S\'
O-Mf
2 D
ARNOLD, DE MONNIK.
ƒ.• -?rA
_G\'quot;
to
e
Arnold, De Mohnik.
K]©^1!LL1
EDUARD OEHMKE.
Kaar het Hoogduitsch
VAN 0VERIJSEL.
■ gt; :::gt; «c c: -c ^
KAMPEN — LAURENS VAN HULST
1888.
quot;s.
ei_
___
EERSTE HOOFDSTUK.
mold, een jeugdige novice, schreed in diep nadenken verzonken over den straatweg, die langs den breeden bergrug naar de stad voerde. Daar weerklonk in de plechtige avondstilte het heldere klokgelui van het oude klooster, dat boven op een hooge rots gebouwd was, die in zee uitstak. Arnold bleef staan en wendde zijn blikken weemoedig naar de vredige plaats terug. Hij zag het eerwaardige, grauwe klooster; daar-
i
achter de hooge, begroeide berggroepen; ver beneden zich het groenachtige water van het meer met zijn dicht begroeiden, schilderachtigen oever, waarop de eerste adem van den herfst een roodachtig gouden tint getooverd had, die het statige landschap een bont en eigenaardig aanzien gaf. Slechts zelden brak een bezielende straal der avondzon door de wolken heen. De lucht was drukkend. Angstig fladderden de zwaluwen rond. Het was, alsof er een onweder aan het opkomen was.
Arnolds blik zocht en vond een weinig beneden het klooster, tusschen het dichte loof verborgen, de torentjes eener op een slot gelijkende villa. Zijn oog vlamde op. Slechts aarzelend wendde hij zijn blikken af en schreed verder in de richting der naaste stad, naar het huis zijns vaders, waarheen een brief van dezen hem zonder verdere opgave van redenen geroepen had.
Arnold was de zoon van een hooggeplaatst beambte, den vrijheer von Felseck. Zijn opvoeding was. van zijn prilste jeugd af aan de vrome kloosterbroeders toevertrouwd, daar
lt; -
zijn vader hem voor den geestelijken stand bestemd had.
Drie knappe boerinnetjes, die daar juist langs kwamen, lachten en hun gelach scheen de wijsheid dezer vaderlijke bestemming in twijfel te willen trekken; de meisjes stieten elkander aan, giegelden en keken den jongen novice met welgevallen na.
Hij echter zag ze evenmin als het afwisselend landschap, dat h\'ij voorbij ging. Sedert zijn oog op de torentjes van gindsche villa aan zee gerust had, waren voor zijn geest weder de beelden opgedoemd, die hem sedert gisteren hadden bezig gehouden. Zijn plotselinge afreis had ze voor het oogenblik terug gedrongen; nu echter grepen ze hem des te machtiger aan. In zijn gemoed heerschte dezelfde twijfel, die op het gelaat der drie boerenmeisjes een lach te voorschijn geroepen had, de twijfel daaraan, of hij werkelijk tot monnik geschikt was. Tot nu toe had deze stem in hem gezwegen en had deze vraag zich niet aan hem voorgedaan. Hij had daarheen geleefd onder de hoede van den verstan-
G)-
{!
(5
digen, welwillenden abt Theodosius, die hem als een vader liefhad en wien hij innig genegen was. Theodosius, die den grondregel toegedaan was: het weten voor de leiders, het gelooven voor de kudde, had hem alles geleerd, wat hij zelf wist, en dat was niet weinig. Daardoor was Arnolds lust tot nadenken ontwikkeld ; doch dit doelloos weten, deze priesterlijke, afgetrokken geleerdheid had niet vermocht hem tot een gezond denken te vormen, maar had hem tot een in zich zelf gekeerd droomer gemaakt. Gelijk alle menschen die in de eenzaamheid daarheen leven, had hij getracht zich zijn eigen weten te verklaren, waarin verstand en phantasie zoozeer dooreen geweven waren, dat hij er vergeefs naar streefde deze te scheiden, en noch met zijn phantastisch denken de wereldraadselen vermocht op te lossen, noch het reine genot in de beelden zijner phantasie kon smaken, daar zijn ontledend vernuft hem deze in al hun naaktheid vertoonde.
Zoo waren de jaren voorbij gegaan.
Heden echter was er in zijn binnenste een
stem ontwaakt, die hij nooit gekend, nimmer vernomen had. G-eheel zijn wezen was door een wonderbaar zoet raadsel aangegrepen, dat al zijn zinnen in oproer bracht en zijn bloed stormachtig naar het hart joeg.
Het was op eene eenzame wandeling geweest. Hij was in het woud verdwaald en was op goed geluk voortgegaan in de richting, waarin hij vermoedde, dat het klooster moest liggen. Het woud was minder dicht geworden en Arnold stond plotseling aan den rand van het meer. Door vermoeidheid overmand, zonk hij neder en sliep in. Toen hij ontwaakte — ja, hij wist eigenlijk niet recht, of hij gewaakt of slechts gedroomd had — lag hij in het gras; boven hem ruischte de nachtwind dooide donkere pijnboomen; klagend weerklonk de roep van den roofvogel door de heer-schende stilte. De volle maan dook aan den met sterren bezaaiden hemel op en spiegelde zich in het groenachtige, heldere water. Tus-schen het riet aan den kant bogen de leliën nauwelijks merkbaar hare slanke hoofden.
Een dorre tak kraakte en uit het houtge-
was trad een dicht omhulde gestalte. Zij bleef, in luisterende houding aan den rand van het water. Green blad bewoog zich. Daar wierp zij haar omhulsel af en liet een bekoorlijk gevormde meisjesgestalte zien : als een sluier hing het donkere, loshangende haar over het witte gewaad; in het bleeke gelaat schitterden twee schalksche, overmoedige oogen; de een weinig geopende, purperen lippen zogen wellustig de zoele, verkwikkende avondlucht in, zoodat het geheele jeugdige lichaam, door een trilling van genot bevangen, zacht heen en weer bewoog, als een roos, die den avonddauw indrinkt. Slechts een oogenblik bleef het meisje daar diep ademend, staan, toen verdween zij in het heldere water van het bergmeer. Groote. zilverachtige kringen bewogen zich op de oppervlakte. De bekoorlijke verschijning wiegde zich als een nix op den donkeren bodem en zong er een lied bij; elk refrein werd begeleid door een overmoedig, melodisch gelach.
Haar blanke ledematen schemerden in wegslepende schoonheid in het zachte maanlicht. Het was als ging er zelfs door het water een
trilling, terwijl het zich dichter om haar heen-vlijde en haar bloeiende leden in kleine golfjes omringde. De gouden spiegelbeelden der sterren huppelden ook naderbij en sloten zich bij de dansende golven aan. Vertrouwelijk knikten de witte leliën haar koningin-zuster toe ... .
Daar had hij, opspringend, een onderdrukten kreet uitgestooten en alles was verdwenen en uiteengestoven.
Na eenig zoeken vond Arnold den weg naar het klooster. Tot zijn verwondering bleek het, dat hij zich in het groote wildpark van het kleine slot aan het meer, zooals de villa met de torentjes genoemd werd, bevonden had. Dit kleine slot behoorde sedert korten tijd aan een rijk buitenlandsch koopman.
Den dag na dit voorval ontving Arnold den brief, die hem ten spoedigste naar huis riep.
r
TWEEDE HOOFDSTUK.
et begon donker te worden. Arnold hoorde het doffe ge-ruisch eener groote stad. Aan zijn voeten zag( hij in de schemering een witte zee van huizen liggen, waarboven enkele gevels en torens uitstaken. Hier en daar schemerden lichten. Aan den donkeren horizont zag men in de verte het weerlicht flikkeren. De zuidwestenwind dreef ritselend eenige dorre bladeren voor zich uit.
Spoedig bad Arnold de eerste straten der voorstad bereikt. Het was beet en drukkend in de enge stegen. Een benauwend gevoel greep bem aan; het was bem, als moest er iets onverwachts, iets vreeselijks geschieden; waarom wist bij zelf niet — bet lag in de lucht.
„Er zal zeker een geducht onweer komen,quot; dacht hij.
Maar betzelfde, wat hij gevoelde, schenen ook de bewoners der stad te ondervinden. Alle gemoederen schenen gejaagd. Haastig en dicht tegen de buizen gedrukt slopen eenzame gestalten hem voorbij. Anderen gingen, zacht fluisterend en schuw naar alle zijden omziende, door de straten om onmiddellijk in de veilige huizen te verdwijnen. Deuren en vensterluiken werden met groot geraas gesloten. Van tijd tot tijd stuitte bij op groepen mannen, die in ijverig gesprek verdiept waren. Arnold bleef staan om toe te luisteren. Hij vernam, dat men een oproer vreesde. Men was ontevreden met het bestuur des lands. De werklieden, die reeds lang over bun positie morden, hadden den arbeid gestaakt en vorderden: „Verbooging
va,!! loon en vermindering van werkurenquot;.
Arnold vervolgde zijn weg. In een zijstraat, dicht bij de rivier, die de stad doorstroomde, hoorde hij uit de gelijkvloers gelegen gelagkamer voor de herberg „De Lindeboomquot; alarm en geschreeuw. „De Lindeboomquot; was — dit wist hij — de verzamelplaats der ontevredenen in de stad. Hij naderde het huis en bleef in de diepe schaduw van een der wijdgeopende vensters staan.
Daar zaten zij allen bijeen in de eenvoudige, door gas verlichte gelagkamer de breedgeschouderde, krachtige gestalten der werkstakende arbeiders in hun blauwe kielen, laaggeplaatste beambten, schabberige, armoedige schrijvers, half verhongerde kleermakers en stevige handwerkslieden, waarbij zich nog allerlei gespuis en twijfelachtige sujetten gevoegd hadden, die oproerige toespraken hielden en zich daarvoor hun gelag lieten betalen.
Overal werden levendige discussies gevoerd. Eenigen lachten, anderen zaten daar bleek en ernstig, met gloeiende oogen. Het was een verward rumoer van luide mannenstemmen;
10
van den eenen kant naar den anderen weerklonk het refrein van een lied.
„Wijn hier!quot; hoorde men overal roepen. Vlug en glimlachend snelde Schulze, de herbergier, natuurlijk ook een der Rooden, van het eene tafeltje naar het andere om in de behoeften zijner dorstige gasten te voorzien. Hoewel hem bij deze bezigheid twee vlugge schenksters hielpen, vond hij nauwlijks tijd nu en dan te blijven staan, om een weinig te luisteren, daar, waar het al te luidruchtig toeging, een vermanend woord te doenhooren of het gesprek behendig een andere wending te geven. Als een veldheer keek hij met zijn verstandige, grijze oogen rond en was overal tegenwoordig, waar men hem juist noodig had. Het was een lust den jongen man aan te zien: zijn nog jeugdig frisch gelaat, zijn gevulde gestalte met de verblindend witte schort voor, het zwarte kapje op het .hoofd en de handen vol halve pintjes met den wijd en zijd bekenden „Rotsponnquot;, die van zijn eigen wijnberg kwam.
„Met weer aan het werk gaan, zullen wel
ii
toegeven!quot; sprak de zware basstem van een reusachtigen werkman, den rooden Jakob, die ter bekrachtiging dezer woorden met zijn breede hand op de tafel sloeg, dat alles dreunde.
„quot;Weg met de Papen!quot; — Zet de kloosters in vlammen!quot; riepen eenige stemmen.
„Weg met de rijken!quot; werd in koor geantwoord. „Wij zullen ook .... quot;
„Stilte!quot; - „Pst!quot; - „Stilte!quot; - „Dorn wil spreken!quot; „Leve Dorn!quot; — „Ja, die verstaat het!quot;
„Dornquot;, dacht Arnold, „dat moet Paul zijn,quot; en een bijna uitgewischte herinnering uit de dagen zijner kindsheid ontwaakte weder in hem.
Een jonge, gespierde man met donker hoofd en donkeren baard en kleine, vurige oogen was op de tafel gaan staan. Het was werkelijk Paul Dorn, eigenaar eener kleine drukkerij en redacteur van een populair volksblad. Hij nam een rustige, afwachtende houding aan, tot het rumoer bedaard was, toen begon hij met luide, heldere stem en op den toon van vurige geestdrift en innige overtuiging te spreken: „Broeders, gij hebt gelijk, lang ge-
noeg hebben wij geduld, lang genoeg hebben wij de lasten van anderen gedragen, lang genoeg heeft men ons met een betere toekomst getroost. Wat is ons loon? Waar is die toekomst? De oude God, die ons voor ons moeitevol aardsche leven zou schadeloos stellen — hij is gestorven! Het vrije onderzoek heeft de bakersprookjes van den godsdienst tenietgedaan. De God, die wij in de bedruktheid en den angst onzes harten aangeroepen hebben is het fantoom onzer eigen wenschen.
Daarom, laat ons niet bidden, maar laat ons handelen!
„Geen misdadige overmoed, neen, de bittere nood drijft ons tot den strijd. De Papen hebben ons in slaap gewiegd met hun ellendig gezang over het eeuwige leven, met hun zachte woorden over liefde en barmhartigheid, over medelijden, vergeving en vergelding. Wij sliepen. Maar nu gaat er een machtige beweging door alle landen, in stoomenden gang legt de geest der vrijheid . de overwinnings-tocht af, hij zwaait een vlammend zwaard
en roept met luider stemme: „„Waakt op! Waakt op!quot;quot; Waar hij komt, staat het volk op en volgt hem. Ja, wij zijn ontwaakt, en een ieder van ons gevoelt zich een mensch, die het recht heeft hier op aarde een des menschen waardig bestaan te leiden. Wij zijn mondig geworden en willen ons zelf regeeren. Niet de willekeur des heerschers zal ons voortaan onze wetten voorschrijven: slechts dat zal ons tot wet zijn, wat in ons eigen hart gegrift staat, wat ons eigen hart ons voorschrijft te doen. Het volk is tot beter en hooger dingen bestemd, dan aan eenige uitverkorenen heerendiensten te verleenen!quot;
„Bravo!quot; — .„Bravo!quot; klonk het hem van alle kanten tegen.
„Doch hoort mijn waarschuwing. Wacht u voor overijld handelen, opdat gij niet overweldigd, ontwapend en opnieuw verdrukt wordt. Wacht het rechte tijdstip af. Hebt geduld tot alles gereed is; dan echter, als wij eensgezind zijn in stad en land, dan zullen wij opstaan als één man en onze rechten handhaven. Wij hebben het geloof aan een hemelsche gerech-
14
tigheid verloren, maar des te vaster gelooven wij aan een gerechtigheid hier op aarde, en als ons deze niet gewordt, zullen wij opstaan, bezield van den geest des toorns en des op-roers, en gerechtigheid vorderen en gerechtigheid uitoefenen voor den geleden smaad.quot;
Bij deze woorden greep Paul Dom een volle pint en riep: „Leve de revolutie! Leve het volk en „Hoera!quot; — „Hoera 1quot; antwoordde jubelend de menigte, medegesleept door het vuur der rede, bedwongen door de wilskracht der persoonlijkheid zijns leiders, bereid hem te volgen tot den vreedzamen arbeid of tot den bloedigen strijd.
Arnold was bij het hooren dezer rede roerloos blijven staan. Hij was aangegrepen tot in het diepst zijner ziel. Hij gevoelde een schuwen eerbied voor deze wild bewogen menigte en bewondering voor den man, wiens rede zulk een heerschappij over de gemoederen van het volk uitoefende; heden had hij het woedende vuur bedwongen, maar hij kon het ook aanblazen tot een vreeselijken, alles verteerenden gloed.
15
DERDE HOOFDSTUK.
l e lamp op de kunstig uitgesneden toilettafel, die tusschen dehooge, dicht behangen vensters stond, verlichtte met een mat schijnsel het rijk gemeubileerd vertrek. Achter in de kamer rustte in een groot ledikant de oude raadsheer Baron von Felseck. Naast het leger stond een donker, met koper beslagen nachttafeltje, waarop een zilveren crucifix stond.
Arnold, die aan het bed van zijn doodzieken
öl
vader zat, liet het hoofd diep op den borst zinken.
Buiten huilde de storm. In de kamer echter heerschte diepe stilte. Men hoorde slechts den rochelenden adem van den zieke en het regelmatige getik van het Engelsche uurwerk op den schoorsteen.
De zieke zonk in een onrustige sluimering. Arnold keek op. Zijn oog viel op de in het donker nauwelijks kenbare gelaatstrekken zijns vaders. Een half spottende, half medelijdende uitdrukking gleed over zijn gelaat; een lichte trilling bewoog zijn mondhoeken. Met dezelfde uitdrukking keek hij in de kamer rond, die hem bijna vreemd was. Eindelijk bleef zijn blik rusten op een pastelteekening, die juist tegenover hem hing, en waarop het volle schijnsel der lamp viel. Het door een kunstenaarshand vervaardigde borstbeeld stelde een schoone, jonge vrouw voor — zijn moeder. Zij lachte, en het was Arnold, als gevoelde hij de ijzige koude van dien lach, als was het een weinig gesloten oog onderzoèkend op hem gericht. Een koude rilling ging hem door de
17
Qj to
9 lt;2.
I
leden. In dit oogenblik begreep hij voor het eerst met ontzettende klaarheid, dat hij zijn ouders niet beminde, nimmer bemind had.
Plotseling kwamen hem de beelden uit zijn kindsheid voor den geest.
Hij zag zijn vader, een stijven man, met zijn ondoorgrondelijk, gladgeschoren gelaat;
zijn overdreven strengheid maakte elke vertrouwelijke toenadering, elke liefkoozing onmogelijk en vermocht in het hart van zijn kind geen liefde, slechts vrees te verwekken. Hij zag zijn schoone, koude moeder, die geen andere ■ plichten kende dan die der conversatie; die uit de trage rust, waarin zij oogenschijnlijk leefde, met een wenk harer witte hand of met een blik harer schitterende oogen haar trotschen echtgenoot, haar geheele huishouding en alles wat in haar nabijheid kwam, beheerschte en leidde. Zij had haar kind, gelijk al het overige, als een stuk speelgoed behandeld, dat men al naar mate zijner luimen ter hand neemt of wegwerpt, en als het ons verveelt, ook geheel onopgemerkt laat liggen; dat had Arnold ondervonden.
c) (5
____amp;
•i«
Niemand had zich om hem bekommerd, en zoo was hij opgegroeid, eenzaam, zonder makkers, en was vroegtijdig tot een droomer geworden.
Als hij zich recht verlaten en eenzaam gevoelde, had hij zich tot den goeden Clod gewend, tot wien hij al spoedig in eene vertrouwelijke, innige betrekking stond. Hij berichtte Hem getrouw zijn leed en vreugde en deelde Hem zijn gewichtigste hartsgeheimen en kinderlijke wenschen mede. En hoe goed was toch de Vader in den hemel: al zijn beden vervulde Hij ; en deed Hij het niet, dan schikte Arnold zich met bedroefd gelaat onderworpen in zijn lot, want hij dacht, dat de goede God boos op hem was om de een of andere kleine zonde, die altijd wel was op te sporen.
Arnold moest lachen, nu hij zich in dezen tijd terugdacht en zich zijn kinderlijk geloof aan God voorstelde; en toch — was toen alles niet veel eenvoudiger en helderder geweest?
Daar hoorde hij de woorden: „De oude God — Hij is gestorven.quot;
„Wie zeide dat? Ja, nog niet langgeleden —
iy
in de stampvolle gelagkamer van „De Lindeboomquot; — juist — Paulquot; — en opeens stcnd hem een episode uit zijn jongensjaren voor den geest.
„Zoo was het,quot; ging hij in zijn gedachten voort.
In het schemeruur van een winterdag snelde een opgeschoten knaap — Arnold zelf — in een warmen pelsmantel gehuld, van de ijsbaan terugkeerende, door de straten der stad. De sneeuw kraakte onder zijn schreden; het was bitter koud; de wind woei scherp en ijzig uit het noorden. Een hoek omgaande, zag Arnold op eenigen afstand de gestalte van een knaap van ongeveer zijn leeftijd, in armoedige kleeding op de groote steenen stoep van een heerenhuis nederhurken. Hij hield het hoofd in beide handen gesteund en schreide. Arnold had medelijden met den knaap. Nader komende, overlegde hij, hoe deze te helpen zou zijn. Hij zocht in zijn zak naar een* geldstuk, vond . echter slechts een groot stuk zilver, de rest van zijn zakgeld. De eerste van de maand was nog ver af. Aarzelend liet hij het geldstuk weer uit de hand glijden. Daar vielen
20
hem de woorden in : „Gij zult weldoen en God zal het u vergelden.quot;
Reeds had hij het geldstuk weer in de hand genomen, toen zich een inwendige stem in hem liet hooren: „AYat? Gij wilt weldoen in de hoop op vergelding? Dat is slecht.quot;
Arnold was op den knaap toegetreden en bleef bij hem staan. Een blik op het vervallen gelaat en de van koude bevende gestalte van den knaap was voldoende. Zijn ellende en zijn hulpbehoevendheid waren duidelijk zichtbaar. Hij had het geld meer noodig dan Arnold. Vastbesloten en veiheugd gaf hij het weg.
„God vergelde het u !quot; klonk het van de bleeke lippen van den knaap; hij hield echter niet op met ween en. Arnold wendde zich om tot verder gaan, doch keek nog eenmaal om en wenkte, na zich even bedacht te hebben, den knaap hem te volgen. Met een dankbaren blik sprong deze op en schreed, naast hem voort. Op Arnolds vragen vertelde hij, dat hij Paul Dorn heette en dat zijn ouders op een fabriek hadden gewerkt. Sedert hun dood was hij in huis bij zijn grootvader, die iederen
21
avond dronken thuis kwam en hem dan sloeg, zoodat hij nu eindelijk van hem weggeloopen was. Tot nu toe had hij er zich dapper doorgeslagen en had den verren, moeielijken weg met blij vertrouwen afgelegd, maar nu hij vreemd en zonder geld in de groote stad was aangekomen, had hij den moed verloren en door droefheid overmand, was hij in bitter weenen losgebarsten.
Intusschen waren de beide knapen voor het huis van baron von Felseck aangekomen. Arnold voerde zijn beschermeling ongemerkt door een zijdeur het huis binnen. Met medehulp van ■ Johan, een ouden, trouwen dienaar, verschafte hij het halfverstij fde arbeiderskind droge, warme kleederen. Daar in de prachtig versierde zalen in het voorste gedeelte van het huis heden een groot feest plaats had, werd Arnold zijn avondeten op zijn kamertje gebracht. Het verschafte hem een groot genot het rijkelijke maal met Paul te kunnen deelen. Toen zij versterkt en verkwikt in den grooten leunstoel bij de warme kachel zaten, terwijl uit de verte dansmuziek tot hen doordrong, vertelde Paul
22
van de groate fabriek, waarin honderden van arbeiders werkten; van armoede, ellende en honger; van het bleeke, stille kind, zijn kleine vriendinnetje, Eesi van de buurvrouw, die hem altijd troostte, als zijn grootvader hem geslagen had, die haar laatste stuk hard brood, dat zij beiden met hun tranen bevochtigden, met hem gedeeld had; hij vertelde van zijn besluit om te vluchten en van zijn lotgevallen op zijn zwerftocht. De tengere, schrale gestalte van Arnold vlijde zich dichter tegen zijn moedigen, krachtig gebouwden kameraad aan; vol bewondering hing zijn nadenkend oog aan Pauls vastberaden trekken en verstandige, heldere oogen, waaruit al de energie van het arbeiderskind sprak. Vol verwondering hoorde Arnold dingen verhalen, waarvan hij niet het minste vermoeden had gehad en zag een wereld van troostelooze ellende voor zich oprijzen, die hij nimmer had gekend.
Laat in den avond scheidden de knapen, daar Paul in de kamer van den ouden Johan overnachten zou; Arnold kon echter langen tijd den slaap niet vatten; hij dacht aan zijn
23
goeden kameraad en aan de stille, bleeke Resi ....
Toen de vrijheer den volgenden dag het voorval vernam, was hij zeer ontevreden. Arnold mocht zijn kleinen vriend niet weerzien. Dooiden ouden Johan vernam hij echter, dat zijn vader voor den knaap gezorgd had.
VIERDE HOOFDSTUK.
et dof gedreun rolde een wagen door de hofpoort. De zieke verroerde zich. Hij hief het hoofd op en liet het luisterend op zijn hand rusten. Het matte schijnsel der lamp viel op zijn glad, doodsbleek gelaat. Hij kon niet meer dan vijftig jaar tellen; het dunne haar begon een weinig te grijzen, de scherpe, regelmatige trekken drukten groote spanning uit.
Arnold keek zijn vader met de grootste ver-
(5
c).
6^
bazing aan. Eenige seconden verliepen; toen hoorden zij, hoe op de onmiddellijk boven hen gelegen kamer haastige mannenschreden weerklonken.
De oude baron knikte met het hoofd, als wilde hij zeggen: „Ik heb mij niet vergist.quot; Een bepaalde gedachte scheen zijn geest bezig te houden en het hem mogelijk te maken, zijn laatste wankelende krachten bijeen te rapen. Hij richtte zich op, sloeg met onvaste hand een paar kleedingstukken om, verliet het bed en stond voor Arnold.
Zijn blik zocht dien zijns zoons. Voor de eerste maal las Arnold in deze helderblauwe oogen niet de hem zoo welbekende koelheid; hij las er iets in, dat om vergeving smeekte, medelijden vroeg en des te treffender was, daar deze uitdrukking zoo weinig bij het strenge, harde gelaat passen wilde.
Arnold gevoelde in zijn binnenste een lichte ontroering, zooals hij tegenover dezen man tot nu toe nog nimmer ondervonden had. De vader bemerkte dit, zijn rechterhand verhief zich onwillekeurig, viel echter dadelijk
weer neer, terwijl ze slechts even, als tot een schuchtere liefkozing, den arm zijns zoons aanraakte.
De vrijheer nam uit de schuiflade van het nachttafeltje een kleinen sleutel, ging met tamelijk vasten tred naar de verborgen tapijtdeur naast den schoorsteen, opende deze, en dwong Arnold met een gebiedende handbeweging hem te volgen. Zij stegen een donkere trap op; nogmaals draaide er een deur op de scharnieren en nu bevonden zij zich in een volkomen donker vertrek; slechts van de rechterzijde schemerde door de opening tusschen een neergelaten portière een flauw licht, waarop de beide mannen, onhoorbaar over den met tapijt belegden vloer gaande, langzaam afgingen. De vrijheer schoof voorzichtig de zware gordijnen uiteen en keek dooide opening. Langen tijd bleef hij zoo staan ; zijn gelaat nam een strakke uitdrukking aan, slechts nu en dan vloog er een pijnlijke trek over. Arnold dacht: „Nu — nu zal hij het luide uitschreeuwenquot;, maar de lippen zijns vaders bleven vast opeengeklemd, het oog
onbewegelijk, steeds op hetzelfde punt gericht — daar — in het aangrenzende vertrek.
Een heimelijke afschuw bekroop Arnold voor dit geheimzinnig, ontzettend iets. Zijn adem stokte, zijn hart klopte met luide slagen. Daar voelde hij, hoe de ijskoude hand zijns vaders hem beduidde door de portière te gluren. Hij deed het. In het begin kon hij niets onderscheiden. Het eerste, wat hij waarnam, was een fijne doordringende resedageur, waarmede de warme lucht in de kamer vervuld was. Langzamerhand begon hij echter meer te onderscheiden.
Het was een kleine, elegante salon. Aan den zolder hing-een altaarlamp, die een mat, blauw licht verspreidde. Midden in de kamer stond een ottomane, waarop in achtelooze houding eene vrouw in een geel kanten gewaad lag uitgestrekt. Haar gelaat kon Arnold niet zien, want voor haar lag een hooge mannengestalte geknield. Nu kon hij opeens alles onderscheiden: het opengeslagen boek, dat op het dikke tapijt lag, den grooten palmboom achter de ottomane, die zijn breede
28
bladeren over het fluisterende paar liet neervallen, den langen, smallen voet in met zilverdraad bestikte pantoffels, die coquet van onder den zoom van het kleed te voorschijn kwam, den blanken, ontblooten arm, de groote, schoone hand, die in de zwarte lokken van den man woelde, terwijl deze er ijverig mee bezig scheen de andere hand met hartstochtelijke kussen te bedekken.
Arnold voelde een stekende pijn in de borst. Neen, neen, het kon niet zijn! Op dit oogen-blik verhief zich de man en zette zich aan de voeten der vrouw.
Nu was geen twijfel meer mogelijk. Arnold herkende zijn moeder. Dat was haar schoon, ovaal gelaat, het in een kunstigen knoop gelegde roodachtige haar, waarvan een dikek streng loshing en golvend op den zacht op en neergaanden boezem afviel, het halfgesloten, schitterende oog, de dunne, vastberaden lippen, waarom een trotsche, koele lach speelde.
Wie mocht de statige man zijn, die als een slaaf aan haar voeten lag? Hij had schoone, regelmatige trekken. Juist streek hij met zijn
2\'J
kleine, breede hand over den langen, wei-onderhouden\' baard en zijn donkere oogen lachten overmoedig.
„Waar heb ik dezen blik toch gezien?quot; sprak Arnold bij zich zelf; „dezen overmoe-digen blik ?quot; Slechts de gloeiende hartstocht daarin was hem vreemd. „Dezen blik?quot; — vergeefs — hij kon hem niet thuis brengen.
Hij trad terug en volgde zwijgend zijn vader; zij gingen langs denzelfden weg, die hen daar gebracht had.
JS
GU
-P
3ü
VIJFDE HOOFDSTUK.
uiten huilde de storm steeds luider en heviger. Toen de vrijheer de kleine tapijtdeur van zijn slaapkamer opende, rukte een hevige windvlaag het zich daar tegenover bevindende venster open en een koude luchtstroom trok door de kamer. De lamp ging uit. Arnold snelde naar het venster en sloeg de gordijnen terug. Onhoorbaar, spookachtig joegen de donkere wolken door de lucht; het was, als trok in de duisternis des nachts
gv
lt;5
31
de dood daarheen, gevolgd door een heir van zwarte ruiters; — hun mantels fladderden, hun rossen steigerden, — en toen de bleeke maan te voorschijn kwam, zag men, dat ieder ruiter, vast in zijn armen gesloten, een zwijgend, roerloos doodenoffer droeg: schoonejongehngen met treurige gezichten, die van eerste liefdesmarten droomden, onschuldige, sluimerende kinderen, eerwaardige grijsaards met zilvergrijze, golvende baarden en bekoorlijke, slanke vrouwengestalten, in lange witte sluiers gehuld. Het vale maanlicht stroomde de kamer binnen en vormde op de wanden zonderbare gestalten, fantastische schaduwbeelden.
Daar hoorde. Arnold een sleutel rammelend op den grond vallen. Hij wendde zich om en zag den vrijheer ontzet terugwijken : zijn gezicht was verwrongen, zijn handen hield hij afwerend uitgestrekt.
„Ziet ge . . . daar . . . aan het venster!quot; stiet hij nauwelijks verstaanbaar uit.
„Neen vader, ik zie nietsquot;, sprak Arnold op kalmen, helderen toon.
Doch de vrijheer gaf daarop geen acht.
32
„Weg! weg!quot; riep hij nogmaals, terwijl hij zijn handen verhief.
„Staan dooden weder op? Wat vervolgt gij mij ?quot; vroeg hij luid. „Ziet gequot;, wendde hij zich fluisterend tot Arnold, „hoe het roode bloed uit zijn wonde vloeit . . . hoe zijn oog breekt ? Ik kan het niet zien!quot; Hij bedekte zijn gelaat met de handen. De hooge gestalte van den vrijheer trilde in waanzinnige vrees voor het schrikbeeld des doods.
Plotseling scheen er een gedachte in hem op te komen. Hij snelde Arnold voorbij naar het nachttafeltje, wierp zich op de knieën, omklemde met sidderende hand het groote zilveren crucifix en smeekte in de grootste opwinding : „Help mij — red mij, almachtig G-od!quot; Doch verder kwam hij niet; uitgeput zonk hij op het tafeltje neer, vergeefs trachtte hij zijn handen te vouwen, zijn lippen bewogen onhoorbaar, zijn hoofd viel zwaar op zijde. Arnold sprong toe en omvatte zijn vader met zijn armen. De vrijheer richtte zich op en keek schuw in de kamer rond. „Hij is wegquot;, ■ mompelde hij.
Op Arnolds arm steunend, wankelde hij
33
naar den leunstoel naast het bed en liet zich met groote inspanning daarop nedervallen.
Arnold stak licht aan. De vrijheer was in die weinige oogenblikken een grijsaard geworden: zijn hooge gestalte was gebogen, zijn haar grijs en zijn oog dof geworden.
Arnold stond voor hem en beschouwde hem met innige deelneming.
„Hij maant mij,quot; begon de vrijheer als sprak hij tot zich zelf, „hij heeft gelijk — ik moet mijn rekening vereffenen — de dood nadert. Ik sterf, mijn zoonquot;, sprak hij achterover in den stoel zinkende, „maar eerst moet ik voor u biechten.quot;
Hij sprak langzaam en plechtig met zichtbare inspanning. „Ik kan niet van u scheiden, eer ge mij de belofte gedaan hebt, de bede, waarvan mijn zieleheil afhangt, te vervullen. Hoor mij dus aan : Ik was even jong als gij, mijn zoonquot;, hij vestigde zijn blik op Arnold — was gelukkig en had een vriend, dien ik boven alles beminde. Eens op een morgen, in den herfst, toen wij ons op ons familiegoed bevonden, stonden wij in de vroegte op en gingen het bosch in. Het was een prachtige morgen.quot; —
Hoe verder de vrijheer sprak, des te levendiger werden zijn woorden. —
„Wij hadden de geweren over den schouder hangen en drongen steeds dieper het bosch in. Langzamerhand verlieten wij het voetpad en zwierven zonder bepaald doel rond. Onverwachts kwamen wij aan een breede sloot. Ik sprong er vlug over, mijn vriend aarzelde echter. Zonder mij te bezinnen reikte ik hem mijn geweer toe, om hem een steun te geven. Hij greep den loop.... daar hoorde ik hoe een troep kraaien krassend over onze hoofden vloog.... een onheilspellend voorgevoel bekroop mij---- in hetzelfde oogenblik.... de
geweerriem had zich om den haan gewikkeld... een ruk.... een hevige knal.... en mijn vriend lag stervend op den grond. Hij had zijn hand op het hart gedrukt, het helder roode bloed vloeide in stroomen uit de open wond. Met een luiden jammerkreet wierp ik mij naast hem neder en legde zijn hoofd in mijn schoot; zijn gelaat was doodsbleek, zijn oog brak; nog eenmaal ging er een trilling door zijn geheele lichaam, toen lag hij daar onbe-
wegelijk, stil — hij had opgehouden te leven.quot;
De vrijheer zweeg. Arnold knielde voor hem neder en zag met imhg medelijden zijn vader aan. Na een korte pauze ging de oude man voort: „Ik wil u niet afschilderen, wat ik ondervonden, wat ik doorgestaan heb. Ik besloot, tot zoenoffer voor deze noodlottige daad, mijn leven God te wijden en in een klooster te gaan. Doch de tijd vlood daarhenen en langzamerhand begon ik te vergeten. Ik was jong en levenslustig. Daar trof ikquot; - hij verhief zijn stem, die van inwendige ontroering en van onderdrukten toorn beefde — „die vrouwquot; — hij wees op het portret aan den muur — „uw .moeder aan. Het scheen haar misschien wel buitengewoon pikant toe, een monnik uit het klooster te lokken en te huwen, vooral nu die monnik bovendien de rijke vrijheer von Felseck was. Zij was betooverend schoon; even schoon als valsch en gevoelloos.
„Op mijn huwelijksdagquot;, fluisterde hij geheimzinnig, „zag ik voor de eerste maal den bloedigen geest mijns vriends. Ik was den waanzin nabij, en in mijn angst zwoer ik
3t)
een heiligen eed, het kind, dat uit mijn echt zou geboren worden, in plaats van mijzelf den Heer te wijden. Gij kwaamt ter wereld, arm kind!quot; sprak do vrijheer en legde zijn hand op Arnolds hoofd. „Gij waart mij een levende herinnering aan die onverzoende daad — aan mijn eed. Ik kon u niet aanzien, zonder dat mijn inwendige wond begon te bloeden ; ik haatte u bijna, vandaar mijn koelheid, mijn afstootende strengheid. Uw moeder heeft mij tot de ongelukkigste aller menschen gemaakt-Al spoedig begon ik in te zien, dat zij slechts zich zelf beminde, en toch vermocht ik niet mij van haar los te rukken; zij beheerschte mij volkomen en kende haar macht.
Haar wil was mij een wet; haar ter liefde heb ik alles gedaan, wat zij van mij ver- \' langde, heb ik de achting voor mijzelf verlorenquot;. Hij hield op, toen verhief hij zijn hand en wees naar boven. „Gindsch töoneelquot;, sprak hij plechtig, „is mijn loon. Ach!quot; steunde hij luid, „er geschiedt mij rechtquot;. Nu zweeg hij langen tijd. Opeens greep\' hem een inwendige onrust aan. „Dat is de dood!quot; mom-
37
pelde hij. Het angstzweet kwam hem op het voorhoofd, zijn handen trilden.
„Jaquot;, ging hij opgewonden voort, „hij heeft mij gemaand — zooeven — daar — aan het venster. O, ik moet hellepijnen duldenquot;, — hij greep naar zijn borst, „hoe brandt het hier, mijn zoon! Het behoeft u slechts een woord te kosten en gij kunt dezen last, die mij dreigt te verpletteren, van mij afwentelen. Gij kunt mijn zieleheil redden.
Hij greep Arnolds hand, wankelde, zijn zoon medetrekken de, naar het bedtafeltje en knielde neder. Arnold stond diep bewogen voor zijn vader, op wiens gelaat onuitsprekelijke angst te lezen stond, terwijl zijn blikken een smeekende, vurige bede tot hem richtten. En met zachte stem sprak de vrijheer: „Zweer, mijn zoon, dat gij uw leven aan God zult wijden.quot;
Arnold stak zijn hand op. Een straal van grenzelooze liefde en dankbaarheid schoot uit het oog zijns vaders.
„Ik zweer het!quot; sprak Arnold luid en duidelijk.
3*
ZESDE HOOFDSTUK.
rie dagen later stond Arnold bij het open graf zijns vaders. Zware, grauwe wolken hingen aan den hemel en raakten bijna aan de toppen der hooge hoornen. Een fijne, doordringende regen viel neder.
De begrafenisstoet was zooeven aangekomen. De kist werd op den grond gezet en de rouw-dragenden vormden, zonder hun onverschillige gesprekken te staken, een wijden kring om de groeve.
39
Arnold was onuitsprekelijk weemoedig gestemd; liet was niet de smart over het verlies zijns vaders, liet was het gevoel zijner eigen nietigheid tegenover de majesteit des doods, een gevoel van de vergankelijkheid aller dingen, dat hem vervulde; hij was bedroefd en weende, toch was het een weldadig gevoel van aandoening, dat hij ondervond; hij gaf er dan ook opzettelijk aan toe en vermeed alles, dat hem verstrooien, dat zijn gedachten afleiden kon. Hij verstond de onverschillige menigte, die hem omringde, niet, en trachtte over haar heen te zien naar den uitgestrekten godsakker, naar de lange rijen van graven met hun verweerde grafsteenen en met klimop-omkranste kruisen.
De priester sprak op eentonigen, zangerigen toon een gebed uit.
Arnold was niet in staat zijn woorden te volgen. Zijn blik bleef rusten op een kleine groep mannen, die een weinig ter zijde van de anderen stonden; zij waren op dezelfde wijze gekleed, ieder van hen droeg een blauwen kiel en een schort. De een, een wel-
\'i0
doorvoed, klein mannetje, klaarblijkelijk een fideel kereltje, stond op zijn spade geleund en gaf, met zijn kleine oogjes knippend, zijn geestigheden ten beste, betreffende de om het graf verzamelde menschen; de oude proever-met den rooden neus naast hem meesmuilde vergenoegd, terwijl de beide jongeren, die daarachter stonden, heel ongegeneerd lachend, hun grooten mond opensperden.
„Wie mogen ze toch zijn?quot; dacht Arnold, onaangenaam aangedaan door de ruwheid dezer lieden. Hij sloeg zijn oog neer en liet zijn blik weer rusten op het lange, vochtige gras, dat door den aanhoudenden regen geknakt was; de halmen hingen slap naar beneden.
Arnold beschouwde aandachtig de zwarte, versch opgeworpen aarde en hoorde hoe de regen langzaam in den doorweekten grond zijpelde.
„Wat willen die menschen hier?\'* vroeg hij zich af, toen hij de mannen, die hij eerst gadegeslagen had, zag naderen.
Zij grepen de kist met vaste\'hand en lieten ze rammelend in het open graf zinken.
41
„De doodgravers dus,quot; dacht Arnold, in dof gepeins verzouten. Hij was dicht bij de groeve getreden en keek naar beneden. Een siddering greep hem aan. Hij wierp een schop vol zand op de kist en trad terug.
Had hij daar lang zoo gestaan? Hij zou het niet hebben kunnen zeggen. Nu gevoelde hij, dat iemand hem strak aanstaarde; toen hij opkeek, ontmoette zijn oog den nieuwsgierig deelnemenden blik eener jonge dame. Zij was eenvoudig en smaakvol gekleed en leunde op den arm van een deftigen heer.
Arnold kon zijn oog maar niet van haar afwenden. Hij beschouwde met innig welgevallen haar kinderlijk reine trekken en hoe langer hij haar aanzag, des te bekender kwam zij hem voor. Toen echter een vluchtig lachje over het gelaat van het meisje gleed en er een schalksche uitdrukking in haar oogen kwam, wist hij met zekerheid, wie zij was — zijn bekoorlijke nix van het meer.
Dus had geen droom zijn zinnen verward, het lieftallige jeugdige wezen, dat in zijn hart binnengeslopen was, was geen beeld zijner
42
gespannen phantasie, maar lieflijke tastbare werkelijkheid.
Zijn hart klopte zoo bang en onstuimig, dat hem onwillekeurig de vrees bekroop, dat de omstanders de verandering bespeuren zouden, die in zijn gemoed plaats greep; maar niemand lette op hem.
De rouwdragers gingen reeds uiteen, terwijl de doodgravers onverschillig de vochtige, zwarte aarde op de kist wierpen.
Weder zocht Arnolds blik de bekoorlijke verschijning. Een tweede heer was bij de jonge dame gekomen en groette haar levendig.
„De statige heer, die haar zijn arm heeft gegeven, zal haar vader zijnquot;, dacht Arnold en sloeg de groep nauwkeurig gade. Tot zijn niet geringe verbazing herkende hij de regelmatige, hoogmoedige trekken en de bruine, nu matte oogen van den man, welke hij op dien noodlottigen avond aan de voeten zijner moeder gezien had. ,,Daarom dusquot;, sprak hij voor zich heen, want opeens viel hem de gelijkenis op, waarnaar hij zoolang gezocht had — de gelijkenis tusschen vader en dochter.
43
„En wie mag de ander zijn?quot; vroeg hij in zijn gedachten verder. „Misschien een minnaar? Wat buigt hij zich, al sprekende, tot haar over! — zij schijnt het gaarne te hebben, zij lachtquot;.
Het was een man van een goede dertig jaar, wiens elegante verschijning onwillekeurig het oog tot zich trok.
Uit zijn afgemeten, maar toch ongedwongen bewegingen herkende men den man van de wereld. Yerre van alledaagsch was zijn karakteristiek, scherp geteekend gelaat met den afhangenden, donkeren snorrebaard. Nu eens stond zijn gelaat onbewegelijk strak, dan weer was het in zenuwachtige beweging; het scheen, of hij zich moeite gaf den goeden duivel te spelen, terwijl toch een sarcastische trek, die zelfs in de oogenblikken van uiterlijke rust voor den dag kwam, zich dan des te duidelijker vertoonde en er van tijd tot tijd uit het rusteloos geflikker zijner oogen een booze demon sprak.
De kleine groep wendde zich om tot vertrekken. Nog eenmaal zag het meisje naar
Arnold om en weder trof hem de volle gloed harer heldere, glanzende oogen en weder las hij daarin een hartelijke deelneming. Hetzij ze de bewondering, die zij bij Arnold verwekt had, bemerkt mocht hebben of niet, in elk geval blonk er een overmoedige, schalksche vreugde uit haar oog en boog zij nauwelijks merkbaar haar hoofdje, of scheen dit Arnold slechts zoo toe, die in stomme verrukking verzonken stond.
Een luid gekras wekte hem onzacht uit zijn droom. Hij keek op en zag hoe een dichte troep kraaien over zijn hoofd vloog. Somber hingen de grauwe wolken aan den hemel; de hooge kerkhofboomen bogen hun zware, natte takken dieper ter aarde over de lange, troostelooze rijen van graven. En Arnold aanschouwde opeens weer het leven in al zijne naakte werkelijkheid; hem viel een andere troep kraaien in .... het verhaal zijns\'vaders — de eed, dien hij gezworen had.
Het kostte Arnold moeite zijn gedachten te verzamelen. Voor hem stond de kleine, ineengedrongen gestalte van Paul Dorn; het
sprekende, heldere oog van den volksredenaar zag hem met kalmen, afwachtenden blik aan. Arnold herkende op het eerste gezicht zijn vroegeren beschermeling en drukte hem hartelijk de hand.
„Zeg mij eensquot;, vroeg hij toen haastig zonder verdere inleiding en wees op het jonge meisje, dat tusschen de beide heeren in levendig gesprek de laan doorging, „kent gij deze menschen?quot;
„Jawelquot;, antwoordde Paul Dorn, de zich verwijderende gestalten naziende, „die met zijn schoone dochter aan den arm is een zekere Leo Halier, een rijk koopman, die zich hier voor eenige jaren gevestigd heeft.quot;
„Bezit- hij niet het kleine slot aan het meer?quot; wierp Arnold in het midden.
„Dat kan wel zijn,quot; sprak Paul onverschillig. „De anderequot; ging hij levendiger voort, „is een heer von Warren, door zijn rijkdom en de vele fabrieken, die hij bezit, een der invloedrijksten in het land; het grootste deel van zijn vermogen heeft hij van zijn vader geërfd, die zich eerlijk opgewerkt had; hij echter is
c).
GU
4(i
een gewetenloos speculant, een mensch, die om wetten noch gebruiken geeft; zijn arbeiders zijn van wijd en zijd de ontevredendsten.
Arnold schudde meermalen het hoofd, als vernam hij slechts de bevestiging van zijn eigen indruk. Paul zag met goedmoedigen spot tot hem op en mompelde; „Die menschen schijnen u zeer te interesseeren . . . brr!quot; hij schudde heen en weer, trok den kraag van zijn jas in de hoogte en begroef zijn handen nog dieper dan te voren in de zakken.
„Me dunkt, we konden nu den terugweg wel aannemenquot;, sprak hij.
Het oponthoud op het kerkhof werd bij den toenemenden regen en de invallende duisternis hoe langer hoe onaangenamer.
Het graf van den ouden vrijheer werd aangevuld en met kransen bedekt; een wit houten kruis werd er op geplaatst.
„Rust zacht!quot; sprak Arnold en\' ging naast Paul op den uitgang van het kerkhof toe.
Nadat zij eenige woorden over het overlijden van den vrijheer gesproken hadden, vertelde Paul op Arnolds vragen, hoe het hem gegaan
a (
____(Q
47
was sedert den avond, toen zij nog als kinderen in grootvaders stoel bij de warme kachel hadden zitten praten.
Hij dankte met eenvoudige woorden voor hetgeen Arnold eens voor hem gedaan had. De vrijheer had hem bij een braven kleermaker in de leer gedaan. Sedert dien tijdquot;, sprak Paul levendig, „heeft mijn lot zich veranderd. De baas was goed voor mij en liet mij naar school gaan.
Ik leerde met onvermoeide vlijt; hoe meer mijn gezichtskring zich uitbreidde, des te vrijer begon ik mij te gevoelen. Ik achtte mijzelf een vrij mensch en zag in, dat slechts de opvoeding alleen ons daartoe maken kan! Ik dacht aan het arme, in diepe duisternis voort levende volk, waaruit ik gesproten ben en ontzetting beving mij. Ik legde voor mijzelf de belofte af, mijn gansche werken en streven er op te richten, om zooveel in mijn macht stond deze voortvegeteerende klasse een des menschen waardig bestaan te verschaffen.quot; En hij vertelde, hoe hij sinds dien tijd voor de zaak des volks geleefd had; hij sprak van de
48
tegenwoordige en in de naaste toekomst voor de hand liggende onlusten, „die ongelukkig even onvermijdelijk zijnquot;, zeide hij, „als het onweder, dat zich in den heeten zomertijd aan den hemel samentrekt, en hoe dit onweder onheil en zegen brengt, evenals de oproeren der rehelsche menigte.quot; Hij zweeg. Zij naderden de eerste rijen huizen der stad.
„En Resi?quot; vroeg Arnold, „wat is er van de stille, bleeke Resi geworden?quot;
Het gelaat van Paul betrok. Arnold had een wonde plek in zijn gemoed aangeraakt. De ernstige, door de harde school des levens gestaalde man hing nog met dezelfde liefde en vereering aan de kleine gezellin zijner kindsheid, als toenmaals de halfvolwassen knaap. Aan haar naam knoopten zich de zoetste droomen voor zijn toekomst, droomen van liefde en huiselijk geluk.
„Resi?quot; sprak Paul, en zijn diepe stem klonk week en treurig, „verscheiden jaren lang hoorde ik van haar door mijn grootvader, wien ik een geregelde ondersteuning doe toekomen, maar toen haar ouders de fabriek
49
verlieten, verloor ik haar geheel uit het oog. Al mijn navorschingen waren tot nu toe vergeefs.quot;
Hij bleef staan. „Nu echter moeten wij scheiden,quot; sprak hij tot Arnold, „hier in de stad passen wij niet bij elkaar.quot; Hij keek met een veelzeggend lachje naar Arnolds lang, donker monniksgewaad. Arnold wendde zich af.
„Zijt gij werkelijk besloten monnik te worden?quot; vroeg Paul dringend. „Waarom kiest gij niet een ander, nuttiger beroep, dat uw God niet minder . welgevallig zou zijn, een werkkring, waarin gij gelukkig zijn en anderen gelukkig maken kondt.quot;
„Neen, neen, spreek mij daar niet van,quot; viel Arnold hem heftig in de rede; „ik kan, ik mag niet kiezen, mijn levenslot is beslist!quot;
Zij scheidden.
Arnold drukte zijn gevouwen handen vast op de borst en schreed ijlings door de natte donkere straten der stad.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
e vlammen der groote lantaarns voor de prachtige stadswoning der familie Halier flikkerden hevig heen en weer en de regen joeg onophoudelijk tegen de ruiten.
Bianka — dit was de naam der schoone dochter van den Heer Halier — stond op den arm haars vaders geleund in de breede deinen sprak tot den heer von quot;Warren, die zich gereed maakte afscheid te nemen: „Dus tot
C).
lt;0
Gl
51
morgen middag! Ge weet toch, hoop ik, nog, dat ge mij beloofd hebt ons af te halen om mij uw groote fabriek buiten de stad te laten zien?quot;
„Zouden wij dit tochtje niet uitstellen?quot; riep Leo Haller, half tot zijn dochter, half tot den heer von Warren, gewend; „men spreekt tegenwoordig zooveel van onlusten onder het werkvolkquot;.
Bianka maakte een ongeduldige beweging met het hoofd en zag verwonderd tot haar vader op, als was zij niet gewoon tegengesproken te worden.
De heer von Warren haalde verachtelijk de schouders op en zeide, dat die onlusten niets te beduiden hadden, en dat hij zich veroorloven zou het gezelschap volgens afspraak te komen afhalen.
Bij deze woorden fixeerde hij Bianka; zij knikte tevreden en wierp hem een vriendelijken blik toe. Daarop scheen hij slechts gewacht te hebben en maakte nu dan ook met de uit-gezochtste hoffelijkheid zijn afscheidsbuiging.
„Tot weerziens dan!quot; sprak Leo Haller lus-
52
teloos, vertrok zijn gezicht tot een beminnelijk lachje, wenkte achteloos groetend met de hand en verdween, met zijn dochter aan den arm, in de huisdeur.
Eenige minuten later bevond hij zich in zijn helder verlicht kabinet. Door de matte ballons gedempt, verspreidden de gasvlammen een geelachtig wit licht door de kamer, dat alle voorwerpen duidelijk deed onderscheiden.
Leo Haller doorschreed met groote stappen het vertrek. Van tijd tot tijd bleef hij staan, stak zijn sigaar aan of ging naar den schoorsteen, waar een zooeven aangelegd vuur knetterde; nu eens staarde hij, zijn koude handen met zenuwachtigen haast over elkander wrijvende, in de blauwachtige vlammen, dan eens liet hij zijn oogen lusteloos door de kamer zwei-ven. Hij zag noch de kostbare meubelen en tapijten, noch de schilderijen en beelden, die elkander verbaasd en nieuwsgierig schenen op te nemen, als wilden ze zeggen: „Waarom zijn wij hier? quot;Wij passen niet in hetzelfde vertrek. Welk een blind toeval heeft ons bijeengebracht?quot; Vol stomme verachting blikte
53
een heerlijke Venus op het slecht geschilderde, naakte vrouwenbeeld der onbeschaamde Nana, dat juist tegenover haar hing; maar Leo Haller gevoelde noch de smakeloosheid, noch de ongezelligheid zijner omgeving; het gebrek aan harmonie beleedigde hem niet; hij had zijn geheele inrichting duur betaald, dus moest ze ook prachtig zijn.
Te vergeefs zocht hij de oplossing van het hem bezig houdend vraagstuk te vinden, zich tot nadenken te dwingen; telkens weer verzonk hij in dof gepeins. Hij stampte wrevelig met den voet op den grond, evenals een verwend kind, dat men een wensch ontzegt. En een verwend gelukskind der fortuin was Leo Haller inderdaad.
In goede omstandigheden geboren en opgegroeid, wist hij niets van armoede en ellende, niets van ziekte en pijn. Hij vervolgde zijn effen en gemakkelijk levenspad met imponeerende zekerheid in houding en optreden, steeds naar rechts en links minzaam en gemeenzaam groetend, steeds harten veroverend, steeds vertrouwen verwekkend en op gemoedelijken
Q.
9
toon de menschen van de soliditeit en voortreffelijkheid van zijn persoon overtuigend, terwijl toch het eenig buitengewone in hem zijn algeheele karakterloosheid was. Hij hield het volstrekt voor onnoodig het eenmaal in hem gestelde vertrouwen te rechtvaardigen, zijn gedane beloften te houden, en hij ondervond niet de minste gewetenswroeging over zulk een handelwijze. Niemand had zich dan ook ooit de minste moeite gegeven hem eenige vaste beginselen in te prenten; zijn opvoeding was zeer gebrekkig geweest en later kwam het nooit in hem op deze fout te herstellen zich zelf te vormen, over zijn eigen persoonlijkheid na te denken.
Hij leefde van den eenen dag op den anderen, was steeds naar de nieuwste mode gekleed, wist steeds de huik naar den wind te hangen en vermeed angstvallig alles wat hem van anderen onderscheiden, kon. In den grond waren hem zoowel politiek als godsdienst onverschillig en ook beide vreemd; zijn eigenlijk levensprincipe was het „quant-dira-t-onquot;, het oordeel der wereld.
55
Nadat hij in zijn jeugd uitgeraasd had, hoewel niet al te buitensporig, werd hij door zijn vader naar Italië gezonden. Daar huwde hij met de dochter van een handelsvriend zijns vaders en bracht met haar een allergelukkigst huwelijksjaar door. Bij de geboorte van hun eerste kind stierf zijn vrouw en liet hem een dochter na — Bianka.
Leo Haller klaagde en jammerde en zou het liefst zijn vrouw in het graf gevolgd zijn. Booze tongen beweerden, dat de liefde slechts daarom zoo groot, hun echtelijk leven slechts daarom zoo voorbeeldig geweest was, omdat alles zoo kort geduurd had.
Hoe het ook zij, hij troostte zich spoedig, huwde echter niet weer, maar gaf er de voorkeur aan op zijn reizen, die hij wegens zijn uitgebreide handelsrelaties ondernemen moest, een vroolijk jonggezellen-leven te leiden.
Daar hij zelden te huis was, hield hij zich slechts weinig met de opvoeding zijner dochter bezig. Bianka was geheel aan de hoede van Brigitta, een oud familiestuk, overgelaten.
Ondanks zijn voorliefde voor dames uit de
) 6 G\\__fQ
5(3
demi-monde, operetten, fransche romans, truffelpasteien, fijne wijnen en goede sigaren, koesterde Leo Halier, zonder er het minst van te kennen, toch grooten eerbied voor kunst en wetenschap en wilde, dat zijn dochter „alles zou leerenquot;, zooals hij zich uitdrukte. Ook spaarde hij tot dit doel geen geld en nam voor haar de beste onderwijzers. Deze ernstige en waardige mannen der wetenschap, die wel in hun vak doorkneed waren en hun kennis aan hun schrandere, levendige leerlinge wisten mede te deelen, verstonden het volstrekt niet, het meisje op te voeden. Zoo groeide Bianka op als een boom, die nimmer door den tuinman gesnoeid werd. Zij kreeg een wilden, over-moedigen aard en deed, wat haar maar inviel.
Voor eenige jaren was Leo Haller uit het verre Zuiden verhuisd naar de groote handelsstad in Midden-Europa, waar hij nu woonde en waar het hem spoedig gelukte zich een aanzienlijke, invloedrijke positie te verwerven.
Heden verkeerde hij echter in de slechtste luim, want zijn gewoon geluk had hem in den steek gelaten. Door den dood van den
ouden vrijheer von Felseck zag hij zich in een hoogst onaangename positie geplaatst. Hij was met von Felseck bevriend geweest, wat hem echter niet verhinderd had diens vrouw, de schoone Hortense, ernstig het hof te maken, hetgeen echter geheel tegen zijn gewoonte was, daar zulke steeds gevaarlijke en lastige liefdesavonturen niet in zijn smaak vielen en hij er in den regel de voorkeur aan gaf, zich met gemakkelijker veroveringen tevreden te stellen.
Maar zij had hem eenmaal betooverd en verstond het voortreffelijk hem steeds meer aan zich te. ketenen. Dit alles was heel goed gegaan, zoolang de oude vrijheer leefde, maar nu, wat moest er nu uit deze verhouding worden ? Hij moest haar huwen, hij mocht willen of niet; zij zou hem daartoe dwingen.
Hij gevoelde zich recht onbehagelijk te moede. Als hij nog alleen gestaan had, maar Bianka....
Plotseling sloeg hij zich met de hand voor het voorhoofd; het was toch zoo eenvoudig — vreemd, dat hij daarop niet dadelijk ge-
5S
komen was; Bianka moest huwen, moest het ouderlijk huis verlaten. Nog slechts eenige dagen geleden had de heer von Warren aanzoek om haar hand gedaan, maar toen had Leo Haller hem ten antwoord gegeven, dat Bianka nog te jong was, eerst zeventien jaar, dat hij nog wat wachten moest, dan kon men later immers zien. Aan den eenen kant wilde Leo Haller het niet bij den heer von Warren verkerven, want hij had zich met hem in gewaagde speculaties gestoken; hij bewonderde en vreesde te gelijk dezen dollen ondernemingsgeest en koelbloedigen speler, die een geheimzinnige macht over hem uitoefende; aan den anderen kant beminde hij Bianka afgodisch en het zou hem onder andere omstandigheden nooit ingevallen zijn, haar te dwingen tot een huwelijk met den heer von Warren, voor wien hij niets minder dan sympathie gevoelde. Nu echter was het anders met de zaak gelegen; zoodra zijn eigen gemak op het spel stond, verdween zijn oogen-schijnlijke goedhartigheid en zijn egoïsme kwam voor den dag. Het stelde zijn geweten daar-
mede gerust, dat het zijn plicht was voor de toekomst zijner dochter te zorgen en de heer von Warren après tout een brillante partij was.
jJk moet er met Bianka over spreken , besloot hij eindelijk, geheel verlicht, blies den rook zijner sigaar voor zich uit en lachte vergenoegd. In plaats echter van naar zijn dochter te gaan of haar bij zich te laten roepen, strekte hij zich gemakkelijk op zijn chaise \' ..gue uit. „Zij zal het nog vroeg genoeg vernemenquot;, dacht hij, getrouw aan zijn principe, al wat onaangenaam was zoolang mogelijk uit te stellen.
__rö
Gï_
lt;5
60
ACHTSTE HOOFDSTUK.
morgen begon aan te breken. In de straten der voorstad werd het levendig.
Een zwaar beladen wagen kwam rammelend nader; de boer, een stevig door weer en wind gebruind jonkman in blauwen kiel, was afgestegen, klapte lustig met de zweep en riep, de krachtige schimmels aanzettende: „voort, voort!quot; terwijl zijn jonge vrouw op het zitbankje zich verslapen had en luid geeuwend
ül
met beide handen haar oogen uitwreef en het kind op haar schoot nog gerust sluimerde.
In lange rijen trokken de uit de naburige plaatsjes komende melk- en groentevrouwen, die hun waren naar den markt brachten, den weg langs. Waar een bron was, stonden zij een oogenblik stil, waschten de versche, groene salade, spoelden de kruiken om en voerden op schreeuwerigen toon luide gesprekken met elkander.
De huisdeuren werden geopend. Honden sprongen luid blaffend naar buiten en verjoegen de vreedzame duiven, die met klapperende vleugels naar de hooge daken fladderden, r linke jonge meiden spoedden zich met hun gioote waterkruiken naar de bron. Een doordejaien gebogen moedertje maakte zich gereed het trottoir te vegen. Jongere en oudere mannen, tot de arbeidersklasse behoorende, verlieten de huizen, riepen in \'t voorbijgaan de meisjes ruwe aardigheden toe en begaven zich naar de nabijgelegen fabrieken, waar hun een moeilijke dagtaak wachtte.
Uit een der vijf verdiepingen hooge huizen,
die slechts door „arme luiquot; bewoond werden, kwam een slank, Keek meisje; zij droeg een eenvoudig katoenen kleedje en had een mandje aan den arm.
„G-rüsz Gott, Resi klonk het haar van een troepje arbeiders tegen. Het meisje beantwoordde lachend dien groet en ging verder. G-een der ruwe gezellen waagde het haar staande te houden, wat zij toch gaarne gedaan zouden hebben, want het meisje zag er allerbekoorlijkst uit, daaraan kon geen twijfel bestaan. Sedert Resi met haar moeder, de oude Ursula, in de stad was komen wonen, waar zij in een der groote fabrieken van den heer von Warren werk had gevonden, had zij het uimuntend verstaan, met het werkvolk op een goeden voet te blijven en hen tevens op een afstand te houden; ja, ondanks haar ongenaakbaarheid gelukte het haar toch de al-gemeene lieveling te worden.
Dit kwam, doordat waar zij verscheen, haar stil, vriendelijk wezen zonneschijn met zich bracht. Vooral kinderen hielden veel van haaien gehoorzaamden haar gewillig. Zij kende
03
veel fraaie liederen, die zij onder den arbeid zacht voor zich heen neuriede of luid uitgalmde, al naar dat het haar te moede was of de omstandigheden het meebrachten. Zij was handig bij al wat ze deed, wist alles goed aan te pakken en waar het noodig was, hielp zij, zonder veel woorden te verliezen en op anderen dank aanspraak te maken dan een: „God moge het vergelden!quot; en zoo ook dit uitbleef, nam zij het niet kwalijk en ging op de meest liefderijke en onzelfzuchtige wijze voort te werken en te helpen. Was er een zieke te verplegen, werd er iemand geboren of begraven, altijd zond men om Resi en steeds verscheen zij dadelijk en wist met raad en daad bijstand te verleenen.
Zelfs Ursula, het oude, verdachte wijf, werd ter wille harer dochter geduld, maar meei ook niet, want ieder ging haar liefst uit den weg; men vreesde haar twistzucht, maai vooral haar booze lastertong.
Toch zocht men soms haar woning op; van haar liep namelijk het gerucht, dat zij pijnen bezweren en allerlei ziekten genezen kon. Men
64
vertelde, dat zij \'s nachts, tegen dat het nieuwe maan was, naar het naburig bosch sloop, waar zij allerlei planten en kruiden verzamelde, die ze heel goed kende ; daarom was het geen wonder, dat velen geloofden, dat zij toover-kunsten verstond en allen, wie zij iets kwaad toewenschte, door het een of ander onheil getroffen werden. Ook kon zij kaartleggen en voorspellingen doen, en stond in de heele stad daarvoor bekend, zoodat zij niet zelden bezoeken van voorname personen ontving.
Resi betrad het ruime, met roet bedekte voorplein der fabriek, waar allerlei materialen en afval in \'t rond lagen en een indruk van wanorde sn achteloosheid gaven. Het werkvolk, mannen, vrouwen en kinderen, stond in het grauwe morgenlicht, in grootere en kleinere groepen verspreid, voor den hoofdingang van het gebouw.
De roodo Jakob had een aantal toehoorders om zich heen verzameld en sprak hen levendig toe. „Wat zou hij weer in het schild voeren ?quot; dacht Resi; „stellig niet veel goeds.quot; Toen zij nader kwam en de spreker haar gewaar
5
werd, zweeg hij; allen keken half schuw, half vijandig naar haar om, als menschen, die geen goed geweten hebben. Zij zag, dat zij hen stoorde en week ter zijde.
„Wat is er toch aan de hand ?quot; vroeg Resi een meisje, dat juist op haar toekwam. Het was de dikke, goedige Rosel, een aardig maar lichtzinnig schepseltje, dat door iedereen geplaagd en voor den gek gehouden werd, en ondanks menige bittere ondervinding telkens weer in den val liep. Zij hield heel veel van Resi, omdat deze haar meermalen in bescherming genomen en haar, als er aanleiding toe was, ook al meer dan eens een lesje gegeven had. Zij nam oogenschijnlijk de goede lessen, die men haar gaf, ter harte en ging steeds met de beste voornemens heen, om den volgenden dag geheel verslagen terug te komen om nieuwe zonden te biechten.
De praatzieke Rosel vertelde Resi nu, dat de roode Jakob het bericht had meegebracht, dat „hijquot;, dat wil zeggen de heer von Warren, heden de fabriek zou komen bezichtigen, van welke gelegenheid men gebruik wilde maken
om hem een poets te bakken; maar wat men eigenlijk wilde doen, kon Resi niet uit haar krijgen; misschien wist de goede Rosel het zelf niet; zij vond reeds het feit dat men „hemquot; beet wilde nemen, ontzettend grappig en waggelde lachend verder om haar nieuws zooveel mogelijk aan den man te brengen.
Daar klonk de groote fabrieksklok en alles stroomde door de zich nu openende deuren de werkzalen binnen. De machines begonnen te werken; de gesprekken werden gestaakt, want ieder had zijn arbeid te verrichten; in de korte oogenblikken van rust zag Resi de mannen fluisterend bijeenscholen en met donkere blikken beraadslagen.
Zij gevoelde zich zeer beklemd te moede; de onzekerheid van hetgeen er komen zou, pijnigde haar. Een onheilspellende gebeurtenis, die haar met angst en schrik vervulde, scheen met niet af te wenden zekerheid al nader en nader te komen. Met koortsachtige haast hield zij zich met haar werk bezig. Zij zocht haar gedachten af te leiden — doch vergeefs. Zij wilde niet opzien, niet luisteren, en toch was
U7
zij geheel gehoor. Elk ongewoon geluid deed haar sidderen. Zij had den tijd wel willen tegenhouden, maar uur op uur verliep. Steeds nader rukte het oogenblik der beslissing. Zij gevoelde dit.
Omstreeks elf uur in den voormiddag verbreidde zich als een loopend vuurtje het bericht: „Hij komt!quot; Resi kromp ineen van schrik en staarde radeloos voor zich uit.
Spoedig verscheen dan ook in den ingang der groote werkzaal een klein gezelschap. Vooraan stapte vol waardigheid Leo Halier; op hem volgde de heer von Warren aan de zijde van Bianka. Hij boog zich in levendig gesprek tot het meisje over en legde haar, zonder van haar zijde te wijken, het een en ander uit. Bianka luisterde oplettend naar zijn woorden. Op haar fijn, geestvol gelaat stond wezenlijke belangstelling te lezen in hetgeen zij zag en hoorde, vermengd met vrees en schuwheid voor de nieuwe omgeving, onbehaaglijkheid bij het oorverdoovend geraas en niet het minst met een vastberaden en tevreden uitdrukking van kinderlijken trots, die scheen
te zeggen: „Ik heb mijn wil doorgedreven!quot;
De werklieden namen de naderenden met vijandige blikken op.
„Mijn God!quot; dacht Resi, „als zij nu hun bedreiging eens ten uitvoer brengen! — en dat zullen zij!quot; Zij kon onmogelijk langer op haar plaats blijven. Zij stond op en snelde naar de groote machine achter in de zaal. Zij wist, dat daar de roode Jakob aan het werk was.
Het machtige raderwerk, dat van beneden af in werking gebracht werd, stond stil. Resi boog zich over de opening en bleef zoo, als aan de plaats geketend, staan luisteren, want het opgewonden gefluister van het werkvolk drong duidelijk tot haar door.
Het waren slechts afgebroken zinnen: „Is dadelijk hier!quot; sprak een stem.
„Opgepast!quot; bromde met diepe basstem de roode Jakob. „Ik zal tot drie telleu,\'gt; hoorde Resi toen. „Een ruk!quot; — Zij wist nu genoeg.
Men rekende er op, dat de heer von Warren de groote machine, het merkwaardigste der geheele fabriek, naderen en er zich overheen
69
buigen zou, om naar de reden te vragen, waarom ze niet werkte — een ruk der machine — het drijfrad had hem gegrepen en met vreeslijk geweld neergeshngerd!
Resi wilde opstaan, de naderenden te gemoet snellen, hen waarschuwen — zij vermocht geen lid te verroeren; zij wilde roepen — haar stem weigerde.
Leo Halier was blijven staan en richtte, op de machine wijzend, een vraag tot den heer von Warren. Deze keek heel verwonderd en trad haastig op de machine toe.
Resi hoorde beneden zacht en kortaf tellen: „Een, twee!quot; — hij boog zich over de opening — „drie!quot; — het rad bewoog zich bliksemsnel — het greep hem.
Daar sprong Resi te voorschijn, omvatte hem met haar krachtige armen en rukte hem op zijde.
Nu lag zij voor hem op de knieën en strekte smeekend de handen naar hem uit. Geen spier in zijn gelaat had zich vertrokken. Bianka leunde bleek van schrik tegen haar vader aan.
De in de zaal aan het werk zijnde arbeiders
waren toegesneld; zij stonden in een halven kring om de bezoekers heengeschaard en deelden elkander met onderdrukte stem hun opmerkingen mede.
„Ha, dat canaille!quot; klonk het sissend tus-schen de vast opeengeklemde tanden van den heer von Warren. „Grijpt de kerels!quot; riep hij tot de omstanders.
Memand verroerde zich.
„Genade voor de arme mannen,quot; stamelde Kesi; „een ongelukkig toeval!quot;
De heer von Warren zag in, dat hij machteloos was; hij had de armen gekruist en zag met een koud, sarcatisch lachje op het knielende meisje neer. Haar zedig Madonnagezichtje beviel hem : zij zag er roerend uit in haar smeekenden deemoed; uit haar bleek, door zware vlechten omlijst gelaat en uit haar groote, blauwe oogen sprak hevige angst.
Daar fluisterde een booze demon hem in het oor; „Geduld maar, de wraak zal u niet ontgaan. Breng deze bescheiden wonderbloem aan uw voeten en vertrap haar. De arme, wiens leven somber en grauw is, hangt met
Qj VQ
£) lt;2.
des te grooter liefde den enkelen lichtstraal aan, die zijn bestaan verheldert.quot;
Het was hem opeens volkomen duidelijk geworden, dat hij deze oproerige menigte niet het gevoeligst zou straffen door de schuldigen te grijpen en in den kerker te laten werpen, maar Avel door dit schuldelooze meisje tot zijn wraakoffer te kiezen.
Toen Bianka daarna op hem toetrad en haar hand met een smeekend gebaar op zijn arm legde, sprak hij kort en gebiedend tot Resi: „Het zal geschieden, zooals ge verzoekt!quot; Daarna wendde hij zich met al de hem ten dienste staande beminnelijkheid tot Bianka, reikte haar galant den arm en verliet, door Leo Halier gevolgd, haastig het fabrieksgebouw.
ö (o G\\_____/£»
72
NEGENDE HOOFDSTUK.
e heldere, vroolijke zonnestralen vielen op het ruime voorplein van het kleine slot aan het meer. Caro, de ruige hofhond, die daar lui en slaperig neerlag, sprong plotseling luid blaffend op. Door den snellen draf verhit, hielden de vurige rossen voor de poort stil en de sierlijke gestalte van Bianka sprong met luchtigen tred uit het open rijtuig.
Op den drempel van het huis verscheen de
73
waardige matrone-gestalte der oude Brigitta. Haar door een heete zon gebruind gelaat, waaruit sterk het zuidelijk type sprak, glansde van vreugde over de onverwachte aankomst van haar „goudkindjequot;, haar „prinsesjequot;, haar „kleine feequot; en hoe de lievelingsnamen alle mochten luiden, waarmede zij Bianka, haar oogappel, overstelpte.
Mylord, een groote windhond, sprong in wijde, sierlijke kringen om zijn gebiedster heen; toen sprong hij met vroolijk gekwispel en om een liefkoozing vleiend tegen haar op.
De oude tuinman Heimann stak spiedend zijn grijze hoofd door het tuinpoortje; een tevreden lachje kwam er op zijn trouwhartig, eerlijk gezicht, toen hij Bianka herkende en, zijn handen onder het loopen zorgvuldig aan zijn groene schort afvegende, kwam hij haastig aanloopen om zijn jonge meesteres te begroeten ; hij nam zijn kapje van het hoofd en neeg diep en eerbiedig voor haar.
Bianka sprong als een uitgelaten kind in \'t rond; zij lachte en klapte in overmoedige blijdschap en vroolijkheid in de handen.
Zelfs Jotm, de zich zijner waardigheid wel bewuste koetsier, draaide ernstig en voorzichtig zijn hoofd tusschen de opstaande einden van zijn stijven hemdsboord naar de genadige freule om en verwaardigde zich te lachen.
Bianka omhelsde de oude Brigitta en deed haar haast stikken onder haar kussen; onder de hand vertelde zij, hoe gelukkig ze was weer uit de benauwde stadsmuren hier op het land bij haar lieve, goede Brigitta te zijn. Zij gaf Heimann de hand, want deze was haar bizondere vriend, met wien zij zich gaarne onderhield; hij was een soort van philosoof die niet slechts omtrent zijn bloemen, maar omtrent alle dingen in den hemel en op aarde zoo zijn eigen denkbeelden koesterde. f „Bedaar, bedaar, Mylord!quot; sprak zij sussend tot den grooten windhond, die telkens opnieuw gestreeld wilde worden, en wendde zich, ter-, wijl de wagen wegrolde en de goede Brigitta bedrijvig in huis heen en weer dribbelde, nogmaals tot den ouden tuinman.
„Steeds wakker en vol ijver, Heimann ?quot; De oude trok meesmuilend zijn mutsje terecht
75
en antwoordde met trouwhartigen blik: „Slechts de arbeid maakt het leven schoon, genadige freule!quot; Bianke knikte. „Ge hebt gelijk, oude.quot; Hoe staat het wel met den wijn?quot; ging zij voort.
Heimann keek naar den doorzichtig blauwen herfsthemel en zeide, dat hij nog heden een deel der druiven dacht binnen te kunnen halen.
„Goed, sprak Bianka; „maar niet de druiven, die bij mijn venster hangen; die wil ik zelf plukken. En mijn broeikast — is die in orde ?quot;
Hij gaf hierop een bevestigend antwoord.
„Ik kom gauw eens kijken. Och, breng mij een mandje druiven,quot; voegde zij er met haar beminnelijk lachje bij, zoodat de oude man, die haar toch al genegen was, er geheel door betooverd werd. Toen snelde zij, door Mylord gevolgd, in huis.
„Brigitta, Brigitta!quot; riep zij met haar metaalheldere stem naar de keuken, „kom toch hier, ik heb geen ontbijt noodig!quot;
„Zoo dadelijk, mijn duifje!quot; klonk de stem der oude terug en al spoedig kwam zij kuchend aanstappen; in de eene hand hield zij een
76
schotel met gebak, in de andere zoeten wijn en vruchten.
„Goede ziel!quot; sprak Bianka lachend, terwijl Brigitta borden en flesch op tafel zette. Bianka proefde even van den wijn en verbrokkelde een stukje gebak, dat Mylord zich goed liet smaken. Daarna trok zij de oude vertrouwde, die zich dit rustig moest laten welgevallen, met zich mede.
„O, het is daar in de stad zoo akelig,quot; vertelde Bianka. Gisteren bezochten wij de fabriek van den heer von Warren; — nu — ik mag er niet aan denken — nu niet.quot;
Zij zweeg. Brigitta echter, die reeds van het gisteren voorgevallene onderricht was, streelde bedaard het zachte haar harer lieveling en zocht haar op andere, vroolijker gedachten te brengen.
Zij gingen de groote, met weelde ingerichte tuinkamer door en begaven zich naar buiten in den welonderhouden tuin, die met het wildpark vereenigd was en zich langs den oever van het meer ver uitstrekte.
Bianka bleef staan en staarde naar het
spiegelgladde, door hooge bergen omgeven meer. Losse wolken dreven als gulden droomen aan den lichtblauwen hemel en vormden lieflijke, steeds afwisselende en vluchtige gestalten. De zon goot haar stralen over de bonte toppen der boomen. Het was vredig en stil in het rond. Eenige gele bladeren vielen onhoorbaar neer. De laatste bloemen des jaars lachten weemoedig.
Bianka sloeg haar arm om de breede gestalte der oude Brigitta en schreed nadenkend de lindenallée door, die naar de broeikast voerde.
Mylord was in groote sprongen vooruitgesneld. Opeens begon Bianka luid en vroolijk te lachen. De oude vertrouwde keek haar verwonderd aan, maar hoe nam haar verbazing toe, toen Bianka, nog steeds lachend, zeide: „Denk toch eens aan, Brigitta, — men wil mij laten trouwen.quot; Daarna weer ernstig wordend, voegde zij er met een gewichtig gelaat bij: „Kijk maar verwonderd, het is, zooals ik je zeg. Papa vindt den heer von Warren een uitstekende partij; je weet wel, dien heer, die ons hier meermalen bezocht
78
heeft. Hij is altijd zeer innemend jegens mij en — hij bevalt mij heel goed.quot; Hier hield zij op.
„Denkt ge, Brigitta,quot; vroeg zij, de oude nieuwsgierig toelachend, „dat dit de liefde is?quot;
„Zeker, zeker, mijn hartje!quot; begon deze met van ontroering trillende stem.
„O, welk een geluk! Onze heilige jonkvrouw Maria zij geloofd en gedankt, dat ik dit nog beleef!quot;
De goede oude omhelsde Bianka innig, terwijl er vreugdetranen in haar oogen blonken.
„Zeg mij toch,quot; vroeg Bianka, „hoe was het, toen mijn moeder beminde?quot;
„Och, hoe zou het geweest zijn?quot; antwoordde de oude Brigitta met groote spraakzaamheid. Zij was juist zoo oud als gij, toen zij op zekeren dag als gewoonlijk in haar hangmat op de veranda uitgestrekt lag. Ik stond bij haar. Daar stapte een lange, knappe man den tuin binnen. Het was een vreemdeling. Zijn vader was een handelsvriend van mijn heer en had zijn zoon bij ons aanbevolen. Wat valt er eigenlijk te vertellen ?
QJ \'vS^
Hij kwam dagelijks bij ons aan huis. De jonge luidjes beminden elkander, beiden waren rijk, de ouders hadden er niets tegen, dus werd er al spoedig bruiloft gehouden. Dit was een geluk — het was te schoon om lang te duren.quot;
Brigitta wischte zich hier een traan uit het oog. „Toen gij ter wereld kwaamt, kindje, stierf uw moeder ....quot;
Bianka deed, als vernam zij deze geschiedenis voor de eerste maal. Zij had gehoopt andere dingen te hooren — och, wat wist die oude Brigitta ook van het mysterie dei-liefde, dat de dichters verheerlijkt hebben ? Deze zaligheid, leefde zij slechts in droomen en liederen of was ze werkelijkheid?
„Ik zal het immers ervaren,quot; sprak zij halfluid, haar gedachten voortzettende; „over twee weken komt papa en brengt hem mede.quot;
Daarop streek zij zacht met haar hand over het gelaat. Alle ernst verdween daaruit. Zij boog haar hoofdje ter zijde, keek de oude Brigitta schalks aan en sprak weer volkomen opgeruimd: „Maar tot dan ben ik vrij \\quot;
i I
„Vrij als de vogel in de lucht!quot;
zong zij jubelend en snelde naar den oever van het meer.
Een leeuwerik verhief zich onder het aanheffen van zijn lied hoog in de blauwe, heldere herfstlucht. Bianka volgde hem met de oogen en zong een volkslied, welks smeltende melodie zij in haar kinderjaren op de woelige straten in het zuiden en op de donkerblauwe meren van haar geboorteland dikwijls gehoord had.
Reeds was het liedje ten einde en nog altijd hing haar blik aan den leeuwerik, die nu eens in den blauwen aether verdween, dan weer hoog in de lucht zichtbaar werd en onvermoeid zijn jubeltonen deed weer-schallen. Plotseling bespeurde Bianka boven de grauwe muren van het klooster, dat zich ernstig en somber op de steile\' rotsen in het zonnige landschap verhief, een zwevenden adelaar, die met uitgespreide vleugels, majestueus in wijde kringen • rondvloog, als aasde hij op buit.
De leeuwerik echter, wiens vleugels juist
81 6
de effen oppervlakte van het meer hadden aangeraakt, vloog zorgeloos de zon te gemoet. Daar schoot de adelaar bliksemsnel naar beneden. Een schrille angstige kreet weerklonk, toen werd alles weder stil, en de adelaar vloog met zijn gemakkelijk verworven buit naar het grauwe klooster terug, waar hij op duizelingwekkende hoogte zijn nest gebouwd had.
Uit Bianka\'s hart was alle vroolijkheid verdwenen. Haar schoten de afschrikwekkende tooneelen der laatste dagen te binnen; de rumoerige, bedompte fabriekszaal, de dreigende gezichten van het werkvolk, het kerkhol met de eindeloos lange rijen graven....
Nog even keek zij naar het klooster en het was haar, als voelde zij weder de oogen van den jeugdigen novice met een eigenaardige, onverklaarbare uitdrukking op zich gericht, gelijk onlangs, toen zij aan het graf van den vrijheer von Felseck stond.
TIENDE HOOFDSTUK.
p een donkeren, stormachtigen herfstdag dwaalde Arnold onrustig tusschen de bergen rond. lEen dichte nevel omhulde het ■ landschap. Uit de zwarte wolkenmassa\'s stortten onophoudelijk regenstroomen neder. De wind schudde zoo de oude dennen en pijnboomen, dat zij het luide uitsteunden; de takken braken en werden met geweld tegen den grond geslingerd; vergane rotsblokken lieten los en rolden met
,6-
c).
gv
je
S3
dof gedreun in de diepte; de watervallen ruischten met donderend geraas; de dorre bladeren der boomen\'dwarrelden in dollen dans door de lucht; maar Arnold lette niet op het woeden der ontketende elementen. Hij stormde voort zonder op den weg te letten en brak zich baan door wild ineengroeiend struikgewas. De regen joeg hem in het gezicht, de doornen verscheurden zijn kleederen en zijn schoenen reten vaneen op den rotsachtigen grond. Soms stiet hij een luiden schreeuw uit of bleef kuchend staan, klemde zijn rechterhand om een dikken tak en hief de gebalde linkerhand dreigend\' ten hemel. Als dan een hevige windvlaag langs zijn lokken streek, vlamde zijn oog op en het was hem, als gevoelde hij zich lichter en vrijer, als was hij bereid den strijd op te nemen tegen hemel en hel.
Maar zoodra de storm ging liggen, greep hem weder, evenals de loerende tijgerkat haar \' prooi, een gevoel van onuitsprekelijke vertwijfeling aan, dat knaagde aan zijn gemoed met woeste begeerigheid.
quot;Was dan zijn lot werkelijk voor altijd be-
84
9
2.
slist? Had hij zijn vader niet bij eede beloofd in een klooster te gaan? Had hij niet zelf zijn moeder het onwrikbaar besluit medegedeeld, dat hij monnik wilde worden! Het was hem geweest, alsof zelfs-door haar halfgesloten oogen, die hem anders steeds zoo koel en ironisch aanblikten, een straal van medelijden brak, als had zij willen zeggen: „Arme, verblinde dwaas!quot; Maar zij had gezwegen en hij had zijn vaderhuis verlaten — voor immer. En nu — nu kon hij er toch niet toe besluiten, achter de koude, grauwe kloostermuren terug te keeren, die hem reeds zoo lang in zich besloten hadden. Nu eerst gevoelde hij, dat hij jong was, nu eerst begreep hij den ganschen omvang van den eed, dien hij had gezworen. Geheel zijn wezen kwam er tegen in opstand monnik te worden. Hem ontbrak het rein, kinderlijk geloof; de zachte deemoed en overgave aan zijn lot waren van hem geweken: in hem sprak een machtige stem der natuur — de zucht tot het leven; en deze stem dreigde alle plichtgevoel in zijn hart te onderdrukken. Hij ging onder een ont-
85
zettenden, inwendigen tweestrijd gebukt. Het was, alsof twee machten in een heet, verbitterd gevecht met elkander worstelden en elkander zijn bezit bestreden. Hij kende ze wel, deze machten: het leven en de plicht.
Ernstig en waarschuwend staarde hem de onafwendbare, harde plicht van alle zijden aan. „Gehoorzaam!quot; ritselde het in het dorre loof; „het leven is een eeuwig ontberen en ontzeggen.quot; De rotsblokken grijnsden hem aan als tot steen geworden letteren der wet. „Buig u, schik u in het onvermijdelijke!quot; floot de koude wind. Van den dood spraken hem de grauwe wolken, die aan den hemel voorbijtrokken, en de vochtige nevel, die het land overal in het rond bedekte. Zacht en eentonig vielen de waterdroppels van de natte, kale twijgen der boomen, als gaven zij de maat aan voor de troostelooze melodie van den storm: „Doe uw plicht!quot;
Maar neen, geen dam, geen koude wet kon zijn vurig bloed terugdringen en tegenhouden; het bruiste trots in hem op, als een schuimende bergstroom, die geen aardsch geweld kan tegenhouden.
8(i
e
5)
Daar brak plotseling de zon door de zwarte wolken en verlichtte met een gouden glans het geheele, door hooge rotsen omringde, met bosch begroeide, majestueuse, eenzame landschap. Als diamanten glinsterden de regendroppels aan de takken der oude pijnboomen en aan het lagere struikgewas, dat zich tegen den steenachtigen bergwand had vastgeworteld. De nevel trok op.
Het was Arnold als keek hij in een onaf-zienbare lichtzee en wonderbaar lieflijke visioenen doken voor zijn verbaasde blikken op.
Een melkwit, schitterend nevelenmeer lag aan zijn voeten. Gouden wolkenbootjes schommelden op den golvenden vloed. In elk dei-bootjes zat op een purperen kussen een jong, trotsch man in Spaansche kleederdracht en aan zijn zijde, in een kostbaar gewaad, een bloeiende vrouw. Zij omhelsden elkander tee-der en hadden gouden bekers in de hand; zij nikten elkander toe en lachten en dronken. De bootjes werden aan weelderige rozenguir-landes voortgetrokken door lieftallige nixen en zeejonkvrouwen; menigmaal scheurden de
87
welriekende bloemketens vaneen; dan kwamen kleine bolwangige geniën aanzweven, grepen de rozen, wierpen ze in het rond en dreven er hun jolig spel mede. Midden in het witte meer verhief zich een verweerd, scherp rotsblok, waaraan de zon een rooden gloed verleende, en op het hoogste punt dier rots zat, schoon als de belichaamde lentezon des levens, een meisje; haar gestalte teekende zich duidelijk af tegen den lichtblauwen hemel; liefkozend speelde de wind met haar golvende lokken; zij keek juist op en zocht zich, beide handen afwerend uitstrekkende, voor een kleinen genius te beschutten, die met een schalksch lachje boven haar hoofd zweefde en haar onder een gansche lading buitgemaakte rozen dreigde te bedelven. In de bootjes begonnen de fraai uitgedoste mannen en vrouwen zacht, nauw-lijks hoorbaar te zingen. Het meisje op de rots stemde met metaalheldere stem met het gezang in; het klonk zoo vroolijk en weemoedig en treffend tevens, dat Arnold, aangegrepen door een onuitsprekelijk verlangen naar dit heerlijk droombeeld des levens, dat hij maar
88
al te goed kende, dat Bianka\'s trekken droeg, op de knieën zonk en de armen wijd uitbreidde, terwijl heete tranen uit zijn oogen stroomden en hij jubelend uitriep: „En van u zou ik afstand doen? Nimmer en nooit!quot;
Hij keek op; maar wat was dat? Het visioen was verdwenen. Geen zonnestraal brak door de zwarte wolken en dichter dan voorheen omhulde een grauwe, ondoordringbare nevel de landstreek. Arnold deed eenige schreden voorwaarts en bleef rillend voor een ouden, grauwen wilg staan. Het was hem als zag hij een ouden man, die hem met opgeheven rechterhand toornig dreigde.
„De ongelukkige eed!quot; mompelde Arnold en wendde zich af. Hij stond dicht aan den rand eener bergkloof. Een stap en hij stortte naar beneden in de bodemlooze diepte.
Hoe langer hij daar stond en naar beneden staarde, des te verlokkender scheen hem dit denkbeeld.
..... Was het een\' duizeling, die hem bevangen had, of zou hij den noodlottigen stap gedaan hebben ? Hij wist het zelf nauwelijks.
89
Hij stortte naar beneden. Daar bleef zijn gewaad aan een rotspunt haken; een oogenblik zweefde hij boven den gapenden afgrond, toen greep hij instinctmatig naar het rondom groeiend struikgewas; zijn voeten zochten en vonden een steunpunt. Hij haalde diep adem. „Gered!quot; Neen, nog was hij niet gered, nog hing zijn leven aan een draad. Hij keek om zich heen. De rots, waarop hij stond, was het uiterste punt van een gladden, steenachtigen wand, die bijna loodrecht in de diepte reikte. „Naar boven dus!quot; slechts daar was redding. Hij begon langzaam en voorzichtig naar boven te klimmen. Slechts met moeite vond hij steunpunten voor handen en voeten. Zijn adem ging al zwaarder en zwaarder; hij beefde van inspanning; zijn tong kleefde aan zijn verhemelte. Een vreeslijke, beklemmende angst greep hem aan en vol vertwijfeling riep hij uit: „O God, mijn God, help mij !quot; Toen echter stiet hij een luiden lach uit en zijn hoongelach werd duizendstemmig tusschen de bergkloven herhaald. „Recht zoo!quot; riep hij woest en lachte nog eens, nog luider, nog
no
gillender; en weder weerklonk de echo, als waren door zijn gelach de booze berggeesten ontwaakt, als kwamen zij aanvliegen van Noord en Zuid, van Oost en quot;West, om met hem te spotten over den naam van Hem, dien hij aangeroepen had in den nood en aan wien zijn hart sedert lang niet meer geloofde, niet meer gelooven kon. En „God! God klonk het spottend terug, begeleid door een hoonend gelach. Met verdubbelde kracht zocht Arnold zich in de hoogte te werken. Zijn schoenen vulden zich met scherpe steenen, zijn handen bloedden. De rotsen brokkelden af en telkens
weer gleed hij terug. Hij wilde uitrusten____
Om hem heen groeiden heerlijke alpenrozen. Zij smolten voor zijn oog ineen tot een bont-bewerkt tapijt. Zijn adem stokte — zijn zinnen begaven hem — hij sloot de oogen en verloor het bewustzijn.....
91
9)
Q
e
ELFDE HOOFDSTUK.
ig half in den slaap verzonken, hoorde Arnold de smeltende tonen van een lied door guitaarspel begeleid. Toen de laatste toon weggestorven was, opende hij langzaam de zware oogleden. Het zachte licht eener electrische lamp verspreidde zich door de hooge, gewelfde ruimte van het groote, kunstig uit gegoten ijzer en gekleurd glas saamgesteld paviljoen, welks inwendig een tooverachtig
_/Q
c).
cm_
92
schoon en palmentuin geleek; want de Rchoonste boomen stonden overal in \'t rond en wiegden, door den nachtwind geliefkoosd, zacht hun toppen. In de verte glansde de maan aan den donkeren hemel en wierp haar stralend licht op de sombere populieren van het park.
In de diepte van het paviljoen ruischte tusschen tufsteenen en varens zacht en eentonig een waterval; hij viel van steen tot steen, tot hij plassend in het aquarium neerkwam, waarin allerhande grassoorten en groot-bladerige waterplanten welig tierden.
De palmen waren in schilderachtige groepen verdeeld. Klimop en andere slingerplanten kropen tegen de slanke, met versiersels voorziene zuilen van gegoten ijzer op, die het achtkantig gebouw droegen. In de nissen waren grotten en zitplaatsen aangebracht. Achter de gemakkelijke rieten banken waren overal fraaie rozestruiken geplaatst; enkele daarvan stonden in vollen bloei en vervulden de lucht met een bedwelmenden geur.
Midden in het paviljoen was een groot turksch tapijt uitgespreid; op lage divans
as
ontdekte Arnold verscheiden kostbaar gebonden boeken ; op een sierlijk tafeltje stond een half geleegd schaaltje met perziken en druiven; een paar rozen, die nog niet lang geleden afgesneden konden zijn, lagen daarnaast.
Arnold zelf lag gemakkelijk op een der divans uitgestrekt. Aan het voeteneinde knielde een slanke meisjesgestalte in een lang wit kleed; zij hield beide handen, waarin zich een luit bevond, op de knieën gesteund en boog haar hoofdje zoo diep, dat Arnold slechts het eenvoudig opgestoken haar kon zien, dat door een zilveren pijl bijeengehouden werd. Aan haar voeten lag een groote, zwarte windhond.
Nu keek het meisje op; een blijde schrik beving Arnold: hij herkende Bianka. Zij verhief zich, trad zonder de minste verlegenheid te toonen op zijn leger toe, boog zich over hem heen en legde haar hand op zijn voorhoofd. Een enkel oogenblik sloot hij weer de oogen, zoo onuitsprekelijk wel deed hem de aanraking dezer teedere vrouwenhand. Toen zij zich echter wilde verwijderen, greep hij haar hand en hield haar terug. Zij echter gaf
9\'»
hem vriendelijk en bepaald te kennen, dat hij zich rustig moest houden, dat de dokter dit verlangde. Hij onderwierp zich en beloofde te zwijgen, als Bianka hem vertellen wilde, hoe hij daar gekomen was. Zij trok een groot kussen naar zich toe en hurkte daarop neder. Toen deed zij met onderdrukte, eentonige stem, zooals men kinderen wel sprookjes vertelt, het verhaal zijner redding.
Zij had, volgens haar gewoonte, den dag in het paviljoen doorgebracht. Toen de zon een oogenblik door de nevelen heenbrak, was zij naar buiten gegaan. Zij keek naar den stellen rotswand op, die zich juist tegenover het paviljoen bevond, en bespeurde boven op een rotspunt de gestalte van een man.
Reeds lang was de lucht weer toegetrokken en nog steeds stond zij voor de deur van het paviljoen. Daar hoorde zij een geruisch ; steenen en takken vielen van boven aan haar voeten neer; toen viel met vreeslijk gewicht een menschelijk lichaam óp de dichtbegroeide toppen eener groep eeuwenoude eiken neer; de oogenschijnlijk levenlooze massa gleed van
95
tak tot tak en viel eindelijk dof en zwaar op het zachte grasveld neer. Bianka riep om hulp en liet Arnold, dien zij al spoedig herkende, in het paviljoen brengen. De dokter verklaarde de kneuzingen voor niet gevaarlijk, doch beval de uiterste voorzichtigheid aan. Bianka en de oude Brigitta hadden den zieke van toen af verpleegd. Heden, op den derden dag, was hij voor het eerst weer tot volle bewustheid gekomen.
Toen zij haar verhaal geëindigd had, gleed zij behendig over het mollige tapijt, stak haar armen in, de hoogte, vouwde ze achter haar hoofdje te zamen, leunde met het bovenlichaam tegen het weeke kussen en blikte met haar groote oogen half onderzoekend, half vroolijk tot Arnold op. Deze vreemde, die op zoo avontuurlijke wijze in de idyllische eenzaamheid haars levens gedrongen was, interesseerde haar. Het was wezenlijk eens iets anders, een aangename en gewenschte afwisseling. Zij vond het buitengewoon amusant, voor een ziek, gewond mensch te zorgen, hem te kunnen verplegen. Daarbij was het volstrekt niet zonder
96
zwarigheden toegegaan, want om zich deze onschadelijke verstrooiing te verschaffen, had zij al haar trotsche eigenzinnigheid moeten aanwenden; de dwaze, oude Brigitta vond namelijk, dat het ongepast voor haar „prinsesjequot; was, de ziekeverpleegster van dezen weggeloopen novice te spelen, zelfs ook al was hij inderdaad de vrijheer von Felseck, zooals Bianka verzekerde. Zulke belachelijkej verouderde inzichten te hebben! En als het werkelijk ongepast was, wie vernam, wat zij hier in haar paviljoen deed, en al ontdekte men het ook, wat bekommerde zij zich om geheel de wereld! Zij was van kindsaf gewoon, te doen wat haar beliefde. En het beliefde haar nu, in plaats van, zooals zij dagelijks deed, voor haar vogels in de groote volière en voor haar trouwen metgezel Mylord, eens voor een verstandelijk wezen te zorgen. Arnold kwam haar voor als een speeltuig, dat zij nog nooit bezeten had. En welke blikken wierp hij op haar! Juist als ware zij het Madonna-beeld daar boven in het klooster. Zij wierp haar hoofdje nog verder terug en lachte stil voor zich heen.
Bianka vergiste zich niet; Arnolds Wikken hingen met zulk een verrukking aan haar gestalte, als wilden ze haar verslinden. Hij gevoelde zich onuitsprekelijk gelukkig. Het kostelijk gevoel van temgkeerende gezondheid, de tooverachtig schoone, phantastische omgeving en het ongestoorde samenzijn met het meisje, dat hij met al den zinnelijken gloed van zijn in beroering gebracht bloed beminde, dit alles deed hem in een soort van heerlijken roes verkeeren. Het verleden en de toekomst waren als weggewischt uit zijn leven. Hij leefde slechts nu, en elke polsslag, elke ademtocht, elke blik was genot, was geluk.
Van dezen avond af begon voor hem een tijd zoo rijk aan Tekie^ onverstoorde vreugde, zoo vol van sprookjesachtige betoovering, dat de stoutste luchtkasteelen, die hij ooit had wagen te bouwen, daarbij verbleekten, als het zachte maanlicht bij de stralende zon. Bianka was voor hem de oplettendste verpleegster, de beminnelijkste gastvrouw, die men zich slechts denken kon. Zij voerde hem,
98
op haar arm steunende, door het park, zij roeide hem in haar kleine bootje op het meer rond, zij las hem voor, en, wat hij het liefst had: zij zong haar liederen voor hem.
Nimmer sprak hij tot haar een woord van liefde. Zij liet zich zijn stomme aanbidding genadiglijk welgevallen en daarbij bleef het.
Ongeveer een week mocht er verloopen zijn. Het was in den voormiddag van een somberen regendag. Arnold en Bianka bevonden zich in de tuinkamer van het kleine slot. Zij schoten met sierlijke, kleine Flaubert-pistolen naar de schijf. Bianka gaf zich ver-geefsche moeite haar onleerzamen scholier in het schieten te oefenen. Daar vernamen zij het geratel van wielen, en het duurde niet lang of Leo Haller, gevolgd door den heer von Warren, trad het vertrek binnen. Bianka liet het pistool zakken en begroette de hee-ren, alsof zij van een wandelritje thuis kwamen. Toen Leo Haller echter met een tevreden lachje zijn vriend op den schouder klopte en zich tot Bianka wendde met de woorden:
ut)
„Hier, mijn kind, breng ik u je bruidegom,quot; kleurde een licht rood Bianka\'s wangen en tusschen haar wenkbrauwen werd een kleine plooi zichtbaar — slechts even; het volgende oogenblik had zij zich reeds beheerscht en reikte den heer von Warren haar hand tot een kus.
„Ik vergat het,quot; sprak ze, zich te gelijker tijd naar Arnold wendend, „de vrijheer von Felseck! Gij kent hem immers, papa; — de heer von Warren — mijn bruidegom!quot; ging zij langzaam voort, terwijl zij haar hand zacht op den arm haars verloofden legde en met hem op Arnold toetrad, die slechts met moeite zijn zelfbeheersching wist te bewaren en eenige banale phrasen vermocht te antwoorden.
Bianka scheen zulk een uitwerking van haar woorden niet verwacht te hebben; het was, alsof er een schaduw van medelijden over haar gelaat vloog.
Korten tijd draaide het gesprek om onverschillige zaken, tot Arnold gelegenheid vond kalm en hoffelijk te verklaren, dat hij zich gedwongen zag, het kleine slot nog op dezen dag te verlaten.
100
„Gij wilt weg?quot; vroeg Bianka vol verbazing; doch op hetzelfde oogenblik bemerkte zij, hoe pijnlijk hem de toestand was, en kwam hem behendig te hulp. „Het is ook waar, ge hadt er reeds eerder van gesproken; wat treft het goed, dat ik nu juist gezelschap heb.quot; Snel besloten greep zij Arnolds hand, zag hem met een eigenaardig lachje onderzoekend in zijn diep treurige oogen en sprak zacht: „Tot weerziens!quot;
101
TWAALFDE HOOFDSTUK.
rnold bevond zich in de kloostercel van zijn leeraar en vaderlijken vriend, den abt Theodosius. De ■ oude man zat, door folianten omringd, aan het venster van het eenvoudig vertrek; hier bracht hij het grootste deel van den dag door, onder nadenken en peinzen over de werken der philosofen van ouden en nieuweren tijd.
Het laatste licht van den ten einde spoe-denden dag viel op het vriendelijk, verstandig
S.
___
102
gelaat van den grijsaard. In het vertrek heerschte reeds schemering. Arnold stapte nu eens gejaagd op en neer, dan weer wierp hij zich steunend, als iemand door vreeslijk ziele-leed gekweld, op het bed neder.
„Kom tot mij, mijn zoon \\quot; sprak Theodosius.
Arnold wankelde door de cel en liet zich voor den grijsaard op de knieën zinken. De abt streek hem de verwarde lokken terug en legde hem, als wilde hij hem zegenen, de handen op het hoofd. Arnold weende zacht. Hij keek op en blikte in het kalm, nadenkend gelaat des priesters; langen tijd hingen zijn blikken aan deze edele, verstandige trekken en het was hem, alsof hij gevoelde, hoe de storm in zijn binnenste langzamerhand ging liggen: hij werd bevangen door een flauw voorgevoel van den heiligen vrede, die de ziel van den man, voor wien hij geknield lag, gelijk een stillen, zonnigen winterdag verlichtte. Deze vrede scheen hem het eenig rein geluk op aarde, en als een flauwe lichtstraal kwam in de duisternis zijner gedachten de mogelijkheid op, zich dezen vrede
103
te verwerven. Arnold begon te spreken; eerst stokkend, toen echter levendiger, machtig aangegrepen door de bekentenis, die zich aan zijn lippen ontwrong.
„Verstoot mij niet, vader, ik heb immers niemand dan u. Ik ben niet waardig hier voor u te knielen, en toch — wat zal ik doen ? Als gij u niet over mij erbarmt, ben ik verloren ..... Gij kent mij, gij weet, welk een
tweestrijd er in mijn gemoed heerscht. Reeds als kind, nog meer als jongeling heb ik zwa-ren strijd gestreden. Mijn ideale phantasieën — hoe wreed werden ze door mijn verstand ontleed ! En als zulk een hersenschim mijner kinderlijk dwepende ziel, vernietigd was, hoe jammerde ik dan in wilde vertwijfeling! Het was mij dan, als sleepte men mij uit de schoone, bonte wereld in de troostelooze eenzaamheid. Ik blikte daarheen terug, waar mijn hart mij henentrok — naar het lachend droomenrijk. Mijn verstand fluisterde mij in, dat de beelden, die ik bewonderde, schitterend tooverwerk waren, maar het viel mij zwaar, ontzaglijk zwaar, mij te ontrukken aan deze
10\'i
wonderwereld ces schijns. Ik zag ze duidelijk voor mij, de strenge, zuivere lijnen der naakte werkelijkheid; een koude rilling beving mij bij hun aanblik; ik wendde mijn oog af,
staarde voor mij heen en droomde.....Mijn
levendige phantasie, mijn licht ontvlambaar bloed en mijn ontledend verstand slingerden mij heen en weer, tot ik mij niet meer wist te redden en u, mijn vader, alles bekende, wat mijn ziel ter nederdrukte. Gij echter lachtet dan goedig en verdreeft met een enkel woord den geest van twijfel en onrust, die zich van mij had meester gemaakt. Gij waart er een meester in, den tweestrijd op te lossen tot een vol, harmonisch accoord. Ik luisterde naar uw woorden als naar een openbaring en geloofde aan u. Wat gij mij echter nimmer leerdet, — vergeef het mij vader — was: zelfstandig denken en handelen, op mijzelf vertrouwen. En juist dat werd mijn noodlot! Ik ben noch een geloovige noch een ongeloovige, noch volkomen onnoozel en dwaas noch volkomen verstandig, mij ontbreekt de moed eh de kracht om wat het ook zij, dit
ö
G\\_________(Q
■m
geheel te zijn, en deze bewustheid is de diepe, ongeneeslijke wonde, waaraan ik langzaam doodbloed. Toen ik het klooster verliet en de wijde wereld introk, had ik geen richtsnoer voor mijn handelingen, de ingeving van het oogenblik besliste. Zij bewoog mij, voor mijn stervenden vader den eed af te leggen, voor altijd in een klooster te gaan en priester te worden; zij verleidde mij er toe, dezen eed te vergeten, een vrouw te beminnen, te droomen, dat zij de mijne zou kunnen zijn — tot ik uit den hemel van mijn geluk in de vreeslijkste ellende geslingerd werd. Dus kom ik tot u, vader, door hartstochten beroerd, door gewetenswroeging gemarteld, en smeek u: help mij, red mij van mijzelf!quot;
Eenige minuten lang was alles stil in de halfdonkere kloostercel. Diep medelijden stond op het gelaat des priesters te lezen en met bewogen stem sprak hij:
„Ja, ik wil en moet u helpen, mijn zoon. Voor u bestaat er slechts één middel tot redding: den eed, dien gij voor uw vader hebt afgelegd, te houden. Geen macht in den hemel
106
of op aarde var mag u daarvan te bevrijden. Dat gij den heiligen eed vergeten kondt, was erg. Maar zie, mijn zoon, de wegen Gods zijn onnaspeurlijk. Misschien voerde de Heer u tot uw eigen best van den rechten weg af, opdat gij zoudt leeren inzien, hoe nietig en ijdel de vreugde dezer wereld is. Nu ziet gij met verlangen terug naar het stille, van de wereld afgezonderde klooster, dat u nog kort geleden, toen de liefde uw hart innam, als een gevangenis moet hebben toegeschenen.
Blijf bij mij, mijn zoon, en laat ons als voorheen vorschen naar de hoogere kennis dei-dingen. Er is toch slechts één waarheid en deze berust bij ons. De dwazen — hij wees op eenige voor hem liggende boeken — zij meenen den godsdienst te kunnen vernietigen,
alsof de godsdienst wat anders, was, dan de symbolische inkleeding dier waarheid, die zij der geheele wereld verkondigen willen. Alsof het arme, onontwikkelde volk het stralende licht der waarheid zou kunnen verdragen! Het weten voor den leider, het gelooven voor de menigte, dat is het eenige ware. Zoo was
cgt; ff
_________________________________________________ ______ fQ
107
het van ouds, zoo is het heden en zoo zal het ten allen tijde blijven. Gij echter, mijn zoon, waarom gelooft gij niet? Waaraan twijfelt gij? Hoor, wat ik n zeg: Alles wat is, beweegt zich naar eigen, eeuwenoude wetten, want alle zijn is God. Tracht dat te begrijpen en daarnaar te leven, en gij zult den zoo vurig verlangden vrede vinden en gelukkig zijn, zooals ik het ben.quot;
Hij streek zacht over Arnolds lokken, in wiens gemoed een zonderbare rust en gelatenheid nederdaalden.
„Streef daarnaar, mijn zoon,quot; voegde hij er bij, „deze erkentenis alleen maakt den mensch groot en vrij; en wees steeds de woorden indachtig, gesproken door Spinoza, ons aller leeraar en meester; „„Al het hooge is even zeldzaam als moeilijk te bereiken.quot;quot;
si
•108
DERTIENDE HOOFDSTUK.
S
e kleine kloosterkerk was stampvol. Op de achterste banken en op het koor zaten landlieden uit den omtrek. Het waren meest vrouwen: .oude moedertjes en waardige matrones in zondagsgewaad; te midden van dezen zag men hier en daar een. rij ken boer met een gewichtig voorkomen, die zich daar breed en vol zelfbewustheid had nedergezet, alsof hij zeggen wilde: „Ziet mij allen aan, ik ga ter
109
kerk en behoor niet tot het gespuis daar buiten, dat allerlei nieuwigheden wil invoeren en staat en christendom waagt aan te tasten.quot;
Boven op het koor verdrong zich het jongere volk. De knappe boerenmeiden deden vergeefs hun best vroom en zedig voor zich te kijken en konden niet nalaten van tijd tot tijd een blik naar de jonge mannen te werpen, die blijkbaar slechts om hunnentwil daar waren en zich al heel weinig om de plechtigheid bekommerden.
De voorste ruimte der kerk was voor de grondbezitters en hun dames bestemd. Alle banken waren door elegante dames en heeren bezet. Men had immers een interessant schouwspel te wachten: de jonge vrijheer von Eelseck zou, juist zes maanden na den dood zijns vaders, de priesterwijding ontvangen.
De oude, met orden getooide heeren en hoogwaardigheidsdragers op de voorste banken hielden hun hoofden diep gebogen en schenen met den slaap te worstelen of leunden gemakkelijk achterover, hadden de oogen dicht, den mond wijd open en snorkten luid
______ts
•HU
hoorbaar. De vroolijke wereldlingen en elegante jonge mannen zochten hun houding te bewaren; zij geeuwden heimelijk achter hun handen, verveelden zich gruwelijk en wisselden zacht hun opmerkingen met elkander.
„Gij gelooft inderdaad, dat de barones het geheele Felsecksche vermogen verkrijgt?quot;
„Ma foi, oui; ik weet het uit goede bron.quot;
„En die geschiedenis met Haller, est ce vrai?quot;
„Binnen zes maanden is ze zijn vrouw.quot;
„Dan zullen zij waarschijnlijk een dubbele bruiloft vieren. Gij weet toch, dat Warren met de kleine Haller verloofd is?quot;
„Dat vertelt ge mij! Ik was immers de eerste, die dit nieuws in de club bracht. Zij is dan ook allerbekoorlijkst, de kleine Haller, a croquer; zie daar vooraan, op de eerste bank.quot;
„Die met dien witten hoed naast de barones von Felseck?quot;
„Certainement, en wat zegt ge van de barones? Trés chic, n\'est. ce pas? Lila staat haar voortreffelijk, en zij weet dit ook.quot;
„O, die Felseck! Elle est femme jusqu\' au bout des ongles.quot;
in
De dames, die allen, als voor een groot feest, In lichte toiletten verschenen waren, fluisterden, over hun gebedenboeken gebogen, met elkander. De lorgnetten waren in voortdurende beweging. Het voorwerp der belangstelling Avas uitsluitend Arnold. Tot voor korten tijd nog had geen mensch zich om zijn bestaan bekommerd; door den dood zijns vaders echter was hij een persoonlijkheid geworden, met wien men rekening moest houden. Men had niet anders verwacht, dan dat hij het klooster verlaten en een recht lustig leventje leiden zou, zooals mét alle jongelieden het geval is, die door hun vader met overdreven strengheid behandeld en dan geheel onverwachts heer en meester van een groot vermogen werden. Het verwekte dan ook werkelijk sensatie, toen men vernam, dat Arnold monnik wilde worden. Nu was hij de held van den dag; men sprak slechts van hem, van de redenen, die hem tot dezen stap bewegen konden en vertelde elkander de ongelooflijkste geschiedenissen.
Daar men hem bijna in \'t geheel niet kende en hij bovendien in den laatsten tijd onzicht-
H2
baar geweest was, werd er langzamerhand een net van geheimzinnigheid om zijn persoonlijkheid geweven. De meeste dames van het gezelschap waren op hem verliefd, zonder hem ooit gezien te hebben. Heden was eindelijk de groote dag gekomen, waarop al de gespannen en nieuwsgierige gemoederen bevredigd zouden worden. Doch zelfs de ten hoogste gespannen verwachtingen werden overtroffen. Arnold behaalde succes in den vol-sten zin des woords. Men was algemeen van oordeel, dat hij reeds monnik had moeten worden, om altijd de witte pij te kunnen dragen, die hem zoo bizonder goed kleedde; allen stemden hierin overeen; „Qu\'il était beau comme Saint-Jean.quot;
Inderdaad zweefde er een soort van verheerlijking over Arnolds gelaat;, zijn gezicht was uitgemagerd en bleek, in de oogen schitterde een dweepziek vuur. Hij bespeurde niets van de menschen rondom, hem, zijn blik hing vol aandacht aan het groote, wonderschoone Maria-beeld, waarmede het hoogaltaar versierd was. Het was bijna donker in de kerk; door
8
de beschilderde vensterruiten drong slechts een spaarzaam licht. De kaarsen op het altaar walmden en wierpen een eigenaardig rooden gloed op het Madonna-beeld. Het scheen Arnold toe, alsof het leefde, alsof de Moeder Gods in eigen persoon op hem nederzag.
In haar blik lag zulk een betoovering, dat hij zijn oog niet kon afwenden; er sprak iets kalms, iets gelatens, iets geruststellends uit, een weemoedige vreugde en zulk een overweldigende waardigheid en hoogheid, dat men onwillekeurig op de knieën zinken en bidden moest.
Er was een geur van wierook en verwelkende bloemen verspreid. Gedempte orgeltonen zweefden door de bedwelmende lucht. Het beslissende oogenblik kwam al nader en nader. Nu zou de bisschop voor het altaar treden, om gedurende de groote mis de priesterwijding te voltrekken.
Daar voelde Arnold plotseling een vreeslijken steek door het hart; hij moest zich bedwingen om het niet luid uit te schreeuwen, hij greep naar de borst en mompelde steunend: „O, Bianka!quot;
Waar was zij nu? Misschien hier in de kerk. Hij keek om zich heen. Eeiiige schreden van hem verwijderd zat Bianka. Zij hield het bovenlichaam een weinig voorovergebogen en staarde droomend voor zich uit. Over haar gelaat lag een zachte, roode gloed verspreid; den mond hield zij een weinig geopend; zij ademde snel.
Toen Arnolds blik haar trof, vlamde er een vurige gloed in haar oog op .... Dat was het dus, het leven, de liefde — o, hoe greep ze hem aan, de heete, gloeiende vlam van den hartstocht! Hij wankelde. Een gemompel ging door de voorste rijen der gemeente. Arnold deed echter een schrede voorwaarts. De eene onzinnige gedachte volgde de andere op. Hij snakte naar adem. Hij wilde spreken, luide bekennen, dat- hij niet geloofde — dat alles misleiding en leugen was — deze gansche ceremonie ij del goochelwerk; hij wilde het altaar vernielen, aan de verblinde dwazen toonen, dat geen wrekend God hem daarvoor straften zou; hij wilde zijn ketenen vaneenrukken en vrij zijn en drinken, drinken
115
uit den schuimenden beker van den hartstocht!
Het orgelspel verhief zich. Arnold kromp ineen. Een rilling voer hem door de leden; hij vermocht zich niet te verroeren; zijn krachten verlamden....
De mis was aangevangen. Hij hoorde de stem van den priester, het schelletje van den koorknaap, het gezang en de zware plechtige tonen van het orgel. Half bewusteloos trad hij naar voren. De bisschop legde hem beide handen op het hoofd; toen hief hij de rechterhand op en sprak den zegen uit. Arnold liet alles met zich geworden. De bisschop reikte hem de stola over. Arnold hoorde als in een droom:
„Neem het juk des Heeren op u. Zijn juk is zacht en zijn last is licht.quot;
Arnold voelde, hoe hem het misgewaad aangedaan werd, terwijl de bisschop de hymne „Venl Creator!quot; aanhief.
Het was Arnold, als zou hij neerzinken, maar hij bleef staande en liet zich de handen zalven, raakte even den kelk en den ouwel aan en hoorde wederom de stem van den bisschop:
•116
„Ontvang de bevoegdheid Gode het oflèr te brengen, de heilige mis te vieren voor de levenden en voor de stervenden.quot;
Langzamerhand begon de plechtigheid van het oogenblik Arnold te overweldigen. Hij trilde over zijn geheele lichaam; het was hem, alsof hij uit een zwaren droom ontwaakte. Hij blikte tot de Madonna op en weder overviel hem een gevoel van vrome geestverrukking.
Terwijl de bisschop hem de handen op het hoofd legde en hem de macht verleende zonden te vergeven, bad Arnold uit het diepst zijner ziel, zoo vurig, zoo onstuimig tot de heilige jonkvrouw, als nimmer te voren; hij smeekte haar, hem het geloof te geven: het vroom, rein, kinderlijk geloof.
De bisschop greep zijn handen en vroeg:
„Belooft ge mij en mijn opvolgers eerbied en gehoorzaamheid ?quot;
En Arnold sprak op vasten toon:
„Ik beloof het!quot;
Toen kuste hem de bisschop en zegende hem: „De vrede des Hoeren zij ten allen tijde met u!quot;
a___
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
BROKSTUKKEN UIT ARNOLDS DAGBOEK.
00 ^et ^an geschied: ik ben monnik. De rust van quot;quot; het klooster en het eentonige, geregelde leven doen mij goed. Het liefst ben ik geheel alleen in mijn cel. Ik ondervind vreugde noch smart; ik ben moede, overspannen .... uren lang kan ik daar neder-zitten, zonder mij te verroeren. O, kon ik slapen en nooit weder ontwaken .... waarom komt hij niet, de eeuwige nacht!
1-18
V
Hoe luid en vroolijk kweelen de vogels. Zij kondigen de lente aan; mij echter is het, als roepen ze mij tot het leven terug. Zij trekken mij naar buiten. Ik zou gaarne de weder ontwakende natuur beluisteren.... Mag ik dit nog? Is er geen kloosterregel die het mij verbiedt? Ik ben immers geketend, gevangen; niet meer vrij te doen en te denken, wat mij invalt. Mijn voorhoofd gloeit, mijn pols jaagt koortsachtig. Ik zit voor het raam mijner cel en kijk naar buiten. Een scherpe oostenwind heeft de wolken van den hemel weggevaagd; de blauwe, oneindige diepte is meteen zorgvuldig uitgespreiden sluier bedekt. In den kloostertuin schitteren de eerste rooskleurige bloesems der amandelboomen in het heldere licht der zon. De teedere puntjes van het jonge gras glinsteren als smaragd, en als er een windvlaagje langs gaat, buigen zij zich ter zijde en het is dan, alsof er een groene golf over den grond gaat. De zee is onstuimig, de donkere golven jagen in wilde vaart daarheen ; zij storten over elkander en het witte schuim vliegt hoog in de lucht. Ik verlang ei
ns
vurig naar mij in de woeste golven te dompelen en met het oproerig element te kampen.
Sterven — wil ik werkelijk sterven? Heb ik ooit geleefd? Wat is het leven? Weet ik het dan?
Mijn besluit is genomen; ik wil en moet leven. Ik wil niet rusten, voor ik weet, wat het leven is: een blind toeval of het geschenk eener goedgunstige Voorzienigheid. Ik wil weten of er een leven na den dood is, of\' dat wij vergaan moeten zooals alles vergaat. De volle, gansche waarheid wil ik kennen en geen G-od zal mij die bestrijden. En dan, als ik in het bezit der waarheid ben, wat begin ik daarmede ? Zal ik voor de men-schen treden en luide verkondigen, wat ik uitgevorscht heb? Dwaas, die ik ben! „Kruist hem, kruist hem!quot; dat zou de dank voor mijn daad zijn. — Maar het woord, het geschreven en gedrukte woord — daaraan heb ik niet gedacht. Menschen kan men kruisigen, het woord sterft nimmer. Het werkt en ge-
tuigt; en te rechter plaats en te rechter tijd breekt het los, als de vlammende bliksem.
Dood, allés dood, gestorven, verloren, voor altijd weg....
Toen zij hem in de groeve lieten zakken, den edelen grijsaard, aan wien mijn hart hing, hebben zij met hem ook mijn geloof begraven.
Slechts door uw woord gevoed, Theodosius, leefde nog een overblijfsel van dien vromen waan in mijn gemoed. Sedert gij gestorven zijt, is ook die flauwe vlam uitgedoofd, en niemand vermag haar ooit weder te ontsteken.
Langzaam, stap voor stap, heb ik het verdedigd, het geloof mijner vaderen, het geloof, waarin ik van kindsaf opgevoed werd. Ik heb geworsteld en gestreden, zooals slechts een mensch strijden kan, die vröest zijn hoogste goed te verliezen. Maar ook langzaam, stap voor stap, heb ik terug moeten wijken om voor betere kennis plaats te ruimen. Zoo maakt zij vorderingen in de harten der rnenschen, de nieuwe, vrije wereldbeschouwing, die aan geen godsdienst gebonden is, en rijpt allengs
tot een vaste, sterke overtuiging, onwankelbaar, als het oude geloof aan God.
Ik ben een kind mijns tijds, niet slechter en niet beter dan anderen; ik heb ondervonden, wat duizenden evenals ik doorleven moeten. En toch — waar zijn zij allen, die zoo denken als ik? Hoevelen zijn het, die gewaagd hebben, hun innigste overtuiging uit te spreken en te leven, zooals zij denken? Men zou ze kunnen tellen! De anderen leven voort: het ongeloof in het hart, het geloof in houding en gelaat. Wij allen zijn niet dat. Wat wij schijnen. De atheïst in priester getemd, zooals ik hen, dat is het typisch zinnebeeld van onzen tijd. Wij werden in een geloof opgevoed, dat voor het meerendeel dei-beschaafde wereld reeds lang opgehouden heeft een levend geloof te zijn, en niets anders meer is dan een doode letter. Wanneer wij nauwelijks in staat zijn te denken, dwingt men ons, dit geloof openlijk als het onze te erkennen en als wij eindelijk tot bezinning komen, is het te laat.... Wij zien het in, dat wij niet gelooven kunnen, maar ons ont-
breekt de kracht, ons ook uitwendig vrij te maken.
De oude, eerwaardige gebruiken dalen af tot nietig comediespel, en terwijl wij onzen God en ons zelf bedriegen, bemerken wij niet, dat ons daarbij het eenige verloren gaat, wat wij nog te verliezen hebben: het geloof aan het ware en het goede. Geheel ons leven wordt vermomming en huichelarij, een dol maskerade-feest, waarop ieder in het kleed verschijnt, dat hem het meeste voordeel aanbrengt; het is, of een bacchantische zwijmel ons aangrijpt; wij wankelen daar van de eene genieting naar de andere, verbrassen have en goed, vertreden en bezoedelen, wat anderen heilig is, en drijven dit spel zoolang, tot een drieste hand de prachtvolle zaal van ons gezelschapsleven vernielt, tot het oude, vermolmde gebouw ineenstort en in vlammen opgaat. Ja, wij dansen op een vulkaan en sluiten opzettelijk de oogen, om niet te zien, hoe het onheil steeds nader en nader rukt, hoe de verpestende adem van den leugen steeds verder om zich heen grijpt, hoe hij van dag tot dag toeneemt.
de tweestrijd in ons binnenste, en wij willen het niet begrijpen, dat dit de inwendige kern van het sociale gistingsproces is, waarin wij ons bevinden, het bijtende gif, waaraan wij allen ellendig te gronde gaan.
Ik kan het niet langer dragen. Als ik de mis lees, als ik stervenden het sacrament aanbied, lijd ik hellepijnen.
Het eenige, wat mij verlichting geeft, is het bewerken van mijn geloofsbekentenis. Ik wil haar in de wereld slingeren als een brandende fakkel.
De monniken zijn wantrouwend, omdat ik mij van hen afgezonderd houd. Sedert ïheo-dosius gestorven is, leiden zij een lustig, bandeloos leven. Zij haten mij, want ik neem geen deel aan hun doen en laten.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Q
e hoer von Warren klom voorzichtig de smalle, donkere trap op van een huis, dat in het arbeiderskwartier der stad gelegen was. Hi} had zijn wraak niet vergeten. Maanden waren sedert den aanslag in de fabriek verloopen. Met de hem eigen ijzeren standvastigheid bracht hij het eenmaal opgevatte plan tot uitvoering. Wat zou hem ook hebben kunnen, weerhouden? Hij was gewoon, de ingevingen
van zijn praktisch verstand steeds te volgen. Hij beminde slechts zich zelf en trachtte zich dit ook niet te verhelen; hij geloofde aan zijn succes en dit geloof hielp hem zegevieren. Het verstand en het geld, dat waren naaizij n inzien de beide machten, die de wereld regeeren, en hij dorstte naar macht. Hij verachtte de menschen: het blinde, willelooze volk, dat hem tot niets anders goed scheen dan om slavendiensten te verrichten; maar hij verachtte ook de het genot najagende menigte, doch vooral echter de overheerschende klasse van leeghoofdige, karakterlooze lafaards. Ja, hij wilde het voor hen oprichten, het gouden afgodsbeeld onzer dagen, en zij moesten er omheen dansen en zich voor hem in het stof buigen; hij echter wilde daar dan staan in eenzame grootheid — en heerschen!
Al zijn denken en streven was op de verwezenlijking van dit denkbeeld gericht. Alles, wat het leven aan genietingen bood, die voor geld te verkrijgen waren, had hij genoten ; voor hem had niets meer bekoorlijkheid, dan de opwinding van het spel; niet het toe-
vallige geluksspel, maar het spel eener stoute speculatie. Hij kon maanden-, jaren lang een slag voorbereiden, om hem des te zekerder te kunnen slaan. Zoo was het ook nu. Onmiddellijk na het voorgevallene in de fabriek had hij informaties omtrent Resi ingewonnen en heimelijk een aanvang met zijn werk gemaakt. Het was hem langen tijd niet gelukt dezen vlinder in zijn net te lokken; zij was ook zoo\'n eigenaardig meisje, deze Resi; het schitterend licht van het genot verlokte haar niet. Zij leefde voort, met ijver en nauwgezetheid haar werk verrichtende; als men zag, hoe helder en zonnig haar blik was, zou men haast denken, dat zij een groot geluk in haar hart droeg. En toch was haar lot niet licht, want de oude Ursula, haar moeder, was ruw en onvriendelijk tegen haar en het werk, dat zij te doen had, was moeilijk; het geluk echter, dat zij in het hart droeg, was niets anders dan de bewustheid, door allen, die haar kenden, bemind te worden en tot nut en vreugde van anderen te leven.
Ja, zij was hem niet zelf in de armen ge-
vlogen, zooals hij het wel het liefst zou gehad hebben, maar daarom zou zij hem toch niet ontgaan.
Niet voor de eerste maal besteeg hij de smalle, donkere trap, niet voor de eerste maal schelde hij aan de deur der oude kaartlegster Ursula. Slechts kwam hij nu op een ander uur; terwijl hij vroeger steeds een tijd had uitgezocht, waarop Resi in de fabriek was, kon hij er nu, reeds tamelijk laat op den avond, vast op rekenen het meisje thuis te treffen. Hij was op de vierde verdieping aangekomen. De maan scheen door het geopende venster naar binnen en verlichtte den overloop. Een afschuwelijke, zegevierende lach gleed over Warrens gelaat. Hij trok aan de schel. Zij liet een langgerekten, schrillen toon hooren. Sloffende schreden werden hoorbaar, een veiligheidsketting rammelde en op den drempel verscheen de gebogen gestalte eener oude vrouw; zij hield een brandend lampje in de uitgestrekte rechterhand, terwijl zij met de andere de deur omklemde. Uit het gele, verschrompelde gelaat met de neerhangende
•128
onderlip keken twee vurige oogjes den laten bezoeker onderzoekend aan. Warren maakte een ongeduldige beweging. „Kent ge mij niet weer, oude heks?quot; mompelde hij voor zich heen. Ursula knikte hem met katachtige vriendelijkheid toe en liet hem in het afgelegen voorkamertje. Zonder op de oude vrouw acht te geven, ging hij het naaste vertrek binnen. Zij volgde hem en zette het lampje op de ronde tafel, die met een wit gehaakt kleed bedekt was en midden in het kleine, eenvoudige vertrek stond. De kamer was volstrekt niet zoo armoedig ingericht, als men had kunnen verwachten. De twee oude leunstoelen, de groote, verkleurde sofa en de vergulde spiegel daarboven maakten zelfs aanspraak op elegantie; ook was de indruk, dien men ontving, geen onaangename, want alles was netjes in orde: de vazen op de commode waren met grassoorten gevuld, de gordijnen zoo sierlijk opgenomen, de bloemen in de vensterbank zoo goed verpleegd, dat men daarin terstond een vrouwenhand herkende, die zelfs in dit oude, bouwvallige rommeltje harmonie wist te brengen.
129
Warren keek een oogenblik onderzoekend om zich heen, toen opende hij, snel besloten, een kleine deur; maar als een tijgerkat, die men haar jong ontrooven wil, sprong het oude wijf naar voren en snelde hem haastig voorbij.
„Wees niet bang!quot; sprak hij op ruwen, hoonenden toon; „ik roof niet, ik koop.quot;
Op een gewonen rieten stoel, die aan het voeteneinde van het bed stond, dat door een donker gordijn van gebloemd katoen half verborgen was en het achterste gedeelte dei-kamer innam, lag, als door den slaap overvallen, een vrouwengestalte — het was Resi. Bij het geraas, door de binnentredenden veroorzaakt, hulde zij zich vaster in een grooten zwarten omslagdoek. Zij wilde opstaan, maar zonk duizelig en zacht steunend weder in den stoel terug. De oude Ursula was de eenvoudige, bijna onmiddellijk bij de deur staande tafel genaderd, waarvan zij bij haar waarzeggerij gebruik maakte. Zij schoof de kaarten op zijde, trok den grooten koperen kandelaar dichter naar zich toe en keek toen
130
Qj \'O
9
vol verwachting naar den heer von Warren, die, spotachtig lachend, deze voorhereidingen had gadegeslagen.
Nu trad hij naar voren, haalde een geldrol uit zijn zak, opende ze, wierp het geld op tafel en sloeg de uitwerking gade, die het blinkend metaal op het oude wijf had. Een grijnslach van verrukking vloog over haar gerimpeld gelaat, haar oogjes glinsterden vol woeste hebzucht en haar beenderige handen maakten een beweging alsof zij het geld bijeen wilde schrapen.
„Nu, is het voldoende?quot; vroeg hij. Zij staarde hem aan, bezon zich, grijnsde nog eens en knikte. Toen wees zij op een geledigd glas, dat een slaapdrank bevat had, wees op Kesi en knipoogde sluw en veelbeteekenend.
Hij wilde het meisje naderen, de oude voorkwam hem echter. „Sta op!quot; beval zij haar op luiden, schreeuwerigen toon. Resi gehoorzaamde. Zij stond op en opende de oogen. Toen zij den heer von Warren herkende, kromp zij ineen van schrik en staarde hem met wezenlooze blikken aan.
m
„Zij is schoon, mijnheer, zie maar!quot; grinnikte de oude en trok het meisje den grooten zwarten doek van de schouders. Te vergeefs zocht Resi zich daartegen te verzetten. Zonder zich aan de kwellingen van het meisje te storen, beschouwde von Warren haar opmerkzaam. Haar zware, blonde vlechten waren nog opgestoken, het midden op het hoofd gescheiden haar gaf haar gelaat een lieftallige, vrouwelijke bekoorlijkheid. Nu was wel is waar het zonnige lachje, dat anders haar gezichtje verhelderde, verdwenen; haar gelaat was bleek en verwrongen, de wijd opengesperde oogen staarden waanzinnig om zich heen, terwijl twee groote tranen over haar wangen rolden. Een siddering voer haar dooide leden, toen haar moeder haar onzacht voor zich uit duwde. Zij struikelde over den doek en zou gevallen zijn, zoo de heer von Warren haar niet in zijn armen had opgevangen. Toen zijn heete adem haar beroerde, kromp zij nog eenmaal ineen, het was haar, als had haar de dood gekust. Haar zinnen begaven haar, stom en bleek zonk zij aan de borst
132
van den man, die haar tot het offer zijner wraak verkozen had.
De oude Ursula was alleen in de kamer. Zij boog zich over de tafel en telde het blinkend metaal. Zooveel goud had zij nog nimmer bijeen gezien. Zij liet het door haar beenderige vingers glijden. Het blonk en schitterde bij het onzekere licht der kaars. „Hi, hi, hi!quot; grinnikte het oude wijf, terwijl zij met heesche stem een liedje begon aan te beffen.
133
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
et was een heldere herfstavond. In de straten der stad ging het nog levendig toe. De laatste magazijnen werden gesloten. Uit de ruime zalen der groote koffiehuizen straalde het licht van ontelbare gasvlammen; de kleine, roode tafeltjes waren dicht bezet met menschen, die allerlei ververschingen gebruikten, de couranten lazen en de gebeurtenissen van den dag bespraken; schamel gekleede bloemen-
5 ö ______V
134
meisje» met frissche kindergezichtjes, slopen met hun mandjes aan den arm van tafeltje tot tafeltje en boden sierlijke bouquetten van rozen te koop aan. Op het trottoir wemelde het van wandelaars. Alles lachte en schertste. De straatjongens floten de nieuwste straatdeuntjes. In de donkere voorportalen der huizen stonden teedere paartjes, die elkander allergewichtigste dingen te zeggen hadden. Vigelantes, omnibussen en elegante equipages rolden heen en weer en tusschen al dit leven door hoorde men van tijd tot tijd uit een open raam de vroolijke klanken eener wals van Strausz of de half weggestorven tonen van een weemoedig lied.
De oude schoorsteenen op de huizen wierpen donkere schaduwen af en stonden daar zoo ernstig toe te kijken, alsof hun het gewoel der menschen daar beneden niets nieuws was, alsof zij van andere zomeravonden uit lang vervlogen tijden menig verhaal zouden kunnen doen. En de maan keek vertrouwelijk op de oude schoorsteenen neder; zij knikte en het was, alsof zij zeggen wilde: „Ja, ja.
wij hebben reeds wonderlijke dingen gezien en beleefd.quot;
De golven der breede rivier, die de stad doorstroomde, murmelden onophoudelijk en
babbelden en babbelden..... die hun taal
verstond, zou veel diep verborgen geheimen kunnen afluisteren. Ach, het waren geen vroo-lijke sprookjes, die zij te vertellen hadden, het waren eenvoudige, treurige gebeurtenissen, zooals er dagelijks in het leven voorkomen, en toch — zij klonken zoo aangrijpend en weemoedig, alsof de zoele, warme lucht door een zacht snikken en weenen doortrild werd.
Arnold stond, over de leuning der brug geleund, in den kalm voortstroomenden vloed te staren. Hij droeg het manuscript zijner bekentenis in den zak; heden had hij zijn arbeid voltooid en was op weg naai- den vriend zijner jeugd, Paul Dorn, den redacteur dei-volkscourant, dien hij wel is waar sedert de begrafenis zijns vaders niet weder gezien had, maar van wien hij stellig wist, dat hem een geschrift, als zijn bekentenis, hoogst welkom zou zijn.
13«
Het gezicht van de brug op de oude, afgelegen huizen, die zich tot aan het water uitstrekten, en op den donkeren, in nachtelijk duister gehulden vloed was somber, bijna afschrikwekkend. Nu en dan gleed er, een dwaallicht gelijk, op deze of geene bark een lichtje voorbij, om al spoedig weder in de duisternis te verdwijnen. Slechts het mid-denste gedeelte der rivier glansde in het heldere licht der maan. Lichte nevels trokken heen en weer, en Arnold meende tengere vrouwengestalten te herkennen, die hand aan hand een wonderlijken dans uitvoerden. Hun wit, luchtig gewaad schitterde als zilver. Zij wiegden zich bevallig op de maat heen en weer en hun voeten schenen het glinsterend watervlak nauwelijks aan te raken. Toen zij echter hun hoofden opbeurden, zag hij, dat hun gezichten alle doodsbleek waren en eruit hun oogen zulk een diepe ellende sprak, dat hij dezen aanblik niet langer verduren kon, maar zich moest afwenden. Doch verschrikt deinsde hij terug, want slechts weinige schreden van hem verwijderd bespeurde hij
137
een even doodsbleek, door smart verwrongen gelaat. Het was een vrouw; zij stond, in een grooten zwarten omslagdoek gehuld, alsof zij door het loopen uitgeput was, tegen een lantaarnpaal geleund en staarde naar den door de maan verlichten vloed. Misschien verstond zij de murmelende golven, misschien hoorde zij het zachte zingen en lokken dei-schaduwachtige nevelgestalten daar beneden in de diepte......wie kon het weten ?
Het oog steeds strak op den vloed gericht, naderde zij aarzelend de leuning der brug. Arnold wilde op haar toesnellen, haar tegenhouden, maar reeds sprong van den anderen kant een man te voorschijn, greep de ongelukkige en trok haar terug. Zij stiet een schreeuw uit, het was een woeste, gillende kreet, die door merg en been drong.
Afwerend hief zij de hand op, toen Arnold, door medelijden bevangen, haar naderen wilde ; haastig blikte zij naar alle zijden om. Een kleine, open jachtwagen, met twee vurige paarden bespannen, kwam de breede straat doorvliegen. Zonder zich een oogenblik te
138
bezinnen, liep de vrouw, voor iemand het verhinderen kon, den wagen te gemoet, wierp zich op den grond en was het volgend oogen-blik door de hoog steigerende paarden vertreden. Met uitgestoken armen stortte Arnold zich voor de dieren en hield ze terug.
De verschrikte paarden snoven en briesch-ten en sprongen trillend op zijde. Van het trottoir en uit de naaste huizen stroomden menschen toe. De elegante heer in den lichten stofmantel, die op den hoogen bok zat, stiet een korten vloek uit en zwaaide de zweep — te vergeefs; Arnold had de paarden in zijn macht. De waanwijze groom riep brutaal: „Laat los!quot; Maar Arnold verroerde zich niet van de plaats. Het gedrang van menschen werd steeds grooter; reeds stond de menigte hoofd aan hoofd. Er werden-lantaarns en een draagbaar gebracht. Daar hoorde Arnold op vertwijfelenden toon iemand uitroepen: „Kesi, ach, Resi!quot; Hij wendde zich om, liet de paarden vrij en trad op de groep toe, waar omheen zich een dichte kring van nieuwsgierigen en belangstellenden gevormd had. Bij het onzekere
139
licht der lantaarn, zag hij midden op straat den man neerknielen, die te voren de ongelukkige verhinderd had, in het water te springen,- nu eerst herkende Arnold hem: het was Paul. Op zijn knieën rustte Resi\'s hoofd. „Zoo, in den dood gejaagd, verpletterd, in het stof getreden, heeft hij haar moeten vinden, de zoo lang en smartelijk gezochte kleine vriendin zijner kindeijaren,quot; dacht Arnold, en toorn en onwil brachten zijn gemoed in beweging.
Het meisje scheen nog te leven; haar lichaam bewoog zich stuiptrekkend. Zij sloeg de oogen op; haar blik trof den eleganten heer op den bok van den jachtwagen, haar gelaat werd verwrongen, zij steunde zich op haar rechter arm en hief den linker als tot een vloek naar hem op. Ook hij had het meisje herkend. Aller blikken waren op hem gericht. Met verwondering bespeurde Arnold, dat deze heer niemand anders was dan de heer von Warren. Een koude, duivelachtige lach gleed over Warrens gelaat. Nog eenmaal hief hij de zweep op, ditmaal met beter gevolg; Arnold stond
140
ter zijde en de volkomen wild geworden paarden konden zich onverhinderd baan breken door het dichte menschengedrang. Huilend en schreeuwend week het volk op zijde, maar niemand beproefde het den wagen tegen te houden, die in een ommezien aan de blikken der menigte was onttrokken.
Resi werd in een der naast gelegen huizen gebracht. Het was de ons welbekende herberg „De Lindeboomquot;. In een achterkamertje, dat den waard tot slaapvertrek diende, had men haar gedragen. Zij lag roerloos op het bed, dat men in het midden der kamer geschoven had. Op de tafel en aan den muur brandden twee kaarsen.
De geneesheer, wiens hulp men had ingeroepen, trad schouderophalend van het bed terug, alsof hij zeggen wilde, dat geen hulp meer mogelijk was. Paul Dorn, die hem vol spanning had gadegeslagen, boog zich nu over Resi heen en kuste haar herhaalde malen op de kleurlooze lippen. Arnold trad werktuigelijk naar voren, als wilde hij de stervende den
141
laatsten troost bieden, zooals hem zijn plicht als priester gebood. Resi bemerkte het, schudde zwijgend het hoofd en wendde zich af.
Deze stomme afwijzing trof Arnold gevoeliger dan de bitterste hoon. Nu eerst zag hij met vreeslijke duidelijkheid, welk een erbarmelijke rol hij speelde; hij werd door zulk een diepen afschuw voor zich zelf bevangen, dat hij schuw naar alle zijden rondkeek, alsof hij een wapen zocht om zich zelf in het hart te stooten en een eind aan zijn mislukt leven te maken.
Daar voelde hij plotseling op zijn borst het manuscript zijner bekentenis; hij had het bijna vergeten. Hij vatte weder moed; het scheen hem, alsof hij een zending te vervullen had; alsof hij er toe geroepen was door zijn woord de algeheele omkeering te voorschijn te roepen, die vroeger of later volgen moest; het oude geloof te vernietigen en te sterven als martelaar eener nieuwe wereldbeschouwing.
Resi\'s gezicht werd door een gelukkig lachje verhelderd. Zij greep naar de hand haars vriends, alsof zij zich aan hem wilde vast-
142
klemmen — het was te laat; de dood liet zijn buit niet los. Zij ademde eenige malen diep en zwaar en gaf toen den geest.
Paul Dorns oogen bleven droog. Toch gloeide daarin een onheilspellend vuur. Hij ging op de kleine deur toe, die naar de gelagkamer voerde, en opende ze.
Evenals destijds, ongeveer een jaar geleden, zag Arnold de arbeiders bij elkaar zitten onder het drinken van hun wijn en het voeren van levendige gesprekken. De vlugge waard, Biedermann Schulze, draafde heen en weer en voorzag de gasten van wijn; maar hij glimlachte minder vergenoegd dan anders en wierp van tijd tot tijd onrustige blikken naaide kleine deur zijner slaapkamer.
Toen hij Paul Dorn bespeurde, gaf hij den rooden Jakob een teeken; . deze stond op. Spoedig verstomden alle gesprekken. Onhoorbaar en plechtig volgden de fabrieksarbeiders en al de andere ontevredenen en oproerigen hun leider, den bekenden redacteur der volkscourant, in het kleine kamertje naai- het bed der gestorvene.
143
Paul Dorn keek den kring rond, alsof hij zich overtuigen wilde, of hij nog steeds dezelfde macht over de gemoederen van het volk bezat als vroeger. Hij begon te spreken, maar ditmaal vermaande hij niet tot geduldig wachten, hij predikte openlijk oproer en verzet. Hij sprak met trillende stem, in korte, afgebroken zinnen. Elk zijner woorden werd met een gemompel van bijval begroet.
De lucht in het kleine vertrek werd drukkend warm; de lichten doofden uit, de volle maan scheen helder door het kleine raampje. Haar licht viel op het bleeke gelaat der doode en op de door woeste dweepzucht verwrongen trekken der mannen.
Met heesche, bijna onhoorbare stem besloot Paul Dorn zijn redevoering; hij legde zijn hand op Resi\'s hoofd en riep: „Wraak! Zweer het bij het hoofd dezer gestorvene!quot; En „wraak!quot; klonk het dof en dreigend terug.
-fs
s.
C^-
144
9
amp; quot;10
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
^en merkwaardig natuurverschijnsel hield sedert eenigen tijd de geheele bevolking bezig en werd, zooals dit gewoonlijk gaat met zaken, waarvoor men geen verklaring kan vinden, op de meest verschillende wijzen uitgelegd.
Men nam namelijk eiken avond, lang na zonsondergang, aan den horizont een nooit te voren bespeurden helderrooden gloed waar, die wel het afschijnsel van een ver verwij-
c)
,s
SV
10
derden brand geleek en slechts langzaam met de invallende duisternis verdween. Het verschafte den geleerden heel wat hoofdbrekens en zij kwamen met de wonderlijkste hypothesen voor den dag, om toch maar niet te moeten bekennen, dat zij ook eens voor een raadsel stonden. Het volk echter legde dit ongewone schouwspel volgens zijn eigen denkwijze uit en bracht het in zijn verbeelding met zekere, eveneens onbestemde, aanstaande onheilen in verband; de gloeiende horizont was voor hen geen bloot luchtverschijnsel, maar een voorteeken ■ van aanstaand gevaar en bloedigen strijd; er was moord en brand in het verschiet..
Ook heden avond was er iets drukkends, onheilspellends in de lucht; de hemel was loodkleurig; de half achter wolken verscholen maan wierp een bleek, geelachtig schijnsel over de geheele landstreek. Geen blad bewoog zich, het meer was spiegelglad. Het klooster troonde daar in ernstige en sombere majesteit boven op zijn eenzame rotsen; alleen uit Arnolds cel scheen nog een zwak licht.
Maar hoor! Klonk dat niet als gelach en
140
O) to
9 (2.
het rinkelen van bekers? Wie waagde het de dreigende stilte der natuur, den vrede van het klooster zoo overmoedig te verstoren?
Het waren de lustige monniken. Zij zaten onder een vroolijk feestmaal in de hooge, gewelfde eetzaal van het klooster. Het maal liep ten einde; op den disch prijkten de schoonste vruchten en taarten, waarvan de verzadigde monniken slechts een matig gebruik maakten; des te ijveriger spraken zij den wijn aan, dien de dikbuikige broeder keldermeester, met de sluwe oogjes, niet moede werd te schenken; hij had voor het gemak het vat midden in de zaal gerold en hield er de eene hand teeder omheen geslagen, terwijl hij met de andere den steeds goed-gevulden beker naar den mond bracht, waarbij hij allerkoddigste gezichten trok en zielsvergenoegd voor zich heen knikte. Tusschen-beide, als hij door een schaar dorstige monniken belegerd werd- en voor zijn post moest zorgen, gaf hij een woest drinklied ten beste, dat door de omstanders met jubelenden bijval begroet werd.
^____
147
Sommige jonge en oudere zondaars hadden knappe boerenmeiden op hun knieën zitten en liefkoosden ze ongegeneerd.
Om den geestigen, kleinen broeder Anto-nius en zijn vriend, den grijsgebaarden pater Josephus, die wel een welgedanen Mephisto geleek, had zich een groep gevormd, die gretig luisterde naar de komieke kloostergeschiedenissen, waarin de beide monniken elkander de loef trachtten af te steken.
Verscheiden zwijgende drinkers zaten afgezonderd en keken melancholiek in hun glazen; anderen • hielden elkander broederlijk omarmd en weenden van aandoening.
Tegenover den zielsvergenoegden keldermeester hadden zich op een groote eettafel, die zij als een soort van tooneel schenen te beschouwen, vier muzikanten geposteerd. Het corps bestond uit een ouden kaalkop, die de contre-bas streek en lustig zijn oogen verdraaide, een jongen, knappen monnik, die de schoonste toonen aan zijn viool wist te ontlokken en daarin geheel scheen op te gaan, een holwangigen klarinetspeler en een dik.
c)
c?i
148
rond patertje, die vol ijver en zelftevredenheid valsche toonen uit zijn waldhoorn ten gehoore bracht, hetgeen hem zacht verwijtende blikken van den holwangigen klarinetspeler op den hals haalde, waartegen hij zich in komische vertwijfeling door allerlei gebarenspel trachtte te verdedigen. De muziek, die zij ten uitvoer brachten, klonk half als koraal- half als lustige dansmuziek. Voor de laatste hielden haar twee zalige patertjes, die tot algemeen vermaak op een open plek een grootschen dans uitvoerden.
Slechts zaten aan het boveneind der tafel twee monniken, die zich om de algemeene vroolijkheid weinig bekommerden. Zij proefden voorzichtig van den vurigen wijn, die voor hen stond, en waren in een levendig, op ge-dempten toon gevoerd gesprek verdiept.
De een was prior van het klooster, een groot, mager man, met een ziekelijk voorkomen en stekende oogen; de ander droeg een eenvoudig priestergewaad; toch was hij klaarblijkelijk meer dan een rondtrekkend bedelmonnik — dit bewezen zijn bevelende
149
blik en de trotsche trek op zijn perkament-kleurig gelaat.
„Wij hebben alles, wat gij ons gemeld hadt, rijpelijk overwogen, broeder,quot; sprak de bedelmonnik. „De in \'t oog vallende afzondering van het leven der anderenquot; — hij wees met een verachtelijk gebaar op de overmatig drinkende monniken — „en het bestudeeren van kettersche geschriften zou alleen reeds voldoende geweest zijn verdenking te verwekken. Het afschrift uit het dagboek van dezen ellendelingquot; — zij spraken van Arnold — „dat gij zoo welwillend waart ons te verschaffen, bewijst echter afdoende, waar deze jeugdige heethoofd heen wil. Verraders kunnen wij in ons leger niet gebruiken; daarom breng ik u heden het bevel, hem onschadelijk te maken.quot;
De prior boog, zijn hand trilde, op zijn ziekelijk gelaat vertoonden zich roode plekken, maar zijn stekende oogen hadden zulk een vastberaden uitdrukking, dat de bedelmonnik, die hem bij de laatste woorden oplettend had gadegeslagen, over den indruk zijner rede tevreden scheen.
130
„Morgen, na de vroegmis, vertrek ik,quot; voegde hij er bij, „tegen dien tijd moet mijn bevel volvoerd zijn.quot;
Terwijl beneden in de eetzaal Arnolds lot beslist werd, zat hij peinzend in zijn eenzame cel. Zijn bekentenis was in het laatste nummer der „Volkscourantquot; openbaar gemaakt en dus in duizenden van exemplaren door het land verbreid.
Het leven had voor hem geen doel meer, en toch aarzelde hij nog er een eind aan te maken. Wat hem eigenlijk terughield, wist hij zelf niet. Het was een soort van voorgevoel, dat hem iets onbestemds te wachten stond. Hij begaf zich naar het venster en wendde zijn blik naar het kleine slot aan het meer. Het was feestelijk verlicht; door de doodsche stilte van den avond vernam Arnold duidelijk de gedempte toonen van vroolijke dansmuziek.
En weder drong het zich aan hem op, het beeld, dat hem als een zware, drukkende droom onophoudelijk vervolgde:
In de kerk voor het altaar stond Bianka
151
in een wit tronwgewaad aan de zijde van den heer von Warren, dicht daarnaast een ander paar: zijn moeder en Leo Haller; de priester hief zegenend de handen op, en deze priester was Arnold zelf.
Weder wendde hij zijn blik naar buiten en luisterde naar de klanken der opwekkende muziek. Het was, alsof hij er zich van overtuigen wilde, dat het beeld, hetwelk hij zoo duidelijk voor oogen had, geen droom, maar werkelijkheid was; dat aan den overkant, in het kleine slot aan het meer, inderdaad een dubbele bruiloft gevierd werd.
Op dit oogenblik voer de eerste windvlaag over het meer. Arnold sloot het venster en ging terug.
Lange, pijnlijke uren gingen voorbij. Daar vloog een steentje tegen de ruiten; na korte tusschenpoozen volgde een tweede en derde. Het was het met Paul Dom afgesproken teeken. Zonder dralen spoedde Arnold zich door een zijpoortje naar buiten. Paul Dorn trad op hem toe en drukte hem zwijgend de hand.
152
„Hoe is het gesteld/\' vroeg Arnold, „is mijn bekentenis gedrukt?quot;
„Ja, op het rechte oogenblik,quot; gaf de ander ten antwoord. „Alles was reeds tot den opstand voorbereid. Uw woorden hebben gewerkt als een vonk, die in een vat buskruit valt. De uitwerking was kras. AVilt ^ ge ze zien?quot;
Hij bracht Arnold eenige schreden verderen wees naar het kleine slot aan het meer.
Het stond in vlammen. Ontelbare fakkels zwaaiden door de lucht en staken rechts en links alles in brand; om het geheele slot sprongen en vlogen roode vuurslangen, alsof er een woeste fakkeldans werd uitgevoerd. De wind wakkerde aan tot een orkaan en deed den brand toenemen tot een schouwspel van grootsche, vreeslijke pracht. Er verhief zich zulk een geweldig geraas, alsof de golven van het meer daar kwamen aanbruisen. Het was Arnold, alsof ze hem en geheel de wereld rondom hem moesten verzwelgen en begraven.
Al nader en nader kwam het in stoute vaart aanvliegen, het duistere noodlot des tijds. Hij
gevoelde, dat het hem en vele duizenden met hem vermorzelen en vertreden zou, maar hij gevoelde ook geheel de overweldigende grootsch-heid der uit dood en vernietiging tot een nieuw leven opgestane denkbeelden, hij gevoelde, dat daaruit een reiner geloof, hoogere idealen der menschheid zouden geboren worden, en daarvoor bukte hij.
Nu vernam men afzonderlijke stemmen. Blijkbaar rukten de opstandelingen op het klooster aan. Weder streek er een windvlaag door de lucht en de maan verlichtte den breeden rijweg, die naar het klooster voerde.
Daar ontdekte Arnold een witte gestalte, die al sneller en sneller het klooster naderde.
En terzelfder tijd wist hij, dat het niemand anders was dan Bianka, die tot hem kwam, om met hem te sterven. Weinig oogenblikken daarna lag zij, zwaar ademhalend, in zijn armen. Zij droeg haar wit trouwgewaad; de lange sluier was vaneengereten en het haar hing haar los om de schouders. Zij vlijde zich vast tegen Arnold aan, die haar gezicht met kussen bedekte.
154
„Met waar, liefste, ik ben lang uitgebleven ? O, dat al dit ontzettende heeft moeten gebeuren, eer ik tot inzicht kwam, dat ik niemand in heel de wereld zoo beminde als u! Eerst toen ik den dood voor oogen had, gevoelde ik, dat mijn leven alleen u toebehoort. Alles werd mij helder: ik wist, dat gij mij bemint, en op mij wacht. Daar ben ik.... o, kus mij nog eenmaal — dan — kom, kom! Hoort gij het? Zij rukken nader, zij willen ons vermoorden !quot;
Bianka maakte zich uit Arnolds armen los, greep zijn hand en boog zich luisterend naar voren.
Inderdaad was het hoog tijd te vluchten, want de weg dreunde onder de schreden dei-naderende menigte.
Nu het gevaar voor hem stond, kreeg Arnold zijn bezinning terug. De eenig mogelijke redding bestond er in, de rotstrap naar het meer af te dalen en in een bootje den tegen-overliggenden oever te bereiken.
Hij deelde Bianka zijn plan mede, en reeds in het volgend oogenblik brachten zij het ten
15n
uitvoer. Arnold ging vooraan, terwijl Bianka zich met beide handen op zijn schouders steunde.
Het meer lag daar donker en geheimzinnig voor hen, gelijk hun eigen lot; maar zij gevoelden zich zoo nameloos gelukkig, als nimmer te voren.
Beneden aangekomen, vonden zij het kleine, gebrekkige bootje des ouden visschers. Arnold schoof het in het water; Bianka echter stond aan den oever en zong zacht voor zich heen: „Daar heeft het arme meisje , Aan liefde\'s macht geloofd!quot;
Arnold sloeg zijn armen om haar heen en tilde haar in het bootje. Het meer was bewogen. Arnold trachtte te roeien — vergeefs. Nu spande hij een zeil; als een meeuw vloog het kleine vaartuig over de dansende golven. Maar zij hadden nauwlijks het midden van het meer bereikt, of het onweder, dat reeds lang gebroeid had, brak los. De donder rommelde. Felle bliksemstralen doorkliefden de lucht. Een wervelwind greep het bootje aan. Nog eenmaal verhief het zich hoog op de
151)
golven. Arnold en Bianka rustten in elkanders armen. Het oude klooster en de hooge, rotsachtige bergmassa\'s waren in bloedig rood gehuld.
Een laatste wilde, hartstochtelijke kus, toen zonk de boot in de diepte........
Tegen den morgen trok het on wed er af. Rust en vrede keerden terug, en in stralende pracht en heerlijkheid brak door donkere wolken de zon van een nieuwen dag.
Yoor Leesgezelschappen wordt aanbevolen:
P. F. Brunings, 1815.
„ „ Bergen en dalen.
Vijf novellen.
De Wilde Roos, 2 dln.
Molmenti, Clara.
Ermann, Maar een meisje.
De Beis der Snipsemaatjes.
Newman, Jane, 2 din.
Claire v. Glümer, Alteneichen.
P. Harting, Slachtoffers der Wet.
Swabth, V. R. Haagsche roman.
van Loo, Rood of Blauw?
De Rijndonks der Veluwe, 2e drak.
C. F. van Duijl, Dagvliegen.
„ „ Nederlandsche Typen en Schetsen, met platen van Braa-kensiek. le bundel. „ „ Idem. 2e bundel. K. Wartenbxjrg, Bismarck en de Jezuïtenorde.
lt;3\\_____ra
159
6