E. oct. 2028
|
(1 ESC 11 E |
X K |
|
VAX HET | |
|
UTR. ()U1)-STUI)E.\\ |
TEN FONDS. |
E. oct. 2028
(\\ K S C li ]■: X K
VAN HET
UTR. OU1 )-STUI)ENTENFC)N1 )S.
■
J? ?
Cd 2oZx
i
VOOR
CATECHISATIËiN, SCHOLEiN EN HUISamp;EZINNEN,
DOOK
S. D. VAN VEEN
PHEUIKANT TK GKONINGEN.
EERSTE STUKJE. - OUDE TESTAMENT.
TE GROXIXGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1888.
Stoomdrukkerij van J. B. Wolters.
=2f ^
Op deze Bijbelsche Geschiedenissen van het Oude Testament zal, hoop» ik, spoedig een tweede deeltje volgen, handelende over het Nieuwe Testament.
Zoo beknopt en volledig mogelijk heb ik verhaald, daarbij echter nog genoeg overlatende voor den Catecheet, Onderwijzer en Bijbellezer.
Ik vertrouw, dat b.v. de Catecheet, die elke week zijne leerlingen één hoofdstuk laat nazien en hen daarbij een text en versje opgeeft te leeren, zal ervaren, dat met het behandelen van het gelezene en geleerde zijn catechisatie-uur wèl besteed is. Ook geloof ik, dat de leerlingen deze wijze van leeren aangenamer zullen vinden dan het zoogenaamde vragen-leeren, waarbij de meesten echter in den regel de vragen overslaan om alleen de antwoorden er in te werken. Dit is ten minste mijne ervaring.
Als hulpmiddel kan ik zeer aanbevelen de ook door mij zeiven gebruikte Wandkaart voor Bijbelsche Geschiedenis door de Heeren Ds. bleeker en marwitz, die bij den Uitgever dezes verscheen.
Aangenaam zal het mij zijn, als velen kunnen besluiten dit boekje biji het onderwijs te gebruiken.
S. D. VAN VEEN.
Groningex, Januari 1888.
1 N H O U D.
Blz,
De Schepping................................1.
\'s Menscheit val......................2.
I Adams zonen................. Adams zonen.................3.
De zokdvloed................4.
Noachs nakomelingen..............5.
De belofte aan Abkah..........................G.
Lot te Sodom................7.
Abeahams offerande............................8.
IzAKS huwelijk................................9.
Jakob en Ezau................10.
Jakob bij Lab an...............11,
Jozef en zijne beoedees.............12.
Jozef vebnedeed...............13.
IEgypte\'s ondeekoning.............Egypte\'s ondeekoning.............14.
Jakob en de zijnen in Egypte..........15.
Job....................16.
Mozes aan Faeao\'s hof.............17.
Mozes yooe Faeao...............18.
Uit Egypte en doge de Schelfzee.........19.
De wetgeving op Sinaï.............20.
! De tocht door de woestijn...........21.
JIozes\' dood.................22.
In Kanaan.................23.
De Eichteeen................24.
Ruth...................25.
Sajiuel...................2G.
bh,
Koning Saul.................27.
David gezalfd................28,
David en Jonathan..............29,
Davids omzwervingen..............30.
Koning David................31,
Absalom..................32,
Koning Salomo................33.
De tempelbouw................34.
Eehabeam en Jeeobeam.............35.
Iskaels koningen...............30.
Juda\'s koningen................37.
Elia....................38.
Eliza...................39.
jona....................40.
Andeke profeten...............41.
Hiskia en Josia................42.
De val van Israël..............43.
De val van Juda...............44.
De ballingschap...............45.
Daniël...................40.
De tweede tempel...............47.
Esther...................48.
Onder de macht van vreemden..........49.
De Makkabeërs................50.
De Heilige Schriften.............51.
De Messias ver wachting.............52.
De tien geboden...... .......53.
De Eichteren...............54.
De boeken van het Oude Testament.......54.
Enkele jaartallen.............55.
Kalender der Joden.............55.
Maten en Gewichten............50.
1
1. — DE SCHEPPING.
(Genesis 1, 2).
In den beginne schiep God den hemel en de aarde. Hoelang dat geleden is, weten wij niet, want er wordt geen tijd bij opgegeven. Maar wij lezen wel, dat God in zes dagen alles zoo gemaakt heeft, dat de aarde geheel en al toebereid en voor menschen en dieren bewoonbaar was. quot;Wij merken in deze schepping en toebereiding Gods almacht op. Hij sprak en het was er en wat hij zoo te voorschijn riep, dat was goed. Maar wij zien daarin ook Zijne wijsheid. God vergat niets, maar bracht alles wat noodig was tot stand en hij richtte het zoo in, dat ieder ding aan zijn doel kon beantwoorden. Ook Gods liefde blijkt ons in Zijne schepping. Hij riep niet alleen alles in \'t aanzijn, maar Hij lei er ook de krachten in, die noodig waren om te blijven bestaan onder Zijne zorg. quot;Vooral Zijne liefde tot den mensch toonde Hij, door alles op aarde gereed te maken, wat die mensch tot zijn leven en tot zijne ontwikkeling behoefde. Immers eerst op den zesden dag schiep God den mensch en, gelijk alles, wat God geschapen had, zoo was ook dit schepsel goed. De mensch wordt dan ook terecht genoemd het pronkstuk en de kroon der schepping. God had eerst Adam geschapen uit het stof der aarde. Toen was Adam nog meer alleen. God zeide echter, dat het niet goed was, dat de mensch alleen was. Hij deed daarom Adam in een diepen slaap vallen en maakte toen van eene rib, die Hij uit zijn lichaam nam, eene vrouw. Deze vrouw moest Adam tot eene hulpe zijn. Dat was al weer een teeken van Gods liefde. Adam noemde zijne vrouw Eva. Deze beide menschen hadden nu een zeer gelukkig leven. Zij waren geschapen naar Gods beeld en naar Zijne gelijkenis en kenden dus de zonde niet en deden daarom ook geen kwaad. God had ook eene zeer schoone woonplaats voor hen gemaakt. Hij had namelijk een hof geplant in Eden, waarin allerlei heerlijke vruchtboomen waren, terwijl hij vruchtbaar gemaakt werd door eene rivier, die zich in vier takken verdeelde. Dezen hof moesten Adam en Eva bebouwen en bewaren. Zij brachten dus hun leven niet in luiheid en ledigheid door, want zonder werken kan men niet gelukkig zijn. God had immers zelf ook gewerkt, toen hij den hemel en de aarde schiep en, daar Hij alle dingen onderhoudt, werkt Hij nog. Maar als Adam en Eva zoo zes dagen gewerkt hadden, dan moesten ze éénen dag rusten. God had ook, toen Hij alles geschapen had, op den zevenden dag gerust van al Zijn werk en dien dag geheiligd tot een rustdag. Daarom moeten ook wij de geheelc week ijverig zijn bij al ons werk en den rustdag dankbaar gebruiken. Zoowel het werken als het rusten op den bestemden tijd, is een groote zegen, dien God in zijn liefde ons geeft. Hand. 17;24—28; Joh.5:17; Exod. 20 : 8—11. - Ps. 19 ; 1; Gez. 61 : 7; Ps. 8 : 2, 4.
1
2
2. — \'S MENSCHEN TAL.
(Genesis 3).
In den hof van Eden, die ook wel het Paradijs wordt genoemd hadden de menselien een zeer gelukkig leven. Zij voerden daat heerschappij over al het geschapene en mochten vrijelijk eten van alle boomen, die er waren. Van éénen boom echter, den boom der kennis des goeds en des kwaads, mochten zij, op straffe des doods, niet eten. Dat had God hun verboden, om hen te beproeven of zij ge hoorzaam zouden zijn aan Hem, die hun alle goeds gaf. Bovendien wilde hij hen oefenen in het doen van Zijnen wil, om hen zoo in ieder opzicht gelukkig te maken. Eerst aten zij dan ook niet van dien boom. Maar op een zekeren dag kwam de slang, een zeer listig dier, tot Eva met de vraag, of God het wel zoo gezegd had. Zij wilde dus den twijfel opwekken. Nu, Eva wist heel goed, wat God verboden had. Toen beproefde de slang op haar hoogmoed te werken en zeide: wel neen, gij zult niet sterven, maar weet gij waarom God u verboden heeft van dien boom te eten? God is bang, dat gij aan Hem gelijk zult worden, want dat zal het geval zijn als gij van dien boom eet. Dan zult gij het goede en het kwade kennen. Eva zag toen eens goed naar dien boom, hij was zoo mooi en de vrucht lachte haar zoo toe, en zij nam en at en gaf ook aan Adam en hij at er ook van. Blaar nauwelijks hadden zij er van gegeten, of zij voelden, dat zij kwaad hadden gedaan. Hun geweten beschuldigde hen, en zij werden bevreesd en beschaamd. En in hun angst trachtten zij zich voor God te verbergen. Dat was zeer dwaas van hen, want voor God kan geen mensch zich verbergen. Hij ziet alles en ziet ons overal. Maar tot zulke dwaze dingen komt men door de zonde. God zag Adam en Eva dan ook wel. Hij wist wat zij gedaan hadden. Bovendien hadden zij zich zelve verraden, door zich te verbergen, want als men geen kwaad gedaan heeft, behoeft men ook niet bang te zijn om onder iemands oogen te komen. God riep nu: Adam waar zijt gij? en wilde hem tot schuldbekentenis brengen door te vragen, of hij van den boom gegeten had. Maar Adam wierp de schuld op Eva en zeide, dat de vrouw, die God hem gegeven had, hem had verleid. Zoo gaf hij eigenlijk God zeiven de schuld. Dat was dus al weer eene nieuwe zonde. Ook Eva verontschuldigde zich en zeide, dat de slang haar had bedrogen. Do menschen wilden dus maar niet komen tot oprechte schuldbelijdenis. Het is dan ook veel gemakkelijker zich zei ven te verontschuldigen en een ander de grootste schuld te geven, dan eerlijk en open schuld te bekennen. En toch wil God dit laatste. En als wij dat oprecht en met berouw doen, dan vergeeft Hij ons ook onze zonden. Adam en Eva werden nu door God uit den hof gebannen en God stelde bij den ingang van het Paradijs een Engel, die zorgen moest, dat
zij er niet weer in kwamen. Eom. 5 ; 12; Hebr. 4:13; i Joli. 1:9, 10.--
Gez. 83 : 1—3; Ps. 32 : 1; Gez. 52 ; 10.
iee rijk bij nal
3. — ADAMS ZONEN.
(Genesis 4, 5).
Toen Adam en Eva uit het Paradijs verdreven waren, moesten zij n het zweet huns aanschijns hun brood eten, terwijl smart hun eel zou zijn. Maar God had hun ook een nakomeling beloofd, die jken zegen aanbrengen en den Satan overwinnen zou. Eva meende ij de geboorte van haren eersten zoon, Kaïn, reeds, dat deze die akomeling was. Maar daarin heeft zij zich deerlijk vergist. Want deze Kaïn, de eerstgeboren mensch, is de eerste moordenaar geworden. Hij heeft namelijk zijn broeder Abel doodgeslagen. Toen Kaïn, die een landbouwer was, en Abel, een schaapherder, offerden, was het offer van den laatste den Heer welgevallig, maar dat des eersten niet, omdat het niet met een goed hart gebracht werd. God heeft immers alleen den blij moedigen gever lief. Dat vervulde Kaïn zoo met nijd tegen Abel, dat het aan hem te zien was. De Heer waarschuwde hem, spoorde hem aan om wel te doen en wees hem op de zonde, die de vrucht van zijne verkeerdheid zou zijn. Kaïn stoorde zich daaraan echter niet, maar liet zich zoo door zijn nijd beheerschen, dat hij op een zekeren dag, met Abel in het veld zijnde, dezen doodsloeg. Toen de Heer hem daarop vroeg, waar Abel was, zeide hij: Ik weet het niet. Ben ik mijns broeders hoeder? Hij loog dus en trachtte zich onverschillig voor te doen. Maar de Heer, die rechtvaardig is, strafte Kaïn voor dien moord en deed hem als een balling rondzwerven op de aarde. Dat was eene zeer zware straf voor hem, want, omdat hij wel wroeging had, maar geen berouw, kon hij nergens rust vinden. Hij geloofde dan ook, dat zijne misdaad te groot was om vergeven te worden en was nu altijd bevreesd, dat iemand hem dooden zou. Het is vreeselijk met een beschuldigend geweten, zonder geloof aan vergeving der zonde, te leven. Dan is er geen vreugde meer in \'t leven. Van Kaïn\'s nakomelingen zijn ons o.a. bekend Henoch, die de eerste stad heeft gebouwd; Lamech, een zeer barsch en ruw man; en Lamech\'s zonen Jabal, Jubal en Tubal-Kaïn, die nuttige uitvindingen hebben gedaan.
Na den dood van Abel en de vlucht van Kaïn, kregen Adam en Eva nog een zoon, Seth genaamd. Deze Seth was de vader van Enos, in wiens dagen men den naam des Heeren begon aan te roepen. In zijn nageslacht bleef de vreeze des Heeren bewaard en men genoot daarvan ook den zegen. Zoo lezen wij van Henoch, den kleinzoon van Mahalaleël, die weer een kleinzoon was van Enos, dat hij wandelde met God en hij was niet meer, want God nam hem weg, zoodat hij niet stierf. Hij werd dan ook niet zoo oud als zijne tijdgenooten, want toen God hem wegnam was hij 365 jaar. Adam leefde toen nog en heeft ook nog Lamech, den vader van Noach, gekend. Toen hij stierf was hij 930 jaar. Het oudst van aUen i is echter Henoch\'s zoon, Methusalem, geworden, namelijk 969 jaar.
Gen. 3 : 15; Spreuk. 14 : 30; 1 Joh. 3 : 15. - Ps. 5 : 4—6; Gez. 69 : 4;
I\'s. 139 ; 4, 5.
1*
4
4. — DE ZONDYLOED.
(Genesis 6—9).
Naar mate de mensclien op aarde vermenigvuldigden, nam ooi de boosheid toe. Zij hielden God, die hen toch in ieder opzicht zegende, niet in erkentenis, maar vertoornden Hem door hunne zonden. De Heer besloot daarom hen te straffen en het menschdom door een grooten watervloed van de aarde te verdelgen. Er was echter één man, van wien ons wordt medegedeeld, dat hij een rechtvaardig en oprecht man was, die met God wandelde. Hij vond dan ook genade in de oogen des Heeren en God wilde hem en de zijnen sparen, als Hij al de andere menschen zou doen omkomen. Daarom gebood de Heer hem om eene ark, een groot schip, te maken van goferhout, dat 300 el lang, 50 el breed en 30 el hoog moest zijn, met drie verdiepingen. In die ark moest hij gaan met zijne vrouw en zijne zonen, Sem, Cham en Japhet en hunne vrouwen. Tevens moest hij met zich nemen van alle rein vee zeven paar, mannetjes en wijfjes, en van alle vee, dat niet rein was, één paar, benevens van al het gevogelte zeven paar. Zoo zorgde de Heer, dat ook na den zondvloed de aarde weer bewoond zou worden door menschen en dieren. Toen Noach de ark gemaakt had en met de zijnen en met het gedierte daarin gegaan was, begon het geweldig te regenen en kwam het water uit de aarde op. Nadat het 40 dagen en 40 nachten aanhoudend geregend had, was de geheele aarde bedekt met water, dat 15 el boven den hoogsten berg stond. Alle menschen en dieren, die buiten de ark gebleven waren, vonden toen den dood en het duurde wel 150 dagen, voor het water weer begon te zakken. Eindelijk, toen de ark op het gebergte Ararat was blijven vastzitten, kon Noach, na nog eenigen tijd te hebben moeten wachten, de ark verlaten. Het eerste wat hij nu deed, was een altaar bouwen en den Heer een offer brengen uit dankbaarheid voor Gods bescherming en redding. Noach toonde daardoor, dat hij waarlijk met God wandelde. Want wie met God wandelt heeft Hem )ief en is voor iederen zegen, dien Hij schenkt. Hem dankbaar. Aan de betooning van dankbaarheid kunnen wij dan ook zien, of iemand God lief heeft en in Gods gemeenschap leeft. — God schonk echter aan Noach en de zijnen nog een nieuwen zegen. Hij maakte namelijk een verbond met hen, dat Hij niet weer zulk een zondvloed zou zenden, en de regenboog zou als teeken daarvan dit den menschen gedurig in herinnering brengen. Zoo toonde de Heer, nadat Hij de zonde gestraft had, zich terstond weer in zijne genade en liefde aan de menschheid. Rom. 2 : 3, 4; Ezech. 33 ; li; Matth. 24 : 38, 39. — Gez. 34 : 1, 4; Ps. 119 : 88; Gez. 11 : 1.
5
5. — NOACH\'S NAKOMELINGEN.
(Genesis 9—11).
Door den zondvloed waren wel de meeste zondaren van den aardbodem verdelgd, maar de zonde was daardoor niet uitgeroeid. Al zeer spoedig merken wij haar weer op in Noach en zijne nakomelingen. Noacli begon namelijk een wijnstok te planten, perste later de druiven uit en dronk bij eene zekere gelegenheid te veel van dit sap. Daaraan deed hij zeer verkeerd, want hij werd dronken, zoodat hij naakt ging liggen in het midden zijner tent. Yrome menschen moeten altijd dubbel voorzichtig zijn, want het kwaad, dat zij doen, is dubbel kwaad. De vrome Noach handelde onvoorzichtig en gaf aanleiding aan Cham, dat deze zich bezondigde. quot;Want toen hij zijnen vader Jaar zoo zag liggen, verloor hij den eerbied uit het oog, die kinderen hun leven lang aan hunne ouders verschuldigd zijn, en in plaats van medelijden met Noach te hebben, bespotte hij hem en gaf het zijnen broeders te kennen. Sem en Japhet daarentegen wilden het treurige schouwspel zelfs niet zien, maar namen een kleed en legden dat, met afgewend gelaat, over hunnen vader. Toen Noach dit later vernam, zegende hij Sem en Japhet, terwijl hij over Cham en zijne nakomelingen den vloek uitsprak. Dit was geheel en al overeenkomstig Gods wil, daar Hij van ons eischt, dat wij onze ouders zullen eeren en liefhebben. — Nog op eene andere openbaring der zonde wijst ons de Schrift. De menschen begonnen Gods bevel tegen te staan en wilden wijzer zijn dan God. De Heer had gezegd, dat men den aardbodem bewonen zou en wilde dus niet, dat alle menschen bij elkander zouden blijven. Zij vonden het evenwel beter bij elkander te blijven en begonnen daarom een toren te bouwen, welks opperste in den hemel zou zijn. Die toren moest het vereenigingspunt worden, waarop zij telkens zouden kunnen zien, waarheen zij gaan moesten om weer bij elkander te komen. In hun hoogmoed meenden zij zich daardoor een naam te maken. Maar God heeft tal van middelen om zijn doel te bereiken. Toen men reeds aan \'t bouwen was, verwarde hij hunne spraak, zoodat zij, die vroeger dezelfde taal hadden gesproken, de een den ander niet meer verstaan konden. Zij moesten nu natuurlijk wel van elkander gaan. De stad, die men bij den toren begonnen was te bouwen, werd Babel genoemd. — Noach is de tweede stamvader van het men-schelijk geslacht geworden. Van Sem stammen o.a. de Israëlieten en de andere Semitische volken af; Japhets nakomelingen gingen naar het quot;Westen en Cham is de stamvader geworden van de Egypte-naars en andere Afrikaansche volken. Yan een van Chams nakomelingen, Nimrod, wordt ons gezegd, dat hij was een geweldig jager voor het aangezicht des Heeren. Efez. 5 ; 18; Exod. 20 : 12; Job. 5 : 12, 13. - Ps. 25 : 5; Gez. G1 : 8: Ps. 127 : 1, 2.
G
6. — DE BELOFTE AAN ABEAM.
(Genesis 12, 15—17).
J
wa Da dei de\' be lie va
Ook in Sems geslacht nam de afgoderij weer toe. God besloot toen één man af te zonderen, opdat door hem en zijne nakome Kngen de dienst des Heeren in stand zou blijven. Die man was Abram, de zoon van Terah. Hij had twee broeders, Nahor en Haran Toen hij nog in Ur der Chaldeën woonde, had de Heer hem ge boden, uit zijn land en uit zijne maagschap en uit zijns vaders huis te gaan naar het land, dat de Heer hom wijzen zou. Dat was moeielijk voor Abram. Maar hij gehoorzaamde en zoo kwam hij met\' zijne vrouw Saraï en met zijn neef Lot, den zoon van Haran, die zo reeds gestorven was, in Kanaiin. De Heer, die reeds gezegd had dat hij hem tot een groot volk zou maken, beloofde hem toen ook dat Kanaiin eenmaal aan zijne nakomelingen zou toebehooren. Ook dat was moeielijk te gelooven, want Abram had geene kinderen en hij was reeds 75 jaar en ook Sara was oud. Toch geloofde hij alles wat God zeide. Bij God is dan ook geen ding onmogelijk en omdat Hij de Almachtige is, kan Hij alles doen, wat Hem behaagt, hoe vreemd het ons ook toeschijne. De Heer stelde Abrams geloof echter wel zeer op de proef, maar dat was voor Abram noodig, evenals ook voor ons de beproeving vaak heilzaam is. Het duurde zeer lang en nog altijd bleef Abram kinderloos. Toen hij 99 jaar oud was en Saraï 90, beloofde God hun wederom een zoon, en veranderde Hij Abram\'s naam in Abraham (vader eener groote menigte) en die van Saraï in Sara (vorstin). Een jaar daarna was de belofte vervuld en Izak geboren. Abraham en Sara hebben echter ook tijden gehad, dat zij begonnen te twijfelen. Zoo waren zij reeds 10 jaren in Kanaiin, toen de beloofde zoon nog niet geboren was. Abraham nam toen op raad van Sara eene Egyptische dienstmaagd van haar, die Hagar heette, tot vrouw, omdat hij meende, dat hij anders zonder kinderen zou moeten sterven. Dat was een daad van ongeloof. Abraham toonde daardoor geen geduld te hebben. Hij wachtte niet zoo lang totdat het Gods tijd was. Ook wij willen God wel eens vooruitloopen, en dat is altijd verkeerd. Wij moeten vertrouwen op God, die in Zijne wijsheid tijden en gelegenheden kent. Deze Hagar werd de moeder van Ismaël, maar is later, wegens huiselijke onaangenaamheden, met haar kind moeten vluchten. Zoo werd Abram zelf de oorzaak van een verdriet, dat later hem overkwam. Dat is altijd in het leven zoo. Het geloof van Abraham is hem tot rechtvaardigheid gerekend, zijn ongeloof bracht hem slechts leed. — Ismaël namelijk was niet de beloofde zoon, maar Izak. Uit hem zou de Christus voortkomen, in wien alle geslachten des aardrijks gezegend zouden worden. Hebr. 11: 8; Oen. 15 ; G; Gal. 3 ; 8.--Gez. 27 ; 1; Fs. 105 : 5; Gez. 28 : 4.
7
7. — LOT TE SODOM.
(Genesis 13, 14, 18, 19).
Abraham en Lot waren beide zeer rijk en zij hadden veel vee. Er was echter geen weide genoeg voor de kudden van hen beiden. Daardoor kwam het, dat hunne herders onderling twist kregen. Dat deed Abraham leed, wan-: dat kon zoo licht eene oorzaak van verdeeldheid tusschen hem en Lot worden. Hij vond het daarom het beste, dat zij maar scheidden en nu gaf hij aan Lot de keuze van het land. Dat was zeer edelmoedig van Abraham. In plaats echter ran bescheiden te zijn en de keuze te laten aan zijn oom, die ook zooveel ouder was, koos Lot dadelijk het beste land, namelijk de vruchtbare vlakte der Jordaan, het dal Siddim, waar de steden Sodom en Gomorra lagen. Voor deze begeerlijkheid is Lot later zwaar gestraft. Want eerst kwam Kedor-Laómer met drie andere koningen en voerde oorlog tegen de koningen van Sodom en Gomorra en hunne bondgenooten en versloeg hen. Onder de gevangenen, die zij uit die steden medenamen, behoorde ook Lot en zijne bezittingen werden buitgemaakt. Hiervan werd Abraham, die toen bij de bosschen van Mamre bij Hebron woonde, kennis gegeven. Deze dacht er toen niet over om Lot zonder hulp te laten. Neen, hij wilde zich niet wreken. Haastig wapende hij zijne 318 strijdbare knechten, joeg Kedor-Laómer na, versloeg hem en bevrijdde op die wijze Lot. Ook kreeg hij toen een grooten buit, maar hij gaf alles aan Lot en aan de koningen van Sodom en Gomorra terug. Alleen stond hij toe, dat de verteering betaald werd en dat de drie mannen Aner, Eskol en Mamre, die hem geholpen hadden, hun deel kregen. Op zijn terugtocht ontmoette hij den vromen Melchizedek, die koning van Salem en een priester van God was, door wien hij gezegend werd. — De menschen te Sodom, te midden van welke Lot leefde, waren zeer goddeloos. De Heer, die de zonde haat, liet Abraham weten, dat Hij die stad en de omliggende steden verdelgen wilde. Abraham bad toen herhaaldelijk om het behoud dier steden, en God wilde haar sparen als er zelfs maar tien rechtvaardigen waren. Doch die waren er niet. De Heer zond toen twee Engelen naar Sodom om Lot en de zijnen te redden. Den volgenden morgen, nog voor zonsopgang, verliet Noach met zijne vrouw en twee dochters haastig ■de stad. Hij had ook zijne aanstaande schoonzonen gewaarschuwd, maar zij hadden hem uitgelachen. Lot en de zijnen moesten zich zoo haasten om te Zoar te komen, dat zij zelfs niet mochten omzien. Toen zijne vrouw dat toch deed, werd zij een zoutpilaar. Juist toen de zon opkwam, bereikte Lot de stad des behouds, Zoar. Toen deed de Heer zwavel en vuur regenen over Sodom en Gomorra en die beide steden, benevens Adama en Zeboïm gingen te gronde. quot;Waar zij vroeger stonden, is thans de Doode Zee. — Van Lot stammen de Moabieten en de Ammonieten af. Rom. 12 :18; Efez. 4:32. 2 Petr. 2 : 6. -- Ps. C8 ; 1 ; Gez. 12 : 1; Ps. : 125 : 4.
8
8. — ABRAHAMS OFFERANDE.
\'\'Genesis 22).
Izak was ondertusschen grooter geworden en Abraham had hea lief. Maar hij had God lief boven alles, ook boven zijnen eenigen zoon. De Heer gaf hem gelegenheid om dat te toonen. Hij wilde Abraham beproeven en zeide tot hem: Neem nu uwen zoon, uwet eenige, dien gij lief hebt, Izak en ga heen naar het landMorïa, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op eenen van de bergen, dien ik ii zeggen zal. Wij kunnen begrijpen, hoe Abraham gestemd zal geweest zijn, toen de Heer hem dit beval. Hij zal ook niet begrepen hebben, waarom dit geschieden moest. En het was zeker eene zee? zware zaak voor hem om dit gebod op te volgen. Toch gehoorzaamde Abraham, want hij kende God in Zijne goedheid en wijsheid en vertrouwde daarom op Hem. Zonder vertrouwen kunnen wij God niet gehoorzamen. Hij stond dan des morgens vroeg op, maakte alles voor het offer gereed en ging met Izak en twee knechten op reis. Den derden dag kwamen zij ter bestemder plaatse, en, nadat zij de knechten met den ezel achtergelaten hadden, beklommen Abraham en zijn zoon den berg. Izak droeg het hout, waarop hij zelf zoo aanstonds gelegd zou worden, en Abraham het mes en het vuur. Terwijl zij zoo voortgingen, begon Izak zich zeiven af te vragen, wat er nu eigenlijk geofferd zou worden. Maar hij zag geen offerdier. Daarom vroeg hij zijn vader, waar het lam tot een brandoffer was. Op deze vraag kon Abraham moeielijk een antwoord geven. En toch gaf hij het beste antwoord, dat mogelijk was. Hij zeide namelijk; God zal zich zei ven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon. Dat heeft God dan ook gedaan. Toen zij de plaats, die de Heer gezegd had, bereikt hadden, bouwde Abraham een altaar en schikte het hout en daarna nam hij zijnen zoon, bond hem en lei hem op het altaar. Reeds strekte hij zijne hand uit om met het mes Izak te dooden, toen een Engel des Heeren van den hemel riep en zeide, dat hij dat niet doen moest. Het was ook niet noo-dig meer. De Heer had gezien, dat Abraham God vreezende was en alles, ook het liefste-wat hij had, zijnen eenigen zoon, voor den Heer overhad. Abraham is ons in dezen een heerlijk voorbeeld en uit deze geschiedenis leeren wij, dat ook wij God boven alles moeten liefhebben, steeds op Hem kunnen vertrouwen en in alle dingen, hoe moeielijk ook. Hem behooren te gehoorzamen. Dat kan, alsook van ons geldt, wat van Abraham gezegd wordt: Hij geloofde in God. Dan kunnen wij ook altijd gerust zijn, want God zal voorzien. Dat toonde hij aan Abraham. Want toen deze, nadat de Engel des Heeren tot hem gesproken had, omzag, zag hij een ram met de hoornen in de struiken verward. Dezen nam hij toen en hij offerde hem in de plaats van zijn zoon. En wij kunnen begrijpen, dat hij zulks
deed met een dankbaar hart. Ps. 34 ; 9; 1 Cor. 10 13; 1 Petr. 5 : 7.-
Gcz. 21 : 4; Ps. 73 : 13; Gez. 57 : 1.
9
i9. — IZAK\'S HUWELIJK.9. — IZAK\'S HUWELIJK.
(Genesis 23—25).
Toen Sara in den ouderdom van 127 jaar te Hebron gestorven a door haren man in de spelonk van Machpéla begraven was, boon ook Abraham aan zijnen dood te denken. Hij wilde echter eerst zak nog gaarne getrouwd zien, maar niet met eene Kanaiinitische rouw, opdat deze Izak niet tot afgodendienst zou verleiden. Hij eval daarom Eliëzer, zijn oudsten en vertrouwden knecht, in zijn aderland eene -vrouw voor zijnen zoon te zoeken. Eliëzer beloofde braham, dat hij aan zijn wensch zou voldoen en ging op reis. \'oen hij in Mesopotamië gekomen was bij de stad van Nahor, bad ij God hem de rechte vrouw te doen ontmoeten. Dit geschiedde bij sne waterput en juist kwamen meisjes uit de stad om water te utten, waaronder ook eene schoone maagd, Eebekka genaamd, de ochter van Bethuël, die een zoon was van Abrahams broeder Nahor. [ij vroeg haar hem te drinken te geven en zij voldeed niet alleen aaraan, maar zij bood ook aan water te putten voor zijne kemelen. lit was het teeken, dat Eliëzer van den Heer gevraagd had en hij ag dus in Eebekka de aanstaande vrouw van Izak, en gaf haar eschenken. Zij liep nu vooruit naar huis en toen Labjn, haar roeder, die geschenken zag, ging hij Eliëzer te gemoet en bracht em en zijne kemelen in zijns vaders huis. Toen maakte Eliëzer het oei van zijne reis en den wensch van Abraham bekend en Bethuël n Laban zagen in alles des Heeren hand en gaven hem verlof om lebekka mede te nemen tot eene vrouw voor Izak. Uit dankbaarheid ereerde hij toen aan Eebekka en aan hare moeder en aan Laban llerlei gouden en zilveren kleinooden, kleederen en andere kost-aarheden. Den volgenden morgen reeds vertrok hij en daar Eebekka ereid was Izaks vrouw te worden, ging zij, door hare ouders en jaban gezegend, met hem mede. Toen zij weder in het land Kanaan ekomen waren, ontmoetten zij Izak, die uitgegaan was om te bidden, ij de put Lachaï-Eóï. Zoo werd Eebekka de vrouw van Izak en hij eed haar wonen in de tent van zijne moeder Sara en had haar ef. Aan de wijze zorg van een liefhebbenden vader, aandenauw-ezetheid van een trouwen knecht, maar bovenal aan de leiding an den God Abrahams, had Izak dus zijn gelukkig huwelijk te anken. Na dit huwelijk nam ook Abraham weer eene vrouw, name-ijk Ketura, en hij werd nog vader van zes zonen. Deze zonen waren iimran, Joksan, Medan, Midian, Jisbak en Suah. Eindelijk stierf ok Abraham in den ouderdom van 175 jaren, en hij werd door zak en Ismaël bij Sara begraven in de spelonk Machpéla, bij lebron, die hij tot eene begraafplaats gekocht had van Efron, den lethiet. Izak werd de erfgenaam van al wat hij bezat, want zijne ndere zonen had hij, nog tijdens zijn leven, geschenken gegeven
n weggezonden. 1 Cor. 15 : 33; Spreuk. 3:6; Filipp. 4 ; 6. -
\'s. 112 : 1; Gez. 19 : 4; Ps. 147 : 6.
10
10. — JAKOB EN EZAU.
(Genesis 25, 27).
Izak was CO jaar en reeds 20 jaar getrouwd, toen hem twee zonen geboren werden, Ezau en Jacob. Zij verschilden uitwendig en inwendig veel van elkander. De eerste was een harig, de tweede een glad\' man. Ezau was lichtzinnig en ruw, Jacob overleggend en zacht. Ezau koos de jacht tot zijn bedrijf en Izak had hem lief; Jacob werd herder en Eebekka had hem lief. Het was niet goed dat Izak en Eebekka het eene kind boven het andere voortrokken, Ezau was de eerstgeborene, maar voor hunne geboorte had de Heer gezegd, dat de meerdere den mindere zou dienen. Eens had Jakob een gerecht van linzen gekookt, toen Ezau vermoeid van de jacht thuis kwam. Met onstuimigheid vroeg hij zijnen broeder om dat kooksel. Jakob eischte daarvoor het recht zijner eerstgeboorte. quot;Wat geeft mij dat eerstgeboorterecht? zeide Ezau toen. Ik moet immers toch eenmaal sterven. Zoo verachtte hij den hem geschonken zegen en Jakob trad hierdoor in zijne rechten. Toen nu Izak, die reeds blind geworden was van ouderdom, aan zijn einde begon te denken, riep hij Ezau tot zich en zeide: Jaag mij een wild en maak het voor mij klaar en dan zal ik u zegenen voordat ik sterf. Dat hoorde Eebekka, en toen Ezau heengegaan was, vertelde zij het geval aan Jakob en ried hem aan zich in de plaats van Ezau te stellen. Hij moest nu twee geitenbokjes halen en zij zou die klaar maken zooals Izak die liefst had. Daarna moest hij ze aan zijn vader brengen en deze zou hem dan zegenen. Jakob, die door zijne moeder tot kwaad werd verleid, was echter bang, dat het bedrog zou uitkomen en in plaats van hem te zegenen zou zijn vader hem vloeken. Eebecea wist echter raad. Zij bond hem van het vel der bokjes om hals en handen en zoo ging Jakob tot Izak, en zei dat hij Ezau was. Izak verwonderde zich, dat hij zoo spoedig terug was, waarop Jacob schijnheilig antwoordde, dat de Heer hem op de jacht had gezegend. Izak was nog niet overtuigd, maar, daar hij Jakobs stem meende te herkennen, betastte hij hem en omdat hij toen een harig man voelde, moest hij wel gelooven, dat het Ezau was, vooral toen Jakob het nogmaals verzekerde. Toen zegende hij hein en beloofde hem voorspoed en heerschappij. Kort daarna kwam Ezau binnen. Izak schrikte en merkte, dat hij bedrogen was. Haar hij had Jakob nu eenmaal gezegend en dat bleef zoo. Ezau begon toen te schreien als een kind en vroeg of zijn vader dan toch ook nog niet een zegen voor hem had. Izak had echter Jakob de heerschappij over Ezau toegezegd, maar toch zegende hij Ezau en beloofde hem voorspoed, hoewel niet zonder strijd en oorlog en voorzeide hem, dat hij eenmaal zich van Jakobs heerschappij zou vrijmaken. Van dien tijd af was Ezau zeer toornig op Jakob en hij zeide: Als mijn vader eerst maar eens gestorven is, dan zal ik Jakob dooden. — Jesaja 55 : 8, 9; Hebr. 12; 3 6, 17; Gen. 17 : 1. - Gez. 31 ; 4; Ps. 139 : 1, 14; Gez. 70 : 1, 5.
11
11. — JAKOB BIJ LAB AN.
(Genesis 28—33).
Op raad van Rebekka vluchtte Jakob nu naar Hesopotamie, onder voorwendsel van daar eene vrouw te zullen zoeken. Izak gaf hem zijn zegen mede. Ter plaatse zijner bestemming gekomen, was eene der eersten, die hij ontmoette, zijne nicht Eachel. Hij hielp haar om de schapen te drenken en, daar zij haar vader van Jakobs komst kennis gaf, haalde Laban, zijn oom, hem bij zich in huis. Hij werd met Laban eens, dat hij hem 7 jaren zou dienen en dan zijne nicht Rachel, die hij liefhad, tot vrouw zou ontvangen. Die 7 jaren vielen Jakob maar kort. Toen zij om waren, bedroog Laban Jakob echter, door hem in plaats van Eachel zijn oudste dochter Lea te geven. Jakob was daarmede echter niet tevreden en Laban gaf hem nu ook Eachel, onder voorwaarde dat hij hem nog 7 jaren zou dienen. Nadat ook die jaren voorbijgegaan waren, diende Jakob Laban om loon. En de Heer zegende hem, want niettegenstaande Laban herhaaldelijk zijn loon veranderde, werd Jakob zeer rijk in vee. Ook kreeg hij vele zonen. Als Laban en zijne zonen nu zagen, dat het Jakob wèl ging, werden zij jaloersch van hem en zeer onvriendelijk. Dit alles drong Jakob om met het zijne en de zijnen Laban heimelijk te verlaten. Wel achtervolgde Laban Jakob en haalde hem in, maar, na elkander bittere verwijten gedaan te hebben, scheidden zij eindelijk toch in vrede. Na twintig jaar in den vreemde geweest te zijn, trok hij nu weer huiswaarts. Arm was hij heengegaan en rijk keerde hij terug. De zegen des Heeren maakt rijk. Dat erkende Jakob ook met dankbaarheid. Jakob was echter nog bevreesd voor Ezau. Zijn geweten beschuldigde hem, maar hij vroeg den Heer ernstig om hulp en redding. Hij zond nu boden uit naar Ezau en gaf hun rijke geschenken in vee voor zijnen broeder mede. Jakob moest eerst nog over het veer van de Jabbok. Toen allen reeds overgetrokken waren en hij nog alleen achter was gebleven, worstelde een man met hem. Jakob, die in hem den Engel des Heeren zag, wilde hem niet laten gaan voordat hij hem zegende. Dien zegen ontving hij in eenen nieuwen naam, dien van Israël (vorst Gods). Toen noemde Jakob die plaats Pniël (Gods aangezicht), omdat hij God gezien had. Eindelijk ontmoette hij Ezau, die zeer broederlijk jegens hem was en hem zelfs bescherming aanbood, welke Jakob echter weigerde. Zoo was dus eindelijk alles ten goede gekeerd. Wel bleven de broeders niet bij elkander wonen, want Ezau trok weer naar Seïr, terwijl Jakob zich. eerst te Sichem, waar hij land kocht, vestigde en later op Gods bevel te Beth-el, waar Eachel, bij de geboorte van Benjamin, stierf. De vriendschappelijke verstandhouding tusschen Jakob en Ezau bleef echter voortbestaan, zoodat, toen later Izak, 180 jaren oud, te Hebron, waar Jakob zich ook pas gevestigd had, overleed, zijne beide zonen hem begroeven. Ts. 91 : i, 2; Gen. 32:10; Kom. 8:31.-
Ts. 121 ; 4: Gez. 168 : 3, 4: Ts. 125 : 1.
12
12. — JOZEF EN ZIJNE BEOEDEES.
(Genesis 37).
Jakob had vier vrouwen, namelijk Lea, Each el, Bilha en Zilpa, Ook had hij 12 zonen en ééne dochter. Euben, Simeon, Levi, Juda, Issaschar, Zebulon en Dina quot;waren kinderen van Lea; Jozef en Benjamin -waren de zonen van Eachel; Dan en Nafthali die van Bilha; en Gad en Aser die van Zilpa. Zijne kinderen hebben hem veel droefheid aangedaan. Een zijner zonen echter. Jozef, was een vroom jongeling. Het kwaad nu, dat zijne broeders deden, bracht Jozef hunnen vader aan. Daarbij kwam, dat Jakob Jozef meer lief had dan zijne andere zonen. Zoo gaf hij hem als blijk daarvan eens een kostbaren veelverwigen rok. De broeders werden nu jaloersch van Jozef en begonnen hem te haten. Deze haat nam toe, toen Jozef, niet vrij van ijdelheid, zijnen broeders eenen droom vertelde, waarin hij gezien had, dat, terwijl zij allen in het veld waren aan het binden van schoven, hunne schoven zich voor de zijne bogen. Op een anderen tijd droomde hij, dat de zon, de maan en elf sterren voor hem bogen. Zijn vader bestrafte er hem over, dat hij dit vertelde, maar toch hechtte hij beteekenis aan die droomen. Nu geschiedde het eens, dat Jozefs broeders heengegaan waren om de kudde te weiden, maar Jozef was thuis gebleven. Jakob, verlangende te weten, hoe het met zijne zonen en met de kudde ging, zond Jozef uit om daarnaar te vernemen. Toen zij hem van verre zagen aankomen, zeiden zij tot elkander: Daar komt die meester-droomer aan. Laat ons hem dooden en zeggen, dat een boos dier hem heeft opgegeten; dan zullen wij eens zien, hoe zijne droomen uitkomen. Euben, de oudste broeder, verzette zich echter daartegen. Hij stelde voor, hem in een droogen kuil te werpen. Dit deed hij met de heimelijke bedoeling om Jozef er later weer uit te halen en hem zoo te redden. Zijne broeders keurden zijn voorstel goed en wierpen Jozef in den kuil. Euben verwijderde zich toen om langs een omweg straks terug te keeren en Jozef te verlossen. Maar terwijl hij weg was, kwam er een reisgezelschap van Ismaëlieten, die naar Egypte gingen. Op voorstel van Juda, verkochten zij hem aan deze kooplieden voor 20 zilverlingen. Toen Euben daarna bij den kuil kwam, miste hij Jozef en beschuldigde hij zich zeiven. Dat kwam van zijne onbeslistheid. Nu moesten Jozefs broeders hunne misdaad nog bedekken. Ook hier kwam de eene zonde uit de andere voort. Zij slachtten een geiten-bok, doopten in diens bloed Jozefs veelverwigen rok en zonden daarmede een man naar Jakob om te zeggen, dat zij dien rok gevonden hadden en te vragen, of het niet Jozefs rok was. Jakob herkende den rok, meende dat Jozef door een wild diei verscheurd was en was zeer bedroefd. Zoo werd hij, die zijn vader bedrogen had, nu door zijne eigene zonen bedrogen. God straft de zonde.
1 Thess. 4:6; Matth. 10 : 28; Luk. 6 : 31. - Gez. 76 : 4; Ps. 24:
2, 3. Gez. 69 : 7.
13
13. — JOZEF VERNEDEED.
(Genesis 39, 40).
Jozef werd door do kooplieden naar Egypte gevoerd en daar als slaaf verkocht aan Potifar, een hoveling des Konings. Omdat hij een vroom jongeling was, gedroeg hij zich voorbeeldig en de Heer zegende hem, zoodat hij het vertrouwen van zijn meester won en door dezen met het bestuur over zijne goederen belast werd. Zelfs werd Potifars huis door God gezegend om Jozefs wil. De vrouw van Potifar was echter eene goddelooze vrouw en wilde Jozef tot groote zonde verleiden. Maar hij weigerde en zeide: Zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God? De gedachte aan God bewaarde hem dus voor de zonde. Eens, toen zij hem tot het kwade wilde dwingen, greep zij hem bij zijn kleed. Jozef vluchtte toen met achterlating van het kleed. Bevreesd zijnde, dat Jozef haar zou aanklagen, keerde zij de zaak om en beschuldigde hem, dat hij haar kwaad had willen doen, maar, toen zij om hulp riep, haastig gevlucht was. Toen zij hem nog grijpen wilde, zeide zij, hield zij alleen zijn kleed vast. Potifar, in plaats van deze zaak te onderzoeken, geloofde zijne vrouw en werd zoo toornig, dat hij Jozef in de gevangenis liet zetten. God had echter ook bij deze beproeving zijn doel. Ook in de gevangenis zegende hij Jozef en weldra kwatn deze in de gunst van den overste van het gevangenhuis, zoodat deze hem het opzicht over de andere gevangenen gaf. En de Heer deed alles wat Jozef ondernam gelukken. Nu werden op zekeren dag ook twee voorname mannen de bakker en de schenker des konings in diezelfde gevangenis gebracht. Eens op een morgen, toen Jozef bij hen kwam, zagen beide zeer droevig. Zij hadden namelijk gedroomd en wisten niet wat die droomen beteekenden. Op verzoek van Jozef deelden zij hem hunne droomen mede. De schenker had gedroomd van een wijnstok met drie ranken. Die botte uit, bloeide en bracht rijpe druiven voort. Hij nam die toen, drukte ze uit in Farao\'s beker en gaf dien aan. Farao. Jozef lei daarop dien droom uit, maar gaf daarvan God de eere. Hij voorspelde namelijk den schenker, dat hij over 3 dagen uit de gevangenis verlost en weer in zijn ambt hersteld zou worden. Tevens verzocht hij zijne voorspraak om ook uit de gevangenis te komen en de schenker beloofde hem die. Toen begon de bakker te vertellen. Hij had gedroomd, dat hij drie getraliede korven op zijn hoofd had; in de bovenste korf was allerlei spijze voor Farao en de vogelen aten daaruit. Jozef deelde hem mede, dat dit betee-kende, dat hij over 3 dagen uit de gevangenis gehaald en opgehangen zou worden. Zooals Jozef gezegd had, geschiedde het. De bakker werd opgehangen en de schenker in eere hersteld. Maar deze vergat zijne belofte en dacht niet meer aan Jozef. Ook hier bleek het, dat ondank des waerelds loon is. Onze beloften moeten ons steeds
heilig zijn. Matth. 5:8, 11; 1 Petr. 2:19; Jes. 54:10. - Ps. 119:5;
Gez. 55 : 3; Ps. 146 : 3.
14
14. — EGYPTE\'S ONDERKONING.
(Genesis 41).
De schenker vergat Jozef, maar de Heer dacht aan hem. Na twee jaren droomde Farao en hij zag uit de rivier de Nijl zeven vette koeien en daarna zeven magere koeien opkomen. De magere koeien aten de vette op, maar bleven even mager. Toen werd de Koning wakker. Tegen den morgen droomde hij weer en hij zag één halm met zeven dikke volle aren en daarna weer één halm, maar met zeven dunne verzengde aren, en de dunne aren verslonden de volle, doch bleven gelijk. Farao was daarover verontrust. Hij riep de too-venaars en de wijzen, maar niemand kon die droomen uitleggen. Toen dacht de schenker aan Jozef en vertelde den Koning wat er, twee jaren geleden, met hem en den bakker in de gevangenis was gebeurd. Terstond zond de koning om Jozef en, toen deze gekomen was, vertelde hij hem de droomen, daar hij, zoo zeide hij, gehoord had, dat Jozef droomen kon uitleggen. Jozef zeide echter, dat hij dat niet uit zich zeiven kon, maar dat de Heer door hem Farao\'s droomen zou uitleggen. En toen volgde de verklaring. Er zouden namelijk eerst zeven zeer vruchtbare jaren komen en daarna zeven schrale jaren. De Koning moest nu een verstandigen man aanstellen en opzieners onder hem, om in de zeven vruchtbare jaren het vijfde deel van al het koren te verzamelen en dat in schuren te bewaren voor de zeven jaren van gebrek. Farao vond, dat niemand geschikter was dan Jozef zelve om deze zaak te regelen. Hij stelde hem daarom over het geheele land en maakte hem onderkoning. De koning nam nu zijn eigen ring van den vinger en deed dien aan Jozefs vinger, liet hem fijne linnen kleederen aantrekken en hing een gouden ketting om zijn hals. Toen liet hij hem op zijnen tweeden wagen ronrijden, terwijl men riep, dat allen voor Jozef knielen moesten. Zoo had God dus Jozefs droomen reeds gedeeltelijk vervuld. Hij was toen nog maar 30 jaar oud. Ook gaf Farao hem eenen nieuwen naam, namelijk Zafnath-Paanéah, d. i. Eedder der waereld. Hij trouwde ook met eene Egyptische vrouw, Asnath, de dochter van den opperpriester Potiféra, en kreeg twee zonen, Manasse en Efraïm. Jozef was ondertusschen ijverig bezig om in de zeven jaren van overvloed de schuren van Farao te vullen met koren. Er kwam echter zooveel, dat men ten laatste maar ophield met meten. Welk een geluk voor Jozef, dat hij in Potifars huis geleerd had allerlei zaken te besturen. Het lijden en de beproeving hadden hem dus goed gedaan. Toen de zeven vruchtbare jaren voorbij waren, kwam de hongersnood. Gelukkig, dat er nu overvloed was. Geheel Egypte kwam bij Jozef om van hem te koopen. Ook de omliggende landen kregen koren uit Egypte. En toen dit in Kanaiin, waar ook gebrek was, bekend werd, zond Jakob zijnen zonen daarheen om spijze te halen. Spreuk 21 : 1; Hebr. 12 : 11; 1 Sam. 2 : 7. —-— Gez. 20 :1, 9; quot;Ps. 105; 10, 11; Gez. 24 : 3.
15
15. — JAKOB EN DE ZIJNEN IN EGYPTE.
(Genesis 42—50).
Toen Jozefs broeders bij hem kwamen, herkende hij hen terstond, aar hield zich boos tegen hen en zeide, dat zij verspieders waren, ij ontkenden dit en spraken toen ook van Benjamin, die niet bij en was. Jozef beval toen, dat zij dezen moesten halen om te be-ijzen, dat zij geen bedriegers waren. Zoolang hield hij Simeon ■evangen. Toen zij aan Jakob vertelden, hetgeen voorgevallen was, ;eide deze, dat alles hem tegenliep. Dat was niet zoo, want God as bezig alles ten goede koeren. Hij wilde eerst Benjamin niet meegeven, maar gaf eindelijk toe. Om den onderkoning tot zachtheid te stemmen, gaf hij geschenken en ook het geld, dat zijne zonen in liunne korenzakken gevonden hadden, mede. Toen zij zoo weer bij Jozef kwamen, vroeg hij naar hunnen vader en toen hij Benjamin zag, ontroerde hij. Terwijl zij allen bij hem aten, liet Jozef hunne korenzakken vullen en deed er ook, evenals de vorige keer, het geld weer in. In den zak van Benjamin liet hij bovendien zijn eigen zilveren beker leggen. Tevreden en gerust gesteld gingen de broeders weer op reis. Zij waren nog niet ver, toen, op Jozefs bevel, zijn hofmeester hen achterhaalde en hun verweet, dat zij den zilveren beker gestolen hadden. Zij ontkenden dit natuurlijk, maar to\'en de beker toch in Benjamins zak werd gevonden, werden zij zeer bedroefd en keerden allen naar de stad terug. Jozef verweet hun den diefstal. Maar zij bleven ontkennen. Jozef wilde nu Benjamin als slaaf houden, maar Juda bood zich in Benjamins plaats aan en wees er op hoe bedroefd Jakob zijn zou als Benjamin niet mee terug kwam. Toen kon Jozef het niet langer uithouden. Hij liet alle vreemden weggaan en maakte zich weenend bekend als hun broeder. Nu werden zijne broeders bevreesd voor zijn wraak, maar Jozef was een godvreezend man en wist dus dat hij geen wraak mocht nemen. Hij stelde hen gerust, verzoende zich met hen, deelde hun mede, dat er nog vijf jaren van hongersnood zouden komen en zond hen terug om Jakob en hunne familie te zeggen, dat zij in Egypte moesten komen. Ook gaf hij hun allen geschenken, ook voor zijn vader, terwijl hij, op Faraös bevel, hun ook wagens gaf voor de reis. Toen ■lakob dit hoorde, werd hij zeer verheugd en dankte den Heer. God beloofde hem in Egypte tot een groot volk te zullen maken. Jozef ging Jakob te gemoet en stelde hem, op Faraös verzoek, aan den koning voor. Jakob was toen 137 jaar en leefde nog 17 jaar in het landschap Gosen, dat Jozef hem en de zijnen als woonplaats had aangewezen. Toen hij stierf, zegende hij al zijne kinderen en ook Jozefs zonen. Na zijn dood vreesden de broeders weer voor Jozefs wraak, maar hij zeide: Yreest niet, gij lieden hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft het ten goede gekeerd. Eindelijk stierf ook Jozef in den ouderdom van 110 jaar. Gen. 42 ■. 22; Ps. 119 : TU Hcbr. 11 : 21. - Ps. 75 : 1; Gez. 2 : 1: Ps. 133 : 1, 3.
a tweel vette] roeien oning
halnj • met rolle too-fgen. : or, was men Jord hij ao\'s den ven Jen fde \'en ter )m
1G
16. — JOB.
(Job 1—42).
In het land üz woonde een zeer rijk lierdersvorst, Job genaamd,!. Hij bezat 7000 schapen, 3000 kameelen, 500 juk ossen en SOöB ezellinnen. Ook had hij 7 zonen 3 dochters en in zijn dienst zeeil veel volk. Zijn grootste rijkdom was echter zijne vroomheid. Del Satan dacht, dat Job zoo godvreezend was omdat het hem zoo goed[ : ging in de waereld, maar dat dit wel anders zou worden, als hij| I eerst maar eens tegenspoed ondervond. De Heer gaf toen aan den; Satan verlof Job alle mogelijke schade en leed te berokken, nuiar, van zijn lichaam moest hij afblijven. Nu gebeurde het op een zekeren|| dag, dat Job al zijne bezittingen verloor, terwijl ook zijne kinderen om het leven kwamen. Hoewel hij diep bedroefd was, zeide hijl echter: De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naamj des Heeren zij geloofd. Job bleef dus ook onder de grootste tegen-Ij spoed godvreezend. De Satan dacht, dat het, als Jobs lichaam 1 maar eens werd aangetast, wel zou veranderen. God gaf liem| toen daartoe verlof, mits hij Job niet doodde. Hij sloeg nu Job met 1 booze zweeren, zoodat zijn geheele lichaam daarmede bedekt was | en hij hevige pijnen leed. Maar, niettegenstaande zijne eigene vrouw hem zocht te verleiden om God te vloeken, bleef hij geduldig en | vroom, en zeide: Zouden wij het goede van God ontvangen en het kwade niet? Er kwamen ook drie vrienden, Elifaz, Bildad en Zofar, • bij Job, maar toen zij hem zagen herkenden zij hem niet en zij konden eerst niet spreken. Toen Job zich echter beklaagde en wenschte dat hij maar nooit geboren was, trachtten zij hem tot schuldbelijdenis te brengen, want zij meenden, dat Job gestraft werd voor zijne zonden. Hij verklaarde echter, dat hij onschuldig was en werd bedroefd over de beschuldigingen zijner vrienden. Hoewel hij vertrouwde op God, kwam hij er, door de woorden zijner vrienden, toch toe, om God van onrecht te verdenken. Daartegen kwam een vierde en jongere vriend, Elihu, toen op. Geen van allen echter begreep, dat al dit lijden over Job kwam om hem te beproeven, zijn geloof te versterken en den Satan te beschamen. Deze geschiedenis leert ons dan ook om, hoe het ons ook ga, altijd God te dienen, op Hem te vertrouwen en steeds te gelooven, dat wat Hij doet welgedaan is, ook al begrijpen wij het niet. Eindelijk verscheen de Heer in een onweder en sprak van Zijne grootheid en van de geringheid des menschen. Ook noemde Hij Job Zijnen knecht en bestrafte de drie vrienden, die niet recht van den Heer gesproken hadden. Job verootmoedigde zich toen voor God, omdat hij Hem van onrecht verdacht had. Daarna zegende de Heer Job. Hij kreeg tweemaal zooveel vee terug als hij vroeger gehad had. Ook werden hem weer 7 zonen en 3 dochters geboren en hij leefde nog zoolang,
dat hij zijne kleinkinderen zag. Jac. 5 :10,11; Joh. 7:24; Spreuk 3:12.--
•Gez. 77 : 2; Ps. 77 : 1, 6; Gez. 26 : 8.
17
17. — MOZES AAN FAEAO\'S HOF.
(Exod 1, 2).
De Israëlieten ■werden in Egypte zeer talrijk. Toen men Jozef vergeten was, begon de Koning hen zeer te verdrukken. Hij vreesde namelijk, dat dit groote volk, als er eens oorlog kwam, zich bij de vijanden van Egypte zou aansluiten. Daarom zocht hij hunne vermeerdering tegen te gaan door hen zwaar werk te doen te geven. Jlaar dit hielp niet. Zij werden nog talrijker. Eindelijk beval hij , dat men de Israëlitische jongetjes, die geboren zouden worden, verdrinken moest. Dat wilde Jochebed, de vrouw van Amram, niet doen, toen zij moeder werd van een zoon. Drie maanden lang verborg zij het kind, maar toen kon dat niet langer. De liefde maakt vindingrijk. Zij maakte nu een kistje van biezen, bestreek het met lijm en pek, en legde het kind daarin. Vervolgens bracht zij het naar den ÏTijl en zette het neer aan den oever tusschen het riet. Daar zag het des konings dochter. Terstond liet zij het halen door eene dienstmaagd, deed het open en zag het kind, dat begon te schreien. Zij kreeg medelijden en begreep wel, dat het een kind van Israëlitische ouders was. Jochebed had ondertusschen hare dochter Mirjam op den uitkijk gezet om te zien, wat er van het kind zou worden. Toen deze nu zag, dat des konings dochter haar broertje had opgenomen, ging zij naar haar toe en vroeg, of zij eene min voor het kind zou halen. De prinses vond dit goed en natuurlijk haalde Mirjam hare moeder. Deze zou het kind nu vooreerst opvoeden en kreeg nog loon toe. Toen het grooter geworden was, werd het aan het hof gebracht. Des konings dochter liet hem onderwijzen in alle kundigheden, waarin hij zeer bedreven werd, en noemde hem Mozes, want, zeide zij, ik heb hem uit het water getogen. Hoewel Mozes als Egyptenaar opgevoed werd, voelde hij toch, dat hij een Israëliet was. Dat toonde hij, toen hij 40 jaar oud was. Hij ging eens tot zijn volk om te zien, hoe het hun in de verdrukking ging. Daar zag hij, dat een Egyptenaar een zijner broederen sloeg. Daarover toornig geworden, doodde hij den Egyptenaar en begroef hem, opdat het niet ontdekt zou worden. Den volgenden dag zag hij twee Israëlieten twisten en trachtte hen te verzoenen. De man, die ongelijk had, verweet hem toen zijn doodslag. Hierop werd Mozes bevreesd en vluchtte naar Midian. Hij ^as een man, die geen onrecht kon verdragen. Dat had hij pas getoond, en dat bleek ook toen hij in Midian kwam. Daar zat hij bij een waterput, toen de 7 dochters van Jethro kwamen om voor de kudde van hunnen vader water te putten. Er kwamen echter ook herders, die hen verdreven, maar Mozes Toen zij dat hunnen vader vertelden, nam deze Mozes in zijn huis en gaf hem eene zijner dochters, Zippora, tot vrouw. En de Heer gaf hun twee zonen, Gerson en
Eliëzer. Spreuk. 21 : 30; Efez. 4 ; 26; Hebr. 11 : 24, 25. - Ps. 7 : 5;
Gez. 7:2; Ps. 37 : 4.
18
18. — MOZES YOOE FARAO.
(Exod. 3—12).
Toen Mozes eens in Midian de kudden hoedde van Jethro, bij denl berg Horeb, zag hij plotseling een braambosch, brandende en tochl niet verbrandende. Hij ging er heen en hoorde uit het bosch de|| stem Gods, die hem riep. De Heer zeide, dat Hij hem tot FaracJ wilde zenden om Israël uit Egypte te verlossen en het te brengeni naar Kanaan. Mozes was echter bevreesd om te gaan; ook was hijl bang, dat de Israëlieten zouden vragen, wie hem gezonden had.i Hij mocht dan antwoorden: Jehova, de Gretrouwe, heeft mij gezonden. Maar als het volk hem nu eens niet geloofde? vroeg Mozes. Daarop gaf de Heer hem twee teekenen. Hij moest zijn staf neerwerpen en hij werd een slang, hem weer opnemen en hij was weer een staf. Hij moest zijn hand in den boezem steken en zijl werd melaatsch, haar er weer in steken en zij was weder gezond, i Mozes had nog andere bezwaren, maar de Heer beloofde hem, dat 1 zijn broeder Aaron hem tot steun zou zijn. Mozes ging nu met de zijnen naar Egypte en op zijn tocht daarheen kwam Aaron hem tegemoet. Nadat Mozes hem verhaald had, wat de Heer tot hem gezegd had, gingen zij samen tot de oudsten van Israël en zeiden hun, dat de Heer het volk verlossen wilde. Yoor de oogen des volks deed Mozes daarna de genoemde teekenen en het geloofde en verheerlijkte God. Toen begaven Mozes en Aaron zich tot Farao en vroegen hem in den naam des Heeren, dat hij het volk zou laten trekken. De koning werd zeer toornig en verdrukte het volk nog meer. Het volk begon toen Mozes en Aaron te beschuldigen, dat zij daarvan de oorzaak waren, maar de Heer liet door Mozes aan de Israëlieten zeggen, dat Hij hen verlossen zou. Nu gingen de beide broeders weer tot Farao en deden ook voor hem de teekenen. Maar de Egyptische toovenaars, die Farao riep, deden ze na. De koning werd daardoor dus niet bewogen om Israël te laten trekken. Toen zond de Heer tegen de Egypt en aren achtereenvolgens tien plagen, waarvan de Israëlieten verschoond werden. Nu en dan beloofde Farao het volk te zullen laten gaan, indien de plaag maar ophield, maar als dan het lijden voorbij was, verhardde de koning zich ook weer. Eerst werd het water in bloed veranderd. Toen kwamen er overal zeer vele kikvorschen. Yervolgens booze insecten aan men-schen en vee. Daarna werden de huizen vol van ongedierte. Hierop volgde eene zeer zware pestilentie en deze werd weer gevolgd door booze zweren aan menschen en beesten. Toen werd de oogst door zware hagelbuien verwoest en daarna kwamen er met een oostenwind menigten van sprinkhanen, die alles, wat door den hagel overgelaten was, opaten. Eindelijk kwam er eene dikke duisternis, die drie dagen aanhield, en toen ook dit niet hielp, liet de Heer in éénen nacht al de eerstgeborenen van menschen en beesten in
Egypteland sterven. 2 Cor. 12 : 9, IC; 2 Tim. 3 : 8: I Petr. 5:6.--
Gez\'. 28 : 2, 6; Ps. MG : 5; Gez. 12 : 6.
19
19. — UIT EGYPTE EN DOOR DE SCHELFZEE.
(Exod. 12—15J.
Toen de eerstgeborenen in Egypte gestorven waren, liet Farao •^lozes en Aaron roepen en gaf hun vrijheid om de Israëlieten uit |te doen trekken met al wat zij bezaten. Ook drongen de Egypte-Inaren er zoo op aan, dat zij gaan zouden, dat zij alles, wat de | Israëlieten maar eisehten, hun wel geven wilden, als zij maar spoe-| dig weggingen, want men was bevreesd, dat er anders nog zwaar-[ dere plagen zouden komen. De Israëlieten waren gereed om dadelijk te gaan. De Heer had hun namelijk laten zeggen, dat ieder huisvader leen mannelijk lam van één jaar, waaraan geen gebrek was, moest j slachten. Het bloed daarvan zou hij dan strijken aan de beide zijposten en aan den bovendorpel van zijn huisdeur, tot een teeken, om dat huis voorbij te gaan, voor den engel des verderfs, die de eerstgeborenen zou dooden. Het lam zelve moest aan het vuur gebraden en met bittere kruiden en ongezuurde koeken gegeten worden. Staande moest men het eten, met opgeschorte lendenen, de schoenen aan de voeten en den staf in de hand. Dit werd het Pascha (voorbijgaan) genoemd. Zoo waren zij dus reisvaardig, toen het bevel om op te trekken tot hen kwam en met groote vreugde gingen zij uit Egypte. Vier honderd dertig jaren waren de Israëlieten daar geweest. Met 66 zielen waren zij gekomen en 600.000 mannen, behalve de kinderen, trokken uit. Jozefs wensch, dien hij op zijn sterfbed te kennen gegeven had, vergaten zij niet. Zij namen zijne beenderen mede om die in Kanaan te begraven. Op hunne reis bleef de Heer bij hen. Hij wees hun des daags den weg door eene wolkkolom en des nachts door eene vuurkolom. Faraö had spoedig berouw, dat hij hen had laten gaan. Hij jaagde nu met zijn leger hen na. De Israëlieten, die zich juist bij de Schelfzee of Eoode Zee gelegerd hadden, zagen hem komen en werden zeer bevreesd. Zij begonnen tegen Mozes te murmureeren en moedeloos te worden, maar Mozes sprak hun moed in en beloofde hun uitkomst. Zijn vertrouwen op Jehova gaf hem kracht. De Heer hielp dan ook. Eerst hield Hij de Egyptenaars op, zoodat zij de Israëlieten niet naderden. Daarna liet Hij Mozes zijne hand uitstrekken over de zee en Hij deed een sterken oostenwind komen, zoodat de zee droog werd. De Israëlieten trokken er toen door. De Egyptenaars, dit ziende, volgden hen. Maar toen de Israëlieten aan de overzijde gekomen waren, konden de Egyptenaars bijna niet verder, daar hunne wagens maar moeielijk voortkwamen. Zij werden bevreesd en erkenden, dat de Heer voor Israël streed. Daarna gaf God ilozes bevel om zijne hand weer over de zee uit te strekkeu en de wateren keerden terug, zoodat Farao met zijn gansche leger omkwam en er niet één overbleef. Zoo verloste de Heer Israël, en het volk geloofde, dat Hij de Heer en Mozes Zijn knecht was, en zij zongen te samen een lofzang ter eere van God, die hen gered had. Jes. 43 : 1, 2; Exod. 15 ; 18; Etez. 5 : 19. ——- Ps. 118 : 8; Gez. 189 : 4. Ps. 66:3,6.
20
20. — DE WETGEVING OP SIN AL
(Exod. 19, 20, 24j.
De Israëlieten vergaten spoedig Gods hulp, die Hij bewezen had. j te Na drie dagen gereisd te hebben, zonder water te vinden, kwamen j t
, zij te Mara, waar het water bitter was. Toen het volk hierover ri klaagde, wierp Mozes, op Gods bevel, een hout in het water en ; b het werd zoet. Van daar kwamen zij aan eene zeer liefelijke plaats, | a Elim genaamd. Maar verder trekkende in de woestijn, vonden zijg c geen spijze en begonnen tegen Mozes te morren en naar Egypte r terug te verlangen. De Heer gaf toen des avonds kwakkelen en i lt; i eiken morgen manna, dat hij van den hemel liet regenen. Uit a.1 g . deze zegeningen leerden zij nog niet op God te vertrouwen. Want ! ; toen zij kwamen te Rafidim, waar geen water was, murmureerden zij weer en eischten water van Mozes. Deze klaagde zijn nood | aan den Heer, die hem beval op een rots te slaan. Mozes deed dit ïl en er vloeide water uit. Die plaats werd toen genoemd Massa en J Meriba (verzoeking en twist). Ook hielp de Heer hen tegen hunne I vijanden. Zoo versloeg Jozua, de zoon van Nun, de Amalekieten, I terwijl Mozes op een heuvel in de nabijheid om de overwinning :|i bad, waarbij zijne armen ondersteund werden door Ailron en Hur.— In de derde maand na hun vertrek uit Egypte kwamen de Israë- \'é lieten in de woestijn Sinaï, bij den berg Horeb. Daar gaf de Heer onder bliksemen en donderen en sterk bazuingeschal, nevens andere wetten, de tien geboden aan Israël. Daarin werd 1. Afgoderij verboden , 2. eveneens Beeldendienst, 3. ook het misbruiken van \'s Hee-ren naam; 4. het heiligen van den Sabbath en 5. het eeren van de ouders bevolen; 6. doodslag, 7. overspel, 8. diefstal, 9. het geven van valsche getuigenis en 10. het begeeren van wat een ander toebehoort, verboden. Na deze wetgeving beklom Mozes den berg en bleef daar 40 dagen. Het volk het wachten moede en denkende, dat hij niet terug kwam, wilde, dat Aaron goden zou maken. Deze eischte nu hunne gouden kostbaarheden en maakte daarvan het beeld van een kalf. Het volk, begon nu rondom het gouden kalf te dansen en riep; dit is de God, die ons uit Egypte verlost heeft. De Heer ! zag de zonde van Israël en wilde het volk verderven. Maar Mozes bad voor het volk en de Heer verhoorde hem. Nu klom Mozes, op Gods bevel, van den berg. Toen hij de goddelooze vreugde van het volk zag, werd hij zoo toornig, dat lüj de twee steenen tafelen, die de Heer hem gegeven had, waarop de wet der 10 geboden geschreven was, neerwierp en stuk sloeg. Ook vernietigde hij het gouden kalf en liet door de zonen van Levi 3000 schuldigen dooden. Eerst nadat de zonde verzoend was, beklom Mozes weer den berg, waar hij twee nieuwe steenen tafelen ontving. Na 40 dagen keerde hij terug en zonder dat hij zelf het wist, glinsterde zijn aangezicht, zoo dat hij
\'t bedekken moest. Matth. 6 ; 31, 32; Micha 6:8; Exod. 20:4—6.--
Gez. 27; Tien Geb. des Heeren : 9. Ps. 113 : 1.
ï
-
21
121. — DE TOCHT DOOR DE WOESTIJN.21. — DE TOCHT DOOR DE WOESTIJN.
(Exod. 16—Num. 24J.
Op Gods bevel zond Mozes 12 verspieders naar Kanaan. Toen zij terugkeerden, prezen zij wel het land als vet en vruchtbaar, maar zij maakten het volk ook bevreesd voor de inwoners, die zij als reuzen voorstelden, zoodat het tegen Mozes en Aaron opstond en begon te morren. Twee der verspieders, Jozua en Kaleb, deden daaraan niet mede, maar trachtten het volk op te wekken tot vertrouwen op den Heer, met dit gevolg echter, dat men hen steenigen wilde. Toen zeide de Heer, dat van de Israëlieten boven de 20 jaar niemand in Kanaiin komen zou, behalve Jozua en Kaleb. Zij moeten daarom 40 jaar in de woestijn blijven. Zij hadden daar echter hun geregelden eeredienst. Er was een tabernakel, waarin God werd gediend. Dit was eene tent, die in twee deelen, het heilige en het heilige der heiligen, was verdeeld. Rondom die tent was de voorhof, waar dagelijks werd geofferd. Het offeren geschiedde door de priesters, die uit het geslacht van Aaron moesten zijn, aan wier hoofd de hoogepriester, Aaron, stond, terwijl zij geholpen werden door de Levieten, uit den stam van Levi. In het heilige mochten alleen de priesters komen, in het heilige der heiligen, waar de ark des ver-bonds stond, kwam slechts éénmaal in het jaar, op den Grooten Verzoendag, alleen de Hoogepriester. Behalve het Paaschfeestvierde men ook nog het Pinkster- en het Loofhuttenfeest. Niettegenstaande de Heer het volk niet deed naar hunne zonden, maar het zegende, was het toch dikwijls murmureerend en Mozes had daar zeer veel last van. Maar de Heer ondersteunde hem. Toen eens Korach, Dat-han en Abiram zich met 250 der voornaamsten tegen Mozes en Aiiron verzetten en hen beschuldigden van over het volk te willen heer-schen, maakte Hij door een teeken bekend, dat Hij hen over het volk gesteld had en deed Hij deze drie mannen met hunne familiën omkomen. Het volk verzette zich daarom tegen Mozes en Aiiron, en als straf daarvoor doodde de Heer 14 700 menschen, en er zouden nog meer gestorven zijn, indien Mozes niet voor het volk had gebeden. Mozes was dan ook een zeer zachtmoedig man. Op een anderen tijd morde het volk weer tegen den Heer en tegen Mozes. Toen zond de Heer slangen onder het volk, zoodat velen stierven. Op Mozes gebed werd de plaag weggenomen. Hij moest een koperen slang maken en die aan een hoogen staak bevestigen en ieder, die, als hij gebeten was, daarop zag, werd genezen. Ook verloste de Heer de Israëlieten van vele vijanden. Hij gaf hun de overwinning op Sihon, den koning der Amorieten, en op Og, den koning van Basan. Toen Balak, de koning der Moabieten dit hoorde, zond hij boden tot eenen zekeren Bileam in Mosopatamie, die komen moest om Israël te vloeken. Door groote geschenken werd deze eindelijk overgehaald om te komen, maar God dwong hem om Israël te zegenen, in plaats van het te vloeken. Hebr. 3 : 17—19; Kom. 13 : 1, 2; Joh. 3 ; 14, 15.--Ps. IOC : 4; Gez. 91 ; 2; Ps. 103 : 2.
J
22
22. — MOZES\' DOOD.
(Num. 20, 2quot;. Deut. I—34).
De Israëlieten hadden door hun murmureeren Mozes eens tot toornigheid gebracht, die voor hem droeve gevolgen had. Toen zij in de woestijn Zin waren gekomen, vonden zij geen water. Daar-. door teleurgesteld, twistten zij met Mozes en verweten hem, dat hij hen uit Egypte en in die kwade plaats gebracht had. De Heer gebood daarop Mozes en Aaron om tegen een steenrots, die daar was, te spreken, dan zou zij water geven voor het volk. In plaats daarvan sloeg Mozes, terwijl hij het volk hunne wederspannigheid voor oogen hield, tweemaal met zijn staf tegen de steenrots. Nu [:| kwam er wol wa.ter, maar de Heer, die in deze daad ongeloof zag, n zeide, dat Mozes en Aaron daarom de Israëlieten niet in Kanaan zouden brengen. Aiiron overleed het eerst. De Heer beval Mozes, met Aaron en diens zoon Eleazar den berg Hor te beklimmen. Daar trok Mozes Aiiron zijne kleederen uit en deed die Eleazar aan, die dus in zijns vaders plaats Hoogepriester werd. Toen stierf Aaron op den berg en het volk beweende hem 30 dagen. Eindelijk was ook de tijd gekomen, dat het vonnis aan Mozes voltrokken zou worden. quot;Wel bad hij den Heer, hem toch de Jordaan te laten overtrekken om dat goede land Kanaan te mogen bezien, maar de Heer zeide tot hem: Spreek mij niet meer van deze zaak. Hij vroeg toen, dat de Heer een man aan het hoofd der Israëlieten mocht stellen, opdat zij niet zouden zijn als schapen zonder herder. Daarop gaf de Heer hem last om Jozua, den zoon van Nun, als hun aanvoerder aan het volk voor te stellen. Toen hij zoo in het veertigste jaar na den uittocht uit Egypte, op den eersten dag der elfde maand, het volk rondom zich verzameld had, wees hij hen nog eenmaal op hunne roeping. Zij moesten den Heer hunnen God liefhebben met hun gansche hart. Hem gehoorzamen en Zijne geboden hunnen kinderen inscherpen. Indien zij den Heer gehoorzaamden, dan zou Hij zegen op ieder gebied hun deel doen worden. Maar als zij niet deden ■wat de Heer van hen eischte, dan zou het hun in ieder opzicht kwalijk gaan en zij zouden geen volk meer zijn. Zoo stelde hij hun den zegen en den vloek voor, terwijl hij hen herinnerde aan de vele zegeningen, die de Heer hun had geschonken. Ook vervaardigde hij nog een lied en gaf de noodige voorschriften tot de verdeeling van het lan l Kanaan onder de twaalf stammen. Toen beklom hij op bevel des Heeren den berg Nebo. Daar liet de Heer den 120 jarigen grijsaard, die zoo naar het beloofde land had verlangd en de Israëlieten tot den ingang daarvan had geleid, dat land in zijne geheele oppervlakte zien, terwijl hij nogmaals de belofte bevestigde, dat de nakomelingen van Abraham, Izak en Jacob het zouden bezitten. Toen stierf Mozes en de Heer begroef hem, maar men heeft nooit geweten waar hij begraven is. Voor het volk was zijn heengaan een groot verlies, zoodat het langen tijd treurde om zijn dood. Jac. i : 20; Dent. 32 : 39; Openb. 14 ; 13.--Gez. 83 ; 6; Ps. 97 ; 6, 7; Gez. 188 : 6, 7.
|
d | |
|
d | |
|
■ | |
|
D | |
|
€ | |
23
23. — IN KANAAK
(Jozua 1—24).
Nu was de tijd gekomen, dat Israël het beloofde land zou binnen trekken. Eerst zond Jozua echter twee verspieders uit. Deze kwamen te Jericho en overnachtten bij eene vrouw, die Rachab heette. Toen de koning van Jericho hen zocht, verborg zij hen en liet hen later door een venster ontvluchten, want haar huis stond op de stadsmuur. Zij geloofde, dat de Heer Jericho aan de Israëlieten zou geven en eisclite nu de belofte, dat zij en hare familie bij de inneming der stad gespaard zouden worden. Dit is later ook geschied. Daarna wilde Jozua het volk over den Jordaan laten gaan. De priesters gingen voorop met de ark des verbonds. Toen deze aan de rivier waren gekomen, stond het water, dat van boven kwam, stil als een dam, terwijl verder het water naar beneden afvloeide. Zoo kon het volk door het drooge gedeelte der rivier overtrekken. Midden in de Jordaan richtte Jozua nu een gedenkteeken op, en het volk deed eveneens aan de overzijde te Gilgal. Op eene wonderlijke wijze werd vervolgens de stad Jericho ingenomen. Zes dagen lang werd op bevel des Heeren eiken dag de ark eenmaal rondom de stad gedragen. Zeven priesters, die op ramsbazuinen bliezen, gingen vooruit en al de krijgslieden volgden. Op den zevenden dag geschiedde dit zevenmaal. Toen dit gedaan was, begon het volk te juichen en de muren vielen om en zoo werd de stad ingenomen en daarna verbrand. Niemand mocht voor zich zei ven iets nemen vaneen buit. Toch was er een man, Achan genaamd, die een schoon Babylonisch overkleed, 200 sikkelen zilver en een gouden tong van 50 sikkelen gewicht stal. Toen nu Jozua omstreeks 3000 mannen tegen de stad Ai uitzond, werden zij verslagen. Hij klaagde dat aan den Heer en deze zeide, dat dit de straf was voor den diefstal. De Heer wilde een afschrikkend voorbeeld stellen. Hij wees nu zelf Achan als den schuldige aan, die bekende, dat hij het gestolene verborgen had, en gesteenigd en vervolgens verbrand werd in het dul van Achor. Daarna werd Ai ingenomen. Toen de inwoners van Gribeon dat hoorden wisten zij door list een verbond met Jozua te sluiten. Zij werden toen in dienst der Israëlieten gesteld als houthakkers en waterputters. Langzamerhand werd nu het grootste deel des lands onderworpen en onder de twaalf stammen verdeeld. In plaats van Jozef en Levi, vormden Efraïm en llanasse. Jozefs zonen, ieder een stam, terwijl Levi\'s afstammelingen vaste steden ter woonplaats kregen in het gebied der andere stammen. Toen Jozua oud geworden was, verzamelde hij de stammen te Sichem en stelde hun voor; Kiest u heden wien gij dienen wilt! Hij voegde er aan toe, dat hij en de zijnen den Heer wilden dienen. Tot tweemalen toe verklaarde het volk, dat het dit ook wilde. Daarna stierf Jozua, 110 jaar oud zijnde, en men begroef hem te Timnath Serah. Ook begroef men Jozefs gebeente te
Sichem. Hebr. 11 : 30; Jac. 1 : 14, 15; Jozua 24 : 24.--Ps, 47 ; 1 ;
Gez. 76 : 2; Ps. 106 : 24.
24
24. — DE EICHTERBN.
(Richt. 1—21).
, Il
Na den dood van Jozua stond er niemand aan het hoofd van ho; Let geheele volk. Herhaaldelijk verviel het volk tot afgoderij. Dan gaf dejtrol Heer hen over in de hand hunner vijanden. Als Israël echter be-|en rouw over zijne zonde had en den Heer om redding smeekte, deed \';een Hij mannen opstaan, die het volk weer verlosten. Zulke mannen; noemen wij Eichteren. Er is ook eene richteres geweest, namelijk Debóra, eene profetes, de huisvrouw van Lappidoth. De meest bekende richteren zijn Ehud, Gideon, Jeftha, Simson en Samuel. Yan Ehud, uit den stam van Benjamin, wordt ons verhaald, dat hij Israël verloste van de Moabieten, die het 18 jaren gediend had, nadat hij eerst hun koning Eglon gedood had. Ten tijde van Gideon, uit den stam van Manasse, had het volk zeer veel te lijden van de Midianieten. Door aan hem te verschijnen en hem teekenen te geven, spoorde de Heer Gideon, die ook Jerubbaiil genoemd werd, aan, om Israël te verlossen. Gideon verzamelde nu zijn volk, 32000 man. Dat was, volgens des Heeren woord, te veel. Allen, die tang waren, mochten nu terugkeeren. Er bleven toen 10000 over. Maar er waren nog te veel. Ten slotte had Gideon maar 300 man bij zich. De Heer wilde Israël door weinigen verlossen, opdat men Hem de eere zou geven. Met deze mannen overviel Gideon nu des nachts de Midianieten en de Heer gaf hem de overwinning. Toen het volk hem daarna koning wilde maken, weigerdê hij dit, want, zeide hij, »de Heer zal over u heerschen.quot; Toen later de Filistijnen Israël verdrukten/verwekte God weereen anderen richter, Simson, den zoon van Manoach, uit den stam van Dan. Hij was een Nazireër, dat is een man, die geen wijn of sterken drank mocht drinken; ook mocht er nooit een scheermes op zijn hoofd komen. Hij was geweldig sterk en doodde zeer vele Filistijnen, zoodat de vijand bevreesd voor hem werd en hem zocht te vangen. Ongelukkig had Simson zich eens verbonden met eene Filistijnsche slechte vrouw, Delila genaamd. Deze wist hem er eindelijk toe te krijgen, dat hij haar zeide, waarom hij zoo sterk was. Als zijne lange haarlokken maar afgesneden werden, dan zou hij zoo sterk niet meer zijn. Toen hij nu op een zekeren tijd sliep, deed zij dat en daarna leverde zij hem over aan de Filistijnen, die hem de oogen uitstaken en hem in de gevangenis wierpen, waar hij, met koperen ketenen gebonden, den handmolen draaien moest. Langzamerhand begon zijn haar weer te groeien. Toen nu de Filistijnen eens een feest vierden in hunnen tempel, moest Simson spelen. Terwijl hij stond tusschen de beide pilaren van \'t gebouw, bad hij God om kracht, sloeg zijne armen om de pilaren en boog zich toen zóó, dat de pilaren vielen en de tempel instortte. Zoo stierf Simson met zeer vele Filistijnen, waaronder ook hunne vorsten. De laatste
richter over Israël was Samuel. Richt. 8; 34; Jes. 41; 10; Rom. 8 :13.-
Gez. 75 ; 2; Ps. 42 : 7; Gez. 73 : 12, 13.
jar va sc
25
25. — RUTH.
(Ruth 1 —4).
In de dagen der richters ontstond er eens een hongersnood in \'tüf N land. Een man, die te Bethlehem woonde, Elimélech genaamd, trok toen met zijne vrouw Naomi en zijne beide zonen, Machlon en Chiljon, naar het land der Moabieten. Daar stierf hij echter na eenigen tijd, en de weduwe bleef met hare zonen achter. Deze huwden nu met twee Moabitische vrouwen, Orpa en Ruth. Na tien jaren stierven ook de beide zonen en Naomi besloot toen, naar haar vaderland terug te keeren. De hongersnood was geweken. Hare schoondochters gingen mede. Toen zij op weg waren, ried Naomi haar aan, terug te keeren en weer te trouwen. Zij wilden evenwel bij haar blijven. Maar toen Naomi er op stond, dat zij niet zouden meegaan, keerde Orpa terug. Nu trachtte zij Ruth ook nog er toe te bewegen, maar deze wilde bij haar blijven en zeide: uw volk is mijn volk en uw God mijn God. Eindelijk nam de schoonmoeder daar dan genoegen in. Toen zij te Bethlehem kwamen, was het juist de tijd van den gersteoogst. Zij waren arm en Ruth stelde, uitliefde tot Naomi, haar voor om naar het veld te gaan en de aren, die bleven liggen, op te zamelen. Daar hadden de armen recht toe. Zoo kwam zij op het land van eenen rijken man, die Boaz heette en nog familie van Naomi was. De Heer zegende het werk, dat zij voor Naomi deed. Want toen Boaz eens op het land kwam en naar haar vroeg en vernam, dat zij de schoondochter van Naomi was, bleek het, dat hij reeds gehoord had, hoe zij uit liefde voor Naomi haar vaderland verlaten had. Hij ging naar haar toe en zeide, dat zij niet naar een ander veld moest gaan, maar bij zijne dienstmaagden blijven; ook zou hij zorgen, dat men haar geen kwaad deed, maar dat zij overvloed van gerst kon verzamelen. Daarbij at en dronk zij met de maaiers, op bevel van Boaz. Toen zij thuis kwam, was Naomi verwonderd over het vele, dat zij meebracht, en toen zij hoorde, dat zij dit aan Boaz te danken had, was zij hem zeer dankbaar Op raad van Naomi begaf zij zich nu in nadere kennismaking met Boaz, die haar nog meer blijken zijner toegenegenheid schonk. Eindelijk besloot hij haar te huwen en nadat een bezwaar, dat bestond, uit den weg geruimd was, had het huwelijk plaats. Dit was een zoogenaamd Leviraats-huwelijk. Als een man stierf zonder een zoon na te laten, dan mocht zijne weduwe eischen, dat zijn broeder haar trouwde en de eerstgeboren zoon uit dit huwelijk trad dan in de rechten des overledenen. Weigerde zulk een zwager (levir) dit, dan werd hem de schoen uitgetrokken. Hij heette de losser. Nu was er wel een losser, die nader was dan Boaz, maar daar deze weigerde, trad hij, als de tweede losser, in diens plaats. Zoo huwde hij Ruth. Hun werd een zoon geboren, die Obed genoemd werd. Deze was de vader van Izaï en deze weer de vader van David.
•Etez. 6 : 2, 3; Lev. 23 : 22; Spreuk. 16 : 9. - Fs. 146 ; 7, 8; Gez. 17 :
1, 3. Ps. 33 : 10.
be-
2G
26. — SAMUEL. I
(1 Sum. 1—8).
Toen Eli, de Hoogepriester, richter was, kwam eens een man,! Elkana geheeten, met zijne vrouw Hanna tot de tabernakel te Silo.I ^ Daar bad Hanna Grod om eenen zoon en zij beloofde dien den Heer 1 te zullen, toewijden. Eli dacht, dat zij dronken was en bestrafte haar 1 zoe daarover. Zij vertelde hem toen haren toestand en daarna verzekerde 1 De Eli haar, dat God haar gebed zou verhooren. Dit deed de Heer enl va: zij noemde het kind Samuel. Zoodra het kon, vervulde zij nu ookl be hare belofte en bracht haar zoon tot Eli om opgeleid te worden voor I zij den dienst des Heeren. Ieder jaar bezocht zij hem en zij mocht zich 1 0° over hem verblijden, want Samuel won de gunst van God en van 1 j0 de menschen. Geheel anders was het met Eli\'s zonen, Hofni en | 01 Pinehas. Zij waren zeer goddeloos en Eli zag hen niet eens zuur 1 w aan. De Heer was daarover vertoornd en zeide hem aan, dat zijne 1 ^ zonen op éénen dag zouden sterven. God openbaarde zich aan Samuel 1 i\' en deelde hem dit ook mede. Toen Eli dit hoorde, zeide hij: Hij is | t de Heer, Hij doe wat goed is in Zijne oogen. Nu geschiedde het, 1 1 dat de Filistijnen eens de Israëlieten versloegen. Deze meenden, dat 1 \' zij wel overwinnen zouden, als zij de ark des verbonds maar mee- I ; namen in het leger. De Heer gaf echter de overwinning aan de 1 Filistijnen. In dezen slag vielen 80 000 Israëlieten en daaronder I ook Hofni en Pinehas en de ark werd buitgemaakt. Toen dit I Eli door een bode werd bekend gemaakt, viel hij van zijn stoel en I brak den nek. Hij was 98 jaar en had Israël 40 jaar gericht. Zeven 1 maanden hielden de Filistijnen de ark, maar de Heer bezocht hen 1 gedurende dien tijd zóó met plagen, dat zij haar te Beth-Sémes 1 brachten, van waar de inwoners van Kirjath-Jearim haar haalden. 1 Daar bleef zij 20 jaren in het huis van Abinadab, onder bewaring 1 van diens zoon Eleazar. Het was een groote zegen, dat Samuel niet 1 door het verkeerd gezelschap van Hofni en Pinehas verleid was. Hij 1 bleef vroom en na Eli\'s dood richtte hij Israël, zoolang hij leefde. I Jaarlijks trok hij rond naar Bethel en Gilgal en Mizpa, maar hij woonde te Eama. Toen Israël klaagde, dat het in de macht der Filistijnen was, riep Samuel het volk samen te Mizpa, nadat het de afgoden, die het diende, had weggedaan. Daar beleed het schuld aan den Heer, en, toen de Filistijnen weer tegen Israël optrokken, gaf de Heer aan Israël eene groote overwinning. Uit dankbaarheid richtte nu Samuel tusschen Mizpa en Sen een gedenkteeken op en noemde dat Eben-Haëzer, want, zeide hij, tot hiertoe heeft ons de Heer geholpen. Toen Samuel oud werd, stelde hij zijne zonen Joël en Abla aan tot richters te Berséba. Deze waren niet rechtvaardig maar goddeloos. Toen begeerde het volk een koning, waarover Samuel zeer ontstemd was, maar de Heer verzoende hem daarmede. Toen Israël reeds vele jaren een koning gehad had, stierf Samuel en hot
geheele volk rouwde Over hem. Matth. 7:7; Luk. 18 ; 15 ; Gal. 6 : 7.---
Gez. 79 : 2; Ps. I : 1, 4; Gez. 33 : 6.
27
127. — KONING SAÜL.27. — KONING SAÜL.
(1 Sam. 9—31).
De ezelinnen van Kis, uit het geslacht van Benjamin, waren weggeraakt. Hij zond zijn zoon Saul met een knecht uit om ze te ioeken. ITa lang gezocht te hebben, vroegen zij Samuel om raad. )eze zeide dat de ezelinnen gevonden waren en zalfde op bevel an God Saul tot koning over Israël. Toen liet hij hem gaan, maar leschreef hem drie ontmoetingen, die hij zou hebben, als teekenen ijner verkiezing tot koning. Daarna werd Saul nog te Mizpa voor de ogen des volks door den Heer als koning aangewezen. Hij was een ang, schoon man, groot van gestalte, nog grooter dan de grootste nder de aanwezigen. Het gansche volk juichte: de koning leve! enkelen raren echter ontevreden, doch dit trok Saul zich niet aan. Kort aarna belegerde Nahas, de koning der Ammonieten, de stad Jabes a Gilead. De inwoners zonden boden uit om hulp. Saul verzamelde aea een leger van 330000 man en versloeg de Ammonieten. Toen et volk nu hen, die over Saul\'s verkiezing ontevreden geweest raren, wilde dooden, verbood Saul dit, want hij wilde niet, dat ulk een blijde dag bedorven zou worden. Jammer, dat hij, geen odvreezend man was, maar meer hoorde naar denwensch van \'t volk an naar Gods bevel. Dit bleek, toen Samuel hem Gods bevel had vergebracht om tegen de Amalekieten te strijden en niemand en .iets te sparen. Saul overwon hen, maar hij liet Agag, den koning, n zeer veel vee in het leven. De Heer zond daarop Samuel om laul aan te zeggen, dat zijne nakomelingen het koninkrijk niet van iem erven zouden, Saul loog toen ook nog, want eerst zeide hij, dat ij des Heeren wil volbracht had en daarna, dat hij het vee in : leven gelaten had om het den Heer te offeren. Samuel antwoordde aarop, dat gehoorzaamheid beter was dan offerande. Ook doodde Samuel Agag te Gilgal, maar over de verwerping van Saul treurde hij. Zoolang Saul leefde heeft hij oorlog moeten voeren tegen de Filis-ijnen, in welke oorlogen zich zijn zoon Jonathan een dapper held «toonde. Na zijne verwerping als koning werd Saul menigmaal oor een boozen geest gekweld. Door het harpspel van David kon ij dan tot rust gebracht worden. Hij was echter zeer jaloersch van )avid, die, in zijne plaats als koning gezalfd, een dapper man en ovendien ook nog zijn schoonzoon was. Meermalen stond hij hem n ook eens zijn eigen zoon Jonathan naar het leven. Ook liet hij i zijne boosheid de priesters des Heeren te Nob dooden door een ekeren Doëg, een Edomiet. Daarbij werd hij bijgeloovig, zoodat hij ens, voor hij ten oorlog ging, eene tooveres te Endor ging raad-legen, die den geest van Samuel deed opkomen. In dien strijd 3gen de Filistijnen sneuvelden Sauls zonen Jonathan, Abinadab en lalchi-sua op het gebergte Gilboa, terwijl Saul daar zich zeiven om .et leven bracht, na 20 jaar geregeerd te hebben. Jac. 4 : 10; 1 Sara. 5 : 22; Openb. 2 : 5.--Ps. 25 : 2; Gez. 57 : 7; Fs. 34 : 8.
28
28. — DAVID GEZALFD.
(1 Sam. 16—18).
Toen de Heer Saul verworpen had, zond Hij Samuel naar Bethlehem tot Isaï, om een van zijne zonen te zalven, die dan koning zou worden na den dood van Saul. Eerst zag hij daar den oudsten zoon Eliab en daar deze een lang en forsch man was, meende Samuel, dat hij de aanstaande koning was. Daarin vergiste hij zich echter. De Heer ziet op iets anders dan forschheid en grootte, namelijk op het hart. Ook de tweede zoon Abinadab was de gewenschte man niet. Evenmin Samma, de derde zoon. En de vier volgenden ook al niet. Toen Samuel nu vroeg of Isaï niet meer zonen had, zeide deze: Ja, de jongste nog, maar die is in \'tveld bij de kudde. Op bevel van Samuel werd nu David, zoo heette deze jongste zoon van Isaï, gehaald. Hij was roodachtig, schoon van oogen en schoon van aanzien. Toen zalfde Samuel, op Grods bevel, hem tot koning en van dien dag af werd de Geest des Heeren vaardig over David. In ieder opzicht was hij geschikt voor het ambt, dat hij bekleeden zou. Vooreerst was hij een vroom jongeling, waarom hij ook genoemd wordt een man naar Gods hart. Vervolgens was hij dapper, gelijk hij getoond had, toen hij een leeuw, die een schaap geroofd had, was nagegaan. Hij had het dier aangegrepen en doodgeslagen. Evenzoo had hij met een beer gedaan. Eindelijk was David ook een man van overleg. Dat bewees hij, toen hij Goliath overwon. Toen eens de legers van de Filistijnen en de Israëlieten tegenover elkander lagen, kwam deze Filistijnsche reus, alle dagen uit zijn leger en vroeg, of ook een Israëliet met hem vechten wilde. Haar allen waren bang voor hem. Davids oudste drie broeders waren ook in \'t leger en nu zond zijn vader hem om hun het een en ander te brengen. Juist kwam Goliath weer voor den dag en David hoorde hem Israël honen. Men vertelde hem ook, dat wie hem doodde, grooten rijkdom en Sauls dochter tot vrouw zou ontvangen. David, die op God ver-trouwde en het niet dulden kon, dat Goliath den Heer hoonde, besloot met den Filistijn te vechten en was zeker, dat God hem de overwinning zou geven. Saul wilde nu aan David zijne wapenrusting en zijn zwaard geven, maar dat alles was hem veel te zwaar. Hij zocht nu aan de beek vijf gladde steenen en toen Goliath weer kwam, trad hij voor den dag. De reus bespotte hem, maar David lei een steen in zijn slinger en wierp dien den reus zoo in zijn voorhoofd, dat hij voorover viel. Daarna hieuw hij Goliath met zijn eigen zwaard het hoofd af. Toen vluchtten de Filistijnen, maar de Israëlieten vervolgden en versloegen hen. Het volk was zóó verheugd, dat men David begon te bezingen als veel grooter held dan Saul. Deze werd daardoor jaloersch. Ook onthield hij hem op eene valsche wijze zijne dochter lïerab. Later evenwel gaf hij hem zijne dochter Michal tot vrouw, in de hoop dat zij David ten verderve zou wezen, maarzij
had haren man lief. 1 Sam. 16 : 7; Ps. 33 ; ig, 18; Spreuk, u: ao.-
Gez. 9 : 3; Ps. 146 : 2; Gez. 180 : 5.
29
29. — DAVID EN JONATHAN.
(1 Sam. 18—20, 2 Sam. 1, 9;.
Nadat David Goliath had verslagen, had hij eene vaste plaats verkregen aan het hof van Saul. Daar leerde hij Jonathan kennen en deze kennismaking leidde tot eene zeer hartelijke vriendschap. Zij maakten daarop samen een verbond, dat beide ook trouw gehouden hebben. Vooral Jonathans liefde tot David merken -wij herhaaldelijk op. Deze liefde was zoo sterk, dat zij nooit verkoelde; ook niet, toen hij hoorde, dat David koning zou worden in Saul\'s plaats en hijzelf niet, hoewel hij des konings zoon was. Toen Saul David haatte, zei hij eens tot Jonathan en tot al zijne dienaren, dat hij David dooden wilde. Terstond waarschuwde hij David, dat hij zich verbergen moest en beloofde hem met zijn vader te spreken. Dat deed hij en hij wees er op, dat David geen kwaad verricht, maar integendeel een goed werk gedaan had door Goliath te verslaan. Ook waarschuwde hij zijn vader om zich niet te bezondigen. Saul kwam hierdoor tot inkeer en David kon terugkeeren. Zelfs werd hij tot veldheer aangesteld in een oorlog tegen de Filistijnen, die hij overwon. Op een anderen keer moest David vluchten voor Saul, die hem zocht te dooden. Hiervan wist Jonathan niets af. Toen David hem nu zijn nood klaagde, zeide Jonathan, dat Saul hem niet dooden wilde, want dan moest hij het weten; zijn vader zeide hem alles, meende hij. Maar David begreep wel, dat Saul het niet gezegd zou hebben aan Jonathan, dien hij kende als Davids vriend. Jonathan nam toen op zich, een onderzoek in te stellen en van den uitslag zou hij David, die zich intusschen zoolang verborg, kennis geven. Toen hij het nu voor zijn vriend opnam bij zijn vader, deed deze hem de hevigste verwijten en droeg hem op David te halen, opdat hij gedood mocht worden. Jonathan trachtte zijn vader tot bedaren te brengen en Davids onschuld te verdedigen, maar Saul werd hierop zoo woedend, dat hij zijn zoon met zijn spies zocht te dooden, wat hem echter mislukte. Jonathan maakte David met dezen ongunstigen uitslag bekend, waarna zij van elkander gingen, na eerst nog hun verbond van trouwe vriendschap hernieuwd te hebben. Hoe innig deze vriendschap was blijkt uit de klacht van David, toen hij hoorde, dat zijn vriend gesneuveld was. Hij zeide namelijk: »Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder Jonathan! gij waart mij zeer liefelijk; uwe liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen.quot; Maar ook na Jonathans dood vergat hij hem niet; hij hield het verbond, hetwelk hij met hem gemaakt had, in gedachtenis. Want toen hij hoorde, dat er nog een zoon van Jonathan in leven was, liet hij dezen bij zich komen. Deze zoon, Mefibóseth, was kreupel aan beide voeten. David gaf hem al de akkers van Saul weer in bezit, liet hem eten aan zijn eigene tafel, en behandelde hem en zijnen zoon Micha als waren zij zonen van hem zeiven. Spreuk lo : 7; Spreuk. 17 : 17; 1 Cor. 10 : 24.--Ps. 65 : 1; Gez. 131 : 3, 4; Ps. 113 : 4.
30
30. — DAVIDS OMZWERVINGEN.
(1 Sam. 19—2 Sam. 2).
Op allerlei wijzen zocht Saul David te dooden. Tweemaal wierp hij hem met zijn spies, die echter beide malen, door dat David den worp ontweek, in de muur terecht kwam. Op een anderen tijd liet hij Davids huis omsingelen. Zijne vrouw Michal liet hem door een venster ontvluchten. Eerst ging hij naar Samuel te Rama en met dezen naar Najoth. Van daar kwam hij te Nob bij den priester Achiinélech, die hem en zijne medgezellen, toen hun hongerde, van de toonbroden te eten gaf. Hij ging toen naar Gath tot koning Achis, maar daar men hem niet vertrouwde, hield hij zich krankzinnig. Hij achtte zich hier niet veilig en ontkwam in de spelonk van Adullam, waar zich 400 mannen bij hem aansloten. Na eerst te Mizpe bij den koning der Moabieten en daarna in het woud Chereth eenigen tijd vertoefd te hebben, trok hij naar Kéhila, dat door de Filistijnen belegerd en door hem verlost werd. Toen Saul dit hoorde, wilde hij Kéhila belegeren. Maar David, die wist, dat de inwoners hem aan Saul zouden overleveren, vertrok met C00 man naar de woestijn Zif. Door de Zifieten van zijn verblijf aldaar in kennis gesteld en hem vervolgende tot in de woestijn van Maon, omsingelde Saul David en de zijnen reeds, toen er een bode tot hem kwam, dat de Filistijnen in het land gevallen waren, waardoor hij genoodzaakt werd af te trekken. Al spoedig echter zocht hij met 3000 uitgelezene mannen David weer op in de woestijn van Engedi. Toen Saul daar eens in eene spelonk in Davids macht was, sneed hij hem alleen een slip van zijn kleed af. Door deze edelmoedigheid getroffen , bekende Saul schuld en verzoende zich met David. Deze ging echter niet met hem mede, maar bleef in de woestijnen zwerven. Op een dezer tochten vroeg hij een zekeren rijken man. Nabal, om spijze voor zich en de zijnen. Maar deze man weigerde op ruwe wijze. Zijne vrouw Abigail bracht nu David rijke geschenken, want zij vreesde, dat hij zich op Nabal wreken zou en verzocht hem dat niet te doen. David willigde haar verzoek in. Kort daarna werd zij zijne vrouw. Nog eenmaal spaarde David Saul\'s leven, toen hij het in zijne macht had, en er volgde weer eene verzoening, die echter niet lang duurde. Saul liet David geen rust, zoodat deze eindelijk weer vluchtte naar Achis den koning van Gath. Deze gaf hem de stad Ziklag tot eene woning. Daar bleef hij één jaar en vier maanden. Toen Achis tegen Saul zou optrekken, nam hij David mede. Maar de vorsten der Filistijnen rieden dat af, zoodat hij hem terug zond. Weer te Ziklag gekomen, vond hij die stad door de Amalekieten verbrand, die ook de vrouwen meegenomen hadden. Hij joeg hen nu na, overwon hen, verloste de zijnen en behaalde grooten buit. Niet lang bleef hij daar nu meer, want na Saul\'s dood, trok hij naar Hebron, waar de stam van Juda hem tot koning koos. Ps. 91 : 14, 15; Matth. 5 ; 44; Kom. 12 ; 19. 20.--Gez. 71 : 1; Ps. 118 : 3: Gez. 28 : 4. 5.
31
31. — KONING DAYID.
(2 Sam. 2—1 Kon. 2).
Eindelijk was David dus koning geworden, maar nog slechts over a\'D stam. Hij was toen 30 jaar oud. Abner, Sauls krijgsoverste, Isboseth, den zoon van Saul, over de andere stammen tot koning llaten maken. Nadat deze tegenkoning vermoord was, koos het ge-heele volk David tot koning. Hij had toen reeds 71li jaar geregeerd te Hebron en bleef daarna nog 33 jaar aan de regeering te Jeruzalem, dat hij op de Jebusieten veroverde. Allerlei oorlogen heeft bij te voeren gehad, maar telkens gaf God hem de overwinning. Zoo versloeg hij de Filistijnen, de Syriërs, de Moabieten en de Ammonieten. Eene belangrijke daad van hem is ook geweest, dat hij de ark naar Jeruzalem overbracht. Hij was ook een rechtvaardig ioning, die aan zijn gansche volk recht en gerechtigheid deed. Zijne Troomheid blijkt ons uit tal van psalmen, die wij van hem bezitten. Toch was David ook een zondaar, die zich door kwade begeerlijkheden liet medeslepen. Zoo wilde hij eens eene zekere Bathsébatot vrouw hebben. Maar zij was reeds getrouwd met Uria. Daaraan stoorde David zich echter niet. Om haar nu te kunnen trouwen, gaf hij bevel aan zijn veldheer Joab om Uria, die bij het leger was, op zulk eene gevaarlijke plaats te stellen, dat hij zeker gedood werd. Dit geschiedde en toen de boodschap van Uria\'s dood kwam, trouwde David met Bathséba, hoewel hij, naar de gewoonte van dien tijd, reeds vele vrouwen had. De Heer liet door den profeet Nathan David daarover bestraffen en hem aanzeggen, dat het kind van hem en Bathséba sterven zou. David bekende toen in oprechtheid zijne schuld en maakte bij die gelegenheid den schoonen 51sten Psalm. Verder wordt ons verhaald, dat David eens het volk wilde tellen. Dat gaf blijk van hoogmoed en van vertrouwen op zijn leger. Hoewel zijn veldheer Joab het hem afried , deed hij het toch. Er waren toen in :t geheel 130000 strijdbare mannen. Nauwelijks was de telling geschied of David had er berouw van en beleed den Heer zijne zonde. De Heer zond toen den profeet Gad tot hem. Uit drie straffen mocht David kiezen, n.1. 7 jaren hongersnood, 3 maanden vluchten voorden vijand of 3 dagen pestilentie. David was zeer bedroefd en wilde liever in de handen des Heeren dan in die der menschen vallen. Aan de pest stierven toen 70 000 mannen. De koning kon daaruit zien, dat een groot leger zonder \'s Heeren hulp hem nog niets gaf. Over \'t algemeen echter was Davids vertrouwen op den Heer zeer sterk en gaf hij God de eere voor al de zegeningen, die li ij genoot. Yan droefheid is David ook niet verschoond gebleven, tijdens hij koning was. Zijne zonen hebben hem veel smart aangedaan, vooral Absalom. Na aan zijn zoon Salomo, dien hij tot zijn opvolger benoemd had, nog bij zijn leven het koningschap overgedragen te hebben, stierf David. Men begroef hem te Jeruzalem.
Ps. m ; 9; 1 Cor. 10 : 12; Jes. 1 : 16.--Ts. 21 ; 7; Gez. 50 : 2;
Ps. 51 : 1.
wierp David m tijd door ia en \'ester van ehis,
ta! den tijd nen ïhij aan
zit:
em en ten te en ns
32
32. — ABSALOM.
(2 Sam. 13 : 23—20 : 22j.
Absalom was de zoon van David en Maiicha, de dochter van Thalmaï, den koning van Gesur. Hij werd te Hebron geboren, toen zijn vader nog maar alleen over Juda regeerde. David heeft zeer veel verdriet van hem gehad. Vooreerst doodde hij bij gelegenheid van een feest, waarop hij ook zijne broeders genoodigd had, zijnen broeder Ammon. Bevreesd voor Davids toorn vluchtte hij toen tot zijn grootvader te Gesur, waar hij drie jaren bleef. Door bemiddeling van Joab gaf David, die ook reeds weer naar Absalom verlangde, hem eindelijk verlof om te Jeruzalem terug te komen. Twee jaren lang wilde David hem echter niet zien, maar eindelijk werden vader en zoon weer geheel verzoend. Van Absaloms zijde was deze verzoening niet oprecht gemeend. Dat toonde hij, toen hij zijnen vader van den troon wilde stooten om zelf koning te worden. Terwijl hij alles daarvoor in gereedheid bracht, zocht hij zich aangenaam te maken bij het volk. Hij ging namelijk \'s morgens vroeg naar de poort en ondervroeg de menschen, die tot den koning ten gerichte gingen, over hunne zaak, maar liet hun dan tevens voelen, dat zij geen recht zouden krijgen. Als hij maar rechter was, zeide hij, dan zou \'t wel anders worden. Ook wilde hij niet, dat de menschen zich voor hem bogen, maar hij behandelde hen als zijns gelijken. Zoo won hij velen voor zich. Eindelijk achtte Absalom den geschikten tijd gekomen. Met verlof van zijn vader, die niets vermoedde, ging hij naar Hebron ea liet zich daar tot koning uitroepen. Zoodra David dit vernam, vluchtte hij met de mannen, die bij hem waren, uit Jeruzalem. Op deze vlucht ondervond hij blijken van trouw en liefde, maar ook smaad. Zoo wilde Ithaï, die nog maar kort in zijn dienst was, hem niet verlaten. Drie mannen, Sobi, Machir en Barzillaï, brachten hem alles, wat hij noodig had. Maar een familielid van Saul, Simeï genaamd, schold David en wierp hem met steenen. Er waren toen, die hem dooden wilden, maar David liet zulks niet toe, ja later vergaf hij hem alles. De koning toonde ook op dezen moeielijken tocht op God te vertrouwen. Absalom begaf zich naar Jeruzalem en nam daar den troon in bezit. Vervolgens maakte hij zich met een leger op om David te verslaan. Maar Davids leger versloeg het zijne. De koning had nadrukkelijk bevel gegeven, dat men Absaloms leven zou sparen. Maar toen deze vluchtte bleef hij met zijn lang haar aan een boom hangen, terwijl zijn muilezel onder hem door reed. Joab doorstak Absalom toen, zoodat hij stierf. David, die hiervan bericht kreeg, was buitengewoon bedroefd over den dood van zijnen zoon, zoo zelfs, dat hij wenschte in zijne plaats gestorven te zijn. Nadat het oproer gedempt was, deed David weer zijn plechtigen intocht te Jeruzalem. Een opstand, kort daarna door Seba, uit den stam van Benjamin, ondernomen, mislukte geheel. Gen. 9:6; i l\'etr. 2 : 17; Coloss. 3 : 20. —■— Gez. 61 : 8; Ps. 44 : 14; Gez. 55 ; 1.
33. — KONING SALOMO.
(1 Kon. 1—11).
Nog maar kort was Salomo aan de regeering, toen de Heer hem des nachts in een droom verscheen en tot hem zeide: «Begeer wat ik u geven zal.quot; Velen zouden rijkdom gevraagd hebben of eer of een lang leven. Dat deed Salomo niet. Hij was nog maar jong en nu reeds stond hij aan het hoofd van een groot volk. Hij voelde daarom, dat hij, om een goed koning te zijn, boven alles wijsheid noodig had. En die vroeg hij dus. De Heer keurde deze keuze zóó goed, dat Hij hem niet alleen een wijs en verstandig hart gaf, maar ook rijkdom en eer, terwijl Hij hem ook een lang leven beloofde, indien hij zich. aan den Heer gehoorzaam toonde. Salomo had dus de beste keuze gedaan. Zijne buitengewone wijsheid bleek reeds in zijne eerste rechtspraak. Er kwamen twee vrouwen tot hem, die in één huis woonden. Beide hadden zij een kind. Maar het eene kind was des nachts gestorven en toen had de moeder van het doode kind het kind van de andere vrouw genomen en haar eigen dood kind bij die andere op bed gelegd. Xu zeiden beide vrouwen, dat het levende kind het hare was, en de koning moest uitmaken, wie de moeder was. Dat scheen zeer moeielijk, maar Salomo wist raad. Hij beval, dat men het levende kind in tweeën snijden en aan iedere vrouw eene helft geven zou. Best, zei de vrouw, die de moeder niet was, als ik het niet hebben mag, dan zij ook niet. De echte moeder daarentegen vroeg den koning, dit toch niet te doen, maar dan nog liever het kind aan de andere vrouw te geven. Toen zag de koning dadelijk, wie de moeder was, want, dacht hij, eene moeder heeft haar kind lief en doet alles wat zij kan, om het in \'t leven te behouden. Dit oordeel werd in het geheele land bekend en men prees de wijsheid van Salomo. Ook in het buitenland hoorde men van die wijsheid en van zijn rijkdom. Dit lokte de koningin van Scheba uit, om Salomo te bezoeken. Zij geloofde niet wat er verteld werd. maar toen zij met den koning gesproken en alles gezien had. moest zij toch erkennen, dat de helft er van haar nog niet was aangezegd. Zijne wijsheid bleek ook uit de spreuken en liederen, die hij vervaardigde. Drie boeken des Bijbels staan op zijn naam, nl. Spreuken, Prediker en Hooglied. Hij was ook een machtig vorst, aan wien vele volken onderworpen waren en in zijne dagen was er vrede in het land. Dat hij in zeer groote weelde leefde, heeft hem veel kwaad gedaan. Hij had niet minder dan 1000 vrouwen, waaronder vele heldinnen. Die verleidden hem, om de afgoden te dienen, en zoo verliet Salomo den Heer, dien hij daardoor zeer vertoornde. God zeide daarom tot hem, dat na zijn dood het koninkrijk verdeeld zou worden, zoodat zijn zoon, alleen om Davids wil, nog een deel zou houden. Na eene regeering van 40 jaren stierf Salomo. Behalve door zijne wijsheid is hij ook bekend geworden door het bouwen van den tempel. Spreuk 9:10; Pred. 12 : 13; Jac. 3 : 17.--Ps. 85 : 3; Gez. 153 : 4; Fs. 143 : 10.
34
84. — DE TEMPELBOUW.
(2 Sam. 7. 1 Kon. 6—81
De tabernakel, die reeds in de woestijn gemaakt was door BezaloJzon en Alioliab, was, hoe kostelijk ook, toch maar eene tent. Davidlliij die in een kostbaar huis woonde, had reeds in het begin zij nel ^06 regeering den wensch te kennen gegeven aan Nathan, om een tempel Sal te bouwen. Door dien profeet liet de Heer hem echter zeggen, dal ^ hij dit moest overlaten aan zijn opvolger. Dit nam niet weg, dal uil hij, èn uit eigen middelen èn van de edelen zijns volks, zeer veil eü schatten verzamelde, die later voor den tempelbouw konden dienenl In het 4de jaar zijner regeering begon Salomo met dit werk. Del g( tempel zou gebouwd worden op den heuvel Moria, waarvan de tojl geheel vlak gemaakt moest worden. Zijn vriend Hiram, de koning! u van Tyrus, leverde hem van den Libanon al het cederenhout er.l ^ dennenhout. Ook had hij uit Tyrus een man, uit den stam van Naf-I \'■ thali, ook Hiram genaamd, ontboden, die al het koperwerk maaktel 1 en daarin buitengewoon bekwaam was. Nadat men 7 jaar gearbeidl 1 had, was de tempel gereed. Het was een schoon gebouw, 60 ellenl lang,. 20 ellen breed en 80 ellen hoog. Geen kosten waren gespaard. 1 Alles schitterde van goud en overal zag men kunstig snijwerk. Del inrichting was over \'t algemeen gelijk aan die van den tabernakel. Inl het Heilige der Heiligen stond de ark des verbonds, waarin alleen I nog maar de steenen tafelen der wet lagen. Vroeger waren daarin ook I de staf van Aaron en een gouden kruikje met manna. In het Heilige 1 vond men den gouden kandelaar met zeven armen, het gouden reukofferaltaar en de tafel der toonbrooden. Aan de zijmuren en den achtermuur des tempels was eene galerij van drie verdiepingen met vertrekken, bestemd voor de dienstdoende priesters en levieten en tot berging der tempelbenoodigdheden. Rondom den tempel, door een ringmuur omgeven, was de binnenste voorhof, alleen voor de priesters en levieten toegankelijk. Daar omheen, weer door een ringmuur afgesloten, was de buitenste voorhof, bestemd voor het volk, waar het groote koperen brandofferaltaar stond, benevens »de koperen zeequot; d.i. een groot waschvat, dat het water voor den tempeldienst bevatte. Toen de tempel gereed was, liet Salomo eerst de ark met veel plechtigheid brengen in het Heilige der Heiligen. De Heer vervulde onmid-delijk daarop den tempel met eene wolk. Daarna hield Salomo eene korte rede tot het volk en vervolgens, staande voor het brandofferaltaar, wijdde hij in een plechtig gebed den Heer dezen tempel toe en vroeg Hem om zijnen zegen over dit huis. Voorts werden er tal van offers gebracht, namelijk 22 000 runderen en 120000 schapen. Ook werd er muziek gemaakt. Het geheele feest der inwijding van den tempel duurde 14 dagen. De Heer gaf Salomo, in eene verschijning des nachts, zijne hooge goedkeuring te kennen en verzekerde hem, dat Hij in dien tempel wilde wonen. Joh. 4 : 23, 24; Ps. 48 : 10; Hebr. 10 : 2o.--Gez. 3:1; Ps. 84 : 1; Gez. 94.
35
35. — EEHABEAM EN JEROBEAM.
(1 ;Kon. 11 : 26—14 ; 31).
Reeds bij het leven van Salomo had God den profeet Ahia gezonden tot Jerobeam, den zoon van Nebat, om hem te zeggen, dat liij koning zou worden over 10 stammen. Salomo had toen Jerobeam zoeken te dooden, maar deze was gevlucht naar Egypte. Zoodra Salomo gestorven en Rehabeam, zijn zoon, naar Sichem gegaan was, om daar als koning erkend te worden, riep het volk Jerobeam uit Egypte terug. Hij stelde zich nu aan het hoofd van het volk en ging naar Rehabeam met een dringend verzoek. Door de weelderige wijze, waarop Salomo geleefd had, was het volk genoodzaakt geweest zware belastingen op te brengen. Men kwam nu tot zijn zoon met de vraag: Verminder die belastingen, dan zullen wij u onderdanig zijn. Rehabeam vroeg daarop den raad van de oude raadslieden van Salomo, die van oordeel waren, dat hij het verzoek moest inwilligen. Daarna raadpleegde hij zijne jonge vrienden, die van een geheel ander gevoelen waren. In plaats van nu te luisteren naar wijze en ervarene lieden, gaf hij gehoor aan wat jongelingen hem hadden geraden. Toen Jerobeam en het volk op den derden dag terugkwamen, antwoordde hij hun op harden toon, dat hij hun juk nog zwaarder zou maken. Het volk wTerd daarover zeer verontwaardigd, zoodat 10 stammen Jerobeam tot koning kozen, die te Sichem ging wonen, terwijl Rehabeam, die kort daarop naar Jeruzalem vluchtte, alleen over de stammen van Juda en Benjamin bleef regeeren. Hij werd dus voor zijne eigene dwaasheid gestraft. Jerobeams koninkrijk heette nu Israël, ook wel Efraïtn, daar deze de machtigste stam was; dat van Rehabeam werd Juda genoemd. Deze scheiding heeft zeer veel onheil teweeg gebracht, want van het begin af beoorloogden de beide rijken elkander. Rehabeam leerde uit^deze zaak niets. Hij bleef een goddeloos vorst en diende de afgoden. Na eene regeering van 17 jaar stierf hij. Ook Jerobeam deed niet wat de Heer wilde, la plaats van God te dienen, die hem koning gemaakt had, richtte hij op twee plaatsen in zijn rijk, te Bethel en te Dan, een gouden kalf op. Hij was bevreesd, dat het volk, als het naar den tempel te Jeruzalem ging, zich weer bij Rehabeam zou aansluiten. Daarom zeide hij tot het volk, dat het te moeielijk was, om altijd naar Jeruzalem te gaan, dat zij dus die kalveren moesten dienen als de goden, die hen uit Egypte verlost hadden. Bovendien stelde hij priesters aan van de geringsten des volks, die niet waren uit den stam van Levi, terwijl hij zelf als hoogepriester dienst deed. Op meer dan ééne wijze zocht de Heer Jerobeam tot bekeering te brengen, maar hij bleef goddeloos, zoodat God hem door den profeet AMa een gestreng oordeel liet aanzeggen. De Heer zou kwaad over zijn huis brengen en zijn gansche geslacht uitroeien. Het eerst stierf zijn zoon Abia, die een vroom jongeling was. Toen eindelijk Jerobeam stierf, was
hij 22 jaar koning geweest. Spreuk 15 ; I; Hebr. 13 : i. Exod. 20 ; 2, a.-
I\'s. 75 5 4; Gez. 61 ; 4; ?s. 19 : 7.
3*
34
34. — DE TEMPELBOUW.
(2 Sam. 7. 1 Kon. 6\'—8;. I
De tabernakel, die reeds in de woestijn gemaakt was door Bezal.vl zoi en Alioliab, was, hoe kostelijk ook, toch maar eene tent. Davidl hij die in een kostbaar kuis woonde, had reeds in het begin zijnerl W regeering den wensch te kennen gegeven aan Nathan, om een tempel Sa te bouwen. Door dien profeet liet de Heer hem echter zeggen, datl hij dit moest overlaten aan zijn opvolger. Dit nam niet weg, datl ui bij, èn uit eigen middelen èn van de edelen zijns volks, zeer velel er schatten verzamelde, die later voor den tempelbouw konden dienen,! ^ In het 4lt;ie jaar zijner regeering begon Salomo met dit werk. Del gquot; tempel zou gebouwd worden op den heuvel Moria, waarvan de topi v geheel vlak gemaakt moest worden. Zijn vriend Hiram, de koningl u van Tyrus, leverde hem van den Libanon al het cederenhout ei;| r dennenhout. Ook had hij uit Tyrus een man. uit den stam van Naf-I t thali, ook Hiram genaamd, ontboden, die al het koperwerk maaktel 1 en daarin buitengewoon bekwaam was. Nadat men 7 jaar gearbeidl i had, was de tempel gereed. Het was een schoon gebouw, 60 ellen 1 lang20 ellen breed en 30 ellen hoog. Geen kosten waren gespaard. 1 Alles schitterde van goud en overal zag men kunstig snijwerk. Del inrichting was over \'t algemeen gelijk aan die van den tabernakel. Inl het Heilige der Heiligen stond de ark des verbonds, waarin alleen 1 nog maar de steen en tafelen der wet lagen. Vroeger waren daarin ook 1 de staf van Aaron en een gouden kruikje met manna. In het Heilige 1 vond men den gouden kandelaar met zeven armen, het gouden reuk-1 offeraltaar en de tafel der toonbrooden. Aan de zijmuren en den achter-1 muur des tempels was eene galerij van drie verdiepingen met ver-1 trekken, bestemd voor de dienstdoende priesters en levieten en tot ■ berging der tempelbenoodigdheden. Rondom den tempel, door een ringmuur omgeven, was de binnenste voorhof, alleen voor de priesters en levieten toegankelijk. Daar omheen, weer door een ringmuur afgesloten, was de buitenste voorhof, bestemd voor het volk, waar het groote koperen brandofferaltaar stond, benevens »de koperen zeequot; d.i. een groot waschvat, dat het water voor den tempeldienst bevatte. Toen de tempel gereed was, liet Salomo eerst de ark met veel plechtigheid brengen in het Heilige der Heiligen. De Heer vervulde onmid-delijk daarop den tempel met eene wolk. Daarna hield Salomo eene korte rede tot het volk en vervolgens, staande voor het brandofferaltaar, wijdde hij in een plechtig gebed den Heer dezen tempel toe en vroeg Hem om zijnen zegen over dit huis. Voorts werden er tal van offers gebracht, namelijk 22 000 runderen en 120000 schapen. Ook werd er muziek gemaakt. Het geheele feest der inwijding van den tempel duurde 14 dagen. De Heer gaf Salomo, in eene verschijning des nachts, zijne hooge goedkeuring te kennen en verzekerde hem, dat Hij in dien tempel wilde wonen. Joh. 4 : 23, 24; Ps. 48 : io; Hebr. 10 : 2o.--Gez. 3:1; Ps. S4 ; 1; Gez. 94.
-
35
135. — EEHABEAM EN JEEOBEAM.35. — EEHABEAM EN JEEOBEAM.
(IjKon. 11 : 26—14 : 3Ij.
Heeds bij het leven van Salomo had God den profeet Ahia ge-onden tot Jerobeam, den zoon van Ne bat, om hem te zeggen, dat lij koning zou worden over 10 stammen. Salomo had toen Jerobeam oeken te dooden, maar deze -was gevlucht naar Egypte. Zoodra Salomo gestorven en Rehabeam, zijn zoon, naar Sichem gegaan vas, om daar als koning erkend te worden, riep het volk Jerobeam lit Egypte terug. Hij stelde zich nu aan het hoofd van het volk in ging naar Rehabeam met een dringend verzoek. Door de weel-lerige wijze, waarop Salomo geleefd had, was het volk genoodzaakt ;eweest zware belastingen op te brengen. Men kwam nu tot zijn .oon met de vraag: Yerminder die belastingen, dan zullen wij u inderdanig zijn. Rehabeam vroeg daarop den raad van de oude aadslieden van Salomo, die van oordeel waren, dat hij het verzoek noest inwilligen. Daarna raadpleegde hij zijne jonge vrienden, die •an een geheel ander gevoelen waren. In plaats van nu te luisteren laar wijze en ervarene lieden, gaf hij gehoor aan wat jongelingen lem hadden geraden. Toen Jerobeam en het volk op den derden dag erugkwamen, antwoordde hij hun op harden toon, dat hij hun juk icg zwaarder zou maken. Het volk werd daarover zeer verontwaar-ligd, zoodat 10 stammen Jerobeam tot koning kozen, die te Sichem ring wonen, terwijl Rehabeam, die kort daarop naar Jeruzalem •luchtte, alleen over de stammen van Juda en Benjamin bleef regeeren. lij werd dus voor zijne eigene dwaasheid gestraft. Jerobeams konink-ijk heette nu Israël, ook wel Efraïm, daar deze de machtigste stam vas; dat van Rehabeam werd Juda genoemd. Deze scheiding heeft ;eer veel onheil teweeg gebracht, want van het begin af beoorloogden le beide rijken elkander. Rehabeam leerde, uit^ deze zaak niets. Hij )leef een goddeloos vorst en diende de afgoden. Na eene regeering •an 17 jaar stierf hij. Ook Jerobeam deed niet wat de Heer wilde, a plaats van God te dienen, die hem koning gemaakt had, richtte lij op twee plaatsen in zijn rijk, te Bethel en te Dan, een gouden calf op. Hij was bevreesd, dat het volk, als het naar den tempel e Jeruzalem ging, zich weer bij Rehabeam zou aansluiten. Daarom ;eide hij tot het volk , dat het te moeielijk was, om altijd naar Jeru-;alem te gaan, dat zij dus die kalveren moesten dienen als de goden, lie hen uit Egypte verlost hadden. Bovendien stelde hij priesters an van de geringsten des volks, die niet waren uit den stam van jevi, terwijl hij zelf als hoogepriester dienst deed. Op meer dan \'éne wijze zocht de Heer Jerobeam tot bekeering te brengen, maar lij bleef goddeloos, zoodat God hem door den profeet AMa een ;estreng oordeel liet aanzeggen. De Heer zou kwaad over zijn huis mengen en zijn gansche geslacht uitroeien. Het eerst stierf zijn zoon Lbia, die een vroom jongeling was. Toen eindelijk Jerobeam stierf, was
lij 22 jaar koning geweest. Spreuk 15 ; 1; Hebr. 13:1. Exod. 20:2, 3.-
\'s. 75 •: 4; Gez. 61 : 4; Ps. 19 : 7.
36
36. — ISRAELS KONINGEN.
(1 Kon. 12—2 Kon. 17).
De geschiedenis van het rijk van Israël is in ieder opzicht zeer treurig. quot;Wel was het soms machtig door overwinningen, maar de afgodendienst nam gedurig toe. Niet één vrome koning heeft over de 10 stammen geregeerd en meer dan één is door zijn opvolger vermoord geworden. Nadab volgde zijn vader Jerobeam op. Naeene tweejarige regeering werd hij met zijn gansehe huis vermoord door Baësa, die 22 jaar regeerde. Diens zoon Ela werd, reeds in het 2(1e jaar zijner regeering. omgebracht door zijn stalmeester Zimri, die, na 7 dagen koning geweest te zijn, zich in zijn paleis verbranden liet. Omri werd toen koning, een zeer goddeloos man, die Samaria bouwde en 12 jaar regeerde. Hem volgde zijn zoon Achab op, die nog goddeloozer was. Gehuwd met de Sidonische prinses Izébel, eene zeer slechte vrouw, voerde hij den Baiil- en Astarte-dienst in en maakte zich aan allerlei gruwelen schuldig. In den strijd tegen Benhadad, den koning van Syrië, werd hij doodelijk gewond, na eene regeering van 22 jaar. Zijn zoon Ahazia regeerde maar ét\'n jaar en diens broeder Joram 11 jaar, waarna hij door zijn veldheer Jehu gedood werd. Deze roeide het geheele huis van Achab uit, doodde ook Ahazia. den koning van Juda, die juist Joram bezocht, en liet Izébel uit een venster van haar paleis op straat werpen, waar de honden haar verscheurden. Ook liet hij de afgodspriesters in den tempel van Baiil ombrengen. Zelf was hij echter niet een vroom man. Hij had 20 jaar geregeerd, toen hij stierf en opgevolgd werd door zijn zoon Joahas, die, op zijn gebed, door den Heer verlost werd uit de macht van den koning van Syrië, aan wien de Heer hem om zijne zonden had overgegeven. Hij regeerde 17 jaar en zijn zoon Joas 16 jaar. Diens zoon jerobeam II was een dapper man, die het rijk weer tot grooten bloei bracht en 41 jaar regeerde. Door inwendige verdeeldheden bleef na hem het rijk van Israël 11 jaren zonder koning. Daarna kwam Zacharia, de zoon van Jerobeam II, aan de regeering, maar reeds 6 maanden later werd hij gedood door Sallum, die slechts ééne maand regeerde en omgebracht werd door Menahem, die hem toen opvolgde. Deze was een zeer wreed man. Hij eischte van de rijkste lieden 1000 talenten zilvers, om die te geven aan Pul, den koning der Assyriers, die tegen Israël was opgetrokken en hem daarvoor in zijn koninkrijk staande hield. Hij regeerde 10 jaar, en toen stierf hij. Zijn zoon Pekahia volgde hera op, maar werd 2 jaar later vermoord door zijn hoofdman Pekah, die toen koning werd. Reeds in zijne dagen werd een gedeelte van zijn volk weggevoerd naar Assyrie door Tiglath-Pilezer, den koning van dit rijk. Twintig jaar had hij geregeerd, toen Hosea hem vermoordde en koning werd. Deze regeerde 9 jaar en was de laatste koning over het rijk der tien stammen. Daarna is het door de Assyriërs ten onder
gebracht. Spreuk. 14 : 34; Ps. 72 : 1,2; Dan. 4 : 37. -- Gez. 63 : 1;
Ts. 73 : 14; Gez. 99 : 4.
37
37. — J ü DA\'S KONINGEN.
(I Kon. 15—2 Kon. 24. — 2 Kron. 13—1G.
Na Eehabeam regeerde zijn zoon Abia maar 3 jaar, en na dezen zijn zoon Asa, die een vroom man was, 41 jaar. Hij roeide de afgoden , die zijne voorvaderen gemaakt hadden, uit. Zijn zoon Josaphat, een vroom, ijverig en rechtvaardig vorst, was zeer vredelievend gezind jegens het rijk van Israël en sloot daarmede zelfs een verbond, maar zag geen zegen daarop. Het huwelijk, dat hij bewerkte tusschen zijn zoon Joram en Achabs dochter Athalia, bracht zeer veel onheil over zijn huis. Toen hij 25 jaar geregeerd had, stierf hij en zijn zoon Joram volgde hem op. Deze was een onbeduidend, goddeloos en wreed man, die den Baiildienst invoerde en na eene regeering van 8 jaar stierf. Zijn zoon Ahazia of Joahaz regeerde maar één jaar. Athalia vermoorde toen de geheele koninklijke familie en regeerde 8 jaar, waarna zij zelve vermoord werd. Alleen Ahazia\'s zoon, Joas, was door zijne tante Jozéba, de vrouw van Jojada, den hoogepriester, gered. Hij werd nu koning, herstelde den dienst des Heeren en was, zoolang Jojada leefde, een goed vorst, die vele hervormingen tot stand bracht. Maar later werd hij een afgodendienaar. Na 40 jaar geregeerd te hebben, werd hij door zijne dienaren gedood. Zijn zoon Amazia was ook geen vroom man. In den oorlog tegen Joas, den koning van Israël, werd hij gevangen genomen en Jeruzalem geplunderd. Later verloor hij, na eene regeering van 29 jaar, in een opstand het leven. Zijn zoon ITzzia of Azarria regeerde 52 jaar. Eerst diende hij den Heere, en God gaf hem voorspoed. Toen werd hij overmoedig en bijgelegenheid, dat hij zich het ambt van hoogepiiester aanmatigde, werd hij melaatsch, \'t geen hij zijn leven lang bleef. Tijdens zijne ziekte was zijn zoon Jotham regent. Na zijn dood regeerde deze nog 10 jaar als koning. Hij was een vroom man en zeer machtig. Zeer goddeloos daarentegen was zijn zoon Achaz, die ook 16 jaar regeerde en den tempel tot een afgodstempel inrichtte. Na hem regeerde zijn zoon Hiskia 29 jaar. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Manasse, die eerst vele gruwelen deed, maar in de gevangenis te Babel zich bekeerde en later den Heer met zijn geheele hart diende. Hij regeerde 50 jaar. Zijn goddelooze zoon Amon was maar 2 jaar koning en werd vermoord door zijne dienaren. Diens vrome zoon Josia regeerde 31 jaar. Eerst regeerde na hem zijn zoon Joahaz, die na 3 maanden werd afgezet door Farao Necho, die zijn ouderen broeder Eljakim of Jojakim koning maakte. Deze regeerde 11 jaar en werd toen door Nebukadnézar naar Babel gevoerd, waar hij stierf. Na hem regeerde zijn zoon Jojachin nog 3 maanden, die ook naar Babel gevoerd werd. De laatste koning was Zedekia, de jongste zoon van Josia. Eigenlijk was hij maar onderkoning en dit bleef hij nog 11 jaar. Het oordeel, dat toen over Juda kwam, had het door zijne Reddeloosheid wel verdiend. Jac. 4:17; Luk. 12 : 47, 48: .Tes. 40:17. -— Ps. 119 : £8; Gez. 11 : 1 ; 1JS. G2 : 5.
38
38. — ELIA.
(1 Kon. 17 — 2 Kon. 2).
Terwijl Achab over Israël koning was, leefde er een man. Elia genaamd, die een profeet des Heeren was. Toen Achab te Samaria een tempel bouwde roor den afgod Baal. ging Elia tot hem en zeide, dat er geen-regen en dauw zou komen, tot dat hij het zeggen zou. Zoo geschiedde het ook en er kwam groot gebrek aan water en tengevolge daarvan ook hongersnood. Elia had zich intusschen verborgen aan de beek Krith, waar de raven hem brood en vleesch brachten, terwijl hij uit de beek dronk. Toen deze echter opdroogde, zond de Heer hem naar Zarphat tot eene weduwe, die één zoon had. Deze had nog maar een weinig te eten, maar de Heer maakte het zoo, dat het meel in de kruik en de olie in de flesch niet ontbrak, zoodat zij met hua drieën altijd spijze hadden. Toen de zoon der weduwe ziek werd ea stierf, bad Elia dringend tot God en de doode werd weder levend. Zoo zegende de Heer dit huisgezin ter wille van Elia, dien de weduwe zoo liefdevol opgenomen had. — Eindelijk toen het in twee jaren al niet geregend had, gebood God Elia om zich aan Achab te vertoonen. De honger was zeer sterk in Samaria. Izebel, de koningin, had in toorn de profeten des Heeren gedood, maar des konings hofmeester Obadja, een godvreezend man, had 100 profeten gered, hen verborgen en met water en brood onderhouden. Toen nu Elia Achab ontmoette, vroeg hij hem, dat hij het geheele volk op den berg Karmel zou verzamelen. Daar moesten dan ook de afgodspriesters komen. De koning deed dit, en toen al het volk op den berg w.is, zeide Elia tot de menigte: Hoelang hinkt gijlieden op twee gedachten? Gij moet kiezen tusschen den Heer en Baiil. Hij stelde nu voor, dat de Baaispriesters een offer gereed zouden maken, hij zou dat dan ook doen. Wiens offer dan door vuur van den hemel aangestoken zou worden, diens God zou door tiet volk gediend worden. Da priesters baden nu en pijnigden zich zei ven, maar, wat zij ook deden, hun afgod gaf natuurlijk geen teeken. Toen richtte Elia zijn altaar op, legde den var daarop en begoot alles met water. Nadat hij God nu zeer ernstig gebeden had, werd het offer door vuur van den hemel verteerd. Zoo gaf de Heer een teeken, dat Hij alleen God is. Het volk erkende Hem nu ook als zoodanig en.de afgodspriesters werden gedood. Daarop gaf de Heer een zeer overvloedigen regen. Izebel, die over het dooden van de priesters zeer toornig was, zocht nu Elia van het leven te berooven. Doch hij vluchtte. Hij werd echter zeer moedeloos, en meende maar alleen overgebleven te zijn van allen, die den Heer dienden, maar de Heer toonde Hem door een gezicht, dat hij op Hem kon vertrouwen, en zeide, dat er nog 7000 waren, die de knieën voor Baiil met gebogen hadden. — Eindelijk is Elia zonder te sterven, door God ten hemel opgenomen. De Heer had Eliza door hem tot zijn opvolger laten zalven. Jac. 5 ; !6. 17; Matth. Jes. 42 : 8.--\' Gez. 172 ; l; P.s. 103 : 4; Gez. 17 : 2, 6.
39
39. — ELIZA.
(2 Kon. 2—13).
Eliza, die reeds eenigen tijd met Elia verkeerd had, was er bij tegenwoordig, toen deze ten hemel opgenomen werd. Ook zijn leven was in menig opzicht belangrijk. Hij was een profeet des Heeren. Eens was hij bij Bethel, toen eenige jongens hem uitscholden voor kaalkop. De Heer strafte deze oneerbiedigheid zeer streng, door twee beeren te zenden, die 42 kinderen verscheurden. — Hij bracht anderen veel zegen aan. Zoo was hij in Gods hand het middel, om eene vrome weduwe, die vele schulden had, daarvan te verlossen. Eene andere vrouw, te Sunem, die wel rijk maar zonder kinderen was, bij wie hij dikwijls als gast verkeerde, beloofde hij een zoon, en toen later deze zoon stierf, bad Hij den Heer zeer ernstig en de jongen werd weder levend. Een voornaam krijgsoverste van den koning van Syrië, ÏTaaman, was melaatschgeworden. Yan een joodsch meisje hoorde hij, dat Eliza hem wel weer genezen kon. Hij reisde nu naar Samaria en de profeet beval hem, om zich zevenmaal in de Jordaan te wasschen, dan zou hij gezond zijn. Maar dit middel kwam hem. te gering voor. Eindelijk liet hij er zich echter toe overhalen en hij werd geheel genezen. Hij wou toen Eliza rijke geschenken geven, maar deze wilde niets aannemen. Gehazi, Eliza\'s knecht, vond dat jammer. Hij wilde wel iets hebben. Hij ging Naaman toen achterna en loog hem voor, dat Eliza toch nog wel iets ontvangen wilde, ten behoeve van een paar armen, die pas bij hem gekomen waren. Naaman gaf hem met genoegen nog meer dan hij vroeg. Tot straf daarvoor werd Gehazi zelf melaatsch. — Nog vele andere dingen worden ons van Eliza verhaald, waaruit blijkt , dat hij een profeet des Heeren was. Zoo waarschuwde hij den koning van Israël voor hinderlagen, die de koning van Syrië hem legde, en toen deze Jen profeet, die juist te Dothan was, gevangen wilde nemen, bewaarden des Heeren Engelen hem en werden deSyriërs, die afgezonden waren, met blindheid geslagen. Eliza was echter edelmoedig, want toen hij hen in de stad gelokt had, vroeg hij niet alleen den Heer om hunne oogen te openen, maar hij belette den koning van Israël ook, om hun kwaad te doen. — Na een lang leven, gedurende hetwelk hij vëel zegen had aangebracht, stierf Eliza eindelijk. Stervende beloofde hij den koning van Israël nog de overwinning op de Syriërs. Elia en Eliza waren in hunne dagen mannen, aan wie het duidelijk te zien was, dat zij hartelijk de vreeze des Heeren onder het volk en daardoor het welzijn van Israël begeerden te bevorderen. Zij waren mannen, die zelve den Heer dienden met hun geheele hart. Daardoor ook alleen konden
Zij doen, Wat zij deden. Lev. 19 : 32; l Tim. 6:9, 10; Hebr. 1 ; 4.---
Ps. 34 : 4; Gez. 16 : 1 , 15; Fs. 91 : 5.
40
40. — JONA.
(J una 1—4).
j
Elia en Eliza hadden, gelijk Avij zagen, hun werk in hun eigen vaderland. Er is nog een zeer bekend profeet, die door den Heer naar een ander land gezonden werd. Wij bedoelen Jona, den zoon van - Amitthai, die ten tijde van Jerobeam II leefde. De Heer gebood hem, als boeteprediker te gaan naar Mnevé, de hoofdstad van het Assyrische rijk, wier goddeloosheid groot was. In plaats van gehoorzaam te zijn, trachtte Jona naar Tarsis te vluchten. Hij ging te Jafo (Joppe) op een schip, maar op reis ontstond er een zware storm. Jona was echter naar beneden gegaan en sliep. De zeelieden waren bevreesd en riepen hunne afgoden aan om hulp, terwijl de schipper Jona riep, opdat ook deze zijnen God om redding zou bidden. Men besloot verder het lot te werpen, om te weten te komen, om wiens wil dit kwaad gekomen was. Het lot viel op Jona. Zij vroegen hem nu, wat hij gedaan had en hij vertelde het hun. Toen zij hem daarover bestraften, stelde Jona voor, dat men hem over boord zou werpen. Eerst wilden zij daarvan niets weten, maar toen de storm nog toenam, deden zij het eindelijk. De Heer zorgde echter voor hem door een grooten visch te beschikken, die hem inslokte. Daar, in het binnenste van den visch, bad hij tot den Heer, en God redde hem, want na drie dagen en drie nachten spuwde de visch hem uit op het drooge. Toen gebood de Heer Jona wederom naar Ninevé te gaan, en nu was Jona gewillig om te gaan. Hij had uit wat hem overkomen was, geleerd, dat men den Heer nooit ontvluchten kan. Te Ninevé begon hij nu te prediken, dat de stad na nog 40 dagon verwoest zou worden. De menschen geloofden het en werden zeer bedroefd en, zoowel uit eigen beweging als op bevel des konings, begon men te vasten en den Heer aan te roepen. Toen de Heer zag, dat men zich bekeerd had van de boosheid, besloot Hij de stad te sparen. God is barmhartig. Dat was Jona niet, hoewel ook hem barmhartigheid bewezen was. Hij zag, dat zijne profetie niet uitkwam en daarom werd hij toornig. Hij dacht er niet aan, dat God, die hem gered had, ook gaarne de ïJmevieten wilde redden. Zoo teleurgesteld was hij zelfs, dat hij naar den dood verlangde. Hij ging nu naar Duiten en zette zich daar neder, om te zien, wat er van de stad worden zou. Tot schaduw liet de Heer een wonderboom boven zijn hoofd groeien, maar toen deze den volgenden dag weer verdorde, stak de zon hem zoo, dat hij al weer naar den dood verlangde. Het speet hem, dat die boom verdord was. Hij had hem zoo gaarne willen behouden. De Heer wees er hem toen op, dat Hij zooveel te meer dan ook die stad wilde behouden, waarin meer dan 120000 menschen waren, die geen onderscheid wisten tusschen hun rechter- en hun linkerhand. Spreuk. 5 : 21; Jona 2:7; Joel 2 : 13.--Gez. 7:1; Ps. 6 : 9; Gez. 3 : 6.
41
41. — ANDERE PROFETEN.
Behalve de reeds genoemden, kennen wij nog vele andere profeten, van wie wij ook in den Bijbel nog geschriften bezitten. Zij waren werkzaam in het rijk van Israël en in dat van Juda, en bestraften het volk over zijne zonden, vermaanden het tot bekeering en maakten het Gods wil, Gods straffen of Gods zegeningen bekend. Zij traden ook menigmaal op met teekenen en wonderen. De voornaamste dezer profeten is Jesaja, de zoon van Amoz, die optrad in Juda, onder de regeering van Uzzia, en ook onder Hiskia nog profeteerde. Een tijdgenoot van hem was Micha, die mede in Juda werkzaam was, evenals Hosea, die echter ook in Israël, onder Jero-beam II, profeteerde. In beide rijken trad ook Amos, een herder van Thekoa, op, die leefde onder Uzzia en Jerobeam II. Nog vóór deze mannen had reeds Joël, ten tijde van Joas, den koning van Juda, zich laten hooren. — Onder de latere profeten bekleedt Jeremia, de zoon van Hilkia, uit een priesterlijk geslacht, eene voorname plaats. Hij leefde onder de koningen Josia, Jojakim en Zedekia, en heeft de verwoesting van Jeruzalem nog beleefd en in zijne klaagliederen bezongen. Hij nam met vele Joden de wijk naar Egypte, waar hij zijn taak als profeet voortzette en door hen gesteenigd is. Tijdgenooten van Jeremia wpren Nahum, eenGahleër, die den ondergang van Ninevé voorspelde, en Zefanja, een man van voorname geboorte, die beide onder Josia\'s regeering werkzaam waren. Kort voor den val van Juda profeteerde Habakuk. Wanneer en waar Obadja optrad, wordt in den Bijbel niet gemeld. — Onder de profeten in de ballingschap vinden wij Ezechiël, die vooral strafredenen sprak, maar ook beloften van herstelling bekend maakte. Verder Daniël, die van koninklijken bloede was en aan het hof van den koning van Babel verkeerde. — Na de terugkeer uit de ballingschap kennen wij nog drie profeten, Haggaï en Zacharia, die tegelijkertijd, onder de regeering van Darius, profeteerden, enMaleachi, den laatsten der profeten. — Er wordt ons ook melding gemaakt van verscheidene valsche profeten, o.a. Zedekia, die zich voor een waar profeet uitgaf en van wien verhaald wordt, dat hij Micha op het kinnebakken sloeg (1 Kon. 22:11, 24); Hananja, dien zelfs Jeremia eerst voor een profeet aanzag, maar van wien de Heer hem later zeide, dat hij een leugenprofeet was (Jer. 28); Achab en een andere Zedekia, die, hoewel zij bij Israël in hoog aanzien stonden, toch niet door den Heer gezonden waren (Jer. 29 : 21—33); en meer anderen. Het optreden van valsche profeten ging gepaard met achteruitgang van den godsdienst. De echte profeten waarschuwden dan ook aanhoudend, in den naam des Heeren, tegen hen. Hebr. i : 1; Matth. 5 ; 17; 2 Petr. 2:1.--Ps. 19 : 5, Gez. 3:2; Ps. 12 : 2, 3.
42
42. — HISKIA ENquot; JOSIA.
(2 Kon. 18—20, 22, 23).
ï- !; I
Een der bestefkoningen, die over Juda geregeerd heeft, was Hi sim, I G Zijn vader Achaz had den Heer niet gediend, maar allerlei gegoteneIden beelden. Ook had hij den tempel des Heeren gesloten en zijne eigene len zonen aan de afgoden geofferd. De Heer had hem daarom overge- IZijr geven in de macht van den koning van Assyrië. Hiskia was een joor geheel ander man. Met zijn gansche hart diende hij den Heer, en Ikoi toen hij aan de regeering gekomen was, opende hij den tempel I\'s weer en zond boden door het geheele land, om het volk op te wekken lliel tot bekeering en tot het dienen van den Heer. Het gevolg daarvan was, dat de afgodsaltaren weder afgebroken werden en men met groote blijdschap te Jeruzalem het Pascha vierde. God zegende Hiskia nu ook en maakte hem vrij van de Assyriërs. Later, toen de Assy-riërs Jeruzalem weer belegerden, bad Hiskia den Heer om redding en God zond in den nacht zijnen Engel in het leger, die 185 000 Assyriërs doodde. Op een anderen tijd was Hiskia doodelijk krank en bereidde zich reeds op sterven voor. Ook nu riep hij den Heer aan en God verhoorde zijn gebed. Hij liet hem door Jesaja aanzeggen, dat hij genezen en nog 15 jaar leven zou. Zoo toonde de Heer Zijne liefde en hulp aan den vromen Hiskia. Toen de koning van Babel van Hiskia\'s genezing hoorde, zond hij boden tot hem, om hem daarmede geluk te wenschen. Eenigszins hoogmoedig, liet hij hen toen al zijne schatten zien en bewonderen. Daarop zond de Heer, die wil, dat wij nederig zullen zijn, wederom Jesaja tot hem, maar nu om te zeggen, dat eenmaal alles wat in zijn huis was naar Babel gevoerd zou worden. Dat is echter eerst vele jaren later gebeurd. — Nog een andere vrome koning van Juda was Josia, de achterkleinzoon van Hiskia. Ook zijn vader, Amon, was een zeer goddeloos man. Josia was nog maar 8 jaar, toen hij koning werd. Zoodra hij daartoe in staat was, herstelde hij, gesteund door den Hoogepriester Hilkia, den tempel des Heeren, waar toen een verloren geraakt boek van de wet des Heeren gevonden werd. Onder zijne regeering leefde eene profetes Hulda, die den ondergang van Juda voorspelde, maar tevens bekend maakte, dat Josia, omdat hij den Heer vreesde, dit niet beleven, maar in vrede sterven zou. Hij heeft zeer veel gedaan in het belang van den zuiveren godsdienst. Met al wat in hem was roeide hij overal, waar hij daartoe instaat was, den dienst der afgoden uit, wierp de beelden om en brak de altaren af, terwijl in alles bleek, dat hij wenschte, dat het volk met hem den Heer zou dienen. Hij is niet oud geworden, want hij was 39 jaar, toen hij in een oorlog tegen Farao Necho, den koning van Egypte, te Megiddo sneuvelde. Hebr. u : 6; Jac. 4:6; ,7er. 2 : 13.--Gcz. 84 : 1, 12; Ps. 119 : 8: Gez. 96.
-
43
43. — DE TAL VAN ISRAËL.
i (2 Kon. 15—17).
liskia, | G-edurig verder week het volk van Israël, met zijne koningen, van rptenelden Heer af. Op schaamtelooze wijze werden de afgoden gediend eigenelen allerlei gruwelen daarbij gepleegd. Het hielp niet, dat de Heer \'erge- IZijne profeten zond, om te waarschuwen tegen de zonde en Zijne 3 een loordeelen bekend te maken. Het volk bekeerde zich niet en de r) en j koningen bleven even goddeloos Ten slotte kwam dan ook aan tnpel I\'s Heeren lankmoedigheid een einde. Grod gaf daarom, als straf, kken lliet rijk van Israël over in de macht der Assyriërs. Dit was een rvan 1 machtig volk, dat zich, door het maken van veroveringen, steeds met | verder zocht uit te breiden. Reeds was koning Pul tegen Israël skia | opgetrokken, maar Menahem, die toen regeerde, had het dreigend ssy- 1 gevaar afgewend door vrijwillig eene schatting op te brengen van Jing I oOOO talenten zilvers (ruim 41/2 millioen gulden). Maar toen Pekah
000 1 zich met Rezin, den koning van Syrië, tot een oorlog tegen Juda ank | verbond, riep Achaz de hulp in van. Tiglath Pilezer, den opvolger leer I van Pul. Het gevolg hiervan was, dat deze ook een inval deed in an- | Israël, sommige deelen daarvan veroverde en vele inwoners gevan-de | gen nam en naar Assyrië voerde. Israël werd nu schatplichtig aan
ing | Assyrië. Ook Hqsea, de laatste koning was alzoo van dit machtige
m, | rijk afhankelijk, waarover toen Salmanasser regeerde. Het begon
iet 1 hem echter te verdrieten jaarlijks schatting te moeten betalen. Hij
de I liet dit dus na en sloot een verbond met So, den koning van Egypte,
n, I Zoodra Salmanasser dit vernam, liet hij Hosea gevangen nemen,
ar I terwijl hij zelf met een leger over de grenzen trok naar Samaria,
e- I de hoofdstad des rijks, die hij na eene belegering van drie jaren, in
le | liet jaar 725 vóór Christus, innam. Israël hield nu op te bestaan als
?r 1 zelfstandig koninkrijk. Zoowel het volk als de koning werd voor
1 ■ zijne trouweloosheid gestraft. Zij waren trouweloos geweest tegen n | den Heer, die hen had gezegend, terwijl de koning zulks ook was
| tegenover Salmanasser. Een groot deel des volks werd nu gevanke-r I lijk weggevoerd, terwijl, in de plaats daarvan, inwoners van andere i | veroverde gewesten de steden van Israël moesten bewonen. Zij waren j I echter heidenen en vreesden den Heer niet. Toen er nu leeuwen i I onder hen kwamen, die eenigen van hen doodden, zagen zij daarin eene straf van dien God, die in Israël gediend werd. Op hun ver-
■ zoek zond Salmanasser hun nu een Israëlitischen priester, om hen in den godsdienst te onderwijzen, die zich te Bethel vestigde. Zoo
I leerden zij wel Jehova kennen, maar hielden toch niet op tevens
■ hunne afgoden te vereeren. Deze heidenen vermengden zich met de achtergeblevene Israëlieten en hunne nakomelingen worden Samari-
■ tanen genoemd. — Van de 10 stammen heeft men later niets meer
K vernomen. Spreuk. 2 : 21. 22: Kon. U : 2; Ps. 103 : 10.--Ps. SI ;
12, 13, 15: Gez. 35 : 4: Ps. 9 : 3, 4.
44
44. — DE YAL VAN JÜDA.
(Kon. 24, 25; 2 Kron. 36).
Ook het rijk van Juda zou niet in stand blijven. Door Jesaja was dit reeds aan Biskia en door Hulda aan Josia bekend gemaakt. Langzamerhand kwam het oordeel. Eeeds onder Jojakim, den zoon van Josia, trok Nebukadnézar, de koning van Babel, tegen Juda op, met dit gevolg, dat hij Jojakim aan zich onderwierp. Drie jaren daarna werd deze echter weer afvallig, maar dit baatte hem weinig, want de Heer zond de Chaldeën, de Syriërs, de Moabieten en de Ammonieten tegen hem, die het land verdierven. Maar na zijn dood, was zijn zoon Jojachin hem nog maar pas opgevolgd of Nebukadnézar trok zelf met een leger tegen Jeruzalem op en belegerde de stad. Jojachin werd gevangen genomen en daarna de tempel geplunderd. Nebukadnézar voerde nu de aanzienlijksten van Jeruzalem en de krijgslieden, tesamen 10000 man, benevens alle smeden en timmerlieden, met den koning, die met koperen ketenen gebonden was, en zijne familie, gevankelijk naar Babel. Alleen het arme volk liet hij blijven. Hij stelde toen Zedekia aan tot koning over de achtergeblevenen. Een tijdlang ging dit goed. Maar na 9 jaren geregeerd te hebben, stond deze op tegen Babel. Daarbij was hij een goddeloos vorst, zoodat de Heer den profeet Jeremia tot hem zond, om hem aan te zeggen, dat Hij hem geven zou in de hand van den koning van Babel, die de stad verwoesten en hem naar Babel meenemen zou. Zoo geschiedde het ook. AVeer trok Nebukadnézar tegen Jeruzalem op, om het te belegeren. Toen de honger in de stad zeer sterk was, vluchtten de krijgslieden er op zekeren nacht uit, en ook de koning vlood, maar werd bij Jericho achterhaald en gegrepen. Vreeselijk is hij toen gestraft. Zijne zonen werden voor zijne oogen geslacht; daarna werden hem de oogen uitgestoken, liet koperen ketenen gebonden, werd hij nu naar Babel gevoerd, terwijl zeer velen mede in ballingschap moesten gaan. Jeruzalem werd nu, in het jaar 588 vóór Chr., verwoest en geplunderd, de tempel verbrand en de muur der stad afgebroken. Over het volk, dat nog in het land van Juda overgebleven was, stelde Nebukadnézar eenen zekeren Gedalia tot regent aan. Deze was een getrouw man, maar eenige opstandelingen, onder aanvoering van Ismaël, een lid der koninklijke familie, doodden hem en de Joden en Chaldeën, die te Mizpa bij hem waren, en namen daarna de wijk naar Egypte. — Zoo was dus ook het rijk van Juda gevallen. God had het nog langer gespaard dan dat van Israël. Toen men zich ook aan het treurig lot der 10 stammen niet spiegelde, maar in goddeloosheid voortleefde, hield God Zijn woord en strafte Hij, die rechtvaardig is, het volk. Ook dat geschiedde echter om hun
eigen bestwil. I Sum. 2 : 30; Jes. 40 : 15; .Ier. 31 : 31 — 3-1.--Gez.
4:7; Ps. 74 : 2, 3; Gez. !l : G.
45
45. — DE BALLINGSCHAP.
(«Ter. Ezecli. Dan. 1—3).
De inwoners van Juda, die weggevoerd waren naar Babel, mochten naar Palaestina niet terugkeeren. Zij waren overigens geheel vrij; zij mochten zich bezig houden met den landbouw, hadden huizen en tuinen, zoodat zij het over \'t algemeen zoo heel slecht nog niet hadden, hoewel zij wel eens minder aangenaam behandeld werden. Langzamerhand werd dit echter ook beter. Zoo werd koning Joja-cliin dooi Evilmerodach, den opvolger van Nebukadnézar, uit de gevangenis, waarin hij 37 jaren geweest was, vrijgelaten, terwijl hij eene aanzienlijke plaats aan het hof kreeg. Vele Joden werden zelfs rijk in Babel, terwijl de ballingen onder hunne eigene overheden stonden. Zeventig jaren waren de Joden in Babel en men noemt dezen tijd gewoonlijk de Babylonische ballingschap. Yooral in den eersten tijd verlangden zij zeer naar hun vaderland terug en dachten met weemoed aan des Heeren tempel te Jeruzalem. Een aandoenlijk bewijs daarvan vinden wij in Psalm 137, een klaaglied, dat in die dagen gemaakt is. Hoe weinig men vroeger ook den dienst des Heeren op prijs gesteld had, nu die eeredienst ontbrak, was men treurig. Zoo gaat het wel meer. Eerst als men iets mist, waardeert men recht wat men bezat. Dit moet ons opwekken, om dankbaar te zijn voor wat God ons geeft. —Velen wilden echter ook in de ballingschap nog niet hooren naar het woord des Heeren. Toch sprak de Heer ook toen tot het volk door Ezechiël, den profeet, die zelf een gevangene was. Onder deze gevangenen waren ook drie vrome jongelingen, Hananja, Misael en Azarja, die in Babel Sadrach, Mesach en ALed-Nego genoemd werden. Zij leefden aan het hof des konings, maar hielden zich getrouw aan de inzettingen des Heeren en wilden zich zelfs niet spijs en drank des konings niet verontreinigen. De Heer zegende hen door hun wijsheid en wetenschap te geven. Eens liet Nebukadnézar een groot gouden beeld maken on beval, dat ieder zich daar voor buigen zou. De drie jongelingen, wetende, dat God dit verboden had, weigerden zulks te doen, en toen zij nu bij den koning aangeklaagd werden, beval deze, hen in een vurigen oven te werpen. De Heer zond een Engel des Heeren bij hen en bewaarde hen, zoodat het vuur hun niet deerde. Nebukadnézar erkende toen, dat er geen God was gelijk de God dezer jongelingen. Zoo bewees de Heer Zijne hulp aan degenen, die op Hem vertrouwden. Dat bleek ook, toen de Heer, aan het einde der 70 jaren, koning Kores in het hart gaf, om aan de ballingen den terugkeer naar hun vaderland toe te staan. Klaagl. 3 : 31—33; I Cor. 10 : 31; Ezecli. 39 : 25. —— Ps. 25 : 6; Gez. 68 ; 7; Ps. 138 : 2.
Jesajai maait. i zoouj da op.i jaren einig, en de dood, ukad-3e de 1 ge-
alem n en aden volt
r de
46
4C. — DANIËL.
(Dan. 1 — 12).
Daniëi of Beltsasar, zooals hij in Babel genoemd werd, was een. vriend der drie jongelingen. Ook hij vreesde den Heer, die hem wijsheid gaf in het uitleggen van gezichten en droomen. Eens droomde Nebukadnézar, maar toen hij opstond, had hij zijn droom vergeten. Hij riep nu zijne wijzen, om hem zoowel den droom als de uitlegging daarvan te kennen te geven. Dat konden zij natuurlijk niet doen. De koning werd daarover zoo toornig, dat hij hevel gaf hen te dooden. Men zocht nu Daniël ook, maar deze vroeg den vorst om uitstel. Toen had hij met zijne 3 vrienden den Heer, die daarop in een nachtgezicht den droom en zijne verklaring aan Daniël bekend maakte. De koning was door de mededeeling van Daniël zoo verbaasd, dat hij den Heer, die wijsheid gegeven had, erkende als den God der goden, terwijl hij Daniël zeiven groote macht verleende. Later had de koning weer eens een droom en ook nu legde Daniël dien uit. Hij voorspelde, dat Kebukadnézar van de menschen verstoeten zou worden en bij het gedierte des velds wonen en gras gelijk de ossen eten zou, totdat hij erkennen zou, dat de Allerhoogste heerscht. Dan echter zou zijn koninkrijk bestendig zijn. Toen de koning nu eens, op de tinne van zijn paleis staande, in hoogmoed uitriep: Is dit niet het groote Babel, dat ik gebouwd heb? werd hij plotseling waanzinnig en toen geschiedde het, gelijk Daniël voorzegd had. Maar toen hij weer genezen was, loofde hij den Heer en gaf aan zijne onderdanen bevel, om dien God te aanbidden. — De laatste koning van Babel, Belsazar, gaf eens een groot feest, waarbij ook de, in der tijd buitgemaakte, vaten uit den tempel te Jeruzalem gebruikt werden. Terwijl men vrolijk was, kwam er eene hand aan den muur, die daar eenige raadselachtige woorden schreef. Niemand kon ze lezen. Daniël werd geroepen en verklaarde, dat daar stond; Mené Mené Tekel Upharsin, en ditbeteekende: Geteld Geteld Gewogen Yerdeeld. Ditwilde zeggen, dat het rijk aan den koning ontnomen en aan de Meden en Perzen gegeven zou worden. Dienzelfden nacht werd Babel dan ook ingenomen door Kores of Cyrus, den Perziër, en Belsazar gedood. — Later, toen Daniël zeer hoog in aanzien stond, beval koning Darius, dat men gedurende 30 dagen geen enkelen God aanbidden mocht. Daniël hield zich hieraan echter niet, maar bad tot den Heer, gelijk altijd. Hij werd nu in den leeuwenkuil geworpen, maar God bewaarde Zijn trouwen dienaar, zoodat de wilde beesten hem geen kwaad deden. Zoo toonde de Heer herhaaldelijk, dat die op Hem vertrouwen niet beschaamd worden. — Wij bezitten van Daniël
zeer belangrijke profetiën. Matih. 7 : 11; Efez. 5 : 17; Jer. 17 ; 7.--
Gez. 87 : 2; Ps. 71 : 14, 17; Gcz. 19 : 5, 8.
47
47. — DE TWEEDE TEMPEL.
(Ezra 1—10; Nehemia 1—13).
Toen Kores, de koning van Perzië, Babel veroverd had, gaf hij reeds in het eerste jaar zijner heerschappij aan alle Joden, die maar wilden, verlof om naar hun vaderland terug te keeren en daar den tempel te herbouwen. Zij mochten ook de tempelvaten, die Nebu-kadnézar buit gemaakt had, medenemen. Onder aanvoering van Zerubbabel, een kleinzoon van koning Jojachin, en van Jósua, den Hoogepriester, trokken nu ongeveer 50000 man naar Jeruzalem. Weldra begon men met den herbouw des tempels, die echter lang zoo groot en prachtig niet worden zou als die van Salomo was. De Samaritanen boden hunne hulp aan, maar de Joden weigerden die. Daarover vertoornd, beschuldigden zij de Joden bij den koning, en, terwijl zij alles deden om den tempelbouw te beletten, wisten zij te bewerken, dat het werk eindelijk verboden werd en gestaakt moest worden. Yan koning Darius kregen de Joden echter weer verlof, om verder te bouwen, en toen de tempel gereed was, werd hij feestelijk ingewijd. Het heilige der heiligen was echter ledig, want de ark des verbonds was verloren gegaan. — Euim 50 jaar later trok Ezra, een bekwaam wetgeleerde, met een talrijke menigte en vele priesters en levieten, naar Jeruzalem. Koning Artahsastha, en anderen gaven hem rijke geschenken mede voor den tempel, terwijl hij ook macht ontving om regeerders en rechters over de Joden aan te stellen. quot;Voor deze goedgunstigheid dankte Ezra den Heer, die de harten der koningen neigt, om te doen wat Hij wil. Toen hij te Jeruzalem gekomen was, liet hij het volk de wet voorlezen , wekte het op tot bekeering en bracht menige hervorming tot stand. Na zijn vertrek verslapte het volk weer en het zag er te Jeruzalem treurig uit. Dit hoorde Nehemia, de schenker van den koning, en met verlof des konings, ging hij nu naar Jeruzalem, vergezeld van gewapende lieden. Daar zag hij, hoe ellendig de stad er uitzag en terstond besloot hij, de muren weer op te bouwen. Dit ging zeer moeielijk, want de vijanden, waaronder de Samaritanen, met Sanneballat aan hun hoofd, trachtten het te verhinderen. Terwijl de eene helft van het volk bouwde, met het zwaard aan de zijde, hield de andere helft de wacht. Eindelijk waren de muren gereed en van poorten voorzien. Na 12 jaar keerde Nehemia terug, maar later kwam hij weer als stadhouder en schafte toen vele misbruiken af. Ook verdreef hij toen een zoon des Hoogepriesters, Manasse, wiens schoonvader Sanneballat daarna op den berg Gerizim een tempel voor de Samaritanen bouwde, waarin Manasse de eerste
hoogepriester was. Jac. 1 : 17; Hagg. 2:9; Hebr. 4 : 14. -- Ps. 48
4; Gez. 12 : 2, 5; Ps. 127 : 1.
48
48. — ESTHER.
(Esther 1—10).
0
Er waren nog vele Joden, die niet naar hun vaderland -waren teruggekeerd. Over het algemeen ging het hun zeer goed. Maar eens waren _zij toch in groot gevaar, waaruit zij door Esther en haar oom Mordichai gered werden. — De koning van het Perzische rijk, Ahasverus, gaf op een zekeren tijd een groot feest. Hij wilde toen de koningin Vasthi openlijk aan zijne gasten vertoonen. Dat was echter geheel in strijd met de oostersche gewoonten en zij weigerde daarom te verschijnen. Ahasverus werd ten gevolge daarvan zoo toornig, dat hij haar verstiet. Een joodsch meisje, Esther, werd nu koningin. Zij was een wees en haar oom Mordichai, een gestrenge Jood, had haar opgevoed. Deze man ontdekte kort daarna eène samenzwering tegen des konings leven en gaf Esther daarvan kennis, die zulks den koning zeide. Hij werd er echter niet terstond voor beloond. Toen ter tijd klom een zekere Haman zeer in aanzien, zoodat hij de eerste werd na den koning. Alle hovelingen bewezen hem nu grooten eerbied, maar Mordichai weigerde zich voor hem te buigen. Dit hinderde Haman geducht, en toen hij hoorde, dat Mordichai een Jood was, besloot hij in zijne nijdigheid, niet alleen hem, maar ook alle Joden te dooden. Hij wist bij don koning te bewerken, dat deze een geheim bevel uitvaardigde, dat alle Joden in het geheele rijk op een bepaalden dag om het leven gebracht moesten worden. Tot zulke gruweldaden kunnen nijd en haat iemand voeren. Mordichai kwam er achter en drong er bij Esther op aan, om tusschen beiden te treden bij den koning. Zij waagde het tot den koning te gaan, wat niemand, zonder geroepen te zijn, doen mocht. Ahasverus nam het echter zeer goed op, en zij noodigde toen den koning en Haman bij zich ter maaltijd. De koning kon echter dien nacht niet slapen en liet zich de kronieken van zijn rijk voorlezen. Daaruit hoorde hij ook, dat Mordichai niet beloond was. Den volgenden dag moest Haman Mordichai eene zeer groote eer bewij zen, die hij, meenende, dat zij voor hem bestemd was, zelf uitgedacht had. Daarover was Haman, die reeds eene galg voor zijn vijand had opgericht, zeer verbitterd. Maar aan den maaltijd werd het nog erger voor hem. Daar maakte Esther zijn gedrag aan den koning bekend, klagende, dat zij en haar volk gedood zouden worden. Ahasverus gaf toen bevel, dat Haman opgehangen moest worden aan de galg, die hij voor Mordichai bestemd had, terwijl de Joden verlof kregen om, in plaats van zelf gedood te worden, hunne vijanden voor te komen en hen te dooden. Ter gedachtenis aan deze redding stelde Mordichai, die in Hamans plaats trad, het feest van Purim (Pur = lot) in, dat ook wel Hamansfeest wordt genoemd. — Die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in. Gal. 5 ; ifi: Pred. 7:9; Spreuk. 26 : 27.--Gez. 62 : 8; Ps. 99 ; 2; Gcz. 17 : 4, 5.
49
49. — ONDER DE MACHT YAN VREEMDEN.
Hoewel vele Joden naar Palaestina terug quot;waren gekeerd, bleven zij toch onder de macht der Perzische koningen, wier stadhouders hen regeerden. De hoogepriester stond echter te Jeruzalem in hoog aanzien en bezat grooten invloed, zoodat er dikwijls allerlei kuiperijen plaats hadden om deze betrekking te verkrijgen.—Langzamerhand werd het Perzische rijk zwakker en eindelijk werd het in het jaar 333 vóór Chr. ten ondergebracht door Alexander den Groote, koning van Macedonië. Hij kwam ook te Jeruzalem, daar de Joden zich aan hem niet hadden willen onderwerpen. De Hoogepriester Jaddua trok, aan het hoofd van vele priesters, in ambtsgewaad hem te gemoet. Deze verschijning maakte op Alexander zulk een indruk, dat hij zijn toorn liet varen, aan de hand van den hoogepriester Jeruzalem en den tempel binnenging en aan de Joden vrijheid gaf, om volgens hunne wetten te leven en in het Sabbathsjaar geene lasten op te brengen. — Na zijnen dood (323 v. Chr.) verdeelden zijne veldheeren het rijk. Palaestina kwam toen eerst, gedurende 3 jaren, onder het bestuur van den Syrischen landvoogd Laomedon en daarna werd het door Ptolemaeus, den koning van Egypte, veroverd. Wel moest deze nog eenige jaren om het bezit er van met Syrië strijden, maar in het jaar 304 v. Chr. had hij het Joodsche land voor goed in zijne macht. Doorgaans hadden de\' Joden niet te klagen over de Egyptische koningen. — Syrië wilde echter op den duur Palaestina niet afstaan en nadat het met Egypte weer gestreden had om het bezit daarvan, kreeg het in 198 v. Chr. Judea, dat intussohen zeer welvarend was geworden, weer onder zijne macht. Dit geschiedde onder Antiochus den Groote, die de Joden zeer goed behandelde. Zijne opvolgers echter deden hun veel ellende aan. Daarbij waren er onder hen allerlei twisten over het hoogepriesterschap. Vooral Antiochus Epifanes onderdrukte hen. Hij beval op straffe des doods, dat zij de Grieksche afgoden zouden dienen en liet in den tempel een beeld van Jupiter plaatsen. Betend is uit dezen tijd een zeker grijsaard Eleasar, die weigerde onreine spijzen te eten of ook maar den schijn daarvan aan te nemen, en die op wreede wijze gedood werd. Zoo weigerde ook eene moeder, met hare 7 zonen, om aan de afgoden te offeren. Zij sterkte hare zonen daarin, zag hen voor hare oogen ter dood martelen en werd ten slotte zelve gedood. — Deze onderdrukkingen hadden eindelijk een opstand, onder de Makkabeërs, ten gevolge. Een tijdlang werden de Joden weer zelfstandig, maar een bondgenootschap met Rome leidde weldra tot onderwerping aan de Romeinen, die over het Joodsche land koningen en stadhouders aanstelden, om het te regeeren. Spreuk. 8 : 15; Job 5 : 17; Jes. 40: 1, 2. --
Ps. 80 ; 11; Gez. 13 : 1, 2, 7; Ps. 119 : 38.
4
50
50. — DE MAKKABEËRS.
De afgoderij, die tengevolge van de maatregelen van Antiochus Epifanes zeer toenam, hinderde den priester Mattathias, die te Mo-din, in het gebergte, woonde en 5 zonen had. Toen men ook hem tot afgoderij wilde dwingen en hij zag, dat een ander aan de afgoden offerdewierp hij het altaar om, doodde den Syrischen bevelhebber en vluchtte met zijne zonen in het gebergte. Vele Joden voegden zich bij hen en aan hun hoofd vervolgde hij de Syriërs en roeide op vele plaatsen de afgoderij uit. Na zijn dood trad zijn zoon Judas, bijgenaamd de Makkabeër (makkab = hamer) en naar wien ook de andere leden van zijne familie zoo heetten, als legerhoofd op. Hij streed met groote dapperheid en toenemend geluk tegen de Syriërs, herwon ook Jeruzalem en herstelde den tempel, dien hij op nieuw aan den dienst des Heeren wijdde. Ook de Ivanaanieten en andere volken, die den Joden vijandig waren, overwon hij. Zoo maakte hij het volk weer vrij, terwijl hij, om zich te sterken, een verbond met Eome sloot. Toen hij gestorven was, volgde zijn broeder Jonathan hem op, die geheel Palaestina van de Syriërs ontruimde en te Jeruzalem zich als erkend vorst en hoogepriester kon vestigen. Hij werd verraderlijk gedood en zijn broeder Simon volgde hem op. Wel was deze in zijn bewind bijzonder gelukkig, zoodat Palaestina in 143 v. Chr. door koning Demetrius vrij verklaard en hij zelf wettig en erfelijk vorst der Joden werd, maar zijn eigen schoonzoon vermoordde hem. Zijn zoon Johannes Hyr-canus werd zijn opvolger. Eerst had hij nog te strijden tegen de Syriërs, maar later sloot hij een bondgenootschap met hen. Hij werd gedurig machtiger, onderwierp Samaria en Galilea aan zich, dwong de Idumeërs den Joodschen godsdienst aan te nemen en bracht zijn rijk, gedurende zijne langdurige regeering, tot grooten bloei. Na zijn dood openbaarde zich allerlei twist in zijn geslacht. Zijn zoon Aristobulus, die hem opvolgde en in 106 v. Chr. de koninklijke waardigheid aannam, was een wreed man. Hij regeerde maar kort en zijn oudste broeder Alexander Janéus werd nu koning. Onder zijne regeering brak een burgeroorlog uit en vielen de Syriërs weder in Palaestina. Hij verdreef hen echter weer. De onderlinge twisten hielden van toen af, onder zijne zonen Hyrcanus en Aristobulus, niet op. Eindelijk kwam de Romeinsche veldheer Pora-pejus in het land. Hij belegerde den tempel en nam dien in. De twisten tusschen Hyrcanus en Aristobulus werden aangestookt door een Idumeër, Antipater genaamd, die daardoor zelf veel invloed kreeg en wiens zoon Herodes later, door de gunst der Romeinen, koning der Joden werd. i Cor. ie : 20; Jes. 40 : 29; Ps. 60 : u. —■ Gez. 34 : 3, 4; Ps. 68 : 16; Gez. 24 : 1.
51
51. — DE HEILIGE SCHRIFTEN.
Hetgeen wij in de vorige hoofdstukken verhaald hebben, weten wij voor het grootste deel uit den Bijbel, en wel uit dat gedeelte, \'t welk wij gewoonlijk het Oude Testament noemen. Dit Oude Testament bevat de Heilige Schriften der Joden. Deze Schriften, 39 in getal, zijn op verschillende tijden door onderscheidene personen geschreven. Het is niet met zekerheid uit te maken, wanneer deze Schriften, zooals wij die thans hebben, bij elkander verzameld zijn. Wij noemen ze Kanonieke boeken, omdat zij den kanon, d. i. regel of maatstaf, bevatten voor ons geloof en leven. De Joden verdeelden deze Schriften in drieën, namelijk 1. de Thora (wet), bevattende de 5 boeken van Mozes, die ook wel de Pentateuch genoemd wordt; 2. de Nebiim (profeten) waartoe de boeken Josua, Eichteren, 1 en 2 Samuel, 1 en 2 Koningen en de profeten, behalve Daniël, behoo-ren; en 3 de Kethoebim (schriften), waarmede de overige boeken van het Oude Testament bedoeld worden. Wij maken in den regel onderscheid tusschen de historische, de dichterlijke en de profetische boeken van het Oude Testament, terwijl wij de laatste weer verdeelen in groote (Jesaja, Jeremia, Ezechiel en Daniël) en kleine profeten. — Behalve deze Kanonieke boeken zijn er ook nog andere geschriften, die wij de Apocryphen (d. i. verborgene boeken) van, het Oude Testament noemen. De voornaamste hiervan zijn de 3 boeken der Makkabeën, de Spreuken van Jesus Sirach en het Boek der Wijsheid. — De Joden hielden hunne Heilige Schriften in hooge waarde. Een bewijs daarvoor is, dat zij, ten behoeve der buitenlandsche Joden, in de Grieksche taal werden overgebracht. Deze vertaling, die hoogstwaarschijnlijk langzamerhand en bij gedeelten tot stand kwam, is bekend onder den naam van Septuagint (70), omdat men gemeend heeft, dat zij tijdens de regeering van den Egyptische koning Ptolemeüs Philadelphus te Alexandrië vervaardigd is door 72, daarvoor uit Palaestina geroepen Schriftgeleerden. Zulke Schriftgeleerden waren mannen, die er hun werk van maakten deze Heilige Schriften te bestudeeren. Zij hielden zich in den regel echter meer met de letter dan met den geest der Schriften bezig. De Joden lazen geregeld eiken Sabbath een gedeelte daarvan in hunne Synagogen. — Ook voor ons hebben deze Heilige Schriften groote waarde, want wij leeren daaruit, hoe God zich aan de menschen en inzonderheid aan Israël heeft geopenbaard en Jioe Hij de komst van Christus heeft voorbereid. Bovendien kunnen wij het Nieuwe Testament niet goed begrijpen, als wij het Oude
niet kennen. 2 Tim. 3 : 14—16; Hand. 17 : ll; Joh. 5 : 39 - Ps. 119 :
53; Gez. 36 : 1; Ps. 89 : 1 , 7.
52
52. — DE MESSIAS-YEEWACHTING.
De Heilige Schriften van liet Oude Testament doen ons ook zien wat God gedaan heeft ter voorbereiding van de komst van Christus in de waereld. Wij merken daaruit, dat de Heer de verwachting van den Messias (gezalfde = Christus) heeft opgewekt en levendig gehouden door herhaalde beloften en profetiëa. Reeds in het Paradijs, terstond na den val, beloofde God aan Adam en Eva, dat een hunner nakomelingen den Satan ten onder zou brengen. De Heer bedoelde hiermede eene verlossing van de macht der zonde. Later maakte God, op verschillende tijden, aan bijzondere personen of door zijne profeten aan het volk in het algemeen, bekend, dat er zulk een quot;Verlosser zou komen. Dan zou eene heerlijke toekomst aanbreken en God zou Zijn volk op allerlei wijze zegenen. Onder beeldspraak werd deze Messias als de Eedder der waereld voorgesteld. Hij wordt een koning genoemd, die, uit Davids geslacht, door den Heer gezalfd, op Davids troon zou zitten tot in eeuwigheid. Vooral door de profeten is herhaaldelijk van dezen Messias gesproken. Hij zou Israël verlossen van al zijne vijanden, het brengen tot grooter macht en luister dan ooit te voren, alle volken aan zich onderwerpen; en allerlei zegeningen zouden dan door hem geschonken worden. Zelfs werden allerlei bijzonderheden van hem bekend gemaakt. Micha (5 : 1) wijst reeds op Bethlehem als zijne geboorteplaats; Jesaja (53) schildert zijn lijden en sterven; Maleachi (3 : 1) spreekt van zijnen wegbereider. — Toen de Joden in ballingschap waren, en later tijdens de verdrukking der Syriërs en nog later onder de heerschappij der Romeinen, troostten zij zich met de gedachte aan dezen Messias, die komen zou. Zij stelden zich echter, in hunne verwachting, deze zaak niet geheel juist voor, want, terwijl zij dachten aan eene uitwendige heerschappij, aan een verlossen van en een heerschen over aardsche vijanden, verloren zij uit het oog, dat de Messias zijn volk van hunne zonden verlossen zou. God heeft echter, door de Messias-ver wachting levendig te houden onder Israël, de komst van den beloofde aan de vaderen voorbereid. Toen eindelijk de belofte vervuld werd, waren er dan ook mannen en vrouwen, van welke ons de grijze Simeon en de oude profetes Anna genoemd werden, die naar dezen Messias hartelijk verlangden en zijne komst zeker verwachtten. Zij werden niet beschaamd, want de Messias is gekomen, en wij weten, dat Jezus, de zoon van Maria, die te Bethlehem geboren is, de beloofde Zaligmaker is. quot;Wat Hij gedaan en geleerd heeft, wordt ons in het Nieuwe
Testament medegedeeld. Gen. 3 : 15; Micha 5 : 1; 1 Tim. i : 15.--
Gez. 112 : 1, 2, 10; Ps. 98 : 1, 2; Gez. 44 : 1, 2.
53
DE TIEN GEBODEN.
1. Gij zult geene andere goden voor Mijn aangezigt hebben.
2. Gij zult u geen gesneden beeld, noch eenige gelijkenis maten \'fean hetgeen\\ boven in den hemel is, noch \\yan hetgeen] onder op de aarde is, noch [van hetgeen] in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen: want Ik, de heee, uw God, ben een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde [/id] dergenen, die Mij haten, en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij lief hebben en Mijne geboden onder\'nouden.
3. Gij zult den naam des heereu uws Gods niet ijdelijk gebruiken, want de heer zal niet onschuldig houden, die Zijnen naam ijdelijk gebruikt.
4. Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat des heeeehquot;, uws Gods, [rfaw] zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uwe dochter, noch uw dienstknecht, noch uwe dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uwè poorten is; want in zes dagen heeft de heeb den hemelen.deaarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage, daarom zegende de heer den sabbatdag, en heiligde denzelven.
5. Eert uwen vader en uwe moeder, opdat uwe dagen verlengd worden in het land, dat u de heer, uw God, geeft.
6. Gij zult niet doodslaan.
7. Gij zult niet echtbreken.
8. Gij zult niet stelen.
9. Gij zult geene valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste.
10. Gij zult niet begeeren uws naasten huis; gij zult niet be-geeren uws naasten vrouw, noch zijnen dienstknecht, noch, zijne dienstmaagd, noch zijnen os, noch zijnen ezel, noch iets, dat van ■uwen naaste is.
54
|
DE RICIITERE^. | ||||||||||||||||||||||||||||||
|
DE BOEKEN YAN HET OUDE TESTAMENT.
|
Genesis. Exodus. Leviticus. Numeri. Deuteronomium. Jozua. -Richter en. Ruih. Twee boeken van saieuel. „ „ der Koningen. „ „ „ Kronieken. Ezra. Nehemia. Esther. Job. Psalmen. Spreuken. |
Prediker. Iloocjlied. .Iesa.ia. Jerejua. Klaagliederen van jebemia. Ezechiël. Daniël. Hosea. JoËL. Amos. Obadja. Joxa. Micha. Nahum. Habaktjk. Zefanja. Haggaï. Zacharia. Maleachi. |
55
ENKELE JAAETALLEN.
J. vóór Chr.
Tan Adam tot Koach. en den Zondvloed..... 4000—3000.
quot;Van Abraham tot Jozefs komst in Egypte .... 2200—1950. Van Mozes en den uittocht uit Egypte tot Jozua. Intocht in Kanailn............. 1500—1400.
Het tijdvak der Eichteren. Gideon, .Teftha, Simson,
Samuël,................ 1400—1100.
Saul wordt koning van Israël........... 1076.
David „ „ „ „ ........... 1048.
Salomo „ „ „ „ ...........1015.
Rohabeam. Scheuring des Eijks. Jerobeam in Israël . . . 975.
Hiskia in Juda. Wegvoering der tien stammen..... 720.
Zedekia. Jeruzalem door Nebukadnézar verwoest. Begin
der Babylonische Ballingschap.......... 588.
Van Cyrus en het einde der ballingschap tot Ezra . 536—438.
Nehemia. (Malëachi).............. 445.
De Joden onder Alexander den Groote...... 330—323.
De Joden beurtelings onder Egypt, en Syrische heerschappij. 323—175. Vervolging onder Antiochus Epifanes, koning van Syrië. 175—163.
Strijd om de vrijheid onder de Makkabeën..... 197—143.
De Joden onafhankelijk............ 143—63.
Herodes, de Idumeër...............37.
KALENDEE DEE JODEN.
van het burger- van het kerkelijk jaar. lijk jaar.
Abib of Nisan (Maart—April), 1ste maand 7de maand
Ijar of Ziv (April—Mei), 2de „ 8ste „
Sivan (Mei—Juni), 3de „ 9de „
Thammuz (Juni—Juli), 4de „ 10de „
Ab (Juli—Aug.), 5de „ 11de „
Elul (Aug.—Sept.) 6de „ 12de „
Ethanim of Tisri (Sept.—Oct.) ^de „ 1ste „
Marchesvan of Bul (Oct.—Nov.) 8ste „ 2de „
Chisleu (Nov.—Dec.) 9de „ 3de „
Thebeth (Dec.—Jan.) 10de „ 4de „
Schebat (Jan.—Febr.) 11de „ 5de „
Adar (Febr.—Maart) 12de „ 6de „
MATEN Eïf GEWICHTEN.
Lengtemaat: Een vinger (etsba\')
Een handbree (taéfach) = 4 vinger Een span (zaéret) = 3 handbree Een el (arnmali) = 2 span.
Inhoudsmaat:
voor vloeibare waren: Een Log
Een Hin - - 12 Log Een Bath = G Hin.
voor drooge ivaren: Een Kab
Een Gomer = li/s Kab Een Maat (Seah) = 3\'/3 Gomer Een Epha = 3 Maat.
Een Homer of Kor = 10 Epha. (De Bath en de Epha hadden gelijken inhoud).
Gewichten: Een Gera
Een Beka of gewone Sikkel = 10 Gera Een Heilige Sikkel = 20 Gera Een Mine = 100 Beka Een Talent = 60 Mine.
(Ter aanduiding van geldswaarden gebruikte men dezelfde namen als die der gewichten).
VERBETERING.
Op blz. 7 regel 11 v. 0. staat Noach, moet zijn Lot.
mm
Present- Exemplaar.
ilSC
VOOR
CATECHISATIËN, SCHOLEN EN HUISGEZINNEN,
DOOR
ÜE. S. D. VAN VEEN,
PREDIKANT TE «UOMXGEX.
TWEEDE STUKJE. - NIEUWE TESTAMENT.
TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1888.
UITGAVE VAN J, B. WOLTERS TE GRONINGEN,
Dr. S. D. van Veen, De Gereformeerde Kerk van Friesland in de jaren 1795—1804. f 2,90.
Het oordeel der pers over dit werk is zeer gunstig. Wij laten hier enkele getuigenissen volgen:
„een lijvig boek, dat men niet schrijft dan na veel onderzoek en studie-quot;quot; Dr. A. W. Broksveld {Stemmen voor Waarh. en Vrede.)
„De geleerde schrijver, die reeds vroeger toonde in de geschiedenis onzer Gereformeerde Kerk thuis te zijn, inzonderheid door 7.\\]n „Voor tweehonderd jaren, Schetsen van het leven onzer Gereformeerde Vaderen. Utrecht 1886,,,, heeft in dit nieuwe boek (circa 300 bldz. groot) een nieuwe en doorslaande proeve gegeven van zijne bekwaamheid op kerkhistorisch en dus ook op kerkrechtelijk gebied.^ Gron. Volksblad.
„Dit voor de geschiedenis der Nederlandsche Hervormde Kerk zeer belangrijk geschrift geeft een degelijk bewerkte beschrijving van een tijdperk, dat meer dan eenig ander vooral voor de Gereformeerde kerk in Friesland een tijdvak van moeite en lijden geweest is.quot;quot;
Dagblad v. Z. H. en \'s Grav.
„Dr van Veen heeft hier eene hoogstbelangrijke kerkhistorische bijdrage geleverd, belangrijk niet alleen voor opzettelijke beoefenaars van de Kerkelijke Geschiedenis, maar ook voor eenigszins ontwikkelde leeken. Evenals alles wat uit de pen van Dr. v. V. komt, laat ook dit boek zich aangenaam lezen.quot;quot; De Nieuwe Sprokkelaar.
„eene studie, die, gelijk alles wat tot nog toe uit de pen van den geleerden schrijver vloeide, van nauwgezet onderzoek en onvermoeide nasporing, bij ernstig nadenken en helderen blik, getuigt. — De belangrijkheid van dit werk, dat ook in zoo menige noot aan den voet der bladzijden van veel bronnenstudie getuigt, wordt nog verhoogd door de daaraan toegevoegde bijlagen.quot;quot; Evang. Zondagsblad.
„Wij gelooven in het werk van den Heer v. Veen een bepaalde aanwinst voor de geschiedenis der Gereformeerde Kerk van dit gewest te kunnen begroeten. Zakelijk geschreven, getuigt het werk van grondige studie, terwijl de persoonlijke meening des schrijvers, waar zulks te pas komt, bescheiden doch met overtuiging wordt uitgesproken. — Begaafd met een helderen blik en de behandeling der stof meester, deze indrukken, die wij gedurende de lezing van zijn werk kregen, geven ons de overtuiging, dat de Heer v. Veen zich op verdienstelijke wijze van zijn taak heeft gekweten. Heerenveensche Courant.
„Deze monographic heeft belang voor allen, die studie maken van de geschiedenis der Hervormde Kerk in ons Vaderland. Blijkens zijne vroegere geschriften heeft de schrijver zich met liefde gewijd aan het onderzoeken van den toestand dier Kerk in vorige eeuwen en is hij daarbij, naar ik meen, een vertrouwbare gids.1\' Tijdspiegel.
VOOR
CAÏEGIHSATIEN, SCHOLEN EN HUISGEZINNEN,
DOOK
J)\';. S. IJ. VAN VEEN,
PREDIKANT TE GRONINGEN.
TWEEDE STUKJE. - NIEUWE TESTAMENT.
TE GEXXNXNGEN BIJ J. 13. WOLTERS} IS88.
Stoomdrukkerij van .J. B. Wolters.
=2f J?7
Op het eerste stukje, waarin ik de Bijbelsche Geschiedenissen van het Oude Testament verhaalde, laat ik hier het tweede stukje volgen, handelende over het Nieuwe Testament.
Moge ook dit een even gunstige ontvangst vinden als het vorige, wsiarvan al zeer spoedig een tweede druk noodig was.
Aangenaam was het mij, van vele ambtgenoten, die mijn boekje gebruiken, te mogen vernemen, dat de daarin gevolgde methode hun bij het onderwijs zeer voldoet.
Voor de aanwijzing van fouten, indien die mochten voorkomen, of de opgaven van verbeteringen, die aangebracht zouden kunnen worden, houd ik mij zeer aanbevolen.
Stelle de Heer ook dit boekje voor velen ten zegen.
Groningen, 1 Sept. 1888. S. D. VAN VEEN.
] N H O U D.
blz.
De moeder des He er en............• . . 1
De geboorte van Jezus .............\'2
Simeon ex Anna................3
De wijzen uit het Oosten ............4
Jezi s\' jeugd .................5
Johannes de Dooper..............................fi
Jezus gedooi\'t en verzocht........................7
Jezus\' eerste Discipelen.............H
Op de bruiloft en in dex tempel- ..........*9
Nicodemus en de Samaritaansche vrouw ...... 10
De koninklijke hoveling es de mannen van Nazareth . . 11
Te Kapernaüm.................12
De kranke te Bethesda.............13
De apostelkeuze en de bergrede..........14
Jezus\' gelijkenissen...............15
Axdere gelijkenissen..............1()
De hoofdman van Kapernaüm en de jongeling van Naïn . . 17
De farizeër ex de zondares............18
De storm op zee ex de bezetene vax Gr ad ar a .....19
De opwekking van Jaïrus\' dochtertje........20
De uitzending der twaalf apostelen.........21
De wonderbare spijziging.............22
De Christus, de Zooxt des levenden Gods.......23
De Syro-Fenicisciie vrouw ............24
De verheerlijking op den berg...........25
De reis door Samaria..............26
Jezus op het Loofhuttenfeest...........27
Biz.
De uexezing vak den jslindoekoiïexe.........28
De opwekking van Lazaeüs............29
Oi- weg naar Jeruzalem.............30
Te Jericho..................31
De intocht te Jeruzalem.............32
Farizeën en schriftgeleerden...........33
Jezus laatste bezoek aan den tempei.........34
Het laatste Avondmaal.............35
Gethsémané..................36
Jezus voor Kajafas en den Joodschen Raad......37
Jezus voor Pilatfs en Herodes ..........38
Jezus gekruisigd................39
De opstanding des Heeren............40
Verschijningen aan de discipelen..........41
\'s Heeren hemelvaart..............42
De uitstorting des Heiligen Geestes.........43
De Jeruzalemsche gemeente............44
Paulus\' bekeeking ...............45
Paulus\' eerste zendingsreis............46
Paulus\' tweede zendingsreis............47
Paulus\' derde zendingsreis............48
Paulus de gevangene..............49
Petrus ...................50
De andere apostelen..............51
De Heilige Schriften..............52
quot;Wonderen van Jezus.............53
Gelijkenissen van Jezus............54
Het geiied des Heeren (het „Onze Vaderquot;) .... 55
De twaalf artikelen des geloops........55
De boeken van het Nieuwe Testament......56
De christelijke feesten............56
1
1. — DE MOEDER DES HEEREN.
(Luk. 1 : 26—-56,.
Te Nazareth, eene stad in Galilóa, woonde eene maagd, die, zooals ons uit alles, wat wij van haar weten, blijkt, waarlijk vroom was. Zij heette Maria en behoorde tot den geringeren stand. Dit was echter voor God geen beletsel om haar zeer bijzonder te zegenen. Hij immers ziet niet aan wat voor oogen is, maar let op het hart. Deze Maria was verloofd met een timmerman, die Jozef heette en, evenals zij zelve ook, uit het geslacht van David was. — Op een zekeren tijd verscheen aan haar de Engel Gabriël, die haar aansprak met deze woorden: Wees gegroet, gij begenadigde! de Heer is met u, gij zijt gezegend onder de vrouwen. Maria, die door de verschijning van den Engel zeer ontroerd werd, wist niet, wat deze woorden beteekenen moesten. De Engel stelde haar echter gerust, door tot haar te zeggen: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden. Hij deelde haar verder mede, dat zij moeder worden zou van een zoon, dien zij Jezus (d. i. Zaligmaker) zou moeten noemen. Deze zoon zou groot zijn, de zoon des Allerhoogsten genaamd worden en tot in eeuwigheid koning zijn. ilaria begreep niet, hoe dit mogelijk zou zijn, maar de Engel zeide tot haar: Geen ding zal bij God onmogelijk zijn. Geloovende, wat tot haar gezegd was, antwoordde zij toen: Zie de dienstmaagd des Ileeren; mij geschiede naar uw woord. Daarmede gaf zij te kennen, dat, wat de Heer met haar voor had, haar ook goed was, al be-:greep zij het nog niet. Zoo moeten ook wij steeds op God vertrouwen en alles aan Hem overlaten. — De Èngel had tevens aan Maria gezegd, dat hare nicht Elisabeth, de vrouw van een zekeren priester Zacharias , die in Juda woonde, ook spoedig moeder hoopte te worden. Maria ging toen terstond op reis, om Elisabeth te bezoeken en haar te vertellen, wat de Engel gezegd had. Elisabeth, die veel ouder was dan zij, ontving haar met vreugde, prees haar gelukkig en versterkte haar in \'t geloof, door de verklaring, dat de dingen, die haar van den Heer gezegd waren, zekerlijk volbracht zouden worden. Maria zelve was ook zeer verheugd. Dat merken wij uit de woorden, die zij daarop sprak en die wij gewoonlijk den lofzang van Maria noemen. Zij verheerlijkte daarin den Heer, die zulke groote dingen aan haar gedaan had en Zijne barmhartigheid bewijst aan allen, die Hem vreezen. Ook hierin werd hare vroomheid openbaar. Die waarlijk vroom is, heeft behoefte om God te verheerlijken. —■ Drie maanden lang bleef Maria bij Elisabeth en toen keerde zij terug naar Galiléa. —
•les. 9 : 5, 6; Luk. 1 : 52; Efez. 5 : 20.--Ps. 132 : 7; Gez. 112 : 2.
Bh,
• 23
• 29 . 30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
3; Ps. 138 : 1.
^ an veen , Gesch., II.
2. — DE GEBOORTE VAN JEZUS.
(quot;Luk. 2 ; 1—20).
In die dagen had de Rorneinsche keizer Augustus een bevel uitgevaardigd, dat allen, die in zijn gebied woonden, bescbreven moesten worden. Ook in bet Joodsohe land bad die beschrijving dus plaats. Ieder moest nu gaan naar de plaats, van waar zijn geslacht afkomstig was. Zoo gingen dan ook Jozef en Maria, die beide uit Davids geslacht waren, van Nazareth, waar zij woonden, naar Bethlehem, de stad, waar David geboren was. Zij konden echter, toen zij daar kwamen, geene plaats meer krijgen in de herberg, omdat er reeds vele vreemdelingen waren. Bovendien waren zij te arm, om bijzondere onkosten te maken. Hun bleef dus niets anders over, dan hun verblijf te nemen in den stal der herberg. Daar werd Jezus toen geboren en, nadat hij in doeken gewonden was, ter nedergelegd in de kribbe. Hulpbehoevend en arm is de Heer dus ter waereld gekomen. quot;Wij zouden het van den Zoon des Allerhoogsten geheel anders verwacht hebben, maar Gods gedachten zijn hooger dan onze gedachten. De Heer, die arm werd, maakt ons rijk, als wij in Hem gelooven. — Dienzelfden nacht, in welken Jezus geboren werd, waren er, dicht bij Bethlehem, herders in het veld, die de wacht hielden over hunne kudde. Plotseling verscheen hun een Engel des Heeren en werd de plaats, waar zij waren, door de glans, die van hem uitging, verlicht. De herders werden daardoor zeer bevreesd, want zij wisten nog niet, dat de Engel hun eene goede tijding kwam brengen. Deze zag echter, dat zij schrokken en zeide tot hen: Vreest niet, want ziet ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal, namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heer, in de stad Davids. En dit zal u het teeken zijn: gij zult het kindeke vinden, in doeken gewonden en liggende in de kribbe. De Engel spoorde ben daardoor dus aan om het kind te zoeken, en wees hun tevens den weg om het te vinden. — Terwijl deze Engel nog bij hen was, kwamen er tal van bemelsche wezens, die God prezen en zeiden: Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen. — Nauwelijks waren de Engelen weer heengegaan, of de herders, die geloofden wat God hun had laten zeggen, haastten zich om naar Bethlehem te gaan. Daar gekomen zijnde, vonden zij alles gelijk het hun gezegd was. Zij maakten daarop alom bekend wat hun van dit kind was medegedeeld, en allen, die het hoorden, verwonderden zich, terwijl Maria al deze woorden bewaarde, die overleggende in haar hart.— Toen de herders eindelijk naar hunne kudden terugkeerden, verheerlijkten zij God over alles wat zij gehoord en gezien hadden. Ook wij moeten altijd, vooral als God ons met iets zegent, Hem
verheerlijken. — Joh. 3 : 1G; 2 Cor. 8:9; Luk. 2 ; 14. -- Gez. 114 :
1—4; Ps. 22 : 14; Gez. 117.
3
3. — SIMEON EN ANNA.
(I-iUk. 2 : 21—38).
Toen het kind acht dagen oud was, ontving het, bij de besnijdenis, den naam Jezus, dien de Engel reeds voor zijne geboorte aan Maria genoemd had. Hoewel Jezus de Zoon des Aller-hoogsten was, werd er toch in alles met Hem naar de wet des Heeren gehandeld en was Hij aan die wet onderworpen. Op don veertigsten dag na Zijne geboorte werd Hij daarom ook in den tempel aan den Heer voorgesteld. De wet eisohte namelijk, dat het eerste kind, \'t welk in een Joodsch huisgezin geboren werd , indien het een zoon was, op den veertigsten dag na de geboorte in den tempel gebracht moest worden, terwijl dan voor hem een lam van één jaar oud en eene jonge duif of tortelduif geofferd moesten worden. quot;Waren de ouders evenwel arm, dan konden zij volstaan niet het offeren van twee jonge duiven of tortelduiven. Daar nu Jozef en Maria tot het geringe volk behoorden, gaven zij, toen zij Jezus in den tempel brachten, twee duiven tot eene offerande. — Te Jeruzalem leefde toen een grijzaard, Simeon genaamd, die rechtvaardig en godvreezende was. Hij verwachtte de vertroosting Israels en had van Grod do belofte ontvangen, dat hij niet sterven zou vóór hij den Christus des Heeren, die aan de Vaderen beloofd was , gezien had. Toen nu Jozef en Maria met Jezus in den tempel waren , kwam Simeon daar ook, door den Greest derwaarts geleid. Verzekerd zijnde, dat dit kind de gezalfde des Heeren was, nam hij het in zijne armen, loofde God en zeide: Nu laat Gij, Heer! uwen dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord, want mijne oogen hebben uwe zaligheid gezien , die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken, een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van uw volk Israël. Nadat hij zoo den Heer geprezen had, wiens belofte aan hem vervuld was, zeide hij tot Maria; Zie, deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teeken, dat wedersproken zal worden, opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden; en ook een zwaard zal door uw eigene ziel gaan. Hij bedoelde hiermede, dat Jezus voor velen ten zegen zou zijn als hun Verlosser, maar dat anderen, door Hem te verwerpen, nog dieper in de zonde zouden verzinken, terwijl Maria zelve later, als zij zag wat haar zoon moest ondergaan, bitter lijden zou. — Tegelijk met Simeon was er ook in den tempel eene oude vrouw van omtrent 84 jaren, Anna genaamd, eene profetes, eene dochter van Fanuël, uit den stam Aser. Zij was eene zeer trouwe bezoekster daarvan en diende den Heer aanhoudend met • Tasten en bidden. Toen ook zij het kind zag, beleed zij den Heer, die Zijne trouw nu toonde, en sprak van Jezus tot allen in Jeruzalem , die de verlossing verwachtten. — Simeon en Anna zijn voorbeelden, die ons aansporen om altijd op God te vertrouwen en in getrouwheid Hem te dienen. — Hand. 4 : 12; Luk. 2 : ,34; 1 Cor. 12 : 3.--Ps. 118 : I; Gez. 48 : 2, 3; Ps. 119 : 1.
1*
4. — DE WIJZEN UIT HET OOSTEN.
(Matth. 2.)
Na de voorstelling in den tempel kwamen er eenige wijzen uit het Oosten te Jeruzalem. Hoevelen er waren en hoe zij heetten, wordt ons niet gemeld. De Roomsehe Kerk echter zegt, dat het drie koningen waren, en noemt hen Balthasar, Caspar en Melchior.^ — Deze wijzen deden te Jeruzalem navraag, waar de geboren koning der Joden was, want, zeiden zij, wij hehben gezien zijne ster in het Oosten en zijn gekomen om hein te aanbidden. Dit kwam ook aan koning Herodes ter ooren en deze werd daardoor ontroerd, temeer omdat heel Jeruzalem van deze mannen sprak. De Koning dacht terstond aan den»Christus, van wien ook voorspeld was, dat Hij over Israël zou heerschen. Hij raadpleegde daarom de schriftgeleerden en vroeg hun, waar de Christus zou geboren worden. Zij gaven hem te kennen , dat de profeet (Miclia) Bethlehem, in Judea. als de plaats Zijner geboorte genoemd had. — Toen riep Herodes de wijzen heimelijk bij zich, ondervroeg hen nauwkeurig en zond hen naar Bethlehem, om daar naarstig onderzoek te doen naar dat kind en, als zij het gevonden hadden, hem daarvan bericht te doen. Hij wilde dan ook gaan en het aanbidden, zeidehij. Maar dat was eene leugen. — De wijzen gingen daarop heen. Ook nu wees God hun door de ster den weg en ook de plaats, waar zij Jezus vonden met Maria. Zij waren daarover zeer verblijd, vielen voor het kindeke neder, aanbaden het en gaven het geschenken: goud en wierook en myrre. — Toen de wijzen terug wilden keeren, vermaande God hen in den droom, om langs een anderen weg, en dus niet over Jeruzalem, te gaan. Ook aan Jozef werd door een Engel in den droom bevolen, met Maria en het kind naar Egypte te vluchten, omdat Herodes het kind zou zoeken te dooden. Zoowel de wjzen als Jozef deden wat de Heer hun geboden had. — Daar de wijzen niet terugkeerden, zag Herodes, dat hij door hen misleid was. Hij werd daarop zeer toornig en gaf bevel, dat alle kinderen in Bethlehem en omstreken, van twee jaren en daaronder, gedood zouden worden. Hij had namelijk van de wijzen vernomen, dat Jezus nog niet ouder dan twee jaar kon zijn. Toen aan zijn wreed bevel, dat hij uit vrees voor den geboren koning der Joden gegeven had , voldaan was, zal hij wel gemeend hebben, dat Jezus ook dood was. Maar daarin bedroog hij zich, want Jozef en Maria waren met het kind reeds in Egypte. Zoo waakte de Heer en beschaamde Hij tevens de list van Herodes. Voor wie de Heer zorgt, die is veilig, als hij doet wat God zegt. — Eerst na den dood van Herodes, beval God Jozef, in den droom door een Engel, naar het Joodsche land terug te keeren met Maria en Jezus. Zij gingen toen echter niet naar Bethlehem, maar vestigden zich te Nazareth, een
stadje in Galiléa. — Ps. 72 : 11; Sreuk. 12 : 22; Job. 5 : 12. -Lofc
v. Simeon : 2; Ps. 72 : 6, 11; Gcz. 20 : 6, 7.
5. JEZUS\' JEUGD.
(Luk. 2 ; 40—52gt;
Uit den Bijbel is ons van Jezus\' jeugd maar zeer weinig bekend. Wel bevatten sommige zoogenaamde apoeryphe evangeliën enkele bijzonderheden daarvan, maar deze dragen het kenmerk in zich van nief geloofwaardig te zijn. Eén voorval uit Jezus\' eerste levensjaren wordt ons slechts verhaald, door den evangelist Lukas. Alle jaren gingen Jozef en Maria, als vrome Israëlieten, bijgelegenheid van het Paaschfeest, naar Jeruzalem. Toen Jezus den leeftijd van twaalf jaar bereikt had, ging Hij voor het eerst ook mede, gelijk de gewoonte was. Zijne ouders onttrokken Hem niet aan de deelneming aan den openbaren eeredienst. Ook voor kinderen is het noodig, den Heer te dienen. Gelukkig, als de ouders hun daarin voorgaan. — Toen het feest afgelooopen was, keerden Jozef en Maria weer huiswaarts, maar Jezus bleef achter te Jeruzalem. Dat wisten zij echter niet, doch zij maakten zich eerst ook niet ongerust , toen Hij niet bij hen was, want zij dachten, dat Hij bij het gezelschap op den weg was. Nadat zij zoo den geheelen dag gereisd hadden, kwamen zij \'s avonds aan eene rustplaats. Daar Jezus toen nog niet bij hen was , begonnen zij Hem te zoeken bij de familieleden en bij de bekenden, die met hen reisden, maar zij vonden Hem natuurlijk niet. \'t Is te begrijpen , dat zij bezorgd werden , hoewel zij dat eigenlijk niet hadden behoeven te wezen, omdat zij wisten, dat Jezus zich nimmer op verkeerde wegen begaf en nog nooit hun ongehoorzaam geweest was. Naar Jeruzalem teruggekeerd, zochten zij Hem daar ook eerst te vergeefs, maar eindelijk, op den derden dag, vonden zij Hem in den tempel. Daar zat Jezus in het midden der leeraars, naar welke Hij luisterde en die Hij ondervroeg. Hij sprak tot hen met zooveel wijsheid, dat allen, die Hem hoorden, zich verwonderden over Zijn verstand en over de antwoorden, die Hij gaf op de vragen, die men Hem deed. Ook Jozef en Maria waren verbaasd, toen zij Hem daar vonden. Zijne moeder zeide echter tot Hem: Kind! waarom hebt gij ons zoo gedaan? zie, uw vader en ik hebben u met angst gezocht. Jezus , die Zijne roeping gevoelde om zich met goddelijke zaken bezig te houden, vond het vreemd, dat zij Hem gezocht hadden. Toen zij Hem niet zagen, hadden zij moeten begrijpen, dat Hij in den tempel was. Hij zeide dan ook tot hen: Wat is het, dat gij mij gezocht hebt? wist gij niet, dat ik moest zijn in de dingen mijns Vaders? Zij begrepen dit woord echter toen nog niet. — Jezus keerde nu met hen terug naar Nazareth. Wij lezen van Hem, dat Hij Zijne ouders onderdanig was. \'t Ware te wenschen, dat dit van alle kinderen, groote en kleine, gezegd kon worden. Ook nam Hij, terwijl Hij opgroeide, toe in wijsheid en in genade bij God en de menschen. Is zulk eene toeneming ook aan ons te zien ? — Ps. 2G : 8; Joh. 4 : 34 ; Exod. 20 : 12.---
Ps. 122 : 1; Gez. 02 : 9; Tien Geb. des H. : 6, 9.
■
i
6
6. JOHANXES DE DOOPER.
(Luk. 1 : 5—25, 57—80; Matth. 3 : 1 — 12; Mark. 6 : 14—29).
Een half jaar ongeveer yóór Jezus was Johannes, de zoon van Zacharias en Elisabeth, geboren. Zijne ouders waren streng godsdienstige menschen. Zij hadden eerst geone kinderen. Nu moest Zacharias, die priester was, eens den dienst waarnemen in den tempel. Hij zou juist het reukoffer in het Heilige otteren, terwijl het volzin den voorhof bad, toen hem een Engel verscheen, die hem mededeelde, dat Elisabeth moeder zou worden van een zoon, die Johannes moest heeten. Dit kind zou groot zijn voor den Heer, met den Heiligen Geest vervuld worden en velen bekeeren tot den Heer hunnen God, Ook mocht het geen wijn noch sterken drank drinken. Dat was een teeken der toewijding aan den Heer. Zoo iemand noemde men een Nazireër. — Zacharias kon niet gelooven, wat de Engel Gabriël hem zeide en begeerde een teeken. Toen werd hem gezegd, dat hij stom zou zijn tot dat zijn zoon geboren zou worden. De belofte werd echter vervuld. De familie wilde het kind Zacharias noemen, maar Elisabeth zei, dat hij Johannes moest heeten. Toen men nu den vader vroeg, schreef deze: Johannes is zijn naam. Van datzelfde oogenblik af kon hij weer spreken. Op zijne gehoorzaamheid kreeg hij dus de spraak terug, die hij door ongeloof verloren had. Het eerste wat Zacharias nu deed, was , in een lofzang God verheerlijken en het kindeke zegenen. — Toen Johannes groot geworden was begon hij, op G ods bevel, te prediken en de menschen op te wekken tot bekeering. Die zich bekeerden, werden door hem gedoopt in de Jordaan. Daarom wordt hij cfe Doope;-genoemd. In zijne prediking wees hij ook op den Christus, die komen en met den Heiligen Geest doopen zou, wien hij niet waardig was den riem van Zijne schoenen .te ontbinden. Geheel zijn optreden diende, om den weg voor Jezus te bereiden. — Johannes was zeer streng in het bestraffen van zonden en ontzag daarbij geen mensch. Zoo bestrafte hij ook Herodes, die zich aan groote zonde schuldig gemaakt had door Herodias, de vrouw van zijn nog levenden broeder Eilippus , te trouwen. Herodias was hierover zóó vertoornd, dat zij Herodes wist te bewegen, Johannes in de gevangenis te werpen. Toen nu Herodes eens op zijn verjaardag een maaltijd gaf, danste het dochtertje van Herodias. Dit behaagde zeer aan alle gasten, zoodat Herodes haar aanbood, dat zij mocht vragen wat zij wilde en hij zou het haar geven. Op aanraden van hare moeder vroeg zij toen , dat het hoofd van Johannes den Dooper haar op een schotel gebracht zou worden. Dit verzoek was niet naar den zin van Herodes, die echter uit valsche schaamte zijne verkeerde belofte niet durfde breken, zoodat hij Johannes liet onthoofden. De discipelen van den Dooper hebben hem toen begraven. — Later toen Herodes van Jezus hoorde, meende hij, dat Johannes van de dooden was opgestaan. Daarin zien wij de kracht van het
beschuldigend geweten. — Mal. 3:1; Matth. 3:2,8; Luk. 9 : 24.--
Oieï. 55 : 2; Ps. 32 : 3; Gez. 156 : 4.
7. — JEZUS GEDOOPT EN VERZOCHT.
(Matth. 3 : 13—17; 4 : 1—-U).
Toen Jezus dertig jaar oud was, trad Hij openlijk op onder het volk. Hij begaf zich toen uit Gal ilea naar de Jordaan, waar Johannes doopte. Hij wilde namelijk eerst door hem gedoopt worden. Toen Hij Zijne begeerte aan Johannes te kennen gaf, weigerde deze en zeide met verwondering; Mij is noodig van u gedoopt te worden en komt gij tot mij? Hij voelde namelijk, dat Jezus zeer ver boven hem stond. Bovendien eischte hij als voorwaarde tot den doop altijd de bekeering en die had Jezus niet noodig, maar hij zelf wel, omdat ook hij een zondaar was. Jezus bleef echter bij Zijn wensch om gedoopt te worden. Toen gaf Johannes toe en Jezus werd door hem gedoopt. Terstond na den doop zag Johannes, dat de Heilige Geest, gelijk eene duif, op Jezus nederdaalde. Daaraan zag hij , dat Jezus de Christus, de Zoon van God, was, want God had hem van te voren gezegd: Op welken gij den Geest zult zien nederdalen en op hem blijven, deze is het, die met den Heiligen Geest doopt. Bovendien werd dit hem nog nader bevestigd door eene stem uit den hemel, die zeide: Deze is mijn Zoon , mijn Geliefde, in denwelken Ik mijn welbehagen heb. — Na den doop ging Jezus naar de woestijn , om zich daar door gebed en geestelijken strijd voor te bereiden tot het gewichtig werk, dat God Hem te doen gaf. Veertig dagen lang vastte Hij daar en- werd Hij op allerlei wijze van den duivel verzocht. Na atloop dier veertig dagen hongerde Hem. Toen kwam de verzoeker en zeide: Indien gij Gods Zoon zijt, zeg, dat deze steenen brooden worden. Jezus antwoordde echter: Er is geschreven: De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat. Daarna bracht Hem de duivel te Jeruzalem en op de tinne des tempels en verzocht Hem, zich naar beneden te werpen. Er stond immers geschreven, zeide hij, dat God zijne engelen bevelen zou. Hem te bewaren. Maar Jezus antwoordde: Er is wederom geschreven: Gij zult den Heer, uwen God, niet verzoeken. Eindelijk nam Hem de booze mede op een zeer hoogen berg en toonde Hem al de koninkrijken der wae-reld en hunne heerlijkheid en zeide: Al deze dingen zal ik u geven, indien gij, nedervallende, mij zult aanbidden. Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg. Satan! want er staat geschreven: Den Heer, uwen God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen. Hiermede was de duivel verslagen, zoodat hij van Jezus afliet. De engelen Gods echter daalden af van den hemel en dienden Jezus.— Jezus had dus overwonnen en heeft ons daarin tevens een voorbeeld nagelaten. Ook wij worden dikwijls tot zonde verzocht. Alleen dan kunnen wij staande blijven en den booze overwinnen, als wij God liefhebben en Zijne geboden bewaren. In den strijd tegen de verzoekingen is wat geschreven staat, de Heilige Schrift, een
machtig wapen. — Joh. 3 ; 36; Hebr. 4 : 15; Efez. 6 : 11.--Ps. 119:
65; Gez. 50 : 4; Ps.,86 : 6.
.
8
8. — JEZUS\' EERSTE DISCIPELEN.
(Joh. 1 : 19—52).
Na de verzoeking in de woestijn begaf Jezus zich weer over de Jordaan, waar Johannes, in Beth-abara, werkzaam was. Toen Hij daar gekomen was, wees Johannes, die den vorigen dag openlijk verklaard had, dat hijzelf de Christus niet was, zijne discipelen op Hem met de woorden: Zie het lam Gods, dat de zonde der wae-reld wegneemt. — Des anderen daags zeide hij weer hetzelfde tot twee discipelen, die bij hem waren. Dezen, Andreas en Johannes, de zoon van Zebedeiis, volgden Jezus toen, maar spraken Hem niet aan. Minzaam vroeg Hij hun toen: quot;Wat zoekt gij? Hun eenig antwoord was: Rabbi (d.i. Meester) waar woont gij ? Daarop noo-digde Jezus hen uit, met Hem te gaan. Dit deden zij en den ge-heelen dag bleven zij verder bij Hem. Van toen af werden zij Zijne discipelen. — Andreas deelde deze ontmoeting aan zijn broeder Simon mede en zeide: quot;Wij hebben gevonden den Messias. Vervolgens leidde hij hem tot Jezus. Toen Jezus hem aanzag zeide hij: Gij zijt Simon, de zoon van Jonas, gij zult genaamd worden Cefas (d.i. I\'etrus = rots). Ook Simon Petrus bleef toen bij Jezus. — Den volgenden dag, toen Jezus naar Galilea wilde gaan , ontmoette Hij Filippus, die, evenals Andreas en Simon, uit Bethsaïda was, en zeide tot hem: Volg mij. Filippus voldeed aan deze uitnoodi-ging. — Evenals Andreas, bracht ook hij weer een ander tot Jezus. Des Heeren discipelen moeten altijd trachten, ook anderen tot Jezus te brengen. Filippus dan vond Nathanaöl, rustig onder een vijgenboom zittende. Van zijne blijdschap gaf hij hem blijk door tot hem te zeggen: Wij hebben dien gevonden, van welken Mozes in de wet geschreven heeft en de profeten, namelijk Jezus, den zoon van Jozef, van Nazareth. Nu stond dit stadje niet zeer gunstig bekend. Nathanaël zeide daarom: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Hierop antwoordde Filippus echter: Kom en zie. Nathanaël sprak eerlijk uit, wat hij dacht. Daarbij liet hij zich evenwel door een vooroordeel leiden, maar hij was toch te eerlijk om daaraan toe te geven. Hij ging dus met Filippus mee. Toen hij bij Jezus kwam, zeide deze, die wist wat in den mensch was: Zie, waarlijk een Israëliet, in welken geen bedrog is. Verwonderd vroeg Nathanaël toen: Van waar kent gij mij? Toen Jezus nu antwoordde: Eer u Filippus riep, daar gij onder den vijgenboom waart, zag ik u; was Nathanaël zóó getroffen, dat hij erkennen moest: Rabbi! gij zijt de Zone Gods, gij zijt de Koning Israels. Jezus zeide daarop: Omdat ik u gezegd heb: Ik zag u onder den vijgenboom, zoo gelooft gij; gij zult grootere dingen zien dan deze. Uit de werken van Jezus en hetgeen met Hem geschied is, is dan ook wel gebleken, dat Hij de Christus, de gezondene des Vaders, was. —
1 Joh. 2 ; 2; Tit. 2 : 14; Joh. 14 : 10.--Gez. 39 : 1; Ps. 73 : 12;
Gez. 62 : 2.
9
9. — OP DE BRUILOFT EN IN DEN TEMPEL.
(Joh. 2).
Toen Jezus Zijne eerste discipelen gevonden had, ging Hij met hen naar Galiléa en begaf zich naar het stadje Kana. Daar werd eene bruiloft gevierd, tot welke Hij met Zijne leerlingen was genoodigd. De Heer had er niet op tegen, dat men zich verblijdde in het goede, dat God te genieten gaf, en daarom kwam Hij zelf ook op de bruiloft, om in de vreugde der jonggehuwden te deelen. Terwijl men aan \'t feestvieren was, bleek het, dat er wijn tekort kwam. Maria, de moeder des Heeren, die ook tegenwoordig was en het wist, zeide het aan Jezus, vertrouwende, dat Hij wel raad zou schaffen. Jezus antwoordde haar echter, dat Zijne ure nog niet gekomen was. Maria zei ondertusschen aan de dienaars: Zoo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat. Zij toonde daardoor, op Hem te vertrouwen. — Toen Jezus nu dacht, dat het tijd was om te helpen , gaf Hij last om zes steenen watervaten, die daar stonden en bij de reiniging der Joden vóór en na den maaltijd gebruikt werden, tot boven toe met water te vullen. Dit geschiedde, en daarna werd van dit water, dat inmiddels wijn geworden was, aan den hofmeester gebracht, die, dezen wijn proevende, hem nog beter vond dan den vorigen en niet kon begrijpen, waarom men, tegen de gewoonte in, den besten wijn tot het laatst bewaard had, en
lera de
zus- zijne verwondering den bruidegom te kennen gaf. Dit was het eerste wonder, dat Jezus gedaan heeft als teeken Zijner heerlijkheid. )enquot; Hij hielp daardoor hulpbehoevende menschen, en Zijne discipelen, die hierin het bewijs Zijner goddelijke zending zagen, geloofden in Hem. — Van Kana ging Jezus naar Kapernaüm, waar Hij echter van niet lang bleef, want, daar het Pascha nabij was, ging Hij op naar Jeruzalem. Daar vond Hij in den tempel menschen, die ossen
md.
lei\'quot; en schapen en duiven verkochten en anderen, die geld wisselden. Hierover ergerde de Heer zich zóó, dat Hij een geesel van touwtjes
3en maakte en daarmede zoowel de ossen en schapen als hunne ver-^06 keepers met de wisselaren uit den tempel dreef. Tot hen, die de 1,11 duiven verkochten, zeide Hij: Neemt deze dingen van hier weg; !en maakt niet het huis mijns Vaders tot een huis van koophandel. Te Kana had Hij Zijne heerlijkheid geopenbaard; hier te Jeruzalem nam Hij het op voor de heerlijkheid Zijns Vaders. Toen de disci-uj pelen dit zagen, dachten zij aan het woord van den Psalmdichter: ?\'J De ijver van uw huis heeft mij verteerd. — Te Jeruzalem op het P: Paaschfeest deed Jezus nog wonderteekenen, door het zien waarvan velen in Hem geloofden. Toch betrouwde Jezus hun zich zeiven niet, omdat Hij hen allen kende, en omdat Hij niet van noode had, dat iemand getuigen zou van den mensch, want Hijzelf wist, wat
in den mensch was. — Col. 3 ; 17; Ps. 42 : 3; Jcr. 17 : 10.--Ps.
123 : 1 ; Gez. 92 : I , 2 ; Ps. 2G ; 2.
per de
ïn Hjj lenlijk len op wae-le tot nnes Hem eenig noo-
i ge.
Zijne )eder rvol-hij: ^efas
jette ivas. )odi-
10
10. NICODEJIUS EN DE SAMAEITAANSCHE VROUW.
(Joh. 3 : 1—22; 4 : 1—43).
De teekenen, die Jezus te Jeruzalem deed, brachten velen toi het geloof, dat Hij door God gezonden was. Onder dezen was col een zekere Nieodcmus, een aanzienlijk man uit de farizeën. Hi] verlangde nader in kennis te komen met Jezus, maar was bevreesd, daar openlijk voor uit te komen. Daarom ging hij des nachts tot Jezus. De Heer hield toen een zeer belangrijk gesprek met hem over de wedergeboorte. Hij leerde hem, dat de mensch ,ora behouden te worden, geheel vernieuwd moet worden door den Geest van God, en dat God alzoo lief de waereld heeft gehad, dat Hij Zijnet eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hen gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. — Na dit gesprek is Nicodemus een vriend van Jezus gebleven, hetgeen hij later ook toonde, toen hij mot Jozef van Arimathéa des Heeren lichaam begroef. — Niet zeer lang daarna vertrok Jezus weer naat Galiléa. Hij nam Zijn weg door Samaria. Daar, bij de stad Sichar, gekomen, zette Hij zich neder bjj eene bron, die de fontein Jacobs heette, om, terwijl Zijne discipelen in de stad spijze kochten, wat uit te rusten. Toen er nu eene vrouw kwam om water te putten, vroeg Jezus haar. Hem te drinken te geven. De vrouw verwonderde zich, dat een Jood haar, die eene Samaritaansche was, daarom vroeg. Er heerschte namelijk tusschen Joden en Samaritanen een onverzoenlijke haat. Jezus antwoordde haar echter, dat, indien zij wist, wie Hij was, zij van Hem levend water begeeren zou. De vrouw begreep den Heer niet en toen Hij haar gezegd had, dat wie van dat levend water dronk, nooit meer dorsten zou, vroeg zij wel om dat water, maar zij begreep den Heer nog niet. Toen zeide Jezus: roep uwen man. Ik heb geen man, antwoordde zij. Juist, zeide Jezus, vijf mannen hebt gij gehad en dien gij nu hebt, is uw man niet. Toen begreep de vrouw eenigszins, wie met haar sprak, want zij zeide: Heere, ik zie, dat gij een profeet zijt. Zij wilde nu van Jezus weten, of men, gelijk de Samaritanen, op den berg Gerizim of te Jeruzalem, zooals de Joden, God moest aanbidden. Jezus leerde haar daarop, dat het niet op de plaats maar op de wijze der aanbidding aankomt. Toen de vrouw daarna zinspeelde op den Messias, die komen zou, maakte Jezus zich als de Messias aan haar bekend. — De discipelen, die inmiddels teruggekeerd waren, wilden, na het vertrek van de vrouw, Jezus spijze geven, maar Hij weigerde die en verklaarde: Mijne spijze is, dat ik doe den wil desgenen, die mij gezonden heeft en zijn werk volbrenge. — Daarna kwamen vele inwoners der stad Sichar, die van de vrouw gehoord hadden, wat Jezus gezegd had, tot Hem en verzochten Hem, bij hen te blijven. De Heer bleef daar toen twee dagen en vele Samaritanen geloofden in Hem als den Christus. — Van daar
vertrok Jezus naar Galiléa. — 2 Cor. 5:17; Jes. 55: 1; Joh. 6 :69.--
Ocz. 38 : 4; I\'s. 23 ; 1 ; Gez. 52 : 2.
11
11. DE KONINKLIJKE HOVELING EN DE MANNEN VAN NAZARETH.
fJoh. 4 : 43—54; Luk. 4 ; 16—30).
In Galilca was, Toordat Jezus daar kwam, reeds door de Gali-eërs, die op het feest geweest waren, bekend geworden, wat Jezus te Jeruzalem gedaan had. Toen Hij dan te Kana, waar Hij Zijn eerste wonder verricht had, gekomen was, kwam tot Hem een koninklijk hoveling uit Kapernaüm. Deze had een zoon, die zeer krank was en op zijn sterven lag. Daar hij nu gehoord had, dat Jezus te Kana was, wendde hij zich in zijne ongerustheid over zijns zoon toestand tot Jezus, in de hoop, dat Hij, die wonderen doen kon, ook zijn zoon gezond zou maken. Daarom vroeg hij den Heer, dat Hij met hem wilde gaan naar Kapernaüm. Jezus stelde hem even op de proef, maar de hoveling hieid aan metsmeeken: Heer, kom af, eer mijn kind sterft. Toen zeide de Heer tot hem ; Ga heen, uw zoon leeft. De hoveling geloofde dit woord en ging heen. Den volgenden dag kwamen hem zijne dienstknechten te gemoet, die hem boodschapten: uw zoon leeft. Toen de vader hun nu vroeg, in welke ure het beter met zijn zoon geworden was, bleek hem uit hun antwoord, dat de koorts hem op hetzelfde uur verlaten had, waarop Jezus gezegd had: uw zoon leeft. Dit had ten gevolge, dat de hoveling zelf en zijn geheele huisgezin met hem in Jezus geloofde. Zij hadden den Heer dan ook leeren kennen in Zijne macht en liefde. — Er waren echter ook menschen, die niet alleen niet in Jezus geloofden, maar zelfs ergernis aan Hem namen. Dat bleek, toen Jezus in dien tijd eens te Nazareth kwam, waar Hij opgevoed was. Op den sabbath ging Hij , gelijk Zijne gewoonte was, naar de Synagoge. Jezus wenschte daar tot de vergaderde menigte te spreken. Men gaf Hem daarop eene boekrol, waarin de profetiën van Jesaja geschreven waren. Toen de Heer het begin van het 61ste hoofdstuk gelezen had , ging Hij zitten om verder te spreken. Hij zeide toen, dat in Hem vervuld was wat de profeet daar had gesproken. Men verwonderde zich algemeen over de aangename wijze, waarop Hij sprak. Maar bewondering is nog geen geloof en Jezus wilde geloof bij hen opmerken. Toen Hij nu zeide, dat geen profeet aangenaam is in zijn vaderland en daarbij Elia en Eliza als voorbeelden aanhaalde, werden allen , die in de Synagoge waren, zeer toornig, want zij voelden, dat de Heer dit zeide ter bestraffing van hun ongeloof. Zij wilden wel aangename woorden, maar niet de harde waarheid hooren. Zij wierpen Jezus nu buiten de Synagoge, drongen Hem buiten de stad en leidden Hem op den top van den berg, waarop Nazareth gebouwd was, om Hem in den afgrond te werpen, maar Jezus, door het midden van hen doorgegaan zijnde, ging weg, zoodat niemand Hem eenig leed kon doen.— Hebr. 11 : 1; Jes. 61 : 1—3; Matth. 11 : 6. - Ps. 30 : 1, 2; Gez. 46 : 31, 32; Ps. 4 : 4.
12
12. — TE KAPERNAÜM.
(Marc. 1 : 16—2 : 14; Luk. 4 ; 31—5 : 28).
Nadat Hij te Nazareth uit de Synagoge geworpen was, vestigde Jezus zieli met der woon te Kapernaüm, van waar uit Hij het omliggende land van Galiléa doorreisde. Op de sabbathdagen leerde hij in de Synagogen, zoowel te Kapernaüm als in de andere steden. — Eens bij het meer Gennésaret staande, drong de schare zoo op Hem aan, dat Hij in het schip van Simon Petrus, die met anderen aan het netten spoelen was, gaan moest, om van het schip af tot de menigte te spreken. Na afloop daarvan gaf Hij Simon last, de netten uit te werpen. Hoewel deze en zijne vrienden den geheelen nacht reeds gevischt hadden, zonder iets te vangen, gehoorzaamde hij toch. Hij ving toen zulk eene groote menigte visschen, dat het net scheurde en zijne vrienden, die in een ander schip waren, hem helpen moesten. Beide schepen werden zoo vol, dat zij bijna zonken. Daarop viel Simon aanbiddend voor Jezus op de knieën. De Heer zeide toen tot hem en tot Andreas, Johannes en Jacobus, die bij hem waren: Volgt mij na, en ik zal maken, dat gij visschers der menschen zult worden. — Toen Jezus weer te Kapernaüm was gekomen, sprak Hij des Sabbaths in de Synagoge zóó, dat men zich verbaasde over Zijne leer, want Hl] leerde hen als machthebbende en niet als de schriftgeleerden. Het geschiedde toen ook, dat er een mensch met een onreinen geest in de synagoge kwam, die door Jezus terstond genezen werd. De Heer handelde dus ook als machthebbende en bezegelde Zijne leer door Zijne daden. — Uit de synagoge ging Jezus met Zijne vier discipelen naar het huis van Simon en Andreas, waar Hij de schoonmoeder van Simon van de koorts genas, zoodat zij opstond en hen diende. Het gerucht dezer beide genezingen had ten gevolge, dat des avonds na zonsondergang vele kranken tot Hem gebracht werden , die Hij allen genas, welke kwaal zij ook hadden. —-Ook op Zijn tocht door Galiléa, dat Hij predikende doortrok, hielp Hij tal van zieken en wierp Hij de duivelen uit. Tot een melaatsche, die voor Hem neerviel en riep: indien gij wilt, gij kunt mij reinigen, zeide Hij, vol innig medelijden Zijne hand uitstrekkende en hem aanrakende: Ik wil, word gereinigd. Terstond week de melaatsch-heid van dezen man, die alom zijne genezing bekend maakte. — Toen Jezus te Kapernaüm teruggekeerd was, werd een geraakte door een gat in het dak juist voor Hem nedergelaten, omdat men hem, wegens het gedrang, niet door de deur kon binnenbrengen. De Heer vergaf hem eerst de zonde en toen sommigen zich hierover ergerden, genas Jezus hem, ten bewijze, dat Hij ook macht had de zonden te vergeven. —Uit de stad weer naar de zee gaande, riep de Heer een tollenaar Levi, den zoon van Alfeüs, uit zijn tolhuis, om Hem te volgen. Deze gehoorzaamde en was van toen
af een Zijner discipelen. — Spreuk. 16 : 20; Jes. 59 : 1; Luk. 9:23.--
Gez. 4-3 : 6; Ps. 68 : 10; Gez. 36 : 3.
13
13. — DE KRANKE TE BETHESDA.
(Joh. 5).
Na eenigen tijd in Galiléa gepredikt te hebben, ging Jezus, bij gelegenheid van een der Joodsche feesten, op naar Jeruzalem. Daar was bij de Schaaps-poort, ten noordoosten van den tempel, een badwater, Bethesda (huis van barmhartigheid) genaamd, een gesticht, dat vijf zalen had, waarin eene groote menigte van allerlei zieken was, wachtende op de roering des waters. Want een Engel daalde neder op zekeren tijd in dat badwater, en beroerde het water; die dan het eerst daarin kwam, na de beroering van het water, die werd gezond, van welke ziekte hij ook bevangen was. Toen Jezus nu te Bethesda kwam, was daar ook een man, die reeds acht en dertig jaren lang ziek geweest was. Hoogstwaarschijnlijk had hij zijne ziekte te danken aan een zondig leven. De Heer zag hem liggen, en wetende, dat hij reeds zoo langen tijd tijd krank was, vroeg hij hem: Wilt gij gezond worden ? De man beklaagde zich hierop, dat hij niemand had om hem in het water te dragen, als dit beroerd werd, terwijl, als hij kwam, een ander hem steeds voor was. Toen zeide Jezus: Sta op, neem uw beddeken op, en wandel. Terstond werd nu de man gezond en hij deed wat Jezus hem gezegd had. — Het was echter juist Sabbath, toen dit geschiedde. Op eene zeer kleingeestige wijze werd de r.ust-dag door de Joden onderhouden. Zij ergerden daarom zich erover, dat de man zijn bed droeg, want zij beschouwden dat als het doen van arbeid, en zeiden tot hem, dat dit niet geoorloofd was. De ge-nezene antwoordde echter: Die mij gezond gemaakt heeft, die heeft mij gezegd: Neem uw beddeken op en wandel. Hij beriep zich dus op Jezus, maar, toen men hem vroeg, wie het was, die dit gezegd had, wist hij het niet, want hij kende Jezus niet. Kort daarna vond Jezus hem in den tempel en zeide tot hem: Gij zijt nn gezond geworden, zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede. Hij moest dus zijne dankbaarheid toonen door zijn leven. Nu wist de man echter, wie hem genezen had en hij deelde dit terstond den Joden mede. Dezen zochten toen Jezus te dooden, omdat Hij deze dingen op den Sabbath deed. Het was wel treurig, dat zij zulk een verkeerd denkbeeld van den rustdag hadden. Wij mogen en wij moeten op den rustdag alles doen, waardoor wij God verheerlijken en anderen helpen kunnen. — Jezus beriep er zich op, dat Hij, gelijk Zijn Vader, altijd moest werken. Toen wei\'den de Joden nog toorniger, omdat Hij God Zijn Vader noemde, en zij Melden Hem nu niet alleen voor een sabbathschenner, maar ook voor een godslasteraar. De Heer werd dus zeer miskend. Wij moeten daarom niet al te zeer klagen, als ook ons soms miskenning gewordt. — Jezus bestrafte toen de Joden over hun ongeloof, hun onwil en hunne verwerping van Hem, die hieruit voortkwamen, dat zij de Schriften niet geloofden. — 1 Joh. 3:8; Exod. 20 : 8—10; Joh. 5 : 40.--Ps. U6 : 6; Gez. 54 : 1; Ps. 119 : 17.
Hij
14
14. — DE APOSTELKEUZE EN DE BERGREDE.
(Luk. 6 ; Matth. 5—7).
Meermalen viel men den Heer hard over de vrije opvatting die Hij had van den Sabbath. Zoo ging Hij op dien dag eens met Zijne discipelen door het gezaaide. Toen zij nu aren begonnen te plukken en te eten, en de Farizeën zich daaraan ergerden, zeide Jezus: De Sabbath is gemaakt om den mensch, niet de mensch om den Sabbath; en: De Zoon des nienschen is een heer ook van den Sabbath. — Kort daarna trof Hij in de Synagoge een man met een lamme hand. Wetende, dat de farizeën Hem waarnamen, vroeg Hij hun, wat geoorloofd was op de sabbathen, goed te doen of kwaad te doen? een mensch te behouden of te verderven? Toen zij zwegen, genas Hij den man. — In die dagen ging Jezus uit naar een berg. Na daar den ganschen nacht in het gebed doorgebracht te hebben, riep Hij zijne discipelen tot zich en koos twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde. Deze 12 Apostelen zijn; Simon Petrus en Andreas, zonen van Jona; Johannes en Jacobus, zonen van Zebe-deüs; Filippus en Bartholomeüs, die ook Nathanaël heette; Matthens of Levi, de tollenaar, en Thomas, bijgenaamd Didymus (tweeling); Jacobus, de zoon van Alfeüs, en Simon Kananites, bijgenaamd Zelotes (de ij veraar); Judas, de zoon van Jacobus, bijgenaamd Leb-beüs of Thaddeiis, en Judas Iskarioth. — Hierna sprak Jezus, van den berg af, tot de schare, die zich op de vlakte bevond, do bekende schoone rede, dio wij de bergrede noemen. Hij maakte daarin Zijne discipelen met den aard van Zijn Koninkrijk bekend en gaf hun allerlei wijze levenslessen. Hij prees hen, die tot Zijn koninkrijk behoorden zalig en gaf te kennen, hoe zij moesten wezen om tot dat koninkrijk te behooren. Hij noemde Zijne discipelen het zout der aarde en het licht der waereld en hield hen voor, dat zij door hunne werken hunnen Vader moesten verheerlijken. Daartoe eischte Hij het onderhouden van Gods geboden, niet enkel naar de letter, maar ook naar den geest. Weest dan gijlieden volmaakt, zeide Hij, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is. Hij waarschuwde hen voor schijnheiligheid, leerde hen in het Onze Vader, hoe zij bidden moesten, en wekte hen op tot vertrouwen op God. Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, zeide Hij, en zijt dan niet bezorgd tegen den morgen. Hij vermaande hen, voorzichtig te zijn in hun oordeel over anderen, al hunne nooden God bekend te maken en anderen met liefde te behandelen. Hij wees hun op het gevaar, dat er is om verloren te gaan, en op do bezwaren, die men ontmoet om het leven te vinden, en eindigde met de berinnering, dat de menschen aan hunne werken gekend worden gelijk een boom aan zijne vruchten. Niet een iegelijk — zoo sprak Hij —die tot mij zegt: Heere! Heere! za.1 ingaan in het koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil mijns Vaders, die in de hemelen is. — Matth. 5 : 48; Matth. C : 19—21 ; Matth. 7 ; 7, 8. —— Gez. 36 ; 2; Ps 25 : 4: Gez. 161 : 4.
I
15
15. JEZUS\' GELIJKENISSEN.
(Matth. 13; Luk. 14).
Bij Zijn onderwijs maakte Jezus zeer veel gebruik van geljjke-[nissen. Hij deed dit, omdat velen Hem anders niet zouden begrijpen Jen voorbeelden noodig hadden, om te verstaan wat Jezus bedoelde. —-[Eens, aan het strand van de Galilésche zee gezeten zijnde, sprak [Hij tot de schare aldus: Ziet een zaaier ging uit om te zaaien. [ Een deel van het zaad viel bij den weg en de vogelen aten het op. Een ander deel viel op steenachtige plaatsen. Het kwam wel op, maar, omdat het geen wortel kon schieten, verdorde het, toen I de zon was opgegaan. \\Veer een ander deel viel in de doornen en deze verstikten het. Een deel eindelijk viel in goede aarde en wies op en bracht vrucht voort, honderd-, zestig- of dertigvoud. Met | het zaad bedoelde de Heer het woord Gods, het zaaien was de 1 prediking daarvan. Het kwam nu op de gesteldheid van het hart aan, of deze prediking te vergeefsch of vruchtbaar zijn zou. — Verder sprak de Heer: het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mensch, die goed zaad zaaide in zijnen akker. Des nachts kwam zijn vijand en zaaide onkruid midden in de tarwe. Bij. het opschieten van de tarwe openbaarde zich ook het onkruid. Zijne dienstknechten wilden nu dit laatste uitroeien, maar hij liet hun dit niet toe, omdat zij lichtelijk met het onkruid ook de tarwe zouden uittrekken. Beide moesten opwassen tot den oogst; dan zou hij zijnen maaiers last geven, het onkruid te verbranden en de tarwe in de schuur te verzamelen. — De Heer vergeleek voorts het koninkrijk der hemelen bij een mosterdzaad, dat maar klein is, maar waaruit iets groots voorkomt; bij een zuurdeesem, dat, hoe gering ook, toch het geheele deeg doortrekt en zuurt; bij een schat in den akker, die waardig is, dat men, om haar te verkrijgen, alles opoffert; bij een koopman, die een paarl van groote waarde vindt en om haar te kunnen koopen, alles verkoopt wat hij heeft; bij een vischnet, dat, in de zee geworpen, allerlei soorten van visschen samenbrengt. — Dat men om Jezus te volgen en deel te hebben aan Zijn koningrijk, alles verloochenen moet, toonde de Heer in de gelijkenis der verontschuldigingen. Een zeker heer bereidde een groot avondmaal en noodde er velen. Toen hij nu zijn dienstknecht uitzond om hen te zeggen , dat alles gereed was , verontschuldigden zij zich. De een had een akker gekocht en moest hem gaan bezien; een ander had vijf juk ossen gekocht en ging heen om die te beproeven ; weer een ander had eene vrouw getrouwd en meende daarom niet te kunnen komen. Toen de heer dit hoorde, werd hij zeer toornig. Hij zond zijn dienstknecht uit, eerst in de straten en wijken der stad, daarna in de wegen en heggen, om armen en ongelukkigen tot het avondmaal te roepen, want hij wilde, dat zijn huis vol zou worden. Van de genoodigden zou echter niemand zjjn avondmaal smaken. — Matth. 13 ; 12; Joh. 3 ;24; Luk. 14:27.-
Pa 100; Gez. 59 ; 1; Ps. 103 : 9.
■
16
16. — ANDERE GELIJKENISSEN.
CLuk. 10 : 25—37; 15 : 11—32; 16 : 19—31).
Jezus sprak dikwijls tot het volk door middel van gelijkenissen. -Eens vroeg een wetgeleerde, met het doel om Jezus te verzoeken: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? De Heet vroeg-hem toen, wat in de wet geschreven was. Op het antwoord, dat men God boven alles en den naaste gelijk zich zeiven moet liet-hebben, zeide Jezus: Doe dat, en gij zult leven. De wetgeleerde vroeg toen; En wie is mijn naaste? Nu verhaalde de Heer hem het volgende: Iemand, van Jeruzalem naar Jericho reizende, viel ondet de roovers, die hem alles ontnamen , hem sloegen en half dood lieten liggen. Eerst ging er toen een priester, daarna een leviet voorbij. Hoewel beiden den ongelukkige zagen liggen, hielpen zij hem niet. Eindelijk kwam een Samaritaan daar langs. Deze had, toen hij den beroofde zag, medelijden met hem. Hij verbond zijne wonden, lei hem op zijn beest, bracht hem in de herberg en verzorgde hem. Den volgenden dag moest hij verder reizen. Hij droeg echter den waard op, zorg te dragen voor den gewonde, en beloofde alle kosten te zullen betalen. Wie, zoo vroeg Jezus nu, dunkt u, dat de naaste was van dien ongelukkige? Natuurlijk antwoordde de wetgeleerde: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Welnu, zei toen de Heer, ga heen en doe gij desgelijks. — Om duidelijk te maken, hoe gaarne God den zondaar de zonden vergeeft, verhaalde Jezus de gelijkenis van den verloren zoon. Iemand had twee zonen. De jongste vroeg van den vader het deel des goeds , dat hem toekwam, ön reisde daarmede naar een ver land. Hier bracht hij alles in overdaad en ongebondenheid door. Toen er nu een hongersnood kwam, leed hij gebrek en mocht zelfs niet den draf der zwijnen, die hij hoedde, eten. Dit wekte zijn berouw en hij besloot, tot zijn vader terug te keeren, schuld te belijden, en te vragen om als zijn knecht aangenomen te worden. Hij voelde zich niet meer waardig zijn zoon te heeten. Yan verre zag hem reeds de vader. Hij liep den zoon tegemoet, kuste hem, vergaf hem alles en richtte, uit blijdschap, een feestmaal aan. De oudste zoon was daarover boos, want hij zag minachtend op zijn broeder neer, maar de vader bestrafte hem daarover, want, zeide hij, deze uw broeder was dood en is weder levend geworden, en hij was verloren en is gevonden. — In de gelijkenis van den rijken man, die allen dag vrolijk en prachtig leefde en aan God noch aan den naaste dacht, en den armen Lazarus, die als een ellendige bedelaar aan de poort des rijken lag, stelde de Heer de vergelding voor, die eenmaal de menschen naar hunns werken ontvangen zullen. De rijke man kwam na den dood in de pijn, de arme Lazarus werd door dc engelen in Abrahams schoot gedragen. Toen werd Lazarus vertroost en de ander leed smarten, terwijl er voor hem geene uitredding
meer mogelijk was. — 1 Joh. 3 : IS-; Jer. 3 : 22; Jac. 1 : 27. --
Gez. Gl : 14; Ps. 65 : 2; Gez. 1S3 ; 4.
17
17. — DE HOOFDMAN VAN KAPERNAUM, EN DE JONGELING VAN NAÏN.
(quot;Luk. 7 : 1—28;.
ien. ^ •eken Heet roord, it liet leerde m het onder lieten lorbij, i niet. Ü den
hem. ■ den osten aaste irde n de ken ezus De am
100q
isn, zijn zijn rdig
Toen Jezus de bergrede laad uitgesproken, ging Hij naarKaper-naüm. Daar woonde een Romeinselie hoofdman over honderd, die een knecht had, van wien hij zeer veel hield. Deze knecht lag op zijn sterven, en zijn meester, zond, toen hij gehoord had, dat Jezus in de stad was, de ouderlingen der Joden tot Hem, met het verzoek, dat Hij wilde komen en zijnen dienstknecht gezond maken. Niet alleen voldeden de ouderlingen gaarne aan zijn wensch , maar zij zeiden ook tot Jezus: Hij is waardig, dat Gij hem dat doet, want hij heeft ons volk lief en heeft zelf ons de synagoge gebouwd. Toen, Jezus nu meeging en niet ver meer van zijn huis was, zond hoofdman eenige vrienden den Heer te gemoet. Hij was bevreesd , dat hij te veel van den Heer had gevraagd. Uit zijnen naam moesten die vrienden tot Jezus zeggen: Heer! neem de moeite niet: want ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen. Daarom heb ik ook mij zeiven niet waardig geacht, om tot ü te komen; maar zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden. De hoofdman was dus nederig en geloofde ten volle in de macht van Jezus. De Heer erkende dit ook , toen Hij tot de schare, die Hem volgde, zeide: Ik zeg ulieden, ik-heb zoo groot een geloof zelfs in Israël niet gevonden. Hij voldeed daarom ook aan het verzoek van den hoofdman, want toen de mannen, die door dezen afgezonden waren, terugkwamen in het huis, vonden zij den knecht gezond. — Den volgenden dag, toen Jezus naar de stad Naïn ging en reeds dicht bij do poort was, ontmoette Hij een lijkstoet. De eenige zoon eener weduwe werd uitgedragen. De moeder, vergezeld van eene groote schare, volgde. Jezus, innig medelijden met haar hebbende, zeide tot haar: ween niet. Daarna liet Hij de dragers stilstaan, raakte de baar aan en sprak: Jonge-liep ling, ik zeg u : sta op! En de doode zat over einde en begon te spreken. Jezus gaf hem toen aan zijne moeder. Dit alles vervulde de schare met eerbied, zoodat zij God verheerlijkte, zeggende: be- Een groot profeet is onder ons opgestaan en God heeft Zijn volk ood bezocht. — Al deze dingen werden alom ruchtbaar en kwamen ook Johannes den Dooper ter ooren. Deze zond toen twee zijner discipelen tot Jezus, om Hem te vragen, of Hij de beloofde aan ien de vaderen was of niet. Toen zij bij Jezus kwamen, genas Hij juist vele kranken. Jezus wees op Zijne daden en zeide, dat zij Johannes moesten boodschappen wat zij gezien hadden. Uit Zijne lan : werken bleek duidelijk genoeg, wie Hij was. En — voegde Hij er aan toe — zalig is hij, die aan mij niet zal geërgerd worden. Toen de boden weggegaan waren, zeide de Heer tot het volk , dat Johannes ng Tiijn wegbereider en tevens de grootste profeet was, maar — zeide Hij — de minste in het koninkrijk Gods is meerder dan hij. — Rom. 10 ; 12;
Joh. U : 25; Luk. 7 ; 23. - Ps. 145 : 6; Gez. 191 ; 1,2; Ps. 89 : 8.
Van veen, Byb. Gesch.j II. 2
18
18. — DE FARIZEËR EN DE ZONDARES.
(Luk. 7 : 36—50; Mare. 14 : 1—11; Joh. 12 : 2—8.)
Hoewel de farizeën minaclitend van Jezus zeiden: Deze ontvangt de zondaren en eet met hen; tocli was Hij ook bereid, als men Hem -vroeg\', bij de farizeën aan tafel te zitten. Hij was immers op aarde gekomen om allen, die zulks verlangden, tot een zegen te zijn. Eens had een farizeër, Simon genaamd, Hem ter maaltijd genoodigd. Terwijl Hij daar aan tafel aanlag, kwam eene vrouw uit de stad, die eene openbare zondares was, in het huis, waar zij gehoord had, dat Jezus zich bevond. Staande achter Zijne voeten en weenende, begon zij Zijne voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en Jjuste Zijne voeten, en zalfde ze met de zalf, die zij in een albasten flesch meegebracht had. De farizeër ergerde zich daarover en dacht bij zich zeiven: Als hij een profeet was, dan zou hij wel weten, welk eene slechte vrouw dit mensch is. Jezus, die zijne gedachten kende, zeide tot hem: Een zeker schuldeischer had twee schuldenaars. De een was hem 500, de ander 50 penningen schuldij;. Geen van beiden kon betalen. Toen schold hij hun het verschuldigde kwijt. Wie van dezen, dunkt u, zal hem het meest liefhebben ? Simon antwoordde daarop; Ik acht, dat hij het is, dien het meeste is kwijtgescholden. Dat was goed geantwoord. Toen zeide de Heer: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen en gij hebt mij geen water gegeven om mijne voeten te wasschen, zooals anders toch altijd de gewoonte is. Zij daarentegen heeft ze nat gemaakt met hare tranen. Gij hebt mij geen kus, als teeken van vriendschap, gegeven. Zij heeft niet opgehouden mijne voeten te kussen. Gij hebt mijn hoofd niet met olie gezalfd. Zij heeft mijne voeten met zalf gezalfd. Zoo heeft zij mij hare liefde getoond en hare begeerte om mij te dienen. Daarom zeg ik u: hare vele zonden zijn haar vergeven, want zij heeft veel liefgehad. Tot de vrouw zelve zeide Jezus toen ook; uwe zonden zijn u vergeven. En toen de andere gasten zich daaraan ergerden, zeide Jezus tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden, ga heen in vrede. Dit verhaal leert ons, dat Jezus overal bereid was, zondaren te ontvangen en te helpen. — Weinige dagen vóór Zijn dood is Jezus wederom ten huize van een zekeren Simon, clie melaatsch geweest was, gezalfd met zeer kostelijke zalf uit een albasten flesch. Dit geschiedde te Bethanië door Maria, de zuster van Lazarus en Martha. Toen ergerden zich de discipelen, en vooral Judas, er over, dat dit geschiedde, want die zalf had voor 300 penningen verkocht en het geld den armen gegeven kunnen worden. De Heer noemde wat Maria deed echter een goed werk en zeide, dat haar naam hierom in gedachtenis blijven zou. De discipelen vergaten, dat voor den Heer niets te goed of te duur is. Hem komt alles toe. — Rom. 3:12; 1 Tim. 1 ; 15; Matth. 26 : 11. Gez. 39 : 4; Ts. 32 : 1; Gez. 65 : S.
ï joo pnd gin
ies ito: we
DOI ter wa In
\\Y8
da Mi
sti rii er zi ré
19
il9. — DE STORM OP ZEE EN DE BEZETENE TE GADARA.
(Jlatth. 8 : 18—34; Mare. 4 : 35—41, 5 : 1—21.)
vangtj Kort nadat Jezus aan den oever der Galilesche zee de schare nieuidoor gelijkenissen aangaande het koninkrijk der hemelen had 3rs o|)lionderwezen , besloot Hij, naar de andere zijde over te varen. Hij en telging toen met Zijne discipelen in een schip, terwijl andere scheep-^ItijdBes hen volgden. Terwijl men op zee was, stak er een geweldige \'rouwtstorm op, zoodat de baren over het schip sloegen en het vol water waarf werd. Ondertusschen lag de Heer in het achterschip rustig op een oorkussen te slapen. Angstig en bevreesd wekten de discipelen Hem , terwijl zij tot Hem zeiden: Heere, behoed ons, wij vergaan. Dit was een bewijs , dat zij niet volkomen op den Heer vertrouwden. In Zijne nabijheid waren zij immers veilig, en zoolang Hij bij hen was zou geen onheil hun overkomen. Zacht verwijtend zeide Hij dan ook tot hen: Waarom zijt gij vreesachtig, gij kleingeloovigen? Maar tevens bestrafte Hij de wind en de golven en het werd zeer stil. De discipelen werden hierdoor met diepen eerbied vervuld en riepen vol bewondering uit: Wie is toch deze, dat ook de wind en de zee hem gehoorzaam zijn? — Toen zij nu aan de andere ijde van de Galilesche zee gekomen waren, in het land der Gada-rénen , en Jezus aan wal gegaan was, ontmoetten Hem twee-van den duivel bezetenen, die in de graven hunne woning hadden. Deze graven waren namelijk een soort van vertrekken, die in do rotsen waren uitgehouwen. Een dezer bezetenen trok vooral do aandacht. Hij verkeerde in zulk een staat van volslagen razernij, dat men hem zelfs niet met ketenen kon binden, daar hij deze telkens in stukken trok. Hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en zich zeiven met steenen slaande. Toen hij Jezus zag, viel hij neder en aanbad Hem, en riep met groote stem; Wat heb ik met u te doen, Jezus, gij Zone Gods, Allerhoogsten. Op de vraag des Heeren, hoe hij heette, antwoordde hij: Legio, d. i. eene groote bende, waarmede hij bedoelde, dat vele duivelen in hem gevaren waren. Toen Jezus nu den onreinen geest bevolen had. van hem uit te gaan, vroeg de man, dat de duivelen in eene kudde van omtrent 2000 zwijnen, die daar weidde, mochten gaan. Dit geschiedde, en de zwijnen stortten van ■Ifd [ de steilte af in de zee, terwijl de hoeders de vlucht namen naar te | de stad en daar vertelden, wat er gebeurd was. Toen nu de Gadarénen ien j kwamen om te zien, of dit zoo was, zagen zij den bezetene geheel dit ( genezen, en zij werden bevreesd en baden Jezus, dat Hij uit hun en | land zou weggaan. Zij letten dus meer op het verlies der zwijnen, de i dan op het behoud van een mensch. — Jezus ging weer in het mi | schip, en aan den man, die genezen was en Hem volgen wilde, lat I beval Hij , in zijn land te blijven en daar te verhalen, welke groote dingen hem de Heer gedaan had. — Nah. 1:7; Ps. 89:9, 10; 8. | Klaagl. 3 : 22. - Ps. 93 ; 2, 3; Gez. 28 ; 3; Ps. 77 : 7.
Zijne met [custe lesch it bij 3ten ihten ilde Idig, ïhul-3en? ieste eer; mjj ders lakt md-sen. ïten tare den mw oen iw: sert te fcen
l
20
20. — DE OPWEKKING VAN JAÏRUS\' DOCHTERTJE.
(Mare. 5 : 22—43.)
Toen Jezus te Kapernaiim teruggekeerd was, kwam een overste der Synagoge, met name Jaïrus, tot Hem. Yoor de voeten des Heeren uedervallende, bad hij Hem , dat Hij in zijn huis wilde komen. Hij bad namelijk een dochtertje van omtrent 12 jaren, dat op sterven lag, en nu verwachtte hij van Jezus, dat deze haar weer kon genezen. Daarom zeide bij: ik bid u, dat gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven. De Heer was terstond bereid, met hom te gaan. Dit ging echter niet zoo haastig, als Jaïrus misschien wel wilde, want zulk eene groote schare volgde Jezus, dat men Hem verdrong. — Onder die menigte was ook eene ongelukkige vrouw, die reeds twaalf jaren lang aan eene treurige kwaal leed. Zij had overal genezing gezocht, was bij vele medicijnmeesters reeds geweest, had al wat zij bezat daaraan ten koste gelegd, maar nergens baat gevonden. Het was integendeel steeds erger geworden. Zij had nu ook van Jezus gehoord en geloofde vast, dat Hij haar helpen kon. Zóó zeker was zij hiervan overtuigd, dat zij bij zich zelve dacht: Indien ik maar zijne kleederen mag aanraken, ik zal gezond worden. Zij was dan ook onder de schare gekomen en het gelukte haar , het kleed des Heeren aan te raken. En waarlijk, in datzelfde oogenblik voelde zij zich van hare kwaal verlost. Haar geloof was dus niet beschaamd geworden. De Heer wist, wat hier geschiedde, ook zonder dat Hij iets gezien had. Terstond keerde Hij zich om en vroeg: Wie heeft mij aangeraakt? Zijne discipelen vonden deze vraag vreemd, omdat immers de menigte Hem verdrong. De vrouw echter viel bevende en bevreesd voor Hem neder en bekende Hem alles, wat er geschied was, waarop Jezus vriendelijk en troostend tot haar zeide; Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede en wees genezen van deze uwe kwaal. — Terwijl Jezus nog sprak, kreeg Jaïrus bericht, dat zijn kind gestorven was. De Heer, die dit hoorde, zeide echter tot hem: Vrees niet, geloof alleenlijk. Toen men nu aan het huis van Jaïrus kwam, liet Jezus alleen Petrus, Jacobus en Johannes en de vader en de moeder van het kind toe, met Hem binnen te treden. Tot degenen, die de doode beweenden, sprak Hij: vertrekt van bier, want het dochtertje is niet dood, maar slaapt. Deze menschen lachten Hem daarover echter uit. Toen Hij allen, behalve de genoemden, zich had doen verwijderen, nam Hij het kind bij do hand en sprak: Tali\'tha kümi! dat is: Dochtertje, sta op. Terstond werd het kind weer levend en begon te loopen, terwijl de Heer gebood, dat men het te eten zou geven. Daar Jezus niet wilde, dat van deze zaak vertoon gemaakt zou worden, beval Hij de ouders, dat zij er het zwijgen over zouden bewaren, wat echter niet wegnam, dat weldra door het geheele land bekend werd, wat er geschied was. — Joh. 6:37; Jlatth. 21 : 22; Luk. 1 : 37. - Gez. 65 : 1; Ps. 130 : 1; Gez. 67 : 5.
21
21. — DE UITZENDING DER TWAALF APOSTELEN.
(Matth. 9 : 27—38; 10 : 1—42.)
(joeddoende ging Jezus het land door. Overal hielp Hij de onge-lukkigen. Toen Hij, na Jaïrus dochtertje opgewekt te hebben, Zijne reis voortzette, volgden Hem twee blinden. In huis gegaan zijnde, kwamen zij bij Hem, vragende om genezing. Toen zij op de vraag van Jezus: Grelooft gij, dat ik dat doen kan? met beslistheid ten antwoord gaven: Ja, Heere! raakte Jezus hunne oogen aan, zeggende : U geschiede naar uw geloof. Terstond werden zij ziende. — Terwijl zij heengingen, werd tot Hem gebracht een stomme , die tevens van den duivel bezeten was. Ook hem genas de Heer. De menschen verwonderden zich over deze teekenen zóó, dat zij erkenden: Er is nooit desgelijks in Israël gezien. De farizeën wilden dat echter niet toestemmen, maar lasterden den Heer door te zeggen, dat Hij de duivelen uitwierp door den overste der duivelen. — Dit belette Jezus evenwel niet om geheel Galiléa door te reizen en overal de kranken te genezen. Maar niet alleen het lichamelijk, ook het geestelijk welzijn des volks bedoelde Hij. Daarom predikte Hij in de synagogen het evangelie, de blijde boodschap van behoudenis van zondaren. Hij zag de menigte met innerlijke ontferming aan, omdat zij vermoeid en verstrooid waren als schapen , die geen herder hebben. Daarom zeide Hij tot Zijne discipelen : De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige. Bidt dan den Heer des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijnen oogst uitstoote. — De Heer zond hen toen uit om te prediken: Het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Ook gaf Hij hun macht om de kranken te genezen en de dooden op te wekken. Evenals Hij zelf, moesten ook zij dezen arbeid doen uit innerlijke ontferming. Gij hebt het om niet ontvangen, zeide Hij, geeft het om niet. Zij mochten nog niet tot de Samaritanen en Heidenen gaan, maar alleen tot de verlorene schapen van het huis Israels. Schoone lessen gaf Hij hun mede. Zonder bezorgdheid moesten zij uitgaan, zij zouden overal wel voedsel vinden. Veel tegenstand zouden zij ondervinden. Ziet, ik zende u als schapen in het midden der wolven, zeide Hij, en voegde er aan toe; Zijt dan voorzichtig gelijk de slangen en oprecht gelijk de duiven. Maar tevens stelde Hij hen gerust door er op te wijzen, dat de Hemelsche Vader, die voor de muschjes zorgt, ook over hen waakte. Tot getrouwheid spoorde Hij hen aan, als Hij sprak: Een iegelijk dan, die mij belijden zal voor de menschen, dien zal ik ook belijden voor mijnen Vader, die in do hemelen is. En eindelijk herinnerde Hij hun : Die zijn kruis niet op zich neemt en mij navolgt, is mijns niet waardig; terwijl Hij hun ook verzekerde: Die u ontvangt, ontvangt mij, en die mij ontvangt, ontvangt Hem, die mij gezonden heeft. — De discipelen doorreisden al de vlekken van Galiléa en keerden daarna tot Jezus terug. —
Matth. 10 : 37, 38; Matth. 12 : 36; Matth. 10 : 29—3!.--Ps. 145 : 2;
Gez. 48 : 9, 10; Ps. 12G : 3.
22
22. — DE WONDERBARE SPIJZIGING.
(Marc. 6 : 30—44; ,Toh. 6 : 1—14; Marc. 8 ; 1—9.) I ]
Toen de apostelen teruggekeerd waren, ging Jezus met hen it een schip, om over te varen naar eene eenzame plaats, teneindJ daarquot; een weinig te rusten. Gelyk altijd, was er ook nu eeiil menigte volks bij den Heer. Als nu de scharen zagen, dat Hij ii j ê® het schip ging, liepen zij gezamentlijk te voet van alle steden den Heer na en kwamen Hem voor, zoodat, toen Jezus aan den oever kwam , zij Hem daar reeds wachtten. De Heer werd toen met innige ontferming over hen vervuld, want zij waren als schapen, die geen herder hebben. Hij sprak tot hen van het koninkrijk Gods, en die genezing van noode hadden maakte Hij gezond. — Ondertussehen was het laat op den dag geworden. De discipelen zeiden daarom tot den Heer: Laat het volk nu gaan, opdat het in de omliggende dorpen en vlekken brood voor zich moge koopen. In die eenzame plaats was namelijk geene spijze te krijgen en de menigte had ook niets bij zich om te eten. De Heer echter, die het geloof Zijner discipelen en hun vertrouwen in Hem op de proef wilde stellen, zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. Maar zij bezaten slechts 200 penningen, en Filippus merkte op, dat dit niet genoeg was om zooveel te koopen, dat ieder iets kreeg. Daarop zeide Andreas tot den Heer, dat er een jongen was, die vijf gerste-brooden en twee visehjes had, maar wat hielp dit weinige voor zoo vele menschen. Toen gaf Jezus Zijnen discipelen last, de scharen te doen nederzitten op het gras in hoopen van honderd of vijftig. Daarna nam de Heer de vijf brooden en de twee visehjes, en, nadat Hij Zijne oogen ten hemel gericht had, dankte Hij God, verdeelde de spijze in gedeelten, dip Hij aan de discipelen gaf, opdat dezen ze weer aan de schare zouden geven. Op deze wijze kregen, door de goede zorg des Heeren, allen te eten, en zij ontvingen zooveel, dat zij ook allen verzadigd waren. De discipelen en de anderen, die daarbij tegenwoordig waren, ontvingen dus nu weer een nieuw bewijs, dat zij altijd gerust op den Heer konden vertrouwen en dat Hij het hun aan geen ding zou laten ontbreken. Deze wonderbare spijziging was dan ook een teeken van \'s Heeren groote macht, want niet alleen, dat er vijfduizend mannen van deze vijf brooden en twee visehjes gegeten hadden, maar toen de discipelen daarna, op bevel, de overgeschoten brokken verzamelden, namen zij nog twaalf volle korven op. — Later heeft de Heer nog eens eene schare van vierduizend mannen, de vrouwen en kinderen niet mede geteld, gevoed met zeven brooden en eenige weinige visehjes. Ook toen bleven er nog zeven volle
manden met brokken over. — Luk. 12:24; 1 Tim, 6 : 8; Joh. 6 : 35.--
Ocz. 107 : 3; Ps. 111 : 3; Gez. 104 : 7, 9.
zul to on
be D\' hi
V( hi tc a z e A 1
23
23. — DE CHRISTUS, DE ZOOX DES LEVENDEN GODS.
(Matth. 14 : 22—36; Mare. 6 : 45—56; Joh. 6 : 15—71.)
De wonderbare spijziging der 5000 mannen had op de menigte zulk een indruk gemaakt, dat men Jezus, desnoods met geweld, koning wilde maken. Omdat Hij dit wist en het niet goedkeurde, ontweek Hij de schare. Nadat Hij daarom Zijne discipelen gedwongen had, in het schip te gaan en naar de overzijde te varen, beklom Hij zelf een berg om daar in de eenzaamheid te bidden. De discipelen waren intussohen afgevaren, maar daar de wind hun tegen was en bovendien hevig woei, konden zij maar weinig vorderen. Tegen de vierde wake des nachts, ongeveer bij het aanbreken van den dag, waren zij nog maar 25 a 30 stadiën gevaren, toen Jezus, wandelende op de zee, tot hen kwam en zich hield, alsof Hij hen voorbij wilde gaan. Allen zagen zij Hem, maar daar zij niet wisten dat Hij het was, werden zij zeer bevreesd, meenende een spooksel te zien. De Heer stelde hen echter terstond gerust door hun toe te roepen; Zijt goedsmoeds, ik ben het, vreest niet. Petrus antwoordde toen: Heer, indien gij het zijt, zoo gebied mij tot u te komen op het water. Op het woord van Jezus: Kom! klom Petrus toen uit het schip en wandelde op het water. Maar toen hij den sterken wind zag, werd hij bevreesd en begon hij te zinken. In zijn angst riep hij nu: Heere, behoud mij. Tqrstond greep Jezus hem en bestrafte hem over zijne kleingeloovigheid. Daarna klom Hij in het schip en de wind ging liggen. Die in het schip waren vielen toen aanbiddend voor Jezus neder en beleden het: Waarlijk, gij zijt Gods zoon. — Aan wal gekomen, werd de Heer terstond herkend en begon men allerlei kranken tot Hem te brengen. Overal waar Hij kwam vond Hij zulken, die genezing van Hem begeerden. Zij baden Hem, dat zij maar den zoom Zijns kleeds
hen ii neinde u een
Hij in
\'n den oevet innige gt; geen n die schei .ar o Di i\'ende zame had eloof vilde :ateii noeg :eide rste-voov de i of jes, od, raf,
jjze aanraken mochten, en zoovelen als er Hem aanraakten werden zjj gezond. — Den volgenden dag hield Jezus in de Synagoge te pe. Kapernaüfn eene rede tot de schare, waarin Hij haar bestrafte \'en over hare vleeschelijke gezindheid en haar ongeloof. Velen Zijner ger discipelen vonden deze rede hard en murmureerden daarover. De Heer verklaarde de ergernis, die zij aan Zijne woorden namen, hieruit, dat sommigen van hen ook niet geloofden. Er waren n(j namelijk velen , die Hem slechts volgden om de spijze en om de n teekenen. — Van toen af trokken zich velen Zijner discipelen ^ terug, die niet meer met Hem gingen, omdat Hij hun te veel de er waarheid zei. De Heer vroeg daarom aan de twaalf apostelen: ]e Wilt gijlieden ook niet weggaan? Hoe zij er over dachten, bleek !n echter uit Petrus antwoord: Heere, tot wien zullen wij heengaan? |e Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. En wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. — Deze belijdenis van Petrus is nog altijd die der christelijke gemeente. Door Christus alleen kennen wij het eeuwige leven. — Micha 7 : 7; Mare. 6 ; 56; Joh. 6 ; 68.--Ps. 91 : 1; Gez. 46 : 10, 12; Ps. 31 : 15.
24
24. — DE SYRO-FENICISCHE VROUW.
(Matth. 15; 16 : 1—12; Mare. 7; 8 ; 1—21).
Na de spijziging- der 5000 is Jezus te Kapernaüra gebleven. Wij weten echter niet, hoelang. Het gerucht, dat van Hem uitging, was oorzaak, dat Jeruzalemsche Schriftgeleerden Hem daar bezochten. Toen zij zagen, dat Zijne discipelen zich niet hielden aan de inzettingen der Farizeën, gaven zij hun ongenoegen daarover te kennen. De Heer bestrafte hen zeiven echter, noemde hen geveinsden en blinde leidslieden des volks, die door hunne inzettingen Gods geboden krachteloos maakten. — Daarna vertrok Jezus naar de landstreek, waar de steden ïyrus en Sidon lagen. Het was Zijn doel niet, daar openlijk op te treden en daarom wilde Hij dan ook, dat niemand van Zijn verblijf aldaar iets weten zou. Toch werd het bekend, dat Hij daar was. Er kwam namelijk eene Grieksche vrouw, die uit Syro-Fenicië geboortig was, tot Hem, met de bede; Heere, gij Zone Davids, ontferm u mijner! mijne dochter is deerlijk van den duivel bezeten. Zij vroeg daarom den Heer, dat Hij haar kind zou genezen. Hij wilde echter haar geloof beproeven. De beproeving des geloofs dient namelijk tot geloofsversterking. De Heer antwoordde haar daarom eerst in \'t geheel niet. Toen de arme vrouw echter aanhield en de discipelen zich er over ergerden, dat zij hun achterna riep, zeide Jezus tot haar; Ik ben slechts tot de verlorene schapen van het huis Israels gezonden. De vrouw liet zich hierdoor niet afschrikken, maar voor Jezus neervallende, bad zij: Heere, help mij. Schijnbaar gestreng zeide de Heer daarop; Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen. Vol geloof en met vertrouwen antwoordde toen de vrouw: Ja Heere, dat is zoo, maar de hondekens eten toch ook van de brokjes, die er vallen van de tafel hunner heere». De Heer was door dit antwoord getroffen. Hij wilde haar geloof niet beschamen en zeide daarom tot haar; O, vrouw, groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. Verheugd ging deze vrouw toen heen en, tehuis komende, vond zij haar kind genezen. Oj) \'s Heeren helpende macht en op Zijne liefde moeten wij geloovig ■vertrouwen en niets, wat ons ontmoet, mag ons ontmoedigen. Zij worden nooit beschaamd, die op Zijn goedheid bouwen. — Van ïyrus en Sidon ging Jezus naar de omstreken van Dekapolis, waar Hij een doofstomme genas, door de vingers in diens ooren te steken en zijne tong aan te raken, terwijl Hij daarna 4000 mannen spijzigde. — Al deze teekenen waren voor de Farizeën nog niet voldoende. Zij wilden niet in Hem gelooven, maar in hunne vijandschap zochten zij Hem kwaad te doen. Dit gaf den Heer aanleiding om Zijne discipelen voor deze mannen te waarschuwen, die hunne harten moedwillig verhardden. — Matth. 15 : 8, 9; Kum. 12 : 12; Jer. 17 ; 9. - Gez. 59 : 4; Ps. 130 : 3; Gez. 38 : 2.
25
25. — DE VERHEERLIJKING OP DEN BERG.
(Matth. 16 ; 13—17 : 23; Marc. S : 27—9 : 32; Luk. 9 : 18—45).
Toen Jezus kort daarna in de omstreken van Cesaréa Filippi gc-j Wil komen was, vroeg Hij Zijnen discipelen, terwijl Hij met hen alleen teino\'J was: ze8\'Den de menschen, dat ik ben? Zij gaven daai-op ten «• be-l antwoord, dat sommigen, zooals bijvoorbeeld Herodes, Hem hielden n aanl voor J0^anlies den Dooper, anderen weer voor Elia en weer anderen iroverf T001\' Jeremia of één der profeten. Om nu de discipelen zich te doen j jjgjJ uitspreken, vroeg Jezus daarop: Maar gij, wie zegt gij , dat ik ben? inzet-l Zij hadden nu al zoo lang met Hem omgegaan, zij moesten Hem Jezus| dan ook wel kennen. Dat was dan ook zoo, en daarom antwoordde twasl 00^ nu weer Petrus: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden j | Gods. Deze belijdenis was zóó naar waarheid, dat Jezus erkende, Toch I ^t God zelf dit aan Petrus geopenbaard had. — Van toen af be-:schel ?on Jezus Zijnen discipelen mede te deelen, dat Hij van de over-\'ede ■ I priesters en schriftgeleerden veel zou moeten lijden en ten laatste srlijk | door hen gedood zou worden, maar ook, dat Hij ten derden dage haar I weer levend zou worden. Petrus wilde daarvan niets hooren en be I zeide, dat dit niet geschieden zou. Hij trachtte, uit eene verkeerd leer 1 geplaatste liefde, den Heer hiervan terug te houden, maar Jezus rme I bestrafte hem daarover en noemde hem een verzoeker. Tevens dat | leorde de Heer den Zijnen bij deze gelegenheid, dat zij, die-Hem ; jg | wenschten te volgen, zich zeiven verloochenen en zich op het verliet | dragen van lijden voorbereiden moesten. — Zes dagen later nam bad I de Heer Petrus, Johannes en Jacobus met zich op een hoogen op; I berg. Terwijl Hij daar bad, werd Hij voor hen van gedaante ver-ien | anderd en Zijn aangezicht blonk gelijk de zon en Zijne kleeding iele | werd wit gelijk sneeuw. Ook zagen de discipelen twee mannen, ten | Mozes en Elia, die met Jezus spraken over Zijn aanstaand lijden, e». I Petrus wilde toen terstond drie tenten maken, maar terwijl hij dit sof | zoide, kwam er eene wolk, die Mozes en Elia wegnam, en uit deze iw | wolk werd eene stem gehoord, die zeide; Deze is mijn geliefde IW | zoon, in welken ik mijn welbehagen heb, hoort hem! Van vrees I vielen de discipelen ter aarde, maar de Heer richtte hen op en ia\' I gebood hen, dat zij van deze verschijning vóór Zijne opstanding | tot niemand zouden spreken. De verheerlijking op den berg had de in I voorspelling van Jezus aangaande Zijn lijden bevestigd en tevens u. I de discipelen bevestigd in hunne belijdenis van den Christus. — .J) I Toen Jezus den dag daarna van den berg afdaalde, kwam een j. I man bij Hem, wiens kind vreeselijk leed. De discipelen hadden het |. I niet kunnen genezen, maar de Heer liet het kind bij zich brengen |. I en maakte het terstond gezond. Allen verwonderden zich hierover. !gt;gt; ■ Toch gaf deze verwondering niets. Later zou het volk den Heer Lgt; I toch verwerpen. Dat geloofden de discipelen nu ook wel, en toen •. I de Heer nu weer op Zijn aanstaand lijden wees, waren zij wel bedroefd, maar zij spraken Hem toch niet meer tegen. — Luk 12 : 8; Pilipp. 2 : G—8; Tilipp. 2 ; 9—11. - Ps. 118 : 11; Gez. 2 : 3; Ps. 25: 7.
26
26. — DE REIS DOOR SAMARIA.
(Joh. 7 : 2—10; Luk. 9 : 51—62; 10 : 1—16; 17 : 11—19).
De verheerlijking op den berg had plaats gehad in Galiléa. Toen nu weldra het loofhuttenfeest nabij was, spoorden Zijne broeders die nog niet in Hem geloofden, Hem aan, om naar Jeruzalem te gaan, en ook in Judéa Zijne teekenen te doen. De Heer weigerde echter, terstond met hen te gaan. Eerst toen zij vertrokken waren ging Hij ook op tot het feest, niet met de groots menigte, maar alleen met Zijne discipelen. Hij nam den kortsten weg, nl. door Samaria. —■ In een vlek der Samaritanen wilde men Hem niet her bergen, omdat men uit Zijn reizen naar Jeruzalem bemerkte, dat Hij een Jood was. Jacobus en Johannes wilden toen, dat er vuur uit den hemel zou nederdalen om, tot straf, die menschen te verteeren Jezus bestrafte hen echter en zeide tot hen; De Zoon des menschen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven, maar om te behou den. Zoo waarschuwde Hij voor het nemen van wraak en prees in Zijn eigen voorbeeld het bewijzen van liefde aan. — Op deze reis kwam iemand tot Jezus, die zeide, dat hij Hem overal volgen wilde. De Heer wees hem op het moeielijke daarvan, door tot hem te zeggen De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des menschen heeft niets, waar Hij het hoofd nederlegge Twee anderen wees de Heer er op, dat zij, om Hem te volgen dadelijk het besluit daartoe behoorden te nemen en al wat hen daarin verhinderde, loslaten moesten. De Heer stelde altijd op den voorgrond, dat wie Hem volgen wil, zich zeiven verloochenen moet. — Na deze ontmoetingen koos de Heer uit Zijne discipelen zeventig mannen, die Hij twee aan twee uitzond. Zij moesten vóór Hem uitgaan, om overal bekend te maken: Het koninkrijk Gods is nabij u gekomen. Ook gaf Hij hun macht om de kranken te genezen. Zij gingen in Zijnen naam, om eene Goddelijke boodschap te brengen; daarom zeide Jezus ook: Wie u hoort, die hoort mij en wie u verwerpt, die verwerpt mjj; en wie mij verwerpt, die ver werpt Dengene, die mij gezonden heeft. Hieruit zien wij, dat wij indien wij het evangelie niet aannemen. God zeiven verwerpen.— Terwijl Jezus Zijne reis naar Jeruzalem voortzette, ontmoetten Hem tien melaatschen. Deze menschen mochten, wegens hunne afschu welijke ziekte, niet dicht bij de gezonden komen. Zij stonden dus van verre en riepen met luide stem : Jezus, Meester, ontferm u onzer De Heer ontfermde zich ook over hen en zeide, dat zij zich den priesteren vertoonen zouden, zooals de wet voorschreef, dat zij die genezen waren, doen moesten. En zie, terwijl zij heengingen werden zij gezond. Van die tien kwam echter slechts één terug nl. een Samaritaan , om Jezus te danken. Over de ondankbaarheid der anderen werd de Heer toen bedroefd, want zij gaven Gode de eer niet. Zijn wij den Heer dankbaar voor alles, wat Hij voor ons heeft
gedaan? — Spreuk 24 : 29; Luk. 9 : 56; 1 Thess. 5 ; 18. - Gez. 68
1, 2, Ps. 2 : 6, 7; Gez. 63 ; 5.
27
27. — JEZUS OP HET LOOFHUTTENFEEST.
(Joh. 7 : 11—53; S ; 12—59; Luk. 10 : 38—42).
Toen het Loofhuttenfeest begon, was Jezus nog niet te Jeruzalem. De Joden zochten Hem en begonnen over Hem te spreken. Sommigen zeiden: Hij is goed; maar anderen noemden Hem een verleider. Uit vrees voor de Joden, durfde echter niemand vrijuit over Hem te spreken.— Eindelijk, in het midden var, het feest, trad Jezus openlijk op in den tempel en leerde het volk. Dit deed Hij zoo, dat allen zich verwonderden over Zijne kennis van de Heilige Schriften, waarin Hij toch niet door de rabbijnen was onderwezen. De Heer antwoordde hun, dat Zijne leer de leer van God was en dat ieder, die Gods wil begeerde te doen, dat zou bekennen. Ook verweet Hij hun, dat zij, die zelve de wet niet hielden, Hem zochten te dooden, terwijl Hij toch Gods wil volbracht. De Joden zeiden hierop, dat zij Hem niet zochten te dooden, maar dat Hij bezeten was. Sommigen echter erkenden, dat het wel waar was, en verwonderden er zich over, dat men Hem onverhinderd liet leeren. Toch trachtten de farizieën en overpriesters Jezus gevangen te nemen, vooral toen zij zagen, dat velen in Hem geloofden. Zij zonden dienaren daartoe uit, maar hot gelukte hun niet, want de ure des Heeren was nog niet gekomen. Zelfs moesten die dienaars erkennen : Nooit heeft een mensch alzoo gesproken, als deze mensch. De farizeën waren hierover zeer vertoornd, want zij wilden zich van Jezus ontdoen. Nicodemus, die ook raadsheer was, herinnerde hen er echter aan, dat de wet niet toeliet, iemand onverhoord te oordeelen. De farizeën gaven hem hierop een beschimpend antwoord, maar konden voor het oogenblik nog niets tegen Jezus doen. — Toch openbaarde zich al spoedig weer de vijandschap der Joden. Toen Jezus, in den tempel bij de schatkist staande, zich zeiven het licht der waereld noemde, over Zijne goddelijke zending sprak en hen over hun ongeloof bestrafte, scholden zij Hem niet alleen voor een Samaritaan en een bezetene, maar zij trachtten Hem ook met steenen te werpen. Het gelukte hun echter niet. Hem kwaad te doen, want Hij ging ongedeerd uit den tempel. — Jezus had echter ook trouwe vrienden. Te Bethanië, nabij Jeruzalem, woonde cene zekere Martha met hare zuster Maria en haren broeder Lazarus. Eens was Jezus bij hen aan huis. Terwijl Maria belangstellend zat te luisteren naar hetgeen de Heer sprak, was Martha druk bezig, haren gast het verblijf bij haar zoo aangenaam mogelijk te maken. Het hinderde haar, dat Maria zich daarmede in \'t geheel niet bemoeide. Zij zeide daarom tot Jezus: Heer, trekt gij u dat niet aan, dat mijne zuster mij alleen laat dienen ? Zeg haar dan, dat zij mij helpe. Jezus antwoordde echter: Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u over vele dingen; maar één ding is noodig: doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat van haar niet zal weggenomen worden. — Joh. 7 ; 16, 17; 1 Petr. 2 : 23; Mutth. 11:28.——■ Ps. 25 : 1; Gez. 14 : 5; Ps. 27 : 7.
28
28. — DE GEXEZING VAN DEN BLINDGEBORENE.
(Joh. 9—10 : 21).
De Tijandige gezindheid der Joden kwam nu bij iedere gelegenheid uit. Dit bleek al spoedig -weer. Jezus zag te Jeruzalem oj) eenen Sabbath een bedelaar, die van zijne geboorte af blind was. Zijne discipelen, die ten onrechte meenden, dat elke kwaal eene straf was voor bepaalde zonden, vroegen nu den Heer, wie gezondigd had, deze man zelve of zijne ouders. Jezus antwoordde daarop: geen van beiden, maar deze man is blind, opdat God verheerlijkt zal worden. Dit zeggende, spoog Jezus op de aarde, maakte slijk en bestreek daarmede de oogen des blinden. Daarop zeide Hij tot hem; quot;Wasch u in het badwater Silóam. De man deed dit en hij werd ziende. — Natuurlijk werd dit spoedig bekend. De bekenden van den man vroegen hem , hoe hij ziende geworden was. Toen hij de •gaiische toedracht verhaald had, bracht men hem tot de farizeën. Ook aan de farizeën vertelde hij , wat er geschied was. Sommigen van hen noemden Jezus een Sabbathschenner; anderen echter zeiden: hoe kan Hij dan zulke teekenen doen ? Zoo ontstond er tweedracht onder hen. Toen men den blinde vroeg, wat hij van Jezus dacht, zeide hij: Hij is een profeet. — Nu wou men het laten voorkomen, dat hij nooit blind was geweest, maar toen men zijne ouders geroepen had, bevestigden dezen, dat hij blind geboren was. Zij wilden zich echter niet uitlaten over de vraag, hoe hij dan ziende was geworden. Hij heeft zijnen ouderdom, — zeiden zij , — vraagt hem zeiven. Zij waren namelijk bevreesd voor de Joden, want men had besloten, dat men ieder, die Jezus beleed als den Christus, uit de Synagoge zou werpen. •— De blindgeborene werd nu wederom ondervraagd, maar toonde duidelijk hunne booze bedoelingen te begrijpen en sprak dat ook rondweg uit. Volgens hem moest iemand, die zoo iets doen kon, een buitengewoon persoon zijn. Dit had ten gevolge, dat de farizeën den man uit de Synagoge wierpen. — Toen kort daarna de Heer hem weder ontmoette , maakte Hij zich als de Zoon van God aan hem bekend. De genezene geloofde in Hem en aanbad Hem. Jezus zeide toen: Ik ben tot een oordeel in de waereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden. De farizeën vroegen nu, of zij dan ook blind waren ? waarop de Heer ten antwoord gaf: Indien gij blind waart, zoo zoudt gij geene zonde hebben, maar nu zegt gij: wij zien; zoo blijft dan uwe zonde. — Jezus sprak nu verder tot de schare en wees erop, dat myn alleen door Hem behouden wordt. Hij noemde zich zeiven den goeden Herder, die voor de schapen zorgt en ook Zijn leven voor hen stelt, en zeide, dat Hij macht had het leven af te leggen en het weder aan te nemen. Toen nu sommigen Hem bezeten noemden, zeiden anderen: Dit zijn geen woorden eens bezetenen; kan ook de duivel der blinden oogen openen? — Joh. 8 : 12; Matth. li : 25; Joh. 10 : 14.--Gez. 4:5; Ps. 145 : 4; Gez. 49 : 2.
29
i29. — DE OPWEKKINGr VAN LAZARUS.29. — DE OPWEKKINGr VAN LAZARUS.
(Joh. 10 : 22—11 : 4G).
In den winter, op het feest der vernieuwing des tempels, wan-lelde Jezus te Jeruzalem in liet voorhof van Salomo, toen de Joden Hem omringden en tot Hem zeiden; Indien gij de Christus djt, zeg het ons dan vrij uit. De Heer antwoordde hierop: dat Hij lit reeds gezegd had en dat ook Zijne werken van Hem getuigden, naar dat zij het toch niet geloofden. Hij zeide bij die gelegenheid ook: [k en de Vader zijn één. De Joden noemden dit godslastering en .vilden Hem hierom steenigen. Hij ging echter van daar, over de Fordaan, naar de plaats, waar Johannes eerst doopte. Daar bleef ïij eenigen tijd en velen geloofden in Hem. — Terwijl de Heer laar was, kwam de boodschap tot Hem, dat zijn vriend Lazarus ;e Bethanië doodziek was. Jezus zeide op dit bericht, dat deze dekte tot verheerlijking Gods zou strekken. Hij ging echter niet erstond heen om hem te genezen. Na verloop van twee dagen ;eide Hij tot Zijne discipelen: Laat ons weer naar Judéa gaan. roen zij Hem er opmerkzaam op maakten, dat men Hem daar pas lad gezocht te steenigen, liet Hij zich daardoor niet terughouden, ïij zeide: Lazarus, onze vriend, slaapt, maar ik ga heen, om lem uit den slaap op te wekken. Daar de discipelen meenden, lat deze slaap een teeken was van herstel, zeide de Heer: Lazarus s gestorven, en ik ben blijde om uwentwil, dat ik daar niet geweest ben, opdat gij gelooven moogt. — Toen Jezus te Bethanië :\\vam, lag Lazarus reeds vier dagen in het graf. Martha, hoo-ende, dat Jezus kwam, liep Hem te gemoet en klaagde, dat haar gt;roeder niet gestorven zou zijn, als de Heer er maar was geweest, lezus zeide toen: uw broeder zal weer opstaan. Ik ben de opstan-ling en het leven; die in mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven. Gelooft gij dat ? Martha beleed daarop, dat zij geloofde, lat Hij de Christus was, de Zone Gods, die in de waereld komen ;ou-. ^j] ging daarna tot Maria en zeide haar, dat Jezus haar riep. ilaria spoedde zich toen naar den Heer en klaagde Hem hare droef-ieid. Toen weende Jezus. De Joden, die dit zagen, zeiden: Ziet, loe lief Hij hem had. — Bij het graf gekomen, liet Jezus den teen wegnemen, en, nadat ïlij God gedankt had, riep Hij met ;Toote stem: Lazarus, kom uit! Terstond werd nu de gestorvene evend. Velen uit de Joden, dit ziende, geloofden in Jezus, naar anderen boodschapten het gebeurde aan de farizeën. — Dezen )eraadslaagden nu samen. Zij konden niet ontkennen, dat Jezus \'ele teekenen deed en zij vreesden, dat spoedig het geheele volk n Hem gelooven zou. Dan zouden de Romeinen het volk, dat lem aanhing, geheel vernietigen. De Hoogepriester Kajafas gaf laarom te kennen, dat het \'t beste was, Hem te dooden, opdat iet volk gespaard mocht blijven. Van dat oogenblik af, zon men ip middelen, om Jezus te dooden. — Joh. 10 : 27, 28; 1 Joh. 4:9; gt;penb. 1 : 17, 18.--- Ps. 144 : 2; Gez. 142 ; 3; Ps. 14 : 7.
30
30. — OP WEG NAAE JERUZALEM.
(Matth. 19 ; 3—20 : 28; Mare. 10 : 2—45; Luk. 18 : 15—34).
Om de opmerkzaamheid Zijner vijanden te ontgaan, begaf Jezus zich nu naar Efraïm, waar Hij hoogstwaarschijnlijk enkele weken gebleven is, om in stil verkeer met Zijne discipelen, hen voor te bereiden tot den arbeid, dien zij te doen zouden hebben, wanneer Hij niet meer bij hen zou zijn. — Eindelijk naderde de tijd, dat de Heer zou lijden. Het Paaschfeest was nabij en Jezus begaf zich met Zijne discipelen derwaarts. Op weg naar Jeruzalem had Hij nog verschillende ontmoetingen. — Zoo kwamen enkele moeders met hunne kinderen tot Jezus, opdat Hij die zegende. De discipelen, die juist met den Heer een belangrijk gesprek voerden, bestraften die moeders, omdat zij hen daardoor hinderden. Jezus nam hun dat zeer kwalijk en zeide: Laat de kinderkens tot mij komen en verhindert ze niet, want derzulken is het koninkrijk Gods. Tevens drong Hij aan op een kinderlijken zin als eerste vereischte voor Zijne discipelen, om deel te hebben aan Zijn koninkrijk. Daarna nam Hij de kinderen in Zijne armen en zegende hen. — Een weinig later kwam een jong schriftgeleerde, die zeer rijk was, tot Hem. Hij viel voor Jezus op de knieën en vroeg Hem: Goede Meester, wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve? Jezus antwoordde hem daarop: Wat noemt gij mij goed, niemand is goed dan één, namelijk God. Vervolgens noemde Hij hem enkele van de tien geboden. De jongeling zeide, dat hij van zijne jeugd af al deze dingen onderhouden had. Hem ontbrak echter nog iets. De Heer stelde belang in dezen jongeling en had hem lief. Jezus zeide toen tot hem: Één ding ontbreekt u; ga heen, verkoop al wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op en volg mij. Die eisch was den jongeling echter te zwaar en daarom ging hij bedroefd heen. Hij voelde zich meer verbonden aan zijne rijkdommen, dan aan den Goeden Meester. Jezus sprak daarop waarschuwend tot Zijne discipelen: Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het koninkrijk Gods ingaan.^— Toen Petrus daarna den Heer er aan herinnerde, dat hij en zijne vrienden, om Jezus te volgen, alles verlaten hadden, verklaarde Jezus, dat wie om Zijnentwil alles verloochende, eenmaal eenerijke vergelding ontvangen zou. — De Heer deelde hun vervolgens mede, dat Hij weldra te Jeruzalem bespot, gegeeseld, bespogen en gedood zou worden, maar dat Hij ook ten derden dage weer op zou staan. Jacobus en Johannes vroegen toen, dat zij eenmaal in Zijne heerlijkheid aan Zijné rechter-en linkerhand mochten zitten. De Heer zeide, dat dit aan God te geven stond. De andere discipelen namen hun echter dit verzoek zeer kwalijk, en Jezus nam toen hieruit aanleiding, om hen allen te waarschuwen voor heerschzucht en hen op te wekken tot nederigheid en dienende liefde. — Luk. 18 : 16; 1 Tim. 6 : 17^ 18; Mare. 10 : 44, 45. - Gez. 97 : 1; 2; Ps. 26 : 3; Gez. 69 : 6.
31
31. — TE JERICHO.
(Matth. 20 : 29—34; Marc. 10 : 46—52; Lilt. 18 : 35—19 : 10).
Op weg naar Jeruzalem kwam Jezus ook te Jericho. Hij was vergezeld van Zijne discipelen en eene groofce schare. In de nabijheid der stad zat een blinde man, Bar-timéüs genaamd, bedelende aan den weg. Toen deze bemerkte, dat hem zulk eene menigte volks voorbijging, vroeg hij nieuwsgierig, wat dat toch was. Men zeide hem, dat Jezus de Nazerener voorbijging. Nu had Bar-timéüs zeker zeer veel gehoord van de wonderlijke wijze, waarop Jezus vele kranken, en daaronder ook blinden, genas. Hij begon daarom terstond te roepen: Jezus, gij Zone Davids, ontferm u mijner! Hij wilde ook gaarne genezen worden. Die voorbij gingen zeiden echter tot hem, dat hij zwijgen moest. Zijn roepen scheen hen te hinderen. Hij stoorde zich daaraan evenwel niet, maar riep integendeel nog des te meer tot Jezus. De Heer, die hem hoorde, stond stil en beval, dat men Bar-timéüs tot Hem brengen zou. Toen de blinde bij Hem gekomen was, vroeg Hij hem: wat wilt gij, dat ik u doen zal ? Deze antwoordde toen: Heere, dat ik ziende mag worden. Uit dit antwoord bleek, dat hij geloofde, dat Jezus hem genezen kon. De Heer zeide dan ook tot hem: quot;Word ziende; uw geloof heeft u behouden. Dat was zoo; want als Bar-timéüs niet geloofd had, zou hij niet geroepen hebben, maar dan ook niet genezen zijn. Nu echter werd hij terstond ziende en hij volgde Jezus, God verheerlijkende. Dit alles had ten gevolge, dat ook het volk, dit ziende. God prees. — Te Jericho had de Heer nog eene andere ontmoeting. Daar woonde een overste der tollenaren, die Zachéüs heette en zeer rijk was. Hij had begeerte om Jezus te zien, maar, daar hij zeer klein was, ging dat niet. Hij liep nu de menigte een eind vooruit en klom in een wilden vijgeboom. Van die hoogte af zou hij Jezus kunnen zien en dan zou zijn wensch vervuld zijn. Toen de Heer daar voorbijging, zag Hij omhoog en zag Hij Zachéüs. Jezus zeide, dat hij spoedig uit dien boom moest komen, want dat Hij met hem naar zijn huis wenschte te gaan. Zoo kreeg Zachéüs dus meer dan hij had durven wen-schen. Hij ontving den Heer dan ook met blijdschap. Het volk was echter verontwaardigd. Het zeide: Hij is tot een zondigen mensch ingegaan om te herbergen. Men had namelijk van de tollenaren, die ambtenaren der Eomeinen waren en de Joden wel eens oneerlijk behandelden, een afkeer. Zachéüs wilde zich echter verder aan geene oneerlijkheid meer schuldig maken. Integendeel, hij zeide tot Jezus: Zie de helft van mijne goederen, Heere, geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder. De Joden deden dan ook zeer verkeerd , toen zij deze daad van Jezus afkeurden, want -— zeide do lieer — de Zoon des menschen is gekomen om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was. — Col. 4:2; Efez. 3 : 20, 21; Luk. 19 : 10\'--Fs. 142 : 1, 2; Gez. 39 : 3; Ps. 43 ; 5.
32
32. - DE INTOCHT TE JERUZALEM.
Matth. 21 ; 1—17; Mare. 11 ; 1—11; Luk. 19 ; 29—44; Joh. 12 : 1—19).\',
Van Jericho begaf Jezus zich naar Bethanië. Daar werd hij aan oen maaltijd, ten huize van Simon den melaatsche, door Maria, de zuster van Lazarus, met kostelijken nardus gezalfd. Toen de Joden te Jeruzalem hoorden, dat Jezus daar was, kwamen zij in groote menigte te Bethanië, niet alleen om den Heer, maar ook om Lazarus te zien, dien Hij uit de dooden opgewekt had. Deze nieuwsgierigheid was echter een middel om velen te brengen tot het geloof in Jezus. Dit ergerde den overpriesters, zoodat zij het besluit namen om ook Lazarus te dooden. — Van Bethanië uit, hield de Heer den volgenden dag Zjjn intocht te Jeruzalem. Dit was des Zondags. Toen de Heer dicht bij Jeruzalem gekomen was, zond Hij twee van Zijne discipelen naar een nabijgelegen plaatsje. Daar zouden zij eene ezelin vinden. Die moesten zij ontbinden en tot Hem brengen. Als iemand hun mocht vragen, waarom zij dat deden, dan hadden zij slechts te antwoorden; De Heer heeft ze van noode; en zij zouden daarover niet lastig gevallen worden. De discipelen vonden het en deden gelijk Jezus gezegd had. Zij legden hunne kleederen nu op de jonge ezelin en zetten den Heer daarop. Velen uit Jeruzalem kwamen Hem te gemoet. Hem ziende, spreidden sommigen hunne opperkleederen uit op den weg, terwijl anderen takken van de boomen hieuwen en die voor Hem uitstrooiden. Al het volk juichte toen: Hosanna den Zone Davids! gezegend is hij, die komt in den naam des Heeren, hij, die is de Koning Tsraëls. De Heer werd hierdoor openlijk als de Messias erkend. — Dit was den farizeën tot een aanstoot. Meester, bestraf uwe discipelen; zeiden zij. De Heer echter antwoordde hun; Ik zegulieden, dat, zoo deze zwijgen, de steenen haast roepen zullen. — Jezus wist echter wel, dat al deze roepers daarom nog niet in Hem geloofden. Hij wist ook, dat zij spoedig Hem zouden zoeken te kruisigen. Toen Hij dan nabij de stad gekomen was, begon Hij over haar te weenen. Hij voorspelde de ellende, die eenmaal over haar komen zou en toonde Zijne liefde ook in dit woord: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uwen dag, hetgeen tot uwen vrede dient. Immers alleen als men in Jezus gelooft, heeft men den waren vrede, welke ontbreekt aan elk, die den Heer verwerpt. — Terwijl Jezus zoo, gezeten op de ezelin, onder het gejuich der menigte, Zijn intocht te Jeruzalem hield, kwam de geheele stad door dit ongewone schouwspel in opschudding. De Heer begaf zich terstond naar den tempel, waar Hij wederom de wisselaars en ver-koopers van dieren uitdreef. Daar kwamen blinden en kreupelen tot Hem, die Hij genas, terwijl de kinderen in den tempel riepen: Hosanna den Zone Davids. Ook dit namen de farizeën zeer kwalijk, maar de Heer wees hun op wat in Ps. 3 : 8 reeds gezegd was. — Des avonds keerde Hij naar Bethanië terug. — Jes. 9 : 15; Zach. 9:9; Joh. IS : 36. - Gez. 49 : 1; Ps. 8 ; 1, 9; Gez. 43 : 1, 2.
33
-19
33. — FAR1ZEËN EN SCHRIFTGELEERDEN.
(Matth. 21 ; 23—22 : 22; Mare. 11 ; 27—12 : 17; Luk. 20 ; 1—26.)
Jezus had, zooals wij zagen, den tempel wederom gereinigd en ook yele kranken genezen. Toen Hij nu wederom van Betlianië te Jeruzalem gekomen was en in den tempel leerde, vroegen Hem de schriftgeleerden en oudsten des volks, door welke macht Hij deze dingen deed en wie Hem d;e macht gegeven had. De Heer zeide hierop: Ik zal u ook eene vraag doen. De doop van Johannes, was die uit den hemel of uit de menschen? Zij wisten niet, wat zij ten antwoord moesten geven. Zij durfden niet zeggen: uit de menschen ; want al het volk hield Johannes voor een profeet. En als zij zeiden: uit den hemel: dan zou Jezus hun kunnen vragen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd? Zij antwoordden daarom: wij weten het niet. Hieruit bleek hunne oneerlijkheid. Jezus wilde hun nu ook geen antwoord geven op hunne vraag. Zij zouden Hem immers toch niet gelooven. — Jezus verhaalde nu de gelijkenis der twee zonen. Beiden beval de vader, dat zij in den wijngaard moesten gaan werken. De een zei: Ik wil niet: maar, berouw krijgende, ging hij toch. De ander antwoordde: Ik ga; maar hij ging niet. Aan den eerste waren de tollenaars en de zondaars gelijk, aan den laatste de farizeën en schriftgeleerden. Daarom zeide Jezus, dat de tollenaars en zondaars hen voor zouden gaan in het koninkrijk der hemelen. — Verder sprak Jezus nog eene andere gelijkenis. Een zeker heer had een wijngaard, dien hij verhuurde. Toen de oogst gekomen was, zond hij zijne dienstknechten om de vruchten. De huurders sloegen den eenen dienstknecht, doodden den anderen en steenigden den derden. Eindelijk zond de heer zijnen zoon. Ook dezen doodden zij, meenende, dat, als zij den erfgenaam doodden, zij den wijngaard in eigendom zouden kunnen behouden. De heer strafte hen echter hiervoor en gat den wijngaard aan anderen. Jezus liet hierop volgen, dat het koninkrijk Gods ook van de Joden weggenomen en aan anderen gegeven zou worden. — Eene derde gelijkenis was die van een bruilott, die door een koning bereid was. De genoodigde gasten wilden niet komen en behandelden \'s konings dienaren smadelijk, maar ontvingen daarvoor ook een gestrenge straf. In hunne plaats werden nu anderen genoodigd. — De farizeën, die dit alles hoorden , werden zeer toornig en zochten Jezus door eene strikvraag te vangen. Zij lieten Hem vragen, of men den keizer belasting mocht en moest geven of niet. Zei Jezus nu ja, dan zouden de Joden, die de Eonieinen haatten, toornig op Hem worden ; zei Hij echter neen, dan zou men Hem kunnen aanklagen van opruiing tegen den keizer. Jezus liet zich nu een penning brengen en vroeg, wiens beeld daarop stond. Men antwoordde: des keizers. Welnu, zei Jezus, geeft dan den keizer wat des keizers is en Gode wat Gods is. Van verwondering over dit treffend antwoord zwegen zij stil.— Matth. 28 : 18; Efez. 4 : 25; Kom. 13; 7.--Ps. 15 : 1, 2; Gez. 65 ; 3—5; Ps. 1!) ; 6.
van veen, Bijb. Gesch., ii. 3
34
34. — JEZUS\' LAATSTE BEZOEK AAN DEN TEMPEL.
(Matth. 22 ; 23—26 : 2; Mare. 12 ; 18—13 : 37; Luk. 20 ; 27—21: 36; Joh. 12 : 20—50.)
De strikvragen der farizeën werden aan Jezus gedaan tijdens zijn laatste bezoek aan den tempel. Ook met de saddueeën, de ongeloovigen van dien tijd, hield Jezus een gesprek, nl. over de opstanding, waaraan zij niet geloofden, maar die, volgens den Heer,quot;toch plaats zou hebben. — Daarna vroeg Hem een schriftgeleerde , welk gebod der wet het voornaamste was. Jezus antwoordde daarop, dat dit het groote gebod was: Gij zult den Heer uwen God liefhebben met geheel uw hart en met geheel uwe ziel en met geheel uw verstand; en: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven. Toen de schriftgeleerde dit antwoord uitnemend vond en dat zeide, verklaarde Jezus, dat hij niet verre van het koninkrijk Gods was. — De Heer waarschuwde nu de menigte, en vooral Zijne discipelen, voor de farizeën en schriftgeleerden, die er slechts eene uiterlijke godsdienstigheid op nahielden en hunne eigene eer en macht zochten. Hij wekte daarentegen op tot nederigheid en ootmoed. Terwijl Hij nu de farizeën bestrafte en Zijn: wee u! over hen uitsprak, maakte Hij tevens het oordeel, dat over Jeruzalem komen zou, bekend. Hij deed dit met diepen weemoed. Hij had Jeruzalems kinderen zoo gaarne willen behouden, maar zij hadden niet gewild. Dit smartte den Heer. — Voordat Jezus nu den tempel verliet, prees Hij nog eene arme weduwe, die al wat zij had, nl. twee penningen, in de schatkist, die in den voorhof der vrouwen stond, wierp. Jezus zeide, dat hare gave meer betee-kende en alzoo grooter was dan die der rijken, omdat dezen van hunnen overvloed gaven, terwijl de vrouw al wat zij bezat gaf ter eere Gods. — Er waren toen ook eenige Gi\'ieken, die te Jeruzalem gekomen waren om het Paasehfeest te vieren. Dezen gaven aan Filippus hunne begeerte te kennen om Jezus te zien. Filippus zei het aan Andreas en met hun beiden zeiden zij het aan den Heer. Jezus was op dat oogenblik echter geheel ontroerd, daar Hij aan Zijn aanstaand lijden dacht. Hij begeerde daarvan niet verlost te worden, maar wel wenschte Hij, dat ook de naam Zijns Vaders daarin verheerlijkt mocht worden. Er kwam toen eene stem uit den hemel, die Hem zeide, dat deze wensch vervuld was en ook verder vervuld zou worden. — Kort daarna verliet de Heer den tempel. Bij het heengaan maakten Zijne discipelen Hem op de pracht van dit gebouw opmerkzaam. De Heer voorspelde toen de verwoesting van den tempel, van welke niet één steen op den anderen gelaten zou worden. Bij den Olijfberg gekomen, maakte Hij Zijnen discipelen bekend met hetgeen in de toekomst gebeuren zou , spoorde hen aan tot waakzaamheid en getrouwheid en deelde hun mede, dat over twee dagen het Pascha was en dat Hij dan gekruisigd zou worden. Daarna ging Hij voor het laatst weer naar Bethanië. Zijn openbare werkzaamheid was nu geëindigd. — Matth. 23: I2;Jcël2 : 12, 13; Joh. 12:26.--Gez. 191 : 3,4; Ps. 130:4; Gez. 77 : I, 4.
35
35. — HET LAATSTE AVONDMAAL.
(Matth. 20 : 17—35; Mare. 14 : 12—31; Luie. 22 : 7—38; Joh. 13—17.)
Den volgenden dag, des Donderdags, tegen den avond, zond Jezus Petrus en Johannes naar Jeruzalem, om daar in het huis van een Zijner vrienden den Paasohmaaltijd te bereiden. Hij beschreef hun eenen man, dien zij ontmoetten zouden en die hun tot dat doel eene groote opperzaal zou wijzen. Toen het avond geworden was, kwam de Heer zelf met de andere apostelen van Bethanië. — Terwijl men zou gaan aanliggen aan den disch, ontstond onder de apostelen twist over de vraag: wie van hen de meeste was. De Heer lei nu Zijne kleederen af, nam een linnen doek, goot water in een bekken en begon de voeten der discipelen te wasschen. Allen verwonderden zich er over, dat de Heer dit deed, en Petrus wilde het, toen de beurt aan hem kwam, zelfs niet toelaten. Maar toen deHeerzeide, dat het moest, omdat hij anders geen deel aan Hem had, wilde Petrus, dat Jezus ook zijne handen en zijn hoofd wiesch. Maar dat was niet noodig. Jezus had namelijk met deze voetwassching Zijnen discipelen eene ernstige les willen geven. Gelijk Hij hen diende, zoo moesten ook zij elkander dienen en in nederigheid het voorbeeld, dat Hij hun gaf, navolgen. — Daar Jezus wist, dat Judas met de Joden reeds eene afspraak gemaakt had, om Hem voor 30 zilverlingen aan hen over te leveren, zeide Hij onverwacht tot de discipelen, dat een van hen Hem verraden zou. Ontsteld vroegen zij allen, wie dat zijn mocht. Op de vraag van Johannes, die naast Jezus aanlag, antwoordde de Heer, dat het die discipel was, aan wien Hij zoo aanstonds eene bete broods zou geven. Hij gaf die toen aan Judas met de woorden: quot;Wat gij doen wilt, doe dat haastelijk. Toen voer de duivel in Judas en terstond ging hij heen. om zijn boos opzet te volvoeren. De Heer vermaande toen, met het oog op Zijn aanstaand sterven. Zijnen discipelen om elkander lief te hebben , gelijk Hij hen liefgehad had. Daarna stelde Hij voor Zijne discipelen het Avondmaal in. Zij moesten voortaan, bij hot genot van brood en wijn, gedachtenis vieren van Zijn lijden en sterven. Dat lijden zou zeer zwaar zijn, hierdoor ook, dat in dien nacht al Zijne discipelen aan Hem geërgerd zouden worden en Petrus zelfs Hem driemaal verloochenen zou. Dit voorspelde de Heer hun, maar, daar zij op zich zei ven vertrouwden , wilden zij het geen van allen gelooven. — Hij sprak nu verder nog, op aandoenlijke wijze, van Zijn heengaan naar het huis Zijns Vaders, waar Hij hun plaats zou bereiden; van de nauwe gemeenschap tusschen Hem en de Zijnen, die hij vergeleek bij eene wijnstok met de ranken; en van den Heiligen Geest, dien Hij zou zenden om hen in alle waarheid te leiden. Hij besloot deze gesprekken met het Hoogepriesterlijk gebed (Joh. 17), dat ook voor Zijne discipelen zeer veel vertroostends bevatte. — Daarna stonden
zij allen op, om heen te gaan. — 1 Joh. 2 ; 6; Jac. 4 : 7; Joh. 17 ;3.-
Avondz. : 5: Gez. 103: Ps. 16 : G.
3*
36
3G. — GETHSÉMANÉ.
(Matth. 26 ; 36—56; Marc. 14 : 32—52; Luk. 22 : 39—53; Joh. 18 : 1 — 12.)
De Heer begaf zich nu niet Zijne discipelen , over de beek Kedron , naar den Olijfberg. Aan den ingang van den hof Gethsémane liet Hij acht discipelen achter, terwijl Hij Petrus, Johannes en Jacobus niet zich nam. Toen begon Hij droevig en zeer beangst te worden en zeide tot dif drietal: Mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met mij. De Heer ging daarna alleen een weinig verder, viel op Zijn aangezicht en bad: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van mij voorbij gaan ! doch niet gelijk ik wil, maar gelijk Gij wilt. Nu keerde de Heer tot de drie discipelen terug, doch, hen slapende vindende, maakte Hij hen wakker en zeide tot Petrus : Kunt gij dan niet één uur niet mij waken? Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak. — Ten tweeden male zonderde Jezus zich nu af. Zóó zwaar was Zijn strijd, dat Zijn zweet werd gelijk groote droppelen bloeds. Ook nu bad Hij: Mijn Vader, indien deze drinkbeker van mij niet kan voorbij gaan, tenzij dat ik hem drinke. Uw wil geschiede! Bij Zijne discipelen terugkomende, \\ond Hij hen weer slapende. Zonder hen te wekken ging Hij wederom tot het gebed. Door dit gebed gesterkt, wekte Hij nu Zijne discipelen en zeide tot hen; Ziet, de ure is gekomen en de Zoon des menschen wordt overgeleverd in de handen der zondaren. Staat op, laat ons gaan; ziet, hij is nabij, die mij verraadt. — Terwijl Hij nog sprak, kwam er eene groote schare, gewapend met zwaarden en stokken, gezonden door de overpries-ters en door Judas geleid. Deze had hun gezegd, dat zij den persoon, dien hij kussen zou, gevangen moesten nemen. Hij ging nu terstond naar Jezus toe, zeide: Wees gegroet, Eabbi! en kuste Hem. De Heer sprak toen tot hem: Vriend, waartoe zijt gij hierr en liet er hoog ernstig op volgen: Judas! verraadt gij den Zoon des menschen met een kus ? Daarna wendde Hij zich tot de schare met de vraag: Wien zoekt gij? Op hun antwoord: Jezus den Kazarener; zeide Hij: Die ben ik; maar als gij mij zoekt, laat dan mijne discipelen vrijelijk henengaan. De schare werd door deze daad des Heeron zóó verschrikt, dat de Heer nogmaals vragen moest, wien zij zochten. Toen Hij zich nu wederom tot hunne beschikking gesteld had, namen zij Hem gevangen en bonden Hem. Petrus, dat ziende, trok terstond zijn zwaard en sloeg daarmede een dienstknecht van den Hoogepriester, Malchus genaamd, het rechter oor af. De Heer bestrafte Petrus hierover, maar gaf tevens opnieuw het bewijs, dat Hij ook Zijne vijanden lief had, toen Hij terstond den gewonde genas. •— Al de discipelen namen daarna de vlucht, uit vrees, dat ook zij gevangen genomen zouden worden. Van al de Zijnen verlaten, werd de Heer toen, gebonden,
naar Jeruzalem gebracht. — Hebr. 5 : 7—9: 1 Tetr. 5 : S: Et\'ez. 5 : 1, 2.--
Gez. 119 : 2; Ps. 5 : 2; Gez. 120 : 1, 2.
37
37. — JEZUS VOOR K AO AF AS EN DEN JOODSCHEN RAA.D.
(Matth. 26 : 57—75; Mare. 14 . 53—72; Luk. 22 : 54—71; Joh. 18 : 13—27.)
Jezus werd nu eerst gebracht naar het huis van Annas , die de schoonvader van den hoogepriester Kajafas was. Deze liet Hem al zeer spoedig gebonden brengen naar het hoogepriesterlijk paleis, om daar voor Kajafas en den Joodsehen Raad (het Sanhedrin) terechtgesteld te worden. — Daarheen volgde Petrus Hein op een afstand. Terwijl hij nu in de zaal des hoogepriesters bij een kolenvuur zich zat te warmen, kwam er eene dienstmaagd bij hem, die, hem aanziende, zeide: Ook gij waart met Jezus den Nazarener. Petrus sprak dit echter tegen en zeide, dat hij dien mensch zelfs niet kende. Kort daarna zeide eene andere dienstmaagd hem hetzelfde. Maar hij loochende het weer, thans met een eed. Een weinig later kwamen er anderen bij, waaronder ook een familielid van Malchus, die ook zeiden, dat hij bij Jezus behoorde. In zijn angst begon Petrus toen zich zeiven te vervloeken en te zweren: Ik ken den mensch niet. Nauwelijks had hij dit gezegd, of er kraaide een haan. Tegelijk keerde Jezus zich om en zag Petrus aan. Toen werd hij indachtig, dat de Heer gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande weende hij bitterlijk van diep berouw. — Ondertusschen had het onderzoek van den Heer reeds een aanvang genomen. Vóór dat de Joodsche Raad samengekomen was, had de hoogepriester Hem over Zijne discipelen en Zijne leer ondervraagd. Jezus had hierop geantwoord, dat Hij steeds in het openbaar had geleerd, zoodat niet Hij, maar Zijne hoorders ondervraagd moesten worden. Een der dienaren vond dit een oneerbiedig antwoord en gaf den Heer, hoewel itij daar gebonden stond, een kinnebakslag. — Tegen den morgen kwam de Joodsche Raad samen. Zij zochten getuigenis tegen Jezus, op grond waarvan zij Hem zouden kunnen dooden, maar vonden niet. Wel waren er vele valsche getuigen, maar zij spraken elkander tegen. Eindelijk traden er twee personen op, die zeiden, dat zij Hem hadden hooren zeggen: Ik kan den tempel Gods afbreken en in drie dagen denzelven weder opbouwen. Zij waren echter ook in hunne getuigenis het niet geheel met elkander eens. Toen nu de Hoogepriester vroeg, wat Jezus daarop ter verantwoording te zeggen had, zweeg hij stil. Hij wenschte op zulke onwaarheden niet te antwoorden. — Ten einde raad, bezwoer Kajafas Hem nu, dat Hij zou zeggen, of Hij de Christus, de Zoon van God was. Toen Jezus hierop antwoordde: Ik ben het; scheurde de Hoogepriester met gehuichelde verontwaardiging zijne kleederen en zeide; Wat hebben wij nog getuigen van noode. Gij hebt de godslastering gehoord. Wat dunkt ulieden ? De geheele Raad veroordeelde Hem daarop ter dood. — Toen begonnen sommigen Hem te quot;bespotten, te bespuwen en met vuisten te slaan. En ook de dienaars gaven
Hem kinnebakslagen. — Matth. 10 : 32, 33; Zach. 8 : 16, 17; .Tes. 53 : 7.---
Ps. 40 ; 3; Gez. 119 : 5; Ps. 5 : 4, 6.
38
38. — JEZUS VOOR PILATUS EN HERODES.
(Matth. 27 ; 1—31; Mare. 15 : 1—20; Luk. 23 : 1- 25; .Joh. 18 ; 28—19 ; 16.)
Toen Judas hoorde dat de Heer ter dood veroordeeld was, had hij berouw over zijn verraad. Hij begaf zich nu tot de overpriesters en bekende, dat de Heer onschuldig was. Zij stieten hem echter ruw en wreed van zich af. Toen wierp hij hun het geld, waarvoor hij Jezus verraden had, voor de voeten en in zijn wanhoop verhing hij zich. — Het vonnis over den Heer moest eerst nog door den Romeinschen landvoogd, Pontius Pilatus, bekrachtigd worden. De Joden brachten daarom Jezus naar het rechthuis. Pilatus vroeg hun , waar zij Jezus van beschuldigden. Zij zeiden daarop, dat Hij het volk oproerig maakte en het verbood, den keizer schatting te geven, zeggende, dat Hij zelf de Christus, de koning der Joden was. Op de vraag vaii Pilatus, of Hij de koning der Joden was, gaf Hij ten antwoord, dat Hij wel een koning, maar dat Zijn koninkrijk niet van deze waereld was. Pilatus zeide daarop tot de Joden, dat hij geen schuld in Jezus vond. Zij hielden echter vol. dat Hij van Galiléa af tot in Judéa het geheele land doorgegaan was om het volk in beroering te brengen. Op al deze beschuldigingen bewaarde Jezus een verhoven stilzwijgen. — Toen Pilatus van Galiléa hoorde, besloot hij Jezus tot Herodes, die juist te Jeruzalem was, te zenden. Herodes, die reeds lang verlangd had, Jezus te zien, hoopte nu, dat de Heer in zijne tegenwoordigheid een wonder zou doen. Maar wat hij Jezus ook vroeg, de Heer zweeg op iedere vraag. Herodes met zijne krijgsknechten bespotte Hem nu, liet Hem een blinkend kleed aandoen en zond Hem weder tot Pilatus, daar hij ook geen schuld in Jezus vond. — Pilatus wilde Jezus nu loslaten, maar om het volk te believen stelde hij voor, Hem eerst te geeselen. Daar hij gewoon was, hun op het Paaschfeest eenen gevangene los te laten, gaf hij hun nu de keuze tusschen Jezus en een zekeren Barabbas, een oproerling en moordenaar, die gekruisigd moest worden. Vóór dat het volk zich uitsprak, liet Pilatus\' vrouw hem waarschuwen, dat hij Jezus toch geen kwaad zou doen. Zij had dien nacht van Jezus gedroomd en koesterde medelijden met Hem. Ondertusschen bewerkten de overpriesters het volk, en toen de landvoogd nu nogmaals vroeg, wie losgelaten moest worden, koos de menigte Barabbas, terwijl zij eisohte, dat Jezus gekruisigd zou worden. Pilatus stelde hen verantwoordelijk voor deze daad, maar zij riepen: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.— Pilatus wilde Jezus wel gaarne loslaten, maar toen het volk hem dreigde met des keizers ongenade, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden. Na de geeseling bespotten Hem de krijgsknechten, die Hem bewaakten. Zij tooiden Hem als koning met een purperen mantel, een doornenkroon en een rietstaf. Ook bespogen en sloegen zij Hem. Eindelijk leidden zij Hem weg, om Mem te kruisigen.— Rum. (i ; 23; 1 Petr. 2 : 20—22; Jes. 53 ; 5. — Gez. 122 : 1, 4: Ps. 119 ; 09; Ge/.. 123 : I 2.
39
39. — JEZUS GEKEUISIGD.
(Matth. 27 : 31—66; Mare. 15 ; 20—47; Luk. 23 ; 26—56; Joh. 19 : 16—«2.)
De Heer moest zelf Zijn kruis dragen naar Golgotha, waar het vonnis uitgevoerd zou worden. De soldaten dwongen echter eenen Simon van Cyrene, om het met Hem te dragen. Eene talrijke schare vergezelde den Heer. Daaronder waren ook vrouwen, die medelijden met Hem hadden. De Heer zeide echter tot haar, met het oog op do ellende, die later den Joden zou treffen; Weent niet over mij , maar over u zeiven en over uwe kinderen. Zij zouden in die bange dagen zelfs naar den dood verlangen. Op Golgotha gekomen, werd Hij tusschen twee moordenaren gekruisigd. Terwijl men dit deed, bad Jezus: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. — Onder het kruis lootten de krijgsknechten om Zijne kleederen. Boven Zijn kruis stond een opschrift; Jezus de Nazarener, de Koning der Joden. De Joden, wien dit ergerde, wilden dit weggenomen zien, maar Filatus liet het staan. — Vreeselijk leed de Heer. Naar het lichaam, want men had Zijne handen en voeten doorboord. Maar ook naar de ziel. Zijne vijanden toch bespotten Hem en verweten Hem Zijne onmacht om van het kruis af te komen. Ook een der moordenaren deed daaraan mede, maar hij werd door den anderen kruiseling daarover bestraft. Deze vroeg toen aan Jezus: Heere! gedenk mijner, als gij in uw koninkrijk gekomen zult zijn. De Heer antwoordde hem; Voorwaar zeg ik u, heden zult gij met mij in het Paradijs zijn. — En de nabijheid van het kruis stonden Zijne moeder en Johannes. Tot hen zeide Jezus; Vrouw, zie ine zoon! Zoon, zie uwe moeder! Johannes begreep, wat Jezus hiermede bedoelde, en nam van toen af Maria op in zijn huis. — Des middags om 12 uur werd het zeer duister. Dit duurde drie uren lang. Om 3 uur riep Jezus, wiens lijden toen op het hoogst was; Eli, EU, Lama Sabachthani, d. i. Mijn God, mijn God, waarom heht Gij mij verlaten. Sommigen spotten ook hiermede en zeiden, dat Hij Blias riep. — Daarna zeide Jezus; Mij dorst. Men bracht Hem nu ter lafenis een spons met edik aan den mond. — Nu was ook het einde nabij. Nog eenmaal riep Jezus met luider stem; Het is volbracht! en daarna, het hoofd buigende, gaf Hij den geest, met de woorden; Vader, in moe handen beveel ih mijnen geest. — Toen scheurde het voorhangsel des tempels in tweeën, de aarde beefde en vele dooden werden opgewekt. De hoofdman over honderd, alles ziende wat er geschiedde, erkende; Waarlijk, deze mensch was Gods zoon. — Daar het den volgenden dag sabbath was, mochten de lichamen niet aan het kruis blijven hangen. De soldaten braken nu de beenen der moordenaren, zoodat dezen stierven, terwijl een van hen de zijde van Jezus met eene speer doorstak. — Met toestemming van Pilatus begroeven Jozef van Arimathéa, een vroom raadsheer, en Nicodemus het lichaam des Heeren in een nieuw graf. — Joh. 10 : 11; Jes. 1 : 18: Gal. 2 ; 20.--Ps. 3:1; Ge/.. 130 : 1 , G; Ps. 105 ; 3.
40
40. — DE OPSTANDING DES HEEREN.
(Matth. 27 : 62—28 : 15; Mare. 16 : 1 — 13: Luk. 24 : 1—30; Joh. 20 : 1—18.)
De overpriesters en farizeën wisten, dat Jezus van Zijne opstanding gesproken had. Zij waren nu bevreesd, dat de discipelen Zijn lichaam zouden wegnemen, om dan te kunnen zeggen, dat Hij was opgestaan. Zij gingen daarom tot Pilatus met het verzoek, dat hequot;t graf verzegeld en eene wacht daarbij gesteld mocht worden, hetgeen hun ook toegestaan werd. — Toen nu de sabbath voorbij was, gingen Maria Magdalena en enkele andere vrouwen zeer vroeg in den morgen naar het graf. Zij hadden specerijen meegenomen om het lichaam des Heeren te balsemen. Op weg daarheen maakten zij er zich bezorgd over, wie den zwaren steen voor hen van het graf afwentelen zou. Bij het graf gekomen zagen zij echter, dat dit reeds geschied was. — Een Engel was namelijk nedergedaald en had dit gedaan. De wachters hadden toen verschrikt de vlucht genomen en verspreidden later, op raad der farizeën, de leugen, dat, terwijl zij sliepen, de discipelen het lichaam gestolen hadden.— De vrouwen vonden dan ook het graf ledig. Maria Magdalena ging nu haastig naar Petrus en Johannes en klaagde hun, dat men den Heer weggenomen had en dat zij niet wisten waar men Hem gelegd had. De andere vrouwen gingen echter in het graf en zagen daar een jongeling in witte kleeding. Het was een Engel, en zij werden toen zeer verschrikt. Maar hij zeide tot haar: Vreest niet, want ik w^eet, dat gij zoekt Jezus, die gekruisigd was. Hij is hier niet, want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Gaat heen, zegt Zijnen discipelen en Petrus. dat Hij u vóór gaat naar Galiléa. Terwijl de vrouwen nu haastig heengingen, ontmoette haar Jezus, die haar aansprak. Vol blijdschap vielen zij voor Hem neder en aanbaden Hem. — Petrus en Johannes waren terstond met Maria Magdalena meegegaan, en toen ook zij het graf ledig vonden, gingen zij weer naar huis. .Maria bleef evenwel achter, bitterlijk weenende. Nog éénmaal wilde zij in het ledige graf zien. Toen zag zij twee Engelen, die haar vroegen , waarom zij weende. Diep bedroefd zeide zij: Omdat zij mijnen Heer weggenomen hebben en ik weet niet waar zij Hem gelegd hebben. Tegelijk keerde zij zich om en zag iemand staan, die tot haar zeide: Vrouw, wat weent gij ? wien zoekt gij ? Daar zij meende, dat het de hovenier, de bewaarder van den hof, was, vroeg zij hem, dat hij haar zou zeggen waar haar Heer was. Toen noemde Jezus — want Hij was het — haar naam. Terstond herkende zij Hem, en blijde ^iep zij uit: Rabbouni, d. i. Mijn Meester. De Heer gaf haar toen last om aan Zijne discipelen te zeggen, dat zij Hem gezien had en dat Hij weldra zou opvaren tot Zijnen Vader. — Dienzelfden dag verscheen Jezus aan Petrus en ook aan twee mannen, van welke de een Kléopas heette, die op weg waren naar Emmatts en door Hem uit
de Schriften onderwezen werden. — 1 Cor.3:20; Rom. 14 :9; 2Tim. 2 :8.-
Gez. 141 ;! ; Ps. 42 : 3; Gez. 140 : 7.
41
41. — VEESCHIJNINGEiSr AAN DE DISCIPELEN.
(Mare. 16 : 14—18; Lilt. 24 ; 33—49; Joh. 20 : 19—21 : 24; 1 Cor. 13:4—7.)
Aan den avond van dienzelfden eersten dag der week waren de elve, met eenige andere discipelen, te Jeruzalem bijeen. Uit vrees voor de Joden hadden zij de deuren gesloten. Zij wisten reeds, dat de Heer was opgestaan. De vrouwen hadden het hun gezegd. Ook had Petrus Hem gezien. Bovendien werden zij er nog zekerder van door de komst der Emmaüsgangers, die hun hunne ontmoeting met Jezus verhaalden. ]Sén der apostelen, nl. Thomas, was echter niet bij hen. — Terwijl zij over deze dingen spraken , stond de Heer plotseling in hun midden en zeide tot hen : Vrede zij ulieden! Door het onverwachte van deze verschijning\' verschrikt, meenden zij een geest te zien. Jezus wees hen echter op Zijne handen en voeten. Een geest toch had geen vleesch en beenen, gelijk Hij. Van blijdschap konden zij haast nog niet gelooven, dat Hij het was. Nadat Hij nu iets gegeten had, herinnerde Hij hun, dat alles, wat er nu met Hem was geschied, reeds in de Schriften voorzegd was. Vervolgens gaf Hij hun bevel, om overal, beginnende van Jeruzalem, deze dingen bekend te maken. Gaat heen — zeide Hij — in de geheele waereld, predikt het Evangelie aan alle creaturen. Daarna blies Hij op hen, zeggende: Ontvangt den Heiligen Geest! en verleende hun de macht om iemand de zonden te vergeven. — De discipelen verhaalden aan Thomas, dat zij den Heer gezien hadden. Deze kon echter niet gelooven, dat Jezus was opgewekt. Hij wilde zich eerst er van overtuigen, door zijnen vinger te steken in de wonden des Heeren. Toen nu, na acht dagen, de discipelen weer bijeen waren, was Thomas met hen. Ook nu verscheen de Heer plotseling met de woorden; Vrede zij ulieden! Daarna zeide Hij tot Thomas: Breng uwen vinger hier en zie raijne handen en breng uwe hand en steek ze in mijne zijde en wees niet ongeloovig, maar geloovig. Toen was Thomas overtuigd, (xeloovig zeide hij nu tot Jezus: Mijn Heer en mijn God. De Heer verklaarde toen hen zalig, die, zonder Hom te zien, toch gelooven zouden. — Later openbaarde zich de Heer aan zeven der apostelen, die op de zee van Galiléa waren gaan visschen. Hij stond aan den oever en op Zijn bevel wierpen zij het net uit en vingen zeer veel. Johannes herkende den Heer hieraan en Petrus sprong toen terstond in zee naar Jezus toe, terwijl de anderen met het schip volgden. Toen zij met elkander het middagmaal gehouden hadden, vroeg de Heer tot driemalen toe aan Petrus, of hij Hem liefhad. Telkens antwoordde Petrus daarop, dat de Heer wist, dat hij Hem liefhad. Jezus zeide: weid mijne lammeren; hoed mijne schapen; weid mijne schapen. Toen voorspelde Hij hem, dat hij eens den marteldood zou sterven. — De Heer is ook verschenen aan Jacobus en eens aan meer dan 500 Zijner discipelen tegeljjk. — Rom. 5:1; Luk. 24 : 46, 47; Joh. 20 : 29.--Ps. 134; C z. 142 : 3, 4; Ps\'. 118:9.
42
42. — \'S HEEREN HEMELVAART.
CMatth. 28 : 16—20; Mare. 16 : 19, 20; Luk. 26 : 50—53; Hand. 1 : 1—12.)
De yerschijning aan meer dan 500 discipelen tegelijk heeft hoogstwaarschijnlijk plaats gehad op een berg in Galiléa. Daarheen had Jezus Zijne discipelen bescheiden. Toen de elf\' apostelen Hem M zagen ^ baden zij Hem aan, maar sommige anderen twijfelden nog, in of Hij het wel was. Bij hen komende, zeide de Pleer tot zijne bi discipelen: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaat gi dan henen, onderwijst al de volken, dezelve doopende in den bi naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, leerende P hen onderhouden alles wat ik u geboden heb. En ziet, ik ben t( met ulieden al de dagen, tot de voleinding der waereld. Hiermede b wees de Heer hun, wat zij voortaan te doen hadden, waar zij de g kracht daartoe vinden konden en wat hun daarbij tot troost kon k dienen. Nog altijd is het de roeping van \'s Heeren discipelen, ï aan alle volken het Evangelie te prediken. Daarom is ook de zen- a ding onder de heidenen zoo noodig. — Uit Galiléa begaven de b apostelen zich weer naar Jeruzalem. Veertig dagen waren nu na \\ \'s Heeren opstanding voorbij gegaan, en gedurende al dien tijd \\ had Hij herhaaldelijk zich met vele gewisse kenteekenen aan de i Zijnen vertoond als diegene , die dood geweest was , maar nu leefde. ( Bij die gelegenheden sprak Hij met hen over de dingen, die het 1 koninkrijk Gods aangingen en die zij weten moesten, wanneer Hij i niet meer bij hen zou zijn. — Op den veertigsten dag, toen Hij met hen vergaderd was, leidde Hij hen buiten de stad, in de richting van Bethanië, naar den Olijfberg. Hij gaf hun bevel, dat zij te Jeruzalem moesten blijven totdat zij den Heiligen Geest zouden ontvangen, van welke Hij hun gesproken en dien Hij hun beloofd had. Die belofte zou over weinige dagen vervuld worden. Terwijl zij zoo samen waren, vroegen Zijne discipelen Hem, of Hij in dien tijd het koninkrijk van Israël weer oprichten zou. De Heer antwoorde daarop , dat het hun niet toekwam , de tijden en gelegenheden te weten, die de Vader in Zijne eigene macht gesteld had. Maar — liet Hij er op volgen, want dat mochten en moesten zij weten — gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes. die over u komen zal; en gij zult mijne getuigen zijn, zoo te Jeruzalem als in geheel Judéa en Samaria en tot aan het uiterste der aarde. Dit zeggende hief Hij zegenend Zijne handen over hen op en tegelijk werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en eene wolk nam Hem weg van hunne oogen. Terwijl zij Hem aanbiddend nastaarden, verschenen hun twee Engelen, die zeiden: Gij Galilé-sche mannen! wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is in den Hemel, zal alzoo komen, gelijker-wijs gij Hem naar den hemel hebt zien henenvaren. — Door deze boodschap vertroost, keerden zij met groote blijdschap naar Jeruzalem terug. — Mattll. 28 : 20; Col. 3 : 1, 2; Filipp. 3 : 20.--
Gez. 1-14 : 1 ; Ps. 47 : 3; He/.. 3 : 5.
43
43. — DE UITSTORTING DES HEILIGEN GEESTES.
(Hand. 1 : 13—2 : 47.)
Na \'s Heeren hemelvaart bleven Zijne apostelen te Jeruzalem. Met Maria, de moeder van Jezus, en Zijne broeders, die nu ook in Hem geloofden, waren zij eendrachtiglijk volhardende in het bidden en smeeken. Zij hielden zich meestal op in een der nevengebouwen van den tempel. Ook voegden zich wel andere discipelen bij hen. Eens, dat er ongeveer 125 discipelen bijeen waren, deed Petrus het voorstel, in de plaats van Judas een ander als apostel te kiezen. Er werden nu twee personen genoemd, nl. Jozef Barsabas, bijgenaamd Justus , en Matthias. Na ernstig gebed werd het lot geworpen en Matthias met algemeene toestemming tot apostel gekozen. — Op den dag van het Pinksterfeest, tien dagen na \'s Heeren hemelvaart, waren de discipelen weer samengekomen en allen eendrachtig bijeen. Toen geschiedde er haastolijk uit den hemel een geluid, gelijk als van eenen geweldigen, gedrevenen wind, en vervulde het geheele huis, waar zij zaten. En van hen werden gezien verdeelde tongen, als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen. En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest en begonnen te spreken met andere talen, zooals de Geest hun gaf uit te spreken. De belofte des Heeren was dus vervuld en daaruit bleek, dat men ook verder op Hem vertrouwen kon. — Er waren toen ter tijd vele Joden uit allerlei landen te Jeruzalem, die daarheen gegaan waren om het feest te vieren. In allerijl kwamen dezen nu toeloopen en zij verwonderden zich niet weinig, toen zij de apostelen in vreemde talen de groote werken Gods hoorden verkondigen. Verbaasd vroegen zij dan ook: Zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galileërs ? En hoe hooren wij hen, een iegelijk in zijne eigene taal, in welke wij geboren zijn. Anderen zeiden echter spottende: Zij zijn vol zoeten wijns. Toen stond Petrus op en verklaarde, dat zij niet dronken waren, het was immers nog maar de derde ure van den dag (negen uur in den morgen), maar dat nu geschied was, hetgeen Joël reeds had voorspeld, dat God Zijnen Geest zou uitstorten over alle vleesch. Verder begon Petrus van Jezus te getuigen, die door de wonderen, welke Hij gedaan had, bewezen had, door God gezonden te zijn, die gedood, maar door God opgewekt was, waarvan Zijne apostelen getuigen waren, en die, aan Gods rechterhand verhoogd, nu, geljjk zij zagen, den Heiligen Geest had uitgestort. Gansch Israël moest nu weten, dat God dezen gekruisigden Jezus tot een Heer en Christus gemaakt had. — Nu vroegen velen, verslagen zijnde: Wat zullen wij doen? Petrus antwoordde hun; Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus. tot vergeving der zonden: en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. — Dien dag werden er ongeveer 3000 gedoopt. —
Joh. 16 : 7; Efez. 4 : 30: Rom. 8 : 15.--Ps. 72 : 2; Gez. 2:4: Ps. 86 : 5.
u
44. — DE JERUZALEMSCHE GEMEENTE.
(Hand. 3—8). 1
De toestand der Jeruzalemsche gemeente was in de eerste dagen na het Pinksterfeest buitengewoon heerlijk. Men leefde in dage- lelt; lijksch gebed en in broederlijke liefde en in trouwe gemeenschap en met elkander. Men had alle dingen gemeen. Die goederen bezaten, m verkochten deze en yan de opbrengst kreeg elk wat hij noodig had. gi Dagelijks deed de Heer toe tot de gemeente die zalig werden, ds Ook geschiedden door de apostelen vele wonderen en teekenen. — gs Petrus en Johannes genazen eens in den naam van Jezus Christus ci een man, die van zijne geboorte af kreupel was en aan de Schoone dlt; poort des tempels te bedelen zat. Deze genezing vervulde allen ni met verbazing. Petrus begon toen tot hen te spreken van Jezus g1 Christus, die ook hen zegenen wilde, daarin , dat Hij een iegelijk g van hen afkeerde van zijne boosheid. Deze prediking had ten ^ gevolge, dat er 5000 mannen geloofden. — De priesters waren w echter zeer toornig daarover en lieten Petrus en Johannes ge- w vangen nemen. — Den volgenden dag, door den Joodschen Piaad d ondervraagd, verklaarde Petrus. dat de kreupele in den naam van 1 Jezus Christus genezen was. Zonder vrees eindigde hij met de quot;V woorden: En de zaligheid is in geenen anderen, want er is ook e onder den hemel geen andere naam, die onder de menschen gege- i ven is, door welken wij moeten zalig worden. Men verbood hun 2 nu, verder in den naam van Jezus te spreken en te leeren j maar 1 zij weigerden hieraan te voldoen, omdat men Gode meer moet 1 gehoorzamen dan den menschen. — Als afschrikkend voorbeeld ! werkte de plotselinge dood van Ananias en zijne vrouw Saffira, die wegens geveinsdheid en leugen door God daarmede gestraft werden. — Maar ook bijzonder zegenend werkte de Heer. Yele kranken werden door de apostelen, en vooral door Petrus, genezen , terwijl zij , toen zij eens in de gevangenis geworpen waren, door een Engel verlost werden. Later is dit met Petrus nog eens geschied.\' — In die dagen werden er op voorstel der apostelen zeven mannen gekozen, die meer bijzonder de zorg voor de armen op zich nemen zouden. Deze mannen, diakenen genoemd, waren Stéfanus. Filippus, Próchorus, Nicanor, ïimon, Parmenas en Nicolaiis. De eerste twee zijn het meest bekend. Stéfanus was namelijk de eerste martelaar. Hij werd te Jeruzalem gesteenigd. Met een gebed voor zijne moordenaren stierf hij. — Terwijl de Jeruzalemsche gemeente toenam, gingen velen, tengevolge van den tegenstand, het land door, overal predikende. Ook Filippus ging naarSamaria, waar hij Christus predikte, de kranken genas en velen tot het geloof bracht. Ook is hij het middel geweest, dat op den weg van Jeruzalem naar Gaza een kamerling uit Moorenland tot het geloof in Christus kwam. Deze werd toen door hem gedoopt en reisde verder
zijnen weg met blijdschap. — l Peti-. 1 : 22; Joh. 14 : 12; Matth. 5 : 10.--
Gez. 09 : ï. 2; Ps. 125 ; 1; Gez. 15! ; 5, C.
45
45. — PAULUS\' BEKEERING.
(Hand. 7 : 58; 8 : 1—3; 9 ; 1—30; 22 : 1—21; Gal. 1 : 13—24.)
Bij de steeniging van Stéfanus was ook een jonge farizeer, een leerling van Gamaliel, geweest. Hij heette Saulus (ook wel Paulus) en was een heftig vijand van de discipelen des Hoeren. Toen er nu, na den dood van Stéfanus, te Jeruzalem eene groote vervolging tegen hen ontstond, ging hij in hunne huizen en haalde daar zoowel mannen als vrouwen uit, die hij overleverde in de gevangenis. Dit was hem echter nog niet genoeg. Ook in Damascus , eene stad in Syrië, waren i-eeds discipelen. Met brieven van den hoogepriester aan de synagogen te Damascus vertrok Saulus nu derwaarts, om de Christenen , die hij daar zou vinden, als gevangenen naar Jeruzalem te brengen. — Dicht bij Damascus gekomen , zag hij plotseling een hemelsch licht, dat hem omscheen. Van schrik ter aarde vallende, hoorde hij eene stem: Saul! Saul! wat vervolgt gij mij! Hij vroeg nu: Wie zijt gij, Heere? Hem werd geantwoord: Ik ben Jezus, dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan. Bevende zeide Saulus toen: Heere! wat wilt gij dat ik doen zal ? Hij voelde zich dus overwonnen. Hierop zeide de Heer tot hem: Sta op en ga in de stad en u zal aldaar gezegd worden wrat gij doen moet. — Ook zijne reisgenoten waren zeer verbaasd. Zij hoorden wel de stem, maar zagen niemand. Toen Saulus opstond kon hij niets zien, want hij was blind geworden. Zoo kwam hij te Damascus. — Daar woonde een Christen, met name Ananias. Toen Saulus nu drie dagen blind geweest was en al dien tijd gegeten noch gedronken had, gaf de Heer in een gezicht aan Ananias last om Saulus te bezoeken, terwijl Hij aan Saulus, toen hij bad, te kennen gaf, dat Ananias komen zou en hij weer ziende zou worden. Ananias had van Paulus gehoord en verwonderde zich er over, dat hij tot zulk een vervolger gezonden werd. De Heer openbaarde hem echter, dat Saulus een ijverig prediker van het Evangelie zou worden. Hij ging nu naar Saulus en, de handen op hem leggende, zeide hij : Saul, broeder! de Heer heeft mij gezonden, namelijk Jezus, die u verschenen is op den weg, dien gij kwaamt, opdat gij weder ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden. Terstond werd hij nu weer ziende en liet zich doopen. — Saulus bleef nog eenige dagen te Damascus en predikte Jezus Christus als den Zoon van God in de synagogen. Allen verwonderden zich daarover en de Joden besloten hem te dooden, doch de discipelen hielpen hem des nachts ontvluchten. — Na drie jaren zich in Arabië afgezonderd te hebben, ging hij naar Jeruzalem. Daar wantrouwden de discipelen hem eerst, maar een zekere Barnabas werd zijn voorspraak. Ook daar beleed hij openlijk den Christus, en toen men hem weer zocht te dooden, geleidden de broeders hem naar Cesa-rea, van waar hij naar zijne geboortestad Tarsen ging. — Mare. 13 : 13; 1 Tim. 1 : 12, 13; Gal. 1:11, 12. - Ps. 10 ; 9; Gez. 156 ; 1; Ps. 130 : 2.
46
46. — PAULUS\' EERSTE ZENDINGSREIS.
(Hiind. 11 : 19—30; 12 : 25; 13; 14; 15 : 1—29.)
Te Antiochië, de hoofdstad van Syrië, was ook eene bloeiende gemeente ontstaan. De discipelen werden daar het eerst Christenen m genoemd. Bai-nabas was daar met Paulus, dien hij van Tarsen ge- ee haald had, eeu geheel jaar werkzaam. Daarna werden zij afgevaar- g« digd om de liefdegaven der gemeente, ten behoeve der broederen m in Judéa. naar Jeruzalem te brengen. Teruggekeerd zijnde, werden bi zij uitgezonden om aan de Heidenen het Evangelie te verkondigen. P Johannes Marcus, een neef van Barnabas, ging mede. Te Seleucië zi scheepten zij zich in naar het eiland Cyprus , waar zij eerst te Salamis P en later ook te Pafos predikten. Daar kwam de stadhouder Sergius- g Paulus tot het geloof, terwijl een zekere toovenaar Elymas of Bar- g Jezus, wegens zijne tegenwerking, met blindheid gestraft werd. — d Van Cyprus gingen zij naar Perge in Pamphilië, waar Johannes 0 Marcus hen verliet, en verder naar Antiochië in Pisidië. Hier pre- k dikten zij eerst in de synagoge, maar toen de Joden, uit nijdigheid, r Paulus tegenspraken en lasterden, wendden zij zich tot de Heidenen, I van welke velen geloofden. De Joden wisten toen een oploop te d verwekken en Paulus en Barnabas uit het land te verdrijven. — z Zij vertrokken daarop naar Iconium, maar toen sommigen, zoowel (i Heidenen als Joden , hen trachtten te steenigen , namen zij de vlucht z naar Lystre in Lycaonië. Daar genas Paulus een kreupele, hetgeen lt;-zooveel opzien baarde, dat de menschen hen voor Goden aanzagen, c Zij noemden Barnabas Jupiter en Paulus, omdat hij het woord deed, lt; Mercurius. De priester van Jupiter wilde zelfs ter hunner eere oft\'e- t ren, maar zij beletten dit en wekten de schare op, om zich tot ! den levenden God te bekeeren. Het veranderde echter spoedig. Er ; kwamen Joden uit Antiochië en Iconium, die de menigte opruiden, met dit gevolg, dat men Paulus steenigde en hem buiten de stad sleepte, meenende, dat hij dood was. Hij leefde echter nog en ging den volgende dag met Barnabas naarDerbe, waar zij het Evangelie predikten en vele discipelen maakten. Van daar keerden zij langs denzelfden weg weer terug naar Antiochië in Syrië, overal de discipelen vermanende, in het geloof te blijven, en in elke gemeente, met opsteken der handen, ouderlingen aanstellende. Te Antiochië teruggekomen , vertelden zij wat groote dingen God met hen gedaan had en bleven daar een geruimen tijd. — Te Antiochië bestond de gemeente grootendeels uit gewezen TIeidenen. De Christenen uit de Joden wilden echter, dat dezen naar Joodsche wijze leven en ook de voorschriften der Joodsche wet onderhouden zouden. Op eene kerkvergadering te Jeruzalem, waar Paulus en Barnabas en eenige anderen samen waren met de apostelen, werd nu besloten, dat dit niet noodig was, maar dat men zich onthouden zou van hetgeen den afgoden geofferd was en van bloed en van het verstikte en
van hoererij. — Hebr. 13 ; 16; Uom. 3 ; 29: 1 Petr. 2 : 12.--Gez.
147 : 2; Fs. 9G : 2; Gez. 31 : G.
47
47. - PAULUS\' TWEEDE ZENDINGSREIS.
(Hand. 15 : 30—IS : 22.)
Van Jeruzalem kwamen Judas en Silas met Paulus en Barnabas mede te Antiochië. De eerste keerde echter spoedig terug. Na eenige dagen wilde Paulus weer op reis gaan, om de door hem gestichte gemeenten te bezoeken. Barnabas wilde Johannes Marcus medenemen, maar, daar Paulus zich hiertegen verzette en er verbittering tusschen hen ontstond, gingen deze beiden naar Cyprus. Paulus echter ging met Silas op reis. Door Syrië en Silicië gingen zij naar Lystre en Derbe. Te Lystre vonden zij Timotheüs, dien Paulus medenam op zijne reis. Door Frygië, Galatië en Mysië gingen zij naar Troas. Daar zag Paulus op een nacht in een gezicht een Macedonisch man, die hem bad: Kom over in Macedonië en help ons. Hij zag daarin eene roepstem des Heeren, om ook naar Europa te gaan. De eerste stad van Macedonië, waar hij kwam, was Pilippi, waar hij ettelijke dagen bleef. Hij en zijne reisgenooten vonden daar een tehuis bij eene purperverkoopster Lydia, die door de prediking van Paulus geloovig geworden en daarna gedoopt was. Telkens riep daar eene slavin, die door waarzeggerijen haren meesters veel voordeel aanbracht, hen na, dat.zij dienstknechten des Allerhoogsten Gods waren, die den weg der zaligheid verkondigden. Paulus genas haar van den boozen geest, die over haar heerschte; maar nu werden hare meesters, die daardoor schade leden, zoo toornig, dat zij Paulus en Silas voor de oversten der stad aanklaagden van het maken van oproer. Zij werden toen, daar ook het volk tegen hen opstond, gegeeseld en in de gevangenis geworpen. Te middernacht baden Paulus en Silas en zongen zij psalmen, toen er plotseling eene aardbeving geschiedde. Alle deuren der gevangenis werden geopend en aller banden werden los. De gevangenbewaarder wilde zich zeiven dooden, daar hij meende, dat de gevangenen ontvlucht waren. Alles maakte zulk een indruk op hem, dat hij naar Paulus\' prediking luisterde en zich met zijn huisgezin liet doopen. Den volgenden morgen wilde men hen loslaten, maar Paulus eischte, als Romeinsch burger, dat men hen eervol ontslaan zou, daar men hen onverhoord gegeeseld had. -— Zij gingen nu naar Thessalonica, waar zij bij eenen Jason huisvesting vonden. Van hier vluchtten zij voor de Joden naar Beréa, van waar Paulus alleen weer, om aan de Joden te ontkomen, naar Athene gezonden werd. Daar predikte hij op den Areopagus en verkondigde den onbekenden God, aan wien te Athene een altaar gewijd was. Ook hier werden sommigen geloovig, zooals Dyonisius de Areopagiet en eene vrouw Damaris. Vervolgens ging hij naar Corinthe, waar Silas en Timotheüs weer bij hem kwamen. Hij bleef\' hier meer dan l1/, jaar, sloot vriendschap met een echtpaar, Aquila en Priscilla, en bracht velen tot het geloof in Christus. Daarna g\'ing hij over Eféze naar Jeruzalem en vervolgens terug naar Antiochië. — Etez. 4:31: i Thess. 5:12; 1 Cor. 10 : 13.--Ps. 67:2; Gez. 51 : 5; Ps. 42 ; 5.
48
48. - PAULUS\' DERDE ZENDINGSREIS.
(Hand. 18 : 23—21 : 17.)
Paulus bleef niet te Antiochië. Door Gralatië en Frygië reizende ging hij naar Eféze. Daar woonde sedert eenigen tijd een Alexan-drynsche Jood, Apollos genaamd, een welsprekend man. Aquila en Priscilla maakten hem met Christus bekend, en toen hij nu naar Achaje vertrok, was hij daar zeer gezegend werkzaam en overtuigde vele Joden, dat Jezus de Christus was. — Te Eféze predikte Paulus eerst drie maanden lang in de Synagoge, maar, toen men daar openlijk lasterde wat hij predikte, ging hij in de school van een zekeren Tyrannus, waar hij gedurende twee jaren eiken dag het Evangelie verkondigde. Ook genas hij te Eféze vele kranken en dreef booze geesten uit. Langzamerhand ontstond zoo te Eféze eene groote gemeente. — Paulus was nu voornemens door ^Macedonië en Achaje naar Jeruzalem en dan naar Rome te gaan. Reeds had hij Timotheüs en Erastus naar Macedonië gezonden , toen er te Eféze een oproer ontstond. Daar werden namelijk vele voordeelen getrokken uit het vervaardigen van kleine zilveren tempeltjes van eene godin Diana. Een zilversmid Demetrius riep nu zijne vakgenooten samen en hield hun voor, dat, door de uitbreiding van het Christendom, hun bedrijf groote schade leed. Een algemeen geroep ontstond nu: Groot is de Diana der Efézeren. Men trok Paulus\' medgezellen Gajus en Aristarchus met zich naar de schouwplaats. Paulus wilde tot het volk spreken, maar de een riep dit en de ander dat. Eindelijk gelukte het den stadsschrijver Alexander, het oproer te dempen. — Paulus reisde nu door Macedonië naar Griekenland, waar hij drie maanden bleef. Hij was van plan verder naar Syrië te gaan, maar daar de Joden hem lagen legden, keerde hij naar Macedonië terug. Van Eilippi voer hij naar Troas. Daar sprak hij \'s avonds vóór zijn vertrek, tot de vrienden. Zijne rede duurde tot middernacht en een jongeling, Eütychus, die in slaap gevallen was, viel van de derde zoldering-naar beneden en werd dood opgenomen. Paulus riep hem echter in het leven terug. — Hij was nu voornemens naar Jeruzalem te gaan. Op zijne reis daarheen, deed hij verschillende plaatsen aan, o. a. Miléte, waar hij de ouderlingen van Eféze ontboden had, van welke hij daar een hartroerend afscheid nam met ernstige waarschuwingen in het belang der gemeente. — Te Tyrus verliet Paulus het schip. Hij bleef daar 7 dagen bij de broederen, die hem den raad gaven, om niet naar Jeruzalem te gaan. Toch ging Paulus verder te scheep naar Cesaréa, waar hij in het huis van den diaken Eilippus zijn intrek nam. Daar was ook een profeet Agabus, die voorspelde, dat hij te Jeruzalem gevangen genomen zou worden. Hij liet zich echter daardoor noch door de beden zijner vrienden weerhouden, maar vertrok na eenige dagen naar
Jeruzalem. — Efez. 5 : 14; 1 Tim. 4 ; 13; Hand. 20 : 32.--Gez. 152 : 6 ;
Ps. 91 : 8; Gez. 147 ; 3.
49
49. — PAULUS DE GEVANGENE.
(Hand. 21 : 17—28 : 31.)
Te Jeruzalem werd Paulus met blijdschap ontvangen. — Toen hij eens in den tempel was, ruiden eenige Joden uit Azië bet volk 0P) zeggende, dat hij Grieken in den tempel gebracht en dien alzoo ontheiligd had. Men trok hem buiten den tempel en zou hem gedood hebben, indien de overste Claudius Lysias hem niet aan het volk ontrukt had. Daar deze meende, dat Paulus een Egyptenaar was, die pas te voren oproer gemaakt had, nam hij hem gevangen. Paulus lichtte hem echter beter in en kreeg verlof om tot het volk te spreken. Eerst, toen hij zijne levensgeschiedenis verhaalde , luisterde men, maar toen hij sprak van zijne zending tot de Heidenen, begon het volk weer in beroering te komen. De overste bracht hem daarop naar de legerplaats en wilde hem laten geeselen maar, daar Paulus hem zeide, dat hij een Romeinsch burger was, liet hij dit na. — Den volgenden dag werd Paulus voor den Joodschen raad gebracht. Daar ontstond toen een hevige twist tusschen Sadduceën en Farizeën, zoodat de overste Paulus al weer in veiligheid moest brengen. Toen nu eenige (meer dan 40) Joden zich onder eede verbonden hadden om Paulus te dooden en dit door een zusterszoon van Paulus aan den overste bekend werd, liet deze hem onder gewapend geleide naar Cesaréa brengen tot den landvoogd Felix. — Daar bleef hij lang gevangen. Felix hoopte, dat Paulas hem geld zou geven om losgelaten te worden en hield, toen hij als landvoogd aftrad, hem gevangen om daarmede den Joden gunst te bewijzen. Ook diens opvolger Porcius Festus deed hem geen recht, zoodat hij eindelijk besloot, zich op den keizer te beroepen. — Paulus werd nu naar Rome gevoerd, onder geleide van den hoofdman Julius, die zeer vriendelijk tegen hem was. Te Sidon ging men scheep naar Myra in Lycië. Daar ging men in een ander schip. De reis was zeer ongunstig. Na allerlei tegenspoeden, leed men eindelijk schipbreuk bij het eiland Melite (Malta), waar men nu 3 maanden bleef. Zeer vriendelijk werd men daar ontvangen. Paulus genas daar ook kranken, o. a. den vader van Publius, die de voornaamste van het eiland was. — Met een schip, dat daar overwinterd had, ging men verder, tot men te Putéoli landde. Daar werd Paulus hartelijk door de broederen ontvangen, bij wie hij 7 dagen bleef. Dicht bij Rome gekomen, kwamen de broederen van daar hem reeds te gemoet. — Te Rome bleef Paulus twee jaar gevangen, maar hij genoot een tamelijke vrijheid. Hij mocht zelf eene woning huren en die bewonen met een soldaat, die hem bewaken moest. Ook mocht hij allen, die bij hem kwamen, ontvangen. Zoo kon hij onverhinderd het Evangelie prediken en van Jezus Christus getuigen. — Of Paulus nog weer vrijgelaten is en daarna o. a. in Spanje gearbeid heeft, is niet met zekerheid te bepalen. Hij is echter toen of later te Rome onthoofd. — Rom. 8 ; 38, 39; i Tim. 6 : U, 2 Tim. 4 ; 7, 8. - Ps. 138 ; 4; Gez. 28 : 1 , Ps. 91 ; 7.
VAN VEEN, 3\'ijh. Gesch., II. 4
50
50. — PETEUS.
(Hand. 8 : 14—25; 9 : 31 — 11 : 18; 12 : 1 — 19; Gal. 2 : 11—21.)
Onder de twaalf apostelen is Petrus de man, van wien ons het meest bekend is. Bij de uitstorting des Heiligen Greestes sprak hij tot de menigte. Hij genas, in tegenwoordigheid van Johannes, den kreupele bij de Schoone-poort des tempels. Door hen werden Ananias en Saffira bestraft. — Toen door de prediking van Filippus velen te Samaria geloofden, werden Petrus en Johannes daarheen gezonden door de apostelen. Daar gekomen zijnde, legden zij den geloovigen, de handen op, die daarop den Heiligen Geest ontvangen. Toen een zekere toovenaar Simon, wien vroeger allen aangehangen hadden , dit zag, bood hij hun geld aan, indien zij ook hem de macht, om den Heiligen Geest mede te deelen, wilden geven. Petrus zeide echter tot hem : uw geld zij met u ten verderve. Bekeer u, opdat gij vergeving moogt ontvangen. Tegenover het onheilige was Petrus zeer gestreng, gelijk wij reeds zagen bij Ananias en Satfira. — Op zijne rondreizen door het Joodsche land kwam Petrus ook te Lydda. Daar genas hij een man , Enéas genaamd , die lam was en reeds acht jaren te bed gelegen had. Dit bracht velen tot het geloof in Christus, in wiens naam hij dezen kranke genezen had. — Te Lydda kwamen twee discipelen uit het naburige Joppe, hem verzoekende, met hen te gaan. Te Joppe was eene discipelin, Tabi\'tha of Dorcas genaamd, die zeer veel voor armen en weduwen deed, gestorven en er was algemeene treurigheid. Petrus ging mee en, na gebeden te hebben, zeide hij: Tabftha sta op! Terstond werd zij weer levend. Dit werd bekend door geheel Joppe en velen geloofden in den Heer. Petrus bleef daar nu vele dagen bij eenen zekeren Simon, eenen lederbereider. — Van daar liet Cornelius, een hoofdman over honderd te Cesaréa, hem, op Gods bevel halen. Deze Cornelius was god-vreezende, deed vele aalmoezen en bad geduriglijk tot God. God openbaarde hem nu, dat hij van Petrus woorden der zaligheid zou hooren. Nu was Petrus een strenge Jood, die als zoodanig niet tot een Heiden wilde gaan. Voordat de boden van Cornelius tot hem kwamen, toonde de Heer hem echter in een gezicht, dat hij wat God gereinigd had niet onrein achten mocht. Hjj ging nu mee, predikte aan Cornelius het Evangelie van Christus, en toen ook Cornelius en de Zijnen den Heiligen Geest ontvangen hadden, werden zij gedoopt. — Te Jeruzalem nam men het Petrus kwalijk, dat hij in het huis van een Heiden ingegaan was en met hem gegeten had. Toen Petrus echter alles verhaalde wat er geschied was, verheerlijkte men God. -— Petrus was echter meer bepaald de apostel der Joden, gelijk Paulus die der Heidenen. Van zijne verdere lotgevallen weten wij niets met zekerheid, dan dat hij, door een Engel uit de gevangenis verlost, naar Cesaréa gegaan is en ook te Antiochië is geweest. Men zegt, dat hij te Rome, met het hoofd naar beneden, gekruisigd is. — Jes. 56 ; 1; Hand. 10 ; 34, 35; 1 Petr. 4 : 14. - Gez. 137 : 1; Fs. 37 : 9; Gez. 191 : 5, 6.
51
51. — DE AXDERE APOSTELEN.
Van de latere lotgevallen der overige apostelen is ons slechts weinig bekend. — Uit de Schrift (Hand. 12 ; 2) weten wij, dat Herodes Agrippa de Christenen vervolgd en bij die gelegenheid Jacobus, den broeder van Johannes, onthoofd heeft. — De overlevering verhaalt ons verder aangaande de apostelen het een en ander, dat echter niet in alles onbepaald geloof verdiend. — Van Johannes wordt ons medegedeeld, dat hij zich, na de verwoesting van Jeruzalem , te Efeze gevestigd en daar het Evangelie verkondigd heeft. Verder, dat hij, tijdens de vervolging onder keizer Domitianus, te Rome in een ketel met kokende olie geworpen, maar ongedeerd er weer uitgekomen is. Later is hij op het eiland Fatmos geweest (Openb. 1:9). Daar ontving hij treffende openbaringen van den Heer. Het laatst van zijn leven bracht hij te Efeze door. Toen hij zeer oud was en niet veel meer spreken kon, herhaalde hij in de gemeente telkens de woorden: Kinderkens hebt elkander lief! Naar dereden hiervan gevraagd, antwoordde hij: Dit is het gebod des Heeren en meer wordt niet vereischt. Hij is den natuurlijken dood gestorven. — Van Andreas, die evenals zijn broeder Simon Petrus uit Bethsaïda afkomstig was, wordt gezegd, dat hij in Scythië gepredikt heeft en te Patrae in Achaje gekruisigd is. — Eilippus, wel te onderscheiden van den diaken, die zoo heette, schijnt in Frygië gepredikt te hebben en te Hiërapoiis gestorven te zijn. Hij werd aan eene paal gebonden en toen gesteenigd. — Van Nathanaël of Bartholo-metts verhaalt men, dat hij o. a. in Groot-Armenië en in Indië werkzaam geweest en te Albanopolis in Armenië op wreede wijze ter dood gemarteld is. — Jtattheüs of Levi wordt gezegd, in verschillende landen van het Oosten gepredikt te hebben en onder de Parthen begraven te zijn. Hij stierf den marteldood. — Thomas of Didymus heeft, volgens sommigen, onder de Parthen gearbeid en is te Edessa gestorven; volgens anderen predikte hij in Indië en onderging daar den marteldood. — Jacobus, bijgenaamd de kleine, de zoon van Alfeüs, wordt dikwijls verward met Jacobus, den broeder des Pleeren, die te Jeruzalem van de tinne des tempels geworpen en daarna gesteenigd is. Er is echter niets van hem bekend. — Van Judas, ook Lebbciis of Thaddéüs genoemd, den zoon van Jacobus, wordt verhaald, dat hij door Thomas naar Edessa gezonden is ter genezing van koning Abgarus. Verder, dat hij in Mesopotamië, Syrië en Arabië gepredikt heeft en te Edessa met stokslagen gedood is. — Simon Kananites of Zelotes heeft, naar gezegd wordt, o. a. gepredikt in Egypte en Perzië, waar hij dan gekruisigd is. — Matthias heeft, zoo wordt verhaald, in Judéa of in Macedonië, of in Cappadocië, of in Ethiopië gepredikt en den marteldood ondergaan. — Weten wij weinig van de apostelen, Gode zij dank, dat wij van den Christus, dien zij predikten, alles weten wat wij noodig hebben
te weten tot zaligheid. — Mare. 8 : 35; 1 .Joh. 4:20; Efez. 2 : 19—21.---
Ps. 121 : 4; Gez. 155 : 3, 4; Ts. 90 : 9.
4*
52
52. — DE HEILIGE SCHRIFTEN.
Hetgeen in de vorige hoofdstukken verhaald is, weten wij groo-tendeelg uit dat gedeelte van den Bijbel, \'twelk wij gewoonlijk het Nieuwe Testament noemen. Dit bevat 27 kleinere en grootere geschriften , die op verschillende tijden door onderscheidene personen vervaardigd zijn. Het juiste jaartal der vervaardiging van ieder geschrift is niet te bepalen. Zij zijn echter alle van zeer hoogen ouderdom. — Naast deze geschriften zijn er nog wel andere uit de eerste tijden van het Christendom, maar zij hebben niet die waarde voor het christelijk geloof en leven. Men was het er, onder de Christenen, eerst niet over eens, welke geschriften de meeste waarde hadden. Langzamerhand kwam er echter meer eenstemmigheid en tegen het einde der vierde eeuw waren nagenoeg allen het er over eens, dat de boeken, die nu samen het Nieuwe Testament uitmaken, goddelijk gezag hadden, /canoniek waren, en dat de andere geschriften daarmede niet gelijk gesteld mochten worden. Deze worden apocryphen genoemd en bevatten nevens vele schoone dingen toch ook vele fabelen en dwaze verhalen. Zij deelen ons verschillende, weinig betrouwbare bijzonderheden mede over Jozef, Maria, Nicodemus, de Apostelen en anderen, vooral ook over de jeugd van Jezus en over hetgeen er tusschen Zijnen dood en de uitstorting des Heiligen Geestes is voorgevallen. Zij zijn onder de Protestanten lang zoo bekend niet als de apocryphen van het Oude Testament. — Het Nieuwe Testament bevat dus 27 kanonieke boeken. Deze zijn of van historischen aard of brieven, terwijl er slechts een boek is, dat wij profetisch kunnen noemen, namelijk de Openbaring van Johannes. De historische boeken zijn: de 4 Evangeliën en de Handelingen der Apostelen. Van de 21 brieven zijn 14 van Paulus, als namelijk de brief aan de Hebreën, van welke de schrijver zich niet noemt, ook aan hem wordt toegerekend ;
1 van Jacobus, den broeder des Heeren; 2 van Petrus; 3 van Johannes; en 1 van Judas, ook een van \'s Heeren broeders.— Met het Oude vormt het Nieuwe Testament den Bijbel (biblia, d.i. boeken). Zij behooren te samen, want evenals het Nieuwe Testament zonder het Oude niet recht begrepen kan worden, zoo kan ook veel uit het Oude slechts door het Nieuwe Testament verklaard worden. Wij hebben daarom gedurig den Bijbel te onderzoeken. Daaruit leeren wij God kennen in Zijne liefde en genade, en Jezus Christus, Zijnen Zoon, die in de waereld gekomen is om zondaren zalig te maken, wordt ons daarin gepredikt. Stellen wij daarom wat God ons gaf op hooge waarde en danken wij Hem voor wat wij, ook in deze Schriften, boven duizenden genieten. — 2 Cor. 3 : 5, 6;
2 Petv. I : 19—21; Matth. 5\': 17.--Gez. 36 : 5; Ps. 119 : 3; Gez. 136:3.
53
quot;WONDEREN VAN JEZUS.
De verandering van water in wijn (Joh. 2 : 1 —11).
Genezing van den zoon eens koninklijken hovelings (Job. 4 :47—54). Genezing van een 38-jarigen kranke in Bethesda (Joh. 5 : 1—18). Genezing van een melaatsclie (Matth. 1 : 1—4; Mare. 1 : 40—45; Luk. 5 : 12—16).
Genezing van den knecht eens hoofdraans (Matth. 8:5-13; Luk. 7:1-10). Genezing van een bezetene te Kapernaüm(i\\Iarc. 1:23-28; Luk.4:33-87). Genezing van Petrus\' schoonmoeder en vele kranken (Matth. 8 : 14—17; Marc. 1 : 29—34; Luk. 4 : 38—41).
Het stillen van den storm (Matth. 8 : 23—27; Mare. 4 : 35—41 ; Luk. 8 : 22—25).
Genezing van twee bezetenen bij Gadara (Matth. 8 : 21—34; Mare. 5 : 1—20; Luk. 8 : 26—32).\'
Genezing van een geraakte (Matth. 9:1-8; Mare. 2:1-12; Luk. 5:17-26). Genezing eener vrouw, die 12 jaren krank was (Matth. 9 : 20—22; Mare. 5 : 25-34; Luk. 8 : 43—48).
Opwekking van Jaïrus\' dochtertje (Matth. 9 : 18, 19, 23—26; Mare. 5 : 22—24, 35—43; Luk. 8 : 41, 42, 49—56).
Genezing van twee blinden te Kapernaüm (Matth. 9 : 27—31). Genezing van oen stomme die bezeten was (Matth. 9 : 32—34). Opwekking van een jongeling te Naïn (Luk. 7 : 11—17). Genezing van den man met eene verdorde hand (Matth. 12 : 9—13; Mare. 5 : 1—6; Luk. 6 : 6 —11).
Genezino- van een bezetene, die blind en stom was (Matth. 12 : 22—45; Mare. 3 : 20-30; Luk. 11 : 14—32).
Spijziging van 5000 menschen (Matth. 14 : 13—21; Mare. 6 : 30 —44; Luk. 9 : 10—17; Joh. 6 : 1—15).
Wandeling op zee (Matth. 14 : 22-33; Mare. 6 : 45-52; Joh. 6 : 16-21). Genezing van de dochter eener Kananeesche vrouw (Matth. 15 : 21—28; Mare. 7 : 24—30).
Genezing van een doofstomme (Mare. 7 : 31—36).
Spijziging van 4000 mensehen (Matth. 15 : 29—39: Mare. 8 : 1—10). Genezing van een blinde in Bethsaïda (Mare. 8 : 22—26). Genezing van een blindgeborene (Joh. 9).
Genezing van een maanzieke (Matth. 17 : 14—21 ; Mare. 9 : 14—29; Luk. 9 : 37-43).
De schatpenning in een visch gevonden (Matth. 17 : 24—27). Genezing van eene vrouw, die 18 jaren krank was (Luk. 13 :10—17). Genezing van een waterzuchtige (Luk. 14 : 1 — 4).
Genezing van 10 melaatschen (Luk. 17 : 11—19).
De opwekking van Lazarus (Joh. 11).
Genezing van twee blinden bij Jericho (Matth. 20 : 26—34; Mare. 10 : 46—52; Luk. 18 : 35—42).
De verdorde vijgeboom (Matth. 21 : 18-22; Mare. 11 : 12-14, 19-24). Genezing van Malchus oor in Gethséraanó ^Luk. 22 : 51).
54
GELIJKENISSEN VAN JEZUS.
De wijze en de dwaze bouwmeester (Matth. 7 : 24—27: Luk. fi : 47—49).
De oude lap op het nieuwe kleed (Matth. 9:16, 17; Mare. 2:2, 22). De nieuwe wijn in oude zakken (Luk. 5 • 36—39).
Het zaad op verschillenden grond gestrooid (Matth. 13 : 1—9, 18—23; Mare. 4 : 3—9, 14—20; Luk. 8 : 4—15).
Het onkruid tusschen de tarwe (Matth. 13 : 24—30, 36—43). Het mosterdzaad (Matth. 13 : 31, 32; Mare. 4 : 30-32; Luk. 13 :18, 19). Het zuurdeeg (Matth. 13 : 33; Luk. 13 : 20, 21).
De schat in den akker verborgen (Matth. 13 ; 44).
De parel van groote waarde (Matth. 13 : 45, 46).
Het vischnet (Matth. 13 : 47—50).
De heer des huizes, die oude en nieuwe dingen voortbrengt (Matth. 13 : 52).
Het verloren of afgedwaalde schaap (Matth. 18 : 12, 13; Luk. 15 :1-7). Do onbarmhartige dienstknecht, dien de schuld was kwijtgescholden (Matth. 18 : 23 — 35).
De arbeiders in den wijngaard (Matth. 20 : 1—13).
De twee zonen van verschillend karakter (Matth. 21 : 28—32). De goddelooze landlieden (Matth. 21 : 33—46; Mare. 12 :1 —12: Luk. 20 : 9—19).
Het koninklijke gastmaal en de gast zonder feestgewaad (Matth. 22 : 1—14).
De getrouwe en voorzichtige dienstknecht (Matth. 24 : 42—51 ; Luk. 12 ; 25—48).
De wijze en de dwaze maagdon (Matth. 25 : 1—13). De toevertrouwde talenten (Matth. 25 : 14—30).
Het zaad, dat opschoot zonder toedoen van den zaaier (Mark 4 ; 26—29).
De twee schuldenaars (Luk. 7 : 41—43).
De barmhartige Samaritaan (Luk. 10 : 25—37).
De vriend in nood (Luk. 11 : 5—8).
De rijke dwaas of de dwaze rijkaard (Luk. 12 : 13—21). De onvruchtbare vijgenboom (Luk. 13 : 6—9).
Het groote avondmaal (Luk. 14 : 16—24).
De torenbouw en de oorlogsonderneming (Luk. 14 : 28—38). De verloren penning (Luk. 15 : 10).
De verloren zoon (Luk. 15 : 11—32).
De onrechtvaardige rentmeester (Luk. 16 : 1—13).
De rijke man en Lazarus (Luk. 16 : 19 — 31).
De dienstknecht, die geen aanspraak heeft boven zijn loon (Luk. 17 : 7—10).
De onrechtvaardige rechter en de weduwe (Luk. 18 : 1—8). De farizeër en de tollenaar (Luk. 18 : 10—14). De toevertrouwde talenten of ponden (Luk. 19 : 11—27).
55
HET GEBED DES HEEREN (HET OXZE VADER).
(Matth. 6 : 9—13.)
Onze Vader, die in de hemelen zijt!
üw naam worde geheiligd.
Uw koningrijk kome.
Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde. Geef ons heden ons dagelijksch brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den liooze. Want Uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.
DE TWAALF ARTIKELEN DES GELOOFS.
1. Ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.
2. En in Jezus Christus, Zijnen eeniggehoren Zoon, onzen lieer; 3. die ontvangen is van den Heiligen Geest, gehoren uit de maagd Maria; 4. die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle; 5. ten derden dage weder opgestaan van de dooden; 6. opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods, des Almaehtigen Vaders; 7. van waar Hij komen zal om te oordeelen, de levenden en de dooden.
8. Ik geloof in den Heiligen Geest. 9. Ik geloof eene heilige, algemeene, Christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen; 10. vergeving der zonden; 11. wederopstanding des vleesclies; 12. en een eeuwig leven.
56
DE BOEKEN VAN HET NIEUWE TESTAMENT.
1. Het Evangelie van Mattheüs.
2. „ » n Marcus.
3. „ „ n Lukas.
4. ,, „ „ Johannes.
5. De Handelingen der Apostelen.
6. Brief van Paulus aan de Romeinen.
7. Eerste Brief van Paulus aan de Corinthiërs.
8. Tweede „ „ „ » v
9. Brief van Paulus aan de Galaten.
10 , Efezen.
1gt;J- v v n n »
11. „ M Fihppensen.
12. „ „ Colossensen.
13. Eerste Brief van Paulus aan do Thessalonicemen.
14. Tweede „ „ n r n
15. Eerste M „ „ Timotheiis.
16. Tweede „ n « ^ n
17. Brief van Paulus aan Titus. 18 „ Filémon.
i0* n n n v
19. „ aan do Hebreen.
20. „ van Jakobus.
21. Eerste Brief van Petrus.
22. Tweede „ „ „
23. Eerste „ „ Johannes.
24. Tweede „ „
25. Derde v n n
26. Brief van Judas.
27. Do Openbaring van Johannes.
DE CHRISTELIJKE FEESTEN.
Op het Kerstfeest (25 en 26 December) vieren wij gedachtenis
van Jezus\' geboorte. , , ,
Op Goeden Vrijdag vieren wij gedachtenis van Jezus dood. Op Paschen vieren wij gedachtenis van Jezus\' opstanding. Op Hemelcaartsdag vieren wij gedachtenis van Jezus hemelvaart. Op Pinksteren vieren wij gedachtenis van de uitstorting des Heiligen Geestes.