UIT MIJN TROOSTBIJBEL.
IETS VOOR STILLEN IN DEN LANDE.
J. J. VAN OOSTERZEE,
in leven Hoogleer aar te Utrecht.
Tweede, vermeerderde Druk.
UTRECHT,
KEMINK amp; ZOON.
(Over de Domkerk.)
1885.
f/
s
E. oct.
2031
G K S r 11 EN K
VAN MKT
UTR. OUD-STUDENT EN F( )NDS.
UIT MIJN TROOSTBIJBEL.
IETS VOOR STILLEN IN DEN LANDE.
DOOR
J. J. VAN OOSTERZEE,
in leven Hoogleeraar te ütrecht.
Tweede, vermeerderde Druk.
UTRECHT,
KEMINK amp; ZOON.
(Over de Domkerk.)
188 5.
Troost, troost mijn volk, zal ulieder God zeggen.
Jes. 40 ; 1.
Zalig (zijn) die treuren; want zij zullen vertroost worden.
Matth. 5 : 4.
En God zal alle tranen van hunne oogeu afwisschen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.
Openb. 21 : 4.
VOORBERICHT.
Dat de Bijhei een lung verouderd hoek is, en het Christelijk Schriftgeloof een overwonnen standpunt moet heeten, is voor allen uitgemaakt, die heiveren „op de hoogte\'\'\'\' der eeuw te staan. Toch zijn er altijd nog eenige onverheterlijke achterblijvers, onder de stillen in den lande vooral, die ten aanzien van dat Boek in zijn geheel het oude dichterwoord hlijven herhalen: „ Indien üwe wet niet ware geiveest cd mijne vermaking, ik ware reeds lang in mijnen druk vergaan.\'\'\'\' Een hunner was reeds lang gewoon hij enkele Schriftwoorden een woord voor eigen hartshehoeften neer te schrijven, louter tot persoonlijk gébruik, en deelt nu daarvan iets aan anderen mede, voor uren, als de last te zwaar, de kracht te klein mocht worden.
Nog altijd toch gaat het op dit géhied, gelijk tvij lezen van Jonathan: „hij reikte het einde van den staf uit, die in zijne hand was, en hij doopte dien in een honigraat; als hij nu zijne hand tot zijnen mond wendde, zoo werden zijne oog en verlicht\'quot; (1 Sam. 14 : 27).
Met bovenstaande regelen ter Inleiding, en onder den titel: Vit mijn Troosthijhel. — Een Fragment. — werden door wijlen den Schrijver een vijftal korte stichtelijke beschouwingen in het Evangel, jaarboekje „Magdalena1\' van het jaar 1881 geplaatst. In aansluiting daaraan volgde nog in hetzelfde jaar een vijftal
VOOEBE EIGHT.
andere in de Dee.-attevering der „Prot. Illustratiequot;. Het plan van den ontslapene met de uitgave van dezen tegenwoordigen Bundel was, om ongeveer een honderdtal van zulke korte overdenkingen aan het christelijk publiek aan te bieden.
Terwijl ik hier voor Verdere bijzonderheden betreffende den inhoud van dit (door het overlijden des Auteurs, f 29 Juli 1882) helaas onvoltooid gebleven geschrift kan volstaan met naar mijne Voorrede voor de éérste uitgave daarvan te verwijzen, heb ik met betrekking tot dezen tweeden Druk alleenlijk te vermelden, dat de inhoud, welke overigens natuurlijk geheel dezelfde is gebleven, met een zestal stukjes is vermeerderd geworden. Vier daarvan (nl. in deze nieuwe uitgave de N\' . 39, 40, 42 en 44) heb ik aan onuitgegeven kanselredenen des ontslapenen uit verschillende jaren ontleend; de beide andere (t. w. de Nquot;\'. 41 en 45) behoo-ren tot eene Pinksterbeschouwing van zijne hand, voorkomende in de „Prot. Illustratiequot;, 3e Jaarg., 1881, N0. 16. Bovendien werd deze uitgave nog vermeerderd dooi\' toevoeging van des Schrijvers dichterlijke vertolking van een beroemd Middeleeuwsch kerklied, te vinden in zijn opstel: „Het Avondmaal en de heilige Kunstquot; (zie zijne „liedevoeringenquot; enz. Rott., 1857, blz. 100 en verv.), welke vertolking in de verzameling zijner dichterlijke nalatenschap (Am\'st., 1884) gemist wordt, en daarom gewis zooveel te meer aan de lezers dezer bladzijden welkom zal zijn.
IV
„Dochquot; — om met mijn bovengenoemd Voorbericht voor den eersten Druk. te besluiten, — „het wordt tijd, dat ik ten einde spoed. Nog slechts betrekkelijk kort geleden \') stond ik in den diepsten weemoed met zoovelen aan de groeve van hem, dien men in deze bladzijden nog eenmaal, vol van den gloed der heiligste liefde, een bezield getuigenis hoort afleggen van dat geloof en die hope, waarin hij door Gods genade, velen ten
1) Dit werd geschreven in Sept. 1882. De plechtige teraardebestelling had den 3a Aug. plaats gehad. Den l» Mei 1884 werd het liefelijk Ge-denkteeken op het graf des onvergetelijken Auteurs te Utrecht in veler bijzijn onthuld.
VOORBERICHT.
V
P. C. VAN OOSTERZEE.
eeuwigen zegen, heeft mogen leven en arbeiden, en ook op Gods tijd ontslapen is. Den troost, dien hij zelf, op zijn\' niet zelden veelszins moeielijken levensweg, ontleenen mocht aan het eeuwig blijvend Woord zijns Gods, wenschte hij in deze bladen bij vernieuwing aan zijne medereizigers naar de Eeuwigheid aan te bieden. Doch eer hij deze taak had mogen ten uitvoer brengen, zag hij zich van hier opgeroepen, om in te gaan in de zalige Sabbatsrust Gods. Door zijn geloof echter spreekt hij nog, ook nadat hij gestorven is. Moge de zegen, dien het Gode behaagd heeft, gedurende ruim één en veertig jaren op den onverpoosden arbeid van mijn\' diepbetreurden vader te doen rusten, ook deze hoofdstukken uit zijnen „Troostbijbelquot; in rijke mate achtervolgen!quot;
Enschede, Aug. 1885.
VOORBERICHT.
andere in do Dec.-aflevering der „Prot. Illustratiequot;. Het plan van den ontslapene met de uitgave van dezen tegenwoordigen Bundel was, om ongeveer een honderdtal van zulke korte overdenkingen aan het christelijk publiek aan te bieden.
Terwijl ik hier voor verdere bijzonderheden betreffende den inhoud van dit (door het overlijden des Auteurs, f 29 Juli 1882) helaas onvoltooid gebleven geschrift kan volstaan met naar mijne Voorrede voor de éérste uitgave daarvan te verwijzen, heb ik met betrekking tot dezen tweeden Druk alleenlijk te vermelden, dat de inhoud, welke overigens natuurlijk geheel dezelfde is gebleven, met een zestal stukjes is vermeerderd geworden. Vier daarvan (nl. in deze nieuwe uitgave de N\' . 39, 40, 42 en 44) heb ik aan onuitgegeven kanselredenen des ontslapenen uit verschillende jaren ontleend; de beide andere (t. w. de Nquot;5. 41 en 45) behoo-ren tot eene Finksterbeschouwing van zijne hand, voorkomende in de „Prot. Illustratiequot;, 3e Jaarg., 1881, N0. 16. Bovendien werd deze uitgave nog vermeerderd door toevoeging van des Schrijvers dichterlijke vertolking van een beroemd Middeleeuwsch kerklied, te vinden in zijn opstel: „Het Avondmaal en de heilige Kunstquot; (zie zijne „Kedevoeringenquot; enz. Rott., 1857, blz. 100 en verv.), welke vertolking in de verzameling zijner dichterlijke nalatenschap (Amst., 1884) gemist wordt, en daarom gewis zooveel te moer aan de lezers dezer bladzijden welkom zal zijn.
IV
„Dochquot; — om met mijn bovengenoemd Voorbericht voor den eersten Druk. te besluiten, — „het wordt tijd, dat ik ten einde spoed. Nog slechts betrekkelijk kort geleden \') stond ik in den diepsten weemoed met zoovelen aan de groeve van hem, dien men in deze bladzijden nog eenmaal, vol van den gloed dei-heiligste liefde, een bezield getuigenis hoort afleggen van dat geloof en die hope, waarin hij door Gods genade, velen ten
I) Dit werd geschreven in Sept. 1882. De plechtige teraardebestelling had den Squot; Aug. plaats gehad. Den 1» Mei 1884 werd het liefelijk Ge-denkteeken op het graf des onvergetelijken Auteurs te Utrecht in veler bijzijn onthuld.
VOORBERICHT.
V
P. C. VAN OoSTERZBE.
eeuwigen zegen, heeft mogen leven en arbeiden, en ook op Gods tijd ontslapen is. Den troost, dien hij zelf, op zijn\' niet zelden veelszins moeielijken levensweg, ontleenen mocht aan het eeuwig blijvend Woord zijns Gods, wenschte hij in deze bladen bij vernieuwing aan zijne medereizigers naar de Eeuwigheid aan te bieden. Doch eer hij deze taak had mogen ten uitvoer brengen, zag hij zich van hier opgeroepen, om in te gaan in de zalige Sabbatsmst Gods. Door zijn geloof echter spreekt hij nog, ook nadat hij gestorven is. Moge de zegen, dien hot Gode behaagd heeft, gedurende ruim één en veertig jaren op den onverpoosden arbeid van mijn\' diepbetreurden vader te doen rusten, ook deze hoofdstukken uit zijnen „Troostbijbelquot; in rijke mate achtervolgen!quot;
Enschede, Aug. 1885.
OPGAVE VAN DB BEHANDELDE BIJBELPLAATSEN.
Job 15 : 11a. Blz. 8. „ 16; 2b. „ 41.
Blz. 97. „ 146. „ 100.
„ 103.
„ 105.
„ 108, „ Hl.
„ 120.
„ 116. 125.
„ 128. „ 32.
„ 132.
„ 135.
137.
Blz. 1. „ 3. „ 141. „ 142. „ 11. „ 13.
143. „ 144. „ 145. „ lo.
„ 18. 22. 25.
45. 48. 51. 53. 57. 60. 63. 67. 69. 71.
5. 74. 76.
79.
83.
6.
85.
88. 94.
27. 29.
32.
33.
35. 38.
Gen. 3 : 18a. ,j 5 : 29m. „ 6:8. 8 : IK 15:1b. „ 16:7a. „ 22; 6b. „ 24 : 67b. „ 26 : 22b. „ 42 : 36m.
Exod. 3 : 2b. „ 13: 17a, 18a. „ 15: 27a.
Deut. 3 : 29.
Ruth 3 : 18.
I Sam. 3 : 18b,
II ,. 10 : 12b. „ 15 : 26b.
I Kon. 19 : 14b.
jï j) ?) 1^.
Psalm 10 : 14. 17 ; 15. 25 : 15. 35 ; 3b. 55 : 7.
73.
77.
92.
93. 119: 52.
„ 82b. „ 94a. 130.
Spreuk. 13 ; 12.
Jes. 46: 4. „ 66 : 13.
Jer. 6 : 8».
Klaagl. 1 :12m. „ 3: 25—27.
Hosea 2 : 13.
gt;!» » „ ll:9m.
Ara. 5 : 8.
Micha 7.
Matth. 1 : 23h. „ 9 : 29b.
Luc. 18; 13b.
Joh. 6 : 63». „ 12:24.
Hand. 12 : 5. „ 21 : 14b.
2 Kor. 3 : 6b.
Hebr. 10: 34b.
Jac. 5 : 10.
VERBETERINGEN.
Bladz. 74, regel 8 v. b., lees: muntstukje — Bladz. 93, regei 2 v. o., lees: neergebogen en — Bladz. 125, regel 15 v. o., lees: vloertapeet — Bladz. 126, 16 v. b., lees: onsterflijk — Bladz.
126, regel 2 v. o., lees.* nurquot;--Bladz. 126, regel 1 v. o., lees: Leven!quot; — — Bladz. 140,
regel 12 v. b., lees.* [„slechts
INHOUD.
|
Bladz. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
INHOUD.
BUhIZ
Een ...........................^
Nog «iet......................
De Staf des ouderdoms............
Een roerende bede...............
De Smart zonder wederga............g4
Goede dingen voor kwade dagen..........^
Naar de Woestijn...............^
Een onschatbaar Antwoord............^
Doodsschaduw en Morgenstond...........
Voor Herfsttijden...............10g\'
„God met ons.quot; ...............^
„ü geschiede naar uw Geloof/\'.......... \'
quot; O llO De Geest, die levend maakt............
De bede des Tollenaars............. \'
Door Ontbinding tot Ontluiking..........
Het gebed der bedrukten.............^
De Geest in de Schrift.............
Beroofd, en toch blijde............. \'
vin
XXIX. XXX.
XXXI.
XXXII.
XXXIII.
XXXIV.
XXXV.
XXXVI.
XXXVII.
XXXVIII. XXXIX.
XL. XLI. XLII. XLIII. XLIV. XLV. XLVI. XL VII.
Het profetisch Voorbeeld.............
AANHANGSEL.
141.
I.
II.
III.
IV. V.
142.
143
144 145-140
. 149 . 150
VI.
Goede-Vrijdagslied . . Een oud Avondmaalslied
I.
quot;Van waar het Leed?
Het aardrijk zal u doornen en d i s t e 1 e n voortbrengen.
Gen. 3 : 18».
/ \' /
Zoo wordt in de oude oorkonde de „Genesisquot;, de „Wordingquot;, ook van Doornen en Distelen in het rijk der natuur door den Schepper zeiven aan den eersten zondaar verklaard: en wij zullen de smarten des levens, waarvan zij het sprekend zinnebeeld zijn, nog altijd onder de onopgeloste raadselen tellen ? Ach, na het groote scheppingswonder is er eigenlijk slechts één Raadsel, de zonde, de snijdende wanklank in het heerlijk Scheppingslied, de zedelijke wanorde in het rijk van den almachtigen en heiligen God. Maar als nu eenmaal de zonde bestaat en heerscht, wat wonder, dat al wat immer in de groote wereld daarbuiten en de kleine daarbinnen eigenlijk en oneigenlijk onder den naam van „doornen en distelenquot; kan samengevat worden, middellijk of onmiddellijk uit die onzalige bronwel is voortgevloeid? „De wereldakker teelt verdriet,quot; \'tis naar waarheid gezegd, maar „waren er geen zonden, er waren geen wonden,quot; \'t is minstens even onbetwijfelbaar zeker. Dit is het onderscheid
i
tusschen de wijsheid Gods en de wijsheid der wereld. De laatste zegt u: de zwakke mensch is van natuur goed, maar zijne ellende op deze arme wereld is de bron zijner zonde; maak dus zijn aanzijn hem dragelijk, en zijn aard wordt dadelijk beter. De eerste; de mensch is gevallen, en zijne zonde is de bron der ellende, de wortel der vlijmendste doornen, waarover een heilig en rechtvaardig God het „wast en vermenigvuldigtquot; heeft uitgesproken. „Wat klaagt een levendig mensch; een ieder klage vanwege zijne zonden.quot; De doren in uw vleesch, de distel voor uw voet, ieder onkruid op den akker van uw hart, van uw huis, van uw leven is uit haar, en altijd weder uit baar. O, indien dit waarlijk geloofd werd, en bovenal beter bedacht, hoeveel minder bitterheid, hoeveel meer ootmoed zou er wezen in hel treurende hart, en hoeveel gretiger zou missel lien weder menige hand naar den ouden Troostbijbel grijpen!
„Het aardrijk zat u doornen en distelen voortbrengen.quot; Helaas, het is zoo, bet kan niet anders, het moet niet anders, het wordt niet anders, zoolang nog niet „alles nieuwquot; is geworden. Maar Godlof, ook nog een ander profetisch woord staat tot onze eeuwige vertroosting geschreven : „voor een\' doorn zal een denneboom opgaan, en voor een\' distel zal een mirteboom opgaanquot; (Jes. 55: 13a). In het eerste klinkt de vloek der zonde, in het andere ruischt de volle troost der genade ons tegen. Geve een barmhartig God ons waarlijk dien troost te begeeren, en hem zóó aan te grijpen, te genieten, aan anderen aan te prijzen, dat het woord: „Zalig zijn ze die treurenquot;, beide aan hen en ons zeiven in rijke vervulling ga!
3
II.
Illusie en Teleurstelling.
Deze zal ons troosten.
Gen. 5 : 2^quot;».
De Smaii is even oud als de zonde; zou de Illusie wel zooveel jonger zijn dan de smart? Hoe betrekkelijk spoedig althans zij in een neergebogen hart is ontwaakt, hoe luide en blijde zij zich uitsprak, maar ook, hoe onvermijdelijk zij voor de pijnlijkste teleurstelling wijken moest, het staat hier met een sprekenden trek in de oude oorkonde als tusschen de regels te lezen. „Déze zal ons troosten,quot; zoo roept de honderd twee en tachtigjarige Lamech uit, waar hij zijn pasgeboren zoon aan het hart drukt, en noemt zijn naam Noach, Rust, omdat hij hoopt, dat eindelijk met hem de zegen zal keeren, daar immers het aardrijk reeds zoolang onder den vloek heeft gezucht. De kortzichtige, die zelfs in de verte niet droomt van al den jammer, dien het kind zijner hoop zal aanschouwen, en van het machteloos schepsel verwacht wat alleen de almachtige Schepper kan geven! Hoe, déze zal u troosten, droeve Lamech, deze, die zélf meer troost zal behoeven dan al zijne vaderen zamen, waar hij straks de met vloek beladen wereld door zijn woord en werk moet veroordeelen, en eindelijk met eigen oogen ziet ondergaan? Arme vader, uwe verwachting heeft slechts één gebrek, zij komt ettelijke eeuwen te vroeg. Veeleer moet de vloek nog klimmen, eer hij voor altijd kan wijken, en die hem eindelijk afwenden en \'t verloren Paradijs zal hergeven,\' voorwaar, het zal een
1 *
4
geheel Andere moeten zijn dan dit nietig menschenkind, begroet met zoo lieflijken, maar zoo weinig waarachtigen naam!
„Deze zal ons troosten.quot; In hoe velerlei vorm is later dat woord niet van menschenlippen gevloeid, om, wie weet hoe kort daarna, met een pijnlijken glimlach herhaald en — herroepen te worden! In het moederoog stond het te lezen bij den aanblik van wel menigen zuigeling, wiens geboorte zij waande, dat een lang gemis, een vlijmenden slag zou vergoeden. Uit het mannenhart sprak het luide, als eindelijk, na een nacht van bange zorgen, de morgen verrees, die een nieuwen aardschen Heildag scheen te voorspellen. De mensch wordt oud, maar zijne illusies komen in telkens jonge gestalten weer op, en de christen, die lang reeds weet, dat het hierbeneden niet is, toch kan ook hij nog niet nalaten het telkens opnieuw van de oude aarde te wachten. En dat duurt, dat duurt zoo lang, tot wij, onleerzamen, eindelijk voorgoed leeren de Troostbron niet langer tusschen de distelen en doornen, maar hoog daarboven le zoeken. „Deze zal ons troostenquot;; slechts Eén is er, van wien het op onbedriegelijken grond kan verwacht worden, en Godlof, die Eéne bleef\' ons niet onbekend. Och of allen Hem slechts wilden kennen eu zoeken! Minder donker is het graf der illusie, als het de wieg mag worden eener hoop, die verder reikt dan dit leven.
5
III.
Eene zinrijke Vraag.
Wanneer zult Gij mij vertroosten ? Ps. 119 : 821j.
Eene verrassende, diep treffende vraag, vooral in dien honderd-negentienden Psalm, waarin anders de behoefte aan licht en leven uit God nog veel sterker, dan die aan dadelijke vertroosting zich uitspreekt. Op ieder woord kan men nadruk leggen. Heer, reeds hebt Gij mij aanvankelijk geleerd en geleid, maar dat is voor dit arme, moede hart nog te weinig; wanneer zult Gij mij vriendelijk troosten? Zoovele anderen hebt Gij reeds .verkwikt en bemoedigd: komt nu ook de beurt niet aan mij? Aardsche vrienden deden het hunne, maar niets en niemand buiten U, waarbij de ziel waarlijk kan leven; wanneer dan zult Gij mij troosten, die niet menschelijk, maar Goddelijk troost? Wanneer, mijn God, nadat deze dorre ziel reeds zoolang heeft gesmacht naar een dmppelke van hemelschen dauw? De wonde is zoo diep; moet de balsem nog langer terugblijven? Het verlangen is zoo groot: wordt het weldra ten volle bevredigd? Of blijft uw antwoord ook thans, gelijk zoo dikwijls: „nog niet,quot; wanneer dan, Erbarmer, wanneer zal uit den nacht de morgen verrijzen?
Het antwoord blijft Gods geheim, maar de vraag staat vrij, zoo het slechts een beilbegeerig en vertrouwend, een lijdzaam en geduldig vragen mag heeten. O zalig, die alzóo dit vragen geleerd heeft, dat een heilig God hem innerlijk antwoorden kan! Dubbel zalig, die het
Goddelijk antwoord verstaan en zóo diep in zijn hart heeft begraven, dat daar bij alle leed toch geen plaats voor het grootste van alle lijden\', volslagen troosteloosheid, meer overblijft! Stille wanhoop aan alles, zij is iets zoo vreeselijks, en toch zoo verre van zeldzaam, waar men ophield met Éénen te rekenen. O mijn God, bewaar er mij voor, en genees langs uw eigen wonderweg al de smarten, die menschenoogen niet zien kunnen, en men-schenhanden niet peilen. „Wanneerquot; — te spoediger gewis zult Gij mij troosten, naarmate ik minder leer vragen naar het Wanneer, om meer op het Waartoe ook van uwe donkerste wegen te letten. Immers, nog altijd gaat het, gelijk de vrome dichter reeds voorlang heeft gezongen:
„Wenn die Stunden Sich gefundeu,
Bricht die Hülf\' mit Macht herein:
Uiid deiu Gramen Zu beschamen,
Wird es un vers eh ens sein.quot;
IV.
De Trooster zonder wedergade.
Als een, dien zijne moeder troost, zal Ik u troosten; ja, gij zult te Jeruzalem getroost worden. Jes. 66: 13.
Dat is dan het Goddelijk Antwoord op de gedurige vraag van een hart, dat reeds al te lang uitzag naar een Troost, die meer dan illusie mag heeten, en beter dan teleurstelling brengt. „Als een, dien zijne moeder troostquot;; — kunnen wij iets hoogers ons voorstellen, en toch, kunnen
7
wij iets minder, dan juist dit hoogste en beste van den Allerhoogste verwachten? Menschenheil moge ijdelheid zijn, maar toch zijn niet alle menschenharten even kil en ontrefbaar als de onvermurwbare rotsen. Ook een bedachtzame vriendenhand kan een pijnlijke wonde verzachten ; ook een vriendelijke vaderstem een geschokt gemoed doen bedaren; ook een teeder zusterhart de deelgenoot zijn eener verborgen smart. Maar toch, als een Moeder troost,quot; dat is nog zoo iets geheel anders; dat waardeert men eerst recht bij de ervaring, en straks bij het herdenken, als het graf zich voorgoed boven het dierbaar hoofd heeft gesloten. Een moeder als Sara, als Jo-chébed, als Hanna, als Maria, als Monica, als — voeg hier vrij den dierbaarsten naam in, dien gij op aarde gespeld hebt, of zie in uw eigen huisgezin om naar de plek, waar de bitterste tranen gedroogd zijn, maar immers is de slotsom altijd dezelfde, ten ware dan — mnar is dit wel mogelijk? — de mensch in de moeder voorgoed zou zijn ondergegaan. Geen hart zoo ruim als het moederhart, waar een plaats is voor al hare telgen; voor den krijtenden zuigeling en den kwijnenden lieveling; voor den zoon met zijn geschandvlekten naam en de dochter met haar bedrogen hoop. Geen oog zoo diep als het moederoog, dat leest in de ziel, nog voor de mond heeft gesproken. Geen woord zoo weldadig als het moederwoord, dat den juisten toon tusschen het al te hard en het al te zacht weet te vinden, en dóórdringen kan, waar geen andere stem meer verstaan wordt. Geen hand zoo zacht als de moederhand, die balsemen kan, zonder bij vernieuwing te wonden, en zelfs den diepstgebogene opheft, en niet rust voor zij) als zij kan, de laatste wolk van uw voorhoofd weggevaagd heeft....
8
En zóo kunt, en zoo zult Gij uw zondig menschen-kind, zoo wilt Gij ook mij nog troosten, üntfermer, voor wien zelfs de vadernaam nog te zwak is, zoodat Gij U te gelijk met de teere, zwakke menschenmoeder vergelijkt, Gij, de Heer des hemels en der aarde, de getrouwe God des ver honds? O, reeds het denkbeeld is verrukkelijk voor allen, die waarlijk in Christus U kennen, en toch, het is méér dan een droom. Het is de zalige ervaring van millioenen geweest; \'net kan de mijne nog dezen oogenhlik worden, ja, het zal die ontwijfelbaar zijn, mits... mits ik slechts den diepen zin ook van dit woord heb verstaan: „Ja, gij zult te Jeruzalem getroost wordenquot;. Zoo is het; te Jeruzalem, niet te Bahel; in Gods gemeenschap, niet daarbuiten; in Bethel, niet in Beth-aven, het huis der ijdelheid. Slechts dicht hij God hervindt het troosteloos hart nog hooger dan de vreugde, den vrede van wie kan zeggen: „Uw toorn is afgekeerd, en Gij vertroost mij.quot; O Vader, trek Gij-zelf dit weerspannig harte tot U, gelijk moeder weleer het moegeweend kind wel aan haren schoot wist te troonen; en dan... volbreng aan mij den vóllen raad uwer Liefde!
V.
Te weinig?
Zijn de vertroostingen Gods u te klein1? Job 15 ; lla.
Eene vraag van Elifaz aan den lijdenden Joh, die natuurlijk niets minder dan de sterkst mogelijke ontkenning
9
moet aanduiden, en later tallooze malen, zelfs werktuigelijk, ook van Christelijke lippen herhaald is geworden. Werkelijk wijst die vraag op eene schijnbare Ongerijmdheid, en waarachter zich toch niets minder verbergt dan — eene ontroerende Mogelijkheid. „De vertroostingen Gods te klein,quot; en dat nog wel voor iemand, die zegt Hem te kennen en lief te hebben: — in waarheid, bij het eerste hoeren klinkt het even bespottelijk, alsof men vroeg: is de zee soms niet ruim genoeg, of anders het licht van den helderen middag te donker? Denkt slechts aan den hemelschen oorsprong dezer vertroostingen, door het Evangelie óns nog zooveel luider dan den grootsten Lijder der oudheid verkondigd; ontsprongen aan het Vader- en Moederhart van Hem, die over zijn zuchtend kind geen andere heeft dan gedachten des vredes. Denkt aan den rijken inhoud van den troost, die letterlijk alles bevat, wat de Mensch, de Zondaar, de Christen dagelijks bij vernieuwing behoeft, om hem te wapenen tegen den drievoudigen vijand, de Zonde, het Lijden, den Dood. Denkt aan de weldadige strekking van dien troost, waardoor het hart niet slechts verkwikt wordt, maar waarlijk genezen, ja, zóo vernieuwd en Gode geheiligd, dat ook uit het tranenzaad straks een oogst der heerlijkste vreugde ontluikt. Denkt eindelijk, om niet meer te noemen, aan de veelszins beproefde kracht dier vertroostingen , waarvoor ook de hoogste lofspraak te kort schiet. Waar was de nood, waarvoor hier geen baat wordt gevonden? Waar de eeuw, waarin zij niet langer heeten konden proefhoudend te zijn? Waar het welgestemd hart, waaraan zij geheel vergeefs werden aangeboden? En wat voor de geloofsreuzen van alle eeuwen, voor Patriarchen en Profeten, voor Apostelen en Martelaren, voor de grootste
10
kruisdragers in een woord, meer dan genoeg was, het zou voor tal van dwergen in onzen tijd wel wat weinig zijn! Voor een Job zeker volkomen voldoende, maar voor Mijnheer A of Mevrouw B toch te min. Maar dan moeten toch die menschen al zéér groot zijn, of — Gods vertroosting zeer klein, dat die voor hén zoo ten eenenmale te kort schiet!
En toch, hoe ongerijmd het ook schijnt, toch bestaat er eene ontroerende Mogelijkheid, dat die onschatbare vertroostingen te klein geacht kunnen worden. Wat méér is, hier is eene droeve werkelijkheid, waarover wij ons nauwelijks zouden mogen troosten, deed niet Gods Woord het licht ook in dit duister verrijzen. Of hoe staan de meeste lijders tegenover de vertroostingen Gods? Ach, het is maar al te mogelijk die te hooren, zonder ze te aanvaarden; te aanvaarden, zonder ze te genieten; te genieten, zonder getroost te blijven en waarlijk geheiligd te worden. Wat méér is, men kan ze aan anderen brengen , zonder er zélf altijd de volle kracht van te smaken; men houdt zich dan groot, maar God weet, wat er soms omgaat in het hart, terwijl de mond van zoo liefelijke dingen getuigt. Als omringd van milde troostbronnen, gelijkt men een dorren akker; men heeft het slechts voor het scheppen, als die zeelieden, die schier vergingen van dorst, omdat zij nog niet wisten, reeds uit het zilte in het zoete vaarwater gekomen te zijn, en men versmacht in den schoot van den overvloed. Ja, waar is ook de vrome, die niet nu en dan het hoofd beschaamd ter aarde zou moeten buigen, indien tot hem persoonlijk de vraag gericht werd; „zijn de vertroostingen Gods u te klein?quot; Treurig, onrustwekkend verschijnsel! Ligt misschien de oorzaak in wat Elifaz in éénen adem laat volgen: „of
11
schuilt er ook eenige zake bij u?quot; In dat geval zou niet bij God, maar alleen bij mij de schuld kunnen liggen van zooveel armoede tegenover zoo onnaspeurlijken rijkdom! — Maar dat is om stil bij te worden; dat moet ik onverwijld onderzoeken....
VI.
„Yrees niet, Ahram!quot;
Vrees niet, Abram! [k ben u een schild, uw loon zeer groot. Gen. 45 : l^.
Een van die woorden Gods, die wel verdienen zouden met groote letteren in iederen Bijbel gedrukt te staan. Het eerste „vrees niet,quot; zoover wij weten, in de geschiedenis der oude Godsopenbaring, dat later nog zoo dikwijls herhaald wordt. Wèl moet de vrees ons al zeer diep in het bloed zijn gedrongen, dat zelfs voor den Vader der geloovigen zulk een Godswoord oogenblikkelijk noodig kon zijn. Was wellicht de hooge spanning en stemming des gemoeds, waarvan het vorig Hoofdstuk doet blijken, door diepe inzinking van geestelijke krachten gevolgd? Staan de vijf verwonnen koningen als schrikbeelden vóór hem, of voelt hij zich dubbel eenzaam na de scheiding van Lot? Althans, de hemelsche Vriend weet wel, dat en waarom deze Abram juist heden een vriendelijk „vrees nietquot; behoeft, dat niet zijn eigen hart, maar slechts zijn God hem kan toespreken, en Hij verdrijft iedere onrust uit dat hart door wat Hij er onmiddellijk bijvoegt: „Ik ben u een schild, uw loon zeer
12
grootquot;; uw schild tegen iederen vijand, uw loon voor ieder smartelijk offer. O, hoe verstaat onze God het geheim, om tot den moede een woord ter rechter tijd te spreken! Al wat zijn hart bezwaart mag Abram vrij voor Hem openleggen; hij kan zich van een antwoord verzekerd houden, dat zijne stoutste hoop overtreft; en nu, waar is straks de vrees, die zijn bang gemoed had vervuld? Verdwenen, als een vluchtige wolk aan den avondhemel , waarop zijn God hem deed staren, en vervangen door een geloof, dat zijn God hem tot gerechtigheid rekent.
Zoo werd Abrams geloof geschokt, gesterkt, geoefend, gekroond: en nu het onze, zoovelen wij erfgenamen der Godsbelofte geworden zijn? Helaas, zijne vrees kennen wij slechts van al te nabij, maar zijne innige gemeenschap met God, maar zijne volle oprechtheid voor God, ook ten aanzien zijner eigen zwakheid; maar zijn onbezweken zielsvertrouwen op God, dat ook aan een nog onbegrepen woord zich onwankelbaar vastklemt? Ach, daarom zijn wij zoo jammerlijk kleine, zwakke, voor ons zeiven innerlijk ongelukkige menschen, omdat wij zoo jammerlijk zwakgeloovige, indien ook al aanvankelijk ge-loovige Christenen zijn! Wel hebben ook wij gedurig noodig, uit de enge ruimte onzer wankele tent door hooger hand tot onder het onmetelijk dak der hemelen als „uitgeleidquot; te worden, en de geheimzinnige stem te vernemen : „zie nu op naar den hemel.quot; Maar hoe dikwijls spreekt die stem tevergeefs; wij laten ons afleiden, maar niet opleiden; misleiden, maar niet voortleiden; en wordt eindelijk het oog wat hooger dan de aarde gericht, wij zien de sterren niet, maar altijd weder de zevendubbele wolken, zonder éen purperen of zilveren zoom. Wij zijn als die wijzen in het Oosten, die den nacht op hunne wacht-
13
torens bij hunne kunstglazen doorbrachten, in plaats van zich liever op te maken, en zelve op nader onderzoek uit te gaan, onderzoek van die sterren vooral, die heen-wijzen naar het Land der belofte. En toch zijn er zoo veel, zoo vast, zoo vriendelijk voor wie slechts haar schrift weet te duiden, want „zoovele beloften Gods als er zijn, ze zijn Ja en Amen in Christus, Gode tot heerlijkheid door ons.quot; O Gij, die ons het opzien gebiedt, ontsluit en verhelder zélf ons het oog, en, groote Ontfermer, als ook wij klein en zwak genoeg zijn van te sidderen voor een pijn, die mogelijk nooit geleden zal worden, och, herhaal dan ook tot ons in zulke stille schemerstonden der ziel het woord, dat niemand zoo kan spreken als Gij; „vrees niet. Ik ben u een schild, uw loon zeer groot!quot;
„Uit de Engte naar de Ruimte,
Uit de Diepte naar Omhoog Voert de trouwe Heer de zijnen,
Eu doet — Woudreu voor hun oog.quot;
VIL
Een dwalende opgezocht.
En de Eugel des Heeren voud Hagar aan eene waterfontein in de woestijn.
Gen. 16 ; 7a.
. „Ik ben Eenzaam en Ellendigquot; — ieder dezer twee Psalmwoorden omvat soms eene kleine wereld van smart, maar in wat menschenziel hebben die ooit te zamen zoo pijnlijk weerklonken, als weleer in die dei verstooten\' en vluchtende Hagar? Eerst zoo hoog verheven, en nu zoo
14
diép vernederd; in blijde verwachting, en te gelijk in angstige vrees; verbitterd, bekommerd en ten eenenmale verlaten, zoo zit zij daar aan de waterfontein in de wildernis , en droomt reeds van Egypte, waarheen zij weder wil keeren, terwijl zij den zegen van Abram\'s tente voor altijd achter zich laten zal. Maar zoo ook wordt zij, de arme slavin, gevonden duor Hem, naar wien zij allerminst zocht; gestuit, gegrepen, gered als aan den rand van den afgrond, en — het sta tot eeuwige eer van den Erbarmer geschreven, die, zoo hoog gezeten, zoo diep zich neder kan buigen! — de eerste verschijning van den Engel des aangezichts, waarvan de Bijbel gewaagt, valt aan déze armste der armen op haar jammerlijk dwaalspoor ten doel. Het heerlijk vervolg der geschiedenis kennen wij... maar, o mijn hart, kent gij mede die bittere Hagars-urc, waarin ook gij in den diepsten zin des woords u niet slechts eenzaam, maar ellendig gevoelt, en daar neerzit met een bedrukten geest, een ontrust geweten; vernederd voor de menschen, maar nog niet gebogen voor God; kennelijk op weg van dwalen, van dalen, van u zeiven geheel te ontzinken, en, verhoedt God het niet, ook te ontvallen aan Hem? Zoo lees en leer dan wat hier als tusschen de regels geschreven staat: daar is een God, die het weggedrevene zoekt, en zich neerbuigt ook tot wat menschen nauwlijks opmerken, veel minder ophelfen zouden. Daar is misschien véél, maar toch ook weder nog niets verloren, er behoeft althans nog niets verloren te zijn, zoo gij u slechts door den goeden Engel laat vinden, die u juist ter goeder ure komt zoeken, en het oor niet afkeert van de dubbele vraag, die hij ook u op zulk een keerpunt met verhoogden nadruk doet hooren: „van waar komt gij, en — waar
15
zult gij heengaan?quot; Alleenlijk, iaat uw antwoord, als dat van Hagar, volkomen waarheid zijn, al moet het zelfbeschuldigend klieken, en laat u leiden, als zij, op den weg der diepste verootmoediging, waarop een ontfermend, maar heilig God u wil zien. Zelden wandelen wij veiliger dan in de diepe dalen des ootmoeds, waarin wij onder stille tranen ons bezoedeld voorleden begraven, en voor de toekomst niets hoogers begeeren, dan wat de eeuwig Getrouwe aan het gebroken, maar voor Hem gebogen hart heeft beloofd. De waterbron, waarbij wij eerst moedeloos neerzaten, wordt straks ook voor ons een „put des gezichts/\' en wij aanschouwen, door alle nevelfloers heen, achter de vernedering de eer, na de woestijn het land der belofte, en boven beide het vriendelijk aangezicht van Hem, die ons nabij was, toen wij Hem ver konden wanen, en onze ellende aanzag terzelfder ure, dat wij die hopeloos noemden.
Ziele, gelooft gij dit? Twijfelmoedige ziel, wilt gij dat waarlijk blijven gelooven? En gij, die, zeker niet buiten eigen schuld, dit geloof hebt verloren, zeg, kunt en wilt gij den Eénige, die u helpen kan, met rust laten, tenzij dan, dat ook gij met tranen in de oogen kunt juichen: „Hervondenquot;?
Vlll.
„Jozef is er niet.quot;
Jozef is er niet. Gen. 42 : 30m.
Onder al de Aartsvaders zeker niet éen, wiens levensgeschiedenis de sporen van zooveel droevigs en zondigs
16
vertoont, als die van den aartsvader Jakob, en wederom in Jakobs geschiedenis geen Hoofdstuk, dat sterker ons aangrijpt, dan dat het opschrift: ,,Jakob zonder Jozefquot; vertoont. Het tekstwoord verplaatst ons als in het hart van dat somber tijdperk zijns levens, en biedt ons tevens gelegenheid om diep in het zijne te staren. „Jozef is er nietquot;, die klaagtoon van den jammerenden grijsaard, eer hij voorts zijne verdere grieven vermeldt, sluit op eenmaal voor ons oog een wereld van zielesmart open. Dat ook Simeon er niet is, dat men hem nu ook Benjamin wegnemen wil, \'t moge hem de diepste bekommering baren, maar wat is het, vergeleken bij dat ééne en groote: „Jozef is er nietquot; ? Dat is eigenlijk de doorn bij uitnemendheid in dit overgevoelige vleesch; dat het groote vraagteeken in zijn levensboek, dat daar reeds jaren lang stond, zonder bevredigend antwoord te vinden; dat verreweg het zwaarste van al deze dingen, die tégen hem zijn. Ach, hoe nameloos veel heeft hij ook in dien éénen Jozef verloren, en op wat ontzettende wijze, en met hoe geringe vergoeding! Neen, wij durven hem niet hard vallen om een zielekreet, die het ons op eenmaal doet hooren, hoe het hart van Jakob doorboord, hoe de schuld van Jakob bezocht, hoe de moed van Jakob gebroken is. Gij allerminst zult over dat neergebogen hoofd den staf der veroordeeling breken, die daar ook vroeger of later gestaan hebt, mogelijk wel op dezen oogenblik staat als één, die de kostbare vaas zijner hoop voor zijne voeten aan scherven geslagen ziet; wien het zijn kan, alsof hij tegen zich alléén van verschillende zijden alles ziet opkomen, en die bij zooveel bitters juist nu met verhoogde pijn de oude zielewonde voelt branden, en in het zwarte rouwkleed, bij den aanblik van
17
een ledige plaats, van een sprekende beeltenis jammert:
„die ééne en éénige is er niet!quot;.....
Ach, \'t valt ook zoo hard, \'t is ook zoo natuurlijk; en toch, zou het wel goed, wel wijs, wel christelijk zijn, \'t gemis van dien éénen Jozef te plaatsen aan het hoofd van de lijst der dingen, die „tegen onsquot; schijnen? Maar Jakob althans heeft later al den tijd gehad om zich over zijn kleinmoedig klagen te schamen , en wij, die de heerlijke ontknooping juist van dit donker deel zijner geschiedenis kennen, wij hebben daarin als in een helderen spiegel „het einde des Heeren gezien, dat de Heer barmhartig is en een Ontfermer.quot; Floe blijkt het ook hier weder, dat Gods wegen anders zijn, ja, maar ook zijne gedachten oneindig hooger dan de wegen en gedachten der menschen ! — Jozef is er niet, maar juist alzoo wordt Jakob gelouterd. De zichtbare grove afgoden van Laban heeft hij lang reeds verbroken, maar nu moet ook de laatste afgod hierbinnen van zijn voetstuk gerukt, opdat God alleen zijn Eén en zijn Alles zou zijn: hoe kan zonder dat de Jakob ooit een Israël worden? — Jozef is er niet, maar juist alzoo wordt Jozef gevormd voor de schoonste levensbestemming, want niet door de vaderlijke tent, maar door den vreemden kerker henen loopt voor hem de weg tot den troon. Ach, de smart maakt ons zoo dikwijls zelfzuchtig, en de zelfzucht doet ons zoo spoedig vergeten, dat ons gemis voor hen, die wij liefhebben, wel eens een oorzaak zijn kon van tijdelijk of eeuwig gewin! — Eindelijk, Jozef is er niet, maar juist alzoo wordt beiden Jakob én Jozef de zaligste vreugde bereid, als de ure des wederziens aanlicht, en de zoolang betreurde eindelijk nog, eer het breekt, aan het juichend vaderhart rust. Is het noodig, het slot van het
18
onnavolgbaar schoon verhaal te herlezen, en in het grijs voorleden de profetie eener eeuwige toekomst te zien? O mijne ziel, pleeg met d\'ervaring raad, dan wordt uw klagen prijzen! Oog Jakob, Jozef, Jezus na, en reken, zoo gij in den geloove volhardt, op de wisse komst eener ure, mogelijk aan deze, zeker aan gene zijde des grafs, waarin gij met stille verbazing ontdekt, hoe alles, wat hier tégen u scheen, toch eindelijk vóór u moest worden, en hoe dengenen, die God liefhebben letterlijk alle dingen moeten medewerken ten goede, ook het zwaarste rouwgewaad der ziel, over levenden of dooden gedragen. En gij, die, misschien zelden overluid, maar te meer in stilte blijft zuchten: „Jozef is er nietquot;, leer eindelijk met een zaligen glimlach op het vochtig gelaat dit veel groo-tere woord te herhalen: Jezus is er toch, en Hij alleen is mij, ook waar ik van alles beroofd ben, in leven en sterven — genoeg.
IX.
Doorblaakt, niet verteerd.
En de braambosch werd niet verteerd. Exod. 3 : 211.
„Niet verteerd.quot; „Nee tamen consumebatur.quot; Een der- Hervormde kerken van ons werelddeel koos dat zinrijk randschrift voor haar zegel, een brandenden braambosch. Het zinspeelt, gelijk wij reeds weten, op het gewijd verhaal, betrekkelijk de eeuwig gedenkwaardige plaats, waar de Heer het eerst aan Mozes verscheen in
49
de ure zijner profetische roeping. De braambosch nabij den Horeb, doorblaakt van den machtigsten gloed, maar toch niet gezengd of verteerd; — treffend Beeld van dat Israël, felbenauwd van zijner jeugd af aan, niet alleen bij den Egyptischen ticheloven, maar door alle eeuwen heen zijner wondergeschiedenis; telkens getuchtigd, vernederd , als aan den rand van den afgrond genaderd; en toch kennelijk bewaard, gered, uit de diepte weer opgevoerd door een hooge hand en een machtigen arm, en nu nog altijd, zelfs na zijne eeuwenlange verstrooiing, dat eeuwig volk, dat zijne geheel éénige plaats bekleedt onder al de volken der aarde. Sprekende gelijkenis tevens van de lijdende en strijdende, maar altijd weder beschermde, herstelde, zegevierende Godsgemeente, sinds den aanvang der apostolische eeuw tot bet einde ■ der tegenwoordige toe! Maar mag het niet tevens een heldere spiegel heeten van het leven en lijden, uit- en inwendig, van zoovele geliefde kinderen Gods ook in onze omgeving, blootgesteld aan, maar ook, bijna zeiden we, wonderbaar gespaard en bewaard te midden der bangste verdrukking ? Zie, terwijl de prachtige eiken om hen henen verschoond blijven, wordt de zwakke, nederige braamstruik geteisterd; terwijl de reuk des vuurs, om dus te spreken, niet door de kleederen van menigen were Idling gaat, wordt de oven der beproeving voor menig kostbaar geloofsgoud gestookt tot zevenvoudigen gloed. Waarlijk, het verrassend gezicht verdient te gelijk een bevreemdend raadsel te heeten, althans voor wie den moed mist om met Mozes te spreken: „Ik zal mij nu daarheen wenden en bezien, waarom de braambosch niet verbrandt.quot; Immers, onder allerlei vormen herhaalt zich nog altijd hetzelfde verschijnsel, ja, een dubbel raadsel doet hier bij opmerk-
2*
20
zame beschouwing zich voor. Vanwaar komt het, dat juist die hraambosch zoo branden moet, en wederom, hoe mag het komen, dat hij, niettegenstaande den feilen gloed, niet verteert ?
Zoo vragen wij nog dikwijls, onwillekeurig ontroerd bij den blik op zoo oneindig veel lijden rondom ons en in ons; maar treden wij, als Mozes, Gods heiligdom binnen, een nieuwe Openbaring verrast ons van Majesteit en Heiligheid aan de eene, maar ook van Genade en Trouw aan de andere zijde. Ja waarlijk, hier is de Heer in het vuur der beproeving, dat voor zijn aangezicht uitgaat om de zonden der zijnen te bezoeken, hunne verkeerdheid te louteren, hunne onreinheid te verteren; zijne openbaringen zijn te gelijk oordeelen, maar zijne oor-deelen mogen levens verlossingen heeten. In den vuurgloed komt Hij-zelf met nederbuigende ontferming, om hunne ellenden te zien, hunne tranen te drogen, hunne boeien te slaken, en in eeuwigheid blijft Hij gedachtig aan het verbond zijner genade. Ja, de braambosch moet branden, want waar een heilig God met een zondig schepsel in aanraking komt, daar kan het niet gaan zonder bezoekingen, louteringen, uitstralingen eener Majesteit, die nu eenmaal niets gedoogt, wat met hare innerlijke Heiligheid strijdt. — Doch waar nu de gloed dezer Majesteit schittert, neen, daar verteert zij daarom niet wat haar nauwelijks schijnt te kunnen verdragen; de braambosch moet, maar. kan ook branden, ja groenen in de roode vlam, omdat God in haar is, als in zijn tempel van onverbrandbaar hout. Hij, die het volk zijns eigendoms loutert, spaart en bewaart dat onvergankelijk leven, dat in Hem is gegrond en geworteld. Hij „behoudt zijn werk in liet leven in het midden der jaren; te mid-
21
den van den toorn gedenkt Hij des ontfermensquot;, en het laatste „groote gezichtquot;, dat, de laatste Godsman met aanbiddend zielsverrukken aan het einde der eeuwen zal zien, \'t zal zijn — een doorlouterde Godsgemeente, onsterfelijk groenend tot in de vlammen van den jongsten wereldbrand, „doorblaakt, maar niet verteerd.quot;
Heerlijke openbaring! Zou er ook voor ons geen Roepstem in klinken, als te dien dage voor Mozes, en wat heeft die roepstem ons te zeggen; ons, die soms van zeer nabij zulke raadsels aanschouwen, ja, wier eigen leven misschien wel eens tijdperken vertoonde, die daaiquot;-aan onwillekeurig deden denken? Leere de H. Geest zélf ons het rechte antwoord verstaan! Zooveel is duidelijk, vlammen en vonken zijn het ergste niet, dat wij in het doornenbosch dezes levens te duchten hebben, en dus ook niet. onvoorwaardelijk af te bidden. Het.zijn raadselen, maar [die vroeger of later voor het geloof tot lichtstralen worden, en ,,niet verteerd te wordenquot;, ziedaar, waarop het ten slotte slechts aankomt, maar waarvan ook het Israël Gods in de menschheid zich vast verzekerd mag houden. Zijn en blijven wij waarlijk des Heeren, om het even hoe het ook loope, het oude zegelschrift der Schotsche kerk zal het laatste woord ook onzer geschiedenis zijn; „nee tamen consumebatur.quot; „Als door het vuur heenquot; worden wij behouden, maar toch, wij komen er, en is de vlam eenmaal gebluscht, de planting Gods praalt in eeuwigen luister, maar voortaan — zónder louterend vuur.
\'22
X.
Langs een Omweg.
God leidde liet volk niot op den weg van liet laud der Philistijuen, hoewel die nader was, maar God leidde het volk om, langs den weg van de woestijn der Schelfzee.
Exod. 13:17«, 18».
„De rechte lijn, de kortste afstand tnsschen twee van elkander verwijderde punten.quot; Dat hebben wij reeds in onze kindsheid gehoord, maar wie werd jongeling en man, zonder telkens opnieuw te ervaren, dat de levensloop lang niet altijd aan de rechte, maar veeleer aan de gebogen en kronkelende linie doet denken? Inderdaad, op het gevaar af van iemand de spottende vraag te ontlokken, of dan in onze oogen de wegen des Heeren „niet rechtquot; zijn, durven wij vrijmoedig beweren, dat op het gebied van het aanbiddelijk Godsbestuur juist de golvende lijn die der hoogste schoonheid mag heeten, ja, geen zeldzame uitzondering, maar veeleer doorgaande regel blijkt te zijn in de volvoering van zijn raad met de zijnen. Langs een omweg leidt God zijn volk naar bet land der bestemming. Israël komt niet langs den kortsten weg, door het gebied der Philistijnen, in Kanaan, maar het moet zich den langen, langen tocht door de woestijn der Schelfzee getroosten. Een zonderlinge keus, zou men zeggen, en toch — met hoevelen is het vroeger en later niet anders gegaan? Zeker, God kent alleen het naaste pad, maar Hij kiest en gaat het daarom lang niet altijd;
23
Hij leidt langs het beste ons heen, al blijkt het dan ook langer en steiler. Wat is, om maar niet verder terug te zien, het gansche verblijf van Mozes in Midian anders dan zulk een schijnbaar doellooze omweg? Langs een omweg over Hebron komt David op den langbeloofden troon te Jeruzalem, en de groote Davidszoon, waarom moet Hij als kind van Bethlehem naar Nazareth juist door Egypte -gevoerd worden, en waartoe loopt zijn lijdensweg van het rechthuis van Pilatus naar Golgotha ook door het paleis van Herodes ? Üp wat wijze wordt Paulus\' verlangen om Rome te zien ten langen leste vervuld, en Onesimus, die als dief zijnen meester ontloopt, langs wat weg keert hij tot hem als christen terug? Langs een omweg, schijnbaar doelloos en willekeurig gekozen; van oponthoud, tijdverlies, verloren moeite zouden wij soms geneigd zijn te spreken, en toch..... „Langs een omwegquot;, \'t kon het opschrift zijn op de jaarboeken van de geschiedenis der Kerk, der Zending, der Wereld. Nog meer; herhaalt zich dezelfde regel niet telkens, ook op het gebied van het geestelijk leven? Zeker, van het oogenblik af, dat gij met een waarachtig geloof den Heiland hebi aangenomen, zijt gij behouden van den toekomenden toorn ; maar zijt, voelt, toont gij u nu waarlijk in ieder opzicht ook een verloste des Heeren ? A ch, hoeveel stilstand, oponthoud, teruggang in de kleine wereld daarbinnen; hoeveel omwegen, die ons telkens verder schijnen af te voeren van het doel onzer aardsche en he-melsche roeping! Wij dachten ons dichter dan ooit bij de haven, en op eenmaal zijn wij verder af dan te voren, en het scheepken is weer teruggeslingerd in de onstuimige baren. Waarlijk, men behoeft geen profeet te zijn, om uit \'s harten diepsten grond eens Profeten woord te
24
herhalen; „Ik weet, o Heer, dat bij den menseh zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijnen gang richtequot; (Jer. 10:23). De sterrekundige, die zijn kunstglas naar den hemel gekeerd heeft, weet van de theorie der nevelvlekken te gewagen; het volk des Heeren, dat het ruischen zijner voetstappen in liet heiligdom der geschiedenis hoort, mag met even zooveel recht van de theorie der omwegen spreken.
Langs een omweg; — God doet alzoo met wijze reden, en Hij wil, dat de mensch het zal opmerken, opdat zijn geloof niet zon ophouden, ook niet, wanneer het geheel anders gaat, dan men had gedacht en gedroomd. De kortere weg — het tekstverband leert het, — zou in dit geval voor Israël juist de minder geschikte geweest zijn, daarom kiest God den langeren. Juist omdat de eeuwige quot;Wijsheid met den tijd volstrekt niet te rekenen heeft, rekent zij te meer met onze diepste behoeften en nooden.\' De omwegen zijn de Meestertrekken op de kaart, ons door hooger vinger geteekend, en wie spreekt het uit, wat al onvergetelijke ervaringen, zijner ziele ten eeuwigen zegen, hij juist aan den omweg te danken had! Straks blijkt die de beste, en voor óns ten slotte de naaste. En wij zullen klagen, weerstreven, vooruitloopen? Oneindig beter zal de geloofsroem ons voegen:
„Zoo hoog als uw gedachten zijn,
Zoo diep zijn vaak uw wegen.
En schoon dan nu mijn lijdenspijn Me een onbegrijpelijk raadsel schijn\',
\'t Komt uit uw Raad mij tegen:
\'t Wordt eenmaal heerlijk opgelost,
En wat mij hier nog tranen kost,
Brengt ginds een oogst van zegen!quot;
(Lange.)
25
XI.
Tan Mara naar Elini-
Toen kwamen zij (van Mara) i.e Elim. Ex. 15: 27a.
Met recht heeft het vroom geloof door alle eeuwen in Israels woestijnreis een sprekend beeld, niet slechts van menig menschelijk , maar ook in breede trekken van het Christelijk leven gezien, en al is hier ook niet weinig, dat zich niet of nauwlijks laat overbrengen, in menigen historischen trek staat nog altijd de uitdrukking eener eeuwige waarheid te lezen. „Langs een omwegquot;, zóo ging het toen; zóo gaat het nog telkens op den tocht naar het hemelsche Kanaan, en op dien omweg ontbreekt het allerminst aan steenen des aanstoots. Maar, Gode zij dank: „van Mara naar Elimquot;, ook dat is nog iets meer, dan een oud reisbericht; dat is in geestelijken zin een levenssymbool, overwaard, met goede oogen gezien, met beide handen gegrepen te worden. Aan Mara\'s ontbreekt het allerminst in dit land der beproeving; aan plekken, waar wij verkwikking wachten, en bittere teleurstelling vinden; het kan en mag er niet aan ontbreken, al ware het alleen om ons te herinneren, dat de Egyptische weelde voor altijd achter ons ligt. Maar toch, wij leeren er niet enkel de bitterheid des levens, wij leeren er ook het groote geneesmiddel kennen: het geheimzinnige hout, dat al het bittere zoet maakt; en nu gaat het, op Gods tijd en wenk, met zijne verlosten weder door de diepte naar boven, door gemis tot genot, door strijd tot ver-
26
poozing, van Mara naar Elim, „en daar waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmboomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren.quot;
Dat twaalftal fonteinen, hoe laaft het den dorst!
Dat levende water, hoe koelt het de borst!
Hoe spelen de kindren op \'t donzen tapeet,
Hoe (luistren de moeders, bekomen van \'t leed:
„O bronnen van \'tland, reeds van verre gegroet,
„Waar melk en waar honig steeds stroomt voor den voet, „O Libanons ceder, door \'t zonlicht gekust,
„Wanneer biedt uw schaduw ons schuilplaats en — rust?quot;
Hier reikt reeds een knaap aan een jongling de hand.
Daar droomt reeds een grijsaard van \'t betere land.
„0 Kanaan, zoo heerlijk omhoog en beneên,
„Wanneer zal de pelgrim uw bodem betreen?quot;
Met stralende blikkeii staat mozes alleen.
Geduldig bij alles wat dreigt om hem heen.
Geen Jaren des jammers, geen Graven der lust \')
Verstoren op heden zijn zalige rust.
Bij waatren des levens , daar rust men zoo goed;
Bij groenende palmen, daar groent weer de moed!
Gods wolkkolom wijst ons liet veilige spoor,
En nacht wordt het nimmer, licht Hij ons slechts voor.
T
Mijn Broeder of Zuster, kent ook gij zulk een liefelijk Elim; ziet gij het misschien op uwen kruisweg op eenigen afstands reeds vóór u? Scheid dan van dit blad in uwen Troosthijhel niet, zonder drie eenvoudige lessen mede te nemen. — Zie vaak uit Elim naar Mara terug; dat zal uwe dankbaarheid voor het liefelijk heden te overvloediger maken. — Verwar het aardsche Elim met het hemel-
1) Num. H : 34. — Naar het Hoogd. van A. Knapp.
I
27
sche Kanaan niet; palmboomen zijn nog geen wijnstokken, oasen nog geen paradijzen; Elim kan van het beloofde land profeteeren, maar het nimmer vergoeden. — Eindelijk, klaag niet te zeer, als gij weder spoedig van Elim optrekken moet. De rust behaagt ons doorgaans meer, dan zij ons werkelijk dient. Opmerkelijk , dat reeds Israels eerste pleisterplaats na Elim een scbouwtooneel van ontevredenheid en wederspannigheid wordt. Zóo zijn wij, en ook daarom is het zeker goed, dat ook te Elim het „rust een weinigquot; gehoord wordt. Ook Elim ligt straks, gelijk Mara, achter ons, maar het Betere komt, en — het blijft.
XII.
„Alzoo bleven wij.quot;
Alzoo bleven wij in dit dal tegenover Beth-Peor.
Deut. 3: 29.
Er zijn enkele berichten in den Pentateuch, die bij alle kroniekmatige kortheid en dorheid niet weinig te denken geven. Zoo is bet ook met dit schijnbaar zoo onbeduidende woord uit het laatste jaar van Mozes\' levensgeschiedenis, wanneer wij daarop het licht laten vallen van zijn merkwaardig verband. Pas heeft de Godsman met den vurigsten aandrang de bede ontboezemd om opheffing van het vonnis, dat hem van Kanaan scheidde. Maar vergeefs; het is, alsof God vergeten heeft genadig te zijn;
28
hij mag het land der belofte aanschouwen, maar heeft verder niets te doen dan Jozua aan te stellen, en op zijn eigen doodsuur te wachten. En nu, nadat hij vruchteloos de berghoogte des gebeds heeft bestegen, blijft hij mede in het lage dal, waar Israël nog tijdelijk toeft. „Alzoo bleven wijquot;, het zwaard in de ziel, geen enkele klacht op de lippen, zonder te weten hoelang, zonder te begrijpen waartoe. „In dit dalquot;, ja, wel een dal in den dubbelen zin van het woord voor een Mozes-ziel, die tot zulke berghoogten steeg, ver boven de hoogte van Pisga; hier, waar het uitzicht in ieder opzicht beperkt, het wachten eentonig, het leven vreugdeloos is; in het gebergte Abarim, later aan den Baalsdienst gewijd. „Tegenover Beth-Peorquot;, waar hij na de volbrachte veertigjarige woestijn-reis voor \'t weerspannig Israël nog eens de wet mag her-halen, maar zonder zelf het evangelie te hooren, dat ook hem het land der belofte ontsloten is. Is het niet hard, zou het niet al te hard mogen heeten, indien er geen hemel was, die vergoedt wat de aarde nimmer kan geven?
— „Alzoo hieven wijquot;.....neem den spiegel vóór u, gij,
die zoo spoedig zelfs over geringe teleurstelling klaagt! Gij niet minder, kloeke, hoogstijgende geest, wien het zoo eng kan zijn in de kleine kluis, in den prozaïschen kring, bij de eentonige, schijnbaar zoo ondankbare taak; die reeds zoolang naar een Bethel op aarde gezocht hebt, en nog niet anders dan een vreugdeloos Beth-Peor gevonden. Hierin is de lijdzaamheid en de volharding der heiligen, het beginsel onvoorwaardelijk tot het zijne te maken: „heeft God geen haast, ik heb óok geen haastquot;; Hem niet anders, niet korter, niet lichter te dienen, dan Hij ons in dienst heeft gesteld, en den Psalm van het gespeende kind te herhalen, als ons nog het volle lied
29
der eeuwige verlossing niet van de lippen kan stijgen. „Mijne ziel is als een gespeend kind in mijquot;, hoevelen zingen het werktuigelijk na, zonder van verre te beselfen, wat het soms kost! Te Beth-Peor wil men niet blijven zonder nadere voorwaarden; niet te lang, niet te eenzaam, niet zonder buitengewone vergoeding. Ach, hoe ver blijft de beste beneden Mozes terug, wiens leven met een tijdperk van schijnbaar nutteloos wachten begonnen en ook besloten is. Heer, zoo het U behaagt mij in déze school te geleiden, laat het vooral niet ontbreken aan het bijzonder onderwijs van uwen Heiligen Geest!
X1H.
Niet traag, maar rustig
Zit stil, mijne dochter, totdat gij weet, hoe de zaak zal vallen; waut die man zal niet rusten, tenzij dat hij heden deze zaak voleindigd hebbe.
Ruth 3:18.
Onder de liefelijkste vrouwengestalten uit de geschiedenis des Ouden Verbonds staat zeker, naast de Moabie-tische Ruth, de zwaarbeproefde Naomi vooraan. Naómi, eerst de liefelijke, gelukkige, liefhebbende gade en moeder, straks als arme weduwe de droeve Mara, maar die aan God zich blijft vasthouden, en hare trouwe schoondochter met al de kracht harer laatste zwakheid blijft steunen. Voor zich zelve begeert zij niets meer, maar
30
het geluk van haar kind blijft haar innig ter harte gaanT waar zij pas weder te zamen te Bethlehem kwamen. Hoe spreekt dat trouwe moederhart, waar zij met blijdschap verneemt, dat de Heer aanvankelijk den gang van Ruth naar den dorschvloer van Boaz voorspoedig maakte, en hoe roemt haar eerbiedig geloof in de goedheid van Hem, die beider wegen aanvankelijk „bij gevalquot; tot elkander bracht! Goede raad wordt niet minder bedachtzaam gegeven, dan dankbaar ontvangen, en waar eindelijk het oogenblik nadert, dat over de toekomst van Ruth en haar geslacht zal beslissen, daar wordt het woord van kalm ver-trouwen vernomen; „zit stil, mijne dochter, totdat gij weet, hoe de zaak zal vallenquot;, en dat vertrouwen, het wordt straks door de uitkomst boven bidden en denken vervuld.
Kunnen wij het hooren en herlezen, zonder dat de gedachten daarbinnen vermenigvuldigd worden? Zeker, met het. zoogenaamde allegoriseeren der gewijde geschiedenis moet men voorzichtig en uiterst bedachtzaam zijn. Allerminst staat die Schriftverklaring vrij, waar langs dien weg iets onbegrijpelijks zou moeten toegelicht, of iets zeer betwistbaars zou moeten uitgemaakt worden. Maar toch, soms treedt de bekende waarheid in het doorschijnend kleed der zinrijke beeldspraak op te treffender wijze ons tegen, en het eigenaardig gebruik, een enkele maal door den apostel Paul us (Gal. IV ; 21 en verv.) van het geschiedverhaal aangaande Sara en Hagar gemaakt, laat zich ook als bij uitzondering ten aanzien van het hier verhaalde herhalen. Of, hoe is het mogelijk het trouwhartig woord van Naomi ten aanzien van Boaz in betrekking tot Ruth te bepeinzen, zonder dat onze gedachten onwillekeurig opklimmen tot Hem, van en in wien het hier gezegde waarheid is in nog oneindig hoogeren zin?
31
Zie, zoovelen ook wij uit de duisternis aanvankelijk zijn overgebracht tot Gods wonderbaar licht, en het Bethlehem , het broodhuis der ziel leerden kennen, door Christus den zondaar ontsloten, is ook voor ons aanvankelijk de tijd des ontberens, des zoekens, des vreezens voorbij. Uit zijne volheid schonk ons de Heer reeds oneindig meer dan wij verdienden of droomden, en die het vele ons toereikte heeft in stilte ons het nog meerdere toegedacht De Christus is de groote Losser der buiten Hem verlatene en rusteloos bekommerde ziel, maar in Hem wil God „met ons een eeuwig verbond maken, en ons geven de gewisse weldadigheden Davids.quot; Reeds schonk Hij ons eene plaats bij zijne hooghevoorrechte dienaren, maar nog nauwer wil Hij zich met ons verbinden, ja niet rusten, eer de laatste scheidsmuur tusschen Hem en ons geheel is verwijderd, en de dienstmaagd des Heeren, aan zijne voeten gezonken, als de uitverkorene Bruid is geworden, die aan zijn liefdehart rust. Dit is het goede werk, dat Hij in ieder heilbegeerig hart heeft begonnen, en niet rusten laat tot op den dag der toekomst van Christus. Reeds heeft Hij ook aan ons het hoogste en beste beloofd: ook ons, als Boaz aan Ruth, de onbekrompen onderpanden zijner genade en getrouwheid verleend. Het verlovingswoord is reeds in stilte, maar ondubbelzinnig gesproken; nog rest slechts de groote daad, die ons geheel in den nieuwen toestand verplaatst, maar daartoe moet eerst zijne ure gekomen, deze schemertijd voorbijgegaan en door den nieuwen dag zijn vervangen. Wat kan in dien tijd van overgang het vast Geloof beter herhalen tot de levende Hoop, dan dat rustig en krachtig: „Zit stil, mijne dochter, want die Man zal niet rusten, tenzij hij deze zaak voleind hebbequot; ? Niet slechts ons
32
geluk, maar zijn eigen eer staat bij de vervulling zijner trouwbelofte op het spel, en dit is van al zijne beloften de groote hoofdsom: „De Heer uw God zal u een eeuwig Licht zijn, en de dagen uwer treurigheid zullen een einde nemen.quot; Maar is dit niet om bij te schreien, dat zoo menig oprechte van hart niet de helft van het geloof in de heilbeloften van Jezus betoont, als de eenvoudige Naomi in de toezegging van den eerlijken Boaz?
„So sei nuu, Seele, seine,
ünd traue l)em alleine,
Der dich erschalï\'eii hat!
Es gehe, wie es gehe:
Deiu Vater in der Höhe,
Der weiss zu allen Sacheu Ratii!quot;
(P. Flemmjng.)
XIV.
Eensluidend, toch verschillend.
Hij is de Heer, Hij doe wat goed is in zijne oogen. (Eli.)
1 Sam. 3:181).
De Heer nu doe wat goed is in zijne oogen. ( J o a b.) 2 Sam. 10: IS1).
Hij doe mij, zooals het in zijne oogen goed is. (D a v i d.)
2 Sam. 15 : 261\'.
De wil des Heeren geschiede. (De gemeente té Caesaréa.)
Hand. 21 :
Met eeri bevend hart heeft de grijze E1 i het bericht van Samuël vernomen aangaande het oordeel, waardoor
33
zijn huis wordt bedreigd. Van verre hoort hij den storm opsteken, maar voell zich ten eenenmale machteloos hem te stuiten. Wat zal hij nog verder worstelen tegen den stroom, die straks hem zei ven zal medesleepen\'? Hij buigt het zinkend hoofd, en geeft zich over als éen, die niet langer weerstand kan bieden. Het is het Fiat Voluntas („Uw wil geschiedequot;) van eene moedelooze onderwerping.
Hachelijker dan immer staat voor Joabs oog de kans van den oorlog, waar twee machtige vijanden gelijktijdig tegen het weinig voorbereid Israël opkwamen. Hij neemt al de maatregelen, door krijgskunst en kans ter zijner beschikking gesteld, maakt met zijn broeder Abisaï de noodige afspraak, voegt er een toon van mannelijken heldenmoed bij, en besluit de korte dagorde met het stichtelijk woord: „de Heer nu doe wat goed is in zijne oogen.quot; Op de lippen van den ruwen, bloedgierigen, onheiligen Joah zal het wel niet meer beteekenen dan: in Gods naam, wij moeten het verder maar overlaten. Het Fiat Voluntas van een oppervlakkig geloof.
Vluchtend voor Absaloms aangezicht, staat de diep vernederde David gereed over de beek Kedron te trekken, door tal van getrouwen verzeld, ook door Zadok met de Arke des Hoeren. Zal hij ook dit heiligdom in zijn gevaar laten deelen? Daartoe is zijn kennis te helder, zijn eerbied te groot, zijn ootmoed te diep. Ook van de Ark kan hij scheiden; God zal hem die laten wederzien , indien er uitredding komt, en indien ook niet, David zal nog aan Gods trouw en erbarming niet wanhopen. Zie, hier is hij, het ga hoe het ga, straks ook gescheiden van de Ark, maar in geen geval verre van God. Hier is geen moedeloosheid als bij Eli, geen stout-
3
34
moedigheid als bij Joab; hier is liet Fiat Voluntas der ongeveinsde boetvaardigheid, voor God in de diepte, en juist daarom ook op de hoogte van een onwankelbaar Godsbetrouwen.
Eeuwen later is een christenschare onder tranen en gebeden bijeen, want zij vreest, dat Paul us haar ontrukt worden zal, maar nauwelijks heeft zij zijne kloeke geloofstaal gehoord, of zij beseft, dat het hier niet langer zou vrijstaan den Heer in den weg te treden, en legt als het ware voor Hem het hoofd in den schoot met het woord: ,,de wil des Heeren geschiede.quot; Het Fiat Voluntas der onbepaalde eenswillendheid.
Zoo is ook hier lang niet alles even goed en vroom als het schijnt. Vier voorbedden van dezelfde verzuchting, onder zeer verschillende omstandigheden, van geheel andere lippen vernomen, en nog gedurig in allerlei bange stonden overluid of in stilte herhaald. Hebben ook wij het niet dikwijls gesproken, doen wij het nog niet telkens , nu oppervlakkig, dan met een diepgevoelde zucht in het hart, en in wien der genoemde vier herkennen wij bij voorkeur óns beeld\'? De laagste is ongetwijfeld de stemming van Joab; natuurlijk, in menig geval, die van Eli; maar veel hooger die van David, en uitnemen-der ook boven dezen, die der christenen te Caesaréa. Wat wonder, zij kenden ook Hem, die in Gethsémané dat kinderlijk „Uw wil geschiedequot; worstelend had gebeden als niemand, en eerst, waar ook voor ons de wil des Heeren de wil des Vaders geworden is, kan onze onderwerping een waarlijk kinderlijke, gewillige, blijmoedige zijn. Wij zijn nog des Heilands echte discipelen niet, wanneer het niet ook van ons, na korter of zwaarder strijd, gezegd kan worden; „zij hielden zich tevredenquot;,
35
en we zullen het niet worden, zoolang die diepe ootmced van David ons vreemd is, die het ons ook in de moeie-lijkste omstandigtieden doet beseffen, dat het minste verbeurd is, en het ergste meer dan verdiend. Maar zijn wij in die school van ootmoed geleid, zijn wij daarbij aan alle vermetel zelfvertrouwen gespeend, dan behoeft ons ook nimmer, als den sidderenden Eli, de moed geheel te ontzinken. Ook het onheil, dat wij met onze zwakke hand niet kunnen keeren, kan nog voor onszelven of anderen na ons een zegen worden, en moeten we eindelijk vallen, we vallen in de hand van een God, die ook te midden zijns toorns nog der ontferming gedenkt, en nimmer doet wat goed is in zijne oogen, zonder dat het tevens het beste blijkt voor het hart, dat waarlijk Hem zoekt.
XV. Verlatenheid.
Ik beu alleen overgebleven.
1 Kon. 19: 14b.
Alléén te zijn is zeker op zichzelf nog geen ongeluk; heeft niet iemand ergens de eenzaamheid „het element van groote geestenquot; genoemd? Reeds de wijze spreuk-dichter schreef; „die zich afzondert tracht naar wat begeerlijksquot;, en zeker weet menigeen van liefelijke stille uren in het verborgen te spreken. Nochtans, alléén te zijn, en alléén overgelaten te zijn, het verschil is onmetelijk groot, en de laatstgenoemde klacht wordt zelden vernomen, zon-
3*
36
der dat zich met het gevoel van weemoed onwillekeurig dat van zekere bitterheid paart. Ook kloeke geesten hebben soms zeer weeke harten, en nu en dan althans zijn er oogenblikken, dat ook de moedigste in het strijdperk terneerzinkt, omdat hij zich niet langer door sympathie en gemeenschap van iemand voelt gesteund en gedragen. Zoo is het hier met Elia, die, innerlijk geknakt en gebroken, zijn laatsten metgezel heenzond (vs. 3), en alléén in de wildernis omdwaalt. Dat hij niet ver meer is van het einde zijner baan, deert hem weinig; maar er zóo te zijn, teleurgesteld, onbegrepen, onmachtig! Hoe is alles zoo geheel anders gekomen, dan hij had gehoopt, gedacht en gewacht; wat schade heeft ten slotte de zaak des Hee-ren geleden, waarvoor hij zoo trouw heeft geijverd! \'t Is thans alles nog erger, dan toen hij den strijd begon. Deze viel weg, gene viel tegen, en zijn God schijnt onverschillig te zwijgen.....neen toch, Hij spreekt tot zijn
dienaar als in het suizen der zachte stilte, maar om hem nog eenmaal te vragen: ,,wat maakt gij hier, Elia?quot;
Gij denkt er niet aan, u op ééne lijn te plaatsen met den profeet der woestijn, maar toch is zijn gevoel en zijne ervaring u niet volstrekt onbekend\'? Het is wel zeker die van meer dan éénen getrouwen, maar ontmoedigden dienaar des Heeren in dezen afmattenden tijd. Zelfs een Apostel des ongeloofs klaagde voor eenige jaren, dat zijn boek, een kwart eeuw lang, zijn weg recht eenzaam gemaakt had, maar wat is dat bij de ervaring van menigen christen, die den moed behield om te vragen, niet wat de menschen willen, maar wal de Heer van hemeischt! Met de heiligste overtuigingen staat men thans vaak alleen, zelfs in een gezelligen vriendenkring; men pompt om boven water te blijven, rusteloos, maar met een
37
schip, dat kennelijk zinkt; niet weinigen treden terug, men kon óók wel heengaan.....„ik ben alléén overgelaten.quot; Lijder aan deze gevaarlijke hartkwaal, herkent gij uw beeld ? Wil dan althans dit niet vergeten. Uw gevoel is het natuurlijk gevolg van uw hooger staan en streven dan anderen; duizenden insecten dansen zorgeloos in het licht van een enkelen zonnestraal, maar alleen de Adelaar stijgt van het hooger rotsspoor onbeschroomd de zon in het aangezicht. Volstrekt alleen zijt ge nooit, zoolang gij nog een God der eenzamen kent. Ja, ook dan zelfs, als de laatste is heengegaan, is uwe verlatenheid niet volstrekt, uwe eenzaamheid niet zoo dood als gij dacht. Elia kent de zeven duizend getrouwen in Israël niet, maar te beter kennen zij hem, en houden in stilte op hem de hoopvolle blikken gevestigd, en daarom — niet de woestijn, maar het vreugdeloos leven weer in! God heeft nog wat voor u, mogelijk te genieten, waarschijnlijker te dragen, maar zeker te doen en te strijden. Alleenlijk, wees billijker dan Elia, die wel het gekrenkte „Ikquot; het hooren, en van een troosteloos „Zijquot; wist te spreken, maar het „Gijquot; des geloofs en der hoop tot zijnen God hier vergat. Elia kende nog Hem niet, die het groote woord heeft gesproken: „Ik ben niet alleen, want de Vader is met mij.quot; Gij kent Hem; zoo toon dan, dat zijne heerlijkheid ü niet te vergeefs is „voorbijgegaan.quot;
38
XVI. Zeven duizend.
Ook heb Ik in Israë! doen overblijven zeven duizend, alle.....
•1 Kou. 19: 18.
De zeven duizend getrouwen in Israël, de eerste stillen in den lande in zeker opzicht, waarvan de geschiedenis spreekt, wel verdienen zij voortdurend in eere gehouden, en ook door ons in een tijd van zooveel afval en ongeloof eerbiedig te worden gadegeslagen. Is er, helaas, oneindig meer kwaad in de wereld, dan ver de meesten ge-looven, hier staat het ter onzer eeuwige vertroosting geschreven, dat er toch ook nog altijd meer goeds is, dan zelfs de heste vermoedde, en als in eenen helderen spiegel wordt in dit zinrijk Godswoord het beeld en het heil der oprechte godsvrucht in een boozen tijd ons naar het leven getoond.
Oprechte godsvrucht, het blijkt hier reeds terstond, is een machtig levensbeginsel, dat zich openbaart, niet in woorden, maar in kracht. Waar was ooit verzoeking zoo groot, als die tot den Baalsdienst, in den tijd van Elia? De regeering gaat voor, de meerderheid volgt, de zinnelijkheid prikkelt, het eigenbelang verheft zijne machtige stem. Toch zijn er nog altijd, die terugblijven, waar de feestbazuin het verbasterd Israël tot afgodische feestviering oproept; die den moed hebben Neen te zeggen, al zeggen al de Achabs en Jezabels Ja; die kniebuiging en kus aan het afgodsbeeld blijven weigeren, al moest
HO
het op hun leven te staan komen. Mannen van karakter, vrouwen van geloof, schroomvallige naturen wellicht van zich zelve, als Obadja, maar op één punt besloten om geen duim, geen haarbreedte toe te geven, „een overblijfsel naar de verkiezing der genadequot;, zooals Paulus het noemt, en — die oprechte godsvrucht, zij is zelfs in de donkersto dagen aanwezig. Aanwezig, let wél, niet in Juda, maar in het veel dieper gezonken Israël. en evenzoo in de tijdperken van menigvuldige dwaling, ontbinding, vervolging zelfs der latere Godsgemeente. Aanwezig te midden der donkere middeleeuwen in de valleien van Albigenzen en Waldenzen. Aanwezig tijdens den afval der vorige eeuw in de harten en kringen van een Lavater, een Stilling, een Tersteegen, en zoovele anderen, „welker de wereld niet waardig was.quot; Aanwezig in onzen tijd — zeker juist niet aldaar, waar wij die eerst zouden zoeken en wachten; immers is nog altijd die oprechte godsvrucht doorgaans voor het oog der men-schen verborgen. Had niet Elia-zelf het bestaan en de beteekenis dezer zeven duizend vergeten of miskend, zQodat hij, de hooggeplaatste Godsprofeet, door een bijzondere Openbaring nog op hen gewezen moest worden? Zoo zien ook wij maar al te spoedig over het hoofd, wat niet terstond in het oog valt, of zoeken op verderen afstand, wat veel dichter dan wij wanen in eigen kring is te vinden. Wij meenen, dat het goede bij voorkeur bij de hoog opgeschoten eikeboomen in den hof des Hee-ren gevonden wordt, en zien het nederig heideplantje voorbij, dat in stillen eenvoud voor onzen voel staat te bloeien. Wij zoeken het bij de steunpilaren des tempels, terwijl licht een vergeten dorpelwachter bij God oneindig hooger slaat aangeschreven. Wij kunnen trouwens even-
40
min wegen als tellen, maar, beproeven wij het laatste, wat volstrekt niet in tel is gaan wij het eerst, zelfs onwillekeurig, voorbij. Verschil van kleed, van naam, van stand, van vorm geeft tot eindelooze misvatting aanleiding, en de zeven duizend getrouwen zijn zeker bijna evenveel miskenden geweest. — Genoeg, dat, desniettegenstaande, oprechte godsvrucht door God wordt gekend en beschermd. God ziet een keurbende van zeven duizend getrouwen, waar El ia in zijn kranke verbeelding op het verlaten slagveld nog slechts één bezwijkenden strijder aanschouwt. Hij ziet de vrome Eliza\'s ploegen, terwijl ginds de Baaispriesters wierooken, en hoort de arme weduwen bidden, terwijl elders de trotsche Jezabels lasteren. Wat wonder ook, daar Hij, die hen kent en telt, hen zélf heeft d oen overblijven? Arme zeven duizend , indien uw beproefde trouw geen hoogeren steun had gekend dan eigen wijsheid en kracht! Maar Hij, die u riep, bleef getrouw; Hij het u niet verzocht worden boven vermogen, en versterkte gedurig wat zijne eigene hand had gewrocht. — Maar zoo moest het dan ook wel, ook in dit geval, openbaar worden; oprechte godsvrucht ook voor anderen ten onschatbaren zegen. Wie der zeven duizend heeft van verre vermoed, dat tiij eenig gewicht in de schaal wierp, en dat de heen wij zing naar het bestaan en bedrijf van een zoo kleine en zwakke, als hij, van eenige beteekenis zijn kon voor den grooten Profeet der woestijn? Toch was het zoo, en is het alzoo gebleven tot op den huidigen dag. De zeven duizend zijn en blijven in eiken kring het teeken en onderpand, dat de poorten der Hel de gemeente der uitverkorenen nooit overweldigen zullen. Zij zijn en blijven het licht eener donkere wereld, hel zout eener verachterde kerk.
41
het cement eener zich ontbindende maatschappij, en voor menig bezwijkend Elia\'s hart het anker eener onwrikbare hoop. De honderd Baaisprofeten en hunne honderd duizenden volgers vergaan; de zevenduizend, en die met hen zijn, blijven, overwinnen, beërven het aardrijk, en waar ze heeten te sterven, zij leven voort in anderen, in hun werk, in het Godsrijk, tot eindelijk de laatste der getrouwen uit de strijdende kerk in de zegepralende is overgebracht.
O gij, kind, der wereld, die zoo hoog zijt geplaatst, wat geeft het u, zoo gij zelfs niet in den versten graad verwant zijt aan den geestelijken adel der zeven duizend getrouwen ? En gij, vergeten dienaar des Heeren, wat schaadt het u, of gij uw brood met tranen moet eten, als het ook slechts van u mag getuigd worden: niet in tel bij de menschen, maar hoog in eere bij God ? \'t Is een onwaarheid, wat eenmaal het spottend ongeloof zeide, dat God altijd aan de zijde der tijdelijke Meerderheid was. Van eeuwigheid tot eeuwigheid blijft Hij aan den kant der standvastig Getrouwen.
XVII.
Moeielijke vertroosters.
Gij allen zij t m o e i e 1 ij k e vertroosters. Job 16: 2Igt;.
„Moeielijke vertroostersquot; — hebt gij ze óok wel eens op uwen kruisweg ontmoet, mijn lijdende broeder, of
42
behoort gij mogelijk zélf tot hun geslacht, gij, wien dit blad in de handen komt? Het zou volstrekt niet te verwonderen zijn, want geen geslacht is zoo oud als dit, en in zooveel vertakkingen over Gods wijde, wijde wereld verspreid. Elifaz met zijne bekrompen wijsheid en pralende welbespraaktheid; Bildad met zijn onkiesche ongevoeligheid en hardheid; Zofar met zijn onstuimige heftigheid en hoogheid, gij treft ze aan in allerlei vormen; straks komt ook de vierde, Elihu uit het geslacht van Ram, om op zijne beurt te orakelen over Gods wegen en werken, als een blinde over de kleuren. Moeielijke vertroosters altegader, die uwe wonden niet genezen of verzachten, maar te feller doen branden; waaraan hen te onderkennen? Evenals die van Job — laat ons de poëzij een oogenblik voor geschiedenis nemen, — zijn hetgeen vreemden, die ons niet raken; geen vijanden, die het kwade bedoelen; maar vrienden, die komen, „ieder uit zijne plaats, om Job te beklagen en te vertroosten.quot; Vrienden, althans in den ruimeren zin van het woord, maar onhartelijk. Zij komen, als het goeden bekenden en buren past, om u hunne deelneming te betuigen, wanneer de dag des kwaads is verschenen, gelijk zij dit in gelijk geval zouden wachten van u, en hebben, vóór zij zich opmaakten, een schat van woorden medegebracht, waaraan niets ontbreekt dan het hart, en hun ongeboden bezoek wordt u reeds daardoor eene nieuwe soort van bezoeking. Vrienden zijn het, ja, zij toonden het reeds door te komen, maar onhandig. Zij beproeven op hunne wijs uwe droefheid te lenigen, maar begaan misgreep op misgreep, en plengen edik voor balsem. Wat zij u hebben te geven, zijn phrasen, welgerond, meer gehoord, ontwijfelbaar zeker, die gij zélf nog schooner kunt doen
43
hooren dan zij, maar juist daarom voor u niets meer zijn dan klanken, waarin gij alles eer en meer hebt gehoord dan — een hart. Geen wonder; ook waar zij niet sprakeloos blijven, zijn zij en blijven onmondig, wat hunne geestelijke vatbaarheid aangaat om iets, hetzij van Gods weg met u, hetzij van de pijnlijke plagen uws harten te peilen. Zij komen daarom altijd met algemeenheden, maar die slechts zeer gebrekkig gelden voor üw geval. Met een tekst, maar een, dien gij niet op u zei ven kunt toepassen; met een psalmvers, maar dat gij hebt verleerd; wie weet, met een passend citaat uit een formulier, maar waaraan gij sinds jaar en dag zijt ontgroeid. Kan bet anders, of zij moeten eindelijk onmachtig blijken om een enkelen straal van hemelschen troost in uw troosteloos hart te doen vallen? Ze zijn, ja, zeer zuiver in de leer, zeer logisch in hunne redeneering; ook zeer vrijmoedig om u te bestraffen, nis zij slechts in de zuchten van uw hart, tusschen de regels van uwen brief iets meenden te vinden, dat toch waarlijk volgens hen op uwe lippen niet voegt. Maar, maar, wat geven zulke troosters; wat ontnemen zij, dat u drukt; wat brengen zij ten laatste teweeg? Arme, arme Job, bij al den schat zulker vrienden! En van déze zijde hadt gij mogelijk weerklank gewacht op uwen aandoenlijken kreet: „Ontfermt u mijner, o mijne vrienden, want de hand Gods heeft mij aangeraakt 1quot;.....
Moeielijke vertroosters — hoe hen te bejegenen? Laat de grootste lijder der oudheid het u zeggen uit den schat zijner lijdenservaring. Gedoog hunne komst; ook bij u zullen zij niet achterblijven, als zij „hooren van het kwaad, dat over u is gekomen.quot; Dat behoort er óok bij, mijn droeve broeder en zuster, bij het rouwkleed en de
44
tranen liet vriendenbezoek; aan ieder Bethanië van smart grenst een Jeruzalem met zijne condoleerende Joden. Gij zijt nu eenmaal in de wereld, in dien stand, in dien kring; gij moet ook daardoor heen; bleven zij geheel weg, \'t zou immers ook niet zijn goed te keuren; \'t zijn toch tot zekere hoogte uwe vrienden; vrienden van den besten Vriend; zij willen u op hunne wijs troosten, hoezeer zij dat moeielijk kunnen. Verdraag hun onverstand, zonder te redetwisten; geen vruchteloozer woordenstrijd dan met wie duidelijk toont, dat het hem of haar ontbreekt aan alle orgaan om de geheimenis onzer diepste smart te vertolken. Vergeef hunne hardheid, als zij opnieuw een wonde doen bloeden, die zij hadden kunnen en moeten ontzien; gelijk Job zich aanstonds liet vinden, om voor zijne zeer verstandige, en toch zeer onbillijke vrienden verzoening te doen. Vergeld geen kwaad met kwaad, geen schelden met schelden, en eindelijk, verwacht alles alleen van den beteren Trooster. De geplaagde Job vindt geen troost, vóór hij waarlijk heeft leeren verstaan, wat het is, „zijn vertrouwen van alle schepselen aftrekken, en alleen op God stellen.quot; Wanneer zullen wij toch eens eindelijk voorgoed aan onze laatste illusie van de wereld, van de menschen, van de vromen gespeend zijn? Daar is er ten slotte slechts Eén, die ons nimmer recht zal geven Hem een „moeielijken Vertroosterquot; te noemen.
XVIII.
Een, die Alles quot;weet.
Gij ziet het immers, want Gij aauschouwt de moeite en het verdriet, opdat raeu het in uwe hand geve; op U verlaat zich de arme; Gij zijt geweest een Helper van den wees. Ps. 10: 14.
Geen Psalm, die met droeviger aanhef begint, dan de Tiende met dat vreugdeloos en vruchteloos; „o Heer, waarom staat gij van verre?quot; „Waaromquot; — ja, mijn ongenoemde dichter, stond dat woord niet reeds zoolang met zoo groote letteren voor menigen benevelden blik, uwe levensgeschiedenis en de onze zou niet in zoo menig opzicht den naam mogen dragen eener levenslange lijdensgeschiedenis. Maar die reusachtige vraagteekens bij zoo menige donkere stip, zij laten ons bij dag noch nacht rust, en dan voorshands nog van geen anderen God dan een God van Verre te weten, zeker, het antwoord kan niet bijzonder bevredigend zijn. Toch gaat de lange reeks van vragen en van klagen steeds verder voort, doorgaans zonder ook bij het laatste Waarom nog zelfs een duim breedte gevorderd te zijn, want met onze kranke redeneeringen laat God zich allerminst zijne geheimen ontwringen. En toch — verheft zich de Psalm der troosteloosheid op eenmaal tot het lied van hoop en verwachting, want van wat het niet peilt heeft het oog zich op eenmaal gewend tot wat het te beter kan lezen, en boven den God van verre den God van nabij in al zijne volheid
46
erkend. Er komen tijdstippen in het geestelijk leven, dat de hand als instinctmatig zich uitstrekt tot wat het meest nabij ligt, en het hart juist het minst van al kan ontberen ; zulk een kreet klinkt hier als uit de diepte eener aangevochten ziel: „Gij ziet het immers, want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet.quot; Dat woord, het verklaart lang niet alles, maar — tegen al wat drukt weegt het op.
De onschatbare troost van het geloof aan de volstrekte Alwetendheid Gods, inzonderheid tegenover miskenning en eenzaamheid, — wat kruisdrager heeft hem nooit ondervonden ; wat getuigenis der ervaring hem immer naar waarde beschreven? Verstaan te worden, \'tis de eerste behoefte, die het lijdend harte gevoelt, en— de laatste, die het op aarde vervuld ziet. Wij begrijpen in sommige oogenblikken de onschatbare waardij van de Biecht, maar de volkomen betrouwbare Biechtvader, wat zou hij minder moeten zijn dan — alwetend, en dan te gelijk erbarmend en almachtig als God? Slechts de genadetroon kan biechtstoel zijn en toevluchtsoord beide. „Gij ziet het immers, want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet.quot; Slechts Eén is er, van wien dat gezegd worden kan; vergeten wij het niet. Zoo licht verwachten wij nog altijd van menschen, wat God alleen slechts kan geven, en zijn ontstemd, wanneer anderen zelfs van verre niet vermoeden, wat het is, dat ons kwelt; ach, er kan niet veel divinatie-vermogen zijn, waar zoo menigeen dag en nacht het zoo druk heeft met eigen kleine of groote belangen! \'t Is onze smart, ja, maar te gelijk ons geluk, dat wij zoo weinig begrepen worden. Er is dan toch Eén, die ons altijd verstaat, niet slechts omdat, of nadat, maar opdat men alles in zijne handen zou geven,
47
en die Eéne, oneindig veel bleef ons van Hem verborgen, maar deze twee althans staan vast: Hij heeft een warm Hart en een nimmer feilend Geheugen. Tot Hem kunnen wij met alles komen, Hem zullen wij nooit tegenvallen, en juist de meest deerniswaardigen onder de men-schen, de arme en de wees, zij kunnen tegenover Hem de meest gelukkigen heeten, want wie heeft, om dus te spreken, bij Hem ouder brieven dan zij? Daarom, wat ook drukke of dreige, onze Waaroms kunnen lastige woorden zijn, maar nimmer de laatste, want niets dat tégen is, blijft Hem verborgen, en Hij, die alles weet, zal en moet bet eindelijk winnen. Wat ook tegen onze ziele-rust opkome, wat list en geweld ook tegen zijn heilig woord en kerke bedacht worden — en ook dat, mijn broeder, het telt immers ook in uwe lijdensgeschiedenis mede? — geen woord zal er ter aarde vallen van den roem en den troost des geloofs;
„Wat al twisten, wat al veeten Dreigen de arme Christenheid,
Die bedrukt ten Hemel schreit!
Moet Naomi Mara heeten?
Staat het Ongeloof gereed
De oude wereld te overstroomen\'?....
Neen, Uw Koninkrijk zal komen,
God, mijn God, die alles weet!quot;
(Lange.)
48
XIX. Aan géne zijde.
(Maar) ik zal uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen; ik zal verzadigd worden met uw beeld, als ik zal opwaken.
Ps. 17:15.
„Hoe zal \'tmij dan, o dan eens zijnquot;, zoo zucht wel menigmaal in stilte het neergebogen gemoed, maar altijd blijft ten slotte het antwoord; „het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen.quot; Toch ontbreekt het der hoop des geloofs niet aan verrukkende vergezichten, wel geschikt om ons met de pijnlijkste herinneringen te verzoenen en ons ook boven het donkerst verschiet te verheffen, en wij hebben niet verder te gaan dan ons Psalmboek, om telkens weder in anderen vorm te ontdekken, hoe de vrome,, van zijnen God gewis, ook in Hem persoonlijk des eeuwigen levens verzekerd blijft. Niet minder beslist spreekt hier voor ons gevoel het slot van den 17de11, dan dat van den 16dei1 Psalm. Of zou de dichter hier inderdaad niets anders hebben uitgesproken dan het uitzicht op een vroolijk ontwaken aan den morgen van een nieuwen dag hierbeneden, gelijk sommigen willen, of, gelijk anderen er nog bijvoegen, op verhoogd genot van Gods gunst na vroeger ontbering ? Maar dan moet men aannemen, dat hij toch werkelijk al zeer groote woorden voor betrekkelijk zeer gewone zaken gekozen heeft, en dat de tegenstelling, die hij hier maakt tus-schen zich zeiven en het deel en lot van hoogbevoor.
49
rechte kinderen dezer wereld, zoo pas vermeid, ten eenenmale mislukt, bijna zeiden we bespottelijk heeten mag. Neen, wij hebben den Psalm slechts in zijn geheel te herlezen, en ons daarbij zooveel mogelijk in des zangers ziel te verplaatsen, om ons tot hooger standpunt aan het einde verheven te zien. Anderen, voor wier lot hij bidt, dat een barmhartig God hem bewaren zal, mogen geen hooger deel dan in dit leven begeeren, en bij hun sterven al het hunne aan anderen achterlaten, hij heeft aan gene zijde een schooner uitzicht ontdekt, dat hem over het gemis van al liet andere troosten kan. Wat uitzicht? In drie woorden laat het zich samenvatten. Aanschouwen, niet van de zondige, ijdele wereld, maar van Gods gunstrijk aangezicht met onbenevelde oogen; verzadigd worden, niet met de vrucht van een tijdelijk erfdeel, die als een schaduw verdwijnt, maar met het eigen beeld van God, het hoogste goed, afspiegeling en waarborg te gelijk der hoogste werkelijkheid. En, als noodzakelijke voorwaarde eindelijk van dat een en ander, ontwaken uit den slaap des doods, waarin de „liedenquot; zonder God, die alles verliezen, reddeloos neerzinken. Wat dunkt u, verdient, in dat licht geplaatst, ook niet de Zeventiende psalm een psalm des Levens te heeten?
Ja, „blij vooruitzicht, dat mij streeltquot;, zoo mag, op Christelijk nog meer dan op Israëlietisch standpunt, het geloof tegenover het ongeloof spreken, en nauwlijks kee-ren wij de hier aangeduide hoofdtrekken om, of een verschiet van heil komt op voor ons oog, voor iederen lofzang te hoog. Welk een uitzicht voor nietige stervelingen , voor onwaardige zondaren, voor moede kruisdragers, lang gespeend aan zooveel, waarbij de ziel wilde
4
50
leven, en oververzadigd van moeite en verdriet, ais haar kostelijkst deel hierbeneden! Een blijmoedig ontwaken, als uit een waarlijk verkwikkend en slaap, verjongd van kracht, om een schooner dag te beginnen. Een helder aanschouwen, maar nu niet meer van de oude aarde met al wat deze oude oogen zooveel bittere tranen deed schreien, maar van — Gods aangezicht, de hoogste waarheid, de reinste schoonheid, de glansrijkste heiligheid, maar een aanschouwen ,,in gerechtigheidquot;, dat tot knielen dringt, niet langer tot vluchten. Een verzadigd worden van het hart, dat hier altijd bleef vragen: „hebt Gij geen anderen zegen ?quot; Reeds de voorstelling van zulk een hei) alleen, als verkrijgbaar voor énkelen, moest ons het hart van verrukking doen kloppen. Wél is het hier de plaats, otn met een anderen Psalmdichter uit te roepen; „o Heer, hoe groot is het goed, dat Gij hebt weggelegd voor die U vreezen!quot;
En toch , wat staan wij vaak laag, die zeggen zoo hooge dingen te wachten! „Mocht ook ikquot;, zoo bidden we bevend, maar dat welverzekerd; „ik zalquot; — kan het daarom wellicht in ons hart zoo koud zijn, omdat ons ontbreekt wat kennelijk den dichter bezielde, de getuigenis eener goede consciëntie voor God! Van een beroemd man uit de Grieksche oudheid wordt verhaald, dat hij bij het terugkeeren uit den strijd een prachtige gouden keten aan zijne voeten zag liggen, maar zonder die aan te roeren, zijn slaaf toeriep; „neem gij haar op, en tooi er u mede; gij kunt het doen, want gij zijt Themistocles niet.quot; Waar is de christen, die in de hoop der heerlijkheid roemt, maar dan ook, in den goeden zin, te veel christelijke fierheid en adeltrots bezit om nog naar sommige dingen te grijpen, waaraan zich de kin-
51
deren der wereld vergapen ? Naar het Hoogste heeft men het aangezicht gewend, en wijst toch nog het lage niet af. Men heeft den vijand verslagen, en tooit zich straks zélf met zijn buit. Men smacht naar het hoogste goed, en — acht zich toch niet te goed voor veel kleins en kwaads, en dan zucht men nog over geestelijke dorheid en donkerheid. Helaas, Helaas!
XX.
Oogen en voeten.
Mijne oogen zijn gedurig op den Heer, want Hij zal mijne voeten uit het net uitvoeren.
Ps. 25 : 15.
Als éen !id lijdt, lijden al de leden mede, maar toch, o zalig voorrecht, zij behoeven daarom nog niet in denzelfden toestand te zijn. Het oog kan zich nog onbelemmerd omhoogheffen, al is de voet van den gunstgenoot des Heeren ook tijdelijk, misschien niet zonder eigen schuld, in een dicht warnet van drukkende zorgen beklemd, die het hem tijdelijk onmogelijk maken een schrede vooruit of terug op den weg des levens te zetten. De voeten in het net; de handen onbekwaam om het weefsel uit elkander te scheuren; de vijand misschien op de hielen, zoodat men onmogelijk vlieden, en toch even onmogelijk blijven kan wat en zooals men is; — wat blijft in zulk een hopeloozen toestand nog over? Maar wat an-
52
ders dan de stem, die nog roepen; wat bovenal dan het oog, dat nog op hope tegen hope kan opzien tot die hand, die den pijnlijkst geknevelden voet kan ontsnoeren, een oogenblik voor de Verderver genaakt? Ja, „Hij zal mijne voeten uit het net uitvoerenquot;, dat blijft de hoop des ge-loofs; uit ieder net: uit dat van kleingeloof en twijfel, dat ik met eigen hand heb geknoopt; uit dat van kwellende zorg of van eindelooze verwikkeling, mij dooreen lastig vriend of een listig vijand om de gezwollen enkels geslagen; uit dat van den Satan, die mijne ziel zeer heeft begeerd als de tarwe te ziften, en mij tijdelijk, helaas, overmocht. Hij zal het, als het mogelijk is, nog vóór mijn dood, en mij nog eens geven in het land der levenden (wat zou dat heerlijk zijn!) te wandelen met vasten voet, op ruimer baan, in schooner licht dan te voren; en anders zeker daarna, als de laatste strik van den laat-sten vijand voorgoed verbroken zal zijn. Aan de voeten zal Hij het noodige doen, mits slechts de oogen den goeden kant blijven uitzien; op het „gedurig opzienquot; van hier volgt een eeuwig vertroost worden. Maar zeker, als het oog alleen blijft zien op het warnet, waarvan het de mazen reeds tallooze malen geteld heeft, dan zou het ons vaak al te benauwd worden, en het net wordt ten slotte een koord, waarin zich de wanhoop verstrikt. Niet van den voet en zijn net, maar van het oog en zijn licht hangt ten slotte onze behoudenis af. Menigeen had het reeds lang kwaad genoeg, maar beter wordt het niet, zoolang bij niet begon dieper dan tot dusver te zuchten; „wend U tot mij, en wees mij genadig, want — ik ben eenzaam en ellendig.quot;
Alzoo onze dichter, en gij? O, prent heel dezen vijf-en-twintigsten Psalm in het geheugen van uw hart, en
53
herhaal nu dit, dan dat zijn woord uit het diepst uwer ziel; \'t is een schatkamer, waaruit niet licht de laatste penning is aangesproken.
XXL
„Tot myne ziel.quot;
Zeg tot mijne ziel: Ik beu uw heil. Ps. 35 : Sb.
Er zijn Psalmen, die wij soms van den aanvang af tot den einde toe kunnen nabidden, zooals de 23ate, 253t;e, 130ste, ik hoop ook in substantie de 139ate. Daarentegen andere, waarvan slechts een klein gedeelte voor onze persoonlijke behoeften berekend is, maar waarin toch licht een enkel woord wordt vernomen, dat ons als uit het diepst der ziel is gegrepen. Geldt dit laatste ook niet van den 35sten, die hier voor ons ligt opengeslagen, waarin zooveel harde woorden tot booze menschen ons tegen-klinken, maar reeds terstond in den aanhef eene bede tot God wordt gehoord, die te gelijk het hoogste en het diepste omvat? „Zeg tot mijne ziel: Ik ben uw heilquot;; — bij het eerste hooren heeft wellicht voor sommigen dit gebed iets bevreemdends. Hoe nu, hééft deze dichter niet reeds het woord Gods in de stem der natuur, der wet, des gewetens? Hebben wij hier mogelijk te doen met een dweper, die nog iets méér begeert boven en behalve dat. wat alle vromen in Israël hebben en schat-
54
ten? Verlangt hij een hoorbare hemelstem, een wonderdadig gezicht, een bijzondere openbaring nog, omdat hem de meer algemeene te weinig is? Zeker niet, maar hij voelt, dat zijn geest en hart in de heiligste oogenblikken slechts bij het meest persoonlijke leven kan; hij wenscht, dat de Waarheid en het Leven, die er ongetwijfeld boven en buiten hem zijn, als zoodanig in volle kracht mogen kenbaar worden voor zijn innigst bewustzijn; dat de persoonlijke God hem het vol genot van zijn heil persoonlijk doe smaken, en zelfs ook den laatsten scheidsmuur doe vallen, die déze ziel nog verhindert de volle waarheid te zien en het waarachtige leven te leven.
Zeker, zulk een tweegesprek tusschen God en de ziel schijnt bespottelijk, zoolang onze God een louter „gedach-tendingquot; is, boven en buiten ons, op millioenen mijlen afstands verwijderd. Maar voor wie waarlijk een God kent van nabij, een God voor zijn hart, dien hij niet slechts in oprechtheid zoekt, maar die ontfermend hém heeft gezocht, en gevonden, en aangezien; een God, die hem volkomen verstaat, ook als hij bidt: „Heer, het Liefste niet, maar het Beste; het uwe niet, maar U zeiven ,quot; — voor dézen is hier iets anders dan onzin. Wie voelde het niet soms in de stille eenzaamheid, in het huis des gebeds, in de heilige Avondmaalsure? Ook het beste woord, dat menschen te spreken hebben, \'t geeft ons dikwijls niets, en maar al te dikwijls zoo weinig. Een eigen woord van mijn eigen God heb ik noodig, dat mij heimelijk wordt gebracht en waarvan mijn oor althans een weinigske vat (Job 4 :12), zoodat ik het als een vasten staf kan aangrijpen in de bevende, maar aanbiddende handen. Zelfs aan menschen, die tot ons spreken door een boek, of als een boek, hebben wij te weinig, zoolang
55
de echte „quot;Vox hutnanaquot; bleef zwijgen, waarin het eigen oor het innigst hart heeft vernomen. „Spreek dan toch eens eindelijk tot mijquot;, roepen wij hun vaak in ongeduld toe; „weerspreek mij desnoods, bestraf mij, bedreig mij, alles ten slotte beter dan dat marmerachtig stilzwijgen, zoo er althans tusschen ons eene levende gemeenschap zal zijn.quot; En God, die het oor geplant heeft, zou liet niet verstaan, als wij roepen, gelijk Elia weleer; „antwoord mij, Heer, antwoord mij!quot; Maar met dooden laat zich onmogelijk leven, en een God, die slechts eenmaal zich heeft geopenbaard, zelfs in een onfeilbare letter, maar voorts tot het schreiend menschenhart niets meer te zeggen heeft.... Pieeds genoeg, zijn spreken kan ons vonnissen, maar zijn onherroepelijk zwijgen zou het verschrikkelijkste van alle oordeelen zijn. Ik versta het woord van Luther: „Ach Gott, straf lieber mit Pestilenz, als dass Du so still schweigest.quot;
„Zeg tot mijne ziel: Ik ben uw heilquot;; wat vraagt die bede, waar zij wezenlijk ernst is geworden, en wederom: Avat ontvangt zij? Wat zij vraagt? niet het algemeene slechts, maar het bijzondere, \'tIs niet slechts: „toon mij, heloot mij, schenk mij uw heil,quot; maarj: „zeg tot mijne ziel: ik ben uw heil,quot; m. a. w. geef mij U zeiven in de volheid uwer genade. Het is als de levenskreet eener ziel, waaraan liet leven aanvankelijk bekend is geworden , maar die het volle levensgenot op het oogenblik mist, en het niet kan blijven ontberen. Het is, scherper beluisterd, althans op Christelijke lippen de dubbele bede om de (subjectieve) verzegeling der (eeuwig objectieve) geschonken openbaring en schuldverzoening aan het eigen hart door de kracht van den H. Geest, maar tevens, en ten gevolge daarvan, om de verfrissching en versterking van
56
ons geestelijk leven, waar liet door oorzaken binnen of buiten ons sinds kort of lang aan bet kwijnen sloeg. Voor wie weet, wat dit een en ander zegt, zou nader omschrijving noodeloos, voor anderen zou die vruchteloos wezen. Niemand kent den nieuwen naam op den witten keursteen , dan die hem ontvangt (Openb. 2:17).
Voor de wisse verhooring dier bede staan Gods Macht en Getrouwheid ons borg. Tijd, wijze, mate dier verhooring zijn en blijven het geheim zijner liefde, dat intusschen tot zekere hoogte onthuld wordt voor het zielsoog van hem, die zelf van God geleerd heeft alzoo te bidden. Maar wat hij in het verborgen ontvangt, bij wien het met dat gebed de ware ernst is geworden, en die daarin, op hoop tegen hoop, leerde aanhouden: wie zal het bevredigend uitspreken? In geen geval een duurzame afwijzing, maar altijd een antwoord, dat aan het rusteloos jagen en sagen der ziel voor het oogenblik, .straks ook voor eeuwig, een einde maakt. Zalige ervaring: „ik heb den Heer gezocht, en Hij heeft mij geantwoordquot; (Ps. 34 :5). — In dat antwoord een meer dan voldoend tegenwicht tegen zoo menig onwaarachtig, onbarmhartig, onbevredigend menschenwoord, als vaak onze verborgen zielsorganen treft. — In dat tegenwicht de verkwikkende bevrediging van al de zielsbehoeften, die in deze ééne zielzucht zich uitspreken, en onderpand te gelijk van nog eindeloos Hooger en Beter. O, wat schaadt het dan, of wij ook oogenblikkelijk na het vurigst gebed iets ervaren, dat aan het profetisch woord kan doen denken: „Hij zal zwijgen in zijne liefde\'quot;? Tot de zijnen zwijgt God alleen om straks te luider te spreken, zoo zij slechts luisteren willen. Eén ding is noodig, Hem waarlijk goed te verstaan, ook dan, als zijn ant-
57
woord wellicht diep beschamend en verootmoedigend klinkt. Blijft slechts eens anderen dichters keuze de onze; „ik zal hooren wat God de Heer spreken zalquot;, zijne verwachting ma? de onze worden en blijven; „Zekerlijk, Hij zal tot zijn volk en zijne gunstgenooten van vrede sprekenquot; (Ps. 85 ; 9).
„Heer, spreek alleenlijk één woord, en mijne ziel zal gezond worden!quot;
XXII. Duivenvleugelen?
Och, dat mij iemand vleugelen, als eener duive, gave! Ik zou he-ueuvliegen, waar ik blijven mocht.
Psalm 55 : 7.
Verstaat ook gij iets van die stemming, mijn Broeder, die alzoo weleer een gewijden dichter deed zingen ? Indien niet, mogelijk te beter voor u; maar zeker, anderen kennen haar slechts van al te nabij, en houd er u van overtuigd, hing het van hen af, zij zouden het niet bij dien wensch laten blijven, en, om het even of gij het goedkeurt of niet, hij is althans in sommige harten zoo begrijpelijk, vooral in onrustige en troostelooze tijden des levens. Zoo was het met onzen dichter in eene omgeving, waarin het, althans te oordeelen naar dezen Psalm, schier aan eiken lichtkant ontbreekt. Hij heeft, ja, zijn God, maar het schijnt wel, dat God het oor van déze
58
smeekstem heeft afgewend, en voorts — letterlijk niemand in zijne omgeving, voor wien hij het overvolle hart eens kan uitstorten. Overal vijanden, of valschelijk genaamde vrienden, die niets beter dan vijanden zijn; hij leeft, zoo het leven mag heeten, als in een vergiftigden dampkring; \'tis letterlijk niet langer om uit te houden. Voort, voort, tot élken prijs henen van hier; \'t zal overal beter zijn. Van paradijzen droomt hij niet meer; was hij maar in de woestijn! Vond hij er geen genot, hij zou er althans rust kunnen smaken. Och of men hem duivenvleugelen gave! Zijn koninkrijk, moet het zijn, voor een paar wieken, en dan maar wat vrije lucht ....
Nog eens, was David, of wie het zijn mag, deéénige? Of kent gij, misschien van zeer nabij, ook een zeker mensch, wien zulk een, ik durf niet zeggen heilig ongeduld allerminst vreemd bleef? Een mensch, bedoel ik, die een open oog heeft voor al de armoede, de ellende, de onuitstaanbaarheid — het woord is niet te sterk, — van zijn rusteloos en vreugdeloos Heden; een vogelen-natuur, zoo gij wilt, (glimlach niet bij een woord, niet zonder tranen gesmeed!) die zoo dikwijls zucht naar licht en lucht, zonder één van beide te vinden, en reeds honderdmalen vruchteloos de moede vleugelen tegen de vergulde traliën der enge kevie heeft lam geslagen, waarin zij reeds zoolang was gekerkerd? Hij zégt niet eens meer: ,,Och, dat mij iemand vleugelen gave,quot; maar wat hij soms zwijgend voelt, als hij het ideaal van zijn leven
vergelijkt bij de holle, naakte, harde werkelijkheid.....
Ach, \'t is ook zulk een luchtledig, waarin hij leven, of liever, waarin hij zijn aanzijn voortzetten moet. Zoo was het reeds zoolang; zoo kan hij reeds berekenen, dat het lang nog zal blijven, misschien wel altijd. O indien er
59
nog eens een plekje ware, al was het maar in een woestijn, waar hij waarlijk zich-zélf, waar hij, verruimd van hart, des Heeren kon zijn, zonder eeuwig te moeten zien wat hem martelt, en doen wat hem innerlijk doodt .....
En toch, wat zou het baten, mijn rustelooze broeder of zuster, indien al die onstuimige wensch werd verhoord? Geef dezen dichter duivenvleugelen; hij zal heensnellen, maar zal hij gelukkiger zijn? Doch waar hij komt, brengt hij het trillend en troosteloos duivenhart mede, en wat hij vindt, nu ja, \'tis altijd toch slechts een woestijn, ten hoogste met een oase, maar die in geen geval onvergankelijk bloeit. Straks zou misschien het blijven hem opnieuw ondragelijk zijn; wat hij verlaat, hij zou het mogelijk nu eerst recht gaan waardeeren, en als de schuchtere duif dan onder vreemde roofvogels viel . . . Waartoe meer? Menig onzer zou nauwlijks zwaarder gestraft kunnen worden, dan door de vervulling van onbegrepen, schoon natuurlijke wenschen, en grooter voorrecht dan wij weten vermelden wij, als wij met een anderen Psalmdichter zeggen; „Gij hebt van acht\'ren mij bezet, vooruit wordt mij de vlucht belet.quot; Immers ook dat blijft waarheid, wat dadelijk volgt; „ik word bepaald door uwe hand,quot; en Hij, die de vrije vlucht naar de woestijn ons belet, heeft over ons wat beters voorzien. Neen, zoo het ons in een doodende atmosfeer waarlijk om vleugelen te doen is, dan beter om Adelaarswieken gezucht; „die den Heer verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden.quot; Niet naar de woestijn, maar naar Kanaan; niet de rust op verren afstand te zoeken, maar die desnoods in elke omgeving te vinden, omdat die ten slotte niet meer van onze omgeving
60
afhankelijk is, maar hierbinnen voorgoed is gezeteld, dat is de Wijsheid, de Grootheid, de aardsche Gelukzaligheid der echte kinderen Gods.
Doch zeker, eer het waarlijk zoo ver komt, zal er nog wel iets moeten veranderen, niet allereerst rondom ons, maar in ons.
XXIII.
Voor donkere dagen.
Immers is God Israël goed, ....
Ps. 73.
Er zijn Psalmen, zooals de drie en twintigste, waaruit niets dan vriendelijk licht ons schijnt tegen te stroomen; andere, zooals de acht en tachtigste, waarin wij van den aanvang tot het einde in zwarte nevelen rondtasten; maar ook niet weinige, die ons een wisselenden kamp tusschen de nevelen en de zon doen aanschouwen in de kleine wereld daarbinnen. Tot deze behoort in haar geheel ook de Drie en zeventigste, eene confessie van Asaf, waarin hij ons eene bladzijde zijner verborgen geschiedenis openlegt, ter leering en vertroosting van tallooze lot- en leed-genooten in vroegeren en lateren tijd.
„Immers is God Israël goed,quot; of gelijk het zoo schoon door Luther vertaald is: „Dennoch hat Israël Gott zum Trostquot;; die uitkomst van den kamp wordt reeds aanstonds op den voorgrond geplaatst, maar de dichter verbergt het niet, het is hem niet gemakkelijk gevallen tot die slot-
64
som te komen. Asaf houdt zich niet grooter dan hij is; de voorspoed der goddeloozen is hem het groote raadsel der Godsregeering, en het moest dit wel zijn onder den ouden dag, toen het licht der eeuwige toekomst nog niet helder op het tegenwoordige viel, en het onderscheid tus-schen voorspoed en geluk niet altijd in het oog werd gehouden. Maar van de wijze, waarop hier dat probleem wordt besproken, is niet weinig te leeren voor wie liet zoo vaak op pijnlijke wijze ondervindt: „in raadselen wandelt de mensch op aarde.quot;
Geloofsstrijd is het eerste, waarvan in de eerste helft (vs. i—14) gesproken wordt. Van dien strijd ontdekt gij de ondubbelzinnige sporen in het moedeloos klagen van den dichter zeiven (vs. 2—9), en in het troosteloos vragen van anderen (vs. 10—14), die met hem aan denzelfden steen des aanstoots zich stooten. \'t Is, als begint hun en hem de grond onder de voeten weg te zinken: zou God het weten, en wat zal het, als het zóó gaan moet, nog baten, Hem oprecht en volstandig te dienen ? De Voorzienigheid heeft hare raadselen, met name ook in den tijdelijken triomf van liet kwade, en het geloof zijne zeer donkere uren. Niet hij is hier de grootste held, die nimmer twijfelmoedig gevraagd, maar hij, die wat hem drukt eerlijk aan zijnen God heeft geklaagd.
Eerst alzoo toch wordt uit bangen tweestrijd, waarvan het ongeloof zich geen voorstelling vormen kan, de Ge-loofsoverwinning geboren (vs. 15—22). Hoe wordt die overwinning voorbereid, hoe wordt die behaald? Het een en het ander langs een dubbelen, altijd geleidelijken en zielkundigen weg. Voorbereid, daardoor vooreerst, dat de klagende vrager ernstig tot inkeer komt, en wel verre van zich zeiven te behagen in zijne belangwekkende
62
twijfelingen, tijdig terugschrikt voor bet einde, waartoe deze weg hem zou voeren (vs. 15). Maar voorbereid óok bierdoor (vs. 16), dat bij nu zijn nadenkend onderzoek niet opgeeft, maar voortzet, niet rustend tot bet licht door den nevel te voorschijn breekt. „Een weinigje phi-losophie leidt van God af, een ruimer teug voert tot God terugquot; (Baco). — Asaf blijft met zijn uitgegleden voet in het warnet niet steken, maar worstelt en werkt er zich dóór, en nu wordt langs dezen wettigen weg de overwinning behaald hierdoor, dat hij aan de eene zijde booger leert stijgen, aan de andere dieper leert dalen dan vroeger. Hij stijgt hooger (vs. 14—20), want bij gaat de dingen niet van louter menschelijk, maar van goddelijk standpunt beschouwen. Uit den woeligen voorhof dringt bij door in het altijd rustig Heiligdom van Gods wegen en werken, en ziet op het einde der boozen, dat niets minder dan een Godsgericht is. „Als een droom na het ontwaken, wanneer de Rechter der ganscbe aarde opwaakt ten oordeel.quot; Zoo wórdt het, maar nu is ook het kleinmoedig geloof uit zijn eigen zware droomen ontwaakt, en ziet hoe het als een blinde over de kleuren gesproken beeft, en de dichter oordeelt zich zeiven, opdat hij door God niet geoordeeld worde (vs. 21, 22). Dieper buigen dan ooit, gelijk Job weleer na de ontvangen Godsopenbaring (H. 42:5, 6), het wordt hem behoefte der ziel, en die zich alzoo vernedert, hij wordt verhoogd, van de donkere diepte naar de blinkende berghoogte opgevoerd.
Maar nu wordt dan ook (vs. 23—28) een diepe Geloofsvrede het einde, beide van strijd en triomf. De raadselen blijven voortbestaan, maar zij hinderen Asaf niet meer. Wat ook komt of niet komt, dit ééne weet hij, hij heelt in zijnen God een trouwen Gids (vs. 23,
63
24), die hem naai1 zijnen raad door lijden tot heerlijkheid voert, en dit tweede, daaraan gelijk, hij heeft in dien God een algenoegzaam Deel (vs. 25, 26), dat nimmer wegvallen zal, en dat hij boven al het andere kiest. Hij is van God verzekerd, en in Hem van zijn eeuwig zalig lot, want wat geworteld is in den levenden God kan niet sterven. Wat is, daarbij vergeleken, de toekomst (vs. 27), die den goddelooze verbeidt? Nog eenmaal (vs. 28) „mij aangaandequot;, maar nu, welk een verschil tusscben het begin en het slot van het lied! Genoeg, het Resultaat van alles voor heden is: „goed nabij God te wezenquot;, en het Programma, beide der aardscbe en der eeuwige toekomst: „God betrouwen, en zijne werkenquot; — nooit meer bedillen, maar altijd steeds luider „vertellen.quot;
Alzoo heeft Asaf in den Heer geloofd, en het is hem tot gerechtigheid gerekend, en ons ter leering beschreven (Rom. 15: 4). O mijn Troostbijbel, hoe is het mogelijk immer vruchteloos te smachten naar lafenis, waar zulke licht- en laafbronnen vloeien? Och of het eerste woord van den Psalm in Luther\'s vertaling maar het eerste en laatste ook in ons geloofsleven worden en blijven mocht, het alomvattend Nochtans!
XXIV.
Voor slapelooze nachten.
Mijne stem is tot God, en ik roep .... Ps. 77.
Slapelooze nachten — de kunst weet er in sommige
64
gevallen al zeer weinig aan te doen: heeft „de Artsenij-kamer der zielquot; ook daarvoor raad nog en baat? Ja, en wel bij monde van dien zelfden Asal, die ook voor donkere dagen een zoo passend woord wist te spreken. Psalm 77 is „een gouden kleinood Asafsquot; voor wie met dezen doorn in het vleesch meer dan oppervlakkig bekend zijn, of wellicht dil in later tijd worden. Evenals de vorige verdient hij in zijn geheel gelezen en overwogen te worden, natuurlijk het open, onberijmde Psalmboek in handen, zonder hetwelk onze aanwijzing van geenerlei nuttigheid is. Als in een helderen spiegel wordt het ons hier te aanschouwen gegeven, aan de eene zijde, hoe donker het soms in het hart van oprechte vromen kan worden (vs. 2—10), maar ook aan den anderen kant (vs. 11—20), hoe het in dat donker hart weer van •lieverlede aanvangt te lichten. quot;Eerst zien wij den dichter in geestelijk opzicht dalen, maar dan weder stijgen; telkens langs vier verschillende trappen.
Hoe gaat het hier Benedenwaarts bij den man, die toch „ten dage zijner benauwdheidquot; niet aflaat den Heer te zoeken? Hij wordt ongelukkig slapeloos (vs. 3a); zijne hand is des nachts onrustig uitgestrekt, niet slapend gevouwen, en zijn oog wordt een tijdlang wakend gehouden. God gunt zijnen beminden den slaap, maar „zonde, zwakheid, angst en zorgenquot; kunnen het genot dier gave soms weken en maanden betwisten, en men behoeft geen koning Ahasveros te zijn (Esth. 6:1), om de rust voorgoed van zijne sponde geweken te zien. Maar nu, in dien toestand van overspanning, wordt Asaf bovendien troosteloos (vs. 3b, 4). Hij kent de troostgronden wel, maar geniet er niet van; wat hem opbeuren moest, het drukt hem neer. Kon hij zich nog aan
65
anderen mededeelen, maar de gemoedskranke zondert zich af en trekt zich terug; hij wordt sprakeloos (vs. 5—7), steeds meer in zich zeiven gekeerd, en zich suf peinzend over allerlei duistere vragen. Kon hij slechts gelooven, dat geloof zou hem het antwoord doen vinden, maar, ergst van al, nu wordt ook de arme Asaf geloo-veloos t(vs. 8—10); althans, hij spreekt ja eindelijk, maar niet anders dan ook de ongeloovige doet. Ook het ondenkbare, het Gode onwaardige, het wanhopige wordt hem, naar het schijnt, niet zoo volstrekt onaannemelijk; het zou toch wel kunnen zijn, dat zij recht hadden, die lasterden.... Waartoe meer? Arme, ongelukkige, weldra zondige en strafwaardige zanger, die toch zoo goed en schoon zijt begonnen: „mijne stem is tot God, en ik roep.quot; Hoe zijt gij zoo diep gezonken, waar gij eerst zoo hoog hebt gestaan, en hoe menigeen verging het vroeger en later niet beter dan u? „Goddank,quot; riep Luther uit het diepst zijner ziel, toen hij van gemoedsbezwaren vernam, „ik dacht waarlijk, dat ik de eenige was.quot;
Maar ook daarvoor Goddank, dat het ons in dezen zelfden Psalm als in een spiegel getoond is, hoe het in zulk een donker hart weer van lieverlede aanvangt te lichten. Dat geschiedt, merken wij het dadelijk op, langs den weg, niet van normale ontwikkeling, maar van radicale omkeering, en vier trappen voeren geleidelijk weder uit de diepte naar Boven. Moegetuurd op zich zeiven en het leven, begint de lijder in zijnen slapeloozen nacht met eerbiedig opzien (vs. 11). Om het even, of wij onze vertaling behouden, dan wel een andere kiezen, altijd richt zich op „de rechterhand des Allerhoogstenquot; zijn oog, en dat onvoorwaardelijk afzien van zich zeiven was ■— en is nog — de eerste schrede op den beteren weg. Nu
66
komt het (vs. 12—14) tot een dankba ar terugzien op wat die God tot dusver gedaan heeft; de stem van het Verleden moet op de raadselen van het Heden dit antwoord geven, dat de oude Getrouwe nog leeft. Zóo wordt het goed, waar in den donkeren nacht de eene ster na de andere doorbreekt, en het bij voortgezet nadenken tot eeu helder inzien komt (vs. 15—20) van den gangen het doel van Gods wegen. Hoe laaft zich de dorre, maar dorstige ziel aan de beschouwing beide der oordeelen en der verlossingen Gods! Gods vinger wordt gezien, zijn hand herkend, maar niet het spoor zijner voetstappen, waar zijn pad loopt door een doorschijnende, maar eeuwig onpeilbare diepte. De ziel keert weder tot hare rust, en tot rustig vooruitzien (vs. 21), als uit een woestijn naar het land der belofte, komt het eindelijk weer met den man, die zich nog altijd met volle bewustheid een lid voelt van het volk, dat door God als Herder naar de schoonste bestemming wordt voortgeleid. Niet luider verheft de hoop hare stem, omdat het Psalmwoord hier afbreekt, maar reeds dat ééne „Gij leiddet uw volk als een kuddequot; zegt voor gescherpte ooren genoeg. Als een cirkel buigt de Psalm aan het einde tot zijn punt van aanvang terug. Met aanbidding begon, met God verheerlijking sluit hij, bijna zeide ik, tegen alle verwachting.
En Christenen, die hem herlezen, zullen in menig opzicht blijven staan beneden dezen zielvollen zanger? En wie, gelijk hij, in den kuil ligt neergezonken, zal niet weder, als hij, tot de vaste rots zich verheffen? En wie nu daarop werkelijk staat, en onwrikbaar bleef staan, in zeker opzicht ook boven den mistroostigen Asaf? Maar ook dat, wij zagen het in hem, kan verkeeren, en de slapelooze nacht getuige van een worsteling worden, u
67
tot dusver slechts bij name bekend. Voor dat geval, mijn kranke broeder en zuster, neem eens met de medicijn van dit Psalmwoord de proef. „Probatum est.quot;
XXV.
Rots en Recht.
Hij is mijn Rotssteen, en — in Hem is geen onrecht.
Ps. 92 : löb.
Een heerlijk slotakkoord van dien heerlijken Sabbatspsalm, die in den loop der eeuwen reeds zoo menige ziel aan het stof der aarde ontvoerde! Dat is dan de slotsom van wat zij, die ook in den ouderdom in het huis des Heeren geplant zijn, gedurig weder te bedenken en te verkondigen hebben; het kort begrip van hun Credo, het resultaat hunner geheels levenservaring. „Hij is mijn Rotssteenquot;; de Rotssteen, waarin ik schuil, wanneer het onweert of stormt om mij henen. De Rotssteen, waarop ik bouw het huis beide mijner aardsche en mijner hemelsche hoop, zoodat het, wél gefundeerd en vast, niet wankelen noch instorten kan. De Rotssteen, waaruit ik mij laaf, want door zijne wanden loopen verborgen sprinkaderen des levenden waters, die slechts behoeven te worden aangeraakt met den staf des geloofs, en de verkwikkende teug vloeit mij tegen. Dat is Hij, als in een eeuwig heden, en bij Hem, die dat is voor een ieder der zijnen, kan in geen geval sprake zijn van Onrecht. Geen Onrecht in zijne eischen, al
5*
68
schijnen ze nog zoo onbillijk en overdreven. Geen Onrecht in zijne bedeelingen, want hoe ongelijkmatig ook, de hoogste Wijsheid beschikte ze. Hij antwoordt niet van al zijne daden, maar kan die alle volkomen verantwoorden ; Hij verbergt zich dikwijls, maar zonder dat Hij zich immer vergist. Geen Onrecht eindelijk, ook niet in zijne strengste gerichten, want waar zelfs het minste verbeurd is, is ook het ergste niet onverdiend, als Hij onze heimelijke zonden in het licht van zijn aangezicht stelt. Wij kunnen, helaas, ons vergrijpen, en lijden vaak grievend onrecht van menschen, maar het geschiedt niet buiten Hem om, en in menige krenking is, geheel buiten weten van den krenker, het onkreukbaar Godsgericht niet te miskennen. Die dat onvoorwaardelijk toestemt, omdat hij zijn trouw geweten laat spreken, en nochtans geloof genoeg heeft om het van dezen Rechter te blijven belijden; „Hij is mijn Rotssteenquot; — wat dunkt u, zou deze mensch het in stilte niet goed kunnen hebben voor zich-zelven te midden van de lange en bange arbeidsweek dezes levens, ja, wat meer is, niet reeds een goed eind op weg zijn, om het Volmaakte Sabbatslied in den he-melschen tempel te zingen, waar de Rots niet langer omneveld zal zijn, en bet Onrecht zelfs in schijn niet langer voortduren kan?
Zalig, wie kennelijk op weg is om éen van die menschen te worden! God leert en geeft hem hier alvast den Psalm in den nacht, maar ook die op den vollen dag, den eeuwigen Sabbat, zal komen. Zal hij daarbij misschien zelfs anderen als „Opperzangmeesterquot; voorgaan? Dit is zeker, ook op de lagere plaats van „Dorpelwachterquot; zal hij zich volkomen te huis, en onuitsprekelijk begenadigd gevoelen.
69 XXVI.
Onder een dreigenden horizont.
De Heer regeert, Hij is met hoogheid bekleed---tot lange dagen. Ps. 93.
Rustige Sabbatspsalmen klinken hierbeneden slechts al te zelden ons tegen; te meer tonen van Strijd en Triomf hoort het onbezweken geloof in deze onrustige wereld uit het hart van Gods kinderen opgaan. Hier is er éen, die te gelijk door schoonheid, waarheid en kracht ons bekoort, en die wellicht best wordt verstaan, als hij herlezen wordt onder een recht donkeren, dreigenden horizont. Van den zoodanige kan de gemeente des Heeren in onzen tijd, misschien meer dan ooit, met vrijmoedigheid spreken, en met name richt menigeen met klimmende onrust den blik naar het naderend einde der tegenwoordige eeuw. Bij niet weinigen spreekt de bange vreeze zich uit, dat ook deze negentiende, vooral niet minder dan de achttiende eeuw, in bloed en tranen zal ondergaan, ja soms durft deze en die, die verder dan het oogenblik ziet, nauwelijks een naam geven aan wat hij heimelijk ducht. Geen wonder, waar schier overal „de fondamenten zijn omgestooten,quot; en reeds zoolang met milde hand de wind is gezaaid, waaruit een oogst van stormen moet losbreken. Eene pessimistische wereldbeschouwing grijpt gedurig verder rondom zich; ouderen van dagen zijn dankbaar, dat zij niet verre meer zijn van den eindpaal, en sidderen wel eens bij de voorstel-ling van wat hunne kinderen nog kunnen beleven, ee\'r de wereld Negentienhonderd zal schrijven.
70
Wij zullen niets aan het betrekkelijk recht dezer beschouwing te kort doen, maar zij kan in geestelijke krankheid ontaarden, en het is juist tegen deze dat de 939te Psalm een onschatbaar tegengif aanbiedt. Wat zien toch, wat hooren wij hier\'? Reeds terstond rijst (vs. 1 en 2) voor ons oog de Troon in den Hemel, en die er op gezeten is. Hij is de Koning van eeuwigheid, de Machtige, ieder oogenblik tot strijden en overwinnen gereed, en daarbij, wat alles afdoet, de getrouwe God des Ver-bonds. Nu verheft zich tegen dien troon, wel is waar, de Stroom uit de diepte, die het kennelijk (vs. 3) op vernietiging van alles heeft aangelegd, wat voor den troon zich moet buigen. Soms is het, alsof letterlijk de sluizen des Afgronds zijn opengebroken, en ook van deze eeuw zal kunnen getuigd worden, dat een stortvloed van verwarring, van zonde en van ellende is opgestoken, die niets minder dan het ergste doet duchten. Maar al te zeer is de geest des tijds gelijk aan dien onbedreven leerknaap van een machtigen Toovenaar, van wien een bekend fabeldicht spreekt, die wel het woord heeft afgeluisterd om naar welgevallen den stroom te ontketenen, maar niet het andere woord, dat het water weder binnen zijne oevers terugdrijft. Weldra zélf in den nood, moet hij daarom uitroepen: „Meester, sta mij hij! Van de ontboeide geesten kom ik niet meer vrij.quot; — Nochtans, wij hebben en behouden een Waarborg, dat die stroom in geen geval den troon kan doen vallen. Die waarborg (vs. 4 en 5) is gelegen in de allesoverklimmende Majesteit van den Koning, in de onwankelbare Trouw van zijn Woord, en bovenal in de Heiligheid van zijn Huis: „de heiligheid is uwen huize sierlijk, o Heer, tot lange dagenquot;; zoo is het, en daardoor is ook de groote strijd
71
reeds in beginsel beslist. Drong de zonde in dit Troon-paleis door, het moest onvermijdelijk vallen, maar wat vlekkeloos Heilig is, is ook in zichzelf onvergankelijk; niet de blanke Rots, slechts het troebele Water is tot vallen veroordeeld. Daarom niet gewanhoopt, al spelt de avond des Levens en der Eeuw ook overstrooming en storm; wat het heftigst bruist zal daarom nog het laatste woord niet behouden. Het Godsrijk zal niet slechts dezen tijd nog wel doorkomen , het heeft de Eeuwigheid vóór zich.
XXVII.
Niet voor de hand, toch voor het hart.
Ik heb gedacht, o Heer, aan uwe oordeelen van ouds aan, en heb mij getroost. Ps. 119 : 52.
„Uwe oordeelen zijn een groote afgrond,quot; zingt een gewijde dichter (Ps. 3G; 7), en — die van Ps. 119 heeft zich niettemin getroost met wat anderen, niet minder vromen, van stille ontzetting doet beven? Zeker, die troostbron ligt niet zoo terstond voor de hand, althans niet voor die vaak gedachteloos toegrijpt, reeds gelukkig, indien zij ook slechts een rietscheut kan vastklemmen. Toch is het een woord voor het hart, althans van wie dat andere Psalmwoord verstaat; „rechtvaardig in al zijne wegen, goedertieren in al zijne werkenquot; (Ps. 145:17). Hoe ontzaglijk ook Gods oordeelen, niet slechts „van ouds herquot;, maar ook in onzen tijd voor den opmerkzamen blik
72
mogen zijn, tóch bevatten zij een schat van troost, die zich even weinig overzien als uitputten laat, en menigeen, die zich moede peinsde over de raadselachtige wegen van God, heeft bij den blik op zijne ontzettende gerichten het verloren evenwicht tusschen zijn denken en zijn ge-looven hervonden.
Of verwondert het iemand, dat men zich troosten kan zelfs met de gedachte aan den Zondvloed, aan Sodom\'s ondergang, aan Jeruzalem\'s verwoesting, aan schriktoo-neelen van dezen aard meer? Maar laat mij hem met de wedervraag antwoorden: of dan inderdaad onze werelden levensbeschouwing zooveel troostrijker zou zijn, indien namen van zoo schrikwekkenden klank nooit tot ons oor waren doorgedrongen, en daarentegen het „eenerlei weder-waart den rechtvaardige en den goddeloozequot; ons telkens op de lippen moest rijzen? Maar, Godlof, daartegen is voldoende gezorgd, en als met een donderslem verkonden Gods oordeelen aan menschen en volken wat maar al te vaak wordt vergeten, als het in het suizen der zachte stilte vernomen wordt, dat er „een God is, die leeft en op deez\' aarde vonnis geeft.quot; Wat troost! er is één, die Hoog is boven al de hoogen, door wie zijn naam en zaak wordt bestreden, en die de schijnbaar verstoorde evenredigheid gedurig opnieuw herstelt.
En zijn niet Gods oordeelen toch ook weder verlossingen, hetzij voor weinigen of velen der zijnen, en is niet ook de zwangere onweerswolk omzoomd met een zilveren rand? Drijft niet boven de wateren van den zondvloed de Noachs-ark, en stijgt niet telkens uit die ark de duif des gebeds, die niet weerkeert zonder een olijftak des vredes? Ja, wat nog méér is, ook bij de oordeelen, die niet slechts over de onbekeerlijke wereld.
73
maar ook over het hoofd en door het hart van Gods kinderen, in verband vaak met verborgen ongerechtigheid gaan, schuilt nog altijd deze druppel van troost in den alsemkelk: Hij die u óm uwe zonden bezoekt, doet u niet naar uwe zonden, en toont zelfs in dit zijn oordeel, dat Hij den zondaar nog liel heeft en zoekt, \'t Is hier juist het tegenovergestelde als met het boekske, dat Johannes in een gezicht op Patmos moest eten, eerst zoet van smaak, straks bitter van nasmaak. Gods oordeelen, eerst buigen zij onwillekeurig ons neder, straks heffen zij vertroostend ons op, altijd wanneer wij in oprechtheid de zijnen zijn. Ook het ontzettendst oordeel, hetzij over vriend of vijand, \'t wordt voorteeken en profetie zijner laatste komst, en op de ontroerde vraag: „is uwe komst met vrede,quot; kan voor het geloof het antwoord niet twijfelachtig blijven.
Daarom, als wellicht zelfs de zonnestraal u niet verkwikt, luister, of de onweerswolk u niets heeft te zeggen. „God zelf heeft behoefte om gelijk te krijgenquot;, heeft iemand ergens gezegd. Welzalig, die Hem hier reeds onvoorwaardelijk recht geeft, eer Hij tot den laatsten penning toe recht doet. Wacht gij uw tijd. Hij heeft de eeuwigheid voor zich. Het antwoord van het volhardend geloof op zijn laatste gericht, het zal een eindeloos Lofgezang zijn; „Wie zou U niet vreezen. Heer, en uwen naam niet verheerlijken: want uwe oordeelen zijn openbaar gewordenquot; (Openb. 15 : 4). Ook van de meest schrikwekkende oordeelen laat zich reeds hier de slotsom voorzien; „alles wèlgemaakt.quot; Op de berghoogte ziet men het onweder nog, maar ratelend ónder zijn voet, en — zelf beurt men het hoofd in het licht.
74
XXVIII. Kan het korter?
Ik ben uwe, behoud mij.
Ps. 119 : 94».
•Van een beroemd man is het woord bewaard, dat, hoe ouder hij geworden was, zijne geloofsbelijdenis steeds korter werd, zoodat hij die ten slotte desnoods op het kleinste munstukje schrijven kon. Hij wilde natuurlijk daarmede niet zeggen, dat hij gedurig minder geloofde, maar wel, dat de onveranderlijke kern en hoofdsom van zijn Credo zich steeds gemakkelijker in weinige woorden liet saamvatten; enkele, maar waarin voor zijn bewustzijn alles was uitgedrukt. Zou het Eén en het A1 echter, ook in de dagen des Nieuwen Verbonds, beknopter, juister, krachtiger kunnen aangeduid worden, dan in dezen zinrijken tweeklank van den nog veel te weinig gewaar-deerden 119den Psalm? „Ik ben uwe, behoud mijquot; — neen zeker, korter kan het niet, dan in deze belijdenis en dit gebed des geloofs, en toch ook moeielijk beter. „De uwe, o God,quot; niet in dien algemeenen zin, waarin ook de aarde des Heeren heet met al hare volheid, maar in dien bijzonderen, waarin alleen bet geloof vrijmoedigheid heeft, dat persoonlijk „o God, Gij zijt mijn Godquot; te herhalen. „De uwe,quot; uw eigendom, die alzoo niet meer voor eigen rekening sta, maar met lichaam en ziel U onvoorwaardelijk toebehoor; uw gunstgenoot, geen dienstknecht slechts, maar uw vriend, uw kind, uw erfgenaam, die van U niets meer te duchten heeft.
75
maar alles voor tijd en toekomst te hopen; uw verloste, in één woord, want zoo zou ik nimmer de uwe geworden zijn, hadt Gij, o mijn God, naar uwe einde-looze genade mij niet in liefde gekend, geroepen, gerechtvaardigd , verheerlijkt!
Die zóó spreken kan, zouden wij zeggen, is behouden, en heeft dus eigenlijk niets meer te bidden, dan om zoo spoedig mogelijk in de hemelsche heerlijkheid te worden opgenomen? Met hetzelfde recht kon men volhouden, dat wie zich eenmaal verzoend weet met God, voortaan nooit meer te smeeken beeft om vergeving van zonden. Arme Logica, die op geestelijk gebied uwe conclusiën trekt en volhoudt tégen de feiten der ervaring en de diepste aspiratiën van het gemoedsleven in! Neen, Juist nu, waar men weet, in waarheid Gode\'s te zijn, wordt met verhoogden aandrang gebeden: „behoud mij,quot; omdat helaas de hoogste veiligheid en het grootste gevaar, van onze zijde beschouwd, zoo ontroerend dicht aan elkander grenzen. Zoo waarlijk ik de uwe ben, behoud mij, o Gij groote Behouder, opdat ik, wat ik alleen dóór U ben, vóór U tot in eeuwigheid blijven moge! Behoud mij van mijn eigen hart, waarin zich juist mijn ergste vijand verschuilt! Behoud mij van\'die wereld, die met hare zonde en ellende telkens tusschen U en mijne ziele zich plaatst! Behoud mij, in éen woord, van eiken dood, in en rondom mij, die de gemeenschap met U, den levenden God, telkens bedreigt, en, verhoedt Gij zélf het niet, ten slotte onmogelijk maakt. Nog eens, mijn broeder, behoeft gij iets meer, en toch — hebt gij aan iets minder genoeg?
„Ik ben uwequot; — o onuitsprekelijk troostrijk bewustzijn! „Behoud mijquot; — o onbeschrijfelijk ernstig gebed!
76
Het eerste dringt tot het tweede, het tweede is de onmisbare voorwaarde tot het eerste. Troost en ernst van Gods Woord, och, scheiden we zelfs in gedachten toch nimmer wat Hij-zelf zoo innig heeft samengevoegd. En nog iets: wat wij ook anders in hem of haar zouden willen of wenschen, verdenken we nimmer het hart van een broeder of zuster , van wie wij toch weten, dat deze zinrijke tweeklank de diepste grondtoon ook hunner ziel is geworden. Die zóó van harte belijdt en bidt, en blijft belijden en bidden, die komt eenmaal terecht, en geen Stelsel mag harten vaneen scheiden, die in dezelfde diepgevoelde Zielzucht samensmelten. Niet op de lengte of breedte zoozeer, als wel op de hoogte en diepte vooral van het geloofsgebouw komt liet voor tijd en eeuwigheid aan.
XXIX. Een ïïemel-ladder.
Uit de diepten roep ik tot U, o Heer! Enzv. Ps. 430.
\'tWas een heerlijk droomgezicht, dat den vluchtenden Jakob in een nachtelijk uur werd getoond: een open hemel, waaruit de ladder der gemeenschap met de donkere aarde was neergelaten, door Gods vriendelijke boden betreden. Maar wat is heel het Evangelie, dan de blijde tijding van zulk eene gemeenschap, waarvan de Christus Gods het levend middelpunt is; ja, hoe menige bladzijde
77
reeds des Ouden Verbonds, hoe menig Psalmwoord vooral, bij bet biddend gebruik waarvan bet ons zijn kan, als zagen wij de ladder weer staan, in de ure des gebeds, waarlangs onze eigene ziel als op geesteswieken gedurig hooger kan stijgen? Zoo is bet inzonderheid in dien „Pauliniscbenquot; psalm, gelijk men bem niet ten onrechte heeft genoemd; de boetpsalm, waarmede de stervende Augustinus zijne laatste dagen doorleefde, en zoo menig heilbegeerig zondaar vóór hem en na bem; de bonderd-dertigste in zijn klein, maar heerlijk geheel. Een „lied der Optochten,quot; ook in dezen zin, dat het gelijkmatig van beneden naar boven stijgt, zonder gaping of sprong; een toonladder, als \'tware met gulden sporten, waarvan het opperste aan den hemel reikt, maar het onderste als in de diepte geplant is van een heilbegeerig gemoed.
„Uit de diepten,quot; „de Profundis,quot; zóó klinkt de zinrijke aanhef, maar is dat begin niet te gelijk de grondtoon, die van den aanhef tot den einde gedurig luider vernomen wordt? Ja waarlijk, hier stijgt alles uit de diepte, allereerst van een ootmoedig schuldbesef (vs. 1—3). Nauwelijks begint de stem des Gebeds te spreken en verbooring te vragen, of het zijn niet de zorgen, maar de zonden, die het eerst van alle geklaagd worden en kennelijk deze ziel het meest van alle bezwaren. „Wie zal bestaan?quot; bet antwoord behoeft niet gegeven te worden, maar waar bet hart als onder een stroom van schuldgevoel lag bedolven, beurt toch het hoofd zich rustig omhoog. — Uit de diepte van een vrijmoedig geloof gaat het voort: „maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt (vs. 4). O zalig „Maarquot;, o blijde gewisheid, o aanbiddelijk einddoel van den ganscben genaderaad Gods; heiliging, alleen langs den weg van begenadiging denk-
78
baar. Ellende, Verlossing, Dankbaarheid; op dit Evangelieblad dos Ouden Verbonds hebt gij alles in twee, drie regelen zamen; wie kan er iets afdoen, wie wenscbt er iets bij te doen ? — Gewis, wie dat verstaan heeft en inwendig doorleefd, hij bidt nu ook voort, altijd uit de diepte, maar thans van een, lankmoedig verlangen (vs. 5, 6). Immers het toegezegde Heil, het wordt ook daar, waar God kinderlijk „gevreesdquot; wordt, niet aanstonds verkregen; het moet soms lang, schoon altijd lijdzaam verbeid worden. „Meer dan de wachters op den morgenquot; — och, waarom trilt er zoo menige hartetraan in de stem, die dat lied des Wachters nog na eeuwen herhaalt, maar soms nauwelijks ten einde kan brengen? Is het niet, omdat dit lied des verlangens telkens weer wordt ontlokt door zoo menigen langen, langen nacht in de ziel, terwijl de onbewolkte dageraad, waarnaar reeds zoolang werd gesmacht, nog altijd toeft aan de kim?
Toch zal hij komen, zoo waarlijk er voor het Heimwee een huis, en voor het hijgend hert een waterbron is. Die zoo zuchtte, meer nog dan zong, neen, hij kan ook op déze trede der ladder onmogelijk op den duur blijven staan. Stijgen moet hij, en zal hij ook, en blijven bidden uit de diepte eener blijmoedige hoop (vs. 7, 8). Door het langdurig wachten wordt die hoop, als het wél is, nog meer gesterkt dan geschokt. Ja waarlijk, „Israël hope op den Heer, want bij den Heer is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.quot; Hoeveel, vraag het niet hier, maar hierboven. Peilloos voor onze hand mag de diepte onzer ellende zijn, volstrekt bodemloos moet die van Gods barmhartigheid heeten. „V e e 1 verlossing.quot; Alleen de H. Geest kan na dat woord nog iets heerlijkers zeggen. Hij kan en wil niet alleen, maar „Hij
79
zal Israël verlossen van al zijne ongerechtigheden.quot; Van de bereikte blinkende berghoogte ziet het welverzekerd geloof nog eenmaal in de Diepte der ongerechtigheid neder, maar zie, zij is voor altijd gedempt. Ja, dat zal geschieden; is niet reeds Gods Verbondsnaam ons borg, die niet minder dan tot vijfmaal toe in dezen kleinen Psalm wordt herhaald?
Zulk een Psalm, meent gij, mocht toch waarlijk wel met een Halleluja besluiten? Merkwaardig, dat woord schittert aan het einde van al de liederen Hammaalóth alleen door zijne afwezendheid. Aan het slot althans van den onzen zeker met reden. Voor zoover hij een Levenspsalm is, is en blijft hij in zekeren zin onvoltooid hierbeneden. „Uit de dieptenquot; blijft de A niet alleen, maar ook de Z van het aardsche geloofsleven. Het „Hosanna uit de hoogtequot; wordt eerst dan volkomen zuiver herhaald, als wij niet meer uit de diepte naar boven stijgen, maar uit de Hoogte op de diepte terugzien. Tot zoolang maar telkens weder van voren af aan — mocht het slechts zijn met langzaam groeiende geestesvleugelen: „de Profundis.quot;
XXX. Nog niet.
De uitgestelde hoop krenkt het hart; maar de begeerte, die komt, is een boom des levens.
Spreuk. 13 :12.
„Het wil nog maar geen lente wordenquot;; hoe dikwijls
80
hebben we, vooral in ons klimaat, die zucht gehoord en herhaald! Wel menig kranke borst smacht naar een Zuiderluchtje, maar week in, week uit wijst het haantje van den toren onverbiddelijk Noord ; naar het Oosten moet het schip, maar de wind is als in het Westen gemetseld. Ik heb een vriend, die sinds jaren tot zijne levensspreuk het Latijnsche woord „Nondumquot; („nog nietquot;) heeft gekozen; die keus toont gewis ondervinding. Een van de meest gevierde kinderen dezer wereld heeft als slotsom der zijne geschreven: „wat men zich in zijne jonkheid wenscht, dat heeft men op zijn ouden dag overvloedigquot;; maar zeker, indien ook deze al de ervaring der meerderheid ware, tusschen de lente der begeerte en den winter der vervulling ligt dan toch doorgaans een zomer en herfst van dikwijls vruchtelooze verwachting, die verre van aangenaam zijn. Hoop doet leven, gewis, maar de uitgestelde hoop krenkt het hart, dat is, maakt het innerlijk krank, in den eigenlijken zin van het woord.
Al ware het alleen om dezes woords wil, mocht Israels spreukendichter een menschenkenner bij uitnemendheid heeten. Ook waar de hoop niet eeuwig vruchteloos blijft, hoeveel bange stonden kruipen daarheen tusschen wensch en genot, en wat donkere nachten, waarin we telkens morgenrood raden, en toch niets dan altijd nieuwen schemerschijn speuren. Wie heeft het méér ondervonden dan Sara, die de beste jaren in de verwachting van den zoon der belofte verliest; dan Jakob, die zijn uitzicht op Rachels hand op eenmaal teleurgesteld vindt; dan Jozef, als hij vergeten in den kerker van Egypte, dan Mozes, als hij werkeloos in Midian toeft; dan David, waar hij zoolang in de woestijn moet zwerven, of eindelijk als schaduwkoning te Hebron regeeren, eer hij
81
ten troon te Jeruzalem stijgt; dan zoo vele geloovigen, in één woord, onder den ouden en nieuwen daw wier
/ ö 7
levensleus altijd weder in dat ééne woord: wachten begrepen was! Zoo gaat, onder het eindeloos zoeken naar wat men waarlijk leven zou achten, de tijd des levens te loor; men telt zelfs ten slotte niet meer, omdat ook liet tellen verveelt; dit alleen voelt men, duister, maar diep, het Uitstel en het Leven zijn twee, en eerst, als liet nauwelijks meer gewenschte eindelijk toch nog (ja, wel eindelijk!) komt, mag de vervulde begeerte voor ons tot zekere hoogte een Boom des Levens, de bron van Paradijsgeluk heeten.
En zulk een leven, zou het wel waarlijk levenswaard, zou het zelfs leefbaar te achten zijn? Zoo ons aanzijn niet veel hooger waarde bezitten, wanneer zulke dorre steppen van onvervulde verwachting er een minder ruime plaats in bekleedden, en mag men zich niet onwillekeurig beklagen, dat de kostbare vrucht van den Levensboom door zoo menigeen, indien al immer op aarde, dan toch in den regel niet vóór de laatste maand wordt geplukt? Zoo kon het schijnen, en zoo zou het werkelijk zijnen-dien genot het hoogste doel des levens, en iedere dag, die tusschen liet hopen en genieten vervliegt, onherstelbaar tijdverlies ware. Maar, Goddank! wij weten beter en meer, indien wij althans wandelen bij het licht van Hem, die meer dan Salomo is. Niet zoo veel, zoo lang, zoo ongestoord mogelijk te genieten, maar hier gevormd te worden voor een hooger en oneindig genot, ziedaar het ware levensprogramma; de zinnelijke mensch zou wel twee hemelen wenschen, éen hier, en een andere daarboven; helaas, hij werd voor beide ongeschikt, indien die dwaze wensch werd verhoord. Uitstel der hoop is
6
82
geen onvoorwaardelijk onheil; het wordt dit pas, indien de schijnbaar verloren tijd wordt misbruikt; maar anders, ook wat het hart krenkt, kan medicijn voor de ziel worden. En moet niet juist dat uitstel straks de waarde van het genot nog doen rijzen? Zou, om één naam te herhalen, de moederlijke zaligheid van Sara ooit zoo hoog zijn gestegen, indien Isaak tien jaren vroeger geboren was? Maar, het is duidelijk, geen kostbaarder winst, dan die uit betrekkelijk verlies werd geboren; geen verkwikkender Levensboom, dan die langzaam en in stilte volgroeid is. Het pijnlijkst Nog-niet hier op aarde wordt het voorspel van het zaligst Halleluja daarboven, en het hier gekrenkte juist daardoor het genezene, het van weelde overvloeiende hart. Het hoogst en heiligst verlangen van alle Gods kinderen wordt ten slotte als één gezwollen, gerijpte, nog slechts op het ontsluitingswoord wachtende bloemknop; ontsluit hij zich eindelijk, de Hemelgeur stroomt naar alle richtingen uit, en het blijkt voor Hemel en aarde, dat de Boom des Levens ten slotte niets minder was, dan de Christus Gods in zijne volle heerlijkheid en dierbaarheid voor al die gelooven. Het uitstel der hoop op dat heil wordt dan eindelijk slechts een dankstof te meer.
83
XXXI.
De Staf des ouderdoms.
En tot den ouderdom toe zal Ik dezelfde ziju, ja tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden.
Jes. 40 ; 4.
De ouderdom — is hij werkelijk een voorrecht, of veeleer een drukkende last? Ten allen tijde is de vraag verschillend beantwoord; zelfs wordt de Schriftbeschouwing des Ouden Verbonds hier eenigermate door een ander gezichtspunt, dan die des Nieuwen beheerscht. Zooveel intusschen valt terstond in het oog, dat hier alleen van een voorrecht sprake kan zijn, waar de grijsheid zich niet slechts in het bezit van beproefde wijsheid, maar bovenal van een vasten staf mag verblijden. Hier wordt hij aan het verouderend Godsvolk in eene toezegging voorgesteld, verkwikkend reeds op zich zelve, maar over-schoon bovenal, waar die in haar naast verband wordt beschouwd.
Met kracht en pracht van kleuren werd zoo even de val van het machtig Babel met zijne diep vernederde goden geteekend; zij hebben hun volk niet kunnen behouden, maar worden als nuttelooze ballast den trekdieren opgeladen, die hen naar elders vervoeren zullen. Hoe geheel anders de eeuwige Vader van zijn volk, die het van zijne geboorte af heeft gedragen, en het niet zal loslaten, voor de laatste schrede op den weg zijner bestem-
6*
84
ming gezet is! Hij blijft dezelfde in Israels ouderdom als in Israels jeugd, en immers is dit woord voor ieder der zijnen nog even getrouw en waarachtig? Maar in allerlei vormen klinken toezeggingen als deze, ook voor het laatste tijdperk des levens, in de gewijde bladen ons tegen, en de levenservaringen van Gods grijze vrienden bewijzen telkens opnieuw, dat die nog geen ijdele klank zijn geworden. Zeker, een levensherfst en winter zonder God zijn vooral niet minder vreugdeloos, dan een lente en zomer buiten zijne gemeenschap geweest is, en als de laatste geknakte rietscheut aan de bevende handen ontvalt, dan wankelt zelfs de krachtigste voet onwillekeurig aan den rand van den afgrond.... Maar hoe geheel anders wordt ook in dit opzicht alles, wanneer intijds de staf eener Godsbelofte als deze gegrepen is, en dagelijks wordt vastgehouden met onbezweken vertrouwen! Oneindig veel heeft de oude man of de oude vrouw reeds zien wegzinken, maar verreweg bet beste bleef over, en kunnen zij niet meer, als vroeger, anderen dragen en steunen , zij worden nu op hunne beurt gedragen door eene hand, die telkens nieuwe kracht in grooter zwakheid volbrengt. In Gods gemeenschap worden de eigenaardige verzoekingen des ouderdoms bestreden en overwonnen, de ontberingen des ouderdoms verlicht, de lasten des ouderdoms verzacht, en zelfs de zorgen des ouderdoms, waar die nog voortduren en klimmen, in stilte dienstbaar gemaakt om het hart losser van de aarde, en rijper voor den Hemel te maken. Naarmate de vroeger zoo prachtige boom een grooter aantal zijner bladeren vallen liet, wordt het blauw des hemels meer zichtbaar boven zijne verdorrende toppen, en nog in den laatsten nood, waar men de krukken niet langer kan missen, wassen
85
ook de geestesvleugelen aan, die het hart reeds vooruit in het land der Eeuwige lente verplaatsen.
Summa Summarum! ook in den ouderdom is er slechts ééne alles overtreffende ramp, God niet tot Vriend, en zijn Woord niet tot Staf te hebben, maar ook die ramp behoeft hierbeneden voor niemand onherstelbaar te zijn. De rust van den ouderdom hangt af van de keuze der jonkheid, en op de vraag; „is de ouderdom een ramp, of een zegenquot;, hangt het antwoord af, niet van den Kalender, maar van den Staf in de hand.
XXXII. Een roerende bede.
Laat u tuchtigen, Jeruzalem, opdat mijne ziel van u niet afgetrokken worde. Jerem. 6 ; 8a.
Een Profetenwoord, waarin wij God zei ven uit het diepst van zijn hart tot zijn afvallig volk hooren spreken, maar spreken als met een traan in de stem. Diep is in Jeremia\'s tijd het nakroost van Juda gezonken, en zwarte onweerswolken trekken van uit Babei tegen stad en tempel te zamen. „De dag heeft zich gewend, en de avondschaduwen neigen zich.quot; Jeruzalem moet getuchtigd worden, zal er later nog iets van terechtkomen, en tot geen prijs kan het zich zelf verlossen van het naderend Godsgericht, maar alles hangt er verder van af, hoe dat oordeel gedragen wordt, zoo het eindelijk nog in de uit-
86
komst een zegen zal achter zich laten. Jeruzalem moet zich laten tuchtigen, het gericht over zich heen laten gaan, boetvaardig, gewillig, gehoorzaam; het moet het in dit opzicM onvoorwaardelijk eens zijn met God, of — er staat nog iets veel ergers te duchten. Het is als vreest Hij, die ons, maar ook zich zeiven kent gelijk niemand, dat anders het allerergste gebeuren, dat zijn heilig liefde-hart eindelijk nog wel eens zou kunnen losraken van een zoo onverbeterlijk volk, en toch, juist dat wil Hij in eeuwigheid niet, want Hij gedenkt desVerbonds, zijnen vrienden en hun nakroost gezworen. Maar zal Hij dat kunnen blijven doen, zonder zijne eigene heilige natuur te verzaken? Hij bidt met aandrang, niet slechts om hunnent-, maar ook om zijns zelfs wil, dat zij Hem de bereiking van zijn heerlijk doel niet zedelijk onmogelijk maken; Hij vouwt de handen,quot; en geeft hun als \'t ware de keus tusschen het gedwee aanvaarden zijner roede, en het volslagen verlies zijner liefde, die Hem nu nog tot de kastijding deed komen. Aandoenlijke aanblik, God bidt den mensch, de Koning zijn volk, de Vader zijn kind, gelijk later om zich te laten verzoenen, alzoo hier om zich te laten kastijden. Is het minder treffend, dan wanneer straks- de Christus Gods over dit zelfde Jeruzalem weent, en vruchteloos jammert; „Och of gij ook bekendet, ook nog in dezen uwen dag, hetgeen tot uwen vrede dient! Maar nu — is het verborgen voor uwe oogenquot; (Luc. 19 : 42).
Hoe goed toont God zijn maaksel te kennen, dat Hij het ook zulke tonen laat hooren, al is het dan ook nog slechts al te dikwijls vergeefs! Het is immers zoo, niet de kastijding op zichzelve werkt de vreedzame vrucht der gerechtigheid, maar veeleer de wijze, waarop die
87
gedragen, en bovenal de mate, waarin men door de tucht wordt geoefend. „Laat u tuchtigen,quot; veel meer behoort er toe, dan men oppervlakkig zou denken. Het is nu eenmaal niet genoeg, dat wij den vloed van jammeren over ons laten komen, dien wij nu eenmaal niet stuiten kunnen; dat wij ons sidderend neerzetten in „het hoekje, waar de slagen vallen,quot; voor welke nu de beurt aan ons is gekomen; dat wij de striemen voelen, ver-wenschen, en voorts met een verbleekt gelaat zoo spoedig mogelijk afwasschen: \'t zegt nog vrij wat meer, dan dit alles. Zich laten tuchtigen, \'t is natuurlijk niet aangenaam, maar toch recht, toch goed, toch zijner en onzer waardig vinden wat God met ons doet; het is desnoods liever zijne gunst genieten, wanneer die komt in de gedaante der tucht, dan zijne roede te missen, maar dan ook die gunst geheel te verliezen. Niet weinig gewis komt tegen dat laten tuchtigen op, vooral wanneer het langer dan heden of gister duurt. Wij waren het vroeger zoo geheel anders gewoon; wij wisten toch ook niet, dat wij juist zooveel slechter dan anderen waren; wij begrijpen allerminst, waarom juist dat kruis voor deze schouders .... Om het even, „laat u tuchtigen, Jeruzalemquot;; uw dwaalspoor hebt gij naar hartelust zelf kunnen kiezen, maar de tuchtroede, die over u wordt opgeheven, moet gij gehoorzaam aanvaarden, onverschillig in wat vorm die wordt uitgestrekt, en op wat plek die u treft. Gekastijd te worden is op verre na niet het ergste: vergeefs gekastijd te worden, ziedaar wat veel meer is af te bidden. De bastaard, die nu eenmaal geen roede meer waard wordt gekeurd, heeft het erger, dan de verloren zoon in de grootste weelde en — ellende der vreemdelingschap. „Opdat mijne ziel niet van u afgetrokken
88
wordequot;: — neen, Heer, dat ééne althans in der eeuwigheid niet; dan liever nog, zoo het moet, een slag der tuchtroede meer! Op Uwe bede: „laat u tuchtigenquot;, kan slechts deze van onze zijde het antwoord zijn: „Kastijd mij, Heer, doch met matequot; (H. 10 : 24a), en spaar mij desnoods ook een zwaarder kruis niet, mits Gij mij slechts uw Hai\'t laat behouden! En ja, dat zult Gij, Gij, die eenmaal door dezen zelfden Profeet aan uw volk, dat zich tuchtigen liet, dit onschatbaar Troostwoord deedt toekomen, overwaard, als op gebogen knie beluisterd en beantwoord te worden: „Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de Heer, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting. Dan zult gij Mij aanroepen, en henengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u hooren. En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw gansche hartquot; (H. \'29 : 11—13).
XXXIII. De Smart zonder wederga.
Schouwt het aan, eu ziet, of er eeue smart zij gelijk, mijne smart, die mij aangedaan is.
Klaagl. 1 : l\'i\'quot;.
Met mij hebt gij zeker dat woord wel eens onder afbeeldingen van den gekruisigden Heiland gezien, en het gaf u meermalen ook wel iets te verstaan en te voelen.
89
Ongetwijfeld, \'t heeft in zijn historisch verband een geheel anderen zin. \'t Is de taal, door den Klaagzanger op de lippen gelegd van het diepvernederd Jeruzalem, weleer de fiere koningin van het Oosten, thans als verlaten en verachte weduw op haar puinhoop neergezeten. Maar waarom zou het ons niet vrijstaan, dat woord in nog ruimer zin te doen gelden van Hem, die heeft geleden en gestreden als niemand; daar wij het immers alzoo bezigen , niet om iets duisters te verklaren, of iets onzekers te bewijzen, maar om in dezen vorm ons het roerend beeld van den Man van smarte voor oogen te stellen ? — Iemand heeft ergens de smart „een engel met donkere wiekenquot; genoemd, en zeker, reeds op zichzelve heeft zij voor het gevoelig hart van wie haar in anderen opmerkt iets eerbiedwaardigs en heiligs. Eene groote smart, zelfs van een kleinen mensch, verheft onwillekeurig hem, die haar lijdt, in ons oog, vooral zoo hij die onschuldig en met waardigheid draagt. Maar nu de gadelooze smart van Hem, den Zone Gods en des menschen, dien wij met zooveel recht den Lijder zonder w\'ederga noemen... . Zal het noodig zijn, zijnen lijdensweg van den eersten tot den laatsten tred met u af te wandelen, om u te doen gevoelen, wat wèreld er schuilt in het woord: „Schouw het aan, en zie, of er eene smart zij gelijk mijne smart, die mij aangedaan isquot;? Ik weet, er is, er wordt véél geleden op aarde, maar bij dit lijden vergeleken, wat is daarbij het lot van zoo menige jammergestalte van den mensen! Waar de smart elders in schijnbaar ongelijke mate verdeeld is, hier, op dit met dorens gekroonde hoofd, is zij in al hare vol- en bitterheid uitgestort. Hoeveel heeft Hij reeds uitwendig geleden, en bovenal, hoeveel heeft Hij daarin innerlijk doorleefd en gedragen! Geen
90
snerpend lichaamslijden alleen, maar gadelooze angst en j droefheid der ziel; het uiterste van de boosheid der vij- s anden, maar zonder eenigen troost van de vrienden; ver- r raden, verloochend, mishandeld, bespot, prijsgegeven in j zeker opzicht door allen; verstaan en begrepen door t niemand; innerlijk — dat is het Golgotha óp Golgotha, — j innerlijk als verlaten van God. En bovendien, wat draagt i Hij al in dit alles! Zeker, al de boosheid der Joodsche B en Heidensche natie, die zich als rondom zijn kruis heeft i vereenigd, maar in die boosheid te gelijk den vloek van i de zonde der wereld, en in dien vloek het rechtvaardig d oordeel Gods, dat Hij vrijwillig en schuldeloos op zich c nam, opdat Hij ons met zijne zegeningen zou vervullen. I Ach, geheel zijn leven was lijden, omdat heel dat leven I liefhebben was, en van heel dat leven geldt daarom het z woord: „Hij heeft onze krankheden op zich genomen, || c en onze smarten heeft Hij gedragen.quot; Vrijwillig ingetre- ] den in gemeenschap met ons gevallen geslacht, heeft Hij \\ al onze nooden en dooden als door zijn heilig liefdehart -v laten heengaan, en beide in doen en dragen alles ten ii olTer gebracht, om Gode het offer te brengen, het éénige, \\ dat Hem kon behagen, het offer van eene gadelooze ge- \\ hoorz\'aamheid en van eene oneindige liefde. En nu, ziehier zijn loon en zijn kroon, het kruis, met zijn smart, d met zijn smaad, met zijn vloek, en dat voor eene ziel f als de zijne! .... Zulk een offer was dan noodig, — Gods I Woord getuigt, en een getrouw geweten bezegelt het! — s om ons te ontheffen van al, wat onze zonden verdienen; r door zulk eene diepte moest het dan gaan, om ons, ver- c lorenen in ons zeiven, op de hoogte te voeren, waar het 1; Halleluja der verlossing weerklinkt. z „Schouwt het aan, en ziet, of er eene smart zij gelijk \\
91
mijne smart, die mij aangedaan is.quot; \'t Is de klacht, niet. slechts der lijdende, maar ook der miskende liefde. Jeruzalem spreekt, in het tekstverband, niet tot hare eigene kinderen, die met haar zitten en treuren, neen, maar tot hen, die haar voorbijgaan zonder oog of hart voor hare ellende. En zóó zou ook onze Heiland allereerst kunnen klagen over de wereld, waarin zijn kruis nog steeds geduld wordt, ja, maar zijne kerk als in een puinhoop terneerzinkt, en tot menigeen het smartelijk woord herhaald mag worden: „Hij staat midden onder ulieden, dien gij niet kent.quot; Neen, waarlijk, zij kent Hem niet, die wereld, die Hem zoo onopmerkzaam voorbijgaat, en Hem nauwelijks meer haat, omdat zij niet meer ernstig Hem vreest, daar het immers in haar oog met Hem en zijne zaak zoo goed als afgedaan is. Haat en smaad heeft de Christus reeds met volle teugen gedronken uit den lijdenskelk, dien de wereld nog altijd voor den Heer der heerlijkheid mengt; maar wat Hij thans van talloos velen voor lief nemen moet, \'t is wat Hem minst verdragelijk is, de onverschilligheid, die niet eenmaal het hoofd afwendt of schudt, maar eenvoudig het kruis voorbijgaat,
waarvan men immers niets meer verwacht.....
Droevige miskenning, voorwaar, en och, dat zij slechts de éénigè ware, die Hij moet ondervinden! Doch wie peilt de smart, — ik spreek naar den mensch! — die den Heer nog altijd wordt aangedaan, ook van hen, die misschien de vraag op de lippen hebben: „Heer, hebben wij niet in uwen naam uw lijden verkondigd, en uw zoendood gevierd?quot; Ik denk, bij die vraag, aan de christelijke gemeente onzer dagen in \'t algemeen, zoo krank, zoo machteloos, en daarbij zoo jammerlijk verdeeld en verscheurd. Ik denk aan zoo menig gemeentelid, dat bij
92
allen schijn van leven nog altijd geestelijk dood en doof bleef, ook voor de krachtigste roepstemmen, en wien Jezus met reden kon vragen: „Ben ik zoo langen tijd met ulieden, en hebt gij mij niet gekend?quot; Maar ik denk allermeest aan zoo velen, die dat met mij betreuren, maar niettemin zélve letterlijk alles op geestelijk gebied hooren, toestemmen, misschien bewonderen en toejuichen kunnen, zonder in den grond in iets te veranderen. Ja, zelfs dan, wanneer daar een dag in ons leven was, dat wij als nimmer te voren bij het kruis hebben gestaan en geknield, en het niet alleen gezien, maar gesmaakt hebben, dat de Heer goedertieren was,— o zegt, behooren wij nu wellicht niet meer tot die liefhebbers, door wie als bij vernieuwing zoovele pijnlijke wonden geslagen zijn aan den besten vriend hunner ziel? (Zach. 13 : 6.) Maar in trouwe, zoo gij bij nauwlettend zelfonderzoek u zei ven niet slechts schamen, maar ver-oordeelen moest, wat moet Hij dan van ons oordeelen, die niet enkel schouwt, maar doorschouwt, tot den bodem dier donkerste schuilhoeken toe, waarin wij zelve soms ternauwernood durven staren ? . . . .
„Schouwt het aan, en ziet, of er eene smart zij gelijk mijne smart, die mij aangedaan is!quot; Met dat woord blijft de Koning aan het kruis niet onbeweeglijk hangen, terwijl Hij ons laat voorbijgaan; neen, de goede Herder gaat als opnieuw uit, om zijne schapen op hun dwaalspoor te zoeken, en onder zijn staf te vergaderen, \'t Is zijn woord tot ü, die Hem nog niet hebt gekozen, die toch de hoogste aanspraak heeft op uwe ziel. „Geef mij uw hart, mijn zoon, zóó spreekt de Man van smarte, die liefhad tot den dood, en recht heeft op uw harte. O hoor die liefdestem , en laat het woord van \'t kruis voor u de leids-
93
man zijn naar \'t heerlijk Vaderhuis!quot; — \'t Is zijn woord ook tot ü, die zijne gemeenschap ernstig zoekt. Zie, of gij er nog langer vrede bij houden zult met langer nog iets te ontzeggen aan Hem, die letterlijk voor niets is teruggetreden, waar het uwe behoudenis gold. Och, laat het dan heden eens waarheid worden, wat wellicht nog nimmer waarheid was: hart voor hart, leven voor leven, uwe droefheid naar God als in gezegenden ruil voor zijne oneindige lijdens- en liefdesmart. Deze liefde, zij moet ii niet slechts wekken, maar trekken, maar boeien, maar zoo geheel verwinnen, doordringen, herscheppen, dat gij om harentwil desnoods van alles kunt scheiden, behalve enkel van Haar.
En hébt gij haar ervaren, die liefde des Heeren, o bid, dat al deze dingen voor u weer zoo frisch mogen worden, als immer te voren, en ligt er misschien een lange winter voor den inwendigen mensch achter u, en vraagt gij: hoe wordt het lente daarbinnen? het antwoord is hier gegeven, met slechts ééne kleine verandering: „Schouw Mij aan, en zie, of daar ééne smart was als déze, maar ook ééne liefde als zij.quot; Op Hem zien, op Hem alleen, geheel, onder alles; -— óf er is geen weg, om waarlijk verder te komen, óf hij ligt hier. Zoo de zon het ijs niet doet smelten, wat zal het kunstvuur vermogen? O stel u dan zoo dicht mogelijk onder zijn\' levenwekkenden invloed; werp, in Gods kracht, ook den laatsten scheidsmuur tnsschen Hem en uwe ziele terneder, en laat het u zijn, a\'sof de Heer telkens met dit woord u ontmoette, u, afkeerig hart, om u los te rukken van zonde en wereld; ü, heilbegeerig hart, om alle wantrouwen daarbinnen te bannen; ü, neergebogenen lijdend hart, om u met alle smart te verzoenen; ü, eenzaam hart.
94
om het u te vragen; hebt gij dan aan Mij niet genoeg? O heerlijk woord, klink voort, klink eindeloos voort in de kleine wereld daarbinnen, en in de onrustige wereld daarbuiten, tot gij eindelijk iederen toon van opstand en geklag overstemt, en alle verlosten in dit ééne zielsbesef samenstemmen: geen smart en geen liefde aan de zijne, maar ook geen heil en geen daak aan de onze nabij of gelijk. En gij, o onze ziel, die in eiken donkeren nacht op deze zilveren ster hebt gestaard, verbeid in stilheid den Morgen, dat de Koning der eere daarboven u aan de bruiloft des Lams ontvangen, en nu nog eenmaal zal spreken: „Schouw mij aan, en zie!quot;
XXXIV.
Goede dingen voor kwade dagen.
Teth. De Heer is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt.
Teth. Het is goed, dat men hope, en stil zij op het heil des Heeren.
Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijne jeugd draagt.
Klaagl. 3: 25—27.
„Een gouden kleinood Davids,quot; zoo heeten sommige Psalmen. „Een gouden kleinood Jeremia\'s,quot; zou men niet alzoo uit zijne Klaagliederen het derde Hoofdstuk,
95
inzonderheid van het 20te tot het 403te vers, kunnen noemen\'? Zeker, men moet als hij „op de puinhoopenquot; neerzitten, om dit gouden kleinood te waardeeren, maar het oog vol tranen ziet dan ook juist het edel metaal zich tegenhlinken. Aan de letters van het Hebreeuwsche Alphabet , gij ziet het, knoopen zich hier de schoonste kernspreuken vast, telkens drie in getal. Neem eens een proef met de Teth in dit hoofdstuk, maar in omgekeerde orde gelezen. Gij krijgt „drie goede dingen voor kwade dagenquot; in het oog; in den stelligen, den vergelijkenden, den overtreffenden trap.
„Het is goed, dat een man het juk in zij ne jeugd draagt.quot; Aangenaam moge dat niet zijn voor vleesch en bloed, maar goed, nuttig, heilzaam is het stellig. Het is goed. Het is goed, dat een man het juk draagt; zonder kruis en lijden komt er hier van den mensch niets of weinig terecht. Goed, dat hij het reeds in zijne jeugd draagt, want de man zal niet worden, dan waartoe de jongeling gevormd en voorbereid is. Jonge kruisdragers kunnen oude kruisridders worden, maar harten zonder zorg, worden het niet wel eens hoofden zonder kroon? De geschiedenis van Jakob, Jozef, Daniël, David spreekt hier luide genoeg , om van zoo menige ervaring van later dagen te zwijgen. Maar dan ook goed, dat hij het werkelijk draagt, niet afwerpt, niet inkort, niet voortsleept, maar gewillig torst, zóó en zoolang zijn God het hem oplegt. Neem het ter harte, jonge mensch, die reeds vroeg „door het kreupelhoutquot; loopen moet! En gij, mijn oudore broeder of zuster, voor wien de jeugd lang voorbij is, zonder dat nog het drukkend kruis u ontviel: gij ver-Igeet immers niet, dat dit leven, in verband met het vol-jgende, in zeker opzicht een vluchtige jeugd is te noemen.
9G
waarop in zooverre mede de tekstspreuk van toepassing blijft ?
Intusschen, het kruisdragen alleen op zichzelf zal hel ons ook al niet doen. Zeker, het is goed, maar alleen onder zekere voorwaarde. „Het is goedquot;, — en in zoover vergelijkenderwijze nog beter, bepaald waai\' het juk op de schouderen rust, — ,,dat men hope, en stil zij op het heil des Heeren.quot; Allereerst hopen, dan stil zijn; niet omgekeerd. Hopen op het éenige, dat nooit bedriegt, „het heil des Heeren,quot; maar dan ook, waar de hoop waarlijk leeft en leven doet, „stil zijnquot; — o zware eisch Aroor sommige, ons maar al te wel bekende naturen! Stil zijn, als het gaat stormen daarbuiten, als het begint te schreien hierbinnen; stil bliiven, ook als God stilzwijgt en nog vooreerst blijft zwijgen; stil, — o mijn God, wie is tot dat stil zijn bekwaam?
Hij alleen, maar hij ook gewis, die het derde der gulden G\'s van Jeremia verstaat. ,,De Heer is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt.quot; Dat derde is zeer verre het beste; hier is het niet een „Hetquot;, maar een „Hijquot;, waarop liet woord der waarheid ons wijst, en die „ H ij quot; is niet minder dan de Heer, de God des Verbonds, de eeuwig Getrouwe. Goed, in al de volheid van dat woord, alleen voor wie Hem waarlijk zoekt en verwacht , maar dan ook voor hen allen, hoe zwak vaak het geloof, hoe zwaar het juk, hoe zwart het uitzicht ook zij. O mijne vrienden, gelooft gij dat, en zult gij het blijven gelooven? Dan alleen zult gij het, wanneer gij, nog éen vers teruglezende,- óok met den Klaagzanger zeggen moogt (vs. 24): „de Heer is mijn deel, zegt mijne ziel, daarom zal ik op Hem hopen.quot; Dan gewis, maar dan ook alleen!
97
Toen de Fransche Hugenooten een belangrijken veldslag verloren hadden, en de vrome De Goligny gekwetst van het slagveld werd weggedragen, drukte hij diepbewogen een zwaargewonden strijdgenoot de band, met het woord: „En tóch hebben wij een goeden en trouwen God.quot; O heerlijk en zalig geloof, maar hoeveel behoort er toe om het te blijven zeggen onder elke omstandigheid in volle kalmte: „en tochquot; ....
„Heer, leer mij dat, en ik heb nooit te klagen,
„Maar juiehensstof aan quot;t einde mijner dagen.quot;
(van Alphen.)
XXXV.
Naar de quot;Woestijn.
Daarom, zie, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken. Hosea 2 : 13.
Naar de woestijn, — juist geen uitlokkende plek voor het oog; die er ons heenlokt schijnt onze vriend niet, en die er zich heenvoeren laat moet althans niet rekenen op rust en gemak. En toch, wat ontfermende, wat lankmoedige liefde, die zich in dit profetisch Godswoord ten aanzien van Israël uitspreekt! Lang heeft het bondbreu-kig volk verdiend, dat de Heer het aan rechtvaardige vergelding, of althans aan eeuwige vergetelheid prijsgaf; maar noch het een, noch het ander. De eeuwig Getrouwe ziet naar de ontrouwe om; heeft zij haren God in hel
98
Kanaan der zonde vergeten, Hij zal haar in een woestijn van ontbering niet onbarmhartig heendrijven, maar heen-troonen met verlokkende stem, gelijk de vriend de geliefde als met eigen hand zoekt te scheiden van al wat tusschen hen beiden zich plaatst. Daar in de eenzaamheid zal hij de oude stem in haar hart wakker roepen, die reeds al te lang heeft gezwegen, en waar zij niets tot hare verschooning kan aanbrengen, zal Hij woord n, niet slechts tot haar geweten, maar tot haar hart laten hooren, die daarbinnen het boetvaardig besluit doen ontwaken: „ik zal henengaan en wederkeeren tot mijnen vorigen Man, want toen was het mij beter dan nu.quot;
„Naar de woestijnquot;; — is dat nog niet gedurig de weg van God met zoo menige ziel, die Hij liefheeft, maar die heimelijk zijn verbond heeft verlaten? Men heeft de eenzaamheid het element voor groote geesten genoemd, maar zeker is zij de medicijn voor onreine en onrustige harten, als het slechts geen eenzaamheid mag zijn zonder Hem, die nog telkens tot zijne discipelen spreekt: „komt gijlieden in eene woeste plaats hier alleen, en rust een weinigquot; (Mare. 6 : 31a). Zij droomden misschien van genot, en Hij roept tot ontbering; zij smachtten naar gemeenschap, en Hij zondert hen af, van de wereld niet slechts, maar ook van de broeders; zij zochten het in de hoogte, en Hij wijst hun den weg naar de diepte. Is het, omdat Hij ons niet liefheeft, en willekeurig ontzegt wat wij vaak verklaren zoo dringend noodig te hebben1? Neen, voorwaar, maar juist om „in de woestijnquot; ons nauwer aan zich te verbinden, dan daarbuiten in het rusteloos gewoel der wereld mogelijk is. Wat de Heer aan Simon den Farizeër te zeggen heeft, \'t kan vrij jn de tegenwoordigheid van allen geschieden, maar aan den
99
ontrouwen Simon Petrus kan de Levensvorst slechts in een afzonderlijke verschijning zich mededeelen, zal alles weder gezegd — en goedgemaakt worden. O mijne ziel, Hij heeft het zoo goed met u voor, als Hij u in de leiding der omstandigheden toeroept: „naar de woestijn, maar met Mij!quot; Nog spreekt Hij rlaar, niet naar den mond, maar naar het hart van wie zijne liefdestem kent en verstaat; niet naar wij verdienen, maar te meer naarmate wij behoeven, en rust niet, voor Hij aan dit onrein en onrustig hart dat groote antwoord ontlokt heeft, waarom het Hem uitsluitend te doen is, en waarbij de mensch, de zondaar, de verloste toch ook ten slotte alleen waarlijk kan leven, \'tls daar in de woestijn veel vrijer, veel stiller, veel beter dan daarbuiten, waar zoo veel is, dat af-, zoo weinig vaak , dat opleiden kan. En — wonder maar heerlijk verschijnsel! — nu blijft dan ook de woestijn geen woestijn meer; met en door God wordt ook zij een Kanaan van weelde, en het blijkt opnieuw, zijn woord maakt weer gezond, wat in het gewoel der wereld krank geworden was, en geen tijd vond om tot zich zeiven te komen.
Laat het u gezegd zijn, mijn broeder, die mogelijk, waar gij dit het minst gedacht en gewenscht hebt, door een stem, waaraan gij geen weerstand kunt bieden, „naar de woestijnquot; zijt gelokt en geleid. De Heer heeft er u wat te zeggen, dat gij ter uwer beschaming moet hooren, doch waar de echte verootmoediging komt, daar blijft ook de vertroosting niet verre, en in het heete zand ontspringt de fontein, die vruchteloos onder het koele lommer gezocht werd. Wie weet, in de eeuwigheid zullen wij nog het meest danken, niet voor de oasen, maar voor de stemmen in de woestijn, die den weg tot ons hart moch-
100
ten vinden. De Heer weet wel, waarom Hij ons juist mi naar de woestijn heeft gelokt. Mochten wij het óok weten, en het daartoe met allen ernst willen weten!
XXXVI. Een onschatbaar Antwoord.
Ik ben God, en geen mensch.
Hosea 11 ; Om.
Goddelijke antwoorden op menschelijke levensvragen, zóó heeft men wel eens, en niet zonder reden, voorwaar, de levende woorden der Heilsopenbaring genoemd, waarvan de gewijde Schrift des Ouden en Nieuwen Verhonds de onschathare oorkonde is. Zulke antwoorden, wij kennen en waardeeren er vele, maar waar is ten slotte het laatst, het hoogst, het allesbeslissend en afdoend antwoord op de laatste bedenking en weerspraak des onge-loofs, die vaak donker, maar diep op den bodem van dit wantrouwend menschenhart sluimert, en het ons in stilte zoo lastig kan maken ? Ik meen het in een onuitputtelijk Godswoord bij Hosea te vinden (H. 11:9), dat, als in het voorbijgaan gelézen, zoo licht over het hoofd gezien wordt, en ons toch zoo oneindig veel heeft te zeggen. „Ik zal de hittigheid mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet wederkeeren om Efraïm te verderven.quot; Het is als voorziet de hemelsche Spreker, dat het ontwaakt geweten zulk eene Lankmoedigheid al te groot zal achten om nog op haar te durven rekenen, maar eer zich de weerspraak
101
kan doen hooren, wordt zij afgesneden door het alles afdoend; „want Ik ben God, en geen mensch, de Heilige in het midden van u.quot;
„Ik ben God, en geen menschquot;; dat spreekt wel vanzelf, zou men zeggen, en men leest er licht overheen; en toch, hoe veel ligt er in, wat stille Majesteit, wat troostrijke Waarheid, maar ook wat heilige Eisch! Wij hebben alzoo een persoonlijken, zelfbewusten God, die zich oneindig verheven weet, ook boven bet voortreffelijkst werk zijner handen, en ons juist in die verhevenheid een vasten waarborg aanbiedt voor de vervulling zijner stoutste beloften. — Nog telkens gaat het ons, als te dien dage aan Efraïm; de vertroostingen Gods zijn ons nu en dan, niet te klein, maar juist te groot, dan dat wij die zouden durven aanvaarden. Ons menschelijk Ik staat ons telkenmale op het hinderlijkst in den weg; hier laat het Ik zich hooren van Hem, die meer is dan ons hart, en het allerlaatste woord moet behouden. „Ik ben God, en géén menschquot;; luistert eens goed, of gij niet in dat eenvoudig woord het afdoend Antwoord verneemt op al de tegenspraak, die óf een ongeloovig verstand, óf een bekommerd gemoed, óf een ontwaakt geweten tegen het woord van zijnen Maker doet hooren? „Ja maar,quot; zegt ons verstand, „dat begrijp ik nietquot;; en ons hart: „dat vertrouw ik nietquot;; en ons geweten: „dat verdien ik nietquot; .... „Twijf-ling, zwijg; zwijg, bange smarte,quot; dus antwoordt het hemelsch Orakel; „Ik ben God, en geen mensch.quot; Ja, Efraïm, gij hébt recht; gij verdiendet, gij behoordet in zeker opzicht gevonnisd te worden; gij zoudt het zeker reeds zijn, indien gij met een eindigen rechter te doen hadt, maar die God, die vermag wat menschen niet kunnen, laat ook wat ieder mensch ongetwijfeld zou
102
doen, indien hij een oogenblik God ware. Hij denkt anders, Hij spaart en draagt langer. Hij zegent oneindig-rijker, dan de beste mensch zou vermogen. Hij is God, in den volstrekten zin van het woord, en mag daarom in geen geval naar menschelijken maatstaf gemeten worden.
O welk een antwoord op vragen als deze: zou er zelfs voor mij nog genade zijn? Zou ook ik nog kunnen gered worden van den afgrond der stille vertwijfeling, aan welks rand ik duizelend waggel? Is het mogelijk, dat ook mijn donker levenspad toch ten slotte niet naar beneden, maar waarlijk naar boven zou voeren? Neemt welke Godsbelofte gij wilt, herleest haar bij \'t licht van dit woord, en het zal u zijn, alsof gij een zilveren maanlichtstraal op het grauw eener onafzienbare zee hadt zien vallen. Laat het u zijn, alsof dit Godswoord ook voor u en tot u het beslissend „einde van alle tegenspraakquot; ware. Geeft Hem de volle, de hoogste eer, die Hij vraagt, de eer van een onwankelbaar vertrouwend geloof! Hij, die reeds zoo veel voor u deed, heeft nog meer voor u in zijne eindeloos Vaderhart; ook dat allerhoogste en beste, dat gij nu nog nauwelijks durft bidden en denken. Alleenlijk, vergeet niet, dat Hij, die God is en geen mensch, zich dan ook niet laat bespotten, alsof Hij een machteloos mensch ware! Schrijft Hem niets ongerijmds toe, en verwacht niet van Hem, wat gij alleen van een veranderlijk en onheilig mensch zoudt durven verwachten! Bovenal, om den vollen troost van dit woord te genieten, ziet toe, dat Hij waarlijk üw God zij, „de Heilige in het midden van u!quot;
103
XXXVII. Doodsschadirw en Morgenstond.
Die de doodsschaduw in den morgenstond verandert; — Heer is zijn naam. Amos 5 : 8.
In prachtige beschrijvingen der hoogste Majesteit munt het Profetisch woord boven alle andere uit. Soms is een enkele trek genoeg, om een sprekend beeld voor ons schemerend oog te doen rijzen. Zoo is het ons met dit woord van Amos, zoo eenvoudig, en toch zoo indrukwekkend verbeven. Helaas, het is het werk en de macht der zonde, den morgenstond van al, wat schoon is en goed, in schaduwen des doods te doen ondergaan. Maar daartegenover, het is de macht, de ontferming, de eeuwige trouw onzes Gods, dat Hij „de doodsschaduw in den morgenstond verandert,quot; zoo dikwijls zijne ure gekomen is om weder zijn bezielend machtwoord te spreken!
„Die de doodsschaduw in den morgenstond verandertquot; — \'t woord zou als Motto kunnen dienen voor geheel de geschiedenis der menschheid, der openbaring, ook des Vaderlands, inzonderheid in zijne meest roemrijke en gelukkige dagen! Maar \'t is tevens het kort begrip van wat Hij „voortijds en veelmalenquot; gedaan heeft en doet in de kleine wereld daarbinnen van allen, die Hem in Christus kennen en liefhebben. Ai mij, wat al doods-schaduwen, ook in het geloovig hart; wat al duisternissen, ook op het pad, dat naar Boven gericht is; wat al nevelen over de toekomst, die ons zoo van alle zijden
104
omringen, dat wij er als \'t ware geheel door worden ingewikkeld , om straks daarin zelve en spoorloos onder te gaan. Waar is de troost, die alleen in staat is om op te wegen tegenover dat alles, wat ons leven en sterven nu en dan tot een onafzienbaar „Nevelheimquot; maakt? „Die de doodsschaduw in den morgenstond verandert, — Heer is zijn naam,quot; ziedaar het antwoord op alles, wat in en rondom ons de onuitputtelijke stof biedt van vragen en klagen. Ik behoef alzoo niet langer in doodsschaduw neer te zitten, dan noodig is; zij vlucht heen op den wenk van Hem, die nog altijd zegt, dat het licht in de duisternis schijnen zal, en de Morgenstond, dien Hij schept, wordt te gelijk de Profetie van een rijkgezegenden Dag, waarop eindelijk geen Nacht meer zal volgen!
Hoe zoo donker en droevig dan, mijn rusteloos hart? Gods kinderen hebben de doodsschaduwen achter zich, den Morgenstond vóór zich: stel u toch niet aan, als ware het tegendeel waarheid!
„Ken weg hebt G\' a 11 e rwegen!
Geen middel, dat U faalt!
Uw doen is louter zegen.
Uw gang met Licht omstraald.quot; 1)
„Ik geloof, Heer, kom mijne ongeloovigheid te hulpe!quot;
1
Paul Gerhard. (Evang. Gez. 273 ; 4».)
105
XXXVIII.
Yoor Herfsttij den.
Maar ik.....
Micha 7.
Er komen ook inwendige Herfsttijden in de groote wereld daarbuiten en in de kleine wereld daarbinnen, in het leven der Godsgemeente en dat van eiken geloovige; voor zulke tijden is Micha VII een hoofdstuk, met geen goud te betalen. Het zijn de tijden van verachtering, van ontbinding, van loslating, waarin niets meer wil kleven: „als de zomervruchten zijn ingezameld, en-de nalezingen van den wijnoogst geschied zijn.quot; Er is niets meer op veld en akker te garen; de beste tijd van genieten en werken ging voorbij, en men begint zich van lieverlede vreemd en verlaten te voelen. \'tGaat, gelijk de Profeet met zoo sprekende trekken beschrijft (vs. 2—6); de vijanden worden steeds talrijker, en de vrienden blijken niet al te best te vertrouwen. Zelfzucht en verdeeldheid verlamt iedere poging tot samenwerking; \'t is, als ligt er een ban van onvruchtbaarheid over al wat door ons goeds wordt gewild, en als ware over het slangenzaad van leugen en ongerechtigheid een „wast en vermenigvuldigt uquot; uitgesproken. Wat zal men zich nog langer vermoeien, wat nog verder hopen op betere tijden, daar kennelijk reeds het begin van het einde aanschouwd wordt? Men vindt zich eenzaam, gebroken, verlamd; „ai mij, want ik ben, als wanneer de zomervruchten zijn ingezameldquot;; nu rest mij niets meer, dan ook maar „ingezameldquot; en weggenomen te worden. . . .
106
O zalig, wie dan, tegenover dat alles, op hope tegen hope zich aan den Onzienlijke quot;vastklemt, en met den ziener, in naam van het lijdend en diepvernederd Sion, mag voortgaan: „Maar ik. zal uitzien naar den Heer, ik zal wiachten op den God mijns heils, mijn God zal mij hooren.quot; Uitzien, wachten — \'t is ons ten allen tijde het beste, maar wanneer beter, dan in die sombere herfstdagen der ziel, wanneer het terugzien ons martelt, en een blik in het ronde ons in ieder opzicht teleurstelt*? Het op- en uitzien blijft over, en het verandert wel niets aan het Najaar zelf, maar alles aan het licht, waarin 1 zijne verwoesting beschouwd wordt. Twee kostelijke vruchten doet dat wachtend uitzien reeds terstond op-den ledigen akker ontluiken, beide door den ziener als naar het leven geteekend\'.1 ootmoed de een, en moed de ander genoemd (vs. 8—40). Bij het licht van God leert de| dochter Sions, niet slechts al de ellende rondom haar. maar, wat zoo vaak vergeten wordt, liare eigene ellende en onwaardigheid kennen. Zij aanvaardt haar aandeel aan de algemeene schuld, en valt voor haren Godin heil stof, en — niets doet ook de rechtmatigste klacht zool spoedig in het hart en op de lippen besterven, als eene boetvaardige schuldbelijdenis. Maar nu ook put zij moed,! niettegenstaande, ja in zeker opzicht zelfs uit hare diepel ellende. Hare geestelijke vijanden mogen tijdelijk hetl hoogste woord laten hooren, zij zullen toch het laatste! niet behouden; de nevelen van den herfst mogen zichl gedurig verder verspreiden, en een dorre, kille winter! onvermijdelijk zijn, ook alzoo wordt een nieuwe lentedagl voorbereid, want ondergang, verwoesting, ontbinding kanj even onmogelijk het laatste woord in het werk van Godl door de zijnen, als in het geestelijk leven zijner kinderenl
107
zijn. Het moet weer lente worden, hetzij dan hier, of hierna: „wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal neerzitten, zal mij de Heer tot een licht zijn.quot;
Heerlijke gedachte, wel geschikt om ook den sombersten Najaarshemel met een gouden lichtstraal te kleuren; waar ligt ten slotte de waarborg, dat zij meer dan een ijdel droombeeld zal blijven9 Maar waar anders, dan in de genade en trouw van Hem, dien de ziener aan het slot (vs. 18—20) aanbiddend verheerlijkt met woorden, die hem den naam van den Zesden Evangelist doen verdienen? „Wie is een God gelijk Gij,quot; — maar alle vrienden van het profetisch woord kennen dat verrukkelijk besluit dezer Godspraak; mochten zij het nimmer vergeten, allerminst wanneer de herfstdagen dalen in of rondom hen! Onmogelijk van dit Hoofdstuk te scheiden, zonder door het groot verschil tussclien den grondtoon van het laatste, vergeleken met dien van het eerste vers, getrotïen te worden. Zou het niet daaruit vooral te verklaren zijn, dat in vs. 1 het „Ik,quot; in vs. 20 het „Gijquot; op den voorgrond staat? O mijn God, ontleer mijne kranke ziel dat onverbeterlijk Ik, vervul haar met dat onuitputtelijk Gij, en — met U zal ik ook de kwade herfsttijden dóórkomen!
108
XXXIX. „God met ons.quot;
God met ons.
Matth. i : SS1quot;.
Het is bijna ongeloofelijk, en tevens diep te beklagen, hoeveel onkunde en misverstand nog bij maar al te velen aangaande de hoofdzaak en het wezen van het Evangelie hunner belijdenis heerscht. Zou ook veler onverschilligheid voor het Evangelie niet daaruit voortkomen, dat men nog het eigenlijk gezegde middelpunt, de kern van dat Evangelie niet vat? Het Evangelie, wat is het anders, dan de blijde boodschap aan eene zondige, en daarom in zichzelve verlorene wereld, dat God in Christus mensch is geworden, opdat de mensch in zijne gemeenschap der Goddelijke natuur bij vernieuwing deelachtig zou worden. —■ Persoonlijke gemeenschap met God — wie voelt het niet, dat zonder deze voor den mensch, die naar en tot God is geschapen, geene zaligheid mogelijk is? Maar hetgeen zeer hoog en zeer ver is, wie zal het vinden; de aarde, hoe zal zij zich in eigen kracht tot den hemel verheffen; de zondaar, van God gescheiden, hoe zal hij zelf den band met zijnen heiligen Maker weer aanknoopen! Zie, zegt nu het Evangelie, wat de mensch niet vermocht, God heeft het in Christus gedaan. In Hem is de Onzienlijke zichtbaar geworden; door Hem wordt eene volkomene verzoening tusschen hemel en aarde gesticht, omdat in zijn persoon Godheid en menschheid, oorspronkelijk onderscheiden.
109
op het innigst zijn vereenigd geworden. Het Evangelie is niet; God heeft een voortreffelijk mensch doen geboren worden, in wien gij nu ziet, hoe ver het de mensch-heid wel brengen kan, — maar: God-zelf is in Jezus van Nazareth mensch geworden. Zoo lief had God de wereld, dat Hij zijn eigen Zoon zond, die oneindig méér is dan alle menschen en engelen zamen; geloof nu in Hem, en gij, kind des toorns van nature, wordt wederom een kind van Gods welbehagen. Gevoelt gij het niet, „Im-manuël. God met onsquot;, dat was het eigenlijk, wat wij behoefden, maar dat is nu ook eigenlijk het nieuwe in het Evangelie, dat in geen menschelijk hart had kunnen opklimmen zonder buitengewone openbaring van Boven! God bóven ons, dat predikte ook de natuur; God tégen ons, dat vonnisde het schuldig geweten; God vóór ons, dat vroeg het heilbegeerige hart, maar, zonder het Evangelie , wie had het durven gelooven, die weet, wat het woord „zondequot; beteekent! Maar nu, iets oneindigs hoo-gers, God mét ons, God met al zijne volheid, licht en kracht en vrede, dat heeft ons het Evangelie gezegd.
„God met onsquot; — niets hoogers, gevoelt gij, kan onze verbeelding zich denken. Is God waarlijk de mijne met al zijn genade en trouw, hoeveel kan ik dan niet missen, hoeveel dan niet dragen, hoe getroost dan alléén staan, al ware het tegenover geheel de macht dezer wereld, zoo de Vader slechts vóór mij en mét mij is! Maar „God met onsquot;, niets zekerders ook voor het geloof, dat tot den Gekruisigde opziet, en zijne liefdestem hoort: „Ik heb de verzoening gevondenquot;. Ja, nu weten wij, dat de Vader ook óns liefhad, daar Hij zijnen Zoon, zijnen lénigen, ons niet heeft onthouden ....
»God met onsquot; — neem dat woord weg, en \'t is nacht,
110
aan wat zijde gij staart; \'t wordt allermeest daarbinnen stikdonkere nacht. Maar laat dit woord de fakkel zijn, die haar schijnsel op het voorledene en toekomende weipt, en zie, hoe alles van gedaante verandert. Wat zucht gij nu, kind der vergankelijkheid, om zooveel dat ontviel? God is gebleven! „God met onsquot;, zóo spreekt het geloof; God, die altijd leeft, en allen troost, die vertroosting zoeken bij Hem, en alles vergoedt, wat Hem werd ten offer gebracht; bezwijke vleesch en hart. God is de rotssteen van mijn hart en mijn deel in eeuwigheid! — Wat gaat gij nu gebogen onder den last uwer zonden? God met ons in Christus, en die God getrouw aan zijn eigen verbond, en waar de zonde meerdei werd, de genade veel meer overvloedig geweest! — Wat huivert gij thans voor de donkere toekomst ? Al de wolken te zamen kunnen déze zon aan den hemel niet blus-schen, die ons tegenblinkt in het woord: „Immanuël, God met ons!quot; Is God vóór mij, wat zal dan tégen mij zijn; is God mét mij, wat zal ik dan nog vreezen, ofschoon mij een leger belegerde; woont God in mij, hoe zou de geest ten laatste niet sterker zijn dan al wat het vleesch kan doen zuchten, ja. hoe zou zeifs de Dood in staat zijn mij te scheiden van de liefde Gods, die daar is in Christus Jezus, den Heer? Waartoe meer? Al het andere, wat baat het, zoolang ik dit ééne niet heb; al het overige, wat schaadt het. zoolang ik dit ééne behoud . Niets minder, maar ook niets méér hebt gij noodig, voor tijd en eeuwigheid nóódig, dan de onbedriegelijke gewisheid, dat God met u is, de Almachtige, de Genadige, de Onveranderlijke en eeuwig Getrouwe.
Die troostrijke gewisheid echter — wie gevoelt het niet? — kan ons alleen dan verkwikken, wanneer ons
Ill
gemoed met oprecht en levend geloot is vervuld, en dit geloof zal alleen daar in waarheid gevonden worden, waar men van God geleerd is, om zich zeiven als zondaar, en Christus als Verlosser te kennen. Onderzoek dan u zeiven, of iets van dat geloof in u leeft; bid den Heer, dat Hij uw ongeloof en zwakgeloof te hulp kome, en sta naar de vrijmoedigheid, om met het oog op kribbe en kruis te zeggen: God met mij, zoo waarlijk met mij, ais Hij leeft; met mij, niet slechts nu, maar voor eeuwig! — „God met mijquot;, zoo spreke het geloof, maar toch ook straks weder: „God met ónsquot;, zoo juiche de liefde, en reike aan allen de hand, die even dierbaar geloove ontvingen. Ja, aan die allen de hand, maar inzonderheid aan den Vader, die ons alzoo beweldadigt, en aan den Zoon, in wien Hij ons aanziet en liefheeft! Spreekt het „God met onsquot; luide daarbinnen, dan nu ook van de andere zijde: „Wij met God, in leven en sterven de zijnen!quot;
XL.
„ïï geschiede naar uw Geloof.quot;
U geschiede naar uw geloof.
Matth. 9:29b.
Zoo antwoordde de medelijdende Hoogepriester op den noodkreet van twee deerniswaardige blinden, die Hem volgden, toen Hij het hoogbevoorrecht huis van den be~ weldadigden Jaïrus verliet. Eerst schijnt het, of hun smee-kende toon: „Gij Zone Davids, ontferm u onzer,quot; geen
112
weerklank vindt in zijn hart. Laat niet nóg de Heer van tijd tot tijd een heilbegeerige een tijdlang schijnbaar vruchteloos roepen en wachten, om hem juist alzoo tot vuriger bidden te leiden? Genoeg, dat de blinden zich niet laten ontmoedigen, en met een aanvankelijk verhelderd zielsoog het spoor weten te vinden, dat naar zijne stille woning geleidt. Daar, aan den dorpel of in de rustige binnenkamer, wendt Hij zich om met de vraag: „gelooft gij, dat ik dat doen kan?quot; En nauwelijks hebben de lijders, ootmoedig, maar vrijmoedig tevens, een eenstemmig „Ja, Heerquot; doen hooren, of — met het ééne woord: „u geschiede naar uw geloof,quot; paart zich de aanraking der genezende hand, en het licht van een nieuwen dag gaat in hunne duisternis op!
Is ons zielsoog niet geheel blind meer voor onze eerste en grootste behoeften, en beginnen wij deze te voelen, wij vinden ons steeds sterker gedrongen, om op onze beurt een „Zone Davids, ontferm u onzerquot; te roepen. Ach, de last van lichamelijke blindheid, hoe pijnlijk zwaar hij ook moge zijn te dragen, hij is betrekkelijk niets, vergeleken bij den last der zonde, die op ons aller schouderen rust. En bij dien groeten zondenlast komt nog zoo menige andere, kleine of groote, van aardsche zorg of grievende smart, die den vrede uit ons gemoed, misschien den slaap van onze oogen verbant, of als die blinden tasten wij in dikke duisternis rond bij den blik op een benevelde toekomst 1 O, waar gingen wij henen, zoo wij den harmhartigen Hoogepriester in den hemel niet kenden, tot wiens huis de toegang voor alle ellendigen zonder onderscheid openstaat, of zoo Hij op den duur het zwijgen op onze klachten bewaarde! Maar neen, de Heer, Hij ziet ook ons naderen; Hij hoort ook ons klagen; Hij
113
heeft ook voor ons een antwoord, en dat antwoord, het is oneindig vertroostender, dan wij het, bij den blik op ons zeiven, schier zouden durven verwachten. Hij vraagt niets anders, niets méér dan dit ééne: „gelooft gij?quot; en durven wij daarop bevestigend antwoorden, \'tis nog altijd: „u geschiede naar uw geloof!quot; \'t Is alzoo niet zijne eerste vraag: „hoe groot is uwe zonde?quot; maar: „hoe groot en vast en sterk is uw geloof aan eene genade, die schuld om niet wil vergeven?quot; Niet: „hoe diep is uwe ellende?quot; maar: „hoe stout is uwe verwachting van Mij, die leef om gemis in genot, om droefheid in vreugd te herschep-gen?quot; Niet: „hoe zuiver is uw geloof aan menige waarheid, die voor u ondoorgrondelijk is?quot; maar: „hoe staat het met uw persoonlijk geloof in Mij, als den éénigen, maar ook algenoegzamen Helper? Al zijt gij overdekt met wonden, is daar nog een punt van aanraking voor de heelende hand van den Arts; al hebt gij Mij niets dan ellende te toonen, kunt, wilt, durft gij nog van Mij niets dan genade verwachten?quot;... Ja waarlijk? gij gelooft, op grond van zijn eigen woord, wellicht tegen alle ervaring, tegen alle bevinding, tegen alle redeneeringen der twijfelmoedigheid in, en laat Hem niet gaan, tenzij dan dat Hij u zegent ? Gelukkige! gij zult, neen, gij kunt niet vruchteloos roepen, want alles is mogelijk, maar dit alleen niet, dat deze waarachtige liegt. Geloof alleenlijk, en ook aan u schenkt Hij, naar uwe behoeften en zijne beloften, in iedere duisternis licht, in iedere droefenis troost, in iedere tweespalt verzoening, in iedere zwakheid versterking, in ieder ledig, in één woord, de afgebeden vervulling.
Doch waar is onder ons het geloof, dat in waarheid Hem kan behagen; waar was üw geloof in zoo menige donkere ure? Waar — weet gij, waaraan wij dikwijls
114
heimelijk denken, als wij de gesteldheid zoeken na te vorschen van zoo menig, menig innerlijk leven? Aan een huis, dat uitwendig vaststaat, en wellicht sporen van aanzien eu luister vertoont, maar dat inwendig uitgebrand is, zoodat wie de binnenkameren indringt overal de sporen van verwoesting en ontbinding aanschouwt. Of aan een boom, die voor den vluchtigen voorbijganger nog in vollen bladerdos prijkt, maar, van binnen hol en doorknaagd, aan het nachtgebroed ter woning verstrekt. Of aan een teringlijder, wiens oogen blinken als starren, maar wien de onverbiddelijke ziekte doodend door de aderen sluipt. Ach, wat al ongeloof en twijfelzucht, ook in het aanvankelijk geheiligde hart; wat al dusgenaamd geloof, dat een doode overtuiging, maar volstrekt geen levende kracht is; wat al dorre gelooveloosheid daarbinnen, ook waar de mond vaak de stoutste waarheden belijdt, verdedigt, verheft! Wat Christen kent ze niet, de donkere dagen, niet enkel in den winter, maar ook in den zomer van het menschelijk en christelijk leven, waarin ons alles éér mogelijk schijnt, dan waarlijk met vastheid en met volle vreugd te gelooven, en door dat geloof het leven des j Geestes te leven? Wij verklaren, ja, wij heeten, wij houden vol te gelooven, maar — wij zijn er vaak voor ons zeiven niets beter aan toe, dan anderen, die aan hun geloof reeds voorlang hebben schipbreuk geleden ... Och Heer, zien uwe oogen eerst, en meest, en inden grond alléén naar geloof, — zie dan naar anderen, maar geen oogenblik langer naar ons; ga dan mij met uwe gaven| maar zonder geven voorbij; ja, ga uit van mij. Heer, want — ik ben een zondig menschl
Zóó kunt gij van harte klagen, en gij zoudt nog dur-l ven volhouden, dat het u ontbrak aan alle geloof? Alsül
115
vleesch en bloed zulk. klagen ons leerden, en niet de Vader, die in de hemelen is. Neen, juist nu komt gij, door de diepte der verootmoediging heen, tot de hoogte, om in het tekstwoord een krachtig aanmoedigend woord te herkennen. Aanmoedigend; maar waartoe eerst en anders dan tot de bede: „kom mijn ongeloof te hulpe, o Heer\'quot;? En zie, hoe genadig de Heiland voor zulke ongeloovige geloovigen is; ontfermend komt Hij hen nog steeds te gemoet, en grijpt eiken zinkende aan met het woord: „kleingeloovige, waarom gewankeld?quot; Hij doet niet enkel naar uw geloof (\'t ware zijner erbarming te weinig!), maar nog eindeloos verre daarboven. Beter nog, dat uw geloof een mosterdzaad, dan dat het een wonderboom is. „Doe uwen mond wijd open, en Ik zal hem
vervullen,quot; zóo klinkt zijne vredestem.....
„U geschiede naar uw geloof.quot; Wat aanmoediging, om te staan naar méér geloof, opdat wij voortaan méér uit Zijne volheid ontvangen! Waarlijk, de schuld ligt niet bij den Heer, maar bij ons, dat het tot dusver zoo betrekkelijk weinig was. Neen, de arm, die dezer blinden oogen ontsloot, is nog geen spanne gekrompen; bij den Heer is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing! — Roemt in zijne genade, gij, die getuigen kunt, dat waarlijk ook u naar uw geloof is geschied, en laat het niet slechts aan uwe woorden te hooren, maar aan uwe daden te zien zijn, dat ook aan u barmhartigheid is bewezen, niet óm, maar óp en naar uw geloof. Wat schaadt het, of de oogen, die Jezus heeft aangeraakt, nog veel ellende te zien, nog veel bittere tranen te storten hebben? Een enkele nachtwake nog, en zij zien — geen Nacht meer, maar Licht.
8*
116
XLI.
De Geest, die levend maakt.
De Geest is het, die levend maakt.
Joh. 6 : 63».
Onder de vele krankheden, die de kerk onzer dagen inzonderheid doen kwijnen en lijden, behoort ongetwijfeld ook de jammerlijke miskenning van het wezen en werk van den H. Geest in haar midden.
Hoe is het mogelijk, mogen wij wel vragen, dat aan zijne volstrekte onmisbaarheid tot geestelijke herschepping des zondaars, door wie althans eenigermate met zich zeiven bekend is, nog een oogenblik getwijfeld kan worden Immers, wij kunnen het voor elkaar niet verbergen, het waarachtige leven uit God, Wij hebben het door de zonde verloren, en geen geestelijk doode kon het ooit zich zeiven hergeven. O, ik weet het wel, gij hebt uw gezond verstand, uw rusteloos hart, uw sprekend geweten; maar dat verstand is door de zonde verduisterd, maar dat hart trekt bovenal naar zijne eigene afgoden, maar dat geweten openbaart u inwendig uwe schuld, en niet Gods genade in Christus. Verbazend, hoe stompzinnig zelfs het scherpzinnigst vernuft zich kan toonen, waar het op de onderscheiding van geestelijke dingen zal aankomen; hoe hard ook de weekhartigste zijn kan, waar hem de hoogste liefde Gods in Christus verkondigd wordt. — W ij kunnen uwe ooren bereiken, doch hoe uwe harten, ik zeg niet een oogenblik getroffen, maar waarlijk voor Jezus gewonnen\'? Wij kunnen u tranen ontlokken, maar hoe de
117
ijskorst daarbinnen te doen smelten voor de zonnestralen der eeuwige waarheid ? W ij kunnen als de Dooper u wijzen op het Lam der verzoening, en u bovendien bij de hand vatten om u met zachten drang der liefde tot Jezus te leiden; maar u waarlijk aan zijne voeten te brengen, u rust aan zijn hart te doen vinden, u naar zijn beeld te hervormen.... belaas, hier schiet menschelijk vermogen te kort, en ons rest niet meer, dan als die zelfde Johannes u op éénen te wijzen, van wien wij op hooger last u verkondigen: „deze is het, die met den H. Geest doopt.quot; Ja, Hij zélf moet aan u doen, wat Hij den eersten Paaschavond aan zijne eerste discipelen deed, toen Hij op hen blies, en hun toesprak; „ontvangt den H. Geest.quot; Maar wat Hij enkel doen kan en doen moet, Hij doet het ook, en vruchteloos tracht ik u al de heerlijkheid van het nieuwe leven te schetsen, dat die Geest in het hart des zondaars te voorschijn roept: de schoonste lentedag, die na den strengsten winter verrees, is er niets bij. Nog herhaalt zich in de kleine wereld daarbinnen de scheppingsgeschiedenis, gelijk die op het eerste blad des Bijbels geteekend wordt. Eerst is alles daarbinnen nog onrustig, nevelig, donker, maar de voorbereidende genade volvoert in stilte haar werk, eer de herscheppende aan het hare kan denken. Weder zweeft de Geest Gods over de wateren, maar thans van een rusteloos menschen-hart; daar breekt een lichtstraal door voor het oog van den zondaar, als op den eersten scheppingsdag, en God en zich zei ven, hemel en aarde, hij beziet ze nu met een geheel ander oog dan te voren. Er komt scheiding, als op den tweeden dag, tusscben licht en duisternis, tus-schen leven uit God en leven der zinnen; het water der zonde, dat vroeger alles dekte, loopt af, en de bodem
418
wordt gezien, die het nieuwe leven zal dragen. A.ls op den derden dag beginnen zich nu kiemen, bloesems, vruchten der geestelijke vernieuwing te toonen; daar woelt iets, daar rijst iets, daar rijpt iets, dat geen vleesch en bloed heeft geleerd. Het wordt daarbinnen al lichter, al klaarder, al reiner; de volle zon gaat op in het hart, als op den vierden dag aan den hemel: de duisternis is voorbij, het waarachtige licht, het schijnt nu. Daar treedt, als op den vijfden dag, het nieuwe leven in tallooze vormen te voorschijn, van trap tot trap hooger ontwikkeld, en eindelijk, als op den zesden, daar staat de nieuwe Mensch, volwassen naar het evenbeeld Gods, en voelt zich koning en priester, en profeteert reeds van ver van den Sabbat, dien God op den zevenden vierde: en God ziet en zegt, dat het goed is, en schrijft boven zijn voorhoofd den naam: een tempel des H. Geestes.
Wat zijn al de scheppingswonderen bij die herscheppingsdaad Gods, waardoor Hij zondaren uit de duisternis tot het licht, uit de dienstbaarheid tot de vrijheid, uit den dood tot het leven geleidt! De oorsprong van dat geestelijk is even geheimzinnig als die van het natuurlijk leven; als het geboren is, treedt het te voorschijn; hoe het ontvangen werd, is een geheim van God, dikwijls voor onze eigene ziel. De ervaring is meestentijds pijnlijk ; het gaat met den nieuwen mensch als met den ouden: hij wordt niet dan schreiend geboren, maar zelfs het treuren van den boetvaardigen zondaar is grooter zaligheid, dan het lachen van het kind dezer wereld. Het pasgeboren kind wordt eerst met melk gevoed, doch leert later vaste spijzen verdragen; het stamelen wordt spreken, het struikelen loopen, en het loopen een kennelijk voortgaan. De Geest leert u bidden; bidden, gelijk gij nog nooit
149
hebt gebeden, met het „Abba, Vaderquot; daarbinnen, en nu ook danken, niet slechts voor wat Hij geeft, maar ook voor wat Hij onthoudt, en roemen zelfs in de verdrukking. Het hart, vroeger ten hoogste wellicht gestemd op den toon des Psalms van het hijgende Hert, leert nu het lied van het stilgespeende Kind en van den goeden Herder verstaan, en het oog, dat weleer zich afwendde van het schrikbeeld des doods, ziet nu het sterven met blijde hoop te gemoet; als die kluizenaar, die, op de vraag, waarom hij zong op zijn sterfbed, ten antwoord gaf; „omdat ik den scheidsmuur zie vallen, die mi] hindert mijn God te aanschouwen.quot; Voorwaar, het donker hart, waarin God het morgenrood des nieuwen levens doet rijzen, het mag een wereld vol wonderen heeten. En wat van die alle het schoonste is, het is, dat de Genade onze natuur niet vernietigt, maar ontboeit, verheerlijkt, herschept. Een bekeerde Paulus wordt geen geheiligde Thomas; een vernieuwde Petrus geen hoogverlichte Johannes; men-schen willen honderd bekeeringen naar één en hetzelfde model: God volbrengt één werk der genade in honderd verschillende vormen. Eere, naast den Vader en den Zoon, aan den Geest, die levend maakt! —
Wat is, ten slotte, de H. Geest voor ü, een vriend, een vreemde, een vijand\'? En wederom, wat, zijt gij voor den H. Geest, zijn tegenstander, of zijn aanvankelijk geheiligde tempel? O bedrieg u zeiven toch niet! „Indien iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.quot; Geef aan de roepstem gehoor: „word vervuld met den H. Geest,quot; en verblijd u, dat het u verkondigd wordt: „u komt de belofte toe.quot; Zoek hare vervulling op gebogen knieën, en zie toe, dat gij het verwijt niet verdient: „zij zijn wederspannig geworden, en hebben den
120
H. Geest smarten aangedaan.quot; Onttrek u aan het gewoel der wereld, om zijne stem te verstaan; sluit u vast en altijd vaster aan den Heer en aan al de zijnen. Hebt gij een beginsel van geestelijk leven, kweek het voorzichtig en teer als een fijne plant voor den hemel, die niet onberaden aan elke lucht mag blootgesteld worden. En voorts, indien wij door den Geest leven, zoo iaat ons door den Geest wandelen; indien wij door den Geest geleid worden, zoo laat ons ook het hoofd omhoogheffen, als blijde kinderen Gods!
XLII.
De bede des Tollenaars.
O God, wees mij, zondaiir, genadig! Luc. IS ; ISb.
Er zijn van die woorden in de Schrift, die een kind schijnt te kunnen verklaren, en waarvan tocli zelfs een mannelijke geest vruchteloos tracht al de diepte en de kracht te doen voelen. Het tekstwoord is éen van die: mocht het voor velen in waarheid een levens- en een stervenswoord worden!
„O God, wees mij, zondaar, genadig!quot; Wat moet er al in een harte zijn omgegaan, waarin die belijdenis tot waarheid en leven geworden is! Of noemt gij het eene lichte zaak, zulk eene bede over te nemen zonder beperking? Och, hoe weinig kent gij uw hart met zijn ver-
121
borgen hoogmoed! Wie, die zijn binnenste ernstig heeft doorzocht, moet niet bekennen, zich zeiven daarbij in menig opzicht ontvallen te zijn. Gij hebt uwe heimelijke zonden in het licht van Gods aanschijn geplaatst, en — was het niet, als rezen zij op uit den grond, de getuigen, die tegen u optraden? Roepstemmen der genade versmaad, en voornemens der bekeering vergeten; zegeningen met ondank vergolden, en beproevingen, morrend gedragen; woorden, tegen de waarheid gesproken, en daden met de liefde in strijd; uren aan den godsdienst geheiligd, en dagen, in de besmetting der wereld doorgebracht, — allen, allen plaatsten zij zich in een bonte rij voor uw oog, en riepen op doffen toon het „schuldigquot;, het „dieponwaardigquot; u toe! Een berg van ongerechtigheid zaagt gij neerzinken in de weegschaal des Rechters, en haastig zocht gij alles bijeen, wat tot eenig tegen-| wicht strekken, wat u, is het niet in een gunstig, althans lin een dragelijk daglicht kon plaatsen. Wat — ik vraag | het u — is de uitkomst van het wanhopig pogen ge-Iweest? Nooit hebt gij het tekort meer gevoeld, dan | waar gij naar het genoeg hebt gestreefd. Hier zaagt gij | een schoone daad, maar — uit het beginsel der zelfzucht |gevloeid, en de stengel ontnam aan de bloem hare | waarde. Daar wist gij van een heilig uur, maar van den dag, die er op gevolgd was, dorst gij niet spreken voor God. Ginds zaagt gij u éene schrede op den weg des levens gevorderd, maar sinds dien tijd, hoevele stappen teruggegaan ? Ik ga niet voort, doch ik vraag het u: is er niet overvloedige oorzaak om de harde beschuldiging tegen ons zeiven over te nemen, die de tollenaarsbede bevat?
„Maarquot; — zegt gij — „die bede, zij kost mij zoo veel.quot;
422
Ik zeg het met u, en noem haar eene even pijnlijke als heilzame bede. Of zou het niet pijnlijk zijn, zóo zich zeiven te beschuldigen, en den staf der veroordeeling over het eigen leven te breken? Vraag het aan dien tollenaar in de gelijkenis. Ach,, de vlam van het berouw, die zijnen boezem doorblaakt, zij verteert al de valsche rust, waarin hij tot nog toe geleefd had, en zelfs hier, aan de plaats des vredes, klopt hem het harte zoo bang. Met zulke oogen als thans heeft hij zich zei ven nog nimmer gezien; hij schrikt weg, als hij denkt aan zich zeiven, maar hij blikt omhoog en — hij hoopt! Waar de eerste wankele tred tot den Vader gedaan is, daar valt de tweede reeds lichter; waar het harde, hoogste woord er slechts uit is, daar vloeien de andere hem reeds vrijer van de bleek bestorven lippen; waar hij er pas tegen opzag, wordt het hem nu behoefte, nu vreugd, nu zijn eerste dankstof, dat hij mag bidden tot God! En dat gebed, neen, het stuit niet tegen een hemel van ijzer; het dringt door lucht en wolken omhoog, als een geurige wierook, terwijl de offerdamp van het Phariseërsgebed door Gods toorn wordt ter aarde geslagen; het lokt het antwoord reeds uit: „Ga heen in vrede, uwe zonden zijn vergeven,quot; en dat antwoord, het wordt door Gods Geest in het boetvaardig harte herhaald, en vóór de lippen met Amen besloten, heeft reeds dat harte gevoeld: ik héb genade, voor mij is geene verdoemenis meer!
„Ik zeg uliedenquot;, sprak Jezus, „deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis.quot; O gave God, dat ook wij allen dat heil mochten smaken, en dat ook ons heengaan eens uit dit leven in waarheid zóo rustig en blijde was! Maar wenscht gij zulks in waarheid, schaam dan ook de belijdenis van schuld en ellende u niet, ja, laat geen
123
enkel kwaad onbelreurd, opdat geen enkel kwaad onvergeven mag blijven! Hard moge het vallen, zich op niets dan genade over te geven; lang moge het duren, eer men vrede met de gedachte gevoelt: ik heb niets, ik ben niets, ik kan niets, waardoor ik voor God kan bestaan, toch krijgt het harte pas rust, als het tot zulk een\' stap is gekomen! O gij, die zelfs uwe oogen haast niet ten hemel durft heffen, richt ze alleen op het kruis van den Heer, om eerst u zeiven aan te klagen, maar dan u zeiven te vergeten, en niets dan genade ga te slaan. Zie, daar hangt Hij, die tot u is genaderd, opdat gij niet eeuwig van verre zoudt staan; op wien de straf was, die u den vrede moest aanbrengen, door wiens striemen genezing geworden is, immers ook voor. de wonden van üw hart en geweten? Zie Hem aan, boetvaardige ; zoo waarachtig Hij leeft, Hij ziet op u met vriendelijke ontferming terneder en vraagt u: „wat wilt gij, dat ik u doen zal?quot; En als gij dan uit het diepst uwer ziel niets vuriger bidt, dan genade voor een onafzienbare schuld, en herschepping voor een bedorven hart, — zie, daar zijt gij, die in eigen schatting de laatste waart, in de zijne op eens de eerste geworden. Hij richt genadig u op; Hij spreekt volkomen u vrij; Hij zendt u — wat kan ik meer zeggen dan dit ééne, dat alles omvat ? — volkomen gerechtvaardigd naar huis. En die Hij gerechtvaardigd heeft, die, weet gij, wordt ook door Hem getroost, geheiligd, gezaligd. Nu, waar die ééne bede, de uitdrukking der eerste behoefte, eens voor het eerst, en nooit voor het laatst is ontboezemd, nu kunt gij ook van Hem de verhooring van iedere bede verwachten, die gij vrijmoedigheid hebt om in zijnen schoot uit te storten. Nu is er ook kracht voor uwen
124
strijd; nu ook vergoeding voor uw gemis; nu ook genamp; zing voor uwe verborgene, maar och zoo pijnlijk schrij nende wonde; nu ook geruststelling voor uwe op zich zelf zoo rechtmatige, en toch met Hem zoo onnoodige vrees voor de toekomst. Nu eerst, maar nu ook gewis, is de kracht der zonde in uwe leden gebroken: nog telkens kan zij u overvallen, maar gij u aan haar prijs geven en blijven geven, neen — dat in eeuwigheid nooit zoo waarlijk u barmhartigheid door een heilig God is geschied! Ja nu, — is het niet even verbazend als heerlijk? — nu zijt gij zelfs voor den Dood niet meer hang, want de prikkel in zijne hand is verbroken, en het vonnis op zijne tong wordt een weldaad. Nog een weinig tijds nog een luttel strijds, en gij, die hier zijt begonnen deemoedig te bidden, gaat nu voort met eeuwig te
danken .....
Daarom, klinkt de tollenaarsbede schoon op de lip\' pen van den ontwakenden zondaar, zij is even weinig misplaatst in den mond van hem, die kan juichen: „Got is het, die mij rechtvaardig maakt, wie zal verdoemen T Wat zeg ik, die bede, zij moet de morgenbede zijn, waarmede wij iederen dag weer beginnen, de avondbede waarmede wij iederen nacht het hoofd gaan ter rust leggen; de eerste bede is zij van den nieuwen mensch en zij zal de laatste blijven in de ure, waarin de oude geheel wordt afgelegd, in de ure des doods.
125
XLIII.
Door Ontbinding tot Ontluiking.
Indien het tarwegraan sterft, zoo brengt het veel vrucht voort.
Joh. 12 : 24.
Heerlijk prijkt de herboren schepping als in Opstandingsglans voor ons oog, zoo vaak de lieve lente terugkeert, doch waarom blinkt eigenlijk dat nieuwe leven zoo schoon, dat het zelfs een verouderend hart van nog jonge verrukking doet gloeien? Niet alleen omdat het op zichzelf zoo schoon is en rijk, maar bovenal, omdat het uit den dood geboren, en naar een even vaste als heerlijke wet in zijne plaats is te voorschijn getreden. Pvol in uwe verbeelding het vloertapijt weg, een korte wijle vóór het eerste groen werd gezien, en een tooneel van ontbinding, versterving, verderving vertoont zich, waarvan gij het oog onwillekeurig met huivering afwendt. De ontbinding deed baar werk, alvorens de ontluiking aan hare ure kon denken, maar juist de schijnbaar werkelooze rust werd de moeder der nieuwe beweging; het nieuwe leven ontlook, niet slechts in stede van, maar als uit den donkeren schoot van het graf. Had de dood niet eerst overwonnen, het leven bad niet kunnen beerschen; had het tarwegraan zich zelf kunnen sparen, het zou nooit in een prachtigen halm zijn ontloken. Uit verlies winst; door ontbinding tot ontluiking! Yan de Grieken (vs. 20) is \'tbekend, dat zij den dood bij voorkeur in een verzachtende gedaante poogden af te malen; maar is ook de
126
hoogheerlijke Menschenzoon niet in dit opzicht den Hel lenen een Helleen geworden, dat Hij hunne ontmoeting door eene voorstelling van Dood en Herleving vereeu wigde, waarbij wij schier alle ontroering voor een gevoe van volle bevrediging, ja van nameloos verlangen vergeten Immers, het is nu eenmaal niet anders, dan de Ko ning der Waarheid hier uit de diepe volheid van zijn eigen levensbewustzijn heeft uitgesproken. Hij zelf, zou Hij de wereld dat Brood des levens geworden zijn, indien Hij in plaats van op Golgotha den slavendood te ondergaan te Jeruzalem op den troon gestegen, en daar op patriarchalen leeftijd ontslapen was? Spraken niet door alli eeuwen heen de Hahels het luidst en krachtigst door hun geloof tot \'t nageslacht, nadat zij zelve gestorven waren ja heeft niet één van de goden der eeuw, haar lieve lingsdichter, zinrijk en profetisch gezongen; Wat onsterfe\' lijk in \'t Gezang zal leven, moet in \'t Leven ondergaan\' Hebben niet de uitnemendste Godsmannen het beste, dat door hun invloed tot stand kwam, na hun sterven gfr wrocht? Bij hun leven was miskenning, strijd en tegen stand vaak ver het uitnemendste; het beste werd nauwe-lijks geacht, terwijl het later tegen geen schatten blee op te wegen. De een stond den ander, menigeen stond ook onwillekeurig zich zeiven in den weg; het is u nut dat zij van u weggaan, blinde wereld, kranke Gemeente de profeten, die gij bij hun leven niet geteld hebt, maai nu mogelijk beter na hun sterven zult eeren. Het albasl moet verbroken, opdat de geur van den Nardus gehee het huis zou vervullen; de vergankelijke vorm moet wegvallen , opdat de Geest te dieper zou doordringen. „E geht durch Sterben nurquot; „slechts door den Dood tei Leven !quot;.... — o vader ïersteegen, in hoe menig opziclil
is u
en
klei
het
het
dier
en 1
wij
nen
heel
los,
ook
wil,
ster
ond
Laa
de
brei
aan
onv
den
akk
met
ook
\'t e(
dei-
het
zeh
leve
427
is uw wonderwoord waarheid, waarheid ook van het leven en werken der dienaren Gods, waarheid bovenal in de kleine wereld daarbinnen. Ach, in de tweede helft van het leven worden ver de meesten Conservatief, ook wie het vroeger niet waren, ten aanzien van alles wat dit dierbaar Ego betreft! Vooral wat met moeite verkregen en bewaard werd, willen wij tot geen prijs laten vallen; wij zeggen naar de nieuwe wereld te stevenen, en kunnen nog van de oude niet scheiden; „die zijn leven lief heeft, verliest het,quot; en — „existeert er voorts maar op los,quot; gelijk iemand het plastisch heeft uitgedrukt. Maar nu ook omgekeerd: „die zijn leven verliezen zal om Mijnentwil, die zal het vindenquot;; wie den moed heeft van te sterven, wint de kans van te leven; wie den tijd zijns ondergaans kent mag ook de ure des opgangs verbeiden. Laat het u niet bovenmate verdrieten, mijn hart, indien de Heer kennelijk bezig is, in en rondom u veel af te breken, waaraan gij misschien een lang, een duurzaam aanzijn hadt toegekend; niet ontroeren, als gij, misschien onverwachts, uw eigen doodvonnis leest. Wij moeten den weg van het tarwegraan op, eer wij straks op den akker in verhoogden glans zullen prijken. „Indien wij met Christus gestorven zijn, zoo gelooven wij, dat wij ook met Hem zullen levenquot; (Rom. 6:8). Zoo is het; \'t eerste is de slotsom onzer dagelijksche ervaring, \'t ander het uitzicht van ons vaak beneveld vertrouwen, maar het een ten slotte juist even gewis als het ander. Zich zeiven afsterven is oneindig beter, dan zich zei ven overleven.
128 XLIV.
Het gelied der bedrnkten,
Petrus dan werd in de gevangenis bewaard; maar van de gemeente werd een gedurig gebed tot God voor hem gedaan.
Hand. 12 : 5.
\'t Is opmerkelijk, dat wij eerst bij de laatste beproe\' ving, in het tekstverband opgeteekend, ook van het bidden der geloovigen vinden gewag gemaakt. Het lijdt wel geen twijfel, of reeds toen sommige medechristenen werden vervolgd, rees de klaagtoon naar boven: „hoe lang, o God, hoe lang!quot; Toen Jacobus het hoofd boo; zal de smeekstem zijn opgegaan: „Sta op. Heer, laten uwe vijanden verstrooid worden, en uwe haters van mi aangezicht vlieden!quot; Maar toen nu ook Petrus geboeid werd, toen het scheen, alsof de hemel zich met zoo on doordringbare wolken bedekt had, dat er geen gebed meer door kon, toen — het staat tot eeuwige eer der eerste gemeente beschreven, — toen, in zwaardere! strijd zijnde, bad zij te ernstiger, en bleef op hope tegen hope volharden. Gelukkige belijders des Heeren, zoo was het dan toch niet enkel nacht om u henen; vooi uw biddend oog ontsloot zich de hemel der vreugde, omdat gij uwe bekommernissen op den Heer kondt werpen, die te midden des lijdens u toeriep: „Zoekt mijn aangezicht!quot; En gelijk zij alzoo zich tot God om sterkte gewend hebben, zoo bleven zij in het smeeken volhar den, al schijnt het ook, dat tranen en gebeden ledig tol
129
hen wederkeeren. Zeven bange dagen is het, als blijft de hemel doof voor hunne klachten, en toch, al kwijnt ook de hoop, het gebed sterft niet weg op hunne bevende lippen. — O, wie is er onder ons, die, als zij, op den weg der beproeving moet gaan, hij leere van hen, wat kracht geeft om ook het langdurigst kruis met onbezweken schouder te dragen, en waar het geheim is te vinden om te midden der bangste teleurstelling, wel weemoedig, maar niet wanhopig te zijn. Het gebed is die kracht, het gebed dat geheim, want nooit heeft iemand schipbreuk geleden op de onstuimigste zee van het leven, die slechts in den geloove de noodkreet deed hooren: „Heer, behoed mij voor vergaan!quot; Ann zijt gij eerst dan aan waarachtigen vrede, zoo de lust of de moed u ontbreekt om dien rijken Vader te zoeken. Zonder vergoeding is eerst dan uw gemis, zoo gij geen schat hebt in den hemel, en uwe binnenkamer ledig blijft staan. Buig er dagelijks u neder, bedrukte van geest, en ai stormt het ook daarbinnen, bid; al verlaat men u daarbuiten, bid; al drukt met iederen tred de last u zwaarder terneder, volhard in den gebede, en al ware de borst met bergen loods bezwaard, nog haalt zij ruimer adem. En uw verbleekt gelaat zal sporen ver-toonen van hoogeren vrede. En uit uw weenend oog zal de hope der heerlijkheid stralen, gelijk de zon door een regenwolk heenbreekt. En in uw onrustig hart zal de Heer, gelijk in het suizen eener verkwikkende stilte, zijne stemme doen hooren; „Vrees niet, geloof alleenlijk 1quot; Treffende aanblik, de gansche gemeente als een éenig man te Jeruzalem vergaderd, om, eigen leed vergetende, alleen voor Petrus te bidden. Kunnen zij geen zwaarden overstellen tegen het zwaard van Herodes, zij wa-
o
-130
penen zich met stille gebeden. Kunnen zij geen ringmuur bouwen ter bescherming van den weerloozen Cephas, zij omzweven hem met hunne trouwe verzuchtingen.... Waar zijt gij gebleven, dagen van eenparig gebed, door beproefden voor beproefden ontboezemd? Sta ik aan liefdeloozen argwaan schuldig, zoo ik beweer, dat geen gedeelte onzer openbare gebeden ons sterker aanklaagt bij God, dan dat, hetwelk niet in onmiddellijke betrekking tot ons eigen belang is geplaatst? En toch, bidden is wel het minste, dat wij voor de broeders doen kunnen, voor wie Christus zijn leven gesteld heeft. Verzuimt gij bet dan althans niet, reisgenooten naar het graf, wier ziele aan elkander verknocht is door de heiligste banden. Al kunt gij elkander dan geen staf der versterking toereiken, gij kunt elkanders hoogste belangen toch dragen op het biddende harte. A.1 trekken de men-schen hooger scheidsmuren tusschen u op, dan de muren van Petrus\' gevangenis, het gebed vereenigt wat het leven vaneenscheidt, en vrienden, die zieb dagelijks in den geest voor den troon der genade ontmoeten, zijn nooit ver van elkander.
En hetzij wij voor ons zeiven of voor anderen te midden der raadselen van Gods bestuur tot Hem gaan, bidden wij in goede hope! Gij kent de wekstemmen er toe, die ons het slot der tekstgeschiedenis geeft. Ik weet het, niet altijd doet God zoo zichtbaar en ras, gelijk toen, bet licht uit de duisternis rijzen. Maar al zendt Hij ook geen engelen meer neder, nog daalt op het gebed de vrede des hemels in de ziel. Al verbreekt Hij door geen wonder de drukkende kluisters, die ons knellen , nog verlicht Hij het juk, dat Hij van onze schouders niet aftilt, en ontsluit ons de poorten der vreugde, en
131
leidt ons op het geëffende spoor, gelijk Petrus door Je-ruzalems straten. Gewis, ook hier was de redding met smarte vermengd, want Jacobus\' plaats bleef ledig, al werd ook Petrus bewaard, en de duisternis, over het treurig uiteinde van den eersten Apostel-martelaar verspreid, werd niet weggenomen aan deze zijde des grafs. Maar hier op aarde is ook het land der volkomene opheldering van alle raadselen niet. Hier boren slechts enkele, Gode zij dank, genoegzame en verkwikkende lichtstralen door de duisternis henen; het volle licht gaat pas voor den rechtvaardige op in die wereld, waar de kerker des lichaams is ontsloten, waar de boeien des stofs zijn geslaakt, waar de slaap des doods is geëindigd. Dan zijn de Herodessen, die Gode de eer niet gaven, voor eeuwig van hunne tronen gestooten, en de ontwerpen der boosheid verijdeld. En wanneer dan de Engel des levens ons uitgeleid heeft uit dit donkere dal, en ons door de straten van het hemelsch Jeruzalem voert, zal het ons wellicht gelijk Petrus zijn, dat wij nauwelijks weten, of wij waken of droomen. Maar als wij, van die zoete bedwelming bekomen, de duisternis voor eeuwig achter ons, en niets dan licht en heerlijkheid vóór ons zien, zullen wij ten volle aanschouwen, wat wij hier ootmoedig geloofden: Gods doen is majesteit en heerlijkheid.
9*
132
XLV.
De Geest in de Schrift.
De letter doodt, maar de Geest maakt levend. 2 Kor. 3 : 61).
Dierbare Bijbel, gewijde oorkonde der heilsontdekkin-gen Gods, wie verklaart mij de macht, die gij uitoefent op zedelijk levensgebied, den indruk, dien gij na zooveel eeuwen nog maakt op ieder ontvangbaar en heilbegeerig gemoed1? Merkwaardig, bier ligt een Schrift voor ons open, in een ander werelddeel, voor een tal van eeuwen, in reeds gestorven talen vervaardigd. Wat al vingeren hebben aan dien Bijbel geschreven: vorsten en visschers, hovelingen en veehoeders, priesters en tentenmakers, profeten en artsen! Wat al oogen hebben in die Schrift zich op tal van raadselen stomp gestaard, en wat al tongen gesproken: „hel is een fabelboek, laat het in den stroom der vergetelheid wegzinken!quot; En toch, dat boek heeft gewerkt, wat geen ander ooit teweeggebracht heeft; en toch, dat boek spreekt u toe op een toon, waaraan gij niet altijd weerstand kunt bieden; nog eens, vanwaar die machtige indruk, dien de Bijbel in zijn geheel op ons maakt, en die zelfs door betwijfeling of ontkenning van allerlei deelen, verzwakt wellicht, maar niet licht weggenomen kan worden? Maar vanwaar anders, dan van den Geest, die in deze Schrift u ontmoet, en die hare woorden voor u in den volsten zin tot levende woorden verheft? Zie, oneindig is hier de verscheidenheid van
133
schrijvers, van inzichten, van gaven, van vormen, maar het is één Geest, die als een gouden draad, hier dunner , daar sterker, de verschillende deelen der Schrift van den aanvang tot den einde verbindt; één levensadem, die u tegengeurt, van de eerste tot de laatste bladzijde toe. Tallooze vragen zijn aangaande de ingeving der H. Schrift wellicht zonder gewenschten uitslag te doen, maar ten slotte bevindt gij, dat die ingeving zelve zich op den duur nog veel minder ontkennen laat, dan bevredigend oplossen. Dien zelfden Geest, dien gij over den baajerd zaagt zweven, gij ziet Hem schitteren boven den schedel van Mozes; gij hoort Hem ruischen over de snaren van David; gij riekt als bet ware zijne zalving in de taal der gewijde profeten; gij voelt inwendig zijnen adem, waar gij luistert naar het woord van den Heer en zijne hoogverlichte apostelen. Wat Christen onder ons kent ze niet, de deelen der Schrift, waarboven het woord; „alzoo spreekt de Heer,quot; niet eenmaal behoefde geschreven te staan, omdat het ook zonder dat, bij het lezen of hooren hem was, alsof zijn geest met booger Geest in rechtstreeksche aanraking kwam. Denk dien Geest u weg uit de Schrift, en wat behoudt gij ten laatste? Eene gewijde letterkunde gewis, door hare oudheid eerwaardig, maar waarvan de half-ontcijferde trekken u hier en daar aan een Egyptische hiëroglypbe doen denken, of elders geen de minste waarde voor uw geestelijk leven bezitten, en altijd een letter, die doodt! Ja, de letter doodt, dat geldt ten volle van de Wet, in steenen tafelen ingegrift: zij verkondigt uw doodvonnis, zondaar! Maar de letter doodt, dat geldt zelfs nog tot zekere hoogte van het Evangelie, zoolang wij aan den uitwendigen klank en vorm blijven hangen, zonder dat wij dieper doordringen, en den
134
Geest, die daarin spreekt, leeren vatten. Immers, niet de vorm alleen der Schrift, hoe verheven en schoon op zichzelve; niet de inhoud zelfs, hoe rijk aan waarheid en diepte, maar de Geest, die zich op even ondoorgrondelijke als onbetwistbare wijze met dit beschreven Woord heeft gehuwd, en den onzen in het verborgen zoekt en vindt en verheft, verklaart mij het geheim barer werking. Wat zeg ik, gelijk zonder dien Geest de Schrift een raadsel zou zijn, een zinledige klank, en niets meer, zoo is Hij het, die zélf de handen ons opleggen moet, zal het ons gelukken, zijn zin in de Schriften te vatten, en het woord naar eisch te verstaan, dat wijs tot zaligheid maakt. Laat met de Pinksterprediking van Petrus de Geest niet medegetuigen, en geen enkele der drie duizend bekeerden slaat de hand op de verbrijzelde borst. Laat de Geest niet nevens Philippus op den wagen des kamerlings stijgen, en aan het hart des kamerlings werken, en hij zal de profetie van het Lam, dat ter slachtbank gaat, evenmin verstaan als waardeeren. Laat de Heer het hart van Lydia te Philippi niet openen, en als een zinledige klank ruischt de prediking van Paulus hare ooren onmerkbaar voorbij. O, voorzeker, het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het woord Gods; de Geest werkt in den regel niet zonder het woord der genade; die dat vergeet loopt gevaar een ijlhoofdige dweper te worden. Maar toch, zoo het levend en eenwigblijvend woord Gods het zaad is uwer wedergeboorte, het vruchtbaar zaad gaat te loor, zonder den malschen regen van boven, en nóch hij, die plant, is hier iets, nóch hij, die nat maakt, maar God, die den wasdom geeft. Eere, naast den Vader en den Zoon, aan den Geest, die levend maakt. Zonder Hem blijft de Schrift een verzegeld boek voor ons oog;
135
door Hem wordt ons die zelfde Schrift een geopende fontein des frisschen, levenden waters!
„Woord, waarop wij bouwen,
Daar wij op vertrouwen,
Evangeliewoord!
Bergen mogen wijken,
Gij zult nimmer wijken,
Want gij zijt Gods woord!
Dat ons. Heer, den troost dier leer Geene twijfling ooit ontroove!
Sterk ons in \'t geloove!quot;
(A. v. d. Berg.)
XLVI.
Beroofd, en tooli blijde.
Gij liebt--ook de rooviug
uwer goederen met blijdschap aangenomen, wetende, dat gij hebt in u zeiven een beter en blijvend goed in de hemelen Hebr. 10 : 34b
„\'tls maar wereldsch goed,quot; hoort men soms met zekere koelbloedigheid zeggen, waar een min of meer gevoelig geldelijk verlies wordt geleden, en zeker, tusschen schade aan goed en schade aan bloed kan, mag althans in geval van nood de keus niet moeielijk zijn. Toch kan somwijlen ook de eerste zwaar genoeg vallen, vooral wanneer men niet veel te verliezen heeft, en daardoor niet slechts het heden ons drukt, maar ook de toekomst zich in nevelen hult. Niet weinige geloofshelden zijn op het
136
teeder punt eener financiëele crisis bezweken, en de wanhopige klacht: „alles verloren,quot; is nu en dan van lippen gehoord, die u honderden malen verzekerden, dat toch „goud en zilver slechts slijkquot; was. Zonderlinge, en toch benijdenswaardige menschen dan, die Hebreeuwsche christenen, die, om des geloofs wil, zich ook opofferingen van dezen aard, naar het wel schijnt vrij zware, hadden moeten getroosten, en van wie wij toch lezen, dat zij deze grievende „beroovingquot; niet slechts zonder weerstand aangezien , of met Stoïsche kalmte verdragen, maar als uit Gods hand „aangenomen,quot; ja, „met blijdschapquot; aangenomen hadden. Is het mogelijk! In weinige oogen-blikken zooveel armer geworden, en toch getroost, ja blijde in God? Van tweeën éen: dat zijn wel jammerlijke dwepers geweest, óf er moet al een zeer groote kracht liggen, voor nog maar al te velen verborgen, in die wetenschap, die hun boven vele anderen toegekend wordt; „wetende, dat gij voor u zeiven een beter en vast goed hebt (in de hemelen)quot;1).
Ach, mijne vrienden, wij vallen ons zei ven vaak zoo jammerlijk tegen, wanneer wij onder Hooger bestuur eens diep in het hart, neen, voor het oogenblik vooral diep in de beurs zijn getroffen. Ook de rijke wil nu eenmaal deze soort van schade niet lijden, allerminst van sommige handen, en naarmate men minder heeft meent men te meer, dat men dit weinige althans wel onverkort mag behouden. En als het dan anders over ons wordt beschikt , \'t is al veel, zoo het tot zelfbeheersching, tot berusting, tot stil vertrouwen mag komen; maar blijdschap, uit het innig bewustzijn geboren, dat men een beter en
1
Zoo moet gelezen 011 vertaald worden.
137
blijvend goed beeft, door geen aardsclie macht ons te rooven? .... Droevig gemis; kan het ook daaruit verklaard worden, dat het aardsche goed ons nader bij, en de hemelscbe schat ons verder van bet hart was, dan wij tot dusver hadden gedacht en gedroomd? Van schatten in den hemel laat zich zeer gemakkelijk spreken, maar | hij alleen, die het weet, dat hij die waarlijk heeft voor l zich zeiven, kan er reeds hier de rente van trekken, I ook in dagen van groote schade en smart. Een verai\'md i kind van God op aarde kan moeielijk glimlachen, ten ware |j hij het verstaat wat rijke Erfenis in den hemel na een weinig tijds hem verwacht. Slechts hij kan gezegd worden al het zijne met zich te dragen, zonder dat bij roof heeft te duchten, die Christus in het hart draagt, de Hope der heerlijkheid. „Nog altijd rijk in Hemquot; — kan dat | waarlijk uw persoonlijk, uw rustig, desnoods uw laatste l woord zijn? Dan blijkt het ook vroeg of laat uwe ge-\\ schiedenis: „als droevig zijnde, doch altijd blijde; als ? arm, doch velen rijk makende; als niets hebbende, en ; nochtans alles bezittendequot; (2 Kor. 6: 10).
XL VII.
Het profetisch Voorbeeld.
Broeders, neemt, tot een voorbeeld des lijdens en der lankmoedigheid de Profeten, die in den naam des Heeren gesproken hebben. Jac. 5 : 10.
Ook als wij in den dienst en de kracht des Heereu
138
werken en strijden, loopen wij nog telkens gevaar van ons onwillekeurig te verwonderen, indien daar eenige hitte der verdrukking over ons komt. W.e zijn uitgegaan om te zaaien, en schijnen maar niet te kunnen begrijpen, dat het zaaien toch onmogelijk geschiedt zonder tranen; wij staan voor de waarheid, en vergeten gedurig, dat wie de Waarheid wil ook de Rust vaarwelzeggen moet. Vooral wie vroeger hoog óp, misschien somwijlen óver het paard is getild geweest, vindt natuurlijk de plaats onder de hoeven in het stof bijzonder weinig uitlokkend, en niet altijd verkwikkend is de schaduw der vergetelheid, als men weleer in het volle zonlicht van roem en eer heeft gewandeld. De profetenmantel verheft wie hem draagt, maar dekt zijne borst tegen geen enkelen gifpijl , en de profetenkroon is in den regel minder uit lauweren, dan uit doornen gevlochten. Vooral in een tijd van partijkoorts, ontbinding en spraakverwarring heeft menig trouw getuige der waarheid het bij toeneming bard te verantwoorden, niettegenstaande, neen, juist ómdat hij niets wil dan de zuivere Waarheid alleen. Ja, ijverde hij slechts voor menschelijke vonden en vormen, wellicht zou hij nog voor sommigen de man kunnen zijn. Maar wie zich voor geen Toongevers buigt, slechts aan God en zijn geweten getrouw blijft, en voor al de ongenade der hetzij kerkelijke, hetzij onkerkelijke wereld geen duimbreedte wijkt van den weg zijner roeping, — doch die onhandelbare man is onbruikbaar; hij blijkt dan ook weldra niet te zijn de man van beteekenis en talent, waarvoor men hem altijd gehouden heeft; bij mag met zijn verlaten vaandel alléén blijven staan, terwijl hem de spoortrein voorbijsnelt. Juist wie aan de zwarte kunst niet mededoet, mag boven anderen zwart gemaakt wor-
139
den.!) Een monument na zijn sterven mag misschien een Godsman verwachten, maar een kroon zonder strijd bij zijn leven — reeds de eenvoudige Jacobus wist beter, en \'t is nog na zijnen tijd volstrekt niet anders geworden.
„Mijne broeders, neemt tot een voorbeeld des lijdens en der lijdzaamheidquot; — dat toch beteekent het hier gebruikt oorspronkelijk woord, —„de Profeten, die in den naam des Heeren gesproken hebben.quot; \'t Is een les der wijsheid voor heel de strijdende gemeente, maar vooral in onzen tijd voor niet weinigen barer waarlijk getrouwe dienaren met geen zilver of goud te betalen. Lijden de weg, lijdzaamheid de wet van het echt profetisch leven op aarde; is er wel grond om \'t anders te wachten; is het niet goed het vaak te bedenken? Zeker, het lijden maakt nog niet den profeet, maar den profeet wacht het lijden met, neen boven anderen, die, niet naar het hart, maar naar den mond van Jeruzalem spreken. Lees eens de bladzijde uit de geschiedenis van een waarheidsprofeet, die 1 Kon. 22; 7—28 beschreven is, en zeg, of het historisch feit niet tevens symbolisch mag heeten. Doorwandel de beeldengalerij van echte Godsmannen, Hebr. 11: 32 en verv., sta eens een uur opmerkzaam stil bij de levenslange lijdensgeschiedenis van een Jeremia b. v., „die figuur, als gegoten uit erts, en wegsmeltend in tranen,quot; gelijk hem iemand ergens genoemd heeft, en leer eindelijk verstaan, dat hier, meer dan ergens, leven en lieven en lijden onafscheidelijk is. Maar begin u dan ook diep te schamen over zooveel kleinzeerigheid, en prikkelbaarheid, en kleinmoedigheid, als vaak doodelijk is voor de rust van uw hart. Wat is uw speldeprik, vergeleken bij hunne
I) jjHic niger est; hunc tu, Roman e, ca veto.quot;
140
vlijmende wonde; uwe terugzetting bij hunne miskenning; uw oogst van ondank nevens den hunnen, en toch, hoe ver staat gij beneden hun lijdzaam geloof, gij, die boven hen met liet volle licht van het Evangelie bestraald zijt! En gij zoudt klagen, waar zij ootmoedig gezwegen hebben; gij zult voortaan maar liever zwijgen, omdat gij toch van uw spreken geen de minste voldoening meer hopen kunt; gij zoudt wanhopen aan den oogst, omdat het zaad eerst in de aarde sluimeren en schijnbaar sterven moet, eer het in vruchtbare halmen misschien boven het stof van den zaaier herrijst! Ach, indien het woord van den vromen dichter: „es geht durch Sterben »urquot; [slechts door den Dood ten Levenquot;], ons dieper in de ziel stond geprent, en het beter bedacht werd, hoe weinig het aankomt op óns, maar alleen op dit ééne, dat Gods naam verheerlijkt worde, en dat dit zéker geschieden zal, al werd zelfs die zijner profeten verguisd en vergeten, — wij zouden bet voor ons zeiven zeker ruim zoo gemakkelijk hebben en blijmoediger tot den einde volharden, ziende, niet op de wolken aan onzen trans, maar op de eeuwige Zon onzer zielen. Maar — van zelfvoldoening ziet men niet gemakkelijk af, en zelfverloochening op het diepste Centraalpunt wordt met de jaren er niet altijd lichter op. Beter nog dan in de school der oude Profeten wordt zij zeker in die van den besten Meester geleerd,
AANHANGSEL
i.
Maar Noach vond genade in de oogen des Heeren. Gen. 6: 8.
Een kostelijk „maar,quot; dat den onbedriegelijken grond van alle waarachtige vertroosting doet kennen. Er is éénheid van lijden, maar verschil van lijders, naar gelang van ieders bijzondere betrekking tot God. De tleer kent den weg der rechtvaardigen, en waar het Hem, naar den mensch gesprolcen, kon „smarten, dat Hij den mensch had gemaakt,quot; daar is het zijn lust, te behouden wie op zijne goedertierenheid hopen. Nauwelijks is de ark door Noach betrokken, of „de Heer sluit achter hem toequot; (Gen. 7: i6b), en al heerscht de dood en het verderf overal, zij treden déze woning niet binnen. Zoo is er dan een onderscheid tusschen wie God dient en Hem niet dient, en het blijft gelden ook in tijden als de onze, die in zoo menig opzicht aan de dagen des Zondvloeds doen denken. En wij, die dat weten, zouden immer, zelfs in het donkerst oogenblik, klagen: „mijn weg is voor den Heer verborgenquot;? (Jes. 40; 27m.)
„Jehova sprak.: Ik zal u nooit begeven!
Wij zeggen Au men op dat woord.
Wij worden door geen vrees gedreven;
Ons oor heeft tweemaal zelf gehoord,
Dat in de grootst\' ontroerenis De sterkte Godes is.
142
Wij hebben \'t uit zijn mond gehoord, En juichen Amen op dat woord,
Ja Am en op dat woord!quot;
(Van Alphen.)
II.
En de duif kwam tot hem tegeu den avondtijd, en ziel, een afgebroken olijfblad was in haren bek.
Gen. 8 : Ha
Wat onbeduidende kleinigheid voor het zinnelijk, en toch, wat onschatbare vertroosting voor het geestelijk oog Die duif, wat is zij voor Noach, dan een bode van God die olijftak, wat wordt hij minder dan de profetie des nieuwen levens, dat boven het onafzienbaar graf der oude wereld ontluikt? En dat ten tijde des avonds, als het donker wordt uit-, misschien ook inwendig, na een dag en week van onzekerheid, moeite en zorg! Wees welkom, klapwiekende bode der goedertierenheid, na de ervaring der gestrengheid van God! Verkondig het aan menigen Noach, in menig vreugdeloos schemeruur: „Hel zal geschieden ten tijde des avonds, dat het licht zal wezenquot;\' (Zach. 14:7b). En gij, o mijne ziel, be houd een open oog voor den grooten schat ook der kleinste vertroostingen Gods! Die duif keerde na een week niet meer tot de arke terug; déze verschijnt telkens opnieuw hoezeer alleen slechts met een fragment van wat in volle pracht en kracht eerst in de Nieuwe wereld ons wacht, De duif komt op haar tijd, doch op „het uitstrekken der handquot; komt het aan, zal zij hij ons in de ark komen.
143
„Heer! Gij hebt me Uw woord geschonken, En ik geef het nooit weêrom.
Uw gembeloften klonken In mijns harten heiligdom.
Alle zorgen en bezwaren
Maakt Gij tot een lichte last:
\'k Zal U nimmer laten varen,
\'k Houd U eeuwig, eeuwig vast!
Gij zijt mijne! O, laat Uw vrede Mij verkwikken als ik bad!
Noachsduive, keer\' mijn bede Met een groen olijvenblad!quot;
(Ten Kate.)
m.
En zii beiden einaen te zamen.
Gen. 22; 6b.
Dat is wellicht nog de meest roerende trek in het roerend verhaal van Abrahams offerande; een enkel woord slechts, en toch zoo aanschouwelijk! Wij zien ze daar nevens elkander het eenzaam bergpad bestijgen, die eerwaardige vader, die nog niet zeggen kan, wat toch straks gezegd worden moet; die veelbelovende zoon, gebukt onder het hout, waarvan hij de bestemming maar al te ras zal vernemen; rustig, peinzend, meestal zwijgend, „alzoo gingen die beiden te zamen.quot;
Hoevelen zijn vroeger en later als achter hen den stei-len berg der geloofsgehoorzaamheid opgetreden, om een offer te brengen, waarvan God alleen de volle zwaarte verstond! Alzoo gingen zij beiden te zamen, die ouders met het onuitsprekelijk dierbaar pand, maar dat zij den
144
Heer moesten afstaan; die wandelaars op éénen weg, die elkaar de hand tot een afscheid te reiken hadden, waarop hier geen weerzien zou volgen; die bedroefden en beproefden , nu nog bijeen, maar om straks eenzaam weder te keeren. Och, wat al stille smarten, die wij zelfs voor de meest geliefde oogen verbergen; wat al looden schreden , en die tóch gezet moeten worden; waren niet ten allen tijde de onuitgesproken zuchten de bangste ? Maar o, gij wandelaar op het Moriapad, weet het wél: ook op zulke wegen is een Derde onzichtbaar nabij om te steunen, te stillen, te leiden, en als eindelijk de zware, zware gang gedaan, en de hoogte, tegen welke gij bevend hebt opgezien, bereikt is, daar ervaart ook gij, dat de nood toch niet grooter is dan de Helper. Ook gij ziet straks den hemel open, en van achter de gescheurde wolk straalt u het licht van Gods heerlijkheid tegen. Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. De God van Moria leeft nog, en de Abrahams-offers worden nimmer gebracht, zonder een eeuwigen zegen voor priester én offer achter te laten.
„Drum trage du und t\'rage nicht,
Drum wage du und zage nicht.quot;
(Gerok.)
IV.
Alzoo werd Isaak getroost na
zijner moeders dood. t\\
Gen. 24 : 67b. quot;
......-....................................................................................................................................................................................keu:
der
Een volwassen zoon, die bijzonderen troost behoeft na
het sterven zijner bedaagde moeder; voorwaar, een beeld aj|^
145
uit de gewijde oudheid, bekoorlijk en — betrekkelijk zeldzaam genoeg om onze aandacht te trekken. Maar een God, die het gemis eener Sara juist ter goeder ure door het geschenk eener Rebekka vergoedt, verdient Hij niet, ook om dezer leiding zijner voorzienigheid wil, een God aller vertroosting te heeten? Gezegend de hand, die op allerlei wijs een zachten balsem ook voor de meest vlijmende wonden bereidt! Gelukkig het huis, waar de liefde het nooit aan troost doet ontbreken, zelfs na een onherstelbaar verlies.
„Welzalig \'t huis, dat, rijk met vreugd gezegend,
U niet vergeet, maar zich in U verblijdt.
Welzalig \'thuis, door ziekt\' en smart bejegend,
Als Gij, o Heer! daar Arts en Trooster zijt:
Dan zullen w\' eens, aan dquot; avond van ons leven,
Ontslapen in \'t vertrouwen op uw kruis.
En \'t aardsche huis, ons hier ter woon gegeven,
Verwisslen met Gods heerlijk Vaderhuis.quot;
(Naar Spitta.)
V.
Rehobóth, — want nu heeft ons de Heer ruimte gemaakt, en wij zijn gewassen in dit land.
Gen. 26 : 22ii.
De plaats onzer woning is lang niet altijd het land onzer keuze, evenmin als dit het geval met Isaak in het land der Philistijnen was. Een heilig Moeten bepaalt vaak den loop van den weg. Wij voelen ons uit- en inwendig alléén, en soms wordt het ons zoo eng om het hart in
10
146
de wijde, maar daarom nog lang niet blijde wereld rondom ons. Toch gaat het ons nu en dan als hem: God maakt ons, niet zelden na herhaalde teleurstelling, „ruimtequot; op een plek, waar wij in nadruk vreemdelingen zijn. Nieuwe bronnen van verkwikking ontsluiten zich, waar ons de oude ontgingen, en waar wij dachten te zullen kwijnen doet God ons, ook innerlijk, wassen in het land, waar de vijanden ons letterlijk van alle zijden omringen. O gij, die het zelf ondervonden hebt, zeg, hoe dikwijls hebt gij reeds, na het somber „De Profundis,quot; liet dankbaar „Rehobóthquot; herhaald?
„Als ik, omringd door tegenspoed,
Bezwijken moet,
Schenkt Gij mij leven;
Is \'t, da\', mijns vijands gramschap brandt, Uw rechterhand Zal redding geven.
De lieer is zoo getrouw als sterk;
Hij zal zijn werk Voor mij volenden.
Verlaat niet wat uw hand begon,
O Levensbron!
Wil bijstand zenden!quot;
(Ps. \'138 : 4.)
J 47
VI.
Daarom . zie, Ik zal haar lokkeu, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken.
Hosea \'2 ; 13.
Wie, die zich zeiven kent, is te trotsch om naast het ontrouw en afkeerig Israël plaats te nemen, waarvan in dit Godswoord gesproken is, en met welke ziel, die Hem zoekt, gaat de Heer niet nog gedurig den weg, die hier is geteekend? Ach, wij dwalen onophoudelijk af, en zouden niets beters verdienen, dan dat Hij ons overliet aan eigen dwaasheid en zonden, of anders woorden van bestraffing en bedreiging deed hooren. Maar neen, „Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob, ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israëlquot; (Num. 23:21a). Telkens spreekt Hij opnieuw, en wel bij voorkeur lokkende woorden; Hij vat de ontrouwe bij de band, en leidt haar het liefst ,,naar de woestijn,quot; hetzij dan uit-, of inwendig. Uitwendig, wanneer Hij als met eigen hand de bruggen afbreekt tusschen ons en de woelige wereld, zoodat de weg al stiller en steiler wordt; inwendig, wanneer daar zooveel wegvalt , waarbij het hart vroeger geleefd heeft, of waarvan het heel wat beils had gewacht. Voor vléesch en bloed is bet in zulk een woestijn verre van aangenaam, maar de wildernis wordt een heiligdom, waarin God woont en nü ook spreekt tot het voor Hem veroordeelde, maar toch naar Hem verlangende hart. Men-schen spreken ons licht naar den mond, Hij spreekt in de eenzaamheid zoo trouw naar ons hart, niet naar zijne
148
zondige neigingen, maar naar zijne diepste behoeften, en doorgaans zóo, dat wij het hoofd diep moeten neerbuigen, maar het daarna te blijder opheffen mogen, misschien zelfs met een zaligen glimlach, te midden van de tranen der smart. Och, v;at schaadt het, of wij al veel en lang in een woestijn moeten neerzitten, zoo pijnlijk alléén met ons zeiven, zoo slechts die stem niet verstomt, die zich nog nooit heeft vergist in den kortsten weg naar ons hart!
„Verkeer ik in \'t eenzaam Met Jezus gemeenzaam,
Dan wensch ik niets meer;
En reis ik met and\'ren,
Wij troosten rnalkandren,
En loven den Heer.
Hoe dichter ik nader Aan \'t hnis van mijn Vader,
Hoe sterker ik hijg Naar d\' eeuwige woning ,
Het feest van mijn kroning,
En \'t eind van den krijg.
En wat zou mij hind\'ren?
\'k Zie d\' afstand reeds mind\'ren!
Laat \'s werelds gedruis Mijn moed niet verslappen !
Slechts weinige stappen,
En dan — ben ik thuis!quot;
(Van Alphek.)
149
GOEDE-VRIJDAGSLIED.
Eéne zaak heb ik begeerd van Boven,
Eéne spijze, vroeg en spa;
Ook in tranen kan ik God nog loven,
Mits dit Eéne met mij ga:
Steeds te staren op dien Man van smarte.
Die, een wicht van wee op \'t Godlijk harte,
In zijn bloedzweet nederzonk,
En den kelk des Vaders dronk!
Eeuwig moet Hij mij voor oogen zweven.
Zoo als Hij, Gods heilig lam.
Op het bloedig outer werd geheven,
Eu — de zonden met zich nam!
Hoe Hij tot den dood toe ons bleef minnen;
Hoe Hij worstelde om ook mij te winnen,
Eu ook mijner heeft gedacht.
Toen Hij uitriep: „\'tis volbracht!quot;
0 mijn Jezus, laat inij nooit vergeten
Uw genade en — mijne schuld!
ïoen ik nog in \'t duister was gezeten,
Droegt G\' ook mij reeds met geduld.
Hoelang bleef uw herdersstem mij nooden,
Tot ü \'t schaap geen weerstand heeft geboden,
Eu, genadig opgezocht.
Van \'t verderf werd vrijgekocht!
Ik ben d\'Uwe! Spreek daarop üw Amen!
Dierb\'re Jezus, Gij zijt mijn!
Laat de schoonste van uw Heilandsuameu
Diep m\' in \'t hart gegriffeld zijn!
Met U alles doen, en alles laten,
In U leven, en de zonde haten.
Dat zij, tot mijn laatsten stond,
Onze wandel, ons verbond!
(J. J. v. O., naar \'t Hoogd. van A. Knapp.)
150
EEN OUD AVOOMAALSLIED.
„Lauda, Sioii, Salvatorem.quot;
Uwen hoogen heilbewerker,
Uwen gids, uw\' zielverslerker,
Siou, stijg\' uw lied ter eer;
Waag het, juichend, Hern te danken,
Schoon de reinsten uwer klanken Veel te zwak zijn voor den Heer.
Rijke zangstof is gegeven :
\'t Levend brood eu \'t brood ten leven
Wordt u heden uitgereikt!
Dat de jongren \'t eenmaal aten,
ïoen zij aan den Paaschdisch zaten,
Is een feit, dat zeker blijkt.
Luide klinke, helder rijze \'t Vroolijk lied op schoone wijze,
Dat uw zieleblijdschap meldt;
Weder mocht de hoogtijd keeren,
Ter gedachtenis des Heeren,
Die dit maal heeft ingesteld.
Aan deez\' Vorstendisch gezeten,
Mogen wij een Pascha eten,
Onbekend bij \'t Oud Verbond;
\'t Oude moest voor \'t Nieuw bezwijken:
Nacht en schaduwbeelden wijken Voor der waarheid morgenstond.
Wat door Christus daar verricht is Werd een teeken, dat gesticht is Tot herdenking van zijn dood.
151
En naar \'t voorschrift zijner leere Brengen wij, zijnquot; naam ter eere, De offergaaf van wijn en brood.
Want, gelijk wij Christnen weten, Is het brood, waarvan wij eten,
Christus\' vleesch, zijn bloed de wijl Wat gij tasten kunt, noch schouwen, Ziet het vol geloofsvertrouwen, \'t Wezen door den valschen schijn.
Hoog en heilig is het wonder:
Christus zelf verbergt zich onder
Teekens, — die slechts teekens zijn Ongedeeld is Hij gebleven,
\'t Zij gij eet zijn vleesch ten leven, \'t Zij gij drinkt zijn bloed als wijn.
Niet gebroken, niet doorsneden.
Wordt de Christus door zijn leden
Gaaf ontvangen en gesmaakt,
Eén of duizend mogen komen,
Allen hebben Eén genomen,
Zonder dat verderf Hem naakt.
Goeden, boozen, eten \'t beiden.
Maar het lot is onderscheiden.
Dat de vrucht is van die spijs;
Vloek en zegen, dood en leven,
Stof van juichen, stof van beven, Is van ééne beet de prijs.
Christnen, ziet der Englen spijze. Die, als teerkost op de reize.
Pelgrims blij en vast doet gaan, Die, ten brood voor \'t eeuwig leven, Slechts aan kindreu wordt gegeven, Niet aan honden afgestaan.
152
\'tHeil, waai van wij juichend spreken, quot;Werd in menig zichtbaar teeken
Eens aan \'t voorgeslacht gemeld; Isak, op \'t altaar gelegen,
\'t Paaschlam en de mannaregen Hebben \'t lang reeds voorgesteld.
Brood des levens, goede herder,
Jezus, voed en hoed ons verder,
Wees ons toch genadig. Heer! Gij, die hier ons blijft geleiden. Wil omhoog ons \'t maal bereiden, Waar uw heilgen zich verblijden, Deelend in uw vreugd en eer!
(Latijnsch Kerklied van Thomas Aquinas, 1274, vrij vertolkt door J. J. v. O.)
„JEZUS CHRISTUS is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.quot;
(Hebr. 13 ; 8.)