gezien had.

Zoo in . dat uur en in dat jaar; maar laat een geslacht voorbijgaan, en hoe zal \'t dan zijn? Die Nero, dan dood, uit diepen haat vermoord, wordt zoo verafschuwd, zelfs in de herinnering, dat de menschen nauwelijks durven gelooven aan zijn dood, uit vreeze dat hij nog in leven mocht zijn, en zijn dood slechts voorgewend, om des te beter een onverwacht oogenblik te kunnen aangrijpen om zijn wreed schrikbewind te hervatten; terwijl die kleine jood, nu de heilige Paulus, voortleeft in brieven, die zijn onverwinnelijken geest

22

-ocr page 352-

DE RIJKDOM VAN CHKTSTUS\' ARMOEDE.

belichamen; in kerken, die met liaar bestaan zijn werk voortzetten ; en zijn naam is, door al de steden langs de Middel-landsche zee, een naam van licht en vreugde. Wend het oog van daar tot op onze dagen, overzie de tusschenliggende eeuwen, en wat vindt gij ? Die Nero is een bijna onbekende naam, slechts bekend om veracht te zijn; die Paulus een eerste koning onder de menschen; heerschende door zijn onvergankelijke woorden, de duidelijkste tolk van de diepste verborgenheden van het bestaan ; die de edelste geesten tot den schoonsten arbeid schikte; de vormer der mannen, die de volken bestuurden; de maker der geesten, die het denken, het geloof en de vrijheid der wereld werkten. Alzoo heeft God zijn eigen wegen gerechtvaardigd en de woorden van zijn apostel: „mij was deze genade geschonken.quot;

2. „Gij weet de genade van onzen Heer Jezus Christus dat, ofschoon Hij rijk- ivasP Rijk! Het overgeleverd begrip van rijkdom is geldelijke weelde, overvloed van bezitbare en erfelijke goederen. De typische rijke man is de Eijke „gekleed in purper en zeer fijn lijnwaad, levende alle dagen vroolijk en prachtig.quot; Zijn rijkdom is vooral berekenbaar, kan ter neder-geschreven worden, en zwart op wit opgeteld worden. Rijkdom van deze soort wordt door den berekenenden hedendaagschen geest instinktmatig verstaan en gewaardeerd. Er bestaat voor hem niets zoo begeerlijk als eigendom. Eigendom te bezitten is hetzelfde als een groot man te zijn, en hoe meer hij bezit, des te grooter man is hij. De millionair is ons voortdurend maatschappelijk wonder, een mensch wonderbaar gemaakt door zijn millioenen. En er is ook een punt waar stoffelijke weelde een zaak is van inderdaad oneindige betee-kenis ; het punt, waar zij aan inwonende werkkrachten uitdrukking geeft, is de uiting en het produkt eener natuur, die

338

-ocr page 353-

WAT BETBEKENT RIJKDOM?

339

zoo rijk is dat zij, om zich zelve te bevredigen, zich in weelde moet ontladen. Een ledige natuur voelt geen gemis in een naakt heelal; een rijke natuur moet ijverig arbeiden aan de schepping van een omgeving, die tegelijkertijd het inwendige weerkaatst en voldoet. En Paulus zag in Christus zulk een oneindigen rijkdom, dat Hij niet anders kon dan scheppen, en uit zijne volheid heeft de gansche schepping ontvangen. Uit Hem en tot Hem en door Hem waren alle dingen ; in alles was zijn gedachte geopenbaard, zijn kracht werkzaam; Hij was voor alle dingen en in Hem was alles vereenigd in het goddelijkst stelsel tot de goddelijkste bestemming. In- en uitwendig zoo rijk te zijn, was inderdaad een oneindigen rijkdom te bezitten. Het verstand kan het heelal altijd onderzoeken, maar kan het nooit uitputten; voelde zintuigen is het begrensd, maar voor den geest grenzenloos. Ontzag grijpt de ziel des menschen aan, wanneer hij den helderen middernachtelijken hemel aanziet en zijn ontelbare legerscharen bespiedt, waarvan elk punt een stip van licht is voor het oog, evenwel zoo sprekend tot de verbeelding, dat deze als overweldigd wordt door die onmetelijke lichtzee, die ruimte, welke de geest niet kan begrenzen, vol van gedachten en trillend door den polsslag van een scheppend, zich voortbewegend, machtig leven. Indien gij stondt op wat de meest verwijderde ster schijnt, in de ruimte flikkerende als de nachtkaars op de grens van de buitenste duisternis, zoudt gij u bevinden in het hart van een machtiger zon dan onze eigene, terwijl al de nieuwe sterrenbeelden rondom zouden gloeien als ontelbare oogen Gods, ziende door de punten zeiven, die de ruimte zichtbaar maakten voor de geesten, die haar levend maakten ; en indien daar naast u een onderwijzende geest stond om den verbaasde te onderrichten, zou zijn antwoord op uw

-ocr page 354-

DE EIJKD05I VAN CHRISTUS1 ARMOEDE.

kreet; „wiens zijn deze;quot;? aldus luiden; „De eeuwige Eede, die de menschen Christus noemen, maakte en bezit deze werelden! Zoo rijk was zijn wezenlijke natuur, dat Hij al wat is in \'t aanzijn riep. Het heelal is zijn rijkdom, en zijn heil zijn vreugde.quot;

Doch er is een verhevener idee van rijkdom — de welvaart die een welzyn is. De armoede van den Heer der wereld, zonder vrienden, is spreekwoordelijk. Geluk vermag niet gekocht te worden, zelfs de arme tevredenheid veracht den steekpenning des koopers. Verbeeld u een of anderen lustigen kwant, dien het te beurt gevallen is erfgenaam te worden van uitgebreide bezittingen, in een oogenblik van verzadigd genot, de handelsbeurzen van Europa rondgaande, met de vraag; ,waar verkoopt men geluk? Ik bezit bet niet en heb er behoefte aan, en ik kan het betalen; zeg mij waar het te krijgen is?quot; Op zijn vraag zouden de menschen, die in de macht van het geld gelooven, voor een oogenblik zich zwak voelen, en ontdekken, dat er vatbaarheden en nooden in de menschelijke natuur zijn, die met de macht van hun gouden afgod den spot drijven. Maar Christus was niet veroordeeld tot de schitterende ellende van alleen te staan, in zijn recht van eigendom op de werelden, van niets te hebben als stoiïe-lijken, berekenbaren rijkdom. Hij was rijk in de eer die God geniet; in de aanbidding van engelen en geesten ; in het geluk, dat tegelijkertijd het wezen en de openbaring van Goddelijke volmaaktheid uitmaakt; in de liefde door den eeuwigen Vader aan den eeniggeboren Zoon gegeven. Hebt gij er ooit over nagedacht, wat het mysterie door ons Drieëenheid ge-heeten, beduidt? Gij spreekt misschien van den tijd toen God alleen was, toen Hij, voordat de werelden bestonden, eenzaam woonde in zijn eigen eeuwigheid. Maar God was

340

-ocr page 355-

DE RIJKDOM DER GODHEID.

nooit alleen, kon nooit alleen zijn. Hij is, krachtens zijn eigen natuur, geen eenzaamheid, maar vereeniging. Ware Hij eenzaam, zoo kon Hij de volstrekte volmaaktheid niet wezen, die onze eenige God is. God is liefde en liefde is sociaal. Er kan geen liefde zijn zonder een beminnend onderwerp en een bemind voorwerp. Het voorwerp is even noodzakelijk als het onderwerp. Waar geen persoon is om te beminnen, is de liefde onmogelijk. God is de rede, en de rede is maatschappelijk. Kennis sluit het onderwerp en voorwerp in zich, den persoon die kent, en den persoon die gekend wordt. Ontken de onderscheiding tusschen het kennende onderwerp en het gekende voorwerp, en de mogelijkheid zelve der kennis is ontkend. Maar als God wezenlijk liefde en kennis is, is Hij wezenlijk sociaal; en indien er nooit een tijd was dat deze geen werkelijkheden voor Hem waren, was er ook nooit een tijd, dat zijn natuur was zonder den geliefden persoon en het gekende voorwerp. Wanneer wij van den beminden persoon spreken, noemen wij Hem Zoon; van hei gekende voorwerp, noemen wij Hem Woord. En wie zal de Goddelijke zaligheid der eeuwigheid schilderen, toen de Zoon aan den boezem des Vaders lag, de armen des Vaders den persoon des Zoons omvatteden, en de golven der liefde af en aan vloeiden met een maatslag, die als \'t ware de muziek der eeuwige vreugde uitdrukte ? In die schat van wezenlijk bestaan leefde Christus met den Vader „vóór de grondlegging dei-wereldquot; zoo rijk, dat „in Hem al de volheid der Godheid lichamelijk woondequot;.

3. , Die ofschoon Hij rijk was, arm werd.\'quot; Armoede is een vreeselijk ding; zoo vreesselijk, dat niets zoo moeilijk schijnt samen te gaan met al onze edeler en zachter men-schelijke hoedanigheden. Waar het gelaat bedrukt is door

341

-ocr page 356-

DE EIJKDOM VAN CURISTÜS\' AKMOEDE.

voortdurend gebrek, is het hart zelden de zetel van nauwgezette waarheidsliefde of ridderlijk eergevoel. Wanneer de worsteling om het leven op \'t doodelijkst aangroeit, beginnen zelfs de sterkste deugden te ontzinken. Daar zitten twee mannen op een drij vend vlot boven de peillooze diepte; het is al wat over is van een schip, dat eens in goeden staat was; zij de eenigen, die in leven bleven van een bemanning, die eens gul en hartelijk was onder elkander. Wat doen zij, te midden van de eenzaamheid van den grooten oceaan, met een bitteren hongerdood voor oogen? Omhelzen zij elkander met een laatste broederlijke omhelzing, om samen te sterven in een liefde, die den hongersnood overwint? Neen, niet alzoo; veeleer zitten zij daar elkander te bespieden met hongerige oogen; en elk denkt welke kansen hij zou hebben bij de worsteling, die beslissen moet wie van beiden zijn leven voor den ander geven zal. Neen, de armoede is niet vriendelijk; de honger komt niet met minzaamheid in hare hand en edelmoedigheid in haar hart; en naturen, die het gemakkelijk vinden om goed te zijn met rijkdom, vinden het moeilijk om goed te zijn in gedwongen armoede.

En Christus „hoewel Hij rijk was is arm geworden\'\'. Op een winteravond, lang geleden, toen er geen plaats voor Hem was in de geringste herberg, overschreedt Hij in de goddelijkste stilte den drempel der wereld, en stond voor haar als het kind van Maria, de zoon van Jozef. De stoffelijke voorwaarden zijns levens waren hard genoeg; armoede regeerde zijn lot. De Heilige Familie van Kembrandt is, veel meer dan die der italiaansche meesters, de heilige familie der geschiedenis. Wonderen omringden Hem niet, aanbidding ontmoette Hem niet, geen eerbied begroette het kind in zijn moeders armen; veeleer was de kamer, waar Hij in slaap gewiegd werd,

342

-ocr page 357-

DE AEMOEDE VAN DEN MBNSCH EN VAN CHRISTUS. 343

zijns vaders werkplaats, en de geluiden waaronder Hij ontwaakte, te weeg gebracht door des timmermans gereedsciliappen. Het tehuis, waar Hij zijn jeugd doorbracht was, inwendig en uitwendig, van bezwaren omgeven; de nijverheid alleen hield den wolf buiten de deur. Terwijl de vader werkte zorgde de moeder; bakte het brood voor de huishouding; hield deze rein en in orde ; en maakte, door wijze spaarzaamheid, dat haar beperkt inkomen in de behoeften voorzag. En gelijk \'t met den knaap geweest was, zoo was \'t met den man. De natuur kwam met het hare Hem niet te hulp; Hij moest haar voortbrengsel door zijn dagelijkschen ai-beid verdienen. Hij kende de afmatting van het werken, en de zoetheid der rust. Zelfs in het verhevenst oogenblik van zijn werk als Leeraar, hield armoede Hem zoo vast met haar magere en ijzeren hand, dat Hij kon zeggen: „De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des menschen heeft niet om het hoofd neder te leggen.quot; Nochtans verarmde deze armoede zijnen geest niet; zij scheen slechts te meer Hem te verrijken. Hij komt daaruit te voorschijn als de genadige Menschenzoon, die de lucht, welke de menschheid overstroomt en omgeeft, met den zoeten geur zijner deugden vervult. Het is vreemd dat Hij in zijn zwakheid zoo sterk, in zijn armoede zoo rijk zou zyn. De menschen beminnen macht en rang, zij voelen dat de drapering die zij meebrengen, een zeer wonderbaar ding is. Majesteit mag niet eenvoudig zijn, zij moet haar waardigheid door haar luister toonen, haar macht door haar heerlijkhei bewijzen. Een keizer Augustus kan niet dulden dat Rome een stad van republikeinschen baksteen blijft, hij moet baai-nalaten als een hoofdstad van keizerlijk marmer. Maar hier is het wonder der geschiedenis — de machtigste Persoon, dien zij kent, kwam een kind der armoede, leefde in armoede en stierf

-ocr page 358-

DE EIJIvDOM VAN CHRISÏÜS\' ARMOEDE.

verlaten en alleen. Ja, zoo groot is Hij, dat de koninklijke staat de majesteit van zijn Persoon eerder verminderd dan vermeerderd zou hebben; liet keizerlijk purper den roem verborgen zou hebben, dien de kleederen zijner armoede openbaren. Indien men Cesar plaatste in de nederigheid, die den Christus omgaf, zou hij buiten werking gesteld zijn: terwijl de Christus, geplaatst te midden van den luister der Cesaren, vandaar geen roem zou ontleend hebben, niets dat tot zijn invloed of faam bijgedragen had. Een kracht gelijk de zijne moet niets hebben tusschen haar en onze menschheid; moet deze van aangezicht tot aangezicht ontmoeten, als het ware in naakte majesteit, opdat zij te meer volkomen het kwaad onderdrukke en het goede gebiede.

De verhouding, zooals zij in de geschiedenis tentoongesteld is, van Christus tot den mensch en van den mensch tot Christus, is een zeer wonderbare zaak. Hij is een des te machtiger werkelijkheid voor den geest, naardien Hij zoo nederig en armoedig is voor de zinnen. De armoede wordt erkend te zijn de onmetelijkste volheid, beladen met den rijkdom Gods. Kiemand beklaagt Hem, alle menschen bewonderen Hem, zoeken zijn hulp, begeeren zijn goedkeuring, verlangen zijnen geest en wenschen zijn karakter na te volgen. Koningen hebben zich voor Hem gebogen, en Hem als hun koning erkend. De vorstelijkste vrouwen hebben Hem eer bewezen, en geleerd hoe zij \'t schoonst konden leven in het licht zijner tegenwoordigheid. De kloekste verstanden hebben zich voor zijn voeten vernederd, en, door hun kennis van Hem, over de hoogste geheimenissen leeren spreken als ontdekte en onvergankelijke waarheden. De heiligste menschen zijn door Hem tot erkentenis van hunne zonden gekomen, en tot het vergezicht van een meer volmaakte heiligheid, om

344

-ocr page 359-

Christus\' armoede de bijkdom des menschen. 34-5

welke na te streven zij een eeuwigheid zouden noodig hebben. De schuldigste lieden, gekluisterd in de armen der ergste ondeugd, door hartstocht verzwakt, door hun geweten ellendig gemaakt, vervolgd door wroeging, hebben zich tot Hem gewend en geroepen: ,0 Christus! rijk in uwe armoede, red ons, maak ons heilig en vredig gelijk Gij zijt, tot eigen zonen van den eeuwigen Vader;\' en Hij heeft hun gebed verhoord, hun vrede gezonden, en hen veranderd van de schuldigste in de heiligste menschen. Er is geen wonder aan dit gelijk; wat de verbeelding nooit kon gedroomd hebben, heeft de geschiedenis als een vervuld feit aangetoond — de Christus, zoo rijk in zijn armoede, dat Hij den schat der wereld uitmaakt.

4. En, wat gebeurd is, was hetgeen bedoeld was, het werkelijk resultaat was het ideale doel; „ om uwentwil werd Hij arm, opdat gij door zijn armoede zoudt rijk worden quot; Niets kon minder er op berekend schijnen om den mensch te verrijken, dan de armoede van Christus; niets heeft ooit of ergens zoo machtig bijgedragen tot het geheel van \'s werelds welzijn. Wegens de bevestiging dat zij dit doen zou, werd Paulus met spot overladen; in de belijdenis, dat zij dit gevolg gehad heeft, erkennen wij slechts „de wijsheid Gods.quot;

Om de betrekking zijner armoede tot onze verrijking te zien, moeten wij haar betrekking tot zijn eigen persoon, wil en werk bezien. De uitwendige armoede is slechts een zinnebeeld, dat ons te beter in staat stelt den wezenlijken rijkdom te begrijpen. Beschouw den Lijder in zijn laatsten doodstrijd, beschouw dezen en dezen alleen, en wat ziet gij? Een persoon, die de volkomen onschuld, de zwijgende zachtmoedigheid is ; te goed voor onzen boozen tijd, door hem gehaat, veracht om zijn zwakheid, bespot om zijn zachtheid; gegeeseld om het lafhartig humeur van ruwe soldaten te behagen; beklaagd door

-ocr page 360-

DE RIJKD05I VAN CHRISTUS1 ARMOEDE.

346

een rechter, die in Hem geen schuld kan ontdekken, maar in geen moeilijkheden wil komen door Hem te redden; stervende onder de meedoogenlooze spotternij van afgunstige en beleedigde priesters! Indien dit alles ware, zou Zijn geschiedenis alleen beklagenswaardig en tragisch geweest zijn, een nieuw bij de vele verhalen van een eenzame deugdzaamheid, veracht en onder den voet getreden door een trotsch en zegepralend kwaad. Maar het is niet alles; dat is slechts wat voor de zinnen zichtbaar is; daarachter ligt wat aan den geest geopenbaard wordt. „Hoewel Hij rijk was, is Hij evenwel om uwentwil arm geworden.quot;\' De armoede beteekent opoffering; zij was het zinnebeeld van een goddelijk afstanddoen. Hij behoefde niet zoo te lijden; Hij deed het vrijwillig, uit liefde tot den mensch. De geschiedenis van Zijn komst voert ons terug in de eeuwigheid, en omhoog tot de ver-hevenste geheimen der goddelijke natuur. De God aller genade is een God van een gelukzaligheid zoo volkomen, dat zij niet gedoogen kon dat de ellende onverzacht voortbestond. De God, wiens eigenlijk wezen zelfbewuste liefde is, kon de schepselen, die Hij gevormd had, niet zoo vergeten, dat Hij ze aan hun zonde overliet. Hen zoo te laten was hetzelfde geweest als de bekentenis, dat hun zonde sterker was dan Zijn liefde; dat het kwaad het goed kon overwinnen, en de ongehoorzaamheid des menschen over den wil en het plan van zijn maker de overhand had. Hij was een te volmaakt wezen om de voortduring van zedelijke wanorde en al haar ellenden te gedoogen, en Zijn heelal de woonstede zijner in puin gestorte doeleinden te laten worden. En alzoo, om Zijn groot plan van genezing te volvoeren, den rijkdom der goddelijke natuur in de armoede der menschelijke over te brengen, in de borst des menschen het verwante hart te scheppen, dat hem zou

-ocr page 361-

OPENBARING VAN HET EEUWIGE MYSTERIE. 347

opheffen uit zijn zonde tot het bewuste zoonschap Gods, is ,Christus daar Hij rijk was, arm geworden.quot; Zijn komst maakte al de betrekkingen tusschen den mensch en God nieuw. In en door Heai ontdekten de menschen het Vaderschap Gods en het Zoonschap des menschen ; ontdekten wat de mensch had moeten zijn, wat hij nog worden kan, waartoe alle goddelijke krachten aan \'t werk gezet waren opdat hij het worden zou. Jezus Christus schiep het ware denkbeeld van de liefde, die behoudt: „Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons liefgehad heeft, en Zijn zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden.quot;

Ik wensch mij bier niet te laten verleiden tot een onderzoek omtrent verbeven leerstellige stof; nochtans is er een ding, dat ik zou willen opmerken — het algemeen gewicht, dat Paulus aan de vernedering en den dood van Christus toeschrijft. Zijn verschijning was geen toeval; zij was van eeuwigheid af overlegd. Het evangelie was de openbaring van een verborgenheid, die van den beginne verborgen was in God. Nu was voor Paulus een „verborgenheidquot; niet geheimzinnig, geen booge, onbegrijpelijke bespiegeling, maar zij was een uitgesproken geheim, slechts een geheim zoolang bet onbekend en niet uitvindbaar was, maar eens uitgesproken verstaanbaar genoeg voor allen, die wilden toehooren. Het mysterie was van eeuwigheid af Gods geheim geweest, het werd door Christus het eigendom des menschen. Het geheim was het diepste plan der godheid geweest; in zijn belang, tot zijn doeleinden regeerde Hij, slechts in afwachting dat de tijden rijp zouden zijn om het bekend te maken. En alzoo toen Christus kwam, was dit als de geopenbaarde verborgenheid Gods. In Hem zijn al de goddelijke geneeskrachten als in een punt vereenigd, door Hem werkt de voorzienigheid

-ocr page 362-

DE RIJKDOM VAN CHRISTUS\' ARMOEDE.

onze verlossing. Hij „stierf voor allenin Hem zijn alle dingen in hemel en op aarde opgebouwd, gerangschikt en verbonden in het hoofd; dat alles vereenigt, redelijk en volkomen maakt. Door de kerk, die Hij grondde, wordt „bekend gemaakt aan de troonen en machten in de hoogste hemelen de veelvuldige wijsheid G-ods.quot;

En dit Goddelijk plan is uitgedrukt in den volzin „o?» uwen \'lt; iril\'\' is Hij arm geworden, „opdat gij door zijn armoede zoudt rijk war deny „Nu dat is ongerijmdquot; moge de voorspoedige mensch zeggen ; „Zijn armoede heeft mij op geen wijze verrijkt- Ik ben de bouwmeester van mijn eigen geluk. Al wat ik bezit is het gewrocht mijner eigen nijverheid.quot; „Ja,quot; voegt de werkman van verwereldlijkt karakter er aan toe, „het is meer dan ongerijmd, het is geheel onwaar. Ik verdien al wat ik noodig heb door de bedrevenheid van mijn eigen vlugge vingers, den arbeid van mijn eigen harde hand.quot; „Wat,quot; aldus redeneert de ervaren econoom, „kon zijn armoede voor ons doen? Armoede is enkel een staat van gebrek, die den persoon, die daaronder lijdt, en de maatschappij, die daarin leeft, verzwakt. Rijkdom wordt verkregen door voortbrenging, gelijkgemaakt door verdeeling. \' Daar wij nu gehoord hebben wat deze wijze lieden te zeggen hebben, willen wij ons thans van hetgeen individueel en bespiegelend is keeren tot het universeele en geschiedkundige; en opdat wij de zaken mogen verstaan, laat ons vragen: wat is rijkdom? wat is welvaart? Welvaart is de toestand van welzijn ; welzijn is tegenovergesteld aan wee of ramp. De man, met wien het niet wel is, kan geen welvaart hebben; weelde hebben is eenvoudig de grootste welvaart smaken. Gelijk het met welvaart is, alzoo ook met rijkdom ; het een is slechts het middel, het ander de staat dien het

348

-ocr page 363-

mammon\'s paradijs.

349

schept en verzekert. Indien gij denkt dat geld rijkdom is, de bemiddelde de welvarende man is, wees dan moedig genoeg uw gedachte den toets der werkelijkheid te laten doorstaan en wacht dau de uitkomst af. Denk van den mensch weg geweten, deugd, waarheid, het vertrouwen op God, de liefde jegens den mensch; laat hem zijn macht om geld te maken, vermenigvuldig die, als gij lust hebt, duizendvoud. Hij kan zich niet verheugen in personen, enkel in bezittingen. Wat het bezit tegenwerkt, veroorzaakt pijn. Het geld, dat eens anderen troost bewerkt, werkt hem verdriet, nijd jegens den voorspoedige beheerscht hem, verteert hem, hem beheerscht afgunst jegens zijn mededingers, zijn blinde lust voedt zijn hartstochten, en wat hij niet heeft baart hem een grooter jammer, dan hetgeen hij heeft hem vreugde- verschaft. Ware Mammon de eenige God die de menschen regeerde, hij zou hen gelijk maken aan de beesten, die op buit uitgaan, die elkander slechts ontmoeten om elkander te verscheuren, nog schrikkeiijker wild en razend geworden door de plundering waarvan zij bevrediging verwachtten. Verbeeld u het paradijs van Mammon. Plotsling gaat de godsdienst en al wat hij vertegenwoordigt verloren, en ieder mensch ontwaakt om zich een millionair te vinden. Met den godsdienst verdwijnen de orde en heerschappij der gerechtigheid; de oneindige hemel des geestes, die onze levens omspant en hen verruimt dooide verhevenste opgaven ; de onsterfelijkheid, die onze mensch-heid siert en haar verlicht met de heerlijkheid, die geopenbaard zal worden: geheel \'t geloof en de idealen, die den mensch te midden van den tijd tot zoon en erfgenaam der eeuwigheid maken ; met de volstrekte regeering van Mammon zou een wezen, dat slechts een massa van bewerktuigde hartstochten was, de middelen bekomen om iedere begeerte te voldoen,

-ocr page 364-

350 DE RIJKDOM VAN CHRISTUS\' ARMOEDE.

iederen lust in te willigen, en te leven voor de oogmerken, bepaald door het slechte ik, gekomen tot het hoogste toppunt van vergoding. Alle menschen zouden te gelijk ophouden met werken; de visscher verliet zijn boot, om dien te laten verrotten op het strand ; de ploeger liet zijn ploeg werkeloos staan in de voor; de mijnwerker zeide de noodlottige mijn vaarwel, om er nooit terug te keeren ; de arbeiders liepen weg uit de fabriek en de doellooze werktuigen waren gedoemd tot rusten; de pennen lagen ongebruikt op de schrijftafels, waar voor eenmaal ijverige klerken zaten; en de winkels waren vergeten, zoowel door verkoopers als koopers. En wat zou er nu te midden dezer algemeene werkeloosheid, door den bevredigenden Mammon veroorzaakt, van den mensch worden ? De godheid uitgeschud hebbende, beheerscht door begeerigheid. leefde hij nijdig, afgunstig, trotsch, onvoldaan met hetgeen hij had, be-geerig naar hetgeen hij niet had, bestuurd door geen wet dan door die van zijn eigen boozen wil, door geen vrees verschrikt dan door de vrees voor de grooter kracht van zijn buurman. In een maatschappij, aldus samengesteld, zou iedere booze hartstocht tieren, tweedracht en verkeerdheid regeeren ; geen leven veilig, geen eigendom zeker, geen tehuis mogelijk zijn ; er zou geen vreugde gesmaakt en geen welzijn verwezenlijkt worden. De voortduring van dezen staat zou de grootste rampzaligheid, zijn vroegtijdige en volkomen vernietiging de hoogste weldaad zijn.

Gij ziet dus. dat rijkdom geen zaak enkel van stoffelijke voorwaarden is; bankbilletten en gemunt goud maken geen welvaart. Welvaart en rijkdom betreffen personen. Wat de mensch in staat stelt het volledigst en beste bestaan te verwerven, maakt hem \'t gelukkigst; waar het grootste welzijn woont is de meeste welvaart. De middelen, die het meeste

-ocr page 365-

CHRISTUS DB HOOGSTE SCHEPPER VAN ONZEN RIJKDOM. 351

welzijn en weldoen scheppen, zijn de beste schatten, zij verrijken de menschheid allermeest, zoowel ieder ia \'t bizonder als allen gezamelijk. Indien gunstige stoffelijke voorwaarden goed zullen werken, moeten de personen, die haar voortbrengen en vermeerderen, verdeelen en genieten, uit andere dan stoffelijke krachten leven; zij moeten door geestelijke werkingen gevormd, door geestelijke wetten geleid en bestuurd worden. Doch dit brengt ons tot de hoofdquestie: Wie was de Schepper van onze vernieuwendste geestelijke krachten? Wie was de machtigste vormer van zedelijke personen, van mensohen, die voor den menscb geleefd hebben ? Wie bracht de geestdrift der menschheid voort, het ideaal van een liefde, die alleen gelukkig is als zij dient en redt? Kan iemand omtrent het antwoord in twijfel of verlegen zijn? De Christus „die om onzentwil arm werd.quot; Groote waarheden zijn groote krachten ; de hoogste idealen zijn de machtigste factoren van den vooruitgang; en staat Christus niet alleen als de Onderwijzer, als de Schepper onzer menschelijkste idealen? Deze onze oude aarde is met een kring van licht omgord geworden sedert Hij er op leefde, heeft te midden van hare zusterbollen gewenteld als een, die zijn verwantschap met den Oneindige gevoelt. Onze verwoeste menscliheid is ontgloeid van nieuwe neigingen, heeft de vervroolijking van nieuwe verwachtingen gesmaakt, sedert Hij door haar aan te nemen, in haar hart een nieuw bewustzijn van waardigheid en waarde schiep. Het. vaderschap Gods, dat Hij openbaarde, maakte dat het ontzaglijk raadsel, vanwaar wij komen en waarheen wg gaan, ons met een vriendelijker gelaat aanziet; maakte dat orde en weldadigheid te voorschijn gekomen zijn uit de verwarde verhoudingen van onzen tegenwoordigen tijd; en heeft voor millioenen wanhopige harten als een geestelijke zon doen rijzen, die een eeuwi-

-ocr page 366-

DE RIJKDOM VAN CHRISTUS\' ARMOEDE.

gen zomer schept met zijn vroolijke dagen, korte sclioone nachten, malsche regenbuien en heerlijke zonnestralen. De broederschap van het menschdom, die Hij ontsloot, heeft de oude alleenheerschappijen en vijandschappen, de wreedheden door rang en macht geoefend, afgeschaft of zij is bezig ze af te schaffen, en doet zachtkens de genegenheden ontwaken, die de meest verwijderde, ongelijke en vervreemde gezinnen dei-aarde in een steeds inniger verbond zullen aanéenschakelen. Het moederschap is een verhevener en heiliger zaak geworden sedert Jezus Maria moeder noemde; en sedert Hij de vrouw beminde en door de vrouw bemind werd, is het vrouwelijke geslacht, in een mate als voor de reinsten onder de ouden onverstaanbaar was, verhoogd, vereei\'d en geliefd geworden met de kuische liefde, die tegelijkertijd den huise-lijken haard schept en dierbaar maakt. De wachtwoorden van menschelijke vrijheid en vooruitgang; de verbeterende krachten, die in donkere plaatsen den strijd opnemen met de oorzaken en gevolgen onzer menschelijke kwalen ; de idealen, die onzen besten naijver opwekken en onze hoogste beschaving bewerken, zijn of onmiddelijk zijn schepping, of vinden in Hem hun gunstige voorwaarde en diepsten grond. En indien zijn werking alzoo geweest is, beeft Hij ons dan niet rijk gemaakt door Zijn armoede, de grondstoffen gevormd en de beginselen bereid, die de broederschap des mensohen opbouwen?

Maar tot hiertoe hebben wij slechts eene zijde van Zijn rijkmakende werking beschouwd, die welke betrekking heeft op de vormen van ons bestaan, individueel en gezamelijk, in den tijd verwerkelijkt. Er is echter achter deze nog een dieper en rijker werking. Zijn werking is een vernieuwing geweest van den geest; daar was zy door en door herscheppend. De mensch, die in Christus is, bevindt dat het oude is voorbijgegaan,

352

-ocr page 367-

DB MENSCH BELIJDT WAT HIJ VERSCHULDIGD IS. 358

dat alles nieuw geworden is ; God is geen verschrikking meer, maar een vertrouwd vader ; de toekomst geen schrikwekkende donkerheid, maar een bemind en stralend tehuis; de mensch geen vijand, die moet bewaakt en dienstbaar gemaakt, maar een broeder, die geëerd en gediend moet worden. De redding, die Christus aanbrengt, is geen inbeelding maar een heerlijke werkelijkheid, van welke getuigenis wordt gegeven, door de bewustheid aller christenen, die geleefd hebben en nog leven. Het is een staat, waarin de mensch bevrijd is van zonde, waar haar macht over en in hem verbroken is, waar hij in vrede met God leeft, gerechtvaardigd voor geweten en wet, begiftigd met de deugden, versierd met de bekoringen, die hem tot een volkomen, dat is tot een heilig, mensch maken. Menschen, die weten dat deze staat de hunne is, zijn boven de grenzen des tijds verheven ; zij weten dat zij burgers des hemels zijn, erkende leden van zijn rijk, erfgenamen Gods en medeerfgenamen van Christus.

Wij mogen „den rijkdom van Christusquot; op dit gebied zijner werking niet trachten te beschrijven; hij is „onnaspeurlijkquot;. Nochtans is er een weg, waarop wij, als met een oogopslag, zijn uitbreiding en verscheidenheid kunnen zien en meten — zijne weerkaatsing in het bewustzijn dergenen, die behouden zijn, in de harten van zijn volk. Bedenk wat Hij voor hen, die door \'t geloof in Hem geleefd hebben en nog leven, geweest is en nog is. Laat uw oog op dit oogenblik over Europa gaan en over de vaste landen van Oost en West — wat ziet gij? Millioenen mannen en vrouwen — bezwaard door zonde ; gedrukt onder leed ; verontrust door de zorgen en afmatting van den sleur des\'gewonen menschelijken levens, slechts die blijdschap kennende , die te algemeen is om te

worden opgemerkt; slechts verwachtingen koesterend^ te ge-

23

-ocr page 368-

DE KIJKDOM VAN CHEISTUS1 ARMOEDE.

354

eenzaam om te verheugen — die saamgekomen zijn of zullen samenkomen om Zijn naam te loven , om voor een uur, tot heiliging veler dagen, zich doordrongen te gevoelen van een nieuwe kennis van de genade Gods, en opgeheven te worden in gemeenschap met Hem en tot deelgenootschap aan Zijn eeuwigheid. Morgen, wanneer het bedrijvige leven hoog en sterk door onze straten golft, moge het schijnen alsof, wat den tijd betreft, Zijn regeering voorbij is; maar op eenzame zoldervertrekken, waar zwakte met gebrek worstelt, is de kennis Zijner tegenwoordigheid meer dan kracht; in kamers , verdonkerd door de schaduw des doods, verspreidt Zijn gelaat licht over den geest, en schenkt troost en een moed, die geen kwaad vreest. Hij is op elk oogenblik werkzaam en bij de aanraking zijner hand worden de oogen, roodgeweend om zonde of eenig verlies, weder helder en kalm ; wenden zich menschen tot het kwaad verzocht, weder ten goede; en zij, die zich verteerden in het najagen van geld, aanzien en invloed, worden tot edeler menschen wedergeboren door het geloof in den zoon Gods. Wend u nu tot het verleden, en vraag welke bewustheid zoo rijk geweest en zoo onderscheiden was in haar rijkdom als de bewustheid der verplichting aan Christus. Hier komt tot ons een leger van groote denkers, door Paulus den apostel aangevoerd, en in zijn gelederen vaders en onderwijzers, hervormers en staatslieden, wijsgeeren en zieners bergende; mannen, die, door een moeitevol denken, stelsels bouwden, er naar gestreefd hebben om het heelal te verklaren, de verborgenheden der goddelijke natuur te ontcijferen, en het raadsel van het menschdom te lezen; en allen komen zij belijden, dat de bron van al hun werkzaamheid, het ééne punt dat licht in de duisternis en orde in de verwarringen van het bestaan bracht,

-ocr page 369-

DE MENSCH BELIJDT WAT HIJ VERSCHULDIGD IS. 355

de kennis van Christus was. Daarop volgt een onmetelijke zwerm van dichters, aangevoerd door de groote meesters dei-christelijke epiek: de droevige Florentijnsche banneling, die in een versmaat van wonderbare muziek ons voortoovert de hel, een put vol duisternis en huis van smart, even als den hemel, als een berg van licht en stad van vreugde; en de nog treuriger Engelscbman „wiens ziel geleek een ster en eenzaam leefdequot;, wiens stem was als het geluid der zee ; en zij voeren met zich mede uit vele eeuwen, en landen, en talen de zangers van zoete liederen, die woorden en vleugels geven aan het geloof en de hoop, de boete en vreugde, de verzuchtingen en den vrede der behouden ziel; en wanneer de groep nadert breekt zij los in een lofzang op Hem, die in hun geesten de muziek wekte, door hen te vervullen met de harmonieën van zijn eigen rijke liefde. En wie zijn deze, die naast de dichters staan ? Zijn zij niet schilders ? De mannen, die onze moderne kunst schiepen,en haar zoo vervulden van licht, teederheid en liefde, haar maakten tot een verklaring van de schoonheid des hemels, gelijk zij de schoonheid op aarde trachtte te scheppen. Daar zijn ook bouwmeesters; mannen, die dermate geloofden en liefhadden, dat zij zelfs den steen deden spreken van hun geloof en hunne liefde; en daar zijn ook de meesters der toonkunst; mannen, die harmonieen vernomen hebben welke de menschelijke spraak niet kon uiten, en die overbrachten in een taal, zoo samen-geweven uit veelvoudige liefdelijke geluiden, dat het veelstemmig orchest alleen ze vermag uit te drukken. En wat zeggen deze allen ? Aan wien ontleenen zij hun bezieling? Van waar hebben zij hun verhevenst thema? Zullen zij niet met de dichters en denkers, de geredden en de heiligen aller Christelijke tijden en tongen samenstemmen,

-ocr page 370-

DE RIJKDOM VAN CHRISTUS1 ARMOEDE.

356

om alles Hem te danken, die „daar hij rijk was, om onzent-wil arm geworden is, opdat wij door zijn armoede rijk zouden worden\'\'?

-ocr page 371-

VIERDE DEEL.

I. DE VRAAG NA AR HET HOOGSTE GOED.

II. DE LIEFDE TOT CHRISTUS.

III. DE STAD GODS.

-ocr page 372-

„Sedert God onze natuur vergoddelijkt heeft, ofschoon niet door-haar i7i Eemzelven over te brengen, nochtans door haar te maken tot Zijn eigen onafscheidelijke woonstede, kunnen wij niet hegrijpen, hoe God zonder den mensch hetzij goddelijke macht zou kunnen uitoefetien, of den roem der goddelijke verheerlijking ontvangen. Want de mensch is in heiden een deelgenoot der godheidquot; Hooker. „Ecclesiastical Polity,quot; Boek 5 § 54-.

„Want V leven, met zijn schat van vreugd en smart, En hoop en vrees, — Geloof den ouden vriend, —

Is deen ge kans tot kennis van de liefd,

Wat liefd\' vermag, in waarheid was, en is;

J£n dat voortaan, der wereld nijd ten spijt Wij schatten dezen prijs op V allerhoogst,

De waarheid, onze winst, wij houden ; dat is t alquot;

Robert Browning, .,A death in the Desert.quot;

.,Als daarop hij nog staarde, kon hij zien De heiVge Englen dalend hier en daar Van \'s Hemels hoogst, lof zing end. rij aan rij,

Met groote vreugd, de poort dier stad ingaan.

Gemeenzaam zooals vriend gaat met zijn vriend; V T erhaasde hem op V zeerst, zoodat hij vroeg Wat staaf ge woning zendt zoover omhoog Raar slanke torens naar het sterrenheir,

Welk onbekende volk of daar zijn woning had.

„Eêl Heerquot; sprak hij, „dat is Jerusalem,

Het nieuw Jerusalem, van God gebouwd

Ter woning dien, die zijn Zijn verkoornen zijn.

Zijn eigen volk, ontdaan van zonde en schuld

Door V dierbaar bloed des onbevlekt en Jjams,

Dat op het schandhout wreed vergoten werd

Voor al de zonde van het gansch heelal:

Nu, Heiligen zijn .ze, in deze stad vergaard,

Meer dierbaar aan hun God, dan V kind aan V ouderhartquot;

Spenser, „The Faerie Queen,quot;

Bk. I, Lied X, verzen 56—57.

-ocr page 373-

I.

DE VRAAG NAAR HET HOOGSTE GOED.

„Maar zoekt eerst het koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid; en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.quot;

Matth. 6 : 33.

De mensch is steeds aan het zoeken naar het hoogste goed, naar dat wat hem \'t gelukkigst zal maken. Hij moge geheel onbekwaam zijn om te zeggen wat dit is of zelfs wat geluk is, evenwel weet hij dat hij geschapen was om gelukkig te zijn, en niet is dat waartoe hij gemaakt was De natuur is wijs, zij bepaalt ons doel, ofschoon wij ook middelen gebruiken die het verijdelen en ons zeiven teleurstellen. De mensch was niet geschapen om ongelukkig te zijn; niemand bedoelt zijn eigen ongeluk, nochtans handelt elk mensch dikwerf zoo dat hij het veroorzaakt, voorwaar niet met opzet zelfs dan waar het bepaald met zijn wil geschiedt. Onze zonden zijn pogingen om gelukkig te zijn, proefnemingen om de bestemming der natuur te bereiken langs wegen, die zij niet erkent en God veroordeelt Waar God het doel vaststelt, maar de mensch den weg te kiezen heeft, is het zeker dat de weg voor allen lang en moeilijk

-ocr page 374-

360 DB VRAAG NAAR HET HOOGSTE GOED.

wezen zal, voor menigeen een weg van struikelingen met goeden uitslag bekroond, voor anderen een weg vol belofte, die eindigt met noodlottig falen. Alzoo, terwijl allen het goede zoeken dat God voor allen bestemde, zijn er velen die er niet in slagen het te vinden, en ontdekken, wanneer het te laat is, dat de dingen, welke naar hunne verwachting het zoetst zouden zijn, in de uitwerking het bitterst bleken. — Het geluk komt inderdaad nooit tot den mensch, die het met bewustheid zoekt; het moet ongezocht komen zoo het al komen zal. De mensch, die eenig ding verricht opdat hij gelukkig moge zijn, wordt nooit gelukkig door wat hij doet. De ethische theorie, die bet genoegen tot het voornaamste doel der handeling maakt, is slechts een leer aangaande de beste methoden om de smart te verzachten; zij kan de menschen leeren hoe zij handelen moeten om het minst ongelukkig te zijn, maar kan hen niet leeren hoe zij handelen moeten om het gelukkigst te worden. Het hoogste goed is samengesteld, het wordt slechts bereikt waar volmaakte deugd en volmaakt geluk te zamen verwerkelijkt worden; maar het geluk moet wezen de vrucht der deugd, doch kan haar wortel niet zijn. Want de mensch, die zijn geluk tot den standaard of het doel al zijner handelingen maakte, zou de minst gelukkige der menschen zijn, onbekwaam om te bereiken wat hij wenschte, juist van wege de begeerte om het bereiken. Genot moet ongenoodigd ontspringen en als het ware ongezien bloeien om werkelijk te zijn. Het komt niet tot den mensch, die met bewustheid leeft om zijn eigen genot te vermeerderen; het komt vanzelf tot den mensch, die de deugd najaagt en God lief heeft.

Wat ik zoo even trachtte te zeggen is eenvoudiger en schooner door de oudere godgeleerden gezegd, wanneer zij de

-ocr page 375-

GOD EN MAMMON.

361

heiligheid en het geluk beschreven niet als twee zalseii, maai-enkel verschillende zijden der zelfde zaak. Nochtans moest een mensch beide niet in denzelfden geest en weg zoeken. Hij moest het geluk niet zoeken om de heiligheid te verkrijgen, of zelfs de heiligheid om het geluk te verwerven; maaibij moest zoeken heilig te worden gelijk God heilig is en dan zou hij gelukkig zijn gelijk God gelukkig is. Maar nu schijnt deze heiligheid, van de goddelijke soort, zulk een ideaal en hoogverheven ding, dat om van de menschen, die gekweld worden met de harde en meedoogenlooze noodzakelijkheden des levens, te vragen baar te zoeken, gelijk staat of met bet gebruiken van een onbeteekenenden spraakvorm, of met bet voldoen aan een wreede spotlust. De wereld breidt zich meer en meer uit ; voor menschen, die in haar verdiept zijn, schijnt de taal van booge geestelijke dingen steeds minder werkelijk, veeleer klinkende woorden dan woorden van gezond verstand. Zij komen er allengs toe om te denken dat de worsteling om te voldoen aan den voortdu renden honger van dentegenwoor-digen tijd, zoo ernstig is dat zij, in zake den godsdienst, alles verbiedt wat maar meer zou zijn dan een zedige houding tegenover de eerbiedwaardigheden van gedrag en aanbidding. Zij, die het best de verhevener idealen van ons geloof kennen, kunnen zich door hen tot stilzwijgen gebracht gevoelen, wanneer zij over deze moeten spreken tot menschen, die niet anders kunnen dan moedig de zorgen der wereld dragen. Hij kent slechts luttel het bedrijvige leven of de politiek, de taak van hem, die met \'t brein moet werken, of van den ambachtsman, die meent dat deze zorgen bevorderlijk zijn aan het edeler leven der ziel, of veroverbaar door de gemeenzame platheden, die den godsdienst eerder neertrekken tot den mensch dan dat zij den mensch opheffen tot den

-ocr page 376-

DE VRAAG NAAR HET HOOGSTE GOED

godsdienst. Mammon was in den ouden tijd een vriendelijke godheid; maar de mededinging van alle kunsten^ koopmanschappen en markten, geholpen door de telegraaf, den spoorweg en het stoomschip was het, die hem zoo gestreng maakte dat hij den geheelen mensch en het geheele leven met zijn aangelegenheden vervulde. Nochtans zelfs in den ouden tijd „kon niemand beide God en Mammon dienenquot; ; een verdeelde dienst moge dienst van Mammon kunnen zijn, maar kan geen dienst van God zijn. Eerst te zoeken wat wij zullen eten, wat wij zullen drinken en waarmede wij ons zullen kleeden, is den God der eeuwigheid aan den God dezer wereld op te offeren; is het ware wezen en doel des levens te verliezen om een ijdel najagen der levensbehoeften.

De woorden nu van Jezus, in het deel van zijn gesprek, waaruit wij aangehaald hebben, ofschoon gesproken tot een rustiger en eenvoudiger wereld dan de onze, zijn even geschikt, even vol van geestelijken raad en geestkracht voor de met zorg beladen en gejaagde lieden van onze eeuw, als voor die van de zijne. Hij ziet dat het meer de mogelijkheden dan de werkelijkheden des levens zijn die verzwakken en bedroeven; het is de vrees voor den dag van morgen, die het geloot in God het meest bedreigt. Men zegt: „het is\'s levens tredmolen die doodtquot;; maar het is niet zoozeer deze als de vrees, die den tredmolen baart; de vrees, dat de kracht falen zal vóór het doel bereikt is. Want de vreeze schept haar eigen voorwerp ; geen angst verlamt zoo als de angst voor dingen, die niet werkelijk zijn. Maar hij, die vast geworteld staat in de werkelijkheden van God en eeuwigheid, zal geen vreeze voelen voor den dag van morgen of de rampen, die hij kan opleveren.

Het eerste, dat gedaan moet worden, is te verstaan, wat Jezus meent; een zaak, die te meer noodzakelijk is, daar

362

-ocr page 377-

HEILIGHEID EN GELUK.

363

het zoo gemakkelijk is om Hem hier verkeerd te verstaan. Er is in den tekst een bevel en een belofte; liet bevel is „zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid,quot; de belofte, „en al deze dingen zullen u toegeworpen wordenquot; „Deze dingenquot; zijn het voedsel en de kleeding, de benoodigd-heden en gemakken des levens, voor welke de menschen zoo hard arbeiden en zoo zorgvol waken; zij zullen het zeker en onvervreemdbaar deel zijn van hem, die eerst „het koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid\'\' zoekt. Wat moet dit nu beduiden? Beteekent het: „geef op niets acht behalve op den godsdienst, bid, vast, wacht op de vooi\'zienigheid, zonder zelf te willen of te werken, en de voorzienigheid zal zorgen dat gij nimmer gebrek hebtquot;? Dit zou Jezus tot den leeraar van het meest werkelooze en buitensporigst quietisme maken, terwijl Hij bedoelt een leer te leeren die „voordeelig is voor het leven en de godzaligheidquot;. „Het koninkrijk Godsquot; was voor Hem de heerschappij van de goddelijke zedewet. Het te zoeken was daarin te worden een plichtmatig burger, die den wil Gods op aarde doet, gelijk die in den hemel gedaan wordt. „Zijn gerechtigheid te zoekenquot; was de poging om zijn ideaal van gehoorzaamheid te verwezenlijken; volmaakt te worden gelijk God volmaakt is ; om een leven te bereiken dat schoon en plichtmatig is voor den mensch, omdat het ingegeven is door de liefde tot God. Maar alzoo Verstaan is het zoeken van het koninkrijk en de gerechtigheid Gods hetzelfde als het trachten Hem na te volgen; om in onze kleine wereld te zijn wat Hij in het oneindig heelal is : de onvermoeide arbeider, de wakende voorzienigheid, de bron en beschermer van het goede, de vijand en richter van het kwade. De goddelijke heiligheid gewinnen is te deelen in de goddelijke vreugde ; een leven, ingericht naar het goddelijk idee, neemt deel aan

-ocr page 378-

DE VRAAG NAAR HET HOOGSTE GOED.

de goddelijke werkelijkheid. Indien wij leven in overeenstemming met den wil, die de wereld schiep en regelt, moet de uitkomst van ons leven goed zijn. Ons deel is om in het heden zoo goed mogelijk te zijn en te doen. Gods deel om onze toekomst te doen beantwoorden aan het heden, waaruit zij ontstaat. Indien de mensch zoo leeft, kan hij voor den dag van morgen niet vreezen, want de dag van morgen is Godes, en Hij zal zorgen dat deze voor hem, die zijn plicht doet, evengoed is als vandaag. Die waarachtig in de Voorzienigheid gelooft, zal als een voorzichtig mensch leven, plichtmatig in het voorbijgaande oogenblik, de zorgen van morgen niet overbrengende op heden, de zorgen van heden niet achterlatende als een bemoeiing voor morgen, maar zijn werkelijk geluk genietende, zonder verstoord te worden door de vrees van een mogelijk onheil. Hem is alles, wat in den weg dei-verwerkelijkte gerechtigheid komt, goed.

Christus dan geeft ons bij onze zorgen een goddelijken leiddraad in de hand tot haar genezing. Hij verzoekt ons te doen, gelijk Hij deed; met Gad te beginnen^ opdat wij zouden zijn gelijk Hij was, zonder zorg voor den dag van morgen. Hij zegt ons te zoeken wat Hij zocht, om alle gerechtigheid te vervullen opdat wij zullen vinden wat Hij vond, volmaakt geluk zelfs in droefenis ten doode toe, zoeten vrede onder het lijden, dat gehoorzaamheid leert. Zijn genezing van de zorg is geen ijdel geneesmiddel, Zijn geheim der zaligheid geen utopischen droom. Zijn eigen leven was het schitterend bewijs dat Zijn weg de juiste was, dat zijn ideaal verwerkelijkt kon worden. Hij kende geen oppervlakkige genietingen, niets van het bloote vermaak in \'t leven, dat de ziel verguldt met een stralende schoonheid, gelijk aan die van het door de zon beschenen gelaat der zee; noch het

364

-ocr page 379-

HBJT GEHEIM VAN CHKISTÜS\' LEVEN.

365

blijde lachen -waarin vanzelf het hart zich uit, gelijk de muziek van de murmelende golf of den kabbelenden stroom. De last eener groote zending lag op zijn geest, smart van wege de zonde der wereld vervulde zijn hart. De wetenschap dat Hij „Zijns Vaders dingenquot; te doen had bedroefde den knaap ; het vooruitzicht van het kruis, dat Hij te dragen had, boezemde den man ontzag in. Zijn leven scheen geheel en al schaduw, diep en somber, zonder den zonneschijn, die verhaalt van \'t licht dat boven de wolk is; dat des te liefelijker is door de tegenstelling der schaduw. Nochtans was Zijne vreugde te diep om aangedaan te worden door de toevalligheden des levens, hoe tragisch ook; te heilig en krachtig om afhankelijk te zijn van bet vermaak of de pijn van een voorbijgaand uur. Gehoorzaamheid was zijn geluk, dat slechts versterkt werd door de worsteling, die \'t kostte, om het te gewinnen. Zijn ziel, naar alle zijden en door al haar vermogen open voor het Goddelijke, was te vol van God om hetzij dooiden besten menscli vervoerd, of door den slechtsten verschrikt te worden. Voor Hem was de aarde bekleed met hemelsche schoonheid, dewijl zij slechts het zichtbaar gewaad der hemelsche waarheid was. De sterren in haar banen, de oostersche luchten, even heerlijk bij zon-, maan-, of sterrenlicht, weide heuvel en boschaadje, elke gewone beek en bloem hadden voor Hem goddelijke beteekenis, en waren bronnen van eindeloos genot. De toespraak over de lelie toont hoe Hij haar reine en teedere bevalligheid kon bewonderen, terwijl Hij den ijdele glans des konings beklaagde. Zijn gelijkenissen toonen hoe diepe gemeenschap Hij met de natuur oefende, hoe Hij den zaaier had nagegaan bij het uitstrooien van \'t zaad, en den maaier bij \'t slaan van den sikkel, evenals den wasdom van den mosterd- en vijgenboom en het snoeien van

-ocr page 380-

DE VRAAG NAAR HET HOOGSTE GOED.

den wijnstok; en zijn eigen geest moest eerst hun bekoorlijkste geestelijke beteekenis hebben gevonden alvorens Hij die kon toebereiden tot raad en troost voor der menschen geest. Zijn eenzame wandelingen langs de oevers der Jordaan, over de bergen rondom Jeruzalem, in de valleien, die van Nazareth uitloopen, moeten vruchtbaar geweest zijn aan de stille vreugde die voortkomt uit „vrome overdenking, die de verbeelding voedde.quot; Hij begon met God, en zoo was de natuur slechts de spiegel van zijns Vaders geest. Zijn strijd was de zwaarste, dien de mensch ooit streed; daarom was zijn behoefte aan God de grootste, die een mensch ooit voelde. En zijn geloof was nooit kleiner dan zijn behoefte. In de hoede van den Vader leefde Hij, gelijk Hij in haar stierf; en elke beleedi-ging der menschen maakte Hem slechts te meer bewust van haar teedere kracht, ieder oogenblik van smart openbaarde slechts haar verborgen vriendelijkheid. Dewijl Hij het koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid \'t eerst zocht, vond Hij wat zijn eenzaam leven schoon maakte door Goddelijke heiligheid en menschlijk vertrouwen.

Christus is alzoo het schitterendst bewijs van Zijn eigen beginsel. Hij deelt hier het gulden geheim mede dat Hem, terwijl hij de „man van smartequot; was „wiens gelaat doorgroefd was meer dan dat van eenig anderquot;, evenzeer tot den heiligen en vrede-lievenden Zoon Gods maakte, heerlijk als de Koning in Zijn schoonheid, die van het zeer verafgelegen land komt. Hij beveelt ons te beoefenen en te verwerkelijken, wat Hij ondervond en te zien gaf. Het Koninkrijk Gods moet onze eerste en hoogste vraag zijn, want daarin is elk werkelijk en mogelijk heil te vinden — de gehoorzaamheid, die in gerechtigheid eindigt; het vertrouwen, dat door het lijden overgaan kan in reine en geduldige liefde; de hoop, die rustig kan nederzitten in

366

-ocr page 381-

EEN MENSCII-KIND ONDEK MENSCIIEN.

den donkersten nacht en uitzien naar den komenden morgen. Het kan intusschen nuttig zijn, enkele van de menigvuldige toepassingen van het beginsel in oogenschouw te nemen; dit kan ons beter doen voelen dat wij den weg inslaan kunnen, die tussohen den oorsprong en het doel van ons bestaan ligt, zonder te gedoogen dat de zorgen des levens óf het een vergiftigen óf het ander verwoesten.

1. De eerste en voornaamste vraag van den enkelen mensch, als een wezen dat een werk te verrichten en zijn persoonlijkheid te verwerkelijken heeft, behoort te zijn het koninkrijk Gods. Door dit eerst te zoeken, is de voorwaarde van het hoogste welzijn gewonnen; door dit \'t laatst te zoeken zullen beide de voorwaarde en het welzijn verloren wezen.

Ieder mensch wordt geboren te midden van zich bestrijdende stroomingen. Kwaad en goed voeren binnen en buiten hem hun onophoudelijken oorlog. Hij is tegelijk slagveld en krijgsman, zij strijden in hem en voor hem, en hij moet zich aldus in het geschil mengen dat hij de uitkomst beslist. Wij zijn zoo gewend aan die worsteling, dat wij een oorlogstoestand als onzen natuurstaat beschouwen, en wij staan dikwerf toe dat het zoo blijft ten einde toe. Maar God is vrede, en de mensch, als zijn kind en evenbeeld, was bestemd te zijn de woonstede van samenstemming en niet van tweespalt. Het goddelijke in ons worstelt naar het goddelijke boven en rondom ons, en tracht zich te voegen in het eeuwig plan, dat eenheid en schoonheid aan de schepping geeft. Verzoend te zijn met God is Zijn gerechtigheid te verwerven; die te missen is niet anders dan een onbeheerd goed te zijn in het heelal.

De mensch kan aan de verantwoordelijkheid der keuze niet ontkomen; zij ontmoet hem op ieder oogenblik des levens

367

-ocr page 382-

DE VRAAG NAAR HET HOOGSTE GOED.

368

\'t meest in die schoone en woelige dagen wanneer de grondslagen zijner persoonlijkheid gelegd worden. Dan behoort hij het koninkrijk te zoeken, opdat hij een mensch van de edelste soort moge worden. Hoe zullen wij de noodzakelijkheid duidelijk maken? Verbeeld u een kind, een volwassen man geboren als Adam was toen hij versch uit de hand Gods kwam, evenals hij onschuldig, bewonderend en wonderbaar, in het midden der schepping staande. Evenwel is alles nu niet gelijk het toen was; de menschheid is oud terwijl deze mensch jong is, en de oude menschheid ware een vreemd raadsel voor een jong mensch. Verbeeld u nu ons kind-mensch in de maatschappij ingeleid, verbaasd en verlegen in haar midden staande. Hij doet vele vragen, maar zijn verlegenheid wordt nog verwarder door de antwoorden. In welke verhouding staan de menschen tot elkander? Welke wet bestuurt hun gedrag en neigingen? Hij treedt een huis binnen en vindt daar de liefde heerschen; het lijden van den eenen is het leed van allen, de vreugde van elk tot een gemeenschappelijk geluk geworden; een zachte taal bekoorlijk gemaakt door teedere woorden; de vermoeienis van het gelaat des vaders verdreven door de beminnelijke manieren der moeder en het lief gebabbel van het kind; en zoo, met behulp van het familieleven, schijnt hij te verstaan hoe de liefde van God is en hoe God door de liefde de geslachten vormt en de wereld regeert. Maar den dag daarna bezoekt hij de beurs, waar de speculatie-geest in al zijn omvang heerscht, en vertrouwen en vreeze elkaar in snelle afwisseling opvolgen onder de bedrijvige en onrustige groepen. Hij ontmoet den vader van gisteren en kent hem nauwelijks, zoo zijn gelaat en spraak zijn veranderd ; hij hoort hem spreken van verliezen, die weduwen broodeloos maken en weezen berooven zonder dak, van hongersnood

-ocr page 383-

EEN MENSCH-KIND ONDER MENSCHEN. 369

en pestilentie buitenlands, van staatkunde en arbeid daarbinnen, van de oorlogen en plannen der volken als over de gewoonste zaken, die slechts van belang zijn inzoover zij invloed hebben op het rijzen of dalen der fondsen, den rentevoet of de betaling der interest; en de gedachte komt in hem op dat de mensch voor den mensch slechts is een ruilpenning of werktuig van voortbrenging, die geschat wordt naar hetgeen hij kan koopen, en behandeld wordt naar hetgeen hij kan voortbrengen. Hij wendt zich dan vandaar om de gedachten der menschen te onderzoeken, wat zij gelooven, hoe zij zich zelf begrijpen, van waar zij komen en waarheen zij gaan, naar welke wet zij pogen te wandelen van het begin naar het besluit, van den oorsprong tot het einde. Hij beluistert de taal, die de gedachten der diepst denkenden uitdrukt, en bevindt alles verward, verbijsterend, met elkaar in tegenspraak, een Babel van stemmen erger dan onduidelijk, die waar zij liet helderst is, het minst uitdrukt; een taal, eerder bestemd om het geloof van hun geburen te betwisten en tegen te spreken dan het eigen geloof te belijden. De verwarring kwelt hem; maar een ding ontzet hem, namelijk de allesovertreffende lichtvaardigheid, de onverschillige, ongevoelige en gedachte-looze wijze, waarop de menschen spreken, zoowel bij hetgeen zij erkennen als bij wat ze ontkennen aangaande de ontzaggelijke verborgenheden, die hun levens omringen, die donkere onmetelijkheden in wier midden zij zich bewegen, deze alles verslindende eeuwigheden, die hen van achteren en van voren omgeven. Maar indien het denken zoo verward is, hoe zal \'t dan met het gedrag wezen ? Het is slechts de weerkaatsing en duidelijke openbaring van het andere ; zedelijke standaarden zijn even veranderlijk en verschillend als het verstandelijk geloof; binnen de vroolijkste gezelschappen zweven donkere scha-

24

-ocr page 384-

DE VRAAG KAAR HET HOOGSTE GOED.

duwen rond; fijne manieren moeten de dierlijkste losbandigheid kleeden, doch niet verbergen; en aangezichten, die jong en opgeruimd behoorden te zijn van bloeiend leven, zijn oud en vergrijsd door misdaad. Ons menschkind, vol van de verwondering, eigen aan een nieuw geschapen ziel, maakt front tegenover de problemen, die zoo plotseling voor hem gesteld worden, doet een krachtige poging om hen meester te worden, doch slechts om zijn verwondering iri \'wanhoop te zien ondergaan. Want hoog boven al de anderen verrijst het persoonlijk vraagstuk „hoe moet ik mijn leven ordenen\'? Waarheen gaan, om mijn bestemming te verwerkelijken?quot; Met dat vreesselijk probleem in zijn brein staart hij op dat leven, dat niet dan een worsteling schijnt tusschen stootende en botsende draaikolken, die om hem gieren met hun vreemde, verbijsterende betoovering en vreesselijke zuiging. Indien hij, gelijk hij daar stond, geen machtig beginsel had, gesn sterke hand, om zich aan vast te houden, geen hoog doel, om naar op te zien, wanneer de verwarde dwarling en het geraas, hem doen duizelen , wat kon hij anders dan — waar de maalstroom op \'t geweldigst rondom hem zuigend, hem nu eens trok tot het goede, dan weder meevoerde door bet kwade, totdat zijn brein geheel duizelig werd — meegesleept worden naar zijn hellenden rand en verdwijnen in zijn akeligen en on-verzadelijken gorgel. Zoo is het eind van de onervaren, onbestuurde onschuld al te dikwerf geweest de bezoedelde en berouwvolle schuld, die te veel „den gewetenssteek en de smartelijke herinneringquot; kende, om te kunnen\'1 blijven en „geschikt worden voor een beteren dag.\'\'

Maar verbeeld u ons mensch-kind de wereld binnentredend door het Koningrijk Gods. Hij erlangt daar een albeheer-schend beginsel, een liefde die hem leidt, een wet die hij ge-

370

-ocr page 385-

BUITEN HET KONINGRIJK EN DAARBINNEN.

voelt te moeten gehoorzamen. Hij leert God kennen en daarom ook liefhebben ; en die liefde kan niet slechts als de lans van Itlmriel het zorgvuldigst bedekte kwaad noodzaken zijn vermomming af te werpen, maar evenzeer het hart stalen tegen zijn meest betooverende begoochelingen en den wil tegen zijn machtigste verlokkingen. Hij vindt ook het geloof in een goddelijke tegenwoordigheid, die altijd om hem is, altijd hulpvaardig, eens Vaders hart, dat zal treuren over elke zonde, eens Vaders hand, die zijn geest behoedt en hem leidt op al zijn wegen. Hij ziet ook de eeuwige schoonheid van Gods gerechtigheid, den zoeten vrede, het blijvend geluk die zij geeft; en in de tegenstelling verliest de zonde haar macht om te verlokken door haar bekwaamheid om te misleiden. Alzoo ten volle toegerust gaat ons mensch-kind voorwaarts, bestand tegelijk tegen de grover vormen des kwaads, om door ervaring te leeren bestand te zijn tegen de fijnere. Gehoorzaamheid wordt de grondslag zijns wezens, liefde tot God de regel Zijns levens. Er is een buigzame maar stevige zachtheid in hem van de goddelijke soort ; een goedheid zacht jegens den schuldige maar alleen streng tegen de schuld. Hij leeft door liefde ; zulk een liefde , die streng het kwaad buiten hem zelven wil houden, en het bij anderen uitdrijven. En zoo heeft het koninkrijk Gods hem alles verzekerd wat noodzakelijk was tot de schoonste menschheid; alles, dat het leven, in zijn vooruitgang, kan maken tot een ontwikkeling van de goddelijke gedachte, en, in zijn vrucht, een verwerkelijking van het goddelijk ideaal. Aldus verwerkelijkt de natuur haar doel, want de mensch wordt slechts mensch wanneer hij Gods gedachte van de menschelijke natuur belichaamt of uitdrukt.

2. Het burgerschap in het koninkrijk Gods is de eerste

371

-ocr page 386-

BE VEAAG NAAR HET HOOGSTE GOED.

372

voorwaarde van alle welzijn des mensclien in huis en familie. God plaatst „de eenzamen in een huisgezinquot;. Hij heeft geen betere gave voor den mensch dan een gelukkig tehuis ; maar opdat het zijn weldadig en opvoedend werk te beter vol-brenge, maakte Hij het, terwijl het een bron van geluk is, evenzeer tot een bron van velerlei zorgen. God zou geen voorzienigheid zijn zonder een heelal; de mensch zou geen waar mensch zijn, als hij zonder tehuis ware. Het heelal, in de begrooting van zijn werkkrachten, geeft openlijk verklaring van en dient tot de zaligheid Gods; het tehuis, in de ontwikkeling der menschelijke eigenschappen, draagt bij tot de volmaking des mensclien. Maar terwijl het dit werk verricht, brengt het verschillende verzoekingen mee. De kinderen des mensclien, die zijne liefde verwijden, vermenigvuldigen zijn zorgen; wat liet hart verwijdt kan het verstand afmatten of de kracht overladen. Menig edelmoedig man is zelfzuchtig geworden door natuurlijke liefde; menige edele inborst verschrompelde tot een gierigaard door de gedachte „gebrek kan komen over hen, die ik liefheb.quot; De vrees, dat gebrek en onbarmhartige geldnood dit zijn huis konden binnen treden, wanneer hij daar niet langer was om die terug te drijven, heeft ook reeds vroeger den mensch, die voor zich zeiven moeite en armoede goedsmoeds getrotseerd zou hebben, gedreven tot overijlde en niet te nauwgezette middelen om rijk te worden. Wij herinneren ons allen hoe een der meest gevierde namen in de letterkunde, iemand, die de betoovering van zijn genie over bijna alle bergen, meeren, rivieren in het land zijner geboorte geworpen heeft, door de sterke zucht om een huis te grondvesten, over zijn laatste dagen de schaduw en den last bracht, onder welke zij verkwijnden. „Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des Heeren,quot; en gelukkig is de mensch die \'t bedenkt:

-ocr page 387-

\'s MENSCHEN VADERSCHAP EN\' GODS KONINGRIJK. 373

„indien de Heer het huis niet bouwt, te vergeefs arbeiden de bouwlieden.quot;

Want laat ons nu zien welken invloed \'t burgerschap van het koninkrijk heeft op een man, die vader is. Het zal het niet alzoo voor hem in beide werelden ten beste keeren, dat het hem, als met een slag, een fortuin op aarde en een kroon in den hemel verzekert; maar het zal oneindig meer doen, door van hem zeiven den best mogelijken mensch te vormen. Zonder goede mannen kunnen wij nooit goede gezinnen krijgen, de eer der ouders is hun vreugde en sterkte. Deugd, kuisehheid, waarheid, liefde zijn de waarachtigste rijkdom, dien een familie bezitten kan. Voorspoed, hierop gebouwd leeft, verwelkt niet bij eenigen wind van tegenspoed, hoe bitter ook. De man, die zijn eer bewaart, is nooit bankroet, en zonder de eer heeft de liefde geen duurzaam fondament, noch ook achting voor zich zeiven of van anderen, vooral van hen die ons het dierbaarst zijn. De man, die verachtelijk wordt, of zondigt voor de oogen zijner kinderen, verliest het behagen in ben, en zij verliezen voor hem den eerbied van de diepere soort. Indien iemand ooit voelt dat hij met een huisgezin minder eerwaardig is, dan hij zonder dat zou geweest zijn, dan is hij begonnen het een omgekeerd goed te achten, hetgeen een werkelijk kwaad beteekent, welks werking op hem geheelenal schadelijk zijn zal. Maar de mensch, die lid is van het Koninkrijk, zal nooit door zijn gezin verlaagd worden; het zal slechts tot de verruiming van zijnen geest bijdragen. De goedheid, die van God komt, is gelijkmakend; zij ontwikkelt en lokt tot zich al dat het edelst is, zoowel in den man als in zijn gezin. Zij worden elkander meer gelijk en meer waardig. Het gezin doet het beste in hem ontwaken; hij wekt de verborgen krachten ten goede in

-ocr page 388-

DE VRAAG NAAR HET HOOGSTE GOED.

374

het gezin op. Hoe hooger zijn karakter staat te sterker en minder verwoestbaar is zijn invloecl : hoe machtiger zijn invloed is des te meer wordt liet huisgezin een orgaan voor de uitoefening, een voertuig voor de overplanting er van. De moderne wetenschap komt terug tot het oude geloof, dat een mensch voor de geslachten na hem ten zegen of ten vloek kan zijn. Er is niets meer werkelijk of machtiger dan de overplanting van erfelijke eigenschappen, de werking van den dooden voorvader in den levenden mensch. De vroomheid gaat niet verloren met den vrome, zij leeft na hem, daalt als een onzicht- en ontastbaar erfgoed af tot zijn kinderen en zijn kleinkinderen. Zedelijke invloed is inderdaad de eene al-gemeene nalatenschap; niemand kan haar vervreemden , niemand haar verderven. Nu en dan worden wij hewust van haar werkelijkheid ; voor het meerendeel ontvangen wij haar zonder te weten wat of hoeveel wij geerfd hebben. Zal \'t mij, bij een zoo verheven onderwerp, veroorloofd zijn te spreken van een zoo geringe zaak als een persoonlijke ervaring is? Voor mijn volwassen leeftijd is duidelijk geworden wat van mijn jeugd aan geheel voor mij verborgen was: de machtigste persoonlijke werking in de vorming van mijn karakter en de bepaling mijner levenstaak ging uit van een man, dien ik nimmer zag, die stierf vele jaren voor dat ik geboren was. Maar die man was mij van kindsbeen af vertrouwd; zijn naam was dikwerf op de lippen van iemand, die hem beminde gelijk eene dochter betaamt; zijn geschiedenis, zijn gezegden, zijn verwachtingen en gedrag, herinnerd en herhaald door het medium van een dochterlijken eerbied, zoo teeder als hij waar was, vielen als de stralen van het levend zonlicht op den gevoeli-gen geest van den knaap, bezielden en beheerschten de verbeelding van den jongeling, hielpen de gedachten en plannen

-ocr page 389-

ONZE ZEDELIJKE ERFENIS.

van den man vormen. Uit het verleden komen de onzichtbare maar beeldende handen, die ons vormen voor den arbeid in het heden, om nuttig te zijn in de toekomst, door ons tot voertuigen te maken der invloeden en hoedanigheden, die wij overerfden, om die over te brengen, niet zoofils wij ze erfden maar gewijzigd en veranderd door onze eigene daad. Hij, die alzoo te midden van de geslachten der menschen staat, kan de orde en bedoelingen der weldadige Voorzienigheid slechts dienen, als hij „eerst het koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid zoekt.quot;\'

Maar de zaak heeft een andere zijde, die niet moet vergeten worden. De menscb, die burger is in het koninkrijk Gods, gelooft in God, in de werkelijkheid van Zijn voorzienigheid, in de genoegzaamheid van Zijn wijsheid en macht. En de Voorzienigheid bestaat niet enkel voor het heelal, als een geheel, of voor de individuen, zij wordt uitgeoefend over families. De God nu der vaderen vergeet de zonen niet; voor het geloovig gezin zoowel als voor den geloovigen mensch, „gaat het licht op in de duisternis.quot; Waar dit een levend geloof is, brengt het troost aan ben die gezinnen hebben, die zonder zorg voor zich zelf in diepe zorg verkeeren voor hun kinderen. Wat wij vreezen zijn eerder de mogelijkheden dan de werkelijkheden des levens, wat kan komen meer dan wat is. Nu kan de ehristenmensch tegenover zijn vrees voor de toekomst zijn vertrouwen op God stellen. En Hij, die genoeg is voor heden, zal ook voor morgen genoeg zijn; van Hem, die geloofd wordt in staat te zijn om goddelijk wel te doen voor de eeuwige toekomst, kan men ook vertrouwen dat Hij onzen menschelijken behoeften voldoen zal in \'t voorbijgaand heden. De vader, die gelooft dat, hoeveel hij ook van zijn kinderen houdt, God hen nog meer bemint; hoe teeder hij is jegens zijn dochters, God

375

-ocr page 390-

DE VBAAG NAAK HKT HOOGSTE GOED.

toch nog teederder is, kan bezwaarlijk denken, dat of hij of zij ooit zonder troost zullen zijn. Het geloof zal zijn behoedzaamheid aansporen, daar verwaarloozing van hen, voor wie God zorgt, zonde voor hem wezen zou ; doch het zal zijn zonder de oude kwellende en afleidende angst. De toekomst is niet slechts in zijn handen, zij is evenzeer in die van God; en hij zal voor zijn huis met edeler energie arbeiden wanneer hij van zichzelven voelt dat hij „een medewerker Godsquot; is. Vrouw en kinderen verschaffen nooit zooveel vreugde dan wanneer zij in God geliefd, en gehouden worden voor bewuste of onbewuste voorwerpen van zijn zorg, voor onderdanen van zijn koningrijk. Dan kan het werk van den tegen-woordigen tijd verricht worden zonder verstoring door de vrees voor de toekomst. Haar hinderlijke mogelijkheden kunnen de kalme maar onverwinnelijke Voorzienigheid nooit overtreffen, die onze levens bestuurt, die \'t lijden zendt om ons tot volmaaktheid te brengen, en tegenspoed om ons heil te werken.

3. De waarheid, in den tekst gesteld, betreft den mensch evenzeer als maatschappelijk en staatsburgerlijk wezen. Het burgerschap van het koninkrijk Gods maakt het meest bekwaam tot een trouw en doeltreffend burgerschap in het burgerlijk rijk. Deze twee sluiten elkander niet uit en staan niet tegenover elkander; ja het koningrijk Gods omvat al wat eerlijk, rechtvaardig, menschelijk is in het rijk des menschen. De godsdienst van een goed mensch is niet de tegenstelling van zijn staatkundig handelen, wij kunnen veeleer zeggen dat zijn staatkunde zijn godsdienst is, toegepast op de huishouding en zaken van staat. En hoe godsdienstiger de mensch, des te beter de burger. De hoogste plicht, die de mensch verschuldigd is aan de maatschappij en den staat, is om de

376

-ocr page 391-

VERHEVEN PBESONEN VERHEFFEN DE VOLKEN. 377

best mogelijke mensch te zijn; want hoe nader hij tot dat doel komt, des te meer zal hij het beste doen waartoe hij in staat is. „Gij zijt het zout der aardequot; zeide Christus, dat de maatschappij bewaart; „gij zijt het licht der wereldquot; door den staat de wegen van rechtvaardigheid en vrede duidelijk te maken. Verheven persoonlijke karakters verheffen geheele volken; hoe hooger ons karakter staat des te voortreffelijker zal ook onze dienst aan de zaak van burgerlijke orde en vooruitgang wezen. Maar de hoogste is steeds de moeilijkste dienst. Iedereen kan nederdalen tot het waterpas der onopgemerkte gewoonheid; slechts uitverkoren geesten kunnen er zich boven verheffen. En het koninkrijk Gods maakt elk zijner burgers tot een uitverkorene, een geest, begaafd met goddelijk inzicht en doel; zich bewust dat de Eeuwige in ieder oogenblik van zijn tijd leeft; dat de bezieling van den Almachtige bij elke keuze van zijnen wil handelend optreedt-Er zal dus geen plicht, den mensch passend, opzettelijk verwaarloosd worden. De rechtvaardigheid zal niet blijde zijn over de edelmoedigheid, noch de edelmoedigheid over de rechtvaardigheid. Het wereldlijk en geestelijk gebied zullen dan niet onderscheiden worden als twee werelden met haar afzonderlijke wetten en beginselen, bij welke de mensch beurtelings kan leven ; maar de twee zullen vereenigd zijn in de eenvoudige en echt verhevener eenheid van een karakter voor hetwelk iedere wereldlijke handeling geestelijk, en iedere geestelijke plicht wereldlijk is, omdat ze gedaan worden in en voor een levende wereld.

Maar deze hoogste en moeilijkste dienst kan nochtans verleend worden door den geringste ; waar de goedheid is, die uit God geboren wordt, wordt zij zonder inspanning of bewustheid volbracht. De mensch heeft vele uitvindingen

-ocr page 392-

DE VRAAG NAAR HET HOOGSTE GOED.

gedaan, die de aarde op bijkans oneindige wijze verrijkt, haar welvaart vermeerderd en dien langs menigvuldige kanalen

ra rara

naar vele landen en mensclien gezonden hebben, jaar aan jaar de ruimte voor hongersnood en pestilentie verminderende, dagelijks de heerschappij van gezondheid en overvloed vermeerderend. Maar wij mogen, ofschoon de zaken niet kunnen vergeleken worden, met eerbied zeggen dat een enkel karakter meer maatschappelijk goed voor den mensch gewrocht heeft dan al de menschelijke uitvindingen. Het karakter van Christus is de ziel geweest van elke philanthropische daad in den modernen staat, is de beweegkracht geweest in al de weldadige werkingen onzer hedendaagsche beschaving. Maar ieder mensch, die door het koninkrijk Gods te zoeken, arbeidt aan de verwezenlijking van het christelijk karakter, doet een gelijksoortig werk; door een bijdrage te leveren tót de krachten, die voor God en deugd werkzaam zijn; helpt hij aan de verheffing des mensclien over de geheele wereld. En er is niets dat de ondeugd zoo onmogelijk maakt als de tegenwoordigheid van deugd, niets dat de vrijheid zoo natuurlijk en noodzakelijk maakt als de vrijheid, die de mensch in Christus verwerkelijkt. Hij, die de idealen van den Eeuwige \'t meest bemint, zal het meest doen om hun verwezenlijking in den tijd tot stand te brengen.

Christus leert hier dus een waarheid, die van algemeene toepassing is ; een waarheid, des te meer algemeen naarmate zij zich tot het individu richt. Zij wendt zich tot eiken mensch, en tot den geheelen mensch, en tot al zijn plichten en betrekkingen. Door het beste van hem te maken, doet zij \'t beste voor hem, en doet alzoo genoeg. Hij kan niet meer vragen, er kan niet meer van hem gevraagd worden. Rechtvaardig te zijn, is rechtvaardig zijn in alle dingen — in

378

-ocr page 393-

VEKHEVES PEESONEN VERHEFFEN DE VOLKEN 379

karakter, maatschappg, betrekkingen; is verheven te zijn boven onreclit doen of onrecht lijden ; want niets, dat ons zedelijk recht laat blijver;, kan ons een groots slag wezen. De maatschappij is voor den mensch, wat de mensch voor de maatschappij is. Wij ontvangen slechts wat wij geven. Indien wij bronnen des kwaads zijn, kunnen wij geen ontvangers van \'t goede zijn, en zoolang als Hij regeert, die kan maken dat zelfs de toorn des mans Hem prijst en het lijden de bedienaar der gehoorzaamheid wordt, zullen al de andere krachten binnen het heelal nooit in staat zijn om ons kwaad te werken.quot; Zoek gij dus eerst het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid, en, in een verhevener zin dan gij ooit denken kunt, zullen alle dingen u toegeworpen worden.

„Voort gaan wij onbeschroomd ,

Toch vol van beving1, boodschappers van God;

Ons pand gewis, betwijflend onz\' waardij ,

Door eigen schuld en eer gelijk betoomd. \'

-ocr page 394-

II.

DE LIEFDE TOT CHRISTUS.

Dien gij niet gezien hebt, en nochtans lief hebt. 1 Petr. 1 : 8.

Genegenheid wordt opgewekt, niet ingeschapen; aan het binnenste uitlokt, niet van buiten ingeplant. Voorwaarden, of gelegenheden tot handelen kunnen uitwendig zijn, maar de krachten, die handelen, zijn inwendig; de voorwerpen der menschelijke liefde kunnen buiten den geest bestaan, maaide liefde zelf leeft daar binnen. Ieder kind, dat ter wereld komt, is een middelpunt van rustende liefde, en deze behoeft slechts geschikte voorwerpen en voorwaarden tot handeling om werkzaam en sterker te worden. Het kind kan tot een liefdeloos man worden, maar het wordt dat door het terugdringen van de natuur, niet door ontwikkeling der ziel. De hoedanigheid van het voorwerp bepaalt inderdaad de soort en de hoedanigheid der genegenheid. Bij een slecht wezen kan geen goede en gelukkige liefde bestaan ; óf de liefde van

-ocr page 395-

NATUURLIJKE EN GEESTELIJKE LIEFDE.

boos mensch verlaagt den geliefden persoon, of wordt in hem tot een medelijden, pijnlijk in verhouding tot zijne eigen goedheid. Volmaakte liefde is dan slechts volmaakte vreugde, wanneer de liefhebbende en de beminde even goed, heilig en waar zijn. T)e eenige liefde, die de kracht heeft om den mensch te veranderen en te beheevschen, is de liefde tot den heiligsten en besten : en hoe meer een mensch Christus heeft lief gehad, des te heiliger en beter is hij geworden. Hier schept het geloof de liefde, en de liefde stijgt tot eene vreugde, onuitsprekelijk en vol heerlijkheid.

Liefde kan ontlokt of gewekt worden op twee wijzen — door instinkt en natuur, of door de rede en den geest. Het vooiwerp, dat haar uit rust tevoorschijn en tot werkzaamheid roept, kan tot ons instinct of tot onze diepere en onsterfelijke vermogens spreken. Natuurlijke liefde kan geestelijk zijn en zal dat zijn, indien ze rein is. De genegenheid van een vader voor zijn kind of van het kind tot zijn ouders kan natuurlijk zijn, maar kan evenzeer doordrongen en verheerlijkt worden door de zuiverste en heiligste geestelijkheid, en zal dat zijn waar zij het oprechtst is. Toch kan zij slechts natuurlijk zijn en blijft dikwijls meer iets uit het gebied der natuur dan iets geestelijks. Ook de dieren beminnen hunne jongen op hunne wijze. De hartstochtelijke toewijding van den tijger aan zijne jongen of van den beer voor zijne welpen zijn spreekwoordelijk. Evenzeer hebben dieren, op hunne wijze hunne gezellen lief. De vogels welke paren, de leeuwen die hetzelfde hol bewonen zijn, in hun soort, voorbeelden van wederkeerige genegenheid. Maar in zulke gevallen is de genegenheid slechts een instinct, een blinde drijfveer, die geen rekenschap van zijn bestaan voor zich vraagt noch geeft; en wanneer liefde in den mensch bloot toewijding is aan zijn

381

-ocr page 396-

DE LIEFDE TOT CHRISTUS.

kroost als zoodanig, is zij niet dan instinctieve genegenheid. Indien een vader zijn alleen daarom liefheeft, omdat de jongen nu eenmaal zijn zoon is ; of eene vrouw hare dochter, alleen omdat het meisje haar kind is, en om geen andere hoogere oorzaak, dan is die liefde slechts een blinde drang; zij heeft geen oog voor aanwezige of mogelijke geestelijke vermogens of eenig verheven zedelijk doel. Het kind wordt bemind als het sterfelijk kind van een sterfelijk mensch, niet als de onsterfelijke zoon des eeuwigen Gods, toegerust met sluimerende voorwaarden tot de schoonste voortreifelijkheid. De opvoeding wordt geleid door het instinct, maar niet door het geweten ; zij wordt bepaald door oogenblikkelijken hartstocht of voorbijgaanden aandrang, niet door een verlicht zedelijk gevoel. Gekastijd wordt slechts voor wat verveelt, niet voor hetgeen kwaad is ; en wat gemak aanbrengt of moeite bespaart wordt goedgekeurd in plaats van hetgeen recht is. Instinctieve liefde, ziet slechts op het uitwendig gedrag omdat zij blind is voor geestelijke hoedanigheden en doeleinden; zij verheugt zich meer in het welware» dan in het wehijii van haar voorwerp.

Maar de liefde, welke door de rede eu in den geest is gewekt, is geestelijk. De bewonderde gaven zijn geestelijke het oog dat waarneemt is dat des geestes en de opgewekte bewondering leeft in den geest. Het natuurlijke oog kan de schoonheid eener bloem zien, maar het geestelijk oog alleen kan de liefelijkheid zien, die tevens de beminnenswaardigheid van een schoon karakter uitmaakt. Noch de lichamelijke aanblik noch het maatschappelijk verkeer is noodzakelijk voor het geestelijk zien. Wij kunnen duizenden grooten en goeden liefhebben, die onze sterfelijke oogen nooit hebben aanschouwd. De wetenschap, middelijk of onmiddelijk verkregen, van heldhaftige en edele eigenschappen wekt liefde voor den persoon.

382

-ocr page 397-

NATUURLIJKE EN GEESTELIJKE LIEFDE.

dien zij behooren ; en of er eeuwen of zeeën liggen tusschen ons en dien persoon, onze liefde is er niet minder waarachtig om. Deze liefde dan, omdat zij niet voortspruit uit natuurlijke betrekking, maar uit erkende geestelijke eigenschappen, zal altijd verschuldigd zijn aan zijn voorwerp, de welverdiende en rechtmatige schatting zijn aan zijn innerlijke waarde ; en daar het voorwerp geestelijk is, immers het zetelt in den geest, zal zij geestelijk en dus onsterfelijk wezen. De liefde, uit het instinct ontsproten, zal met het instinct sterven, maar de liefdej in den geest ontwaakt, zal even ontsterfelijk zijn als de geest zelve. Natuurlijke genegenheid is blind en willekeurig, niet alzoo de geestelijke. Menigeen zal in een anderen jongen zedelijke hoedanighedan opmerken en verachten, die hij nauwelijks in zijn eigen zoon bespeurt. Evenals eigenliefde dikwijls slechts blindheid is voor eigene gebreken , zoo is natuurlijke liefde dikwijls slechts blindheid voor de gebreken van haar voorwerp; maar de rede ziet den persoon zoo als hij is, aanmerkt zijn werkelijke en eigenaardige hoedanigheden, en schenkt dan de genegenheid welke zij verdienen. De eerste is door eene natuurlijke of willekeurige betrekking veroorzaakt, doch de tweede aan persoonlijke, inwendige, zedelijke, waarachtige waardij. Instinctieve liefde kan blind zijn en onrein, maar geestelijke moet geheel beminnelijk en waar wezen.

Het zal nu misschien overtollig zyn om op te merken, dat des Christens liefde tot Christus van de laatste soort, de geestelijke zijn moet. Het oog, dat Jezus ziet, is het zielsoog en ook het hart, dat Hem bemint is het geestelijke. Het aanschouwen is geestelijk evenals de genegenheid. De liefde moge den den hartstocht ontbeeren en de volheid van het instinct, doch zij bezit de kalmte en de kracht des geestes. De eischen van Christus hebben zich niet gericht tot oog en oor, maar tot

383

-ocr page 398-

DE LIEFDE TOT CHRISTUS.

liet hart en de ziel. Wij beminnen Hem niet om zijn schoon gelaat, of liefelijke stem, of aangename manieren , maar om Zijne genade en liefde, om de rechtvaardigheid en de waarheid, welke zoo heerlijk uitblinken in zijn karakter. quot;Wij beminnen Hem niet zoo zeer om wat Hij deed, dan om hetgeen Hij is. Dankbaarheid voor de verlossing moge het eerste wezen, maar zij is nooit de laatste vorm van Christelijke liefde. Hij, die zijn bevrijder eenvoudig bemint als een bevrijder, bemint om de laagste aller oorzaken, slechts omdat hij is verlost. Maar hij, die zijn zaligmaker liefheeft om hetgeen die zaligmaker is, bemint hem om- de hoogste aller oorzaken, omdat hij de hoogste liefde, de volmaakte genade en de waarheid is. Jezus schijnt den engelen oneindig liefelijk, en beminnenswaardig toe, ofschoon Hij nooit voor hen stierf en eens zullen alle verheerlijkte heiligen Christus beminnen niet omdat Hij hen redde maar omdat Hij goddelijk liefderijk en goed is. De zedelijke volkomenheden van Jezus en deze alleen, kunnen eene onuitputtelijke bron van geestelijke liefde zijn.

De onderscheiding hierboven gemaakt kan ons in staat stellen om een algemeen bezwaar te behandelen. Menige vrome ziel heeft gezegd: „Ik kan mijn Zaligmaker niet liefhebben zoo als ik mijn kind bemin. Ik bemin God niet meer en kan Hem niet meer beminnen dan mijn echtgenoot. Er is eene volheid en hartelijkheid in mijne genegenheid tot mijne verwanten en vrienden, die geheel ontbreekt in mijne liefde tot Goddelijke dingen. Ik moet opnieuw bekeerd worden. Ik moet door en door slecht zijn.quot; Maar de dwaling ligt in het verwarren van verschillende dingen. De liefde van een mensch tot zijn medemensch moet min of meer natuur-driftig zijn. Des menschen liefde tot Christus moet geheel geeste-

384

-ocr page 399-

HOE ZIJ VERSCHILLEN IS NATUUR EN HEERLIJKHEID. 385

lijk wezen. De instinctieve moet vol gloed zijn, omdat zij hartstochtelijk en beperkt is ; daarentegen de geestelijke zacht, omdat zij kalm is en zich uitbreidt. De levendigheid van de eerste en de klaarheid van de tweede behooren tot hare eigenaardige naturen. De eene ontvangt haar gloed van ons natuurlijk gestel ; de andere haar klaarheid van ons geestelijk leven. Natuurlijke liefde wordt geboren uit vleesch en bloed, maar geestelijke uit den wil van God; en ieders natuur komt met hare afkomst overeen. Onze liefde tot Christus heeft, omdat haar de warmte van onze liefde voor den mensch ontbreekt; meer diepte, zij wortelt in ons wezen; terwijl haar vorm minder krachtig is, is haar wezen werkelijker. De eerste schijnt, maar de tweede is waarlijk de grootere. Inderdaad, zijkan niet wel vergeleken worden met onze liefde tot de levenden. Zij gelijkt meer op onze liefde voor de dooden. De dood heiligt en vergeestelijkt onze genegenheid evenzeer. De afgestorvenen worden tot heldere volmaakte sterren aan den hemel der herinnering, waar de wilde vuren der aarde niet meer branden, waar het licht van onsterfelijke reinheid alleen schijnt; en de aandoeningen, die zij verwekken, zijn niet meer levendig, instinctief, hartstochtelijk, maar liefelijk, geestelijk, kalm. Onze liefde tot de dooden kent het verdriet der ja-loerschheid evenmin als de angst der verdenking of de vrees voor verlies, maar is tiaar en sterk als de dood zelf. De dooden sterven nimmer voor ons. In onze harten leven zij gereinigd, verheerlijkt, verhoogd tot lagere godheden, die wij zonder afgoderij kunnen eeren. Ach! Eens kende eu beminde ik iemand — een rechtvaardige, ernstige, mannelijke, ridderlijke ziel, die de snaren van den menschelijken geest kon tokkelen, evenals David zijne harp, omdat zijn eigen geest gestemd was tot de goddelijkste harmoniën ; maar hij stierf,

25

-ocr page 400-

DE LIEFDE TOT CHRISTUS.

en zijn stem zal op aarde niet meer gehoord noch zijn aangezicht gezien worden. Toch ken en bemin ik hem nog, niet als vroeger met eene zeer aardsche liefde, maar veeleer met eene hemelsche, eene liefde gezuiverd, verfijnd, zoodat jaloerschheid haar niet kan verstoren, verdenking haar besmetten, of afgunst haar verduisteren kan, — de liefde die een mensch op aarde gevoelt voor een mensch, die in den hemel leeft. En van deze soort is onze liefde tot Christus; wij beminnen onzen Zaligmaker zooals wij de dooden, niet zooals wij de levenden liefhebben.

2. Het is dus geen ramp of ongeluk een onzichtbaren Zaligmaker te hebben. Wij kunnen hem beter liefhebben nu wij Hem niet zien. Het zien sterkt de genegenheid, die aan het instinkt verwant is, maar niet die, welke in den geest zetelt. Wat het oog ziet en de hand tast is alledaagsch en grof, verliest aan doorzichtigheid wat het wint aan zichtbaarheid. Ware God plaatselijk. Hij zoude ons veel minder ontzachelijk en majestueus toeschijnen, dan wanneer Hij als alomtegenwoordig wordt opgevat, evenals de lucht, die wij inademen, het element waarin alle wezens leven. Indien er slechts ééne plaats op aarde ware, waar God en mijn hart elkander van aangezicht tot aangezicht konden ontmoeten, zou God aan mijn hart veel minder goddelijk toeschijnen dan nu, nu ik Hem overal kan ontmoeten, overal tot Hem spreken, juist naar mijne ziel het behoeft. Evenzoo zou een Jezus, zichtbaar voor het oog, tastbaar voor het gevoel, een te beperkte en grove Jezus zijn om het voorwerp van eene algemeene en geestelijke liefde te wezen, — meer een Jezus gekend door de zinnen dan door het hart. En zoo, terwijl God ons een historischen Christus gaf, opvvien ons geloof kon rusten, maakte hij zijne verschijning in de geschiedenis slechts

386

-ocr page 401-

LIEFDE TOT DEN ONGEZIENE — TE BETERE LIEFDE. 387

tot een oogenblik van zijn onzichtbaar en eeuwig leven, opdat, indien wij Hem ook slechts eenigermate liefhadden, wij zouden gedwongen zijn Hem te beminnen in geest en in waarheid.

Het is misschien niet te veel, te zeggen dat de discipelen Christus nooit op de rechte wijze liefhadden vóór Hij onzichtbaar werd. Hunne liefde had te veel van de hevigheid en baatzuchtigheid van den hartstocht, en was vermengd met veel zelfzucht en jaloerschheid. Misschien had het liggen aan des Meesters borst bij het avondmaal iets van doen met Johannes\' liefde — misschien ook iets met, den afval van Judas ; wellicht heeft het de anderen gekwetst, en eene kritiek van eene onedelmoedige soort veroorzaakt. Zekerlijk was er veel instinktiefs in Maria\'s liefde, en wellicht ook in de liefde der andere vrouwen. Maar na Jezus\' hemelvaart was dit alles anders. Hunne liefde was dieper en zuiverder geworden. Jaloerschheid stierf voor immer; eene hemelsche en reine liefde werd geboren in hunne harten, daar ieder gevoelde dat hij, die het meeste liefhad, ook de beste was.

Bedenk nu, hoe deze onzienlijkheid aan liet hart de mogelijkheid verschaft tot verheerlijking en idealiseering van Jezus, als het voorwerp zijner liefde. De zinnen zijn zee* prosaisch en tyranniek. Zij zien slechts weinig van het inwendige eens menschen en nemen slechts op wat oppervlakkig en vergankelijk is. Het beeld van Christus, dat de discipelen vervulde, zou zeer ongelijkmatig zijn geweest, eene vermenging van kracht en zwakheid, heerlijkheid en oneer. In hun herinnering zou hij nu eens verschijnen als een vermoeid man, zittende aan Jacob\'s bron of slapend op den achtersteven van het schip, en dan weer als een machtig God, die de hongerige menigte voedt of den storm doet zwijgen. Nu eens zouden

-ocr page 402-

DE LIEFDE TOT CHKISTTJS.

zij Hem zien omgeven door den glans der verheerlijking op den berg of in zijn hemelvaart, toen Hij verdween in den wolkenwagen, en dan weder in den doodsangst van den hof, het rumoer van de rechtszaal, of de schande van het kruis. En dit veranderlijk, mismaakt beeld van den Zaligmaker zou dwingelandij uitoefenen over hunne harten ; zou verhinderen dat hunne liefde steeg tot den volkomensten, idealen vorm. Maar voor ons bestaat zulk een belemmering niet. Wij genieten het voorrecht Jezus nooit te hebben gezien, onze is de zaligheid dergenen, wier oogen nooit het misvormde gelaat aanschouwden, wier vingers de wonden nooit voelden. De herinnering aan zwakheid, schande of dood kan onze liefde nooit bemoeielijken. De Zaligmaker, dien wij kennen, is er een wiens verdriet voorbijgegaan, wiens heerlijkheid gekomen is, „dien wij niet gezien hebben en nochtans liefhebben.quot;

De verbeelding moet de liefde dikwijls te hulp komen. quot;Wat dikwijls geschilderd of in beeid gebracht is komt den geest meer werkelijk voor. Wanneer het hart zijn voorwerp met de verbeelding aanschouwt, wordt het meer bepaald en beminnenswaard. Denk U den landverhuizer in eene jonge volkplanting moeite, ongemak en eenzaamheid verdurend — hoe verschijnt hem het vroegere thuis in een zacht, vriendelijk licht, omgeven door een stralenkrans vroeger ongekend, wanneer dat in uren der herinnering het vertrek zijner verbeelding binnensluipt? Schijnt de geliefde, verlorene moeder niet versierd met alle schoone hoedanigheden, en de vader begiftigd met elke deugd? Straalt ook de jongenstijd van den ouden man, wanneer hij de weiden waarop hij speelde, de heuvels waarover hij draafde, de avonturen, waarin hij meespeelde, terugroept niet van een licht, zooals de zon nooit van zijn brandend aangezicht wierp ? En daar nu de verbeelding aan

388

-ocr page 403-

DE VERBEELDING DIENT DB LIEFDE

de tijdelijke dingen een schitterenden glans, een gloed van kleur kan verleenen, terwijl zij dieper en teederder liefde oproept, ■waarom dan nist aan het voorwerp van heilige herinnering zoowel als van eeuwige hoop — den onzienlijken Zaligmaker? Stellen wij ons Hem voor als het middelpunt der zedelijke wereld, het voorwerp van den lof der hemelen, de zetel waaromheen al de hemelsche heirscharen zich verzamelen, zweven en zingen^ om dan te denken: „Ook wij kunnen Jezus beminnen, onze harten hebben evenveel recht om Hem lief te hebben als het hart van den hoogsten engel, of oudsten heilige.quot; Of laat ons bedenken hoevele menschelijke wezens Hem hebben bemind, en waartoe die liefde hen heeft in staat gesteld —■ hoe zij den martelaar op den brandstapel, en den gevangene in zijn kerker heeft gesterkt, ja verheerlijkt; hoe zij den verzochte bewogen heeft tot het goede, den bedroefde het lijden deed dragen, en den stervende vrede gaf in het sterven — om dan te denken: „Wij kunnen dezelfde liefde gevoelen, en alles wat zij voor anderen geweest is, kan zij voor ons zijn.\'1 De verbeelding, die zoo alle volmaaktheden van Jezus. Zijn karakter, werken en heerlijkheid ons schildert, vervult den geest met zijn beeld, brengt Hem nader tot het hart en maakt hem tot een meer werkelijk, beminnenswaardig, God-menschelijk persoon, dien wij met onze liefde kunnen omringen, dien wij beminnen, ofschoon wij hem niet gezien hebben.

Zoo kan de liefde tot den onzienlijken Jezus zich in ons, op dezelfde wijze als elke andere normale genegenheid, ontwikkelen, en onze wasdom in de genade zal met deze ontwikkeling hand aan hand gaan. Hoe moeten wij hier Gods wijsheid en goedheid bewonderen, die onze eeuwige bekngen verbindt aan onze natuurlijke vermogens. Op zijne schoone

389

-ocr page 404-

DE LIEFDE TOT CHRISTUS.

wijze, zeide een oude vrome, de grijze aartsbisschop Leighton: „de genade vat de natuurlijke driften van het gemoed niet bij den wortel aan, noch vernietigt ze geheellijk, omdat zij bezoedeld zijn door de zonde; dat zou een buitensporig geneesmiddel zijn, genezen door te do oden en te heelen door af te snijden. Neen, maar zij herstelt de ontaarding; zij droogt het stroompje van liefde niet uit, maar zuivert het van het onreine dat het in zijn verkeerden loop opdoet, of leidt het in de rechte bedding, waardoor liet uitloopt op geluk en zich ontlast in den oceaan der goedheid,quot; Het baart weinig verwondering dat de zwakke menschelijke liefde kan aanwassen tot iets uitnemends en heerlijks, wanneer haar voorwerp de onzienlijke Christus is.

3. Maar kunnen wij eene bepaling geven van deze liefde? Uit welke elementen wordt zij opgebouwd ? De liefde schijnt als het licht enkelvoudig, maar is inderdaad samengesteld. In een eenvoudige straal wit licht zijn verschillende kleuren. Voer de straal door een prisma, en zij breekt in die heldere en donkere glansen, die zoo schoon schitteren in den regenboog. De straal is één en toch velerlei; dewijl elke kleur, die deel van haar uitmaakt, onmisbaar is voor haar bestaan. De donkere verzacht en tint het licht opdat het geen hel schijnsel zij, pijnlijk voor het oog en schadelijk voor de natuur; de heldere versterken en verscherpen het licht opdat het de duisternis verdrijve en het heerlijke kleed zij, dat onze aarde omgeeft, en haar schoon maakt in het groen der lente, de pracht van den zomer of de zachte tinten van den herfst. Evenzoo heeft de liefde hare wezenlijke elementen, die elkander aanvullen, en, allen verbonden, baar een werkelijk en ruim bestaan geven — welwillendheid, waardeering, genot, verlangen en vertrouwen. Waar een van deze niet

390

-ocr page 405-

haar bestanddeelen.

aanwezig is, kan de liefde niet zijn. Er moet welwillendheid wezen, de begeerte om bevorderlijk te zijn aan het welzijn van het geliefde voorwerp. Haat streeft er naar om onrecht, liefde om wèl te doen — de een vei\'derft, de ander zegent. Haat is ontstemd wanneer de gehate persoon gelukkig is, maar liefde verheugt zich in de blijdschap van haar voorwerp. Zij is gelijk de zon, die de aarde beschijnt, en haar vruchtbaarheid en schoonheid, vruchten en bloemen doet voortbrengen. Voorts moet er ook waardeering wezen. Genegenheid geschonken aan iemand, wiens karakter alleen onze afkeuring kan verdienen, mag gunst, medelijden, sympathie, instinkt of gril zijn, maar liefde is zij niet. Slechts waardeering is zedelijke bewondering, en wat wij niet bewonderen kunnen, vermag onze geest niet te beminnen. Dan ook genot -— genot in het gezelschap en de gunst van den geliefden persoon. Liefde en vrees zijn onvereenigbaar. Er is geen liefde in de vreeze, gelijk daar geen vreeze in de liefde is. Waar geen vreugde gesmaakt wordt in het verkeer met eenigen mensch, zijn gunst niet begeerd, zijn invloed niet welkom geheeten wordt, kan wel genegenheid van een zekere soort, maar onmogelijk liefde bestaan. Een ander wezenlijk bestanddeel is het verlangen — het verlangen naar het bezit. quot;Wij verlangen naar hetgeen ons verheugt. Wij trachten naar wat ons behaagt. Liefde strekt haar hand uit om haar voorwerp te grijpen, breidt haar armen uit om het te omhelzen. En ten laatste, om de aandoening te kronen en te volmaken, moet er ook vertrouwen zijn. Argwaan verwekt afkeer — vertrouwen kweekt liefde; waar de verdenking binnen treedt, vertrekt de liefde; waar vertrouwen woont, komt de liefde weldra binnen om daar te blijven.

Deze bestanddeelen nu, zijn bovenal noodzakelijk in onze

391

-ocr page 406-

DE LIBFDJS TOT CHKISTUS.

392

liefde tot Christus. Waar deze ontbreken kan zij niet zijn. Hij, die Christus bemint, moet de welwillendheid jegens hem hebben, elke gelegenheid op te zoeken om zijn zaak te bevorderen, zijn invloed uit te breiden en zijn koninkrijk te doen komen ; den waardeering, die zijn karakter bewondert als „het hoofd onder tienduizendquot; en „den volkomen beminnelijke ; het genot, dat zich altijd in den Heer verheugt en op Hem wacht „meer dan de wachters op den morgenquot; ; het verlangen, dat roept „gelijk het hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzoo schreeuwt myn ziel tot u, o Godquot; ; liet vertrouwen in zijn woord, in Hem zelf, dat zegt „ofschoon Hij mij kastijdt, toch zal ik hem gelooven.quot; Zijn al deze elementen in onze genegenheid voor Hem? Helaas ! wij weten dat wij dikwerf slechts ten deele beminnen. Wat men christelijke liefde noemt, is, in vele gevallen, een zeer schaduwachtig, onwezenlijk ding: dankbaarheid tot den bevrijder alleen als zoodanig geen gehechtheid aan zijn besten, teedersten vriend. Christus wordt dikwerf verkozen als de minste van twee kwaden; als ten minste beter dan de toorn en vervloeking van God. Het hart voelt voor Hem wat de reiziger voelt voor den grooten rotssteen in het eentonige land — niet wat het levende kind voelt voor zijn levende moeder, of wat de levende engel voelt, wanneer hij Gods gelaat aanschouwt. Het gal-lopeeren over de vlakte, het ronddrentelen onder de palm-boomen, het zoet dartelen in tuin of warande zou oneindig genoegelijker zijn; maar dan zijn de scherpe wind, liet verblindende zand, de brandende zon onverdragelijk en biedt de schaduw der rots een vriendelijke schuilplaats : hij biedt het beste in de gegeven omstandigheden, niet het best mogelijke. Ach, mijn broeder, Christus heeft er geen behoefte aan dat gij Hem lief hebt gelijk gij een rots bemint, die u een schuilplaats

-ocr page 407-

HAAK BESTANDDEELEN.

biedt, maar gelijk gij een menscli bemint, een levende ziel gelijk gij zelf. Hij heeft er behoefte aan dat gij Hem bemint als uw Hoogste goed, als den edelsten vriend, dien uw hart kan liefhebben, als het meest grootsche wezen, dat uw geest kan kennen. O, gij Christus, Zoon des levenden Gods, leer ons u liefhebben, niet slechts als een korte en gemakkelijke methode van bevrijding, niet als een geschikt middel om te ontkomen aan de vreesselijke pijnen der hel; maar als onzen Broeder, onzen Makker, onzen Vriend, ons eenig Hoogste Goed, bij wien alleen eeuwige zaligheid en vrede is te vinden !

En bedenk nu, welk een voorrecht, welk een eer gij ontvangt, dat het u veroorloofd is den onzichtbaren Jezus lief te hebben. Gij zijt gezegend boven de discipelen, zij hadden den geringeren zegen van Eenen te beminnen, dien zij gezien hadden; gij hebt den meerderen zegen van Hem te beminnen, dien gij niet gezien hebt. Uw liefde moet, om christelijk te zijn, door en door geestelijk wezen. Overweeg dit vreemde feit, dat de evangeliën geen den minsten wenk geven aangaande de persoonlijke verschijning van Christus, de kleur van zijn oogen of haar, de uitdrukking van zijn gelaatstrekken, den vorm van zijn hoofd, den bouw van zijn lichaam. Wat het phvsiek betreft, is Christus voor ons een volstrekt onbekend wezen; maar naar den geest, de best bekende aller wezens. Terwijl beschrijvingen van het uiterlijk ons helpen om andere personen te leeren kennen, zouden zij onze opvatting van Hem bederven. In gewone gevallen is een goed portret beter dan een uitvoerige levensbeschrijving. Sokrates zou veel minder werkelijkheid voor ons hebben, indien wij de schildering misten van den dikken, mismaakten, stompneuzigen, strijdlustigen kleinen

393

-ocr page 408-

394 be liefde tot cheistus.

man — in de straten ran Athene bezig met onderzoeken, vragen stellen , woordspelingen maken en in verwarring brengen. Verstaan wij Dante niet veel beter, wanneer wij zijn droevig en toch gestreng, afgetobt en toch verheven gelaat beschouwen, met die krachtige, scherpe trekken, die getuigen van oneindige afzondering van de wereld, welke de menschen toch \'t meest werkelijk achten ? of Luther, wanneer wij de lijnen nagaan van zijn zwaar en breed, massief en krachtig aangezicht, zoo vol van lachen of tranen, met de luide verontwaardiging van den redetwister en de onvei zette lijke overtuiging, die alleen kon staan tegenover de wei eld. of Olivier Cromwel, in wiens groote oogen, doorgroefd voorhoofd, gerimpelde en vereelte wangen, en sprekenden mond de mysticus en soldaat, de man met den ijzeren wil en den stillen raadslag staat uitgedrukt? Maar zoo weinig heeft de uitwendige mensch bij Christus te beteekenen ; zoo weinig is het gelaat geschikt om terug te geven wat er binnen omging; zoo onmogelijk is het, voor menschelijk vleescli of vorm, om de genade en waarheid te openbaren, die in Hem waren,— dat wij een beschrijving of een portret een beleediging van ons geloof zouden achten, en een bederf van ons geestelijk ideaal. Daar is waarlijk geen mensch, die zoo vaak geschil dei d is geworden, zoo geïdealiseerd en verheerlijkt is door de mensche-

lijke kunst. Al wat schilder- of beeldhouwkunst kan doen om haar voorwerp te vereeren is gedaan, opdat zij hare opvatting vavi Christus juist moge uitdrukken. Mannen van den verhevensten geest en de reinste vroomheid als Fra Bartolomeo, die, gedreven van den waarachtigsten godsdienstzin, schilderde; mannen, wier kunst godsdienst was, en wier gewrochten een voortdurend genot opleveren, als Rafael en Angelo, Titiaan en Rubbens, hebben de bronnen van hun geest en kunst

-ocr page 409-

CHRISTUS NIET GEKEND OP BEMIND NAAK HET VLEBSCH. 395

uitgeput om vorm en kleur te geven aan hun ideaal van Hem, die tegelijk was „de man van smartequot; en „de volkomen beminnelijke Zoon des menschen.quot; Waar wij ook mogen zoeken naar de edelste scheppingen der kunst, het is altijd zijn beeld dat ons ontmoet, en zijn gestalte die, waarin de schilder zijn verhevensten droom heeft getracht te belichamen. Maar, wat ook het aesthetisch vermogen moge gevoeld hebben bij de beschouwing van deze scheppingen der verbeelding, de geest is nooit voldaan geweest. Van de zuiverste, en meest volmaakte voorstelling van den Christus, uit zijn kindschheid of mannelijke jaren, in zijn lijden of in zijn verheerlijking, heeft hij zich afgewend met smart, misschien met ergernis, zeggende: „Mijn meester is liefelijker en goddelijker dan deze. Het penseel kan zijn volmaakheid niet wedergeven; kleur zijn schoonheid niet uitdrukken. De menschelijke gestalte moet verheerlijkt en veranderd worden in de goddelijke, voordat zij den roem en de genade van den Christus daar binnen kan verhalen.quot; Daarom zouden wij, o Christus, niet wenschen dat gij zichtbaar werd — iemand dien wij konden zien met onze vleeschelijke oogen en aanraken met onze vleeschelijke handen. Blijf gij omsluierd; daar zijt gij waardiger bemind te worden; en, terwijl wij hier vertoeven, zullen wij den zegen genieten van hen, die omdat zij niet gezien hebben slechts te meer hebben geloofd en te inniger hebben bemind.

-ocr page 410-

III.

DE STAD GODS.

,,Zecr heerlijke dingen morden va» u gesproken, o stad Gods /quot; Ps. 87 : 3.

1. Augustinus, de grootste en edelste van de Westersche vaders, leefde toen liet romeinsche rijk in diep verval was. De toenemende weelde, de verbastering der zeden, de daling der oud-romeinsclie deugden, tegenover een bijna oosterscbe losbandigheid, verwoestten van binnen zijn kracbt, terwijl de vijandelijke barbaren het, in snelle opeenvolging, van buiten besprongen. Deze inwendige en uitwendige afbrekende krachten waren sterker dan de macht der Caesaren. Hoewel de godsdienst van Christus nieuw bloed in den staat gebracht had, kon hij toch slechts zijn dagen verlengen, niet de uitgeputte krachten van het onmetelijk staatslichaam herstellen. Het kruis had inderdaad aan Constantijn de kroon gegeven, maar het kon zijn opvolgers het gezag en do heerschappij met ver-

-ocr page 411-

ROME OF DE GODSSTAD.

zekeren. En zoo waren de Romeinen geheel en al verzwakt, in bijna volslagen hulploosheid genoodzaakt toe te zien hoe de barbaren hun steden plunderden, hun vruchtbaarste velden verwoestten, zich van hun schitterende colonies meester maakten en die behielden, hun haardsteden beroofden en hun altaren bezoedelden. Te midden der algemeene ellende en onmacht, door de bestorming en plundering der Eeuwige stad zelve zoo ernstig en vreeselijk aan alle geesten voorgesteld, riep menig edel hart, om zich te troosten, de oude dapperheid en roem voor zijn herinnering terug, de dagen van het ro-meinsche heldendom, toen de oude goden nog regeerden en den staat, dien zij beminden, tot overwinnaar en koningin dei-wereld maakten. Zij gedachten aan de sterke vaderlandsliefde, die de Tarquiniers uitgedreven en buiten gehouden had; aan den geest, die onversaagd de snelle overwinningen van Hannibal kon aanzien; aan de Scipios, die Rome redden door haar vijand op zijn eigen gebied aan te tasten; aan Cato, zoo krachtig van geest als met de wapenen, die meer steden verwoest had dan hij dagen in Spanje had doorgebracht — en dan zeiden zij:

„Indien wij het oude geloof hadden zonden wij de oude dagen hebben. Indien Rome haar oude goden bezat, zou zij haar ouden glans herkrijgen. Dit christelijk geloof heeft vele mysteriën : een eenig God, die toch wordt opgevat als drievuldig; het heeft zijn oorsprong uit een mensch, en spreekt nochtans van Hem als van God. Doch deze verborgenheden zijn onbeduidende zaken, zij konden aangenomen worden ware het niet dat dit nieuwe geloof zoo noodlottig voor onze stad geworden was. Altijd, zoolang de kruisvaan van het kapitool wapperde, zijn verwoesting en nederlaag over Rome gekomen. Wij haten dezen nieuwen godsdienst, niet om zijn

397

-ocr page 412-

DE STAD GODS.

leeringen, maar om zijn invloed op onzen staat; zijn leven heeft onzen dood bewerkt. Wij willen niet gelooven dat eene zaak, die zoo menigvuldige rampen veroorzaakt heeft, goddelijk is. Onze godheden zijn die onzer vaderen, de mannen van ons heldhaftig en roemvol verleden.quot;

Augustinus stond vooraan om het geloof, dat zoo hevig werd aangevallen, te verdedigen. Zijn verdediging was tweevoudig — zij betrof tegelijkertijd feit en idee. Wat het feit betreft, bepleitte hij dat Rome aan haar heidensche ondeugden stierf. Zij hadden haar verzwakt, haar moed weggenomen, haar oude eer verduisterd, al de bronnen van vrijheid en werkzaamheid vergiftigd. Maar het nieuwe Geloof had nieuwe deugden geschapen, die, als een genezende en weldadige geest, werkten in het hart der maatschappij. Wanneer de barbaren een stad belegerden en plunderden, wat gebeurde er dan? De kerk van Christus boezemde hun ontzag in en hield den ondergang tegen. De heidenen, zelfzuchtig omdat zij rijk waren, ontvloden het gevaar, den hongersnood en de pestilentie; maar de christenen bleven, openden voor de ongelukkigen hun heiligdommen en kerken. En die, welken zij een schuilplaats bezorgden, waren veilig zoowel voor het zwaard als voor de begeerlijkheid der barbaren. En het nieuwe Geloof was zoo machtig ten goede, dat het de zwakke vrouw sterk maakte; zoo zuiver, dat het overhandnemende kwaad der wereld het niet kon bezoedelen ; zoo goed, dat het de bejaarde vrouw met zwakke nochtans behendige hand, of de maagd met zachte stem en vluggen voet, er behagen in deden scheppen de hongerigen te voeden en de zieken te verplegen. Voor het Rome, dat tengevolge van het heidendom gestorven was, deed Christus zijn best om het te redden.

398

-ocr page 413-

ROME OF DB GODSSTAD.

399

Doch het was de zaak van het ideale beginsel dat Augus-tinus tot de verhevenste welsprekendheid en bewijsvoering bewoog. Hij zeide inderdaad: „Grij waart trotsch op uwe stad, o Eomeinen! Gij noemdet haar eeuwig, keizerlijk, goddelijk. Maar haar geschiedenis heeft uw trots bestraft en bewezen dat haar goden valsch waren. Er is een andere stad, zoo heerlijk in ideaal en voltooiing, dat de uwe daarnaast niet genoemd kan worden. Met den menscli begonnen er ook twee steden te bestaan, gebouwd door tweeërlei liefde. De eene door de eigenliefde, zelfs met verachting van God — de andere door de liefde tot God, zelfs met verachting van zich zeiven. De eerste is de aardsche stad, wier verhevenste schepping Eome was, die in zichzelve roemt en eer zoekt bij de menschen — maar de tweede is de hemelsche stad, wier grootste roem God is, wier getuige het geweten is. In de eene stad worden haar vorsten en volk geregeerd door de liefde tot gezag; in de andere stad dienen de vorsten en onderdanen elkander in liefde. Deze stad breidt zich uit met het goede, omvat al de heiligen op aarde, heeft al haar deugden en bekoringen, al haar waarheid, gerechtigheid en liefde geschapen. Zij is de waarachtig goddelijke stad, omdat zij gebouwd is door den eenig waren God; zij is de alleen eeuwige, want zij deelt in de eeuwigheid van haren Bouwmeester. De stad Eome beheerschte de lichamen, en ging te gronde tengevolge van de ondeugden van haar volk; maar deze stad regeert de geesten, en leeft door de deugden harer burgers, de heiligen Gods.\'\' Aldus beantwoordde hij de klacht der Eomeinen door, tegenover hun ideaal van den staat, een staat te stellen, die de belichaming was van een oneindig liefelijker ideaal, niet strekkende van Eomulus tot op dien tijd, maar van de schepping tot in de eeuwigheid; en de woorden, die zijn schitterende verdediging

-ocr page 414-

DE STAD GODS.

openden, waren slechts een omschrijving van deze: „zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods!\'\'

2. Abraham leefde in eene eeuw zeer ongelijk aan die van Angustinus. De wereld was nog jong, de machtige rijken waren nog in de verwijderde toekomst, hoewel de grondslagen van de vroegsten gelegd werden. Van zijn vaderland, in het Ur der Chaldeën, kon hij de bouwlieden aan het werk zien, de mannen van Babyion en Ninive. Maar hij zag dat zij hun steden op afgoderij grondvestten, en hij wist dat een menigte goden een verdeeld koninkrijk be-teekende, dat dan de mensch veeleer de meester der goden dan God de heer der menschen is. Hij wist ook dat het blijven in zijn voorvaderlijke woonplaats hem zou doen opgaan in haar afgoderijen; maar tot zijn geopenden geest kwam de Godsstem, en riep hem om vandaar weg te gaan en eene stad te bouwen op een eenvoudiger en zuiverder geloof, ten einde de vader te worden van een volk, dat het volk Gods zijn zou. Dus ging hij op weg in de kracht zijner jaren, de groote verwachtingen, die hij mogt koesteren, opgevend, — hij met zijne schoone Sara — en keerden zij den rug toe aan do vallei, die Edens rivieren doorsneden, en aan de machtige bouwlieden, die arbeidden aan de fondamenten van rijken, uitgestrekter dan zij ooit gedroomd hadden ; en hand in hand begaven zij zich westwaarts om het land te zoeken, dat God hun geven zou, om er een volk en stad voor Hem te stichten. Zij wandelden langen tijd, zagen de weelde van Egypte, voedden hun kudden op de wijde vlakten van Mamre, zagen smachtend uit naar de vruchtbare velden en dalen van Kanaan, voelden dat ouderdom en zwakte hun snel naderden, en toch konden zij nog geen land of kind het hunne noemen. En toen eindelijk de beloofde zoon kwam, de tee-

400

-ocr page 415-

ABRAHAMS GELOOF IN DE STAB.

401

dere Izaak, beminden zij hem met zoo groots liefde dat de oude man vreesde, dat deze hun dierbaarder zou worden dan zelfs hun God. Doch het offer, dat tegelijkertijd den zoon nam en wedergaf, stelde den vader gerust, en hij wachtte met vurige hoop op het woord, dat nog vervuld moest worden. Doch hij wachtte te vergeefs, geen land, geen akker zelfs werd zijn eigendom, en toen de schoone Sara zijner jeugd, de beminnelijker Sara zijns ouderdoms (als zijnde meer bemind) aan zijne zijde ontviel, moest de oude man, het algemeen menschelijk leed dragend, dat niet minder wordt gedurende al de eeuwen onzer gezamenlijke levenservaring, opstaan voor de zonen van Heth en zeggen: i) „ik ben een vreemdeling en inwoner bij u; geeft mij eene erfbegrafenis bij u, opdat ik mijne doode van voor mijn aangezicht begrave.quot; Evenwel leed zijn geloof geen schipbreuk: hij dacht niet dat God slechts voor het oor een belofte gegeven had, om die aan de verwachting te ontnemen. Hij dacht veeleer, „het woord Gods is uitgestrekter en goddelijker dan ik geloofd heb; de stad moet de zijne wezen, niet de mijne, in \'s mensehen tijd gebouwd, maar voor zijn eigen eeuwigheid. De steden dei-aarde vergaan, maar de stad Gods blijft.\'quot; Alzoo werd uit zijn teleurstelling een verhevener hoop geboren, en „hij zag uit naar de stad die fondamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is.quot; 2)

3. Johannes leefde in een eeuw, verschillend van die van Augustinus, en nog meer van die van Abraham. De mannen van Egypte, en Mesopotamie, Perzie en Griekenland hadden achtereenvolgens hun pogingen in \'t werk gesteld om de heerschappij in handen te krijgen ; waren ieder, gedurende enkele

1) Gen. 33 : 4. 2) Hebr. 11 : 10.

26

-ocr page 416-

DB STAD GODS-.

402

eeuwen, schijnbaar geslaagd, maar slechts om des te volko-mener schipbreuk te lijden De menigte der godheden kon hun steden niet bewaren, de wachters waakten te vergeefs. Maar een onmetelijker, machtiger staat vervulde de opengevallen plaatsen. Van. hare heuvelen langs den Tiber beheerschte Rome de wereld. Zij scheen op een oogenblik haar stouten naam van „de eeuwigequot; te verdienen. De verandering, die Caesar in het rijk bewerkt had, had als het ware haar type, in de verandering, die Augustus in- de stad teweeg had gebracht. Hij vond haar gebouwd van gebakken steen, en liet haar achter van enkel marmer, bevallig, krachtig en duurzaam. Wie kon haar wil wederstaan? Bogen niet alle volken voor haar neder? Het zwakst van alle vijandelijke machten, indien zij vijandelijk genoemd kon worden, was de vereeniging dergenen, die bekend stonden als christenen. Het rijk had slechts te zeggen: „laat hen stervenquot; en zijn wil zou volbracht worden. Wie bekommerde zich dus — ja, wie zou er aan denken zich te bekommeren over een groep, zoo armzalig dat zij bij niemand belangstelling opwekte? — om Johannes, toen hij uit de kerk en de stad, die hij beminde, verbannen werd naar een eenzaamheid, die hij haatte? Wanneer op Patmos, het beeld zijner verstrooide kudde voor hem verrees, was de zonnige Aegeische zee met al haar glans en muziek niet in staat hem blijde gedachten in te boezemen ; maar visioenen, ondanks hunne somberheid licht, kwamen zijnen geest zoowel verschrikken als streelen. Hij zag Rome gezeten op haar zeven heuvelen, dronken van het bloed der heiligen, het oordeel des Hemels over zich zelve voltrekkende ; maar wanneer hij zich dan van de ellende des tegen-woordigen tijds, tot de rechtvaardige toekomst wendde, van Caesar tot God, ontmoette zijn blik een verhevener beeld. Hij

-ocr page 417-

HOEDANIG IS DE STAD GODS?

zag — gelijk alleen de ziener zien kan, wat eeuwen noodig had om zichtbaar te worden — „de Heilige stadquot; de onder-mijnster en plaatsbekleedster van Kome, „het Nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als eene bruid die voor haren man versierd is.quot; !)

II.

In deze zoo verschillende en ver van elkander verwijderde mannen vindt eenzelfde geloof zijne uitdrukking. Er is een stad Gods, onzichtbaar en geestelijk, die geen plaats of tijd kent, die Gods ideaal van de maatschappij, bet geordende en gehoorzame menschelijk leven, belichaamt.

403

1. Aldus begrepen en verklaard, leveren zij het gezichtspunt waaruit de stad hier moet beschouwd worden. Zij beteekent voor ons niet een materieele hemel of een zichtbare kerk. Er zijn inenschen, die meenen dat de hemel onbestaanbaar is tenzij gevestigd binnen een stad, voor eiken wind wel beveiligd, wier muren van kostbare steenen, wier straten van zuiver goud zijn en die voortdurend worden bestreden door zingende en palmdragende pelgrims, terwijl in het midden, voor ieder zichtbaar, de troon is van God en het Lam. En er zijn menschen, die denken dat de stad Gods een soort van politieke vereeniging, een bewerktuigd en georganiseerd stelsel moet zijn, dat zich kan beroemen op een voortdurend leven, en welks onmetelijke overlevering rijkt tot het verst verleden ; dat spreken kan met het gezag, dat aan zijn overgeerfde ondervinding, zijn opgezamelde wijsheid en zijn bovennatuurlijke gaven en krachten toekomt. Doch deze denkbeelden

1) Openb. 21 ; 2.

-ocr page 418-

DB STAD GODS.

zijn beide zinnelijk, staan op hetzelfde waterpas van geestelijke beschaving en beteekenis. Een hemel, die slechts eene stad van marmeren paleizen en van gezang weergalmende straten ware, zou zoo afmattend worden voor geesten, die van stille overdenking houden, of voor geesten zich wijdende aan weldadig dienstbetoon, dat zij spoedig onbekwaam zouden worden om zgn vreugde van smarten te onderscheiden, ja, zij zouden tot de gedachte kunnen komen dat vernietiging beter ware dan zulk een zegen. En ware de stad Gods hetzelfde als eene kerk, of zelfs al de kerken samen, dan zou dien zooveel menschelijke begoocheling en dwaling binnentreden; zooveel dingen, die niet edel en beminnelijk zijn, zouden in haar naam gedaan zijn ; zij zou zoo vaak als leugen veroordeeld hebben wat God bewezen heeft het allerwaarst te zijn, dat zij van haar ideale volmaaktheid zou moeten afdalen en tusschen de onvolkomen en niet zelden onrechtvaardige staten of vereeni-gingen van menschen plaats nemen. Maar de stad Gods kan niet aldus verklaard worden; zij is door en door geestelijk. God is een geest en zij moet verwerkelijkt worden in en dooide geesten, die Hij gevormd heeft. Maar zij is om deze reden slechts te meer wezenlijk. Het gebied van den geest is het gebied van de eeuwige, en daarom verhevenste, werkelijkheden. Op dit gebied heeft de stad Gods haren zetel, opdat zij den mensch in de dagen van zijn sterfelijk bestaan te volstrekter hervormen zou tot het ware beeld en de gestalte zijner onsterfelijkheid.

Wat is een stad ? Gelijk men haar nu verstaat, is zij slechts een plaats waar de menschen \'t meest opeengehoopt zijn, en voor zich zeiven huizen en werkplaatsen gebouwd hebben; waar de beurs en de kathedraal naast elkaar staan, de een om te aanbidden, de ander om zaken te doen ; waar de magazij-

404

-ocr page 419-

NIET STOFFELIJK, MAA l GEESTELIJK ALS HAAB GOD. 405

nen elkander opvolgen in lange onvriendelijke straten ; waar nauwe en vunzige stegen gevuld zijn met de armen, en ruime maar koude en eentoonige pleinen bewoond zijn door de rijken Zoo heeft men zicli eene stad evenwel niet altijd gedacht. De latijnsche civitas de grieksolie kóXh (polis) had een edeler be-teekenis. Haar voorname en eervolle zin was niet de plaats, maar de levende gemeenschap, de menschen in bloed en geest verwant die op gelijke afkomst aanspraak maakten, hetzelfde verleden erfden, onder dezelfde wetten leefden, dezelfde voorrechten vrijheden en rechten bezaten, dezelfde gewoonten volgden, denzelfden eeredienst betrachtten, denzelfden godsdienst aanhingen. Zij waren termen, die al wat ideaal was in den staat en het vaderland uitdrukten, alles wat daarin een beroep deed op hart en geweten, de vaderlandsliefde opwekte, en de vrijheid beter en dierbaarder dan het leven maakte. Boven de mannen van Thermopylae waren de woorden geschreven •

„Aan die van Lacedaemon, vreemdling\', meld,

Dat naar hun wet, wij werden hier geveld.quot;

Zij vielen niet voor den Spartaanschen grond, maar voor de idealen, belichaamd in de gemeenschap en hare vrijheden, voor het Sparta des geloofs en der liefde. Een grieksch treurspeldichter spreekt van zijn vaderland als van zijn moeder, voedster, zuster, het anker en de zaligheid zijner ziel. Het maakte hem tot man en hij beminde het om hetgeen het hem maakte. Zoo waren deze woorden izóXtt; en civitas voor den griek en den romein respectievelijk de ouders van de termen, die hun edelste denkbeelden omtrent het gezamenlijk en ver-eenigd leven hunner volken uitdrukten , de hoedanigheden die hen onderscheidden, hen tot vrij geboren en bevoorrechte mannen maakten. Buiten de waren de menschen niet

dan slaven of barbaren ; binnen de civitas waren de men-

-ocr page 420-

DB STAD GODS.

schen beschaafd, leefden een geordend, vriendschappelijk en hoffelijk leven.

En de stad waarvan wij hier spreken, heeft deze hoog ideale heteekenis, maar verwijd, verheven en verheerlijkt dooide betrekking in welke zij tot God staat- Het is de maatschappij, die Hij geschapen heeft, de vereeniging van menschen, die weten dat zij Zijn zonen zijn, wedergeboren en bezield door zijn waarheid, beheerscht door zijn geest, gehoorzaam aan zijn wil, werkend voor zijn doeleinden. Wat de Jood onder het Koninkrijk verstond, verstond de Griek onder de stad Gods ; maar zij beschouwden de waarheid, welke zij aldus uitdrukten, uit verschillende oogpunten en van verschillende standpunten. Het Koningrijk legde den nadruk op de idee der regeering Gods, verwezenlijkt in de gerechtigheid of gehoorzaamheid des menschen ; maar de stad legde den nadruk op de idee der Goddelijke wet of wil, verwerkelijkt in zijn vrij, geordend en schoon maatschappelijk leven. Voorde verwerkelijking van dit ideaal waren geesten noodig, doch nog meer de scheppende en vormende waarheden, die de geesten maakten en de maatschappij bewerktuigden. Het was te onmetelijk om tot de aarde beperkt te zijn : de geheiligde dooden en de heiliglijk levenden waren evenzeer zijn burgers. Het was te onvergankelijk om door den tijd begrensd te worden; de gelegenheden tot gehoorzaamheid waren onuitputtelijk. De verwerkelijking van het ideaal — hoewel niet het ideaal zelf, dat was even eeuwig als God — had haar aanvang in den tijd, maar zou de gansche eeuwigheid voortgaan. Hoe volmaakter een geest wordt, des te grooter is zijn overeenstemming met den Goddelijken wil. Maar boven de hoogste trap, tot nu toe bereikt, verrijzen nog hooger graden in eindeloozen voortgang. De stad Gods is de maatschappg van godgevallige

406

-ocr page 421-

HET EEUWIG PROCES HER VERWERKELIJKING.

geesten, die al bun goddelijke vatbaarheden en verwantschappen uitoefenen en ontwikkelen, en zich, als \'t ware, uit bua onvolmaaktheid als schepselen voortbewegen tot de volmaaktheid, welke de Schepper liefheeft en verlangt.

2. De stad Gods dan is een eeuwig, onverwerkelijkt waar voor verwerkelijking vatbaar ideaal, — een ideaal, dat voor altijd in het proces van verwerkelijking blijven moet. Dit altijddurend proces is inderdaad haar roem en hoogste voortreffelijkheid, het geheim barer oneindige aantrekkelijkheid, de toovermacht, die de werkzaamheden opwekt welke den hemel opbouwen. De eenige volstrekte volmaaktheid is Godes; die van den mensch is betrekkelijk, vervat in de hooge bestemming, welke hem gebiedt steeds te streven naar het oneindige, dat hij toch nooit kan bereiken. Er is geen volmaaktheid zoo onvolledig als die welke geen wasdom toelaat; dat is de onvolmaaktheid des doods, niet des levens. God denkt te verheven van den menscli om ooit voldaan te zijn met wat hij is. Het best mogelijke op een oogenblik is slechts de voorwaarde van een hoogere mogelijkheid voor bet volgend oogenblik. Maar het is niet genoeg dat de stad een voortgaand ideaal is; zij moet de middelen en werkingen bezitten, die voor de verwezenlijking noodzakelijk zijn. En deze bestaan. De eeuwige waarheden aangaande God en zijn Christus , de goddelijke krachten en invloeden, die in den mensch werken, die in en door de kerken arbeiden, de vriendelijke en weldadige krachten, die in de maatschappij, in de staatkunde, in handel, in kunst, en beschaving als een geheel werkzaam zijn, zijn in dienst van de stad en arbeiden voor baar. Zonder dezen kon zij nooit bestaan. Zij zijn de bouwlieden dei-stad, de werkingen, die God bezigt om de levende steenen toe te bereiden en te leggen van den tempel, dien Hij ont-

407

-ocr page 422-

DE STAD GOBS.

wierp, bewoont en verheerlijkt. Door Zijn waarheid maakt Hij ware menschen, gelijkvormig aan het beeld van Zijn zoon. Door Zijn geest, die in hen woont, brengt Hij hen tot een eenheid, welke hun goddelijk leven uitdrukt en bestuurt. Door de waarheden Gods worden de idealen Gods verwerkelijkt, en de eeuwige weg, die tot de volmaaktheid voert, geopend voor de werkzaamheden, pogingen en verwachtingen des menschen.

Bij dit punt nu is het dat wij de betrekking zien van al onze vroegere beschouwingen tot het begrip en het ideaal der stad Gods. Zij zijn aangegaan met het oog op de waarheden, die haar tegelijkertijd mogelijk en werkelijk maken — die als het ware de scheppers van haar werkelijkheid zijn, de voorwaarden en krachten , die haar verwezenlijking bewerken. De eeuwige God bouwt de stad, de schepping is daar dat Hij haar kan bouwen. De mensch was gemaakt om een burger te zijn, en al zijn godsdiensten getuigen van zijn verlangen naar zijn bestemming, van zijn hartstocht voor de voltooiing van zijn wezen. God roept, onderwijst en leidt Israel , om des te beter de waarheden onder \'t bereik van den mensch te brengen, die tegelijkertijd voor het burgerschap machtigen en geschikt maken. Jezus Christus komt als de weg tot de stad, de waarheid van Gods wege, die het leven Gods geeft, en schept alzoo de nieuwe of kinderlijke menschheid^ wier leden zonen Gods zijn, gelijk Hij is. Tot dit doel werd Christus geboren, stierf en verrees hij; tot dit doel heerscht Hij als Koning, behoudt Hij als Priester, verkondigt Hij als Profeet de dingen Gods aan de menschen-. De schepping is in Hem geworteld en Hij voltooid haar. De verlossing, ofschoon later in de geschiedenis, was niet later in het Godsplan. God, daar hij God, de bron aller rechtheid, waar-

408

-ocr page 423-

WAARTOE DIENT HET GELOOF IN DE STAD ? 409

heid en genade is, zou nooit een wereld gemaakt hebben, die Hij niet dacht te verlossen, en Jezus Christus, de voornaamste hoeksteen van de stad, die van eeuwigheid af bedoeld was, haar scheppende en regelende persoonlijkheid, verscheen in de volheid des tijds om de eeuwige gerechtigheid aan te brengen. Door Hem wordt de mensch een „medeburger der heiligenquot; bereikt en verwerkelijkt hij zijn hoogste goed, vindt hij den weg tot die volkomen harmonie met den Eeuwigen Wil, die het reinste geluk en de hoogste volmaaktheid is.

III.

Maar deze beschouwingen moeten een praktisch doel hebben. Welk ambt heeft het geloof in de eeuwige stad, met de verwachtingen die zij opwekt, te vervullen in het algemeen en dikwerf alledaagsch menschelijk leven? Het zou ons te ver leiden indien wij deze vraag van al haar zijden trachtten te bezien en te beantwoorden. De werking van het ideaal op de menschheid is zeer gezegend geweest; het is op dit oogen-blik een middelpunt van machtig zedelijk vermogen. Wat de hoop vernietigt, verlamt het streven. Men spreekt van de kracht der wanhoop, maar de wanhoop heeft geen kracht; het is slechts hartstochtelijke zwakheid, die met een macht, die haar bespot, worstelt. In de hoop is kracht, en de ijver van liet tegenwoordig oogenblik werkt ten goede wanneer zij gelooft in een betere en gelukkiger toekomst. Maar om in een betere toekomst te gelooven, moet de mensch in God gelooven. De krachten van het heelal moeten aan de gerechtigheid arbeiden, zal de gerechtigheid ooit triomfeeren. Daarom zijn het Pessimisme, dat de goedheid der Godheid ontkent, en het Pantheïsme, dat Haar geen macht tot zedelijk

-ocr page 424-

DB STAD GODS.

initiatief kan toekennen, niet in staat de hoop op te wekken welke de zedelijke en verbeterende invloeden in \'t leven roept, die de groots voortdrijvende krachten der gescliiedenis zijn. Van dit gezichtspunt uit kunnen wij met zekerheid zeggen, dat \'s menschen geloof in de stad Gods, met al wat het insluit, idealen geschapen, geestdrift opgewekt, verwachtingen aangeblazen, krachten en vatbaarheden ontwikkeld heeft, die de ellende verminderd, het geluk vergroot, de vrijheden verwijd, de rechtvaardigheid vermeerderd en den vooruitgang der menschheid bespoedigd hebben. Maar dit zijn zaken, die wij niet kunnen aanroeren; wij kunnen ons slechts bemoeien met de waarde van het ideaal voor den enkelen mensch, met zijn werking en ambt in ons dagelijksch en alledaagsch leven.

1. Het geloof in de stad schept verwachtingen, die onze gewone levens verheffen, veredelen en veranderen. Ons gewone leven is in waarheid mat en onbeduidend genoeg. Engelen zijn altijd zeldzame gasten ge\\veest; meer door \'s menschen schuld dan door hun eigene. God te zien van aangezicht tot aangezicht is de vreugde der eeuwigheid. Het beste, dat de tijd kent, is die ure van rustige gemeenschapsoefening, die nu en dan, gelijk een schoon zonnig eiland, uit de onrustige levenszee oprijst. Alle menschen voelen meer of minder de eentonigheid, de verzadigdheid en de ziekte, die voortkomen uit den af-mattenden arbeid, waarmee wij ons met moeite een weg banen over het waterpas der alledaagschheid. De arbeid wordt in onze dagen steeds ernstiger, zij nadert meer en meer tot slavernij, en meer dan eenig ander niet onzedelijk ding verlaagt de slavernij den mensch en berooft hem van allen aanvankelijken adeldom. De man, die in een donkere mgn werkt, of een sloot uitgraaft, of een vrachtkar geleidt, en tot eenige ontspan-

410

-ocr page 425-

HET IDEAAL VAN DEN DAGLOONEB EN DEN OBKONOOM. 411

ning zijns levens enkel eten, slapen en dronkemansspel heeft, verheft zich niet ver boven het peil van het lastdier. De man, die achter den toonbak staat en dagelijks hetzij lastert of medegevoel toont, al naar het humeur van den klant dat vergt, waarheid of onwaarheid sprekende met gering besef van het onderscheid daartusschen, gelijk het belang van den verkooper meebrengt, zal. wel nu en dan het gevoel hebben dat er in zijn beroep, zooals hij dat uitoefent, maar weinig is dat zijn menschelijke natuur kan verheffen of eeren. De vrouw, wier geest bezwaard is met tal van de nietigste zorgen, en bovendien afgeleid wordt door de noodzakelijkheid om het nagenoeg onhandelbaar vraagstuk op te lossen, hoe de toenemende uitgaven te dekken met een hetzelfde blijvend of verminderend inkomen, of haar nog ongelukkiger zuster, wier ziel voor niets hoogers ontvlamt dan het nu eens onbeduidend dan weder hatelijk gebabbel der maatschappij, — moet gewis, in haar helderder of beter oogenblikken tot de overtuiging komen hoe weinig het water, dat uit de gewone levensbronnen voortvloeit, bevredigen of verkwikken kan. Onze eeuw stoft op hare mannen van de daad en der uitvinding, prijst hen naar de hoeveelheid werks die zij kunnen doen en hun bedrevenheid in liet doen; maar physieke volharding en mechanische on-noozelheid zijn armoedige karaktertrekken voor een mensch, vooral tegenover de krachten, die in de natuur werken, of het instinkt, waardoor het dier handelt. Wij hooren nu en dan de hoeveelheid en hoedanigheid van een \'s menschen hersenen beoordeelen naar zijn bekwaamheid om geld te maken — hersenen, die daartoe deugen zijn goed voor alles; die daartoe niet deugen, tot niets goed, — maar indien het vermogen dei-vermenigvuldiging en verdeeling \'s menschen beste aanspraak op den naam van mensch uitmaakt, wat beteekenen dan de

-ocr page 426-

DE STAD GODS.

kunsten en wetenschappen, de letterkunde en de godsdienst, die de wereld verrijkt hebben ? Herleid den mensch tot de categorien van den staathuishoudkundige, maak van hem eenvoudig een voortbrenger, een verdeeler, een verbruiker en waar blijft dan zijn menschelijke aard ? Indien de mensch omschreven kan worden als een schepsel dat voortbrengt, verkoopt, wint en eet, zou hij dan nog mensch zijn, namelijk een mensch door God en voor God geschapen?

De mensch heeft dus meer noodig dan dit prozaisch en eng leven, met zijn stoffelijke vertroostingen, zijn moeiten die den geest verstompen, zijn belooningen die hem straffen, zijn vereering van wereldsch succes en onbarmhartigen blaam bij mislukte ondernemingen. Hij heeft de hoop van een edeler toekomst, het gezicht van de stad Gods noodig. Zonder dit gezicht kan de aarde, zelfs waar zij \'t rijkst is aan rnaterieele welvaart, slechts een galei, en de mensch een galeislaaf zijn of — met haar harde beperkingen en bepalingen, die !t meest knellen waar zij \'t meest toegepast worden — een dierentuin gelijken, met zijn troep gekende dieren, schaduwen van de vrijgeborenen, verbitterd door het ruime voedsel der gevangenschap, die den geest verteert al breekt zij hem niet. De dag-looner wordt, door de hoop op een goddelijker toekomst, veranderd in een onsterfelijk mensch; de handwerksman wordt daardoor een geest, die zich bewust is van een goddelijke afkomst en bestemming. Wanneer het licht der eeuwige stad uit de toekomst straalt, verheerlijkt het de geringste oogenblikken van den tegenwoordigen tijd. De waardigheid, die het den mensch aanbrengt, heeft invloed op al wat hij aanraakt, en geeft zijne inspanning, zelfs den nederigsten, dagelijks wederkeerenden, werktuigelijken arbeid, beteekenis. De burger des hemels kent geen slaafschen arbeid, want hij kan nooit een

412

-ocr page 427-

DE TIJD IN HET LICHT DEE STAD.

slaaf zijn ; bij de vernederendste inspanning staat hij midden in het ongemetene, in liet middenpunt der eeuwigheden welke God bewoont. Bestoven en afgemat moge hij lange, barre, brandend heete wegen hebben af te leggen, hij zal echter hier en daar heuvels vinden, die hij kan beklimmen en van waar hij het licht der hemelsehe stad van verre aanschouwen, haar engelenmuziek vernemen en haar welriekende en genotvolle koelten op zijn gloeiend voorhoofd voelen kan. Hij moge, met weinig lichaamskracht of bedrevenheid in de wapenen, een harden strijd om het leven hebben te strijden, indien maaide nachten, die hij in het veld kampeert, nachten zijn met Bethelgezichten, waar, bij slapende zinnen en wakende verbeelding, aarde en hemel ineensmelten tot de gemeenschappelijke woning van God en mensch ; dan zal de rust die komt een rust zijn, die der menschheid morgen een edeler en ko-ninklijker leven zal aanbrengen. De koninkrijken der aarde worden duister bij het licht der onsterfelijkheid, welker duisternissen licht worden. Zij is een schitterende hoop, die de ingebeelde waardigheid uitbluscht, maar de gewone natuur des menschen met blinkende heerlijkheid bekleedt.

Kan iets zoo sterk tot de verbeelding des menschen spreken als deze hoop ? Is zij niet wijd genoeg om den meest prozaischen en stompzinnigen man te veranderen in een pittig geestelijk wezen ? En is niet een hoop, die met zulke krachten bedeeld is , een waarachtig goddelijke hoop ? God spreekt in haar, en wil onze tijd door Zijn eeuwigheid, onze aarde door Zijn onmetelijkheid verwijden. De stroom , die uit de verwijderde golf van Mexico door den breeden schoot van de Atlantische zee vloeit, brengt, door zijn oorspronkelijke warmte, aan deze kusten gezondheid aan — alzoo ook zendt de rivier, die de stad onzes Gods verlevendigt, de vriendelijkste

413

-ocr page 428-

DE STAD GODS.

414

en geneestkrachtigste stroomingen naar en door de onrustige levenszee. Abraham moet liet leven in zijn tent en in de woestijn langwijlig en kleurloos genoeg gevonden liebben. Het oogverblindend licht der oostersche zon. dat dagelijks op liet geele zand neerscheen, de eentooniglieid derzelfde geluiden, die hij steeds hoorde en van dezelfde gezichten, die hij steeds zag, de twistredenen tusschen Sara en Hagar, zoo kleingeestig, bitter; wraakzuchtig als ze waren, moeten de geduldige en mannelijke ziel van den ouden aartsvader zeer gekweld en vermoeid hebben; doch deze dingen hielden op hem te verbitteren, werden dragelijk en dus gezegend, wanneer de verbeelding des ouden mans vervuld was met het gezicht van „de stad die fondamenten had, wier kunstenaar en bouwmeester God is.quot; Ook Mozes kende de verveling van veertig jaren te reizen in de woestijn, de plage der aanvoering van twistzieke, onwetende en koppige menschen; maar hun ontevredenheid hield op hem te kwellen, en de plage veranderde in zegen, toen hij op Pisga stond, en hij \'t goede land aan gene zijde der Jordaan zag, dat daar in den heerlijken zonneschijn van het Oosten te slapen lag. Ook Johannes, op Patmos gevangen, door de spotzieke zee gescheiden van de kudde, die hij beminde, moet hartzeer en verlatenheid gekend hebben; maar zijn hart hield op te zuchten, en de hoop verrees en laakte de mismoedigd-heid, wanneer hij het nieuwe Jeruzalem uit den hemel Gods zag nederdalen, als eene bruid voor haren man versierd. Zoo moeten de stemmen, die van de stad gewagen, voor den afgetobden en moedeloozen geest als de gezangen van engelen in het Paradijs zijn. Ik ken en bemin eene stad, in wier straten ik als knaap, jongeling en man stond, als de stroom des levens voorbij snelde gelijk het bruischen van een groote rivier, die alle gedachten uitbluschte behalve de gedachte aan

-ocr page 429-

DE STAD DE VOLMAKING DES MENSCHEN. 415

haar machtige golven, als een menigte van atomen die geen atoom kon tot stand brengen. Doch even buiten de stad ligt een oude heuvel en, de straten verlatende, heb ik zijn groot-sche en van gedenkteekenen voorziene hellingen beklommen, waarbij ik bevond dat, hoe hooger ik steeg, de mensch kleiner en de natuur meerder werd, tot dat ik op zijn trotschen kruin, met de stad beneden, de zee en het ver zich uitspreidend landschap rondom mij, het gevoel had alsof het naburige leven slechts een onstuimig moment was in het bestaan van het Eeuwige, dat mij in den kalmen, blauwen, grenzenloozen, verheven hemel in zijn eeuwige armen scheen te sluiten. Laat er alzoo, regelrecht uit het hart van ons druk en moeitevol leven, bergen met vizioenen verrijzen, die de geest bestijgen kan, en waar de verbeelding vrijelijk kan hooren „de zeer heerlijke dingen, die er van u, o stad Gods, gesproken worden.quot;

2. Deze verhevene hoop verwacht hare verwezenlijking uitziende naar de stad Grods; zij is de sfeer barer vervulling. Stad is de gelijkluidende naam voor maatschappij, in haar rijkste en meest onderscheiden vormen ; daar zijn de voorrechten, rechten, vrijheden en het eereburgerschap verbonden met de schoonste gelegenheden tot onderling dienstbetoon , met de bediening der liefde en toewijding, met de broederschap van levende geesten. Bij den eersten aanblik is de stad het gebied van wet en orde, waar de mensch, die den wil Gods weet en gehoorzaamt, leeft om de idealen Zijner eeuwigheid te verwerkelijken ; van bet tweede gezichtspunt is de stad de renbaan, waar geesten elkander kennen en dienen, waar de vreugde van elk bijdraagt tot het algemeene geluk, en het geluk van het geheel tot ieders volmaking. Buiten de stad blijven de edelste hoedanigheden van den mensch ongebruikt

-ocr page 430-

DE STAD GODS.

liggen, gekneld in de ijzeren handen des doods, die te vrees-selijk is naarmate hij geen leven gekend heeft. De stad des menschen is een broeikas, waar zoowel deugden als ondeugden gekweekt worden, ofschoon zijn vruchtbaarheid dikwerf gelijk is aan de pracht van een kerkhof, dat gevoed wordt door het verderf dat er rijkelijk onder woelt. In haar kan de overlaat zijn schelmstuk in het verborgen volvoeren, de schurk zijn laagheid bedekken terwijl hij ze bevredigt; de trots, die slechts opgeblazenheid is ; de aanmatiging, die geen grond heeft; de weelde, die bedrog en zwendelarij is, wandelen daar vrij heen zonder ontdekt en beschaamd te worden. Maar terwijl de stad des menschen de schandelijkste ondeugden kan voeden , kan zij ook de edelste deugden van zelfverloochening opwekken en bevorderen. De rechtschapenheid, die tegelijkertijd rechtvaardig en eerbiedwaardig is ; de dapperheid, die den moed heeft om recht te doen, en onrecht te verdragen; de goedheid, die zich verheugt niet in gediend te worden maar in te dienen; de liefde, die niet moede wordt van weldoen, die geen kwaad denkt, alle dingen verdraagt en alle dingen hoopt — inderdaad elke deugd, die den mensch veredelen ; iedere bekoorlijkheid, die hem versieren kan, vindt in de stad eerst plaats, waar zij wassen en zich ontwikkelen kan. Afzondering baart zelfzucht, die de geestelijke dood is ; maar een plichtmatig leven in de maatschappij roept de betere hoedanigheden van den mensch tot werkzaamheid en kracht.

De stad Gods is derhalve, als het gebied van liefde en gehoorzaamheid, dienstbaarheid en broederschap, de sfeer ter ontwikkeling en verwerkelijking van al de goddelijke idealen in den mensch, zoowel afzonderlijk als gezamenlijk. Zij is een maatschappij van geesten, die op weg zijn om door ge-

416

-ocr page 431-

DE STAD VOLMAAKT DEN MENSCH. 417

hoorzaamheid en dienstvaardigheid tot volmaaktheid te komen. Alle geesten zijn verwant; wij zijn menschen niet krachtens onze lichamen maar krachtens onze zielen, en de mensch staat, altijd en over de geheele wereld, met den mensch in betrekking als de eene broeder met den anderen, dewijl allen naar hetzelfde beeld gemaakt zijn en dezelfde natuur hebben. En de stad Gods bedoelt slechts, dat het ideaal van eiken mensch en van al zijn betrekkingen verwezenlijkt wordt. De verscheidenheid wordt alzoo niet gebannen maar veeleer geschapen. In deze stad zullen vader en moeder, zuster en broeder geesten zijn; geesten, verbonden dooide maagschap van onderlinge bloedverwantschap, en tevens geesten, wier wegen evenver uit elkaar zullen loopen als de polen van Gods verstandelijk heelal. Doch verscheidenheid verdiept de vreugde slechts en verwijdt de plicht. Eenvormigheid is de dood van het geluk. De menschen moeten verschillen zullen zij zich in elkander verblijden, elkander dienen en van elkander gediend worden. Indien het leven van Johannes liefde was, moet de hemel voor hem een verruimd tehuis des harten zijn. Die plaats zou voor Paulus geen hemel wezen, waar \'t hem verboden ware te bespiegelen, te redeneeren en te onderwijzen. Terwijl Abraham zijn kinderen in zijn schoot vergadert, moet hij, in een toenemende mate, vadervreugde smaken. Elke geest, die de stad binnentreedt, moet voor de oude burgers, de geesten der volmaakte rechtvaardigen, een nieuw voorwerp van liefde wezen, een nieuwe roepstem tot nieuwen plicht, een nieuwe bron van vermaak. De oudsten in het rijk der onsterfelijkheid moeten vreemde dingen te verhalen hebben aan zijn jongere burgers, en de jonge mannen wellicht in hun onschuldige onwetendheid, veel aan de ouderen. De menschelijke natuur verliest niet aan belang door de jaren, maar

27

-ocr page 432-

DE STAD GODS.

wint veeleer daarbij; zij wordt een schatkamer van wijsheid en wonderen voor den jeugdiger geest. Verbeeld u de onsterfelijkheid verwerkelijkt onder de voorwaarden des tijds , een mensch zoo oud als het menschelijk geslacht, die nochtans, zooals het den onstert\'elijken betaamt, de krachten en verwachtingen der jeugd onuitgeput en overvloeiend bewaart-Hij bad het gevallen paar ontmoet:

„Dat hand in hand. met tragfen tred ving aan.

Door Men heen, zijn zoo eenzamen weg;quot;

had met Noach uit de ark uitgezien ; had met Abraham gesproken, nadat God hem ontmoet had; had Mozes gezien, toen hij van den berg afdaalde, en zich verheugd met de menigte, die David vergezelde toen hij Jeruzalem binnentrad; hij had de rijken van Egypte en Assyrië bezocht, en toegezien bij de ontmoeting hunner machtige legerscharen; had de gesprekken van Plato gehoord, en de overwinningen van Alexander gevolgd; had de opkomst van Eome gezien en was in Judea geweest toen de Christus gekruisigd werd; en had stap, voor stap voortgewandeld nevens van den gang der gebeurtenissen sedert toen en nu, als raadgever en vriend van de groote mannen en denkers der christelijke eeuwen. Zou nu niet deze man — steeds vurig van geest, met geopende oogen, hongerig naar kennis, mededeelzaam, verrijkt, steeds bij ervaring leerende hoe men beter leeren, onderwijzen en leven kan — een machtiger bijdrage zijn tot de kennis der wereld, een Iqider roepstem tot haar bewondering, dan de uitgebreidste boekerij waarop zij kan stoffen? En zijn daar in de stad Gods niet ontelbare geesten van nog onmetelijker ondervinding, rijper

418

-ocr page 433-

EEN MENSCH ZOO OUD ALS DE MENSCHHEID 419

wijsheid, onderscheidener vatbaarheid en kennis? En waartoe zouden dezen leven, dan om het ideaal en de gewrochten der stad, te verhalen, te onderwijzen, te helpen verheffen en, haar banier van gehoorzaamheid en zaligheid omhoog te beuren? Onsterfelijkheid is geen werkeloosheid; zij moet voortgaande gehoorzaamheid kennen om gelukkig te zijn, toenemende werkzaamheid om wassende zaligheid te verschaffen.

3. Om de verwachtingen harer burgers te voldoen moet de stad steeds twee eigenschappen hebben: zy moet van God en eeuwig als God zijn. Deze twee zijn één. Wat van God is, geest is gelijk Hij, moet deelen in Zijn eeuwigheid. Nochtans zijn deze twee onderscheiden Godes te zijn is de oorsprong en bronwel van de volmaaktheid der stad; eeuwig te zijn, de voorwaarde van haar verwerkelijking. Het ideaal is Godes, de volmaakte spiegel van zijn volmaakten geest, doch het kan slechts door gehoorzaamheid in werkelijkheid omgezet worden. En een gehoorzaamheid, die aan het begrip van den eeuwigen geest beantwoordt, moet eeuwig zijn. De betrekking der stad tot God heeft haar afdruk in \'s rnenschen betrekking tot Hem. De stad is een stad van zonen; de wil van den Souverein drukt de liefde des Vaders uit; de gehoorzaamheid van den burger is de verwerkelijkte gehechtheid van het kind. Deze verwantschap met God is het geheim onzer onsterfelijkheid; zij is de onze omdat wij aan Hem verwant, van zijn geslacht zijn. Geef aan een goddelijken geest een onsterfelijkheid met God, welk een hoogte kan hij niet bereiken ? Welk een bediening des lichts, welk een betoon van liefde en weldadigheid kan hij uitvoeren ! Wanneer de hoop nederziet op een toekomst, zoo rijk aan zulke oneindige mogelijkheden, wordt de mensch nu eens beangst en beschaamd dan weder opgericht en geadeld; en, hetzij het

-ocr page 434-

DB STAD GODS.

een of het ander met hem het geval is; hij voelt evenzeer dat zijn tijd eeuwigheid en de arbeid onder menschen dienst van God zij.

„Alzoo zegt de Heer: de hemel is mijn troon en de aarde is de voetbank mijner voeten; waar zou dat huis zijn dat gijlieden Mij zoudt bouwen? en waar is de plaats mijner rust? Want mijne hand heeft al deze dingen gemaakt, en al deze dingen kregen het aanzijn, spreekt de Heer; maar op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest en die voor mijn woord beeftquot;. 1)

„Hij zal zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in zijne armen vergaderen, en in zijnen schoot dragen; de zogende zal Hij j zachtjes leiden^. 2)

„Gij zijt gekomen tot den berg Zion en de stad des levenden Gods, tot het hemelsch Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen; tot de alge-meene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn en tot God, den rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen, en tot den middelaar des Nieuwen Testaments Jezus en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abelquot;. 3)

420

„En aldus is het verhaal gered Glaucon, en niet verloren gegaan, en het kan | onze redding zijn als wij gehoorzaam zijn aan het gesprokene woord; en wij zullen, veilig bewaard gebleven, de rivier der vergetelheid over komen en onze ziel zal niet bezoedeld zijn. Daarom is mijn raad dat wij vasthouden aan den hemelschen weg, en altijd de rechtvaardigheid en de deugd navolgen, bedenkende dat de ziel onsterfelijk en in staat is om alle goed en alle kwaad te verdragen. Alzoo zullen wij in elkanders oogen en die der goden wel-behagelijk zijn, zoowel in den tijd dat wij hier leven, als ook wanneer wij, gelijk de overwinnaars bij de spelen, die rondgaan om de geschenken te ontvangen, ons loon verkrijgen; en opdat het ons welga, beide in dit leven en op den duizendjarigen pelgrimstocht, waarvan wij verhaald hebben.,,,, 4)

1) Jesaja 66 : 1, 2. 2) Jesaja 40 : 11. 3) Hebr. 12 : 22—24. 4) Plato\'s Republiek Boek X: 11, 621.

-ocr page 435-

DE STAD GODS. 421

„\'k Behoef toch, nu als toen

ü, God, die schiept den mensch.

En daar, zelfs ook niet waar de stroom was \'t sterkst,

Kon ik, — bedwelmd gesnoerd Aan \'s levens rad, aan kleur En vorm zoo rijk, — vergeten XJ, naar wien ik dorst;

Zoo neem, gebruik Uw werk;

Verbeter en versterk\'t,

Hoe zwak zij \'t vleeseh, hoe \'t doel ook werd gemist!

Mijn lot zij in Uw hand!

Volmaak het naar Uw plan!

Zij grijsheid kroon der jeugd, en dat de dood volmaak\'!quot;!)

-O Gij, die de zeven sterren in uw rechterhand hebt. kom nu om uw uitverkoren priesters naar hun ouden rang- en stand aan te stellen, om voor u te dienen en de gewijde olie naar eisch te persen en uit te gieten in uw heilige en altijd brandende lampen. Gij hebt tot dat doel den geest des g\'ebeds uitgezonden over uwe knechten door het gansche land en hun beden doen worden als het g-eluid veler wateren rondom uwen troon. Elkeen kan zeggen, dat Gij nu zekerlijk dit land hebt bezocht, en de uiterste hoeken der aarde niet hebt vergeten, in eenen tijd toen de menschen dachten dat Gij van ons weggegaan waart naar het verste einde der hemelen, en opgehouden hadt wonderen te doen ouder de zonen dezer laatste eeuwen. O, volmaak en voltooi uw heerlijke daden ! want menschen kunnen hun werken onvoltooid laten, maar Gij zijt een God, uw natuur is volmaaktheid. Wanneer Gij vrede in de kerk en rechtvaardig oordeel in het koninkrijk besteld hebt, dan zullen al uwe heiligen hun stemmen van vreugde en triumf tot U opheffen. ïe dien dage zal het niet meer gezegd worden, als men verachting, dit of dat was nooit aldus vastgesteld tot op den tegenwoordigen üjd, wanneer de menschen beter geleerd hebben, dat de tijden en gelegenheden aan uwen voet voorbij trekken om naar uw bevel te gaan of te komen: en gelijk Gij de dagen onzer vaderen verwaardigdet met vele openbaringen, boven al de voorgaande eeuwen sedert Gij het vleeseh hebt aangenomen, zoo kunt gij ook ons, ofschoon onwaar-digen, een even ruim deel van uwen Geest schenken als U behaagt; ^ant wie zal uwen albesturenden wil verhinderen ? ziende dat de macht uwer genade niet voorbij gegaan is met de eerste tijden, zooals ijdele

1) Browning ,.Rabbi Ben Ezraquot;. Dichtwerken VI, 10(J.

-ocr page 436-

DE STAD GODS.

422

en ongeloovig-e lieden zich inbeelden, maar uw koninkrijk is nu ophanden, en Q-ij staat aan de deur. Kom te voorschijn uit uw koninklijke vertrekken, o Xoning- van alle koningen der aarde! kleed u in het zichtbaar gewaad uwer souvereine majesteit, neem ter hand den onbeperkten scepter, dien uw almachtige Vader u vermaakt heeft; want de stem uwer bruid roept U thans, en al het schepsel zucht om te worden vernieuwd.quot; I)

1) Milton,.Aanteekeuingen op de Remonstrantsche Verdedigingquot; Sec. 4,

-ocr page 437-
-ocr page 438-
-ocr page 439-